Gutenberg · eo1.org

← catalogue

1812: Historische roman

by Ludwig Rellstab · Dutch · Gutenberg #48216 · 2,314,101 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of 1812: Historische roman
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: 1812: Historische roman

Author: Ludwig Rellstab


        
Release date: February 9, 2015 [eBook #48216]
                Most recently updated: October 24, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/48216

Credits: E-text prepared by the Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 1812: HISTORISCHE ROMAN ***

  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit    |
  | e-boek op                                                      |
  | https://www.gutenberg.org/cache/epub/48216/pg48216-images.html       |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als      |
  | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als            |
  | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#.                       |
  |                                                                |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+





1812


[Illustratie: Een officier drong door de menigte heen, een papier in de
              hand houdende.]


1812

HISTORISCHE ROMAN

van

L. RELLSTAB

UIT HET HOOGDUITSCH

DOOR

J. J. A. GOEVERNEUR

7e DRUK

MET PLATEN







[drukkersmerk]

ROTTERDAM—D. BOLLE

STOOMDRUKKERIJ KOCH & KNUTTEL—GOUDA




EERSTE BOEK.


HOOFDSTUK I.

Op een zoelen April-avond van het jaar 1812, tegen het ondergaan der
zon, naderde Lodewijk Rosen, een jong Duitscher, het kleine, aan de
afhelling van den Simplon gelegene stadje Duomo d'Ossola. Te voet van
Baveno, aan den Lago Maggiore, gekomen, voelde hij zich vrij vermoeid,
ofschoon zijne wandeling door deze bekoorlijke, door den steilen
rotsmuur der Alpen tegen de barre winden van het noorden beschutte
landstreek verre van bezwaarlijk geweest was, maar hem integendeel
bij elke schrede afwisselende genoegens en nieuwe verrassingen
aangeboden had.

Zij zouden voorzeker een nog levendiger indruk op hem hebben gemaakt,
had hij niet onlangs eerst het zuiden van Italië verlaten, waar
hij, gedeeltelijk op Sicilië en te Napels, gedeeltelijk in Rome,
den winter had doorgebracht. Gaarne zou hij langer in 't schoone
land hebben vertoefd, dat ook nu nog, terwijl het geheele vasteland
door vreeselijke krijgsorkanen werd geteisterd, zijn eigendommelijk
karakter, als eene bij voorkeur door de Goden begunstigde, vreedzame
vrijplaats der kunsten, voor den vreemdeling ten minste, had weten
te bewaren; maar juist die geweldige gebeurtenissen, welke de beide
helften van het overige Europa tegen elkander in het harnas riepen,
waren het, die hem tot eene verhaaste terugreis noodzaakten. Zijne
moeder en zuster woonden te Dresden, in stille afzondering, veeleer
uit neiging dan door de omstandigheden gedrongen, daar het vermogen
der eerste haar eene onbekrompene, zoo al niet luisterrijke wijze van
leven veroorloofde. Zijn vader had hij als kind reeds verloren, hoe?
was hem onbewust, daar zijne moeder zich wel somwijlen enkele duistere
uitdrukkingen over het rampspoedig lot van haren echtgenoot had laten
ontvallen, maar steeds zorgvuldig vermeed, zich duidelijker daarover
uit te laten.—De laatste vier jaren, hoe noodlottig ook, waren zoo
kalm voor Noord-Duitschland voorbijgesneld, dat de beide vrouwen
zich, ook zonder mannelijke bescherming, tegen de gebeurtenissen des
dagelijkschen levens genoegzaam bestand konden achten; thans echter
kwamen de krijgsbenden der fransche legers wederom van alle zijden
oprukken, en Duitschland zag zich bij den aanvang der lente opnieuw
in een onmetelijk legerkamp herschapen. Daarom keerde de jongeling
terug; want zijn hart voelde zich gedrongen, de geliefde moeder, welker
gezondheid daarenboven, volgens het laatste bericht zijner zuster, door
eene borstziekte aanmerkelijk verzwakt was, in een zoo bedenkelijk
tijdsgewricht met raad en daad ter zijde te staan. Hij gehoorzaamde
aan de stem van zijn kinderlijken plicht, ofschoon met een beklemd
hart; niet omdat Italië hem zoo onweerstaanbaar boeide, maar wijl hij
huiverde, zijn ongelukkig, vernederd vaderland te betreden, waarin hij
dieper en bezwaarlijker te heelen wonden ontdekte dan die het zwaard
der Franken het had toegebracht. Reeds vroegtijdig was zijne ziel
tot ernst gestemd geworden; want onder ernstige indrukken waren hare
vermogens ontwikkeld en tot rijpheid gekomen. De akademie, voor anderen
niet zelden eene plaats der onbezorgdste vroolijkheid, was voor hem
eene sombere, strenge oefenschool geweest, want ook de vertroosting,
welke de wetenschappen in staat zijn aan te bieden, was toenmaals
nauwelijks vermogend genoeg, om ernstig gestemde duitsche jongelingen
eenigermate op te beuren, zóó ontmoedigend was de blik op het
tegenwoordige, zóó duister het uitzicht in de toekomst. Sinds een jaar
had hij nu den vaderlandschen bodem niet betreden, sedert twee jaren
moeder en zuster niet gezien; want uit Heidelberg, waar hij het laatste
jaar zijner studiën doorbracht, had hij dadelijk de reis aanvaard. Nu
stond hij weder voor den met sneeuw bevrachten, reusachtigen grensmuur,
die den somberen duitschen grond van de velden van het lachend Italië
afscheidt. Ach, hoe verlangend klopte zijn hart naar alles, wat hij aan
gindsche zijde der Alpen beminde en vereerde, hoe vurig wenschte hij
zich in de armen der zijnen, aan de heilige vaderlandsche haardsteden
terug. Maar wat hij beminde, was in rouwfloers gehuld, wat hij vereerde
smadelijk ontwijd! Daarom was zijn voet huiverig, het vaderland te
betreden, naar hetwelk zijn hart hem toch zoo verlangend voortdreef.

Met deze gevoelens in de borst naderde hij het kleine stadje, de
laatste plaats in Italië, die hem een gastvrij dak zou aanbieden. Een
heuvel ter zijde van den rijweg lokte hem uit, dien te beklimmen,
ten einde nog eenmaal, eer de zon in Italië het laatst voor hem
onderging, een afscheidsblik te werpen op het schoone land, dat vaak
door zulke zachte en vleiende vertroostingen het lijden zijner ziel
had in slaap gewiegd. Door het weelderig opgeschoten gras had hij zich
spoedig een pad gebaand en den top bereikt, vanwaar hij midden in het
kleine stadje nederzag, dat, gelijk in het zuiden steeds het geval
is, tegen den avond eerst recht druk en levendig begon te worden. Op
de velden bloeide en tierde alles in den rijksten, niet eens meer
eersten tooi der lente, terwijl de natuur aan gindsche zijde der
reusachtige, achter de stad oprijzende rotsgevaarten waarschijnlijk
nog in doodschen winterslaap lag gedompeld. Hier echter prijkten
de olmen en kastanjeboomen in vollen voorjaarsdos; een welriekend
tapijt, met ontelbare viooltjes en aurikels bezaaid, spreidde zich
over de velden uit; het graan was reeds hoog opgeschoten; ja, zelfs
de wijnstok had zich bereids met een breed loof bekleed en veroverde
met zijne groene ranken de kleine, sneeuwwitte gevels der zindelijke
woningen. Lodewijk kon ter rechterzijde den rijweg in zijne geheele
lengte overzien; ter linker lagen Duomo d'Ossola's kleine markt en
rechte straten als aan zijne voeten uitgestrekt. Hij zag de vroolijke,
levendige Italiaansche meisjes met hare breede stroohoeden zich op het
plein in bont gedrang dooreen mengen; duidelijk kon hij de kleine kraam
der fruitverkoopster onderscheiden, die hare vijgen en oranje-appelen
in volle manden uitstalde, terwijl vlugge knapen den bal behendig in
de lucht sloegen en fransche dragonders, van welke een piket in het
stadje gelegerd was, vreedzaam op de bank voor het stadhuis nederzaten
en in een vertrouwelijk gesprek gewikkeld schenen. Hij hoorde het
verwarde gedruisch der onderscheidene, tot een onverstaanbaar gemompel
ineensmeltende stemmen van jubelende kinderen, lachende meisjes en
gillende warenuitventsters; terwijl nu en dan enkele tonen van het
gezang eens citerspelers, die een talrijke schaar van toehoorders
om zich vergaderd had, door de stilte van den avond tot zijn oor
doordrongen. Dit woelig bont gewemel van menschelijke bedrijvigheid
en vreugde stak wonderlijk af bij den verheven ernst en de plechtig
zwijgende stilte, die op het steile gebergte heerschten, dat achter de
muren van het stadje zijne graniet-klompen opeenhoopte en, aan den voet
met een blauwachtigen nevel omhuld, zijne besneeuwde kruinen tot in de
wolken opstak.

De jongeling stond in gedachten verzonken, toen eensklaps de schelle
toon van een posthoorn en het lustig klappen eener zweep tot zijn oor
doordrongen. Een met vier paarden bespannen, open reiswagen kwam, van
de zijde van Baveno, den straatweg afrollen en ijlde op het stadje toe.
In dien wagen zaten twee vrouwen. De oudste scheen eene dienstbare;
de jongere, wier donker kleed een wit, doorschijnend kantboordsel
verlevendigde, droeg over den lichten reishoed een groenen sluier, die
juist door een luchtig windtochtje werd opgeheven. Dit gezicht wekte
eene levendige herinnering in het hart van den wandelaar op. Bij zijne
eerste intrede in Italië, toen hij over den hoogen St. Bernard in het
dal van Aosta afdaalde, had hij een vrouwelijk wezen ontmoet, welks
beeltenis niet uit zijn geheugen was gewischt en aan hetwelk hij in
zijne verbeelding een dergelijk uiterlijk herkenningsteeken verbonden
had. Toenmaals namelijk ontdekte hij, bij het bestijgen van den berg de
herberg naderende, op een geringen afstand voor zich uit eene karavane,
naar het scheen van reizende Engelschen, onder welke eene rijzige, op
een muildier gezetene vrouwelijke gedaante, die haar gelaat met een
groenen sluier bedekt had, om het tegen den verblindenden glans der
flikkerende sneeuw te beschutten, zijne aandacht vooral tot zich trok.
Schoon de reizigers slechts eenige honderden schreden vooruit waren en
hij, door een zonderling gevoel gedrongen, alle krachten inspande om ze
in te halen, gelukte hem dit toch niet, daar zij wel door een korten
afstand, maar tevens door een bezwaarlijk te betreden rotspad van hem
gescheiden bleven. Zoo strekte de groene sluier hem tot wegwijzer
door de glinsterende sneeuwvelden, tot ze eindelijk in de donkere
poort van de herberg verdween. Nu hoopte hij des avonds, aan tafel,
het voorwerp zijner, hemzelven onverklaarbare deelneming te zullen
leeren kennen; maar ook in die verwachting werd hij teleurgesteld. Na
enkele uitdrukkingen moest hij vermoeden, dat de ongesteldheid eener
oudere dame, waarschijnlijk de moeder van het jonge meisje, de reden
was, dat beiden op hare kamer bleven. Den volgenden morgen hadden de
reizigers zich reeds op een buitengewoon vroeg uur op weg begeven.
Nauwelijks had Lodewijk zulks vernomen, of een vurig verlangen naar
de onbekende maakte zich van hem meester en, schoon eenigszins over
zichzelf glimlachende, besloot hij zoo spoedig mogelijk haar spoor te
volgen en zijn vroeger voornemen, om hier een paar dagen te vertoeven,
op te geven. Een geoefend, krachtvol wandelaar als hij moest, naar
zijne berekening, vooral daar de weg afdaalde, eene karavane met zwaar
bepakte lastdieren spoedig inhalen. Inderdaad zag hij ook reeds,
na weinig uren, bij eene kromming van het dal, die een onbelemmerd
uitzicht in de verte vergunde, den groenen sluier diep onder zich in
den helderen zonneschijn blinken, en van toen af bleef hij de banier
der hoop, onder welke hij zijn intocht hield in Italië's velden. Met
onvermoeide inspanning vervolgde hij zijn weg; maar het kronkelend
rotspad onttrok het doelwit van zijn streven dikwijls weder aan zijn
zoekend oog. Hoe gelukkig echter was hij, als hij het bij eene volgende
wending weder meer in zijne nabijheid ontwaarde! Zoo bereikte hij,
onder afwisselende hoop en teleurstelling, de lagere streken van den
berg, waar het pad meer effen en gebaand wordt en eindelijk door de
smalle bergwagens kan bereden worden.

Thans was hij de vreemden tot zeer nabij genaderd; nog eenmaal kromde
zich de weg om een steil vooruitspringend rotsblok; hij verdubbelde
zijne schreden om hen daar te bereiken en voor het overige gedeelte
der wandeling hun metgezel te zijn. Toen hij echter den hoek omsloeg,
ontdekte hij, nauwelijks honderd schreden voor zich uit, eene kleine,
geheel met wijnranken omzoomde woning en, voor die woning, twee lichte
reiswagens, hoedanige men in deze bergachtige streken bestendig voor
vreemdelingen in gereedheid houdt. De gids, die den muilezel der
bevallige onbekende bestuurd had, was haar juist in het afstijgen
behulpzaam, terwijl een bejaard heer haar dadelijk den arm bood en naar
den gereedstaanden char-à-banc geleidde. Zou zij dan voor altijd aan
den jongeling ontrukt worden, in hetzelfde oogenblik, waarop hij had
gehoopt haar te zullen bereiken. Te lang had zijne verbeelding zich met
de liefelijke verschijning bezig gehouden, te prachtige luchtkasteelen
daarop gebouwd, dan dat hij deze wreede verstoring van zijn ingebeeld
geluk koelbloedig had kunnen verdragen. Geheel buiten adem snelde
hij voort; slechts eenmaal wilde hij het gelaat van den liefelijken
genius aanschouwen, die hem als aan een zachten tooverband, het land
der kunsten en der schoonheid had binnengeleid. En echter zou zijne
poging vruchteloos geweest zijn, ware niet een toeval, waarin hij een
nieuwen wenk van het noodlot waande te ontdekken, hem gunstig geweest.
In weerwil van zijn spoed toch, zag hij eensklaps iets glinsterends
voor zich in het stof blinken. Het was een armband met gouden slot.
Vol vreugde hief hij dien op, wijl deze vondst hem eene reden aan de
hand gaf, om het rijtuig, dat op het punt was van voort te rollen,
een luid halt na te roepen. De gidsen, die de vreemdelingen verzeld
hadden, keerden zich om en kwamen hem te gemoet; hij echter ijlde hen
haastig voorbij en snelde op den wagen der gesluierde dame toe. „Zou
ik gelukkig genoeg zijn,” sprak hij, steeds gewoon zijne moedertaal te
bezigen, haar in het hoogduitsch aan, ofschoon hij haar tot hiertoe
voor eene Engelsche gehouden had, „zou ik gelukkig genoeg zijn, u een
verloren eigendom weder ter hand te mogen stellen?” Tegelijk reikte
hij haar den armband over. De jonge dame wierp een verwonderden blik
op den vinder en vervolgens op de kleine hand, waaraan zij nu eerst
de ledige plaats ontdekte. „Het is inderdaad de mijne,” hernam zij;
„ik dank u hartelijk.” De toon dezer woorden, die, hoe vleiend en
welluidend ook, op eene wijze en met een tongval werden uitgesproken,
die dadelijk de uitheemsche verrieden, verraste Lodewijk op eene
zeldzame wijze. Hij voelde een blos in zijn gelaat opstijgen en hief
niet dan met eene zekere schuwheid zijne oogen tot de spreekster op,
die juist, hetgeen zij reeds dadelijk bij zijn naderen had willen doen,
den dichten sluier terugsloeg. Toen hij het teeder gelaat zoo eensklaps
onthuld zag, bracht de zachte glans harer schoonheid hem in de uiterste
verwarring. Het was hem, alsof zich plotseling eene heilige aan zijne
blikken vertoonde, zulk een levendig gevoel van eerbied en bewondering
doorgloeide zijne borst. Hare blauwe oogen, met lange wimpers
overschaduwd, bleven een poos lang met de onmiskenbare uitdrukking
van zachtheid en onschuld op hem gevestigd. Een vriendelijke lach
speelde om hare lippen, en door de innemende, edele bevalligheid, die
in alle hare trekken doorblonk, gevoelde Lodewijk zich onweerstaanbaar
getroffen. Te vergeefs poogde hij een antwoord uit te stamelen;
met den blos der verrassing paarde zich die der verlegenheid, en
alsof de gloed, die zijn gelaat bedekte, op dat der onbekende een
weerschijn vond, vertoonde zich een vluchtig rozerood op hare wangen;
zij boog zich, hem vriendelijk, schoon eenigszins gedwongen, vaarwel
groetende. De heer naast haar nam den hoed af, en 't rijtuig rolde
voort. Sprakeloos oogde de jongeling dat na en bemerkte nauwelijks,
dat nog eene tweede, oudere dame, eveneens onder mannelijk geleide, in
het volgende rijtuig steeg en hem voorbijreed. Zijn oog bleef op den
groenen sluier gericht, die door den wind opgeheven, zich meer en meer
in de verte verloor. Lang bleef hij zoo aan den grond vastgekluisterd
staan, tot eindelijk het laatste spoor der rijtuigen was verdwenen
en de achter hen opstijgende stofwolk zich nedergelegd had. Het was
hem, alsof hij uit een droom ontwaakte!——Dat aanminnige beeld
verliet hem niet weder. Door geheel Italië zocht hij het op te sporen,
doch vruchteloos. Trad het ook somtijds door de menigte van nieuwe
voorwerpen, die zich voor zijn oog als verdrongen en een levendigen
indruk maakten op zijn vurigen geest, voor eenige oogenblikken op
den achtergrond, van tijd tot tijd vertoonde het zich nochtans weder
in vollen luister, en de geringste aanraking met gelijksoortige
verschijningen riep hem telkens in zijne gansche levendigheid voor de
verbeelding terug.

En nu, daar hij op den laatsten drempel stond van het romantische
land, evenals toenmaals aan den voorhof, nu blonk hem dat eindpunt
van zijne hoop, van zijne verwachtingen zoo geheel onverhoeds weder
in het oog! Nauwelijks had hij dus de reizigers bespeurd, of met een
kloppend hart snelde hij den heuvel af, om de vluchtige verschijning
ras te grijpen, eer zij hem weder ontglippen mocht; maar het rijtuig,
dat pijlsnel voortrolde, was voorbij eer hij den straatweg bereikt had.
In het stadje moesten de paarden verwisseld worden; deze omstandigheid
gaf hem hoop, het voertuig dáár nog te zullen inhalen, eer het weder
afreed; want het geluk, om met het bekoorlijke wezen (en was hij dan
reeds verzekerd, dat zij 't was?) onder één dak te vernachten, was
te groot, dan dat hij het zich zou hebben durven voorstellen. Hij
verhaastte zijne schreden meer en meer; eindelijk had hij de kleine
markt, waarop wachthuis en herberg gelegen waren, bereikt. Hij zag het
rijtuig voor de deur staan, maar reeds voerde men versche paarden aan
om het verder te brengen. Eene talrijke schaar van nieuwsgierigen had
zich om de reizigers verzameld. Een officier, van de wacht toegesneld,
drong door de menigte heen en trad, een papier in de hand houdende, op
het portier toe, terwijl de jonge dame bij zijne nadering het rijtuig
verliet en hem een paar schreden te gemoet ging.—De officier boog
zich en sprak haar beleefdelijk aan, terwijl echter zijn herhaald
schouderophalen scheen aan te duiden, dat hij aan haar verlangen geen
gehoor kon verleenen. Lodewijk voegde zich thans bij de omstanders;
daar echter de vreemde, die hem gedurig meer gelijkheid scheen te
hebben met het beeld, dat hij in zijne verbeelding omdroeg, zich
op dit oogenblik naar de tegenovergestelde zijde wendde en het hem
onmogelijk maakte haar gelaat te aanschouwen, sloop hij in allerijl
om den kring van verzamelden heen en mengde zich aan de andere zijde
onder het gedrang.—Hemel, zij was het zelve! Slechts bleek en angstig
waren hare gelaatstrekken en zelfs een traan was in haar helder blauw
oog zichtbaar. Door een onwillekeurig gevoel gedreven, trad Lodewijk
op haar toe; hoeveel opzien het baren mocht, hij wilde de schoone
gestalte, die hem Italië, het land der wonderen, had binnengeleid, bij
het verlaten van dien heiligen bodem opnieuw begroeten en haar het
ras voorbijgesnelde oogenblik dier eerste ontmoeting in het geheugen
terugroepen. Zijn moed daartoe wies aan, daar hij haar zonder geleide
zag; want buiten den grijzen dienaar voor op den bok en de bejaarde
vrouw in den wagen, die insgelijks in eene dienstbare betrekking tot
de reizende scheen te staan, liet zich niemand bespeuren. Haastig trad
hij dus uit den zich verwijdenden hoop der burgers vooruit. Dadelijk
trof haar blik den zijnen en de schielijke, blijde ontsteltenis, welke
zich over haar gelaat verbreidde, liet Lodewijk geen twijfel over,
of zij herkende hem. Juist wilde hij zich buigen en zijne lippen tot
een groet openen, toen zij, met blijkbare overhaasting, de fransche
woorden: „_Voilà mon frère!_” uitriep en op hem toesnelde. Geheel
verbijsterd, vermoedde de jongeling een misverstand, doch eer hij
zich genoegzaam had kunnen herstellen en in staat was, haar eenige
opheldering te vragen, riep zij hem, voor alle omstanders verstaanbaar,
in het Italiaansch toe: „God dank, broeder, dat gij daar zijt!” en
voegde er fluisterend in het hoogduitsch bij: „Ik ben verloren, als gij
mij verloochent.” Even snel wendde zij zich weder tot den officier, nam
het papier uit de hand en gaf het aan Lodewijk over, met de fransche
woorden: „Deze heer wilde onze pas niet voor geldig houden, daar
gij niet bij ons waart. Dat komt van uwe wandeling langs romaneske
zijpaden, lieve broeder!—Gij zijt graaf Wallersheim,” lispelde zij hem
tevens in het hoogduitsch toe.

Hoe bevreemdend en zonderling dit alles ook aan Lodewijk mocht
toeschijnen, zoo begreep hij toch lichtelijk, dat het hier geheel in
zijne macht stond, het bekoorlijke wezen, dat angstig, met tranen in de
oogen voor hem stond, een gewichtigen dienst te bewijzen. Zonder zich
dus lang te beraden, besloot hij haar in hare list te ondersteunen en
antwoordde: „Wees gerust, lieve zuster, ik zal met dien heer spreken.”
Om tijd te winnen en tevens eenigermate met de toedracht der zaak
bekend te worden, wendde hij zich hierop tot den officier met de vraag:
„Gij zult dus zoo goed zijn, mijnheer, mij de bezwaren, welke gij tegen
onzen pas schijnt te hebben nog eens te herhalen? Gij beseft licht, dat
vrouwen in dergelijke zaken minder bedreven zijn.”—„Van dit oogenblik
af,” was het antwoord, „koester ik geen de minste bedenking meer.
Gij stondt op den pas als de begeleider van de gravin, uwe zuster,
vermeld, maar waart niet tegenwoordig. Dat scheen verdacht. Wel is waar
verzekerde mij de gravin, dat gij u slechts voor eenige oogenblikken
hadt verwijderd en te voet een zijpad waart ingeslagen, om u aan gene
zijde der stad weder bij haar te voegen; maar onze bevelen luiden voor
grensplaatsen als Duomo d'Ossola zóó stipt, dat ik genoodzaakt zou
geweest zijn, de jonge dame te verzoeken, zich zoo lang hier op te
houden, tot gij, heer graaf, op wien de pas luidt, weêr zoudt aanwezig
zijn. Wees echter verzekerd, dat ik dadelijk een mijner manschappen
in de richting van Sempione zou hebben uitgezonden, om u van deze
belemmering te onderrichten. Intusschen moet ik u toch waarschuwen, u
niet weder van de zijde der gravin te verwijderen, daar de bevelen,
voor zoo ver ons gebied reikt, overal van dien aard zijn, dat gij licht
weder eene soortgelijke vertraging zoudt kunnen ondervinden. Hebt gij
de zwitsersche grenzen achter u, dan houdt ons gezag op, en gij zult
met meerdere vrijheid kunnen reizen.”

Lodewijk was stom van verbazing, vooral toen de oude dienaar van den
bok steeg, hem zonder omstandigheden van den lichten, over zijne
schouders hangenden reiszak onthief, dien in het rijtuig legde en
hem nederig vroeg of hij verkoos in te klimmen. Vrij verward duwde
hij den officier eenige beleefde woorden toe en reikte hem de hand
tot afscheid. De oude rukte de voettrede naar beneden, de beleefde
Franschman was der jonge dame, die zich thans geheel in haren sluier
gewikkeld had, de bediende Lodewijk tot het opklimmen behulpzaam, het
portier werd gesloten, de officier boog zich en herhaalde zijn _bon
voyage_. Lodewijk nam, zonder bijna te weten wat hij deed, aan de zijde
der raadselachtige onbekende de plaats in, welke de bescheidene duenna
hem had overgelaten, en de wagen rolde voort.


HOOFDSTUK II.

Zoo lang men door de straten van het stadje reed en bewoonde huizen aan
den weg ontdekte, nam de schoone gesluierde het diepste stilzwijgen
in acht, terwijl zij Lodewijks begeerte om door eene vraag met den
samenhang van dit hoogst zonderling voorval bekend te worden, door een
stommen angstigen wenk wist in toom te houden. Hij bleef dus eenige
minuten geheel aan zijne eigene vermoedens en gissingen overgelaten en
vond in dat tijdsverloop eene mogelijke, zoo al niet de ware oplossing
van het raadsel. Naar alle waarschijnlijkheid was zijne gezellin eene
Engelsche, misschien wel de dochter van een man van groot aanzien.
De opnieuw losbarstende oorlog had den haat en de waakzaamheid der
Franschen tegen de inwoners van dat land verdubbeld; zij was dus,
vermoedelijk uit staatkundige gronden, genoodzaakt zich van eene list
te bedienen, ten einde een land te kunnen verlaten, dat in het bezit
was der vijanden van haar vaderland en waar men haar zelve misschien
gevangen zou nemen en in gijzeling zou kunnen houden. Het hart van
den jongeling klopte van vreugde bij de gedachte, dat de wonderbare
beschikkingen van het lot juist hem hadden bestemd, om een wezen,
welks zachte bekoorlijkheden hem zoo levendig getroffen, zoo langdurig
geboeid hadden, dezen reddenden dienst te bewijzen. Hij richtte zijne
blikken op haar; sidderende en blijkbaar met moeite ademhalende zat
zij nevens hem. Eindelijk verdwenen de laatste huizen op zijde van den
weg; de landstreek werd eenzaam en woest. Een steil opgaande bocht van
den weg noodzaakte den postiljon den snellen draf zijner paarden met
een langzamen stap te verwisselen, zoodat het verdoovend dreunen van
het rijtuig ophield. Nu greep de schoone gesluierde met onstuimige
hevigheid Lodewijks hand, klemde ze met een warmen, innigen druk in de
hare, en fluisterde uit een overkropten boezem: „Gij zijt mijn redder!
De redder van wat mij op deze aarde het dierbaarst is!” Als door een
doodelijken angst geheel uitgeput, als door het bedwingen der hevigste
gemoedsbewegingen geheel overstelpt, zeeg zij toen, terwijl een
beklemd, hijgend: Ach! hare lippen ontvloeide, op den boezem der tegen
haar over zittende gezellin neder, klemde zich met beide armen aan deze
vast, verborg snikkende het hoofd aan haren schouder en barstte in een
weldadigen stroom van tranen los.

