Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 2

by John Gabriel Stedman · Dutch · Gutenberg #8097 · 413,857 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 2
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 2

Author: John Gabriel Stedman


        
Release date: May 1, 2005 [eBook #8097]
                Most recently updated: September 25, 2014

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/8097

Credits: Produced by Jeroen Hellingman with help of the distributed proofreaders team


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REIZE NAAR SURINAMEN EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA — DEEL 2 ***




Produced by Jeroen Hellingman with help of the distributed
proofreaders team.











REIZE NAAR SURINAMEN, EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA;

DOOR DEN CAPITAIN JOHN GABRIËL STEDMAN.

MET PLAATEN EN KAARTEN.

NAAR HET ENGELSCH.

TWEEDE DEEL.




INHOUD DER HOOFTSTUKKEN.

XI. HOOFTSTUK.

Het Krygsvolk keert naar de Wana-Kreek te rug.--De Pipa.--Gevecht
tusschen een soldaat en een slang.--De Fesant-vogel van Guiana.--De
Agamie of Trompetter.--De Muitelingen trekken de legerplaats voorby;
men vervolgt hen te vergeefs.--Groot gebrek aan water.--Schranderheid
der Negers.--De Zyde-plant.--Kevers en Insecten.--Bergwerken.--Fraaije
Kapel.--Het krygsvolk koomt op den post van la Rochelle aan de
Patamaca.

XII. HOOFTSTUK.

Beschryving van Paramaribo, en van het Fort Zelandia.--De Grow Mouneck
of graauwe Munnik.--De West-Indische Abricoos-boom.--Verschillende
zoorten van Oranjeboomen.--De Colonel FOURGEOUD trekt naar de Rivier
Maroni.--Een Capitain word gewond, en eenige soldaaten gedood.--Vreemde
straf-öeffening in de hoofdstad.--Het Fort Sommelsdyk.--De wachtpost
van de Hoop.--Duiven en Tortelduiven.--Groenten en vruchten.--Jacht
en wildt.--Steenbakkery.--Insecten.


XIII. HOOFTSTUK.

Beschryving van eene Suiker-Plantagie.--Huisselyk geluk in
zekere hut.--Krygs-verrigtingen van den Generaal FOURGEOUD.--De
Duncane, Igname en Soubacou.--Wreedheden van zommige Opzigters der
Plantagiën.--Onderscheidene zoorten van visschen.--Misnoegen van
eenen Capitain der muitelingen.

XIV. HOOFTSTUK.

De Colonel FOURGEOUD keert naar Paramaribo te rug.--Het gevleugeld
en gewapend Water-hoen van EDWARDS.--Bewys van onkunde in
een Heelmeester;--van deugd in een slaaf;--van wreedheid
in eenen Bevelhebber.--De roode Wulp.--De Wesp, Marobonso
genaamd.--Orange-appelen en Limoenen.--De insecten, Chiques
genaamd.--Het krygsvolk begeeft zig weder naar de bosschen.--De
Kibry-Fowlo.--Verscheidene zoorten van wilde varkens.--Mieren.--De
dans van Loango.--De Toreman.--De Poelsnip van Guiana.--Plantains en
Bananes.--Manier om te visschen.--Visschen.--Vogelen.


XV. HOOFTSTUK.

Indianen, inboorlingen van
Guiana.--Voedzel,--Wapenen,--Cieradiën,--Optooisels,--Bezigheden,--
Vermaken,--Driften,--Godsdienst,--Huwelyken,--Begravenissen,
enz. van deeze Volken.--De Caraïbische Indianen in 't byzonder,
en hunne koophandel met de Europeanen.--Boomen, Heesters en Planten.

XVI. HOOFTSTUK.

Versterking van krygsvolk, uit Holland aangekomen.--De Goijava-boom,
en deszelfs vrucht.--Legerplaats by Maagdenberg aan de Tempaty
Kreek.--Verschillende zoorten van Aapen.--Een zeer maanzieke
Neger.--Eekhoorntje van Guiana.--Verscheidene zoorten van
boomen.--Hagedissen.--Bergen van mynstoffen voorzien.--Treffelyke
gezichten.--De Roucouboom.--Fraaije Kapel.--Palmloom--worm.

XVII. HOOFTSTUK.

Nieuwe wreedheden, nog onmenschelyker, dan alle de
voorige,--Verschillende zoorten van planten.--Papegaaijen en
Parkieten.--Surinaamsche Patrys.--Buitengewoone Insecten.--Geiten van
Guiana.--De Taïbo.--Verscheidene zoorten van visschen.--Groote sterfte
onder het krygsvolk, het welk zig op de posten aan de Tempaty-Kreek,
en de Commewyne bevond.


XVIII. HOOFTSTUK.

Een Tyger, op de legerplaats gevangen.--De Jaguar.--De Couguar.--De
Tyger-kat.--De Jaquarette.--Gevecht tusschen eenige afgezondene
manschappen der Sociëteit en de muitelingen.--Levens-manier van eenen
Surinaamschen Planter.--Verscheiden zoorten van visschen.--Besmettelyke
ziekten.--Zelfsmoord.

XIX. HOOFTSTUK.

Optocht van het Krygsvolk naar Barbacoeba, aan de Rivier Cottica.--De
Palmboom-kool en de Mauricy.--Heete koorts.--Trek van dankbaarheid in
eenen Engelschen Matroos.--Verscheiden zoorten van Peper.--Citroen-
en Limoen-boomen.--De Mammy-appel.--Pimpernooten.--Regeering in
Surinamen.--Honden van Guiana.--Ongemeene trek van edelmoedigheid.






ELFDE HOOFTSTUK.

Het krygsvolk keert naar de Wana-Kreek te rug.--De Pipa.--Gevecht
tusschen een Soldaat en een Slang.--De Fesant-vogel van Guiana.--De
Agamie of Trompetter.--De muitelingen trekken de legerplaats voorby;
men vervolgt hen te vergeefs.--Groot gebrek aan water.--Schranderheid
der Negers.--De zyde-plant.--Kevers en insecten.--Bergwerken.--Fraaije
Kapel.--Het krygsvolk koomt op den post van la Rochelle aan de
Patamaca.

Den 30sten November 1773, verliet al het krygsvolk den post van
Jerusalem, en men keerde naar de Wana-Kreek te rug, maar zonder juist
den weg te volgen, langs welken men gekomen was. De Colonel FOURGEOUD
herriep intusschen de eerst gegevene bevelen, en stond ons toe hutten
te maken, om onze hangmatten in dezelve te plaatsen. Wy hadden ons
dus weinig op dit stuk te beklagen; met de levensmiddelen was het
geheel anders gelegen.

Wy vervolgden onzen tocht, geduurende drie agter één volgende dagen,
met vry goed weder; maar alle morgen liet de Colonel my onbarmhartiglyk
wekken door eene schildwacht, die last had my niet te verlaaten,
eer dat ik hem antwoord had gegeven.

Den 3den, kwamen wy op nieuw by de Wana-Kreek aan: ik vleide my,
na eenen moeielyken tocht, met het doorbrengen van eenen gerusten
nacht myne krachten aldaar te zullen herkrygen; maar ik wierd als
naar gewoonte wakker gemaakt, en was in zulk een diepen slaap, dat
men my by den arm moest schudden, om my te doen ontwaaken. De Colonel
was in zijne hangmat gezeten, met een donderende stem zweerende, dat
hy allen, die zyne beveelen niet gehoorzaamden, zou doen ophangen,
of vierendeelen; en het bosch weêrgalmde eenigen tyd van zyn
geschreeuw. Daar op volgde eene diepe stilte, die ik wel dra door een
schaterenden lach afbrak: ik was de eenige niet; anderen voegden zig
by my, en de Colonel begon weder te brullen, zonder de stem van iemand
te kunnen onderscheiden. Hij wierd wonderbaarlyk geholpen door eene
groote padde, die men hier Pipa noemt. Dit dier huisvestte in de hut
van den Commandant, en kwaakte alle nachten op eene vervaarlyke manier.

De Pipa of Pipal gelykt, zoo men zegt, gedeeltelyk naar de kikvorsch,
gedeeltelyk naar de padden: hy is de grootste onder allen van dit
laatste zoort, die men in Zuid-America, en misschien in de weereld
vindt; hy is leelyk, met eene pokächtige huid van een donker bruine
kleur bedekt, en met onregelmatige en zwarte vlekken geteekend;
zijne agterpooten zyn plat, van een vlies voorzien, en de klauwen
zyn langer, dan die van de voorpooten; uit dien hoofde kan hy te
gelyk zwemmen en springen als een kikvorsch, een voordeel, waar door
hy van andere padden verschilt. Hij is een weinig grooter, dan een
gewoone eendvogel, wanneer die geplukt is. Zyn gekwaak, het welk hy
doorgaans niet dan des nachts laat hooren, is ongemeen sterk. Maar
het merkwaardigste in dit zoort van gedrocht is de manier, waar op hy
voortteelt: de jongen zyn besloten in een zoort van zak vol water, die
op den rug der moeder geplaatst is; aldaar word zy door het mannetjen
vruchtbaar gemaakt, en aldaar begint ook het aanzyn van de vrucht,
blyvende daar in tot het oogenblik, dat dezelve genoegzaam gevormd is,
om 'er te kunnen uitkomen. [1]

De padden zyn niet vergiftig, zoo als men doorgaans gelooft; men kan
'er zelfs huisdieren van maken. De heer ARSSCOTT heeft 'er jaaren
lang een opgevoed; [2] de Colonel FOURGEOUD bewaarde de zyne in zyn
hut, even als een huisdier, geduurende al den tyd, dat wy aan de
Wana-Kreek gelegerd waaren; en ik zelf heb langen tyd een kikvorsch,
als een huisdier gehouden.

Maar laaten wy tot myne hangmat, en myn dagverhaal te rug keeren. Het
gekwaak van deezen Pipal, dat van eene andere padde, die van het
ondergaan tot het opkomen der zon, aanhoudend riep touck, touck, touck;
het gebrul der tygers, dat der aapen, de schuiffeling der slangen,
en een aanhoudende regen, maakten deezen nacht zoo onaangenaam,
als somber: de opkomende dageraad echter deed my denzelven wel dra
vergeeten, en ik bevond my zoo wel en zoo te vreden, als men in de
bosschen van Guiana met mogelykheid zyn konde.

Den 4den, des morgens, ontdekte ik twee fraaije Powesas, op de takken
van eenen hoogen boom, die naby de legerplaats stond. Aan den Colonel
verlof gevraagd hebbende, om 'er een te schieten, weigerde hy my
zulks op eene ruwe wyze, onder voorwendzel, dat de vyand de schoot
van myn snaphaan zoude kunnen hooren; als of dezelve niet wist waar wy
waaren. Kort daar na echter, wanneer zig op den top van eenen anderen
boom een groote slang vertoonde, gaf de Bevelhebber, het zy uit vreeze,
het zy uit weerzin, last om op hem te schieten. Het dier, den schoot
ontfangen hebbende, viel op den grond, schoon nog volkomen levendig
zynde, en kroop dadelyk naar eene dikke doornhage by het magazyn. Ik
had hier gelegenheid, om de ongemeene onverschrokkenheid van eenen
soldaat op te merken, die de voetstappen van deezen slang zoetjens
agter na volgde, en hem van onder de struiken weg trok, beweerende,
door een zoort van bygeloovigheid, dat de beet hem geen kwaad konde
veroorzaaken: wat daar ook van zy, de slang, die meer dan zes voeten
lang was, verhief verscheiden malen den kop en het halve lyf, om hem
aan te pakken, maar de soldaat deed hem door vuistslagen nederbukken,
en eindelyk kloofde hy hem met zyn sabel in tweën; het welk een einde
aan het gevecht maakte.

Vreezende dat ik beschuldigd mogt worden, zoo aanstonds een nieuw
woord gebruikt te hebben, het geen voor myne lezers waarschynlyk
onverstaanbaar is, zal ik hun zeggen, dat de Powesas is de Fesant
van Guiana: het is een zeer fraaije vogel, byna de grootte hebbende
van een gewoone jonge kalkoen, waar mede hy door zyne pluimaadje,
en door den smaak van zyn vleesch veel gelykheid heeft. Zyne vederen
zyn van een schitterende zwarte kleur, uitgenomen onder den buik;
zyne pooten zyn geel, zyn bek insgelyks, uitgenomen aan de punt,
alwaar dezelve blaauw en boogsgewyze gekromd is. Hy heeft levendige
en schitterende oogen, en draagt een kuif van gekrulde vederen van
een glinsterend zwarte kleur, het geen hem eene onëindige fraaiheid
geeft. Deeze vogel kan niet ver vliegen; men maakt hem gemakkelyk tam;
men maakt 'er zelfs een huisdier van, en te Paramaribo verkoopt men ze
dikwils voor meer dan een guinie het stuk. Ik zal deeze gelegenheid
waarnemen tot het beschryven van eenen anderen vogel, die aan Guiana
byzonder eigen is, en Agamie door de Franschen, en Camy-camy in
Surinamen genoemd word. Hy is, even als de Fesant, ten naasten by van
de grootte van een jonge kalkoen, maar hy verschilt van dezelve in
gestalte en in pluimaadje. Zyn lyf, dat geen staart heeft, heeft de
gedaante van een ey; zyne vederen zyn zwart, uitgenomen op den rug,
alwaar hy grysächtig is, en onder de borst, alwaar zyne vederen, van
eene blaauwe kleur, lang zyn en nederhangen, als van den Reiger; zyne
oogen zyn schitterend, zyn bek is puntig, en van een zee-groene kleur,
zoo als ook zyne pooten, die hoog zyn, en eindigen met een klauw, waar
aan vier nagels zyn, drie van vooren, en één van agteren. Deeze vogel
draagt in dit Land gewoonlyk den naam van de Trompetter, uit hoofde
van een gezang, het welk hy dikwils doet hooren, en aan het geluid van
dit speeltuig gelykvormig is. Ik kan met geene zekerheid bepaalen,
van waar dit geluid koomt, maar zommige Schryvers beweeren, dat het
van de vorming van zyn bek voortkoomt. Onder al het pluimgedierte,
is de Trompetter het dier, het welk men gemakkelykst kan tam maken:
hy is de vriend der menschen, volgt hen, liefkoost hen, en schynt hun
dezelfde getrouwheid te bewyzen, als de hond: ik heb op verscheidene
Plantagiën 'er veelen gezien, welken men, even als de Powesas, tot
huisselyke diensten gebruikte, en met de kalkoenen en ander gevogelte
te zamen liet eeten. [3]

Den 6den, ontfing ik van Paramaribo zes kruiken rhum, waar van ik
'er vier aan den Colonel gaf.

Om zes uuren des morgens, gaven twee van onze slaven, die
Lacanus-boomen waaren gaan hakken, ons bericht, dat een hoop
muitelingen op den afstand van omtrent een myl van de legerplaats
was voorby getrokken; dat zy onder het bevel stonden van één hunner
Capitains, genaamd ARICO, met wien onze beide Negers aan den oever van
de Cermoetibo-Kreek gesproken hadden, maar dat zy niet konden zeggen,
welken kant de vyand genomen had, zoodanig waren zy verschrikt. Na
het bekomen van dit bericht kreegen wy bevel, om hen by het aanbreken
van den dag te vervolgen. Des anderen daags was mitsdien al het volk
ten vyf uuren gereed, en na een gedeelte van het zelve te hebben
agtergelaten, om de krygs- en mond behoeften te bewaaren, rigtten
wy onzen tocht naar de plaats, alwaar de muitelingen zig vertoond
hadden. Wy zagen hier een grooten palmboom, die op het water dreef,
en aan den anderen oever met koorden van heestergewassen was vast
gemaakt; het geen duidelyk te kennen gaf, dat ARICO en zyn volk de
Kreek waren overgekomen. Zie hier, hoe de Negers in zoodanig geval
eene Rivier overgaan: zy plaatsen zig, de één agter den ander,
op den dryvenden stam van den boom; zomtyds zelfs zetten zy hunne
kinderen en vrouwen daar op; en de beste zwemmers vergezellen hun,
en zyn hunne leidslieden.

Schoon de bewyzen van den overtocht der muitelingen duidelyk waaren,
trok de Colonel dezelve echter in twyffel, of liever hy beweerde,
dat het van hunnen kant slechts eene krygslist was: zy hadden eenige
manschappen, zeide hy, afgezonden, om den boom aan den oever vast te
maken, en ons te bedriegen.

Niemand was van dit gevoelen, maar alle redeneeringen der weereld
werkten daar tegen niets uit. Wy namen dus een weg, die recht het
tegengestelde was van den weg der muitelingen; namelyk wy trokken
oostwaarts, daar men hen naar den westkant had moeten vervolgen,
het geen de Jagers zekerlyk gedaan zouden hebben. In deeze eerste
richting gingen wy voort tot de aannadering van den nacht, schoon
men het brood vergeten had, en dat wy den geheelen dag geen enkelen
drop water hadden kunnen hebben, want wy trokken door zwaar zand
of Savanen. Na dat wy den weg een weinig rechts af genomen hadden,
riep een Neger uit, dat wy aan de Wana-Kreek naderden. Ik hoorde dit
met genoegen; en hem een kalabas en myn fles rhum gegeven hebbende,
verzogt ik hem derwaarts te gaan, om de kalabas met een mengzel van
rhum en water te vullen; maar hy maakte het te sterk, zig buiten
twyffel verbeeldende, dat het daarom beter zyn zoude. Ik had zulk
een zwaaren dorst, dat ik den drank in eens doorzwolg, zonder dien
te proeven; dit werkte zeer gezwind, want op het zelfde oogenblik
was ik naauwlyks in staat my overëind te houden.

Den 9den, na eenen vrugteloozen tocht, kwamen wy weder in onze
oude legerplaats te rug. De Neger SEPTEMBER, die ons volgde, gelyk
een herders hond de kudde volgt, wierd aldaar door den Colonel in
vryheid gesteld. In de daad hy was onvermoeid. Hy zelf doorwaadde
de Kreek, om 'er den westelyken oever van te bespieden. Des anderen
daags morgens, liet hy ons wederom onzen knapzak vullen, en geleidde
ons langs den zelfden weg, beweerende, dat hy den vyand eindelyk
agterhalen zoude. Vervolgens tot des avonds voortgetrokken zynde,
bragten wy den nacht in eene oude legerplaats der muitelingen door,
na den geheelen dag gebrek aan water gehad te hebben.

Den volgenden dag, trokken wy steeds voorwaarts, maar wy vonden nog
vyanden, nog water. De Officiers en soldaaten begonden te verzwakken,
en men droeg 'er reeds eenigen in hunne hangmatten. Het was in de daad
ondraaglyk heet; want wy waaren in het saisoen der droogte. In dit
uiterste deeden wy een gat graven van zes voeten diep, op welks grond
men een snaphaan afschoot; oogenblikkelyk kwam 'er een weinig water
te voorschyn; maar zoo modderig, dat het tot geen gebruik dienen konde.

Wy vervolgden onzen tocht, en sloegen ons neder op eene plaats, alwaar
de muitelingen voor deezen eenige Plantagiën bebouwd hadden. Het viel
hard, om geduurende den nacht de ongelukkige soldaaten over dorst te
hooren klagen. De Colonel echter bleef, tot den derden dag, 'er by,
om verder voort te trekken, in de hoop van eenige kreek of beek te
ontmoeten, en den algemeenen dorst te lesschen. Maar hy wierd in
zyne verwagting bedrogen; want den 12den, tot op den middag door de
brandende zand-woestynen heen getrokken hebbende, bezweek hy zelf met
veele anderen, die door een aanhoudenden en verteerenden dorst waaren
ter neder geslagen. Het was nog een geluk voor ons, dat de muitelingen
ons in deeze gesteldheid niet aantastten. Het was ons ondoenlyk geweest
den minsten tegenstand te bieden: de grond was bezaait met elendigen,
die door eene brandende koorts gefolterd wierden. De Colonel zelf
was hopeloos; zyne tong verdroogde in zyn mond, en zyne lippen waaren
geheel zwart; zulk een bitter lyden verduurde hy. In deezen staat konde
ik, hoe weinig hy het ook verdienen mogt, myn mededogen niet weigeren.

Intusschen aten eenige soldaaten by aanhoudenheid van hun gezouten
varkens-vleesch; anderen trokken elkander vier aan vier voort, en
zogten eenige droppelen daauw, op bladeren van boomen verspreid. Wat
my betreft, ik ondervond tans, voor welken yver een Neger, die door
zynen meester wel behandeld word, vatbaar is. In deeze algemeene
behoefte, bood de myne my een kalebas vol water aan, zoo goed als
ik het in myn leven gedronken heb. Het was niet dan met de grootste
moeite, dat het hem gelukte dit water van de bladen van eenige wilde
pynboomen te haalen: zie hier, hoe deeze bewerking geschied.

Men houdt de plant in de eene hand, en in de andere een sabel of mes,
waar mede men de plant beneden de bladen afsnydt. Vervolgens plaatst
men onder de opening een kalebas of een glas, en het water loopt
'er zuiver, fris, en zomtyds in eene groote hoeveelheid in. De bladen
van de plant, dit water in het regen-saisoen opvangende, brengen het
door derzelver canaalen als in een vergaarbak. Zommige Negers vonden
ook gelegenheid om door middel van water-willigen hunnen dorst te
lesschen; maar dit was voor eene door dorst versmagte krygsbende
niet voldoende. De water-willige is een zeer sterk heester-gewas,
zynde een zoort van wynstok, en alleenlyk in zandige landstreeken
groeiende: men snyd dezelve met den sabel in langwerpige stukken,
en dadelyk neemt men 'er een in den mond. Deeze plant verschaft op
die manier een frisschen, aangenaamen en gezonden drank, die in de
brandende bosschen van Guiana van groote nuttigheid is.

De Voorzienigheid my dit hulpmiddel gelukkiglyk hebbende toegezonden,
konde ik myne eerste gemoeds-beweging niet wederstaan, en ik deelde
'er den Colonel van meede, wiens ouderdom en zwakheden ten zynen
voordeele spraken. Hy wierd 'er door verkwikt, en vervolgens besloot
hy, om langs zynen ouden weg te rug te keeren, zonder eenige hoop om
den vyand te agterhaalen: het volk was zoo afgemat, dat men verscheiden
soldaaten dragen moest. Als een laatste hulpmiddel, zond de Bevelhebber
toen eenen Neger uit de Volkplanting de Berbices, genaamd GAUSARIE,
af, om geduurende onzen te rug tocht moeite tot eenige ontdekking te
doen. Den zelfden weg hernomen hebbende, kwamen wy op eenen korten
afstand van de put, welke wy des avonds te vooren gegraven hadden. In
de gedachten zynde, dat dezelve tans helder water in zig bevatten
moest, zond ik mynen Neger QUACO derwaarts, om eene van myne flesschen
te vullen, eer dit water troebel gemaakt wierd; en dit deed hy. Maar,
toen hy daar mede naar my te rug kwam, ontmoette hy den Colonel, die
met zyn snaphaan de fles in stukken sloeg, en aan twee mannen bevel
gaf, om zig als schildwachten by de put te plaatsen, willende het
water voor zig zelven, en voor zyne vrienden bewaren. Dewyl echter
in zulk eene omstandigheden de onderwerping ophield, bukten de beide
schildwachten in de put, met het hoofd naar beneden. Hun voorbeeld
wierd oogenblikkelyk door verscheidene andere soldaaten gevolgd, en
dit water veranderde wel dra in eene modderpoel, die tot niets meer
dienstig was. Na dat wy onze hangmatten aan boomen hadden opgehangen,
verdeelde men onder ons allen, zonder onderscheid, een weinig van
zekeren sterken drank, genaamd kill-devel; maar ik dronk nimmer daar
van, en liet myn aandeel voor mynen getrouwen QUACO. De Colonel dit
vernomen hebbende, liet hem het glas uit de handen rukken, om het geen
er in was, weder in de kruik te gieten, my toevoegende: "dat vermits
ik van dien drank niet dronk, ik 'er niet van hebben moest." Ik was
verontwaardigd over zyne ondankbaarheid; en den zelfden avond een
volle fles van dit zoort van drank gevonden hebbende, gaf ik die aan
mynen Neger.

Omtrent middernacht ontdekten wy, by toeval water. Onuitspreeklyk
verkwikkend was dit voor ons! het verdiende den voorrang boven den
besten wyn: ik zal nooit vergeeten, met welk genoegen ik 'er van
dronk. Ieder leschte zynen dorst naar wensch; en de Colonel liet
toen een groot vuur aanleggen, om zyne avond-maaltyd gereed te maken;
maar hy verbood, aan wien 't ook wezen mogt, dit insgelyks te doen. Hy
stond zelfs niet toe om een stok te snyden, en men was dus genoodzaakt
het gezouten ossen en varkensvleesch rauw te eeten. Myn aandeel aan
een zoort van wandelstokjen geregen hebbende, kroop ik zachtkens
naar het vuur van den Bevelhebber, om aldaar dit vleesch te braden;
intusschen maakte de Neger, die hem tot kok diende, my zeer spoedig
willende helpen, eenig gerucht, en deed hem ontwaaken; maar ik, om
te beletten, dat hy my niet zag, pakte my weg, na myn stuk vleesch
in zyne ketel geworpen te hebben.

Na verloop van eenige minuuten, wende hy voor, dat men in weêrwil
zyner beveelen hout gesneden had. Ik vernam dit, en vreezende dat
hy eenig geweld mogt aanrechten, begaf ik my zachtkens naar zyne
hangmat, en verzekerde hem, dat al het volk in diepen slaap was. Hy
veinsde my niet te herkennen, en my by de hairen nemende, gaf hy
een verschrikkelyken gil. Het gelukte my hem te ontsnappen, en my in
veiligheid te stellen; echter riep hy uit: "schiet op hem! schiet op
hem!" het welk onze geheele legerbende vermaakte. Mynen Neger gevonden
hebbende, liet ik hem dadelyk myn eeten haalen; hy ging in alleryl
derwaarts, en bragt my een stuk ossen-vleesch weêrom, het welk tien
maalen grooter was, dan het geen ik gegeven had; ik bewaarde het,
en had het genoegen, om 'er de ongelukkige slaven op te onthaalen:
dus eindigde deeze elendige dag.

Den 13den, kwamen wy weder aan de Wana-Kreek. Wy waren, door zoo veel
nutteloos lyden, onuitspreekelyk vermoeit.

Alhier onthaalde de Colonel zyne vrienden op myn rhum, en in myne
tegenwoordigheid, maar zonder my een enkelen droppel 'er van aan te
bieden. Ik vond op deeze zelfde plaats een brief, gedagteekend uit
Ceylon, in de Oost-Indiën: deeze was aan my gezonden, door één myner
naastbestaanden, den heer ARNOLDUS DE LY, Gouverneur van Punta de
Galo en Matury, die my nodigde om by hem te komen, en my verzekerde,
dat myn fortuin dan gemaakt zoude zyn. Myn kwaade planeet gedoogde
dit niet; ik oordeelde my zelven onëer aan te doen, met in zoodanig
tyds-gewricht den dienst te verlaten.

De Neger GAUSARIE kwam den 14den te rug, en verklaarde niets gezien
te hebben.

Den 15den, werd eenig krygsvolk, bestaande uit twee Capitains, twee
Lieutenants, en vyftig soldaaten, naar de Rivier Maroni afgezonden,
om aldaar den Capitain FREDERIK op te zoeken, die, aan het hoofd van
vyftig andere manschappen, den 20sten der laatst voorgaande maand
vertrokken was, en van wien men niet meer had hooren spreken, het
geen groote bekommering veröorzaakte.

De wachtpost van Vrydenburg, aan de Maroni, bestaat in een vierkant
stuk grond, bedekt met huizen van Latanus-boomen hout gebouwd,
waar van de bosschen van Guiana overvloeijen, en met goed paalwerk
omringd. 'Er is een wacht aan de buiten-kant, en aan de vier hoeken
vier schilderhuizen voor de schildwagten. Deeze post, door verscheide
stukken geschut verdedigd, is in het midden van een ledig plein gelegen
aan de oevers der Rivier, alwaar men ook een vlag ziet. Dezelve heeft
gemeenschap met de Fransche wachtpost aan de overzyde, en beide leggen
op een korten afstand van den mond der Maroni. Om daar van een juister
denkbeeld aan den lezer te geven, heb ik dezelve afgeteekend, gelyk
mede die van de Wana-Kreek, welke, schoon aangenaam voor het gezicht,
nier minder doodelyk was voor een groot aantal van ons volk.

