Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum
by E. J. Potgieter · Dutch · Gutenberg #48384 · 403,798 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum
Author: E. J. Potgieter
Editor: Lion Simons
Release date: February 28, 2015 [eBook #48384]
Most recently updated: October 24, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/48384
Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JAN, JANNETJE EN HUN JONGSTE KIND—HET RIJKSMUSEUM ***
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
| hernummerd en verplaatst naar het eind van de alinea met de |
| verwijzing. De aantekeningen zijn hernoemd en hernummerd. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven |
| als _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |
| ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. De kantlijnnoten zijn |
| verplaatst naar de lopende tekst en weergegeven als {noot}. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: |
| o.a. met/zonder accent, met/zonder koppelteken, met/zonder |
| extra spatie, lopende tekst vs. voetnoten/aantekeningen. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
| e-boek op https://www.gutenberg.org/ |
| |
+----------------------------------------------------------------+
POTGIETER I
[Illustratie: E. J. POTGIETER.
1808–1875.]
NEDERLANDSCHE
BIBLIOTHEEK
ONDER·LEIDING·VAN·L·SIMONS
E. J. POTGIETER.
JAN, JANNETJE EN
HUN JONGSTE KIND
HET RIJKSMUSEUM
Met Inleiding en Aanteekeningen van L. S.
en vier-en-veertig afbeeldingen
[Decoratieve illustratie]
2e Druk.
UITGEGEVEN·DOOR·DE
MAATSCHAPPIJ·VOOR
GOEDE·EN·GOEDKOOPE
LECTUUR—AMSTERDAM
INHOUD:
L. S. TOT INLEIDING 5
#Jan, Jannetje en hun jongste kind.# 19
AANTEEKENINGEN OP ID. DOOR L. S. 57
#Het Rijksmuseum.# 65
AANTEEKENINGEN OP ID. 205
#Gedichten# door Potgieter aangehaald:
C. HUYGENS: _Scheepspraet_ 225
P. C. HOOFT: _Heilige Venus_ 227
_Galathea_ 228
_Rozemondt, hoor di_ 229
_Klaare wat heeft er_ 230
_Klachte der Princesse van Oranje_ 231
JOOST V. D. VONDEL: Fragment uit _Geboorteklock van Prince
Willem II_ 233
_Huig de Groot's Verlossing_ 235
_Wellekomst van H. de Groot_ 236
Uit: _Roskam_ (op P. C. HOOFT) 238
_Klinkert_ op de reize van den Hoornschen
meerman W. C. SCHOUTEN(1618) 239
Uit: _Lof der Zeevaart_ voor LOURENS REAAL(1618) 240
_Vrye Zeevaart_ voor M. H. TROMP 241
_Konstantyntje (Kinderlyk)_ 243
_Kerstlied_ 243
_Oprechtste Trouw_ (Reizang uit _Gysbreght v.
Aemstel_) 245
_De Monsters onzer Eeuw_ 247
_De Ridderschap van Amsterdam_ 248
BEREDENEERDE LIJST VAN AFBEELDINGEN 249
TOT INLEIDING.
Dat Potgieter en zijn werk, hoe weinig ~populair~ beide ook lijken
mogen, te eeniger tijd in den wijden kring der lezers van onze
bibliotheek moesten worden ingeleid, stond al van haar stichting
af bij mij vast. Doch zooveel staat er mede op de lijst mijner
eigen uitgeef-verlangens, en „alle ding zijn beurt” is ook voor mij
onvermijdelijke wet!
Nu echter komt die beurt eener openbare herdenking aan den stichter
van „De Gids,” aan hem, die zelf in onze 19e eeuw gids geweest is voor
velen, en die dit ook geweest is voor mij. Wij allen vinden in onze
groei-jaren, terwijl zoovele opvoeders, onderwijzers, leeraren zich
met ons bemoeien, schier altijd buiten dien kring een of meerderen,
dichters, denkers, schrijvers, binnen wier aantrekkingsmacht we
geraken en die dan grooter invloed op ons gaan oefenen dan de
meesten onzer officieele vormers. En ik kan niet terugdenken aan
mijn burgerscholier-jaren, of onder de mannen in wier geest ik me
gevangen voelde, zie ik Potgieter voor me herleven, Potgieter, den
stoeren en sterken vaderlander; Potgieter, den bewonderaar van onze
zeventiende eeuw; Potgieter, den schrijver wiens stijl den geest lenig
maakte en wiens gevoelswarmte diep innig gloeide onder den ruigen
korst;—Potgieter, den vijand van Jan Salie. Als navolging tuigen mag
van verkregen invloed—de eerste pennevrucht die ik, op 18-jarigen
leeftijd, mocht doen drukken, was geheel ingegeven door zijn „Jan,
Jannetje en hun jongste kind,” een satyriek betoog dat Jan Salie aan
zijn hofje ontkomen was![1]—En als ik, sintsdien iets heb mogen
bijdragen, in geschrift, in woord en daad, om onze volksslofheid te
keeren en onze volkskracht te verhoogen,—de inspiratie in mijn jonge
jaren van den „dege degelijkste” onzer 19e eeuwers ontvangen, mag zich
een goed deel daarvan toerekenen.
[1] In het tijdschrift ~Nederland~ van 1881, onder pseudoniem
LEONIDAS: „~Jan Salie is los~.”
En 't is daarom dat ik mezelf zoo gaarne de taak stelde, dezen bundel
bij onze lezers in te leiden, en hem te geven wat hij, buiten Potgieters
eigen werk, scheen te vragen—
* * * * *
Dat was, allereerst, een poging om den mensch en den schrijver in korte
trekken te teekenen, vooral gelijk ze zich voordoen in zijn beide
stukken, die hier volgen.
In zekeren zin: overbodige arbeid, want èn de mensch èn de schrijver
groeien er heel sterk voor ons uit. In het Rijksmuseum wandelend, dat
toen nog de kleine verzameling in ons Trippenhuis was, (386 nummers
telde de catalogus!) maar waarin toch ook al een kern van meesterstukken
hing, heeft Potgieter zich niet allereerst geboeid gevoeld door de
schoonheid, die er van hen uitstraalde, doch door hun inhoud. Juister
gezegd, het waren niet eerst schoonheidsontroeringen die zij in hem
wekten, doch aandoeningen van geestelijken aard, die hun voorstellingen
in hem gaande maakten. Hij wandelde er rond en in zijn nog jonge
brein—hij was eerst 36 jaren toen hij dit stuk schreef—droeg hij al
bij zich een schat van verworven kennis van hollands oud leven, van
hollands geschiedenis, van hollands dichtkunst der 16e en 17e eeuw; een
beeld van het voorgeslacht dat een ~droom~beeld was van stoer en kleurig
leven, van een ontwikkeldheid van „alle krachten en gaven.” En zijn
wandelingen in dat museum waren hem aanvullingen en versterkingen van
dat beeld; hij kwam er de mannen en vrouwen aanschouwen van wie,
omtrent wie, hij gelezen had, en zijn vertoeven aldaar werd hem tot
een verrijzenis van heel dit verstorven en betreurde verleden.
En kwam hij er uit, naar buiten—dan ontmoette hij er nog al te zeer
de lauwe, slappe lucht, die het tijdperk van 1815–1830 bij ons te
lande gekenmerkt had; die wèl, tijdens de worsteling met België, door
wat frisscher wind verjaagd scheen, maar die weer, toen de korte
opleving had uitgeleefd, door sterke apathie vervangen leek. „De jaren
(van 1815–1835) kenmerkten zich,” schrijft ~Jonckbloet~[2] „door een
treurig gebrek aan zelfstandigheid en pit, door oppervlakkigheid en
karakterloosheid”—„lauwheid en flauwheid kenmerkten ook nog een groot
deel van deze periode.”—En zoowel ~Groen van Prinsterer~ als ~Van
Lennep~ spreken van de grootspraak en de zelfverheffing, die ondanks
die vadzigheid en volgzaamheid heerschten, terwijl ~Thorbecke~
aan den eerste in 1831 eveneens over de ijdele zelfverheffing
klaagde.[3]—~Helmers~ in zijn „Hollandsche Natie” had dien zeepbel
aangeblazen; tal van nog mindere dichters bliezen niets stevigers. De
geliefkoosde kanselredenaar was de altijd gematigde en vlakke ~v. d.
Palm~, wiens „goedige stijl” door ~Geel~ was gehekeld; de geliefkoosde
romanschrijver onze zeker wel onderhoudende doch al heel ondiepe ~Van
Lennep~. Van de 17e-eeuwers was ~Cats~ nog altijd 't meest in tel, en
zelfs ~Staring~ had te veel pit om, ofschoon 19e-eeuwer, bijzonder te
worden gelezen. Zeker, er was velerlei reactie tegen al die slapheid,
sufheid, zelfgenoegzaamheid in geboorte. „De Gids,” in 1836 vooral
door ~Potgieter~ gesticht, was er éen centrum van; ~Bilderdijk~'s
volgelingen vormden een ander; ~Thorbecke~ een ander; aan onze
Hoogescholen begon het licht der nieuwere Godgeleerdheid en van het
wetenschappelijk bijbelonderzoek te dagen; ook met ~Matthijs de Vries~
en ~Jonckbloet~ de wetenschappelijke studie van taal en letterkunde te
ontkiemen. ~Aernout Drost~ en mejuffrouw ~Toussaint~ zouden een dieperen
en kleuriger historischen roman vooral uit de 16e en 17e eeuw geven;
~Beets~ en ~Kneppelhout~ een frisscher humor doen kennen; ~Bakhuizen
van den Brink~ de geschiedbeoefening tot wetenschap en kunst tevens
verheffen; ~Potgieter~ zelf zou niet ophouden tegen de slappe
onbeduidendheid zijner tijdgenooten de dege degelijkheid te stellen
„waaraan wij ons volksbestaan, onzen volksrijkdom, onzen volksroem,
onze volksdeugden verpligt zijn,”—en dat immers ook het beginsel der
Gidsredactie was „waarvan zij in het ~afbreken~ en in het ~opbouwen~
beide uitging.”[4]—Hij zou ijveren tegen „bekrompen kieschheid,” die
„zich ergert aan de waarheid der 17e eeuwsche voorstellingen!” hij zou
blijven pleiten voor die „ontwikkeling aller gaven van den menschelijken
geest, onder den invloed der beide geniussen, die hem wieken bedeelen:
~vrijheid~ en ~vroomheid~.”[5]
[2] Jonckbloet. Geschiedenis der Ned. Lett. 19e Eeuw, 1e deel; 340.
[3] Aangehaald bij idem; 342.
[4] Potgieter over Huygens' „Cluyswerk.”
[5] Id.
* * * * *
En daar hebt ge, in enkele toetsen, den man zelf voor u; den man
die ~Cats~ verwierp, om de vlakheid en slapheid van zijn geest; die
de kernige kortheid van ~Huygens~' beeldende taal prees als een
geneesmiddel tegen populaire lamzaligheid, voortgekomen als hij die
kernigheid oordeelde uit liefde tot studie, uit een hoog begrip van
kunst. De man die ~Huygens~ boven ~Cats~ verhief om het steviger
ruggemerg van zijn karakter, om de inniger oprechtheid van zijn
ruime vroomheid. Al wat slap, al wat half, al wat bekrompen, al wat
kleinzielig was, vond een stoeren vijand in dezen Gids, die zijn volk
wilde leiden uit het enge kringetje van zijn dijkenland naar een ruimer
wereld, en tegelijk geen enkelen lofredenaar op dat volk iets toegaf
in warme waardeering voor al wat het geweest ~was~. De glorie van
onzen ~gouden~ eeuw, geen ander heeft haar zoo sterk gezien, heeft
haar zoo devotelijk aanbeden als ~Potgieter~. Maar bij hem was die
vereering allereerst spoor tot ernstige studie; wat haar dichters, haar
reisjournalen, haar geschiedschrijvers hadden nagelaten, kende hij, en
indien hij het beeld van haar grootheid en kracht al vermooide, het was
niet om zich zelf en zijn landgenooten te sterken in een ijdel zich
vergapen er aan, en verheffen er op; integendeel om ze te sterker te
doordringen van eigen kleinheid, om hun te feller prikkel in het bloed
te jagen tot het weer bereiken, althans voor een deel, van de hoogte
waarop hij het voorgeslacht zag staan.—
En niet alleen hun hoogte. Ook hun genieten van de volheid des levens.
Geestelijk sterke als hij was, heeft ~Potgieter~ echter nooit in het
vergeestelijken van het leven alléén eenig heil gezien. De robuste
zinnelijkheid van het voorgeslacht, hun vermogen om de levensvreugd te
genieten trokken hem, die nooit gehuwd, en nooit sterk verliefd schijnt
geweest te zijn, niet minder aan dan hun denken en doen. „Ontwikkeling
van ~alle~ krachten en gaven,” de lijfspreuk die ge in de twee volgende
stukken herhaaldelijk ontmoeten zult, was immers de hunne geweest.—Hij
mocht de dartelheid van hun minneliedjes en klucht, den openen
werkelijkheidszin hunner taveerne-schilders er te liever om, omdat zij
de kunst verstaan hadden dien levenslust te paren aan hun vroomheid,
en deze aldus schoon te houden van lateren femelzucht; omdat zij de
vrijheid in de zelfontwikkeling hadden weten te vereenigen met de
gebondenheid aan een hoogere wet, die de kern en het wezen aller
echte vroomheid zijn moest. Blijheid en gemoedsdiepte; kracht en
gevoel, hadden zij ze niet tot die hoogere eenheid samengesmolten, die
~Potgieter~ voor zich zelf vond?—En indien wij thans nuchterder kijk
hebben op veel van dat 17e eeuwsche leven, en tot de ontdekking komen,
dat ~Potgieter~ veel er in ~anders~ zag dan koele observatie thans
heeft doen kennen, dan winnen we, hetgeen we aan de 17e eeuw verliezen,
in hem terug. Want dat beeld, dat hij van háár ontwierp, was immers
spiegelbeeld van zijn eigen innerlijkheid!—
* * * * *
~Potgieter~, tot 1865 redacteur gebleven van ~De Gids~; toen—in
ridderlijkheid partij-trekkend voor zijn jongeren vriend ~Busken
Huet~—het geliefde tijdschrift moedig verlatend, heeft er in die dertig
jaren tal van artikelen, kritieken, verhalen en gedichten in gegeven;
heeft ook na dien tijd tot zijn dood, in 1876, nog geschreven, en zijn
letterkundige nalatenschap is dan ook aller-belangrijkst, al heeft hij
feitelijk, behalve zijn uitvoerig gedicht ~Florence~, geen werk van
grooten omvang voltooid. Zijn tijdgenooten en vrienden, ~Zimmerman~,
~Beets~ en ~Huet~, hebben persoonlijke herinneringen aan hem uitgegeven;
en onder de jongeren hebben de heeren ~Groenewegen~ en ~Albert Verwey~
het hunne gedaan, om hem bekend te maken en meer lezers tot hem te
brengen. Dat hun dit ruim gelukt is, zou ik ganschelijk niet durven
zeggen. Schrijvers als ~Potgieter~ moeten eenmaal tevreden zijn met een
kleiner kring van lezers dan aan een ~Van Lennep~ ten deel kan vallen.
Al wat hij weet, al wat hij doordacht en ervaren heeft, heeft deel aan
de geboorte van zijn geschriften en in het neerschrijven werkt het
instrument van zijn geest als een eigenaardige zeef, die het gladde en
kleinere achterlaat, en alleen het kernige, gekartelde, gemarkeerde,
stevige, doorgang gunt naar het papier. Ik heb straks al een paar
woorden aangehaald uit zijn verdediging van ~Huygens~' kernachtigheid,
ik zou de geheele passage even willen overnemen, omdat ze zoo sterk
~Potgieters~ eigen schrijfwijze kenschetst:[6]
[6] Kritische Studien: ~Huygens' Cluyswerck~.
„Men ziet het—de duisterste onzer dichters (Huygens is er niet zelden
voor uitgekreten) behoorde tot die zangers, welke hunne uitdrukking
zorgvuldig wogen en lang overpeinsden. Maar waartoe toch, vraagt men
welligt—en de school van ~Cats~ vroeg het in de dagen van Constantyn,
en de middelmatigheid bauwt het haar in onze dagen na—waartoe dat
streven naar het kernige en korte? Waarom van den lezer zooveel moeite
geëischt, als de oplettendheid waarop Huygens aanspraak maakt, het
nadenken, waartoe Huygens verpligt, (ook) de studie, welke Huygens
vergt, in zich sluit?—Eer wij antwoorden, vergunne men ons de
opmerking, dat alle stijl ter wereld bijwijlen aan overdrijving lijdt;
dat ieders trant soms in manier ontaardt; dat elke overdrijving, iedere
~manier~ afkeuring verdient. Niemand zal dus verwachten, dat wij Huygens
in onze bescherming zullen nemen, waar hij aan deze euvelen hinkt.
Alles, wat wij ter vergoelijking zijner gebreken hebben in te brengen,
nadat wij van zijne duisterheid hebben afgeschreven wat op rekening der
~verouderde taal~, wat ~vooral op die van den gewijzigden kunstsmaak~
moet worden gebracht, wat is het anders dan dat zij ons minder dan die
der populaire lamzaligheid stuiten, ~dewijl het beginsel, uit welks
verkeerde toepassing zij geboren werden, ook nog in de verbastering
eerbied eischt~?—Het was liefde tot studie; het was een hoog begrip van
kunst!”—
Ook als wij Potgieter lezen, hebben wij, begin 20e-eeuwers, wel wat
op rekening van verouderde taal en van gewijzigden kunstsmaak af te
schrijven! (herkent ge in de uitdrukking den koopman niet?) Wij denken
er niet meer aan, de aanvoegende wijs deftiglijk te gebruiken; iemand
sprekend in te voeren, en hem te laten zeggen: „denk niet dat ik er
mijn beroep om smade,”—„De kroone des wouds,” „vooral dewijl ik” zijn
uitdrukkingswijzen, wier deftigheid ons afschrikt. Maar geheel de
trant van een betoog, als ik hier boven afschreef, zijn we immers
ontgroeid!—We zouden den gedachtengang, dien ik 't laatst spatiëerde,
eer aldus uitdrukken: „Maar zijn gebreken hinderen ons minder dan die
van de populaire lamzaligheid, omdat de liefde tot studie en 't hoog
begrip van kunst, waaruit zij voortsproten, waardeering blijven vragen,
ook waar zij, te ver doorgevoerd, in verbastering ontaarden.”—Mijn
omschrijving, intusschen, behoeft ge slechts met P's volzinnen te
vergelijken om te bemerken dat haar 't rethorische rithmus vreemd
is, waar de zijnen op golven. Het plechtstatig-indirecte, het
beeldsprakig-omschrijvende, het grammaticaal-omslachtige van P's
zegswijze was eenmaal èn het vers èn het proza van zijn tijd eigen. Wat
hem moeilijker leesbaar maakt dan zijn tijdgenooten is vooral dat hij,
indirect schrijvend en dus ~doelend~ zonder te ~noemen~, ons in het
nadeel stelt van zijn veelwetenschap en kennis, en we niet altijd raden
kunnen wàt hij beoogde, en wat van zijn beschrijving het betuurde
middelpunt—voorwerp of gedachte—was. Vooral in zijn twee hier gekozen
stukken, waaraan heel zijn kennis der 16e en 17e eeuw ten grondslag
ligt, is dat menigmaal het geval, en ik wil wel bekennen, dat het
mij, bij het neerschrijven der aanteekeningen, meermalen was of ik
raadseltjes te ontcijferen had. Doch als dit wat moeite vergt—er is
zekere genoegdoening in het ontschild-~hebben~ van een noot, zoo de
vrucht maar goed blijkt. En wat ~Potgieter~ ons te zeggen had, is de
moeite van een rustig-ontschillen waard. Heeft men eenmaal het geheim
van zijn trant te pakken, dan is de vreemdigheid ook wel spoedig
overwonnen!—
* * * * *
Na deze algemeene opmerkingen zullen een paar over de twee werken zelf
moeten volgen. Aanvankelijk lag, laat ik het vooropstellen, alleen het
geven van een geïllustreerde uitgaaf van het ~Rijksmuseum~ in het door
een onzer abonnés geopperde plan. Maar de allegorie van
JAN, JANNETJE EN HUN JONGSTE KIND,
op oudejaarsavond van 1841 geschreven, is zoozeer het praeludium tot het
langere opstel geweest,—dat ik toch eigenlijk niet kon nalaten haar
te doen voorafgaan. Jan en Jannetje—dat zijn de figuren, waarin P.
zich ons Holland uitbeeldt, vader en moeder van een talrijk kroost. De
figuratie lag als voor de hand voor zulk een goed kenner van onze taal
als Potgieter. We kennen immers allen ~Janmaat~ en ~Jan Compagnie~; we
kennen ~Jan Hen~, ~Janhagel~, ~Jankalebas~, ~Jan Klaassen~, en al in de
17e eeuw immers had W. D. Hooft in zijn ~klucht~ van ~Jan Sali~ dezen
naam tot kenschets van een sukkel gebruikt! ~Potgieter~ had de groep
maar te voltooien—en hij deed het met vernuft, met valsch vernuft ook
wel (maar dat is de verleiding van het genre!) en, vooral, hij deed
het met den zin van den kleurrijken schrijver, die oud-hollandsche
binnenhuizen met de pen weet te schilderen, en uit het gemoed van èen,
die Jan en Jannetje hartelijk liefhad, en die in Jan Salie hun en zijn
ergsten vijand wist. Alles heeft de sukkel, de machtelooze, de durfniet
voor Jan en de zijnen bedorven: Jan's macht ter land en ter zee; Jan's
handels- en ondernemingslust; Jan's open levenszin, Jan's letterkunde,
Jan's tooneel, Jan's kunst—en hartgrondig moet het er uit: „Ik schaam
me dat ik zijn vader ben!—Moeder, morgen moet Jan Salie naar een
hofje!”—We zien de vergelijking tusschen de 17e en de 18e en 19e
eeuw, die het eigenlijke thema voor het Rijksmuseum zal worden, al
in de kiemen zich ontwikkelen; naar Vondels zegswijze is 't, of in
deze oudejaarsbespiegeling: „het zaad voor het toekomende (stuk) is
gezaaid!”—Vooral de kennis en waardeering van Vondel, Hooft en Huygens
boven Cats, straks zoo uitvoerig uit te werken, gaan al spreken. Als we
nu Cats hebben leeren vergeten, Huygens waardeeren, van Hooft en Vondel
genieten—we hebben er zeker niet weinig Potgieter voor te danken, al
meten we weer onzen afstand van hèm er aan, dat alleen-kernigheid en
vroomheid, die samen hèm tot Huygens trokken, òns minder zeggen dan
Hoofts gevoelige beeld-taal, dan Vondels grootmogendheid over taal,
gevoel, verbeelding.—
HET RIJKSMUSEUM.
De oudejaarsavond-toespraak, de oudejaarsavond-toost, de
oudejaarsavond-uitbanning van 1841 hebben zoo spoedig niet gewerkt;
Jan Salie loopt in 1844 nog rond—(hij deed 't nog in 1880, doet
hij 't niet ook nog nu?)—Andermaal moet dus de slappe tijdgenoot
opgestijfd worden tot sterkte, en losgerukt uit de begoocheling van
zijn zelfgenoegzaamheid door een vergelijking met de stevigheid van
het voorgeslacht. Nu echter niet in een figuratief stuk—direct op
den man af. En statig, als bij het gedroomde Rijksmuseum past, dat
Potgieter niet voltooid zou zien, begint het: „Er was een tijd, waarin
de weegschaal der volkeren van Europa door hare vorsten niet werd
ter hand genomen, of de hollandsche maagd, aan hunne zijde op het
regtsgestoelte gezeten, wierp er mede haar oorlogszwaard of haren
olijftak in.”—Ge voelt, aldus aangesproken, iets vreemd over u komen;
onze welsprekendheid heeft de deftigheid, de beeldsprakigheid van zulk
een uitgevoerde figuratie afgelegd, we hebben ~alle~ welsprekendheid,
~alle~ deftigheid van ons afgeworpen, zooals we de historische
schilderij, door Potgieter de hoogste openbaring der schilderkunst
geacht, hebben vaarwel gezegd; zooals we, in de schilderkunst, in het
geheel de zorgvuldige uitvoerigheid van nog 40, 50 jaar geleden hebben
verzaakt, in onze behoefte om de bewegelijkheid, de gevoeligheid, de
door zon-en-licht-gebrokenheid van lijnen, kleuren en tonen weer te
geven. De onrust van ons leven, de prikkelbaarheid van onze zenuwen,
de gevoeligheid voor overgangen, halftonen en tinten, die we in ons
gekweekt hebben, verdraagt zich slecht met de strakheid, de vastheid, de
intellectueele stevigheid van vroegere uiting, wier rythmische zwaai zoo
ruim ~over~ de dingen heengaat, dat alle onmiddelijkheid van zegging,
alle gevoeligheid van toets er vreemd aan moet blijven.—Het is of we,
deze perioden van Potgieter lezend, onder vreemd gezelschap staan; veel
vreemder dan dat van de 17e-eeuwers en zelfs van middeleeuwers. Vondels
proza, als ge even aan zijn uitdrukkingen gewend zijt, doet u veel
inniger aan dan dat van de eerste helft der 19e eeuw, en dat Potgieter
het zijne zooveel archaïstische wendingen geeft, maakt dit niet lichter
aansprakelijk. Maar ten slotte heeft elk tijdperk en elk groot auteur
zijn ~manier~,—over de schrijfwijze der „modernen” schudden nog altijd
ouderen van dagen het hoofd—en de les, die onze studie van vroegere
tijdperken ons geleerd heeft, is immers juist déze: dóor die manier tot
het ~wezen~ van den kunstenaar en van zijn werk door te dringen. Wie het
't ~Rijksmuseum~ van ~Potgieter~ doet, nu gewaarschuwd voor wat hem te
wachten staat, zal zich dat doordringen waarlijk niet beklagen. Ik heb
beproefd hem met mijn aanteekeningen, en aanhalingen vooral, op den weg
te helpen, waar P. wat al te veel van onze kennis veronderstelt in zijn
fantaiseeren over onze historie, over en bij schilderijen, en zijn
streven dit vooral in zulk een schrijfwijze te doen, die meest zou
afwijken van het gewone.
* * * * *
Een woord hier over het ~Rijksmuseum~ zelf.—
Wat Potgieter als zoodanig kende was de stichting van Koning Lodewijk
Napoleon in 1808, later verplaatst en aangevuld. Het ~Groot Koninklijk
Museum~, door dezen bij besluit van 21 April van dat jaar gegrond,
vond aanvankelijk berging in het Koninklijk Paleis op den Dam en
bestond uit 65 schilderijen in dat jaar te Rotterdam aangekocht; 225
stukken, afkomstig uit het kabinet van Prins Willem V en in 1798 in
den Haag in het „Nationaal Museum” aldaar geplaatst, bovenal 7 groote
doeken, afgestaan door de stad Amsterdam, w. o. de Nachtwacht, de
Schuttersmaaltijd, de Staalmeesters, het groote Schuttersfeest van
Govert Flinck. Een jaar later werd een verzameling van niet minder den
137 „meerendeels uitnemende” schilderijen (kabinet van Heteren) en nog
7 stuks van Mevr. Bicker aangekocht. Daarna was er een stilstand en
werd in 1815 de geheele verzameling naar het Trippenhuis overgebracht,
waar zij bleef tot 1885, toen het nieuwe museum geopend werd. Tusschen
1815 en 1844, het oogenblik waarop Potgieter er ons rondleidt, was de
verzameling door aankoopen en ruilingen niet onbelangrijk versterkt (ook
door enkele verkoopen verzwakt), althans tot 1830; want daarna vergde de
Belgische worsteling te veel van 's lands middelen om voor „kunst” wat
te kunnen besteden.—
De catalogus van 1844 telde dus, als straks al vermeld, 386 nummers,
tegen de ruim 3000, welke die van 1907 noemt.—Maar niet alleen dat
Potgieter er, voor zijn doel, afbeeldingen en voorstellingen miste, die
er sintsdien ruimschoots te vinden zijn, er is ook wel wat verschil
gekomen in de toeschrijving der werken van bepaalde schilders of de
omschrijving van de voorstelling en we kunnen, in ons beter weten
omtrent schilder of voorstelling, wel eens niet nalaten te glimlachen
om al wat P. uit zijn denkbeeldige stof haalde. Onze tegenwoordige
Catalogus, die op zooveel antwoord geeft wat Potgieter in dien van zijn
tijd miste, is omtrent dit alles onze gids.—In de elders geplaatste
lijst der door ons gereproduceerde werken vindt men de noodige
aanwijzingen.
