Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië
by Charles Dickens · Dutch · Gutenberg #47716 · 1,190,133 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië
Author: Charles Dickens
Illustrator: Edward Dalziel
Release date: December 20, 2014 [eBook #47716]
Most recently updated: October 24, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/47716
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK SCHETSEN UIT AMERIKA EN TAFEREELEN UIT ITALIË ***
SCHETSEN UIT AMERIKA
EN
TAFEREELEN UIT ITALIË,
DOOR
CHARLES DICKENS.
MET ZEVENTIEN HOUTGRAVUREN VAN DALZIEL.
VIJFDE NIEUWE, HERZIENE UITGAVE.
NIJMEGEN--GEBR. E. & M. COHEN.--ARNHEM.
BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.
SCHETSEN UIT AMERIKA.
I.
MIJN VERTREK.
Nooit zal ik de één kwart ernstige en drie kwart grappige verbazing
vergeten, waarmee ik den derden Januari achttienhonderd twee en
veertig 's morgens de deur opendeed van, en mijn hoofd stak in een
paviljoen of zoogenaamde "Staatsie-hut" aan boord der Brittania,
een stoompacket van twaalfhonderd gemeten tonnen, die bestemd was
voor Halifax en Boston, en Harer Majesteits mail overbracht.
Dat dit paviljoen opzettelijk was afgehuurd geworden voor "Charles
Dickens, Esquire, en Echtgenoote," was zelfs voor mijn alledaagsch
verstand op voldoende wijze begrijpelijk gemaakt door een heel klein
stuksken papier, waarop het feit vermeld stond, welk stuksken papier
aan een nogal luchtige sprei was vastgehecht, die over een nogal dunne
matras hing, waarmee een bijna ontoegankelijke kooi belegd was als een
heelmeesterspleister. Maar dat dit nu het paviljoen was, waar Charles
Dickens, Esquire, en Echtgenoote, ten minste al vier maanden lang dag
en nacht met elkaar over aan 't redekavelen geweest waren,--dat dit nu
met eenige mogelijkheid dat snoeperige kamertje der verbeelding kon
zijn, waarvan, als de geest der profetie maar vaardig over hem was,
Charles Dickens, Esquire, altoos voorspeld had, dat het ten minste
één kleine sofa zou bevatten, maar waarvan zijne vrouw, die een
bescheiden edoch allerprachtigst inzicht in de beperkte afmetingen
van dat snoeperige kamertje der verbeelding had, van den beginne had
vermoed dat er in den een of anderen hoek hoogstens bergplaats zou
wezen voor haar kolossale valiezen (valiezen, die men nu evenmin door
de deur kon krijgen, zelfs niet met horten en stooten, als men een
kameelpardel in een bloempot zou kunnen stoppen),--dat nu deze ten
eenenmale onpractische, door en door hopelooze en allermalste kast
in 't geringste verband stond met die glundere en lieve, om niet te
zeggen met weidsche praal gestoffeerde vertrekjes, zooals die, met
een meesterlijke hand geschetst, op de zwaar verniste steendrukplaat
afgebeeld waren, die men op 't kantoor van den agent te Londen
ziet hangen,--dat nu, om kort te gaan, deze mijne "staatsie-hut"
iets anders kon zijn dan een kluchtige verzinning of aardige grap,
door den kapitein uitgevonden en in practijk gebracht, om zoodoende
zijn passagiers des te grooter verrassing en genot te bereiden met het
werkelijke paviljoen, dat zoo aanstonds geopend zou worden;--zie, dit
waren altemaal waarheden, die mijn verstand voor 't oogenblik inderdaad
te boven gingen. En zoo ging ik zitten op een soort van paardenharen
brits of plank, waarvan er twee zoo in de hut waren, en zonder een
woord te kikken of een spier van mijn gezicht te vertrekken, keek ik
naar een stuk of acht vrienden, die met ons aan boord waren gekomen
en hun tronies op allerhande manieren gestooten en geschaafd hadden,
toen ze door 't smalle deurtje naar binnen probeerden te kruipen.
Voordat we beneden waren, kregen we eerst nog een fikschen schok beet,
die ons, hadden we niet onder de blijgeestige menschen ter wereld
behoord, met de naargeestige voorgevoelens zou vervuld hebben. De aan
verbeelding kennelijk zoo rijke kunstenaar, op wien ik al gezinspeeld
heb, heeft in 't zelfde groote werk een kamer voorgesteld van een
bijna eindeloos perspectief, die, zooals de heer Robins zou zeggen,
met meer dan Oostersche pracht gestoffeerd, en daarbij (maar niet zoo,
dat men er overlast van heeft) met groepjes dames en heeren gevuld
is, die onder elkaar een pret maken dat het een aard heeft. Voor
en aleer wij in de ingewanden van 't schip afdaalden, waren we van
't verdek in een langwerpig smal vertrek gekomen, dat wel iets weg
had van een reusachtige lijkkoets, met ramen aan de kanten. Aan 't
boveneinde stond een sombere kachel, waar een stuk of vier verkleumde
hofmeesters hun handen aan warmden, en langs de geheele lengte
was er aan weerskanten een lange, o, zoo lange tafel neergezet,
met een rek boven iedere tafel, dat opgepropt met glazen en olie-
en azijnstelletjes aan den lagen zolder was vastgemaakt, en, akelig
genoeg, op stortzeeën en stormweer zinspeelde. Tot dusver had ik
het ideale voorgevoel nog niet gehad van al 't genoegen, waarmee de
kamer me naderhand zoo rijkelijk begiftigd heeft, maar ik merkte,
dat een onzer vrienden die er zich mee belast had om datgene, wat
betrekking had op onze reis, in orde te brengen, bleek werd toen hij
binnenkwam, een beetje achteruit trad naar den vriend, die achter
hem stond, zich onwillekeurig voor 't hoofd sloeg, en stotterend bij
zich zelf mompelde: "Onmogelijk! dat kan niet wezen!" of iets van
dien aard. Zich geweld aandoende, kwam hij echter weer zoo'n klein
beetje op zijn verhaal, en na bij wijze van inleiding een paar maal
te hebben gekucht, schreeuwde hij met een spookachtigen lach, die mij
nog altijd bijblijft, terwijl hij meteen naar alle kanten rondkeek:
"Maar, hofmeester, zeg reis, waar is de ontbijtkamer toch?" Allen
voorzagen wij wat het antwoord moest zijn, en begrepen den angst dien
hij uitstond. Dikwijls had hij gesproken van het salon, zich het
denkbeeld, gelijk de kunstenaar dat geïllustreerd had, in 't hoofd
gezet en van lieverlede uitgewerkt,--daarbij ons gewoonlijk thuis aan
't verstand zoeken te brengen, dat wij, wilden we er ons een juiste
voorstelling van vormen, den omvang en het meublement eener gewone
zitkamer met zeven dienden te vermenigvuldigen, als wanneer het er
een beetje op zou gaan gelijken. En toen nu de man hem in antwoord op
zijn vraag de waarheid zei, de plompe, ongenadige, naakte waarheid:
"Dit is 't salon, m'nheer,"--waggelde hij als van den donder getroffen.
Bij personen, die zoo gauw bij elkaar vandaan zouden gaan en tusschen
hun anders dagelijkschen omgang den geduchten grensboom van ettelijke
duizenden mijlen stormachtige ruimte zouden oprichten; die om die
reden den hun nog overblijvenden kortstondigen tijd van gezellig
bijeenzijn niet graag met een andere wolk, zelfs met geen voorbijgaande
schaduw eener oogenblikkelijke teleurstelling of spijtigheid wilden
benevelen,--bij zoo gedisponeerde personen nu ging natuurlijk de
eerste verbazing hierin over, dat men 't uitproestte van lachen; en ik
verklaar u, dat ik zelf ten minste, die nog op de bovenvermelden brits
of plank zat, het uitschaterde dat het schip er van weerklonk. En zoo
werden wij het dan ook in minder dan twee minuten, nadat we de kamer
voor 't eerst betreden hadden, volkomen eens dat deze staatsie-kamer
het gezelligste, aardigste en degelijkste vertrek was, dat men zich met
mogelijkheid kon denken, en het waarlijk onpleizierig en te bejammeren
zou geweest zijn als het maar één duim grooter was geweest. En door
buitendien aan te wijzen--door namelijk de deur op een kier te zetten
en er als slangen door te kruipen naar binnen en naar buiten, en
door het kleine waschplankje tot een tafel te gebruiken--en door nu,
zeg ik, elkaar buitendien aan te wijzen hoe en op welke manier het
ons lukken zou met ons vieren er tegelijk in te kunnen zitten; en
door elkaar verder aan te sporen om toch vooral er op te letten hoe
bijzonder luchtig het was (in 't dok), en hoe'n mooie geschutpoort
er in was, die den ganschen dag open kon blijven (als 't weer het
maar toeliet), en hoe er een groot rond raampje was juist over den
spiegel, zoodat men zich recht op zijn gemak en op de pleizierigste
wijze zou kunnen scheren (als 't schip maar niet al te erg deinde);
door een en ander nu te bedenken en te overdenken, kwamen wij ten
langen leste tot de eenparige gevolgtrekking, dat men geen ruimer
vertrek zou kunnen begeeren, alhoewel ik voor mij geloof dat het,
de beide kooien, die boven elkaar stonden en niet grooter waren dan
een doodkist, er afgerekend, wel zooveel ruimte zal gehad hebben als
van die heerencabrioletten die van achteren opengaan en degenen die er
gebruik van maken, evenals zakken met steenkolen, op de straat loozen.
Eenmaal dit punt tot volkomen genoegen van alle partijen,
belanghebbende en niet-belanghebbende, geregeld zijnde, gingen we om
den haard in de dameskajuit zitten, louter om eens te probeeren of
die wel warmte gaf. Het was er nogal donker, maar er was er een die
zei: "Op zee zal 't hier natuurlijk wel lichter zijn," een voorstel
waar we allen mee instemden, terwijl ieder onzer bij wijze van echo
herhaalde: "natuurlijk, natuurlijk;" ofschoon het erg moeielijk zou
zijn te zeggen, waarom zij zoo dachten. Nog herinner ik me, dat,
toen we een anderen troostgrond ontdekt en afgehandeld hadden in
de omstandigheid dat deze dameskajuit vlak aan onze staatsie-hut
grensde en ons zoodoende het onuitsprekelijk gemak zou verschaffen
om er naar verkiezing bij tijd en ontijd in te gaan zitten, en
daarna in een kortstondig stilzwijgen verdiept, met de hand onder
't hoofd in de vlam zaten te kijken, een uit ons gezelschap op den
plechtstatigen toon van iemand, die een ontdekking gedaan heeft, zei:
"Wat moet het niet prettig zijn, om hier een glas warmen kruidenwijn
te drinken!" welk gezegde den geweldigsten indruk op ons allen scheen
te maken, en geen wonder! want men moet weten, dat er tamelijk wat aan
boord was van al die geurige kruiden, waarmee men zoo'n smakelijken
drank kon bereiden, dat men hem nergens beter vinden kon.
Ook was er een hofmeesteres aan boord, die druk in de weer was om
schoone servetten en tafellakens te halen uit de ingewanden der
sofa's, alsmede uit laden van zoo'n kunstig mechanisme, dat je er
hoofdpijn van kreeg, als je ze haar een voor een open zag trekken en
je dan bespeurde, dat iederen hoek en gat en afzonderlijk meubelstuk
precies iets anders was, dan men wel verwacht zou hebben, ja voor
een echte surprise door kon gaan en voor een geheime bergplaats,
waarvan de schijnbare bedoeling stellig de minst nuttige was.
God zegene die hofmeesteres voor haar vroombedrieglijk verslag van
een reis daarheen in Januari! God zegene haar voor hare duidelijke
herinnering aan den gezelligen overtocht van verleden jaar, toen
niemand zeeziek was en iedereen van 's morgens tot 's avonds danste,
en toen het maar een "uitstapje" van twaalf dagen was, en je louter
voor de pret meegegaan zou zijn! Allerlei soorten van geluk wenschen we
haar toe voor haar vroolijk gezicht en vermakelijk schotschen tongval,
die mijn medereiziger in de ooren klonk dat hij zich onwillekeurig
weer thuis moest verplaatsen. Allerlei soorten van geluk wenschen
we haar toe voor hare voorspellingen van gunstigen wind en mooi weer
(niets kwam er van uit; nu, ik zou anders ook niet zooveel van haar
gehouden hebben) en voor de tienduizend kleine fragmenten van echt
vrouwelijken tact, waardoor ze, zonder ze daarom naarstiglijk aan
elkaar te zetten en er een bepaalden toepasselijken vorm aan te geven,
evenwel nochtans en desalniettemin ten allerduidelijkste bewees, dat
alle jonge moeders aan de eene zijde van den Atlantischen Oceaan haar
aan den anderen kant achtergelaten kleintjes geen oogenblik uit de
gedachten laten gaan; en dat wat den oningewijden een ernstige reis
toescheen, voor hen, die in 't geheim waren, louter een lolletje was,
een lolletje, waarbij braaf gezongen en gefloten werd! Moge zij nog
jarenlang zoo luchthartig blijven, en mogen haar vroolijke oogen nog
jarenlang zoo vroolijk blijven staan!
Onze staatsie-hut was al vrij ruim geworden; maar thans werd ze ons,
hoe zal ik 't uitdrukken? waarlijk al te bakbeestachtig, en ze blufte
bijna op een boograam, waaruit men de zee kon zien. Zoo gingen we
dan met hoog gestemd gevoel weer naar 't dek; daar verkeerde jan
en alleman in zoo'n toestand van bereddering, ja, was iedereen zoo
druk in de weer, dat, hoe koud het dien morgen ook was, het bloed
je onwillekeurig èn sneller èn vroolijker door de aderen liep. Want
ieder zwierig schip voer langzaam op en neer, en iedere kleine boot
plaste gedruischmakend in 't water; en groepjes menschen stonden
met oogen, die van "eerbiedig genoegen" glinsterden, op den steiger
naar de wijd en zijd vermaarde Amerikaansche stoomboot te kijken;
en sommigen van de bemanning waren bezig met het "innemen van de
melk" of, met andere woorden, met het aan boord brengen van de koe;
en sommigen waren er mee bezig, om de kelders aan denzelfden ingang
van versche provisie te voorzien, van vleesch bij voorbeeld en van
groenten, van speenvarkens, kalfskoppen bij de vleet, ossen-, kalfs-
en varkensvleesch en gevogelte van allerlei soort; en sommigen waren
aan 't opschieten van touwen, en bezig met schiemansgaren, en sommigen
waren er mee bezig, om zware balen in 't ruim te brengen; en enkel
het hoofd van den victualie-meester was zichtbaar, zooals het daar, in
een toestand van iemand die wegens verregaande drukte geen raad weet,
te midden van een grooten berg van passagiers-bagage uitstak; en het
scheen wel, of er niets anders gedaan werd en of niemand ergens anders
om dacht, dan om toebereidselen te maken voor deze geduchte reis. Een
en ander nu, gepaard met de heldere koude zon, met de fijne lucht en de
dunne korst morgen-ijs op 't dek, dat met een scherp en niet onaardig
geluid onder den lichtsten voetstap kraakte,--dat alles nu bij elkaar
genomen, was onweerstaanbaar. En toen we weer aan wal gekomen, ons
omdraaiden en aan den mast van 't schip wimpels zagen wapperen van
vroolijke kleuren, waar zijn naam op stond, en daarnaast de schoone
Amerikaansche banier met haar sterren en strepen,--toen verdwenen
de lange drie duizend mijlen en meer, en nog langer, de zes geheele
maanden van afwezigheid, in die mate voor 't oog onzer verbeelding,
dat het precies was alsof het schip vertrokken en weer thuis gekomen
was, en de lente reeds was aangebroken in 't Coburgs-dok te Liverpool.
De kennissen, die ik onder de dokters heb, heb ik er niet naar gevraagd
of schildpadsoep en koude punch, met rijnwijn, champagne en rooden wijn
en al die kleine etcetera's die gewoonlijk in onbeperkten overvloed bij
een goed diner worden aangetroffen--vooral als 't aan mijn feilloozen
vriend den heer Radley, van 't Adelphi-hotel, is overgelaten--wel
bijzonder geschikt zijn om op zee te worden gebruikt, dan of een
eenvoudige schapebout met een paar glazen sherry bij zoo'n gelegenheid
minder voor de spijsvertering deugt. Mijn eigen gevoelen is, dat, als
men kant en klaar staat om een zeereis te doen, het er al bitter weinig
op aankomt, of men te dezen opzichte zwaartillend is, al dan niet,
om de doodeenvoudige reden, dat het, om een dagelijksche spreekwijze
te bezigen, "bij slot van rekening op 't zelfde uitdraait." Ja,
wat hiervan ook zij, ik voor mij weet, dat dien dag het diner niets
hoegenaamd te wenschen overliet; dat er al deze items bij waren,
er nog eene heele zooi meer, en dat we er allen volkomen recht aan
lieten wedervaren. En ook weet ik, dat, met een zekere stilzwijgende
vermijding van de geringste zinspeling op den dag van morgen (zooals
men onderstellen mag, dat er plaats vindt tusschen kiesche cipiers
en een teergevoeligen gevangene die morgen opgeknoopt moet worden),
wij nogal aardig onzen gang gingen en, alle deze dingen in aanmerking
genomen, ons zelfs wel vroolijk genoeg aanstelden.
Toen nu de morgen--de bewuste morgen--aangebroken was en wij elkaar
aan 't ontbijt ontmoetten, was 't curieus om te zien, hoe we er allen
op uit waren, om den geringsten stilstand in 't gesprek te voorkomen,
en hoe verbazend vroolijk iedereen was, zoo verbazend vroolijk zelfs,
dat een spotvogel gerust had kunnen beweren, dat al die vroolijkheid
van ieder lid van 't kleine gezelschap maar gedwongen fraaiigheid was
en net zooveel overeenkomst had met zijn natuurlijke blijmoedigheid,
als de peperdure erwten uit de broeikasten wat geur en smaak betreft
op die erwten gelijken welke aan den dauw en de lucht en den regen des
hemels hun groeikracht ontleenen. Maar toen het zoo zoetjes aan naar
éénen liep, de tijd waarop we aan boord verwacht werden, verdween,
hoeveel geweld zich ieder ook aandeed om dat te verbloemen, deze
radheid van tong van lieverlede, totdat we eindelijk, ten einde raad,
ons masker geheel en al lieten vallen, zonder 't langer onder stoelen
of banken te steken met mekaar nagingen, waar we morgen wel zouden
zijn, en overmorgen, en zoo voorts, en een massa boodschappen meegaven
aan hen die nog dienzelfden avond naar stad meenden terug te keeren,
boodschappen die binnen den kortst mogelijken tijd na de aankomst van
den trein op Easton Square, zonder fout thuis en overal elders moesten
bezorgd worden. En al die boodschappen en al die "Zeg, zal je niet
vergeten" overstelpten iemand op zoo'n tijd zoo geweldig, dat wij er
nog mee in de weer waren, toen we ons als 't ware ineengesmolten vonden
onder een dichte opeenhooping van passagiers en passagiers-vrienden,
en passagiers-bagage, alles door mekaar gesmeten op 't dek eener kleine
boot, die hijgend en snuivend naar de packet stoomde, die gister na
den middag uit het dok gehaald was en nu op de rivier voor anker lag.
En daar ligt het nu! aller oogen zijn gekeerd naar de plaats waar het
schip ligt, dat door den nevel van den 's winters zoo vroeg invallenden
namiddag bezwaarlijk te onderscheiden is; elke vinger wijst in een en
dezelfde richting, en overal hoort men kreten van belangstelling en
bewondering mompelen: "Wat ziet er dat schip mooi uit! Wat 'n slank
schip!" Zelfs de treuzelige heer met zijn hoed op één oor en zijn
handen in den zak, die zooveel troost om zich heen verspreid heeft
door al geeuwende aan een ander heer te vragen of hij ook "naar de
overzij gaat"--alsof 't een veerschuit was--zelfs hij verwaardigt zich,
dien kant eens uit te kijken, en knikt met zijn hoofd alsof hij zeggen
wou: "Ja, dat staat zoo vast als een paal;"--en zelfs de knik van den
wijzen lord Burleigh had niet half zooveel in als de knik van dezen
tragen heer, die zooveel in de melk te brokken heeft en die (gelijk
ieder aan boord, de hemel mag weten hoe! al te weten gekomen is) den
overtocht al zestienmaal gedaan heeft zonder een enkel ongeluk! Er is
nog een ander warmpjes toegestopt passagier die 't bij de overigen
zoo verbruid heeft, dat men hem telt gelijk een groentevrouw een
rotte kool op haar wagen, en dat waarom? Omdat hij zich verstout
heeft met schoorvoetende belangstelling de vraag te opperen, hoelang
het nu al geleden is, dat de arme President is uitgezeild. Hij staat
vlak naast den treuzeligen heer en zegt met een flauwen glimlach,
dat hij gelooft dat het een allersterkst schip is; waarop de trage
heer, na eerst den ondervrager onder de oogen, en daarna strak naar
den wind te hebben gekeken, op eens en onheilspellend ten antwoord
geeft: "ik hoop het om 't schip." Op dit gezegde daalt onze trage
heer oogenblikkelijk nog lager in de algemeene achting, en terwijl de
passagiers hem wantrouwender dan ooit aankijken, fluisteren ze onder
elkaar dat hij een ezel is, en een bedrieger, en er klaarblijkelijk
niet zooveel van af weet als tweemaal de helft van niemendal.
Maar we worden ondertusschen naast de packet vastgelegd, wier hooge
roode schoorsteenpijp zoo dapper aan 't rooken is, dat men niet
behoeft te vragen, of ze 't ook ernstig meent. Pakkisten, valiezen,
reistasschen en koffers zijn al van de eene hand in de andere
overgegaan, en met zoo'n snelheid aan boord geheschen alsof men zich
schier geen tijd gunt om adem te halen. De eenvoudig maar net gekleede
officieren staan aan gangboord om de passagiers een handje te helpen,
en sporen meteen de mannen aan, om zich wat te reppen. In een minuut of
vijf is de kleine stoomboot dan ook geheel en al verlaten, de packet
daarentegen volgepropt met hare laatste lading, die onmiddellijk
het geheele schip overstroomt en in iederen hoek en gat bij dozijnen
aan te treffen is: met hun eigen bagage klimmen zij naar beneden, en
struikelen over die van anderen,--zoo goed en zoo kwaad als het gaat,
beredderen ze al datgene wat er maar eenigszins toe strekken kan, om
hun gemak in hare kajuiten te verhoogen, en veroorzaken door al dat
heen en weer geloop niet weinig verwarring, terwijl al die drukte,
al die herrie nog erger gemaakt wordt door de wilde hofmeesters,
die met hun haar in de war, waar de wind door speelt, de winderige
dekken op en af loopen om dit voor de passagiers na te zien, dat
voor de passagiers mee te brengen. Onder al die bereddering flaneert
onze treuzelige passagier, die geen bagage hoegenaamd ook schijnt te
hebben--nog niet eens zooveel als een kwaker--met een sigaar in den
mond, waar hij af en toe een haaltje aan doet, op zijn doode gemak het
verdek op en neer; en daar hij door die onverschrokken houding weer
rijst in de achting van hen, die den tijd hebben om zijn voetstappen
na te gaan, heeft hij maar eventjes naar den mast of naar 't dek
of over boord heen te kijken, of zij kijken er ook naar, als uit
nieuwsgierigheid of hij hier of daar ook weer iets onheilspellends
bespeurt en in de hoop dat hij, mocht dit werkelijk zoo zijn, wel
zoo goed zal wezen om er gewag van te maken.
Wat is dat? De boot van den kapitein! en daar ginds, de kapitein
zelf. Nu, op mijn woord van eer, dat is juist de man, de man van top
tot teen, zooals we hem gehoopt en gewenscht hadden! Verbeeld je, een
welgeschapen, stevig, pootig kereltje, met een blozend gezicht, dat
een aanbevelingsbrief is, om hem beide handen tegelijk te drukken; en
met een helder blauw eerlijk oog, dat je goeddoet aan je hart, als je
je-zelf er in afgespiegeld ziet. "Lui de bengel! Tingeling, tingeling,
tingeling!" Zelfs de bengel schijnt zich te reppen. "Nu naar wal!--Wie
gaat er mee naar wal?"--Enkele heeren gaan mee. Ze zijn weg, en niemand
hunner heeft ons vaarwel-gezegd. Ha! daar wuiven zij 't ons van uit
het bootje toe. "Goeie reis! Goeie reis!" Drie hoerah's van hun kant,
drie van den onzen, nog eens drie van den hunnen, en.... weg zijn ze.
Op en neer, heen en weer, op en neer, heen en weer, en dat honderdmaal
achter elkaar! Dat wachten op de laatste brievenzakken is 't ergst
van alles. Hadden we onder die laatste ontboezemingen heen kunnen
gaan, kijk, we waren zegevierend vertrokken, maar om nu hier twee
uur en langer in den natten mist te liggen, zonder thuis te zijn en
zonder onder zeil te zijn, dat is verschrikkelijk, ja dat is iets
om je 't land op te jagen, nog zoo. Eindelijk zien we een stipje in
den mist opdagen! Dit is ten minste iets. 't Is de boot, waar we op
wachten! Goddank! dat's één stap tot den vrede! Daar verschijnt de
kapitein met zijn scheepsroeper op de raderkast; de officieren gaan
weer op hun post; alle handen zijn in de weer; de verflauwende hoop
der passagiers herleeft; de koks staken hun geurigen arbeid, en kijken
met oogen waar de grootste belangstelling uit spreekt. De boot gaat
naast de packet liggen; men pakt de zakken aan en smijt ze neer, of
er misdruk in zit. Alweer drie hoerah's: en terwijl het eerste ons in
de ooren klinkt, steunt het schip als een sterke reus, die zoo even
den adem des levens heeft ontvangen; voor 't eerst draaien de twee
groote raderen fier rond; en met een gunstigen wind en gunstig getij
doorklieft het edele schip trotsch de gezweepte en schuimende golven.
II.
DE HEENREIS.
Dien dag dineerden we allen bij elkaar; en 't was waarlijk een
talrijk gezelschap dat toen bijeen was; niet minder dan zes en
tachtig personen. Daar het schip met al zijn steenkolen aan boord
en zooveel passagiers vrij diep ging, en het weer zeer stil was,
was de beweging al heel gering; zoodat, toen we nog niet dachten om
met iets uit te scheiden, zelfs die passagiers, die zich-zelf het
minst vertrouwden, een verbazingwekkenden moed begonnen te scheppen;
en die, welke 's morgens op de algemeene vraag: "kunt u goed tegen de
zee?" een volstrekt ontkennend antwoord hadden gegeven, thans de vraag
òf met de ontwijkende woorden beantwoordden: "Och, ik denk dat ik er
licht zoo goed tegen kan als ieder ander," òf met terzijdestelling
van alle zedelijke verplichting, brutaalweg "Ja" zeiden, en dat
nog wel op zoo'n gebelgden toon, alsof zij er bij wilden voegen:
"Ik zou wel eens willen weten, m'nheer, wat u juist in mij ziet,
dat u recht geeft tot achterdocht!"