In de afteekening der Wana Kreek worden de drie legerplaatsen
onderscheidentlyk vertoond. Aan beide zyden, ziet men die van den
Colonel FOURGEOUD, en van wylen den Major RUGHCOP; in het midden, en
lynrecht in 't gezicht van den mond deezer Kreek, is de legerplaats
der Neger-Jagers.

Den gemelden 15den, liet men vaartuigen vertrekken, om de zieken weg
te brengen, en krygsbehoeften aan te voeren. De geheele legerbende
wierd toen door eene zwaare ziekte, een roode loop, aangetast, die
een groot getal menschen in 't graf sleepte. Al wat wy doen konden,
bestond daar in, dat wy, op hoop van goeden uitslag, braak- en andere
geneesmiddelen aan de zieken toedienden: wy hadden geene Chirurgyns; zy
waaren allen in de hospitaalen aan de Commewyne of op Paramaribo bezet.

De arme slaaven vooral verwekten deernis. Zy waaren, zoo als ik gezegd
heb, op eene halve portie eeten gezet, en zedert omtrent twee maanden,
leefden zy van kool van palmboomen, graanen, en wilde wortelen:
hier aan moet men de besmetting toeschryven, die de legerbende
verwoestte. Deeze ongelukkige Negers waren zoo uitgehongerd, dat zy
koorden of banden van heestergewassen om hunne lendenen bonden, volgens
de gewoonte der Indianen, die zig op deeze wyze den buik toebinden,
wanneer hen de honger kwelt, en welke vermeenen of zig inbeelden,
dat het lyden door de drukking minder word. Ik ontsnapte echter,
met eenige anderen, aan de besmetting; maar ik was buiten staat om
te gaan, uit hoofde van eene zwaare zwelling aan één myner voeten,
een ongemak, het geen men hier consaca noemt, en zeer gelykvormig is
aan het geen wy in Europa onder den naam van bevriezing kennen, en
het welk eene groote jeukte veröorzaakt, vooral tusschen de vingers,
waar uit water zypert.

De Negers zyn aan dit ongemak zeer onderworpen; zy geneezen het zelve,
door een citroen- of limoen-schil, zoo heet, als zy die veelen kunnen,
op de huid te leggen.

Ik heb dikwils reden gehad, om van onze mondbehoeften te spreken,
welke bestonden in gezouten ossen- en varkens-vleesch, en in bischuit,
waar van men ons alle vyf of zes dagen onze portie toedeelde. De twee
eersten hadden, na hun vertrek uit Ierland, misschien reeds de weereld
rond gereisd. Zy waren toen zoo groen, zoo slymerig, zoo stinkend,
en zomtyds zoo vol wormen, dat ik ze op andere tyden niet in myn maag
zoude hebben kunnen verdragen.

Ik gaa tans over tot ons reistuig. Deszelfs beschryving zal my niet
veel tyd kosten; want het bestond, voor elken Officier, slechts in
een koffer, of vierkante kist, waar in hy zyn linnen, zyn verschen
voorraad, en zyn sterken drank, wanneer hy die had, wegsloot. Deeze
kisten dienden ons tevens tot stoelen en tafels in het veld: op de
tochten, droegen de Negers dezelve op hun hoofd. Ik moet bovendien
aanmerken, dat wy na zes uuren des avonds nooit vuur hadden; wy kenden
dan alleenlyk het maanlicht, het welk voor ons eene zeer treurige
vertooning maakte.

Ik had noch bord, noch schotel, noch lepel, noch vork: de kalebas van
eenen Neger vervulde my de plaats van de twee eerstgemelde. Zelden
had ik een vork van nooden, en nog minder een lepel. In plaats van
dezelve, bediende ik my van een breed omgebogen blad, zoo als de
Slaven doen. Elk droeg een mes in zyn zak. Ik trachte eindelyk my
een lamp te maken van een gebroken fles; ik deed daar in een weinig
varkens-vet in plaats van oly, en ik scheurde een stuk van myn hembd,
om 'er een lemmet van te maken. De nood, zegt men, maakt vernuftig,
en in zulk een staat als de onze valt men niet kiesch. In de daad,
indien ik op dit oogenblik gehad had, het geen ik in voorige tyden
wegsmeet, zoude ik God gedankt hebben.

Van vernuft sprekende, moet ik niet vergeten het fraay mandwerk,
het welk de Negers in groote meenigte in het veld maakten. Ik maakte
dit zelf ook, volgens hunne onderrigtingen, en ik zond 'er een aantal
van ten geschenke aan myne vrienden op Paramaribo. Het word gemaakt
van een zoort van houtachtig en sterk koord, het welk men in den
bast van den kool-boom vindt. Die men tot het quadrille-spel maakt,
zyn zeer fraay. Andere zyn geschikt om 'er vrugten en groenten in te
bewaaren; men vlegt dezelve met een zoort van biezen, warimbo genaamt,
welke men splyt, en 'er de merg uit haalt. Men maakt ze ook vry goed,
met dunne koorden van heestergewas. De Negers maken ook fraaye netten
van een zoort van zyde plant.

Het is een zoort van Aloë, die in de bosschen groeit. De bladen 'er
van zyn getand, stekelachtig, en bevatten, over derzelver geheele
lengte, kleine witte vezelen, welke men even als de hennip slaat, en
laat rotten. Deeze vezelen dienden ons om touw te maken, veel sterker
dan eenig touw in Europa. Het zoude zeer geschikt zyn voor de schepen,
maar het is aan eene zeer schielyke verrotting onderhevig. Dit zoort
van hennip gelykt zoo sterk naar de witte zyde, dat de invoer daar
van in verscheiden Landen verboden is, uit vreeze dat men 'er by
verkoop bedrog mede plegen zoude. De Indianen noemen deeze plant
curetta, en in Surinamen noemt men ze doorgaans Indiaansche zeep;
zy schynt dezelfde te zyn, als de zeepboom, om dat ze eene zachte
zelfstandigheid voortbrengt, welke even als de gewoone zeep tot
wassching dient, en door de Negers en verscheiden inwooners tot dit
einde gebruikt word. Men vind ook in de bosschen een andere zoort van
plant van dezelfde gedaante als deeze, welke de Negers baboun knify
(apen mes) noemen, en die het vleesch tot op het been doorklieft. Ik
heb 'er zelf de proef van genomen, maar zonder nadeelig gevolg.

In het tydstip, waar van ik tans spreek, hadden alle de soldaaten
gebrek aan koussen, schoenen en hoeden. De Colonel, om een voorbeeld
van lydzaamheid te geven, en morringen voor te komen, liep een geheelen
dag blootsvoets voor het volk uit. Ik had hier in een voorrecht boven
alle anderen. Myne gewoonte, om zonder koussen of schoenen te gaan,
had my de huid verhard. 'Er was toen onder ons volk geen enkele,
die een lid aan zyn lichaam had, dat volmaakt gezond was: het gebrek
van zindelykheid was 'er voornamelyk oorzaak van; zulks verwekte zeer
dikwils zweeren, welke aan hun, wien men in tyds de afzetting niet
doen konde, den dood veroorzaakten. Deeze waaren de kwaalen, waar
mede wy te worstelen hadden, maar hoe groot die ook waren, zy waren
slechts de voorloopers van de geene, die ons nog te wagten stonden.

Ik ontfing toen een beste ham en een douzyn flessen Porto-wyn, welke
de Capitain VAN COEVERDEN my zond. Ik hield 'er vier van, welke ik
met de andere Officiers uitdronk, en gaf de overige aan den Colonel,
die door vermoeing uitgeput was. Des anderen daags, den 29sten, had ik
de eer het bevel te ontfangen over eene wacht, benevens den Capitain
BORGNES, en veertig mannen, om pogingen te doen tot het vangen der
Negers, welke drie weken te vooren de Kreek waren overgetrokken.

Na de Rivier in een vaartuig afgezakt te zyn, en in het zelve vaartuig
den nacht te hebben doorgebragt, stapten wy des anderen daags morgens
aan land, en trokken noordwest-waarts voort; maar geen kompas hebbende,
verdwaalden wy wel dra van onzen weg. Eene groote Savane doorgetrokken
zynde, hingen wy onze hangmatten aan den kant van een dik en eenzaam
bosch op. Den 31sten, vervolgden wy den zelfden weg, in de hoop van
aan de boomen de kenbaare teekens van den doortocht van eenigen van ons
krygsvolk te zullen ontdekken. In een moeras gegaan zynde, waadden wy
daar in tot op den middag, hebbende zomtyds het water tot aan de kin,
en zynde in gevaar van te verdrinken: eindelyk geheel doorweekt, en
onze kleederen aan flarden zynde, waren wy genoodzaakt langs onzen
ouden weg te rug te keeren. Na een gedwongen marsch, hielden wy op
nieuw halte aan de oevers van de Cormoetibo-Kreek. 'Er viel zulk een
zwaare regen, dat ik my niet herïnnere immer een zwaarer gezien te
hebben: dezelve duurde den geheelen nacht, en veröorzaakte zoo veel
verwarring en wanörde door de overyling, waar mede zig elk van eene
schuilplaats voorzag, dat ik eene kneuzing aan het hoofd kreeg. Ik
ging niettemin voort, met my spoedig eene verblyfplaats te bezorgen,
en ik was de eerste in myne hangmat, waar boven ik een overdek van
bladeren maakte; omtrent onder dezelve, leide ik een goed vuur aan,
en viel in diepen slaap te midden van den rook, die my voor het
steeken der muggen bewaarde.

Van insecten sprekende, moet ik niet vergeten, dat deezen avond een
Neger, die droog hout was gaan zoeken, my tot myne groote verwondering,
een Kever aanbood, die niet minder dan drie of vier duimen lang,
en meer dan twee duimen breed was. Men noemt hem in Surinamen den
Rinoceros, uit hoofde van zyn Olyfants snuit, die omgebogen en
gespleeten is, en de dikte heeft van een groote ganzen veder. Dit
dier heeft op den kop verscheide harde en gladde verhevenheden; hy
heeft zes ledematen; zyne vleugels zyn breed, en zyn geheele lyf is
volmaakt zwart: hy is de grootste van alle de Amerikaansche Kevers.

'Er is ook in Guiana een ander insect van dit zoort, genaamd het
vliegend Hart, uit hoofde van zyne hoorns, die naar de hoornen van
een hart gelyken: beiden vliegen met een ongemeen gebrom, en zyn zoo
sterk, dat weinige vogelen hen durven aanpakken. Een der grootste
ongemakken, die wy in het bosch ondervonden, wierd veroorzaakt door
een vlieg, zoo groot als een bye, en wier steek byna even geducht
is. Ik kan dezelve niet beter vergelyken, dan by het diertjen, dat
wy in Engeland de Vlieg-Spinnekop noemen.

Na zes of zeven uuren lang, in weerwil van den regen, de rook, de
muggen, en myne bekomene kneusing, vast geslapen te hebben, ontwaakte
ik zeer verfrischt ten vyf uuren des morgens, en ten zes uuren traden
wy het jaar 1774 in, vaarende langs den oever der Cormoetibo-Kreek
tot op den middag, wanneer wy in de algemeene legerplaats aankwamen,
aan den mond van de Wana-Kreek, na een zeer nutteloozen tocht, als
naar gewoonte.

Den 3den, zagen wy, tot ons groot genoegen, den Capitain FREDERIK
wederom, met zyne krygsbende, die eenen Neger, CUPIDO genaamd,
gevangen met zig bragt. De Capitain verhaalde ons, dat een arme
soldaat van 's Compagnies krygsvolk, ter dood veroordeeld zynde,
vergiffenis van hem ontfing, op het oogenblik, dat hy op de kniën
lag om doodgeschoten te worden, en dat de ontsteltenis, die hem zulks
veroorzaakte, hem het verstand deed verliezen.

De Colonel FOURGEOUD, toen besloten hebbende deezen veldtocht te
eindigen, zond eene krygsbende van zestig mannen vooraf, om naar de
Patamaca-Kreek op kondschap uit te gaan.

Ik waschte nu myn hembd in de Wana-Kreek: dit was het laatste dat ik
had, en ik was verpligt my te baden, tot dat het droog was. Ik had
naar Paramaribo om ander linnen geschreven; maar myn brief kwam niet
te recht, en alles, wat ik had medegebragt, was aan flarden.

Den 4den January, des morgens ten tien uuren, waaren wy gereed om op te
breken. De zieken in vaartuigen naar Devil's Harwar gezonden hebbende,
staken wy eindelyk de Cormoetibo-Kreek over, en wy trokken regelrecht
zuidwaarts aan, om de Patamaca te bereiken. Op onzen tocht trokken
wy voor by steile bergen, met steenen bedekt, en met myn stoffelyke
zelfstandigheden bezwangerd. De ligging deezer bergen, die niet
meer dan twintig mylen van den Oceaan gelegen zyn, wederspreekt de
waarneemingen van Dr. BANCROFT, die beweert, dat men dezelve in dit
Land niet ziet, dan op den afstand van meer dan vyftig mylen van de
Zee. Des avonds sloegen wy ons neder aan den voet van eenen anderen
zeer hoogen berg, alwaar wy een kleine beek van goed water en Latanus
boomen vonden, het geen voor ons twee gewichtige punten uitmaakte. Het
was in de daad merkwaardig, en zelfs zeer fraay, een soort van stad van
boomloof te zien, die zig in een uur verhief op een grond, alwaar te
vooren niets was. Een oogenblik daar na waaren de vuuren aangestoken:
de een kookte 'er zyn eeten op, de ander droogde 'er zyne kleederen by.

Deezen nacht echter wierd het geheele leger aangetast door een loop,
veroorzaakt door het water, het welk wy hier dronken. Dit water,
schoon zeer helder, bevatte zoo veele myn-stoffelyke zelfstandigheden,
dat het den smaak van Bath- of Spa-water had. Deeze omstandigheid
alleen is genoeg ter aanwyzing, dat men in deeze bergen metaalen
vinden zoude, indien de Hollanders de noodige kosten doen wilden, om
'er in te delven.

Den 5den, vervolgden wy onzen tocht steeds over de bergen, waar van
zommigen zoo steil waren, dat verscheide Slaven met hunne pakken niet
kunnende opklauteren, dezelve tegen den grond wierpen en wegliepen,
niet naar den vyand, maar naar hunne meesters, die hun dit ligtelyk
vergaven: anderen rolden met pak en zak van boven neder.

Des avonds van dien zelfden dag, vonden wy onze huisvesting gereed,
en wy besloegen de hutten, die men had laten staan, na BONNY en zyn
volk op de vlucht gedreven te hebben. In de myne vond ik nog een
zoort van kaars, die vry aartig gemaakt was van wasch van wilde byën,
en het gedroogd merg van biezen.

De wooning van BONNY had zeer veel gemak; zy was met paalwerk omringd,
en bestond uit vier zeer nette vertrekken. De Colonel nam aldaar
zyn intrek.

Den 6den, scheen al het volk uittermaten vermoeit te zyn. De Colonel
gelastte dienvolgende een dag halte te houden; alleenlyk zond hy den
Capitain FREDERIK, wien het Land 't best bekend was, met zes mannen
af, om de oevers van de Claas-Kreek op te zoeken, zynde een zoort
van vlietend water, het geen zynen oorsprong neemt op de plaats,
alwaar wy ons bevonden, en in de Cottica uitloopt. Naauwlyks waren
zy vertrokken, of de oogen van den Colonel by toeval op my gevallen
zynde, gelastte hy my om hen alleen te volgen, en hem bericht te komen
brengen, van het geen ik aan de overzyde van den oever ontdekken
mogt. Ik haalde weldra de afgezondene manschappen in, en na eenige
oogenblikken te zyn voortgetrokken, slonden wy tot onder de armen
toe in 't water. FREDERIK gaf toen bevel om te rug te trekken, maar
ik verzogt hem, om naar my te wagten; waarna ik, mijne kleederen
uitgetrokken, en myn sabel tusschen de tanden genomen hebbende, de
Kreek al zwemmende overstak; aan de overzijde gekomen zynde, ging ik
daar een wyl langs; niets vindende, kwam ik te rug op dezelfde manier,
en wy kwamen wederom op de legerplaats.

Op den middag, deed ik bericht aan den Colonel, die my voorkwam
over deeze hoopelooze daad, welke hy niet verwagt had, verwonderd
te zyn. En ik was het niet minder, wanneer hy my by de hand vatte,
en aan zynen kamerdienaar gelastte, om my een fles wyn en een stuk
ham te brengen. Men zal het misschien naauwlyks kunnen gelooven;
maar het een was zuur, en het ander bedorven: het geschenk egter van
gelyken aart, het welk ik hem gegeven had, was gezond en gaaf. Zulk
eene laagheid veröntwaardigde my dermaten, dat ik boos opstond,
en hem verliet, hem, zyn knecht, zyn wyn, zyn vleesch, en stinkende
wormen. Ik stilde mynen honger met een stuk bischuit en drooge visch,
die ik van een Neger kogt.

Den 7den January, trokken wy weder voort. Den zelfden dag vong ik
één van die fraaije kapellen, waar van ik, by het verhaal van mynen
tocht naar de Cottica, gesproken heb. Ik zal tans voortgaan met
hem te beschryven, schoon ik zyn naam niet weet. Van het eene einde
zyner vlerken tot aan het andere, was hy by de zeven duimen breed;
alle waaren zy van eene zoo levendige en schitterende blaauwe kleur,
dat dezelve gelyk stond met het hemelsblaauw op eenen schoonen dag;
deeze vlerken pronkten met een rand van eene bruine kleur met witte
vlakken. Ik kan niet nalaaten hier te herhaalen, dat deeze kapel, op
het groene loof der boomen huppelende, door zijne schitterende kleur
en grootte eene treffende uitwerking deed. Zoo ik my niet bedrieg,
behoort hy tot het zoort der Danaï van LINNAEUS. Ik heb zyn popjen
niet gezien; maar zyne rups, die van eene geelachtig gryze kleur is,
is zoo dik als de vinger van een mensch, en meer dan vier duimen
lang. Het is onbegrypelyk, van hoe veele verschillende zoorten
van kapellen de bosschen van Guiana overvloeijen. Zommige lieden,
die 'er een kostwinning van maken, met dezelve te vangen, winnen
'er veel geld mede. Na ze in kleine papiere doosjes met spelden te
hebben vast gemaakt, zend men ze naar verscheidene kabinetten van
Europa. Doctor BANCROFT zegt, dat om ze gaaf te houden, men ze met
terpentyn moet aanraken; maar het is genoeg, dat men in de doos,
waar in deeze insecten leggen, een stuk campher vast maakt.

Deezen avond lagen wy op eenen kleinen afstand van de Patamaca-Kreek
gelegerd. Wy vonden aldaar eene arme Negerin, die bitterlyk schreide,
en als eene offerhande, aan den voet van eenen boom, waar onder
het lyk van haaren man begraven was, eenige eetwaaren nederleide,
en water plengde. Deeze man had in eenen slag tegen de Europeanen
het leven verloren.

De Capitain FREDERIK en ik, in eene zandwoestyn, in den omtrek der
legerplaats, wandelende, ontdekten hier de pas gezette voetstappen
van eene groote tygerin, met haar jong, in welk oogenblik dit dier
zeer verslindend is. Wy begrepen dus, dat het voorzichtig was te rug
te keeren. Ik nam de maat van den voet der moeder: dezelve was byna
zoo groot als een gewoone tinne schotel.

Na een tocht van eenige uuren, kwamen wy des anderen daags morgens
eindelyk op den post van la Rochelle, aan de Patamaca. Wy waren mager,
uitgehongerd, zwart geworden, verbrand, ongekleed, de meesten zonder
schoenen en hoeden, en in een staat, zoo als men nimmer iets dergelyks
gezien heeft. Ik had zelf niet meer dan de helft van myn lange broek,
en myn eenigste hembd hing gescheurd aan malkander. Wy vonden op
deezen post eene kleine bende van elendelingen, gereed om het bosch,
het welk wy verlieten, in te gaan, en die bestemd waren, om, even
als wy, alle de elenden, die menschelyke schepfels verduuren kunnen,
door te staan. Ik heb reeds van verscheidene ziekten gesproken, als
van verschillende zoorten van rooden uitslag, van, rotkoortsen, van
galkoortsen, van verharde gezwellen, van rooden loop, waar aan men
in deeze luchtstreek is bloot gesteld. Ik heb gezegd, hoe zeer men
aldaar geplaagd word door muggen, pattat en scrapat-luizen, mieren,
wilde byen, heestergewassen en doornen in de bosschen; hoe zeer men
aldaar te vreezen had voor de kaymans en de pery in de Rivieren;
hoedanig het gesuiffel der slangen, het gebrul der tygers was;
welke zandwoestynen, welke diepe moerassen wy doortrokken; welke
heete dagen, welke vochtige en koude nachten, welke vreesselyke
slagregens wy doorstonden; welk slecht en slap voedzel men ons gaf;
en de lezer staat buiten twyffel verstomd, dat iemand zulke wreede
beproevingen heeft kunnen, overleven. Hoe lang die lyst ook zy,
verklaar ik egter, dat ik, uit vreeze van langwylig te worden,
een gebrek, waar aan ik misschien reeds schuldig ben, veele andere
onheilen, die ons drukten, heb overgeslagen. Ik zoude nog hebben
kunnen spreken van een onëindig getal kleine slangen, hagedissen,
scorpioenen, sprinkhaanen, spinnekoppen, wormen, duizendpooten,
en zelfs vliegende luizen, waar van de reiziger gevaar loopt om elk
oogenblik van één gereten of gestoken te worden; maar ik bewaar die
beschryving tot eene andere gelegenheid.

Men zal zig een denkbeeld kunnen vormen van, den honger, die ons
by onze komst alhier verslond, wanneer ik verhaald zal hebben, dat
ik eene Negerin gezien hebbende, die van zekere groove spys haare
maaltyd hield, haar een halve kroon toewierp, de schotel uit haar hand
rukte, en het geen 'er op was met meer smaak opslokte, dan ik immer
de lekkerste spys bereiding genuttigd heb. Ik deed tans den Colonel
FOURGEOUD opmerken, hoe aangenaam het zyn zoude, wanneer hy zyne overig
zynde soldaten op groenten, versch ossen- en schapen-vleesch onthaalde,
zoo wel als dat hy hun van koussen, schoenen en hoeden voorzag; maar
hy antwoordde my, dat de lekkernyen van Capua het leger van HANNIBAL
bedorven hadden; hy scheen my toe in het begrip te staan, dat zy,
die als hoopeloozen vechten, menschen zyn, die 't leven moede zyn.

Den 11den, kwam het krygsvolk aan, het welk de Wana-Kreek een dag voor
ons verlaten had; en, als naar gewoonte, hadden zy niemand gevangen
genomen, noch zelfs gezien.

Den 12den, kwam één der muitelingen met zyn wyf, aan den post
van la Rochelle, en zy gaven zig aan den Bevelhebber vrywillig
over. Den zelfden dag kreeg ik verlof, om, wanneer ik het verkoos,
naar Paramaribo te gaan, om my te herstellen. Ik was over dit
verlof verblyd, en maakte my met eenige andere Officiers gereed om
te vertrekken. Wy lieten den Colonel agter ons aan het hoofd van
eene krygsbende, waar van de beste uit den hoop een Pagters kar in
Engeland ontcierd zoude hebben. Eindelyk kwam het verlangde uur, en
ik was de vyfde, die in een overdekt vaartuig trad, het welk door zes
roeiers wierd voortgeroeit, om my naar de hoofdstad der Volkplanting
te begeven. Ik was steeds welvarende, wel gemoed en vol vreugde.

Ik vond op Devil's Harwar eene kleine bezending van thee, koffy,
beschuit, boter, suiker, limoenen, rhum, en twintig flessen goeden
wyn, die myne vrienden van Paramaribo my naar den post van la Rochelle
toezonden. Ik zond dezelve niet te rug, en in weerwil der onwaardige
behandelingen van den Colonel, maakte ik 'er hem een geschenk van,
uitgenomen echter twaalf flessen, die wy, op de gezondheid onzer
vrouwen of minnaressen, in het vaartuig uitdronken. Ik konde my niet
wederhouden den Bevelhebber te beklagen, wiens ouderdom (hy was een
man van by de zestig jaaren,) en werkzaamheid, in allen gevalle zeer
veel achting verdienden. Schoon hy op deezen, tocht zeer weinige
muitelingen had gevangen genomen, had hy echter het bosch van de
Commewyne tot den mond der Wana-Kreek gezuiverd; hy had de vyanden
uit één gedreven, hunne wooningen vernield, hunne velden verwoest,
en alle hereeniging van de verschillende partyen der muitelingen belet.

Wy kwamen den 13den des avonds op de Plantagie myn Genoegen, alwaar
wy de avond maaltyd hielden. Van daar zetteden wy onze reize dag
en nacht voort, onzen tyd met zingen en lachen doorbrengende,
tot den 15den op den middag, wanneer wy, onder begunstiging van
het vallend water, aan het Fort Amsterdam aankwamen. Vervolgens de
Rivier oversteekende, stapten wy aan land voor het huis van den heer
DELAMARE, te Paramaribo. Ik bleef in 't eerst aan den oever staan,
alwaar een groot getal myner vrienden my omärmden, en my met myne te
rug komst in de stad geluk wenschten.

Myne eerste zorge was, om myne geliefde JOANNA te laten haalen, die,
toen ze my zag, in traanen weg smolt: dit was zoo wel uit vreugde dat
ik nog leefde, (men had gezegd, dat ik dood was,) als uit aandoening
over den deerniswaardigen staat, waar in ik my bevond. Dus eindigde
myne tweede veldtocht, waar van het verhaal dit Hooftstuk besluiten
zal.



TWAALFDE HOOFTSTUK.

Beschryving van Paramaribo, en van het Fort Zelandia.--De Grow-Mouneck,
of graauwe Munnik.--De West-Indische Abricoos-boom.--Verschillende
zoorten van Oranje-boomen.--De Colonel FOURGEOUD trekt naar de Rivier
Maroni.--Een Capitain word gewond, en eenige soldaaten gedood.--Vreemde
straf-oeffening in de hoofdstad.--Het Fort Sommelsdyk.--De wachtpost
van de Hoop. Duiven en Tortelduiven.--Groenten en vruchten.--Jacht
en wildt.--Steenbakkery.--Insecten.

My thans andermaal te Paramaribo bevindende, zal ik, ter dezer
gelegenheid, de beschryving deezer aangenaame Stad mededeelen. Ik heb
reeds gezegd, dat zy aan de fraaije Rivier Surinamen, zestien of agtien
mylen van derzelver mond, gelegen is. Zy is gebouwd op een zoort van
steenachtigen zandgrond, met de landen rondsomme waterpas liggende,
en maakt een langwerpig vierkant van anderhalve myl lang, en ten
hoogsten een halve myl breed. Alle de straaten zyn volmaakt afgemeeten,
en beplant met oranjeboomen, palmboomen, tamarinde en limoenboomen,
die in alle Jaargetyden bloeien, en zig onder het gewicht van geheele
trossen der geurigste en uitgelezendste vruchten krommen. Men heeft
hier noch gehouwen, noch gebakken steenen voor de straaten noodig;
de steenachtige zandgrond is voldoende; dezelve is niet minder,
dan die der fraaiste tuinen in Europa, en men maakt denzelven nog
aangenaamer, door dien met zeeschelpen te bestrooijen. De huizen,
die meerendeels twee, en zomtyds vier verdiepingen hebben, zyn,
eenigen uitgezonderd, van zeer fraay hout gebouwd. De grondvesten
der gebouwen zyn byna allen van gebakken steen; en kleine gekloofde
planken bedekken de daken in plaats van pannen. Men ziet zeer zeldzaam
glaaze raamen in dit Land; het glas verwekt 'er te veel warmte,
en men gebruikt in plaats van dien, raamen van gaas. Eenige huizen
hebben windluiken of blinden, die men van zes uuren des morgens tot
zes uuren des avonds open houdt. Wat schoorsteenen betreft, ik heb
'er geen enkele in de geheele Volkplanting gezien; men legt geen
vuur aan, dan in de keuken, die altoos van het woonhuis afgelegen is;
men legt het daar aan op den grond, en de rook vliegt door een gat,
in het midden van het dak gemaakt. Deeze houte huizen zyn echter in
Surinamen zeer duur; het huis, het welk de Gouverneur onlangs had
laten bouwen, kostte hem meer dan vyftien duizend ponden sterling. In
de geheele Stad Paramaribo is geen bronwater: elk huis heeft een put,
in den rotsachtigen grond gegraven, die brak water geeft, alleenlyk
dienende voor Negers, het vee, enz. Europeaanen hebben regenbakken,
waar in zy het regenwater tot hun gebruik bewaren: het beste zygt
door een steen, en valt in groote tonnen, of aarde vaten, door de
Indianen gemaakt, die dezelve tegen koopwaren verruilen. De inwooners
van dit Land slapen allen in hangmatten, uitgenomen de Negers, die
meestal op den grond slapen. De hangmatten van lieden van aanzien,
zyn van catoene lynwaat, met zeer ryke franjen omzet. De Indianen
maken die ook, en verkoopen ze zomtyds tot voor dertig guinies. Men
heeft geene dekens noodig: men behoeft alleenlyk gordynen, om zig
tegen de muggen te beveiligen. Zommige lieden hebben bedden, met
gaaze gordynen omringd, welke de lucht vryelyk laaten doorspelen,
en tegen het kleinste insect veilig stellen. De huizen zyn in 't
algemeen te Paramaribo luisterryk verciert met schilderyen, glaswerk,
verguldzels, kristalle kroonen en porceleine potten; de muuren der
kamers zyn nooit bepleisterd, noch met papieren behangzels overdekt,
maar overheerlyk beschoten met kostbaar hout.