* * * * *
Ten slot een woord over P's tekst en mijn ~Aanteekeningen~.
Ik heb—allereerst—bij het volgen van den gebruikelijken tekst,
mij de vrijheid veroorloofd, enkele blijkbare misschrijvingen en
drukfouten in het gedrukte te verbeteren zonder hiervan (dit is geen
filologen-uitgaaf!) precies rekenschap aan den lezer te geven.
Er bestaat van ~Jan Jannetje~ eene sterk-geannoteerde uitgaaf in de
Zwolsche Herdrukken van den heer ~J. J. Bosch~, waarheen zij, die niet
alleen maar even willen weten waarop P. doelde, maar ook er graag
~alles~ van vernemen, door mij werden verwezen. Zelf heb ik hier en
daar ook van zijn vondsten geprofiteerd; voor het overige moest ik, van
zelf sprekend, tenzij waar ik een afwijking vond of ander inzicht had,
tot gelijke uitkomsten raken. Ik heb evenwel niet alleen bij beide
stukken het stelsel gevolgd van de aanteekeningen zoo beknopt mogelijk
te houden, ik heb ze ook beperkt tot die plaatsen, die m. i. absoluut
een opheldering vroegen. Natuurlijk zal ik daarbij voor den éenen
lezer toch te veel, voor een ander te weinig gegeven hebben; laat ik
hopen de waarheid niet al te ver uit het midden gezocht te hebben. Al
proefverbeterend heb ik trouwens nog hier en daar niet kunnen nalaten
een noot, met een sterretje, tusschen de andere te voegen. Waar ik wèl
uitvoerig mee geweest ben, is de aanhaling van door ~Potgieter~ vermelde
gedichten. Deze zijn niet minder noodig ter illustreering van zijn proza
als de weergegeven schilderstukken; waar hij echter van zeer uitvoerige
gedichten als van ~Cats~' ~Houwelyck~ en ~Vondel~'s ~Lof der Zeevaert~
gewaagde, moest ik natuurlijk van overneming afzien.
Voor de illustreering van dit werk heb ik hulp genoten van den heer
Directeur en Onder-Directeur van ons Rijksmuseum (de laatste vooral
heeft zich allervriendelijkst veel moeite gegeven) en van beide
dignitarissen van 's Rijks Prentenkabinet; voor het oplossen van
eenige aanteekening-raadsels was Prof. Brugmans zoo vriendelijk den
secretaris onzer redactie, die enkele zeer tijdroovende onderzoekingen
voor mij instelde, de noodige aanwijzingen te geven, terwijl ik den
heer P. H. Mulder te Utrecht voor eenige aanduidingen omtrent den tekst
van ~Het Rijksmuseum~ heb dank te weten. Het is mij aangenaam deze
hulpvaardigheid te mogen erkennen. Onze lezers danken er vollediger
arbeid aan, dan ik hun alleen had kunnen voorleggen.
L. SIMONS.
JAN, JANNETJE EN
HUN JONGSTE KIND
Jan, Jannetje en hun jongste kind.
En leer op nietwes staat te maken
Als 't geen in eigen krachten is.
O. Z. van Haren.
Oudejaars-avond heeft in ons vaderland het eigenaardige behouden, dat
weleer alles wat hollandsch was onderscheidde: hij is huiselijk en
degelijk. Ik mag Jan en Jannetje wel, op den laatsten December, bij het
invallen der schemering voor een groot vuur gezeten, in een vertrek
welks voorkomen ietwat feestelijk is;—ik mag het paar, dat met een
opgeruimd gelaat de komst van hunne kinderen en kleinkinderen verbeidt,
ten einde te zamen uitgang en ingang te vieren. Het pleegt een vroolijk
uur te zijn, maar dat een ernstig doel heeft. Laat vreemdelingen
beweren, dat er slechts halve vreugde heerscht, waar de lach uit tranen
schemert; als zij een beetje meer zin hadden voor onzen volksaard,
zouden zij er verstandelijke levensbeschouwing in zien, die over de
zwakheden des harten zegeviert. Doch ik laat dien verdedigenden toon
varen, hij strookt kwalijk met de stemming van het paar.
„Wat brui ik er me om, wat ze van mij zeggen?” zou mijn hoofdpersoon
mij toeroepen; immers Jan is in den laatsten tijd voor lof en voor
laster zoo onverschillig geworden, dat zij hem niet eens aan zijne koude
kleêren meer raken,—laat staan aan zijne onderziel.[J1]
En geen wonder!
Jan is zoo dikwijls opgehemeld, en Jan is zoo dikwijls uitgescholden,
dat hij eindelijk heeft leeren inzien, hoe hij barsten zou als de
kikvorsch, of de geelzucht krijgen als de nijd, indien hij eene hooge
borst ging zetten bij ieder:
„Aap, wat heb je mooije jongen!”
van zijne vrienden; of zich kwaad bloed wou maken, bij elk:
„Fij, wat een goore paai is dat!”
van zijne vijanden.
Het is mij of ik Jan in deze uur hoor redeneren, zittende in zijnen
leuningstoel, met de Courant van morgen, 1 Januarij 1842, vóór zich:
„Mijne talenten en mijne vernuften,—en ik heb er eene zoó onder mijne
jongens!—mijne verhandelaars en mijne dagbladschrijvers,—wie drommel
van beide zou wel de knapste wezen?—allemaal prijzen ze mij om het
zeerst, en dat hoort niet anders:—al lees ik ze niet, ik betaal ze
toch!”
„Wijfje!”—laat hij er op volgen,—„reik mij vast een' schoonen
Goudenaar uit die lâ, ik zal er den brand maar eens insteken. Wat komen
de kinderen weêr laat, het is al over achten! Het is waar, de Synode van
het jaar Zestien[J2] heeft ingevoerd, oudejaars-avond kerk te houden,—ge
hebt immers wel gezorgd, dat er tabak in de doos is?”
Jannetje knikt en reikt hem die toe, en hij stopt zijne pijp met
eene pruik,—eene verkwisting, welke zij Jan nooit heeft kunnen
afleeren,—en hij knort op de meid, die geen geglommen kooltje in het
komfoor bragt—eene huishoudelijkheid, die Jan eere aandoet,—en de lof
walmt weg als de damp, en laat als deze—~niets~ achter.
Maar hoe springt hij met den laster om?
„Hm! John Buhl,” zegt hij, „dien ik het minst vertrouw, als het zoo
mooi tusschen ons lijkt—hm! Hans Moff,” voegt hij er bij, (zou die
Courant hem weêr hebben geërgerd?) „Hans Moff, die doorslaat, nu hij
de bietekroten ~idealisirt~ hm! hm! hm! Monsieur ook al, wien het toch
heugen moest, hoe goed hij het hier had;[J3]—tot Jonathan toe, waratje!
die nog op geen New-York zoude bluffen, als ik geen Nieuw-Amsterdam had
aangelegd, allen geven ze mij steken onder en boven water, wat bliefje?
maar dat hoort ook zoo,—het is beter benijd dan beklaagd!... Een
boordevolletje, Mijne Heeren! maar, met uw verlof,—op mijn eigen
welzijn!”
„Wacht ge niet tot de kinders er zijn?” vraagt Jannetje.
„Wacht even,” roepen wij hem toe, „wij zullen gaarne medeklinken.”
Of zou er iemand onder de telgen Jan's wezen, die aarzelt hem
bescheid te doen, dewijl het hem toeschijnt, dat het ~Hoofd~ van onzen
~Volksstam~ geen kleintje, neen, verduiveld veel eigenliefde heeft; dat
de zelfzucht zoo ongeveer zijn tweede natuur is geworden? Hij zou Jan
onregt aandoen. Hij zou toonen ons aller bet-over-grootvader niet te
kennen. Hij zou mij in verzoeking brengen Jan's doopceel te ligten.
Waarom zou ik het niet doen? Hij behoeft zich zijne afkomst niet te
schamen, al overtreft hij zijne voorvaderen.
Niemand zette groote oogen op, wanneer ik hem vertel, dat Jan omstreeks
den jare Vijftienhonderd in de luijers lag, en echter heden ten dage als
een stevige zestiger nog fiksch op zijne koten staat.[J4] Hij is zoo
kloek gebouwd; hij is zoo breed van schouders; zijne knoken zijn zoo
forsch, dat tienmalen vijf jaren bij hem nauwelijks die verandering te
weeg brengen, welke eenmaal vijf op ieder onzer pleegt uit te oefenen.
Ik vrees zelfs, dat men hem zich ouder zal voorstellen dan hij inderdaad
is, als ik van over de zestig spreke; schoon Jan de wereld heeft
bekeken, Jan heeft zijne kuiten nog niet verloren: voor een ~Patertje
langs den kant~ zegt geen meisje „ba!” van hem. En wat zijne zaken
betreft, daarin geeft Jan het u en mij nog te doen; hij was de eerste
en de laatste in den winkel en op het kantoor, en schoon hij nu de
woeligheid over heeft gedaan aan zijne jongens, de rekening waaronder
hij „accoord” gezet heeft, komt uit „tot eenen penning;” zegt hij.
Spreekwoorden, aan centen ontleend, vallen nog niet in zijnen smaak.[J5]
„Dat bewijst den ouden dag,” hoor ik aanmerken; ik geef slechts toe,
dat hij den leeftijd lang voorbij is, waarin men overbescheiden,
overedelmoedig, overzelfverloochenend pleegt te wezen. Ik zou schier
durven beweren, dat Jan nooit zoo oud zou zijn geworden indien hij een
van deze drie ooit was geweest. Ik ga verder: ik geloof, dat Jan uit den
aard zou zijn geslagen, zoo hij immer zin had aan den dag gelegd voor
bleuheid, die zich zoo min weet te schatten als te doen gelden. Jan's
Vader, Jan's Ooms, al de verwanten van Jan hadden zaken uitstaan met
de Hertogen van Bourgondië, in wier wapen eer een leeuw dan een kruis
had gepast, daar zij dol veel van grijpen hielden en weinig van genade
wisten. En echter lieten de eenvoudige burgerluî van Jan's familie
zich hunne kaas en brood door die groote Heeren niet ontnemen, wat
ijzervreters ze in hunne rammelende harnassen ook zijn mogten.[J6]
„Zalig is hij, die zijn jok in zijne jeugd draagt!” zegt de Schrift;[J7]
er gaat geen kind op school, dat niet weet te vertellen, hoe zuur Jan
het had onder de voogdijschap van den Koning van Spanje! Ik zou het
hem ten goede houden, al was hij wat trotsch op de ontwikkeling van
zijn karakter in dien tijd. Of ge potlood en papier ter hand hadt, ik
schetste u hoe hij uit vrijën ging, in het schoone saizoen in een'
boeijer, maar met een paar stukjes geschut aan boord; in den barren
winter op schaatsen, maar met de geladen buks op zij; een flinke borst,
die gaarne allerlei gevaar trotseerde, om een uurtje met zijn liefje te
kouten. Een minder degelijk paar had, onder omstandigheden als de hunne,
het huwelijk uitgesteld, tot beiden te oud waren geworden, om zich naar
elkander te leeren schikken; maar welk een weêrga's wakker gezin was het
zijne, onder ongehoorden wederspoed! Zoo ooit jongeluî verdienden te
worden voortgeholpen, dan waren zij het—ik weet geen' grooter lof voor
beiden, dan dat Willem van Oranje er pleizier in vond dit te doen!
Een portret van Jannetje te leveren, zou een lust wezen, zoo het geene
meesterhand eischte. Om er echter niet schaakmat af te komen, moet men
de gaven van Rembrandt aan die van Rubbens paren. Ik wil wel gelooven,
dat er zulke witte raven vliegen; maar ik vrees niet, dat iemand zal
ontkennen, dat zij zeldzaam zijn. Immers, louter met het gloeijend
koloriet, louter door de tot overdaad toe weelderige vormen van den
vlaamschen meester, treft men Jannetje niet. Als ze gelijkend zal worden
voorgesteld, mag de nadenkende ernst van den hollandschen schilder bij
uitnemendheid, mag de rustige zielskracht, waardoor zijn beelden de
duisternis om hen heen verlichten, er niet aan ontbreken. Eene moeder
wordt echter het liefst in hare kinderen geprezen, en die hadden de
kloeke echtelingen bij de vleet; Jan genoot onder al zijne ellende den
zegen van Roemer Visscher:
Een vrolijck wijf en eerbaer bij desen,
Slapen dat de nacht schijnt kort te wesen.
En kijk hare dochteren maar eens aan, als gij weten wilt, hoe de deftige
matrone er in den bloei van vrolijk- en jolijkheid uitzag. „Mijne
kinders vallen tengerder dan ik plagt te wezen,” moge zij klagen;
smeltend noch smachtend hebben de oolijken niets van het teringzieke,
dat uit vreemde poëzij in de onze is overgewaaid, maar dat wij toch
niet mooi vinden dan in verzen![J8] Wat goedronde gezigtjes,—blank
als de sneeuw, welke ook de kleur der geestige kijkers moge zijn,—wat
gulgaauwe lach, als we regt kennis hebben gemaakt, en zij ons wild
woelwater schelden, schoon zij stouten schalk meenen. Welke ronde,
mollige armen; welk een ~zeebarichen~[J9] boezem, zoo als een dichter
harer jonkheid zeide;—een mooi woord, Venus zelve rees immers uit het
blanke schuim der golven op?—Jannetje ziet wel eens zuur, het is waar,
als zij al den vreemden opschik gâslaat, harer dochteren om „de teêre
leedjens bengelt;” Jannetje ziet nog zuurder als zij de piano hoort
rammelen en haar oor uitheemsche klanken vangt, in plaats van liedekens,
welke zij plagt te kwelen; Jannetje ziet allerzuurst, als zij in
het huis van een harer kinderen vreemde drempelmeiden[J10] ontmoet,
Brabandsche bonnes, Zwitsersche gouvernantes, Fransche floddermadammen,
doch dat gebeurt maar enkel, doorgaans is zij over hare dochters nog al
tevreden: hoe kan het anders! Orde, spaarzaamheid, liefhebberij in het
kraak-zindelijke, huiselijkheid, deernis met armoede, vroomheid, zij
heeft ze haar van kindsbeen af ingescherpt! Hoe zij verjongt als ze hare
eigene liefelijkheid herboren ziet in den schroom van eene aanvallige
bruid!—bruidstranen zijn een eigenaardig zwak van Jannetje—; in
het geluk eener jeugdige echtelinge!—het te huis is de hemel eener
hollandsche vrouw,—in de dankbaarheid eener zalige moeder!—Jannetje
plagt in hare jeugd bij de wieg in den Bijbel te lezen.—Hoe zij
verjongt, als eene wolk van gezondheid om hare knieën dartelt; eene
wolk, waaruit zij allerlei zoete stemmetjes: „grootemoê! grootemoê!”
hoort roepen.
„Vader!” vraagt ze nu—gevalt u de trouwhartige uitdrukking niet? Jan
heeft intusschen zijn glas geledigd, wél bekome het hem!—„Vader!”
vraagt zij, „hebben we een goed jaar gehad?”
Zij heeft er alle regt toe, zij, die hem het huis hielp bouwen!
„Als ik mijne koetjes niet vroeger op het drooge had gebragt,” antwoordt
hij, met een spreekwoord van zijne voorvaders, die kaasboeren waren,
„het zou me zwaar zijn gevallen, ze in Een en Veertig uit het water te
halen!”[J11]
„Wel, Vader!” herneemt de bezorgde huisvrouw.—„Ik zeî immers ~als~,
Moeder!” valt hij in, terwijl hij in de handen wrijft; „of hebt ge mij
donker zien kijken toen ik straks mijn grootboek eens doorliep? Rigt
dus te avond maar vrolijk aan, al zal het klokke twaalf de oude wensch
wezen: „Veel geld en weinig zonde!””
„Veel geld, Jan! we komen al op onze dagen!—als ge het nog om den wil
van onzen jongsten vroegt—[J12]”
„Oud, wijfje! de drommel is oud,—en zoo wij het goed stellen kunnen,
daar zijn er onder onze kinderen die het meer verdienen dan....”
Eer hij er bij kan voegen wat hij er bij denkt, komen eenige van deze de
deur in, en aan hun hoofd een der oudste zijner zonen;—als gij opmerkt
hoe hij zwalkt naar den haard, dan ziet ge, dat het hun eersteling, dat
het Janmaat is.
We hebben Jannetje straks in hare dochters geprezen; hooger lof komt
haar toe, dewijl ze in hare jeugd ook jongens flink wist op te fokken,
en kloek wist groot te brengen, schoon Jan drie vierde van het jaar met
den Prins te velde was. Echter moeten we er voor uit komen, dat zij met
dezen knaap weinig moeite had—Janmaat wiegde zich zelf. Zoodra hij
in de broek was gestoken, werd hij den rapste te rap af; „weêrgasche
dreumel!” plagt zijne moeder te zeggen, als zij hem 's ochtends uit had
zien gaan, en hem 's avonds weêrom zag komen, maar den ganschen dag
niets van hem had gehoord, „waar loop je toch?” En het antwoord was in
het eerst: „op het duin,” en werd allengs „aan het strand, Moeder!”—ik
weet niet of Jannetje het geloofde, want de borst bragt nooit iets
meê, zoo als andere jongens van zijne jaren deden; hij plukte geen
helmplanten, hij zocht geen schelpen—op ieder: „wat doe je er?” waarmeê
zij den zwerver plaagde, hernam hij: „ik kijk in zee!”—
En wat zag hij, al starende?
Het is me soms gebeurd—op het land, bij eene kronkeling des wegs, aan
den uitgang van een bosch, op den top van een' heuvel, een' opgeschoten'
knaap te verrassen, de blonde haren in den wind wuivende; de groote
oogen op het verschiet gevestigd; een' jongen, die niet gewaar werd dat
ik naderde, wien geen enkel voorwerp in de verte bepaald boeide, wiens
blikken dreven, zonder rust, zonder doel. „Hij ziet zijne toekomst voor
zich,” dacht ik dan in mij zelven, „hij wikt wat hij worden zal, zijn
strijd begint.”[J13] En noode weêrhield ik mij, bij iedere ontmoeting van
dien aard, met den wild vreemde een gesprek aan te knoopen, niet om hem
allerlei jammeren des levens te voorspellen, niet om hem toe te roepen:
„vriendlief! wat ge ook in het verschiet moogt zien, de sirenen duiken
nog niet op;”[J14] neen, ik wenschte het, dewijl ik mij zoo gaarne
verlustig in al den moed der jeugd, in al het grootsche harer ontwerpen,
in al het koene, dat uit hare oogen schittert bij de denkbeeldige
worsteling. Het is een dichterlijk oogenblik, die dageraad van het
jongelingsleven—stel u Janmaat voor, die den zijnen over de zee ziet
aanlichten! Verbeeld u de kleine hulk, door hem bemand; verbeeld u het
prachtig zeekasteel, dat in stede van deze voor hem oprijst; verbeeld
u de visioenen van voorspoed en glorie, die hem over de spiegelende
oppervlakte der baren toeschitteren! Hoor het dieper ademhalen van den
breedgeschouderde, nu hij zich aan het hoofd waant van eene vloot, een
heir van schepen, wier tallooze zeilen de wind, de noordster, die
allengs feller opsteekt, volblaast—hij tart den storm,—hij overwint
den vijand,—hij verovert eene wereld, ... welk een beeld, welk een
droom! Hij verwezenlijkte dien! Toen onder de Spaansche tirannij de nood
te huis hoog geklommen was, toen kuste hij het beangste Jannetje goeden
dag, met een: „ik ga van honk, moederlief! maar je ziet mij weêr;” en
hij hield woord, woord als een man; hij voer uit in een' notendop, hij
kwam te huis in een linieschip. En zoo de vrouw door hem leerde wat
tranen met tuiten zijn, als zij hoorde, dat men hem geene haven in wou
laten, om den storm, die hem beliep te ontgaan;—„Heere!” borst zij uit,
„hoe Ge mij schreijen doet van vreugd,” zoodra de dag was gekomen, dat
hij den bezem op den mast voerde.
Hoe is hij veranderd!
Al teekenen gang, houding, manieren, gelaat en spraak nog altoos den
zeerob, waar bleef de opgeruimdheid, die hem eigen plagt te zijn; wat
werd er van het woelzieke, dat hem kenschetste; wie mist het onbezorgde
niet, waarmeê zijne hand de laatste geeltjes uit den broekzak haalde?
Het is alles verdwenen,—er zijn mooije meisjes met hem binnen gekomen,
maar hij heeft er geene oogen meer voor;—Jan vraagt hem naar den wind,
en toch praat hij van geene schepen op de kust;—het onverschillige
verving het overdrokke—het moedelooze het mannelijke....
Wij zouden hem onregt doen,—al hangt hij zoo neêrslagtig over dien
stoel, of hij bij mistig weder in den mastkorf zat; zijn open aard
spreekt luide uit zijne klagt:
„Al weêr een jaar, dat ik als een landkrab sleet. ... Vader! wanneer
zult ge toch medelijden met mij hebben?”
„Jongelief!” herneemt Jan, „als het aan mij alleen hing—”
„Dat is een woord van vóór het jaar Dertig, Vader! toen heette het:
Holland
Bolland:
Zeeland
Geen land:
Ik hou het met den heikant!”[J15]
„Als je wist, Janmaat!”
„Ik weet, Vader! dat Moeder altijd plagt te zeggen: „Beter op een' ouden
wagen in de heide, dan met een nieuw schip op de zee.””[J15]
„Zeg ereis Janmaat! wil je óók een kopje slemp?”[J16] roept eensklaps
een pieperig stemmetje uit den versten hoek des vertreks,—en nu
wenschte ik u een denkbeeld te kunnen geven der verslagenheid, waarmede
Janmaat voor zich zelven zucht: „De derde streng maakt den kabel!”
Welk een vreemd begin van een feest!
Helaas,
Ieder huis
Heeft zijn kruis!
En hoe ver Jan en Jannetje het in de wereld brengen mogten, het
hunne bleef er niet van verschoond;—gluur met mij dien hoek in,
als ge weten wilt wat het is!—Oef!—De verzuchting, die aan Janmaat
bij het verzoek ontglipte, de verontwaardiging, waarmede hij hem, die
het deed, nu den rug toekeert; zij hebben niets verbazends, als men
den langen slungel aanziet, die ginder slemp schenkt, en ginder slemp
lept: welke doffe oogen!—welk een meelgezigt!—welk eene houding van
slierislari![J17]—Welk eene ergernis vooral, als ik het u niet langer
verhelen mag, dat dit ongeluk de jongste zoon is van Jan en Jannetje;
hij, de patroon aller slaapmutsen, aller soepjurken, aller sloffen te
onzent! hij, Jan Salie!
Al had ik het u niet gezegd, ge zoudt zijne maagschap hebben gegist, als
gij, onder het korte gesprek tusschen den vader en den eerstgeborene het
gelaat der moeder had gâgeslagen; als gij de aarzeling hadt opgemerkt,
waarmede zij Jan Salie's uitnoodiging bestraffen wilde, maar niet
durfde! De pikbroek zag het en schoof zijn' stoel om, en blies eene wolk
uit zijn kort eindje, opdat niemand zien zou, hoe waterig zijne oogen
werden, ruwe zeebonk, als hij is!
En Jan—Jan, die in zijne kracht de degelijkste man was, die er op twee
beenen liep, die vroom en vroed zoo láng bewees, hoe diepen indruk het
op hem maakte, dat er geschreven staat: „~Bidt en werkt!~”—een woord
uit den Bijbel, dien hij zelf vertaalde;—eene vertaling, waardoor hij
zijne taal schiep;[J18]—wat doet Jan? Schudt hij zuchtende het hoofd,
als iemand, die onder de pantoffel staat; als iemand, die zich op de
flauwe verontschuldiging beroept:
„Bij wijlen heeft Mijnheer den naem, Mevrouw de daet?”
Goddank, neen!—„Houd moed, Janmaat! er zal te avond een einde aan
komen,” zegt hij, en reikt nu een paar anderen gasten de hand; gasten,
die Jannetje te regt vriendelijk ontvangt; gasten, van welke de eene er
alleropgeruimdst uitziet. Wie zijn het, vraagt ge?
Terwijl zij de welkomstgroeten wisselen, terwijl zij hun eerste glas
leêgen, hebben wij gelegenheid voor eene enkele opmerking—ik vlei mij,
dat gij er hen te volkomener door kennen zult.
Onder de spreekwoorden van Jan's buren, onder die der groote Heeren,
welke eenen belangrijken invloed op zijn vroeger leven hebben
uitgeoefend, treffen wij er vele aan, die tot in hart en nieren toe
monarchaal zijn. „Hij, die de koe des Konings heeft gegeten,” plagt de
Spanjaard te zeggen, „hij zal nog over honderd jaar hare beenders moeten
betalen!”—Wie herinnert zich den Gallischen haan niet, zoo dikwijls hij
van koning kraaijen hoort spreken? De Duitsche volksgeest wist geene
volslagener armoede uit te denken, „dan waar de Keizer zijn regt had
verloren.”—„~Must is for the King~,”[J19] zei de Engelschman, en de
groote weg heet bij de Deenen de weg des Konings!
Hoe weinig zijn daarentegen de spreuken, door Jan, in de dagen van
zijnen bloei, aan de Staatsmagten ontleend; hoe getrouw spiegelen ons
de enkele, die hij soms nog bezigt, zijne republikeinsche huishouding
af! Het Wilhelmuslied heeft de oudste brieven; maar tegen elk der
zegswijzen, waarin het voortleeft, zou ik er eene over kunnen stellen,
op het Admiraalsschip betrekkelijk; alsof de wedijver tusschen de
Landmagt en Zeemagt tot in het rijk der spreekwoorden toe had geblaakt!
Er is in geen van beide een zweem van eigenlijke heerschappij; Jan's
phlegma en Jan's spotzucht kwamen aan het licht, als hij zoowel van
Stedelijke Regeeringen als van Staten-Generaal zeide:
„Wat de Heeren wijzen
Moeten de gekken prijzen.”
Het vierigst Oranjedeuntje was niet meer dan een wensch voor de
toekomst, dan de hoop, eens een bepaald gezag te mogen toekennen:
„Al is ons Prinsje nog zoo klein,
Toch zal hij eens Stadhouder zijn!”
(Een liederlijk rijm, volgens Bilderdijk, het zij in het voorbijgaan
opgemerkt!)
En echter was Jan daarom niet blind voor de gebreken, aan zijne
staatshuishouding verknocht, voor de gevaren, waaraan zij
blootstelde,—de bron van zoo vele rampen werd door zijn gezond verstand
beschreven en gelaakt, in het kernachtig woord uit zijnen mond: „Daar
dienen geene twee groote masten, op één schip!”
Van waar dan, vraagt men misschien, van waar de onverschilligheid van
Jan, van waar dat hij zoo lang den kamp duldde, schoon hij de ellende
voorzag, die er uit zou worden geboren? Dewijl, antwoord ik,—en moge
dit mijne afwijking verontschuldigen!—dewijl twee andere dingen Jan
naauwer aan het hart lagen, dan die regeeringsvormen; dewijl de welvaart
van twee andere personaadjes in zijne oogen van meer gewigt was dan
het oppergezag van de Staten of van den Prins, van den Prins of van de
Staten, als ge wilt; dewijl twee zonen zijner lendenen de eigenaardige
beheerschers van zijn handeldrijvend volk waren geworden: Jan Contant en
Jan Crediet, de beide jongeluî, die straks binnenkwamen!
Waar schuilen ze nu in de menigte van gasten, onder onze beschrijving
allengs om haard en disch gegroept? Jan houdt nog van eene zaal als eene
kerk als hij menschen ziet, al hebben zijne dagelijksche vertrekken
dat luchtige, dat opene, dat ruime niet meer, waarop hij weleer gezet
was. Een vrije geest ademde u toen uit alles wat hem behoorde toe; hij
wist van geenerlei engte, noch stoffelijke, noch verstandelijke. Dit
feestvertrek voldoet nog aan die vereischten, uitgezonderd dat de hooge
schouw, en de brandstapel, van turfmuren en beukenblokken opgebouwd,
verdwenen zijn. Jan! Jan! waarom deedt gij daar afstand van, ten behoeve
van een schoorsteentje met marmeren mantel, eene spanne breed, waarom
liet gij dien inkrimpen tot zijne schaduw, tot eene nis? Foei van
Engelsche haarden, Duitsche kagchels, smakelooze vierkanten van
porselein,—hoe plagt de vlam u toe te lagchen, weêrspiegeld in de
koperen zijkelooze vierkanten van porcelein,—hoe plagt de vonken weleer
den donkeren krater in! Hoe,—maar daar zien wij ons paar weder, zij
zitten naast elkaêr als leden van eene firma,—zoo hoort het!
