Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3

by John Gabriel Stedman · Dutch · Gutenberg #8098 · 436,542 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3

Author: John Gabriel Stedman


        
Release date: May 1, 2005 [eBook #8098]
                Most recently updated: September 25, 2014

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/8098

Credits: Produced by Jeroen Hellingman with help of the distributed proofreaders team


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REIZE NAAR SURINAMEN EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA — DEEL 3 ***




Produced by Jeroen Hellingman with help of the distributed
proofreaders team.










REIZE NAAR SURINAMEN EN GUIANA. III.



REIZE NAAR SURINAMEN, EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA;

DOOR DEN CAPITAIN JOHN GABRIËL STEDMAN.

MET PLAATEN EN KAARTEN.

NAAR HET ENGELSCH.

DERDE DEEL.



INHOUD DER HOOFTSTUKKEN.

XX. HOOFTSTUK.

Beschryving van eenen oproerigen Neger.--Vuurige Mier.--Het
wandelend Blad.--Doornhaag-Spinnekop.--Duivenboonen of erwten
van Angola.--Nadrukkelyke benaamingen, door de Negers gebezigd
wordende.--Het innemen van de stad Gado-Saby, door den Colonel
FOURGEOUD.--Trek van bygeloovigheid.--Beleid van den vyand

XXI. HOOFTSTUK.

Wilde Porselyn.--Calebassen-boom.--Schermutzeling.--Tafereel
van broederlyke teederheid.--Het krygsvolk keert naar Barbacoeba
te rug.--Beschryving van de manier, waar op de legerplaats was
ingericht.--Een slaaf door den slang Orou-coukou gedood.

XXII. HOOFTSTUK.

Byzonder zoort van Mieren.--Acajou-nooten.--Eta-appel.--Alarm aan
de Peréca.--Hinderlaag.--Vreemde uitwerking, door eene Vledermuis
veröorzaakt.--De Oppossum.--De Agouti en de Paca.--De Dadel-boom.--Het
krygsvolk keert naar de Cormoetibo-kreek te rug..

XXIII. HOOFTSTUK.

Tweede tocht naar Gado-Saby.--Land-Schildpad.--Verschillende
zoorten van hout.--Levendig geraamte.--Treffelyke
gezichten.--Honderd-pooten.--Verschillende
Plantgewassen.--De Opper-Bevelhebber wordt ziek, en verlaat de
legerplaats.--Sprinkhanen.--Verschillende zoorten van visschen.--De
Zee-koe.--Het Zee-paard.--Aanmerkingen omtrent het aanwezen der
Meerminnen.--Trommelzucht.--Verscheiden zoorten van vogelen.--De
Malaky en Markoury boomen.--Doornhaag-wormen

XXIV. HOOFTSTUK.

Aanwerving van twee Compagniën Vrywilligers, bestaande
uit Negers en vrye Mulatten.--Verscheidene zoorten van
Visschen.--Arrowoukas-Indianen.--De krygsbende van den Colonel
FOURGEOUD ontfangt bevel, om naar Holland in te schepen.--De
Ratel-slang--De blaauwe Dypsas.--De Amphisboena of tweehoofdige
slang.--Eene fraaije Kapel.--De Colonel ontfangt naderen last.--Het
krygsvolk trekt weder in de bosschen.--Koophandel in de Volkplanting
van Surinamen.--Beschryving eener Cacao-Plantagie.--Heldendaad van
eenen Neger.--De Ananas.--De Muscaat- en Water-Meloen.

XXV. HOOFTSTUK.

Grappige manier tot het ontdekken van een dief.--Het
Brom-vogeltje.--Verschillende zoorten van planten.--Manier van
visschen in Surinamen.--Onderscheidene zoorten van visschen.--Moed
van eene jonge Negerin.--De Pimpelmees.--De Americaansche Aloë.--De
Banille-boom.--Huilende Aapen.--Verwonderlyke slimheid der wilde
Byën.--De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD ontfangt andermaal
bevel, om naar Europa te rug te keeren.--De Guiaansche Nachtuil.

XXVI. HOOFTSTUK.

Inscheeping van het krygsvolk.--De Zurzaca, en Sabatille.--De
Papaija, en de Gember.--Het krygsvolk gelast om te
ontschepen.--Muiterye.--Onbetamelyk gedrag van een Capitain der
Oucas-Negers.--Een groot aantal zieken naar Europa gezonden.--Nieuwe
byzonderheden betrekkelyk de Negers.

XXVII. HOOFTSTUK.

De muitelingen voeren verscheiden Negerinnen weg.--Aanstootelyke wyzen
van straföeffening.--Onverschrokkenheid der Negers.--Verschillende
zoorten van Gier-vogels.--Gekuifde Arenden.--Beschryving van eene
Indigo Plantagie.--Kaneel-Appel.

XXVIII. HOOFTSTUK.

De Muitelingen trekken de Rivier Maroni over.--Derde tocht
naar Gado-Saby.--De Land-Scorpioen.--Verscheiden zoorten van
timmerhout.--Boom, welke een vrucht voortbrengt, de Marmelade-doos
genaamd.--Het aankweeken van Ryst.--Buitengewoone hitte, die alle
de moerassen opdroogt.--De Oppossum van het vrouwelyk geslacht.--De
Brazilsche Wezel.--De Mierëeter.--De Tamandua.--Hout-luizen en
vliegende luizen.--Tafereel van ellende en sterfte.--De Vrede aan de
Volkplanting bezorgd.--De Poelsnip.--De Lepelgans, en de Brazilsche
Ojevaar.--Wilde Eendvogels van verschillende zoorten.





REIZE NAAR SURINAMEN, EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA.


TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Beschryving van eenen oproerigen Neger.--Vuurige Mier.--Het
wandelend Blad.--Doornhaag-Spinnekop.--Duiven-boonen of erwten
van Angolo.--Nadrukkelyke benaamingen, door de Negers gebezigd
wordende.--Het innemen van de Stad Gado-Saby, door den Colonel
FOURGEOUD.--Trek van bygeloovigheid.--Beleid van den vyand.

De muitelingen, door hun behaald voordeel op den Capitain MEYLAND
opgeblazen, waren daarënboven door hunne Spions onderrigt, dat
de Colonel FOURGEOUD zig te Barbacoeba bevondt, en zyne soldaaten
willende trotseeren, of schrik aanjagen, hadden zy de stoutheid,
om den 15den Augustus 1775. de hutten van twee legerplaatsen, welken
onze uitgezondene wachten hadden laten staan, in brand te steeken,
en een gehuil en geschreeuw te maken, het welk wy den geheelen
nacht hoorden. Dit was nogtans van hunnen kant niets anders dan
loutere zwetzery; maar het verwekte in onzen Bevelhebber zulk eene
gramschap, dat hy zwoer zig met geweld, het koste wat het wilde, te
zullen wreeken. Dien zelfden nacht wierden wy ook door een grooten
Tyger ontrust; maar hy deedt geen het minste kwaad. Des anderen daags
morgens stondt al ons krygsvolk tot den optocht gereed, en met het
aanbreken van den dag begaven wy ons in het bosch. Wy waaren twee
honderd Europeaanen sterk, bekwaam om dienst te doen; en wy lieten
een groot getal agter, die door ziekten belet wierden mede te gaan. De
Neger-Jagers, wien het verveelde de beveelen van den Colonel FOURGEOUD
te gehoorzamen, verscheenen niet, hoewel zy verwagt wierden, het welk
aan den Bevelhebber gelegenheid gaf, om hunne bende voor schelmen
en lafhartigen uittemaken. Ik erken, dat ik uittermaten verwonderd
was over het agterblyven van myne begunstigden, die op andere tyden
zoo veel yver betoond hadden om den vyand te keer te gaan, en die
verklaard hadden niets meerder te verlangen, dan eenen algemeenen en
beslissenden slag.

Wy trokken deezen dag oostwaarts aan. Na omtrent agt mylen te hebben
afgelegd, het geen in een land, waar onöphoudelyk door het weghakken
van het geboomte de weg gebaand moest worden, al vry aanmerkelyk
is, sloegen wy hutten op, en namen aldaar onze legerplaats. Na zoo
meenigmaalen van de oproerige Negers, aan wien wy nu op het punt
waren van slag te leveren, gesprooken te hebben, biede ik den lezer
eene afteekening aan, verbeeldende één van hun, die op schildwacht
staat, en door het hooren afschieten van snaphaanen in de struiken
verschrikt is. Twee Jagers schynen het oogenblik om hem te verrassen
op eenigen afstand te bespieden. Deze Neger is met een snaphaan en
byl gewapend. Zyne hairen, ofschoon wollig zynde, zyn digt aan 't
hoofd gevlogten; dit was een teken, waar door de muitelingen van onze
Jagers, en van andere Maroni-Negers, die onder hunne bende niet gedoogd
wierden, onderscheiden waren. Zyn baard is puntsgewyze gesneeden, zoo
als zy dien allen dragen, wanneer zy niet in de gelegenheid zyn, om
zig te scheeren. Zyne voornaamste kleeding bestaat in een lap catoen,
die onagtzaam om zyne schouders geslagen is, hem voor de ongemakken
der lucht beveiligt, en hem dient om 'er op te slapen, het welk een
iegelyk van hun altoos onder een dekkleed doet, in de somberste
plaatsen, welken hy vinden kan, wanneer hy van zyne medemakkers
is afgescheiden. Dezelfde persoon draagt een Camisa, die als een
neusdoek om zyne lendenen gebonden is. Zyn zak of weitas is van de
huid van 't een of ander dier gemaakt. Kleine catoene koorden zyn om
de gewrichten zyner handen en enklauwen tot cieraad gebonden. Eene
bygeloovige Obia of tooverband, waar op hy al zyn vertrouwen stelt,
hangt hem om den hals. De bekkeneelen en beenderen, welken men in eene
zandige Savane verstrooid ziet, zyn waarschynlyk die van zyne vyanden.

De twee Jagers, welken men in't verschiet bemerkt, zyn door hunne
roode mutsen kenbaar. Het is aanmerkens waardig, dat de muitelingen zig
verscheiden malen van deeze onderscheidende teekenen meester maakten,
en dat zy, dezelven staande het gevecht op hun hoofd gezet hebbende,
niet alleen hun leven behielden, maar zelfs des te gemakkelyker hunne
vyanden konden afmaken.

Zy hebben dikwerf eene andere krygslist gebruikt. Dewyl het
schietgeweer zeldzaam onder hen was, voegden zig verscheiden onder
hunne gelederen, dragende een stuk hout, het welk ten naasten by als
een snaphaan gehouwen was, op den schouder. Deeze list heeft dikwils
de slaven der Plantagiën belet, om dezelven te verdedigen, wanneer
deeze muitelingen ze kwamen plonderen: zulks heeft zelfs meer dan eens
een zoo grooten schrik verwekt, dat men hen hunne oude woonsteden,
na de vrouwen en kinderen weggevoerd te hebben, zonder tegenkanting
in brand liet steken.

Den 16den, vervolgden wy onzen weg west-waarts over hoog land. Het
was een zoort van keten van bergen, die, zoo ik my niet bedriege,
in dit Land doorgaans van het oosten naar het westen loopt, zoo als
ook in de verdronken zandwoestynen en moerassen plaats heeft. Wy
leiden geenen zoo grooten weg af, als daags te vooren, en toen wy
stil hielden, ontfingen wy bevel om onze hangmatten uit te spreiden,
en daar op te gaan slapen, zonder eenig overdek, om den vyand geene
kennis te doen bekomen van de plaats, alwaar wy ons bevonden, het
geen zekerlyk gebeurd zoude zyn, indien wy in het bosch boomen gekapt
hadden: bovendien wierd ons niet toegestaan vuur aan te leggen,
noch te spreken; en men hieldt naauwkeurig de wacht rondom de
legerplaats. Deeze voorzorgen waren in de daad aller noodzakelykst:
maar zoo al de muitelingen ons niet ontdekten, wy wierden ten
minsten door groote muggen en insecten, die uit een naby gelegen
moeras opkwamen, van één gereten. Wat my betrof, ik leed hier meer,
dan ik immer geleden had aan boord der elendige vaartuigen, toen ik
my op den wachtpost aan de Cottica bevond. Het was ons verboden deeze
insecten door rook te verdryven; en in die deerniswaardige gesteldheid,
zag ik soldaten, die met hunne bajonetten gaten in den grond groeven,
om hun hoofd daar in te leggen, terwyl zy voor over op den buik,
en met hunne hangmat overdekt, lagen te slapen. Het was volstrekt
onmogelyk in eenige andere ligging den slaap te vatten.

Echter konde ik, den raad van eenen Neger-Slaaf volgende, een weinig
genot van den slaap hebben: "Masera", zeide hy my, "klauter met uwe
hangmat op den hoogsten boom, die 'er in de legerplaats staat, en slaap
aldaar. Gy zult aldaar door geen enkel insect ontrust worden; want de
geheele zwerm zal door den reuk van deeze meenigte sterk zweetende
menschen benedenwaarts gelokt worden".--Ik beproefde oogenblikkelyk
dit middel, en sliep byna honderd voeten boven myne medemakkers,
welken ik, uit hoofde van de onbegrypelyke meenigte en het aanhoudend
gebrom deezer onaangenaame insecten, niet eens bemerken, noch zelfs
hooren konde.

Van dien aart was gewoonlyk het voornaamste ongemak van den nacht;
maar des daags wierden wy aanhoudend aangevallen door geheele legers
van kleine mieren, alhier vuur-mieren genoemd, uit hoofde van de
pyn, die hunne beet verwekt. Deeze insecten zyn zwart, en van het
kleinste zoort; maar zy verzamelen zig in zulk een groot getal, dat
hunne mieren-nesten, door derzelver dikte, ons dik wils eenigermaten
den weg belemmerden, en dat, indien men 'er by ongeluk op trapte,
men dadelyk de beenen en voeten door deeze dieren bedekt had, die met
hunne klauwen de huid zoo geweldig vast hielden, dat men hun eerder
den kop van den romp zoude draaien, dan hen te doen los laten. De
brandende pyn, die zy veroorzaken, kan, naar myn inzien, niet eeniglyk
uit de zeer scherpe gedaante van hunne klauwen voortkomen: ik meen,
dat zy door een zeker vergift, het welk zy in de wond laten loopen,
of deeze naar zig trekt, moet worden voortgebragt. Ik kan verzekeren,
dat ik hen aan eene geheele compagnie soldaten zulk eene trilling
heb zien veroorzaken, als of zy door kokend water gebrand wierden.

Den 17den, trokken wy tot negen uuren verder oostwaarts op: vervolgens
noordwaarts, en dwars door eene groote meenigte mataky wortels, welken
ik reeds beschreven heb; het geen ten bewyze strekte, dat wy afzakten;
en de grond wierd in de daad zeer moerassig. Gelukkig echter, schoon
wy in het regen-saisoen waren, viel 'er weinig water.

Dien dag hielden wy omtrent vier uuren des avonds stil, want de
Colonel wierd door eene koorts met koude aangetast.

Terwyl ik in myne hangmat, die aan twee zwaare takken was opgehangen,
lag te slapen, viel myn oog op iets, het geen ik in 't eerst een blad
van een boom meende te zyn, maar my vervolgens bleek zig te bewegen,
en op den stam van den boom voort te schuiven. Oogenblikkelyk opgestaan
zynde, riep ik verscheiden van myne medgezellen, om hun dit zelfde te
doen zien, en dadelyk riep een Officier van 's Compagnies krygsvolk
uit; "het is het wandelend blad"! Na een naauwkeurig onderzoek bevonden
wy, dat het een insect was, wiens vlerken zoo zeer naar een blad
gelyken, dat verscheiden lieden het voor een voortbrengzel uit het
Plantenryk hebben aangezien: het was een zoort van springhaan, maar
bedekt met vier vlerken van eene eironde gedaante, en van omtrent drie
duimen lengte, waar van de bovenste zoo aan elkander vast kleefden,
dat zy juist een bruin blad met deszelfs vezelen scheenen te vertoonen.

Ik keerde dus naar myne hangmat te rug. De lucht was helder, de maan
scheen tusschen het loof der boomen, en ik viel in eenen diepen slaap,
overpeinzende de wonderen der natuur; myn slaap duurde tot middernacht,
toen ik, te midden der dikste duisternis, en eenen zwaaren stortregen,
ontwaakte door het gehuil en geschreeuw der muitelingen, die te gelyker
tyd eenige snaphaan-schoten deeden. Hun schieten echter bereikte de
legerplaats niet, en wy waren uittermaten verlegen, want de donkerheid
maakte het ons onmogelyk, om een juist denkbeeld van hun oogmerk te
vormen. Zy hielden op die wyze aan tot het aanbreken van den dag,
het geen ons elk oogenblik deedt verwagten van door hun omcingeld te
worden: dienvolgende verdubbelden wy onze waakzaamheid.

Des anderen daags morgens rolden wy onze hangmatten op, en trokken
noordwaarts aan, naar den kant, van waar den voorigen nacht het geluid
zig hadt doen hooren. Grootendeels in onze rust gestoord geweest zynde,
waren wy zeer vermoeid, en vooral de Colonel, die moeite had, om het
staande te houden, zoodanig was hy door de koorts verzwakt. Ik voerde
het bevel over de voorhoede. Wy hadden geen twee mylen afgelegd,
of een oproerige Neger sprong byna voor myne voeten van onder eene
doornhegge, alwaar hy was gaan liggen slapen, maar dewyl wy last
hadden, om op de geenen, die verdwaald waren, geen vuur te geven,
ontsnapte hy ons, en liep zoo gezwind als een hart dwars door de
struiken weg. Ik gaf 'er bericht van aan den Bevelhebber, die zwoer,
dat hy een spion was, en ik geloof, hy had gelyk: dadelyk vergat hy,
om zoo te spreken, zyne kwaal, en verdubhelde zyne schreden met groote
drift. Onze vervolging echter was, ten minsten deezen dag, vruchteloos,
want op den middag vervielen wy in een groot moeras, waar uit wy veel
moeite hadden ons te redden; en wy waren genoodzaakt onze legerplaats
van den laatst voorgaanden nacht te hernemen, na twee soldaten van 's
Compagnies krygsvolk verloren te hebben, welken wy vooronderstelden,
dat in het moeras versmoord waren.

Dien zelfden dag zagen wy eene groote meenigte Roucou-boomen, die in
dit gedeelte van het bosch overvloediglyk gevonden wierden. Des avonds
boodt een slaaf my een Doornhaag-Spinnekop aan. Dezelve was van zulk
eene grootte, dat zy, in een kistjen van agt duimen hoog geplaatst
zynde, den rand met eenige van haare pooten raakte, terwyl de andere
op den grond stonden. De Schepping levert geen afschuwelyker wezen
op, dan deeze ysselyke Spinnekop, welke de inwooners van Surinamen te
onrecht voor de Tarantula houden. Derzelver lyf is verdeeld in twee
deelen; het agterste is eyrond, en heeft de gedaante van een appel;
het voorste is vierkant, en de kop gelykt naar een zoort van star, die
'er aan vast gehecht is. Dit gedrocht heeft vyf paar groote pooten met
vier gelederen. Het is geheel zwart, of van een donker bruine kleur,
en, zoo wel het lyf als de ledematen, geheel overdekt met lange,
dikke en zwarte hairen, veel gelykende naar die van een rups. Elke
poot is met een zoort van geele en kromgebogen klauw gewapend. Uit
den kop komen twee lange tanden, die met de binnenwaarts gebogene
punten een schaar vormen, even als die van een krabbe, waar van
zy zig tot het aanpakken van haaren buit bedienen. Het steeken van
dezelve verwekt altyd de koorts, zoo het al niet doodelyk is door het
vergiftig vocht, het welk zy in de wonde laat loopen. Deeze Spinnekop
heeft agt oogen, gelyk de meeste anderen, en voedt zig met allerleije
zoorten van insecten. Men beweert, dat de jonge vogelen aan dit dier
niet onsnappen kunnen, en dat het derzelver bloed uitzuigt. Deszelfs
webbe is niet zeer uitgestrekt, maar zeer sterk. Om kort te gaan, het
is een verschrikkelyk dier, waar van 't gezicht alleen in staat is,
om aan de lieden zelfs, die aan de beschouwing van de wanstaltigheden
der natuur het meest gewoon zyn, een afgryzen te verwekken. Alle de
gevaaren, alle de plagen, waar aan men dagelyks in de bosschen van
deeze gezengde landstreek is bloot gesteld, zyn talloos. Ik heb 'er
reeds een groot gedeelte van aangehaald, en 'er schieten 'er nog wel
zoo veel over om op te noemen. Onze ongelukkige soldaten konden daar
aan geen weerstand bieden; 'er stierf by aanhoudendheid een groot
aantal, zonder hulp, zonder vriend om hun de oogleden te sluiten,
zonder een kist om hun gebeente te bevatten. Men wierp hunne lyken
door elkander in een groot gat, als of zy het overschot van onze
natuur-genooten niet waren.

Den 19den, braken wy de legerplaats op, en na een weinig zuidwaards
getrokken te zyn, gingen wy oostwaarts, tot tien uuren, toen een
gedeelte van honderd Neger-Jagers, met hunnen leidsman VINSACK, tot
myn groot genoegen, zig by ons voegde; wy waren derhalven toen drie
honderd mannen sterk. Hoe weinig achting de Colonel FOURGEOUD op alle
andere tyden voor deeze dappere lieden betoonde, hunne versterking
mishaagde hem in 't geheel niet, op dit oogenblik, dat wy eenen vyand
naderden, dien zy wel kenden, en tegen wien zy met meer voordeel
streden, dan ons krygsvolk. Ik ben bovendien volkomen van gedachten,
dat één van deeze vrye Negers, als soldaat, in de bosschen van Guiana,
boven zes Europeanen den voorrang verdient.

De Colonel FOURGEOUD liet ons toen in drie kolommen, of liever in
drie linien optrekken. Zyn Regiment maakte het midden-punt uit;
het krygsvolk der Sociëteit was ter rechter, en de Jagers ter linker
zyde. Allen waren zy alleenlyk afgescheiden door eenen afstand, van
waar men elkander beroepen konde; en by elke vleugel waren eenige
lichters geplaatst. Aldus verdeeld zynde, vervolgden wy onzen tocht
oostwaards tot den middag, toen wy den zelven oost noord oost namen,
en aantrokken op een biry-biry, of groot moeras. De moerassen van
dit zoort zyn in dit land zeer gemeen en zeer gevaarlyk. Zy zyn vol
met een zeer dun slyk, en met een dikke en groene korst overdekt,
die op veele plaatsen een mensch dragen kan; maar die men onder zyne
voeten voelt buigen. Indien deeze korst breekt, worden allen, die
'er door heen zakken, in dit zoort van afgrond verzwolgen, waar in zy
ontwyffelbaar moeten omkomen, indien men 'er hen niet oogenblikkelyk
uittrekt. Op die wyze heeft men daar in meenigwerf menschen zien
verzinken, waar van men naderhand nooit meer heeft hooren spreken.

De zandpoelen zyn van een geheel anderen aart; men zakt 'er
trapsgewyze in, daar dit in de slykmoerassen eensklaps geschiedt. Om
deeze toevallen voor te komen, openden wy onze gelederen zoo veel
als mogelyk was, het geen dezelve zeer wyd van elkander maakte;
en in weêrwil van deeze voorzorge, wierden verscheiden menschen
ingezwolgen, als of het ys onder hunne voeten was weggebroken. Ik
heb eenige anderen gezien, die, mede in den poel gevallen zynde,
'er tot onder de armen toe in zakten; maar wien het egter gelukte,
schoon met veel moeite, gered te worden.

Des namiddags trokken wy voorby twee velden, alwaar men maniok gehad
had; het geen ons deedt begrypen, dat wy aan de verblyfplaats der
muitelingen naderden. Korten tyd daar na ontdekten wy de voetstappen
van den tocht van Capitain MEYLAND, en wy herkenden die aan de
teekens, die op de boomen gesneden waren, zoo als ik reeds te vooren
heb opgegeven. Tegen den avond sloegen wy ons neder op den afstand
van eenige mylen van het moeras, waar in de krygsbende van deezen
Officier het leven gelaten had: het daglicht stondt ter deezer uur
niet lang genoeg meer te schynen, om den vyand te kunnen aantasten.

Onze soldaten door eenen langen tocht zeer vermoeid zynde, stondt de
Colonel hun voor deezen nacht toe, hutten op te slaan, en vuuren
aan te leggen. Ik was 'er uittermaten verwonderd over: hy had
ons dit zoort van verkwikking verboden, toen wy van den vyand zeer
verre af waren; en op het oogenblik, dat deeze naby was wilde hy het
gedogen. Ik maakte 'er echter gebruik van; en myn Sergeant, my eenige
duivenboonen, welken hy in een nabuurig land geplukt had, gegeven
hebbende, noodigde ik hem ten eeten, als mede een Neger-Capitain,
genaamd HANNIBAL. Wy wierpen alle drie ons gezouten ossen-vleesch en
bischuit in de ketel; vervolgens roerden wy het met een bajonnet om,
en deeden eene uitmuntende maaltyd, in weerwil van eenen akeligen
nacht, en één der zwaarste slagregens.

De duiven-boonen, of boonen van angola, groeien op een stronk van
agt of tien voeten hoog; zy zyn, ten getale van vyf of zes, in eene
peul besloten; haare kleur is bruin, en haare gedaante plat, gelyk
die der peul-vruchten. De Negers houden 'er veel van, en kweeken in
hunne tuinen, zonder veel kosten of moeite, de plant aan, die deeze
vruchten voortbrengt.

HANNIBAL, na my te hebben doen opmerken, dat wy des anderen daags
den vyand zekerlyk ontmoeten zouden, vroeg my, of ik wel wist, hoe
de Negers in een gevecht tegen elkander streden. Ik antwoordde hem,
neen; en dadelyk deedt hy my het volgende verhaal, zyn pyp onder myne
hangmat rookende.--"Maséra", zeide hy my, "de beide partyen worden
gerangschikt in compagniën van agt of tien mannen, onder bevel van
eenen Capitain, een jagthoorn dragende, zoo als deeze", (hy toonde my
den zynen) "op welks geluid zy alle hunne krygsbewegingen verrigten,
en stryden, of de vlucht nemen. Wanneer zy stryden, scheiden zy zig
oogenblikkelyk van elkander, gaan op den grond leggen, en schieten
dwars door het geboomte op een zeer korten afstand. Elk die strydt,
word door twee ongewapende Negers geholpen; de een vervangt hem, als
hy gedood word, en de ander neemt het lyk weg, uit vreeze, dat het in
's vyands handen mogt vallen". [1]

Zyn verhaal gaf my een juist denkbeeld, van die manier van vechten,
welke ik zedert heb zien beoeffenen. Ik zal 'er alleenlyk byvoegen,
dat, wanneer het een dik bosch is, elke Neger, in plaats van op den
buik te gaan leggen, of de knie op den grond te zetten, zig agter eenen
grooten boom verbergt, welke hem tot een borstweering dient, en van
waar hy met meerder juistheid en minder gevaar vuur geeft in dit geval,
doet hy zyn snaphaan tegen den stam van den boom, of op een gespleten
tak, rusten, even gelyk de Indianen van Shawanese en Delaware doen.

Capitain HANNIBAL deedt my ook verstaan, dat men den beruchten BONNY
verdacht hieldt, van persoonlyk zig te bevinden onder de muitelingen,
in wier nabuurschap wy waren. Dit opperhoofd, schoon een Mulat zynde,
was in de bosschen geboren, werwaarts zyne moeder de vlucht genomen
had, om de mishandelingen van haaren meester, die haar bezwangerd had,
te ontgaan.

Te meermalen gesproken hebbende van het onderscheid der menschen van
eene midden-kleur, tusschen zwart en wit, moet ik ter opheldering
daar van het volgende aanmerken. De Mulatten worden geboren van een
blanken en eene Negerin, of van een Neger en eene blanke. De Samboes
worden geboren van een Mulat en eene Negerin, enz. De Quarterons van
een Mulat en eene blanke, enz. enz.--De zelfde Capitain HANNIBAL,
noemde my ook den naam van verscheiden andere hoofden der muitelingen,
tegen welken hy dikwils gestreden had. De eerste van allen was QUAMMY,
hoofd van eene afzonderlyke bende, die met de andere muitelingen in
geene betrekking stondt. Hy noemde my vervolgens COROMANTYN, COJO,
ARICO en JOLI-COEUR. De twee laatstgemelden waren berucht van wegen
den onverzoenlyken haat, waar mede zy tegen de blanken bezield waren;
en JOLI-COEUR, van wien ik reeds gesproken heb, had 'er billyke reden
toe. HANNIBAL dacht ook, dat de beruchte BARON op dit oogenblik onder
het opperhoofd BONNY diende.