Men berekent het getal der huizen te Paramaribo op veertien
honderd. Het voornaamste is het Paleis van den Gouverneur, het welk,
langs een weg in den tuin, met het Fort Zelandia gemeenschap heeft. Dit
Paleis, en het huis van den Bevelhebber van het Fort, waaren de eenige
steene gebouwen in de geheele Volkplanting. Het Stadhuis is een cierlyk
en nieuw gebouw, met pannen belegt. Aldaar houden de verschillende
Hoven van Justitie hunne zitting, en daar boven zyn de gevangenissen,
voor Europeesche misdadigers geschikt, uitgenomen voor krygslieden,
welken men in het Fort Zelandia gevangen zet. De Protestantsche Kerk,
alwaar men den dienst in het Hollandsch en Fransch doet, heeft een
kleine spitse tooren met een uurwerk; de Lutherschen hebben ook
hunne Kerk; en de Joden bezitten twee Synagogen, eene Portugeesche
en eene Hoogduitsche. 'Er is in de Stad een groot Hospitaal voor de
bezetting, en ongelukkig is het nooit ledig. In de Vesting bewaart men
de oorlogs- en mondbehoeften; de soldaten van 's Compagnies krygsvolk
zyn aldaar in barakken gehuisvest, en eenige Officiers hebben 'er vry
goede wooningen. De Stad Paramaribo heeft eene voortreffelyke reede,
alwaar dikwils, op den afstand van een pistoolschoot van den oever,
meer dan honderd koopvaardyschepen geankerd liggen. Zelden zyn
'er minder dan tachtig, geladen met koffy, suiker, cacao, catoen
en indigo voor Holland; verscheide andere hebben slaven van de kust
van Africa aangebragt; en zommige eindelyk zyn uit het noorden van
America, of van de Antillische Eilanden gekomen, om meel, ossen-
en varkens-vleesch, sterke dranken, gezouten haring en makreel,
spermaceti-kaarssen, paarden en grof huisraad tegen verschillende
koopwaaren te verruilen, vooral tegen syroop van suiker (melasse),
waar van de Americanen rhum maken.

De stad Paramaribo heeft geene vestingwerken; zy paalt ten zuid-oosten
aan de Rivier Surinamen, die meer dan een myl breed is; ten westen
aan eene groote zand-woestyn; ten noord-westen aan een ondoordringbaar
bosch; en het Fort Zelandia verdedigt dezelve ten oosten. Het Fort is
van de Stad alleenlyk afgescheiden door eene groote vlakte, alwaar het
krygsvolk de parade doet. Het heeft de gedaante van eene regelmatige
vyfhoek, en heeft maar ééne poort, die aan den kant van de Stad gelegen
is: twee van deszelfs bolwerken dekken de Rivier. Het is zeer klein,
maar sterk tot verdediging, zynde gebouwd van gehouwen of rots-steen,
en omringd door eene breede gracht, die vol water is, en voor welke
nog eenige vestingwerken leggen. Ten oosten, en aan de Rivier, is eene
battery van twintig stukken geschut. Op één der bolwerken is een klok,
waar op de wachthebbende soldaat met een hamer het uur slaat, het
welk hem door een zandlooper word aangewezen: op een ander bolwerk,
steekt men een vlag op, by het naderen van een oorlogschip, of by
openbaare vreugdebedryven. De muuren zyn zes voeten dik, en hebben
openingen voor het geschut, maar geene borstweeringen. Ik heb van
den tyd, dat dit Fort gebouwd is, reeds gesproken.

Paramaribo is eene zeer volkryke stad. Men ziet op byna alle haare
straaten eene meenigte van Planters, Matroosen, Soldaten, Joden,
Indianen en Negers. De Rivier is aanhoudend bedekt met kano's en
vaartuigen, die heen en weder vaaren, even als onze schepen op de
Theems, en dikwils eene meenigte Musikanten met zig voeren. De schepen
op de reede, met hunne wimpels verciert, verfraaijen het toneel, het
welk nog gevoeliger word door de meenigte van jongelingen en jonge
meisjes, die in het water speelen. De vrolykheid en verscheidenheid van
deeze voorwerpen weegt eenigermaten tegen de ongemakken der luchtstreek
op. De kleederen en rytuigen der voornaamste inwoonders zyn waarlyk
prachtig: de geborduurde zyde stoffen, de Genueesche fluweelen,
de goude en zilvere boordzels, de diämanten schitteren dagelyks; en
zelfs de schippers der koopvaardyschepen komen met gespen en knoopen
van massief goud voor den dag. De tafels zyn niet minder kostbaar;
men discht op dezelve de duurste en uitgezogtste spyzen op in platte
schotels, of porceleine vaten, in den eersten smaak, en allerfynst
gewerkt. Maar niets duidt meer de pracht der Surinaamsche Colonisten
aan, dan het getal der Slaven, welke men aldaar in dienst houd, en die,
in zommige huizen, een getal van twintig of dertig bedragen. Zelden
ontmoet men in deeze Volkplanting blanke dienstboden.

Men vind, te Paramaribo, in overvloed, geslacht vleesch, gevogelte
van allerlei zoort, wildt en visch. De groenten zyn 'er ook zeer
overvloedig. Behalven de lekkerste voortbrengzels, die aan deeze
luchtstreek eigen zyn, voert men aldaar aan het beste, dat Europa,
Asia, en Africa opleveren. De eetwaaren echter zyn 'er over 't algemeen
zeer duur, vooral die uit vreemde Landen komen, en door de Joden of
Schippers verkogt worden. De eersten genieten in deeze Volkplanting
byzondere voorrechten; de laatsten rigten voor een korten stond
magazynen op, om 'er de lading hunner schepen in te bergen, terwyl zy
die wederom met voortbrengzels van het Land beladen. Het tarwe-meel
word verkocht voor vier stuivers tot een schelling het pond; de boter,
twee schellingen; het geslacht vleesch, nooit onder een schelling,
en dikwils anderhalve schelling. Ik heb voor een enkele kalkoen
anderhalve guinie betaald. De eieren gelden vyf stuivers het stuk;
de aardäppelen zes stuivers het dozyn; de wyn kost drie schellingen
de fles; de Jamaicasche rhum een kroon de kruik. De visch en groenten
zyn goedkoop, en de vruchten byna voor niet. Myn kleine Neger QUACO
heeft my dikwils veertig oranje-appelen voor zes stuivers t'huis
gebragt, en een half dozyn pyn-appelen voor denzelfden prys. Wat de
limoenen en tamarinden betreft, men behoeft slechts de moeite te doen,
om ze op te raapen. De huuren zyn uittermaten duur. Voor een kleine
kamer zonder huisraad betaalt men drie of vier guinies in de maand;
en voor een huis met twee kamers op elke verdieping, honderd guinies
's jaars. De schoenen kosten een halve guinie het paar; en een rok
met zyn toebehooren is my komen te staan op twintig guinies.

De twee zoorten van hout, waar van de huizen getimmert zyn, namelyk
het wana en couppy hout, verdienen, dat men 'er van spreekt. Het eerste
is zeer hard, en van een grof erf; het is niet vatbaar voor de minste
glans, en heeft eene ligt roode kleur, gelykende naar die van nieuw
brasilie-hout; men bedient 'er zig van voor de deuren en kassen,
voor schepen en vaartuigen.

Het couppy hout gelykt naar dat van den wilden kastanje-boom; het
is hard, kwastig en vast. Men maakt 'er planken van, waar mede men,
in plaats van steene muuren, de huizen bekleed. Dit hout is van een
bruine kleur: het laat zig zeer goed polysten.

Op dat de lezer zig een juister denkbeeld van deeze Stad vorme, zal
ik hem verwyzen naar het ontwerp, het welk ik daar van geschetst heb:
ik zal tans overgaan, om eenige byzonderheden, betrekkelyk tot deszelfs
inwooners, op te geven.

De Europeanen of blanken, in de geheele Volkplanting, beloopen
op een getal van vyf duizend, zonder de bezetting daar onder te
rekenen, en zy houden voornamelyk hun verblyf in de hoofdstad; maar
de Neger-slaven bedragen ten naasten by een getal, van vyfënzeventig
duizend. Alle morgen ten agt uuren gaat het krygsvolk naar de wacht
in de Vesting. De wacht in de Stad word door de burgers of soldaten
waargenomen, en duurt den geheelen nacht. Twee maalen daags, en ten
zes uuren lost het bevelvoerend schip deszelfs geschut in de haven. By
het avond-sein, stryken alle de vlaggen der onderscheidene schepen,
de klokken luiden, en de trommelslagers en pypers loopen door de
Stad. Geen slaaf, van welke kunne ook, mag als dan op de straaten,
of in de haven verschynen, zonder verlof van zynen meester. Die
deezen regel overtreedt, word in arrest genomen, en buiten twyffel
des anderen daags morgens gegeesseld. Des avonds ten tien uuren,
slaan andere tambours den trom op alle de straaten van Paramaribo.

Op dit oogenblik vertoonen zig de vrouwen, vooral die veel van een
geheim gesprek in het maanlicht houden. Op haare byëenkomsten laaten
zy zig sorbet en sangary toedienen, zynde een mengzel van water,
Madera-wyn, Muscaat-wyn en suiker; zy houden aldaar gesprekken, die
geenzints dubbelzinnig zyn, zoo omtrent haare mans, als omtrent haar
zelven; dikwils vertoonen zy aldaar haare jonge slavinnen, welke
zy aan de manspersoonen voor een zekeren prys ter week aanbieden:
en zoo haare omgang al een weinig ingetogener is, zy zyn ten minsten
wydlustig in het roemen van de geenen, die in haare gezelschappen
tegenwoordig zyn, en wier voorkomen of persoon haare aandacht verdient.

Elk Land heeft zyne gewoonten, en in allen kan men uitzonderingen
maken; want ik heb vrouwen in Surinamen gekend, wier kiesche en
beschaafde opvoeding de beminnelykste gezelschappen van Europa
veraangenaamd zouden hebben. De inwoonders van Paramaribo, behalven
de vermaken van de tafel, het dansen, het uit ryden gaan, en de
speel-partyen, hebben een klein toneel, waar op zy, tot vermaak van
hun en hunne vrienden, blyspelen vertoonen. Indien zy keurig op hunne
kleederen zyn, zy zyn het niet minder op de netheid hunner huizen. Hun
linnen is allerfynst; zy laaten het wasschen met Castiliaansche
zeep, en deszelfs witheid is by niets, dan by de sneeuw der bergen,
te vergelyken. De vloer der vertrekken, waar in gezelschappen by
één komen, word altoos met zuure oranje-appelen, in tweën gesneden,
schoon gemaakt, het geen een aangenaame geur verschaft: de Negerinnen
houden in elke hand een halve appel, en zingen, wanneer zy dit
werk doen. Dusdanig is de hoofdstad, dusdanig zyn de inwooners der
Surinaamsche Volkplanting, en hun caracter is gelyk aan dat van alle
de Hollanders in de West-Indische bezittingen. Maar laaten wy tot
myn verhaal te rug keeren.

De gewoonte, die ik had om bloots-voets te gaan, belette my eenigen
tyd, om schoenen en koussen te kunnen verdragen. Wanneer ik nieuwe
wilde aantrekken, zwollen myne voeten zoodanig op, dat ik by mynen
vriend KENNEDY ten eeten zynde, genoodzaakt was myne schoenen uit
te trekken, en hy had de goedheid om my in zyne koets naar huis
te laten brengen. Zoo dra ik myne schoenen konde blyven aanhouden,
ging ik een bezoek geven aan den Colonel WESTERLOO, aan boord van een
West-Indisch Compagnie's Schip, het welk naar Holland onder zeil ging,
Deeze Officier, die my te Devil's Harwar, op het oogenblik, dat ik
aldaar in zulk een deerniswaardigen staat was, was opgevolgd, bevond
zig tans van het gebruik van alle zyne ledematen beroofd. In zulk eenen
beklaaglyken toestand, hoopte hy slechts op de vaderlandsche lucht,
om zyne gezondheid te herstellen. Verscheide Officiers zagen zig, op
dit zelfde oogenblik, genoodzaakt hunne goederen te verkoopen om te
leven, vermits zy van den Colonel geene betaaling konden erlangen. Ik
leed door dit onheil minder dan anderen; myne talryke vrienden lieten
my aan niets gebrek lyden.

Den 28sten January, des morgens aan den oever wandelende, zag ik
aldaar een visch uit het water ophalen, die van wegen zyn goed
vleesch en grootte (hy woog by de twee honderd ponden) verdient
gemeld te worden. Men noemt hem grow-mouneck, of de graauwe Monnik;
men zegt dat hy tot het geslacht der kabeljauwen behoort, waar mede
hy, zoo in gedaante als kleur, veel overeenkoomt, zynde zyn rug van
een zeer donker bruine olyf kleur, en den buik wit. Men sneed hem
dadelyk in groote stukken; ik kocht 'er verscheiden van, en zond
dezelve aan myne vrienden. Van smaak scheen hy my zelfs den tarbot
te overtreffen. Zomtyds vind men hem in de Rivieren; maar gemeenlyk
leeft hy in 't zee-water. In dit Land zyn geene visschers, dan de
Negers. Hunne meesters laaten hun dit ambagt leeren, en vorderen daar
voor eene zekere somme ter week. Indien zy yverig zyn, verzamelen zy
spoedig geld voor eigen rekening; en zommigen zelfs worden ryk. Maar
indien zy integendeel agteloos zyn, en hunne verbintenissen niet
volbrengen, kunnen zy wel staat maken van strengelyk gestraft te
worden.

Dezelfde gewoonte heeft plaats ten aanzien van verscheide andere
kostwinningen; en met onvermoeide vlyt en zuinigheid kunnen
de Negers dan gelukkig leven. Overeenkomstig dit gebruik heb ik
slaven, in Surinamen gekend, die andere slaven voor eigen rekening
kogten. Verscheiden koopen hunne vryheid van hunne meesters; zommigen
verkiezen liever hun geld te bewaaren, wanneer die meesters billyke
menschen zyn, vermits zoo lang zy slaven blyven, zy van belastingen
zyn vry gesteld, waar aan de vrygemaakte slaven onderworpen zyn. Ik
heb een Neger gekend, zynde een smit, en genaamd JOSEPH, wien men,
in aanmerking van zyne lange en getrouwe diensten, de vryheid had
aangeboden, maar die dezelve zeer stellig weigerde, en liever verkoos
slaaf by een goed meester te blyven. Deeze man bezat verscheiden
slaven in eigendom; hy bewoonde een gemakkelyk en wel gemeubileerd
huis, en zelfs bezat hy eenige stukken zilverwerk. Wanneer zyn meester
en meesteresse hem kwamen zien, liet hy hun kostelyken wyn en sorbet
toedienen. Men moet echter toestemmen, dat zulk een voorbeeld zeldzaam
is: want zoo al eenige slaven te Paramaribo wel behandeld worden,
het grootste getal is elendig: maar de ergste van allen zyn, die
onder de beveelen staan van vrouwen, meer nayverig om rykdommen ten
toon te spreiden, dan om menschlievenheid te doen blyken.

Het meest geachte zoort der slaven is dat der Cabougles, of
Quarteronnés. Hunne verwandschap met de Europeanen is 'er de oorzaak
van. Men weet, dat zy van een blanken en eene mulatte vrouw geboren
worden: derzelver getal is in deeze Volkplanting zeer aanmerkelyk. Men
plaatst de jongens van deeze kleur doorgaans by ebbenhoutwerkers,
zilversmits, of handelaars in kostbaarheden, wier handwerk zy
leeren. De meisjes zyn kameniers. Men leert haar naaijen, breijen
en borduuren, het geen zy in de volkomenheid doen. Zy zyn over
't algemeen zeer schoon, en scheppen groot vermaak in zig op eene
cierlyke en nette wyze te kleeden. De meeste, van eene hooge, rechte
en wel gemaakte gestalte zynde, zyn zwieriger dan de mulatte meisjes,
en gaan nooit met het bovenlyf naakt, gelyk de laatst-gemelde. Haare
kleeding bestaat doorgaans in een klein overtrek van satyn, verciert
met een belegzel van gebloemd gaas. Zy dragen een korte borstrok
van Indisch catoen of zyde, van vooren geregen, welke boven het
overtrek een hembd van zeer fyn mousseline doet te voorschyn komen:
schoenen en koussen dragen de slaven in dit Land nooit. Het hoofd van
deeze meisjes is met fraay zwart hair verciert, het welk natuurlyke
en korte krullen heeft. Wanneer zy uitgaan, dragen zy een hoed van
zwart of wit vilt, met een knoop en gouden lis daar aan. Om den hals,
aan de armen en enklauwen dragen zy halsbanden, kettingen, armringen,
goude penningen, en vercierselen van verschillende koraalen. Alle
deeze lievelingen leven met Europeanen, het geen voor de Creoolsche
vrouwen een groot hartzeer is. Indien men echter wist, dat eene
Europeaansche vrouw met een slaaf iets uitstaande had, zoude zy by
de blanken in verachting zyn, en de minnaar zoude zonder genade ter
dood verwezen worden.--Dusdanig zyn, in Hollandsen Guiana, de wreede
wetten der mannen tegen de schoone kunne.

Maar laaten wy van onderwerp veranderen.--De dwinglandye van onzen
Bevelhebber, den Colonel FOURGEOUD, vermeerderde van dag tot dag. De
Lieutenant Graaf van RANDWYK, die ziek was, en zig gereed maakte,
om met den Colonel WESTERLOO te scheep naar Holland te vertrekken,
ontfing bevel, om in de Volkplanting van Surinamen te verblyven,
alleenlyk vermits hy gezegd had niet wel behandeld te zyn geworden. Om
van des Colonel's rechtvaardigheid een denkbeeld te geven, zal ik
eenvoudig opmerken, dat de Officiers moesten leven van eene gelyke
portie gezouten vleesch, als de soldaaten kregen; alleenlyk geduurende
het verblyf van eenige weeken te Paramaribo, wierd deeze levens-regel
niet gevolgd. Deeze schikking kostte my dertig ponden sterling; maar ik
heb reeds gezegd, dat de Colonel ons onze betaaling onthield; waarom
zou hy ons ook ons eeten niet onthouden hebben? Dit zyn beuzelingen,
waar over een soldaat zig niet ontrusten moet.

Den eersten February egter wierd ons bericht, dat wy geene kosten
zouden behoeven te maken, zoo wy ons, met het geen men ons gaf, wilden
te vreden houden; en dat, zoo wy daar over niet voldaan waren, men ons
tien ponden sterling s'jaars voor de kosten van ons gezouten ossen-
en varkens-vleesch in rekening zoude brengen.

Den 2den, vernam ik, dat de Lieutenant Colonel BECKER schielyk
gestorven was. Zyne compagnie kwam my, van wegen den rang, dien ik
bekleedde, toe; het zoude een zoort van vergelding geweest zyn voor
zoo veele moeiten en afmattingen. Om echter een evenwicht tegen dit
voordeel te maken, deed eene getrouwde vrouw, wier man my de grootste
vriendschap betoonde, toen een aanbod, het welk de eerbaarheid my
verbood aan te nemen. Zy hield aan, en ik bleef haare gunsten en
geschenken weigeren; maar wel dra ondervond ik de gevolgen van den haat
en wraakzucht van eene vrouw. Haar man wierd eensklaps myn doodelykste
vyand. Verzekerd van myne onschuld, en grootsch, dat ik geene misdaad
begaan had, waar op verscheide anderen roem gedragen zouden hebben,
verdroeg ik dit ongeluk met geduld. Kort daar na egter, toen de man
zag, dat hy misleid was, schonk hy my zyne vriendschap weder, en
wy waren betere vrienden dan ooit. Ik breng dit geval alleenlyk by,
om te doen zien, welke over 't algemeen de zeden in dit Land zyn.

Den 6den, bragt een arme trommelslager van het krygsvolk der Societeit
my een geschenk van orange-appelen, en West-Indische Abricoosen, om dat
ik hem, zoo hy zeide, in Holland tegen myn knecht, die zig veroorloofd
had hem te slaan, de hand had boven 't hoofd gehouden. Deeze daad van
erkentelykheid deed my meer genoegen, dan de verkoeling van mynen
vriend my moeite gedaan had. De West-Indische Abricoos is groot,
en naar myn smaak de uitgelezenste van alle vruchten, welke men in
deeze Volkplanting, en misschien in de weereld vindt. Van binnen is
dezelve geel, en de pit is omwonden in een zoort van huid, even als
de kastanje. Het vleesch van deeze vrucht is zoo voedzaam en gezond,
dat men het zomtyds het merg der Planten noemt; en men eet het dikwils
met peper en zout. Ik kan dezelve niet anders vergelyken dan by een
persik; zy smelt ook als zoodanig in den mond; zy is minder zoet,
maar onvergelykelyk lekkerder. De boom, waar aan deeze vrucht groeit,
is meer dan veertig voeten hoog, en gelykt veel naar den nooteboom.

In Surinamen zyn drieërleije zoorten van oranje-boomen; met zuure,
met bittere en met zoete vruchten: de jonge boomen zyn uit Spanjen
of Portugal aangebragt. De zuure oranje-appelen zyn een uitstekend
hulpmiddel tegen de zweeren, die in dit Land zoo gemeen zyn; maar
het is zeer pynlyk; men gebruikt het daarom niet, dan voor de Negers,
welken men meent dat alles verdragen moeten. De bittere oranje-appelen
worden alleenlyk gebruikt, om met suiker in te maken. De smaak van de
zoete is uitgelezen, en men kan er zonder schroom van eeten; dit kan
men niet zeggen van de China's-appelen, welken ik hier na beschryven
zal. Alle deeze verschillende oranje-boomen zyn zeer fraay, en brengen,
in alle jaar-getyden, bloemen en vruchten voort.

Den 16den, vernamen wy, dat de Colonel FOURGEOUD, met het overschot
van zyne manschappen, den post van la Rochelle verlaten had, en door
de muitelingen aangetast was geworden. Hy had verscheiden gekwetsten,
en in 't byzonder den Capitain FREDERIK, die voor uit trok, en aan
beide de dyen gewond wierd. Deeze dappere Officier, uit vreeze dat zyn
volk den moed verliezen mogt, hield de beide handen op zyne wonden,
en zat tot de borst toe in het water, op dat men het loopen van zyn
bloed niet bemerken zoude. Hy bleef in die gesteldheid tot op het
oogenblik, dat de Heelmeester hem verbonden had; en toen droegen hem
twee Negers in zyne hangmat.

Het is onmogelyk meerder yver te betoonen, dan gemelde Capitain
FREDERIK, en de Capitain VAN GUERIKE, adjudant van den Colonel,
geduurende deezen geheelen tocht betoonden. Zy waren altyd op de been,
of hunne gezondheid het toeliet, of niet. De eer was byna de eenige
vrucht, die zy van eenen buitengewoonen en aanhoudenden dienst van
vyf jaaren, trokken; de Colonel FOURGEOUD, naar myn inzien, beloonde
hen nimmer naar verdiensten; en hy behandelde de hoogere zoo wel als
de laage Officieren, zoo als ik myne Corporaals niet zoude willen
behandeld hebben.

Ik deed hem op dit oogenblik het aanbod, om my by hem in de bosschen
te vervoegen; maar in plaats van myn verzoek toe te staan, zond hy
my bevel, om my naar de Plantagie, de Hoop genaamd, en gelegen aan
de Commewyne, te begeven, om aldaar, geduurende zyne afwezigheid,
over al het krygsvolk, het welk by deeze Rivier gelegerd lag, het
bevel te voeren. Zulk een last was nieuw voor my, en ik maakte my
gereed om denzelven met blydschap te volvoeren.

Na mondbehoeften gekocht, en my van eene volkomene uitrusting tot
een veldtocht voorzien te hebben, maakte ik aanstalte, om my naar
de plaats myner bestemming te begeven. Maar alvoorens Paramaribo
te verlaten, moet ik opmerken, dat men, geduurende myn verblyf in
deeze Stad, aan een getal van negen Negers elk een been afzette,
om dat zy van de Plantagie hunner meesters waaren weggeloopen. Het
Hof van Justitie in Surinamen gelastte, op verzoek van den eigenaar,
deeze strafoeffening, en de Heelmeester van het Hospitaal, GREUBER,
voerde het vonnis uit. Geduurende deeze onmenschelyke daad, rookten
de lyders gerust hun pyp tabak. De Heelmeester ontfing zes ponden
sterling voor het afzetten van elk been: maar niettegenstaande zyne
groote bekwaamheid, stierven vier van deeze ellendigen oogenblikkelyk
daar na. Een vyfde hielp zig zelven van kant, door zyn verband af te
rukken, en des nachts zyn bloed te laten uitloopen. Zulke verminkte
Negers zyn in deeze Volkplanting gemeen, en hunne meesters gebruiken
hen tot het roeijen van hunne schuiten en vaartuigen. Men ziet 'er
ook, die eenen arm missen: dit is de straf, als men een Europeaan
heeft durven slaan.

Den 17den February, scheepte ik in naar de Plantagie de Hoop, in een
open en zeer net vaartuig, door zes Negers voortgeroeit wordende. Des
avonds kwam ik voorby de Plantagie Sporksgift aan de Matapaca
Kreek. Des anderen daags kwam ik aan de Plantagie Arentrust, aan de
Commewyne, na de Orelana-Kreek te zyn voorby gevaaren, als mede het
Fort Sommelsdyk, gelegen zestien mylen boven het Fort Amsterdam, ter
plaatse, alwaar de Cottica zig met de eerstgemelde Rivier vereenigt,
en van waar de batteryen den oever der beide Rivieren bestryken. Dit
Fort wierd, in het jaar 1684, door den Gouverneur SOMMELSDYK gebouwd,
wiens naam het ook draagt: het heeft de gedaante van een vyfhoek,
en deszelfs vyf bolwerken zyn van geschut voorzien; het word door een
gracht omringd, en bevat krygs-magazynen: schoon het van geene groote
uitgestrektheid is, is het niettemin van goede verdediging, voornamelyk
uit hoofde van deszelfs laage en moerassige ligging. Op eenigen
afstand van dit Fort is eene fraaije Kreek, genaamd Comite-Wana.

Den 19den, op den middag, kwam ik op de Plantagie de Hoop: ik vond de
oevers van de Commewyne veel aangenamer, dan die van de Cottica; zy
zyn bedekt met fraaije Suiker- en Koffy-Plantagiën, maar vooral met de
eerste, in 't byzonder aan den mond van deeze Rivier. Een halve myl van
die Rivier en van de Cottica, is eene Protestantsche Kerk, alwaar de
Colonisten den dienst gaan hooren: dezelve onderhouden den Predikant.

De Plantagie de Hoop, alwaar ik tans het bevel over het krygsvolk op
my nam, is eene uitmuntende Suiker-Plantagie, gelegen aan den linker
oever van de Commewyne, aan den mond van eene kleine beek, genaamd
Bottle-Kreek, en byna tegen over eene andere, Cassivinica genaamd. De
Bottle-Kreek heeft gemeenschap met de Commewyne en de Peréca, zoo
als de Wana-Kreek heeft met de Cormoetibo-Kreek en de Rivier Maroni.