Die weltevredene, tonronde, overdrieste vent is Jan Contant; hij rigtte
het huis van negotie op, dat Jan Crediet uitbreidde. Wie dezen met
een paar streken teekent, hij treft hem niet. De man heeft in zijn
voorkomen iets van een zaakwaarnemer van grooten huize, zoo deftig is
hij, zoo bedaard, zoo fijn schier. Niemand verdenke mij, dat ik dit
woord kwalijk meene; zou hij het zoo ver hebben gebragt als hij niet
eerlijk van inborst was? Gij kunt het den stouten opslag zijner oogen
aanzien, hoe ondernemingziek hij is; maar, even sterk als deze, spreekt
uit de plooijen om zijn' mond eene bedachtzaamheid, die zich niet op éen
nacht ijs waagt. Hij is er klaarblijkelijk de man naar, om, wat Jan
Contant met al zijne voortvarendheid begint, vol te houden en op te
trekken, en deze, daarentegen, het levend gezond verstand, dat Jan
Crediet bij den arm wakker schudt, als de laatste zich, al mijmerende,
toegeeft in het bouwen van luchtkasteelen. Geen wonder, dat zulk eene
associatie het verre bragt! Hunne firma is niet alleen op iedere beurs
van Europa, zij is in de beide Indiën, zij is tot in China toe zoo goed
als de Bank; hunne naamteekening geldt meer dan die van Koningen en
Keizers! Het zijn leepe vogels, die zich den dubbelen roem mogen
toeëigenen, dat hunne wijsheid
„Uitheemsche ballingen, van have en huis berooft,
„Gelockt, gewelkomt ~heeft en in hun schoot~ gestooft.”
en bovendien:
„Met kielen ingesleept den oogst dien 't Oosten las,
„Ja, daer de naelde zwijmt gestaen naer vrijen pas.”[J20]
„Kinders!” zegt Jan tot hen, „kinders! Janmaat heeft zich straks bitter
beklaagd, dat ik in langen tijd niets voor hem over heb gehad dan een
onnoozel kruistogtje,[J21] dan eene verdrietige non-activiteit! Mijn
oudste heeft niet geheel ongelijk. Maar als ik wat aan hem zal doen, dan
moet mijn jongste kind geplaatst wezen, dan moet die kwelgeest mijn huis
uit.”
Jannetje! hoort gij het?
„Wie van jeluî wil nog eens beproeven wat er in hem steekt? Jan Contant
en Jan Crediet, wat dunkt je? er moet wel weêr eene plaats bij je open
wezen, het wordt anders met den borst twaalf ambachten dertien
ongelukken!”
Ik heb met Jan op, dewijl de naam Jan Salie niet over zijne lippen wil!
„Probeeren, Vader! probeeren?” herneemt Jan Contant, „ik heb hem acht
dagen lang achter den lessenaar zien druilen, toen had ik er wèl van—”
„Acht dagen?” valt Janmaat in, „hij lag me van Doggersbank af al aan
boord.”[J22]
„Mijn vennoot,” begint Jan Crediet—de man heeft eene eigenaardige
phraseologie—„mijn vennoot joeg hem in de eerste week het magazijn uit,
het kantoor af, de straat op; alles wat er in den knaap school, wou hij
een, twee, drie aan den dag zien komen, even als de muntspeciën uit den
geldzak; ik vleide mij, dat ik wist wat de tijd vermag! Maar schoon
er geen betere school is dan de mijne, als men leeren wil, „van niets
iets” te maken, zeggen mijne vijanden,—om weinig in veel te verkeeren,
beweer ik,—toch moet ik bekennen, dat ik na al mijne proeven niet weet,
waartoe ik hem gebruiken zal. Voor den goederen-handel, dat zag ik bij
het eerste gezigt, voor den goederen-handel deugde hij niet—die eischt
allerlei kennis van reederij—van uitreize en van tehuisvracht—van
assurantie—van wissels—van artikelen—van markten—van talen—van
zeden—van volken,—Jan Salie zou overal te laat komen en zich overal
beet laten nemen,—ik zal er maar niet meer van reppen, ge mogt
anders denken, dat ik mij zelve prees. Ik dacht een baantje voor hem
gevonden te hebben in de fondsen,[J23] wat dagbladen-lectuur,—een
beursgangetje—een beetje cijferen—luttel werks en toch rente—een
bedaard verbeiden van den verschijningsdag der coupons—en dan eene
groote schaar om ze af te knippen—wat is gemakkelijker? Ik had hem een
kapitaaltje toevertrouwd, om te beleggen in ~Surinaamsche Obligatiën~;
als hij het met verstand had gebruikt, was hij al een ~man in
bonis~[J24] geweest, maar wat is er van teregt gekomen? Hij schoot voor
op allerlei Plantaadjes; hij gaf voor de beste driemaal meer dan zij
waard waren; wie weet niet hoe hij geplukt is, hij, die alles maar liet
vlotten en drijven!—Sedert heb ik een oog meê in de boeken gehad en hem
aandeel in betere leeningen gegeven, de Metallieken,[J25] de Russen,
Onze papieren”—(Jan Crediet blijft toch altoos Jan Crediet!)—„maar
zoo vaak ik mijn handen met andere dingen vol had, en de zijne dus
vrij waren, wat kocht hij anders in dan prullen? In den laatsten tijd
~Ardoins~[J26]—, niet nu ze voor een zuur gezigt te krijgen zijn,
maar toen ze boven de zestig stonden,—~Griekjes~—minder omdat hij
zooveel tegen Turken had, dan dewijl zijn beunhaas hem te fijn af
was,—~Zuid-Amerikaantjes~...”
„En Kansbilletten?” klinkt het uit den hoop.[J27]
„Stil, kwâjongen!” roept Jan.
Wij willen niet vragen wie de vrager is, die Jan Crediet zoo eensklaps
zuur doet zien; wij willen hem niet opzoeken onder de Jantjes Goddome en
Jannen Kalebas[J28] die in een' hoek des vertreks zitten te klinken, dat
hooren en zien vergaan! Er zijn spotters genoeg onder de snaken. Waarom
Jan de ploerten ontvangt, waarom hij er soms nog al meê op heeft, wie
zal het zeggen? Valt die liefhebberij voor het gemeene welligt aan zijne
burgerlijke afkomst toe te schrijven? Is het de overdrijving eener
deugd, is het onwil een' der zijnen te verloochenen? Dat hij hen dan ten
minste allengs aan strenger tucht gewende, dat hij hen dwong, leden van
het ~Matigheids-Genootschap~ te worden, waarmeê hij nu zijne misdeelde
kinderen, wien armoede toch al tot matigheid verpligt, waarmede hij nu
Jan en Alleman kwelt! Waarlijk, ik begrijp zijne toegeeflijkheid jegens
die heertjes van luttel verwachting, wier hoed op het linkeroor zit,
wier neus van karbonkels schittert, wier gebaren zoo ruw zijn, ik
begrijp haar niet half zoo goed als de genade, welke hij, allengs
milder, aan Jan Hagel en Jan Rap en zijn' Maat bewijst.[J29] Hij heeft
zich te lang het vaderschap over die ellendigen geschaamd; hij heeft
hen zoo dikwijls en zoo vruchteloos met galg en rad gestraft, dat hij
eindelijk is begonnen te twijfelen, of geeselen en genezen wel één en
hetzelfde was? „Ik heb allerlei straffen beproefd,” zeide hij; „als ik
hen eindelijk eens verpligtte te werken?”[J30] En het pleit voor zijn
vaderingewanden, dat hij tegenwoordig meer doet dan hun stichtelijke
predikatiën te houden, als ze in de boeijen zitten, als ze naar het
treurtooneel gaan;[J31] dat hij hunne kinderen op school neemt, hoe
haveloos, hoe havikkig ze er ook uitzien! Jan's goed hart vertrouwt te
regt, dat er verband is tusschen verlichting en veredeling, Jan zou een
weêrgalooze vent zijn, als hij zijn jongsten zoon maar niet had.
„Zoo als ik zei, Vader!”—herneemt Jan Crediet, „ik heb de proef
genomen, of er wat bruikbaars in Jan Salie stak; de uitslag was
ontmoedigend, ja, ontrustend zelfs; in de laatste jaren... maar... wie
zijn neus schendt, schendt zijn aangezigt,—gij eischt niet, dat ik er
ons huis weder aan wage.”
Krachtig schudt Jan het hoofd.
„En dus heeft Jan Salie voor goed zijn afscheid van ons. Het beste wat
gij met hem doen kunt.”—
Hij zou geen Jan Crediet zijn, als hij er niet altoos wat op wist!—
„Het beste is, dat gij hem”—
„Wat? mij weêr opdringt?” valt een schalk uit,—die de eer zal hebben
zich zelven aan u voor te stellen, dewijl het u verdrieten zou, zoo ik
voort bleef varen, al die gasten hoofd voor hoofd te beschrijven; te
meer, daar de kring allengs grooter is geworden,—„hoe heb ik er voor
geboet, dat ik hem in zijne wieg een aardig wichtje vond, dat ik hem tot
mijn ~cupidootje~ maakte!
„Cupidootje! met zijn loddrige oogjes!”[J32]
„Ik, die weleer Jan de Poëet heette en het waarachtig was; ik, die nu
maar Jan de Rijmer ben, schoon ik mij betere! ik zou de koorts krijgen
van ergernis, als ik weêr naar zijne pijpen dansen moest; als ik weêr
moest toeknikken bij zijn loflied:
„Wat ben je lief,
„Mijn hartedief!
„Wat ben je goed,
„Mijn simple bloed!”
„Eer ik hem mijne kunst weêr laat verknoeijen, geef ik een'
Muzen-Almanak[J33] met louter prozastukken uit. Weet ge dan niet,
hoe ik onder zijn' saaijen dwang heb geleden; weet ge dan niet, dat
ik het Cats nog nauwelijks vergeven kan, dat hij het jongsken aan
zijne knieën spelen liet? Ik had er Hooft, ik had er Vondel eens meê
moeten aankomen![J34] Hooft en Jan Salie! Hooft, in wiens torentje
allerlei nymphen stoeiden, Grieksche en Italiaansche, Latijnsche en
Gooische nymphen; Hooft, die van kusjens en knepen zong, maar ze
nooit aan de poffertjeswangen van onzen sukkel zou hebben verkwist!
En Vondel—Vondel, wiens oogen zouden gebliksemd hebben, als ik zijne
reijën had gestoord door het salieroepen van ons broêrtje; Vondel, wien
onze westelijke luchtstreek maar half vernoegde; die naar het Oosten
uitzag; die smachtte naar licht! O, dat ik had blijven voortroeijen
op de adelaarsschachten mij door beide bedeeld; hoe hoog zou ik nu
gesteigerd zijn! Maar ik wilde der menigte gevallen, ik hield me aan
Cats, hij had op met het stille, huiselijke, bescheidene jongsken; hij
maakte er versjes zonder tal voor! Toen hij stierf, was ik al half onder
den invloed van Jan Salie ingedommeld; ik zou anders de leerlingen
hebben getuchtigd, die den meester in zijne gebreken navolgden,—altoos
herhalende,—flaauw tot walgens toe. Ook werden zij uitgevraagd zoo vaak
er wafelen werden gebakken, zoo vaak er slemp werd gelept; o, dagen
mijner schande![J35] Als ik soms—ook ik droeg in mijn geweten den wreker
met mij om!—als ik bij wijle nog eens een stuk van de groote meesters
wilde voordragen; als ik een fragment uit Antonides[J36] aanhaalde,
dan kneep Jan Salie mij in den arm, dan zette hij eene keel op,
leelijke schreeuwer als hij is! „Broêrlief!” zeî hij dan, „broer! wat
liefhebberij heb je er toch in zoo hoog te vliegen, blijf bij den grond,
en je zult meer pleizier doen!” Och! we zijn bij den grond gebleven,
totdat niemand meer dacht dat ik vliegen kon, totdat allen, wetende
dat zij toch niet meer behoefden op te kijken, om mij te volgen, in
slaap vielen, zoodra ik begon. Het heldendicht—o, wat eposjes!—het
lierdicht—o, wat odetjes!—het minnedicht—o, wat klagtjes!—ieder
genre was in predikatie's ontaard; ik wist in verzenbundels van alles
wat te vertellen, maar den hartstogt werd ik vreemd; Poëzij en Jan
Saliegeest, hoe konden zij zamen gaan? Verlamlendigd en verlamzaligd
had ik niet eens ooren meer voor Van Haren; Bilderdijk moest me tot hem
optrekken; Bilderdijk schudde mij wakker.[J37] Van toen af scheidden wij;
Jan de Poëet gaf Jan Salie den schop. Of al mijne zangers als ik beu van
hem waren; of zij inzagen dat hij onder het mom der rethorica op nieuw
binnen zoekt te dringen![J38] Ik weer hen met vuist en voet van mijn'
drempel, die minnelijmers, wier stukjes de botste kan invullen, als hij
maar de eindrijmen kent, luister:
„De ~schroom~. In den ~droom~, Of de ~klagt~ In den ~nacht~;[J39]
„Het slordig gerijmel van ~bloesem~ op ~boezem~;
„Ik weer die nog ondragelijker spreekwoorden-berijmers, welke den volke
eene les aanschouwelijk maken, die het reeds zelf in beelden heeft
gebragt:—
„En liefst van alledaagsche zaken
„Op hun versleten doedel kwaken!
„Ik weer bovenal die venters van aardigheden, welke mij in een
hansworstenpak steken, als had ik geen andere roeping dan te goochelen
met woorden en klanken—
—, „Waar drommel haalt de bruî de woorden toch van daan!”
„Bedaar, jongen! bedaar,” roept Jan,—hij plagt van ouds van poëten te
houden—„eer de vreemden ons weêr zouden uitlagchen, ligge mijn jongste
voor een' doeniet t'huis.”
„Slechts aan hen,” herneemt Jan de Poëet, „slechts aan de rhetorici, die
mij handen vol werks geven, slechts aan deze heb ik het te wijten, dat
Jan Crediet mij ingewikkeld verwijt, dat mijne kunst eene nuttelooze
weelde, dat haar tijd voorbij is.”—
„Wie weet of ge niet juist ziet,” valt Jan Crediet in: „wij, de luî
van de negotie, we hebben altijd zin gehad voor iedere glorie, want we
trokken van elke partij. Als ge meer op de hoogte onzes tijds waart...”
„Ik tracht er te komen, zelfs door de bokkensprongen mijner nieuwere
school,”[J40] antwoordt Jan de Poëet, „kwel me maar niet met Jan Salie.”
„Hij moet gedrild—hij moet soldaat worden!” klinkt het.
„Wie zegt dat?” hooren wij van twee zijden vragen, eerst door een zachte
en aangedane stem, nu op forschen en geraakten toon—een jammerklagt,
eene uitdaging.
De eerste ontglipte aan Jannetje—verre van de hoofdgroep verwijderd,
ving zij echter het raauwe woord op, en de tevreden lach, waarmede zij
straks de feestvreugde gadesloeg, is van haar gelaat verdwenen! Hoe is
het mogelijk, dat eene zoo flinke vrouw, dat eene weleer zoo krasse
moeder zich zoo zwak betoonde voor eenen onwaardige? Het behoort tot de
raadselen des harten, tot de onverklaarbare ongelijkheden van den geest!
Hoe, ~alle ding zijn eisch~, was in hare jeugd haar woord; wilt gij er
een voorbeeld van, uit honderd, die ik zou kunnen bijbrengen? wilt gij
het eerste het beste, dat mij invalt, nu ik haar aanzie? Uit een koperen
vlootje liet zij den arme het schrale water reiken; een houten nap was
goed genoeg voor de groene wei; maar het poffe bier eischte tinnen
flappers[J41]; maar de heldere wijn moest schijnen in een' doorlichtigen
roemer; maar de gouden druif van den ~Rhijn~ vonkelde en tintelde in
eene lange en fijne fluit.[J42] En nu—wat in dit opzigt veranderd
zij—ginds is een ketel te vuur, zij heeft kandeel gebrouwen, en gulden
stoopen ontvangen alreê den weelderigen drank.[J43] O, Jannetje!
Jannetje! gij die der spreuk in uwe huishouding getrouw zijt gebleven,
waarom wilt gij haar in de lotsbestemming uwer kinderen geweld
aandoen? Gij, die een' tijd, die ontwikkeling aller gaven eischte, die
beurtelings dwong tot dulden, of riep tot durven, waarin have en hals
vaak op het spel stonden, die vervreemd scheen van tucht en trouw,
en waaruit toch beleid en beraad redde, die koen en kloek, die vroed
en vroom maakte; gij, die in zulk een' tijd Jan waardig ter zijde
stondt;[J44] gij, die hem onder dat alles gelukkig deedt zijn; gij
spreekt nu Jan Salie vóór; gij wilt hem elk zijner broeders opdringen!
~Alle zin zijn wil~, was uw woord, toen de onderscheiden aard uwer
kinderen aan het licht kwam,—gij temperdet slechts de overdrijving, die
ten verderve zou leiden; maar dezen, dien gij niet kondt verbeteren,
dien gij, zoo ge nog in uwe kracht waart, de wijde wereld zoudt hebben
ingejaagd,—„vreemde oogen maken menschen,”—dien acht gij nog te goed
voor Jan Cordaat, te goed om soldaat te worden;—wees gerust, zwakke,
beklagenswaardige moeder! Jan Cordaat weigert hem!
„Wie zegt dat?” herhaalt onze oudste krijgsman, „wie zegt dat? een
lafaard, die zijn woord niet staande durft houden!”
„Ik zeg het,” klinkt het eensklaps, „ik!” en eene forsche hand slaat op
de linkerheup, als was hij gewend er een' zwaardknop te vinden, „ik” en
de vrolijkste, de welgedaanste, de kloekmoedigste van Jan's kinderen
strijkt de haren uit het gezigt.
„Jan Compagnie!”[J45] herneemt Jan Cordaat, „de scheldnaam ~lafaard~ past
niet op u, hij heeft nooit op u gepast.”
„Verontschuldiging te over, brave borst! en toch houd ik mijn woord
staande.”
„Hoe!” roept Jan Cordaat, „hoe, waarmeê heb ik dien smaad verdiend?
Waart gij ooit op Java de man geworden, die ge nu zijt, als ik geene
andere jongens had aangevoerd dan Jan Salie's? Stel eens, dat ik tegen
den list der inboorlingen niets anders had overgesteld dan zijne
traagheid!”
„Ik wil hem niet eens tot koelie van mijn' palanquin,”[J46] valt
Jan Compagnie in; „op een' mooijen dag zou hij mij halverwege een'
berg neêrsmakken, al zuchtende: „Oei!—wat—eene—vracht!” Maar mij
dunkt, zoo iets zijn' aard kan verkeeren, dan moeten de stok, de
strafdivisie—”
„O, die zuurdeesem uit de dagen der republiek!”—barst Jan Cordaat
uit,—„toen men mij zoo noode in fatsoenlijk gezelschap ontving, toen ik
bij het uitschot van vreemden werven moest, hij is nog niet uitgegist.
Maar wie van allen hier heeft zich minder zijne herinneringen te
schamen, dan ik,—help mij, Jan de Poëet! help mij, en getuig, hoe
ik gestreden heb onder vijf Vorsten uit hetzelfde Huis—”
„En ieder een doorluchtig man,”
vult Jan de Poëet aan.
„Ik, die met den Prins over de Maas ben geweest—”
„Een eenigh zwijgher weegt de werelt in een schaal—”
klinkt het er tusschen—waar vond de schalk den regel?[J47]
„Die met Mouringh, bij Nieupoort, de zege zoo gaarne bij de vleugels had
gepakt, om ons verder te voeren,—met Mouringh—”
„Voor wien alle oorloghsman in zijnen tydt zou wijken,”
valt Jan de Poëet in.
„Die met Fredrick Henrick zeven steden nam,” vaart Jan Cordaat voort.
„Geen heilstar kende als 't licht dat op zijn helmtop ~blonck~,”[J48]
zegt Jan de Poëet.
„Die met Willem den Tweeden voor Amsterdam”—[J49]
„Wat haper je?” roept Jan uit: „Grootvaêr, Oom en Vader hadden den kroon
verdiend, dien hij nemen wou.”—
„Die met Willem den derden”—
Het is of Jan de Poëet het stilzwijgen, straks door hem bewaard, wil
vergoêlijken; hij haalt Vondel's meesterstukje aan:
„Prins Willem draaft alle Aemstelridders voor!”[J50]
„Dat was de profetie van hetgene er in den borst stak,” herneemt Jan
Cordaat. „Hij, die ons Land voor den ondergang behoedde—”
„Die 't Christenrecht beschermde en 't recht van 't Algemeen,”[J51]
klinkt het zegevierende, alsof het Lodewijk XIV nog in zijn graf tarten
moest.
„Of ik zoo mocht voortvaren,” zucht Jan Cordaat; „maar van den
Utrechtschen Vrede af, totdat ik met Napoleon van de Bidassoa naar de
Berezina zwerven moest, was ik aan Jan Salie-geest ter prooi;[J52] we
zijn er wreed voor gestraft,—wie wil er zich weêr een blootstellen?
Ik heb geen plaats voor den treuzel, zoo min bij het leger als bij de
schutterij! Waterloo! Hasselt! Leuven![J53] zeg mij, wat ik er zou hebben
uitgevoerd, als hij meê was geweest! als hij geroepen had: „Langzaam,
jongens! langzaam!—komen we er van avond niet dan morgen toch!” Plaats
hem in mijne gelederen, als ge durft; waar de Koning hem aantreft,
op de parade, of op schildwacht, in garnizoen of in het kamp, Hij
zal hem zien, Hij zal hem wegjagen; ik heb zijn woord, dat hij
Vader van het Leger zal wezen; al mijne jongens zijn tegenwoordig
Landskinderen!”[J54]—
Arme Gastheer!
Hoe menigh vader lijdt in zijne(n) zone alleen!
zegt Vondel[J55]; indien gij Jan vóór u zaagt, zoo als ik het doe,
gij zoudt het met hem uitroepen. Welke herinneringen verlevendigt het
verlangen, zich van het huiskruis te ontslaan,—in welk een' tweestrijd
brengen hem zijn verstand en zijn gevoel! Hij moge zich verheugen
in de degelijkheid, die over het booze beginsel zegevierde, in de
degelijkheid, welke den gevaarlijken invloed, dien het uitoefende, te
keer ging en overwon; hoe springt deze hem des ondanks nog in de oogen;
hoe anders plagt hij in zijne jongheid Oudejaars-avond te vieren! Dan
heerschte de vreugde in aller hart, dan speelde de minne haar spel;
dan werd er gekust[J56]—en nu! Aan wien valt die ommekeer te wijten,
aan wien anders dan aan het Benjaminnetje, dat nog altijd in den hoek
staat, altijd slemp lept? Want Jannetje moge klagen over den zin voor
vreemde muzijk en vreemde pret, aria's en walzen; heeft zij zelve niet
om het gezeur van Jan Salie vedel en luite der vaderen weggeborgen, tot
verveling gezelligheid verving; tot onze zeden zoo stijf werden, dat we
niet bij elkaêr komen dan om te eten en te drinken? Jan's blik zwerft de
feestzaal rond en het is hem droef te moede. O de dagen van weleer, de
dagen zijner jeugd, toen het achttal kaarsen op den disch het duister
slechts aarzelend deed wijken in den hoek bij de schouw, waar de bank
plagt te staan, die hem heugt! Wat zat hij er gaarne op, als het er zoo
van passen donker bleek, voor zijn eerste, voor zijn eenige vrijaadje!
Of hij ons vertellen wilde, wat hij Jannetje in dat tweelicht al
toefluisterde, tot zij opsprong, tot zij eene vedel voor den dag haalde,
tot zij hem die toereikte. „Stoutert!” zeî hij dan, „je wil is mijn wet,
maar boeten zul je er voor,”—en ijlings greep hij den strijkstok en
speelde den inheemschen volksdans, waarin de meisjes een kusje achter de
ooren niet konden ontwijken[J57]. Hoe het schalke Jannetje hem uitlachte,
hem, dien zij verpligt had te vedelen; hem, die toe moest zien, dat
een ander haar kuste! Eens zwierde zij hem voorbij en hij liet haar
zwieren—een tweeden male stoof zij hem langs, en hij speelde in schijn
geduldig door—maar daar kwam zij ten derde male aan, en weg wierp hij
den vedel, en flink greep hij haar om haar middel, en boeten moest
zij—maar niet achter de ooren! Hoe kuste hij haar dan, dat het klapte,
terwijl de overige dansers en danseressen als malloten stonden toe te
kijken, en Jannetje bloosde als een roos!
Jan Salie! wat kwaad stak daarin?
Of een andermaal plaagde hij Jannetje hem hare eel te laten hooren, en
rustte hij niet vóór hij de luite[J58] had opgeschommeld; de luite, die
hare blanke vingeren zoo zoet tokkelden. Lang wou ze en lang zou ze niet
spelen; zij wist het wel, hoe zoet een jent[J59] neen zeggen is met een
lachje daarbij; ondanks het bekende tafelregt, dat ieder voor het minst
een liedeke kwelen moet, aarzelde zij voort. Eindelijk echter kwam het
mopsje, het mopje met de zilveren sloten uit de beugeltasch aan het
licht,[J60] maar tegelijk rees de groote vraag, wat er gezongen zou
worden: iets geestelijks of iets wereldlijks?[J61] „Een zoet deuntje,”
mogt hij smeeken; andermaal schudde het lieve kopje „neen!” en dan—dan
had hij in een omzien het speeltuig van hare knie geschaakt, tot zij
berouw gevoelde. Want het meesterstukje der zangster, die wel dartel
zag, maar toch niet onbeschaamd was, het „~Heilige Venus!~”[J62] klonk
door de kamer, en Jannetje wist niet, hoe gaauw zij de luit maar weêrom
zou nemen, opdat zij niet te veel klappen mogt.—
Jan Salie! hebt gij ooit lief gehad?
Streelende herinneringen! waarom wordt gij verbitterd door de
vergelijking met het heden, dat getuigt, in hoe menig opzigt hij te
kort is geschoten bij wat hij toen hoopte, bij wat hij toen had kunnen
worden? Zie zijne wenkbraauwen fronsen zich; zijn voorhoofd rimpelt!
Jan is er geheel de man naar, om zich in zijne overpeinzingen zelf te
verdedigen en te veroordeelen, zoo als twee personaadjes het in een oud
treurspel[J63] doen. Jan zegt zoowel:
„Van achter zien we dit met andere ooghen aan;”
als:
„Zoo staan ze u in den nek; zij plaghten voor te staan.”
[Illustratie: No. 2528. JOHANNES VERMEER van Delft (1632–1675).
_Juffrouw met de luit_ (fragment.)]
