Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 4
by John Gabriel Stedman · Dutch · Gutenberg #8099 · 373,462 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 4
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 4
Author: John Gabriel Stedman
Release date: May 1, 2005 [eBook #8099]
Most recently updated: September 25, 2014
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/8099
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreaders Team
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REIZE NAAR SURINAMEN EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA — DEEL 4 ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreaders Team
REIZE NAAR SURINAMEN EN GUIANA. IV.
REIZE NAAR SURINAMEN, EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA;
DOOR DEN CAPITAIN JOHN GABRIËL STEDMAN.
MET PLAATEN EN KAARTEN.
NAAR HET ENGELSCH
VIERDE DEEL.
TE AMSTERDAM, BY
JOHANNES ALLART,
MDCCC.
INHOUD DER HOOFTSTUKKEN.
XXIX. HOOFTSTUK.
Byzonderheden, betreffende den beruchten GRAMAN QUACY.--Beschryving
van eene Koffy-Plantagie.--Ontwerp tot verbetering van de Volkplanting
van Surinamen.--Verscheiden zoorten van visschen.--Nieuwe trek van
wreedheid.--Voorbeeld van menschlievendheid.--De krygsbende van den
Colonel FOURGEOUD wordt wederom ingescheept.
XXX. HOOFTSTUK.
De Schepen ligten het anker, en steken in Zee. Overtocht.--Het
Zee-paard.--De Noord-kaper.--De Haay.--De Zuiger-visch.--Het
Lootsmannetje.--De Bruinvisch.--Zee-orkaan.--De schepen landen in Texel
aan.--Ontscheping van het krygsvolk in de Stad 's Hertogenbosch.--Dood
van den Colonel FOURGEOUD.--Besluit.
AANHANGZEL.
VOOR-BERICHT.
EERSTE BRIEF.
Van den aart der Landen, derzelver vruchtbaarheid en plaatselyke
ligging.
TWEEDE BRIEF.
Van de manier, om te arbeiden aan Dykagiën, uitwaterende Vaarten,
Sluizen en ander werk, het welk noodig is, om het Land ter bebouwing
gereed te maken.
DERDE BRIEF.
Van het planten en aankweeken van Koffy, en van de noodige
levensmiddelen tot onderhoud van de Planters; van het oogsten
en bewerken der Koffy; van de gebouwen, en verdere noodzakelyke
inrigtingen tot eene groote Koffy-Plantagie, volgens het gebruik der
Hollandsche Volkplantingen in Guiana.
VIERDE BRIEF.
Antwoord op de drie eerstgemelde Brieven, waar by de Fransche Ingezeten
de vraag omtrent de afschaffing der slavernye, in de Volkplantingen,
alwaar dezelve nog plaats heeft, opzettelyk behandelt: hy raadt om
deeze verandering, die noodzakelyk geworden is, te bevorderen; en
geeft de middelen aan de hand, om daar toe te geraken, zonder aan
den voorspoed der Volkplantingen nadeel toe te brengen.
TWEEDE AANHANGZEL,
OF
BESCHRYVING DER VOLKPLANTING VAN CAYENNE.
I. HOOFTSTUK.
Aardrykskundige Beschryving van Fransch Guiana.
II. HOOFTSTUK.
Luchts-gesteldheid in Fransch Guiana.
III. HOOFTSTUK.
Geschiedkundige opgaave, betrekkelyk Fransch Guiana.
IV. HOOFTSTUK.
Bevolking van Fransch Guiana.
V. HOOFTSTUK.
Zeden en gewoonten der Indianen.
VI. HOOFTSTUK.
Behandelingen, welken de Indianen in Fransch Guiana ondergaan
hebben.--Middelen om hun voor de Volkplanting nuttig te maken.
VII. HOOFTSTUK.
Hooge en laage landen.--Timmerhout.--Voortbrengzels van Fransch
Guiana. Levensmiddelen, tot de tafel dienende.
REIZE NAAR SURINAMEN, EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA.
NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.
Byzonderheden, betreffende den beruchten GRAMAN QUACY.--Beschryving van
eene Koffy-Plantagie.--Ontwerp tot verbetering voor de Volkplanting
van Surinamen.--Verscheiden zoorten van visschen.--Nieuwe trek van
wreedheid.--Voorbeeld van menschlievendheid.--De krygsbende van den
Colonel FOURGEOUD wordt wederom ingescheept.
Andermaal in de hoofdstad te rug gekomen zynde, en van de beleefdheid
van anderen geen misbruik willende maken, huurde ik een klein, maar
gemakkelyk huis, aan den waterkant gelegen, en alwaar wy byna zoo
gelukkig leefden, als op de Hoop.
Het eerste bezoek, dat ik ontfing, was van den Capitain LEWIS, die
my berigtte, dat MACDONALD, die dankbaare matroos, van wien ik hier
boven gesproken heb, op zyne te rug reize, na eenen tocht van twaalf
dagen was overleden. Deeze brave jongen had den Capitain verzocht my
van zynent wegen te groeten, en my ter hand te stellen de schelp van
paarel d'amour, met zilver omzet, welke ik hem gegeven had.
Een groot aantal Planters en Colonisten wenschten ons geluk met
onzen goeden uitslag tegen de muitelingen, De beruchte GRAMAN QUACY
vertoonde my ook den fraaijen rok, en gouden gedenkpenning, hem door
den Prins van Oranje geschonken. Deeze Africaan, want hy was van
de kust van Guinee geboortig, vond middel, om, door zyn inneemend
character en door zyne slimheid, zig niet alleen de vryheid, maar
zelfs een gemakkelyk leven, te bezorgen.
Onder de slaven van het laagste zoort den naam van Lockoman,
of toovenaar, verkregen hebbende, werd 'er op de Plantagiën geene
misdaad gepleegd, of GRAMAN QUACY wierd geroepen, om den schuldigen
te ontdekken; het geen hy zeer dikwils deed, uit hoofde zyner
doorzichtigheid, geholpen door het vertrouwen, het welk de Negers
op zyne tooverstreeken stelden, en door het gezag, het welk hy op
hen verworven had. Dienvolgende kwam hy groote onheilen voor; en
tot belooning van zyne diensten, ontfing hy nu en dan aanzienlyke
geschenken. De bende Jagers, en, alle de vrye Negers, waren aan zynen
invloed onderworpen. Hy verkogt hun zyne obias of tooverbanden, om hen
onkwetsbaar te maken, en hun daar door alle vrees te benemen. Door
deeze kunstgreep had hy aan de Volkplanting grooten dienst gedaan,
en tevens goed zyn beurs gemaakt. De Negers baden hem als een God
aan. Het maken van zyne tooverbanden kostte hem weinig: zy bestonden
uit kleine steentjes, zeeschelpen, klein gehakt hair, vischgraaten,
vederen, enz. dit alles wel by elkander gebonden, en een pakje
uitmakende, wierd met een catoen lint om den hals gehangen, of aan
eenig ander gedeelte van het lichaam geplaatst. Hy had, in 't jaar
1730, het geluk, om eenen geneeskrachtigen wortel te ontdekken, die
naar hem Quassie- of Quacy-hout genoemd wierd. [1] Schoon dezelve
thans in Engeland minder beroemd is, dan voor deezen, beschouwt men
dien echter als een zeer krachtig middel tot versterking van de maag,
en herstelling van eetlust. Behalven deeze eigenschap, levert dezelve
ook een krachtig middel tegen de koorts op.
De heer D'AHLBERG, dien ik reeds in het verhaal van deeze reize
genoemd heb, maakte, in 't jaar 1761, het Quasie-hout aan den beroemden
LINNÆUS bekend, en deeze Zweedsche Natuurkenner heeft naderhand eene
verhandeling over deeze plant geschreven. Door middel van deeze
gewichtige ontdekking, zoude QUACY groote rykdommen hebben kunnen
verzamelen, zoo hy zig niet aan een liederlyk leven en verkwistingen
had overgegeven, waar van de gevolgen zwaare ziekten waren, en
inzonderheid de melaatsheid, die, zoo als ik reeds gezegd heb,
volstrekt ongeneeslyk is. Hy moet niettemin eenen hoogen ouderdom
bereikt hebben, schoon hy den juisten tyd van zyne geboorte niet wist,
maar hy was dikwils gewoon te verhaalen, dat hy als trommelslager
diende, en op de Plantagie van zynen meester alarm sloeg, toen de
Fransche Admiraal, JACQUES CASSARD, in 't jaar 1712, de Surinaamsche
Volkplanting onder schatting stelde.
Het Portrait van deezen buitengewoonen man, met zynen gryzen kop,
en zyn scharlaken en blaauwen rok, met goud omboord, afgereekend
hebbende, biede ik het zelve den lezer aan.
Zelfs in de week van myne te rug komst op Paramaribo, ondervonden
wy nieuwe bewyzen van de goede uitwerkingen, welken de tooverbanden
van GRAMAN QUACY te weeg bragten. Een Capitain der Jagers, HANNIBAL
genaamd, bragt aldaar twee handen van twee oproerige Negers, die hy
ontmoet, en zelf gedood had. Eene van die handen was afgehouwen aan
den Neger CUPIDO, in 't jaar 1774, gevangen genomen door den Colonel
FOURGEOUD, die hem in de bosschen agter aan voerde, tot dat het aan
deezen Neger, in weêrwil van de ketenen, waar aan hy geboeid was,
gelukte te ontsnappen.
Myne vrienden een bezoek gevende, ging ik den heer ANDREAS REYNSDORP
zien, die my een liskoord en een knoop van een hoed, met diamanten,
toonde, die hem twee honderd guinies gekost hadden.--Zoo groot is de
weelde in Surinamen. Deeze pracht was nog verre beneden die van den
heer D'AHLBERG die behalven eene goude snuifdoos, met edele gesteenten
omzet, en hebbende de waarde van 600 ponden sterlings, my twee stukjes
zilver geld vertoonde, met goude randen, en met diamanten omzet, met
dit opschrift: Soli Deo gloria, fortuna beatum &c. My niet hebbende
kunnen wederhouden, om hem myne verwondering te kennen te geven, dat
hy zoo byzonder veel werk maakte van twee zulke ligte stukjes, gaf hy
my ten antwoord, dat dit al het gereed geld was, het welk hy bezat,
toen hy uit zyn vaderland, Zweden, in deeze Volkplanting kwam.--Werkte
gy? zeide ik hem.--Neen.--Vroeg gy om een aalmoes?--Neen.--Gy hebt
evenwel niet gestolen?--Neen; maar, onder ons, ik gedroeg my als een
geestdryver; het geen nu en dan zeer noodzakelyk is, en de drie andere
kostwinningen overtreft. Ik zal nog een voorbeeld bybrengen van de
buitensporigheid van zommige inwooners deezer Volkplanting. Twee van
hun geschil hebbende over een koets, die zeer cierlyk gebeeldhouwd en
zeer kostbaar was, zynde kortlings uit Holland aangekomen, moest men
zyne toevlucht nemen tot de rechtbank, om te weten, aan wien dezelve
toebehoorde; en geduurende den tyd, dat het twistgeding duurde, bleef
het rydtuig in de open lucht staan, en verloor al deszelfs waarde.
Den 10den February, wanneer de meeste onzer Officieren te Paramaribo
te rug gekomen waren, gaf de Colonel hun, in het hoofd-kwartier,
een zoo genaamd festyn. Met de vreugde op het aangezicht geschilderd,
gaf hy ons kennis, dat hy zynen tocht ten einde gebragt had. Zonder
veel bloed te vergieten, had hy zyn oogmerk volmaakt bereikt, door
één-en-twintig gehuchten of dorpen te vernielen, en twee honderd
velden te verwoesten, waar op allerleije zoorten van planten groeiden,
van welken het bestaan der muitelingen afhing. Hy bevestigde ons ook
de tyding, dat zy byna allen de Rivier Maroni waren overgetrokken,
en zig in de Fransche Volkplanting van Caijenne hadden nedergezet,
alwaar men hun niet alleen eene schuilplaats verleende, maar zelfs
alles verschafte, wat zy benoodigd hadden. Wy wenschten hem van
goeder harten geluk, en wy dronken driewerf den voorspoed van de
Surinaamsche Volkplanting, welkers toekomende veiligheid afhing van
het nieuw cordon, of van den verschansten weg, die door het krygsvolk
der Sociëteit en de Neger-jagers verdedigd wierd.
De Colonel FOURGEOUD, en zyne krygsbende, worden, in het werk
van Dr. FERMIN, twee malen aangehaald als de redders deezer
Volkplanting. De Abt RAYNAL spreekt 'er ook met zeer veel roem
van, en zyne loftuitingen zyn met de rechtvaardigheid en waarheid
overëenkomstig. Eene zaak is 'er, die den Colonel onëindig veel
eere aandeed, namelyk dat, hoe zeer hy zyne soldaten op geenerhande
wyze spaarde, hy nimmer eenen gevangen muiteling in koelen bloede
deed ombrengen; ja zelfs, wanneer het hem mogelyk was, ontweek hy om
denzelven in handen van den Rechter over te leveren. Hy wist, dat zyn
plicht medebragt de muitelingen te verjagen; maar hy wist ook tevens,
dat geweldadige en onmenschelyke mishandelingen hen tot muiterye hadden
doen overslaan. Ik zelf, die, in de drie eerste jaaren, door hem op
eene ongepaste manier vervolgd wierd, moet tot zynen roem verklaren,
dat hy onvermoeid in den dienst was, en dat hy, in weerwil van eenige
gebreken, een uitmuntend Officier was.
De Bevelhebber melde ons bovendien, dat twee schepen, die met
krygsbehoeften voor ons geladen waren, op de reede van Texel waren
gestrand; maar dat men een gedeelte van hunne lading geborgen had,
en in twee andere schepen overgeladen, die in de Rivier Surinamen
aankwamen.
Ik stond toen in zulk eene blakende gunst by den Colonel, dat hy my
zelfs tot zynen vertrouweling nam. Ik wist daar door zyn voornemen,
om het nieuwlings ontscheepte krygsvolk nog verscheiden maanden
na ons vertrek in 't veld gelegerd te houden, welke ongemakken zy
'er ook door lyden mogten. Hy noemde my vervolgens de Officiers,
welken hy, na zyne aankomst in Holland, wilde tegenwerken, als mede
welken hy door zyne aanbeveeling wilde doen bevorderen; maar ik nam de
vryheid hem hier in de reden te vallen, en op myne eer te verklaren,
dat de eerstgemelde door my weten zouden het gevaar, dat hun over 't
hoofd hing, zoo hy 'er by bleef, om zulk een onrechtvaardig ontwerp
ter uitvoer te brengen. Deeze verklaring bragt ten minsten die goede
uitwerking te weeg, dat het gesprek van zulk een onäangenaam voorwerp
wierd afgeleid. Ik verzogt hem vervolgens, "dat hy zig de noodlottige
gesteltenis herïnneren zoude, waar in dit zelfde volk zig bevond
aan de Cassipory-Kreek, terwyl hun Heelmeester goude horologiën, en
diamanten ringen overwon, met het genezen van de ingebeelde ziekten
der aanzienlyke lieden op Paramaribo". Hy antwoordde my: Gy zyt een
braave jongen; en beloofde 'er aan te zullen gedachtig zyn.
Ik wierd toen door Capitain MACNEYL genoodigd, om eenige dagen op
zyne Koffy-Plantagie te gaan doorbrengen; maar, hoe zeer ik deeze
uitnoodiging niet konde aanneemen, zal ik my echter van deeze
gelegenheid bedienen, om de nuttige plant, Koffyboom genaamd, te
beschryven, die, niet oorsprongelyk uit Guiana herkomstig zynde,
zoo men zegt, door den Graaf DE NEALE te Surinamen gebragt wierdt,
schoon zommige Schryvers daar van de eer geven aan zekeren zilversmit,
HANSBACH genaamd.
De Koffy-boon [2] koomt voort van den Koffy-boom, welke eene bevallige
gedaante heeft, en die men niet hooger laat groeijen, dan tot een mans
hoogte, om de vrucht des te gemakkelyker te kunnen plukken. De schors
van deezen boom heeft eene helder bruine kleur; en zyne bladeren,
zynde altyd groen, glad, glinsterend en hoog gekleurd var boven,
bleek van onderen, uitgesneden, maar zonder getand te zyn, aan de
beide einden puntig, aan de buitenkant stomp, drie of vier duimen
lang, en omtrent twee breed, zitten aan zeer korte steelen, en eene
uitspringende kant verdeelt dezelve benedenwaarts in twee gelyke
deelen. De boom is 'er geheel mede bedekt, en zyne takken spruiten op
eenen kleinen afstand van den grond uit. Deszelfs beziën zyn eirond,
in 't begin groen, en langzamerhand van kleur veranderende tot dat
zy ryp zyn, wanneer zy eene heldere roode kleur vertoonen, even als
de kerssen. Het vleesch van elk deezer beziën, hebbende eenen vry
aangenaamen zoetächtigen smaak, eene speceryen geur, en eene bleeke
kleur, omgeeft twee nootedoppen, die dicht aan elkander zitten, en
elk eene halve boon of zaad bevatten van een kraakbeenigen aart, eene
bleeke of geelächtige groene kleur, eyrond, aan de eene zyde bolrond,
aan de andere plat, en aldaar over deszelfs geheele lengte met eene
zeer diepe groeve doorsneden. Men zegt, dat één Koffy-boom drie of
vier ponden koffy by elken oogst kan opleveren; en even als andere
plantgewassen van dit Land geeft dezelve twee malen 's jaars vruchten.
De gebouwen op eene Koffy-Plantagie, bestaan in het huis van den
Planter, het welk men, om de aangenaamheid, doorgaans aan den
oever van eenige Rivier plaatst; en dicht daarby, gemakshalven, de
woning van den opzichter, van den boekhouder, de magazynen, en kleine
bergplaatsen. De verdere gebouwen, tot de bewerking geschikt, zyn eene
wooning voor den timmerman, een timmerwerf, een zoort van schuur om het
vaartuig in te bergen, twee koffy-huizen, het één, om de boon van het
verdere gedeelte der vrucht af te scheiden, en het ander, om dezelve
te laten droogen. Het overige bestaat in woningen voor de Negers,
in een hospitaal, een beestenstal, en magazynen. Het geheel heeft het
voorkomen van een klein gehucht. Het koffy-huis alleen kost zomtyds
vyf duizend ponden sterling, en zelfs meer. Maar om een volkomener
denkbeeld van het geheel te geven, verwyze ik den lezer naar de daar
van door my gemaakte afteekening. Hy zal op dezelve zien de plaats der
gebouwen, de velden in hunnen vollen groei, de paden, de grachten,
de Huizen, alles behoorlyk onderscheiden. Eene dergelyke Plantagie,
op die wyze gerangschikt, vereenigt in zig aangenaamheid, gemak, en
veiligheid: aangenaamheid, om dat zy volmaakt regelmatig is; gemak,
om dat alles aldaar onder het bereik en het oog van den Planter verrigt
wordt; veiligheid, om dat zy door eene zeer breede gracht omringd is,
waar in het water uit de Rivier loopt, en waar over een valbrug legt,
die des nachts wordt opgehaald, en alle gemeenschap van buiten afsnydt.
De landen, tot bebouwing geschikt, zyn in groote vierkante vakken
verdeeld, waarop doorgaans twee duizend fraaije koffy-boomen staan, die
op den afstand van tien voeten van elkander geplant zyn. Deeze boomen,
die op de drie jaaren vruchten beginnen te dragen, hebben op de zes
jaaren hunnen volkomen wasdom bereikt, en worden dertig jaaren oud. In
plaats van de boomen, die sterven, plant men jonge loten, die uit eene
kweekery gehaald worden, zynde een zeer wezentlyk gedeelte, waar aan
eene Plantagie nimmer gebrek moet hebben. Ik heb reeds opgemerkt,
dat men twee maalen's jaars oogsten kan: de eerste heeft plaats op
het einde van de maand Juny, de andere op het einde van November.
Het is in dit oogenblik niet onäangenaam, Negers van allerleijen
ouderdom, deeze beziën van eene helder roode kleur te zien plukken;
en terwyl de meer bejaarden hunne taak afwerken, vermaken zig de
jongere, die reeds dezelve geeindigd hebhen, met onder een aangenaam
groen te stoeijen.
Zy verschynen vervolgens allen voor den Opzichter, die de geenen, wier
manden niet vol genoeg zyn, doet zweepen, welke reden van verschooning
zy ook mogen bybrengen. Dit gedaan zynde, worden de vruchten in de
schuur gebragt, en de slaven keeren naar hunne woningen te rug. Om het
vleesch der vrucht van de boonen af te scheiden, worden de vruchten
in een molen, die daar toe gemaakt is, gewreven; vervolgens worden de
boonen in water geworpen, waar in zy een nacht blyven; men spreidt ze
als dan uit op een zoort van dorschvloer, gemaakt in de open lucht,
en met platte steenen, om daar op de boonen te laten droogen. Deeze
bewerking afgeloopen zynde, begint men wederom eene andere, byna van
gelyken aart, daar in bestaande, dat men de boonen op den vloer van
eene zolder uitspreidt. Aldaar dampen zy uit, en droogen inwendig, en
men draagt zorg om ze dagelyks met houten schoppen om te roeren. Om
de drooging volkomen te doen zyn, werpt men deeze zelfde boonen in
kuipen, die op rollen loopen, en men draagt zorg, dat ze niet door
den regen nat worden. Men wryft ze vervolgens in houten mortieren, om
de schil of het vlies, waar mede de boonen in de vrucht aan elkander
vast zitten, van één te scheiden. De Negers doen dit werk op de maat,
onder een algemeen gezang.
Eenige Koffy-Plantagiën in Surinamen brengen jaarlyks meer dan
150,000 ponden gewicht voort; en, gelyk ik reeds heb opgemerkt, het
jaar voor onze komst, voerde men, alleen naar Amsterdam, 12,267,134
ponden van dit aangelegen voortbrengzel uit, waar van de prys van
zeven tot agtien stuivers verschilde, maar die, midden door gerekend,
eene somme van 400,000 ponden Sterling opbrengen, zonder daar nog by
te rekenen het geen naar Rotterdam en Zeeland verzonden wierd.
Dit is genoegzaam tot betoog, dat het aankweken der koffy allen
aandacht van de Planters verdient. Ten aanzien van derzelver
hoedanigheden is het onnoodig den lezer te onderhouden.
Met deeze beschryving zal ik de waarnemingen eindigen, door my omtrent
de voortbrengzels van het Planten-ryk in deeze Volkplanting gemaakt,
naar mate dezelve zig aan my aanboden. Ik zal 'er echter byvoegen,
dat de verscheidenheid en buitengewoone eigenschappen der boomen,
planten, wortelen, enz. in dit Land, van dien aart zyn, dat zelfs de
oudste inwooners dezelven niet volkomen kunnen kennen.
Het is eenige jaaren geleden, dat de Graaf GENTILLY, een kundig man,
met verscheiden Indianen de woestenyen van Guiana doorreisde. Hy
had een aantal aanmerkingen verzameld, waar uit de Kruidkunde groote
voordeelen stond te trekken, toen hy door eene kwaadäartige koorts
wierd aangetast, die hem in het midden zyner zoo gewichtige als
nuttige werkzaamheden in het graf sleepte.
Na alzoo myne berichten nopens de verschillende voortbrengzels deezer
Volkplanting, voornanamelyk catoen, suiker, cacao, indigo en koffy,
geëindigd te hebben; na herhaald te hebben, dat de onderscheidene
boomen, heesters, planten, wortels, gommen, en welriekende dingen,
welken men aldaar ontmoet, uittermaten talryk zyn, en allen van
eene uitmuntende hoedanigheid, is my thans nog overig de belofte te
vervullen, door my gedaan, om aan het oordeel van het publiek eenige
aanmerkingen te onderwerpen, waar van de gevolgen, wanneer ze beöeffend
werden, een onëindig nut aan alle de West-Indische Volkplantingen
zouden aanbrengen, en haar groote rykdommen verschaffen, tevens het
geluk der slaven bevorderende, zonder dat men noodig zoude hebben
tot den handel op de kust van Guinée zyn toevlucht te nemen, om het
dagelyks verlies der Negers te herstellen. Maar het is noodzakelyk
voor af de manier aan te wyzen, op welke zy gerangschikt en behandeld
worden, overëenkomstig de byzondere gewoonte van deeze Volkplanting;
ik zal vervolgens opgeven, hoe zy, niet alleen volgens de wetten der
menschelykheid, maar ook volgens die van het gezond verstand behooren
te zyn.
Ik heb reeds doen opmerken, dat 'er 75,000 slaven van allerleije
benamingen in Surinamen zyn. Om een getal te hebben, het welk zig
gemakkelyker laat verdeelen, zullen wy het stellen op 80,000, en,
daar de Plantagiën een getal van 800 beloopen, veronderstellen,
dat elke Plantagie 100 slaven heeft, (schoon verscheiden derzelven
'er niet meer dan 24, en andere wederom 400 hebben,) dus zullen
wy het getal van 80,000 vinden. De volgende staat of tafel wyst de
onderscheidene diensten of werkzaamheden aan, waar toe zy gebruikt
worden. De eerste reije bevat het getal der slaven van alle ambachten,
die tot elke Plantagie behooren; de tweede, de by elkander gerekende
getallen over alle de Plantagiën.
Staat der Negers, zoo mannen als vrouwen, tot ééne Plantagie
behoorende, volgens derzelver onderscheidene diensten.
Op één Op 800
Plantagie. Plantagiën.
Vier mannen tot huisselyken dienst. 4 3,200
Vier vrouwen, dito 4 3,200
Een kok voor den Planter,
Opzichter, enz. 1 800
Een jager 1 800
Een visscher 1 800
Een tuinman voor de bloem- en
moestuin 1 800
Een Neger, die belast is met het
weiden van paarden en ossen 1 800
Een om de geiten te weiden 1 800
Een tot het weiden van de varkens 1 800
Een Neger, wiens post is aan het
gevogelte eeten te geven 1 800
Timmerlieden, om wooningen,
vaartuigen, enz. te bouwen 6 4,800
Kuipers, om het vaatwerk te maken
en te herstellen 2 1,600
Een metzelaar, om de steene
grondvesten te bouwen en te
herstellen. 1 800
Negers, die eenig handwerk
oeffenen, en andere, die alleen
tot pronk dienen, wonende op
Paramaribo 15 12,000
Een Neger, den post van
Heelmeester waarnemende 1 800
Zieken en ongeneeslyken 10 8,000
Eene minne voor de kinderen, die
door hunne moeders niet gezoogd
kunnen worden 1 800
Zeer jonge kinderen, die nog geen
arbeid kunnen doen 16 12,800
Negers, die te oud zyn om te werken 7 5,600
Negers, alleenlyk geschikt om op
het Land te arbeiden 25 20,000
--- -------
Het geheele getal der slaven 100 80,000
Uit deezen Staat kan men zien, dat het getal der slaven, die
verwezen zyn om den geheelen last van den arbeid op het veld te
dragen, slechts een vierde bedraagt van de gezamentlyke Negers
der Volkplanting; en deeze zyn het voornamelyk, die vroegtydig
sterven. Is het dus niet klaar, dat indien men tot den zelfden arbeid,
met zoo veel gestrengheid, de vyftig duizend slaven gebruikte, die
daar toe bruikbaar zyn, het getal der dooden, jaarlyks op vyf van
't honderd beloopende, ten minsten tot twaalf vermeerderen zoude,
en deeze bevolking, in een weinig meer dan agt jaaren tyds, volkomen
vernielen zoude.