De oude dame, wier voorkomen tot hiertoe slechts koele afgemetenheid
vertoond had, scheen nu toch ook diep geroerd. Zij trachtte intusschen
de weenende tot kalmte te brengen, maar bediende zich daarbij van
eene taal, welke Lodewijk niet verstond en niet voor Engelsch houden
kon.—De onbekende richtte zich weder op, sloeg den sluier terug om
vrijer te kunnen ademhalen, hief de blauwe oogen ten hemel en kruiste
de handen eerbiedig over de borst, tot een ootmoedig dankgebed.
Lodewijk, tot in zijn binnenste getroffen, wilde haar in die heilige
gemoedsstemming niet storen en zag haar lang en verwonderd aan.
Eindelijk trof haar verhelderde, open blik den zijnen weder. „Hoe zal
ik u dit ooit kunnen vergelden!” sprak zij.—„Vergelden?” hervatte de
jongeling haastig, maar met innige warmte. „Het noodlot schenkt mij op
de zeldzaamste wijze een geluk, dat ik nooit had durven verwachten,
en gij spreekt van vergelding? Misschien wel omdat ik van uwe lippen
den zoeten naam van broeder hoorde? Wat heb ik voor u gedaan? Ik
weet slechts, dat gij eenen vreemden, onbekenden eensklaps als eene
heilige uit den hemel verschenen zijt en een onuitsprekelijk geluk
bereid hebt!”—„O, gij weet niet, wat gij door uwe snelle en stoute
beradenheid voor mij geweest zijt.”—Zij wilde voortvaren, maar
werd daarin door den ouden dienaar verhinderd, die omziende, haar
eenige vreemde woorden toevoegde, welke zij in eene, aan Lodewijk
eveneens geheel onbekende taal beantwoordde. Daar er slechts weinige,
gedeeltelijk fluisterende woorden gewisseld werden, kon hij onmogelijk
bepalen aan welken landaard ze behoorden; nu eens waande hij spaansche,
dan weder poolsche woordvormen te onderscheiden. Het rijtuig rolde
intusschen sneller voort en ten tweedenmale werd het nauw begonnen
gesprek afgebroken. Men moest, naar des jongelings berekening, de van
de zijde van Italië vooral steil oploopende straat van den Simplon nu
weldra genaderd zijn, zoodat hij zijne begeerte om al deze geheimen
ontraadseld te zien, tot zoo lang besloot te bedwingen.

Men bereikte eene steile hoogte, waar de weg zich zoodanig kronkelde,
dat men nog eens een vrijen blik op Italië kon terugwerpen. Daar lag
het in de diepte, het land der weelde, door het gloeiend avondrood
met een donkeren purpergloed overtogen; de donkere, boschrijke,
voorgebergten der Alpen strekten zich ver over de bloeiende velden
uit; schuimende beken doorsneden de dalen met goud- en zilverkleurige
slingerpaden; het kleine stadje aan den voet van 't gebergte blonk
glansrijk en wit op den donkeren grond; de verte smolt weg in eene
blauwe schemering en liet geen duidelijke omtrekken meer onderkennen.
„Vaarwel!” beefde het van Lodewijks lippen. Ook zijne reisgenoote
wendde nog eens haar gelaat naar het Eden terug, dat zij nu op het punt
stond te verlaten, eene zachte aandoening verlevendigde hare trekken,
en de lippen schenen over den traan te glimlachen, die eensklaps het
blauw kristal van haar oog met een vochtigen nevel overtogen had.
„Vaarwel!” herhaalde zij met zoete welluidendheid en wenkte met de hand
ten afscheidsgroet. Daar de weg thans al steiler en steiler werd, en de
wagen slechts langzaam voortging, was het geschikte oogenblik daar om
het gesprek weder aan te knoopen. Lodewijk wilde dan ook juist zijne
vraag, om opheldering aangaande het gebeurde, herhalen, toen zijne
reisgenoote reeds uit eigen beweging begon.

„Gij moet zekerlijk verwonderd zijn over wat u bejegend is; maar de
gebeurtenissen, door welke landen en volken thans beroerd worden,
wikkelen dikwijls ook enkele personen in moeielijke en gevaarlijke
ongelegenheden. Dat is met mij het geval. Ik waande mij reeds verloren,
ach! en ik sidderde voor een dierbaarder goed dan mijn leven, toen de
hemel mij in u een redder toezond. Zult gij mij echter ook verder uw
bijstand willen verleenen?”

„Tot aan mijn laatsten ademtocht,” riep Lodewijk driftig.—„Verbind u
tot niets,” viel de onbekende hem in de rede, „voor gij weet, wat ik
van uwe grootmoedige gezindheid vorderen moet. Gij zult nog langer voor
mijn broeder doorgaan, mij als zoodanig op een overhaaste reize tot
in Duitschland vergezellen moeten!—En—dit is voor u zelf met gevaar
verbonden!”

Niet zonder hooghartigheid trachtte Lodewijk de verdenking van zich af
te weren, dat eenig gevaar in staat zoude zijn hem af te schrikken.

„Dat wist ik, en ik ben in mijn vertrouwen niet bedrogen,” hervatte de
onbekende; „maar nog eene moeielijke bekentenis heb ik te doen. Gij
zult mij voor ondankbaar, voor laag, argwanend moeten houden; want ik
moet uw bijstand inroepen, zonder u mijn geheim te mogen toevertrouwen,
daar het niet het mijne is. Anderen hebben er heilige rechten op en de
strengste, onverbrekelijkste plichten binden mijne tong. Weinig meer
dan gij nu reeds hebt kunnen raden, mag ik u ontdekken; want dat ik
geen gravin Wallersheim, dat ik niet eens eene Duitsche ben, zal u wel
niet twijfelachtig meer zijn.”

„Maar welken naam mag ik u dan geven! Zal het noodlot u mij voor eeuwig
onbekend doen blijven?” vroeg Lodewijk op een smartelijken toon.

„Neen, ik vertrouw neen,” antwoordde zij nauw hoorbaar; „maar noem mij
nu zuster; Bianca, als gij wilt. Die naam moet u vooreerst voldoende
zijn.”

„Zuster Bianca!” riep Lodewijk in zoete verrukking. „Zuster! zuster!”
herhaalde hij nog eens. Die heilige naam verbond hem zoo innig met
het bekoorlijke wezen en ontroofde het tevens voor altijd aan zijn
hart, dat hij bij het uitspreken den volsten beker der zaligheid
en den diepsten, bittersten kelk der smart tegelijk ledigde. De
vertrouwelijkste nabijheid was hem vergund, doch terzelfder tijd was
er, dit zeide hem zijn voorgevoel nu reeds, een vreeselijke klove
tusschen beiden geopend, welke hen des te verder vanéén scheidde,
naarmate zij nauwer verbonden schenen.

Hij staarde haar aan en waande eene bekoorlijke droomgestalte te
aanschouwen, die verdwijnen zou, wanneer hij ontwaakte. Zijn hart
klopte met hevigheid; doch hij bedwong zich en verkropte de smart in
zijn boezem.

Bianca brak opnieuw het stilzwijgen af. „Gij ~moogt~ mij niet alleen
zuster noemen,” zeide zij met een vluchtig blosje, „maar gij ~moet~ het
ook, wanneer gij mij niet verraden wilt. Waarlijk, gij zult spoedig aan
dien naam gewennen, zoowel als aan den ongedwongen, gemeenzamen toon,
dien ik dringend vorderen moet, dat voortaan tusschen ons heersche.”

De beproeving werd gestadig sterker voor den jongeling. „Als ik mij
zelf maar niet vergeet,” sprak hij verlegen.

„Dat zult gij gewis niet,” hervatte Bianca; „de gedachte, dat de
geringste misslag voor u en mij hoogst gevaarlijk zou kunnen worden,
zal u steeds op uwe hoede doen zijn; en bovendien zult gij altijd op
mijn gelaat lezen, dat ik u aan uwe broederlijke plichten herinner.
Maar ik moet u nog iets aangaande mijn toestand ontdekken. Gij ziet
mij hier van de verzorgster mijner jeugd en van een ouden getrouwen
dienaar van ons huis vergezeld, de eenigen, die mijn geheim ten deele
kennen. Wij zouden zonder eenig gevaar reizen, wanneer deze alleen er
de vertrouwden van waren; maar tot mijn ongeluk is het reeds verraden.
Weet dan, dat tot Milaan een ander uwe plaats innam.” Hier scheen
het schoone meisje huiverig om verder te verhalen. „Een schandelijk
misbruik,” vervolgde zij sterk blozende, „dat hij van mijn toestand
wilde maken, dwong mij van een tot vluchten gunstig oogenblik gebruik
te maken. Ik kan er thans niet meer aan twijfelen, of hij is daarop uit
wraak een verrader geworden.

Van hier mijn haast, mijn doodelijke beangstheid daar beneden in het
stadje; want elk oogenblik kan het bevel tot onze inhechtenisneming
daar zijn. Wel heb ik een anderen weg genomen, en mijn vroeger
plan, om over Verona te gaan, veranderd, daar de pas, die, zonder
nadere bepaling, van Rome over Florence en Milaan naar Duitschland
wijst, zulks mogelijk maakte; maar hoe spoedig heeft men dat niet
uitgevorscht! Hoe licht kan ook de verrader zelf op dat denkbeeld komen
en ons langs beide wegen laten achtervolgen!—Gij weet nu, wat gij
waagt. Ook dit moet ik er nog bijvoegen; men zou de misdaad, waaraan
gij u schuldig maakt, zeer gestreng straffen.”

„De grootste misdaad ware hier wel lafhartig terug te treden,” sprak
Lodewijk met bedaardheid. „Ik weet niet,” voegde hij er met eenige
aandoening bij, „of voor u te mogen lijden, mij niet nog gelukkiger zou
maken, dan voor u te wagen.”

Bianca zweeg.

De nacht begon intusschen de omliggende voorwerpen met zijn zwarten
sluier te overdekken. De weg werd steiler; reeds verhieven zich aan
weerszijden de zonderlingste, vreemdstaltigste rotsgedaanten, terwijl
de Veriola schuimend en donderend in de diepte neder schoot. Het
reusachtig verhevene van dit schouwspel zoude een sterkeren indruk
op de reizigers hebben teweeg gebracht, wanneer de stemming hunner
gemoederen kalmer en voor het genot vatbaarder geweest ware. Bianca's
krachten schenen daarenboven door de reis en den doorgestanen angst
uitgeput; eene zachte sluimering had haar overvallen. De hevige
gemoedsbeweging verdreef den slaap uit Lodewijks oogen, ofschoon
ook hij door de lange wandeling lichamelijk zeer vermoeid was. De
huiveringwekkende wonderen van den weg, dien hij aflegde, vermeerderden
wel het onrustig golven van zijne borst, doch rotsen, afgrond en
waterval spiegelden zich, als een onstuimige zee, slechts flauw,
verward dooreengemengd en vormloos in zijn oog af. Mijmerend staarde
hij de beelden aan, zonder ze in zijn bewustzijn op te nemen, en dan
eerst, wanneer zij lang voorbijgesneld waren, stegen zij weder als
donkere, onzekere herinneringen in hem op. Zijne ziel zag immers
slechts Bianca's beeld; hij stond verrukt voor de schoone hemelsche
gestalte eener Madonna: hoe kon dan het landschap op den achtergrond
der heilige schilderij zijne oogen van haar aftrekken en aan zich
geboeid houden?

Het was duister toen zij over de eerste, op torenhooge pilaren zwevende
brug heenrolden, waaronder den stroom in den diepsten afgrond zich als
een witte slang sissend heenkronkelde. Spoedig daarop bereikten zij een
posthuis, waar men snel van paarden verwisselde. Bianca was zoo diep
in slaap gezonken, dat zij ook daar niet ontwaakte; het was alsof hare
ziel zulk een vertrouwen stelde op den nieuwen, reddenden vriend, dat
onrust noch zorg haar meer beangstigden.

De weg werd gestadig woester en huiveringwekkender; de Veriola schoot
klaterend in den afgrond neder; hemelhooge rotswanden hieven zich
loodrecht op; slechts weinige starren blonken door de enge opening
der diepgekloofde bergholte. Plotseling kromde de weg en Lodewijks
verwonderd oog zag een wit, reusachtig spooksel voor zich, dat
schrikwekkend tusschen de zwarte granietklompen oprees. Tegelijk
verdoofde een doffe donderslag het gehoor.

Bianca ontwaakte door het gedreun en riep verschrikt: „Hemel, wat is
dat? Waar zijn wij?”

„Het is de waterval aan den ingang der groote gaanderij,” sprak de
oude dienaar, zich omwendende. Intusschen hield de wagen stil en een
heldere straal uit verlichte vensters blonk de reizigers in het oog. De
postiljon klapte met de zweep.

„Wat beteekent dat?” vroeg Bianca angstig; „zouden wij hier aangehouden
worden?”

„Hier is, voor zoover ik weet, de grenspaal van Lombardije; aan gene
zijde der kleine brug bevinden wij ons reeds in Zwitserland,” was
Lodewijks antwoord.

„God zij gedankt,” riep Bianca en haalde diep adem. „Tot zoover dan
verlaat gij mij niet, genadige hemel!” voegde zij er zacht bij en hief
den blik op tot de heldere sterren boven haar.

Middelerwijl traden twee in grijze mantels gewikkelde gestalten op den
wagen toe, de eene met eene lantaarn in de hand; de hooge helmen met
paardestaarten lieten fransche dragonders onderkennen.

„_Votre passeport, Monsieur_,” luidde de beleefde, maar korte en
beslissende vraag.

„De pas, lieve broeder,” herhaalde Bianca en drukte hare hand zachtkens
tegen zijn arm, om hem een teeken te geven, dat hij zich niet vergeten
moest.

Lodewijk kreeg het papier te voorschijn en reikte het over. Hoe
weinig hier ook eene ontdekking te duchten was, zoo bewerkte toch het
bewustzijn van zijn toestand, dat hem de pols rasser sloeg. Bij dag
zou een opmerkzamen beschouwer de onrust in zijne trekken niet zijn
ontgaan; hij was aan voorvallen van dezen aard nog niet gewoon.

De officier begaf zich met den pas in huis; na vijf minuten keerde hij
terug en gaf dien aan Lodewijk over met de woorden: „_Votre serviteur,
monsieur le comte._”

„Voorwaarts!” riep de oude dienaar, en de wagen snelde over de brug op
den waterval aan. Zijn gedonder verdoofde het oor, en witte stuivende
stofwolken omhulden het rijtuig met een dichten nevel. Eensklaps waren
zij verdwenen en een ondoordringbaar duister omgaf de reizigers; het
gedruisch van den nederstortenden stroom vernam men nog slechts dof en
murmelend, als uit de verte.

„Waar zijn wij?” vroeg Bianca.

„Ik denk in het gewelf van eene der gaanderijen, waardoor de straat
voert.”

„Dit is de gaanderij van Trissinone,” liet zich de stem hooren van
den postiljon, niet weinig trotsch, dat hij zijne kennis van alle
verschrikkingen en wonderen van dezen weg in het fransch wist mede te
deelen.

Noch Lodewijk noch Bianca, wier blikken op den waterval waren gevestigd
geweest, hadden bemerkt, dat men eene rotspoort was binnengereden. De
wagen kroop langzaam door het gewelf voort, waarin niet het geringste
schijnsel van licht doordrong. Plotseling echter kwam een flauwe,
vale schemering van boven afdalen; verwonderd blikten onze reizigers
opwaarts en ontdekten eenige fonkelende sterren, die even spoedig weder
verdwenen. Men had zich onder de opening bevonden, die bij dag een
twijfelachtig schemerlicht in deze zwarte rotskloof nederwerpt. Na tien
minuten was men weder onder den vrijen hemel.

Bianca haalde diep adem. „God zij dank,” sprak zij; „ik werd toch een
weinig angstig in dien zwarten afgrond. Maar waartoe dienen toch zulke
akelige gewelven?”

„Vooral tot een toevluchtsoord tegen de lawinen; want men heeft ze
meerendeels aangelegd in streken, waar het nederstorten van deze
sneeuwklompen het menigvuldigst plaats grijpt. Dikwijls heeft men zich
ook door het stoutmoedig doorbreken der rotsen een aanmerkelijken
omweg bespaard. De geheele weg is een reuzenarbeid, gelijk alles,
wat de verwonderlijke man onderneemt, die met zulk een scherpen blik
het gewicht van dezen bouw tot enger verbinding zijner volken inzag.
Wat sinds eeuwen vurig gewenscht was, en waarvoor twintig geslachten
terugbeefden, daar de uitvoering menschelijke krachten scheen te boven
te gaan, heeft deze koen scheppende geest door een enkelen wenk van
zijn machtigen wil tot stand gebracht.”

„Ik bewonder hem! Maar ik geloof toch, dat die duistere genius meer
vreeselijk in het verdelgen dan machtig in het scheppen is,” hernam
Bianca met een siddering terugbevende voor de krijgsgebeurtenissen,
waarop hare woorden schenen te doelen.

„Hij vernielt slechts om te scheppen,” riep Lodewijk met vuur; „op de
lava, die de vulkaan uitwerpt, grondt zich eene schoonere schepping!”

„En vergeet gij hen, die onder den aschhoop bedolven liggen?” vroeg
Bianca.

Lodewijk zuchtte en gevoelde zich tot in de ziel getroffen. Neen, hij
vergat de bedolvenen, vergat zijn vaderland niet, en toch kon hij de
bewondering, die hij voor den man koesterde, voor wien Europa beefde,
onmogelijk onderdrukken. Deze tweestrijd in zijn boezem had hem reeds
meermalen smartelijk gegriefd, en thans zag hij, door zijn terugkeeren
naar het vaderland, waar hij in de nabijheid zou verplaatst zijn van
den vreeselijken krijg, die zijne onweerswolken elken dag dichter en
dichter opeenpakte, nieuwe en nog heviger gemoedsschokken te gemoet.

„Wij zijn geboren,” sprak hij somber en na eenig zwijgen, „om de schuld
onzer vaderen te verzoenen. Het ijzeren rad van het noodlot verplettert
ons; maar niet op hen wentel ik de schuld, die het rechtvaardig vonnis
der onverbiddelijke Nemesis voltrekken. De geschiedenis houdt een
streng, vreeselijk strafgericht. Zij oordeelt daden, niet daders.
Daarom boeten wij voor de schuld onzer voorvaderen, maar ook voor
de eigene; want kunnen wij ons van ontzenuwde slapheid, van diepe
ontaarding vrijspreken? Duitschland——o laat mij zwijgen, want mijn
hart bloedt, als ik daaraan denk!”

Beiden zwegen; de weg kromde zich een weinig in de richting van het
oosten en eensklaps blonk hun de zachte maan, tusschen twee rotskruinen
in den reinsten aether zwevende, vriendelijk tegen, al was zij een
door God gegeven teeken, dat eenmaal na den storm de rust zoude
wederkeeren. Tegelijk rezen boven den zwarten, in de schaduwen van den
nacht gehulden rotswand vóór hen twee zilverblanke sneeuwkruinen op en
kaatsten het maanlicht glanzend terug.

„O God!” fluisterde Bianca, greep de hand harer gezellin en wees op de
flonkerende sneeuwtoppen.

Lodewijk voelde warme tranen over zijne wangen rollen. Hij bracht den
zakdoek voor de oogen en liet den zoeten stroom, die zijne beklemde
borst verlichtte, den vrijen loop.

„Die top links is de Sempione,” sprak de postiljon, zich tot den ouden
bediende wendende.

„Zullen wij dra boven zijn?” vroeg deze.

„In het dorp zijn wij spoedig; dan zijn wij nog twee kleine uren
van den hoogsten top, waar het vreemdelingenhuis gebouwd wordt. Dat
gaat niet voorspoedig sinds een jaar, want het geld ontbreekt. Maar
voorwaarts!” Hij verdubbelde de zweepslagen en weldra had men het dorp
Sempione, dat zeer dicht onder de sneeuwkruin van den berg gelegen
schijnt, bereikt.

Het was hier reeds gevoelig koud. De reizigers vertoefden slechts
weinig oogenblikken, om zich door eene vluchtig genoten verversching
en een glas warmen wijn te sterken; want Bianca dreef tot onverpoosden
spoed aan. De lente was nu spoedig geweken, want na korten tijd bevond
men zich midden in de sneeuw, die aan beide zijden van den weg lag
opgehoopt. Daar de baan niet steil opliep, ging de reis vliegend
voort. Weldra bereikte men den hoogsten top en nu rolde de wagen met
bliksemsnelheid de helling afwaarts. Na verloop van eenige minuten
hield de postiljon zijne paarden staande.

„Wat is er?” vroeg Lodewijk.

„Hm, Signore,” luidde het antwoord, „het jaargetij is niet zeer
gunstig. Men moet voorzichtig zijn. Wij hebben warme dagen gehad en dan
storten de lawinen naar beneden als sperwers op den leeuwerik. Ik moet
een schot doen.” Hij kreeg een oud, roestig geweer te voorschijn. De
knal dreunde dof over de breede ijsvlakte en werd door een donderenden,
duizendvoudigen weerklank gevolgd; doch daarna bleef alles stil.

„Het zal gaan,” sprak de postiljon en dreef de paarden opnieuw aan.

Men verkeerde in angstige spanning; want ieder schilderde zich in
stilte het vreeselijke van eene mogelijke begraving onder neerstortende
sneeuwklompen af. Weinige oogenblikken waren toereikend, om al de
akelige verhalen weder in het geheugen te roepen, die reeds in de
vroegste jaren de jeugdige verbeelding door berichten van deze
ontzettende natuurtooneelen in Zwitserland zoo levendig getroffen
hadden.

Eensklaps donderde en kraakte het dof in de hoogte.

„_Dio Sànto_!” riep de postiljon en zag naar boven. Tegelijk echter gaf
hij het paard waarop hij gezeten was de sporen, hief de zweep op, en
met duizelingwekkende snelheid kletterde de wagen voorwaarts.

Bianca had angstig de hand harer pleegster vastgeklemd. Lodewijk zocht
zijne kalmte te behouden en sprak: „Er zal geen gevaar zijn; deze
menschen zijn hier bekend en ongemeen voorzichtig.”

Hij wilde voortgaan, toen zich een ontzettend gekraak boven hunne
hoofden deed hooren; het was alsof de geheele berg met hen instortte.
De paarden steigerden en deinsden schuw op zijde, zoodat de wagen tot
dicht aan den rand des afgronds werd teruggeslingerd. Doch de moedige
berijder verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet, maar dreef de
snuivende dieren met zweep en sporen rusteloos voorwaarts. Het gevaar
van in de diepte neder te storten duurde slechts ééne seconde; het
grootere was men nog niet ontworsteld, want thans knarste en kraakte en
dreunde het schrikbarend rondom de reizigers, die zich plotseling in
eene witte wolk gehuld zagen. De grond beefde, eene geweldige persing
der lucht sleurde Lodewijk uit zijne zitplaats en dreigde hem ter aarde
neder te ploffen, Bianca klemde zich met de kracht der wanhoop aan
hare zoogster vast; de witte wolk verdonkerde zich als tot eene dichte
zwarte rookzuil; een oogenblik daarna onderging de wagen een hevigen
schok, gelijk het schip, dat op eene rots stoot, en bewoog zich niet
meer. De as kraakte, beide vrouwen gilden luid, ook Lodewijk kon een
bangen angstkreet niet onderdrukken. Ondoordringbare duisternis breidde
zich over hen uit. Nog eenige oogenblikken vernam men het klateren des
rollenden donders, een dof gedreun volgde, en eensklaps was alles stil,
zwijgend en donker als in het graf.


HOOFDSTUK III.

„Dat was redding uit den leeuwenkuil!” riep de postiljon. „Wij hebben
nog gelukkig de gaanderij bereikt.”

De woorden vervulden de van angst ontzielden met nieuw leven. „Wij zijn
niet bedolven?” riep Lodewijk ademloos.

„De lawine moet dicht achter ons neergeschoten zijn,” antwoordde de
postiljon, „want de ijssplinters en het sneeuwstof hebben mij half
blind gemaakt.—Maar éene as, mogelijk beide, zal het gekost hebben;
want ik merk wel dat wij wat na aan den rotskant geraakt zijn. Het was
ook geene kleinigheid, zoo in vollen galop de nauwe opening te treffen,
en dat nog wel in het donker!”

Lodewijk hoorde de laatste woorden van den postiljon niet meer, daar
hij bemerkte, dat Bianca naast hem nederzeeg, en hij de onmachtige in
zijn armen opving. „In 's hemels naam, zuster,” riep hij, terwijl hij
haar zacht aan zijn kloppend hart drukte; „zuster wat deert u?”—Zij
antwoordde niet; ook in het rond liet zich geen geluid hooren. Eene
rilling ging den jongeling door de leden. Had het ontzettend oogenblik
allen tegelijk het leven benomen?

Intusschen verdreven lichtvonken het duister. Het was de postiljon,
die vuur sloeg. Bij het flikkerend schijnsel zag Lodewijk, dat Bianca
bleek, met gesloten oogen en lippen in zijne armen lag, en dat ook hare
voedster bewusteloos op de bank was neergezonken.

„Licht, licht!” riep hij driftig.

„Dadelijk, signore!”

De lantaarn was ontstoken en verspreidde een droeve schemering door het
duister gewelf der gaanderij. De postiljon richtte zich op en vroeg:
„Er is toch niemand, die zich bezeerd heeft?—Maar wat duivel, waar is
dan de bediende toch?” Eerst nu bemerkte Lodewijk, dat deze ontbrak:
hij moest van den bok zijn gevallen. „Wij moeten hem opzoeken,” riep
hij en vlijde zijn dierbaren last voorzichtig op de wagenbank neder;
vervolgens sprong hij ter aarde, om gezamenlijk met den postiljon den
verongelukte op te zoeken. Dit was weldra geschied; want zij vonden
hem aan den ingang der gaanderij buiten kennis op den rotsachtigen
grond uitgestrekt. Aan zijn voorhoofd bloedde hij een weinig, doch de
wonde was onbeduidend; ook scheen hij overigens onverlet. De postiljon
wiesch hem met eene handvol sneeuw, die de wind tegen de zijwanden der
opening had aangedreven, het voorhoofd, terwijl Lodewijk hem poogde
op te richten en tot bewustzijn te brengen. De oude opende weldra de
oogen. „Waar ben ik?” vroeg hij, meer verbaasd dan uitgeput. Lodewijk
gunde zich den tijd niet om hem te antwoorden, maar ijlde, de lantaarn
in de hand, naar Bianca terug. Zij scheen gerust te sluimeren, zoo kalm
en zacht waren hare gelaatstrekken. Toen het schijnsel van het licht,
door Lodewijk op de voorbank geplaatst, haar op het oog viel, opende
zij dat, sloot het echter, door den glans verblind, weder even ras,
en haalde diep adem. Lodewijk greep hare hand en noemde fluisterend,
maar met innige warmte haren naam; verbaasd sloeg zij de oogen op en
vroeg vervolgens, als met bevreemding en nog ten halven in hare droomen
verzonken: „Wie roept mij toch?”

„Uw broeder, lieve Bianca,” sprak Lodewijk diep geroerd.

„Broeder! broeder!” riep zij, nog bewusteloos, angstig uit, neigde
zich bevende voorover en leunde zacht aan Lodewijks borst, die, door
zijn gevoel overweldigd, haar aan zijn hart en een zoeten kus op haar
voorhoofd drukte. Daar rees zij eensklaps ontwakende op, zag hem met
schuwe, verwonderde blikken aan, en terwijl zij zich met maagdelijke
beschaming aan zijne armen ontwond, stamelde zij: „Mijn God! De
bedwelming—ik weet niet, wat ik gedaan heb!” Tevens viel haar oog op
de voedster, die, nog bewusteloos en het hoofd op de borst gezonken,
in den hoek van den wagen zat. Eene uitdrukking van doodelijken angst
vertoonde zich bij den aanblik op haar gelaat; zij opende de lippen
tot een uitroep, maar deze stierf weg in een beklemden zucht. Daar
bewoog zich de onmachtige en uitte eenige vreemde woorden. „Zij leeft!
zij leeft!” juichte Bianca, in uitgelaten vreugde de armen om den hals
der neergezonkene slaande en haar met teederheid oprichtende. „O mijne
Margaretha, herkent gij mij?”

