Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden
by Pieter Johannes Veth · Dutch · Gutenberg #45943 · 564,372 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden
Author: Pieter Johannes Veth
Release date: June 11, 2014 [eBook #45943]
Most recently updated: October 24, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/45943
Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net (This book was produced from scanned
images of public domain material from the Google Print
project.)
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK UIT OOST EN WEST: VERKLARING VAN EENIGE UITHEEMSCHE WOORDEN ***
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |
| accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie. Ook |
| de diverse schrijfwijzen van geciteerde werken zijn behouden. |
| De vermelde Errata zijn verwerkt in de lopende tekst. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
+----------------------------------------------------------------+
UIT OOST EN WEST.
Uit Oost en West.
VERKLARING VAN
EENIGE UITHEEMSCHE WOORDEN,
DOOR
Dr. P. J. Veth,
_Oud-Hoogleeraar._
[drukkersmerk: Peritia Gratia Qve.]
ARNHEM.—P. GOUDA QUINT.—1889.
Gedrukt bij G. J. Thieme, te Arnhem.
_Toen ik in 1864 als hoogleeraar aan de Rijksinstelling voor opleiding
van Indische ambtenaren naar Leiden kwam, bestond daar eene, sedert,
helaas maar al te zeer verflauwde geestdrift voor het woordenboek der
Nederlandsche taal, waarvan de Heeren De Vries en Te Winkel destijds de
eerste afleveringen in het licht gaven._
_Voor de verklaring der uit vreemde talen overgenomen woorden werd de
hulp gevraagd, en met ingenomenheid verleend, van Professor R. Dozy,
die in zijne in 1867 uitgegeven „Oosterlingen” eene verklarende lijst
gaf van de woorden, die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch,
Perzisch en Turksch in de Nederlandsche taal zijn overgenomen._
_Maar hiermede was nog niet alles verricht. Ook andere talen, zooals het
Maleisch, Javaansch, Malabaarsch, Chineesch enz. hadden tot de vorming
onzer taal bijgedragen._
_In mijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen” in „de Gids” van
1867 No. 3, gaf ik over die Oostersche woorden eenige algemeene
beschouwingen, die ik met eenige meer bekende voorbeelden toelichtte;
en toen ik bespeurde, dat ook deze zwakke poging om tot de _origines_
der Nederlandsche taal door te dringen, algemeene bijval vond, besloot
ik eene verzameling van zoodanige woorden aan te leggen, waarin ik
gedurende ruim een twintigtal jaren opteekende, de merkwaardigste door
Dozy niet behandelde, bij Nederlandsche schrijvers voorkomende woorden
van vreemde afkomst; inzonderheid de zoodanige, die wij aan ons
handelsverkeer in vreemde werelddeelen en onze koloniën verschuldigd
zijn, en daaronder vooral ook de woorden, die wij op dezelfde wijze
hadden verkregen, maar die in de landen, welke voor ons de landen van
herkomst waren, reeds vóór ons door de Portugeezen, Spanjaarden en
Arabieren waren ingevoerd._
_Aan scherpe grenslijnen was hier natuurlijk niet te denken, daar
telkens en in alle richtingen zich woorden uit de eene taal naar de
andere verbreiden. Ook was het zeker niet vreemd, dat, toen eenmaal eene
menigte Spaansche en Portugeesche woorden uit de koloniën afkomstig,
waren opgenomen, ook aan andere, waarmede dit niet het geval was, eene
plaats werd gegeven._
_Nu en dan werd ook wel eens een uit andere talen afkomstig woord
behandeld, wanneer ik meende daarover eenig nieuw licht te kunnen
verspreiden. Het merkwaardigste voorbeeld van dien aard, is zeker
wel het woord _tor_, dat, daar het van echt Germaansche afkomst is,
eigenlijk hier geene plaats had mogen innemen._
_In den aanvang van het jaar 1888 werd deze verzameling—naar aanleiding
van een gesprek over het woord _fiche_,—toevallig bekend aan den
Heer G. Keller, redacteur der Arnhemsche Courant, die na inzage
terstond toonde veel lust te hebben van tijd tot tijd eenige van mijne
woordverklaringen, ten einde aan zijne lezers eenige verscheidenheid van
lectuur te verschaffen, in zijn dagblad op te nemen. Daar ik vroeger
meermalen was aangezocht om de proeven van dit werk, die ik reeds hier
en daar had geleverd, te vermenigvuldigen, besloot ik den geheelen
voorhanden voorraad tot zijne beschikking te stellen. Enkele woorden
werden als minder geschikt uitgeworpen, vele andere werden bij de
omwerking, die nu de verzameling onderging, van tijd tot tijd toegevoegd
of breeder toegelicht._
_Om den weg voor gedurige bijvoeging zoolang mogelijk vrij te laten,
besloot ik mij van alle systematische rangschikking te onthouden. Deze
toch zou alleen mogelijk geweest zijn, indien het werk in eens als een
afgerond geheel aan de pers ware geleverd, maar kon niet in aanmerking
komen, nu ik de gelegenheid wilde openhouden om nieuwe woorden bij te
voegen, wanneer mij zoodanige in den loop van het afdrukken mochten
voorkomen._
_Daar mijn arbeid thans op verzoek van den tegenwoordigen uitgever,
waaraan ik gaarne gevolg gegeven heb, als afzonderlijke uitgave het
licht ziet, zijn de woorden echter gemakkelijk te vinden door middel van
het alphabetisch register, dat ik aan het einde wensch te plaatsen.
Dit register bevat niet enkel de in afzonderlijke artikelen behandelde
woorden, maar ook de voornaamste dergenen, waarover iets in het
voorbijgaan gezegd is._
ARNHEM, _Februari 1889_.
P. J. VETH.
De bijzondere richting mijner studiën heeft mij dikwijls genoopt te
snuffelen in weinig bekende boeken en handschriften en onze reizigers in
gedachten over den Oceaan te volgen tot in de afgelegenste gewesten van
den aardbodem. Niet zelden is het mij daarbij gebeurd te ontdekken, dat
zij uit die gewesten woorden hadden medegebracht, die in onze volkstaal,
dikwijls zelfs in onze schrijftaal, waren ingeslopen. Die woorden waren
dan niet zelden in onze woordenboeken geheel verkeerd verklaard, terwijl
van andere nooit eene verklaring beproefd of althans gevonden was. De
woorden die ik bedoel zijn nu eens uit Amerika, dan eens uit Afrika,
dan weder uit Azië, en voornamelijk, zooals te verwachten was, uit den
Indischen Archipel afkomstig. Zij behooren evenwel lang niet altijd tot
de eigen talen van die gewesten, maar zijn dikwijls daar ingevoerd door
onze Arabische, Portugeesche en Spaansche voorgangers, en werden dus in
de gewesten die onze reizigers bezochten, opgevangen uit den mond der
kolonisten, of waren reeds sedert lang van dezen tot de inboorlingen
overgebracht, zoodat zij deel van hunne taal schenen uit te maken. Zoo
zijn er b. v. onderscheidene Arabische en Perzische woorden, ook nu
nog bij ons in gebruik, die niet rechtstreeks uit West-Azië tot ons
kwamen, maar die door den trechter van het Maleisch of Javaansch in
onze taal werden overgegoten. Prof. Dozy, die voor eenige jaren in zijne
„Oosterlingen” eene vrij volledige lijst en eene zeer scherpzinnige
verklaring heeft gegeven van de woorden die in onze taal uit het
Arabisch, Perzisch en Turksch stammen, heeft echter de woorden van de
hier bedoelde soort overgeslagen, dewijl ze naar zijne meening meer
behoorden in eene (ons nog steeds ontbrekende) lijst der woorden uit
Insulinde afkomstig.
De woorden, die in mijne aanteekeningen een plaats hebben gevonden,
kunnen moeilijk tot bepaalde klassen worden gebracht. Het is een
allerlei, dat door geen anderen band wordt samengehouden, dan dat het
vreemdelingen zijn in onze taal, die daarin als gasten zijn opgenomen.
Er zijn er misschien zelfs enkele onder, die ofschoon in een vreemd
gewaad tot ons gekomen, echter van onze taal niet zoo ver afstaan als
men hun zou aanzien. Dit schijnt onder andere het geval te zijn met het
woord _Fiche_, dat ik reeds eenigen tijd geleden bij wijze van proeve in
de _Arnhemsche Courant_ behandeld heb. Men houdt (zie van Dale, wiens
verklaring nog onlangs door prof. Beets werd overgenomen) dit woord voor
het Spaansche _fichas_, rekenpenningen. Ik meen te hebben aangetoond
dat _fichas_ in die taal volstrekt niet _rekenpenningen_ in het
algemeen beteekent, maar juist die bepaalde soort van rekenpenningen,
die wij in het kaartspel gebruiken en, den in het Fransch gebruikelijken
vorm aannemende, _fiches_ noemen. Onze landgenooten hebben altijd het
zwak gehad om alle vreemde woorden voor Fransch te houden en op Fransche
wijze uit te spreken. Zij hebben soms zelfs aan zuiver Nederlandsche
woorden een Franschen vorm en Fransche schrijfwijze gegeven, en
getracht ze als vreemdelingen voor te stellen. Zoo ontstond o. a. het
belachelijke, en in het Fransch, waar de stof _nacre_ heet, geheel
onbekende _perle d'amour_, waarin de Nederlander die de betrekking kent
tusschen de parelschelp en de parel, onmogelijk het echt Nederlandsche
_parelmoeder_, bij samentrekking _parelmoer_ (Duitsch _Perlmutter_,
Engelsch _Mother of Pearl_), kan miskennen. Op soortgelijke wijze meende
nu ook onze van Lennep in _fiche_ het Hollandsche _vischje_ weder te
vinden, en volkomen terecht herinnerde hij zich daarbij dat in de
Japansche fichesdoozen, die men nog zeer dikwijls zag in mijne jeugd,
maar die thans vrij zeldzaam zijn geworden, de speelmarkjes, van
parelmoer vervaardigd, inderdaad den vorm van _vischjes_ hadden. Toch
houd ik ook die verklaring niet voor volkomen juist; 't is haast niet
denkbaar dat een Hollander _vischje_ als _fiche_ zou gaan uitspreken. Ik
vermoed dat die speelmarken, die vooral bij het whistspel gebruikelijk
zijn, met dit spel uit Engeland tot ons zijn gekomen, want nog worden
ze in Engeland _fishes_ genoemd, en dat dit woord later voor Fransch
gehouden en als _fiches_ uitgesproken werd, is zeer natuurlijk. De
juistheid dezer verklaring heb ik eenigermate door het woordenboek der
Spaansche Academie, maar vooral door het Portugeesche van Moraes Silva
(in v. _fixa_) bevestigd gevonden.
Lang heb ik het voornemen gekoesterd, zoo niet alles wat ik verzameld
heb, dan toch het belangrijkste daarvan, in het licht te geven, en
terwijl ik daartoe thans overga, vlei ik mij dat de lectuur niet al te
dor of vervelend zal gevonden worden. De woorden hebben soms wonderlijke
en verrassende lotgevallen, waarin zelfs een komisch element niet altijd
ontbreekt.
Ik begin met een drietal woorden, die men den vreemden oorsprong niet
zoo dadelijk kan aanzien, en die daardoor tot verkeerde opvattingen
aanleiding hebben gegeven, de woorden _negerij_, _oorlam_ en
_kwispedoor_, waarvan wij de beide eerste aan het Maleisch, het derde
aan de Portugeezen in Indië verschuldigd zijn. Voor het overige zal ik
mij aan geene bepaalde orde binden, maar aan het _varietas delectat_
gedachtig zijn.
Negerij of Negorij.
Omtrent dit woord heerschen zonderlinge dwalingen, die onmiddellijk
worden ingezien, als men den waren oorsprong heeft erkend. Op den klank
af brengt men het doorgaans in verband met _neger_ (van _niger_, zwart),
zooals wij de zwarte Afrikanen noemen. Zoo lezen wij bij Weiland in het
art. _neger_: „van hier _negerij_, een aantal hutten, als een dorp bij
elkander gezet, waarin negers wonen, b. v.: _die landwaarts in hunne
negerijen of dorpen hebben_. Bogaert.” Hier is echter de beteekenis
_dorp_ niet geheel miskend; maar veel erger maakt het van Dale, „Nieuw
Ned. Woordenboek”, die eerst, op _negerij_, dit gelijk stelt met
_negerhuis_, maar tegelijk naar den tweeden vorm _negorij_ verwijst,
waarvan hij zegt: „_Negorij_, _negerij_ (oudtijds), plaats, waar negers
verkocht worden.” In deze weinige woorden zijn drie kapitale fouten
bevat: want kennelijk wordt het woord met _neger_ in verband gebracht,
de beteekenis is geheel verkeerd opgegeven, en het wordt zeer ten
onrechte als verouderd vermeld. Het woord is nooit menigvuldiger
gebruikt geworden dan in de laatste jaren, nu zooveel over onze
Oostindische bezittingen geschreven wordt. Doch die soort van boeken
schijnen onze taal- en letterkundigen zelden in te zien. In het
Nederlandsch-Fransch Woordenboek van prof. Heremans, doorgaans met
zooveel zorg bewerkt, lees ik ook al: „_Negorij_, village habité par
des nègres”, en in het Nederlandsch-Hoogduitsch Woordenboek van dr.
Sicherer vind ik zelfs aan _negorij_ twee beteekenissen toegekend: 1o.
Negerdorp, negerkraal, 2o. Negermarkt, plaats waar negers als slaven
verkocht worden. Klaarblijkelijk heeft hij de verklaringen van Weiland
en van Dale gecombineerd.
Voor hen, die met de talen onzer Oostindische bezittingen in het geheel
niet bekend zijn, moet men erkennen dat de uiteenloopende vormen, waarin
dit woord voorkomt, en het verloop zijner beteekenis iets verwarrends
en misleidends hebben. Zoo schrijft b. v. de heer Verkerk Pistorius
in zijne „Studiën over de inlandsche huishouding in de Padangsche
bovenlanden”, bestendig _negari_, waarin men niet zoo dadelijk hetzelfde
woord herkent. Ook moet men, om het gebruik van het woord goed te
begrijpen, met de filiatie der beteekenissen goed bekend zijn. Ik zal
daarover zoo kort mogelijk het noodzakelijkste zeggen.
Het woord is eigenlijk het Sanskrietsche _nagara_ of, in vrouwelijken
vorm, _negari_. Van deze beide vormen is de eerste in laag-, de tweede
in hoog-Javaansch gebruikelijk. Ook de Maleische vormen verschillen
hiervan niet veel; in het laag-Maleisch spreekt men doorgaans _negeri_
of _negri_ uit.
Aan dit laatste is de Nederlandsche vorm _negerij_ of beter _negerie_
ontleend. Hoe men aan _negorij_ is gekomen kan ik niet zeggen;
misschien vond men het welluidender.
De beteekenis van het woord is eigenlijk: de plaats waar een vorst zich
met zijn volk gevestigd heeft. Soms wordt er het geheele vorstendom,
land of rijk, soms alleen het binnenste hoofddistrict door den vorst in
persoon bestuurd, soms ook alleen zijn hoofdstad of residentie door
bedoeld; maar ook de zetel der vazallen of regenten kan zoo genoemd
worden. Deze beteekenissen vindt men in het Javaansch. In het Maleisch
is de beteekenis nog verder verloopen en duidt het woord, althans in den
vorm _negri_, iedere stad of aanzienlijk dorp, iedere verzameling van
één gemeente vormende kampongs of buurten aan.
In het Nederlandsch schijnt mij de vorm _negerie_ de verkieslijkste,
omdat die het meest overeenkomt met den gewonen Maleischen vorm, waaraan
wij het woord ontleend hebben. _Negerie_ heeft overigens, ofschoon
verreweg het meest gebruikt waar wij van onze Oostindische bezittingen
spreken, bij ons de meer algemeene beteekenis gekregen van een stad of
dorp bij onbeschaafde of half-beschaafde volken, zooals uit het door
Weiland aangehaalde voorbeeld blijkt.
Oorlam.
Dit woord beteekent volgens van Dale: 1o. een ervaren zeeman, 2o. een
rantsoen jenever aan boord der schepen, en in het algemeen een borrel of
slok. De eerste beteekenis zou volgens hem rechtstreeks ontleend zijn
aan het Maleische _orang lama_, dat een _ervaren, handig, bekwaam man_
zou beteekenen. Dit laatste is zeker volkomen onjuist. _Lama_ beteekent
in het Maleisch _lengte_ of _duur van tijd_, en, als adjectief, _oud_,
_uit den ouden tijd_. _Orang lama_ is in goed Maleisch _een mensch van
den ouden tijd_, maar in laag Maleisch, als verkorte spreekwijze voor
_orang lama datang_, een _mensch die lang geleden gekomen is_, _een
oudgast_, in tegenstelling met een _orang baroe datang_ of _orang
baroe_, een pas aangekomene, een _baar_ (van _baroe_, nieuw, afkomstig),
een nieuweling.
Het woord _Oorlam_ schijnt vooral aan de Kaap de Goede Hoop in gebruik
te zijn geweest. In Deel VII van de „Historische beschrijving der
reizen”, bl. 231, lezen wij daaromtrent het volgende: „De Europeesche
inwoners van de Kaap zijn gewoon alle aankomende Europeanen door twee
bijzondere Maleische woorden te onderscheiden. Die regelrecht uit
Holland komen, doopen ze met den naam van _Baar_, komende van _Oram
bari_” [moet zijn _Orang baroe_] „en die uit Indië wederkeert met den
naam van _Orlam_. Den orlammen-tijd” [hierdoor wordt de tijd verstaan,
waarop de retourschepen op de terugreis naar het vaderland de Kaap
aandeden] „houdt men daar voor een kermis, waarop schippers, boekhouders
en matrozen zich van voorraad ontdoen, dien zij duchten dat in Holland
niet door den beugel zal kunnen” [als op oneerlijke wijze, b. v. door
morshandel, verkregen]. Een weinig verder wordt gezegd, dat „de matroos,
hier in een luilekkerland vallende, de schoonste gelegenheid had om al
het opgespaarde te verteren en door den lekkeren Kaapschen wijn op hol
te raken.”
Men ziet hieruit dat de _oorlammen_ veelal echte liefhebbers van de
flesch waren, en als men zich die tallooze avontuurlijke uitdrukkingen
herinnert, die onze in dat opzicht maar al te zeer ontwikkelde volkstaal
voor de dronkenschap en hare oorzaak, den jeneverborrel, heeft
uitgedacht, zal men het misschien niet ondenkbaar vinden, dat in
_oorlam_ de beteekenis van _borrelaar_ in die van _borrel_ is
overgegaan.
Die nieuwe beteekenis is hoofdzakelijk in gebruik aan boord der schepen,
en vooral voor het rantsoen jenever, dat op vaste tijden aan de matrozen
wordt uitgereikt. „Wanneer het wasschen is afgeloopen”, zegt Olivier,
„Land- en Zeetochten in Indië”, D. III, bl. 332: „is de naastvolgende
roep van des bootmans fluitje de ware blijde boodschap. Tot driemaal,
met eenige niet onaardige roulades, bijna gelijk het gezang van een
kanarievogel, klinkt de nu dubbel welkome scheepsmuziek den zonen van
Neptunus in de ooren. Het is „_oorlam_.””
Aan de Kaap heeft _oorlam_ ook de beteekenis gekregen van een man van
ervaring en scherpzinnigheid. Deze hangt onmiddellijk samen met die
van _oudgast_. Terwijl de _baren_, nog geheel vreemd aan de zeden en
gebruiken van het Oosten, dikwijls werden bespot en als erg onnoozel
uitgekreten, was de _oorlam_ of oudgast in dat alles volkomen te huis,
en daardoor ver boven den nieuweling verheven. De Namaqua's, een
Hottentotsche stam, noemen zich gaarne _oerlams_, omdat zij eene
uitstekende meening van hunne eigen schranderheid hebben. Vandaar dat
men soms onder de volksstammen van Zuid-Afrika ook de _Orlams_ of
_Oerlams_ vermeld vindt.
Die Namaqua's onderscheiden zich echter inderdaad door domheid en
onkunde. Hierop slaat het volgende verhaal bij Schüssler, Zuid-Afrika,
bl. 77: „Aron vertelde ons, zeer ondeugend, dat, daar de Namaqua's veel
van „soopie” houden, het woord _oorlam_, hetwelk zij door hunne domheid
niet eens goed konden uitspreken, het eenige woord was, dat ze van een
gedeserteerd zeevarende hadden geleerd en onthouden, en door beduiding
met de hand ook verstaan en _begrepen_; want, zeide hij, als zij het
uitspreken, keeren zij tegelijk het plat van de hand naar den mond—wat
werkelijk het geval is—en denken daarbij: veel „soopies” of „oorlams”
maken domme menschen slim—oorlamsch.”
Er is dus wel iets waars in de meening van van Dale, dat _oorlam_ ook
een _ervaren, handig man_ kan aanduiden, maar die beteekenis is uit de
oorspronkelijke van _oudgast_ afgeleid en volstrekt niet de meest
gewone.
Kwispedoor.
Van dit woord heeft niemand ooit eene verklaring uit het Germaansch
kunnen geven, ook niet in den vorm _kwispeldoor_, waardoor men het ons
meer naar den mond heeft gemaakt; want wat toch zou _kwispelen_, een
onbetwist Hollandsch woord, met een spuwbekken te maken hebben?
De ware verklaring van het woord gaf prof. de Vries in den _Taalgids_;
het is hem evenwel daarbij ontgaan, dat hij dezelfde verklaring van mij
in eene vergadering der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde
gehoord had. Ik had intusschen die verklaring ook reeds vóór hem
gepubliceerd, namelijk in het _Tijdschrift voor Ned.-Indië_, Jaarg.
1867, D. I, bl. 296. Wat ik daar schreef zal ik hier eerst letterlijk
herhalen, om er daarna nog eenige opmerkingen aan toe te voegen.
„Gemeenlijk neemt men aan, dat dit woord bij ons van Spaanschen
oorsprong is en verbasterd uit _escupedor_ of _escupidero_, en dat het
in onze taal is ingedrongen in het tijdvak der Spaansche heerschappij.
Daarentegen houd ik mij verzekerd, dat het woord Portugeesch is, dat
wij het in Indië van de Portugeezen geleerd hebben en dat het uit Indië
naar Europa is overgebracht. Ziehier mijne gronden. Baldaeus spreekt
in zijne „Beschrijvinge van Malabar en Choromandel”, bl. 160, van een
Naïk, die _cuspidoordrager_ was in het rijk van Carnatica, en van een
tweeden, dien hij 's Konings _betelgever_ noemt. De beteldoos en het
spuwbekken zijn inderdaad van elkander onafscheidelijk. Bij het woord
_cuspidoordrager_ teekent Baldaeus op den kant aan: „Cuspidoor is een
spuwbekken of -pot.” Nu heet werkelijk in het Portugeesch een spuwbekken
_cuspideira_ of _cuspidòr_, van het werkwoord _cuspir_ of _cospir_,
het Latijnsche _conspuere_. De vorm _cuspideira_ is de beste en meest
gebruikelijke; _cuspidòr_ beteekent, volgens het Portugeesch woordenboek
van Moraes Silva, eigenlijk _Pessoa que cospe muito_ (een persoon die
veel spuwt); maar hij kent het toch ook in de beteekenis van _vaso de
cuspir_, d. i. een spuwbekken, en hij haalt daarvoor eene plaats aan uit
Castanheda's „Historia da India” I, f. 39: „_hum cuspidòr de oiro_”
(_oiro_ = _ouro_), d. i. een gouden spuwbekken.
„Hieruit trek ik de volgende besluiten: 1o. het spuwbekken dat de
Indische vorsten bij het betelkauwen gebruiken, noemden de Portugeezen
_cuspidòr_; 2o. dit woord hebben wij in Indië van hen overgenomen,
maar tot _kwispedoor_ verbasterd; 3o. dit woord is uit Indië naar het
moederland overgebracht. De afleiding uit het Spaansch verwerp ik:
1o. omdat Baldaeus, in 1669–1671, in welke jaren hij zijn werk te boek
stelde, nog noodig had _cuspidoor_ voor zijne lezers te verklaren,
wat wel het geval niet zou geweest zijn, indien dit woord reeds in de
Spaansche tijden in onze taal was gekomen; 2o. omdat _kwispedoor_ met
het Portugeesche _cuspidòr_ nog meer overeenkomt dan met het Spaansche
_escupedor_.”
Tot dusverre mijne vroegere verklaring. Ik voeg er nu nog de vrij
afdoende opmerking bij, dat wij, zooals later blijken zal, in Indië de
namen van een aantal zaken van onze Portugeesche voorgangers hebben
geleerd en ons toegeëigend, maar dat wij in onze taal geen enkel woord
hebben, dat onze voorouders vóór of gedurende onzen vrijheidsoorlog van
de gehate Spanjaarden hebben overgenomen. In het geheel is onze taal aan
het Spaansch al zeer weinig verschuldigd, doch daarop kom ik later wel
eens terug.
Toen ik bovenstaande verklaring van het woord kwispedoor publiceerde,
maakte ik aan het slot de opmerking dat _cuspidòr_ misschien alleen op
het vasteland van Indië en niet op de eilanden in gebruik was geweest.
Doch dit is stellig verkeerd. Forrest, in zijn „Voyage to New-Guinea”,
p. 135, gebruikt het woord ook, waar hij spreekt van Mindanao, en wel
als _inlandsch_ woord, waarvan hij eene verklaring noodig acht. Hij
schrijft het woord, op het gehoor af, _cuspadore_, en zegt in eene noot:
„an utensil well known to those who smoak tobacco and chew betel.”
De Fransche vertaling van Forrest, die veel meer verspreid is dan het
oorspronkelijke, heeft bl. 265 voor _cuspadore_ eenvoudig _crachoir_, en
laat de noot weg,—wel een waarschuwing, dat, wie gelegenheid heeft het
oorspronkelijk in te zien, zich nooit met de raadpleging eener vertaling
moet vergenoegen.
De plaats van Forrest bevestigt alleszins, dat _cuspidòr_ een
Indisch-Portugeesch woord is; het verdient echter opmerking, dat het
nooit vermeld wordt onder de vele Portugeesche woorden die in de
inlandsche talen van de Molukken, de Minahassa enz. zijn opgenomen.
Forrest reisde in 1774 tot 1776. Valentijn in zijne in 1726 verschenen
„Beschrijving van Groot-Java” (Oud- en Nieuw Oost-Indië, IV. 1),
schrijft op bl. 61, dat een der grooten van den Vorst van Mataram
hem een _cuspidoor_ of spuwpotje nadraagt. Ook deze plaats leert ons,
dat _cuspidòr_ op de eilanden evenzeer als op het vasteland bekend
was; merkwaardig is het bovendien, dat ook hij het woord nog in den
Portugeeschen vorm geeft en van eene verklaring doet vergezeld gaan.
Dit bewijst wel, dat zoowel het algemeen gebruik van het woord als zijn
verhollandschte vorm _kwispedoor_, van recenten oorsprong zijn.
Adat.
_Adat_ stamt van den Arabischen wortel _ʾâda_, die _terugkeeren,
herhalen_ beteekent, en duidt aan _het gedurig terugkeerende_, de
_gewoonte_, het _gebruik_. In de rechtstaal van den Islam (dus bij
Arabieren, Perzen, Turken enz.) wordt het woord gebruikt om het
gewoonterecht, le droit coutumier, aan te duiden, in tegenstelling van
het bij de wet geregelde en beschreven recht. „Het Mohammedaansche
recht”, zegt mr. L. W. C. van den Berg, in zijne _Beginselen van het
Mohammedaansche Recht_, „heeft twee hoofdbronnen, de wet (sjar') en de
gewoonte, _ʾâdat_ of _ʾorf_. Deze laatste mag alleen worden gevolgd,
wanneer de wet zwijgt, of er uitdrukkelijk naar verwijst.”
In die Mohammedaansche landen, die eerst laat voor den Islam gewonnen
zijn, toen het machtig Rijk der Khalifen lang was uiteengespat, en waar
dus geen krachtig centraal gezag de inrichting der maatschappij in
alle opzichten onder de heerschappij der wet kon brengen, werd aan het
bestaande gewoonterecht zeer veel grooter plaats gelaten, dan er naar de
beginselen van den Islam aan toekomt. Dit is inzonderheid ook het geval
in den Indischen Archipel. Het staatsrecht, het strafrecht, de meeste
rechtsbetrekkingen der individuen onderling, worden er door de âdat
beheerscht, ja er zijn zelfs streken waar ook het personen- en erfrecht
zich niet geheel aan de voorschriften van den Islam hebben onderworpen.
