Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel

by Anonymous · Dutch · Gutenberg #45875 · 377,317 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel

Author: Anonymous


        
Release date: June 4, 2014 [eBook #45875]
                Most recently updated: October 24, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/45875

Credits: Produced by Clog, J.H. Berends and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DUIZEND EN ÉÉN NACHT. ARABISCHE VERTELLINGEN. TWEEDE DEEL ***

  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn  |
  | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing.      |
  |                                                                |
  | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als      |
  | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als            |
  | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#.                       |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder  |
  | accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie).      |
  |                                                                |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van  dit   |
  | e-boek op https://www.gutenberg.org/                            |
  |                                                                |
  | Van „Duizend en één Nacht” zijn ook 3 andere delen als e-boek  |
  | beschikbaar via Project Gutenberg:                             |
  |  #45874, Eerste deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45874    |
  |  #45876, Derde deel:  https://www.gutenberg.org/ebooks/45876    |
  |  #45877, Vierde deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45877    |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+




DUIZEND EN ÉÉN NACHT.




                         Duizend en één Nacht.

                               ARABISCHE
                             VERTELLINGEN.

             NAAR DE BESTE BRONNEN VOOR ONZEN TIJD BEWERKT.


                             _TWEEDE DEEL._


                               AMSTERDAM,
                             Gebrs. KOSTER.
                                 1882.




GESCHIEDENIS VAN DE VIJF DAMES VAN BAGDAD.


GESCHIEDENIS VAN ZOBEÏDE.

„Beheerscher der geloovigen,” ving Zobeïde aan, „de geschiedenis, welke
ik uwe Majesteit heb te verhalen, is eene der zonderlingste, waarvan men
ooit gehoord heeft. De twee zwarte honden en ik, wij zijn drie zusters
van de zelfde ouders, en ik zal u mededeelen, door welk vreemd toeval
zij in honden veranderd zijn.

De twee dames die bij mij wonen, en die gij hier bij mij ziet, zijn ook
mijne zusters van (den zelfden) vader, maar van eene andere moeder. Zij,
die den boezem vol lidteekens heeft, draagt den naam van Amine, de
andere heet Safie, en ik Zobeïde.

Na den dood van onzen vader werd zijne nalatenschap onder ons verdeeld,
en toen mijne beide half-zusters haar aandeel ontvangen hadden,
scheidden zij van ons, en gingen afzonderlijk wonen met hare moeder.
Mijne eigene zusters en ik bleven bij onze moeder inwonen tot aan haren
dood; zij liet ieder onzer duizend sequinen na.

Korten tijd daarna traden mijne beide oudste zusters, want ik ben de
jongste, in den echt, volgden hare mannen, en lieten mij alleen achter.
Niet lang na haar huwelijk, maakte de man van mijne oudste zuster al
zijne goederen tot geld, en vertrok met zijne vrouw naar Afrika. Hier
verkwistte hij spoedig, door goede sier te maken en door een losbandig
leven te leiden, zijn eigen geld en dat wat mijne zuster mede ten
huwelijk had gebragt. Toen hij zich tot de diepste armoede gebragt zag,
zocht hij naar een voorwendsel om haar te kunnen verstooten, en joeg
haar weg.

Na eene lange reis, waarop zij met bijna ongeloofelijke rampen had te
worstelen, kwam zij in Bagdad terug, en zocht bij mij hare toevlugt in
eenen toestand zoo medelijdenswaardig, dat het hardste gemoed er door
zou zijn bewogen geworden. Ik ontving haar met al de toegenegenheid,
welke zij van eene zuster kon verwachten, en vraagde haar, door welke
omstandigheden zij in zulk een' ongelukkigen toestand was gebragt. Zij
begon daarop bitter te schreijen, en maakte mij bekend met het slechte
gedrag van haren man, en met de onwaardige wijze waarop hij met haar
had gehandeld. Ik was zoo getroffen over haar ongeluk, dat ik niet kon
nalaten met haar te weenen. Vervolgens deed ik haar in het bad gaan, gaf
haar eenige van mijn eigene kleederen en zeide: „Lieve zuster! gij zijt
ouder dan ik en ik beschouw u als mijne moeder. In uwe afwezigheid,
heeft de hemel de weinige goederen, die mij ten deel waren gevallen,
vermeerderd, en het aankweeken van zijdewormen, heeft mij goede winsten
opgeleverd. Verlaat er u op dat ik niets heb, wat niet tevens het uwe
is, en waarover gij niet even als ik kunt beschikken.”

Wij woonden te zamen en leefden gedurende vele maanden in de volmaaktste
eensgezindheid. Dikwijls spraken wij over onze derde zuster, en het
bevreemdde en verontrustte ons, dat wij niets van haar vernamen.
Op zekeren dag echter stond zij eensklaps voor mij, en dit in een'
even ellendigen toestand, als waarin ik mijne oudere zuster had
teruggevonden. Haar man had haar op eene gelijke wijze behandeld en
eindelijk weggejaagd. Ik nam haar met liefde in mijne woning op.

Op zekeren tijd kwamen mijne zusters bij mij, en er zich op beroepende,
dat zij vreesden mij tot last te zijn, zeiden zij, plan te hebben om te
hertrouwen. Ik gaf haar te kennen dat, indien zij geene andere reden
hadden, dan vrees van mij tot last te zijn, zij gerust bij mij konden
blijven, daar mijn vermogen en mijne verdiensten toereikend waren, om
ons alle drie, overeenkomstig onzen stand, te onderhouden. „Maar,”
voegde ik er bij, „ik vrees veeleer; dat gij werkelijk lust hebt te
hertrouwen. Indien dit zoo is, moet ik bekennen, dat het mij zeer
verwondert. Hoe toch kunt gij, na hetgeen gij in uw eerste huwelijk
hebt ondervonden, naar een tweede haken. Het is u immers gebleken, hoe
bezwaarlijk het is een' man te vinden, die onze liefde in alle opzigten
waardig is. Gelooft mij, het zal beter voor u en ook voor mij zijn,
indien wij te zamen blijven wonen, en voortgaan elkander het leven zoo
aangenaam te maken, als mogelijk is.”

Alles wat ik mogt inbrengen, bleef echter zonder uitwerking. Zij hadden
besloten te hertrouwen en volvoerden haar voornemen. Maar na verloop van
slechts eenige maanden kwamen zij terug, en vraagden mij duizendmaal
verschooning, omdat zij mijnen raad niet hadden gevolgd. „Gij zijt onze
jongste zuster,” zeiden zij, „maar gij zijt verstandiger dan wij. Indien
gij de goedheid wilt hebben, ons andermaal in uwe woning te ontvangen,
zoo beschouw ons als uwe slavinnen, en wij zullen ons in het vervolg
wel wachten, wijzer te willen zijn dan gij, en ons eigen dwaas hoofd te
volgen.” „Lieve zusters,” zeide ik, „onze laatste scheiding heeft aan
mijne genegenheid voor u niets veranderd; gij zijt mij welkom, en wat ik
bezit, beschouwt dat ook als het uwe.” Ik omhelsde haar, en wij bleven
weder te zamen wonen.

Gedurende een jaar leefden wij in volkomene eendragt; door de gunst des
hemels nam mijn klein kapitaal zoo zeer toe, dat ik mij in staat zag
gesteld, een handel van meer omvang te ondernemen. Tot dat einde begaf
ik mij met mijne zusters naar Balsora, waar ik een tot de reis geheel
uitgerust schip voor zeer matigen prijs aankocht, en met de goederen,
welke ik uit Bagdad ontbood, bevrachtte. Wij gingen met een' gunstigen
wind onder zeil, en weldra kwamen wij door de golf van Perzië in de
ruime zee. Hier zetten wij koers naar Indië, en na twintig dagen zeilens
zagen wij land. Het was een zeer hooge berg, aan wiens voet wij eene
stad bemerkten, die ons zeer groot en aanzienlijk toescheen. Daar er
eene frissche koelte woei, liepen wij nog vóór den avond de haven
binnen, waar wij het anker lieten vallen.

Ik had niet zoo lang geduld, tot mijne zusters zich gereed gemaakt
hadden, om mij te vergezellen. Ik liet mij aan wal zetten en ging regt
op de stadspoort aan. Hier vond ik eene talrijke wacht van soldaten, van
welke sommige zaten en andere stonden, en die alle met knuppels gewapend
waren. Het voorkomen dezer lieden was zoo afschuwelijk, dat ik er van
schrikte. Daar ik evenwel spoedig bemerkte dat zij zich niet bewogen, en
zelfs de oogen niet verdraaiden, herstelde ik mij, trad nader bij, en
ontdekte dat zij versteend waren.

Ik ging de stad binnen en verscheidene straten door, doch de menschen
die ik zag waren, even als de schildwachten aan de poort, levenloos
en versteend. In den bazar vond ik bijna alle winkels gesloten, en
in de weinige, die hierop eene uitzondering maakten, waren de zich
daarin bevindende kooplieden en winkelbedienden ook in steenen beelden
veranderd. Ik zag nu naar de schoorsteenen, maar geen enkel rookwolkje
steeg daaruit op, hetgeen mij tot de overtuiging bragt, dat de geheele
bevolking dezer stad, zoo wel binnen als buiten de huizen, door eene
voor mij onverklaarbare oorzaak, in één oogenblik des tijds, te midden
van hare bezigheden in steen was veranderd.

Door nieuwsgierigheid gedreven, kwam ik eindelijk op een groot plein in
het midden der stad. Hier zag ik eene groote en hooge poort, waarvan de
deuren, die met gouden platen belegd waren, openstonden. Boven de poort
hing eene gouden lamp en voor den ingang van het portaal bevond zich een
zijden voorhangsel, dat mij belette naar binnen te zien. De prachtige
geheel uit wit marmer opgetrokken voorgevel van dit trotsche gebouw,
liet mij evenwel geen' twijfel over, of ik bevond mij voor het paleis
van den regerenden vorst. Ik ligtte het voorhangsel op; de lijfwachten
des konings, die zich in het voorhof bevonden, en zich in verschillende
standen aan mijn verwonderd oog vertoonden, stonden zaten of lagen als
steenen beelden, en konden mij dus den toegang naar het binnenste van
het paleis niet beletten. Eerst kwam ik in een ruim voorhof; hier
bevonden zich eene groote menigte hofdienaren van welke de een scheen te
komen, de andere te gaan, zonder dat echter een hunner zich van zijne
plaats bewoog, daar ook zij versteend waren. Ik ging over een tweede en
derde binnenhof, maar overal heerschte de stilte van het graf en eene
doodschheid, welke mij deed huiveren.

Het vierde binnenhof overgegaan zijnde, bevond ik mij tegenover een zeer
schoon gebouw, waarvan de vensters van massief gouden traliën voorzien
waren. Dit scheen mij toe het verblijf van de koningin te zijn. Ik trad
het gebouw binnen, en het eerste wat ik zag was de zwarte wacht, vóór
de vertrekken van de vorstin. Zij belette mij niet mijn onderzoek te
vervolgen, en ik kwam nu in eene zeer prachtige zaal. Hier lag op eene
sofa eene dame van uitstekende schoonheid, maar ook in steen veranderd.
De gouden kroon, welke zij op het hoofd had, en het snoer parels,
grooter dan hazelnoten, om haren hals overtuigden mij dat dit de
koningin was.

Mijne oogen konden zich niet verzadigen aan al den rijkdom en al de
pracht van dit vertrek. Het tapijt, de kussens en de sofa waren met goud
gestikt, en dit met zooveel kunst, dat ik nooit iets dergelijks gezien
had.

Van het vertrek der koningin kwam ik in eene andere zaal, welke de
vorige nog ver in pracht overtrof. Ik zag daar eene verhevenheid van
massief goud met smaragden ingelegd, waarop een praalbed van de rijkste
stof, overdekt met eene sprei van de fijnste zijden en met paarlen
geborduurd. Doch hetgeen mijne verbazing in nog hoogere mate opwekte
was, een fel licht, gelijk dat der zon op hare middag-hoogte, hetwelk
mij van het rustbed in de oogen flonkerde. Nieuwsgierig naar de oorzaak
van dit wonderlijke licht, klom ik de trappen op, die naar die
verhevenheid geleidden, en voorover buigende, zag ik op een voetbankje
een' diamant liggen, zoo groot als het ei van een' struisvogel, en
met zoo veel kunst geslepen, dat de bekwaamste juwelier dit werk als
onverbeterlijk had moeten prijzen. Toen ik den steen in mijne hand
nam en tegen het daglicht hield, schitterde hij zoo, dat ik er als
door verblind, en het licht van twee aan het hoofdeneinde van het
rustbed brandende flambouwen er door verduisterd werd. Deze laatste
bijzonderheid echter deed mij de opmerking maken, dat zich in dit
paleis, hoe vele versteenden ik daar ook had aangetroffen, toch nog
een levend wezen moest bevinden, daar ik niet kon gelooven dat deze
flambouwen door eigen kracht ontstoken waren.

Toen nu de hoop bij mij verlevendigd werd dat ik eindelijk in deze
eenzaamheid een mensch zou aantreffen, zette ik mijn onderzoek met
vernieuwden ijver voort. Ik kwam nog in verscheidene vertrekken, het
eene al prachtiger dan het andere, maar wat ik ook zocht, een levend
wezen ontmoette ik nergens. Intusschen spoedde de dag ten einde, en
ofschoon ik door mijne nieuwsgierigheid mij zelve, mijn schip en mijne
zusters had vergeten, begon ik thans toch te begrijpen dat het hoog tijd
werd, om naar boord terug te keeren. Ik wilde nu langs denzelfden weg
heengaan, maar daar het reeds donker werd, verdwaalde ik in dien doolhof
van vertrekken, en het was reeds geheel duister, toen ik weder te regt
kwam in de zaal, waar zich het praalbed, de diamant en de brandende
flambouwen bevonden.

Ik bevond mij in groote verlegenheid; van twee kwaden echter het
kleinste kiezende, besloot ik den nacht in deze zaal door te brengen, en
den volgenden morgen naar mijn schip terug te keeren. Ik legde mij op
het praalbed neder, doch de doodsche stilte die mij omgaf, verontrustte
mij, zoodat ik den slaap niet kon vatten.

Het zal omstreeks middernacht geweest zijn, toen ik tot mijne verbazing,
en ik moet er bijvoegen tot mijne vreugde eene menschelijke stem hoorde,
die overluid in den koran las. Het moest dus iemand van mijn geloof
zijn, wat mij nog meer verblijdde. Ik stond dadelijk op, nam eene der
flambouwen, en ging op het geluid af door eene lange rij van vertrekken,
tot dat ik aan een kabinet kwam, waaruit de stem scheen te komen. Ik
doofde mijne flambouw uit, en mijn oog voor het sleutelgat houdende,
bespeurde ik dat het een bidvertrek was. Ik zag er, even als in onze
moskeën, eene nis, welke aanwees, naar welken kant de bidder zich moest
wenden, om het gelaat naar Mekka gekeerd te hebben, waar zich het graf
van den grooten profeet bevindt. Ook ontdekte ik eenige aan de zoldering
hangende lampen, en twee op kandelaars brandende waskaarsen.

Maar wat mij de grootste belangstelling inboezemde, was een jongeling
van een zeer innemend uiterlijk, die op een tapijt nedergehurkt in den
koran las, welken hij op een' lessenaar voor zich had liggen. Ten
hoogste verbaasd in eene stad, waarvan de geheele bevolking versteend
was, dezen jongeling in leven te zien, twijfelde ik niet, of met hem
moest een groot wonder hebben plaats gehad.

Daar de deur van het bidvertrek niet geheel gesloten was, opende ik die
zonder gedruisch te maken, plaatste mij tegenover de nis, en sprak met
luider stem het volgende gebed uit: „Geloofd zij Allah! die ons met
eene gelukkige zeereis heeft begunstigd! Dat het hem behage, ons ook op
de terugreis te beschermen, en ons behouden in het vaderland terug te
brengen! Hoor mij, Heer, en laat mijn gebed bij u verhooring vinden.”

De jongeling dus eensklaps gestoord, en zeker hier niemand verwachtende,
zag mij met eenige verbazing aan. „Mijne goede dame!” zeide hij, „heb
de beleefdheid mij te zeggen, wie gij zijt, en wat u heeft bewogen in
deze verwoeste stad te komen. Tot dank daarvoor ben ik bereid u te
zeggen, wie ik ben, wat met mij is gebeurd, hoe de inwoners van deze
stad in den toestand zijn gebragt waarin gij ze gevonden hebt, en
waarom juist ik alleen in deze algemeene ramp ben gespaard gebleven.”