Ondanks dien hoogen toon van moed en vertrouwen merkte ik maar al te
goed, dat er maar heel weinigen waren, die rustig en wel achter hun
glas wijn bleven zitten; en dat iedereen ongewoon veel van de open
lucht ging houden; en dat men zonder uitzondering bij voorkeur het
liefst zoo dicht mogelijk bij de deur ging zitten. Ook de theetafel was
in de verste verte niet zoo druk bezocht als de eettafel, en er waren
minder whistpartijen dan men wel verwacht zou hebben. Met uitzondering
van ééne dame, die onder 't eten min of meer gauw was opgerezen,
onmiddellijk nadat men haar de lekkerste snee van een zeer geel
gekookten schapebout met wat heel groene kappers gepresenteerd had,
waren er echter tot dusverre nog geen zieken; met onverflauwde energie
ging men door met wandelen en rooken en brandewijn met water drinken
(maar altijd in de open lucht) totdat het elf uur of daaromtrent was,
en het aan de orde van den nacht kwam om "naar kooi te gaan."--Niemand,
die op zee is en maar een ervaring van zeven uur achter den rug
heeft, zal van "naar bed gaan" spreken.--En nu werd het onophoudelijk
getrappel van laarzenhakken op de dekken vervangen door een diepe
stilte, en werd de geheele lading menschenvleesch beneden opeengepakt,
behalve een stuk of wat achterblijvers, waaronder mijn persoontje,
die er waarschijnlijk, net als ik, tegen opzagen om daar te gaan.
Iemand, die aan zulke tooneelen niet gewoon is, kijkt bij zoo'n
gelegenheid al heel vreemd op. Ook naderhand, toen het nieuwtje er al
lang af was, bleef het in mijn oog belangwekkend en aantrekkelijk. De
duisternis waardoor de groote zwarte klomp zijn koers en zekere
richting houdt; het bruisende water, dat men duidelijk hoort maar niet
dan flauw kan onderscheiden; de breede, witte, blinkende streep, die
den loop van 't schip volgt; de matrozen die van voren op den uitkijk
staan, en bij den donkeren hemel bezwaarlijk zichtbaar zouden zijn,
werden ze niet af en toe door eenige flikkerende sterren beschenen;
de stuurman aan 't rad met de verlichte kaart voor hem, die als een
lichtende stip te midden der duisternis wel wat wegheeft van iets
waarin de zichzelf bewuste geest der Godheid woont; het droefgeestig
gieren van den wind door blok en touw en ketting; het schijnsel
der lichten door iedere reet en spleet en kleine glasruitjes op de
verschillende dekken, alsof het schip de kiemen in zich draagt van
een brand, die zoo aanstonds uit zal barsten en met onweerstaanbaar
geweld dood en verderf om zich heen zal verspreiden. In 't eerst, ja
zelfs dan als het avonduur met al de voorwerpen, waar het verhevener
denkbeelden over inboezemt, u gemeenzaam is geworden, valt het nog
moeielijk, als men alleen aan 't mijmeren is, zijn gedachten haar
eigen vorm en gedaante te doen behouden. Zij veranderen met den loop
der verbeelding, nemen de gelijkenis aan van ver verwijderde dingen;
doen zich voor onder den vorm van levendig voor den geest staande,
innig geliefde plaatsen, ja bevolken ze zelfs met schimmen. Straten,
huizen, kamers, figuren zoo volkomen gelijk aan hen, die er gewoonlijk
gebruik van maakten, dat ze mij geweldig hebben aangegrepen door
hun werkelijkheid, die, zoo scheen 't me toe, al mijn kracht om de
afwezigen op te roepen verreweg te boven ging,--die figuren nu zijn
menigmaal op zoo'n uur plotseling voor den dag gekomen uit voorwerpen,
met wier werkelijke gedaante, gebruik en doel ik evengoed bekend was
als met mijn eigen twee handen.
Daar mijn eigen twee handen, en voeten insgelijks, bij deze bijzondere
gelegenheid echter heel koud waren, kroop ik te middernacht naar
beneden. Ik kan niet zeggen, dat het beneden zoo pleizierig was. Het
was er potjedicht, dat weet ik; en met geen mogelijkheid kon men
onbewust blijven van de aanwezigheid van dat buitengewone mengelmoes
van vreemde luchtjes, zooals men die alleen aan boord van een schip
kan ruiken, luchtjes, die van zoo'n vluchtigen geur zijn, dat ze door
iedere porie der huid schijnen heen te dringen en u den naam van 't
scheepshol schijnen toe te fluisteren. Twee passagiersvrouwen (een
daarvan was de mijne) lagen al sprakeloos van benauwdheid op de sofa,
en een kamenier (die van mijn vrouw) lag als een bundel op den vloer,
haar aanzijn verwenschende en haar papillotten tusschen de hier en
daar neergezette koffers vertrappende. Alles helde den verkeerden
weg op, iets wat op zich zelf de landerigheid niet weinig moest doen
toenemen. Zoo had ik een oogenblik te voren de deur opengelaten in een
zachte helling naar beneden, en toen ik me omdraaide om ze dicht te
doen, zag ik ze op een aanmerkelijke hoogte boven me. Nu eens kraakte
iedere plank en stuk hout, alsof het schip van gevlochten mandewerk
was, dan weer knetterde het als een reusachtig vuur waar men zooveel
droge takken op gegooid had als men maar met mogelijkheid had kunnen
doen. Niets was daartegen te doen dan maar naar bed te gaan; ik ging
dan ook naar bed.
De volgende twee dagen was 't vrijwel één pot nat, met een tamelijk
gunstigen wind en droog weer. Een groot gedeelte daarvan las ik in
bed (maar tot op dit uur weet ik niet wat), en liep af en toe een
oogenblikje op dek te waggelen; dronk kouden brandewijn en water met
een onuitsprekelijken tegenzin, en at harde scheepsbeschuit tegen de
klippen aan: wel nog niet ziek, maar op 't punt van 't te worden.
Het is de derde morgen. Ik word wakker door een vreeselijken
gil van mijn vrouw, die mij vraagt of er ook eenig gevaar is. Ik
rijs op en kijk het bed uit. De waterkruik spat en springt als een
dartele dolfijn; al de kleine voorwerpen liggen te drijven behalve
mijn schoenen, die als een paar koolschuiten hoog en droog op een
reistasch gestrand zijn. Op eens zie ik ze in de lucht springen,
en den spiegel, die aan den muur vastgespijkerd is, bijna tegen den
zolder aan zitten. Meteen verdwijnt de deur, en wordt er een nieuwe
deur geopend in den vloer. Nu begin ik te begrijpen, dat de statiehut
op haar hoofd staat.
Voor en aleer het mogelijk is, het een en ander in orde te brengen,
gelijk dit voor dezen nieuwen staat van zaken vereischt wordt, ligt
het schip weer recht. Voor en aleer men "Goddank!" kan zeggen, ligt
het weer scheef. Voor en aleer men kan zeggen: "het ligt scheef,"
schijnt het vooruitgestoven te zijn en een schepsel te wezen dat druk
in de weer is om met gebroken knieën en te kort schietende beenen
door al wat maar op een gat of kuil gelijkt op zijn eigen houtje heen
te loopen, en op die manier gestadig maar voortstrompelt. Voor en
aleer men zich daarover verwonderen kan, neemt het als 't ware zijn
beenen onder den arm en maakt een bokkensprong in de lucht. Voor en
aleer het dat stuk werk nog geheel en al verricht heeft, duikt het
diep in 't water. Voor en aleer het de oppervlakte bereikt heeft,
maakt het een buitelsprong. Op 't zelfde oogenblik dat het flink
op zijn beenen staat, vliegt het achteruit. En zoo gaat het schip,
al waggelend, rijzend, worstelend, springend, duikend, schokkend,
slingerend, stampend, stootend, krakend voort, en zoo gaan wij door
al deze bewegingen, soms bij beurten en soms allen tegelijk, totdat
men wel op zijn knieën zou willen vallen, en om genade smeeken.
Daar gaat een hofmeester voorbij. "Hofmeester!" "M'nheer?" "Wat is
er toch aan de hand?" "hoe noemt u dit?"
"Och, m'nheer, een zware stortzee, en met den wind op den boeg,
of tegenwind."
Tegenwind! Verbeeld u een menschelijk gezicht aan den voorsteven
van 't schip, met vijftien duizend Simsons die zich als één man
vooroverbuigen om 't terug te duwen en het nauwkeurig in de gaten
houden of 't altemet ook de geringste poging waagt om één duim vooruit
te gaan. Verbeeld u het schip zelf met iederen pols- en slagader van
zijn vervaarlijk lijf gezwollen en barstende onder deze mishandeling,
een eed afgelegd hebbende om vooruit te gaan of te sterven. Verbeeld u
den wind die huilt, de zee die bruist, den regen die klettert: altemaal
in woede tegen hem ontstoken. Schilder den hemel èn donker èn woest,
en de wolken in vreeselijke eensgezindheid met de golven, die een
tweeden oceaan in de lucht maken. Voeg bij dit alles het gekraak en
gekletter boven- en benedendeks; den tred van zich reppende voeten;
het luid en schor geschreeuw van matrozen; het met klokkend geluid in-
en uitstroomen van water door de spijgaten; met nu en dan het neerslaan
van een stortzee op de planken boven, met den diepen, doodschen, zwaren
klank van den donder, zooals die in een gewelf weerklinkt.... en ge
kunt u een denkbeeld vormen van den tegenwind op dien Januari-morgen.
Met stilzwijgen ga ik al datgene voorbij wat men de dienstboden-herrie
van 't schip zou kunnen noemen: bij voorbeeld het breken van glas-
en aardewerk, het neertuimelen van hofmeesters, de bokkesprongen,
hals over kop, van losse vaten, dozijnen gebottelde porter, en dan
de wel zeer hoorbare maar alles behalve opvroolijkende geluiden
die daar oprijzen uit hun verschillende staatsie-hutten, waar de
zeventig passagiers liggen te jeremièren, altemaal te ziek om aan de
ontbijttafel te verschijnen. Nog eens, dat alles ga ik met stilzwijgen
voorbij: waarom? Om de doodeenvoudige reden, dat ik wel een dag of
vier naar dit concert lag te luisteren, maar niet geloof, dat ik
't langer dan 't vierde eener minuut hoorde, na verloop van welken
tijd ik weer doodzeeziek ging liggen.
Niet zeeziek, men versta me wel, in de gewone beteekenis van 't woord:
ik wou dat ik 't geweest was, maar in een vorm dien ik nooit heb
bijgewoond of hooren beschrijven, alhoewel ik er niet aan twijfel
of die vorm is zeer algemeen. Daar lag ik den geheelen dag, niet in
't minst verhit en vrij wel in mijn schik; ik voelde geen zweem van
loomheid en evenmin de geringste begeerte om op te staan, of beter te
worden, of een luchtje te scheppen; ik was niet nieuwsgierig, kende
geen zorg, voelde geen spijt van welken aard of in welken graad ook;
alleen herinner ik me, dat ik onder die volslagen onverschilligheid een
soort van dommelige blijdschap, van duivelsch genoegen smaakte--als men
aan zoo'n slaperigen toestand dien naam mag geven--en dat waarover? Dat
mijn vrouw te ziek was om tegen me te spreken. Als het mij vergund is,
om mijn gemoedsgesteldheid door zoo'n voorbeeld op te helderen, dan zou
ik zeggen dat ik me van A tot Z in den toestand bevond van mijnheer
Willet, den rechter, nadat de muitelingen zijn gestoelte te Chigwell
waren binnengedrongen. Niets zou me verbaasd hebben. Gesteld eens:
door te denken aan huis, was mijn verstand voor een oogenblik door een
enkelen straal verlicht geworden, en nu was er een kaboutermannetje van
een brievenbesteller, met een scharlakenrood vest aan en een schel,
in dat kleine hondenhok voor me verschenen, terwijl ik goed wakker
en het al klaarlichte dag was, en zich nederig verontschuldigde dat
hij nat geworden was doordien hij over de zee gewandeld had, had dat
kaboutermannetje mij een brief ter hand gesteld, aan mij zelven gericht
in welbekende letters,--gesteld nu eens dat zoo iets gebeurd was, o,
ik ben er zeker van, dat ik geen zweem van verwondering zou gevoeld
hebben: integendeel, ik zou het als de natuurlijkste zaak ter wereld
beschouwd hebben. Ja, al was Neptunus, Neptunus in eigen persoon,
bij me binnengekomen met een gebraden haai aan zijn drietand, ik
zou die gebeurtenis beschouwd hebben als een der meest alledaagsche
voorvallen des levens.
Eens--eens vond ik me zelf op dek. Ik weet nog niet hoe, of wat
voor geest me bezielde om daar naar toe te gaan, maar dat ik er was,
dat weet ik; en ik was van top tot teen gekleed ook, met een langen
pijekker aan, en met zoo'n paar laarzen als een zwak man ooit in
zijn hersens zou krijgen om aan te trekken. Ik vond me staande,
toen een flikkering van bewustheid over me kwam, en merkte dat ik me
ergens aan vasthield. Ik weet niet waaraan. Ik denk dat het aan de
bootsman geweest is, of aan de pomp, of misschien aan de koe. Hoelang
ik daar wel geweest was, òf een dag òf een minuut, dat kan ik ook
niet zeggen. Wel herinner ik me, dat ik mijn best deed om aan iets
te denken (aan iets in de geheele wijde wereld, onverschillig wat dan
ook,) doch 't wou maar niet vlotten. Ik kon maar niet uitmaken wat de
zee en wat de lucht was; want de horizont scheen wel dronken en vloog
als een razende Roeland her- en derwaarts. Edoch, hoe bewusteloos ik
ook was, herkende ik toch den treuzeligen heer, die voor me stond: op
zijn zeemans gekleed in een blauw duffels pak en met een zuidwester
op. Maar ik was al te onnoozel, ofschoon ik wist dat hij het was,
hem van zijn kleeding af te scheiden, en zoo herinner ik me dat
ik 't probeerde om hem loods te noemen. Na een tweeden aanval van
volslagen bewusteloosheid merkte ik, dat hij weg was, en herkende
eene andere gedaante in zijn plaats. Het was precies in mijn oog
of ze voor me heen zweefde en golfde alsof ze door een flikkerenden
spiegel weerkaatst werd; maar ik wist dat het de kapitein was, en zoo
sterk was de pleizierige indruk van zijn gezicht, dat ook ik mijn best
deed om te glimlachen: ja, waarachtig, ik deed toen mijn best om te
glimlachen. Ik zag aan zijn gebaren, dat hij het woord richtte tot mij;
dat hij er tegen mopperde, dat ik tot mijn knieën in 't water stond,
iets wat werkelijk het geval was, ofschoon ik natuurlijk niet weet
waarom. Ik probeerde hem te bedanken, maar kon niet. Alleen kon ik
naar mijn laarzen wijzen--of waar ik veronderstelde dat mijn laarzen
waren--en op een erbarmelijken toon zeggen: "kurken zolen," terwijl
ik ondertusschen, zoo heeft hij me naderhand verteld, mijn best deed
om in de plas te gaan zitten. Toen hij merkte, dat ik geheel en al
buiten westen, ja tijdelijk een krankzinnige was, had hij de goedheid
mij naar beneden te brengen.
Daar bleef ik tot ik aan de beterhand was. Telkens als men er bij
me op aandrong om iets te eten, voelde ik zoo'n geweldigen angst,
als alleen te vergelijken is bij den angst dien, naar men zegt, de
drenkeling moet ondervinden als hij van lieverlede weer bijkomt. Een
zeker heer aan boord had een aanbevelingsbrief aan mij van een
wederzijdschen vriend in Londen. Op den morgen toen wij dien geduchten
tegenwind kregen, stuurde hij dien met zijn kaartje naar beneden; en
lang liet het denkbeeld mij geen rust of duur, dat hij op zou wezen,
gezond en wel, en honderdmaal per dag in de verwachting leefde, dat
ik hem in het salon op zou komen zoeken. Ik stelde me hem voor als
een van die gegoten ijzeren beelden (menschen wil ik ze niet noemen)
die met roode aangezichten en vroolijke stemmen vragen, wat zeeziekte
eigenlijk toch inheeft, en of ze werkelijk zoo naar is als men ze
afschildert. Waarlijk dat bracht me niet onzacht op de pijnbank, en
ik geloof niet, dat ik ooit zoo'n volkomen zelfvoldoening smaakte,
ooit zoo innig dankbaar was, als toen ik van een scheepsdokter hoorde,
dat hij verplicht was geweest, een fiksche mosterdpap te leggen op
de maag van dezen zelfden heer. Ik dagteeken mijn herstel van de
ontvangst van dit bericht.
Ik twijfel er niet aan of dit mijn herstel werd, in den materieelen zin
des woords, niet weinig in de hand gewerkt door een hevigen wind, die
bij 't ondergaan der zon langzaam op kwam zetten, toen we zoo wat een
dag of tien onderweg waren; een wind die met trapsgewijze toenemende
woede tot 's morgens doorraasde, behalve dat hij een beetje voor
middernacht een uur lang ging liggen. In de onnatuurlijke rust van
dat weer, en in 't naderhand weer toenemende geweld van den storm,
lag iets zoo onbegrijpelijk akeligs en naars, dat, toen de wind op
zijn hevigst uit begon te barsten, dit bijna een verademing gaf.
Nooit zal ik vergeten hoe het schip gedurende dien nacht op de beroerde
wateren aan 't werken was. "Zal 't ooit wel erger kunnen worden dan
nu?" Ziedaar een vraag die ik dikwijls op had gevangen, als daar alles
om ons heen een leven maakte dat iemand hooren en zien verging, en het
zeker moeielijk scheen te begrijpen, hoe 't mogelijk was, dat iets,
dat eenmaal aan den gang was, meer kon doorgeschud worden zonder over
den kop te gaan, den kelder in. Maar onmogelijk voor de levendigste
verbeelding om te begrijpen wat de beroering is van een stoomschip op
een leelijken winternacht op den woesten Atlantischen oceaan. Als men
zegt, dat het op zijn eene zij in de golven is neergesmakt, dat zijn
masten er in duiken, en dat het, weer opspringend, naar den anderen
kant heenrolt, totdat eene geweldige stortzee met een oorverdoovend
gedruisch, alsof er honderd kanonnen tegelijk worden afgeschoten,
er tegen aan beukt en het terugslaat,--als men zegt, dat het nu eens
stil blijft liggen en wankelt en rilt, alsof het bedwelmd is, en dan
weer met een geweldige hartklopping vooruitschiet als een tot dolheid
geprikkeld monster, om zoo aanstonds door de verbolgene zee te worden
neergesmeten en gebeukt en gekneusd en besprongen,--als men zegt, dat
donder, bliksem, hagel, regen en wind allen hun uiterste best doen, om
de overhand te verkrijgen, en iedere plank haar gekreun, iedere spijker
zijn gil, en iedere druppel waters in den grooten oceaan zijn huilende
stem heeft,--als men dat alles zegt, zegt men nog niets. Kortom, als
men zegt, dat alles grootsch en alles schrikwekkend en geducht is in
den hoogsten graad, dan zegt men nog niets, niets. Woorden kunnen het
niet uitdrukken. Gedachten kunnen er niet bij. Alleen een droom kan
't weer oproepen in al zijn woede, razernij en heftigheid.
En toch, juist toen al deze verschrikkelijke dingen op hun ergst waren,
juist toen bevond ik me in een toestand zoo buitengewoon belachelijk,
dat ik van zijn ongerijmdheid een even duidelijk begrip had als ik
't nu heb, en dat ik mijn lachspieren evenmin in rust kon houden als
ik doen kan bij iedere andere grappige gebeurtenis, die een mensch
maar onder de gunstigste omstandigheden zou kunnen overkomen. Tegen
middernacht werden we onthaald op een stortzee, die zich met geweld
een weg baande door de lantarens, de bovendeur openduwde, en woedend
en bruisend in de dameskajuit te land kwam, tot onuitsprekelijke
ontsteltenis van mijn vrouw en eene kleine Schotsche dame, die, om dit
in 't voorbijgaan te doen opmerken, de voorzorg gebruikt had, om door
tusschenkomst van de hofmeesteres, een boodschap aan den kapitein te
sturen, en wel van dezen inhoud, dat zij hem vriendelijk liet groeten
en niet minder vriendelijk liet verzoeken om er toch vooral zorg voor
te willen dragen, dat er onmiddellijk een bliksemafleider geplaatst
zou worden op den top van iederen mast en op den schoorsteen, opdat
het schip niet door den bliksem mocht getroffen worden. Daar èn zij
èn de hierboven vermelde kamenier zoo door den schrik bevangen waren,
dat ik nauwelijks wist, wat ik met haar beginnen zou, viel 't me
natuurlijk in, om een of ander kalmeerend drankje voor haar klaar te
maken; en daar ik op dat oogenblik niets beters bij de hand had dan
heeten brandewijn en water, zoo maakte ik dan op staanden voet er een
beker tot aan den rand toe vol van klaar. Aangezien het onmogelijk was,
om te staan of te zitten zonder zich ergens aan vast te houden, lagen
ze allen bij elkaar op een hoop in een der hoeken van een canapé--een
ding dat over de lengte der kajuit aan den wand was vastgemaakt--waar
ze als klissen aan elkaar hingen, ieder oogenblik verwachtende dat
ze zouden verdrinken. Toen ik met mijn specifiek geneesmiddel aan
deze plaats kwam, en op 't punt stond om met allerlei vertroostende
uitdrukkingen aan de lijderes toe te dienen, die 't dichtst bij me was,
och, wat werd ik moedeloos toen ik zag, dat ze allemaal langzamerhand
naar den anderen kant heenrolden! En toen ik naar dien kant sukkelde
en het gauw nog eens voorhield, hoe vreeselijk werden mijn goede
bedoelingen alweer in 't aangezicht geslagen doordien het schip alweer
afviel en zij allemaal weer naar de andere zij rolden! Ik veronderstel,
dat ik, om zoo te zeggen, wel minstens een kwartier krijgertje met haar
speelde, zonder ze een enkelen keer te snappen; en toen ik ze eindelijk
en ten laatste snapte, was de brandewijn en water, waar gedurig wat
van weggeloopen was, zoo verminderd, dat het wel op een theelepeltje
kon. Om de groep volledig te maken, is 't noodig dat men zich in hem,
die zoo aardig krijgertje speelde, een doodsbleek individu voorstelle,
die zich te Liverpool voor 't laatst geschoren en 't haar uitgeborsteld
had, en wiens eenige kleedingstukken (linnengoed niet meegerekend) een
kaalversleten broek was, een blauw jacket, dat vroeger de bewondering
wegdroeg op de Theems te Richmond, geen kousen, en één pantoffel.
Van de beleedigende kuren, die het schip den volgenden morgen
uithaalde, waardoor het een bespotting werd om in bed te blijven,
en een onmogelijkheid om op eenige andere wijze op te staan dan door
er uit te tuimelen,--ook daar wil ik liefst het stilzwijgen over
bewaren. Maar nooit, nooit zag ik iets in mijn leven zoo allerakeligst
en naar, als wat mijn oogen ontmoetten, toen ik 's middags letterlijk
op dek tuimelde. De oceaan en de lucht waren van een sombere en
gelijke loodkleur. Zelfs over die vreeselijke wildernis die daar
voor onze oogen lag, kon men zijn blikken niet rond laten weiden,
want de zee stond hoog en de horizont omklemde ons als een groote
zwarte hoepel. Van boven uit de lucht of van den een of anderen
steilen kant aan den oever beschouwd, zal 't ongetwijfeld een even
indrukwekkend als ontzaginboezemend tooneel opgeleverd hebben; maar
van 't natte en heen en weer rollende dek gezien, maakte het alleen
dezen indruk, dat men er duizelig en onpleizierig van werd. Toen
't den vorigen nacht zoo hevig woei, was de reddingboot door één
slag der stortzee uit elkaar geslagen of 't een notedop was; zoo
hing ze daar als een bos losse planken in de lucht te bengelen. De
planken der raderkasten waren dwars door midden geslagen. De raderen
lagen open en bloot; zoodat het schuim her- en derwaarts over 't dek
spatte. De schoorsteen was wit van 't zout dat zich tot een korst had
vastgezet; de bramstengen waren kapot, de stormzeilen beschadigd; al
het want was kletsnat en zat geducht in de war; kortom, een akeliger
schouwspel zou men zich niet voor kunnen stellen.
Dank zij eener hoffelijke uitnoodiging, was ik nu zeer op mijn gemak in
de dameskajuit gevestigd, waar zich behalve ons zelven maar vier andere
passagiers bevonden. Vooreerst de hierboven vermelde kleine Schotsche
dame, wier bestemming New-York was, waar zij zich voor een jaar of
drie neergezet had. Ten tweede en ten derde een fatsoenlijk jonkman
uit Yorkshire die met een Amerikaansch huis in betrekking stond,
in diezelfde stad woonde, en er zijn mooie jonge vrouw heenbracht,
waar hij nog maar veertien dagen geleden mee getrouwd was; een jonge
vrouw zoo bevallig en schoon, dat ik me niet herinner, ooit schooner
en bevalliger onder de Engelsche meisjes uit de provincie te hebben
aangetroffen. Ten vierde en ten vijfde, of ten laatste, nog een paar,
ook onlangs getrouwd, althans te oordeelen naar de bij uitstek lieve
wijze waarop ze met elkaar, omgingen, een paar, waarvan ik alleen dit
weet, dat het een geheimzinnig paar was dat allerwaarschijnlijkst op
den loop was gegaan; dat ook deze jonge vrouw zich door persoonlijke
aantrekkelijkheid onderscheidde, en dat mijnheer meer geweren bij zich
had dan Robinson Crusoe; dat hij een jachtbuis aan had en twee groote
honden aan boord had. Nog valt me in, dat hij als geneesmiddel tegen
zeeziekte heet gebraden varkensvleesch en gebotteld ale probeerde,
en deze geneesmiddelen dag in dag uit (gewoonlijk in bed) met
verwonderlijke volharding gebruikte. Laat mij er, ter wille van hen
die nieuwsgierig naar den uitslag mochten zijn, bijvoegen, dat deze
geneesmiddelen volstrekt niet aan de verwachting beantwoordden.
Daar het weer bij voortduring en bijna voorbeeldeloos slecht bleef,
sukkelden we, min of meer zwak en akelig, gewoonlijk zoo wat een uur
voor den eten deze kajuit binnen, en gingen dan op sofa's liggen om
een beetje op ons verhaal te komen; in welken tusschentijd de kapitein
bij ons placht binnen te komen, om ons te zeggen hoe de wind was,
en dat hij de zedelijke zekerheid had, dat de wind morgen wel uit
een anderen hoek zou waaien (op zee zal het weer altijd morgen wel
beter zijn), dat het schip zooveel en zooveel knoopen per uur liep,
en wat dies meer zij. Waarnemingen waren er in 't geheel niet mee te
deelen, want er was geen zon te zien. Maar een beschrijving van één
dag moge voor al de overige gelden. Dies volge ze.