Het krygsvolk was alhier gehuisvest in barakken, van Latanus-boomen
hout gemaakt; maar men had dezelve op eenen zoo moerassigen en laagen
grond geplaatst, dat zy by den vloed geheel onder water stonden. De
Officiers waren allen in een gebouw van denzelfden aart opgesloten;
en ondertusschen wierd het fraaije huis van den Planter, het welk
voor hun zeer gemakkelyk en gezond geweest zoude zyn, door niemand
dan door den Opzigter der Plantagie bewoond.

Een kanon-schoot verder, als men de Rivier opvaart, ligt de Plantagie
Klarenbeek alwaar ik, den 22sten, naar toe ging, om den staat van
het Hospitaal te onderzoeken. Het volk had het op deezen post veel
aangenamer, dan op de Hoop, uit hoofde van eene onbegrypelyke meenigte
rotten, waar door dezelve geplaagd wierd: zy doorknaagden de kleederen
der soldaaten, en hunne levensmiddelen, en des nachts liepen zy met
dozynen over het aangezicht. Het eenig middel om dit verschrikkelyk
ongemak te keer te gaan, bestond in het booren van gaaten in den
bodem van flessen, en de koorden der hangmatten, zoo aan de voeten
als aan het hoofd-einde, daar door te steken. Wanneer dit werk wel
verrigt wierd, belette de gladheid van de fles deeze dieren, om by
het doek te komen.

De meenigte van zieken, die in het Hospitaal van Klarenbeek op één
gestapeld waren, maakte eene elendige vertooning. De menschelykheid
word op het gezicht van zulke treurtoneelen dermaten getroffen, dat
ik my zeer gelukkig rekende, toen ik op de Plantagie de Hoop was te
rug gekeerd. Myn last was hier dezelfde, als aan de Cottica, namelyk,
dat ik de Plantagiën tegen den aanval des vyands moest beschermen;
en het order-woord wierd my regelmatig door den Colonel FOURGEOUD
toegezonden. Een der Neger-Capitains uit de Volkplanting de Berbices,
genaamd ACKERAW, ontdekte op deeze Plantagie eenen ouden afgeleefden
slaaf, dien hy voor zynen vader herkende; hy omhelsde hem met de
levendigste teederheid, en dit toneel van dankbaare erkentenis was
één der belangrykste. In myne wandelingen rondom deezen post, had
ik gelegenheid, om verscheiden merkwaardige vogelen te ontdekken,
welken ik tans beschryven zal.

De quise-quidi, dus genoemd, uit hoofde van zynen zang, heeft ten
naasten by de grootte van een leeuwrik. Zyne pluimaadje is bruin,
uitgenomen aan de borst en den buik, alwaar hy eene fraaije geele kleur
heeft. Deeze vogel doet veel schade aan de Plantagiën. De wilde duiven
zyn hier zeer gemeen; ik doodde eene zeer groote, veel gelykende naar
die, welke men de Jamaicasche duif met een gekrulde staart noemt. De
rug en de zyden waaren aschkleurig, de staart loodkleurig, de buik
wit, en het voorste van den hals van een purper-kleur met een groene
weerschyn, de oogbal en de pooten rood. Ik zag op deeze plaats ook
andere duiven van een klein zoort, die by paaren loopen. Zy hebben ten
naasten by de grootte van een Engelsche musch, en een helderder kleur;
ik nam ze voor de Picui-nima van Markgraaf; zy hebben schitterende
oogen, met een geele oogbol, en over 't geheel zyn deeze diertjes
zeer aartig. De Hollanders noemen dezelve Steenduifje, om dat men ze
dikwils op rotzige en zandige plaatsen vindt. Men ziet ook tortelduiven
in Guiana, maar zeldzaam by Plantagiën. Zy leven met vermaak in het
binnenste der somberste bosschen; zy maken hunne nesten op de boomen,
in het midden van het dikste lommer; ik heb 'er met de hand aangevat,
zonder dat zy pogingen deeden om weg te vliegen; in kleur verschillen
zy weinig van de Europeesche; maar hunne grootte is minder, en hunne
vlerken hebben eene grootere uitgebreidheid, dan die van alle andere
tortelduiven of duiven.

Ik was over mynen staat steeds zeer te vreden. Ik koude vryelyk adem
haalen, en had het vooruitzigt, om myne geledene vermoeienissen en
hartzeeren vergoed te zien. Men eerbiedigde my, als den Oppervorst
der Rivier: de nabuurige Planters beweezen my alle vriendelykheid,
zonden my wildt, visch, groenten en vruchten ten geschenke; ik kende
my naauwlyks voor het zelfde mensch, en byna alle myne wenschen
waren voldaan.

Op zekeren dag, den 5den Maart, geduurende myn verblyf alhier, wierd
ik verrast, door op een schuit, die de Rivier opvoer, met een witte
neusdoek te zien waaijen; het was myne geliefde JOANNA, door haare
moeije vergezeld, die deeze beweging maakte. In plaats van in de Stad
te blyven, verkoos zy tans liever naar Fauconberg te gaan, slechts
vier mylen van de Plantagie de Hoop af liggende: ik vergezelde haar
dadelyk tot aan deeze Plantagie.

Ik vond aldaar een ouden slaaf, dien JOANNA my zeide haar grootvader
te zyn, en die my zes stuks gevogelte ten geschenke gaf. Deeze oude
man had gryze hairen, en konde niet meer zien; maar zyne talryke
afkomelingen onderhielden hem ordentelyk: hy verhaalde my, dat hy
in Africa geboren was, alwaar hy in meerder aanzien was geweest,
dan zyne meesters immer in Suriname waren.

Misschien zal de lezer het vreemd vinden, dat ik zoo dikwils spreeke
van eene Slavin, en dat ik voor haar zoo veel achting betoone;
maar ik kan met geene onverschilligheid spreken van eene vrouw,
die de teedere liefde van elk gevoelig mensch waardig is, en wier
genegenheid my tot een tegenwicht in alle myne onheilen verstrekte:
haare deugd, haare jonkheid, haare schoonheid deeden haar meer en
meer myne achting winnen: het ongeluk van haare geboorte en staat,
wel verre van myne genegenheid te verminderen, dienden, integendeel,
om dezelve te doen aanwassen.

Den 6den Maart, kwam ik op de Hoop te rug, beladen met geschenken van
gevogelte, aubergines, koolspruiten, agoma, en eenige Surinaamsche
kerssen. De aubergine is een soort van vrucht, hebbende de gedaante
van een komkommer, eene purper-kleur van buiten, en wit van binnen;
men snydt dezelve in schyven, en eet ze als salade; zomtyds laat
men ze koken; zy is zeer goed en zeer gezond. De bladen van den
boom, die deeze vrucht voortbrengt, zyn breed, groen, en met een
purperverwig dons bedekt. De agoma is een kruid, dat eenigzints bitter
is. De koolspruiten zyn dezelfde als in Europa, maar vry zeldzaam. De
kerssen zyn zeer zuur; ten minsten, indien ze niet volkomen ryp zyn,
deugen ze niet, dan om in suiker in te leggen.

Den 8sten, den geboorte-dag van den Prins van Oranje, noodigde ik
verscheiden lieden, om dien dag met my te vieren. De Colonel FOURGEOUD
hield zig al dien tyd bezig met de bosschen te doorkruissen: maar zyne
krygsverrigtingen hadden geen ander gevolg, dan den dood van eenigen
zyner soldaten, die door de Negers vermoord wierden; het verlies
van eenige anderen, die in de bosschen verdwaalden; en de vlucht
van CUPIDO, die in weerwil van alle zyne ketenen ontsnapte. Van twee
mannen, welken de Colonel my in 't Hospitaal te Klarenbeek zond, was
de één door de muitelingen op eene afgryzelyke wyze verminkt geworden.

Den 17den, ontfing ik van zekeren heer ONIS een reebok ten geschenke;
en denzelfden dag bragt één der slaven my een hagedis, genaamd
Sapagala, zynde van een minder groot zoort, en minder aangenaam van
smaak, dan de Iguan, welken de Indianen den naam van waya-maca geven:
ik at 'er niet van, en gaf dit dier aan den Opzichter der Plantagie. Op
't wildt onthaalde ik myne Officiers.

'Er zyn in Surinamen twee zoorten van harten. Het hart, dat men aldaar
bajew noemt, heeft ten naasten by de gedaante van een Engelschen
reebok. Hy heeft de hoornen niet zeer lang en gebogen, de oogen
levendig en vol vuur, en een korte staart; zyn hair is van een
bruinachtig roode kleur, uitgenomen onder den buik, die wit is. Dit
dier, wanneer men het vervolgt, loopt met een verwonderlyke kragt en
vaardigheid: men vindt hem dikwils in de nabyheid der Plantagiën,
alwaar hy aan het suiker-riet groote schade toebrengt; de Planters
hebben zelfs Neger-Jagers of Indianen, om hem te vervolgen en te
dooden. De jacht kan in dit Land, uit hoofde van de dikte der bosschen,
voor een Europeaan geen vermaak opleveren. Zomtyds vangt men het
hart levend, wanneer hy een Rivier overzwemt; het geen hy dikwils
doet, het zy om zynen dorst te lesschen, het zy om zynen vyand te
ontvluchten. Zyn vleesch is noch sappig, noch vet, noch malsch, en
is van weinig waarde, in vergelyking van het vleesch der Europeesche
harten, hoe zeer het by de inwooners van Surinamen in groote achting
is. Het ander zoort van harten word bouzi-cabritta door de Negers,
en wirre-bocerra door de Indianen genoemd. Hy is kleinder en ligter in
't loopen dan die van het eerste zoort; zyne huid heeft een geel-achtig
bruine kleur, en kleine witte vlakken; zyne oogen zyn levendig, en zyn
gezicht doordringend; hy heeft naauwe en korte ooren; hy heeft geene
takken aan de hoornen; zyne ledematen zyn klein, maar sterk gespierd;
zyn vleesch is lekkerder dan van eenig ander wildt, het welk ik in
dit Land geproefd heb.

Den 21sten, aan den heer en mevrouw LOLKENS, op Fauconberg, een bezoek
hebbende gaan geven, gingen wy in de nabuurschap eene steenbakkery
zien, genaamd Appe-cappe, en aan den Gouverneur NEPVEU toebehoorende:
men werkte aldaar zoo schielyk en zoo wel als in Europa. Zulk een
trafiek brengt groote voordeelen op, want van dit zoort zyn ze in
deeze Volkplanting zeldzaam. Ik spreek hier van egter alleenlyk,
om in 't algemeen de groote voordeelen van dit Land te bewyzen,
alwaar men het hout voor niet heeft: 'er is in dit geval niets dan
vlyt noodig. De Plantagie Fauconberg was zoo besmet met insecten, die
men monpeiras noemt, dat ik zeer te vreden was met afscheid van myne
vrienden te nemen, en naar de Hoop te rug te keeren. De monpeiras zyn
muggen van het kleinste zoort, maar in het steken zoo kwaadaartig,
als de grootste muggen. Zy vliegen in zulk een groot aantal, en in
zulke dikke zwermen, dat wanneer ze in diervoegen by elkander zyn,
men dezelve voor een wolk van zwarten rook zoude aanzien. Zy zyn zoo
klein, dat ze verscheiden te gelyk in de oogen vliegen, van waar men
ze niet zonder pyn en gevaar kan doen verhuizen.

Ik leide alle myne bezoeken te water af; want ik had een fraay
vaartuig tot myne beschikking, met zes Negers tot roeiers, die ook
voor my jaagden en vischten: om kort te gaan, ik was zoo gelukkig en
zoo wel gezien op deezen post, dat ik my byna verbonden zoude hebben,
om van staat niet te veranderen.



DERTIENDE HOOFTSTUK.

Beschryving van eene Suiker-Plantagie.--Huisselyk geluk in
zekere hut.--Krygs-verrigtingen van den Generaal FOURGEOUD.--De
Duncane, Igname en Soubacou.--Wreedheden van zommige Opzigters der
Plantagiën.--Onderscheidene zoorten van visschen.--Misnoegen van
eenen Capitain der muitelingen.

Ik heb gezegd, dat ik op de Hoop het gelukkigst leven leidde. Myn
geluk duurde nog, toen de heer en mevrouw LOLKENS, my een bezoek
hebbende komen geven, my in de gelegenheid stelden, om my te kunnen
vervoegen aan de heeren PASSELAIGE, vader en zoon, te Amsterdam, die
de nieuwe eigenaars van myne JOANNA waaren. Zy noodigden my bovendien,
om haar op de Hoop te laten komen, alwaar het verblyf haar aangenaamer
zoude zyn, dan op Fauconberg, of te Paramaribo: men kan denken, of ik
ook gaarne daar in toestemde; en aanstonds gaf ik aan de slaven last,
om eene wooning van Latanusboomen-hout te maken, ten einde haar daar
in te ontfangen.

Te gelyker tyd schreef ik den volgenden brief aan de heeren PASSELAIGE,
vader en zoon:

"MYNE HEEREN!

Ik heb van den heer LOLKENS, Bestuurder der Plantagie Fauconberg,
vernomen, dat gylieden daar van tans eigenaars zyt. Groote
verpligtingen hebbende aan eene uwer Mulatte Slavinnen, de dogter van
wylen den heer KRUYTHOFF, genaamd JOANNA, die my in myne ziekte heeft
opgepast, wilde ik haar myne dankbaarheid betuigen, door van ulieden,
myne Heeren! haare vryheid onverwyld te koopen. Verwaardig u my den
prys op te geven; dezelve zal u op het oogenblik betaald worden;
en gy zult verpligten,

MYNE HEEREN!

UEd. onderdanigsten en gehoorzaamsten Dienaar,

JOHN GABRIËL STEDMAN,

Capitain in de Zee-krygsbende van den Colonel FOURGEOUD."


Deeze brief ging vergezeld van eene andere van den heer LOLKENS;
en deeze waarde vriend vleide my met den goeden uitslag.

Deeze beide brieven naar Holland hebbende afgezonden, had ik tyd en
gelegenheid, om eene Suiker-Plantagie in alle derzelver byzonderheden
te onderzoeken; ik zal trachten daar van eene naauwkeurige beschryving
te geven.

De gebouwen bestaan doorgaans in een fraay huis voor den eigenaar,
in twee andere voor den opzigter en boekhouder, in eene wooning voor
den timmerman, in keukens, in bergplaatsen, en in stallingen, indien
de Suikermolen door paarden of muilëzels gedraait word, want op de
Plantagie de Hoop bedient men 'er zig niet van; het water brengt
aldaar de raden in beweging; de vloed stort het water in de huizen,
door middel van sluizen, welke men by laag water open zet; en dit
water, als eene beek nederstortende, brengt het geheele werktuig in
beweging. Het bouwen van een Suikermolen kost gewoonlyk vier duizend,
en dikwils zeven of agt duizend ponden sterling.

Het zoude misschien verveelend zyn, zulk een werktuig stuk voor stuk
te beschryven; ik zal alleen opmerken, dat het groote rad zig lynrecht
beweegt, en met een ander mede zeer breed rad, het welk horizontaal
geplaatst is, gemeenschap heeft; het laatstgemelde slaat op drie yzere
stampers, die van onderen door een zwaren balk ondersteund worden, en
zoo zeer op elkander sluiten, dat zy alles, wat 'er tusschen beiden
koomt, zoo dun maken, als een blad papier. Op die wyze word het
suikerriet gebroken, om het sap of vocht van den bast af te scheiden,

De andere molens zyn volgens de zelfde grondbeginzels gebouwd; en
om het horizontaal rad in werking te brengen, doet men een grooten
hefboom door paarden of muilezels draaijen. Zoo al de watermolen
sterker werkt, en minder kostbaar is, moet men ook den vloed afwagten,
en hy kan niet meer dan een gedeelte van den dag gaan. De molen,
die door paarden bewogen word, kan integendeel ten allen tyde maalen,
naar het goedvinden van den eigenaar.--By den molen is een werkplaats,
van steen gebouwd, alwaar groote kopere ketels zyn, waar in men de
natte suiker laat koken; gewoonlyk zyn 'er vyf. Daar tegen over zyn
koelbakken: deeze zyn groote vierkante houte kuipen met een platten
bodem, waar in men de suiker giet, wanneer ze uit de ketel koomt, om
daar in te koelen, eer men ze in de vaten stort: deeze vaten staan,
by de koelbakken, op zwaare uitgeholde balken, die de syroop, wanneer
ze van de suiker afloopt, opvangen, en door buizen in een vierkante
van onderen gegraven bak brengen. De werkplaats tot de overhaaling
{destillatie) is 'er dicht by; men trekt aldaar van de schuim van het
vocht een zoort van rhum, waar van ik hierboven onder den naam van
kill-devil gesproken heb. Elke Planter, in Surinamen, heeft altyd ter
zyner beschikking een open vaartuig, en verscheide andere schuiten,
om zyne waaren daar mede te vervoeren: hy heeft ook een bergplaats,
om dezelve te laren droogen.

De uitgestrektheid der Suiker-Plantagiën, in deeze Volkplanting, is
gewoonlyk van vyf of zes honderd akkers. De gedeelten, tot bebouwing
geschikt, zyn in vierkante vakken verdeeld, alwaar men de stekken of
uitspruitzels van het riet, aan welke men omtrent een voet lengte laat,
in rechte en gelyke reijen, schuins in den grond steekt: men plant
dezelve gewoonlyk in het regensaisoen, wanneer de grond vochtig en
week is. Het duurt omtrent twaalf of zestien maanden, eer de spruiten,
die uit de stekken uitbotten, tot haare volkomene rypheid geraken;
wanneer zy daar toe gekomen zyn, worden ze geel, en haare grootte is
ten naasten by die van een Duitsche fluit. Het Suikerriet groeit zes
of tien voeten hoog: uit deszelfs afzetzels spruiten bladeren van een
ligt groene kleur, hebbende de gedaante van die van een pry, maar veel
langer en getand, en vallende op den grond af, wanneer de plant goed
is om gesneden te worden. De voornaame zorg der slaven, geduurende
dat het riet groeit, bestaat in het uitwieden van het onkruid, het
welk anderzints de plant van haare kragt berooven zoude. Men telt op
zommige Suiker-Plantagiën meer dan vier honderd slaven. De geldsommen,
die 'er noodig zyn om dezelve te koopen, en de gebouwen te stichten,
beloopen twintig à vier-en-twintig duizend ponden sterling, zonder
de waarde van den grond 'er eens by te rekenen.

Laaten wy tans zien, wat 'er van het riet geduurende de werking van
den molen word: het word aldaar tusschen de drie stampers, door welke
het twee malen doorgaat, gebroken. Vervolgens loopt het vocht door
eene groeve, die in een balk gemaakt is, tot in de werkplaats, alwaar
men het zelve laat koken, en in een zoort van houten bak ontfangt.

De arbeid der Negers, die aan de stampers werken, is zoo gevaarlyk,
dat wanneer één van hunne vingers tusschen twee rollen geraakt,
het geen meenigwerf en door onöplettenheid gebeurdt, de geheele arm
oogenblikkelyk word weg getrokken en aan stukken geslagen, zoo al
zelfs niet een gedeelte van het lichaam. Doorgaans houdt men een
byl gereed, om het lid af te houwen, want de man zou gevaar loopen
van om te komen, eer het werktuig konde worden stil gehouden. Een
ander gevaar, waar aan deeze ongelukkige slaven zyn bloot gesteld,
bestaat in het proeven alleenlyk van het vocht, het welk zy in het
zweet van hun aangezicht 'er uit halen; zoo men dit bemerkt, worden
zy veroordeeld, om eenige honderde geesselslagen te ontfangen, of
zelfs de tong te worden uitgerukt, op last van den Opzichter.

Wanneer het vocht uit den gemelden houten bak koomt, word het in de
eerste kopere ketel gestort, alwaar het door een zeef gekleinst word,
om al het stroo, het welk 'er by het stampen mogt zyn in gebleven,
weg te nemen. Dit vocht, na eenigen tyd gekookt te hebben, en
afgeschuimd te zyn, word andermaal overgegoten in de tweede ketel,
en zoo vervolgens tot in de vyfde en laatste, alwaar het eindelyk den
bekwaamen graad van dikte of vastheid verkrygt, om in de koelbakken
overgestort te worden: men werpt in de ketels eenige ponden aarde
en aluin, onder elkander gemengd, om het vocht te doen korrelen: op
die wyze dan laat men het al langs hoe meer koken, tot in de vyfde
ketel. Wanneer men de suiker in de koelbakken overgiet, draagt men
zorg, om ze wel te roeren en gelykelyk uit te spreiden: wanneer ze
koud is, heeft ze het voorkomen van bevrozen te zyn; ze is vast, als
kandy, bruin en doorschynend; men zoude byna zeggen, dat het stukken
noteboomen hout waaren, die zeer glad gepolyst zyn. Als de suiker
uit de koelbakken koomt, stort men ze in vaten, die een gewicht van
duizend ponden suiker bevatten, in welker bodem openingen of kleine
gaten zyn, dienende om het vocht, het welk nog mogt zyn overgebleven,
en melasse genoemd word, te doen uitloopen, en word het zelve, zoo als
ik reeds gezegd heb, in een van onderen gegraven bak gevangen. Na deeze
laatste bewerking, is de suiker geschikt om naar Europa overgevoerd,
aldaar geraffineerd en tot brooden gemaakt te worden. Ik moet opmerken,
dat hoe grooter de korrels zyn, hoe beter de suiker is, en dat geen
Land tot derzelver voortplanting meer geschikt kan zyn, dan Guiana. De
rykdom van eenen onuitputtelyken grond brengt te weeg, dat 'er drie
of vier vaten suiker van een akker komen. In 't jaar 1771, voerde
men niet minder dan vier-en-twintig duizend vaten uit naar Rotterdam
en Amsterdam alleen, het welk tegen zes ponden sterling het vat, (en
zomtyds maakt men 'er het dubbeld van,) eene somme van by de honderd
vyftig duizend ponden sterling uitmaakt, zonder van eene groote
meenigte kill-devil en suiker-syroop te spreken. De laatstgemelde,
die men op zeven duizend vaten voor dit zelfde jaar kan rekenen,
wierd voor vyf-en-twintig duizend ponden sterling aan de Engelschen
in America verkogt. De kill-devil word in Surinamen; ten gebruike der
Negers gestookt; men kan haar bedragen op dezelfde somme rekenen:
het geen, alle drie by elkander gerekend, omtrent tweemaal honderd
duizend ponden sterling 's jaars uitmaakt.

De kill-devil is ook een drank, welke zommige Planters gebruiken;
maar zy is vooral voor soldaten en matroozen. Wanneer ze nieuw is,
is zy een langzaam vergift voor elken Europeaan. De Negers hebben
'er nooit hinder van; integendeel, ze is hun zeer noodzakelyk en zeer
goed, vooral in het regen-saisoen. Geen gedeelte van het suikerriet
is nutteloos. Het gemalen riet en de bladeren dienen tot mest, om
het land vet te maken.

Alle de Plantagiën worden door bosschen omringd. Eene meenigte wilde
beesten rechten aldaar groote verwoestingen aan: men laat door honden
jacht op hen maken, en de Negers dooden ze dikwils. Na het geen ik
omtrent dit stuk alleen gezegd heb, kan men zig van den natuurlyken
rykdom van dit Land een denkbeeld vormen, maar ik twyffel echter
of de Volkplanting van Surinamen, zoo zy immer in andere handen,
dan die der Hollanders, overging, van zulk een aanzienlyk gewicht
blyven zoude. 'Er zyn 'er geenen, die geduld, vlyt, en onvermoeidheid
in zulk een hoogen trap bezitten.

Ik keer tans tot myn verhaal te rug. Ik heb gezegd, dat de slaven,
die ter myner beschikking stonden, bezig waaren met eene wooning
te maaken, om JOANNA daar in te ontfangen: zy voltooiden het in
vyf of zes dagen. Het bestond uit een kamer tot gezelschappen,
ook tot een eetkamer dienende; een slaapkamer, waar in ik alle
myne goederen bergde; en een zoort van gang, om buitenwaards lucht
te scheppen. Eene kleine keuken, en een groot hoenderhok waaren
'er van afgescheiden. Rondom stonden heiningen, en de ligging was
verrukkelyk. De tafels, de stoelen, en de banken, die myn huisraad
uitmaakten, waaren ook van Latanus-boomen hout. De deuren en vensters
waaren gesloten, door middel van konstig gemaakte houte sloten
en sleutels, welke een Neger my gegeven had, en door hem gewerkt
waaren. Alles in dier voegen gereed zynde, was myne eerste zorg, om in
deeze wooning den voorraad te doen plaatsen, dien ik van Paramaribo
had medegebragt. Dezelve bestond in een vaatje meel; een ander met
ingezouten makreel, die in dit Land lekker is, en welke men aldaar uit
Noord-America aanbrengt; in hammen; ingelegd vleesch, en Bostonsche
bifchuit. Ik had ook wyn, Jamaicasche rhum, thee, suiker, en een kistje
met spermacetie-kaarssen. De heer KENNEDY had my van zyne Plantagie
Vriedyk twee fraaije vreemde schapen en een varken gezonden. De moeije
van JOANNA gaf my twee douzyn verschillende zoorten van gevogelte; de
groenten en vruchten, het wildt en de visch ontfing ik van alle kanten.

Den eersten April, voer JOANNA de Rivier af, en kwam op de Hoop met
het vaartuig van Fauconberg, door agt Negers geroeid wordende. Ik
gaf haar dadelyk bericht van den inhoud van den brief, dien ik naar
Holland had geschreven. Zy bedankte my met veel zedigheid, maar haare
oogwenken waaren levendiger, dan haare gesprekken. Ik bragt haar in
haare nieuwe wooning, alwaar de Slaven der Plantagie, ten teeken van
achting, haar dadelyk geschenken deeden van cassaves, ignames, bananes,
en plantains. Nimmer waren twee gelieven gelukkiger. Zoo vry zynde,
als de heesters van het woud, ademden wy de zuiverste lucht in. Het
vergenoegen en de gezondheid waren myn deel; en myne gezellinne, van
jeugd en schoonheid schitterende, verwekte de afgunst en verwondering
der geheele Volkplanting.

De Colonel FOURGEOUD, toen besloten hebbende de bosschen te verlaten,
en te Maagdenberg, een post aan den mond van de Commewyne gelegen,
zyn leger neer te slaan, zond ik hem een groote schuit, geladen met
mondbehoeften, en met twintig soldaten onder bevel van een Officier
bemand. Ik deed vervolgens de monstering myner zee-soldaaten;
ik had 'er niet meer dan twintig overig, zonder echter een klein
detachement, het welk te Calis, aan den mond der Cassivinica-Kreek,
geplaatst was, daar onder te rekenen: iets hooger aan dezelve kreek,
en op eene Plantagie, Coupy genaamd, waren ook een Officier en eenige
soldaten geplaatst.

Den 4den, des morgens, was ik getuige van een zonderling gevecht
tusschen twee slangen, de eene van omtrent drie voeten lang, de
andere alleenlyk van veertien duimen. Het duurde byna anderhalf uur,
geduurende welken tyd de draaien en kronkelingen deezer dieren zeer
merkwaardig waren; en het eindigde met den nederlaag van de kleinste,
welken de grootste by den kop nam, en geheel en al levendig inslokte.

Myn Neger, den zelfden dag, eenige kleine gloeijende kolen hebbende
weggeworpen, zag ik met zeer veel verwondering een kikvorsch dezelve
gretig inslokken, zonder dat zy 'er eenig kwaad van scheen te gevoelen;
ongetwyffeld zag zy die voor vuur-muggen aan. Ik zag ook, in een
suiker-molen, een kikvorsch, die zig op mieren vergastte, welker
getal ter deezer plaatse zeer groot was. Zy lekte dezelve met haare
tong op, naar maate zy voor haar henen liepen. Een andere kikvorsch
sliep dagelyks op één der balken van myne wooning, en verliet dezelve
doorgaans des nachts. De Negers noemden haar yombo-yombo, uit hoofde
van de kracht, waar mede zy sprong. De kikvorsch van dit zoort is
zeer klein; een weinig plat; derzelver huid heeft eene fraaije geele
kleur, met zwarte en scharlaken vlakken. Men vindt ze dikwils in
de bovenkamers der huizen. Het evengemelde beestjen ons zeer fraay
voorgekomen zynde, verboden wy het zelve aan te raken.

Den 8sten tusschen zes en zeven uuren des morgens, terwyl wy één van
onze Sergeanten begroeven, hoorden wy verscheiden schoten met klein
geschut, naar den kant van de Peréca, en ik zond dadelyk een Officier
en twaalf soldaten af, om van dien kant te hulp te komen. Zy kwamen des
anderen daags te rug, en zeiden my, dat de muitelingen de Plantagie
Kortenduur hadden aangevallen, alwaar zy met plonderen bezig waaren;
maar dat de bewooner alle zyne Slaven gewapend hebbende, deezen de
eerstgemelden hadden genoodzaakt de vlucht te neemen, zonder dat men
eenige andere hulp noodig gehad hadde.