Na getoond te hebben, hoe de slaven verdeeld worden, moet ik kortelyk
opmerken, dat zoo al dertig duizend van dezelven met meerder gemak
leven, dan het gemeene volk in Engeland; en andere dertig duizend
een ledig leven leiden, of ten minsten een leven, het welk tot in
standhouding der Plantagiën van geen nut is; de twintig duizend, die
dan nog overig zyn, over 't algemeen onder de ellendigste schepzels,
die op aarde woonen, gerangschikt kunnen worden. Men geeft hun
naauwlyks te eeten, men put hen uit door vermoeijing, men mishandelt
hen, men ryt hen door wreede straffen van één, zonder te gedogen,
dat zy hunne vorderingen en klachten laten hooren, zonder dat men naar
hunne verdediging begeert te luisteren, zonder dat men hun by eenige
gelegenheid het minste recht laat wedervaren; en op die wyze kan men
hen als levendig dood beschouwen, dewyl zy geene der voorrechten van
de menschelyke maatschappy genieten.
Ik moet aan ieder mensch van gezond verstand vragen, of eene dusdanige
verdeeling niet strydig is met het waar belang der eigenaars,
terwyl dezelve door een verstandiger bestuur hunne rykdommen zouden
vermeerderen, en het leven van hunne slaven zoo zeer niet verkorten?
Indien de onbedachtzaame inwooners deezer Volkplanting hunne weelde,
ik zal niet zeggen 'er van afzien, maar matigen wilden, zouden ten
minsten twintig duizend Negers by het getal der arbeidende gevoegd
worden, het geen door aan de lediggangers werk te verschaffen,
de anderen onëindig ontlasten zoude, en (mits zy allen met minder
wreedheid behandeld werden,) het zoort van sterfte zoude doen ophouden,
die zoo algemeen het lot der eerstgemelden is.
Maar de hervorming moet begonnen worden met menschen, wier gedrag
ten voorbeelde strekken kan. Het is noodig, dat zy, wien het
uitvoerend gedeelte van het bestuur wordt toebetrouwd, geen belang
hebben, om de oogen te sluiten voor buitensporigheden, die by de
wetten verboden zyn: het is noodig, dat nimmer de Gouverneur, en
Regeeringen der Volkplanting, eigenaars zyn van een grooter getal
slaven, dan, overëenkomstig hunnen rang, tot den huisselyken dienst
by hun noodzakelyk is; want ik heb meer dan eens gezien, dat zy,
die de wetten maakten, of met derzelver uitvoering belast wierden,
de eerste waren, die dezelven overtraden, het zy door de Negers
te dwingen, om des zondags te werken, het zy door zig aan alle de
geweldadigheid hunner driften over te geven.
Het is derhalven van aanbelang, dat de Gouverneur en de voornaamste
lieden der Regeering uit Europa gezonden worden; dat zy met de gaven
der fortuin, en de voordeelen van eene goede opvoeding begunstigd
zyn, maar bovendien, dat zy eenen edelmoedigen en standvastigen geest
hebben; dat zy onvatbaar zyn voor omkooping, en zig door den glans
van het goud niet laten verblinden; dat zy eindelyk met gevoelens
van eer en menschelykheid bezield zyn; dat het volk, aan het welk zy
eenen zoo wezentlyken dienst doen, dat de Volkplanting, welke zy zoo
kragtdadig beschermen, hun op eene edelmoedige wyze beloone; maar dat
hunne bezoldingen vast bepaald zyn, en niet van het zweet en bloed
dier ongelukkige Africaanen afhangen; dat deeze zelfde Regeeringen
wetten maken, waar by de arbeid der Negers bepaald wordt; dat deeze
door andere beschermende wetten gevolgd worden, die niet gedogen,
dat deeze ongelukkige slaven gefolterd, van één gereten, vermoord
worden, of dat men hun al het geen den mensch lief is, hunne kinderen
en vrouwen, onbeschaamdelyk ontroove; dat men hun behoorlyk voedzel
geeft, en hun in hunne ziekten laat oppassen; maar voornamelyk, dat
men hun recht laat wedervaren, dat men hen hoort, en hun toestaat,
om de buitensporigheden, waar over zy zig beklagen, door getuigen te
bewyzen, van welke kleur dezelve ook zyn mogen; dat men hun zelfs
een voorrecht laat genieten, het geen voor ons zoo dierbaar is,
om gevonnisd te worden door onäfhangelyke en onpartydige Rechters,
uit hunne landgenooten gekozen. Indien gy eindelyk wilt, dat zy als
menschen handelen en arbeiden, behandel hen dan op dien voet.
Wanneer dusdanige wetten aangenomen en ter uitvoer gebragt werden,
durve ik verzekeren, dat de Europeesche volken onëindige voordeelen
van hunne Volkplantingen trekken zouden.--De Planters zouden ryk, en
hunne Opzichters ordentelyke lieden worden; de slavernye zoude dan meer
in naam, dan in de daad zyn; de Negers zouden hunne taak met vermaak
afwerken; de bevolking zoude vermeerderen, en de vervloekte handel op
de kust van Guinée zoude vernietigd worden. De eigenaars zouden hunne
slaven als hunne kinderen beschouwen, en als de zoodanigen, van welken
de vergrooting van hun fortuin afhangt; de slaven zouden van hunnen
kant den dag zegenen, dat hunne vooröuders in America zyn aangeland.
Den 16den, by zyne Excellentie den Gouverneur ter maaltyd genoodigd
zynde, liet ik hem zien de verzameling van myne teekeningen en
aanmerkingen, die ik rakende de Volkplanting van Surinamen gemaakt had;
hy wilde dezelvcn wel met zyne goedkeuring verëeren. Ik betuigde hem
myne dank-erkentenis, niet alleen voor alle de geschikte gelegenheden,
welken hy my bezorgd had, om dien arbeid aan te vullen, maar ook voor
het allervriendelykst onthaal, het welk ik, geduurende myn verblyf
in Guiana, van hem genoten had.
Door de herhaalde betuigingen van zyne vriendschap aangemoedigd,
dorst ik, twee dagen daar na, hem een zeer buitengewoon verzoekschrift
aanbieden, het welk ik hem verzogt aan den Raad voor te dragen, zoo
als hy my ook al glimlagchende, en my de hand drukkende, beloofde. Zie
hier het zelve:
Ik verbinde myn woord van eer, het eenigste goed, het welk ik, behalven
myne soldye, bezit, tot borge, dat, indien de Raad myn voorig verzoek
tot vrymaking van mynen geliefden zoon JOHNNY STEDMAN toestaat,
dit kind nooit ten lasten der Volkplanting van Surinamen komen zal.
(Getekend)
Paramaribo,
den 18. February J. G. STEDMAN.
1777.
Daar mede alles, wat van my af hing, gedaan hebbende, wagte ik eenige
dagen met angst, maar zonder hoop, het antwoord op myn verzoek af;
en ingevalle hetzelve ongunstig uitviel, zag ik my genoodzaakt mynen
zoon voor altyd te verlaten, of hem naar Europa mede te nemen, waar
door ik den dolk in het hart van zyne moeder gestoken zoude hebben.
Terwyl ik aan deeze zorgelyke onzekerheid ten prooije stond,
wierden de Transport-schepen tot ons vertrek gereed gemaakt, en ik
was onder het getal der geenen, die belast waren dezelven van eenen
genoegzamen voorraad van hout te doen voorzien. De Officiers ontfingen
de agterstallige soldye, die men hun verschuldigd was; en dertien
soldaten verkregen hun pasport, van oogmerk zynde te Paramaribo te
blyven. De bekwaame Colonel betaalde ons andermaal in papier. De
Regeering had ons bovendien eenige honderde guldens toegestaan, om
ons schadeloos te stellen wegens de betaling van onderscheiden lasten,
maar men deed 'er nooit rekening van, of liever het was ons verboden om
'er van te spreken.
Den eersten Maart, bragt een Sergeant, uit het leger aan de
Cassipory-Kreek, alwaar het nieuwe krygsvolk geposteerd lag,
aangekomen, bericht, dat de soldaten aldaar in grooten getale stierven,
en verhaalde, dat zeker soldaat, die den 10den February verdwaald was
geraakt, na verloop van zes-en-twintig dagen was te regt gekomen; dat
hy de eerste negen dagen van eenige ponden scheeps-bisschuit geleefd
had, en dat hy de zeventien andere dagen het leven alleen met water
behouden had; dat hy zyne stem geheel en al had verloren, en dat hy,
in de volste kragt van 't woord, slechts een geraamte vertoonde; maar
dat de zorge, voor hem genomen, hoop gaf, dat hy het leven behouden
zoude. Indien iemand weigert de mogelykheid van zulk een buitengewoon
geval te gelooven, laat hy dan lezen een echten brief van den heer
GODIN aan den heer DE LA CONDAMINE, waar in hy het tafereel schetst
van het verschrikkelyk lyden, het welk zyne vrouw onderging, by het
doortrekken der bosschen van Zuid-America, om zig van Rio-hamba naar
Laguna te begeven, in de maand October 1769. Hy zal daar uit kunnen
zien, hoe eene vrouw van een teeder gestel, na door de Indiaanen, die
haar tot leidslieden dienden, verlaten te zyn geworden; na haare beide
broeders, die onder den last van zoo veele vermoeyingen en ellende
bezweken, verloren te hebben; tien dagen lang het leven behield, in een
wild bosch, zonder eeten of drinken, onbewust, waar zy zig bevond, en
door tygers, slangen en allerleije zoorten van gevaaren omringd. Laat
men het omstandig verhaal van al het lyden deezer vrouw lezen, en
men zal aan het verhaal omtrent deezen soldaat niet meer twyffelen.
Ik heb in de daad nu en dan gebeurtenissen overgeslagen, die men,
om haare vreemdheid, zoude hebben kunnen denken aan het wonderdadige
zeer naby te komen; maar wanneer men van de bosschcn van dit gedeelte
van America spreekt, is het nutteloos zyne toevlucht tot verdichtsels,
of zelfs tot de minste vergrooting te nemen, om den lezer te verbaazen.
Zoude men by voorbeeld gelooven, dat tachtig soldaten een zwaar
bosch doortrekkende, de een na den ander een zoort van hoogte
beklommen, welke zy op hunnen weg ontmoetten, en voor een grooten ter
nedergevallen boom aanzagen, maar vervolgens onder hunne voeten voelden
beweegen, en die niet minder was, dan eene zeer groote Aboma-Slang,
welken de Colonel FOURGEOUD bevond dertig of veertig voeten lang te
zyn? en met dit al, het gebeurde is met de waarheid overeenkomstig.
Ik beroep my op een ander geval van gelyken aart; van eenen
achtenswaardigen grysaart, FRANCIS ROWE van Philadelphia, die my
verhaalde, dat hy aan één van zyne vrienden een bezoek zynde gaan
geven, zyn paard eensklaps stil stond, verschrikt zynde door een
zeer grooten ratelslang, die het voorbygaan belette. ROWE, die
van het gewaand vermogen, aan dit zoort van dieren toegeschreven,
had hooren spreken, en daar aan geloofde, steeg van zyn paard af,
om het zelve te doen omkeeren; maar de slang, zig intusschen in
malkander gekronkeld hebbende, liet het verschrikkelyk geluid van
zyne staart hooren, en keek hem met zulke vuurige oogen aan, dat
deeze onbeweeglyk op den grond bleef staan, en een koud zweet hem
van het hoofd tot de voeten afliep; "met dit al, dus vervolgde ROWE,
myne tegenwoordigheid van geest niet verloren hebde, wierd de vrees
door mynen moed spoedig overwonnen; ik naderde het monster, en met
eenen slag sloeg ik het de herssens in".
Den 3den Maart, ging myn vriend DE GRAAF naar het Eyland St. Eustatius,
alwaar zyn broeder Gouverneur was, te scheep, om zig van daar
naar Holland te begeven. Tot myn groot genoegen nam hy HENDRIK, den
jongsten broeder van JOANNA, met zig, en bezorgde hem vervolgens zyne
vryheid. Ik zakte met hun de Rivier af, tot aan Kaap Braam, alwaar ik
hun eene goede reize wenschte. My vervolgens in een visschers vaartuig
naar 't strand begevende, bekroop my de lust, om in den Atlantischen
Oceaan te gaan zwemmen.
In dit zelfde vaartuig zag ik eene groote meenigte visschen, waar onder
de zulken gevonden wierden, van welken ik nog niet gesproken heb,
als daar zyn de Geel-rug, de Wipi en de Waracou. De eerste ontleent
zyn naam naar zyne kleur, volmaakt gelykende naar die van een limoen,
maar zyn buik is wit. Hy is twee of drie voeten lang. Zyn kop is zeer
breed, en van twee lange knevels voorzien. Zyn lyf is dun en zonder
schubben. Het vleesch van deezen visch is smakeloos en droog. De
twee andere zyn zeer klein: de één gelykt naar een zweep; de ander,
die lekker om te eeten is, heeft voor 't overige niets, het welk eene
byzondere beschryving verdient.
Den 8sten Maart vierden wy in het hoofd-kwartier den verjaardag van
den Prins van Orange. Na den maaltyd vernemende, dat de Capitain VAN
GUERICK, Adjudant van den Colonel FOURGEOUD, den Capitain BOLTS te
onrecht laakte, uit hoofde zyner aanbeveeling van een jong vrywilliger,
een mensch van een uitmuntend character, maar die weinige vrienden tot
zyne voorspraak had, ging ik in den kring, die hen omringde, en deed
vry ernstige verwytingen aan den Adjudant, zelfs in tegenwoordigheid
van den Colonel, het geen een geschil veröorzaakte, waar van het
gevolg was eene uitdaging tegen des anderen daags morgens by het
opkomen van de zon. Wy bevonden 'er ons beiden op den bepaalden tyd,
en gingen zonder medehelpers ter zyde af in de Savane, alwaar wy, met
den degen in de vuist, eenige vrugtelooze aanvallen deeden, waar na,
den degen van den Capitain in tweën gebroken zynde tegen het gevest
van den mynen, die byna door en door was gestoken, hy geheel in myne
macht was. Ik wilde van dit voordeel geen gebruik maken, en bood hem
aan, om het gevecht op nieuw te beginnen, met nieuwe wapenen: maar
hy vond dit voorstel zoo edelmoedig, dat hy, my by de hand vattende,
my verzocht hem myne vriendschap wederom te geven. Wy erkenden toen,
dat wy beiden al te driftig geweest waren, en gingen oogenblikkelyk
een bezoek geven aan den Capitain BOLTS, die niets van onze wandeling
van des morgens wist. Hy verzoende zig, schoon met moeite, met den
Adjudant, en de geheele zaak wierd op die manier bygelegd.
Den 10den, bragt ik het grootste gedeelte van den dag by den Gouverneur
door; des avonds ging ik aan boord, om de toebereidzels onzer reize
te bezichtigen. Ik vond onze goederen zoodanig door muizen en rotten
beschadigd, dat ik wel zes katten noodig had, om die dieren uit te
roeijen. De katten zyn, uit hoofde van de warmte der luchtstreek, zoo
levendig en zoo talryk niet in Surinamen, als in Europa; ik merkte
ook op, dat zy kleiner en magerer zyn, en dat zy zeer spitse ooren
en bek hebben.
Den 11den, zag ik met de grootste smart en verwondering de jonge
Juffrouw JETTY DELAMARE, dochter van wylen den heer DELAMARRE, een
fraai Mulatten meisjen, ten hoogsten veertien jaaren oud, die in den
Christelyken Godsdienst onderwezen was, en eene volmaakte opvoeding
genoten had, in ketenen geboeid, gelyk ook haare moeder, en eenigen
van derzelver naastbestaanden, en door een wacht van soldaten voor den
Raad gebragt wordende. Dit jong ongelukkig meisjen my herkend hebbende,
riep my, en zeide my, bitterlyk schreiende: "dat de eigenaar, aan wien
haare moeder toebehoorde, SCHOUTEN genaamd, haar voor de Rechtbank
deed brengen, om dat zy weigerde het werk van eene gewoone slavin
te verrigten, vermits zy buiten staat was zulks te doen, en ook,
volgens de opvoeding, welke zy ontfangen had, tot op dit akelig
oogenblik daar op nimmer had gerekend".
De wetten van dit Land noodzaakten haar, niet alleen om zig aan dit
ellendig lot te onderwerpen, maar zy veröordeelden haar bovendien,
als mede haare moeder, en die geenen van haare naastbestaanden,
welken men verdagt hield, dat haar in de vordering van haare vryheid
zouden begunstigen, om in het geheim de straf te ontfangen, die voor
de slaven geschikt was; en zonder de menschlievendheid van den Fiskaal
WICHERS zoude dit verschrikkelyk vonnis zekerlyk ter uitvoer gebragt
zyn geworden.
Zie daar, welke de gevolgen waren van de weinige zorge, die DELAMARE
had aangewend, om aan zyne dogter en derzelver moeder haare vryheid te
doen erlangen. De smartelyke vertooning, waar van ik oog-getuige was,
deed my voor mynen zoon beven; maar myne vrees was niet van langen
duur; want dien zelfden dag, op het oogenblik, dat ik zulks het minst
verwagtte, ontfing ik eene zeer beleefde boodschap van Gouverneur en
Raaden, medebrengende: "Dat de Raad, overwogen hebbende myne diensten,
myne menschlievendheid, en de oprechtheid, waar mede ik myn woord van
eer tot borg voor mynen zoon aanbood, ten einde hem, alvorens hem te
verlaten, een vry burger der weereld te zien; eenparig besloten had,
my by eenen brief plechtiglyk kennisse te geven, dat zonder verderen
omslag of kosten, myn verzoek was toegestaan; en dat, uit kragte van
dien, myn zoon voor altyd vry was".
Niemand gaat schielyker van overmaat van smarte tot die van vreugde
over, dan ik zelf op dit oogenblik. De gevoelige JOANNA stortte
tranen van teederheid en erkentenis. Wy gevoelden ons geluk des te
sterker, om dat wy alle hoop verloren hadden, en byna veertig kinderen
van beiderleije kunne thans aan eene altoosduurende slavernye door
hunne vaders waren overgelaten, waar van zommige zelfs zig niet eens
verwaardigden, om eenige tyding van hun te vernemen.
Eene omstandigheid, die my in de daad zeer buitengewoon toescheen,
bestond hier in, dat, schoon zommige fatsoenlyke lieden myne
gevoeligheid ten hoogsten prezen, het grootste getal echter myne
vaderlyke teederheid afkeurde, en dezelve als zwakheid of dwaasheid
beschouwde. In de eerste vervoering van myne vreugde, schoon ik
weinige goederen bezat om over te beschikken, maakte ik een uitersten
wil ten voordeele van dit geliefde kind. Ik benoemde de heeren GORDON
en GOURLAY tot uitvoerders van denzelven, en tot voogden over mynen
zoon, geduurende myne afwezigheid. Ik stelde hun vervolgens alle myne
papieren verzegeld ter hand, met verzoek dezelven te bewaren, tot
dat ik ze weder zoude opëisschen, of tot mynen dood; en dit gedaan
zynde, ging ik een bezoek geven aan den heer SNYDERHANS, Predikant
te Paramaribo, om hem te verzoeken tot het bepalen van eenen dag,
op welken JOHNNY STEDMAN zoude kunnen gedoopt worden. [3]
Den 18den, kwam het overschietend krygsvolk van den Colonel
FOURGEOUD uit het leger aan de Cassipory-Kreek, en wy zetteden alle de
toebereidzels tot ons vertrek met yver voort. De vreugde, die het klein
getal zee-soldaten, welke hunne medgezellen overleefden, wegens het
te rug keeren naar hun vaderland gevoelde, was oorzaak, dat zy hunne
agterstallige soldye, welke zy ontfingen, aan overdadige verteeringen
besteedden, die gelegenheid gaven tot twisten, zoo onder elkander, als
met de soldaten van 's Compagnies krysvolk. Verscheiden wierden gewond,
anderen afgeklopt; en de rust herstelde zig niet dan met veel moeite.
Het oogenblik van ons vertrek steeds meer en meer naderende, verliet
ik myne wooning; en, op de uitdrukkelyke uitnoodiging van Mevrouw
GODEFROY, bragt ik eenige dagen door in het huis, het welk zy in het
midden van haaren fraaijen tuyn, en onder de schaduwe van tamarinde-
en oranje-boomen, had laten bouwen, om JOANNA en haaren zoon daar in
te ontfangen, aan wien zy bovendien twee Negerinnen gaf, om haar te
dienen. Deeze aangenaame wooning was wel voorzien van huisraad, het
welk fraaiheid en gemak zamenpaarde. Hoe gelukkig zoude ik geweest
zyn met myn leven aldaar door te brengen.--Maar het noodlot had dit
anders bepaald.
Den 22sten, vervoegde ik my met den Capitain SMALL, (die voor twee
maanden verlof had gekregen,) by den Predikant SNYDERHANS, welke,
tot myne groote verwondering, weigerde mynen zoon te doopen, onder
voorwendzel, dat ik, naar Holland vertrekkende, geene zorge konde
dragen, dat hy eene Christelyke opvoeding ontfing. Ik gaf hem ten
antwoord, dat ik mynen zoon aan voogden toevertrouwde; maar alle
vertogen waren vrugteloos; en aan dit styfhoofdig mensch geene reden
kunnende doen verstaan, ging ik heen, onder betuiging, dat al wilde
hy nu zelfs in het verzogte toestemmen, ik het niet begeeren zoude.
Vermaken en vreugde heerschten toen te Paramaribo, even als by
onze aankomst. In alle wyken gaf men middag- en avond-maaltyden
en dans-partyen; maar ik was by geene, dan by die van myne beste
vrienden, tegenwoordig, waar onder ik steeds den Gouverneur NEPVEU
rekende. Hy besloot alle deeze festynen, waar in de inwooners der
Surinaamsche Volkplanting zoo verkwistend zyn, met één der treffelykste
en kostbaarste maaltyden.
Den 25sten, wierd al het goed aan boord van het schip gebragt.
Ik ontfing eindeloos veel geschenken van alle de lieden, met welken
ik eenige vriendschap gehad had. Myn voorraad van allerleije zoort
zoude voldoende voor my geweest zyn, om 'er den aardbol mede rond
te reizen. In een klein kistjen met sterken drank, vond ik een
fles oprechte oranje-oly, en nog één, welke men hier noemt oly van
tonca boonen. De eerste wordt gemaakt van oranje-schillen, welken
men tusschen den duim en voorsten vinger drukt; een langwyligen en
verdrietigen arbeid. Eenige droppels van deeze oly met suiker zyn
uitmuntend tot versterking van de maag, herstelling van eetlust,
en bevordering der verteering. Men heeft slechts één droppel noodig,
om de geur door eene geheele kamer te verspreiden. De tonca-boonen
groeijen, zoo men zegt, in eene dikke vleesachtige vrucht, en op
een zeer grooten boom. Ik heb geene andere dan drooge gezien, en dan
gelyken zy veel op pruimen. Zy dienen om aan de tabak, zoo in bladen,
als om te snuiven, een aangenaamen geur mede te deelen.
Den 26sten, gingen wy gezamentlyk van zyne Excellentie den Gouverneur
afscheid nemen. Eenige oogenblikken daar na, kwamen de Officiers
van het krygsvolk der Sociëteit in het hoofdkwartier, om ons eene
behoudene reize toe te wenschen.
De Colonel FOURGEOUD, ons dien zelfden dag ter maaltyd onthaald
hebbende, drukte my twintig malen de hand na den maaltyd, zeggende:
"Dat ik die jongeling was, dien hy op de weereld het meest beminde,
om dat, indien hy my bevolen had in het vuur of in het water te
loopen, ik het gedaan zoude hebben". Hy voegde 'er nog andere
beleefde aanmerkingen by; maar ik erken, dat, schoon ik wist te
vergeven, ik de verschrikkelyke gevaaren en onheilen, waar aan ik
buiten noodzaak bloot gesteld was geworden, niet vergeten kon. De
Colonel berigtte my tevens, dat hy niet met ons vertrekken zoude; maar
dat hy voornemens was, met het overschot van het nieuwe krygsvolk,
in 't kort zyn Regiment te volgen; en dat hy, by zyne aankomst in
Holland, my alle diensten bewyzen zoude, waar toe hy eenigzints in
staat was. Welke ook de beweegreden van zyne schielyke verandering
ten mynen opzigte moge geweest zyn, het is my genoeg te zeggen, dat
'er toen geene twee betere vrienden waren, dan de Colonel FOURGEOUD,
en de Capitain STEDMAN.
Des avonds van dien dag nam ik in korten tyd afscheid van Mevrouw
GODEFROY, van den Heer en Mevrouw DEMELLY, van den Heer en Mevrouw
LOLKENS, van den Heer en Mevrouw GORDON; van den Heer GOURLAY, van
den Capitain MACNEYL, en Doctor KISSAM, die my allen de grootste
beleefdheden en het levendigst belang, zedert myne komst in de
Volkplanting, betoond hadden; maar ik had te veel te doen met iemand,
die my veel liever was, dan dat ik, met van hun afscheid te nemen,
het leed gevoeld zoude hebben, het welk ik by eene andere gelegenheid
zoude hebben ondervonden. Terwyl ik alle de hevigheid van myne
aandoening ten toon spreide, liet JOANNA niets van dien aart in myne
tegenwoordigheid blyken. Ik drong nog eenmaal by haar aan om my naar
Europa te vergezellen, en ik wierd door alle haare vrienden en door
Mevrouw GODEFROY daar in ondersteund. Zy was even onbuigzaam als te
vooren, en antwoordde my: "Dat hoe smartelyk ook eene scheiding,
die misschien voor eeuwig zyn zoude, vallen mogte, zy niettemin
verkoos in Surinamen te blyven, dewyl zy volmaakt overtuigd was, dat
zy niet gevoeglyk over haar zelven beschikken konde, en om dat het,
in haare tegenwoordige gesteldheid, beter was, dat zy de eerste van
haren rang in America bleef, dan een voorwerp van verachting, of een
last voor my, in Europa, te worden, het geen zeker stond te gebeuren,
zoo lang ons fortuin niet onäfhangelyker was". Op deeze laatste woorden
was zy blykbaar aangedaan, en zy ging ter zyde, om alleen tranen te
storten.--Wat konde ik zeggen of doen?--Niet wetende te antwoorden,
besloot ik, om, zoo mogelyk deeze moedige vrouw na te volgen, en
my aan myn lot te onderwerpen, tot het aandoenlyk oogenblik, dat ik
een vaarwel zoude uitspreken, het welk myn hart my aankondigde het
laatste te zullen zyn.
De geheele krygsbende, den 27sten, des morgens ten zeven uuren,
bevel ontfangen hebbende, om zig naar den Colonel FOURGEOUD in het
hoofdkwartier te begeven, onttrok ik my aan alles, wat my in de weereld
lief was, aan zoon en moeder, zonder hen in hunnen slaap te stooren,
ten einde eene al te aandoenlyke vertooning voor te komen. De Colonel
geleide ons tot aan den oever, en wy gingen aan boord, door de vlag
en het geschut van het Fort en van de Schepen, die op de rheede lagen,
begroet wordende.
Alle de Officiers met den Lieutenant Colonel DE BORGNES, die geduurende
den overtocht het bevel moest voeren, het middagmaal gehouden hebbende,
noodigde my de Colonel FOURGEOUD, om hem, tot des anderen daags
morgens, naar de stad te vergezellen; maar daar myn hart van droefheid
overstelpt was, bedankte ik hem voor zyn vriendelyk aanbod. Hy wenschte
ons dus eene voorspoedige reize, en keerde te rug in het gezelschap
van zynen Adjudant, den Capitain VAN GUERICK. By zyn vertrek, wierd hy
door negen kanon schoten, en een driewerf geroep van hoezee, begroet.
Den 29sten Maart, des middernachts, het sein gegeven zynde, gingen
onze beide schepen onder zeyl, en zakten af tot aan het Fort Amsterdam,
alwaar zy het anker wierpen.
De heeren GORDON en GOURLAY, welken ik tot voogden over mynen
zoon benoemd had, by den Colonel SEYBOURG, aan boord van het schip
Hollandia, ter maaltyd onthaald zynde, gaven zy my een bezoek; en
verzogten my met hun naar Paramaribo te rug te keeren.
