De zoon van Kazan
by James Oliver Curwood · Dutch · Gutenberg #48554 · 417,229 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De zoon van Kazan
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De zoon van Kazan
Author: James Oliver Curwood
Release date: March 22, 2015 [eBook #48554]
Most recently updated: October 24, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/48554
Credits: E-text prepared by the Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN KAZAN ***
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| De in het origineel als uitgespatieerde tekst is weergegeven |
| als ~uitgespatieerd~. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| Dit e-boek is een vertaling vanuit het engels van „Baree, |
| Son of Kazan”, welke ook als e-boek no. 4748 beschikbaar is |
| via Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org/ebooks/4748). |
| |
+----------------------------------------------------------------+
DE ZOON VAN KAZAN
door
JAMES OLIVER CURWOOD
HOLLANDSCHE BEWERKING van T. M. E. EASTON
VIERDE DRUK
[drukkersmerk: NIMMER DRALEND]
Nijgh & Van Ditmar's Uitgevers-Maatschappij
Rotterdam · MCMXXII
I.
Het groote onbekende.
Voor Baree bestond, vele dagen nadat hij geboren was, de wereld uit
een groote, schemerige spelonk. Gedurende deze eerste dagen van zijn
leven was zijn tehuis in het hartje van een groep omgewaaide boomen,
waar Wolvin, zijn blinde moeder, een veilig nest gevonden had voor
zijn prille jeugd en waar Kazan, haar maat, slechts nu en dan kwam,
met oogen, die in de duisternis glommen als groenachtige ballen vuur.
Het waren Kazan's oogen, die Baree voor het eerst den indruk gaven,
dat er nog iets bestond buiten zijn moeder, en zij brachten hem ook de
ontdekking van het gezicht. Hij kon voelen, hij kon ruiken, hij kon
hooren—maar in dat donkere hol onder de omgewaaide boomen had hij
nooit _gezien_ voordat deze oogen kwamen. Eerst joegen zij hem schrik
aan, toen verbazing en daarna veranderde zijn vrees in ontzaglijke
nieuwsgierigheid. Hij placht ernaar te liggen kijken, tot zij
plotseling verdwenen waren. Dit gebeurde als Kazan zijn kop omdraaide.
En dan flikkerden zij hem opnieuw tegen met zulk een schrikaanjagende
onverwachtheid, dat hij onwillekeurig dichter tegen zijn moeder
aankroop, die altijd op een eigenaardige manier begon te trillen
en te huiveren, wanneer Kazan binnenkwam.
Baree zou natuurlijk nooit hun geschiedenis te weten komen. Hij zou
nooit weten, dat Wolvin, zijn moeder, een volbloed wolvin was en dat
Kazan, zijn vader, een hond was.
De natuur was bij hem al bezig haar wonderwerk te verrichten, maar zij
zou toch nooit buiten zekere grenzen gaan. Zij zou hem, op haar tijd,
de ervaring brengen, dat zijn mooie wolvinnemoeder blind was, maar hij
zou nooit iets vernemen van een zeker verschrikkelijk gevecht tusschen
Wolvin en een lynx, waarbij zijn moeder's gezicht verwoest was. De
natuur kon hem niets vertellen—zij kon hem alleen maken tot een zoon
van Kazan.
Maar in het begin, vele dagen lang, bestond voor hem alleen zijn
moeder. Zelfs nadat zijn oogen open waren gegaan en hij het gebruik
van zijn pootjes ontdekt had, zoodat hij wat rond kon strompelen in de
duisternis, bestond er voor Baree niets, buiten zijn moeder. Toen hij
oud genoeg was om met stokjes en stukken mos te spelen, buiten in den
zonneschijn, wist hij nog steeds niet, hoe zij er uitzag. Maar voor hem
was zij groot en zacht en warm en zij likte zijn snoetje met haar tong
en praatte tegen hem op een zachte, klagerige manier, wat eindelijk
de oorzaak werd, dat hij zijn eigen stem vond, met een klein, schril
blafje. En toen kwam die wonderbaarlijke dag, dat de groenachtige
ballen vuur, die Kazan's oogen waren, nader en nader kwamen, langzaam
aan en heel voorzichtig. Tot vóór dezen dag had Wolvin hem uit de buurt
gehouden. Alleen te zijn was de eerste wet van haar wild geslacht,
gedurende den eersten tijd van haar moederschap.
Zij behoefde maar even te snauwen en Kazan had zich altijd
teruggetrokken. Maar dezen dag kwam het niet tot een waarschuwenden
snauw in Wolvin's strot, het stierf weg in een zacht gejank. Er was een
klank in van eenzaamheid, van blijdschap, van groot verlangen. „Het is
in orde, nu,” zeide hij hiermee tot Kazan. En Kazan—nog even wachtend
om heelemaal zeker te zijn van zijn zaak—antwoordde met een zacht
gebrom, diep in zijn strot.
Nog steeds langzaam, alsof hij niet zeker was van wat hij ontdekken zou,
kwam Kazan naderbij en Baree nestelde zich dichter tegen zijn moeder
aan. Hij hoorde hoe Kazan zwaar op zijn buik neerviel, dicht naast
Wolvin. Hij was niet bang en vreeselijk nieuwsgierig. Hij snoof. En in
het duister spitste hij de ooren. Na een poosje begon Baree te bewegen.
Langzaam kroop hij van Wolvin's zijde weg. Wolvin lag heel stil, maar
elke spier in haar lenig lijf was strak gespannen, als staaldraad. Het
was weer haar wolvenbloed, dat haar waarschuwde. Er dreigde gevaar voor
Baree. Zonder geluid te geven trok zij haar lippen weg, zoodat haar
slagtanden bloot kwamen. Het begon te trillen in haar strot, maar het
geluid plantte zich niet voort. Uit de duisternis, twee meter van haar
af, kwam een zacht jongehondjesgejank en het liefkoozend geluid van
Kazan's tong.
Baree ondervond de siddering van zijn eerste groote avontuur. Hij had
zijn vader ontdekt.
* * * * *
Dit alles viel voor in de derde week van Baree's leven. Hij was juist
achttien dagen oud, toen Wolvin Kazan toestond, met zijn zoon kennis
te maken. Zonder Wolvin's blindheid en de herinnering aan dien dag op
de Zonnerots, toen de lynx haar voor altijd het licht in de oogen had
benomen, zou Baree in de open lucht geboren zijn en zijn pootjes zouden
dadelijk sterk geweest zijn. Hij zou de zon gekend hebben en de maan en
de sterren, hij zou het gerommel van den donder begrepen hebben en de
bliksemstralen gezien hebben aan den hemel.
Maar zooals de zaken nu stonden, viel er voor hem in dat donkere hol
onder de omgevallen boomen niets te doen dan wat rond te waggelen en
met zijn klein rood tongetje aan de afgekloven beenderen te likken, die
overal om hem heen verspreid lagen. Meermalen had hij alleen moeten
blijven. Hij had zijn moeder hooren komen en gaan en bijna altijd was
het geweest in antwoord op een blaf van Kazan, welk geluid tot hem kwam
als een verwijderde echo. Hij had nooit sterk het verlangen gevoeld,
haar te volgen tot op dien dag, waarop Kazan's groote, koele tong zijn
snoetje geliefkoosd had. Op deze oogenblikken was de natuur weer bij hem
aan het werk. Dit instinkt was nog niet geheel geboren vóór dien dag. En
wanneer Kazan wegging, hen alleen achterlatend in het duister, jankte
Baree voor zijn terugkomst, juist zooals hij gejankt had om zijn moeder,
wanneer deze hem zoo nu en dan verlaten had, de roepstem volgend van
haar maat.
De zon stond recht boven het bosch, toen, een paar uren na Kazan's
bezoek, Wolvin wegsloop. Tusschen Baree's nest en den hemel lag veertig
voet hout, boomstammen en takken, waardoor geen enkele lichtstraal heen
kon breken. Deze duisternis beangstte hem niet, want hij had nog niet
geleerd, wat het licht beteekende. De dag, en niet de nacht, zou hem
zijn eersten grooten schrik aanjagen. Dus begon hij, onbevreesd, maar
even jankend tegen zijn moeder, dat zij op hem wachten moest, te volgen.
Als Wolvin hem al hoorde, zij sloeg geen acht op hem en het kletteren
van haar klauwen op de dorre takken stierf spoedig weg.
Ditmaal bleef Baree niet staan voor den acht decimeterlangen boomstam,
die altijd op deze plek de wereld voor hem had afgesloten. Hij klom
er bovenop en liet zich toen aan den anderen kant er overheen rollen.
Hierachter begon het groote avontuur en hij wierp er zich moedig
middenin.
Hij had een heelen tijd noodig om de eerste twintig meter af te leggen.
Toen kwam hij over een gedeelte, dat heelemaal plat getrapt was door de
pooten van Wolvin en Kazan, en, telkens stilstaand om een jammerenden
kreet te uiten, voor zijn moeder bestemd, ging hij hoe langer hoe
verder. Terwijl hij voortliep kwam er langzamerhand een zonderlinge
verandering in dat wereldje van hem. Hij had nooit iets anders gekend
dan de duisternis. En nu scheen die duisternis te veranderen in vreemde
vormen en schaduwen. Eens zag hij een schelle streep vlak boven
zich—een zonnestraal—en daar schrikte hij zóó van, dat hij zich plat
uitstrekte en een halve minuut lang zich niet bewoog. Toen liep hij
weer door. Een hermelijn piepte, ergens beneden hem. Hij hoorde het
snelle geritsel van een eekhoorn en een vreemd whoet, whoet, whoet! dat
in het minst niet leek op één van de geluiden, die zijn moeder ooit
gemaakt had. Hij was het spoor bijster. Het hout was nu niet langer
plat getrapt en hij moest een helling beklimmen, die hoe langer hoe
steiler werd en zich gaandeweg vernauwde. Hij begon te janken. Zijn
zacht neusje zocht vergeefs naar den warmen reuk van zijn moeder. Het
einde kwam plotseling, toen hij zijn evenwicht verloor en viel. Hij
uitte een scherpen kreet van schrik, toen hij zich voelde uitglijden
en viel toen in de diepte. Hij moest wel nogal hoog geklommen zijn,
want het was voor Baree een geweldige val. Zijn teer lichaampje bonsde
van boomstam op boomstam en toen hij eindelijk liggen bleef, had hij
bijna geen adem meer over. Maar hij stond snel overeind op zijn vier
trillende pootjes—en knipte met de oogen. Een nieuwe angst hield hem
vastgeworteld. In een oogwenk was de heele wereld veranderd. Het was een
stroom van zonlicht. Overal waar hij heenkeek, zag hij vreemde dingen.
Maar de zon joeg hem de meeste vrees aan.
Het was de eerste maal, dat hij vuur zag en het stak hem in de oogen.
Hij stond op het punt, zich terug te trekken in het liefderijke duister
van het hol, maar juist kwam Wolvin opdagen, gevolgd door Kazan. Zij
besnuffelde Baree vroolijk en Kazan kwispelstaartte, zeer bepaald op
hondenmanier. Dit kenteeken van den hond zou voortaan Baree's deel zijn.
Hoewel hij voor de helft wolf was, zou hij toch kunnen kwispelstaarten.
Hij probeerde het maar vast eens. Misschien zag Kazan deze eerste
poging, want hij gaf een gesmoorden blaf van goedkeuring, terwijl hij
zitten ging.
Of misschien zeide hij tot Wolvin:
„Zoo, nu hebben wij toch eindelijk dien kleinen rakker buiten het hol
gekregen, niet?”
Voor Baree was het een groote dag geweest. Hij had zijn vader ontdekt
en—de wereld.
II.
Het eerste gevecht.
En het was een wereld vol wonderen—een wereld van uitgestrekte
eenzaamheid, niets buiten de schepselen der wildernis leefde er. De
dichtstbijzijnde Hudson Baai-post lag een honderd mijlen er van af en
de eerste stad van beschaving was zeker wel een driehonderd mijlen
zuidwaarts.
Twee jaren te voren had Tusoo, de strikkenzetter, een Indiaan van
den stam der Cree's, er zich gevestigd. Het was zijn domein en in
zijn bezit gekomen volgens de wet der wouden, na een lange reeks van
voorvaderen, maar Tusoo was de laatste geweest van zijn uitstervend
geslacht en hij was gestorven aan de kinderpokken en zijn vrouw en
kinderen waren er eveneens aan gestorven. Sedert dien tijd had er
niemand meer gewoond. De lynx had er zich vermenigvuldigd. De elanden
en kariboe's waren niet achtervolgd door den mensch. De bevers hadden
ongestoord hun kasteelen gebouwd. De voetsporen van den zwarten beer
waren even diep als die van de herten, meer naar het zuiden. En waar
eens de vallen en het giftaas van Tusoo de oorzaak waren geweest, dat de
wolven niet al te talrijk werden, nu bestond deze bedreiging voor hen
niet meer.
Op de zon van dezen dag vol merkwaardigheden volgden de maan en de
sterren van Baree's eersten werkelijken nacht. Het was een schitterende
nacht en een volle, roode maan zeilde over de bosschen, de aarde
overstroomend met een nieuw soort licht, zachter en, voor Baree's smaak,
veel mooier. Zijn wolvenaard sprak sterk in hem en hij was rusteloos.
Hij had dien dag geslapen in de warmte van de zon, maar hij kon niet
slapen in dezen maneglans. Hij snuffelde, niet op zijn gemak, om Wolvin
heen, die plat op haar buik lag; haar mooie kop was vol levendigheid,
zij luisterde verlangend naar de geluiden van den nacht en wachtte op
het liefkoozend likken van Kazan, die als een schaduw was weggeslopen om
te jagen.
Een half dozijn malen hoorde Baree, terwijl hij in de buurt van de
gevallen boomen rondscharrelde, een zacht gesuis boven zijn hoofd en
eens of twee keer zag hij een grijze schaduw, die geruischloos en snel
door de lucht schoot.
Het waren de groote uilen van het noorden, die neer kwamen dalen om
hem te bekijken en als hij een konijn was geweest, in plaats van een
jong wolfshondje, zou deze nacht onder den blooten hemel zijn laatste
nacht geweest zijn; want in tegenstelling met Wapoos, het konijn, was
hij niet voorzichtig. Wolvin paste niet buitengewoon op hem. Haar
instinkt zeide haar, dat er in deze bosschen geen groot gevaar dreigde
voor Baree, behalve van den kant der menschen. Door zijn aderen stroomde
wolvebloed. Hij jaagde op alle mogelijke andere dieren, maar geen
enkel wild dier maakte jacht op hem. Gedeeltelijk begreep Baree dit
ook. Hij was niet bang voor de uilen. Hij was niet bang voor de
zonderlinge bloed-verstijvende kreten, die zij uitstootten, in de
zwarte sparretoppen gezeten. Maar één keer kreeg de vrees toch vat
op hem en hij spoedde zich terug naar zijn moeder. Dit gebeurde toen
een van de gevleugelde jagers zich stortte op een sneeuwschoenkonijn
en de doordringende doodskreten van het veroordeelde dier zijn hartje
deden kloppen als een hamer. Hij voelde in deze kreten de nabijheid van
die eene, altijd tegenwoordige tragedie van de wildernis—den dood.
Hij voelde het opnieuw, dezen nacht, toen hij, dicht tegen Wolvin
aangekropen, luisterde naar het heftig gehuil van een wolventroep, die
een jongen kariboe-stier op de hielen zat. En de beteekenis van dit
alles en de wilde siddering ervan ondervond hij in de vroege schemering,
toen Kazan terugkeerde, tusschen zijn kaken een dik konijn houdend, dat
nog steeds schopte en worstelde om zijn leven.
Dit konijn vormde den climax van het eerste hoofdstuk van Baree's
opvoeding.
Het was alsof Wolvin en Kazan het zoo hadden uitgedacht, om hem op
deze manier zijn eerste les te geven in de kunst van het dooden. Toen
Kazan het had laten vallen, naderde Baree het vette konijn behoedzaam.
De ruggestreng van Wapoos was gebroken; zijn ronde oogen waren glazig
geworden en hij voelde geen pijn meer. Maar voor Baree's gevoel was hij
nog springlevend, toen hij zijn scherpe tandjes in het bont begroef, dat
welig onder Wapoos' kin groeide. De tandjes drongen niet door tot in het
vleesch. Met de onstuimigheid van een jong hondje hield Baree vast. Hij
dacht, dat hij bezig was te dooden. Hij kon de laatste stuiptrekkingen
van Wapoos voelen. Hij kon de laatste hijgende zuchten hooren, die
het warme lijfje verlieten en hij gromde en rukte tot hij eindelijk
achterover viel, met zijn bekje vol konijnebont. Toen hij tot den aanval
terugkeerde, was Wapoos heelemaal dood en Baree ging voort met grommen
en bijten, totdat Wolvin er bij kwam met haar scherpe slagtanden en het
konijn in stukken scheurde. Daarna volgde het festijn.
Op deze manier kwam Baree tot de ontdekking, dat eten beteekende:
dooden, en naarmate de dagen en nachten elkaar opvolgden, groeide zijn
honger naar vleeschvoedsel aan. In dit opzicht was hij een ware wolf.
Van Kazan had hij weer andere en nog sterkere karaktertrekken geërfd,
van den hond. Hij was van een prachtige zwarte kleur, wat hem in later
jaren den bijnaam bezorgde van Kusketa Muhekun—den zwarten wolf. Op
zijn borst prijkte een witte ster. Ook aan zijn rechteroor was een wit
vlekje. Zijn staart was, toen hij zes weken oud was, ruig en hing laag.
Het was een wolvestaart. Zijn ooren waren als die van Wolvin, scherp,
spits en altijd bedacht op onraad. Zijn voorschouders beloofden krachtig
te worden als die van Kazan en als hij stond, leek hij op een speurhond,
behalve dan, dat hij altijd zijwaarts stond van het punt of voorwerp,
dat hij betuurde. Dit nu, was weer een eigenschap van den wolf, want een
hond gaat altijd recht in de richting staan. Op een schitterenden nacht,
toen hij twee maanden oud was, en de hemel wemelde van sterren, toen de
Juni-maan zoo helder was, dat zij nauwelijks hooger leek te staan dan de
sparretoppen, ging Baree rechtop zitten en huilde. Het was zijn eerste
poging. Maar men kon zich in den klank ervan niet vergissen. Het was
wolvengehuil. Maar een oogenblik later, toen Baree naar Kazan toesloop,
alsof hij zich diep over deze eerste poging schaamde, kwispelstaartte
hij op een onmiskenbaar verontschuldigende manier. En hierin kwam weer
de hondennatuur tot uiting. Als Tusoo, de nu gestorven Indiaansche
strikkenzetter, hem had kunnen zien, zou hij hem beoordeeld hebben naar
dat kwispelstaarten. Het openbaarde het feit, dat in 't diepst van zijn
hart—en in zijn ziel, als wij toegeven, dat hij er een bezat—Baree een
hond was. Ook in een ander opzicht zou Tusoo hem tot hond gestempeld
hebben. Als een wolvejong twee maanden oud is, is het vergeten hoe het
moet spelen. Het is dan reeds een halfvolwassen dier der wildernis, het
werkt en jaagt op dieren, die kleiner zijn dan hijzelf en hulpeloozer.
Baree speelde toen nog. Op zijn tochten buiten het hol onder de
omgevallen boomen was hij nooit verder gegaan dan tot aan de kreek, een
honderd meter van de plek, waar zijn moeder lag. Hij had meegeholpen
menig dood en stervend konijn in stukken te scheuren; hij verbeeldde
zich, zoo hij al ooit over deze zaak nadacht, dat hij buitengewoon flink
en moedig was. Maar hij was al in zijn negende week, toen hij zijn
sporen verdiende en dat verschrikkelijke gevecht voerde met den jongen
uil, aan den zoom van het dichte woud.
Het feit, dat Oohoomisew, de groote sneeuwuil, zijn nest had gemaakt
in een afgeknakten boomstam, niet ver van de omgevallen boomen, was de
oorzaak van een verandering in Baree's levensloop, zooals het blind
worden dien van Wolvin veranderd had en de knuppel van den Man dien van
Kazan. De kreek liep dicht in de buurt van dien boomstam, die door den
bliksem was getroffen en deze boomstam stond op een stille, donkere plek
in het woud, omringd door hooge, donkere sparren en zelfs bij het volle
daglicht in schemer gehuld. Meermalen was Baree tot aan den zoom van dit
geheimzinnige stuk bosch geloopen en had er nieuwsgierig naar binnen
gegluurd, met een groeiend verlangen. Op den dag waarop hij dit groote
gevecht hield, was de verlokking ervan overweldigend. Stapje voor stapje
ging hij er in; zijn oogen schitterden en zijn ooren waren gespitst, om
elk geluid op te vangen, dat er maar uit op kwam klinken. Zijn hartje
klopte sneller. De schemering omwikkelde hem meer en meer. Hij vergat
het hol en Kazan en Wolvin. Hier vóór hem lag het groote avontuur. Hij
hoorde vreemde geluiden, maar heel zacht, alsof zij werden voortgebracht
door zachtgezoolde pooten en donzige veeren en zij vervulden hem met
een opgewonden verwachting. Onder zijn pooten groeiden niet langer
grassen, kruiden of bloemen—hij liep op een prachtig bruin tapijt van
zachte naalden. Het was een lekker gevoel aan zijn pooten, zij waren zoo
fluweelzacht, dat hij zijn eigen bewegingen niet hooren kon.
Hij was ruim driehonderd meter van de omgevallen boomen af, toen
hij langs Oohoomisew's boomstam kwam en in een dicht gewas van jonge
balsemstruiken. En daar—midden op zijn pad—kroop het monster!
Papayuchisew „de jonge uil” was niet meer dan een derde van de grootte
van Baree. Maar hij zag er uit als een schrikaanjagend voorwerp. Voor
Baree leek hij niets dan kop en oogen. Hij kon heelemaal geen lichaam
aan hem ontdekken. Kazan had nooit iets thuisgebracht, dat hierop leek
en een volle halve minuut lang bleef hij het aanstaren, bespiegelend.
Papayuchisew bewoog geen veertje. Maar toen Baree voorzichtig, voetje
voor voetje naderbij kwam, werden zijn oogen al grooter en grooter en
de veeren bovenop zijn kop gingen overeind staan, alsof zij door den
wind bewogen werden. Hij stamde van een vechtlustige familie, deze
kleine Papayuchisew—een woeste, onverschrokken, moordende familie en
zelfs Kazan zou ontzag gehad hebben voor deze overeind staande veeren.
Met een tusschenruimte van twee voet maten het wolfshondje en het jonge
uiltje elkaars krachten. Op dit oogenblik zou Wolvin, als zij hem had
kunnen zien, tot Baree gezegd hebben: „Neem je pooten op en ren!” en
Oohoomisew, de oude uil, zou tot Papayuchisew gezegd hebben: „Jou kleine
dwaas, gebruik je vleugels en maak dat je wegkomt!”
Zij deden dit echter geen van de twee en het gevecht nam een aanvang.
Papayuchisew begon en met een enkelen woesten kreet viel Baree om,
terwijl de snavel van den jongen uil als een roodgloeiende schroef
in het zachtste gedeelte van zijn neus knelde. Die eene schreeuw van
verbazing en pijn was Baree's eerste en laatste in het gevecht. De
wolf ontwaakte in hem, woede en verlangen om te dooden beheerschten
hem. Onder het vasthouden maakte Papayuchisew een eigenaardig sissend
geluid en terwijl Baree omrolde, tandeknarsend en worstelend om zich
te bevrijden van dien verbazingwekkenden greep op zijn neus, stegen
er woedende bromgeluiden op uit zijn kleinen strot. Een volle minuut
lang miste hij het gebruik van zijn kaken. Toen, bij toeval, duwde hij
Papayuchisew in een boschje struiken, die laag bij den grond groeiden en
kwam zijn neus een oogenblik vrij. Hij had nu weg kunnen hollen, maar
in plaats daarvan was hij weer bovenop den kleinen uil, met de snelheid
van het weerlicht. Floep! lag Papayuchisew op zijn rug en Baree begroef
zijn naaldfijne tandjes in diens borst. Het was alsof hij probeerde
door een kussen heen te bijten, zoo dik zat hij in de veeren. Dieper en
dieper zonken Baree's tanden en juist toen zij de huid van het uiltje
begonnen te schrammen, pakte Papayuchisew, die in het wilde gepikt had,
met een snaveltje, dat telkens met snappend geluid sloot, hem bij het
oor. De pijn, die deze greep hem bezorgde, was voor Baree niet om uit te
houden en hij deed een nog wanhopiger poging om met zijn tanden door de
dikke veer-wapenrusting van zijn vijand heen te komen. In hun worsteling
rolden zij tot onder de lage balsemstruiken naar den rand van het
ravijn, waardoor de kreek liep. Zij vielen over de steile helling heen
en bij deze tuimeling liet Baree los. Papayuchisew daarentegen klemde
zich standvastig aan hem vast en had Baree's oor nog steeds in zijn
macht.
Baree's neus bloedde en het was alsof zijn oor van zijn kop getrokken
werd en op dit ongemakkelijke oogenblik deed Baby Papayuchisew de
ontdekking, dat zijn vleugels een groote hulp waren in den strijd. Een
uil is niet werkelijk aan het vechten, zoolang hij zijn vleugels niet
gebruikt en met een vroolijk gesis begon Papayuchisew zijn tegenstander
zoo hard en zoo aanhoudend te slaan, dat Baree er verblind door werd.
Hij was genoodzaakt, zijn oogen te sluiten en hij hapte in het wilde
rond.
Voor de eerste maal sedert den aanvang van het gevecht, voelde Baree
een sterken drang om te vluchten. Hij trachtte zich te bevrijden met
zijn voorpooten, maar Papayuchisew, die lang werk had gehad om tot
de ontdekking te komen, maar nu ook des te vuriger was, klemde zich
aan zijn oor vast als met den ijzeren greep van het noodlot. Op dit
beslissende oogenblik, terwijl Baree snel het gevoel van een nederlaag
kreeg, redde het toeval hem. Zijn kaken sloten zich om een van
Papayuchisew's teere pooten. Het uiltje gaf plotseling een schreeuw.
Het oor raakte ten laatste los en met een triomfantelijken snauw gaf
Baree een geweldigen ruk aan Papayuchisew's poot.
In de opwinding van het gevecht had hij niet het rumoer van het
stroomende water onder hen gehoord en over een kleine rots heen
tuimelden Papayuchisew en hij tezamen in de kreek. Het kille water
smoorde een laatsten snauw en een laatst gesis van de twee kleine
vechtersbazen.
III.
Een nacht vol angst.
Wat Papayuchisew betreft, voor hem was, na de eerste gulp water, die hij
binnenkreeg, de stroom bijna even veilig als de lucht, want hij zeilde
over de oppervlakte met de luchtigheid van een meeuw, zich verbazend in
zijn langzaam-werkend brein, waarom hij zich zoo gemakkelijk en prettig
bewoog, zonder dat hij er zelf moeite voor behoefde te doen.
Maar voor Baree was het een andere zaak. Hij zonk naar beneden als
een steen. Een geweldig gebulder vervulde zijn ooren, het was donker,
benauwend, afschuwelijk. Hij werd om en om geworpen. Hij was twintig
voet diep onder water. Toen steeg hij naar de oppervlakte en begon
wanhopig met zijn pooten te slaan. Het hielp hem niet veel. Hij kreeg
alleen maar den tijd om een paar maal met de oogen te knippen en wat
lucht in zijn longen te halen, toen hij in een kolk verdween, die als
een molentocht tusschen twee boomstammen draaide en eenigen tijd lang
konden de scherpste oogen huid noch haar van hem ontdekken. Toen kwam
hij weer boven bij een miniatuur Niagara en vijftig of zestig meter lang
werd hij als een harige bal in het rond geworpen. Daarna werd hij in
een ijskouden poel gesmeten en toen, half dood, krabbelde hij, op een
steenige zandbank, uit het water.