Wel staat er overal tegenover de adat het goddelijke, op den Koran en de
Sonnah rustende recht, gemeenlijk door de woorden _sarat_ of _sarengat_
(Arab. _sjar'_ of _sjaríʾah_) aangeduid; wel moet, volgens de inlandsche
begrippen, de adat steeds aan de sarat ondergeschikt blijven; maar dat
overwicht der sarat bestaat meestal alleen in theorie. Nooit is door
eenig openbaar gezag de grens tusschen het gebied van sarat en adat met
juistheid aangewezen, en het inlandsch recht verkeert dienvolgens in
Ned.-Indië in een staat van onzekerheid, die tot gedurig geharrewar
aanleiding geeft. Doch over de rechtstoestanden in Ned.-Indië is het
hier de plaats niet te spreken.
Bestaat er geen vaste grens tusschen de zaken waarin de sarat, en die
waarin de adat beslist, even weinig bestaat er een vaste grens tusschen
hetgeen al of niet tot de adat behoort. Het is er verre van af, dat,
wat als adat geëerbiedigd wordt, steeds tot vroegere geslachten zou
opklimmen; nieuwe instellingen worden dikwijls reeds na weinige jaren
met het gezag der adat bekleed of, om juister te spreken, door de
Europeesche gezaghebbers den inlander als adat opgedrongen. Zoo
zegt de heer Gevers Deynoot in zijne „Herinneringen eener reis naar
Nederl.-Indië”, bl. 78: „De Javaan is gesteld op oude gebruiken, maar
men bestempelt dikwijls veel met den naam van _adat_, waarvan de
inlander gaarne bevrijd zou zijn”, en de heer J. C. Baud, bij van
Deventer, „Bijdragen tot de kennis van het landelijk stelsel”, II, bl.
190: „De Javaan is een slaaf der gewoonte (_adat_), maar voor hem is
nu _adat_ geworden, wat sedert 16 jaren bestaan heeft, terwijl hetgeen
vroeger bestond, nu heeft opgehouden _adat_ te zijn.”
Sommigen schrijven dit woord _hadat_, b. v. de heer Verkerk Pistorius,
„Studien over de inlandsche huishouding in de Padangsche Bovenlanden”,
bl. 87: „_Hadat_ is de algemeene naam voor wetten, zeden, instellingen,
gewoonten, gebruiken en inzettingen”. Deze schrijfwijze is te verklaren
uit den aard der eerste letter van het Arabische woord, die door de
inlanders evenmin als door de Europeanen kan uitgesproken of met
juistheid in het schrift wedergegeven worden. Onlangs in de _Arnhemsche
Courant_ de door prof. Dozy in zijne „Oosterlingen” en elders gegeven
verklaring van het woord _averij_ tegen eene nieuwe, weinig aannemelijke
verklaring handhavende, merkte ik op, dat ook in dat uit het Arabisch
stammende woord, en juist om dezelfde reden, wel eens _haverij_ wordt
geschreven. Echter verdient mijns inziens _adat_, als meer met de
gewone Mal.-Javaansche uitspraak overeenkomend, de voorkeur.
Op Celebes heeft het woord _adat_ (in het Makassaarsch en Boegineesch
_ada_ uitgesproken) nog eene gewijzigde beteekenis gekregen. Het wordt
er ook gebezigd van hen die gesteld zijn om de adats des lands te
handhaven, alzoo de Rijksgrooten, de Raadsheeren, coll. de Rijksraad.
Zie Matthes, „Makassaarsch Wdbk.”, bl. 650. Het is zeker niet meer dan
toeval dat juist in deze beteekenis door de Europeanen zoo dikwijls de
vorm _hadat_ gebezigd wordt, en men zoo vaak van de _hadat_ van Boni,
de _hadat_ van Gowa enz. leest. Men heeft waarschijnlijk daarin het
voorbeeld van den een of anderen schrijver gevolgd, die met den heer V.
Pistorius den vorm _hadat_ verkoos. Men zou dwalen indien men meende,
hier met een ander woord dan het gewone adat, of met eene uitspraak met
scherper aspiratie op Celebes te doen te hebben.
In de tot dusverre gegeven voorbeelden is het woord _adat_ steeds van
Ned.-Indische toestanden gebruikt, en bleef het daartoe bepaald, dan zou
het, hoe gemeenzaam het ons ook geworden is, nog geen aanspraak maken
om als genaturaliseerd in onze taal te worden beschouwd; maar het heeft
meer recht dan _dessa_, en minstens evenveel recht als _prauw_, om in
een Nederlandsch woordenboek te worden opgenomen. Van Limburg Brouwer,
„Akbar”, bl. 108, gebruikt het met betrekking tot Hindostan, waar hij
van verkorting van de rechten der gemeenten tegen de adat gewaagt.
Maar vindt men dit voorbeeld nog niet sterk genoeg, zeker zal men
overtuigd worden, als men in populaire geschriften plaatsen als de
volgende aantreft: „Eene vrouw mag niet kiezen, en zelfs geen man; dit
verbiedt nu niet de kieswet, maar de maatschappelijke usance, de adat.”
(_Uilenspiegel_ van 18 Jan. 1872). Het Nederlandsch Woordenboek van van
Dale, dat zoowel _dessa_ als _prauw_ heeft opgenomen, zal dus in een
volgende uitgave voor _adat_ een plaatsje behooren in te ruimen.
Het is niet geheel overbodig te vragen, welk geslacht aan het woord
_adat_ moet worden toegekend. De talen van Insulinde, die geen
grammaticaal geslacht kennen, laten dit onbeslist. Maar sommige
Nederlandsche schrijvers gebruiken het woord als mannelijk, b. v.
„spoorwegen in de Oost—is er wel iets dat meer strijdt tegen den adat?”
(_Uilenspiegel_ van 14 Oct. 1871). Maar dat is stellig eene fout. In het
Arabisch is het woord vrouwelijk en wordt door den uitgang als zoodanig
gekenmerkt.
Hadji.
Over dit woord kan ik zeer kort zijn. Het duidt de personen aan die de
_hadj_ verrichten, d. i. de bedevaart naar Mekka, die door den Islam
van iederen geloovige, minstens eenmaal in zijn leven, gevorderd wordt,
wanneer hij in de gelegenheid is ze te volbrengen en het hem niet door
force majeure belet wordt. In zoo ver van den hoofdzetel van den Islam
verwijderde gewesten als ons Insulinde, is de massa der bevolking van
de gelegenheid tot het doen der bedevaart verstoken, ofschoon zij
toch jaarlijks door eenige duizenden, en vooral in de laatste jaren,
tengevolge der zooveel gemakkelijker en veiliger reisgelegenheden, in
sterk toenemend aantal volbracht wordt. De betrekkelijke zeldzaamheid
der hadj is oorzaak, dat in Ned.-Indië zij, die haar volbracht hebben,
levenslang den naam van Hadji als onderscheiding blijven voeren, en door
de bevolking met veel eerbied behandeld worden. Het sterk toenemend
aantal heeft echter het aanzien der hadji's doen tanen.
Moeson.
Moesons heeten bij ons de periodieke winden die tusschen de keerkringen
waaien. De spelling met dubbele _s_, in de Vries en te Winkel's
„Woordenlijst” en van Dale's „Nieuw Ned. Woordenboek” aangenomen,
verliest allen grond, zoodra men met die schrijvers _Pruisen_, _geesel_
en dergelijke schrijft. In het Fransch is die dubbele _s_ noodig, om
aan te duiden dat de _s_ scherp is en niet den klank van _z_ heeft; maar
als men den regel aanneemt in § 105 van te Winkel's „Grondbeginselen
der Ned. spelling” gesteld, moet men in onze taal _moeson_ schrijven.
Te meer is dit het geval, daar er niet de minste waarschijnlijkheid
bestaat, dat wij het woord uit het Fransch hebben ontvangen. Dat
sommigen zelfs _mousson_ spellen, moet alleen worden verklaard uit de
gewoonte van schier alle in taalquaesties minkundige Nederlanders, om
alle vreemde woorden voor Fransche te houden en als Fransche woorden te
schrijven.
Het woord _moeson_, op verschillende wijzen gespeld, is bij ons zeer
oud, en ongetwijfeld hebben wij het in Indië van de Portugeezen
geleerd, van wie het ook tot alle andere zeevarende natiën van Europa
is overgebracht. Het verdient daarbij opmerking, dat het bij de
Portugeesche schrijvers in twee hoofdvormen voorkomt, namelijk _mouçâo_
(_mousâo_) en _monçâo_, waarvan de eerste misschien de oudere, maar
de andere stellig de meer algemeene is. In het woordenboek van Moraes
Silva zijn beide vormen opgenomen. Bij de Barros, „da Asia”, vindt men
in de uitgave van 1553 nu eens _moucâo_, dan eens _monçâo_ (bij welk
laatste men echter wellicht aan een drukfout zou kunnen denken); maar
in de uitgave van 1628 vindt men reeds overal _monçâo_, dat de meer
gebruikelijke vorm in het Portugeesch was gebleven. Intusschen heeft de
oudere vorm _mouçâo_ het Fransche _mousson_, het Italiaansche _mussone_
en ons _moeson_ voortgebracht, terwijl daarentegen de vorm _monçâo_
wordt wedergevonden in het Spaansche _monzon_, het Engelsche _monsoon_
en het Duitsche _monsun_ of _monsuhn_. Ook zijn in het Fransch de vormen
_monson_ en _monçon_ niet geheel onbekend, en in van Linschoten's
„Itinerario” lees ik eveneens, bl. 24, van _monsoyns_.
Ik heb vroeger aan de mogelijkheid gedacht, dat de geheele vorm met _n_
uit drukfouten kon ontstaan zijn; maar toch scheen mij dat wat al te
avontuurlijk, zoodat ik die _n_ liever uit de zoo gewone inlassching
eener liquida (_n_ of _m_) tusschen een klinker en medeklinker[1] meende
te moeten verklaren, welke inlassching, zoo zij achter een langen
klinker of tweeklank plaats heeft, dien tevens noodwendig verkort,
zooals in _komfoor_ voor _chauffoir_, of in _planzier_, gelijk het
volk zegt voor _pleizier_. Later evenwel is het mij waarschijnlijker
voorgekomen, dat de beide vormen in den grond een verschillenden
oorsprong hebben, en dat de ééne door het Javaansch uit het Sanskriet,
de andere door het Maleisch uit het Arabisch tot ons is gekomen,
ofschoon tevens eene verwarring en vermenging van beide toevallig zoo
weinig van elkander verschillende woorden heeft plaats gegrepen.
[1] Ik zal daarover nader spreken bij het woord _amfioen_.
In het Javaansch heeten de periodieke winden _môngsô_, welk woord
eenvoudig de Javaansche uitspraak is van het Sanskrietsche _mângsa_,
tijd, verwant met _mâsa_, maand[2]. Eigenlijk beteekent dit môngsô dan
ook _tijd_, _getijde_, _tijdperk_, _seizoen_, en de Javanen zijn gewoon
het natuurlijke of zonnejaar, met het oog op de werkzaamheden van den
landbouw, in 12 môngsô's of tijdperken van ongelijken duur te verdeelen.
De 11e en 12e môngsô vormen met de vier eerste van het volgende jaar het
droge, de zes overige het natte jaargetijde, en deze grootere tijdperken
worden insgelijks môngsô's genoemd. Maar daar het verschil tusschen deze
tijdperken geheel van de periodieke winden afhankelijk is, wordt de naam
môngsô als van zelve ook op die winden toegepast.
[2] Masa komt ook in het Maleisch voor in den zin van _tijd_,
_tijdperk_, _seizoen_.
In het Maleisch dragen de periodieke winden den naam van _moesim_. Dit
woord is het Arabische _mausim_, maar de tweeklank _au_, dien de Maleier
niet goed kan uitspreken, is daarin, evenals in _moeloed_, _moelâ_ enz.,
met de vokaal _oe_ verwisseld. _Mausim_ beteekent in het Arabisch een
_bepaalden_ of _gezetten tijd_, en vandaar ook dikwijls een _feest_,
dat op een gezetten tijd van het jaar plaats heeft. Zie de voorbeelden
van dit gebruik des woords, aangehaald in Dozy's „Glossaire des mots
Espagnols et Portugais, dérivés de l'Arabe”, p. 317. Intusschen is
het klaar dat een woord dat _gezette tijden_ beteekent, evenzeer kon
worden toegepast op de jaarlijks tusschen de keerkringen regelmatig
terugkeerende tijden van droogte en vochtigheid, en daarmede gepaarde
meerdere warmte of koude, en zoo verkreeg ook _mausim_ de beteekenis
van _jaargetijde_ of _seizoen_. De Arabische zeevaarders gebruikten
_mausim_ meer bepaaldelijk voor het seizoen dat hun gunstig was om naar
Indië te varen, of, zooals wij ons uitdrukken, voor den westmoeson.
Zie b. v. Niebühr, „Reize naar Arabië”, D. I, bl. 421. Evenzoo is
ook bij de Maleiers de ware beteekenis van moesim _jaargetijde_, en
zij onderscheiden, gelijk de natuur van hun land met zich brengt, een
_moesim kĕring_ of _panas_, d. i. een droog of warm jaargetijde, en
een _moesim oedjan_ of _dingin_, een vochtig of koel jaargetijde. Doch
daar, zooals ik reeds opmerkte, in die gewesten de jaargetijden geheel
bepaald worden door de periodieke winden, die met verwonderlijke
regelmatigheid waaien, is het al zeer natuurlijk dat men den naam
_moesim_ (evenals de Javanen dien van _môngsô_) op de regelmatig
afwisselende ooste- en westewinden toepaste, zoodat men thans ook van
een _moesim barat_ of westmoeson en een _moesim timor_ of oostmoeson
spreekt.
De Portugeezen nu hebben, naar mijne meening, van _môngsô_ en _moesim_,
welke beide woorden zij met elkander verwarden, omdat zij, bij
toevallige overeenkomst in vorm, geheel dezelfde beteekenis hadden
erlangd, hun _monçâo_ of _mouçâo_ gemaakt. Ook bij hen beteekenen die
woorden nu eens _jaargetijde_ of _seizoen_, en dan eens de _periodieke
winden_, die in Indië de jaargetijden beheerschen. Zoo zegt b. v. de
Barros op de ééne plaats: „Estes taes tempos por serem geraes pera
navigar a certas partes, e nâo a outras, commummente os mareantes
nossos, conformando-se com os daquelle Oriente, chamam-lhe monçâo, que
quer dizer tempo pera navigar pera tal parte” [d. i. „Zoodanige tijden,
omdat zij voortdurend geschikt zijn om naar zekere streken te varen, en
niet naar andere, noemen onze zeelieden, in overeenstemming met die van
het Oosten, gewoonlijk _moeson_, hetgeen wil zeggen een tijd om te varen
naar deze of gene streek.”] Maar op andere plaatsen van denzelfden
schrijver heeft _monçâo_ geheel de beteekenis van den vasten wind
(_vento geral_) die gedurende dat jaargetijde waait. In de gewone
Portugeesche spreekwijze _fora da monçâo_ heerscht weer de eerste
beteekenis. Zij stemt letterlijk overeen met het Fransche _hors de
saison_.
Ook in de andere Europeesche talen, waarin dit woord uit het Portugeesch
is overgenomen, heeft het denzelfden dubbelen zin behouden. Zoo vinden
wij den eersten in de in Dozy's Glossaire aangehaalde plaats uit de
reizen van Thévenot: „Depuis ce temps plusieurs vaisseaux viennent à
Bassora, chargés de marchandises des Indes, et le temps ou _monson_,
comme ils l'appellent, auquel viennent les vaisseaux, est au mois de
juillet; et ils y demeurent jusqu'à la fin d'Octobre, passé lequel temps
ils ne pourraient plus sortir du fleuve, à cause des vents contraires;
et justement alors commence la monson pour passer aux Indes, qui dure
jusqu'au commencement de Mai.” En eveneens zegt Baldaeus, „Beschrijving
van Ceylon,” bl. 63: „Mousson is een gety ende zaizoen des jaars”,
ofschoon hij elders het woord ook van de periodieke winden gebruikt.
Maar bepaaldelijk in deze laatste beteekenis vinden wij het woord
reeds in van Linschoten's Itinerario, bl. 24, waar hij de _monsoyns_
omschrijft als: „winden die op haer tydt wayen.”
Bij ons hoort men tegenwoordig in den dagelijkschen omgang niet zelden
de uitdrukking, „het is er de rechte moeson niet voor,”—een bewijs dat
het woord ook in de volkstaal doordringt in den zin van „_de geschikte
tijd_.”
Soebatten.
Het is jammer dat Prof. Dozy zich omtrent den oorsprong van dit woord,
dat hij in de voorrede zijner „Oosterlingen” als van Arabische herkomst
vermeldt, niet nader verklaard heeft. Wij zouden dan wellicht meer
zekerheid hebben van die afkomst, die mij wel zeer waarschijnlijk
voorkomt, maar niet historisch kan bewezen worden. Maar het schijnt
hopeloos een Germaanschen oorsprong voor het woord te ontdekken, en daar
het toch den vorm heeft van een Nederlandsch werkwoord, ligt het voor
de hand het te vergelijken met die menigte verbaalvormen, die, door
toevoeging van de lettergreep _en_, al of niet door een verdubbeling
der sluitconsonant van de vorige lettergreep voorafgegaan, dagelijks
door de Europeanen in Indië van Javaansche en Maleische woorden gevormd
worden. Men denke aan _tombokken_ voor rijststampen, _tandakken_ voor op
Javaansche wijze dansen, _batikken_ voor op Javaansche wijze katoenen
stoffen verven, _amokken_ voor amok maken, _patjollen_ voor met de
patjol bewerken, _pikelen_ voor op de schouders dragen, _pikeren_ voor
denken, en ontelbare andere. Zoo er in het Maleisch of Javaansch een
woord mocht gevonden worden dat op _soebat_ gelijkt, kan daarvan, als de
beteekenis voegt, zonder twijfel het werkwoord _soebatten_ gevormd zijn.
Zulk een woord bestaat nu inderdaad, maar het is een woord dat, schoon
in de genoemde talen zeer gebruikelijk, aan het Arabisch is ontleend.
Het is het woord _tsohbat_, dat, in het Maleisch overgegaan, als
_sohbat_, en in het laag Maleisch geheel als _sobat_ wordt uitgesproken,
waarvan _soebat_ slechts een geringe wijziging is. _Sobat_ beteekent
eigenlijk _vriendschap_, maar wordt, door een in de Maleische taal zeer
begrijpelijken overgang, ook in den zin van _vriend_ gebezigd. Daar de
Maleiers, wanneer zij iets te verzoeken hebben, veelal zeer mild zijn
met vleiende vriendschapsbetuigingen, en daarbij, vooral in den aanvang
hunner brieven, menigvuldig van het woord _sobat_ gebruik maken, vormden
de Europeanen daarvan het werkwoord _sobatten_ of _soebatten_, met de
beteekenis van _steeds het woord sobat in den mond hebben_, en vandaar,
zooals van Dale het verklaart, _vleiend vragen_, _aanhouden om iets door
vleiende woorden gedaan te krijgen_. Van _soebatten_ of _sobatten_,
heeft men dan verder _soebatter_, _soebatster_ en _soebattery_
afgeleid. Het gebruik in Indië is duidelijk uit het volgende, aan het
_Soerabajasch Handelsblad_ van 23 Aug. 1871 ontleende voorbeeld: „De
hoofddjaksa is in zijne plaats tot ronggo benoemd, welke keuze men
algemeen gunstig acht, daar deze ambtenaar bij de bevolking niet erg
getapt is, waarvan men voor de politie meer goeds verwacht, dan van die
_sobattery_ tusschen hoofden en geregeerden.”
In Nederland behoort het woord _soebatten_ met zijne derivata schier
uitsluitend tot de volkstaal. Behalve bij die _would-be_ komische
schrijvers, die geestigheid in platheid zoeken, zal men het in gedrukte
schriften zelden aantreffen. Prof. de Vries wees mij een voorbeeld in de
„volgeestige werken” van S. van Rusting (Amst. 1712), waarin op bl. 97
de volgende woorden voorkomen:
„Daar stond hij nu gelijk een aap,
„Die zoebat.”
Kras.
De vrij talrijke woorden die in onze taal uit het Maleisch stammen, zijn
deels namen van voorwerpen van natuurlijke historie, die in de Maleische
landen te huis behooren, of handelswaren die vandaar worden uitgevoerd,
deels woorden die betrekking hebben op het leven der Maleische
bevolkingen, b. v. hunne woningen, kleeding, gebruiken en instellingen,
vooral ook hunne scheepvaart; maar niet weinige ook zijn uitdrukkingen
uit het dagelijksch leven, die, door matrozen of militairen
overgebracht, zijn ingedrongen in de volkstaal en doorgaans in het
geheel niet, of slechts in komische en satirieke geschriften, ingang
hebben gekregen tot de schrijftaal. Deze laatste worden dikwijls
miskend. Daar onze Germanisten zich niet veel met het Maleisch en
verwante talen inlaten, denken zij er zelden aan daarin den oorsprong
te zoeken van volksuitdrukkingen, waarvoor zij met veel moeite eene
verklaring uit den Germaanschen taalschat trachten op te sporen,
terwijl eene verklaring uit het Maleisch voor de hand ligt.
Een der meest gebruikelijke van die woorden is _kras_ in de beteekenis
van _sterk_, _flink_, _krachtig_. Is men geheel vreemdeling in het
Maleisch, dan is men natuurlijk geneigd daarbij aan het Latijnsche
_crassus_, dik, stevig, te denken, of met Franck, „Etymologisch
Woordenboek der Ned. taal”, aan het Fransche _crasse_, een slechts in
dezen vrouwelijken vorm gebruikelijk adjectief, dat geheel aan _crassus_
beantwoordt. Het Maleische _kras_ (eig. _kĕras_, in welk woord
evenwel, gelijk in honderden andere, de toonlooze ĕ-klank tusschen
de zich gemakkelijk vereenigende consonanten _k_ en _r_ in de uitspraak
doorgaans verloren gaat), komt echter in beteekenis en gebruik veel meer
met het Nederlandsche kras overeen, zoozeer zelfs, dat het volstrekt
overbodige moeite schijnt naar een anderen oorsprong te zoeken. Men zie
slechts het Maleisch Woordenb. van Pijnappel, waar de beteekenissen dus
worden opgegeven: „hard, stijf, onbuigzaam; stevig, vast; sterk, ook
zooals wij _kras_ gebruiken, b.v. _tjoekei di bĕnoewa Tjina itoe
terlaloe kras_”, d. i. de tollen zijn in het Chineesche rijk heel kras.
Uitdrukkingen als een _krasse_ kerel, een _kras_ wijf, of „dat is wat
_kras_, Keesje”, zooals Hildebrand in de „Camera obscura” tot het
diaconiehuismannetje zegt, komen geheel met het Maleisch gebruik van
_kras_ overeen.
Daarbij bedenke men dat _kras_ in dezen zin in geen andere Germaansche
taal voorkomt, dat het geen oud woord schijnt te zijn (het ontbreekt o.
a. bij Kiliaan), en dat het, in overeenstemming met hetgeen boven over
woorden van Maleischen oorsprong werd opgemerkt, in deftigen stijl niet
gebruikelijk is. Het Javaansch heeft hetzelfde woord en in dezelfde
beteekenis.
Amper.
Evenals over _kras_ denk ik over het bijwoord _amper_, thans gewoonlijk
bij ons gebruikt in den zin van _nauwlijks_, _ternauwernood_. Ofschoon
mij bekend is, dat prof. de Vries, onze groote taalkenner, na gezette
overweging een ander gevoelen is toegedaan, schijnt mij toch zooveel
voor de herkomst van dit woord uit het Maleisch te pleiten, dat het mij
wenschelijk voorkomt mijne gronden aan de toetsing mijner lezers te
onderwerpen.
Het Maleische woord dat ik op het oog heb, is _hampir_ of _ampir_,
waarvan de beste woordenboeken dier taal de beteekenissen dus opgeven:
_nabij_, _dichtbij_, _naast_, _bijna_, of als werkw. _nabijkomen_,
_naderen_. Het woord schijnt het eerst, en geheel in de oorspronkelijke
beteekenis, naar de Kaap de Goede Hoop te zijn overgebracht, hetzij door
de matrozen in dienst der Compagnie, die de Kaap als ververschingsplaats
bezochten, hetzij door de Maleiers, als kolonisten, die op last der
Compagnie naar Afrika werden overgebracht om er den bodem te helpen
ontginnen. Die Maleiers, die nog eene vrij talrijke en de meest geachte
klasse onder de gekleurde rassen in de Kaapkolonie vormen, hebben,
ofschoon zij meerendeels aan den Islam zijn getrouw gebleven, de
Hollandsche taal en vele Hollandsche gebruiken aangenomen. Hunne taal is
ongeveer als die der Hollandsche boeren van Zuid-Afrika. Onze reiziger
in Oost-Afrika, de heer Hendrik P. N. Muller, ontmoette er eenige in de
Nederlandsche faktorie te Zanzibar, die voornemens waren de bedevaart
naar de Kaʾba te verrichten. Toen zij hem met zijn gezelschap Hollandsch
hoorden spreken, toonden zij zich geneigd tot een praatje en verzekerden
hem: „ons is slamsche menschen; ons wil na Mekka, maar ons hèt geen
geld nie.” (Zie zijn „Bezoek aan de Delagoa-baai en de Lydenburgsche
goudvelden,” in _Eigen Haard_ voor 1887[3].) De wegen waarlangs
Maleische woorden naar Zuid-Afrika konden komen, zijn ons dus goed
bekend, en het behoeft ons niet te bevreemden in de taal der Boeren
Maleische woorden, zooals _banjak_ (veel), _tjambok_ (zweep of karwats)
en andere, aan te treffen. Van _amper_, en wel uitdrukkelijk in de
beteekenis van _bijna_, zijn de volgende voorbeelden aan de Afrikaander
literatuur ontleend: „Van Engels en Frans, wat een mensch dit zou
verwag, krij jij _amper_ gen woorden in ons taal nie.” (Th. Tromp,
Herinneringen uit Zuid-Afrika, bl. 173). „Hulle kan _amper_ net so
vinnig loop a's een pert.” (Tijdschr. v. h. Aardr. Gen., D. V, bl. 181).
[3] De geschiedenis der Maleische kolonie aan de Kaap, die
oorspronkelijk uit slaven en ballingen schijnt bestaan te hebben,
is zeer merkwaardig en verdiende wel eens een opzettelijk
onderzoek. Men vindt daarover een en ander in Wilmot's History of
the Cape colony (Capetown, 1869), p. 116, en Noble's Descriptive
Handbook of the Cape colony (Capetown, 1875), p. 44.
Naar Europa overgebracht, schijnt het woord zijn beteekenis allengs
eenigszins gewijzigd te hebben, ofschoon het aan sporen van de
oorspronkelijke beteekenis _bijna_ niet geheel ontbreekt. Nog zeer
onlangs hoorde ik eene dame het woord in dien zin bezigen, en daar dit
mijne aandacht trok, vroeg ik haar wat zij er mede bedoelde, waarop zij
onmiddellijk _bijna_ ten antwoord gaf. Van Dale geeft in zijn Ned.
Woordenboek zoowel _bijna_ als _nauwelijks_ op en Heremans in zijn
Ned.-Fr. Woordenboek onderscheidt uitdrukkelijk twee beteekenissen: 1o.
_nauwelijks_, à peine; 2o. _bijna_, presque. Ik merk hierbij op, dat
Heremans als Vlaming en van Dale als bewoner van Staatsvlaanderen ook
voor het Zuid-Nederlandsch goede autoriteiten zijn.
De overgang der beteekenis van _bijna_ tot _nauwelijks_, is zeker
niet van dien aard, dat zij ernstigen twijfel aan de juistheid mijner
verklaring kan wekken. Er bestaat ongetwijfeld verschil, maar hoe de
eene soms schier onmerkbaar in de andere overgaat, blijkt b. v. uit eene
phrase als _ampir siang_, „even voor den dageraad”, die ons „als 't
amper dag is” al zeer nabij komt. De bezwaren van prof. de Vries tegen
mijne verklaring betreffen dan ook minder deze wijziging van beteekenis,
als het menigvuldig gebruik dat van _amper_ en _amperkens_ overal in
Zuid-Nederland gemaakt wordt. Dat algemeen gebruik in België acht hij
met een Maleischen oorsprong moeilijk vereenigbaar en brengt hem tot
de meening dat _amper_ op Nederlandschen bodem ontstaan is. Hoe hij
zich het ontstaan voorstelt, zal men weldra kunnen lezen in de nieuwe
aflevering van het groote Woordenboek der Nederlandsche taal, die thans
op de pers is.