Het was my onmogelyk om voor de tweede maal te wederstaan aan een
aanzoek, om twee voorwerpen, die aan myn hart zoo dierbaar waren,
nog eens te zien. Ik stemde 'er in toe, en (moet ik het zeggen,)
ik vond JOANNA, die in myne tegenwoordigheid zoo veel kragt en moed
betoond had, in tranen wegsmeltende, en voor de overmaat van haare
moedeloosheid zwigtende. Zy had geen voedzel, hoe genaamd, gebruikt,
geen enkel oogenblik had zy de zoetigheden van den slaap gesmaakt,
noch een enkel woord uitgebracht, noch zelfs de plaats verlaten,
waar ik haar des morgens van den 27sten agterliet.
Dewyl de schepen eerst na twee dagen zee moesten kiezen, was ik
zeer gereed om dezelven met deeze gevoelige vrouw door te brengen,
het geen haar moed scheen in te boezemen: maar, helaas! wy betaalden
deeze al te korte oogenblikken zeer duur. Naauwlyks waren 'er eenige
uuren verloopen, toen een matroos my eensklaps kwam kennis geven, dat
een sloep my wagte, om oogenblikkelyk aan boord te gaan. De moeder
van JOANNA nam het kind, dat in de armen van haare dochter rustte,
terwyl de laatstgemelde door Mevrouw GODEFROY ondersteund wierd. Haare
broeders en zusters omringden my, den Hemel deszelfs bystand voor my
afsmeekende, en eene treurige klaagstem opheffende. De ongelukkige
JOANNA, een meisje van slechts negentien jaaren oud, de oogen op my
gevestigd houdende, drukte my met kragt de hand. Zy kon niet spreeken,
haar geest was verwilderd; maar de tyd was daar! Ik drukte haar met
drift tegen mynen boezem, en nam één van haare hairlokken. Insgelyks
niet in staat zynde, een enkel woord uit te brengen, bad ik inwendig
den Hemel, om voor moeder en kind te waken. Toen sloot JOANNA haare
lieflyke oogen; de bleekheid van den dood overdekte haar aangezicht;
haar hoofd hing naar de laagte, en zy viel beweegloos in de armen van
haare aangenomene moeder. Ik verzamelde hier al myn moed en kragt
by elkander, en verliet de beide voorwerpen van myne levendigste
teederheid, die echter door de zorgen, omtrent haar aangewend, aan
niets gebrek hadden.
Daar de sloep my steeds wagtte, ging ik, door myne vrienden vergezeld,
mynen ouden Colonel bezoeken; en hem de hand drukkende, vergaf ik hem
uit den grond myns harten, en stilzwygende, alle de verdrietelykheden,
die hy my veroorzaakt had. Hy was aangedaan; en ongetwyffeld, dit
was hy my verschuldigd! Ik wenschte hem allen voorspoed, en zakte
eindelyk de Rivier Surinaamen af.
De schepen lagen dwars over kaap Braam, toen ik aankwam. De
Vice-Gouverneur TEXIER kwam ons aldaar goeden dag zeggen. Hy gebruikte
het middagmaal aan boord van één der twee schepen, en keerde te rug in
het gezelschap van de Capitains SMALL en FREDERIK, die my uitgeleide
gedaan hadden. By zyn vertrek wierd hy door zeven kanonschoten begroet.
DERTIGSTE HOOFTSTUK.
De Schepen ligten het anker, en steken in zee.--Overtocht.--Het
Zee-paard.--De Noordkaper.--De Haay.--De Zuiger-visch.--Het
Lootsmanmetje.--De Bruinvisch.--Zee-orkaan.--De Schepen landen in Texel
aan.--Ontscheping van het krygsvolk in de stad 's Hertogenbosch.--Dood
van den Colonel FOURGEOUD.--Besluit.
Toen alles tot ons vertrek volkomen in gereedheid was, ligtten de
beide schepen, onder bevel van den Lieutenant Colonel DES BORGNES het
anker den 1sten April 1777, en zeilden noord- en noord-west-waarts
met een oosten wind, en stevige koelte. Ik bleef als een beweegloos
en stom mensch, in het agterste gedeelte van het schip, tot dat
de wolken ons beletteden land te bekennen. Na verloop van eenige
dagen echter gelukte het my, om myne droefgeestigheid te boven te
komen, en eene zoort van rust te erlangen. Daar toe was ongemeen
dienende deeze troostende aanmerking, dat, zoo ik my zelven in zeker
opzigt al benadeeld had, ik ten minsten drie belangryke persoonen,
JOANNA, JHONNY en QUACO namelyk, aan de slavernye onttrokken had,
welke weldaad zy overwaardig waren. Ik was voor deeze goede daad in
voorraad betaald, door de zorgvuldigheden van twee derzelven, waar
aan ik het behoud van myn leven te danken had, terwyl een onëindig
getal menschen rondöm my onder den last der onheilen bezweken was,
anderen hunne gezondheid, verscheiden het gebruik van hunne ledematen,
zommigen hun geheugen, en eindelyk één of twee hun verstand verloren
hadden; zynde allen de slagtöffers van eenen gestrengen dienst in
eene noodlottige luchtstreek.
Van byna twaalf honderd wel gestelde mannen, die tot deezen tocht
waren ingescheept, kwamen 'er ten hoogsten honderd in hun vaderland
te rug, en onder deezen bevonden 'er zig misschien geen twintig in
volmaakte gezondheid. Men telde onder de dooden, (de Heelmeesters
daar onder gerekend) tusschen de twintig en dertig Officiers, onder
wier getal drie Colonels en één Major waren. Dusdanig moet de uitslag
zyn van de gelukkigste krygsönderneemingen in een brandend heet land,
het welk met moerassen en bosschen doorsneden is.
Den 14den April gingen wy over den zonne keerkring. Vervolgens de koers
veranderd hebbende, zeilden wy noord-noord-oost, en noord-oost-waarts,
en wy wierden door stilte overvallen. Ik moet niet vergeten te
verhaalen, dat wy ons op vyftien graden noorder breedte bevindende,
de streeken overzeilden, welken men doorgaans de groene Zee noemt,
uit hoofde van de meenigvuldige zeegewassen, waar van zommige,
tusschen twee bladen papier uitgespreid en in de zon gedroogd zynde,
zeer merkwaardig zyn, en boomen, heesters, bloemen vertoonen, en
stukjens van verschillende zoorten van visschen en schelpen in zig
bevatten. Wy zagen ook het Zeepaard, een visch, die agt of negen
voeten lang is: deszelfs lichaam is met kraakbeenige ringen gevormd;
zyn bek is langwerpig, en zyn kop met een zoort van hoofdhair bedekt.
Den 19den, hield de stilte nog aan. Dagelyks wierden wy vermaakt door
het gezicht van eene groote meenigte vliegende visschen, zee-braassems
en noord-kapers, die voor en agter de schepen zwommen en speelden,
als of zy ons gezelschap hadden willen houden. De Noordkaper is een
visch, tot het geslacht der groote visschen behoorende; hy gelykt een
weinig naar den Dolphyn, maar is veel grooter, en koomt in gedaante
na by den walvisch; zomtyds is hy twintig voeten lang, en ongemeen
vet. Zyn kakenbeen is van veertig zeer scherpe tanden voorzien. Hy
werpt het water uit, door twee neusgaten, en zyne kleur is bruin. Wy
zagen ook van tyd tot tyd, op eenigen afstand van de schepen, en
boven de golven, groote Noordkapers.
Dit zoort van visch gelykt zeer veel naar de Groenlandsche walvisschen,
maar hy is veel gevaarlyker, om dat zyne gestalte kleinder, en zy
ne gedaante platter is. Zyn kakebeen is ook korter, en van kleine
knevels voorzien. Zyne huid is witter, en zeldzaam geeft hy meer dan
dertig vaten traan.
Den 22sten, begon het weder op eene zichtbaare manier te veranderen. Al
het scheepsvolk wierd door verkoudheid, en verscheiden door de koorts
aangetast.
Den 30sten, was een ieder zoo zwak, dat de dienst met moeite volvoerd
wierd. Wy hadden reeds twee matroosen en één soldaat verloren. Den
Lieutenant Colonel DES BORGNES zig zeer ongesteld bevindende, wierd
my het bevel voor eenige dagen opgedragen. Dewyl het andere schip toen
voor uit, en byna buiten het gezicht was, liet ik een vlag opheisschen,
en een kanon-schoot doen, om het zelve te rug te roepen, gelyk ook
oogenblikkelyk gebeurde.
Toen dien zelfden dag een groote Haay aan één der zyden van ons schip
zwom, deeden wy vergeefsche pogingen om hem te vangen. De zee bevat
verscheide zoorten van visschen van den zelfden naam, maar deeze is
de verschrikkelykste van allen, uit hoofde van zyne grootte, want
hy weegt zomtyds duizend ponden, en is zestien of agttien voeten
lang. Zyn kop is platachtig en breed, en men bespeurt in den zelven
twee gaten, door welken het dier het water laat uitspringen. In alle
rigtingen draait hy zyne vooruitstekende oogen, die zyne vraatzucht
te kennen geven. Beneden dezelve is zyn bek geplaatst, die zoo breed
is, dat hy een grooten hond in eens zou inslokken. Zyne tanden,
in vyf of zes reijen gerangschikt, zyn zoo snydend en sterk, dat hy
den arm of het been van een mensch met het grootste gemak afbyt; het
geen verscheidene maalen gebeurd is. Zyn geheele lyf gelykt volmaakt
naar dat der zee-honden, welken men in de Noordelyke Zeeën vindt. Hy
heeft vyf vinnen, één op den rug, twee aan de borst, en twee aan
den buik. Zyn staart is vorkswyze uitgesneden; maar het bovenste
gedeelte is het langste. Van zyne ruwe en slymige huid maakt men
segryn leder. De Haay zwemt altyd met kragt, maar hy is genoodzaakt
zig op zyde te wenden, om zynen buit te pakken, het geen oorzaak is,
dat hem verscheiden visschen ontsnappen.
De Zuiger-visch is een visch, welken men dikwerf vindt, aan de kiel
der schepen en aan de groote zee-monsters, zoo als 'er aanstonds
één derzelven door my beschreven is, vast zittende. Hy heeft eene
gryze kleur, en is twintig duimen lang. Zyn lyf, van eene ronde
gedaante, wordt naar de staart dunner. Zyne vinnen zyn geplaatst,
als die van de Haay. Zyn zuiger maakt hem het meest merkwaardig. Het
is eene kraakbeenige zelfstandigheid, van eene eironde gedaante,
door zydelingsche balken van gelyken aart, die snydend en getand zyn,
afgedeeld. Dit gedeelte van den Zuiger-visch hecht zig met zulk eene
kragt aan alles vast, dat, wanneer hy vast zit, de zwaarste golven
niet in staat zyn hem los te maken.
Het is gepast alhier melding te maken van het Lootsmannetje. Hy is
klein, en verrykt met de schitterendste kleuren, namelyk bruin met
een gouden weerschyn. Men zegt, dat hy niet alleen gevoed wordt door
het overschot der visschen, welke de Haay laat vallen, maar zelfs
dat hy by deszelfs buit de wacht houdt, en van die byzonderheid zynen
naam ontleent.
Van het begin van den overtocht af, ging ik bloots hoofds en
barrevoets; maar den eersten May, juist een maand na ons vertrek,
was ik genoodzaakt my te kleeden, even als myne mede-reisgenooten.
De Heer NEYSSENS, één van onze Heelmeesters, een Crabbo-dago, een
zeer verslindend dier, aan boord hebbende, geraakte dezelve omtrent
te deezer tyd uit zyn hok los, en doodde in éénen nacht alle de
aapen, alle de papegaijen, en al het gevogelte, dat zig op het verdek
bevond. De lieden, die de wacht hadden, redden zig met weg te loopen,
maar één van hun had de onverschrokkenheid, om hem met een stuk hout
dood te slaan.
Den 3den, hadden wy, op veertig graden zuid-ooster breedte, zwaare
regenbuiën, en stormwind. Dezelve vermeerderde dagelyks tot den 9den,
wanneer hy gematigder begon te worden.
Wy zagen toen Bruinvisschen. De visch van deezen naam heeft vyf of zes
voeten lengte, is zeer vet, zonder schubben, en van eene zwartachtig
blaauwe kleur. Zyne oogen zyn klein; hy heeft puntige tanden, en een
zeer langwerpigen bek. Hy heeft drie vinnen, één op den rug, en twee
aan de borst. Zyn staart is horizontaal, op dat hy boven het water
zoude kunnen springen; het geen hy meenigmalen doet, het zy om te
snuiven of adem te halen, en men kan dan van zeer verre af het gesnuif
van zyne neusgaten hooren. Het vleesch van den Bruinvisch is rood,
en gelykt veel naar zommige zoorten van varkensvleesch.
Den 13den, geduurende een vierde gedeelte van den morgen, en op een
korten afstand van de Azorische Eilanden, wierden wy door eenen
geweldigen storm uit het oosten beloopen. Eene bramsteng dreef
kort daar na op zyde van ons schip voorby. Wy vernamen vervolgens,
dat dezelve van een Hollandsch Oost-Indisch Compagnies Schip was,
het welk in zyne te rug komst in de nabyheid van het Eiland Tercéra
met man en muis verging.
Den 14den, was de wind zoo geweldig, dat wy onze groote bramsteng
verlooren, en het groote zeil scheurde. Het andere schip verloor te
gelyker tyd zyn boeg-spriet.
Den 15den, kregen wy een orkaan, vergezeld van blixem, donder, en
zeer zwaren regen. Dezelve duurde den geheelen nacht, en nam onze
mast weg. Het volk was uittermaten vermoeid, en naauwlyks bestand
tot den arbeid, die 'er noodig was, om eene schipbreuk voor te komen.
De twee volgende dagen behielden wy tegenwind, met een reef in het
fokkezeil. De golven klommen bergs hoogte, en sloegen aanhoudend over
het schip heen. Nacht en dag moesten wy pompende blyven. Kort daar
na deeden wy de gewoone groete aan het Hollandsch Fregat de Alarm,
het welk ons zulks wederkeerig bewees.
Den storm eindelyk ophoudende, peilden wy negen vademen water. Maar
de wind eensklaps noord-oost-waarts draaijende, dreeven wy den mond
van het Kanaal in, tot des morgens van den 21sten, wanneer, ten half
twee uuren, het andere schip een schot deed, om ons te berigten,
dat de vuurbaak der Sorlings Eilanden in het gezicht was; en des
morgens ten vier uuren kwam 'er een loots aan boord.
Op de hoogte van Douvres eene stilte van agten-veertig uuren gekregen
hebbende, zagen wy eerst den 27sten de Hollandsche kust. Dien
zelfden dag kogten wy beste visch, ons door eene Scheveningsche pink
aangebragt, en wy onthaalden 'er al het volk op, schoon nimmer een
schip beter van voorraad voorzien was.
Ons geduurende den nacht van de wal afhoudende, kregen wy eindelyk
Kykduin en den Helder in 't gezicht. Den 28sten, des morgens ten drie
uuren, wierpen de beide schepen het anker op de rheede van Texel,
na negen kanon-schoten gedaan te hebben.
Den 30sten, in de Zuiderzee het kleine Eiland Urk voorby gezeild zynde,
geraakten de beide schepen, het voor den wind hebbende, van zelf op
het Pampus, eene zeer groote zandbank, met water overdekt, niet verre
van Amsterdam afgelegen, en aan deeze Stad tot een natuurlyke wal ter
beschutting tegen alle buitenlandsche vyanden dienende. Alle schepen
moeten daar over heen gaan, of tusschen beiden door geleid worden;
en dit laatste middel verkozen wy.
Eenige Noorweegsche schepen kwamen te gelyker tyd met ons aan. Allen,
die zig op dezelven bevonden, zaten in hun hembd op het dek, en waren
nat van het zweeten, terwyl wy in mantels gedoken waren, en gevoerde
mutsen op het hoofd hadden, om ons tegen de koude te beveiligen.
De stad Amsterdam zond thans eene groote meenigte ververschingen aan
boord, dezelven aan de verlossers eener Volkplanting aanbiedende, by
welke zy een zoo merkelyk belang had. Het volk van onze beide schepen,
op 't punt zynde van hunne nabestaanden en vrienden weder te zien,
was opgenomen van vreugde. Men moet echter daar van een enkelen
uitzonderen, die thans van zyn geluk verstoken was.
Den 3den Juny, ging ons volk over op zes kleine vaartuigen, waar mede
zy naar 's Hertogenbosch werden overgevoerd, eene Stad, alwaar men
deeze krygsbende voltallig maakte, en dezelve in bezetting hield. By
het ontschepen begroetten ons onze schepen met negen kanon-schoten, en
wy beantwoordden hen met een driewerf geroep van Hoezée. Wy namen den
weg over Saardam, Haarlem en ter Goude, welke plaatsen ik zeer fraay
vond: ik bewonderde vooral de geschilderde glazen van de hoofdkerk
der laatstgemelde stad. Maar de inwooners, die, door nieuwsgierigheid
gedreven, ons in meenigte omringden, scheenen my toe een wonderlyk
slag van menschelyke wezens te zyn, met lappen bekleed, en door de
gaven der natuur zeer weinig begunstigd. Het was tegen dit volk niet
alleen, dat ik zulk een vooröordeel had; alle de Europeanen hadden
by my een gelyk voorkomen, wanneer ik ze vergeleek by de geenen, die
ik verlaten had, by die menschen, wier oogen vol vuur zyn, de tanden
zoo wit als ivoor, en de huid steeds van eene ongemeene zindelykheid
glinsterende. Intusschen dagt ik niet aan het buitengewoon voorkomen,
het welk wy maakten, wier taanige kleur door de zon verbrand was,
en die, door zoo veele ellenden en vermoeijenissen uitgeput, niets
meer dan wandelende geraamten waren. Ik zoude 'er kunnen byvoegen,
dat wy zoo lang in de bosschen geleefd hebbende, geen ander voorkomen
dan van wilde menschen hadden; en ik zelf in 't byzonder verdiende
en verkreeg dien bynaam.
In dien staat kwam ik in de Stad s' Hertogenbosch aan, alwaar onze
laatste ontscheping den 9den plaats had.
Op deeze wyze eindigde één der buitengewoonste tochten, die immer
door Europeesch krygsvolk waren ondernomen, en waar by men slechts
op eenen verren afstand den oorlog tegen de Americaansche Zeeroovers
in vergelyking stellen kan.
By onze aankomst ontmoetten wy den Lieutenant Colonel WESTERLOO, die,
in 't jaar 1773, in Europa ziek was te rug gekomen, en thans zelfs
nog niet geheel en al hersteld was. Hy noodigde my, benevens eenigen
van myne medgezellen, ter maaltyd aan eene gemeene tafel, voor een
gedeelte bestaande uit Hollandsche Officiers, die zig beklaagden, dat
het eeten naar den rook smaakte, en dat het rundvleesch slecht was;
terwyl wy, ellendige gelukzoekers, verklaarden nooit beter maaltyd
gedaan te hebben. Maar te gelyker tyd, dat deeze heeren de lekkerheid
der aardbeziën, kerssen, en andere Europeesche vruchten roemden,
vonden wy dezelven verre beneden de advocaaten-peer, de water-meloen,
de ananas, enz. die ons zoo langen tyd tot eene lekkernye gestrekt
hadden.--Alles wat in deeze weereld goed of kwaad is, is enkel
betrekkelyk, of door vergelyking.
Des anderen daags wierden wy op de parade aan den Generaal HARDENBROEK
voorgesteld.
Den 18den, ontfingen wy onze agterstallige soldye, en men stond
aan allen, wien zulks geliefde, toe, om tot hun voorig Regiment te
rug te keeren. Zommige soldaten hadden vier of vyf honderd guldens;
maar zy bragten ze zeer schielyk door.
Het was toen het oogenblik ter uitvoering van myn reeds voorlang
genomen besluit, om namelyk het Regiment van den Colonel FOURGEOUD
te verlaten. Dadelyk na onze ontscheping, verzogt ik myn ontslag aan
den Prins van Oranje, die my het zelve den 20sten verleende, en my
aanstelde tot Capitain onder het Regiment van den Generaal STUART,
het welk ik in September 1772 verlaten had.
Ik veranderde dus van monteering, en kleede mynen getrouwen QUACO
in eene deftige livrey. Ik onthaalde vervolgens myne reisgenooten,
met welken ik zoo veele gevaaren had doorgestaan, ter maaltyd,
en wy scheidden van elkander met wederzydsche betuigingen van eene
eeuwigduurende vriendschap. Des anderen daags morgens vertrok ik,
om my by myne oude krygsbende te vervoegen, alwaar ik met de blyken
van de levendigste vreugde ontfangen wierd.
Den 25sten Augustus, begaf ik my naar het Lusthuis het Loo, in
Gelderland, alwaar ik door mynen Colonel wierd voorgesteld aan zyne
Doorluchtige Hoogheid, den Stadhouder, die my op de vriendelykste
wyze ontfing, en my spoedig bevorderde tot den rang van Majoor in
het Regiment, waar toe ik thans behoorde.
Ik had ook het genoegen, om eenigen van myne oude medgezellen,
en zelfs die geenen, die zonder het te weten, met hunnen ondergang
bedreigd waren geworden, op eene eerlyke wyze beloond te zien.
Den 24sten September, ging ik naar den Hage, alwaar ik zyne
Doorluchtige Hoogheid verzogt, om agttien beeldtenissen van wasch,
door my zelven gegoten, als een blyk van erkentelykheid te willen
aanneemen, gelyk hy ook de goedheid had te doen. Zy verbeeldden
Indianen van Guiana, en Negers uit de Volkplanting van Surinamen,
met onderscheiden arbeid bezig zynde op een Eiland, het welk op een
glas van krystal geplaatst was.
Ik gaf ook mynen Neger QUACO (met zyne toestemming,) aan de Gravin
VAN ROSENDAAL, aan wier geslacht ik groote verpligtingen had,
tot een geschenk. Deeze vrouw, verrukt over het goed gedrag en de
eerlykheid van deezen jongen Neger, liet hem met myne goedkeuring naar
mynen naam doopen, met belofte, dat zy altyd voor hem zoude zorgen,
en hem voordeelen doen genieten, welken ik niet in staat was hem
te beschikken.
Omtrent op het einde van de maand October, boden de Bewindhebberen
der Compagnie van de Berbices my den post aan van Vice-Gouverneur
deezer Volkplanting, in de nabyheid van die van Surinamen gelegen. Ik
begaf my dus naar Amsterdam, om te vernemen, welke hunne voorslagen
waren. Zy bepaalden my eene zeer zwaare bezolding, en beloofden
my groote voordeelen; maar ik hield aan op de belofte, om aan den
tegenwoordigen Gouverneur by deszelfs eerder afsterven te zullen
opvolgen, als mede op eene behoorlyke jaarwedde, by myne te rug komst,
na een bepaald getal van jaaren. Deeze heeren beweerden dit verzoek
niet te kunnen toestaan, en dienvolgende bedankte ik hun voor hun
aanbod. Ik oordeelde het voorzichtiger te zyn myne gezondheid in Europa
te herstellen, dan andermaal in de gezengde luchtstreek te gaan kwynen,
zonder hoop om, in myn vaderland te rug komende, myne dagen in stilte
te kunnen eindigen. Intusschen kreeg ik spoedig myne kragten wederom,
en was zoo welvarende, als ik immer geweest was. Onder honderd van
myne medgezellen was 'er ter naauwer nood een enkele, die op zulk
een geluk roemen konde.
De Colonel FOURGEOUD zelf had weinig genot van zyn fortuin. Eenigen tyd
na zyne te rug komst in Holland, wierd hy in zyn bed dood gevonden. Hy
wierd met alle krygsëer in den Hage begraven.
Zyn gezworen vyand, de Gouverneur der Volkplanting Surinamen,
overleefde hem niet lang. Zyne plaats wierd door den Colonel TEXIER met
eere vervuld, aan wien de waardige heer WICHERS naderhand opvolgde. [4]
Den Duitschen Keizer de grenssteden van Holland in 't jaar
1782. hebbende ingenomen, was het Regiment van den Generaal STUART
het laatste, het welk de stad Namur ontruimde, alwaar het Keizerlyk
krygsvolk dien zelfden dag, dat hy 'er uittrok, binnen rukte. Kort
daar na wierd de Schotsche Brigade, waar van de soldaten uit
lieden van allerleije natiën bestonden, door de Staaten van Holland,
genaturaliseerd, dat is, tot drie Hollandsche Regimenten gevormd, ter
gelegenheid van den oorlog met Groot-Britanniën, die ons, de meeste
voornaame Officiers en my zelven, noodzaakte om ons afscheid te nemen,
als tegen onzen Koning en ons Land niet begeerende te dienen.
De Prins van Orange gaf my, by het verleenen van myn afscheid, den rang
van Lieutenant-Colonel. Toen wy allen in Engeland waren te rug gekomen,
nam zyne Brittannische Majesteit, uit hoofde van onze getrouwheid,
ons onder zyne bescherming. Den 18den Juny, wierden elf van de onzen,
onder wier getal ik het geluk had te behooren, te Saint James door
den Generaal CONWAY aan den Koning voorgesteld, en hadden de eer om
de hand van zyne Majesteit te kussen.
Den 27sten van dezelfde maand, wierd ons allen, door het Huis der
Gemeente in het Engelsch Parlement, eene halve soldye toegestaan,
volgens den rang, dien elk van ons bekleedde op het oogenblik, dat
hy uit het Regiment ontslagen wierd. [5]
Het Publiek zal zig een denkbeeld van de oudheid en dapperheid der
Schotsche Brigade kunnen vormen, wanneer hy onderrigt wordt, dat
dezelve in 't jaar 1570. in Holland ontscheepte, onder den naam van
vrye Compagniën, onder het bevel van eenige Edellieden van den eersten
Schotschen adel; en dat zy naderhand altyd heeft uitgeblonken in de
oorlogen, door Holland gevoerd, zoodanig dat zy den eernaam verdiend
heeft van het bolwerk der Republiek.
Ik zal myn verhaal besluiten met nog eenmaal aan te stippen eenen
naam, dien men zoo dikmaals heeft aangetroffen, den naam van JOANNA,
van JOANNA, die niet meer in leven is!
In den loop van de maand Augustus 1783, ontfing ik van den heer GOURLAY
eenen brief, die my het hart doorboorde. Dezelve gaf my bericht, dat
de schoone en deugdzaame JOANNA den 5den November was overleden, en
dat men haaren dood aan vergif toeschreef. [6] Men had verdenking, dat
haar vergif was ingegeven uit nyd en jaloersheid, die men tegen haar
had opgevat, uit hoofde van de blyken van byzondere achting, die haar
van wegen haare meer dan gemeene hoedanigheden door de aanzienlykste
lieden in de Volkplanting bewezen werden. Haare moeder door aanneming,
Mevrouw GODEFROY, bezorgde aan haar lyk eene eerlyke begravenis in
het bosjen van oranje-boomen, door haar bewoond. Het beminnelyk kind,
het welk zy my agterliet, wierd my toegezonden met een bankbriefjen
van twee honderd ponden sterling, zynde deszelfs byzondere eigendom,
door hem van zyne moeder geërfd: zyne beide voogden overleden korten
tyd daar na.
Hy wierd in het Graafschap Devon opgevoed, en muntte uit door schielyke
vorderingen in zyne studiën. Hy bezat alle de goede hoedanigheden van
eenen zeeman, en deed twee reizen naar de Westïndiën. In den oorlog
tegen Spanje, diende hy met eere als Adelborst op de schepen zyner
Majesteit Southampton en Lezard. Hy was steeds gereed, om ten nutte
van den dienst zig aan alle gevaaren bloot te stellen. Maar hy leeft
niet meer; hy is op zee gebleven, op de hoogte van het Eiland Jamaica.
Ik heb dus aan den lezer niets meerder te berigten aangaande het lot
der geenen, die my zoo dierbaar waren. Laat het my alleenlyk geöorloofd
zyn, hem by het slot van dit myn verhaal te herinneren, dat ik in alle
myne opgaven de eenvoudige waarheid steeds tot leidsvrouwe genomen heb.