Als nu de kapitein weg is, maken we ons gereed om te lezen als 't
daartoe licht genoeg is, en zoo niet, dan gaan we beurtelings wat
dutten en praten. Om één uur gaat er een bel en komt de hofmeesteres
beneden met een dampenden schotel gebakken aardappelen en een
anderen schotel gebraden appelen, met schalen krabbetjes, koude ham
en pekelvleesch; of misschien met een rookenden schotel ongewoon heete
lapjes. Op al die lekkernijen vallen we aan, eten er zooveel mogelijk
van (we hebben nu ergen trek) en houden er ons zoo lang mogelijk
mee bezig. Als 't vuur wil branden (soms wil het), dan zijn we vrij
wel in onzen schik. Zoo niet, dan maken we elkaar de opmerking, dat
het erg koud is, wrijven in onze handen, bedekken ons met jassen en
mantels, en gaan weer liggen om te dutten en te praten en (op de zoo
even aangeduide voorwaarden) te lezen totdat het etenstijd is. Om vijf
uur luidt er nog een bel, en alweer verschijnt de hofmeesteres met nog
een schaal--ditmaal gekookte--aardappelen en een overvloed van allerlei
heete vleeschsoorten: om niet te vergeten het gebraden varkensvleesch,
voor geneeskundig gebruik. En weer gaan we aan tafel zitten (in ietwat
pleizieriger stemming dan den eersten keer), verlengen het maal met een
min of meer beschimmeld dessert van appelen, druiven en sinaasappelen,
drinken ouden wijn en brandewijn met water. De flesschen en glazen
staan nog op tafel, maar de sinaasappelen en zoo voorts rollen naar
verkiezing en naar den gang van 't schip; daar komt de dokter op
een bijzondere uitnoodiging beneden, om een avondje bij ons door te
brengen, en onmiddellijk na zijn komst spelen we een partij whist, en
daar 't dien avond ruw weertje is en de kaarten niet op 't tafelkleed
willen blijven liggen, zoo steekt ieder de slagen, die hij maakt,
in zijn zak. Met voorbeeldige deftigheid blijven we doorwhisten (met
uitzondering van een korten tijd dien we ons gunnen om thee te drinken
en wat geroosterd brood te nuttigen) tot elf uur of daaromtrent; daar
komt onze kapitein weer beneden, met een zuidwester op, die onder
zijn kin is vastgemaakt, en een pijekker aan,--den grond nat makende
overal waar hij maar staat. Nu scheidt men met kaartspelen uit, en weer
worden de flesschen en glazen op tafel gezet; en na een uur gezelligen
kout over 't schip en de passagiers, over koetjes en kalfjes, zet
de kapitein (die nooit naar bed gaat en nooit uit zijn humeur is)
den kraag van zijn jas weer op--want hij moet weer naar boven--schudt
iedereen de hand, en gaat lachend naar boven, hoe ongunstig het weer
ook zij, ja zoo vroolijk, als ging hij naar een verjaarpartij.
Wat dagelijksche nieuwtjes betreft, o daar is geen gebrek aan. Van
dezen passagier vertelt men, dat hij gister in het salon veertien
pond verloren heeft met Vingt-et-un; en van dien passagier vertelt
men, dat hij dagelijks zijn flesch champagne leeg drinkt; en hoe hij
dat doet (want 't is maar een kantoorbediende), dat weet niemand. De
eerste machinist heeft duidelijk gezegd, dat er nooit zulke tijden
waren--hij bedoelt er het weer mee--en vier goeie handen zijn ziek
en hebben 't op moeten geven om nog langer te werken. Verscheiden
hutten staan vol water en al de kajuiten zijn lek. De kok, die
beschadigde whiskey wat al te druk in 't geniep heeft toegesproken,
is dronken gevonden en heeft nu kennis gemaakt met de brandspuit,
totdat hij weer nuchter was. Al de hofmeesters zijn herhaaldelijk,
als 't etenstijd was, van de trappen gevallen en loopen er nu bij
met pleisters op verschillende plaatsen van hun lichaam. De bakker
is ziek, de banketbakker insgelijks. Een nieuweling, die vreeselijk
ongesteld is, is gerequireerd geworden om de plaats te vervullen van
laatstgenoemden beambte en is met een hoop leege vaten in een klein
huisje op 't dek gebarricadeerd geworden met order om pasteikorst uit
te rollen, waartegen hij aanvoert (hij heeft, moet men weten, erg veel
last van de gal) dat het zijn dood is om er naar te kijken. En dan
zou men altemet durven vragen of er nieuws was aan boord! Nieuws! Een
dozijn moorden aan wal zouden minder belang inboezemen dan deze
kinderachtige voorvalletjes op zee.
Onzen tijd tusschen onze "avondjes" en dergelijke ongevalletjes
verdeelende, liepen we, naar we meenden, den vijftienden avond
onder een labberkoelte en bij lichte maan de haven van Halifax
binnen--we waren inderdaad den vuurtoren al voorbij en hadden de
loodsen aan 't werk gesteld--daar stiet het schip op eens op een
modderbank. Natuurlijk was alles op dek terstond in rep en roer;
in een oogenblik stroomden allen naar de kanten van 't schip toe; en
gedurende een paar minuten verkeerden we in zoo'n staat van verwarring
als de grootste minnaar van wanorde maar zou kunnen begeeren. Daar
echter de passagiers en kanonnen, en watervaten en andere zware dingen,
naar achteren gestuwd werden, om 't schip van voren lichter te maken,
raakte het gauw weer vlot; en na een tijdlang naar een onpleizierige
streep van voorwerpen gedreven te zijn (waarvan de nabijheid ons
al heel gauw in ons ongeluk was aangekondigd geworden door een luid
geschreeuw van "Branding aan den boeg!") en nadat het dieplood hoe
langer hoe minder diepte van water aanwees, lieten we eindelijk het
anker vallen in een allervreemdsten hoek, die er zeer buitenlandsch
uitzag, en dien niemand aan boord kon herkennen, alhoewel er overal
land om ons heen was, en zelfs zoo dicht in onze nabijheid, dat we
de op- en neergaande takken der boomen duidelijk konden zien.
Waarlijk een vreemd schouwspel al die tronies te zien, waar de
verbazing zoo onbewimpeld op geteekend stond, toen men daar, in dat
stille uur van middernacht en bij de doodsche stilte, die in 't leven
scheen geroepen te zijn door 't even plotselinge als onverwachte
stilstaan van diezelfde machines, die zooveel dagen onophoudelijk
in onze ooren geklonken hadden: beginnende met de officieren, wier
verbazing als 't ware door al de passagiers heen liep en neerdaalde
tot op de machinisten en stokers incluis, die, een voor een, van
beneden op kwamen dagen, en bij de trap der machinekamer in een
rookerig groepje bij elkaar hokten en daar fluisterend met elkaar
stonden te praten. Nadat we een stuk of wat vuurpijlen opgelaten
en seinschoten gedaan hadden in de hoop van eenige assistentie van
land te zullen krijgen--waar echter taal noch teeken op volgde--werd
er besloten om een boot aan wal te sturen. 't Was aardig om aan te
zien hoe gedienstig sommige passagiers waren, om vrijwillig aan wal
te gaan met deze zelfde boot, natuurlijk ten algemeenen nutte, in de
verste verte niet omdat ze dachten, dat het met het schip niet recht
pluis was, of de mogelijkheid vooruitzagen, dat het op zij zou kunnen
vallen, als 't begon te ebben. Niet minder vermakelijk was 't, om op
te merken, hoe vreeselijk onpopulair de arme loods in één oogenblik
werd. Hij was van Liverpool meegegaan, en gedurende de geheele reis
was hij niet weinig in tel geweest als iemand die de kunst verstond om
anekdotes aan den man te brengen, en uien te tappen. En kijk, dezelfde
personen die 't luidst om zijn aardigheden gelachen hadden, balden
nu de vuist in zijn gezicht, verwenschten hem tot in den afgrond,
en scholden hem uit voor al wat maar leelijk is.
Het duurde niet lang of de boot voer weg met een lantaren en
verschillende blauwe lichten aan boord; en in minder dan een uur
keerde ze terug; terwijl de commandeerende officier een nogal groot
jong boompje meebracht, dat hij met wortel en tak uit den grond
getrokken had, ter geruststelling van zekere wantrouwige passagiers,
die zich maar niet anders verbeeldden of ze waren bij den neus genomen
en zouden stellig schipbreuk lijden, en die op geen andere voorwaarden
wilden gelooven dat hij aan wal geweest was, en niet maar voor de leus
een beetje rond had geroeid in den mist, expres om hen om den tuin te
leiden en hun dood te beramen. Van den beginne af had onze kapitein
ingezien, dat we op een plaats moesten zijn, die de Oostelijke Passage
genoemd werd, en zoo was het ook. Wel is waar was het de laatste plaats
ter wereld, waar we iets hadden uit te voeren of de geringste reden
hadden om te wezen, maar een plotseling opgekomen mist of een kleine
vergissing van den loods waren er de oorzaak van. Wij waren omringd
van zandbanken en klippen en ondiepten van allerlei aard, maar toch,
naar 't scheen, gelukkig terecht gekomen op de eenige veilige plek,
die daar in de buurt te vinden was. En door dit verslag, en door
de verzekering dat de tijd van de eb voorbij was, meer op ons gemak
gekomen, gingen we om drie uur 's morgens weer naar beneden.
Den volgenden dag stond ik me tegen half negen aan te kleeden; daar
maakte de herrie boven, dat ik gauw naar 't dek vloog. Toen ik 't 's
nachts verlaten had, was 't donker, mistig en nat, en overal zagen we
witachtige heuvels om ons heen. Nu gleden we langs een effen, breeden
stroom, en legden elf mijlen per uur af. Vroolijk wapperde onze vlag;
ons scheepsvolk was zoo mooi mogelijk aangedirkt; onze officieren
weer in uniform; de zon scheen als op een schitterenden Aprildag in
Engeland; als met lichte moesjes van sneeuw bedekt, strekte zich het
land aan weerszijden uit; het volk stond aan hun deur; telegrafen
werkten; vlaggen opgeheschen; werven kwamen voor den dag; schepen;
kaaien die van menschen krioelden; geluid dat niet veraf kon zijn;
hoera's; mannen en jongens die de steenen glooiingen afliepen naar
't havenhoofd: en dat alles helderder en vroolijker en frisscher voor
onze, aan zoo'n schouwspel sinds zoo lang ongewone oogen, dan woorden
't zouden kunnen afschilderen. Wij kwamen aan een landingsplaats, die
als met aangapende tronies geplaveid scheen; gingen er aan den kant
liggen, en werden, na 't vieren en spannen van eenige kabeltouwen,
vastgemaakt; nauwelijks was de trap uitgestoken om ons te gemoet te
komen, of we vlogen er naar toe, voordat ze nog op 't schip lag,--en
zie, daar sprongen we weer op den vasten, veiligen grond!
Ik veronderstel, dat men dit Halifax ook zelfs dan als een Elysium zou
aangezien hebben, al was het een plaats geweest, die zich door haar
nare somberheid onderscheiden had. Maar ik nam een allerpleizierigsten
indruk mee zoowel van de stad als van haar inwoners, een indruk die
mij tot op dezen stond is bijgebleven. Het was dan ook niet zonder
leedwezen, dat ik thuis kwam zonder een gelegenheid te hebben gevonden,
om er nog eens aan te gaan, en nog eens de handen te schudden van hen,
wier vriend ik dien dag geworden was.
Toevallig was 't de opening van den Wetgevenden Raad en Algemeene
Vergadering, waarvan het ceremonieel zóó van A tot Z geleek op de
plechtigheden, die bij de opening eener nieuwe Parlementszitting
plaats vinden, en zoo stiptelijk werd in acht genomen, natuurlijk op
verkleinde schaal, dat het precies was alsof men Westminster door 't
verkeerde end van een verrekijker bekeek. Als vertegenwoordiger van
Hare Majesteit sprak de gouverneur dat uit wat men de Troonrede mag
noemen; en wat hij te zeggen had, dat zei hij mannelijk en fiksch. Het
militaire muziekkorps, dat buiten 't gebouw stond, speelde het "God
save the queen" met veel vuur, voordat Zijne Excellentie ternauwernood
gedaan had; het volk riep hoerrah!; die binnen waren, wreven in hun
handen; die buiten waren schudden hun hoofden; de regeeringspartij
zei, dat er nooit zoo'n goede redevoering werd gehouden; de oppositie
verklaarde, dat er nooit zoo'n slechte redevoering gehouden was;
de president en leden van 't Huis stapten op, om veel te wauwelen en
weinig uit te voeren; kortom alles liep daar van stapel, en beloofde
van stapel te loopen, precies als 't bij zulke gelegenheden bij ons
thuis gebeurt.
De stad is gebouwd aan den kant van een heuvel, waarvan het hoogste
punt beheerscht wordt door een sterk fort, dat nog niet geheel en
al af is. Verscheidene straten, die vrij breed zijn en er ook vrij
goed uitzien, loopen van dien top af tot aan den waterkant, en worden
door dwarsstraten doorsneden die parallel met de rivier loopen. De
huizen zijn grootendeels uit hout opgetrokken. De markt is overvloedig
voorzien; en de levensmiddelen zijn buitengewoon goedkoop. Daar het
weer toen ongewoon zacht voor 't seizoen was, werd er niet geard;
maar er waren tal van die voertuigen in tuinen en plaatsen, waarvan
sommige zoo prachtig opgetuigd waren, dat men ze, zooals ze daar
reilden en zeilden, gerust als zegekarren had kunnen gebruiken in
een melodrama in den schouwburg. Het was een dag uit honderden: de
lucht frisch en gezond; het geheele gezicht, dat de stad opleverde,
pleizierig, druk en bedrijvig.
We lagen daar zeven uur, om de brieven af te geven en mee te
nemen. Nadat eindelijk al onze bagage en al onze passagiers weer bijeen
waren (een stuk of drie uitgezochte geesten incluis, die de oesters
en champagne wat al te familiaar aangesproken hadden en derhalve als
lijken gevonden werden op hun rug in onbezochte straten), nadat nu,
zeg ik, alles en allen bijeen waren, werden de machines weer in
beweging gebracht, en stoomden we naar Boston.
Daar we alweer onstuimig weer troffen in de Fundy Baai, was het
dien geheelen nacht en den geheelen volgenden dag weer het oude doen:
tuimelen en rollen dat het een aard had. Den daarop volgenden namiddag,
dat is te zeggen op Zaterdag den twee en twintigsten Januari, kwam
ons een Amerikaansche loodsboot op zij, en spoedig daarna werd de
stoompacket van Liverpool, die achttien dagen onderweg was geweest,
naar Boston getelegrapheerd.
Met welk een belangstelling ik mijn oogen inspande, zoodra de eerste
stukken Amerikaanschen grond als molshoopen uit de groene zee oprezen,
en ze volgden, zooals ze, langzamerhand en schier onmerkbaar al grooter
en grooter wordende, één doorloopende kustlijn vormden, ziedaar iets
dat zich niet laat beschrijven. Een allerscherpste wind woei ons vlak
in 't gezicht; aan wal vroor het dat het kraakte, en vinnig was de
kou. Niettemin, de lucht was zoo helder en klaar, en daarbij zoo droog,
dat de temperatuur niet alleen dragelijk maar zelfs liefelijk was.
Hoe ik op dek bleef, altijd maar in de rondte kijkende totdat we aan
't dok kwamen, en hoe ik, al had ik zooveel oogen als Argus gehad,
die allen wagewijd opengezet en ze allen gebruikt zou hebben om nieuwe
voorwerpen op te nemen,--dat zijn altemaal van die koomenijspraatjes,
waarmee ik dit hoofdstuk niet noodeloos wil verlengen. Ook wil ik er
maar evenals in 't voorbijgaan gewag van maken, dat ik me namelijk
op zijn vreemdelings deerlijk vergiste, toen ik veronderstelde, dat
een troep allerbedrijvigste personen, die met levensgevaar tegen 't
boord opklauterden zoodra wij de kaai naderden, nieuwsboden waren,
van die mannen die aan die nijvere klasse van menschen bij ons
thuis beantwoordden; terwijl ze, ondanks de leeren brieventasschen
die sommigen hunner om den hals droegen en ondanks de breede
vellen in aller handen, uitgevers waren, die de schepen in eigen
persoon bezochten (als een zeker heer met een wollen bouffante om,
me meedeelde) omdat zij er van hielden, het zelf te ondervinden,
als er op die manier een beetje leven in de brouwerij kwam. Laat
me eenvoudig bij deze gelegenheid nog dit vertellen, dat een dezer
indringers, met een prompte hoffelijkheid waarvoor ik hem bij deze
mijn innigsten dank betuig, vooruit liep om kamers in 't logement te
bestellen; en dat toen ik hem volgde, wat ik gauw deed, ik merkte dat
ik de lange passages doorrolde met een onwillekeurige nabootsing van
den tred des heeren T. P. Cooke in een nieuw zee-melodrama.
"Een diner, als 't u belieft," zei ik tot den kellner.
"Wanneer?" zei de kellner.
"Zoo gauw mogelijk," zei ik.
"Rechtuit?" zei de kellner.
Na me een oogenblik te hebben bedacht, zei ik op goed geluk: "Neen."
"Niet rechtuit?" riep de kellner op zoo'n toon van verbazing, dat ik
er van ontstelde.
Ik keek hem vragend aan en herhaalde: "neen, ik wou 't liever in
mijn eentje gebruiken op deze kamer. Ik hou er nogal van, om alleen
te dineeren."
Hierop dacht ik werkelijk, dat de kellner buiten westen zou geraken,
iets wat, naar ik geloof, stellig zou gebeurd zijn, was hier geen ander
tusschen beide getreden, die hem in 't oor fluisterde: "dadelijk."
"Wel, dat spreekt vanzelf!" zei de kellner, mij medelijdend
aankijkende: "rechtuit."
Nu merkte ik, dat "rechtuit" en "dadelijk" woorden van één en dezelfde
beteekenis waren. Ik veranderde dan ook mijn voorafgaand antwoord, en
tien minuten later zat ik te dineeren; en 't was een kapitaal diner,
ja, dat mag gezegd worden.
Het logement (een zeer voortreffelijk logement, tusschen twee haakjes)
heet the Tremont House. Het heeft meer galerijen, colonades, piazza's
en passages dan ik mij herinneren kan en de lezer zou gelooven;
en is een beetje kleiner dan Bedford Square.
III.
BOSTON.
In al de openbare inrichtingen van Amerika heerscht de uiterste
hoffelijkheid. De meeste onzer departementen zijn in dit opzicht voor
aanmerkelijke verbetering vatbaar, maar het Tolkantoor vooral zou wèl
doen als het een voorbeeld nam aan de Vereenigde Staten en zich wat
minder hatelijk maakte jegens de vreemdelingen. De slaafsche roofzucht
der Fransche ambtenaren is verachtelijk genoeg; maar onder de onzen
heerscht een norsche, vlegelachtige onbeleefdheid, even stuitend voor
al de personen die in hun handen vallen, als onteerend voor de natie
die er zulke ongelikte beren op nahoudt, om de vreemdelingen aan haar
poorten af te grauwen.
Toen ik in Amerika aankwam, maakte dit contrast onwillekeurig den
sterksten indruk op me, en trof het me, zoo beleefd, zoo vriendelijk,
zoo innemend als de verschillende ambtenaren van 't Tolkantoor zich
van hun plicht kweten.
Aangezien we, ten gevolge van een of ander oponthoud aan de
landingsplaats, niet voor den donker te Boston aan land gingen,
ontving ik mijn eerste indrukken van de stad, toen ik den eersten
morgen na onze aankomst, die op een Zondag viel, naar 't Tolkantoor
kuierde. Ik durf niet zeggen, hoeveel schriftelijke aanbiedingen van
banken en stoelen ik wel ontving, om de godsdienstoefening bij te
wonen, voordat we nog maar half ons eerste diner in Amerika ophadden,
maar als 't mij vergund mocht zijn, dienaangaande een matige gissing
te maken, zonder 't nu daarom op een haar uit te rekenen, dan zou ik
zeggen, dat er ons ten minste zooveel zitplaatsen werden aangeboden,
dat een stuk of veertig volwassen huisgezinnen het er voorloopig mee
konden stellen. Het aantal geloofsbelijdenissen en religiën, die het
genoegen van ons bijzijn verzochten, was naar evenredigheid vrij groot.
Daar we wegens gebrek aan behoorlijke kleeren dien dag niet naar de
kerk konden gaan, waren we wel genoodzaakt, voor al die vriendelijke
aanbiedingen zonder onderscheid te bedanken, en moest ik tegen wil en
dank het genoegen derven om dr. Channing te hooren, die toevallig
dien morgen weer voor 't eerst na een zeer langen tusschentijd
zou preeken. Ik vermeld den naam van dezen gedistingeerden en
hoogst beschaafden man (met wien ik kort daarna het plezier had,
persoonlijk kennis te maken) opdat ik de zelfvoldoening moge smaken,
mijn nederige schatting van bewondering en eerbied op te brengen voor
zijn uitstekende talenten en voortreffelijk karakter, en voor de koene
menschlievendheid waarmee hij zich steeds heeft aangekant, tegen die
afzichtelijke vlek, die groote schande der menschheid: de slavernij.
Maar om weer naar Boston terug te keeren. Toen ik nu op dien
Zondagmorgen de straten opkuierde, was de lucht zoo helder, waren de
huizen zoo glunder en zoo vroolijk, waren de uithangborden met zulke
levendige kleuren geverfd; waren de vergulde letters zoo schitterend;
waren de baksteenen zoo rood, waren de gehouwen steenen zoo wit, waren
de blinden en balustraden zoo mooi groen, de knoppen en plaatjes aan de
straatdeuren zoo allerglinsterend; en was alles schijnbaar zoo licht en
luchtig, kortom zoo onstoffelijk,--dat het overal, waar men in de stad
passeerde, er precies als een tooneel uit een ballet uitzag. Zelden
gebeurt het in de winkelstraten, dat een winkelier, als ik 't mag
wagen om iemand een winkelier te noemen, waar ieder een koopman is,
boven zijn magazijn woont; zoodat er dikwijls verscheiden zaken in
een en 't zelfde huis gedreven worden, en de geheele voorgevel met
borden en opschriften bedekt is. Toen ik daar langs kuierde, hield
ik deze goed in 't oog, daar ik er stellig op rekende, dat ik ze nog
eens in iets zou zien veranderen; en nooit sloeg ik plotseling een
hoek om zonder dat ik naar den Clown en Pantalon omkeek, die zich,
o ik twijfelde er volstrekt niet aan, in een of ander portaal of
achter den een of anderen pilaar verscholen hadden, en heel dicht
bij de hand waren. Wat Harlekijn en Colombine betreft, ontdekte ik
onmiddellijk dat ze in een erg klein klokkenmakerswinkeltje van één
verdieping naast het logement woonden (in een ballet zien ze immers
altijd naar logies om); een winkeltje, waar, behalve dat de geheele
voorgevel vol van allerlei zinnebeelden en zinspreuken zat, een groote
zonnewijzer uitging--waar men wel doorheen kon springen, natuurlijk.
Zoo mogelijk zien de voorsteden er nog luchtiger, nog onstoffelijker
uit dan de stad zelve. De witte houten huizen (zoo wit, dat men er
onwillekeurig van knipoogt als men er naar kijkt) met hun groene
zonneschermen zijn zoo naar alle kanten verspreid, zonder dat ze
den geringsten wortel in den grond hebben; en de kleine kerken en
kapellen zijn zoo nufferig netjes en glunder, en zoo zwaar vernist,
dat ik bijna geloofde, dat alles, zooals 't daar reilde en zeilde,
als speelgoed van een kind uit elkaar genomen en in een doosje kon
gestopt worden.
Het is een mooie stad, en 't kan niet missen, zoo komt het mij althans
voor, of ze moet op alle vreemdelingen een gunstigen indruk maken. De
woonhuizen zijn meerendeels groot en sierlijk; de winkels buitengewoon
goed; en de openbare gebouwen fraai. Het State-house (het gebouw
waar de staten bijeenkomen) is gebouwd op den top van een heuvel,
die bijna van den waterkant af, eerst trapsgewijze, en daarna zeer
steil boven den grond uitsteekt. Van verre vindt men een groen veld,
de Common genaamd. De ligging is mooi, en van den top af gezien, levert
de geheele stad met haar omstreken een bekoorlijk panorama op. Behalve
tal van gemakkelijke kamers bevat het gebouw twee fraaie zalen, in een
waarvan het Huis der Vertegenwoordigers van den Staat, in de andere
de Senaat zijn zitting houdt. De zaken, die ik hier zag behandelen,
worden met onberispelijken ernst behandeld en met het grootste decorum,
en waren zeker wel berekend om aandacht en ontzag in te boezemen.
Er valt niet aan te twijfelen of de verstandelijke ontwikkeling en
meerderheid van Boston is te danken aan den krachtdadigen invloed
der hoogeschool van Cambridge, die maar een mijl of vier van de
stad afligt. De hoogleeraren dier universiteit zijn geleerde en
veelzijdig begaafde heeren; ja zijn, zonder dat ik een enkele
uitzondering zou weten op te noemen, van die mannen welke iedere
maatschappij in de beschaafde wereld tot sieraad en tot eer zouden
verstrekken. Verscheidene deftige burgers, die in Boston en in de
omstreken wonen, en ik geloof, dat ik hier zonder vrees voor vergissing
gerust mag bijvoegen, de meesten van hen die daar aan de een of
andere fatsoenlijke betrekking verbonden zijn, hebben op deze zelfde
school hun opvoeding genoten. Welke de gebreken van Amerikaansche
hoogescholen ook mogen zijn, ze verspreiden geen vooroordeelen;
fokken geen domperianen of fiemelaars; laten er zich niet mee in om
de begraven asch van oude bijgeloovigheden op te delven; steken nooit
een staak tusschen het volk en zijn vooruitgang; sluiten niemand om
zijn godsdienstige meeningen uit; en toonen vooral, uit hun geheelen
cursus van studie en onderwijs, dat zij een wereld erkennen, en een
wijde wijde wereld ook, die buiten de muren der college-zalen ligt.
Het was me een bron van onuitsprekelijk genoegen, de bijna onmerkbare,
maar niettemin zekere uitwerking na te gaan, die deze inrichting op de
smalle gemeente van Boston uitoefende; en telkens en telkens weer te
bespeuren hoe die inrichting den smaak en de begeerten veredeld had,
hoe door haar de innigste vriendschap ontstaan was, wat al ijdelheid
en vooroordeel zij uit den weg geruimd had. Het gouden kalf, dat
men in Boston aanbidt, is een dwerg, vergeleken bij de reusachtige
kalverenbeelden, die opgericht zijn in andere deelen van dat groote
handelskantoor, dat daar aan gindsche zij van den Atlantischen Oceaan
ligt, en de almachtige dollar verzinkt tot iets, dat vergelijkenderwijs
onbeduidend mag heeten, onder een geheel Pantheon van betere goden.
Ik geloof dan ook in alle oprechtheid des harten, dat de openbare
inrichtingen van liefdadigheid in deze hoofdplaats van Massachusetts
der volmaaktheid zoo nabij komen als wijsheid, welwillendheid
en menschelijkheid, in haar hoogsten graad van ontwikkeling,
zulke instellingen zou kunnen maken. Nooit in mijn leven trof me de
aanschouwing van geluk, onder omstandigheden van ontbering en ellende,
in die mate als toen ik deze instellingen bezocht.
Het eigenaardige en aantrekkelijke van al dergelijke inrichtingen in
Amerika is, dat de Staat ze òf geheel en al onderhoudt òf bijspringt,
en dat zij (bijaldien ze noch het een noch het ander noodig hebben)
in allen gevalle één lijn trekken met den Staat en zoo in den vollen
nadruk des woords volksinstellingen mogen heeten. Met het oog op
't beginsel en zijn strekking om 't karakter der arbeidende klassen
te verheffen of neer te drukken, ben ik overtuigd dat een openbare
instelling van liefdadigheid oneindig beter is dan een bijzonder
gesticht, met welke rijke fondsen dit laatste ook begiftigd moge
zijn. In ons eigen land, waar 't eerst in den laatsten tijd in
den smaak der besturen is gevallen, om meer dan gewoonlijk acht
te slaan op de groote massa der bevolking of haar bestaan als
voor verbetering vatbare schepsels te erkennen, zijn particuliere
instellingen van liefdadigheid ontstaan, die, zonder voorbeeld in
de geschiedenis der aarde, onder de ellendigen en bedroefden onzer
maatschappij onberekenbaar veel goeds hebben gesticht. Maar aangezien
het burgerlijk bestuur er part noch deel aan heeft, zoo ontvangt het
ook niet het geringste deel der dankbaarheid, die zulke inrichtingen
noodzakelijkerwijze moeten inboezemen; en aangezien het al bitter
weinig bescherming of hulp verleent buiten 't geen van dien aard in
't werkhuis en de gevangenis wordt aangetroffen, zoo is het alles
behalve onnatuurlijk, dat het in 't burgerlijk bestuur eer een streng
meester ziet, die klaarstaat om te kastijden en te straffen, dan een
vriendelijk beschermer, die goedertieren is en waakzaam in het uur
van nood.