Langen tijd bleef hij daar liggen in een vloed van zonneschijn, zonder
zich te bewegen. Zijn oor deed hem pijn en toen hij eindelijk zijn neus
ophief, was deze heelemaal ontstoken en voelde zoo branderig aan, alsof
hij hem in vuur gestoken had. Zijn pooten en lichaam waren pijnlijk en
toen hij zich over den steenigen zandbodem rond begon te sleepen, was
hij het rampzaligste jonge hondje ter wereld. Hij was ook totaal den weg
kwijt. Tevergeefs keek hij rond naar een herkenningsteeken—naar het
een of ander, dat hem den weg naar huis terug kon wijzen. Maar alles
was hem even vreemd. Hij wist niet, dat het water hem aan land geworpen
had aan den verkeerden kant van de kreek en dat hij, om het hol onder
de omgevallen boomen te bereiken, deze weer zou moeten oversteken. Hij
jankte halfluid om zijn moeder. Wolvin had hem niet kunnen hooren als
hij geblaft had, want haar hol was meer dan twee honderd vijftig meter
stroomopwaarts. Maar het wolveninstinkt legde Baree al vanzelf het
zwijgen op na dit zachte gejank.
Langs den oever loopend, begon hij den stroom te volgen. Elke stap,
dien hij in deze richting deed, bracht hem nu verder van huis. Telkens
bleef hij stilstaan om te luisteren. Het bosch werd dichter. Het
werd hoe langer hoe donkerder en geheimzinniger. De stilte ervan was
schrikaanjagend. Na verloop van een half uur zou hij zelfs Papayuchisew
met blijdschap verwelkomd hebben. En hij zou hem toen niet bevochten
hebben. Hij zou hem, zoo dit mogelijk ware geweest, den weg naar huis
hebben gevraagd.
Hij was volle driekwart mijl van zijn hol gekomen, toen de kreek zich
splitste in twee kanalen. Hij kon er maar één kiezen om te volgen—het
stroompje, dat een weinig zuidoostwaarts liep. Dit gedeelte liep niet
zoo snel. Het was niet gevuld met glinsterende rotsblokken, waardoor
het water zong en schuimde. Het was zoo zwart als het bosch. Het was
geruchtloos en diep. Plotseling bevond Baree zich aan den rand van een
diepen, donkeren poel, waarin het water zoo roerloos lag als olie en
zijn hartje sprong hem naar de keel, toen een sluik, glimmend beest te
voorschijn sprong, bijna vlak onder zijn neus uit en met een geweldig
geplas in het midden van den poel terecht kwam. Het was Nekik, de otter.
Hij had Baree niet gehoord en een oogenblik later werd hij gevolgd
door Napanekik, zijn wijfje, met drie jongen achter zich aan, die vier
sporen achterlieten in het olieachtig-uitziende water. Wat er daarna
voorviel, deed Baree bijna vergeten, dat hij verdwaald was. Nekik was
onder de oppervlakte verdwenen en steeg weer naar boven, vlak onder zijn
nietsvermoedend wijfje, met zoo'n kracht, dat zij half uit het water
gelicht werd. Oogenblikkelijk verdween hij weer en Napanekik zette hem
woedend achterna. Voor Baree zag het er niet uit als spel. Twee van de
jonge otters hadden zich op den derden gestort en het leek, alsof deze
zich wanhopig verweerde. Baree voelde geen kou en geen pijn meer. Zijn
bloed stroomde hem opgewonden door de aderen, hij kon zich niet meer
inhouden en er ontsnapte hem een blaf. In een oogwenk waren de otters
verdwenen. Eenige minuten lang was het water in beroering en dat was
alles. Na een poosje trok Baree zich in de struiken terug en vervolgde
zijn weg.
Het was ongeveer drie uur in den namiddag en de zon behoorde nog hoog
aan den hemel te staan. Maar het werd gestadig donkerder en het vreemde
hiervan en de angst gaf aan Baree's pooten grooter spoed. Hij bleef
telkens stilstaan om te luisteren en bij een van deze tusschenpoozen
hoorde hij een geluid, dat hem een vroolijk jankend antwoord ontlokte.
Het was een verwijderd gehuil—een wolvengehuil, recht voor hem uit.
Baree dacht niet aan wolven, maar aan Kazan en hij bleef door het
sombere bosch rennen, tot hij buiten adem was. Het wolvengehuil werd
echter niet meer hoorbaar.
In plaats daarvan rolde er van uit het westen een somber gerommel
aan. Door de toppen der boomen flitste een heftige bliksemstraal. Een
kreunend gefluister van den wind deed dienst als voorrijder van den
storm en een tweede bliksemstraal scheen Baree's schuilplaats te willen
uitvorschen, terwijl hij daar stond te huiveren onder een baldakijn
van hooge sparren. Dit was zijn tweede storm. De eerste had hem een
vreeselijken angst aangejaagd en hij was weggekropen tot in den versten
hoek van het hol. Het beste wat hij nu kon vinden, was een kuil onder
een grooten boomwortel en daar kroop hij in en begon zachtjes te huilen.
Het was een kinderlijk huilen om zijn moeder, om zijn tehuis, om
warmte, om iets zachts en beschermends, waartegen hij zich zou kunnen
aannestelen en terwijl hij daar lag te huilen, barstte de storm los over
het woud.
Baree had nooit tevoren zooveel lawaai gehoord en hij had nooit het
weerlicht in zulke stralen zien neerschieten, zooals bij dit noodweer
in Juni gebeurde. Het leek van tijd tot tijd wel, of de heele wereld
in brand stond en de aarde scheen te trillen onder de geweldige
donderslagen. Hij hield op met jammeren en maakte zich zoo klein
mogelijk onder den boomwortel, die hem gedeeltelijk beschermde tegen den
striemenden regen, die in stroomen neerviel. Het was nu zoo pikdonker,
dat, behalve wanneer het hemelvuur groote lichtgaten in de lucht reet,
hij de boomstammen op twintig voet afstands niet kon onderscheiden.
Een veertig voet van Baree af stond een groote, doode boomstronk, die
elken keer, wanneer de bliksemstralen door de lucht kliefden, daartegen
afstak met de somberheid van een geest, alsof hij die vlammende handen
daarboven uitdaagde om toe te slaan—en eindelijk sloeg er een toe!
Een blauwe tong van knetterend vuur gleed langs den ouden stam en toen
hij de aarde aanraakte, ontstond er een geweldige ontploffing boven de
boomtoppen. De massieve stronk sidderde en brak toen door, als geveld
door een reusachtige bijl. Hij smakte neer, zoo dicht bij Baree, dat er
aarde en takjes bovenop hem vielen en hij uitte een heftigen schreeuw
van schrik en trachtte zich nog dieper in het nauwe holletje onder den
boomwortel te wringen.
Met de verwoesting van den ouden ceder schenen donder en bliksem hun
kwaadwilligheid botgevierd te hebben. De donder trok verder, naar het
zuiden en oosten, met het gerommel van tienduizend zware karrenwielen
over het bladerdak en de bliksem volgde hem. De regen viel gestadig.
Nog wel een uur, nadat Baree den laatsten bliksemstraal gezien had,
bleef hij onafgebroken neervallen. Het gat, waarin hij een schuilplaats
gezocht had, was drijfnat. Hij was geheel doorweekt. Zijn tanden
klapperden, terwijl hij afwachtte wat er verder gebeuren zou.
Hij kreeg een langen wachttijd. Toen de regen opgehouden was en de lucht
wat opgeklaard, viel de nacht in. Door de toppen der boomen heen zou
Baree de sterren hebben kunnen zien, als hij naar boven had gekeken.
Maar hij kwam zijn hol niet uit. Uur na uur verstreek. Uitgeput, half
verdronken, pijnlijk en hongerig bleef hij onbeweeglijk liggen. Ten
laatste viel hij in een onrustigen slaap, een slaap, waarin hij telkens
droevig jankte om zijn moeder. Toen hij zich eindelijk buiten zijn
schuilhoek waagde, was het morgen en de zon scheen.
Eerst kon Baree ternauwernood staan. Hij had kramp in zijn pooten, elke
pees in zijn lichaam scheen verrekt, zijn oor was stijf van geronnen
bloed en toen hij probeerde, zijn gewonden neus te rimpelen, gaf hij
een scherp blafje van pijn. Als zoo iets mogelijk ware, zag hij er nog
ellendiger uit dan hij zich voelde. Zijn haar was gedroogd in modderige
klonters, hij was vuil van kop tot staart en terwijl hij gisteren nog
mollig en glanzend van huid was geweest, zag hij er nu zoo mager en
ongelukkig uit als het noodlot maar had kunnen bewerken. En hij was zoo
hongerig daarenboven. Hij had nooit tevoren geweten, wat het beteekende,
werkelijk honger te hebben.
Toen hij verder ging, in dezelfde richting loopend als den vorigen dag,
bewoog hij zich ontmoedigd voort. Kop en ooren liet hij hangen en hij
was heelemaal niet nieuwsgierig meer. Hij was niet alleen hongerig naar
voedsel. Hij hongerde bovenal naar moederliefde. Hij verlangde naar zijn
moeder, zooals hij nog nooit naar iets verlangd had. Hij verlangde zijn
huiverend lijfje tegen haar aan te kunnen vlijen en haar liefkoozende
tong te voelen. Hij verlangde naar haar liefkoozend moederlijk geteem.
Ook verlangde hij naar Kazan en het oude hol onder de omgevallen boomen
en die groote blauwe plek in den hemel, recht er boven. Hij zeurde er
om als een klein kind, dat pruilt en hij begon weer den oever van de
kreek te volgen.
Het bosch werd na eenigen tijd minder dicht en dit wekte hem een beetje
op. En de warmte der zon deed de pijn uit zijn lichaam verdwijnen. Hij
werd hoe langer hoe hongeriger. Hij was totnogtoe ten opzichte van
voedsel geheel afhankelijk geweest van Wolvin en Kazan.
Baree's ouders hadden hem, in sommige opzichten, te veel als een
onmondig jong behandeld. Voor een deel was Wolvin's blindheid hiervan
de oorzaak; sedert Baree's geboorte was zij niet meer met Kazan op de
jacht gegaan en het was dus heel natuurlijk, dat Baree zich het meeste
aan haar gehecht had, ofschoon hij meer dan eens een vurig verlangen
had gevoeld om Kazan te volgen. De natuur deed nu al haar best, deze
nadeelige eigenschap te verbeteren. Zij deed al haar best, Baree aan
zijn verstand te brengen, dat hij nu voortaan zelf voor zijn voedsel
moest gaan zorgen. Dit feit drong langzaam maar zeker tot hem door
en hij begon te denken aan de drie of vier oesters, die hij eens bij
de kreek, in de nabijheid van het ouderlijk hol, verorberd had. Hij
herinnerde zich ook de open mossel, die hij gevonden had en hoe heerlijk
van smaak het zachte beetje daar binnenin geweest was. Een nieuwe
opwinding maakte zich van hem meester. Hij werd, van den beginne af aan,
een jager.
Naarmate het bosch minder dicht werd, versmalde zich ook de kreek.
Zij begon weer over zandplaten en steenen te stroomen en Baree ging
langs den oever snuffelen. Een tijdlang had hij hiermee geen succes.
De weinige oesters, die hij ontdekte, waren buitengewoon goed in
leven en gesloten en al de mosselen hielden hun schelpen zóó vast op
elkaar geklemd, dat zelfs Kazan's geweldige kaken moeite zouden gehad
hebben, ze te verpletteren. Het was bijna middag, toen hij zijn eerste
rivierkreeftje ving, een beestje ongeveer zoo groot als de voorvinger
van een man. Hij verslond het met woede. De smaak van voedsel gaf hem
nieuwen moed. Hij ving nog twee van deze kreeftjes, in den loop van den
middag. De schemering begon al in te vallen, toen hij een jong konijn
opjoeg van uit zijn schuilplaats onder het hooge gras. Als hij een maand
ouder geweest was, had hij het kunnen vangen. Hij had nog steeds ergen
honger, want drie rivierkreeftjes, verdeeld over een heelen dag, hadden
er niet veel toe bijgedragen, de leegte te vullen, die er in zijn maag
gestadig begon aan te groeien.
Bij het aanbreken van den nacht keerden zijn angsten en zijn gevoel van
eenzaamheid terug. Vóór het daglicht geheel was weggestorven, had hij
een schuilplaats gevonden onder een groote rots, waar een warm, zacht
bedje van zand lag. Sedert zijn gevecht met Papayuchisew had hij een
heel eind gereisd en de rots, waar hij zich voor dien nacht legerde,
was ten minste acht of negen mijlen verwijderd van het hol onder de
omgevallen boomen. Het was dicht bij den oorsprong van de kreek, met
het donkere bosch van sparren en ceders aan weerszijden en toen de
maan opkwam en de sterren den hemel vulden, kon Baree uitkijken en
het water van den stroom in den maneglans zien glinsteren, alsof het
helder dag was. Vlak tegenover hem, afgaande naar den oever, lag een
breed karpet van wit zand. Over dit zand trad een half uur later een
groote zwarte beer. Voor Baree de otters in de kreek had zien spelen,
was zijn voorstellingsvermogen omtrent de afmetingen der dieren niet
verder gegaan dan die van zijn eigen ras en zulke kleinere wezens
als uilen, konijnen en kleine vogels. De otters hadden hem niet veel
vrees aangejaagd, omdat hij nog steeds alles beoordeelde volgens de
grootte en Nekik was niet half zoo groot als Kazan. Maar de beer was
een monster, waarbij vergeleken Kazan een dwerg was. Hij _was_ dan ook
groot. Als de natuur het noodzakelijk vond, Baree te doen begrijpen, dat
er dieren in het bosch huisden van grooter belang dan wolven en honden
en uilen en rivierkreeften, legde zij er wel wat al te erg den nadruk
op. Want Wakayoo, de beer, woog zeshonderd pond, zoo zeker als wat. Hij
was dik en rond, na een maand lang van visch gesmuld te hebben. Zijn
glanzende huid leek wel zwart fluweel in het maanlicht en hij liep met
een zonderlingen, waggelenden gang, zijn kop hing laag bij den grond.
Het vreeselijkste van alles was, dat hij staan bleef midden op het
zandtapijt, niet meer dan tien voet van de rots verwijderd, waaronder
Baree lag te rillen, alsof hij de koorts had.
Klaarblijkelijk had Wakayoo hem geroken. Baree kon hem hooren snuiven,
hij kon hem hooren ademen; hij zag het sterrenlicht schitteren in zijn
roodbruine oogjes, toen deze argwanend naar de groote rots gekeerd
werden. Als Baree had kunnen weten, dat _hij_—zijn eigen onbeduidend
persoontje—dit monster hevig zenuwachtig maakte, zou hij een luiden
blaf van blijdschap gegeven hebben. Want Wakayoo was, in weerwil van
zijn lichaamsgrootte, tamelijk laf, als het op wolven aankwam. _En
Baree verspreidde den wolvenreuk!_ Deze drong sterker in Wakayoo's
neusgaten en juist op dit oogenblik, als om de onrust in hem nog te doen
aangroeien, kwam er van uit de bosschen achter hem een lang en klagelijk
gehuil. Met een hoorbaar geknor ging Wakayoo er van door. Wolven waren
een ware plaag, redeneerde hij. Zij wilden niet behoorlijk vechten. Zij
bleven uren aan een stuk achter je aan janken en naar je hielen happen
en waren zoo vlug als de wind buiten je bereik, wanneer je je naar hen
omdraaide. Waarom hier te blijven rondhangen als er wolven in de buurt
waren op zulk een mooien avond? Hij ging er vastberaden vandoor. Baree
kon hem zwaar door het water van de kreek hooren plassen.
Toen eerst waagde hij het, adem te halen. Het was bijna een verzuchting.
Maar de avonturen waren voor dien nacht nog niet geëindigd. Baree had
zijn bed uitgekozen op een plek, waar de dieren gewoon waren te komen
drinken en waar zij elkaar kruisten op hun wegen. Niet lang nadat de
beer verdwenen was, hoorde hij het zand zwaar kraken en hoefgekletter
tegen de steenen en een elandstier, met een geweldig vertakt gewei,
trad over een open vlakte in het maanlicht. Baree's oogen puilden hem
haast uit den kop, want wanneer Wakayoo zeshonderd pond gewogen had, dit
reusachtige dier, welks pooten zoo lang waren, dat het op stelten scheen
te loopen, woog zeker tweemaal zooveel. Een wijfjeseland volgde. En
daarop een jong. Dit jong scheen enkel en alleen uit pooten te bestaan.
Dit was te veel voor Baree en hij kroop hoe langer hoe verder weg onder
de rots, totdat hij eindelijk in elkaar gerold lag als een sardine in
een blikje. En daar bleef hij liggen tot aan den morgen.
IV.
Een hongerig zwerver.
Toen Baree zich bij het aanbreken van den volgenden dag van onder zijn
rots uit waagde, was hij een heel wat ouder wolfshondje dan toen hij
Papayuchisew, den jongen uil, op zijn pad ontmoet had, dicht bij zijn
oude hol. Als ondervinding de plaats van ouderdom in kan nemen, was
hij gedurende de vier en twintig uur maanden ouder geworden. Het is
een feit, dat hij nu bijna volwassen was geworden. Hij ontwaakte met
een nieuwe en veel duidelijker voorstelling van de wereld. Het was een
uitgestrekte plaats. Zij was vol voorwerpen, waaronder Kazan en Wolvin
lang niet de eerste plaats innamen.
De monsters, die hij op dat door de maan verlichte zandplekje gezien
had, hadden een nieuwe voorzorg in hem gewekt en een van de grootste
en eerste instinkten—het begrip, dat de sterke aast op den zwakke.
Totnogtoe had hij, wat zeer natuurlijk was, kracht gemeten naar
lichaamsgrootte en ook den omvang van het gevaar schatte hij daarnaar.
En zoo was de beer dus schrik-aanjagender voor hem dan Kazan en de
elandstier was weer vreeselijker dan de beer. Het was maar heel gelukkig
voor hem, dat zijn instinkt nog niet dadelijk tot aan de grenzen ging en
hem duidelijk maakte, dat zijn eigen ras—de wolf—het meest gevreesde
dier was in de wildernis, van alle gehoefde, geklauwde en gevederde
schepselen, die er huisden. Anders zou het hem wel eens hebben kunnen
vergaan als den kleinen jongen, die zich verbeeldde te kunnen zwemmen
nog vóór hij den slag te pakken had, te diep dook en er het leven bij
liet.
Heel opmerkzaam, terwijl al het haar van zijn rug overeind stond en
onderdrukt grommende, berook hij de groote voetsporen van den beer
en den eland, die hij gisteren op zijn zwerftochten ontmoet had. Dat
berenspoor maakte hem aan het brommen. Hij volgde het tot aan den oever
van de kreek. Daarna vervolgde hij zijn tocht en ook zijn jacht op
voedsel.
Twee uren lang was zijn zoeken vergeefsch, hij vond niets, zelfs geen
rivierkreeft. Daarna kwam hij van het groene bosch uit aan den zoom van
een verbrand gedeelte. Hier was alles zwart. De boomstammen leken wel
verkoolde stokken. Het was een groote boschbrand geweest, die op deze
plaats gewoed had, den vorigen herfst, en de asch was nog zacht onder
Baree's pooten. Recht door deze verbrande streek stroomde de kreek en er
boven stond de blauwe lucht, waarin de zon scheen.
Het was een heele verzoeking voor Baree. De vos, de wolf, de eland en
de kariboe zouden teruggekeerd zijn uit dit doode land. Over een jaar
zou het een goed jachtveld zijn, maar nu was het volkomen levenloos.
Zelfs de uilen zouden hier niets eetbaars hebben kunnen vinden. Maar
het waren de blauwe hemel en de zon en de zachte grond onder zijn
pooten, die Baree verlokten. Het was hier prettig reizen, na zijn
pijnlijke ondervindingen van den vorigen dag. Hij ging voort, den
stroom te volgen, ofschoon er weinig kans was, dat hij er iets van
voedsel vond. Het water was donker en modderig geworden en hier en daar
versperd door houtafval, die er in was geraakt en de oevers waren ook
modderig en week. Na een poosje, toen Baree stilstond om eens rond te
kijken, zag hij het groene bosch niet langer. Hij was geheel alleen in
die troostelooze wildernis van verkoolde boomlijken. Er heerschte ook
doodsche stilte. Geen vogelgetjilp verbrak de stilte. In de zachte asch
kon hij zijn eigen bewegingen niet hooren. Maar hij was niet bang. Hij
voelde de rust hier van veiligheid.
Als hij maar iets eetbaars kon vinden! Dit was de hoofdgedachte, die hem
beheerschte. Zijn instinkt had hem nog niet meegedeeld, dat alles, wat
hij om zich heen zag, de dood was. Hij liep voort, vol hoop naar voedsel
zoekend. Maar ten laatste, terwijl de uren verstreken, begon de moed hem
te begeven. De zon zonk in het westen. De hemel werd minder blauw, een
zachte wind begon over de toppen van de boomen te rijden en nu en dan
viel er een met veel gekraak.
Baree kon niet verder loopen. Een uur voor het donker was, lag hij in de
vlakte uitgestrekt, zwak en uitgeput. De zon verdween achter het bosch.
De maan klom naar boven, vanuit het oosten. De hemel glinsterde van
sterren en gedurende dien heelen nacht lag Baree zoo roerloos alsof hij
dood was. Toen de morgen aanbrak, sleepte hij zich naar den stroom, om
eens te drinken. Met zijn laatste krachten liep hij nog wat verder. Het
was zijn wolvenbloed, dat hem dwong, te worstelen voor zijn leven. Zijn
hondenhart zou hem aangedreven hebben te gaan liggen en te sterven. Maar
de wolf was het sterkst in hem. En dit gedeelte van zijn karakter won
het. Een halve mijl verder bereikte hij het groote groene bosch weer.
In het bosch, zoowel als in de groote steden, heeft het lot vele
grillen. Als Baree zich een half uur later het bosch in had gesleept,
zou hij dood geweest zijn. Hij was al veel te ver weg om naar een
rivierkreeft te visschen of zelfs maar den zwaksten vogel te dooden.
Maar hij kwam juist op het oogenblik, waarop Sekoosew, de hermelijn—de
meest bloeddorstige kleine vrijbuiter ter wereld—zijn prooi aan 't
bespringen was.
Dit gebeurde ruim honderd meter van de plek af, waar Baree onder een
sparreboom lag uitgestrekt, gereed om den geest te geven. Sekoosew was
een machtig jager in zijn soort. Zijn lichaam was zoowat anderhalven
decimeter lang, zijn klein staartje eindigde in een zwarte punt en hij
woog misschien vijf ons. Een klein-kinderhandje had hem overal tusschen
zijn vier pooten kunnen omsluiten en zijn scherp kopje met zijn zwarte
kraaloogjes kon gemakkelijk door het kleinste gaatje. Eeuwen lang had
Sekoosew meegeholpen, de geschiedenis te vormen. Hij was het, die—toen
zijn huid honderd dollars in het goud des Konings waard was—de eerste
scheepslading van Heeren Avonturiers over zee lokte, met Prins Rupert
aan het hoofd; het was de kleine Sekoosew, die de aanleiding werd van
de vorming van de groote Hudson Baai Compagnie en de ontdekking van
half een werelddeel; bijna drie eeuwen lang had hij om zijn bestaan
gevochten met den strikkenzetter. Hij was de slimste, de meest woeste en
onbarmhartigste van alle dieren, waaruit zijn wereld bestond.
Terwijl Baree daar onder zijn boom lag, was Sekoosew bezig zijn prooi
te besluipen. Zijn doel was een flink, vet patrijshoen, dat onder een
wilden kruisbessenstruik stond. Geen levend schepsel had eenig geluid
kunnen hooren van Sekoosew's bewegingen. Hij leek wel een schaduw—nu
eens een grijs hoopje bont hier, dan een voorbijschietend streepje
daar—nu eens was hij verborgen achter een stok, niet dikker dan
een manspols, kwam het eene oogenblik voor den dag, om het volgend
oogenblik te verdwijnen alsof hij nooit bestaan had. Op deze manier
was hij van vijftig tot drie voet genaderd. Dit was zijn geliefde
mik-afstand. Zonder mis te rekenen wierp hij zich aan de keel van
den slaperigen patrijs en zijn naaldfijne tandjes zonken door de
veeren in zijn vleesch. Sekoosew was voorbereid op wat er nu volgde.
Het gebeurde altijd, wanneer hij Napanao, den woudpatrijs aanviel.
Hij bezat machtige vleugels en zijn eerste aandrift, wanneer hij
hem aanviel, was te vluchten. Hij steeg nu recht naar boven met een
geweldig vleugelgedonder. Sekoosew klemde zich stevig vast, zijn
tandjes begroeven zich diep in zijn vleesch en zijn kleine klauwtjes
omsloten hem als handen. Door de lucht snorde hij met hem, steeds dieper
doorbijtend, totdat Napanao, honderd meter vanaf de plek, waar dat
verschrikkelijke moordwerktuig zich aan zijn keel had vastgeklemd, weer
op den grond neersmakte.
De plek waar hij viel was geen tien voet van Baree af. Een paar
oogenblikken lang bleef hij kijken naar die worstelende veerenmassa,
nog niet volkomen begrijpend, dat er eindelijk en ten laatste voedsel
binnen zijn bereik kwam. Napanao lag te sterven, maar hij worstelde
nog steeds krampachtig met de vleugels. Baree stond omzichtig op en, na
een oogenblik, waarin hij al zijn nog overgebleven krachten verzamelde,
rende hij op hem toe. Hij begroef zijn tanden in zijn borst—en toen
ontdekte hij Sekoosew pas. De hermelijn had zijn kopje opgeheven, na den
doodelijken greep in Napanao's keel te hebben losgelaten en zijn woeste
roode oogjes staarden één oogenblik lang in die van Baree. Hier zag hij
iets, te groot voor hem om te dooden en met een woedenden schreeuw ging
hij er van door. Napanao's vleugels vielen neer en hij gaf een laatsten
snik. Hij was dood. Baree hield hem stijf vast, totdat hij daar volkomen
zeker van was. Toen begon hij zijn festijn.
Met moordlust in zijn hartje bleef Sekoosew in de buurt, overal
rondsnorrend, maar nooit naderbij komend dan een half dozijn voet tot de
plaats, waar Baree lag. Zijn oogjes waren rooder dan ooit.
Baree at een derde deel van den patrijs op en de overblijvende twee
derden verborg hij heel zorgvuldig aan den voet van een grooten spar.
Toen haastte hij zich naar de kreek om te drinken. De wereld had nu
een heel ander aanzien voor hem gekregen. Alles bijeengenomen hangt
iemand's geschiktheid om geluk te voelen veel af van de diepte van het
ongeluk, dat hij tevoren gehad heeft. Zoo ging het met Baree. Acht en
veertig uur tevoren zou een volle maag hem geen tiende part zoo gelukkig
gemaakt hebben als hij nu was. Toen was zijn grootste verlangen naar
zijn moeder geweest. Sedert dien tijd had een veel grooter begeerte hem
vervuld—de begeerte naar voedsel. In zeker opzicht was het gelukkig
voor hem, dat hij bijna van uitputting en honger was omgekomen, want
deze ondervinding had meegeholpen om een man van hem te maken—of een
volwassen wolfshond—al naar men het noemen wil. Hij zou nog langen
tijd zijn moeder blijven missen. Maar hij zou haar nooit meer zoo hevig
missen als deze laatste twee dagen.
Dien middag deed hij een flinken dut, vlak bij zijn bewaarplaats. Daarna
groef hij den patrijs weer op en deed zijn avondmaal. Toen voor de
vierde maal de nacht aanbrak, verborg hij zich niet, zooals hij de drie
vorige nachten gedaan had. Hij was wonderlijk goed wakker. Onder de maan
en de sterren dwaalde hij rond bij den zoom van het bosch en in het
sombere zwarte gedeelte er van. Hij luisterde met een nieuwe opwinding
naar het wolvengehuil, dat in de verte weerklonk. Het was een troep, die
op jacht was.
Nog een dag en een nacht bleef Baree in de nabijheid van zijn
bewaarplaats. Toen het laatste been was af gekloven, trok hij verder.