Ik ontveins niet dat ook mij het algemeen gebruik van _amper_ in
Zuid-Nederland, als het werkelijk Maleisch is, zeer bevreemdt;
maar veroorloof mij toch nog eene kleine opmerking, die de waarde
der tegenwerping wel eenigszins vermindert. In het „Dictionarium
Teutonico-Latinum”, van Kiliaan, waarvan de eerste uitgave in 1574 te
Antwerpen verscheen, komt _amper_ als bijwoord, hetzij in den zin van
_bijna_ of van _nauwelijks_, nog niet voor. Mag men hieruit niet
opmaken, dat het gebruik van dit woord in België niet oud is, en in
verband daarmede de gissing wagen, dat het door Antwerpsche of andere
Vlaamsche matrozen, die aan de eerste tochten der Nederlanders naar
Oost-Indië hebben deelgenomen, daar het eerst is in zwang gebracht?
Bakkeleien.
Bekend, ook door van Dale en Franck opgenomen, en door laatstgenoemde
als Maleisch erkend woord uit de volkstaal, dat _vechten_, _plukharen_
beteekent. Voorbeelden uit onze schrijvers, zal men echter vermoedelijk
niet kunnen bijbrengen, tenzij men ze mocht vinden in eene of andere
klucht of blijspel, of bij komische schrijvers en rijmelaars als
Focquenbroch, Rusting en dergelijke. Aan den oorsprong van het woord
uit het Maleisch kan niet getwijfeld worden en men mag dus ook stellig
aannemen, dat het door Janmaat onder het volk is gebracht. Het is het
Maleische _berkĕlahi_, dat in het laag-Maleisch, met assimilatie van
de _r_ aan de volgende letter, _bekkĕlahi_ wordt uitgesproken. De
beteekenis is in Maleisch en Hollandsch geheel dezelfde.
Fezikken.
_Fezikken_ schrijf ik met Weiland, en niet _feziken_, zooals de Vries en
te Winkel en ook van Dale hebben, omdat het woord mij gevormd schijnt
naar de analogie van _amokken_, _batikken_, _tandakken_, en dergelijke.
Ik houd namelijk fezikken voor eene gewijzigde uitspraak van _bisikken_,
dat men in Indië zal gevormd hebben van het Maleische _bisik_, in
't Javaansch ook _wisik_, een zeer gewoon woord, dat _fluisteren_,
_stilletjes_ of _heimelijk praten_ beteekent, en waarvan ook vooral de
geredupliceerde vorm _bisik-bisik_ in gebruik is. De beteekenis van
fezikken is geheel dezelfde. Ik kan van Dale niet toegeven dat dit woord
verouderd is, want ik heb het, vooral te Dordrecht, dikwijls hooren
gebruiken, ook in het afgeleide _gefezik_. Ik kan er echter vrede mede
hebben, als dat „verouderd” alleen slaat op de schrijftaal. Trouwens
daarin is fezikken zeker, evenals andere dergelijke woorden uit de
volkstaal, altijd zeer zeldzaam geweest. Weiland haalt echter een
voorbeeld aan van Westerbaen: „ick sat... te fesikken van u.”
Dr. Franck heeft in zijn Etymologisch Woordenboek eene afleiding
uit het Germaansch beproefd, namelijk als verbaal afleidsel met
iteratief-diminutive beteekenis van het oude _fezen_ of _vezen_ (met
vergelijking, wat den vorm betreft, van _hinniken_ en _ginniken_
of _grinniken_). Dat zijne afleiding mogelijk is, geef ik toe; daar
echter het woord fezikken in het oud-Nederlandsch niet voorkomt,
waag ik het ook de mijne, die stellig eenvoudiger is, daarnevens te
stellen. Misschien ben ik geneigd den invloed van het Maleisch op het
Nederlandsch te overdrijven; maar dit is een natuurlijk gevolg daarvan,
dat die gewoonlijk schier geheel wordt voorbijgezien. Om duidelijk
te bewijzen hoe verkeerd men daarin handelt, laat ik thans een woord
volgen, waarvan de oorsprong uit het Maleisch volstrekt onbetwistbaar
is.
Pitsjaren.
_Pitsjaren_ is thans bij ons alleen gebruikelijk als zeewoord en
beteekent _door middel van een sein aan boord roepen_. Het wordt ook wel
gebruikt wanneer de bevelhebber van een schip het afwezige scheepsvolk
door zulk een sein terugroept; maar oorspronkelijk schijnt het slechts
gebezigd te zijn van een vlootvoogd, die de bevelhebbers der schepen van
zijn eskader bij zich aan boord laat komen, om zich met hen te beraden.
De vlag die daarvoor dient, heet de pitsjaar-vlag.
Van Dale vergelijkt het Eng. _pitch-yard_, maar verzuimt ons te zeggen
wat dit woord beteekent. Ik heb het tevergeefs gezocht, maar indien
het werkelijk onder de zeelieden in gebruik is, schijnt het mij een
verbastering van _pitsjaar_, zoodat het door dit laatste moet worden
opgehelderd, en niet omgekeerd.
_Pitsjaar_ nu is stellig niets anders dan het Maleische _bitjára_ (door
sommigen _bitsjára_ uitgesproken), dat, zelf uit het Sanskriet stammend,
_overlegging_, _raadpleging_, _raad_, _raadsvergadering_ beteekent.
Wanneer de admiraal met de kapiteins een raad, een bitjara, wilde
houden, seinde hij met de _pitsjaar_, d. i. de bitjara-vlag. Door
misverstand heeft men later dit pitsjaren in den zin van _seinen om aan
boord te komen_ opgevat.
Dat pitsjaren werkelijk moet verklaard worden zooals ik hier heb
voorgesteld, blijkt uit het gebruik van dat woord in oude Indische
stukken. Een duidelijk voorbeeld is het volgende uit een brief van den
Gouverneur-Generaal aan Pieter Fransen te Bantam, dd. 17 April 1630,
bij de Jonge, „Opkomst van het Ned. gezag in O.-Indië”, D. V, bl.
187: „Sult den Tommogon bij eene goede gelegentheyt voorhouden en te
verstaen geven, dat het goed waare syn E. met ons daarover eerst hadde
gepitschaert.” Zoo ook leest men in een rapport van Couper, dd. 25 Maart
1677 (Ald. D. VII, bl. 103): „waerover seyden eerst te moeten
_pitsjaren_.”
Men heeft van _pitsjaren_ ook een naamwoord, _pitsjaring_ gemaakt. Zoo
bij de Jonge, D. V, bl. 105: „Off dit een Gabangsche _pitsjaringh_ sy
sal ons den tyt leeren”, en D. VI, bl. 32: „dat onder ons geen gebruick
was, bij de eerste bejegeninge van eenige _pitsiaringen_ te spreecken.”
Pidjetten.
Van het Maleische en Javaansche _pidjet_, en dus minder juist dikwijls
_pitjitten_ geschreven. Door dit woord worden zekere manipulatiën in de
inlandsche geneeskunde aangeduid, bestaande in wrijvingen en drukkingen
met de volle hand en zachte knepen met duim en vinger. Strikt genomen is
_pidjet_ de speciale naam voor het knijpen, terwijl het wrijven _oeroet_
heet; doch dit laatste woord is minder bekend, terwijl _pidjetten_, zoo
gebruikt dat het beide omvat, een woord is dat door de Europeanen in
Indië dagelijks gebezigd en ook in Nederland niet zelden gehoord wordt.
Dr. van der Burg zegt van het _pidjetten_ in zijn klassiek werk „de
Geneesheer in Indië”, D. I, bl. 249: „Dat systematisch knijpen en
wrijven nuttig kunnen zijn, ook bij abnormale toestanden van het
lichaam, is bekend, en dat beide als aangename prikkels reeds bij
de volkeren der oudheid in zwang waren, behoeft niet herinnerd te
worden. Zeer zeker zijn die bewerkingen hoogst aangenaam bij groote
spiervermoeidheid, en hoewel somtijds zeer pijnlijk onder de operatie,
is het effect er van uitstekend. Nadeelen van de behandeling zijn alleen
waarneembaar bij menschen, die er om zoo te zeggen misbruik van maken
en er zoo door verwend zijn, dat zij er niet meer buiten kunnen, en b.
v. niet kunnen slapen zonder geknepen en gewreven te worden. Men zou de
gewoonte bijna onder de middelen tot genot kunnen brengen.” Verg. ook
wat ik over het _pidjetten_ en de _pidjetsters_ van beroep gezegd heb in
mijn „Java”, D. I, bl. 487.
De methode om voor zekere kwalen en lichaamsgebreken het knijpen en
wrijven als geneesmiddelen aan te wenden, is in ons land in groot
aanzien gekomen door de voortreffelijke resultaten, daarmede verkregen
door onzen beroemden Metzger. Men hoort echter op zijne manipulatiën
nooit den naam van _pidjetten_ toepassen, en zij schijnen inderdaad
van die der Javaansche pidjetsters (het vak wordt meest door vrouwen
uitgeoefend) nogal te verschillen. Dr. Metzger waakt tegen het misbruik
door het te doen op eene wijze waarbij van „wellustig genieten” zelden
sprake is. Ik heb nooit een zijner patiënten zijne behandeling onder de
middelen tot genot hooren noemen.
Punch, Pons.
Het woord punch, in de schrijftaal veelal onveranderd behouden, in de
omgangstaal tot _pons_ verbasterd, hebben wij uit het Engelsch, maar het
is in deze taal zelve weder afkomstig uit Indië. Het is namelijk het
Indische en Perzische _pandja_ of _pendja_, vijf (het Gr. _pente_), zoo
bekend door den eigennaam _Pendjâb_ of _Pundsjâb_, het land der vijf
rivieren, in Hindostan. In het Oosten bestaat de drank, die bij de
Engelschen onder den naam van _punch_ populair is geworden, uit vijf
bestanddeelen; hij schijnt in Perzië volledig _pandja noesj_ (de
_vijfdrank_) te heeten (zie Vullers, Lex. Persicum, I, p. 376), maar tot
enkel _pandja_ te zijn afgekort. De vijf bestanddeelen waren, zoo men
meent, oorspronkelijk: brandewijn (rum of arak), thee, citroen, suiker
en kaneel. Het laatste wordt thans gewoonlijk weggelaten, meestal ook de
thee. Zie Littré, „Dictionnaire de la langue française”, in v. „Punch”.
Maar als men de laatste behoudt en het bijgevoegde water als vijfde
bestanddeel aanmerkt, blijft de oude naam gewettigd. De verschillende
praeparaten, die onder den naam van siroop van punch in den handel
komen, zijn wat de zuiverheid betreft zeker niet altijd te vertrouwen.
Den overgang tot _pons_ vormt het Fransche _ponche_, dat o. a. voorkomt
in het volgende door Littré aangehaalde voorbeeld: „il nous fit servir
(le capitaine hollandais) de la bierre, du vin de Madère, de la _ponche_
et du pain d'épices.” Labat, „Voyage aux Antilles”, VIII, p. 361.
_Punch_ is thans in het Fr. mannelijk, in onze taal vrouwelijk; maar uit
het aangehaalde voorbeeld blijkt, dat _ponche_ in het Fransch ook als
vrouwelijk werd gebruikt.
Tank.
Dit woord komt zeer dikwijls en, als algemeen bekend, doorgaans zonder
eenige verklaring, voor bij onze schrijvers over de bezittingen der
Compagnie in Hindostan en op Ceilon. Men zie b. v. Baldaeus, „Afgoderije
der Heidenen”, blz. 24, 30, 48; „Begin en Voortgang”, D. II, no. 17, bl.
10; Valentijn, V, 2, „Ceilon”, bl. 240; Canter Visscher, „Mallabaarsche
brieven”, bl. 151; Stavorinus, „Reize naar Batavia”, bl. 240. Men vindt
echter uitvoerige beschrijvingen van de tanken bij Valentijn, V, 1,
„Coromandel”, bl. 172, en bij Stavorinus, a. w., bl. 83 v. Verg. ook
Stocqueler, „Oriental interpreter”, in v. _Tank_. Het blijkt uit die
plaatsen dat de tanken groote kunstmatige vijvers of waterbakken zijn,
voor badplaatsen ingericht. Het woord is Hindostani. Een andere, minder
gebruikelijke naam der tanken in Hindostan is Tullao. Zie Stocqueler in
v.
Sedert wij onze bezittingen in Hindostan verloren hebben, is het
woord _tank_ bij ons in vergetelheid geraakt; maar, vermoedelijk door
Engelschen invloed, wordt het thans weder gebruikt om de groote ijzeren
reservoirs op de petroleum-schepen aan te duiden.
Sits.
_Sits_ werd vroeger en juister _chits_ geschreven, de eerste letter toch
van het oorspronkelijke woord is de _tja_ of _tsja_ der Hindostansche,
Perzische, Javaansche en Maleische alfabets, die in vele Europeesche
talen door _ch_ wordt vervangen. Daarom heet ook het sits in het Fransch
_chite_, in het Eng. _chintz_ of _chints_. Vroeger was bij ons ook
dezelfde transscriptie in zwang, zooals blijkt uit den bekenden naam
Cheribon. _Chits_ komt nog voor in Canneman's „Dissertatio de Batavorum
Mercatura Levantica”, p. 20, waar wij lezen: „Per Caravanas Halebum
etiam mittebantur species [pannorum] levigatae Persicae ex Ispahan et
Tebriz, quae Malaico nomine _tchit_, vulgo _chits_, vocantur.” Hier is
de Maleische naam, die echter ook wel _tjita_ (Jav. _tjitô_) luidt,
correct opgegeven, maar uit het bijgevoegde bericht blijkt, dat het niet
noodig is aan te nemen, dat wij dien naam het eerst van de Maleiers
ontvangen hebben. De gebloemde katoenen stof, die wij _sits_ noemen,
werd oorspronkelijk in Hindostan geweven en geverfd of gedrukt, en niet
enkel over den Indischen Archipel, maar ook over Perzië en de Levant tot
ons gebracht; en ook de Perzische naam luidde _tsjit_ of _tjit_. Dat
behalve het echte Indische sits of Indienne vele Europeesche namaaksels
onder denzelfden naam in den handel komen, is bekend.
Palankijn.
Ieder, die niet geheel vreemdeling is in de Nederlandsche letterkunde,
kent ook de „Reize in een palanquin” van Jakob Haafner (Amst. 1808), den
laatsten schrijver van wien wij berichten hebben over de bezittingen
der Compagnie in Hindostan en Ceilon, die sedert aan Engeland zijn
afgestaan. _Palanquin_ is de Portugeesche vorm van het woord, dat wij
thans _Palankijn_ schrijven, en dat in de verschillende talen en
dialekten van Hindostan in de vormen pallangka, palankin en palki
voorkomt, die allen (door verwisseling der liquidae _l_ en _r_)
afstammen van het Sankrietsche _Paryanka_, rustbed. Het woord is ook
in het Javaansch en Maleisch overgegaan in de vormen _palangki_ en
_plangki_.
De Indische draagstoel, toegerust met een verhemelte en gordijnen, en
geheel anders ingericht dan de Europeesche, behield natuurlijk den
oorspronkelijken naam, toen hij door de Europeanen van de inlanders werd
overgenomen.
Rigel.
Prof. Dozy heeft in zijne „Oosterlingen” een artikel gewijd aan de ster
_Aldebaran_, ook aan niet-astronomen bekend door de regels in Beets'
„Guy de Vlaming”:
„En wat er in uw aadren gloeide,
„En wat er in uw oogen blonk
„Zal, opgegaan tot hooger sfeeren,
„Mijn Aldebarans gloed vermeeren
„Of Mixars helle schittervonk”.
Maar gelijke aanspraak had zeker de eveneens Arabische naam _Rigel_, die
de ster aanduidt in den voet van het sterrenbeeld „Orion”, en waarvan
Nieuwland in zijne beroemde ode „Orion” aldus zingt:
„'k Zie Betelgeuze's rooden gloed
„Uw schouder, naast Bellatrix, sieren
„En Rigel flonk'ren op uw voet”.
Rigel is het Arab. _ridjl_, d. i. _voet_, en als naam van de ster in den
Orion afkorting van _ridjloeʾl-djabbâr_, de voet van den reus. Door
_al-djabbâr_, de reus, wordt het sterrenbeeld Orion aangeduid.
Elixir.
Dit woord is behandeld in Dozy's „Oosterlingen”; maar hij verkeerde
destijds nog in onzekerheid omtrent den oorsprong van het woord,
waarvan hij alleen zegt: „het zou mij niet verwonderen als er een door
de Arabieren veranderd Grieksch woord, waarvan de eerste of tweede
letter een x is, onder schuilde”. De juistheid dier gissing was reeds
aangewezen toen zij werd bekend gemaakt, namelijk door Fleischer, die in
zijn werkje _de Glossis Habichtianis_, p. 70, _elixir_ verklaarde als
ontstaan uit het Arab. lidwoord en het Grieksche _xèron_, dat eigenlijk
een _droog geneesmiddel_ aanduidt, maar door misverstand eene ruimere
beteekenis kreeg. Ik merk in het voorbijgaan op, dat ook dit woord eene
bijdrage levert tot de oplossing van het thans weder opgerakelde geschil
over de uitspraak der Grieksche letter èta, die velen thans evenals in
het Nieuw Grieksch als _i_ willen uitspreken. Als ik mij niet bedrieg
pleiten alle oude transcripties van Grieksche woorden met èta in het
Syrisch en Arabisch voor het _itacisme_. Eene objectie door Zotenberg
tegen de verklaring van elixir uit het Gr. _xèron_ opgeworpen, namelijk
dat de Grieksche _x_ in het Arabisch _sk_ en niet _ks_ wordt, is te niet
gedaan door Defrémery in het _Journal Asiatique_ van Augustus 1867, door
te wijzen op het Arabische abraksis, als transscriptie van het Gr.
praxis.
_Elixir_ is dus uit het Arabisch tot ons gekomen. Het was in die taal
een term der Alchimisten, om den _steen der wijzen_ aan te duiden, de
substantie waardoor men onedele metalen in goud kon veranderen, en
die tevens een middel was waardoor men alle kwalen kon genezen en het
lichaam versterken en verjongen. Doch toen de alchimistische droomerijen
haar krediet verloren, bleef het woord elixir in zwang om oplossingen
van verschillende zelfstandigheden in alkohol of alkoholische tincturen
aan te duiden, of in het algemeen elk geneesmiddel, dat druppelsgewijze
wordt toegediend. Men denke b. v. aan het maag-elixir, dat vaak bij
jenever en curaçao gevoegd wordt.
Tarra.
Men schrijft thans gewoonlijk _tarra_, en het is ook alleen in dien vorm
dat het woord voorkomt in de Woordenlijst van de Vries en te Winkel.
Weiland behandelt het op _tara_, den gewonen vorm van het woord in het
Italiaansch, Spaansch en Portugeesch. In den vorm _tare_ vindt men het
ook in het Fransch en Engelsch. Wij hebben het woord, als zoovele andere
in de handelstaal, waarschijnlijk van de Italianen ontvangen. Het
beteekent, gelijk men weet, het verschil tusschen bruto en netto gewicht
of maat, met andere woorden wat voor emballage moet worden afgetrokken.
De oorsprong van dit woord was aan Prof. Dozy nog onbekend, toen hij
zijne „Oosterlingen” schreef. Hij zegt in de Voorrede: „het woord
_tara_ of _tarra_ kan Arabisch zijn, maar het is mij nog niet gebleken,
dat de Arabieren het in dien zin gebruikten.” Maar in het twee jaren
later verschenen „Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérivés de
l'Arabe” heeft alle twijfel omtrent den Arabischen oorsprong opgehouden.
Het Arabische woord is _tarha_, van den wortel _taraha_, die de
beteekenis heeft van _verwerpen_, en tarha is dus het deel der koopwaren
dat men verwerpt, niet mederekent, bij de prijsberekening aftrekt, te
weten de balen, kisten, vaten enz. waarin de goederen gepakt zijn.
Er bestaat in het Arabisch nog een synoniem woord _merma_, dat ook in
het Spaansch is overgegaan. Ook dit _merma_ beteekent letterlijk het
_verworpene_ en bevestigt de juistheid der verklaring van _tarra_. De
beide woorden helderen elkander op, zooals door Dozy in het Glossaire,
p. 313, wordt in het licht gesteld.
Alkatief.
Baldaeus, „Beschrijving van Malabar en Choromandel”, bl. 183, van de
levenswijze der Europeanen in die gewesten sprekende, zegt: „Zelden
slaapt men op bedden, maar op alcativen of matrassen.” Het woord
_alcatief_ is het Spaansch-Portugeesche _alcatifa_, _alquetifa_, dat
denkelijk in Baldaeus' tijd ook onder de Nederlanders in Indië zoozeer
bekend was, dat hij het zonder verklaring kon gebruiken. Het is dus
weder een woord dat wij in Indië van de Portugeezen overnamen, maar de
oorsprong is kennelijk Arabisch. Engelmann, de eerste bewerker van het
zoo vaak op naam van Prof. Dozy aangehaalde, en inderdaad door dezen
geheel omgewerkte en met de belangrijkste artikelen vermeerderde
„Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérivés de l'Arabe,”
verklaart het door het Arab. _al-qatîfa_, tapis, couverture, en verwijst
naar eene noot van Dozy in zijn „Dictionnaire détaillé des noms des
vêtements chez les Arabes,” p. 232. In de bedoelde noot wordt eene
plaats aangehaald uit Marmol's „Descripcion de Africa,” die eene
volledige verklaring geeft van de woorden van Baldaeus en dus luidt: „De
gewone bedden der aanzienlijken bestaan uit die harige alcatifa's, die
ons uit Africa worden aangebracht. Deze worden onderscheiden malen
dubbel gevouwen, terwijl een lange omslag dient om het lijf van boven
te bedekken.”
Nog heden is het woord _alkatief_ in Ned.-Indië in gebruik,
hoofdzakelijk in de beteekenis van een tapijt of vloerkleed, die het
ook in het Arabisch bezit, zooals mede door Dozy in zijn „Dictionnaire
détaillé”, t. a. p. is aangetoond. Weitzel, „Batavia”, bl. 113: „Onder
de tafels vindt men nog wel eens een sierlijk karpet, en vóór de
canapé's vaak zeer schoone alkatieven of vloerkleedjes.”
Prof. de Goeje heeft mij medegedeeld, dat hem toevallig bij de inzage
van oude rekeningen gebleken is, dat nog in het begin dezer eeuw
alkatieven als handelsartikel werden vermeld.
Fellah.
Dit woord is thans in meest alle Europeesche talen, ook in de onze,
algemeen in gebruik om de Egyptische landbouwers aan te duiden. Ieder
kent den roman van den heer About, „Ahmed le fellah”. In de aankondiging
van Lady Gordon's „Letters on Egypt”, in _de Gids_ voor 1866, D. II, bl.
597 vv., wordt _fellah_ telkens als een algemeen bekend woord gebruikt.
Het woord is Arabisch en luidt in die taal _fallâh_. Het beteekent in
het algemeen _landbouwer_, maar voor zoover het in de talen van het
Westen is opgenomen, duidt het altijd in het bijzonder de Egyptische
landbouwers van Arabische afkomst en Moslemsche geloofsbelijdenis aan.
Een Christen is nooit een fellah.
Boernoes.
_Boernoe_ of _boernoes_ is, volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”: „een
Arabische mantel van witte wollen stof met een kap, zooals de Mooren in
Noord-Afrika dien dragen”, en voorts ook: „een soort van nieuwerwetschen
vrouwenmantel van soortgelijke snede”. Hierbij verdient alleen te worden
opgemerkt, dat de _boernoes_ noch uitsluitend wit, noch uitsluitend van
wol is, noch uitsluitend door de Mooren gedragen wordt. _Boernoes_ is
het Arabische _bornos_ of _boernoes_, waarover wij een uitmuntend
artikel vinden in Dozy's „Dictionnaire détaillé des noms des vêtements”,
p. 73, waaruit blijkt, dat ook zwarte, blauwe en groene mantels van deze
soort voorkomen, en dat ze ook wel van katoen en zijde worden geweven.
Maar die van witte wol zijn ongetwijfeld de meest gebruikelijke. De
_boernoes_ werd ook gedragen door de Mooren in Spanje, door de ridders
van Malta en door de Mamelukken in Egypte; maar Prof. Dozy maakt uit het
stilzwijgen der schrijvers over het hedendaagsche Egypte op, dat hij
daar niet meer in gebruik is. Hiertegen pleit echter 1o. dat volgens
Lane's „Modern Egyptians”, 5th. edit., p. 311, _burnooses_ or _white
woollen cloaks_ behooren tot de artikelen die uit het Westen van Afrika
in Egypte worden ingevoerd, en 2o. dat de _boernoes_ voor eenige jaren,
in Nederland althans, vooral bekend geworden is door degenen die dit
kleedingstuk, op de overlandreis uit Indië naar het Moederland, uit
Egypte medebrachten. Dat evenwel _boernoes_ een modenaam ook voor een
nieuwerwetschen vrouwenmantel met kap is geworden, zal wel aan de
Franschen zijn toe te schrijven, die dit kleedingstuk in Algerië leerden
kennen. En vandaar dan ook dat men somtijds, naar Fransche schrijfwijze,
_bournous_ leest, b. v. bij Cremer, „Anna Rooze”, II, bl. 219: „een
juffrouw met donkere, blinkende oogen en een rooden _bournous_.”
Dit woord, dat bij ons, door de wisselingen der mode, weder in onbruik
begint te raken, is oud in de talen van zuidelijk Europa; want het
komt in den met het Arabisch lidwoord vermeerderden vorm voor in het
Spaansche _albornoz_ en het Portugeesche _albernoz_ of _albenoz_. Zie
Engelmann en Dozy, „Glossaire”, p. 73.
Fakir.
_Fakir_ beteekent, volgens van Dale's Nieuw Ned. Woordenboek, eigenlijk
een _arme_, dan een _Mohammedaansche bedelmonnik_, en eindelijk een
_Indische kluizenaar, die zich op allerhande wijze pijnigt_. Het woord
is het Arabische _faqîr_, en heeft oorspronkelijk alleen de eerste
beteekenis; maar is, evenals het Perzische _derwîsj_, bij ons _dervis_,
dat hetzelfde beteekent (zie Dozy's „Oosterlingen”, in v.) in het later
spraakgebruik bij voorkeur de naam geworden der armen om Gods wil, die
eene gelofte van armoede gedaan hebben, in één woord der Mohammedaansche
bedelmonniken. Zie b.v. Lane's „Modern Egyptians”, 5th. edit., p. 211.
Zulke fakirs vindt men ook vele in onze Oostindische bezittingen,
en in de nieuwere geschriften over die gewesten zal men _fakir_
doorgaans slechts in deze beteekenis aantreffen. Maar de vele punten
van overeenkomst tusschen den Mohammedaanschen bedelmonnik en den
Hindoeschen kluizenaar en boeteling zijn oorzaak, dat onze oude
schrijvers, misschien op het voorbeeld der inlanders zelven, den naam
van fakir ook aan dezen laatsten geven. Zoo b.v. Baldaeus, „Afgoderije
der Heydenen”, bl. 76: „Rawan, ziende Lekeman gaan, komt voor de deur
van Ram, in gedaante van een fakier, en eyscht een aalmisse” (aalmoes),
en Stavorinus, „Reize van Zeeland naar Batavia”, I, bl. 110: „Wat verder
landwaarts in vonden wij in een klein boschje de overblijfsels van een
steenen gebouw, waar een fakier of heilige zijn verblijf hield!”
Het bevreemdt mij eenigszins, dat Prof. Dozy het zeer dikwijls
voorkomende _fakir_ niet in zijne Oosterlingen heeft opgenomen.
Camarilla.
_Camarilla_ is in het Spaansch een verkleinwoord van _camara_, kamer,
zaal. In het bijzonder is camara een vertrek in het koninklijk paleis,
waarin de Vorst audientie geeft aan de gezanten van vreemde Mogendheden,
dat alleen voor zijne voornaamste dienaren en gunstelingen toegankelijk
is, en waar de geheime zaken van Staat behandeld worden. _Camara_ of
_Camarilla_ beteekent dus ongeveer hetzelfde als ons _kabinet_, in den
zin waarin van „het kabinet des Konings” gesproken wordt. En evenals dit
met het woord _kabinet_ het geval is, beteekent ook _camarilla_, bij
overnoeming, de personen, die in het aldus genaamde vertrek met den
Vorst beraadslagen, zijne geheime raden, de _Consulta_, de _Kabaal_,
zooals men in Engeland ten tijde van Karel II de geheime raadslieden des
Konings noemde, den _Achterraad_, zooals Hooft en Stijl de vertrouwde
dienaren van Margareta van Parma, in tegenstelling met den Raad van
State, betitelen. In Spanje schijnt de uitdrukking _Camarilla_ om de
geheime raadslieden der Kroon, den Achterraad, aan te duiden, vooral
in zwang te zijn gekomen gedurende de regeering van Philips VII, die
gewoon was des avonds zijne kamerheeren en dienaren rondom zich te
verzamelen en zich geheel door hen liet leiden. Zie b.v. Gervinus,
„Geschichte des XIXten Jahrh.”, Bd. II, bl. 163. De listen en kuiperijen
dezer partij hebben aan het woord _Camarilla_ eene slechte beteekenis
doen hechten. Het is thans in alle talen van het beschaafde Europa,
en dus ook in de onze, in gebruik om elke vereeniging of club van
hovelingen aan te duiden, die de gunst van den Vorst exploiteert, om een
voor henzelven of de belangen van hunnen stand voordeeligen, maar voor
het algemeen welzijn veelal verderfelijken invloed op de Regeeringszaken
uit te oefenen.