De Colonel FOURGEOUD zond my van de Wana-Kreek, eene kleine
bezending van krygsvolk, die den 11den op de Hoop aankwam, met den
Neger SEPTEMBER, die steeds gevangen bleef. De soldaten verhaalden,
dat de muitelingen, met den Bevelhebber gesproken hadden, en hem
in 't aangezicht hadden uitgelachen, toen zy hem een bevel hoorden
uitbrengen, om geen vuur op hen te geven, maar hen levendig gevangen
te nemen. Ik vernam ook, dat onder de geenen, die in de bosschen
verdoold geraakt waren, zig ook bevond de ongelukkige SCHMIDT, die
onlangs zoo zwaar gekwetst was geworden, dat hy zig naderhand niet
volkomen had kunnen herstellen.

Den 15den, de sluisen door het hooge water overgeloopen zynde, geraakte
onze geheele post onder water, uitgenomen het vak, waar op ik myne
hut geplaatst had, het welk droog bleef. Door dit toeval, waren de
Officiers en soldaten tot de kniën toe in 't water. Den zelfden dag,
kwam myn waarde vriend HENEMAN, die als vrywilliger diende, uit het
leger van den Colonel FOURGEOUD, aan de Wana-Kreek, in een vaartuig vol
krygsbehoeften en soldaaten. Hij was tot Lieutenant in myne Compagnie
benoemd. Ik vernam van hem, dat de overige krygsbende Maagdenberg
verliet, om zig naar het bovenste gedeelte van de Commewyne te begeven,
en zig aldaar neder te slaan. Deeze arme jongeling was door elende
en vermoeienissen uitgeput; ik beval hem aan de zorge van JOANNA,
die hem als een broeder behandelde.

Den 14den, den Colonel FOURGEOUD met zyn krygsvolk te Maagdenberg
aangekomen zynde, kwamen de Officiers en soldaten der Compagnie, en
de Jagers, ten getale van by de twee honderd mannen, in vaartuigen de
Rivier afzakken, om in verschillende posten aan de Peréca verdeeld
te worden. Zommigen van hun kwamen op de Hoop aan land, om zig te
ververschen, en gedroegen zig zoo slecht, dat myne Officiers en ik
genoodzaakt waaren, een half dozyn 'er van te straffen; zy vertrokken
den zelfden dag. Ik zond vervolgens een open vaartuig van agt riemen
af, om den Opper Bevelhebber, met eenigen van zyne Officiers, naar
Paramaribo te brengen, van waar hy eindelyk aan den Graaf van RANDWYK
toestond, om naar Holland scheep te gaan.

Den 16den, wierd het grootste gedeelte der schapen, tot deeze Plantagie
behoorende, ongelukkiglyk vergeven, door van eene plant te eeten, welke
de Negers duncane noemen; maar de myne ontsnapten dit ongeluk. Het
spyt my zeer, dat ik deeze plant niet met meerder aandacht onderzogt
heb. Zie hier alles wat ik 'er van weet. Het is een struik met breede
groene bladen, byna van de grootte van het Engelsch klissekruid. Het
groeit van zelf op laage en moerassige plaatsen, en veröorzaakt aan
elk dier, het welk 'er van eet, oogenblikkelyk den dood. De slaven
zyn dienvolgende verpligt in de Savane en velden, alwaar men beesten
weidt, dit onkruid uit te trekken; want men beweert, dat de ossen
en schapen 'er heet op zyn, hoe schadelyk het ook voor hun is, en
schoon anders de ingeschapen neiging der dieren hen, zoo men zegt,
de nuttige van de schadelyke planten doet onderscheiden. Een Neger had
door onöplettenheid deeze plant in zyn tuin laten groeien, alwaar de
ongelukkige schapen, na het om ver werpen der heiningen, binnen kwamen.

Er waaren ook, in deezen zelfden tuin, verscheide andere wortels
en planten, die der aandacht waardig zyn. Ik vond aldaar de igname,
een wortel, in de West-Indiën zeer bekend, en die in een vetten grond
welig groeit. Die van Surinamen weegt zomtyds drie of vier ponden, en
één akker kan wel tien of twintig duizend ponden opbrengen: dezelve is
zeer aangenaam van smaak, het zy gekookt, het zy gebraden, en bovendien
zeer gezond, en gemakkelyk te verteeren. Van binnen is zy wit, en van
buiten heeft ze eene hooge purper kleur, naar het zwart hellende. Haare
gedaante is zeer onregelmatig. De ignames komen voort van spruiten,
welke men op eenen korten afstand van elkander plant; en na verloop
van zes maanden geraken zy tot haare volkomene rypheid. De bladen
beginnen dan bleek te worden. Tot dien tyd toe hebben zy eene zeer
donkere groene kleur. Deeze wortels kruipen langs den grond, even
als het eiloof. Zy maaken het voornaamste voedzel der slaven in de
West-Indiën uit, en dienen hun zelfs tot brood. Men kan ze geduurende
een jaar, of daaromtrent bewaaren; zy zyn dienstig op lange reizen,
en men voert ze dikwils naar Engeland over. Ik zag ook nog eene andere
zeer kleine wortel, waar aan men in Surinamen den naam van naapjes
geeft. Men eet ze op dezelfde wyze, als de igname, maar zy is veel
beter. Beiden vervullen hier de plaats van aardäppelen, wortelen en
raapen, die ons in Engeland van zulk eene groote nuttigheid zyn.

Dezelve tuin bevatte ook Turksch graan, of maïs, gelykende naar
dat van Europa. Men teelt dit zeer veel in Surinamen: men geeft het
niet alleen aan het gevogelte, en allerleije zoort van vee te eeten;
maar men maakt 'er ook meel van, en de Creölen bakken 'er ook lekkere
koeken van, die daarënboven zeer voedzaam zyn. Men eet ze zomtyds met
wortels van althea. Deeze is een zeer kleine stronk, met langwerpige
bladeren; dezelve wortels, wel gekookt, geeven een zeer goede saus,
wanneer men ze met peper van Caijenne aanzet; maar derzelver slymige
aart maakt ze niet zeer smakelyk.

Den avond van den dag, die voor de schapen zoo doodelyk was, met myn
snaphaan op den schouder wandelende, schoot ik een vogel, alhier
Soubacou genaamd. Het was een zoort van grauwe ryger. Zyn bek en
pooten waaren zeer lang, en van een zeer donker groene kleur. De
laatstgemelde scheenen met breede schubben bedekt te zyn, van eene
harde en hoornachtige zelfstandigheid; en de nagels van elken klaauw in
het midden der poot waaren getand. Deeze vogel, schoon van de grootte
van een gewoon hoen, was zoo ligt als een duif. Toen hy gereed gemaakt
was, vonden wy in hem een visch-smaak.

Ik heb zedert eenigen tyd geen trek van wreedheid aangehaald, en
ik heb my deswegens zeer gelukkig geacht. Het is derhalven niet
dan met weerzin, dat ik my gedwongen zie 'er eenige te verhaalen,
welke ik zeker ben, dat de verontwaardiging en het mededogen van
den lezer verwekken zullen. De eerste daad van onmenschelykheid,
die myn mededogen gaande maakte, was eene strafoeffening, welke ik
op eene nabuurige Plantagie aanschouwde. Een fraay Samboes meisje,
omtrent agtien jaaren oud, en geheel en al naakt, was met de armen
aan een boom vast gemaakt. In deezen staat wierd zy door zweepslagen,
die twee Negers haar toebragten, zoo verschrikkelyk van één gereeten,
dat het bloed uit haar lichaam van het hoofd tot de voeten gonsde. Dit
ongelukkig schepzel had reeds twee honderd slagen ontfangen, toen
ik haar vernam, hebbende het hoofd op haaren boezem hangende, en
het akeligst schouwspel opleverende. Ik liep naar den Opzichter,
en bad hem, dat hy haar oogenblikkelyk zoude doen losmaken,
vermits zy haare straf geheel had ondergaan. Maar hy antwoordde
my zeer eenvoudig, dat hy, om de vreemdelingen te beletten van zig
met zyn bestuur te bemoeijen, zig tot eenen onveranderlyken regel
had voorgeschreven, om de straf te verdubbelen, ingevalle iemand
hunner voor den schuldigen spreeken wilde; en de wreedäart liet de
straföeffening oogenblikkelyk op nieuw beginnen. Ik wilde hem, maar
vrugteloos, tegen houden; hy verklaarde my, dat het minste uitstel,
wel verre om hem van besluit te doen veranderen, zyne wraak slechts
onverzoenbaarer en verschrikkelyker maakte. My stond niets anders
te doen, dan dit afschuwelyk wangedrocht te ontwyken, en zig, even
als een wild beest, met bloed te laten verzadigen. Van dien dag af,
besloot ik alle gemeenschap met de Opzichters af te breken, en ik
konde my niet wederhouden, om hen allen te vervloeken. Naar de reden
van deeze onmenschelyke daad onderzoek gedaan hebbende, vernam ik met
zekerheid, dat de eenige misdaad van dit ongelukkig meisjen daar in
bestond, dat zy de omhelzingen van haaren vervloekten beul standvastig
geweigerd had. De schelm, door jaloersheid en wraakzucht aangedreven,
deed, onder voorwendzel van ongehoorzaamheid, haar zoo levendig van
één ryten. Ik heb dit arm meisjen in den staat, waar in ik haar vond,
afgeteekend, en ik ben overtuigd, dat dit gezicht het medelyden van
elk gevoelig mensch verwekken zal.

Tot hier toe geene gelegenheid gehad hebbende, om van de Samboes te
spreken, zal ik tans zeggen, dat het een zoort is tusschen mulatten
en negers in. Zy zyn van eene donkere koper-kleur; zy hebben zwarte
en ligt gekrulde hairen. Deeze slaven, zoo mans als vrouwen, zyn over
't algemeen zeer fraay, en de Planters gebruiken ze voornamelyk tot
den dienst binnen hunne huizen.

By myne te rug komst op de Hoop, sprak de Opzigter der Plantagie,
EBBER, my aan, en zeide my met traanen in de oogen, dat hy veroordeeld
was in eene boete van twaalf honderd guldens, ter zaake dat hy dezelfde
straf aan een mans slaaf had doen uitvoeren, maar met dit onderscheid,
dat het ongelukkig slachtöffer staande de straföeffening stierf. Wel
verre van hem te troosten, antwoordde ik hem, dat zyn hartzeer my
een onuitspreekelyk genoegen deed.

Zie hier de byzonderheden van deezen moord. Terwyl de Capitain TULLING
op de Hoop het bevel voerde, en kort voor myne aankomst op deeze
Plantagie, was een Neger op eene nabuurige Plantagie overgeloopen,
van waar men hem te rug bragt, door twee gewapende slaven geleid
wordende. De Neger, terwyl de Opzichter den brief van zynen medebroeder
van de nabuurige Plantagie, hem over deeze zaak geschreven, las,
vond middel om te ontsnappen, en verschool zig in het bosch. EBBER,
woedend zynde, wreekte zig op de twee slaven, die den gevangen hadden
laten ontkomen, en deed hen op de werkplaats van den timmerman vast
binden. Op zyn bevel geesselde men hen zoo onbarmhartig, dat de
Capitain TULLING geraden vond genade voor hun te verzoeken; maar hy
ondervond het zelfde lot als ik, zyne tusschenkomst bragt eene geheel
tegenstrydige uitwerking voort naar 't geen hy verwagtte. Het geruisch
der slagen, en het grievend geschreeuw deezer ongelukkigen, lieten
zig meer dan anderhalf uur hooren, en deeze wreede strafoeffening
eindigde niet, dan met den dood van één van beiden. Men dagvaardde
EBBER dadelyk wegens begaane moord. Hy wierd overtuigt, en alleenlyk in
de zoo even gemelde boete verwezen. De bloedprys word altoos tusschen
den Fiscaal en den eigenaar van den vermoorden slaaf verdeeld. 'Er is
een wet in Surinamen, dat elke Planter, mits eene somme van vyfhonderd
guldens betaalende, één van zyne Negers mag ter dood brengen; zoo
hy 'er een van iemand zyner gebuuren doodt, moet hy hem schadeloos
stellen, na van de misdaad overtuigd te zyn, een zaak, die in dit
Land zeer moeielyk is, alwaar men geen getuigenis van een slaaf
toelaat. Dusdanig is de wetgeving in Hollandsch Guiana, met opzigt
tot de Negers. Gemelde EBBER was een verschrikkelyke wreedaart: een
geheel jaar lang folterde hy een jongman van veertien jaaren, genaamd
CADETTI; men geesselde hem alle dagen, geduurende de eerste maand; men
liet hem op den grond en op den rug met yzers aan de voeten slapen,
geduurende de geheele tweede maand; men deed hem een driehoek [4]
om den hals, geduurende de derde maand, om hem te beletten van in de
bosschen te loopen; geduurende de vierde maand ketende men hem nacht
en dag in een honden-hok, aan den waterkant, met last om te roepen,
zoo dikwils 'er een vaartuig of kano voor by voer; de Opzichter
veranderde eindelyk de straf van maand tot maand, en altyd op eene
nieuwe manier; het gevolg daar van was, dat deeze jongeling geheel krom
wierd; hy scheen geheel van gevoel beroofd te zyn, en had geen ander
voorkomen, dan van een beest. De schelm van een Opzigter was echter
grootsch op de schoonheid der slaven, en zomtyds zelfs, uit vreeze
van hunne huid te bederven, strafte hy verscheiden van hun, die door
hunne rooveryen en misdaden de galeijen verdiend hadden, alleenlyk
met een twintig-tal geesselslagen. Zie daar, welke de openbaare en
huisselyke rechtsöeffening in de Volkplanting van Surinamen is. Deeze
EBBER geraakte echter om deeze reden van de Plantagie de Hoop af, en
zyn opvolger, (ten blyke dat hy meer menschelykheid bezat!) begon zyn
bestuur, met alle de Negers der Plantagie, mans en vrouwen, te laten
geesselen, om dat ze des morgens een quartier te lang geslapen hadden.

De lezer verbeeld zig ongetwyffeld, dat dit de wreedheid in den
hoogsten top is! hy bedriegt zig. Het geval, dat ik nog zal bybrengen,
is in dit opzigt veel sterker, dan allen, die ik verhaald heb; en
het was een vrouw, die 'er zig aan schuldig maakte.

Mevrouw S.... in een open vaartuig, naar haare Plantagie gaande,
wierd vergezeld van eene Negerin, die haar kind zoog. Deeze vrouw
zat voor aan in het vaartuig, het kind schreeuwde, en zy kon het
niet tot bedaaren krygen. Mevrouw S...., wien het geschrei van dit
onnoozel wicht verveelde, gelastte aan haare slavin, om het by haar
te brengen. Zy nam het kind toen by een arm, hield het onder water,
tot dat het verdronken was, en vervolgens wierp zy het in den stroom
weg. De moeder sprong uit wanhoop oogenblikkelyk in de Rivier, in het
vast besluit, om aldaar haar leven te eindigen; maar dit lukte haar
niet: een gedeelte der roeijers zwommen haar na, en bragten haar weder
aan boord. Haare meesteresse deed, by haare komst op de Plantagie, haar
drie of vier roede-slagen geven, om haar te straffen wegens de schade,
welke zy, door zig van kant te helpen, aan haar had willen toebrengen.

Den 20sten, verliet de Colonel FOURGEOUD met zyn krygsvolk, het
welk in den deerniswaardigsten staat was, Maagdenberg; dienvolgende
sloeg hy zyn leger neder op eene Plantagie, genaamd Nieuw Rozenback,
gelegen tusschen mynen post van de Hoop en het Hospitaal. Ik ging
dadelyk myne opwagting by mynen Colonel maken, en vernam aldaar den
volgenden uitslag zyner krygsverrigtingen. Ik heb reeds gezegd, dat
de Capitain FREDERIK was gewond geworden; een soldaat was verdwaald
geraakt: een ander was door de muitelingen gehouwen; de gevangenen
hadden met hunne ketenen de vlucht genomen; en de vyand spotte met
deezen krygstocht.--Men had een zee-soldaat, die ziek was, aan zyn
lot overgelaten; één der Slaven had den arm gebroken, ten gevolge
van mishandelingen. Dusdanig waren de byzonderheden van deezen
veldtocht. Ik moet egter niet vergeeten de edelmoedigheid van eenen
armen Neger, die wegliep, om den elendigen soldaat te hulp te komen,
en die, na hem den laatsten plicht bewezen te hebben, te rug kwam,
om zyne straf te ontfangen; maar, tot zyne groote verwondering,
genade kreeg.

Ik moet den Colonel FOURGEOUD het recht doen wedervaaren, dat
verscheiden deezer toevallen het onvermydelyk gevolg waren van
zoortgelyke tochten in zulk eene luchtstreek. Zoo hy al, door een
allerslegtsten levensregel, zyn krygsvolk deed omkomen, zonder
muitelingen gevangen te nemen, deed hy ten minsten een gewichtigen
dienst aan de Volkplanting, door den vyand te ontrusten, af te matten,
en te vervolgen, derzelver legerplaatsen te verwoesten, en hunne
schuilplaatsen te vernielen. De Colonel FOURGEOUD deelde in alle deeze
vermoeienissen en gevaaren, en dat op zyne jaaren, het geen tegen
de gebreken van zyn caracter in aanmerking moet genomen worden, en
dienen kan, om hem den naam van geduldig en moedig toe te kennen. Ik
zoude veel meer genoegen hebben, met tot zynen lof te schryven;
maar de waarheid, en het algemeen voordeel, het welk het menschdom
daar uit trekken moet, vorderen, dat ik, de goede hoedanigheden van
den Colonel schetsende, ook opgeeve welke zyne gebreken waren, op
dat anderen zig door zyn voorbeeld kunnen verbeteren. Was het niet
belachelyk, om te Paramaribo, alwaar het papier volkomen goed was,
zyn krygsvolk in geld te betaalen, en hun op de tochten niets anders
te geven, dan die ingebeelde munt, waar mede het onmogelyk was eene
enkele igname, of de minste vrucht van een plantain-boom te betaalen,
Intusschen had hy geld tot zyne beschikking; maar hy wilde tien ten
honderd winnen met de soldy van het geheele Regiment, en dit gedrag
bragt hem by al het volk in eene algemeene verachting.

Den 21sten kwamen verscheiden Officiers my verzoeken, om op de Hoop
het middagmaal te houden, en ik deed hun veelerhande visch opdisschen,
waar onder waren de Kawiry, de Lamper, en de Makrely-fisy. De Kawiry
is een kleine visch zonder schubben, met een breede kop, en twee
lange baarden, die uit het bovenste gedeelte van den bek uitsteeken:
men vindt hem in alle deeze Rivieren in overvloed. De Lamper is een
zoort van lamprey, zoo als men die in de Theems vangt: de Surinaamsche
is van eene ronde gedaante, en niet zeer dik, maar slymig en zeer vet;
hy heeft een zee-groene kleur, met geele vlakken, uitgenomen onder den
buik, die wit is. Deeze visch word, even als de zalm, en in de zee en
in de rivieren gevonden. De Makrely-fisy gelykt naar de makreel, die
aan dezelve den naam geeft; de kleur is echter minder blaauwachtig,
en minder schitterend.

Deeze maaltyd deedt groot genoegen aan myne gasten, en wy waren zeer
vrolyk; maar, des morgens van den 22sten, wierd myne arme JOANNA,
die onze keukemeid geweest was, door eene geweldige koorts aangetast:
zy betuigde my haar verlangen, om naar Fauconberg te rug te keeren,
alwaar zy door eene van haare nabestaanden konde worden opgepast, en ik
stemde daar in toe. Den 25sten, was zy zoo ziek, dat ik besloot haar
zoo, veel mogelyk in stilte te gaan zien; want de Colonel moest des
anderen daags op de Hoop komen, en ik had geen lust om zyn kortswyl
af te wagten. Ik wist, dat de loffelykste beweegreden niemand voor
beschimping veilig stelde.

Het was in deeze onderneming moeielyk voor by den post van den
Colonel te komen, zonder gezien te worden. Aan mynen vriend HENEMAN
myn ontwerp hebbende mede gedeeld, stapte ik des avonds ten elf
uuren in myn vaartuig; maar toen ik tegen over Nieuw-Rozenback was,
hoorde ik zeer onderscheidentlyk de stem van den Bevelhebber, die
met eenige Officieren door het zand wandelde; en oogenblikkelyk riep
een schildwacht, om met het vaartuig aan wal te komen. Ik dacht,
dat alles zoude zyn ontdekt geworden: egter dagt ik best, aan de
Negers te zeggen, dat zy zouden antwoorden: Killestein Nova, het welk
de naam was van eene naby gelegene Plantagie, en men liet ons voor
by vaaren. Kort daar na, kwam ik gezond en behouden te Fauconberg,
alwaar ik JOANNA veel beter vond.

Maar, des morgens van den 26sten, nam ik den opkomenden dageraad
voor het maanlicht, en versliep my. Ik wist niet, op welke wyze ik
naar de Hoop te rug zoude komen; want myn vaartuig en myne Negers
konden niet meer voor by komen, zonder door den Colonel herkend
te worden. Alle uitstel was nutteloos. Ik ging dus weder scheep,
my volstrektelyk verlatende op de behendigheid der slaven, die my,
een oogenblik voor dat wy in 't gezicht van 't hoofd-kwartier waren,
aan land zetteden. Een van hun, my door de bosschen geleid hebbende,
kwam ik behouden weder op de Hoop aan. Myn vaartuig kwam schielyk
aldaar aan, maar voorzien van eene goede wacht; en de Colonel zond my
bevel, om hen allen te doen afkloppen, om dat zy zonder verlof waren
uitgegaan; want zy hadden tot hunne verschooning gezegd, dat zy voor
hunnen meester waren gaan visschen.

Hunne getrouwheid jegens my, ter deezer gelegenheid, was waarlyk
verwonderlyk: zy verklaarden allen, dat zy zig liever in stukken
hadden laten houwen, dan de geheimen van eenen zoo goeden meester te
verraden. Echter hield alle gevaar voor hun op. Ik bekragtigde het
geen zy gezegd hadden, en voegde 'er by, dat de visch geschikt was,
om 'er den Colonel op te onthalen. Ik deelde vervolgens twee kruiken
rhum onder deeze brave lieden uit. Deeze trek kan een denkbeeld
geven van de zwakheid van een Europeaan, zoo wel als van den moed en
standvastigheid van een Africaan.

Onäangezien alle myne toebereidzels, ontfing ik het bezoek van den
Bevelhebber eerst op den 28sten; maar des morgens van den 26sten,
kwam JOANNA te rug, vergezeld door eenen grooten Neger, die haar
oom was, en op één der armen een zilvere plaat droeg, waar op deeze
woorden stonden: Getrouw aan de Europeanen. Deeze man, genaamd COJO,
die vrywillig en de eerste tegen de muitelingen gevochten had, had
zig naderhand genoodzaakt gezien, om zig weder by hen te voegen,
uit hoofde der mishandelingen van M. D. B. en van den Opzichter. Hy
verhaalde my het volgende geval: "Gy ziet dit kind, zeide hy,
my een klein meisje, TAMERA genaamd, het welk hy by de hand hield,
aanbiedende: haar vader is genaamd JOLI-COEUR; hy is de eerste Capitain
onder BARON, en de onverschrokkenste van allen de muitelingen van het
bosch; het geen hy nog laatstelyk heeft doen zien op eene Plantagie,
gelegen naby Nieuw-Rosenback, alwaar uw Colonel tegenwoordig het bevel
voert. De Opzichter deezer Plantagie was een Jood, genaamd SCHOULTS,
die het bevoorens op Fauconberg geweest was. De muitelingen verscheenen
aldaar eensklaps, en maakten 'er zig meester van, zy bonden SCHOULTS,
plonderden het huis, en begaven zig tot dansen, en het maken van goeden
cier, alvoorens zy dagten om over hunnen gevangen te beschikken. In
deeze akelige gesteldheid, verwagtte deeze niets anders dan het teeken
tot zynen dood, wanneer zyn oog by toeval op den Capitain JOLI-COEUR
viel, wien hy deeze woorden te gemoet voerde: "Myn lieve JOLI-COEUR,
gedenk aan SCHOULTS, die alleenlyk de gemachtigde van uwen meester
was; herinner u alle de vriendelykheden, die ik u geduurende uwe
kindsheid bewezen heb; gy waart myn gunsteling; herinner u dit, en
breng door uwen vermogenden invloed te weeg, dat men my het leven
gunne".--Het antwoord van JOLI-COEUR is merkwaardig.--Ik herinner
my dat alles volkomen; maar, geweldenaar, herinner u, dat gy myne
arme moeder hebt geschaakt, en mynen vader, die haar ter hulpe kwam,
door geesselslagen doen van één ryten; herinner u, dat gy haar in
myne tegenwoordigheid hebt geschonden, toen ik nog maar een kind
was. Herinner u deeze schenddaad, en sterf door myne hand!--Op deeze
woorden hieuw hy hem met eenen byl het hoofd af". Na dit verhaal,
vertrok COJO met de kleine TAMERA, en ik reikhalsde met ongeduld
naar het nieuws, het geen ik dagelyks van Amsterdam te gemoet zag,
en, zoo ik hoopte my zelf in staat zoude stellen, om de beminnelyke
JOANNA van het juk van zulke gedrochten te verlossen.

De Colonel FOURGEOUD kwam, den 28sten, met één van zyne Officiers
aan. Zyne houding was uittermaten ernstig; het geen my zeer leed
deed. Ik liet hem dadelyk in myne hut komen; en zoo dra hy myne
gezellinne gezien had, verdweenen alle de rimpels van zyn voorhoofd,
als een damp voor de stralen der zon. Nooit heb ik gezien, dat hy
zig met zoo veel wellevenheid gedroeg.

Ik behandelde hem zoo goed my mogelyk was, en waagde het, om hem
een verhaal van myne reize naar Fauconberg te doen: hy lachte 'er
hartelyk om; en ons beiden de hand gedrukt hebbende, keerde hy,
in eenen goeden luim, en volkomen voldaan, naar Nieuw-Rosenback te
rug.--Volgens alle de omstandigheden, in dit hooftstuk vervat, kan
ik zeggen, dat het tydperk, waar over het zelve loopt, de gulde eeuw
was van mynen tocht naar de West-Indiën.



VEERTIENDE HOOFTSTUK.

De Colonel FOURGEOUD keert naar Paramaribo te rug.--Het gevleugeld
en gewapend Water-hoen van EDWARDS.--Bewys van onkunde in
een Heelmeester;--van deugd in een slaaf;--van wreedheid
in eenen Bevelhebber.--De roode Wulp.--De Wesp, Marobonso
genaamd.--Orange-appelen en Limoenen.--De insecten, Chiques
genaamd.--Het krygsvolk begeeft zig weder naar de bosschen.--De
Kibry-Fowlo.--Verscheidene zoorten van wilde varkens.--Mieren.--De
dans van Loango.--De Toreman.--De Poelsnip van Guiana.--Plantains en
Bananes.--Manier om te visschen.--Visschen.--Vogelen.

De Colonel, zyn vertrek tot den 29sten April hebbende uitgesteld,
begaf zig eindelyk naar Paramaribo. Hy was door eenige Officiers
vergezeld, die, zoo wel als hy, allernoodigst hadden zig aldaar te
ververschen. Zyn krygsvolk, tot een zeer klein getal versmolten
zynde, was niet meer in staat, om eenige krygsoeffening uit te
houden, en verlangde naar rust. Geduurende zyne afwezigheid, vond
ik my Bevelhebber der Rivier te zyn. Korten tyd voor zyn vertrek,
zond hy my zeer merkwaardige Instructiën, onder anderen inhoudende:
"Om aan de Planters te vragen, of de muitelingen op hunne Plantagiën
kwamen, en zoo ja, hen aan te tasten, en op de vlucht te dryven;
maar hen niet te vervolgen, zonder zeker te zyn, van hen geheel en al
t'onder te brengen; en ik moest voor de uitvoering van deeze beveelen
verantwoordelyk zyn". Dit wilde zeer eenvoudig zeggen: "Dat, indien
ik den vyand zonder goed gevolg aantastte, ik gestraft zoude worden;
en dat, zoo ik hem in 't geheel niet aantastte, ik rekenschap van
myne achteloosheid zoude hebben te geven". Hoe oordeelkundig andere
artikelen ook waren, konde ik my niet wederhouden van dit zeer ongerymd
te vinden. Ik zond het dadelyk door een Officier te rug; en, op myn
verzoek, verbeterde men het zoodanig, dat het een verstaanbaaren
zin had.

