Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel
by Anonymous · Dutch · Gutenberg #45877 · 476,392 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel
Author: Anonymous
Release date: June 4, 2014 [eBook #45877]
Most recently updated: October 24, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/45877
Credits: Produced by Clog, J.H. Berends and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DUIZEND EN ÉÉN NACHT. ARABISCHE VERTELLINGEN. VIERDE DEEL ***
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |
| ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |
| accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie). |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
| e-boek op https://www.gutenberg.org/ |
| |
| Van „Duizend en één Nacht” zijn ook 3 andere delen als e-boek |
| beschikbaar via Project Gutenberg: |
| #45874, Eerste deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45874 |
| #45875, Tweede deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45875 |
| #45876, Derde deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45876 |
| |
+----------------------------------------------------------------+
DUIZEND EN ÉÉN NACHT.
Duizend en één Nacht.
ARABISCHE
VERTELLINGEN.
NAAR DE BESTE BRONNEN VOOR ONZEN TIJD BEWERKT.
_VIERDE DEEL._
AMSTERDAM,
Gebrs. KOSTER.
1882.
DUIZEND EN ÉÉN NACHT.
ARABISCHE VERTELLINGEN.
GESCHIEDENIS VAN DE MINNARIJEN VAN CAMARALZAMAN, PRINS VAN HET EILAND
DER KINDEREN VAN KHALADAN, EN VAN BADOURA, PRINSES VAN CHINA.
Op omstreeks twintig dagen varens van de kust van Perzië ligt in de
ruime zee een eiland, genaamd het eiland der kinderen van Khaladan. Dit
eiland is verdeeld in groote provinciën, met vele bloeijende en zeer
bevolkte steden, die te zamen een magtig koningrijk uitmaken. Oudtijds
werd dit land geregeerd door koning Schahzaman, die vier wettige vrouwen
en zestig bijwijven had.
Schahzaman regeerde zijne staten met groote wijsheid. Hij was bemind
bij zijne onderdanen, en leefde in vrede met de naburige koningen.
In één woord, hij zou de gelukkigste monarch der aarde geweest zijn,
had hem niet één ding ontbroken. Hij was reeds op jaren, en had,
niettegenstaande zijne vele vrouwen, nog geene kinderen. Hij wist niet,
waaraan dit te moeten toeschrijven, en was daarover zeer ontstemd, hij
beschouwde het als het grootste ongeluk, dat hem kon overkomen, geen'
zoon te hebben, die hem in zijn rijk zou kunnen opvolgen. Langen tijd
ontveinsde hij zijne kwellende droefheid, welke hem te zwaarder drukte,
daar hij zich geweld aandeed, die te verbergen. Eindelijk verbrak
hij het stilzwijgen, en op zekeren dag met zijn' groot-vizier alleen
zijnde, klaagde hij dezen zijn' nood, met de vraag of hij daar geen
middel op wist te vinden.
„Indien hetgeen uwe majesteit mij vraagt,” antwoordde deze wijze
staatsman, „afhankelijk was van de gewone regelen der menschelijke
wijsheid, zij zou weldra de voldoening smaken, haren vurigsten wensch
vervuld te zien; maar ik moet bekennen, dat mijne ondervinding en
mijne kennis hier te kort schieten; het is bij God alleen, dat men
in dergelijke zaken zijne toevlugt moet nemen. Te midden van onzen
voorspoed, waarin wij hem maar al te ligt vergeten, behaagt het Hem
soms, ons op eene gevoelige plaats te treffen; opdat wij aan Hem mogen
denken, zijne Almagt erkennen, en van Hem vragen zouden, wat Hij alleen
ons geven kan. Gij hebt onder uwe onderdanen, die er zich bijzonder aan
toewijden, Hem te vereeren en te dienen, en die uit liefde tot Hem
een sober leven leiden. Mijn raad is dus, dat uwe majesteit aan deze
menschen aalmoezen geeft, en hen aanspoort hunne gebeden met de uwen
te vereenigen. Welligt, dat onder een zoo groot aantal zich iemand
zal bevinden, die rein en God welgevallig genoeg is, om van hem te
verkrijgen, wat gij zoo vurig verlangt.”
De koning Schahzaman vond dezen raad zeer goed, en bedankte er zijn'
groot-vizier voor. Hij liet rijke aalmoezen geven aan alle godsdienstige
inrigtingen, deed de bestuurders bij zich ontbieden, en na hen
feestelijk onthaald te hebben, maakte hij hen met zijne bedoeling
bekend, en verzocht hun daartoe te willen medewerken.
Schahzaman verkreeg van den hemel, wat hij zoo vurig begeerde;
eene zijner vrouwen werd zwanger en schonk hem een' zoon. Om
zijne dankbaarheid te toonen, gaf hij weder rijke aalmoezen aan
de Muzelmansche geestelijken. Men vierde de geboorte van den prins
gedurende acht dagen, en dat niet alleen in de hoofdstad, maar in zijn
geheele rijk, door allerlei openbare vermakelijkheden. Deze zoon was
zoo schoon, dat men hem den naam van Camaralzaman (_Maan der Eeuwen_)
gaf.
Camaralzaman werd met de meest mogelijke zorg opgevoed. Zoodra hij
daartoe de jaren bereikt had, gaf de sultan Schahzaman hem een' zeer
knappen gouverneur, en tevens een' zeer bekwamen onderwijzer, die in
zijnen vorstelijken leerling zulk eene groote vatbaarheid, en een zoo
zachtmoedig karakter opmerkten, dat het voor hen een vermaak was, hem te
mogen onderwijzen. Zij leerden hem den godsdienst op prijs stellen, de
deugd liefhebben, en rustten hem uit met al die kennis en wetenschappen,
waarmede de vermoedelijke opvolger en beheerscher van een magtig
koningrijk bekend behoort te zijn. Op meer gevorderden leeftijd
kreeg hij onderrigt in den wapenhandel, het paardrijden en andere
ligchaamsoefeningen, waarbij hij zeer veel handigheid en losse
bevalligheid aan den dag legde.
De sultan beminde zijn' zoon met meer dan vaderlijke teederheid, waarvan
hij hem dagelijks blijken gaf, en toen deze zijn vijftiende jaar bereikt
had, wilde hij daarvan een nog treffender bewijs geven, door ten behoeve
van zijn' zoon van den troon afstand te doen. Hij sprak hierover met
zijn' groot-vizier. „Ik vrees,” zeide hij, „dat mijn zoon, door zijne
jongelingsjaren in ledigheid door te brengen, verliezen zal, niet alleen
de schoone gaven en de deugden, waarmede de natuur hem zoo mild bedeeld
heeft, maar zelfs die, welke hij heeft verkregen door de zorgvuldige
opvoeding, welke ik hem heb laten geven. Daar ik nu op eenen ouderdom
ben, die mij aan een stil leven doet denken, zoo ben ik bijna besloten
hem de regering over te dragen, en het overige van mijn leven toe te
wijden aan het vermaak, mijn' zoon te zien regeren. Ik ben reeds zoo
vele jaren onvermoeid werkzaam geweest, dat ik behoefte aan rust heb.”
De groot-vizier vond niet raadzaam den Sultan de redenen voor te houden,
die hij tegen zijn plan zou hebben kunnen aanvoeren, en nam alzoo den
schijn aan zijn gevoelen te deelen. „Sire,” antwoordde hij, „de prins
is naar het mij voorkomt, nog wel wat jong, om hem een' zoo zwaren last
op de schouders te leggen, zulk een uitgestrekt rijk te regeren. Uwe
majesteit vreest, dat de ledigheid hem ten verderve zal voeren, en
dit met regt; maar zou zij, om dit gevaar te voorkomen, het niet beter
achten, hem eerst te laten trouwen? Het huwelijk heeft banden, die een'
jongen prins weêrhouden kunnen, zich in den maalstroom van een losbandig
leven te werpen. Daarbij zou uwe majesteit hem in den raad kunnen
toelaten, waar hij allengskens leeren zal, om het gewigt der regering
te dragen, en den glans op te houden uwer kroon, waarvan gij ten zijnen
gunste afstand kunt doen, zoodra gij hem daartoe bij eigen ondervinding
bekwaam zult achten.”
Schahzaman vond dezen raad van zijnen eersten staatsminister zeer
verstandig. Daarom liet hij, zoodra de vizier zich had verwijderd,
Camaralzaman ontbieden. Den prins, die gewoon was den sultan, zijn'
vader, op vastgestelde tijden te bezoeken, zonder dat men hem behoefde
te laten roepen, bevreemdde het eenigzins, thans bij zijn' vader te
moeten komen. In plaats van met de gewone vrijmoedigheid voor hem te
verschijnen, groette hij hem ditmaal zeer eerbiedig, en bleef met
neêrgeslagen oogen voor hem staan, even alsof hij iets kwaads gedaan,
en zijne teregtwijzing te vreezen had.
Deze gedwongen houding van den prins ontging den sultan niet. „Mijn
zoon,” zeide hij met een gelaat, dat hem gerust moest stellen, „weet
gij, met welk doel ik u hier heb doen komen?” „Sire,” antwoordde
Camaralzaman, „God alleen kent de gedachten der menschen; daarom zal het
mij aangenaam zijn, van uwe majesteit te mogen hooren, wat zij mij te
zeggen heeft.” „Ik heb u bij mij ontboden,” hernam de sultan, „om u te
zeggen, dat ik besloten heb u uit te huwelijken. Wat dunkt u daarvan?”
De prins Camaralzaman hoorde met grooten tegenzin zijn' vader aldus
spreken. De zweetdroppels stonden op zijn gelaat, en hij was verlegen,
wat te zullen antwoorden. Na eenig nadenken, zeide hij: „Sire, ik smeek
u mij te vergeven, dat ik terneêrgeslagen ben over de verklaring, welke
uwe majesteit mij doet. Op mijnen nog zoo jeugdigen leeftijd was ik
daarop geheel niet verdacht. Ik weet zelfs niet, of ik wel immer zal
kunnen besluiten, het huwelijksjuk op mijne schouders te nemen, niet
alleen om de onrust, welke de vrouwen ons baren, maar ook om hare
bedriegelijke listen, hare ondeugden en hare trouweloosheden, zooals ik
daarvan bij onze schrijvers veel vermeld gevonden heb. Het is mogelijk,
dat ik niet altoos bij deze meening zal blijven, maar toch gevoel ik,
dat ik tijd zal behoeven, alvorens te kunnen besluiten tot hetgeen uwe
majesteit van mij verlangt.”
Dit antwoord van den prins Camaralzaman bedroefde den sultan, zijn'
vader zeer. Het deed den monarch wezentlijk leed, dat zijn zoon een' zoo
grooten tegenzin in het huwelijk had. Hij wilde hem echter niet als een
ongehoorzaam kind behandelen, noch van zijn vaderlijk gezag gebruik
maken, en vergenoegde zich met te zeggen: „Ik wil u op dit punt niet
dwingen; ik geef u den tijd er over na te denken, en in aanmerking te
nemen, dat een prins als gij, wiens bestemming het is over een groot
rijk te heerschen, er vóór alles op bedacht moet zijn, zich eenen
opvolger te verschaffen. Hierdoor zult gij ook uwen vader verblijden,
die zeer verheugd zal zijn, zich te zien herleven in de kinderen, die u
geboren zullen worden.”
Hierbij liet Schahzaman de zaak berusten, en sprak er den prins niet
meer van. Hij gaf hem zitting in den raad, en Camaralzaman had ook in
andere opzigten reden, om over zijne vaderlijke goedheid tevreden te
zijn. Eerst na verloop van een jaar nam hij hem weder alleen. „Welnu
mijn zoon,” zeide hij, „gij hebt thans den tijd gehad, om de zaak
rijpelijk te overwegen; wat dunkt u van het huwelijksvoorstel, dat ik
u in het voorgaande jaar deed? Zult gij nog weigerachtig zijn, mij de
vreugde te schenken, welke ik van uwe gehoorzaamheid verwacht, en wilt
gij mij laten sterven zonder die voldoening te geven?”
De prins was thans minder ontsteld dan de vorige keer, en hij draalde
niet lang op onbevangen toon te antwoorden: „Sire, ik heb niet verzuimd
ernstig over de zaak na te denken; maar dit heeft mij slechts gesterkt
in mijn besluit, van vrij man te blijven. Het vele kwaad van de oudste
tijden af door de vrouwen in de wereld gebragt, zooals de geschiedenis
ons daarvan honderden voorbeelden mededeelt, en zooals ik nog dagelijks
hoor en zie, heeft mij gesterkt in mijn voornemen, om nimmer te huwen;
uwe majesteit gelieve mij dus te verontschuldigen, indien ik rondborstig
verklaar, dat het geheel nutteloos is, mij verder over een huwelijk
te spreken.” Hier hield de prins op, en verwijderde zich driftig, zonder
zijnen vader den tijd tot antwoorden te laten. Ieder ander monarch
dan Schahzaman zou in hevigen toorn zijn ontstoken over de stoute
taal, welke de prins, zijn zoon, zich veroorloofde; maar de sultan
had Camaralzaman hartelijk lief, en hij wilde alle zachtmoedigheid
gebruiken, alvorens zijn vaderlijk gezag te doen gelden, en hem tot
gehoorzaamheid te dwingen. Hij kon echter voor zijn' groot-vizier de
nieuwe oorzaak tot droefheid, welke Camaralzaman hem had gegeven, niet
verbergen. „Ik heb uwen raad opgevolgd,” zeide hij, „maar Camaralzaman
heeft nog minder plan om te huwen, dan toen ik er hem de eerste maal
over heb gesproken; en daarbij heeft hij zoo stout geantwoord, dat ik
al mijne zelfbeheersching noodig had, om niet in toorn te ontsteken.
De vaders, die even vurig naar kinderen verlangen, als ik dezen zoon
begeerd heb, zijn slechts waanzinnigen, die zich eigenwillig eene
groote onrust op den hals halen, terwijl zij stil en rustig hadden
kunnen leven. Zeg mij nu, verzoek ik u, welke middelen moet ik
aanwenden, dat deze weêrspannige zoon zich naar mijn' wil voege?”
„Sire,” antwoordde de groot-vizier, „door geduld kan men dikwijls
de moeijelijkste zaken tot een goed einde brengen; ik durf niet met
zekerheid zeggen, dat dit ook hier het geval zal zijn. De zaak is van
een' bijzonderen aard; maar uwe majesteit zal zich niet te verwijten
hebben, te voortvarend te zijn geweest, indien zij goed kan vinden aan
den prins nogmaals een jaar toe te staan, om zich te bedenken. Indien
hij binnen dat tijdsverloop tot zijnen pligt komt, zoo zal dit voor uwe
majesteit eene des te grootere voldoening zijn, daar zij niets dan de
vaderlijke goedheid zal hebben aangewend, om hem daartoe te brengen.
Mogt het tegendeel plaats hebben, en hij na verloop van een jaar in
zijne weêrspannigheid blijven volharden, zoo komt het mij voor, dat uwe
majesteit wel zal doen, hem in den vollen raad te verklaren, dat het
heil van den staat gebiedend vordert, hij een huwelijk aangaat. Het is
wel niet te gelooven, dat hij aan den u verschuldigden eerbied zal
durven te kort doen, ten overstaan van dit geëerde staatsligchaam.”
De sultan verlangde met zoo veel drift den prins gehuwd te zien, dat een
uitstel van een jaar hem eene eeuwigheid toescheen, en hij slechts met
moeite kon besluiten zoo lang te wachten. De redenen, door zijn' vizier
aangevoerd, waren echter zoo grondig, dat hij na een' langen zelfstrijd
besloot, er zich naar te voegen. Hij begaf zich naar de vertrekken der
moeder van den prins Camaralzaman, aan welke hij reeds sedert lang zijne
denkwijze omtrent het huwelijk van hun' zoon had te kennen gegeven.
Geheel neerslagtig deelde hij haar mede, wat er tusschen hem en
Camaralzaman had plaats gevonden, en de langmoedigheid, welke hij ook
dit maal op raad van zijn' vizier op hem wilde toepassen. „Mevrouw,”
ging hij verder voort, „ik weet dat Camaralzaman vertrouwelijker met u
spreekt, dan met mij. Ik verzoek u dus, hem over deze zaak ernstig te
bestraffen, en hem voor te houden, dat, blijft hij zich tegen mijnen
vaderlijken wil verzetten, hij mij alsdan zal dwingen tot uitersten te
komen, die mij leed zouden zijn, en die ook hem berouw zouden doen
hebben over zijne ongehoorzaamheid.”
Fatime (zoo heette de moeder van Camaralzaman) verzuimde niet, de eerste
maal dat zij haren zoon zag, hem te zeggen hoe verstoord de sultan over
zijne nieuwe weigering was. „Mevrouw,” antwoordde Camaralzaman, „ik
smeek u, mijne droefheid niet te vermeerderen, door over deze voor mij
onaangename zaak te spreken; ik vrees, dat mij in de spijtige stemming,
waarin ik mij bevind, misschien uitdrukkingen mogen ontvallen, strijdig
met den aan u verschuldigden eerbied.” Fatime begreep uit dit antwoord,
dat de wond nog te versch was, en sprak voor dit maal over dit onderwerp
niet verder. Eenige weken daarna meende zij echter het gunstige
oogenblik gevonden te hebben, om met eenigen kans van een' goeden
uitslag, de bewuste huwelijkszaak weder op het tapijt te kunnen brengen.
„Mijn zoon,” zeide zij, „gij moet u niet driftig maken, maar ik smeek u,
mij te willen zeggen, wat dan toch wel de redenen zijn, welke u een' zoo
grooten tegenzin voor het huwelijk inboezemen. Indien gij geene anderen
hebt dan de arglistigheid en de boosheid der vrouwen, zoo zijn die al
zeer zwak en onredelijk. Ik wil de verdediging der slechte vrouwen
niet op mij nemen, en ik erken dat er zulke zijn; maar het is eene
onregtvaardigheid, aan allen die ondeugden ten laste te leggen. Gij
beroept er u op, dat eenige vrouwen, waarvan uwe boeken melding maken,
veel onrust en vele rampen in de wereld gebragt hebben, ik zal daar
niets op afdingen. Maar waarom let gij niet op de vele monarchen,
koningen en vorsten, wier dwingelandij en barbaarschheden in die zelfde
boeken slechts met afschuw kunnen gelezen worden. Tegen ééne vrouw, zult
gij duizend van die mannelijke tyrannen en barbaren vinden. En zouden de
brave en deugdzame vrouwen, mijn zoon, die met die woedende monsters
gehuwd waren, wel zeer gelukkig geweest zijn?”
„Mevrouw,” hernam Camaralzaman, „ik twijfel niet, of er zijn vele
vrouwen, die braaf, deugdzaam, goed en zachtmoedig zijn. Mogt het den
Hemel behagen, dat zij allen aan u gelijk waren! Maar wat mij het meest
tegenstaat is de twijfelachtige keus, welke een man heeft, als hij zal
trouwen; of beter dat men hem de vrijheid niet laat, eene keus te doen
naar zijn' wil en zijne genegenheid. Veronderstel, mevrouw, dat ik
besluiten kon mij in het huwelijk te begeven, zooals de sultan mijn
vader dit met zoo veel ongeduld van mij verlangt; welke vrouw zal hij
mij geven? Waarschijnlijk eene prinses, welke hij bij een' zijner
koninklijke naburen voor mij ten huwelijk zal laten vragen, en die het
zich tot eene eer zal rekenen, hem zijne dochter toe te zenden. Schoon
of leelijk, ik zal haar moeten nemen. Maar aangenomen zelfs, dat geene
andere prinses haar in schoonheid evenaart. Wie kan er voor instaan,
dat zij ook eene schoone ziel heeft, dat zij toegevend, voorkomend en
aanminnig is; dat zij een degelijk gesprek weet te voeren, en niet
altijd redeneert over kleeding, opschik en duizend andere nietigheden,
zaken welke een man met eenig gezond verstand slechts met medelijden
kan aanhooren; in één woord, dat zij niet trotsch, hoogmoedig, lastig,
kwaadsprekend is, en het geheele land niet zal uitputten door dwaze
verkwistingen aan kleeding, edelgesteenten en andere kostbaarheden, die
slechts eene ingebeelde waarde bezitten. Ziedaar, mevrouw, eene menigte
zaken, die mij het huwelijk geheel en al tegen maken. Maar al mogt ook
die prinses zoo volmaakt mogelijk zijn, en vrij van al de door mij
opgesomde gebreken, zoo heb ik nog andere en gewigtiger redenen, om
niet van mijn gevoelens af te gaan, of van besluit te veranderen.”
„Hoe, mijn zoon,” hernam Fatime, „gij hebt nog andere redenen, behalve
die, welke gij mij hebt opgenoemd? Hoe die ook zijn mogen, ik ben zeker
ze allen te wederleggen, en u met een enkel woord den mond te sluiten.”
„Laat niets u daartoe weêrhouden, mevrouw,” hernam de prins, „ik ben
geheel gehoor.” „Ik moet u dan zeggen, mijn zoon,” antwoordde Fatime,
„dat, mogt u het ongeluk te beurt vallen, eene prinses te huwen, zooals
gij daar hebt afgeschilderd, het dan voor een' prins als gij, eene ligte
zaak zal zijn haar te verlaten, en er zorg voor te dragen, dat zij het
land niet arm maakt.” „Maar, mevrouw,” hernam de prins Camaralzaman,
„gevoelt gij dan niet, hoe hard en beschamend het voor een' vorst is,
gedwongen te zijn, om tot zulk een uiterste over te gaan? Is het dan
niet veel beter voor zijne eer en voor zijne rust, dat hij er zich niet
aan blootstelt?” „Maar, mijn zoon,” wederlegde nog eens Fatime, „zoo als
gij de zaak opneemt, moet ik besluiten, dat gij de laatste koning wilt
zijn uit het vorstelijk geslacht, dat met zoo veel roem geregeerd heeft
over het eiland van de kinderen van Khaladan.” „Mevrouw,” antwoordde de
prins, „ik wensch den koning, mijn' vader, niet te overleven. Het zou
niets vreemds zijn, indien ik vóór hem kwam te sterven; de voorbeelden,
dat kinderen vóór hunne ouders in het graf dalen, zijn veelvuldig. Maar
het is bovendien voor een koninklijk geslacht altoos roemrijk, indien de
laatste telg uit dat vorstelijk bloed blijken heeft gegeven aan zijne
doorluchtige voorgangers niet onwaardig te zijn, en daarnaar zal ik
trachten.”
Hiermede nam het gesprek een einde; maar Fatime kwam er van tijd tot
tijd nog gedurig op terug, en zij liet geen middel onbeproefd, om des
prinsen afkeer van het huwelijk te overwinnen. Camaralzaman wist echter
alle door haar aangevoerde redenen te wederleggen, en bleef in dit
opzigt onbewegelijk.
Een jaar verliep, en tot groote smart van sultan Schahzaman gaf de prins
Camaralzaman niet het geringste blijk, dat hij van gevoelens veranderd
was. Op zekeren dag nu, dat de raad was vergaderd, en deze op last van
den koning door den groot-vizier, al de viziers, de staf-officieren en
de generaals van het leger werd bijgewoond, nam de vorst, op zijn' troon
gezeten, het woord, en zeide tot den prins: „Mijn zoon, reeds lang zijt
gij bekend met mijn' liefsten wensch, om u in het huwelijk te begeven,
en ik had van u verwacht, dat gij voor een' vader, die nooit iets
onredelijks van u heeft verlangd, meer inschikkelijkheid zoudt hebben
getoond. Door een' zoo langen tegenstand van uwen kant is mijn geduld
uitgeput; ik doe u nu nog eens het zelfde voorstel in tegenwoordigheid
van mijn' raad. Het is thans niet alleen de wensch van een' vader, maar
ook deze achtbare vergadering voegt voor het heil van den staat haar
verzoek bij het mijne. Verklaar u dus, opdat ik de maatregelen kan
nemen, die ik in het belang van mijn eer en van mijn rijk noodig zal
achten.”
De prins Camaralzaman antwoordde hierop met zoo weinig terughouding, of
liever met zoo veel oploopendheid, dat de sultan, met regt vertoornd
over de beleediging, die zijn zoon hem in den vollen raad deed
ondergaan, in gramschap uitriep: „Wat! onnatuurlijke zoon, gij vermeet
u aldus te spreken tegen uwen vader en uwen sultan!” Te gelijk deed
hij hem door zijne wacht vatten, en in een' ouden toren opsluiten. Doch
zelfs ook nu verloochende zich de vaderlijke genegenheid van Schahzaman
jegens zijn' weêrspannigen zoon niet, want hij liet hem in zijne
gevangenis een bed, eenig huisraad en zijne boeken geven, benevens een'
slaaf, om hem te bedienen.
Camaralzaman, tevreden zich met zijne boeken te kunnen bezighouden,
bekreunde zich weinig om zijne gevangenschap. Hij deed dien avond naar
gewoonte zijn gebed, las eenige hoofdstukken in den koran met de zelfde
gerustheid, alsof hij zich in zijne eigen vertrekken bevond, en begaf
zich vervolgens ter ruste.
In dien toren was een put, welke gedurende den dag tot woonplaats
verstrekte aan eene toovergodin, genaamd Maimoune, dochter van
Damriat, koning en opperste van een legioen geesten. Het was omstreeks
middernacht, toen Maimoune zich, zoo ligt als een vogel, uit de put
ophief, om naar gewoonte hare reis door de wereld te doen. Zij was zeer
verwonderd licht te zien in de kamer, waar de prins Camaralzaman sliep;
want de toren was reeds sinds jaren onbewoond. Zij trad binnen en zonder
zich met den slaaf op te houden, die voor de deur lag te slapen, ging
zij naar het ledikant, dat door deszelfs pracht hare aandacht trok. Hare
verwondering klom nog hooger, toen zij daar iemand in zag liggen.
Het gelaat van den prins Camaralzaman was halverwege onder het dekbed
verborgen. Maimoune ligtte de sprei een weinig op, en aanschouwde nu den
schoonsten jongeling, dien zij nog ooit gezien had. „Welk een' glans,”
zeide zij in zich zelve, „en welken gloed moet er uit die nu door
sierlijke wenkbraauwbogen gesloten oogen stralen, indien zij zich
openen! Waarom wordt deze wonderschoone jongeling, op eene met zijn'
hoogen stand dus onwaardige wijze behandeld?” Maimoune kon zich niet
verzadigen, den prins Camaralzaman te aanschouwen. Eindelijk, na hem op
beide wangen en op het voorhoofd gekust te hebben, zonder dat hij
ontwaakte, liet zij het dek zachtjes weder vallen, en verhief zich in de
lucht.
Toen zij zich tot eene aanzienlijke hoogte boven de aarde had verheven,
trof een sterk vleugelgeklap haar gehoor, hetgeen haar drong, naar dien
zelfden kant heen te vliegen. Al naderende bemerkte zij, dat dit geluid
werd veroorzaakt door een' dier geesten, welke aan God weêrspannig zijn.
Maimoune behoorde tot degenen, die door Salomo tot onderworpenheid
gedwongen werden.
De geest, die zich Danhasch noemde, en die een zoon was van Schamhouras,
herkende ingelijks Maimoune, maar met grooten schrik. Hij wist, dat zij
door hare onderwerping aan den schepper, eene groote meerderheid op hem
had. Hij zou deze ontmoeting wel hebben willen ontwijken, maar bevond
zich reeds zoo digt in hare nabijheid, dat hij niet ontvlugten kon, en
hem niets anders overbleef dan met haar te strijden, of de minste te
zijn en voor hare magt onder te doen.
Danhasch voorkwam Maimoune. „Gevreesde Maimoune!” sprak hij op
smeekenden toon, „zweer mij bij Gods grooten naam, dat gij mij geen
kwaad zult doen, en ik beloof u van mijnen kant, u geen leed te zullen
toebrengen.” „Vervloekte geest,” antwoordde Maimoune, „wat leed zoudt
gij mij kunnen doen? Ik ben niet bevreesd voor u, maar wil u echter de
gevraagde gunst wel toestaan en den eed doen, dien gij van mij verlangt.
Zeg mij eerst echter, van waar gij komt, en wat gij dezen nacht gezien
en verrigt hebt.”