Het is duidelijk dat dit, ook bij ons, in historische en politieke
geschriften, somtijds gebruikte woord geen inbreuk maakt op de juistheid
der opmerking, bij _kwispedoor_ gemaakt, dat ons volk, tijdens de
Spaansche heerschappij, geene woorden uit de taal der gehate
vreemdelingen heeft overgenomen.
Parlesanten.
Die opmerking wordt ook niet gelogenstraft door _parlesanten_ of
_parlasanten_, een woord uit de volkstaal dat zeer wel tot de dagen van
Alba en Requesens kan opklimmen, maar dan toch niet van de Spanjaarden
overgenomen, doch door het volk uit de drie Spaansche woorden _par_
(of _por_) _los santos_, d. i. _bij de heiligen_, gevormd werd, om
de Spaansche krijgsknechten, die deze gedurig in den mond hadden, te
bespotten. Het woord is in verschillende woordenboeken onzer taal
opgenomen, maar kan thans wel als verouderd worden aangemerkt, en is
aan de schrijftaal waarschijnlijk wel bijna geheel vreemd gebleven. Ik
herinner mij echter de volgende woorden in een der dichtbundels van
Bilderdijk (welke is mij ontgaan) gelezen te hebben:
„En of Tante
Parlesantte
Als men aan haar koffers kwam,
Uitgekeven
En versteven
Ligt zij als een schaap zoo tam.”
Ik haal deze regels ook aan, omdat zij doen zien in welke beteekenis het
woord gebruikt werd, namelijk in die van _vloeken_ en _razen_, en niet
in die van _praten_, _snappen_, zooals van Dale ons wil doen gelooven.
Olla podrida.
Het zou echter kunnen zijn dat ons volk van de Spanjaarden geleerd
had een _Olla podrida_ te maken, een hunner meest geliefde nationale
gerechten. Het is zelfs niet onmogelijk dat de beroemde ketel met
hutspot, die bij het ontzet van Leiden in een der schansen achtergelaten
werd gevonden, een pot met _olla podrida_ geweest is. Althans het woord
_olla podrida_ komt in beteekenis al heel veel met het Hollandsche
_hutspot_ overeen. De _olla podrida_ wordt ons beschreven als een
mengsel van allerlei spijzen: ossenvleesch, schapenvleesch, ham, kippen
en ander gevogelte, en alles wat men verder daarbij wil voegen om den
smaak te verhoogen. Men zal zich uit den „Gilblas” herinneren, dat een
goed bereide olla podrida als een fijne lekkernij geldt. Evenwel, daar
in het dagelijksch leven de overschotten of klieken van verschillende
spijzen voor de olla podrida gebezigd worden, zullen de bestanddeelen
wel niet altijd even keurig en ook zeker niet altijd even frisch zijn.
De naam _olla podrida_, gevormd van het Latijnsche _olla_, d. i. pot, en
_podrida_ het deelwoord van _podrir_ (thans _pudrir_), dat _bederven_,
_verrotten_ beteekent, geeft hieromtrent veel te denken, en is niet
geschikt om een Nederlander naar het invoeren van dezen schotel in
zijn vaderland te doen verlangen. Hij houdt zich zeker liever bij den
vaderlandschen hutspot, en heeft dan ook aan den vreemden naam geen
behoefte. Waar die in Nederlandsche geschriften voorkomt, zal het wel
doorgaans zijn in verhalen, hetzij historische of verdichte, waarvan
Spanje het tooneel is, of in reisbeschrijvingen, waarin Spaansche zeden
ter sprake komen.
Meer nog dan _olla podrida_ is bij ons de letterlijke vertaling dier
uitdrukking in het Fransch: _Potpourri_ bekend. Hier echter wordt het
begrip van mengelmoes of poespas meestal niet op spijzen, maar op door
overgangen aaneengeregen melodiën toegepast. Maar hoe vreemd is toch
soms dat cynisme der zuidelijke volken, zelfs van dat volk dat bij ons
als de wetgever op het gebied van den goeden smaak geldt! Ons, ruwe
zonen van het Noorden, zou de naam van _olla podrida_, indien ik hem
letterlijk durfde vertalen, van alle spijs schier afkeerig maken, en
om een verzameling der goddelijke melodiën b.v. van een Mozart een
potpourri te noemen, zou ons, als wij niet het vreemde woord gebruikten
zonder aan de beteekenis te denken, een heiligschennis dunken.
Baljaren, baljaarden.
Ook dit woord is uit het Spaansch of Portugeesch afkomstig, maar is
niet rechtstreeks uit het Iberisch schiereiland, maar door tusschenkomst
der Negerslaven in West-Indië tot ons gebracht. Het is het Spaansche
_baylar_ of Portugeesche _bailar_, dansen (hetzelfde als het
Italiaansche _ballare_, waarvan ons _bal_, _ballet_ en _ballade_).
_Baljaren_ is een woord waardoor in Suriname het dansen der negers
wordt aangeduid. Een _baljaarpartij_ is een _negerbal_, waarop zij
den dans door hun gezang en het slaan op de trom begeleiden. Zie van
Hoëvell, „Slaven en vrijen”, D. II, bl. 87. Het woord _baljaren_ is in
dat mengelmoes van talen, dat de negers in West-Indië spreken, door
eenvoudige letteromzetting uit _bailar_ ontstaan.
Uit West-Indië is dit woord met eenige wijziging zoowel in vorm als
in beteekenis ook naar Nederland overgewaaid. Men schreef het hier
_baljaarden_ en hechtte er de beteekenis aan van _rumoer_ of _getier
maken_. Trouwens die negerdansen onderscheiden zich ook zeer door
luidruchtigheid. Men vindt dit woord meermalen in „Willem Leevend”,
b. v. D. IV, bl. 291: „Want die ondeugende kaerel komt altijd op het
laatst aanspringen en baljaarden.” Andere plaatsen, waar de beteekenis
van _rumoer maken_ nog duidelijker is, heb ik tot mijne spijt verzuimd
aan te teekenen.
Een andere afstammeling van het woord bailare is door tusschenkomst
van het Fransch uit het Oosten tot ons gekomen. De Portugeezen noemden
de Indische dansmeisjes in hunne taal _bailadera_, dat eenvoudig
_danseres_ beteekent. Hieruit is, door de lispende uitspraak der _l_
in het Portugeesch, _bayadère_ ontstaan, dat in de meeste talen, en
ook bij ons, de bijzondere naam der Indische dansmeisjes (namelijk uit
Hindostan, niet van de Javaansche, die _ronggeng_ of _talèdèk_ genoemd
worden) gebleven is. De Engelschen noemen ze met een inlandsch woord
_natch_ of _nautch_. Canter Visscher, Mallabaarse brieven, bl. 73,
spreekt van _baljadores_, klaarblijkelijk het mannelijk waaraan
_bailadera_ of _baljadera_ als vrouwelijk beantwoordt.
Cigaar.
Cigaar is het Spaansche _cigarro_; het rooken van cigaren schijnt zich
vanuit Spanje over Europa verspreid te hebben. In het Spaansch wordt
_cigarro_ gebruikt zoowel voor de fijne in papier of maïsblad gewikkelde
tabak, die bij ons gewoonlijk _cigarette_ heet, als voor het rolletje
van tabaksbladen, dat wij _cigaar_ noemen. Echter wordt ook in 't
Spaansch voor de eerstgenoemde soort veelal het verkleinwoord
_cigarrita_ gebezigd.
De afkomst van het woord _cigarro_ is onzeker. Gewoonlijk meent men dat
het niets dan de inlandsche naam is van de tabak van Cuba (Havannah);
doch anderen beweren dat cigarro afstamt van _cigarra_, krekel, wegens
eenige overeenkomst in voorkomen, die tusschen dit diertje en een
rolletje tabak zou bestaan. Deze laatste afleiding is mij echter te
fantastisch; maar of werkelijk de inlandsche taal van Cuba een woord
voor tabak heeft dat op _cigarro_ gelijkt, heb ik geen middel om na te
gaan.
Men begint thans bij ons _sigaar_ te schrijven, vooral op het
voorbeeld, zoo ik meen, van de „woordenlijst” der heeren de Vries en te
Winkel. Ik zou echter meenen dat al de gronden die er voor zijn aan te
voeren om in de woorden van vreemde afkomst, de uitgang daargelaten,
de oorspronkelijke spelling te behouden, ook voor _cigaar_ pleiten.
Schrijft men sigaar, waarom dan niet ook sitroen, sider enz.? Ook zal
men, sigaar aannemende, om de consequentie _sigarette_ moeten schrijven,
niettegenstaande in dit woord ook de uitgang on-nederlandsch en
kennelijk aan het Fransch ontleend is.
Omberen.
De naam van dit bij ons zoo geliefde kaartspel is uit Spanje afkomstig,
ofschoon het spel zelf, zooals het bij ons gespeeld wordt, door vele
daarbij gebruikelijke termen (sans prendre, mariage, remise, remise
royale, favorite enz.) zijne Fransche herkomst verraadt. In dit spel
wordt degeen die vraagt, en dienvolgens als hoofdpersoon zijn spel tegen
de beide andere spelers te verdedigen heeft, _de omber_ genoemd, welk
woord klaarblijkelijk het Spaansche _el-hombre_, letterlijk vertaald _de
man_, is. In den „Diccionario de la Real Academia Española” leest men in
het art. _Hombre_, dat _el-hombre_ heet „el que in ciertos juegos de
naypes entra la polla, para jugarla solo contra los otros”, d. i. „hij
die in zekere kaartspelen den inzet doet om alleen tegen de anderen
daarom te spelen”. Dit beantwoordt nu wel niet volkomen aan de rol
die in ons omberspel door den omber wordt vervuld, maar toont toch
klaarblijkelijk de juistheid der gissing van de heeren de Vries en
Verwijs in het „Woordenboek der Ned. taal”, art. _Omber_: „Vermoedelijk
is de naam van het spel eenvoudig ontleend aan den hoofdpersoon, dengene
tegen wien de twee anderen spelen”. Maar men houde daarbij toch wel in
het oog, dat „jeu de l'hombre” de Fransche, niet de Spaansche, althans
niet de gewone Spaansche naam van dit spel is. In het Spaansch heet het
gewoonlijk _juego de espadilla_ (spadielje-spel), of ook wel _renegado_
(waarschijnlijk van het renonceeren). In het Portugeesch zegt men
eveneens _jogo da espadilha_ of _renegada_.
De Fransche uitdrukking _jeu de l'hombre_ heeft door misverstand
aanleiding gegeven tot den nu verouderden bijvorm _lomberen_, evenals
ons _lommer_ naar alle waarschijnlijkheid uit _l'ombre_, de schaduw,
ontstaan is.
Ofschoon, zooals ik reeds opmerkte, in ons omberspel vele Fransche
uitdrukkingen gebruikt worden, zijn er toch nog onderscheidene andere,
behalve _de omber_, die een Spaansche afkomst verraden. Zoo heeten de
hoogste op elkander volgende troeven _matadors_, dewijl ze zeker zijn
iedere kaart van de tegenpartij te slaan. _Matador_ (van _matar_, het
Latijnsche _mactare_) beteekent in het Spaansch _doodslager_, en is ook
in Spanje de naam der personen, die in de stierengevechten de stieren
afmaken. Schoppenaas, de hoogste kaart in het spel, heet _spadielje_.
Dit is het Spaansche _espadilla_ (Port. _espadilha_), dat _degen_
beteekent. De plaats onzer _schoppen_ in het kaartspel werd namelijk
oudtijds door _degens_ (_espadas_) ingenomen. De degens zijn met
schoppen verwisseld waarschijnlijk tengevolge van de overeenkomst
der namen _espada_, _spada_, _spado_, degen, met die van _spade_
(Eng.), _spade_ (Ned.), _Spaten_ (Hgd.), die allen een schop of spade
beteekenen. Klaverenaas heet _basta_ van het Spaansche _basto_, knuppel,
omdat oudtijds _knuppels_ de plaats onzer klaveren innamen, die nog in
het Eng. _clubs_ heeten. _Manielje_ (Sp. _Malilla_, Port. _Manilha_),
_Ponto_ (Sp. _Punto_, Port. _Ponto_), _Kodielje_ (Sp. _Codillo_),
_Casco_, verraden denzelfden oorsprong, ofschoon het mij niet gelukt is
eene voldoende verklaring van deze namen te vinden.
Eldorado.
Eldorado is bij ons de naam van een denkbeeldig gewest, dat alle
heerlijkheden in zich vereenigt, een paradijs op aarde, aan welks
werkelijkheid echter niemand gelooft. Maar van de velen die het woord
gebruiken, zijn weinigen met den oorsprong bekend. Het woord is Spaansch
en samengesteld uit het lidwoord _el_, dat eigenlijk afzonderlijk
behoorde geschreven te worden, en _dorado_, het verleden deelwoord van
_dorar_, vergulden, met goud overtrekken. De letterlijke beteekenis van
het woord geeft groote waarschijnlijkheid aan de meening van den heer
P. A. Tiele (zie zijne „Ontdekkingsreizen sedert de 15de eeuw”), dat de
sage van Eldorado haren oorsprong verschuldigd is aan het verhaal van
een Indiaansch Vorst, die zijn lichaam met goudstof bestrooide. Van een
persoon moet vervolgens de naam op een land of gewest zijn overgebracht,
aanvankelijk in de Andes gezocht, en, toen dit vruchteloos bleek, meer
oostelijk naar Guiana verplaatst.
Gedurende veertig jaren werden door eene reeks van grootere en kleinere
Spaansche expeditiën vergeefsche pogingen aangewend om Eldorado te
vinden; later namen ook Engelsche reizigers, vooral de beroemde Sir
Walter Raleigh aan deze onderzoekingen deel. Ofschoon ze nooit eenig
resultaat opleverden, vindt men op alle kaarten van Zuid-Amerika en
Guiana, in de 17de en 18de eeuw verschenen, het meer van Parima, het
middelpunt van het Goudland, soms met de goudrijke stad Manoa del Dorado
er bij aangewezen. Merkwaardig is wat daarover is medegedeeld in het pas
uitgegeven schoone werk van generaal P. M. Netscher, „Geschiedenis van
de Koloniën Essequebo, Demerary en Berbice”. „Bij de Spanjaarden aan de
Orinoco en bij de Nederlandsche kolonisten aan de Essequebo”, zoo lezen
wij daar, bl. 25, „zijn de illusiën van een wondermeer waar schatten te
vinden waren, nog lang blijven voortleven. Wij zullen hieronder, in den
loop van ons verhaal, doen opmerken, hoe nog herhaaldelijk door onze
Commandeurs aldaar enkele ondernemende personen naar de binnenlanden
zijn uitgezonden, om naar goud, zilver en andere mineralen te zoeken
(vooral door den Directeur-Generaal Storm van 's Gravesande tusschen
1740 en 1772); terwijl zelfs nog in 1775 uit de Orinoco eene groote
Spaansche expeditie daartoe werd uitgerust, waarbij honderden het leven
lieten”. Eerst door de wetenschappelijke onderzoekingen van Alexander
von Humboldt en Sir Robert Schomburgk is het geloof aan de fabel van
Eldorado voor goed vernietigd.
Bakkeljauw.
Dit woord ontbreekt, zeer ten onrechte, in alle Nederlandsche
woordenboeken. Het is algemeen in gebruik in onze Westindische
bezittingen en in alle geschriften die daarover handelen. Het voedsel
der negerslaven placht er hoofdzakelijk uit bananen en bakkeljauw
te bestaan. Zie van Hoëvell, „Slaven en vrijen”, D. I, bl. 118; van
Sijpesteyn, „Beschrijving van Suriname,” bl. 202. De bakkeljauw was
de opengespouwen, sterk gezouten en gedroogde kabeljauw, die op de
banken van Newfoundland gevangen en in vaten van 600 à 700 pond naar
Suriname gezonden werd. Kabeljauw en bakkeljauw zijn klaarblijkelijk
hetzelfde woord, slechts door letteromzetting gewijzigd. Welke vorm de
oorspronkelijke is, valt bezwaarlijk uit te maken. De germaansche talen
hebben den vorm met _ka_, b. v. het Hoogduitsch _Kabeljau_ of _Kabliau_,
het Deensch _cabliau_, het Zweedsch _kabeljo_; ook het Fransch heeft
_cabéliau_ en het middeleeuwsch Latijn _cabellauwus_. Daarentegen hebben
de romaansche talen den vorm met _ba_, zooals het Spaansch _Bacallao_,
het Portugeesch _Bacalhao_, het Italiaansch _Bachalaio_. Men meent dat
deze woorden eigenlijk uit het Baskisch stammen, en wijst er op dat de
Basken het eerst de kabeljauwvisscherij op de bank van Newfoundland op
groote schaal hebben gedreven. Ook _labberdaan_, bij ons de gewone naam
van de gezouten kabeljauw, wijst naar de Basken. Zie het etymologisch
woordenboek van Franck op dat woord. Er is dus wel eenige reden om de
vormen met _ba_ voor meer oorspronkelijk te houden.
Sommigen meenen dat er tusschen kabeljauw en bakkeljauw een
soortverschil bestaat. Zoo zegt v. Hoëvell, t. a. p., dat de bakkeljauw,
d. i. de kabeljauw die op de bank van Newfoundland gevangen wordt, een
middensoort tusschen kabeljauw en schelvisch is. Ik houd die meening
voor ongegrond. Natuurproducten die over eene groote oppervlakte
verspreid zijn, vertoonen veelal eenige verscheidenheden, maar een
onderscheid als hier tusschen de kabeljauw van Newfoundland en die der
Noordzee wordt aangenomen, is, voorzoover ik weet, aan de beoefenaars
der natuurlijke historie onbekend.
Doch al bestaat dit soortverschil niet, toch zijn kabeljauw en
bakkeljauw geene synoniemen. De noordelijke volken gebruiken kabeljauw
voor de levende en versche visch, en hebben voor de verschillende
bereidingen die deze ondergaat, om voor verzending en bewaring geschikt
te worden, verschillende benamingen, zooals _stokvisch_ voor de
gedroogde, _labberdaan_ voor de gezouten, _klipvisch_ voor de tevens
gezouten en gedroogde kabeljauw. De zuidelijke volken, die de versche
kabeljauw niet veel te zien krijgen, gebruiken hun bakkeljauw vooral
van de visch, die op verschillende wijzen is verduurzaamd. Wel verklaart
het woordenboek der Spaansche Akademie _bacallao_ door _abadejo_, dat
in het algemeen de kabeljauw aanduidt, maar het Portugeesch woordenboek
van Moraes Silva omschrijft _bacalhao_ uitdrukkelijk door „o badejo
escalado e curado ao sol, ou embarricado em salmadeira”, d. i. de
kabeljauw opengespouwen en in de zon gedroogd of in de pekel gelegd. Dit
beantwoordt volkomen aan de beteekenis aan ons _bakkeljauw_ toegekend.
Bakkeljauw is dus de Westindische naam van stokvisch of zoutevisch,
dien wij daar, gelijk zoovele andere woorden, van de Spanjaarden of
Portugeezen hebben overgenomen, ofschoon wij daarin slechts een zeer oud
en bekend woord in anderen vorm en met speciale beteekenis hebben terug
ontvangen.
Schorseneeren.
Is ook dit woord van vreemden oorsprong? Ongetwijfeld, zooals men reeds
kan opmaken uit de onzekerheid van vorm en spelling. In de schrijftaal
gebruikt men nevens _schorseneer_ ook _schorseneel_, tengevolge van
de gewone verwisseling der liquidae; maar in de volkstaal komen
erger verbasteringen voor, waaronder _schotsche nero's_ zeker wel de
grappigste is. Ik herinner mij zeer goed, dat ik reeds als kind dacht,
dat schorseneer eigenlijk _écorce noire_ beteekende, en ik ben in die
meening gebleven tot ik later mij overtuigde dat die uitdrukking in het
Fransch onbekend is, en de schorseneer in die taal in het dagelijksch
leven _salsifis_, maar meer wetenschappelijk _scorsonère_ heet. Nu, dat
dit laatste geene oorspronkelijk Fransche benaming is, maar uit eene
vreemde taal afkomstig moet zijn, was gemakkelijk in te zien. Van
Dale hielp mij nu aan eene vroeger reeds half vermoede verklaring,
waaraan ik langen tijd niet twijfelde. Schorseneer zou het Italiaansche
_scorza nera_ zijn, dat evenals _écorce noire_, zwarte schors
beteekent, en den Hollandschen vorm nog gemakkelijker schijnt te
verklaren. Van Dale's meening werd ook bevestigd door het gezag van
Littré (in v. _Scorsonère_), en door de vergelijking van het Duitsche
_Schwarz-wurzel_.
Intusschen hadden die schrijvers een kleinigheid, maar een belangrijke
kleinigheid, over het hoofd gezien, of althans niet genoegzaam in
aanmerking genomen. Heet de schorseneer in het Italiaansch wel
_scorzanera_? De vorm is inderdaad eenigszins anders; hij luidt
_scorzonera_, en geen taalkundige zal zeker in staat zijn uit de
samenstelling van _scorza_ en _nera_, wanneer die als substantief en
adjectief worden bijeengevoegd, scorz_o_nera te verkrijgen. Reeds het
Fransche scors_o_nère had Littré moeten waarschuwen.
Voorgelicht door deze eerste moeilijkheid, ontdekt men weldra nieuwe
bezwaren. Is zwarte schors voor de schorseneeren wel een goede naam?
Zij hebben een zwarte schors, ja! maar niet aan het zichtbaar deel der
plant, maar alleen als bekleedsel van den als spijs gebruikten vleezigen
penwortel. _Schwarz-wurzel_ is daarom een goede naam, maar _zwarte
schors_ zou vreemd gekozen zijn voor een plant, waarvan slechts de
_wortel_ een zwarte schors heeft.
Is de naam Italiaansch, dan dient de plant ook wel uit Italië afkomstig
of van Italië uit over Europa verspreid te zijn. Maar is dat werkelijk
het geval? De botanische naam is _Scorzonera Hispanica_, en ofschoon
die naam niet als een afdoend bewijs kan gelden, dat de plant niet
vroeger in Italië dan in Spanje is bekend geweest, is hij toch voldoende
om bij het zoeken van het land van herkomst onze aandacht vooral bij
Spanje te bepalen.
In het Italiaansch-Fransche woordenboek van den abt de Villanova wordt
_Scorzonera_ aldus verklaard: „Sorta da pianta, venuta dall' Indie in
Europa, e che prende tal nome, per preservar essa dai morsi dello
scorzone”, d. i. „eene soort van plant, uit Indië naar Europa
overgebracht, en die dezen naam draagt, omdat zij beveiligt tegen de
beten van de scorzone”. _Scorzone_ wordt in hetzelfde woordenboek
verklaard door „Specie di serpe velenosissima di color nero”, d. i.
eene soort van zwartkleurige, zeer vergiftige slang (adder).
Deze verklaring wordt opgehelderd door de volgende bijzonderheden,
medegedeeld in Lindley en Moore, „Treasury of Botany” in v.
_Scorzonera_: „_Scorzonera Hispanica_ is a native of Spain; but is
cultivated in this country [Engeland], and the root is sold in the
markets as _Scorzonera_, a name derived from _escorza_, the Spanish name
of a serpent, in allusion to its cooling antifebrile effects, it having
formerly been employed in Spain on account of these properties for the
cure of serpent-bites. It has also sometimes been called viper's grass”.
De afleiding van _Scorzone_ met den uitgang _era_, is zeker te
verkiezen boven die van _Scorza nera_; maar wanneer Spanje terecht als
het vaderland der plant beschouwd wordt, zal men als grondwoord niet
_escorza_ (welks bestaan ik betwijfel), maar _escorzon_, dat in het
Spaansch aan _scorzone_ schijnt te beantwoorden, behooren aan te nemen.
De voorslag _e_ voor _sc_ is in het Spaansch volkomen regelmatig, en
doet niets ter zake. Ook de plant wordt in het Spaansch _escorzonéra_
genoemd.
Hidalgo.
Dit vaak gebruikte, ook door van Dale opgenomen, Spaansche woord,
beteekent een gentleman, een man van goede familie, schoon juist niet
van den hoogsten adel. De oorsprong van het woord blijkt uit den niet
geheel ongebruikelijken volledigen vorm, _Hijodalgo_, waarvan het
vrouwelijk, ten blijke dat het een samengesteld woord is, _Hijadalgo_
luidt, terwijl daarentegen de samengetrokken vorm, als ware hij een
enkelvoudig woord, in het vrouwelijk _Hidalga_ heeft. _Hijodalgo_ is
samengesteld uit _hijo_, zoon, de partikel _de_, van, en _algo_, iets,
eenig vermogen. Men zou dus hidalgo kunnen vertalen door „een zoon van
goeden huize”.
_Hijo_ is = fijo, het Latijnsche _filius_ (Gr. huios), door de gewone
verwisseling van F en H. Vandaar heeft het Portugeesch _fidalgo_ voor
_hidalgo_, evenals _fazenda_ voor _hacienda_ enz.
Amfioen.
_Amfioen_ is de voornamelijk in Ned.-Indië gebruikelijke naam van het
heulsap, dat wij in Nederland, evenals alle andere volken van Europa,
met den aan het Grieksche _opion_ ontleenden Latijnschen naam _opium_
noemen. Van de Grieken is die naam ook, in den vorm _afioen_, tot de
Arabieren overgegaan; de Perzen spreken dien, volgens het woordenb. van
Vullers, _afjoen_ uit, de Maleiers en Javanen, die de _f_ niet kunnen
uitspreken, zeggen _apioen_ of _apjoen_. Van al deze vormen is het
Nederlandsche _amfioen_ door de inlassching der _m_ (zie beneden) nog
kennelijk verschillend. Ook gebruikt de inlander _apioen_ alleen van het
opium in ruwen staat, zooals het door den handel geleverd wordt. Is het
gezuiverd, dan noemt hij het _tjandoe_; is het, met of zonder tabak,
voor zijn gebruik gereed gemaakt, dan noemt hij het _madat_ (van 't
Hindostanische _madad_; vgl. v. d. Tuuk, „Tobasche Spraakkunst”, bl.
125, noot 2). Bij de Nederlanders in Indië daarentegen behoudt het den
naam van amfioen onder alle omstandigheden, en zij spreken van amfioen
rooken en amfioen schuiven, van amfioenkitten, amfioenpijpen,
amfioenpillen, zoowel als van amfioenhandel en amfioenpacht.
Het woord _amfioen_ zelf is bij ons Nederlanders reeds vrij oud, zoo oud
als de vaart naar Indië zelve. Er wordt over dat heulsap reeds in 't
breede gehandeld in de „Beschrijvinge van 't Coninckrijck Gussaratten”,
in „Begin en Voortgang”, II, no. 17, bl. 61, waar het _amphion_ of
_affien_ wordt genoemd. Ook bij Baldaeus, „Malabar en Choromandel”,
bl. 144, komt de vorm _amphion_ voor, en reeds veel vroeger vindt men
dien bij van Linschoten, „Itinerario”, bl. 98, die met zijne gewone
nauwkeurigheid zegt: „het _amfion_, also ghenaemt van de Portugesen,
van de Arabyers, Mooren en Indianen _affion_”. De ingevoegde liquida _m_
(waarvoor ook de _n_ werd geschreven, die echter in de uitspraak als _m_
klonk) is dus van Portugeeschen oorsprong. In het Port. Woordenboek van
Moraes Silva, komt, nevens het thans gebruikelijke _opio_ ook _anfiâo_
voor, dat bijna als _amfion_ luidt. Ik sprak reeds met een woord over
die gewone insertie, vooral vóór de lipletters, in het art. _Moeson_,
en zal er op terugkomen bij _Pampoesjes_. _Kamfer_ voor _kafoer_ (zie
Dozy's „Oosterlingen” op het woord) en de volksuitspraak _pampier_ voor
_papier_ zijn nog een paar bekende voorbeelden, die, zoo het noodig was,
licht met andere zouden te vermeerderen zijn. Voorbeelden van _amfioen_
bij latere schrijvers zal men in het Ned. Woordenboek van de Vries en
te Winkel op dat woord kunnen vinden. Hier merk ik alleen nog op dat in
Nederlandsch-Indië _amfioen_ bestendig en uitsluitend de vorm is die in
alle administratieve stukken gebruikt wordt; _opium_ leest men daar
nooit.