Einde der Reize van den Capitain STEDMAN.
AANHANGZEL TOT DE REIZE VAN J. G. STEDMAN,
ACHTER DE FRANSCHE VERTAALING VAN DEZELVE GEVOEGD
VOOR-BERICHT.
De Burger LESCALLIER, Oud-Bestuurder van Guiana;
Aan
Den Burger BUISSON, Boekhandelaar.
Parys, den 1sten Fructidor, 't VIde Jaar der Republiek.
Ik heb, Burger! het werk gelezen, door u aan my medegedeeld, ten titul
voerende; Reize naar Surinamen, en door de binnenste gedeelten van
Guiana, door den Capitain STEDMAN, uit het Engelsch vertaald. Ik heb
het, over het algemeen, belangryk gevonden; het behaagt my inzonderheid
uit hoofde van den geest van menschlievendheid en eerlykheid, die
daar in doorstraalt. Zoo dikwils hy het stuk der slavernye behandelt,
als mede het droevig lot der zwarten in deeze Volkplantingen, ziet
men, dat deeze Schryver met vrymoedigheid ontvouwt, en ten hoogsten
afkeurt de wreede handelwyze van zommige dienaaren, en de lydende
menschelykheid oprechtelyk beklaagt. Ik heb echter met eenig leedwezen
gezien, dat hy zelf, in verscheidene omstandigheden van zyn gedrag,
ten deezen opzigte niet altyd onbesproken geweest is. Ik beroep my,
onder anderen, op de behandeling, welke hy, op een valsch bericht,
aan zynen Sergeant FOWLER aandeed, wien hy, zonder een woord te
spreken, zes bambous-rieten op het hoofd aan stukken sloeg; zynde
dit geweest het ellendig uitwerkzel van gramschap, die voor geene
reden vatbaar is: (zie I. Deel, bladz. 256.) maar men moet dit een
en ander over het hoofd zien, wanneer men daar tegen met een gunstig
oog beschouwt den nadruk en de waarheid, die een verhaal kenschetsen,
waar van zelfs de Schryver niet heeft agterwegen gelaten, het geen in
zyn nadeel was, als mede een jeugdig, opvliegend en driftig gestel,
het welk in zekere oogenblikken zig zelven niet meer meester is.
Gy verlangt, om dit werk vollediger te maken, eenige nadere
hyzonderheden rakende de verdere gedeelten van Hollandsch en Fransch
Guiana, welken ik bewoond en doorkruisd heb. Gy hebt gemeend, dat ik
u de middelen zoude kunnen aan de hand geven, om, tot vermaak en ten
nutte van het Publiek, deeze beschryving van Guiana aan te vullen,
door eenige andere aanmerkingen, betrekkelyk deeze landstreeken,
by elkander te verzamelen.
Altyd gereed, om aan myne mede-burgeren nuttig te zyn, heb ik
niet geaarzeld de gelegenheid waar te nemen, welke gy my aanbood:
met dit al, na rypelyk daar op te hebben doorgedacht, heb ik in
deeze onderneming veele hinderpalen ontmoet, die my wel niet van de
uitvoering myner belofte doen te rug keeren; maar my de toegevendheid
van het Publiek doen verzoeken, daar de aanmerkingen, om verscheidene
redenen, die ik u ontvouwen zal, zoo volledig niet zyn kunnen, als
ik wel verlangd hadde.
Het is veertien jaaren geleden, dat ik de ééne, en elf jaaren, dat
ik de andere deezer Volkplantingen niet gezien heb. Zedert dien tyd
hebben verschillende bezigheden van eene onëindige beslommering,
andere reizen, myn geheugen met een aantal denkbeelden, en nieuwe
zaken beladen. Om een behoorlyk werk over deeze twee gedeelten van
Guaina by één te brengen, zoude ik meer dan ooit noodig hebben in het
bezit te zyn van de gedenkschriften en geschrevene berigten, welken ik
by elkander had verzameld; maar, door onderscheidene toevalligheden,
zyn de meeste myner papieren en handschriften verloren of verstrooid
geraakt.
Aan den anderen kant heb ik, ten nutte van het Regeerings-Bestuur,
een werk over Fransch Guiana [7] uitgegeven, waar in ik alle die
gezichtpunten heb by één verzameld, die ik het nuttigst oordeelde,
en de byzonderheden, die my met opzigt tot deeze landstreeken het
gewichtigst voorkwamen: ik zoude hier niets anders kunnen doen,
dan het door my reeds geschrevene te herhaalen.
Wat Hollandsch Guiana betreft, zynde gelegen boven Surinamen, dat is
meer naar de west-zyde, en het welk ik twee jaaren lang bewoond en
als Opperhoofd bestuurd heb, het zelve bestaat in drie Volkplantingen,
aan de oevers van drie voornaame Rivieren gelegen; de Volkplanting de
Berbices, waar van de grensscheidingen zig tot aan de Rivier Corantyn
uitstrekken; die van Demerary en van Essequebo, zig met Spaansch
Guiana uitstrekkende tot de Rivier Poumaron. Deeze Volkplantingen by
elkander gerekend, bevatten eene uitgestrektheid van zestig mylen aan
de zeekusten, waar van de beschryving in veele opzichten dezelfde
zoude zyn, als die der kusten van Fransch Guiana. Maar derzelver
wezentlyk onderscheid bestaat in de merkelyke vorderingen, die de
bebouwing der laage landen in deeze Volkplantingen gemaakt heeft;
het welk een nuttig voorbeeld verschaft voor onze Volkplanting van
Guiana, die wel eenige proeven van dien aart gedaan heeft, maar welke
volstrekt in de eerste beginzelen zyn blyven steken.
Om een nuttig Aanhangzel tot het werk van den Capitain STEDMAN,
raakende Surinamen, te leveren, oordeele ik niets beters te kunnen
doen, dan om, by wegen van eene briefwisseling tusschen een Hollandsch
en een Fransch Ingezeten, aan het Publiek eenige aanmerkingen omtrent
het bebouwen der lage landen optegeven; aanmerkingen, welken ik
geduurende myn verblyf in deeze Volkplantingen heb opgezameld, en
waar uit de Planters, die met eenige gelden in ons Guiana eenige
onderneming zouden willen doen, groot voordeel trekken kunnen.
Ik heb verschooning noodig aangaande den styl, rangschikking en manier
van schryven, naar mate van den korten tyd, dien ik aan deezen arbeid
heb kunnen besteeden, met andere beslommerende bezigheden dagelyks
bezet, welke my zeer weinige oogenblikken vryheid overlaaten. Ik weet
wel, dat het Publiek, over 't algemeen, niet gewoon is op dusdanige
verschooning veel acht te slaan; en indien men aan zyn voorgesteld
doeleinde niet voldoet, zegt het met den Menschen-hater van MOLIERE:
De tyd doet niets ter zaak.
Dus draag ik deeze redenen van toegeeflykheid alleenlyk voor aan u,
en aan het klein getal van Lezers, die dezelven wel zullen weten op
prys te stellen.
INHOUD DER BRIEVEN.
EERSTE BRIEF.
Van den aart der Landen, derzelver vruchtbaarheid en plaatselyke
ligging.
TWEEDE BRIEF.
Van de manier, om te arbeiden aan Dykagiën, uitwaterende Vaarten,
Sluizen en ander werk, het welk noodig is, om het Land ter bebouwing
gereed te maken.
DERDE BRIEF.
Van het planten en aankweeken van Koffy, en van de noodige
levensmiddelen tot onderhoud van de Planters; van het oogsten
en bewerken der Koffy; van de gebouwen, en verdere noodzakelyke
inrigtingen tot eene groote Koffy-Plantagie, volgens het gebruik der
Hollandsche Volkplantingen in Guiana.
VIERDE BRIEF.
Antwoord op de drie eerstgemelde Brieven, waar by de Fransche Ingezeten
de vraag omtrent de afschaffing der slavernye, in de Volkplantingen,
alwaar dezelve nog plaats heeft, opzettelyk behandelt: hy raadt om
deeze verandering, die noodzakelyk geworden is, te bevorderen, en
geeft de middelen aan de hand, om daar toe te geraken, zonder aan
den voorspoed der Volkplantingen nadeel toe te brengen.
AANHANGZEL.
EERSTE BRIEF.
Van den aart der Landen, derzelver vruchtbaarheid en plaatselyke
ligging.
De weinige ledige tyd, die my overblyft van eenen post, met eene
meenigte bezigheden vergezeld; eene zeer flaauwe kennis van de
Fransche taal, aan welke een aantal Schryvers zulk eene volkomenheid
bezorgd hebben, dat het aan weinige vreemdelingen gelukken mag in eenen
middelmatigen styl te schryven; de ongenoegzaamheid myner kundigheden;
alle deeze redenen zouden meer dan voldoende zyn, om uw verzoek te
weigeren, ten einde myne gedachten te vernemen omtrent den grond
der Volkplantingen van Guiana, zoo Fransch als Hollandsch, omtrent
het zuiveren en droogmaken der landen, en omtrent de byzonderheden
van derzelver bebouwing, van de verblyfplaatsen en huisvestingen,
van het inöogsten en zuiveren der volwassene vruchten, met al het
geen tot deeze onderscheidene voorwerpen eenigzints betrekkelyk
is: maar wanneer ik acht geef op de byzondere diensten, welken het
Fransch Bestuur aan de Republiek bewezen heeft, vermeene ik, dat elk
waar Hollander gereed moet zyn, om, zoo veel zyne kundigheden zulks
toelaten, te arbeiden aan alles, wat den Franschen aangenaam zyn kan.
Alvorens tot de opzettelyke behandeling der voorwerpen van onze
briefwisseling toe te treden, oordeele ik het geenzints ongepast
te zyn, om in weinige woorden te doen zien de verandering, welke de
Volkplanting van Fransch Guiana t'eeniger tyd zal kunnen ondergaan,
en by gevolg, welk nut dezelve aan onze scheepvaart en algemeenen
koophandel zal kunnen aanbrengen, indien zy t'eeniger tyd, zig
niet meer tot de hooge landen bepaalende, beter gebruik maakt van de
vruchtbaare oevers van haare Rivieren Aprouago en Oyapok, als mede van
de zee-kusten en binnen-landen, tot welken men door gegraavene vaarten
tusschen deeze verschillende Rivieren den toegang zoude kunnen baanen.
Men ziet dit nog heden ten dage te Cayenne en in de Berbices; de
geschiedenis van Surinamen en der Volkplanting van Demerary bewyst
het ons: men heeft, door geheel Guiana zig het eerst op de hooge
landen beginnen neder te zetten. Het is onnoodig de redenen daar
van op te spooren; het is genoeg te melden, dat ongetwyffeld de
schatten, welken de ryke grond van dit gedeelte van America in zig
bevat, zig niet kunnen ontdekken, dan door het opdroogen van haare
moerassen. Surinamen is eerst eene Volkplanting van aanbelang geworden,
zedert dat men begonnen heeft de lage landen van de Rivier Commewyne
uit te droogen; en de schepen, welken zy nog tegenwoordig afzendt,
zyn grootendeels beladen met koopwaren, komende uit den mond van deeze
ryke Rivier, waar in die van de Cottica, en verscheide aangelegde
kreeken, zig ontlasten. De ladingen van drie vierde der schepen,
welken de Volkplanting de Berbices in eene kleine hoeveelheid afzendt,
bestaan in de voortbrengzels van een klein getal Plantagiën, gelegen
in de lage landen van het gedeelte, het welk Maripaan, dat is, het
lage van de Rivier, genoemd wordt. Wat de Volkplantingen Demerary en
Essequebo betreft, de voortbrengzels van de hooge gedeelten deezer
beide Rivieren, zyn naauwlyks noemenswaardig, zedert men zig te
Essequebo heeft toegelegd op het bebouwen der landen, die aan de
monden der Rivier, en de kusten der nabuurige Eilanden, gelegen zyn;
en zedert dat men te Demerary de Plantagiën, die te veel van het een
of ander moeras aan haaren mond verwyderd lagen, byna geheel verlaten
heeft, heeft men zig van dien tyd af niet alleen met yver op de lage
landen der beide oevers ter nedergeslagen, maar men heeft bovendien
den landbouw langs de beide kusten der zee voortgezet; zynde die aan
de west-zyde reeds volkomen bebouwd tot aan Borassire Kreek, terwyl
die aan de oostzyde spoedig bebouwd zal zyn tot aan de Maheyca Kreek,
en tot boven aan de Coerabanne Kreek.
Om u des te beter te doen gevoelen, welke uitwerking die verandering in
deeze Volkplanting heeft te weeg gebragt, zal ik u eene tafel vertoonen
van haare uitvoeringen naar Europa voor dien tyd, en ook daar na.
De Registers van het jaar 1745 tot het jaar 1761 toonen, dat het
hoogste van die jaaren heeft opgeleverd 3579 vaten Suiker, en het
minste 285 vaten, zonder byna eenige andere koopwaren; dat in de
volgende jaaren, van 1762 tot 1770, in welken tyd het bebouwen
der lage landen begonnen is, zoo in Essequebo, als in Demerary,
men bevindt, dat in de drie eerste jaaren het hoogste niet meer
bedroeg dan omtrent 3000 vaten Suiker, 19 oxhoofden en 664 balen
Koffy, en 4 balen catoen; terwyl de uitvoering in 1767 reeds was
opgeklommen tot 4745 vaten Suiker, 72 oxhoofden en 2740 balen Koffy,
met 84 balen Catoen, welk artikel twee jaaren daar na opklom tot 337
balen, en, negen jaren later, tot 2868 balen in één enkel jaar: dit
is vervolgens by aanhoudenheid naderhand zeer spoedig vermeerderd;
zoo dat, in de maand September laatstleden, de Registers aantoonen,
dat de Schepen, naar Holland en Zeeland vertrokken, zedert het begin
van het tegenwoordig jaar, [8] hebben uitgevoerd 4021 en een half vaten
Suiker, 1340 oxhoofden en 36315 balen Koffy, en 2992 balen Catoen,
welken men hier doorgaans maakt van 300 tot 340 ponden gewicht, terwyl
men in verscheidene andere Volkplantingen de balen catoen niet zwaarder
maakt dan van 200 tot 250 pond: men moet die zelfde aanmerking maken,
ten aanzien van de suikeren, welken de meeste Planters tegenwoordig
in vaten pakken van omtrent duizend ponden netto, terwyl men dezelven
voorheen deed in vaten van omtrent 600 ponden.
Om den uitvoer van dit geheele jaar 1785 volledig op te geven,
ontbreekt het geen nog uitgevoerd zal kunnen worden met zeker schip,
het welk in lading ligt, en voor het einde van het jaar vertrekken
moet.
Voeg hier by het geen een goed aantal schepen van de Americanen
en van de Eilanden (die zedert den eersten January uit Demerary
zyn uitgezeild.) van die zelfde drie koopwaren ter smuik hebben
uitgevoerd; eindelyk, het geen een aantal onbekende vaartuigen uit de
Rivier Essequebo uitgevoerd hebben; het welk een handel van aanbelang
uitmaakt, schoon een weinig minder dan in Demerary.
Oordeel hier uit van de gewichtige gevolgen van het bruikbaar maken
der lage landen en der zee-kusten!
Indien de vertogen, door de Planters in 't jaar 1785 aan de Regeering
gedaan, ingang vinden, en indien men voortgaat met van hun slechts
matige belastingen te vorderen, indien men den handel niet dwingt
door nadeelige Reglementen, is 'er geen twyffel aan, of de uitvoer
naar Europa zal in veel minder dan vyftig jaren het dubbeld opbrengen.
Ik geef u deeze byzonderheden op, ten aanzien van de vermeerdering
van de voortbrengzels deezer Volkplanting, om u door daadzaken te
bewyzen, dat indien men zig te Caijenne op het bebouwen der lage
landen met yver toelegt, deeze Volkplanting, wel verre van aan 's
Lands schatkist tot een last te zyn, onder het getal zal komen van
die genen, die den koophandel en de scheepvaart der verschillende
Fransche havens doen herleven.
Ik kan niet ontkennen, dat de inrigtingen, die men op deeze landen
aanlegt, geduurende het eerste en tweede jaar haare onaangenaamheden
hebben: een vochtig land, en het welk nog niet lang genoeg door de
stralen van de zon is bescheenen geweest, om volkomen droog te worden;
onaangenaame insecten, die u des avonds, des nachts en des morgens
kwellen; het gebrek aan goed water en verscheide andere zaken, of de
moeilykheid om zig zulks aan te schaffen, maken, dit erken ik gaarne,
het leven in den eersten tyd onaangenaam: maar laat men in aanschouw
nemen, dat deeze ongemakken slechts voor een tyd zyn, terwyl de rykdom
der voortbrengzels, welken deeze onuitputtelyke landen opleveren, de
moeielykheden en het gebrek, die men aldaar in het begin ondervindt,
spoedig zullen doen vergeten.
Voor 't overige kan men zig eenigermaten beveiligen tegen het ongemak
van het steken der kleine en groote muggen, door het weghakken van het
geboomte, stronken en doornheggen, die langs den oever der Rivieren
groeiën, en waar in deeze insecten huisvesten.
Al verder, naar mate het getal der beplantingen vermeerdert,
verminderen de onaangeraimheden. Zoo lang de nieuwe Planter zyne
omheining nog niet geëindigd heeft, zyne uitwatering bepaald, en
de gebouwen voor hem en zyne Negers opgerigt, is hy gehuisvest by
zyn buurman, die zig daar toe des te gemakkelyker leent, om dat de
nieuw aankomende door zyne omheining, en het hakken van zyn hout, de
uitwerking der zoele winden vermeerdert, de insecten doet verdwynen,
en hem ontlast van de zorgen der bedykingen, zoo aan de kanten, als in
't midden, in den tyd der zwaare regenbuien: op die wyze zyn in korte
jaaren deeze moerassen, waar aan men te recht den naam van woesten
klomp zoude kunnen geven, in eenen Hof van Eden veranderd en hervormd.
Het gezegde moet, zoo my dunkt, de geheele wereld overtuigen, dat het
bebouwen der lage landen onëindig voordeeliger is boven dat der hooge
landen; en ik twyffele niet, of een ieder zal de oude vooröordeelen
ten deezen opzigte spoedig laten varen.
Na deeze inleiding, welke ik noodig geöordeeld heb vooraf te laten
gaan, zal ik overgaan tot de behandeling van het hoofd-onderwerp van
deezen, en van de volgende brieven.
Alvorens ik echter met u begin te spreken over den grond der
Volkplantingen van Guiana, wil ik u myne denkbeelden en myn gevoelen
mede deelen omtrent de manier van het inrigten der bebouwing van de
oevers der Rivieren in dit geheele vaste Land: het is voordeeligst
de zuivering der gronden te beginnen aan de wederzydsche oevers by
den mond der Rivier, en daar mede voort te gaan, altyd van de laagte
naar de hoogte opklimmende.
Verscheiden redenen overtuigen my, dat deeze manier de beste zyn zoude.
Het is buiten allen twyffel, dat over den geheelen aardbol, maar
vooral en in 't byzonder tusschen de zonne-keerkringen, de zeelucht,
en de winden, die langs de zeekusten waaijen, niet alleen over dag,
maar zelfs des nachts, vooral by droog weder, ongemeen heilzaam zyn:
de Negers zyn aldaar veel minder aan zweren onderworpen, dan aan
het hooge einde der Rivieren; en wanneer zy die al hebben, worden
zy veel spoediger genezen. De lucht aan de kust is bovendien een
byzonder geneesmiddel tot spoedige herstelling van maag-kwalen, als
mede van alle andere ziekten uit verstoppingen, die aldaar met eene
verwonderlyke gemakkelykheid genezen worden.
Aan den anderen kant is het ontwyffelbaar, dat de eerste openingen
in de lage landen de ongezondste zyn, en is het by gevolg niet veel
voorzichtiger dezelven te beginnen aan dat gedeelte der Rivier,
alwaar wind en lucht eene onbelemmerde dreef hebben, de vochtige
uitdampingen oogenblikkelyk doen verdwynen, en den al te waterachtigen
en rotachtigen staat van den dampkring verbeteren. Ik weet zeer wel,
dat een enkel voorbeeld de gezondheid van eene landstreek niet met
zekerheid bewyst; maar dit is echter zeker, dat de eerste bewoners,
die zig op de lage landen der binnenste Rivieren van Demerary hebben
ter neder gezet, grootendeels zeer jong gestorven zyn, terwyl men
voorbeelden heeft van zulken, die zig aan den mond der Rivier gevestigd
hebben, en tot eenen hoogen ouderdom gekomen zyn.
Eene andere reden, waarom dit meer verkieslyk is, bestaat hier in,
dat gy plant op dat gedeelte der lage landen, het welk de spoedigste,
vruchtbaarheid en de meeste voortbrengzels belooft: de voordeelige
invloed van den zee-dampkring, welke men als de kragtdadigste
medehulp beschouwen moet, is gelegen in het helpen en voortzetten
der groeying, het bevorderen van de vruchtdraging der boomen, uit
hoofde van de zoutachtige deelen, die deeze lucht met zig voert,
welke door de luchtgaten der bladeren ingezogen zynde, de werking
der aardachtige zouten bespoedigen. Eene ondervinding van agt jaren
in deeze Volksplanting heeft my geleerd, dat Koffy-Plantagiën, die
het naast aan den mond der Rivier en op de kusten gelegen waren,
doorgaans meer opgebragt hebben, dan die verder van de zee af lagen.
Daarënboven is het zeker, dat de eerste ondernemingen van dien aart
meestal zyn aangelegd door lieden van bepaalde vermogens: ook heeft
men in de landen, aan de monden der Rivieren en aan de Kusten gelegen,
1º. het voordeel, dat men geene groote boomen behoeft om te hakken;
2º. een land, zeer geschikt om met gemak te worden omgespit. Ik heb met
myne eigene oogen op deeze kusten, door twee, drie of vier spittende
Negers, met het graven van grachten eenen verbazenden arbeid zien
verrichten; en 3º. zoo dra de kleinste omheining geëindigd is, kan
men aldaar catoen boomen planten, die, na verloop van negen maanden,
reeds eenigen oogst opleveren.
By deeze redenen zal ik nog eene laatste voegen, die, naar myn
begrip, het meest afdoet, namelyk dat men, beginnende met het
zwaare hout aan den zeekant weg te nemen, aan het afgelegener
gedeelte der Rivier een gezonder lucht bezorgt; het zelve wordt
vruchtbaarer en aangenaamer voor den nieuwen Planter, die zig aldaar
nederzet. Myne Plantagie is omtrent drie vierde van een myl van den
mond der Rivier af gelegen, en ik houde my verzekerd, dat noch ik,
noch myne gebuuren, zoo veel koffy als tegenwoordig niet zouden
inöogsten, indien onze aanleg afgescheiden, en op zig zelfstaande,
in de diepte der bosschen was gemaakt, en ik ben inwendig overtuigd,
dat onze oogst merkelyk bevorderd wordt, doordien de bosschen, aan den
oostkant van den mond der Rivier, byna geheel en al zyn weggehakt,
en alle de Plantagiën van beneden af, tot by my, open zyn, of van
het zwaare hout beroofd, ter diepte van vier honderd en vyftig,
tot zes honderd vyftig roeden. [9] Bewyst de ondervinding dit niet
overal? Het klein getal Plantagiën in de Berbices, aangelegd op lage
landen aan de Maripaan, aan den westelyken oever der Rivier, en alzoo
het genot hebbende van de passaatwinden, die door den breeden mond
van die Rivier onbelemmerd heen waaijen, maakt jaarlyks voordeelige
oogsten; en een oud Surinaamsch Colonist, een zeer goed Planter,
schryft my, dat alleenlyk de Plantagiën, gelegen aan de Kreeken,
die in de Commewyne uitloopen, en het genot der zeelucht hebben,
by aanhoudendheid veel koffy opbrengen.
Ik vermeene u door alle deeze redenen overtuigd te hebben, dat het
veel gezonder, veel gemakkelyker, en veel voordeeliger is, om de
bebouwing der landen te beginnen aan den mond der Rivieren en aan de
Zeekusten, niet alleen voor de geenen, die zig aldaar nederzetten,
maar ook voor de Planters, die zig hooger op geplaatst hebben, of
zulks by vervolg nog zouden kunnen doen.
Na u in 't algemeen myne denkbeelden te hebben medegedeeld, hoedanig
men zig omtrent de bebouwing der lage landen in Guiana heeft te
gedragen, gaa ik over tot de byzonderheden van derzelver bearbeiding,
zuivering van stronken en wortels, enz. en ik zal beginnen met den
aart van den grond van deeze landen.
Voor eerst zal ik toegeven, dat 'er op de hoogere en van de zee meer
afgelegene landen, plaatsen zyn, wier grond zoo fraay en vruchtbaar
is, als in de laagte; maar deeze plaatsen staan op zig zelven, en
bestaan in kleine gedeeltens; zy genieten nooit die lucht, die voor
de menschen gezond, en voor de groeizaamheid nuttig is, als de landen
in de nabyheid der zee gelegen; het toemaken en bebouwen van dezelven
is altyd onëindig moeijelyker, en vordert meerder werkzaamheid.
Men zal derhalven altyd aan den grond der lage landen den voorrang
moeten geven, en uit dezelven moet men, zoo als ik hier boven gezegd
heb, de schatten van Guiana haalen.
De teekenen, waar aan men goede landen kennen kan, bestaan daar in,
dat zy, op de diepte van verscheiden voeten, een blaauwachtig, zacht,
slyk hebben, het welk het water gemakkelyk laat doorzinken. In onze
beide Rivieren vindt men een grond, alwaar dit slyk met zandkorrels
vermengd is: dewyl dit nu den doortocht van het regenwater des te
gemakkelyker maakt, schynt het zeker, dat de laatstgemelde grond den
voorrang verdient boven de eerste, vooral voor het suiker-riet. Ik
heb te Essequebo suiker gezien, die op dit zoort van land geöogst,
en allerfraayst was, schoon de Plantagie slecht was uitgedroogd,
slecht bearbeid, en slecht bebouwd: niets tog bewyst beter de goede
hoedanigheid van den grond, dan wanneer men goede waaren, om zoo te
spreken, van zelf ziet geboren worden.
Schoon ik het blaauwachtig slyk opgeeve als het teeken van den besten
grond, wil ik wel met u toestemmen, dat het graauwachtige slyk, mits
het zacht en tot het doorlaten van het water geschikt is, insgelyks
goed kan zyn; echter zoude ik, met een hedendaagsch Schryver, die
over den landbouw in Surïnamen gehandeld heeft, 'er voor zyn, om het
zelve in den tweeden rang te plaatsen.
Beide zoorten van slyk moeten met eene zwartachtige, vette en
gebondene aarde, als met eene goede wel verrotte mest, overdekt
worden; deeze beweegbaare aarde vindt men van onderscheidene dikten:
echter ben ik geenzints van het gevoelen van hun, die stellen, dat
de rykdom van den grond geëvenredigd is aan de dikte van dit overdek
van aarde. Integendeel zyn in Demerary alle de landen, alwaar die
aarde ten hoogsten van 20 of 22 duimen diepte is, in verre na niet die
geene, welke den voorrang verdienen: veel verkieslyker zyn die landen,
alwaar men deeze aarde alleenlyk vindt ter diepte van 16 of 18 duimen,
welke vervolgers tot 6 of 8 duimen vermindert door de indrooging,
die na de omheining van den grond door de sterke zonnestraalen plaats
heeft. Zelfs heb ik in de laagte van de Maripaan, en in het benedenste
gedeelte der Rivier Canjé, in de Volkplanting de Berbices, uitmuntende
landeryen gezien, alwaar de Koffy- en Cacao-boomen tot de grootste
volkomenheid opgroeiden, schoon zy niet dan een zeer dun overdek van
zwarte aarde hadden.