„Vader!” valt Jan Compagnie in, die deernis schijnt te hebben met de
mijmerzieke vlaag van den anders opgeruimden oude, „vader! wat suft gij?
hebt ge mijne broeders, hebt ge mij niet?—Eéne slechte vrucht onder de
honderd; ik zou den boom wel eens willen zien, die er geene had; schud
hem af, en ge zijt weder de kroone des wouds! Ik weet wel, dat het
ligter gezegd dan gedaan is; vooral dewijl ik Jan Salie niet meê zou
nemen, al schreeft gij hem drie h's op den rug.[J64] Allerlei uitspatters
weet ik te temmen, allerlei loshoofden tot nadenken te brengen—de
zee, de luchtstreek, de eenzaamheid doen wonderen op zulk slag van
jongens:[J65] maar voor zijns gelijke hoop ik, dat de Heere mij bewaren
zal! Als hij ooit op Java voet aan wal zette, zou hij er honderd jaren
worden, maar ik er geen tien meer baas zijn! Hoe hij zich bakeren zou in
den glans van mijne weêrgalooze zon, hoe hij zich zou laten bewierooken
en bewaaijen! Wat zou het anders zijn dan nederliggen, en sluimeren, en
slapen? schoon ik het ook bij wijle doe; schoon ik misschien maller ben
met mijne danseressen, dan het ooit den slungel in zou vallen te zijn,
ik leide geen louter Nabob's leven;[J66]—de rijstbouw—de koffijpluk—de
suikerteelt geven mij handen vol werks! Het is waar, ik dartel om in een
paradijs, als mijne geurige Molukken in bloei staan, maar de maaijer,
die hier tusschen zijne schoven en op zijn zeissen inslaapt, heeft
nooit zwaarder gearbeid, dan ik het op den dag der inzameling van mijne
nagelen en noten doe! Honderd-, neen duizendvoud geeft mijn Oost de
korrelen weder, er in den vruchtbaren grond geworpen, en weeldiger
plantenrijk is er niet dan dat, wat mij nieuwe wonderen bloot legt, zoo
dikwijls ik zijn' eeuwigen bloei gâ sla, en toch verrijk ik dien rijkdom
nog—dat tuigen de indigo, de thee, de chochenille, die Bengalen en
China en Mexico zullen beschamen! Eerst als mijne zorgen over dat alles
zijn gegaan, eerst als eene wolk van schepen, met die weelde van het
Oosten voor het handelshuis mijns vaders[J67] bevracht, uit mijn gezigt
is verdwenen, waar het azuur mijns hemels in het goud van mijnen oceaan
smelt, eerst dan luik ik mijne oogen, om in den droom de stemme te
hooren, dat, „wie meester is van Java, beheerscher kan worden van
Indië!””
Jan Compagnie heeft den waren toon aangeslagen, om Jan op te beuren;
zijne oogen schitteren bij de grootsche toekomst hem voorgespiegeld;
zijn gemoed schiet vol:
„Jongen!”—berst hij uit—„jongen! gij steekt mij een' riem onder het
hart,[J68]—ik begon mij zelven te verwijten wat plannen ik al voor Jan
Salie heb gemaakt: Jan Salie poëet,—Jan Salie professor,—Jan Salie
diplomaat,—Jan Salie lid van de tweede kamer, Jan Salie minister!—ik
verbeeldde mij, waarachtig, dat hij 't al was!—ik meende overal zijn
geest te zien! Immers ik, die weleer een' vloed van vreemdelingen naar
de werkplaatsen van mijne kunstenaars zag stroomen, om er de wonderen te
huldigen door hun genie geschapen, ik teerde in de kunst tientallen van
jaren op den roem van het voorgeslacht,—ik nam het middelmatige voor
lief.[J69] Immers ik, die in geheel Europa vermaard plagt te zijn om
de wijsheid, welke er van mijne hoogescholen uitging, ik meende eene
halve eeuw lang een heel licht te zijn, als ik eindelijk te hooi en te
gras vernam, wat in den vreemde al overbekend, al weder vergeten was,
in allerlei vakken van studie! Heb ik er niet op gestoft, dat ik de
kronkelwegen der staatkunde beu werd? ik, die de slimste diplomaat ter
wereld plagt te zijn, die van alle voorvallen, van alle bewegingen ten
gunste der Vrijheid partij trok; ik, die vrede en oorlog maakte voor
Koningen en Keizers! Of weet ik mij op het punt van mijn geloof niet
maar kwalijk naar mijne Grondwet te schikken; ik, die terugdeins voor
het onderzoek mijner vroegere partijschappen; ik, die roestte in mijn
rust—jongens! laat mij uitspreken!—dáár hebt ge er mijne hand op, Jan
Compagnie! dat ge op Java nooit gekweld zult worden met Jan Salie!”
Bravo, Jan!
„Jan Contant! Jan Crediet! Jan de Poëet!” vaart hij voort, „u zal ik
evenmin met hem meer lastig vallen; Jan Salie heeft geen verstand
genoeg, om geld te verdienen; Jan Salie heeft geen talent genoeg, om
roem te verwerven; ik schaam mij dat ik zijn vader ben.”
Hij houdt een oogenblik op, maar vermant zich, en herneemt:
„Priesters van de Kunst, van de Wetenschap, van de Godsdienst! waarom
hebt ge mij niet vroeger op mijne zwakheid opmerkzaam gemaakt? Ik was
~maar~ een koopman; denkt niet, dat ik er mijn beroep om smade; er
is geen nuttiger ter wereld!—een man, die verstand moet hebben van
allerlei dingen en van allerlei menschen,—een man, die moed dient te
hebben voor de veelsoortigste ondernemingen; moed ten oorlog, te water
en te land, als zijne belangen gevaar loopen;—een man, die zin moet
hebben voor alle wetenschap en voor alle kunst, om zijne mededingers
op zijde, om op de hoogte van zijn' tijd te blijven,—een koopman als
ik was in één woord,—~maar~ een koopman, herhaal ik. Of stond ik, toen
ik de hoogste ontwikkeling van mijn karakter had bereikt, niet aan
de ergste ontaarding van mijn' aanleg bloot?—Weelde ontzenuwt, verslapt,
ontmant, Jan Salie is de zoon van mijn' overvloed! Wat klaag ik over
hem, ik, die mij zelve moest aanklagen! In plaats van den verhevenen en
edelmoedigen geest, die mij in de dagen mijner opkomst bezielde, werd ik
de prooi van de bekrompenheid des verstands en van de onverschilligheid
des harten van den nieuwelingsrijke! Ik ben verwaten en verwaand; ik
ben trotsch en traag geworden,—jongens! het was geene liefde, dat ge
mij niet teregt weest! Toen ik een geloof op mijne eigen hand had,
toen ik er driest voor uitkwam, dat ik het mijne het best van allen
hield, toen was ik te gelijk voor andersdenkenden de verdraagzaamste
man van mijn' tijd; toen beschermde ik alle vervolgden, die tot mij
vloden;[J70]—waarom leert ge mij, nu ik allen gelijk heb gesteld,
niet de waarachtig-verlichtste, niet de waarachtig-vroomste, niet de
waarachtig-liefderijkste van allen te worden,—het beste bolwerk voor
de Kerk, in het bloed van mijne vaderen gevest?”
Bravissimo, Jan!
„Jan-maat!” vervolgt hij, „kom naast mij, Jongen!”—en de trouwe borst
springt op, alsof hem het sein werd gegeven in zee te steken, zoo rap en
zoo blij!—„Jan-maat gij zijt altijd een man van daden geweest en niet
van woorden,—vergeeft ge mij? ik zal me beteren!”
Het is veel van zulk een' vader—maar niet te veel voor zulk een' zoon!
Zie, daar rijzen beide op,—Jannetje geeft het teeken, dat de tafel is
aangerigt, en Jan leunt met welgevallen op den arm van Janmaat; zoo zij
het, zoo blijve het, handel en zeevaart onafscheidelijk aan elkander
verknocht!—Waartoe zou ik u den disch beschrijven? er is niemand, die
niet weet, dat Jan van tafelvreugde houdt; er is niemand onder ons, die
ze hem niet gunt! al wat ik nu nog te vertellen heb,—maar daar is
Jannetje Jan op zijde.
„Vader mag Jan Salie meê aan zitten?”
„Onder aan vrouw! Het is van avond voor het laatst; morgen besteed ik
hem op een hofje.”
Houd het Jannetje ten goede, dat zij met haar voorschoot langs hare
oogen strijkt!—doch zij rept zich reeds hare plaats aan tafel in te
nemen;—luister nog een oogenblik, bid ik u, naar een paar jongens, die
't langst bij den haard blijven drentelen, die den woordwissel tusschen
Jan en Jannetje hebben gehoord.
„Als Jan Salie onder aan moet zitten,” zegt een snaaksche
bogchel[J71]—de meest verwaarloosde, de wreedst verstootene van
Jan's kinderen,—en zijn lach is dus ook bitter, „dan wordt hij mijn
buurman!—Wat spijt het mij, dat Jan Gat en Jan Hen[J72] hier geen'
toegang hebben, ik zou er hem tusschen plakken, of de drommel zou mij
halen! Broertje! wat eene flaauwe aardigheid was dat—ik zeî er beter
in mijn' jeugd. Mijn' jeugd!”—en hij slaat met het houten zwaard,
dat hij op zijde heeft, tegen zijne spillebeentjes,—„Welk een andere
jongen was ik toen; Huygens had plezier in me—Huygens, de taalgeleerde
Hagenaar—Huygens, die de geheimen van drie Prinsen wist![J73] Sinds
hebben de poëten mij verstooten; allerlei vreemde snoeshanen stapten als
paauwen over het tooneel; ik mogt er niet op; ik was te gemeen.[J74] „Op
straat met je ronzebons!”—schreeuwden ze.”—En hij schuift de muts uit
zijne oogen: de wonderbaarlijke, graauwlederen muts; en zijn voorhoofd
blijkt zoo geheel eng niet.—„Maar had ik dan geen' aanleg,” vaart hij
voort, „school er dan geene geestigheid in mijne breinkas?”—en hij tikt
er tegen;—„was ~Trijntje Cornelis~ niet aardig, niet weêrgaas aardig?
Als de latere jongens van de lier aan mijne invallen de helft van de
moeite hadden besteed, die ze voor uitheemsche prullen over hadden,[J75]
ze zouden nu op een oorspronkelijk tooneel mogen stoffen,—ik ben
gewroken!—maar ten koste van het volk! Is het niet jammer, broer?”—De
bogchel is al zóó gewend alleen voort te praten, dat hij niet eens
antwoord afwacht. „Als ze mij vrijheid hadden gegeven voort te hekelen,
als ze vermoed hadden wat er in mij school, zie, het jongsken, dat
moeder het laatste doldijnde,[J76] het zou nooit Jan Salie zijn geworden;
ik had hem zoo lang uitgelagchen, hem zoo lang gestriemd, tot hij zich
had gebeterd; ik heb van mijn Huygens geleerd:
„Ick spaer de roede niet, ik heb ~het volk~ te lief.””
„Jan Klaassen!” herneemt de andere zoon Jan's, tot wien onze vriend uit
de poppenkast zijne ietwat paradoxale[J77] klagt rigtte, „als ~hadden~
komt, is ~hebben~ te laat; maar een ding beloof ik je, wanneer Jan
Salie zich van zijn hofje waagt, dan zal ik het al wie hem opnemen loof
maken;[J78] ik ben niet voor niemendal Jan Kritiek.”
„Aan tafel, broêrtje! aan tafel,” herneemt Jan Klaassen, „vader stelt
den feestdronk al in.”
En hoe luidt hij?
„Oranje in het hart, en niemands slaaf!”
Een luid „hoezee!” beantwoordt den toast; Jan is met Oranje gevallen;
Jan rigtte zich met Oranje weder op. „Oranje boven!” blijve zijn
eigenaardige volkskreet.
En even weinig als dezen verloochene hij ooit den anderen
karaktertrek,[J79] die uit den wensch spreekt, welken hij bij den
twaalfden klokslag van middernacht slaakt,—de bede, die geloovig en
vertrouwend over Jan's lippen rolt, terwijl hij zijne oogen ten hemel
slaat; terwijl hij zijne armen zegenend uitbreidt,—de verklaring, dat
hij bij alle ontwikkeling zijner krachten Hem niet vergeet, wien hij die
heeft dank te weten; het kernige woord:
—„God zegene ons, kinderen!”
* * * * *
God zegene u, Jan! u en de uwen!
31 December 1841.
[Decoratieve illustratie]
AANTEEKENINGEN.
[J1] Onderziel = onderborstrok.
[J2] De synode van 1816.
[J3] Nl. na 1795, toen wij bij de vredesluiting met Frankrijk, niet
alleen 100 millioen oorlogschatting betaalden, maar ook een
fransch leger van 25.000 man te onderhouden kregen.
[J4] Op zijn ~koten~. We zouden nu zeggen: op zijn pooten of beenen
staan.
[J5] De centen waren pas in 1818 ingevoerd. Daarvóor had men de penning
en de duit. Sprak dus van: ~hij is echt op de penning~.
[J6] Toespeling op den opstand van het kaas- en broodvolk van 1491.
[J7] JEREMIA.
[J8] In de 18e eeuw was dat eigenlijk al begonnen en juist in—proza.
Denk aan de teringachtige heldin ~Lotje Roulin~ in ~Willem
Leevend~. De dichters van de romantiek uit de jaren 1830–40 namen
dien tering-cultus over, die wel zijn hoogtepunt vond in de verzen
van ~Jan van Beers~.
[J9] „Seebarichen boezem.” Men vermoedt dat Potgieter hier de
herinnering voorzweemde aan een uitdrukking, die bij Roemer
Visscher voorkomt, doch dan in den zin van ~zedig~ (~zedebarig~,
zooals odebaar, 't latere ooievaar, schatdrager beteekende); met
~zee~ had 't werkelijk niets uit te staan. Een verband tusschen
een ~zee~ en ~boezem~ kan Potgieter gevoeld hebben door de golving
van beide.
[J10] ~Drempelmeiden~: eigenlijk „daghulpen.” Dus minder juist voor
inwonende bonnes en gouvernantes. Maar P. zal 't woord gebruikt
hebben om de geringschatting, die 't uitdrukte.
[J11] Na de opofferingen, die de voortgezette strijd met België
gevorderd had en die al de krachten van ons volk uitgeput schenen
te hebben, verkeerde ons land in een echte depressie.—Zie ook
noot R6 bij 't Rijksmuseum.
[J12] Hier komt voor 't eerst een verwijzing naar Jan Salie—die, zelf
futloos, op vaders en moeders bijeengegaard kapitaal moet teren.—
[J13] In ~'t was maar een Pennelikker~ heeft Potgieter hetzelfde
onderwerp: de beroepskeuze der jongeren, behandeld.
[J14] ~Sirene~ zeenimf, meermin; bekoorlijke verleidster.
[J15] Oud spreekwoord, waarin de heibewoners die vasten grond onder de
voeten voelden, te kennen gaven, dat zij den drassigen, ingezonken
bodem aan onzen zeekant niet vertrouwden.—Dus een uitdrukking van
afkeer voor waaghalzerij; van zucht tot voorzichtigheid.
Ook 't volgende aangehaalde spreekwoord geeft uiting aan
denzelfden geest.
[J16] De piepstem en de slemp—introduceeren onzen Jan Salie.—
[J17] Houding van ~Slierislari~.—Een volks-eigenaardige uitdrukking
door Potgieter aardig gevonden met die herhaling van de
beginletters en den slotklinker en de opvolging van ie-a,
gelijk we die in meer komische volkstermen hebben. Denk aan
~slimpslamp~, ~mismas~.
[J18] De Statenbijbelvertaling van 1626–1636, die mèt de werken onzer
17e eeuwsche dichters het nieuwere hollandsch hielp vormen. „Bidt
en werkt” is 't Latijnsche ~Ora et labora~.
[J19] ~Must is for the King~: „Moeten is dwang en huilen is
kindergezang”—maar in dit hollandsche gezegde komt de ~Koning~
niet tot zijn recht!
[J20] Uit Vondels treurspel ~Palamedes of 't vermoorde onnoozelheid~,
het welbekende figuurlijk treurspel, w/i. de geschiedenis van
Oldenbarneveldt is voorgesteld in den vorm eener historie uit de
Grieksche tijden. Palamedes = Barneveldt, opent het stuk met een
lange voorafspraak w/i. hij, evenals Gijsbreght van Aemstel in
zijn spel, opsomt al wat hij deed. En daaronder: Vs. 121:
Uitheemsche ballingen, van have en huis beroofd,
Gelokt, gewellekomd en in mijn schoot gestoofd;
(Vergroot der steden kreits en ommeloop der muren,
Tot Griekens hulp verplicht gekroonde nageburen;)
Met kielen ingesleept den oogst, die 't Oosten las,
Ja, daar de naalde zwijmt, gestaan na vrijen pas.—
Die laatste regel beduidt: Waar de kompasnaald ons begeeft (d. i.
dus in 't hooge noorden) een vrijen doortocht gezocht.—
[J21] ~Onnoozel kruistochtje.~ Tegen de Algerijnen, met Engeland, in
1816?
[J22] ~Slag van Doggersbank~ (1781)—Onze laatste triumf ter zee, meent
Janmaat.—
[J23] ~Potgieter~, als handelsman, had den innigen afkeer van den
~fondsenhandel~ te pakken, „luttel werks en toch rente”—echt voor
Jan Salie! Maar zelfs dat was den onnoozele nog te machtig.
„Verstandig” speculeeren is nooit ons zwak geweest.—
[J24] In ~bonis~. In goeden doen.
[J25] ~Metallieken~. Oostenrijksche effecten.
[J26] ~Ardoins~, Spaansche fondsen, door een Parijsche bankiersfirma,
Ardoin, ter beurze gebracht.
[J27] ~Kansbiljetten~. In 1813 uitgegeven aan de houders van Nederl.
Schuldbrieven, welke door Napoleon bij zijn ~tierceering~ (d.i.
ontkenning van 2-derden onzer Schuld) waardeloos waren verklaard;
hij, wiens kansbiljet uitlootte, kreeg dan tegen inruiling van
een stuk waardelooze, immers ook na 1813 ~rentelooze~, schuld een
bewijs van ~werkelijke~ Schuld. Met deze kansbiljetten schijnt men
veel gespeculeerd te hebben; 't geheel was een credietregeling
w/op Jan niet trotsch behoefde te zijn.
[J28] ~Jantje Goddome~, een vloekende vent en ~Jan Kalebas~, kerel
van niets, als de holle kalebas; vgl. „Een redeneering van Jan
Kalebas, een rekening van J. K.”—Dr. Stoett vertaalt Jan Kalebas
door blufferd en haalt uit de 17e eeuw aan: ~Don de Calebassa~,
als spotnaam voor Spanjaarden, die op de vlucht geslagen zijn.
[J29] ~Jan Hagel~ en ~Jan Rap en zijn maat~. Bekende uitdrukking
voor gepeupel. ~Jan Rap~ werd ook vooral de scheldnaam voor de
vrijzinnigen op godsdienstig gebied, die met hun vrijdenkerij
te koop liepen. Denk aan de ~Genestet~'s: „Jan Rap is zeer
vrijzinnig, zeer”—
[J30] Denk aan de stichting van ~v. d. Bosch~: De Maatschappij van
Weldadigheid, met haar landkolonies voor bedelaars, die langen
tijd als de oplossing van de landloopers-kwestie golden en nog in
onze dagen navolging vonden in de kolonies van 't Leger des Heils.
[J31] 't Schavot.
[J32] In de 17e eeuwsche minneliedjes hield men, naar Italiaansch
voorbeeld, zeer van verkleinwoordjes. Maar zoo kwam er iets
zoetelijks, slaperigs ook in de verzen.
[J33] De ~Muzen-Almanak~: In het jaar 1819 gesticht door I. Immerzeel,
uitgever en „dichter,” later bij Laerman verschenen. Beets, v.
Lennep, Ten Kate, Hazebroek, Heye, ook Potgieter zelf, gaven er
verzen in; later kwam er ook proza in, o. a. in die van 1842 een
stuk van mej. Toussaint.—
[J34] Potgieters woorden, hier neergeschreven ~tegen~ Cats en vóór Hooft
en Vondel zijn als de Inleiding tot zijn latere uitvoerige
beschouwing in ~'t Rijksmuseum~.
[J35] Schimpscheut op ~Van Alphen~ met zijn bekend:
We zaten laatst bij Saartje,
Die goeie oude dienstmaagd,
Die wafeltjes kan bakken, enz.
[J36] ~Joannes Antonides v. d. Goes~, Vondels trouwe leerling en
navolger, (1647–1684), vooral bekend door zijn allegorisch gedicht
De IJstroom (1671).
[J37] ~Onno Zwier van Haren~ werd geacht in de 18e eeuw, met zijn ruige
en onafhankelijk gedachte verzen, den 18e eeuwschen slendergeest
de bons gegeven te hebben; doch Bilderdijk was noodig geweest om
zelfs deze te doen waardeeren.—En Bilderdijk met zijn vurigen
aard was zelf een Jan Saliedooder die er zijn mocht! Een gedicht
als ~De Ondergang der eerste wereld~ was zeker geen predikatie in
Cats-trant!
[J38] De rhetorica, die inderdaad binnendrong, en door de jongeren van
1880 er weer uit gebonsjoerd werd.
[J39] Een zelfde gerijmel werd ook later in ~Braga~ bespot. Maar 't kwam
telkens weer op.—Tot ~Cornelis Paradijs~ het voor goed, naar we
hopen, doodde.—Potgieter zelf had trouwens in zijn jeugd ook
boezem op bloesem laten rijmen!—(Fragment, 1830).
[J40] D. i. de school der jongeren van 1840, onder aanvoering van
Potgieter zelf.
[J41] ~Flapper~. Kan met deksel, dat toeflapt.
[J42] Zie noot R45 bij ~Rijksmuseum~.
[J43] ~Kandeel~. „Warme drank, bereid uit melk of wijn met dooiers
van eieren, suiker en kaneel (inzonderheid voor jonge
kraamvrouwen)”—zegt van Dale. In Hoofts Warenar hebben we den
bekenden regel: „~Kandeel en hyprocras is te veel op één dag.~”
[J44] Zie alweer straks de passage in ~'t Rijksmuseum~ over de
hollandsche vrouw der 17e eeuw.
[J45] ~Jan Compagnie~. Een gunsteling van Potgieter, als blijkt uit een
der Liedekens van ~Bontekoe~. Er zat een waaghals in den man die
uittrok van moeders pappot om vreemde gewesten te bezoeken en te
onderwerpen; en geen Jan Salie!—
[J46] ~Palankijn~. Indische draagstoel met verhemelte. Een koelie is een
Indisch lastdrager.—
[J47] De vraag schijnt aan te geven, dat Potgieter zelf ontgaan was,
vanwaar de aanhaling hem in 't hoofd was blijven spelen. Hij had
ze uit Vondels ~Palamedes~, de beschrijving door den Bode van de
toebereidselen tot diens terdood-brenging. Onder de menigte:
„Een eenig zwijger weegt de wereld in een schaal.
's Volks zotternij belacht en treurt om 's lijders kwaal.”
[J48] Zie noot R84 bij ~het Rijksmuseum~ de aanhaling uit Vondels
Verovering van Grol, waar Vondel, van zichzelf sprekend, Frederik
Hendrik vraagt:
„Zoo oordeel heusch van hem, die, door uw deugd gewinkt,
Geen leidster kent als 't licht, dat op uw helmtop blinkt.”
De regel, zelfs gewijzigd, lijkt door Jan de Poëet hier dus
slechts met een verwringing te passen. 't Is nu Jan Cordaat, niet
de dichter, die zich door den veldheer laat leiden.
[J49] Zooals Potgieter later in 't Rijksmuseum herinnert, trok Vondel fel
partij tegen Willem II om diens aanslag op Amsterdam. Jan de Poëet
heeft hier dus geen prijzend citaat bij de hand en hapert.—
[J50] Zie dit achteraan in zijn geheel aangehaald:
„De Ridderschap van Amsterdam.”—
[J51] Een regel die me echt Vondeliaansch aandoet. Oogenschijnlijk slaat
hij op Willem III en zijn verzet tegen Lodewijk XIV, maar is dan
zeker niet van Vondel. Waarschijnlijk heeft P. hem slechts
toepasselijk ~gemaakt~. Maar terecht brengen kan ik hem, ondanks
veel gesnuffels, niet.—
[J52] Dat is dus de 18e eeuw. De vrede van Utrecht viel in 1713.
[J53] Hasselt en Leuven; herinnering aan den strijd tegen België.
[J54] D.w.z. niet langer ook ~vreemde huurlingen~.
[J55] Woord van ~Juno~, in FAETON of ~Reuckelooze Stoutheid~, in het
4e bedr. in het tooneel waar Febus, de zongod, genade smeekt van
Jupiter, Juno en den Hemelraad voor zijn zoon Faeton, in den
zonnewagen opgestegen: 1264.
~Febus~: Och zoon, in welk een staat verlaat ge uw lieven vader!
~Juno~: Hoe menig vader lijdt in zijnen zone alleen?
Echt voor Vondel, die regel!—Hij, die in zijn leven zijn grootste
leed en sterkste lotwisseling aan zijn eigen zoon te wijten had.
Herinner U ook de slotregels van zijn ~Jozef in Dothan~:
Och d' ouders telen 't kind en brengen 't groot met smart.
[J56] Sla bij deze passage eens op P's ~Liedekens van Bontekoe~, 't 6e,
~Machteld~ en de daarop volgende bespiegeling van den dichter
zelf:
En echter hebt gij 't lied beluisterd?
Een andre vraag, 'k was die gewis,
Vol lachs of vol van ergenis?—enz.
[J57] „Patertje langs den kant”—
[J58] Zie onze afbeelding van de ~luitspeelster~ van den Delftschen
Vermeer, in ons Rijksmuseum.
[J59] ~Jent~, (van 't fransche gentiel, dat Hooft ook gebruikt) een
liefkoozend woord, dat men met lief, fraai, aanvallig kan
vertalen. Vooral bij Hooft in zijn minneliedjes gebruikelijk:
„Zoo zoud ik streng
Met armen eng
Uw ~jente~ lijfjen prangen.”
[J60] ~Mopsje~ zal wel 't ~liederenboekje~ moeten beteekenen.—'t Groot
Nederl. Woordenboek is er haast aan toe; maar net juist nog niet.
De bedoeling is evenwel duidelijk.
[J61] ~Iets geestelijks of iets wereldlijks.~ De gewone verdeeling in de
16e en 17e eeuwsche liederenboeken, ook in werken der schrijvers
persoonlijk. Breeroo onderscheidt zijn liederen in „Boertig” en
„Aandachtig” (d. i. vroom, godsdienstig).
[J62] ~Zangster~ voor ~Muse~.—
Het lied ~Heilige Venus~, is het eerste dat in Hoofts Zangen
voorkomt. Zie hierachter bij de aangehaalde Gedichten.
[J63] Dit oude treurspel zal wel 18e eeuwsch zijn, dat men mogelijk in
P's tijd nog op den Amsterdamschen Schouwburg vertoonde.
[J64] Naar de aanhalingen in 't Groot-Woordenboek gegeven zou H. H. H.
op een aanbevelingsbrief naar den Oost beteekend hebben:
„~Help hem haastig~;” maar ook met spotgebruik = ~houd hem hier~
(d.i. in Indië).—Jan Compagnie bedoelt intusschen blijkbaar
alleen: „~al gaf u hem de dringendste aanbeveling mee~”—
[J65] Lees nog maar eens P's lied van Bontekoe, op ~Jan Compagnie~, ook
voor 't geen volgt.—
[J66] ~Nabob~, rijk bevelvoerder in O. Indië.—
[J67] ~'t Handelshuis mijns vaders~. „~De Nederlandsche
Handelmaatschappij~” door Koning Willem I in het leven geroepen.
[J68] Ik herinner me uit vroeger tijd een levendig geredetwist tusschen
taalkundigen, of men moest schrijven: „iemand het hart onder den
riem steken” (d. i. onder den riem welke over den schouder loopt
en waaraan zijn zwaard hing) of „een riem onder het hart steken,”
d. i. om te voorkomen dat hem „'t hart in de schoenen zonk.”—Dr.
Stoett acht de eerste uitdrukking de juiste; de laatste, die
ook Potgieter gebruikt, een verbastering.—(Dr. F. A. Stoett,
Spreekwoorden enz. Zutphen, Thieme & Co).
[J69] Zie inleiding. En 't Rijksmuseum. Noot R5.
[J70] Inderdaad moet aan onze 17e eeuw de eer worden toegekend van een
zeer ruime verdraagzaamheid in 't godsdienstige. Tegenover den
verketterlust van al te rechtzinnige predikanten, stond een
openbare meening, die de zelfbevochten vrijheid ook anderen
verzekerde. 't Waren niet alleen vervolgde secten, die men hier
toeliet, ook onafhankelijke denkers lieten in Amsterdam hun
boeken verschijnen, welke hun elders duur zouden zijn te staan
gekomen. De fransche schrijver ~Ernest Legouvé~ heeft daar
in een aardig boekje een voor ons waardevol getuigenis van
afgelegd: ~La Hollande et la liberté de Pensée~ (Holland en de
gedachtevrijheid).
[J71] ~Snaaksche bochel: Jan Klaassen~.—~Ter Gouw~ in zijn ~Ned.
Volksvermaken~, vertelt dat volgens overlevering Jan Klaassen een
trompetter was van de lijfwacht van Prins Willem II, die, na zijn
paspoort genomen te hebben, in Amsterdam de poppenkast vertoonen
ging en daarbij, onder zijn eigen naam, een nieuw personage met
een dubbelen bochel invoerde.—Waarschijnlijker is, dat de man
zelf een dubbelen bochel had en van den spotlust, dien deze
opwekte, partij trok.—Hier vertegenwoordigt Jan Klaassen 't
Oud-Hollandsche kluchtspel.