Hy ging vervolgens over tot de benamingen van de voornaamste
bezittingen der muitelingen, waar van zommige reeds verwoest waren,
andere zig in 't gezicht bevonden, en eenige ons slechts by naame
bekend waren. Zy hadden allen eenige wezentlyke beteekenis; en dewyl
zy, in zeker opzigt, de onderzoekingen der geleerden omtrent de
verschillende volken onder de Negers kunnen ophelderen, heb ik gepast
geöordeeld aan dezelven, met opgaave van de vertaaling, alhier eene
plaats te vergunnen.

Boucou: Ik zal eerder tot stof vergruisd worden,
eer ik genomen worde.

Gado Saby: God alleen kent my.

Cosaay: Koomt, zoo gy het hart hebt.

Tessy sy: Ruikt 'er aan, zoo gy lust hebt.

Mele my": Ontrust my, zoo gy durft.

Bousy cray: De bosschen schreiën.

Me salasy: Ik zal genomen worden.

Kebry my: Verberg my, ô loof der boomen, dat my omringt.

De verdere waren:

Quammy Condre: naar den naam van QUAMMY, hun opper-hoofd.

Pynenburg: van de Pyn- of Latanus-boomen, die deeze bezitting van
vooren omringden.

Caro Condre: van de meenigte Koorn-velden, waar mede dezelve omringd
was.

Reizy Condre: van de meenigte Ryst-velden, die rondöm lagen.

Ik drukte Capitain HANNIBAL, na dit gesprek, de hand, en hy ging
van my af. Ik was vervuld met de hoop op eene overwinning, die door
geene wreedheid bezoedeld zoude worden; en dewyl ik zeer vermoeid was,
viel ik in een diepen slaap.

Den 20sten, des morgens, ontwaakte ik, zeer wel te vreden; zynde het
toen het schoonste weder des weerelds. Deeze gelukkige gesteldheid
verdween wel dra, toen ik zag, dat op een oogenblik, zoo netelig,
en toen men op 't punt stondt slag te leveren, in plaats van goede
behandelingen, welken het voorzichtig geweest zoude zyn te gebruiken
omtrent hun, van wier welwillenheid wy het gunstig einde van ons
lyden verwagtten, men integendeel by de Onder-Officiers en soldaten
eene groote moedeloosheid verwekt had. Ik maakte toen tegen mynen wil
deeze aanmerking:--Dat de Vorsten en hunne dienaars nimmer, zoo veel
mogelyk, een byzonder persoon, wie hy ook wezen mogt, vooral in een
afgelegen land, met eene onbepaalde magt bekleeden moesten, zonder
zynen inborst en denkwyze zeer grondig te kennen; want niemand is
waardig het bevel te voeren, indien hy zig niet tevens door dapperheid
en menschlievenheid onderscheidt; naardien het eene wel bekende
waarheid is, dat geene dapperheid met wreedaartigheid bestaan kan.

Des morgens ten zes uuren trokken wy noordoostwaarts ten noorden,
onzen weg naar de moerassen nemende; en myne zwaarmoedigheid verdween
met het doorbreken der zon.

Omtrent ten agt uuren, kwamen wy in dat verschrikkelyk moeras, alwaar
wy schielyk tot aan ons midden door het water gingen. Niettemin maakten
wy ons gereed, om het ernstig onthaal, het welk wy aan de overzyde te
wagten hadden, vol te houden. Na een halve myl ver gezworven te hebben,
beklommen onze grenadiers gezwindelyk den oever met de bajonnetten
vooruit. Het hoofdleger volgde hen oogenblikkelyk, en wy plaatsten
ons, zonder de minste tegenkanting, in gelederen. Wy zagen toen
een schouwspel, het welk in staat was, om de onverschrokkensten te
verzetten: de grond lag bezaaid met bekkeneelen, beenderen en ander
overschot van de lyken der ongelukkige soldaten van den Capitain
MEYLAND.--Deeze Officier had wel middel gevonden, om dezelven te
doen begraven; maar de muitelingen hadden die weder opgedolven,
om ze van hunne kleederen te berooven, om deeze lyken in stukken
te houwen, en ze te verscheuren, zoo als verslindende dieren gedaan
zouden hebben. Onder het getal deezer ongelukkige slachtöffers was
de Neef van MEYLAND, een jongman van denzelfden naam als hy, en van
de grootste verwagting. Hy was van de Zwitzersche gebergten gekomen,
om met des te meerder spoed vorderingen in den krygsdienst te maken,
en, korten tyd na zyne ontscheping, vondt hy zyn graf in een moeras
van Surinamen. Zyn moed stondt gelyk met dien van zynen oom; zyne
onverschrokkenheid, die hem bewoog om zig aan alle gevaaren bloot te
stellen, kende geene paalen.--Zoodanig is de geestdrift der eerzucht
van eenen krygsman.

Deeze hoop van menschen-beenderen was de tweede of derde, dien wy op
onzen tocht ontmoetten. Ik erken opentlyk, dat zulk eene ontmoeting
in my geen lust verwekte, om de muitelingen te bevechten. Dit droevig
overschot echter ontstak in onze soldaten een levendige drift, om
hunne ongelukkige medgezellen te wreeken.

Ik heb reeds zoo dikwerf gesproken van het doorwaden der moerassen,
dat het, zoo ik denk, niet ongeschikt is, om door de nevenstaande
plaat de beschryving op te helderen. Voor eerst wordt daar op vertoond
de Colonel FOURGEOUD, vooraf gegaan door eenen Neger, die hem tot
leidsman dient, en, waar het water op het hoogst is, overzwemt. Daar
op volge ik zelf, en eenige andere Officiers en Zee-soldaten, allen
in het midden van het moeras, en onze wapenen, krygsbehoeften, enz. op
het hoofd dragende, om door het nat niet beschadigd te worden. Men kan
daar op voorts de manier zien, waar op de slaven de pakken dragen, als
mede hoe de muitelingen van boven uit de palmboomen op het krygsvolk
vuur geven. Een tocht van dien aart, schoon by deeze gelegenheid zeer
noodzakelyk, moet altyd één der gevaarlykste zyn: men is dan bloot
gesteld aan de aanvallen van eenen vyand, die in 't verborgen vuurt,
en men kan niet meer dan eenmaal vuur geven; want de soldaten zyn te
diep in het water ingezonken, om hun geweer op nieuw te kunnen laden,
zonder het slot nat te maken.

Wy volgden toen een zoort van voetpad, door de muitelingen gemaakt,
waar na wy onzen weg een weinig westwaarts namen. De Sergeant FOWLER,
die tans het bevel over de voorhoede voerde, kwam by my, geheel bleek
en bevende, en verklaarde my, dat het gezicht van deeze lyken hem
zeer ziek gemaakt had. Dit was waar, want hy scheen aan den grond
als vast gehecht, zonder een enkelen tred te kunnen doen, noch zyne
ontsteltenis te kunnen verbergen. Ik sprak hem aan met den naam,
dien hy verdiende, en had slechts den tyd, om hem te beveelen van
zig by de agterhoede te begeven.

Ten tien uuren, ontmoetten wy een klein gedeelte der muitelingen, elk
van hun met een groene mand op den rug. Zy gaven vuur op ons, en hunne
vracht op den grond werpende, keerden zy in aller yl naar hun gehucht
te rug. Wy vernamen zedert, dat zy naar eene andere verblyfplaats ryst
vervoerden, om daar van te leven, wanneer zy uit Gado-Saby (den naam
van de plaats, werwaarts wy heen trokken,) verjaagd mogten worden,
eene zaak, welke zy dagelyks te gemoet zagen, zedert dat dezelve
door den dapperen MEYLAND was ontdekt geworden. Deeze groene manden,
welken de Negers warinbos noemen, waren gemaakt van biezen, die met
palmboom-bladeren konstig waren in één gevlochten. Ons volk dezelven
met den sabel hebbende open gehakt, kwam 'er de zuiverste en schoonste
ryst uit, die ik in myn leven gezien heb; maar men strooide ze overal
heen, en trad ze met de voeten, want wy hadden geene gelegenheid om
ze mede te nemen. Korten tyd daar na ontdekten wy eene ledige barak,
waar in de muitelingen een wachtpost geplaatst hadden, om hen van alle
gevaar te verwittigen; maar de lieden, die deeze wacht uitmaakten,
waren met den meesten spoed weggevlucht. Wy verdubbelden toen met
yver onze schreden tot op den middag, wanneer wy eene uitgezette
wacht van den vyand ontmoetten, tweemaal vuur hoorden geven, het welk
een met BONNY overëengekomen teeken was, om hem onze aannadering
te berigten. De Major MEDLAR, ik zelf, met eenige soldaten van de
voorhoede, en eene kleine krygsbende van Neger-Jagers, trokken voor
uit, en wel dra kwamen wy op een schoon veld, met ryst en Indisch
kooren bedekt. Hier hielden wy stil, om ons gezamentlyk krygsvolk in te
wagten, en vooral om aan de achterhoede tyd te geven om aan te rukken,
want eenigen van derzelver soldaten waren twee mylen agter ons. In
dien tusschentyd liepen wy gevaar van in de pan gehakt te worden;
want de vyand, zoo als wy naderhand vernamen, had dit veld omcingeld,
zonder dat wy 'er iets van gezien hadden.

Een half uur daar na, verëenigde zig onze legerbende te zamen. Toen
kapten wy ons een korten weg door het bosch heen; en wy waren daar
even doorgedrongen, of 'er begon van alle kanten een hevig vuur. De
vyand echter deinsde af, en wy trokken voort, tot dat wy op een schoon
veld kwamen, met rype ryst beplant, en een lang vierkant uitmakende,
aan welks einde het gehucht der muitelingen zig als een opgaande
toneel vertoonde; het was door het lommer van verscheiden hooge boomen
tegen de hitte der zon beveiligd; en dit alles leverde het treffendst
en betooverendst gezicht op, het welk men zig verbeelden kan. Een
onafgebroken vuur, veel naar donderslagen gelykende, duurde meer dan
een uur op dit zelfde veld; en geduurende al dien tyd gedroegen zig de
Neger-Jagers met zoo veel moed als bekwaamheid: maar de blanke soldaten
waren al te driftig, en schooten mis; ik zag 'er echter veelen onder,
die de grootste onverschrokkenheid betoonden, en de Jagers met eenen
goeden uitslag navolgden. Onder deezen bevondt zig in dit oogenblik de
arme FOWLER, die in het begin van den slag van zyne ontsteltenis was
te rug gekomen. Zig eenmaal hersteld hebbende, begaf hy zig op zynen
eersten post, en bekwam zyne achting weder volkomen, met aan myne zyde
als een dapper krygsman te stryden, tot dat de loop van zyn snaphaan
door een vyandelyk schot verbryzeld wierd, het geen hem belette, om
daar van verder gebruik te maken. Een snaphaan-kogel doorboorde myn
hembd en kneusde my den schouder. Myn Lieutenant, DE CABANUS, wierd
de riem van zyn snaphaam weggeschoten; verscheiden soldaten wierden
gewond, zommigen zelfs doodelyk; maar tot myne groote verwondering, zag
ik niemand hunner op het slagveld sneven.--Dit kwam my wonderbaarlyk
voor, maar ik zal 'er in 't kort de uitlegging van geven.

De muitelingen, om onze aannadering gevaarlyker en moeielyker te
maken, hadden dit ryst-veld met dikke stammen van boomen, waar aan
de wortels vastgebleven waren, omringd en doorsneden. Zy hielden
zig agter deeze opgeworpen verschanssingen verscholen, en gaven
van daar, byna zonder eenig gevaar, vuur op ons, die dit zoort
van wallen beklimmen moesten, eer wy in hun gehucht komen konden:
in weerwil echter van alle de hinderpalen, die zy ons in den weg
leiden, geraakten wy altyd voorwaarts. Maar te gelyker tyd, dat
ik het goed beleid van hunnen Generaal, in het regelen van hunne
krygsverrigtingen, bewonderde, konde ik my niet wederhouden hen over
hunne bygeloovigheid te beklagen. Een van deeze ongelukkigen in 't
byzonder, al zyn vertrouwen Op zyn tooverband stellende, geloofde
onkwetsbaar te zyn. Hy beklom te meermalen één van die stammen van
boomen, die op den grond lagen; van daar schoot hy; vervolgens klom hy
af om zyn snaphaan weder te laden; en weder te rug komende, schoot hy
andermaal met de grootste koelbloedigheid, en in myn gezicht. Een der
Zee-soldaten, onder myn bevel staande, met naame VALET, eindelyk op
hem aangelegd hebbende, doorschoot hem de dye, en hy viel agter het
bolwerk, door hem zoo meenigwerf beklommen; maar die zelfde soldaat,
over hem heen gesprongen zynde, stak de tromp van zyn snaphaan in het
oor van den ongelukkigen, en deedt hem de herssenen uit het hoofd
vliegen: verscheiden zyner medgezellen ondergingen het zelfde lot,
in weerwil van hunne tooverbanden, en bygeloovigheden.

Wy waren op het punt, om het gehucht der muitelingen in te rukken,
toen één van hunne Capitains, een hoed met een goude lis op het
hoofd dragende, en een brandende toorts in de hand houdende, hun
onvermydelyk verlies voor oogen ziende, moeds genoeg had, om zig
aldaar te blyven ophouden, en het gehucht in ons gezicht in brand
te steken. Deeze houte huizen, met drooge bladeren overdekt, stonden
spoedig in lichten laaijen vlam; maar toen begon het musketten-vuur
in het bosch te verminderen. Dit manmoedig besluit van den vyand
belette niet alleen het bloedbad, het welk de soldaten op het eerste
oogenblik der overwinning gewoon zyn aan te rechten; maar het maakte
't bovendien voor de muitelingen gemakkelyk, om met hunne vrouwen en
kinderen te rug te trekken, en de goederen, die hun meest dienstig
waren, met zig te voeren. Het was ons derhalven toen onmogelyk om
hen te vervolgen, en den minsten buit te maken; het waren niet alleen
de vlammen, die ons zulks beletteden, maar wy zagen ook wel dra een
moeras, het welk ons byna van alle kanten omringde.

Ik moet waarlyk erkennen, dat in het laatste uur van deezen slag,
'er niets verschrikkelyker was, dan het aanhoudend musketten-vuur,
het vloeken en huilen der Negers, onder elkander gemengd; het gekerm
der gekwetsten en stervenden, die in het stof lagen, en in hun bloed
baadden; het scherp geluid der jagthoorns, het welk zig van alle kanten
liet hooren, en het gekraak der brandende balken, waar van het gehucht,
dat geheel in vlam stondt, weergalmde: terwyl de rook-wolken, die ons
omgaven, de vlammen die zig zeer hoog verhieven, enz. een tafereel
uitmaakten, het welk voor geene beschryving vatbaar is, en misschien
het penceel van HOGARTH niet onwaardig geweest zoude zyn. Ik heb echter
getracht dit toneel te schetsen; [2] ik heb my zelf daar by afgebeeld
na de hitte van den slag; ik heb daar by het voorkomen van vermoeid
en droefgeestig te zyn, een oog van medelyden werpende op het lichaam
van eenen oproerigen Neger, die, zyne snaaphaan in de hand houdende,
voor myne voeten uitgestrekt ligt.

Na ons gewasschen, en van het stof, zweet en bloed, waar mede wy
besmet waren, gereinigd te hebben, namen wy allen een teug brandewyn,
en aten een stuk brood. Het vuur begon ondertusschen te verminderen;
en toen het ophieldt, onderzogten wy de rookende puinhoopen van het
gehucht der muitelingen, bestaande in omtrent honderd huizen of
hutten, waar van zommige twee verdiepingen hadden: uit den asch,
die nog gloeiend was, haalden wy eenige kleinigheden, die aan het
geweld der vlammen ontsnapt waren, als by voorbeeld zilvere borden,
die wy uit hoofde van hun merk B. W. vooronderstelden, dat by het
plunderen der Plantagie Brunswyk aan de Cottica geroofd waren: wy
vonden ook eenige messen, gebroken porceleine potten, en aardewerk:
één der laatstgemelden, zynde vol met ryst en palmboom-wormen, viel my
ten deel. Dewyl men rykelyk vuur had, om deeze spyze te laten koken, en
ik een zeer grooten trek tot eeten had, verschafte my dezelve spoedig
eene uitmuntende maaltyd, en ik had wel dra alles opgegeten. Eenigen
myner spitsbroeders waren beducht, dat dit eeten agtergelaten mogt
zyn, met een oogmerk om ons te vergeven; maar, gelukkig voor my,
bleek deeze verdenking zeer ongegrond te zyn.

De bovengemelde zilvere borden kogt ik van onze soldaten, om 'er een
zoort van zegeteeken van te maken, en ik heb 'er my naderhand altyd
van bediend. Wy vonden in dit zelfde gehucht drie menschen-hoofden op
staken gezet; het waren de treurige overblyfzels van eenigen onzer
dappere en ongelukkige soldaten, die bevorens door de muitelingen
gedood waren. Maar, het geen ons het meest verwonderde, was, dat wy
twee hoofden van Negers zagen, die het voorkomen hadden van in 't kort
te zyn afgehouwen. Wy vernamen vervolgens, dat twee jonge lieden, om
dat zy in ons voordeel gesproken hadden, geduurende den nacht van den
17den, ten tyde dat wy het gehuil en schieten met musketten hoorden,
ter dood gebragt waren. Die hoofden waren de hunne.

Het droevig overschot deezer ongelukkigen begraven hebbende, hingen
wy onze hangmatten op aan die fraaie hooge boomen, die het gehucht
overschaduwden; maar ik was innerlyk getroffen over het ysselyk
schouwspel, het welk zig toen aan ons oog vertoonde. De Neger-Jagers
vermaakten zig met de afgehouwen hoofden hunner vyanden aan elkander
toe te kaatsen. Het was vrugteloos geweest hen over dit onmenschelyk
spel te bestraffen, en zy verzekerden ons, dat het was "condre fassy,
de gewoonte van hun Land"; zy eindigden het zelve, door die hoofden,
na 'er den neus, de lippen, de wangen, de ooren te hebben afgesneden,
met den voet weg te schoppen; zy namen 'er zelfs de kakebeenen uit,
welken zy in den rook lieten droogen, als mede de regte hand, om
dezelve, ten bewyze hunner overwinning, aan hunne nabestaanden en
vrouwen te vertoonen. Het is een zaak die over bekend is, dat eene zoo
wreede gewoonte onder de wilden plaats heeft, en dat dezelve uit hunne
onverzaadlyke wraaklust voortspruit; en schoon de Colonel FOURGEOUD
met zyn gezag had kunnen tusschen beiden komen, om deeze hatelyke
zegepraal voor te komen, of te doen ophouden, handelde hy naar myn
inzien verstandiglyk, met daar van in dit oogenblik geen gebruik te
maken. Dewyl overtuiging hier niets vermogt, zoude hy slechts deeze
soldaten verbitterd hebben, en hun een weerzin doen krygen in eenen
dienst, die ons zoo nuttig was, hoe bloeddorstig en wreed de gevolgen
'er ook van wezen mogten.

Deeze zelfde Jagers verhaalden ons, dat zy, by het bezigtigen van den
bosch-kant, veel menschen bloed op onderscheidene plaatsen gezien
hadden, en dat dit gevloeid was uit de wonden dier muitelingen,
welken hunne medemakkers geduurende den slag hadden weggevoerd.

Ten drie uuren, op het tydstip, dat wy van onze vermoeidheid
uitrustten, wierden wy eensklaps door een party vyanden aangevallen:
maar zoo dra wy hen met eenige snaphaanschoten begroet hadden, trokken
zy af. Dit onverwagt bezoek overtuigde ons, van hoe veel gewicht het
was op onze hoede te zyn, voornamelyk des nachts; dienvolgende was
het niet geoorloofd vuuren te stoken, en men zette dubbelde wagten
uit rondom de legerplaats.

Door vermoeienis en eene ongemeene hitte afgemat, ging ik, na
het ondergaan der zon, in myne hangmat leggen, en viel spoedig
in een diepen slaap: maar na verloop van een paar uuren, deedt my
myn getrouwe QUACO in het midden van den donker ontwaken, roepende:
"Massera, Massera! bousy negro, bousy negro! Meester, Meester! zie daar
den vyand, zie daar den vyand"! Op het zelfde oogenblik een aanhoudend
vuur gehoord hebbende, besloot ik daar uit, dat de muitelingen in het
midden van onze legerplaats waren. Vol verbaazing, en nog niet geheel
wakker zynde, sprong ik uit myne hangmat, en nam myn snaphaan. Ik liep
toen, zonder behoorlyk te weten wat ik deed, myn QUACO onder den voet;
waar na ik zelfs viel over twee of drie lichaamen, die op den grond
lagen, en welken ik my verbeeldde menschen te zyn, die reeds gedood
waren. Een van hun ontdekte my spoedig myne dwaling, zeggende:
"dat indien ik de minste beweging maakte, ik een kind des doods
was". Dezelfde perfoon voegde 'er by: "dat de Colonel FOURGEOUD aan
het krygsvolk bevel gegeven had, om plat op den buik te gaan leggen,
en geen schot te doen, om dat men des avonds te vooren het grootste
gedeelte van het kruid verbruikt had". Ik ontdekte wel dra, dat de
geen, die tot my sprak, een grenadier was, THOMSON genaamd, en ik
maakte van zynen raad gebruik. Wy bleven dus tot aan het opgaan der
zon onder de wapenen, en geduurende al dien tyd wierd 'er een zoort
van zamenspraak tusschen de muitelingen en onze Jagers gehouden:
de één vervloekte en bedreigde op eene geweldige wyze den ander. De
eersten scholden de laatstgemelden voor "lage zielen en verraders
hunner landgenooten. Zy daagden hen tegen des anderen daags tot een
afzonderlyk gevecht uit: zy zwoeren, dat zy niets vuuriger verlangden,
dan hunne handen in het bloed van deeze schelmen te baden, daar zy de
voornaame bewerkers waren van de verwoesting van hunne bloeijende en
schoone verblyfplaats". De Jagers antwoordden hun; "dat zy niets anders
waren, dan een hoop roovers, tegen wien zy bereid waren te vechten,
al waren zy slechts half zoo talryk, indien zy hunne leelyke gezichten
durfden vertoonen; en dat zy hunne meesters verlaten hadden, alleen om
dat ze te lui waren om te werken". Na dit gesprek deeden zy elkander
allerleije schampere bejegeningen aan, door krygsgeschrei van eenen
byzonderen aart, door overwinnings liederen, en door het geluid van den
jagthoorn tot een teeken van uitdaging. Vervolgens begon wederom het
vuur van den kant der muitelingen, en duurde den geheelen nacht door,
maar afgebroken door hun geschreeuw, het welk door den weergalm van het
bosch herhaald wordende, zig met eene verdubbelde kragt liet hooren.

De Colonel FOURGEOUD nam eindelyk deel in dit gesprek, en de Sergeant
FOWLER en ik dienden hem tot tolken. Wy moesten hard schreeuwen; maar
ik heb my nooit beter vermaakt. De Colonel beloofde aan de muitelingen
het leven, de vryheid, levens-middelen, en alles, wat zy mogten noodig
hebben. Zy antwoordden hem, hem luidkeels uitlachende, dat zy niets
van hem verwagtten; zy behandelden hem als een half uitgehongerden
Franschman, die uit zyn land gevlucht was: zy verzekerden hem, dat,
indien hy moeds genoeg had, om hun een bezoek te geven, zy hem geen
kwaad doen, maar goed onthaalen zouden: tot ons zeiden zy, dat zy
ons beklagenswaardiger oordeelden, dan hun zelven; dat wy blanke
slaven waren, die voor vier stuivers daags gehuurd wierden, om ons
te laten doodslaan, of om van honger te sterven; dat zy ons te veel
verachtten, om hun kruid op ons te verschieten; maar dat indien de
Planters, of hunne Opzichters, zig in de bosschen dorsten begeven,
'er geen enkele weder uit zoude komen; dat de verraderlyke Jagers een
gelyk lot te wagten hadden, en dat zy dien dag, of daags daar aan, 'er
een goed getal van zouden om hals brengen. Zy eindigden hun gesprek met
te verklaren, dat BONNY wel dra Opperhoofd der Volkplanting zyn zoude.

Toen dit gesprek was afgeloopen, schoten zy hunne snaphanen af, waar op
een drievouwdig krygs-geschrei volgde. De Jagers beantwoordden hun het
zelve, en de muitelingen verdweenen by het opkomen van den dageraad.

Wy waren uittermaten vermoeid. Onäangezien echter de langduurigheid van
het gevecht, hadden wy door het vuur van den vyand weinig manschappen
verloren: ik heb beloofd de reden daar van op te geven. Dit geheim
deedt zig ontwikkelen, toen de Heelmeesters, de wonden verbindende,
daar uit zeer weinig loode kogels haalden, maar een groot aantal
steentjes, knoopen van kleederen, en kleine stukjes zilver geld, die
niet veel leed deeden, en niets meer dan eene kwetsing van de huid
veroorzaakten. Wy merkten ook op, dat verscheiden der muitelingen,
die gedood waren, in plaats van vuursteenen, stukken van pot-scherven
hadden, waar mede zy niet veel konden uitrichten. Zie daar de reden,
waarom wy van deeze zaak zoo gelukkig afkwamen. Wy hadden niettemin
nog een groot getal soldaten, die gevaarlyk gewond waren, of zwaare
kneuzingen bekomen hadden.

De vernuftigheid van deeze Negers, wanneer zy zig gerust in de bosschen
bevinden, is ongemeen groot. De geenen, tegen welken wy te stryden
hadden, beroemden zig, dat hun niets ontbrak, en wy vonden hen ten
minsten dik en vet. Door middel van strikken, die konstig gemaakt
waren, en de diepe moerassen, vangen zy wild en visch in overvloed,
welken zy in den rook laten droogen, om ze goed te houden. Hunne
velden zyn beplant met ryst, maniok, ignames, plantain-boomen,
enz. Het zout trekken zy uit de asch van palmboomen, zoo als de
Gentous in de Oost-Indiën doen, of zy gebruiken in plaats van dien
zeer dikwils roode peper.

Op deeze zelfde plaats ontdekte men een klein vaatje vol met beste
boter, die by een ouden stam van een boom verborgen was. Onze Jagers
zeiden my, dat dezelve van gesmolten vet van palmboom-wormen gemaakt
was. Men konde ze gebruiken als de Europeesche boter, en ik vond
ze zelfs veel lekkerder. De Negers maken ook boter van pistaches,
waar uit zy de olyachtige zelfstandigheid uitperssen, en dikwils doen
zy die in hunne soepen. Zy hebben altyd palmboom-wyn in overvloed;
zy weten dien te bekomen door de insnyding van een vierkanten voet
in den nedergehouwen stam; vervolgens vangen zy het sap in een pot
op. Dit sap gaat schielyk door de hitte der zon aan het gisten,
en verschaft hun een aangenamen en koelen drank, die kragt genoeg
heeft om dronken te maken. De Latanus- of Pyn-boom verschaft hun de
noodige bouwstoffen voor hunne huizen. De Calabassen-boom bezorgt
hun drinkschalen. De zyde-plant en de mauricy bevatten draden, waar
van zy hunne hangmatten maken; en op de palmboomen groeit zelfs een
zoort van mutsen van een natuurlyk weefzel, gelyk ook bezems om te
vegen. De koorden van allerleije zoort van heestergewassen dienen
hun voor touwwerk. Om hout te hebben, behoeven zy het slechts te
hakken. Zy ontsteken vuur, door twee stukken hout, welken zy by-by
noemen, tegen elkander te wryven; terwyl zy daar van, als elastiek
zynde, zeer goede kurken maken. Van het vet en de oly, welken zy in
overvloed hebben, kunnen zy kaarssen maken of lampen branden; en de
wilde byen geven hun wasch, en uitmuntenden honig.

Zy weigeren volstrekt, om kleederen te dragen, en verkiezen naakt te
loopen in eene luchtstreek, alwaar de hitte de ligtste kleeding tot
een last maakt.