„Schoone dame,” hernam de geest op hoffelijken toon, „gij ontmoet mij
juist van pas, om iets vreemds van mij te hooren, dat uwe aandacht
verdient. Ik kom van de uiterste grenzen van China, waar men het gezigt
heeft op het meest Oostelijke eiland van dat magtige rijk... Maar
bekoorlijke Maimoune,” vervolgde Danhasch, die in tegenwoordigheid van
deze toovergodin van vrees bijna niet kon spreken en over zijn geheele
ligchaam beefde, „indien ik aan uw verlangen voldoe, belooft gij mij
immers, dat gij mij ongedeerd en in vrijheid van u zult laten gaan?”
„Wat draalt gij? Vervolg booze geest!” riep Maimoune, „en vrees niets.
Meent gij, dat ik een trouwelooze ben gelijk gij, en dat ik in staat zou
zijn, te kort te doen aan den duren eed, dien ik u gezworen heb. Neem u
echter wel in acht, mij niets dan waarheid te zeggen; anders zal ik u
de vleugels korten, en met u handelen, zooals gij verdient.” Danhasch,
door deze woorden van Maimoune een weinig gerustgesteld, zeide nu:
„Mijne waarde dame, ik zal u niets zeggen, dan hetgeen waarheid is; heb
slechts de goedheid naar mij te luisteren. China, van waar ik kom, is
een der grootste en magtigste koningrijken van de geheele aarde. De
tegenwoordige koning noemt zich Gaïour, en deze koning heeft eene eenige
dochter, de schoonste maagd, welke men ooit gezien heeft. Noch gij, noch
ik, noch de geesten van uwe en mijne partij en geheel het menschdom te
zamen, zouden woorden of uitdrukkingen kunnen vinden, die sterk genoeg
zijn, ja, de hoogste welsprekendheid zou te kort schieten, om een flaauw
beeld te schetsen van deze schoonste der schoonen. Zij heeft donkerbruin
haar, zoo zacht als zijde en zoo lang, dat het tot op de voeten afhangt,
daarbij in zulk een' weelderigen overvloed, dat het, in tressen
gestrengeld en op haar hoofd te zamen geschikt, gelijkt aan een' dier
schoone druiventrossen, wier druiven van uitstekenden glans en grootte
zijn. Onder dit glansrijke haar vertoont zich een fraai gevormd
voorhoofd, zoo wit als elpenbeen; hare gitzwarte oogen zijn gelijk
aan fonkelende diamanten in het zonlicht; haar mond is klein en rood
als bloedkoraal; hare tanden zijn gelijk twee rijen paarlen, maar
overtreffen deze in schoonheid en witheid; en als zij hare lippen
beweegt, om te spreken, hoort men toonen zoo zacht, zoo aangenaam en zoo
welluidend, dat een ieder er door betooverd wordt, hare woorden zijn vol
geest en leven. Het schoonste albast moet in glans en witheid bij haren
hals en boezem achterstaan, zoodat gij gemakkelijk kunt opmaken, er
ter wereld geene volmaaktere schoonheid is. Wie den koning haar vader
niet goed kent, zou uit de vaderlijke teederheid, die hij de prinses
toedraagt, kunnen denken, dat hij verliefd op haar is. Nooit heeft een
minnaar voor zijne geliefde minnares gedaan, wat deze vader voor zijne
dochter doet. Hij waakt voor haar met de zorg van een jaloerschen
echtgenoot, en houdt haar in de strengste afzondering. Doch, opdat zij
zich in die eenzaamheid niet zou vervelen, liet hij zeven paleizen voor
haar bouwen, wier gelijken men op de gansche wereld te vergeefs zoude
zoeken. Het eerste paleis is van bergkristal, het tweede van brons,
het derde van fijn staal, het vierde van marmer, het vijfde van koper,
het zesde van zilver en het zevende van zuiver goud. Elk paleis is op
eene eigenaardige wijze met ongehoorde pracht gemeubeld. De daarbij
behoorende tuinen zijn mede op onderscheidene wijze met smaak aangelegd;
het ontbreekt er niet aan fraaije gras- en bloemperken, watervallen,
fonteinen en schaduwrijke boschjes, door welker loover de stralen der
zon niet zouden kunnen dringen, en waar zelfs op het heetste van den dag
eene aangename koelte heerscht. In één woord, de koning Gaïour doet
zien, dat vaderliefde alleen genoegzaam is, om ongehoorde schatten te
verspillen.
Op het gerucht van de onvergelijkelijke schoonheid der prinses van
China, zonden vele der magtigste naburige koningen hunne gezanten, om
haar ten huwelijk te vragen. De koning van China ontving de gezanten
met de grootste hoffelijkheid; maar daar hij zijne dochter niet wilde
uithuwelijken dan met hare toestemming, en de prinses al deze partijen
van de hand sloeg, moesten zij met eene beleefde weigering weder naar
huis gaan, beter voldaan over de eer hun aangedaan, dan over den uitslag
van hunne zending.
„Sire,” zeide de prinses bij dergelijke voorstellen tot den koning,
haren vader, „gij wilt mij uithuwelijken, en gelooft mij daarmede een
groot genoegen te doen, maar waar elders dan bij uwe majesteit zal ik
zulke prachtige paleizen en heerlijke tuinen vinden? Ik voeg hierbij,
dat ik volgens uw koninklijk welbehagen tot niets gedwongen ben, wat mij
minder aangenaam zou kunnen zijn, en dat men mij de zelfde eerbewijzen
betoont als aan uw' persoon. Dit zijn voordeelen, die ik nergens elders
in de gansche wereld zal terugvinden, aan welken echtgenoot ik mij ook
verbinde. De mannen willen altoos de meesters zijn, en mijn hoofd staat
er niet naar, om mij te laten bevelen.”
Ten laatste kwam er een gezantschap van een' koning, rijker en magtiger
dan allen, die zich tot dus verre hadden opgedaan. De koning van China
sprak hierover met zijne dochter, en hield haar voor, hoe voordeelig het
voor haar zijn zou, dezen vorst tot echtgenoot te nemen. De prinses
smeekte hem, haar daarvan te willen verschoonen, en bragt voor hare
weigering de zelfde redenen van vroeger bij. Haar vader drong dit maal
bijzonder sterk aan; in plaats echter van toe te geven, verloor de
prinses allen eerbied uit het oog, welke zij aan haren koning en vader
verschuldigd was. „Sire,” zeide zij toornig, „spreek mij niet meer over
dat huwelijk, noch over eenig ander, of ik stoot mij een' dolk in het
hart, om mij van den last te ontslaan, dien gij mij aandoet.”
De koning van China, ten hoogste verbitterd over dit onbetamelijk gedrag
van de prinses, gaf daarop ten antwoord: „Dochter, gij hebt uw verstand
verloren, en ik zal met u als met eene krankzinnige handelen.” Die
bedreiging bleek niet ijdel te zijn; hij liet de prinses in eene der
vertrekken van zijn paleis opsluiten, en gaf haar slechts tien oude
vrouwen tot gezelschap, om haar te dienen, waaronder hare voedster was.
Tevens zond hij boden aan de koningen, die zijne dochter ten huwelijk
hadden laten vragen, om hun kennis te geven, dat de prinses een'
onverwinnelijken afkeer voor elk huwelijk aan den dag legde, en dat hij
vreesde, zij niet wel bij hare zinnen was. Hij liet ook aan al die hoven
door zijne gezanten bekend maken, dat indien zich daar een geneesheer
bevond, die zich bekwaam achtte, om zijne dochter te genezen, deze
slechts had over te komen, en hij hem dan als belooning de prinses tot
vrouw zou geven.
Schoone Maimoune,” vervolgde de geest, „zoo is het thans aan het hof van
China gesteld. Ik verzuim niet de onvergelijkelijke schoonheid dagelijks
te aanschouwen, want niettegenstaande mijn boos karakter, zou het mij
spijten, haar het minste leed te doen. Ik bid u, kom haar zien, gij zult
u niet teleurgesteld vinden, en mij dankbaar zijn, dat ik u eene prinses
heb laten zien, die haars gelijken in schoonheid niet heeft. Gij hebt
mij slechts te bevelen, ik ben bereid u tot gids te dienen.”
In plaats van hierop te antwoorden barstte Maimoune in een schaterend
lagchen uit, zoodat Danhasch, niet wetende, waaraan hij dat uitbundig
lagchen van de toovernimf moest toeschrijven, haar met de uiterste
bevreemding aanstaarde. Toen die lachbuijen zich verscheidene malen
herhaald hadden, zonder dat zij tot bedaren scheen te kunnen komen, riep
zij eindelijk uit: „Dat is om iemand dood te doen lagchen! Ik meende,
dat gij mij iets zeer bijzonders zoudt hebben te vertellen, zooals gij
ook gezegd hebt, en nu spreekt gij mij van eene schoone krankzinnige:
wel foei, wel foei! Wat zoudt gij dan wel zeggen, indien gij gelijk ik
den schoonen prins gezien hadt, dien ik zoo straks aanschouwd heb, en
dien ik lief heb gelijk hij dit waardig is? Op mijn woord, dat is nog
heel wat anders dan uwe prinses, waarvan gij zoo veel ophef maakt.”
„Vriendelijke Maimoune,” hernam Danhasch, „mag ik mij verstouten u te
vragen, wie die prins is, van wien gij mij spreekt?” „Hij is,” zeide
Maimoune, „de jonge prins Camaralzaman, de eenige zoon van den koning
van het eiland der kinderen van Khaladan. Hem is bijna het zelfde
bejegend, als aan de prinses waarvan gij mij gesproken hebt. Zijn vader
wilde hem met alle geweld doen trouwen, en nadat deze hem lang daarmede
gekweld had, verklaarde de prins rond weg, dat hij niet wilde. Dit is de
oorzaak, waarom hij thans gevangen zit in den ouden toren, waar ik mijn
verblijf heb, en waar ik het geluk genoot, hem te aanschouwen en te
bewonderen.”
„Ik wil u volstrekt niet tegenspreken,” hernam Danhasch, „maar gij
zult mij toch wel veroorloven, schoone dame, te gelooven, dat geene
sterveling mijne prinses in schoonheid kan evenaren, zoolang ik uwen
prins niet gezien heb.” „Zwijg, booze geest,” viel Maimoune uit, „ik
zeg u nogmaals, dat dit niet waar kan zijn!” „Ik wil tegen u niet
stijfhoofdig zijn,” ging Danhasch voort, „gij kunt u overtuigen, of ik u
te veel gezegd heb, door mijne prinses te gaan zien, en mij vervolgens
uwen prins te toonen.”
„Het is niet noodig dat ik mij die moeite geef,” hernam Maimoune, „er
bestaat een ander middel, om ons beiden daartoe in de gelegenheid te
stellen. Ga uwe prinses halen en wij zullen haar aan de zijde van
mijnen prins leggen; op die wijze zal het ons gemakkelijk vallen,
eene vergelijking te maken, en onzen twist te beslechten.”
Danhasch bewilligde in het verlangen der toovernimf, en spreidde zijne
vleugelen uit, met het doel, om dadelijk naar China terug te vliegen.
Maimoune hield hem echter tegen. „Wacht nog,” zeide zij, „dat ik u eerst
den toren zal hebben aangewezen, waar gij de prinses moet brengen.”
Beiden vlogen nu naar den toren. „Ga nu uwe prinses halen,” sprak zij,
„en spoed u; ik zal u hier afwachten.”
De geest scheidde daarop van de toovernimf, vloog naar China en kwam
met ongeloofelijken spoed terug, beladen met de schoone en slapende
prinses. Maimoune ontving haar, en bragt haar in de kamer van den prins
Camaralzaman, waar zij haar aan zijne zijde op het rustbed nederlegde.
Toen nu de prins en de prinses beide slapende, en dus zonder daarvan
bewust te zijn, neven elkander lagen, had er een lange tweestrijd plaats
tusschen den geest en de toovernimf, aan wie van deze twee wonderen
van menschelijke schoonheid den appel van Paris regtmatig toekwam. Zij
bragten een' geruimen tijd door in zwijgend aanschouwen, bewonderen en
vergelijken. Danhasch brak het eerst deze stilte af. „Gij ziet het nu,”
zeide hij tot Maimoune, „en ik heb het u ook wel gezegd, dat mijne
prinses schooner is dan uw prins. Kunt gij er thans nog aan twijfelen?”
„Hoe, of ik er aan twijfel!” riep Maimoune, „wel zeer zeker doe ik dat.
Gij moet met blindheid geslagen zijn, om niet te kunnen zien, dat mijn
prins het in schoonheid van uwe prinses verreweg wint. Ik ontken daarom
niet, dat ook uwe prinses schoon is; maar vergelijk naauwkeurig en
zonder vooringenomenheid, den een' tegen de andere, dan zult gij de zaak
bevinden zooals ik u zeg.”
„Al nam ik er ook een jaar toe,” hernam Danhasch, „om hen te aanschouwen
en te vergelijken, ik zou er niet anders over denken, dan ik thans doe.
Wat ik met den eersten oogopslag reeds gezien heb, zal ik niet anders
vinden, al keek ik er mij blind op. Dit belet echter niet, bekoorlijke
Maimoune, dat ik, indien gij zulks wenscht, het u gaarne gewonnen
wil geven.” „Neen! neen!” riep Maimoune, „het zal niet gezegd kunnen
worden, dat ik van een' boozen geest, gelijk gij zijt, eene gunst heb
aangenomen. Ik stel de zaak in handen van een' scheidsman, en indien gij
daar niet in toestemt, zoo zal ik uwe weigering beschouwen, als eene
bekentenis, dat ik het gewonnen heb.”
Danhasch, gereed alles toe te geven, wat Maimoune van hem mogt
verlangen, gaf ook nu bereidwillig zijne toestemming. Maimoune
trapte daarop met den voet op den grond. Deze spleet van een, en een
afzigtelijke geest kwam te voorschijn. Hij was gebogcheld, éénoogig en
kreupel, had zes horens op zijn' dikken kop, zijne handen en voeten
waren zoo krom als haken, en de nagels aan teenen en vingers als
vogelklaauwen. De aarde sloot zich vervolgens weder digt. Zoodra hij
Maimoune zag, wierp hij zich aan hare voeten; en de eene knie buigende,
vroeg hij haar, wat zij van haren zeer nederigen dienaar begeerde.
„Sta op, Casch-Casch,” zeide zij, „ik heb u hier doen komen, om
scheidsman te zijn in een geschil, dat ik met dezen ondeugenden Danhasch
heb. Sla uw oogen op dat rustbed, en zeg ons onpartijdig, wie u
toeschijnt de schoonste te zijn, die jongeling of deze jonge dame.”
Casch-Casch staarde op den prins en de prinses met alle teekenen van
verrassing en bewondering. Na hen naauwkeurig te hebben beschouwd,
zonder tot een besluit te kunnen komen, zeide hij tot Maimoune:
„Mevrouw, ik zou u moeten misleiden en tegen mijn gemoed spreken, indien
ik zeide, dat ik den eenen schooner vond dan de andere. Hoe langer ik
hen bezie, des te meer komt het mij voor, dat zij beiden eene volmaakte
schoonheid bezitten, en ik kan zelfs niet het minste gebrek ontdekken,
waardoor men zou kunnen zeggen, dat de een volmaakter is dan de andere.
Om hieromtrent tot eene beslissing te geraken, weet ik u geen' anderen
raad te geven, dan de eene na den anderen wakker te maken, en dat gij te
zamen overeenkomt, dat diegene welke de meeste drift en hartstogt zal
doen blijken, de minst reine van hart, en alzoo in zekeren zin de minst
volmaakte is.”
De raad van Casch-Casch behaagde zoowel aan zijne meesteres als aan
Danhasch. Maimoune veranderde zich in eene vloo en sprong op den hals
van Camaralzaman. Zij prikte hem zoo hevig, dat hij ontwaakte en de hand
aan die plaats bragt, maar zonder haar te vatten. Maimoune had zich door
een' snellen sprong uit den weg gemaakt, en nam nu hare gewone gestalte
weder aan, om te zien wat de prins doen zou. Zij had zich echter, even
als de beide andere geesten, onzigtbaar gemaakt.
Toen de prins zijne hand terugtrok, liet hij deze vallen, en wel juist
op die van de prinses van China. Hij opende nu de oogen, en keek zeer
verwonderd op, eene vrouw aan zijne zijde te vinden, en wel zulk een
schoone vrouw! Hij ligtte het hoofd op, om haar beter te kunnen opnemen.
De jeugd van de prinses en hare onvergelijkelijke schoonheid ontstaken
op dit oogenblik een vuur in zijne borst, zooals hij nog nimmer ontwaard
had. De liefde had hem op éénmaal van zijn' afkeer van de vrouwen
genezen; hij kon zijne oogen niet afhouden van zijne schoone gezellin,
en zich niet bedwingen uit te roepen: „Hoe schoon, hoe bekoorlijk is
zij! Mijne eenige geliefde! mijne ziel! mijn alles! kom aan mijne borst
en in mijne armen?” Dit zeggende, kuste hij haar op het voorhoofd, op
beide wangen en voor den mond, en wel met zoo weinig voorzorg, dat de
prinses zou ontwaakt zijn, indien niet Danhasch haren slaap door
betoovering verzwaard had.
„Hoe! mijne schoone dame,” sprak de prins, „ontwaakt gij niet bij deze
liefdeblijken van den prins Camaralzaman? Wie gij ook zijn moogt, hij is
uwe wedermin niet onwaardig.” Hij wilde haar nu voor goed wakker maken,
maar eensklaps bezon hij zich. „Zij is zeker,” zeide hij in zich zelven,
„degene, welke de sultan, mijn vader, mij ten huwelijk wil geven. Hij
heeft niet goed gehandeld, mij haar niet eerder te laten zien. Ik zou
hem dan niet beleedigd hebben door mijne ongehoorzaamheid, en hij zou
zich zelven de beleediging bespaard hebben, die ik hem door mijne
weigering in den raad toevoegde.” De prins Camaralzaman had nu berouw
over zijne vroegere dwaasheid, zooals hij het thans noemde, en andermaal
stond hij op het punt, de prinses van China te wekken, toen hem eene
nieuwe gedachte voor den geest kwam. „Wie weet,” zeide hij, „of de
sultan, mijn vader, mij niet tracht te verstrikken? Ongetwijfeld heeft
hij deze jonge dame gezonden, om mij te beproeven, of ik werkelijk zoo
afkeerig van het huwelijk ben, als ik heb voorgegeven. Wie weet of hij
haar niet zelf heeft hier gebragt, en zich hier of daar verborgen houdt,
om zich ter zijner tijd te vertoonen, en mij te beschamen wegens mijne
veinzerij? Deze tweede fout zou nog veel grooter zijn dan de eerste. Om
zeker te gaan, zal ik mij dus vergenoegen met dezen ring, dien ik als
eene gedachtenis wil behouden.” Het was een zeer kostbare ring, welke
de prinses van China aan den vinger had. De prins trok hem daar met
handigheid af, en stelde den zijne in de plaats. Dadelijk daarop legde
hij zich weder neder, en sliep door de tooverkracht der geesten weldra
even vast als vroeger.
Zoodra de prins Camaralzaman in een' vasten slaap lag, veranderde
Danhasch op zijne beurt zich in eene vloo, en beet de prinses in de
onderlip. Zij sprong met schrik op, ging overeind zitten, wreef zich de
oogen, en was zeer verbaasd zich aan de zijde van een' jongeling te
bevinden. Van die bevreemding ging zij tot bewondering over, en tot eene
ontboezeming harer blijdschap, toen zij zag, dat het zulk een welgemaakt
en beminnelijk jongman was.
„Wat!” riep zij, „zijt gij het, dien de koning, mijn vader mij tot
echtgenoot had bestemd? Het is wel ongelukkig, dat ik dit niet geweten
heb; ik zou mij dan niet verzet hebben, noch zoo lang verstoken zijn
geweest van een' echtgenoot, dien ik niet kan nalaten met geheel mijn
hart te beminnen. Ontwaak dus! ontwaak mijn geliefde!”
Dit zeggende, nam de prinses den prins Camaralzaman bij de armen, en
schudde hem zoo hevig, dat hij had moeten ontwaken, indien niet Maimoune
hare tooverkracht op hem verdubbeld had. De prinses liet intusschen niet
af, hem bij herhaling te schudden en aan te stooten, en ziende, dat hij
maar niet wakker was te krijgen, zeide zij: „Hoe nu! wat is er met u
gebeurd? Heeft een medeminnaar, jaloersch over uw geluk en het mijne,
zijne toevlugt tot de tooverkunst genomen, en heeft hij u in een'
onverstoorbaren slaap gedompeld?” Zij vatte zijne hand, en die met
teederheid aan hare lippen brengende en kussende, bespeurde zij den ring
dien hij aan den vinger had. Zij vond dezen zoo zeer gelijk aan den
hare, dat zij onwillekeurig naar haren vinger zag, en nu bemerkte, dat
men de ringen verwisseld had. Vermoeid van de vergeefsche pogingen, die
zij aanwendde, om den prins te wekken, en in de vaste meening, dat dit
alles de beschikking van haar' vader was, zeide zij: „Daar gij zoo vast
slaapt, wil ik niet langer trachten uwen slaap te storen; tot morgen
dus!” En na hem bij deze laatste woorden nog een kus' op de wang te
hebben gedrukt, legde zij zich weder neder, en sliep spoedig in.
Toen Maimoune bemerkte, dat zij kon praten zonder te vreezen, dat de
prinses van China daardoor zou ontwaken, zeide zij tot Danhasch: „Welnu
Danhasch, hebt gij het gezien? En zijt gij nu eindelijk overtuigd,
dat uwe prinses minder schoon is, dan mijn prins? Ga; ik wil u de
weddingschap, welke gij mij schuldig zijt, wel schenken; maar wanneer ik
u op een anderen tijd iets verzeker, geloof mij dan.” Hierop wendde zij
zich tot Casch-Casch. „Wat u aangaat,” sprak zij, „ik bedank u. Neem met
Danhasch de prinses op, en breng haar te zamen in haar eigen verblijf
terug.” Beiden volbragten het bevel van Maimoune met spoed. Zij bleef
alleen achter, en begaf zich weder in haren put.
Zoodra de prins Camaralzaman den volgenden morgen ontwaakte, keek hij of
de dame, welke hij dien nacht bij zich had gevonden, nog aan zijne zijde
was. Toen hij bemerkte, dat zij verdwenen was, zeide hij in zich zelven:
„Ik heb wel gedacht dat het een strik was, dien mijn vader mij wilde
spannen, en ik heb het aan mijne voorzigtigheid te danken, dat ik er
aan ontkomen ben. Wat zou hij mij hebben uitgelagchen!”—Hij riep
vervolgens zijn' slaaf, liet zich aankleeden, en een waschbekken met
water te brengen. Na zich gewasschen te hebben, nam hij een boek en
ging als gewoonlijk zitten lezen, zonder met een enkel woord over het
voorgevallene in dien nacht te spreken. Eerst na afloop van zijne gewone
morgenbezigheden riep hij den slaaf. „Kom bij mij,” zeide hij, „en lieg
niet. Hoe is de jonge dame, die dezen nacht in mijne kamer is geweest,
hier gekomen, en wie heeft haar hier gebragt?” „Prins,” antwoordde de
slaaf met de grootste verbazing, „van welke dame spreekt gij?” „Van
haar,” hernam de prins, „welke dezen nacht hier was en hier geslapen
heeft.” „Prins,” zeide de slaaf, „ik zweer u, dat ik er niets van weet
noch begrijp. Hoe zou die dame hier hebben kunnen binnen komen, daar ik,
zoo als gij weet, vóór de deur slaap.”
„Schelm, gij liegt!” riep de prins, opstuivende, „gij hebt u laten
omkoopen, om mij te kwellen en razend te maken.” Te gelijk gaf hij
den slaaf een' oorvijg, dat hij op den grond viel. Vervolgens bond hij
hem het puttouw onder de armen vast, liet hem in den put afzakken,
en dompelde hem herhaalde malen onder water. „Ik zal u verdrinken!”
schreeuwde de prins, bij de toediening van dit bad, „indien gij mij niet
dadelijk zegt, wie die dame is, en wie haar hier heeft gebragt.”
De slaaf ter halver lijve in het water hangende, en aan de gramschap van
zijn' meester overgeleverd, zeide tot zich zelven: „De prins is zeker
krankzinnig geworden, uit spijt dat hij hier is opgesloten; hij is in
staat zijne bedreiging uit te voeren, en niets dan een leugen kan mij
redden.” „Prins,” riep hij nu op smeekenden toon, „ik bid u, schenk mij
slechts het leven, en ik zal alles bekennen, wat ik weet.” De prins trok
hem nu uit den put op, en drong er op aan, dat hij met zijne bekentenis
onmiddelijk voor den dag zou komen. „Prins,” sprak de slaaf, die op
zijne beenen stond te beven, „zie in welken toestand ik mij bevind, en
geef mij zoo veel tijd, dat ik van kleed verwissele.” „Ik wil u dat
toestaan,” antwoordde Camaralzaman, „maar maak voort, en neem u wel
in acht, iets voor mij te verbergen.” De slaaf verliet de kamer, maar
grendelde de deur achter zich digt, en liep onmiddelijk naar het paleis.
Juist was de koning met zijnen groot-vizier in gesprek, en beklaagde
zich bij hem, dat hij eenen zeer slechten nacht had doorgebragt, ter
oorzake van de ongehoorzaamheid en strafbare opvliegendheid van den
prins, zijn' zoon, dien hij tot zijn groot leedwezen met hardheid moest
behandelen. De vizier zocht hem te troosten, en te doen inzien, dat de
prins zelf de oorzaak was van die vaderlijke gestrengheid. „Sire,” zeide
hij, „uwe majesteit moet geen berouw gevoelen, hem te hebben doen
opsluiten. Indien zij slechts het geduld heeft hem eenigen tijd in de
gevangenis te laten blijven, zoo mag zij zich overtuigd houden, dat de
jeugdige drift en stijfhoofdigheid van den prins wel zullen bedaren, en
hij zich eindelijk zal onderwerpen, aan alles wat uwe majesteit van hem
zal verlangen.”
Terwijl de groot-vizier dus sprak, kwam de slaaf zich aan den koning
Schahzaman vertoonen. „Sire,” zeide hij, „het is mij zeer leed aan
uwe majesteit iets te moeten mededeelen, dat zij niet zonder groote
droefheid zal kunnen aanhooren. Hetgeen de prins zegt van eene dame,
welke dezen nacht in zijne kamer zou geweest zijn, en den toestand
waarin hij, gelijk uwe majesteit kan zien, mij gebragt heeft, zijn maar
al te zeer blijken, dat hij niet meer bij zijn volle verstand is.” De
slaaf gaf vervolgens een breedvoerig verslag van alles, wat de prins
Camaralzaman gezegd had, en van de slechte behandeling hem aangedaan.
De koning werd door deze mededeeling zeer getroffen. „Dat is,” zeide
hij tot zijn' groot-vizier, „een zeer treurig voorval, zeer verschillend
van de goede hoop, welke gij mij zoo aanstonds gaaft. Ga, verlies geen
oogenblik; zie zelf wat er van de zaak is, en kom het mij dan zeggen.”
De groot-vizier gehoorzaamde oogenblikkelijk. De kamer van den prins
binnentredende, vond hij hem zeer bedaard met een boek in de hand zitten
lezen. Hij groette hem, zette zich naast hem neder, en zeide; „Wee uw'
slaaf, die door zijne mededeeling uwen vader een' doodelijken schrik
heeft aangejaagd.” „En welk berigt,” vroeg de prins, „heeft mijn' vader
zoo zeer doen schrikken? Ik heb groote reden, om mij over mijnen slaaf
te beklagen.” „Prins,” hernam de vizier, „Allah zij geloofd, dat hetgeen
die slaaf ons berigt heeft, onwaarheid is! De kalme toestand, waarin ik
u aantref, en waarin God u moge bewaren, doet mij zien dat hij gelogen
heeft.” „Misschien,” zeide de prins, „zal hij zich niet goed hebben
uitgedrukt. Ik ben dus zeer blijde u hier te zien; gij toch, die zoo
veel invloed bij den koning, mijn' vader, hebt, moet iets van de zaak
weten. Daarom zeg mij, waar is de dame, die dezen nacht in mijne kamer
geweest is.”