Naar mate men aan de zee, of aan den mond der Rivieren nadert, wordt
het slyk minder vet en zagter: zoo is het ook langs de zee-kusten,
alwaar men den naam van slyk in dien van uitgedroogde modder zoude
kunnen veranderen, waar van de bagger uit de gegravene vaarten een
overtuigend blyk oplevert. Deeze bewerking moet alle twee jaaren
geschieden op de Plantagiën, die langs de kusten gelegen zyn. Het geen
'er uitgebaggerd wordt, werpt men aan de beide kanten dier vaarten,
en twee jaaren daar na is van het zelve niets meer te vinden; het is
wederom in de vaart afgezakt, welke 'er op nieuw mede bezet is.
Ik had my altyd verbeeld, dat dit zoort van landen minder vruchtbaar
was, en dat de Koffy-boomen aldaar korter duurden; maar ik heb het
laatste jaar twee stukken land gezien, met Koffy-boomen beplant,
behoorende tot de oudste Plantagie aan de westkust, zynde in den besten
staat en vol vruchten; en de eigenaar heeft my verzekerd, dat deeze
stukken zedert 22 of 23 jaaren waren beplant geweest: ten duidelyken
blyke, dat deeze landen zeer lang in hunne vruchtbaarheid volharden.
Voor een blyk van goed land houdt men vry algemeen een zoort van
palmboom, waar aan men by u den naam van Pinot geeft. De Schryver,
die den Surinaamschen landbouw behandeld heeft, zegt, dat hoe meer
men van die boomen vindt, hoe vruchtbaarer de grond is. Ik stem
gaarne toe, dat de landen, hier boven door my als de beste opgegeven,
'er rykelyk van voorzien zyn; maar verscheide inwooners, die de hooge
landen in Demerary vruchteloos bebouwd hebben, hebben my verzekerd
door dit blyk bedrogen te zyn geworden; ik zoude daarom altyd raden,
zig daar op niet eeniglyk te verlaten, maar tevens te onderzoeken,
of de grond ook andere blyken, welken ik ontvouwd heb, oplevert.
Behalven de verandering, die in den grond bespeurd wordt, naar mate
men digter aan de zee nadert, vindt men ook, dat het hout uit minder
sterke en een ander zoort van boomen begint te bestaan. Men ziet
minder Manis, en van die boomen, welken de Indianen alhier noemen
Warokoerie, de Creolen Schepperboom, dat is roey-riemen-hout, om
dat het zig gemakkelyk laat klooven, en veel al tot het maken van
roey-riemen gebruikt wordt; ter zelfder tyd vermeerdert het getal
der Paletuvier-boomen. Men vindt den boom, Coeraharie genaamd, niet
meer in grooten overvloed. Deeze boom, wiens Surinaamsche naam my
niet bekend is, is geschikt tot timmerhout, en kan dienen tot het
maken van palen of stylen; mits men dezelven op steene grondvesten
plaatst; men gebruikt het ook tot ribben en balken, eindelyk tot
alles wat beschut of bedekt is. Men vindt aldaar ook zeer fraaije
vierkante blokken, waar van men planken zaagt, die zeer geschikt zyn
om de huizen te beschieten; maar niet zeer goed zyn voor vloeren of
zolders, om dat dit hout krom buigt. Men vindt deezen boom insgelyks
in de diepten der Plantagiën, aan de west-kust; maar zy zyn aldaar
kleiner. De Balata, die in Surinamen en de Berbices zoo gemeen is,
is hier uittermaten zeldzaam.
Insgelyks zyn de banken van schulpvisschen aan de oevers van
Surinamen en de Berbices zeer gemeen; maar men vindt dezelven in
't geheel niet aan die van de Rivieren Essequebo en Demerary. Men
begint eenige schelpvisschen te zien, wanneer men de Coerabanne naar
den oostkant voor by vaart, gaande naar den kant van de Maheyca;
maar aan de oostzyde van deeze laatstgemelde Kreek, of beter gezegd,
Rivier, is eene zeer groote bank, en van daar tot aan Mahicony is
'er de kust vol van.
Om zyne keuze te bepalen omtrent die plaatsen, waar de beste landen
gelegen zyn, kan men, volgens de zekerste berigten, die ik heb
kunnen opspooren, in Demerary alleenlyk voor behoorlyk vruchtbaare
landen houden die geenen, welke aan den oostelyken oever gelegen zyn,
gerekend van de Plantagie, de groote Diamant, tot omtrent twee mylen
van den mond der Rivier; en aan den westelyken oever, van de Plantagie
Laurentia, een halve myl hooger op, tot aan den mond der Rivier.
Te Essequebo bepalen zig de goede landen tot die van de Eilanden
Legouane, Arobabiche, en Waakkename; en zelfs op dit laatstgemelde
Eiland is het zuidelykst gedeelte, het welk het verste van de Zee af
ligt, reeds van veel mindere waarde. Aan den oostelyken oever van
deeze Rivier, kan men geene goede landen hooger op rekenen, dan de
Plantagie Patrica, één myl van den mond der Rivier af, en aan den
westelyken oever van de Plantagie, Adventure genaamd.
TWEEDE BRIEF.
Van de manier, om te arbeiden aan Dykagiën, uitwaterende vaarten,
sluizen en ander werk, het welk noodig is, om het Land ter bebouwing
gereed te maken.
In den vorigen brief heb ik u myne gedachten opgegeven, hoe uitmuntend
geschikt de lage landen in Guiana ter bebouwing zyn, en welke keuze
men onder de verschillende zoorten en liggingen van deeze landen te
maken heeft: in deezen brief zal ik u ontvouwen de manier, om die
landen toe te bereiden en bruikbaar te maken.
Dewyl deeze landen, of byna altyd onder water staan, of door de
verwisseling van ebbe en vloed, aan overstroomingen onderworpen
zyn, moet men dezelven droog maken, en door dyken beletten, dat het
buitenwater niet kan doordringen tot het land, het welk men voornemens
is tot bouwland aan te leggen.
Ik vooronderstel dus, dat de keuze van het land gedaan is. Men moet,
voor alle dingen, het hout laten weghakken, en het geheele land,
het welk men voorgenomen heeft te bedyken, of ten minsten het
gedeelte, waar de dyken gelegd moeten worden, tot op eene zekere
breedte, doen zuiveren. Vervolgens kunt gy overgaan tot het leggen
van die dyken, welke een vierkant, dat evenwyd is, zullen vormen,
waar van de eene kant uwe voorgevel of scheidsmuur, aan de Rivier
of Zee-kust, zal uitmaken; eene andere, aan de eerste gelyk zynde,
zal gelegd worden in de diepte van dit zelfde land, op den afstand,
welken gy wilt toebereiden en beplanten; de twee andere zyden, die
beide even groot zyn, zullen lynrecht tegen de twee eerste overstaan,
en u van uwe gebuuren, ter rechter en ter linker zyde, afscheiden.
Tot dit einde moet men, in den geheelen omtrek van dit vierkant,
beginnen met een kleine gracht te graven, welke gevonden moet worden
onder het midden der breedte van den dyk, en daar aan als tot een
grondvesting dienen. Deeze kleine gracht wordt genoemd de pit of
blinde groeve: dezelve moet omtrent drie voeten breedte hebben, voor
een dyk, die twaalf voeten en meer tot zynen grondslag heeft. Het
is van aanbelang dezelve te graven tot de diepte van ten minsten
twee goede schuppen, en aldaar geene stammen van boomen, geen hout,
geene wortels over te laten, maar daar van volkomen te zuiveren.
Wanneer deeze blinde groeve gemaakt is, zult gy beginnen met de
uitwaterende grachten te graven: men is gewoon 'er daar van twee
te maken, de eene van buiten aan den dyk, de andere van binnen. De
eerste dient, om den dyk met slyk aan te vullen, de binnen-gracht
daar toe zomtyds niet voldoende zynde, wanneer deeze dyk van vry wat
aanbelang moet zyn. Deeze buitenste gracht bevordert daarënboven den
uitloop van een gedeelte der omringende wateren, en belet dezelven,
door middel van dien uitloop, tegen den dyk aan te perssen.
Het is nutteloos deeze buitenste gracht zeer diep uit te graven;
zy vordert zoo veel oplettendheid niet, als de binnenste gracht,
die net en regelmatig moet bewerkt worden; terwyl men in de buitenste
de stronken en wortels laten kan, mits zy aan de uitdieping niet te
hinderlyk zyn. Men moet altyd eene bekwame tusschenruimte tusschen
deeze gracht en den dyk houden.
In welk zoort van lage landen het ook zy, is de bagger, die men voor
de eerste keer uit deeze grachten haalt, te veel met vreemde lichamen
vermengt, en al te los, om tot bekwame grondslagen voor den dyk te
kunnen dienen. Men moet ten minsten de twee eerste baggers, die men
'er uit haalt, aan deeze zyde werpen, dat is tusschen de gracht en den
dyk; en wanneer men de slyk of grond vast en bekwaam genoeg vindt, laat
men dezelve op den dyk werpen, het zy in eens, het zy in twee keeren,
zoo als gewoonlyk plaats heeft, om reden, dat men tusschen den dyk en
de omringende grachten een tusschenvak moet laten van 20 of zomtyds 30
voeten. Indien men deeze voorzorg verzuimde, zoude men gevaar loopen,
om de kanten van den dyk, en van de grachten, door de onmatige zwaarte
van de aarde, waar van de dyk gemaakt is, spoedig te zien instorten.
Men graaft de omringende grachten tot de vereischte diepte, die niet
altyd dezelfde is, maar waar van de gewoone maat bedraagt zes voeten
voor de binnen-gracht: men moet wel opletten, om aan deeze gracht de
noodige opgaande schuinte te geven, naar mate men dezelve graaft. De
evenredigheid van deeze opgaande schuinte is van 5 of 6 duimen van
elke voet; en naar mate men de kanten van deeze gracht in die schuinte
graaft, maakt men dezelve met het platte van de schup effen en gelyk.
Men zoude vervolgens deeze binnen-gracht kunnen eindigen, zonder
andere voorzorgen in acht te nemen; maar dan zou men gevaar loopen,
om door het hooge water overvallen te worden, en daar door veel tyd
te verliezen; behalven dat het te vreezen is, dat het water deeze
grond of slyk, welke daar door gedeeltelyk in beweging gebragt wordt,
week zoude maken, en daar door verzakkingen veroorzaken.
Men keert dit ongemak af, door, van den beginne af aan, een vierkante
pyp of sluis te plaatsen, die in dit land genaamd wordt coffre
d'ecoulement, het zy een groote, het zy by voorraad een kleine,
die ten minsten het water op de gewoone getyen kan tegen houden.
Om deeze uitwaterende sluis te plaatsen, graaft men daar toe opzettelyk
een gat in den dyk, aan den kant, die aan de Rivier of de Zee gelegen
is, indien men in het land geene kreek heeft, die daar toe geschikt
is. Maar doorgaans vindt men verscheiden van die kreeken of vaarten,
door de natuur zelve gevormd, waar door het ryzend water in overvloed
in de landen inloopt, en het vallend water weder afloopt. In het
begin moet men alle deeze kreeken door goede kistdammen schutten.
Zulk een kistdam is niet moeijelyk te maken; maar dit moet met
oplettendheid en vastheid geschieden: men begint met het vak of de
plaats, alwaar die kistdam gelegd moet worden, te zuiveren. Men neemt
vervolgens twee zwaare stukken hout of ribben, van eene genoegzame
lengte, om de geheele kreek en derzelver oevers te beslaan van den
eenen tot den anderen kant, ter wydte van omtrent zes voeten: dit vak
van zes voeten wordt tot op een goede schup diepte, beneden het bed
van de kreek, weggegraven. De twee houte ribben worden mitsdien dwars
op den grond van de kreek gelegd, op een zekeren afstand van elkander:
vervolgens plant men eenige zwaare heypalen aan de buitenzyde, voor
elk einde van deeze houte ribben, om de uitwyking voor te komen van
de aarde of het slyk, waar mede men het vak tusschen de twee ribben
vullen moet, om den kistdam te maken.
Wanneer deeze houte ribben wel geplaatst, en behoorlyk vast gemaakt
zyn, plant men langs elk van dezelven, zoo aan de binnen- als
buitenzyde, een rey heypaalen, van zwaare stukken hout, welken men
naast, en zoo dicht mogelyk aan elkander, inslaat: men moet om die
reden rechte stukken daar toe verkiezen. Wanneer alle deeze paalen
zyn ingeheyd, vult men het tusschen-vak met slyk, welke men aldaar
met kragt inwerpt, en die eindelyk een klomp wordt, waar door het
water niet kan heen dringen.
Men vindt op de plaatsen zelven altyd hout, het welk geschikt is,
om tot deeze ribben te dienen, vermits zy niet langer dan twee of
drie jaaren behoeven te duuren, na verloop van welken tyd de kistdam
stevig genoeg is, en geen steunzel meer noodig heeft.
Thans, om de sluis te kunnen plaatsen, zuivert men de kreek,
waar in men die plaatsen wil, van derzelver vuiligheden, of men
graaft opzettelyk eene vaart, indien men geen gebruik van eene kreek
maakt. Men moet eenige duimen lager graven, dan het waterpas van het
laagste gety van de Rivier of Zee kust, waar in men de uitwatering
verkiest.
Wanneer de plaats, alwaar men de sluis stellen wil, is uitgegraven,
brengt men die sluis voorwaarts naar één der oevers van de vaart,
welke men daar voor gegraven heeft: men plaatst dezelve aldaar op
eenige houte balken, die voor uit moeten steken tot byna op de helft
van de opening der gegravene vaart. Die sluis aldaar geplaatst zynde,
keert men de zelve op zyde, zoo dat de grond of het onderste van de
sluis recht over einde staat aan de zyde van de uitgegravene plaats,
en byna tegen den kant aan. Vervolgens slaat men om de twee uitëinden
van de sluis twee zwaare touwen, waar van men de einden behoorlyk
vast maakt. Op elk derzelven plaatst men een takel, waar van men
de wederzyde op eenige stronken van boomen doet rusten, of, zoo
'er die niet zyn, op twee zware palen, daar toe opzettelyk geplant,
aan de zelfde zyde, waar de sluis geplaatst is.
By elke takel zet men eenig volk, met last om gelykelyk en van
langzamerhand schoot te geven, naar mate daar toe bevel gegeven wordt;
vervolgens wordt door eenige arbeiders, die langs de sluis geplaatst
zyn, dezelve op de balken voortgeduwd naar het gat, waar in dezelve
moet inzakken. Wanneer de sluis, alzoo voortgestooten zynde, geheel van
den grond af is, begint dezelve wederom in haare natuurlyke gesteldheid
om te wenden, dat is, met den bodem naar beneden; als dan moet het
volk, het welk de takels tegen houdt, de touwen eensklaps los laten,
om de sluis in het gat te doen nederzakken. De balken, waar op men de
sluis heeft laten voortglyden, dienen in dit oogenblik tot een wip,
om de sluis naar beneden in de gegravene vaart te wenden, alwaar men
dezelve nederzet, waterpas en plat, zoo naauwkeurig maar eenigzints
mogelyk is.
Wanneer de sluis zoodanig geplaatst is, als men verlangt, trekt men
de takels en andere touwen te rug: men plaatst, even als by het maken
van eene gewoone en volkomene kistdam, hier boven reeds beschreven,
twee houte ribben, de eene beneden, en de andere boven de sluis,
vlak tegen dezelve aan. Men plant aldaar eene reije van houte staken,
uitgenomen op de plaats, welke de sluis beslaat, waar van men de
opening niet sluiten moet: men neemt in plaats derzelven aldaar zware
planken, of, indien men wil, ronde stukken hout, met den grond gelyk
en in de dwarste. Deeze kistdam vult men met slyk, zoo als hier voren
reeds is opgegeven, en men overdekt daar mede de sluis.
Indien men alleenlyk by voorraad eene kleine sluis wilde plaatsen,
om de eerste bewerking des te gemakkelyker te maken, zulks zoude veel
eenvoudiger zyn; dezelve wordt gemaakt van vier zwaare planken aan
elkander gevoegd, zoo dat elk derzelven één van de kanten uitmaakt: aan
het buitenste einde plaatst men eene kleine sluisdeur of duiker, die
nederhangt, om de sluiting des te gemakkelyker en zekerder te hebben.
Hier mede behooren wy over te gaan tot de ontvouwing van de manier,
op welke eene groote sluis gebouwd wordt, die men veronderstelt eene
opening van drie voeten te hebben.
De bouwstoffen, daartoe verëischt wordende, zyn de volgende:
1º. Zes zwaare planken van 26 voeten lengte, op 13 duimen breedte en
twee duimen dikte.
2º. Vyftien zwaare planken van 12 voeten lengte, twaalf duimen breedte,
en anderhalve duim dikte.
3º. Vier zwaare planken van twaalf voeten lengte, twaalf duimen
breedte, en twee en een halve duim dikte.
4º. Twee stukken hout van vyf voeten lengte, op zeven duimen breedte in
't vierkant.
5º. Een paar hengzels, van twee en een halve voeten lengte, en twee
en een halve duimen breedte, met twee zwaare yzere duimen, waar van
de punten lang genoeg zyn, om door het stukje hout of klamp, het welk
men boven de sluisdeur plaatst, heen te gaan, en voorts genoegzaam
uitstekende, om met een schroef of schaar vast gemaakt te worden.
6º. Vier yzere banden, waar van de einden omgebogen zyn naar verëisch
van de houte klampen, en hebbende de lengte van twee en een half
voeten, om op de sluis te spykeren, tot derzelver meerdere vastheid.
7º. Eindelyk de noodige spykers, die voor een sluis van dit maakzel,
en van die evenredigheid, ten naasten by zullen bedragen twaalf
ponden van 5 of 6 duimen, en twintig of vier-en-twintig ponden kleiner
spykers van 3 duimen.
Om deeze sluis te maken, begint men met de zwaare planken van 26
voeten lengte gelyk te maken; men zet die in elkander, drie van
de eene en drie van de andere zyde, zoo dat elke kant, uit drie te
zamen verëenigde planken bestaande, eene gelyke breedte maakt; men
hakt het einde van deeze planken schuins, in de evenredigheid van ten
minsten drie duimen op elken voet. Deeze schuinte is alleen aan die
zyde, welke naar de Rivier of Zee geplaatst wordt, en alwaar ook de
sluis-deur moet gemaakt worden.
De vier planken van twaalf voeten lengte, en twee en een halve duimen
dikte, dienen om de vierkanten of vakken van de sluis te maken. Daarom
klooft men dezelven in de breedte midden door, het geen de planken
alleenlyk zes duimen breed maakt; men hakt dezelve in vier stukken,
elk van drie voeten lang; men maakt deeze stukken van eene even gelyke
grootte, en voegt die met rechte hoeken en een zwaluwen staart te
zamen, zoo dat men van vier stukken een vierkant maakt; en dewyl elke
plank agt stukken oplevert, maakt zulks twee vierkanten op elke plank,
en voor de vier, agt vierkanten of vakken, die tot de vastheid van
de sluis op eene lengte van 26 voeten volkomen voldoende zyn. Het
vierkant, het welk aan het einde der lange planken, die schuins
gehakt zyn, geplaatst is, moet insgelyks in de schuinte gehakt worden,
om op de andere schuinte volmaakt te sluiten. Wanneer de vierkanten
gemaakt zyn, spykert men dezelven op gelyke afstanden van elkander
aan de lange planken vast: wanneer de sluis van wederzyden aan die
vierkanten is vast gespykerd, gaat men over tot de twee andere zyden,
die den bodem, en het boveneinde van de sluis uitmaken: men gebruikt
daar toe de vyftien planken van anderhalve duim dikte: men hakt
die alle aan stukken van drie voeten lengte, het geen voldoende is,
om de beide zyden van de sluis aan de einden gelyk te doen dragen:
na deeze stukken zoo gemaakt te hebben, dat ze volmaakt op elkander
passen, spykert men ze overdwars aan de sluis vast, zoo van boven
als van onderen.
De deur van deeze sluis wordt geplaatst aan die zyde, alwaar de
planken met een schuinse inham gehakt zyn; men geeft 'er het fatsoen
aan overëenkomstig deeze zelfde schuinte, en hangt dezelve aan twee
hengzels, waar van de yzere duimen zyn geklonken in een stuk hout
van het beste zoort, het welk men boven aan de sluis vast maakt,
door het zelve vooraf met het vierkant, waar op deeze deur rust,
zamen te hegten; en vervolgens met twee yzere krammen, die het zelve
aan drie kanten omvatten, en waar van de platte einden gespykerd zyn
op de planken, welken men overdwars boven de sluis geplaatst heeft,
terwyl men onder aan een gelyk stuk hout plaatst, op dezelfde wyze
vast gehecht, waar op de sluisdeur rust, wanneer die gesloten is. De
yzere duimen gaan door de breedte heen van het stuk hout, waar in zy
geklonken zyn, en van agteren zyn zy met een schroef of schaar vast
gemaakt, zoo dat men ze naar vooren of naar agteren kan draaijen,
naar dat de vaste sluiting van de sluisdeur zulks vordert.
Het geheel van deeze sluisdeur bestaat uit in elkander gevoegde stukken
hout, die wel gelyk gemaakt zyn, en overdekt met eene dubbele laag hout
met regte hoeken, insgelyks in elkander gezet: dezelve moet breeder
zyn, dan de opening van de sluis, dat is, gelyk met derzelver geheele
breedte, de buitenste kanten daar onder gerekend. Die zyde van de
deur, alwaar de planken vlak of overdwars zyn in elkander gevoegd,
moet binnenwaarts geplaatst worden, dewyl het hout op die manier
zig minder uitzet, en de sluisdeur dan minder bloot gesteld is,
om in wanörde te geraken, en naauwkeuriger sluit.
Om aan deeze sluisdeur meer gewicht te geven, en dezelve gemakkelyker
van zig zelve, en door haare zwaarte, te doen sluiten, voegt men 'er
van weerskanten een zwaar stuk hout by, het welk men aan de buitenste
oppervlakte vast spykert; dit stuk moet de dikte hebben van vier of
zes duimen in de laagte, en naar de bovenkant hoeksgewyze eindigen.
Eene uitwaterende sluis van de hier boven opgegevene grootte, is
volkomen voldoende tot het droogmaken van een stuk van 150 hond lands:
men kan een tweede aanleggen, of 'er een maken, die grooter is, naar
mate eene grootere uitgestrektheid gronds moet worden droog gemaakt.
Deeze zoort van sluisdeuren of duikers is de eenvoudigste en min
kostbaarste, om te dienen tot loozing van het binnen-water van een
land, het welk men wil droogmaken en bebouwen.
Voor 't overige, wanneer men 'er de middelen en den tyd toe heeft,
kan men aldaar sluizen maken op de manier, die in Europa bekend is,
het zy van hout, het zy van steen. 'Er zyn veele Planters in de
Hollandsche Volkplantingen van Guiana, die deeze laatstgemelde hebben.
Wanneer de grachten rondöm gegraven en de sluis geplaatst is,
moet men dadelyk zyn werk maken van de afdeeling van den grond,
en van de wegen, waar door elke afdeeling wordt afgescheiden. Deeze
wegen moeten door gegravene vaarten omgeven zyn, die tamelyk groot
en ten hoogsten honderd toisen van elkander afgelegen zyn. Indien
de tusschenruimten grooter waren, zoude de afloop van het water te
langzaam en onvoldoende zyn: men moet ze ook niet te digt by elkander
maken, om den arbeid niet noodeloos te vermeenigvuldigen.
Deeze verdeelingen zyn willekeurig, en hangen van des Planters
goedvinden af. Men maakt de midden-laanen meer of min breed, en aan
de kanten plant men vrugtboomen, bananen-boomen, ananassen, en andere
nuttige planten.
'Er zyn Planters, die, behalven de groote midden-laan, nog eene andere
van wederzyden maken, minder breed, in het midden van het vak tusschen
de groote laan en elke dyk, waar door het geheele stuk gronds in vier
gelyke deelen verdeeld is: men kan deeze verdeeling nog eenvoudiger
maken, om den arbeid te verminderen.
'Er is nog eene manier, die veel voordeeliger is, en daarom veel meer
aan te raden: hier in bestaande, om in plaats van den middenweg,
eene groote vaart te graven, beginnende van het achterste gedeelte
der gebouwen tot een einde voor aan in het bosch, en in de dwarste
loopende voor den agterdyk. Men bedient zig van de aarde, die daar
uit gegraven wordt, om aan wederzyden van deeze vaart, de dyken op te
hoogen, die een zeer goeden weg opleveren ter rechter en ter linker
zyde, welken men ieder met ryen boomen beplant. Het nut van zulk eene
gegravene vaart is onwaardeerbaar; dezelve dient, om de koffy of andere
waaren in den oogst-tyd met schepen of ligte vaartuigen te vervoeren,
het geen veel handen arbeid kan voorkomen. Deeze vaart is het geheele
jaar door vol goed en zoet water, het welk uit het bosch afdaalt. Dit
water dient tot besproeijingen, tot verscheidene benoodigdheden der
Planters, om zig te baden, en tot het vervoeren van hout voor vaatwerk,
en brandhout, het welk men als een vlot laat afzakken, enz.
Na dat men eenige maanden aan het maken der omringende dyken gearbeid
heeft, wanneer de grond is ingezakt en vast geworden, maakt men de
dyken volkomen af, en gelyk, en geeft aan de onderpaden en schuinse
afhellingen derzelver regelmatige gedaante. De hoogte van deeze dyken
moet altyd zyn een voet boven het hoogste water.
In dit bearbeiden der lage landen, na den grond van het zwaare hout
en de takken gezuiverd te hebben, het geen altyd een lang en moeijelyk
werk is, voornamelyk wanneer de gronden met paletuvier-boomen bewassen
zyn, is men gewoon in het begin bananen-boomen te planten, die tot
voedzel voor de beplanters dienen, en met hunne zwaare bladeren
de heestergewassen, het kleine geboomte, en planten, die op den
grond overig blyven, overschaduwende, dezelven eindelyk geheel doen
te niet gaan. Waar na men dezelven uittrekt, en nuttige planten,
die men voornemens is aldaar aan te kweeken, in de plaats zet, om
'er voordeel mede te doen. Indien dit koffy-boomen zyn, plant men
dezelven, geduurende het eerste en tweede jaar, in de schaduwe der
bananen-boomen, waar van men een gedeelte laat staan.
Voorts moeten wy nog aanmerken, dat op de groote, en vooral op de
Suiker-Plantagiën, de verdeeling der grachten een weinig anders
zyn moet.
Voor eene Suiker-Plantagie, alwaar men een water-molen maken wil,
moet men afzonderlyke gegravene vaarten hebben, benevens genoegzaame
vyvers, en bewaarplaatsen van water, die in slaat zyn het zelve aan
de molen te verschaffen; als mede eene bekwaame helling, geduurende al
den tyd, dat de Zee laag genoeg is, om de molen te kunnen laten malen.
'Er zyn ook grachten of vaarten noodig, die bevaarbaar zyn voor ligte
vaartuigen, rondöm elke verdeeling, ten einde het suiker-riet met
gemak en vaardigheid naar den molen te kunnen overvoeren.
Op de groote Koffy-Plantagiën graaft men ook eenigen van deeze vaarten,
tot het vervoeren van de ingeöogste vruchten in kleine vaartuigen;
het geen aan den arbeid der wyd afgelegene Plantagiën byzonder veel
gemak aanbrengt. Het is tot dit einde genoeg, een gracht te hebben van
twintig voeten breedte, die midden door de Plantagie, en vervolgens
naar de diepte heen loopt. Deeze gracht of vaart moet geene gemeenschap
met de anderen hebben; dewyl men zorgen moet, dat daar in altyd water
genoeg is, om te kunnen varen, en wel zoet water, gelyk reeds hier
vooren is opgemerkt; ook is het noodig aldaar eene kleine sluis te
leggen, die haar uitloop heeft naar de groote sluis, welke voor de
geheele droogmaking dient, ten einde deeze vaart te kunnen ontledigen,
wanneer 'er te veel water in is, of zelfs geheel en al uit te droogen,
indien dit noodig is, om dezelve schoon te maken, en diergelyken.