Zy zouden varkens en gevogelte kunnen aankweken, en jagt- of
wacht-honden leeren; maar zy vreezen, dat het geluid van deeze dieren,
en vooral het gekraay der haanen, het welk men van zeer wyd af in
het bosch kan hooren, de plaats van hun verblyf ontdekken mogten.

Toen de muitelingen van deezen oord verjaagd of geslagen scheenen,
hieldt de Colonel FOURGEOUD zig bezig met den oogst in den omtrek te
vernielen. Ik ontfing bevel om met vier-en-twintig Zee-soldaten, en
twintig Jagers, een begin aan deeze verwoesting te maken. Dienvolgende
deed ik al de ryst, die in de opgemelde velden in overvloed groeide,
afmaaien. Ik ontdekte vervolgens een derde land, zuidwaarts van het
eerstgemelde gelegen, om het welk te verwoesten, ik insgelyks bevel
gaf; en ik gaf daar van bericht aan den Colonel FOURGEOUD, die my
toescheen uittermaten voldaan te zyn. Des namiddags wierd de Capitain
HAMEL met vyftig Zee-soldaten en dertig Neger-Jagers afgezonden, om de
plaatsen, agter het gehucht liggende, te onderzoeken, en, zoo mogelyk,
te ontdekken, hoe de muitelingen het maakten, om door een moeras heen
en weder te trekken, waar van de diepte ons onbekend was, en door het
welk wy hen niet konden vervolgen. Deeze Officier ontdekte eindelyk
een zoort van dryvende brug, die tusschen de heesters verborgen lag,
en van mauricy hout gemaakt was; maar zoodanig ingericht, dat 'er niet
meer dan één man te gelyk over gaan konde. Eenigen der muitelingen
zaten 'er schreijelings op, om de overtocht te beletten. Zoo dra zy
de afgezondene manschappen vernamen, schoten zy op hen: de Jagers
beantwoordden hun spoedig, en dooden één man van hun, die door zyne
makkers wierd weggevoerd.

Des anderen daags morgens den 22sten, gaf onze Bevelhebber aan
een ander gedeelte manschappen, waar toe ik mede behoorde, last
om de brug over te trekken, en het te wagen, om op kondschap uit
gaan. Geen tegenstand van iemand ontmoet hebbende, trokken wy deeze
brug over, of liever, wy kropen over de dryvende boomen, waar van
dezelve gemaakt was; vervolgens bevonden wy ons op een veld van eene
langwerpige gedaante, met maniok en ignames beplant, in welks midden
een dertigtal huizen stonden, die op dit oogenblik verlaten zynde,
van eene oude verblyfplaats der muitelingen, Cosaay genaamd, waren
overgebleven. Om de plaatsen te beter te onderzoeken, verdeelden wy
ons op dit veld in drie krygshoopen: de eerste, om noordwaarts, de
tweede ten noordwesten, en de derde westwaarts heen te trekken. Hier
ontdekten wy, tot onze groote verwondering, dat de reden, waarom de
muitelingen, in den nacht van den 20sten, zoo geschreeuwd, gezongen
en geschoten hadden, niet alleen was, om den aftocht hunner vrienden
door het beletten van den overtocht te dekken, maar ook om door dit
geweldig en aanhoudend geraas voor te komen, dat wy niet bemerken
zouden, dat zy lieden, zoo mannen, vrouwen, als kinderen, grootendeels
bezig waren met warimbos of manden te maken, en die met de schoonste
ryst, cassave, en wortelen van ignames te vullen, om daar door by
hunne vlucht levens onderhoud te hebben.

Dit was zekerlyk een verstandig gedrag in een wild volk, het welk wy
ons vermeeten om te verachten: het zelve zoude aan elken Europeaanschen
Bevelhebber tot eere gestrekt hebben, en de beschaafdste volken hebben
hen daar in misschien zeldzaam overtroffen.



EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Wilde Porselyn.--Calebassen-boom.--Schermutzeling.--Tafereel
van broederlyke teederheid.--Het krygsvolk keert naar Barbacoeba
te rug.--Beschryving van de manier, waar op de legerplaats was
ingericht.--Een slaaf door den slang Orou-coukou gedood.

De Colonel FOURGEOUD, zig op deeze wyze door eenen Neger getrotseerd
ziende, konde zyn spyt niet langer inhouden, en zwoer, dat hy BONNY
vervolgen zoude, al was het ook aan het einde van de weereld. Alle onze
krygs- en mondbehoeften intusschen waren verbruikt; en al was dit zoo
niet geweest, zoo zoude het zekerlyk eene ydele onderneming geweest
zyn den vyand te willen agterhalen. Onze Bevelhebber niettemin bleef
by dit onuitvoerlyk ontwerp; hy zondt derhalven eenige manschappen
naar Barbacoeba, onder bevel van den Capitain BOLTS, en bestaande
uit honderd Zee-soldaten, dertig Jagers en een goed getal slaven, met
last, om krygs- en mondbehoeften voor ééne week van dien wachtpost te
gaan halen. Te gelyker tyd deedt hy alleenlyk eene halve portie aan
het overgebleven krygsvolk uitdeelen, en hy zette de soldaten aan,
om dit gebrek aan noodig voedzel te vervullen, door het opzamelen
van ryst, duiven- of angola-boonen, en door het uit den grond halen
van maniok-wortel, welken zy, zoo goed zy konden, moesten gereed
maken. De Officiers wierden op dezelfde wyze behandeld. Het was in de
daad wonderlyk om te zien, dat een twintigtal van ons zig, even als
zoo veele Apothecars, bezig hielden met de ryst elk in een zoort van
vyzel te stampen, die door de muitelingen uit den stam van een boom,
het roode hart genaamd, was uitgehold, als zynde dit het eenige
middel, om dezelve van haare schel te zuiveren. Dusdanige arbeid
was echter zeer afmattend; het zweet liep ons langs het geheele lyf,
als of wy uit een bad kwamen; en op dit oogenblik, dat wy wel eenigen
versterkenden drank noodig hadden, hadden wy niets dan water.

Wy hadden het geluk, om, onder andere plantgewassen, eene groote
meenigte wilde porselyn te vinden, die van de gewoone alleenlyk daar
in verschilt, dat zy digter aan den grond groeit, en dat derzelver
bladeren kleiner en van een donkerer groene kleur zyn. Men kan ze
gerust eeten, het zy als eene salade, het zy gestoofd; zy verschaft
een smakelyk en verkoelend voedzel; en ze is bovendien een uitmuntend
middel tegen de scheurbuik.

Wy vonden ook een groot aantal Calebassen-boomen, waar van
de vrugten voor de inboorlingen des Lands van zeer groot nut
zyn. De Calebassen-boom groeit tot de hoogte van een gewoonen
appel-boom. Deszelfs bladeren zyn dik, en loopen puntig toe. De
gedaante en grootte van deszelfs vruchten is onëindig verschillende;
eenige zyn eirond, andere spits toeloopende, andere wederom rond,
en dikwils hebben zy tien of twaalf duimen in den omtrek. De
schil is hard, glad, en met eene schitterende huid overdekt,
die bruin wordt, wanneer de calebas droog is. Het vleesch is eene
mergachtige zelfstandigheid, welke men 'er met een krom mes kan
uitnemen. De calebassen dienen tot poejer-doozen, flessen, schaalen
en schotels. Zelden ging ik door de bosschen, zonder 'er een by my
te hebben. De Negers vercieren dezelve doorgaans, door op de bast
verscheiden misselyke streepen te snyden; zomtyds zelfs vullen zy de
groeven met kryt, het geen een zeer fraaije vertooning maakt. [3]

De Jagers op kondschap zynde uitgegaan, kwamen in den namiddag van den
23sten te rug, berigtende, dat zy het gewas van een ander rystveld,
noord-oost-waarts gelegen, vernield hadden. De Colonel was met deeze
tyding zeer in zyn schik; maar toen ik hem tegen den avond zeide, dat
ik op eenigen afstand verscheiden gewapende Negers zag, die tot ons
naderden, verbleekte hy en riep uit, wy zyn 'er om koud! Oogenblikkelyk
gaf hy aan al het krygsvolk bevel, om de wapenen op te vatten. Na
verloop van eenige minuten, waren deeze Negers naby genoeg, om
onderscheiden te kunnen worden, en wy herkenden 'er veelen van, die in
hunne hangmatten gedragen wierden. De Colonel FOURGEOUD riep op nieuw
uit: "Wy zyn niet minder bedorven, schoon het de vyand niet is: het is
de Capitain BOLTS, die geslagen is geworden, en met zyne manschappen te
rug koomt". Hy sprak de zuivere waarheid. Deeze ongelukkige Officier,
zoo dra hy zyne gekwetsten in handen der Heelmeesters had overgeleverd,
gaf het volgende bericht: hy verklaarde, dat hy, gekomen zynde in het
rampzalig moeras, waar in de Capitain MEYLAND de nederlaag gekregen
had, door den vyand, die aan de overzyde post hieldt, was aangetast
geworden; dat dezelve, zonder zig met eenig Europeaan te bemoeien,
een verschrikkelyk bloedbad onder de Neger-Jagers gemaakt had; dat
één der Capitains van deeze dappere lieden, genaamd VALENTYN, op het
oogenblik, dat hy ter aanmoediging der soldaten den jagthoorn blies,
en op vyf verschillende plaatsen doodelyk gewond was, was om ver
geschoten. De Capitain AVANTAGE, broeder van VALENTYN, hem in dien
doodelyken toestand ziende, gaf blyken van de innerlykste teederheid
en van de aandoenlykste gevoeligheid. Hy ging naast zynen broeder
op de kniën leggen; hy bukte naar zyne wonden, om 'er het bloed uit
te zuigen; hy zwoer hem met eenen eed, dat hy zynen dood op hunne
vyanden wreeken zoude; en zeide eindelyk, dat hy wenschte, om, na
'er zelf het leven te hebben by ingeschoten, hem op een gelukkiger
plaats weer te zien.

De Colonel FOURGEOUD erkende toen; dat de muitelingen hun woord
gehouden hadden met het dooden van de Jagers. De Capitain BOLTS
berigtte ook, dat eenigen van de eerstgemelden, na op zyn volk van
boven uit de palmboomen te hebben vuur gegeven, met de verbazendste
gezwindheid naar beneden kwamen, en vervolgens wegvloden, terwyl
de Jagers van kwaadheid schuimden, en van yver brandden, om hunne
vyanden dwars door de struiken heen te vervolgen.

Onze Bevelhebber bemerkte toen de ongerymdheid van zyn ontwerp. Verre
van in staat te zyn, om 'er de uitvoering van te voltooijen, zouden
zyn krygsvolk en hy zelf gevaar geloopen hebben van geheel en al
vernield te worden. Hy had noch mond- noch krygsbehoeften in zyne
legerplaats gelaten, en bovendien was alle gemeenschap afgesneden;
hy was dus ernstig bedacht op middelen, om zynen aftocht te dekken. De
herhaalde murmureeringen van het krygsvolk drongen hem met ernst, om
die party te kiezen; en in de daad, zy waren verschrikkelyk afgemat,
door zig des daags te vermoeien, en des nachts aanhoudend te waken. Men
konde van onze soldaten zeggen: "dat zy in wilde woestenyen omzworven,
zonder aldaar eene enkele schuilplaats te vinden".

Den 24sten, ontfing eene krygsbende van honderd veertig mannen, onder
bevel van twee Staf-Officiers, last, om het te velde staande gewas,
het welk zy in den omtrek van de oude verblyfplaats, Cosaay genaamd,
vinden mogten, geheel en al te vernielen: ik behoorde 'er mede toe. Wy
hadden dit werk spoedig verrigt, en vonden in het moeras eene meenigte
huisraad, als ketels, yzere potten en pannen. De muitelingen hadden die
goederen op eenige Plantagiën geroofd, en zy hadden die in 't water
geworpen, om ze aan ons te onttrekken, met oogmerk, ongetwyffeld, om
ze weder op te visschen, wanneer wy Gado Saby verlaten zouden hebben.

Onze manschappen kwamen in den namiddag te rug, en wy braken
oogenblikkelyk het leger op, om onzen aftocht naar Barbacoeba te
beginnen. De Colonel FOURGEOUD gaf in dit oogenblik een blyk van
een zeer verkeerd overleg, waar aan zommige lieden zelfs eene veel
hardere benaming gaven. Des avonds, toen wy in het moeras kwamen,
het welk een akelig voorkomen had, nam hy een ledige kist, leide
'er een hangmat in, en droeg dezelve als een schild voor het lyf,
zyne soldaten toeroepende: Red u, zoo goed gy kunt! Op dit gezegde
stondt een Waal, genaamd MATTOW, stil, en zeide tot hem: "Myn Colonel,
'er zyn 'er onder ons niet veelen, die uw voorbeeld kunnen, en,
zoo ik denk, nog minder willen volgen. Laat uw schild daar, en maak
uwe soldaten niet bevreesd. Een dapper man maakt van andere schilden
gebruik. Volg dus MATTOW, en vrees voor niets". Deeze onverschrokken
krygsman ontblootte dadelyk zyne borst, en met de bajonnet voor uit,
beklom hy het eerst den oever aan de overzyde. Dit voorbeeld wierd
gevolgd, en wy kwamen zonder hinder het moeras door. De kloekmoedige
daad van deezen soldaat wierd vervolgens met den rang van Sergeant
beloond. Ik moet hier opmerken, dat de Waalen, die wy onder ons hadden,
eene groote dapperheid betoonden, en in alle opzigten uitmuntende
soldaten waren. Des avonds sloegen wy ons neder op dezelfde plaats,
alwaar wy den nacht voor den slag hadden doorgebragt: het was aller
akeligst weder, en er viel een zwaare stortregen.

Den 25sten, des morgens zeer vroeg, zetten wy onzen tocht voort, maar
ten minsten was de weg, dien wy voor ons hadden, gebaand. Des anderen
daags tegen den avond, bereikten wy Barbacoeba, de plaats van onze
algemeene byëenkomst, en wy bevonden ons in den elendigsten staat. Al
het volk was door vermoeienis ten eenemaal uitgeput; eenige soldaten
waren byna uitgehongerd, en anderen zeer gevaarlyk gewond. De arme
slaven wierden allen gebruikt om de zieken of verminkten in hunne
hangmatten te dragen, terwyl zy zelven naauwlyks in staat waren te
gaan.--Op deeze wyze liep het met het innemen van Gado Saby af. Met
dit al, schoon wy op deezen tocht, noch gevangenen, noch buit maakten,
deeden wy niettemin aan de Volkplanting eenen wezentlyken dienst,
door deeze schuilplaats der muitelingen te vernielen, die, gelyk ik
reeds gezegd heb, eenmaal uit eene bezitting verdreven zynde, nooit
aldaar wederom kwamen. Ik zoude 'er zelfs kunnen byvoegen, dat onze
overwinning byna beslissend was: want indien men het afloopen van
eenige Plantagiën uitzondert, het geen de muitelingen alleenlyk door
een geest van wraakzucht deeden, en om voor het oogenblik onderhoud
te vinden, waren zy zoodanig in verwarring gebragt, en door eenen
zoo zwaaren schrik bevangen, dat van dien tyd af hunne verwoestingen
zekerlyk minder meenigvuldig waren, en dat zy zeer kort daar op zig
zoo diep in de bosschen begaven, dat het hun onmogelyk was groote
plonderingen aan te rechten, noch ook de slaven der Plantagiën te
verleiden.

Om de bekwaamheid der Negers in hunne krygs-bedryven des te beter te
doen kennen, voege ik hier nevens eene afteekening van hunne bezitting
Gado Saby, als mede van onze verschillende standen, na dat wy onze
legerplaats aan de oevers van de Cottica verlaten hadden.

De getallen 1, 2 en 3, geven de algemeene verzamelplaats te Barbacoeba
te kennen, als mede de legeringen in de twee nachten, die op ons
vertrek van deezen post gevolgd zyn.

Nº. 4, beteekent de plaats, alwaar wy in den nacht van den 17den,
het schieten en schreeuwen der muitelingen hoorden.

Nº. 5, de plaats, alwaar de Neger-Jagers zig by ons voegden.

Nº. 6, de plaats, alwaar wy gelegerd lagen, des nachts voor dat het
gevecht voorviel.

Nº. 7, den oever van het moeras, van den kant, alwaar de manschappen
van den Capitain MEYLAND hunne nederlaag ontmoetten.

Nº. 8, den voorpost der muitelingen, van waar de eerste
snaphaan-schoten voortkwamen.

Nº. 9, de vlakte, met ryst en Indisch koorn bezaaid, welke wy zonder
tegenkanting bezetten.

Nº. 10, de doortogt of engte, alwaar het vuur begon.

Nº. 11, de schoone vlakte, met ryst bezaait, alwaar het gevecht meer
dan veertig minuuten duurde.

Nº. 12, het gehucht Gado Saby, in brand, en op eenigen afstand te zien.

Nº. 13, de plaats, van waar de muitelingen op ons leger schooten,
en in den nacht van den 20sten met ons spraken.

Nº. 14, de oude verblyfplaats van Cosaay, met de dryvende brug,
waar door de aftocht der muitelingen begunstigd wierd.

Nº. 15, de velden, met maniok, ignames en bananen beplant, welke op
verschillende tyden verwoest wierden.

Nº. 16, het ryst-veld, door Capitain STEDMAN ontdekt en verwoest.

Nº. 17, het gewas, het welk den 23sten door de Jagers vernield wierd.

Nº. 18, het moeras, waar door de verblyfplaats omringd wierd.

Nº. 19, de modderpoel, of na by gelegen biry-biry.

Nº. 20, het bosch.

Na vooraf de manier beschreven te hebben, op welke wy onze hutten
bouwden, zal ik hier eene kleine afteekening byvoegen van de wyze,
op welke wy die hutten geduurende onze legeringen in de bosschen
van Guiana plaatsten. Onze legerplaatsen waren doorgaans van
eene driehoekige gedaante, als zynde, in geval van overrompeling,
veel zekerder en gemakkelyker tot verdediging van onze krygs- en
mondbehoeften; maar de gesteldheid van den grond gedoogde dit altyd
niet, en dan was onze legerplaats vierkant, langwerpig, of van eene
ronde gedaante, enz. Op de afteekening zelve beteekent,

Nº. 1, de hut of het priëel van den Colonel FOURGEOUD, of van den
bevelhebbenden Officier, welke altyd in het midden stondt, en waar
voor een schildwagt geplaatst was.

Nº. 2, de hutten van alle de verdere Officiers, makende een kleinen
driehoek, en die van den Opper-bevelhebber omringende.

Nº. 3, de buitenste hoeken van den driehoek, die door middel van de
hutten der soldaten in drie afdeelingen verdeeld wierden, namelyk, de
hoofdbende, de voor-hoede en de agter-hoede, benevens de schildwagten,
die op een bekwamen afstand geplaatst wierden.

Nº. 4, de kisten tot berging der krygs- en mond-behoeften, als mede
der geneesmiddelen, waar by een schildwagt stondt.

Nº. 5, de vuuren, agter elke afgezonderde hoop krygsvolk geplaatst,
om het eeten gereed te maken, en rondom welken de slaven op den
grond lagen.

Nº. 6, een hoop afgehakte Latanus-boomen, om hutten of priëelen
te maken.

Nº. 7, eene kleine beek of kreek, die aan het krygsvolk water
verschafte.

Nº. 8, het naby gelegen bosch.

Ik keere tans tot myn verhaal te rug, en moet aanmerken, dat
de wachtpost van Barbacoeba, verre van in staat te zyn, om ons
levensmiddelen toe te zenden, zoo als onze Bevelhebber zig verbeeld
had, naauwlyks een gering onderhoud aan ons aankomend krygsvolk,
het welk uitgehongerd was, verschaffen konde. Verscheiden dagen lang
leefden zy alleenlyk van ryst, ignames, erweten, Turksch graan,
en wierden vervolgens byna allen door een geweldigen rooden loop
aangetast. Schoon dit zoort van voedzel voor de Indianen en Negers
krachtig genoeg is, is het niet geschikt voor de Europeanen, die
niet lang zonder vleesch leven kunnen: en dit laatste was tans zoo
zeldzaam te bekomen, dat zelfs de Joodsche soldaten, die zig onder
het krygsvolk der Sociëteit bevonden, al het gezouten varkens-vleesch,
het welk zy maar bekomen konden, opslokten.

Ik behoorde niettemin by aanhoudenheid onder het klein getal der
geenen, die gezond waren: dit was byna een wonder; want ik had geen
beter voedzel, dan een ander, dewyl ik mynen byzonderen voorraad op de
Plantagie Mocha had agtergelaten. Ik hoopte op dit oogenblik verlof
te zullen bekomen, om dezelve in persoon te gaan halen, en die hoop
verkwikte my; maar de Colonel FOURGEOUD hielp my spoedig uit den droom,
en verklaarde my, dat hy my geen oogenblik van het doen van den dienst
ontslaan zoude, zoo lang ik op myne voeten staan konde: ik moest dus
eene gelegenheid afwagten, om ze te laten komen. Ik deelde te gelyker
tyd het middelmatig rantsoen van een soldaat met mynen Neger; nu en
dan wierdt het vermeerderd met kool, of palmboom-wormen, of ook wel
met eenige visch.

Wat de ongelukkige slaven betrof, zy waren zoodanig uitgehongerd, dat
zy, een aap van het geslacht der coaitas gedood hebbende, denzelven
met huid, hair en ingewanden kookten. Vervolgens haalden zy hem uit de
ketel, half gaar zynde: om hem rond te deelen, scheurden ze hem met de
tanden van één, en slokten hem eindelyk met zoo veel gretigheid in,
als of zy menscheneeters waren. Zy boden 'er my geen brok van aan;
maar, hoe groot ook myn honger was, myn maag had geen trek naar
zulk wildbraad.

Ik wierd veel geholpen door myn sterk gestel, door eene zeer
goede gezondheid, en door mynen vrolyken inborst, zonder het welk
ik onder den last der elende en vermoeienis bezweken zoude zyn,
daar dezelve toen zoo ondraaglyk geworden waren, dat de Jagers op
nieuw onze legerplaats verlieten. Hun leidsman, WINSACK genaamd,
één der yverigste en moedigste lieden, die immer de bosschen van
Guiana waren ingetrokken, leide zynen post neder, zoo als MONGOL,
geduurende den eersten veldtocht van den Colonel FOURRGEOUD aan de
Wana-Kreek gedaan had.

In 't begin van September, maakte de roode loop zulke verwoestingen
onder het volk, dat de Colonel zig genoodzaakt zag, om alle de zieke
Officiers en soldaten zonder onderscheid weg te zenden, niet om zig
in het groot Hospitaal te Paramaribo te laten geneezen, maar om aan
de oevers der Rivieren te kwynen en te sterven. Het volk van zyne
krygsbende begaf zig naar Maagdenberg aan de Tempaty-Kreek, en dat
der Sociëteit naar Vrydenberg, aan de Cottica.

De onmenschelykheid van den Colonel FOURGEOUD, omtrent zyne Officiers,
was tans tot die hoogte geklommen, dat hy zelfs niet gedogen wilde,
dat zy, die in eenen hopeloozen toestand waren, een soldaat tot
oppasser hadden, welken prys zy ook bereid waren 'er voor te
betalen. Ik heb 'er verscheiden in hunne hangmatten, die tusschen
twee boomen opgehangen waren, zien leggen, in een staat van walgelyke
vuiligheid, by gebrek van hulp. Onder dit getal behoorde de Vaandrig
STROWS, wien de Bevelhebber vervolgens in een open vaartuig naar
Devil's Harwar liet overvoeren, alwaar hy stierf. De Colonel wierd
eindelyk zelf door deeze wreede ziekte aangetast, en zyn geliefde
geneesdrank hielp hem niet met al. Echter herstelde hy schielyk, door
eene groote hoeveelheid rooden wyn te drinken, en veel speceryen te
eeten, waar aan hy zelden gebrek had. De Colonel SEYBOURG gebruikte
ook het eerstgemelde van deeze behoedmiddelen; maar dewyl hy 'er
te veel op eenmaal van nam, verloor hy 'er dikwils het gebruik van
zyn verstand door. In zulk eene gesteldheid, en in een legerplaats,
die zulk een rampzalig voorkomen had, wagte onze Colonel echter eene
bezending af van den Raad van Paramaribo, die gelast was hem met zyne
overwinning geluk te wenschen. Dienvolgende had hy eene cierlyke hut
doen bouwen, en last gegeven om hem schapen en varkens te bezorgen,
waar op hy de afgezondenen onthaalen zoude;--maar 'er kwam niemand.

Den 9den, slagtte men dit vee; en voor de eerste keer, zedert dat hy
het bevel voerde, liet de Colonel onder het volk een pond vleesch,
de beenen daar onder begrepen, voor ieder man, uitdeelen; maar het
getal der soldaten, die van deeze edelmoedigheid gebruik konden maken,
was in dit oogenblik zeer gering.

Des anderen daags zagen wy eene versterking van honderd mannen, die
van Maagdenberg aan de Commewyne kwamen, aankomen; en de wachtpost van
Vrydenberg zondt ons byna een gelyk getal van Sociëteit's krygsvolk. De
laatstgemelden bevestigden ons de tyding van het overlyden van den
Vaandrig STROWS, en berigtten ons die van een groot aantal gemeene
soldaaten, die by het innemen van Gado-Saby waren tegenwoordig geweest,
en, terwyl men hen naar Barbacoeba vervoerde, in de vaartuigen zelve
stierven.

Men ontfing te gelyker tyd berigt, dat de muitelingen, welken wy
verslagen hadden, de Cottica boven de Patamaca-Kreek overtrokken,
om hunne verwoestingen aan den westkant oogenblikkelyk uit te
oeffenen. Dadelyk wierden te water vyftig mannen afgezonden onder
bevel van eenen Capitain, om de oevers by de Pinnenburg-Kreek te
gaan onderzoeken. Dit volk kwam den 8sten te rug, en bevestigde
deeze tyding. Onze onvermoeide Bevelhebber besloot derhalven, om de
muitelingen op nieuw te vervolgen; maar de slaven, die onze krygs- en
mond-behoeften droegen, niet meer dan het vel over de beenen hebbende,
waren naar hunne meesters te rug gezonden, die in hunne plaats anderen
moesten zenden, maar die nog niet waren aangekomen.

Den 9den, verkogt men de nagelatene goederen van den Vaandrig
STROWS aan de meestbiedenden om op tyd te betaalen. De ongelukkige
soldaten, zig beyverende, om zig eenige ververschingen en kleederen
te bezorgen, betaalden zevenmaal de waardy van het geen zy kogten;
en deeze schandelyke schuld wierd van hun geld ingehouden. Ik heb 'er
één vyf Engelsche schellingen zien geven voor een pond snuif-tabak,
die geen tiende gedeelte van dien prys waardig was. De zelfde
persoon betaalde voor slechte schoenen het dubbeld van derzelver
echte waarde. Een paar magere kuikens kostten een guinie voor een
zieken. Deeze ongelukkigen wierden op die wyze geheel en al beroofd
van hunne weinige overgegaarde penningen, waar voor zy hun bloed en
arbeid hadden veil gehad, terwyl men hunnen dringenden nood had kunnen
voorkomen, alleenlyk door hun te geven het geen men hun verschuldigd
was. Een zee-soldaat zwoer toen in de drift van zyne misnoegdheid,
dat hy den Colonel FOURGEOUD zekerlyk zoude van kant helpen, wanneer
hy 'er de gelegenheid toe vinden mogt. Een getuige hoorde dit, maar
ik haalde hem over, na dat de schuldige berouw over zyne uitdrukking
betoond had, om geene verklaring tegen denzelven te geven: dus redde
ik zyn leven, het welk hy anders door de koord verloren zoude hebben.

Alle menschen zyn by geluk zoo verregaande ongevoelig niet, als onze
Colonel, want dien zelfden dag zondt de braave Mevrouw GODEFROY een
vaartuig, waar in een vette os, oranje-appelen en bananen voor de
arme soldaten geladen waren, en die vervolgens onder hen verdeeld
wierden. Des avonds van dien dag, ontfing ik een weinig voorraad, en
eenige flessen Porto-wyn, welken JOANNA my toezondt. Zy had eene veel
grootere hoeveelheid afgezonden, maar dezelve was gedeeltelyk gestolen,
en gedeeltelyk bedorven. Dit maal gaf ik niets aan den Colonel.