De vizier wist niet, wat hij hoorde. „Prins,” antwoordde hij, „wees
niet verwonderd, dat uwe vraag mij verstomd doet staan. Bestaat er
mogelijkheid, dat eenig man, nog veel minder eene dame, in den nacht
tot hier kan doordringen, daar men deze kamer slechts kan binnentreden
door de deur, en over het ligchaam van uwen slaaf? Hetgeen gij u als
werkelijkheid voorstelt, zal slechts een droom geweest zijn, die een'
zeer diepen indruk bij u heeft achtergelaten.” „Ik heb met uwe praatjes
niet noodig,” hernam de prins op hoogen toon, „en wil volstrekt weten,
wat er van die dame geworden is; wij zijn hier op eene plaats, waar ik
in staat ben mij te doen gehoorzamen.”
Deze kortaf gesproken woorden bragten den groot-vizier in eene groote
verlegenheid en angst. Hij zon op een middel, om uit dezen moeijelijken
toestand te geraken, en vroeg daarom den prins op zeer onderworpen en
beleefden toon, of hij zelf die dame gezien had „Ja, ja!” hernam de
prins, „ik heb haar gezien, en ben overtuigd, dat gij haar hebt hier
gebragt, om mij op de proef te stellen. Zij heeft de rol, die gij haar
geleerd hebt, zeer goed afgespeeld, en door geen woord tot mij te
spreken zich slapende gehouden, en zich uit de voeten gemaakt, zoodra
ik weder was ingesluimerd. Doch ik behoef u dit niet te vertellen, zij
zal u alles wel hebben medegedeeld.” „Prins,” hernam de groot-vizier,
„ik zweer u, dat noch de koning uw vader, noch ik, u die dame hebben
toegezonden; wij hebben daar zelfs niet aan gedacht. Veroorloof mij
dus u nogmaals opmerkzaam te maken, dat gij dit meisje slechts in een'
droom zult hebben gezien” „Gij zijt dus ook hier gekomen, om mij te
bespotten,” hernam de prins toornig, „en mij in het aangezigt te zeggen,
dat hetgeen ik met mijne oogen gezien en met mijne handen betast heb,
geene wezentlijkheid, maar een droom is?” Dit zeggende greep hij den
vizier bij den baard, en mishandelde hem met vuistslagen.
De arme groot-vizier verdroeg dezen zoo onstuimigen toorn van den prins
Camaralzaman met ongeloofelijk geduld. „Zoo ben ik dan,” zeide hij
in zich zelven, „in het zelfde geval als de slaaf; en ik mag nog van
geluk spreken, indien ik het er zoo goed afbreng als hij.” Daar de
prins inmiddels er steeds duchtig op toesloeg, besloot de mishandelde
staatsdienaar de list van den slaaf na te volgen. „Ik smeek u, houdt op
prins,” riep hij, „en verleen mij een oogenblik gehoor!” „Spreek,” zeide
de prins zelf het slaan moede, „wat hebt gij mij te zeggen?”
„Ik moet u dan bekennen prins,” zeide nu de groot-vizier veinzende, „dat
er van hetgeen gij mij gezegd hebt, wel iets waar kan zijn. Maar gij
kent de pligten, welke een staatsdienaar jegens den koning, zijn' heer
en meester, te vervullen heeft. Deel mij dus mede, wat ik uwen vader uit
uwen naam moet zeggen. Ik zal uwe woorden getrouw overbrengen.” „Welnu,”
sprak de prins, „ga, en zeg aan den koning, mijn' vader, dat ik wil
trouwen met de dame, welke hij dezen nacht hier heen gezonden heeft. Doe
dit spoedig, en breng mij zijn antwoord.” De groot-vizier maakte eene
diepe buiging, en vertrok ten spoedigste. Hij achtte zich niet veilig,
vóórdat hij den toren verlaten, en de deur achter zich had digt
gegrendeld.
In groote verwarring en zeer neêrslagtig verscheen hij voor den koning
Schahzaman, zoodat deze vorst reeds een voorgevoel had van de droevige
tijding, die hij van hem vernemen zou. „Welnu,” vroeg de monarch met
huivering, „in welken toestand hebt gij mijn' zoon aangetroffen?” De
vizier deed hem een getrouw verslag van het onderhoud, dat hij met
den prins gehad had, van diens oploopendheid, toen hij hem van de
onmogelijkheid sprak, dat er eene dame bij hem kon geweest zijn, van de
slechte behandeling, die hij van hem had ondervonden, en eindelijk van
de list waarvan hij zich bediend had, om uit de handen van dien razende
te ontkomen.
Schahzaman werd door dit berigt diep bedroefd, te meer daar hij zijn'
zoon, niettegenstaande diens onbetamelijk gedrag, nog steeds eene
teedere genegenheid toedroeg.—„Ik wil zelf zien, hoe het met hem
gesteld is,” zeide hij met een' zwaren zucht; en vergezeld door zijnen
vizier, begaf hij zich naar den toren.
De prins Camaralzaman ontving zijn' vader in zijne gevangenis met den
meesten eerbied. De koning zette zich neder, en nadat hij den prins aan
zijne zijde had doen plaats nemen, deed hij hem onderscheidene vragen,
die door Camaralzaman allen met gezond verstand beantwoord werden. De
monarch zag nu den groot-vizier aan, alsof hij zeggen wilde: „Ik kan
niet zien, dat de prins mijn zoon krankzinnig is, zooals gij mij hebt
verzekerd.” Daar hij werkelijk aan den prins niet het geringste teeken
van krankzinnigheid kon bespeuren, aarzelde de koning niet langer, op de
zaak zelve neder te komen. „Zeg mij toch mijn zoon,” zeide hij, „wat u
met eene dame gebeurd is, welke, zooals men mij gezegd heeft, dezen
nacht hier zou geweest zijn.”
„Sire,” antwoordde Camaralzaman, „ik smeek uwe majesteit het verdriet
niet te vergrooten, dat men mij door deze zaak reeds veroorzaakt heeft.
Bewijs mij liever de gunst mij dit meisje ten huwelijk te geven. Hoe
grooten afkeer ik u ook betuigde van de vrouwen te hebben, deze jonge
schoone is mij zoo bevallen, dat ik geene zwarigheid maak u mijne liefde
te belijden. Ik ben gereed haar van uwe hand te ontvangen, en zal er u
zeer dankbaar voor zijn.”
Dit antwoord van den prins bragt Schahzaman op nieuw in groote
verslagenheid. Het verzoek van zijn' zoon kwam hem zoo dwaas voor, dat
hij werkelijk aan zijn verstand begon te twijfelen. „Mijn zoon,” zeide
hij, „gij voert daar een gesprek tot mij, waarvan ik geene hoogte kan
krijgen. Ik zweer u bij mijne kroon, die éénmaal op uw hoofd moet
overgaan, dat ik van die dame, waarover gij mij spreekt, volstrekt niets
weet. En hoe zou zij zonder mijne toestemming, in dezen toren hebben
kunnen doordringen? Want, hetgeen mijn groot-vizier u heeft gezegd, deed
hij slechts, om aan uwe woede te ontkomen. Het zal dus zeker een' droom
geweest zijn, die u in het hoofd maalt.”
„Sire,” gaf de prins ten antwoord, „ik zou mij de goedheid van uwe
majesteit voor altoos onwaardig maken, indien ik geen geloof hechtte aan
de verzekering, welke zij mij geeft. Maar ik smeek u, mij geduldig aan
te hooren, en dan zelf te beoordeelen, of hetgeen ik u ga zeggen, een'
droom geweest is.”
De prins Camaralzaman verhaalde nu zijnen vader op welke wijze hij
ontwaakt was; hij schetste hem met levendige kleuren de schoonheid en de
bekoorlijkheden van de dame, die hij aan zijne zijde had gevonden, de
liefde die hij voor haar had opgevat, en de vergeefsche moeite welke hij
had aangewend, om haar wakker te maken. Hij verborg zelfs voor hem de
reden niet, die hem bewogen had, af te zien van verdere pogingen, om
haar te doen ontwaken. Verder hoe hij zich weder te slapen legde, nadat
hij zijn' ring met die van de schoone jonge vrouw had verwisseld. Bij
deze laatste woorden trok Camaralzaman den ring van zijn' vinger, en
bood dien zijnen vader aan. „Sire,” vervolgde hij nu, „de mijne is u
niet onbekend, want gij hebt dien dikwijls gezien; oordeel zelf of dat
alles een droom kan geweest zijn, en of ik, zooals men uwer majesteit
heeft willen doen gelooven, krankzinnig ben.”
De koning zag duidelijk in, dat hetgeen de prins zijn zoon hem
verhaald had, eene werkelijkheid moest zijn, waar hij niets tegen wist
in te brengen. Zijne verwondering over deze inderdaad onverklaarbare
gebeurtenis was echter zoo groot, dat hij eenen geruimen tijd in
gedachten verdiept geraakte. De prins maakte van die gelegenheid
gebruik. „Sire,” zeide hij, „de liefde welke dit bekoorlijke meisje,
wier beeldtenis in mijn hart staat gegrift, mij heeft ingeboezemd, is
reeds zoo hevig, dat ik de kracht niet heb, daaraan weêrstand te kunnen
bieden. Ik smeek alzoo uwe majesteit, mededoogen met mij te hebben, en
mij door haar bezit gelukkig te maken.”
„Na al hetgeen ik gehoord heb, en nu ik dezen ring gezien heb, mijn
zoon,” antwoordde de koning Schahzaman, „kan ik er niet aan twijfelen,
dat de dame, die deze liefde in uw hart heeft ontstoken, dezen nacht bij
u is geweest. Gave Allah, dat ik haar kende, uw wensch zou nog heden
vervuld worden, en ik zou de gelukkigste vader zijn! Maar waar haar te
zoeken? Hoe, en op welke wijze is zij hier binnen gekomen, zonder dat
ik er iets van vernomen heb. Waarom is zij slechts gekomen, om u terwijl
zij sliep hare schoonheid te laten zien, eene onuitbluschbare liefdevlam
in uw hart te ontsteken, en u weder te verlaten, nadat gij waart
ingeslapen? Ik begrijp niets van deze wonderbare zaak, en indien de
Hemel ons niet gunstig is, zoo zal zij de oorzaak van ons beider dood
zijn.” Bij het eindigen dezer woorden vatte hij den prins bij de hand.
„Kom mijn zoon,” vervolgde hij, „laat ons te zamen treuren, gij, door
zonder hoop te beminnen, en ik, door u in droefheid te zien en niet te
kunnen helpen.”
Camaralzaman vergezelde zijn' vader naar het paleis, waar hij zich,
wanhopig eene hem geheel onbekende dame te beminnen, terstond te bed
begaf. De koning sloot zich met hem op, en bragt verscheidene dagen
bij zijn' zoon door, zonder zich in het minst met zijne staatszaken te
bemoeijen. De groot-vizier was de eenigste, die vrijen toegang tot den
monarch had. Na eenigen tijd bragt deze hem met nadruk onder het oog,
dat niet alleen het hof ontevreden was over zijne afwezigheid, maar dat
ook het volk luide begon te morren. „Sire,” vervolgde hij, „het strekt
zeker den prins tot troost uw gezelschap te genieten, en het doet uw
vaderhart goed, hem dit genoegen te kunnen verschaffen, maar indien
uwe majesteit geen gehoor geeft aan den algemeenen wensch van al hare
onderdanen, en niet als naar gewoonte audientie verleent en regt spreekt
zoo zie ik groote gevaren te gemoet. Ik acht mij verpligt aan uwe
majesteit in bedenking te geven, om den prins naar het kasteel op het
kleine eiland, dat voor de haven ligt, te laten overbrengen. De gezonde
lucht, die men daar inademt, zal hem goed doen, en het schoone gezigt
dat hij daar heeft, zal hem den tijd van uwer majesteits afwezen zonder
verveling doen doorbrengen.”
De koning Schahzaman keurde dezen raad van zijn' vizier goed, en nadat
het kasteel op het kleine eiland, van het noodige huisraad voorzien
was, begaf hij zich met den prins derwaarts, en verliet hem niet, dan
om tweemaal in de week audientie te verleenen, en regt te spreken. Den
overigen tijd bragt deze liefdevolle vader aan het bed van zijn kind
door, en trachtte het zoo veel mogelijk te troosten.
Terwijl dit in de hoofdstad van het eiland der kinderen van Khaladan
voorviel, hadden de beide geesten Danhasch en Casch-Casch de prinses
van China naar haar paleis gevoerd, en haar weder te bed gelegd. Den
volgenden morgen zocht deze bij haar ontwaken links en regts naar den
schoonen jongeling, welken zij dien nacht aan hare zijde had gezien. Hem
niet meer vindende, riep zij kermende hare vrouwen, die allen ijlings
kwamen toeschieten. Zij omringden haar bed, en vroegen, wat zij
begeerde.
„Zeg mij,” sprak de prinses van China, „waar is de jongeling gebleven,
die dezen nacht bij mij is geweest, en dien ik met geheel mijn hart
bemin?” „Prinses,” antwoordde hare voedster, „wij begrijpen u niet,
indien gij u niet duidelijker verklaart.” „Zoo weet dan,” hernam de
prinses, „dat ik dezen nacht een' jongeling aan mijne zijde zag, zoo
welgemaakt en beminnelijk, als men zich slechts kan voorstellen. Ik heb
hem langen tijd geliefkoosd, en alles gedaan, om hem wakker te maken,
zonder daarin te slagen. Nu vraag ik, waar hij is gebleven?”
„Prinses,” antwoordde de voedster, „gij wilt ongetwijfeld eene grap
met ons hebben! Behaagt het u, om op te staan?” „Ik spreek in vollen
ernst,” hernam de prinses Badoura, „en ik wil weten, waar hij is.”
„Maar prinses,” bragt de voedster in „toen wij u gisteren avond te bed
bragten, waart gij alleen, en voor zoo ver uwe vrouwen en ik weten, is
er sedert niemand hier binnengekomen.”
De prinses van China verloor het geduld; zij nam de voedster bij de
haren, sleepte haar voort, en sloeg haar onder de woorden: „Gij zult
het mij zeggen, oude tooverkol, of ik vermoord u?” De voedster deed
haar uiterste best, om uit de handen der prinses te geraken. Eindelijk
gelukte haar dit, echter niet zonder eene haarlok achter te laten, die
Badoura als overwinningsteeken in de hand hield. Zich los geworsteld
hebbende, liep de voedster vol angst naar de koningin, de moeder van de
prinses van China. „Mevrouw,” sprak zij, „zie, hoe de prinses mij heeft
behandeld. Zij zou mij vermoord hebben, indien ik niet uit hare handen
had weten te ontkomen. Zij wil volstrekt van ons weten, welke jonge man
dezen nacht in hare kamer is geweest, en het is ons niet mogelijk, aan
haar vreemd verlangen te voldoen.”
De koningin begaf zich vergezeld door de voedster, onverwijld naar het
vertrek, waarin de prinses was opgesloten, en zich naast hare dochter op
de sofa plaatsende, vroeg zij eerst met belangstelling naar den toestand
harer gezondheid. Daaromtrent een geruststellend antwoord bekomen
hebbende, vervolgde zij: „Zeg mij nu ook, wat uwe voedster misdreven
heeft, dat gij haar zoo hebt mishandeld. Eene prinses van uwen rang moet
nimmer, zelfs in haren toorn, zoo ver gaan.” „Mevrouw,” antwoordde de
prinses, „ik merk, dat ook gij met mij den spot wilt drijven; maar ik
verklaar u, niet te zullen rusten, vóórdat ik den beminnelijken ridder,
die dezen nacht bij mij heeft doorgebragt, tot echtgenoot zal hebben.
Gij zult wel weten, waar hij zich op dit oogenblik bevindt, en ik smeek
u, hem hier te doen komen.”
„Dochter,” hernam de koningin, „uw spreken verbaast mij ten hoogste, en
ik betuig u, dat ik daar niets van begrijp.” De prinses verloor hierop
den kinderlijken eerbied uit het oog. „Mevrouw,” zeide zij, „de koning
mijn vader en gij hebt mij gekweld en vervolgd, ten einde mij tot een
huwelijk te dwingen, toen ik daar geen' lust in had; die lust is
thans in mij opgekomen, en ik wil volstrekt den ridder, van wien ik u
gesproken heb, tot man hebben; zoo niet, dan breng ik mij zelve om het
leven.”
De koningin trachtte de prinses door zachtmoedigheid tot bedaren te
brengen. „Lieve dochter,” sprak zij, „gij weet immers zelve wel, dat gij
hier geheel alleen zijt, en geen man bij u kan komen.” Maar in plaats
van te luisteren, viel de prinses haar in de rede, en stelde zij zich
zoo waanzinnig aan, dat de koningin beducht werd, dat zij zich ook aan
haar zou vergrijpen, en met droefheid in het hart van daar ging, om er
den koning berigt van te geven.
De koning van China wilde zich met eigen oogen van deze zaak overtuigen.
Hij begaf zich naar het vertrek van zijne dochter, en vroeg haar, of het
waar was, wat hij van haar had moeten hooren. „Sire,” antwoordde de
prinses, „laat ons daar niet verder over spreken; bewijs mij slechts
eene gunst, door mij hem tot echtgenoot te geven, die dezen nacht hier
is geweest.” „Hoe, mijne dochter,” hernam de koning, „is er dezen nacht
iemand hij u geweest?” „Sire,” viel de prinses haren vader in de rede,
zonder hem te laten uitspreken, „hoe kunt gij dat vragen? Zulks is uwe
majesteit niet onbekend. Het is de schoonste en welgemaaktste ridder ter
wereld. Ik vraag hem aan u terug, en smeek u, mij dit niet te weigeren.
Om uwe majesteit echter te overtuigen, dat die ridder werkelijk hier is
geweest, en ik hem bewonderd en geliefkoosd heb, hoewel mijne pogingen
om hem te wekken vruchteloos waren, zoo heb slechts de goedheid dezen
ring te bezigtigen.” Bij deze woorden stak zij de hand uit. De koning
van China wist nu niet meer, wat hij van de zaak denken moest, noch wat
hij daarop zou antwoorden, want de ring, dien zij aan den vinger had en
hem zien liet, was van een' man. Zich echter geen begrip kunnende vormen
van alles, wat zij hem zeide, en haar reeds als krankzinnig beschouwende
en opgesloten hebbende, dacht hij niet anders, dan dat zij geheel en al
van het verstand beroofd was. Zonder haar dus verder tegen te spreken,
deed hij haar in ketens sluiten, uit vrees dat zij zich in een' aanval
van dolheid aan hem, of aan anderen die haar naderden, zou vergrijpen.
Hij gaf de prinses alleen hare voedster, om haar te bedienen, en
plaatste eene wacht bij de deur van haar vertrek.
De koning van China bijna ontroostbaar, dat de prinses, zooals hij
meende, geheel zinneloos was, dacht nu alleen op middelen, die tot hare
genezing zouden kunnen bijdragen. Hij deed den raad vergaderen, en legde
den toestand bloot, waarin zijne dochter verkeerde, er bijvoegende,
dat indien zich onder hen, of ergens in zijn geheele rijk, iemand
bevond, die zich bekwaam achtte de prinses te kunnen genezen, en
daarin werkelijk slaagde, deze haar tot gemalin zou hebben, en na
zijn overlijden zijn rijk en zijne kroon beërven.
De begeerte, eene zoo schoone prinses te bezitten, en welligt éénmaal
te zullen heerschen over een zoo magtig rijk als dat van China, maakte
diepen indruk op eenen reeds bejaarden emir, die in de raadsvergadering
tegenwoordig was, zoodat hij dadelijk van zijne plaats opstond, en
aanbood de genezing der prinses te willen beproeven. „Ik sta het u toe,”
zeide de koning, „maar indien gij niet slaagt, laat ik u het hoofd
afslaan; want het zou niet billijk zijn, naar eene zoo groote belooning
te dingen, zonder daarbij eenig gevaar te loopen. Hetgeen ik u zeg,
geldt tevens voor alle anderen, die zich na u mogten aanbieden. Weet dus
wel, wat gij doet.”
De emir, zich op zijne kennis in de tooverkunst verlatende, nam het
voorstel zonder aarzeling aan, en de koning bragt hem in eigen persoon
bij zijne dochter. Zoodra de prinses den emir zag, liet zij haren
sluijer vallen. „Sire,” zeide zij tegen haren vader, „het bevreemdt mij,
dat uwe majesteit een vreemden man bij mij brengt, aan wien ik mij
volgens onzen godsdienst niet mag laten zien.” „Dochter,” hernam de
koning, „laat u door zijne tegenwoordigheid niet verontrusten; hij is
een van mijne emirs, die u ten huwelijk vraagt.” „Sire,” sprak de
prinses, „hij is de man niet, dien gij mij reeds gegeven hebt, en die
mij dezen ring aan den vinger gestoken heeft.”
De emir had verwacht, dat de prinses zou spreken en handelen als iemand,
die van het verstand beroofd is. Hij was dus zeer verwonderd, haar zoo
rustig te zien, en eene taal te hooren voeren, zooals men geenszins
van eene krankzinnige zou verwachten. Hij begreep nu dadelijk, dat
hare kwaal niets anders was, dan eene hevige liefde, die op goede
gronden berusten moest, hetgeen hij echter niet aan den koning durfde
mededeelen; want hij dacht, dat de vorst niet zou kunnen dulden, dat
zijne dochter aan een' ander haar hart had geschonken, dan aan dengene,
welken hij voor haar bestemd had. Hij wierp zich aan de voeten van
koning van China. „Sire,” zeide hij, „na al hetgeen ik gezien en gehoord
heb, zou ik te vergeefs beproeven de prinses te genezen; voor hare kwaal
heb ik geene middelen, en ik stel dus mijn leven ter beschikking van uwe
majesteit.” De koning, vergramd over de onbekwaamheid van den emir, en
de vergeefsche moeite, die hij hem had laten nemen, liet hem onthoofden.
Ten einde verder niets te verzuimen, wat tot herstelling der prinses zou
kunnen strekken, liet de koning eenige dagen na deze vergeefsche proef
in zijne hoofdstad omroepen, dat indien er een geneesheer, sterrekijker
of toovenaar was, ervaren genoeg om aan de prinses het verstand terug te
geven, deze zich slechts te vertoonen had, om na de herstelling zijner
dochter haar tot belooning te ontvangen; maar wanneer hij haar niet
genas, hij zijn hoofd hierbij zou inschieten. Het zelfde liet hij door
zijn geheele rijk en aan de naburige hoven bekendmaken.
[Illustratie: Camaralzaman en Badoura.
Dl. IV, pag. 37.]
De eerste, die zich opdeed, was een' sterrekijker en geestenbezweerder,
welken de koning door een' gesnedene naar de gevangenis van de
prinses liet brengen. De sterrekijker nam uit een' zak, dien hij onder
den arm droeg, eene kleine hemelglobe, een komfoor, verscheidene soorten
van droogerijen, geschikt om mede te berooken, eene koperen vaas, met
nog vele andere zaken. Na dit alles uitgepakt te hebben, vroeg hij om
eene kool vuur. De prinses van China vroeg aan den gesnedene, wat al
dien toestel toch te beduiden had. „Prinses,” antwoordde deze, „dat is
om den boozen geest, die in u is, te bezweren, hem in die koperen vaas
op te sluiten en vervolgens in de diepte der zee te werpen.”
„Verwenschte sterrekijker,” riep de prinses, „gij schijnt wel gek en
bezeten te zijn, ik heb mijn verstand zeer goed, en gij kunt die prullen
wel weêr inpakken. Zijt gij echter zoo knap, als gij u voordoet, breng
mij dan slechts den man hier, dien ik bemin; dat is de beste dienst,
dien gij mij kunt bewijzen.” „Prinses,” antwoordde de sterrekijker, „is
de zaak zoo gesteld, dan moet gij dien man niet van mij, maar alleen
van den koning uw' vader vragen en verwachten.” Hij pakte nu alles
weder in zijn' zak, in het geheel niet op zijn gemak, dat hij zich zoo
ligtvaardig verbonden had, eene krankzinnige te genezen, die zoo goed
bij haar verstand was.
Toen de gesnedene den sterrekijker voor den koning van China bragt,
wachtte die niet, tot de slaaf aan den monarch verslag deed van zijne
mislukte proefneming; maar onmiddelijk den koning aansprekende, voegde
hij hem stoutmoedig deze woorden toe: „Sire, zooals uwe majesteit heeft
laten bekend maken, en ook aan mij bevestigd heeft, moest ik gelooven
dat de prinses krankzinnig was, en ik hield mij verzekerd, haar te
zullen genezen door de geheimen, waarmede ik bekend ben. Weldra echter
kwam ik tot de overtuiging, dat uwe dochter geene andere ongesteldheid
heeft, dan die van te beminnen, en om liefdekwalen te genezen, zoo ver
strekt zich mijne kunst niet uit. Uwe majesteit zal daarin echter beter
kunnen voorzien, dan iemand anders, indien zij haar slechts den man
geeft, dien zij wenscht.” De koning, verbitterd over deze rondborstige
taal, liet den sterrekijker onmiddelijk onthoofden.
Na hem deden zich nog honderd-vijftig sterrekijkers en geneesheeren
op, doch allen ondergingen hetzelfde lot, en hunne hoofden werden op de
poorten der stad ten toon gesteld.
GESCHIEDENIS VAN MARZAVAN.
De voedster van de prinses van China had een' zoon, Marzavan genaamd;
hij was de zoogbroeder van de prinses. Deze kinderen waren in hunne
jeugd meest altijd te zamen, en leefden met elkander als broeder
en zuster. Die genegenheid bleef hen bij, zelfs toen zij op meer
gevorderden leeftijd van elkander werden verwijderd.
Onder de vele wetenschappen, waarop Marzavan zich van zijne jeugd
af, met hart en ziel had toegelegd, behoorde ook de voorspellende
sterrekunde, de waarzeggerij en andere geheime kunsten. Hij werd daarin
zeer bekwaam. Niet tevreden met hetgeen hij van zijne onderwijzers
geleerd had, ging hij, zoodra hij meer onafhankelijk werd, groote reizen
maken. Hoorde hij van een' uitstekend man spreken, dan ontzag Marzavan
moeite noch kosten, om dien geleerde op te zoeken, en rustte niet,
voordat hij hem gevonden, en zoo veel mogelijk van zijne lessen partij
getrokken had.
Na eene afwezigheid van vele jaren kwam hij met een' schat van kennis
uitgerust, in zijne geboorteplaats, de hoofdstad van China, terug. Het
verwonderde hem ten hoogste, boven de poort, die hij binnenkwam, zoo
vele afgehouwen hoofden te zien, die daar ten toon gesteld waren. Zoodra
hij in zijne woning kwam, vroeg hij naar de oorzaak hiervan. Men deelde
hem in het kort de zaak mede, en Marzavan werd hierover zeer bedroefd,
daar hij zijne zoogzuster nog steeds hartelijk liefhad. Hij zond
terstond iemand naar zijne moeder, om haar van zijne terugkomst kennis
te geven.
Hoewel hare tegenwoordigheid bij de prinses slecht kon worden gemist,
wist echter de voedster zich voor een oogenblik te verwijderen, om haren
zoon te zien. Nadat zij hem omhelsd had, deelde zij hem met betraande
oogen mede, in welk een' beklagenswaardigen toestand de prinses zich
bevond. Zij verzweeg ook de oorzaak niet, die daartoe aanleiding had
gegeven. Marzavan hoorde haar met gespannen aandacht, en vroeg, of zij
hem niet in de gelegenheid zou kunnen stellen, om de prinses te zien
en te spreken, zonder dat de koning daarvan kennis droeg. De voedster
bedacht zich een oogenblik. „Mijn zoon,” zeide zij toen, „ik kan u dit
thans niet verzekeren; maar wacht tot morgen, dan zal ik u een bepaald
antwoord weten te geven.”