Daar _opium_ en _amfioen_ inderdaad slechts verschillende vormen van
hetzelfde woord zijn, geldt van beide hetzelfde wat het geslacht
betreft. Het is verkieslijk beide als stofnaam onzijdig, als
handelsartikel vrouwelijk te maken, en het mannelijk, oudtijds voor
_amfioen_ gebezigd op grond der vergelijking van andere op _oen_
uitgaande woorden, in het geheel niet meer te gebruiken. Ik ontleen deze
opmerking aan het art. _Amfioen_ in het Woordenboek van de Vries en te
Winkel, waarvan mij, schoon het, terwijl dit gedrukt wordt, nog niet is
uitgegeven, in de proef inzage is verleend.
De uitdrukking _amfioen schuiven_ is in het Ned. Wdbk. van van Dale
geheel ten onrechte door _opium kauwen_ verklaard. Dit is gebruikelijk
bij de Turken en West-Aziaten, maar komt in Ned.-Indië zelden of nooit
voor. Ook zou voor dat kauwen _schuiven_ al een zeer zonderling gekozen
woord zijn. Ik heb de wijze, waarop het opium gerookt wordt, in mijn
„Java”, D. I, bl. 622, besproken. Ik vind voor dit _schuiven_ de
verklaring in het krachtig inzuigen of ophalen van den rook der
opiumpijp, dat van een _sissend_, _sijfelend_, _schuifelend_ of
_fluitend_ geluid vergezeld gaat, en zie dat deze verklaring ook door
Prof. de Vries is overgenomen.
Mandoor, Mandarijn.
Ik voeg deze woorden bijeen, omdat het mij waarschijnlijk voorkomt, dat
er tusschen beide een nauwe verwantschap bestaat.
_Mandoor_ of _mandoer_ (eene gewone verscheidenheid van uitspraak,
waarbij, naar ik vermoed, dialectsverschil ten grondslag ligt) beteekent
in Ned.-Indië een opzichter of meesterknecht op een fabriek of bij
eenig belangrijk werk, iemand dus die aan zijne minderen bevelen
geeft. Het woord wordt algemeen gebruikt in het Maleisch, Javaansch
en Soendaneesch; maar is ook niet minder gewoon in den mond der in
Ned.-Indië levende Europeanen. Zoo spreekt, om een paar voorbeelden
uit duizenden aan te halen, de Sturler, „Handboek voor den landbouw in
Ned.-Indië”, bl. 1126, van „meesterknechts of _mandoors_ voor het voeren
der cilinders bij het vermalen van het suikerriet”, en van Gorkom, „Oost
Indische Cultures”, II, bl. 42, van inlandsche opzichters of _mandoers_,
die bij de indigobereiding het criterium of de tijd daar was om het
vocht uit den trekbak af te laten, in den reuk of den smaak van het
vocht vonden. Dit woord _mandoor_, stellig in het Javaansch en Maleisch
van vreemden oorsprong, schijnt af te stammen van het Portugeesche
_mandar_, bevelen, gelasten, en is vermoedelijk door de inlanders
samengetrokken uit _mandador_, lastgever. „Bij Heydt: „_Geographisch-
und Topographischer Schauplatz von Afrika und Ost-indiën (1744)_,” leest
men meermalen _mandator_, b. v. bl. 95.”
Van hetzelfde Portugeesche _mandar_, of waarschijnlijker nog
rechtstreeks van het Latijnsche _mandare_, komt nu vermoedelijk ook
_mandarijn_, door de Portugeezen _mandarin_ of _mandarim_ uitgesproken.
Ik vind in het Portugeesch-Fransch Woordenboek van da Costa e Sá
(Lissabon, 1794), den latiniseerenden vorm _Mandarinus_, die, naar het
mij toeschijnt, zal zijn uitgedacht door de Jezuieten, die in de
Latijnsche taal zooveel over China en Japan geschreven hebben. Bij hen
zal men vermoedelijk den oorsprong van het woord moeten zoeken, en ik
acht het onnoodig er het Sanskrietsche _mantrin_, in het Jav. en Mal.
_mantri_, minister of raadsman van een vorst, staatsbeambte, bij te
halen, dat wat den vorm betreft zeker niet zoo goed past. Het woord
komt reeds voor bij v. Linschoten, „Itinerario”, bl. 32, 33, in den
opmerkelijken vorm _Mandoryn_. S. de Vries, „Curieuse aenmerckingen”
(1682), D. I, bl. 38, zegt over _mandaryn_: „de naem mandarijn is geen
Chineesch woord, maar voortgekomen van de Portugeezen, welcke alle
magistraten in China dien naem geven, willende daermeê sooveel seggen,
als de Nederlanders met 't woord _Commandeur_. Gelijck 't dan ook
schijnt, dat de naem mandarijn is afgeleyd van 't Lat. woord _mandare_.”
Een Chineeschen oorsprong kan 't woord _mandarijn_ stellig niet hebben,
maar het wordt in alle Europeesche talen gebruikt om een hoogen
staatsbeambte in China aan te duiden. Ook noemen wij Mandarijnappels
of Mandarijntjes (Fr. _Mandariniers_), een soort van kleine, zoete,
bijzonder geurige, licht geribde, eenigszins afgeplatte en zeer los in
de schil liggende oranjeappels, die naar men zegt in China vooral
gebruikt worden om ze aan de mandarijnen ten geschenke te zenden. Zie
Lindley en Moore, „Treasury of Botany”, p. 292.
Gorgelet.
_Gorgelet_ is een woord nu aan weinigen bekend, maar dat dikwijls
voorkomt bij onze oude schrijvers over Indië; b. v. Baldaeus, „Afgoderye
der Heydenen”, bl. 62: „zij stopte den hals van 't gorgelet, zoodat het
water daaruyt niet konde loopen.” Valentijn, IV, 1, bl. 54: „de derde
slavin draagt een gorgelet met water na.” Zulk een gorgelet wordt door
van Linschoten uitvoerig beschreven, waar hij in zijn „Itinerario”
handelt „van de manieren ende usantiën der Portugaloysers ende Mestisen
vrouwen in Indië”, bl. 47. „Desgelijcks, wanneer zij drincken,” zegt
hij, „hebben een manier van potgiens, gemaeckt van swarte aerde, zijn
seer fijn ende dun, op die manier van de pullen die men bij ons
ghebruyckt om die bloemen in te setten, ende binnen in den hals is een
schildeken vol gaetgiens; dit cruycxken wordt ghenaemt _Gorgoletta_, om
dieswille dat als men wil drincken soo hout ment omhoog om niet aen de
mont te raken, ende alsdan comt het water door de gaetgiens die binnen
in den hals in 't schildeken staen, ende loopen al gorgelende inde mont
sonder een druppel te storten, 'twelcke zij doen door groote reynigheyt,
omdat niemant het aende mont souden setten; ende wanneer daer jemant
eerst nieuw van Portugal comt, ende wil dan beginnen te drincken, op
haer manier als voorseyt is, en door die onghewoonte hem bestort, hebben
dan een groot playsier ende belachen hem.”
Het blijkt tevens uit deze plaats dat gorgelet weder een woord is,
dat onze voorvaderen in Indië van de Portugeezen hebben overgenomen.
In het Portugeesch Woordenboek van Moraes Silva wordt _Gorgolèta_ dus
omschreven: „Quarta de barro de gargalo largo, no qual ha un raro, e
passando agua por elle caindo umas bolinhas que estâo no fundo, faz a
agua um som ao beberse”, d. i.: „Een aarden vat met wijden hals, waarin
zich een zeef bevindt, waarop onder het drinken balletjes vallen, die op
den bodem liggen, zoodat het water, er doorgaande, een geluid maakt.”
Kipersol.
_Kipersol_ of _Quipersol_ is eene Nederlandsch-Indische verbastering van
het Portugeesche _quitasol_, zonnescherm. In oudere boeken vindt men het
nog in den echten Portugeeschen vorm, b. v. in „Begin en Voortgang”,
Eerste schipvaerd der Hollanders naar O.-I., bl. 77, waar wij lezen:
„Te Panarucan zijn veel swarte Christenen. Zij gaen gekleedt met een
paar lange indiaensche boxens [broek], ghelyck men ghemeynlick in
Persiën draeght, maar heel barrevoets; altoos eenighe slaven achter
haer hebbende, die hun een _quitasol_ ofte sonneweerder over 't hoofd
houden.” Later vindt men verbasterde vormen, b. v. bij Valentijn, II,
1, bl. 257, _Kitasol_. Bij Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl.
45, leest men: „Alle personen van enig aanzien dragen een _quiperzol_
boven hun hooft, om de hette der zonnestralen af te keren, en de vrouwen
zouden zich schamen uit te gaan, indien een slaaf dezelve niet nadroeg
of haar boven het hooft hielde”; en bl. 96: „de kinderen der Europeanen
worden doorgaans zorgvuldig bewaart voor de stralen van de zonne,
gebruikende als zij uitgaan zonneschermen, _quipersols_ genoemt”. De
meest verhollandschte vorm, _kipersol_, is ook de jongste. Men leest
dien b. v. in „Batavia in derzelver gelegenheid” enz., D. III, bl. 6,
waar van de Bataviasche dames gezegd wordt: „Deeze fraay versierde
juffrouwen kunnen niet naar de kerk gaan, of zij moeten ten minsten één
slaaf achter zich hebben met een grooten _kipersol_ of zonnescherm, om
de hitte af te keeren.”
_Quitasol_, waarvoor men ook _guardasol_ zegt, is samengesteld uit
_quitar_, verlaten, verwijderen, afschaffen, afweren, en _sol_, zon. Men
gebruikt het ook voor een zonnehoed.
Kaste.
Deze naam, dien wij bestendig gebruiken waar van de scherp gescheiden
erfelijke standen bij de oude Egyptenaars en bij de Hindoe's sprake is,
moet bij ons stellig van romaanschen oorsprong zijn. In het Spaansch en
Portugeesch beteekent casta _ras_ en wordt ook voor de rassen van dieren
gebruikt. Algemeen wordt aangenomen dat het afstamt van het latijnsche
_castus_, rein, onvermengd. Ik kan mij dit slechts zóó voorstellen,
dat het oorspronkelijk een adjectief was als een soort van epitheton
perpetuum behoorende bij een substantief dat _ras_ of _stam_ beteekende,
b. v. _gente_. Dit substantief zal dan in het spraakgebruik zijn
weggevallen, zoodat van de uitdrukking _gente casta_, d. i. onvermengd
ras, alleen het adjectief _casta_ overbleef, om hetzelfde te beteekenen.
Eene merkwaardige beschrijving der kasten in Hindostan wordt gevonden
in Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl. 147, die door de volgende
definitie van het woord kaste wordt voorafgegaan: „Een kast dan is een
zeeker geslagte van menschen, welke uit kragt van hunne geboorte
verbonden zijn zekere bedieningen en plegtigheden waar te nemen, uit
kragt van welke zij ook zeekere voorregten bezitten”.
Fust.
Het woord _fust_ komt bij Nederlandsche schrijvers in twee beteekenissen
voor. Het zijn eigenlijk twee waarschijnlijk van elkander geheel
onafhankelijke woorden, die slechts door toeval aan elkander gelijk
zijn. Het eerste, nog algemeen in gebruik, heeft de beteekenis van
schacht, onderstel, vat; het tweede, sedert lang geheel verouderd,
heeft zelfs geene plaats in de Nederlandsche woordenboeken gekregen,
niettegenstaande het ontelbare malen bij onze oude schrijvers over
de geschiedenis onzer vestiging in Indië en onzer oorlogen met de
Portugeezen en Spanjaarden voorkomt. Wel een bewijs dat deze weinig
gelezen worden!
Het is het Spaansche en Portugeesche _fusta_, door Da Costa e Sá
omschreven als: „Genero de embarcaçao comprida e de baixo bordo, que
anda a vélas e a remos”, d. i. „een lang, platboomd vaartuig, geschikt
om naar omstandigheden te zeilen of geroeid te worden”. Ik sprak reeds
over dit woord in mijn „Java”, D. II, bl. 283.
Amok.
_Amok_ komt reeds bij onze oudste schrijvers over Indië dikwijls voor,
en is later zoozeer een Nederlandsch woord geworden, dat Prof. Pijnappel
in zijn „Maleisch Woordenboek” het Maleische _amoek_ en den verbaalvorm
_mengamoek_ door _amokken_, _wanhopig aanvallen_, kon verklaren. Voor
hen echter die minder met de schrijvers over Indië vertrouwd zijn, zal
het niet overbodig zijn op te merken, dat het evenzeer Javaansche als
Maleische _amok_ eigenlijk een soort van woede of razernij beteekent,
die den inlander (bovenal den Makassaar; zie Wallace, „Insulinde”, D. I,
bl. 306) soms bevangt, wanneer zijne hartstochten in de hoogste mate
zijn opgewekt, en waarbij hij wanhopend aanvalt op ieder die hem in
den weg treedt, en moord tracht te plegen, onverschillig aan wien. Het
_amok_ is zeer verwant met hetgeen de inlanders _mata glap_, d. i.
_verduistering der oogen_ noemen; juister misschien de amokmaker doet
gaarne het mata glap voorkomen als een symptoom van zijn toestand, om
daardoor zijn niet altijd geheel onwillekeurig moorden te vergoelijken.
Zie v. d. Burg, „de Geneesheer in Indië”, D. II, bl. 786. Een ander
verschijnsel dat er mede gepaard gaat, is het luide schreeuwen, waarbij
doorgaans het woord _amok_ zelf vernomen wordt, waarom men in het
Javaansch Wdbk. van Prof. Roorda op _amoek_ ook de verklaring vindt:
„een _uitroep_ van iemand die in dolle woede gaat moorden.” Vandaar
verder de uitdrukking _amok roepen_ of _amok schreeuwen_, b. v. bij W.
Schouten, „Reistocht naar en door O.-Indië”, 4e dr., D. I, bl. 27:
„Binnen Batavia werden eenen zwarten Indiaan de borsten afgenepen, omdat
hij _amok geroepen_ had.... Dit was reeds de derde _amokroeper_ die in
mijn tijd geradbraakt werd.” Zoo ook bij van Rees, „de Bandjermassinsche
Krijg”, I, bl. 64: „de priester vatte eensklaps een der wapens, riep
amok, en wilde den artillerist een houw toebrengen.” Maar ook de
omstanders roepen _amok_, wanneer iemand, zooals men gewoonlijk zegt,
_amok maakt_. Zie b. v. Ritter, „het Amok” in „Tijdschr. v. N.-Indië”,
Jg. VII, D. III, bl. 459: „Groot was de opschudding onder al die
reizende personen, toen zich op eens de noodkreet amok! amok! in den
omtrek deed hooren.” Stavorinus, „Reize van Zeeland naar Batavia”, Deel
I, bl. 236, schijnt de uitdrukking _amok spuwen_ als synoniem met _amok
roepen_ te beschouwen; want hij zegt dat de amokspuwers dus genoemd
worden, omdat zij het woord _amok_ veel in den mond hebben. Ik geloof
echter dat men daarbij tevens moet in het oog houden, dat den amokmaker
het schuim op den mond komt.
Bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Malabaar en Choromandel”, bl. 145,
komt de zonderlinge en minder gewone uitdrukking _amokspeelder_ voor;
een later voorbeeld van _amokspeler_ vindt men bij W. Schouten, a. w.,
D. II, bl. 134. _Amok slaan_ noemt men het alarmsein, dat door de
inlandsche wachters op de trom gegeven wordt, wanneer zich een amokmaker
vertoont.
Ik meen bij Nederlandsche schrijvers ook wel _amok loopen_ gelezen te
hebben. In allen gevalle is in het Engelsch _to run amuck_ een gewone
uitdrukking geworden. Daarbij heeft echter een kluchtig misverstand
plaats gegrepen, doordien men de eerste lettergreep van _amuck_ voor het
lidwoord _a_ of _an_ hield. Men schrijft dus meestal _to run a muck_
(zie b. v. Forrest, „Voyage aux Moluques”, p. 168), en vindt in de
Engelsche woordenboeken dikwijls het woord _Muck_, waarvan Johnson
erkende, de herkomst niet te weten. Dryden gebruikt de uitdrukking _to
run a muck_ in de volgende verzen in het derde deel van „the Hind and
the Panther”:
„Frontless and satire-proof he scours the streets
„And runs an Indian muck at all he meets.”
En Pope volgde hem na in zijne vertaling van Horatius:
„Satire's my weapon, but I'm too discreet
„To run a muck and tilt at all I meet.”
Dit Engelsche _muck_ heeft een Franschen schrijver, den heer Radau, in
de „Revue des Deux Mondes”, 1 Oct. 1869, p. 675, op den schranderen
inval gebracht, dat het Maleische _amok_ zou zijn: „une corruption du
mot Anglais _a muck_ (un enragé).”
Tegenwoordig wordt bij ons het woord _amok_ nu en dan gebruikt in de
verzachte beteekenis van _opschudding_, _straatrumoer_. Men zal daarvan
voorbeelden vinden in het art. _Amok_ in de thans ter perse liggende
aflevering van het groot „Nederlandsch Woordenboek”.
Kraal.
_Kraal_ is volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”, „een dorp of gehucht
der Hottentotten; eene opene plaats met staketsel afgeschut.” Weiland
zegt op het woord: „Zoo noemt men, in beschrijvingen van de Kaap de
Goede Hoop, de afgeperkte plaats waar de woningen der Hottentotten
staan: _een kraal van vier hutten_; ook eene groote open plaats,
met staketwerk omgeven, waarin men vee drijft.... Het schijnt een
uitheemsch woord te zijn.” Dit laatste kon met meer stelligheid worden
uitgesproken; het woord is ongetwijfeld van de Hottentotten zelven
afkomstig. Zoo lezen wij in het „Dagregister van de Voyagie naar het
Amaqua's [of Namaqua's] land” van Simon v. d. Stel, bij Valentijn:
„Beschrijvinge van de Kaap der Goede Hoop” (V. 2) bl. 592: „De
voorgedagte bergen.... worden bewoond van eene natie, genaamt
Hottentotten, dewelke zich met troepen van menschen en vee bij
malkanderen houden, 't welk zij _Kraalen_ noemen, waarvan wij er
dezen dag drie zijn gepasseert”. Ook de dorpen der Kaffers en andere
Afrikaansche stammen worden, bij uitbreiding van het gebruik des woords,
_kralen_ genoemd. Zie b. v. Th. Tromp, „Herinneringen uit Zuid-Afrika”,
bl. 39; „D. Veth's Reizen in Angola”, bl. 359.
Maar dit Hottentotsche woord is door de Nederlanders ook naar Oost-Indië
overgebracht, en wordt bij onze oude schrijvers (door verwarring met
_kraal_, als samentrekking van _koraal_, polypenhuis) soms ook _Coraal_
geschreven. Zoo leest men bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Ceylon”, bl.
198: „Men vangt omtrent Mathure de Elephanten met _Coralen_, zijnde vele
boomen in de aarde geslagen, die in 't eerste een ruymen ingank geven,
maar van langhzamerhand enger worden, met valdeuren”. Een anoniem
schrijver over Ceilon, door Weiland aangehaald, spreekt evenzoo van
„eene groote en sterke houten kraal of bijkans rond palissadenwerk,
waarin zij de olyphanten drijven”.
Thans is het woord nog algemeen in Ned.-Indië in gebruik om de
afgeperkte ruimte voor de buffels aan te duiden. Zoo b. v. bij Pruys
van der Hoeven, „Een woord over Sumatra”, I, bl. 63: „Iedere vier jaar
nu vereenigen zich de eigenaars en drijven de buffels in een daartoe
gemaakte _kraal_, die, fuiksgewijze vervaardigd, uitloopt in een sterk
omheind moeras met een nauwe opening”.
Bonze.
_Bonze_ is in de talen van het hedendaagsch Europa de naam der
Boeddha-priesters in China en Japan, en wordt overdrachtelijk gebruikt
om alle priesters aan te duiden, die bijgeloof en fanatismus dienen.
Omtrent den oorsprong van dit woord ontving ik van wijlen Professor
Hoffmann, onzen uitstekenden kenner van het Japansch, de volgende
inlichting: „Het woord Bonze voor Boeddha-priester beantwoordt aan het
Japansche Bo-nzi, en werd door de Roomsche zendelingen in het meerv.
_Bonzii_, genit. _Bonziorum_, geschreven. Het is de algemeene naam aan
Boeddhistische geestelijken gegeven en de Japansche uitspraak van den
Chineeschen naam _Fă-szi_, die _wetmeester_, leeraar der wet
beteekent.”
Bij onze oude schrijvers leest men telkens het woord _Bonze_, ook
_Bonziër_, waar van Japan en China sprake is. Ik zal slechts enkele
voorbeelden bijbrengen. S. de Vries, „Curieuse Aenmerckingen”, II,
bl. 592: „Hij voeghden er bij hoedaenighe cierlycke redenen de
welspreeckende en hoogst voorname secte der Bonziërs bij de Japanners
hielden”. Valentijn, V, 2, bl. 145: „De Japanders hebben daartoe ook
hunne bijzondere priesters, _Bonzes_ genaamd”. „Batavia in derzelver
gelegenheid”, III, bl. 27: „Deeze afgodt Fo werdt uit de Indiën naar
China overgebragt door zijne priesters, gewoonlijk Bonzen genoemd,
omtrent in 't twee en dertigste jaar onzer tijdrekening.”
Bouw.
Bouw is de zeer gebruikelijke, ook in Nederland algemeen bekende,
verhollandschte vorm van het Javaansche _bahoe_, synoniem met het
ons minder bekende karjô. _Bahoe_ beteekent oorspronkelijk zooveel
akkergrond als één man met zijn gezin bewerken kan; maar toen wij
begonnen zijn ons met den grond der Javanen te bemoeien, hebben wij ons
ook hunne landmaat meer of min toegeëigend, en niet alleen haren naam
vernederlandscht, maar ons ook veroorloofd hare waarde nauwkeuriger te
bepalen. Een bouw wordt thans in alle Gouvernementsstukken gerekend
op 500 vierkante Rijnlandsche roeden. Het is te eer noodig op den
Javaanschen oorsprong van dit woord opmerkzaam te maken, daar de
onkundige licht geneigd zou zijn het voor een echt Nederlandsch woord,
in den zin van een stuk _bebouwden_ grond, aan te zien.
Een moeilijker vraag is het, hoe het woord _bahoe_, dat eigenlijk
_arm_, _bovenarm_, _schouder_ beteekent, en die beteekenis in het
Maleisch steeds behoudt, in het Javaansch in die van eene groote
landmaat is kunnen overgaan. Misschien heeft men aan het woord de
beteekenis van _de kracht eens arms_, eens _mans kracht_ gaan hechten,
en vandaar vervolgens die van een stuk lands, waarvoor, als er
werkbare of weerbare mannen gevorderd werden, ééns mans kracht,
dus één man, moest gesteld worden. Men herinnere zich hierbij dat de
heeredienstplichtigheid op Java, volgens oude herkomst, aan het bezit
van den grond verbonden was.
Creool.
Een creool is een blanke bewoner van Zuid-Amerika en de Westindische
eilanden, van vaders- en moederszijde van Europeesche afkomst, maar in
de koloniën geboren. Hij staat tegenover den Europeeschen kolonist door
het land zijner geboorte en tegenover den kleurling door de zuiverheid
van zijn Europeeschen oorsprong.
Zoo ongeveer wordt dit woord gewoonlijk verklaard en opgevat, maar er
is in die verklaring iets eenzijdigs; want men kent in Brazilië ook
neger-creolen, d. z. kinderen van negers en negerinnen, maar in Amerika
geboren en als zoodanig overgesteld aan de negers uit Afrika
aangevoerd.
Wat meer is, oorspronkelijk schijnt creool eer de in Amerika geboren
negerslaven dan de daar geboren blanken aan te duiden. Het Portugeesche
_crioulo_, waarvan ons creool afkomstig schijnt te zijn, beteekent
volgens Moraes Silva: „O escravo, que nasce em casa do senhor; o animal,
cria, que nasce em nosso poder;” d. i.: de slaaf die geboren wordt in
het huis zijns meesters; het dier, jong, dat geboren wordt in onze
macht. _Crioulo_ als adjectief verklaart dezelfde lexicograaf door „nâo
comprado”, d. i. niet gekocht. En dat ook _creool_ oorspronkelijk niets
anders dan een in het huis des meesters geboren slaaf beteekende en
in Suriname die beteekenis zelf zeer lang behouden heeft, blijkt uit
Hartsinck's „Beschrijving van Guiana” (Amst. 1770), D. II, bl. 899:
„Nog hebben wy tot slaaven, die in onze volkplantingen uit slaaven
gebooren worden, _Creoolen_ genaamd, die men voor de beste en trouwste
lijfeigenen houdt; men noemt ze Creoolen om hen te onderscheiden van de
_zoutwater Negers_, welken naam men toeëigent aan alle slaaven die van
Africa ingevoerd worden.”
Van oudsher werden de slaven in het algemeen onderscheiden in: „de
ingeborenen des huizes en de voor geld gekochten” (zie b. v. Gen. XVII:
12, Levit. XXII: 11), en overal werden eerstgenoemden, in het Latijn
_verna_ geheeten, om hunne trouw hooger geschat. Dezelfde tegenstelling
bestond natuurlijk ook in de Spaansche en Portugeesche bezittingen in
Amerika. De crioulo's als _vernae_ waren in de kolonie geboren; maar
terwijl de oorspronkelijke beteekenis van het woord allengs in
vergetelheid raakte, dacht men daarbij weldra nog slechts aan dat
geboren zijn in een ander land dan dat der afstamming, en kende dus den
naam crioulo toe aan alle negers, hetzij slaaf of vrij, in Amerika
geboren, en aan de blanken die ten opzichte van het verschil tusschen
geboorte- en stamland in dezelfde omstandigheden verkeerden.
Zoo kan men zich den oorsprong der tegenwoordige beteekenis van het
woord creool zeer geleidelijk voorstellen; mocht echter historisch
kunnen bewezen worden, dat de naam vroeger aan de blanke dan aan de
zwarte creolen gegeven is, dan zou men moeten aannemen, dat er een
eenvoudige metaphora had plaats gehad van den _ingeborene des huizes_
tot den _ingeborene des lands_.
Mijne verklaring van het woord _creool_ verschilt eenigszins van de
gewone, die het afleidt van het Spaansche _criollo_. Dit woord is
ongetwijfeld slechts een eenigszins gewijzigde vorm van het Portugeesche
_crioulo_; maar dit laatste schijnt mij het oorspronkelijke te zijn,
althans indien het juist is, wat uit het woordenboek der Spaansche
Akademie schijnt te blijken, dat _criollo_ niet gebruikelijk is in de
beteekenis van _verna_, maar alleen in die van: „el hijo de padres
europeos, nacido en America”, die echter uit die van _verna_ schijnt
te zijn afgeleid.
Intusschen is de oorsprong van het Portugeesche _crioulo_ zelf niet
geheel zonder zwarigheid. Moraes Silva geeft door de verklaring van het
voorbeeld _gallinha crioula_ (in het huis des eigenaars uitgebroede hen)
door de woorden: „que nasce e se cria em casa” (die in het huis geboren
en opgevoed wordt) genoeg te kennen, dat hij crioulo in verband brengt
met het werkwoord _criar_. _Criar_ is in het Portugeesch een tweede vorm
voor _crear_, het latijnsche _creare_. Het werkwoord _criar_ of _crear_
beteekent volgens Moraes Silva: 1o. uit niets voortbrengen, scheppen;
2o. veroorzaken, teweegbrengen; 3o. voortbrengen, van zich geven; 4o.
zogen, voeden; 5o. opvoeden. In de tegenwoordige taal wordt in de drie
eerste beteekenissen gewoonlijk _crear_, in de beide laatste, meer
afwijkende, _criar_ gebruikt. _Se criar_ beteekent dus: opgevoed worden,
opgroeien. Hieruit moet men dus opmaken dat crioulo oorspronkelijk een
voedsterling, _alumnus_, aanduidt, wat lichtelijk in de beteekenis van
een in het huis des meesters geboren en opgevoeden slaaf kon overgaan.
Niet in deze beteekenis schuilt dus het bezwaar, maar alleen in den
vorm; want die uitgang _oulo_ schijnt geheel onregelmatig en zonder
voorbeeld te zijn.