De grondstelling dat uit het kwade het goede geboren wordt, wordt ten
sterkste bevestigd door deze inrichtingen thuis, gelijk de verslagen
van 't Prerogatieve Office in Doctors' Commons (college van civilians
of rechtsgeleerden in Londen) in overvloed uit kunnen wijzen. De
een of andere schatrijke oude heer of dame, die dik in behoeftige
bloedverwanten zit, maakt, volgens een matige berekening, iedere
week een nieuw testament. De oude heer of dame, die nooit, zelfs
niet in den besten tijd des levens, bijzonder uitblonk op 't punt
van goedigheid en scheutigheid, is nu van top tot teen vol kwalen en
pijnen; vol inbeeldingen en grillen; vol zwaarmoedigheid, wantrouwen,
achterdocht en landerigheid. Oude testamenten te vernietigen en nieuwe
te verzinnen, is eindelijk en ten laatste de eenige bezigheid van
zoo'n erflater of erflaatster; en bloedverwanten en vrienden (waarvan
sommige klaarblijkelijk zijn grootgebracht geworden om een groot
deel der nalatenschap te erven, en, met het oog daarop, van de wieg
af opzettelijk verleerd hebben om zich op de een of andere nuttige
zaak toe te leggen), deze nu zijn zoo dikwijls en zoo onverwachts
en zoo kort maar bondig van de lijst geschrapt, en er weer opgezet,
en er weer van geschrapt, dat de geheele familie, tot den versten
achterneef toe, bij voortduring in een koortsachtigen toestand wordt
gehouden. Eindelijk wordt het duidelijk dat de oude dame of heer niet
lang meer zal leven; en hoe duidelijker dit wordt, des te duidelijker
bespeurt de oude dame of heer, dat iedereen tegen hun armen ouden
stervenden bloedverwant samenspant; weshalve de oude dame of heer
een anderen laatsten wil maakt--ditmaal stellig den laatsten--dien
in een chineesch porseleinen trekpot wegmoffelt en den volgenden dag
sterft. Dan komt het uit, dat de geheele nalatenschap verdeeld is
onder een half dozijn liefdadige inrichtingen; en dat de overledene
en opgestapte erflater of erflaatster louter uit spijtigheid heel wat
goeds in de hand gewerkt heeft, en dat ten koste van een onmetelijk
bedrag van lagen hartstocht en ellende.
Het Blinden-Instituut te Boston of zooals de officieele titel luidt
"the Perkins Institution and Massachusetts Asylum for the Blind,"
wordt bestuurd door een college van commissarissen die daaromtrent
jaarlijks een verslag uitbrengen aan de corporatie. De behoeftige
blinden van dien Staat worden kosteloos opgenomen. De blinden uit den
naburigen Staat Connecticut, of uit de Staten Maine, Vermont of New
Hampshire, worden alleen toegelaten onder borgstelling van den Staat,
waar zij respectievelijk toe behooren, of, bij gebrek daarvan, dienen
hun vrienden zekerheid te geven aan 't gesticht voor de betaling van
ongeveer twintig pond voor de verpleging en 't onderwijs van 't eerste
jaar, en tien pond voor 't tweede jaar. "Na het eerste jaar," zeggen
de commissarissen, "zal er met iederen pupil een rekening-courant
geopend worden; hij zal gedebiteerd worden voor de kosten zijner
verpleging die een bedrag van twee dollars per week niet zullen te
boven gaan"--ongeveer vijf gulden--"en gecrediteerd zal hij worden
voor 't bedrag dat de Staat of zijne vrienden voor hem betaald hebben;
ook voor hetgeen hij meer verdient dan zijn kostgeld bedraagt, zoodat
al wat hij meer verdient dan één dollar per week, voor hem zelf zal
zijn. Met het derde jaar zal 't bekend zijn of zijn verdiensten meer
bedragen dan 't kostgeld voor zijn verpleging; zoo ja, dan zal 't aan
hem staan, om te blijven en zijn loon te ontvangen, al dan niet. Zij,
die niet in staat blijken te zijn, om de kosten van hun onderhoud te
bedruipen, mogen niet langer blijven; daar 't niet wenschelijk is, de
inrichting in een soort van aalmoezeniershuis te veranderen of andere
dan werkbijen in den korf te houden. Zij, die wegens lichaamsgebreken
of zwakte der zielsvermogens niet werken kunnen, kunnen dan ook geen
leden zijn van een nijvere vereeniging; en kunnen beter verzorgd
worden in gestichten die voor zwakken en zieken opgericht zijn."
Op een zeer mooien wintermorgen ging ik deze plaats opzoeken; ik had
een Italiaanschen hemel boven mij en de lucht was aan alle kanten zoo
helder en klaar, dat zelfs mijn oogen, die niet van de beste zijn,
de kleinste lijnen van afgelegen gebouwen heel goed onderscheiden
konden. Gelijk de meeste andere openbare inrichtingen in Amerika
van dezelfde soort staat ook het Blinden-Instituut een mijl of twee
buiten de stad op een even liefelijke als gezonde plek, en is een
luchtig, ruim en mooi gebouw. Het is gebouwd op een hoogte, die
de haven beheerscht. Toen ik een oogenblik aan de deur stil bleef
staan en merkte hoe frisch en vrij het geheele tooneel was--wat
glinsterende bellen er op de golven tintelden en ieder oogenblik naar
de oppervlakte opborrelden alsof de wereld daar beneden evenals die
daarboven schitterde van 't zonnelicht en de volheid van haar glans
uitstortte,--toen ik, van 't eene zeil naar 't andere kijkende,
ten laatste een schip op zee gewaar werd, een klein wit glinsterend
stipje, het eenige wolkje aan 't stille, diepe en ver zich uitstrekkend
azuur,--en, me omdraaiend, een blinden jongen zag, die zijn gezicht
naar dien kant keerde alsof hij eenig gevoel in zich had van die
heerlijke ruimte,--toen gevoelde ik een soort van smart, dat de plaats
zoo bijzonder licht moest zijn, en rees er een vreemde wensch bij me
op, dat ze om zijnentwille donkerder mocht wezen. Natuurlijk was dat
maar een kortstondige opwelling en louter verbeelding, maar niettemin
gevoelde ik 't diep, o zoo diep.
De kinderen waren aan hun dagelijksche bezigheden in verschillende
kamers, behalve een stuk of wat, die al vrijaf hadden en nu
speelden. Hier draagt men niet eenerlei kleeding zooals in vele
inrichtingen; en om twee redenen was ik daar zeer blij om. Ten eerste,
omdat ik zeker ben dat niets dan onzinnige sleur en gedachteloosheid
ons verzoenen kan met de livreien en kenteekenen, waar we thuis zoo
dol veel van houden. Ten tweede, omdat de bezoeker bij ontstentenis
van deze dingen ieder kind in zijn of haar eigen karakter met zijn of
haar ongeschonden individualiteit kan zien, zonder dat dit karakter
verloren gaat in een sombere, leelijke, eentonige herhaling van 't
zelfde nietsbeteekenende kleedingstuk, iets dat werkelijk een zaak
van hoog gewicht is. De wijsheid om, wat hun voorkomen betreft, zelfs
onder de blinden een beetje onschuldige fierheid aan te moedigen,
of de grillige ongerijmdheid om, gelijk wij, Engelschen, doen,
liefdadigheid en een leeren broek als onafscheidelijke metgezellen
te beschouwen, ziedaar iets dat geen Commentaar van noode heeft.
In iederen hoek van 't gebouw heerschte orde, zindelijkheid en
gemak. De verschillende klassen, die om hun meesters heenstonden,
beantwoordden de hun gedane vragen vlug en met nadenken, terwijl de
aardige wijze waarop ieder zijn best deed, om 't van zijn buurman te
winnen, mij recht veel pleizier deed. Zij, die aan 't spelen waren,
waren opgeruimd en maakten evenveel leven als andere kinderen. Er
scheen veel meer wezenlijke en innige vriendschap onder hen te bestaan,
dan men gewoonlijk onder andere jonge menschen aantreft die geen
gebrek kennen; maar dit verwachtte ik en was daarop voorbereid. Dat
behoort ook al tot het groote raadsbesluit van 's Hemels genadige
zorg voor de ongelukkigen dezer wereld.
In een opzettelijk daarvoor ingericht gedeelte van 't gebouw zijn
werkplaatsen voor blinden, wier opvoeding afgeloopen is en die een
ambacht geleerd hebben, maar het wegens hun organisch gebrek in een
gewonen winkel niet voort kunnen zetten. Hier waren verscheidene
personen aan den gang; ze maakten borstels, matrassen en zoo voorts;
en de vroolijke stemming, bedrijvigheid en orde, die in elk ander
gedeelte van 't gebouw vielen op te merken, ze heerschten ook in
dit departement.
Zoodra er een bengel luidde, begaven al de kweekelingen zich zonder
eenigen gids of leidsman naar een ruime muziekzaal, waar ze in
een voor dat doel opgericht orchest plaats namen, en met kennelijk
genoegen naar een fantasie op 't orgel luisterden, die door een der
hunnen gespeeld werd. Toen dat stuk uit was, werd de uitvoerder, een
jongen van een jaar of twintig, door een meisje vervangen, en door
haar geaccompagneerd zongen zij allen een gezang, en daarna een soort
van koor. Men werd er naar van hen te zien en te hooren, al waren zij
in hun toestand ontegenzeglijk gelukkig; en ik zag dan een zeker blind
meisje (ten gevolge eener ziekte voor 't oogenblik van 't gebruik van
hare ledematen beroofd) vlak naast mij zat met haar gezicht naar hen
toegekeerd, en in stilte schreide terwijl zij luisterde.
Het is vreemd, de gelaatstrekken der blinden waar te nemen en dan
te zien hoe onbewimpeld hun gedachten zich daarop afteekenen;
een waarneming, naar aanleiding waarvan een man met oogen wel
blozen mag over 't masker dat hij draagt. Daargelaten een zweem
van verlegenheid, waar hun voorkomen nooit vrij van is, en die,
we mogen dit gerust veronderstellen, ook uit onze eigen gezichten
spreekt als we probeeren om onzen weg in den donker te gaan voelen,
dat nu daargelaten, wordt elk denkbeeld, zooals het bij hen oprijst,
met de snelheid des lichts en de waarheid der natuur uitgedrukt. Als
het gezelschap op een partij of receptie ten hove maar voor eenigen
tijd even onbewust was van de oogen, die op hen gevestigd zijn als
blinde mannen en vrouwen, wat al geheimen zouden er uitkomen, en wat
een bewerker van huichelarij zou dit gezicht, waarvan wij het gemis
zoozeer betreuren, schijnen te wezen!
Die gedachte schoot me te binnen, toen ik in een andere kamer voor
een blind doofstom meisje zat, dat buitendien beroofd was van 't
zintuig van den reuk, en, wat daarmee zoo nauw in verband staat, van
't zintuig van den smaak: een mooi, jong schepseltje van teeren bouw,
waarin elk menschelijk vermogen en hoop en kracht der goedheid en der
liefde gehuisvest was, doch met slechts één zintuig, één uitwendig
zintuig toegerust--het zintuig van 't gevoel. Daar zag ik ze voor me,
als 't ware gebouwd in een marmeren cel waar geen enkele lichtstraal en
niet het geringste geluid in door kon dringen; met haar magere witte
hand door een spleet in den muur heengestoken, den een of anderen
menschlievenden mensch om hulp wenkende, dat die een Onsterfelijke
ziel mocht wakker maken.
Lang voordat ik naar haar keek, was die hulp gekomen. Haar gezicht
straalde van verstand en genoegen. Door haar eigen hand gevlochten,
was heur haar opgebonden rondom een hoofd, waarvan de verstandelijke
kracht en ontwikkeling op zoo schoone wijze door de gelaatstrekken en
de breede open wenkbrauwen werd uitgedrukt; door haar zelve in orde
gebracht, was hare kleeding een model van netheid en eenvoud; haar
breiwerk lag naast haar; haar schrijfboek op den lessenaar waar ze
op leunde.--Uit den treurigen bouwval van haar rampzalig bestaan was
van lieverlede dit lieve, teedere, arglooze, dankbare wezen verrezen.
Evenals andere bewoners van dat huis, droeg zij een groen lint om
haar oogleden gebonden. Een pop, die zij aangekleed had, lag naast
haar op den vloer. Ik nam die pop op, en zag dat ze een groen lint,
zooals zij zelve droeg, gemaakt en dat voor de nagebootste oogen der
pop gebonden had.
In een kleine afgesloten ruimte, die door schoollessenaars en banken
gemaakt was, zat zij haar dagboek te schrijven. Maar zij maakte
dit werk gauw af en trad in een levendige gebarenwisseling met een
onderwijzeres die naast haar zat. Deze was een lieveling van 't arme
kind. Ik ben er zeker van, dat als zij het gezicht van haar schoone
onderwijzeres had kunnen zien, zij haar niet minder lief zou hebben.
Ik heb eenige losse fragmenten van haar geschiedenis uit een verslag
getrokken, dat geschreven was door dienzelfden man die haar gemaakt
heeft tot wat zij is. Het is een zeer mooi en treffend verhaal,
en ik wenschte dat ik het geheel en al mee kon deelen.
Haar naam is Laura Bridgman. "Ze was den een en twintigsten December
1829 te Hanover, New-Hampshire, geboren. Volgens de beschrijving
moet ze een allerlevendigst en lief kind geweest zijn met heldere
blauwe oogen. Tot aan den leeftijd van anderhalf jaar was ze echter
zoo tenger en zwak, dat haar ouders maar een flauwe hoop hadden,
haar te behouden. Zij leed aan geweldige toevallen, die boven haar
krachten schenen te gaan, en zooals men zegt, hing haar leven aan
een zijden draadje, maar toen ze anderhalf jaar oud was, scheen zij
er bovenop te komen; de gevaarlijke verschijnselen verminderden,
en toen ze twintig maanden oud was, was ze volmaakt wel.
"Snel ontwikkelden zich toen hare zielsvermogens, die tot dusverre in
hun groei tegengehouden waren; en als we het bericht eener moeder,
die dol veel van haar kind hield, mogen gelooven, dan legde zij
gedurende de vier maanden gezondheid, die zij genoot, een hooge mate
van bevattelijkheid aan den dag.
"Maar plotseling werd ze weer ziek; vijf weken lang woedde haar
ziekte allergeweldigst, haar oogen en ooren werden ontstoken, en
veretterden geheel en al. Maar ofschoon zij èn gezicht èn gehoor voor
altijd kwijt was, was het lijden van 't arme kind daarom nog niet
gedaan. Zeven weken lang woedde de koorts; vijf maanden lang moest
ze te bed blijven in een donker gemaakte kamer; een jaar verliep
er voordat ze zonder steun kon loopen, en twee jaar voordat ze den
geheelen dag op kon zitten. Nu kwam men tot de treurige ontdekking,
dat haar reukorgaan bijna geheel en al vernietigd, en bijgevolg haar
smaak erg verstompt was.
"Niet voor haar vierde jaar scheen de lichamelijke gezondheid van 't
arme kind hersteld te zijn, en eerst toen was ze in staat om iets van
't leven en de wereld te leeren kennen.
"Maar in wat voor toestand bevond zij zich! Om haar heen de duisternis
en de stilte, van 't graf; geen moederlijke glimlach lokte een glimlach
op haar gezicht, geen vaderlijke stem leerde haar, om zijn klanken na
te bootsten;--haar broers en zusters waren niet anders dan voorwerpen
die zij kon aanraken; nu ja, maar die overigens alleen in zoover van
de meubelstukken thuis verschilden, dat zij warm waren en zich konden
bewegen; en zelfs in dit tweeërlei opzicht waren ze voor haar niet
van den hond en de kat te onderscheiden.
"Maar de onsterfelijke geest, die haar ingeplant was, kon niet sterven,
noch bedorven of verminkt worden; en ofschoon de meeste zijner
toegangen van gemeenschap met de wereld waren afgesneden, begon hij
zich door de anderen te openbaren. Zoodra zij kon loopen, begon ze de
kamer te onderzoeken; daarna het huis; ze werd gemeenzaam met den vorm,
den omvang, het gewicht, en den warmtegraad van ieder voorwerp, waar
ze haar handen maar op leggen kon. Zij volgde haar moeder en voelde
haar handen en armen, als die met haar huiswerk in de weer was; en
haar neiging om na te bootsen spoorde haar aan, om alles zelve nog
eens over te doen. Ze leerde zelfs een beetje naaien en breien.
"Ik zal den lezer evenwel niet opzettelijk behoeven te doen opmerken,
dat de gelegenheden, om gemeenschap met haar te oefenen, zeer, zeer
beperkt waren; en dat het niet lang duurde, of de zedelijke gevolgen
van haar rampzaligen toestand kwamen voor den dag. Zij, die langs
den zedelijken weg niet verlicht kunnen worden, kunnen alleen door
geweld worden geleid; een omstandigheid die, gepaard met haar groote
ontberingen, haar spoedig in een toestand zou gebracht hebben nog
erger dan die van beesten, ware het niet, dat er bijtijds onverwachte
hulp op kwam dagen.
"Toen der tijd was ik zoo gelukkig van 't kind te hooren, en vertrok
onmiddellijk naar Hanover om 't op te zoeken. Ik vond haar met
een welgevormd uiterlijk; een sterk geteekend, nerveus-sanguinisch
temperament, een breed en schoon gevormd hoofd en 't geheele systeem
in gezonde actie. Het kostte mij niet veel moeite de ouders over te
halen, om hun toestemming te geven, dat het kind te Boston zou komen,
en den 4 October 1837 brachten zij het naar 't Instituut.
"Gedurende eenigen tijd was zij allesbehalve op haar gemak, en nadat
men een paar weken gewacht had, in welken tusschentijd zij met haar
nieuw verblijf bekend werd gemaakt, en ook met de overige bewoners
ietwat gemeenzaam was geworden, probeerde men, haar op de hoogte
te brengen van willekeurige teekens, waarmee zij van gedachte kon
wisselen met anderen.
"Van tweeën één: òf men kon in dit geval een teekentaal bouwen op
den grondslag van de natuurlijke taal die zij zelve al begonnen
had, òf men kon haar de algemeen in gebruik zijnde willekeurige
taal leeren. Met andere woorden: men kon haar òf een teeken geven
voor ieder afzonderlijk voorwerp, òf kennis van letters met behulp
waarvan zij haar denkbeeld van 't bestaan, en de wijze van bestaan,
onverschillig van welk voorwerp, uit zou kunnen drukken. De eerste
methode zou gemakkelijk geweest zijn maar zeer weinig aan 't doel
beantwoord hebben; de tweede scheen zeer moeilijk, maar, eenmaal
voltooid, alleszins doeltreffend. Ik besloot derhalve, hier den
laatsten weg in te slaan.
"De eerste proeven werden genomen met voorwerpen van algemeen gebruik,
zooals messen, vorken, lepels, sleutels enz., waar men een soort van
etiquette op vastplakte met den naam in zoogenaamd opgelegd schrift
er op. Dit schrift bevoelde ze zeer attent, en ze merkte natuurlijk
al heel spoedig, dat de kromme lijnen of teekenen van 't woord lepel
evenveel van die van 't woord sleutel verschilden als de lepel in
vorm verschilde van den sleutel.
"Toen werden haar kleine losse etiquetten. met dezelfde woorden er op
gedrukt, in handen gegeven en merkte ze al heel gauw, dat ze gelijk
waren aan die, welke men op de voorwerpen geplakt had. Dat zij deze
gelijkheid ontdekte, toonde ze hierdoor, dat ze de etiquette sleutel
op den sleutel legde, en de etiquette lepel op den lepel. Hier werd
zij aangemoedigd door 't natuurlijk teeken van goedkeuring, door haar
namelijk op 't hoofd te tikken.
"Hetzelfde werd toen gedaan met al de voorwerpen die zij hanteeren
kon; en zeer gemakkelijk leerde zij er de etiquetten op leggen die er
bij behoorden. Het lag evenwel voor de hand, dat de verstandelijke
oefening niet verder reikte dan tot nabootsen en onthouden. Zoo
herinnerde zij zich dat de etiquette boek op een boek gelegd was, en
herhaalde de handeling eerst uit nabootsing, daarna uit het geheugen,
met geen andere drangredenen dan dat ze graag een pluimpje kreeg,
maar kennelijk zonder zich zelve eenigermate bewust te zijn van
't verband tusschen de dingen.
"Na een poos werden haar in plaats van etiquetten de afzonderlijke
letters gegeven op losse reepjes papier: men legde ze naast elkaar,
dat ze het woord boek, sleutel enz. spellen kon; dan werden die letters
door elkaar geschud en gaf men haar een teeken, dat zij ze zelven zoo
moest rangschikken, dat ze de woorden boek, sleutel enz. uitdrukten,
wat zij dan ook deed.
"Tot nogtoe was alles werktuigelijk gegaan en de uitslag zoo wat even
groot als dat men een vluggen hond een massa kunstjes leert. Het arme
kind had er in stomme verbazing bij gezeten en al wat haar onderwijzer
deed geduldig nagebootst: maar nu begon een flikkering van 't licht der
waarheid in haar ziel door te dringen, nu begon, met andere woorden,
haar verstand te werken: zij bemerkte, dat hier een weg was, langs
welken zij zich een teeken kon maken van elk voorwerp dat in haar
eigen ziel was, en dit aan een andere ziel kon toonen: en zie, op eens
werd haar gezicht door een menschelijke uitdrukking verlicht: niet
langer was 't een hond of papegaai: het was een onsterfelijke geest,
die zich met vurig verlangen vastklemde aan een nieuwe schakel van
vereeniging met andere geesten! Ik kon bijna het oogenblik waarnemen
waarop deze waarheid voor haar ziel aanbrak en haar licht over haar
volkomen verspreidde: ik zag, dat wij nu de grootste zwarigheid te
boven waren en er voortaan slechts geduld en volharding vereischt
werd om volkomen te slagen.
"De tot hiertoe verkregen uitkomst is gauw verteld en kan gemakkelijk
worden nagegaan; maar niet alzoo de gang van zaken zelf; want
verscheidene weken verliepen er, dat men schijnbaar tevergeefs gearbeid
had, voor en aleer men het gewenschte doel bereikte.
"Toen we zoo even van een teeken gewaagden, dat gemaakt werd,
wilden we daarmee dit zeggen, dat de handeling door haar onderwijzer
verricht werd, terwijl zij zijn handen bevoelde en vervolgens de
beweging nadeed.
"De volgende stap bestond hierin, dat men zich een stel metalen
stiften verschafte met de verschillende letters van 't alphabet aan
't end; ook een bord met vierkante gaatjes, waar zij de stiften in
kon zetten, zoodat zij alleen de einden daarvan met de letters boven
de oppervlakte voelen kon.
"Wanneer men haar nu een of ander voorwerp ter hand stelde, bij
voorbeeld een potlood of een horloge, dan moest zij de letters
uitzoeken die er het woord van uitmaakten, welke letters zij dan op
haar bord rangschikte en met blijkbaar genoegen las.
"Ettelijke weken had zij al op deze wijze les gekregen, totdat ze
al vrij wat woorden beethad; en toen ging men tot den gewichtigen
stap over, om haar te leeren hoe zij de verschillende letters met
haar vingers kon maken, in plaats van den omslachtigen toestel van
't bord en de drukletters. Zij leerde dit spoedig en gemakkelijk,
want haar verstand begon reeds haar onderwijzer in de hand te werken.
"Dit was het tijdstip, omstreeks drie maanden nadat ze begonnen
was, dat het eerste verslag van haar geval in werd geleverd, waarin
geconstateerd wordt, dat ""zij nu het hand-alphabet geleerd heeft,
gelijk dit in gebruik is bij de doofstommen, en het even pleizierig
als verwonderlijk is om te zien hoe gauw, nauwkeurig en vlijtig zij
met haar werk vordert. Haar onderwijzer geeft haar een nieuw voorwerp,
bij voorbeeld een potlood; laat haar dit eerst onderzoeken en zich een
denkbeeld vormen van 't gebruik dat daarvan gemaakt wordt, leert haar
dan hoe het gespeld moet worden door haar met haar eigen vingers de
letters voor te doen: het kind grijpt haar hand en voelt hare vingers
zooals de verschillende letters gevormd zijn; ze draait haar hoofd een
beetje naar een kant, gelijk iemand pleegt te doen die attent luistert;
haar lippen staan van elkaar; ze schijnt nauwelijks adem te halen;
en teekent haar gezicht eerst verlegenheid, trapsgewijze neemt dit
een lachenden trek aan, zoodra zij maar alles begrijpt. Dan houdt zij
haar dunne vingers op en speld het woord volgens 't hand-alphabet;
daarna neemt ze haar stiften en rangschikt haar letters; en om nu
aan te toonen dat zij zich niet vergist, neemt ze al de drukletters
die het woord samenstellen, en zet ze op of brengt ze in aanraking
met het potlood of wat het voorwerp ook moge zijn.""
"Het volgende jaar werd geheel en al besteed met het voldoen van haar
vurige begeerte om de namen te kennen van ieder voorwerp dat zij maar
met mogelijkheid hanteeren kon, terwijl men tevens niet verzuimde,
haar in 't gebruik van 't hand-alphabet te oefenen, en op alle
mogelijke wijze haar kennis van 't natuurlijk verband der dingen uit
te breiden. Ook werd er bijzonder veel zorg aan haar gezondheid gewijd.
"Aan 't einde des jaars werd er een verslag van 't geval opgemaakt,
waarvan het volgende een uittreksel is.
"Met een zekerheid, die de mogelijkheid van twijfel uitsluit,
heeft men waargenomen, dat zij geen zweem van licht kan zien, geen
geluid, hoe zwak dan ook, kan hooren, en dat ze nooit haar reukorgaan
gebruikt, gesteld dat zij er een heeft. Bijgevolg woont haar ziel in
duisternis en stilheid, even diep als die waarin een gesloten graf
in 't middernachtelijk uur verkeert. Van schoone gezichten, en zoete
tonen, en liefelijke geuren heeft zij geen begrip; dit neemt niet weg,
dat ze even gelukkig en dartel schijnt als een vogel of een lam; en het
gebruik harer zielsvermogens of de verkrijging van een nieuw denkbeeld
verschaft haar een levendig vermaak, dat dadelijk uit haar sprekende
gelaatstrekken valt op te maken. Nooit schijnt ze misnoegd te wezen,
maar ze heeft al de onbezorgdheid en vroolijkheid der kinderlijke
jaren. Ze houdt dol veel van gekheid, en speelt ze met de overige
kinderen, dan klinkt haar schrille lach boven allen uit.
"Is ze alleen, dan schijnt ze zeer gelukkig, als ze maar haar brei- of
naaiwerk bij de hand heeft, en zal zich daarmee uren lang bezig houden;
heeft ze geen bepaalde bezigheid, dan vermaakt ze zich klaarblijkelijk
door denkbeeldige samenspraken of voorbijgaande indrukken voor den
geest terug te roepen; zij rekent met haar vingers of spelt namen van
dingen die zij onlangs geleerd heeft, natuurlijk in 't hand-alphabet
der doofstommen. Bij deze eenzame gemeenschapsoefening met haar zelve
schijnt ze te redeneeren, te overwegen en te redekavelen; spelt ze
met de vingers harer rechterhand een woord verkeerd, op staanden voet
krijgt die hand met de linker een tik, precies als haar onderwijzer
doet, wanneer die zijn afkeuring over een of ander wil te kennen geven;
heeft ze daarentegen het woord goed gespeld, dan tikt ze zich op 't
hoofd en ziet er vergenoegd uit. Soms spelt ze een woord opzettelijk
verkeerd met de linkerhand, ziet er een oogenblik guitig uit en lacht,
en slaat dan oudergewoonte de rechter- met de linkerhand, als om ze
te verbeteren.