Ik verhaalde nu den jongeling in weinige woorden, wat mij tot mijne
zeereis had bewogen, en hoe ik, na eenen togt van twintig dagen, met
mijn schip in de haven was aangekomen. Eindelijk gaf ik hem mijne
verbazing te kennen over hetgeen ik in deze stad had gezien, en
herinnerde hem aan zijne belofte om dit raadsel voor mij op te lossen.

„Lieve Dame,” sprak nu den jongeling, „heb een oogenblik geduld.” Dit
zeggende, rolde hij den koran op, borg ze in eenen kostbaren koker en
plaatste dezen in de nis. Deze oogenblikken nam ik waar, om hem met
aandacht te beschouwen, en hij kwam mij zoo schoon en zoo bevallig
voor, dat in mij een gevoel opkwam, waaraan ik tot dusverre vreemd was
gebleven. Hij deed mij naast zich plaats nemen, en ik was mij zelven
zoo weinig meester dat ik, vóór hij nog begon te spreken, mij niet kon
weêrhouden tot hem te zeggen, en wel met een' blik die hem de teedere
gevoelens moest doen kennen, welke hij mij reeds op het eerste gezigt
had ingeboezemd: „Beminnenswaardig jongeling! geliefde van mijn hart!
niemand kan met meer ongeduld dan ik de opheldering afwachten van zoo
vele wonderlijke zaken, die mij zijn voorgekomen, van het oogenblik af,
dat ik mijne voeten in deze stad heb gezet, tot nu toe. Spreek dus, ik
bid er u om, en zeg mij door welk wonder gij alleen in leven zijt van de
vele duizenden, die zulk een' vreeselijken dood gestorven zijn.”

[Illustratie: Geschiedenis van Zobeïde.

                                                       Dl. II, pag. 13.]

„Mejufvrouw!” zeide de jongeling, „door het gebed, dat gij in mijne
tegenwoordigheid tot Allah hebt opgezonden, is het mij gebleken, dat
gij den waren God kent. Gij zult van zijne goedheid en almagt een
merkwaardig voorbeeld vernemen. Laat mij u vooraf zeggen dat deze stad
de hoofdplaats is van een magtig koningrijk, waarover mijn vader den
scepter zwaaide. Deze vorst, zijn geheele hof, de inwoners van deze stad
en al zijne onderdanen waren toovenaars, aanbidders van het vuur en van
Nardoun, den ouden koning der reuzen, opstandelingen tegen Allah.

Hoewel uit afgodische ouders geboren, is mij echter het geluk te beurt
gevallen, dat ik in mijne kindschheid werd toevertrouwd aan eene
gouvernante, welke het ware geloof was toegedaan, en den koran uit
het hoofd kon opzeggen en verklaren. „Prins!” zeide zij dikwijls tot
mij, „er is maar één ware God; wacht u dus de afgoden te dienen en te
aanbidden.” Zij leerde mij het Arabisch lezen, en het boek dat zij mij
gaf, om mij in die taal te oefenen, was de koran. Zoodra ik er vatbaar
voor was, beijverde zij zich mij dit voortreffelijk boek uit te leggen,
hetgeen echter buiten weten van mijn' vader of iemand anders plaats had.
Eindelijk werd zij mij door den dood ontrukt, doch ik had reeds zoo
veel nut van haar onderwijs getrokken, dat ik van de waarheid van het
Mahomedaansche geloof ten volle overtuigd was. Na haren dood ben ik
daarbij gebleven, en had een' grooten afkeer van den afgod Nardoun en
van de aanbidding van het vuur.

Na drie jaar en eenig maanden geleden,” vervolgde de jonge prins, „had
er hier eene zeer zonderlinge en opmerkenswaardige gebeurtenis plaats.
Boven in de lucht liet zich eene stem hooren als van eene bazuin, die
door het geheele land vernomen werd en welke sprak: „Inwoners verlaat de
dienst van Nardoun en van het vuur. Aanbidt den eenigen God, die den
hemel en de aarde heeft geschapen en al wat daar in is.”

Drie achtereenvolgende jaren liet zich deze stem hooren, maar niemand
gaf er gehoor aan of bekeerde zich van de dienst der afgoden. Ja,
sommigen dreven er den spot mede, tot dat op den laatsten dag van het
derde jaar, des morgens tusschen drie en vier uren, alle inwoners in
één' oogwenk in steenen werden veranderd, en in de zelfde houding
bleven, waarin zij op dat tijdstip gingen, lagen of stonden. Den
koning mijn' vader trof hetzelfde lot; hij werd in een' zwarten steen
veranderd, zoo als hij nog in een der vertrekken van dit paleis te zien
is. Ook mijne moeder de koningin deelde in het gods-oordeel. Ik ben de
eenigste, die door de barmhartigheid van Allah van deze algemeene en
verschrikkelijke straf gespaard bleef. Van dat oogenblik af heb ik Hem
met verdubbelden ijver gediend, en ik ben overtuigd, mijne schoone dame,
dat Hij het is, die u hier heen heeft gezonden om mij te troosten. Ik
dank Hem daarvoor met geheel mijn hart, want ik wil u wel bekennen, dat
deze eenzaamheid voor mij zeer onaangenaam is.”

Door dit verhaal, en vooral door zijne laatste woorden had de jongeling
mijn hart geheel en al gewonnen. „Prins!”, zeide ik tot hem, „wij
mogen er niet aan twijfelen, of het is de Voorzienigheid welke mij in
deze haven heeft gevoerd, ten einde u in de gelegenheid te stellen dit
rampzalige oord te verlaten. Het schip, waarmede ik mij hier bevind
en dat mijn eigendom is, zal u het bewijs leveren, dat ik in mijne
woonplaats Bagdad in eenig aanzien ben; ook heb ik daar nog vrij
aanzienlijke bezittingen achtergelaten. Ik bied u een' verblijf
ten mijnent aan, tot dat de magtige Beheerscher der geloovigen, de
plaats-bekleeder van den grooten Profeet, in wien ook gij gelooft,
u, naar uwe verdiensten beloond en eene andere plaats aangewezen zal
hebben. Deze beroemde vorst heeft zijn verblijf te Bagdad, en zoodra
uwe aankomst in zijne hoofdstad te zijner kennis zal zijn gekomen, zal
hij er op bedacht zijn u regt te laten wedervaren, en u in zijne gunst
te doen deelen. Het is niet mogelijk, dat gij langer in eene stad
blijft, waar elk voorwerp dat gij aanschouwt voor u ondragelijk moet
zijn. Mijn schip is tot uwe dienst, en gij kunt er over beschikken
naar uw welgevallen.” De prins nam mijn aanbod met vreugde aan, en wij
bragten het overige van den nacht door met alles te bespreken, wat op
onze inscheping betrekking had.

Zoodra het dag werd, verlieten wij het paleis en gingen naar de haven
en naar mijn schip. Ik vond mijne zusters en den kapitein in groote
ongerustheid over mijne voor hen onverklaarbare afwezigheid. Ik stelde
den prins aan mijne zusters voor, en deelde haar mede, wat mij had belet
den vorigen avond weder aan boord te komen.

De matrozen bragten verscheidene dagen door met het ontschepen van
de koopmans-goederen, welke ik aan boord had, en het inladen van het
kostbaarste, wat het paleis aan edelgesteenten, goud en zilver bevatte.
De meubelen en vele andere dingen van groote waarde moesten wij, bij
gebrek aan scheepsruimte, achterlaten. Om al de kostbaarheden, die wij
zagen, naar Bagdad over te brengen, ware wel eene geheele vloot noodig
geweest. Nadat wij het schip bevracht hadden met eene lading, zoo rijk
als wij slechts konden wenschen, werden de watervaten gevuld, en namen
wij vele van de beste levensmiddelen mede, zonder daaraan juist behoefte
te hebben, want de voorraad waarvan ik mij te Balsora had voorzien, was
meer dan voldoende voor onze terugreis. Toen alles gereed was gaf ik den
kapitein last het anker te doen opwinden, en daar de wind gunstig was
gingen wij nog dien zelfden dag onder zeil.

Gedurende de eerste dagen van onze terugreis leefden wij, de prins,
mijne zusters en ik, in de beste eendragt, en wij bragten den tijd zeer
genoegelijk door. Maar, helaas, dit duurde niet lang. Mijne zusters
konden de verstandhouding, die tusschen mij en den jongen prins bestond,
niet zonder jaloerschheid aanzien. Zij vraagden mij op een' hatelijken
toon, wat wij bij onze aankomst te Bagdad met dien prins uit de
versteende stad zouden aanvangen. Ik bemerkte zeer wel, dat zij met deze
vraag geen ander doel hadden, dan om mijne gevoelens uit te vorschen.
Daarom nam ik den schijn aan de zaak als scherts te willen behandelen,
en gaf haar ten antwoord, dat ik hem tot mijnen man zoude nemen. Mij
daarop tot den prins wendende, zeide ik: „Prins! ik bid u daarin toe te
stemmen. Mijn plan is, zoodra wij te Bagdad zullen zijn, u mijne persoon
aan te bieden, ten einde uwe zeer nederige slavin te zijn, bereid om u
te dienen, en u te erkennen als Heer en meester van mijn' wil en mijne
wenschen.”

„Mejufvrouw!” antwoordde de prins, „ik weet niet of dat uwe meening is,
maar wat mij aangaat, ik verklaar u in vollen ernst, hier in bijzijn van
uwe zusters, dat ik uw aanbod met geheel mijn hart aanneem, evenwel wil
ik u niet als slavin beschouwen, maar wel als gebiedster, wier minste
wenschen ik mij steeds zal gelukkig achten te kunnen vervullen.” Bij dit
antwoord van den prins, dat, naar den toon waarop hij sprak, genoegzaam
bleek ernstig gemeend te zijn, verbleekten mijne zusters, en van dat
oogenblik af kon ik aan alles bemerken, dat ik hare genegenheid had
verloren, en zij mij geen goed hart toedroegen. Wij waren reeds in de
golf van Perzië, en bij den gunstigen wind dien wij hadden hoopte ik,
dat wij den volgenden dag de haven van Balsora zouden bereiken. Maar in
dienzelfden nacht, terwijl ik in een gerusten slaap lag, grepen mijne
zusters mij onverhoeds aan, en wierpen mij over boord. Met den prins
handelden zij op dezelfde verraderlijke wijze; hij zonk dadelijk naar de
diepte en verdronk. Ik wist mij eenigen tijd boven water te houden, en
bij geluk of liever als door een wonder voelde ik eensklaps grond onder
mijne voeten. Ik liep op goed geluk voort; het water, dat mij eerst
tot aan den hals stond, nam langzamerhand in diepte af, en reikte mij
weldra nog slechts tot aan de knieën. Spoedig bevond ik mij nu op het
drooge, en toen de dag aanbrak en ik de voorwerpen kon onderscheiden,
bemerkte ik, dat ik op een klein onbewoond eiland was. Nadat ik mijne
kleederen in de zon gedroogd had, wandelde ik dieper landwaarts in. Al
voortgaande, vond ik verscheidene soorten van vruchten en eindelijk ook
eene bron van zoet water, hetgeen mij hoop gaf, mijn leven zoo lang te
zullen kunnen rekken, totdat ik door den een' of anderen visscher, die
dit eiland aandeed, om zich van versch water of van vruchten te
voorzien, uit mijne ballingschap verlost werd.

Vermoeid van het omdolen, zette ik mij in de nabijheid van de bron onder
het lommer van een' boom neder. Eensklaps zag ik nu eene gevleugelde
slang van verbazende dikte en lengte op mij afkomen. De slang scheen
echter geen kwaad tegen mij in den zin te hebben, maar wrong en
kronkelde zich in allerlei bogten, hetgeen mij deed denken, dat zij
door het een of ander ongemak gekweld werd. Ik rigtte mij op, en nu
bespeurde ik, dat deze slang bij den staart werd vastgehouden door
eene andere, nog veel grooter, die haar trachtte te verslinden. Dit
maakte mijn mededoogen gaande, en in plaats van te vlugten, had ik de
tegenwoordigheid van geest en den moed, een' grooten steen, dien ik in
mijne nabijheid zag, op te rapen en met alle kracht naar de grootste
slang te werpen. Ik trof haar juist aan den kop, die geheel verpletterd
werd. Toen de andere slang bespeurde, dat zij van hare vijandin bevrijd
was, spreidde zij dadelijk de vleugels uit en vloog weg. Ik zag haar
eenigen tijd in de lucht na, als een voor mij vreemd verschijnsel, doch
toen ik haar uit het gezigt had verloren, zette ik mij weder in de
schaduw van den boom neder, en de vermoeijenis deed mij weldra
inslapen.

Bij mijn ontwaken zag ik tot mijne groote verwondering eene zwarte
vrouw voor mij, welke twee zwarte honden bij zich had, die even als
brakken met een' ketting aan elkander waren gebonden. De vrouw had
niets afschrikwekkends in haar wezen, maar hare oogen, die zij op
mij gevestigd hield, flonkerden als sterren bij helder weder. Ik
ging overeind zitten, en vraagde haar wie zij was en wat zij van mij
verlangde? „Ik ben,” antwoordde zij, „de slang, welke gij niet lang
geleden van hare wreedste vijandin hebt verlost. Ik meende de dienst,
welke gij mij hebt bewezen, niet beter te kunnen erkennen, dan op de
wijze, zoo als ik dit gedaan heb. Het trouweloos verraad van uwe zusters
was mij bekend, en ik besloot u deswege wraak te verschaffen. Zoodra
ik mij door uwe hulp in vrijheid bevond, nam ik eene menigte mijner
gezellinnen mede, die even als ik toovergodinnen zijn. Gezamentlijk
hebben wij de lading van uw schip naar Bagdad in uwe magazijnen
overgebragt, zonder dat er iets aan ontbreekt, en daarna deden wij het
schip vergaan. Deze twee zwarte honden zijn uwe zusters, aan welke ik
die gedaante heb gegeven. De straf is echter niet voldoende, en het is
mijne begeerte, dat gij er mede zult handelen, zoo als ik u zeggen zal.”

Bij deze laatste woorden, sloeg de toovergodin den regter arm om mijne
middel, en de beide honden onder den linker nemende, verhief zij zich in
de lucht, en bragt ons in een oogwenk naar Bagdad in mijne woning over.
En werkelijk vond ik in mijne magazijnen al de kostbaarheden terug,
waarmede mijn schip bevracht was geweest. Vóór dat zij van mij scheidde,
gaf de toovergodin de twee honden aan mij over, met de woorden: „Ik wil
en ik beveel u, in naam van hem, die de zee beroert en bruischen doet
als een' borrelenden tooverpot, dat gij iederen nacht aan elke van uwe
zusters honderd zweepslagen zult geven, om haar te straffen voor de
misdaad, welke zij aan u en aan den jongen prins hebben begaan, die
dit met den dood heeft moeten bekoopen. Schiet gij hierin te kort,”
vervolgde de toovergodin op dreigenden toon, „scheldt gij haar slechts
een' enkelen slag kwijt, zoo zult gij even als zij in eenen hond worden
veranderd, en ik zelve zou u aan die straf niet kunnen onttrekken, want
hij, die het mij bevolen heeft, is magtiger dan ik.”

Er bleef mij alzoo niets anders over dan haar bevel te volgen, want al
had ik mij ook voor mijne zusters willen opofferen, zij zouden daarbij
geene baat gevonden hebben. Doch gij zijt getuige geweest, Sire! van die
strafoefening, en ook hoe ik met mijne zusters geweend heb, omdat ik
gedwongen ben, haar dus te mishandelen, niettegenstaande mijn hart er
onder bloedt, en ik haar reeds lang heb vergeven. Uwe majesteit kan dus
zelve oordeelen, of ik niet meer te beklagen ben dan te verachten. Is er
echter nog iets, dat mij betreft, Sire! en dat gij moogt wenschen te
weten, mijne zuster Amine zal er u in het verhaal van hare lotgevallen
de opheldering van geven.”

       *       *       *       *       *

Toen de kalif Zobeïde met bewondering had aangehoord, liet hij de
bevallige Amine door zijn' groot-vizier verzoeken, hem nu op hare beurt
bekend te maken met de oorzaak van die vele en diepe likteekenen, welke
hij bij haar, tot zijne groote verbazing, had opgemerkt.


GESCHIEDENIS VAN AMINE.

„Beheerscher der geloovigen!” zoo ving zij haar verhaal aan, „ten
einde uwe majesteit niet te vervelen, door in herhaling te vervallen
omtrent zaken, welke u reeds bekend zijn uit de geschiedenis van mijne
zuster, zal ik u alleen zeggen, dat mijne moeder, voor zich zelve een
afzonderlijk huis betrokken hebbende, waarin zij haren weduwenstaat
wilde doorbrengen, mij uithuwelijkte aan een' der rijkste kooplieden
van deze stad, terwijl zij mij als bruidschat mijn vaderlijk erfdeel
uitkeerde.