Daar behalve de voedster niemand bij de prinses mogt worden toegelaten,
dan met vergunning van het hoofd der gesnedenen, die door den koning als
wacht bij hare gevangenis geplaatst waren, bleef haar geen ander middel
over, dan deze in haar belang te winnen, zoo zij haren zoon toegang
tot de kamer der prinses wilde verschaffen. Zij wist echter, dat deze
gesnedene nog niet lang in 's konings dienst, en dus onbekend was, met
hetgeen vroeger aan het hof van China had plaats gevonden. Hierop
bouwende, zeide zij tot hem: „Het is u bekend, dat ik de prinses gevoed
en groot gebragt heb; maar wat gij misschien niet zult weten, is, dat
ik haar te gelijk met mijne dochter zoogde, die nu kortelings in het
huwelijk is getreden. De prinses, die haar altoos zeer lief had, zou
haar gaarne eens bij zich zien, zonder dat iemand buiten ons daarvan
echter kennis draagt.” „Wat gij mij daar zegt,” zeide de gesnedene, „is
mij genoeg. Het zal mij, als dit in mijne magt staat, altoos een groot
genoegen zijn, de prinses eenig vermaak te kunnen verschaffen, zij is
reeds ongelukkig genoeg. Gij kunt dus dezen nacht, nadat de koning zijne
dochter bezocht zal hebben, uw kind gaan halen of hier laten komen, de
deur zal voor haar openstaan.”
Zoodra de avond viel, ging de voedster haren zoon Marzavan opzoeken.
Zij verkleedde hem als eene vrouw, en nam hem dus vermomd met zich naar
het paleis. De gesnedene niet anders denkende, of het was hare dochter,
opende de deur en liet beiden binnengaan. In de kamer der prinses
gekomen, sprak de voedster haar dus aan: „Mevrouw,” zeide zij, „het
is geene vrouw, die gij bij mij ziet, maar mijn' zoon Marzavan, die
gisteren van zijne reis is terug gekomen, en ik ben geslaagd, hem onder
deze vermomming hier te brengen. Ik hoop, dat het u een genoegen zal
zijn, hem eens weder te zien.”
Op den naam van Marzavan liet de prinses eene groote vreugde blijken.
„Kom nader, mijn broeder,” zeide zij tot hem, „en ontbloot uw gelaat;
het is immers geoorloofd, dat een broeder en eene zuster gemeenzaam met
elkander omgaan?” Marzavan beantwoordde haren groet op de beleefdste
wijze, doch zonder hem den tijd tot spreken te laten, vervolgde de
prinses: „Ik ben verblijd, u na eene zoo lange afwezigheid in goede
gezondheid weder te zien, wat ik niet had durven hopen; daar gij al
dien tijd, zelfs aan uwe goede moeder, niets van u hebt laten hooren.”
„Prinses,” sprak Marzavan „ik stel uwe belangstelling in mij op hoogen
prijs. Ik had gehoopt u in gelukkiger toestand te zullen wederzien,
dan die, waarin men mij gezegd heeft, dat gij u bevindt, en waarvan ik
tot mijne groote droefheid thans getuige ben. Dit teedere en schoone
ligchaam aan een' keten gekluisterd! Mijne smart zou zonder grenzen
zijn, indien ik geen' troost vond in de hoop u te zullen genezen. Als
ik van mijne langdurige studiën en van al mijne reizen geene andere
vruchten mag plukken, dan alleen het geluk u aan de wereld en hare
genietingen te kunnen wedergeven, zoo zal ik mij reeds rijkelijk beloond
vinden.”
Bij het eindigen dezer woorden haalde Marzavan een boek en nog eenige
andere zaken te voorschijn, die hij bij zich had gestoken, naar
aanleiding van de omschrijving, welke zijne moeder hem van de ziekte der
prinses had gegeven. „Wat zal dit alles, mijn broeder!” riep de prinses,
al dien toestel ziende. „Ook gij behoort dus onder hen, die gelooven dat
ik krankzinnig ben? Laat dien dwazen waan varen, en luister naar mij.”
De prinses verhaalde nu aan Marzavan hare geheele geschiedenis tot in de
kleinste bijzonderheden, en liet hem den ring zien, welken zij op de
plaats van den haren gevonden had. „Zie daar,” vervolgde zij, „de zaak,
zooals deze zich werkelijk heeft toegedragen. Ik zie zeer goed, dat
hier iets achter schuilt, wat ik niet kan begrijpen, en dat aanleiding
gegeven heeft, dat men mij voor krankzinnig houdt; maar men let te veel
op het wonderlijke, zonder op het andere, dat duidelijk en zeker is,
acht te slaan.”
Marzavan, ten hoogste verbaasd over hetgeen hij uit den mond van de
prinses vernam, bleef eenige oogenblikken in gedachten verdiept en met
het hoofd voorover gebogen staan, zonder een enkel woord te antwoorden:
„Prinses,” sprak hij eindelijk, het hoofd oprigtende, „indien hetgeen
gij mij daar hebt medegedeeld overeenkomstig de waarheid is, waaraan
ik geenszins twijfel, zoo wanhoop ik niet uwe begeerte te bevredigen.
Ik verzoek u alleen, nog eenigen tijd geduld te hebben, totdat ik ook
die koningrijken zal hebben doorgereisd, welke ik nog niet bezocht
heb. Hoort gij van mijne terugkomst, dan kunt gij zeker zijn, dat het
voorwerp uwer liefde niet ver meer van u is.” Hierop nam hij afscheid
van Badoura, en reeds den volgenden dag begaf hij zich weder op reis.
Marzavan trok van stad tot stad, van provincie tot provincie, en
van het eene eiland naar het andere; overal waar hij kwam hoorde
hij van niets anders spreken dan van de prinses Badoura en van hare
geschiedenis. Na verloop van vier maanden kwam onze reiziger te Torf,
eene groote en volkrijke zeeplaats. Hier sprak men hem voor het eerst
niet meer van de prinses Badoura, maar wel van den prins Camaralzaman,
die men zeide, dat zeer ziek was, en wiens geschiedenis, zoo als men
die verhaalde, in vele opzigten overeenkwam met die van de prinses van
China. Marzavan was hierover zeer verblijd; hij liet zich onderrigten
in welk gedeelte der wereld die prins zich ophield. Men noemde hem de
eilanden der kinderen van Khaladan. Twee reisgelegenheden stonden voor
hem open, de eene over land, de andere over zee.
Marzavan koos de laatste als den kortsten weg, en ging met een
koopvaardijschip onder zeil. De reis was zeer voorspoedig, en reeds
had men de hoofdstad van den koning Schahzaman in het gezigt, toen
het vaartuig door de onkunde van den stuurman, op eene onder het water
verborgen klip stootte. De schok was zoo hevig, dat het schip dadelijk
uiteensloeg. Dit ongeluk had plaats in het gezigt van het kasteel,
waarin de prins Camaralzaman zijn verblijf hield. De koning Schahzaman
en zijn groot-vizier waren daar op dat tijdstip beiden tegenwoordig,
en de noodkreten der schipbreukelingen, die nog een' tijd lang met de
golven worstelden, drongen hen in de ooren, zonder dat er mogelijkheid
bestond, deze ongelukkigen spoedig genoeg hulp te bieden.
Marzavan was een uitmuntend zwemmer. Zoodra het schip vast geraakte,
sprong hij over boord, en al zwemmende bereikte hij den oever digt bij
het kasteel. Hier werd hem op last van den prins alle mogelijke hulp
verleend. Men haastte zich, hem van kleeding te doen verwisselen, bood
hem eenige ververschingen aan, en zoodra hij eenigzins van zijne
vermoeijenis bekomen was, stelde men hem aan den groot-vizier voor,
zooals deze gelast had.
Daar Marzavan een zeer gunstig voorkomen had, en op de vragen van den
groot-vizier met bescheidenheid en veel juistheid antwoordde, werd deze
staatsdienaar reeds terstond gunstig voor hem gestemd. Hij knoopte een
gesprek met hem aan, en het bleek hem spoedig, dat hij iemand voor had,
die op zijne reizen veel kennis had opgedaan. „Naar ik kan hooren,”
zeide de vizier, „zijt gij iemand, die met veel kennis en verstand
bedeeld is. Mogt het Allah behagen, dat gij op uwe reizen en bij uwe
natuurkundige studiën het geheim hadt leeren kennen, om een' zieke te
genezen, wiens ongesteldheid van buitengewonen aard is, en het geheele
hof in rouw dompelt.” „Indien ik met de geaardheid van die ongesteldheid
bekend ware,” gaf Marzavan ten antwoord, „zou ik er misschien een middel
tegen kunnen vinden.”
De groot-vizier deelde nu aan den schipbreukeling mede, in welken
toestand de prins Camaralzaman verkeerde, en verhaalde hem de zaak van
het begin tot het einde. Hij begon te spreken over zijne door den koning
Schahzaman zoo vurig begeerde geboorte, vervolgens verhaalde hij van
zijne opvoeding, van den wensch des konings, om hem vroegtijdig te doen
huwen, van den tegenzin, dien de prins in het huwelijk had, van zijne
ongehoorzaamheid aan zijns vaders verlangen, en eindelijk van zijne
opsluiting en zijne buitensporigheden in de gevangenis, die veroorzaakt
waren door eene hevige liefde, welke hij had opgevat voor eene onbekende
jonge schoone, die hij zeide, dat een' nacht bij hem had doorgebragt,
doch waarvan geene andere bewijzen waren dan een' ring, welken de prins
beweerde, haar van den vinger genomen te hebben, terwijl men maar niet
kon ontdekken, waar ter wereld die dame zich ophield.
Bij deze mededeeling van den groot-vizier was Marzavan zeer verheugd,
dat hij door de geleden schipbreuk juist daar was aangeland, waar zich
de persoon bevond, die hij met zoo veel ijver gezocht had. Hij twijfelde
niet, of de prins Camaralzaman zou de man zijn, voor wien de prinses
van China in liefde was ontstoken, en dat die prinses wederkeerig het
voorwerp van 's prinsen vurige wenschen was. Hij liet hiervan echter
niets aan den groot-vizier blijken; hij zeide hem alleen, dat hij beter
zou kunnen oordeelen, of de prins te helpen was, wanneer hij hem zag.
„Volg mij dan slechts,” sprak de vizier; „de koning is op dit oogenblik
bij hem, maar dat moet u niet ontstellen, want hij heeft mij reeds zijne
begeerte te kennen gegeven u te zien.”
Op het oogenblik dat Marzavan door den vizier in het vertrek van den
prins werd binnengeleid, lag Camaralzaman, bleek en met gesloten oogen,
op zijn rustbed uitgestrekt. De koning zat bij zijne sponde, en hield de
hand van zijn' zoon in de zijne. Marzavan vond zoo veel gelijkenis
tusschen de trekken van den prins en die van de prinses van China, dat
hij zich niet kon weêrhouden uit te roepen: „Nooit zag ik grooter
gelijkenis!”
Door dezen met eene hem onbekende stem gedanen uitroep, werd de
nieuwsgierigheid van Camaralzaman gaande gemaakt; hij opende de oogen,
en zag Marzavan aan. Deze laatste was verstandig genoeg zijne lompheid
te herstellen, door eene diepe buiging te maken, en door den prins in
vers-maat te begroeten. Hij koos daarbij woorden, waaruit Camaralzaman
moest besluiten, dat deze vreemdeling meer van zijne schoone onbekende
wist; want de geschiedenis der prinses van China, welke hij bezong,
moest noodwendig de aandacht van den verliefden jongeling trekken. Er
vertoonde zich dan ook werkelijk een glimp van hoop en vreugde op het
gelaat des kranken, en toen Marzavan ophield met spreken, gaf de prins
aan den koning zijn' vader een teeken met de hand, dat hij zich met dien
vreemdeling wenschte te onderhouden.
De goede koning, verrukt over de gunstige verandering, welke hij bij
zijnen zoon meende te bespeuren, stond dadelijk op, en Marzavan bij de
hand vattende, dwong hij hem, zijne plaats bij het bed van den prins in
te nemen. Vervolgens vroeg hij hem, wie hij was, en van waar hij kwam,
en toen Marzavan antwoordde, dat hij een' onderdaan was van den koning
van China, vervolgde Schahzaman: „Gave Allah, dat gij mijn' geliefden
zoon kondet genezen van zijne doodelijke zwaarmoedigheid; ik zou u
veel te danken hebben, en de bewijzen mijner erkentelijkheid zullen
grooter zijn, dan er ooit voor eenigen dienst betoond zijn.” Dit gezegd
hebbende, liet hij den prins geheel vrij met Marzavan spreken, terwijl
hij zich met zijn' vizier naar het andere einde der zaal begaf, zeer
verheugd over eene zoo gelukkige ontmoeting.
Marzavan bragt zijn' mond aan het oor van Camaralzaman, en fluisterde
hem toe: „Prins, het is thans geen' tijd meer, om treurig te zijn. De
dame, om welke gij zoo veel geleden hebt, is mij bekend; zij is de
prinses Badoura, dochter van Gaïour, koning van China. Ik kan u dit
met zekerheid zeggen, daar zij mij zelve heeft medegedeeld, wat haar
bejegend is. De prinses lijdt niet minder uit liefde voor u, dan gij
voor haar.” Hij deelde hem vervolgens alles mede, wat hij van het
gebeurde met de prinses wist, van af den noodlottigen nacht, waarin zij
elkander op eene zoo onverklaarbare wijze gezien hadden. Ook vergat hij
niet, melding te maken van de wijze, waarop de koning van China handelde
met hen, die beproefden de prinses van hare gewaande krankzinnigheid te
genezen, zonder hierin te slagen. „Gij prins,” ging hij voort, „zijt de
eenigste, die u daartoe zonder eenig gevaar aanbieden, en haar volkomen
genezen kunt. Maar alvorens eene zoo lange reis te ondernemen, moet gij
gezond en sterk zijn. Wees er dus van nu af aan alleen op bedacht uwe
gezondheid te herstellen.”
Deze mededeelingen van Marzavan hadden eene verbazende uitwerking. De
prins Camaralzaman gevoelde eene zoo groote verligting door de hoop, die
hem was ingeboezemd, dat hij zich sterk genoeg achtte, om op te staan.
Hij vroeg daarom zijnen vader verlof, om zich te mogen kleeden, en dit
met zulk een opgeruimd gelaat, dat de goede vorst er van opgetogen was.
Zonder te vragen welk middel Marzavan gebezigd had, om dit wonder te
bewerken, gaf hij zijne dankbaarheid te kennen, door hem herhaalde malen
te omhelzen. Daarna vertrok hij met zijn' vizier, om de wonderbare
genezing van den prins alom bekend te doen maken. Hij gaf bevel, dat er
door het geheele rijk feesten zouden plaats hebben; zijne hovelingen
ontvingen rijke geschenken, aan de armen deelde hij ruime aalmoezen uit,
en de gevangenen werden in vrijheid gesteld. In één woord, de hoofdstad
en het geheele land van den koning Schahzaman vierden feest.
Hoewel de prins Camaralzaman door slapeloosheid en onthouding van
voedsel zeer verzwakt was, kreeg hij echter spoedig zijne vorige
krachten terug. Toen hij nu geheel hersteld was en zich sterk genoeg
achtte, om de vermoeijenissen der reis te kunnen doorstaan, herinnerde
hij Marzavan aan zijne belofte. „Waarde Marzavan,” sprak hij, „het is
thans tijd, om te vertrekken. Mijn ongeduld, om de bekoorlijke prinses
te zien, en om een einde te maken aan de kwellingen, die zij uit liefde
tot mij moet lijden, is zou groot, dat ik, indien wij niet spoedig
op reis gaan, vrees, weder in denzelfden staat van moedeloosheid en
uitputting te vervallen, als waarin gij mij hebt aangetroffen. Eene
zaak echter verontrust mij, en doet mij voor vertraging beducht zijn,
namelijk de overdreven zorg, welke de koning, mijn vader, voor mij
heeft, zoodat hij nimmer zal kunnen besluiten, zijne toestemming tot
deze langdurige reis te geven. Gij ziet zelf, dat hij mij bijna niet
uit het oog verliest, en het grootste gedeelte van zijn' tijd bij mij
doorbrengt. Indien gij daarop geen middel weet te vinden, is mijn
toestand hopeloos.” Bij het uitspreken dezer woorden, kon de prins zijne
tranen niet weêrhouden.
„Prins,” antwoordde Marzavan, „de hinderpaal, waarvan gij mij spreekt,
heb ik voorzien, doch ik zal die weten uit den weg te ruimen. Het
hoofddoel van mijne reis is geweest, de prinses van China van hare
kwellingen te bevrijden. De genegenheid, welke wij van kindsbeen af
elkander hebben toegedragen, en die nimmer uit mijn hart zal worden
gewischt, dringt mij, daartoe al mijne krachten aan te wenden. Hoor nu,
wat ik bedacht heb, om ons het vereischte verlof van den koning, uw'
vader, te verschaffen. Gij zijt sedert uwe herstelling nog niet uit
geweest. Zeg hem, dat gij gaarne een paar dagen met mij op de jagt zoudt
gaan, ten einde u wat te verzetten. Het is niet waarschijnlijk, dat hij
u deze uitspanning zal weigeren. Staat hij het u toe, draag dan zorg,
dat wij ieder twee goede paarden hebben, om als het eene vermoeid is,
ons van het andere te kunnen bedienen, en laat het overige aan mij
over.”
Den volgenden morgen deed de prins Camaralzaman aan zijn' vader het
verzoek, dat Marzavan hem gezegd had te doen. „Ik heb er niets op
tegen,” zeide de koning, „dat gij u eens op de jagt vermaakt; maar
onder beding dat gij niet langer dan één' nacht afwezig blijft, te veel
vermoeijenis mogt u anders eens nadeelig wezen, en langer kan ik ook
niet buiten u zijn.” De koning gaf hierop last de beste paarden uit
zijn' stal te halen, en droeg zelf zorg, dat er niets ontbrak, om dit
jagtpartijtje tot eene genoegelijke uitspanning voor den prins te
maken. Toen alles gereed was, omhelsde hij zijn' zoon, en na Marzavan
aanbevolen te hebben, toch goede zorg voor hem te dragen, liet hij hen
vertrekken.
Zoodra zij buiten kwamen, verwijderden de prins Camaralzaman en
Marzavan, onder den schijn van te jagen, zich zoo ver mogelijk van de
hoofdstad, en met het vallen van den avond namen zij hun' intrek in
een karavanserai, waar zij een avondmaal en nachtverblijf bestelden.
Marzavan stond echter te middernacht op, wekte den prins, verzocht dezen
hem zijn kleed te geven, en zelf een ander aan te trekken. Terwijl
Camaralzaman zich kleedde, ging Marzavan naar den stal, en tuigde,
zonder de stalknechten wakker te maken, drie paarden op, die hij
voorbragt. Zij stegen nu dadelijk op, en het derde paard bij den teugel
leidende, reden zij in den beginne stapvoets voort, ten einde geen
gerucht te maken; doch zoodra zij buiten het gehoor hunner bedienden
waren, zetten zij hunne paarden in den draf.
Met het aanbreken van den dag bevonden zij zich in een groot bosch, waar
de weg een' viersprong maakte. Hier verzocht Marzavan den prins, hem een
oogenblik te willen wachten. Hij ging een eindweegs het bosch in, stak
het paard, dat hij van een der stalknechten had medegenomen, dood,
verscheurde het kleed, dat de prins hem gegeven had, en doopte dit in
het bloed van het gedoode paard. Na dit verrigt te hebben, voegde
Marzavan zich weder bij zijn' reisgezel, en wierp het bebloede kleed
midden op den reeds genoemden viersprong.
Camaralzaman vroeg hem, met welk oogmerk hij dit deed. „Prins,” gaf
Marzavan ten antwoord, „als gij dezen avond niet terug zijt, en de
koning, uw vader, van de stalknechten hoort, dat wij zonder hen, en
terwijl zij nog sliepen, zijn vertrokken, zal hij niet dralen, volk uit
te zenden, om ons op te sporen. Wanneer zij dan langs dezen weg komen,
en het bebloede kleed vinden, zullen zij denken, dat gij door een'
leeuw of tijger zijt verscheurd, en dat ik mij uit vrees voor zijne
gramschap uit de voeten heb gemaakt. De koning, door dit berigt in den
waan gebragt, dat gij niet meer in leven zijt, zal niet meer naar u doen
zoeken, en zoo kunnen wij, zonder vrees van vervolgd te worden, onze
reis ongestoord voortzetten. Het middel, ik wil het niet ontkennen,
is wreed, vooral ten opzigte van een' vader, die zijn' zoon zoo
hartstogtelijk lief heeft, maar moge hij door dit berigt van uwen dood
zwaar getroffen worden, te grooter zal later zijne blijdschap zijn, als
het hem ter ooren komt, dat gij nog leeft, en gelukkig zijt.” „Beste
Marzavan,” antwoordde de prins Camaralzaman, „ik kan niet anders, dan
uwe list bewonderen en goedkeuren; ik ben er u op nieuw dank voor
verschuldigd. Het smart mij wel, mijn' goeden vader dus te moeten
bedroeven, maar ik weet geen ander middel, en indien de prinses niet
de mijne wierd, zou mijn' vader toch spoedig op mijn graf weenen.”
De prins en Marzavan, ruim voorzien van goud en edelgesteenten, zoodat
zij niet karig in hunne uitgaven behoefden te zijn, zetten hunne reis te
land en te water voort, zonder andere hindernissen of moeijelijkheden te
ontmoeten, dan de langdurigheid der reis natuurlijk moest veroorzaken.
Eerst in de derde maand bereikten zij de hoofdstad van China. Marzavan
nam den prins niet mede naar zijn huis, maar bragt hem in eene herberg,
waar de vreemdelingen meestal hunnen intrek namen. Zij bleven hier
drie dagen, om van de vermoeijenissen der reis uit te rusten, en een
sterrekijkersgewaad voor den prins te doen gereed maken. Op den vierden
dag gingen zij te zamen naar het bad, waar Marzavan den prins verzocht,
het voor hem bestemde gewaad aan te trekken; tot welke vermomming hij
hem ijverig behulpzaam was. Uit het bad komende, begeleidde hij den
prins tot in de nabijheid van het paleis des konings van China, waar hij
van hem scheidde, om aan zijne moeder de tijding zijner terugkomst te
zenden, en haar op te dragen, dit ook aan de prinses Badoura mede te
deelen. Deze zou daardoor tevens weten, dat de man dien zij beminde,
niet ver verwijderd was; dit toch had hij haar hij het afscheid nemen,
beloofd.
VERVOLG DER GESCHIEDENIS VAN DEN PRINS CAMARALZAMAN EN VAN DE PRINSES
BADOURA.
De prins Camaralzaman, door Marzavan onderrigt omtrent hetgeen hij
te doen had, en in alles als een' sterrewigchelaar uitgerust, ging
regelregt naar het paleis van den koning van China, en voor de poort
blijvende stilstaan, riep hij ten aanhooren der wachten en portiers met
luider stem: „Ik ben een sterrekijker, en kom hier, om de hooggeschatte
prinses Badoura, dochter van den magtigen en wijdberoemden monarch
Gaïour, koning van China, van hare krankzinnigheid te genezen, op de
door zijne majesteit gestelde voorwaarden, dat zij, indien ik haar
genees, mijne vrouw zal worden, en dat ik, zoo ik daarin niet slaag,
mijn hoofd zal verbeuren.”
Nadat zoo vele geneesheeren, sterrewigchelaars en toovenaars, die zich
in den aanvang hadden opgedaan, om de prinses te genezen, dit met den
dood hadden moeten bekoopen, had zich in de laatste maanden niemand meer
vertoond, die het gevaarlijke proefstuk durfde ondernemen. Men dacht
algemeen, dat er op de geheele wereld niemand meer te vinden zou zijn,
dwaas genoeg, om na zoo vele afschrikkende voorbeelden, zijn leven, als
het ware moedwillig, ten offer te brengen, in eene zoo hopelooze poging.
Geen wonder dus, dat Camaralzaman zich spoedig door eene nieuwsgierige
volksmenigte omringd zag.
Alle omstanders hadden medelijden met den jeugdigen vermetele, wiens
edel en gunstig voorkomen, reeds op het eerste gezigt, velen voor hem
innam. „Waar denkt gij aan, goede Heer?” zeiden zij, die het digtst bij
hem stonden, „hoe kunt gij zoo dwaas zijn, uw jeugdig en veelbelovend
leven aldus aan een' zekeren dood prijs te geven? Toonen de afgeslagen
hoofden, die op de poorten der stad geplaatst zijn, u niet, welk lot ook
u te wachten staat? Bij Allah! laat uw plan varen, keer terug, nu het
daartoe nog tijd is.”
De prins Camaralzaman liet zich echter door deze welmeenende
waarschuwingen niet afschrikken, en daar er niemand opdaagde, om hem
voor den koning te brengen, herhaalde hij met nog luider stem zijn
geroep, in de zelfde bewoordingen als de eerste maal. Die vermetelheid
deed de omstanders huiveren; er ging een' algemeene kreet op: „Hij zoekt
den dood, en Allah ontferme zich over zijne jeugd en zijne arme ziel!”
Maar de prins hield zich alsof hij hen niet hoorde, en riep voor den
derden maal. Nu verscheen de groot-vizier in persoon, ten einde hem op
last van den koning Gaïour voor dien te brengen.
Deze staatsdienaar geleidde Camaralzaman voor den koning, die hem, op
zijn' troon gezeten, ontving. De prins wierp zich voor hem neder, en
kuste den grond. De koning, die met onverschilligheid zoo velen had doen
sterven, welke in hunnen vermetelen waan hadden gemeend de prinses te
kunnen genezen, gevoelde een innig mededoogen met Camaralzaman. Had hij
de anderen naauwelijks aangezien, hem deed hij naast zich op zijn' troon
zitten, en sprak hem aldus aan: „Jongman, ik kan moeijelijk gelooven,
dat gij op zoo jeugdigen leeftijd, de kennis en de ervaring zult
bezitten, die vereischt worden om mijne dochter te genezen. Wel zou mij
dit eene groote vreugde zijn, want ik zou haar aan u met genoegen ten
huwelijk geven, hetgeen ik aan allen die voor u kwamen, slechts met
tegenzin zou hebben gedaan. Maar hoe zulks mij ook smart, ik moet u
verklaren, dat, indien gij niet slaagt in uwe onderneming, noch uwe
jeugd, noch uw edel voorkomen, mij zullen beletten u te doen onthoofden.
Bedenk u dus wel; nog laat ik u vrij, van deze gevaarlijke proef af te
zien.”
„Sire,” antwoordde de prins Camaralzaman, „ik ben uwer majesteit grooten
dank schuldig voor de eer, welke zij mij aandoet, en voor de goedheid,
die zij jegens mij, een' vreemdeling, aan den dag legt. Ik ben echter
niet uit een land, zoo ver van hier verwijderd, dat het misschien in
uwe staten zelfs bij name niet bekend is, gekomen, om onverrigter zake
weder van hier te gaan. Zou men mij niet met regt van ligtzinnigheid
beschuldigen, indien ik, na eene zoo lange reis ondernomen, en zoo vele
gevaren en ontberingen doorgestaan te hebben, thans mijn plan lafhartig
opgaf? Uwe majesteit zelve zou alle achting voor mij verliezen. Moet ik
sterven, sire, laat dit zijn, zonder mij uwe genegenheid onwaardig te
maken. Ik smeek u dus mijn ongeduld, om het bewijs mijner kunde te
leveren, op geene te lange proef te stellen. De uitkomst zal, hoop ik,
bewijzen, dat ik van mij zelven en van mijne ervaring geen te hoog
denkbeeld heb gekoesterd.”
De koning van China beval aan den gesnedene, die de prinses Badoura
bewaakte, doch thans daar tegenwoordig was, den prins Camaralzaman bij
de prinses, zijne dochter, te brengen. Alvorens hem te laten vertrekken,
liet hij het nogmaals aan zijne keus om van de onderneming af te zien.
Maar de prins gaf daaraan geen gehoor; hij volgde den gesnedene met
vastberadenheid, of liever met een' geestdrift, die verwondering baarde.