Wanneer ik van voorraad, in een dergelyk geval ontfangen, spreek,
bedoel ik suiker, thee, koffy, Bostonsche bischuit, een kaas, rhum,
een ham, of eenig gezouten vleesch, alles in eene kleine hoeveelheid,
want één slaaf kon de in de bosschen geen zwaarder vracht dragen, en
het was ons niet geöorloofd 'er twee te gebruiken. Onder de behoeften
telde men ook hembden, koussen schoenen; maar deeze twee laatstgemelde
artikelen waren voor my van geen nut, zedert dat ik de gewoonte had
aangenomen om blootsvoets te gaan. Reeds zedert twee jaaren had ik my
hier aan gewend: ik bevond 'er my wonder wel by, en wenschte 'er my zei
ven geluk mede, vooral wanneer ik zag, hoe myne ongelukkige medgezellen
de beenen en voeten met scheuren en zweeren als bedekt hadden.

Den 12den, toen de nieuwe slaven waren aangekomen, maakte men zig
gereed, om de muitelingen des anderen daags te vervolgen, onzen weg
nemende naar den wachtpost, Jerusalem genaamd, waar van ik gesproken
heb, ter gelegenheid, dat ik by den rampzaligen tocht naar het bovenste
gedeelte van de Cottica het bevel voerde. Den 13den, zondt men de
krygsbehoeften en legergoederen te water derwaart, onder geleide
van de zieke Officiers en soldaten. Wy braken dus de legerplaats
op, en verlieten Barbacoeba, om weder de bosschen te doorkruissen,
nemende geduurende den geheelen eersten dag onzen weg ten zuiden
en zuid-oosten; wy bragten den nacht door aan de overzyde van de
Cassipory-Kreek, alwaar wy ons ter nedersloegen.

De ongelukkige slaven ondervonden op deezen tocht eene wreede
mishandeling. Half uitgehongerd, waren zy niet alleen met pakken
overladen, maar een ieder, wien het hoofd niet wel stondt, veroorloofde
zig bovendien straffeloos om hen te slaan. Ik zag by voorbeeld des
Colonels gunsteling, den Neger GOUSARY, 'er één tegen den grond
smyten, om dat hy zyn pak niet schielyk genoeg opnam; de Colonel
deedt vervolgens van gelyken, om dat hy het te schielyk opnam: de
ongelukkige slaaf, niet wetende wat te doen, riep op een beklaaglyken
toon uit, ô Massera Jesus Christus, en toen kwam 'er een geestdryver,
die hem op nieuw tegen den grond smeet, om dat hy eenen naam, welks
heiligheid hy zoo weinig kende, had durven ontheiligen.

Op den tocht van deezen dag, ontmoetten wy een groote troep wilde
varkens. De soldaten doodden 'er verscheiden met sabel-houwen en
bajonnet-steken, maar op geene andere wyze, want de Colonel had
verboden een enkel schot met den snaphaan te doen. Men slagte dezelven;
en het vleesch, het welk op het oogenblik wierd rond gedeeld, was by
allen zeer welkoom. Ik kan niet nalaten nog op te merken, als iets dat
zeer merkwaardig is, dat indien de eerste van deeze dieren, welke voor
uit loopt, deezen of geenen weg inslaat, de anderen hem blindelings
volgen, hopende even als hy het gevaar te zullen ontsnappen; het geen
hun integendeel dikwils in handen van hunne vyanden doet vallen.

Den 14den, trokken wy naar het zuid-westen tot op den middag, wanneer
wy te Jerusalem aankwamen, alwaar de voorhoede zig reeds zedert een uur
bevondt. Wy waren geheel en al met slyk bemorst. Verscheiden soldaten
vielen over wortels van boomen, of groote steenen, het geen hun zelfs
breuken veroorzaakte. Tot myne groote verwondering, vonden wy hier
dien zelfden WINSACK, van wien ik hier boven gesproken heb, en die
aan het hoofd van honderd andere Jagers was. Hy had hooren zeggen,
dat de muitelingen de Rivier Cottica aan derzelver bovenste gedeelte
waren overgetrokken, en de Gouverneur had hem aangezogt, om het bevel
weder op zig te nemen; dienvolgende boodt hy aan den Colonel FOURGEOUD
op nieuw zynen dienst aan, die zeer wel deedt met zulks aan te nemen.

Onze legerplaats was byna geheel en al ter neder geslagen op een
stuk land, dat met langwerpige en steekende planten bedekt was. Een
der slaven wierd ongelukkiglyk in zyn voet gestoken door een kleine
slang, die in Surinamen den naam van Oroucoukou [4] draagt, uit
hoofde van deszelfs kleur, naar die van een nachtuil gelykende. In
minder dan één minuut begon het been van deezen man op te zwellen;
vervolgens gevoelde hy vreesselyke pynen, en verviel kort daarop in
stuiptrekkingen. Een van zyne medgezellen, den slang gedood hebbende,
liet de gal van dit dier, gemengd in een half glas brandewyn, het
welk ik hem gaf, door den gewonden inneemen. Toen (misschien was het
loutere inbeelding) scheen hy een weinig verligting te gevoelen:
maar het toeval kwam met een ongemeen geweld schielyk wederom, en
de ongelukkige wierdt dadelyk naar de Plantagie van zynen meester
gezonden, alwaar hy stierf. Ik heb dik wils hooren zeggen, dat de gal
van een slang, uitwendig op de beet gelegd, in dit geval van zeer
kragtige uitwerking is. Men kan zelfs in the Great Magazine van de
maand April 1758, een brief lezen, gedagteekend den 24sten Maart,
en geteekend J. H., waar in de Schryver op eene leerstellige wyze
de manier behandelt, op welke dit geneesmiddel behoort te worden
toegediend. Maar ik laat voor lieden van de kunst over, om in deeze
byzonderheden te treden, en ik zal my vergenoegen met in 't algemeen
op te merken, dat hoe kleiner de slang is, ten minsten in Guiana,
hoe doodelyker het vergift is. En dit is het, 't geen THOMPSON met
zoo veel juistheid en kragt van woorden schetst.

"Maar de wreedste, schoon de kleinste van allen, is steeds die
dienaar van den dood, welke, zig in de schaduw verborgen houdende,
zyn ongelukkig slachtöffer bespiedt, en het zelve een fyn vergift
mededeelt, het welk langen tyd in zyne aderen gekookt, met eene
gezwindheid, als die der blixemstraalen, zynen levensloop stuit".

In deeze zelfde Savane, doodde één der Jagers nog een ander dier
van dit zelfde geslacht, genaamd de Zweepslang, om dat hy naar een
zweep gelykt. Naauwlyks dikker zynde dan een zwaanen-schacht, heeft
hy de lengte van vyf voeten. Zyn buik is van eene witte, en zyn rug
van eene lood-kleur: ik weet de gevolgen van zyne steeken niet. De
Negers hebben my gezegd, maar ik heb het niet gezien, dat hy met zyn
staart een zeer harden slag kan geven.

Ik moet niet met stilzwygen voorbygaan, een halfslachtig dier,
het welk de Negers ook dien zelfden avond doodden, en door hen
Cabiai [5] genoemd word. Het is een zoort van water-varken, van de
zelfde gedaante, als het land-dier van dien naam. Hy is met gryze
borstels bedekt, en met zeer scherpe tanden gewapend: hy heeft geen
staart. Elk van zyne pooten heeft drie klaauwen, met een vlies, even
als de eendvogels. Men beweert, dat dit dier alleenlyk des nachts
aan den oever koomt, en dat hy zig aldaar met allerleije kruiden en
plantgewassen voedt. Zyn vleesch is, zoo men zegt, goed om te eeten,
maar ik heb het niet geproeft.

Den 16den, zondt de Colonel FOURGEOUD twee aanzienlyke gedeelten zyner
krygsbende af, om op kondschap uit te gaan. Het eerste bestond uit
honderd mannen, waar over de Lieutenant Colonel DE BORNES het bevel
voerde; hetzelve had in last, om zig van den kant van de Wana-Kreek
naar het bovenste gedeelte der Cormoetibo-Kreek te begeven. Het
tweede bedroeg een gelyk getal, onder bevel van den Colonel SEYBOURG;
het zelve kreeg bevel, om naar de Pinnenburg-Kreek, aan het bovenste
gedeelte van de Cottica, heen te trekken. Het laatstgemelde volk kwam
omtrent te middernacht te rug, met twee kano's, welken zy, aan de
andere zyde der Rivier, een weinig beneden de Claas-Kreek, gevonden
hadden op 't land gehaald te zyn. Hun bericht overtuigde ons van den
aantocht der muitelingen, die hunne ledige kano's alleenlyk hadden doen
afzakken, om dezelven, met buit beladen, te rug te zenden. Ingevolge
van dit bericht, maakte men dadelyk de noodige toebereidzels, om hen
met ernst te vervolgen. Onze oude Bevelhebber betoonde nimmer meerder
moed, dan in dit oogenblik. Hy zwoer zig over alle de muitelingen,
het koste wat het wilde, te zullen wreeken.--Maar men zal, in het
volgende Hooftstuk, zien, of de bekwaamheid van onzen Generaal met
die van BONNY gelyk stondt.



TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Byzonder zoort van Mieren.--Acajou-nooten.--Eta-appel.--Alarm aan
de Peréca.--Hinderlaag.--Vreemde uitwerking, door eene Vledermuis
veröorzaakt.--De Opposfum.--De Agouti en de Paca.--De Dadel-boom.--Het
krygsvolk keert naar de Cormoetibo-kreek te rug.

Den 19den September 1775, een oogenblik voor het opgaan der zon,
begaf zig de Colonel SEYBOURG, aan het hoofd van honderd Zee-soldaten
en veertig Jagers, in aantocht. Deeze Officier deedt my de eer aan,
zyne keuze op my te laten vallen, om hem te vergezellen; en hy was,
geheel anders dan voor deezen, zeer bescheiden omtrent my, zonder
dat ik de reden van die verandering bevroeden konde.

Na de Cormoetibo-Kreek te zyn overgetrokken, gingen wy zuidwestwaarts
ten zuiden, tot aan de Cottica, aan welker oevers wy ons ter neder
sloegen. Den eersten dag van onzen tocht zagen wy niets merkwaardigs,
dan een groot aantal mieren van ten minsten een duim lengte, en
volmaakt zwart. De insecten van dit zoort ontbladeren een boom in zeer
korten tyd; zy snyden dezelven in kleine stukjens ter groote van een
zes stuivers stuk, om ze onder den grond met zig te voeren. Het was
alleräangenaamst dit mierenleger te zien, elk met een stuk van een
groen blad, onöphoudelyk den zelfden weg volgende. Men is zoodanig
genegen het wonderbaarlyke te gelooven, dat zommige lieden beweerd
hebben, als of deeze vernieling ten voordeele van eenen blinden
slang geschiede. Dit is 'er van de zaak, dat deeze bladen tot voedzel
dienen voor de jongen der mieren, die nog geen kragt genoeg bezitten
om zich zelven voedzel te bezorgen, en die zomtyds zes voeten diep
in den grond woonen. Mejuffrouw DE MERIAN zegt, dat zommigen van
deeze insecten zig tot een keten vormen van den eenen tak tot den
anderen; en dat de geheele troep vervolgens daar over als over een
brug gaat. Zy beweert ook, dat deeze troep eenmaal 's jaars van huis
tot huis gaat, en aldaar al het ongedierte doodt, het welk zy vinden:
maar ik ben verpligt te erkennen, dat ik op de plaatsen zelve geene
van die omstandigheden vernomen heb: dit alleen kan ik verzekeren,
dat het steken van dit zoort van mieren byna even pynlyk is, als van
de vuur-mier, welke ik reeds beschreven heb.

Des anderen daags trokken wy langs de oevers van de Cottica, tot dat
wy in den omtrek van de Claas-Kreek waren, (dezelfde, die ik, met
myn sabel tusschen myne tanden, had overgezwommen,) alwaar wy onze
hangmatten ophingen. Men zondt my vervolgens met eenige jagers af, om
aan den mond van de Wana-Kreek tot aan den nacht in eene hinderlaag
te gaan leggen. Ik ontdekte hier niets anders, dan dat deeze zelfde
Jagers, even als de muitelingen, geloofden, dat hunne tooverbanden of
obias hen onkwetsbaar maakten. Zy zeiden my, dat de laatstgemelden
dezelven van hunne Priesters ontfingen; en dat zy zelven die kogten
van GRAMAN-QUACY, een zeer beruchten en doorslepen ouden Neger, van
wien ik op een geschikter plaats in het byzonder spreken zal.--Wanneer
ik hun vroeg, "waar het by toekwam, dat 'er iemand van hun, of van
hunne onkwetsbaare tegenpartyen gedood wierdt"? antwoordden zy my:
"Dit gebeurt, om dat zy even als gy, Masera, op hunnen tooverband,
of obia, geen vertrouwen stellen".--Deeze trek van bekwaamheid
van QUACY bragt nogtans het goed gevolg te weeg, dat hy van zyne
landgenooten zulke onvertzaagde soldaten maakte, dat ik dikwerf over
hunne ongemeene dapperheid verbaasd stond, en deeze bedriegerye,
behalven dat ze veel aanzien en eerbied verwekte, bezorgde aan haaren
uitvinder een gemakkelyk leven, het welk in eenen Surinaamschen Neger
niet zeer gemeen is.

Ik zag, aan den mond van deeze Kreek, eene groote meenigte
Acajou-nooten op het water dryven. By de beschryving, daar van
door my reeds gegeven, moet ik nog voegen, dat de noot van deezen
naam zig aan eene groote peer vormt, en dat deeze aan een boom
groeit van middelmatige grootte, die een gryze schors, en dikke en
breede bladen heeft. Men kan deeze uitmuntende nooten door alle de
werelddeelen vervoeren; want zy blyven eenen zeer langen tyd goed:
zommige Schryvers noemen dezelven anacardium occidental. Uit den
boom druipt eene doorschynende gom, die, in water ontbonden zynde,
de dikte van vogellym heeft.

Ter deezer zelfde plaats proefde ik ook den Eta-appel, waar van de
Negers ongemeen veel houden. De boom, die denzelven voortbrengt,
is een zoort van palmboom met breede bladeren, maar minder dik,
dan de Mauricy, of den berg-palmboom. Deszelfs vruchten zyn rond,
en groeien aan groote risten of bossen, even als de druiven-trossen:
binnen in eiken appel zit een harde noot, die een pit in zig bevat,
en met een oranje-kleurig vleesch, ter dikte van een halve duim,
en van een alleraangenaamste zuure smaak, omgeven is. Men zamelt
deeze nooten zeldzaam op; men wagt, dat de appelen ryp afvallen. De
Indianen laten dezelven in water uitweeken, en maken 'er op die wyze
een lekkeren en gezonden drank van.

De Colonel FOURGEOUD zondt ons te water een bode, die den 21sten
aankwam, met bericht, dat het alarm-geschut [6] zig van den kant
van de Peréca had laten hooren. Wy trokken dadelyk de Cottica over,
op welkers westelyken oever de Jagers en eenige zee-soldaten last
hadden, in eene hinderlaag te gaan leggen, in de hoop van den te rug
tocht der muitelingen af te snyden, wanneer zy deeze Rivier weder
met hunnen buit zouden over trekken. Den zelfden namiddag wierdt
'er een Neger van de muitelingen gezien, een groene mand dragende,
die de reuk van den tabak geroken hebbende, eensklaps stil stondt,
en den zelfden weg te rug keerde. Een Jager en ik schoten dadelyk
op hem; wy raakten hem niet, maar zyn mand viel. Wy vonden daar in
een dozyn fraaije servetten, een opgetoomden hoed met een goude lis,
en twee rokken van kostelyke chits. Ik nam de laatstgemelden, en liet
het overige aan mynen medgezel.

Op de tyding van het gevaar, het welk de Plantagiën aan de Peréca
liepen, trokken de Neger-Jagers met een ongemeenen yver voor uit;
en eenige oogenblikken na hun vertrek, verzogt ik aan den Colonel
SEYBOURG verlof, om hen te volgen. Deeze Officier gevraagd hebbende,
wie lust had mede te trekken, boodt zig een groot getal aan; maar hy
koos 'er alleenlyk vier uit, en ik was onder dezelven. Dwars door
struiken en doornen, die als netten in malkander zaten, en die my
de voeten op eene verschrikkelyke manier van één scheurden, gegaan
zynde, haalde ik de afgezondene manschappen in, op den afstand van
een myl van de legerplaats. Kort daar op ontdekten wy dertien geheel
nieuw opgeslagene hutten, en wy gisten, dat de muitelingen kortlings
deeze plaats waren doorgetrokken. Dienvolgende zond ik aan den Colonel
SEYBOURG daar van berigt, en verzogt voor de Jagers en voor my bevel,
om onverwyld naar de Peréca te trekken; maar zyn antwoord bragt
stellig mede, om ons oogenblikkelyk by hem te vervoegen. Wy keerden
derhalven langs onzen voorigen weg te rug; het geen ons tot groot
hartzeer verstrekte; de Neger-soldaten waren vooral zeer misnoegd,
en maakten duizend onaangenaame aanmerkingen.

By onze aankomst op de legerplaats, vonden wy aldaar eene versterking,
van den post van Jerusalem komende. Dezelve bestondt uit zestig mannen,
zoo zwarten, als blanken, en bragt ons stelligen last mede, om het
leger op te breken, en des anderen daags morgens naar de Peréca te
trekken. Den geheelen nacht bevondt zig eene goede meenigte volks
in hinderlagen.

Den volgenden dag was ieder voor het opkomen der zon gereed, en echter
verlieten wy onze legerplaats zeer laat. Geduurende dit onbegrypelyk
verwyl vernamen wy, dat men een kano, waar in alleenlyk één Neger was,
de Rivier had zien oversteken. Het was waarschynlyk die arme schelm,
op wien ik des avonds te vooren geschoten had.

Ik kan niet nalaten alhier eene zeer zonderlinge omstandigheid te
verhaalen. Des morgens ten vier uuren ontwakende, was ik uittermaten
verschrikt, toen ik my in gestolt bloed vond liggen, hoe zeer geene
de minste pyn gevoelende. Ik stond oogenblikkelyk op, en liep met een
toorts in de hand naar den Heelmeester toe; dit bloed, deeze toorts,
myne bleeke kleur, myn afgesneden hair, myne ontramponeerde kleeding,
konden in hem deeze vraag doen opryzen: "zyt gy een levendig schepzel,
of een spook, uit het graf opgerezen? Is het zuivere hemel-lucht,
die u omgeeft, of zyn het uitdampingen der helle?" [7]

Het geheele geheim bestondt daar in, dat ik gebeeten of gestoken was
door de Vampire, of het Spook van Guiana, ook de vliegende hond yan
Nieuw Spanje, en door de Spanjaarden Perro-Volador genaamd. Dit dier
is niets anders dan een vledermuis van eene monsterachtige gedaante,
die aan menschen en beesten, wanneer zy slapen, het bloed uitzuigt,
zelfs nu en dan zoodanig, dat zy 'er van sterven. Dewyl de manier,
waar op deeze dieren dit doen, in de daad verwonderenswaardig is,
zal ik trachten dezelve opzettelyk te beschryven.

De Vampire, wanneer de geen, op wien hy het gemunt heeft, in slaap is,
het welk hy uit zyne eigene natuurlyke neiging weet te ontdekken, zet
zig doorgaans by de voeten neder. Hy houdt zig aldaar in evenwicht
door middel van zyne groote vlerken, welken hy geduurig beweegt, en
inmiddels doorboort hy de kop van de groote toon, maar het gat, het
welk hy maakt, is zoo klein, dat 'er naauwlyks de kop van eene spelde
door kan, en zulks derhalven geene de minste pyn veröorzaakt. Door
middel van deeze opening, gaat hy niettemin voort met het bloed uit
te zuigen, tot dat hy genoodzaakt is het uit te spuwen. Hy begint
vervolgens op nieuw, en gaat zoo voort met zuigen en uitspuwen, zoo dat
hy niet dan met zeer veel moeite kan wegvliegen, en dat zyn slachtöffer
dikwerf van den natuurlyken in den eeuwigen slaap is overgegaan. De
beesten steekt hy doorgaans in het oor, en altyd op een plaats,
waar het bloed een oogenblikkelyken loop heeft, misschien in de eene
of andere slagäder. Na dat men tabaks-asch op de wonde gelegd had,
als het zekerst middel zynde, kwam ik te rug om my te wasschen, gelyk
ook myne hangmat, waar onder ik veel geronnen bloed gewaar wierd. De
Heelmeester het zelve naargegaan hebbende, oordeelde, dat ik geduurende
dien nacht dertien of veertien oncen bloed moest verloren hebben.

Ik heb naderhand gelegenheid gehad één van deeze vledermuizen
te dooden, wiens uitgespreide vlerken eene wydte maakten van
twee-en-dertig en een halve duim: men zegt, dat 'er zommige zyn van
drie voeten in die zelfde rigting, schoon zy naar die van Madagascar
niets hoe genaamd gelyken. De door my gedoodde vledermuis had eene
donker bruine, byna zwarte kleur, maar ligter onder aan den buik. Over
't geheel had hy een in de daad afschuwelyk voorkomen. Maar zyn kop
was vooral vervaarlyk: men zag aldaar boven den neus een blinkend,
ongebogen, rimpelig, en puntsgewyze toeloopend vlies. Zyne ooren
waaren lang, rond en doorschynend. In het bovenste kakenbeen had hy
vier snydende tanden en zes in het onderste. Ik zag niet, dat hy een
staart had, maar een vel, in welks midden een pees was. Elk van zyne
vlerken had vier klaauwen, van elkander afgescheiden, als die der
pooten van een eendvogel, [8] en met nagels gewapend: men zag ook nog
een ander ter plaatse, waar deeze zelfde klaauwen zig verëenigen. Alle
dienen zy aan het dier om te klauteren op, en zig vast te houden aan
boomen, rotsen of daken, alwaar hy hangen blyft, wanneer hy slaapt.

Een der Zee-soldaaten vong dien zelfden dag een Oppossum of
Sarigue. Dit dier verschilt, in zommige byzonderheden, merkelyk van
de beschryving, welke 'er de beroemde BUFFON van gegeven heeft.--By
voorbeeld, hy is veel ligter dan alle de geenen, waar van deeze
Schryver spreekt; en hy heeft den staart met hair, in plaats van met
schubben bedekt. Ik meen dit ten minsten, en, zoo myn oog my bedrogen
heeft, ben ik de eenigste niet die met opzigt van dit dier in dat geval
geweest is. LINNÆUS, SEBA en VOSMAAR, beschouwen de Oppossum als een
dier, zoo wel van de oude als nieuwe weereld, schoon het echter zeker
is, dat hy alleen in America gevonden wordt. LINNÆUS tast ook mis,
wanneer hy verzekert, dat alle de vledermuizen vier snydende tanden
in elk kabenbeen hebben. (Zie BUFFON V. Deel, bladz. 282.)

Deeze Oppossum was niet grooter, dan een groote muis. Hy was volmaakt
zwart, uitgenomen onder den buik, aan de pooten, en onder aan den
staart, die de kleur had van een buffels huid. Boven elk van zyne
oogen, vry veel naar die van een rot gelykende, had hy een vlak van
deeze zelfde kleur. Zyne ooren waaren lang, rond en doorschynend;
zyne klaauwen bedroegen een getal van twintig, zynde één derzelven
agterwaarts geplaatst, en tot een duim dienende. Dezelve had tien
of twaalf tepels, waar aan (zoo men zegt) de jongen, zoo dra zy
gebooren zyn, zig vasthouden, zynde zy dan niet veel grooter, dan
jonge Kevers. Maar dit dier had den zak niet, welken andere Oppossums
gewoonlyk hebben. In plaatse van dien, zag men twee langwerpige
plooijen aan de binnenzyde van elke dye, die even als de gemelde zak
geschikt waren, om de jongen voor alle onheil te beveiligen, daar geene
foltering, ja zelfs het vuur niet, de moeder kan doen besluiten haare
jongen te verlaten. Ik zal by deeze beschryving voegen, dat deeze
dieren op het land leven, en dikwils op de boomen klauteren; maar
dat zy zig, even als de muizen, met graanen, vruchten, en wortelen
voeden. De beschryving van het andere zoort zal ik uitstellen, tot
dat zig de gelegenheid my daar toe aanbiedt.

Mejuffrouw DE MERIAN sreekt van eene byzondere Oppossum, die, in
het oogenblik van gevaar, de jongen op haaren rug draagt: ik heb
'er in Surinamen nooit van hooren spreeken, en houde my verzekerd,
dat 'er dit zoort niet is.

Ik heb reeds gezegd, dat door eene vertraging, waar van my de reden
onbekend was, de ogtend reeds verre gevorderd was, toen wy onze
legerplaats verlieten. Ik behoorde tot de voorhoede met de Jagers
en eenige Zee-soldaaten, die allen voor negen dagen mondbehoeften
op hunnen rug droegen. Wy hadden nog maar een klein gedeelte van den
weg afgelegd, toen één der eerstgemelden op den jagthoorn blaazende,
de anderen uit elkander gingen, en zig plat op den buik aan den grond
nederleiden, hebbende den haan van hun geweer overgehaald, en zynde
alzoo tot het gevecht gereed. Ik deed even als zy; maar het was niet
meer, dan een valsch alarm. Het was een hart, het welk in zynen loop
de bladeren van 't geboomte in beweeging gebragt had. Wy stonden
derhalven weder op, en trokken door slyk en water heen, tot drie
uuren na den middag, wanneer wy ons op hoogere landen nedersloegen,
alwaar men geen water vinden konde, dan door een put te graven; en
dan nog was het water, het welk wy daar uit schepten, zoo modderig,
dat wy genoodzaakt waren, het door onze dassen of hembds-mouwen te
laten doorloopen. De Colonel SEYBOURG kwam alhier by my, om my des
avonds in zyne hut ter maaltyd te verzoeken, en behandelde my met
eene beleefdheid, waar over ik zeer verwonderd was,

Des anderen daags vervolgden wy onzen weg, neemende denzelven
westwaarts ten noordwesten. Wy hadden zwaare slagregens, en moesten
een moeras doorwaden. Ik voerde toen het bevel over de agterhoede,
en had drie uuren noodig, om dezelve van deeze naar de overzyde
te geleiden. Deeze tocht was allerverdrietelykst. De slaven, onder
hunne pakken gebukt gaande, braken elk oogenblik de korst, die over
het water lag. De Zee-soldaaten, met hunne mondbehoeften belaaden,
hadden zeer veel moeiten om zig op de been te houden, en ik zelf,
door de groote meenigte bloed, welke ik verlooren had, verzwakt zynde
konde aan niemand van dienst wezen. Toen wy weder den vasten grond
bereikt hadden, zag ik aldaar de lyken van verscheiden muitelingen
verspreid liggen, aan elk van welken de regte hand en het hoofd was
afgehouwen. Deeze lyken waren nog niet verrot, het geen my deedt
vermoeden, dat 'er in 't kort eenig gevecht tusschen de muitelingen,
en het krygsvolk, aan de Peréca leggende, had plaats gehad.--Ik
moet hier opmerken, dat, indien men den 21sten, in plaats van my te
gelasten om te rug te komen, en de Jagers weder mede te brengen, ons
had toegestaan voorwaarts te gaan, de muitelingen tusschen twee vuuren
zouden geraakt zyn, 'er zeer weinigen van hun zouden zyn ontsnapt,
en wy hunnen buit zouden hebben hernomen. De lezer zal zig herinneren,
dat dit zelfde voorval plaats had, toen ik, twee jaaren te vooren, te
Devil's Harwar het bevel voerde. Indien ik toen een genoegzaam getal
manschappen en krygsbehoeften tot den tocht gehad had, zoude ik aan
de Volkplanting den gewichtigsten dienst gedaan hebben. Het spyt my
deeze twee wezentlyke misslagen te moeten aanhaalen; maar waarheid
en onpartydigheid verpligten 'er my toe. Deeze aanmerkingen echter
behooren my niet van wreedheid te doen beschuldigen, want niemands hart
was meer getroffen dan het myne, op het zien van zo veele jongelingen,
die onder het ons omringende geboomte dood uitgestrekt lagen. Myn
oog viel in 't byzonder op twee van hun, die zoo wel gemaakt waaren,
als men ze met mogelykheid bedenken kan.

Terwyl ik met het maken van deeze en andere gelykzoortige aanmerkingen
bezig was, bleeven verscheiden slaven, die te zwaar belaaden waren,
in het moeras zitten. De bevelhebbende Officier, met het voornaamste
gedeelte zyner manschappen zig op een hoog stuk land nedergeslagen
hebbende, konde ons niet meer zien, noch hooren; en door deeze
scheiding liep de agterhoede gevaar, niet alleen om haare mond- en
krygs-behoeften te verliezen, maar om zelfs in de pan gehakt te worden.