"In den loop des jaars is zij zeer vlug geworden in 't gebruik van
't hand-alphabet; en zoo gauw en vlug spelt ze de haar bekende woorden
en spreuken, dat alleen zij, die aan deze taal gewoon zijn, de snelle
bewegingen harer vingers kunnen volgen.
"Maar mag de snelheid, waarmee zij haar gedachten als 't ware op
de lucht schrijft, verwonderlijk heeten, nog verwonderlijker is
de gemakkelijkheid en nauwkeurigheid waarmee zij de woorden leest,
die op dezelfde wijze door een ander zijn geschreven, door namelijk
hun handen in de hare vast te houden, en iedere beweging hunner
vingers te volgen, zooals de eene letter na de andere hun bedoeling
aan haar geest vertolkt. Op die manier spreekt ze met haar blinde
speelkameraden, en niets kan de kracht der ziel, om de stof aan
zich dienstbaar te maken, krachtdadiger openbaren dan een ontmoeting
tusschen zulke wezens. Want worden er reeds groot talent en vlugheid
in twee pantomimisten vereischt, om hun gedachten en gevoelens door
de bewegingen des lichaams en de uitdrukking van 't gezicht af te
schilderen, hoeveel grooter is niet de moeielijkheid als beiden om zoo
te zeggen in duisternis gehuld zijn, en de een geen geluid kan hooren!
"Als Laura met de handen voor zich uit een gang doorgaat, dan kent
ze oogenblikkelijk ieder dien ze tegenkomt, en gaat hen met een
teeken dat zij ze herkent voorbij: maar is 't een meisje van haar
eigen leeftijd en in 't bijzonder iemand waar ze veel van houdt,
dan legt ze die herkenning in dezer voege aan den dag: ten eerste
speelt er dadelijk een lieve glimlach om haar mond, dan drukt ze haar
vriendinnetje in haar armen of grijpt haar handen, en gauw gaan haar
tengere vingers aan 't telegrapheeren, en worden door dat snelwerkende
middel de gedachten en gevoelens van de buitenposten der eene ziel
naar die der andere overgebracht. Het zijn vragen en antwoorden,
wisselingen van vreugd of smart, het is een kussen en afscheidnemen
precies zooals dit tusschen kleine kinderen, die het gebruik hunner
vijf zintuigen hebben, plaats vindt.
"In den loop van dit jaar--ze was toen zes maanden buitenshuis
geweest--kwam haar moeder haar een bezoek brengen; de wijze, waarop de
ontmoeting tusschen moeder en kind in 't werk ging, leverde inderdaad
een belangwekkend tooneel op.
"Een tijdlang stond de moeder met oogen, waaruit een stroom van tranen
vloeide, haar ongelukkig kind aan te kijken, dat, ten eenenmale
onbewust van haar tegenwoordigheid, in de kamer speelde. Daar liep
Laura tegen haar aan en begon op eens haar handen te bevoelen en
haar kleeding te onderzoeken; kortom men kon 't haar aanzien, dat
zij haar best deed om uit te vinden of ze haar ook kende; maar dit
gelukte haar niet, maar nu keerde zij zich als van een vreemde van
haar af, en de arme vrouw kon de bittere smart niet onderdrukken die
zij gevoelde bij de ontdekking dat haar lieveling haar niet kende.
"Toen gaf zij Laura een snoer kralen, dat zij thuis placht te dragen;
op eens herkende het kind dat; met groote blijdschap sloeg zij het
om haar hals en zocht mij driftig op, om mij te zeggen, dat zij wel
begreep dat het van huis kwam.
"Nu wou de moeder haar liefkoozen; maar de arme Laura wou daar niets
van weten; zij duwde haar moeder weg en gaf niet onduidelijk te
verstaan, dat zij liever bij haar makkertjes was.
"Hierop werd haar een ander voorwerp van huis gegeven, en nu begon
ze ietwat meer belangstelling aan den dag te leggen. Zoo onderzocht
zij de vreemdeling nauwkeuriger en gaf mij te verstaan, dat zij wist
dat ze van Hanover kwam; ja zelfs liet ze nu haar liefkoozingen toe,
doch met dien verstande dat zij haar op 't geringste sein onverschillig
weer in den steek liet. De droefheid der moeder was nu waarlijk akelig
om aan te zien; want ofschoon zij er wel bang voor geweest was, dat
zij niet herkend zou worden,--de pijnlijke werkelijkheid, dat zij
door een aangebeden kind met koude onverschilligheid behandeld werd,
ze was te veel voor de vrouwelijke natuur om te dragen.
"Na een poos--de moeder, moet men weten, hield haar kind weer
vast--scheen een onbepaald denkbeeld voor Laura's ziel te flikkeren,
dat dit toch geen vreemdeling kon zijn; vandaar dat zij nu haar
handen meer onstuimig bevoelde, terwijl heel haar uiterlijk een
uitdrukking van diepe belangstelling aannam; ze werd erg bleek,
en dan plotseling rood; de hoop scheen met twijfel en angst te
worstelen, en nooit waren tegenstrijdige aandoeningen sterker op
een menschelijk gezicht afgeteekend. Op dit oogenblik van pijnlijke
onzekerheid trok de moeder haar dicht aan haar zij, en kuste haar
hartstochtelijk... daar ging op eens een licht op voor 't kind, en
zie, alle wantrouwen en angst verdween van haar gezicht, en zich
met eene uitdrukking van hooggestemde blijdschap aan den boezem
van haar naastbestaande vastklemmende, was zij het nu zelve die de
hartstochtelijke omhelzingen als 't ware uitlokte.
"Na deze heuglijke ontdekking nam ze geen notitie meer van haar kralen;
ook naar 't speelgoed, dat men haar gegeven had, keek ze niet meer om;
haar speelmakkertjes, voor wie zij nog een oogenblik geleden blijmoedig
de vreemdeling verliet, deden nu tevergeefs hun best om haar van
haar moeder af te troonen; en ofschoon zij oudergewoonte onmiddellijk
gehoorzaamde aan 't sein dat ik haar gaf, om mij te volgen, deed zij
't ditmaal met klaarblijkelijken tegenzin. Alsof ze verlegen en bang
was geweest, zoo drukte zij zich tegen haar aan; en toen ik haar een
oogenblik daarna weer bij haar moeder bracht, sprong zij haar in de
armen en drukte zich met onstuimige blijdschap tegen haar aan.
"De wijze waarop zij vervolgens afscheid van elkaar namen, toonde
meteen de hartelijkheid, het verstand en de vastberadenheid van
't kind.
"Laura ging met haar moeder mee tot aan de deur, en drukte zich den
geheelen weg over tegen haar zij aan, totdat zij aan den drempel
kwamen. Zoodra zij de moeder van 't gesticht bemerkte, van wie zij
dol veel houdt, greep zij haar met de eene hand, terwijl zij met de
andere haar moeder zenuwachtig vasthield; en zoo stond zij daar een
oogenblik; toen liet zij haar moeders hand los, bracht haar zakdoek
voor haar oogen, draaide zich om, en drukte zich snikkend tegen de
moeder van 't gesticht aan, terwijl haar moeder vertrok, even diep
ontroerd als haar kind.
"In vorige verslagen is er gewag van gemaakt, dat zij verschillende
graden van verstand in anderen weet te onderscheiden, en dat het niet
lang duurde of ze behandelde een nieuweling bijna met verachting toen
zij na een dag of acht ontdekte hoe zwak van verstand deze was. Deze
onbeminnelijke zij van haar karakter heeft zich in den loop van
verleden jaar sterker ontwikkeld.
"Zoo koos zij die kinderen tot haar vriendinnen en kameraden die
verstandig zijn en 't best met haar kunnen praten; en duidelijk blijkt
het, dat zij er een hekel aan heeft, om met minder ontwikkelden om
te gaan tenzij ze--ja waarlijk zoo bestaat ze!--de zoodanigen kan
utiliseeren, iets waar ze klaarblijkelijk alles behalve vies van
is. Zij profiteert van hen, en laat zich door hen bedienen op een
manier als ze maar al te goed weet, dat ze van anderen niet gedaan
zou kunnen krijgen; kortom op allerhande wijze verraadt ze haar
Saksisch bloed.
"Het doet haar genoegen, als andere kinderen opgemerkt en geliefkoosd
worden door de onderwijzers en door hen, waar zij ontzag voor heeft,
maar dit mag niet over den kerfstok loopen of ze wordt jaloersch. Zij
verlangt haar deel te hebben,--een deel, dat, zoo al niet het
leeuwendeel, in allen gevalle het grootste deel is, en krijgt zij
dat niet, dan zegt ze: "Mijn moeder zal me liefhebben."
"De zucht tot nabootsing is in haar zoo sterk, dat ze haar tot daden
verleidt, die haar zelve ten eenenmale onbegrijpelijk moeten zijn, en
haar dan ook geen ander genoegen kunnen verschaffen, dan het voldoen
van een innerlijken aandrang. Zoo heeft men haar een half uur lang
zien tellen met een boek voor hare van 't gezichtsvermogen beroofde
oogen; dan bewoog zij haar lippen gelijk ze dat van ziende menschen
gemerkt had, wanneer die lezen.
"Op zekeren dag beweerde zij, dat haar pop ziek was; al de bewegingen
deed zij na, die men gewoonlijk doet, als men een zieke oppast en
een drankje ingeeft; daarna legde zij haar pop voorzichtig te bed,
zorgde voor een flesch met heet water aan haar voeten, en lachte al
dien tijd dat het schaterde. Toen ik thuis kwam, liet ze mij geen
rust, of ik moest de zieke eens op gaan. zoeken en haar pols voelen;
en toen ik haar zei, dat men de patiënt een spaansche vlieg op den
rug moest leggen, scheen zij erg in haar schik te wezen, en gilde
het uit van de pret.
"Zij heeft een sterk gemeenschapsgevoel; trouwens, haar affectiën zijn
over 't algemeen sterk, zeer sterk. Zit ze bij voorbeeld naast een
harer vriendinnetjes te werken of te leeren, ieder oogenblik breekt
ze haar taak af, om zoo'n vriendinnetje te omhelzen en te kussen,
en dat zoo teer, zoo vurig, dat men er van ontroert als men 't ziet.
"Is ze alleen, dan houdt ze zich bezig en schijnt, wel verre van zich
te vervelen, integendeel erg in haar schik, en zoo sterk schijnt de
natuurlijke trek, om althans den schijn aan te nemen van te spreken,
dat ze in de vingertaal zelfs een alleenspraak houdt, hoe langzaam en
vervelend dit ook moge zijn. Maar alleen dan, wanneer ze in haar eentje
is, is ze bedaard, want merkt ze, dat iemand in haar nabijheid is,
dan heeft ze rust noch duur, totdat ze dicht naast hen kan zitten, hun
hand vast kan houden, en door middel van teekens met hen spreken kan.
"Wat haar verstand betreft, is het niet onaardig, een onverzadigbaren
dorst naar kennis, en een vlug begrip van de verhouding der dingen bij
haar op te merken, en wat haar zedelijk karakter aangaat, biedt het
waarlijk een schoon schouwspel aan, haar bestendige blijmoedigheid,
haar levenslust, haar ruimhartige liefde, haar gul vertrouwen, haar
medelijdend gevoel, haar nauwgezetheid, haar waarheidlievendheid en
hoopvol vertrouwen gade te slaan."
Ziedaar eenige fragmenten uit de eenvoudige maar hoogst belangrijke
en leerrijke geschiedenis van Laura Bridgman. De naam van haar grooten
weldoener en vriend, die ze schrijft, is Dr. Howe. Ik hoop en geloof,
dat er niet veel personen zijn, die, na het lezen van dit uittreksel,
dien naam ooit met onverschilligheid kunnen hooren.
Sinds het verslag, waar ik zoo even een en ander uit aangehaald heb,
heeft Dr. Howe een vervolg daarop uitgegeven. Daarin vindt men de
beschrijving hoe zij gedurende de volgende twaalf maanden naar
't verstandelijke is vooruitgegaan,--een beschrijving die haar
kleine geschiedenis tot aan het einde van verleden jaar omvat. Het
is zeer opmerkelijk, dat, evenals wij in onzen droom spreken en
denkbeeldige gesprekken voeren, waarin wij èn voor ons zelven èn voor
de schimmen spreken die ons in de nachtelijke visioenen verschijnen,
zoo ook zij, die over geen woorden kan beschikken, in haar slaap haar
vinger-alphabet gebruikt. En men heeft het nagegaan, dat, als ze een
onrustigen nacht doorbrengt en zwaar droomt, zij haar gedachten op
een onregelmatige en verwarde wijze op haar vingers uitdrukt, precies
zooals wij ze onder gelijke omstandigheden onduidelijk zouden mompelen!
Ik bladerde haar Dagboek door en bevond dat het met een mooie,
leesbare, vaste hand geschreven was, en uitgedrukt in woorden, die
men zonder eenige verklaring heel goed kon verstaan. Toen ik mijn
verlangen te kennen gaf, haar nog eens te zien schrijven, verzocht de
onderwijzer, die naast haar zat, haar in hun taal om een keer of drie
haar naam op een stukje papier te zetten. Bij die gelegenheid merkte
ik, dat zij onder 't schrijven altijd met haar linkerhand de rechter,
waarmee zij natuurlijk de pen vasthield, aanraakte en volgde. Geen
regel stond oneffen of scheef, maar ze schreef recht en los.
Tot nogtoe had zij er niets van gemerkt of er bezoekers waren of niet;
maar nauwelijks had zij haar hand in die van den mij vergezellenden
heer gelegd, of onmiddellijk drukte zij diens naam op den palm van
haar hand uit. Het zintuig van haar gevoel is nu dan ook zoo fijn,
dat, als zij maar eens met iemand in aanraking geweest is, zij hem
of haar herkent, 't komt er bijna niet op aan, hoelang er sinds dien
tijd verloopen is. Zoo geloof ik, dat deze heer maar zelden in haar
gezelschap geweest is; haar zeker in ettelijke maanden niet gezien
heeft. Mijn hand duwde zij dadelijk terug, gelijk zij dat met iedere
hand doet, die haar onbekend is. Maar mijn vrouws hand hield zij met
kennelijk pleizier vast, kuste haar, en onderzocht haar kleeding met
de nieuwsgierigheid en belangstelling van een meisje.
Zij was opgeruimd en vroolijk, en legde in haar omgang met haar
onderwijzer veel onschuldige dartelheid aan den dag. Was men er altemet
getuige van, hoe blij zij was bij de herkenning van een harer geliefde
makkertjes--ook een blind meisje--die stilletjes en op haar beurt
niet minder in haar schik over de verrassing, naast haar ging zitten,
o! zoo'n tooneel zou men niet licht vergeten. Evenals dit bij andere
onbeduidende gelegenheden een keer of drie in den loop van mijn bezoek
plaats vond, ontlokte haar dit een rauw geluid, dat vrij onaangenaam
was voor 't gehoor. Maar raakte haar onderwijzeres haar lippen aan,
dan hield zij onmiddellijk op, en omhelsde haar lachend en hartelijk.
Te voren was ik in een andere kamer geweest, waar tal van blinde
jongens aan 't klauteren en schommelen waren of zich met andere
spelletjes vermaakten, Toen wij binnenkwamen riepen zij allen
den ondermeester, die met ons meeging, toe: "Kijk'reis naar mij,
meester Hart! Och toe, meester Hart! Kijk'reis naar mij!" Ik denk,
dat ze zelfs hiermee een angstig verlangen, dat hun toestand eigen is,
wilden te kennen geven, dat de kleine bewijzen hunner vlugheid toch
gezien mochten worden. Onder hen bevond zich een kleine schalk van 'n
jongen, die zich op zijn eigen houtje met een gymnastische oefening
onledig hield, waarbij zijn armen en borst in 't spel waren; iets
waar hij veel pret in had, vooral als hij, bij het uitsteken van zijn
rechterarm, deze in aanraking bracht met een anderen jongen. Evenals
Laura Bridgman, was dit jonge kind doofstom en blind.
Dr. Howe's verslag van 't eerste onderwijs van dezen kweekeling is
zoo aandoenlijk en staat zoo innig in verband met Laura zelve, dat
ik de verzoeking niet weerstaan kan, ook daar een beknopt uittreksel
van mee te deelen. Vooraf moet ik zeggen, dat de arme jongen Olivier
Caswell heet; dat hij dertien jaar is, en tot op den leeftijd van
drie jaar en vier maanden in 't volle bezit van al zijn vermogens
was. Toen werd hij door de scharlakenkoorts aangetast en wel met
het vreeselijke gevolg, dat hij in vier weken doof, en een week of
wat daarna blind, en in zes maanden stom werd. Zijn leedgevoel over
't gemis van 't laatstvermelde zintuig legde hij hierdoor aan den dag,
dat hij dikwijls de lippen van andere personen bevoelde als zij aan 't
spreken waren, en dan zijn hand aan zijn eigen lippen bracht, als om er
zich van te vergewissen, dat ze ook bij hem op de rechte plaats zaten.
"Zijn dorst naar kennis," zegt Dr. Howe, "openbaarde zich zoodra hij in
't huis kwam, door zijn oplettend onderzoek van ieder voorwerp dat hij
in zijn nieuwe woning maar kon voelen of ruiken. Als hij bij voorbeeld
op den rand van een fornuis trapte, dan bleef hij dadelijk stilstaan
en begon het te bevoelen, en dan duurde het niet lang of hij ontdekte
de wijze waarop de bovenste plaat op de onderste bewoog; maar dit
was hem niet genoeg; vandaar dat hij op zijn gezicht ging liggen,
en zijn tong eerst op de eene plaat legde en dan op de andere, en
zoodoende tot de ontdekking scheen te komen, dat ze van verschillende
soorten metaal waren.
"Zijn teekens waren sprekend en de strikt natuurlijke taal, bij
voorbeeld het lachen, schreeuwen, zuchten, kussen, omhelzen en wat
dies meer zij, liet niets te wenschen over.
"Enkele van de analogische teekens die hij, geleerd door zijn vermogen
van nabootsing, bedacht had, waren begrijpelijk, bij voorbeeld de
op en neer gaande beweging zijner hand, om een boot na te doen,
de draaiende beweging van een wiel, enz.
"Het eerste, waar ik mijn werk van maakte, was, het gebruik dier
teekens op te doen houden en ze door louter willekeurige te vervangen.
"Gebruik makende van de ondervinding, die ik in de andere gevallen
op had gedaan, liet ik verscheiden onderdeelen der vroeger gevolgde
methode na, en begon dadelijk met de vingerspraak. Ik nam daarom
verscheidene voorwerpen, die korte namen hebben, zooals sleutel,
[1] kop, kroes enz., en met Laura tot medehelpster ging ik zitten,
nam zijn hand, legde die op een dier voorwerpen en maakte dan met mijn
eigen hand de letters sleutel. Driftig bevoelde hij mijn handen met de
zijnen, en daar ik de beweging herhaalde, probeerde hij het, naar men
zien kon, om insgelijks de beweging mijner vingers na te bootsen. In
een minuut of wat gelukte het hem, die beweging met zijn eene hand
te voelen, en de andere uitstekende, probeerde hij om ze na te doen,
het uitproestende van lachen als hem dit gelukte. Laura was daarbij
tegenwoordig en nam er zelfs zooveel deel in, dat ze er zenuwachtig van
werd. Die twee kinderen leverden inderdaad een zonderling schouwspel
op: haar gezicht was hoogrood en teekende gejaagdheid, en zoo dicht
waren hare vingers tusschen de onzen gestoken, dat zij er elke beweging
van volgen kon, zonder ze echter in de beweging te hinderen, terwijl
Olivier er opmerkzaam bij stond, met zijn hoofd een beetje op zij,
zijn gezicht omhoog, zijn linkerhand in de mijne en met de rechterhand
uitgestoken. Bij iedere beweging mijner vingers teekende zijn gezicht
de uiterste aandacht; angstige verlegenheid sprak er uit wanneer hij
die bewegingen ten uitvoer legde; meende hij het echter te kunnen doen,
dan kwam er steelsgewijze een glimlach voor den dag, maar zoodra hij
er geheel en al in geslaagd was en voelde dat ik op zijn hoofd tikte
en Laura hem hartelijk op zijn rug sloeg en in haar blijdschap maar
niets anders deed dan op en neer springen, dan, dan barstte hij in
een schaterlach uit.
"Hij leerde meer dan een half dozijn letters in een half uur en scheen
in zijn schik over de vorderingen die hij maakte, ten minste over
de pluimpjes die ik hem gaf. Dan begon zijn aandacht te verflauwen,
waarop ik met hem spelen ging. Het was duidelijk, dat hij bij dat
alles tot dusverre alleen de beweging mijner vingers nagebootst en
zijn hand op den sleutel, het kopje als anderzins, wat ook bij de
les behoorde, gelegd had, zonder het geringste begrip van 't verband
tusschen het teeken en het voorwerp zelf.
"Toen hij het spelen moe was, nam ik hem weer aan tafel, en op staanden
voet was hij gereed om weer aan 't nabootsen te gaan. Het duurde
niet lang of hij leerde de letters voor sleutel, pen, pin maken;
en daar ik zorgde, dat het voorwerp zelf gedurig in zijn hand kwam,
merkte hij ten laatste het verband, dat ik tusschen teeken en voorwerp
wenschte vast te stellen. Dat bleek hieruit, dat, als ik de letters
pin of pen of kop of sleutel maakte, hij aan 't uitzoeken ging van
't daarop betrekking hebbende voorwerp.
"Het besef van dit verband ging niet vergezeld van die schitterende
flikkering van verstand en dien gloed van blijdschap, waardoor zich
het heerlijk oogenblik onderscheidde toen Laura voor 't eerst deze
ontdekking deed. Toen legde ik al de voorwerpen op de tafel, en mij een
beetje met de kinderen verwijderde, plaatste ik Olivier's vingers in de
verschillende positiën om sleutel te spellen, waarop Laura heenging en
het voorwerp bracht: dit scheen de kleine jongen erg prettig te vinden,
althans hij was toen zeer aandachtig en glimlachte. Ik liet hem toen
de letters brood maken, en in een wip ging Laura weer heen en bracht
hem een stuk: hij rook er aan; bracht het aan zijn lippen; richtte
zijn hoofd met een veelbeteekend gebaar op; scheen een oogenblik na
te denken, en begon toen luidkeels te lachen alsof hij wou zeggen:
"Zoo, zoo! nu begrijp ik wat die letters eigenlijk beteekenen."
"Nu was het duidelijk, dat hij èn leeren kon èn leeren wou, met andere
woorden dat hij de geschiktheid, de vatbaarheid bezat, om onderwijs
te ontvangen, en er van zijn kant niets anders dan volhardende
opmerkzaamheid vereischt werd. Vandaar dan ook dat ik hem aan een
kundig onderwijzer toevertrouwde, volstrekt niet twijfelende of hij
zou wel snelle vorderingen maken.
Wel mag deze heer dat een heerlijk oogenblik noemen, toen daar een
uitzicht op haar tegenwoordigen toestand, hoe verwijderd toen ter
tijd dan ook, voor 't eerst de verdonkerde ziel van Laura Bridgman
bestraalde. Zoolang als hij leeft, zal de herinnering aan dat oogenblik
hem een bron zijn van rein, onverstoorbaar geluk; ja zelfs dan wanneer
de avond van zijn edel, nuttig leven aangebroken is, zal diezelfde
herinnering hem niet minder helder bestralen.
De genegenheid, die tusschen deze twee--de onderwijzer en de
leerling--bestaat, is even ver van alle gewone etiquette en ontzag
verwijderd als de omstandigheden, onder welke ze ontstaan en gevoed is,
onderscheiden zijn van de alledaagsche gebeurtenissen des levens. Hij
peinst nu over middelen om haar hooger kennis mee te deelen, en haar
zoodoende eenig denkbeeld te geven van den grooten Schepper van dat
heelal, waar zij zich, hoe donker en stil en reukeloos het voor haar
ook moge zijn, zoo diep en zoo hartelijk in verlustigt.
Gij die oogen hebt en niet ziet, en ooren hebt en niet hoort, gij
die als de huichelaars uw gezichten mismaakt om voor de menschen den
schijn aan te nemen alsof gij vast; leert gij gezonde vroolijkheid en
zachtaardige tevredenheid van deze doofstomme en blinde! Heiligen van
eigen fabrikaat met uw sombere gelaatstrekken, dit kind dat niet zien
en niet hooren en niet spreken kan, het zal u lessen kunnen geven die
gij wel zult doen van op te volgen. Laat haar arm handje zachtjens op
uw harten liggen; want wie weet of er in die heelende aanraking niet
iets ligt dat gelijkt op de aanraking van den Grooten Meester wiens
voorschriften gij verdraait, wiens lessen gij verknoeit, van wiens
liefde en medegevoel met de geheele wereld niet een onder u in zijn
dagelijksch leven zooveel af weet als verscheidene van de slechtsten
onder die gevallen zondaars, tegenover wie gij alleen scheutig zijt
met uw prediking van hel en verdoemenis!
Toen ik opstond om de kamer te verlaten, vloog een allerliefst
kind van een der oppassers naar binnen om zijn vader goedendag te
zeggen. Op dit oogenblik maakte een kind met oogen, onder al die van
't gezicht beroofden, bijna een even pijnlijken indruk op me als de
blinde jongen in 't portaal gedaan had, twee uur geleden. O! hoeveel
helderder en dieper blauw, hoeveel schitterender en rijker dan 't
te voren geweest was, was het schouwspel daarbuiten in tegenstelling
met de duisternis van zoo menig jeugdig leven daarbinnen!
Te Zuid-Boston gelijk het genoemd wordt, vindt men verscheidene
gestichten van liefdadigheid dicht bijeen, waarvan de
inrichting volkomen aan 't doel beantwoordt. Een daarvan is het
krankzinnigen-gesticht van den Staat, dat op bewonderenswaardige wijze
bestuurd wordt volgens die verlichte beginselen van zachtmoedigheid
en vriendelijkheid, welke voor twintig jaar erger dan kettersch
zouden geweest zijn, doch thans met zoo'n gelukkig gevolg in
ons eigen armen-gesticht te Hanwell in toepassing gebracht zijn
geworden. "Openbaar een begeerte om zelfs in krankzinnigen eenig
vertrouwen te stellen," zei de dokter, die in 't gesticht woont,
toen wij de galerijen doorgingen en de patiënten zich vrijelijk om
ons heen bewogen. Van degenen die, na getuige te zijn geweest van
haar gevolgen, de wijsheid dezer grondstelling toch ontkennen of
betwijfelen, gesteld dat er de zoodanigen nog gevonden worden--van
hen nu kan ik alleen dit zeggen, dat ik hoop dat ik nooit opgeroepen
zal worden om als gezworene zitting te nemen in een commissie van
onderzoek, waarin zij betrokken zijn; want louter op grond daarvan
zou ik hen voor krankzinnig durven verklaren.
Elke zaal in dit gesticht heeft den vorm eener lange galerij of zaal,
waarin de slaapvertrekken der patiënten aan weerszijden opengaan. Hier
werken zij, lezen, kegelen en vermaken zich met andere spelen; en als
het weer niet toelaat, dat ze in de open lucht eenige beweging nemen,
dan brengen ze er gezamenlijk den dag door. Doodbedaard, en precies
alsof het zoo behoorde, zaten de doktersvrouw en nog een dame met een
paar kinderen onder al die zwarte en blanke krankzinnige vrouwen. Deze
dames waren beminnelijk en schoon; en 't was niet moeielijk, met een
enkelen oogopslag te bespeuren, dat zelfs haar tegenwoordigheid te
dezer plaatse een allerweldadigsten invloed uitoefende op de patiënten
om haar heen.