Ik was naauwelijks een jaar gehuwd, toen ik weduwe werd en in het volle
bezit kwam der nalatenschap van mijn' man, welke zeer aanzienlijk was
en meer dan negentig duizend sequinen beliep. Alleen de rente van dit
kapitaal was voor mij voldoende, om op een' goeden voet te leven. Zoodra
de eerste zes maanden van mijn' rouw voorbij waren, liet ik mij tien
verschillende kleederdragten maken, zoo prachtig, dat elk kleed mij op
duizend sequinen te staan kwam, en na verloop van een jaar begon ik die
te dragen.

Op zekeren dag, dat ik geen gezelschap had, en mij met eenige
huisselijke zaken onledig hield, kwam men mij zeggen, dat er eene dame
was, die mij verlangde te spreken. Ik gaf last haar binnen te laten.
Het was eene reeds hoog bejaarde vrouw. Zij groette mij door met het
hoofd ter aarde te buigen, en op hare knieën liggende, sprak zij mij
met deze woorden aan: „Mevrouw, ik bid u, mij de vrijheid te vergeven,
die ik neem door u lastig te vallen. Het vertrouwen, dat ik in uwe
edelmoedigheid stel, is alleen in staat, mij zoo stoutmoedig te maken.
Ik moet u dan zeggen, mijne hooggeëerde dame, dat ik eene kleindochter
heb, eene wees, welke heden in het huwelijk zal treden. Wij zijn hier
echter vreemdelingen, en hebben in deze stad volstrekt geene kennissen.
Dit brengt ons in groote verlegenheid, want wij wenschen aan de
aanzienlijke familie, waarmede wij ons verbinden zullen, te doen
gevoelen, dat ook wij hier geene onbekenden zijn en eenige achting
genieten. Het is daarom, mijne edelmoedige dame, dat wij ons ten hoogste
aan u verpligt zouden rekenen, indien gij goed kondet vinden ons op de
bruiloft met uwe hooggeachte tegenwoordigheid te vereeren. Gij zoudt
ons daardoor hoogst gelukkig maken, omdat de familie, met welke wij ons
zullen verbinden, niet anders dan goede gedachten van ons zal kunnen
hebben, zoodra zij zien zal, dat eene dame van uwen rang, het niet
beneden hare waardigheid heeft geacht, ons hare tegenwoordigheid te
schenken. Maar helaas! indien gij onze nederige bede afslaat, welk eene
teleurstelling zal dit voor ons zijn! Wij zouden dan niet weten, tot wie
anders ons te wenden.”

Deze toespraak, welke de goede dame deed vergezeld gaan van hare tranen,
bewoog mij om medelijden met haar te hebben. „Mijne goede moeder,” zeide
ik, „ik wil u het genoegen wel aandoen, waarom gij mij verzoekt; zeg
mij slechts, waar ik moet wezen; ik verlang niet meer tijd, dan noodig
is, om mij daarvoor te kleeden.” De oude dame was door dit antwoord van
vreugde opgetogen, en kuste mijne voeten, eer ik dit kon beletten.
„Mijne edelmoedige dame,” hernam zij, zich weder oprigtende, „Allah zal
u de goedheid vergelden, welke gij voor uwe dienstmaagd hebt, en uw
hart verblijden, gelijk gij het onze verblijdt. Het is echter niet
noodig, dat gij u de moeite geeft naar onze woning te zoeken, of dat
gij u overhaast; het is voldoende, dat gij tegen den avond gereed zijt,
wanneer ik zelve u zal komen afhalen. Ontvang de betuigingen van mijnen
eerbied, Mevrouw,” voegde zij er bij, „ik hoop u weldra weder te zien.”

Zoodra zij mij had verlaten, nam ik uit mijne garderobe dat kleed,
hetwelk ik meende, dat mij het bevalligst stond, benevens een kostbaar
parelsnoer, braceletten, ringen en oorhangers die van diamanten
fonkelden. Het was, als of ik een voorgevoel had van hetgeen mij te
wachten stond.

Reeds begon het avond te worden, toen de oude dame zich liet aanmelden.
De vreugde stond op haar gelaat te lezen. Zij kuste mij de hand en
zeide: „Lieve dame, de bloedverwanten van mijn' aanstaanden schoonzoon
zijn reeds allen in mijne woning bijeengekomen; zij behooren tot de
aanzienlijksten van deze stad, en het zal hun voorzeker eene groote
vreugde zijn, u in hun midden te zien. Mag ik thans de eer hebben u ten
mijnent te geleiden?”

Wij begaven ons zonder verwijl op weg; zij ging vooruit en ik volgde
haar met een groot aantal mijner slavinnen, welke allen sierlijk
uitgedost waren. Wij hielden stil in eene breede straat, voor een
sierlijk gebouw met eene dubbele poort, door eene groote lantaarn
verlicht, bij wier licht het mij niet moeijelijk viel, het met gouden
letters boven de poort geplaatste opschrift te lezen: „_Hier is het
verblijf van eeuwigdurende vreugde en van vermaak._” De oude dame
klopte aan en oogenblikkelijk werden de vleugeldeuren geopend. Men
bragt mij over het binnenhof naar het hoofdgebouw en geleidde mij in
eene prachtige zaal, waar ik werd ontvangen door eene jonge dame van
onvergelijkelijke schoonheid. Zij kwam naar mij toe, omhelsde mij en
deed mij naast zich plaats nemen op eene sofa, onder een' troonhemel van
kostbaar hout en met gouden platen en kostbare edelgesteenten ingelegd.
„Mevrouw!” sprak zij op een' innemenden toon, „men heeft u verzocht hier
te komen, om eene bruiloft bij te wonen, maar ik hoop, dat die bruiloft
van anderen aard zal zijn, dan gij u dit hebt voorgesteld. Ik heb een'
broeder, van wien ik zonder overdrijving durf zeggen, dat hij de
schoonste en welgemaaktste van alle mannen is. Hij is zoo opgetogen door
den lof van uwe schoonheid, dat zijn lot in uwe handen is, en dat hij
zeer ongelukkig zal zijn, zoo gij geen medelijden met hem hebt. De rang,
dien gij in de wereld bekleedt, is hem bekend, en ik kan u verzekeren,
dat de zijne daarbij niet behoeft achter te staan. Indien mijne bede,
mevrouw, iets op u vermag, zoo voeg ik die bij de zijnen, en ik smeek u
het aanbod van zijn hart en van zijne hand, dat hij u door mij laat
doen, niet af te wijzen.”

Sedert den dood van mijn' man, had ik nog aan geen tweede huwelijk
gedacht, maar ik had de kracht niet aan eene zoo schoone en beminnelijke
jonge dame iets te weigeren. Zoodra had ik niet door een veel
beteekenend zwijgen en door het rood, dat mijne wangen kleurde, mijne
toestemming gegeven, of zij klapte in de handen en uit een zijvertrek
trad een jongeling te voorschijn van zulk een belangwekkend voorkomen en
van eene zoo mannelijke schoonheid, dat ik er door getroffen werd. Hij
zette zich bij mij neder, en in het gesprek, dat wij voerden, liet hij
zooveel geest en kennis doorstralen, dat ik de overtuiging bekwam, dat
zijne zuster, zijne verdiensten prijzende, nog verre beneden de waarheid
was gebleven.

Toen de jonge dame zag, dat wij over elkander tevreden waren, klapte
zij andermaal in de handen en een kadi[1] trad binnen. Deze stelde
zonder verwijl ons huwelijks-contract op, teekende het, en liet het ook
teekenen door de vier getuigen, die hij tot dat einde had medegebragt.
De eenige zaak, welke mijn nieuwe echtgenoot van mij begeerde, was dat
ik nimmer met een' anderen man zou spreken, en mijn gelaat alleen voor
hem ontsluijeren. Hij zwoer mij, dat ik, onder die voorwaarden, alle
reden zou hebben over hem tevreden te zijn. Op deze wijze werd ons
huwelijk gesloten en voltrokken, zoodat ik de voornaamste persoon werd
op eene bruiloft, waarop ik alleen als genoodigde dacht te verschijnen.

[1] Een _kadi_ is een Turksche regter of regtsgeleerde.

Eene maand na ons huwelijk verzocht ik aan mijn' man verlof om te mogen
uitgaan, ten einde op de bazar eenige inkoopen te doen. Hij stond mij
dit toe, en tot gezelschap, nam ik de oude dame mede, van wien ik reeds
gesproken heb, en die tot ons huis behoorde, benevens twee van mijne
slavinnen.

Toen wij op de bazar kwamen, zeide de oude dame tot mij: „Mijne
goede meesteres, daar gij naar eene zijden stof zoekt van groote
zeldzaamheid, zal het 't best zijn, dat ik u breng bij een' jongen
koopman, dien ik ken. Zijn magazijn is zeer ruim voorzien van de rijkste
stoffen. Gij zult bij hem, zonder dat gij u de moeite behoeft te geven
van den eenen winkel in den anderen te gaan, zeer zeker vinden, wat gij
zoekt, beter dan ergens anders.” Ik liet mij geleiden, en wij traden
den winkel binnen van een' jongen koopman, die er vrij wel uitzag. Ik
zette mij neder, en liet hem door de oude dame zeggen, dat hij mij
eenige stukken zijde, van de allerfijnste en kostbaarste die hij in
zijnen winkel had, zou laten zien. De oude wilde, dat ik zelve hem deze
vraag zou doen, maar ik weigerde dit, en zeide tot haar, dat eene der
voorwaarden van mijn huwelijk was, dat ik met geen' man, behalve met
mijn' echtgenoot, zou spreken, en dat ik mij daaraan ook getrouw wilde
houden.

De koopman liet mij verscheidene stukken zijde zien, en toen mijne keus
bepaald was, liet ik hem naar den prijs vragen. Hij gaf aan de oude
vrouw ten antwoord: „Uwe meesteres heeft een' goeden smaak; dit is de
schoonste en kostbaarste stof, die ik in mijn magazijn heb; ik wil ze
haar noch voor zilver, noch voor goud verkoopen; maar ik zal haar het
stuk ten geschenke geven, indien zij mij wil toestaan haar een' kus op
de wang te geven.” Ik beval aan de oude vrouw hem te zeggen, dat hij wel
vermetel was, om mij zulk een voorstel te doen. In plaats echter van te
gehoorzamen, hield zij mij voor oogen, dat, hetgeen de koopman vraagde
juist geene zaak van aanbelang was; dat niet van mij werd gevorderd om
tot hem te spreken, maar dat ik niets te doen had dan hem mijne wang
aan te bieden, en dat een zoen spoedig gegeven, en even spoedig weder
vergeten is. Mijne begeerte om de stof, die ik voor geen geld kon
bekomen, in mijn bezit te hebben, was zoo sterk, dat ik onnoozel
genoeg was mij te laten overhalen. De oude dame en de beide slavinnen
plaatsten zich voor mij, opdat geen nieuwsgierig oog mij van de straat
zou kunnen bespieden. Ik schoof mijnen sluijer op zijde, doch in plaats
van mij te kussen, beet de koopman mij in de wang, dat zij bloedde.

De smart en nog meer de schrik deden mij in zwijm vallen. Men droeg mij
naar buiten, en de koopman, van de verwarring gebruik makende, sloot
zijn' winkel en ontvlugtte. Toen ik weder tot bewustzijn kwam, voelde
ik dat mijne wang geheel bebloed was. De oude dame en mijne slavinnen
hadden inmiddels zorg gedragen, om mijn gelaat met mijn' sluijer te
bedekken, opdat de menschen, die ons omringden, in den waan zouden
blijven, dat ik slechts eene flaauwte had gekregen.

De oude vrouw was geheel ter neêrgeslagen over een voorval, waartoe zij
door haren onvoorzigtigen raad aanleiding had gegeven. Zij trachtte mij
echter, zoo veel in haar vermogen was, gerust te stellen omtrent de
gevolgen van mijne dwaze toegeefelijkheid. „Mijne goede meesteres!”
sprak zij met tranen in de oogen, „ik moet u duizendmalen om vergiffenis
vragen, daar ik oorzaak ben van dit ongeluk. Ik heb u bij dezen koopman
gebragt, omdat het een landgenoot van mij is, en nooit zou ik hem in
staat hebben geacht tot eene zoo boosaardige handelwijze, waarvan ik te
vergeefs de reden tracht te gissen. Maar geef u niet te zeer aan uwe
droefheid over; haasten wij ons om naar huis te gaan, ik ben in het
bezit van een kostbaren balsem, die de kracht heeft uwe wond in drie
dagen tijds zoo volkomen te genezen, dat er niet het minste lidteeken
van zal achterblijven.”

Mijne flaauwte had mij zoo verzwakt, dat ik naauwelijks kon gaan.
Ondersteund door mijne slavinnen, bereikte ik echter mijne woning;
doch naauwelijks bevond ik mij op mijne kamer, toen mij eene nieuwe
bezwijming overviel. De oude dame verzuimde inmiddels niet, eene
pleister met hare wonderzalf op mijne wang te leggen; ik kwam weder tot
mij zelven, en begaf mij terstond te bed. Het was reeds nacht, toen mijn
man bij mij kwam. Zoodra hij bemerkte, dat mijn hoofd met een' doek was
omwonden, vraagde hij met belangstelling wat mij scheelde. Ik gaf voor
hoofdpijn te hebben, en vleide mij dat het daarbij zou blijven. Maar
ik had mij vergist. Mijn echtgenoot nam eene waskaars van eene der
candelabers, en toen hij bijlichtte, bespeurde hij de wonde aan mijne
wang, of liever de daarop liggende pleister. „Van waar deze wonde?”
vraagde hij. Hoewel ik niet zeer schuldig was, kon ik echter niet
besluiten voor de waarheid uit te komen; het gebeurde aan een'
echtgenoot te belijden, dat scheen mij met de welvoegelijkheid te
strijden. Ik vertelde hem, dat ik naar de bazar gaande, waartoe hij mij
verlof had gegeven, op weg een drager had ontmoet, die eene zware vracht
hout op het hoofd droeg, en zoo digt langs mij heen ging, dat een
vooruitstekende tak mij het gelaat had opengekrabt, doch dat het weinig
te beduiden had.

Mijn echtgenoot ontstak daarover in hevigen toorn. „Die daad,” zeide
hij, „zal niet ongestraft blijven. Zoodra de dag zal zijn aangebroken,
zal ik den officier van politie bevel geven, dat hij al die onbeschofte
dragers van de straat doe opvatten en aan de hoogste galg hangen.”
Daar ik vreesde de oorzaak te zullen zijn van den dood van zoo vele
onschuldige menschen, antwoordde ik hem: „Mijn geliefde man, het zou mij
zeer bedroeven, indien gij zulk eene groote onregtvaardigheid begingt,
ik bid u, doe dit niet. Ik zou het mij nimmer kunnen vergeven, indien ik
daartoe aanleiding had gegeven!” „Zeg mij dan in opregtheid,” hernam
hij, „wat ik van uwe wonde moet denken.”

Ik antwoordde hem, dat ik die wond had gekregen door den ezel van een'
bezemverkooper. De man, op zijn' ezel gezeten, was mij, zoo gaf ik voor,
achter op komen rijden, en daar hij het hoofd omgewend had, kon hij mij
niet zien, waardoor hij verzuimde zijn: „Plaats! berg u!” te roepen. De
ezel was mij nu zoo ruw tegen het lijf geloopen, dat ik gevallen was,
en mijne wang aan eene glasscherf, die op de straat lag, gekwetst had.
„Als dat zoo is,” zeide nu mijn man, „dan zal de zon niet aan den hemel
verrijzen of de groot-vizier Giafar zal van deze onbeschoftheid kennis
dragen, en al deze bezemverkoopers doen dooden.” „Bij Allah,” viel ik
hem in de rede, „ik bezweer u, het dezen ongelukkigen niet toe te
rekenen, zij zijn onschuldig.” „Hoe, Mevrouw!” antwoordde hij, „wat zal
ik ten laatste moeten gelooven? Spreek, ik wil volstrekt de waarheid uit
uwen mond hooren.”—„Beste man,” hernam ik, „ik kreeg eene duizeling en
ben gevallen; ziedaar de geheele zaak.”

Dit laatste gezegde deed mijn' echtgenoot het geduld verliezen. „Ha!”
riep hij, „reeds te lang heb ik uwe leugens aangehoord!” Dit zeggende,
klapte hij in de handen en drie zwarte slaven traden binnen. „Neem
deze dame van haar bed,” beval hij, „en leg haar in het midden van dit
vertrek op den grond.” De slaven volvoerden zijn bevel, en terwijl de
een mij bij het hoofd, de andere bij de voeten hield, beval hij aan den
derden slaaf een zwaard te halen. Toen de slaaf daarmede terugkwam,
riep mijn echtgenoot: „Sla toe, scheid haar ligchaam in twee stukken
en werp die in de Tigris tot spijs voor de visschen! Zoo straf ik de
trouweloosheid van haar, aan wien ik mijne liefde heb geschonken.”