Intusschen bestaat het woord _crioulo_ in de beteekenis van _verna_ in
de Portugeesche taal, en de tweede beteekenis, die van _creool_, laat
zich daaruit geleidelijk verklaren. Er kan dus nauwelijks reden zijn om
met sommigen aan te nemen, dat creool eigenlijk een Caraïbisch woord is,
waarvoor men te vergeefs een oorsprong in eenige taal van Europa zou
zoeken.
Ik geloof hier nog te moeten bijvoegen, dat het woord creool in het
spraakgebruik niet altijd strikt de beteekenis behoudt, die er in de
woordenboeken aan wordt toegekend, maar vaak ook de verschillende
graden, vooral de lichtere, van kleurlingen omvat, die in de
Westindische koloniën geboren zijn. Zie b. v. Dumontier, in „Catalogus
der afdeeling Ned. Koloniën van de Amsterdamsche Tentoonstelling in
1883,” bl. 152. In onze Westindische bezittingen zijn creolen, ongeveer
wat wij in onze Oostindische bezittingen _inlandsche kinderen_ noemen.
De vorm van het Portugeesche woord heeft in zijn overgang tot andere
talen slechts geringe wijziging ondergaan. Wij zagen reeds dat het in
het Spaansch _criollo_ luidt. In het Ital. werd het _creólo_, in het
Fransch _créole_, in het Engelsch _creole_, in het Duitsch _creole_ en
in het Nederlandsch _creool_.
Mulat.
Door dit woord worden aangeduid die geboren zijn uit een blanken man en
eene negerin of uit eene blanke vrouw en een neger, alsmede (tot zekere
hoogte althans) die gesproten zijn uit mulatten en blanken. Het woord
behoort uit den aard der zaak vooral op de Westkust van Afrika en in
West-Indië te huis, waar wij het hebben overgenomen van de Spanjaarden
en Portugeezen. De Engelschen kennen het evenzeer in den vorm _mulatto_,
de Franschen in dien van _mulâtre_.
Omtrent den oorsprong van dit woord bestaan twee gevoelens. Volgens het
eerste stamt het af uit het Arabisch en wel van _moewallad_, waaraan men
de beteekenis toekent van „iemand die uit een Arabischen vader en een
vreemde moeder (slavin) of uit een slaaf en eene vrije Arabische moeder
geboren is”. Deze verklaring is het eerst gegeven door Reiske in eene
noot op „Abulfedae Annales Moslemici”, I, p. 264; beaamd door de Sacy
„Chrestomathie Arabe”, II, p. 155, en opgenomen in Freytag's Arabisch
Woordenboek en in Engelmann's „Glossaire des mots Espagnols”, etc.
Vandaar dat ik in mijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen”, in
„de Gids” voor 1867, D. I, mij verwonderde dat dit woord, aan welks
afkomst uit het Arabisch ik toen niet twijfelde, niet in dat boekje was
opgenomen.
Later evenwel heb ik ingezien, dat dit woord niet van moewallad kan zijn
afgeleid om de volgende redenen.
1o. Vooreerst is de beteekenis van _moewallad_ door Reiske en de Sacy
niet juist opgegeven. Het beteekent: een onder de Arabieren opgenomen
vreemdeling, iemand die tot Arabier aangenomen, als zoodanig
genaturaliseerd is, of, zooals het is uitgedrukt in Zamachschari's
„Lexicon Arabico-Persicum”: „iemand die uit vreemden onder de Arabieren
geboren en met de kinderen der Arabieren naar hunne zeden opgevoed is”.
Prof. Dozy zegt, in zijne vermeerderde uitgave van het „Glossaire des
mots Espagnols” enz., p. 384, dat in Spanje, tijdens de Arabische
heerschappij, de naam van _moewallad_ werd gegeven aan de Spanjaarden
die den Godsdienst der Arabieren aangenomen hadden en dus onder de
Arabieren waren opgenomen. De plaatsen van Abulfeda en Makrizi, die
tot de verklaring van Reiske en de Sacy aanleiding gaven, kunnen
ongetwijfeld even goed van geadopteerde Arabieren als van personen van
gemengde afkomst worden opgevat.
2o. Evenmin als de beteekenis, begunstigt ook de vorm van het woord
_moewallad_ de bedoelde afleiding. Eene samentrekking als van
_moewallad_ tot _mulat_ zou in de Romaansche talen zonder voorbeeld
zijn. Alleen in het Javaansch zou men misschien een voorbeeld van zulk
eene samentrekking kunnen vinden, namelijk in _modin_ voor het Arabische
_moadzdzin_, den uitroeper van het gebed. Maar zelfs dit voorbeeld zou
vervallen als men kon toonen, dat de Javanen dit woord in den evenzeer
bestaanbaren, ofschoon dan ook minder gebruikelijken, vorm _moedzin_
van de Arabieren of Perzen kunnen ontvangen hebben.
De tweede afleiding van mulat is veel eenvoudiger; zij is die welke
Engelmann met de volgende woorden verwerpt: „il va de soi-même que ce
mot n'a rien de commun avec _mule_, dont on a voulu le deriver”. Ik zeg
daarentegen met Prof. Dozy, die trouwens zelf reeds t. a. p. heeft
opgemerkt, dat ik later van gevoelen was veranderd: „Je dois avouer que
j'approuve au contraire l'étymologie repudiée par M. Engelmann”.
Ik moet hier evenwel met een woord zeggen, welke zwarigheid mij
aanvankelijk vooral weerhield, mulat met den muilezel in verband te
brengen. Deze heet in het Latijn _mulus_, in het Spaansch _mulo_, in het
Portugeesch gewoonlijk _mu_ (afgekort uit _mulo_, waarvan echter het
vrouwelijk _mula_ nog in gebruik is). Later evenwel is mij gebleken,
dat ook de verlengde vorm _mulato_ oudtijds in het Portugeesch den
muilezel aanduidde. Dit wordt uitdrukkelijk opgegeven in het Wdbk. van
Moraes Silva, die als voorbeeld deze woorden van Sa Miranda aanhaalt:
„ou dormindo no mulato”. Het is dus dit _mulato_ zelf (waarmede men
het Fransche _mulet_ vergelijke), dat figuurlijk de personen van
half-blanke, half-zwarte afkomst aanduidde, gelijk de muilezel half
paard, half ezel is. En zoo wordt het ook door Moraes Silva opgevat. Op
het eerste gezicht heeft deze verklaring wel iets van een snaakschen,
inval; maar deze zwarigheid vervalt als men bedenkt, dat de kleurlingen
eene verachte kaste vormen, ten wier koste het volk zelf deze
geestigheid van hen muilezels te noemen, zeer wel kan hebben uitgedacht.
Voor de afkomst van _mulat_ uit het Spaansch of Portugeesch pleit ook
nog dat wij Creool en Mesties, woorden die tot dezelfde klasse behooren
(zie het voorafgaande en het volgende artikel) aan dezelfde natiën
verschuldigd zijn.
Mesties.
Onze oude schrijvers schreven _Mestice_ of ook wel _Mixtice_ en
_Mixstice_. Deze laatste vormen moesten zeker toonen, dat zij daarin het
Latijnsche _mixtus_, deelwoord van _miscere_, mengen, erkenden. Toch
bewijzen de gewone vormen, dat wij ook dit woord van de Portugeezen en
Spanjaarden ontvangen hebben, die ook in het Latijn den vorm met _x_
reeds met _mistus_ afgewisseld vonden. Wij zullen dus, om het gebruik
van dit woord goed te leeren kennen, ook nu weder de beste Spaansche en
Portugeesche woordenboeken raadplegen. In het Spaansch schrijft men
_mestizo_, en het woordenboek der Spaansche Akademie zegt daarvan:
„_Mestizo_ se aplica a la persona o animal nacido de padre y madre de
diferentes castas”, d. i.: _Mestizo_ wordt gebruikt van een persoon of
van een dier, geboren uit vader en moeder van verschillenden stam.
Evenzoo leest men in het Portugeesche woordenboek van Moraes Silva op
_mestiço_ of _mistiço_: „Filho de animaes que nâo sâo da mesme especie”,
d. i.: afstammeling van dieren die niet van dezelfde soort zijn. Dit
is dus de eerste en algemeene beteekenis, die het woord nooit heeft
verloren. Vooral blijkt dit uit het gebruik van _métis_ (hetzelfde woord
met uitstooting der s) en den bijvorm _métif_ in het Fransch. Zoo
spreekt men van „animaux métis”, „fleurs métisses”, „mestiz Français,
demi Bourgoings”, en figuurlijk „une classe métive également étrangère
à la noblesse et au tiers état”. Zie het woordenboek van Littré op
_Métis_. Zoo ook spreekt Mallat, „les Philippines”, II, p. 133, van
_métis Chinois_, waardoor hij de afstammelingen van Chineezen en
inlandsche vrouwen te Manilla aanduidt, de klasse die wij te Batavia
_perănakan tjina_ noemen.
Maar behalve deze algemeene beteekenis van persoon of dier van gemengde
afkomst, heeft het gebruik aan mesties eene speciale beteekenis gegeven,
waardoor het eene bijzondere klasse van kleurlingen aanduidt. Het
woordenboek der Spaansche Akademie laat op de aangehaalde woorden
volgen: „Dicese con especialidad del hijo de Español y India”, d. i.:
Inzonderheid zegt men het van den zoon eens Spanjaards en eener
Indiaansche vrouw. Aan deze speciale beteekenis houdt zich het „Nieuw
Ned. Woordenboek” van van Dale met de omschrijving: „afstammeling van
eenen blanke en eene Indiaansche (Amerikaansche) of van eenen Indiaan en
eene blanke”. Bij Moraes Silva zijn de woorden: „O filho de Europeu com
India, branco com mulata, etc.”, d. i.: zoon van een Europeaan met eene
Indiaansche, van eenen blanke met een mulattin enz., meer als
voorbeelden van het gebruik van mesties te beschouwen.
Zoowel in onze Oost- als in onze Westindische bezittingen hebben wij
het woord _mesties_ van de Spanjaarden of Portugeezen overgenomen.
In Oost-Indië, waar geene negers en dus ook geen mulatten voorkomen,
maar men de inlanders, schoon zeer ten onrechte, zwarten noemde,
waren mixsticen volgens Valentijn, II, 1, bl. 256: „kinderen of van
Hollandsche vaders en swarte moeders (want nooit heb ik daar kinderen
van een blanke moeder en swarte vader gesien, nog daar af gehoort) of
wel van swarte moeders en Portugeesche vaders, die men Toepassen noemt,
zijnde afsetsels der Portugeesen, die in de eerste tijden met eygen
bewilliging hier gebleven zijn.” Valentijn spreekt hier wel bepaaldelijk
van Amboina, maar hetzelfde gold van al de Indische gewesten onder het
beheer der Compagnie. Zoo onderscheidt Nic. de Graaf in zijne „Voyages
aux Indes Orientales”, bl. 290, de vrouwen te Batavia in „Hollandoises,
Indiennes, Mestices et Kastices”. De _Hollandoises_ zijn de in
Nederland geborene, die naar Indië zijn overgekomen; de _Indiennes_ of
_Hollandoises-Indiennes_ de in Indië uit Hollandsche ouders geborene;
de _Mestices_ die gesproten zijn uit een Hollandschen vader en eene
inlandsche vrouw; de _Kastices_ (zie het volgend artikel) de kinderen
van een Hollandschen vader en eene _Mestice_. Vgl. ook nog „Batavia in
hare gelegenheid” enz., D. III, bl. 3[4]. De namen Mesties en Kasties
worden thans in Ned. Oost-Indië weinig meer gehoord.
[4] Welk eene zonderlinge voorstelling men zich, toen dit werk
geschreven werd (1783), nog in het moederland van de Javanen en
Maleiers vormde, blijkt uit het volgende. De Graaf had geschreven:
„Les Mestices sont venus d'un Hollandais et d'une Moresse”. Hij had
het woord Moresse, in navolging van de Portugeezen, gebruikt voor
eene inlandsche vrouw, niet met het oog op hare kleur, maar van
haren godsdienst (zie hierover het art. _Moor_). In het aangehaalde
werk worden nu de woorden van de Graaf vertaald door: „Mestische
zijn eindelijk diegene, welke door een blanken vader bij een
_pikzwarte_ moeder zijn geteeld”.
In Ned. West-Indië zou, volgens Dr. Dumontier (in den Catalogus der
afd. Ned. Kolon. van de Amsterd. Tentoonstelling van 1883, Groep I, bl.
152) Mesties eene speciale beteekenis hebben, die evenwel van die bij
de Spanjaarden verschilt; de Mestiezen zouden daar de afstammelingen
zijn, niet van een blanken vader en een Indiaansche vrouw, maar van een
blanken vader en een mulattin, terwijl de afstammelingen van een blanken
vader en een mestiezin _kastiezen_ zouden heeten. Van Sijpesteyn,
„Beschrijving van Suriname”, bl. 161, bepaalt zich tot de opmerking,
dat de kleurlingen, naarmate zij meer tot het blanke type naderen,
Mestiezen, Kastiezen en Poestiezen worden geheeten.
Kasties.
Gelijk _mesties_ overeenkomt met het Spaansche _mestizo_ en het
Portugeesche _mestiço_, is het in het vorige artikel reeds een paar
malen vermelde _kasties_ gelijk aan het Spaansche _castizo_, en het
Portugeesche _castiço_, afstammende van _casta_, waarvan ons _kaste_
komt, waaraan vroeger reeds een artikel werd gewijd. _Castizo_ en
_castiço_ beteekenen _van goed, zuiver ras_ (vandaar _cavallo castiço_,
een raspaard, een dekhengst). Het woord is dus uit zijn aard niet zeer
geschikt om voor eenige soort van kleurlingen gebezigd te worden; maar
vele woorden hebben nevens de absolute ook een relative beteekenis,
gelijk men b. v. vele zaken _wit_ noemt die in het geheel niet zuiver
wit zijn, maar relatief wit in vergelijking met andere. Te Goa, de
hoofdstad der Portugeesche bezittingen in Indië, noemt men kastiezen,
niet te onrecht, in tegenstelling met de personen van gemengde afkomst,
degenen die, hoewel in de koloniën geboren, toch van zuiver Europeesch
ras zijn, daar beide ouders daartoe behooren (dus _Creolen_ in den meest
gewonen zin). Maar in de Nederlandsche Koloniën heeft men _die_ klasse
van kleurlingen _kastiezen_, genoemd die, door herhaalde kruising met
blanken, reeds zoozeer tot de volkomen blanken naderen, dat, wanneer
nog ééne kruising met blank bloed plaats heeft, de carnatie der
kinderen niet meer van die der Europeanen te onderscheiden is. Zoo
zegt Valentijn, II, 1, bl. 256: „de kinderen van een mixstice en een
Hollander noemt men poestiçen, en de kinderen van een poestiçe en een
Hollander castiçen, die bijna zoo blank als een Hollander zijn, en na
welke men de kinderen, uit de volgende huwelijken voortkomende, weer
onder de Hollandsche telt.” Hiermede stemt overeen N. de Graaf, op de
plaats in het art. _Mesties_ aangehaald, behalve dat hij de poestiezen
overslaat, die door Valentijn tusschen de mestiezen en de kastiezen zijn
ingeschoven. Waarschijnlijk heeft hij die onder de mestiezen
medegerekend.
In Nederlandsch West-Indië, waar men ook met _mesties_ wel een weinig in
de war schijnt te zijn, is de beteekenis van _kasties_ geheel miskend.
Zoowel volgens van Sijpesteyn als volgens Dr. Dumontier (zie de plaatsen
aangehaald in het art. _Mesties_) staan de _poestiezen_ niet, gelijk bij
Valentijn tusschen de mestiezen en de kastiezen, maar nog achter deze
laatsten, als afstammelingen van een blanken vader met een kastiezin,
en volgens Dumontier bestaat er zelfs nog een lichtere graad van
kleurlingen dan de poestiezen, namelijk de _testiezen_, gesproten
uit een blanken vader met eene poestizin en omgekeerd. Maar wanneer
er nog twee graden tusschen een kasties en een blanke staan, heeft
eerstgenoemde, dunkt mij, nog weinig recht om zelfs in betrekkelijken
zin een persoon van zuiver ras genoemd te worden.
Ik kan in geen enkele taal behalve de onze een spoor vinden van die
woorden poesties en testies. Hun oorsprong is mij onbekend en de _oe_
in het eerstgenoemde woord is iets zoo eigenaardig Hollandsch, dat
ik nauwelijks de gedachte onderdrukken kan, dat wij hier met door de
Nederlanders naar de analogie van mesties en kasties gevormde
kunstwoorden te doen hebben.
Onder de namen voor soorten van kleurlingen vind ik ook nog _Terceronen_
en _Quarteronen_ of _Quadronen_. Deze namen hebben het voordeel dat zij
door hun vorm zelf den graad van bloedmenging aanduiden; maar wanneer
ik nu als verklaring van _Terceroon_ vind opgegeven: afstammeling van
een Europeaan en eene mulattin, en van _Quarteroon_: afstammeling van
een Europeaan en van een terceronin of mesties (Kramer's „Algemeene
Kunstwoordentolk”, 4e druk, in v. v. _quart_ en _tercero_), dan weet
ik weer niet waar mij aan te houden, daar mesties òf kleurling in het
algemeen, òf, volgens speciaal Spaansch gebruik, een afstammeling van
een blanke met een Indiaansche, òf eindelijk, volgens Dr. Dumontier,
juist zelfs een afstammeling van een Europeaan en een mulattin (dus
hetzelfde als volgens de hier gegeven verklaring terceroon) beteekent.
In het belang der anthropologie wordt eene vaststelling van den zin
dezer verschillende benamingen dringend gevorderd.
Karboeger.
Een bijzondere soort van kleurlingen wordt in Suriname door den naam van
Karboeger aangeduid. Eigenlijk zijn de Karboegers een stam van Indianen,
die de oevers der Tebiti-rivier, een zijtak van de Coppename, bewoont.
Deze Karboeger-Indianen onderscheiden zich van andere Indiaansche
stammen door een donkerder huidkleur en gekroesd haar. Zij zijn
blijkbaar een gekruist ras, en men beweert dat zij afstammen van
Caraïben, die van een gestrand schip de mannen gedood en de vrouwen
weggevoerd hebben. Te Paramaribo geeft men den naam van Karboegers aan
kinderen van negers en mulattinnen of negerinnen en mulatten, die dus
drie vierden negerbloed hebben en een terugtred tot het zuiver zwarte
ras maken. Zij heeten waarschijnlijk zoo omdat hunne carnatie het meest
met die der Karboeger-Indianen overeenkomt. Zie over hen van Sijpesteyn,
„Beschrijving van Suriname”, bl. 161, en Dr. Dumontier in „Catalogus der
Ned. Koloniale afd. van de Amsterdamsche tentoonstelling van 1883”,
Groep I, bl. 151.
Liplap.
Naam die vooral op Java, misschien ook elders in Nederlandsch-Indië,
gegeven wordt aan eene zekere klasse van personen, in hoofdzaak
afstammende van de Portugeezen die tijdens de verovering der bezittingen
van Portugal door de Ned. O.-I. Compagnie in hare nederzettingen
gevestigd bleven en de Hervormde kerkleer aannamen, en te wier behoeve
te Batavia en elders langen tijd in de Portugeesche taal werd gepredikt,
totdat deze schier geheel door de Maleische verdrongen was. Ofschoon van
Europeanen, althans Europeesche vaders, die vóór twee à drie eeuwen
leefden, afstammende, moeten zij echter, wegens de sterke inmenging van
inlandsch bloed, als kleurlingen beschouwd worden. Doorgaans onder
elkander huwende of zich weder met inlandsche vrouwen verbindende,
leven zij schier geheel gescheiden van de Europeanen of kleurlingen van
nieuweren oorsprong, en vormen bijna een eigen ras, dat een mengelmoes
van Maleisch en Hollandsch van de slechtste soort als taal heeft
aangenomen, eigenaardige gewoonten volgt en zich, tengevolge van
grove verwaarloozing, veelal door groote stompzinnigheid en onkunde
onderscheidt.
„Geplaatst”, zegt van Rees, „Herinneringen uit de loopbaan van een
Indisch officier”, 3e druk, 1e serie, bl. 239, „tusschen Europeanen, die
zich niet met hunne vorming bemoeien, en inlanders, waarmede zij zich
niet willen afgeven, blijven zij op een lagen trap van ontwikkeling
staan”. Beide seksen zijn bijzonder keurig op hunne kleeding, die bij
de mannen, _signo's_ geheeten, zeer nauwsluitend en stijf is, maar
bij de vrouwen, die _nonna's_ genaamd worden, en er in hare jeugd
dikwijls allerliefst uitzien, zich door bevalligheid en goeden smaak
onderscheidt. De mannen schrijven doorgaans eene fraaie hand, en worden
dus dikwijls als kopiïsten gebezigd, maar begrijpen vaak zoo weinig van
hetgeen zij schrijven, dat hunne kopiën van fouten wemelen; de vrouwen
zijn vaardig in handwerken, hebben eenigen aanleg voor muziek en zijn
hartstochtelijke danseressen.
De naam _liplappen_ dien men hun geeft, en die ook wel, misschien beter,
_liblabben_ geschreven wordt, is uit geene bekende taal te verklaren,
of men moest er, met sommigen op Sumatra's Westkust, het Bataksche
_liplip_ in vinden, hetwelk beteekent: _iemand als zijn bloedverwant
verloochenen, omdat men zijne schulden niet wil betalen_. Zie v. d.
Tuuk, Bataksch Wdbk., bl. 484. Deze verklaring is echter geheel
onaannemelijk; behalve dat de beteekenis in het geheel niet past, was
de naam van Liplap reeds te Batavia in gebruik, toen men er zelfs
den naam der Bataks te nauwernood kende. _Liplap_ schijnt mij een
komisch, willekeurig gevormd woord te zijn, op de wijze van _mikmak_
en dergelijke,—een spotwoord dat, eenigszins geluidnabootsend, op de
hoogst gebrekkige en belachelijke taal dezer klasse van kleurlingen
wijst.
In de beruchte „Relation de la ville de Batavia”, als aanhangsel
gevoegd bij de „Voyages aux Indes Orientales” van Nic. de Graaf, komt,
bl. 291, eene plaats voor over de vrouwen te Batavia, waarin van de
Hollandoises-Indiennes, dat zijn de in Indië uit Europeesche ouders
geborene meisjes, gezegd wordt: „on les appelle ordinairement les
Enfants _Liblabs_; la plus part de celles-ci ont, a ce qu'on dit, le
timbre un peu felé”. Ik weet niet recht wat ik van deze woorden maken
moet. Is de naam _Liblab_ in de Graaf's tijd (omstreeks 1720) de
speciale naam geweest der in Indië uit Europeesche ouders geboren
vrouwen, of schuilt er iets bijzonders in dat _Enfants_ Liblabs? Dat
destijds de toon der Bataviasche Maatschappij uitermate slecht was,
dat ook Europeesche ouders de opvoeding hunner kinderen schandelijk
verwaarloosden, ze vaak geheel aan slaven overlieten en zelfs niet
zorgden, dat zij de Nederlandsche taal leerden, en dat de dochters zich
in reine zeden en beschaafde manieren vaak weinig boven de Liplapsche
dames verhieven, zijn zeker maar al te bekende zaken; maar dit is
toch de eenige plaats die mij ooit is voorgekomen, waarin dames van
onvermengd Europeesch bloed, in weerwil van, ja men zou zeggen juist om
hare zuiver Europeesche afkomst, _Liplappen_, of eigenlijk, wat nog
vreemder is, _Liplapsche kinderen_ worden genoemd. Wie tegenwoordig het
wagen mocht eene dame van zuiver Europeesch bloed, die gewoonlijk te
Batavia zelve al de voordeelen eener Europeesche opvoeding heeft genoten
en in niets bij hare zusters in het vaderland achterstaat, eene Liplap
of een Liplapsch kind te noemen, zou haar eene grove en waarschijnlijk
geheel onverdiende beleediging toevoegen.
Wetanger.
In de „Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië”,
N. V., D. I, wordt, in een rapport over den staat van Bantam in 1786,
op bl. 147 gewag gemaakt van _Wettangers_ of Compagnies-onderhoorigen.
De Redactie tracht dit woord in eene noot te verklaren, en noemt het
„een bastaardwoord ontleend aan _Wettang_ (_wetan_), het Oosten, zoodat
Wettangers „menschen uit het Oosten” zou beteekenen”. Die verklaring is
echter zeer onvoldoende. Waar komen die Oosterlingen van daan? Waarom
wordt in een land, waar Makassaren, Boegineezen, Timoreezen, Alfoeren,
Papoea's en ik weet niet hoevele stammen meer, terecht „Oosterlingen”
kunnen genoemd worden, die naam in het bijzonder geschonken aan een
klein deel der bevolking, dat er bezwaarlijk een speciaal recht op
hebben kon?
Wij weten thans beter wat in den tijd der Compagnie de _Wettangers_ of
liever _Wetangers_ waren, uit het „Resumé van het onderzoek naar de
rechten van den Inlander op den grond in Bantam”, bl. 3. Ziehier wat wij
daar lezen: „Zij waren tot zekere straffen veroordeeld en gehouden tegen
de zeeroovers en ander kwaad volk in straat Soenda en langs de kusten te
kruisen, omtrent de schepen te rapporteeren en andere zware diensten te
doen, hetgeen ten gevolge had dat velen zich daaraan onttrokken, door
zich in de bovenlanden te vestigen. Zij waren verplicht nabij St.
Nikolaaspunt te wonen.”
De toestand dezer Wetangers schijnt mij verklaard te moeten worden uit
het inlandsch recht, volgens hetwelk schuldenaars, die hunne schulden
niet kunnen betalen, ter voldoening daarvan tot lichamelijke diensten
ten behoeve hunner schuldeischers verplicht worden, en dus in een staat
van onvolkomen slavernij verkeeren. Men noemt zulke pandelingen _orang
beroetang_ of _orang oetangan_, en uit dit laatste woord schijnt
_wetanger_ verbasterd. Zij zullen dus als het ware pandelingen der
Compagnie zijn geweest, haar door den rechter toegewezen om door
persoonlijke diensten de boeten of andere straffen te vervangen, hun
wegens misdrijven opgelegd.
Mardijker.
Mardijker is de vernederlandschte vorm van het Maleische _mardaheka_
of _mardeka_, Jav. _mardikô_, vrij, een vrij man, die niet tot
heerediensten verplicht is. Men noemde _mardijkers_ eene klasse van
inlanders, die in de geschiedenis van Insulinde eene vrij belangrijke
rol heeft vervuld, maar omtrent wier oorsprong en beteekenis veel
onzekerheid heerscht. Men vindt reeds sporen van het bestaan der
Mardijkers onder het Portugeesch bestuur, dat aan onze verovering der
Molukken is voorafgegaan. Zie Valentijn II, 1, bl. 123; 2, bl. 16. Het
is waarschijnlijk hun naam die Valentijn en anderen op het denkbeeld
heeft gebracht, dat zij afstammelingen waren van vrijgegeven of
vrijgekochte slaven; maar, ofschoon het zeer mogelijk is, dat velen
onder hen inderdaad vrijgelatenen of afstammelingen van dezen geweest
zijn, staat het toch vast dat het woord niets meer beteekent dan een
vrijman, onverschillig of hij al of niet eenmaal tot den slavenstand
heeft behoort. Men leert evenwel ook nog uit dien naam, dat de bedoelde
vrije lieden geen Europeanen, maar inlanders waren; want waarom zou men
ze anders een Maleischen naam gegeven hebben? De vrije, niet in dienst
der Compagnie staande of door haar bezoldigde Europeanen, met andere
woorden, de blanken die als kolonisten naar Indië waren gekomen, werden
Vrijburgers genoemd; zulke Vrijburgers waren nu ook de Mardijkers, maar
als men hen met den naam van Vrijburgers noemde, voegde men er doorgaans
tot onderscheiding _zwarte_ bij, daar men gewoon was alle inlanders
_zwarten_ te noemen.
De kolonel Haga, die ons, als inleiding tot een lezenswaardige
verhandeling over de Mardijkers van Timor (in het Tijdschrift v. het
Bat. Gen., Dl. XXVII, blz. 191), de resultaten van zijn zorgvuldig
onderzoek over de Mardijkers heeft medegedeeld, erkent als het doel
dezer instelling, een inlandsch element te scheppen, dat, onder het
rechtstreeksch bestuur der overheerschers geplaatst en door voorrechten
aan deze verbonden, een tegenwicht zou helpen vormen tegen de massa der
inheemsche bevolking. Het lag in den aard der zaak, dat men onder die
Mardijkers oorspronkelijk alleen zulke inlanders opnam, die, ter plaatse
waar men ze vestigde, vreemdelingen waren, welke of om eenige reden de
bescherming der Compagnie gezocht hadden, of door het voorspiegelen
van voordeelen waren gelokt. Later zich voortplantende en in aantal
wassende, erlangden zij, vooral te Batavia, eene belangrijke plaats in
de maatschappij. Velen dreven een aanzienlijken handel, inzonderheid in
kleedjes en kostbaarheden, waren vermogend en bewoonden fraaie huizen;
anderen leefden in de nabijheid der stad van tuin- en akkerbouw. Zie
Valentijn, IV, 1, bl. 254; „Batavia in derzelver gelegenheid”, III, bl.