[J72] ~Jan Gat~ en ~Jan Hen~. ~Jan Gat~ een scheldnaam, die bij Hooft op
de Spanjaards wordt toegepast; bij Potgieter blijkbaar genomen in
den zin van een vloekerd. ~Jan Hen~, dien Dr. Stoett in verband
brengt met ~Hannes~, een betiteling die in zijn beteekenis den
invloed ondergaan heeft van ~hen~, dus een verwijfd man, mag ook
al niet bij zijn vader aanzitten. Men zou geneigd zijn te vragen
of ~Jan Salie~ niet erger is dan hij?—
[J73] Constantyn Huygens, die zijn klucht van ~Trijntje Cornelis~
schreef.—
[J74] ~Ik was te gemeen~. Kieskeurig was ons 17e eeuwsch kluchtspel
zeker niet; er zijn er op den Amsterdamschen Schouwburg vertoond,
waarvan met recht mocht gezegd worden, dat er „een luchtje aan
is.”—Maar Potgieter komt vooral op tegen het effen fatsoen, dat
ook de kostelijkste weerde, omdat ze drastisch waren.
~Ronzebons~ verklaart v. Dale als „draagbare poppenkast.”—'t Wil
me toelijken dat Potgieter er vooral bij dacht aan Jan Klaassen's
ronden rug.—En zou niet rons met rond samenhangen?—
[J75] De vertaalwoede in de 18e eeuw was zeer groot, en deed zich vooral
te goed aan eindelooze „treurspelen” uit het fransch.—Eenigszins
vreemd dat P. héélemaal niet denkt aan Langendijk, wiens
blijspelen en kluchten toch nog nà ~Trijntje Cornelis~ kwamen.
[J76] ~Doldijnen~, wiegelend koesteren in de armen.
[J77] ~Paradoxaal~. Schijnredeneering.
[J78] ~Loof maken~. ~Loof~ beteekent: ~vermoeid~. „'t Iemand loof
maken,” dus: „iemand klein krijgen.”—„Ik ben niet voor niemendal
Jan Kritiek.” Dat mocht Potgieter wel zeggen, „de Blauwe beul”
werd immers ~De Gids~, naar zijn blauw omslag en om zijn felle
kritiek, genoemd!—
[J79] ~Die andere karaktertrek~—n.l. van vroomheid.
HET RIJKSMUSEUM TE AMSTERDAM =:=
Het Rijksmuseum te Amsterdam.
I.
Er was een tijd, waarin de weegschaal der volkeren van Europa door
hare vorsten niet ter hand werd genomen, of de hollandsche maagd,
aan hunne zijde op het regtsgestoelte gezeten, wierp er mede haar
oorlogszwaard of haren olijftak in en deed door deze bijwijlen den
evenaar overhellen;—gij, die het leest, als ik die het schrijf, wij
waren er getuigen van, hoe zij vóór luttel jaren met hare partij voor de
vijfschaar gedaagd, vonnis ontving van wie haars gelijken, hare minderen
zijn geweest.[R1]—Er was een tijd, dat de hollandsche vlag werd begroet
als de meesteresse der zee, waar ook ochtend- of middag- of avondlicht
de oceanen van beide wereldhalfronden verguldde; een tijd, waarin hare
vlootvoogden den bezem op den mast mogten voeren, dewijl zij, naar de
krachtige uitdrukking dier dagen, de zee hadden schoongeveegd van
gespuis; in eene der jongste vergaderingen Hunner Edelmogenden hebben
welsprekende stemmen de roemlooze ruste van Janmaat beklaagd.—Er was
een tijd waarin de hollandsche handel den moed had, de boeijen te
verbreken, hem door den beheerscher der beide Indiën aangelegd,[R2] en,
stouter nog, de ongenade van 's aardrijks uithoeken braveerde, om eenen
doortogt te vinden, „door natuur ontzegd;” een tijd, waarin de winzucht
een' adelbrief verwierf, door hare verzustering met de wetenschap:[R3]
stel u voor, (God verhoede, dat 't ooit gebeure!) stel u voor dat Java
ons niet langer zijne schatten in den schoot stortte, en zeg mij,
werwaarts de dienstbare vloot der Handel-Maatschappij[R4] dan hare
zeilen hijschen zou; waar de ondernemingslust harer reeders, in Noord-
of in Zuid-Amerika, betrekkingen heeft aangehouden; waar men zich onzer
in China nog herinnert; wie ons in Australië kent?—Er was een tijd, dat
Holland naar kennis dorstte, kennis waardeerde, kennis liefhad en in
menig vak van studie de vraagbaak der beschaafde wereld werd; waarin
het de beoefenaren der wetenschap huldigde, zonder ander aanzien des
persoons: blond van lokken of grijs van haren, landzaat en dus het
voorwerp van zijnen regtmatigen trots, of balling, en dus het voorwerp
van zijnen edelaardiger eerbied; handhaver van het oude, en daardoor
wachter bij den reeds verworvenen schat, of kampvechter voor het nieuwe,
en daardoor borg voor zijn deel in de aanstaande verovering.[R5]—Thans,
o het zij verre van mij, oningewijde in haren tempel, uitspraak te doen
als de blinde over de kleuren! maar leen den twist harer priesteren 't
oor, en loochen, zoo gij kunt, het vermoeden, dat de offeranden, in de
dagen, die wij beleven, te onzent op hare altaren gebragt, met luttel
uitzonderingen schaarsch en schraal zijn,—schraal en schaarsch tot
verklarens, tot wettigens toe der onverschilligheid, waarmede de nabuur
den ijlen rook ziet opgaan.[R6]—Er was een tijd waarin het door zijn
beleid geëerbiedigde, om zijn goud benijde, en voor zijne kennis
gevierde Holland door deze driedubbele kroon de rozen der kunst vlechten
mogt; waarin het gehoor voor muzijk, waarin het zin voor poëzij had,
en zich in beider liefelijke bloesems verlustigde; maar Europa's
bewondering wegdroeg door zijne schilderschool, de oorspronkelijke, met
zijnen strijd voor de vrijheid geboren, en die de helden van deze heeft
veraanschouwelijkt en vereeuwigd; eene eerzuil, door dat geslacht zich
zelf gesticht;—eene eerzuil, welker meesterstukken we ten minste niet
alle voor het goud des vreemdelings veil hadden—hoe onverschillig onze
achttiende eeuw de nalatenschap bewaarde, die, in welsprekend zwijgen,
het vonnis der erfgenamen wees;[R7] tot welk eene hoogte in den aanvang
der negentiende eeuw de druk des geteisterden volks stijgen mogt;—eene
eerzuil, voor welker luister het ons past het hoofd neder te buigen van
schaamte, als zij al de gaven, al de krachten, al de deugden van het
voorgeslacht, als een spiegel weêrkaatst, tot we, voelende wat we eens
geweest zijn, en wat we werden, ons aangorden... Vergeef mij, ik wilde
u in deze bladzijden slechts uitnoodigen tot hare beschouwing, mits ge
vergunt, dat liefde aanvulle, waar talent te kort schiet.
Onwillekeurig verkeerde mijn aanhef in eene lofspraak op de verzameling
schilderijen van het rijksmuseum te Amsterdam; op die der eerste zaal,
de historiële portretten, zoo ge wilt. Ik vraag er niet voor om
verschooning. Of zijn iederen Hollander, die meermalen de breede trappen
van het ~Trippenhuis~ opklom, niet dergelijke gedachten door het hoofd
gegaan; of klopt het hart van den inheemschen liefhebber niet sneller
bij de voorstelling, in welker midden hij zich daar weder bevinden zal,
dan wanneer hij in den vreemde zijnen cicerone[R8] in eene galerij van
antieken, in een kabinet der zuidelijke school vergezelt? Sta mij toe,
den onderscheiden indruk door vlugtige trekken in schets te brengen,
ten einde de poging me vrijware van de blaam van partijdigheid. O het is
een beurtelings weelderig stemmend of huiveringwekkend genot, den blik
te laten rusten op de vergoddelijking des ligchaams, aan den beitel
der Grieken, in de verwezenlijking hunner idealen van kracht en van
schoon, gelukt;—de heroën van Homerus treden aan het licht, tot voor
ons, misdeelden, wien ze in alle vertalingen duister bleven;—de studie
der oude, de schier eenige beeldhouwkunst, deelt eenen zin voor de
volkomenheid van vormen mede, welke u levenslang dreigt te martelen,
als gij dien te eenzijdig botviert. Eere, wien eere toekomt! Waar hij
ook de som uwer genietingen verminderen zou, vrees dit bij de Italianen
niet. Rafaël bevredigt dien, Rafaël, wiens scheppingen de graveernaald u
slechts behoeft te hebben vertolkt, om u te doen erkennen, dat de vlugt
des kunstenaars hooger stijgen kan dan tot zedelijk wordens gelouterde
zinnelijkheid. Ontzag greep u aan bij de standbeelden dier goden, wier
verhevene rust het bewustzijn hunner kracht aanschouwelijk maakte; maar
hoe het deemoedig gebogen hoofd der madonna alle verheffing onzer natuur
beschaamt, in zijne verkondiging van het beginsel des geloofs! Zie den
Christus, en de katholieke kunst overwint de heidensche; de ~liefde~,
het ~noodlot~; en echter, Hollander, hervormde, als ge zijt; aanbidder
in geest en in waarheid, als gij streeft te worden, weigert ge u prijs
te geven aan den indruk van afschaduwingen, die, waartoe het verheeld?
op u geene onbetwistbare zegepraal kunnen behalen; welke gij slechts
wantrouwend geniet. Anders dan als eene openbaring van het hemelsche,
heeft de kunst zich het eerst aan uwe blikken vertoond; andere snaren
dan die, welke een voorspel van het toekomende ruischen, pleegde zij in
uw gemoed aan te roeren; en zoo ik aarzel, het van alle bekrompenheid
vrij te pleiten, dat gij haar, als stemme uit den hoogen, gehoor
ontzegt, uw prijs stellen op de vervulling van hare aardsche roeping,
is deugd. Den oude zijn schoone wereld, en zijn nog schoonere Olympus,
door zijne dichters gedroomd, door zijne wijsgeeren gedacht;—den zoon
van het zuiden eene kunst, die zijne eeredienst schoort, die zijne
zinnen in prikkels van godsdienstig gevoel verkeert, ontvankelijk als
het volwassen kind levenslang voor de eerste blijft;—ons daarentegen,
ons natuur, maar gezien met de oogen der liefde; ons waarheid, maar
beschouwd met zin voor het schoone; òns: voorgeslacht, vaderland,
vrijheid, het hoogste, waarvoor ons harte blaakt, uitgezonderd het
goddelijke, waarvan wij geene afbeeldsels dulden. Hoe onbruikbaar wordt,
van dit standpunt, de ijdele theorie van het hooge en lage in de kunst;
of wat zijn hare duizenderlei vormen anders, dan zoovele uitdrukkingen
van behoeften, welke zij bevredigt? Allen regt doende, vreest ge
niet langer voor den glimlach des medelijdens, voor het verwijt van
opgewondenheid, schoon ge, zoomin als ik, de hand ooit zonder aandoening
aan den knop der deur hebt geslagen, die u toegang tot onze oude school
verleenen zou.
Welligt heb ik, onbescheiden genoeg, u reeds te lang voor deze doen
toeven; en echter, al verzwaar ik er mijn vergrijp door, ik heb u, eer
wij de zaal binnengaan, eenen wensch mede te deelen, welken ik noode
onder de vergeefsche tel, schoon ik mij met zijne vervulling naauwelijks
vlei. Hij geldt niets minder dan een' voorhof voor dien tempel, dan ééne
groote schilderij, welker aanschouwing ons stemmen zou, om de overige
volkomen te genieten. Beslis over het gegronde van dat verlangen, als ik
u gezegd zal hebben, wat ik haar gaarne voorstellen zag.[A]
[A] [Een meer welkom blijk van overeenstemming van gedachten tusschen
een schilder en een schrijver die van elkander niet afwisten, heeft
ons zelden verrast, dan wij in de fraaie schilderij: ~l'Abdication
de Charles Quint~, later door L. Gallait geleverd, mogten waarderen.
Er is natuurlijk tusschen ons beider voorstellingen niet slechts
het verschil van penseel en pen, er is ook het onderscheid in de
opvatting van een Belg en een Hollander; en toch willen wij deze
gelegenheid niet verzuimen om hulde te brengen aan Gallait's
genialen greep. Dat het Noorden in den voorhof van het eerlang
te stichten Museum Willem I waardig met het Zuiden en zijn Musée
Royal wedijveren moge,—wie wenscht het der vaderlandsche
historie-schilderschool als wij niet toe?]
Eene herfstzon zou hare stralen werpen door de hooge vensterramen der
vergaderzaal van 's lands Staten, te Brussel, als verlustigden die
gulden boden er zich in, haren glans weêrschitterd te zien door goud en
door staal; als gingen zij gaarne in de plooijen van damast en fluweel
ter ruste. Immers, ik zou u door mijn tafreel in die oude huizinge
willen verplaatsen, omstreeks het midden der zestiende eeuw; zoude u
die wanden doen aanschouwen op eenen oogenblik, dat zij verblindden
door pracht van wapenpraal en hofsieraân, door allerlei zinnebeelden
van grafelijke, koninklijke, keizerlijke waardigheid. Toch zoude ik de
voorstelling slechts kwalijk geslaagd achten, wanneer ge u lang in die
ijdele flikkering vermeidet; wanneer de schilder, uit vrouwelijken
zin voor tooi uwe oogen geboeid hield aan den opschik, door dezen
beheerscht, in plaats van dien te beheerschen; wanneer harnassen, en
tabbaarden, en halskragen, en ordeteekenen luider spraken dan het doel,
waartoe de mannen, met deze uitgedost, door hem werden gegroept. En
daarom zoude ik, als mij magt over hem gegeven was, daarom zou ik
vergen, dat de uiterlijke glans al aanstonds minder onze opmerkzaamheid
tot zich trok, dan de hooge zin der plegtigheid; dat de onderscheidene
volken, in de zaal vertegenwoordigd, in houding en gebaar lieten
doorschemeren, wat er omging in hun gemoed.—Achter den staatsie-stoel,
den troon, zoo ge wilt, midden in de zaal opgerigt, achter deze zou
hij spaansche grandes en duitsche rijksvorsten moeten plaatsen, door
verschil van kleeding gemakkelijk genoeg van elkaêr te onderscheiden, en
zelfs niet moeijelijk te contrasteeren, door de statelijkheid, waarmede
de donkere oogen der eerste toezagen, terwijl nieuwsgierigheid uit de
blaauwe kijkers der laatste lichtte. Of dit alles ware! Of hij ook hun
oordeel over hetgeen in hunne tegenwoordigheid plaats greep, niet in
beeld had te brengen, gewijzigd als dit wierd naar hunne meerdere of
mindere gehechtheid aan de kerkleer dier dagen... Doch waar zal ik
eindigen, als enkel de stoffaadje van den achtergrond mij zoo lang bezig
houdt? Vóór op de schilderij—ik kom uw ongeduld ter hulpe—vóór op de
schilderij ware het mij lief, ter slinke van den zetel, onder eenen
weidschen drom van Bourgondischen adel, menigen grijzen wimper te
zien glinsteren, voor de eerste maal zijns levens vocht, en zich die
zwakheid, die trouw niet schamende. Ter regte van den troon—stel u
gerust, we zijn er spoedig—ter regte van den troon moest ons ernst in
het oog vallen op de rustige aangezigten der Nederlandsche Staten, voor
de plegtigheid zamengeroepen; ernst, die waardigste uitdrukking van het
gelaat eens mans. O driewerf benijdenswaardige kunst, die ons dat alles
in éénen blik zou doen omvâmen, en tevens de hoofdgroep aanschouwelijk
maken: keizer Karel V, afscheid nemende van heerschappij en wereld, met
zijne zuster—de landvoogdesse Maria—aan de eene; met zijnen zoon—den
troonopvolger Philips—aan de andere zijde; zij, die deze gewesten vijf
en twintig jaar bestuurde; hij, die ze levenslang beheerschen zou!
Het verledene,—het oogenblik,—het toekomende,—hoe schakelen zij zich
in onze beschouwing, als in de werkelijkheid, onwillekeurig aaneen, den
schilder tantaliseerende, die zoo gaarne den driedubbelen indruk zou
grijpen en wedergeven; die zich doorgaans met slechts één der drie, met
het oogenblik, vergenoegen moet, als hij de waarheid der voorstelling
aan geene symbolen opofferen wil. Gelukkige, die dit onderwerp te
eeniger tijd op het doek brengen zult, gevoelt gij, hoe zeldzaam gunstig
de geschiedenis uwer verbeelding bij deze stoffe vleugelen gunt, ja,
leent; hoe weinig poëzij ze van u vergt; poëzij, als hare veder zelve
in de overdragt der Nederlanden schijnt te schrijven?
Het verledene? Wij lezen het in de trekken der vorstelijke weduwe van
Hongarije, die, volgens eenen onzer trouwhartigste historici, onze
vaderen „wel en wijsselijk had geregeerd”; die,—vraag het der schare
van geestelijken achter haren stoel,—die het uitslaan van de vlam der
ketterij heeft verhoed, schoon de vonken nog smeulden onder de assche.
Langer dan tweemaal twaalf jaren hebben hare vingers hier de teugelen
des bewinds gevoerd, en slechts éénmaal zag ze zich verpligt de zware
hand haars broeders in te roepen, om Gent te tuchtigen; Gent, onrustiger
gedachtenisse![R9] De bloei des overigen lands is de schoonste lofrede
op haar bestuur.—Het verledene? De geest der ridderschap schijnt met
den ~chevalier sans peur et sans reproche~[R9] te zijn verscheiden;—de
doldrieste, maar grootmoedige staatkunde van Frans I verloor haar
pleit tegen de volharding des schranderen overlegs van Karel V—een
dichterlijke tijd gaat onder, een wijsgeerige tijd breekt aan;—wat
zoekt gij naar eene type? Maximiliaan van Egmond, Grave van Buren, in
doodelijke krankte van zijne legerstede opgerezen, moge de laatste
geweest zijn, die stierf zooals het een' ridder past,—na de toediening
des heiligen oliesels, geharnast en gespoord, het zwaard aan de heup,
den mantel om de schouders, het gulden vlies op de borst, den brekenden
blik op de ijzeren handschoenen, en den helm met pluimen vóór hem
gevest;—Maximiliaan, die zijne jongste oogenblikken doorbragt, of
sterven slechts reizen ware naar een schitterend tornooi, even moedig
van zijne vrienden afscheid nemend; heuschelijk zijnen getrouwen
gedachtenissen uitreikend; levenslustig met zijn' ouden valkenier over
zijne lievelingsvogels koutend; dankbaar den gastmaalsbeker ter eere
zijns keizers ledigend; den geest gevende onder de verklaring, dat hij
nimmer met ketters klonk;—Maximiliaan moge voor uwe schilderij te vroeg
zijn gestorven, rest u zijn grooter stamgenoot niet? Vertegenwoordig
riddereer, riddermoed, riddertrouw, vertegenwoordig ze in Lamoraal,[R10]
die veldslagen voor zijn aanstaanden meester winnen zal; Göthe heeft de
figuur niet beneden zijn genie geacht;—ons meêgevoel zal te luider
spreken, hoe gelukkiger gij in de schitterende voorstelling slagen zult;
hoe bloeijender hoofd, des te killer onze huivering voor den bijl, die
het bedreigt.—Het verledene? O als het waar is, dat ook de kunst hare
gerechtigheid heeft, dan verwaarlooze uwe penseel de stof niet, door de
nieuwe wereld zoo mild aangeboôn; want Ferdinand en Isabella vergolden
Columbus de eerste ontdekking niet wreeder, dan Karel het Hernan Cortez
der verovering van Mexico deed: een vergeten dood voor den stichter van
Vera-Cruz, voor den vinder der goud- en zilvermijnen![R11] Tenzij ge,
door edeler sympathie geblaakt, in die ondankbaarheid zelve vergelding
ziet voor den ondergang, een volk berokkend, de bouwvallen van welks
tempel drie eeuwen later Europa's bewondering wekken.
Welk een oogenblik! Er staat geschreven: „IJdelheid der ijdelheden,
alles is ijdelheid!” Zoo iemand er nog aan twijfelt, hij kome en zie!
Een spelend jongsken, erfgenaam van de Nederlandsche Staten en prins
der Asturiën;—een krijgshaftige knaap, troonopvolger van Arragon, en
Napels, en Sicilië, en Sardinië, en Navarre;—een zestienjarige, koning
van zoovele rijken, in Europa en Amerika, dat de zon in zijn gebied niet
ondergaat;—een twintigjarige, keizer van Duitschland; ziedaar Karel V.
Als de toekomst voor hem nog iets in den schoot droeg, wat anders kon
het zijn dan de wereldheerschappij? Des nachts droomde hij er van; des
daags streelde hij er naar; hoe zeldzamer vereeniging van gaven en
krachten er toe vereischt werd, hoe fierder zijne hoop steigeren mogt!
Het ware dwaasheid geweest, er zich mede te vleijen, ten zij men
doorluchtigen rang aan uitgebreide magt huwde—en de vorst, wien zijne
eeuw den wijze noemde,[R12] had om afkomst en gebied zijn jeugdig hoofd
aangewezen, als het waardigste van alle voor Karel den Grooten's
diadeem. Onuitvoerbaar mogt die taak heeten, ten zij voor het
schranderste beleid,—en hij, de nieuweling in de staatkunde, hij was
behendig genoeg, om Wolsey te verschalken;[R13] hij was voorzichtig
genoeg, om de hand niet aan Luther te slaan. Voorbeeldeloos krijgsgeluk
scheen de onontbeerlijke borg ter vervulling van dat verlangen. „~Tout
est perdu fors l'honneur!~” schreef zijn mededinger op het slagveld van
Pavia, en zuchtte die woorden in gevangenis te Madrid over;[R14]—des
keizers christelijk leger plunderde Rome en des ondanks zette de
heilige Vader hem de dubbele kroon op het hoofd;—als de schaduw zich
grijpen liet, de wereld ware vijfden Karel's voetschabel geworden.[R15]
„IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid!”—Dertig jaren lang
heeft hij er, sinds dien oogenblik, voor gewaakt, voor gezorgd, voor
gevreesd, voor geoorloogd, om gebeden misschien, onloochenbaar er voor
geboet,—aanschouw die vóór den ouderdom gekromde gestalte, zie dien
vóór den winter besneeuwden baard! O tal van aanslagen, koen gedacht,
lang beraamd, snel volvoerd, en echter slechts kwalijk geslaagd, en toch
ten letste mislukt,—hoe verwenschen u de slapen, die u broedden! Alles
wat hem overblijft van de dagen zijner kracht, wat is het dan uwe
verbitterende heugenis? Schitterend omzweefdet gij hem, toen de banier
des kruises zich voor de zonne van Afrika schaamde; Tunis mogt wee
roepen over Europa, om den gruwel, aan weerloozen gepleegd,—hij, de
christenkeizer, had tien duizend christenslaven verlost;—wie onder de
monarchen der aarde was hem gelijk?[R16]—Schaterend vervolgdet gij hem,
toen de storm de toortsen bluschte, ter vlugt uit Insbrück ontstoken;
schoon hij kermde in zijnen draagstoel, Maurits van Saksen joeg hem in
hollen nacht de Alpen over;—hij, de schranderste staatsman des tijds,
was door zijnen leerling vergaauwd[R17]—zucht naar wereldheerschappij,
welke marteling die bij de uwe haalt? Geneugten des levens, gezondheid
des ligchaams, geweten zelfs had hij voor u veil;—de daglooner, te
zelfder ure in luren of lompen gewikkeld, toen de erfgenaam van zoo vele
Staten den volke werd vertoond, die daglooner zou zijne kroon niet
willen, ware zijne krankte er aan verknocht; hij werkt nog vrolijk,
hij eet nog hartig, hij kust zijn wijf, hij slaapt goed. Een klooster
voor dezen zesenvijftigjarige, een rozenkrans voor de hand, die den
keizersstaf droeg:—„ijdelheid der ijdelheden,”—de rustelooze hijgt
naar rust!
Een woord over de toekomst: aanschouwt ge haar niet in Oranje en
Granvelle? De hand zijns keizerlijken vaders kussende, valt u Philips in
het oog, tusschen prins Willem,—op wiens schouder de aftredende graaf
leunt—en Atrechts bisschop—gereed het antwoord des aanstaanden graafs
voor te lezen,—en de groep leidt u tot de vraag: Wat die gunstelingen
des ouden meesters voor zijnen opvolger zullen zijn? Sla Philips gade,
bid ik u! Als ooit een vorst mensch mogt blijken, deze ure ware die
voor overstelping des gevoels;—maar al buigt hij zich haastiglijk naar
de hem toegestokene vingeren, die drift verraadt slechts lust naar
heerschappij, want koeler hebben nooit lippen den handkus gegeven, dan
hij zich van het ceremoniëel kwijt; maar al kromt hij de knieën,—daar
de grafelijke wrong den voetval waardig is,—terwijl het allen
aanwezigen voor de oogen schemert, blijven de zijne droog. Er zijn
blikken, die het opmerken, blikken, welke elkander bij die opmerking
zoeken, ontmoeten en verstaan—behoef ik u te zeggen, dat het die van
Oranje en Granvelle zijn? dat ik hen dus op de schilderij wenschte
te zien? Oranje en Granvelle, „zoo zeer verslingert op onderling
gezelschap, dat meenighmaals d'een den anderen in 't bedde overliep;”
Oranje en Granvelle, schrijft Hooft, tusschen welke de vriendschapband,
door belang gelegd, „vaster” werd, „geknoopt door de gelykheit van die
twee harsenen, in dapperheit van vernuft;” Oranje en Granvelle, die
den dag hunner scheiding voorzien. Het ware te veel van den schilder
gevergd, als we dit alles op hun gelaat wilden lezen; maar zou het
niet de hoogste lof zijner voorstelling wezen, als zij toekomstige
gebeurtenissen voorafschaduwde, als ze dichter maakte wie de groep
zag? Ons vermeiende in de voorstelling, welk genot vertrouwelijke,
verstandelijke omgang was geweest voor mannen, die elkander zoo wel op
prijs wisten te stellen, als zij;—eene weelde des geestes, door het
verschil in beider leeftijd te prikkelender;—eene weelde des geestes,
nooit in ijverzuchtigen wedstrijd ontaard;—ons vermeiende in die
voorstelling, worden ons de gedachten duidelijk, welke hen aangrijpen,
welke hen huiveren doen. Staatkundigen als zij waren, schenen zij, wat
de ontwikkeling hunner gaven betrof, tot die ure onder het gelukkigste
gestarnte geboren—was ooit de gezigteinder van ons werelddeel
wisselzieker, dan toen de zonne des keizers, in den opgang van hun
leven, hare schitterende middaghoogte had bereikt, en allengs in
nevelen schuil ging, en thans vroeg ter kimme zonk?—Karel de Vijfdes
politiek,—welk eene studie voor Granvelle, in hare doolhoven te huis,
voor Oranje, die er zijnen weg in zocht! Verbaast ge er u nog over,
dat „de prins als hy tot Brussel quam, dikwijls eerst ten huize van
den bisschop ging afzitten?”; dat beide den dag huns levens verloren
achtten, waarin zij elkander niet hadden gezien, niet van gedachten
hadden gewisseld, d'een den aêr niet hadde gewet? O benijdenswaardig,
die het smaken mag, welker wetenschap, welker kunst hij zich wijdt,
het zeldzame voorregt eene ziel te vinden, die als de zijne denkt,
of als de zijne voelt—weêrklank harer opmerkingen, spiegel harer
gewaarwordingen;—die zich door den bijval des vriends als door den
hoogsten lof voelt gestreeld; of, de vlugt van dezen bewonderende, ligt
meer nog geniet, beurtelings verrassende en verrast, altoos beider wit
sneller naderende! Van zulk een omgang der geesten zouden zij hebben af
te zien;—schoon elkander nog waardeerende, schoon d'een den aêr nog
achting toedragende, zouden zij vijanden worden;—Karel was de geliefde
meester geweest van Oranje en Granvelle;—Philips verdeelde hen voor het
eerst, voor altijd. Hoe de wieken der verbeelding ons voortdroegen, naar
het tijdstip, door beider schranderheid voorzien;—keizer Karel's leven
had de waarheid zijner opmerking gestaafd: „zoo vele talen men spreekt,
zoo vele malen is men mensch;” Philips sprak slechts Spaansch;—keizer
Karel wist, naar de lievelingsuitdrukking des landzaats, van „geven en
nemen,”—Philips' wil was wet. En, om de toekomst met eenen enkelen
trek aanschouwelijk te maken: Luther's geest staarde onverwonnen uit
den hooge op den uitgeputten, op den teloorgesteld afscheidnemenden
kampvechter om de wereldheerschappij; wat zoude Philips vermogen
tegen hem! Menschenkenners als ze waren, hadden Oranje en Granvelle
in de woelingen hunner dagen, in die worstelingen van begrippen,
verschijnselen van ernstiger aard gezien, dan louter verlangen de
kerk te zuiveren van wat zij onreins had. Het was het tijdstip der
meerderjarigverklaring van den menschelijken geest. Beide zouden partij
moeten kiezen: laat mij liever zeggen: ieder hunner; want de keuze
des eenen zou die des anderen niet zijn. Beginselen naar belangen te
plooijen, moge aan de orde van den dag wezen in onzen tijd; wie zou
Granvelle 't onregt willen aandoen, hem te verdenken, dat hij in zijne
eerzuchtige droomen de tiara van verre zag?[R18]—wie Oranje willen
lasteren, als had hij eenen benijdenden blik geslagen op den gravenhoed
voor hem?—al omklemde de eene, bij de gedachte aan de naderende
gebeurtenissen, zijnen bisschopsstaf vaster;—al beschuldigde de laatste
zich bij deze van te groote deernis, die meêgevoel dreigde te worden?