Toen mijn man zag, dat de slaaf geen haast maakte, om aan dit wreede
bevel te gehoorzamen, herhaalde hij het, zeggende: „Sla toe dan! wat
weêrhoud u, waarop wacht gij?” „Mevrouw!” zeide toen de slaaf tot mij,
„gij hebt nog slechts een oogenblik te leven; bezin u wel of gij, vóór
dat de dood u treft, ook nog iets hebt te bevelen.”

Ik vraagde verlof om een woord te mogen spreken. Dit werd mij
toegestaan. Daarop mijn hoofd opheffende, en mijn echtgenoot teeder
aanziende, barstte ik in tranen uit en klaagde: „Helaas! tot welk een'
toestand ben ik gebragt! Zal ik dan in de schoonste dagen van mijn nog
jeugdig leven moeten sterven!” Ik wilde voortgaan, maar mijne tranen
en mijne zuchten beletten mij verder het spreken. Niets van dit alles
kon mijn' echtgenoot bewegen. Integendeel, hij deed mij de hevigste
verwijten, die ik niet noodig acht voor uwe majesteit te herhalen. Ik
nam nu mijne toevlugt tot smeekingen en gebeden, maar hij wilde er niet
naar hooren, en beval den slaaf zijn' pligt te doen.

Op dat ogenblik stormde de oude dame de kamer binnen, wierp zich aan
de voeten van mijn' echtgenoot, wiens voedster zij geweest was, en
beproefde zijn' toorn te doen bedaren. „Mijn zoon!” zeide zij, „aan
mijne borsten hebt gij gezogen, met mijne melk heb ik u gevoed, en ik
heb u in uwe jeugd verzorgd als eene teedere moeder; ik vraag daarvoor
van u geen ander loon dan dat gij aan deze ongelukkige vergiffenis
schenkt. Bedenk, dat volgens de wet van onzen grooten Profeet, de
doodslager niet onschuldig geacht zal worden; dat hij, die doodt, zelf
gedood zal worden, en dat gij gevaar loopt uw goeden naam en de achting
van alle weldenkende menschen te verliezen. Wat zal men zeggen van een'
toorn, die zich alleen door bloed laat stillen!” Deze woorden, die zij
door hare tranen deed vergezeld gaan, en haar smeekende op hem gerigte
blik, maakten op mijn' echtgenoot een' diepen indruk. „Welaan,” zeide
hij tot zijne voedster, „om uwentwil schenk ik haar het leven. Maar ik
wil, dat zij haar leven lang teekenen zal dragen, die haar aan haar
misdrijf zullen herinneren.”

Op deze woorden bragt een der slaven mij met eene rotting zoo vele en
zulke harde slagen in mijne zijde en op mijn' boezem toe, dat vel en
vleesch er werden afgescheurd, en ik door pijn en bloedverlies geheel
buiten kennis geraakte. In dien toestand liet hij mij door zijne slaven
opnemen en naar een afgelegen huis vervoeren. De oude dame, welke verlof
had gekregen om mij te verplegen, droeg inmiddels de grootste zorg voor
mij. Vier maanden moest ik het bed houden. Eindelijk herstelde ik, maar
de likteekens, welke uwe majesteit in den vorigen nacht mijns ondanks
gezien heeft, heb ik altijd behouden.

Zoodra ik mij sterk genoeg gevoelde om te kunnen uitgaan, wilde ik naar
het huis, dat ik van mijn' eersten man had, terugkeeren, doch ik vond
slechts de plaats waar het eenmaal gestaan had. Mijn tweede echtgenoot
had, in de hevigheid van zijnen toorn, niet alleen mijne woning, maar
de geheele straat omver laten halen. Deze daad van geweld is voorzeker
ongehoord, en kan door niets verschoond worden; maar tegen wien zou ik
mijne klagt indienen? De bewerker van die willekeurige handelwijze had
zijne maatregelen zoo goed genomen, dat ik hem niet op het spoor kon
komen. De oude dame, van wie ik moest veronderstellen, dat zij beter met
den waren naam en den eigenlijken stand van mijn' wreeden echtgenoot
bekend was dan ik zelve, wilde zich daarover niet uitlaten. Bovendien,
al ware ik er ook in geslaagd, hem te ontdekken, was het mij niet
duidelijk genoeg, dat de behandeling mij aangedaan, het werk was van
eene onbeperkte magt? Zou ik zelfs wel den moed hebben, mij daarover te
beklagen?

Mistroostig en van alles ontbloot, nam ik mijne toevlugt tot mijne
geliefde zuster Zobeïde, en ik verhaalde haar, onder het storten van
een' vloed van tranen, mijne ongelukken in mijn tweede huwelijk. Zij
ontving mij met hare gewone goedheid, en moedigde mij aan om mijn lot
met lijdzaamheid te dragen. „Lieve zuster!” zeide zij, „gij hebt veel
ondervonden en veel geleden, maar zoo is de loop dezer wereld; niets is
hier bestendig; heden zijn wij rijk en gelukkig, en morgen van alles
beroofd. De dood ontneemt ons onze vrienden of een' dierbaar voorwerp,
in wiens liefde wij ons verblijden, en met wien wij ons in de toekomst
een' hemel van zaligheid droomden.” En om mij een bewijs te geven, dat
zij bij ondervinding dus mogt spreken, maakte zij mij bekend met hare
liefde voor den jongen prins, dien zij in de versteende stad had
aangetroffen, en die een zoo treurig einde ten deel was gevallen door de
jaloerschheid onzer zusters. Zij vertelde mij ook hoe deze, tot hare
straf, in honden veranderd waren, en dat zij haar, op bevel van de
toovergodin, elken nacht op het strengste moest kastijden, eene taak,
die haar zeer zwaar viel. Na mij nog vele bewijzen van hare liefde
gegeven te hebben, stelde ik mij ook voor aan hare jongste zuster, welke
sedert den dood van onze moeder bij haar inwoonde.

Wij danken Allah, dat hij ons op eene zoo zonderlinge wijze bij elkander
had gebragt, en wij namen ons voor onze vrijheid te behouden, en niet
weder te scheiden, vóór dat de dood ons daartoe noodzaken zou. Reeds
lang hebben wij te zamen een rustig leven geleid, en daar ik belast ben
met de huishoudelijke uitgaven, heb ik er vermaak in, de levensmiddelen,
die wij noodig hebben, zelve in te koopen. Met dat doel was ik gisteren
uitgegaan, en daar de drager, van wien ik mij bediende om de waren,
welke ik in onderscheidene winkels gekocht had naar huis te brengen,
blijken gaf van een geestig en in den omgang aangenaam mensch te zijn,
hielden wij hem bij ons, om ons met hem te vermaken. De avond was
reeds gevallen, toen deze calenders ons verzochten hen voor dien nacht
huisvesting te geven. Wij namen hen in, echter onder ééne voorwaarde,
die zij aannamen. Nadat wij hen aan tafel gul onthaald hadden,
vergastten zij ons op een concert, toen er andermaal aan de deur werd
geklopt. Ditmaal waren het drie kooplieden van Moussoul. Zij deden ons
een gelijk verzoek als de calenders, en werden onder dezelfde voorwaarde
in ons gezelschap toegelaten, want hun voorkomen was zeer gunstig, en
deed ons de beste gedachten van hen koesteren. Doch deze heeren hielden
hunne belofte evenmin als de anderen. Wij hadden de magt en waren in ons
goed regt hen daarvoor te straffen, maar wij vergenoegden ons, met hen
hunne geschiedenissen te laten vertellen, en wij namen geene andere
wraak, dan hen vervolgens weg te zenden, en hun eene wijkplaats te
ontzeggen, welke zij verbeurd hadden.”

       *       *       *       *       *

De kalif Haroun-al-Raschid was zeer tevreden, dat aan zijne
nieuwsgierigheid voldaan was, en betuigde openlijk zijne bewondering
over de verhalen van al de vreemde gebeurtenissen, die hij had
aangehoord.

Deze groote monarch liet het echter hierbij niet blijven. Hij besloot
aan de drie calenders, koningszonen, en aan de drie dames een doorslaand
bewijs te geven van zijne grootmoedigheid. Zonder zich ditmaal van de
tusschenkomst van zijnen groot-vizier te bedienen, rigtte hij zelf het
woord tot Zobeïde: „Mejufvrouw,” zeide hij, „heeft de toovergodin,
welke zich eerst aan u in de gedaante van eene slang vertoonde, en
u later zulk een' zwaren taak opdroeg, niet gezegd, waar gij haar des
verlangende kunt vinden; of liever, heeft zij u niet beloofd terug te
komen, om na zeker tijdsverloop aan uwe twee in zwarte honden veranderde
zusters hare natuurlijke gedaante terug te geven?”

„Beheerscher der geloovigen!” antwoordde Zobeïde, „ik heb nog vergeten
aan uwe majesteit te zeggen, dat de toovergodin mij een pakje met
haar heeft ter hand gesteld, met de verzekering, dat, mogt hare
tegenwoordigheid door mij verlangd worden, ik daarvan slechts twee
haartjes behoefde te verbranden, dan zou zij oogenblikkelijk bij mij
zijn, al ware zij op dat tijdstip aan gene zijde van den berg Kaukasus.”
„Mejufvrouw,” hernam de kalif, „waar hebt gij dat pakje met haar?”
Zobeïde antwoordde, dat zij dit van het oogenblik af, dat het haar
door de toovergodin werd gegeven, altoos als een kostbaar voorwerp in
een medaillon om haren hals had gedragen. Dit zeggende, nam zij het
medaillon, dat zij aan een gouden kettingje op haren boezem had hangen,
opende het en toonde het pakje. „Welnu,” sprak de kalif, „doe de
toovergodin hier komen; gij zoudt haar op geen voegzamer tijdstip kunnen
ontbieden, omdat ik het zoo begeer.”

Zobeïde verzocht dat men haar een komfoor met vuur zou brengen. In
plaats van twee haartjes legde zij er het geheele pakje met haar op,
dat terstond ontvlamde. Op het eigen oogenblik schudde het paleis op
zijne grondvesten, en de toovergodin verscheen voor den kalif, onder
de bekoorlijke gedaante van eene schoone en prachtig gekleede dame.
„Beheerscher der geloovigen!” sprak zij, „zie mij gereed uwe bevelen te
ontvangen. De dame, welke mij op uw bevel heeft ontboden, heeft mij
eenmaal eene gewigtige dienst bewezen. Om haar daarvoor mijn' dank te
betoonen, heb ik haar wraak verschaft over het verraad van hare zusters,
door deze in honden te veranderen, doch als uwe majesteit het begeert,
ben ik bereid haar hare vorige gestalte terug te geven.”

„Schoone nimf,” antwoordde de kalif, „gij zoudt mij geen grooter
genoegen kunnen doen; bewijs haar die gunst. Daarna zal ik middelen
bedenken om haar te troosten over de harde straf welke zij ondergaan
hebben. Maar vooraf heb ik u nog een verzoek te doen, ten gunste van
eene dame, hier tegenwoordig, welke door haar' man op eene barbaarsche
wijze werd mishandeld. Daar gij vele zaken weet, die voor ons
stervelingen verborgen zijn, zoo vertrouw ik, dat gij mij ook in deze
zaak kunt helpen; verpligt mij alzoo door mij den naam te zeggen van
den barbaar, die, niet tevreden haar dus mishandeld te hebben, haar nog
beroofd heeft van al wat zij van haar' eersten man bezat. Het verwondert
mij, dat zulk eene onregtvaardige en onmenschelijke daad, waardoor mijn
gezag werd beleedigd, niet te mijner kennis is gekomen.”

[Illustratie: Geschiedenis van Sindbad den Zeeman.

                                                       Dl. II, pag. 33.]

„Om uwe majesteit genoegen te geven,” antwoordde de toovergodin, „zal ik
de beide honden hare vorige gestalte hergeven. De dame, door u bedoeld,
zal ik genezen van hare likteekens, zoodat daarvan niet het geringste
spoor zal overblijven, en vervolgens zal ik u ook hem noemen, die haar
dus heeft mishandeld.”

De kalif beval daarop de honden uit Zobeïde's woning te halen. Zijn
bevel werd met den meesten spoed volbragt. De toovergodin vroeg nu eene
kom met water, sprak daarover eene reeks onverstaanbare woorden uit,
en vervolgens eenige droppelen van dit water nemende, wierp zij die
op Amine en op de beide honden. Naauwelijks was dit geschied, of de
laatsten veranderden in twee dames van uitstekende schoonheid, en de
likteekens van Amine waren verdwenen.

Toen zeide de toovergodin tot den kalif: „Beheerscher der geloovigen, er
blijft mij nog over u den onbekenden echtgenoot van deze dame te noemen.
Hij bestaat u van zeer nabij want het is uw oudste zoon, de prins
Amindar. Het gerucht van Amine's schoonheid deed den prins in liefde
voor haar ontsteken; hij wist haar naar zijne woning te lokken, en heeft
haar gehuwd. De mishandeling, welke hij haar heeft doen ondergaan, is
eenigzins te verontschuldigen. Mevrouw zijne echtgenoot had zich te
veel vrijheid veroorloofd, en de verontschuldigingen, die zij inbragt,
droegen het kenmerk der onwaarheid, en moesten hem doen denken, dat zij
zich aan eene veel grootere misdaad had schuldig gemaakt, dan inderdaad
het geval was. Had zij hem hare fout beleden, de zaak zou zoo ver niet
gekomen zijn, maar wie zich door een' leugen zoekt te redden, zal
daarbij nimmer wel varen. Dit is alles, wat ik uwe majesteit te zeggen
heb, om haar verlangen te bevredigen.” Na deze woorden groette zij den
kalif en verdween.

Deze monarch, opgetogen van verwondering, en tevreden ever hetgeen door
zijne tusschenkomst had plaats gehad, deed daden, waarvan de late
nakomelingschap nog met lof zal spreken. Eerst liet hij den prins
Amindar, zijn' zoon, ontbieden, en zeide hem, dat hij met zijn geheim
huwelijk bekend was, terwijl hij hem te gelijk mededeelde, bij welke
gelegenheid Amine de wond aan hare wang had bekomen, en dat alleen
schaamte over hare onbezonnen daad haar had weêrhouden, hem dit te
belijden en zijne vergiffenis af te smeeken.—De prins liet zijnen vader
niet verder voortgaan, hij wachtte niet tot deze er van sprak, van haar
weder in gunst aan te nemen, maar hij deed dit terstond uit eigen
beweging. Vervolgens verklaarde de kalif, dat hij zijn hart en zijne
hand aan Zobeïde schonk. Hare drie zusters bestemde hij voor de drie
calenders, koningszonen, die dit geschenk met vreugde aannamen. Hij wees
aan elk hunner een prachtig paleis in Bagdad tot woning aan, verhief hen
tot de eerste waardigheden in zijn rijk en gaf hun zitting in zijnen
raad. Zoo verwierf zich de beroemde kalif Haroun-al-Raschid duizend
zegeningen, door zoo vele menschen gelukkig te maken, die met
ongeloofelijke rampspoeden hadden te worstelen gehad.




GESCHIEDENIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.


Onder de regering van denzelfden Haroun-al-Raschid, leefde er te Bagdad
een arme drager, Hindbad genaamd. Op een' zeer heeten dag moest hij eene
zware vracht dragen van het eene einde der stad naar het andere. Daar
hij door den langen weg, dien hij reeds had afgelegd, zeer vermoeid was,
zocht hij eene schaduwrijke plaats, legde zijne vracht af en ging daarop
zitten, ten einde een weinig uit te rusten. Hij bevond zich tegenover
een prachtig paleis, uit welks openstaande vensters hem eene fraaije
muzijk tegenklonk! Werd hierdoor het gehoor van onzen drager gestreeld,
zijn neus ging niet minder te gast aan den lekkeren reuk van gebak en
gebraad, welke hem uit een der keukenvensters tegenkwam. „Hier geeft
men een feest en leeft men zonder zorgen,” dacht onze arme drager,
„wie zou toch de gelukkige bewoner van dit paleis zijn?” Om zijne
nieuwsgierigheid te bevredigen trad hij naderbij, en vroeg aan een' der
prachtig uitgedoschte lakkeijen, die hij aan de deur zag staan, den naam
van zijn' heer. „Hoe,” zeide de lakkei, op een' toon van verwondering,
„gij zijt een inwoner van Bagdad, en gij weet niet, dat dit de woning is
van Sindbad den zeeman, van den beroemden reiziger, die alle zeeën en
landen, welke door de zon worden beschenen, bezocht heeft!” Onze drager
had van den onmetelijken rijkdom van dezen Sindbad dikwijls hooren
spreken en benijdde een man, die in zijne oogen even zoo gelukkig moest
zijn, als hij zelf te beklagen was. Met deze ontevreden gedachten
bezield, blikte hij ten hemel, en sprak, luide over zijn lot morrende:
„O Allah! Schepper en Bestierder der geloovigen, waartoe toch het
onderscheid tusschen dezen Sindbad en mij? Ik moet dagelijks hard
werken, hitte en koude verduren, om een schamel stukje brood voor mij
en mijn gezin te verdienen, terwijl deze gelukkige zijne schatten in
ledigheid verteert en een vrolijk en weelderig leven leidt. Wat heeft
hij gedaan, dat Gij hem met zulk een gelukkig lot bedeelt? En wat heb ik
misdreven, om zulk een hard leven te moeten leiden?” Bij deze laatste
woorden stampte hij met den voet op den grond, en sloeg zich met de
vuist voor het hoofd.