De gesnedene geleidde Camaralzaman; maar toen zij aan de galerij kwamen,
die naar het vertrek der prinses voerde, kon de prins zijn ongeduld niet
langer bedwingen, en versnelde zijn' gang, ten einde te spoediger bij
háár te zijn, om wie hij zoo vele tranen gestort, en zoo vele zuchten
geslaakt had, sedert den nacht, waarin zij zich aan zijne zijde bevonden
had.
De gesnedene liep nu ook met meer spoed, doch hij had moeite, den
prins weder in te halen. „Wat loopt gij toch zoo hard!” sprak hij op
spottenden toon, terwijl hij hem bij den arm vatte en terug hield,
„gij kunt immers zonder mij niet binnengaan? De lust tot sterven moet
bij u wel groot zijn, dat gij den dood zoo ijverig zoekt. Niet een der
sterrewigchelaars, die ik ter plaatse gebragt heb, waar gij maar al te
spoedig zijn zult, heeft zoo veel haast aan den dag gelegd.” „Goede
vriend,” antwoordde Camaralzaman, terwijl hij weder aan de zijde
van zijn' geleider voortging en hem aanzag, „dat komt omdat al die
sterrekijkers, waarvan gij spreekt, niet zeker van hunne zaak waren,
gelijk ik dit ben. Zij wisten in tegendeel, dat zij het leven zouden
verliezen, indien zij niet slaagden, en hiertoe bestond voor hen de kans
zelfs niet. Daarom beefden zij te regt, toen zij de plaats naderden,
waar wij thans heengaan, en waar ik zeker ben, mijn geluk te zullen
vinden.” Onder dit gesprek kwamen zij aan de deur, die toegang gaf tot
de vertrekken der prinses. De gesnedene ontsloot deze, en bragt den
prins in eene groote zaal, waardoor men in de kamer der prinses ging,
die slechts door een zijden voorhangsel daarvan was afgescheiden.
Alvorens hier binnen te treden, zeide hij op zachten toon tot den
gesnedene: „Ten einde u te overtuigen, dat ik mij niet te veel op mijne
bekwaamheid heb laten voorstaan, zoo laat ik het aan uwe keuze over, of
ik de prinses zal genezen in hare tegenwoordigheid, of van hier, zonder
een voet verder te gaan?”
De gesnedene, ten hoogste verwonderd over de zekerheid, waarmede de
prins sprak, hield op den spot met hem te drijven, en zeide: „Het komt
er niet op aan, of het hier geschiedt of daar. Indien gij de prinses
slechts geneest, op welke wijze het ook zij, zoo zult gij eenen
onsterfelijken roem inoogsten, niet alleen aan dit hof, maar door de
geheele wereld.” „Hoezeer ik ook verlang,” hernam de prins, „om eene
prinses van zoo hooge geboorte, en bestemd mijne vrouw te worden, te
aanschouwen, wil ik om u alle mogelijke voldoening te geven, mij wel
voor eenige oogenblikken van dat genoegen berooven.” Hij nam daarop
zijn' inktkoker en zijne pen, en schreef de volgende regelen aan de
prinses van China:
_De prins Camaralzaman aan de prinses van China._
„_Aanbiddelijke prinses! De verliefde prins Camaralzaman zal
u niet spreken van alles wat hij heeft geleden, sedert den
noodlottigen nacht waarin uwe bekoorlijkheden hem eene vrijheid
deden verliezen, die hij besloten had zijn gansche leven te
bewaren. Het is voldoende te zeggen, dat gij, bekoorlijk zelfs
tot in uwen slaap, hem toen zijn hart ontroofd hebt. O, die
nijdige slaap, welke hem belette, den glans te zien van uwe
schoone oogen, hoe groote moeite hij zich ook gaf, ze u te doen
openen. Hij verstoutte zich toen, u zijnen ring aan den vinger
te steken, als een bewijs zijner onveranderlijke liefde, en die
tegen den uwen te verwisselen, dien hij u hierbij toezendt.
Indien gij u verwaardigt hem dezen terug te zenden, als
wederkeerig bewijs uwer liefde, dan zal hij zich den gelukkigsten
van alle minnaars achten; zoo neen, uwe afwijzing zal hem niet
beletten, den doodelijken slag met berusting te ondergaan, daar
die hem zal treffen; omdat hij u bemint. Hij wacht uw antwoord in
uwe voorkamer._”
Toen de prins Camaralzaman met dit schrijven gereed was, voegde hij er
den ring van de prinses bij, en maakte er een pakje van, dat hij den
gesnedene ter hand stelde, met de woorden: „Goede vriend, breng dit aan
uwe meesteres. Indien zij niet geneest op het eigen oogenblik, dat zij
deze regelen gelezen heeft, en ziet wat ik haar daar bij toezend, zoo
geef ik u volkomen vrijheid, in het openbaar van mij te zeggen, dat ik
de onwaardigste en onbeschaamdste ben van alle sterrekijkers, die ooit
op aarde geleefd hebben, daar nog zijn, of na mij komen zullen.”
„Als dat geen pogcher is, dan is het een duizend-kunstenaar, wiens
gelijke nog moet geboren worden,” dacht de gesnedene, en door
nieuwsgierigheid gedreven, ging hij haastig in de kamer der prinses van
China. Haar het pakje, waarmede de prins Camaralzaman hem belast had,
aanbiedende, zeide hij: „Prinses, een sterrekijker, vermeteler dan de
anderen, die zich vóór hem hebben opgedaan, is hier aangekomen, en
beweert ten stelligste, dat gij deze regelen slechts behoeft te lezen,
en te zien wat hij daar heeft bijgevoegd, om volkomen genezen te zijn.”
De prinses nam het briefje, en opende het met blijkbare
onverschilligheid, maar zoodra zij haren ring zag en herkende, gaf zij
zich bijna den tijd niet, om het geschrevene te lezen. Zij stond met
overhaasting op, verbrak met een' geweldigen ruk de keten, waaraan zij
gekluisterd was, snelde naar de deur, en ligtte het voorhangsel op.
Badoura herkende in den prins-sterrekijker dadelijk haren zoo lang
betreurden en zoo vurig gewenschten geliefde. De prins zag in haar
zijne schoone bezoekster. Zij omhelsden elkander met hartstogtelijke
teederheid, en konden in hunne verrukking geene woorden vinden, om hunne
blijdschap en verwondering uit te drukken, elkander terug te zien, na
het raadselachtige en kortstondige te zamen zijn, waarvan zij ook nu nog
niets begrepen. De voedster, welke de prinses was gevolgd, deed haar
weder in hare kamer gaan, waar de prins haar echter ditmaal vergezelde.
Badoura gaf haren ring nu aan Camaralzaman terug, met de woorden:
„Herneem dit kleinood. Ik zou het niet kunnen behouden, zonder u het
uwe terug te geven, en dat wil ik behouden, zoo lang ik leef.”
Inmiddels had de gesnedene zich gehaast den koning van China het wonder
mede te deelen, waarvan hij ooggetuige was geweest. „Sire,” sprak hij
in verrukking over hetgeen hij gezien had: „Al de sterrekijkers en
geneesheeren, die zich tot nu toe aangeboden en ondernomen hebben, om
de prinses te genezen, zijn slechts weetnieten en botterikken geweest.
Hij, die nu gekomen is, heeft zich noch met een tooverboek, noch met
bezweringen van booze geesten, noch met het rook en van kruiden of iets
van dien aard opgehouden; hij heeft de prinses genezen, zelfs zonder
haar te zien.” Hij verhaalde vervolgens de wijze, waarop dit had plaats
gehad, en de koning, hierover ten hoogste verblijd, begaf zich dadelijk
naar de prinses. Hij omhelsde zijne dochter, omarmde den prins, en diens
hand nemende, legde hij deze in die van de prinses Badoura. „Gelukkige
vreemdeling,” zeide hij nu, „wie gij ook zijn moogt, ik houd mijne
belofte, en geef u mijne dochter tot echtgenoot. Maar als ik u aanzie,
kan ik bezwaarlijk gelooven; dat gij diegene zijt, voor wien gij u hebt
uitgegeven.”
De prins Camaralzaman bedankte den koning in de schoonste bewoordingen
voor de gunstige gedachten, die hij van hem koesterde, en voor de groote
weldaad, hem op dit oogenblik bewezen, door hem tot zijn' schoonzoon
aan te nemen. „Sire,” vervolgde hij, „het vermoeden van uwe majesteit,
dat ik geen sterrekijker ben, is gegrond. Ik heb daarvan alleen het
kleed aangenomen, om, zoo doende, naar de hooge verbindtenis met den
magtigsten monarch van het Heelal te kunnen dingen. Ik ben een prins, de
zoon eens konings en eener koningin; mijn naam is Camaralzaman; en mijn
vader noemt zich Schahzaman. Hij regeert over de genoeg bekende eilanden
der kinderen van Khaladan.” Daarna verhaalde hij hem zijne geschiedenis,
en deed hem opmerken, hoe wonderbaar de oorsprong van zijne liefde was,
even als van die der prinses voor hem, en dat, hoe onverklaarbaar ook
hunne nachtelijke bijeenkomst bleef, de wisseling der ringen toch het
bewijs opleverde, dat deze werkelijk had plaats gevonden.
Zoodra de prins Camaralzaman met spreken geëindigd had, riep de
koning in geestdrift uit: „Deze geschiedenis is zoo wonderbaar, dat zij
waardig is, voor het nageslacht bewaard te blijven. Ik zal die laten
beschrijven, en terwijl het oorspronkelijke in de archieven van mijn
koningrijk zal berusten, wil ik er afschriften van doen maken; opdat zij
ook in andere landen bekend moge worden.” De huwelijksplegtigheid had
nog dien zelfden dag plaats, en gedurende verscheidene weken werden
aan het hof feesten gegeven, en heerschte er vreugde in het geheele
Chineesche rijk. Ook Marzavan werd niet vergeten; de koning van China
gaf hem eene betrekking aan zijn hof, met belofte, hem later tot eene
aanzienlijke post te zullen verheffen.
De prins Camaralzaman en de prinses Badoura, thans hunne wenschen
vervuld ziende, smaakten gedurende verscheidene maanden het zoete des
huwelijks, zonder dat hun geluk door iets verstoord werd, en de koning
van China gevoelde zich gelukkig in zijne kinderen.
Zulk een onvermengd geluk is echter op deze aarde zelden van langen
duur. Op zekeren nacht droomde prins Camaralzaman, dat zijn vader, de
koning Schahzaman, op sterven lag, en dat deze op klagenden toon zeide.
„De zoon, dien de Hemel mij schonk, dien ik als mijn oogappel beminde,
heeft mij ondankbaar verlaten, en is de oorzaak van mijnen dood.” Hij
werd met schrik wakker, en loosde een' diepen zucht, waardoor ook zijne
gade ontwaakte. De prinses Badoura, vreezende dat hij ongesteld zou
zijn, vroeg hem, waarom hij zoo zuchtte, en wat hem deerde.
„Ach,” zeide de prins op treurigen toon, „welligt is de koning mijn
vader, terwijl ik met u spreek, reeds niet meer op deze aarde!” Hij
deelde haar daarop zijnen droom mede, en beleed, dat deze zeer droevige
gedachten bij hem had opgewekt, omdat hij werkelijk uit liefde tot
haar zich zeer aan zijnen vader had bezondigd, door hem in stilte te
verlaten, en aan zijnen dood te doen gelooven. De prinses Badoura, niets
liever wenschende dan haren man genoegen te geven, hoorde hem zwijgend
aan, maar zij had reeds haar besluit genomen. Zoodra de koning van China
haar dien morgen kwam bezoeken, zoo als geregeld zijne gewoonte was,
stond zij op, en hem de hand kussende, zeide zij: „Sire, ik heb van
uwe majesteit eene gunst te vragen, welke ik haar smeek, mij niet te
weigeren. Opdat gij echter niet zoudt denken, dat ik die vraag doe, op
verzoek van den prins, mijn' gemaal, zoo moet ik u hierbij zeggen, dat
hij daar niets van weet. Mijne bede dan is, dat het u behagen moge, mij
toe te staan, om met hem aan den koning Schahzaman, mijn' schoonvader,
een bezoek te brengen.”
„Dochter,” gaf de koning ten antwoord, „hoezeer ook uw afwezen mij
bedroeven zal, zoo kan ik echter uw besluit niet misprijzen; het
getuigt voor uw goed hart en voor uwen moed, om eene zoo lange reis te
ondernemen. Ga dan, ik sta het u toe, onder beding, dat gij aan het hof
van den koning Schahzaman niet langer dan een jaar zult vertoeven. Die
monarch zal, gelijk ik durf hopen, er niet tegen hebben, indien de zaak
zoo geschikt wordt, dat wij om het andere jaar, hij zijnen zoon en zijne
schoondochter, ik mijne dochter en mijn' schoonzoon, bij ons zullen
zien.”
Camaralzaman was zeer verrast, toen de prinses Badoura hem zeide, dat
zij aan den koning van China verzocht had, om haren schoonvader te gaan
bezoeken, en dat deze daarin had toegestemd. De prins bedankte haar
voor dit vernieuwde blijk harer liefde, en hij verheugde zich reeds bij
voorraad nu weldra in de gelegenheid te zullen komen, om de vergiffenis
van zijn' goeden vader, dien hij zoo diep bedroefd had, af te smeeken en
te verwerven.
Inmiddels liet de koning van China alles voor de reis in gereedheid
brengen. Hij vergezelde zijne kinderen verscheidene dagreizen ver, ten
einde nog zoo lang mogelijk hun bijzijn te genieten. Toen men eindelijk
zou scheiden, omhelsde de koning schreijende zijne dochter en den prins
Camaralzaman. „Mijn zoon,” sprak hij! „ik stel thans mijne geliefde
dochter geheel in uwe handen; laat daarom uwe liefde, haar het gemis
der mijne vergoeden, en houdt niet op haar te beminnen, gelijk zij dit
waardig is. En nu mijne kinderen,” vervolgde hij, „ik geef u mijnen
zegen mede, reis en leef gelukkig, totdat ik de vreugde zal smaken,
u weder te zien, en aan mijn hart te drukken, dat steeds voor u zal
blijven kloppen.” Na deze vaderlijke ontboezeming, liet hij hen
vertrekken, en keerde, om zich te verzetten, al jagende naar zijne
hoofdstad terug.
Toen de prins Camaralzaman en de prinses Badoura hunne tranen hadden
afgedroogd, welke de scheiding van den koning hen had doen storten,
begonnen zij er aan te denken, hoe verblijd de goede Schahzaman zou
wezen, indien hij zijnen reeds als dood betreurden zoon, in leven en
hoogst gelukkig zou wederzien. Hier over spraken zij thans dagelijks, en
niet alleen Camaralzaman, maar ook de prinses van China verblijdde zich
reeds bij voorraad in de vreugde, welke de oude vorst smaken zou.
Na verloop van eene maand kwamen zij in eene grasrijke vlakte,
waardoor een helder beekje kronkelde, en waarin eene menigte op zich
zelve staande zware boomen prijkten, die met hun digt gebladerte
eene verkoelende schaduw gaven. Het was dien dag brandend heet,
en Camaralzaman vond dit oord zoo schoon, dat hij aan de prinses
voorstelde, daar dien dag rust te houden en de tenten te laten opslaan.
Badoura wenschte niets liever, want de lange reis en de drukkende hitte
hadden haar zeer vermoeid. De prins liet dus halt maken, zij stegen af,
en terwijl men de tenten van de kameelen aflaadde, en bezig was die uit
te spannen, ging Badoura onder de schaduw van een' boom zitten. Daar
echter ook de muskieten in dit lommerrijke plaatsje behagen schepten, om
haar heen gonsden, en haar plaagden, was hare tent niet zoodra gereed,
of zij ging daar binnen. Vermoeid en warm, liet de prinses om luchtiger
te zijn, zich van haren gordel ontdoen, die hare bedienden bij haar
nederlegden, terwijl zij zich op haar rustbed uitstrekte en weldra
insliep. Ten einde hare meesteres niet te storen, verwijderden zich nu
de vrouwen en lieten haar alleen.
Zoodra de prins Camaralzaman op alles order gesteld had, kwam ook hij
de tent binnen, en ziende dat de prinses sliep, zette hij zich zonder
gerucht te maken bij haar neder. Zijne oogen vielen nu op den gordel,
die bij haar lag, en niets beter te doen hebbende, nam hij dien in zijne
handen, en vermaakte zich met het beschouwen der diamanten en robijnen,
waarmede hij versierd was. Zoo op de schitterende steenen turende,
bespeurde hij een klein zijden beursje, dat zeer behendig tegen de stof
aangenaaid en met een koordje gesloten was. Hij voelde dat dit iets
hards bevatte, en de nieuwsgierigheid deed het hem openen. Hij vond
daarin een' kornalijn, waarop eenige zinnebeelden en karakters waren
ingesneden, die hij niet kende. „Deze kornalijn”, sprak hij bij zich
zelven, „moet eene bijzondere eigenschap bezitten, daar mijne prinses
hem zoo zorgvuldig bewaart, om hem niet te verliezen.” Het was inderdaad
een talisman, welke de koningin van China aan de prinses hare dochter
ten geschenke had gegeven, en die, zooals zij gezegd had, het vermogen
bezat, haar tegen alle ongelukken te behoeden, zoo lang zij hem hij zich
droeg. De prins scheen hiervan eenig vermoeden te hebben, en om den
talisman, want in de tent was het hiertoe te donker, beter te kunnen
bezien, ging hij er mede naar buiten. Terwijl hij nu het gesteente op
het vlak van zijne hand had gelegd, en het met aandacht beschouwde,
schoot er plotseling een vogel uit de lucht neder, en ontnam hem het
kleinood. Camaralzaman was over dezen roof zoo ontsteld, dat hij eenige
oogenblikken als wezenloos staan bleef. Hij had door zijne ongepaste
nieuwsgierigheid, zijne geliefde prinses een kleinood doen verliezen,
waarop zij, zoo als hij teregt begreep, een' zeer hoogen prijs moest
stellen. De vogel scheen intusschen den spot met hem te drijven, want
hij zette zich niet ver van die plaats op den grond neder, den talisman
als een zegeteeken in den bek houdende.
De prins nu tot bezinning komende, liep naar den vogel toe,
verwachtende dat deze zou opvliegen, en van schrik zijnen roof laten
vallen. Maar zoodra hij naderde, vloog het dier een weinig verder,
zonder zijn buit los te laten, en zette zich weder neêr. De prins
ging voort het te vervolgen; doch nu vloog de vogel na den talisman te
hebben doorgeslikt, een geheel eind voort. Zijn vervolger, op zijne
behendigheid steunende, hield echter niet op den roover te vervolgen,
in de hoop hem door een' steenworp te zullen treffen en dooden.
Er had nu tusschen den prins en den vogel een' koddige wedloop plaats,
en het scheen, dat de laatste daaraan geen einde wilde maken, door in
eens voor goed weg te vliegen. In tegendeel zette hij zich herhaalde
malen dan eens op een tak, dan weder op den grond neder, als wilde hij
zijn vervolger inwachten. Dus getergd wordende, volgde de prins den
stouten roover over berg en dal, tot dat de avond inviel. Nu koos
het slimme dier, tot groote teleurstelling van Camaralzaman, zijn
nachtverblijf niet in het struikgewas, waar hij hem welligt in den slaap
zou hebben kunnen verrassen en vatten, maar boven in den dunnen top van
een' hemelhoogen dadelboom, waar hij volkomen veilig was.
De prins, bijna wanhopende het kleinood ooit terug te bekomen, stond een
oogenblik in beraad, om naar het kamp terug te keeren. „Maar,” zeide hij
bij zich zelven, „hoe zal ik terugkeeren? Hoe kan ik in het donkere van
den nacht den weg vinden, dien ik al in den blinden heb doorloopen? Zal
ik niet verdwalen? En eindelijk, hoe zou ik voor de prinses Badoura
durven verschijnen, zonder haar den talisman terug te brengen?” Bij al
deze afschrikkende overwegingen, kwam nog zijne vermoeidheid, zoodat hij
het besluit nam, den nacht door te brengen onder den boom, waarop zich
de vogel had neêrgezet, altoos in de zwakke hoop, den volgenden dag
gelukkiger te zullen zijn. Ofschoon door honger en dorst gekweld, deed
de vermoeijenis van den dag hem weldra inslapen.
De prins Camaralzaman ontwaakte, voordat nog de vogel den boom had
verlaten, en zoodra deze opvloog, deed hij zijn uiterste best hem
te volgen en niet uit het oog te verliezen. De vogel maakte hem dit
gemakkelijk, door zich weder nu en dan neder te zetten, en hem van tijd
tot tijd in te wachten. Maar ook steeds was hij, als de prins nabijkwam,
dien te vlug af, en weder zocht hij zijn nachtverblijf op eene voor
Camaralzaman onbereikbare plaats. De prins had zich dien dag met wilde
wortelen en vruchten gevoed, die hij op zijnen weg vond, en legde zich
nogmaals onder een' boom te slapen.
Elf dagen lang hield de ondeugende vogel onzen edelen prins aldus bezig,
zonder dat deze van zijnen kant de vermoeijende en bijna hopelooze jagt
wilde opgeven. „Ik zal u dooden, en den talisman terug nemen,” zwoer hij
in zijnen toorn „al zou ik u ook vervolgen tot aan het einde der aarde.”
Maar de prins had goed zweren, de vogel stak den draak met hem en met
zijnen eed. Zij kwamen aan eene groote stad, door zeer hooge wallen
en muren omgeven. De vogel vloog daarover heen, maar Camaralzaman kon
ongelukkig niet vliegen. Wilde hij in de stad komen, dan moest hij de
poort gaan op zoeken. Daar stond de arme prins nu allertreurigst te
kijken, de vogel was uit zijn gezigt verdwenen, en met deze zijne hoop,
om den talisman van de prinses Badoura immer terug te zullen zien.
De ongelukkige zou nu wel gaarne zonder talisman naar zijne geliefde
prinses hebben willen terugkeeren, en inderdaad hij had voor zijne
onbetamelijke nieuwsgierigheid zwaar genoeg geboet. Zij zou een hart
van ijzer en staal moeten hebben om het hem niet gaarne te vergeven,
maar hoe zou hij het kamp terugvinden, en was misschien zijne geliefde
gemalin hem niet elders gaan zoeken. Vragen die makkelijker te doen,
dan te beantwoorden waren! Er bleef hem dus voor eerst niet anders over,
dan de stad binnen te gaan, daar zou hij ten minste menschen vinden. Zoo
denkende ging hij de poort binnen.
De stad lag aan zee en had ruime straten. Daarin dwaalde hij rond,
zonder een mensch te ontmoeten, want het was nog zeer vroeg in den
morgen, en ook de stedelingen daar schenen van lang slapen, of althans
van laat opstaan te houden. Eindelijk kwam hij aan de haven, en van daar
wandelde hij het strand langs, totdat hij aan een' tuin kwam, waarvan de
deur openstond. Hier moesten dus menschen op zijn; hij meldde zich aan.
De tuinman, een goede grijsaard, was druk aan den arbeid, doch het
hoofd oprigtende, en een' vreemdeling ziende, die, zooals zijn tulband
aanduidde, een Muzelman moest zijn, noodigde hij hem uit, ten spoedigste
binnen te komen, en de deur achter zich te sluiten.
Camaralzaman trad binnen, deed de deur digt, en op den tuinman afgaande,
vroeg hij hem niet zonder eenige verwondering, waarom hij hem die
voorzorg had doen nemen. „Omdat ik wel kan zien,” gaf den grijsaard ten
antwoord, „dat gij een vreemdeling en bovendien een Muzelman zijt;
terwijl deze stad grootendeels wordt bewoond door afgodendienaars,
waarvan de weinige Muzelmannen, die hier zijn, genoeg te lijden hebben.
Gij weet dit zeker niet, en hebt aan het vroege uur te danken, dat gij
nog geene onaangename ontmoeting gehad hebt. De afgodische inwoners
dezer plaats zijn anders dadelijk bij de hand, om, als een vreemdeling
en Muzelman in de stad komt, die niet met hunne boosaardigheid bekend
is, hem lagen te leggen. De profeet zij geloofd, dat hij u bij mij, en
dus op eene veilige schuilplaats heeft doen aanlanden.”
Camaralzaman bedankte den goeden grijsaard voor zijne edelmoedigheid om
hem eene schuilplaats te verleenen, waardoor hij tegen elke beleediging
van de booze inwoners dier stad beveiligd zou zijn. „Gij hebt mij niet
te bedanken,” zeide de tuinman, „wij zijn geloofsbroeders, en als
zoodanig ben ik verpligt u alle bescherming te verleenen, welke in mijn
vermogen is. Laat dus die pligtplegingen varen, en beschouw u als mijn'
gast. Ik zie, dat gij vermoeid zijt; gij zult wel eetlust hebben, kom
met mij!” Hij bragt hem in zijne kleine woning, en nadat Camaralzaman
goed gegeten had van de eenvoudige spijzen, die zijn gastheer hem
gulhartig voorzette, verzocht deze nu te mogen vernemen, hoe, en met
welk doel hij in deze stad was gekomen.
De prins, zeer ingenomen met zijnen gullen gastheer, verhaalde hem zijn
ongeluk, zonder iets te verzwijgen, en vroeg hem op zijne beurt, hoe
hij op de beste en spoedigste wijze naar de staten van zijn' vader zou
kunnen vertrekken. „Want,” vervolgde hij, „om na eene afwezigheid van
elf dagen, de prinses, van wie ik zoo ongelukkig verwijderd werd, te
willen opzoeken, zou eene dwaasheid zijn; waar zou ik haar vinden?
Misschien is zij wel van droefheid gestorven?” Bij deze treurige
gedachte kon hij zijne tranen niet bedwingen. De tuinman deelde hem
mede, dat men van de stad der toovenaars, waar hij zich thans bevond,
over land reizende een vol jaar noodig had om eene streek te bereiken,
waar een Muzelmansch vorst heerschte; doch dat hij over zee in veel
korter tijd naar het Ebbenhout eiland zou kunnen komen. „Van daar,”
sprak hij, „komt 's jaarlijks een schip hier om handel te drijven, en op
het Ebbenhout eiland zal het u niet aan scheepsgelegenheid ontbreken,
om naar de eilanden van de kinderen van Khaladan te vertrekken. Indien
gij,” voegde hij er bij, „eenige dagen vroeger waart gekomen, zoudt gij
met het schip van dit jaar hebben kunnen medegaan. Nu zult gij echter
moeten wachten tot eene volgende keer. Wilt gij het intusschen bij mij
voor lief nemen, zooals het is, dan staat mijne kleine woning, en wat
ik heb, om u voor te zetten, van ganscher harte tot uwen dienst.”
De prins Camaralzaman achtte zich gelukkig, eene veilige wijkplaats te
vinden in eene stad, waar hij niemand kende. Hij nam dus het aanbod met
dankbaarheid aan, en bleef bij den tuinman op het schip wachten, dat hem
naar het Ebbenhout eiland zou brengen. Des daags hield hij zich bezig
met in den tuin te werken, doch des nachts, wanneer niets hem afleiding
gaf, dacht hij veel aan zijne lieve prinses Badoura, en betreurde hun
ongelukkig noodlot. Wij zullen hem bij den tuinman laten, om terug te
komen op de prinses van China, welke wij slapende in hare tent
achterlieten.
Badoura sliep vrij lang, en toen zij eindelijk ontwaakte, was zij zeer
verwonderd, den prins Camaralzaman niet bij zich te vinden. Zij klapte
in de handen, en vroeg aan hare vrouwen, die dadelijk te voorschijn
kwamen, of zij den prins niet gezien hadden, en waar hij zich ophield.