Hare omarming was zoo innig, dat Lodewijk hier eene nauwere betrekking
moest vermoeden, dan die tusschen meesteres en dienstbare bestaat. Doch
eer hij daarover had kunnen nadenken, wendde Bianca zich tot hem met de
angstige vraag: „Maar waar is—in Gods naam....” Lodewijk ried, wat zij
vragen wilde, en viel haar in de rede met het bericht, dat de dienaar
zich niet bezeerd had. Juist kwam deze met den postiljon op den wagen
toe. Bianca scheen eene rasse beweging te willen maken om hem te gemoet
te ijlen; de dienaar boog zich echter met eerbied en sprak ernstig:
„Het verheugt mij, dat uwe genade geen letsel heeft bekomen; ook ik ben
het gevaar nog gelukkig genoeg ontkomen.”

Men kon in Bianca's trekken lezen, dat eene zeldzame ontroering haar
binnenste schokte. Zij scheen hevig te kampen met eene begeerte,
waaraan zij niet dan met moeite weerstand bood. De oude bediende scheen
daar echter niet veel acht op te slaan en vervolgde koeltjes: „Nu
moeten wij toch maar spoedig eens zien, of de wagen ook veel geleden
heeft.” Tegelijk greep hij de lantaarn en begon as en wielen nauwkeurig
te onderzoeken.

Bianca scheen uitgeput. „Ik kan nog niet tot mij zelve komen; ook weet
ik immers nog volstrekt niet, wat er voorgevallen is en waar wij ons op
dit oogenblik bevinden,” sprak zij op een matten toon en neigde zich
inniger tegen de borst harer voedster, die bij dit alles een koelheid
en afgemetenheid bleef bewaren, die schenen aan te duiden, dat zij
vreesde, het tusschen beiden heerschend verschil van rang en stand uit
het oog te verliezen.

Lodewijk verhaalde in weinig woorden, wat er was voorgevallen en waar
men zich thans bevond.

„De wagen is zoo goed als in duizend stukken gesprongen,” berichtte
thans de postiljon, die gezamenlijk met Paul, den bediende, de wielen
en assen onderzocht. „De heerschappen zullen wel een oogenblik moeten
afklimmen.”

Lodewijk was de vrouwen daartoe behulpzaam. „Zou de ramp ons lang
ophouden?” vroeg Bianca, op de beide mannen toetredende, die bezig
waren het achterrad te bezichtigen.

„Nu ja, signora,” antwoordde de postiljon en nam eerbiedig zijne roode
muts af, „tot het naaste posthuis, misschien wel tot Brieg, zullen
wij het nog voortsleepen; maar daar zal de wagenmaker ons wel een dag
ophouden. De rechter vooras is door midden gebarsten en het rad houdt
met moeite de spaken nog in de naven. De dissel is ook beschadigd; dat
de kast vrij wat geleden heeft, wil ik niet eenmaal rekenen. Achter
gaat het zoo tamelijk, maar het linkerrad heeft ook uitgediend.”

Bianca wierp gedurende dit verslag bezorgde blikken op hare
reisgezellin en op Paul. De laatste begon eindelijk: „Het zal nog te
herstellen zijn, genadige gravin; als smid en wagenmaker goed betaald
worden, zullen, dunkt mij, weinig uren oponthoud voldoende zijn.
Evenwel mag er thans geen tijd verloren gaan.”

„Ja, mijn vriend,” zeide de postiljon; „maar zoo kunnen wij niet
voorwaarts; een paar jonge boomen moeten er eerst zijn: de een om tegen
de as, de andere om tegen den dissel te binden. Verwenscht is het maar,
dat wij hier bezwaarlijk geschikt hout zullen vinden, want heb ik ooit
goed uit mijne oogen gezien, dan wast op deze hoogte geen enkele stam,
zoo als wij dien noodig hebben; hier is alles laag en krom kniehout.
Een half uur verder naar beneden zal het beter gaan.”

„Laat ons dan zoeken,” hernam Paul; „want voorwaarts moeten wij; hare
genade heeft groote haast.”

De postiljon scheen besluiteloos. Lodewijk vermoedde, dat hij, volgens
den gebruikelijken trant der Italianen, eerst wilde zien, hoeveel hem
deze buitengewone dienst konde opbrengen, en beloofde hem derhalve
eene aanzienlijke belooning, wanneer hij den wagen spoedig weder in
gereedheid bracht. De kleine zwartkop schudde echter bedenkelijk
het hoofd en zeide: „Dat is wel licht gezegd, monsignore, maar niet
zoo licht gedaan. Als de sneeuw om dezen tijd eens begint neer te
ploffen, dan is men geen oogenblik van zijn leven zeker. De eene klomp
brengt de andere in beweging. Ja, als wij strenge vorst hadden. Maar
het is dooiweder en dan, vertrouw wie gij wilt, doch hoed u voor de
lawinen. Het kon licht mogelijk zijn, dat gij lang te vergeefs op onze
terugkomst wachten moest. Bij dag kan men beter op zijn hoede zijn;
ook houdt tegen den morgen het gevaar op, want wat de zon over dag los
gemaakt heeft, is dan naar beneden gestort, en zij moet weder nieuwe
massa's ontdooien. Maar nu, bij nacht, is het stuk niet te wagen.”

Lodewijk besefte, hoe pijnlijk deze vertraging der reize voor Bianca
zijn moest, alhoewel zij het dringendst gevaar ook reeds ontkomen
waren. „Ik verzel u, wij willen het gevaar samen deelen,” sprak hij dus
vastberaden.

„Dat ware goed en wel, monsignore,” antwoordde de postiljon, zonder
aan zijn bedenkelijk gelaat eene andere plooi te geven, „wanneer wij
het met een paar galgvogels te doen hadden, die aan den weg achter de
struiken op den loer zitten. Maar de lawine geeft er niet om, of wij
twee, of drie, of twintig te zamen zijn, en gaat toch haar gang.”

„Laat ons het dan ten minste beproeven, mijn vriend,” riep Lodewijk,
terwijl hij de lantaarn opnam. „Ik wil vooruitgaan.”

Bianca wierp hem een dankbaren blik toe, die hem nog meer in zijn
besluit versterkte. „Hebt gij een bijl?” vroeg hij.

„Bijl en touwen liggen in de kast onder den bok,” antwoordde Paul en
haalde het gevraagde te voorschijn.

„Zoo kom, mijn vriend,” sprak Lodewijk met vastheid tot den postiljon,
„de bediende mag bij de dames blijven.”

„Nu, dan moge Sint Borromeus ons bijstaan!” riep deze half zuchtende,
half verdrietig.

Paul trad voor. „Wanneer iemand gaan moet, heer graaf, dan ben ik het.
Gij zelf blijft dan tot bescherming der dames achter.”

Bianca was in tweestrijd, of zij Lodewijk smeeken zoude, het
waagstuk op te geven, ja dan neen. Dubbele, even machtige, maar met
elkander strijdige plichten en gevoelens bestormden hare ziel. Zijne
standvastigheid liet haar geene keuze.

„Ik ga zelf,” riep hij vol moed uit; „het blijft, gelijk ik gezegd heb.”

Bij deze woorden greep hij de lantaarn en ging voor. De postiljon
volgde hem.

„God moge u behoeden, mijn broeder,” snikte Bianca hem na.

De postiljon, met den weg bekend, nam hem nu de lantaarn uit de hand.
Nauwelijks waren zij vijftig passen voortgetreden, toen hij uitriep:
„Sante Borromeo! Ik geloof, dat de gaanderij versperd is! Zie slechts,
signore, de uitgang is geheel met sneeuw toegesloten. De lawine moet
zich verdeeld hebben en aan beide zijden van den gang zijn neergestort.
Daar zitten wij dus als muizen in de val; want dat de deur achter ons
toesloeg, hebben wij, de hemel weet het, maar al te duidelijk bemerkt.”

Het was inderdaad zoo, als de postiljon zeide. Eenige weinige schreden
waren toereikende, om Lodewijk te overtuigen, dat de uitgang volkomen
gesloten was.

„Wat vangen wij nu aan?” vroeg hij, niet zonder ongerustheid over deze
onverhoedsche gevangenschap onder de aarde.

„Wat wij aanvangen? Wij gaan naar de dames terug, want hier uitkomen
kunnen wij niet, voor men zoo goed is ons in te halen,” hernam de
postiljon.

„Maar zal men ons verlossen?”—„Pah! daar ben ik geen oogenblik bang
voor. Zij moesten in Sempione en in het naaste posthuis wel doof zijn,
als zij deze lawine niet gehoord hadden; en als men mij morgen vroeg
met mijne paarden niet terug ziet, gaan zij wel zoeken, waar ik beland
ben.”

Door dit antwoord eenigermate bemoedigd, keerde Lodewijk weder tot de
dames terug en berichtte haar, in hoedanigen toestand men verkeerde.
Bianca hoorde hem met meer gelatenheid aan dan hij verwacht had,
en zuchtte slechts, met kalme berusting de oogen opwaarts slaande:
„Wij moeten dulden, wat God ons toezendt; Hij zelf wil thans ons lot
beslissen. Zijn wil geschiede—ik ben op alles voorbereid.”

De postiljon, niets buitengewoons in het voorval ziende, zocht haar
gerust te stellen. „Het heeft geen gevaar, signora, men zal er ons wel
weer uithelpen, morgen middag zijt gij frisch en gezond in Brieg, maak
daarop gerust staat.—Evenwel zullen wij toch een sein zoeken te geven.
Zoo groot eene opening is toch licht door de sneeuw te maken, dat het
schot van mijn musket er door naar buiten kan. Als zij ons in het
posthuis, dat geen half uur van hier is, hooren, luiden zij dadelijk de
noodklok, en dan zijn er morgen bij het aanbreken van den dag handen
genoeg om ons uit te graven. Want hooger dan vijftien of twintig voet
blijft de sneeuw op den smallen weg niet liggen.”

Na deze woorden ging de luchthartige, vlugge Italiaan terstond aan
het werk en hief den disselboom op, waarmede hij een luchtgat door de
sneeuw wilde boren. Terwijl hij hiermede bezig was, hoorde men een
doffen knal in de verte.

Bianca rees verschrikt op. „Wat beteekent dat?” vroeg zij bevende.

„Zoo dadelijk zult gij het hooren,” riep de postiljon en luisterde
aandachtig toe. „Daar hebt gij 't! Zeide ik het niet? Het is een tweede
lawine.” De knal liet zich versterkt twee, drie ras opéénvolgende malen
hooren; daarop volgde een lang aanhoudend, schokkend gedreun, alsof
een zware last steenen in den afgrond nederstortte. Het kwam nader en
nader; eindelijk rolde het zoo dicht over de hoofden der luisterenden
heen, dat het gewelf der gaanderij scheen verpletterd te worden. Bianca
klemde zich angstig aan Margaretha vast; ook de mannen verrieden
schrik door hunne verbleekte wangen. De postiljon echter lachte en
riep: „Hier regent het niet door!”—Het gedruisch nam nu langzamerhand
af en smolt eindelijk weg in een dof gemurmel, gelijk aan dat van een
verren stroom, die woest over klippen heenbruist.

„Heb ik nu geen gelijk gehad?” vroeg de postiljon. „Wanneer het geluk
niet gewild had, dat de uitgang voor ons versperd werd, geloof ik, dat
wij den ingang thans bezwaarlijk zouden hebben weêrgevonden.”

Bianca dankte God door een stom gebed, dat Lodewijks grootmoedig
waagstuk verijdeld was geworden.

Intusschen had de postiljon den disselboom uitgelicht, aan welks
uiteinde hij met behulp van Paul nog een langen stok door middel
van touwen vastmaakte. Toen deze in gereedheid was gebracht, om er
de zachte sneeuw mede te doorboren, begaven beiden zich naar de
uitgang der gaanderij, aan de zijde van het dal, ten einde daar eene
opening, in den vorm van een schoorsteen, door te graven. Lodewijk en
de vrouwen volgden hen; want de afloop van de onderneming was voor
allen van zooveel belang, dat zij er van den beginne af ooggetuige
van wilden zijn. Het maken van een luchtgat geschiedde bij wijze van
trechtervormige boring, daar Paul en de postiljon den dissel gestadig
in korte slingeringen omzwikten. Na weinige minuten stortte een zware
last sneeuw uit de verwijde opening naar beneden. „Ha!” riep de
postiljon, „wij hebben genoeg gewroet, het dak zakt in. Waarlijk,”
vervolgde hij, ter aarde gebogen opwaarts ziende, „de maan schijnt
juist door het venster; als ik schieten wil, dien ik haar maar goed
in 't vizier te nemen.” Lodewijk had het geweer medegenomen en
middelerwijl geladen.

„Wij willen er nog een paar sterke proppen opzetten, dan geeft
het meer slag,” meende de postiljon en haalde eenige stukken oud
papier te voorschijn, die hij bedaard kauwde en met den laadstok
instampte.—„Zoo; nu moet ik een weinig naar boven gelicht worden,
opdat de tromp zoo veel mogelijk naar buiten uitsteke; anders hoort men
het schot niet ver genoeg.” Zonder omstandigheden liet hij zich door
Paul en Lodewijk op de schouders tillen, en schoot nu zijn geweer af.
Een doffe knal deed het gewelf daveren; duidelijk hoorde men het geluid
zich van berg tot berg voortplanten. „Bravo, bravissimo!” juichte de
postiljon, niet weinig over zich zelf voldaan. „Maar nu is het _da
capo_, anders verstaat men het niet.” Hij laadde en vuurde op nieuw,
en ten derdenmale. „Braaf,” riep hij, „nu is er geen bezwaar meer, nu
zullen zij ons niet vergeten. Maar om de lucht wat te zuiveren, willen
wij aan de andere zijde ook zien, wat wij doen kunnen.”

Hij ging met zijn disselboom naar het andere einde der gaanderij, en
bracht daar eene soortgelijke opening door de sneeuw tot stand.

De vrouwen hadden intusschen weder met Lodewijk in den wagen plaats
genomen, om daar het aanbreken van den dag geduldig af te wachten.
Reeds na weinige minuten hoorden zij een verwijderd klokgelui. Het was
de klok, waardoor van posthuis tot posthuis het teeken wordt gegeven,
dat zich op de baan iemand in gevaar bevindt. Zoo waren zij dan van
hunne redding verzekerd, en met kalmte hadden zij het oogenblik kunnen
verbeiden, waren de hun dreigende gevaren door deze vertraging niet,
als golven der zee bij wassenden vloed, al hooger en hooger komen
opstijgen. Nog tweemaal liet zich de donder van neerploffende lawinen,
schoon op grooten afstand, vernemen en vermengde bange siddering
voor die verschrikkelijke natuurverschijnsels niet de smartelijke
gewaarwordingen, welke Bianca's borst doorwoelden. Voor Lodewijk was
elke minuut in dit vertrouwelijk, donker toevluchtsoord aan de zijde
der geliefde doorgebracht, een onschatbaar gewin. Zoo ongelijkmatig
weegt het noodlot zijne gaven in dezelfde schaal aan ons stervelingen
toe!


HOOFDSTUK IV.

Tegen den morgenstond hadden uitputting en vermoeidheid allen
overweldigd, en de oogen gesloten, die zorgen en kommer lang wakend
hadden doen blijven.—Een schot, welks donderende weerklank de doodsche
stilte afbrak, deed de reizigers eensklaps ontwaken. „Dat is het teeken
van redding,” riep de postiljon, die naast Paul op den breeden bok
had plaats genomen, en door dien uitroep Bianca's ontsteltenis in de
levendigste vreugde veranderde. „Wij moeten dadelijk antwoord geven,”
voegde hij er bij, greep zijn geweer en begaf zich naar den uitgang,
aan de zijde van Brieg, waar hij zijn schot door de opening losbrandde.

Terstond verhief zich een luid geschreeuw van vele mannenstemmen zeer
nabij de plaats, waar de reizigers zich bevonden.

„De sneeuwlaag kan niet diep zijn,” riep de postiljon vroolijk uit.
„Binnen weinige uren zijn wij misschien reeds verlost.”

Er verliepen geen tien minuten, of reeds vertoonden zich eenige mannen
op de sneeuw aan den ingang, zoodat men met hen spreken konde. Spoedig
hadden ze eene opening gebaand, door welke men te voet naar buiten
konde komen, schoon deze aan den wagen nog geen doortocht vergunde. Zoo
was dan de poort der duistere gevangenis ontsloten! Lodewijk leidde
de geliefde over de opeengepakte sneeuwheuvels in de vrije lucht. Met
zoeten wellust begroetten beiden het schoone daglicht weder. Uit het
duister graf traden zij in eene romantische landstreek, welke men
bekoorlijk zou genoemd hebben, had niet de winter zijn looden scepter
nog daarover uitgestrekt. Voor hen gaapte een steile, loodrecht
neerdalende afgrond; de vlakte rondom hen was met slanke groene dennen
schilderachtig omzoomd, en diep beneden in het vriendelijke dal
zag men het kleine stadje Brieg, door de kronkelende Rhône met een
glinsterenden zilverband omstrikt, blinkend wit tegen de groene velden
afsteken, die reeds lang met den schoonsten dos der lente getooid
waren.—De lucht, schoon niet warm, was zacht, en de zon scheen helder
op de sneeuwtoppen. De luwe, zoete adem der italiaansche lentelucht,
die men gisteren had vaarwel gezegd, liet zich echter niet meer
bespeuren, en slechts een heldere Februaridag kon men op deze steile
hoogte verwachten. Vandaar dat Bianca met een glimlach zeide:

„Wij zijn sinds gisteren eenige maanden jonger geworden; dáár ademden
wij de Meilucht in, hier echter begroeten ons de eerste dagen van Maart
weder.”

„Zij waren mij van mijne jeugd af de liefste,” antwoordde Lodewijk met
vuur; „dan heeft de lente mij altijd het levendigst getroffen, wanneer
zij nog slechts vluchtig de ijskorsten des winters met haren adem
aanroerde, wanneer wij hare komst eer vermoedden dan reeds dadelijk
ondervonden. De zonneschijn, die het eerst van de boomen in den tuin
den ijzel deed afdruppen, de klokjes, die het eerst uit de sneeuw
oprezen, waren mij als knaap reeds oneindig liever, dan de bloeiendste
Meidag.”

Bianca's lippen bewogen zich tot een toestemmend gefluister, terwijl
zij met het schoone hoofd den jongeling vriendelijk toeknikte. „Het
is waar,” sprak zij peinzende, „het zijn de eerste dagen der genezing
na eene lange, akelige krankte. De kracht der gezondheid is nog niet
teruggekeerd, maar men gevoelt de weldaad der geringe gave ook des te
sterker.”

„Voorzeker,” hervatte Lodewijk, „zij doen ons, even als den behoeftige
het geringste geschenk, meer vreugde gevoelen, dan in dagen van
overmatig geluk het grootste gewin ons geven kan.”

Paul maakte een eind aan dit gesprek door aan de gravin den voorslag
te doen om te voet naar het naaste, slechts een half uur verwijderd
posthuis te wandelen en daar te vertoeven tot de wagen nakwam. Lodewijk
vond dit zeer aannemelijk, daar de vrouwen eenige verversching
behoefden; hij bood Bianca den arm en begaf zich met haar en Margaretha
op weg. Paul en de postiljon wilden, terwijl de landlieden de sneeuw
geheel uit den weg ruimden, het rijtuig zoo veel mogelijk weder
herstellen.

Men had het posthuis in minder dan een half uur bereikt. Het lag
zoo verre benedenwaarts, dat men er geen sneeuw meer ontdekte. Ook
schoot het geboomte er reeds hooger op, schoon nog alleen de dennen en
talrijke mossoorten met groen bekleed waren.

De net gebouwde, zindelijke woning, even toereikende om een huisgezin
tot verblijf te strekken en nog een of twee kamers den reizenden
vreemdeling aan te bieden, vertoonde een treffend beeld van vreedzame
kalmte en rust. Midden in de wildernis neergeworpen, eenzaam, ver boven
andere woningen van menschen verheven, door een sombere, dikwijls
vreeselijke natuur omringd, leverde zij toch zoo alle kenteekenen eener
schuilplaats van stil geluk en ongestoorde tevredenheid op, dat men de
bewoners zoude hebben kunnen benijden. Welke zorgen zouden zich hier
vestigen? Welke kwellende begeerten hier het geluk ondermijnen? Eene
geregelde huishouding, gezette bezigheid, geen mededinger, geen vijand,
geen afgunstig nabuur, genoegzaam verkeer met menschen om niet geheel
af te sterven, te weinig, om door de wisseling der gebeurtenissen in
de woelige wereld mede verontrust te worden—voorzeker, dit zijn de
natuurlijke, vaste grondslagen van een wezenlijk geluk, en slechts de
zich zelf vijandige dwaas vermag die omver te rukken. Maar de drift,
die zich blind en waanzinnig tegen eigen geluk aankant, heerscht
helaas! maar al te menigvuldig en te machtig in den boezem der
menschen. Daarom zal niemand zijn zwart noodlot ontvlieden, die het op
deze wijze in zich zelf omdraagt; maar niemand ook zal het lot vijandig
vinden, die in een kalm, tevreden gemoed den grond legt tot zijn geluk.

„_Mama, mama_,” juichte, toen Lodewijk en Bianca naderden, een klein
meisje, dat voor de huisdeur zat, en klapte vroolijk in de handjes,
„_Mama mia! Un signore, una signora!_” De moeder, eene italiaansche
vrouw, kwam toesnellen, nam het kind op den arm en trad de
vreemdelingen te gemoet.

„De heerschappen hebben een ongeluk gehad?” vroeg zij met deelneming in
die zoete welluidendheid in taal en stem, welke men slechts in Italië
kent. „Er is toch niemand die letsel heeft bekomen?”

„Gelukkig neen,” antwoordde Lodewijk in het italiaansch. „Kunnen wij
hier een ontbijt bekomen?”

„Gewis, signore. Gelieft het u binnen te treden?” Tevens trad zij op
zijde en wilde de vreemdelingen laten doorgaan. Bianca neigde zich in
het voorbijgaan tot het kleine meisje, dat in den beginne eenigszins
schuw terugweek, maar, toen de vreemde haar vleiend liefkoosde,
met onschuldige vreugde tot de moeder zeide: „_Una bellissima
signora_!”—„Ja wel, Giannettina,” hernam deze, „eene schoone,
voorname, lieve dame! Geef haar toch een handje.” De kleine stak de
hand uit; Bianca bracht hare lippen op den bloeienden rozenmond van het
lachend wicht, dat beide armen vertrouwelijk om haren hals sloeg en
haar recht van harte kuste.

„Giannettina!” riep de moeder. „Dat gij zoo stout zijt!”

„O, laat haar toch,” antwoordde Bianca, terwijl zij het kind op haren
arm overnam en mede naar binnen droeg; „ik speel zoo gaarne met
kinderen!”

Zij traden in het voor vreemdelingen bestemde vertrek, waaruit hun
een aangename geur van hyacinten, rozen, reseda en andere welriekende
bloemen te gemoet kwam, die in zindelijke potten de lage vensterbanken
en eene hoektafel versierden. „Ei wat schoone bloemen vindt men
hierboven!” zeide Bianca verwonderd.

„Hier groeit zoo weinig,” was het antwoord, „dat men wel het een en
ander uit het dal moet laten komen. De voerlieden en postiljons brengen
ze ons uit Duomo d'Ossola mede. Gelieft de signora plaats te nemen? Ik
zal dadelijk het ontbijt brengen.”

Zij ging. Bianca plaatste zich op de sofa en wiegde de kleine
Giannettina op haren schoot. Margaretha nam een stoel, Lodewijk trad
aan het venster en wierp verstrooide blikken op het landschap voor
hem. Hij overdacht zijne vreemde ontmoetingen sedert den vorigen
avond, en zij kwamen hem nog als een droom voor, waaruit hij vreesde
te ontwaken; bij tusschenpoozen vestigde hij zijn oog op Bianca
om zich in het gevoel der werkelijkheid te versterken. En deze
werkelijkheid, konde zij zelf zich niet in eene waarheid oplossen,
oneindig smartelijker, dan wanneer alles slechts een schijnbeeld zijner
verbeelding ware geweest? Neen! neen! En al moest hij dan ook alles
weder verliezen, wat hij thans bezat, deze oogenblikken, hoe vluchtig
ook, waren toch op zichzelve reeds een geluk. Hij had de geliefde
werkelijk aan zijn borst geprangd, had zijne lippen gedrukt op haar
zuiver voorhoofd. Zij wist dat en het had haar niet afkeerig van hem
gemaakt. Haar hart sloeg voor hem met minnend dankgevoel, en eene
heilige, onbedriegelijke gewaarwording zeide hem dit; het gevoel, dat
in hare borst woonde, beantwoordde aan den gloed, dien zijn binnenste
bezielde. Mocht ook vrouwelijke schaamte haar thans van hem verwijderd
houden, in een zalig, bedwelmend oogenblik had zij hem toch haar hart
geschonken, en niets was hem vreeselijker dan de gedachte, dat dit
eene dwaling kon geweest zijn. Opnieuw verliezen kon hij, daarop was
hij voorbereid; maar met het gevoel van nooit bezeten te hebben in die
akelige ledigheid van het niet geslingerd te worden, zoo iets ware hem
duizendmaal verschrikkelijker geweest. Met een door dankbaarheid diep
getroffen ziel beschouwde hij derhalve deze wending in zijn lot. Hij
gevoelde het innig, dat eene veredelende smart ons dierbaar kan worden,
dat een kortstondig, maar tevens waarachtig bezit zelfs door het meest
grievend verlies nimmer te duur gekocht wordt.

De waardin verscheen met een echt zwitsersch ontbijt. Op het schenkblad
stond eene reusachtig groote kan met koffie, een andere met chocolade;
versche boter, kaas, honig, ingemaakte vruchten en gebak werden haar
door een dienstmeisje nagedragen.

Men zette zich aan tafel. Bianca hield de kleine Giannettina bij zich
en liet haar mede ontbijten, ten einde, door zich geheel met het kind
bezig te houden, een angstvallig gespannen gesprek te vermijden, dat
zij met Lodewijk op den vertrouwelijksten toon had moeten voeren.

Korten tijd had men nog slechts vertoefd, toen de wagen kwam aanrollen,
die met behulp van eenige landlieden van de bekomen schade weder
eenigszins hersteld was. IJlende spoed nog altijd noodzakelijk
achtende, nam Bianca overhaast en vriendelijk afscheid van de lieve
kleine, die bitterlijk begon te weenen, toen de schoone signora haar
verlaten wilde. „Ik kom spoedig terug, mijne Giannettina,” sprak deze
vleiend; maar het kind weende voort en scheen niet tot bedaren te
brengen. Bianca kuste het, gaf het aan de moeder over en snelde naar
buiten.

„Hoe elk haar bemint en beminnen moet!” zuchtte Lodewijk, toen hij
haar naar den wagen geleidde en eene zachte aandoening op hare schoone
gelaatstrekken bespeurde.

In snellen draf spoedde men thans over den straatweg voort; want de
nieuwe postiljon, die getuige geweest was, hoe rijkelijk Paul zijn
voorganger en de landlieden in naam der gravin begiftigde, hoopte
insgelijks op een goed drinkgeld. Zoo bereikte men Brieg, in het kanton
van Wallis, binnen weinige uren, doch ook slechts te nauwernood, daar
't rijtuig bij elken schok uiteen scheen te zullen springen, zoodat men
zich op het laatst nog genoodzaakt zag, zachter te rijden wilde men
nieuwe ongelukken verhoeden.

De herberg bereikt hebbende, was het Lodewijks eerste werk voor de
herstelling van het rijtuig zorg te dragen. Smid en wagenmaker werden
ontboden; zij verklaarden dat ten minste vier uren daarmede zouden
verloopen.

Bianca zou gaarne den wagen met een anderen verwisseld hebben, doch
hiertoe was in het kleine stadje waarschijnlijk geen gelegenheid
te vinden; ook zou het verruilen van dit, overigens voortreffelijk
ingericht rijtuig een argwaan verwekt hebben, die gevaarlijker kon
worden dan de vertraging zelve. Men vergenoegde zich dus met, door de
belofte van een rijkelijke belooning, den ijver der werklieden aan te
wakkeren.