Ten aanzien van eene Suiker-Plantagie, is het met de verdeeling deezer
grachten en vaarten geheel anders gelegen: twee zaaken komen aldaar
in aanschouw; voor eerst, het maken van plaatsen, die geschikt zyn om
het water te bewaren, het welk noodig is, om den molen aan den gang
te houden; ten tweeden, om de middelen te verschaffen, tot het rondöm
vaaren van elk stuk lands, met suiker-riet beplant, en het zelve alzoo
naar den molen te kunnen vervoeren. Men moet die vaarten dus veel
grooter en meerder in getal maken. Zie hier de verdeeling van dezelven.
Men begint met omringende grachten te maken, die in grootte aan
de uitgestrektheid van het stuk lands geëvenredigd zyn; men maakt
vervolgens verdeelingen van 100 tot 100 toisen, maar niet verder,
dan tot omtrent in het midden van de diepte der Plantagie. De groote
gegraven vaart van zoet water, waar van wy gesproken hebben, en die
van de gebouwen der Plantagie af, tot in derzelver diepte, boven den
agter-dyk, doorloopt, moet eene veel grootere breedte hebben omtrent de
plaats, waar de molen staat, dan in een afgelegener gedeelte. Op deeze
vaart loopen andere kleinere vaarten of grachten uit, die geplaatst
worden tusschen de afdeelingen heen, zoo dat zy met de uitwaterende
vaarten geene gemeenschap hebben, maar alleenlyk met de middelste,
waar van zy als zoo veele armen uitmaken.
Behalven deeze groote vaart, en derzelver rechthoekige armen, zyn de
verdeelingen van den grond omringd door eene uitwaterende vaart of
gracht, en hebben nog eene andere in het midden van derzelver breedte,
alle welke met de omringende en uit waterende vaarten gemeenschap
hebben: en op die wyze geschiedt de droogmaking van den grond, als
mede van de afgedeelde stukken, die men, even gelyk in alle andere
droogmakingen, van 30 tot 30 voeten maakt.
Wanneer eene Suiker-Plantagie, of andere, van eene zekere
uitgestrektheid is, zyn 'er twee uitwaterende sluizen noodig, één
aan elk uitëinde van het voorste gedeelte des lands: men legt ook
nog een derde aan den ingang van de groote vaart, dienende tot een
bewaarplaats van water, om, wanneer men wil, het water in alle de
grachten te kunnen laten inloopen: en deeze sluis zet men open,
wanneer het buiten-water te hoog is.
DERDE BRIEF.
Van het planten en aankweeken van Koffy, en van de noodige
levensmiddelen tot onderhoud van de Planters; van het oogsten
en bewerken der Koffy; van de gebouwen, en verdere noodzakelyke
inrigtingen tot eene groote Koffy-Plantagie, volgens het gebruik der
Hollandsche Volkplantingen in Guiana.
Ik heb nu de manier ontvouwd van het droogmaken van een stuk grond,
het inrichten van de grachten en uitwaterende sluisen, en het toemaken
van het land, het welk voor deezen verdronken land was, ten einde
daar van zoodanige Plantagie te maken, als men geraden zal oordeelen
aldaar te vestigen. Ik zal voorönderstellen, dat het koffy-boomen zyn,
welken gy voornemens zyt op uw land voort te teelen; het onderwerp
van deezen brief zal derhalven bestaan in u opzettelyk de middelen
aan te wyzen, waar door men zulk eene Plantagie kan aanleggen, mits
'er de behoorlyke zorge toe aanwendende.
Na dat de doorsnydingen of kleine grachten tot afscheiding der bedden
gemaakt zyn, houdt men zig met de beplanting bezig. Het is vry algemeen
aangenomen, om bananen-boomen te planten, eer men koffy-boomen plant,
zelfs op eene Plantagie, die men begint aan te leggen: in dit geval
zal men het kunnen doen zes maanden, of een jaargetyde daar na. Maar
ten aanzien van Planters, die reeds Plantagiën hebben, en dezelven
uitleggen, is men volstrektelyk van gedachten, dat zy ten minsten
twaalf maanden moeten wagten, dat is, dat zy, hun land met dyken
omringd hebbende, geduurende de groote droogte van het ééne jaar,
hunne koffy-boomen eerst behoeven te planten in het regen-saisoen,
na het saisoen van droogte in het volgende jaar. Maar een Planter,
die eerst begint, en meer haast heeft om genot te trekken, kan
reeds planten in den regen van April of Mey van het jaar, volgende
op het saisoen van de groote droogte, waar in men verönderstelt,
dat hy zyne omheining gemaakt heeft: indien hy zulks gedaan had
geduurende de kleine droogte van February of Maart, zoude hy kunnen
planten in de maand December daar aanvolgende, mits hy zig in dien
tusschen-tyd onledig houde, om uit zyn toegemaakt land zoo veel hout
en struiken van pynboomen, of latanus-boomen van het kleine zoort uit
te haalen, als hem maar eenigzints mogelyk is, ten einde hem in staat
te stellen, om het land zoo veel doenlyk gelyk te maken, alvorens de
koffy-boomen te planten. De andere Planters, wien men aanraadt, om,
zoo zy kunnen, een jaar te wagten, moeten denzelfden arbeid verrigten;
maar zy zullen dit met veel meer gemak doen, vermits veele van deeze
planten na verloop van twaalf maanden verrot zyn, die het nog niet
zyn na verloop van zes maanden.
Indien men de voorzorge niet gebruikte, om den grond schoon en gelyk
te maken, zouden de koffy-boomen ongelyk groeijen, en zeer veel te
lyden hebben van de houtluizen en andere insecten, die zig in het
verrotte hout en struiken nestelen en voortteelen; en wanneer deeze
insecten zig eenmaal ergens geplaatst hebben, worden zy, om zoo te
spreken, onuitroeibaar.
Eene andere reden, waarom men van begrip is dadelyk geene koffy-boomen
te planten, bestaat hier in, dat de grond door de droogmaking veel
inzakt, en wanneer men al te schielyk boomen op denzelven plant,
deeze zeer onderworpen zyn om neder te hangen, of op den grond te
leggen, het geen niet alleen een zeer leelyk gezigt, en eene groote
moeielykheid in het uitwieden van het onkruid maakt, maar ook naderhand
in het vrucht dragen nadeelig is; want een boom, die op den grond ligt,
of over een anderen heen hangt, kan nooit zoo veel vruchten dragen,
als een boom, die recht over einde staat, en de vrye doorspeling van
de lucht aan alle kanten geniet.
Men kan, wel is waar, dit ongemak gedeeltelyk verhelpen, door op deeze
nieuwe gronden meer in de diepte te planten; maar nimmer zal de boom
eene zoo fraaije spitse gedaante aanneemen, dan wanneer men met het
planten wagt, tot dat de grond een weinig is ingezakt, vermits het
geheele gedeelte, het welk in den grond is, zyne zytakken verliest,
die zig nooit weder herstellen.
De Planter intusschen, die, na verloop van zes maanden na de
droogmaking, begint te planten, zal altyd wel doen, met deeze voorzorge
niet te verwaarloozen; want het gemelde ongemak is veel minder, dan
dat men de boomen ziet aan den grond leggen, of schuins nederhangen.
Uitgenomen op een zeer klein getal Plantagiën, alwaar men eenige
stukken met koffyboomen heeft beginnen te beplanten, op den afstand
van tien of twaalf voeten, heeft men de algemeene gewoonte aangenomen,
om dezelven op geen grooter afstand dan van negen voeten, en zelfs
aan de westzyde, alleenlyk van agt voeten, te beplanten, om dat de
koffy-boomen aldaar over 't algemeen kleiner vallen.
Zonder deeze gewoonte te willen beöordeelen, ben ik van gevoelen,
dat men de koffy-boomen op alle goede rivier-gronden kan planten op
tien voeten afstand, en dat men geen kwaad doet met dezelven op ryker
gronden, tien of twaalf voeten van elkander te plaatsen, vermits
ontwyffelbaar de invloed van de lucht, niet alleen tot den groei,
maar ook tot den bloei van alle vruchtboomen, zeer dienstig is.
Men heeft in 't algemeen in Demerary eenen zeer wezentlyken misslag
begaan, door de koffy-boomen op negen voeten afstand te planten:
men heeft de landen beginnen te verdeelen in zoo veele vierkante
vakken van die maat, in het midden van welken men een boom plantte;
voorts om de vier boomen eene kleine gracht of doorsnyding van twee
of twee en een half voeten gravende, waar door veröorzaakt wierd,
dat in plaats dat de afstand van den voet des booms aan den kant
van elke kleine doorsnyding de helft bedroeg van den doorgaanden
afstand van eiken boom, dit niet meer beliep dan drie of drie en een
half voeten, het geen, na verloop van eenige jaaren, op nog minder
uitkwam; want het is onmogelyk, dat by elke zuivering der vuiligheden,
de kleine doorsnyding zig niet eenige lynen verwydere, het welk, na
verloop van een zeker getal jaaren, dezelven op eene gelyke breedte
brengt. Uit dien hoofde hangen in Demerary de meeste reijen boomen,
langs de kleine doorsnydingen, allen over dezelven heen, het geen
niet alleen ten aanzien van de onderste takken aan den afloop van
het water een groot nadeel toebrengt, maar zelfs in het plukken van
de koffy hinderlyk is, ten minsten zulks zeer moeijelyk maakt. Ik
ben van een geheel tegen over gesteld gevoelen: in navolging van
de beste Surinaamsche Planters, maak ik niet alleen buiten-bedden,
welker afstand van den boom langs de kleine doorsnydingen de helft
bedraagt van den afstand tusschen den eenen en den anderen boom; maar
ik voege daar ook by een voet meer, om in de verbreeding van deeze
kleine grachten by het zuiveren der vuiligheden te voorzien. Wanneer
men nu de boomen op den afstand van negen voeten plant, zal de afstand
tusschen den boom en de doorsnyding bedragen vyf en een half voeten,
en indien ik dezelven plant op tien voeten, zal die afstand beloopen
zes voeten.
Een groot voorstander van de vermeenigvuldiging der uitwateringen
zynde, verkies ik liefst, om drie reijen boomen op een buiten-bed te
plaatsen; zoo dat, wanneer ik plant op den afstand van tien voeten,
zy elk van twee-en-dertig voeten worden.
Men zal wel doen, om by elk regen-saisoen eene enterye aan te leggen;
te meer, om dat, wanneer men zelf koffy-boomen heeft, die vruchten
dragen, dit een zeer geringe arbeid is, en men alleenlyk het oogenblik
van eenen regentyd, die niet missen kan, 'er toe verkiezen moet: want
gelyk de loten onder de boomen wortel schieten, en gevolgelyk gewoon
zyn, om geheel en al in de schaduwe te staan, zoo sterven zy, indien
ze, alvorens gevat te hebben, aan de hette der zon zyn bloot gesteld.
Dit is de reden, waarom ik liefst verkies dezelven in de
bananen-plantery te plaatsen, als welke, hoe breed ze ook zyn moge,
altyd het jong plantsoen overdekt: en op die wyze gewent het zelve
langzamerhand aan de lucht en aan de zon.
Ik stem toe, dat deeze loten misschien zoo sterk niet zyn, dan die van
eene enterye in de opene lucht; maar echter heb ik een stuk beplant,
zonder bananen-boomen, geheel en al bestaande uit jonge planten van
koffy-boomen, die van onder de bananen-boomen genomen waren, en 'er
zyn 'er van de zes-en-dertig honderd geen twaalf geweest, die niet
gevat hebben. Voor 't overige verkies ik liefst de koffy-boomen te
planten op zulke stukken lands, op welken bananen-boomen groeien. De
redenen zyn, voor eerst, om dat de bananen-boomen door hunne schaduwe
de jonge koffy-boomen beschutten, dezelven voor de winden beveiligen,
en meer regt over einde doen groeien; eene zaak, die voor de fraayheid
en nuttigheid van den boom van een wezentlyk belang is. Ik weet wel,
dat men staken of stutten voor dezelven plaatsen kan; maar dit is een
werk, het welk niet altyd aan zyn oogmerk voldoet, behalven dat dit
hout aan de houtluizen of carias tot eene verblyfplaats verstrekt,
byzonderlyk de stammen van pynboomen, die tot het maken van zulke
staken de geschiktste zyn. In de tweede plaats zyn de zwaare winden,
die in zekere maanden van het jaar waaijen, zeer nadeelig voor
den groei der boomen, zoo als ik ondervonden heb op twee stukken,
welken ik beplant had, na de bananen-boomen te hebben weggenomen. Het
gedeelte van deeze boomen, het welk voor de winden beschut was, is
grooter geworden, dan het andere gedeelte, het welk meerder aan de
winden was bloot gesteld, en zulks in het zelfde tyds-bestek.
Veele lieden meenen, dat een stuk land, in de opene vlakte beplant,
sterker boomen voortbrengt; maar daar op valt dadelyk te antwoorden,
dat men de bananen-boomen niet zeer digt by elkander moet planten, en
dat men ze aldaar niet te lang laten moet, noch eensklaps wegnemen,
maar dat men beginnen moet met dezelven in het tweede jaar te
besnoeijen, en daar mede zoodanig voort te gaan, dat zy op het einde
van het derde jaar allen zyn weggenomen.
Wanneer men eene kwekerye aanlegt, is het aller noodzakelykst acht
te geven, geene jonge planten uit te kiezen, dan onder de fraaiste
boomen. Dit is een zaak, die in 't byzonder in deeze Volkplanting
verwaarloosd is geworden, waar uit voortkoomt, dat 'er Plantagiën zyn,
op welken de helft der boomen uit een slecht zoort van koffy-boomen
bestaat, die zeer weinige vrugten dragen: men noemt dezelven, zoo ik
meen, verkeerdelyk, de mannetjes: zy onderscheiden zig door hunne
dikke en platte bladeren, door het groot getal van zwartachtige en
doode takken, door te veel weeldrig hout of onvruchtbaare takken,
eindelyk door den aart van het hout, het welk veel ligter breekt,
dan van een goed zoort koffy-boomen.
Men plant doorgaans nieuwe koffy-boomen, waar van de enterye twaalf
maanden te vooren is aangelegd: ik vermeene, dat deeze meest geschikt
zyn, om in de plaats te komen van doode boomen, of welken men om
andere redenen verruilt, op stukken, die reeds van vorige tyden
beplant geweest zyn: ik geloove zelfs, dat het niet dienstig is,
om ze jonger te nemen.
Maar op stukken, die men op nieuw beplant, geef ik de voorkeur aan
koffy-boomen, die uit eene kweekerye van zes maanden gehaald zyn:
zie hier myne redenen: in 't algemeen, hoe jonger een boom geplant
wordt, hoe gemakkelyker hy wederom wortel vat: de kenners van den
landbouw in Europa geven 'er altyd den voorrang aan; maar deeze reden
wordt nog veel klemmender in die Land, alwaar de boomen, en ook de
koffy-boomen een regten wortel hebben, die spilsgewyze groeit, en zig
by de verplanting krommende, maakt, dat de boom kwynt, en nooit welig
doorgroeit; waar uit al verder voortspruit, dat hy by het opwassen op
zyde hangt, of op den grond legt. Terwyl de boom jong is, beurt de
spilswyze wortel, zoo lang niet zynde, zig zelven uit den grond op,
en verplant zig als uit de natuur. Daarënboven, een jonge boom, die
minder door de winden getysterd wordt, vat veel eer wortel. Eindelyk,
de kleine boomen zyn zeer onderworpen om zig in de kweekeryen in
de lengte uit te breiden, en men heeft moeite om 'er een genoegzaam
getal te vinden, die dit niet gedaan hebben. Men behoort dus steeds
een wakend oog te houden op de arbeiders, die de verplanting doen, op
dat zy 'er geene verkiezen, dan die van een goed zoort afkomen: maar,
mits men ze jong plant, doet 'er de gedaante niet veel toe: elke boom,
op zig zelf staande, groeit van zelf spitsgewyze naar de hoogte.
Ik erken, dat, wanneer men zulke kleine boomen plant, men den arbeid
der eerste maanden vergroot: niet alleen moet men alle maanden wieden,
maar ook leggen deeze kleine boomen voor veele insecten bloot; de
krekels eeten 'er den kop af; de mieren maken daar aan gaarne hunne
nesten vast, die, zoo men geene zorge draagt om ze weg te nemen,
den groei beletten; maar het is slechts de moeite van een oogenblik,
die door andere voordeelen rykelyk vergoed wordt.
Behalven het uitwieden van het onkruid, en het zuiver houden van de
insecten, moet men ook nog zorge dragen, om de weelderige loten uit
de boomen weg te nemen, en te maken, dat zy in het midden met niet
meer dan een enkelen stam opgroeijen. Een of twee bekwame Negers
hebben spoedig een stuk gezuiverd.
Men moet ten deezen opzigte insgelyks in 't oog houden, om, by de
eerste regenbuien, alle de boomen, die niet gevat hebben, of sterven,
te verplanten.
Men doet ook wel, met dadelyk na het uitbloeijen, geduurende de twee
eerste jaren, de zaadkorrels der jonge boomen weg te nemen: vooreerst
brengen zy grootendeels niet dan koffy voort, waar in geen kragt is;
en ik ben overtuigd, dat dit te vroeg dragen van vrucht voor de groei
en kragt van den boom schadelyk is, zoo als men natuurlyk begrypen
kan, en ons door de ondervinding bevestigd wordt, als welke ons
toont, dat onder de jonge koffy-boomen de zwakste en meest kwynende
boomen het sterkst bloeijen; ten bewyze, dat dit overyld bloeijen de
uitwerking is van eene verzwakte natuur, welke men verbeteren moet
door het vernielen van de vrucht, zoo dra ze gevormd is. In Europa
doet men zulks van gelyken, en met een goeden uitslag, ten aanzien
van de persiken- en abrikosen-boomen.
Wanneer de boom tot de hoogte van vyf of vyf en een half voeten is
opgewassen, moet men deszelfs groei tegengaan, door den middelsten stam
af te knotten. Indien het een sterke boom is, zullen zyne zy-takken
hem nog een voet hooger doen groeijen; en dit is al de hoogte, die hy
hebben moet, op dat de Negers allen in staat zyn 'er de vruchten af
te plukken; want hoe fraai de groote boomen ook voor het uiterlyk oog
schynen mogen, de nuttigheid moet op alle Plantagiën de hoofdzaak zyn.
Behalven de aanhoudende uitwiedingen, moet men de boomen geduurig
ontdoen van de weelderige loten, welken men moet afbreken, en niet
afsnyden. Men moet ook het jong plantsoen uittrekken, het welk rondöm,
en onder de schaduwe van den boom te voorschyn koomt. Dit werk, om
wel verrigt te worden, vordert Negers van de mannelyke kunne, van
eene hooge gestalte, en daarenboven oplettend en oordeelkundig. Het
is ook best, om dit, tweemalen s'jaars, opzettelyk te laten doen. Het
gunstigst tydstip voor deezen arbeid is het regen-saisoen, om dat
men tevens de koffy-boomen, die niet gevat hebben, kan doen verplanten.
Men moet zig wagten, om dit werk te verrigten, of 'er mede ophouden,
in den bloei-tyd; want door het schudden der boomen, zoude men de
bloemen en jonge vruchten doen afvallen. Men zal ook wel doen, zoo
mogelyk, het wieden na te laten geduurende den oogst, hoe zeer dit
echter minder schadelyk is: men moet de Negers leeren en gewennen,
om de koffy niet groen te plukken; dezelve heeft geene waarde, en
dewyl zy kleine zwarte boonen voortbrengt, heeft men des te meerder
moeite met dezelven uit te zoeken.
Uitgenomen op modderige landen, zoo alst die gelegen zyn aan de beide
zee-kusten, alwaar de kanten naar de laagte loopen, en uit een zeer
zacht slyk bestaan, oordeelt men het schoonmaken der grachten niet
noodzakelyk; het is genoeg, dat men ze van de plantgewassen zuivert:
zy behouden haare diepte naar evenredigheid van den afloop van het
water, die door middel van dezelven bewerkt wordt. By de sluizen
vermeerdert haare diepte; en dezelve vermindert weder naar mate van
de afgelegenheid. Dit schoonmaken zoude een vergeefsche arbeid zyn,
want de modder, welke men 'er uithaalt, wordt spoedig door ander slyk
weder aangevuld.
Ik heb, by den aanvang van deezen brief, gezegd, dat het planten
der bananen-boomen dat der koffy-boomen moet voor af gaan op
vrugtbaare landen, die men tot eene Koffy-Plantagie voornemens is
aan te leggen. Men moet de bananen-boomen plaatsen op den afstand
van zes-en-dertig, ten minsten van zeven-en-twintig voeten, indien
men de koffy-boomen op den afftand van negen voeten planten wil;
want deeze bananen-boomen moeten zoo geschikt zyn, dat men 'er één
vindt telkens na vier koffy-boomen. Een Planter, die begint, en
natuurlyker wyze gedrongen is, om levensmiddelen te moeten hebben,
zal twee reijen bananen-boomen kunnen plaatsen op elk klein bed,
en dus vier op een dubbeld bed. Een Planter, die alleenlyk eene
Plantagie, reeds gedeeltelyk aangelegd, uitbreidt, en van wien men
verönderstelt, dat hy van levensmiddelen voorzien is, zal slechts ééne
reije bananen-boomen op elk klein bed planten: op een dubbeld bed,
en in het midden, kan hy 'er eene derde reije byvoegen, welke men
echter zal moeten wegnemen by het verdeelen der dubbelde of enkelde
bedden. De moeite, om eene reije bananen-boomen te planten, heeft
weinig te beduiden. Bovendien gebeurt het nu en dan, dat het niet
ge/chikt is het stuk grond na verloop van een jaar met koffy-boomen te
beplanten: indien zulks derhalven wordt uitgesteld, trekt men altoos
de vruchten van deeze bananen-boomen, waar van de schaduw tevens nuttig
is, om de zoutächtige deelen in deeze nieuwe gronden te behouden.
Behalven de bananen-boomen, plant men ook Indisch koorn, het welk op
deeze nieuwe landen ongemeen wel voortkoomt: men kan deeze beplanting
verscheiden malen herhalen, zelfs na dat de koffy-boomen reeds geplant
zyn, mits men als dan in 't oog houde dezelven op reijen te planten,
op den afstand van vyf of zes voeten, om met des te meer gemak de
uitwiedingen te kunnen doen, welken men niet moet verzuimen, van den
beginne af aan, om het onkruid dadelyk uit te roeijen.
De ignames kunnen ook gedeeltelyk op de nieuwe stukken grond geplant
worden, maar niet, wanneer men 'er reeds koffy-boomen op geplaatst
heeft. Deeze plant, die tot de voortkruipende behoort, of een zoort
van heestergewas is, zoude voor den groei der boomen schadelyk zyn.
De Manioc en de Camanioc groeijen ook welig op deeze landen; maar men
moet ze alleenlyk planten op de laanen en aan de kanten der groote
grachten, dewyl de Manioc het land op eene byzondere wyze uitmergelt.
De aardappelen moet men nimmer binnen den omtrek den bedyking planten;
en men moet de Negers ten sterksten beletten om zulks te doen: het
is eene pest, waar van men zeer veel moeite heeft zig te ontdoen,
en men moet zig eeniglyk bepalen tot het planten derzelve op de
omringende dyken.
Van het bewerken der Koffy.
Dewyl het bewerken van de Koffy eene zaak is, van den landbouw
volstrektelyk afgescheiden, heeft men gemeend dezelve afzonderlyk
te moeten behandelen. Wanneer de Koffy geplukt is, wordt zy door de
Negers gebragt op de plaats, alwaar de molens, tot het pellen van
dezelve geschikt, gevonden worden. Het is beter, gemakkelyker en
zuiniger, dezelve in een grooten bak te werpen, dan by hoopen op den
grond te plaatsen.
Men heeft de gewoonte, om met het overbrengen der Koffy naar de molens
eerst des avonds te beginnen: intusschen, wanneer 'er tot het plukken
veel volk gebruikt wordt, en 'er een groote overvloed van koffy is,
zal men beter doen met vroegtydiger te beginnen, op dat de arbeid
niet tot in den nacht voortduure.
Het maakzel van deeze molens is bekend; ik vermeene, dat die geene,
welke men hier molens van Martinique noemt, de beste zyn. Ik heb
eene proeve genomen, om daar in eene kleine verandering te maken tot
bespoediging van het werk, en ik ben zelfs thans bezig, om tot het
zelfde einde eene nieuwe proeve te nemen, die deezen molen misschien
nog merkelyk zal verbeteren.
Wanneer door deeze bearbeiding de roode schil is weggenomen, worden
de boonen in een bak geworpen, in de nabyheid van het gebouw, alwaar
de molens staan. 'Er zyn 'er, die eerst des anderen daags het water
'er opgieten: ik voor my verkieze zulks des avonds te doen, al waare
het alleen om tyd uit te winnen: dan, hoedanig men dit ook gelieft
te doen, men moet 'er eene genoegzaame hoeveelheid water opgieten,
zoo dat de Koffy geheel en al bedekt is; waar na men de Koffy sterk
zal omroeren en wryven, op dat de boonen zig ontdoen van de lymige
stof, die uit de schil aan dezelve is blyven zitten. Tot dit einde
laat men dit eerst opgegoten water wegloopen door eene opening,
die onder in den bak gemaakt is, men wascht de Koffy, en giet 'er
zuiver water op, dezelfde bewerking tot drie malen toe herhalende;
want om te kunnen zeggen, dat de Koffy wel gewasschen is, moet ze in
het aanraaken ruw zyn.
By het wasschen en omroeren van de Koffy, dryven de roode schillen,
die door de zeeft zyn doorgegaan, boven op; de kleinste boonen, welke
door de rol niet geraakt zyn, eindelyk de onrype en de ligtste boonen,
worden zoo veel mogelyk weggenomen, ten einde dezelven onder den
naam van dryvende Koffy afgescheiden te houden van de Koffy met een
zwarte bast; daar vooräl de laatstgemelde zeer schadelyk is voor de
bewerking, en meer dan de Koffy, die nog ongepeld is, in de droogeryen
insecten voortteelt: ik heb by my het gebruik ingevoerd, om deeze Koffy
andermaal door den molen te laten gaan, en vervolgens te wasschen:
als dan ontdoet zig het grootste gedeelte van haare schil, en zinkt
naar de laagte; de dryvende Koffy maakt dan eene kleine hoeveelheid
uit, en dryft by deeze tweede wassching boven op.
Wanneer de Koffy wel gewasschen is, spreidt men dezelve uit op vloeren
met steenen belegd, alwaar men ze in de zon laat droogen, wanneer het
weder zulks toelaat: indien het al te regenachtig is, plaatst men de
Koffy in groote laaden met schuiven; die aan de droogerye vast zyn,
en onder welke men ze wegschuift wanneer het gaat regenen: deeze
laaden zyn uittermaten gemakkelyk. Als de Koffy volkomen droog is,
brengt men ze in het Magazyn van de droogerye, een gebouw, doorgaans
uit twee verdiepingen bestaande.
Men doet wel, vooral by regenachtig weder, om de Koffy niet te zwaar
op elkander te stapelen: in allen gevalle moet men ze, vooral in het
eerste begin, drie malen daags doen verschieten: de achteloosheid en
wanörde der Planters ten deezen opzigte, brengt hun veel schade aan
de Koffy toe.
Dit verschieten van de Koffy in de droogerye vermindert men vroeger
of later, naar mate het jaargetyde meer of minder droog is.