Geenen enkelen Europeaan vindende, die kragten genoeg had overgehouden,
om het volk, het welk voor uit getrokken was, in te haalen, gaf ik
het bevel over aan mynen Lieutenant DE LOSRIOS, en waagde het om
alleen dwars door het bosch te loopen, tot dat ik onze legerbende
bereikt zoude hebben. Ik hield den Colonel SEYBOURG de gesteldheid der
agterhoede voor, en verzogt hem "om wat langzaam voort te trekken, ten
einde aan die geenen, die in de modder gezonken waren, tyd te geven,
om 'er zig uit te redden, zonder het welk ik voor de gevolgen niet
konde instaan". Zyn antwoord was, "dat hy zyn leger zoude opslaan,
zoo dra hy goed water ontmoette". Schoon zeer vermoeit zynde, keerde
ik dadelyk naar myne agterhoede te rug, waar van het grootste gedeelte
tot des nachts in den deerniswaardigsten en gevaarlyksten toestand
bleef, want eerst des avonds ten zeven uuren redden wy den laatsten
man uit het moeras, en toen gingen wy langzaam voort, tot dat wy in
de legerplaats aankwamen.

Myne oplettenheid voor het behoud der manschappen, over welken
ik het bevel voerde, myne zorge voor de bespaaring van krygs- en
mondbehoeften, wel verre van my de goedkeuring te doen ondervinden
van hem, onder wiens bevelen ik voor dit oogenblik stond, van hem, die
my nog kortlings met zoo veel bescheidenheid behandelde, wikkelde my
integendeel in een ernstig voorval in, waar over ik zoo gevoelig was,
dat ik my naauwlyks wederhouden konde, om tot wanhoop te vervallen. Men
kan myn verdriet beöordeelen, wanneer men weet, dat ik naauwlyks
in de legerplaats zynde te rug gekomen, in arrest gezet wierd,
om door eenen krygsraad, ter zaake van gepleegde ongehoorzaamheid,
gevonnisd te worden. De Colonel SEYBOURG en ik hadden nimmer met
elkander in betere vriendschap omgegaan; maar schoon hy my in het
begin van den tocht met eene uiterlyke beleefdheid behandeld had,
was het niet minder zichtbaar, dat hy, na een dergelyken trek, zig
betoonde myn doodelykste vyand te zyn. Ik moet echter niet vergeeten
eene zonderlinge omstandigheid te verhaalen, hier in bestaande,
dat men my, schoon in gevangenis gesteld zynde, tot nader orde myne
wapens liet behouden.

Den 24sten vertrokken wy des morgens vroeg, en namen den weg ten
zuiden en zuidwesten. In deeze laatstgemelde richting gingen wy voorby
Pinnenburg, een verlaten gehucht der muitelingen, waar van ik gesproken
heb. Ik bleef steeds gearresteerd, en was uittermaten mismoedig.

Des daags daar aan volgende trokken wy zuidwestwaarts, en doorwaadden
een zeer diep moeras, waar in wy nat bezweet ingingen, vermits wy
tot hier toe te schielyk gegaan hadden: maar de gezondheid van onze
soldaaten was geen zaak, waar over men zig bekreunde, van hoe veel
aanbelang zy ook voor den goeden uitslag onzer onderneming was.

Op nieuw een zoort van heuvel of hoog land bereikt hebbende, was ik op
het punt een ongeluk te ontmoeten, noodlottiger dan alle de ellende,
welke ik tot dus verre ondervonden had. In eene diepe mymering als
weggezonken, terwyl ik de agterhoede volgde, verdwaalde ik ongevoelig,
en bevond my eindelyk alleen, in het midden van eene eindelooze
woestenye. Zoo dra de arme QUACO bemerkt hadt, dat ik was afgedwaald,
waagde hy dwars door het bosch heen te loopen, om zynen meester te
rug te vinden, en, by louter geluk, zag hy my, aan den voet van eenen
boom zittende in eene neerslagtigheid, die zig niet laat beschryven,
en ten prooy van smart en wanhoop overgegeven. Des morgens van dien
dag meende ik, dat myn ongeluk op het hoogst was, en in dit oogenblik
zoude ik alles gegeven hebben, om my nog in die zelfde gesteldheid
te bevinden. Ik was in eenen staat van volmaakte gevoelloosheid, te
midden van een onmeetelyk bosch, en door verslindende vyanden omringd;
stortregens vielen uit den hemel, en myn uitzicht was op tygers, op
hongersnood, op alle onheilen, op alle gevaaren. JOANNA moest ik voor
eeuwig vaarwel zeggen!--Dusdanig was de gesteldheid van mynen geest,
toen ik, eensklaps mynen Neger herkennende, van den grond oprees,
en als een geheel nieuw leven in my voelde ontvonken. Vervolgens
eenigen tyd te zamen zynde voortgewandeld, zeide ik hem, dat ik een
vyver zag, door welken ik meende, dat het krygsvolk was doorgegaan,
om dat het water zig drabbig vertoonde. De Jongeling, het oog op dit
water slaande, antwoordde my met ontsteltenis; dat deeze modderpoel
door een Tapira veröorzaakt was, [9] en hy toonde my de voetstappen
van het dier in het slyk, vervolgens berste hy uit in traanen, en
riep uit: Masera, wy zyn 'er om koud! wy zyn 'er om kond! In het
midden van deezen angst herïnnerde ik my echter, dat de Peréca op
de kaart wierdt aangewezen ten westen van de plaats, alwaar wy ons
bevonden, en ik besloot om oogenblikkelyk mynen weg derwaarts te
nemen. Derhalven mynen snaphaan op nieuw geladen hebbende, gelastte
ik aan QUACO om my te volgen; maar 'er was my nog één hinderpaal
in den weg, ik had myn kompas niet by my, en de regen belette het
doorschynen der zonnestraalen. In deezen bangen nood, herïnnerde my
myn medgezel, dat de schors der boomen aan de zuidzyde doorgaans veel
gladder is. Dit was waarlyk een goede inval, en dienvolgende gingen
wy naar dien kant heen; dan eens door een dik en donker bosch, dan
eens door een zoort van kreupelbosch, tot dat wy, door vermoeienis
en honger afgemat, gingen nederzitten, zonder een enkel woord uit te
brengen, en elkander aankykende als twee slachtöffers; die ter dood
verwezen waren. Ons stilzwygen bleef nog voortduuren, wanneer wy een
verward gedruis hoorden, als van lieden, die hoestten, en van anderen,
die met wapentuig eenige beweging maakten. Gode zy dank! het was ons
krygsvolk, het welk zig nedersloeg op een veld, bevoorens door het
volk van de Peréca bezet. In weerwil van myne ongelegenheid, bevond ik
my in dit oogenblik in eene der gelukkigste geest-gesteldheden, die
my deedt zien, dat alles in deeze weereld ten goeden en ten kwaaden
keeren kan. Alle de Officiers wenschten my van goeder hart geluk, en
myn Neger, zoo wel als ik, deelden met hun van hun koud ossenvleesch
en brood. Na het eindigen van deezen maaltyd, vervolgden wy onzen weg,
en wy kwamen wederom in een moeras, of liever in een modderigen vyver,
welks oppervlakte te zwak was om ons te dragen. De donkerheid van den
nacht overviel ons, en wy waren genoodzaakt aldaar te verblyven. De
soldaten hingen hunne hangmatten aan de boomen, de eene boven de
andere; de slaven maakten houtvlotten, op welken zy het kruit, de
krygsbehoeften, enz. nederzetten, en zy zelven gingen leggen slapen.

Den 26sten, vertrokken wy, een uur voor het aankomen van den dag,
maar na dat de Colonel SEYBOURG in zyne hangmat koffy gedronken had,
terwyl al het volk, tot hun midden toe in het water staande, op hem
wagtte, en wy gingen eerst west-, vervolgens noord-westwaarts. Onze
tocht was zoo moeielyk en verveelend, dat verscheiden slaven hunne
pakken lieten vallen, waar door dezelve deels nat wierden, deels
verloren geraakten. Eindelyk, na eene andere verlatene legerplaats,
te zyn doorgetrokken, hielden wy stil aan het oude cordon, of den
weg, die op andere wegen uitliep, alwaar ik dadelyk het spoor der
muitelingen ontdekte, geduurende dat ik aan de Cottica het bevel
voerde. Wy sloegen aldaar ligte hutten op, om onder dezelven den
nacht door te brengen.--Ik bleef nog steeds in arrest.

Een der Jagers, een klein viervoetig dier ontdekt hebbende, het welk
met eene ongelooflyke gezwindheid door de legerplaats liep, hakte
het zelve met zyn sabel. Het was de Paca, of de gevlakte Cavey, in
Surinamen den naam van Water-haas dragende. Dit dier is ongemeen vet,
en heeft de grootte van een speenvarken. Zyn onderste kakebeen is kort,
zyne neusgaten zyn breed, en van knevels voorzien, even als de katten;
zyne oogen zyn zwart, en zyne ooren klein en kaal. Aan elke poot heeft
hy vyf klaauwen. Zyne huid, van eene bruine aard-kleur, is met vlakken
gespikkeld, die een buffels kleur hebben, in de lengte, en meer of min
streeps-gewyze geplaatst zyn: de buik heeft eene vuile witte kleur,
en het geheele lyf is met een ruw, grof en kort hair overdekt. De
Paca is een halfslachtig dier. Zig op het land bevindende, graaft hy,
even als de varkens, in den grond, om zyn voedzel te zoeken: wanneer
hy in gevaar is, loopt hy naar het water, om aldaar eene schuilplaats
te vinden. Schoon hy vet, en, naar mate van zyne grootte, zeer wel in
't vleesch is, loopt hy echter veel gezwinder, dan eenig dier van
zyne dikte in Zuid-America doet. Men leest nochtans het tegendeel
in de beschryving, welke men daar van vindt in het vervolg op de
Natuurlyke Geschiedenis van BUFFON, alwaar gezegd wordt: "Dat de
Paca niet gezwind loopt, dat hy zelfs zeldzaam loopt, en dan nog met
zeer weinig bevalligheid". Misschien is dit waar, wanneer men hem als
een huisdier beschouwt, want men kan hem tam maken; maar ten minsten
in den staat der natuur is hy zoodanig niet; en ik kan verzekeren,
dat ik hem als een haas heb zien loopen. Wy lieten hem voor onzen
avond-maaltyd gereed maken, en wy vonden hem nog veel lekkerder dan
de Bosch-rot, of zelfs dan de Warrabocerra.

De Cavey, met een lange neus, beter bekend onder den naam van Agouli
Pacarara, is in Surinamen mede zeer gemeen. Zyne grootte is die
van een groot konyn, Zyne huid heeft eene bruine oranje kleur op
den rug, en geel aan den buik; zyne pooten zyn zwart: alle vier zyn
ze lang uitgerekt: de voorpooten eindigen met vier klaauwen, en de
agterpooten met drie. De oogen van dit dier hebben eene schitterende
zwarte kleur. Zyne bovenste lip is gespleten, en van knevels voorzien;
zyne ooren zyn klein. Even als de Paca, heeft hy een zeer korten
staart. Hy teelt sterk voort, en het wyfje zoogt haare jongen,
die ten getale van drie of vier zig in holen van oude stammen van
boomen ophouden, werwaarts zy ook de wyk neemt, wanneer zy vervolgd
wordt. De Agouli Pacarara zoekt zyn voedzel niet op het land, zoo als
de Paca. Men maakt hem gemakkelyk tam, en hy eet vruchten, wortelen,
nooten, enz. maar zyn vleesch, schoon goed, is echter van een minder
zoort, dan dat van de Paca.

Men heeft my in Surinamen gezegd, dat aldaar ook een ander dier van
dit zoort gevonden wordt, genaamd de langstaartige Agouli. Ik heb
hem niet gezien, of het is dezelfde, dien ik onder den naam van den
Struikrot beschreven heb.

Den 27sten, vervolgden wy onzen weg, en voor den middag kwamen wy
in eenen elendigen staat op de Plantagie Soribo, aan de Peréca,
om aldaar de naby gelegene Plantagiën tegen BONNY en de muitelingen
te verdedigen.

De Rivier Peréca heeft, zoo men zegt, uit hoofde van derzelver
veelvuldige kromten, een loop van meer dan zestig mylen, en zulks
over 't algemeen van den zuid-oost naar den noord-west kant. Zy is
zeer diep; maar haar bed is naauw, en aan haare oevers zyn, even
als ten aanzien van alle de andere Rivieren, overäl schoone Suiker-
en Koffy-Plantagiën gelegen. Wy waren naauwlyks op den wachtpost te
Soribo aangekomen, of verscheiden afgezondenen van den Colonel SEYBOURG
spraken my aan, en verzogten my ernstig, dat ik erkennen wilde ongelyk
gehad te hebben: zy verzekerden my, dat ik, dit erkend hebbende, myne
vryheid zoude te rug bekomen, en alles vergeten zoude zyn. Overtuigd
van myne onschuld, konde ik my met geen schik schuldig verklaren, en
vooräl naardien de misdaad, waar van men my beschuldigde, slechts een
gevolg was van myne getrouwe zorge voor het behoud der manschappen
en krygsbehoeften, die my toevertrouwd waren. Na myne weigering,
welke de Colonel SEYBOURG als eene misdadige halstarrigheid geliefde
aan te merken, gaf men my onder de bewaring van eene wacht, en men
nam my myne wapenen af. Onze Zee-soldaten bragten my toen in eene
zeer groote ongerustheid, door opentlyk te dreigen, dat zy ten mynen
voordeele aan 't muiten zouden slaan. Om dit onheil voor te komen,
verklaarde ik hun, dat, daar, naar myn inzien, ongehoorzaamheid en
muiterye in krygslieden onverschoonlyk waren, ik my gedwongen zoude
zien, hoe hard my dit ook vallen mogt, om my tegen hen te wapenen.

Op den dag van onze aankomst op den wachtpost van Soribo, vernamen wy,
wat 'er aan de Peréca was voorgevallen. De Plantagiën Schoonhove en
Altona waren door de muitelingen, welken wy uit Gado Saby verjaagd
hadden, geplonderd geworden. Maar zig voor de Plantagie Poelwyk
vertoond hebbende, hadden de slaven aldaar hen genoodzaakt te rug
te keeren. De Jagers, die op de Plantagie Hagenbos geplaatst waren,
waren hen den 21sten agter na getrokken. Zy hadden hen den 23sten
ingehaald, een groot getal 'er van gedood, en het grootste gedeelte
van hunnen geroofden buit hernomen. Den zelfden dag, poogde een ander
gedeelte der muitelingen zig meester te maken van het kruid-magazyn
op Hagenbos, het welk geen kwaad ontwerp was, en zy hadden daar toe
het tydstip uitgekozen, dat de Jagers bezig waren met eene andere
bende te vervolgen; maar zy wierden door een klein getal gewapende
slaven te rug gedreven, één van welken, tot de Plantagie Timotibo
behoorende, eenen gewapenden muiteling gevangen nam, en vervolgens
hunne legerplaats agter de Plantagie van zynen meester ontdekte,
voor welken dienst hy wel beloond wierd. Na al dit verhaalde, was 'er
geen twyffel aan, of indien de party, die den 16den door den Colonel
SEYBOURG was afgezonden, voorwaarts gerukt was, in plaats van volgens
zyne beveelen te rug te trekken, alle deeze noodlottige voorvallen
zouden geen plaats gehad hebben, en de onderneming der muitelingen
zou geheel en al vervallen geraakt zyn. Het was daarënboven klaar,
dat de Neger, op wien wy den 21sten geschoten hadden, één van de
rooversbende van den 20sten was, en dat de muitelingen, wier lyken
wy den 23sten gevonden hadden, dien zelfden dag waren gedood geworden.

Den 29sten zondt een Officier van het Sociëteits krygsvolk my eenige
vruchten, waar onder dadels waren. De boom, die dezelven voortbrengt,
de dadel-boom, behoort tot het geslacht der palm-boomen, maar is van
eene ongemeene hoogte. Zyne bladeren loopen uit den kruin van den
boom, zy zyn wyd uitgespreid, zeer dik, nederhangende, en by elkander
genomen, vormen zy een zonnescherm. Deszelfs vruchten groeien aan
rissen, waar van elk een groot getal bevat. Zy zyn langwerpig, van de
grootte van een menschenduim, en van eene geele kleur. Het vleesch, het
welk lymig, vast en zoet is, zit rondöm eene zeer harde, grysachtige
noot, die over haare geheele breedte als met een vooren doorsneden is.

Dien zelfden dag bevonden zestig Jagers, die op kondschap waren
uitgegaan, dat de legerplaats der muitelingen agter de Plantagie
Timotibo verlaten was. Zy moest omtrent zestig menschen bevatten.

In de nabuurschap van de Peréca niets te doen hebbende, verlieten wy
die plaats des morgens van den 30sten September, en den 1sten October,
kwamen wy op Devil's Harwar aan, ongemeen vermoeid zynde, en zonder
iets merkwaardigs op onzen tocht ontmoet te hebben. Des avonds te
voren had ik aan den Colonel FOURGEOUD geschreeven; ik verzogt hem,
dewyl myne tegenwoordige gesteldheid my ten hoogsten verdroot,
oogenblikkelyk eenen krygsraad by één te roepen, en had hem mynen
brief door eenen slaaf gezonden. By onze aankomst op deezen post,
gebruikte men de hardste middelen om my tot onderwerping te dwingen;
en de behandeling, welke ik ondervond, was van dien aart, dat een
Capitain der Jagers, QUACI genaamd, uitriep: "Indien de Europeanen
zig jegens elkander zoodanig gedragen, is het niet te verwonderen;
dat het hun tot genoegen strekt ons arme Africanen te mishandelen en
te kwellen"!

Deeze verdrietelyke zaak liep echter op Devil's Harwar ten einde. De
Colonel SEYBOURG, overtuigd van zyn ongelyk, en niet kunnende weten,
hoe dit geval moge afloopen, trachte, zoo mogelyk, uit de netelige
omstandigheid, waar in hem zyne oploopenheid gebragt had, met eere uit
te komen. Den 2den October, vroeg hy my derhalven met eenen glimlach:
"Of ik wist te vergeten en te vergeven"? Ik antwoordde hem, neen! Hy
daar op zyne vraag herhalende, zeide ik hem; "dat ik eerbied voor de
waarheid had, en dat ik nooit erkennen zoude schuld te hebben, zoo
lang myn geweten my zulks niet deedt gevoelen; dat ik onbekwaam was
tot zulk eene laagheid voor een medemensch, en nog minder voor hem,
dan voor eenig ander". Hy nam my by de hand, verzogt my bedaard
te zyn, en verklaarde my: "Dat hy, op alle voorwaarden, vrede
met my wilde maken"! maar ik antwoordde hem stellig: "Dat ik naar
geen ander vergelyk luisteren wilde, dan het volgende; dat hy zyne
misslag in tegenwoordigheid van alle de Officiers erkennen zoude,
en dat hy, met eigen handen, uit zyn Dag-register alle de bladen
zoude uitscheuren, die mynen goeden naam in verdenking zouden kunnen
brengen". Dit geschiedde oogenblikkelyk; men gaf my myne wapenen te
rug, en myne zegepraal ging gepaard met alle omstandigheden, die my
eene volkomene voldoening verschaffen konden. Ik reikte vervolgens
ongeveinsd en van goeder harten aan den Colonel SEYBOURG de hand toe:
dezelve gaf eene maaltyd tot een vreugde-feest over onze verzoening:
na den maaltyd stelde hy my, tot myne groote verwondering, den brief
weder ter hand, dien ik aan den Colonel FOURGEOUD geschreven had,
en hy erkende my denzelven onderschept te hebben, om voor te komen,
dat deeze zaak geene verdere gevolgen hebben zoude. Hy berigte my
tevens, dat onze Opper-Bevelhebber aan de Wana-Kreek gelegerd lag,
in plaats van den Lieutenant Colonel DE BORGNES, die ziek geworden, en
naar Paramaribo opgezonden was. Onze verzoening was zeer wel gemeend,
en na dat het krygsvolk een weinig had uitgerust, vertrokken wy den
4den, naar het hoofd-quartier van Jerusalem; maar ik was genoodzaakt
mynen QUACO te Devil's Harwar zeer ziek agter te laten, alwaar ik hem
aan de zorge van den Heelmeester aanbeval. Dien avond sloegen wy ons
neder aan de overzyde van de Cormoetibo-Kreek.

Des anderen daags in den vroegen morgen, kwamen wy, de Cottica
overgestoken zynde, weder op den wachtpost van Jerusalem. Ik had
ledigen tyd om aanmerkingen te maken omtrent de wisselvalligheden
van dit leven, en alle de onheilen, waar aan wy bloot gesteld zyn,
het zy wy ze al, dan niet verdiend hebben: ik maakte vooral deeze
aanmerkingen, toen ik onder de kortlings ontscheepte persoonen, eene
van myne oude kennissen vond, namelyk den heer P...., die in Europa
meer dan dertig duizend ponden sterling hadt doorgebragt. Men hadt
hem zyne vrouw, die zeer schoon was, ontvoerd, en hy zag zig in dit
oogenblik, om te kunnen bestaan, vervallen tot den post van Vaandrig,
onder het krygsvolk van de Compagnie. Hy had voorheen een aanzienlyken
eigendom in deeze zelfde Volkplanting bezeten, het geen zynen staat
steeds veel onäangenamer en verdrietelyker maakte. Van zynen geheelen
rykdom hadt hy niets meer overig, dan een enkel stuk geld, het welk
hy onder de slaven wierp, tevens eenige Fransche versen aanhalende,
die op zyne gesteldheid toepasselyk waren.



DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Tweede tocht naar Gado-Saby.--Land-Schildpad.--Verschillende
zoorten van hout.--Levendig geraamte.--Treffelyke
gezichten.--Honderd-pooten.--Verschillende
Plantgewassen.--De Opper-Bevelhebber wordt ziek, en verlaat de
legerplaats.--Sprinkhanen.--Verschillende zoorten van visschen.--De
Zeekoe.--Het Zee-paard.--Aanmerkingen omtrent het aanwezen der
Meerminnen.--Trommelzucht.--Verscheiden zoorten van vogelen.--De
Malaky en Markoury boomen.--Doornhaag-wormen.

Den 9den October 1775, verliet de Colonel FOURGEOUD zyne legerplaats
aan de Wana-Kreek, om zig op den post van Jerusalem met ons
te verëenigen. Hy deedt vooraf de helft zyner soldaten, die ziek
waren, in vaartuigen de Rivier afzakken. De soldaten van deezen post
voegden zig by hun, en men zondt hen allen naar Devil's Harwar, om
den genade-slag te ontfangen. De Neger-Jagers vertrokken insgelyks,
en begaven zig met hunnen leidsman WINSAK naar de Peréca, alwaar zy
met de verdediging belast waren.

De Colonel ontdekte, by deezen laatstgemelden tocht een honderdtal
ledige huizen, en bespeurde eenige muitelingen, maar nam 'er geen één
van gevangen. Hy vondt ook een bekkeneel aan een tak van een boom
hangen, en men konde met genoegzaame zekerheid gissen, dat dit het
hoofd, was van den ongelukkigen SCHMIDT, die omgekomen was. [10]

Den 13den, kwam myn Neger QUACO te rug, volmaakt hersteld zynde: ik
was 'er verblyd over, want zyne getrouwheid omtrent my had nog nooit
gewankeld. Wy vernamen te gelyker tyd, dat de Capitain STOELEMAN,
die aan het hoofd van eenige Jagers was, door een zwaren rook,
dien hy van verre in het bosch bespeurd had, eene verblyfplaats
der muitelingen had ontdekt, doch die door hem niet was aangetast;
dat de Capitain FREDERIK, met een anderen hoop Jagers, de oevers
der Zee beneden Paramaribo schoon hieldt; dat twee soldaten, die
den 18den Augustus verdwaald geraakt waren, het geluk gehad hadden,
om op eene wonderbaarlyke wyze hun gevaar te ontkomen, en dat zy den
wachtpost, die aan de Rivier Maroni geplaatst was, bereikt hadden;
en eindelyk, dat twaalf schoone Negerslaven van de Plantagie Gold
Mina waren weggeloopen, om zig met de muitelingen te verëenigen.

Deeze tydingen bemoedigden den Colonel FOURGEOUD dermaten, dat deeze
onvermoeide Overste steeds by zyn besluit bleef, om den vyand te
vervolgen. Mitsdien trokken wy den 15den, in den vroegen morgen, de
bosschen in, schoon ons getal toen merkelyk gesmolten was. De Colonel
liet des avonds te voren een vrywilliger, één van zyne landgenooten,
MATTHIEU genaamd, en broeder van den Vaandrig van dien naam, ter
aarde bestellen. De dood was ons zoo gemeenzaam geworden, dat,
wanneer iemand onzer een nabestaanden of vriend op de legerplaats
verloor, men hem doorgaans deeze vraag deedt: "Heeft hy brandewyn,
rhum of tabak nagelaten"?

Korten tyd voor ons vertrek, liepen zeven van onze Neger-slaven weg,
en namen de vlucht naar hunne meesters, alwaar zy mismoedig, vermagerd,
en byna uitgehongerd, aankwamen. Wy stelden ons echter in aantocht,
en trokken regelrecht noord-oostwaarts aan. De kist, waar in myne
flessen gesloten waren, brak aan stukken met al wat 'er in was, en
dit was de eenige merkwaardige gebeurtenis op deezen tocht. Des avonds
sloegen wy ons by de Cassipory-Kreek neder; en dewyl het saisoen van
droogte aankwam, moesten wy een put graven, om water te hebben. Het
krygsvolk kreeg alhier bevel, om geene hutten, noch schuilplaatsen
meer te bouwen, dewyl de regenbuien minder zwaar wierden.

Den 16den, vervolgden wy onzen weg, steeds noord-oostwaarts
trekkende, en tegen den avond kwamen wy aan die huizen, welken de
Colonel FOURGEOUD laatst ontdekt had, maar die, zoo als men naderhand
ontdekte, slechts voor een tyd eene verblyfplaats hadden opgeleverd
aan die muitelingen, welke verwagtten oogenblikkelyk van Gado-Saby
verjaagd te worden; en waar aan zy den naam van Bousy-Gray (dat is:
"de bosschen schreyen",) gegeven hadden. Wy sloegen ons hier neder,
en bezagen met veel vermaak de wooning van BONNY, zynde in den smaak
van een molen gebouwd, en zeer hoog boven den grond verheven. Dezelve
had twee deuren, om des te beter te kunnen zien, wat 'er rondom
hem omging, en alzoo geen gevaar te loopen, om het slagtöffer eener
verrassing te worden. De lucht had aldaar ook vryer doorspeeling,
dan in de andere wooningen, en uit dien hoofde was zy voor zyne
gezondheid beter geschikt, want in één der laatste gevechten hadt hy
eene gevaarlyke wonde in de liesch bekomen, zoo als wy naderhand van
één onzer gevangenen vernamen. In de nabyheid der wooning van dit
Opperhoofd der muitelingen, zag men baden, byzonderlyk geschikt ten
gebruike van zyne vrouwen, die zig des morgens en des avonds daar in
begaven, want 'er was in den omtrek deezer verblyfplaats geene Rivier.

Een der slaven boodt my, op de laatstgemelde legerplaats, een
Land-Schildpad aan; een dier, het welk wy, wel is waar, verscheiden
malen gezien hadden, maar het nog niet beschreven hebbende, zal ik
trachten zulks thans te doen. De Surinaamsche Land-Schildpad is van
eene eyronde gedaante, en heeft niet meer dan agtien of twintig duimen
lengte. Zyne schelp, die van eene donker geele of bruine kleur is,
veel meer uitpuilende, dan die van de zee-schildpad, heeft dertien
zeshoekige verhevenheden, en is zoo hard, dat zy, zonder te breken,
het zwaarste gewicht dragen kan. De onderste schelp, of het borststuk,
is een weinig hol, en van eene helder geele kleur. De kop van dit dier
gelykt naar dat van alle andere Schildpadden. De staart is zonder
hair en kort, maar in plaats van vinnen, heeft hy vier pooten, met
schubben bedekt, en met puntige nagels gewapend, waar van hy zig in
het loopen bedient. Wanneer hy zig voor eenig gevaar wil beveiligen,
kruipt hy in zyn schelp of bekleedzel. De Indianen laten de Schildpad
in dien staat op het vuur koken, tot dat dezelve gaar is; het geen men
weet, wanneer het benedenste gedeelte zig afscheidt van het bovenste,
het welk tot een schotel voor deeze spyze dient. Eene minder wreede
manier, waar van ik altoos gebruik maakte, bestaat daar in, dat
men het dier in zyn beenachtig bekleedzel op heeten asch plaatst;
hy steekt dan kop en hals naar buiten, welke men hem afhouwt, en zig
daar door de spyze verschaft, welke zyn lichaam oplevert, zonder het
dier verdere folteringen aan te doen. De heer DE GRAAF, drie of vier
van deeze Land-Schildpadden willende verzenden, bewaarde dezelven
vier maanden; geduurende al dien tyd bleven zy in 't leven, zonder
dat zy eenig voedzel scheenen te nemen, en met dit al behielden zy
haare kragten, zoodanig dat zy zelfs ter voortteeling geschikt waren.