Bianca verkreeg met Margaretha een afzonderlijke kamer, terwijl
Lodewijk de daaraan grenzende betrok. Paul bleef beneden in de
schenkkamer, waar hij zich vermoeid in een leunstoel nederwierp. Hij
had een geneesheer ontboden, die de bloedende, pijnlijke wonde aan het
hoofd verbond. Zijne krachten schenen zeer uitgeput; in dit opzicht ook
waren eenige uren rust dus wellicht noodzakelijk, wilde men het leven
van den reeds vrij bejaarden dienaar niet aan gevaar blootstellen.

Lodewijk, die, hoe sterk eene begeerte hij er ook toe gevoelde, het
onvoegzaam oordeelde zijn gezelschap aan de zoo zeer rust en verademing
behoevende vrouwen op te dringen, wilde van dit uur gebruik maken, om
de gebeurtenissen der laatst voorgaande uren in zijn dagboek op te
teekenen. Met schrik echter ontwaarde hij, de brieventasch verloren
te hebben, welker bladen hij tot dat einde gewoon was te bezigen.
Hij herinnerde zich duidelijk, ze op geringen afstand van Brieg nog
gebruikt te hebben; zij moest dus in het huis of op den korten weg
daarheen verloren zijn geraakt.

Na vruchteloos zijne kamer doorzocht en bij den waard navorschingen
gedaan te hebben, besloot hij te beproeven, of het verloren goed,
waarop hij wegens de daarin vervatte papieren grooten prijs stelde,
misschien op den weg nog te vinden was. Hij bereikte het einde van
het stadje zonder iets te hebben ontdekt, en wandelde nu verdrietig
langs den straatweg voort. Thans eerst bemerkte hij, dat de plaats,
die hem bij het binnenrijden zoo nabij de stad gelegen scheen, nog een
vrij aanmerkelijken afstand daarvan verwijderd was. Bijna een uur had
hij in snellen tred afgelegd, en nog niets gevonden. Reeds gaf hij
alle hoop op, toen hij eenige schreden voor zich uit iets roods in het
gras zag liggen; hij ijlde er op toe en vond inderdaad het vermiste
weder. Vroolijk spoedde hij zich naar de stad terug. Omstreeks een
vierde uur mocht hij nog van haar verwijderd zijn, toen hij achter
zich den hoefslag van een paard vernam. Hij wendde zich om en bemerkte
een ruiter, die in vollen galop kwam aanrennen, ettelijke honderd
schreden achter dezen zag hij eene, door een tweeden ruiter vergezelde
reiskoets den, door de kromming van een weg veroorzaakten hoek omslaan
en vervolgens met buitengewone snelheid de straat afrollen. Dit maakte
zijne opmerkzaamheid gaande. Hij had echter nog den tijd niet gehad om
eenige gissingen te maken, toen de eerste ruiter hem reeds genaderd
was, het paard aanhield en in het fransch vroeg:

„Zijt gij uit Brieg, mijnheer?”

„Dat niet,” antwoordde Lodewijk, „ik ben een reiziger en keer van eene
kleine wandeling naar de stad terug.”

„Weet gij niet, of daar een wagen met vier paarden, twee dames, een
heer, benevens een bediende op den bok is aangekomen?”

Lodewijk wilde juist neen antwoorden, toen de reiskoets naderde en
stilhield. De heer, die zich in gezelschap van een Franschen officier
daarin bevond, boog zich uit het portier en herhaalde dezelfde
vraag. Dit stelde Lodewijk, die terstond een samenhang tusschen deze
navorschingen en Bianca's vlucht vermoedde, in staat, zich op eenig,
gevaar afleidend antwoord voor te bereiden. Hij herinnerde zich,
dat het posthuis vooraan in het stadje lag en men dus van paarden
kon verwisselen, zonder tot de herberg door te rijden. Vrij bedaard
antwoordde hij dus: „Reeds voor eenige uren heeft die wagen hier
stilgehouden. Er was, geloof ik, eene as gebroken, die men eerst weder
hersteld heeft. Doch voor ongeveer een kwartier, juist toen ik de stad
uitging, zijn die vreemden ook weer weggereden.”

„Duivel!” bromde de heer uit de koets, „welke richting namen zij?”

„De eenige, die zij nemen konden, over Sion naar Genève,” was het
antwoord. „Daar ginds ziet gij de straat, op zijde van de Rhône.”

„Kan men niet recht doorrijden?” vroeg de reiziger met drift.—„O ja,”
dus nam de postiljon van Lodewijk het woord op, „daar beneden kan men
terstond links afslaan en indien uwe genade niet bevreesd is voor een
weinig water, dat misschien in den wagen kan komen, zoo rijden wij de
beek door en winnen een groot half uur uit, zonder de stad te raken.
Wanneer uwe genade daarmee tevreden is, hoop ik de reizigers nog in te
halen; want zij moeten op dit oogenblik in het bosch daar beneden zijn,
wijl men anders van hier den wagen op de landstraat zien zou.”

„Is de zijweg gevaarlijk?”

„In het minst niet, slechts een weinig hobbelig; in één uur op
zijn langst hebben wij de reizigers achterhaald, als uwe genade
verantwoorden wil, dat ik het posthuis voorbij rijd.”

„Ik sta voor alles,” riep de officier in den wagen, „en bovendien
behoudt gij de twintig gouden napoleons, die ik u beloofde, zoo wij de
vluchtelingen vóór Brieg achterhaalden. Kom, voorwaarts!”

De wagen rolde voort.

Lodewijk stond als versteend van schrik; doch spoedig besefte hij, dat
hem geen keus overbleef. Buiten adem spoedde hij zich naar het stadje
terug, om de vrouwen van het gehoorde te onderrichten. In minder tijds
nog, dan voor eenige uren met den wagen, had hij de herberg bereikt en
stond hij, hijgend, in Bianca's kamer. „Mijn hemel, wat deert u?” vroeg
deze, zijne ontroering en ontsteltenis bespeurende. Ademloos begon hij
te verhalen, wat hem bejegend was.

„Barmhartige God,” viel zij hem angstig in de rede, „dan zijn wij
verloren! Welk voorkomen had de reiziger? Had hij zwart haar en donkere
oogen, een bleek gezicht, zeer witte tanden?”

„Het scheen mij zoo,” antwoordde Lodewijk; „doch daar hij zoo dicht
in zijn mantel gewikkeld was, kon ik zijn gelaat niet behoorlijk
onderscheiden; ook beken ik, daarop juist geen bijzonder acht geslagen
te hebben, daar de zaak zelve mij te zeer ontroerde; doch hoor
verder!”—Hij berichtte nu, door welk eene zeldzame aaneenschakeling
van omstandigheden de vervolgers op een dwaalspoor waren gebracht.

„God zij gedankt,” riep Bianca en drukte hare voedster nauwer aan het
hart. „O, gij zijt onze beschermengel!” ging ze, zich tot Lodewijk
wendende, voort en reikte hem de hand.—„Maar wij hebben geen oogenblik
te verliezen!” Met deze woorden rees zij driftig op en schelde om Paul.

„Ten minste twee uren moeten er verloopen,” riep Lodewijk, „eer zij
hunne dwaling bemerken; want in een groot uur dacht de postiljon de
reizigers eerst te bereiken. Hij zal van de eene minuut tot de andere
door valsche hoop verder gelokt worden en misschien wel tot de volgende
posterij doorrijden. Dan kunnen zij vóór den nacht niet terug zijn, en
in dien tijd schaf ik met Gods hulp raad.”

Bianca sidderde hevig en wees den arm van Lodewijk, die haar
ondersteunen en naar een stoel geleiden wilde, niet terug. „God
heeft ons zóó zichtbaar beschermd,” sprak zij, na van den eersten
schrik bekomen te zijn, met meerdere kalmte, „dat ik ook verder op
Hem mijn vertrouwen stel. Gij werdt ten tweede male onze redder.
Zonder het toeval, dat u op de landstraat voerde,—hetgeen anders
hoogst gevaarlijk had kunnen zijn,—waren wij onherstelbaar verloren.
Doch de Algoede is kennelijk met ons!” Daarbij richtte zij een
onbeschrijfelijken blik, waarin een traan van kinderlijke dankbaarheid
met een van angst te zamen smolt, ten hemel.

Paul was naar boven gekomen. Margaretha nam hem ter zijde en fluisterde
eenige woorden, die den ouden dienaar bleek en verschrikt deden
terugtreden. „Dadelijk vertrekken,” riep hij uit, „geen ander redmiddel
blijft ons. Naar den wagen kunnen wij niet wachten; ook zou deze ons
niets baten, daar wij geen anderen weg kunnen inslaan, dan dien onze
vervolgers reeds genomen hebben. Ongemerkt, elk afzonderlijk en te
voet moeten wij de stad verlaten en het gebergte zien te bereiken; dat
is alles wat wij doen kunnen. Pak dus het onontbeerlijkste bijeen,
genadige gravin, en tracht met vrouw Margaretha buiten de stad te
komen. Gij neemt uwen weg het dal door, de Rhône opwaarts en houdt
haren linkeroever. Bij het voorbijrijden heb ik gezien, dat een sterk
betreden voetpad langs de rivier voortloopt; buiten twijfel strekt zich
dat tot het dal uit. Een half uur van hier wacht gij mij op en kiest
daartoe eene boschachtige plaats aan den oever, vanwaar gij den weg
naar de stad overzien kunt, opdat wij elkander niet misloopen. Ik zal
het huis in eene tegenovergestelde richting verlaten; mijnheer de graaf
moet schijnbaar een derden weg inslaan, opdat het zooveel mogelijk
verborgen blijve, waarheen wij ons gewend hebben. Als wij eens weder
bijeen zijn, zullen wij wel gidsen vinden, die ons over het gebergte
leiden, en wellicht zijn ook muildieren te bekomen, om onze reis te
bespoedigen.”

Paul sprak deze woorden met zulk eene vastheid, dat zij als bevelen
klonken; intusschen was zijn raad zoo goed, dat men er daarom alleen
reeds onvoorwaardelijk gehoor aan had moeten verleenen. Lodewijk
bewonderde de koele vastberadenheid en den klaren, krachtigen
spreektrant van den ouden man, die zijne bedaardheid van geest ook
aan anderen scheen mede te deelen; want zelfs Bianca liet bij al hare
angstvalligheid eene kalmte en zielkracht blijken, welke Lodewijk
met recht verbaasde. Zij zocht hare papieren, hare brieventasch en
eenige andere kleinigheden bijeen, terwijl Margaretha de noodigste
kleedingstukken uitkoos en in hare reticule, in het werkmandje der
gravin, gedeeltelijk ook in beider hooge stroohoeden verdeelde. In
minder dan vijf minuten waren de vrouwen reisvaardig en verlieten
ze het vertrek. Een kamermeisje ontmoette haar in de gang en werd
door Bianca aan een venster gebracht, dat naar de zijde van Sion, de
tegenovergestelde richting van haar voorgenomen vlucht, een uitgestrekt
uitzicht opleverde. „Hoe ver is het wel?” vroeg deze, met den vinger
op eene nabijgelegene hoogte wijzende, „van hier tot aan den top van
gindschen heuvel? Kunnen wij nog vóór het duister eene wandeling
derwaarts doen?”

„Wanneer de dames vlug ter been zijn, zal het nog gaan; maar het is een
goed uur,” antwoordde het meisje.

„Dan komen wij niet voor donker, misschien ook wel iets later terug,”
zeide Bianca; „zorg dan slechts, dat onze kamer in orde zij, mijn kind.”

„Verkiest uwe genade het avondeten op hare kamer?”

„Zekerlijk; voor drie personen; maar niet vóór negen ure,” luidde
Bianca's antwoord, en hierop zweefde zij, aan de zijde harer gezellin,
de trappen af.

Lodewijk riep haar met opzet luid na: „Veel vermaak, lieve zuster; ik
voor mij voel geen lust, mij nog meer te vermoeien; zoo ik niet liever
geheel thuis blijf, zal ik mij met eene kleinere wandeling tevreden
stellen.”

Hierop boog hij zich uit het venster en zag, welke richting zij
insloegen. Nog vijf minuten liet hij verloopen, toen zocht ook hij het
noodwendigste bijeen en verliet, onder het neuriën van een liedje, het
huis, als wilde hij slechts een eindweegs de straat opwandelen. Onder
het voortdrentelen zag hij nog een paar malen naar Paul om, doch werd
hem niet gewaar. Weinig schreden van huis ontmoette hij den stalknecht,
wien hij opdroeg, aan Paul te gelasten nog eens naar den smid en
wagenmaker te gaan en hen tot spoed aan te manen, daar hij dadelijk na
het avondeten vertrekken wilde.

De stalknecht antwoordde: „De kamerdienaar laat juist daar beneden
in de straat een horlogeglas voor uwe genade inzetten; wanneer hij
terugkomt, zal ik hem de boodschap dadelijk overbrengen.” Lodewijk wist
nu ten minste, dat Paul ook reeds onder een geschikt voorwendsel het
huis verlaten had.


HOOFDSTUK V.

Met een kloppend hart bereikte Lodewijk het vrije veld en hij was er nu
slechts op bedacht, de ter bijeenkomst bestemde plaats op de beste en
zekerste wijze op te sporen. Dit was echter niet gemakkelijk, want de
verschillende bochten der kleine straat, die hij gevolgd was, hadden
hem naar de geheel tegenovergestelde zijde van het stadje gevoerd. De
binnenweg, dien hij vervolgens insloeg, was aan weerszijden met tuinen
omgeven en vergunde hem niet eenmaal het gezicht op de Rhône. Een
geruimen tijd hield hij dien weg, verdrietig zich bij voortduring door
heggen, heiningen en staketten omringd te zien. Eindelijk toch bereikte
hij de vlakte, maar ontdekte tevens zoo diep in de landstreek te zijn
doorgedrongen, dat het hem niet mogelijk was te bepalen op welke hoogte
hij zich bevond. Op goed geluk af spoedde hij zich dwars over akkers
en weilanden in de richting voort, welke hij nemen moest. Voor meer
dan een half uur had Bianca het huis reeds verlaten; elke minuut was
hem derhalve kostbaar, wilde hij de geliefde niet aan eene angstige
onzekerheid overlaten en, door zijn lang achterblijven, aan eenig
nieuw gevaar blootstellen. Hij verhaastte zijne schreden en bereikte
eindelijk een pad, dat naar eene hoogte opvoerde, vanwaar hij de Rhône
moest ontdekken. Deze beklommen hebbende, zag hij zich tot zijne niet
geringe ontsteltenis aanmerkelijk verder van de rivier verwijderd,
dan hij in den beginne geweest was. De Rhône toch kronkelde zich,
eenigszins ter zijde van Brieg, met eene zoo sterke, bijna achterwaarts
springende bocht, dat Lodewijk, den oorspronkelijken loop der rivier
tot grondslag van zijne richting genomen hebbende, thans dat gedeelte
van den oever, dat omstreeks een half uur van de stad verwijderd
lag en waar Bianca dus volgens afspraak op hem wachtte, op een vrij
aanmerkelijken afstand achter zich zag liggen. Ging hij dus van de
plek waar hij zich nu bevond in eene rechte lijn op den vloed af, dan
bereikte hij dien ver aan gene zijde der plaats van samenkomst; nam hij
zijn koers zoo, dat hij vóór het punt, waar Bianca hem vermoedelijk
verbeidde, de rivier raakte, dan moest hij een terugweg maken, grooter
dan die, welke hem thans van de stad scheidde, en een geheel uur
ging volstrekt verloren. Het raadzaamst was dus rechtstreeks op de
rivier af te gaan en haar loop te volgen, tot hij zijne reisgenooten
van de tegenovergestelde zijde bereikt had. Hij raapte daarom al
zijne krachten bijeen en spoedde voort. Daar breede aardkloven,
zandhoogten en enkele moerassige plaatsen hem dikwijls tot kleine
omwegen noodzaakten, was er weldra een half uur voorbijgegaan zonder
dat hij den oever bereikt had. De zon was reeds achter den rotsmuur
der Alpenketen weggezonken en de blauwachtige schaduwen van den avond
begonnen zich over het diepe dal van Brieg uit te breiden. Thans hoorde
hij de Rhône ruischen; nog eene rotsachtige met distelachtige struiken
overdekte, tamelijk steile hoogte, die den vloed als een dam scheen te
vergezellen, moest hij beklimmen, dan hoopte hij het oeverpad bereikt
te hebben. Moedig begon hij opwaarts te klauteren. De hoogte was echter
steiler dan hij bij den eersten, vluchtigen aanblik vermoed had;
slangvormige kronkelende braamstruiken spreidden zich als strikken over
den grond uit en wondden met hunne scherpe, puntige doornen door de
laars heen zijn voet. Eindelijk had hij deze hindernissen met bloedige
handen en voeten doorworsteld en de hoogte bereikt. Haastig trad hij
voort, om aan de andere zijde af te stijgen, toen hij eensklaps in
zijn loop gestuit werd; hij stond voor een afgrond en hoorde onder zich
de Rhône in hare diepe bedding voortrollen; hare golven zien kon hij
niet, daar de rots waarop hij stond met eene schuine helling voorover
neigde. Omkeeren en de hoogte, de rivier afwaarts, volgen, was het
eenige dat hem overbleef, nergens echter ontwaarde hij een begaanbaar
voetpad en hij moest dus vreezen, zich nog niet op den weg te bevinden,
waarop hij de geliefde hoopte aan te treffen. Hij zag zich intusschen
genoodzaakt, langs den stellen oeverkant voort te gaan, die, gestadig
dichter met hoog kreupelhout begroeid, hem eindelijk het uitzicht in
de verte geheel belette. Tot zijne bemoediging echter ontdekte hij,
dat de grond van lieverlede meer gebaand werd en eindelijk in een druk
betreden voetpad uitliep. Dit moest voorzeker den weg zijn, dien Paul
bedoeld had. Lodewijk trad dus met verdubbelde snelheid langs dien weg
voort. De spoed echter deed hem vergeten op het bruisen van den stroom
acht te geven, en eerst na een kwartier te zijn voortgegaan, bemerkte
hij de doodelijke, zwijgende stilte, die in het rond heerschte en hem
deed vreezen, dat hij wederom van de rivier was afgedwaald. Gelukkig
werd het pad nu minder dicht begroeid, en dit maakte het vertrouwen
bij hem levendig, dat hij nu toch eindelijk de vlakte zoude bereiken,
waar hij stellig verwachtte, Bianca spoedig te zullen opsporen.
Nauwelijks echter vergunde het lage kreupelhout hem een onbelemmerd
uitzicht, of tot zijne levendige ontsteltenis zag hij zich weder ver
van de Rhône verwijderd. De bedriegelijke stroom had andermaal door een
breede kronkeling zijn loop veranderd. Van spijt en bezorgdheid buiten
zich zelf, sloeg de jongeling nu dadelijk rechts af en richtte zich
lijnrecht naar de rivier. Geheel ademloos bereikte hij haar en vond
inderdaad een betreden voetpad, dat den gekromden oever van de stad
af scheen te volgen en verder daar langs voortliep. Hij raadpleegde
zijn horloge. Volle twee uren was hij nu reeds op weg en nog slechts
een half uur van de stad verwijderd. Enkele donkere groepen van braam-
en vlierstruiken vertoonden zich van tijd tot tijd aan den oever en
waren buiten twijfel geschikte schuilplaatsen voor de vrouwen geweest
om er de komst der mannen te verbeiden. Maar wachtten zij nu, daar
het duister reeds begon te vallen, nog op hem? Hadden zij het punt om
hem te ontmoeten op de hoogte waar hij zich thans bevond, of wellicht
niet ver achter hem gekozen? Dit waren twee vragen, die hem met bange
onzekerheid vervulden. Intusschen draalde hij niet met het nemen van
een besluit. Hij wilde zoo ver terugsnellen, tot hij verzekerd kon
zijn, dat het punt van samenkomst niet meer tusschen hem en de stad
lag. Dan ten minste kon hij met zekerheid zijne schreden voorwaarts
richten. Zoo snel mogelijk ijlde hij dus weder op de stad toe; in elk
naderend boschje hoopte hij de dierbare te zullen ontdekken; telkens
bedroog hij zich. Thans zag hij iets wits schemeren; zij moest het
zijn! IJdele hoop! Het was een stuk linnen, dat, tegen de afhelling
van een grasheuvel te bleeken gespannen, door de bijna ontbladerde heg
heenblonk. Nu was hij de stad zoo na genaderd, dat Bianca onmogelijk
reeds hier had kunnen wachten. Daar zag hij, niettegenstaande de
toenemende duisternis, twee gedaanten zich in het naaste, ongeveer
honderd schreden verwijderde boschje bewegen. Zijn hart sprong op van
vreugde; hij ijlde er op toe. Het waren vrouwen; zij droegen hooge
reishoeden; hij zag een witten doek. Hemel, zij is het! juichte hij
ademloos en voelde zijn beklemde hart door de zoetste vreugde verruimd.
Naderbij gekomen ontdekte hij, dat zij, in een gesprek verdiept, den
blik opwaarts naar de met sneeuw bedekte bergtoppen gericht hadden,
die, daar de zon reeds verdwenen was, als bleeke nachtspooksels aan
den schemerenden gezichtseinder oprezen.—Paul was niet bij de vrouwen;
hare houding verried geenerlei onrust of gejaagdheid; dit bracht
Lodewijk aan het twijfelen. Thans wendden zij zich om, door zijne
haastige nadering opmerkzaam gemaakt, en hij had zich wederom bedrogen!

Hij stond als verpletterd; met moeite herstelde hij zich in zoo verre
van zijn schrik, dat hij vragen kon of zij niet twee dames onder
geleide van een bediende gezien hadden. De eene ontkende het, de andere
herinnerde zich, voor omstreeks een uur, op hare wandeling dieper in
het dal, in de verte twee dames onder mannelijk geleide den weg naar
de Rhône te hebben zien inslaan. Lodewijk dankte in haast voor dit
naricht, en verheugd nu ten minste eenig spoor ontdekt te hebben, en te
weten, werwaarts hij zich wenden moest, snelde hij weer terug, den loop
van den schuimenden stroom te gemoet. De angst bevleugelde zijn spoed.
Spoedig had hij de plaats weder bereikt, vanwaar hij was uitgegaan en
hij volgde nu rusteloos het pad aan den oever. Doch nu was het in het
diepe, aan beide zijden door den hoogen muur der Alpen ingesloten dal
reeds volkomen duister, en binnen het uur kon men niet verwachten, dat
de maan den wandelaar zou te hulp komen. Huiveringwekkende eenzaamheid
omringde hem; de landstreek werd spoedig woest en ongebaand. De ruwe
bergklompen stapelden zich gestadig steiler en reusachtiger opeen; de
glinsterende spitsen der sneeuwkruinen staken hoog boven de zwarte
granietwanden uit. Bruisend stuwde de Rhône haar breeden vloed nevens
hem voort en bekranste hare zwarte golven met sissend waterschuim.
Thans werd de oever aanmerkelijk steiler; dra zelfs boog zich een
dreigend rotsblok ver daarover heen. Lodewijk ontwaarde, dat dit de
plaats was, waar hij voor meer dan een uur op de hoogte stond; het
pad liep onder de hellende rots door. Wellicht was Bianca juist op
hetzelfde oogenblik met een angstig beklemd hart hier beneden voorbij
gespoed, dat hij daarboven in doodelijken angst voor den afgrond stond
en niets hoorde dan den rollenden stroom, die aan zijne voeten door
de klippen worstelde.—De weg werd zeer ongebaand en zelfs bij de
steeds toenemende duisternis zeer gevaarlijk; want nu eens steeg hij
steil tegen de rotswanden op, dan weder daalde hij bijna loodrecht
in de diepte neder. Lodewijk getroostte zich gaarne deze hinderpalen
en gevaren, daar hij hoopte, dat Bianca daardoor zoolang zoude zijn
opgehouden, dat hij haar spoedig moest inhalen. Met bedaarden moed
drong hij voort, ofschoon zijne handen bloedden en zijne door den
verhaasten loop als vuur gloeiende voeten hem bij elke schrede eene
hevige pijn veroorzaakten. Een groot uur bleef de weg even bezwaarlijk;
toen steeg hij bij de hoogte op en voerde Lodewijk op een heuvel, waar
het laatste spoor van een gebaand pad, deels door het diepe zand, deels
door de lage, overhangende struiken geheel onzichtbaar werd. De angst
der onzekerheid maakte zich opnieuw van den jongeling meester; want hoe
licht kon hij hier zijne richting geheel uit het oog verliezen en, bij
de woestheid van het dal, in geheel ontoegankelijke streken uitkomen!
Wel is waar bemoedigde hem de gedachte, dat de hoofdrichting van den
weg geen andere zijn konde en dat hij dus waarschijnlijk den volgenden
morgen zou kunnen inhalen, wat hij heden verzuimde; doch welk een zorg
en bekommernis moest die vertraging hem niet doen doorstaan! In allen
gevalle won hij iets, wanneer hij zooveel mogelijk voorwaarts trachtte
te komen; hij hield dus, voor zoover het duister zulks toeliet, de
hoofdrichting in het oog en gunde zich rust noch verademing. Andermaal
verstreek er een uur. Daar schemerde hem een lichtstraal in de oogen;
hij bevond zich in de nabijheid van een hut, de eerste menschelijke
woning, welke hij tot hiertoe op zijn pad had aangetroffen.

Een zoet voorgevoel zeide hem, dat hij daar de geliefde moest
aantreffen; want verder konden hare zwakke krachten haar toch
onmogelijk hebben gebracht. Haastig trad hij op den vriendelijken glans
van het licht toe; binnen weinige minuten had hij het huis bereikt. Hij
klopte aan.

„Wie is daar?” deed zich een ruwe mannenstem hooren en twee zware
holsblokken rammelden in langzamen tred over den grond.

„Een verdwaald reiziger,” antwoordde Lodewijk.—„Goed vriend; ik zal
dadelijk openen,” klonk het van binnen.

Zijn hart sloeg met hevigheid in de hijgende borst; elke seconde,
die voor het openen van de deur verliep, folterde hem met
onbeschrijfelijken angst.

De grendel werd eindelijk teruggeschoven en een grijsaard met
zilverwitte haren en neerhangenden baard stond, door den vlammenden
houtspaan, dien hij in de hand hield, wonderbaar verlicht, voor hem en
heette hem vriendelijk welkom.

„Hebt gij geen andere gasten, goede Vader?” vroeg Lodewijk.

„Geen mensch,” hernam de grijsaard; „wie zou mij armen, ouden man hier
in de wildernis ook komen opzoeken?—Ik vrees niet eens booze gasten,
want bij mij is niets te vinden, dat de hebzucht kan opwekken. Maar
wie zijt gij, lieve vriend, en hoe komt gij zoo laat in den avond nog
hierheen?”

Er verliepen eenige oogenblikken eer Lodewijk, door deze grievende
teleurstelling geheel verbijsterd, in staat was eenig antwoord te geven.

„Ik ben in het gebergte verdwaald en van de mijnen, over wie ik nog
in de grootste ongerustheid verkeer, gescheiden. Zij wilden van Brieg
het dal door op de Rhône afgaan; ik volgde hen en ben, zonder eenig
spoor van hen te vinden, hier eindelijk aan de eerste menschelijke
woning gekomen, waar ik hen stellig dacht aan te treffen, daar, naar ik
meende, een andere weg zijlings af niet mogelijk was.”

„Zeker wel,” hervatte de oude: „de hoofdweg van het dal loopt langs den
anderen oever der Rhône; maar gij hebt vermoedelijk in de duisternis de
plaats waar men overgaat niet bemerkt. Dit pad verliest zich in onze
wildernis.”

„Kunt gij mij op den rechten weg brengen, goede vader?” riep Lodewijk
driftig. „Ik zal u rijkelijk beloonen.”

„Morgen vroeg gaarne, mijn goede heer,” was het antwoord „doch heden
avond zijn mijne zwakke, vermoeide krachten er niet meer toe in staat,
want de weg is in het donker uiterst gevaarlijk, zelfs voor de beste
bergbeklimmers, die hem nauwkeurig kennen.”