Met haar hoofd tegen den schoorsteenmantel zat een oudere dame, met
een zeer deftig voorkomen en van hoogst beschaafde manieren, die zoo
opgeschikt was als Madge Wildfire zelve. Vooral haar hoofd zat zoo
vol stukjes gaas en katoen en papier, en wat niet al meer, dat het
veel weghad van een vogelnest. Zij schitterde van valsche juweelen,
droeg een prachtigen gouden bril, die ontwijfelbaar echt was, en liet,
toen wij nader kwamen, met sierlijken zwaai op haar schoot een oude
smerige krant vallen, waarin zij stellig een verslag moet gelezen
hebben van haar eigen voorstelling aan een of ander buitenlandsch hof.
Met opzet ben ik in deze bijzonderheden getreden, omdat deze dame
ons een staaltje op zal leveren van de wijze waarop de dokter het
vertrouwen zijner patiënten wist te winnen en te behouden.
"Deze dame," zei hij tegen me, terwijl hij me meteen bij de hand nam
en de aangedirkte figuur heel beleefd naderde, zonder haar achterdocht
door den geringsten blik of de geringste fluistering, of wat dan ook,
op te wekken,--"deze dame is de vrouw des huizes, m'nheer. Het is
haar eigendom. Niemand anders heeft hier iets te zeggen. Zooals u
ziet, is 't een groote inrichting, een inrichting die een talrijk
personeel vereischt. Zij leeft, naar u wel merkt, op den deftigsten
voet. Zij is vriendelijk genoeg, mijn bezoeken te ontvangen, en mijn
vrouw en familie hier te laten wonen, waarvoor we, 't is eigenlijk
overbodig dit te doen opmerken, haar ten zeerste verplicht zijn. Zij
is buitengemeen hoffelijk, gelijk u wel bespeurt,"--op dit gezegde
boog zij heel genadig--"en zal me zeker wel het genoegen toestaan,
u aan haar voor te stellen: een heer uit Engeland, mevrouw: pas uit
Engeland aangekomen na een zeer stormachtigen overtocht: m'nheer
Dickens,--de vrouw des huizes!"
Met de grootste deftigheid en onderscheiding wisselden wij de
eerbiedigste complimenten, en gingen toen verder. De overige
krankzinnige vrouwen schenen (niet alleen in dit geval, maar in al
de andere, uitgenomen haar eigen) heel goed te begrijpen, dat hier
comedie gespeeld werd; althans ze hadden er niet weinig schik in. Op
dezelfde wijze werd ik op de hoogte gebracht van den verschillenden
aard hunner krankzinnigheid, en verlieten we iedereen in de beste
luim. Langs dezen weg wordt er met betrekking tot den aard en omvang
hunner hallucinatiën niet alleen het onbepaaldste vertrouwen tusschen
dokter en patiënt tot stand gebracht maar men kan licht nagaan dat
de geneesheer zoodoende de eerste de beste gelegenheid van helderheid
kan aangrepen, om hun de verstandsverbijstering, waar ze onder gebukt
gaan, onder 't ongerijmdste en belachelijkste licht te plaatsen.
In dit gesticht zit ieder patiënt alle dag met een mes en vork
aan tafel; en in hun midden zit de heer, van wien ik zoo even
heb meegedeeld op wat voor menschkundige wijze hij zich van zijn
taak kwijt. Bij elk diner is 't alleen de zedelijke invloed die de
heftigste krankzinnigen weerhoudt, om de rest de strot af te snijden;
maar de uitwerking van dien invloed is tot een volstrekte zekerheid
geworden, en, zelfs als dwangmiddel, laat staan als geneesmiddel,
honderdmaal doeltreffender bevonden dan al de dwangbuizen, kettingen
en handboeien, die de onwetendheid, het vooroordeel en de wreedheid
sinds de schepping der wereld uit hebben gevonden.
In de werkzaal kan ieder patiënt even frank en vrij met zijn
gereedschappen omgaan als was hij goed bij zijn verstand. In den tuin
en aan de boerderij werken zij met schoppen, harken en schoffels. Voor
hun pleizier wandelen, loopen, visschen, schilderen en lezen zij;
ook rijden zij uit in expresselijk voor dat doel gemaakte wagentjes om
een luchtje te scheppen. Zij hebben onderling een naai-vereeniging om
kleeren voor de armen te maken, die vergaderingen houdt, en besluiten
neemt, zonder dat men daarbij zijn vuisten of zakmessen gebruikt,
gelijk dit wel eens op vergaderingen van niet-krankzinnigen plaats
vindt; kortom alles gaat daar ordelijk en fatsoenlijk zijn gang. De
prikkelbaarheid, die zij anders tegen hun eigen vleesch, kleeren en
meubelstukken aan den dag zouden leggen, vindt in deze bezigheden
een behoorlijke afleiding. Ze zijn opgeruimd, bedaard en gezond.
Eens in de week is er bal, waar de dokter en zijn familie, met het
geheele vrouwelijke en mannelijke personeel, een werkzaam deel aan
neemt. Dansen en marschen worden er bij de opwekkende tonen eener
piano afwisselend uitgevoerd; en nu en dan verplicht deze of gene
heer of dame (van wiens geschiktheid men zich vooraf overtuigd heeft)
het gezelschap door iets te zingen; doch dit zingen ontaard nooit,
bij een teedere ontknooping, in een gegil of gejank, waar ik, rond
opgebiecht, wel eenigszins bang voor was. Op een vroegtijdig uur
komen zij allen voor deze festiviteit bijeen; om acht uur worden er
ververschingen rondgediend, en om negen uur stapt men weer op.
Van 't begin tot het einde heerscht daar een hoogst fatsoenlijke en
hoogst beschaafde toon. Dien toon nemen zij allen van den dokter
over; nu, er dient dan ook gezegd te worden, dat hij zich als een
echte lord Chesterfield onder 't gezelschap weert. Evenals dit
met andere bijeenkomsten van dien aard het geval is, leveren ook
deze danspartijtjes dagen lang een vruchtbare stof van conversatie
onder de dames op; en de heeren snakken er zoo erg naar, bij deze
gelegenheden uit te blinken, dat zij soms betrapt zijn geworden, dat
zij in hun eentje hun passen bestudeerden, louter en alleen om onder
't dansen een meer gedistingeerde figuur te slaan.
Het ligt voor de hand, dat een voorname bedoeling van dit stelsel is,
ook zelfs onder zulke ongelukkige personen een betamelijke achting
voor zich zelven in te prenten en aan te moedigen. Iets van denzelfden
geest predomineert bij al de inrichtingen van Zuid-Boston.
"Daar hebt ge bij voorbeeld het Werkhuis. In die afdeeling, welke
gewijd is aan de ontvangst van oude of op andere wijze hulpbehoevende
armen, zijn deze woorden op de muren geschilderd:
/#
Het volgende is wel waard, dat men er notitie van neme:
"ZELFBEHEERSCHING, RUST EN VREDE ZIJN ZEGENINGEN." #/
Er wordt niet als vaste regel aangenomen dat zij, die daar zijn,
slechtgezinde en gemeene menschen moeten wezen, voor wier duivelsche
oogen men noodzakelijkerwijs met dreigementen en strafbepalingen
voor den dag moet komen. Zoodra zij maar een voet over dezen
drempel zetten, komt men hen met dit zacht beroep op hun eergevoel
tegen. Alles binnenshuis is zeer eenvoudig en net, zooals het behoort,
maar niettemin met het oog op rust en gemak ingericht. Het kost
niet meer dan elk ander plan van inrichting, maar veronderstelt
zooveel deelnemende belangstelling in degenen, die door den drang
der omstandigheden verplicht zijn, daar een onderkomen te zoeken,
dat het hen al dadelijk aanspoort, om dankbaar te wezen en zich goed
te gedragen. In plaats van over groote, lange, meer voor vagebonden
dan voor menschen geschikte zalen te zijn versnipperd, waar een
soort van magere ingevallen wezens, die menschen moeten heeten, den
geheelen dag mogen druilen, lamenteeren en bibberen, is het gebouw
in afzonderlijke vertrekken verdeeld, waarvan elk zijn aandeel licht
en lucht heeft. Hierin nu woont de betere soort armen. In de begeerte
om deze kamertjes gemakkelijk en netjes in te richten, hebben zij een
drangreden om hun wilskracht te oefenen en hun eerzucht min of meer te
bevredigen. Ik herinner me niet, dat ik er een gezien heb of 't was
zindelijk en net; daarbij had ieder kamertje een paar bloempotten op
de vensterbank, of wat potten en pannen op de plank, of wat gekleurde
platen achter glas aan den gewitten muur, of misschien, een houten
klok achter de deur.
De weezen en jonge kinderen zijn in een belendend gebouw, dat wel van
't zoo even vermelde is afgescheiden, maar toch tot de Inrichting
zelve behoort. Sommigen zijn zulke kleine schepseltjes, dat de trappen
van lilliputsche afmeting zijn, berekend naar de kleine stappen die
zij kunnen zetten. Dat men hier met piepjonge en zwakke kindertjes
te doen heeft, heeft men insgelijks in acht genomen bij de keuze
der stoelen, die inderdaad als curiositeiten mogen gelden, en er
uitzien als meubelstukken van een armeluitjes poppenhuishouding. Ik
kan mij verbeelden hoe onze Poor Law Commissioners (de Commissarissen
der Armen-wet) zich er vroolijk over zullen maken, als ze merken dat
deze stoelen armen en ruggen hebben; maar daar smalle ruggegraten van
ouder dagteekening zijn dan hun inbezitneming van de vergaderzaal
op Somerset House, zoo vond ik voor mij, dat zelfs deze voorzorg
van een goedhartigheid getuigde, die wel verdiende, opzettelijk te
worden vermeld.
Ook hier deed het me bijzonder veel pleizier, opschriften op den muur
aan te treffen, die als van louter zedekundigen aard, gemakkelijk
onthouden en verstaan konden worden, bij voorbeeld: "Hebt elkander
lief!"--"God herinnert zich het geringste schepsel;" en meer van
dien aard. De boeken en bezigheden dezer kleintjes waren op dezelfde
verstandige wijze naar hun krachten berekend. Toen wij deze lessen
nagekeken hadden, zongen vier kleuters van meisjes (waarvan er een
blind was) een klein liedje over de lieve Meimaand, dat mij evenwel,
zoo allersomberst was de inhoud, doelmatiger zou zijn voorgekomen,
al men 't op onze Engelsche Novembermaand gezongen had. Maar dat
tot daartoe. Zoodra dat liedje uit was, gingen we hun slaapkamers
in oogenschouw nemen op de bovenverdieping, waar alles niet minder
voortreffelijk was ingericht dan beneden. En nadat ik opgemerkt had,
dat de onderwijzers tot een klasse behoorden en zich door een karakter
onderscheidden, alweer in behoorlijke overeenstemming met den geest
der inrichting, nam ik afscheid van de kindertjes met een luchtiger
hart dan ik van arme kindertjes tot dusverre ooit afscheid genomen had.
Met het Werkhuis is ook een gasthuis verbonden, dat in de beste
orde verkeerde, en waar, het doet me pleizier dat ik zeggen kan,
verscheidene bedden onbezet waren. Het had evenwel één gebrek, een
gebrek dat trouwens aan alle Amerikaansche binnenvertrekken gemeen is:
de aanwezigheid namelijk van den eeuwigen, vervloekten, verstikkenden,
rood heeten duivel van een kachel, waarvan de adem de zuiverste lucht
onder den hemel zou bederven.
In deze zelfde buurt zijn er twee inrichtingen, voor jongens. De
eene wordt de Boylston-school genoemd en is een toevluchtsoord voor
verwaarloosde en behoeftige jongens, die geen misdaad begaan hebben,
maar volgens den gewonen loop van zaken al heel gauw deze betrekkelijke
vereerende hoedanigheid zouden verliezen, werden zij niet bijtijds van
de hongerige straten opgenomen en hier naar toe gestuurd. De andere
inrichting is een Verbeterhuis voor jeugdige misdadigers. Beide zijn
onder één en 't zelfde dak, maar de twee klassen van jongens komen
nooit met elkaar in aanraking.
Wat hun persoonlijk voorkomen betreft, zien de Boylston-jongens, gelijk
men licht kan nagaan, er veel voordeeliger uit dan de anderen. Toen
ik ze kwam bezoeken, waren zij in hun schoolkamer, en beantwoordden
nauwkeurig, en zonder boek, vragen als de volgende; waar Engeland
ligt? hoe ver het van Amerika af ligt? hoeveel inwoners het telt? hoe
zijn hoofdstad heet? wat voor regeeringsvorm het heeft? en zoo
voorts. Ook zij zongen een liedje van den boer die zijn zaad zaait,
en zongen ze bij voorbeeld deze woorden: "'t is zoo dat hij zaait,"
of "zoo draait hij zich om," of "zoo klapt hij in zijn handen," dan
voegden zij er de noodige gesticulaties bij, iets wat van den eenen
kant toonde, dat zij er zelf des te meer schik in hadden, en hen van
de andere zij gewende, om te zamen op betamelijke manier werkzaam te
wezen. Zij schenen een voortreffelijk onderwijs te hebben genoten,
en niet minder goed gevoed te worden, want, wat dit laatste betreft,
nooit in mijn leven zag ik een troep jongens met dikker wangen en
gezonder buiken dan zij.
De jeugdige misdadigers hadden voor een groot deel niet zulke
pleizierige gezichten; ook waren er in deze inrichting nogal wat
jonge kleurlingen. Ik zag hen eerst aan hun werk (mandenmaken en
fabriceeren van hoeden van palmbladeren), naderhand in hun school,
waar zij gezamenlijk een loflied op de vrijheid zongen, een dwaas, en,
naar men denken kon, eer verbitterend dan opwekkend onderwerp voor
gevangenen. Deze jongens zijn in vier klassen verdeeld, ieder met
een eigen nommer, dat op hun arm gemerkt is. Komt er een nieuweling,
dan wordt hij in de vierde klasse gezet; het staat dan aan hem, om
zich door vlijt en goed gedrag tot de eerste op te werken. Het doel
van dit gesticht is, den jeugdigen misdadiger door een vastberaden
maar vriendelijke en oordeelkundige behandeling te verbeteren; zijn
gevangenis tot een plaats van loutering en verbetering, niet van
verontzedelijking en bederf te maken; hem dezen indruk te geven,
dat er maar één pad is, het pad van noeste vlijt, dat hem ooit tot
geluk kan leiden; hem te leeren hoe dat pad moet betreden worden,
bijaldien zijn voetstappen tot dusverre nog nooit dien weg hebben
ingeslagen; en hem naar dien weg terug te lokken als zijn voeten
het spoor bijster mochten geraakt zijn; in één woord, hem aan 't
verderf te ontrukken en hem aan de maatschappij terug te geven als
een boetvaardig en nuttig lid. Het gewicht van zulk een inrichting,
in ieder opzicht en ook uit het oogpunt van menschlievendheid en
maatschappelijk nut beschouwd, vereischt geen verder betoog.
Een andere inrichting sluit den catalogus. Het is het Verbeterhuis
van den Staat, waar de gevangenen geen woord mogen spreken, maar
althans dezen troost en deze zedelijke opbeuring smaken, dat ze
elkaar mogen zien en te zamen mogen werken. Dat is het verbeterd
stelsel van gevangenistucht, dat wij in Engeland ingevoerd hebben,
en dat al sinds ettelijke jaren gunstig onder ons werkt.
Als een nieuw en niet onbevolkt land heeft Amerika in al zijn
gevangenissen het eene groote voordeel, dat het in staat is, nuttigen
en winstgevenden arbeid voor de gevangenen te vinden; terwijl bij
ons het vooroordeel tegen gevangeniswerk natuurlijk heel sterk is,
en bijna onoverkomelijk, wanneer eerlijke menschen, die de burgerlijke
wetten niet overtreden hebben, maar al te vaak gedoemd zijn, vergeefs
naar werk te zoeken. Zelfs in de Vereenigde Staten heeft het beginsel,
om den arbeid van veroordeelde misdadigers met den vrijen arbeid te
doen concurreeren, wat natuurlijk ten nadeele van laatstgenoemden uit
moet vallen, al vrij wat tegenstanders gevonden, en 't schijnt niet,
dat deze tegenstand met de jaren verminderen zal.
Juist om deze reden zou men bij den eersten oogopslag de inrichting
van onze beste gevangenissen dan ook voor beter houden, dan die van
Amerika. De tredmolen gaat met weinig of geen gedruisch gepaard;
vijfhonderd menschen kunnen in een en 't zelfde vertrek touw pluizen,
zonder dat men eenig geluid hoort; en beide soorten bezigheid zijn
van dien aard, dat men er zoo scherp en zoo nauwlettend acht op kan
slaan, dat het den gevangenen bijna onmogelijk zal zijn, een enkel
woord met elkaar te wisselen. Aan den anderen kant worden door
't geraas van weefgetouw, aanbeeld, timmermanshamer en steenzaag
die gelegenheid tot praten niet weinig in de hand gewerkt, en nu
moge dat gepraat gauw in zijn werk gaan, en maar kort kunnen duren,
gelegenheden blijven 't niettemin, waartoe dergelijke bezigheden uit
den aard der zaak aanleiding geven, doordien ze immers verscheiden
personen heel dicht in elkaars nabijheid brengen, soms vlak naast
elkaar, zonder dat er zich eenige slagboom of hinderpaal tusschen hen
bevindt. Iemand, die zoo'n Amerikaansche gevangenis bezoekt, dient dan
ook een beetje te redeneeren en na te denken, voor en aleer het gezicht
van een aantal menschen, die met gewoon werk bezig zijn, zooals hij
buitensdeurs gewoon is, maar half zooveel indruk op hem zal maken als
de beschouwing van dezelfde personen op dezelfde plaats en met dezelfde
kleeding, indien zij bezig waren met de een of andere taak, die overal
gebrandmerkt is, als behoorende uitsluitend tot tuchthuisboeven. In
een Amerikaansch tucht- of verbeterhuis vond ik het dan ook moeielijk,
om me te overtuigen, dat ik werkelijk in een gevangenis was: een
plaats van schandvlekkende straf en kastijding, en tot op dit uur
ben ik 't nog niet met mij zelf eens, of de menschelijke pocherij,
dat het zóó iets niet mag zijn, wel wortelt in de echte wijsheid, in
't wijsgeerig inzicht in de zaak.
Ik hoop, dat ik te dezen opzichte niet misverstaan moge worden,
want zoo er een onderwerp is, waar ik 't levendigst belang in
stel, dan is 't dit. Ik voor mij hel even weinig tot het ziekelijk
gevoelen over, 't welk elke femelende logen of dronkemans gewauwel
van een beruchten misdadiger tot stof voor een krant en tot een
reden van algemeene sympathie maakt, als ik overhel tot die goede
oude gewoonte uit die goede oude tijden, die, wat zijn strafwetboek
en gevangenis-verordeningen betreft, Engeland zelfs nog onder de
regeering van George den Derden, dus waarlijk niet zoo heel lang
geleden, tot een der bloeddorstige en meest barbaarsche landen van
de geheele wereld maakten. Kon ik denken, dat het voor 't opkomend
geslacht eenig goed zou doen, o, graag gaf ik mijn toestemming, dat de
beenderen van den een of anderen aardigen struikroover (hoe aardiger,
des te grager ik tusschen twee haakjes mijn toestemming zou geven)
wierden opgegraven en bij stukken en brokken ten toon gesteld aan
dezen of genen mijlpaal, poort of galg, die men maar geschikt mocht
achten, om te dezen aanzien aan 't doel te beantwoorden. Mijn rede is
er evengoed van overtuigd, dat deze heeren onder de alleronwaardigste
en liederlijkste deugnieten behoorden, als ze van den anderen kant
hiervan overtuigd is, dat de wetten en gevangenissen hen in hun kwade
practijken verhardden, of dat hun verwonderlijke ontsnappingen in de
hand werden gewerkt door de cipiers, die in die bewonderenswaardige
dagen zelven altijd misdadigers geweest waren en tot het laatst toe hun
boezemvrienden en drinkeboers waren. Ook weet ik, gelijk allen weten
of althans dienden te weten, dat het onderwerp der gevangenistucht
voor onze menschelijke samenleving van 't uiterste gewicht is, en
dat Amerika voor zijn op dit punt de baan schoonvegende hervorming
en in 't oogloopend voorbeeld voor andere landen, groote wijsheid,
groote goedertierendheid en gezuiverd staatmansbeleid aan den dag
heeft gelegd. Door zijn stelsel te vergelijken met dat, 't welk wij
op zijn leest geschoeid hebben, wil ik alleen dit aantoonen, dat
het onze, met al zijn tekortkomingen, toch nog het een of ander op
't zijne vooruit heeft. [2]
Het Verbeterhuis, dat ons tot deze opmerking aanleiding heeft gegeven,
is niet, gelijk andere gevangenissen, ommuurd, maar in de rondte
met groote ruwe staken gepalissadeerd, in den trant bij voorbeeld
van een ruimte waar olifanten in gehouden worden, zooals men dit op
oostersche platen en schilderijen af ziet gebeeld. De gevangenen dragen
een bonte kleeding; en zij, die tot zwaren arbeid veroordeeld zijn,
moeten spijkers maken of steenen houwen. Toen ik daar was, was de
laatste klasse van werklui bezig met het steenhouwen voor een nieuw
tolhuis, dat te Boston gebouwd wordt. Ik merkte, dat het werk hen
goed en vlug van de hand ging, ofschoon er zeer weinigen bij waren,
(als ze er bij waren), die dat niet in de gevangenis geleerd hadden.
De vrouwen, die zich allen in één groot vertrek bevonden, werden
gebruikt om dunne kleedingstoffen te maken voor New-Orleans in de
Zuidelijke Staten. Evenals de mannen deden zij haar werk stilzwijgend;
en evenals de mannen werden zij nagegaan door den persoon die voor haar
werk in moest staan of door iemand van zijnentwege daartoe aangesteld.
De kook-, wasch- en andere dergelijke inrichtingen zijn vrij wel
gelijk aan die, welke ik thuis gezien heb. De manier waarop zij 's
nachts hun gevangenen bezorgen (die algemeen aangenomen is) verschilt
echter van de onze, en is eenvoudig en doeltreffend tegelijk. Midden is
een groote ruimte, waarvan de vier muren door ramen verlicht worden,
zijn vijf rijen cellen boven elkaar. Voor iedere rij is een lichte
ijzeren galerij, die men langs een trap van dezelfde constructie en
't zelfde materieel bereiken kan, behalve de onderste rij, die zich
gelijkvloers bevind. Achter deze, rug aan rug en gekeerd naar den
tegenovergestelden muur, zijn vijf correspondeerende rijen cellen,
die op dezelfde wijze toegankelijk zijn; zoodat een beambte, die
beneden op den grond met zijn rug naar den muur gekeerd staat, met
één oogopslag een overzicht heeft over de eene helft der opgesloten
gevangenen, terwijl de andere helft insgelijks onder controle staat
van een anderen beambte, die aan den overkant staat; en dat alles in
één groot vertrek. Tenzij deze oppasser omgekocht mocht zijn of op
zijn post mocht slapen, is 't onmogelijk dat er iemand ontsnappe;
want zelfs ingeval hij de ijzeren deur zijner cel zonder gedruisch
open mocht breken (wat bijna aan 't onmogelijke grenst), moet hij op
't zelfde oogenblik dat hij buiten zijn cel verschijnt en een der vijf
galerijen, waar zij zich bevindt, opstapt, geheel en al zichtbaar wezen
voor den oppasser beneden. In ieder dezer cellen is een klein rolbed,
waar één gevangene in slaapt, nooit meer. Natuurlijk is het klein;
en daar de deur niet uit één stuk, maar uit traliewerk bestaat, en
er geen luik of gordijn voor hangt, zoo kan de gevangene ten allen
tijd bespied worden door den eersten den besten suppoost die daar
elk oogenblik van den nacht voorbij kan komen. Alle dag krijgen de
gevangenen ieder afzonderlijk hun middageten door een luikje in den
keukenmuur, en iedere gevangene neemt het naar zijn slaapcel mee,
waar hij geheel alleen een uur lang wordt opgesloten om 't daar op
te kunnen eten. Deze geheele inrichting trof me; en ik vind ze zoo
navolgenswaardig, dat ik hoop dat de eerste de beste gevangenis, die
wij in Engeland mochten bouwen, volgens dit plan zal ingericht worden.
Men maakte mij de opmerking, dat men er in deze gevangenis noch sabel
noch vuurwapenen, ja zelfs geen stokken op nahoudt; en ik voor mij acht
het onwaarschijnlijk, dat, zoolang ze op dezelfde voortreffelijke wijze
ingericht en bestuurd blijft, eenig wapen, hetzij van aanvallenden
of verdedigenden aard, ooit binnen haar muren van noode zal wezen.
Zoo zijn de gestichten te Zuid-Boston! In alle worden de ongelukkige af
verbasterde burgers van den Staat zorgvuldig onderwezen in hun plichten
beide jegens God en den mensch; worden omringd door alle redelijke
middelen van gemak en geluk die hun toestand maar eenigszins toelaat;
worden behandeld als leden van de ééne, groote familie der menschheid,
die wel is waar bedrukt, behoeftig of gevallen zijn, maar met dat al
leden van dat ééne groote huisgezin blijven; worden bestuurd door
't sterke Hart en niet door de sterke (doch onmetelijk zwakker)
Hand. Ik heb ze min of meer breedvoerig beschreven, ten eerste omdat
ze dat wel waard zijn, ten tweede omdat het in mijn bedoeling ligt,
ze tot een voorbeeld te stellen en mij daartoe te bepalen om van
anderen, die we tegen mochten komen en wier bedoelingen dezelfde zijn,
te zeggen, dat ze in dit of in dat opzicht in de practijk te kort
schieten of verschillen.
Ik wensch, dat ik door dit verslag, dat, hoe onvolmaakt het ook
uitgevoerd moge zijn, voorzeker een goede, eerlijke bedoeling heeft,
mijn lezers al was 't maar één honderdste deel kon schenken van 't
genoegen, mij ten deel gevallen door 't bezoek van die instellingen,
welke ik in de vorige bladzijden beschreven heb.
Voor een Engelschman, die aan den zoo geheel en al vrouwelijken opschik
van Westminster Hall gewoon is, levert een Amerikaansch gerechtshof een
even gek gezicht op als, naar ik veronderstel, een Engelsch gerechtshof
dit voor een Amerikaan op zou leveren. Behalve bij het oppergerechtshof
te Washington (waar de rechters een eenvoudige zwarte toga dragen)
vindt men daar niets bij de bediening der justitie wat naar zoo'n
ding als een pruik of vrouwenjapon [3] zweemt. Daar de heeren der
balie tegelijk advocaten en procureurs zijn (want in Amerika bestaat
dienaangaande geen scheiding zooals in Engeland), houden zij zich niet
meer op een afstand van hun cliënten dan procureurs bij ons Hof voor de
rehabilitatie van Insolvente schuldenaars dit ten opzichte der hunnen
doen. De leden der jury doen alsof ze thuis zijn en maken 't zich
zoo gemakkelijk als de omstandigheden maar veroorloven. De getuige
verschilt zoo weinig van 't aanwezige publiek, dat een vreemdeling,
die gedurende een pauze binnenkwam, moeite zou hebben, hem onder de
overigen op te merken. En gold het toevallig een crimineele zaak, dan
zouden zijn oogen in negen gevallen van de tien vruchteloos naar den
gevangene zoeken, want dat heer zou heel aardig aan 't lanterfanten
wezen onder de meest geziene sieraden der balie, om zijn raadsman
nu en dan bedenkingen in te fluisteren of met zijn pennemes een
tandenstoker te maken van een oude ganzenpen.