Hoe gelukkig was ik op dit oogenblik! My ontbrak niets, en ik had myne
bevallige gezellin steeds by my. Haar beminnelyk gezelschap verrukte
my; haare zoete stem streelde myn oor; haare tegenwoordigheid verbande
alle hartzeer, alle akelige herdenking uit mynen geest.

Op zekeren dag in de verdronken Savanen wandelende, schoot ik een
vogel, dien ik voor het gevleugeld en gewapend Waterhoen van EDWARDS
herkende. Deeze fraaije vogel behoort, zoo men zegt, tot het zoort
der Pluviers; hy heeft de gedaante van een duif; zyne pluimaadje
heeft eene donkere kaneel-kleur of zeer donker roodachtig oranje;
de buik en hals zyn volmaakt zwart; de vouw van elke vlerk, waar
van de vederen een schitterend geele kleur hebben, is gewapend met
een spoor van eene zelfstandigheid, gelyk aan hoorn, en dienende
tot verdediging van deezen vogel: hy heeft geen staart; zyn bek is
byna twee duimen lang; zyne pooten zyn ook zeer lang, en, even gelyk
de bek, van een geelachtig groene kleur; zyne klauwen, vooral de
achterste, zyn uittermaten lang; zy schynen berekend, om de zwaarte
van den vogel in het slyk te dragen, alwaar men hem dikwils ontmoet,
mogelyk om aldaar zyn voedzel in het water te zoeken. Dit hoen, even
als andere zoorten van Pluviers, zwemt nooit; zyn kop is verciert met
een scharlaken hanekam, en kleine peerlen scheiden hem den bek van de
oogen af, even als de Moscovische eendvogel. Men vindt de gewapende
Pluviers altoos by koppelen; en wanneer zy vliegen, fluiten zy vry
aangenaam. Hunne ongemeene schoonheid herinnert my een anderen vogel,
welken ik op nabuurige Plantagiën gezien heb, ik bedoel de roode
Wulp van Guiana, alhier Flamingo genoemd, [5] uit hoofde van de
groote gelykvormigheid, die tusschen hem en den beroemden vogel van
dien naam gevonden word. Men treft deezen Flamingo in Canada aan,
en in verscheide noordelyke en zuidelyke gedeelten van America,
en vooronderstelt, dat hy tot het geslacht der kraanvogels behoort,
en zoo groot is, als een zwaan in Europa. De roode Wulp heeft echter
alleenlyk de gedaante van een kleine Reiger; hy heeft geen staart;
maar zyn hals, zyn gekromde en ronde bek, en zyne pooten zyn zeer
lang; de laatstgemelde hebben vier klauwen, drie van vooren en één
van agteren. De kop van deezen Wulp is zeer klein. Het wyfje legt
altoos twee eieren, uit ieder van welke, na het uitbroeien, een jong
voortkomt, eerst van een zwarte, vervolgens van een gryze, en dan
van een witte kleur, naar mate hy in grootte toeneemt, en eindelyk
word de geheele vogel scharlaken of karmozyn, of naar bloedkleur
hellende. De roode Wulpen leven in gezelschap, even als de Oijevaars,
en bewoonen voornamelyk de oevers der Rivieren, of de stranden der
zee; en men vind ze aldaar in zulk een ongemeen groot getal, dat men
meenen zoude, dat het zand rood geverwd was. Men houdt deeze vogelen,
voor zeer uitgelezen, wanneer ze jong zyn; en zy zyn zoo gemeenzaam,
dat men ze dikwils ziet lopen en eeten met het tam gevogelte, schoon
zy echter aan het vleesch der vogelen en visschen den voorrang geven.

Ik vond dus altyd eenig nieuw voorwerp om te beschryven, en ik sleet
de gelukkigste dagen met myne geliefde JOANNA, op deeze aangenaame
Plantagie. Maar, helaas! eensklaps was myn geluk vervallen, en ik
verviel in de diepste moedeloosheid. De heer PASSELAIGE, te Amsterdam,
wien ik geschreven had, om van hem de vryheid myner gezellinne te
koopen, kwam te sterven; en het geen myne smart ten top deed ryzen,
was de tegenwoordige staat van JOANNA, die my beloofde, dat ik binnen
eenige maanden vader zyn zoude. Niet alleen moest myne gezellinne
slavin blyven, maar myn eigen bloed was ook tot een gelyk lot, en
onder zulk een bestuur bestemd!--De heer PASSELAIGE, op wien myne
hoop gevestigd was, overleden zynde, ging de Plantagie aan eenen
nieuwen eigenaar over. Ik konde alle deeze akelige denkbeelden niet
verduwen, en wierd als door zinneloosheid bevangen. Myne overmaat
van neerslagtigheid zoude my in het graf gestort hebben, zonder de
teedere vertroostingen van JOANNA, die my overreedde, dat de heer
LOLKENS onze hulp nog zoude kunnen zyn. In deeze droevige gesteldheid
hoorde ik des avonds van den 4den verscheide alarm-schoten met geschut,
van den noord-oost kant. Des anderen daags morgens, by het opkomen
van den dageraad, zond ik eenige manschappen naar de Peréca. Dezelve
kwamen op den middag te rug, met de tyding, dat de muitelingen de
Plantagie Marseille aan de Cottica hadden aangevallen; maar dat
de slaven der Plantagie hen genoodzaakt hadden de wyk te neemen,
zoo als laatstelyk die van Kortenduur gedaan hadden. De muitelingen
hadden ook een gedeelte der Indianen mishandeld, welken zy verdacht
hielden van aan de Planters hulp verschaft te hebben. Ik vernam nog
te gelykertyd, dat men eene zamenzweering van Negers te Paramaribo
ontdekt had. Zy hadden het ontwerp gevormd, om zig by de muitelingen
te voegen, na alle de inwooners vermoord te hebben. De hoofden der
zamenzweerders wierden ter dood gebragt.

Des morgens van den 26sten, hoorden wy nog verscheiden schoten in
het bosch. Vreezende, dat dit Europeesche manschappen zyn mogten,
die van den weg afgedwaald waren, gelastte ik myne schildwagt, om
deeze noodschoten, één voor één, met zyn snaphaan te beantwoorden,
en ik voegde daar by twee tambours, die twee uuren agter den anderen
trommelen zouden. Eindelyk verscheenen een Sergeant en zes soldaaten
van 's Compagnies krygsvolk, tot den post van Reidwyck aan de Peréca
behoorende, welke geduurende drie dagen in het bosch waaren verdwaald
geraakt. Zy hadden noch hangmatten, noch levensmiddelen, noch drank,
en zy waren byna dood van vermoeienis, honger en dorst. Ik onthaalde
hen zoo goed ik konde, en, tot myn groot genoegen, kregen zy wel dra
hunne kragten weerom. Een van hun echter wierd eenige uuren lang van
zyn gezicht beroofd, door het steeken van een zoort van Wespen, in dit
Land bekend onder den naam van Marobonso, die uittermaten groot zyn,
zig in de holen der boomen ophouden, de sterksten van het zoort der
beijen zyn, en zoo hevig steeken, dat de pyn daar van allergeweldigst
is, en de koorts veroorzaakt.

Den 12den, na de Cottica twee maalen te hebben overgezwommen, kwam ik
verkleumd t'huis, en des anderen daags had ik de koorts. Ik ontrustte
er my weinig over, en dacht, dat ik door een gematigden levens-regel,
en de hulp van limonade en tamarinden, die op de Hoop in overvloed
groeien, spoedig zoude genezen zyn.

Den 16den, bevond ik my, op de zwakheid na, volmaakt hersteld. Maar
denzelfden dag, des morgens ten tien uuren, met JOANNA voor myne
wooning zittende, ontving ik een onverwagt bezoek van den heer STEEGER,
één van onze Heelmeesters. Na myn pols gevoeld, en myne tong bekeken
te hebben, verklaarde hy my, zonder omwegen, dat ik des anderen daags
een lyk zoude zyn, indien ik zyn voorschrift niet volgde. Dit gezegde
deed op my zulk eene uitwerking, dat ik, schoon op alle andere tyden
geene geneesmiddelen inneemende, niet aarzelde, om het geen hy my
aanbood, en door hem in een glas was gereed gemaakt, in te zwelgen;
maar ik viel byna oogenblikkelyk gevoelloos op den grond.

Ik bleef in dien staat tot den 20sten. Het gebruik van myne zinnen
wederom krygende, bevond ik my op een matras leggende, en myne arme
JOANNA, die in traanen wegsmolt, naast my zittende. Uit vreeze, dat
ik my ontrusten mogt, verzogt zy my, om haar geene vragen te doen;
maar des anderen daags verhaalde zy my al wat my was wedervaren. Op
het oogenblik, dat ik viel, deed zy my door vier Negers opneemen, die
my nederleiden ter plaatse, alwaar ik my nog bevond. De Heelmeester,
my op verscheidene plaatsen Spaansche vliegen gelegd hebbende,
dog zonder eenige werking, zeide, dat ik dood was, en verliet de
Plantagie. Toen liet men myne doodkist maken, om my den 17den te
begraven, het geen JOANNA voorkwam, door tot het verkrygen van eenig
uitstel op de kniën te vallen. Dadelyk zond zy iemand af naar haare
moeije, ten einde haar goede azyn, en een fles zeer oude Champagne wyn
te zenden. Zy bediende zig van den eersten, om my by aanhoudenheid de
slapen van het hoofd te wryven; zy doopte 'er verscheide neusdoeken
in, waar mede zy my de gewrichten van de handen, en de voeten omwond;
eindelyk gelukte het haar, om my eenige droppels zeer warmen wyn in
een theelepel binnen te krygen. Dit arme meisje, had my, met myn
kleine QUACO en een ouden Neger, al dien tyd bewaakt, in de hoop,
dat ik 'er nog van zoude mogen opkomen, een geluk, waar voor zy tans
God dankte. Ik konde haar niet antwoorden en dank zeggen, dan door
eenige traanen, en met haar teederlyk de hand te drukken.

Intusschen ontsnapte ik den dood; maar in weerwil van de zorgen van
dit uitmuntend meisjen, aan wien alleen ik het leven verschuldigd was,
was ik tot den 15den Juny buiten staat, om alleen te kunnen gaan. Ik
was zoo zwak, dat men my als een kind moest te eeten geven, en twee
Negers droegen my in een zoort van leuning-stoel. De arme JOANNA,
die zoo veel voor my geleden had, was toen zelve zeer ziek.

Deeze staat was zeer verschillende van dien, waar in ik my nog zoo
kort geleden bevond. Ik genoot vergenoegen en gezondheid, en op dit
oogenblik was ik van beiden beroofd. De heer HENEMAN, myn vriend,
die my dagelyks kwam zien, zeide my, dat hy hebbende willen weten,
waar in het geneesmiddel, het geen ik had ingenomen, en my noodwendig
zoude hebben van kant geholpen, bestond, hy ontdekt had, dat het zelve
niet minder was, dan vier greinen braak-wynsteen, onder veertig greinen
ipecacuanha gemengd: de Heelmeester had over myn gestel geoordeeld,
naar mate van myne grootte, die by de zes voeten is. Ik was over deeze
trek van onkunde verontwaardigd. Den 4den Juny, een glas vol Madéra
wyn op de gezondheid van zyne Britsche Majesteit gedronken hebbende,
zag ik deezen knaap verschynen, om my een tweede bezoek te geven. Ik
nam dadelyk één der stokken, dienende om myne leuningstoel te dragen,
en liet dien op het hoofd van den weetniet vallen; want ik had nog
geen kragt genoeg, om hem een slag toe te brengen. Hy vroeg naar
niets meer, en begaf zig zeer schielyk weder in zyn vaartuig. Myne
Negers groetten hem, by zyn vertrek, met drie vreugde-galmen.

Twee der kloekmoedigste lieden, die in de Volkplanting waren, de
Capitain FREDERIK, en de Capitain STOELEMAN, welke laatstgemelde
tot het krygsvolk der Compagnie behoorde, begaven zig toen met de
Neger-Jagers in de bosschen. Zy doodden drie of vier muitelingen,
en namen een gelyk getal gevangen, die van honger stierven, waar
aan zy blootgesteld waaren, na dat de Colonel FOURGEOUD de bosschen
doorkruist, en hunnen oogst vernield had. Twee andere muitelingen,
op de Plantagie van den heer WINEY, aan de Patamaca-Kreek, hebbende
willen stelen, wierden door de slaven gedood, die vervolgens aan elk
van hun de rechte hand afkapten. Zy lieten dezelve droogen, en zonden
ze naar Paramaribo.

Den staat van zwakte, waar in ik was, my tot allen dienst onbekwaam
makende, stelde ik het bevel op de Hoop, in handen van den Officier,
die in rang op my volgde. Denkende, dat de verandering van lucht
my goed zoude doen, ging ik, na daar van aan den Colonel bericht
gegeven te hebben, naar eene nabuurige Plantagie, Egmond genaamd,
en aan den heer DE CACHELIEU, een Fransch Edelman, toebehoorende. Ik
wierd vergezeld door JOANNA, eenen blanken bedienden, en mynen kleinen
Neger. De heer DE CACHELIEU had my verscheidene maalen genoodigd, om
hem te komen zien, en niets was tot myn herstel geschikter, dan zyn
vrolyk gezelschap, en zyne gastvryheid. Hoe zeer waaren echter deeze
hoedanigheden het tegen overgestelde van zyne onrechtvaardigheid en
wreedheid omtrent zyne slaven! Zie hier een voorbeeld van de manier,
waar op hy dezelven behandelde. Twee Negers hadden eene geesseling
verdiend, om dat zy in zyn magazyn met geweld waren ingedrongen, en
gestolen hadden, en zy wierden met eenige zweepslagen vry gelaten,
om dat ze nog jong waren, terwyl twee anderen, die ongelukkiglyk ouder
waren; verwezen wierden, om voor een geringe twist drie honderd slagen
te ontfangen.

Aan den heer DE CACHELIEU naar de reden deezer partydigheid gevraagd
hebbende, antwoordde hy my, dat die twee jonge lieden eene zeer
fraaije huid hadden, en werken konden; maar dat de anderen oud
en zedert lang verminkt zynde, tot niets meer goed waren, en dat,
wanneer zy omkwamen, de Plantagie het onderhoud, het geen men hun
zonder nut verschafte, zoude uitwinnen.--Eenige dagen te vooren,
deed op Arentsrust, eene andere Plantagie beneden de evengemelde,
de Opzichter aan eenen ongelukkigen Neger, die hem uit naam van den
eigenaar een brief bragt, over welks inhoud deeze Opzichter niet
voldaan was, vier honderd geesselslagen geven, en zeide hem, dat hy
dit antwoord konde brengen aan den geen, die hem gezonden had.

Maar laten wy tot mynen gastheer te rug keeren. In weêrwil van zyne
wreedheid omtrent zyne Negers, was hy jegens alle anderen beschaafd,
vriendelyk, gastvry, en zeer wellevend. Ik zag op zyne Plantagie een
groot getal Chineesche oranjeboomen. Derzelver vruchten verschillen van
de andere oranje-boomen daarin, dat ze van binnen veel doorschynender
zyn, en een veel geuriger smaak hebben. De schil is ook veel gladder,
dunner en bleeker. Maar schoon men zonder hinder eene groote meenigte
gewoone oranje-appelen eeten kan, kan men dit niet zeggen van,
de Chineesche, wier onmatig gebruik in deeze Volkplanting steeds
gevaarlyke gevolgen gehad heeft. Deeze vrucht is van het zelfde zoort,
als die van Lissabon aankoomt, en waarschynlyk zyn het de Portugeezen
of Spanjaarden, die deeze oranje appelen in Guiana gebragt hebben. Men
kan gemakkelyk naargaan, dat de oranje-appelen van dit zoort, als
gouden trossen in volkomene rypheid van de boomen afvallende, van
veel lekkerder smaak zyn; dan die wy in Engeland eeten, werwaarts
men ze zend, wanneer ze nog groen zyn; het is waar, dat zy aldaar
vervolgens van kleur veranderen; maar zy komen aldaar nimmer tot
hunne waare rypheid. Men kan zig ligtelyk een denkbeeld maken van
de geur, die de bloemen van alle deeze oranje-boomen, waar van men
hier de fraaiste ruikers maakt, verspreiden. Op de Plantagie Egmond
vond ik ook eenige schoone limoenboomen; de vruchten waren groot, en
hadden een zeer dikke schil. 'Er waren ook nog zeer zoete limoenen,
maar die zeer klein, en naar myn oordeel zeer smakeloos zyn.

Na van de lekkere vruchten van den heer DE CACHELIEU gesproken
te hebben, moet ik zyne uitstekende Fransche wynen, en vooral zyn
Muscaat-wyn, niet vergeten. In weêrwil van soo veele uitgelezene
zaaken, bleef ik steeds zeer zwak, en zonder eetlust. Hoopende, dat
het te paard ryden my dienst zoude doen, besloot ik, om de gastvrye
wooning van deezen beminnelyken Franschman te verlaten, en verlof te
vragen, om eenigen tyd te Paramaribo te gaan doorbrengen.

Den Colonel FOURGEOUD den 9den op Cravassibo aangekomen zynde, om
aldaar zyne krygsverrigtingen te hervatten, schreef ik hem een brief,
om dit verlof te verkrygen, en zes maanden soldy, die my verschuldigd
waren, te vorderen. Hy antwoordde my den 12den en sloeg my het een
en ander verzoek af, maar in Zulk een onbeleefden styl, als ik van
hem niet verwagtte. Hy scheen aan mynen yver te twyffelen, en schoon
hy wel wist, dat ik ziek was, weigerde hy my myn geld, en de noodige
geneesmiddelen, om myne gezondheid te herstellen. Ik was daar over
zoo veröntwaardigd, dat ik hem een tweeden brief zond, waar in ik hem
verklaarde buiten staat te zyn, om iets te doen of te verzoeken, dat
met myne eer strydig was, waar van ik hem alle bewyzen geven zoude,
die hy eenigzints konde vorderen. Door zwakte geen dienst kunnende
doen, volgde ik mynen brief na verloop van twee dagen, en ik vertrok
met den heer DE CACHELIEU, in een overdekt vaartuig van agt riemen.

Ik stelde my voor, dat de Colonel by myne komst woedend tegen my zoude
zyn; dat hy my in arrest zoude doen gaan, en my eenige uitlegging
op myne brieven zoude afvorderen; maar hoe buitenspoorig hy zig ook
mogt aanstellen, ik vreesde hem niet, want na alle zyne pogingen om
my ongelukkig te maken, verlangde ik den dood boven andere wreedheden.

De heer DE CACHELIEU, ook vermoedende, dat de Bevelhebber tegen my
een groot geweld zoude maken, vergezelde my, toen ik by hem ging, doch
beiden waren wy bedrogen. De Colonel gaf ons zeer beleefdelyk de hand,
en vroeg ons beiden ten eeten, als of 'er tusschen hem en my niets
was voorgevallen, maar ik zag die gemaakte houding met verachting,
en weigerde zyne uitnoodiging, zoo als ook de Planter deed. Toen
ik hem verzogt had my de reden te verklaaren, die hem bewogen had,
om my myn verzoek af te wyzen, en my zulk een vreemden brief te
zenden, antwoordde hy my: ---- Dat dertig of Veertig Oucas-Negers,
die onze bondgenooten waren, hem bedrogen hadden, door niets te doen
van het geen zy beloofd hadden, terwyl zy in de bosschen waren, en
hy zelf zig op Paramaribo bevond; dat hy dienvolgende besloten had,
zyne krygsverrigtingen met dubbelen yver voort te zetten. Dit was de
reden, die hem bewogen had, niet alleen om my het verzogte verlof te
weigeren, maar om zelfs aan alle de zieke Officiers te gelasten, zig
oogenblikkelyk by hem te vervoegen, zonder 'er zelfs een enkele van uit
te zonderen tot bewaaring van de vaandels en de krygskas, welke hy aan
een Quartiermeester had toevertrouwd. De Colonel sprak de waarheid wel,
en hy had dezelve niet te kort gedaan, met 'er by te voegen, dat zyne
ingekankerde haat tegen eenige andere Officiers en my, hem aanzette,
om alles tot ons verderf aan te spannen. Ik moet niet vergeten te
verhaalen, dat hy omtrent deezen tyd de orde regelde, welke in het
doen der tochten moest gevolgd worden. Te vooren geschiedde alles
met verwarring, het geen by vervolg nog maar al te dikwils voorviel.

Byna twee maanden te Egmond hebbende doorgebragt, zonder my aldaar te
kunnen herstellen, en zonder verlof te verkrygen, om naar Paramaribo
te gaan, verkoos ik liever het bevel op de Hoop te hernemen. De heer
DE CACHELIEU vergezelde my derwaarts, en ik onthaalde hem aldaar zoo
goed my mogelyk was.

Ik vond op de Hoop mynen vriend HENEMAN, die toen Capitain was. Zoo wel
als verscheiden anderen van het krygsvolk, was hy aldaar ziek geworden,
en men had hem gelaten zonder geld, zonder Heelmeester, zonder
geneesmiddelen. Echter had de Stad Amsterdam verscheide vaten wyn,
ingelegde groenten, en andere versche voorraad gezonden; maar alles was
voor onze kwynende krygsbenden onzichtbaar, schoon dit zekerlyk het
oogmerk van deeze Stad niet was. Ik deed alhier vergeefsche moeite,
om ons aandeel in alle deeze mondbehoeften te verkrygen; noch geld,
noch geneesmiddelen, noch wyn, noch eenig zoort van ververschingen
wierden ons toegezonden. Dus hield onze kwyning aan, en wy verloren
onze kragten, in plaats van die wederom te krygen. Ik had echter de
minste reden van klagen, want ik wierd door JOANNA en myne dienstboden,
die, daags na myne aankomst op de Hoop, de Plantagie van den heer DE
CACHELIEU verlieten, bediend; en voorts ontfing ik, als naar gewoonte,
geschenken van alle kanten. De grootste onaangenaamheid, welke ik
toen ondervond, bestond daar in, dat ik de voeten vol insecten had,
chiques genaamd, het geen ik gedeeltelyk toeschreef aan het dragen
van schoenen en koussen, geduurende myn verblyf op Egmond. Ik heb
reeds gezegd, dat deeze insecten op Devil's-Harwar uittermaten talryk
waren, en ik zal deeze gelegenheid waarnemen, om dezelve op een meer
opzettelyke wyze te beschryven.

De chiques zyn kleine zandluizen, die tusschen vel en vleesch
doordringen, maar in 't algemeen onder de nagels van de voeten,
zonder dat men ze gevoelt. Zy zuigen aldaar het bloed, en worden
als een groote luis, en de jeukte, die zy dan veroorzaaken, is
allerönaangenaamst. Vervolgens komen zy te voorschyn, onder de
gedaante van een blaasje, het welk vol eiëren of neeten is, en indien
men het breekt, zoo veele jongen voortbrengt. Dezelve verspreiden
zig in het zieke deel, en veröorzaaken aldaar zweeren, die dikwils
zoo gevaarlyk zyn, dat ik een soldaat gekend heb, wien men met een
scheermes de voetzool moest afsnyden, om hem te geneezen. Men heeft
in dergelyke gevallen tot de afzetting dikwils toevlucht genomen;
en verscheiden lieden hebben zelfs het leven verloren, om dat zy
verzuimd hadden deezen vervloekten worm in tyds te doen verhuizen. Op
het oogenblik derhalven, dat men een zoort van brandende pyn gevoelt,
en eene ongewoone roodheid aan den voet bespeurt, is het tyd, om de
chique, die 'er de oorzaak van is, 'er uit te haalen. Dit doet men
met een naald, en de Negerinnen zyn 'er zeer bekwaam toe. Zy dragen
zorg, om geene onnoodige pyn te veröorzaaken, en om het insect,
noch deszelfs nest in de wonde niet te breeken. Op derzelver opening
leggen zy vervolgens asch van tabaks-bladen, en in korten tyd is men
geneezen. Op het oogenblik, dat ik 'er door besmet was, nam JOANNA eene
naald, en haalde uit myn linke voet, tot drie-en-twintig van deeze
insecten. Zy huisvesten allen onder de nagels, en men kan naargaan,
welk eene verschrikkelyke pyn ik uitstond. Deeze zelfde insecten
dragen by de Spanjaarden te Carthagena den naam van Niguas.

Den 21sten, ontfing ik een brief van den Bevelhebber, niet in antwoord
op dien, welken ik hem laatst gezonden had, maar, vermits hy zig in de
bosschen ging begeven, eenen last vervattende, om hem te Cravassibo,
alwaar toen het hoofd-quartier was, alle de mond- en krygsbehoeften,
alle de bylen, alle de kook-ketels toe te zenden, welke men op de Hoop
niet volstrekt noodig had. Ik deed ze hem des anderen daags toekomen:
maar de levensmiddelen waaren 'er in eene kleine hoeveelheid; want
een schuit, geladen vol met ossen- en varkens-vleesch, voor den post,
alwaar ik my bevond, had in de Rivier schipbreuk geleden.

Den 25sten, wierd de heer STEGER, die Heelmeester, welke my byna had
doen omkomen, zoo dat ik de gevolgen van zyne onkunde nog gevoelde,
van het Regiment weggezonden, als onbekwaam tot de uitoeffening van
zyn beroep. Schoon myne gezondheid op dit tydstip nog niet hersteld
was, doch ziende, dat verscheiden Officiers zig gereed maakten
om den Colonel te volgen, verzogt ik hem, om my zulks mede toe te
staan. Maar toen, den 26sten, zyn Adjudant, met een Heelmeester,
het krygsvolk, aan de Commewyne gelegerd leggende, onderzogt, vonden
zy beiden my buiten staat, om de vermoeienis van zulk eenen tocht
door te staan. Dit was waar; en den 29sten, weder ingestort zynde,
had ik het genoegen, om my als Bevelhebber aan de Rivier afgelost te
zien door den Majoor MEDLAR, die deezen zelfden dag tot dit einde op
de Hoop kwam. My was echter bevolen, om deezen post niet te verlaten,
schoon het verblyf van een maand te Paramaribo my een volkomen herstel
zoude hebben kunnen bezorgen, ik had dus niets meer te doen, dan myne
teekeningen voort te zetten, waar voor de evengemelde Officier my
eene vry aanzienlyke somme aanbood; maar ik wilde, zoo 't mogelyk was,
myne verzameling volledig maken. Wanneer ik 'er de krachten toe had,
wandelde ik rondom de Plantagie, met myn snaphaan op den schouder;
en den 3den September schoot ik, onder verscheide andere vogelen,
een zeer kleinen vogel, alhier Kibry-fowlo genaamd, om dat hy zig
altyd verscholen houdt. Deeze vogel, hebbende de grootte van een
lyster, is ten aanzien van deszelfs pluimaadje en gedaante gelyk aan
een quartel; maar zyne pooten zyn een weinig langer, en zyn bek is
uittermaten puntig. Zeldzaam ziet men hem vliegen; maar hy loopt zeer
schielyk in de weiden en Zand-woestynen, alwaar hy zig verschuilt,
zoo dra hy bemerkt, dat men op hem loert. De vogel, dien ik doodde,
was zeer vet, en toen hy gereed gemaakt was, vond ik hem zoo lekker,
als een leeuwrik in Europa.

Den 11den September verliet de Colonel FOURGEOUD Cravassibo, en
ging den vyand in de bosschen vervolgen; hy voerde met zig alle de
manschappen, in staat zynde om hem te volgen, welke hy by één kon
krygen, maar geen hooger getal beliepen, dan van honderd mannen. Vooraf
had hy het krygsvolk van den post van de Savane der Joden doen te
rug trekken, om dezelve op de verlaatene Plantagie Ornamibo, aan
het bovenste gedeelte van de Commewyne, te plaatsen, laatende dus de
Planters van de Rivier Surinamen aan hunne eigene verdediging over.