Lodewijk had, hoe vermoeid ook, gaarne den geheelen nacht
doorgewandeld; maar een blik op den zwakken, sidderenden grijsaard
overtuigde hem, dat het onmogelijk was van hem te vorderen, nog dezen
zelfden avond den tocht te ondernemen. Hij nam derhalve de gastvrije
uitnoodiging om den nacht in de hut door te brengen aan en volgde zijne
vriendelijke gastheer in het kleine, bekrompene, door den brandenden
houtspaan mat verlichte woonvertrek.

„Het doet mij leed, dat mijn zoon niet te huis is,” sprak de oude; „die
zou beter voor u kunnen zorgen. Doch morgen tegen den avond komt hij
eerst van Sion terug, waar hij bij zijne moei ter bruiloft genood is.
Dus moeten wij ons alleen trachten te behelpen.”

„Goede vader,” sprak Lodewijk, „ik heb slechts rust noodig en die zoude
ik toch niet vinden, al kondt gij mij het kostelijkste bed geven.—Het
eenige, dat ik u verzoeken wil, is, dat wij morgen vroegtijdig
opbreken.”

„Dat zullen wij,” sprak de grijsaard, „daar de maan reeds vóór 3 uur
opkomt; neem het thans met een stuk zwart brood en alpenkaas voor lief;
ook eene teug melk kan ik u geven. Heden morgen had ik nog een restje
wijn, maar dat heb ik waarlijk zelf al leeggeschonken.”

Lodewijk zette zich met den ouden aan den landelijken maaltijd. De
eenvoudige kost zoude hem voortreffelijk gesmaakt hebben, wanneer zijn
hart niet met kommer en bange zorgen was vervuld geweest. Intusschen
deed het genot van rust en verkwikking zijne frissche krachten en
met deze zijne zoete verwachtingen langzamerhand terugkeeren. Hij
voelde spoedig de zware lichaamsvermoeidheid, welke zijn rusteloos
voortsnellen langs onbegaande paden, dat meer dan vijf uren geduurd
had, na een slapeloozen nacht en de vermoeiende wandeling van gisteren
natuurlijk moest te weeg brengen. De legerstede van geurig alpenhooi,
door den vriendelijken oude voor hem uitgespreid, was hem dus van harte
welkom en spoedig zonk hij in een diepen slaap, die, hoe dikwijls ook
door akelige droomen verontrust, zijne krachten deed terugkeeren en hem
tot de nieuwe, moeielijke wandeling sterkte.


HOOFDSTUK VI.

Aan Bianca's zijde had de bedriegelijke droomgod den jongeling
verplaatst, en hij waande eene bloeiende landstreek met haar te
doorwandelen, toen de stem van zijn huiswaard hem wekte.

„Het wordt tijd, mijnheer; de maan komt even boven den Simplon op en
schijnt helder in het dal. Wanneer gij haast hebt, moeten wij thans op
weg.”

Nog half in den droom verward, hoorde Lodewijk des grijsaards woorden
aan en hij kon zich niet bezinnen, waar hij zich bevond; want uit de
lachende velden van Italië, uit den helderen zonneschijn, die zijn
sluimerend oog had omgeven, zag hij zich thans, daar hij het opende,
in eene enge, duistere ruimte verplaatst, waar het bleeke maanlicht
zonderling kampte met het roodachtige schijnsel van den mat glimmenden
dennespaander. Eerst toen de oude hem de hand reikte om hem op te
richten, en de maanschijf hem door het kleine venster vriendelijk in
de oogen blonk, kwam hij volkomen tot bewustzijn. „Zoo dadelijk, goede
vader; ik was nog half in den droom; zoo dadelijk.”

Met deze woorden sprong hij van zijne harde legerstede op en was binnen
weinige oogenblikken geheel reisvaardig.

„Gij moet eerst ontbijten mijn goede heer,” sprak de oude; „ik heb de
melk al gewarmd. De morgenlucht is koel en de koude zou u bevangen, als
gij zoo nuchteren buiten kwaamt. Een warme dronk is altijd goed.”

Door des grijsaards gulhartige voorzorg getroffen, wilde Lodewijk de
aangeboden verversching niet afslaan; echter vergunde hij zich daartoe
slechts weinige oogenblikken, daar de onrust van gisteren zich weder
geheel van zijne ziel had meester gemaakt.

De grijsaard liet bij het verlaten der hut de deur ongesloten. „Hier
berooft ons niemand van ons weinigje bezitting,” zeide hij; „enkel des
nachts schuiven wij den grendel toe om wilde dieren buiten te houden,
want aan wolven is geen gebrek hier op het gebergte.”

De maan scheen vrij helder op hun pad; weldra bemerkten zij ook de
schemering van den dageraad. Lodewijk moest toestemmen, dat de weg
inderdaad gevaarlijk was want zelfs nu nog, terwijl men zien kon waar
men den voet zette, was behoedzaamheid noodig, wilde men geen gevaar
loopen van uit te glijden. Echter scheen hem zijn leidsman al te
omzichtig, al te zorgvuldig toe en vooral waar de weg effen was, stelde
diens wankelende, slepende grijsaardstred zijn geduld meermalen op de
zwaarste proef.

Na ongeveer twee uren wandelens, zeide de oude met zijn stok vooruit
wijzende: „Ziet gij, mijnheer? Daar links hebben wij nu de brug over de
Rhône.”

Lodewijk zag op eenigen afstand twee sterke, zeer lange boomstammen
in de schuinte over de rivier gelegd en herkende ook de plaats weder
aan eenige vreemd gevormde rotsklompen, die den vorigen avond zijne
aandacht getrokken hadden: in het duister had hij de boomen niet
voor eene brug, maar voor een sterk naar het water overhellenden den
gehouden, hoedanige hij er meer langs den oever had gezien. Dat het
pad zich hier verdeelde, was, vooral bij avond, voor een vreemdeling
nauwelijks merkbaar; want naderbij gekomen zag hij, dat men om de
brug te genaken, eensklaps ter zijde wenden en alsdan eenige steile
rotstrappen beklimmen moest, die, bij dag zelfs, bezwaarlijk voor een
pad te onderkennen waren.

Juist wilde Lodewijk aan zijn geleider de vraag doen of hij zich
stellig kon verzekerd houden, dat de weg aan de overzijde der Rhône de
eenige was, dien de reizigers welke hij zocht, konden zijn ingeslagen,
toen een voorwerp, dat bij toeval zijn oog trok, hem met blijde
verrassing vervulde. Hij werd namelijk aan een boomstam, juist bij de
plaats waar de rotstrap naar de rivier afdaalde, een rozerood lint
gewaar, dat in den koelen morgenwind lustig heen en weer fladderde! Vol
zoete verwachting snelde hij er op toe en bemerkte met verrukking, dat
een strik van Bianca's kleed daaraan was vastgehecht.

„O, dat de nacht dat schoone teeken gisteren voor mij verbergen moest!”
riep hij uit en voelde een traan in zijn oog opwellen. „Voorzeker
vervulde mijn achterblijven haar met angst en wilde zij mijne schreden
richten en voor afdwalen behoeden.”

Hij knoopte het lint van den boom los, verborg het zorgvuldig in zijne
brieventasch en trad met vernieuwden moed verder. Aan de overzijde der
rivier gekomen, hield de grijsaard hem andermaal staande met de vraag:
„En waarheen moet ik u nu verder brengen, mijn goede heer?”

„Wel, het dal door; er is immers maar één weg,” antwoordde Lodewijk.

„Nu ja, een hoofdweg,” hervatte de oude; „maar gij zeidet gisteren, dat
uwe vrienden, het gebergte door, Zwitserland dieper in wilden, en dan
hebben wij ruime keus, want hier zijn verscheidene wegen, die u over
de Alpen in het Berner-bovenland brengen; de vraag is maar, welken gij
verkiest.”

Lodewijk stond eene poos besluiteloos. Eensklaps rees de gedachte bij
hem op: zij zal mij voorzeker wel een tweede teeken geven en ook verder
op het spoor doen blijven. „Voorwaarts maar,” sprak hij; „zoodra de
weg zich verdeelt, zullen wij verder zien.”

Zij traden voort en kwamen spoedig op een weg, die voor bergwagens en
muilezels bruikbaar begon te worden. Bovenal op spoed bedacht, zoude
Lodewijk gaarne zijne schreden verdubbeld hebben, maar de loome tred
van den oude, die met moeite de wandeling voortzette, noodzaakte hem
zijne vurige drift te beteugelen. Na reeds verscheiden jonge landlieden
ontmoet te hebben, wier voorkomen de kracht en vlugheid aanduidde,
welke Lodewijk zoo gaarne aan zijn gids had toegewenscht, nam deze
eindelijk uit eigen beweging het woord op en zeide: „Ik zie wel
mijnheer, dat gij gaarne sneller voort wildet dan mijne zwakke krachten
toelaten. Wilt gij niet liever een geleider nemen die wat vlugger ter
been is? Zoo dadelijk komen wij aan eene hoeve, waar ik bekend ben en u
licht een gids kan bezorgen, die tot Bern of Zurich nauwkeurig den weg
weet.”

Lodewijk, wien dit voorstel reeds lang op de lippen zweefde zonder dat
hij er, om den goedhartigen oude niet te krenken, voor dorst uitkomen,
nam het met blijdschap aan en antwoordde: „Het zal daarom uwe schade
niet zijn, oude heer; maar spoed is voor mij van zooveel aanbelang,
dat ik desnoods alleen verder zou gegaan zijn om maar haastiger voort
te komen. Ik moet, het koste wat het wil, mijne vrienden van daag nog
inhalen.”

„Daar komt Jozef waarlijk zelf aan!” viel hem de grijsaard met een
vroolijken uitroep in de rede en wees op een jonkman, die met een korf
op den schouder, in de verte naderde.

„Ei, Seppi,” riep hij hem op eenigen afstand toe, „gij komt juist van
pas; wilt gij dezen heer over het gebergte brengen?”

„Van harte gaarne,” antwoordde de gevraagde met eene krachtige basstem;
„was ik dan maar van dit pak bevrijd, dat naar Brieg moet.”

„Geef maar over,” riep de oude; „dat bezorg ik voor u; brengt gij den
heer maar verder.”

Lodewijk nam een hartelijk afscheid van den wakkeren grijsaard, en
moest zich, door met spoed zijn weg voort te zetten, aan de luide en
herhaalde dankbetuigingen onttrekken, waarin eene rijkelijke belooning
den oude deed uitbarsten. Zijne eerste zorg was nu bij den nieuwen gids
te vernemen of deze misschien ook eenig spoor van de door hem gezochte
reizigers ontdekt had.

Het antwoord was ontkennend.

Eene tweede taak was, uit te vorschen welken weg de vreemden, die
spoedig en zonder opgemerkt te worden hunne reis wenschten voort
te zetten, wel konden genomen hebben om op de veiligste wijze over
het gebergte te komen en de Duitsche grenzen te bereiken. Dit was
bezwaarlijk, zonder den samenhang der omstandigheden te doen gissen;
nochtans verzon hij eene fabel, waardoor hij alle verdenking van Bianca
en hare geleiders hoopte af te weren, en zeide op een vertrouwelijken
toon: „Ik zal u maar zonder omwegen bekennen, goede vriend, dat vurige
liefde voor eene jonge engelsche dame, die ik, van Italië komende,
op den Simplon ontmoette, mij tot zulk een haast aanzet. Te Brieg
vernam ik, dat zij, niettegenstaande het vroegere jaargetij, besloten
had, midden door het gebergte te trekken om de woeste natuur te beter
te leeren kennen. Daar hare reis overigens grooten spoed vordert,
wilde zij een weg nemen, die haar daartoe het best de gelegenheid
aanbood en tevens nader naar Duitschland bracht. Haar mijn geleide
aanbieden durfde ik niet, daar zij, alleen door eene kamenier en
een oude bediende vergezeld, verder geen gezelschap verlangt, maar
vrij en zelfstandig de wereld wil doorreizen, zooals dat wel meer de
verkiezing der engelsche vrouwen is. Echter was mijn verlangen om bij
haar te blijven zoo groot, dat ik vast besloten had haar heimelijk te
volgen en mij dan in het gebergte, waar de wegen niet zoo spoedig weer
uiteen loopen, als toevallig bij haar te voegen. Of zij mijn voornemen
geraden had en het opzettelijk wilde verhinderen, weet ik niet; doch
hoe 't zij, gisteren tegen den middag, terwijl ik eene wandeling deed,
heeft zij Brieg verlaten, schoon zij mij gezegd had, niet voor den
volgenden morgen te willen vertrekken. Het eenige, dat ik met zekerheid
heb kunnen gewaar worden, is dat zij dezen weg langs de Rhône heeft
ingeslagen. Wat dunkt u nu, dat ik verder moet doen om haar op het
spoor te komen, goede vriend? Was ik gelukkig genoeg haar te vinden,
dan zou ik u rijkelijk voor uwen goeden raad beloonen.”

„Ja, mijnheer, dat is waarlijk eene moeielijke zaak, iemand op te
zoeken van wien men niet weet, welken weg hij genomen heeft. Er zijn
hier eene menigte van wegen. Als wij bij Naters, dat daar beneden
voor ons ligt, over de bergen gaan, kunnen wij, de Jungfrau voorbij,
in het Bovenland komen. Dat zou de naaste weg naar Bern zijn, maar in
dit jaargetij is hij hoogst gevaarlijk en de beste gemzenjager zou
hem niet licht uitkiezen. Drie uren verder bovenwaarts loopt nog een
pad over de steilte, dat de Jungfrau links laat liggen en waarlangs
wij, zoo God wil, Grindelwald bereiken kunnen. Maar dat is ook al een
weg, dien men in den zomer neemt; bij wintertij, zooals nu, wordt hij
zelden of nooit gebruikt. Die wegen denk ik dus niet, dat de dame
genomen heeft, ook zou zij daartoe bezwaarlijk een gids vinden. Nu
blijft er nog een pad over, dat bezijden den Grimsel heenloopt, of,
willen wij in het Rhônedal blijven, een ander, dat over de Furca naar
Realp, Hospital en vervolgens op de Gotthardstraat brengt. Dat zijn
de vier hoofdwegen; wie klimmen en klauteren wil en voor omwegen niet
bang is, kan nog verscheidene andere nemen, maar met die bijpaden zijn
wij landlieden niet bekend, en om daarop te recht te komen, dient men
een goed bergjager bij zich te hebben, die dag en nacht in de bergen
rondzwerft. Thans echter, in het voorjaar, daar de sneeuw nog zoo
hoog ligt en men elk oogenblik lawinen te wachten heeft, thans is het
waarachtig niet te wagen, mijnheer! Ik geloof dus zeker, dat de dame òf
over de Grimsel òf over de Furca gegaan is en, heeft zij haast, dan is
de laatste weg nog de beste; want hij loopt regelrecht op den grooten
weg naar Altorf uit en gaat verder door Brunnen en Zug naar Zurich.
Nader weg op Duitschland is er niet; er zijn er wel, die meer rechtuit
loopen, maar daar ze dikwijls zoo ongebaand en gevaarlijk zijn, vallen
zij bij slot van rekening doorgaans nog wel eens zoo lang. Wanneer het
weêr bovendien eens onstuimig werd, konden wij licht acht dagen op het
gebergte liggen, zonder een voet verder te komen.”

Lodewijk hoorde deze niet zeer troostrijke berichten onder het
voortwandelen aan. Hij besloot, tot aan Maienwand het dal te volgen
en op ieder zijpad scherp acht te slaan, om te zien, of Bianca hem
misschien ook eenig nieuw teeken mocht hebben achtergelaten.

Vrij spoedig bereikte men het kleine dorpje Naters, waar het meisje
waarschijnlijk moest overnacht hebben. Lodewijk won overal berichten
in, doch niemand wist hem eenig uitsluitsel te geven. Toen hij, het
dorp verlatende, aan de plaats kwam waar de weg ter linkerzijde naar
het gebergte afsloeg, zag hij te vergeefs naar een lint of eenig ander
teeken om: geen spoor van de geliefde was in het rond te ontdekken.
Hoe bekoorlijk het dal ook zijn mocht, door hetwelk hij aan de zijde
van zijn geleider stilzwijgend voortwandelde, trok toch geene der
hem omringende schoonheden zijne oogen tot zich. Zijne gansche ziel
was met Bianca vervuld, die hij thans vreezen moest even snel en
onverhoeds weder te zullen verliezen als hij haar gevonden had. Elken
wandelaar, dien hij ontmoette, ondervroeg hij; in verschillende aan
den weg gelegene woonhuizen deed hij onderzoek naar de reizigers; doch
al zijne pogingen bleven zonder gevolg. Nauwelijks vergunde hij zich
zooveel rust, als hem en zijnen leidsman tot verademing volstrekt
noodzakelijk was. Met klimmende beangstheid zette hij zijn tocht
voort; de laatste bewoonde plaats die hij aantrof, was Ulrichen. Het
was drie uur in den namiddag toen hij daar aankwam; twaalf volle uren
had zijn wandeling nu reeds geduurd en de weg was bij tusschenpoozen
uiterst vermoeiend geweest. Onbegrijpelijk scheen het hem, dat hij
tot hiertoe zelfs niet het geringste spoor van het voorwerp zijner
navorsching ontdekt had. Verder toch kon zij, ook bij den grootsten
spoed, bezwaarlijk gekomen zijn; ja, al had zij ook den ganschen
nacht door hare vlucht voortgezet, het laatste gedeelte van den weg
moest zij toch bij helderen dag hebben afgelegd en kon zij dus, daar
eene reizende dame in het tegenwoordige vroege jaargetij een zeldzaam
verschijnsel was, onmogelijk onopgemerkt zijn gebleven. Dit deed hem
meer en meer bevreesd worden, dat zij, om te spoediger de nasporingen
harer vervolgers te ontkomen, het gewaagd had een dier gevaarlijke
bergpaden te nemen; en zoo kwelde hem nu niet alleen de gedachte van
haar gescheiden te zijn, maar ook de bezorgdheid, welke hij voor haar
leven moest beginnen te koesteren. De eenige en laatste hoop die hem
overbleef, was deze, dat hij aan den Maienwand, waar het steile pad
naar den Grimsel opwaarts stijgt, een teeken vinden mocht, dat hem
uitnoodde dezen weg te vervolgen, of dien naar den Gotthard in te
slaan. Zijne uitgeputte krachten vergunden hem echter niet de reis
verder te voet voort te zetten; hij droeg dus aan Jozef den last op,
twee muildieren te huren, welke deze hem reeds vroeger gezegd had,
dat hier voor vreemdelingen, die zich het beklimmen van den steilen
Maienwand gemakkelijk wilden maken, doorgaans wel te bekomen waren. Na
verloop van een half uur, terwijl de vermoeide jongeling een vluchtig
middagmaal nuttigde, kwam Jozef dan ook reeds met twee goed gezadelde,
door een drijver geleide muilezels terug, en onverwijld begaf zich
de kleine karavane nu weder op weg. Spoedig had men den Maienwand
bereikt en Lodewijk onderzocht met angstvolle opmerkzaamheid elken
boom en elken struik, dien zich aan den weg vertoonde; doch helaas!
geen rooskleurig schijnsel liet zich tusschen het nauw ontloken groen
bespeuren.

Nu bleef hem geen keus meer over. De geliefde had hem ook hier geen
wenk gegeven om de baan te verlaten; was zij hem dus nog vooruit, dan
moest zij den weg over den Gotthard gekozen hebben. Van nu af begon de
landstreek woest en eenzaam te worden; slechts weinige, thans verlaten
herdershutten vertoonden zich in de nog geheel met sneeuw overdekte
wildernis. Ter linkerzijde der reizigers hief het ijspaleis van den
Rhônegletser, door de brekende zonnestralen met ontelbare verven
gekleurd, zijne glinsterende spitsen omhoog; ter rechter stapelden zich
onmetelijke rotskolossen uit de diepte opeen, en vóór hen verloren de
beide sneeuwpiramiden der Furca hare witte toppen in het heldere blauw
van den onbewolkten hemel. Het dal was bij een prachtigen voorhof van
het versteende, fonkelende rijksgebied van den winter te vergelijken,
op welks diamanten bodem plant noch bloesem ontkiemt en de warme
zonnestraal in zeven koude kleuren afstuit.

Lodewijk ontdekte nog een groen heestertakje, dat op eene zonnige
plaats van den rotswand, tusschen de steenkloven uitstak en zijne
teedere bladeren even begon te ontwikkelen. Hij plukte het, om een
herinneringsteeken van de laatste grenzen der lente in het barre
wintergebied mede te voeren. Het pas ontloken groen was een beeld van
zijne hoop, wier even geopende kelk, tegen den storm van zoo gedurige
en ruwe teleurstellingen niet bestand, zich bijna geheel weder gesloten
had. Wie weet, dacht hij, of de bloesems mijner hoop niet reeds
geheel zijn afgevallen, als deze nauwelijks geopende knoppen aan den
dorren stam beginnen te verwelken. Hij hechtte de twijg op zijn hoed
vast en reed in diep stilzwijgen naast zijne geleiders verder. Toen
zij den hoogen sneeuwpas, waarover het spoor door lange seinstaken
was afgebakend, bereikt hadden en zich, door snerpende winterkoude
verkleumd, aan den voet der beide steile rotskegels bevonden,
waartusschen de beroemde straatweg heenkronkelt, wierp hij nog eens
den blik terug. De zon, de hooge bergkruinen tot zeer nabij genaderd,
schoot hare laatste vlakke stralen over de blauwe, nevelachtige
steilten in het dal neder. Zoo ver zijn oog reikte, waren slechts
sneeuwvelden en granietklompen te bespeuren. De aanblik van dit sombere
kerkhof der natuur verlevendigde het smartelijk gevoel, dat zijn
boezem beklemde. O God, zuchtte hij, laat mij haar wedervinden, haar,
de eenige, die den helderen straal der hoop in mijn treurend, diep
gewond hart deed nederdalen. Gij zondt mij haar toe als eene hemelsche
verschijning uit uw zalig rijk, o laat haar niet als een ijdel
droombeeld spoorloos weder verdwijnen; ontruk mij haar niet, evenals
gij mij haar geschonken hebt!

De ruwe storm, die gierend over de kale hoogte heenblies en de sneeuw
in dwarreling deed opstuiven, was het eenige antwoord, dat zich op deze
klacht deed hooren; de zon zonk weg achter eene breede rotskruin en
eene reusachtige schaduw breidde zich over het sneeuwvlak uit.

„Verder,” riep Lodewijk den gids toe en wendde zijn muildier om,
„verder!”

„Wij zullen onzen tijd ook noodig hebben,” was het antwoord, „willen
wij Andermatt nog vóór den nacht bereiken. Als de storm aanhoudt, kon
het licht mogelijk zijn, dat wij bij den kapucijn te Realp overnachten
moesten.”

Men reed door, Lodewijk in sombere mijmering verzonken, zijne geleiders
onder het voeren van een levendig gesprek in den zwitserschen tongval,
waarvan een vreemde, ook als hij er naar geluisterd had, weinig
verstaan kon.

Toen men de hoogte achter den rug had, werd de storm minder hevig
en, vroeger dan men gedacht had, kwam men te Realp aan, waar men
eenige oogenblikken in de hut vertoefde van den kapucijn, die de
vreemdelingen op brood, honig en melk gastvrij onthaalde. Deze
ververschingen worden om niet aangeboden; wat de reiziger daarvoor
betalen wil, is eene vrijwillige gift, en de goede pater, die in deze
sombere eenzaamheid zijne dagen vreedzaam slijt, ontvangt het in naam
van zijn klooster in eene armbus. Op zijne navorsching naar Bianca
ontving Lodewijk ten antwoord, dat sedert 17 October geen enkele
reiziger was voorbijgekomen, en tot bevestiging legde de monnik hem
het vreemdelingenboek des voorgaanden jaars voor. Hiermede was zijne
laatste hoop verdwenen; hij haalde diep adem, bedwong met moeite zijne
tranen en stond op om te gaan. „De hemelsche Vader trooste en zegene u!
Gij schijnt niet gelukkig,” sprak de monnik en reikte hem vriendelijk
de hand. Lodewijk drukte die met warmte en verliet haastig de kleine
cel.

Toen hij weder onder den vrijen hemel stond en de snijdende wind hem de
fijne stuifsneeuw in het aangezicht joeg, scheen het hem een oogenblik
toe, dat hij zijne gestoorde zielrust moest terug bekomen in een rustig
verblijf, te midden eener zwijgende eenzaamheid als deze, waar hij tijd
had alleen voor zijne droomen en in de wereld der herinnering te leven,
onbekommerd over het lot der aardbewoners, die daar buiten door den
storm der wisselende gebeurtenissen rusteloos heen en weder geslingerd
worden.

Maar neen, dacht hij weder, gij zoudt ook hier den storm niet
ontvlieden, die in uw eigen boezem zich verheft. Sluimeren niet in de
ziel, ook des eenzamen, al die verderfelijke zaden, die eensklaps tot
giftplanten opschieten, wanneer de vijand ze ontkiemen doet? En wie
anders is des menschen vijand dan hij zelf? Neen, ook die hoop zou
grievende teleurstelling baren!

Allengs begon het duister te vallen. De storm verhief zich opnieuw en
deed de aan weerszijden van den weg opeengehoopte sneeuwheuvels in
tallooze vlokken verstuiven. Het werd vinnig koud. Nu begon Lodewijk
eindelijk te voelen, dat zijne krachten waren uitgeput, dat zijn
afgetobd lichaam na de geweldige overspanning dringend rust behoefde.
Met zekere ontevredenheid over zich zelven bespeurde hij, dat het
bereiken eener herberg, het vinden van een goed bed, ongemerkt de
vurige wensch was geworden, die zich, nevens het verlangen naar het
verlorene, van geheel zijn hart had meester gemaakt. De laatste dagen
waren dan ook boven alle beschrijving vermoeiend geweest, en misschien
had wel nooit een reiziger in één dag den afstand afgelegd, die zich
tusschen zijn voorgaand nachtverblijf en Andermatt, het plaatsje dat
hij nu naderde, uitstrekte.

Door den vochtigen nevel en de toenemende duisternis, waarmede de nacht
het dal overtoog, liet zich van tijd tot tijd een flikkerend schijnsel
van verlichte vensters in de verte ontwaren, dat den vermoeiden
reizigers tot eene troostende leidstar diende. Eindelijk bereikte
men de eerste huizen en, na verloop van eenige minuten, steeg men af
voor een vrij aanzienlijk gebouw, welks benedenverdieping van heldere
lichten straalde.


HOOFDSTUK VII.

„God dank, dat wij onder dak zijn!” riep Jozef. „Het was geen klein
dagwerk. Ik ben anders geen van de zwaksten, maar wij hebben toch een
eindweegs afgelegd van daag!”

De gids hielp Lodewijk uit den zadel stijgen; een gedienstige
huisknecht was met hetzelfde oogmerk toegesneld en noodigde hem uit
in het warme vertrek te treden, alwaar reeds eenige, zoo even eerst
aangekomen gasten tot den avondmaaltijd verzameld waren.

Het verwekte bij den jongeling eene zeldzame gewaarwording, zich zoo
eensklaps uit de woeste, zwijgende wildernis, die hem den ganschen
dag had omgeven, in den vriendelijken kring des gezelligen levens
verplaatst te zien. Hij trad toch in eene ruime, door een aantal
kaarsen helder verlichte zaal, in wier midden eene zindelijk gedekte
tafel hem uitlokkend toelachte. Aan het boveneinde, om de gloeiende
kachel, zaten drie reizigers, voor wie men juist het avondeten had
opgedragen.

„De heeren hebben zich reeds aan tafel gezet,” zeide de knecht:
„verkiest mijnheer dadelijk aan den maaltijd deel te nemen, of zich
eerst op zijn kamer te ontkleeden?”