Toen ik de rechtbanken te Boston bezocht, moest mij dat verschil
natuurlijk in 't oog vallen. Ook keek ik eerst niet weinig vreemd
op, toen ik merkte, dat de raadsman, die den getuige ondervroeg,
dat zittende deed. Maar ziende, dat hij er ook mee bezig was, om de
antwoorden op te teekenen, en mij herinnerende, dat hij alleen was en
geen "junior" had, troostte ik mij spoedig met de overdenking, dat de
wet hier niet zoo'n duur artikel was als t'huis; en dat de afwezigheid
van al die formaliteiten, die wij als onmisbaar beschouwen, zonder
twijfel een allergunstigsten invloed op de rekening der rechtskosten
uitoefent.
In ieder Hof is ruimschoots voor 't gemak der burgers gezorgd. Trouwens
dit treft men overal in Amerika aan. Bij elke openbare instelling wordt
het recht der bevolking, om tegenwoordig te zijn bij de behandeling der
zaken en daarin belang te stellen, volkomen en duidelijk erkend. Daar
vindt men geen grimmige deurwaarders, die hun den slakkengang gaande
beleefdheid voor een fooitje te koop veilen; ook geloof ik oprecht,
dat men daar geen ambtenaar zal vinden, die zich op grond van zijn
ambt de geringste lompheid zou durven veroorloven. Niets wat nationaal
eigendom is laat men voor geld kijken; en geen openbaar ambtenaar stelt
zich aan als de explicateur van een kermistent. In de laatste jaren
zijn ook wij begonnen om dit goede voorbeeld na te volgen. Ik hoop,
dat we daarmee voort zullen gaan; en dat zelfs dekens en kapittels
in de volheid des tijds bekeerd zullen worden.
Voor de burgerlijke rechtbank was een zaak aanhangig over aangevraagde
schadevergoeding wegens een ongeluk op een spoorweg. De getuigen waren
ondervraagd, en de raadsman richtte zich tot de jury. De geleerde
heer (evenals sommige zijner Engelsche broederen) was langdradig
om er wanhopig van te worden, en bezat de opmerkelijke bekwaamheid
om één en dezelfde zaak gedurig te herhalen. Zijn groot thema was:
"Warren de machinist," en in iederen volzin, dien hij uitsprak,
hoorde men maar niets anders dan: "Warren de machinist." Ik luisterde
nagenoeg een kwartier naar hem, en toen ik na verloop van dien tijd
de gerechtzaal verliet, even wijs als ik er in gekomen was, voelde
ik me alsof ik weer thuis was.
In de cel voor de gevangenen zat een jongen, die wegens diefstal
terecht zou staan. In plaats nu dat deze jongen in een gevangenis
zou opgesloten worden, werd hij naar 't asyl te Zuid-Boston gestuurd,
en leerde daar een ambacht; zoodat hij zich na verloop van tijd bij
den een of anderen knappen baas kon verhuren. Zoodoende werd, naar
men redelijkerwijze mag hopen, de ontdekking zijner overtreding niet
het preludeum van een leven der schande en van een ellendigen dood,
maar baande hem integendeel het pad om terug te keeren van den weg
der ondeugd en een waardig lid der maatschappij te worden.
Ik ben in 't geheel niet een onvoorwaardelijk bewonderaar van
onze wettelijke rechtsvormen, waarvan ik vele al heel belachelijk
vind. Vreemd moge het ook schijnen, dit neemt evenwel niet weg, dat
er een zekere mate van bescherming schuilt in de pruik en de japon,
ja, dat die officieele kleeding als 't ware een vrijbrief geeft voor
persoonlijke verantwoordelijkheid, waardoor die onbeschofte houding
en taal, en die schromelijke verbastering van 't ambt, van een
pleiter voor De Waarheid, welke men zoo vaak bij onze gerechtshoven
aantreft, niet weinig in de hand worden gewerkt. Niettemin, ik kan
't niet helpen, maar ik betwijfel of Amerika in zijn begeerte om
de ongerijmdheden en misbruiken van 't oude stelsel af te schudden,
niet in een ander uiterste vervallen is, en vraag mij zelven ernstig
af, of 't niet wenschelijk is, vooral in zoo'n kleine stad als deze,
waar men elkaar zoo van nabij kent, om de rechtspleging van zekere
kunstmatige slagboomen te omringen, waardoor ze althans voor: "dag,
ouwe jongen, altijd wel geweest?" en soortgelijke gemeenzame praatjes
uit het alledaagsche leven gevrijwaard is. Al de hulp die zij èn in
't karakter èn in de bekwaamheid van de leden der rechterlijke macht
kan hebben, niet alleen hier maar overal elders, heeft zij en verdient
dit volkomen; maar ze heeft nog iets meer noodig, en dat niet om indruk
te maken op hen die nadenken en goed op de hoogte zijn, maar op de
onwetenden en de Jan Salies; een klasse waartoe sommige gevangenen en
verscheidene getuigen behooren. Ongetwijfeld waren deze instellingen
op 't beginsel gebaseerd, dat zij, die zoo'n ruim deel hadden in 't
maken der wetten, ze ook zeker zouden eerbiedigen. Maar de ondervinding
heeft bewezen dat deze hoop mank gaat; want niemand weet beter dan de
rechters van Amerika, dat zoodra er maar een opschudding komt onder
't volk van eenigszins noemenswaardige beteekenis, de wet krachteloos
is en tijdelijk haar eigen suprematie niet handhaven kan.
De toon, die in de samenleving heerscht, getuigt van de uiterste
beleefdheid, hoffelijkheid en wellevendheid. De dames zijn
ontegenzeglijk zeer mooi--wat haar gezicht betreft: maar ik ben
verplicht het daarbij te laten. De opvoeding, die zij krijgen,
is zoo wat van 't zelfde allooi als bij ons, noch beter noch
slechter. Men had me daaromtrent allerlei wonderlijke vertelseltjes
op de mouw gespeld, maar daar ik er geen geloof aan sloeg, kon 't mij
natuurlijk niet tegenvallen. "Blauwe" [4] dames zijn er te Boston,
maar gelijk wijsgeeren van die kleur en sexe in de meeste andere
landen, zijn zij er meer op uit, voor iets bijzonders gehouden te
worden dan om werkelijk iets bijzonders te zijn. Zoo zijn er ook
"evangelische" dames, wier gehechtheid aan godsdienstvormen en afschuw
van schouwburg-vermakelijkheden voorbeeldig mogen heeten. Dames,
die er hartstochtelijk veel van houden, om lezingen bij te wonen,
worden onder alle klassen en standen gevonden. Op de min of meer
naar 't buitenleven zweemende wijze van samenleving, die in steden
als deze de overhand heeft, heeft de kansel grooten invloed. Men zou
wel zeggen, dat de kansel in Nieuw-Engeland (altijd met uitzondering
van de leeraren der Unitariërs) het als 't voornaamste doel van zijn
ambt beschouwde, om alle onschuldige en betamelijke uitspanningen te
veroordeelen. De kerk, de kapel, de leeszaal zijn de eenige middelen
van opwekking die geoorloofd zijn, en naar de kerk, de kapel, de
leeszaal stroomen de dames dan ook heen.
Overal waar men zijn toevlucht neemt tot den godsdienst bij wijze
van sterken drank en als een middel om de saaie eentonigheid van
't huiselijk leven af te breken, zullen natuurlijk die leeraren den
meesten loop hebben en 't best bevallen, die de kunst verstaan, om de
toehoorders den hoogsten wil in te peperen. Zij, die het pad naar de
Eeuwigheid met de grootste dosis zwavel bestrooien, en de bloemen en
bladeren, die langs den weg groeien, het ongenadigst vertrappen, ze
zullen voor de rechtzinnigsten doorgaan; en zij, die met de grootste
taaiheid op 't aanbeeld slaan dat men alles behalve op zijn sloffen
de hemelpoort binnentreedt, zullen door alle ware geloovers aangezien
worden als de zoodanigen die er zeker door zullen gaan, alhoewel het
hun zeker nogal wat moeite zou kosten om de vraag te beantwoorden,
op wat voor grond zij tot deze gevolgtrekking gekomen zijn. Zoo
gaat het thuis, zoo gaat het buitenshuis; ja, 't is overal koekoek
één zang. Wat nu die andere uitspanning betreft, de Lezing namelijk,
deze heeft ten minste de verdienste, dat ze altijd nieuw is. De eene
lezing volgt toch de andere zoo gauw op de hielen, dat men er geen
een onthoudt, en veilig zou men de serie van de lezingen der eene
maand in de volgende maand kunnen herhalen, met haar bekoorlijkheid
van ongebroken nieuwheid en haar onverminderde belangrijkheid.
De vruchten der aarde groeien op in verrotting. Uit de verrotting
dezer dingen is te Boston een sekte van wijsgeeren opgekomen, bekend
onder den naam van Transcendentalisten. Toen ik onderzoeken ging wat
deze benaming eigenlijk beteekende, werd mij te verstaan gegeven,
dat al wat onverstaanbaar was zeker transcendentaal was. Daar mij
deze opheldering niet veel troost schonk, zette ik het onderzoek nog
verder voort, en vond dat de Transcendentalisten volgelingen zijn
van mijn vriend den heer Carlyle, of, laat mij liever zeggen, van een
volgeling van dezen heer, den heer Ralph Waldo Emerson. Deze heer heeft
een deel zoogenaamde Essays (Proeven) geschreven, waaronder veel dat
droomerig en hersenschimmig is (als hij 't mij niet kwalijk zal nemen,
dit zóó te betitelen), maar nog meer dat waar en mannelijk, eerlijk en
stout mag heeten. Transcendentalisme heeft nu en dan zijn afdwalingen
(welke school heeft ze niet?) maar desniettegenstaande heeft het
goede gezonde eigenschappen; eigenschappen waarvan de minste zeker
niet is een hartige afschuw van datgene wat wij Engelschen onder den
naam van "Cant" [5] plegen aan te duiden en een geschiktheid om die
walglijke ondeugd in al de ontelbare variëteiten van haar eeuwigdurende
kleerenkast te betrappen. En daarom als ik een Bostonner was, dan
denk ik, dat ik een Transcendentalist zou wezen.
De eenige predikant, dien ik te Boston hoorde, was de heer Taylor,
die zich in 't bijzonder tot zeevolk richtte, en eens zelf een
zeeman was. Ik vond zijn kapel in een van de nauwe oude straten aan
den waterkant met een vroolijke blauwe vlag, die onbelemmerd van
't dak wapperde. Op de galerij vlak tegenover den preekstoel was een
klein koor van mannelijke en vrouwelijke zangers, een violoncel en een
viool. De prediker zat al in den preekstoel, die op pilaren rustte, en
achter hem met een geschilderde draperie versierd was, die er levendig
en ietwat theatraal uitzag. Hij zag er als een echte zeebonk uit van
zes of acht en vijftig jaar; met diepe rimpels, die als 't ware in zijn
gezicht gegroefd waren, donker haar en een stroef, vinnig oog. Over
't geheel genomen maakte zijn uiterlijk echter een pleizierigen indruk.
De dienst begon met een gezang, waar een gebed op volgde, dat voor
de vuist werd uitgesproken. Het had het gebrek van in gedurige
herhalingen te vervallen, dat in den regel met zulke gebeden plaats
vindt; maar was overigens ongekunsteld en begrijpelijk van inhoud,
en ademde een gevoeligen en liefdevollen toon die niet zoo algemeen
een kenmerk is van dit deel der godsdienstoefening als 't wel diende
te wezen. Nadat dit gebed uit was, las hij zijn tekst voor, die aan
Salomo's Hooglied ontleend was en, voordat den dienst begon door een
of ander onbekend lid der vergadering op den lessenaar was neergelegd
geworden. De tekst luidde als volgt: "Wie is zij, die daar opkomt
uit de Woestijn aan den arm van haar Geliefde?"
Hij behandelde dezen tekst op allerlei manieren en knoopte er allerlei
beschouwingen aan vast; maar altijd geestig en met ruwe welsprekendheid
juist berekend voor 't bevattingsvermogen zijner toehoorders. Vergis
ik me niet, dan was hij er meer op uit, om in hun geest te spreken en
door hen begrepen te worden, dan om zijn eigen geleerdheid te laten
luchten. De beelden, waar hij zich af en toe van bediende, waren
allen aan de zee ontleend en aan 't geen in een zeemansleven nu en
dan voor kan komen; dikwijls waren ze van treffende juistheid. Zoo
sprak hij hun van "dien roemrijken man Lord Nelson" en Collingwood,
en sleepte er niets, zooals men dit noemt, bij de haren bij, maar
al wat hij bijbracht behoorde bij 't onderwerp, was natuurlijk en
wel berekend om indruk te maken. Raakte hij echter wat al te zeer
in vuur, dan liep er soms wel een beetje kool onder door--gestoofd
door Bunyan en Balfour van Barley.--Dan namelijk nam hij zijn grooten
quarto bijbel onder den arm, stapte er den preekstoel mee op en neer,
en keek daarbij gestadig naar 't middelpunt der vergadering. Kom, laten
we deze preekmethode van den heer Taylor nog wat nader verklaren. Als
hij nu zijn tekst toepaste op de eerste bijeenkomst zijner hoorders en
de verwondering der Kerk schilderde over hun aanmatigende verwaandheid
om zoo maar op hun eigen houtje een nieuwe gemeente te stichten, zie,
daar hield hij op de manier die ik zoo even beschreven heb, op eens
met zijn bijbel onder zijn arm op en ging daarna in dezer voege voort:
"Wie zijn deze--wie zijn zij--wie zijn deze jongens van Jan de
Wit? Waar komen ze vandaan? Waar gaan ze naar toe? Waar ze vandaan
komen! Wat is hierop het antwoord? (Nu leunt hij over den preekstoel en
wijst met zijne rechterhand naar beneden.) "Waar ze vandaan komen? Van
beneden!" Hier gaat hij weer een beetje achteruit en kijkt de zeelui
aan die voor hem zitten.) "Van beneden broeders. Van onder de luiken
der zonde, die de duivel boven jelui dicht heeft gesmeten. Ziedaar
waar jelui vandaan kwam!" (Nu loopt hij in den preekstoel heen
en weer.) "En waar ga jelui naar toe?" (Hier blijft hij op eens
stilstaan.) "Waar jelui naar toe gaat? Naar boven!" Heel zacht en
in de hoogte wijzende. "Naar boven!" (Luider.) "Naar boven!" (Nog
luider.) "Ja, daar ga jelui naar toe--met 'n gunstigen wind--direct
koers zettende naar de glorie des Hemels, waar men noch storm noch
vuil weer kent; waar de goddeloozen geen kwaad meer kunnen brouwen, de
vermoeiden uitrusten." (Al weer loopt hij heen en weer.) "Ja, daar ga
jelui naar toe, lieve vrienden. Zoo is 't. Dat 's de haven. De echte
haven. 't Is 'n gezegende haven--uit welken hoek de wind ook waait
en wat voor getij we ook hebben, geen nood! daar is 't water altijd
stil, daar drijven we niet naar 't strand en stooten op klippen,
daar laten de kabels niet los en drijven we de zee in... Neen daar
is: Vrede--Vrede--Vrede--niets anders dan Vrede!" (Nog eens de oude
wandeling, en op den bijbel tikkend dien hij onder zijn linkerarm
houdt.) "Maar hoe! komen deze jongens van Jan de Wit uit deze
wildernis, is dat wel zoo? Ja. Uit de akelige, verzengde woestijn
der Ongerechtigheid, wier eenige oogst de Dood is. Maar leunen ze op
iets--óf leunen ze op niets, deze arme zeelui? Drie tikken op den
bijbel.) "O wel zeker.--Wel zeker.--Zij leunen op den arm van hun
Geliefde." (Nog drie tikken.) "Op den arm van hun Geliefde." (Nog drie,
en een wandelingetje.) "Loods, leidster en kompas, alles tegelijk,
voor allemaal--hier is-i." (Nog drie tikken op den bijbel.) "Ja,
hier is-i. Hiermee kunnen ze hun zeemansplicht als mannen vervullen,
en ook zelfs in den uitersten nood kalm van binnen blijven." (Nog
twee tikken.) "Leunende op den arm van hun Geliefde kunnen zij,
ja kunnen zelfs deze armen jongens uit de wildernis vandaan komen,
en opwaarts--opwaarts--opwaarts gaan!" (Telkens als hij dit woord
herhaalt, gaat zijn hand al hooger en hooger, zoodat ze eindelijk
en ten laatste boven zijn hoofd uitsteekt; daarbij kijkt hij zijn
toehoorders vreemd aan en drukt het boek triomfantelijk tegen zijn
borst, totdat hij van lieverlede tot een ander deel zijner preek
overgaat.)
Ik heb dit minder als een bewijs van des predikers verdienstelijkheid
aangehaald dan wel als een staaltje van zijne uitmiddelpuntigheid,
ofschoon zelfs dit, èn in verband met zijne geheele houding en
voorkomen, èn met het karakter zijner toehoorders, onwillekeurig
indruk moest maken. Niettemin, 't kan wel zijn, dat de gunstige indruk,
dien hij op mij maakte, grootendeels ontstaan en versterkt is geworden
door twee bijzonderheden, en die zijn de volgende: ten eerste, drukte
hij zijn hoorders terdege op 't gemoed, dat de trouwe waarneming van
den Godsdienst niet onvereenigbaar is met een beminnelijk gedrag
en een nauwgezette vervulling van de plichten van hun stand, een
vervulling die stipt van hen vereischt wordt; en ten tweede, deed hij
hen opmerken, dat zij zich toch hiervoor moesten wachten, om zich een
monopolie van 't Paradijs en zijn heilgoederen toe te eigenen. Nooit
hoorde ik tot dusverre deze beide punten zoo wijs aanroeren (als ik
ze ooit heb hooren aanroeren) door eenigen prediker van die soort.
Daar ik den tijd dien ik te Boston doorbracht, besteed heb om op
de hoogte te komen van deze dingen, om den loop te bepalen dien
ik op mijn verdere reizen dacht te volgen, en om me voortdurend te
midden van 't maatschappelijk leven aldaar te bewegen, zoo geloof ik
niet, dat ik de gelegenheid heb, om dit hoofdstuk te verlengen. Die
maatschappelijke gebruiken waar ik nog geen gewag van gemaakt heb,
laten zich echter met weinig woorden beschrijven.
Om twee uur wordt gewoonlijk het middagmaal gebruikt. Heeft men
echter gasten bij zich ten eten gevraagd dan dineert men eerst om vijf
uur; en op een avondpartij soupeert men zelden later dan om elf uur,
zoodat men in den regel zelfs van zoo'n partij, voor middernacht naar
huis gaat. Nooit kon ik eenig verschil ontdekken tusschen een partij
te Boston en een partij te Londen, behalve dat op de eerste plaats
de uren van komen en gaan voor alle partijen beter geregeld zijn;
dat de conversatie misschien een beetje luider en pleizieriger is;
dat men gewoonlijk van een gast verwacht dat hij tot boven in de
nok van 't huis klimmen zal om zijn mantel te halen; dat hij zeker
is op ieder diner een ongewonen berg gevogelte op de tafel te zien,
en op ieder souper ten minste twee kolossalen kommen heet gestoofde
oesters, in ieder waarvan een half opgeschoten hertog van Clarence
gemakkelijk gesmoord zou kunnen worden.
In Boston zijn twee schouwburgen, die vrij ruim en goed gebouwd zijn,
maar waar het droevig mee gesteld is, wat de ondersteuning betreft
die zij van 't publiek genieten. De weinige dames, die er gebruik
van maken, zitten, gelijk het trouwens behoort, op de voorste rijen
der loges.
In geen hotel vind men een rookkamer, bijgevolg was er ook geene in de
onze; maar de gelagkamer is een groot vertrek met een steenen vloer
en daar loopen de lui den geheele avond heen en weer, daar loopen ze
in en uit, daar staan ze en rooken ze, zooals hun dit invalt. Daar
wordt de vreemdeling ook ingewijd in de geheimen van Gin-sling,
Cock-tail, Sangaree, Mint Julep, Sherry-cobbler, Timber Doodle en
andere vreemdsoortige dranken. Het huis is vol kostgangers, gehuwde
en eenloopende, waarvan verscheidene een wekelijksch contract sluiten
voor hun kost en logies: de prijs vermindert natuurlijk al naarmate
ze hooger op willen klimmen. Open tafel wordt er gehouden in een zeer
mooie zaal, waar men kan ontbijten, het middagmaal gebruiken en het
avondmaal. Het gezelschap, dat gewoonlijk daarbij aanzit, wisselt van
een- tot tweehonderd, soms meer. Telkens als er zoo'n verschillend
tijdperk van den dag aanbreekt, wordt dit door een ontzaglijken
gong aangekondigd die al de ramen in de kozijnen doet schudden, als
't geluid door 't huis weerklinkt, en zenuwachtige reizigers niet
weinig van streek brengt. Er is ook een ordinaris voor dames en een
ordinaris voor heeren.
In onze particuliere kamer zou men 's middags voor geen geld ter
wereld de tafel dekken zonder een grooten glazen schotel bramen
midden op tafel te zetten; en het ontbijt zou geen ontbijt geweest
zijn tenzij de voornaamste schotel een homp ossevleesch ware met een
groot plat been in 't midden, zwemmende in heete boter en bestrooid
met de allerzwartste peper die er met mogelijkheid te krijgen is. Onze
slaapkamer was ruim en luchtig, maar (gelijk iedere slaapkamer aan
dezen kant van den Atlantischen Oceaan) armzalig gestoffeerd; zelfs om
't ledekant noch voor de ramen hangen er gordijnen. Ze had evenwel
één buitengewone weelde in den vorm van een geschilderde houten
kleerenkast, iets kleiner dan een Engelsche staanklok; of bijaldien
deze vergelijking onvoldoende mocht zijn om den lezer een juist
denkbeeld van haar afmetingen te geven, dan zal men dienaangaande
eenigszins beter op de hoogte komen, als ik zeg, dat ik veertien
dagen en veertien nachten in 't vaste geloof verkeerd heb, dat die
kast een stortbad was.
VI.
LOWELL.
EEN AMERIKAANSCHE SPOORWEG. LOWELL EN ZIJN FABRIEKEN.
Alvorens Boston te verlaten, wijdde ik één dag aan een uitstapje naar
Lowell. Voor dit bezoek bestem ik een afzonderlijk hoofdstuk, niet om
dat ik van plan ben, het in al zijn bijzonderheden te beschrijven,
maar omdat ik 't mij herinner als iets dat op zichzelf staat, en
niets minder begeer dan dat mijn lezers 't zelfde zullen doen.
Bij deze gelegenheid maakte ik voor 't eerst kennis met een
Amerikaanschen spoorweg. Daar deze werken in alle staten vrij wel op
elkaar gelijken, zoo laten zich hun algemeene kenmerken gemakkelijk
beschrijven.
Er zijn wagens eerste en tweede klasse zooals bij ons; maar er is
een heeren-waggon en een dames-waggon: het eenige verschil is, dat in
den eersten wagen iedereen rookt en in den tweeden niemand. Daar een
zwarte nooit met een blanke reist, zoo is er ook een neger-waggon, een
bakbeestachtige kast in den trant bij voorbeeld als waarmee Gulliver
uit het koninkrijk Brobdignac in zee stak. De trein onderscheidt zich
verder door veel gehots, veel gedruisch, veel paneelen, niet al te
veel ramen, een locomotief, een gillend gefluit en een bengel.
De waggons gelijken op gemeene omnibussen, maar zijn grooter: dertig,
veertig, vijftig menschen gaan er in. In plaats dat de zitplaatsen
van 't eene eind naar 't andere loopen, zijn ze kruiselings
aangebracht. Aan weerszijden is er zoo'n lange rij, met een nauwen
doorloop in 't midden en aan beide einden een portier. Midden in den
wagen staat gewoonlijk een kachel, die, met houtskool of anthraciet
gestookt, meestentijds gloeiend is. De wagen is zoo potdicht, dat het
niet is om uit te houden, en tusschen u zelven en het een of andere
voorwerp waar ge toevallig naar kijkt, ziet ge de heete lucht tintelen
of het de geest van den rook was.
In den dames-waggon bevinden zich tal van heeren, die dames bij zich
hebben. Er zijn ook tal van dames, die niemand bij zich hebben:
want laat een dame alleen reizen van 't eene eind der Vereenigde
Staten naar 't andere, ze kan er zeker van zijn, dat ze overal met
de meeste hoffelijkheid en onderscheiding zal behandeld worden. De
conducteur of hij die de kaartjes ophaalt, of oppasser of wat hij
ook moge zijn, draagt geen uniform. Hij loopt den wagen op en neer,
in en uit, al naar 't hem invalt; leunt tegen de deur met zijn handen
in zijn zakken en gaapt u aan als ge bijgeval een vreemdeling zijt,
of knoopt met de passagiers om hem heen een gesprek aan. Tal van
nieuwsbladen worden voor den dag gehaald, waarvan echter maar weinige
gelezen worden. Iedereen spreekt met u, of met dezen en genen, al naar
't hem in zijn hoofd komt. Zijt ge een Engelschman, dan verwacht hij,
dat die spoorweg erg gelijkt op een Engelschen spoorweg. Zegt gij:
"neen," dan zegt hij (vragenderwijs); "ja!" en vraagt in wat voor
opzicht ze dan verschillen. Een voor een telt ge de voornaamste punten
van verschil op, en bij ieder punt zegt hij (altijd vragenderwijs):
"ja?" Dan spreekt hij zijn vermoeden uit, dat ge in Engeland niet
gauw reist, en op uw antwoord dat dit wèl het geval is, zegt hij
alweer (en altijd vragenderwijs): "Ja?" en, men kan 't hem aanzien,
gelooft u niet. Na een lange pauseering maakt hij gedeeltelijk tot
u en gedeeltelijk tot "den knop van zijn wandelstok de opmerking,
dat ook Yankees voor een voortvarend volk doorgaan;" waarop gij "ja"
zegt en hij (maar ditmaal bevestigenderwijs) insgelijks "ja" zegt,
en als ge dan het raampje uitkijkt, vertelt hij u, dat er achter dien
heuvel en een mijl of drie van 't volgende station een net stadje
is, waarvan de ligging allerliefst is, meteen zijn verwachting te
kennen gevende, dat ge wel van plan zult zijn, daar op te houden. Het
ontkennend antwoord geeft natuurlijk aanleiding tot meer vragen met
betrekking tot uw voorgenomen route (welk woord de Yankee niet roet
maar altijd raut uitspreekt); en waar ge ook naar toe moogt gaan,
altijd en eeuwig wordt u aan 't verstand gebracht, dat ge zonder
onmetelijke moeielijkheid en gevaar daar nooit kunt komen, en al de
grootsche gezichten overal behalve daar zijn.
Krijgt een dame zin in de zitplaats van den een of anderen mannelijken
passagier, dan brengt de heer, die haar vergezelt, hem daarvan in
kennis, waarop hij onmiddellijk en heel beleefd opstaat. De politiek
wordt druk besproken, insgelijks de banken en 't katoen. Bedaarde lui
vermijden de quaestie van 't Presidentschap, want over vier d'half jaar
zal er een nieuwe verkiezing plaats vinden en men is al druk in de
weer om zijn gevoelen omtrent deze of gene partij lucht te geven. De
groote constitutioneele eigenaardigheid dezer instelling bestaat toch
hierin, dat zoodra de heftige strijd van de laatste verkiezing achter
den rug is, de heftige strijd voor de volgende begint; iets wat een
onuitsprekelijke troost voor alle mannetjes van gewicht onder de
staatkundige en echte patriotten is: dat is te zeggen voor negen en
negentig mannen en jongens van iedere negen en negentig en een kwart.