Nog was de drager in deze wanhopige gedachten verdiept, toen een der
knechten uit het paleis hem naderde, hem bij den arm greep en zeide:
„Haast u en volg mij. Mijnheer Sindbad, mijn meester, wil u spreken.”

Hindbad gevoelde zich bij deze toespraak niet zeer op zijn gemak. Hij
werd bevreesd, dat men zijne voor den heer des huizes niet vleijende
gezegden had gehoord, en dat Sindbad hem nu liet ontbieden, om hem
daarover door te halen of te straffen. Hij verontschuldigde zich dus,
dat hij zijne vracht niet onbewaakt op straat kon laten liggen, maar de
lakkei zeide, dat men daarvoor zorg zou dragen, en drong zoo sterk bij
hem aan, dat de drager, hoewel schoorvoetende, zich naar binnen liet
geleiden.

De lakkei bragt hem in eene groote zaal, waar een aanzienlijk gezelschap
aan tafel zat. Op die tafel stond eene keur der heerlijkste spijzen te
dampen. Aan het boveneinde zat een nog krachtvol grijsaard van een
ernstig en, door zijn' langen witten baard, achtbaar voorkomen. Achter
zijn' prachtigen zetel stonden eene menigte bedienden, die allen zich
beijverden om op zijne wenken te letten. Deze zoo gevierde persoon was
Sindbad.

Het gezigt van zulk een aanzienlijk gezelschap en de pracht, die alom
heerschte, bragten den armen drager zoo van zijn stuk, dat hij als een
misdadiger stond te beven. Sindbad wenkte, dat hij naderbij zou komen,
zette hem aan zijne regterhand, diende hem van het lekkerste dat op
zijne tafel stond, en deed hem inschenken van den fijnen wijn, waarmede
het buffet als overladen was.

Toen nu de drager goed gegeten en gedronken had, en ook de overige
gasten verzadigd waren, nam de gastheer het woord, en zich tot Hindbad
wendende, zeide hij, de zeden der Arabieren volgende, als zij zeer
gemeenzaam met iemand spreken: „Broeder! mag ik uw' naam weten, en ook
welk beroep gij uitoefent?” „Heer,” luidde het antwoord, „ik heet
Hindbad en ben drager van beroep.” „Het verheugt mij u hier te zien,”
hernam Sindbad, „en ik durf u de verzekering geven, dat gij ook mijnen
gasten aangenaam zijt, maar ik wensch uit uw' eigen mond te vernemen,
wat gij daar zoo even op straat gezegd hebt. Voor mijn raam staande, heb
ik eenige woorden daarvan opgevangen, en daarom stel ik er belang in,
hiervan meer te weten.”

Op deze vraag nam de verlegenheid van Hindbad toe; hij sloeg de oogen
neêr, en zeide op een' toon, die zijne ontsteltenis verried: „Mijnheer,
ik moet u ronduit bekennen, dat ik, in de misnoegde stemming, waarin ik
mij bevond, eenige onwelvoegelijke woorden heb geuit, ik smeek u mij dit
te vergeven.” „Stel u gerust, broeder,” hernam Sindbad, „vrees niet,
dat ik daarover geraakt ben. Integendeel ik kan mij zeer goed in uw'
toestand verplaatsen, en in plaats van u over uwe morrende taal eenig
verwijt te doen, beklaag ik u veeleer! Mijne wensch is alleen u uit eene
dwaling te helpen, waarin gij omtrent mij schijnt te verkeeren. Gij
verbeeldt zeker, dat ik het aangename en rustige leven, dat ik thans mag
leiden, zonder moeite of arbeid heb verkregen; hierin tast gij mis. Ik
ben eerst zoo gelukkig geworden na eene reeks van jaren meer gewerkt
en meer doorgestaan te hebben, dan gij of iemand anders zich kan
verbeelden. Ja, mijne heeren!” vervolgde hij, zich thans tot het geheele
gezelschap wendende, „ik kan u verzekeren, dat mijne werkzaamheden en
rampen van zulk een' buitengewonen aard waren, dat zij in staat zouden
zijn den begeerigsten den lust te ontnemen om de schatten, die zij in
hun vaderland niet kunnen vinden, over zee en in verre gewesten te gaan
zoeken. Gij zult waarschijnlijk slechts bij gerucht gehoord hebben van
mijne zonderlinge lotgevallen en van de tallooze gevaren, die ik op
mijne zeven zeereizen heb doorgestaan. Vermits zich daartoe thans de
gelegenheid voordoet, wil ik er u een getrouw verslag van geven. Ik durf
mij zelfs vleijen, dat gij geen berouw zult hebben, mij een aandachtig
oor te hebben verleend.”

Daar Sindbad met het verhaal zijner geschiedenis hoofdzakelijk beoogde,
den drager van zijne dwaling te overtuigen, gaf hij last, dat men zijn
pak binnenshuis halen en bergen zou, ter plaatse waar Hindbad dit mogt
verlangen. Toen ving hij aldus aan:


EERSTE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Ik had van mijne familie een aanzienlijk vermogen geërfd; doch in
mijne jeugd bragt ik daarvan het grootste gedeelte op eene onbezonnen
wijze door. Eindelijk echter kwam ik van mijne verblinding terug en
begon in te zien, dat ook de grootste rijkdom niet onuitputtelijk is,
en dat alzoo bij mijne verkwistende levenswijze mijn erfdeel weldra
verteerd zou zijn. Ik overwoog ook, hoe dwaas het was den kostbaren
tijd, die nimmer terugkeert, in ijdelheid en in een ongeregeld leven
door te brengen, in plaats van die te besteden tot mijn eigen heil
en tot nut van mijne medemenschen. Nog kwam het mij als een dreigend
spookbeeld voor den geest, dat er geene grootere ellende op deze aarde
is, dan arm te zijn in den dag des ouderdoms. Ik herinnerde mij daarbij
de woorden van den wijzen Salomo, die ik van mijn' vader meermalen
gehoord had: „Het is beter in het graf te zijn dan in armoede.”

Al deze overwegingen maakten een' diepen indruk op mij, en ik besloot
het overschot van mijn erfdeel bijeen te verzamelen en daarmede mijn
voordeel te doen. Ik liet al mijne kostbare meubelen in het openbaar aan
de meestbiedenden verkoopen. Ik vereenigde mij met eenige kooplieden,
die op zee handel dreven, en vraagde raad aan verstandige lieden, die
met den handel goed bekend waren. Ik besteedde het weinige dat mij van
mijn kapitaal overbleef, om er die waren voor in te koopen, waarop,
volgens hun zeggen, eene goede winst te verwachten was. Ik liet die naar
Balsora overbrengen, alwaar wij ons inscheepten op een groot schip, dat
wij voor gezamentlijke rekening hadden aangekocht en uitgerust.

Wij gingen onder zeil en zetten koers naar Oost-Indië door den
Perzischen zeeboezem, die ten Westen begrensd wordt door de kust van
Gelukkig Arabië en ten Oosten door die van Perzië, wiens grootste
breedte naar het algemeen gevoelen, slechts zeventig zeemijlen bedraagt.
Van daar kwamen wij in de Indische zee, welken ten Westen wordt begrensd
door de kusten van Abyssinië, en eene lengte heeft van vier duizend een
honderd mijlen tot de eilanden van Vakvak.

Wij deden op onze reis verschillende eilanden aan, waar wij onze
koopwaren met voordeel verkochten of tegen andere inruilden. Op zekeren
dag werden wij door windstilte overvallen, zoodat het schip bijna niet
verder kwam en de zeilen en winpels slap bij de masten hingen. Wij
bevonden ons toen op de hoogte van een klein eiland, dat bijna met het
water gelijk was, en zich aan ons door zijne groene kleur als eene in
de zee drijvende weide vertoonde. De kapitein liet zeilen reven, en wij
passagiers kregen verlof ons aan wal te begeven. Ik bevond mij onder
hen, die dit eiland gingen bezoeken.

Wij hadden in onze sloep al het noodige voor een landelijk maal
medegenomen, en legden een vuur aan van eene ledige teerton; de matrozen
kookten onze spijs, wij maakten goede sier, en dronken op onze gelukkige
landing. Eensklaps begon het eiland te schudden en wij voelden
onderscheidene schokken als die van eene aardbeving.

Ook op het schip had men deze schudding van het eiland waargenomen,
en men riep ons met den scheepsroeper toe, dat, indien wij niet allen
wilden vergaan, wij ons moesten haasten aan boord te komen, daar,
hetgeen wij voor een eiland hadden aangezien, niet anders was dan de
bovenwater uitstekende rug van een' zeer grooten walvisch, die zich in
de zon koesterde en zijn middagslaapje hield. De vlugsten van ons redden
zich in de sloep, anderen sprongen in zee en trachten zich door zwemmen
te redden. Wat mij betreft, ik bevond mij nog op het eiland, of liever
op den walvisch, toen het monster naar de diepte ging, zoodat ik slechts
tijd had om mij op een groot stuk hout te plaatsen, dat wij hadden
medegebragt, om er het vuur mede aan te stoken. De lieden uit de
sloep kwamen behouden aan boord, en eenige der rondzwemmenden werden
opgevischt; terwijl andere in de diepte wegzonken en verdronken. Op mij,
hoe luid ik ook riep, scheen men geen acht te slaan, en daar de wind
inmiddels opstak, zag ik tot mijn' schrik, dat de kapitein, die mij
zeker voor verloren hield, de zeilen liet hijschen en wegvoer, zoodat
mij alle hoop benomen werd, om het schip te bereiken. Ik bleef dus
alleen achter, overgelaten aan de willekeur der golven, welke mij dan
hier dan herwaarts slingerden. Ik betwistte haar echter mijn leven
gedurende dien ganschen dag en den daarop volgenden nacht. Met het
aanbreken van den dag waren mijne krachten geheel uitgeput, en reeds
zag ik den dood voor oogen, toen ik eensklaps door eene groote golf
opgenomen en tegen een eiland geworpen werd.

Het strand was hoog en steil, doch de doodsangst gaf vleugelen aan mijne
voeten, en met behulp van eenige vooruitstekende boomwortels, die tot
mijn behoud daar bewaard schenen te zijn, bevond ik mij weldra op het
drooge en meer dan honderd voet boven de oppervlakte der zee. Ik strekte
mij op den met gras bedekten bodem uit, en bleef voor half dood liggen,
tot dat de zon met hare koesterende stralen mij uit mijne sluimering
wekte.

Hoewel ik mij zeer zwak gevoelde door de vermoeijenissen welke ik, op
zee drijvende, had uitgestaan, stond ik echter, door den honger gekweld
op, en sleepte mijn uitgeput ligchaam voort, om eenige kruiden of
vruchten te zoeken. Ik had het geluk weldra te vinden wat ik zocht, en
tevens ontdekte ik eene bron met zoet water, dat niet weinig tot mijne
verkwikking toebragt. Zoodra mijne krachten eenigzins hersteld waren,
ging ik het eiland dieper in, zonder te weten waarheen ik mijne schreden
moest rigten. Eindelijk kwam ik in eene grasrijke vallei, en in de verte
bespeurde ik een paard, dat liep te grazen. Ik werd op dit gezigt door
vrees en hoop geslingerd, want ik was in het onzekere of ik mijn' dood
te gemoet ging, door in de handen van wreede wilden te vallen, dan of ik
op redding kon hopen. Intusschen ging ik steeds voort, en naderbij
komende werd ik gewaar, dat het eene schoone merrie was, welke met een
lang touw aan een' staak was vastgebonden. Terwijl ik het paard bezag,
hoorde ik onder mij spreken. Niet lang daarna kwam er een man als voor
mijne voeten uit den grond op, die mij vraagde, wat ik daar te doen had,
en wie ik was. Daar hij in eene mij bekende taal sprak, stelde ik mij
gerust, en deelde hem mijne lotgevallen mede. Hij stak mij de hand toe,
en bragt mij in eene grot, waar zich verscheidene mannen bevonden, die
niet minder verwonderd waren _mij_ daar te zien, dan _ik_ het was er hen
aan te treffen.

Ik gebruikte een weinig van de spijzen, die zij mij voorzetten, en
vraagde hun op mijne beurt met welk doel zij zich op deze plaats
bevonden, die mij toescheen niet anders dan eene wildernis te zijn. Zij
antwoordden mij, dat zij stalknechten waren van den koning Mihradhan,
onder wiens heerschappij dit eiland stond. Dat zij elk jaar omtrent den
zelfden tijd naar deze vlakte kwamen, ter verkrijging van paarden voor
's konings stal, hetwelk echter met veel moeite gepaard ging, door dat
zich in de nabijheid een zeepaard bevond, die hunne paarden zocht te
verslinden. Ook deelden zij mij nog mede, dat zij den volgenden morgen
weder vertrokken en dat, ware ik slechts één dag later gekomen, het zeer
slecht met mij zou zijn afgeloopen, daar de bewoonde zijde van het
eiland zeer ver van hier was, en ik daar zonder gids nimmer zou zijn
gekomen.

Terwijl zij dus met mij spraken, steeg, zoo als zij mij gezegd hadden,
het zeepaard uit de zee op, wierp zich op de merrie, en wilde haar
verslinden, doch verschrikt door het geschreeuw dat de stalknechten
maakten, liet het zijne prooi los, en stortte zich weder in zee.

Den volgenden morgen namen zij met de merriën de terugreis aan naar de
hoofdstad van het eiland, en welwillend namen zij mij in hun gezelschap
op. Bij onze aankomst werd ik aan den koning Mihradhan voorgesteld, hij
vraagde mij door welk toeval ik mij in zijne staten bevond. Zoodra ik
zijne nieuwsgierigheid door het verhaal van mijne lotgevallen bevredigd
had, betuigde hij mij, dat hij zeer veel deel in mijn ongeluk nam.
Te gelijker tijd gaf hij last, dat men de grootste zorg voor mij zou
dragen en mij van alles, wat ik noodig mogt hebben, voorzien. Dit bevel
werd op zulk eene wijze nagekomen, dat ik alle reden had over zijne
edelmoedigheid en over den ijver van zijne dienaren tevreden te zijn.

Daar ik koopman was, zocht ik de lieden van mijn vak op, doch
hoofdzakelijk de vreemde kooplieden, ten eerste om eenig nieuws uit
Bagdad te vernemen, en ten tweede om naar gelegenheid uit te zien, onder
hen iemand aan te treffen, met wien ik naar mijn geboorteland zou kunnen
terugkeeren, want de hoofdstad van den koning Mihradhan ligt aan de
zee, en heeft eene zeer schoone haven, waar dagelijks uit verschillende
oorden der wereld schepen binnen loopen. Ook zocht ik het gezelschap
der Indische wijzen, en vond er vermaak in hen te hooren redekavelen.
Bij dit alles verzuimde ik echter niet geregeld aan het hof te komen,
om mij met 's konings landvoogden en met de koningen, welke aan hem
schatplichtig waren en die zich aan zijn hof ophielden, te onderhouden.
Zij deden mij duizenden vragen over mijn geboorteland, terwijl ik van
mijn' kant er naar streefde, mij met de zeden en wetten in hunne staten
bekend te maken, om dusdoende mijne kennis te vermeerderen.