Lodewijk, niets anders bij zich hebbende dan hetgeen hij aan het lijf
droeg, zou dat gemak moeten ontberen, al ware het hem ook niet zoo
aangenaam geweest, dadelijk aan tafel te kunnen gaan, om zich daarna
te spoediger ter rust te begeven. Hij trad dus op de vreemden toe en
groette beleefd, zonder hen echter aan te spreken. Zij beantwoordden
zijn groet met eene zoo voorkomende vriendelijkheid, dat hij zich
daardoor reeds aangenaam verrast gevoelde. Naar hunne kleeding en
hunne door de zon verschroeide gelaatstrekken te oordeelen moesten zij
officieren zijn. Schoon zij hem in het Fransch hadden aangesproken,
verried een zeker iets in hun voorkomen, dat zij tot eene andere natie
behoorden. Twee, de oudste ongeveer zes en dertig, de jongere omstreeks
twintig jaar oud, hadden zwart haar en kleine zwarte knevels; de derde
was blond en blozend van gelaatskleur. Lodewijk nam plaats en trachtte,
zich zelf geweld aandoende, de opgeruimde stemming der vreemden ten
minste uiterlijk tot de zijne te maken. „Komen de heeren uit Italië of
zijn zij derwaarts op weg?” vroeg hij.

„Onze weg,” hernam de oudste, wiens rijzige gestalte en, men had kunnen
zeggen, koninklijk voorkomen hem iets gebiedends gaven, „onze weg leidt
ons waarschijnlijk diep het noorden in. Voorloopig echter gaan wij naar
Duitschland en wel naar Dresden, werwaarts de Fransche keizer zich
dezer dagen begeven moet.”

„De oorlog is dan zeker?” vroeg Lodewijk.

„Wij hopen het,” sprak de vreemdeling op een toon, die meer uitdrukte
dan de gewone vreugde des krijgsmans, die bij het begin van een
veldtocht eene reeks van glansrijke daden en overwinningen door de
onzekere toekomst ziet heenblinken.

Lodewijk zweeg. Als Duitscher zag hij met diepen weemoed de vreemde
krijgsbenden zijn ongelukkig vaderland opnieuw overstroomen; echter
zeide hem de onwraakbare rechterstem der waarheid, dat Duitschlands
smaad niet geheel onverdiend was en dat, hoe zwaar het vreemde juk
knellen mocht, hoe grievend het ware, zich zonder vrije keus en
onvoorwaardelijk aan den overwinnaar te moeten aansluiten, dit, schoon
vernederender voor de vorsten, voor de volken toch nog steeds eervoller
bleef, dan langer zich te zien prijsgeven, aan die ontzenuwde,
smadelijke en baatzuchtige staatkunde, waardoor sedert eene eeuw, en
voornamelijk sinds den dood van den grooten Frederik, de duitsche natie
zoo schandelijk was verlaagd geworden. De drie woorden des vreemden:
„wij hopen het” wekten derhalve den innerlijken tweestrijd zoo levendig
weder in zijne borst op, dat zelfs de bange bezorgdheid, die hem sinds
gisteren vervulde, voor een oogenblik daardoor verdrongen werd.

De vreemdeling scheen den indruk te bevroeden, die zijn gezegde op
Lodewijks ziel had te weeg gebracht. Na eenig stilzwijgen vervolgde
hij in het hoogduitsch. „Het bevreemdt u, mijnheer, dat ik van een,
naar alle waarschijnlijkheid bloedigen oorlog zeide: wij hopen, dat
hij zeker zij; het bevreemdt u te meer, daar gij, naar ik hoor, een
Duitscher zijt. Door een lang verblijf zijn wij het ten halve; vergun
dus, dat wij ons van de taal van uw land bedienen. Het moet u ten
hoogste roekeloos en lichtzinnig toeschijnen, dat wij op een keer der
wereldgebeurtenissen hopen, die half Europa met siddering en bange
verwachting te gemoet ziet. Het is inderdaad hard, zich in een toestand
te bevinden, waarin men slechts uit een groot, algemeen onheil eenige
gegronde hoop op de herkrijging der eigene, dierbaarste goederen kan
opvatten; wij echter bevinden ons in dat geval.”

Hier hield hij een oogenblik op en scheen door een hevige
gemoedsbeweging verhinderd om verder te gaan. Zijne mannelijke
gelaatstrekken kenteekenden innigen, diepen weemoed; eene donkere wolk
van zwaarmoedigheid breidde zich over zijn open voorhoofd uit en zijn
oog staarde mijmerend voor zich heen, zonder dat de wil den weifelenden
blik bestuurde.

Lodewijk waagde 't niet de diepe stilte af te breken; ook de beide
jongelingen zwegen en vestigden weemoedige blikken op het peinzend
gelaat van hun geleider.

„Wij zijn Polen, mijnheer!” vervolgde deze eindelijk op vasten,
mannelijken toon. „Wij verwachten van den op handen zijnden krijg
een vaderland, terwijl wij nu als arme ballingen rondzwerven. Gij
zult thans toestemmen, dat ik zeggen mocht: wij hopen op oorlog!”

Lodewijk was zoo verrast, dat hij niet wist wat dadelijk te antwoorden;
doch de vreemdeling bespaarde hem die moeite, door het gevulde wijnglas
op te vatten met den uitroep: „Het vaderland! Met dien dronk kan ieder
instemmen, tot welk land hij ook behoore.”

Met dit glas wijn scheen de vreemdeling als door een toovermiddel zijne
sombere stemming op eens verbannen te hebben. „Wij zijn reizigers,”
ging hij voort, „die elkander in een buitengewonen tijd, op een
buitengewone plaats aantreffen. Uit de gebergten van den Gotthard,
waarop wij ons bevinden, ontspringen bronnen naar alle vier deelen
der wereld, die hare stroomen uitgieten over Duitschland, Frankrijk
en Italië. Daarentegen loopen de wegen dier landen op dit ééne punt
te zamen en ontmoeten elkander in dit middelpunt. Men bevindt zich
hier als het ware op den kruisweg der wereld. Morgen volgt deze den
Rijn of de Reuss, die den Tessino, een derde de Rhône. Het oogenblik
van samenzijn moet men genieten, het als eene vroolijke en zoete
herinnering in aandenken houden, want wie weet of men elkander op de
wegen dezer aarde wel immer weer ontmoet.—Wij drieën,” ging hij zich
tot Lodewijk wendende voort, „kennen elkander, zijn landslieden en
krijgsmakkers. Gij moet ons vreemd blijven, wij u, wanneer wij hier
geen vriendschappelijke vertrouwelijkheid laten heerschen; zoo kon
een gelukkig uur, waaraan wij naderhand nog wel eens gaarne zouden
terugdenken, ons koud en ongenoten voorbijvliegen. Mij dunkt dus, wij
geven naam voor naam. Ik noem mij Stephanus Rasinski en ben overste
bij het keizerlijk leger; deze mijne jonge vrienden en kameraden zijn
officieren bij hetzelfde regiment, graaf Boleslaw en graaf Jaromir, en
gij, mijnheer?”

„Mijn naam is Lodewijk Rosen, ik ben een Duitscher,” antwoordde de
gevraagde.

„Welkom dan! Rosen is een schoone naam. Wel hem voor wien nog rozen
bloeien, al zijn 't slechts alpenrozen. Die tijd is voor mij voorbij,
want wie dra zijn veertigste jaar bereikt heeft, mag niet meer aan
bloesems denken en kan ten hoogste nog op eenige late vruchten hopen.
Nu, ook ik zag bloesems ontluiken en zag ze vallen! Op de ontwikkeling
van elken schoonen bloesem der jeugd, der hoop en der liefde! Klinkt
meê, jonge vrienden want de wensch betreft meer u dan mij zelf!”

Lodewijk hief met ontroering den beker omhoog. Rasinski's woorden
troffen zijn hart, maar vervulden het tevens met een zachte schemering
van hoop, daar hij, gelijk men in eene dergelijke gemoedsstemming vaak
aan kleinigheden pleegt te hechten, er eene gelukkige voorbeduidenis
in waande te ontdekken. Nog eene tweede gedachte rees bij hem op. Hoe
gelukkig werkte de gulle openhartigheid van den graaf, daar zij vier
vreemden door het eenvoudige, maar tooverachtig werkende middel eener
mededeeling van namen en naaste betrekkingen zoo ras met elkander
in verbintenis bracht. Wanneer ik, dacht hij, door schuwe blooheid
weerhouden, slechts niet verzuimd had aan het bekoorlijke wezen,
hetwelk mij hare betrekkingen verbergen moest, ten minste de mijne
op te geven, en haar mijn naam te noemen, dan ware de band tusschen
ons beiden, nog niet geheel afgebroken, schoon ik haar nu ook al
dadelijk niet wedervond. Neen, hoe nauw de vrouwelijke kieschheid ook
in hare handelingen beperkt zij, voorzeker zou Bianca mij toch een
teeken hebben weten te geven, waardoor ik haar naderhand nog eens kon
opsporen. Zoo heeft dat pijnlijk verzuim mij wellicht voor altijd het
geluk van mijn leven ontroofd!

Dergelijke gedachten vervulden zijne ziel, terwijl het gesprek over
verschillende onderwerpen voortliep. Graaf Rasinski scheen de droeve
snaar welke hij in den beginne had aangeroerd, opzettelijk te vermijden
en de jonge officieren eerden daarin bescheiden zijn wensch. Men sprak
over Italië, over Parijs, over de verdiensten des keizers als veldheer
en staatsman, van zijn tocht over den grooten St. Bernard, in welks
nabijheid men zich bevond, van de vreeselijke toerustingen tot den
aanstaanden oorlog, over de reusachtige ontwerpen van zijn heldengeest,
die Frankrijks vanen van de piramiden naar den Taag, van den Taag naar
Ruslands sneeuwvelden rusteloos voortjoeg; kortom, men sprak over alles
wat toenmaals ieders hart en hoofd bezig hield en de tongen van geheel
Europa in beweging bracht.

Ongemerkt was een uur vervlogen; het maal was afgeloopen en men begaf
zich ter rust.

Door een vloed van gedachten en tegenstrijdige gewaarwordingen zoo
geslingerd, dat hij, niettegenstaande zijne geweldige afmatting, den
slaap niet dadelijk vatten kon, overdacht Lodewijk op zijne zachte
legerstede, wat hem den volgenden dag te doen stond. Zou hij de reis
voortzetten, of terugkeeren? Moest hij Bianca langs een anderen weg
opsporen, of den kortsten, die naar Duitschland voerde, blijven volgen?
Het was hem niet ontgaan, dat de Polen met hem dezelfde bestemming
hadden, en in het eerste oogenblik had zijne vreugde daarover hem
bijna verraden; bij nader inzien deed het hem echter genoegen, te
rechter tijde gezwegen en zich zelven beheerscht te hebben, daar een
dergelijk geleide hem alle mogelijkheid zou benomen hebben, om zijne
navorschingen voort te zetten. Hij besloot derhalve, wanneer zulks
doenlijk was, zonder zijn hoofddoel te ver uit het oog te verliezen,
zijn nieuwe bekenden zoodra mogelijk weder vaarwel te zeggen en alleen
de reis te vervolgen.

Onder deze overleggingen overviel hem eindelijk de slaap, welke zijne
uitgeputte krachten zoozeer noodig hadden.


HOOFDSTUK VIII.

Het was reeds helder dag, toen hij door een zacht tikken aan zijne deur
ontwaakte. Op zijn: „binnen!” trad de jongste der drie officieren, de
blonde, bloeiende graaf Jaromir de kamer in. „Vergeef mij,” sprak deze,
„dat ik u zoo stoor. Ons allen zou het echter zulk een groot genoegen
zijn, de reis in uw gezelschap te mogen voortzetten, dat ik door mijne
kameraden verzocht ben u daarover te spreken; eene opdracht, die ik
zeer gaarne op mij neem, zelfs op het gevaar af van u vertoornd te
hebben.”

Lodewijk verontschuldigde zich over zijn lang slapen en beloofde
dadelijk op te staan en in de ontbijtzaal te komen. Binnen weinige
minuten trad hij die binnen en werd door de officieren met hartelijkheid
begroet. Rasinski, die alle gezellige betrekkingen gaarne zoo ver
mogelijk scheen uit te breiden, verklaarde dat hij het was, die het
voorstel gedaan had, op Lodewijk te wachten, daar men onmogelijk had
kunnen besluiten, vóór hem af te reizen en hem de beroemde straat van
den Gotthard alleen te laten langs trekken. „Twee menschen,” meende
hij, „die gezamenlijk over de Duivelsbrug gegaan zijn, blijven door die
herinnering hun leven lang even nauw verbonden, als de beide oevers
der Reuss door de brug zelve worden aanéén gehecht. Zelfs de wilde
vloed des levens zal niet alle banden tusschen hen verbreken, zoo
onuitwischbaar is de herinnering aan een belangrijk uur, hetwelk men te
zamen doorleefde.” Lodewijk gevoelde de waarheid van deze opmerking en
dankte den graaf met warmte voor zijne vriendschappelijke oplettendheid.
De frissche, wintersche morgen, het gevoel van teruggekeerde
lichaamskracht, de innemende gulhartigheid zijner reisgezellen, dit
alles te zamen was bij hem van eene zoo gelukkige uitwerking, dat hij
zelfs een zweem van opgeruimdheid gevoelde, ofschoon Bianca's beeld
niet uit zijne ziel week en als eene stomme, treurende gestalte stand
hield te midden der schoone, frissche tooneelen, welke het tegenwoordige
oogenblik hem voorspiegelde.

De muildieren waren getoomd, de gidsen reisvaardig. Men verliet het
statelijke hotel der Drie Koningen te Andermatt en reed nu het dal
afwaarts, op zijn donkere uitgangspoort toe. De gelijksoortigheid dezer
landstreek met die, welke hij een paar dagen vroeger was doorgetrokken,
maakte weemoedige herinneringen bij den jongeling levendig. Evenals op
den Simplon opende zich thans de duistere kloof, het Urnerloch genaamd;
gelijk dáár stortte zich de stroom schuimend in de diepte neder, gelijk
dáár viel in het midden van den doorgang eene kortstondige schemering
door eene vierkante opening naar beneden en zag men de Reuss, een
wit spooksel gelijk, al schuimende voorbijschieten. Nu verdoofde de
vreeselijke donder van den rollenden stroom het oor. De kloof opende
zich, en men stond in de door hemelhooge rotsen ingesloten bergpas,
waar de bruisende Reuss klaterend in den afgrond nederstort en in hare
onstuimige woede boorden en oeverdammen dreigt vaneen te rijten. Over
dezen borrelenden, ziedenden waterketel is de smalle brug met zulk eene
koenheid heengeslagen, dat de overlevering gelijk schijnt te hebben,
wanneer zij beweert:

    _Die brug is het werk niet der menschelijke hand,
    Wie toch zou zich zoo iets vermeten._

Toen de reizigers zich op het midden dier brug bevonden, bogen zich
de dunne boomstammen onder den tred hunner lastdieren. Graaf Rasinski
hield een oogenblik stil, mat met het oog het rotsgewelf boven zich
en wierp toen een blik in den schuimenden afgrond. Hij wilde iets
zeggen, maar in het gedonder der vallende watermassa's verliest zich
elke menschelijke stem. En toch heerscht hier voor het gevoel eene
huiveringwekkende, eeuwige stilte en ledigheid. Geen vogel verroert
zich, geen mugje gonst, geen halm, geene mosplant groeit hier; slechts
de versteende, onbewegelijke granietklompen stijgen loodrecht op en
verliezen zich in den blauwen hemel. Te midden van dit rusteloos woelen
en klateren en donderen der wentelende golven gevoelt men, dat, wanneer
de Reuss plotselijk verstomde, ook elk ander geluid ophouden en men
zich als in een steenen grafkuil der natuur bevinden zoude.

Eene poos lang vertoefden de reizigers en staarden het schrikwekkend
verhevene schouwspel met stomme verbazing aan. Lodewijk had het oog
gevestigd op eenige witte, lichte wolkjes, die in de enge, blauwe
ruimte des hemels, die tusschen de steile rotsmuren zichtbaar was,
over het dal heentogen. Als zalige geesten schenen zij in die heldere
kringen des lichts over de vreeselijke kolk des duisteren afgronds
heen te zweven. Rasinski wekte hem eindelijk uit deze mijmering, door
onder het voorbijrijden zijne hand te grijpen en haar te drukken met
een blik, die scheen te kennen te geven: Niet waar? een prachtvol
schouwspel! Die het gemeenschappelijk genoten, verbindt die herinnering
voor langen tijd!

Rasinski was door zijne jaren en zijne bedaardheid, door zijn dieper
inzicht en rijker ervaring de stilzwijgend erkende Mentor zijner
metgezellen, zoodat men ook de verdere inrichting der reis geheel aan
hem overliet, daar hij overal de juiste maat en wat voor het oogenblik
het best voegde, gelukkig wist te treffen. Hij was het, die den tocht
bestuurde; de anderen volgden zonder dwang en als onwillekeurig.

Langer dan een uur reed men over scherpe ijsschollen en breede, naakte
granietvloeren voort; aan beide zijden stegen vlakke rotswanden omhoog,
doch rechts baande zich de Reuss, in eene onafgebroken keten van
watervallen in het dal neerbruisend, tusschen het smalle pad en den
rotsigen muur van den tegenovergestelden oever een kronkelend spoor.
Boven de naaste steenglooiingen hieven de steile, met sneeuw beladen
toppen der Alpen zich trotsch in de hoogte en hulden nu eens het
glansrijke hoofd in grauwe wolkensluiers, terwijl zij zich dan weder,
in zonnegloed fonkelende, met koene omtrekken op den donkerblauwen
grond des hemels afteekenden.

Ware het verder in het jaargetijde geweest, dan zoude het dal spoedig
bloeiender en vriendelijker zijn geworden. Nu echter heerschte de
winter hier nog in volle kracht en dikke sneeuw bedekte nog de meeste
rotsklompen, ja zelfs de toppen der dennen, die zich gedurig talrijker
begonnen te vertoonen. Langzamerhand werden de hoogten toch meer
begroeid en boschachtig, en zag men van tijd tot tijd eene heldere,
groene grasstrook door het dunne sneeuwdek heenschemeren.

In weerwil van het vroege seizoen, was de reis nog rijk aan
indrukwekkende schoonheden geweest en zou bij Lodewijk, vooral door
de belangstelling, welke hem zijne geleiders inboezemden, gewisselijk
de aangenaamste herinneringen hebben nagelaten, wanneer niet de smart
zich met toenemende hevigheid van zijn boezem had meester gemaakt. Een
tijdlang mochten de nieuwe, afwisselende voorwerpen, het aanlokkelijke
van zijn gezelschap, de wonderbare natuur, het zonnelicht en de heldere
hemel met hunne vereende krachten tegen de diepe droefheid zijner ziel
eenigermate het evenwicht hebben gehouden, thans, daar deze nieuwe
prikkels verstompt waren, daar de hoop van toch eindelijk zijn doel
nog te bereiken meer en meer verdween, en de angst daarentegen van het
voor altijd te verliezen, in dezelfde mate sterker werd, thans was
zijne gansche ziel weder aan dat onstuimig verlangen ten prooi gegeven,
dat ons hart dikwijls nog grievender en heviger pijnigt, dan een zeker
onherroepelijk verlies. Bij het laatste brengt elke voorbijsnellende
minuut kalmte en heeling aan; bij het eerste geven de sleepend voorbij
kruipende uren het hart aan eene gestadig toenemende foltering over,
tot eindelijk algeheele verdooving en afmatting de verstompte smart
opvolgen en in de ziel eene doffe rust doen terugkeeren, die een halven
dood gelijkt.

Reeds vroegtijdig bereikte men het dorp Am Steg, waar het Schaechendal
zich met kronkelende bochten van de Reuss afscheidt. Hier ontbeten de
reizigers en zij sloegen vervolgens den weg naar Altorf in, die in het
breede, groene dal tusschen frissche grasvelden heenvoert en waarop
men niet meer door het donderen en klateren der Reuss verdoofd, maar
slechts door het verre ruischen en suizen verzeld wordt.

De reisgenooten van Lodewijk wilden het Vierwaldstättermeer bezichtigen
en haastten zich Flüelen te bereiken, om zoo mogelijk nog tegen den
avond te Lucern te zijn. Hij zelf echter kon nog slechts hopen,
het voorwerp zijner nasporingen op den naasten, grooten weg naar
Duitschland aan te treffen, en had dus besloten, te meer daar hij
het meer en zijne merkwaardigheden reeds kende, zijne reis zonder
verwijl over Zurich op Schaffhausen voort te zetten. Hij moest dus
van zijne geleiders afscheid nemen. Rasinski, wiens opmerkzamen blik
zelden iets ontging, vroeg hem naar zijne koffers. Lodewijk was op die
vraag bedacht geweest en had eene uitvlucht gereed. Hij zeide, zijne
groote koffers, en zulks was inderdaad zoo, naar Heidelberg te hebben
vooruitgezonden, terwijl achteloosheid of ontrouw van een vetturino, en
hierin veroorloofde hij zich eene kleine onwaarheid, zijn valies op den
weg van Milaan naar Duomo d'Ossola had doen zoek raken.

Met gulle bereidwilligheid boden zijne reisgenooten, nog uit het veld
gewoon den laatsten voorraad broederlijk met een makker te deelen, hem
eenige noodwendigheden aan. Dit was hem inderdaad welkom; want anders
ware hij genoodzaakt geweest, te Zurich onderscheidene aankoopen te
doen, die hij zooveel mogelijk vermijden moest, daar zijne reiskas
reeds veel geleden en hij al zijne middelen dringend noodig had om
zijne navorschingen met kracht te kunnen voortzetten.

Men nam dus een hartelijk afscheid en troostte zich met eene vroolijk
hereeniging in Dresden, wanneer het geluk al niet willen mocht, dat men
elkander reeds vroeger op de landstraat weder ontmoette. Niet zonder
weemoed zag Lodewijk zijne vrienden zich verwijderen; want of hij hen
wel ooit zoude wederzien was onzeker, daar hun verblijf te Dresden
wellicht zeer kort zijn kon en hij zelf den juisten tijd van zijne
aankomst aldaar met geene zekerheid vooraf durfde bepalen.

In de herberg te Altorf bevond zich toevallig een voerman, die met
een ledigen wagen naar Zurich wilde. Lodewijk nam daarop eene plaats
en zette, na zijn vriendelijken leidsman Jozef en den muildierdrijver
uit Ulrichen ontslagen te hebben, onverwijld de reis voort. Zonder
verdere ontmoetingen kwam hij in den laten avond te Zug aan, en den
volgenden middag bereikte hij over den Albiss, welks hoogte hem een
laatst uitzicht op de Alpenketen en Zwitserlands blauwe bergen en
meren vergunde, het oude Zurich. Dit was een punt, dat Bianca, wanneer
zij haren weg door eene der bergpassen van het kanton Wallis genomen
had, noodzakelijk moest aandoen. Met groote zorgvuldigheid onderzocht
hij derhalve in alle herbergen, of men ook reizigers, met zijne
beschrijving overeenkomende, had opgemerkt. Hij had zijn weg zoo snel
en gelukkig afgelegd, dat hij er bijna niet aan twijfelen kon, of
hij was de eerste in Zurich aangekomene, en dit deed hem besluiten,
dezen en den volgenden dag te vertoeven, om verdere berichten in te
winnen. Hij deed zulks, maar zonder gevolg. Ook den derden gaf hij
nog toe, schoon hij in doodelijken angst verkeerde juist daardoor
de mogelijkheid te zullen verbeuren, van de geliefde nog op een der
hoofdwegen van Duitschland te achterhalen. Toen ook deze laatste poging
hem geen spoor deed ontdekken, moest hij eindelijk met een bloedend
hart besluiten, van verdere navorschingen af te zien en de reis naar
zijne woonplaats aan te nemen. Over Schaffhausen en Freiburg kwam hij
binnen weinige dagen te Heidelberg aan.

Het was in de eerste schoone dagen van Mei, dat hij deze bevallige
plaats, waar hij zoo menig vroolijk uur zijns levens had doorgebracht,
binnenreed. Hij betrad haar met weemoed. Zijne akademievrienden hadden
gelijktijdig met hem de stad verlaten. Slechts één jaar was verloopen,
en reeds zoude hij, eenige verre bekenden uitgezonderd, zich geheel
vreemd onder de jongelingen, die thans studeerden, bevonden hebben.

Alles, waarvan hij zich in het vooruitzicht zooveel genoegen voorspeld
had, het wederzien van zijn ouden, eerlijken huisbaas, het ontmoeten
van eenige huisgezinnen, waarmede hij weleer bevriend was geweest,
het bezoeken van zijne geliefde wandelplaatsen, die, thans met het
frissche groen der lente getooid, den ouden vriend schenen welkom te
heeten, dit alles wekte slechts eene sombere, zwarte zwaarmoedigheid
in hem op. Geheel moedeloos besloot hij eindelijk zijne reis naar huis
te bespoedigen, om in de armen der geliefde moeder en zuster troost
en opbeuring voor zijn smartelijk gewond hart te zoeken en tegen den
volgenden morgen nam hij eene plaats op den postwagen.

Toen hij des avonds zijne zaken gepakt en alles geordend had, trad hij,
om aan het avondeten deel te nemen, de spijszaal binnen. De gasten,
eenige vreemdelingen en enkele ongehuwde professoren uit de stad zelve,
zaten reeds aan tafel. Een der laatsten hield een dagblad in de hand,
waaruit hij het gezelschap de belangrijkste narichten betrekkelijk den
naderenden oorlog scheen medegedeeld te hebben.

„Wat nieuws is er?” vroeg Lodewijk, zonder eenig gewicht aan die vraag
te hebben.

„Wat den krijg betreft nog niets beslissends,” antwoordde een der
aanzittenden, „oprukken van troepen, berichten van het aankomen
en afreizen van generaals, lange opsommingen der vreeselijke
krijgstoerustingen des Franschen keizers; kortom alles wat wij
reeds sinds weken dagelijks herhaald zien. Maar nu en dan worden
de bladen ook in andere opzichten belangrijk. Zij leenen zich
in onzen romantischen tijd zelfs tot kleine romans en behelzen
brieven, die allen schijn van minnebrieven hebben. Lees hier deze
regels eens, waarover wij juist in gesprek waren.” Lodewijk wierp
een onverschilligen blik op het papier; doch nauwelijks had hij de
eerste regels gelezen, of hij was bijna niet in staat zich zelven
meester te blijven. De woorden, die de nieuwsgierige verwondering van
het gezelschap hadden gaande gemaakt en zijn hart aan eene hevige
slingering van afwisselende gewaarwordingen prijsgaven, luidden in
dezer voege:

            „Aan den onbekenden Vriend!

Den redder in den hoogsten nood, die de vreemde als ~zuster~
begroette, haar trouw als een broeder geleidde en beschermde, zij
vurige, onvergetelijke dank. Reet hij zelf ook die banden even snel
weder vanéén, als een hoogere hand ze had vastgeknoopt, hij verneme
toch, dat zijn wil geëerbiedigd wordt, dat innige dankbaarheid de
scheidende bezielt. Maar rukte een onbegrijpelijk toeval de zuster van
de zijde des broeders weg, o zoo geloove hij, dat diepe weemoed en
droefheid haar overal zullen vergezellen. Mochten de verwarde paden
der menschelijke lotwisselingen hem nog eenmaal de thans ver van hem
verwijderde doen ontmoeten, hij zal eene getrouwe zuster in haar
wedervinden, die hem gaarne alles wil ten offer brengen, daar zij hem
alles, alles verschuldigd is.

                                            De geredde B.....”

„Nu, wat zegt gij daarvan?” keerde zich de professor tot Lodewijk, die
het door tranen verdonkerde oog van de dierbare regels bijna niet kon
afwenden.

„Zonderling, inderdaad zonderling!” antwoordde hij haastig en zocht
zijne ontroering zoo goed mogelijk te verbergen. „Ik vind den brief zoo
roerend,” voegde hij er met een gedwongen lachje bij, „hij wekt zoo
duizend verschillende vermoedens en gissingen in de ziel op, dat het
lezen mij sterker getroffen heeft dan het moest. Maar ik ben nu eenmaal
zulk een romaneske droomer!”