De vrouwen verzekerden haar eenstemmig, dat zij den prins de tent hadden
zien binnengaan. Inmiddels nam de prinses haren gordel; maar dien om
willende doen, bemerkte zij, dat het kleine beursje open en de talisman
verdwenen was. Zij twijfelde niet, of Camaralzaman zou dien hebben
medegenomen om hem te bezien, en haar dan terug te brengen. Zoo wachtte
zij hem met groot ongeduld, tot dat de avond inviel. Zij kon niet
begrijpen, wat hem terug hield, en toen het geheel donker werd, maakte
zij zich ernstig ongerust. Driftig van inborst, kreeg nu de talisman
de schuld, zij verwenschte dat kleinood en de maker er van, en had
de eerbied haar niet teruggehouden, dan zou zij ook hare moeder, de
koningin, beschuldigd hebben, die haar dit zoo noodlottig geschenk had
gegeven. In hare wanhoop stelde zij als zeker, dat de talisman met het
verdwijnen van den prins in verband stond, maar op welke wijze, daarvan
kon zij zich geen begrip vormen. Hoe groot echter ook hare droefheid
was, zij verloor hare tegenwoordigheid van geest niet; maar nam een zoo
moedig besluit, als men naauwelijks van eene vrouw zou kunnen denken.
Behalve de prinses en hare vrouwen, wist niemand in het kamp iets van
de zonderlinge verdwijning van Camaralzaman; want allen hadden zich
reeds ter ruste begeven, en sliepen in hunne tenten. De prinses Badoura
vreesde, dat, werd zulks den volgenden dag bekend, zijn gevolg welligt
zou weigeren, haar te gehoorzamen en verder te trekken. Zij gebood dus
aan hare vrouwen, de zaak geheim te houden. Vervolgens legde zij hare
kleederen af, en trok een kleed aan van Camaralzaman, op wien zij zoo
zeer geleek, dat zijne bedienden, toen zij den volgende morgen aldus
vermomd te voorschijn kwam, haar zonder den minsten twijfel voor den
prins hielden. Zij gaf nu bevel de tenten op te breken, en de bagage op
de kameelen te laden. Toen alles gereed was, deed zij een harer vrouwen
in den draagzetel plaats nemen, die anders voor haar bestemd was, en
zelve te paard stijgende, zette zij de reis onmiddelijk voort.
De prinses Badoura wist haren rol zoo goed te spelen, dat haar geheim
door niemand vermoed, veel minder ontdekt werd. Na twee maanden reizens,
zoowel te land als te water, bereikte zij, zonder eenigen bijzonderen
tegenspoed, de hoofdstad van het Ebbenhout eiland. Zij liet eenigen der
bedienden aan wal gaan, om eene verblijfplaats voor haar te zoeken. Al
spoedig verbreidde zich de tijding, dat de prins Camaralzaman zich aan
boord van het schip bevond, dat zoo even de haven was binnengeloopen, en
dat hij hier eenige dagen van zijne langdurige reis dacht uit te rusten.
Dit gerucht drong ook weldra door tot in het paleis des konings.
De koning Armanos, die met Schahzaman sedert jaren in vrede en
vriendschap geleefd had, meende aan den zoon een blijk te moeten geven
van de achting, welke hij den vader toedroeg. Hij ging hem met vele
zijner hovelingen te gemoet, en kwam aan de haven, juist op het
oogenblik, dat de prinses aan wal stapte, om zich naar het verblijf te
begeven, dat voor haar bestemd was. De koning, die haar natuurlijk voor
den prins Camaralzaman hield, ontving haar met hartelijkheid, en nam
haar mede naar zijn paleis. Te vergeefs verzocht Badoura de vrijheid te
mogen hebben, om de door haar gehuurde woning te betrekken; de koning
stond er op, dat zij met haar gevolg in zijn paleis haar verblijf zou
houden, en de prinses kon dit niet afslaan, zonder hem te beleedigen.
De vorst deed den zoon van zijnen koninklijken vriend alle eer aan, en
onthaalde hem gedurende drie dagen met buitengewone pracht en luister.
Op den vierden dag gaf de gewaande prins Camaralzaman zijn voornemen
te kennen, om zich weder in te schepen, en de reis naar de eilanden van
de kinderen van Khaladan voort te zetten. De koning, getroffen door de
schoonheid en kunde van zijn' jeugdigen gast, kon echter moeijelijk
besluiten, hem te laten gaan. „Prins,” zeide hij, hem ter zeide nemende,
„op mijne hooge jaren bestaat er weinig hoop, dat ik nog lang zal leven.
Ik heb het verdriet geen' zoon te bezitten, aan wien ik mijne kroon kan
nalaten. De hemel heeft mij evenwel eene dochter geschonken van groote
schoonheid, en ik zou niet weten, aan wien ik haar beter zou kunnen
geven, dan aan een' prins, zoo volmaakt als gij zijt, die tevens met
haar in hooge geboorte gelijk staat. In plaats dus van aan uw vertrek te
denken, zoo ontvang haar van mijne hand met mijne kroon, waarvan ik ten
uwen gunste bereid ben afstand te doen; blijft bij ons. Het regeren valt
mij in mijnen ouderdom zwaar, en ik zal dit gaarne aan u overlaten, daar
ik weet, dat mijn volk in u een' waardigen opvolger zal vinden.”
Dit edelmoedige aanbod van den koning Armanos, om haar zijne eenige
dochter ten huwelijk te geven, verraste niet alleen de prinses Badoura,
maar bragt haar in groote verlegenheid, daar zij, zelve eene vrouw,
dit moeijelijk kon aannemen. Hem te zeggen, dat zij niet de prins
Camaralzaman maar zijne gade was, meende zij eene prinses onwaardig. Het
weigeren had ook veel tegen, want wie verzekerde haar, dat de koning,
zich daardoor gehoond achtende, zijne genegenheid niet in afkeer en haat
zou veranderen, te meer daar hij op dit huwelijk zeer gesteld scheen.
Daarenboven wist zij niet, of zij den prins Camaralzaman wel bij den
koning zijn' vader zou aantreffen.
Deze overweging, en die om aan den prins haren man, indien zij hem mogt
wedervinden, een nieuw koningrijk te geven, deden haar besluiten over
alle zwarigheden heen te stappen, en het aanbod van den koning Armanos
aan te nemen. „Sire,” sprak zij, terwijl een blos haar gelaat bedekte,
„ik ben uwer majesteit ten hoogste verpligt voor de goede meening,
welke zij omtrent mijn' persoon koestert, en voor de eer, welke zij mij
waardig keurt, die ik niet durf afwijzen, hoe weinig ik ze ook verdiend
heb. Maar Sire,” vervolgde zij, „ik kan eene zoo hooge verbindtenis,
waarbij de last der regering op mijne schouders drukken zal, niet
aannemen, dan onder voorwaarde, dat uwe majesteit mij met hare
raadgevingen ondersteunen, en ik niets doen zal, zonder daar op vooraf
hare goedkeuring verkregen te hebben.”
Het huwelijk, op deze wijze vastgesteld, zou, zoo verlangde het de
koning, reeds den volgenden dag voltrokken worden. De prinses Badoura
nam dezen tusschentijd te baat, om hare officieren, die haar steeds voor
den prins Camaralzaman hielden, van dit tweede huwelijk te onderrigten,
opdat zij zich daarover niet te veel zouden verwonderen. Zij sprak er
ook met hare vrouwen over, en beval haar nogmaals aan, haar geheim
vooral goed te bewaren.
De koning van het ebbenhout eiland, verblijd eenen schoonzoon te
krijgen, waarmede hij zoo zeer tevreden was, deed den volgenden morgen
zijnen raad bijeenkomen. Hij verscheen in die vergadering, vergezeld van
den prins Camaralzaman, en na zich op zijn' troon geplaatst te hebben,
verklaarde hij dezen prins tot zijn schoonzoon aan te nemen, en zijne
kroon aan hem af te staan; waarom hij alle raadsleden uitnoodigde om
hunnen nieuwen koning te erkennen en te huldigen. Vervolgens steeg hij
van den troon. Zoodra Badoura zich op den vorstelijken zetel geplaatst
had, ontving zij de gelukwenschen van alle daar tegenwoordig zijnde
rijksgrooten van het Ebbenhout eiland, die haar hulde kwamen bewijzen,
en den eed van getrouwheid aan hare voeten aflegden.
Toen de raad gesloten was, werd de huldiging van den nieuwen koning ook
in de stad op eene plegtige wijze afgekondigd, terwijl er naar alle
deelen des rijks koeriers werden gezonden, om de troonsbestijging van
den prins Camaralzaman overal bekend te maken. Bij deze gelegenheid
werden er in de hoofdstad en over het geheele eiland volksfeesten
aangerigt; er heerschte eene algemeene vreugde. Dien avond werd op het
paleis de bruiloft met veel pracht gevierd, en de prinses Haïatalnefous
(dus heette de dochter van den koning Armanos), meer dan vorstelijk
uitgedost, werd aan de prinses Badoura voorgesteld. Nadat de
huwelijksplegtigheden waren afgeloopen, liet men de jonggehuwden alleen.
Den volgenden dag ontving de prinses Badoura, onder den naam van
Camaralzaman en als koning van het Ebbenhout eiland, niet alleen de
hulde van het hof, maar zij hield eene wapenschouwing over de troepen,
en verrigtte nog vele andere zaken; alles met eene waardigheid en
bekwaamheid, waardoor zij de achting en goedkeuring van allen verwierf,
die er getuige van waren.
Zoo speelde Badoura gedurende eenige dagen haren zonderlingen rol.
Eindelijk echter verloor de prinses Haïatalnefous het geduld, en sprak
haar dus aan: „Ach!” zeide zij, „gij denkt dus voort te gaan en mij te
veronachtzamen! Zeg mij toch, ik smeek er u om, waarin ik u mishaag,
ik die u zoo zeer bemin, en mij zoo hoogst gelukkig acht, een' zoo
volmaakten prins tot gemaal te hebben. Eene andere vrouw, beleedigd, ja
verontwaardigd over zulk eene onverdiende en smadelijke behandeling, zou
eene schoone gelegenheid hebben, om zich te wreken, door u aan uw lot
over te laten; maar ik heb u zoo zeer lief, dat ik niet kan nalaten,
u te waarschuwen. De koning mijn vader is zeer verstoord over uwe
handelwijze, en wil slechts tot morgen wachten, om u, indien gij aldus
voortgaat, zijne rechtmatige gramschap te doen ondervinden. Bewijs mij
dus de gunst eene prinses niet tot wanhoop te brengen, die niet kan
ophouden u te beminnen.”
Deze aanspraak bragt de prinses Badoura in eene onbeschrijfelijke
verlegenheid. Zij kon aan de waarheid der mededeeling van Haïatalnefous
niet twijfelen; de koelheid waarvan de koning Armanos dien dag
jegens haar had doen blijken, overtuigde haar, dat hij werkelijk
hoogst ontevreden moest zijn. Het eenigste middel, om haar gedrag te
regtvaardigen, zou zijn, haar geheim aan Haïatalnefous te ontdekken.
Maar ofschoon zij wel voorzien had, dat het vroeger of later tot eene
dergelijke vertrouwelijke verklaring zou moeten komen, zag zij daar toch
zeer tegen op, en de onzekerheid, of de prinses zulks goed of kwalijk
zou opnemen, deed haar huiveren. Daarbij intusschen bedenkende, dat,
bevond de prins Camaralzaman zich nog in leven, hij, om naar de staten
van den koning Schahzaman terug te keeren, noodwendig het Ebbenhout
eiland moest aandoen, en zij zich voor hem moest sparen, besloot zij
eindelijk het waagstuk te ondernemen; liever dan zich aan den zekeren
toorn, en welligt aan de wraakzucht van koning Armanos bloot te stellen.
Haïatalnefous ziende dat de prinses Badoura geheel ontsteld was, en
dat zij te vergeefs op antwoord wachtte, werd eindelijk ongeduldig.
Juist wilde zij het woord weder opnemen, toen Badoura haar voorkwam.
„Beminnelijke en maar al te bekoorlijke prinses,” zeide zij, „ik heb
ongelijk, en ik veroordeel mij zelve. Echter durf ik op uwe vergiffenis
hopen, wanneer ik u een geheim ter mijner regtvaardiging mededeel.” Te
gelijker tijd ontblootte de prinses Badoura haren boezem. „Oordeel nu,
Haïatalnefous,” vervolgde zij, „of eene prinses aanspraak heeft op uw
medelijden. Ja, ik ben overtuigd, dat gij mij van ganscher harte zult
vergeven, indien ik u mijne geschiedenis zal hebben verhaald, en gij
bekend zult zijn met de droevige omstandigheden, waardoor ik gedwongen
werd, mij voor den prins Camaralzaman uit te geven.”
Toen de prinses Badoura haren geheelen levensloop aan de prinses van het
Ebbenhout eiland had verhaald, smeekte zij haar dringend, dit geheim
te bewaren, en zich te houden alsof zij werkelijk met haren man zeer
ingenomen was, tot tijd en wijle, dat de ware Camaralzaman zou komen.
„Prinses,” antwoordde Haïatalnefous, „het zou treurig zijn, indien
een huwelijk zoo gelukkig als het uwe, en voorafgegaan door eene zoo
zonderlinge liefdesgeschiedenis, van zoo korten duur ware! Ik wensch
dus met u, dat de Hemel u weldra weder zal te zamen brengen. Intusschen
kunt gij er gerust op zijn, dat ik het mij toevertrouwde geheim heilig
zal bewaren. Ik zal het groote genot smaken, de eenige te zijn in ons
gansche koningrijk, welke u kent voor degene, die gij zijt; terwijl
gij voort zult gaan met waardigheid te regeren. Ik vroeg u om liefde,
doch ik verklaar u thans hoogst gelukkig te zullen zijn, indien gij
mij uwe vriendschap wilt schenken.” Bij deze woorden omhelsden de
beide prinsessen elkander, en na vele betuigingen van wederkeerige
vriendschap, begaven zij zich ter ruste.
De koning Armanos was den volgenden morgen zeer verblijd van zijne
dochter te vernemen, dat de onverschilligheid van haren gewaanden man in
eene vurige liefde veranderd was, en de prinses Badoura ging ongestoord
voort den koninklijken scepter te voeren, tot groote tevredenheid van
den ouden vorst en van het geheele koningrijk.
Terwijl dit alles op het Ebbenhout eiland plaats vond, was Camaralzaman
nog steeds in de stad der afgodendienaars. Op een' vroegen morgen, dat
de prins als gewoonlijk aan den arbeid dacht te gaan, werd hij daarin
door den tuinman verhinderd. „De afgodendienaars,” zeide deze tot hem,
„hebben heden een groot feest; en daar zij zich dan van allen arbeid
onthouden, teneinde den dag met vermakelijkheden door te brengen, willen
zij ook niet, dat de Muzelmannen dan zullen werken. Wij zijn hier in
klein getal, en om den vrede te bewaren, wonen wij in den regel hunne
spelen als toeschouwers bij, die bovendien wel waardig zijn, om gezien
te worden. Gij kunt dus heden rustdag houden. Ik laat u hier, en ga
eenige van mijne vrienden bezoeken; ik doe dit hoofdzakelijk in uw
belang; want daar de tijd nadert, dat het schip, waarvan ik u gesproken
heb, de reis naar het Ebbenhout eiland moet doen, wil ik bij hen
berigten inwinnen, wanneer het onder zeil zal gaan, en tevens zal ik dan
zien eene schikking omtrent uwen overtogt te maken.” De tuinman trok
daarop zijn beste kleed aan, en ging uit.
De eenzaamheid en de werkeloosheid, waartoe de prins Camaralzaman dien
dag veroordeeld was, bragten hem de treurige herinneringen aan zijne
geliefde prinses met verdubbelde kracht voor den geest. Geheel in zich
zelven verdiept, ging hij in den tuin wandelen, en deed niets dan
steunen en zuchten, toen hij plotseling in zijne overdenkingen werd
gestoord, door het geschreeuw van twee vogels, die op een' der boomen in
den hof een geweldigen strijd voerden. Camaralzaman zag met bevreemding,
hoe deze vogels elkander met ongehoorde woede beten en met de vleugels
sloegen, totdat de eene dood aan den voet van den boom neder viel. De
overwinnaar hernam vervolgens zijne vlugt en verdween in het luchtruim.
Dadelijk daarop streken twee groote vogels, die het gevecht van verre
hadden aangezien, op de strijdplaats neder. De eene ging aan het hoofd,
de andere aan de pooten van den dooden vogel staan. Zij beschouwden hem
eenigen tijd, schudden met den kop ten teeken van droefheid, en maakten
toen met hunne klauwen een' kuil, waarin zij den doode begroeven. Zoodra
de beide vogels den kuil weder met aarde gevuld hadden, vlogen zij weg,
doch kwamen kort daarna terug, den moordenaar in den bek houdende,
de eene bij een' vleugel, de andere bij een' poot. Zij sleepten hem,
niettegenstaande zijn' tegenweer en zijn geschreeuw, op het graf van den
verslagene. Hier vielen beide vogels op den beangsten moordenaar aan, en
beten hem zoolang met hunne snavels, tot er geen teeken van leven meer
in te bespeuren was. Ten laatste scheurden zij hem den buik open, rukten
er de ingewanden uit, en lieten hem zoo op de plaats liggen.
Gedurende dit alles bleef Camaralzaman buiten zich zelven van
verwondering staan, zonder de minste beweging te maken, teneinde de
vogels in hunne wonderbare regtspleging niet te storen. Eerst toen zij
zich verwijderd hadden, naderde hij den boom, waar dit zonderlinge
voorval had plaats gegrepen, en de oogen latende vallen op de hier en
daar op den grond verspreide ingewanden van den teregtgestelden vogel,
zag hij uit de maag iets roods steken. Hij nam die op en het roode
voorwerp uithalende, herkende hij dit als de talisman van de prinses
Badoura, die aan den prins, sedert de vogel ze hem ontroofde, reeds zoo
vele moeiten, zuchten en tranen gekost had. „Ha, booze vogel!” riep hij,
een' blik op den verscheurden roover werpende, „gij leefdet om kwaad
te doen; dat was uw lust en uw leven. Maar zoo veel kwaad als gij mij
berokkend hebt, zoo veel goeds wensch ik hun toe, die, door den dood
van hun' makker te wreken, ook mij aan u gewroken hebben!”
Het is niet mogelijk de blijdschap van den prins naar waarheid te
schetsen. „Geliefde prinses,” juichte hij, „dit gelukkige oogenblik,
dat mij terugschenkt hetgeen u zoo dierbaar was, is zonder twijfel het
voorteeken, dat ik ook u terug zal vinden, en welligt spoediger, dan
ik durf denken! De Hemel zij geloofd, die mij dit geluk toezendt, en
daardoor de hoop, u terug te zien, in mijn hart doet herleven.” Na het
uitspreken dezer woorden kuste Camaralzaman den talisman, en bond hem
zorgvuldig om zijnen arm. Den volgenden morgen, met het aanbreken van
den dag, stond hij na een' gerusten slaap, zooals hij in langen tijd
niet genoten had, vrolijk op, en trok zijn werkpak aan, om op verzoek
van den tuinman een' ouden boom, die geene vruchten meer voortbragt, te
gaan uitroeijen.
Camaralzaman begaf zich met spade en bijl dadelijk aan het werk. Eerst
groef hij de aarde van de wortels af, en toen de bijl ter hand nemende,
begon hij die met ijver af te kappen. Door een' der wortels heen
hakkende, raakte hij met zijne bijl op iets hards, dat een' hollen klank
gaf, en toen de aarde wegruimende ontdekte hij eene groote bronzen
plaat, waaronder zich, dien opligtende, een trap bevond van tien treden.
Hij klom dadelijk naar beneden, en kwam in een' kelder van twee of drie
vierkante roeden, waarin hij langs de muren op rijen geschaard vijftig
bronzen vazen telde. Hij nam er de deksels af, en bespeurde nu, dat
allen tot aan den rand met stofgoud gevuld waren. Verblijd over de
ontdekking van zulk een' grooten schat, klom hij weder naar boven,
legde de plaat op de opening van den trap, en ging voort den boom uit
te graven, in afwachting, dat de tuinman te huis zou komen. Deze had
namelijk den vorigen dag vernomen, dat het schip naar het Ebbenhout
eiland binnen weinige dagen zou uitzeilen, maar den juisten dag wist
men hem niet te zeggen; daarom was hij thans naar den kapitein van het
schip gegaan. Hij kwam terug met een gelaat, waarop de vreugde te lezen
stond. „Mijn zoon,” zeide hij, „verheug u, en maak u gereed, om over
drie dagen de reis te aanvaarden; het schip zal dan uitzeilen, en ik
ben het met den kapitein omtrent uw verblijf aan boord en omtrent uwen
overtogt eens geworden.” „Gij zoudt mij,” antwoordde Camaralzaman, „in
mijnen toestand geene aangenamer tijding kunnen brengen. Maar ook ik heb
u een nieuws mede te deelen, dat u verblijden zal. Ga even met mij, en
gij zult zien, hoe gunstig de Hemel over u beschikt heeft.”
Camaralzaman bragt den tuinman naar de plaats, waar hij den ouden boom
had uitgeroeid, deed hem in den kelder afdalen, liet hem de met stofgoud
gevulde vazen zien, en betuigde zijne blijdschap, dat het Allah behaagd
had, hem voor zijn deugdzaam en werkzaam leven in zijnen ouderdom met
dezen schat te beloonen. „Wat meent gij daarmede?” vroeg de tuinman.
„Gelooft gij dan, dat ik mij dezen schat zou willen toeëigenen, dan
bedriegt gij u; ik maak daar niet de minste aanspraak op, hij behoort
geheel aan u. Het is nu tachtig jaren geleden, dat mijn vader gestorven
is; sinds dien tijd heb ik dagelijks in dezen tuin gegraven, zonder
dezen rijkdom te ontdekken, een bewijs dat hij niet voor mij maar voor u
bestemd is, daar Allah hem u heeft doen vinden. Zoo iets voegt ook beter
aan een' prins gelijk gij, dan aan mij ouden man, die reeds aan den rand
van het graf staat, en aan niets behoefte heeft. Allah zendt u dien toe
op het tijdstip, dat gij op het punt zijt, om naar uwe staten terug te
keeren, waar gij van dit geld een goed gebruik zult kunnen maken.”
De prins Camaralzaman wilde echter voor den tuinman in edelmoedigheid
niet onder doen. Er werd in dien zin lang getwist, totdat hij ten
laatste betuigde, niets van den schat te willen hebben, indien zijn
weldoener niet de helft voor zich behield. De tuinman gaf eindelijk
toe, en ieder nam nu vijf en twintig vazen voor zijn aandeel. Na deze
verdeeling zeide de tuinman tot Camaralzaman: „Mijn zoon, het zal nu
eene zaak van overleg zijn, deze rijkdommen aan boord van het schip te
brengen, zonder dat iemand daar kennis van draagt, anders loopt gij
groot gevaar ze te verliezen. Hoor dus, wat ik bedacht heb. Op het
Ebbenhout eiland groeijen geene olijven, en die daar van hier worden
aangevoerd, vinden er een' grooten aftrek. Zooals gij weet, heb ik in
mijn' tuin van die vruchten een' goeden voorraad; nu moet gij vijftig
potten nemen, en die van onder met stofgoud, en verder met olijven
vullen; dan kunnen wij ze bij uw vertrek aan boord laten brengen, zonder
dat iemand eenig vermoeden zal hebben van den rijkdom, welke daarin
verborgen is.”
Camaralzaman volgde dezen verstandigen raad, en bragt het overige van
den dag door, met de potten op de bedoelde wijze in gereedheid te
brengen. Vreezende, dat hij den talisman van de prinses Badoura, dien
hij om zijn' arm droeg, soms mogt verliezen, gebruikte hij de voorzorg
dien in een der potten te leggen, aan welke hij een herkenningsteeken
maakte. Toen de avond viel, rangschikte hij de potten neven elkander,
en verhaalde zijn' vriend het vogelgevecht, waarvan hij getuige was
geweest, en hoe hij bij die gelegenheid den talisman van zijne gemalin
had terug gekregen. De tuinman zag hierin eene beschikking des Hemels,
en nam hartelijk deel in de blijdschap van den prins.
Intusschen bragt de oude man, hetzij dat hij zich dien dag wat veel
vermoeid had, of als een gevolg zijner hooge jaren, een' slechten nacht
door; en des morgens gevoelde hij zich zoo ongesteld, dat hij het bed
moest houden. Welke middelen Camaralzaman ook aanwendde, zijn vriend
werd steeds zieker, en toen op den derden dag de kapitein, met wien de
prins zou vertrekken, aan de tuindeur klopte, was hij zeer bedenkelijk.
Camaralzaman maakte zich aan den kapitein bekend, als de koopman, die
zich op zijn schip wilde inschepen, en terwijl nu de matrozen, welke de
kapitein had medegebragt, zich bezig hielden, de potten en goederen van
den gewaanden koopman aan boord te brengen, spoorde de kapitein hem aan,
zich met den meesten spoed naar het schip te begeven, daar de wind
gunstig was, en men ieder oogenblik onder zeil kon gaan.
Het was voor Camaralzaman een harde strijd zijn' ouden vriend en
weldoener ziek te moeten verlaten, maar de onmogelijkheid, om het schip
nog eenige dagen te doen wachten, dwong hem van den tuinman afscheid te
nemen en hem dank te zeggen voor al het goede, dat hij hem had bewezen.
Het vertrek binnentredende, vond hij zijn' vriend stervende, die weinige
oogenblikken later in zijne armen den geest gaf.
In de noodzakelijkheid, waarin de prins verkeerde, om naar boord te
gaan, haastte hij zich zoo veel mogelijk, aan den overledene de laatste
eer te bewijzen. Hij wiesch het ligchaam, wond het in een laken, en
bestelde zijn' vriend geheel alleen ter aarde. Vervolgens spoedde hij
zich heen, en nam den sleutel van de tuindeur mede, om dien aan den
eigenaar te overhandigen, of door een' drager te laten bezorgen. Maar
aan de haven komende, vernam hij, dat de kapitein, reeds lang geleden
was uitgezeild, na meer dan drie uur op hem gewacht te hebben.
Er was van het schip niets meer te zien, en men kan ligt denken, hoe
de prins daarbij te moede was. Hij zou nu weder een geheel jaar in een
land moeten blijven, waar hij geen' enkelen vriend had, vóór dat de
gelegenheid, die hij nu verzuimd had, zich weder zou voordoen. En wat
hem niet minder griefde, was, dat hij den talisman der prinses Badoura
kwijt was, dien hij nu geheel voor verloren hield. Er bleef hem echter
niet anders over, dan naar den tuin terug te keeren, en dien van den
eigenaar weder voor een jaar in te huren. Zoo deed hij, doch daar hij
het werk alleen niet af kon, nam hij een' jongen in zijn dienst, die
hem behulpzaam was, en die de vruchten ter markt bracht. Wel was hij
door den dood van den tuinman, die geene betrekkingen achterliet, de
natuurlijke erfgenaam van de nog achtergebleven vijf en twintig vazen
met stofgoud, maar hij vond het niet raadzaam in deze afgodische stad
van zijn' rijkdom te doen blijken. Integendeel handelde hij hiermede als
vroeger, en deed het stofgoud in vijftig potten, die hij van tijd tot
tijd met olijven aanvulde, teneinde een volgend jaar gereed te zijn.
Terwijl de prins Camaralzaman een nieuw tijdvak van zorg en ongeduld
inging, vervolgde het schip de reis met een' gunstigen wind, en kwam
behouden voor de hoofdstad van het Ebbenhout eiland. Daar het paleis
van den nieuwen koning, of liever van de prinses Badoura op eene
landtong aan het zeestrand was gelegen, liet zij dadelijk, als naar
gewoonte, inlichtingen omtrent hetzelve inwinnen. Men berigtte haar,
dat dit vaartuig jaarlijks om dezen tijd daar kwam uit de stad der
afgodendienaars, en in den regel eene rijke lading koopmansgoederen
medebragt.
De prinses was bij al den glans, die haar omgaf, steeds aan haren
geliefden prins gedachtig. Onder voorwendsel in persoon te willen
nagaan, welke goederen zich aan boord van het pas aangekomen schip
bevonden, maar met het eigentlijke doel, om te zien, of Camaralzaman
zich ook daarop bevond, liet zij een paard voorbrengen. Vergezeld door
een groot gevolg begaf zij zich naar de haven, en kwam daar juist op het
oogenblik, dat de kapitein zich met de sloep aan wal liet zetten. Zij
deed hem bij zich komen, en verlangde van hem te weten, van waar hij
kwam, wanneer hij was uitgezeild, of hij op zijne reis bijzondere
ontmoetingen had gehad, of er niet een vreemdeling van hoogen rang
aan boord was, en vooral met welke goederen zijn schip was geladen.