Hij betrad nu een streek, waar zijn levensonderhoud geen raadsel meer
voor hem was. Hier hielden de lynxen huis en waar er lynxen rondzwerven,
daar zijn ook veel konijnen. Wanneer de konijnen schaarscher worden,
verhuizen de lynxen naar een beter terrein. Daar het sneeuwschoenkonijn
het heele jaar door jongen werpt, bevond Baree zich in een land van
belofte. Het kostte hem geen moeite, de jonge konijnen te vangen en te
dooden. Een week lang deed hij zich te goed en werd met den dag dikker
en sterker. Maar al dien tijd trok hij, gedreven door dien zoekenden,
onrustigen geest, nog steeds hopend zijn vroeger tehuis en zijn moeder
te vinden, naar het noorden en oosten.
Hij had het heimwee en voelde zich alleen en zijn hartje dorstte naar
de warmte van gezelschap en den troost van moederliefde. Alleen in de
wereld te zijn was allerminst een gewenschte staat van zaken. Soms
beving Baree zoo'n heimwee naar het gezicht van Wolvin's grijzen snoet
en Kazan's prachtig lichaam, dat het _pijn deed_.
Op dit oogenblik werd de wolf in hem overheerscht door den hond. Hij was
alleen maar een bedroefd klein hondje. En zijn tehuis, met Wolvin en
Kazan, leek ver, ver weg.
Wanhopig dwaalde hij verder, het Onbekende in....
V.
De wolf in hem spreekt.
Pierrot had, tot vóór twee jaren, gemeend, dat hij een van de
gelukkigste menschen was in de uitgestrekte wildernis. Dat was vóór
La Mort Rouge—de Roode Ziekte—uitbrak. Hij was een halve Franschman
en had de dochter getrouwd van een opperhoofd der Cree's en in hun
houten hut bij de Grijze Fuut hadden zij vele jaren geleefd in
grooten voorspoed en geluk. Pierrot was trotsch op drie zaken in zijn
onmiddellijke omgeving, hij was ontzaglijk trotsch op Wyola, zijn vrouw
van koninklijken bloede; hij was trotsch op zijn dochter en hij was
trotsch op zijn reputatie als jager. Totdat de Roode Ziekte kwam, was
het leven volmaakt voor hem geweest. Daarna—nu twee jaren geleden—was
zijn vrouw aan de pokken gestorven. Hij bleef wonen in zijn hutje bij
de Grijze Fuut, maar hij was een andere Pierrot geworden. Zijn hart was
zwaar in hem. Hij zou gestorven zijn, als zijn dochter er niet geweest
was, Nepeese. Zijn vrouw had haar Nepeese genoemd, wat beteekent „de
Wilg”. Nepeese was waarlijk opgegroeid als een wilg, slank en buigzaam
als een riet en met al haar moeders wilde schoonheid had zij toch ook
zichtbaar Fransch bloed in de aderen. Zij was bijna zeventien jaar, had
groote, prachtige, donkere oogen en haar zoo weelderig, dat een agent
van een maatschappij uit Montreal, die in hun buurt was gekomen, het
eens had willen koopen. Het viel in twee glanzende vlechten, elk van de
dikte van een manspols, bijna tot aan haar knieën.
„Non, M'sieu,” had Pierrot gezegd, terwijl er iets schitterde in zijn
oogen, toen hij de uitdrukking op het gelaat van den agent gewaar werd.
„Ze zijn niet te koop.”
Baree geraakte op zijn zwerftochten op het gebied, waar Pierrot zijn
vallen uitzette, en bleef daar. Het was een ideale plek om te jagen.
Twee dagen later kwam Pierrot thuis met een bekommerd gezicht.
„Er is een beest in de buurt, dat de jonge bevers doodt.” vertelde
hij in het Fransch aan Nepeese. „Een lynx of een wolf. Morgen....” Hij
haalde zijn magere schouders op en glimlachte tegen haar.
„Wij gaan op de jacht,” lachte Nepeese vroolijk, in haar zacht klinkend
Indiaansch.
Wanneer Pierrot op deze manier tegen haar glimlachte en begon met
„morgen”, beteekende dit altijd, dat zij met hem mee mocht gaan op
avontuur.
Nog een dag later, tegen het eind van den middag, stak Baree de
Grijze Fuut over, over een bruggetje van drijfhout, dat zich gevormd
had tusschen twee boomstammen. Dit lag in noordelijke richting.
Vlak tegenover dit bruggetje was een kleine open vlakte en aan den
rand hiervan bleef Baree stilstaan, om naar de laatste stralen van
de ondergaande zon te kijken. Zooals hij daar bewegingloos stond en
luisterde met gespitste oortjes, hangenden staart en den reuk van het
onbekende gebied opsnuivend, was er geen enkele boschbewoner, die hem
niet voor een wolvejong zou hebben gehouden.
Achter een boschje jonge balsemstruiken, een honderd meter verder,
hadden Pierrot en Nepeese hem het bruggetje over zien gaan. Nu was het
tijd en Pierrot legde zijn geweer aan. Toen pas raakte Nepeese zacht
zijn arm aan. Zij haalde opgewonden adem, terwijl zij fluisterde:
„Nootawe, laat mij schieten. Ik kan hem ook wel raken!” Met een zacht
gegrinnik gaf Pierrot haar zijn geweer over. Hij rekende het jong al
dood. Want Nepeese kon op dezen afstand een kogel zenden in een doelpunt
van een centimeter in het vierkant. En Nepeese, zorgvuldig mikkend op
Baree, trok met haar bruinen wijsvinger stevig aan den trekker.
Terwijl zij dit deed, maakte Baree een luchtsprong. Hij voelde de kracht
van den kogel, nog vóór hij het geweer hoorde afgaan. Hij viel ervan
om en rolde door alsof hij een verschrikkelijken slag met een knuppel
ontvangen had. In 't eerste oogenblik voelde hij geen pijn. Toen sneed
zij door hem heen als een mes van vuur en door die pijn overheerschte
zijn hondenhart al zijn overige gevoelens en hij liet een klagelijk
jongehondjesgejank hooren terwijl hij om en om tuimelde.
Pierrot en Nepeese waren van achter de balsemstruiken te voorschijn
gekomen. De mooie oogen van de Wilg straalden van trots over de
juistheid van haar schot. Maar plotseling hield zij haar adem in.
Krampachtig omklemde zij den loop van haar geweer. Het gegrinnik van
voldoening bestierf Pierrot op de lippen, toen Baree's jammerkreten de
lucht vervulden.
„Uchi Moosis!” hijgde Nepeese in haar eigen taal.
Pierrot nam zijn geweer terug.
„Wat! Een hond! Een jong hondje!” riep hij uit.
Hij zette Baree achterna. Maar in hun verbazing hadden zij een paar
sekonden verloren laten gaan en Baree's verdoofde zintuigen hadden
zich hersteld. Hij zag hen duidelijk zooals zij daar over de vlakte
kwamen—een nieuw soort bosch-monsters! Met een afscheidsjank sprong hij
in de schaduw van de boomen.
De zon was nu bijna onder en hij haastte zich naar het donkere bosch
in de nabijheid van de kreek. Hij had gerild bij het gezicht van
den beer en den eland, maar voor de eerste maal begreep hij nu de
werkelijke beteekenis van het gevaar. En het was hem op de hielen. Hij
hoorde het gedruisch, dat die tweepootige dieren maakten, terwijl zij
hem achtervolgden; vreemde kreten klonken vlak achter hem—en toen
plofte hij onverwachts in een gat. Het gaf hem een schok toen hij zoo
plotseling den grond onder zich voelde wegglijden, maar hij jankte niet.
Hij was nu weer geheel en al wolf. Hij kreeg de aandrift zich niet te
bewegen, geen geluid te geven, ternauwernood te ademen. Hij hoorde de
stemmen nu vlak boven zich, de vreemde voeten trapten bijna in het gat
waar hij lag. Uitkijkend uit zijn donkeren schuilhoek kon hij een van
zijn vijanden zien. Het was Nepeese, de Wilg. Zij stond zoo, dat de
laatste zonnestralen op haar gelaat vielen. Baree kon zijn oogen niet
van haar afhouden. Hij werd, ondanks zijn pijn, wonderlijk geboeid.
En toen bracht het meisje de beide handen aan den mond en met een stem
die zacht en klagelijk en wonderlijk troostend was voor zijn verschrikt
hartje riep zij:
„Uchimoo—Uchimoo—Uchimoo!”
En toen hoorde hij een andere stem en ook deze was lang zoo
verschrikkelijk niet als de meeste geluiden, die hij in het bosch
gehoord had.
„Wij kunnen hem niet vinden, Nepeese,” zeide hij. „Hij is weggekropen om
te sterven. Hij is zwaar gewond. Kom maar mee.”
Op de plek waar zij Baree hadden zien staan hield Pierrot even stil
en wees naar een berkeboompje, waarvan de stam doorboord was door het
schot van de Wilg. Nepeese begreep hem. Het stammetje, niet dikker dan
haar duim, had de richting van den kogel een weinig doen veranderen en
daardoor Baree gered van een onmiddellijken dood.
Zij keerde zich nochmaals om en riep:
„Uchimoo—Uchimoo—Uchimoo!”
In haar oogen stond nu geen moordlust meer te lezen.
„Hij zou dat toch niet begrijpen,” zeide Pierrot, doorloopende. „Hij is
verwilderd—stamt van de wolven af. Misschien is hij wel een jong van
die teef van Koomo, die verleden winter weg is geloopen om met de wolven
mee op jacht te gaan.”
„En nu zal hij sterven—”
„Ayetun—ja, hij zal sterven.”
Maar Baree dacht er niet over om dood te gaan. Hij was veel te taai om
doodelijk gewond te worden door een kogel, die het zachte vleesch van
zijn voorpoot doorboorde. Want dat was gebeurd. De kogel was tot op het
been toe doorgedrongen, maar het been zelf was niet geraakt. Hij wachtte
tot de maan was opgekomen voor hij het gat uitkroop.
Zijn poot was nu stijf geworden; hij bloedde niet meer, maar zijn heele
lijf werd gemarteld door een vreeselijke pijn. Bij elke beweging die
hij maakte, flitste die door hem heen en toch bleef hij zich bewegen.
Instinktmatig begreep hij, dat hij door uit deze streek weg te gaan
buiten gevaar raakte. En het was maar goed ook, dat hij dit deed, want
een tijdje later kwam er een stekelvarken langs, op zijn dwaze manier
tegen zichzelf babbelend en viel met een harden plof in het gat. Als
Baree erin gelegen had, zou hij zóó vol stekelvarkenspennen geraakt
zijn, dat hij er zeker aan gestorven was.
En in een ander opzicht was de beweging goed voor hem. Het gaf zijn
wond geen gelegenheid om te „ustao”, zooals Pierrot het zou hebben
uitgedrukt, want in waarheid was zij meer pijnlijk dan gevaarlijk.
Gedurende de eerste honderd meter hobbelde hij op drie pooten voort en
naderhand bemerkte hij, dat hij den vierden ook wel kon gebruiken als
hij er wat voorzichtig mee was. Hij volgde een halve mijl lang de kreek.
Wanneer er een struik of plant langs zijn wond schuurde, grauwde hij
daar woedend tegen en wanneer hij weer zoo'n pijnscheut kreeg, begon hij
te grommen en te tandenknarsen in plaats van te janken, zooals in het
begin. Nu hij uit het gat was gekropen, had het schot van de Wilg elken
droppel van zijn wolvenbloed in beroering gebracht. Er groeide iets in
hem—een gevoel van woede, niet tegen een voorwerp in het bizonder,
maar tegen alles. Het was niet de sensatie, waarmee hij Papayuchisew,
den jongen uil, bevochten had, dien dag, dat hij er voor het eerst
alleen op uit getrokken was. Dezen nacht was zijn hondennatuur geheel
ingesluimerd. Een opeenstapeling van ongelukken was over hem gekomen
en door deze ongelukken—waarbij de pijn, die hij nu had, kwam—was de
wolf in hem opgestaan, woest en wraakzuchtig. Het was voor het eerst
dat hij bij nacht reisde. Hij was, op dit oogenblik bang voor niets,
wat er uit de duisternis te voorschijn zou kunnen komen. De zwartste
schaduwen hadden hun griezeligheid verloren. Zijn eerste groote gevecht
tusschen de twee naturen, die in hem waren, den hond en den wolf, was
geleverd en de wolf had overwonnen. Nu en dan bleef hij stilstaan om
zijn wond te likken en onder het likken gromde hij, alsof hij die wond
een persoonlijken wrok toedroeg. Als Pierrot hem had kunnen zien zou hij
spoedig begrepen hebben wat dit beteekende en hij zou gezegd hebben:
„Laat hem maar doodgaan. De knuppel zal er dien duivel bij hem toch
niet uitkrijgen.”
In deze stemming bereikte Baree een uur later, uit het donkere bosch bij
de kreek komend, het meer open gedeelte van een kleine vlakte, die langs
een heuvelrug liep. In deze vlakte jaagde Oohoomisew. Oohoomisew was
een groote sneeuwuil. Hij was de patriarch van alle uilen in Pierrot's
vallengebied. Hij was zoo oud, dat hij zoo goed als blind was. Daarom
ging hij niet op de jacht zooals andere uilen dat doen. Hij verborg zich
niet in de toppen der donkere dennen of balsemstruiken, noch dreef hij
zachtjes door de nachtlucht, gereed in een oogwenk neer te schieten op
zijn prooi. Zijn gezicht was zoo armzalig, dat hij uit den top van een
boom een konijn heelemaal niet zou hebben kunnen zien en hij zou een vos
voor een muis gehouden hebben. Daarom verschanste de oude Oohoomisew,
door ondervinding wijs geworden, zich in een hinderlaag. Hij placht op
den grond neer te hurken, met Jobsgeduld te wachten tot er iets zijn
kant uitkwam, dat hem als voedsel kon dienen. Nu en dan beging hij een
fout. Twee keer had hij een lynx aangezien voor een konijn en in den
tweeden aanval had hij er een poot bij verspeeld, zoodat hij, wanneer
hij overdag te dommelen zat, zich met één poot aan zijn tak vast moest
klemmen. Hoewel kreupel, bijna blind en zoo oud, dat hij al lang geleden
de bosjes veeren over zijn ooren verloren had, was Oohoomisew toch nog
een reus van kracht en wanneer hij boos was, was het snappen van zijn
snavel op twintig meter afstand te hooren.
Drie nachten lang was hij onfortuinlijk geweest en vannacht al
buitengewoon. Twee konijnen waren langs hem gekomen en hij had beiden
aangevallen. Het eerste had hij heelemaal niet te pakken kunnen krijgen;
het tweede was hem ontsnapt, na hem een snavelvol haar achter te hebben
gelaten—en dat was al. Hij was totaal uitgehongerd en scherpte in een
allerslechtst humeur zijn snavel toen hij Baree hoorde naderen. Zelfs
al had Baree onder den struik kunnen kijken en Oohoomisew in zijn
schuilhoek zien loeren, valt het te betwijfelen of hij wel veel opzij
gegaan zou zijn. Zijn eigen vechtlust was ontwaakt. Hij, eveneens, was
bereid tot den strijd, zoo hij zijn vijand maar even aan kon.
Heel onduidelijk zag Oohoomisew hem door de kleine vlakte naderkomen.
Hij kromp in elkaar. Zijn veeren gingen overeind staan tot hij een bal
geleek. Zijn bijna lichtlooze oogen gloeiden als twee blauwachtige
vuurpoelen. Tien voet van hem af stond Baree stil om zijn wond te
likken. Oohoomisew wachtte, uit voorzorg. Baree liep door en ging bijna
rakelings den struik langs. Met een snel gehuppel en een plotseling
gedonder van zijn machtige wieken was de groote uil boven op hem.
Ditmaal gaf Baree geen geluid van pijn of schrik. De wolf is
„kipichimao”, zooals de Indianen zeggen. Geen jager heeft ooit een in de
val geraakten wolf om genade hooren huilen als hij den kogel ontving of
met den knuppel werd afgemaakt. Hij sterft, terwijl hij zijn slagtanden
toont. Oohoomisew viel dezen nacht het jong van een wolf aan en geen
hondenjong. De eerste aanval van den uil deed Baree omver tuimelen en
een oogenblik werd hij half gesmoord onder de uitgespreide, groote
vleugels, terwijl Oohoomisew, hem onder houdend, al zijn best deed
hem met zijn eenigen goeden klauw te pakken te krijgen en er met zijn
snavel heftig op los hakte. Eén houw van dien snavel ergens in zijn kop
en een konijn zou dood geweest zijn, maar Oohoomisew kwam al dadelijk
tot de ontdekking, dat het geen konijn was, dat hij daar onder zijn
vleugels hield. Een snauw, die hem het bloed deed verstijven, was het
antwoord, dat hij kreeg en Oohoomisew herinnerde zich den lynx, zijn
verloren poot en de moeite, die hij gehad had om te ontkomen. De oude
vrijbuiter had den aftocht kunnen blazen, maar Baree was niet langer de
onervaren kleine Baree van toen hij Papayuchisew bevocht. Ondervinding
en ontberingen hadden hem gehard en wijzer gemaakt: zijn kaken en tanden
waren snel van den been-likleeftijd tot den been-vermorzelleeftijd
gegroeid—en vóór Oohoomisew er vandoor kon gaan (zoo hij er al over
dacht) sloten Baree's kaken zich met een geduchten knauw om zijn eenigen
goeden poot.
In de stilte van den nacht weerklonk er een nog veel krachtiger
vleugelgedonder en eenige oogenblikken moest Baree de oogen dichthouden
om niet verblind te worden door Oohoomisew's woedende slagen. Maar hij
hield stevig vast en toen zijn tanden in het vleesch sneden van den
ouden vrijbuiter leek zijn nijdig gegrom Oohoomisew een onheilspellende
uitdaging toe. Een gelukkig toeval had gemaakt, dat hij dien poot te
pakken had gekregen en Baree wist, dat overwinning of nederlaag ervan
afhing of hij dien wist vast te houden.
De oude uil had geen anderen klauw om hem mee in bedwang te
houden en het was hem onmogelijk—door de wijze waarop hij werd
vastgehouden—Baree met zijn snavel te wonden. Daarom bleef hij maar
steeds doorslaan met zijn vleugels, die vier voet spanning hadden.
Zij maakten wel veel lawaai, maar deden Baree geen pijn. Hij beet nog
dieper door. Hij begon hoe langer hoe nijdiger te grommen, toen hij
Oohoomisew's bloed proefde en meer en meer groeide de begeerte in hem,
dit monster van den nacht te dooden, alsof hij door de vernietiging van
dit dier de gelegenheid kreeg zich te wreken voor al de pijn en al de
ontberingen, die hij geleden had nadat hij zijn moeder verloren had. En
het was merkwaardig, dat Oohoomisew nooit tevoren zoo'n grooten angst
gevoeld had. De lynx had maar eens naar hem gehapt en had hem met één
poot achtergelaten. Maar de lynx had niet op zoo'n wolvenmanier tegen
hem gegromd en had zich niet aan hem vastgeklemd. Duizend en één nacht
had Oohoomisew geluisterd naar het wolvengehuil en zijn instinkt had hem
de beteekenis ervan verteld. Hij had den troep snel voort zien glijden
in de duisternis en altijd wanneer zij langs kwamen had hij zich in de
zwartste schaduwen verborgen. Voor hem, evenals voor alle andere wilde
schepselen, stond dat wolvengehuil gelijk met den dood. Maar nu, nu
Baree's tanden om zijn poot geklemd waren, begreep hij pas ten volle den
angst voor den wolf. Die had jaren noodig gehad om in zijn dommen suffen
kop door te dringen—maar nu hij begreep, was hij erdoor bezeten als
nooit tevoren door iets in zijn leven. Plotseling hield hij op met zijn
geklapwiek en wierp zich de lucht in. Als reusachtige waaiers sloegen
zijn machtige vleugels door de lucht en Baree voelde zich plotseling de
hoogte ingaan.
Maar hij hield vast en een oogenblik later kwam hij met een smak weer
neer.
Oohoomisew probeerde het nog eens. Ditmaal slaagde hij beter en steeg
volle zes voet op met Baree. Zij vielen opnieuw terug. Een derde maal
trachtte de oude bandiet zich te bevrijden van Baree's greep en daarna,
uitgeput, bleef hij liggen, met zijn reusachtige vleugels uitgespreid,
sissend en klappend met zijn snavel. Onder deze vleugels werkte Baree's
brein met het snelle instinkt van den moordenaar. Plotseling veranderde
hij van taktiek en begroef zijn tanden in het onderlijf van Oohoomisew.
Zij zonken diep in de veeren. Behendig als Baree geweest was, Oohoomisew
was er even snel bij, om gebruik te maken van zijn voordeel. In een
oogwenk steeg hij opwaarts. Een hevige ruk, veeren, die naar alle kanten
neervielen—en Baree bleef alleen op het slagveld achter.
Hij had niet gedood, maar hij had toch de overwinning behaald. Zijn
eerste groote dag—of nacht—was gekomen. De wereld was vol beloften
voor hem. En na een oogenblik ging hij rechtop zitten, snoof den reuk
in van zijn verslagen vijand en toen—als om het gevederde monster, dat
hij zoo goed zijn deel gegeven had, uit te dagen terug te komen en het
gevecht voort te zetten tot den dood toe—hief hij zijn spits snuitje op
naar de sterren en zond zijn eerste baby-wolfsgehuil den nacht in.
VI.
De kreet van het eenzame hart.
Zijn gevecht met Oohoomisew was een goed geneesmiddel voor Baree. Het
gaf hem niet alleen groot zelfvertrouwen, maar deed ook die leelijke
koorts in zijn bloed verdwijnen. Hij gromde en beet niet langer naar de
voorwerpen waarlangs hij heenging. Het was een prachtige nacht. De maan
straalde helder en de hemel was bezaaid met sterren, zoodat het op de
open plekken wel dag leek, alleen was het licht zachter en mooier. Het
was heel stil. Er speelde geen windje door de toppen der boomen en het
scheen Baree toe, dat zijn gehuil wel tot het andere eind der wereld
was doorgedrongen. Nu en dan hoorde hij een geluid—en altijd bleef hij
dan staan, luisterend en oplettend. In de verte hoorde hij het gerekte,
zachte geloei van een wijfjeseland; hij hoorde een groot geplas in het
water van een klein meertje, dat hij naderde, en eens drong het scherpe
gekraak van hoorn tegen hoorn tot hem door—het waren twee bokken,
die een verschil van meening aan het beslechten waren, op een kwart
mijl afstands. Maar het was altijd opnieuw het wolvengehuil dat hem
deed neerzitten en het langste luisteren, terwijl zijn hart klopte met
een vreemde opwinding die hij nog niet ten volle begreep. Het was de
roepstem van zijn eigen geslacht, die hem zoo ontroerde; langzaam, maar
voortdurend drong die tot hem door.
Hij was nog steeds een zwerver—Pupamoo-tao noemen de Indianen dit.
Deze zwerfgeest neemt een tijdlang bezit van elk schepsel, dat in
de wildernis leeft, zoodra het oud genoeg is om voor zichzelf te
zorgen—waarschijnlijk geeft zijn instinkt hem dat in om, wellicht
gevaarlijke, al te nauwe familiebetrekkingen te voorkomen. Baree, die
als een echte jonge wolf een nieuw jachtgebied zocht, zooals de jonge
vos een nieuwe wereld zoekt te ontdekken, redeneerde niet bij deze
zwerftochten. Hij was eenvoudig „aan het reizen”—steeds doortrekkend.
Hij verlangde iets wat hij niet vinden kon. Het wolvengeluid bracht
het hem aan. De sterren en de maan vervulden hem met verlangen ernaar.
De verwijderde geluiden deden hem zijn eenzaamheid beseffen. En zijn
instinkt deed hem begrijpen, dat hij alleen door zoeken vinden kon.
Het was niet zoozeer Kazan en Wolvin die hij miste—niet zoozeer
moederliefde en tehuis, als wel gezelschap. Nu hij de wolfswoede
uitgevochten had in dezen strijd met Oohoomisew, kwam zijn hondennatuur
weer boven. En dit waren zijn liefste eigenschappen. Hij verlangde zich
te nestelen dicht tegen iets levends en bevriends, een klein dier, of
het nu veeren of bont droeg, klauwen of hoeven had.
Hij was pijnlijk na de gevolgen van den kogel van de Wilg, ook was hij
nog pijnlijk van zijn gevecht en tegen den ochtend ging hij liggen onder
de beschutting van eenige elzen aan den rand van een tweede meertje en
rustte daar tot aan den middag. Toen begon hij het riet te onderzoeken
en liep dicht langs de waterlelies aan den kant, om voedsel te vinden.
Hij vond een dooden snoek, gedeeltelijk opgegeten door een wezel, en
verorberde de rest.
Zijn wond deed veel minder pijn in den middag en toen de avond weer
inviel lette hij er nauwelijks meer op. Sedert hij bijna zoo tragisch
aan zijn eind gekomen was door Nepeese's hand, had hij gereisd in een
noordoostelijke richting, instinktmatig den loop van het water volgend,
maar hij had geen groote vorderingen gemaakt en toen de duisternis
neerdaalde was hij niet meer dan acht of tien mijlen verwijderd van het
gat, waarin hij gevallen was, nadat de Wilg op hem geschoten had. Hij
ging dezen nacht ook niet ver. Het feit, dat zijn wond gekomen was tegen
de schemering en zijn gevecht met Oohoomisew nog later, vervulde hem
met voorzorg. De ondervinding had hem geleerd, dat de donkere schaduwen
en zwarte plekken in het bosch hinderlagen konden zijn, waar het gevaar
huisde. Hij was niet bang meer, zooals vroeger, maar hij had voorloopig
genoeg van het vechten en daarom vond hij het wijzer zich van de gevaren
der duisternis te onthouden. Het was een vreemd instinkt, dat hem dreef,
voor dezen nacht zijn leger te zoeken op den top van een groote rots,
die hij met eenige moeite beklom.
Baree's rots was niet veel meer dan manshoogte. Zij was niet ver van
den oorsprong van de kreek en het dennenbosch. De eerste uren sliep
hij niet, maar lag met gespitste ooren te luisteren naar elk geluid,
dat er in de duistere wereld rondom hem opsteeg. Er was vannacht in
deze waakzaamheid van hem nog iets anders dan nieuwsgierigheid. Zijn
opvoeding was in een bepaalde richting zeer veel uitgebreid—hij had
geleerd, dat hij maar een heel klein deeltje was van de wonderbaarlijke
wereld, die onder de sterren en de maan lag en de wensch was levendig
in hem, haar beter te leeren kennen zonder verdere gevechten of wonden.
Vannacht begreep hij wat het beteekende, wanneer hij nu en dan grijze
schaduwen geruchtloos vanuit het bosch het maanlicht in zag drijven. Het
waren uilen—monsters van hetzelfde ras als waarmee hij gevochten had.
Hij hoorde het kletteren van hoeven en het vallen van zware lijven in de
struiken. Hij hoorde opnieuw het loeien van elanden. Stemmen drongen tot
hem door, die hij totnogtoe niet gekend had—het scherpe yap, yap, yap
van een vos, de bovenaardsche, lachende kreet van een grooten fuut op
een meer, een halve mijl verder weg het gekrijsch van een lynx, dat uit
de verte kwam aangolven; het zachte gekras van de nachtvalken, tusschen
hemzelf en de sterren. Hij hoorde zonderling gefluister in de toppen der
boomen—het gefluister van den wind en eens temidden van een doodelijke
stilte begon er, vlak achter zijn rots, een bok schel te fluiten, maar
eindigde zoodra hij den wolvenreuk in den neus kreeg in een verschrikten
uithaal en ging er als de wind vandoor.