35.
De Mardijkers werden tijdens de Compagnie ook voor schuttersdiensten
bestemd; waar hun aantal dit toeliet werden de weerbare mannen onder
hen in compagniën of vendelen ingedeeld. Zie b. v. de beschrijving van
Batavia in D. I der Verhandelingen van het Bat. Gen., bl. 61. Niet
zelden namen de Mardijkers ook deel in de militaire expeditiën door de
Compagnie uitgerust. Zie b. v. Baldaeus, Ceilon, bl. 71 en 80, en de
Jonge „Opkomst van het Ned. gezag,” D. VI, bl. CVIII en 171. Nergens
echter hebben de Mardijkers eene grootere rol vervuld dan op Timor;
alleen op dat eiland (te Koepang en Babauw) is nog onder dezen naam
eene afdeeling militairen, uit verschillende inlandsche en vreemde
elementen bestaande, in dienst gebleven. De verhalen echter omtrent
hunne heldendaden en de hun toegekende eerbewijzen bij een aanval der
Portugeezen in 1749, berusten slechts op mondelinge overlevering, en
het legendair karakter dezer berichten is door kolonel Haga in het
aangehaalde stuk duidelijk in het licht gesteld.
Te Batavia is de naam Mardijkers sedert lang in onbruik geraakt, en
vervangen door dien van Papangers. Radermacher en W. van Hogendorp in
hun beschrijving van de stad Batavia (Verhh. v. het Bat. Gen. I, bl. 61)
gebruiken Papangers en Mardijkers als synoniemen, en het Koloniaal
Verslag over 1849 zegt over die Papangers het volgende: „Dit corps,
samengesteld uit vrijgegeven slaven, Maleiers, Mooren, Bengaleezen en
hunne afstammelingen, die hun 16e jaar zijn ingetreden en hun 40e nog
niet hebben bereikt, is reglementair eene inlandsche schutterij en staat
dan ook, behoudens het gezag van den Resident, onder de bevelen van den
kommandant der schutterij. Zij onderscheidt zich echter van de boven
behandelde schutteren daardoor, dat zij geheel voor 's lands rekening
komt _buiten_ de schutterlijke kas, en geregeld al de wachten in de oude
stad betrekt tegen dagelijksche soldij. De diensten welke dit corps bij
voortduring verricht, geven reden tot tevredenheid”. In weerwil dezer
laatste woorden blijkt uit „Ind. Staatsbl.”, 1849, no. 17, dat de
Regeering destijds reeds het voornemen koesterde, het corps Papangers te
reorganiseeren of geheel op te heffen. Dit laatste schijnt eenige jaren
later gebeurd te zijn.
Van den oorsprong van den naam Papangers kan ik geene rekenschap
geven. Onder de vreemde Oosterlingen, te Amboina wonende, worden door
Valentijn, II, 1, bl. 156, ook Pampangers (bewoners van het gewest
Pampanga op Manilla) genoemd. Men kan aannemen dat onder de Mardijkers
ook afstammelingen van die natie scholen, maar, daargelaten dat het
woord Pampangers een _m_ te veel heeft, is het niet aan te nemen, dat
zij onder de Bataviasche Mardijkers ooit zoodanig het overwicht hebben
gehad, dat _hun_ naam dien van Mardijkers verdringen kon.
Toepassen.
Zoo heet een deel der bevolking van de door de Compagnie beheerde
gewesten, dat veel overeenkomst had met de Mardijkers en dikwijls met
hen verward wordt. Zoo lezen wij in „Batavia in derzelver gelegenheid”,
D. III, bl. 35: „de Mardijkers of Toepassers zijn Indianen van
verschillende natiën, volgens veler meening Toepassers genoemd,
omdat zij de zeden en godsdienst der volkeren, bij welke zij woonen,
lichtelijk, als bij toepassing, aannemen”. Valentijn onderscheidt echter
tusschen Mardijkers en Toepassen, en zegt dat deze laatsten, althans
te Amboina, afstammelingen zijn van Portugeesche vaders en inlandsche
moeders. De belachelijke verklaring van den naam Toepassers, zoo even
vermeld, zal wel niet vele voorstanders vinden; maar het woord is
klaarblijkelijk verhollandscht en zal moeten afstammen van het een of
ander inlandsch woord, dat met het Nederlandsche woord _toepassen_ eene
toevallige overeenkomst had. Het zal dus gevormd zijn op de manier van
_kaalkop_ van _kakap_, _passeerbaan_ van _paséban_, _boetjongen_ van
_boedjang_, _Bokje_ van _Boegis_ of _Boeginees_, _Baviaan_ van (het
eiland) _Bawéan_, en andere dergelijke producten van Europeesche
onwetendheid of valsch vernuft. Zulk een woord vinden wij in het
Malabaarsche _toepay_, dat volgens Canter Visscher, „Mallabaarse
brieven”, bl. 121, _tolk_ beteekent. Men werpe niet tegen dat deze
verklaring niet met de klankwetten strookt; zulke willekeurige
verbasteringen zijn aan geen wetten onderworpen. Canter Visscher
bevestigt de meening van Valentijn, dat de Toepassen in hoofdzaak van
Portugeesche vaders en inlandsche vrouwen afstammen, en verzekert ons,
dat zij, ofschoon met slavenkinderen en vrijgelaten slaven van allerlei
natiën vermengd, zich veel op hunne Portugeesche afkomst lieten
voorstaan. Allen echter werden door hen afgestooten die niet den
Roomschen godsdienst beleden. „Daar wordt”, zegt gemelde schrijver, die
een langen brief aan de Toepassen wijdt, „een groote menigte van deze
Toepassen gevonden door Mallabaar en bijzonderlijk aan den zeekant en
bij Fortressen en Losiën (Loges) der Europeanen; men vindt er ook
vele in en rondtom deze stad Couchim, die zich generen met allerlei
Ambagten....... ook begeven zich degene welke buiten de stad wonen tot
den landbouw. Daarbij worden ze van de E. Maatschappij gebruikt in den
oorlog, of tot het bezetten van Posten, daar ze meteen tot briefdragers
dienen.”
De Toepassen schijnen dus oorspronkelijk op de kust van Malabar te huis
te behooren, en vandaar hun verminkten naam naar Batavia en de Molukken
te hebben medegebracht. De weinige naar die gewesten afdwalenden
verloren zich onder de Mardijkers, waarvan, om dit in het voorbijgaan
te zeggen, ook velen den Christelijken godsdienst beleden.
Bokje, Bokkenees.
Er is misschien geen tweede volksnaam die zoo mishandeld en op velerlei
wijzen verminkt is, als die der Boegineezen op Zuid-Celebes.
Hun Maleische naam is Orang Boegis, menschen van Boegis. Maar dit Boegis
is reeds door verwisseling der lipletters W en B ontstaan uit Woegi, een
dorp aan de rivier Tjenrana, welks bewoners in ouden tijd de rol van
tolken vervulden bij de vreemdelingen, die het Hof van den machtigsten
Vorst dier streken, Sawêri Gôding, kwamen bezoeken. De naam To Woegi,
dien deze volken zich gaven, werd weldra uitgebreid tot allen die hunne
taal spraken. (Zie Matthes, „Boegineesche Spraakkunst”, Inleiding).
Zooals men van Balineezen, Soendaneezen en Bankaneezen spreekt, maakten
de Nederlanders van Boegis soms Boegissen, maar meest Boegineezen, en
deze vorm bleef tot heden de gebruikelijke; bij oudere schrijvers echter
vindt men ook _Boekaneezen_ (Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”,
bl. 65 en elders) en _Bokaneezen_ (Stavorinus, „Reize van Zeeland naar
Batavia”, I, bl. 236: „Bijzonder maken de slaaven die van het eiland
Celebes of Macasser komen, en wel voornamelijk de Bokaneezen, zich aan
gruwelijke moorden schuldig; ook behooren de meeste amokspuwers tot deze
natie”). De Engelschen noemden ze oudtijds gemeenlijk _Buggesses_ of
_Bugguesses_. Maar de zonderlingste verbastering is die tot _Bokjes_,
welke naam te Batavia werd gegeven aan eene kolonie van Boegineezen,
na het einde der Makassaarsche oorlogen derwaarts overgebracht. Zie
„Batavia in derzelver gelegenheid”, D. III, bl. 35.
In onze volkstaal hoort men een zeer onbeschaafd en ruw mensch, iemand
van barbaarsche manieren en voorkomen, wel eens een _Bokkenees_ noemen.
Klaarblijkelijk is ook dit eene verbastering van Boeginees. Met de
beteekenis van gemelden scheldnaam komt het karakter van wreedheid en
teugellooze drift, dat men aan de Boegineezen toekende, goed overeen.
Ik wil hier in het voorbijgaan nog van een verbastering van een anderen
op Celebes te huis behoorenden naam spreken. Nabij en op de kusten van
dat eiland leeft een aanzienlijk gedeelte van den steeds op het water
zwervenden stam der Badjo's of Bayo's (bekend door Vosmaer's „Korte
beschrijving van het zuid-oostelijk schiereiland van Celebes” in Deel
XVII der „Verhandelingen van het Bat. Gen.”, en van Verschuer's bericht
„de Badjo's”, in D. VII van het T. v. h. Aardr. Gen.). Deze Badjo's
worden in het Makassaarsch _Toe-ri-djêné_ genoemd, d. i. letterlijk:
_menschen op het water_. Volgens sommige schrijvers zou die naam door
de Europeanen te Makasser tot _Trojeenders_ verbasterd zijn. De heer
Matthes zegt echter in zijne „Opmerkingen omtrent de Hollander's
beschrijving van het Gouvernement van Celebes in zijne „Handleiding bij
de L. en Vk. van N.-I.””, bl. 16, dat hij die benaming _Trojeenders_
nooit heeft vernomen.
Laskar, Laskarijn.
Indische, ook Maleische en Javaansche matrozen, op Europeesche schepen
varende, worden thans dikwijls ook in Nederland _laskars_ genoemd. De
Woordenlijst van de Vries en te Winkel en van Dale's Nieuw Ned. Wdbk.
geven den vorm _laskaar_, mv. _laskaren_, die echter minder gebruikelijk
en naar mijn inzien ook minder juist is; eerder ware dan als
vernederlandschte vorm _lasker_ aan te bevelen.
Dit woord is het Perz. _lasjkar_, dat eigenlijk _leger_ beteekent en in
dien zin ook in de Maleische taal is overgegaan, zooals blijkt uit de in
Marsden's „Malay Dictionary” aangehaalde voorbeelden. Het tegenwoordig
gebruik van _laskar_ voor Indische matrozen hebben wij van de Engelschen
overgenomen. In Stocqueler's „Oriental Interpreter” wordt het dus
verklaard: „_Lascar_, a European term for certain descriptions of
menials in India. Sailors (shipkeepers), employed in harbour,
tent-pitchers, the people employed to do the dirty work of the artillery
and the arsenals etc. are called lascars. The term is derived from
lushkur, literally an army man.” Lucas, „Engl.-Deutsches Wörterb.”,
verklaart _lascar_ door, „der Lasker, der Indische Matrose im Dienste
der Englischen Compagnie.”
Bij deze verklaringen moet echter worden opgemerkt:
1o. Dat het Perz. _lasjkar_ nooit iets anders beteekent dan _leger_,
en de beteekenis van krijgsman, soldaat, alleen toekomt aan het
denominatieve _lasjkari_, waarvan onze oude schrijvers zeer juist in het
Nederlandsch _laskarijn_ maakten, b. v. van Linschoten, „Itinerario”,
bl. 59. En zoo wordt ook bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Ceylon”, bl.
66, 71, 80, 90 enz. aan de inlandsche soldaten in dienst der Compagnie
de naam van _Lascaryns_ gegeven.
2o. Dat de samenhang en overgang der beteekenissen waarschijnlijk deze
is: _a._ soldaat, _b._ inlandsch soldaat in dienst der Engelsche of
Nederlandsche Compagnie, aan wien, in vergelijking met de Europeanen,
mindere diensten werden opgedragen, _c._ sjouwer, werkman op de werven
en kaden, _d._ inlandsch licht matroos, met het gewone scheepswerk
belast.
Neger.
Ik begrijp volstrekt niet, waarom Weiland en Lexer (in Grimm's
„Deutsches Wörterbuch”), dit woord van het Fransche _nègre_ afleiden.
_Nègre_ is de verfranschte, gelijk het Hoog- en Nederduitsche _neger_ de
verduitschte vorm van het Portugeesche (ook in het Spaansch, Italiaansch
en, behoudens de wijziging der uitspraak, in het Engelsch onveranderd
gebruikte) _negro_. Niet aan de Franschen, maar aan de Portugeesche
zeevaarders, zijn wij onze eerste kennis van West-Afrika verplicht.
_Negro_ beteekent _zwart_, een _zwarte_ en stamt af van het Latijnsche
_niger_. Met _neger_ komt overeen het Arab. _aswado_, mv. _soedân_,
vanwaar _biladoe's Soedân_, het land der zwarten of negerland.
De geographische bepaling van den naam Negerland is zeer moeilijk. Men
gaf langen tijd den naam van Negers aan alle zwarte stammen van Afrika,
en velen doen dit nog heden. De ethnologen echter beperken den naam
Neger tot de koolzwarte stammen, die ten zuiden der Sahara tot omstreeks
den Evenaar wonen. Deze vormt, zeer ruw genomen, de grens tusschen de
Neger- en de in vele opzichten van hen verschillende Bantoe-stammen, die
zich uitstrekken tot Afrika's zuidspits, behalve dat de zuidwesthoek
door de Hottentotten en met hen verwante Boschjesmannen bewoond wordt.
Ten noorden der Negers wonen Semietische en Hamietische stammen,
verspreid onder hen Nubiërs en Fellatah (Nuba-Fulah-volken). Wenschelijk
ware het dat zich het gewone spraakgebruik naar die wetenschappelijke
onderscheiding richtte. Vgl. mijne opmerkingen in „Daniel Veth's reizen
in Angola”, bl. 335–337.
Heeft ons de Kaapkolonie in betrekking gebracht tot de Zuid-Afrikaansche
stammen, onze voormalige bezittingen op de kust van Guinea plaatsten ons
te midden van echte negers. Ook daar zij uit de vermenging van blanken
en zwarten een zeker aantal kleurlingen gesproten, die eveneens, naar
den graad der vermenging, verschillende namen dragen, welke niet geheel
met de benamingen in Oost- en West-Indië gebruikelijk overeenstemmen.
Ik lees daaromtrent bij de Marrée, „Reizen op en beschrijving van de
Goudkust van Guinea”, D. II, bl. 135: „de dochter door eenen Blanke
bij eene Negerin verwekt, is eene Tapoeijerin—bij eene Tapoeijerin,
Mulattin,[5]—bij eene Mulattin, Castiessin,—en bij eene Castiessin
wederom Blanke. De dochter van eenen Tapoeijer of Mulat bij eene Negerin
noemt men Caboegerin”. Uit hetgeen voorafgaat blijkt echter dat Mulat,
daargelaten de speciale beteekenis hier vermeld, ook de algemeene naam
is van afstammelingen van blanken en zwarten.
[5] Bl. 44 worden Tapoeiers en Mulatten gelijkgesteld; bl. 52 worden
Tapoeiers genoemd „kinderen van blanken en die van de kleur.” Zij
vormen een zoogenaamd _kwartier_ en trekken op als eene Compagnie
in volle uniform, gecommandeerd door een Kapitein en twee
Luitenants. De Tapoeiers hebben eene groote neiging om de blanken
na te apen.
Caboeger (er staat eigenlijk Cabocger, maar dat zal wel een drukfout
zijn) schijnt mij hetzelfde als het in West-Indië gebruikte _Karboeger_,
waarvan ik hierboven in een afzonderlijk artikel gesproken heb. Evenals
deze naam moet ook _Tapoeier_ uit Amerika afkomstig zijn. Het is
oorspronkelijk de naam van een zeer woesten stam van Indianen, die onze
bondgenoot was in onze oorlogen met de Portugeezen in Brazilië. De
Portugeezen schrijven hun naam _Tapuya_. Zie over hen o. a. van Kampen
„Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa”, bl. 411, 425, 433, 446,
enz. Hoe deze namen naar Afrika gekomen zijn, kan ik evenmin verklaren,
als de beteekenis waarin zij gebruikt worden.
De Engelsche populaire vorm _nigger_ voor _neger_ en de omstandigheid
dat de duivel gewoonlijk als zwart wordt afgemaald, zouden ons bijna
verleiden eenig verband te zoeken tusschen den Neger en den _zwarten
Nikker_. Doch de Germaansche oorsprong van _Nikker_ (bij Vondel „Peter
en Pauwels”, II, 135, ook _Ikker_[6] geschreven), verwant met het
Zweedsche _năk_, _nek_, het Eng. _nick_ (old nick), het Hoogd.
_neck_, _necker_, _nicker_, _nixe_ enz. alles benamingen voor booze
geesten, staat te vast om eenigen twijfel toe te laten.
[6] Van Lennep, Vondel, IV, bl. 53, noot, meent dat van 't oude _den
Ikker_, door de _n_ van 't lidw. bij 't zelfst. nw. te trekken,
later _de Nikker_ ontstaan is, op de wijze zooals 't volk _Noom_
heeft gemaakt uit _den Oom_ of _mijn Oom_. Maar ofschoon die
meening het gezag van Bilderdijk voor zich heeft, schijnt het mij
dat hier het omgekeerde heeft plaats gehad, namelijk aantrekking
van de _n_ van het zelfst. nw. door het voorafgaande lidwoord,
zooals in _ar_, voor _nar_ (narrenslede). Die _n_ tusschen het
lidwoord en het volgend met een vokaal beginnend zelfst. nw. was
altijd een zeer bewegelijk element, omdat zij doorgaans niet den
verbogen vorm van het lidwoord aanduidde, maar bloot euphonisch
was.
Kafir, Kaffer.
Dit woord is Arabisch en beteekent _ongeloovige_. In eene noot op zijne
vertaling van de Warren's „Engelsch-Indië”, I, bl. 167, zegt de heer van
der Maaten: „_Kaffer_ of _Kafir_ is een scheldnaam dien Aziatische en
Afrikaansche Muzelmannen aan alle volken geven die met hen van geloof
verschillen. Waarschijnlijk afgeleid van het gebergte Kaf, dat volgens
hunne mythologie de grenzen van hun halfrond omgeeft.” Deze afleiding is
een waarschuwend voorbeeld voor allen die het wagen verklaringen van
woorden te beproeven uit talen, waarvan zij niets verstaan. _Kafir_ is
in het Arabisch het tegenwoordig deelwoord van het werkwoord _Kafara_,
dat _ondankbaar, goddeloos, ongeloovig zijn_ beteekent, en wordt
inzonderheid gebruikt van allen die den Islam verwerpen. De naam is bij
ons het meest in gebruik als geographische naam van twee volken: de
bewoners van Kafiristan in het N.-O. van Afghanistan, en die van het
Kaffergebied in Zuid-Afrika, dat den zuidoostelijken hoek van dat
werelddeel tot aan de Delagoa-baai beslaat. In beide gevallen is de naam
ongetwijfeld van de belijders van den Islam afkomstig en misschien
alleen door misverstand der Europeanen bepaaldelijk een geographische
naam geworden. Zelfs als zoodanig was in vroeger tijd het gebruik in
Afrika veel minder beperkt. Zoo zegt b.v. van Linschoten, „Itinerario”,
bl. 60, dat over 't geheel naakt loopen „die swarten ofte Caffres van 't
land van Mossambique en alle die custe van Aethiopia ende te landwaarts
binnen, tot die Cabo de Bona Esperansa.”
Moor, Mooriaan.
_Moor_ komt van het Latijnsche _Maurus_; de Mauri waren de bewoners
van het noordwestelijk gedeelte van Afrika, dat tegenover Spanje ligt
en thans door Marokko en Algerië wordt ingenomen. Door de Arabieren
onderworpen en tot den Islam bekeerd, smolten de Mooren eenigermate
met hunne overheerschers te zamen, maar staken later het hoofd weder
meer zelfstandig op, zoodat de strijd dien de Christenen van Spanje
en Portugal te voeren hadden om zich van hunne Moslimsche, steeds uit
Afrika ondersteunde, overheerschers te bevrijden, veelal als een strijd
tegen de Mooren beschouwd wordt.
In hoofdzaak zijn de oude Mauri hetzelfde volk dat later door de
Arabieren Berbers werd genoemd, een naam ontleend aan het oude,
klassieke _barbaren_. In eene nadere ontleding der stammen, die onder de
namen Mooren en Berbers worden begrepen, kan ik hier niet treden. Men
zie het voortreffelijk artikel van Prof. de Goeje over de Berbers, in
„de Gids” voor 1867, D. III, bl. 13.
De naam van Mooren kreeg bovendien in tweeërlei richting eene
uitbreiding. De donkere huidskleur der Mooren, ofschoon op verre na niet
zoo zwart als die der Negers, was oorzaak dat zij in de voorstelling der
Europeanen met de overige donkerkleurige en zwarte rassen van Afrika
samensmolten en Moor of Mooriaan als synoniem met Zwarte of Neger werd
gebruikt. Vandaar in het Engelsch _blackamoor_; vandaar dat Othello „the
Moor of Venice” heet; vandaar onze spreekwijze „den Mooriaan wasschen”
of „schuren”, voor vergeefsch werk doen. Speciaal wordt nog in de
Statenvertaling des Bijbels de naam van Mooren gegeven aan de Cuschieten
of Ethiopiërs, eene van ouds beroemde zwarte of donkerkleurige natie,
wier rijk zich over het tegenwoordige Nubië en Abessynië uitstrekte.
De tweede uitbreiding van het gebruik van den naam Moor had haren
oorsprong niet zoozeer in overeenkomst van huidskleur, maar in
overeenkomst van belijdenis. De Mooren, met wie de bewoners van het
Iberische Schiereiland eeuwenlang in oorlog hadden geleefd, waren niet
alleen vijanden van hunne vrijheid, maar ook van hunnen godsdienst. De
Spanjaarden en Portugeezen streden voor het Kruis tegen de Halve Maan.
Toen hunne ontdekkingstochten hen naar Malabar en Koromandel voerden,
vonden zij ook daar een groot aantal belijders van den Islam, op wie
ze den naam van _Moros_ of Mooren overbrachten, en van de Portugeezen
leerden ook de Nederlanders het gebruik om de Indische Mohammedanen
_Mooren_ te noemen. Zoo zegt b.v. Valentijn, „Choromandel”, bl. 108:
„Behalve de Heydenen heeft men hier te lande ook zeer veel Mooren of
Mohammedanen, die mettertijd ook meesters van het land geworden zijn”.
Maar dit gebruik werd door ons hoofdzakelijk beperkt tot de Moslemen van
het vasteland van Indië. Vgl. Pijnappel, „Geographie van Ned.-Indie”,
2e druk, bl. 59. Zoo is het althans in onze dagen, maar bij vroegere
schrijvers werd ook wat op Java Mohammedaansch is niet zelden Moorsch
genoemd. Zoo leest men b. v. in „Batavia in derselver gelegenheid”,
D. I, bl. 19, van den _Moorschen_ Landvoogd van Japara; bl. 22, van
de _Moorsche_ lijfwacht van den Soesoehoenan, in tegenstelling met de
Europeesche wacht hem toegevoegd; bl. 23 van den _Moorschen_ tempel
(d. i. de moskee) van Toeban, enz. Doch van de Javanen als Mooren te
spreken, is thans geheel in onbruik geraakt.
Razzia.
Dit woord is niet opgenomen in Prof. Dozy's „Oosterlingen”, maar dat het
wel had mogen opgenomen worden, is reeds opgemerkt door Prof. de Goeje,
in zijne aankondiging van genoemd werk in „de Ned. Spectator”, 1867.
Dozy geeft echter de verklaring van _razzia_ in zijn „Glossaire des
mots Espagnols et Portugais, dérivés de l'Arabe”, art. _Gazua_. In
de eerste uitgave van het Glossaire had de heer Engelmann alleen
geschreven: „_Gazua_ portug. (expédition militaire), de _gazât_ ou
_gazâwa_, qui signifie: une expédition militaire contre les infidèles.
De ce mot Arabe les Français ont fait leur _razzia_.” Dozy doet hierbij
nog opmerken, dat ook de vorm _gazwa_, schoon ontbrekende in het
Woordenboek van Freytag, in het Arabisch menigmaal voorkomt; dat dit
eigenlijk de vorm is waarvan _gazua_ afstamt, en dat men in het Port.
ook _gazia_ en _gaziva_ aantreft. Dit _gazia_ nu, dat het meest
overeenkomt met het Fransche _razzia_, heeft ook zijn voorbeeld in het
Arabisch, zooals blijkt uit Dozy's „Supplément aux Dictionnaires
Arabes”, T. II, p. 212, nam. in _gâzia_, attaque, coup de main, prise.
Om te doen begrijpen hoe uit dit _gâzia_ razzia kon ontstaan, heb ik
alleen nog te doen opmerken, dat de Arabische letter _gain_ of _ghain_,
die noch aan onze _g_, noch aan onze _r_ beantwoordt, maar beider klank
eenigermate in zich vereenigt, evengoed door _r_ in _razzia_, als door
_g_ in _gazua_ kon worden uitgedrukt.
Dit woord _razzia_ kwam bij de Franschen in gebruik in Algiers, voor de
menigvuldige strooptochten op het gebied van vijandige stammen, om hen
van hun vee en leeftocht te berooven. Maar men gebruikt het ook voor de
slavenjachten, die nog zoo vaak door de Moslemen in Afrika gehouden
worden, als een ontaard overblijfsel van den heiligen oorlog tegen de
ongeloovigen, dien de Islam zijnen belijders tot plicht heeft gemaakt.
Een paar voorbeelden van het gebruik van razzia in onze taal mogen hier
niet ontbreken. In het Tijdschr. v. N.-I., Jg. 1863, D. I, bl. 61,
vindt men een artikel, getiteld: „Razzia's in Ned. Indië”, waarin
o. a. gelezen wordt: „Razzia's, zooals er eene tegen de Alfoeren
van Mani heeft plaats gehad, zijn voorzeker niet het middel om tot
verwezenlijking dezer inzichten te geraken.” D. Veth's „Reizen in
Angola”, bl. 387: „Portugal kan door geene dekreten de vormen veranderen
die eenmaal het Afrikaansche leven heeft aangenomen, den stempel
uitwisschen dien de razzia en de slavenhandel er sedert eeuwen diep
hebben ingedrukt.”
Azagai, Assegaai.
De Mooren waren van oudsher beroemd om hunne werpspiesen en de
behendigheid waarmede zij die wisten te hanteeren. Wie herinnert zich
niet de regels van Horatius:
„Integer vitae scelerisque purus
Non eget Mauris jaculis, nec arcu” etc.?
De werpspies der Mooren schijnt zich als wapen over geheel Afrika te
hebben verspreid. De schrijvers over de meest verschillende streken van
dat werelddeel maken van haar gewag en noemen haar Azagai of Assegaai,
een naam die, met het wapen zelf, van de Berbers afkomstig is, maar
waarschijnlijk uit het Spaansch tot de overige volken van Europa is
gekomen. Ziehier eenige voorbeelden bij Nederlandsche schrijvers. G.
v. Broekhuizen in zijne Vertaling van Dan's „Historie van Barbaryen”
(Amsterdam 1684), bl. 286: „Hun wapenen zijn een halve-piek of een
werpspies, welke zij een _Agay_ of een _Azegay_ noemen, daar ze zich met
zulk een behendigheid en kracht af dienen, dat ze er iemand op vijftig
treden ver mee doorschieten.” De Marrée, „Reizen op en beschrijving van
de Goudkust”, I, 235: „Eer hij nog de sabel konde vatten, kreeg hij van
achteren eenen worp met een _Azagai_ (werp-pijl), van welke de Negers
in vroegere tijden zich bedienden”. Th. Tromp, „Herinneringen uit
Zuid-Afrika”, bl. 171: „De oorspronkelijke wapenen van den Kaffer zijn
assegaai, knopkiri's (stokken, in den regel van assegaaihout, die van
een knop zijn voorzien), boog en lans”. Idem, „de stam der Amazoeloe”,
bl. 90: „Ketchwayo begon over te hellen tot den onstuimigen wensch van
zijn eer- en huwelijkszuchtige jongelieden, om de _assegaaien_ eens te
gaan wasschen.” Hendrik P. N. Muller, „Herinneringen uit de Transvaal”
(Gids 1888, D. II, bl. 242): „Alleen verstaan de negers [d. z. hier de
Kaffers] het smeden van _assegaai_-spitsen uit het ijzer, dat in het
noordelijk deel der Republiek bijna allerwegen wordt gevonden.” De
opmerking schijnt mij hier niet overbodig, dat de _azagai_ en andere
oorspronkelijke wapenen in vele streken van Afrika meer en meer door het
schietgeweer verdrongen worden.