Ik heb ook dikwils eene andere Land-Schildpad gezien, die hier Alacacca
genoemd wordt. Dezelve is van eene zeer platte gedaante, en van eenen
kleinderen omvang, dan de eerstgemelde. Derzelver groenachtige kleur
is voor het gezicht zeer onaangenaam, en zy is zoo goed niet om te
eeten, dan de andere.

Den 17den, vervolgden wy onzen weg ten noorden en noord-oosten, in de
hoop om eenige ontdekking te doen, maar zonder vrucht. Dien dag gingen
wy voorby eenige mieren-nesten, die meer dan zes voeten hoogte, en,
zonder vergrooting, een omtrek van meer dan honderd voeten hadden. Wy
zagen ook eene meenigte stukken fraay timmerhout, waar onder was
het hout van den zwarten kool-boom, die eene donker bruine kleur
heeft, en by de schrynwerkers en timmerlieden zeer geacht is. Men
toonde my ook den Zandkuil-boom, alzoo genoemd naar zyne vrucht,
waar uit men het zaad neemt, en dezelve dan met zand vult voor de
schryftafels. Deeze vrucht, die de dikte heeft van eene groote uije,
heeft kleine gaten in derzelver oppervlakte. Het is een ontlast-
en braak-middel te gelyk; maar het sap van derzelver vleesch is een
sterk vergift. Zie daar alles, wat ik 'er van zeggen kan, want ik
had noch tyd, noch gelegenheid, om dezelve met de nauwkeurigheid van
eenen kruidkundigen te onderzoeken.

Den 18den, trokken wy steeds in dezelfde richting voort. Wel dra
vonden wy een gebaand voetpad, het welk een cirkel maakte, en
niettemin een weg van gemeenschap scheen te zyn tusschen Gabo-Saby
en Bousy-Gray. Dit voetpad bragt ons regelrecht naar den westkant,
en na verloop van eenige uuren, dat wy het zelve gevolgd hadden, vond
ik een armen Neger, tot de muitelingen behoorende, die met bladen van
den Latanus-boom bedekt was, en nauwlyks meer adem halen konde. Hy
hadt niet meer, dan het vel over de beenderen, en één van zyne oogen
was uit de oog-holte uitgezakt. Ik zette hem myn fles voor den mond,
en hy dronk eenige teugen rhum met water gemengd; vervolgens zeide
hy my met eene zwakke stem, die wy naauwlyks verstaan konden:--"Ik
bedank u, Masera".--Verder sprak hy niets. De Colonel gaf bevel,
om hem in een hangmat mede te nemen; en kort daar na sloegen wy ons
neder by een biry-biry, of modderpoel. Ik moet niet vergeten, dat
wy deezen dag eenige schoone Brood-boomen [11] zagen, die tachtig
of honderd voeten hoog, en zeer dik waren. De boom van dien naam is
grys, en loopt lynrecht op. Zyne takken spruiten aan den top uit, en
de bladen zyn aldaar aan paaren gerangschikt. Men noemt hem te recht
den Koning van het woud, want schooner boom is 'er niet. Deszelfs hout,
van eene voortreffelyke kaneel-kleur, is vast, van een fraay erf, neemt
een goeden glans aan, en kan den tyd verduuren.--Maar het geen vooral
onzen aandacht tot zig trok, waren de zaden, die naar boonen gelyken,
en ten getale van drie of vier in eene breede en helder bruine peul
besloten zyn. Wy zagen 'er eene groote meenigte van aan den voet van
den boom op den grond verspreid leggen; zy hadden een smaak van zoete
koek. Uit zyne wortels druipt eene gom, die, behoorlyk toebereid
zynde, een vernis oplevert, het welk in helderheid en gebruik geen
weêrgaa heeft.

De meenigte schoone boomen van onderscheidene zoorten, welke dit
Land oplevert, is waarlyk eindeloos. Men heeft slechts de moeite te
doen van ze te hakken; maar indien men den afstand, op welken zy
doorgaans groeien, van de bevaarbare Rivieren in aanschouw neemt,
als mede de kosten op het omhakken en bewerken vallende, de meenigte
slaven, welken men gebruiken moet om de boomen door de bosschen heen
te trekken, vermits men zig aldaar van geene paarden bedienen kan,
de gevaaren en tyd-verliezen, kan men ligtelyk naargaan de oorzaak
der ongemeene duurte van het timmerhout in Guiana.

Deeze tocht verschafte ons de verrukkelykste gezichten. Wy liepen door
een eindeloos bosch, waar van de altyd groene boomen het schitterendst
lommer ten toon spreidden. Het saisoen van droogte (zynde de zomer
in dit Land) bragt oneindig veel toe tot verfraaijing van dit
toneel; en de eenvoudige natuur overtrof hier verre de verdubbelde
pogingen der konst. Wy ontmoetten eindelooze zandwoestynen van het
aangenaamst groen, door de bekoorlykste beeken van versch en helder
water doorsneden, wier oevers vercierd waren met bloemen, die de
schitterendste kleuren vertoonden, en de lucht met den aangenaamsten
geur vervulden. Dan eens zag men het bevallig tafereel van een hoop
fraaie uitspruitende boompjes; dan eens verhief zig een enkele boom,
wiens schoonheid deed vermoeden, dat men hem met voordacht op deeze
plaatsen had laten groeien, om dit tafereel nog ryker en bevalliger te
maken. De geheele landstreek was door een zeer groot bosch van hooge
palmboomen omringd; wier verheven kruinen, van de zelfde kleur als de
golven der zee, zig in een zacht evenwicht hielden boven een onëindig
getal van onderscheidene geboomten, wier groen nimmer verwelkt, die
altyd met bloemen en vruchten bedekt zyn, en den vermoeiden reiziger
schynen uit te noodigen, om onder hunne schaduw rust te nemen, tot
het gunstig oogenblik, dat hy zig in den vlietenden stroom van het
zuiverst water kan dompelen, en de verhevene schoonheden der natuur
onbelemmerd aanschouwen.--Hoe meenigwerf, wanneer eene algemeene
stilte rondom my heerschte, dacht ik niet aan myne lieve gezellinne,
wenschende, met haar en mynen zoon, in deeze nieuwe Elyseesche
velden, vreedzaame dagen te slyten!--Maar laaten wy tans zoortgelyke
herdenkingen vaarwel zeggen.

Den 19den, vervolgden wy onzen tocht, en dien dag vonden wy onzen ouden
weg, die ons regelrecht naar de velden van Gado-Saby bragt, alwaar
wy nog eene groote meenigte ryst zagen, die kortlings gebloeid had,
en welke wy afmaayden en verbrandden. De Neger, van wien ik bevorens
gesproken heb, wierd hier onder boom-mos en bladeren nedergelegd,
als of men hem levendig wilde begraven: voor deezen ellendeling
was geene hoop meer tot genezing. Wy hingen onze hangmatten op,
en verstikten byna door den rook van onze vuuren.

Ik zag op dit veld eene hagedis van by de twee voeten lengte, welke
de Negers doodden en opaten: zy noemden hem Sapagala, en hy had eene
groenachtig bruine kleur, maar hy geleek niet naar de Iguana. Onder de
puinhoopen van het afgebrande gehucht, ontdekten wy eenige Water-rupsen
of Honderd-pooten van agt tot tien duimen lengte. Dit hatelyk kruipend
gedierte van eene geelachtig bruine kleur, loopt in allen opzigte
zeer gezwind, en het vergift, het welk zy in de door hen gemaakte
pynlyke wonde laaten, schoon het niet doodelyk is, verwekt niettemin
doorgaans de koorts. Zommige schryvers geven aan dit kruipend gedierte
twintig paar pooten, en anderen veertig. Ik heb ze by de geenen,
die wy vonden, niet getelt: alles wat ik 'er van zeggen kan, is,
dat zy my toescheenen met de Europeesche honderd-pooten eene juiste
overëenkomst te hebben. Zommigen van onze Officiers maakten groote
en schoone verzamelingen van alle deeze merkwaardigheden; ik voor
my vergenoegde my met de afteekening en beschryving van die dingen,
die my voorkwamen niet zeer gemeen te zyn.

Den 20sten, gingen wy de verblyfplaats, Cosaay genaamd, bezichtigen,
en op den weg vernam ik, dat de bovengemelde Neger nog leefde. Ik
nam de takken, die hem bedekten, weg, en op myne tusschenspraak,
voerden wy hem met ons mede; maar de slaven, te onvreden van met
zulk een pak beladen te zyn, namen, in myne afwezigheid, alle
gelegenheden waar, om deezen ongelukkigen te doen lyden, met hem
op wortels en steenen te laten vallen, en door het slyk en water,
het welk wy doorwaden moesten, agter aan te laten sleepen. Men zondt
verscheiden manschappen uit, om de omliggende streeken te onderzoeken;
en het overige krygsvolk sloeg zig neder ten westen van Cosaay. Deeze
afgezondene manschappen ontdekten van dien zelfden kant vier schoone
velden, met maniok, ignames, bananen, pistaches, Indisch koorn,
en erweten van Angola beplant. Zy zagen ook verscheiden lyken van
menschen, die in het gevecht, in de maand Augustus voorgevallen,
het leven hadden verloren.--Wy plukten, in de nabyheid van onze
legerplaats, een zoort van mispelen, van eene karmosyn kleur, in
smaak veel gelykende naar aardbezien, en groeiende aan een breed
groen heestergewas, het welk in veele tuinen te Paramaribo wordt
aangekweekt. Wy zagen ook een zoort van wilde Pruim-boomen, welken men
hier Monpe noemt. Derzelver vruchten zyn geel, langwerpig en klein;
elk van die bevat een kleine noot; het vleesch is niet zeer dik,
maar schoon zeer zuur zynde, heeft het een aangenaamen smaak.

Des morgens van den 21sten, wierden alle deeze nuttige plantgewassen
afgehouwen en verbrand. Na dat dit werk verrigt was, keerden wy naar
onze legerplaats van den 19den te rug, welke wy ook geheel in brand
vonden, en wy waren genoodzaakt onze hangmatten ter zyde van het
bosch uit te spreiden. My alhier herïnnerende, dat men den armen
stervenden Neger alleen gelaten had, liep ik naar die plaats toe,
om hem met myne hulpe by te staan; maar na hem te vergeefs gezocht te
hebben, in weerwil der rook dampen, en de donkerheid van den nacht,
was ik genoodzaakt op myne eigene veiligheid bedacht te zyn, en in
aller yl naar myne medgezellen te rug te keeren. Eenigen laakten myne
roekeloosheid, anderen vervloekten het geraamte, het zy het levendig
of dood was.

Toen de verwoesting was afgeloopen, keerden wy naar den post van
Jerusalem te rug, alwaar wy den 24sten, geheel afgemat, aankwamen. De
Colonel zelf wierd eindelyk door eene heete koorts aangetast, die hem
noodzaakte, om in zyne hangmat te blyven leggen, en deedt vreezen,
dat hy den nacht niet halen zoude. Echter behieldt hy steeds het
bevel aan zig, en deedt, des anderen daags morgens, aan eenen soldaat
stokslagen geven, die, vermits zyne voeten zeer gescheurd waren, hem om
een paar schoenen verzogt; een ander onderging dezelfde behandeling,
om dat hy gehoest had, schoon hy met eene zwaare verkoudheid behebd
was; een Capitain wierd in zynen dienst geschorst, en naar het Fort
Zelandia in gevangenis verzonden, om dat hy bestaan had een huwelyk
aan te gaan buiten toestemming van den Colonel.--Ziekten en de dood
maakten, in dit oogenblik, groote verwoestingen onder het leger,
alwaar alles in de grootste verwarring was.

Den 1sten November, liepen, om de maat der onheilen vol te meten,
vyf-en-twintig Negerslaven weg; en den 3den, ontfingen wy bericht,
dat men meer dan vyftig gewapende muitelingen gezien had, die, een
musket-schoot beneden Barbacoeba, de Cottica waren overgezwommen.

Op het ontfangen van deeze tyding, wierdt de Colonel SEYBOURG
afgezonden met de weinige manschappen, die in staat waren op te
trekken, en, in dit oogenblik, door honger en ellende geperst werdende,
op 't punt waren om hunne eigene Officiers aan te tasten. Gebrek
hebbende aan het geen zy boven alles waardeerden, tabak namelyk,
rookten zy graauw papier, en kaauwden bladeren en leder, om by hun
de plaats van deeze plant te vervullen. [12] Niemand ondertusschen
leedt toen meer dan ik. Van levensmiddelen en kleederen ontzet, was
ik uitgehongerd en naakt. Zedert het leggen in hinderlagen, en den
tocht naar de Peréca, had ik een zweer aan den linker voet. Ik had
geen één vriend onder het geheele leger meer overig, van wien ik de
minste hulp verwagten konde. Tot overmaat van ellende was het weinige
bloed, dat my nog overschoot, geduurende twee nachten agter elkander,
door het Guiaansche Spook of Vampire, byna geheel en al uitgezogen. Ik
geraakte in myne hangmat buiten my zelven, en kwam niet weder tot
kennis, dan met een zoort van mistroostigheid, die merkelyk aanwies,
na het lezen van eenen brief, waarin men my berigtte, dat JOANNA en
myn zoon te Paramaribo aan eene rotkoorts op sterven lagen.

Eindelyk echter kwam de Sergeant FOWLER van de Plantagie Mocha, met
één van myne kisten aan. De afgezondene krygsbende van den Colonel
SEYBOURG kwam ter zelfder tyd te rug, zonder iets vernomen te hebben.

De Colonel FOURGEOUD bevondt zig den 14den zoo ziek, dat hy zig
genoodzaakt zag het bevel aan een ander over te laten, en zig tot zyne
herstelling naar Paramaribo te begeven. Na al zyn volk op deeze manier
te hebben opgeöfferd, wierd hy het slachtöffer van zyne heerschzucht,
die geene palen kende, en van zyne hardnekkige volharding, terwyl,
zoo hy zig, zyne soldaten zoo wel als zig zelf, minder vermoeid en
beter gevoed had, hy een even grooten, zoo geen grooteren dienst aan
de Volkplanting bewezen zoude hebben.--Men zondt te gelyker tyd een
vaartuig vol met zieken en stervenden naar Devil's Harwar.

Het bevel was toen in handen van den Lieutenant Colonel, die des avonds
door de zelfde ziekte als de Colonel wierd aangetast. Dezelve richte
toen groote verwoestingen aan ouder het krygsvolk van allerleijen rang,
wier bloed door de hitte van eene brandende zon als kookte, terwyl
wy, in dit saisoen van droogte, in plaats van ons op den post van
Jerusalem te bevinden, de bosschen hadden moeten doorkruissen. Maar,
zoo als ik reeds heb opgemerkt, de Colonel verkoos ongelukkiglyk
dit ongeschikt saisoen voor deeze tochten. Verscheiden Officiers
zouden toen hunne posten wel hebben willen nederleggen, indien de
betamelykheid zulks gedoogd had op een oogenblik, dat zy werkelyk
in dienst waren. Ik zelf zoude wel verlangd hebben eenigen tyd te
Paramaribo te gaan doorbrengen; maar dewyl men my dit niet aanboodt,
schoon men aan alle de anderen, tot de slaven toe, verlof gegeven
hadt, achte ik het beneden my 'er om te verzoeken, dewyl ik het nog
op gaande been konde houden.

Den 19den echter verërgerde myn voet zoodanig, dat de Heelmeester my
buiten staat verklaarde, om dienst te kunnen doen: met dit al bleef
ik steeds op de legerplaats.

Den 20sten, ontfingen wy eene versterking van krygsvolk, in slaven
bestaande, en van krygsbehoeften; dienvolgende zondt men den Major
MEDLAR met honderd vyftig mannen, om op kondschap uit te gaan.

Onder meerdere onheilen, waar mede het leger in dit oogenblik te kampen
hadt, moet men vooral rekenen eene ontzachelyke meenigte sprinkhaanen,
die alles, wat zy ontmoetten, verslonden. Het scheen waarlyk, of de
vloek des hemels ons op alle manieren bezogt: allerleije zoort van
ongedierte hadt zig dermaten vermeenigvuldigd, dat men, in weerwil
van de grootste zorgvuldigheid, 'er zig niet geheel en al van bevryden
konde. Deeze sprinkhanen waren van eene bruine kleur, en van gedaante
als de anderen. Zy vlogen niet, maar sprongen by hoopen op de tafel
en stoelen, terwyl wy aten. Des nachts kwelden zy ons, door over ons
aangezicht te kuiëren.

Echter vonden wy op den post van Jerusalem eene groote meenigte
visschen, en vooral de Newmara, de Warrappa, de Pataky en de
Vieille. Allen waren uitmuntend. De Pataky was byna twee voeten
lang, en hadt de gedaante van een schelvisch; de laatste geleek
naar een groote baars. Men vong ook een zoort van Aal, die alhier
Naay-naay-fisy genoemd wordt, zeer fyn, en omtrent een voet lang
is. 'Er was ook nog een zoort van visch, genaamd Dung-fish, hebbende
ten naasten by de gedaante van één kleinen haring. De Negers alleen
aten de twee laatstgemelden.

Den 3den December, kwamen de afgezondene manschappen van den Major
MEDLAR, na eene afwezigheid van veertien dagen, te rug, met zig
brengende eene vrouw van de muitelingen, met haaren zoon, omtrent
agt jaaren oud zynde, welken men op een klein veld, met bittere
maniok beplant, gevangen genomen hadt. Dit ongelukkig schepzel was
zwanger en zeer verschrikt; maar de Major, die een menschlievend
en gevoelig mensch was, behandelde haar met goedäartigheid. Hy had
echter op eene ongelukkige manier een Corporaal verloren, SCHOELAR
genaamd, en een Zee-soldaat, genaamd PHILIP VAN DEN BOSCH, die
onvoorzigtiglyk maniok-wortels gegeten hebbende, vergiftigd waren
geworden, en den zelfden nacht in verschrikkelyke stuiptrekkingen en
pynen stierven. Het geneesmiddel tegen dit vergift, is, zoo men zegt,
peper van Caijenne in eenig geestryk water; maar de Major konde toen
noch het een, noch het ander bekomen.

Onze gevangene verhaalde ons, dat die arme uitgehongerde Neger,
dien wy gevonden hadden, ISAAC genaamd was, en dat men hem voor dood
had laten leggen; zy verklaarde daarënboven, dat Capitain ARICO eene
nieuwe verblyfplaats aan de zee-kusten had opgericht, waar aan hy den
naam van Fissy-Hollo gegeven had; dat BONNY de gestrengste krygstucht
onder zyn volk onderhieldt; dat hy eene zoo onbepaalde oppermacht
oeffende, dat hy aan twee persoonen van zyn volk het hoofd hadt laten
afhouwen, drie dagen voor het inneemen van Gado-Saby, namelyk in den
nacht van den 17den Augustus, toen wy het geschreeuw der muitelingen,
en het afschieten hunner snaphaanen hoorden, en zulks alleenlyk op
de verdenking, dat deeze ongelukkigen ten voordeele der Europeanen
gesproken hadden, en dat zy die geenen waren, wier hoofden wy op
pieken gevonden hadden; dat deeze BONNY aan geenen Neger, onder zyn
bevel staande, wapenen toevertrouwde, of hy moest hem eerst eenige
jaaren als slaaf gediend, en ontwyffelbaare bewyzen van moed en
trouwe gegeven hebben; dat zyne talryke onderhoorigen verpligt waren
zig zonder tegenspreken te onderwerpen aan alles, wat hy goedvondt
te beveelen; dat men hem intusschen meer beminde, dan vreesde, uit
hoofde van zyne onkreukbaare rechtvaardigheid en zynen mannelyken moed:
zy bevestigde ons ook het bericht, dat hy gewond was geworden.

Deeze vrouw en haar zoon wierden, den 4den December, met den Vaandrig
CABANUS, die hen had gevangen genomen, naar Paramaribo gezonden. Men
had byna te gelyker tyd een jong meisjen van omtrent veertien jaaren
aangehouden, doch deeze geheel naakt, en buitengemeen gezwind zynde,
had het geluk gehad te ontsnappen.

Voor het Hof van Justitie wierd bewezen, dat de eerstgemelde door
de muitelingen met geweld was weggevoerd; dienvolgende kreeg zy
vergiffenis, en keerde, benevens haaren zoon, met blydschap naar de
Plantagie van haaren meester te rug. Het is opmerkelyk, dat, toen dit
kind voor de eerste keer een paard of een koe zag, hy daar voor zoo
beängst was, dat hy in zwaare stuiptrekkingen viel; bovendien konde
hy niet veelen, dat hem een blanke aanraakte; want tot hier toe had
hy geene menschen van die kleur gezien, en hy noemde hen altyd Yorica,
het welk, in de taal der Negers, den Duivel beteekent.

Omtrent op deezen zelfden tyd, dreef het ligchaam van eene Zee-koe,
of Manati, in het water, dicht by den wachtpost van Jerusalem. De
slaven zwommen 'er dadelyk naar toe, de één met snoeimessen, de
ander met gewoone messen, en allen bragten zy 'er stukken van mede
voor hun middagmaal. Eindelyk trokken zy het dier, het welk reeds aan
het rotten was, op 't land. Het was zestien voeten lang; en bestondt
uit eene zeer groote en ongeschikte klomp vet, waar van het agterste
gedeelte puntsgewyze liep naar eene vleeschachtige, breede en rechte
staart. Deeze Zee-koe had een dikken en ronden kop, een platten bek,
breede neusgaten, met zeer harde hairen aan den neus, en boven den
mond, kleine oogen en drie gehoor-gaten, in plaats van ooren. In
plaats van pooten, had dit dier twee uitwassen, of vleeschachtige
vinnen, even als die van de Land-Schildpad, die een weinig beneden
den kop te voorschyn kwamen. Het dier bedient 'er zig van om te
zwemmen, en zig, schoon traaglyk, te bewegen, wanneer hy het kruid
wil eeten, het welk aan den oever der rivieren groeit, want het is
een halfslachtig dier. Hy had eene groenachtige zwarte kleur, eene
ruwe ongelyke huid, met groote verhevenheden en rimpels, die een kring
maken, en met eenige weinige stekelige hairen bedekt. Hy had kiezen,
maar geene voor-tanden, en eene zeer korte tong. De Zee-koe werpt,
even als de Walvisch, levende jongen, en zoogt dezelven aan twee
borsten. De dieren van dit zoort zyn in de Rivier der Amazonen zeer
gemeen. Men zegt, dat hun vleesch den smaak van kalfs-vleesch heeft,
en goed is om te eeten. Die ik tans zag, was reeds te veel verrot,
om 'er van te proeven. Men zag op zynen rug twee gaten van kogels,
welken de muitelingen waarschynlyk op den 27sten, wanneer wy twee
snaphaan-schoten gehoord hadden, op hem hadden laten afgaan.

Ik oordeele het niet ongepast te zyn, om alhier eene beschryving
te geven van een ander halfslachtig dier, Tapira genaamd, het welk
veel gelykheid heeft met het Zee-paard van het oude vaste Land, maar
minder groot is. Zyn lyf heeft ten naasten by de gedaante van dat van
een ezel, schoon echter minder lomp zynde. Zyn kop verschilt niet veel
van den kop van een paard, maar zyne onderste lip staat meer voor uit,
en eindigt met eene beweegbaare snuit, [13] als die van een Olyphant,
maar niet lang genoeg, om hem van eenig nut te wezen. Zyne ooren zyn
rondachtig; zyne voortanden zyn zeer sterk, en zomtyds zichtbaar. Hy
heeft ruwe en rechte maanen, korte en dikke pooten met een zoort
van paards-hoef, verdeeld in vier klauwen met nagels gewapend. Zyne
staart heeft niet meer dan twee of drie duimen lengte. De huid van dit
dier is uittermaten dik, en van eene bruine kleur; wanneer hy jong
is, heeft deeze huid kleine vlakken, even als die van de harten in
Guiana, of de Paca, en dezelve maken langwerpige streepen. Hy voedt
zig met kruiden en planten, die op moerassige plaatsen groeijen. Hy
is zoo vreesachtig, dat hy, bang zynde, zyn behoud zoekt door zig in
het water te dompelen, waar in hy een zeer langen tyd verblyft. Het
vleesch van het Zee-paard is zeer lekker; men geeft 'er den voorkeur
aan boven het beste ossen-vleesch.

De heer SELEFELDER, Officier van 's Compagnies krygsvolk, verzekerde
my, op deezen zelfden tyd, dat hy een Zeepaard, van een geheel
onderscheiden aart, in de Rivier Maroni gezien had. De Majoor
ABERCOMBIE, die in den zelfden dienst was, zeide my onlangs, in
de Rivier van Surinamen een Meermin te hebben aangetroffen. Lord
MONBODDO houdt ook zeer stellig staande het aanwezen van Zee-mannen
en Zee-vrouwen, [14] en verzekert, dat men ze in 't jaar 1720. gezien
heeft. Maar hoe achtenswaardig op andere punten het oordeel en gezag
van deezen Lord moge voorkomen, is het my niet mogelyk, om met hem
in te stemmen, dat 'er mannen en vrouwen met vinnen en schubben,
laat staan met staarten, zyn zouden.

Ik geloof, zoo het my geöorloofd is myne gedachten op dit stuk te
zeggen, dat men nu en dan in de Rivieren, onder den zonne-keerkring
gelegen, zoo op de kust van Africa, als van Zuid-America, een zoort
van visch ziet, die met het halve lyf boven het water uitsteekt,
zeer veel gelykheid heeft met een menschelyk schepzel, maar veel
kleiner is, en ten naasten by als die geen, welke men in 't jaar 1794
te London zag. Deszelfs kleur is zwartachtig groen; de kop is rond,
met een zoort van mismaakt aangezicht. Eene zwaare vinne vertoont
zig by de oogen van het dier, loopt tot het midden van den rug,
en gelykt veel naar hoofdhair. Zyne twee armen en handen zyn twee
vleesachtige en gevingerde vinnen. Het wyfje, als zynde een dier,
dat haare jongen levendig werpt, heeft borsten, even eens gemaakt, als
die van eene vrouw. De staart is volmaakt die van een visch. In veele
opzigten gelykt hy naar het Zee-kalf; behalven dat de laatstgemelde
geene vinnen op den rug heeft. Dezelve is ook veel dikker, en
verheft zig nooit boven het water, zoo als het dier zoo even door my
beschreven. Ik heb deeze berichten ontfangen van verscheiden bejaarde
Negers, en van verscheiden Indianen, die alle in hunne beschryvingen
overëenstemden. Zommigen voegden 'er by, dat deeze dieren zingen,
maar ik denke, dat het is een klagend geschrey, zoo als men wel van
andere visschen of halfslachtige dieren onder den zonne-keerkring
hoort. Zy verzekerden my, dat zy, schoon zeldzaam voorkomende, ten
hoogsten gevreesd zyn by hunne vrouwen en kinderen, die hen watra-mama,
of moeder der wateren noemen; en, het geen vreemd is, met dien naam
bestempelen zy ook hunne Profetessen. Maar laaten wy van dit stuk
afstappen, en het verhaal onzer krygs-verrigtingen weder vervolgen.