Al deze geluiden hadden nu hun beteekenis voor Baree. Snel kwam hij
thuis in de wetenschap der wildernis. Zijn oogen glinsterden. Zijn bloed
klopte onstuimig. Soms bewoog hij zich bijna niet, minutenlang. Maar
van al deze geluiden, die tot hem kwamen, ontroerde hem het meest het
wolvengehuil. Steeds opnieuw luisterde hij er aandachtig naar. Soms
was het ver weg, zoo ver, dat het wel een gefluister leek en bijna
weggestorven voor het zijn ooren bereikte en dan weer kwam het tot hem
uit volle borst, heet van jachtadem, hem oproepend tot de roode koorts
van de jacht, tot het woeste festijn van uit elkaar gescheurd vleesch
en stroomend bloed—roepend, roepend, roepend. Dàt was het, het riep
hem tot zijn eigen ras, het was de roepstem van bloed tot bloed—van
de woeste, verscheurende troepen van zijn moeder's stam. Het was de
stem van Wolvin, naar hem zoekend in den nacht—Wolvin's bloed, dat hem
uitnoodigde deel uit te maken van de Broederschap van den Troep. En
hij sidderde terwijl hij er naar luisterde. Hij smoorde een beginnend
gejank. Hij schoof tot aan den steilen rand van de rots. Hij verlangde
erheen te gaan. De natuur spoorde hem aan te gaan. Maar zij stuitte bij
hem op moeielijkheden, want er school veel van den hond in hem, met zijn
geslachten van onderdrukte en sluimerende instinkten—en dien heelen
nacht hield Baree's hondenaard hem gekluisterd aan de rots.
Den volgenden morgen vond Baree veel rivierkreeftjes langs den oever der
rivier en hij smulde van hun sappig vleesch, tot hij het gevoel kreeg
alsof hij nooit van zijn leven meer honger zou kunnen krijgen. Niets had
hem meer zoo lekker gesmaakt, sedert hij dien patrijs opgegeten had,
ontnomen aan Sekoosew den hermelijn.
Later in den middag kwam Baree in een gedeelte van het bosch waar het
heel stil en vredig was. De kreek was dieper geworden. Op sommige
plaatsen was zij buiten haar oevers getreden en had kleine vijvers
gevormd. Twee keer had Baree een vrij grooten omweg moeten maken door
die vijvers. Hij trok nu heel langzaam voort, luisterend en rondkijkend.
Hij had zich, sedert dien noodlottigen dag waarop hij zijn oude hol
verlaten had, nog nergens zoo op zijn gemak gevoeld. Hij verbeeldde
zich, dat hij nu een land betrad dat hij kende en waar hij vrienden zou
aantreffen. Hij had een wonderlijk gevoel. Hij snoof de lucht in, alsof
hij daar bekende geuren rook. Het was maar een zuchtje, een niet te
verklaren belofte, dat hem iets deed verwachten, iets geheimzinnigs.
Het bosch werd dichter. Het werd wonderlijk mooi. Er groeiden hier geen
lage struiken en op deze wijze onder de boomen te loopen was alsof hij
in een uitgestrekt hol liep, vol geheimenissen, terwijl van boven hier
en daar zacht het daglicht doorsijpelde, nu en dan schitterend door een
gouden straal van de zon. Een mijl lang trok Baree zoo stilletjes door
het bosch. Hij zag niets dan een paar gevleugelde insekten of vogels;
bijna geen geluid was hoorbaar. Toen kwam hij aan een nieuwen vijver,
die tamelijk groot was. Rondom dezen vijver was een dicht gewas van
elzen en wilgen. De groote boomen waren schaarscher geworden. Hij zag
de namiddagzon in het water weerspiegeld—en toen hoorde hij plotseling
leven.
De oude Gebroken Tand lag te dommelen op den grooten dam van modder en
rijshout, waarvan hij de voornaamste aanlegger geweest was, toen Baree
zachtjes een hooge zandbank beklom, dertig of veertig voet van hem af.
Zoo geruchtloos had hij dit gedaan, dat geen van de bevers hem gehoord
of gezien had. Hij ging plat op zijn buik liggen, verborgen achter een
bos gras, en keek met gretige belangstelling toe. Gebroken Tand was
wakker geworden. Hij bleef een oogenblik staan op zijn korte pootjes,
daarna zette hij zich, stram en schrap als een soldaat in positie, op
zijn breeden, platten staart rechtop en dook met een plotseling gefluit
en met veel geplas in den vijver.
In een oogwenk scheen het Baree toe, dat de vijver wemelde van bevers.
Koppen en lijven verschenen en verdwenen en schoten door het water op
een manier, die Baree verbaasde en nieuwsgierig maakte. Dit was het
avondpretje van de kolonie. Staarten sloegen op het water of het planken
waren. Vreemd gefluit steeg op temidden van al het geplas—en toen,
even plotseling als het begonnen was, eindigde het spelletje. Er waren
misschien twintig bevers bijeen, de jongen niet meegerekend, en, alsof
zij een gemeenschappelijk signaal gekregen hadden—Baree had niets
gehoord—werden zij plotseling zoo stil, dat er bijna geen geluid meer
uit den vijver opsteeg. Een paar van hen zonken onder water en verdwenen
totaal, maar de meesten kon Baree zien, toen zij aan land klommen.
Zonder tijd verloren te laten gaan trokken zij aan het werk en Baree
sloeg hen gade, zonder zelfs maar een sprietje te bewegen van het gras,
dat hem verborg.
Hij probeerde te begrijpen. Hij trachtte deze vreemde en
gemoedelijk-uitziende dieren te rangschikken onder een categorie die hij
kende. Zij hadden hem geen vrees aangejaagd. Hij was niet verontrust
door hun aantal of grootte. Dat hij zich zoo stilhield was geen uiting
van takt, maar een verlangen beter bekend te raken met deze vreemde,
vierpootige broeders van hem, in den vijver. Zij hadden het groote bosch
al minder eenzaam voor hem gemaakt. En toen, vlak onder hem—niet verder
dan tien voet waar hij lag—zag hij iets, wat bijna zijn smachtend
verlangen naar gezelschap vervulde.
Daar, onder hem, op een effen gedeelte van den oever, waggelde de
dikke kleine Umisk en drie van zijn speelmakkers. Umisk was ongeveer
van Baree's leeftijd, misschien een paar weken jonger. Maar hij was
zeker even zwaar en bijna zoo breed als hij lang was. Er bestaat geen
aardiger viervoetig diertje dan een jong bevertje—of het zou een jonge
beer moeten zijn—en Umisk zou zeker den eersten prijs behaald hebben
op elke jonge bevertentoonstelling ter wereld. Zijn drie makkertjes
waren wat kleiner. Zij kwamen aanwaggelen achter een lagen wilg uit,
zonderling klokkende geluidjes makend en hun kleine platte staartjes
als sleetjes achter zich aan sleepend. Zij waren dik en goed in hun
bont en zagen er voor Baree's oogen heel goedaardig uit en zijn hartje
begon sneller te hameren van blijdschap. Maar hij bewoog zich niet. Hij
ademde ternauwernood. En toen wierp Umisk zich onverwachts op een van
zijn vriendjes en deed hem omver rollen. Oogenblikkelijk lagen de twee
anderen boven op Umisk en de vier kleine bevers tuimelden om en om,
schoppend met hun korte pootjes en slaande met hun staartjes, terwijl
zij voortdurend kleine, piepende geluiden uitstieten. Baree voelde,
dat dit geen vechten was, maar spelen. Hij ging overeind staan. Hij
vergat waar hij was—vergat alles in de wereld behalve, die donzige,
stoeiende ballen. Al de lessen die hij van de natuur ontvangen had, was
hij plotseling kwijt. Hij was geen vechtersbaas meer. Ook geen jager.
Hij was een jong hondje en er groeide een verlangen in hem, sterker
dan honger. Hij verlangde af te dalen naar de plek waar Umisk en zijn
vriendjes waren en mee te ravotten. Hij verlangde hun te vertellen—als
dit mogelijk ware—dat hij zijn moeder kwijt geraakt was en zijn tehuis
en dat hij daarna een heeleboel narigheid gehad had en dat hij nu zoo
erg graag bij hen zou willen blijven en bij hun vaders en moeders als
dat mocht.
Hij jankte héél even, maar zoo zacht, dat Umisk en zijn speelmakkers het
niet hoorden. Zij hadden het veel te druk met elkaar.
Voorzichtig deed Baree een stap in hun richting. En toen nog een—en
eindelijk stond hij niet meer dan zes voet van hen af. Zijn puntige
oortjes stonden naar voren en hij kwispelstaartte zoo hard hij maar kon
en elke spier in zijn lijfje trilde van spanning.
Toen pas zag Umisk hem en hij werd plotseling zoo onbeweeglijk als een
steen.
„Hallo!” zeide Baree, zijn heele lijfje heen en weer wiegelend en zoo
duidelijk sprekend als een menschentong maar zou kunnen doen. „Vinden
jullie het goed, dat ik meedoe?”
Umisk gaf geen antwoord. Zijn drie kameraadjes hadden nu ook Baree in
het oog gekregen. Zij maakten geen enkele beweging. Zij waren verstijfd
van verbazing. Vier paar stralende, verbaasde oogen waren op den
vreemdeling gevestigd.
Baree wendde een nieuwe poging aan. Hij strekte zijn voorpooten uit,
steeds met staart en achterlijf wiegelend en, in de lucht snuivend,
greep hij een stokje met zijn tanden vast.
„Kom—laat me meedoen,” drong hij aan. „Ik kan goed spelen!”
Hij wierp den stok in de lucht als om te bewijzen wat hij gezegd had en
gaf een kort blafje.
De vier bevertjes leken wel opgezet.
En toen kreeg plotseling nog een ander Baree in 't oog. Het was een
groote bever, die den vijver doorzwom met een stuk berkestam, dat voor
den aanleg van een nieuwen dam moest dienst doen. Oogenblikkelijk
liet hij zijn last vallen en toen, alsof er een geweer afging, volgde
de knal van zijn grooten, platten staart, op het water slaande—het
waarschuwingssignaal van den bever, dat bij stillen nacht wel een halve
mijl in het rond gehoord kan worden.
„Gevaar!” waarschuwde het. „Gevaar—gevaar—gevaar!”
Nauwelijks was dit signaal weggestorven, toen er aan alle kanten
staarten begonnen te knallen, in den vijver, in hun verborgen kanalen en
tusschen de wilgen en elzen. Voor Umisk en zijn makkertjes beteekende
dit:
„Loop wat je loopen kunt!”
Baree stond nu op zijn beurt verstijfd en bewegingloos. In verbazing zag
hij de vier bevertjes in den vijver plonsen en verdwijnen. Hij hoorde
het geluid van nog zwaardere bevers, die in het water doken. En daarop
volgde een vreemde en verontrustende stilte. Zachtjes begon Baree te
janken en het was bijna een gesnik. Waarom waren Umisk en zijn vriendjes
van hem weggeloopen? Wat had hij toch misdaan, dat zij geen vriendschap
met hem wilden sluiten? Een groote eenzaamheid wierp zich op hem—nog
grooter eenzaamheid dan hij gevoeld had dien eersten nacht dat hij van
zijn moeder was weggeloopen. De laatste stralen, van de zon vervaagden
terwijl hij daar zoo stond. Donkerder schaduwen gleden over den vijver.
Hij keek naar het bosch, waar de nacht aansloop—en met een laatsten
smartelijken kreet ging hij er binnen. Hij had de vriendschap niet
gevonden. Hij had geen speelmakkers kunnen krijgen. En zijn hartje was
gebroken.
VII.
Wakayoo's einde.
Gedurende twee of drie dagen brachten Baree's onderzoekingstochten naar
voedsel hem hoe langer hoe verder van den vijver af, waar hij Gebroken
Tand had gezien en kleinen Umisk en al die andere bevers, die aan het
spelen waren. Maar tegen den middag keerde hij er altijd weer terug—tot
op den derden dag, toen hij een nieuwe kreek ontdekte, en Wakayoo. Deze
kreek was volle twee mijlen dieper het bosch in. Het was een heel andere
stroom dan de eerste. Zij zong vroolijk, al glijdend over een bedding
van kiezelsteenen en tusschen rotskloven. Zij vormde diepe poelen en
schuimende draaikolken en op de plek waar Baree haar het eerst naderde
klonk het verwijderde gedonder van een waterval. Zij was veel aardiger
dan die donkere, stille Bever-vijver. Er scheen leven in te huizen en
het gedruisch en de beweging hiervan—het zingen en klotsen van het
water—gaf Baree geheel nieuwe gewaarwordingen. Hij liep er langzaam
en behoedzaam langs en omdat hij zich zoo langzaam en voorzichtig
voortbewoog kwam hij plotseling en onopgemerkt Wakayoo, den grooten
zwarten beer, overvallen, die druk aan het visschen was.
Wakayoo stond tot aan zijn knieën in een poel en had een buitengewoon
goede vangst. Juist op het oogenblik dat Baree zich wilde terugtrekken,
terwijl hem de oogen uit den kop puilden bij den aanblik van dit
monster, dat hij nog maar eens in zijn leven gezien had, in den nacht,
wierp Wakayoo's groote klauw een straal water hoog de lucht in en een
visch kwam terecht op den steenachtigen oever. Eenigen tijd tevoren
waren de karpers bij aantallen de rivier opgezwommen om kuit te schieten
en door het snelle vallen van het water waren zij in die kleine poelen
gevangen geraakt. Wakayoo's vet, glanzend lijf gaf getuigenis van het
voordeel dat hij van deze omstandigheid getrokken had. Ofschoon het al
over het „eerste” seizoen was voor berenhuiden was Wakayoo's vacht nog
prachtig dicht en zwart. Een kwartier lang bleef Baree toekijken hoe
hij de visschen uit den vijver sloeg. Toen hij eindelijk ophield lagen
er twintig of dertig visschen op de steenen, sommige waren dood, andere
spartelden nog. Van de plek waar hij lag, plat tusschen twee rotsen,
kon Baree het kraken van de graten hooren, terwijl de beer zijn maal
verslond. Het klonk _prettig_ en de doordringende lucht van versche
visch vervulde hem met een begeerte, die nooit in hem opgewekt was door
eenige rivierkreeft of zelfs patrijs.
In weerwil van zijn dikte en zijn omvang was Wakayoo geen gulzigaard en
nadat hij zijn vierden visch verorberd had klauwde hij al de overige op
een hoop, bedekte ze gedeeltelijk met zand en steenen en voleindigde
zijn verbergingswerk door een jongen balsemstruik af te knakken en er
overheen te leggen, zoodat de visschen geheel onzichtbaar waren. Toen
waggelde hij langzaam weg, in de richting van den gonzenden waterval.
Twintig sekonden nadat Wakayoo's achterlijf om een bocht van de kreek
verdwenen was zat Baree onder den balsemstruik. Hij sleepte een visch
voor den dag, waar nog wat leven inzat. Dien at hij op tot de laatste
graat en het smaakte hem verrukkelijk.
Baree was van oordeel, dat Wakayoo nu het voedselvraagstuk voor hem had
opgelost en hij keerde dien dag niet terug naar den bevervijver; den
volgenden evenmin.
De groote beer was zonder ophouden aan het visschen en dag na dag
hernam Baree zijn feestmaal. Het viel hem niet moeilijk Wakayoo's
opslagplaatsen te vinden. Al wat hij te doen had was langs den stroom te
loopen en goed te snuffelen. Sommige van die opslagplaatsen waren van
ouden datum en haar geur allesbehalve aangenaam voor Baree's neusgaten.
Deze ontweek hij dan ook. Maar hij wist zich vrij regelmatig tweemaal
daags op deze manier aan eten te helpen. Een week lang duurde dit
gemakkelijke leventje. Toen kwam het einde.
Dit einde kwam toen Baree, op zekeren dag om een rots heen loopend,
dicht bij den waterval, tegenover Pierrot, den jager kwam te staan—en
Nepeese, zijn dochter, het ster-oogige meisje, dat, vele dagen geleden,
in die vlakte op hem geschoten had. Haar zag hij het eerst. Als hij
Pierrot het eerst gezien had zou hij snel omgekeerd zijn. Maar het
hondenbloed van zijn vader klopte heftig in hem. Hij bleef stilstaan.
Nepeese was niet meer dan twintig voet van hem af. Zij zat op een rots,
in het volle licht van de vroege morgenzon en was bezig haar prachtig
haar uit te borstelen. Zooals zij daar zat bedekte het haar bijna tot
aan den grond, het glansde nog meer dan Wakayoo's fluweel-zwarte vacht
en temidden van deze donkere omlijsting keek zij strak naar Baree. Haar
lippen gingen vaneen. Haar oogen begonnen te schitteren als sterren.
In haar eene hand hield zij gitzwarte lokken. Zij herkende hem. Zij
zag de witte ster op zijn borst en het witte tipje aan zijn oor en zij
fluisterde:
„Uchi Moosis”—het jonge hondje! Het was de wilde hond, waarop zij
geschoten had en die, naar zij gemeend had, gestorven was! Er was geen
vergissing mogelijk. Hij was geheel en al hond, zooals hij daar naar
haar stond te kijken.
Den avond tevoren hadden zij zich een schuilplaats gebouwd van
balsemstruiken achter de groote rots en op een plek wit zand lag Pierrot
geknield over een vuur en maakte het ontbijt gereed, terwijl de Wilg
heur haar in orde bracht. Hij lichtte het hoofd op om tot haar te
spreken en zag Baree. Op dit oogenblik werd de betoovering verbroken.
Baree zag het manbeest en hij maakte beenen. Als een pijl uit den boog
ging hij er vandoor.
Maar hij kreeg ternauwernood eenigen voorsprong op Nepeese.
„Pache, _mon père_!” riep zij. „Het jonge hondje! Gauw!—”
In de golvende wolk van heur haar snelde zij Baree achterna. Pierrot
volgde haar en greep onder het loopen zijn geweer op. Het kostte hem
moeite de Wilg bij te houden. Zij leek wel een geest, haar kleine
met moccasins geschoeide voeten raakten nauwelijks het zand, terwijl
zij langs den oever liep. Het was verrukkelijk haar soepele, lichte
bewegingen te zien en dat prachtige haar glanzend in de zon.
Zelfs nu, in dit oogenblik vol opwinding, deed het Pierrot denken aan Mc
Taggart, den agent van de Hudson Baai Compagnie, te Lac Bain en aan wat
deze gisteren gezegd had. Den halven nacht had Pierrot wakker gelegen,
tandeknarsend terwijl hij er aan dacht, en dezen morgen, vóór Baree
was gekomen, had hij Nepeese nauwkeuriger bekeken dan ooit te voren in
zijn leven. Zij _was_ mooi. Zij was zelfs nog bekoorlijker dan Wyola,
haar moeder van vorstelijken bloede, die gestorven was. Dat haar—de
mannen staarden ernaar alsof zij hun oogen niet vertrouwen konden! Die
oogen—gelijk vijvers met schitterend sterrenlicht gevuld! Haar slank,
buigzaam lichaam als van een bloem! En Mc Taggart had gezegd—
Er golfde een opgewonden kreet naar hem terug.
„Gauw Nootawe! Hij is de doodloopende kloof ingegaan. Nu kan hij ons
niet meer ontsnappen!—”
Zij hijgde toen hij haar ingehaald had. Het Fransche bloed in haar
dreef een levendig rood naar haar wangen en lippen. Haar witte tanden
glinsterden.
„Daarin—” en zij wees ernaar.
Zij gingen erin.
Voor hen uit rende Baree om zijn leven te redden. Hij werd bezeten door
angst voor het man-beest. Dit was een vrees, die hem alle oordeel des
onderscheids ontnam. Een vrees, afwijkend van alle andere gevoelens, die
de natuur in hem vermocht op te wekken.
Zooals de beer, de wolf, de lynx—zooals alle dieren van het
woud, gehoefd en geklauwd—begreep hij instinktmatig, dat deze
wonderbaarlijke, tweebeenige schepsels, die hij daareven gezien had,
oppermachtig waren. En zij zetten hem achterna! Hij kon hen hooren.
Nepeese liep bijna even hard als hij. Plotseling kwam hij terecht in een
gleuf tusschen twee rotsen en zijn weg werd twintig voet versperd en
hij rende weer terug. Toen hij weer de kloof insprong, was Nepeese geen
twaalf meter achter hem en hij zag Pierrot bijna aan haar zijde. De Wilg
uitte een kreet.
„Mana—Mana—daar is hij!”
Zij hield haar adem in en sprong in een boschje jonge balsemstruiken,
waarin zij Baree had zien verdwijnen. Als een breed web bleven haar
losse haren tusschen de takken gespannen en met een aanvurenden
kreet naar Pierrot bleef zij stilstaan om het over haar schouder te
schudden en hij snelde langs haar heen. Zij liet niet meer dan een paar
oogenblikken verloren gaan en zette hem achterna. Plotseling schreeuwde
Pierrot een waarschuwing. Baree was teruggekeerd. Hij kwam langs
hetzelfde paadje terug en regelrecht op de Wilg af. Hij zag haar niet
intijds om zijn vaart in te houden of opzij uit te schieten en Nepeese
wierp zich op den grond. Hij voelde de massa van heur haar en den
greep van haar handen. Die lange haren, aan alle kanten om haar heen
hangende, speelden Nepeese parten, zij greep mis en Baree ging er met
een ruk vandoor en verdween opnieuw in de doodloopende kloof.
Nepeese sprong overeind. Zij hijgde—en lachte. Pierrot kwam terughollen
en de Wilg weer achter hem.
„Ik had hem—_en hij heeft me niet gebeten_!” zeide zij, snel ademend.
Zij wees nog steeds naar de kloof en herhaalde: „Ik had hem en hij heeft
me niet gebeten, Nootawe!”
Dat was merkwaardig. Zij had iets roekeloos' begaan en Baree had haar
niet gebeten! En toen, terwijl haar groote oogen schitterden en de
glimlach langzaam van haar lippen verdween, sprak zij zacht en bijna
eerbiedig het woord „Baree” uit.
Dit woord had de uitwerking van een schot op Pierrot. Hij klemde zijn
lenige handen ineen. Hij bleef Nepeese een oogenblik met groote oogen
aanstaren. Toen riep hij:
„Neen, neen, dat kan niet. Kom—of hij zal ons ontsnappen!”
Pierrot was nu vol zelfvertrouwen. De kloof had zich vernauwd en Baree
kon niet langs hen heen zonder gezien te worden. Drie minuten later kwam
Baree aan het eind van de kloof—een steilen rotsmuur. De overvloedige
vischmaaltijden en het vele slapen bij den bevervijver hadden bij hem
vet aangezet en hij was bijna buiten adem, terwijl hij tevergeefs naar
een uitgang zocht. Er was zelfs geen struik om zich achter te verbergen
en Pierrot en Nepeese zagen hem opnieuw. Nepeese kwam regelrecht op
hem af en Pierrot, voorziende wat Baree zou doen, plaatste zich ter
linkerzijde.
Rondom en tusschen de rotsen zocht Baree haastig naar een uitweg. Binnen
eenige oogenblikken bereikte hij het einde van de kloof.
Dit was een opening in den rotsmuur zoowat zestig voet wijd, die toegang
gaf tot een natuurlijke gevangenis, ongeveer een hectare in omvang. Het
was een mooi plekje. Aan de drie overige zijden was het door rotsen
omringd. Aan het uiterste einde verbrokkelde een waterval zich in kleine
huppelende stroompjes. Het gras was er welig en met bloemen bezaaid. In
deze val had Pierrot meer dan eens een hert gedood. Er was van daaruit
geen ontsnappen mogelijk zonder in het veld van zijn geweer te komen.
Hij riep Nepeese, toen hij Baree daar binnen zag gaan en zij beklommen
samen het rotsige pad.
Baree was bijna aan den rand van het weitje gekomen toen hij zoó
plotseling zijn vaart inhield, dat hij in zittende houding terecht kwam
en zijn hart hem in de keel scheen te springen.
Midden op zijn pad stond Wakayoo, de reusachtige zwarte beer.
Misschien een halve minuut lang weifelde hij tusschen de twee gevaren.
Hij hoorde de stemmen van Pierrot en Nepeese. Hij hoorde de steenen
kraken onder hun voet. En een groote angst vervulde hem. Toen keek hij
naar Wakayoo. De groote beer had zich niet bewogen. Ook hij stond te
luisteren. Maar bij hem waren het niet alleen de geluiden, die hem met
onrust vervulden. Het was de reuk, dien hij in den neus had gekregen.
De menschenlucht.
Baree, die hem gadesloeg, zag dat zijn kop langzaam heen en weer begon
te zwaaien toen de voetstappen van Nepeese en Pierrot dichterbij kwamen.
Het was voor de eerste maal dat hij tegenover den grooten zwarten
beer kwam te staan. Hij had naar hem gekeken, wanneer hij stond te
visschen. Hij was dik geworden door Wakayoo's arbeid. Hij had altijd
een buitengewonen eerbied voor hem gehad. Maar nu had de beer iets
over zich, dat Baree's vrees deed verdwijnen en plaats maakte voor
een nieuw, wonderlijk gevoel. Wakayoo, groot en prachtig, zou niet
wegloopen voor de tweebeenige dieren, die hem achterna zaten. Als hij
maar eenmaal langs Wakayoo heen was, was hij veilig. Hij sprong terzijde
en liep de open weide in. Wakayoo bewoog zich niet toen hij langs hem
heenstoof—hij nam niet meer notitie van hem dan wanneer hij een konijn
of een vogel geweest ware. Toen voerde de wind opnieuw de menschenlucht
aan, ditmaal sterker. En dit deed hem ten slotte tot bezinning komen.
Hij keerde zich om en begon Baree achterna te schommelen. En Baree, die
omkeek, dacht, dat hij hem ook al achtervolgde. Nepeese en Pierrot
kwamen juist voor den dag en zagen op hetzelfde oogenblik Wakayoo en
Baree.
Toen zij door de opening kwamen zwenkte Baree sterk naar rechts. Hier
was een groot rotsblok, aan den eenen kant de aarde niet heelemaal
aanrakend; het scheen een prachtige schuilplaats en Baree kroop eronder.
Maar Wakayoo hield steeds het midden van de weide.
Van waar hij lag kon Baree zien wat er gebeurde. Ternauwernood was
hij onder de rots gekropen toen Nepeese en Pierrot in de opening van
den rotsmuur verschenen en bleven stilstaan. Het feit, dat zij bleven
stilstaan, deed Baree sidderen. Zij waren bang van Wakayoo! De groote
beer was nu voor twee derden de weide overgestoken. De zon scheen vol
op hem, zoodat zijn huid glansde als zwart satijn. Pierrot bleef een
oogenblik naar hem staren. Het was laat in het seizoen. Het bont was
niet schitterend meer. Maar Wakayoo's vacht was nog prachtig! Pierrot
doodde niet uit lust tot moorden. Noodzaak deed hem soms tot dooden
overgaan, de dieren van het woud waren zijn voedsel, zijn kleeding, en
Wakayoo zou, had hij een ruige vacht gehad of was hij aan het verharen
geweest, veilig geweest zijn. Maar zooals de zaken nu stonden hief
Pierrot zijn geweer op.
Baree zag deze handeling. Hij zag, een oogenblik later, iets spuiten
uit den geweerloop en daarna hoorde hij dien oorverdoovenden knal, die
vergezeld was gegaan van zijn eigen pijn, toen de kogel van de Wilg door
zijn vleesch had gebrand. Hij wendde snel zijn oogen naar Wakayoo. De
groote beer was gestruikeld. Hij lag nu op zijn knieën. Hij scharrelde
overeind en waggelde verder. Het geraas van het geweer klonk opnieuw
en voor de tweede maal zonk Wakayoo op den grond. Pierrot kon niet
missen op dezen afstand. Wakayoo was een prachtige schietschijf. Het was
eenvoudig een slachting en toch was het voor Pierrot en Nepeese een zaak
van gewicht—voor hun levensonderhoud.
Baree lag te trillen. Het was meer van opwinding dan van angst, want hij
dacht niet aan zijn eigen vrees in de tragedie van deze oogenblikken.
Er rees een zacht gejank in zijn strot, toen hij naar Wakayoo keek, die
nu stil was blijven staan voor zijn vijanden; hij had een gapende wond
in zijn kaak, zijn kop slingerde langzaam heen en weer, zijn pooten
verzwakten onder hem, terwijl het bloed door zijn verscheurde longen
stroomde. Baree jankte, omdat Wakayoo voor hem gevischt had, omdat hij
hem als een vriend was gaan beschouwen en omdat hij wist, dat het de
dood was, die Wakayoo nu te wachten stond. Er knalde een derde schot.