Den 19den van deeze maand, in den morgenstond, kwam een hoop van meer
dan twee honderd wilde varkens, alhier Pingos genoemd, in het bosch
verdwaald geraakt zynde, op de Hoop, en liep over de Plantagie. De
Negers vervolgden hen, en doodden 'er meer dan twintig van, door houwen
met snoeimessen en bylen. 'Er zyn drie zoorten van wilde varkens in
Guiana: de Pingos of Wary, waar van ik tans spreeke; de Cras-Pingos;
en de Mexicaansche varkens, genaamd Peccaris. De Pingos hebben ten
naasten by de grootte van onze kleine Engelsche varkens. Zy zyn zwart,
en hebben het lyf met zeer harde, maar niet zeer digt tegen elkander
staande borstels bedekt: zy verzamelen zig tot kudden, ten getaale
zomtyds van meer dan drie honderd, en bewoonen de dikste gedeelten
der bosschen. Zy loopen altyd op eene lyn, volgende de een den
ander van zeer naby. Wanneer de geen, die voorloopt, of de geleider,
gedood word, is de linie dadelyk gebroken, en de geheele kudde is
in wanörde; hierom beginnen de Indianen, zoo het hun mogelyk is,
altyd met den voorsten het eerst te treffen. Zoo dra hy is afgemaakt,
houden de anderen zig stil, elkander op eene domme wyze aankykende,
en laaten zig één voor één dood slaan, waar van ik getuige geweest
ben. Zy tasten geene menschen aan, en bieden hun geen wederstand,
zelfs wanneer ze gewond zyn, zoo als de wilde zwynen in Europa
doen, hoe zeer verscheiden Schryvers dit tegen de waarheid verhaald
hebben. Ik kan niet zeggen, of zy de honden aanpakken, want ik had
'er geen, toen ik hen ontmoette.--De Cras-Pingos zyn dik, en zyn tot
sterke verdediging gewapend. Hunne borstels zyn nog veel ruwer, dan
die van de eerstgemelde. De varkens van dit zoort zyn zeer gevaarlyk,
zoo door hunne kracht, als door hunne woestheid. Zy tasten menschen
en beesten aan, die hunnen, weg belemmeren willen, vooral wanneer ze
gewond zyn. Hunne manier van reizen is dezelfde, als die der andere
Pingos, en zy verzamelen zig ook tot talryke kudden; maar zy houden
zig voornamelyk in de binnenste gedeelten des Lands op. De varkens
van deeze beiderleije zoorten, wanneer zy in het bosch het minste
gerucht hooren, het welk hun de aannadering van eenig gevaar te kennen
geeft, staan eensklaps stil, vormen zig tot een naauw ingesloten hoop,
knarssen met de tanden, en maken zig dus tot hunne verdediging tegen
den vyand gereed. Ik geloof niet, dat ze oorsprongelyke bewooners van
Guiana zyn, maar uit Africa en Europa afkomstig. De Indianen eeten
hun vleesch met graagte; de blanken houden 'er veel van, en ik vond
het hard, droog en smakeloos.--De Peccaris, of Mexicaansche varkens,
worden gehouden voor de eenigen, die uit Guiana oorsprongelyk zyn,
en zy mengen zig niet onder de andere tamme of wilde varkens. Het dier
van dit laatste zoort is byzonder merkwaardig door een beurs of zak op
den rug, die men gewoonlyk voor zyn navel neemt, en die byna een duim
diep zynde, een stinkend vocht in zig vervat, waar van echter zommige
lieden de reuk by die van muscus vergelyken, maar die zoo onaangenaam
is, dat de Indianen, op het oogenblik, dat het dier gedood is, zorge
dragen, om 'er het vleesch rondsom uit te snyden, ten einde voor te
komen, dat het verdere 'er niet door bedorven worde; het geen anders
schielyk plaats zoude hebben, en wel zoo sterk, dat het onëetbaar
worden zoude. De Peccaris is by de drie voeten lang: hy heeft geen
staart zyne leden zyn wel gemaakt; hy kan zig weinig verdedigen. Zyne
borstels, van eene geelachtig gryze kleur, gelyken zeer veel naar de
stekels van den Engelschen egel. Zy zyn zeer lang op den rug, maar
zeer kort en zeer zeldzaam aan den buik en in de zyden. Dit dier heeft
op elken schouder een vlak van een helderer kleur, dan het overige
van zyn lichaam, loopende onder den hals in één, en veel gelykheid
hebbende met den halsband van een paard. De varkens van dit zoort zyn
op de lange en moerassige landen minder bekend, dan binnen in het Land,
alwaar zy in de Savanen en op de bergen leven. Zy worden gemakkelyk tam
gemaakt, en dan zyn zy mak en stil, maar zoo dom niet, als de Graaf DE
BUFFON voorwendt. Deeze natuurkenner zegt, dat zy niemand herkennen,
en geene verkleefdheid hebben aan de geenen, die hun voedzel geven;
echter had de Majoor MEDLAR 'er een op de Hoop, die hem als een hond
volgde, en zigtbaar genoegen schepte, door zynen meester gestreeld
te worden. Ik moest ook opmerken, dat wanneer men ze tergt, zy zeer
gevaarlyk en kwaadaartig zyn. De Peccaris loopen met groote troepen,
even als de andere zoorten; hunne wyfjes werpen verscheiden jongen
te gelyk; en hun geknor is zeer onäangenaam en sterk.

Des morgens van den 29sten, hoorden wy op nieuw het geluid van
verscheiden snaphaan-schoten naar den kant van de Cottica. Het kwam
van de Plantagie Marseille alwaar de slaven, vol dapperheid en trouw,
de muitelingen voor de tweede maal verjaagd hadden.

Den 8sten der volgende maand, ontfingen wy de tyding, dat de Colonel
FOURGEOUD, na de velden van den vyand, met welken hy van verre
gesproken had, ontdekt en verwoest te hebben; na het overschot
van den ongelukkigen SCHMIDT, die, zoo als ik gezegd heb, door de
muitelingen gedood was, gevonden te hebben, met zyn krygsvolk te
Maagdenberg was te rug gekomen, en dat hy aldaar tot den 11den dier
maand verblyven zoude. Hy ging vervolgens wederom in de bosschen, maar
vooraf droeg hy zorg, om zyne zieken naar de Hoop te doen brengen:
hy zond ook derwaarts, om arrest te houden, en vervolgens gevonnisd
te worden, een jong Officier, die aan niets anders schuldig stond,
dan dat hy, zoo goed niet als hy zelve, de vermoeienis had kunnen
doorsstaan. Deeze jongeling had last gehad, om twee dagen en twee
nachten lang te waken; eindelyk niet in staat zynde om wakker te
blyven, viel hy onder de wapenen in slaap, des te ligter, om dat hy
op den grond zat. De luchtstreek van Guiana is in de daad zoodanig,
dat zy in staat is de natuur gedwee te maken.

De Colonel schreef de voortduuring zyner gezondheid grootendeels toe
aan zeker alleronäangenaamst geneesmiddel, het welk hy zyn drank
noemde, en zeer heet en met koppen vol inzwolg: het bestond uit
kina en room van wynsteen, by elkander gekookt; zyn gestel was 'er
zoodanig aan gewend, dat hy het zelve niet ontbeeren konde. Echter
had hy geene navolgers, elk was beducht, dat, wanneer de werking van
dit geneesmiddel ophield, het geen eindelyk gebeuren moest, alle
andere geneesmiddelen, op het oogenblik, dat men ze meest noodig
had, werkeloos zyn zouden. Wat my betrof, ik bleef uitermaten zwak,
en wanhoopte zelfs aan myn herstel. De neerslagtigheid, waar toe de
kommerlyke staat van JOANNA my deed vervallen, veroorzaakte zulks
niet weinig. Myne ongerustheid verminderde ten deezen opzigte niet,
toen by een bezoek, het welk de heer en mevrouw LOLKENS my op de Hoop
gaven, de eerstgemelde my zeide, dat de Plantagie Fauconberg andermaal
stond verkogt te worden, en dat de nieuwe eigenaar was de heer LUDEN,
te Amsterdam, tot wien hy geene de minste betrekking had; hy voegde
'er tevens by, dat het gerucht liep, dat JOANNA en ik beiden vergeven
waren. Het verdriet, het welk zyne eerste tyding in my verwekte,
wierd echter verzacht door het verlangen, het geen mevrouw LOLKENS my
deed blyken, om myne gezellin dadelyk naar Paramaribo mede te nemen,
ten einde haar aldaar in haar eigen huis te doen oppassen, tot dat
zy volkomen hersteld zoude zyn. Ik betuigde haar alle mogelyke
dankbaarheid, en de arme JOANNA stortte traanen van vreugde. Zy
vertrokken alle drie den zelfden dag, en ik bragt hen tot Killestein
Nova, alwaar wy het middagmaal hielden; waar na ik, na het nemen van
een teder afscheid, hen verliet.

By myne te rug komst op de Hoop, had ik moeite om myne verontwaardiging
binnen de paalen van omzigtigheid te houden, wanneer ik my de zorg,
die ik voor myn eigen bloed droeg, door myne medgezellen hoorde
verwyten. "Doet als wy, STEDMAN, zeiden zy, en vreest niets. Indien
onze kinderen slaven zyn, men draagt ten minsten zorge voor hun; en
sterven zy, dan is 't over. Laat alle uwe zuchten in uwen boezem, en
uw geld in uw zak te rug keeren, gy zult 'er u beter by bevinden". Ik
geef hunne eigene uitdrukkingen op, om te doen gevoelen, hoe zeer
het my moet hebben aangedaan, zulke troostredenen te ontfangen.

Des anderen daags, met het aankomen van den dag ontwakende, was het
eerste voorwerp, het welk my voor het oog kwam, een slang van zes
voeten lang, die lynrecht boven myn hoofd hing, op den afstand van
minder dan een voet, en met zyn bek naar beneden; hy had zyn staart om
een balk van het dak geslingerd. Zyne oogen glinsterden als starren,
en hy weemelde met zyn gespleeten tong in den bek. Ik was zoodanig
verschrikt, dat ik moeite had, om hem te ontwyken, het geen ik egter
deed, door my uit myn hangmat te werpen. Ik hoorde hem vervolgens
gerucht maken in het drooge stroo, waar mede myn dak gedekt was; de
Negers vervolgden hem aldaar, om hem te dooden, maar hy ontsnapte hun;
dus kan ik niet zeggen, tot welk zoort hy behoorde. My toen alleen
bevindende, en voor zulke bezoeken in het vervolg beducht zynde,
sloot ik myn huis toe, en ging met myne vrienden, den Majoor HENEMAN
en den heer MACDONALD, te zamen woonen.

Myne koffers naarziende, bevond ik, dat de mieren daar aan veel schade
gedaan hadden. Zy zyn in Guiana van verschillende zoorten, en zoo
talryk, dat ze my in één nacht een paar catoene koussen, die geheel
nieuw waren, vernielden. De mieren, die veel op de Plantagiën gevonden
worden, zyn zeer klein, maar zeer onaangenaam. Om de suikerbrooden
te beveiligen, moet men die met een spyker tegen het beschot hangen,
en zorge dragen, dat men rondom veel kryt smeert, om dat dit afvalt,
en hen op het oogenblik, dat zy 'er over willen gaan, mede neemt. Ik
verbeeldde my, dat, wanneer ik myne suikerbrooden op een steen zette,
die in eene tobbe rondom in 't water stond, ik dezelve tegen deeze
geduchte vyanden zoude veilig stellen; maar ik bedroog my; de voorhoede
trok, tot myne groote verwondering, over 't water; en zeer weinigen
verdronken. Het waare middel om zig van deeze insecten te ontlasten,
bestaat daar in, dat men hen aan eene brandende zon bloot stelt; zy
kunnen die niet verdragen, en vluchten na verloop van eenige minuuten
weg. Het geen verscheiden Schryvers, waar onder zig Dr. BANCROFT,
en zelfs Koning SALOMON bevinden, van den zoogenaamden voorraad,
dien de mieren voor den winter vergaderen, hebben opgegeven, word
door nieuwe waarneemingen wedersproken. Het is wel waar, dat 'er in
Surinamen geen winter is; maar overal, waar dit jaargetyde bekend
is, worden de mieren door eenen gevoel benemenden slaap verdoofd,
geduurende welken zy niets noodig hebben.

Myn vriend, de Capitain VAN COEVERDEN, die toen in de bosschen was,
ondervond eene onaangenaamheid van eenen anderen aart. Neger slaven
openden zyne koffers te Paramaribo; zy ontstalen hem zyne beste
goederen, en twintig guinies.

Den 6den, verdronk een zee-soldaat zig zelf in den aanval van een
heete koorts, eene ziekte, die in Guiana zeer gemeen is. Byna te
gelyker tyd wierd een soldaat van 's Compagnies krygsvolk op last
van eenen hoogen krygsraad dood geschoten.

Aan den heer SEIFKE geschreven hebbende, om te weten, of het niet in de
magt van Gouverneur en Raaden stond, om het kind van een vry man vry
te maken, mits aan den eigenaar de somme betaalende, die zy in hunne
wysheid gepast zouden oordeelen; hy antwoordde my, dat geene somme
hoe genaamd een slaaf konde vry koopen, wie ook zyn vader wezen mogt,
zonder de toestemming van den meester, naardien, volgens de wetten,
die uit eene moeder in slavernye zynde geboren word, even zeer slaaf
is, als of hy in Africa geboren, en van de kusten van Guinée herwaarts
overgebracht was. Deeze uitlegging maakte myne ellende volkomen. Korten
tyd na het ontfangen van dit antwoord, wierd ik op zekere Plantagie,
Knoppemonbo genaamd, aan de Cassivinica-Kreek, en welks eigenaar,
de heer DE GRAAF, alles deed, wat hy konde, om my te verzetten,
ter maaltyd genoodigd. Eindelyk my ter zyden af, op een kleine brug,
die naar een oranjen-bosch leide, ziende zitten, in eene houding, die
myne bittere droefheid aanduidde, kwam hy by my, vatte my by de hand,
en zeide my het volgende, het welk ik met de grootste verwondering
aanhoorde.

"De heer LOLKENS heeft my bericht, myn heer, van de oorzaak uwer
billyke smarte, maar de Hemel laat nimmer eene goede daad onbeloond. Ik
heb het genoegen u tans kennis te geven,dat de heer LUDEN my tot
Bestuurder zyner Plantagie verkozen heeft, en dat ik van dien dag af
aan alle myne pogingen zal aanwenden, om u by hem van nut te zyn,
als mede aan de achtenswaardige JOANNA, die, door haar beminnelyk
caracter, zig de achting van allen, die haar kennen, verworven heeft,
terwyl uw loffelyk gedrag ten haaren opzigte u de achting der geheele
Volkplanting heeft doen verdienen."

Een Engel, uit den hemel nederdaalende, konde my geen blyder boodschap
brengen: een misdadiger, die ter dood verwezen is, ontfangt de aan
hem geschonkene genade met geen meerder vreugde! Ik gevoelde mynen
boezem van een zwaaren last ontheven; en na den heer DE GRAAF zyne
belofte hebben doen herhaalen, vond ik, dat ik my in den kelk van 't
geluk nog konde dronken drinken. Kon na dit gesprek, wierd ik door
alle de lieden van het gezelschap omringd, aan wien deeze waardige
man zyne edelmoedige oogmerken mededeelde. Zy wenschten my met myne
lofwaardige gevoelens, en met de beminnelyke gezellinne, waar aan
ik my verbonden had, geluk: zy scheenen in het genoegen, het welk
ik ondervond, deel te nemen; en de geheele dag wierd in festynen
en vermaken doorgebragt. Des avonds keerde ik naar de Hoop te rug,
veel beter te vreden, dan toen ik deezen post verlaten had. Des
anderen daags wierd het zelfde gezelschap aldaar door den Majoor
MEDLAR ontfangen; en wy hielden met onze bezoeken aan tot den 13den,
wanneer wy andermaal gezamentlyk naar Knoppemonbo gingen.

De heer DE GRAAF, nieuwe slaven gekogt hebbende, gaf aan alle de
Negers van zyne Plantagie een festyn, en ik had dus gelegenheid,
om de hun eigenäartige vermakelykheden te zien; maar ik bewaare
derzelver mededeling tot een ander tydstip. Tans zal ik alleenlyk
eene beschryving geven van den dans van Loango, zoo als die door
de Negers van dit gedeelte van Africa, en door geene anderen word
uitgeöeffend. Dezelve bestaat in zulke aangevuurde en wulpsche
houdingen en gebaarden, dat men de meest verhitte verbeelding en
de bestendige gewoonte noodig heeft, om dien uittevoeren. Deeze
dans, die met trommelslagen vergezeld gaat, en geduurende welken
de dansers met hunne handen de maat slaan, kan als een zoort van
pantomime beschouwd worden, die in verscheiden bedryven verdeeld is,
en eenige uuren aanhoudt. Maar het merkwaardigst is, dat, zoo lang
dit zoort van vertooning duurt, de dansers en danseressen, verre van
vermoeid te schynen, zig meer en meer aanvuuren en verhitten, tot dat
zy eindelyk door en door bezweet, en hunne aangezette bewegingen tot
die hoogte gestegen zyn, dat, de natuur bezwykende, zy op het punt zyn,
om in stuiptrekkingen te vervallen.

Hoe onbetamelyk deeze oeffening ook is, de Europeesche en Creoolsche
vrouwen zyn by het gezicht daar van, even als van alle andere vermaaken
tegenwoordig. Zy verzamelen zig onbeschroomd benevens de manspersoonen,
rondom de dansers, om, zoo zy zeggen, eens hartig te lagchen. Zulke
vertooningen zouden het gezicht van eene Engelsche vrouw geheel
doen bloozen.

Deeze waarneeming, dat de gewoonte in zekere Landen zaaken voor
geoorloofd houd, die men elders verwerpen zoude, word meer of
min bewaarheid, naar maate men verschillende luchtstreeken bezogt
heeft. Een Officier, in dienst der Indische Compagnie, heeft onlangs
eene beschryving uitgegeven van de verschillende houdingen, gebaarden,
gezichten, zuchtingen, uitdrukkingen van vermaak, vrees, hoop, en
elke trap van hartstocht, die de danseressen in de Oost-Indiën doen
blyken; maar wat deeze jonge dogters ook doen mogen, om de verbeelding
der toekykers aan te vuuren, men weet, dat de heidensche vrouwen de
kuischte in de geheele weereld zyn.

Den 14den keerde ik naar de Hoop te rug, alwaar ik vernam, dat
het dak van myn huis door een stormwind was weggenomen. Dewyl ik
niet meer voorneemens was het zelve te bewoonen, liet ik het om ver
vallen. Intusschen had ik aldaar de gelukkigste dagen van myn leven
gesleeten.

Den 26sten, trok de Colonel FOURGEOUD op nieuw naar de Wana-Kreek;
maar dewyl hy van den post van de Savane der Jooden het krygsvolk
had weggenomen, maakten de muitelingen daar van gebruik, niet alleen
door eene Plantagie aan de Rivier Surinamen te plonderen, maar zelfs
verscheide Plantagiën, aan de Cassivinica-Kreek, te verbranden. Eene
bezending van 's Compagnies krygsvolk, die by toeval zig aan deeze
Rivier bevond, vervolgde hen, maar zonder eenig voordeel. Twee
soldaaten wierden gedood, en verscheide anderen, waar onder hun
Bevelhebber NEYLE was, wierden gekwetst. De Majoor zond het krygsvolk
af, het welk onlangs op Ornamibo geplaatst was, ten einde den vyand te
vervolgen: het zelve doorkruistte het bosch eene geheele week lang,
en kwam te rug, zonder iemand ontmoet te hebben. Deeze meenigvuldige
gebeurtenissen doen zien, hoe moeielyk het voor Europeesche krygsbenden
is, om in de bosschen van Noord-America te gaan oorlogen.

Den 30sten van deeze maand, zynde St. ANDREAS dag, liet ik een geheel
schaap braden, waar op ik alle de Officiers, die zig op de Hoop
bevonden, onthaalde. Ik gaf daar by twee kruiken goede Jamaicasche
Rhum, waar van wy Punch maakten, welke wy op de gezondheid van onze
vrienden van het oude vaste Land uitdronken. Ik herhaalde dit festyn
den 4den December, na het ontfangen der tyding, dat myne JOANNA van
een frisschen en schoonen zoon bevallen was. Den zelfden dag schreef
ik aan den heer LUDEN te Amsterdam, om de vryheid voor moeder en
kind te bekomen, en ik deed dit in dezelfde uitdrukkingen, als aan
zynen voorzaat den heer PASSELAIGE; alleenlyk verzogt ik hem met
meerder aandrang, om zyn antwoord te verhaasten, om dat ik niet wist,
hoe lang onze tocht nog duuren zoude. Myn nieuwe vriend, de heer
DE GRAAF, ondersteunde my, zoo als de heer LOLKENS gedaan had. Dit
alles afgeloopen zynde, gaf ik aan de zieken een douzyn flessen goeden
Champagne-wyn, die de eerstgemelde van deeze twee heeren my gezonden
had, en die zedert het jaar 1726. in zyne kelder geweest waren.

Des morgens van den 10den, met myn snaphaan op den schouder rondom
de Plantagie wandelende, zag ik, dat alle de slaven, uit hoofde der
mishandelingen van den Opzichter, aan 't muiten waaren. Het krygsvolk,
by geluk van het verschil kennis genomen hebbende, deed het zelve
tot algemeen genoegen eindigen. Deeze veelvuldige onlusten, waar van
ik verscheiden malen melding gemaakt heb, gaven klaarlyk het oogmerk
der Negers te kennen, om tot eenen openbaaren opstand over te slaan;
en zy zouden zulks voorzeker te meermalen beproefd hebben, zoo zy niet
wederhouden waren geworden door de vrees, welke de tegenwoordigheid
van het krygsvolk hun inboezemde. Dien zelfden morgen bragt ik een
paar vogels van twee verschillende zoorten mede. De eerste word
genoemd Toreman; de andere is een zoort van poelsnip. De Toreman is
een vogel van eene zeer heldere zwarte kleur, hebbende gryze pooten,
en een zeer krommen bek: hy heeft de grootte van een hoen; en is zeer
goed om te eeten. Hy gaat op de hoogste takken der boomen zitten,
en men ontdekt hem gemakkelyk door een zoort van zang, het welk hy by
de aankomst van elk mensch in het bosch duidelyk herhaalt. Van daar
heeft hy den naam van Toreman, het welk in de taal der Surinaamsche
Negers een snapper of spion beteekent: de muitelingen dragen hem om
die reden eenen verschrikkelyken haat toe.

De poelsnip in de Savanen is een weinig minder groot dan een korhaan:
deszelfs pluimaadje is van eene fraaie gryze zilver-kleur, en zyne
gedaante ten naasten hy van de Europeesche poelsnippen. Men vindt
deezen vogel voornamelyk in de verdronkene Savanen; hy is vet, en
van een uitmuntenden smaak.

Den 11den, wierd de Plantagie Reetwyk, aan de Peréca, door de
muitelingen aangetast; maar het krygsvolk noodzaakte hen de wyk
te nemen.

Den Colonel FOURGEOUD toen te Maagdenberg te rug gekomen zynde, en
my, na eene ziekte van zeven maanden, volmaakt hersteld bevindende,
waagde ik het, om hem op nieuw schriftelyk voor te stellen, om met
hem in de bosschen te trekken, of my toetestaan van eenigen tyd te
Paramaribo door te brengen; maar hy weigerde my het een en ander
verzoek. Ziende, dat het my niet mogelyk was mynen post te verlaten,
deed ik derhalven aan myne geliefde JOANNA by een brief verstaan,
dat ik my beter bevond. Ik kwam vervolgens met myn brief aan den
oever der Rivier, om aldaar een vaartuig te vinden; en tegen den
middag bespeurde ik het open vaartuig van Fauconberg, het welk den
Opzichter naar Paramaribo bragt: by ongeluk bekleedde hy dien post
slechts zedert kort, en my niet kennende, wilde hy niet naar den
oever komen, om myn brief aan te nemen. Echter ziende, dat de Negers
met hunne riemen stil lagen, stak ik den brief tusschen myne tanden,
en sprong in 't water, om naar het vaartuig toe te zwemmen, niet
twyffelende, of men zoude my wel weder aan land brengen. Ik volgde dus
den stroom, geheel gekleed, en naderde eindelyk tot op den afstand
van twee riemen van het vaartuig: toen nam ik myn brief in de hand,
en denzelven in de hoogte houdende, riep ik: "Wie zyt gy, die een
stuk papier weigerdt aan te nemen?" Men antwoordde my in 't Fransch:
"Ik ben JEAN BEARNY, een boer uit Gasconje, om u te dienen". Het
vaartuig ging, na deeze weinige woorden, oogenblikkelyk voort, en ik
zag my buiten staat, om het zelve in te haalen, of weder aan land te
komen. In zulk eene benaauwdheid stond my niets anders, dan den dood
te wagten; want het was onmogelyk, om tegen den stroom op te zwemmen,
vooral, daar myne kleederen my in den weg waren: ik beproefde het
egter, maar ging twee keeren naar den grond. Ik zoude aldaar buiten
twyffel hebben moeten blyven, indien ik eindelyk niet eenig paalwerk
gevat had, het welk in de Rivier gestoken was om visch te vangen,
en my daar aan stevig had vast gehouden. In deeze gesteldheid riep
een Hollandsch Timmerman, die my boven van een Suikermolen zag,
uit al zyn kragt, dat de Engelsche Capitain zig wilde verdrinken. Op
deeze woorden sprong een dozyn sterke Negers in de Rivier, en wel dra,
onder het oog van mynen vriend, den Major MEDLAR, die vry genegen was,
om het bericht van den Hollander te gelooven, grepen zy my, en namen
my op hunne schouders, om my aan wal te brengen. De woede over de
onbetamelyke bejegening, die my wedervaren was, de pyn, het gevaar,
en de schande zelfs, vervoerden my dermaten, en maakten zulk eenen
sterken indruk op mynen geest, dat ik oogenblikkelyk het gebruik der
reden verloor, en de misdaad, waar van ik beschuldigd wierd, byna
ter uitvoer bragt; want door de slaven over eene kleine brug gedragen
wordende, nam ik een sprong, en wierp my van boven neder in de Rivier;
ik wierd dadelyk door de Negers weder opgevischt; en de verdenking, dat
ik een zelfsmoord in den zin had, wierd bevestigd. Dienvolgende bragt
men my in myne hangmat, waar by den geheelen nacht twee schildwachten
geplaatst wierden. Myne vrienden omringden my, en stortten traanen;
maar een weinig warmen wyn genomen hebbende, viel ik in eenen diepen
slaap tot des anderen daags morgens. By myn ontwaken een zeer bedaard
voorkomen hebbende, vonden myne redenen, tot myn groot genoegen,
eindelyk ingang, en myne medgezellen lieten alle vrees ten mynen
opzigte vaaren. Aan zulk een gevaar stelde my het onbeschaamd gedrag
van deezen onmenschelyken Franschman bloot, die zig zelfs naderhand
door trekken van eene voorbeeldelooze wreedheid befaamd maakte.

Daags na dit voorval, zond ik myn brief met één van myne Negers,
die zig in een kleine kano naar Paramaribo begaf. Tegen den middag
een vaartuig met syroop van suiker, waar op zig in de brandende zon
een Engelsch matroos en twee Negers bevonden, voor de Hoop ten anker
ziende liggen, deed ik den eerstgemelden aan land komen, al waar
ik hem op een schotel spek met eieren, en een bool punch onthaalde;
het geen hem zeer verwonderde, want hy maakte geene rekening op zulk
een goeden maaltyd, en nog minder, om één zyner landgenooten op deeze
plaats te vinden: zyn naam was MACDONALD, en men zal by vervolg zien,
welke zyne dankbaarheid was.

Het evengemelde vaartuig was een groote schuit met twee riemen,
welke de syroop van suiker (melasse) op de Plantagiën gaat haalen,
en aan boord der Americaansche schepen brengt; en deeze voeren ze
naar de Eilanden, om 'er rhum van te maken. Men betaalt ze aan de
Hollanders tegen drie guinies het vat.

Den 16den, kwam 'er een ander Officier aan, die door den Colonel was in
arrest gezet. De naam van den eersten was GYLGUIN, en van den tweeden
NEYS: de misdaad van den laatsten was een twist, die hy met een vryen
Neger, GOASARY genaamd, over het schikken van plantains had. Deeze twee
jongelingen wierden vervolgens naar Europa gezonden op last van den
Colonel, die vast stelde, dat zy door een hoogen krygsraad veroordeeld
zouden worden: maar, na een kort rechtsgeding, wierden zy met eere
vry gesproken, tot algemeen genoegen der geheele krygsbende. In de
daad, zoo verregaande was de gestrengheid van den Colonel, dat hy de
minste toegevenheid niet had voor de zwakheden der jeugd.--Dewyl ik
zoo even van Plantains sprak, zal ik deeze gelegenheid waarnemen,
om deeze vrucht, en den boom, die ze voortbrengt, te beschryven;
het geen ik misschien reeds had behooren gedaan te hebben.