Ik heb reeds gezegd, dat zeker Heelmeester, den 19den November,
verklaard had, dat myn voet my buiten staat stelde, om dienst te
doen; en heden, den 5den December, werden een ander Heelmeester,
twee Capitains en een Adjudant gezonden om my te bezigtigen, gelyk
ook den Capitain PERRET, die ziek was. De laatstgemelde Heelmeester
verklaarde al mede onder eede, dat wy zonder gevaar niet gaan konden,
en nog minder zwaare vermoeijing uitstaan; maar de Colonel SEYBOURG,
wien de heete koorts steeds bybleef, vond goed, dat wy oogenblikkelyk
de bosschen zouden intrekken, al zag hy, dat men ons op kruiwagens
moest voortkruien. De arme Capitain PERRET, die 'er als een stervend
mensch uitzag, en zig niet bewegen konde, besloot echter om deezen
uitzinnigen last ter uitvoer te brengen; maar ik kwam 'er stellig
voor uit, dat ik den geen, die bestaan zoude durven my aan te raken,
de herssens zoude inschieten; en ingevolge van deeze verklaring,
stelde men my onder de bewaring van een schildwacht. Het geheele
leger scheen toen niet dan uit zotten te bestaan.

Den 11den, ontfingen wy bericht, dat men een zeker getal muitelingen
aan de overzyde van Devil's Harwar gezien had, en wy vernamen
vervolgens, dat zy de Commewyne verlaten hadden, aan welker oevers zy,
den 5den, het huis van den eigenaar van Killesting-Nova, waar in de
Opzichter SLICHTER was opgesloten, verbrand hadden, dat zy de geheele
Plantagie verwoest hadden, drie-en-dertig vrouwen mede gevoerd, en het
zoontje van eenen Mulat verminkt, om zig over zynen vader te wreeken;
en dat eindelyk de Neger-Jagers hen vervolgden. Capitain FREDERIK kwam
ook den zelfden dag aan. Hy had het krygsvolk der Sociëteit verlaten,
om onder die van den Colonel FOURGEOUD te gaan, en hy bevestigde ons
deeze ongelukkige nieuwstydingen.

Byna op deezen zelfden tyd, na vier maanden lang aan alles gebrek
gehad te hebben, ontfing ik het overschot van mynen voorraad,
welken men my van de Plantagie Mocha zondt; maar voor drie vierde
door de kakkerlakken vernield: ik deelde het beste onder de zieken
uit, maar het geen my het grootste genoegen deedt, was te vernemen,
dat JOANNA en myn zoon JOHNNY buiten gevaar waren, en te Paramaribo
herstelden. Deeze tyding beurde my zoodanig op, dat ik des anderen
daags morgens te kennen gaf, dat ik my in staat bevond, om dienst
te doen, maar ik twyffel, of dit wel zoo was. De noodzakelykheid om
van lucht te veranderen, bragt 'er ook veel aan toe, want in de zoort
van gevangenis, die ik hield, had ik 'er volstrekt gebrek aan, en zy
was my echter ongemeen noodig. Den zelfden avond, voer een vaartuig,
vol met Caraibische Indianen, de Cormoetibo-Kreek op, om, door middel
van de Wana-Kreek, in de Rivier Maroni in te loopen.

Den 20sten December, was ik van myne kwetsuur aan den voet hersteld;
de Colonel SEYBOURG insgelyks van zyne heete koorts.

Den 21sten, kwamen 'er beveelen van den Colonel FOURGEOUD, die zig
op dit oogenblik beter bevondt: dezelve bragten mede, dat wy onze
legerplaats te Jerusalem zouden opbreken, en ons andermaal naar de
Wana-Kreek begeven. Dienvolgende wierden de zieken in vaartuigen
naar het hospitaal te Devil's Harwar, het welk reeds byna vol was,
gezonden. Veelen waren door eene ziekte aangetast, vry veel gelykende
naar trommelzucht, en alhier de Kouk genaamd. Dezelve bestaat in
eene verbaazende opspanning van den buik, die te gelyker tyd zeer
hard is. Men krygt die ziekte, zoo men zegt, door het drinken van
modderig water, zonder het met eenig geestryk vocht te vermengen;
en dit was onze gewoone en algemeene drank.

Den 22sten, des morgens om zes uuren, braken wy het leger op, en
volgden de oevers van de Cormoetibo-Kreek, die niet meer dan een
moeras was. Men liet één van onze ongelukkige Negers, die een gat in
het hoofd had, aan zyn lot over; men wierp een anderen van één der
vaartuigen in het water, en hy verdronk.

Wy zagen deezen dag een groot aantal Pingos, of wilde varkens,
die, als naar gewoonte, onze linie braken. Verscheiden wierden door
sabelhouwen gedood, en zommigen ontkwamen het, nemende de bajonnetten,
waar mede zy geraakt waren, met zig.

Deeze tocht was vooral onäangenaam uit hoofde van de zwaare regenbuien,
die strooms-gewyze nedervielen, en de Rivieren deeden overloopen. De
vroege ochtend-stonden waren vochtig en koud, en zoo strydig met de
ongemeene hitte van den dag, dat wy zeer dikwils in onze hangmatten
lagen te beven, vooral wanneer wy 'er met natte kleederen in gegaan
waren. Intusschen kwam ik dit ongemak voor, door een gedeelte van
den dag, even als de Jagers, half naakt te loopen, en myn hembd,
geduurende den regen, onder eene omgekeerde ketel te leggen. Wanneer
de regen ophieldt, kleedde ik my, en leed dus veel minder dan myne
medgezellen, die zeer bleek en verkleumd waren.

Des avonds van den 23sten, sloegen wy ons neder by eene kleine beek,
de Caymans-Kreek genaamd. Zekere boom, den naam van Monbiara dragende,
boodt ter deezer plaats eenige uitmuntende vruchten aan, maar die
allen door de slaven wierden weggenomen, eer ik 'er van konde proeven,
of zelfs één van te zien krygen.

De regen viel by aanhoudenheid zoo sterk, als of wy een zondvloed
te vreezen hadden. Den 24sten vervolgden wy onzen weg, en des
avonds sloegen wy onze hangmatten neder by eene beek, Yorica of de
Duivels-Zeef genaamd. Wy bouwden aldaar schuilplaatsen of hutten, en
maakten 'er vlotten, om 'er de krygs- en mond-behoeften op te plaatsen.

Den 25sten, trokken wy door slyk en water, wy kregen de zwaarste
stortregens op het lyf, en sloegen ons des avonds neder by eene
kleine beek, genaamd de Java-Kreek, en loopende drie mylen beneden
de Wana-Kreek.

Den 26sten, wierd ik met eenige weinige manschappen afgezonden, om onze
oude legerplaatsen, by de laatstgemelde Kreek, te gaan opneemen. Des
avonds kwamen wy te rug, half zwemmende door slyk en water, en zonder
iets, dan eenige vogelen en merkwaardige boomen gezien te hebben,
welken ik niet met stilzwygen kan voorby gaan. Men noemde deeze
vogelen Crombach, Camawarry en Crocro. De eerste heeft de gedaante
van eene groote houtsnip, en heeft een krommen bek. De tweede is
een waterhoen, maar driemaal grooter dan de voorgaande. Zy zyn zeer
ligt, en vlogen in een oogenblik weg, waarom ik 'er geene omstandiger
beschryving van geven kan. De derde of de Crocro, is een weinig minder
groot, dan onze kraaijen, en ik geloof, dat hy tot het zelfde zoort
behoort, want hy is één der verslindendste van alle vleesch-etende
vogelen. Deeze vogel heeft eene donker blaauwe kleur. Zyn bek en
pooten zyn uittermaten sterk: hy maakt een allerönaangenaamst en
scherpst gekras, voornamelyk in den nacht. De boomen wierden door
de Negers genoemd Mataky en Markoury. De eerste is merkwaardig uit
hoofde van zyne wortels, die zoodanig boven den grond uitsteken, dat
een groot aantal menschen zig daar onder zouden kunnen verschuilen,
zonder elkander te zien; zomtyds zelfs staan zy zoo wyd van één, dat
men te paard tusschen beiden zoude kunnen doorryden; en derzelver
dikte is zoo groot, dat men niet meer dan één plank of deel noodig
heeft, om 'er een tafel voor twaalf menschen van te maken.

Ik verwyze den lezer naar de afteekening, die ik van deezen
verbaazenden boom gemaakt heb, en geplaatst tegen over dien kant,
alwaar onze legerplaats te Jerusalem was nedergeslagen. Ik heb in
dezelfde plaat gebracht het gezicht van onze legerplaats aan de
Java-Kreek by mooy weder.

De andere boom, Markoury genaamd, is waarlyk geducht, uit hoofde van
zynen vergiftigen aart, welke zoo doordringend is, dat de rook van dit
hout doodelyk is voor de dieren, wanneer het in de longen koomt. Hy
groeit altyd alleen, en doet ontwyffelbaar sterven al wat 'er dicht by
koomt. De slaven zelve zyn zoo beschroomd om hem aan te raken, dat zy
op de Plantagiën het omhakken 'er van weigeren. Hy is niet zeer hoog,
ongelyk, en van eene leelyke gedaante; hy heeft slechts eenige takken,
en zyne bladeren zyn van eene bleek groene kleur. Men heeft my gezegd,
dat de Indianen zommigen van hunne pylen vergiftigen, door ze in het
sap van deezen boom te doopen.

Den 27sten, begaf zig eene andere ronde in aantocht, maar ontdekte
even weinig, als de eerste.

Ik heb reeds gezegd, dat de zweer, die ik aan den linker voet had,
geneezen was, en dit was waar; maar op dit oogenblik haalde ik uit
myn regter arm twee groote insecten, die my andere zeer diepe zweeren
veröorzaakten. In Surinamen noemt men deeze insecten Struik-wormen. Zy
zyn zoo groot als de rups van gewoone kapellen; zy hebben een zwarten
kop, en eene puntige staart; zy dringen ongemeen diep in het vleesch
door, en men heeft een lancet noodig, om ze 'er uit te haalen; zy
leven doorgaans in stilstaande wateren, en met geduurig door dezelven
te loopen, was ik aan hunne aanvallen blootgesteld.

Myn moed begon my door de opëenstapeling van alle deeze onheilen
te ontzinken. Zoo veele onderscheidene en herhaalde folteringen,
waar aan ik geen einde zag, ontroerden mynen geest, en maakten my het
leven verdrietig. In deeze elendige gesteldheid nam ik het stelligst
en welberaden besluit om by de eerste gelegenheid, die zig zoude
aanbieden om dit met eere te doen, zulke opperhoofden en zulk een
dienst vaarwel te zeggen. Men zal by het vervolg van myn verhaal zien,
of ik dit voornemen heb toegebragt.

Onze tegenwoordige legerplaats was zoo ondraaglyk, dat 'er geene
beschryving van te geven is. Eene aanhoudende overstrooming
overdekte den grond, zoodanig, dat men vlotten moest maken, om
'er onzen voorraad op te plaatsen. Wy konden uit onze hangmatten
niet komen, zonder tot de kniën in slyk of water te stappen; en op
plaatsen, waar het lager was, aten de insecten ons levendig op. Eene
zoo ongezonde gesteldheid vermeerderde het getal van onze zieken,
en men was genoodzaakt een ander vaartuig, vol met dood-kranken,
de Cormoetibo-Kreek te doen afzakken, en naar het hospitaal van
Devil's Harwar te zenden. Onder dit getal was die arme oude Negers,
wiens herssenen byna verbryzeld waren, en die ons eerst des avonds
te voor ren in eenen deerniswaardigen staat had kunnen inhalen.

Dit vaartuig, het welk veel naar een dryvend kerkhof geleek, vertrok
den laatsten dag van 't jaar 1775.



VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Aanwerving van twee Compagniën Vrywilligers, bestaande
uit Negers en vrye Mulatten.--Verscheidene zoorten van
Visschen.--Arrowoukas. Indianen.--De krygsbende van den Colonel
FOURGEOUD ontfangt bevel, om naar Holland in te schepen.--De
Ratel-slang.--De blaauwe Dypsas.--De Amphisboena of tweehoofdige
slang.--Eene fraaije Kapel.--De Colonel ontfangt naderen last.--Het
krygsyolk trekt weder in de bosschen.--Koophandel in de Volkplanting
van Surinamen.--Beschryving van eene Cacao-Plantagie.--Heldendaad
van eenen Neger.--De Ananas.--De Muscaat- en Water-Meloen.

Op nieuwe jaars dag deedt de Colonel SEYBOURG my zyne groete doen, met
verzoek om myne aanhoudende vriendschap. Ik ging hem oogenblikkelyk
van de myne verzekeren, en hy verklaarde my een oprecht leedwezen
te hebben over de kwade bejegeningen, waar aan hy zig ten mynen
opzigte schuldig had gemaakt. Hy verzekerde my, dat zyn Adjudant
en spion GIBHART, 'er de voornaame oorzaak van was; vervolgens my
by de hand vattende, stondt hy my toe, om tans naar Paramaribo te
gaan, of werwaarts ik goedvond, tot dat ik anderen last ontfangen
zoude hebben. Deeze behandeling deedt my een innerlyk genoegen,
en wy dronken al het overschot onzer vyandschap af, niet met wyn,
maar in rhum met water gemengd. Dien zelfden avond derhalven afscheid
genomen hebbende, zoo van mynen nieuwen vriend, als van de legerplaats
aan de Java-Kreek, zakte ik, zeer wel te vreden zynde, de Rivier af,
om my naar de hoofdstad der Volkplanting te begeven.

Na een gedeelte van den weg slapende te hebben overgebracht, bevond
ik my des anderen daags morgens te Devil's Harwar, alwaar ik vernam,
dat die zelfde GIBHART, van wien ik zoo even sprak, kortlings aldaar
was overleden. Des avonds kwamen wy op de Plantagie Beekslied. Myne
roeijers arbeidden met veel yver. Om elkander daar toe aan te zetten,
kliefde de een het water met zyn riem in diervoegen, dat het een
onderscheiden geluid gaf, en zyne medgezellen volgden hem gezamentlyk
daar in naar.

Den 3den, kwam ik op het Fort Amsterdam aan, alwaar ik een uitstekend
middagmaal deed met onderscheidene zoorten van visch, genaamd Passary,
Prare-Prare, Provost, en Curema. De Passary is meer dan twee voeten
lang, en weegt zomtyds twintig ponden. Zyn kop is breed en plat. Hy
heeft twee lange knevels, maar geene schubben, zyn vleesch is aller
lekkerst. De Prare-Prare is ten naasten by van dezelfde gedaante en
insgelyks goed. De Provost is breed, heeft dikwils de lengte van vyf
voeten, en eene geelachtige kleur. Zyn vleesch is minder aangenaam,
dan dat van de twee voorgaande, maar geeft eene goede oly. De Curema
is een zoort van harder, zomtyds van twee voeten lengte, hebbende
twee groote witte zilverachtige oogen, en de benedenste kaak meer
voor uit staande dan de bovenste. Ter deezer plaatse vangt men ook
een zoort van zeeslak, waar van Mejuffrouw DE MERIAN melding maakt,
en welker voorste gedeelte juist gelykt naar dat van een garnaal.

Des avonds van dien dag, ten zes uuren, trad ik in de stad
Paramaribo binnen. Ik vond aldaar JOANNA en mynen zoon in volmaakte
gezondheid. Beiden waren zy, van wegen de gevolgen hunner ziekte, drie
weken lang blind geweest. Myn vriend, de heer DE GRAAF, noodigde my,
om met haar by hem myn intrek te nemen.

Daags daaraanvolgende at ik met den Colonei FOURGEOUD, die zig zoo
wel bevondt als ooit. Hy onthaalde my, als naar gewoonte, op gezouten
kost, [15]en behandelde my zeer vriendelyk. Hy berigtte my, dat 'er
twee compagniën vrywilligers, uit Mulatten en vrye Negers bestaande,
wierden aangeworven; dat de Oucas- en Sarameca-Negers de muitelingen
begunstigden, en in de daad groote schelmen waren; dat men eenigen
van de laatstgemelden by de Casiwinica-Kreek gedood had; dat hy hunne
verblyfplaats Fissy-Hollo hoopte te vernielen; dat BONNY en de zynen,
in weerwil van hunne strooperyen, die niet lang meer duuren konden,
in de bosschen van honger stierven, en dat hy besloten had, zoo lang
hy een enkelen soldaat overig had, dien muiteling te vervolgen,
hem zoo mogelyk gevangen te nemen, of ten minsten met zyne bende
uit de Volkplanting te verjagen. De Colonel verhaalde my al verder,
dat zeker Franschman, die den platten grond der vestingwerken,
enz. voor den Gouverneur van Caijenne afteekende, op het oogenblik,
dat hy stondt te worden opgehangen, ontsnapt was; dat hy aan den
Capitain TULLING, wegens het door hem in stilte aangegaan huwelyk,
vergiffenis geschonken hadt; en dat de Lieutenant Colonel DE BORGNES
met eene ryke weduwe ging trouwen.

De Bevelhebber was, met één woord gezegd, ten mynen opzigte een
geheel ander mensch geworden. Zyne manieren waren toen zoo geschikt,
dat ik niet verlangen konde mynen tyd in beter gezelschap door te
brengen. Hoe was het mogelyk, dat ik te gelyker tyd de vriend van twee
Oversten was, die door nyd jegens elkander gedreven wierden. Dit is
een geheim, het welk ik nimmer heb kunnen ontdekken; misschien, daar
zy geslagen vyanden waren, wilden zy my beiden winnen. Wat daar ook
van zy, ik besloot, de stiptste ononzydigheid in acht te nemen. Ik
gedroeg my ook op dezelfde wyze jegens den Gouverneur, die my den
tweeden dag na myne aankomst ten eeten verzogt, en, in plaats van my
op gezouten ossen-vleesch te onthalen, overënkomstig zyne gewoonte,
eene deftige maaltyd liet aanrechten.

Ik gaf ook een bezoek aan myne verdere vrienden, namelyk aan Mevrouw
GODEFROY, als mede ten huize van DEMELLY, GORDON, MAC-NEYL; en ik
bragt ook zeer vrolyk den dag door met de zwarte Mevrouw SAMPSON,
of ZUBLY, die tans weduwe was.

Ik woonde ook een dans-party van Mulatten by, op welke men echter
geene slaven zag. De musiek, het licht, de dans, het avond-eeten,
waren aldaar in de volmaaktste orde geregeld. De grootste pracht stak
voornamelyk in de kleederen uit. Vrolykheid en betamelykheid hadden
'er beiden plaats, en wel zoodanig, dat dit gezelschap ten voorbeelde
strekken kon aan dat van veele inwooners van eene andere kleur,
die zig verbeelden beschaafder zeden te bezitten.

Den 20sten, een groot aantal Indianen en Negers van beide kunne,
in de Rivier by het Fort Zelandia hebbende zien zwemmen, wilden de
jonge DONALD MAC-NEYL en ik van de party zyn. Nimmer zag ik eene
dergelyke vaardigheid; dan die der Negers, in het water. Zy hielden
een zoort van gevecht, waar in zy als visschen duikten, en elkander
met de voeten, maar nooit met de handen, raakten. De Indianen, die
tot het geslacht der Arrowoukas behoorden, waren ook bekwame zwemmers,
en scheenen zoo wel in 't water, als op 't land, te kunnen leven.

Ons door dit genomen bad genoegzaam verkoeld hebbende, gingen wy aan
den oever nederzitten, alwaar ik het genoegen had het maakzel en de
trekken van eene jonge Indiane te beschouwen, die als een venus-beeld
uit het water opkwam.--De Arrowoukas zyn zeer verschillende van alle
de andere Indianen, over welken ik reeds den lezer onderhouden heb;
hy herinnert zig misschien myne belofte, om van hun in het byzonder te
spreken, en deeze zal ik tans volbrengen.--Ik merkte op, dat de huid
van dit jong meisjen, by het uitkomen uit het water, niet meer met
Roucou geverwd zynde, my veel schooner voorkwam, dan de koper-kleurige
huid der vrouwen van andere Indiaansche volken. Haare leden waren
door geene naauwe ringen, of styve catoene banden ontcierd. Haar
hoofdhair hing niet los; maar was netjes rondom haar hoofd opgebonden,
en op den kruin door eene breede zilvere plaat vast gemaakt. [16]
Het eenige kleed, dat zy in het water aanhieldt, bestondt in een klein
vierkant voorschoot, van koraalen gemaakt, zoo als ik die hier boven
reeds beschreven heb: zy was derhalven, ten aanzien van de overige
deelen van haar lichaam, geheel en al naakt. Zy had een aangezicht,
zoo bevallig, als men zig verbeelden kan. Haare reizige gestalte,
haare kragt, haare jeugd, haare levendigheid, alle de teekenen van
eene goede gezondheid, overtuigden my van de waarheid, dat wanneer
het lichaam zig geheel aan het oog ontdekt, men op de schoonheid van
het aangezicht weinig acht slaat. Haar gelaat kondigde die beminnelyke
eenvoudigheid, dien onschuldigen ernst aan, die op geenen onëerbaaren
aanval zelfs verdacht is, en niet kan nagebootst worden door haar, die
zig aan den geringsten misstap schuldig kent. Eene geverwde olyfkleur
is met de schoonheid zeer wel bestaanbaar: deeze is de natuurlykste
kleur van alle menschelyke schepselen; want het is waarschynlyk,
dat blank en zwart slechts trapswyze opklimmingen zyn, veröorzaakt
door overmaat van warmte en koude. [17] Dit jong meisje, zoo volmaakt
schoon, scheen zelfs ook volmaakt gelukkig te zyn. Men vindt, zegt
RAYNAL, in den staat der zuivere natuur het geluk meenigvuldiger,
dan in den staat der volmaaktste beschaafdheid. Het is zeker, dat
eene Europeesche vrouw tot aan de toppen der vingers zoude bloozen,
op het enkele denkbeeld van naakt in het openbaar te verschynen; maar
opvoeding en vooröordeel doen alles, vermits het een ontwyffelbaare
regel is, dat, wanneer men inwendig zig niets te verwyten heeft,
men voorzeker van geene schaamte weten kan.

Ik herinner my te Bergen op Zoom eenen jongen Indiaan uit den omtrek
van de Volkplanting de Berbices, genaamd WILKY, gezien te hebben. De
Generaal DESALVE, die hem had medegebragt, liet hem kleeden, en gaf
hem een zeker zoort van opvoeding. Deeze Indiaan had onder anderen
het koken en kleeder-maken geleerd, willende zig zelven, zoo hy zeide,
tevens van alle noodwendigheden voorzien. Na verloop van eenigen tyd,
betuigde hy zyn verlangen, om naar de Volkplanting te rug te keeren;
en hy had slechts even den Americaanschen grond betreden, of hy wierp
zyne kleederen weg, begaf zig naakt in het diepste der bosschen,
alwaar hy, even gelyk de Hottentot, van wien ROUSSEAU spreekt in
de aanteekening Nº. 13. op zyne verhandeling over den oorsprong
en grondslag der ongelykheid onder de menschen, zyne dagen sleet,
zoo als hy die begonnen had, in het midden zyner landgenooten en
vrienden.--Maar laaten wy tot dit meisjen te rug keeren. Zy had
eene levendige Papegaay, die zy zelve met een rond gemaakte pyl
geschoten had, en die ik van haar voor een mes met een dubbeld lemmer
verruilde. De Arrowoukas zyn in dit zoort van jagt zoo knaphandig,
dat zy meenigmalen een Macaw in zyne volle vlucht, en dikwils zelfs
een duif, raken.

Ik kan van dit onderwerp niet afstappen, zonder eenige aanmerkingen te
maken omtrent het zedelyk character van dit volk, het welk niet alleen
met de meeste andere Indiaansche volken in vrede leeft, maar vooral
in goede vriendschap staat met de Europeanen, wier achting het bezit.

Ik zal slechts één geval verhalen, tot een bewys van de dankbaarheid,
waar door deeze Indianen zig onderscheiden. Voor eenige jaaren
kwamen twee van hun, man en vrouw, te Paramaribo. Deeze vrouw in
haare zwangerheid verre gevorderd zynde, gelastte de heer VAN DER
MEY aan zyne dienstboden, om hen beiden aan zyn huis te brengen, en
hun eene afzonderlyke kamer, en alles wat zy noodig hadden, te geven;
vervolgens wenschte hy hun goeden avond. De Indiaansche vrouw beviel
dien zelfden nacht; en des anderen daags morgens, toen de dienstboden
kwamen, om hun den dienst van hunnen meester op nieuw aan te bieden,
vonden zy noch den man, noch de vrouw. Deeze waren voor het aankomen
van den dag vertrokken, om met hun kind gerustelyk naar het bosch
te rug te keeren. [18] Men maakte toen verscheiden gissingen omtrent
die zoo hoog geroemde oprechtheid der Arrowoukas; maar na verloop van
agttien maanden, kwam deeze zelfde Indiaan den heer VAN DER MEY weder
opzoeken, met zig brengende een schoon jongman, tot het geslacht der
Accawaus behoorende, dien hy in een gevecht gevangen genomen had. [19]
Hy boodt hem zynen weldoener aan, zeggende alleenlyk: Die is voor u;
en, zonder naar antwoord te wagten, liep hy weg. Men boodt den heer VAN
DER MEY meer dan twee honderd ponden sterling voor dien slaaf, maar hy
weigerde zulks, en behandelde hem, even als of hy een vry persoon was.

De opvoeding, welke de Indianen in hunne kindsheid ontsangen, is
zoo overëenkomstig de wetten der eenvoudige natuur, dat zeldzaam hun
gemoed bedorven, noch hun lichaam misvormd is. Te groote zorgvuldigheid
in beiderleije opzigten, is zoo wel schadelyk, als eene volstrekte
achteloosheid. Dit is het gevoelen van den verstandigen Dr. BANCROFT,
die niet noodig had zulks met een plaats uit QUINTILIAAN te bewyzen.

Schoon de Arrowoukas in eene volmaakte eensgezindheid met de
Europeanen, en de meesten van hunne nabuuren, leven, trekken zy
echter ten stryde uit, wanneer men hen getergd heeft. Hunne wapenen
zyn boog, pylen, en een knods, dien zy abowtow [20] noemen; maar zy
eeten hunne gevangenen niet, zoo als de Caraïben doen, die zelfs
de Negers opäten, welken zy in eenen opstand doodden, die in de
Volkplanting de Berbices voorviel. Ofschoon zy veel verder van de
zee af woonen, dan de Warrows, hebben zy kano's, zomtyds van veertig
voeten lang, waar mede zy de Rivieren afzakken. De Indianen van dit
geslacht zyn groote kruidkenners. Voor uitwendige kwalen, maaken
zy gebruik van enkelvoudige middelen, waar van de bosschen van het
vaste Land van America overvloeien.--Maar laten wy het verhaal van
onze krygsverrigting vervolgen.

Den 25sten, wierd ik door de koorts aangetast, en men deedt my
eene aderlating op den voet; maar het lancet te diep gestoken zynde,
geraakte ik verminkt. Omtrent dien zelfden tyd kwam de Colonel SEYBOURG
uit de legerplaats aan de Java-Kreek zeer ziek te rug.

De Colonel FOURGEOUD was toen op het punt, om zyne krygsverrigtingen
te hervatten. Hy had reeds eenige manschappen naar de Savane der
Joden afgezonden, om beter onderricht te worden van het geen 'er van
dien kant omging. In dien staat der zaken ontfing hy beveelen uit
den Hage, om dien tocht oogenblikkelyk te staken, en zig, met alle
zyne manschappen, onverwyld naar Holland in te schepen.

Ingevolge van deeze beveelen, wierden de transport-schepen den 27sten
gereedgemaakt, de Officiers en soldaten ontfingen hunne agterstallige
soldye, waar over zy zeer verheugd waren. Ieder een was te Paramaribo
'er over te vreden, uitgenomen eenige inwooners, en ik zelf.