Dit was het laatste. Wakayoo zonk in elkaar. Zijn groote kop plofte
tusschen zijn voorpooten. Baree hoorde hem een paar keer smartelijk
janken. En toen heerschte er stilte.
Het was een bloedbad geweest—maar noodzakelijk voor Pierrot.
Een minuut later zeide Pierrot tot Nepeese, terwijl hij zich over
Wakayoo boog:
„_Mon Dieu_, dàt is nog eens een mooie huid, _Sakahet_! Die is wel
twintig dollars waard in Lac Bain!”
Hij trok zijn mes en begon het te slijpen op een steen, dien hij in den
zak droeg. Nu had Baree weg kunnen kruipen van onder zijn rots en uit
de kloof kunnen ontsnappen. Een poosje lang was men hem vergeten. Toen
herinnerde Nepeese zich hem, terwijl haar vader de berenhuid begon af
te stroopen en sprak met dienzelfden wonderlijken stemklank opnieuw het
woord „Baree” uit.
Pierrot, die geknield op den grond lag, keek op.
„Waarom zeg je dat toch?” vroeg hij. „Waarom Nepeese?”
De oogen van de Wilg rustten onderzoekend op de weide.
„Om de ster op zijn borst en om zijn witte oor en omdat hij me niet
gebeten heeft!” zeide zij.
Er flikkerde een nieuwe gloed in Pierrot's oogen, zooals het opvlammen
van een vuur, dat bijna uitgebrand is.
„Neen, dat kan niet,” zeide hij toen, alsof hij die woorden tot zichzelf
sprak, en boog weer over zijn werk.
Maar Nepeese bemerkte, dat de hand, waarin hij het mes hield, beefde.
Terwijl Nepeese naar den rotsigen muur van de kloof staarde, de
gevangenis waarin zij Wakayoo en Baree gedreven hadden, keek Pierrot
weer op van zijn werk en prevelde iets, dat niemand behalve hijzelf
had kunnen hooren. „Neen, het is niet mogelijk,” had hij een oogenblik
tevoren gezegd, maar voor Nepeese was zij wèl mogelijk—de gedachte die
zij met zich omdroeg. Het was een wonderlijke gedachte. Ze deed haar
ontroeren tot in het diepst van haar ongebreidelde, mooie ziel. Zij
bracht een gloed in haar oogen en een dieper rood van opwinding in haar
wangen en lippen. Zij fluisterde opnieuw het woord, dat Pierrot zoo
ontroerd had. „Baree!” Waarom zou het niet mogelijk zijn?
Terwijl zij de weide onderzocht, om een spoor te vinden van het jonge
hondje, vloden haar gedachten snel terug. Twee jaren geleden hadden zij
haar moeder begraven onder de hooge sparren, dicht bij hun hut. Dien dag
was Pierrot's zon voorgoed ondergegaan en haar eigen leven vervuld met
een groote eenzaamheid. Er hadden er drie aan het graf gestaan, dien
middag toen de zon onderging—Pierrot, zijzelf en Baree. Baree was een
hond, een groot, ruig dier, met een witte ster op zijn borst en een wit
vlekje aan zijn oor. Hij was de lieveling geweest van haar gestorven
moeder, van zijn prilste jeugd af. Hij vormde haar lijfwacht—was altijd
bij haar—liet zelfs zijn kop rusten op den rand van haar bed, toen
zij lag te sterven. En dien nacht, den nacht volgende op den middag
van haar begrafenis, was Baree verdwenen. Hij was verdwenen even stil
en spoorloos als haar geest. Niemand had hem daarna ooit meer gezien.
Het was vreemd en voor Pierrot een mirakel. Diep in zijn hart koesterde
hij de overtuiging, dat Baree met zijn geliefde Wyola ten hemel gevaren
was. Maar Nepeese had drie winters doorgebracht op de zendingsschool
te Nelson House. Zij had daar veel geleerd over blanke menschen en den
werkelijken God en zij wist, dat dit denkbeeld van Pierrot onbestaanbaar
was. Zij geloofde, dat haar moeders Baree òf dood was, òf naar de wolven
gegaan. Waarschijnlijk was hij naar de wolven gegaan. Daarom—was het
niet onmogelijk, dat dit jong, waarop zij en haar vader jacht gemaakt
hadden, van hetzelfde vleesch en bloed was als haar moeders lieveling!
Het was heel wèl mogelijk. De witte ster op zijn borst, de witte vlek
aan zijn oor—het feit, dat hij haar niet gebeten had, terwijl hij
gemakkelijk zijn slagtanden had kunnen begraven in het weeke vleesch van
haar armen! Zij was er zeker van. En terwijl Pierrot den beer vilde,
begon zij jacht te maken op Baree.
Baree had zich geen duim bewogen onder zijn rotsblok. Hij lag alsof
hij verdoofd was, met zijn oogen strak gericht op de plaats, waar de
tragedie van zooeven zich in de weide had afgespeeld. Hij had iets
gezien wat hij nooit meer vergeten zou—zooals hij nooit zijn moeder zou
vergeten, of Kazan, of het oude hol onder de omgewaaide boomen. Hij was
getuige geweest van den dood van een schepsel, dat volgens zijn meening
oppermachtig geweest was. Wakayoo, de groote beer, had niet eens den
strijd aangebonden. Pierrot en Nepeese hadden hem gedood _zonder hem aan
te raken_ en nu sneed Pierrot in hem met een mes, dat zilveren stralen
uitschoot in het zonlicht. En Wakayoo maakte geen enkele beweging. Het
deed Baree rillen en hij kroop nog wat verder onder het rotsblok, waar
hij al zoo stijf in elkaar gedrukt lag, alsof een krachtige hand hem er
onder geschoven had.
Hij kon Nepeese zien. Zij ging staan dicht bij de opening in den
rotswand en was nu niet meer dan twintig voet van de plaats, waar
hij zich verborgen had. Nu zij op een plek stond, waar hij haar niet
ontsnappen kon, begon zij haar glanzend haar in twee dikke vlechten
te weven. Baree had zijn oogen van Pierrot afgewend en sloeg haar
nieuwsgierig gade. Hij was nu niet bang. Zijn zenuwen tintelden. Er
worstelde in hem een zonderling en groeiend verlangen, het raadsel op
te lossen, waarom hij zich gedrongen voelde, van onder zijn rots te
voorschijn te kruipen en dat wonderbaarlijke wezen te naderen, met haar
schitterende oogen en glanzend haar. Hij voelde begeerte dit te doen.
Het was als een onzichtbare snaar, die in hem trilde. Het was Kazan, en
niet Wolvin, die iets in hem wakker riep, het was een roep, even oud als
de Egyptische pyramiden en misschien nog tienduizend jaar ouder. Maar
daartegenover verzette zich Wolvin, uit de eeuwenoude bosschen. Dit
maakte, dat hij zich stil en onbeweeglijk hield. Nepeese keek om zich
heen. Zij glimlachte. Een oogenblik wendde zij haar gelaat naar hem toe
en zag hij de witte schittering van haar tanden en haar mooie oogen, die
hem schenen toe te stralen.
En toen viel zij plotseling op haar knieën neer en tuurde onder de rots.
Hun oogen ontmoetten elkaar. Een halve minuut lang was er geen enkel
geluid te hooren. Nepeese bewoog zich niet en haar ademhaling kwam zoo
licht, dat Baree haar niet hooren kon.
En toen zeide zij, zoo zacht, dat het nauwelijks boven een gefluister
uitkwam:
„_Baree! Baree! Upi Baree!_”
Het was de eerste maal, dat hij zijn eigen naam had gehoord en er was
zoo iets zachts en geruststellends in den klank er van, dat hij er
op antwoordde met een zacht gejank. De Wilg bracht langzaam haar arm
naar voren. Deze was bloot en rond en zacht. Hij kon gemakkelijk er op
afschieten en er zijn tanden in begraven. Maar er was iets, dat hem
weerhield. Hij wist, dat zij geen vijand van hem was, hij wist, dat die
stralende, donkere oogen geen verlangen uitdrukten, om hem kwaad te
doen; en de stem, die zoo zacht tot hem kwam, was hem als ontroerende
muziek.
„Baree! Baree! Upi Baree!”
Nog eens en nog eens riep de Wilg tot hem en trachtte verder onder de
rots te kruipen. Zij kon hem niet bereiken. Zij kon zich niet verder
naar binnen dringen. En toen zag zij, dat er aan den anderen kant van de
rots een holte was, afgesloten door een steen. Als zij dien steen had
weggeschoven en langs dien kant was binnengekomen—
Zij trok zich weer uit de opening terug en stond opnieuw in den
zonneschijn. Haar hart sidderde. Pierrot was druk bezig met zijn beer
en zij wilde hem niet roepen. Zij deed een poging om den steen van zijn
plaats te krijgen, maar deze zat vastgeklemd. Toen begon zij te graven
met een stok. Als Pierrot in de buurt geweest was, zouden zijn scherpe
oogen de beteekenis gezien hebben van dien steen, die niet grooter was
dan een wateremmer. Eeuwenlang had hij daar waarschijnlijk gelegen, door
zijn steun het rotsblok tegenhoudend in zijn val, zooals het gewicht van
een ons de weegschaal kan doen overslaan. Nog vijf minuten en zij zou
den steen van zijn plaats kunnen brengen. Zij rukte er aan. Centimeter
bij centimeter trok zij hem naar zich toe, tot hij ten laatste aan haar
voeten lag. Toen keek zij opnieuw naar Pierrot. Hij was nog steeds bezig
en zij lachte zachtjes, terwijl zij een grooten rood-en-witten halsdoek
afdeed. Hiermee zou zij zich van Baree verzekeren. Zij viel op haar
knieën, ging daarna plat op den grond liggen en begon in de opening te
kruipen.
Baree had zich bewogen. Met zijn kop tegen de rots gedrukt, had hij
iets gehoord, wat Nepeese niet gehoord had, had hij een langzame,
aangroeiende drukking gevoeld en hij had zich aan die drukking
onttrokken en die drukking was hem gevolgd. De rotsmassa begon te
verschuiven! Nepeese zag niet en hoorde niet en begreep niet. Zij riep
smeekend tegen hem:
„Baree! Baree! Baree!—”
Haar hoofd en schouders en beide armen waren nu onder de rots. De
schittering van haar oogen was dicht bij Baree. Hij jankte. Een groot,
naderend gevaar maakte hem onrustig. En toen—
Op dit oogenblik voelde Nepeese de drukking van de rots op haar
schouders en een blik van ontzetting kwam in haar oogen. En toen stiet
zij een kreet uit, die niet geleek op eenig geluid, dat Baree ooit in
de wildernis gehoord had—een woesten kreet, doordringend, van vrees
bezeten. Pierrot hoorde dien eersten kreet niet. Maar hij hoorde den
tweeden en derden en daarna het aanhoudende geschreeuw, toen het teere
lichaam van de Wilg langzaam verpletterd werd onder de verschuivende
massa. Hij vloog er naar toe, snel als de wind.
De kreten werden zwakker, begonnen weg te sterven. Hij zag Baree van
onder de rotsen uit komen worstelen en de kloof in rennen en op
hetzelfde oogenblik zag hij een stukje van de japon van de Wilg en haar
in mocassins gestoken voeten. De rest van haar lichaam was gevangen in
deze doodsval. Als een krankzinnige begon Pierrot te graven. Toen hij
Nepeese eenige oogenblikken later van onder de rotsblokken te voorschijn
haalde, was zij wit en doodelijk stil. Haar oogen waren gesloten. Zijn
hand kon niet ontdekken of zij nog leefde en een gekerm van angst steeg
op uit zijn ziel. Maar hij wist hoe men vechten moest om iemands leven.
Hij rukte haar japon open en bemerkte dat zij niet gekneusd was, zooals
hij gevreesd had. Toen snelde hij weg om water te halen. Toen hij
terugkwam, had de Wilg haar oogen geopend en snakte zij naar adem.
„Allen Heiligen zij dank!” snikte Pierrot, op zijn knieën naast haar
vallend. „Nepeese, mijn Nepeese—”
Zij glimlachte tegen hem met haar beide handen op haar bloote borst
en Pierrot drukte haar tegen zich aan, heelemaal het water vergetend,
waarom hij zoo hard geloopen had.
Nog later, toen hij op zijn knieën ging liggen en onder de rots tuurde,
werd hij doodsbleek en zeide:
„_Mon Dieu_, als die kleine holte in de aarde er niet geweest was,
Nepeese—”
Hij huiverde en ging niet verder. Maar Nepeese, gelukkig over haar
redding, maakte een beweging met haar hand en zeide glimlachend:
„Dan zou ik—_zóó_—geweest zijn. Ah, _mon père_, ik hoop, dat ik nooit
een minnaar zal hebben, zooals die rots!”
Pierrot's gelaat werd somber, terwijl hij zich over haar heenboog.
„Neen!” zeide hij ontstuimig. „Neen! Nooit!”
Hij dacht weer aan Mc Taggart, den agent van Lac Bain, en hij balde zijn
vuisten, terwijl zijn lippen het haar van zijn dochter aanraakten.
VIII.
Eindelijk vrienden.
Voortgedreven door het vreeselijke gillen van de Wilg en het gezicht
van Pierrot, als een dolle op hem afstormend, terwijl hij het lijk van
Wakayoo in den steek liet, bleef Baree doorrennen, tot hij volkomen
ademloos was. Toen hij stilstond, was hij veilig de kloof uit en in
de buurt van den bevervijver. Bijna een week lang was Baree niet bij
den vijver geweest. Hij had Gebroken Tand en Umisk en de andere jonge
bevertjes niet vergeten, maar Wakayoo en zijn dagelijksche vangst van
versche visch was een te groote verleiding voor hem geweest. En nu
was Wakayoo weg. Hij wist, dat de groote zwarte beer nooit meer zou
visschen in de rustige poelen en schemerige draaikolken en dat er, waar
vele dagen lang vrede en overvloed geheerscht hadden, nu groot gevaar
dreigde en, zooals hij tevoren naar zijn oude hol zou gevlucht zijn om
zich in veiligheid te brengen, zoo vluchtte hij nu in zijn wanhoop naar
den bevervijver. Waarvoor hij zoo bang was, is moeilijk te zeggen, maar
Nepeese was er zeker niet de oorzaak van. De Wilg had hem nagejaagd. Zij
had zich op hem geworpen. Hij had den greep van haar handen gevoeld en
het verstikkende gevoel van heur haren _en toch was hij van haar niet
bang_! Als hij zoo nu en dan stil stond en omkeek, was het om te zien
of Nepeese hem soms volgde. Hij zou niet hard weggeloopen zijn voor
haar—_alleen_. Haar oogen, stem en handen hadden een ontroering in hem
gewekt; hij was nu vervuld met een nog grooter verlangen en nog grooter
eenzaamheid en dien nacht droomde hij benauwde droomen. Hij maakte zich
een leger onder een sparrewortel dicht bij den bevervijver en dien
heelen nacht lang was zijn slaap vervuld met onrustige droomen—droomen
van zijn moeder, van Kazan, het oude hol onder de omgewaaide boomen,
van Umisk—en Nepeese. Eens, toen hij wakker werd, dacht hij dat de
sparrewortel Wolvin was en toen hij ontdekte, dat zij er niet was,
zouden Pierrot en de Wilg hebben kunnen zeggen waarom hij begon te
jammeren. Telkens en telkens had hij visioenen van de opwindende
gebeurtenissen van dien dag. Hij zag de vlucht van Wakayoo over het
weitje, hij zag hem weer sterven. Hij zag den glans van de oogen van de
Wilg vlak bij de zijne, hoorde haar stem—zoo liefelijk en zacht, dat
zij als vreemde muziek voor hem was—en hoorde opnieuw haar vreeselijk
gegil.
Hij was blij toen de dag aanbrak. Hij ging niet op zoek naar voedsel,
maar daalde af naar den vijver. Zijn houding duidde op weinig hoop of
verwachting. Hij herinnerde zich, dat Umisk en zijn speelmakkertjes,
zoo duidelijk als dit in de dierentaal maar mogelijk was, hem aan
zijn verstand hadden gebracht, dat zij niets met hem te maken wilden
hebben. En toch nam het feit, dat zij daar waren, al iets van zijn
eenzaamheid weg. Niets was erger dan eenzaamheid. De wolvenaard in hem
was overheerscht door de hondennatuur. En in dergelijke oogenblikken,
wanneer zijn instinkten van wild dier sluimerden, werd hij gedrukt door
het groeiende, schoon nog niet geheel geopenbaarde bewustzijn, dat hij
niet zuiver van dat wilde bloed was, maar een vluchteling temidden der
roofdieren en aan alle kanten door onbekende gevaren bedreigd.
Diep in de bosschen van het Noorden werkt en speelt de bever niet alleen
in de duisternis, maar gebruikt den dag zelfs nog meer dan den nacht
en verscheidene leden van Gebroken Tand's familie waren wakker, toen
Baree lusteloos langs de oevers van den vijver begon te zoeken. De
jonge bevertjes waren nog met hun moeders in de groote woningen, die er
uitzagen als koepels van modder en stokken in het midden van het meer.
Er waren drie van deze woningen en een er van was zeker wel twintig voet
in doorsnee. Baree had eenige moeite, de zijde van den vijver te blijven
volgen. Toen hij terugkeerde te midden van de wilgen, elzen en berken,
kruisten dozijnen van kanalen zijn pad. Sommige van die kanalen waren
een voet breed en andere drie of vier voet en alle waren vol water. Geen
land ter wereld had ooit een beter verkeerssysteem dan dit bever-domein,
waarlangs zij hun werkmaterialen en voedsel naar de hoofdbewaarplaats,
den vijver, brachten. In een van de grootste kanalen verraste Baree
een bever, die een stuk berkebast meesleepte, wel vier voet lang
en in die eene lading een dozijn maaltijden met zich meevoerde. De
schors van den berkeboom zou men het brood en de aardappelen van het
bevermenu kunnen noemen, terwijl de hooger aangeschreven basten van den
wilg en den jongen els de plaats innemen van vleesch en pastei. Baree
rook nieuwsgierig aan den berkebast, nadat de oude bever dien bij een
haastigen aftocht in den steek gelaten had en ging toen verder. Hij deed
een poging, zich te verbergen, ditmaal, en ten minste een half dozijn
bevers konden hem op hun gemak bekijken, voor hij de plaats bereikte
waar de vijver zich vernauwde, bijna een halve mijl van den dam af. Toen
liep hij weer terug. Dien heelen morgen dwaalde hij rond den vijver,
zich openlijk vertoonend.
In hun groote vesting van modder en rijshout hielden de bevers
krijgsraad. Zij wisten niet wat zij er van denken moesten. Er waren
vier vijanden, die zij vreesden boven alle andere—de otter, die in den
winter hun dammen vernielen kwam en hun den dood bezorgde door de koude
en door hun waterstand zoo laag te maken, dat zij hun voedsel niet meer
konden bereiken; de lynx, die loerde op allen, hetzij jong of oud, en de
vos en de wolf, die uren lang in een hinderlaag konden liggen, om dan op
de heel jonge bevers af te schieten, zooals Umisk en zijn speelmakkers.
Wanneer Baree een van deze vier geweest was, zouden de slimme oude
Gebroken Tand en zijn lotgenooten wel geweten hebben, wat hun te doen
stond. Maar Baree was zeker geen otter en als hij een vos was, of een
wolf, of een lynx, waren zijn handelingen tenminste zonderling te
noemen. Een half dozijn malen had hij zijn prooi kunnen bespringen, als
hij dat van plan was. Maar hij had in 't geheel geen voornemen getoond,
hen kwaad te doen.
Het kan zijn, dat de bevers den toestand lang en breed met elkander
bespraken. Het is mogelijk, dat Umisk en zijn speelmakkertjes hun ouders
vertelden van hun avontuur en dat Baree geen beweging gemaakt had om
hen kwaad te doen, terwijl hij hen toch gemakkelijk had kunnen vangen.
Het is ook meer dan waarschijnlijk, dat de oudere bevers, die voor Baree
op de vlucht gegaan waren, dien morgen een verslag uitbrachten van hun
ondervindingen en den nadruk legden op het feit, dat de vreemdeling,
hoewel hij hun grooten schrik aangejaagd had, geen neiging had vertoond,
hen aan te vallen. Dit alles is zeer wel mogelijk, want als bevers
een groot deel van de geschiedenis van het vasteland kunnen maken en
ingenieurswerken aanleggen, alleen door dynamiet te verwoesten, is het
redelijk, te veronderstellen, dat zij op de een of andere manier met
elkaar praten.
Hoe het ook zij, de dappere oude Gebroken Tand nam het op zich, de
onzekerheid op te heffen.
Het was vroeg in den namiddag, toen Baree voor de derde of vierde maal
een wandelingetje ging maken op den dam. Deze dam had een lengte van
ruim tweehonderd voet, maar op geen enkele plaats spoelde het water er
overheen, daar het overtollige vocht een uitweg vinden kon door nauwe
sluisjes. Een paar weken tevoren had Baree over dien dam den vijver
kunnen oversteken, maar nu waren aan het andere einde Gebroken Tand en
zijn ingenieurs bezig een nieuw stuk aan den dam toe te voegen, en om
hun werk gemakkelijker te kunnen verrichten, hadden zij ruim vijftig
meter van den grond, waarop zij bezig waren, doen onderloopen. Deze
voornaamste dam had een groote aantrekkingskracht voor Baree. Hij droeg
den bevergeur in sterke mate. De bovenkant er van was hoog en droog
en er waren dozijnen kleine uithollingen in, waarin de bevers hun
zonnebaden hadden genomen. In een van deze holten strekte Baree zich
uit, met zijn oogen op den vijver gevestigd. Geen rimpeling verbrak zijn
fluweelige oppervlakte. Geen geluid verstoorde de slaperige middagrust.
De bevers hadden dood kunnen zijn of slapend, zoo weinig beweging
maakten zij. En toch wisten zij, dat Baree op den dam was.
Waar Baree lag, bescheen de zon hem met vollen gloed en hij voelde zich
zoo lekker, dat het hem na een poosje moeite kostte, zijn oogen open te
houden. Toen viel hij in slaap.
Hoe Gebroken Tand dit merkte, is een raadsel. Vijf minuten later
kwam hij bedaard, zonder eenig geluid of geplas, tot op vijftig meter
afstands van Baree. Eenige oogenblikken bewoog hij zich ternauwernood
in het water. Daarna zwom hij heel langzaam evenwijdig met den dam den
vijver over. Aan den overkant klauterde hij aan wal en bleef een tijdje
zitten, zoo onbeweeglijk als een steen, met zijn oogen gevestigd op dat
gedeelte van den dam, waar Baree lag. Geen der andere bevers bewoog en
het was al gauw klaarblijkelijk, dat Gebroken Tand maar één ding op het
oog had—Baree eens van naderbij te bekijken. Toen hij het water weer
inging, zwom hij vlak langs den dam voort. Tien voet beneden Baree begon
hij aan land te klimmen. Hij deed dit uiterst langzaam en voorzichtig.
Eindelijk bereikte hij den top van den dam.
Een paar meter van hem af lag Baree, geheel in de holte verborgen.
Gebroken Tand kon slechts een klein gedeelte van zijn glanzend, zwart
lichaam ontdekken. Om beter te kunnen kijken, spreidde de oude bever
zijn platten staart uit en verhief zich tot een zittende houding op
zijn achterdeelen, terwijl hij zijn twee voorpooten over zijn borst
liet hangen als een eekhoorn. In deze houding was hij ruim drie voet
hoog. Hij woog waarschijnlijk veertig pond en hij deed denken aan
een goedigen, ouden, weerzinwekkenden hond. Maar zijn brein werkte
met verbazingwekkende snelheid. Plotseling gaf hij met zijn staart
een enkelen klap op de modder van den dam—en Baree zat rechtop.
Oogenblikkelijk zag hij Gebroken Tand en bleef hem aanstaren.
Gebroken Tand keek hem ook strak aan. Een halve minuut lang bewoog
geen van beiden zich ook maar een haarbreedte. Toen stond Baree op en
kwispelstaartte.
Dat was genoeg. Op zijn voorpooten neervallend, waggelde Gebroken Tand
op zijn doode gemak naar den waterkant en liet er zich overheen glijden.
Hij was nu niet voorzichtig meer en haastte zich ook niet.
Hij maakte veel beweging in het water en zwom stoutmoedig onder Baree
heen en weer. Toen hij dit verscheidene malen gedaan had, ging hij
regelrecht op de grootste van de drie woningen af en verdween. Vijf
minuten na Gebroken Tand's heldendaad was het onder de kolonie algemeen
verspreid: de vreemdeling—Baree—was geen lynx. Hij was geen vos.
Hij was ook geen wolf. Daarbij kwam nog, dat hij heel jong was en
onschadelijk. Het werk kon weer voortgezet worden. Ook het spel. Er
dreigde geen gevaar. Zoo luidde Gebroken Tand's uitspraak. Als iemand
deze feiten in de bevertaal met een roeper geschreeuwd had, had het
antwoord niet sneller kunnen gegeven worden. Opeens leek het Baree, of
de vijver stampvol bevers was. Hij had er nooit tevoren zooveel bij
elkaar gezien. Zij kwamen aan alle kanten opduiken en sommige zwommen
doodbedaard vlak onder hem heen en weer en keken nieuwsgierig naar hem
op. Misschien vijf minuten lang schenen de bevers niets in 't bizonder
van plan te zijn. Toen stevende Gebroken Tand op den dam af en klom
naar boven. Anderen volgden hem. Een half dozijn van zijn werklieden
begaven zich in het struikgewas van de wilgen en elzen. Verlangend keek
Baree uit naar Umisk en zijn vriendjes. Eindelijk zag hij hen—zij
kwamen uit een van de kleinere woningen zwemmen. Zij klommen weer op hun
speelplaats van den vorigen dag. Baree kwispelstaartte zoo hard, dat
zijn heele lijfje er van schudde, toen haastte hij zich langs den dam
naar beneden.
Toen hij op het vlakke gedeelte van den oever kwam, trof hij daar Umisk
alleen aan; hij knabbelde aan zijn avondmaal, een versch afgeknaagd stuk
wilgebast. De andere jonge bevers waren in de elzestruiken verdwenen.
Ditmaal liep Umisk niet weg. Hij keek op. Baree hurkte neer, zich
wringend op zijn allervriendelijkste manier. Eenige oogenblikken bleef
Umisk hem aankijken. Er viel nu niets te vreezen. Wat dit ook voor een
raar beest mocht wezen, het was jong en onschadelijk en scheen werkelijk
graag goede maatjes te willen worden bovendien. Hij staarde Baree
oplettend aan.
Toen zette hij heel rustig zijn avondmaal voort.... En Baree wist, dat
hij niet langer zonder vrienden was.
IX.
De redding van Umisk.
Juist zooals in het leven van ieder mensch een groote beperkende factor
is, hetzij in goede of kwade richting, zoo was in Baree's leven de
bevervijver van grooten invloed op zijn lot. Waarheen hij gegaan zou
zijn, als hij dezen niet gevonden had, kan men slechts gissen. Maar de
plek trok hem onweerstaanbaar aan. Zij begon de plaats bij hem in te
nemen van het oude hol onder de omgevallen boomen, dat eens zijn tehuis
geweest was, en de bevers werden hem een gezelschap, dat hem eenigszins
het verlies van Kazan en Wolvin vergoedde. Dat wil zeggen, zij waren hem
tot gezelschap, in zekeren graad. Met elken nieuwen dag die verstreek,
gewenden de oude bevers er meer aan, Baree te zien. Na afloop van twee
weken zouden zij Baree gemist hebben, als hij was weggegaan, maar niet
in dezelfde mate als waarin Baree de bevers zou gemist hebben. Het was
van hun kant eenvoudig goedhartige verdraagzaamheid. Maar met Baree was
het een andere kwestie. Hij was nog altijd „uskahis”, zooals Nepeese
Pierrot het genoemd zou hebben; hij had feitelijk nog moederzorg noodig;
hij had nog de verlangens van het heel jonge dier, want hij had nog geen
tijd gehad, daar bovenuit te groeien en als de nacht aanbrak, zou hij
het liefst in de groote beverwoning zijn gekropen, bij Umisk en zijn
kameraadjes, en daar geslapen hebben.