De kapitein beantwoordde al hare vragen. Wat de passagiers aanging, zoo
verzekerde hij niemand aan boord te hebben dan de kooplieden, die elk
jaar de reis met hem deden, en die zeer rijke stoffen uit verschillende
landen bij zich hadden, onder anderen ook veel muskus, kamfer, amber,
fijne specerijen, geneeskundige kruiden en olijven.
De prinses Badoura was eene groote liefhebster van olijven. Zoodra
hij daarvan sprak, zeide zij tot den kapitein: „Wat gij daarvan aan
boord hebt, neem ik; laat ze dadelijk aan wal brengen, opdat wij den
prijs kunnen vaststellen. Zeg verder aan de kooplieden, dat zij mij
hunne schoonste en kostbaarste goederen moeten brengen, alvorens die
aan iemand te laten zien.” „Sire,” antwoordde de kapitein, die haar
natuurlijk voor den koning van het Ebbenhout eiland aanzag, „van de
olijven heb ik vijftig groote potten aan boord, maar zij behooren aan
een' koopman, die achtergebleven is. Ik zelf heb hem gewaarschuwd, en
lang op hem gewacht. Doch daar hij niet kwam opdagen, en de wind gunstig
was, verloor ik het geduld, en ging zonder hem onder zeil.” „Daarom kunt
gij de olijven wel ontschepen,” zeide de prinses, „want hetgeen gij mij
daar zegt, moet u niet terughouden, die te verkoopen.”
De kapitein zond nu dadelijk zijne sloep naar het schip, en deze kwam
weldra terug, beladen met de vijftig potten vol olijven. De prinses
vroeg hem, wat deze op het Ebbenhout eiland konden gelden. „Sire,”
antwoordde de kapitein, „de koopman is zeer arm, en uwe majesteit zal
hem geene te groote gunst bewijzen, met daarvoor duizend stukken zilver
te geven.” „Opdat hij tevreden zij,” hernam de prinses, „en zijne
armoede, waarop gij u beroept, in aanmerking nemende, zal men u duizend
stukken goud uittellen, die gij zorgen moet, dat hem ter hand komen.”
Zij gaf vervolgens last tot de uitbetaling, en liet de potten in hare
tegenwoordigheid naar het paleis overbrengen. Daar het reeds avond
werd, begaf Badoura zich onmiddelijk naar de vertrekken van de prinses
Haïatalnefous, waar zij ook de potten met olijven brengen liet. Zij
maakte eene derzelve open, om hare vriendin van de olijven te laten
proeven, en daar ook zelve gebruik van te maken. Doch hoe groot was hare
verwondering, toen zij zag, dat deze vruchten met stofgoud vermengd,
en daaronder als bedolven waren. Zij deed nu ook de andere potten door
de vrouwen van Haïatalnefous uitschudden, en hare verbazing steeg ten
top, toen het bleek, dat deze allen, gelijk de eerste, voor een groot
deel met stofgoud gevuld waren. Maar toen men de pot ledigde, waarin
Camaralzaman den talisman gelegd had, en zij dien herkende, was hare
verrassing zoo groot, dat zij bewusteloos nederzeeg.
Door de bemoeijingen van de prinses Haïatalnefous en van hare vrouwen na
eenigen tijd weder tot zich zelve gekomen, bragt Badoura den talisman
aan hare lippen, en kuste dien bij herhaling met geestdrift. Zoodra
de vrouwen van de prinses zich verwijderd hadden, deelde zij aan
Haïatalnefous mede, dat de teruggevonden talisman de hare was, en dat
zij nu ook de hoop koesterde, haren geliefden echtgenoot spoedig te
zullen terugzien.
De volgende morgen was naauwelijks aangebroken, of de prinses Badoura
liet den scheepskapitein bij zich ontbieden. Zoodra hij voor haar
verscheen, zeide zij: „Ik zou nog wel iets meer van u willen weten
omtrent den koopman, aan wien de olijven behoorden, die ik gisteren van
u gekocht heb. Gij hebt, als ik mij wel herinner, gezegd, dat gij hem in
de stad der afgodendienaars achtergelaten hebt. Kunt gij mij ook zeggen,
wat hij daar uitrigtte?”
„Sire,” antwoordde de kapitein, „ik zal uwe majesteit zeggen, wat ik
daarvan met zekerheid weet. Ik had omtrent zijne inscheping eene
overeenkomst getroffen met een' hoogbejaarden tuinman, die mij zeide,
dat hij bij hem werkzaam was. Daaruit besloot ik tot zijne armoede,
gelijk ik ook de vrijheid nam aan uwe majesteit te kennen te geven.
Ik ben in persoon naar den tuin gegaan, om hem te zeggen, dat de tijd
daar was, om aan boord te komen, en heb met hem zelven gesproken. Hij
antwoordde mij, dat de tuinman ziek was, dat hij afscheid van hem wilde
nemen, en dat ik zijne goederen maar aan boord moest brengen, daar hij
mij dadelijk zou volgen. Eerst na meer dan drie uren te vergeefs op hem
te hebben gewacht, ben ik onder zeil gegaan.”
„Als dit alles zoo is,” hernam de prinses Badoura, „dan moet gij
heden nog naar de stad der afgodendienaars terug keeren, en mij dien
tuinmansjongen, die mijn schuldenaar is, hier brengen; zoo niet, dan
zal ik al uwe goederen, benevens die van de kooplieden, welke bij u aan
boord zijn, in beslag doen nemen, en hebt gij zelfs voor uw leven te
vreezen. Reeds dadelijk zal ik de magazijnen, waarin die goederen zijn
opgeslagen, laten verzegelen, en dat zegel zal niet worden opgeheven,
vóór dat gij mij den man, dien ik van u eisch, zult hebben uitgeleverd.
Ziedaar, wat ik u te zeggen had; ga nu, en doe zooals u bevolen is.”
De kapitein had op dit strenge bevel, waarvan de niet nakoming de
noodlottigste gevolgen kon hebben, niets te antwoorden. De kooplieden
zagen dat evenzeer in, en zij beijverden zich, hem van levensmiddelen en
water te voorzien, waaraan hij voor deze gedwongen en geheel onverwachte
heen- en terugreis behoefte had. Met een en ander werd zoo veel spoed
gemaakt, dat hij werkelijk nog dien zelfden dag kon uitzeilen.
Het schip maakte eene gelukkige reis, en de kapitein had zijne
maatregelen zoo genomen, dat hij in den nacht voor de stad der
afgodendienaars aankwam. Hij liet het anker niet vallen; maar terwijl
het schip op de zelfde hoogte bleef kruisen, ging de kapitein met de
sloep, niet ver van de haven, aan land, en begaf zich van daar met zes
sterke matrozen naar den tuin van Camaralzaman. De prins-tuinman lag op
dat oogenblik wakende te bed. Het bedroefde hem zoo zeer voortdurend
van zijne geliefde gade gescheiden te moeten zijn, dat hij geen
oog kon sluiten. Hij verwenschte het oogenblik, dat hij zich door
nieuwsgierigheid had laten verleiden, den gordel van zijne vrouw in
handen te nemen en te bezigtigen. Ook het tweede verlies van haren
talisman kon hij zich zelven niet vergeven. „Had ik hem maar aan den
arm gehouden, of op mijn hart bewaard!” zuchtte hij, en was aldus in
treurige overdenkingen verdiept, toen er op de tuindeur geklopt werd.
Camaralzaman sprong verschrikt het bed uit, en liep half gekleed naar
voren, om te vernemen, wat er te doen mogt zijn. Doch naauwelijks had
hij de deur geopend, of de kapitein en de matrozen grepen hem aan, en
bragten hem, zonder een woord te zeggen, met geweld in de sloep, en
vervolgens op het schip, dat onmiddelijk de terugreis naar het Ebbenhout
eiland aannam.
Camaralzaman, die tot dus verre het stilzwijgen bewaard had, vroeg thans
aan den kapitein, dien hij herkende, wat de reden mogt zijn, om hem zoo
gewelddadig uit zijne woning te halen en aan boord te brengen. „Zijt gij
niet een schuldenaar van den koning van het Ebbenhout eiland?” vroeg
de kapitein op zijne beurt. „Ik de schuldenaar van den koning van het
Ebbenhout eiland!” riep Camaralzaman in de hoogste verbazing. „Ik ken
hem niet; nooit heb ik iets met dien koning te doen gehad, en dit maal
zal de eerste keer zijn, dat ik in zijn rijk kom.” „Dat zijn zaken, die
u beter bekend moeten zijn, dan mij,” hernam de kapitein, „gij zult hem
zelven zien en spreken, en moet dan maar weten, hoe u te verantwoorden.
Wees zoo lang geduldig, en schik u in uw lot, dat is de beste raad, dien
ik u geven kan.”
De overtogt was ook thans weder zeer voorspoedig. Hoewel het reeds laat
op den avond was, toen het schip de haven van de hoofdstad van het
Ebbenhout eiland binnenliep, ging de kapitein echter dadelijk aan wal
met den prins Camaralzaman, en naar het paleis, waar hij zich bij den
koning liet aandienen.
De prinses Badoura had zich op dien tijd reeds in het binnenste van haar
paleis teruggetrokken, maar zoodra zij vernam, dat de kapitein met den
tuinmansknecht terug was, ging zij naar buiten, om hem te ontvangen.
Dadelijk vestigde zij haren blik op Camaralzaman, in wien zij met den
eersten oogopslag, niettegenstaande zijne vreemde kleeding, haren
geliefden echtgenoot herkende. Wat den prins betrof, beangst om voor
een' koning te verschijnen, aan wien hij zich wegens eene ingebeelde
schuld zou hebben te verantwoorden, dacht hij er zelfs niet aan, dat
deze vorst zijne geliefde prinses zou kunnen zijn. Indien Badoura aan
de inspraak van haar hart gehoor had gegeven, zij zou zich dadelijk
bekend gemaakt en Camaralzaman omhelsd hebben; maar zij bedwong zich,
geloovende dat het in hun beider belang noodig was, nog eenigen tijd
haren rol van koning te blijven spelen, alvorens zich bekend te maken.
Zij vergenoegde zich daarom aan een' harer daar tegenwoordig zijnde
officieren last te geven, Camaralzaman mede naar zijne woning te nemen,
en tot den volgenden morgen goede zorg voor hem te dragen. Vervolgens
gaf zij bevel, om de pakhuizen der kooplieden te doen ontzegelen,
terwijl de kapitein een' diamant van hooge waarde ten geschenke ontving,
waardoor hem zijne moeite en de kosten van de reis tiendubbel vergoed
werden. Ook zeide zij hem, dat hij de duizend goudstukken, die zij voor
de olijven had betaald, kon behouden, daar zij dit bij den koopman
wel verantwoorden zou. Dus rijk beloond en zeer tevreden over deze
vorstelijke milddadigheid, vertrok de kapitein van daar.
Badoura keerde nu naar het vertrek van de prinses Haïatalnefous terug,
aan wie zij hare blijdschap mededeelde, met verzoek haar geheim
voorloopig nog te willen bewaren, daar zij het niet verstandig
oordeelde, hare vermomming reeds dadelijk af te leggen. „Het verschil
toch,” sprak zij, „tusschen een' tuinmansknecht en een' magtigen prins,
zooals mijn gemaal met regt kan genoemd worden, is te groot, om geloof
te vinden, en het zou gevaarlijk zijn, Camaralzaman op éénmaal uit dien
lagen stand op den troon te willen verheffen.” De prinses van het
Ebbenhout eiland was het geheel met hare vriendin eens, en toonde zich
gaarne bereid haar de behulpzame hand te bieden.
Den volgenden morgen deed de prinses van China den prins Camaralzaman in
het bad brengen, en hem een kleed geven, zooals door de emirs gedragen
werd. Vervolgens liet zij hem naar de raadzaal geleiden, waar al de
tegenwoordig zijnde rijksgrooten door zijn edel en vorstelijk voorkomen
getroffen werden. Badoura zelve was opgetogen haren geliefden prins nog
even beminnelijk voor zich te zien verschijnen, als op het oogenblik,
toen zij van elkander gescheiden waren geworden, en dit spoorde haar
aan, in den vollen raad eene lofrede op hem te houden. „Mijne heeren,”
sprak zij, zich tot de overige emirs rigtende, „deze prins, dien ik
u heden tot ambtgenoot geef, is niet onwaardig zitting onder u te
nemen. Ik ken hem genoegzaam, om voor hem in te staan, en ik geef
u de verzekering, dat hij zich ook bij u gunstig zal doen kennen,
zooveel door zijne dapperheid en andere edele hoedanigheden, als door
zijn uitstekend verstand.” Camaralzaman was niet weinig verwonderd,
dergelijke woorden te hooren uit den mond van den koning van het
Ebbenhout eiland, in wien hij geenszins eene vrouw, en nog veel minder
zijne aangebeden prinses vermoedde. „Van waar kent mij die koning?”
dacht hij; „ik herinner mij niet, hem ooit ontmoet te hebben, noch hier,
noch op mijne reizen. En wat beweegt hem, mijn' lof dus hoog uit te
meten?” Daarna wierp hij zich voor den troon des konings neder, en sprak
hem aldus aan: „Sire, ik kan geene woorden vinden, om uwe majesteit
mijnen dank te betuigen voor de goedheid, welke zij voor mij heeft, en
voor de eer, die zij mij aandoet. Ik zal echter alles aanwenden, om mij
de gunstige gezindheid uwer majesteit waardig te maken.”
Zoodra de raadsvergadering gesloten was, werd de nieuwe emir door den
officier, bij wien hij den nacht had doorgebragt, naar een prachtig
paleis geleid, dat de prinses Badoura voor hem in gereedheid had doen
brengen. Hij vond daar ook de officieren en bedienden, tot den dienst
van zijn huis bestemd, in één woord alles, wat bij zijn' stand als emir
voegde.
Na verloop van twee of drie dagen was Badoura er op bedacht, den prins
Camaralzaman meer de gelegenheid te geven, om met haar in aanraking te
komen, en benoemde hem daarom tot groot-schatbewaarder, welk ambt juist
open was gekomen. Hij kweet zich van zijn' post met zoo veel ijver en
schranderheid, en wist tevens een ieder zoodanig te verpligten, dat hij
zich niet alleen de vriendschap verwierf van het hof, maar tevens door
zijne regtvaardigheid en milddadigheid de liefde won van het geheele
volk. Niemand vond reden, om zich over den nieuwen schatmeester te
beklagen, en er ging eene algemene stem tot zijn' lof op.
De prins Camaralzaman zou zich in dien toestand als de gelukkigste van
alle stervelingen hebben beschouwd, indien hij zijne geliefde prinses
had mogen bezitten. Maar te midden van zijn geluk, hield hij niet op
zich te bedroeven, dat hij niet het minste van haar of van haar lot kon
te weten komen, en dit in een land, waar zij zich waarschijnlijk, sedert
hunne treurige scheiding, gedurende korteren of langeren tijd moest
hebben opgehouden, althans indien zij, zooals hij vermoedde, de reis
naar de staten van zijn' vader had voortgezet. Hij zou welligt iets van
de waarheid vernomen hebben, indien de prinses Badoura den naam van
Camaralzaman, dien zij te gelijk met zijne kleeding had aangenomen, was
blijven voeren; maar zij had zich sedert hare troonsbestijging Armanos
laten noemen, teneinde daardoor aan den ouden koning genoegen te geven.
En mogten er nog eenige hovelingen zijn, bij wien haar andere naam in
herinnering was gebleven, in het algemeen kende men haar niet anders
meer, dan onder dien van Armanos den jonge.
Daar Badoura toch beducht was, dat haar vorige naam, bij toeval ter
ooren van den prins mogt komen, en dit tot eene ontdekking zou kunnen
leiden, terwijl zij zich de eer en het vermaak der verrassing niet wilde
laten ontnemen, zoo besloot zij, in overleg met Haïatalnefous, een einde
te maken aan hare eigene kwellingen, en aan het verdriet, dat zij bij
den prins, wegens haar gemis, had opgemerkt. „Camaralzaman,” zeide zij,
„ik heb u over eene zaak te spreken, waaromtrent ik uwen raad wenschte
in te winnen. Bij dag ontbreekt mij daartoe den tijd, zorg dus met den
avond hier te zijn, en zeg uwe bedienden, dat zij u niet behoeven te
wachten; ik zal zorg dragen, dat er een bed voor u gereed is.”
De prins bleef niet in gebreke, zich op het door de prinses Badoura
bepaalde tijdstip aan de vorstelijke woning te vervoegen. Zij nam
hem met zich naar de binnenste vertrekken van het paleis, en bragt
den schatmeester in eene andere kamer, dan die, waar de prinses
Haïatalnefous zich bevond, en waar zij anders gewoon was te slapen.
Nadat zij de deur gesloten had, haalde de prinses Badoura haren talisman
te voorschijn, en dezen aan den prins toonende, zeide zij tot hem:
„Camaralzaman, voor geruimen tijd gaf een sterrekijker mij dezen
talisman ten geschenke, en daar gij in duizenderlei zaken ervaren zijt,
zult gij mij welligt weten te zeggen, waarin zijne kracht bestaat, en
welk gebruik ik daarvan kan maken.” Camaralzaman nam den talisman, en
hield dien tegen het licht van eene der waskaarsen, om hem naauwkeurig
te bezien. Zoodra hij dien echter herkende, riep hij: „Sire, uwe
majesteit vraagt mij, welke eigenschap deze talisman bezit? Helaas! hij
heeft die, om mij van verdriet te doen sterven, indien ik niet spoedig
de bekoorlijkste en beminnelijkste prinses, die ooit door de zon
beschenen werd, terugvind. Hij behoort haar, en de omstandigheden,
waardoor ik dezelve verloor, zijn zoo zonderling, dat indien ik ze uwer
majesteit mag verhalen, zij met mededoogen zal nederzien op een' man,
zoo ongelukkig als ik ben.”
„Gij kunt mij dat op eenen anderen tijd mededeelen,” hernam de prinses,
„want ik weet daar reeds het een en ander van. Ik ben dadelijk terug,
wacht mij hier een oogenblik!”
Dit zeggende ging zij in een aangrenzend kabinet, legde hier den
koninklijken tulband af, trok in haast vrouwenkleêren aan, en trad
zoo de kamer weêr binnen. Camaralzaman herkende thans zijne geliefde
prinses onmiddelijk, liep naar haar toe, omhelsde haar met teederheid,
en riep uit: „O! hoezeer ben ik den koning dankbaar voor deze zoo hoogst
aangename verrassing!” „Reken er niet op,” zeide de prinses, hem op hare
beurt omarmende, „den koning immer terug te zullen zien; mij ziende,
ziet gij tevens den koning. Laat ons plaats nemen, opdat ik u dit
raadsel oplos.”
Zij zetten zich neder, en de prinses Badoura verhaalde nu haren
geliefden echtgenoot, hoe zij, toen hij uit het kamp vermist was, en zij
te vergeefs op zijne terugkomst gewacht had, het besluit had genomen,
zich voor hem te doen doorgaan, en zoo de reis voort te zetten naar de
eilanden van de kinderen van Khaladan. Hoe zij verder het Ebbenhout
eiland aandoende, daar door den koning Armanos teruggehouden, en in de
verpligting gebragt werd, om met de prinses Haïatalnefous te huwen, en
als koning het rijk te besturen. Zij schilderde hem daarbij al de goede
hoedanigheden van de prinses Haïatalnefous met levendige kleuren af, en
deed haar edelmoedig gedrag uitkomen, toen zij zich genoodzaakt zag, die
prinses met haar geheim bekend te maken. Zij deelde hem ook mede, hoe
ontroerd zij was geweest, toen zij in eene der potten met stofgoud en
olijven, haren talisman terugvond, en hoe deze aanleiding had gegeven,
dat zij met des prinsen verblijf in de stad der afgodendienaars bekend
werd, waarop zij den kapitein gelast had, hem zonder verwijl van daar te
gaan halen en bij haar te brengen. Hier eindigde de prinses Badoura haar
verslag, en verlangde nu op hare beurt van den prins te vernemen, door
welk toeval de talisman aanleiding had kunnen geven tot hunne scheiding.
Hij voldeed aan hare begeerte, waarna zij, daar het reeds laat was, zich
ter ruste begaven.
Prinses Badoura en prins Camaralzaman stonden den volgenden morgen
vroegtijdig op. De prinses trok thans een vrouwengewaad aan, en zond,
zoodra zij gekleed was, den opperste der gesnedenen tot den ouden koning
Armanos, haren schoonvader, om hem te verzoeken, haar met een bezoek te
vereeren. Koning Armanos verscheen reeds spoedig, maar was ten hoogste
verwonderd, niet den jongen koning, maar eene hem onbekende dame, en den
groot-schatmeester aan te treffen, te meer daar het aan niemand, zelfs
niet aan de eerste staatsdienaars geoorloofd was, in het binnenste van
het paleis te komen. Plaats nemende, vroeg hij dan ook, waar de koning
zich bevond.
„Sire,” antwoordde de prinses, „gisteren was ik koning, en heden ben
ik niets meer dan de prinses van China, de gemalin van den waren prins
Camaralzaman, zoon van den koning Schahzaman. Indien uwe majesteit zich
het geduld wil geven, onzer beider geschiedenis aan te hooren, zoo
durf ik hopen, dat zij mij niet zal veroordeelen over de onschuldige
misleiding, waartoe ik genoopt werd.” Koning Armanos verleende haar
gehoor, en van het begin tot het einde luisterde hij met aandacht toe.
„Sire,” ging de prinses voort, toen haar verhaal ten einde was, „hoewel
de vrouwen in mijn geboorteland over het algemeen geen groot behagen
scheppen in de vrijheid, die de mannen hebben, om vele vrouwen te nemen,
zoo zag ik toch gaarne, dat uwe majesteit toestemde, om uwe dochter
Haïatalnefous, aan den prins Camaralzaman ten huwelijk te geven. Ik sta
haar den eersten rang als koningin af, omdat die haar uit geboorteregt
toekomt, en ik zal mij met den tweeden rang vergenoegen. Ja, al kwam die
voorrang haar niet als de in dit rijk geboren prinses toe, ik zou haar
dien toch bereidwillig overlaten, uit erkentelijkheid, dat zij mijn
geheim met zooveel edelmoedigheid bewaard heeft, terwijl ik uwer
majesteit kan verzekeren, dat zij zelve met dit huwelijk zeer tevreden
zal zijn.”
De koning Armanos hoorde de prinses Badoura met bewondering aan, en
vervolgens het woord rigtende tot den prins Camaralzaman, zeide hij:
„Mijn zoon, daar de prinses van China, uwe gemalin, welke ik tot heden
als mijn' schoonzoon aanmerkte, mij verklaart er niet op tegen te
hebben, dat gij ook mijne dochter huwt, zoo blijft mij slechts over,
van u te vernemen, of gij genegen zijt tot dit huwelijk, om dan tevens
den koninklijken troon te bestijgen.” „Sire,” antwoordde de prins
Camaralzaman, „hoe sterk ook mijn verlangen is, om den koning mijn'
vader weder te zien, zoo zijn echter de verpligtingen, welke ik aan uwe
majesteit en aan de prinses Haïatalnefous heb, van dien aard, dat het
mij onmogelijk zou zijn, haar iets te weigeren, al ware ook dat voorstel
minder aangenaam en vereerend voor mij geweest.” Camaralzaman werd nu
tot koning uitgeroepen, en vierde op den zelfden dag zijn huwelijk met
de dochter van Armanos, dat met vorstelijken luister werd voltrokken.
De beide koninginnen bleven te zamen in volmaakte eendragt leven. Hare
vriendschap nam steeds toe, en beide waren zij zeer tevreden over koning
Camaralzaman, die zijne liefde gelijkelijk verdeelde, zonder de eene
boven de andere te trekken. Na verloop van één jaar schonken zij hem
bijna op den zelfden tijd een' zoon, en de geboorte dezer prinsen werd
door het geheele rijk met groote vreugdebedrijven gevierd. Camaralzaman
gaf aan zijnen eerstgeborene, waarvan de prinses Badoura was bevallen,
den naam van Amgiad. De zoon van Haïatalnefous noemde hij Assad.
GESCHIEDENIS VAN DE PRINSEN AMGIAD EN ASSAD.
Amgiad en Assad werden zeer zorgvuldig opgevoed, en toen zij daartoe
oud genoeg waren, gaf de koning Camaralzaman aan beiden den zelfden
gouverneur en de zelfde onderwijzers, teneinde langs dien weg de
broederlijke genegenheid te dieper wortelen mogt schieten in hunne
harten. De wijze vorst bereikte dan ook zijn doel volkomen; want
toen de prinsen een' leeftijd hadden bereikt, dat zij elk eene eigen
hofhouding konden ophouden, verzochten zij hunnen vader hun slechts ééne
woning te geven, waar zij te zamen konden blijven wonen. Dit werd hun
met vreugde toegestaan, en zoo hadden zij de zelfde officieren, de
zelfde dienstboden, de zelfde vertrekken en de zelfde tafel.
Langzamerhand wonnen de prinsen Amgiad en Assad, door hunne deugden en
goede hoedanigheden, zoo zeer het vertrouwen van den koning hun' vader,
dat deze, ofschoon zij naauwelijks twintig jaren oud waren, er geen
bezwaar in vond, als hij voor eenige dagen op de jagt ging, hen in zijne
plaats in den raad te doen voorzitten.
[Illustratie: De Prinsen Amgiad en Assad.
Dl. IV, pag. 91.]
Intusschen was, door een misverstand, de vorige liefde van de
prinsessen Badoura en Haïatalnefous voor haren echtgenoot Camaralzaman
langzamerhand in haat en naijver veranderd. Zij spanden zamen, hoe zich
het best van hem te ontdoen, en daartoe, zoo zij meenden, een gunstig
oogenblik, dat de vorst eene reis door zijne staten deed, gevonden
hebbende, overlegden zij, hoe het geschiktste hunne zonen, Amgiad en
Assad, tot eene zamenzwering over te halen. Daar zij den moed niet
hadden, daarover persoonlijk met de prinsen te spreken, kwamen zij
overeen te trachten, hen daartoe schriftelijk te bewegen.
Op den eersten dag van 's konings vertrek zat Amgiad in den raad voor,
en daar er verscheidene regtszaken aanhangig waren, was het twee uur op
den middag, alvorens de zitting werd gesloten. Toen hij nu uit den raad
kwam en zijn paleis binnentrad, kwam een gesnedene op hem toeloopen, en
stelde hem een briefje ter hand van de koningin Haïatalnefous. Amgiad
nam het papier aan, maar had daarin naauwelijks een' blik geslagen, toen
hij uitriep: „Hoe, trouwelooze, betracht gij dus de trouw, die gij aan
uwen meester en koning verschuldigd zijt!” En zijn zwaard trekkende,
sloeg hij hem het hoofd af. In zijne verontwaardiging, begaf hij zich
vervolgens dadelijk naar zijne moeder, de koningin Badoura, liet haar
het briefje zien, en maakte haar bekend met den inhoud, en met de
schrijfster van zulk een goddeloos voorstel. In plaats echter van zijn
gedrag te billijken, en het geschrevene te veroordeelen, ontstak de
koningin Badoura in toorn. „Zoon,” sprak zij, „wat gij mij daar zegt, is
niets dan logen en laster, de koningin Haïatalnefous is eene deugdzame
vrouw, en gij zijt wel vermetel, haar zulk een misdadig voornemen te
willen aanwrijven.” De prins, eenigzins vermoedende, waarom zijne moeder
de partij voor hare mede-koningin met zoo veel drift opnam, kon zijne
verontwaardiging niet bedwingen. „Mevrouw,” sprak hij, „het doet mij
leed; zoo iets tot mijne moeder te moeten zeggen, maar gij zijt de eene
niet veel beter dan de andere! En indien niet de eerbied, dien ik aan
mijnen vader en koning toedraag, mij weêrhield, zou Haïatalnefous haar
misdadig voornemen geen uur overleven.”