Behalve daar waar een zijtak zich bij den hoofdweg aansluit, is er
zelden meer dan één spoor, zoodat de weg erg smal is, en 't uitzicht,
overal waar een diepe overloop is, alles behalve uitgestrekt; waar
zoo'n overloop niet is, ziet het tooneel er altijd op een en dezelfde
wijze uit. Mijlen achtereen in hun groei belemmerde boomen; sommige
door de bijl geveld, sommige door den wind omvergeworpen, sommige half
gevallen en leunende op hun buren, verscheidene waarvan de stronken
alleen zijn blijven staan, die halverwege in 't moeras zijn verborgen,
andere tot sponsachtige snippers vermolmd. Tot zelfs de grond
bestaat er uit zulke brokstukken; iedere poel van stilstaand water
heeft zijn korst van verrot hout; aan iederen kant zijn de takken en
stammen en stronken van boomen, in iedere mogelijke phase van verval,
ontbinding en verwaarloozing. Nu eens komt ge voor een minuut of wat
in een open streek voor den dag, waar ge 't een of andere heldere
meer of poel ziet glinsteren. zoo groot als menige Engelsche rivier,
maar zoo klein hier, dat het bijna geen naam heeft; dan weer snapt
ge een vluchtig gezicht van een naburige stad, met haar heldere witte
huizen en koele piazza's, haar stijve kerk en school, altemaal in Nieuw
Engelands trant, daar... wir-r-r-r! bijna voordat gij ze gezien hebt,
komt hetzelfde donkere scherm: die in hun groei belemmerde boomen,
de stronken, de stammen, het stilstaande water--alles zoo precies
gelijkende op 't laatste tooneel, dat ge gezien hebt, dat ge zoudt
denken als met een tooverslag verplaatst te zijn.
De trein houdt op in de bosschen, waar de onmogelijkheid, dat iemand
de geringste reden zou hebben om uit te stappen, alleen geëvenaard
kan worden door de kennelijk wanhopige hopeloosheid dat daar iemand
zou zijn om in te stappen. Hij stuift door den slagboom heen den weg
over, waar men noch poort, noch politieagent, noch signaal vindt;
niets dan een ruwe houten plank waar deze letters op geschilderd zijn:
"ALS DE BENGEL LUIDT, KIJK DAN UIT NAAR DE LOCOMOTIEF." En alweer
snort hij hals over kop voort, alweer duikt hij door de bosschen,
ziet het daglicht, ratelt over de onsterke bogen heen, rommelt over
den zwaren grond, vliegt onder een houten brug door, die het licht
in een ommezien voor een seconde onderschept, maakt plotseling al
de sluimerende echo's in de hoofdstraat eener groote stad wakker, en
stuift op de "bonnefooi" door elkaar, er op of er onder, tot midden
op den weg voort. Daar--terwijl fabrieken aan den gang zijn en lieden
tegen hun deuren en ramen leunen, en jongens vliegers oplaten en
knikkeren, en mannen rooken, en vrouwen babbelen, kinderen kruipen
en varkens aan 't wroeten zijn, en ongewone paarden achteruitslaan
en steigeren, dicht in de nabijheid der rails--daar--on, on, on--daar
raast de dolle draak van een locomotief met zijn trein van wagens met
een stortbui van vonken om hem heen; gillende, sissende, krijschende,
hijgende; totdat het dorstig monster onder een overdekten weg stopt
om te drinken, het volk er zich omheen verzamelt, en ge tijd hebt om
weer adem te halen.
Aan 't station te Lowell werd ik opgewacht door een heer, die
volkomen op de hoogte was van 't fabriekwezen daar ter plaatse, en
mij met genoegen aan zijn geleide overgevende, ging ik dadelijk die
wijk der stad opzoeken, waar de fabrieken, het doel van mijn bezoek,
stonden. Alhoewel van jonge dagteekening--want bedriegt mijn geheugen
me niet, dan is 't een fabrieksstad die nog maar een en twintig jaar
oud is--is Lowell een groote, volkrijke en welvarende plaats. Die
aanwijzingen van haar jeugd, die eerst iets aantrekkelijks voor 't
oog hebben, zetten er echter op den duur iets gemaakts, iets vreemds,
aan bij, dat voor een bezoeker uit oude streken nogal een grappigen
indruk maakt. Het was een allersmerigste winterdag, en niets in
de geheele stad zag er in mijn oog oud uit, behalve de modder, die
op sommige plaatsen een knie hoog lag, dat men onwillekeurig in de
verzoeking kwam om aan te nemen, dat ze daar gelegen had sinds de
wateren van den Zondvloed tot hun gewone peil gezakt waren. Hier zag
men een nieuwe houten kerk, die, daar ze geen toren had en nog niet
geschilderd was, er uitzag als een monsterachtige pakkist zonder adres
er op. Daar zag men een groot hotel, waarvan de muren en collonades
zoo licht en dicht waren, dat het er precies uitzag alsof het van
speelkaarten was gebouwd. Toen we dat gebouw voorbijgingen, zorgde
ik er voor, mijn adem in te houden, en begon ik te trillen toen
ik een werkman op het dak zag komen, uit vrees dat hij, mocht hij
onattent genoeg zijn wat hard met zijn voet te stampen, het geheele
gebouw in elkaar zou kunnen trappen, dat het krakend naar beneden
viel. Zelfs de rivier, die de machines in de fabrieken in beweging
brengt (want bij allen is water de beweegkracht) schijnt een nieuw
aanzien te krijgen van de frissche gebouwen van helder rooden steen
en geverfd hout, waartusschen zij heenloopt, en in haar gemurmel
en geklots zoo'n lichtzinnige, onbedachtzame en dartele rivier te
zijn als men met mogelijkheid zou kunnen begeeren. Men zou zweren,
dat elke "bakkerij," "kruidenierswinkel" en "boekbinderij" en andere
soortgelijke magazijnen gisteren voor 't eerst de affaire begonnen
hadden. De vergulde vijzels en stampers, die op de lijsten der
zonneblinden buiten de drogistwinkels bij wijze van uithangbord
vastgemaakt waren, zagen er uit alsof ze zoo even de Munt der
Vereenigde Staten verlaten hadden; en toen ik een zuigeling van een
paar weken in de armen van een vrouw om den hoek eener straat zag,
vroeg ik mij zelven met onwillekeurige verwondering af waar het kind
vandaan kwam, daar ik zelfs geen oogenblik veronderstelde, dat het
in zoo'n jonge stad als Lowell kon geboren zijn.
Er zijn tal van fabrieken in Lowell, die allen tot datgene behooren wat
wij een Vennootschap zouden noemen, maar in Amerika een Corporatie
genoemd wordt. Verscheidene daarvan bezocht ik, bij voorbeeld
een wolspinnerij, een tapijtfabriek en een katoenfabriek; nam ze
nauwkeurig op, en zag ze zooals ze op een gewonen werkdag er altijd
uitzien. Laat mij er bijvoegen, dat ik ook goed bekend ben met onze
fabriekssteden in Engeland, en verscheiden fabrieken in Manchester
en elders op dezelfde wijze bezocht heb.
Toevallig kwam ik aan de eerste fabriek juist toen 't etensuur om
was en de meisjes weer aan 't werk gingen; de trap wemelde er dan
ook van toen ik naar boven ging. Zij waren goed gekleed, maar naar
mijn gevoelen niet boven haar stand, want ik voor mij zie graag,
dat de lagere klassen der maatschappij netjes voor den dag komen,
ja zelfs dat ze, voor zooverre dit onder 't bereik hunner beperkte
geldmiddelen valt, zich een beetje opschikken. Altijd aannemende,
dat dit binnen behoorlijke perken zal blijven, zou ik in ieder
persoon, dien ik in mijn dienst nam, deze soort van trots als een
niet onwaardig element van achting voor zich zelf zooveel mogelijk
aanmoedigen, en al mocht nu de een of andere ondeugende vrouw haar
val aan pronkzucht toeschrijven, ik zou me daarvan evenmin af laten
brengen, als dat ik mijn gevoelen van de wezenlijke nuttige strekking
van den Sabbat op zou geven, omdat de nogal twijfelachtige autoriteit
van een moordenaar in Newgate de goedgezinden op dat punt aan 't
twijfelen trachtte te brengen door te doen opmerken, dat hij juist
op dien dag zijn slechtste streken uitgevoerd had.
Zooals gezegd, waren deze meisjes allen behoorlijk gekleed; daar
ligt natuurlijk in opgesloten dat ze de zindelijkheid in eigen
persoon waren. Zij hadden doelmatige hoeden, goede warme mantels en
omslagdoeken, en waren niet te trotsch om met slecht weer overschoenen
of klompen aan te trekken. Daarenboven waren er plaatsen in de
fabriek waar ze haar kleeren gerust neer konden leggen; ook bestond
er gelegenheid om zich te wasschen. Zij zagen er gezond uit, sommigen
zelfs zóó, dat het in 't oog liep; terwijl ze, wat manieren en houding
betreft, niet op stomme lastdieren maar op fatsoenlijke jonge vrouwen
geleken. Had ik in een van die fabrieken het lispendste, in spraak
en houding geaffecteerdste en bespottelijkste schepseltje gezien, dat
ik mij met mogelijkheid voor kon stellen (maar ik heb 't niet gezien,
ofschoon ik met een scherp oog naar zoo'n exemplaartje uitkeek), dan
zou ik gedacht hebben om dat andere uiterste (dat ik wèl gezien heb),
om de zorgelooze, droomerige, vuile slons, en.... met pleizier zou
ik naar dat eerste specimen gekeken hebben.
De kamers, waar zij in werkten, waren even goed onderhouden als zij
zelven. In de ramen van sommigen stonden groene planten, zoo kreeg
men wat schaduw: terwijl in alle kamers zooveel frissche lucht,
zindelijkheid en gemak werd aangetroffen als de plaats zelve en de
aard harer bezigheden maar eenigszins toeliet. Het vermoeden ligt
natuurlijk voor de hand, dat er onder zooveel vrouwelijke personen,
waarvan verscheidene zelfs volwassen waren, sommige er teer en min
uitzagen,--nu, dat was dan ook werkelijk het geval. Maar plechtig
verklaar ik, dat ik in de groote massa, die ik dien dag in de
verschillende werkplaatsen zag, mij geen enkel gezicht kan herinneren,
dat een pijnlijken indruk op me maakte; geen enkel meisje, dat,
gedoemd om door handenarbeid aan den kost te komen, ik, bijaldien ik
daartoe de macht had gehad, daar vandaan gehaald en in een anderen
werkkring zou gebracht hebben.
Zij wonen in verschillende kosthuizen, die dicht bij de hand
zijn. De eigenaars der fabrieken dragen er terdege zorg voor,
dat zij geen personen toelaten, om deze huizen in bezit te nemen,
wier karakters niet vooraf het nauwlettendst en volkomenst onderzoek
hebben ondergaan. Iedere klacht, die door de kostgangsters of door
iemand anders tegen hen ingeleverd wordt, wordt behoorlijk onderzocht;
en bijaldien de aanklacht gegrond wordt bevonden, worden zij afgezet
en hun plaats aan waardiger personen toevertrouwd. In deze fabrieken
gebruikt men eenige kinderen, maar niet veel. De wetten van den
Staat verbieden, dat ze langer dan negen maanden per jaar werken,
en vorderen, dat zij gedurende de drie overige behoorlijk onderwijs
krijgen. Te dien einde zijn er scholen te Lowell; ook zijn er kerken
en kapellen van allerlei gezindten, waar de jonge vrouwen dien vorm van
godsdienst uit kunnen oefenen, waarin ze groot zijn gebracht geworden.
Op eenigen afstand van de fabrieken, en op den hoogsten en
aangenaamsten grond in de buurt, staat hun hospitaal of kosthuis voor
de zieken: het is het beste huis in die streek, en dat een vermogend
koopman daar voor zijn eigen verblijf had laten zetten. Evenals
die inrichting te Boston, die ik vroeger beschreven heb, is ook dit
huis niet in zalen verdeeld, maar in nette kamers, die allen zonder
onderscheid al die gemakken opleveren, welke men in een fatsoenlijk
burgerhuis aantreft. De eerste geneesheer woont onder 't zelfde dak,
en waren de patiënten leden zijner eigen familie, ze konden niet
zorgvuldiger, niet kiescher, kortom niet beter verpleegd worden. Elke
vrouwelijke patiënt, die in deze inrichting wordt opgenomen, moet
wekelijks drie dollars betalen, maar geen een meisje, dat in dienst is
van een dezer corporatiën, wordt ooit afgewezen omdat ze deze kosten
niet bestrijden kan. Dat het waarlijk niet heel dikwijls voorvalt,
dat zij deze kosten uit eigen middelen niet kunnen bestrijden, kan
hieruit worden afgeleid, dat in Juli 1841 niet minder dan negenhonderd
zeven en tachtig van deze meisjes geld belegd hadden in de spaarbank
van Lowell, ten gezamenlijke bedrage van honderdduizend dollars.
Ik zal nu drie feiten vermelden, waarover een groote klasse van lezers
aan deze zij van den Atlantischen Oceaan niet weinig vreemd zal staan
op te kijken.
Ten eerste: in zeer veel kosthuizen vindt men een piano tot
gemeenschappelijk gebruik. Ten tweede: bijna al die jonge meisjes
behooren tot een leesgezelschap. Ten derde: ze hebben onder elkaar
een tijdschrift opgericht onder den naam van THE LOWELL OFFERING (De
offerande van Lowell): "Een verzameling van oorspronkelijke stukken,
uitsluitend geschreven door vrouwelijke personen die op de fabrieken
werkzaam zijn."--Van dit tijdschrift, dat behoorlijk gedrukt,
uitgegeven en verkocht wordt, heb ik vierhonderd fiks geschreven
bladzijden mee naar huis gebracht, die ik van 't begin tot 't einde
gelezen heb.
Al die lezers of lezeressen nu, waar ik zoo even op zinspeelde, zullen
in hun verbazing over deze feiten als uit één mond uitroepen: "Maar dat
's toch al te gek om los te loopen!" En als ik dan, heel onderdanig
natuurlijk, hun de vraag voorleg: Waarom? dan staan zij al klaar met
hun antwoord: "Wel, al die dingen zijn boven haar stand." In antwoord
op welke tegenwerping ik wel eens zou willen vragen wat haar stand is.
Het is haar stand om te werken. Welnu, dat doen zij ook: Zij
werken. Zij werken in deze fabrieken gemiddeld twaalf uur per
dag; me dunkt, dat kan men toch wel werken noemen, en fiks werken
ook. Misschien is 't boven haar stand, zich met zulke uitspanningen in
te laten, onverschillig op welke voorwaarde. Zijn ze wel zeker, dat
wij in Engeland niet onze denkbeelden gevormd hebben van den "stand"
van 't werkvolk, door er ons aan gewend te hebben om die klasse te
beschouwen zooals ze zijn, en niet zooals ze behoorde te wezen? Ik
voor mij geloof, dat, indien wij onze eigen gevoelens raadplegen, wij
bevinden zullen, dat de piano's en de leesgezelschappen, ja zelfs het
Tijdschrift ons door hun nieuwheid een gat in de lucht doen slaan,
door hun nieuwheid, zeg ik, en niet omdat het hier de afgetrokken
quaestie geldt, of al dergelijke dingen goed zijn of verkeerd.
Als men de bezigheid van heden met pleizier heeft afgedaan en die
van morgen met pleizier te gemoet ziet, dan ken ik voor mij geen
stand, waar al soortgelijke uitspanningen niet uit den aard der
zaak beschavend moeten werken en bijgevolg eer goed- dan afkeuring
verdienen. Ik toch ken ik geen stand, die duurzamer zou zijn voor den
persoon die er toe behoort, en veiliger voor den persoon die er buiten
staat, omdat de onwetendheid er vanzelve aan verbonden is. Ook ken
ik geen stand, die het recht heeft om de middelen van wederkeerige
opvoeding, beschaving en behoorlijke uitspanning te monopoliseeren,
of die ooit op den duur in stand gebleven is bijaldien hij zich dat
recht werkelijk aanmatigde.
Wat de verdiensten van 't zoo even vermelde tijdschrift als
letterkundig product betreft, wil ik alleen doen opmerken, dat men
't gerust naast tal van soortgelijke Engelsche tijdschriften mag
leggen; dan laat ik nog geheel en al het feit buiten aanmerking,
dat de artikels door deze meisjes zijn geschreven geworden na de
vermoeiende bezigheden van den dag. 't Is aardig als men merkt,
dat verscheidene van de Vertellingen in 't bewuste Tijdschrift op
de fabrieken betrekking hebben en op haar, die daar werkzaam zijn;
dat ze den lezer aansporen tot zelfverloochening en tevredenheid,
en goede beginselen van alzijdige menschenmin verspreiden. Een diep
gevoel voor de schoonheden der natuur, zooals die ten toon gespreid
worden in de eenzaamheden die de schrijfsters thuis achtergelaten
hebben, ademt door al zijn bladen evenals de gezonde dorpslucht; en
ofschoon een leesgezelschap een gunstige school is voor de studie
van zulke koffiepraatjes, vindt men al bitter weinig zinspelingen
op mooie kleeren, rijke huwelijken, prachtige huizen of een lui en
lekker leven. Sommigen zouden de aanmerking kunnen maken, dat de
bladen nu en dan met zulke mooie namen onderteekend zijn, maar dat
is nu eenmaal smaak in Amerika. Het behoort mede tot de taak van de
Wetgevende vergadering van Massachusetts om leelijke namen in lieve
namen te veranderen, als de kinderen in dit opzicht den smaak hunner
ouders willen verbeteren. Daar deze veranderingen weinig of niets
kosten, worden er gedurende iedere zitting Marianne's bij de vleet
in Bevelina's veranderd.
Men vertelt, dat bij gelegenheid van een bezoek van generaal Jackson
of generaal Harrison aan deze stad (wie van beiden het geweest is ben
ik vergeten, maar dat doet er niet toe), hij vierd'half mijl lang door
een rij van deze jonge meisjes heen wandelde, die altemaal parasols en
zijden kousen droegen. Maar daar ik niet vernomen heb, dat dit eenig
ander kwaad gevolg heeft gehad dan een plotselinge rijzing van al de
parasols en zijden kousen op de markt, en misschien het bankroet van
een of anderen speculant uit Nieuw Engeland, die ze allen à tout prix
opkocht in afwachting van een navraag, die nooit kwam, zoo hechtte
ik niet veel gewicht aan deze omstandigheid.
In dit beknopt verslag van Lowell, alsmede in de zwakke maar oprechte
uitdrukking van 't genoegen dat het mij verschafte, en stellig
verschaffen moet aan ieder vreemdeling, wien de toestand van zulk volk
thuis een onderwerp is van belangstelling en deelnemende zorg, heb ik
mij er zorgvuldig van onthouden, een vergelijking te maken tusschen
deze fabrieken en die van ons eigen land. Vele van de omstandigheden,
waarvan de krachtige invloed zich jaren lang in onze fabriekssteden
heeft doen gevoelen, hebben hier geen plaats gevonden; en om zoo te
zeggen is er in Lowell geen fabrieksvolk, want deze meisjes (dikwijls
de dochters van kleine pachters) komen uit andere staten, blijven
een jaar of wat aan de fabrieken en gaan dan voorgoed naar huis.
De tegenstelling zou al heel sterk zijn, want ze zou niets meer
of minder wezen dan tusschen het Goede en het Kwade, tusschen het
helderste licht, en de donkerste schaduw. Ik onthoud mij daarvan,
omdat ik dit oorbaar acht, maar bezweer al degenen, wier oogen op
deze bladzijden mogen rusten, des te ernstiger, hierbij stil te staan
en eens rijpelijk na te denken over 't verschil tusschen deze stad
en die groote holen van wanhopige ellende; zich daarna, als zij dat
te midden van 't partijgekijf nog kunnen doen, de pogingen voor den
geest te roepen die in 't werk dienen gesteld te worden om die holen
van hun ellende en gevaar te zuiveren,--en ten laatste en allermeest
zich te herinneren hoe snel de kostbare tijd voorbij vliegt.
's Avonds keerde ik langs denzelfden spoorweg en in dezelfde soort
van waggon terug Daar een der passagiers er niet weinig op uit scheen
te zijn, om (natuurlijk niet aan mij) maar aan mijn reisgenoot zoo
breedvoerig mogelijk de echte beginselen uiteen te zetten, volgens
welke boeken over reizen in Amerika door Engelschen zouden geschreven
moeten worden, deed ik net alsof ik in slaap viel. Maar den geheelen
weg over pinkoogend uit het raampje kijkend, vond ik voor 't overige
van den rit overvloedig genot in 't nagaan van de uitwerkingen van den
boschbrand, die 's morgens onzichtbaar was geweest, maar nu door de
duisternis in al zijn glans uitkwam: want we reisden in een warrelwind
van heldere vonken, die als een sneeuwjacht om ons heen stoven.
V.
VAN WORCESTER NAAR NEW-YORK.
WORCESTER, DE RIVIER DE CONNECTICUT, HARTFORD. NEW HAVEN. NAAR
NEW-YORK.
In den namiddag van Zaterdag den vijfden Februari verlieten wij
Boston en spoorden langs een anderen weg naar Worcester: een lieve
stad uit Nieuw Engeland, waar we schikking getroffen hadden, om tot
Maandagmorgen onder 't gastvrije dak van den gouverneur van den staat
door te brengen.
Deze groote en kleine steden van Nieuw Engeland (waarvan velen
dorpen zouden zijn in Oud Engeland) zijn even gunstige specimens van
't landbouwend Amerika als haar bewoners gunstige specimens mogen
heeten van Amerikaansche landbouwers. Wel vindt men hier niet de
netjes gesnoeide lanen en groene weiden van ons vaderland, en is
het gras, vergeleken met dat van onze kunstig aangelegde parken,
spichtig, ruw en wild, maar sierlijk hellende stukken land, zachtkens
rijzende heuvelen, boschrijke dalen en zachtkabbelende rivieren kan
men daarentegen bij de vleet aantreffen. Iedere kleine kolonie van
huizen heeft haar kerk en school, die tusschen de witte daken en
lommerrijke boomen uitsteken; ieder huis is witter dan wit; ieder
zonnescherm groener dan groen; iedere lucht bij mooi weer blauwer
dan blauw. Een scherpe droge wind en een beetje vorst had de wegen
zoo hard gemaakt toen wij te Worcester aankwamen, dat hun gegroefde
sporen wel iets weghadden van granietaderen. Natuurlijk lag ook hier
over alle voorwerpen de glans der nieuwheid. Al de gebouwen zagen er
uit alsof ze eerst dien zelfden morgen waren neergezet en geverfd,
en Maandag met weinig moeite weer konden weggehaald worden. Helder als
de avondlucht was, kwam elke scherpe omtrek nog honderdmaal scherper
uit. De nette bordpapieren colonnades hadden niet meer perspectief
dan een chineesche brug op een theekopje en schenen insgelijks wel
berekend voor 't gebruik. De scheermesachtige kanten van de hier en
daar verstrooide huisjes schenen den wind zelven, als die er tegen
aan suisde, als 't ware te snijden en hem met een schriller kreet dan
te voren verderop te sturen. Door die licht en dicht gebouwde houten
woningen, waarachter de zon met schitterenden luister onderging, kon
men zoo geheel en al heen kijken, dat het denkbeeld dat iemand, die er
in woonde, zich aan de blikken van 't publiek kon onttrekken of eenig
geheim voor zich kon houden, een oogenblik onder de onmogelijkheden
gerekend werd. Zelfs waar een vlammend vuur door de zonder gordijnen
gelaten ramen van 't een of ander afgelegen huis heen scheen, zag
't er uit alsof het zoo even aangelegd en nog niet recht aan was;
en in plaats van gedachten op te wekken aan een prettige huiskamer,
die opgevroolijkt was door gezichten die voor 't eerst het licht zagen
om dienzelfden haard en waar 't behangsel de pleizierige warmte nog
meer scheen te verhoogen,--in plaats nu van zulke gedachten op te
wekken, werd het den aandachtigen beschouwer te moede alsof de lucht
van versche kalk en vochtige muren hem onder den neus kwam.
Zoo althans dacht ik dien avond. Den volgenden morgen toen de zon zoo
helder scheen, en de kerkklokken luidden, en het volk in hun Zondagsche
kleeren doodbedaard het dicht bij de hand liggende voetpad afliep,
toen lag er een pleizierige sabbatsrust over alles, die het gevoel
liefelijk aandeed. Beter zou ze gepast hebben bij een oude kerk,
nog beter bij wat oude graven, maar al werden beide hier gemist,
toch heerschte er over 't geheele tooneel zoo'n aangename kalmte,
dat dit vooral na den rusteloozen oceaan en de drukke stad een dubbel
heilzame werking op de ziel uitoefende.
Den volgenden morgen begaven wij ons, nog altijd per spoor, naar
Springfield. Vandaar naar Hartford, de plaats onzer bestemming, is een
afstand van maar vijf en twintig mijlen, maar zoo slecht waren de wegen
in dat gedeelte des jaars, dat de reis te land ons waarschijnlijk een
uur of twaalf zou geduurd hebben. Daar 't een bijzonder zachte winter
geweest was, zoo lag echter gelukkig de Connecticut "open", of was,
met andere woorden, niet bevroren. De kapitein van een kleine boot zou
zijn eerste vaart van dat seizoen (bij menschengeheugenis het tweede
voorbeeld van een vaart in Februari) af gaan leggen en wachtte alleen
op ons, om aan boord te gaan. Wij gingen dan ook aan boord zoodra we
maar konden. Hij hield zich aan zijn woord en stoomde dadelijk weg.
Ze werd waarlijk niet zonder reden een kleine stoomboot genoemd. Ik
vergat om er naar te vragen, maar ik zou denken, dat het een boot was
van zoo wat een halve-ponny-kracht. Meneer Paap, de beroemde Dwerg,
had gelukkig kunnen wonen en staan in de kajuit, die evenals een gewoon
woonhuis van schuiframen was voorzien. De ramen hadden ook licht door
de gordijnen, die voor de onderste glazen aan slappe koorden hingen,
zoodat de geheele kajuit veel weghad van een lilliputsch koffiehuis,
dat door een hoogen vloed of eenig ander onheil van dien aard vlot was
geraakt en nu, de Hemel mag weten waarheen, lag te drijven. Maar zelfs
in deze kamer was een schommelstoel. Het zou trouwens onmogelijk zijn,
ergens in Amerika te wezen zonder een schommelstoel.
Ik zie er tegen op, te vertellen hoeveel voeten dit schip kort,
en hoeveel voeten het smal was: om nu de woorden lengte en breedte
op zoo'n afmeting toe te passen, zou een soort van zelftegenspraak
zijn. Maar dit kan ik nog constateeren, dat wij allen midden op 't
dek bleven, uit vrees dat de boot eens onverwachts mocht kantelen;
en dat de machine, dank hebbe een verwonderlijk condensatieproces,
juist tusschen 't dek en de kiel werkte, het geheel een warm kadetje
vormende van zoo wat drie voet dik.
Het regende den ganschen dag zooals ik eens dacht, dat het alleen
in de Schotsche Hooglanden kon regenen. De rivier zat vol drijvende
ijsschotsen, die gedurig onder ons knapten en kraakten; en de diepte
van water, waar we doorheen gingen
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/47716