„Het had bij ons allen dezelfde uitwerking,” hernam de ander; „want
juist het geheimvolle van deze woorden verwekt zulke zonderlinge
gewaarwordingen, dat men nooit jong, nooit met eenig dichterlijk gevoel
bezield moet geweest zijn, zoo men in zijne verbeelding niet het
bekoorlijkste vrouwelijke wezen voor zich staan en de zoetste tranen
vloeien ziet, welke ooit een helder oog verdonkerd hebben. Ja, ik zou
bijna durven beweren, dat elk mensch in zijn leven de een of andere
ontmoeting gehad heeft, waaraan hij hier op eene zonderlinge wijze
herinnerd werd.”

Het gesprek over dit onderwerp werd opnieuw zeer levendig en gaf
Lodewijk tijd om tot bedaren te komen. Het uur van den maaltijd scheen
hem eindeloos lang te duren, en niet zoodra was deze afgeloopen, of
hij stond op, maakte zich heimelijk van het kostelijke blad meester
en snelde naar zijne kamer. Hier gaf hij in een stroom van lang
weerhouden, heete tranen den beklemden boezem lucht. Door grievende
smart overweldigd, boog hij zich neder en smeekte uit het diepste
zijner ziel: „Algoede Vader! houd mij niet voor eeuwig van haar
gescheiden, laat het schoone gesternte nog eenmaal op mijn donker
levenspad lichten! Neen, niet daarom hebt gij mij de zaligheid des
levens getoond, om mij voor altijd weder in den duisteren afgrond der
vertwijfeling terug te stooten.”




TWEEDE BOEK.


HOOFDSTUK I.

„Nu is alles gereed, lieve moeder,” sprak Maria, met van vreugde
glinsterende oogen en een tevreden lachje op het zachte gelaat in de
kamer tredende en een sleutel op de tafel leggende, waaraan de moeder
zich met eenig naaiwerk bezighield. „Nu mag hij elke minuut komen: hij
vindt ons voorbereid.”

„Gij hebt toch ook de boeken in de kast in orde geschikt?” vroeg de
moeder.

„Ik heb niet het minste vergeten,” antwoordde het meisje, „en als hij
nog de oude broeder is, als zijne neigingen niet geheel veranderd zijn,
zal hem de nieuwe kamer gewis bevallen. Wat heeft zich alles toch
voorspoedig geschikt en hoe gelukkig, dat wij dadelijk eene woning
vonden, die voor ons allen ruim genoeg en zoo geheel naar onzen smaak
is! Maar nu kan ik het uur van zijne aankomst ook nauwelijks meer
afwachten, zoo verlangend ben ik, den trouwen, goeden broeder weer
aan het hart te drukken!—Doch gij, lieve moeder, zijt niet vroolijk
genoeg. Hebt gij eenige zorg, eenigen kommer.”

Met deze woorden boog zich Maria vol deelneming over de moeder heen en
sloeg den arm vleiend om haren hals. Deze zag de dochter geroerd in
het schoone, door de zoetste hoop verhelderde gelaat en sloot haar met
teederheid aan de kloppende borst. „Geene, lieve Maria, geene, dan die
het moederhart immer gevoelt. Wij hebben Lodewijk nu in twee jaren niet
gezien; hij heeft de wereld doorgezworven en ze van hare glansrijkste
zijde leeren kennen. Zal zijn toenmaals reeds zoo trotsch, vurig hart
in onzen huiselijken kring voldoening vinden? Zal hij met tevredenheid
op de levensbaan blikken, die vóór hem ligt?—Wanneer gij mij ook al
niet onvermengd vroolijk ziet als gij zelve u gevoelt, schrijf het
niet aan mindere, maar wel aan sterkere en daardoor meer bezorgde
liefde voor hem toe. Daar uw jong onervaren hart geene andere dan de
kleine huiselijke wereld kent, waarin wij ons met eenige vertrouwde
vrienden bewegen, daar al uwe wenschen in den beperkten kring, die ons
omgeeft, bevrediging vinden en dien nimmer overschrijden, gelooft gij
daarom, dat Lodewijk zich hier even gelukkig zal gevoelen?—Het zal
hem misschien met alle betrekkingen des levens even zoo gaan als met
zijne kamer; omdat de vensters het uitzicht op de Elbe hebben en het
slaapvertrekje in den tuin uitkomt, noemt gij ze heerlijk gelegen.
Vergeet echter niet, dat hij te Heidelberg den Neckar onder zijne
vensters voorbijstroomen en het tegen hem over gelegene trotsche
slot zich in de golven spiegelen zag, herinner u dat hij uit Italië,
uit Zwitserland terugkeert. Evenals onze landstreek hem wellicht te
eentonig, de ligging onzer woning hem te bekrompen zal voorkomen, kan
hij ook in onze burgerlijke, huiselijke, geheel vrouwelijke levenswijze
geene bevrediging voor zijne wenschen meer vinden. En wat dan nog,
wanneer een blik op zijne toekomstige loopbaan hem overtuigt, dat hij
zich steeds binnen die enge grenzen zal moeten beperkt zien? Meent gij,
dat hij dan gelukkig zal zijn?”

„O voorzeker, lieve moeder,” hernam Maria, „hij had immers altijd
een zoo licht bevredigd, welwillend hart, zooveel gehechtheid aan de
stille genoegens van onzen kleinen kring, dat hij zich ook verder onder
ons volkomen gelukkig en te huis zal gevoelen. Ik ben zeker, dat het
eerste gezicht zijner kamer hem geheel den ouden maakt. O, wanneer
hij nu slechts dadelijk terugkwam en zag, hoe de breede prachtige
Elbe tusschen de rozenstruiken voor het venster heenschemert, hoe de
avondzon achter de blauwe bergen van den anderen oever wegzinkt en
hare laatste stralen door de wijnranken in de kamer werpt! En dan de
nieuwe kast, waarin ik al zijne boeken geplaatst heb, zooals zij altijd
stonden, en vaders afbeeldsel boven de sofa en daar tegenover de lieve
kleine piano met de oude, welbekende muziekboeken, waaruit wij zoo
dikwijls samen gezongen hebben—o gewis, goede moeder, wanneer hij dat
alles weerziet, zal hij op eens weder geheel te huis bij ons zijn!”

„Gij, lieve dweepster,” sprak de moeder met een glimlach, „daar
gij, meisje, bij het zien van het sierlijke, zoo zorgvuldig door u
ingerichte vertrek eene kinderlijke vreugde gevoelt, meent gij, dat
het ook de wenschen des vurigen jongelings geheel moet bevredigen. Hoe
weinig kent gij de mannen en de wereld, Maria!”

„Maar ik ken toch mijn broeder, ik ken Lodewijk,” hervatte zij levendig
en een traan van zusterlijke liefde welde in haar blauw oog op; „ik
geloof niet, dat hij zich gelukkig zal gevoelen, omdat hij zijne kamer
in orde en bewoonbaar vindt, maar wijl hij dadelijk bespeuren zal, dat
hem hier de oude liefde, en de oude hartelijkheid der moeder en zuster
wacht!”

Een posthoorn liet zich hooren. „Hij is het!” riep Maria en snelde
naar het venster. Ook de moeder richtte zich met ontroering op, doch
eensklaps bezon zij zich en zeide:

„Waar denkt gij aan, Maria! Gelooft gij dan, dat hij als een voornaam
heer met extra-postpaarden hier zal aankomen? Bedenk toch, dat hij
slechts als student gereisd heeft. Misschien,” voegde zij er lachend
bij, „komt hij wel, omdat zijne beurs uitgeput is, zeer deemoedig te
voet zijne vaderstad binnenwandelen.”

Maria, die intusschen hare overijling had ingezien, wendde zich
weder tot de moeder met de woorden: „ik stel mij zijne komst op elke
wijze als mogelijk voor. Wanneer er bedaard en zachtjes aan de deur
geklopt werd, zou ik denken, dat hij het was, die ons door zijne
heimelijke komst dubbel verrassen wilde. Rijdt er eene fraaie koets
voorbij, waarom zou hij daarin niet kunnen zitten en in gezelschap
van een rijken vriend of reisgenoot zijn aangekomen? Verbeeld ik mij
de huisdeur of een mannelijken tred te hooren, dadelijk denk ik aan
Lodewijk en verwacht immer, hem de kamer te zien binnentreden.—Groote
hemel, daar is hij zelf!” riep zij, daar de deur inderdaad geopend
werd, en met den uitroep: „Broeder, beste broeder!” vloog zij den
binnentredende te gemoet en klemde zich in warme omhelzing aan zijn
hals vast. Zij kuste, snikte, lachte, weende in een adem en liet zich
half onmachtig naar de moeder dragen, die zich sidderende van de
sofa poogde op te richten, maar door den hevigen schok der vreugde
overweldigd, weder terugzonk, tot Lodewijk hare beide handen aangreep,
ze met heete vreugdetranen besproeide en diep getroffen zijn gelaat aan
de moederlijke borst verborg.

Deze legde beide handen zegenend op zijn hoofd, hief het oog ten hemel
en dankte in sprakelooze verrukking den Almachtige voor het wederzien
van den eenigen, boven alles beminden zoon. Maria had intusschen de
hand des broeders niet losgelaten; zij hield die met zachten druk
in hare rechterhand vastgeklemd, terwijl zij den linkerarm om de
moeder sloeg en hare gloeiende wang aan haar schouder drukte, als
wilde zij zich toch een klein deel van den stroom der moederlijke
liefde toeëigenen, die zich in dit oogenblik geheel over den broeder
uitstortte. Het was echter slechts om hem, toen hij het hoofd eindelijk
weder ophief, dadelijk opnieuw te kunnen kussen, streelen en door
duizend zusterlijke liefkozingen hare vreugde te kennen te geven.

Nadat de eerste oogenblikken, die in vreugde zoowel als in smart iets
verdoovends en overstelpends hebben, voorbij waren, gevoelden zich de
drie nauwverbonden harten in dien onbeschrijfelijk zaligen toestand
verplaatst, waarin men kalm genoeg is om zijn geluk geheel te bevatten,
en toch nog de geheele frischheid van den eersten indruk geniet. Dan
eerst verheugt men zich recht in het bezit en geniet de gaven, waarmede
de weldadige Godheid ons plotseling in ruime mate overstelpt heeft.

Nu namen ook die vroolijke ontboezemingen van innige hartelijkheid een
aanvang, dat vragen naar duizend lieve kleinigheden, dat te binnen
roepen van ontelbare herinneringen, die zoete, eerste uitstorting
der volle harten, dat mededeelen van de nieuwste, zachtste indrukken
der ziel, door wier onderlinge uitwisseling men als het ware eerst
weder recht met elkander vereend en vertrouwd wordt en de kleine
vervreemdingen doet verdwijnen, die tijd en afstand ook in de nauwst
verbonden gemoederen plegen te weeg te brengen.

Maria streek haren broeder de lokken van het voorhoofd en snapte,
het oog vol teederheid op hem gevestigd houdende: „Gij zijt geheel
onveranderd, broeder; uw voorhoofd is slechts wat bruiner en
mannelijker geworden, maar nog open en edel als eertijds. Wanneer gij
u achter eene heg verborgen hadt en ik niets anders van u had kunnen
zien, zou ik u toch dadelijk herkend hebben.”

Lodewijk blikte in het vriendelijk oog, dat hem met zooveel liefde te
gemoet straalde.

Hij beantwoordde het kinderlijke spel door haar de eene hand op het
voorhoofd te leggen en met de andere het gelaat te bedekken, zoodat
slechts de oogen zichtbaar bleven. „En u,” zeide hij, „zou ik in het
verre Sicilië herkend hebben, wanneer gij, zooals nu door mijne beide
handen, door de opening van groene jalousieën hadt uitgezien. Uw lieve
blauwe oogen zouden u terstond verraden hebben. En toch komen zij mij
nog helderder voor dan eertijds; ja, lieve zuster, gij zijt in alles
schooner geworden.”

„Ga toch!” zeide Maria en keerde zijne handen zachtjes van haar gelaat
af, dat door een licht blosje hooger gekleurd werd. „Wij willen elkaar
liever vrij en ongedwongen aanzien. Ook moet gij mij duizend dingen
vertellen, waarnaar ik u lang had willen vragen. Doch halt! zeg mij
eerst, zijt gij met den wagen gekomen, die hier zooeven met vier
postpaarden voorbijreed?”

„Met denzelfden, Maria,” antwoordde Lodewijk, „maar ik wilde u
verrassen, daarom was ik reeds aan den hoek uitgestegen en sloop in
huis, terwijl de wagen voorbij dreunde, zoodat gij niet eens het
opengaan van de deur kondt hooren.”

„Dat was heerlijk van u bedacht; en hoe goed is het gelukt!” riep
Maria. „Maar hoe kwaamt gij aan dien wagen met vier paarden?”

De moeder scheen eene dergelijke vraag op de lippen te hebben. Lodewijk
antwoordde: „Zeldzaam genoeg, lieve moeder; reeds in Zwitserland had
ik kennis met eenige Poolsche officieren gemaakt, die ik in Leipzig
opnieuw aantrof. Nu drongen zij er bij mij op aan, dat ik met hen
rijden zoude en ik maakte met vreugde van het vriendelijk aanbod
gebruik. Van uwe goedheid, lieve moeder, zal ik echter de beantwoording
dezer beleefdheid verzoeken moeten, want ik zal bezwaarlijk kunnen
vermijden, hen uit te noodigen nu en dan ons huis te bezoeken.”

„Wanneer zij in den stillen kring van twee vrouwen behagen scheppen,”
hernam de moeder, „weet gij, dat uwe vrienden mij steeds welkom zijn.”

„Maar gij hebt uwe kamer immers nog niet gezien,” riep Maria met
levendigheid uit; „o, die moet ik u dadelijk toonen! En waar zijn dan
uwe koffers?”

„Die kunnen wij naderhand uit het Hôtel de Pologne laten afhalen, lieve
zuster. Zij waren zoo met die mijner vrienden bijeengepakt, dat ik ze
niet spoedig genoeg krijgen kon; ook heeft het immers thans geen haast.
Toon mij nu, waar ik wonen zal.”

„Zeker recht aardig, en mij dunkt, alles is zoo ingericht, dat gij er
terstond smaak in zult vinden,” sprak Maria en huppelde, den sleutel in
de hand, vroolijk vooruit.

Toen Lodewijk het stille, vriendelijke vertrek binnentrad, overviel hem
een onweerstaanbaar gevoel der diepste weemoedigheid. Het ligt in den
mensch, zijne smart levendiger te gevoelen, wanneer hij een schijn van
geluk om zich heen bespeurt. De liefde van moeder en zuster had hem
zoo hartelijk ontvangen, en de kamer, welke hij thans binnentrad en
waar hij alles vereenigd vond, wat hem ooit belangstelling ingeboezemd
en gelukkige uren geschonken had, leverde van die liefde een nieuw
bewijs op. Vóór weinige weken nog zoude hij zich zoo gelukkig in
dat bewustzijn, zoo tevreden in dezen vertrouwelijken kring gevoeld
hebben, en thans werd de grievende, maar zekere overtuiging bij hem
levendig, dat dit alles slechts een schijn van geluk opleverde. Wat hem
tot hiertoe bevredigde, verblijdde, zijn hart geheel vervulde, had
plotseling alle kracht verloren en kwam hem te akeliger voor, naarmate
het hem voorheen dierbaarder geweest was.

In hare argelooze vreugde kon Maria niet vermoeden, hoe hevig zijne
ziel geschokt was; zij hield den traan die in zijn oog blonk, voor
een tolk der vroolijke verrassing of geloofde hem aan de zoete, oude
herinneringen gewijd, die ook in haar met vernieuwde levendigheid
ontwaakten en ook haar tranen van zachte verteedering in de oogen
joegen. „Niet waar, Lodewijk, wij verstaan elkander?” vroeg zij, en
drukte hem met een glimlach de hand.

„Neen! neen! wij verstaan elkander niet!” weergalmde het luid in zijn
binnenste, doch hij opende zijne lippen niet, verwrong ze tot een
smartelijk lachje en liet de zuster de hand, die zij inniger in de hare
sloot.

„Wat schoone rozestruiken,” zeide hij na eenig stilzwijgen, „en vol
knoppen!”

„Zij waren altijd uwe lievelingsbloemen,” hervatte Maria, verheugd dat
hij den blik naar het venster wendde: „en hier staan ook viooltjes.
Vormen zij niet een schoonen voorgrond van het landschap daar in de
verte? Blinkt de Elbe niet als zilver tusschen de groene bladeren door,
en de avondzon als goud en de hemel blauw of, als de ondergaande zon
hem kleurt, als gloeiend purper?”

„Purper, zilver en goud en azuurblauw en groen der bladeren, hoe
tooverachtig klinkt dat; men zou wanen in het zuiden van Italië te
zijn! Maar gij hebt gelijk, lieve zuster, het is hier recht schoon,”
antwoordde Lodewijk en trachtte onder eene gezochte wending zijne ware
gevoelens te verbergen.

Maria opende nog twee vensters, om aan de zachte Meilucht den vrijen
toegang in het vertrek te laten. Den arm om haren hals geslagen, trad
de jongeling aan het venster en vestigde het oog op den breeden,
glansrijken stroom. Hij zweeg, Maria eveneens; doch haar zwijgen was
dat der schoonste innerlijke gemoedsrust, het zijne dat van het stomme
sprakelooze zielelijden. Had zij thans het flonkerend oog opgeslagen,
zij zou in zijne bleeke gelaatstrekken, in zijne sombere blikken
gelezen hebben, dat eene zware strijd zijn binnenste schokte.

„Vertel mij nu iets van moeder, lieve Marie,” begon hij eindelijk; „zij
ziet er bleek uit, is hare ziekte bedenkelijk? Lijdt zij nog aan de
borst?”

„De geneesheer geeft bij voortduring de beste hoop en wij verwachten
alles van den zomer, beste broeder,” antwoordde zij geruststellende.

„En hoe leeft gij overigens in dezen onrustigen tijd? Is moeder
bezorgd, zijt gij het?”

„Nu gij hier zijt, ben ik ook weder geheel zonder vrees,” hervatte het
meisje en vlijde zich zacht aan den broeder. „Tot hiertoe heeft het
ruwe krijgsgewoel en zelfs de glansrijke wapenpracht, die men hier
ten toon spreidt, mij beklemd en beangstigd. Morgen zegt men, komt de
keizer zelf; vele vorsten zijn reeds verzameld om hem te ontvangen.
Welk een geweld moet die man toch op de menschen uitoefenen! Hoe is hij
wel in staat, hen tot zulke vreeselijke opofferingen te bewegen, die
zij hem toch gewis niet dan met innerlijken weerzin brengen? Slechts
onze koning niet, die hem met onzinnige verblinding aankleeft, die...”

„Spreek niet verder, Maria,” viel Lodewijk haar met ernst in de rede.
„Veroordeel niet, waar de verstandigste huivert een vonnis te vellen.
Weet gij, wat een vorst al in de weegschaal heeft te leggen? Beseft gij
de onwederstaanbare kracht, welke een reuzengeest, als die des keizers
in staat is uit te oefenen? Plicht en gevoel mengen zich hier dikwijls
zoodanig dooreen, dat het den scherpzinnigste niet gelukt ze behoorlijk
te onderscheiden.”

„Hoe,” sprak Maria met smartelijke verwondering, „zoudt gij ook een
aanhanger van den man zijn, die ons vaderland in zulk eene namelooze
ellende gestort heeft en het nog dagelijksch rampzaliger maakt?”

„Lieve zuster,” antwoordde Lodewijk, „gij spreekt als een meisje, maar
tevens als vele mannen, die slechts op het naastbij gelegene achtgeven,
niet de keten van oorzaken en gevolgen overzien, welke Duitschlands
beklagenswaardigen val hebben voorbereid, die niet meer oordeelen
kunnen daar zij reeds partij in den strijd gekozen hebben. Houdt gij
mij voor een vijand van het vaderland? Hoe echter, wanneer een volkomen
oprecht, niet een gehuicheld aansluiten aan Frankrijk alleen in staat
was het vaderland te redden?—Maar laten wij dat daar; dat zijn
moeilijke vragen, die ons thans niet bekommeren en ons de eerste uren
des wederziens niet verbitteren moeten.” Maria zweeg en sloeg het oog
onrustig neêr.

„Zie mij aan,” ging Lodewijk voort, „ik ben eerlijk en trouw als immer,
ben uw broeder als voorheen; gij moogt mij nog van harte liefhebben,
want ik heb niets gedaan, dat mijner onwaardig was. En of ik het
welzijn van mijn vaderland wil? Maria, zoudt gij daaraan twijfelen,
ook zelfs wanneer ik het langs een anderen weg wilde dan gij, dan zoo
velen, die gelijk met u denken?”

„O, gij zijt voorzeker braaf en goed van ganscher harte,” riep Maria;
„maar daarom zoude het mij toch even diep bedroeven, wanneer wij hierin
verschillend dachten.”

„Wij zullen elkander wel leeren verstaan,” hervatte Lodewijk; „laat ons
thans naar moeder terugkeeren.”

Zij gingen.

Daar Lodewijk met mannelijke kracht zijne stemming meester werd
en in het verhaal zijner reizen, dat hij opzettelijk uitvoerig en
stelselmatig inrichtte, eene afleiding vond, die hem verhinderde zich
aan zijne sombere mijmeringen over te geven, vloog de avond onder
vertrouwelijke gesprekken spoedig daarheen, veraangenaamd door de
liefderijke, echt zusterlijke oplettendheden van Maria, die alles
aanwendde, om het den broeder in het moederlijke huis recht genoegelijk
te maken, zijne geringste wenschen te vervullen en, zoo dacht zij, na
het gesprek op zijne kamer en zonder het zich zelve te willen bekennen,
hem weder geheel de hare te doen worden. Want zonder het te berekenen,
gevoelde zij toch, hoe vast de mensch door de kleine, fijne draden des
dagelijkschen levens en der naaste betrekkingen omsponnen wordt, en
hoe hij door deze gebonden, dikwijls aan eene grootere macht weerstand
biedt, of wel gemakkelijker eene sterke boei verbreekt, dan hij zich
van die duizend bijna onzichtbare weefsels kan loswinden.


HOOFDSTUK II.

Den volgenden avond leverde Dresden het trotsche schouwspel der
samenstrooming eener ontzaglijke volksmenigte en der geordende
tentoonstelling eener schrikwekkende krijgsmacht op. De intocht des
keizers, dien men met eene sombere, aan bange ontzetting grenzende
spanning te gemoet zag, was de reden van dit rusteloos wenden en woelen
in de anders min levendige stad. Zijne verschijning zoude het teeken
zijn tot eene onderneming, wier reusachtige stoutheid zelfs de koenste
hoofden deed duizelen. Aan dit gevoel paarden zich de gewaarwordingen
van schrik, van haat of van bewondering, welke de zeldzame man allen
zijnen tijdgenooten inboezemde; gewaarwordingen, die bij sommigen
wellicht elk afzonderlijk opwelden, doch bij de meesten gelijkelijk
gepaard gingen.

Het was de vijftiende Mei.

Lodewijk had moeder en zuster naar het huis eener vriendin gebracht,
waar zij den intocht des keizers zonder stoornis konden zien. Hij zelf
verkoos onder den woeligen, onrustigen volkshoop te blijven, die in
ongeduldige verwachting de straat op en neder golfde.

Eensklaps hoorde hij zijn naam noemen. Het was Rasinski, die op een
prachtigen poolschen schimmel door de onafzienbare gelederen der
soldaten reed en met lossen teugel op hem toerende.

„Goeden avond, mijn vriend van den Gotthard!” riep hij Lodewijk toe,
„u heden reeds weer te zien had ik niet verwacht, want wij hebben
een drukken dag gehad. Ik heb mij zooals gij ziet, reeds uitgerust;
Boleslaw en Jaromir zoeken nog naar paarden. Binnen een uur zal de
keizer hier zijn, en ik weet, dat zij gaarne den dubbelen prijs
betalen, om, als hij aankomt, nog in zijn gevolg te zijn.”

Daar Lodewijk met een officier sprak, lieten de gebaarde krijgers,
die dezen omringden, hem gewillig den toegang. Hij reikte Rasinski de
hand. Toen hij den fraaien man in zijn schitterende uniform zoo fier en
ongedwongen te paard zag en in het zwarte oog de krijgszuchtige vreugde
zag flonkeren, die hem zelfs boven de diepe smart over zijn ongelukkig
vaderland verhief, moest hij bijna onwillekeurig den stand benijden,
die het leven zoo frisch, zoo schuimend en bruisend geniet, daar hij
slechts van het naaste oogenblik verzekerd is. Het scheen hem alsof de
toekomst, hoe treurig, geen zorg kon baren, alsof het noodlot zelfs
alle macht over het menschelijk hart moest verliezen, waar het niet
met toekomstige rampspoeden bedreigen, niet door verre verwachtingen
misleiden kan, maar de schaar der Schikgodin elk oogenblik bereid is
den draad af te snijden, en de mensch dus slechts op uren, niet op
jaren van geluk zijne hoop en uitzichten vestigt.

„Gij beschouwt mij zoo nauwkeurig,” vroeg Rasinski, „is er iets aan
mij, dat uwe aandacht wekt?”

Lodewijk wilde antwoorden, toen zich eensklaps het geroffel der trommen
deed hooren en de soldaten hunne gelederen ordenden en sloten, zoodat
hij zich ijlings uit den kring verwijderen moest. Een generaal kwam met
een luisterrijk gevolg van het slot aanrennen; het was de koning van
Napels, die in zijne met goud overladen, vreemdsoortige huzarendracht,
op een snuivenden andalusischen goudvos in waarlijk koninklijke houding
voorbij reed, om den keizer bij den Freiberger slagboom op te wachten.
Zijn fonkelend oog vloog met bliksemsnelheid over de scharen heen; hij
scheen tevreden. Rasinski had zijn paard ter zijde gewend en begroette
den generaal met eerbied; deze hield stil, sprak eenige woorden met hem
en drukte hem vertrouwelijk de hand. Men bespeurde, dat deze eervolle
onderscheiding den ganschen stoet een zekere achting voor den poolschen
generaal inboezemde, want zelfs de generaals boden hem, toen hij zich
in hun midden voegde en zich bij het gevolg aansloot, een minzamen
groet.

De prachtige ruiterschaar, waaronder zich maarschalken, generaals, de
voornaamste staf-officieren en ook vele Duitsche vorsten bevonden,
stoof spoedig voorbij, de Slotstraat door en op de Wilsdrufferpoort
toe, welke de keizer moest binnenrijden. Vroolijke stoutheid, zelfs
koene overmoed, was op aller gezichten te lezen. Lodewijk stond eene
wijl in gepeins verzonken en liet zijne gedachten den vrijen loop,
toen de naderende hoefslag van eenige paarden hem deed omzien. Het
waren de beide jongere Polen, Boleslaw en Jaromir, die met losse
teugels voorbij stoven om den trein nog in te halen. Ook zij bemerkten
Lodewijk en wierpen hem in het voorbijsnellen een vriendelijken
handgroet toe.

Gij gelukkigen, dacht hij, wat zou uw vroolijken moed kunnen doen
wankelen, daar gij de toekomst met geen ander verlangen te gemoet
ijlt, dan om elk oogenblik uw leven voor uwe dierbaarste wenschen op
het spel te zetten! Gij wint wanneer gij zegepraalt en uw wit bereikt,
gij verliest niet wanneer gij eervol sneeft, eer gij de vruchten hebt
mogen plukken! Gelukkig ieder krijgsman, maar bovenal gij, die zoo van
heeler harte der zaak zijt toegedaan, voor welke gij strijden zult,
die, terwijl gij de stem der eer en der roem volgt, te gelijker tijd
den heiligsten en zoetsten plicht vervullen kunt!—In zulke gedachten
verdiept, liet hij zich door de golvende menigte voortslepen, zonder op
haar zijne aandacht te vestigen of te bemerken, wat rondom hem voorviel.

Plotseling hoorde hij luide zijn naam uitroepen, en toen hij zich
omkeerde, voelde hij zich door mannelijke armen omstrengeld, terwijl
een warme kus van broederlijke vriendschap op zijne wang brandde, nog
eer hij den tijd had gehad te ontdekken, wie zijner vertrouwde vrienden
hem zoo hartelijk begroette. „Lodewijk! herkent gij mij dan niet?”
vroeg de vriend, met verbazing de verrassing en onzekerheid bemerkende,
welke Lodewijks gelaatstrekken onmiskenbaar uitdrukten. „Hebt gij mij
dan zoo geheel vergeten of ben ik dan zoo ontzettend veranderd?”