Onder de heerschappij van den koning Mihradhan bevond zich nog een ander
eiland, Cassal genaamd. Dit eiland was onbewoond, en werd alleen door de
schepelingen bezocht, om zich van versch water te voorzien of kokosnoten
in te laden, die daar in overvloed te vinden waren. Men verzekerde mij,
dat zich op dat eiland iederen nacht het geluid van keteltrommen liet
hooren, hetgeen den matrozen deed denken, dat aldaar een demon zijn
verblijf hield, die zij Deggial noemden. De lust bekroop mij van dit
wonder oorgetuige te zijn. Op mijne reis derwaarts zag ik visschen, die
eene lengte van honderd tot twee honderd ellen hadden. Deze waren zoo
vreesachtig, dat men slechts op eene plank behoefde te kloppen om ze te
verjagen. Ik zag nog andere visschen van slechts eene elleboogslengte,
maar wier koppen veel overeenkomst hadden met die van nachtuilen.

Toen ik bij mijne terugkomst, aan de haven op en neêr wandelde, liep er
een schip binnen. Zoodra dit voor anker lag, werd er een begin gemaakt
met het lossen der koopwaren, en de kooplieden, aan wie deze goederen
behoorden, lieten ze in de pakhuizen aan het havenhoofd opslaan. Terwijl
ik hierover mijne oogen liet gaan, meende ik op eenige balen mijn merk
te zien. Bij een naauwkeurig onderzoek bleef mij geen twijfel over; het
waren de zelfde balen, welke ik te Balsora had ingeladen. Ik herkende
ook den kapitein, doch overtuigd, dat men mij voor verdronken hield,
sprak ik hem aan zonder mij dadelijk bekend te maken, en vraagde hem,
aan wie de balen, welke ik met den vinger aanwees, toebehoorden. „Ik
had,” antwoordde hij, „bij mij aan boord een' koopman van Bagdad,
Sindbad genaamd. Op zekeren dag, dat wij ons in de nabijheid van een ons
zoo toeschijnend klein eiland bevonden, liet hij zich met meer andere
passagiers aan wal zetten. Dit gewaande eiland was evenwel niets anders
dan een walvisch van schrikbarende grootte, die met den rug even boven
de oppervlakte der zee lag te slapen. Het monster voelde echter niet
zoodra de hitte van het vuur, dat men op zijn' rug had aangelegd, om de
spijs toe te bereiden voor het middagmaal, of het begon zich te bewegen
en verdween in de diepte der zee. Velen van hen, die zich op den rug van
den visch bevonden, zijn verdronken, en onder deze ongelukkigen was ook
Sindbad. Deze balen behooren hem, en ik heb besloten daarmede handel
te drijven, totdat ik iemand van zijne familie aantref, aan wien ik
rekening en verantwoording kan doen.” „Kapitein,” zeide ik nu tot hem,
„ik ben die Sindbad, welke gij meent dat dood is; deze koopmansgoederen
zijn mijn regtmatig eigendom.” „Bij Allah,” riep de kapitein, toen hij
mij aldus hoorde spreken, „in wien zal men tegenwoordig nog vertrouwen
stellen? De goede trouw onder de menschen bestaat niet meer! Ik heb met
eigen oogen dezen Sindbad zien omkomen; de passagiers zijn daar ook
getuige van geweest, en gij zegt, dat gij die Sindbad zijt? Welk eene
vermetelheid! Op het eerste gezigt, meende ik een eerlijk man voor mij
te hebben; maar gij schroomt niet u van eene verfoeijelijke leugen
te bedienen, om in het bezit te geraken van goederen, die u niet
toebehooren.” „Heb slechts een weinig geduld,” hernam ik, „en bewijs mij
de gunst om aan te hooren, wat ik u te zeggen heb.” „Welaan!” luidde het
korte antwoord van den kapitein, „ik luister, wat hebt gij te zeggen?”
Ik verhaalde hem nu op welke wijze ik aan het mij dreigende doodsgevaar
was ontkomen, en mijne ontmoeting met de stalknechten des konings
Mihradhan, die mij aan zijn hof hadden gebragt.

De kapitein wist nu niet meer wat hij zou gelooven; doch weldra werd hij
overtuigd, dat ik geen bedrieger was, door de komst van een drietal
kooplieden, met wien ik aan boord zeer gemeenzaam had omgegaan, en die
mij, niettegenstaande mijne gehavende kleeding, terstond herkenden, en
hunne vreugde betuigden mij levend terug te zien. Ten laatste herkende
ook de kapitein mij en zich om mijn' hals werpende, riep hij uit:
„Geloofd zij Allah! dat hij u uit zulk een groot gevaar gered heeft. Ik
kan u niet zeggen hoeveel genoegen mij dit doet. Zie hier uwe goederen;
neem en handel er mede naar uw welgevallen.” Ik bedankte hem, prees
zijne eerlijkheid en tot een bewijs van mijne dankbaarheid verzocht ik
hem eenige balen, die ik hem aanwees, van mij ten geschenke te willen
aannemen, maar hij weigerde en ik kon hem er niet toe overhalen.

Ik nam nu het kostbaarste uit mijne balen, dat ik den koning Mihradhan
als geschenk aanbood. Daar deze vorst met mijn ongeluk bekend was,
vraagde hij mij niet zonder eenige verbazing, hoe ik aan die fraaije en
kostbare zeldzaamheden kwam. Ik verhaalde hem nu door welk geluk ik
mijne goederen had terug gekregen. Hij had de goedheid, mij daarover
zijne vreugde te betuigen en mijn geschenk aan te nemen, maar hij deed
dit laatste niet, zonder mij een tegengeschenk te geven, dat het mijne
in waarde verre overtrof. Hierop nam ik afscheid van den grootmoedigen
vorst, en na mijne koopmansgoederen tegen voortbrengselen van dat land
verruild te hebben, liet ik alles aan boord brengen van het zelfde
schip, waarmede ik van Balsora was uitgezeild. Wij gingen weldra onder
zeil, en onze terugreis was zeer voorspoedig. De lading, welke ik had
medegebragt, bestond in aloë- en sandelhout, kamfer, muskaatnoten,
foelie, kruidnagelen, peper en gember, te zamen voor eene waarde van
bijna honderdduizend sequinen. Mijne familie ontving mij met alle
teekenen van toegenegenheid, en ik was van mijn' kant zeer verblijd
allen in welstand weder te zien.

Ik kocht landgoederen, slaven en slavinnen, liet mij een prachtig paleis
bouwen, en maakte goede sier met mijne vrienden. In één woord, ik
besloot de herinnering aan mijne geleden ongemakken door een onbezorgd
en vrolijk leven uit mijn geheugen te verbannen.”

       *       *       *       *       *

Sindbad brak hier zijn verhaal af, en beval de muzijkanten zich op nieuw
te laten hooren. Men hield aan met eten en drinken tot dat de avond
inviel, en de tijd om te scheiden daar was. Sindbad deed zich nu eene
beurs met honderd sequinen geven, en stelde die aan den drager ter hand.
„Neem dit voor u, Hindbad,” zeide hij, „ga naar uwe woning, en kom
morgen terug om het vervolg van mijne lotgevallen te hooren.” De drager
vertrok zeer verlegen met de eer, die hem was te beurt gevallen, en
verheugd over het geschenk, dat hij ontvangen had. Het verslag, dat hij
bij zijne tehuiskomst van het een en ander aan zijne vrouw en kinderen
deed, stemde de harten dezer arme lieden tot vreugde en tot dankbaarheid
aan de Voorzienigheid, welke hun door tusschenkomst van Sindbad zulk een
onverwacht geluk had geschonken.

Den volgenden dag droeg Hindbad zorg, zich veel zindelijker te kleeden
dan daags te voren, en verzuimde niet zich op het bestemde uur aan het
paleis van den milddadigen reiziger te doen vinden. Sindbad ontving
den drager met een vriendelijk lachje, en bewees hem alle mogelijke
beleefdheid. Zoodra alle genoodigden bijéén waren, werd de tafel
aangerigt, en men bleef ditmaal zeer lang aanzitten. Nadat de maaltijd
was afgeloopen, nam de gastheer het woord en zich tot zijn gezelschap
wendende, zeide hij: „Mijne heeren! ik verzoek u mij uwe aandacht te
schenken bij het verhaal van mijne lotgevallen op mijne tweede reis. Ik
durf u de verzekering geven, dat zij uwe opmerkzaamheid meer waardig
zijn, dan die van mijnen eersten togt.” Er heerschte terstond eene
algemeene stilte, en Sindbad ving aldus aan.


TWEEDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Zoo als ik u gisteren mededeelde, had ik na mijne eerste reis het
besluit opgevat, mijne verdere levensdagen te Bagdad en op mijne
landgoederen in rust en in genot door te brengen. Het duurde echter niet
lang, of dit werkelooze leven baarde mij verveling; de lust om ter zee
te reizen en handel te drijven greep mij weder aan. Ik voorzag mij van
die koopwaren, welke mij het geschiktste voorkwamen voor de reis, die ik
mij had voorgesteld, en ik verliet voor de tweede maal mijn geboorteland
met eenige andere kooplieden, wier braafheid ik kende. Wij voeren
ditmaal van eiland tot eiland, en dreven op die wijze een' zeer
voordeeligen handel; daar wij telkens, en steeds met voordeel, onze
waren tegen andere inruilden. Op zekeren dag lieten wij ons aan wal
zetten op een eiland, dat zeer rijk was van vruchtdragende boomen,
maar overigens zoo eenzaam, dat wij er noch menschen, noch eenige
menschelijke woning bespeurden. Wij volgden den loop van eene beek,
die door eene met welig gras en bloemen bedekte vlakte kronkelde.

Terwijl de een zich vermaakte met bloemen, de ander met vruchten te
plukken, zette ik mij onder een' grooten en schaduwrijken boom in het
gras neder, haalde den voorraad, dien ik had medegenomen en die uit
vleesch, brood en wijn bestond, te voorschijn, meenende hier eens een
regt landelijk maal te doen, iets wat voor den zeeman een bijzonder
genot heeft. Ik at dan ook zeer smakelijk en dronk er een' stevigen teug
wijn bij. Of de geest van den wijn mij min of meer had bevangen, weet
ik niet, maar mijne oogleden werden zwaar, en ik lag weldra in een'
gerusten slaap. Hoe lang deze geduurd heeft, is mij onbekend, doch bij
mijn ontwaken, zag ik geen schip meer voor anker liggen.

Ik was hierover zeer verwonderd. Ik stond op en zag naar alle kanten
rond, maar ik ontdekte geen' der kooplieden, die met mij aan land waren
gegaan. Ik zag alleen het schip, maar reeds zoo ver in zee, dat ik het
weldra geheel uit het oog verloor.

Gij kunt u verbeelden, hoe ik te moede was. Ik meende van droefheid
te sterven, schreeuwde vol wanhoop, sloeg mij voor het hoofd en wierp
mij ter aarde, waar ik een' geruimen tijd bleef liggen, bestormd door
gedachten, de eene al treuriger dan de andere. Ik verweet het mij zelven
wel honderd malen, dat ik mij niet had tevreden gesteld met mijne eerste
reis, die mij voor altoos had moeten afschrikken. Maar al dit klagen en
de verwijtingen, die ik mij deed, bragten mij geene hulp aan, en mijn
berouw kwam te laat. Wat baat het den put dempen, als het kalf er reeds
in verdronken is?

Eindelijk koos ik de wijste partij; ik onderwierp mij aan mijn noodlot,
en zonder te weten wat er van mij moest worden, besloot ik al het
mogelijke te beproeven, dat tot mijne redding zou kunnen dienen. Ik klom
in een' hoogen boom en zag naar alle kanten uit om te ontdekken, of ik
niet het een of ander kon bespeuren, dat mij eenige hoop op uitkomst
kon geven. Eerst wendde ik mijne oogen naar den zeekant, maar zag daar
slechts lucht en water; aan de landzijde schitterde echter iets wits
mij in de oogen. Ik klom uit den boom, en de levensmiddelen, die ik had
overgehouden, mede nemende, ging ik op dit witte voorwerp af, hoewel ik
door den grooten afstand niet kon onderscheiden, wat het eigentlijk was.

Eerst toen ik tot op een' kleinen afstand was genaderd, bemerkte ik,
dat het een bijna ronde bal was van verbazende grootte en omvang. Ik
ging echter voort, en op de plaats aangekomen, betastte ik den bal.
Ik liep er om heen om te zien, of er ook ergens eene opening was,
maar ik kon er geene ontdekken, en de bal was zoo glad, en zoo vast
ineengesloten, dat ik geene kans zag om er op te klimmen. Ik vergenoegde
mij dus rondom den bal te loopen, en moest daarvoor vijftig passen doen.

De zon was nog niet ondergegaan, toen eensklaps de lucht verduisterd
werd; het was alsof eene donkere wolk, als een gordijn, voor de zon werd
geschoven. Maar hoe zeer mij deze plotselinge overgang van licht tot
donker verwonderde, nog hooger klom mij de verbazing, toen ik bespeurde,
dat dit verduisteren veroorzaakt werd door een' buitengewoon grooten
vogel, die met uitgespreide vlerken kwam aanvliegen.

Ik herinnerde mij nu dat ik de matrozen dikwijls had hooren spreken van
een' vogel, Rok genaamd, en vermoedde dat de groote bal, dien ik zoo
zeer had bewonderd, het ei van dezen vogel was. En inderdaad de Rok
daalde klapwiekend en langzaam neder, en zette zich zeer voorzigtig op
het ei neder, als wilde hij het uitbroeijen. Toen ik den vogel zag
komen, had ik mij zoo digt mogelijk tegen het ei aangedrongen, zoodat
een zijner pooten, dikker dan een boomstam, voor mij kwam te staan. Ik
nam den linnen doek van mijn' tulband, en bond mij daarmede stevig vast
aan den poot van den Rok, en dit deed ik in de hoop dat, als de vogel
den volgenden morgen zijne vlugt hervatte om voedsel te gaan zoeken, hij
mij met zich voeren en uit dit woeste eiland naar elders overbrengen
zou. Ik zag mij hierin niet teleurgesteld. Den nacht bragt ik in den
treurigsten toestand en geheel niet op mijn gemak door; doch zoodra de
dag aanbrak, spreidde de Rok zijne vlerken uit, en voerde mij zoo hoog
in de lucht, dat ik de aarde niet meer zien kon. Daarop schoot hij met
zulk eene snelheid naar beneden, dat mij hooren en zien vergingen. Toen
de Rok zich nederzette en ik grond voelde, ontknoopte ik schielijk den
doek, om mij van hem te ontslaan. Naauwelijks had ik mij los gemaakt, of
hij viel met zijn' snavel op eene slang van ongehoorde lengte aan. Hij
pakte de slang op, en vloog terstond met zijne prooi weg.

De plaats, waar hij mij achterliet, was eene zeer diepe vallei, geheel
ingesloten door eene keten van bergen, wier kruinen tot in de wolken
reikten. Ik zocht te vergeefs naar een' weg, om uit deze gevangenis
te geraken, want de rotswanden gingen loodregt opwaarts, en nergens
was eene opening te ontdekken of eene vooruitstekende verhevenheid,
waarop ik mijne voeten kon zetten. Dit bragt mij op nieuw in groote
verlegenheid, en mijne tegenwoordige gevangenis met het woeste eiland
vergelijkende, kon ik niet zien, dat ik bij deze plaatsverwisseling iets
gewonnen had.

Toen ik mijn verblijf wat naauwkeuriger onderzocht, bespeurde ik, dat
de bodem van dezen afgrond als bezaaid lag met diamanten, waaronder van
eene verbazende grootte. Ik vermaakte mij eenige oogenblikken met dit
inderdaad prachtige gezigt, doch weldra zag ik iets, waardoor mijn
kortstondig genoegen vergald werd, en dat mij een' hevigen schrik
aanjoeg. Ik bemerkte eene ontelbare menigte slangen, zoo dik en zoo
lang, dat de kleinste met gemak een' olifant zou hebben ingeslokt. Des
daags kropen zij in hare holen en hielden zich schuil, uit vrees voor
haren gevaarlijksten vijand den vogel Rok; doch des nachts kwamen zij
weder te voorschijn.

Ik bragt den dag door met de vallei om te wandelen, waarbij ik echter
van tijd tot tijd eens ging zitten rusten. Intusschen ging de zon onder,
en zoodra het donker begon te worden, begaf ik mij in de grot, welke ik
tot mijn nachtverblijf gekozen had. Om tegen de slangen beveiligd te
zijn, stopte ik den ingang, die zeer lang en eng was, met een' grooten
steen digt, echter zoo, dat er eenig licht binnen kon dringen. Ik deed
mijn avondmaal met een weinig van mijn' nog overgeschoten voorraad,
en legde mij toen neder om te rusten. Hiervan echter kwam niets; het
schuifelen en blazen der slangen, die voor mijne grot kropen, en zich,
hoewel te vergeefs, den toegang zochten te verschaffen om mij te
verslinden, hield den slaap uit mijne oogen, en deed mij beven. Ik
was regt blijde, toen de dag aanbrak, en de slangen naar hunne holen
terugkeerden. Ik waagde mij nu weder naar buiten, maar ik rilde over
mijn geheele ligchaam, en ik kan u verklaren, mijne heeren, dat ik
een' geruimen tijd over een' vloer van diamanten ging, zonder de
minste begeerte daarnaar te hebben. Eindelijk zette ik mij neder, en
niettegenstaande mijne ongerustheid en de gedachte, wat er toch van mij
moest worden, viel ik, na mijn ontbijt te hebben gebruikt, vermoeid van
het nachtwaken in slaap. Naauwelijks was ik ingesluimerd, toen er iets
met groot gedruisch naast mij nederviel en ik verschrikt ontwaakte. Wat
mij deze ontsteltenis had veroorzaakt was een groot stuk versch vleesch;
en terwijl ik er over nadacht van waar dit mogt komen, zag ik, hoe nog
verscheidene stukken aan verschillende kanten van de rotsen kwamen
rollen, en hier en daar in de vallei nederploften.