Voor de eerste maal huns levens gevoelden beide „de ongelykheit der
harten” onloochenbaar, smartelijk, voorspellende;—gevoelden zij die
tot ontwaarwordens toe der „wyt verscheide witten,” naar welke zij
voeren moest. Als ge weten wilt, welke die waren, als mijne schilderij
haar doel heeft bereikt, treedt de zaal binnen: Hollands roemrijkste
eeuw geeft u het antwoord.
II.
Historieele Portretten.
Als ware het afbreken hun lust geworden, beijveren eenige historische
critici onzer dagen zich, om feiten, waarop de aloude geschiedenis roem
draagt, te ontzenuwen tot fabels, ons vergunnende in den volksgeest des
verledens eenen dichter te groeten, waarbij geen van Israëls zieners
haalt. Het stoute, het groote, het reine schijnt voor hunne opvatting
het vermoeden van onwaarschijnlijkheid meê te brengen; en hoe dikwijls
ook de verdichting—een begaafd ongeloovige heeft het gezegd—in
verrassende uitkomsten voor de waarheid onderdoe, bij hen vindt het
edele slechts genaê als een droom, als een wensch der verbeelding. Of er
onder dezulken zijn, die het bejammeren, dat het licht hunne wieg eenige
eeuwen te vroeg bescheen, om eene mythe te meer te hebben in Hollands
strijd tegen Spanje, om den eersten Willem te kunnen verflaauwen tot een
blijk van productieve phantasie? Ware het tijdvak verwijderd genoeg,
welke gebeurtenis zou er meer naar gelijken; welk karakter had er
grootere kans op? Hoe! de aanslibbe der Noordzee zoude uit de nevelen,
waarin de onherbergzame plek gronds ligt gehuld, heiren hebben zien
verrijzen, door helden aangevoerd? heiren, in staat aan de keur der
legerbenden van het strijdhaftige schiereiland het hoofd te biên?
helden, voor welke de grootste veldheer des tijds week? Het is maar
de helft van het wonder; het geloofelijkste der ongeloofelijkheid.
Een vreemdeling van vorstelijken bloede zou één van ziel en zin zijn
geworden met dat vrijheidzieke volk; de staatsman, wiens bijnaam onder
zijne vijanden van hunne bewondering zijns verstands getuigde, zou
regten hebben verdedigd, welker uitoefening op eenen ommekeer der
maatschappij had kunnen staan; de wijze een waagspel hebben gespeeld! En
die hoop boeren en burgers zou huis en have, zou goed en bloed hebben
veil gehad voor eene andere wereld dan die des vleesches, en van dat
stipje op de kaart van Europa zou licht zijn opgegaan over alle rijken,
tot over de afgelegenste gewesten des aardbodems toe?
Ik heb van den geest des twijfels gewaagd, om er dien des geloofs
tegenover te stellen; we staan voor Miereveldt's beeldtenis van {I}
Willem van Oranje.
[Illustratie: I. No. 1579—MICHIEL JANSZ. V. MIEREVELD (1567–1641)
_Prins Willem I._ (1533–1584).]
Indien het Trippenhuis tot nog toe iets anders was geweest dan eene
bergplaats van schilderijen, toebehoorende aan het Rijk, een beter licht
dan de schemering van eenen hoek zou den Vader des Vaderlands zijn
aangewezen. Laat ons hopen dat de dag niet verre is, waarop Nederland
der kunst invloeds genoeg zal toekennen, om meer van den bewaarder harer
schatten te eischen, dan te zorgen, dat regenscherm noch wandelstok
in den tempel kome;—ter zijde geschoven als de eerste Willem werd,
beheerscht toch voor ons de Zwijger de zaal. Staar ze aan, die
eerbiedwaarde trekken, door het penseel des meesters vereeuwigd;
staar ze aan, tot uw hoofd zich onwillekeurig buigt; tot uw harte
van dank overvloeit, en ge zult eindigen met om u, met op te zien!
Om u zien, zeide ik; want als ooit gezigten der toekomst, gelijk er
den aartsvaderen op de stervenssponde werden bedeeld, eenen veegen
verrukten[R19], welke zaligheid zou bij de zijne hebben gehaald, indien
hij de schare had aanschouwd, die hem langs deze wanden omringt;
de edelen, in den zin door hem aan dat woord gehecht? Ge zult opzien,
herhaal ik. „Heere Godt! wees myner ziele en dezen armen volke
genadigh!” waren zijne laatste woorden, na een leven, aan de verdediging
der regten, aan de ontwikkeling der krachten onzer voorvaders gewijd;
van God achtte hij er zich toe geroepen; van God gevoelde hij er zich
toe gesterkt, en de Heer heeft zijne verwachting vervuld, vervuld
boven mate. Een vorstenhuis, dat zich der dienst der vrijheid wijdde;
een klein volk, dat eene groote zending vervullen mogt; zietdaar
de wonderen, door de geschiedenis geboekt, welke de kunst ons hier
veraanschouwelijkt; een uur, in deze zaal doorgebragt, kan geen verloren
uur zijn voor wie betreurt, dat op de gulden eeuw de dagen van Jan Salie
zijn gevolgd.
[Illustratie: II No. 153 SCHILDER ONBEKEND. _Kenau Simonsdr Hasselaer_
(1573)
(Siet hier een Vrou, genamt Kenou
Vroom als een man, die talder tijt
Vromelyck bestrydt, den Spaensen tiran.)]
[Illustratie: III. No. 720. CORNELIS CORNELISZ. VAN HAERLEM (1562–1638).
_Dirck Volkertsz. Coornhert._ (1522–1590)]
Onvolledig als deze verzameling in menig opzigt heeten mag, is de
indruk, dien zij maakt, echter volkomen juist: Holland had zijne
grootheid slechts dank te weten aan zijne burgers en aan Oranje. Vroed
en vroom als hij was, wiens hoofd in helderheid geene weêrga had, en
die, des ondanks, nederig bij zijn harte leefde, onderscheidde hij in
het ruwe, maar ronde volk al de kiemen voor eenen krachtigen staat.
Opgevoed in den dampkring van het keizerlijke hof, en aan de weelderige
landschappen van 's lands zuiden gewoon, gevoelde hij toch menschelijk
genoeg om deernis te hebben met verdrukten, was zijn oordeel te
veelzijdig ontwikkeld, om de voordeelen onzer ligging voorbij te zien.
Vol geloof aan den adel der menschelijke natuur, en tevens overtuigd van
hare behoefte aan schuldvergiffenis, erkende hij haar onvervreemdbaar
regt op vrijheid van geweten, begreep hij welk een hefboom er op
ernstige gemoederen in dat beginsel school. En de uitkomst, wie eischt
dat ik haar schetse? De feiten heugen u van kindsbeen af; gij wilt de
burgers zien. Helaas, waarom zoeken wij hen hier te vergeefs? Waarom
ontbreken in deze zaal, in dit huis, de afbeeldsels van de eerste
martelaren der heilige zaak, vergeten, verwaarloosd misschien, voor
den schoorsteen eener raadzaal, of op de bordessen van een stadhuis?
Immers, Willem I en zijne broeders, schier zij alleen vertegenwoordigen
te dezer plaatse den aanvang der worsteling met Spanje, en, noch de
eenvoud der zeden des tijds, waarin niet allerlei onbeduidendheid zich
liet uitschilderen, noch de geringe afkomst der dapperen,—helden
verwekt uit de heffe des volks,—volstaat om aller afwezigheid te
verklaren. Voorzeker, geen bloed van edelen was het cement onzer
vrijheid; maar wie gelooft het, dat men, buiten Egmond en Hoorne,
hier de bloem van belgischen en hollandschen adel, dat men Hendrik van
Brederode hier vruchteloos zoekt?[R20] We weten het de Zwart Jan's
noch de Jan Haring's[R21] hebben voor eenen schilder gezeten, uit de
smidse toegeschoten, of ten masttop opgeklouterd, om den lande trouw
te blijken tot den dood; maar provincialismus en urbanismus[R22], en
onverschilligheid en geldsgebrek misschien nog meer dan deze, staan de
voltooijing eener nationale galerij in den weg.—En echter kenden we
dezer zaal het vermogen toe, den indruk te weeg te brengen: Oranje en de
burgerij;—en echter nemen we geen woord van het geschrevene terug. Of
treft gij hier eene reeks dier onbekende gezigten aan, waarvan andere
vorstelijke kunstverzamelingen overvloeijen; eene reeks, die zich
voldoende vermelden laat onder de algemeene benaming: „hovelingen uit de
dagen van”—ge hebt naam en cijfers slechts in te vullen? Of vindt gij
niet iets treffends, niet iets karakteristieks in de bijzonderheid, dat
onder de weinige personen, uit Willem den Eerste's tijd op het museum
aanwezig, {II} Kenau Hasselaar, en {III} Dirk Volkertsz Coornhert
behooren? Kenau Hasselaar, die de heldhaftigste vrouwen der oudheid
waardiglijk op zijde streeft; Dirk Volkertsz Coornhert, wiens
verdraagzaamheid der nieuwere eeuwen tot voorbeeld strekken mag? Of
ging het u niet als ons, zoo dikwijls het gemis der overigen u deerde?
Was er dan geene stemme, die u antwoordde op de vraag: „Waar bleeft
ge?”:—„Om het geloof op het schavot onthalsd”—„onder de vanen der
vrijheid bij Heiligerlee gesneuveld”—„bezweken, na den vruchteloozen
togt over de Maas”—„juichende verscheiden, daar de zege op de
Zuiderzee was behaald”—„spijt het verdrag, binnen Haarlems wallen
vermoord”—„uitgehongerd op de vesten van Leijden”—onsterfelijk in
het harte eener dankbare nakomelingschap!—En wenddet ge u dan niet
andermaal naar het beeld des vorsten, wiens gerustheid scheen te
groeijen met het gevaar, dewijl hij geenerlei middel verzuimde,
menschelijken moed vergund, menschelijke magt verleend? En duizeldet
gij niet bij het besef, welk een beleid er in dat brein schuilen
moest voor de elkander opvolgende onderhandelingen met don Johan, met
Matthias, met den hertog van Anjou?[R23]; onderhandelingen, welker
mislukking hij zich getroosten kon, op eenen beteren bondgenoot dan alle
uitheemsche vorsten vertrouwende. En werd het harte u niet warm bij de
overtuiging, dat louter gaven des geestes eene zelfopoffering als de
zijne niet verklaren: dat hij, die zijner eeuw in ieder opzigt vooruit
was, tevens in zijn gemoed die godsvrugt omdroeg, welke het groote en
het goede één maakt? Eene lofrede eischt diepere studie; eene opmerking
vinde hier hare plaats. Er is onder al de titels der troonopvolgers van
Europa's oudste koningshuizen geen schooner, dan die, den erfgenaam
onzer dynastie bedeeld: prins van Oranje, door de herinneringen aan den
eersten Nassau van dien naam ons harte heilig. Maar ook, welke pligten
legt hij op; tot welke eischen geeft hij regt!
[Illustratie: IV. No. 1581 M. J. V. MIEREVELD:
_Prins Maurits._ (1567–1625)]
Rubbens is de schilder der vorsten geprezen, ik zou Miereveldt dien
der groote mannen uit Hollands heldentijd willen noemen. {IV} Prins
Maurits overtuige u er van. Welk eene opvatting van vorst en veldheer;
welk eene uitdrukking van magt en moed! Och, dat onze catalogus meer
ware dan louter eene naamlijst van den schilder en het geschilderde, dat
eene geschiedenis dier stukken ten langen leste wierde geschreven![B]
Een talent als dat, waarvoor wij ons hier buigen, is geenen jeugdigen
kunstenaar onverschillig; hij wenscht het te bespieden in zijne
ontwikkeling; hij rust niet, vóór hij het tijdstip van zijnen hoogsten
bloei kent; maar wat zult gij hem antwoorden, als hij u vraagt, of
Miereveldt reeds in zijn zeventiende jaar gindschen Willem I heeft
geschilderd, welligt jonger nog, daar het boeksken van 't Museum 's
mans geboorte in 1568 plaatst, en de dood des prinsen, als ieder weet,
1584 schandvlekte?[R24] Draagt dan slechts een enkel der stukken van
dien meester, draagt schier geen der overigen van deze verzameling een
jaartal; is aan niet één eene toelichtende overlevering verknocht?
IJdele vragen! even ijdel als die, waardoor, wanneer, van waar, hoe
deze schilderijen de eigendom des Rijks zijn geworden; waarop zelfs een
man, wiens voorgeslacht in de geschiedenis der kunst beroemd is als
dat harer erfelijke beschermers, mij het antwoord schuldig bleef. De
klagte over zoo groote onverschilligheid voor onze oude kunst moest me
van het hart, door de meesterlijke voorstelling een oogenblik van ons
historisch terrein verlokt; waarom roept {V} Huig de Groot, waarom roept
{VI} Oldenbarneveldt, beide door onzen Delftenaar geschilderd, er ons op
terug?
[B] [Vele der hier geuite wenschen werden in 1858 door den heer P. L.
Dubourcq bevredigd. Wij zijn hem eene ~Beschrijving der schilderijen
op 's Rijks-Museum te Amsterdam~ en een ~Notice des tableaux du
Musée d'Amsterdam~ verpligt, van veelzijdige studie getuigende.
Gaarne brengen wij hem onze hulde, zoo voor hetgeen hij gaf, als
voor zijne bekentenis dat hij meer zou hebben gegeven, had het maar
aan hem gestaan ons Museum te voltooijen.]
[Illustratie: V. M. J. V. MIEREVELD (1567–1641)
No. 1604. _Hugo de Groot_ (1583–1645) (1631).]
[Illustratie: VI. No. 1587. MIEREVELD: _Johan van Oldenbarneveldt_
(1547–1619)]
[Illustratie: VII. No 1177. PAUWELS VAN HILLEGAERT (1595–1640): _De
Afdanking der Waardgelders._
(31 Juli 1618)]
[Illustratie: VIII. No. 2489. ADRIAEN PIETERSZ. V. D. VENNE (1589–1662)
_Prins Maurits, de Koning van Bohemen, Philips Willem, Frederik
Hendrik, Willem Lodewijk en Ernst Casimir, Johan Ernst en Johan
Lodewijk_, allen te paard.]
[Illustratie: IX. No. 1180. VAN HILLEGAERT: _Prins Maurits, met zijn
hofstoet, afrijdend ter jacht._]
[Illustratie: X. No. 97. (Schilder Onbekend). „_De kat die de bel wordt
aangebonden._”
(„~Allegorie op Maurits' leven~”)]
[Illustratie: XI. No. 1997. JAN ANTH. VAN RAVESTEYN (1572–1657)
_Dudley, Graaf van Leycester._ (1531–1588)]
[Illustratie: XII. No. 355. _Albertus_, Aartshertog van Oostenrijk.
(Schilder onbekend; Vlaamsche School.) (1559–1621)]
[Illustratie: XIII. No. 356. _Isabella van Oostenrijk._ (1566–1633)
(Schilder onbekend; Vlaamsche School.)]
[Illustratie: XIV. _Reinier Pauw_,
Burgemeester van Amsterdam, (naar een gravure).]
[Illustratie: XV. No. 1348. TH. DE KEYSER:
_Portretstuk van Heer, Dame en Kinderen_ (vroeger _Rombout
Hogerbeets_.)]
Eene {VII} afdanking van waardgelders te Utrecht—eene {VIII}
voorstelling des prinsen te paard aan het hoofd der leden van zijn
geslacht, en eene andere aan de spits zijner krijgsbevelhebbers—een
paar portretten van deze—zijn {IX} afrid ter jagt, omstuwd van
hovelingen en paadjes—en eindelijk eene {X} allegorie op zijn
leven—ziedaar alles wat het tijdvak van Maurits hier vertegenwoordigt.
{XI} Leycesters beeldtenis schuilt onder die der onbekende meesters, het
is waar; doch te vergeefs wenscht gij hen in elkanders tegenwoordigheid
te zien; den eerzuchtigen vreemdeling, die naar de heerschappij dezer
landen dong, en den begaafden achttienjarige, ter verijdeling van dat
ontwerp door de Staten met den hoogsten rang bedeeld. Hebt gij onder
de schilderijen, uit het begin van den vrijheidsoorlog, hier naar een
gedenkstuk omgezien voor de dapperheid der Zeeuwen, toen Medina-Celi
hunne kusten bedreigde, en werdt ge teleurgesteld, ondanks al de
treffende toestanden welke Van Haren's genie aan onze ontluikende
zeemagt boeiden,[R25] een ander gemis uit de dagen van Maurits verbaast,
grieft ons nog meer. De Nederlanden, Engeland, Europa, hebben van de
Armada van Philips gewaagd; het kleine Zeeland liet gedenkpenningen
slaan op den ondergang der onoverwinnelijke; Schiller wijdde aan die
stof zijne lier.[R26] En echter blikt ge vruchteloos deze wanden rond,
of gij er eenige heugenis van mogt aantreffen; onder den overvloed van
zeestukken uit lateren tijd zelfs geen enkel, dat het onvergetelijke
feit herinnert. Parma ontbreekt; {XII} Albertus en {XIII} Isabella
vindt gij, als ge ze zoekt, maar geene trofeën der overwinning bij
Nieuwpoort;—ge aanschouwt in de tente des veldheers zoomin den Admirant
van Arragon, als den koning van Sumatra;[R27]—misdeelde Maurits,
die slechts Oldenbarneveldt tegenover u hebt!—misdeelder burgerij!
Of schuilt er voor menig aardig tafereel niet stoffe te over in de
Houtman's dier dagen, in een portugeesch handelshuis de geheimen der
Indische zeevaart bespiedende? Of wenschtet ge u niet verplaatst te
zien in eene burgerlijke woning van Middelburg, van dien tijd, in
de woning der Moucheron's, om hunnen ontdekkingslust tot in het
verre Noorden vermaard? Of zou het uitzeilen van eenen der eerste
walvischvangers,—God zij met hen in eene zee, uit welke de Biscayers
het spreekwoord medebragten: „Wie vaart, leert bidden!”—of de
tehuiskomst van eenen der vroegste Oost-indiëvaarders, beladen met
de weelde van het morgenland,—God was met hen geweest, al hadden zij
ook meer dan twee jaren reis!—of zouden zulke voorstellingen u hier
niet welkom zijn? Wie heeft regt op de plaats der eere in eene
verzameling als deze, zoo niet onze wereldontdekkers, op den oceaan
geen minder gevaar braverende dan Maurits aan de spits des legers tarten
moest,—deze in het harnas voor 's lands veiligheid, gene voor 's lands
welvaart aan het roer? Willem Barendz, Olivier van Noord, Jacques le
Maire[R28]—en wien al doen ik geen onregt, uit een twintigtal jaren
slechts deze noemende, van hen, welke door het Noorden eenen weg naar
China zochten; die den aardbol omzeilden; wier hoop in de Stille Zuidzee
zich vleide met land?—Wat aandoenlijke stoffe biedt gij om strijd
het penseel aan! Of mishaagt iemand de somberheid van het sterven
van den eerste?—al leverde hij er eene fraaije schets van, die
onze oude meesters begrijpt, door de liefde welke hij hunner kunst
toedraagt;[R29]—of weigert men zoo droefgeestig te worden gestemd, als
de beeldtenis van den laatste mij maakt?—een jongeling, die den roem
van zijnen togt niet oogsten mogt, op de tehuisreize overleden van
hartzeer over het verlies van zijn schip.—Welaan, de dagen van Maurits
waren die der grondlegging onzer Indische heerschappij; voorbeeldeloos
geluk bekroonde voorbeeldeloozen moed; werelden werden veroverd—ach,
dat ge er hier geen blijk van vindt! Het penseel eens Vlamings
verlustigde zich in het schilderen van Willem Bontekoe, over eenen
der woudstroomen van Sumatra, door inlanders voortgeroeid;[R30] de
graveerstift van een Yankee schetste ons Henry Hudson en zijne
togtgenooten, op den vloed, aan wiens oever Nieuw-Amsterdam verrijzen
zou. Doch staar deze zalen rond, tot het u schemert; noch de weelde van
het West, noch de gloed van het Oost lacht u aan, of lucht u toe. Geene
ongerepte bosschen der nieuwe wereld, eene maagdelijke natuur; geen
morgenlandsche ochtendstond, louter vuur en vlammen. Eer gij onze klagt
overdreven noemt, herhalen wij, dat wij spraken van vroegere en latere
kunst, en brengen gaarne nog een paar voorbeelden bij. Onder Willem's
heldhaftigen zoon werd de Oostindische Compagnie opgerigt; maar zoomin
Gerard Bicker als {XIV} Reinier Pauw vertegenwoordigen binnen deze muren
den ondernemingslust onzer patriciërs—en toch twijfelen we er niet aan,
dat tijdgenooten hunne gelaatstrekken hebben bewaard. Onder Maurits
is het octrooi ter Groenlandsvaart verleend; maar geen enkel stukje
veraanschouwelijkt ons die lievelingsschool der ruwste gasten uit het
plebs,—en toch was de vangst nog weêrgaloos voorspoedig, toen de
kunst voor zulke onderwerpen niet langer te schoolsch zag. Verlies de
onderscheiding niet uit 't oog: we vroegen slechts wat de tijdgenoot
voortbragt, wat de nakomelingschap aanvullen kon. Overdreven, onredelijk
zou ons verlangen zijn geweest, als we voorstellingen uit het volksleven
hadden geëischt, die buiten het kunstbegrip van de schilders des tijds
lagen, of van latere eeuw hadden gevorderd, wat met vroegere te loor
ging. Wilt ge het nog duidelijker uitgedrukt? we zochten geenen Jan
Steen, in de dagen toen van Mander aan Miereveldt het portretteren
naauwelijks ten goede hield. „Door winste verlokt of door behoefte
gedrongen,” zegt hij, „slaan de meesters dien zijweg in, zonder lust of
tijd te hebben, om de heirbaan der historie en der beelden te zoeken.”
Wat zou hij wel van de studie van lager leven, van geuzen bij den
beker, of lansken bij den kroes, hebben gezegd? Het was de zuurdeesem
van het katholicismus, antwoordt ge, dat slechts naar altaarstukken
streefde; het was de zoogenaamde klassiek der akademie, voege ik er bij,
die gaarne alle kunst in éénen vorm gieten zou. Maar wat baat het ons,
de bekrompenheid te laken? zij was aan de orde van den dag. Wat al
schalkheid, wat al boert, wat al jok dierven zij er door! Hij, die een
volk slechts van zijne deftige, van zijne zondagszijde ziet, kent het
maar ten halve. Driewerf jammer, dat de schade onboetbaar is,—of
waardoor wilt gij het verlies vergoeden? Kieskaauwer noch pilaarbijter,
loop ik hoog met de ~brabbeling~[R31] van eenen onzer oudste dichters,
als schets der zeden eener burgerij, met moeite aan velerlei dwang
ontworsteld, en alreede geprikkeld tot velerlei lust, onderscheide ik,
wat meer zegt, er die wijsbegeerte van het gezond verstand in, welke
weldra de hollandsche worden zou; biedt zij stoffe te over aan voor
studie; maar zou ik toch de laatste zijn, om iemand uit te noodigen,
er genrestukjes aan te ontleenen, ... al spijt het mij, dat de tijd er
zulke niet gaf. Zoo iets, het komische moet uit het leven zijn gegrepen,
moet op de daad worden betrapt. Eerst toen de tint kleur was geworden,
had de kunst er oog voor. Of wie waren de voorloopers van Ostade en
Teniers, die dichters van de grepen der minne, bij de veêl en bij de
kan? Als iemand er kent, als iemand er in zijn kabinet overheeft, hij
sta iets van zijnen schat aan ons museum af, dat Maurits als veldheer
alleen laat staan, dat Maurits als landvoogd naauw kennen doet, dat niet
eens gezegd mag worden, zijn tijdvak af te schaduwen. Waar bleef
Hendrick Spieghel, waar bleef Roemer Visscher? waar de beide zeehelden,
door Tollens en Bogaers bezongen?[R32]—waar de stoet van buitenlandsche
vorsten, die den krijg kwam leeren bij den oorlogsman, die alle overige
wijken deed?[R33] Lodewijk Philips heeft een deel van zijn vermogen veil,
ter aanvulling der kunstzalen van Versailles. „~Sympathie pour toutes
les gloires de la France?~” is zijne spreuk, en de natie juicht hem
toe;—of het mij gelukt ware vorstelijke kunstliefde en burgerlijke
belangstelling ter aanvulling dier leemten van ons panthéon op te
wekken! Oranje en de burgerij, zeiden we bij den aanhef;—maar hoe
verdienstelijk de beide familietafereelen zijn mogen van {XV} de Keyzer
en van {XVI} Cuyp, de blik, dien zij op het huisselijk leven dier
dagen vergunnen, mag slechts ter sluik geworpen heeten: het is een
allereenzijdigst kijkje op den bemiddelden stand. Bovendien, er heerscht
in de beelden van den laatste eene rust, der gemeente van dien tijd
vreemd; er is aan den naam van het gezin, door den eerste geschilderd,
eene herinnering verknocht, die de schets van stil geluk schier in een
schimpdicht verkeert. Dat gezin heette Hogerbeets, en die vader was
Rombout van dien naam...[R34]—Maurits, schreven wij straks, staat in
deze zaal slechts tegenover Oldenbarneveldt!
[Illustratie: XVI. No. 1349. THOMAS DE KEYSER. _De familie Meebeeck
Cruywaghen._
(bij Potgieter aangeduid als werk van Cuyp.)]
Vóór twintig, vijf en twintig, dertig jaren, bragt de geest des tijds
mede, geenen blik op dat tweetal beeldtenissen te slaan, zonder ~onze
eeuw~ te prijzen; als waren de vergrijpen van het voorgeslacht slechts
bestemd vrucht te dragen in de zelfverheffing der nakomelingschap.
„Eendragt” predikte men, „eendragt” zong men, tot voorbijziens toe, of
deze haren oorsprong nam uit overtuiging of uit onverschilligheid. Als
de fakkel der partijschappen maar werd gebluscht, mogt ook de vonk der
belangstelling uitgaan. Verheugen we ons, dat die stemming voorbijgaande
was, als de vermoeijenis na de vrijheidskoorts, als de krachteloosheid
onder het keizerschap! Verheugen we ons, dat eene billijker beschouwing
die bekrompene heeft vervangen; wij waardeeren de voordeelen van een
éénhoofdig bewind, al houden wij aan om vrijzinniger vertegenwoordiging.