Wel veertien dagen lang na die heldendaad van Gebroken Tand op den dam
gebruikte Baree zijn maaltijden bij de kreek, zoowat een mijl verderop,
waar volop rivierkreeft zat. Maar de vijver was zijn tehuis. 's Nachts
was hij daar altijd te vinden en ook een groot gedeelte van den dag.
Hij sliep aan het uiteinde van den dam, of, bij bizonder heldere
nachten, er bovenop en de bevers ontvingen hem als voortdurenden gast.
Zij werkten in zijn tegenwoordigheid alsof hij niet bestond. Baree was
geboeid door dit werk en werd nooit moede er naar te kijken. Het wekte
zijn belangstelling en verbazing op. Dag aan dag zag hij hen hout vlot
maken en snel door het water stuwen naar den nieuwen dam. Hij zag den
dam steviger worden onder hun zwoegen. Op zekeren dag lag hij op twaalf
voet afstands van een ouden bever, die bezig was een boom te vellen
van anderhalven decimeter doorsnee. Toen de boom viel en de oude bever
haastig maakte, dat hij wegkwam, ging Baree ook op den loop. Later kwam
hij terug en ging snuffelen op de plek, waar de boom doorgeknaagd was,
nieuwsgierig, waarvoor dit diende en waarom Umisk's oom, of grootvader,
of tante zich zooveel moeite op den hals haalde.
Hij kon nog altijd Umisk en de andere jonge bevers er niet toe krijgen,
hem mee te laten spelen en nadat hij daar eenige keeren moeite voor
gedaan had, staakte hij zijn pogingen. Om de waarheid te zeggen, hun
spel verbaasde hem al evenzeer als het dammen-maken van de oudere
bevers. Umisk bijvoorbeeld was er dol op, in de modder te spelen aan
den rand van den vijver. Hij was net een kleine jongen. Terwijl zijn
familieleden boomstammen van een voet in doorsnee naar hun grooten dam
stuwden, bracht Umisk takjes en twijgjes van geen grooter omvang dan
een potlood naar zijn speelterrein en bouwde een kinder-dammetje voor
zijn eigen plezier. Hij kon een uur lang aan dezen speel-dam werken,
met evenveel ijver als zijn vader en moeder aan den grooten dam werkten
en Baree lag dan plat op zijn buik, niet ver van hem af, naar hem te
kijken, in de grootst mogelijke verbazing. En door de half droge modder
groef Umisk ook zijn miniatuurkanalen, precies zooals een kleine jongen
zijn rivieren zou gegraven hebben en zijn zee, door roovers bevolkt,
ergens op een ondergeloopen stuk land. Met zijn scherpe tandjes velde
hij zijn boomstammen—wilgeloten, nooit meer dan een paar centimeter
dik—en wanneer deze takjes naar beneden tuimelden, voelde hij
ongetwijfeld een even groote voldoening als Gebroken Tand, wanneer hij
een berk van zeventig voet krakend in den vijver had doen storten. Baree
kon het grappige hiervan niet inzien. Hij begreep, dat er reden kon zijn
om aan stokken te knabbelen—hij hield er zelf ook van, zoo nu en dan
eens zijn tanden te scherpen—maar hij vond het al heel raar, dat Umisk
zoo zorgvuldig de schors van den stam afschilde en ze daarna inslikte.
Een andere manier van spelen ontmoedigde Baree nog sterker bij zijn
poging tot toenadering. Op kleinen afstand van de plek, waar hij Umisk
het eerst gezien had, helde de oever tien of twaalf voet naar het water
af en deze oever werd door de jonge bevers als glijbaan gebruikt.
Hij was glad en hard geworden door veelvuldig gebruik. Umisk had de
gewoonte, den oever te beklimmen op een plek, waar hij niet al te steil
was. Bovenaan de glijbaan gekomen, spreidde hij zijn staart plat achter
zich uit en, zich afzettend, schoot hij de helling af en kwam met een
grooten plons in het water terecht. Bij tijden waren er wel zes of tien
jonge bevers met deze sport bezig en nu en dan kwam een van de ouderen
naar boven waggelen en gleed eens een baantje mee met de jongelui. Op
zekeren middag, toen de glijbaan buitengewoon nat en glibberig was,
omdat zij pas gebruikt was, klom Baree langs het beverpaadje naar boven
en stelde een onderzoek in. Nergens had hij de beverlucht zoo sterk
geroken als op die glijbaan. Hij begon ze op te snuiven en was zoo
onvoorzichtig, zich te ver te wagen. In een oogwenk schoten zijn pooten
onder hem uit en met een enkelen woesten schreeuw vloog hij pijlsnel
de helling af. Voor de tweede maal in zijn leven worstelde hij onder
de oppervlakte van het water en toen hij zich een paar minuten later
door de weeke modder naar land sleepte, had hij zeer zeker een goed
beschrijfbare opvatting gekregen van het spelen der bevers. Misschien
had Umisk hem gezien. Het is ook mogelijk, dat al heel spoedig het
verhaal van zijn avontuur bekend was bij al de inwoners van Bever-Stad.
Want toen Baree Umisk dien avond naderde, terwijl deze zijn avondmaal
gebruikte van elzebast, week hij geen duimbreed van zijn plaats en voor
het eerst beroken zij elkanders neuzen. Tenminste Baree snoof hoorbaar
en de dappere kleine Umisk zat als een rolronde sfinx. Dit was de
bevestiging van hun vriendschap—van Baree's kant. Hij ravotte eenige
oogenblikken buitensporig in het rond en vertelde Umisk, hoeveel hij
van hem hield en dat ze groote vrienden zouden zijn. Umisk praatte in 't
geheel niet. Hij maakte geen beweging, voor hij weer doorging met zijn
maal. Maar met dat al zag hij er uit als een gezellig klein baasje en
Baree had zich sedert den dag, waarop hij zijn hol verlaten had, niet
zoo gelukkig gevoeld.
Deze vriendschap, hoewel zij uiterlijk geheel van één kant leek te
komen, was bepaald een groot belang voor Umisk. Wanneer Baree bij den
vijver was, bleef hij altijd zoo dicht mogelijk in Umisk's buurt.
Op zekeren dag lag Baree half slapend in het gras terwijl Umisk druk
bezig was met eenige elzespruiten, dicht bij hem. Hij werd gewekt door
het waarschuwend knallen van een beverstaart en toen hoorde hij het nog
eens en nog eens, het leken wel pistoolschoten. Hij sprong op. Aan alle
kanten renden de bevers naar den vijver toe. Juist op dit oogenblik
kwam Umisk uit het struikgewas voor den dag en haastte zich, zoo vlug
als zijn korte, dikke pootjes hem dragen konden, naar het water. Hij
had bijna de modder bereikt, toen iets roods als een lichtstraal
langs Baree's oogen schoot in de middagzon en een oogenblik later had
Napakasew—de mannetjesvos—zijn scherpe tanden in Umisk's keel geklemd.
Baree hoorde den doodelijk verschrikten schreeuw van zijn vriendje;
hij hoorde het waanzinnige _flap, flap, flap_ van vele staarten en
zijn bloed klopte heftig van opwinding en woede. Even bliksemsnel als
de roode vos aangevallen had, schoot hij te hulp. Hij was even groot
en zwaar als de vos en toen hij Napakasew aanviel, deed hij dit met
een grauw, dien Pierrot aan den anderen kant van den vijver had kunnen
hooren en zijn tanden zonken als messen in den schouder van Umisk's
belager. De vos was van een struikrooversgeslacht, die hun slachtoffer
in den rug overvallen en dooden. Hij zou nooit een gevecht tegenover
elkaar aanbinden, tenzij hij in een hoek gedreven was en Baree's aanval
was zoo woest en onverwacht geweest, dat hij op de vlucht sloeg,
bijna even snel als hij Umisk overvallen had. Baree zette hem niet
achterna. Hij ging naar Umisk toe, die half in de modder lag en op een
zonderlinge manier jammerde en snoof. Zachtjes besnuffelde Baree hem en
na eenige oogenblikken krabbelde Umisk overeind op zijn gezwemvliesde
pootjes, terwijl zeker wel twintig of dertig bevers een geweldig
spektakel maakten in het water bij den oever.
Na dien tijd leek de bevervijver voor Baree meer dan ooit op zijn tehuis.
X.
Gepakt!
Terwijl Baree hoe langer hoe meer een familiestuk werd bij den
bevervijver en Pierrot en Nepeese aan den anderen kant er van allerlei
bedachten om hem te vangen, omdat zij door de witte ster op zijn
borst en het vlekje aan zijn oor herinnerd werden aan een anderen
Baree, waarvan zij veel gehouden hadden, smeedde Bush Mc Taggart zijn
eigen plannetje, daarginds op den post te Lac Bain, ongeveer veertig
mijlen naar het noordwesten. Mc Taggart was al zeven jaar lang agent
op Lac Bain geweest. In de annalen van de Compagnie te Winnipeg stond
hij geboekt als iemand, die buitengewoon veel voordeel aanbracht. De
uitgaven van zijn handelspost waren beneden het gemiddelde en zijn
halfjaarlijksch rapport omtrent de opbrengst van het bont stond altijd
in de eerste rijen. Achter zijn naam, die aan een snoer bewaard werd
in het hoofdkantoor, stond één aanteekening: „Weet van een dollar meer
te maken dan ieder ander, hier ten noorden van het Meer.” De Indianen
wisten wel waarom. Zij hadden hem den naam gegeven „Napao Wetikoo”—den
„mensch-duivel”. Maar zij zeiden dit nooit hardop, zij fluisterden het
woord somber in den gloed van hun kampvuren of zóó zacht, dat zelfs
de wind het niet tot aan Mc Taggart's ooren had kunnen overwaaien.
Zij vreesden hem. Zij haatten hem. Zij kwamen om, onder zijn bewind,
door honger en ziekten en hoe vaster Mc Taggart hen in zijn ijzeren
greep klemde, hoe gewilliger bogen zij voor zijn wil, naar het hem
voorkwam. Hij had een benepen ziel, zetelende in het lichaam van een
bruut, die zich verlustigde in het uitoefenen van macht. En hier—met de
onherbergzame wildernis aan vier kanten—kende zijn macht geen grenzen.
De groote Compagnie was hem altijd tot steun. Zij had hem tot koning
uitgeroepen van het domein, waarin weinig wetten waren, buiten zijn
eigene. En in ruil gaf hij de Compagnie balen vol pelterijen, boven haar
verwachting. Het was niet aan haar, verdenkingen te koesteren. Zij was
tienduizend mijlen of nog meer van hem verwijderd en elke dollar was er
één.
Gregson zou uit de school hebben kunnen klappen. Gregson was de
controleur van het distrikt, die Mc Taggart eens op een jaar bezocht.
Hij zou hebben kunnen vertellen, dat de Indianen Mc Taggart „Napao
Wetikoo” noemden, omdat hij hen maar half geld voor de geleverde huiden
gaf; hij zou de Compagnie ronduit hebben kunnen zeggen, dat hij het volk
aan de vallenlijn op het randje van den hongerdood hield, den heelen
winter lang; dat hij hen letterlijk op hun knieën neergedrukt hield met
zijn hand aan hun keel—om het zoo maar eens zacht uit te drukken—en
dat hij altijd een vrouw of een meisje, Indiaansche of halfbloed, op
den post bij zich had. Maar Gregson was te veel gesteld op dat bezoek
aan Lac Bain. Altijd kon hij rekenen op twee weken van walgelijke
uitspatting en bovendien droeg zijn eigen vrouwvolk thuis later een
schat van bont, hem op een achterbaksche manier door Mc Taggart in
handen gespeeld.
Op zekeren avond zat Mc Taggart bij het schijnsel van een olielamp
in zijn „magazijn”. Hij had zijn Engelsch klerkje, wiens gezicht zoo
gerimpeld was als een pippeling, naar bed gezonden en hij was nu alleen.
Zes weken lang werd hij al bezeten door een groote onrust. Het was
juist zes weken geleden dat Pierrot Nepeese voor de eerste maal mee had
genomen bij zijn bezoek aan Lac Bain, voor het eerst sedert Mc Taggart
daar agent was. Hij had naar adem gehijgd, toen hij haar bekoorlijke
gestalte voor het eerst zag. Sedert dien tijd had hij aan niets anders
meer kunnen denken dan aan haar. In die zes weken was hij twee keer
naar Pierrot's hut gereisd. Morgen zou hij weer gaan. Marie, het slanke
Cree-meisje, daarginds in zijn hut, was hij totaal vergeten, juist
zooals, vóór Marie, een dozijn anderen uit zijn geheugen geslipt waren.
Nu bestond alleen Nepeese voor hem. Hij had nooit iets gezien, zoo
volmaakt mooi als Pierrot's dochter.
Hardop schold hij Pierrot uit, terwijl hij naar een vel papier onder
zijn hand keek, waarop hij al wel een uur lang aanteekeningen had zitten
maken, uit veel gebruikte en stoffige grootboeken der Compagnie. Die
Pierrot stond hem in den weg. Volgens deze aanteekeningen was Pierrot's
vader een volbloed Franschman geweest. Dus was Pierrot nog half Fransch
en Nepeese voor een vierde deel, hoewel zij zoo mooi was, dat hij zou
willen zweren, dat er niet meer dan twee droppels Indiaansch bloed door
haar aderen stroomden. Als zij geheel en al Indiaansch was geweest, van
den stam der Chippeway's, Cree's, Ojibway's Honden Rib's of wat ook
maar—zouden er zich geen moeilijkheden hebben voorgedaan bij deze zaak.
Hij zou hen onder zijn macht gebogen hebben en Nepeese zou haar intrek
in zijn hut genomen hebben, zooals Marie het zes maanden geleden gedaan
had. Maar die vervloekte Fransche afkomst! Pierrot en Nepeese waren niet
als die anderen. En toch—
Hij glimlachte wreed en balde zijn vuisten. Was, alles welbezien, zijn
macht niet toereikend? Zou zelfs Pierrot hem durven weerstreven? Als
Pierrot tegenwerpingen maakte, zou hij hem uit het land verbannen—uit
de vallen-streek, die als erfenis op hem was overgegaan, na het beheer
van zijn vader en grootvader. Zelfs lang vóór dien tijd was zij
familiebezit geweest. Hij zou een zwerver van Pierrot maken en een
banneling, zooals hij zwervers en bannelingen had gemaakt van een aantal
anderen, die uit zijn gunst waren geraakt. Geen andere post zou ooit
meer aan Pierrot verkoopen of van hem koopen, als _la bête_—het zwarte
kruis, achter zijn naam gezet werd. Daarin bestond zijn macht—de wet
der agenten, die door alle eeuwen heen gehandhaafd was. Het was een
geweldige macht—ten kwade. Zij had hem Marie bezorgd, het slanke,
zwartoogige Cree-meisje, dat hem haatte en niettegenstaande haar haat,
„zijn huishouden deed”. Dit was de nette manier om haar tegenwoordigheid
uit te leggen, als er ooit een verklaring noodzakelijk was. Een
huishoudster!
Bush Mc Taggart keek opnieuw naar de aanteekeningen, die hij op het vel
papier gemaakt had.
Pierrot's vallen-distrikt, zijn eigendom volgens de wet der wildernis,
bracht veel geld op. Gedurende de afgeloopen zeven jaar had hij
gemiddeld duizend dollars per jaar ontvangen voor de levering van
pelzen, want Mc Taggart had er niet in kunnen slagen, Pierrot zoo af te
zetten als de Indianen.
Duizend dollars per jaar! Pierrot zou zich nog wel tweemaal bedenken,
voor hij dat opofferde. Mc Taggart grinnikte, terwijl hij het papier in
zijn hand verkreukelde en zich gereed maakte, het licht uit te draaien.
Onder zijn borstelige haar gloeide zijn roodachtig gelaat, verhit door
het vuur, dat in zijn bloed woedde. Het was een onaangenaam gezicht
om naar te kijken—het leek wel van staal en droeg een onbarmhartige
uitdrukking, de uitdrukking, die hem den bijnaam „Napao Wetikoo” bezorgd
had. Zijn oogen glinsterden en hij haalde snel adem, terwijl hij het
licht doofde. Hij grinnikte opnieuw, toen hij door de duisternis den weg
zocht naar de deur. Nepeese was al zoo goed als zijn eigendom. Hij wilde
haar bezitten, ten koste desnoods van—_Pierrot's leven_. En _waarom
niet_? Het was allemaal zoo gemakkelijk. Een schot in het eenzame
vallengebied, een enkele messteek en wie zou het navertellen? Wie zou
gissen waar Pierrot gebleven was? En het zou allemaal Pierrot's eigen
schuld zijn. Want de laatste maal, dat hij hem ontmoette, had hij hem
een eerlijk voorstel gedaan. Hij wilde Nepeese _trouwen_. Ja, dàt wilde
hij zelfs doen. Hij had het Pierrot voorgesteld. Hij had Pierrot ook
gezegd, dat hij hem, wanneer hij zijn schoonvader was, het dubbele voor
zijn huiden zou geven van den tegenwoordigen prijs. En Pierrot had hem
verstomd van verbazing aangestaard. Hij had naar hem gestaard met een
zonderlingen, verglaasden blik, als van een man, die verdoofd is door
den slag van een knuppel.
En dus—wanneer hij Nepeese niet kreeg zonder zwarigheden—zou het
allemaal Pierrot's eigen schuld zijn. Morgen zou hij opnieuw vertrekken
naar de landstreek van den halfbloed. En den volgenden dag zou Pierrot
hem zijn antwoord geven. Bush Mc Taggart grinnikte opnieuw, toen hij
naar bed ging. Dit deed Marie huiveren. Mc Taggart voelde—in den grond
van zijn hart—dat Pierrot's antwoord leven of dood beteekende, op den
langen duur—voor Pierrot.
* * * * *
Tot op één na den laatsten dag zeide Pierrot aan Nepeese niets van wat
er tusschen hemzelf en den agent van Lac Bain verhandeld was. Toen
vertelde hij het haar.
„Hij is een beest—een duivel in menschengedaante,” zeide hij, toen hij
zijn verhaal geëindigd had. „Ik zag je nog liever daarginds—naast haar,
dood—” en hij wees naar den hoogen spar, waaronder haar moeder, de
prinses, begraven lag.
Nepeese had geen klank geuit. Maar haar oogen waren grooter geworden en
donkerder en er steeg haar een blos naar de wangen, zooals Pierrot er
nooit tevoren een gezien had. Zij stond op, toen hij geëindigd had en
zij scheen hem plotseling langer geworden. Nooit had zij zooveel op een
volwassen vrouw geleken en Pierrot's oogen werden verduisterd door vrees
en bange voorgevoelens, toen hij haar gadesloeg, terwijl zij tuurde naar
het Noordwesten—naar Lac Bain. Zij was prachtig om te zien, dit heel
jonge meisje, dat hij nog meer aanbad dan zijn God. Haar schoonheid
beangstigde hem. Hij had den blik in Mc Taggart's oogen gezien. Hij had
de opwinding in Mc Taggart's stem gehoord. Hij had de woeste begeerte
en den dierlijken lust op Mc Taggart's gelaat gelezen. Dit had hem
ontzetting aangejaagd, in het begin. Maar nu—nu was hij niet ontsteld
meer. Hij was onrustig—maar hij had zijn handen tot vuisten gebald. Er
smeulde een vuur in zijn hart. Nepeese keerde zich ten laatste om en
kwam weer bij hem zitten, aan zijn voeten. Pierrot legde een van zijn
harige handen op haar hoofd. Hij deed dat graag. Hij vond het heerlijk,
de warme liefkoozing te voelen van haar zijden lokken tusschen zijn
vingers.
„Hij komt morgen, _ma chérie_”, zeide hij, zijn oogen gevestigd houdend
op den rooden gloed van de ondergaande zon. „Wat moet ik hem antwoorden?”
De lippen van de Wilg waren rood. Haar oogen straalden. Maar zij keek
niet op naar haar vader.
„Niets, Nootawe—zeg hem alleen maar, dat ik degene ben, naar wie hij
toe moet komen—voor hetgeen hij zoekt.”
Pierrot boog zich voorover en betrapte haar op een glimlach. De zon ging
onder. En zijn hart zonk tegelijkertijd in hem, koud als lood.
* * * * *
Van Lac Bain tot Pierrot's hut liep er een pad tot op een halve mijl
van den bevervijver, een dozijn mijlen van de plaats, waar Pierrot
verblijf hield en hier, bij een bocht van de kreek, waarin Wakayoo voor
Baree visch had gevangen, sloeg Bush Mc Taggart zijn kamp op voor den
nacht. Daar slechts twintig mijlen van de reis per kano gemaakt konden
worden en Mc Taggart het laatste gedeelte te voet aflegde, was zijn kamp
opslaan de eenvoudigste zaak ter wereld,—een stuk-of-wat afgekapte
balsemstruiken, een dunne deken, een klein vuur. Voor hij zijn avondmaal
gereed maakte, haalde de agent een aantal koperdraadstrikken uit zijn
pak voor den dag en besteedde er een half uur aan, deze uit te zetten
op de paadjes, die naar konijnenholen leidden. Deze methode om zich
vleesch te verschaffen was heel wat minder vermoeiend dan met warm weer
een geweer te moeten meesleepen en zij gaf vrij veel zekerheid. Een half
dozijn strikken leverden tenminste drie konijnen op en een van deze drie
was stellig wel jong en malsch genoeg voor de braadpan. Nadat hij zijn
strikken had uitgezet, plaatste Mc Taggart een pannetje met spek boven
het vuur en begon zijn koffie te koken.
Van alle geuren, die een kamp verspreiden kan, reikt die van gebakken
spek het verst, in het bosch. Hij heeft geen wind noodig. Hij drijft
vanzelf weg. Als het een stille nacht is, kan de vos hem op een
mijl afstands opsnuiven. Deze speklucht drong tot Baree door in zijn
holletje bovenop den beverdam. Hij werd naar hem toe gedreven op een
zacht windje, dat heerlijk koel was na den heeten dag en na een poosje
ging Baree overeind zitten en snoof de verlokking er van op. Sedert
zijn ondervinding, in de kloof opgedaan, en na Wakayoo's dood, was het
hem niet al te best gegaan. Uit voorzorg was hij in de buurt van den
vijver gebleven en hij had bijna alleen van rivierkreeften geleefd.
Deze nieuwe, heerlijke geur, die door den nachtwind naar hem toe werd
gedreven, wekte zijn honger op. Maar hij was grillig, die geur, nu eens
kon hij hem opsnuiven, het volgende oogenblik was hij verdwenen. Hij
verliet den dam en begon den oorsprong te zoeken van deze heerlijkheid,
in het bosch, tot hij hem, na een tijdje, heelemaal kwijt was. Mc
Taggart was klaar met het bakken van zijn spek en zat het nu op te eten.
Het was een schitterende nacht, die nu volgde. Misschien zou Baree zijn
blijven doorslapen in zijn warm leger op den beverdam, als die speklucht
geen nieuwen honger in hem had wakker geroepen. Na zijn avontuur in de
kloof had hij angst gekregen om zich in het hartje van de bosschen te
wagen, vooral bij nacht. Maar deze nacht geleek wel een bleeke, gouden
dag.
Hij was zonder maan. Maar de sterren flonkerden als een millioen lampjes
in de verte en overstroomden de wereld met een zachten, golvenden
lichtglans. Een zacht windgefluister maakte vriendelijke geluiden in
de toppen der boomen. Voor het overige was alles stil, want het was
Puskowepesim—Ruimaand—en de wolven gingen niet op jacht, de uilen
hadden hun stem verloren, de vossen slopen als schaduwen voorbij en
zelfs de bevers waren begonnen hun werk te staken. Het gewei van de
elanden, herten en kariboe's had een fluweelzacht omhulsel en zij
namen niet veel beweging en vochten in het geheel niet. Het was in het
laatst van Juli, de Ruimaand van de Cree's en de Stille Maand van de
Chippeway's.
Temidden van deze stilte ging Baree op jacht. Hij joeg een heel nest
half volwassen patrijzen op, maar zij wisten hem te ontsnappen. Hij
achtervolgde een konijn, dat vlugger was dan hij. Een uur lang liep
alles hem tegen. Toen hoorde hij een geluid, dat elke droppel bloed in
hem sneller deed vloeien. Hij was dicht bij Mc Taggart's kamp en wat
hij gehoord had, was een konijn, dat in een van Mc Taggart's strikken
geraakt was. Hij kwam terecht bij een open plek, vol sterrenlicht
en zag daar het konijn een allermerkwaardigste pantomime ten beste
geven. Het verbaasde hem en hij bleef staan, waar hij stond. Wapoos,
het konijn, was met zijn wolligen kop in den strik terecht gekomen en
door zijn eersten verschrikten sprong was het jonge boompje, waaraan
het koperdraad bevestigd was, teruggeveerd, zoodat hij nu half in de
lucht hing, alleen nog met zijn achterpooten den grond rakende. En
daar danste hij nu als een bezetene, terwijl de strik om zijn nek hem
langzaam worgde. Baree gaf een soort snik van verbazing. Hij kon in 't
geheel niet begrijpen, welke rol het koperdraad en het jonge boompje
speelden in dit zonderlinge spel. Al wat hij er uit op kon maken, was
dat Wapoos spartelde en danste op zijn achterpooten op een zonderlinge
manier, zooals hij dat van een konijn niet gewend was. Misschien dacht
hij wel, dat het een soort van spelletje was. Maar in dit oogenblik
beschouwde hij Wapoos niet zooals hij Umisk had beschouwd. Ondervinding
en instinkt zeiden hem, dat Wapoos een heerlijk hapje was en na een paar
oogenblikken van aarzeling sprong hij op zijn prooi toe.
Wapoos, al meer dood dan levend, worstelde bijna niet meer en onder den
glans der sterren maakte Baree hem af en smulde een half uur lang.
Bush Mc Taggart had geen enkel geluid gehoord, want de strik, waarin
Wapoos geraakt was, was het verst van zijn nachtverblijf verwijderd.
Bij zijn smeulend vuurtje zat hij, met zijn rug tegen een boom, zijn
zwart pijpje te rooken en begeerig over Nepeese te mijmeren, terwijl
Baree zijn nachtelijken zwerftocht voortzette. Baree verlangde nu niet
meer te jagen. Daarvoor had hij zijn buikje te rond gegeten. Maar hij
snuffelde rond op allerlei plekjes en genoot ontzaglijk van de rust en
het gouden maanlicht. Hij volgde een konijnenspoor, tot hij op een plek
kwam, waar twee stukken hout een opening vrij lieten, niet wijder dan
zijn eigen lichaam. Hij wrong er zich doorheen, er snoerde zich iets
om zijn keel, een knap!—en Baree werd zoo plotseling van den grond
gelicht, dat hij geen tijd had om zelfs maar te gissen wat er met hem
gebeurde. De schreeuw, dien hij uiten wilde, stierf in zijn strot weg
tot een gegorgel en het volgende oogenblik bood hij denzelfden aanblik
als Wapoos zooeven, die zich nu in zijn maag op hem wreekte. Baree kon
onmogelijk laten te springen en te dansen, terwijl het koperdraad vaster
en vaster om zijn keel knelde. Wanneer hij er naar hapte en het heele
gewicht van zijn lichaam tegen den grond wierp, gaf het gewillig mee,
maar dan kreeg hij bij den terugslag een ruk, die hem geheel van den
grond lichtte. Woedend worstelde hij. Het was een wonder, dat het dunne
draad tegen al dat geweld bestand was. In een paar oogenblikken zou het
moeten knappen, maar Mc Taggart hoorde hem! De agent greep zijn deken en
wapende zich met een zwaren stok, voor hij naar den strik snelde. Een
konijn kon zooveel lawaai niet maken—dat wist hij. Misschien was het
een marter, een lynx, een vos, een jonge wolf—
Hij dacht het eerst aan een wolf, toen hij Baree aan het eind van
het koperdraad zag. Hij liet de deken vallen en hief den knuppel
in de hoogte. Als de hemel bewolkt was geweest, of de sterren
minder schitterend, zou Baree het leven er bij gelaten hebben, even
onvermijdelijk als Wapoos had moeten sterven. Maar terwijl hij den
knuppel boven zijn hoofd hief, zag Mc Taggart nog net bijtijds de witte
ster, het witte vlekje aan zijn oor en de gitzwarte kleur van Baree's
huid.