Ik had het tot dus verre altijd voor een sprookje gehouden, wat de
matrozen en andere lieden mij verteld hadden van de diamant-vallei en
van het kunstje, dat door eenige kooplieden in het werk werd gesteld,
om deze kostbare edelgesteenten uit den afgrond op te halen en in hun
bezit te krijgen. Thans echter moest ik bekennen, dat men mij de zuivere
waarheid gezegd had. Inderdaad, mijne heeren,” vervolgde Sindbad, „deze
kooplieden begeven zich, in den tijd dat de arenden jongen hebben, naar
de rotsen, die de diamant-vallei omgeven. Zij werpen dan groote stukken
vleesch in de vallei. Door den zwaren val, en het geweld, waarmede die
stukken nederploffen, hechten zich de diamanten, vooral die eenigzins
hoekig zijn in het weeke vleesch, en de arenden, die aldaar zeer
menigvuldig en sterker zijn dan ergens elders vallen op dezen stukken
vleesch aan, en voeren ze naar hunne nesten op de toppen der rotsen, om
er hunne jongen mede te spijzigen. Zoodra de kooplieden, die zich in de
nabijheid der nesten schuilhouden, dit zien, loopen zij haastig en met
groot geschreeuw derwaarts om de arenden te verjagen, en maken zich
meester van de diamanten, die in het vleesch zitten. Zij bedienen zich
van deze list, omdat er geen ander middel bestaat om de diamanten uit de
vallei op te halen, daar het voor de menschen volstrekt onmogelijk is in
dien peilloozen afgrond neder te dalen.

Ook ik achtte het voor onmogelijk immer uit dien afgrond te geraken, en
had hem reeds als mijn graf beschouwd, doch hetgeen ik nu zag, deed mij
een middel uitdenken om mijn leven te behouden.

Mijn eerste werk was nu de grootste en schoonste diamanten, die mij
voorkwamen, op te rapen, en daarmede den ledigen zak te vullen, die
gediend had om er mijne mondbehoeften in te bergen. Daarna zocht ik een
der langste stukken vleesch uit, en bond dit om mijne middel met het
linnen van mijn' tulband stevig vast. Den zak met diamanten bevestigde
ik aan mijn' gordel, en wel zoo, dat ik geen gevaar liep, dien te
verliezen. Vervolgens ging ik op mijn' buik liggen, en onthield mij van
elke beweging. Naauwelijks had ik mij aldus nedergelegd, of de arenden
kwamen in grooten getale aanvliegen, en maakten zich ieder van een der
stukken vleesch meester. Een der grootste en sterkste viel op het stuk
aan, dat ik om mijne lendenen had gebonden, sloeg er zijne klaauwen in,
en mij medevoerende, bragt hij mij op den kruin van een' berg, tot in
zijn nest. De kooplieden bleven niet in gebreke door hun geschreeuw de
arenden te verschrikken.—Zoodra zij hen hadden genoodzaakt hunne prooi
te laten varen, liep een van hen naar het nest, waarin ik mij bevond
maar deed, toen hij mij zag, van schrik eene trede achterwaarts.
Zich weldra hersteld hebbende, begon hij, zonder eerst de zaak te
onderzoeken, mij uit te maken en te verwijten dat ik een dief was,
en hem zijn eigendom wilde ontrooven. „Mijn goede vriend!” zeide ik
bedaard, „gij zult spoedig op een' anderen toon spreken, als gij mij
beter hebt leeren kennen. Troost u over uw gewaand verlies, ik heb
diamanten genoeg voor u en voor mij, in grooteren getale en van meer
waarde, dan die van al de andere kooplieden te zamen. Zoo wij ze hebben,
is dit slechts bij geluk, maar ik had ze alleen voor het kiezen en
oprapen op den bodem der vallei, en heb er dezen zak mede gevuld.”
Dit zeggende, toonde ik hem den leêren zak, dien ik van mijn' gordel
losmaakte. Ik had nog niet uitgesproken, toen ook de andere kooplieden
kwamen aanloopen en ons omringden, niet weinig verwonderd iemand te
zien, die niet tot hun gezelschap behoorde. Die verwondering steeg
nog hooger, toen ik hun verhaalde wat er met mij gebeurd was. Zij
bewonderden evenzeer de list, welke ik tot mijne redding had uitgedacht,
als mijne stoutmoedigheid, om er de proef van te nemen.

Zij namen mij mede naar de herberg, waar zij te zamen hun' intrek
hadden genomen, en toen ik daar in hunne tegenwoordigheid mijn' zak
openmaakte en uitstortte, waren zij ten hoogste verbaasd over de grootte
van mijne diamanten, en verklaarden eenparig, aan alle vorstenhoven,
welke zij bezocht hadden, niet een' gezien te hebben, die daarbij was
te vergelijken. Ik verzocht den koopman, aan wien het nest behoorde,
waarin de arend mij gebragt had (want ieder koopman heeft een eigen
nest), er voor zijn aandeel zoo vele uit te kiezen, als hij verkoos.
Hij vergenoegde zich met er slechts één te nemen en niet eens den
grootste. Toen ik er op aandrong, dat hij er nog eenigen zou nemen,
zonder beschroomd te zijn mij daardoor te benadeelen, zeide hij: „Neen,
deze steen heeft waarde genoeg, om mij een bestaan te verzekeren, zoodat
ik geene reizen meer zal behoeven te doen.”

Ik bragt den nacht in het gezelschap van deze kooplieden door, en moest
mijne zonderlinge lotgevallen voor de tweede maal vertellen, om hen te
bevredigen, die bij het eerste verhaal daarvan niet tegenwoordig geweest
waren. Intusschen kende mijne blijdschap geene grenzen, dat ik aan zoo
vele en zoo groote gevaren op eene zoo wonderbare wijze was ontkomen.
Somtijds scheen mij zulks toe slechts een bedriegelijke droom te zijn,
en ik kon mij naauwelijks voorstellen, dat ik thans niets meer had te
vreezen.

Daar de kooplieden zich reeds een' geruimen tijd hier hadden opgehouden,
en ieder hunner tevreden scheen te zijn met de diamanten, die hem ten
deel waren gevallen, vertrokken wij reeds den volgenden morgen. Onze weg
liep aanvankelijk over hooge bergen, waar wij slangen zagen van eene
verbazende lengte, aan wie wij het geluk hadden te ontkomen. Eindelijk
bereikten wij eene havenplaats, van waar wij naar het eiland Rohan
overstaken. Hier groeit de kamferboom, wiens bladrijke takken zich zoo
ver van den stam uitbreiden, dat meer dan honderd menschen onder zijn
looverdak beschutting kunnen vinden tegen het branden der zonnestralen.
Het sap loopt uit eene opening, welke men boven in den boom maakt, en
wordt in eene kan of in een' aarden vat opgevangen, waarin het dan aan
de werking der lucht is blootgesteld. Langzamerhand wordt dit sap dik en
komt dan later onder den naam van kamfer in den handel. De kamferboom,
op deze wijze van zijne beste sappen beroofd, verdort weldra en sterft.

Op dat zelfde eiland vindt men ook den rhinoceros, een dier, een weinig
kleiner dan de olifant, en grooter dan de buffel. Hij heeft op den neus
een' hoorn van bijna twee ellebogen lengte, waarmede hij veel kracht
kan uitoefenen. Men ziet daarop eenige lichte strepen, die te zamen de
gedaante van een gewapend man vrij wel voorstellen. Als de rhinoceros
met den olifant strijdt, tracht hij hem met zijn' neushoorn den buik
te doorboren, ligt hem van den grond op, en draagt hem dan als een
zegeteeken op zijn' kop mede. Als nu het bloed en het vet van den
olifant hem in de oogen loopen en het gezigt benemen, gebeurt het niet
zelden, dat hij met zijne vracht nedervalt, en wat ieder verwonderen
moet, dan worden dikwijls beiden, olifant en rhinoceros, door den vogel
Rok opgenomen, die ze in zijne klaauwen wegvoert om er zijne jongen mede
te voeden.

De verdere bijzonderheden van dit eiland zal ik, om mijn verhaal niet
te rekken, stilzwijgend voorbijgaan. Ik verruilde er eenige van mijne
diamanten voor andere koopwaren. Wij bezochten nog verscheidene
eilanden, totdat wij ten laatste, na ook vele koopsteden op het
vasteland aangedaan te hebben, behouden te Balsora aankwamen. Van daar
spoedde ik mij naar Bagdad. Mijn eerste werk was groote aalmoezen uit
te deelen, en van het overige mijner met zoo vele gevaren verkregen
schatten leidde ik een vrolijk leven.”

Aldus eindigde Sindbad het verhaal van zijne tweede reis. Hij deed
aan Hindbad andermaal honderd sequinen geven en noodigde hem uit den
volgenden dag terug te komen, om het verhaal van zijne derde reis te
hooren.

De gasten gingen eindelijk ook naar huis, en kwamen den volgenden dag op
het gewone uur terug. Zoo deed ook de drager, die zijne vroegere armoede
reeds bijna vergeten scheen te hebben. Men zette zich aan tafel, en
nadat de maaltijd was afgeloopen, vraagde Sindbad eenige oogenblikken
gehoor, en ving het verhaal van zijne derde reis aan.


DERDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Bij het rustige en genoegelijke leven, dat ik na mijne terugkomst te
Bagdad leidde, had ik de vreeselijke gevaren en de ongemakken, welke ik
op mijne beide vorige reizen had doorgestaan, weldra vergeten. Ik was in
de kracht mijns levens; het verveelde mij niets om handen te hebben, en
zonder veel te denken aan de nieuwe gevaren, welke ik ging trotseren,
vertrok ik uit Bagdad met de kostbaarste koopwaren van het land, die
ik naar Balsora liet vervoeren. Daar scheepte ik mij met eenige andere
kooplieden in. Wij deden eene lange reis, en legden in verscheidene
havens aan, alwaar wij een' belangrijken handel dreven.

Op zekeren dag in volle zee zijnde, werden wij door een'
verschrikkelijken storm overvallen, waardoor wij uit den koers
geraakten. De storm hield vele dagen aan en dreef ons naar de haven
van een eiland, dat onze kapitein gaarne zou hebben vermeden, maar het
schip was zoo ontredderd, dat wij wel gedwongen waren het anker te laten
vallen. Toen men de zeilen had geborgen, kwam de kapitein naar ons toe,
en zeide: „Mijne heeren, tot mijn leedwezen moet ik u zeggen, dat dit
eiland en eenige andere in de nabijheid bewoond worden door eene soort
van ruigharige wilden, die niet zullen nalaten ons aan te vallen.
Hoewel het slechts dwergen zijn, is er toch, helaas! voor ons aan geen'
wederstand te denken, want dit volk is nog talrijker dan de sprinkhanen;
en indien het mogt gebeuren, dat wij een van hen dooden, zoo kunt gij
zeker zijn, dat zij allen te zamen ons aanvallen en vermoorden zullen.”
Deze woorden van den kapitein bragten eene groote ontsteltenis te weeg
onder al de schepelingen, en wij ondervonden welhaast dat, hetgeen hij
ons gezegd had, maar al te waar was. Wij zagen weldra eene ontelbare
menigte afzigtelijke wilden van alle kanten te voorschijn komen. Hunne
lengte ging de twee voet niet te boven; hun ligchaam was geheel met
rosachtig en stoppelig haar begroeid, en in plaats van een' neus hadden
zij eene soort van snavel, waarboven een paar groene diep in het hoofd
liggende oogen glinsterden, zoodat hun gelaat veel geleek op dat van den
katuil.

Zij gingen bij menigte te water en zwommen naar ons schip, dat zij
weldra omringden. Zij riepen ons toe, maar het was ons niet mogelijk een
enkel woord te verstaan; want hunne spraak had meer van het gesnater
van een troep ganzen, dan van eene menschelijke stem. Zij wachtten
echter niet, tot wij hun verlof gaven om aan boord te komen, maar zij
klauterden als katten en apen tegen de touwen en planken van het schip
op, zoodat het scheen, alsof zij geene plaats noodig hadden om de voeten
te zetten, en dit alles met eene vlugheid, die ons versteld deed staan.
Weldra wemelde het dek van dit kleine gespuis, en zij waren er volkomen
meester, zonder dat wij den moed hadden er ons tegen te verzetten. Zij
ontplooiden de zeilen, en zonder zich moeite te geven om het anker op te
winden, kapten zij het ankertouw. Na eene korte vaart zetten zij het
schip aan land, en dwongen ons door teekenen en door bedreigingen om aan
wal te gaan. Nu alleen meester van het schip, vertrokken zij daarmede
naar een ander eiland.

Het eiland, waar zij ons achterlieten, was zeer gevaarlijk, ja doodelijk
voor allen, die het ongeluk hadden, door schipbreuk op die kust te
worden geworpen, gelijk gij weldra zult hooren.

Wij verlieten het strand, en het eiland dieper indringende, vonden wij
eenige vruchten en kruiden, waarmede wij een sober maal deden, om ons
leven zoo lang mogelijk te rekken, want wij allen wachtten niet anders
dan een' zekeren dood. Verder voortgaande, zagen wij in de verte een
groot gebouw, waarheen wij onze schreden rigtten. Het was een paleis,
dat er vrij goed uitzag, en dat voorzien was van eene zeer hooge poort
met vleugeldeuren van ebbenhout. Daar deze niet gesloten waren, was de
toegang voor ons vrij. Wij waagden het naar binnen te gaan, kwamen eerst
in een zeer ruim voorhof en vervolgens in een groot vertrek. Wij zagen
hier weinig huisraad, doch in plaats daarvan lag aan de eene zijde een
hoop doodsbeenderen, en aan den anderen kant in de nabijheid van den
schoorsteen hing tegen den muur een rek met braadspeten. Op dit gezigt
voer ons eene koude rilling door de leden, doch wij waren zoo afgemat
van het gaan, dat de beenen ons onder het lijf knikten, en door een'
doodelijken schrik getroffen, vielen wij als bedwelmd op den grond. Zoo
bleven wij een' geruimen tijd bewegingloos liggen. De zon ging onder,
toen wij van onze bedwelming bijkwamen, maar op het zelfde oogenblik
werd de deur van het vertrek, waarin wij ons bevonden, met groot
gedruisch open gestooten, en hetgeen wij nu zagen was niet geschikt om
ons gerust te stellen. Vóór ons stond een zwarte reus van een vreeselijk
voorkomen en zoo lang als een palmboom. Hij had slechts één oog, dat in
het midden van zijn breed voorhoofd stond, en als eene kool vuurs scheen
te branden; zijne voortanden, die zeer lang en puntig waren, staken
hem, even als de slagtanden van een wild zwijn, buiten den mond, die
veel geleek op den muil van het zeepaard. Zijn onderlip hing hem tot
de borst. Zijne ooren waren die van een' olifant en bedekten zijne
schouders. De nagels zijner vingers waren lang en puntig, gelijk de
klaauwen van een' roofvogel. Op het gezigt van dezen verschrikkelijken
reus, vielen wij op nieuw in zwijm en bleven voor dood liggen.

Toen wij weder bijkwamen, zagen wij den reus bij den schoorsteen zitten,
waaronder hij een groot vuur had aangelegd. Zijn oog was alleen op ons
gerigt. Nadat hij ons naauwkeurig bezigtigd had, stond hij op, en nader
tredende strekte hij de hand naar mij uit, greep mij in den nek, ligtte
mij van den grond en bekeek en betastte mij aan alle kanten, even als
een slagter een vet schaap doet. Daar ik echter zeer mager was, en hij
niets dan vel en been aan mij vond, liet hij mij weder los, en nu kwam
een ander aan de beurt; die het zelfde onderzoek moest ondergaan. De
kapitein werd het laatst gegrepen, maar tot zijn ongeluk was hij van ons
allen de vetste. De reus scheen goed verstand van vet menschenvleesch te
hebben, want zonder zich lang te bedenken, nam hij een' braadspit van
het rek en reeg hem daaraan. Wij slaakten een' kreet van ontzetting,
weinig minder pijnlijk dan het gegil van onzen armen kapitein, want was
het heden zijn lot aan het spit te worden gebraden, morgen zou de beurt
aan een ander van ons komen, tot dat ook de laatste zijn graf in den
maag van den reus zou hebben gevonden. Dat was ons vooruitzigt.