Den 14den February, onaangezien het ongemak aan myn voet, de koorts,
een zweer, en de scheurbuik, ging ik, op krukken loopende, met duizend
guldens in myn zak, die somme verdeelen tusschen den Colonel FOURGEOUD
en Mevrouw GODEFROY, tot betaling van de schulden, welken ik door
het vry koopen van mynen Neger QUACO, en myne JOANNA, gemaakt had;
vervolgens keerde ik naar myne wooning te rug, geen enkelen schelling
in myn zak overgehouden hebbende. De 500 guldens, welken ik aan
Mevrouw GODEFROY ter hand stelde, waren eene geringe afkorting op
de 1800 guldens, die ik haar schuldig was, en met dit al had zy de
edelmoedigheid, om my op nieuw aan te zetten, ten einde JOANNA en
mynen zoon naar Holland mede te nemen. Doch JOANNA weigerde zulks
moediglyk, en verklaarde, "Dat, alle andere bedenkingen daar gelaten,
zy nimmer zoude toestemmen, om de belangen van haare weldoenster
aan die van haaren weldoener op te offeren; dat haar eigen geluk,
en zelfs het myne, het welk zy boven het leven waardeerde, als
dan in bitterheid voor haar verkeeren zoude, zoo lang de schuld
van haare vrykooping niet geheel en al gekweten zoude zyn, het zy
door my zelven, het zy uit de vruchten van haaren eigen arbeid, zoo
als zy hoopte dit t'eeniger tyd ter uitvoer te brengen":--Zy voegde
'er by: "dat onze scheiding niet dan kortstondig zyn zoude, en dat
het grootste bewys, het welk ik haar van myne achting geven konde,
bestond in het kloekmoedig dragen van deeze kleine tegenkanting der
fortuin, zonder in haare tegenwoordigheid zelfs een enkelen zucht
daar over te laten". Zy liet deeze laatste woorden met een glimlach
gepaard gaan: daar op omhelsde zy haaren zoon, en verliet my dadelyk,
om onbedwongen haare tranen te storten. Op dit zelfde oogenblik
wierd ik geroepen by den heer DELAMARE, die op sterven lag; en myne
smart was toen onuitsprekelyk. Ik moest echter besluiten, om eene
afwezigheid van één of twee jaaren door te staan. Des namiddags, om
myn leed een oogenbjik te verzetten, ging ik het kabinet van Indische
zeldzaamheden van den heer ROUX bezichtigen. Het oog toevallig op een
ratelslang hebbende laten vallen, zal ik, alvorens de Volkplanting
van Surinamen te verlaten, dit gevaarlyk kruipend gedierte beschryven.

De Ratelslang heeft in Surinamen zomtyds de lengte van agt of negen
voeten. In 't midden is hy zeer dik, en naar den hals en de staart
word hy dunner. Zyn breede kop is plat, en leelyk mismaakt. Men ziet
in hem twee wyd open gespalkte neusgaten by den bek; en, even als de
Kayman, een groote kam of bult boven de oogen, zoo zwart als git,
en zeer schitterende. Aan het einde van zyne staart zyn verscheide
schubben van een zoort van dun hoorn, zeer droog, en aan elkander
zaamgehecht, welken het dier beweegt, wanneer hy getergd word, en die
een geluid geven, gelykende naar dat van een ratel, waar van hy den
naam draagt. Men zegt, dat het getal zyner schubben in evenredigheid
jaarlyks vermeerdert, en dat men door dit middel zynen ouderdom zeer
juist bepaalen kan. Deeze slang is geheel overdekt met andere schubben,
die aan den ruggestreng over eind staan. Hy heeft eene doffe orange
kleur, gemengd uit een donkerbruin, en zwarte vlakken, die op zyn
kop ook zeer zichtbaar zyn: zyn buik heeft eene aschgrauwe kleur met
schuinsloopende schubben, zoo als de meeste andere slangen. Wanneer
dit dier zynen buit bespiedt, draait hy zig rond in elkander,
als een kluw touw, en zyne staart een weinig bewegende, doet hy
die vervolgens ratelen, en spreidt zig in éénen sprong uit ter
lengte van zyn geheele lichaam; daar op verbergt hy zig andermaal,
om zig op nieuw uit te spreiden. Het vergift van deezen slang word,
ten minsten in geheel America, voor doodelyk, of voor zeer gevaarlyk
gehouden. Wat betreft zyne eigenschap om de oogen te verblinden, de
muizen, de eekhorentjes, de vogelen, in zynen muil te laten vallen, ik
houde zulks voor verdichtsels. Al die voorgewende tooverkragt bestaat
alleenlyk daar in, dat deeze arme dieren, wanneer zy zig door eenig
dreigend gevaar overvallen zien, door zulk een schrik en beving worden
aangetast, dat zy 'er het gebruik van hunne ledematen door verliezen,
en onbeweeglyk op hunne plaats blyven, of, zig trachtende te redden,
in de macht van hunnen vyand vallen.

Ik zag ook in dit kabinet de blaauwe Surinaamsche Dipsas, die byna
eene blaauwe kleur op den rug heeft, in de zyden zeer helder, en
aan den buik witachtig. Ik heb niet hooren zeggen, dat de beet van
dit dier doodelyk is, maar dezelve veröorzaakt een onmatigen dorst,
waar van hy zyn naam ontleent, want het woord dipsa beteekent in
het Grieksch dorst. Ik merkte ook nog een anderen slang op, omtrent
drie voeten lang, bedekt met ringen van onderscheidene kleuren,
dien men Amphisboena noemt, om dat men veronderstelt, dat hy twee
hoofden heeft; maar de waare reden is, om dat, uit hoofde van zyne
langwerpig ronde gedaante, zyn kop en staart zoodanig naar elkander
gelyken, dat het zeer wel is toe te geven, wanneer men 'er in mistast;
zyne oogen zyn voorts byna onbemerkbaar. Het is die zelfde slang,
aan welke de door my beschrevene groote mieren voedzel verschaffen,
zoo het gemeene volk zegt, wanneer hy blind is, waarom men hem in
dit Land met den naam van koning der mieren verëert. [21]

Onder de talryke verzameling van fraaije kapellen van den zelfden heer
ROUX, merkte ik 'er voornamelyk een op van eene middelmatige grootte,
welker vier vleugelen, zoo van boven als beneden, met zwarte streepen
en een schitterend groen verciert zyn. De ontzachelyke hoogte, tot
welke zig dit insect verheft, en de vlugheid, waar mede hy vliegt,
maken hem zeer zeldzaam. Zyn enklauw, van eene zee-groene kleur,
is van harde punten, vry veel naar pluimen gelykende, voorzien.

Ik zeide straks, dat wy bevel ontfangen hadden, om de Volkplanting te
verlaten, en dat al het volk daar over verheugd was, uitgezonderd ik;
maar onze Overste ontfing, den 15den, brieven uit Holland, waar by
onze te rugkomst voor zes maanden wierd uitgesteld. Myne medemakkers
waren over dit uitstel ter nedergeslagen, en my deedt het herleven. Ik
besloot om myne geheele soldye uit te zuinigen, tot dat ik de somme by
elkander zoude hebben, die 'er noodig was, om volkomen eigenaar van
JOANNA te wezen: maar het deedt my zeer leed, dat wy andere tydingen
uit Europa ontfingen, medebrengende, dat zyne Britannische Majesteit de
Schotsche brigade had uitgenoodigd, om zig naar Engeland te begeven,
en het speet my ongemeen, dat ik daar toe niet meer behoorde. [22]
Men boodt my byna te gelyker tyd eene Compagnie aan onder den Generaal
WASHINGTON, welke ik zonder bedenken weigerde.

Den 18den February, wierden onze soldaten, moedeloos zynde, weder
naar Maagdenberg gezonden; een groot gedeelte bleef steeds aan de
Java-kreek. Onze Officiers waren toen zoodanig te onvreden, dat
één van hun, FISHER genaamd, twee maalen, daags na elkander, een
tweegevecht hieldt, en aan zyne beide tegenpartyen, zynde Officiers
van 's Compagnies krygsvolk, gevaarlyke wonden toebragt.

Dewyl ik nog niet hersteld was, bleef ik eenigen tyd langer te
Paramaribo. Ik zag aldaar ten huize van den heer REYNSDORP, eene
Portugeesche Jodin, die haare kinderen in den Christelyken Godsdienst
opvoede; terwyl van eenen anderen kant, de Opzichteresse van zeker
Godshuis dagelyks ongelukkige slaven liet geesselen, om dat zy, zoo
ze zeide, Heidenen waren. Zy veröordeelde onder anderen eene arme
Negerin tot vier honderd geessel-slagen, welken deeze, zonder eenige
klagten te uiten, ontfing.

Maar laten wy van dit onäangenaam onderwerp afstappen; en liever,
dewyl zig daar toe thans eene geschikte gelegenheid opdoet, den lezer
een korten staat opgeven van den koophandel en innerlyke waarde deezer
Volkplanting, alwaar zoo veel bloed op de wreedaartigste wyze geplengd
word, en die nog veel ryker zoude zyn, indien zy het voorbeeld niet
volgde van de vrouw, in de Fabel van de hen, die gewoon was gouden
eieren te leggen.

Men telt te Surinamen zes of agt honderd Plantagiën, die suiker,
koffy, cacao en catoen voortbrengen. 'Er zyn daarënboven eenige
indigo Plantagiën. Men heeft ook werven gemaakt tot het hakken van
timmerhout, enz. Op de onderslaande tafel kan men den staat en de
waarde zien van de vier eerstgemelde zoorten van koopmanschappen,
die geduurende vier jaaren van de Plantagiën zyn afgeleverd.


Jaaren.  Vaten     Ponden        Ponden      Ponden
         Suiker.   Koffy.        Cacao.      Catoen.
1771	 19,494    11,135,132      416,821   203,945
1772	 19,260    12,267,134      354,935    90,035
1773	 15,741    15,427,298      332,229   135,047
1774	 15,111    11,016,518      506,610   105,126
Somma	 69,606    49,846,082    1,610,595   534,153


69,606 vaten Suiker, tegen fl 60:-:- het
vat, maken                                 fl  4,176,360:--:--

49,846,082 Ponden Koffy, tegen agt en
een halve stuiver het pond, maken          fl 21,184,584:17:--

1,610,595 ponden Cacao, tegen zes en
een halve stuiver het pond, maken          fl    523,443: 7: 8

534,153 ponden Catoen, tegen agt
stuivers het pond, maken                   fl    213,661: 4:--

                                            ------------------
Makende te zamen                           fl 26,098,049: 8: 8
                                            ==================

Dit maakt voor elk jaar juist				 fl  6,524,512: 7: 2


Maar deeze alzoo in 't ruwe opgegevene
berekening betrof de Stad Amsterdam
alleen.

Indien men daar by voegt, het geen
bovendien naar Rotterdam en Zeeland
word uitgevoerd, behalven het geen
binnen 's Lands gesleten word,
het beloop van de ladingen rhum,
suiker-syroop, timmerhout en indigo,
zal men nog eens, of ten naasten by
dezelfde somme hebben; dus                               fl  6,524,512: 7: 2
                                                          ------------------
Te zamen                                                 fl 13,049,024:14: 4
                                                          ==================


Het welk, wanneer men het slechts stelt op fl 11,000,000:--:-- jaarlyks
een millioen ponden sterling bedraagt.

Ik zal nu verder aanwyzen, hoe deeze somme tusschen de Hollandsche
Republiek, en deeze Volkplanting verdeeld word.


De Stad Amsterdam levert omtrent 50
schepen van vier honderd vaten, door
elkander gerekend, die voor de vracht
wegens den invoer van verschillende
koopmanschappen,
ontfangen de somme
van                     fl  6,000:--:--
en wegens den uitvoer
van producten uit de
Volkplanting            fl 32,000:--:--
                        --------------
Maakende voor elk schip
een vracht van          fl 38,000:--:--

het welk, door 50 vermeenigvuldigd
zynde, uitmaakt.                             fl 1,900,000:--:--

Ik reken bovendien dertig schepen van
verschillenden last, voor Rotterdam
en Zeeland, het welk maakt                   fl 1,200,000:--:--

En voor de brikken, met ballast
geladen, voor passagiers, enz.
dienende                                     fl    80,000:--:--

Elk schip van de Kust van Guinée,
het welk jaarlyks 250 of 300 Negers
aanbrengt, gerekend op fl 120,000:--:--
maakt, als men dit brengt op het
getal van zes schepen [23]                   fl   740,000:--:--

By deeze berekening zal ik voegen de
waaren en koopmanschappen, die uit
Holland worden ingevoerd, als wyn,
sterke dranken, bier, gezouten ossen-
en varkensvleesch, meel, zyde, catoen,
en linnens; kleederen, hoeden,
schoenen; kostbaarheden van goud,
zilver en staal; metselaars- en
timmermans gereedschappen, enz.
enz. tegen de waarde van omtrent
50 ten honderd aan winst, na aftrek
van de kosten op de correspondentie,
de verzekeringen, de ladingen, de
imposten, de pakhuis-huuren, haven-
en kaai-gelden, het inpakken, welke
laatstgemelde artikelen daarënboven
tien ten honderd aan de inwooners
kosten; al het welk, door elkander
gerekend, bedraagt                                                  fl 1,100,000:--:--
	            						     -----------------
Makende reeds te zamen de somma van         fl 5,000,000:--:--

Hier by gerekend de interessen van 6 ten
honderd van vyf millioenen sterling, die
de Volkplanting schuldig is, en het geen
de renteniers in Holland, alwaar zy
schulden heeft, en ook de geenen, die
hun fortuin gemaakt hebben, hun geld
gaan verteeren, aan haar kosten beloopt
zulks ten minsten                                                   fl 1,000,000:--:--
	            						     -----------------
Dit alles, by elkander getrokken, maakt
jaarlyks ten minsten de somma van            fl 6,000,000:--:--


Het zelve blyft zuiver ten voordeele van
de Republiek, en wel voornamelyk voor
Amsterdam, Rotterdam, en Zeeland, zoo dat
de inwooners van Surinamen, voor hun
aandeel, van den bovengemelden schat
alleenlyk genieten                                                  fl 5,000,000:--:--
	            						     -----------------
Makende te zamen de reeds op
gegevene millioen sterling, of               fl 11,000,000:--:--


Ik zal, in de derde plaats, doen zien, hoe de binnenlandsche onkosten
der Sociëteit van Surinamen, door het geen deeze ladingen opbrengen,
gekweten worden; en deeze zyn niet gering.

Reeds gezegd hebbende, toen ik van het Regeerings-bestuur deezer
Volkplandng sprak, dat de Ontfangers van 's Lands penningen vyf in
getal zyn, zal ik thans aantoonen, wat elk hunner tot kwyting deezer
onkosten opgaart en ontfangt.

De eerste van deeze Ontfangers is gesteld over de in- en uitgaande
rechten.


Aan hem word betaald:

Van elk Hollandsch schip. fl 3:--:-- het
vat; van de Americaansche fl 6:--:--.	        Dit maakt
                                               fl  90,000:--:--

Door de Americaanen voor alle in- en
uitgevoerd wordende goederen, 5 ten
honderd.                                       fl  60,000:--:--

De Suiker betaalt fl 1:--:-- de
duizend ponden, of het oxhoofd.                 in 1771
												bedroeg dit
De Koffy, 15 stuivers, de honderd              fl 260,000:--:--
ponden gewicht.

De Cacao fl 1:15:-- de hondert
ponden gewicht.

Het Catoen
                                                -----------------

Dus ontfangt hy jaarlyks de somma van          fl 410,000:--:--

De tweede is de Ontfanger der groote
n kleine imposten.

Men betaalt hem:

voor een vat Bier     fl  3:--:--
voor een vat rooden
Wyn                   fl 12:--:--
voor een pyp Madera
Wyn                   fl 23:10:--
voor een mingelen
Wyn in flessen        fl  -: 1:--
voor de belasting op
de aangeplakte
billietten           fl 600:--:--
voor de belasting op
de koopwaaren, in 't
klein                fl 300:--:--
                     -----------

Al het welk jaarlyks ten minsten beloopt       fl 100,000:--:--

De derde Ontfanger is die van het
hoofdgeld.

Hy ontfangt van alle de inwooners,
blanken en zwarten, zonder onderscheid,
en van ieder hoofd, het zy man of
vrouw, fl 2:10:--; voor elken jongen
of meisjen, beneden de 12 jaren
fl 1: 5:-- Dit bedraagt jaarlyks	       fl 150,000:--:--

De vierde is de Ontfanger der rechten
op den verkoop van koopmanschappen en
slaven. Men betaalt hem: By verkoop
van goederen, in geene rent-gevende
bestaande, de Plantagiën daar onder
gerekend, 5 ten honderd; en by verkoop
van Neger-slaven, die nieuwlings worden
ingevoerd, twee en een half ten honderd.
Dit bedraagt jaarlyks                          fl 130,000:--:--

De laatste ambtenaar eindelyk ontfangt
de belasting wegens de kosten op het
vervolgen der weggeloopen Neger-slaven,
welke ingevoerd is, om dat de andere
belastingen onvoldoende waren.

De sommen, die hy inzamelt, bedragen
jaarlyks: wegens de verhooging van een
gulden, voor hoofdgeld over de blanken
en zwarten                                     fl  80,000:--:--

als mede vier ten honderd van alle
jaarlyksche Beneficiën, bedragende
jaarlyks                                       fl 400,000:--:--
                                              -----------------
Makende te zamen
					       fl 480,000:--:--

Men betaalt bovendien jaarlyks, voor
het onderhoud der wyken; namelyk van
elk huis, volgens deszelfs uitgestrektheid.

van een koets	    fl 20:--:--
van een chais	    fl 10:--:--
van een rypaard     fl 10:--:--

Het welk de bovengemelde belastingen
vermeerdert met de somme van                   fl  12,000:--:--
                                              -----------------
Alle welke sommen, by elkander getrokken,
niet minder opbrengen dan                    fl 1,282,000:--:--


Na duidelyk te hebben aangetoond, zoo met behulp van het Tafereel
der Surinaamsche Volkplanting van Dr. FERMIN, als volgens myne
eigene kundigheden, dat de innerlyke waarde deezer bezitting meer
dan een millioen ponden sterling aan inkomsten bedraagt, die door
een verstandig bestuur nog merkelyk zouden kunnen vermeerderen; na al
mede betoogd te hebben, dat het grootste gedeelte deezer inkomsten ten
voordeele der Republiek koomt, terwyl de Colonisten met belastingen
bezwaard zyn, die hen noodzaken tot vreemde middelen hunnen toevlucht
te nemen, en misschien eerlyke lieden in schurken doen verkeeren;
zal ik thans, by wege van een vervolg, een korten staat opgeven van
den koophandel der Noord-Americaanen met deeze Volkplanting.--Zy
komen aldaar uit Virginië, Rhode-Island, Nieuw-York, Boston, Jamaica,
Grenada, Antigoa, het Eiland Barbados, enz. in kleine brikken, sloepen,
enz. Zy brengen meel aan, ossen- en varkens-vleesch, haring, zout,
makreel, bladen tabak voor de Negers, denne planken, rhum, sterke
dranken, suiker-brooden, [24] spermaceti-kaarssen, uijen enz. Elk
schip is daarënboven verpligt een paard aan te brengen: de eigenaar
van 't schip ontheft zig daar van dikwils door een list: hy vertoont
den kop van zoodanig dier, en verzekert, dat hy het aan boord genomen
heeft, maar dat het op de reize gestorven is. Tegen deze koopwaaren
voeren de Americanen al de Surinaamsche suiker-syroop (melasse) uit,
waar van zy rhum by hun maken, en dikwils laden zy hunne schepen
geheel en al met koopmanschappen en andere voortbrengsels van deeze
Volkplanting, schoon zy het niet dan ter sluik doen mogen: maar kooper
en verkooper vinden 'er hun voordeel by; de een koopt goed koop, en
de ander ontfangt gereed geld. Van de Eilanden onder den wind voeren
zy quarteron- en mulatten-slaven van beiderlei kunne aan, die over
't algemeen jong en fraay zynde, voor zeer hoogen prys verkogt worden,
hoe zy ook anderzints gesteld mogen zyn.

Alle de onderrichtingen, door my omtrent den koophandel en
wezentlyken rykdom deezer schoone Volkplanting opgegeven, zyn naar
de naauwkeurigste berigten gevolgd. Het zy my geöorloofd van dit
onderwerp thans af te stappen, en myn verhaal te vervolgen.

Den 21sten February, nam de heer REYNSDORP, schoonzoon van Mevrouw
GODEFROY, my in zyn zeil-jacht mede; en om my van lucht te doen
veranderen, bragt hy my op eene zyner Koffy-plantagiën, genaamd Nut
en Schadelyk. Ik zag aldaar een blanken, die door de steek van een
Vampire, of Guiaansch spook, in éénen nacht zyn gezicht verloor. Des
anderen daags voeren wy de Commewyne op, en gingen naar Alkmaar,
eene aangenaame Cacao-Plantagie, die aan dezelfde Mevrouw GODEFROY
in eigendom toebehoorde. Hier wierden de slaven door haare meesteres
behandeld, als haare eigene kinderen, en zy beschouwden allen haar
als hunne moeder. Men hoorde aldaar geen geraas van yzeren ketenen,
geene zuchtingen; men zag aldaar geen blyk van gestrengheid. Alles was
eendracht en vergenoegen. Ik heb reeds bevoorens [25] eene afbeelding
gegeven van het voortreffelyk huis en deszelfs toebehooren, op deeze
fraaie Plantagie, alwaar onophoudelyk genoegen heerscht, alwaar men
de edelste gastvryheid uitoeffent. De tuinen, de velden, de hutten
zelfs der Negers, duiden aldaar overvloed en vrede aan.

De Cacao-boomen worden voortgeplant van jong plantsoen, het welk
men tot dit einde aankweekt. Men plant dezelven doorgaans op eenen
afstand van tien of twaalf voeten van elkander, en zy groeien
op tot de hoogte van onze Engelsche Kersseboomen. Maar deeze
Plantagiën moeten wel beschut zyn, zoo voor zwaare winden, als voor
de brandende straalen der zon, wanneer de boomen jong zyn, want dan
zyn derzelver wortels niet diep genoeg in den grond ingedoken, om
dezelven staande te houden, en zy zouden geene groote hitte kunnen
doorstaan. Dienvolgende plant men 'er heester-gewassen (b. v. maniok)
en Plantain-boomen tusschen, die tevens het onkruid tegengaan, het
welk in de luchtstreken onder den zonne-keerkring zoo overvloedig
voortteelt. Door middel van deeze voorzorgen, dragen de Cacao-boomen
vruchten, eer zy drie jaaren oud zyn: als dan brengen zy jaarlyks
twee oogsten voort; maar zy moeten echter twaalf of veertien jaaren
oud zyn, eer zy hunnen volkomen wasdom bereikt hebben. Het blad van
den Cacao-boom heeft meer dan agt duimen in de lengte, en byna drie
in de breedte: het zelve is langwerpig, taay, en van een schitterend
groene kleur. De gedaante der vrucht is byna dezelfde, maar echter een
weinig breeder. Wanneer die vrucht jong is, heeft zy het voorkomen van
een komkommer; maar wanneer zy ryp is, word ze geel als een limoen,
en scheidt zig dan af in ribben, even als een meloen. Het zaad of
de pitten zitten langwerpig in de vrucht of bast; ryp zynde hebben
zy de dikte van olyven, en een purper kleur. Elke boom word gerekend
by den oogst van dertig tot drie honderd vruchten te geven, die elk
omtrent dertig pitten bevatten, een pond wegende; en langs dien weg
kan men den jaarlykschen opbreng berekenen. Weinige dagen na dat de
oogst geschied is, haalt men de pitten uit de schil; men laat ze in
de schaduw droogen, en in dien tyd raaken zy een zoort van vochtige
zelfstandigheid kwyt, het geen men noemt dezelve te laten uitzweeten;
men pakt ze vervolgens in vaatjes om vervoerd te worden, en 'er die
aangenaame koek van te maken, welke wy Chocolade noemen.

Men zegt, dat de Cacao-boomen oorspronglyk in Guiana groeien, en
natuurlyk in groote meenigte by de Rivier der Amazonen gevonden
worden. Wat daar ook van zy, de zoon van den Gouverneur CHATILLON
plantte den eersten boom in 't jaar 1684 in Surinamen; en de eerste
oogst, die naar Holland werd uitgevoerd, geschiede in 't jaar 1733. Een
der groote voordeelen van het aankweeken der Cacao-boomen bestaat
hier in, dat daar toe minder slaaven, dan tot alle andere zoorten van
Plantagiën noodig zyn. Men kan naargaan, hoe aanmerkelyk de voordeelen
zyn, uit den opbreng van het jaar 1774, wanneer men, alleen voor
de Stad Amsterdam, 506,610 ponden Cacao-pitten uitvoerde; het welk
202,614 Hollandsche Guldens, of 18.419 ponden sterling opbragt. De
prys verschilde van 4 tot 9 stuivers het pond. De middel bereekening
is van zes- en een halve stuiver. De beste Plantagiën, en die van
Alkmaar behoort daar onder, brengt jaarlyks meer dan 80,000 ponden op.

Den 27sten keerden wy naar de Stad te rug, alwaar men, des avonds
te voren, een soldaat ter zaake van muiterye had doodgeschoten, en
des anderen daags geraakte op de rheede een schip in brand. Byna
ter zelfder tyd, vertrok de Neger QUACY, die de Propheet, en, om
zoo te zeggen, de Koning zyner landgenooten was, naar Holland,
om zyne opwagting te maken by den Prins van Orange, aan wien
de Colonel FOURGEOUD hem aanbeval. Deeze Neger moest de roem van
deezen Bevelhebber vermelden, en zig beklagen over den Gouverneur,
die aan onzen Colonel geen eerbied genoeg betoonde. Ter gelegenheid,
dat wy toen het tydstip der Zittingen van het Gerechtshof hadden,
wierd aan een slaaf het been afgezet, om dat hy eenen arbeid,
die boven zyne kragten was, geweigerd had. Twee anderen wierden
veroordeeld om opgehangen te worden, om dat zy waren weg geloopen. Het
heldhaftig gedrag, door één deezer ongelukkigen voor het Hof van
Justitie gehouden, verdient alhier verhaald te worden.--Hy verzogt
voor weinige oogenblikken gehoor, het geen hem wierd toegestaan;
en hy liet zig toen in deezer voegen uit:

"Ik ben in Africa geboren, alwaar ik, mynen Vorst in een gevecht
verdedigende, ben gevangen genomen, en door myne landgenooten op de
Kust van Guinée voor slaaf verkocht.--Een van uwlieden, die thans
myn Rechter is, kocht my; en ik ben door zynen Opzichter zoo deerlyk
mishandeld, dat ik weg liep, en my by de muitelingen voegde.--Ik zag
my gedwongen, om hun Opperhoofd BONNY te dienen, wiens dwinglandye
nog ondraaglyker was, dan die der Europeanen. Een weêrzin in zulk
eene handelwyze hebbende, besloot ik om het menschdom voor altyd te
ontvlieden, en in de bosschen rustig te leven. Ik heb aldaar twee
jaaren byna alleen doorgebragt, in de grootste ongerustheid van geest,
en myn leven latende voortduuren alleenlyk in de hoop, om myn geliefd
geslacht, het welk misschien, uit hoofde myner afwezigheid, in myn
eigen Land van honger verging, nog eenmaal weêr te zien. Twee ellendige
jaaren waren dan in deeze gesteldheid verloopen, toen de Jagers my
ontdekten, my gevangen namen, en my voor deeze Rechtbank bragten,
aan welke ik thans de geschiedenis van myn deerniswaardig leven open
legge, en slechts de genade verzoek, om aanstaanden Saturdag, of zoo
dra het mogelyk zyn zal, het vonnis aan my uit te oeffenen".

Deeze aanspraak wierd met eene ongemeene gematigdheid uitgesproken
door één der schoonste Negers, dien men misschien immer zag. Zyn
meester, die (zoo als hy te recht opmerkte,) onder het getal van
zyne Rechters was, gaf hem dit kort antwoord:--"Schelm! alles wat gy
ons vertelt, doet niets ter zaake. De pynbank zal u in een oogenblik
de bekentenis van misdaden afperssen, die zoo verachtelyk zyn, als
gy zelf, of uwe hatelyke medeplichtigen". De Neger, die alle zyne
aderen van verontwaardiging voelde opzwellen, beantwoordde hem zulks
op deeze wyze:--"Massera, de tygers in de bosschen hebben onder deeze
handen (welken hy toen in de hoogte stak) gebeefd; en gy durft my met
uwe armhartige werktuigen van foltering bedreigen! Neen! Neen! ik
veracht de pynigingen, welken gy thans kunt uitvinden, even zeer,
als den laaghartigen, die ze my aandoet". Op deeze woorden boodt hy
zig zelf ter pyniging aan, en stond de ysselykste folteringen door,
zonder een enkel woord uit te brengen; vervolgens weigerde hy zelfs
te spreken, en eindigde zyn leven met de koord.--Maar laaten wy van
dit naargeestig onderwerp afstappen.

Den 8sten Maart, hield ik het middagmaal by den Colonel FOURGEOUD,
om aldaar den verjaardag van den Prins van Oranje te vieren. Dien
zelfden dag gaf de heer REYNSDORP eene maaltyd aan alle de soldaten. De
Colonel berigtte my,

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/8098