Met een snelle beweging verruilde hij den knuppel voor de deken.
XI.
Gekastijd, maar niet onderworpen.
Een half uur later vlamde Bush Mc Taggart's vuur weer helder op. In den
gloed er van lag Baree, ingepakt als een Indiaansche papoes[1], tot
een ballonvormigen bal gebonden met een leeren riem, zijn kop alleen
stekend door een gat, dat zijn overweldiger voor hem in de deken gemaakt
had. Hij was een hopelooze gevangene, zoo stijf gebonden, dat hij
ternauwernood een spier kon bewegen. Eenige passen van hem verwijderd
was Mc Taggart bezig, een bloedende hand te baden in een kom water. Er
liep ook een straaltje rood opzij van Mc Taggart's stierennek.
[1] Zuigeling.
„Jou kleine duivel!” snauwde hij tegen Baree. „Jou kleine duivel!”
Hij boog zich voorover en gaf Baree's kop een hevigen slag met zijn
zware hand.
„Ik moest eigenlijk je kop kapot ranselen en ik geloof dat ik het doen
ga ook!”
Baree keek naar hem, terwijl hij een stuk hout naast zich opraapte—een
stuk brandhout. Pierrot had jacht op hem gemaakt, maar voor het eerst
was hij dicht genoeg bij het man-monster, om den rooden gloed in zijn
oogen te zien. Zij waren niet als de oogen van dat mooie wezentje, dat
hem bijna in den sluier van heur haren gevangen had en dat hem onder
het rotsblok achterna was gekropen. Het waren de oogen van een beest.
Zij maakten, dat hij in elkaar kromp en trachtte zijn kop onder de
bescherming van de deken te trekken, toen de stok opgeheven werd. Maar
tegelijkertijd gromde hij. Zijn witte slagtanden glinsterden bij het
vuurlicht. Zijn ooren lagen plat op zijn kop. Hij verlangde zijn tanden
in die roode keel te zetten, waaruit hij al bloed had laten sijpelen.
De stok kwam neer en nog eens en nog eens en toen Mc Taggart ophield,
lag Baree half versuft; zijn oogen waren gedeeltelijk gesloten door de
slagen en er liep bloed uit zijn bek.
„Dat is de goede manier om den duivel uit een wilden hond te krijgen,”
grauwde Mc Taggart. „Ik denk, dat je dat bijt-kunstje nu wel niet meer
zoo gauw probeeren zult, hè, baasje? Alle duivels—het scheelde maar
weinig, of je had tot op het been van mijn hand doorgebeten!”
Hij begon de wond opnieuw uit te wasschen. Baree's tanden waren diep
doorgedrongen en de agent keek bezorgd. Het was Juli. Een kwade maand
voor beten. Uit zijn reismand haalde hij een kleine kruik met whisky
voor den dag en droppelde wat van dezen sterken drank op de wond, op
Baree vloekende, toen hij in zijn vleesch brandde. Baree's halfgesloten
oogen bleven strak op hem gevestigd. Hij wist, dat hij nu eindelijk zijn
doodsvijand ontmoet had. En toch was hij niet bang. De knuppel in Bush
Mc Taggart's hand had zijn temperament niet gedood. Hij had zijn vrees
gedood. Hij had een haat in hem gewekt, zoo heftig als hij nog niet
gekend had—zelfs niet toen hij met Oohoomisew, den uilenvrijbuiter,
vocht. De wraakgierige kracht van den wolf brandde nu in hem, vereenigd
met den woesten moed van den hond. Hij deinsde niet terug, toen
Mc Taggart hem opnieuw naderde. Hij probeerde op te staan, om dat
man-monster aan te vliegen. Bij deze poging rolde hij om, ingewikkeld
als hij was in de deken en lag daar nu als een lachwekkend bundeltje. De
aanblik hiervan werkte op Mc Taggart's lachspieren en hij lachte. Hij
ging weer zitten met zijn rug tegen den boom en stopte zijn pijp.
Baree hield geen oog van hem af terwijl hij rookte. Hij keek naar
hem, toen hij zich op den kalen grond uitstrekte en ging slapen. Hij
luisterde nog later naar het afschuwelijke gesnork, dat het monster
voortbracht. Telkens opnieuw gedurende dien langen nacht trachtte hij
zich vrij te maken. Hij zou dien nacht nooit meer vergeten. Het was
afschuwelijk. In de dikke, warme plooien van de deken werden zijn
ledematen zoo verstikt, dat het bloed hem haast stilstond in de aderen.
Toch jankte hij niet. Maar toen de morgen aanbrak, lag zijn kop plat op
den grond. Mc Taggart merkte dit feit met voldoening op.
„Ik denk, dat je ons nu wel geen moeite meer geven zult op weg naar
Pierrot,” bromde hij.
Zij begonnen te reizen, nog vóór zonsopgang, want al stond Baree's
bloed bijna stil, dat van Mc Taggart stroomde wild van begeerte en
verwachting. Hij maakte zijn laatste plannen, terwijl hij vlug door
het bosch liep, met Baree onder den arm. Hij zou Pierrot dadelijk naar
Vader Grotin sturen in het Zendelingenstation, zeventig mijlen naar
het Westen. Hij wilde Nepeese trouwen. Dat zou Pierrot streelen. En
hij zou _alleen_ zijn met Nepeese, terwijl Pierrot op weg was naar den
zendeling. Deze gedachte deed zijn bloed branden als heete whisky.
In zijn verhit, onredelijk brein kwam geen oogenblik de gedachte op,
aan wat Nepeese er van zeggen mocht, of wat zij er van denken zou.
Hij bekommerde zich niet om haar ziel. Het was haar vleesch en haar
bloed, dat hij verlangde, haar prachtig lichaam, hare schoonheid, die
zijn grove ziel vervuld hadden met razernij. Zijn vuist balde zich en
hij lachte wreed, toen even het denkbeeld bij hem opkwam, dat Pierrot
haar misschien niet zou willen afstaan. Pierrot! Bah! Het zou niet de
eerste maal zijn, dat hij een man uit den weg ruimde. De tweede ook
niet. Een moord was zoo moeilijk niet, als men het maar goed aanlegde.
Niemand zou het weten. Het zou eenvoudig een verdwijning zijn—hij zou
op zekeren dag zijn hut verlaten en er nooit weer in terugkeeren. Hij
lachte opnieuw en stapte nog vlugger door. Er bestond geen kans dat hij
verliezen zou—geen kans voor Nepeese om van hem af te komen. Hij—Bush
Mc Taggart—was heer van deze wildernis, meester van zijn bewoners,
heerscher over hun lot. Hij verpersoonlijkte de Macht—en de Wet. En
Nepeese zou met hem teruggaan naar Lac Bain, al zou hij er ook Pierrot's
graf voor moeten delven.
De zon stond al een heel eind aan den hemel, toen Pierrot, voor de deur
van zijn hut staande met Nepeese, naar een helling van het voetpad
wees, een vierhonderd meter weg, waar Bush Mc Taggart juist verscheen.
„Daar komt hij—”
Hij keek naar Nepeese, zijn gelaat scheen in dezen nacht verouderd te
zijn. Weer zag hij den donkeren glans in haar oogen en het diepere rood
op haar lippen en zijn hart deed hem pijn van vrees. Was het mogelijk—
Zij wendde zich naar hem toe met schitterende oogen en trillende stem.
„Denk er aan, Nootawe—u moet hem naar mij toesturen voor zijn
antwoord,” riep zij snel en verdween in de hut.
Met een koud, grauwbleek gelaat stond Pierrot tegenover Bush Mc Taggart.
XII.
Mc Taggart ontvangt zijn antwoord.
Achter het venster, haar gelaat verborgen door de plooien der gordijnen,
die zij er zelf voor gemaakt had, zag de Wilg, wat er buiten gebeurde.
Nu glimlachte zij niet. Haar adem ging snel en zij rekte haar lichaam
uit; Bush Mc Taggart bleef stilstaan, een paar meter van haar venster
af en drukte Pierrot, haar vader, de hand. Zij hoorde Mc Taggart's ruwe
stem, zijn luidruchtige begroeting en zag hem Pierrot toonen wat hij
onder den arm droeg. Zij verstond duidelijk zijn verhaal, hoe hij het
dier gevangen had in een konijnenstrik. Toen wikkelde hij de deken los.
Nepeese uitte een kreet van verbazing. In een oogwenk stond zij buiten,
naast hen. Zij keek niet naar Mc Taggart—liet haar oogen geen sekonde
rusten op zijn rood gelaat, gloeiend van voldoening en opwinding.
„Het is Baree!” riep zij.
Zij nam het bundeltje uit Mc Taggart's arm en wendde zich tot Pierrot.
„Vertel hem, dat Baree van mij is,” zeide zij.
Zij haastte zich weer naar binnen. Mc Taggart keek haar na, verstomd van
verbazing. Toen keek hij naar Pierrot. Zelfs een halfblinde had kunnen
zien, dat deze even verbaasd was als hijzelf. Nepeese had niet tegen hem
gesproken, tegen hem, den agent van Lac Bain! Zij had zelfs niet naar
hem _gekeken_! En zij had den hond van hem afgenomen met even weinig
omslag, alsof hij een man van hout geweest was. Zijn gelaat werd hoe
langer hoe rooder, terwijl hij van Pierrot naar de deur keek, waardoor
zij verdwenen was en die zij achter zich gesloten had.
Op den vloer van de hut viel de Wilg op haar knieën en maakte de deken
heelemaal open. Zij was niet bang van Baree. Haar oogen lachten. Haar
lippen waren geopend. En toen, terwijl Baree als een in elkaar gekromd
hoopje over den grond rolde, zag zij, dat zijn oogen dicht zaten en dat
er geronnen bloed kleefde aan zijn kaken en het licht verdween van haar
gelaat even snel als wanneer de zon door een wolk verduisterd wordt.
„Baree,” riep zij zachtjes. „Baree, Baree!—”
Zij lichtte hem met beide handen van den grond. Baree's kop zakte
machteloos opzij. Zijn lichaam was zoo stijf, dat hij zich bijna niet
bewegen kon. Zijn pooten waren gevoelloos. Hij kon nauwelijks uit zijn
oogen kijken. Maar hij hoorde haar stem! Het was dezelfde stem, die
tot hem gekomen was, dien dag, dat hij gewond was; de stem, die hij
gehoord had, toen hij zich omstrikt had gevoeld door heur haren in de
kloof—dezelfde stem, die hem had willen overreden, onder het rotsblok
uit te komen! Zij deed hem beven. Zij scheen het trage bloed opnieuw op
te jagen door zijn aderen en hij opende zijn oogen wijder en zag weer
die prachtige sterren, die hem zoo zacht tegengeglansd hadden op den dag
van Wakayoo's dood. Een der lange vlechten van de Wilg viel over haar
schouder en hij snoof weer den geur van heur haar op, terwijl zij hem
streelde en tegen hem praatte.
Toen stond zij plotseling op en verliet hem en hij bewoog zich in 't
geheel niet, terwijl hij op haar wachtte. Zij was dadelijk weer terug
met een kom warm water en een doek. Zacht waschte zij hem het bloed
uit oogen en bek. En Baree verroerde zich nog steeds niet. Hij ademde
nauwelijks. Maar Nepeese zag, dat er huiveringen door zijn lichaam
schoten, terwijl haar hand hem aanraakte, als elektrische schokken.
„Hij heeft je met een knuppel geranseld,” prevelde zij, haar donkere
oogen vlak bij die van Baree. „Hij heeft je geslagen! Zoo'n beest!”
Zij werden gestoord. De deur ging open en Mc Taggart stond naar hen te
kijken, met een grijns op zijn roode tronie. Oogenblikkelijk liet Baree
blijken, dat er nog leven in hem zat. Hij sprong van onder Nepeese's
hand uit met een plotselingen snauw en keerde zich naar zijn vijand. Het
haar op zijn rug stond overeind als een borstel, zijn tanden glinsterden
dreigend en zijn oogen gloeiden als kolen vuur.
„Er zit iets duivelsch in hem,” zeide Mc Taggart. „Hij is woest—uit de
wolven geboren. Je moet voorzichtig zijn, of hij zal je hand afbijten,
_Ka Sakahet_!” Het was de eerste maal, dat hij haar dezen liefkoozenden
naam gaf, die in de Cree-taal „liefste” beteekent! Haar hart klopte
onstuimig. Zij boog een oogenblik het hoofd over de samengeklemde
handen, en Mc Taggart, die dit gebaar voor verlegenheid aanzag, legde
zijn hand liefkoozend op heur haar. Door de open deur had Pierrot het
woord verstaan en nu zag hij de streeling en hij hief de hand op, als om
een ontheiliging uit zijn gezicht te verbannen.
„_Mon Dieu!_” hijgde hij.
Het volgende oogenblik uitte hij een kreet van verbazing, die vermengd
werd met een gil van pijn, door den agent geuit. Snel als het weerlicht
was Baree naar voren gesprongen en had zijn tanden in Mc Taggart's been
geklemd. Zijn scherpe tanden beten diep in het vleesch, voor deze zich
door een geweldigen schop wist te bevrijden. Met een vloek trok hij zijn
revolver uit den bolster. De Wilg was hem echter voor. Zij sprong met
een lichten kreet op Baree toe en nam hem in haar armen. Toen zij naar
Mc Taggart opkeek, waren haar zachte hals en half ontbloote schouder
vlak bij Baree's slagtanden. Haar oogen bliksemden den agent tegen.
„U hebt hem geslagen!” riep zij. „Hij haat u—haat u!”
„Laat hem loopen!” schreeuwde Pierrot in doodsangst. „_Mon Dieu!_—hoor
je me niet!—laat hem los of hij zal je verscheuren!”
„Hij haat u—haat u—haat u!” herhaalde de Wilg nog steeds in het
gezicht van den verstelden Mc Taggart. Toen, plotseling, wendde zij zich
tot haar vader. „Neen, hij zal me niet verscheuren,” riep zij. „Kijk!
Het is Baree. Heb ik het u niet gezegd? Het is Baree! Is het niet het
beste bewijs, dat hij mij verdedigde—_tegen hem_!”
„Tegen mij?” hijgde Mc Taggart, terwijl zijn gelaat betrok.
Pierrot trad naar voren en legde zijn hand op Mc Taggart's arm. Hij
glimlachte.
„Laten we het hen maar tusschen hen beiden laten uitvechten, M'sieu,”
zeide hij. „Het zijn twee kleine heethoofden, die twee en wij zijn hier
niet veilig. Als zij gebeten wordt—”
Hij haalde de schouders op. Er was een groote last van hem afgewenteld.
Zijn stem was zacht en overredend. En nu was de boosheid geweken van
het gezichtje van de Wilg. Zij wierp Mc Taggart eerst een blik toe, vol
coquetterie en zij glimlachte even tegen hem, toen zij tegen haar vader
sprak.
„Ik kom dadelijk bij u, mon père,—bij u en M'sieu den agent van Lac
Bain!”
Er waren twee onmiskenbare kleine duiveltjes in haar oogen, dacht Mc
Taggart—duiveltjes, die hem vol toelachten, terwijl zij dit zeide, zij
zetten zijn hersens in brand en deden zijn bloed golven. Die oogen—vol
dansende heksen! Wat zou hij ze temmen en er mee spelen—nu al heel
spoedig! Hij volgde Pierrot, geheel onder de bekoring van deze vrouw,
die spoedig zijn eigendom zou zijn. In zijn opwinding voelde hij de pijn
van Baree's tanden niet meer.
„Ik zal u mijn nieuwe dog-cart laten zien, die ik in elkaar getimmerd
heb voor van den winter, M'sieu,” zeide Pierrot, terwijl hij de deur
achter hen sloot.
* * * * *
Een half uur later kwam Nepeese de hut in. Zij kon zien, dat Pierrot
en de agent over iets gepraat hadden, wat haar vader onaangenaam was.
Zijn gelaat stond strak. Zij ontdekte in zijn oogen een gloed, dien
hij trachtte te dooven, zooals men vlammen onder een deken smoort. Mc
Taggart's kaken waren op elkaar geklemd, maar zijn oogen flikkerden van
blijdschap, toen hij haar zag. Zij wist, waar het om ging. De agent van
Lac Bain had Pierrot's antwoord gevraagd en Pierrot had hem gezegd, op
haar aandringen—dat hij daarvoor bij _haar_ moest zijn! En nu zou hij
komen! Zij keerde zich om, terwijl haar hart sneller klopte en haastte
zich een klein paadje af. Zij hoorde Mc Taggart's stappen achter zich
en wierp hem over haar schouder een vluchtigen glimlach toe. Maar zij
klemde haar tanden op elkaar. Haar nagels waren in haar handpalmen
gedrukt.
Pierrot bleef onbewegelijk staan. Hij keek hoe zij verdwenen aan den
zoom van het bosch, Nepeese nog steeds eenige passen voor Mc Taggart
uit. Er steeg een zucht uit zijn borst op.
„Par les mille cornes du diable!” vloekte hij binnensmonds. „Is het
mogelijk, dat zij glimlacht, van harte glimlacht tegen dien ellendeling?
Neen! dat kan zij niet meenen. En toch, als het eens zoo was....”
Een van zijn bruine handen klemde zich krampachtig om het hoornen heft
van het mes, dat aan zijn gordel hing en langzaam begon hij hen te
volgen.
Mc Taggart maakte geen haast om Nepeese in te halen. Zij volgde een smal
paadje, dat tot diep in het bosch doorliep en daar was hij blij om. Zij
zouden alleen zijn—ver van Pierrot af. Hij bleef tien passen achter
haar en opnieuw glimlachte de Wilg tegen hem, over haar schouder. Zij
bewoog haar lichaam met snelle golvende bewegingen. Zij mat voortdurend
den afstand tusschen hen beiden, maar Mc Taggart giste niet, dat zij
daarom telkens zoo naar hem omkeek. Het was hem voldoende als zij maar
door bleef loopen. Toen zij van het smalle weggetje afweek en een
zijpad insloeg, dat nog ternauwernood gebaand was, sprong zijn hart op
van verwachting. Als zij zoo doorging, zou hij haar heel spoedig voor
zich alleen hebben—op geruimen afstand van de hut. Het bloed vloog hem
naar het gezicht. Hij zeide geen woord, uit vrees, dat zij zou blijven
stilstaan. Voor zich uit hoorde hij het gekabbel van water. Het was de
kreek, die door den afgrond stroomde.
Nepeese ging regelrecht op dit geluid af. Met een lachje zette zij het
op een holletje en toen zij aan den rand van den afgrond stond, was Mc
Taggart volle vijftig meter achtergebleven. Twintig voet recht onder
haar was een diepe poel tusschen de rotswanden, een poel, zoo diep, dat
zij wel blauwe inkt leek. Zij keerde haar gelaat naar den agent van Lac
Bain. Nooit had hij haar zoo volkomen een rood dier toegeschenen. Tot op
dit oogenblik was zij niet bang geweest. Maar nu—in een sekonde joeg
hij haar angst aan. Voor zij zeggen kon, wat zij zich had voorgenomen,
was hij naast haar en had haar gelaat tusschen zijn twee groote handen
genomen, terwijl zijn ruwe vingers krampachtig wroetten tusschen haar
zijden lokken.
„Ka Sakahet!” riep hij hartstochtelijk. „Pierrot heeft gezegd, dat je
mij je antwoord zoudt geven. Maar ik heb geen antwoord meer noodig! Je
bent van mij! Van mij!”
Zij uitte een kreet. Het was een hijgend, gebroken geluid. Zijn
armen omknelden haar als ijzeren banden, die haar teeder lichaam
verbrijzelden, haar den adem benamen, de wereld bijna zwart voor haar
maakten. Zij kon niet worstelen, noch gillen. Zij voelde den heeten
hartstocht van zijn lippen op haar gelaat, hoorde zijn stem—en toen
kwam er een oogenblik vrijheid en kon zij weer lucht halen in haar
benauwde longen. Pierrot riep haar. Hij was den tweesprong genaderd en
riep den naam van de Wilg!
Mc Taggart bracht zijn heete hand over haar mond.
„Geen antwoord geven,” hoorde zij hem zeggen.
Kracht, woede, haat vlamden in haar op en heftig sloeg zij die hand
naar beneden. Er was iets in haar mooie oogen, dat macht had over Mc
Taggart. Zij brandden als het ware in zijn ziel.
„_Bête noire!_” hijgde zij, terwijl zij zich geheel van hem bevrijdde.
„Beest! Zwart beest!” Haar stem trilde en haar gelaat gloeide. „Kijk—ik
wilde je mijn poel laten zien—en je vertellen wat je van me weten
wilde—en jij—jij hebt gekneld als een beest—je hebt me platgedrukt
_als een groote rots_! Kijk—daar beneden—daar is mijn poel!”
Zij had niet gedacht, dat het op deze wijze zou gebeuren. Ze had zich
voorgesteld, te glimlachen, zelfs hardop te lachen in dit oogenblik.
Maar Mc Taggart had ze in de war gestuurd—al haar zorgvuldig overlegde
plannen! En toch, terwijl zij naar beneden wees, keek de agent van Lac
Bain een oogenblik in de diepte. En toen begon zij te lachen—lachend
gaf zij hem plotseling een duw in den rug.
„En dat is nu mijn antwoord, M'sieu le Facteur van Lac Bain!” riep zij
schamper, toen hij hals over kop in den diepen poel tuimelde tusschen de
rotsen.
XIII.
De verlokking der Vrouw.
Op een open plek staande, had Pierrot gezien wat er gebeurd was en hij
hijgde naar adem. Hij trok zich terug tusschen de balsemstruiken. Dit
was geen geschikt oogenblik om zich te vertoonen. Zijn hart klopte als
met hamerslagen, maar zijn gelaat straalde van vreugde.
Op haar handen en knieën gebogen, tuurde de Wilg over den rand van de
kloof. Bush Mc Taggart was verdwenen. Hij was weggezonken als een groot
blok hout en het water van den poel had zich boven zijn hoofd gesloten
met een plonsend geluid, dat wel een uiting van triomf leek. Hij kwam
nu weer boven en begon met armen en beenen te slaan, om zich drijvend
te houden, terwijl de stem van de Wilg in schampere kreten tot hem
doordrong.
„_Bête noire! Bête noire!_—Beest!—Beest!—”
Zij wierp driftig kleine stokjes en kluitjes aarde op hem en opkijkend,
nadat hij zijn evenwicht had herkregen, zag Mc Taggart haar zóo ver
over den rand leunen, dat zij bijna leek te vallen. Haar lange vlechten
glansden in de zon, haar oogen lachten en terwijl haar lippen hem
uittartten, zag hij het blikkeren van haar witte tanden.
„_Beest! Beest!_”
Hij begon te zwemmen, steeds naar haar opkijkend. Op honderd meter
afstand stroomde het water over een leisteenbodem en zou hij aan land
kunnen klimmen en een heel eind liep zij met hem mee, lachend en
schimpend, terwijl zij takjes en kiezelsteentjes naar hem mikte. Hij
merkte op, dat geen van deze stokjes en steentjes groot genoeg waren om
hem pijn te doen. Toen hij eindelijk zijn voet op vasten bodem zette,
was zij verdwenen.
Snel liep Nepeese terug langs het paadje en bijna in Pierrot's armen.
Zij hijgde en lachte toen zij een oogenblik stilhield.
„Ik heb hem het antwoord gegeven, Nootawe! Hij is in den poel!”
Zij verdween als een vogeltje tusschen de balsemstruiken. Pierrot deed
geen poging, haar terug te houden of te volgen.
„Tonnerre de Dieu!” grinnikte hij—en ging juist den tegenovergestelden
kant op.
Nepeese was buiten adem, toen zij de hut bereikte. Baree, die met
een leeren riem aan een tafelpoot vastgebonden lag, hoorde haar een
oogenblik bij de deur stilstaan.
Toen trad zij binnen en kwam regelrecht op hem toe. Gedurende het halve
uur van haar afwezigheid had Baree zich ternauwernood bewogen. Dat halve
uur en de weinige minuten, die er aan vooraf waren gegaan, hadden een
ontzaglijken indruk op hem gemaakt. Natuur, erfelijkheid en instinkt
waren aan het werk, brachten orde in zijn verwarde gevoelens en deden
een nieuw begrip tot hem doordringen. Een snelle en woeste ingeving
had hem Mc Taggart doen aanvliegen, toen deze zijn hand op het hoofd
van de Wilg had gelegd. Het was geen verstand geweest. Het was een
teruggaan tot het oudste verleden van den hond, tot op dien dag, lang
geleden, toen Kazan, zijn vader, om soortgelijke redenen, een bruut van
een man gedood had in een tent. Het was het stille verbond tusschen den
hond—_en de vrouw_. En hier was weer de vrouw in het spel. Zij had
den grooten, verborgen hartstocht wakker geroepen, die in Baree was en
dien hij van Kazan geërfd had. Hij wist, dat hij dit schepseltje, dat
nu door de deur binnengetreden was, geen leed mocht doen. Hij beefde,
toen zij opnieuw bij hem neerknielde en, door de lange reeks van jaren,
overheerschte Kazan's bloed, zijn wolvennatuur onderdrukkend, zijn
woesten aard en—met zijn kop plat op den grond, jankte hij zachtjes
_en kwispelstaartte_.
Nepeese gaf een kreet van vreugde.
„Baree!” fluisterde zij, zijn kop tusschen haar twee handen nemend.
„Baree!”—
Haar aanraking deed hem rillen. Zijn lichaam schokte en zij voelde de
siddering en het bracht een dieperen glans in haar oogen. Zacht streelde
haar hand zijn kop en rug. Het scheen Nepeese toe, dat hij geen adem
haalde. Onder deze liefkoozing sloot hij zijn oogen. Het volgende
oogenblik praatte zij tegen hem en op den klank van haar stem sprongen
zijn oogen open.
„Hij zal hier komen—die ellendeling!—en hij zal ons willen
vermoorden,” zeide zij. „Hij zal jou doodmaken, omdat je hem gebeten
hebt, Baree! Oef! Ik wilde, dat je grooter en sterker was, dan kon je
zijn hoofd voor me afbijten!”
Nepeese was bezig, ingehouden lachend, den leeren riem los te maken van
den tafelpoot. Zij was niet bang. Het was een geweldig avontuur—en
zij sidderde van opwinding bij het denkbeeld, dat monster van een man
verslagen te hebben, op haar eigen manier. Zij zag hem weer in den poel,
worstelend en spartelend als een groote visch. Hij zou op het oogenblik
zeker bezig zijn, naar boven te klauteren in de kloof—en zij lachte
opnieuw, terwijl zij Baree onder haar arm opnam.
„O—Oopi—Nao—wat ben je zwaar!” hijgde zij. „En toch moet ik je wel
dragen, want we moeten hollen!”
Zij haastte zich naar buiten. Pierrot was nog niet teruggekomen en zij
sprong snel tusschen de balsemstruiken aan den achterkant van de hut,
met Baree in haar arm gekneld, die wel een volle zak leek, in het midden
met een touw dichtgebonden. Zoo zou hij zich hebben uitgedrukt, als hij
had kunnen praten. Maar hij voelde toch geen neiging om zich los te
wringen. Nepeese snelde zoo met hem voort, tot haar arm pijn deed. Toen
bleef zij stilstaan en zette hem neer, stevig den riem vasthoudend, die
om zijn nek gebonden was. Zij was voorbereid op een grooten ruk, waarmee
hij zijn vrijheid zou trachten te herwinnen. Zij verwachtte, dat hij een
poging daartoe zou doen en bleef naar hem kijken, terwijl Baree, voor
het eerst weer buiten, om zich heen keek. En toen begon de Wilg zachtjes
tot hem te spreken.