De Plantain-boom is veel eer een plant, dan een boom, want hy heeft
noch schors noch hout, dezelve bestaat in een stamen, of helmstyl,
rondom door bolachtige, vezelachtige groene vliezen omgeven, die even
als de uijen op elkander zitten, tot tien en meer duimen middellyns:
deeze omwindzels of schelpswyze schorssen klimmen beurtelings tot op
omtrent veertien voeten afstand van den grond, en vormen zig niet tot
takken, maar tot bladeren, ten getale van dertien of veertien, die zig
als een zonnescherm uitspreiden, en waar van elk in staat is iemand van
de grootste gestalte te overdekken: zy zyn van een helder zeegroene
kleur, tot dat zy verwelken en afvallen, om voor nieuwe plaats te
maken. Uit het midden van deeze verëenigde bladeren, spruit een zwaare
stam van by de drie voeten lang, welken de zwaarte eener bloem-kelk
van eene purper kleur naar den grond doet overhellen. Boven aan deezen
stam groeien de vruchten, Plantains genaamd, welke de gedaante van een
komkommer hebben; zy bedragen een getal van meer dan honderd, en deeze
geheele tros noemt men doorgaans een rey of reeks. Elke boom of plant
draagt slechts één van deeze reijen te gelyk: wanneer die afgesneden
is, komen 'er zeer schielyk jonge uitspruitzels in de plaats, die uit
hunne bolachtige wortels voortkomen, en in den tyd van tien maanden
dezelfde bewerking kunnen ondergaan. De Plantain-boom vordert een
voedenden grond, zonder welken de vrucht niet goed voortkweekt,
en nooit haare waare hoogte van rypheid bereikt. Deeze vrucht,
ontdaan van derzelver bekleedzelen, wanneer ze nog groen is, bevat
eene meelachtige zelfstandigheid van eene ligt geele kleur, die,
het zy gekookt, het zy gebakken, in plaats van brood dient, gelyk
ik reeds gezegd heb: zy is zeer gezond, en van een zeer aangenaamen
smaak. Wanneer de schil geel word, is de binnenste zelfstandigheid
zoet, en men kan ze raauw eeten, want zy heeft ten naasten by de smaak
van een rype peer; maar tot die hoogte gekomen zynde, bedient men zig
'er alleenlyk van op het nagerecht.

De Bananen-boom is een zoort van plant van dien aart; hy verschilt
alleenlyk van den Plantain-boom daar in, dat zyne vrucht meer eirond,
en minder groot is, en dat men dezelve nooit eet, dan wanneer ze geel
en volkomen ryp is. De eerste is van meerder nut; maar de tweede,
die een reuk van muscus heeft, is lekkerder: de eene is in Surinamen
bekend onder den naam van banana, de andere onder dien van bacouba. [6]

Den 18den, van mynen vriend, den Majoor MEDLAR, verlof verkregen
hebbende, om een keer naar Paramaribo te doen, begaf ik my derwaarts
in een vaartuig; ik kwam aldaar aan op het tydstip, dat men myn zoon
met Madéra wyn en water waschte, volgens de gewoonte des Lands. JOANNA
was volmaakt hersteld, en ik bood haar een gouden gedenkpenning aan,
welken myn vader op myn geboorte-dag aan myne moeder geschonken had. Ik
bedankte ook mevrouw LOLKENS voor alle haare goedheden, en ik vertrok
weder dadelyk naar de Hoop, alwaar ik den 22sten te rug kwam.

De arme Neger, dien ik met de bezorging van mynen brief belast had,
was minder gelukkig geweest, dan ik: de kragt van den stroom had
zyne kano in het midden der Rivier Surinamen doen omslaan: hy konde
niet zwemmen, maar had de kragt en behendigheid, om zig op de kano,
die onöphoudelyk weder trachte om te keeren, recht op te houden,
en door dit middel gelukte het hem om altyd het hoofd boven water
te houden, terwyl de zwaarte van zyn lichaam dit vaartuig eindelyk
belette te wankelen. Eene sloep van een oorlogschip verlostte hem
gelukkig uit deeze gevaarlyke en lastige gesteldheid; maar zy, die op
het schip waren, namen de kano voor hunne moeite, en zetten den man te
Paramaribo aan land. Geduurende al den tyd, dat hy in 't water geweest
was, had hy den brief tusschen zyne tanden gehouden, en denzelven met
allen spoed willende bezorgen, deed hy dadelyk zyn best, om zulks te
verrigten, maar vergistte zig in het huis: men zag hem in 't huis,
alwaar hy binnen trad, voor een dief aan, want hy weigerde aanhoudend
den medegebragten brief over te geven, en men stond gereed, om hem
vier honderd geesselslagen te doen toetellen,wanneer gelukkiglyk
een Engelsch Koopman, één van myne vrienden, GORDON genaamd, en
die den Neger kende, hem uit deeze ongelegenheid redde. Dus wilde
deeze arme jongen, die byna in de Rivier verdronken was, liever
onder de geesselslagen sterven, dan de geheimen van zynen meester
ontdekken.--Waar zyn de Europeanen, met zulk een moed en trouw begaafd!

Hier boven van eene manier van visschen door middel van paalwerk
melding gemaakt hebbende, zal men misschien verlangen deeze manier,
die my dikwils eene zeer goede maaltyd verschafte, te kennen. Men
omzet eenvoudig een vierkant vak in de Rivier, met goed paalwerk van
Latanusboomen hout, die met koorden van heestergewassen vast zyn aan
één gebonden. In het midden is eene breede opening of deur, welke men
by den vloed open, en by de ebbe gesloten houdt, om voor te komen, dat
de visch niet ontsnappe. Door dit middel vangen de Negers en Indianen
dikwils eene groote meenigte visch. Onder die geenen, welken men de
laatste keer vong, waren de logolago, en de matouary. De eerste is
een zoort van zeer dikke paling, en twee voeten lang: zyne huid heeft
eene bleekblauwe kleur op zyde en op den rug, maar witachtig onder den
buik. Deeze paling is zeer vet, en van een goeden smaak. De matouary
is klein en zonder schubben. Het is in Surinamen zeer merkwaardig,
dat, zoo dra zy buiten 't water zyn, de meeste visschen een geknor
maken, naar dat van een bigge gelykende.

Den 23sten, op de Plantagie Knoppemonbo ten eeten zynde, zag ik twee
vogelen, die al myn aandacht tot zig trokken. Een derzelve verdiende
dit vooral, door het zonderling maakzel van zyn nest. Men noemt hem
in dit Land Lipybanana, om dat hy zig voornamelyk, zoo men zegt, met
rype bananen voedt. Ik weet niet of hy de spotvogel van Dr. BANCROFT
is, maar hy koomt zeer naby aan deszelfs beschryving.

Eenige vogels van dit zoort hadden zig op een grooten boom aan
den waterkant genesteld: de Negers verzekerden my, dat zy zig op
die plaats zedert verscheiden jaaren rustig by één verzamelden. Zy
maakten eindelyk aldaar een getal van meer dan twee honderd uit. De
gedaante deezer vogelen is ten naasten by die van een Engelsche
lyster. De mannetjes hebben vederen op het lyf van eene zeer heldere
zwarte kleur, zynde hun staart en een gedeelte der vlerken van
eene karmozyn kleur; de wyfjes hebben ook het lyf zwart, maar het
overige van eene zeer fraaije geele kleur. Hun zang was in de daad
uit eene groote verscheidenheid van zangnooten zaamgesteld; maar hy
had geene zoetluidenheid, en bootste geenen anderen wildzang naar,
zoo als men gemeenlyk voorwendt, dat de spotvogel doet, dien ik voor
't overige in Surinamen niet heb hooren noemen. Deeze vogels hadden,
ten getale van meer dan zestig, hunne nesten op het einde van de
takken der boomen geplaatst, alwaar zy door den wind heen en weder
slingerden. Deeze nesten, ten aanzien van derzelver gedaante naar
een zoort van beursen gelykende, zyn in de laagte zeer rond; maar
eindigen in de hoogte puntsgewyze. Zy zyn van een weinig hooy gemaakt;
en in 't midden ziet men een gaatje, waar door de vogels uit en in
vliegen. Hunne eieren leggen zy op den grond, die zeer breed is,
en het boven-einde, spitswyze gemaakt, beveiligt deeze vogelnesten
tegen roof en slegt weder: maar van nog meerder gewicht is het, dat,
uit hoofde van hunne ligging, de aapen, die in dit Land zoo talryk
zyn, hun geen nadeel kunnen toebrengen, om dat deeze takken, waar aan
hunne nesten vast zyn, schoon sterk genoeg om dezelve, en het geen
'er in is, te dragen, te zwak zyn voor vyanden van eene vry meerdere
zwaarte; en tot meerder zekerheid waaren die geene, welke ik gezien
heb, boven het water geplaatst.

De andere vogel, dien ik in myn te rug komen doodde, was
de Surinaamsche valk, die, ten aanzien van grootte en gedaante,
naar dien in Engeland gelykt. Deszelfs pluimaadje is van een helder
bruine kleur, en aan de borst en staart met verschillende roode,
zwarte, en geele vlakken geteekend. Hy had een gespleeten tong,
de oogen uittermaaten schitterend, de pooten van een citroen-kleur,
en de klauwen met zeer lange en zeer puntige nagels gewapend. Deeze
vogel doet veel schade op de Plantagiën, en vooral onder het gevogelte.

Het word tyd, dat ik tot de krygs-verrigtingen van onzen Bevelhebber te
rug keere, die eenige dagen op Maagdenberg gebleven zynde, op Kersdag
met het zwak overschot van zyne krygsbenden optrok, en zig naar de
Savane der Jooden begaf, van waar hy naar Maagdenberg te rug keerde,
zonder iets gezien te hebben, maar ten minsten met den titel van den
zwervenden Jood. Deeze weinige vorderingen wederhielden den Majoor
MEDLAR en my niet, om hem ons verzoek te hernieuwen, ten einde hy ons
zoude toestaan om hem op zyne tochten te vergezellen: onze verzoeken
waren te vergeefs, want hy begaf zig toen naar Paramaribo, alwaar men
dagelyks nieuwe versterkingen uit Europa verwagtte. Eindelyk echter
stond hy ons toe hem naar deeze Hoofdstad der Volkplanting te volgen;
ik zegge ons, om dat die zelfde gunst ook aan eenige andere Officiers
wierd toegestaan, die in dit oogenblik aan alles gebrek hadden, terwyl
'er vyftien vaten besten wyn, en vyftien duizend guldens aan geld,
ter beschikking van den Colonel waren.



VYFTIENDE HOOFTSTUK.

Indianen, inboorlingen van
Guiana.--Voedzel,--Wapenen,--Cieradiën,--Optooisels,--Bezigheden,
--Vermaken,--Driften,--Godsdienst,--Huwelyken,--Begravenissen,
enz, van deeze Volken.--De Caraïbische Indianen in 't byzonder,
en hunne koophandel met de Europeanen.--Boomen, Heesters en Planten.

Den 18den January 1774, verliet ik eindelyk den wachtpost van de
Hoop, welke den lezer misschien reeds zoodanig verveeld zal hebben,
als dezelve my te dier tyd gedaan had. Van daar zakte ik de Rivier
af naar de Plantagie Arentslust; en des anderen daags hield ik op de
Plantagie Katwyk, die zeer fraay is, het middagmaal. Ik dagt hier een
einde aan alle myne reizen te maken; want de heer GOETZER, eigenaar
van deeze Plantagie, my één van zyne paarden geleend hebbende, om
zyne bezittingen eens te doorkruissen, verdweenen wy, het dier en ik,
eensklaps; een houte brug, waar over ik heen reed, verrot zynde, brak
oogenblikkelyk aan stukken; ik viel in 't water, en had veel moeite
om de wal te bereiken; vervolgens eenige Negers geroepen hebbende,
trokken zy het paard, het welk in de modder gezonken was, 'er uit;
maar dit geschiedde egter niet zonder groote moeite.

Des avonds vertrok ik nog naar Paramaribo, alwaar ik met laag water
aankwam, het geen my gelegenheid gaf tot het beschouwen der boomen, die
aan den oever der Rivier Surinamen groeien, en met oesters, even als
vruchten, aan de takken vast zittende, bedekt zyn. Deeze byzonderheid
heeft gelegenheid gegeven tot de algemeene misvatting, dat zy aan die
boomen groeiende, 'er een gedeelte van zouden uitmaken; maar 'er is
niets byzonders in gelegen, dat zy zig zoo wel aan de eene als andere
zelfstandigheid vast hechten; want men vindt gemeenlyk verscheiden
zoorten van schelpvisschen, die zig aan de kiel der schepen, als aan
rotzen, vast houden. Deeze oesters, die de gedaante van paddenstoelen
hebben, zyn zeer klein en vry middelmatig; honderd van dezelve zyn
zoo veel niet waardig, als een dozyn Glocester oesters. Men vindt
ook mosselen in Surinamen, maar zy zyn zoo klein en smakeloos, dat
zy naauwlyks verdienen gemeld te worden.

Des anderen daags na myne aankomst, gaf ik een bezoek aan den
Gouverneur en aan den heer KENNEDY, als mede aan Mevrouwen LOLKENS en
DEMELLY: allen ontfingen zy my met zeer veel eerbewyzing, en wenschten
my geluk met myne kennis aan den heer DE GRAAF; zy keurden ook goed
het geen ik voor JOANNA en voor myn zoon gedaan had.

Den 22sten, het overschot van ons krygsvolk zig grootendeels op
Paramaribo bevindende, gaf de heer VAN EYS eene maaltyd aan de
geheele krygsbende.

Den 29sten, kwam een aanzienlyk getal Indianen in deeze hoofdstad
der Volkplanting aan. Deeze volken,die uit Guiana oorsprongelyk zyn,
schynen de gelukkigste schepzels, die onder den hemel leven, en zyn
in stammen (castes) verdeeld, als daar zyn,

			De Caraïben.       De Arrowouks.
			De Accawaus.	   De Tajiras.
			De Worrows.	       De Piannacotaus.

'Er zyn bovendien nog veele anderen, wier gebruiken en gewoonten
onbekend zyn. De Indianen van alle deeze stammen hebben in 't algemeen
een koper-kleur; terwyl de Africaansche Negers, die onder den zelfden
graad van breedte woonen, volmaakt zwart zyn. Men kan gemakkelyk van
dit onderscheid reden geven: de Indianen van Guiana worden door de
zeewinden, of de ooste winden, die tusschen de keerkringen waaien,
aanhoudend verfrischt. De inwooners van Terra Firma en Peru aan de
westkust van America, genieten ook denzelfden oosten wind, welke
dien grooten keten van bergen, in de binnen-landen gelegen, wier
kruin steeds met sneeuw bedekt is, en waar over die wind heen waait,
altyd frisch houdt. De inwooners van Africa, zuidwaarts van de Rivier
Senegal levende, hebben dien wind ook wel, maar na dat dezelve door
de verschrikkelyke meenigte woestynen, welke zy overwaait, brandend
geworden is.

Deeze zyn de waarschynlykste oorzaaken, waarom de Americanen alleenlyk
een koper- of roode kleur hebben, en dat de inwooners van Africa, welke
Negers genoemd worden, geheel zwart zyn; namelyk, om dat de straalen
der zon by de laatstgemelden meer brandende zyn, dan by de eersten, en
niet om dat zy twee geheele onderscheidene stammen of geslachten zouden
uitmaken: want ieder, die wel onderzoekt en opmerkt, ziet klaarlyk,
dat 'er maar eene zoodanige stam van het menschdom op de aarde is, en
dat het onderscheid tusschen de menschen alleenlyk voortkoomt uit het
verschil van luchtstreek en grond. Ik ben daarënboven van gedachten,
dat deeze Indianen altyd des te minder aangemerkt moeten worden als
eene stam, van die van het oude vaste Land verschillende, wanneer men
de nabyheid van Rusland aan Noord-America in aanschouw neemt. Uit het
eerstgemelde Land zullen de eerste Americaanen verhuist zyn, maar zy
hebben tot hier toe het nieuwe vaste Land slechts weinig bevolkt,
uitgenomen egter Mexico, en eenige andere gedeelten van America,
die door de gierigheid en het bygeloof der Spanjaarden ontvolkt zyn.

Ik kan deeze Indianen van Guiana gelukkig noemen, daar hunne zeden en
gerustheid door de gebreken der Europeanen niet zyn gestoord geworden,
daar zy geene misslagen dan die der onkunde hebben, welke geenzints
uit het bederf van eenen zoogenaamden staat van beschaafdheid, en
van eenen Godsdienst, van deszelfs grondbeginzel zoo zeer afwykende,
hunnen oorsprong nemen.

Deeze aanmerkingen herïnneren my natuurlyk het antwoord van eenen
Indiaan, met opzigt tot eene redenvoering van een Zweedsch Prediker,
ter gelegenheid van een Vredes-verdrag, te Covestogo gesloten. Zie
hier hetzelve in 't kort:

"Wel! gelooft gy in de daad, dat onze voorvaderen en wy allen,
zoo als gy zegt, veroordeeld zyn, om in eene andere weereld
eeuwig-duurende folteringen te ondergaan, om dat wy van uwe
geheimzinnige nieuwigheden niet zyn onderrigt geworden? Zyn wy niet het
maakzel van God? En kan deeze God zonder de hulp van een boek zynen
wil niet openbaaren? Indien dit waar is, en God is rechtvaardig, is
het dan met zyne rechtvaardigheid eenigermaten over één te brengen,
dat hy ons zonder onze toestemming in deeze weereld plaatsen zoude,
en ons vervolgens tot eene eeuwige verdoemenis verwyzen, om dat wy
met u niet eenstemmig denken. Neen, neen! wy zyn overtuigd, dat de
Europeanen een meer bedorven zedenleer, dan de Indianen, hebben,
indien wy hunne leer naar hun gedrag afmeten".

'Er is zekerlyk geen loffelyker onderneming, dan om de waarheden, door
God zelven aangekondigd, aan menschen, wier verstand zoo zuiver is,
en zoo zeer verdient opgehelderd te worden, mede te deelen: maar ik
vrees, en niet zonder reden, dat de pogingen van eenen achtenswaardigen
Prediker zeer weinige vorderingen maken zullen, zoo lang het gedrag van
het grootste gedeelte van andere zendelingen der Moravische Broederen,
zig onder de Indianen aan de oevers der Saraméca nedergezet hebbende,
alwaar zy zig met de bekeering der Indianen en Negers bezig houden,
niet hunne leeringen lynrecht strydig wezen zal.

Alle de Indianen van Guiana gelooven in eenen God, als de opper-oorzaak
van alles goeds, en die hun nooit het minste kwaad wil doen; maar zy
bidden den duivel aan, om de onheilen, waar mede hy hen kwellen kan,
af te weeren: zy noemen hem Yawahou; zy schryven aan hem de smart,
de ziekten, de wonden, en den dood toe, en overal, waar een Indiaan
sterft, verlaat zyn geheele huisgezin dadelyk dit verblyf, om voor
het vervolg den doodelyken invloed van het noodlot te ontwyken.

De Indianen van Guiana zyn volken, die volmaakt vry zyn; dat is,
zy kennen geene verdeeling van landen, en hebben geen ander bestuur,
dan dat der oudsten, die elk in hun huisgezin den post van Capitain,
Priester, en Geneesheer waarnemen; men bewyst hun eene eerbiedigende
gehoorzaamheid, en noemt hen Peji, of Pagaijers, en even als by
veele beschaafde volkeren, genieten zy meerder voorrechten, dan hunne
overige landgenooten.

De veelwyverye is onder deeze volken geoorloofd, en het staat aan
ieder man vry zoo veele vrouwen te nemen, als hy onderhouden kan,
schoon hy 'er doorgaans niet meer dan ééne heeft, op welke hy
uittermaten jaloers is, en die hy oogenblikkelyk om hals brengt,
zoo dra zy hem een sterk en zeker bewys van trouwloosheid geeft. De
Indianen slaan hunne kinderen nooit, om welke reden het ook zy; en
hun geheel onderwys bestaat in hen te leeren jagen, visschen, loopen
en zwemmen. Nimmer beledigen zy elkander met scheldwoorden, en begaan
geen diefstal; de leugen is onder hen eene onbekende zaak. By deeze
gelukkige hoedanigheden kan men voegen, dat geen volk dankbaarer is,
wanneer men hen met ordentelykheid behandelt; ik zal zelf, by vervolg,
daar van een merkwaardig bewys opgeven; maar aan den anderen kant
moet ik ook zeggen, dat deeze Indianen uittermaten wraakzuchtig zyn,
vooral wanneer zy vermeenen, dat men hen onrechtvaardig beledigd heeft.

De eenige gebreken, die ik in hun ken, indien men ze by hen als
zoodanig beschouwt, zyn de onmatige drift om zig dronken te drinken,
wanneer de gelegenheid zig daar toe aanbiedt, en hunne onbegrypelyke
agteloosheid. De eenige bezigheid van eenen Indiaan, wanneer hy niet
vischt, nog jaagt, bestaat om in zyn hangmat te gaan leggen, zig te
vermaken met het schoonmaken zyner tanden, met de hairen van zynen
baard tusschen zyne vingers te wryven, of zig zelf in een stuk van
een gebroken spiegel te bekyken.

De Indianen zyn in 't algemeen zeer zindelyk; zy baden zig twee of
drie maalen daags in de Rivier of in de Zee. Allen, van welke kunne zy
ook zyn, trekken zig al het hair uit, uitgenomen op het hoofd. Hun
hoofdhair is dik, en van een schitterend zwarte kleur; het word
niet grys, en nooit worden zy kaal; de mannen dragen het hair kort,
maar by de vrouwen hangt het tot op de helft van den rug. Het schynt
dat zy de Bybelleer volgen, waar in gezegd word, dat lange hairen de
cieraad van een vrouw, en de schande van een man zyn.

De Indianen van Guiana zyn noch groot, noch sterk, noch zwaar gespierd,
en over 't algemeen zeer gezond. Hun gelaat geeft niets dan vergenoegen
en goedäartigheid te kennen. Zy hebben regelmatige en schoone trekken,
dunne lippen, witte tanden, en zwarte, maar kleine oogen. Echter
mismaken zy zig allen meer of min door het gebruik van de Arnotta,
of Roucou, waar aan zy den naam van Cosowy, en de Hollanders dien
van Orlean geven. Het zaad van de Arnotta, in limoensap wel geweekt,
en gemengd met water, en de gom, die van den boom, Mawna genaamd,
afvloeit, of met oly van bevergeil, maakt eene scharlaken verwe,
waar mede alle de Indianen zig het lichaam, en de mannen zelfs hun
hoofdhair besmeeren, het geen aan de huid de kleur geeft van een
gekookte zee-kreeft. Zy hebben bovendien de gewoonte, om zig met
caraba, of krabben-oly, te wryven, en men moet erkennen, dat zulks
voor menschen, die byna naakt zyn, in eene brandende luchtstreek zeer
dienstig is. Op zekeren tyd aan 't lagchen geraakt zynde, op het
zien van een jongen Indiaan, die van onder tot boven besmeerd was,
en uit den omtrek van Caijenne kwam, antwoordde hy my in 't Fransch:
"Dusdanig gebruik verzagt myne huid; het belet eene al te overvloedige
uitwaasseming, en bewaart my gedeeltelyk voor het steken der insecten,
die u kwellen; zie daar, myn heer, waar toe, behalven het fraaije,
my die roode verwe dient. Zeg my nu eens, (wyzende op de poeder,
waar van myn hair vol was,) om welke reden zyt gy wit geverwd? Ik
vind geene reden, waarom gy op die wyze uw meel verdoet, uwe kleederen
vuil maakt, en grys gelykt, eer gy oud zyt".

De Indianen gebruiken ook tot het zelfde einde een zeer ligt gevlakt
blauw, het welk zy tapowripa noemen; maar dit heeft alleenlyk plaats,
wanneer zy zig willen opschikken, en het blyft negen dagen op de
huid. Zy maken dit van het sap van eene kleine vrucht, gelykende
naar een kleinen appel, en groeiende aan den boom, tawna genoemd, en
welke zy in water laten weeken; zy bedienen 'er zig van, om over hun
geheele lichaam en aangezicht een zooit van beeldspraken te teekenen,
waar van de grond altyd vierkant is. Dit smeersel zit zoodanig aan
de huid vast, dat één van onze Officiers, die zulks niet gelooven
wilde, uit aartigheid goedvond zig twee zeer groote knevels te laten
schilderen, welke hy tot ons groot vermaak verpligt was een geheele
week op Paramaribo te dragen; en hy moest den gewoonen tyd afwagten,
op welken deeze kleur weggaat, om daar van geheel en al ontheven
te worden.

De eenige kleeding, welke de Indianen hebben, bestaat in een
zwart of blauw windzel van catoene lywaat, het welk de mans om hun
midden dragen, en vry veel gelykheid heeft met het geen de Negers
hun camisa noemen. Zy binden het om hunne lenden, en laaten het
tusschen hunne beenen doorgaan; en dewyl het zeer lang is, hangen zy
het einde over hunne schouders, of laten het agteloos over den grond
sleepen. De vrouwen, hebben, in plaats van dit windzel, een zoort van
voorschoot van catoene lywaat, met koraalen verciert, en by hun queiou
genaamd. Dit voorschoot heeft maar een voet breedte tegen agt duimen
hoogte; het is met franjen omboord, en met koorden van catoene draaden
vast geknoopt. Schoon het zwaar is, maakt deeze kleinte het zelve niet
zeer geschikt tot het oogmerk, waar toe het dienen moet. Verscheide
vrouwen dragen ook een gordel van hair, waar aan zy van vooren en
van agteren, een groote vierkante lap zwart catoene lywaat hegten,
maar veel ligter en zonder sleep, zoo als de mannen aan hunne camisa
hebben. Beiden dragen zy dit zoort van kleeding zeer laag; het geen
hun het voorkomen van eene uittermaten lange gestalte geeft.

In de binnen landen gaan verscheiden Indianen van beiderleije kunne
geheel naakt. De opschik der vrouwen bestaat, om in kleine gaten,
welke zy zig in de onderlip maken, spelden te steken, en zelfs alle
de spelden, welke zy zig kunnen aanschaffen, en waar van de punten
haar, als een zoort van baard, op de kin hangen. Door dat zelfde
middel hangen zy ook brokjes kurk-, of ander ligt hout aan hunne
ooren. Zommige van haar steeken ook gaten in de huid van hunne wangen
of neus, om 'er vederen in te plaatsen; maar dit is zeer zeldzaam. Het
ongeschiktst cieraad in myn smaak is dat der jonge dogters van tien of
twaalf jaaren oud, en bestaande in een zoort van catoene koussebanden,
die om de enklauwen en beneden de kniën naauw zyn toegebonden, en altyd
zoo blyvende, de kuit van het been ongemeen dik maaken, wanneer zy
in haar groeijen zyn, en haar een lomp voorkomen geeven. Alle dragen
zy ook gordels, windzels, armringen van koraalen van verschillende
kleuren, of van schelpen, en van tanden van visschen: zy dragen die
om den hals, de schouders en de armen; maar de laatstgemelde meestal
boven den elleboog. De Indiaansche vrouwen hebben in 't geheel zeer
weinig bevalligheid in haare gestalte; zy zetten de voeten binnewaarts,
en haare opschik heeft slechts eene middelmatige aantrekkelykheid. Ik
moet egter hier van uitzonderen de vrouwen van zekeren byzonderen stam,
waar van ik in 'tvervolg spreken zal.

De cieraden der mannen bestaan in kroonen van vederen van verschillende
kleuren, of in een zoort van draagband, gemaakt van tanden van tygers
of wilde zwynen, welken zy als een teeken van hunne dapperheid en
werkzaamheid dragen. De hoofden des huisgezins bedekken zig zomtyds met
de huid van de eerstgemelde deezer dieren, met een zilvere plaat in de
gedaante van een kruis vastgemaakt, het welk ze caracoly noemen. Zy
steeken ook dikwils kleine brokken van dit zelfde metaal door het
kraakbeen in het midden van den neus, of zomtyds een steen van eene
groene of geele kleur. Alle deeze volken leven in de bosschen, by de
Rivieren, langs de Zeekusten, en bewoonen kleine gehuchten. Hunne
huizen of hutten, welke zy carbets noem

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/8097