„Bernard, mijn goede, beste Bernard!” riep deze thans; „zou ik u niet
herkennen? Maar hoe kon ik u hier vermoeden?”

„Nu voor den drommel, toch even goed als ik u,” juichte Bernard, hem
vroolijk onder de oogen ziende, terwijl hij de hand, die hem nog steeds
vasthield, met warmte drukte.

„Mijne zuster zeide mij gisteren nog dat gij sinds twee jaren in
Noorwegen en Schotland rondzwierft.”

„En ik, die ook gisteren pas ben aangekomen, wist van u niet anders dan
dat gij op den Vesuvius of Etna omklauterdet. Maar zou ik u daarom niet
herkennen? Al had ik u op den Hekla ontmoet,—om nu ook maar dadelijk
den derden vuurbalg in Europa te noemen—meent gij dat ik u voor een
ijsbeer zou hebben aangezien?”

„Maar gij paktet mij zoo onverwachts aan en smoordet mij bijna in uwe
armen, ik had immers pas een seconde...”

„En ik pas eene halve, want ik zweer u, dat ik niets van u gezien
had dan hoogstens een achtste profiel, toen ik juist uit de
Wilsdrufferstraat kwam en gij voorbij schoot. Maar al had ik ook enkel
deze lok van uw haar in den wind zien fladderen, ik zou u herkend
hebben, daar ik oude vrienden in 't geheugen houd, en dat doet gij
niet, gij verrader!”

„Omdat gij een schilder zijt,” sprak Lodewijk glimlachend en verheugd,
den trouwen makker nog geheel den ouden te vinden; „een schilder, die
van zijne vrienden slechts de omtrekken in het hoofd houdt, terwijl wij
meer op het innerlijke letten en hem daarom des te meer beminnen.”

„Ook goed; maar ik doe beide en zou een bont slangenvel juist niet
bijster hartelijk omhelzen; wie echter als gij eene dragelijke ziel in
eene dragelijke huid rondvoert, die kan op mijn geheugen staat maken.
Maar zou het niet verstandiger zijn, broertje, dat wij bij den Italiaan
Longo onder dak kropen en gingen zitten en dronken en elkaar de zonden
der verloopen jaren opbiechtten? Het verveelt mij reeds lang, mij
hier door elken pakhuisknecht, snijdersgezel of brillenjood te laten
aangapen en op de teenen trappen: men raakt al die drukte ontwend, als
men zoolang op de Schotsche bergen heeft omgezworven. Kom, een glas
italiaansche wijn smaakt hem, die uit Napels komt, in de herinnering,
en hem, die van de Hebriden aanlandt, in het vooruitzicht even
kostelijk. Kom dan, want ik heb eigenlijk een donkeren hoek noodig om
mijn waarachtig reisrelaas op te dreunen, en ik zal tusschenbeiden een
duchtigen slok nemen, zoodat ik 't op den wijn kan schuiven, als mij nu
en dan een kleur in 't gezicht stijgt, die het janhagel schaamteblos
noemt. Kom vriendje, kom!”

Bernard was van kindsbeen af de schoolmakker en boezemvriend
van Lodewijk geweest; reeds van oudsher had hij zijne diepere
gewaarwordingen, zooals dat menschen van een krachtigen wil meer eigen
pleegt te zijn, met den sluier der scherts en van den spot trachten te
bedekken; zijne vertrouwde vrienden kenden echter het edele gelaat,
hetwelk zich achter dat grijnslachend masker verborgen hield. Lodewijk
was derhalve overtuigd, dat Bernards ontroering en vreugde over het
onverwachte wederzien niet geringer waren dan zijne eigene, en voldeed
gewillig aan diens uitnoodiging, daar hij wist, hoe gaarne Bernard
den vurigen gloed zijner ziel door de kracht van den wijn tot heldere
vlammen placht op te jagen.

„Geef ons eene flesch Syrakuser, Signor Longo, of Lacrymaë Christi,”
riep deze bij het binnentreden; „maar zorg, dat ze vurig, geurig en
krachtig, kortom dat ze echt zij.—Kom hier aan 't venster, Lodewijk,
waar wij het volk kunnen zien woelen en tot een barometer gebruiken,
die ons aanwijst wanneer het tijd is voor den dag te springen om den
keizer te zien.”

De wijn kwam, de vrienden klonken; Bernard ledigde zijn glas, Lodewijk
had het zijne slechts even aan de lippen gebracht.

„Ik dien vooraf wel eene pleitrede te houden,” begon de eerste,
„om niet in eene valsche verdenking bij u te komen. Gij mocht eens
gelooven, dat ik een zuiper geworden was, wijl ik dat edele vocht zoo
gulzig binnenzwelg als een vampyr het hartebloed. Neen, broertje!
slechts op hooge feestdagen steek ik zulke vreugdevuren aan, maar dan
wil ik ook dat zij ras in vlam staan. Maanden lang leef ik ingetogen
als een Carthuizer of Spartaan, van tijd tot tijd echter moet men den
levensdroesem, dien de beste kerel zoo goed afscheidt als het edelste
metaal, in zulk vuur oplossen. In den grond is het niets anders dan
het logge, aardsche lijf des filisterdoms, dat men op dien vlammenden
brandstapel verteert, opdat de ziel zich reinige als asbest en
ontslagen worde van hare banden en juichend opstijge als een feniks uit
de asch. Ik was sedert ettelijke maanden weer sterk aan 't aanzetten,
zoodat hart en ziel in de aarden korst, die zich daaromheen bakt als
de schelp om de parel, bijna stikken moesten en de arme dingen zich
in de verwenschte kooi de vleugels lam sloegen; want ik hield een
engelsche lord gezelschap op zijne reis naar Duitschland—waarom zeg ik
u naderhand wel eens—en derhalve wordt het tijd, dat ik de lont in 't
kruit steke en den rommel in de lucht doe springen. Klink meê! Wat ons
lief is! Dat is en blijft mijn oude heildronk.”

[Illustratie: Lodewijk hief het glas op, stiet aan en ledigde het met
              aandoening.]

Lodewijk hief het glas op, stiet aan en ledigde het met aandoening.
Hij maakte thans de ervaring, dat, wanneer onze ziel ergens mede
vervuld is, zij ook door alle toevallige uiterlijke aanrakingen en
ontmoetingen daarop wordt teruggebracht en dat niets zoo vreemdsoortig
is, dat haar daaraan niet op eenige wijze herinnert. Het is waar, de
herinnering door Bernards heildronk opgewekt, was zeer natuurlijk, maar
ook elke andere omstandigheid, elk ander voorval vond in hem steeds een
verbindingspunt met het voorwerp zijner liefde. In de eenzaamheid hield
hij zich met haar bezig, in het woeligste gedruisch vormde zij het
tegenbeeld van alles, wat hem omringde, evenals de zeeman te midden der
onstuimige golven slechts het stille lichtpunt van den verren vuurtoren
in het oog houdt.

Maar ook Bernard werd, nadat hij gedronken had, een oogenblik nadenkend
en zag peinzend voor zich neder; de eene of andere zoete, maar
weemoedige herinnering, dit bemerkte zelfs Lodewijk in weerwil zijner
eigene ontroering, gleed over het koene, fiere voorhoofd heen, evenals
het dichte wolkenfloers zich soms voor eenige oogenblikken vaneen
scheurt en de stille maan laat aanschouwen, wier zachte gloed voor ons
oog zoo lang werd verduisterd. Doch spoedig werd hij die verteedering
meester, terwijl zijn oog eenige fonkelende vuurstralen door den
donkeren gezichteinder liet kruizen, als ware hij beducht zijne
aandoening te hebben verraden.

„Wat ons lief is,” riep hij uit, „vurige kussen of vurige wijn! Eene
kuische Muse of eene lokkende Aspasia! Mijn dronk legt ten minste
niemand boeien of voetangels aan. Wie er meê in het moeras wil blijven
steken, het is zijne zaak; wie de vleugels uitspreidt om naar de
sterren te vliegen, goede reis! wie in stilte zijne eigen gezondheid
drinkt, in 's hemels naam, ik zal het hem ook niet verbieden, ja, ik
drink zelfs meê.—Maar drink dan toch, Lodewijk, en zie mij aan en
vertel, waar gij gezworven hebt die vier jaren, dat wij elkander niet
gezien hebben.”

Lodewijk verhaalde het een en ander van zijne studiën en zijne reis,
doch zweeg van Bianca.

„En ik,” dus nam Bernard het woord op, „kan even kort zijn. Nadat
gij vertrokken waart, copiëerde ik een jaar lang staag drie narren-
of apentronies tegen één Raphaël, zoodat het mij ongeveer als de
soldaten ging, die, na drie dagen streng diëet, den vierden wat beter
kost krijgen dan brood en water. Dat verdroot mij; en nu begon ik
staljongens, keukenmeiden, oude heksen bij 't spinnewiel, kwakzalvers,
tandmeesters, dronken boeren, ja zelfs zwijnenkotten en aangrenzende
departementen naar 't leven op het doek te tooveren, en dat bracht
geld aan. De menschen toch hebben het meest met die kunstwerken op,
waarin zij hun eigen natuur het getrouwst weervinden.—Wat ik in de
beschaafde wereld gewonnen had, besloot ik in de wildernis te verteren,
in Noorwegen en Schotland namelijk, daar 't mij reeds lang op de leden
lag, mijn hart aan die koude noordsche landschappen eens ter deeg te
verwarmen. Zonder grootspraak, Lodewijk, ik heb ettelijke zeestormen,
een half dozijn rotsen en een paar watervallen geschilderd, die
misschien een handvol zilverlingen waard zijn en meer nog. Maar dit in
't voorbijgaan. Pas was ik te Londen, of daar kwam een brief van mijn
oom, die mij allerlei zotternij van mijne geboorte, mijne ouders en
ik weet niet wat al niet meer voorleuterde, die mij eene poos geheel
van streek bracht. Spoedig echter wierp ik den ganschen rommel, die
eigenlijk op niets anders neerkwam, dan dat mijn vader een schelm was,
die zich zijn leven lang niet om mij bekommerd had, door alle vensters
van mijn hart uit; want ik had in die dagen aan vrij wat gewichtiger
dingen te denken dan aan zulke kleinigheden. Ik was blij, dat ik mijn
bestaan eigenlijk aan niemand te danken had, en besloot meer dan ooit
de wereld te trotseeren en te veroveren, wat ik bezitten wilde. Dat was
toenmaals niet weinig, broertje, want....”—

Hier hield hij op. „Want?” herhaalde Lodewijk.

„Stil! hoort gij dat kanonschot? De keizer komt! Zie hoe het volk in
beweging raakt! Daar dienen wij bij te zijn, kom, vriend, naar buiten!”

Met deze woorden sprong hij op en sleepte Lodewijk driftig met zich
voort.

De menigte, die zich tot hiertoe zonder bepaald doel op en neder
bewoog en zich ook hier en daar meer in de verte verspreid had, vloeide
nu van alle zijden te zamen en stroomde op de Wilsdrufferpoort toe.

Intusschen was het bijna geheel donker geworden; men ontstak reeds de
lantaarnen, en ook de pekkransen, die tot meerdere verlichting der
straat dienen zouden, was men bezig in gereedheid te brengen.—„Wij
zullen een nachtstuk te zien krijgen,” zeide Bernard, „daar ben ik een
vriend van. Nu de keizer zich zoo lang heeft laten wachten, wensch ik
ook maar dat hij nog wat langer uitblijve, anders branden vuurbekkens
en lantaarnen niet helder genoeg, om zijn gezicht niet behoorlijk te
kunnen opnemen”.

Het was inderdaad slechts een loos alarm geweest; men had een ander
rijtuig voor dat des verwachten gehouden. De saamgeschoolde menigte
verstrooide zich weder.—„In het somber kerkerhol werd het mij te eng,”
ging Bernard voort; „laat ons hier liever de vrije lucht inademen.” Zij
wandelden tusschen de woelende en wendende volkshoopen op en neder,
die, half door het roodachtig schijnsel der ontvlammende pekkransen
bestraald, half in het duister van den nacht gehuld, eene zonderlinge
vertooning opleverden. „Zie eens, broeder,” sprak Bernard, „hoe vredig
de zachte Meihemel zijn helder sterrenkleed uitspreidt over de woelige
aarde, welker gedruisch tot hem niet doordringt.—Doch hoor! Het komt
nader en nader het gejoel! Nu moet er toch iets ophanden zijn.” Hij
sprong op den nog ledig gebleven drempel eener stoep, die voor twee
plaats bood. „Daar komt hij!” riep Bernard en wees op een wagen,
waarachter men vele ruiters ontdekte, wier sabels en lansvaantjes
in rooden vuurgloed blonken. Het was de poolsche edelgarde, die den
wagen begeleidde. De keizer zat in een hoek gedoken en scheen zich
niet te willen vertoonen. Doch, dicht bij de plaats gekomen, waar
de beide vrienden stonden, boog hij zich, daar eenig toeval den
doorgang stremde, uit het portier voorover, en men kon zijne, door den
toortsgloed hel verlichte gelaatstrekken onderkennen. „Dat is hij!”
fluisterde Bernard met ingehouden adem. Alles in het rond was doodstil,
als had het oog des machtigen, die de wereld met zijn roem en zijn
schrik vervulde, dit eerbiedig zwijgen geboden. Bernard en Lodewijk
hielden hunne blikken onbewegelijk op het hoofd des keizers gevestigd.
Eerst toen het verdween en het rijtuig verder rolde, ontwaakte Lodewijk
als uit eene zinsverdooving en wendde zich tot Bernard. Nog meer dan
over zich zelven, verwonderde hij zich over dezen; want de zeldzame
mensch, die den ernst bijna nimmer over zich meester liet worden, dien
ten minste niet dan hoogst zeldzaam blijken liet, stond thans roerloos
als een marmerbeeld en hield de vurige, sombere blikken strak en
onwrikbaar op de plek gericht waar de keizer verdwenen was. „Bernard!”
riep Lodewijk hem in het oor en vatte hem bij de hand.

Thans ontwaakte hij en staarde den vriend verschrikt aan. „Ja, zoo!”
hernam hij, zich met de hand langs het voorhoofd wrijvende. „Hm! Hij
zag er goed uit! Een schilder mag wel oplettend zijn op zijns gelijken.
Zóó had ik hem mij niet voorgesteld. Geen enkele schoone trek in het
gansche gezicht en toch zoo'n zeker iets! Op mijne eer, ik weet nog
niet, met welk soort van lijnen en strepen men uitdrukt hetgeen op zijn
voorhoofd stond en wat ik in zijn oog gelezen heb!—Maar ik bid u,
zie nu eens al die verdraaide, alledaagsche, scheeve, laffe, nuchtere
tronies hier om ons heen! Heb ik dan nog nooit een gezicht gezien? Zijn
dat gezichten? Ik weet niet wat ik er van denken moet, maar mijn leven
lang heb ik niet zoo veel versleten, misselijke, flauwe, verdroogde
kalfskoppen bij elkander gezien. Als ik den kring rondkijk, is 't mij
of ik een slok zeepwater na een beker Johannesberger moest naar binnen
slaan.”

Lodewijk zocht te vergeefs naar een beeld of naar woorden, om den
indruk, dien hij ondervond, weer te geven.

„Mij scheen het,” begon hij, „alsof eene machtige adelaar met
uitgespreide wieken te midden eener schaar van geringe vogels
voorbijtoog.”

„Juist, juist, gij hebt gelijk,” antwoordde Bernard, „louter ganzen,
eenden, nachtuilen en spreeuwen. Of liever een leeuw, die door een
hoop ezels voorbijdraafde. En voor den duivel, slenterden wij ook niet
meê met den troep? of denkt gij, dat onze twee gezichten als zijne
bijzonnen geblonken hebben aan het grauwe firmament, dat hem omgaf?”

Onder deze woorden had hij Lodewijk bij den arm gevat en voerde hem uit
den stroom van het gedrang in een stille zijstraat. Ernstig en zwijgend
wandelden zij nevens elkander voort. Eensklaps sprak Bernard: „Goeden
nacht, broeder! Tot weerzien op morgen!” rukte zich van den vriend los
en verdween in het duister. In somber gepeins verzonken ging Lodewijk
naar huis; zelfs het vriendelijke: „Goeden nacht!” hetwelk Maria hem
toewenschte, kon zijn gefronst voorhoofd niet ontrimpelen.


HOOFDSTUK III.

Den volgenden morgen deed Lodewijk eene wandeling op het Brühlsche
terras. Eensklaps stond Bernard voor hem. „_Salve!_” riep deze hem toe.
„Zoo even heb ik onzen Pluto of Jupiter, of hoe gij hem noemen wilt,
zien voorbijrijden.”

„Den keizer?” riep Lodewijk met vuur, terwijl hij de aangeboden hand
vriendschappelijk drukte; „nu, hoe ziet hij er bij dag uit?”

„Ik weet waarachtig niet, hoe ik u dat beschrijven zal,” begon Bernard;
„het was een leven als de hel; klokkenspel, kanonschoten, volksgewoel,
troepen, die naar de parade wilden, kortom een satansch geweld, maar ik
hoorde er niets van. Wanneer ik mij als schilder den keizer voorstel,
dan had hij, dacht mij, een aschgrauw gezicht, hoekig, puntig, ongeveer
zóó, als een hond dat het liefst een stuk papier zou naar binnen
slikken. Een paar grijsachtige zwarte oogen, een korte dikke vent—de
duivel mag weten wat een leelijke kabouterman. Maar zie, dat is het
juist, waarover ik mij, had ik niets beters te doen, den armen kop
gek zou kunnen denken en half en half aan 't malen zou raken, daar ik
maar niet begrijpen kan, wat voor een spook mij toch eigenlijk zoo
behekst heeft. Dan scheen 't mij toe, als trok langs den bleek-blauwen
nuchteren hemel eene zware onweerswolk die bliksems schoot, waarbij
de zon er uitzag als een meisje, dat de koorts heeft; dan weer kwam
't mij voor, dat een donkerrood, fonkelend gesternte tusschen grauwe
nevelwolken heentoog, zoodat alles in het rond als bloed gekleurd
werd, eindelijk, en dat duurde het langst,—gij zult mij er echter
om uitlachen,—was het mij, als werd de Rijnval eensklaps doodstil,
alsof de plechtige stilte mij belette zijn gedruisch te hooren, wat
intusschen al zeer vreemd klinkt.”

„Waarlijk niet zoo vreemd, als gij wel denkt,” riep Lodewijk; „want wat
is stilte? Er bestaat eene plechtige, verheven stilte der ziel, die
heerschen kan te midden van het levendigste gewoel der buitenwereld.
Toen de keizer gisteren voorbijreed, kwam het mij voor, dat elk die
hem zag, zich in die zwijgende, eerbiedige gemoedsstemming voor hem
moest nederbuigen; en zoo zou mij ook thans het gevoel van diepe
stilte doordrongen hebben, niettegenstaande het gelui der klokken,
het donderen der kanonnen en het gewoel van het volk. En daar gij
den Rijnval noemt, moet ik u zeggen, dat ik daar, zoowel als aan den
bruisenden val van de Reuss op den St. Gotthard, nog zeer onlangs eene
dergelijke bevinding gehad heb. Want de verhevenheid in den omtrek
dezer natuurtooneelen verwekt in de ziel bijna dezelfde gewaarwording
en werkt bovendien nog door de tegenstelling der versteende, eenzame
rotskegels en der onmetelijke hoogte van den kalmen hemel, zoodat het
gedruisch zelfs van het nederstortende water den indruk der stilte, die
slechts in ons gevoel, niet in de werkelijkheid heerscht, verhoogen
kan.”

„Gij spreekt als een boek,” antwoordde Bernard, „als Thales, ja zelfs
als Solon, dien ik hooger stel, daar hij goede wetten voor weerspannige
menschen wist te geven, terwijl de eerste slechts de wetten der natuur
met eenig geluk bestudeerde. Intusschen hebt gij gelijk. Hetzelfde
heb ik in Schotland opgemerkt, in de Fingalsgrot onder anderen,
waar ik meermalen dacht: Zou men hier nu het bulderen en loeien van
wind en golven wel hooren, als het niet zoo stil was als in eene
Hernhuttersche broederkerk? Ook in eene enge, diepe rotskloof vóór een
waterval, door welks gedruisch mij hooren en zien verging, dacht ik
bij mij zelf: Hier is het stil als in 't graf, men hoort slechts dien
stroom bruisen en klateren. Dat gevoel trof mij nog meer, toen ik een
wilden rozenstruik op een vooruitspringend rotsblok gewaar werd, welks
teedere groene takken en knoppen over den schuimenden afgrond hingen,
zonder in het minst bewogen of door een windje gewiegd te worden, zoo
stil en kalm was alles rondom. Deze tegenstelling van de zachtste en
de vreeselijkste natuurkrachten verlevendigde mijne gewaarwordingen
buitengemeen. Iets dergelijks, en tevens iets geheel verschillends,
voelde ik bij een hevigen brand te Edinburg waar ik op eene
bovenverdieping, die reeds in lichtelaaie stond, tusschen de woeste
vlammen een verlaten kanarievogel ontdekte, die in zijne kleine kooi
aan het venster was blijven hangen. Hij geleek een goudvischje in den
onstuimigen wereldoceaan.—Maar, bij den hemel, dat is een schoon man,
die daar aankomt! Die ziet er ook uit, of hij keizer zijn kon,” viel
hij eensklaps zich zelf in de reden en stiet Lodewijk aan, die zich
nauwelijks had omgewend, of hij zag den overste Rasinski toesnellen en
uit de verte reeds vriendelijk wenken en groeten.

„Ziedaar, vriend!” sprak de Pool hem met een van vreugde flonkerend
gelaat aan, „nu kunnen wij elkander toch eindelijk eens behoorlijk
welkom heeten. Vijf of zes dagen ben ik mijn eigen meester en eenige
daarvan zullen wij naar ik hoop toch gezamenlijk doorbrengen.
Intusschen moogt gij mij geluk wenschen. De keizer heeft mij de
oprichting van een regiment lichte troepen opgedragen, dat als
vrijkorps zal te velde trekken en waarbij mij de onbeperkte keus der
manschappen en officieren is gelaten. Aangenamer betrekking in het
leger had ik niet kunnen wenschen. Drie dagen zullen er misschien nog
verloopen eer ik de noodige besluiten, volmachten en aanwijzingen
schriftelijk in handen heb, dan regel ik al mijne zaken en vertrek
dadelijk naar Warschau, waar ik onder mijne Poolsche landslieden mijne
kameraden denk uit te kiezen.”

Bernard hield het oog onbewegelijk op den schoonen Pool gevestigd en
zag hem met blikken aan, die aanduidden dat hij hem dadelijk voor
eeuwig in het geheugen wilde prenten. Rasinski scheen dit zeldzaam
aanstaren bijna beleedigend te vinden, weshalve Lodewijk, eene
onaangename verklaring duchtende, zich haastte hen aan elkander voor
te stellen. „De beste vriend mijner jeugd, Bernard, een schilder—graaf
Rasinski, dien ik in Zwitserland op den St. Gotthard heb leeren kennen.”

„Ik vertrouw, dat de vrienden eens derden ook onderling zullen bevriend
worden,” sprak Bernard levendig; „reeds volgens mathematische gronden
is zulks noodzakelijk.”

„Het is zoo,” hernam Rasinski glimlachend en greep Bernards ten halve
aangeboden hand; „twee grootheden, die aan een derde gelijk zijn, zijn
aan elkander gelijk, intusschen...”

„Heeft de stelling in mijn geval evenveel voor als tegen zich,” viel
Bernard hem schielijk in de rede; „dat stem ik u al dadelijk toe; maar
toch hoop ik gelijk te houden.”

„Niets zal mij meer verheugen,” hernam Rasinski.

„Wilt gij,” sprak Lodewijk, „om de waarheid uwer stelling nader te
onderzoeken, heden beiden mijne gasten zijn? Ik heb mijne moeder reeds
beloofd,” ging hij zich tot den graaf wendende voort, „u en onze beide
jongere vrienden in ons huis in te leiden, wanneer zij namelijk mijne
uitnoodiging in onzen beperkten huiselijken kring niet versmaden.”

„Welke vreemde woorden, mijn jonge vriend!” sprak Rasinski vriendelijk,
terwijl hij den vinger tot eene schertsende bedreiging ophief. „Gij
weet, hoe wij ons reeds in dat vooruitzicht verheugd hebben. En kan den
soldaat, wiens leven een gestadig eenzaam omdolen is op de opene straat
der wereldgebeurtenissen, wel iets aangenamer en genoegelijker zijn,
dan een vertrouwelijke, hartelijke familiekring?”

„Ik had gedacht,” merkte Lodewijk op, „dat de krijgsman slechts de
drukkende beperktheid zulker betrekkingen gevoelen kon.”

„Ach, beste vriend, gij weet niet, hoe hoog men het geluk van den
huiselijken haard leert schatten, wanneer men gevoelt overal een
vreemdeling te zijn. Eén enkele dag op deze menschelijke schoone wijze
doorgebracht, nadat men maanden lang in de eenzaamheid omzwierf als
een opgejaagd wild zonder leger, wordt een onschatbaar geluk. Wel is
waar worden daardoor ook weemoedige gewaarwordingen opgewekt, want men
ziet gouden vruchten, die men niet plukken mag, maar het doet toch
zoo innerlijk goed, nu en dan ook door uitwendige omstandigheden en
ontmoetingen er aan herinnerd te worden, dat er eens een tijd was,
waarin men zelf ook zoon, broeder, wellicht echtgenoot en vader wezen
mocht!”

„Hm,” sprak Bernard, „daar is iets waars aan. Half en half heb ik sinds
langen tijd de rol van den wandelenden Jood gespeeld en begin daarom
tusschenbeiden naar rust te verlangen; maar op den duur zou ik ze toch
niet gaarne met eene andere verwisselen. Ik heb een onoverwinnelijke
afkeer van de slaapmuts en de pantoffel; geen vestingmuur, geen
tralievenster, geen kerkerkot, die mij zoo benauwen kan.”

„Wie er aan gewoon is,” meende Rasinski, „den hemel des levens
dagelijks tusschen storm en zonneschijn te zien afwisselen, die
gevoelt zich, het is waar, ook door het vermoeiende eener gestadige
kalmte beëngd. Wie echter standvastig en trouw aan den gekozen
levensregel vasthoudt, ontdekt in zijne eentoonige kleur duizend
kleine schakeeringen, die aan het zachter gestemde gemoed hetzelfde
genot schenken, hetzelfde bonte wisselspel des levens voortooveren;
natuurlijk moet hij alle scherpe afscheidingen, alle reten, scheuren,
kloven en afgronden, die de schoone vlakte zijner dagen konden
afbreken, vermijden. Wint men er echter wel bij, wanneer men zich
aan de sterkst prikkelende gewent? Worden wij niet spoedig zoo
geheel verstompt, dat wij de afwisseling van ijs en gloed nauwelijks
meer bemerken? Zoo doen onze afgestompte zintuigen ten laatste eene
soortgelijke eentoonigheid ontstaan, met dit onderscheid slechts, dat
in onze leefwijs een ruwe, woeste toon de heerschende is, terwijl dáár
eene zachtere melodie de ziel vervult en verteedert.”

„De rivier is voor de ranke boot, de oceaan is voor den driedekker,”
merkte Bernard vluchtig aan. „De eerste wordt door de onstuimige
golven verzwolgen, de laatste blijft op de zandbanken van het ondiepe
vaarwater vastzitten. Wat mij betreft, ik houd het met de volle zee,
van tijd tot tijd moet ik daarop rondzwalken, en een enkele storm of
schipbreuk veraangenaamt de vaart. Werp ik al somtijds aan een stil,
vreedzaam eiland het anker uit, de eerste gunstige wind de beste voert
mij toch weer in het ruime sop terug. Maar

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/48216