Ontwikkeling aller gaven en krachten, scheen ons de leuze der
hollandsche historie, toen we Oranje en Granvelle in den voorhof van
dezen tempel wenschten aan te treffen; bij wien van beide zoude de wijze
van zien, vóór twintig jaren onzer jeugd aangeprezen, de levendigste
sympathie hebben gevonden?—Het is haar vonnis. Was het u ooit, onder
eene mijmering in deze zaal en starende op de beeldtenissen van den
veldheer en den staatsman, was het u dan ooit te moede, of de geest van
den grondlegger onzer vrijheid, en die van den voorstander van Spanje en
van Rome, ze omzweefden? Wij verbeeldden het ons bij wijlen. Granvelle
lachte, Oranje zuchtte. Doch reeds leenden wij het oor aan beider
gesprek, en weigerden in te stemmen met den bisschop, dat het beter ware
geweest, het juk der onderwerping te blijven dragen, en vonden rust bij
het gevoelen van den Vader des Vaderlands, dat er stormen vereischt
worden tot zuivering van het zwerk. En zoo we bevredigd den blik elders
wendden, wij waren het niet zóo als men het vroeger plagt te zijn,
dewijl alle verschil van gevoelen is ondergegaan in traagheid van
geest,—neen, dewijl het hoe langer hoe zeldzamer wordt dit door het
zwaard te zien beslissen, ook bij hemelsbreed verscheidene begrippen
over de toekomst van kerk en staat; dewijl de meening veld wint, dat hij
tot de slechtste burgers behoort, die naar de bevrediging der behoeften
des volks, naar den vooruitgang van allen ter goeder trouw niet streeft.
[Illustratie: XVII. MICHIEL JANSZ. VAN MIEREVELD (1567–1641).
No. 1582. Portret van _Prins Frederik Hendrik_. (1584–1647)]
[Illustratie: XVIII. No. 1238. GERARD VAN HONTHORST (1590–1656).
_Prins Frederik Hendrik._ (Geschilderd 1650).]
[Illustratie: XIX. No. 1584. MIEREVELD: _Jacob Cats._ (1577–1660)
(Geschilderd in 1634).]
[Illustratie: XX. No. 1726. CASPAR NETSCHER (1639–1684).
_Constantijn Huygens._ (1596–1687.)
(Geschilderd in 1672.)]
[Illustratie: XXI. No. 1832. JURRIAEN OVENS (1623–1678).
_Pieter Cornelisz. Hooft._ (1581–1647)
(in Potgieter's tijd aan _Bramer_ toegeschreven)]
Geen der vorsten uit het huis van Oranje is, wat de veraanschouwelijking
van zijn tijdvak in deze zalen betreft, gelukkiger te prijzen dan
Frederik Hendrik, indien gij u aan het kleine anachronisme niet
ergert, dat ik den stukken, ter gedachtenis van den vrede van Munster
vervaardigd, plaats geve in zijn gulden vierde eener eeuw. Wij zullen
slechts regtvaardig zijn, zoo we dus om zijne beeldtenis niet enkel de
lauwertwijgen vlechten, welke hij zich verwierf; zoo wij om deze tevens
de olijftakken strengelen, die hem aanlachten op zijn sterfbed, die
gepast hadden bij zijne baar. Het is andermaal {XVII} Miereveldt, die
den voortreffelijke heeft vereeuwigd; hij slaagde in deze afbeelding
minder gelukkig dan in die van Maurits, zou ik er bijvoegen, als de
schemering, in welke zij hangt, mij het uitbrengen van een oordeel
niet verbood. {XVIII} Honthorst leverde hier op zijne beurt ook eene
beeldtenis van Willem's derde zoon; maar van vergelijking dier stukken
kan geen sprake zijn, het eerste, als ik zeide, zelden licht ziet, en
het laatste ter zoldering streeft, hooger dan ooit een reus reiken kon.
Doch waar zouden onze klagten een einde nemen, als wij die bij iedere
ongelukkig geplaatste schilderij uit de dagen van Frederik Hendrik,
lucht wilde geven? De een hangt tegen den dag, de andere hangt onder de
knie;—buig u, wend u, krom u zooveel ge kunt; de derde valt niet met
eenen blik te omvaêmen, valt niet te genieten, want aan uwe slinke of
regte weêrkaatst zij den dag;—de vierde—maar twijfelt dan iemand er
nog aan, dat de zalen van het ~Trippenhuis~, in haren tegenwoordigen
toestand, niet geschikt zijn tot eene tentoonstelling onzer oude school?
Neen, maar hoe verre is het er nog van, dat overheid en gemeente beide
zich den gruwel zouden schamen, de laatste glorie uit onze gulden eeuw
geene gelegenheid te gunnen allen toe te stralen, den vreemde te
overschijnen! Eerst als dit besef in dat des algemeens verkeert, eerst
dan zullen de Frederik Hendrik van Miereveldt en de Frederik Hendrik
van Honthorst, tot welke wij terugkeeren, zigtbaar worden, zigtbaar
als de overige stukken uit den tijd van dien vorst, zigtbaar als de
schilderijen van welke ik u nog de opgave, in welke ik u nog het bewijs,
waarom ik hem gelukkig prees, schuldig ben. Het zijn de afbeeldingen
der grootste vernuften, op welke Hollands letterkunde in de dagen van
Hollands heerschappij roem droeg; het is {XIX} Cats door Miereveldt; het
is {XX} Huygens, door Netscher gepenseeld; het is Hooft, om strijd door
{XXI} Bramer en door {XXII} de Keyzer veraanschouwelijkt; het is {XXIII}
Vondel, wiens hoofd wij aan Jan Lievensz zijn verpligt—Cats, Huygens,
Hooft, Vondel, in wier werken de zeventiende eeuw herleeft. Het zijn
de burgers, voor welke zij dachten en zongen; de burgers van eenen
krachtigen tijd, mannelijk moedig in hunne uitspattingen, en goedrond
bij den beker: de burgers, die Spanje in drie werelddeelen hadden
overwonnen, ons door Govert Flinck, Rembrandt van Rijn en Bartholomeus
van der Helst aangeboôn.
[Illustratie: XXII. No. 2118. J. VON SANDRART (1606–1688)
_Pieter Cornelisz. Hooft._
(in P's tijd aan DE KEYSER toegeschreven.)]
[Illustratie: XXIII. No. 928. GOVERT FLINCK (1615–1660)
_Joost v. d. Vondel_, (1587–1679)
(door P. toegeschreven aan _Jan Lievensz._)
[Hierop is dan toepasselijk V's gedicht:
OP MIJNE SCHILDERIJ,
toen GOVERT FLINCK mij uitschilderde, in het jaar 1653.
Ik sluit vandaag een ring van zesmaal ellef jaren,
En zie mijn hoofd besneeuwd, en tel mijn grijze haren,
Ook zonder glazen oog, in deze schilderij,
En nog ontvonkt mijn hart in lust tot poezij;
Terwijl ik Lucifer zijn treurrol leer volspelen,
En met den bliksem sla op hemelsche tooneelen,
Ten schrik en spiegel van de Staatszucht en de Nijd.
Wat is mijn ouderdom? Een rook, een damp, geen tijd.]]
[Illustratie: XXIV. No. 962. WYBRAND DE GEEST (1590–1659)
('t Zoogenaamd _Portret van Piet Hein_)]
Niet ééne toespeling zegt men welligt, niet ééne toespeling
herinnert hier stedemaagd bij stedemaagd, die Frederik Hendrik aan
zijne voeten buigen zag, welke hem als overwinnaar binnen hare
muren ontvingen;—slechts {XXIV} Piet Hein vertegenwoordigt er de
eerste triomfen onzer vloot; haar vader zelfs, Maarten Harpertszoon
Tromp, ontbreekt;—wat verleidde u toch te beweren, dat het zegel, door
dezen vorst op zijnen tijd gedrukt, hier viel te zien? Als ware louter
oorlogsroem het doel zijns levens geweest, neen, als hadde het hem
voldaan, de grenzen des vaderlands te veiligen en uit te zetten; als
hadde hij slechts naar den stoffelijken voorspoed des volks gestreefd!
Stel zijne verdiensten als krijgsman zoo hoog gij wilt, ik ken haar met
u gaarne den man toe, die zich aan de zijde zijns broeders, aan die van
den grootsten veldheer zijns tijds, reeds als jongeling onderscheidde en
in rijperen leeftijd de taak van dezen, het vrijvechten onzer gewesten,
roemrijk heeft voltooid; maar huldig tevens—de vier door mij vermelde
vernuften vergen het van u—huldig tevens in Frederik Hendrik andere
gaven, hoogere deugden, durf ik zeggen, dan aan Maurits ten deele
vielen, dan Maurits in beoefening bragt. Beslisse hij, wiens studie van
ons verleden dieper gaat dan de mijne, beslisse hij, of Willem's derde
zoon 's lands taal niet slechts zuiver sprak, maar ook de bloesems,
ook de vruchten, die onze letterkunde in zijnen tijd aanbood, te
waardeeren wist; er is veel, dat ten voordeele van ons gunstig vermoeden
pleit, in de bijzonderheid, dat de anders zoo verscheidene talenten,
welke hem hier omringen, eenstemmig zijn in den lof zijner heuschheid,
dat ieder hunner hem betreurde als eenen vriend. Weifelt gij nog toe
te stemmen? leen ons verder het oor. Het zou vergeeflijk geweest zijn,
hadde Frederik Hendrik hollandsche proza, hollandsche poëzij maar half
verstaan,—vergeeflijk, zeg ik, den vroegen dood zijns vaders, de
uitheemsche afkomst zijner moeder,[R35] en de aan beide die oorzaken toe
te schrijven voltooijing zijner opvoeding in den vreemde, in aanmerking
genomen;—al bleek het morgen, dat Willem's derde zoon dit niet eens
deed, zijn tijd, zijn toestand zou het verontschuldigen, hij zelf zoude
er niet minder de gevierde beschermer onzer litteratuur om zijn. Immers,
het zou er slechts te duidelijker door aan het licht komen, dat hij
verstandig genoeg was, om geene uitheemsche der inheemsche voor te
trekken; beschaafd genoeg, in den echten zin des woords, om de behoefte
zijner landgenooten aan de laatste te begrijpen. Dat de jongere tak der
Nassau's, die den zijnen verving, hadde opgemerkt, welk een voorbeeld
hij in dit opzigt gaf; dat verlicht eigenbelang, dat kennis onzes tijds,
het volgen deed! Hoe vurig heeft de ontluikende, de in de dagen zijner
jeugd nog onbeschaafde dichtkunst, de gunsten, welke Frederik Hendrik
haar bewees, hem bij tijdgenooten en nakomelingschap dank geweten; hoe
honderdvoudig heeft hij alles, wat hij voor onze letteren veil had,
weder ingeoogst, in hare vermelding van de wijsheid van zijn hoofd,
van de goedheid van zijn harte, in haren lofzang op de beschaving van
zijnen geest, op de verdraagzaamheid zijn gemoeds! Zie, de oorlogsroem,
welke Maurits' oogappel was, zij te regt elk, die den naam van Oranje
draagt, dierbaar; maar de liefde, welke zijn jonger broeder zich
verwierf, de liefde des volks, die oorsprong nam uit zijnen zin voor
verstandelijke verlichting, gelde het hart der nazaten van den eersten
Willem nog meer! Europa's voorkomen is sedert tot onkenbaar wordens toe
verkeerd; onze naburen zijn ons boven het hoofd gewassen; Engeland
heerscht op den oceaan, Frankrijk verwezenlijkte een oogenblik het
droombeeld, dat het heel het vasteland tarten kon; de kolossus van het
Noorden is ontwaakt, en de markgraaf van Brandenburg een der monarchen
van ons werelddeel geworden;—van de beide kransen, weleer om de kruinen
onzer stadhouders blinkende, is er slechts één meer binnen het bereik
van hun nageslacht. Dat het zich trooste: het is de zeldzaamste, het is
de schoonste tevens. Frederik Hendrik's tijd was onze gulden eeuw van
kennis en kunst;—ge zult niet ongeduldig worden, hoop ik, zoo wij bij
ieder der beeldtenissen, die beide vertegenwoordigen, een oogenblik
stilstaan.
[Illustratie: XXV. No. 1659. PAULUS MOREELSE (1571–1638).
_Maria van Utrecht._ (1555–1629) (geschilderd 1615).]
[Illustratie: XXVI. No. 407. DAVID BAILLY (1584–1657).
_Maria van Reigersbergh._ (1589–1653) (geschilderd in 1626.)]
De Cats van het museum, de Cats van Miereveldt, is niet de eerwaardige
grijsaard, ons door Ravestein veraanschouwelijkt, niet de twee en
tachtigjarige, dien ge voor Feith's uitgave zijner werken ziet;—ik
wenschte, dat hij het ware! „Vader Cats,” zegt het volk; „vader Cats,”
zong zelfs Bilderdijk, die het anders zelden met het volk eens was;
„vader Cats,” zeide menigeen, het hoofd schuddende bij vroegere
opstellen in de „Gids,” welke niet van onvoorwaardelijke sympathie met
dezen volkszanger van het voorgeslacht getuigden;—vader Cats, vadere
men zoo veel men wil, waarom zouden wij aarzelen, bij deze gelegenheid
andermaal voor ons gevoelen uit te komen, dat we, spijt onzen eerbied
voor zijne verdiensten, Vondel boven allen, en Hooft schier dezen
gelijk, en na beide, zelfs Huygens op de ontwikkeling van wat er
voortreffelijks in onzen volksaard schuilt grootere aanspraak toekennen,
dan het hoofd der Dordtsche school? Vader Cats... inderdaad, wij hebben
behoefte aan de sneeuwwitte lokken; aan de kruin, door het fluweelen
kalotje voor wind en weder gedekt; aan de hooge jaren en den ernst,
dien zij medebrengen, om geduldig het oor te leenen aan den lof voor
wijsheid, hem zoo kwistig toegezwaaid. Bij den man van middelbaren
leeftijd, ons door Miereveldt hier veraanschouwelijkt, bij dit
bloeijende, blozende gelaat, grijpen wij moed tot de vraag: „welk deel
hij genomen heeft aan de bewegingen zijns tijds, woelig als die was,
welke rigting hij voor den geest zijns volks de wenschelijkste achtte?”
Op de eerste blijven zijne vurigste bewonderaars evenzeer het antwoord
schuldig, als de schilderij voor ons; op de tweede vinden wij het in
zijne werken, in de voornaamste van deze, in „Huwelijk” en „Trouwring,”
zoo ge wilt. Intusschen, hoe waar wordt zijne afbeelding door
Miereveldt, als gij haar met 's mans leven vergelijkt: alle sterk
sprekende individualiteit ontbreekt in beide. Zoo gij niet wist, dat
de eerste Jacob Cats voorstelde, zij zou u nooit om den wille des
geschilderden hebben geboeid—zoo 't laatste aan zijne werken niet
voorafging, dat van den „Raadpensionaris” zou luttel belang inboezemen.
Eer ge mij van onbillijkheid beschuldigt, bid ik u, de karakteristieke
gelaatstrekken van Huygens, van Hooft, van Vondel, beurtelings met die
dezer schilderij te vergelijken; ook zonder een Lavater te zijn, merkt
men het onderscheid der physiognomiën op. Eer ge heiligschennis roept,
verzoek ik u den uitslag der gezantschappen van den Heere van
Zorgvliet over te stellen tegen die der zendingen van den Heere van
Zuylichem.[R36] Of acht ge deze te zeer verscheiden, welnu, doe het
dan den stijl, waarin de eene als de andere ons in hoogen ouderdom er
vertrouwelijk verslag van gaven. Hooft bragt als Drossaard dezelfde
verdraagzaamheid in beoefening, die hem als dichter, als denker
onderscheidde; wanneer gevoelde Cats eene liefde voor vrijheid, als op
iedere bladzijde der „Nederlandtsche Historiën” blaakt? En denk u Vondel
eens, in de plaats van den Raadpensionaris, in het kabinet van Willem
II, toen deze den laatste kennis gaf van den aanslag op Amsterdam. Zou
de dichter van „Palamedes” zich vergenoegd hebben met des vorsten
afscheping: „Schrijf, secretaris!” Waartoe heeft Feith[R37] toch van
Cats getuigd, dat hij ons, ook als staatsman, „altijd onzen eerbied
ontweldigt,” terwijl hij zich verpligt gevoelt er op te laten volgen:
„dat deze nergens schittert,” en dit dan weder goedmaakt met: „maar ook
overal vinden wij hem grooter, dan hij schijnt te zijn; mogelijk is dit
laatste het zekerste kenmerk van ware verdiensten?” Waartoe heeft de
Vries[R38] in den overvloed der gedichten van Cats naar een schaarsch te
vinden bewijs gedoken, dat hij belang stelde in 's lands roem ter zee,
terwijl datzelfde vers ieder, die het leest, koel laat, middelmatig,
redeneerziek als het uitviel? Waarlijk, wij, die den weêrzin niet
verheelen, welke ons de figuur inboezemt die hij tegenover de krachtige
bewindslieden zijns tijds maakte, wij doen zijner nagedagtenis geen
onregt, als zij, die hem verdiensten opdringen, welke hij niet bezat.
Indien Cats van ganscher harte man van zaken, man des bedrijvigen
levens, man onzer glorierijke zeventiende eeuw was geweest, met de
dichterlijke gaven, hem bedeeld, had hij niet enkel de pligten en
regten des huwelijks gezongen,[R39] ware niet louter de minne scheering
en inslag zijner schriften geweest. Een blik op de schilderij voor ons,
en gij verbaast er u niet langer over, dat zijne liefde meer van drift
dan van togt had, zoo ge met ons het laatste woord de uitdrukking acht,
welke voor iets hoogers dan instinct past;—dat hem iets grof zinnelijks
aankleefde, 't geen ons minder ergert, wanneer Huygens het in de
volkstaal lucht geeft,[R40] wanneer het Hooft in zijne liedjes dartel
doet worden, wanneer Vondel er in enkele bruiloftszangen tot wulpschheid
door wordt verleid, dan als Cats het ontleedt en verklaart en toelicht,
de natuurlijke historie van ik weet niet wat al! Onze oude kluchtspelen
worden walgelijk gescholden door de kieskeurigheid dezes tijds; maar het
ontsluijeren van iedere geheimnis schijnt in Cats niemand te stuiten,
dewijl hij daardoor slechts „waarschuwen wou.” Houde men ons de vraag
ten goede, welke soort van nieuwsgierigheid er gescholen hebbe in de
gretige lezing zijner werken gedurende de laatste helft der zeventiende,
gedurende de eerste der achttiende eeuw? Het zijn bedenkingen,
gedachten, vragen, die ons van het hart moesten, als zoovele indrukken
van Miereveldt's beeldtenis, vergeleken met vele verhalen uit den
„Trouwring,” afgewisseld als deze worden door dissertatiën, die ons wel
eens verleid hebben tot den wensch: „Ach, hadde Cats maar liever eene
tweede vrouw genomen!” En nu de keerzijde van den penning, den goeden
invloed door hem uitgeoefend, de schare van lezeressen, die hem gegronde
aanspraak geeft, met de drie overige vernuften den gulden tijd van
Frederik Hendrik te vertegenwoordigen. Trots het vervelende zijner
versificatie, onvergeeflijk als die was, daar Hooft's gedichten vóór
de zijne het licht zagen; trots het leuningstoelige eener dichtsoort,
die doorgaans vertelde, allerbegrijpelijkst, het is waar, maar ook
~abc~'swijze, zonder verwikkeling van knoop, zonder vragen, of de lange
redenen in den mond der sprekers pasten; trots al het achterlijke van de
theoriën der Dordtsche dichtschool, in één woord, tegenover die der
Amsterdamsche, maakte Cats opgang, voorbeeldeloozen opgang, opgang, door
dien van Vondel zelfs niet geëvenaard;—het waarborgt verdiensten, welke
al die gebreken overtroffen. Mogt het mij gelukken deze regt te doen in
de omtrekken van een genreschilderijtje, dat begaafder hand dan de mijne
op het doek overbrenge! Gedurende de laatste jaren van het bestand met
Spanje bood eene landhoeve bij Grijpskerke in Zeeland dikwerf eene
schoone groep aan: een jeugdig echtpaar en hun spelend kroost. Laat de
kleinen, jongens en meisjes, vier, vijf in getal, laat ze rondspringen
naar het hun lust, ik wensch uwe aandacht te vestigen op de oogen der
moeder, die over hen gaan, terwijl zij het oor leent aan haren gade; ik
wensch u vooral hém te doen zien. Eene veder ter hand, een blad papiers
voor hem, leest hij met welluidende stem verzen voor, verzen even
zoetvloeijende als de beek, maar neen, die faalt ongelukkigerwijze aan
het landschap, even zachtkens ruischende als het hooge geboomte, in
welks lommer de dichter zit. Immers, hij is het, al ademt zijn werk
de kalmte van het oord, al hebben de toestanden, welke hij schildert,
zoomin iets hartstochtelijks, als de natuur, welke het paar omringt,
iets verhevens heeft. Het eigenaardig karakter des geheels, van de groep
als van het gedicht, is huisselijk, is hollandsch te zijn. Behoef ik
u nog te zeggen, dat Cats zijner vrouw „~het Houwelijck ofte gantsch
beleid des echten staets~” hooren doet? Hoe karakteristiek is dat
toevoegsel, dat ~gantsch beleid~, in den mond van dien man! Tweemalen is
hij verliefd geweest, vóór hij der vrouwe, die naar hem luistert, hart
en hand bood; tweemalen op het punt te huwen, en echter deed hij het
niet dan met haàr. Laat mij het u als episode mogen vertellen, op de
schilderij zoudt ge er niets van zien. Wat zijnen eersten liefdehandel
deed afbreken—het woord past voor den tweeden of het er voor gesmeed
ware—verhaalt hij u als ge het hem vraagt. Hij kreeg in den Haag, waar
het meisje woonde, de koorts; men ried hem, om haar kwijt te raken, de
koorts namelijk, verandering van lucht, een uitstapje naar Engeland aan.
Hij verliet den Haag en zijn liefje. Waarom hij het laatste niet weder
opzocht, toen hij naar Holland terugkeerde, vertelt hij u niet—daar hij
dan fluks van zijnen tweeden liefdehandel ophaalt. Het geviel, dat hij
te Middelburg in de Fransche kerk minder naar de predikatie luisterde,
dan naar een mooi meisje keek—is het u nooit zoo gegaan?—mij weleens,
al ging ik, te huis gekomen, zoo verre niet als Cats, om fluks een
hupschen minnebrief te schrijven. Het spijt mij in één opzigt nu, dat ik
het niet deed; immers, de tijd is thans voorbij, om de proef te nemen,
of ik even gelukkig zou zijn geweest als hij was.[R41] De jonkvrouw gaf
der eerste bede dadelijk gehoor; op het bescheiden uur kwam zij des
avonds voor de deur, zooals hij haar verzocht had. „Het was of hem de
hemel opging,” zegt hij. Zij bloosde, ze zag hem aan; ik wil niet
ondeugend genoeg zijn eenige stippen te laten volgen. Genoeg, hij vroeg
haar; hij zou haar hebben gehuwd, als een gedienstig vriend hem niet
had verhaald, dat haar vader om zijne bankbreuk werd veracht. Arm,
mooi meisje! Cats nam haar niet—het ~gantsch beleid~, zeiden we. Hij
beweert, dat hij voor haar in den dood zou zijn gegaan; maar, praat
door, en gij zult hooren, dat hij haar zitten liet. Hier zette ik
tittels... En leenen wij nu met zijne gade het oor aan zijnen zang.
Zij heeft geest, zij heeft gevoel, zij leest Plutarchus, zij leest
den bijbel het liefst van alle boeken, en zoo er godsvrucht in het
harte van Cats is geweest, haar zij de eere! Wie weet, of zij hem het
onderwerp niet aan de hand deed? Er is niets, hetgeen onze gissing
onwaarschijnlijk maakt, dat zijn vroegere arbeid (de „Sinne- en
Minnebeelden”) haar minder geviel,—al was het eene eerste poging,
partij te trekken tot van de dwaasheden der jonkheid toe;—dat zij
den dichtstukken over den echt de voorkeur geeft boven „den Spiegel
van den Ouden en Nieuwen Tijd.” Uitgebreide geleerdheid en levendige
opmerkingsgave, zij weet het, doen historie en natuur Cats om het zeerst
ten dienste staan, en zijn hart—ik hoop het—kent zij beter dan wij het
achten zouden, uit de beide vrijerijen,—waarvan zij waarschijnlijk
niets weet. Doch wij zouden luisteren; maar naar wat? naar ~de maeght~,
naar ~de vrijster~, naar ~de bruyt~, naar ~de vrouwe~, naar ~de moeder~?
Hij heeft haar, vertrouw ik, het laatste het liefst voorgedragen.
Maar sla gij—want ik laat mijn schets een' schilder over,—sla
gij ieder der stukken op, en ons oordeel zal niet veel verschillen,
vlei ik mij. Verscheidenheid, dat groote middel tegen verveling;
verscheidenheid—vooral in gelijkenissen en tegenstellingen,—wie is er
rijker aan dan Cats, die zondigt door overmaat, doch misschien aan dat
gebrek eene afwisseling van gedachten heeft dank te weten, welke in dit
boek ten minste het eentoonige zijner manier vergeten doet? Vlugheid van
verbeelding, die zich in allerlei toestanden des harten te verplaatsen
weet, en door aanschouwelijkheid van voorstelling vergoedt, wat haar in
diepte van opmerking ontbreekt, wie zal hem haar ontzeggen, in wien
Feith objectiviteit huldigde, dien Bilderdijk „het verstand overredende,
het hart overmeesterende” prijst? Vol van zin voor huisselijk heil—tot
waarschuwens toe voor struikelblokken, die het storen kunnen en van
welke het welligt wijzer ware geweest te zwijgen; vol van liefde voor
het landleven—al had het een weinig van natuur gaêslaan, om daarmede
profijt te doen; vol godsdienstig gevoel—schoon dan ook riekende naar
de rechtzinnigheid van zijnen tijd, bezat hij alle vereischten om zijne
toehoorderessen te boeijen, daar hij haren toestand volkomen begreep.
En nu wenschte ik, dat het mij gegeven ware, niet die Phylissen[R42]
voor u op te voeren, door zijne Anna's maar half bekeerd, noch die
Sybillen, welke het, trots het talent des schrijvers, niet van zijne
Rosettes wonnen, maar u de bruiden te doen aanschouwen, welke in
zijn werk menigen wenk vonden, dien zij ter harte namen; maar u
vooral de vrouwen te doen zien, zooals hij ze deels vond en deels
vormde: heusch, bloeijend, aanminnig, ingetogen, huishoudelijk,
verzoeningsreê,—getrouw, geduldig, godsdienstig bovenal; vrouwen,
welker wedergade de wereld buiten Holland niet had. Doch wat wenschte
ik? Hangen hier de beeldtenissen niet van haar, die zijne idealen
verwezenlijkten? Blikt ons de bitter beproefde {XXV} Maria van Utrecht,
Oldenbarneveldt's weduwe, niet aan?[R43] Bewondert ge met mij de
beminnelijke {XXVI} Maria van Reigersbergen niet? Weest gegroet,
degelijke echtgenooten, degelijke moeders, die misschien eerder
de studies verdient te heeten, naar welke Cats schetste, dan de
treurenden door zijnen zang vertroost, doch om wier wille wij niet
mogen voorbijzien hoevele zwakkere zusteren dan gij hij heeft opgewekt,
aangespoord, overreed, om u, al was het van verre, te gelijken in
huwelijksliefde, in moedertrouw!—Vergeef ons de vervoering, lezer.
Ligt dat zij, die er ons toe verlokten, zedig als ze waren, de eersten
zouden geweest zijn, er het hoofd bij te schudden, dewijl we daardoor
den schijn op ons laden, van de verdiensten van Cats nog die ééne te
willen afdingen, door zijne verzen onze vrouwen te hebben gevormd, daar
de voortreffelijkste, eer zijn dichtstuk het licht zag, het voorbeeld
aller deugden gaven. Op ons woord, wij kennen ons van dien toeleg vrij.
Alles wat wij tegen Cats inbragten, wijte men der onoordeelkundige
ophemelingen zijner talenten, welke aan verhevener vernuften te kort
doen; vernuften, welker karakter en kunst mannelijker waren dan de
zijne, welker leven en lied om strijd getuigden van kracht. Dulde men
voor het minst onze meening, dat het volksleven der vaderen van zijne
dichters bij uitnemendheid veelzijdiger sympathie eischen mogt, dan Cats
aan den dag heeft gelegd; dulde men die, zeggen wij, als we opregt
betuigen, dat wij eerbied voor hem koesteren, om het meêgevoel, dat hij
der ~bedaegde huysmoeder~ betoont: dien hollandschen winter, welks hemel
zoo helder is.