De koningin Badoura kon uit het gedrag van haren zoon Amgiad ligt
opmaken, dat zij bij den prins Assad, die niet minder deugdzaam was dan
zijn broeder, niet beter zou slagen. Maar de hartstogt verblindde haar
verstand, en reeds den volgenden dag schreef ook zij eenige regelen, die
zij aan eene oude vrouw, welke vrijen toegang tot het paleis had,
toevertrouwde, met last ze den jongen prins in handen te spelen.
De oude nam ook de gelegenheid waar, dat prins Assad, welke op dien
dag in den raad voorzat, de raadzaal verliet, en stelde hem met een
geheimzinnig gebaar het geschrevene van den koningin Badoura ter hand.
Assad had daar naauwelijks een' blik in geworpen, of hij beval een'
zijner slaven de oude te dooden. Daarop ijlde hij, het briefje nog
in de hand houdende, naar het vertrek van zijne moeder, de koningin
Haïatalnefous, maar deze liet hem zelfs niet aan het woord komen. „Ik
weet reeds, wat gij mij zeggen wilt,” voerde zij hem in hevige gramschap
te gemoet, „gij zijt even onbeschaamd als uw broeder Amgiad. Ga van
hier, en kom mij niet weder onder de oogen.”
De prins stond geheel versteld. Op zulk eene ontvangst was hij niet
voorbereid: was het wel zijne moeder, die hij dus hoorde spreken. Want
ofschoon Amgiad hem had willen sparen, en dus niet gesproken had van
hetgeen den vorigen dag had plaats gevonden, noch van zijn gesprek met
de prinses Badoura, werd hem echter thans alles duidelijk, ook zijne
moeder was schuldig, daar viel niet aan te twijfelen. Zijne oogen
schoten vlammen, en het kostte hem moeite zich te beheerschen. Eindelijk
zijne gramschap bedwingende, verwijderde hij zich zonder eene syllabe te
antwoorden, uit vrees welligt iets te zullen zeggen, dat niet met zijne
grootheid van ziel strookte. Daarop ging hij Amgiad opzoeken, beklaagde
zich op minzamen toon over diens achterhoudendheid, en deelde hem zijn
wedervaren mede. De prinsen beweenden met elkander de boosheid hunner
moeders, doch namen het edelmoedige besluit, deze treurige gebeurtenis
voor den koning verborgen te houden, teneinde hem niet te grieven, want
zij wisten, dat hun vader de koninginnen zeer liefhad, en met de volste
gerustheid op hare deugd vertrouwde. Dien blijden droom wilden zij hem
niet ontnemen.
Zoo edelmoedig waren de teleurgestelde koninginnen niet. Wanhopig bij
de prinsen eene deugd aan te treffen, welke haar tot inkeer had moeten
brengen, vergaten zij tot zelfs het moederlijk gevoel, en spanden zamen,
om hen in het verderf te storten. Zij deden hare vrouwen gelooven, dat
de jonge prinsen haar hadden willen overhalen, om tegen den koning zamen
te spannen, en hare geveinsde tranen, of die de spijt haar deed storten,
gaven daar een' schijn van waarheid aan.
Toen de koning Camaralzaman van zijne reis terugkeerde, en de
gemaakte droefheid der koninginnen opmerkte, vroeg hij met haastige
belangstelling en op een' toon van verbazing, wat haar overkomen was.
Op deze vraag verdubbelden de huichelachtige vrouwen hare zuchten en
tranen, en na zich lang genoeg te hebben laten bidden, nam eindelijk de
koningin Badoura het woord: „Sire,” sprak deze onnatuurlijke moeder
weenende, en het gelaat met de handen bedekkende, als schaamde zij zich
tot hem op te zien, „billijk is onze smart en onze droefheid; wij zijn
niet waardig het daglicht te aanschouwen, nu het ons gebleken is, u
zonen geschonken te hebben, die, van uwe afwezigheid gebruik makende,
zich zoo misdadig aan u wilden vergrijpen. Doch uwe majesteit verschoone
ons haar meer te zeggen, onze droefheid is genoegzaam, om haar te doen
begrijpen, wat onze mond niet mag uitspreken.”
Deze beschuldiging, door hunne eigene moeders tegen zijne zonen
ingebragt, zoodat hij aan de waarheid daarvan volstrekt niet twijfelde,
bragt de koning in de hoogste woede. Hij deed de prinsen bij zich
roepen, en zou hen met eigen hand gedood hebben, indien niet zijn
schoonvader, de oude koning Armanos, zijnen arm had teruggehouden. „Mijn
zoon,” sprak hij, „wat wilt gij doen? Wilt gij uwe handen en uw paleis
met uw eigen bloed bevlekken? Indien uwe zonen werkelijk misdadig zijn,
dan zal het immers altoos in uwe magt staan, om hen te doen straffen.”
De oude vorst deed verder zijn uiterste best, om Camaralzaman
tot bedaren te brengen, en smeekte hem, zich toch vooral niet te
overhaasten, maar vooraf zorgvuldig te onderzoeken, of de prinsen
werkelijk schuldig waren aan de misdaad, die men hun ten laste legde.
Wel had deze toespraak zoo veel invloed op Camaralzaman, dat hij zich
onthield zelf de beul van zijne kinderen te zijn, maar hij liet de
prinsen, zonder hen zelfs te ondervragen, in de gevangenis brengen,
en nog dien avond deed hij een' emir ontbieden, Giondar genaamd, aan
wien hij den last opdroeg met zijne zonen buiten de stad te gaan, en
het doodvonnis aan hen te voltrekken, op die plaats welke hij daartoe
geschikt zoude achten. De emir wilde zich van dezen wreeden last
verontschuldigen, en waagde het den koning opmerkzaam te maken, dat hij
welligt later berouw zou kunnen hebben, over een zoo overhaast en streng
vonnis. „Ik heb,” antwoordde Camaralzaman, „u niet hier doen komen, om
uwen raad te vragen, hoe ik mijne zonen straffen moet, gij hebt alleen
te gehoorzamen. Ga nu, en verstout u niet, mij weder onder de oogen te
komen, zonder mij de kleederen der prinsen te vertoonen, opdat mij
daaruit moge blijken, dat gij volgens mijn bevel gehandeld hebt.”
Tegen eene zoo uitdrukkelijke lastgeving durfde de emir niets meer
inbrengen, maar moest gehoorzamen. Hij haalde de prinsen uit de
gevangenis, en bragt hen buiten de stad. Zij reisden den geheelen nacht
door, zonder echter veel te vorderen, want daar zijne gevangenen te voet
waren, moest de emir zijn anders vurig paard dwingen, slechts stapvoets
te gaan. Met het aanbreken van den dag, hield de emir stil, steeg af, en
zich tot de prinsen wendende, maakte hij hun, met tranen in de oogen,
met den wil huns vaders bekend. „Prinsen,” zeide hij, „dit bevel is zeer
wreed, en het baart mij eene grievende smart, dat het den koning heeft
behaagd juist mij met de volvoering daarvan te belasten; gave de hemel,
dat ik er mij van kon ontslaan.” „Doe uw' pligt,” antwoordden Amgiad en
Assad, „gij zijt onschuldig aan onzen dood, en wij hebben u deswegens
geen verwijt te doen.” Vervolgens omhelsden zij elkander, waarna
prins Assad zich het eerst bereid stelde, om den doodelijken slag te
ontvangen. „Begin met mij, Giondar,” zeide hij, „en bespaar mij de smart
mijn' beminden broeder te zien sterven.” Amgiad echter kwam hier tegen
op, en de strijd, die nu tusschen de broeders plaats vond, getuigde zoo
zeer van hunne innige genegenheid en vriendschap, dat Giondar zijne
tranen niet kon weêrhouden.
Eindelijk werden zij het eens, en verzochten den emir hen aaneen
te binden en zoo te plaatsen, dat hij hen met één' enkelen slag
gelijktijdig het hoofd afhieuw. „Weiger,” zeiden zij, „dezen troost om
zamen te sterven niet aan twee ongelukkige broeders, die van hunne
geboorte af aan alles gemeen hebben gehad, en zich niet bewust zijn iets
strafbaars gedaan te hebben.”
Giondar stond aan de prinsen hunnen wensch toe. Hij bond hen aaneen, en
na hen zoo te hebben geplaatst, als hem het best toescheen, om zijn'
slag niet te missen en hunne hoofden te gelijk in het zand te doen
rollen, vroeg hij hun, of zij hem vóór hunnen dood ook nog iets te
belasten hadden. „Wij hebben u slechts één verzoek te doen,” antwoordden
de prinsen, „en wel, dat gij bij uwe terugkomst aan den koning, onzen
geliefden vader, zult zeggen, dat wij onschuldig zijn gestorven, maar
hem vrijspreken van onzen dood, daar hij niet wel onderrigt is geweest
omtrent de waarheid van de misdaad, die ons ten laste is gelegd.”
Giondar beloofde hun niet in gebreke te zullen blijven, deze hunne
laatste woorden getrouw aan den koning over te brengen, en trok te
gelijker tijd zijn zwaard.
De prinsen, thans tot sterven gereed, wachtten echter te vergeefs op den
slag, die hun in een ander leven zou doen overgaan. Het paard toch van
den emir, dat hij in de nabijheid aan een' boom had gebonden, verschrikt
door het flikkeren van het gepolijste staal, waarin de opgaande zon zich
afspiegelde, deed een' zijsprong, verbrak den teugel, en holde in volle
vaart over het veld. Giondar was aan het prachtige ros zeer gehecht. Hij
werd door dit voorval zoo ontsteld, dat hij, in plaats van de prinsen te
onthoofden, zijn zwaard uit de hand liet vallen, en het hollende dier
naijlde, om het zoo mogelijk weder op te vangen. Het paard was jong en
vurig, en, in plaats van naar den stem zijns meesters te luisteren,
maakte het allerlei kromme sprongen, tot dat het een groot bosch
bereikte, waar het tusschen het geboomte verdween. Giondar gaf echter
den moed niet op: hij volgde het dier, dat zich door zijn gehinnek
verraadde, en daardoor een' ouden leeuw deed ontwaken, die nu met
opgezette staart en manen uit zijn hol te voorschijn sprong. De leeuw
rekte zijne gespierde leden uit, kroop als eene kat over den grond tot
op eenige passen van het paard, doch op het punt om den sprong te doen
en zich op zijne prooi te werpen, zag hij Giondar aankomen, en liep nu
regt op dezen aan.
Giondar, den leeuw ziende naderen, dacht niet meer aan zijn paard, maar
alleen hoe hij zijn leven zou redden. Hij wierp zich in het digste van
het kreupelhout, om daar eene schuilplaats te zoeken; maar de leeuw
verloor hem niet uit het oog, en volgde hem door het hout, gelijk hij
aan het knappen der takken duidelijk kon hooren. In dit uiterste gevaar,
zeide de emir in zich zelven: „Allah zou mij deze straf niet hebben
toegezonden, indien niet de prinsen, die de koning mij heeft gelast te
dooden, onschuldig waren aan de misdaad, waarvan men hen betigt heeft;
het ongeluk vervolgt mij, want ik mis zelfs mijn zwaard, om mij te
kunnen verdedigen tegen het roofdier, dat naar mijn bloed dorst.”
Gedurende de vrij lange afwezigheid van Giondar, werden de prinsen door
een' brandenden dorst gekweld. Amgiad deed nu aan zijn' broeder het
voorstel, dat zij zich zouden losbinden, om aan eene beek, welke hij hem
op eenigen afstand aanwees, hunnen dorst te lessen. „Het is de moeite
niet waard, broeder,” antwoordde Assad; „voor de weinige oogenblikken,
die wij nog te leven hebben, kunnen wij de kwelling van den dorst wel
doorstaan.” Amgiad intusschen, zonder op deze woorden acht te slaan,
maakte zich vrij van zijne banden, en ontbond ook zijn' broeder, hij
mogt willen of niet. Zij begaven zich nu naar de bron, en verfrischten
zich met eene teug helder water. Naauwelijks echter hadden zij hunnen
dorst gelescht, toen het gebrul van den leeuw hun uit het nabijgelegen
bosch in de ooren klonk, en te gelijk de noodkreten van Giondar zich
hooren lieten. Amgiad greep dadelijk het zwaard op, dat de emir had
laten vallen. „Broeder,” zeide hij tot Assad, „laat ons den ongelukkigen
Giondar te hulp snellen, misschien komen wij nog bij tijds, om hem uit
een groot gevaar te redden.”
De prinsen lieten geen oogenblik verloren gaan en kwamen juist aan op
het tijdstip, dat de leeuw den emir had ingehaald en hem ter aarde
wierp. Toen het roofdier echter zag, dat Amgiad met het zwaard in
de hand op hem afkwam, liet hij zijne prooi los, keerde vreesselijk
brullend zijne woede tegen den prins, en kwam met groote sprongen op
hem aan. Amgiad wachtte den leeuw onverschrokken af, en ontving hem met
zulk een' krachtigen zwaardslag, dat hij hem den kop vaneen spleet, en
zijn vijand dood ter nederviel.
Zoodra Giondar bemerkte, dat hij zijn leven aan de prinsen had te
danken, wierp hij zich aan hunne voeten, en betoonde hun voor de hem
bewezen hulp zijne groote erkentelijkheid. „Prinsen,” vervolgde de emir,
terwijl hij opstond en hun de handen kuste, die hij met zijne tranen
besproeide, „de hemel beware mij, dat ik, na hetgeen gij voor mij gedaan
hebt, eene schendige hand aan uw mij thans dierbaar leven slaan zou. Het
zal in eeuwigheid niet gezegd kunnen worden, dat de emir Giondar zich
aan zulk eene snoode ondankbaarheid heeft schuldig gemaakt.” „De dienst,
dien wij u bewezen hebben,” gaven de prinsen ten antwoord, „moet u niet
terughouden, den last u door den koning, onzen geëerbiedigden vader,
opgedragen, te volbrengen. Eerst zullen wij u helpen het paard op te
vangen, en dan met onderwerping aan den wil van onzen vader, den dood
door uwe hand ondergaan, zonder dat wij u dien zullen toerekenen.”
Het paard, dat intusschen uitgehold had, en thans rustig liep te grazen,
liet zich gemakkelijk opvangen; maar de emir was volstrekt niet te
bewegen, om nu aan het verlangen der prinsen toe te geven. Wat zij ook
zeggen mogten, zij konden er hem niet toe overhalen, zijn zwaard met hun
bloed te bezoedelen. „Ik zal daar nimmer toe overgaan,” sprak hij op
vast besloten toon, „maar wilt gij mij eenen dienst bewijzen, staat
mij dan in ruil van hetgeen ik u van mijne kleederen kan geven, uwe
kleederen af, opdat ik die, zooals mij gelast is, aan den koning uw'
vader zal kunnen toonen. Begeeft u zoo ver mogelijk van hier, waardoor
zijne majesteit, niets meer van u hoorende, zal gelooven, dat ik volgens
het mij gegeven bevel met u gehandeld heb.” De prinsen gaven aan het
verlangen van Giondar toe, ontkleedden zich, en trokken datgene aan,
wat de emir van zijne kleederen voegzaam kon missen. Giondar schonk hun
daarop alles, wat hij in goud en zilver bij zich had, en keerde toen,
na een hartelijk afscheid, naar de hoofdstad van het Ebbenhout eiland
terug.
Om zich bij den koning Camaralzaman niet te verraden, doopte hij,
alvorens de terugreis aan te nemen, de kleederen der prinsen in het
bloed van den gedooden leeuw. Bij zijne terugkomst vervoegde hij zich
dadelijk bij den koning Camaralzaman, die hem vroeg, of hij zijnen
last getrouw was nagekomen. De emir gaf een ontwijkend antwoord, dat
echter den schijn had, van afdoende te zijn. „Sire,” sprak hij, hem
de kleederen van de prinsen toonende, „zie hier mijne getuigen.”
„Op welke wijze hebben zij hunnen straf ondergaan,” vroeg de koning
verder. „Sire,” antwoordde Giondar, „zij hebben daarbij de grootste
standvastigheid en onderwerping aan den wil des Hemels aan den dag
gelegd, hetgeen gunstig getuigt voor hunnen moed en voor hun edel hart.
Niet minder groot was, bij het hooren van hun doodvonnis, de eerbied,
dien zij voor uwer majesteits bevelen aan den dag legden. „Wij sterven
onschuldig,” zeiden zij, „maar morren deswegens niet. Wij schrijven
onzen dood toe aan den wil van Allah, en rekenen dien den koning onzen
vader niet toe; want wij weten zeer goed dat hij niet naar waarheid
onderrigt is geweest.””
Tot in het binnenste van zijn gemoed ontroerd en getroffen door het
verslag van den emir Giondar, scheen Camaralzaman in twijfel te geraken,
of zijne zonen wel zoo schuldig waren, als men hem had doen gelooven.
Was het deze onrust, of wel eene beschikking van hooger hand; opdat de
onschuld der prinsen aan den dag mogt komen, hoe ook: hij kwam op het
denkbeeld de kleederen en de zakken zijner zonen te onderzoeken, en
begon met die van Amgiad. Hij vond daarin een briefje, dat hij opende en
las. Aan het schrift de hand van Haïatalnefous herkennende, behoefde
hij niet verder te lezen; eene koude rilling ging hem door de leden. Met
bevende hand tastte hij nu ook in de zakken van Assad, en daarin het
schrijven vindende van de koningin Badoura, werd hij door eene duizeling
aangegrepen en zonk buiten kennis ter neder.
Onbeschrijfelijk was de droefheid van Camaralzaman, toen hij weder tot
zich zelven kwam. Hij sloeg zich op de borst, en deed zich de hardste
verwijten. „Ha, onwaardige vader!” riep hij, „wreedaard, gij hebt als
een onzinnige gewoed tegen uw eigen bloed. Uwe onschuldige kinderen hebt
gij vermoord! Moest hunne deugd, hunne gehoorzaamheid en onderworpenheid
aan uwen wil, waarvan zij steeds blijken gaven, u niet van hunne
onschuld hebben overtuigd? Verblinde vader! verdiendet gij niet, dat
de aarde zich opende en u verslond, na het bedrijven van zulk eene
afschuwelijke misdaad? Ziedaar de straf, die Allah over u laat komen,
omdat gij in den afkeer tegen de vrouwen, die was aangeboren, niet hebt
volhard. O, vrouwen, vrouwen, waartoe hebt gij mij gebragt! Door uwe
krokodillentranen, hebt gij mij tot een' moordenaar gemaakt van mijne
kinderen! Onnatuurlijke moeders, gij hebt duizendmalen den dood
verdiend, schandvlekken van uw geslacht. Maar zal ik mijne handen in uw
bloed doopen, gelijk ik het bloed van mijne zonen heb doen vergieten,
zal ik u aan hunne schimmen wrekend opofferen? Neen, gij zijt mijn'
toorn onwaardig. Maar dat de Hemel mij verplettere, indien ik u immer
wederzie!” Getrouw aan dezen eed, deed hij de koninginnen nog dien
zelfden dag ieder in een afzonderlijk vertrek opsluiten.
Terwijl koning Camaralzaman zich aldus bedroefde, en door een te laat
berouw gekweld werd, dwaalden de prinsen in de wildernis om. Zij
vermeden alle bewoonde plaatsen, en onderhielden hun leven met wilde
vruchten. De nachten bragten zij op een' boom of in eene grot door, om
zich tegen de wilde beesten te beveiligen, en terwijl de een sliep,
hield de andere wacht.
Na bijna eene maand te hebben rondgezworven, kwamen zij aan den voet van
eenen berg, die geheel uit zwarten steen bestond, en zoo hoog en steil
was, dat hij hun toescheen onbeklimbaar te zijn. Wel bespeurden zij een
gebaand pad, maar dit was zoo smal en moeijelijk, dat zij er zich niet
op durfden begeven. Zij gingen daarom langs den voet van den berg, in de
hoop een' beteren weg te zullen vinden, maar te vergeefs, en eindelijk
zagen zij zich gedwongen naar het zelfde pad terug te keeren, dat zij
als bijna onbeklimbaar beschouwden. Daar er echter geen' anderen
overgang was, besloten zij eindelijk het waagstuk te ondernemen, en
begonnnen den berg te bestijgen.
Hoe verder de prinsen kwamen, des te hooger en steiler vertoonde zich de
berg. De moeijelijkheden verdubbelden, en meer dan eens stonden zij in
beraad, om de onderneming als onuitvoerbaar op te geven. Dikwijls waren
zij beiden zoo vermoeid, dat zij op het punt stonden, daar onder te
bezwijken. Maar de noodzakelijkheid drong hen verder te gaan. Hoezeer
zij ook alle krachten inspanden, de nacht overviel hen, alvorens zij
den top des bergs bereikt hadden. Assad gevoelde zich reeds tegen den
avond zoo uitgeput, dat hij niet meer voort kon, en er bij nederviel.
„Broeder,” zeide hij tot Amgiad, „ik kan niet meer; ga gij alleen voort,
en laat mij hier sterven.” „Rust hier uit, zoo lang u goeddunkt,” sprak
Amgiad, en zette zich bij hem neder, „maar laat den moed niet zakken.
Wij behoeven niet lang meer te klimmen, en de maan begunstigt onzen
togt.”
Na een goed half uur rustens deed Assad eene krachtige poging op zich
zelven, hij stond op, en hoewel hij slechts langzaam voort kon, was toch
de bergkruin weldra bereikt. Hier rustten zij op nieuw, doch Amgiad
minder vermoeid dan zijn broeder, stond weldra weder op om het terrein
te onderzoeken. Hij zal zoo omstreeks honderd schreden voortgegaan zijn,
toen hij een' boom gewaar werd. Hij ging er heen, en zag nu tot zijne
vreugde, dat het een' granaatboom was, overladen met de heerlijkste
vruchten, en aan wiens voet een heldere bron ontsprong. Met dit blijde
nieuws keerde hij naar Assad terug, en bragt hem onder den boom bij de
bron. Zij verfrischten zich nu met een' granaatappel en eenen teug
water, waarop zij weldra in slaap vielen.
Toen de prinsen den volgenden morgen ontwaakten, stond de zon reeds hoog
aan den hemel. „Kom broeder,” zeide Amgiad tot Assad, „laat ons nu met
frisschen moed de reis vervolgen; de weg laat zich vrij goed aanzien, en
het afstijgen zal u gemakkelijker vallen, dan het beklimmen.” Maar Assad
was nog zoo vermoeid van den vorigen dag, dat hij niet minder dan drie
dagen noodig had, om zich daarvan te herstellen. Zij bragten die dagen
bij de bron en onder den granaatboom door, wiens schaduw en vruchten
hun van grooten dienst waren. Zij beraamden plannen voor de toekomst,
en spraken over de misdadige oogmerken hunner moeders, waaraan zij
hun tegenwoordig treurig lot te wijten hadden. „Maar,” zeiden zij tot
elkander, „heeft Allah ons op eene zoo zonderlinge wijze van den dood
gered, zoo moeten wij de rampen die ons nog kunnen treffen, met geduld
verdragen, en ons met de hoop troosten, dat Hij ons éénmaal uitkomst
schenken zal.”
Na verloop van drie dagen begaven de broeders zich weder op weg. Deze
was thans minder moeijelijk, doch daar de berg aan die zijde zeer
hellend afliep, en uit verscheidene terrassen bestond, die groote
vlakten vormden, hadden zij vijf dagen noodig om in het vlakke veld te
komen. Spoedig zagen zij nu, tot hunne niet geringe vreugde, eene groote
stad voor zich liggen. „Broeder,” zeide Amgiad tot Assad, „ik kom daar
op een denkbeeld, dat gij, hoop ik, goed zult vinden. Terwijl gij mij
hier wacht, zal ik naar de stad gaan, om eens op te nemen, hoe het daar
gesteld is, en wat wij van hare bewoners te hopen of te vreezen hebben.
In het laatste geval zou het niet voorzichtig zijn, indien wij te
zamen derwaarts gingen. Is echter alles goed, dan zal ik de noodige
levensmiddelen medebrengen. Wat dunkt u?” „Uw voorstel keur ik goed,”
antwoordde Assad, „het is verstandig en voorzigtig; sta echter toe, dat
_ik_ mij met die taak belaste; want indien u daar een ongeluk overkwam,
zou ik radeloos zijn.” „Maar,” hernam Amgiad, „wat gij voor mij vreest,
zou ik dan voor _u_ te vreezen hebben. Ik smeek u dus, laat mij begaan
en wacht mij hier, ik hoop spoedig terug te zullen zijn.” „Neen,” riep
Assad, „nimmer zal ik zulks toestaan. Als ik ga en mij iets overkomt,
dan zal ik ten minste den troost hebben, dat gij in veiligheid zijt.”
Amgiad moest eindelijk toegeven, en zette zich onder eene groep boomen
aan den voet van den berg. Daar zou Assad zich weder bij hem voegen.
Prins Assad nam nu eenig geld uit de beurs, die Amgiad onder zijne
berusting had, en vervolgde zijnen weg naar de stad. Zoodra hij de
poort binnenkwam, ontmoette hij een' grijsaard van een zeer achtbaar
voorkomen, wel gekleed en eene rotting in de hand houdende. Hij
twijfelde niet, of het was iemand van aanzien, van wien hij mogt
vertrouwen, dat hij hem niet zou misleiden, waarom Assad hem vroeg,
of hij de goedheid wilde hebben, hem den weg naar de markt te wijzen,
waar hij eenige kleine inkoopen wilde doen.
De grijsaard toonde zich zeer bereidwillig, zag den prins vriendelijk
lagchend aan, en zeide: „Mijn zoon, wanneer ik mij niet vergis, zijt gij
hier een vreemdeling, want anders zoudt gij mij die vraag niet doen.”
„Ja, mijnheer,” hernam Assad, „ik ben hier geheel vreemd; vergeef mij
daarom mijne vrijmoedigheid, dat ik u met vragen lastig val.” „Gij zijt
mij zeer welkom,” sprak de grijsaard; „ik beschouw het voor onze stad
eene eer, dat een jongmensch van uw voorkomen, zich de moeite geeft,
haar te bezoeken. Ben ik niet te nieuwsgierig door u te vragen, welke
zaken gij op de markt hebt te verrigten?”
„Heer,” gaf Assad ten antwoord, „ik ben reeds bijna twee maanden met
mijn' broeder op reis, om vreemde en verre landen te bezoeken. Wij
hebben den weg bijna geheel te voet afgelegd, en zijn heden in de
nabijheid dezer stad aangekomen. Mijn broeder was zoo vermoeid, dat hij
onder het lommer van een' granaatboom eene rustplaats heeft gezocht; en
mijn herwaarts komen heeft alleen ten doel, om eenige levensmiddelen
voor ons beiden in te koopen.” „Dan, mijn zoon!” sprak de grijsaard op
vriendelijken toon, „zoudt gij het niet beter hebben kunnen treffen. Ik
heb heden aan eenige mijner vrienden een groot feest gegeven, en er zijn
vele spijzen overgebleven, die nog onaangeroerd zijn. Gij hebt slechts
met mij mede te gaan, dan kunt gij bij mij eten, en ik zal u een'
voorraad medegeven, waaraan gij met uw broeder verscheidene dagen genoeg
zult hebben. Dat zal u de moeite besparen, om naar de markt te gaan, en
gij kunt uw geld in den zak houden, waarvan toch een reizend man zelden
te ruim voorzien is, en nimmer te veel kan hebben. Bovendien zal ik u
gedurende uw oponthoud ten mijnent, al de door u verlangde inlichtingen
omtrent deze stad en hare bewoners geven. Niemand is daartoe beter in
staat, daar ik hier geboren ben, en verschillende eervolle betrekkingen
bekleed heb, waardoor ik met allerlei soort van menschen in aanraking
kwam. Gij moogt het dus wel als een gelukkig toeval beschouwen u tot
mij, en niet tot iemand anders gewend te hebben, want niet alle inwoners
zijn zoo als ik; er zijn zelfs zeer slechte lieden onder. Kom dus met
mij, ik zal u het onderscheid doen zien, dat er bestaat tusschen een
eerlijk man, gelijk ik meen te zijn, en tusschen dat soort van
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/45877