Zoo dra het mooije weder aankoomt, kan men beginnen de Koffy in de
droogerye te bewerken, maar alleenlyk dan, wanneer 'er zeer in 't kort
eene gelegenheid op handen is, om ze in te schepen; want de Koffy,
eenmaal bewerkt zynde, vermindert altyd, hoe men 'er zig ook omtrent
gedraagt. In tyd van vrede, wanneer 'er geene schepen ontbreken,
om koopwaren in te laden, is het best de Koffy zoo dra mogelyk te
verzenden; want zoo dra zy in het Magazyn is, verëischt zy veel
oppassing en arbeid, en is schooner, wanneer ze dadelyk verzonden
wordt. Dienvolgende moet men buiten noodzaak met het pellen van de
Koffy niet beginnen, voor dat het drooge mooije weder wel gevestigd is,
en men van de zonneschyn zig kan verzekerd houden. Als dan spreidt
men de Koffy op den met steenen belegden vloer in de droogerye uit,
beginnende altyd met de ligte dryvende Koffy. Dewyl deeze mindere
zoort van Koffy altyd veel eer wormen voortbrengt, dan de Koffy, die
geheel volwassen is, zyn 'er doorgaans drie dagen zonneschyn noodig,
om dezelve in staat te brengen, ten einde gevoeglyk gepeld te kunnen
worden. Indien 'er weinig zonneschyn is, zyn één of twee dagen meer
noodig; in allen gevalle is het, alvoorens men ze pelt, noodzaakelyk
dezelve zoo hard te laten worden, dat men de boonen naauwlyks met
goede tanden kan aan stukken breken.
Ik volg de manier niet, welke andere Planters gewoon zyn te bezigen:
ik laat des namiddags omtrent twee uuren, en met den geheelen toestel
aan het pellen beginnen: terwyl de sterkste Negers daar mede bezig
zyn, plaatsen de anderen de Koffy op den met steenen belegden vloer
op hoopen. Zy brengen ze vervolgens in eene groote kist of laade aan,
waar uit men ze telkens om te pellen uitneemt. Men moet dit altyd
zoodanig verrigten, dat de Koffy voor vier uuren van den vloer is:
ik heb opgemerkt, dat wanneer de zon tot vyf-en-veertig graaden van
den gezicht-einder gedaald is, de warmte zoodanig vermindert, dat de
Koffy op het gevoel koud wordt; maar wanneer zy in eene groote lade
gelegd is, behoudt zy haare warmte zeer lang.
De Koffy, op deeze wyze wel gedroogd, en warm gepeld zynde, breekt niet
aan stukken, en wordt nimmer plat; zy verliest dan gewoonlyk het vlies,
het welk tusschen de schil en de boon gevonden wordt. Wanneer zy uit
den molen koomt, laat ik ze dadelyk wannen: andere Planters wannen
ze eerst des anderen daags. Indien men ze op den zelfden dag want,
wint men veel tyd uit: na de wanning brengt men ze op de plaats,
die tot de uitzoeking geschikt is.
Ik heb twee groote zeeften van koper: eerst laat men de gepelde Koffy
doorgaan door die zeeft, welke de grootste openingen heeft; men laat
door dezelve doorgaan alle de boonen met de ronde en gebrokene koffy,
en in de zeeft blyven geene andere boonen overig, dan die haare schil
niet zyn kwyt geraakt, en die gevolgelyk nog eens in den molen gebragt
moeten worden.
De tweede zeeft neemt op, het geen uit de andere gekomen is, en ik
laat, benevens de ronde koffy, door dezelve doorgaan al de gebrokene
koffy, ten minsten de kleinste. Uit hoofde van het gebruik van deeze
twee zeeften, valt 'er met de hand niets anders uit te zoeken, dan
de koffy, die in verscheiden groote stukken gebroken is, en de kwade
zwarte boonen, en die door de insecten zyn aangestoken.
Ik laat de zuivere koffy nog eens wannen, om 'er de vliezen, het stof,
of andere vreemde lichamen van af te scheiden; waar na men, wanneer
de zon zeer heet, en de lucht helder is, dezelve voor eenige uuren op
den met steenen belegden vloer kan leggen, ten einde dezelve niet dan
volkomen droog in de vaten te pakken, na wel te hebben zorge gedragen,
om ze te laten koud worden.
Men ziet uit alle deeze byzonderheden, dat het bewerken van eene
groote meenigte koffy zeer veel arbeid vordert, het geen het werken
in den tuin merkelyk vertraagt, in een jaargetyde, waar in men noodig
heeft de grachten op te halen, en het onkruid uit te wieden: het geen
gelegenheid gegeven heeft om te onderzoeken, of men geen ander minder
werkelyk middel tot het bewerken der koffy zoude kunnen uitvinden.
Men heeft derhalven een molen uitgedacht, van zoortgelyk maakzel als
die, waarmede men olyven perst, om 'er de oly uit te halen; dit is wel
gelukt, en men twyffelt niet, of dit werktuig, tot volkomenheid gebragt
zynde, zal op de groote Koffy-Plantagiën van een algemeen gebruik
worden, vooral om dat het zamenstelzel eenvoudig en onkostbaar is.
Om intusschen deezen molen tot volkomenheid te brengen, moet men ook
de onderscheiden middelen volmaken, die gebézigd worden om de koffy
zonder zon te droogen, iets dat zeer nuttig is, zelfs schoon men de
koffy pelt. Wanneer men andere proeven doet, zal men ontwyffelbaar
niet slagen. Men moet tot een grondbeginzel houden, dat de koffy
gedroogd word, zonder een stank van rook, noch kwaden smaak te krygen,
en zonder haare groene of blaauwachtige kleur te verliezen.
Van de Gebouwen.
Het eerste gebouw, het welk gemaakt moet worden, wanneer men een stuk
lands tot eene Plantagie aanlegt, is het huis tot bewooning voor den
Planter. Hy is met zyn werk nog zeer in, wanörde, zoo lang hy niet een
gedeelte van zynen grond met een dyk omringd heeft. Hy kan dit huis
meer of min groot maken, volgens zyn smaak, staat en middelen. Het
is raadzaam, om het afgescheiden en op zig zelf te doen staan, niet
tegen een werkplaats of magazyn aan, om de insecten en het stuiven
te ontwyken, en aan beide gebouwen meerder doorspeling van lucht
te verschaffen.
Vervolgens moet men overgaan tot het maken van een sluis. In het begin
kan men zig vergenoegen met een sluis, die met vallend water gesloten,
en met den vloed geöpend wordt, door middel van een deur met een klap:
maar wanneer de Plantagie in uitgestrektheid toeneemt, meent men den
voorrang te moeten geven aan een sluis, welke een deur met een val
heeft, en die men by elk gety openen en sluiten moet, als zynde het
ontwyffelbaar, dat tegen het einde van het gety, wanneer het water
geen kragt meer heeft, de klapdeur in 't geheel geen water laat
afloopen, ja zelfs uit hoofde van haare zwaarte aan de uitwatering
altyd hinderlyk is; vooral wanneer de klap buitenwaarts hangt, volgens
het byna algemeen gebruik in deeze Volkplanting. Van welken aart de
sluis ook zy, moet men wel zorge dragen dezelve loodrecht, zeer vast,
en vooral diep genoeg te leggen. Schoon het van geen nut is, wanneer zy
te diep legt, kan zulks niet schaden, maar wel, wanneer ze te ondiep
legt; en het is voorzichtig dezelve zoo te maken, dat de grond van
de sluis zes duimen lager ligt, dan het laagste watergety. Het is
van aanbelang de sluis van binnen en van buiten van goede vleugels
te voorzien, ten einde geene lekking van water langs de fluis kan
doorzyperen: het verwaarloozen van deeze gewichtige punten stelt de
sluizen in deeze Volkplanting bestendig aan toevallige nadeelen bloot.
Goede sluizen zyn van een wezenlyk belang tot het droogmaken der
landen. Het is zeker, dat 'er aan de sluizen vleugels noodig zyn, maar
het is beter de kanten van de sluis, in de gedaante van vleugels,
te laten uitspringen, dan afzonderlyke houte vleugels te maken,
die uit hoofde van het geduurig hermaken zeer kostbaar zyn.
Voor hun, die den aanleg van eene Plantagie beginnen, zyn twee sluizen
eene zaak van veele onkosten: tot het grondvesten van dezelven zyn
veele steenen, kalk, tras en hout noodig. Het is de moeite en kosten
niet waardig, om sluizen van enkel hout te maken; zy kosten veel,
en zyn in korten tyd door de wormen vernield, Zy, die geene groote
middelen bezitten, zyn verpligt zig te bedienen van uitwaterende goten,
hier boven door my beschreven.
In Surinamen maakt men dezelven al te breed: wanneer men goede grachten
heeft, behoeft de sluis zoo groot niet te zyn, als men doorgaans
meent. Men maakt ze ook altyd veel te kort, het geen verhindert om 'er
een zwaren dyk boven te maken; men besteedt 'er te weinig zorge aan,
en vooral aan de sluisdeur, die altyd te veel water doorlaat. Dit
gebrek van oplettenheid is oorzaak, dat de hoeken niet behoorlyk
gesloten zynde, het water, het welk naar binnen doorzypelt, het slyk,
waar door de sluis stevig gehouden wordt, langzamerhand doet wegwyken,
tot dat 'er gaten in komen; het water baant zig een weg langs de sluis,
de dyk wykt uit, en breekt. Men tracht denzelven te herstellen,
en men heeft het ongenoegen om te zien, dat het slechts voor een
korten tyd is, dewyl men de oorzaak van de kwaal, die men niet kent,
niet verholpen heeft: en hier uit trekt men dan het verkeerd besluit,
dat de sluizen eene verkeerde uitvinding zyn.
Een ander gebrek in het maken deezer sluizen bestaat daar in, dat men
aan de deur te veel afhelling geeft, het geen belet dat het water
dezelve opligt, en 'er doorloopt. Deeze deuren zyn meest gemaakt
met houten hengzeis, als of ze dienen moesten voor deuren van een
schuur. Men heeft dit werktuig tot meerder volkomenheid gebragt,
en indien men het met lood beleggen wilde, om van de wormen niet
doorknaagd te worden, zou het byna zoo nuttig zyn als volkomene
sluizen, en ik zoude 'er in dit Land den voorrang aan geven, om dat
de Negers te achteloos zyn in het regelmatig openen van de deuren,
zoo als dit behoort.
Voor eene droogmaking van twee honderd akkers, laat ik alleen twee
sluizen maken, die elk een vak van drie voeten hebben; ik geef aan
dezelven 26 of 28 voeten lengte; ik laat de planken wel in malkander
sluiten; ik laat alle de reeten met pik toestoppen, even als een schip;
men maakt 'er eene goede deur aan met yzere hengzels, waar van de
duimyzers met een schroef gemaakt zyn, om des te vaster te houden,
en de spykers ook met een spil en schroef. Ik laat deeze deur op de
volkomenste wyze in één sluiten, en wel zoo vast, dat zy niet ligtelyk
in wanörde geraken kan. Wanneer deeze sluis geplaatst is, laat ik
daarboven een zeer zwaren dyk leggen, zelfs van twee voeten hooger,
dan die 'er dicht by is. De sluis, op deeze wyze ingericht, laat geen
droppel water door, geduurende den vloed, en nooit geraakt de dyk in
wanörde, dan wanneer de sluis verrot of van de wormen doorknaagd is,
en in duigen valt. 'Er blyft nooit water in de grachten: de sluisdeur
gaat door het minste gewicht van 't water gemakkelyk open.
De Koffy-Planter heeft het voorrecht, dat hy zig voor het derde of
vierde jaar over het maken, der gebouwen niet behoeft te bekommeren:
hy kan ze dan maken naar evenredigheid van de geplante boomen, zelfs
van die geenen, die nog geene vrugten geven. De arbeid wordt meer
noodzakelyk, naar mate dat de boomen tot het dragen van vruchten komen:
men handelt voorzichtig met de Plantagiën in de eerste jaaren niet
verder uit te breiden, dan in zoodanige evenredigheid, dat, wanneer de
koffyboomen vruchten opleveren, men niet genoodzaakt is het tuinwerk
om dat van den oogst te verwaarloozen; want men moet rekenen, dat men
ten minsten een vyfde gedeelte van het jaar, dat is, twee en een halve
maand, of drie maanden, aan de beide oogsten besteedt, en een zevende
gedeelte aan het bewerken van de koffy, zonder van het verschieten en
den verderen arbeid der droogerye te spreken. Te weinig oplettenheid in
dit opzigt is oorzaak, dat een aantal Koffy-Plantagiën slecht bebouwd
en slecht onderhouden zyn. Het is altyd zeker, dat eene Plantagie van
eene middelmatige uitgestrektheid, wanneer zy wel onderhouden wordt,
meer opbrengt, dan eene groote, wier onderhoud slecht is.
Men oordeelt, dat een goed gebouw geduurende lange jaaren tot alles
voldoende is, mits men het een weinig stevig maakt, en zulks zonder
zeer kostbaar te zyn: men kan 'er de breedte van 32 of 34 voeten
aan geven, en zoodanige lengte, als men goedvindt: het is dienstig,
om het zelve zoo te plaatsen, dat men het kan uitleggen, naar mate
de meenigte van de koffy, die in het magazyn opgeslagen moet worden,
toeneemt. Men kan de stylen plaatsen op voetstukken van dezelfde
hoogte, stukken hout leggen tot ondersteuning van de einden van de
balken, die daar op rusten, of zig daar mede verëenigen. Men legt deeze
balken op eene hoogte van 8 of 9 voeten, maar de stylen moeten nog 4
of 5 voeten hooger zyn, op dat de zolder tusschen alle de stylen van
wederzyden klap-vengsters kan hebben, vermits het van aanbelang is,
dat de lucht over de zolder vryelyk heen speelt, om de koffy spoedig
te doen droogen. Men moet daarom aan beide kanten groote vengsters
maken, die tot op den grond van den zolder nederhangen.
Het is verwonderlyk, hoe de koffy spoediger droogt, wanneer de wind
'er regelrecht op werkt; het is alleenlyk noodig de twee gevels en de
beide zyden van het gebouw aan het bovenste gedeelte, tot aan de zolder
toe, met planken te beleggen. Het onderste gedeelte kan open blyven,
of men kan het sluiten of omheinen alleenlyk met stammen van pynboomen:
het geheel moet overdekt worden met dak-borden, die men in dit Land
zeer duurzaam vindt: stammen van pynboomen zyn voldoende om dezelven
te onderschragen, zonder dat men latten of dwarsbalken noodig heeft.
In het benedenste gedeelte plaatst men den molen, om de koffy-boonen
te pellen, de groote bak om ze in te werpen, zoo wel de koffy, die
geplukt, als die gepeld is: dezelfde benedenste verdieping, zoo men
de werkplaats verlengt, kan, dienen tot een kuiperye, een stalling,
en verscheidene andere gebruiken.
De geschikte manier tot het plaatsen der koffy-lootsen is altyd
eene en de zelfde, op welke wyze de verdere gebouwen ook geplaatst
of ingericht mogen zyn. De gevels moeten staan naar het oosten
en westen, en de lengte moet gericht zyn van het noorden naar het
zuiden. De met steenen belegde vloer moet geplaatst worden aan de
noordelyke gevel, op eenen genoegzamen afstand, om te ontwyken de
morgen en avond schaduwen, en de belemmering van den wind, die door
het lichaam van het gebouw veröorzaakt zoude worden; want de wind is
allernoodzakelykst, om de koffy te droogen. Zy, die drie of vier maal
honderd duizend ponden koffy, en eene gelyke hoeveelheid cacao op eene
enkele Plantagie hebben zien bewerken, kennen de waardye van een zeer
uitgestrekten droog-vloer. Men moet ze meer boogsgewyze maken, dan
men gewoonlyk doet. Men moet van zeer dun hout, en zeer ligte planken
van een halven duim dikte, eene kleine kap of beweegbaar dak maken
van 20 voeten lengte en 15 voeten breedte, zynde bovendien met bepekt
zeildoek overdekt. Men plaatst dit dak op rollen, welken men naar zyn
believen draait, op dezelfde wyze als huisraad en bedden. Zoo dra men
een enkelen droppel regen bespeurt stapelt men de koffy met groote
houten schoppen op elkander, en rolt 'er het dak over heen, om de
koffy voor den regen te beveiligen: dit is tot groot voordeel en nut.
Indien men laden of schuifbakken heeft, kan men zig insgelyks van het
benedenste gedeelte der loots, aan één van de beide kanten bedienen,
mits echter in het oog houdende, dat men de einden hout, waar op
de rollen van de laaden loopen, behoorlyk verlengt, en voorts acht
gevende, dat de schaduw, door de loots veröorzaakt, op zekere uuren
van den dag, aan het droogen van de koffy niet hinderlyk zy.
Aan de voor- of achter-zyde, naar mate de loots naar het oosten
of westen geplaatst is, moet men een met steenen belegden vloer
maken. Het is van het grootste nut, dat dezelve eene genoegzaame
uitgestrektheid hebbe. Op zyde van deeze vloer, en zoo dicht mogelyk
by de werkplaats, moet de bak staan om de koffy te wasschen, waar in
het altyd dienstig is eene afscheiding te maken; want dewyl men het
water verscheiden malen geduurende de wassching moet ververschen,
is het zeer gemakkelyk de koffy, dan aan de ééne, dan aan de andere
zyde van den bak, te kunnen overstorten.
Zie daar alles, wat tot de bewerking en het behoud van de koffy
noodzakelyk dunkt te zyn.
VIERDE BRIEF.
Antwoord op de drie eerstgemelde Brieven, waar by de Fransche Ingezeten
de vraag omtrent ds afschaffing der slavernye, in de Volkplantingen,
alwaar dezelve nog plaats heeft, opzettelyk behandelt: hy raadt om
deeze verandering, die noodzakelyk geworden is, te bevorderen; en
geeft de middelen aan de hand, om daar toe te geraken, zonder aan
den voorspoed der Volkplantingen nadeel toe te brengen.
Ik ben u, myn lieven vriend, zeer verplicht voor de drie brieven,
welken gy my het genoegen gedaan hebt aan my te zenden, betrekkelyk het
bebouwen der lage landen, waar van wy, zedert eenige jaaren, begonnen
hebben proeven te nemen, en waar in gy onze meester zyt. Ik zal niet
alleen voor my zelven van uwe nuttige onderrigtingen gebruik maken,
maar ik zal ze ook ter kennisse brengen van alle myne medeburgers,
die, even als ik, met de voortbrengzels deezer landen aan te
kweken, voordeel bedoelen, of die zig by vervolg op zoortgelyke
ondernemingen zouden willen toeleggen, in een uitgestrekt land,
waar niets dan arbeidzaamheid noodig is. Uwe mededeelende inborst,
die het onderscheidend kenmerk van waare onderrigting, en de bezitting
van eerlyke harten is, geeft my de verzekering, dat ik aan uw oogmerk
voldoen zal, met deeze kundigheden, zoo veel my mogelyk zal zyn, te
verbreiden, en zelfs door de zeer voldoende brieven, welken gy my over
dit onderwerp geschreven hebt, ten algemeenen nutte te laten drukken.
Reeds hebben verscheiden van myne gebuuren, die even als ik op lage
landen arbeiden, nuttige lessen van u ontfangen; en reeds begon deeze
geheele streek gelukkig te worden, zoo dat men hope konde opvatten,
dat dezelve t'eeniger tyd uwe schoone Volkplantingen zoude naar de
kroon steken.
Maar zedert de omwenteling, die van Frankryk een Gemeenebest gemaakt,
en aan alle menschen, onder deszelfs bestuur levende, het genot
van alle de rechten van den mensch en burger heeft wedergegeven;
die de slavernye afgeschaft, en den Neger-handel vernietigd heeft,
is alles van gedaante veranderd. Men heeft op 't onverwagtst de
vryheid afgekondigd aan menschen, die met eene meer of min harde,
maar steeds willekeurige gestrengheid, gehouden waren tot eenen arbeid,
uit deszelfs aart verachtelyk, en welken zy, zonder eenig voordeel voor
zig zelven, ten nutte van een enkel persoon verrigtten. Men heeft hun
de volkomene vryheid overgelaten, om zig al of niet te verbinden aan
hun, die welëer eigenaars van hunne persoonen waren. Het gevolg hier
van is geweest, dat byna alle de Plantagiën, aan de Rivier Aprouago
op laage landen aangelegd, verlaaten, of merkelyk vervallen zyn.
Ik ben een vriend der vryheid, schoon ik voor deezen veele slaven in
eigendom bezat. Ik behandelde de mynen met eene byzondere gematigdheid,
en ik heb 'er verscheiden van behouden. Ik zoude ze zelfs allen
behouden hebben, indien de Regeering 'er niet op eene willekeurige
wyze over beschikt had, door hen op andere Plantagiën, in andere
landschappen, te gebruiken, om de Plantagiën, die onder handen van
het bestuur in bewaring gesteld waaren, boven anderen gelukkig te
doen zyn, of de belangen van byzondere persoonen te begunstigen.
Hier doet zig een vraag-punt op, het welk verscheiden Planters niet als
bedenkelyk beschouwen, maar waaromtrent ik niet van hun gevoelen ben,
en waar van de behandeling voor het menschdom van een byzonder belang
is: zy moet ook hoogst belangryk zyn voor de Hollandsche Colonisten,
onze nabuuren, wier Regeerings-bestuur, op dezelfde grondbeginzels,
als het onze, gebouwd, insgelyks tot de afschaffing der slavernye
zal moeten besluiten.
Om dit stuk in orde te behandelen, zal ik eerst de vragen voorstellen,
en wat de meeste onzer nabuuren 'er van zeggen.
"Hoe kan de in stand houding eener Plantagie, die zoo veel
arbeid, zoo veel uitschot van penningen vordert, met de vryheid
der plantende Negers bestaan? Ziet gy niet, dat de Hollanders,
die in deeze zoort van handel zulke groote vorderingen gemaakt
hebben, onder alle Europeanen die geenen zyn, welke de Negers met de
meeste gestrengheid behandelen? Dat zy met dit al in hun vaderland
Comptoiren of Maatschappyen hebben, die, naar mate van de begroote
waarde deezer landen, aanzienlyke sommen gelds opschieten aan de
Planters, die eigentlyk niets anders doen dan het huishoudelyk bestuur
der Plantagie voor hunne geldschieters waar te nemen? zouden wy,
die deeze bebouwing der lage landen van verre hebben beginnen na te
volgen, dit immer hebben kunnen uitvoeren, zonder de kragtdadige hulp,
welke de Regeering op allerleije wyze aan de eerste bebouwers deezer
landen verschaft heeft? zouden wy het hebben kunnen doen buiten het
middel der slavernye, waar in de mensch geen ander mogelyk bestaan
heeft, dan door eenen aanhoudenden en onäfgebroken arbeid, zonder
zelfs het recht te hebben, om zig te mogen beklagen? Ziet gy niet,
dat alle de Fransche Volkplantingen te vuur en te zwaard verwoest
worden, en dat wy eenigermaten deeze algemeene verwoesting ontduiken,
doordien wy op ons zelf staan, en door de zwakheid der bevolking,
die, op uitgestrekte ruimten verspreid zynde, tegen ons niet heeft
kunnen zamenspannen? Schoon wy de grootste onheilen agter ons hebben,
is het evenwel niet zichtbaar, dat alles in deeze Volkplanting,
zedert het tydperk der vryheid, in verval geraakt is, en dat vooral
de Plantagiën op lage landen het grootste verlies geleden hebben? Merk
daarënboven op, dat 'er zedert geene nieuwe onderneming van dien aart
is aangelegd. En, ach! hoe zoude men dien aanleg beginnen? Welke
middelen, zoudt gy by de hand nemen, om de zwarten aan te zetten
tot eenen arbeid, die uit deszelfs aart zwaar en onäangenaam is,
en welken men jaaren lang moet voortzetten, om deeze landen droog te
krygen, alvorens 'er eenige vruchten van te trekken? Ik gevoel, dat
gy t'eeniger tyd zult moeten toestemmen, om aan uwe landbouwers een
vierde van uwe inkomsten te geven, gelyk, zoo men zegt, op St. Domingo
plaats heeft: maar wat zult gy doen, eer het nog ver af zynde tydstip
daar is, dat dit vierde iets van aanbelang bedraagt"?
Zie daar de groote en voorname tegenwerpingen: ik zal 'er volkomen
op trachten te antwoorden. Het herstel der Fransche Volkplantingen,
en het behoud der geenen, die nog niets geleden hebben, wordt met
reden beschouwd van zulk een groot staatkundig belang te zyn, dat al
het geen eenig licht verspreiden kan omtrent de middelen, waar door
de één tot eenen gevestigden voorspoed komen, en de ander den schok
van eene noodzakelyk gewordene verandering in het bestuur ontwyken
kan, door de eigenaars in de Volkplanting met dankbaarheid behoort
ontfangen te worden.
Ik heb myne denkbeelden niet eeniglyk in deeze Volkplanting
opgezameld. Ik heb in de Volkplantingen van verscheiden Europeesche
natiën gewoond; ik heb my toegelegd, om den inborst der Negers te
leeren kennen; ik heb de verschillende manieren om hen te bestuuren,
en derzelver gevolgen onderzogt; ik heb alles gelezen, wat voor en
tegen de afschaffing der slavernye geschreven is geworden; en ik ben
volkomen overreed, dat het mogelyk is, om, zonder benadeeling der
Volkplanting, Zeden- en Staat-kunde met elkander over één te brengen,
mitsgaders arbeidzaamheid en voorspoed, die van elkander onafscheidelyk
zyn, onder de gezengde luchtstreek zamen te paaren.
Het geen ik te zeggen heb, is geschikt om de klagten der Colonisten te
bevredigen, die nog slaven bezitten, en, uit hoofde van de ellendige
inrigting der Volkplantingen, alle bewysredenen tegen de slavernye der
Negers, als eenen regelregten aanval op hunne eigendommen beschouwen.
Frankryk heeft het eerst, en onder de Europeesche volken nog alleen,
deeze schandelyke inrigting onbepaald en volkomen afgeschaft: de
gevolgen deezer omwenteling zyn byna overal schadelyk geweest; maar
kunnen wy over de gevolgen wel oordeelen, zonder dat wy de oorzaken
kennen; en zouden andere oorzaaken ook geene andere gevolgen hebben
te weeg gebragt? Zoude eene andere handelwyze, eene andere manier
om deeze verandering van slavernye in vryheid daar te stellen, geene
andere uitwerkingen gehad hebben? Hier aan valt niet te twyffelen.
De Nationaale Conventie, na de grondslagen tot verklaring van de
rechten van den mensch besloten te hebben, heeft deeze beginzels
niet in 't oog gehouden in alle de beschikkingen, betrekkelyk de
Volkplantingen, welken zy aan de ondermyningen der openbaare vyanden
van vryheid en gelykheid heeft overgelaten. Wel verre van het lot
der slaven te verbeteren, en de middelen tot hunne vrymaking met
verstand voor te bereiden, heeft zy zelfs het recht van burgerschap
aan de zwarten geweigerd, en daar door aan de Planters de magt
gegeven, om hun het staatkundig aanwezen te weigeren, na hun het
zelve voor een oogenblik te hebben toegestaan. Noch de Regeeringen
in de Volkplantingen, noch de eigenaars der Plantagiën, noch de
uitvoerders van het bestuur, wilden de vryheid niet, ja zelfs wilden
zy den verachtelyken en lagen staat, waar onder de zwarten zuchtten,
in de minste omstandigheid niet verzachten; integendeel scheen men
het 'er, na de omwenteling, op toe te leggen, om deeze vernedering
tot een grondbeginzel te vestigen. Door zulk eene handelwyze heeft
men te weeg gebragt, dat deeze zoort van menschen onze ergste vyanden
geworden zyn, en de schoone Volkplanting van St. Domingo het onderst
boven gekeerd hebben.