Een leerdicht ter zijde te leggen, om over een liedje te spreken, gaat
nog aan; maar u uit een klaaghuis te willen overbrengen in eene kroeg,
schijnt gewaagder, en echter verzeker ik u, dat gij het u niet beklagen
zult, zoo ge u uit de binnenkameren van de eerzame burgerij der steden
van Holland laat medetronen, tot waar de frissche krans in het leger der
Staten op de grenzen buiten hangt. Zie, daar wuiven de wingerdranken,
door de vingers der knappe herbergsdeerne zaâmgestrengeld; daar wuiven
zij van verre den krijgslieden te gemoet. Een likkebroêr, dien zij den
beker vult, beweert, dat hij hare blanke beentjes heeft bespied, toen
zij op de bank wipte, om tot den stang op den hoek des huizes te kunnen
reiken. Maar wat schort er aan, dat zijne scherts geen' bijval vindt,
dat het kwinkslaan geen kaartspel wordt, al drentelen er Friezen om hem
henen, die Starter's liedeboek van buiten kennen; al brengt hij het een'
Hollander toe, die Breêro op zijn duimpje heeft?[R44] Jong, jolig als
deze is, stoot hij stil aan, ziet hij vóor zich als de overigen. Eer
iemand het er voor houde, dat het aan de dubbelzinnige aardigheid zelve
haperde, zegge ik hem, hoe darteler jokkernij, hoe daverender juichen
haar pleegt te volgen:—wie heeft ooit van kieskeurige krijgsliên
gehoord? Zelve onze nuttigheidseeuw levert ze niet. Maar terwijl ik de
overbodige opmerking maakte, viel het u in het oog, dat er verslagenheid
heerscht in het gansche heir; dat de grombaarden grimmiger zien dan
gewoonlijk. Een hunner, mede voor de huismanswoning gezeten, die in
herberg is verkeerd, een hunner heeft van Nieuwpoort opgehaald. „Stil,
Floor! stil!” voegde hem een spitsbroeder toe; „Prince Mouringh is
dood!”—„En Breda over,” zuchtte Floor, dien de jongelingsjaren des
veldheers heugen, toen het vrije, vrolijke leven der lansken hem
aanlachte, toen hij niet voorzag, dat er een tijd komen kon, waarin hij
arm, en oud, misschien zou moeten bedelen om zijn brood. Er ging sprake
van afdanken;—de wapenen der Staten waren in den laatsten tijd niet
gelukkig geweest; de fortuin had den vorst, die in zijne jeugd haar
gunsteling scheen, bij het graauwen zijner haren den rug gekeerd;—er
ging sprake van afdanken, de gezeerden het eerst, dacht onze grombaard.
En wonden had Floor, wonden in menigte, maar geene enkele in den rug. De
oude landsknecht hief den grijzen kop onwillekeurig op, toen zijn hart
bij die gedachte joeg, als het plagt te jagen vóór vijf en twintig jaar.
O, als de wereld een' anderen Mouringh opleverde;—als zijns gelijke
hem aanvoeren mogt, wat maakten dan jaren, wat wonden uit? Trots beide,
zou hij met zulk eenen veldheer slechts te moediger weêr in het vuur
gaan; de dood en hij hadden elkaêr zoo dikwijls in de oogen gezien,
dat Floor van geen vreezen meer wist. Hola! wat was daar te doen? Een
liedjeszanger, om wien men kanne en kroes in den loop liet, om wien men
zamendrong, tot hij van zijne ton, over helmen, hoeden en hoofden loopen
kon, als het hem lustte; Floor lachte de dwazen uit, Floor leêgde zijnen
beker. Maar, „hoezee! hoezee!” klonk het; „hoezee!” en onze oude rees
op, als zij, die rondom hem hadden gezeten;—die deun moest iets aêrs
gelden dan mooije meisjes, zoo als hij er had gekend en gekust, niet bij
het dozijn maar bij duizenden ... in Vlaanderen;—die deun moest iets
aêrs gelden dan wijn, zoo als hij had gedronken, niet bij den kroes,
maar bij de kruik uit de kelders der aartshertogen en abten... in
Braband. „Hoezee! hoezee!” wat mare bragt die borst toch? Floor trad
digter op den zanger toe, en menig vlasbaard week ter zijde; Floor
stond midden in den kring, eer hij het wilde of wist; Floor zag
opgeruimde gezigten om hem henen.—„Eens nog, eêle baas!” riep een der
ruiterhoplieden. En andermaal galmden de forsche klanken uit de forsche
keel. Mijn grombaard luisterde. Hoe hij de ooren opstak,—acht mijne
vergelijking niet smadelijk,—hoe hij die opstak, als een dogge het doet
bij het noemen van den naam zijns meesters. „Mouringh,” begon het
liedje. Floor knikte den borst op de ton toe; Floor riep hoezee als de
overigen, zoodra het dezen als den onoverwinnelijke prees. Het was het
minst aandoenlijke van de zege, die de zang behalen zou: Floor's hoofd
zinkt op zijne borst; Floor's ruwe hand strijkt schichtig langs zijn
ruig gezigt, daar het liedje den dood van Mouringh meldt, onder het
beeld van den leeuw, die ingesluimerd is in den eindeloozen slaap.
„Hadde ik voor hem mogen sterven!” mompelt Floor, en mijmert, terwijl de
zanger den rouwe des volks zingt; den rouw te land en ter zee; Floor
mijmert, tot de borst op de ton hem ontwaken doet door de vraag van mooi
Heintge: „Of men daarom dutten zal?” Floor ontwaakt, zeg ik, en tot
geestdrift ontvlamt zijn gevoel, eer hij het liedje heeft uitgehoord.
„Vivat prince Henrik!” klinkt het uit zijn hart, „al moesten we morgen
weer in 't vuur!”—„Vivat prince Henrik!” roept het heir als hij, en de
liedjeszanger leêgt de hem toegereikte fluit,[R45] en tot kroezen en
kannen teruggekeerd, vertelt Floor, hoe Frederik Hendrik zich gekweten
heeft van den slag bij Nieuwpoort af;—het was in den zang teregt
gezegd, „dat hy allerlei gesnor van buijen over sijne muts had sien
gaen.”—„Vivat prince Henrik!”—Ik heb maar eenen indruk van het bekende
stukje „Scheepspraet” geschetst[R46]; ik zoude den invloed, dien het
uitoefende, in tal van andere toestanden kunnen veraanschouwelijken;
doch die enkele volstaat, om u een begrip te geven, hoe het hoofd en
het harte van Huygens zijn volk en zijnen vorst liefhadden in den bloei
der jeugd; hoe hij beider betrekking begreep, menschenkenner als hij
toen reeds heeten mogt. „Een liedje,” zegt men misschien, smadelijk de
schouders ophalende; „een liedje, 't is ook wat!” Zegt het, al schreven
Burns en Béranger ook maar liedjes[R47]; zegt het, en ziet voorbij, dat
wij geene eigenaardiger hollandsche voorstelling der staatshuishouding
van ons gemeenebest hebben, dan dit stukje aanbiedt; dat zestig regels
zulk eenen zanger voldoende zijn, ter bezieling van zijn volk, door een
voorstelling, uit zijn leven gegrepen; door de belofte eener toekomst,
het verleden, waaraan hij regt doet, waardig. Helaas, waarom ontbreekt
ons, gekweld als wij worden met onbeduidende genrestukjes, waarom
ontbreekt ons een Constantijn Huygens in het kabinet van Frederik
Hendrik, die zijn pendant vinden mogt in Aldegonde bij Willem I? Er
zou meer analogie zijn tusschen beide toestanden, dan gewoonlijk bij
tegenhangers het geval is. Ik weet niet, aan wie der twee vorsten de
vriendschap van zulk een vernuft meer eere deed; ik weet niet, wie der
beide vernuften het meest regt had trotsch te zijn op de vriendschap
van zulk eenen vorst. En toch zouden die stukken, om geslaagd te mogen
heeten, eenen geheel verschillenden indruk te weeg moeten brengen;
er was tusschen de elkander opvolgende tijdvakken het onderscheid
van uitzaaijen en inoogsten; dat van het worstelende Holland met het
Holland dat overwon! Vergenoegen wij ons, bij gebreke van deze, met
het meesterstukje, dat het museum ons in Huygens' beeldtenis minder
aanbiedt dan vermoeden doet. Al klaagden wij vóór twee jaren over de
plaatsing—misplaatsing zou Constanter hebben gezegd[R48]—al weêrsprak
geen der lofredenaars van 't bestaande onze klagt: wat baatte het ons?
Het schilderijtje hangt nog tegen den dag! Doch, dank zij het talent van
Netscher; dank zij den kijker, dien ge te onzent moogt meêbrengen, dien
men u elders aanbiedt, er valt genoeg van te zien, om hem eene gelukkige
grijsheid toe te kennen, zoo als zijne werken beloofden. Hoe opgeruimd,
hoe innemend, hoe schoon zelfs! Werken, zeiden wij, en bedoelden
daarmede niet enkel zijne schriften, maar verstaan daaronder langer dan
eene halve eeuw vroed en vroom levens, dat der „deege degelijkheid.”
Beklaag er u niet over, dat gij hem, dien ik u straks als den dichter
der scheepspraat voorstelde, eerst vijftig jaren later wederziet; in
die alle heeft hij door handel noch wandel de beginsels verloochend,
hem door eenen voortreffelijken vader, door eene gemoedelijke moeder
ingescherpt; vijftig jaren hollandsch, hervormd, verstandelijk, vrolijk,
vrij leven! Er is schier geene ure te loor gegaan; hij is in schier
geene zijner betrekkingen, talrijk als die waren, te kort geschoten;
vraagt ge mij, door welk geheim?—door alles wat hij deed, te doen met
al zijne magt; door indachtig te wezen aan des levens doel. Hij zelf
zoude de eerste zijn, om zich te beschuldigen, als had hij het nog beter
kunnen besteden; maar de vorsten, die hij diende; maar de vrouwe, die
hij betreurt; maar de vrienden, die hem resten; maar de kinderen, die
de kroone zijner grijsheid zijn[R49]; maar de kunst, die hij blijft
liefhebben, lief tot aan het graf, allen beminden en bewonderden hem,
bewonderen en beminnen hem nog. Hoe benijdenswaardig is zulk eene
grijsheid! Wie onzer schaamt zich niet, zijn leven vergelijkende met
eene jeugd, eenen mannelijken leeftijd, eenen ouderdom, besteed als die
van Huygens werden; wie onzer schaamt zich niet, denkende aan de vele
drukten, die wij voorgeven, aan het weinige werk, dat wij verrigten!
Of zoudt gij den trouwhartige geloof weigeren, als hij betuigt, dat
hij vele zijner verzen geschreven heeft, gemaakt heeft voor 't minst,
in oogenblikken, die anderen onder hunne verlorene hadden geteld?
Wandelende in zijne geliefde woonplaats of spelevarende in hare
omstreken, was hij oog en oor voor de wereld om hem henen; slapeloos
te bed liggende, of verbeidende ten hove, dacht hij na, dichtte hij;
en de maatschappij zijns tijds spiegelt zich af in de honderde van
opmerkingen, in die sneldichten, welker wedergade in veelzijdigheid onze
letterkunde niet heeft. Het zijn geestige studiën des volkslevens; het
zijn epigrammen op de gebreken van den dag; maar de wijze, waarop hij
die verzamelde, maar hij zelf, wint het bij ons van deze in belang.
Indien Cats aarde en hemel opmerkzaam gade sloeg, om stoffe te hebben
voor bespiegeling, wij verbeelden ons dat hij het wigtig deed; immers,
wij zien zijn werk de wijsheid, waarnaar hij streefde, aan. Huygens
daarentegen, Huygens schudde in het dagelijksche leven niet enkel den
hoveling, den geheimschrijver, den man van staat uit; aan Huygens merkte
men zelfs den dichter niet. Hij koutte met daglooner, met handwerksman,
met winkelier, met handelaar, met kunstenaar, met geleerde, als ware hij
een hunner geweest; hij leerde van ieder van deze, wat zijne menschen-,
levens-, wereldbeschouwing eigenaardigs had. Iets slechts bragt hij bij
allen mede, dat niet aan hem stond te huis te laten, de geestigheid, die
zijn gesprek kruidde, maar van gezochtheid niet vrij te spreken was; die
hem geen hoofdbrekens kostte, maar het zijnen hoorders bijwijlen, maar
het zijnen lezers bij menigte deed. Praktisch, als hij gevormd bleek,
in de school van zijnen praktischen vader, smolten stadsbeschrijving
en zedegisping in het „Voorhout” onwillekeurig zamen;[R50] zong hij,
gelukkig gehuwd, niet allen echtelingen de les, maar schonk in het
„Daghwerck” een tafereel van zijn leven aan het hof, van zijn leven te
huis, dat van innige harmonie tusschen beide tuigt. Wie verbaast er zich
over, dat Huygens in zijne zendingen voor zijne vorsten slagen mogt, die
de menschenkennis, welke hij zich verwierf, die de genegenheid welke
hij den eersten toedroeg, uit zijne schriften leerde schatten? Hoe
anders was de heer van Zuylichem toegerust, om in den vreemde den
prince van Oranje te vertegenwoordigen, dan de heer van Zorgvliet, om
in Groot-Brittanje de belangen van 's lands Staten voor te staan. In
braafheid welligt elkaar opwegende, had de eerste boven den laatsten het
onmetelijk overwigt, dat bruikbare bekwaamheid geeft. Vraagt gij ons
misschien, waarom wij andermaal vergelijken; vraagt gij ons, waarom wij
Huygens tegelijk zoo hoog vereeren en zoo hartelijk liefhebben; wij
antwoorden u, dewijl zijn tijd geen volkomener voorbeeld aanbiedt, dat
gemoedelijke godsvrucht gepaard kan gaan met talent van allerlei aard.
Wij noemden hem praktisch, in tegenoverstelling van Cats; wij zouden het
willen aanwijzen in het onderscheid tusschen dichtstukken, welke wij
beider buitenleven, beider verblijf op het land in de omstreken van
's Hage verpligt zijn. Hofwyck[R51] legt gij mede aan; Hofwyck geniet
ge, als waart gij de gast van zijnen heuschen stichter geweest; op
Sorghvliet gaat gij gebukt onder bespiegelingen, die geen einde nemen,
die hangen blijven als eene wolk tusschen u en de plaats. Heer van
Hofwyck, leest Huygens zich zelven de les, in de aanmerkingen der
voorbijvarenden in trekschuit bij trekschuit; op Sorghvliet leert Cats
u niet slechts luisteren, op Sorghvliet verschijnt ook Prins Frederik
Hendrik niet dan om er onderrigt te ontvangen. Wij zouden er stelliger
bewijzen van kunnen bijbrengen, door eene vergelijking van het
„Cluyswerck” met het „Twee en tachtigjaerig Leven”[R52]—woorden der
wijsheid tegenover kouten en keuvelen—doch van het eerste gaven wij
elders verslag; doch liever scheiden wij ditmaal van Huygens met eene
verklaring van hetgeen we onder het woord praktisch verstaan, als wij
het op hem toepassen, hemelsbreed als het verschilt van hetgeen onze
tijdgeest praktikaal pleegt te heeten. Voorwaar, Huygens was er de man
niet naar, om meê te slenteren, meê te sloffen, hoe treuzelig, hoe
traag het gaan mogt: herinner u de „Zeestraet,”[R53] door hem gedacht,
ontworpen, aanbevolen, tien, twaalf jaren, eer men er ooren voor had;
„onmogelijk geheeten,” zegt hij, „als alles dat onbeproefd is!”—en stel
zulk een' aard nu eens tegenover die der lieden, welke wij bij voorkeur
in allerlei besturen zien plaatsen, lieden, met wie het bewindvoeren
zoo gemakkelijk zijn gangetje gaat. Voorwaar, Huygens was er verre van,
zijnen gezigteinder in kunsten en wetenschappen te beperken tot de enge
grenzen van ons vaderland; iedere zijner reizen vermeerderde den schat
zijner kennis, die verspreid werd, die vruchten droeg, ook in vakken,
waaraan gij hem vreemdeling wanen zoudt,—en zeg mij dan of wij vele
secretarissen hebben, die zouden voorslaan, eenen anderen Galilei eene
gouden keten te schenken,[R54] ten einde hij ons het geheim, de lengte
op zee te vinden, mogt mededeelen? Voorwaar, Huygens begreep onder
mensch-zijn een ideaal van ontwikkeling aller krachten en gaven, dat
slechts hem duidelijk wordt, hem naar de verwezenlijking haken doet,
wiens gemoed het volgend leven eene voortzetting van dit gelooft te
zijn, genadig als God zich aan zondaren in Christus heeft geopenbaard.
Och, dat de beeldtenis van den goeden en grooten grijsaard er u en mij
bij ieder bezoek meer in bevestigen mogt! We zouden dan niet vergeefs
zoo lang voor haar hebben verwijld.
„Een musiceerend gezelschap uit het begin der zestiende eeuw” hebt ge
tot vervelens toe in schier iederen catalogus onzer tentoonstellingen
aangetroffen; ik huiver bij de gedachte, dat het der pen misschien
evenmin meer een dankbaar onderwerp oplevert als het penseel. Eene
ergernis echter, aan die stukjes verknocht, het onbeduidende der
toeluisteraars, dat de ouden van dagen, dat vader en moeder plegen te
zijn, eene ergernis zal u op het mijne niet ergeren, daar ik u vertellen
mag, wat er in beider gemoed omgaat. Heen en weêr dribbelende, als de
vrouw des huizes doet, de kamer uit, de kamer in, bepalen zich hare
gedachten niet tot het lied, naar hetwelk zij naauwlijks luistert;
bepalen zich deze bij de kapoenen, die te vuur staan, gesmoord naar
het recipe van Jenny de Wael, met schijfjes van oranjes, en eene pint
wijns;—als wij meê mogten aanzitten, zouden wij moeder harer zorg
dankbaar zijn. Toeziende uit het hoekje van den haard, verblijdt de
opgeruimde oude heer zich in den voorspoed van zijn huis, in de vreugde
der jonkheid, tot hem een versje van Roemer Visscher invalt, het
draaijen van het wiel der fortuin: „Vrede, door voorspoed opgevolgd;
rijkdom, van weelde vergezeld; hoogvaardij, die twist en haat loslaat;
oorlog, die armoê brengt; ootmoed, die wat spa' komt; vreê, die alles
weêr goed maakt!” En nu ik dus mijnen beiden oudjes iets anders te doen
heb gegeven, dan louter oor leenen, merk ik nog een voordeel op, dat de
schrijver boven den schilder vooruit heeft; het is mij vergund u te
zeggen, wat de jonge lui zingen, iets dat Van Mieris noch Ter Burg
goedvinden te doen. Een nieuw liedeboek werd medegebragt door den
schalk, die bij het binnentreden de dochter des huizes in de plooijen
van zijnen mantel vangen wou, om haar eenen kus te ontstelen; mooi
Machteld was hem te gaauw af; een rukje der hand, die hij losliet om
hare dunne middel te kunnen omvaêmen, en de kraag ontgleed zijnen
breeden schouders, terwijl hij achter zich een gesmoord lagchen hoorde,
waarvan hij maar al te goed de oorzaak begreep. Een nieuw liedeboek, zeg
ik, waaruit de schalk aanhoudt, dat zij een' beurtzang met hem zingen
zal; „de wijze kent ge,” beweert hij, „de woorden zijn...” „Laat zien,”
valt mooi Machteld in, en terwijl ze die doorloopt, dwalen de oogen van
den kroeskop, van de knoopjes op hare mouw, van haren ronden arm meen
ik, naar de kap op zijn amsterdamsch gezet, naar de pracht der blonde
haren bedoelde ik, die deze milder prijs geeft, dan iedere andere
nijdige muts. Hoe mooi Machteld dubbel schoon wordt, door het blosje,
waarmeê zij het liedeboek weêromgeeft! „Aelbrecht,” zegt zij, „het ging
aan dat te zingen als ik Galathé heette,”[R55] en de schalk mag haar
te liever om den schroom voor dien dartelen deun, al stemt hij voor
alle wederwoord zelf de luit; al zingt hij het eerste lied uit den
bundel,[R56] dat zeker ook niet zedig is; dat des ondanks in ademlooze
aandacht wordt aangehoord, door de vier of vijf overige jonge lui, die
ik u een andermaal teekene; thans schiet mijne pen in vaart te kort, om
de bewegingen der groep bij te houden. „Scheî uit!” smeeken de meisjes;
„vaar voort!” roepen Aelbrechts vrienden; „een leelijk liedje,” zeggen
de schoonen; „honderd rozenobels[R57] waardig!” juichen de knapen; maar
mooi Machteld springt van haren stoel, en legt met haar blank handje
Aelbrecht het zwijgen op;—om het voorregt dat te kussen, had Pieter
Corneliszoon Hooft zelf den zang aan de heilige Venus gestaakt. Immers,
het was geen ander liedeboek dan het zijne, dat nieuwe, waarover het
oordeel der geslachten, onder die jeugd, zoo karakteristiek uiteenliep;
waartoe moeder glimlagchende het zwijgen deed, toen mooi Machteld hare
meening vroeg, dewijl vader Aelbrecht gelijk gaf: wijs bij de luî, mal
om een hoekje. Het was het liedeboek, dat der hollandsche zangster
eene plaats verzekerde aan de voeten, neen, ter zijde van de muze van
Ausonië.[R58] Hooft had Petrarcha en Guarini[R59] beurtelings het oor
geleend, meesters, als hij die achten mogt; maar Hooft begreep tevens,
dat hij hollandsche toestanden schetsen moest, als hij de minnedichter
onzes volks worden wilde. Het stukje, dat mij ten overgang strekte, is
een lofzang op het alvermogen der minne; het speelt in stad, het speelt
in de schemering, en schildert ons een bezoek bij avond, bij nacht
misschien, der liefste ter sluik gebracht,—het verdient aan het hoofd
des bundels te staan, als een triomf van zijn talent. Gelogenstraft
wordt daardoor het vermoeden, als hing de noordsche nacht zoo zwaar
over ons vaderland, dat de minne in dezen haren weg niet te vinden wist;
beschaamd de vreeze, dat onze harde taal geene heerschappij dulden zou
van het weelderig wicht. Verwijt hem voortaan gebrek aan gevoel, die
onze natuur ondichterlijk scheldt, die altijd om Arcadië zucht.[R60]
Of levert het boeksken niet bewijzen in menigte, dat liefde over ons
landschap een licht doet opgaan, waardoor zelfs het heirijke Gooi
verkeert in eenen hemel van genot? Zoo iemand, onze begaafde, bevallige,
twintigjarige dichter, had al den wellust gesmaakt, aan de boorden van
de Arno[R61] in het doorzigtig duister van eenen zuidelijken nacht,
half te denken, half te droomen; zoo iemand, hij had den gouden glans
gewaardeerd, die de vorstinne des daags in haren vuurgloed van stralen
over het dubbel azuur van de golf van Napels uitgiet. En echter ontsnapt
hem geen zucht over het gemis van beide, als hij Roozemondt wekt, als
hij Klaare beschaamt, door eenen blik op de openhartige bloemetjes.[R62]
Het is een hollandsche ochtendstond; de musschen suizelen af en aan; de
duiven kirren in de lommer van het geboomte; de zwanen duiken in den
waterspiegel, tot wiekgeklep opgaat uit een wolk van schuim; langs het
gele zand der duinen strijkt de wind den groenen beemd der dalen in;
waar de stier zijnen staart schudt, waar zijne hoorns den grond groeven:
oosterling, die naar den harem hijgt; oosterling, die brullende van
drift, het blok, dat hem boeit, verbrijzelen wil; er rijst gehinnik, er
rijst gebriesch op de lucht, daar de hoeven van den hengst de aarde
daveren doen; stroomen doorgezwommen, hekken overgewipt:—Roozemondt,
rep u, als ge weten wilt, hoe de wereld tot minnen ontwaakt!—
Het is een hollandsche avondstond: van vrijers krielt het om de deur
van een lief kind, maar geen lachje lokken ze op hare lippen, schoon de
linkers eenen schalken blik op haar slaan: schoon de linkers een praatje
maken met de pruilster. Mooi meisje als zij is, heeft zij dan ooren noch
oogen voor dat windje, dat door de elzentakken suizelt, in wier lommer
zij zit; dat de elzentakken strookt of hij ze lief had; voor het water,
dat slaat tegen het walletje aan hare voeten, of kabbelen kussen waar?
Lustigjes ruischt het, lustigjes bruischt het; de bloempjes wiegelen
heen en weer in de dubbele weelde van avondwind en avondzon, een
landschap, dat geuren wasemt, een landschap, dat drijft in gouden
luister. Klaare, luister! leer lagchen, leer lieven als alles om u
heen!—Och, het is den doove gepreekt, in dubbelen zin, want Klaare
vaarwel zeggende, om den wille van hen, tot wie wij het woord voeren,
wed ik, dat er onder mijne lezers zijn, die het eerste liedje wel wat
wulpsch achten, die in het laatste den zedelijken zin voor levensvreugde
voorbijzien. Anders oordeelden de tijdgenooten van Hooft, die
eerstelingen toejuichende; immers spijt den schroom, dien de schalke
zangster mooi Machteld inboezemde, verwierf het geestige boekske de
gunst des publieks, de gunst onzes volks, dat zich had vrijgevochten van
dubbele dwingelandij. Het voorgeslacht bezat zin voor alles wat waar
is, voor natuurdrift als voor togt des harten; voor begeerten als voor
beminnen; hoe het talent zich ontwikkelen en veredelen kon, toen de
studie van geenerlei openbaring der liefde het werd ontzegd! Of hebt gij
nooit opgemerkt, dat hij, die de dartele drift gloeijendst schetste,
tevens gelukkig slaagt, als hij ons de heilige huwelijkstrouw schildert;
hoe de vingeren van Hooft even goed de greepen der lier wisten als de
greepen der luit! Lees dan zijne klagt van Amalia van Solms over prinsen
Frederik Hendrik's beleg van den Bosch,[R63] waaruit al de teederheid,
al de trouw van den echt spreekt, al volgt de dichter de ouden,
Ovidius,[R64] meen ik inzonderheid, na; al schijnt hare Hoogheid te
gelooven aan heidensche goden en godinnen. Laat ons billijk zijn in onze
berisping; het karakter der kunst van Hooft was oorspronkelijkheid,
al herinnert zij u bijwijlen Grieksche, Romeinsche en Italiaansche
modellen. Twee eeuwen zijn sedert voorbijgegaan, en geen onzer dichters
ontschaakt den Olympus zijne onsterfelijken meer; doch begrijpt daarom
ieder onzer geleerden, dat het thans zijne taak is, de jeugd door
de studie der oude wereld in staat te stellen tot ontwikkeling der
nieuwe?—„Schoon prinssenoogh!” begint het dichtstuk, dat Frederik
Hendrik's gemalin sprekende invoert, bekommerd over den uitslag van
een beleg, door Delprat en Bosscha op nieuw in het licht gesteld, als
een der heldhaftigste feiten des stedenwinnaars;—maar sla zelf het
meesterstukje in de mengeldichten op. Gij zult het mij dank weten het
u te hebben herinnerd; ge zult met mij hulde doen aan die bevallige
beschrijving der geneugten van den echt, tegenover de stoute schildering
der gevaren, aan den krijg verknocht; hulde aan de gevoelvolle
uitdrukking van den angst, die haar martelt, bij de gedachte, dat ieder
schot des vijands op het hoofd met witte veeren is gemunt. Boven alles
zult gij den schoonen trek bewonderen, die het besluit: den wensch van
Amalia, haren Hendrik ter zijde te mogen zijn, onafscheidelijk ter zijde
als zijn zwaard, zoo glorie meer gelden mag dan leven en liefde beide,
dan vrouwe en dan kind, een zoon, een zoon van vaders naam! Bedriege ik
mij, is er niet iets vertrouwelijks, vriendschappelijks, vereerends
voor prins en poëet beide, in die idealisatie der verbindtenis van den
eerste door het vernuft van den laatste? Of zou Frederik Hendrik zich
niet gevleid hebben gevoeld, toen Hooft hem het dichtstuk aanbood;
Hooft, die niet enkel de eerste meistreel[R65] der Hollandsche minne,
die ook de voorstander der Hollandsche vrijheid was? Amsterdam, ons
vaderland, hadden er reeds van gewaagd, hoe hij, d
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/48384