„Je gaat me niet wegloopen, Baree. Neen, je blijft bij mij en wij zullen
dat beest van een man vermoorden, als hij me nog eens durft aandoen,
wat hij vandaag gedaan heeft. Bah!” Zij wierp het losse haar naar
achteren, van haar gloeiend gelaat, en voor een oogenblik vergat zij
Baree, terwijl zij zich die halve minuut aan den rand van de kloof weer
voor den geest haalde. „Neen, je mag niet wegloopen—je moet me volgen,”
fluisterde zij. „Kom!”
De riem snoerde zich vaster om Baree's nek, terwijl zij hem dwong, haar
te volgen. Hij voelde zich, alsof hij opnieuw in den konijnenstrik
gevangen zat en hij zette zich schrap en liet heel even zijn tanden
zien. De Wilg trok niet aan. Zonder vrees legde zij haar hand opnieuw op
zijn kop. In de richting van de hut hoorde zij iemand roepen en op het
geluid hiervan nam zij Baree weer op onder haar arm.
„_Bête noire!—Bête noire!_” riep zij minachtend, maar zoo zacht, dat
het maar over een kleinen afstand te hooren was. „Ga terug naar Lac
Bain—Owases—jij wild beest!” Zij baande zich snel een weg door het
bosch. Het werd dichter en donkerder en er waren geen paden meer.
Drie maal in het volgende half uur bleef zij stilstaan, om Baree neer
te zetten en haar arm rust te geven. Elken keer trachtte zij hem
liefkoozend over te halen, haar te volgen. Den tweeden en derden keer
wiegelde Baree zich kwispelend heen en weer, maar verder dan deze uiting
van zijn voldoening over den keer, dien de zaken genomen hadden, wilde
hij niet gaan. Wanneer de riem zich vernauwde om zijn nek, zette hij
zich schrap, en gromde hij en beet woedend naar den riem. Dus ging
Nepeese er mee voort hem te dragen. Eindelijk kwamen zij aan een open
plek. Het was een kleine weide in het hartje van het bosch, niet meer
dan drie- of viermaal zoo groot als de hut; het gras vormde hier een
groen, zacht tapijt en was bezaaid met bloemen. Dwars door deze oase
vloeide een stroompje, waar de Wilg overheen sprong met Baree onder haar
arm en aan den anderen oever van dit beekje stond een kleine tepee,
vervaardigd van versch-afgesneden balsem- en dennetakken.
Baree drong zich tegen den muur van de tepee aan en keek nauwlettend
toe bij wat er nadien gebeurde. Geen beweging van de Wilg ontging hem.
Zij straalde van geluk. Zij wierp haar armen in de lucht en haar lach,
welluidend als een vogeltriller, deed Baree verlangen, met haar mee in
het rond te springen tusschen de bloemen. Een tijdlang scheen Nepeese
hem te vergeten. Haar wild bloed golfde onstuimig van vreugde over de
overwinning op den agent van Lac Bain. Zij zag hem weer in den poel
spartelen; stelde zich hem nu voor in de hut, doorweekt en woedend,
vragend aan „Mon Père”, waar zij naar toe was gegaan. En „Mon Père”
zou hem schouderophalend antwoorden, dat hij het niet wist, dat zij
waarschijnlijk het bosch ingeloopen was. Het kwam niet in haar hoofd op,
dat zij, door Mc Taggart deze poets te bakken, met dynamiet speelde. Zij
voorzag niet het gevaar, dat, had zij het begrepen, in een oogwenk den
blos van haar wangen zou hebben weggevaagd en het bloed in haar aderen
doen stollen—; zij giste niet, dat Mc Taggart nu een doodelijker
bedreiging voor haar geworden was dan alle wolven uit het bosch tezamen.
Want de agent had haar in zijn armen gehad, hij had haar hart tegen het
zijne voelen kloppen, de warme zachtheid van haar lippen en gelaat, de
zijden streeling van heur haar—en dit had de hitte van zijn verlangen
opgevoerd tot het kookpunt. Nepeese wist, dat hij boos was. Maar wat
had zij te vreezen? „Mon Père” zou ook boos zijn, als zij hem vertelde,
wat er aan den rand van de kloof gebeurd was. Maar zij zou het hem niet
vertellen. Hij zou hem anders best kunnen vermoorden. Een handelsagent
was een persoon van gewicht. Maar Pierrot, haar vader, was nog
machtiger. Zij had in hem een onbegrensd vertrouwen, dat zij van haar
moeder geërfd had. Op het oogenblik zou zij hem zeker terug sturen naar
Lac Bain, zeggende, dat hij daar zijn eigen zaken maar moest behartigen.
Maar zij wilde niet naar de hut teruggaan, om zelf te kijken. Zij zou
hier wachten. „Mon Père” zou wel begrijpen en hij wist, waar hij haar
vinden kon, wanneer Mc Taggart weg was. Maar het zou zoo grappig zijn,
hem stokjes na te werpen!
Na een poosje keerde zij naar Baree terug. Zij bracht hem water en gaf
hem een stukje rauwe visch. Urenlang waren zij alleen en met de uren
groeide het verlangen bij Baree aan, het meisje te volgen bij elke
beweging die zij maakte, naar haar toe te kruipen op de plek waar zij
zat, haar japon, haar hand aan te raken—en haar stem te hooren. Maar
hij toonde dit verlangen niet. Hij was nog een wild beest, half wolf,
half hond en hij bleef stil liggen. Met Umisk zou hij gespeeld hebben.
Met Oohoomisew zou hij gevochten hebben. Aan Bush Mc Taggart zou hij
zijn slagtanden getoond hebben en ze diep in zijn vleesch begraven
hebben, als hij er de kans toe kreeg. Maar met het meisje was het iets
anders. Hij was begonnen haar te vereeren. Als de Wilg hem losgemaakt
had, zou hij niet weggeloopen zijn. Als zij hem verlaten had, zou hij
haar gevolgd zijn—op een afstand. Zijn oogen weken nooit van haar af.
Hij keek toe, terwijl zij een klein houtvuurtje begon te bouwen en een
stuk visch kookte. Hij keek naar haar, terwijl zij haar middagmaal
gebruikte. Het was al heel laat in den middag, toen zij dicht bij
hem kwam zitten, met haar schoot vol bloemen, die zij tusschen haar
glanzende vlechten begon te steken. Toen begon zij Baree speelsch met de
punt van een dier vlechten te slaan. Hij schrok terug onder die zachte
aanraking en Nepeese, met dat zachte keellachje, trok zijn kop in haar
schoot, waar de bloemenafval lag. Zij praatte tegen hem. Haar hand
streelde zijn kop. Toen bleef deze stil liggen, zóó dicht bij hem, dat
hij zijn warme, roode tong wel had willen uitsteken en haar liefkoozen.
Hij ademde den bloemengeur in en lag doodstil. Het was een heerlijk
oogenblik. Nepeese, die op hem neerkeek, zag hem onbeweeglijk liggen.
Zij werden gestoord. Het was een droge stok, die knapte. Pierrot was
door het bosch komen aansluipen, geruischloos als een kat, en toen zij
opkeek, stond hij aan den rand van de open plek. Baree wist, dat het
niet Mc Taggart was. Maar het was toch een man-dier! Oogenblikkelijk
verstrakte zijn lichaam onder de hand van de Wilg. Hij trok zich
langzaam en voorzichtig terug van haar schoot en toen Pierrot naar voren
kwam, gromde hij. Dadelijk was Nepeese opgesprongen en naar Pierrot
toegesneld. De uitdrukking op zijn gelaat joeg haar schrik aan.
„Wat is er gebeurd, mon père?” riep zij.
Pierrot haalde zijn schouders op.
„Niets, Nepeese—behalve dat je duizend duivels hebt opgeroepen in het
hart van den agent van Lac Bain, en dat—”
Hij zweeg toen hij Baree zag en wees naar hem.
„Vannacht, toen M'sieu de agent hem in zijn strik gevangen heeft, heeft
hij in M'sieu's hand gebeten. M'sieu's hand is zoo opgezwollen, dat zij
nu tweemaal zoo dik is als anders, ik kan zien, dat zijn bloed zwart
wordt. Het is _pechipoo_.”
„_Pechipoo!_” hijgde Nepeese.
Zij keek Pierrot in de oogen. Zij waren donker en er lag een sombere
gloed in—van opwinding, dacht zij.
„Ja, het is bloedvergiftiging,” vervolgde Pierrot. Hij knikte en wierp
haar over zijn schouder een loozen blik toe. „Ik heb de medicijn
weggestopt en hem gezegd, dat hij zoo gauw mogelijk naar Lac Bain
terug moest gaan. En hij is bang—die duivel! Hij wacht nog steeds.
Terwijl die hand zwart wordt, is hij nog bang om alleen terug te reizen
en dus ga ik met hem mee. En—luister eens, Nepeese. Wij zullen bij
zonsondergang vertrekken en er is iets, wat je weten moet, voor ik
wegga.”
Baree zag hen daar, vlak bij elkander, in de schaduwen, die de
hooge sparren afwierpen. Hij hoorde het zachte gemurmel van hun
stemmen—voornamelijk die van Pierrot—en ten laatste zag hij hoe
Nepeese haar beide armen om den hals van haar vader sloeg en Pierrot
weer wegging door het bosch. Baree dacht, dat de Wilg daarna nooit weer
zijn kant uit zou zien. Langen tijd bleef zij staren in de richting,
waarin Pierrot verdwenen was. En toen zij eindelijk bij hem terugkwam,
geleek zij in 't geheel niet meer op de Nepeese, die zich bloemen in
het haar had gestoken. De lach was van haar gelaat en uit haar oogen
verdwenen. Zij knielde naast hem neer en nam met plotselinge heftigheid
zijn kop tusschen haar handen.
„Het is _pechipoo_, Baree,” fluisterde zij. „Jij bent het
geweest—jij—die dat vergif in zijn bloed gebracht hebt—en ik hoop,
dat hij eraan sterven zal! Want ik ben bang—bang!”
Zij huiverde.
Misschien deed in dit oogenblik de Groote Geest der dingen Baree
begrijpen—dat zijn dag thans gekomen was, dat de zon voor hem in 't
vervolg niet aan den hemel stond, maar verpersoonlijkt werd door dit
meisje, wier hand op zijn kop rustte. Hij jankte zachtjes en voetje voor
voetje kroop hij dichter naar haar toe, totdat eindelijk zijn kop weer
in haar schoot rustte.
XIV.
De dochter van den storm.
Langen tijd bewoog Nepeese zich niet. Zij bleef stil zitten, op dat open
plekje in het bosch, haar schoot vol bloemen, terwijl Baree's oogen met
ware hondentrouw op haar gelaat gericht bleven.
Enkel en alleen door de macht van haar zachtheid en teederheid en haar
vertrouwen in hem had zij Baree voor zich gewonnen. Hij vereerde haar nu
als een slaaf. Hij was bereid, zich ten allen tijde te voegen naar haar
wil.
Toen zij opkeek, stapelden zich zwarte wolken langzaam op boven de
sparretoppen. De duisternis viel in. In het gefluister van den wind en
de doodsche stilte van de verdichtende schemering sprak het opkomen van
onweer. Vanavond zou er geen zonsondergang te zien zijn. Men zou niet
bij het licht der schemering de paden kunnen volgen; er zouden geen maan
en geen sterren schijnen; en indien Pierrot en de agent van Lac Bain
al niet vertrokken waren, zouden zij zich zeker niet op weg begeven te
midden van den zwarten nacht, die spoedig over het land gespreid zou
liggen. Nepeese huiverde en stond op. Voor het eerst stond Baree ook op
en stelde zich aan haar zijde. Boven hen sneed een bliksemstraal als een
mes van vuur door de wolken, oogenblikkelijk gevolgd door een geweldigen
donderslag. Baree kromp ineen alsof men hem een slag toegebracht had.
Hij had wel een schuilplaats willen zoeken onder de tepee, maar toen
hij naar de Wilg keek, had zij iets over zich, dat hem vertrouwen
inboezemde. De donder dreunde opnieuw. Maar hij ging niet op de vlucht.
Zijn oogen bleven op haar gericht.
Zij stond daar, tenger en recht, in de toenemende duisternis, die door
het hemelvuur gespleten werd, het mooie hoofd in den nek geworpen,
de lippen geopend, de oogen gloeiend van begeerige verwachting—als
een gebeeldhouwde godin, die met ingehouden adem de aanstormende
hemelkrachten verwelkomt. Misschien kwam dit, omdat zij geboren was
in een nacht van noodweer. Meermalen hadden Pierrot en haar gestorven
moeder haar dit verteld—dat zij ter wereld gekomen was op een nacht,
toen storm en onweer de wereld tot een hel maakten, toen de rivieren
buiten haar oevers getreden en de boomen bij duizenden gevallen waren
en het kletteren van den regen op het dak van hun hut haar moeders
smartkreten en haar eigen eerste geschreeuw overstemd had. In dien nacht
was de Geest van den Storm zeker in haar geboren. Zij hield er van, er
naar te kijken, zooals zij het thans deed. Het deed haar alles vergeten
buiten de ontzaglijke macht der natuur; haar natuur-ziel sidderde bij
dit geweld en dikwijls had zij haar bloote armen omhoog geheven en
gelachen van blijdschap als het noodweer boven haar hoofd losbarstte.
Ook nu zou zij in de vlakte zijn blijven staan tot de regen begon te
vallen, wanneer een janken van Baree haar niet had doen omzien. Toen de
eerste dikke droppels als looden kogeltjes begonnen neer te vallen, ging
zij met hem in den schuilhoek van balsemtakken.
Nog eens tevoren had Baree een dergelijken nacht meegemaakt—dien
nacht, toen hij zich verborgen had onder een boomwortel en een boom
zag splijten door het weerlicht; maar nu had hij gezelschap, en de
zachte druk van Nepeese's hand op zijn kop en nek vervulden hem met een
zonderlingen moed. Hij gromde zachtjes tegen het lawaai van den donder.
Hij wilde naar het weerlicht bijten om _haar_ te beschermen. Nepeese
voelde zijn lichaam verstijven onder haar hand en eens, toen het een
oogenblik stil werd, hoorde zij zijn tanden zenuwachtig op elkaar slaan.
Toen begon de regen te vallen. Hij was niet als andere regens, die hij
had meegemaakt. Het was een overstrooming, neerploffend uit pikzwarte
lucht. Binnen vijf minuten was het takkenhutje totaal doorweekt, na een
half uur was Nepeese tot op haar huid toe nat. Het water liep in beekjes
langs haar rug en borst, het sijpelde uit haar vlechten, droppelde van
haar wimpers en de deken, waarop zij zat, leek wel een natte dweil.
Baree voelde zich bijna even ellendig als na zijn bad, volgend op het
gevecht met Papayuchisew en rolde zich hoe langer hoe meer in elkaar
onder den beschuttenden arm van de Wilg. Het scheen eindeloos te duren
voor de donder naar het Oosten wegrolde en het licht begon weg te
sterven tot het zoo nu en dan nog maar in de verte opflikkerde. Zelfs
daarna bleef de regen nog wel een uur lang vallen. Toen hield hij op,
even plotseling als hij begonnen was. Lachend en hijgend sprong Nepeese
op. Het water klokte in haar mocassins toen zij naar buiten liep. Zij
lette niet op Baree—en hij volgde haar. Door de opening tusschen de
boomtoppen zag zij de laatste donkere wolken wegdrijven. Er glinsterde
een ster. Daarna nog een en de Wilg bleef naar den hemel kijken tot er
zooveel waren, dat zij ze niet meer tellen kon. Het was nu niet donker
meer. Een verrukkelijke sterrenlucht overstroomde den hemel na de
inktzwarte duisternis van den storm.
Nepeese keek weer neer en zag Baree. Hij stond volkomen los, met de
vrijheid aan alle kanten om zich heen. Toch liep hij niet weg. Hij
wachtte, zoo nat als een waterrat, met zijn oogen op haar gericht.
Nepeese maakte een beweging naar hem toe en aarzelde.
„Neen, je zult niet wegloopen, Baree. Ik wil je los laten. En nu moeten
we een vuur gaan aanleggen!”
Een vuur! Iedereen, met uitzondering van Pierrot, zou gezegd hebben, dat
zij krankzinnig was. Geen stam of twijg in het bosch, die niet droop van
het nat! Zij konden het water aan alle kanten hooren neervallen.
„Een vuur,” zeide zij weer. „Laten we wat _wuskwi_ gaan zoeken, Baree.”
Met haar druipnatte kleeren aan haar lichaam klevend, geleek zij wel
een tengere schaduw, zooals zij de doorweekte open plek overstak en
zich tusschen de boomen begaf. Baree volgde haar nog steeds. Zij ging
regelrecht naar een berk, dien zij dien dag in de buurt ontdekt had,
en begon de losse schors af te trekken. Een armvol van dezen berkebast
droeg zij tot dicht bij de tepee en daar bovenop hoopte zij lading na
lading nat hout, tot zij een hoogen stapel had. Uit een flesch, die in
de tepee stond, haalde zij een drogen lucifer en bij de eerste aanraking
met het kleine vlammetje daarvan laaide de berkebast op als papier,
gedrenkt in olie. Een half uur later zou men het vuur van de Wilg—zoo
het niet door het omringende bosch verborgen was geweest—in de hut op
een mijl afstands hebben kunnen zien. Zij staakte haar houtopgooien
pas, toen de vlammen twaalf voet in de lucht reikten. Toen dreef zij
stokken den grond in en spreidde over deze stokken de deken uit, om haar
te laten drogen. Daarna begon zij zich te ontkleeden.
Naakt stond zij in den rooden gloed van het vuur. Zij was wonderbaar
slank en blank—schoon als een zeenimf, die, om een oogenblik adem te
scheppen, uit de groene golven van den oceaan was komen opduiken, en
een tijd lang bleef zij staan, het hoofd achterover gebogen en met
uitgestrekte armen, alsof daar hoog tusschen de sterren een of andere
geest huisde, dien zij toewenkte, zwijgend. En toen, terwijl Baree
naar haar keek en de warmte van het vuur kleine stoomwolkjes uit haar
kleeren deed trekken, begon zij haar doornatte vlechten los te maken.
Zij vormden een prachtig gewaad van schitterend git om haar lichaam en
bedekten haar tot de knieën, behalve dat er soms een glimp van haar
armen en borst te zien kwam, wanneer zij het rondom zich schudde,
opdat het gauwer drogen zou. De regen had de lucht afgekoeld en de
verkwikking daarvan, vermengd met den zoeten geur van balsemstruiken en
sparren, deed het bloed van de Wilg dansen in haar aderen. Zij vergat
de ongemakken van den stortregen. Zij vergat den agent van Lac Bain en
wat haar vader haar over hem verteld had. Alles bijeengenomen, zij was
als een vrije vogel uit de bosschen, met mooie bloemen onder haar bloote
voeten; en in de heerlijkheid van de uren, die nu volgden, kon zij niets
zien en aan niets denken, dat haar zou kunnen schaden. Zij danste om
Baree heen, en schudde haar zee van haren, waardoor haar naakte lichaam
heenglansde, haar oogen schitterden, haar lippen lachten in uitzinnige
blijdschap—de blijdschap, te leven, de geuren van het bosch in haar
longen te kunnen drinken, de sterren en den prachtigen hemel boven zich
te zien. Zij bleef voor Baree stilstaan en riep lachend, terwijl zij de
armen uitstrekte:
„Heisa, Baree—als jij eens zoo gemakkelijk je huid af kon gooien als ik
het mijn kleeren doe!”
Zij haalde diep adem en haar oogen straalden door een nieuwe ingeving.
Langzaam vormde zij haar mond tot een roode, ronde O en zich nog meer
naar Baree toebuigend fluisterde zij:
„Het zal diep zijn—en heerlijk—vanavond. _Ninga_—ja, we zullen gaan!”
Zij riep hem zachtjes, terwijl zij in haar natte mocassins slipte en
het beekje volgde, het bosch in. Een honderd meter van de open plek af
bereikte zij een poel. Hij was diep en boordevol, dezen avond driemaal
zoo vol als hij vóór het noodweer geweest was. Zij kon het murmelen van
het inloopende water hooren. In zijn woelige oppervlakte weerspiegelden
zich de sterren. Een paar oogenblikken stond zij op een rots te
overwegen, met de koele diepte een paar meter beneden zich. Toen wierp
zij heur haar naar achteren en schoot als een slanke witte pijl door het
sterrenlicht naar beneden. Baree zag haar gaan. Hij hoorde den plons van
haar lichaam. Een half uur lang lag hij aan den rand van den poel naar
haar te kijken. Soms was zij vlak onder hem en dreef geluidloos voort,
terwijl heur haren een wolk vormden donkerder dan het water rondom haar,
dan doorkliefde zij de oppervlakte bijna zoo snel als hij dat van de
otters gezien had, en dan dook zij plotseling naar beneden en verdween,
zoodat Baree's hart sneller begon te kloppen, terwijl hij wachtte tot
zij terug zou komen. Eens bleef zij geruimen tijd onder water. Toen
jankte hij. Hij wist, dat zij geen familie was van den bever of van den
otter en hij was ontzaglijk opgelucht toen zij weer boven kwam.
Op deze wijze ging hun eerste nacht tezamen voorbij—de storm, die
koele, diepe poel, het groote vuur, en later, toen de kleeren van de
Wilg en de deken gedroogd waren, een paar uur slaap. Bij zonsopgang
keerden zij terug naar de hut. Zij slopen voorzichtig er naar toe. Er
kwam geen rook uit den schoorsteen. De deur was gesloten. Pierrot en
Bush Mc Taggart waren vertrokken.
XV.
Nepeese laat zich gelden.
Het was begin Augustus—„Uitvliegmaand”—toen Pierrot van Lac Bain
terugkeerde, en over drie dagen zou Nepeese haar zeventienden verjaardag
vieren. Hij bracht van allerlei voor Nepeese mee—haarlinten, echte
schoenen, die zij zoo nu en dan droeg, in navolging van de twee
Engelsche vrouwen, die in Nelson House woonden en—het mooiste van
alles—een lap prachtig rood goed voor een japon! In de drie winters,
die zij op de Zendingsschool had doorgebracht, hadden deze vrouwen zich
veel met Nepeese bemoeid. Zij hadden haar leeren naaien, zoowel als
schrijven, lezen en bidden en er waren tijden, dat de Wilg aandrift
kreeg, te doen zooals zij. Zij werkte daarom dan ook drie dagen lang
hard aan haar nieuw gewaad en op haar verjaardag vertoonde zij zich
aan Pierrot's oogen in een kleederdracht, die hem deed verstommen van
bewondering. Zij had heur haar in groote glanzende torsades en in
vlechten op de kruin van haar hoofd gelegd, zooals Yvonne, de jongste
der Engelsche vrouwen, haar dit geleerd had en in het rijke gitzwart
daarvan was een takje van de gloedroode vuurbloem half verborgen.
Hieronder en onder den gloed van haar oogen en den rooden blos van haar
wangen en lippen, kwam de nieuwe roode japon, aansluitend aan haar
sierlijk, slank lichaam volgens een model, dat twee jaar geleden mode
geweest was op Nelson House. En onder die japon, die ternauwernood tot
over haar knieën reikte—Nepeese had heelemaal vergeten welke lengte ze
hebben moest, of anders had zij te weinig stof gehad—stak de _coupe de
maître_ van haar toilet uit, echte kousen en de prachtige schoentjes met
hooge hakken!
Nepeese was een visioen, bij het zien waarvan de boschgoden in
verrukking geweest zouden zijn. Pierrot draaide haar om en om, zonder
een woord te zeggen, al maar glimlachend. Maar toen zij hem verliet, een
beetje kreupel loopend door de nauwsluitendheid van haar schoenen, door
Baree gevolgd, werd die glimlach van zijn gelaat weggevaagd en was dit
bleek en strak.
„_Mon Dieu!_” prevelde hij, met een gedachte, die hem pijn deed. „Zij is
niet van haar moeders bloed—neen. Zij is Fransch. Zij ziet er uit als
een—als een engel.”
Er was een verandering over Pierrot gekomen. Gedurende de drie dagen
waarin zij aan haar japon naaide, was Nepeese te opgewonden geweest
om deze verandering te bemerken en Pierrot had zijn best gedaan, haar
voor haar verborgen te houden. Hij was tien dagen weggebleven op
zijn uitstapje naar Lac Bain en hij had Nepeese het heuglijk nieuws
meegebracht, dat M'sieu Mc Taggart heel ziek was van de _pechipoo_—de
bloedvergiftiging—nieuws, waarover de Wilg van blijdschap in de handen
geklapt had. Maar hij wist, dat de agent beterende was en dat hij weer
terug zou komen in hun hut bij den Grijzen Fuut. En als hij nu kwam—
Het was deze gedachte, die hem zoo ongerust deed kijken. En hij kon haar
niet van zich afzetten op dezen dag, terwijl haar lach tot hem kwam als
een vogellied. _Dieu!_ In weerwil van haar zeventien jaren was zij nog
heelemaal een kind! Zij kon zijn vreeselijke visioenen niet vermoeden.
En de vrees, haar voor altijd op te wekken uit die mooie kinderdroomen,
weerhield hem, haar de heele waarheid te vertellen, zoodat zij alles zou
begrijpen. Neen,—dat zou niet gebeuren. Zijn ziel was vervuld van een
groote, zachte liefde voor haar. Hij, Pierrot Du Quesne, zou over haar
waken. En zij zou lachen, en zingen, en spelen en geen deel hebben aan
de zwarte voorgevoelens, die zijn leven kwamen bederven.
Vandaag kwam uit het zuiden Mac Donald, de Gouvernements-kaartenmaker.
Hij was een grijze man, met een frisschen lach en een rein hart. Twee
dagen bleef hij bij Pierrot. Hij vertelde Nepeese over zijn dochters,
thuis; over haar moeder, wie hij een grooter vereering toedroeg, dan
welk schepsel ook ter wereld; en voor hij terugkeerde van zijn onderzoek
naar den groei van een zekere dennensoort, nam hij fotografieën van de
Wilg, zooals hij haar voor het eerst gezien had op haar verjaardag, met
hoog kapsel, de roode japon en de hooggehakte schoentjes. Hij nam de
negatieven met zich mee en beloofde Pierrot, dat hij er hem op de een of
andere wijze een afdruk van zou laten bezorgen. Aldus gaat het Lot te
werk, op zijn zonderlinge en oogenschijnlijk onschuldige wijze, terwijl
het web van zijn tragediën gespannen wordt.
Er volgden nu weken van kalmte en rust bij den Grijzen Fuut. Het waren
heerlijke dagen voor Baree. In het begin was hij achterdochtig tegenover
Pierrot. Na een poosje duldde hij hem en eindelijk begon hij hem te
beschouwen als een deel van de hut en van Nepeese. Hij werd letterlijk
de schaduw van de Wilg. Pierrot merkte deze aanhankelijkheid met groote
voldoening op.
„Ah! nog maar een paar maanden—als hij dan M'sieu den agent naar de
keel vloog!” prevelde hij op zekeren dag.
In September, toen hij zes maanden oud was, was Baree bijna even groot
als Wolvin—zijn beendergestel was zwaar, zijn slagtanden lang, zijn
borst breed, en met zijn kaken kon hij een been verbrijzelen alsof
het een stok was. Nepeese bewoog zich nooit zonder dat hij bij haar
was. Zij zwommen samen in de twee poelen—den poel in het bosch en den
poel tusschen de rotsige wanden van de kloof. In het begin was Baree
geschrokken als Nepeese van de rots sprong, waarvan zij Mc Taggart naar
beneden had geduwd, maar na afloop van een maand had zij hem geleerd,
haar na te springen. Laat in Augustus zag Baree voor het eerst leden van
zijn eigen geslacht, buiten Kazan en Wolvin. Gedurende den zomer liet
Pierrot zijn honden vrij rondloopen op een eilandje, in het midden van
een meer, twee of drie mijlen verwijderd, en twee keer per week zette
hij zijn netten uit om visch voor hen te vangen. Nepeese vergezelde hem
op een van deze uitstapjes en nam Baree mee. Pierrot droeg zijn lange
kariboedarmzweep. Hij verwachtte een gevecht. Maar er kwam er geen.
Baree vloog met den troep mee op de visch af en at met hen mee. Dit
beviel Pierrot.
„Hij zal een pracht v
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/48554