Het woord _Azagai_ (onder de verschillende schrijfwijzen schijnt mij
deze de beste) is dikwijls ten onrechte voor Arabisch gehouden. Het
woord is wel-is-waar vermeerderd met het Arabische lidwoord (en luidt
dus eigenlijk _az-zagâja_); maar wanneer wij dit afscheiden blijft
_zagâja_ over, dat nog in de taal der Berbers de voorvaderlijke
werpspies aanduidt. Van daar in het Fransch gewoonlijk _zagaie_.
De aanwezigheid van het Arabisch lidwoord in den Spaanschen vorm
_Azagaya_, waaraan ons _Azagai_ onmiddellijk is ontleend, moet ons
niet verwonderen, daar de Berbertaal, ofschoon eigenlijk niets met
het Arabisch gemeen hebbende, thans met allerlei Arabische woorden en
woordvormen vermengd is.
Vgl. over dit woord vooral Engelmann en Dozy, „Glossaire des mots
Espagnols” etc.; op _Azagaya_.
Palabber.
_Palabber_ beteekent eigenlijk niets dan _een woord_, en is het
Spaansche _Palabra_, dat ook _Palavra_ kan geschreven worden (omdat
_b_ en _v_ conson. in het Spaansch niet verschillen) en steeds dien
laatsten vorm heeft in het Portugeesch. Het woord is door de Spanjaarden
en Portugeezen in zwang gebracht bij de Negers, en van dezen tot ons
gekomen, gelijk het dan ook alleen in gebruik is onder de Nederlanders
op Afrika's Westkust, of waar door onze schrijvers van de bevolking
dier kust wordt gewaagd. _Palabber_ is waarschijnlijk de gewone
negeruitspraak en daarom ook de meest gebruikelijke vorm. Somtijds
leest men _palaber_ en enkele schrijvers geven de voorkeur aan den vorm
_palaver_. Zie Tengbergen, „Reistocht en Expeditie naar de Ned. Bez. ter
Westkust van Afrika”, bl. 37, noot.
Daar het woord van Europeesche afkomst is, mag men vermoeden dat het
oorspronkelijk gebruikt werd om een woordenwisseling, mondgesprek of
onderhandeling met Europeesche handelaars of autoriteiten aan te duiden.
Ziehier een paar voorbeelden van dit gebruik. H. Muller Szn., „de
afstand der Kust van Guinea aan Engeland”, bl. 6: „In de te Cape Coast
verschijnende _West-African Herald_ komt een uitvoerig verslag voor van
een onlangs op het kasteel van Elmina gehouden palabber of vergadering,
waaruit zoowel de ijverige pogingen van de daar aanwezige Engelsche
autoriteiten en onderhandelaars blijken om de Negers over te halen
zich onder Engelsche vlag te stellen, als de onveranderlijke weigering
der laatsten om daaraan te voldoen”. Roëll, in „Jaarboek van de Ned.
Zeemacht, 1875–76”, bl. 302: „De Koningen eischten, dat wij zouden gaan
naar dezelfde plaats, waar het vorige jaar de Commodore Hewitt was
geweest tot het houden van een _palaver_”; bl. 307: „De heer Pape begon
dit _palaver_ met de mededeeling van het gebeurde acht maanden geleden”.
De Negers gebruiken echter het woord _palabber_ ook van hunne
onderhandelingen onder elkander, inzonderheid van hunne rechtsgedingen.
Gramberg, „Schetsen van Afrika's Westkust”, bl. 65: „De rechtsgedingen,
_palabers_ genoemd, die voor de vergadering [der Kromsgrooten[7]] worden
gebracht, beginnen met het drinken van rum; want zoowel de eischer als
de beklaagde is verplicht twee flesschen vooruit te betalen. Zulke
rechtsgedingen zijn uiterst langwijlig en luidruchtig; de Neger, die
zijne zaak voordraagt, houdt er van om veel over zijne familie uit te
weiden, en begint gewoonlijk met zijn grootvader of overgrootvader”,
enz. De Marrée, „Reizen op en Beschrijving van de Goudkust”, II, bl. 53:
„De algemeene Elminasche Regeering bestaat uit den Koning, een tweeden
Koning, een Onderkoning, die eigenlijk eerste Secretaris is, en nog
eenen anderen Secretaris, welke tevens in alle _palabbers_[8] het woord
voert.”
[7] Zie op het art. _Krom_.
[8] Hier zijn echter de onderhandelingen met vreemden natuurlijk niet
buitengesloten.
In de derde plaats worden, bij overdracht, ook de geschillen, de
rechtsquaesties zelve, _palabbers_ genoemd. De Marrée, a. w., I. 25:
„Het recht van den sterkste heerscht hier, en waar dit niet geldt vormen
zij [de Negers] een allerwanvoegelijkst denkbeeld van het recht van
eigendom, en de uitspraken over verschillen (palabbers) van dien aard
zijn allerellendigst.” Ald. bl. 28: „Het ellendige denkbeeld dat zij
vormen van het recht van eigendom, geeft aan hunne twistzucht oneindige
stof van verschillen (palabbers)”. Ald. bl. 159: „Een Neger had, bij
zekere afdoening van zijn palabber of geschil te Elmina, kennis gemaakt
met een der Elminasche.”
Paan.
_Paan_, ook dikwijls, door de gewone zucht der Hollanders om zich van
verkleinvormen te bedienen, _paantje_, is ter Westkust van Afrika
een zeer gewoon woord voor een doek of lap van wollen, katoenen of
linnen stof, die als kleedingstuk wordt gebruikt. Het is alweder
een Portugeesch woord _pano_ of _panno_, afkomstig van het Lat.
_pannus_, in het Spaansch _pano_ uitgesproken, in het Fransch _pagne_,
ofschoon ook _pan_ tot dezelfde familie behoort. Treffend juist is de
omschrijving bij Littré (in v. _Pagne_): „Morceau de toile de coton
ou d'autre étoffe, dont tous les nègres d'Afrique qui ne vont pas
tout-à-fait nus, s'enveloppent le corps, depuis la ceinture jusqu'aux
genoux, et quelquefois jusqu'au milieu des jambes”. Van Dale, art.
_Paan_, verklaart het door: „Schaamteschort der negerinnen”, en de
Kunstwoordentolk van Kramers en Bonte door: „een stuk stof dat de
negerinnen om haar onderlijf slaan en dat de plaats van een rok
vervangt”. Hoe komt men er toch toe om den paan alleen door de zwarte
_dames_ te laten dragen? Ik sla een paar Afrikaansche reisverhalen op
die mij het eerst in handen komen, en lees bij de Marrée, „Reizen op en
beschrijving van de Goudkust”, I, bl. 28: „De linnen of katoenen lap,
_paantje_ genaamd, mag [bij de meer vermogenden] wat fijner stoffaadje
en grooter zijn, teneinde dien over den linkerschouder te kunnen slaan;
doch overigens zijn zij allen aan elkander gelijk”. Ald., bl. 31: „De
eilanders hebben de gewoonte, dat zij, zoo lang zij op hun eiland zijn,
geen handbreed goed (of _paantje_) op hun ligchaam dragen,... de
vrouwlieden zoowel als de manspersonen;... wanneer echter deze lieden
van hun eiland naar een ander dorp gaan, dan kleeden zij zich gelijk
alle andere Negers met eenen paan, bestaande uit eenig stuk lijnwaad.”
Ald. II, bl. 57: „De Koning zelf gaat in een op zijn manier kostbaren
paan.” H. J. Pel, „Aanteekeningen op eene reis van St. George Delmina
naar Comassie”, bl. 12:[9] „Het voedsel en de kleeding der Caboceërs
[dorpsgrooten] zijn dezelfde als van den geringsten Neger; het _paantje_
is somtijds iets beter, doch bij lange na niet van allen.”
[9] Zie over dit wèl gedrukte, maar, zoo het schijnt, nooit uitgegeven,
en slechts in eenige overdrukken voorhanden reisverhaal, Veth en
Kan, „Bibliographie van Afrika”, bl. 32. De heer Suzanna, uitgever
van Pel's reisverhaal, teekent bij _paantje_ aan: „Aldus wordt de
min of meer groote en prachtige doek genaamd, waarmede zij zich het
hoofd bedekken.” Dit is een fout. Er is wel-is-waar geen reden,
waarom paan niet ook een _hoofddoek_ zou kunnen aanduiden; maar
hoofddoeken zijn op Afrika's Westkust niet gebruikelijk.
Het katoen voor de _paantjes_ aan het stuk, zooals het in den handel
voorkomt, wordt soms _panen-goed_ geheeten (de Marrée, I, bl. 109). Veel
fraai panen-goed wordt geweven te Accra, en de fraaiste soorten worden
aan de Europeanen verkocht, die daarvan dekens en spreien voor bedden en
rustbanken maken. (Ald., II, bl. 129.)
Krom.
Dit woord komt bij onze schrijvers over de Kust van Guinea ontelbare
malen voor, maar hoe Hollandsch het er ook uitziet, het schijnt een
echt negerwoord te zijn. Het is op de Goudkust de naam der _dorpen_.
Gramberg, „Schetsen van Afrika's Westkust”, bl. 31: „Alleen bij de
inlandsche dorpen of krommen vertoonen zich eenige kokosboomen.” De
Regeering van zulk een dorp bestaat uit den Koning en zijne _caboceërs_
[van het Portug. _cabeceira_] of edellieden, d. z. degenen die in de
krommen, of in de wijken waarin de voornaamste dorpen verdeeld zijn, de
meeste slaven en het meeste goud bezitten (zie de Marrée, „de Goudkust”,
I, bl. 122.). Zij worden door de Nederlandsche schrijvers dikwijls
de _Kromsgrooten_ genoemd (b. v. Gramberg, t. a. p., bl. 65.) De
Raadsvergaderingen van den Vorst en de edelen worden in de open lucht
gehouden. Gramberg, t. a. p., bl. 64: „Zelfs de kleinste _krommen_
hebben hunne opene vergaderzalen; deze bestaan eenvoudig uit eene schoon
geveegde plaats, afgesloten door vier boomen in _carré_ gelegd.” De
Marrée, „de Goudkust”, II, bl. 5, verwisselt _krom_ met _negerij_ (zie
op dat woord), en Kan, „Nederland en de Kust van Guinea”, spreekt van
_negerkrommen_.
Baar.
_Baar_ is volgens van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” „een nieuweling aan
boord, een nog onervaren, matroos; een Europeër die voor het eerst
in Oost-Indië komt, aldus genoemd in tegenstelling met een oudgast.
't Woord is ontleend aan het Maleisch.” Volkomen juist, slechts had
de beteekenis in de tweede plaats vermeld, moeten voorafgaan; want
natuurlijk is de Maleische naam _baar_ het eerst in O.-Indië aan de
nieuwelingen gegeven, en daarna door de schepelingen op de nieuwe
matrozen toegepast. De Oostindische baar is zeer goed geschetst in
Weitzel's „Batavia”, bl. 153–161. Het blijkt uit dat stuk dat men van
_baar_ ook het adjectief _baarsch_ en het afgetrokken naamw. _baarschap_
heeft gevormd. „Heeft Mijnheer de _baarsche_ stoot reeds gehad?”—„Er
bestaat een natuurlijk en een conventioneel _baarschap_.”—„Ieder is in
Indië genegen baarsche hoedanigheden op te merken in anderen, die er
korter dan hij hun verblijf hielden.”
Men ziet uit het gezegde dat in Indië _baar_ beantwoordt aan hetgeen
onze studenten _groen_ noemen; aan de Militaire Akademie te Breda
worden dan ook de nieuw aangekomen studenten _baren_ geheeten. In het
algemeen is _baar_ ieder die zich nog vreemd voelt in een kring waarin
hij pas geplaatst is, en, de daarin bestaande gebruiken niet kennend
of er althans niet in geoefend, zich telkens vergist, of er inloopt,
zooals men zegt. Vandaar heeft _baar_ ook de beteekenis gekregen van
_ongeleerd_, _ongeoefend_. In Zuid-Afrika, waar in de taal der boeren
veel Maleische woorden zijn ingedrongen (zie op _Amper_), heeft _baar_
dikwijls deze beteekenis, niet alleen waar men van menschen, maar ook
waar men van trekbeesten spreekt. Zie Mansvelt, „Proeve van een
Kaapsch-Hollandsch Idioticon” (Kaapstad, 1884), op _Baar_. In dien zin
spreekt men er ook van _baar-Kaffers_, d. z. Kaffers die nog vreemd zijn
aan alle beschaving, nog niet gewoon zijn aan den omgang met Europeanen.
Zie Schüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 77, 104. Een eigenaardig gebruik van
_baarsch_ vond ik vermeld bij de Marrée, „de Goudkust”, I, bl. 20. De
klimaatziekte der nieuwelingen, die de Engelschen _seasoning_ noemen,
wordt daar, volgens dien schrijver, door de Nederlanders de _baarsche
ziekte_ geheeten.
_Baar_ is het Maleische _beharoe_ of _baroe_, d. i. _nieuw_, of als
bijw. _nieuwelings_, _pas_; maar wordt vooral gebruikt als verkorte
spreekwijs voor _orang baroe datang_, iemand die pas is aangekomen. Het
staat over tegen _orang lama datang_, of bij verkorting _orang lama_ of
_oorlam_, een oudgast. Zie op _Oorlam_.
Orang oetan.
_Orang oetan_, veelal (ook door van Dale en Kramers en Bonte) _orang
oetang_, en vroeger,—tengevolge der zonderlinge voorkeur die ons volk
in vreemde namen aan de Fransche spelling geeft, (als ware al wat vreemd
is, Fransch)—_orang outang_ geschreven, is de naam dien wij, met het
geheele beschaafde Europa, aan eene bekende soort van anthropomorphische
apen geven, die alleen op Borneo en Sumatra voorkomen. De naam is
volkomen duidelijk en bestaat uit twee zeer bekende Maleische woorden:
_orang_, mensch, en _oetan_, bosch, die, dus samengevoegd, aan ons
_boschmensch_ beantwoorden. Wegens de groote overeenkomst van den in
de bosschen levenden _orang-oetan_ met den mensch, is deze naam niet
ongepast; maar de oorsprong daarvan schuilt nochtans in het duister,
daar de Maleiers zelven dien naam wel aan wilde, in de bosschen levende
menschen, maar, zooveel wij weten, nooit aan eene soort van apen geven.
Zij noemen den orang-oetan _mawas_, waarvoor men op Borneo _majas_ zegt.
Het verdient echter opmerking dat, volgens Burns, „Vocabulary of the
Kayan language”, in „Journal of the Indian Archipelago”, 1849, bl. 134,
de majas in de taal van den stam der Kajans op Borneo _orang tuan_ heet,
terwijl bl. 182 _tuan_ door _wood_, _jungle_, verklaard wordt, zoodat
dit woord geheel aan het Maleische _oetan_ beantwoordt. Misschien is
_orang oetan_ eene bij de Maleiers op Borneo wel eens gebruikte
vertaling van dezen naam, en hebben oude reizigers die uit hunnen mond
opgevangen.
Daar orang oetan, voor den majas gebezigd, geen Maleisch is, maar
alleen de Europeanen deze verbinding van twee Maleische woorden tot
aanduiding van den majas gebruiken, zijn sommigen van oordeel, dat men
ook de gewone Europeesche schrijfwijze _orang-oetang_ moet behouden.
De nasale _n_ (_ng_) op het einde der woorden is een gewone verminking
der op eene zuiver dentale _n_ eindigende Maleische woorden, in
het bij de Europeanen in zwang zijnde zoogenaamde laag-Maleisch of
brabbel-Maleisch. Daar het woord in de beteekenis van _majas_ inderdaad
tot dit brabbel-maleisch behoort, wil men het dan ook de in die
ontaal[10] te huis behoorende uitspraak en spelling laten. Het is een
zaak van zeer weinig gewicht; maar daar de samenstellende woorden beide
zuiver Maleisch zijn, kan men ze, dunkt mij, ook den zuiver Maleischen
vorm doen behouden.
[10] Ik waag het onze taal, naar de analogie van _onzin_ enz., met dit
woord te verrijken.
Wouwouw.
_Wouwouw_ is de naam van eene soort, of juister misschien van een
geslacht, van in Insulinde levende apen, en is door de Europeanen
gevormd van de klanken _oea-oea_ of _oa-oa_, door de inlanders gebezigd
als nabootsing van den onwelluidenden kreet, dien deze apen telkens
doen hooren. (Zie Sal. Müller in „Verhh. over de Nat. Gesch. der Ned.
overzeesche bezittingen”, afd. Zoölogie, bl. 48).
De vermelde inlandsche benamingen zijn lokaal. _Oea-oea_ (door
Mohnike, „Blicke auf das Pflanzen- und Thierleben in den Niederl.
Malaien-ländern”, bl. 356, _wau-wau_ geschreven) behoort volgens Müller
bij de Maleiers op Borneo, _oa-oa_ bij de Soendaneezen op Java te huis.
Het geslacht Hylobates telt vier op de groote Soenda-eilanden wonende
soorten, maar alleen op Java leeft Hylobates leuciscus, alleen op Borneo
Hylobates concolor, terwijl Hylobates syndactylus (de Siamang) en
Hylobates variegatus of agilis (de Oengko) tot Sumatra bepaald zijn. De
bewoners van Borneo bedoelen dus met hun _oea-oea_ Hylobates concolor,
die van de Soendalanden met hun _oa-oa_ Hylobates leuciscus; maar ook de
soorten van Sumatra uiten kreten die, schoon eenigszins verschillend,
met die der andere in hoofdzaak overeenkomen, zooals o. a. blijkt uit
de mededeelingen van de leden der Sumatra-expeditie in het groote werk
„Midden-Sumatra” (I. Reisverhaal, 1, bl. 118, II. Aardr. beschr., bl.
158, IV. Nat. Hist., Fauna, 1, bl. 5 en 8; vgl. ook D. Veth's „Reizen in
Angola”, bl. 89). Het gansche geslacht _Hylobates_, althans zoover het
op de Soenda-eilanden voorkomt, heeft dus eigenlijk aanspraak op den
klanknabootsenden naam _wouwouw_, en toen de heeren J. van Iperen en
Fr. Schouwman in de „Verhandelingen van het Bat. Gen.” D. II, hunne
„Beschrijving der wouwouwen” leverden, sloten zij ook de verdere soorten
geenszins buiten, al moest hunne beschrijving zich, bij gebrek van
bekendheid met de andere soorten, tot de Javaansche soort bepalen. Met
betrekking tot het gebruik van het woord verdient nog opmerking, dat in
genoemde verhandeling het wijfje _wouwouwin_ genoemd wordt.
Het is zeer vreemd, dat men het woord wouwouw, zoo dikwijls in
geschriften over Indië voorkomend, in geen enkel Ned. Woordenboek, zelfs
niet in Kramer's „Kunstwoordentolk”, vindt opgenomen. Het is evenwel een
echt Nederlandsch woord, omdat het natuurlijke klanken, geuit door eene
in Insulinde levende klasse van dieren, nabootst op eene wijze, die
alleen in onze taal bestaanbaar is. Ook was het, schoon thans vergeten,
eenmaal in onze volkstaal lang niet zeldzaam. Ik herinner mij zeer goed
het ± 60 jaren geleden dikwijls in mijne geboortestad Dordrecht gehoord
te hebben; ik meen zelfs dat het een gewone spreekwijs was een knaap,
dien men als vlug en vlijtig prijzen wilde, „een koninkje van de
wouwouwen”[11] te noemen. Misschien dacht men, bij deze uitdrukking,
aan de bekende en niet geheel ongegronde verhalen omtrent de in Indië
voorkomende apenkoloniën, die een ouden aap tot leidsman, koning of,
zooals men op Java zegt, tot koewoe hebben; doch in dat geval heeft men
zich bedrogen, daar zulke koloniën altijd uit apen van eene geheel
andere soort, nam. _Macacus_ of _Cercocebus cynomolgus_, den grijzen
aap of meerkat, bestaan.
[11] Of moet het soms „koning van de wouwen” zijn, met toespeling op den
_koningswouw_ (_Milvus regalis_)?
Voor vreemde dieren, in afgelegen landen vertoevende, heeft onze taal
slechts een zeer beperkt aantal eigen woorden. De taal wordt in die
richting, gelijk op zoo menig ander wetenschappelijk gebied, niet
ontwikkeld, omdat onze geleerden meer en meer het gebruik der moedertaal
versmaden. Men moet zich dan ook in onze museën en diergaarden veelal
met Latijnsche of Fransche namen behelpen, die den beschouwer zoo vreemd
zijn, dat hij ze dadelijk weder vergeten is. Een naam als wouwouw, die
op een duidelijk kenmerk van het dier, nam. de vreemde klanken die het
voortbrengt, berust, wordt daarentegen dadelijk in het geheugen gegrift.
Wenschende dat deze naam, gelijk andere dergelijke, in onze taal zou
herleven, heb ik daarvan ook reeds in mijn „Java”, D. I, bl. 258,
gebruik gemaakt, na in mijne vertaling van Wallace's „Insulinde”, I,
bl. 107, het minder Hollandsche _wauwau_ te hebben gebezigd.
Kazuaris.
_Kazuaris_ is een bekende vogel uit Nieuw-Guinea en de Molukken, in
gestalte op den struis gelijkende, maar geheel vleugelloos en bedekt met
lange, grove, op haar gelijkende vederen. Valentijn, III, 1, bl. 298:
„De naam van dezen vogel is door gansch Indië de Kasuwaris.” Hij is
van Papoeschen oorsprong en luidt, volgens Sal. Müller, „Reizen in den
Indischen Archipel”, I, bl. 120, volgens de uitspraak der westelijke
Papoea's _Kasoewari_.
Met den naam van den Kazuaris hangt die van de _Casuarinen_ samen,
Oostindische boomen, zoo genoemd, omdat de naaldvormige takjes, die,
oppervlakkig beschouwd, de bladeren schijnen te vervangen, door onze
voorouders met de haarachtige vederen van den kazuaris vergeleken werden
(Jav. _tjemôrô_, Mal. _tjemara_, wij zouden zeggen _paardestaartboom_).
Zie Val. III, 1, bl. 222; Pijnappel, „Geogr. van Ned.-Indië”, bl. 25.
In 't Nederlandsch schrijft men echter beter _kazuaris-boom_, zooals
bestendig geschiedt in 't „Amboyns Kruydboek” van Rumphius, b. v.
D. III, bl. 87: „naam in 't Lat. _Casuarina_.... op 't Duytsch
_Casuaris-boom_ van de gedaante der bladeren.”
Papegaai.
_Papegaai_, Duitsch _Papagei_, Eng. _Popinjay_, oud-Fransch _Papegai_,
_Papegaut_, Ital. _Pappagallo_, Sp. en Port. _Papagayo_, stammen zonder
twijfel af van het Arabische _babagâ_ of het Perz. _bapgâ_; maar daar
deze woorden in hun oorsprong noch Arabisch, noch Perzisch kunnen zijn,
blijft de vraag over in welke taal zij oorspronkelijk te huis behooren.
Prof. Dozy, die _Papegaai_ niet in zijne „Oosterlingen” opnam, zegt in
zijn „Glossaire des mots Espagnols” etc., p. 326: „M. de Slane, dans une
note sur la traduction d'Ibn Khallicân (II, 149) a soupçonné qu'il
appartient à quelque dialecte Indien. Notre savant indianiste, M. Kern,
m'assure, qu'il n'est pas ainsi. Je suppose donc que c'est un terme
Africain.” Onmogelijk is dit zeker niet; maar de ondergeschikte rol die
de papegaaien in Afrika vervullen, maakt het minder waarschijnlijk. Doch
er is ook nog eene andere onderstelling mogelijk: het woord kan ook
van Papoeschen oorsprong zijn, evenals Kazuaris, of ook aan eene der
Moluksche landtalen behooren. Nieuw-Guinea en de Molukken zijn vanouds
wegens de veelsoortigheid en schoonheid hunner papegaaien beroemd
geweest. Vgl. het aangeteekende op _Kakatoe_ en _Lori_.
Kakatoe.
Deze schrijfwijze is geloof ik de meest gebruikelijke en bewaart beter
den oorspronkelijken vorm dan _kakketoe_, dat door de Vries en te Winkel
en ook door van Dale is aangenomen. In het Engelsch zegt men _cockatoo_.
Ieder weet dat _kakatoe_ een geslacht van papegaaien is, zich
onderscheidende door een kuif op den kop, een grooten, gekromden,
scherpgepunten en krachtigen snavel, en in witte en zwarte soorten
voorkomende. Het vaderland dezer vogels zijn de Moluksche of Papoesche
eilanden en hun naam, evenals die van den kazuaris, behoort dan ook,
naar allen schijn, oorspronkelijk in de talen dier eilanden te huis.
Die naam is tot de Maleiers gekomen en luidt bij hen _kakatoewa_. Uit
het Maleisch is deze in de talen van Europa overgegaan; maar dat hij
oorspronkelijk Maleisch zou zijn, is hoogst onwaarschijnlijk. In die
taal zou hij een samengesteld woord moeten zijn; maar de verbinding van
_kaka_ met _toewa_ geeft geen zin,[A] en in de Maleische landen geldt
even goed als bij ons de regel, dat dieren uit vreemde landen komende,
doorgaans hunne uitheemsche namen behouden.
[A] Toen ik de woorden nederschreef: „de verbinding van _kaka_ met
_toewa_ geeft geen zin”, dacht ik er niet aan dat men, de woorden
afzonderlijk houdende, _kaka toewa_ in het Maleisch gebruikt in de
beteekenis van een _oude vrouw_, een _oud moedertje_, eigenlijk
_oude zus_. _Toewa_ beteekent _oud_ en _kaka_ eigenlijk zoowel
_oudere broeder_ als _oudere zuster_, maar vooral het laatste. Het
is echter overbodig _toewa_ aan _kaka_ toe te voegen, wijl het er
reeds in ligt opgesloten. Dit alles heeft intusschen met _kakatoe_
als vogelnaam niets te maken.
_Kakatoewa_ heeft intusschen in het Maleisch nog twee wel niet algemeen
bekende, maar toch genoegzaam vaststaande beteekenissen. Volgens
Crawfurd, in „Journal of the Indian Archipelago”, 1850, p. 183,
beteekent het _a vice_, _a gripe_, d. i. een nijptang. Het is zeker meer
waarschijnlijk, dat men dit werktuig _kakatoewa_ heeft genoemd, omdat
zijn vorm en gebruik aan den snavel van dien vogel herinnerden, dan dat
de vogel naar de nijptang is genoemd, zooals Crawfurd schijnt te meenen.
Ook Klinkert, in zijn Supplement op het „Maleisch-Ned. Wdbk.” van
Pijnappel, kent die beteekenis van _nijptang_, maar bovendien ook die
van een _soort_ van _pagaai_ of schepriem. Dit laatste voorwerp wordt
niet nader beschreven, maar moet toch ook, dunkt mij, gekenmerkt zijn
door iets in zijn vorm dat aan een kakatoe doet denken. Pijnappel heeft
in de tweede uitgave van zijn Woordenboek ook de beteekenissen van
_nijptang_ en een _soort van pagaai_ opgenomen.
Lorre.
_Lorre_, of de verkleinvorm _Lorretje_, is de gewone naam waarmede bij
ons een papegaai, als huisdier in een kooi gehouden, wordt aangesproken.
Dus b. v. in Potgieter's „Liedekens van Bontekoe” (Verspreide en
nagelaten werken, Poëzy, D. II, bl. 28):
Ai! Lorretjen,
Kaporretjen,
Kapoe, kapoe, kapoe,
Houd mij je bekjen toe!
Ook bestaat er in onze taal een spreekwijs: „Hij is van lorretje [in
zijn hersens?] gepikt”, d. i. hij is onnoozel.
Men heeft dit woord afgeleid van het Spaansche _loro_ (volgens den
„Diccionario de la real Academia Esp.”: lo mismo que papegayo); zie
M. J. Koenen, „Sprokkelingen” (Tiel 1888). Dat _loro_ (of _louro_, wat
ik als Portug. vind opgegeven) in Indië reeds vóór onze komst door onze
Spaansche en Portugeesche voorgangers gebruikt werd, is zeker mogelijk;
maar de oorsprong van dit woord is stellig, evenals kazuaris, kakatoe
en andere namen van allee
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/45943