Toen vervolgens, in die ongelukkige tyden, in welken zy, die zig
tegen de verbetering van het bestuur der Volkplantingen verzetteden,
zig betoond hebben opentlyke vrienden van het Koningschap te
zyn, de Engelschen te hulp geroepen, en zelfs de Negers tegen ons
gewapend hebben, in de hoop, dat het hun gelukken mogt de slavernye
te herstellen; toen de uiterste middelen noodzakelyk geworden waren,
heeft de Nationale Conventie de grondbeginzels der vryheid eensklaps
te rug gebragt, daar het vry beter was geweest dezelven trapsgewyze
te vestigen: hier uit zyn onheilen voortgesproten, die aan de andere
Volkplantingen eene nuttige les geven kunden.
Zy moeten, zoo het mogelyk is, de vryheid bekomen, zonder eenigen
schok, zonder wanorde in de byzondere eigendommen, en vooral zonder
bloed te vergieten. Behalven het algemeen gevoelen van menschelykheid,
het welk ieder eerlyk en weldenkend man doet verlangen, dat deeze
verandering bewerkt worde zonder die schokken, welke zommigen van onze
Volkplantingen zoo zeer beroerd hebben, kan ik niet nalaten belang te
stellen in het lot van verscheiden deezer Volkplantingen, en ik moet
de inwooners aanzetten, om rypelyk te denken op de aanmerkingen, die
ik hun voordrage, en zig wel overtuigd te houden van deeze waarheid:
dat het onmogelyk is de hatelyke inrigting der slavernye langen tyd
te doen stand houden, en dat, om de afschaffing daar van voordeeligcr
te doen zyn, en minder ongeregeldheid te doen uitwerken, men daar in
goedschiks en met beleid moet te werk gaan.
Indien zy hier eenige middelen aantreffen, om deezen taak gemakkelyk
te maken, zal ik my by de Planters zeer verdienstelyk gemaakt hebben,
door te toonen, dat het in de Volkplantingen mogelyk is, om zig met
de voortbrengzels van het aardryk te verryken, zonder het menschdom
te doen beven, en dat men met een weldadig hart, zonder knaging van
't geweten, eigenaar van eene Plantagie kan zyn.
De vraag omtrent de slavernye der zwarten hield zedert langen tyd
de verstandigen bezig, eer dat men in Frankryk aan eene omwenteling
dagt; deeze vraag is door het Fransche Gemeenebest beslist: zy kan
de Regeeringen, die Volkplantingen bezitten, en waar het stelzel der
vryheid nog geen veld gewonnen heeft, in geene onverschilligheid laten.
De Negers zyn niet onkundig, of zullen ten minsten niet lang onkundig
kunnen blyven, hoe zeer hunne staat van die van huns gelyken in de
nabuurige Fransche Volkplantingen verschilt: wanneer men zulks voor
hun verbergen konde, denkt men dan nog, dat zy van hunne rechten
altyd onkundig zyn geweest, en dat de stem der natuur by hun ten
gevalle van hunne bezitters verdoofd is?
Hoe dom hunne lasteraars hen ook verbeelden te zyn, zy hebben getoond
met zeer grooten moed bezield te zyn: zy hebben, zoo als gy weet,
in uwe Volkplantingen van Hollandsch Guiana, gelyk ook in Jamaica,
het voorbeeld voor zig van een aantal menschen van hun geslacht,
die door hunnen moed zig de vryheid bezorgd hebben, in weêrwil van
hunne meesters, welken zy genoodzaakt hebben, om met hun over eene
volkomene onäfhangelykheid te handelen.
Men moet de noodlottigste gebeurtenissen duchten, indien men zig niet
met ernst bezig houdt met de verbetering van het lot van deeze zoort
van menschen, die uit hoofde der ryke voortbrengzels van hunnen arbeid
van zoo veel gewicht zyn, en tevens zoo weinig bescherming ontmoeten,
zoo mishandeld worden. Men zoude kwalyk doen, om in eene onvoorzigtige
gerustheid te blyven sluimeren.
Het voorbeeld der Fransche Volkplantingen moet aan deeze aanmerkingen
klem byzetten: door zig tegen de vryheid te verzetten, zyn zy verwoest
geworden, zy herstellen zig met derzelver zoeten invloed, onäangezien
alle de noodlottigheden van den oorlog.
Wat kunnen zy, die de slavernye voorstaan; tog inbrengen? Zy zullen
zig beroepen op het oud gebruik der Volkplantingen, de voorgewende
onmogelykheid, om dezelven zonder zwarten en zonder slaven te bebouwen,
op het belang van den staat, om koopwaren uit de Volkplantingen
te trekken. Men beroept zig op het geluk der Negers in hunnen
tegenwoordigen staat, die, zoo men ons beduiden wil, verre verkieslyk
is boven het lot van onze boeren. Men zegt, dat de luiheid, het bedrog,
en alle slechte hoedanigheden, die harde en inhalige meesters, hun
slechts als lydelyke werktuigen van hun fortuin beschouwende, in hun
vinden, van het character der Negers onäfscheidelyk zyn; maar deeze
kwaade hoedanigheden en gebreken zyn, of betrekkelyk tot het begrip
en vooröordeel, het welk hunne staat inboezemt, of veröorzaakt door
de manier, waar op men hen behandelt: deeze gebreken, die aan alle
menschen, en in alle maatschappyen gemeen zyn, verdwynen, of nemen
ten minsten merkelyk af onder een menschlievend en redelyk bestuur,
zelfs onder slaven: zulks heeft my eene onäfgebrokene en aandachtige
ondervinding klaar bewezen.
De voorstanders der slayernye kunnen voor het overige in hunne
verschillende redeneeringen in het geheel geen gebruik maken van
de zaak der menschelykheid, noch van de rechtvaardigheid, noch
van het recht der natuur, als welken geen mensch ter weereld door
verjaring kan verliezen, van welke kleur hy ook zyn moge, en het zy de
omstandigheden zyner geboorte meerder of minder gunstig zyn. "Wy hebben
Volkplantingen noodig, men kan dezelven zonder slaven niet bebouwen;
dus is de slaven-handel en het bezitten van slaven noodzakelyk". Zie
daar, waar op hunne redeneeringen altyd nederkomen.
Aan den anderen kant zyn zy, die voor de afschaffing der slavernye
pleiten, door de reden, de rechtvaardigheid, de weldadigheid, en
alle eerbiedwaardige beweegredenen, welken de menschelykheid aan de
hand geeft, aangevuurd, dikwils veel te verre gegaan, en hebben zig
dus aan de berisping hunner tegenpartyen, die by de handhaving der
slavernye belang hadden, bloot gesteld; zy hebben gezondigd, het zy
door buitensporigen yver, het zy door de staatkundige betrekkingen uit
het oog te verliezen, welk laatste echter niet behoort te geschieden,
zoo men een aantal lieden, wier fortuin van de beplantingen afhangt,
niet in hevige klagten wil doen uitbarsten: op dien zelfden voet
voortgaande, hebben zy zig de berisping der Planters ook nog op den
hals gehaald, door niet wel te bevroeden alle de middelen, die tot
het bewerken der verlangde omwenteling verëischt werden. 'Er zyn
noodlottige gebeurtenissen voorgevallen, die de redeneeringen van de
voorstanders der slavernye schynen te versterken; maar wat valt daar
uit te besluiten, dan alleen dit, dat de ontwerpen der menschelykheid
ten voordeele der zwarten, overëenkomstig eene goede staatkunde, niet
behooren uitgevoerd te worden, dan door den tyd en trapsgewyze? dat
eene overylde en onbepaalde vrylating, zonder uitzondering of mitsen,
aan het voorgesteld oogmerk zeer slecht voldoet, en zelfs groote
ongelegenheden veröorzaakt? In de daad, men moet toestemmen, dat de
nieuwe Negers, die aan de taal en gebruiken der Europeanen nog niet
gewoon zyn, zonder gevaar voor de Plantagiën, noch zonder benadeeling
van hun zelven, niet allen op eenmaal, zonder tusschenpoozing of
voorzorgen, in vryheid gesteld kunnen worden. Het is 'er mede gelegen,
als met het gezicht, dat door eene lange duisternis verzwakt is,
en niet met overyling het licht weder kan aanschouwen, zonder 'er
door verbysterd te worden: men moet hun het licht by trappen en met
beleid te rug geven.
Intusschen is het geenzints onmogelyk, maar het is zelfs nuttig
en staatkundig, om de middelen tot afschaffing der slavernye voor
te bereiden. Men kan dit oogmerk bereiken, terwyl men tevens het
belang van den Staat, en de staatkunde der volken in het oog houdt,
de Volkplantingen, die nog geene veranderingen ondergaan hebben,
bewaart, zonder de eigendommen der ingezetenen te bederven, noch
hunne inkomsten te verminderen. Het tydperk, binnen het welk men
trapsgewyze aan de Negers de vryheid zoude kunnen schenken, zoude
niet verre af zyn; en de goede geneigdheid van verscheiden Planters
zoude het zelve meerder verkorten, dan men denkt. 'Er zyn 'er veelen,
die, om wel te doen, slechts verlangen omtrent hunne waare belangen
te worden ingeligt; dit kan men door tyd en ondervinding te weeg
brengen; en de Regeeringen behooren, overëenkomstig dien regelmaat,
de gebrekkige inrigting, die nog in zwang is, en tot hier toe door
de wet gehandhaafd is geworden, te verbeteren.
Alle eerlyke, gevoelige en belanglooze harten zyn van de zaak zelve
wel overreed; maar men moet aan de Regeering betogen, en aan de
eigenaars der slaven bewyzen, dat men deeze veranderingen bewerken
kan door middelen, die geene beweging maken, en aan de veiligheid,
noch aan het voordeel der Planters geen leed toebrengen. Het is tot
dit einde noodig, om alle vooröordeelen aan een zyde te stellen, en met
onpartydigheid de middelen te overwegen, door welken men langzamerhand
in de verbetering van de gebrekkige inrichting der Volkplantingen
kan slagen, zonder de Plantagiën en derzelver bebouwing te bederven.
Het eerste middel moet zyn de afschaffing van den slaven-handel.
Deeze handel is met de slavernye op 't naauwst verbonden, om dat zy
aan dezelve voedzel verschaft, en de Planters in 't begrip staan,
dat, indien de slaven-handel ophield, het getal van de bewoners der
Volkplanting wel dra tot niet zoude loopen, en derzelver bebouwing
ook in evenredigheid verminderen, en dat, vermits de slavernye eene
geöorloofde zaak is, de slaven-handel het insgelyks behoort te zyn:
edoch niets dan de verfoeijelykste heerszucht is in staat, om deezen
hatelyken handel, die een zamenweefzel van barbaarsheden is, te willen
laten stand houden.
Wat doet het 'er toe, of wy onrechtvaardig en wreed zyn, mits wy maar
rykdommen vergaderen. Zie daar in korte woorden, waar toe men alle de
redeneeringen brengen kan, die ten voordeele van deezen handel worden
aangevoerd. Maar indien dit niet alleen eene onrechtvaardigheid, maar
zelfs eene mistasting is; indien deeze handel, verre van voordeelig
te zyn, voor de belangen van het volk, dat denzelven dryft, hoogst
nadeelig is; wat moet 'er dan worden van den eenigen grond, waar mede
men deszelfs voortduuring wil goed maken?
Deeze handel, staatkundig beschouwd, brengt niet dan nadeel te
weeg. Dezelve bederft de zeden van elk volk, het welk zig daar aan
overgeeft, door hun eene geneigdheid tot wreede daden in te boezemen;
door dezelven eindelyk by veele persoonen als wettige daden te doen
beschouwen; door een aantal lieden te gewennen, om hun fortuin door
de vernieling van het menschdom te beproeven; want het is eene
bewezene waarheid, dat de oorlogen, gevoerd om slaven te hebben,
de onaangenaame overtochten, de mishandelingen, en de wanhoop, veel
meer Negers doen sneven, dan 'er in de Volkplantingen aankomen. Deeze
handel is schadelyk voor de zeevaart, uit hoofde van het verlies van
een groot aantal matroozen, veröorzaakt door de kwade lucht, het slecht
voedzel, en andere vernielende omstandigheden, die op de schepen,
tot de overvoering der Negers bestemd, noodwendig plaats hebben. De
slavenhandel is, in één woord, een schande voor het menschdom, een
vlak op elk volk, die denzelven gedoogt, eene openbaare strydigheid
met de grondbeginzels en inrigting van alle Gemeenebesten.
Maar, werpt men ons tegen, hoe zal men eene bevolking in stand houden,
die geduurig afneemt, en hoe zult gy Volkplantingen hebben, indien
gy den slaven-handel op de kust van Africa laat varen?
Het getal der Neger-slaven neemt in eene verbazende meenigte af by
de Planters, die weinig menschelykheid of gevoel bezitten; maar het
vermeerdert langzamerhand by hun, die de noodige zorgen aanwenden
tot behoud van hunne slaven, en om, zoo veel in hun is, de wet der
slavernye te matigen. Mitsdien is het, onder het bestuur van eene wel
geregelde vryheid, buiten allen twyffel, dat de volkrykheid schielyk
zal vermeerderen, gelyk de ondervinding dit bewyst in alle Landen,
alwaar de mensch gelukkig is, en wel geregeerd wordt.
In deeze vooronderstelling zal de veiligheid en goede regeerings-orde
in de Volkplantingen grooter zyn; haar onderhoud zal minder kostbaar
worden, uit hoofde van eene sterke vermindering, zoo al niet eene
volkomene vernietiging van de kosten, op de uitöeffening der Politie
en Justitie, het houden van krygsvolk, het straffen van misdadige, en
het vervolgen van weggeloopene Negers, het onderhoud van gevangenissen,
enz. vallende.
Na alzoo den slaven-handel te hebben afgeschaft, zal men de
noodige beschikkingen maken tot handhaving van de goede orde in
de Volkplantingen, tot derzelver veiligheid, en tot aanwas der
bevolking. Voorzeker, wanneer men alle de Plantagiën in haare
tegenwoordige werkzaamheden laat blyven, gelyk ook de regeling van
goede orde, die op elk derzelven past, zal men niemand van de eigenaars
iets doen verliezen.
Dan zal het noodig zyn, dat men zig ernstig bezig houde, om overal,
op eene éénstemmige wyze, wel beredeneerde wetten te maken, die niets
willekeurigs meer in zig bevatten, en waar by men de geregelde orde
in den arbeid, en de behoorlyke tucht zal handhaven. Zonder de wet
te willen stellen aan die Volkplantingen, alwaar de slavernye nog
heerscht, is het geen herssenschimmig denkbeeld, dat wel zaamgestelde
vergaderingen, uit den bloem der Colonisten verkozen, zelve die
Reglementen van Politie, en die geschikte en éénstemmige wetten zouden
voorstellen, die op alle Plantagiën passen zouden, en waar naar ieder
verpligt zoude zyn zig te gedragen; en hier uit zoude de grootste
voorspoed voor elk in 't byzonder, en voor de geheele Volkplanting in
't algemeen, voortvloeijen.
De Planters van Jamaica en Grenada hebben zedert lang het ontwerpen
van Reglementen voor hunne Volkplantingen in den zin gehad. Een van
hun laat zig in dit opzigt in deeze merkwaardige woorden uit. "Het
staat in onze macht, om den welvaart van tweemaal honderd duizend
menschen, wier arbeid ons het dagelyks middel van bestaan verschaft,
te bevorderen; wy hebben het vermogen van, om zoo te spreken, eene
nieuwe schepping te vormen. Welk edeler voorwerp kan immer onzen yver
aanvuuren, en de natuurlyke neiging, die ons tot weldadigheid heen
leidt, opwekken? Wanneer men de zaak uit het oogpunt van ons persoonlyk
belang beschouwt, is het zeer zeker, dat hoe meerder menschelykheid
iemand bezit, hoe beter staatkundige hy is: dus zullen wy door de
neiging van ons hart te volgen, den welvaart van onze bezittingen,
met der menschen goedkeuring, en des Hemels zegen zamen paaren.
De Planters van Grenada hebben in hunne Volksvergadering Reglementen
van inwendige Politie, en wetten ten voordeele der slaven, vast
gesteld, waar by zy, in hunne Acte van 4 November 1788. deeze
verstandige inleiding laten voorafgaan.
"Overwegende, dat de noodzakelykheid van den invoer van Negers zal
ophouden op het oogenblik, dat zy met menschlievenheid behandeld,
en niet meer met onmatigen arbeid bezwaard zullen worden, en men dus
op de wetten der natuur in de vereeniging der kunnen acht zal geven;
Gemerkt, dat de wetten, die tot hier toe tot handhaving der slaven
zyn afgekondigd, onvoldoende bevonden zyn; en de menschelykheid, zoo
wel als het belang der Volkplanting, vordert, dat men de slavernye
zoo dragelyk make, als mogelyk is, om de volkrykheid der Negers te
bevorderen, het eenig middel, om de noodzakelykheid hunner invoering
van de Americaansche kusten door den tyd geheel te vernietigen;
En gelet, dat men zulk een heilzaam oogmerk niet kan bereiken,
dan door aan de magt der meesters, en van de geenen, die met het
opzicht over de slaven belast zyn, palen te stellen; het zy door
hen te verpligten, om hun op eene gepaste wyze van huisvesting,
voedzel en kleeding te voorzien, het zy door hun onderwys en goede
zeden te beschikken, hen aan te zetten tot het aangaan van huwelyken,
tevens deeze wettige verbintenissen eerbiedigende en beschermende:
om alle deeze redenen", enz.
Zonder van stuk tot stuk de Reglementen op te geven, die het gevolg van
deeze Acte zyn, noch ook alhier te ontvouwen, wat men van dien aart het
best zoude kunnen doen, indien men, met reden en menschlievendheid,
de hier boven uitgedrukte gevoelens ter uitvoer trachte te brengen,
is het genoeg door deeze twee voorbeelden aan te toonen, dat de
Planters zedert lang gevoeld hebben, dat hun eigen belang dergelyke
wetten vorderde, dat deeze wetten noodig waren tot in stand houding
en aanwas der bevolking, om den invoer der zwarten van de Africaansche
kust te vernietigen, als mede tot groot voordeel der inwooners.
Het Reglement op het bestuur der Plantagie vast gesteld en in schrift
gebragt zynde, zoude op de werkplaatsen gelezen en afgekondigd, en
van tyd tot tyd vernieuwd worden: men zoude daar by voorziening doen
omtrent het voedzel, de kleeding, en de woning der Negers: men zoude
hun den eigendom van hunne tuinen, vogelaryen, en beesten-kwekeryen
verzekeren: men zoude daar by melding maken van het bezorgen van
oppassing aan de zieken, oude lieden en verzwakten; aan de zwangere
vrouwen, aan de zoogsters en kinderen: dat de noodige voorzorgen
gebruikt zouden worden tot handhaving der goede zeden, tot onderwys
der jeugd, en de goede orde in de huisgezinnen, enz.
Te gelyker tyd zouden de uuren van arbeid daar by worden aangewezen,
als mede het geregeld bestuur en onderwerping. De geringe misslagen
zouden gestraft worden, na dat de beschuldigde in tegenwoordigheid
der verstandigsten en oudsten van de Plantagie zoude zyn gehoord:
de misdaden zouden aan de gewoone Rechters verwezen, en volgens
de wet gestraft worden. Voor deugdryke en uitmuntende daden zouden
belooningen plaats hebben.
Geene Plantagie zoude door deeze beschikkingen in wanorde geraken:
integendeel zouden de Planters by deeze verbetering in het bestieren
der zwarten onëindig veel winnen, uit hoofde van derzelver gehechtheid
aan hunne meesters en hunne gewilligheid tot den arbeid.
Dit ontwerp tot stand gebragt zynde, zal men, van dien tyd af aan,
de benaming van slaven en slavernye veranderen: het waare anders
te vergeefs de zaak zelve te hervormen; zy zoude altyd een hatelyk
voorkomen blyven behouden; zy zoude weder tot den vorigen stand
vervallen, indien men een gehaten naam liet blyven. In de daad, in
den redelyken en gematigden staat, aan de Planters voorgeschreven door
verstandige Reglementen, geene willekeurige, geene wreede behandeling
gedogende, zouden hunne verpligtingen, zoo wel als hunne rechten,
door vaste wetten volkomen bekend, en zy geene eigentlyk gezegde
slaven meer zyn.
'Er blyft dan niets meer overig, dan een enkelen stap te doen in
den loopbaan der weldadigheid en goede bestiering, ten einde deeze
gelukkige verandering te volmaken, de overgang namelyk van slavernye
tot vryheid: gy zult my uwen aandacht nog een oogenblik niet weigeren.
Na dat men dus op eene wyze, die geen zweem van willekeurigheid
meer overlaat, de werkzaamheden der arbeiders zal geregeld hebben,
behoort men hun eene belooning toe te zeggen, om hen tot een goed
gedrag en yverigen arbeid aan te moedigen; dit zoude moeten bestaan
in een gedeelte van de inkomsten der Plantagie, in het begin een
klein gedeelte, en alleenlyk een tiende van de zuivere voortbrengzels.
Het is meer dan waarschynlyk, dat deeze uiterlyke opöffering van
een gedeelte der inkomsten, door den eigenaar aan zyne arbeiders
overgelaten, ten minsten deeze inkomsten op dezelfde waarde zal
houden; naardien het belang, het welk de zwarten zelve daar by hebben,
hen zal aanzetten, om met den meesten yver te arbeiden, om met lust
mede te werken tot bevordering van den welvaart der Plantagiën, en
de inzameling der vruchten, tot het beletten der diefstallen, tyd
verspillingen, en verscheidene misbruiken, welken de al te strenge
bestiering der slaven doet vermeenigvuldigen.
Wie is 'er, hy moge nog zoo veel bezet zyn met vooröordeelen,
welke thans nog eenige Colonisten, voorstanders der slavernye,
verblinden, die gelooven kan, dat de Plantagiën in het byzonder, en
de Volkplantingen in het algemeen, den trap van geluk, die aan haare
volkrykheid geëvenredigd is, bereiken kunnen, zoo lang de arbeiders,
by de vruchten van hunnen eigen arbeid, en de vermeerdering van
den oogst, zelve belang hebbende, daar toe geenen yver aanwenden,
die men onmogelyk verwagten kan van een zoort van beesten, die door
zweepslagen geregeerd worden, en wier eenige hope bestaat in eenige
uuren rust te genieten, en kastydingen te ontduiken.
Wanneer men door de ondervinding van één of twee jaren gezien zal
hebben, dat de arbeiders zig onder dit nieuw ontwerp wel gedragen
hebben; dat dit tiende gedeelte der vrugten, tot eene belooning aan de
zwarten gegeven, de uitwerking gehad heeft, welke men 'er zig van had
voorgesteld; dat deeze Plantagiën 'er niet door geleden hebben, maar
veel eer door bevoordeeld zyn, zal men deeze belooning vermeerderen,
en, in het volgende jaar, tot een negende gedeelte der zuivere vrugten
brengen, ten einde als nog te beproeven, of, door deeze opoffering,
de inkomsten op dezelfde waarde voor den eigenaar blyven zullen.
Ik twyffele ann den goeden uitslag niet, daar ik zelf in de gelegenheid
geweest ben, om 'er eenige proeve van te nemen, en ik verzekere u,
dat deeze belooning, of dit aandeel in de inkomsten, aan de arbeidende
Negers toegestaan, van jaar tot jaar kan vermeerderd worden. Men
zal het van tyd tot tyd tot een agtste, een zevende, een zesde, een
vyfde, een vierde, en eindelyk tot een derde der zuivere inkomsten
brengen, zonder dat daar door de eigenaar zelf eenige vermindering
ondervindt. Dit derde der inkomsten, door den Planter aan de arbeiders
afgestaan, zal zyne eigene inkomsten nog des te meer verzekeren; en de
uitvoer van koopwaren uit de Volkplanting zal vermeerderd worden met
dit derde, het welk mede onder de voorwerpen van den koophandel komen
zal. De invoer van koopwaren zal in gelyke evenredigheid vermeerderen
door de verteeringen, welken de Negers, thans eene zekere zoort van
levens-gemak genietende, maken zullen; en deeze menschen, tot hier
toe toe zoo mishandeld, zullen allengskens hun geluk beginnen te zien,
en hunne meesters beminnen.
Ik begryp, dat de trapswyze voortgang in dit ontwerp, dien men
noodzakelyk behoort te volgen, een tydvak ten minsten van negen jaaren
noodig heeft. In het tiende jaar (of zoo dra deeze ondervinding zal
gevestigd zyn, en de goede uitwerkzels van deeze huishouding zullen
zyn gebleeken,) zal men deeze schikking tot eene vaste wet maken,
die de rechten der eigenaars en arbeiders met billykheid zal regelen;
tot eene wet der Volkplanting, waar in niet meer gesproken zal worden
van slavernye, maar van een wederkeerig verdrag tusschen de arbeiders
en de eigenaars van den grond.
Het is gemakkelyk te bezeffen, dat door deeze maatregelen, welken
ik hier in het ruwe schetse, langzamerhand in werking te brengen,
geen groote eigendom in wanorde geraken zal; maar dat de volkrykheid
der Negers onder een menschlievender bestuur zal aanwassen. Deeze
gelukkige verandering zal bewerkt worden, zonder eenigen schok of
beweging te veroorzaken. Deeze arbeiders zullen zig, langzamerhand,
en als ongevoelig, aan eene zekere gemakkelykheid en aan eene betere
levens-manier gewennen, die hun goed gedrag, hunne werkzaamheid en
vlyt ten grondslag hebben zal. 'Er zal in hunne denkbeelden geene
overylde omwenteling plaats hebben, waar door men eenig kwaad gevolg
te vreezen heeft, dewyl de eerste aanbiedingen slegts voorwaardelyke
gunstbewyzen zyn zullen, welken de meesters altyd zullen kunnen
intrekken, in geval de Negers zig dezelven onwaardig maken mogten.
Huisgezinnen, die zig toeleggen om hunne inkomsten een weinig te
besparen, ten einde kleine afzonderlyke eigendommen te verkrygen,
zullen gelegenheid vinden, om het bezit daar van te bekomen: zy
zullen daar door een bewys van hunne bekwaamheid ten toon gespreid,
en een waarborg voor hun toekomend goed gedrag gegeven hebben. Deeze
verhuizingen van zommige huisgezinnen der arbeiders, die van tyd
tot tyd groote Plantagiën verlaten zullen om kleine op te rigten,
zullen op de eerstgemelden door den ontwyffelbaaren aanwas hunner
volkrykheid rykelyk vervuld worden.
Naar mate de Colonisten tot deeze oogmerken van menschlievendheid en
goede orde de hand zullen leenen, door voor het uiterlyke de edelste
opöffering te doen, zullen zy hun eigen voordeel behartigen; men
zal de Volkplantingen en den koophandel meerder zien bloeijen: men
zal aldaar meerder gerustheid, meerder veiligheid, een aanhoudende
aanwas der bevolking ondervinden, zonder eenig middel van geweld, of
het welk met goede grondbeginzelen strydig is, te bezigen. Om hier van
overtuigd te zyn, behoeft men zig slechts deeze alöm bekende waarheid
voor oogen te stellen, dat de bevolking overal zigtbaar aanwast,
waar voorspoed en middelen van bestaan gevonden worden.
Deeze regelmaat, op reden, rechtvaardigheid en goede Staatkunde
gegrondvest, is in de Fransche Volkplantingen, die deeze omwending
ondergaan hebben, niet gevolgd geworden. Alles is by deeze volken aan
het gisten en in wanorde geraakt. Geene der partyen, van welke classe
ook, wilde opregtelyk de vryheid, noch den algemeenen voorspoed;
geene derzelven wierd door oprechte oogmerken gedreeven, maar allen
wierden zy aangezet door haat, door het een of ander denkbeeld van
haatlyke beschuldiging, en voor al door een lust tot plundering,
die door wanorde zoo wonderbaarlyk geholpen word. De Regeering, die
opzettelyk de Volkplantingen kwalyk bestierde, om 'er de omwenteling
te doen vervloeken, en het Koningschap te doen beminnen, heeft de
wanorde vermeerderd door een zoort van
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/8099