Gij kunt u dus voorstellen, mijne heeren!” vervolgde Sindbad, „hoe wij
te moede waren, toen de reus zijn menschengebraad toebereidde en er
zijn avondmaal van deed; het kille doodzweet brak ons uit. Toen hij het
laatste beentje schoon afgekloven had, grabbelde de reus de overgebleven
beenderen van onzen gewezen kapitein bijeen, en wierp ze bij den hoop,
waarvan ik reeds melding heb gemaakt. Alleen het bekkeneel zonderde hij
af, en plaatste het op den schoorsteenmantel, waarmede, zoo als ik tot
mijne ontzetting tellen kon, het derde dozijn juist voltallig werd.
Waarschijnlijk waren deze bekkeneelen bestemd tot drinkschalen, als hij
met zijne reuzenvrienden een feestmaal hield. Na zijn' afschuwelijken
maaltijd verliet de reus het vertrek, begaf zich naar het voorhof en
legde zich voor de poort neder, zoodat, al hadden wij daartoe lust
gevoeld, wij het paleis niet zouden hebben kunnen verlaten zonder over
zijn ligchaam te gaan. Kort daarop hoorden wij hem ronken, en wel zoo
hard, dat wij in den aanvang dachten, dat het begon te donderen. Het
was ons niet mogelijk een oog te sluiten; wij bragten den nacht in de
vreeselijkste ongerustheid door. Met het aanbreken van den dag ontwaakte
de reus; wij hoorden hem hoesten en rogchelen, en wij dachten niet
anders of hij zou komen, om een' van ons tot zijn ontbijt uit te kiezen.
Ditmaal echter kwamen wij met den angst vrij, want kort daarop ging hij
uit en liet ons alleen in het paleis achter.

Zoodra wij konden denken, dat hij ver genoeg verwijderd was, om ons niet
te kunnen hooren, verbraken wij het stilzwijgen, dat wij den geheelen
nacht bewaard hadden. Wij klaagden elkander onzen nood en deden het
paleis van onze weeklagten weêrgalmen. Hoewel wij sterk genoeg in getal
waren en slechts met een' enkelen vijand te doen hadden, kwam het ons
niet in de gedachten ons van hem te ontslaan. En toch, al mogt dit ook
eene gevaarlijke onderneming zijn, het was het eenige natuurlijke
redmiddel, dat ons overbleef te beproeven.

Maar wij waren te neêrslagtig om een kloek besluit te nemen, en al onze
beraadslagingen liepen op niets uit. Daar de reus het niet noodig achtte
ons op te sluiten, ja zelfs de poort had opengelaten, haastten wij ons
echter dit doodelijke verblijf zoo spoedig mogelijk te verlaten. Wij
bragten den dag door met op het eiland rond te loopen en stilden,
even als den voorgaanden dag, onzen honger en dorst met de vruchten
en kruiden die wij vonden. Te vergeefs echter zochten wij naar een
onderkomen; berghol noch grot boden ons eene schuilplaats aan tegen de
slangen, leeuwen, tijgers en andere bloeddorstige dieren, wier sporen
wij ontdekt hadden. Wilden wij dus niet allen eene prooi worden van
deze verscheurende dieren, die, zoodra het donker begon te worden, een
vreeselijk gehuil aanhieven, zoo bleef ons niets anders over dan naar
het paleis van den reus terug te keeren. En het schijnt dat hij hierop
had gerekend, toen hij ons de vrijheid liet om te gaan, waar wij wilden.

De reus bleef niet in gebreke om terug te komen en met een' van ons
zijn avondmaal te doen, waarna hij zich te slapen legde en snurkte tot
de dag aanbrak. Weder ging hij toen uit en liet ons achter, gelijk daags
te voren. Onze toestand was zoo verschrikkelijk, dat sommigen onzer het
wanhopige voorstel deden om in zee te springen, daar zij een' spoedigen
en zachten dood verkieselijker achtten, dan den een na den ander aan
den reus tot spijs te verstrekken, na alvorens aan een spit gestoken
en gebraden te zijn. Doch een van ons nam nu het woord op. „Het is ons
verboden,” zeide hij, „de hand aan ons eigen leven te slaan; maar al
hadden wij daartoe vrijheid, is het dan nog niet verstandiger, dat wij
bedacht zijn op een middel, om ons te ontslaan van dezen barbaar, die
ons voor zulk een vreeselijk lot heeft bestemd?”

Na eenig nadenken kwam mij een middel voor den geest, dat, mijns
inziens, uitvoerbaar was. Ik maakte er mijne lotgenooten mede bekend, en
allen hechtten er hunne goedkeuring aan. „Broeders!” zeide ik vervolgens
tot hen, „gij zult gezien hebben, dat er aan het strand veel hout ligt,
dat de zee heeft aangespoeld. Wilt gij nu mijn' raad volgen, zoo laat
ons eenige vlotten maken, voldoende in getal om ons allen te kunnen
dragen, ten einde daarvan gebruik te maken, zoodra wij zulks dienstig
zullen achten. Inmiddels kunnen wij het plan, dat ik heb voorgesteld om
ons van den reus te ontslaan, beproeven; slaagt dit, zoo zullen wij met
geduld kunnen afwachten tot een of ander voorbij zeilend schip ons van
dit noodlottige eiland afhaalt; mist integendeel onze aanslag, zoo
kunnen wij ons naar onze vlotten begeven en daarmede in zee steken. Ik
kan niet ontkennen dat wij, door ons met deze zwakke vaartuigen aan de
golven prijs te geven, ons leven in groot gevaar zullen brengen, maar
indien wij toch den dood niet ontgaan kunnen, is het dan niet altoos
verkieselijker, dat wij ons graf in de diepte der zee vinden, dan in
de ingewanden van dit monster, dat reeds twee van onze makkers heeft
verslonden?” Mijn voorstel droeg de algemeene goedkeuring weg, en wij
maakten nog dien eigen dag onderscheidene vlotten, die ieder drie
personen konden dragen.

Met den avond keerden wij naar het paleis terug, en kort na ons
verscheen de reus. Wij moesten nogmaals een van onze kameraden zien
braden. Maar hoor nu op welke wijze wij wraak namen over de wreedheid
van den reus. Na zijn verfoeijelijk maal legde hij zich op den rug en
sliep in. Zoodra wij hem, volgens zijne gewoonte, hoorden snurken, namen
ik en nog negen van de stoutmoedigsten onder ons, elk een braadspit.
Wij legden onze speten met de punt in het vuur, en toen deze gloeijend
waren, staken wij die allen te gelijk in het oog van den reus en rukten
het hem uit.

De smart deed den reus met een' vreeselijken kreet ontwaken. Hij sprong
eensklaps overeind, en de armen uitbreidende, tastte hij naar alle
kanten rond om een van ons te vatten en aan zijne woede op te offeren;
maar wij hadden den tijd ons buiten zijn bereik te begeven, en wij
gingen op den grond liggen, ter plaatse waar wij geen gevaar liepen
onder zijne voeten vertrapt te worden. Na ons te vergeefs gezocht te
hebben, vond hij, met zijne handen langs den muur tastende, ten laatste
de poort en verwijderde zich onder een verschrikkelijk gebrul.

Ook wij verlieten het paleis en begaven ons naar het strand, ter plaatse
waar wij onze vlotten hadden. Wij bragten die terstond te water om
dadelijk in zee te kunnen steken, als de reus, geleid door een' gids
van zijn ras, ons mogt vervolgen. Evenwel besloten wij den dag af te
wachten, in de hoop dat, indien hij zich vóór dien tijd niet liet zien,
en wij zijn gebrul, dat nog altoos aanhield, niet meer hoorden, zulks
een teeken zou zijn, dat hij aan zijne wond was gestorven, in welk geval
wij besloten op het eiland te blijven, tot dat wij een veiliger middel
zouden vinden om het te verlaten. Doch naauwelijks begon het licht te
worden, of wij zagen onzen wreeden vijand aankomen, geleid door twee
andere reuzen, die bijna zijne lengte hadden, en voorafgegaan door een
aantal andere, die uit alle magt liepen.

Toen aarzelden wij niet langer om ons op de vlotten te begeven, en wij
roeiden met alle kracht ten einde ons van het strand te verwijderen.
Doch de reuzen, die ons reeds hadden ontdekt, raapten zware steenklompen
op, liepen naar het strand en ter halve lijf in de zee, van waar zij
ons met steenworpen begroetten. De meesten troffen zoo juist, en de
steenklompen waren zoo zwaar, dat al de vlotten, behalve dat, waarop ik
mij bevond, verbrijzeld werden, zoodat allen, die er op waren, hun graf
in de golven vonden. Wat mij en mijne twee makkers betrof, wij hadden
ons behoud alleen te danken aan het snelle roeijen, waardoor wij ons
reeds verder in zee en buiten bereik van de steenworpen bevonden.

Toen wij in volle zee kwamen, konden wij echter ons vlot niet meer
besturen, en wij waren genoodzaakt het aan wind en golven prijs te
geven, die ons dan hier, dan herwaarts heen stuwden. Gedurende dien
dag en den daarop volgenden nacht verkeerden wij in de vreeselijkste
onzekerheid omtrent ons lot. Toen de dag weder aanbrak, hadden wij het
geluk tegen een eiland aan te drijven, en waren ten hoogste verblijd,
dat wij het strand weder onder onze voeten hadden. Wij vonden op dit
eiland heerlijke vruchten, die ons goed te pas kwamen om onze verloren
krachten te herstellen.

Met den avond legden wij ons aan het strand te slapen, maar wij werden
daarin gestoord door het geratel van eene slang, zoo lang en zoo dik als
een palmboom, die met hare geschubde huid over het zand schuifelde. De
slang was reeds zoo nabij, dat zij, toen wij het gevaar, waarin wij ons
bevonden, ontdekten, reeds een' van mijne beide makkers gevat had, en
niettegenstaande zijn gegil en zijne wanhopige pogingen om zich van het
monster te ontslaan, zich om zijn lijf kronkelde, hem drukte dat de
ribben kraakten, en eindigde met hem in te slokken. Mijn makker en ik
namen ijlings de vlugt, en hoewel wij ons reeds op een' vrij grooten
afstand bevonden, hoorden wij na eenigen tijd een geluid, waaruit wij
opmaakten, dat de slang de beenderen van den ongelukkige, welke zij
verslonden had, weder uitwierp. En inderdaad, toen wij den volgenden
morgen die plaats bezochten, zagen wij met afschuw, dat wij ons niet
vergist hadden. „O Allah!” riep ik toen uit, „wat lot hebt gij ons
beschoren! Gisteren verblijden wij ons ontkomen te zijn aan de wreedheid
van een' reus en aan de woede der golven, en nu verkeeren wij in een
niet minder groot gevaar.” Dien dag bespeurden wij echter bij onze
rondwandeling een' dikken en zeer hoogen boom. Wij namen ons voor er den
nacht op door te brengen, ten einde ons tegen de slang in veiligheid
te stellen. Wij deden, gelijk den vorigen dag, onzen maaltijd met de
vruchten, die op dit eiland in grooten overvloed voorhanden waren, en
toen het avond werd beklommen wij onzen boom. Het duurde niet lang, of
wij hoorden de slang, die ons reeds geroken had, al blazende om den
voet des booms, waarop wij ons bevonden, rondkruipen. Wij dachten in
veiligheid te zijn, maar eensklaps rigtte zich de slang, op haren staart
leunende, tegen den stam op, en mijn' makker die lager zat dan ik, eerst
ontmoetende, opende zij haar' wijden muil, slokte hem in een' hap op, en
trok zich terug.

Ik bleef op den boom totdat de dag aanbrak, en verliet toen meer dood
dan levend mijne schuilplaats. In waarheid, ik kon geen ander lot
verwachten, dan hetgeen mijnen beiden makkers was te beurt gevallen,
en dit denkbeeld deed mij ijzen. De haren rezen mij te berge. Ik deed
eenige schreden voorwaarts, met het voornemen om mij met het hoofd
voorover in zee te storten; maar daar het leven zoet is, weêrstond ik
aan deze ingeving mijner wanhoop, en onderwierp mij aan den wil van
Allah, die naar zijn welbehagen over ons leven beschikt.

Ik deed echter wat in mijn vermogen was om mijn leven te beschermen. Ik
verzamelde eene groote menigte kleine houten en doorntakken, en maakte
daarvan verscheidene takkebossen, die ik stevig in elkander werkte en
als eene verschansing om den boom optrok. Hier legde ik eenige lange
bossen dwars over heen, teneinde een dak boven mijn hoofd te hebben.
Zoodra het avond werd, begaf ik mij in mijne schuilplaats, met den
treurigen troost, dat ik niets verzuimd had, wat zou kunnen strekken,
om mij te vrijwaren voor het droevige lot, dat mij dreigde. De slang
verzuimde niet terug te komen en om den boom rond te kruipen, zoekende
hoe zij mij het best zou bereiken en verslinden; maar zij kon door de
verschansing, die ik gemaakt had, haar doel niet bereiken. Eindelijk
brak de dag aan en de slang verwijderde zich. Ik had intusschen den moed
niet mijne wijkplaats te verlaten, vóór dat de zon hoog aan den hemel
stond.

Ik was zoo afgemat door de slapeloosheid, waarin de slang mij gedurende
den ganschen nacht had gehouden; ik had zoo veel te lijden gehad van
haren verpestenden adem, dat de dood mij verkieselijk scheen boven
al deze verschrikkingen. Mijne onderworpenheid van den vorigen dag
vergetende, verwijderde ik mij van den boom en liep naar het strand, met
het voornemen om mij in zee te storten.

De hemel echter,” vervolgde Sindbad, „werd bewogen met mijne wanhoop.
Op den oogenblik dat ik gereed stond in zee te springen, bespeurde ik
in de verte een schip. Ik riep uit al mijne magt, teneinde mij te doen
hooren, en ik ontrolde het linnen van mijn' tulband, en zwaaide zooveel
mogelijk daarmede, in de hoop dat men mij zou opmerken. Dit laatste
middel had het gewenschte gevolg; eenige der matrozen hadden mij gezien,
en de kapitein liet de sloep uitzetten om mij af te halen. Zoodra ik aan
boord was, zag ik mij omringd door kooplieden en schepelingen, die zeer
nieuwsgierig waren te vernemen, door welk toeval ik op dat woeste eiland
was gekomen. Ik voldeed aan hun verlangen door het verhaal van mijne
lotgevallen. Allen betuigden mij hunne vreugde, dat ik aan zulke
vreeselijke gevaren was ontkomen, en beijverden zich, niet twijfelende
of ik zou wel eetlust hebben, mij te onthalen op het beste, wat zij
hadden. De kapitein, bemerkende dat mijne kleeding zeer gehavend was,
had de edelmoedigheid, mij eenige zijner eigene kleederen te geven, die
nog zoo goed als nieuw waren.

Wij zetten onze reis voort, zeilden voorbij verscheidene eilanden, en
kwamen eindelijk aan het eiland Salahad, beroemd door het sandelhout,
dat daar in menigte groeit en in de geneeskunde veel wordt gebruikt. Wij
liepen de haven binnen en lieten het anker vallen. De kooplieden maakten
een begin met hunne handelswaren te ontschepen en die te verkoopen, of
tegen de voortbrengselen van dat land te verruilen. Inmiddels liet de
kapitein mij bij zich komen en zeide tot mij: „Broeder, ik heb eenige
handelswaren onder mijne berusting, welke toebehooren aan een' koopman,
die kort geleden op mijn schip heeft gevaren. Daar deze man voor
eenigen tijd overleden is, wil ik die goederen te gelden maken, en bij
gelegenheid daarvan aan zijne erfgenamen verantwoording doen.” Hij
toonde mij de balen, die reeds op het dek stonden, en vervolgde: „Zie
hier de waren, waarvan ik spreek; gij zoudt mij eene dienst bewijzen,
indien gij u wildet belasten daarmede, tegen eene behoorlijke belooning,
handel te drijven.” Ik stemde hierin toe, en bedankte hem, dat hij mij
in de gelegenheid stelde, mijn' tijd nuttig te kunnen besteden. De
scheepsschrijver, die aanteekening hield van al de waren, die van boord
gingen, en van de namen der kooplieden, wien zij toebehoorden, vraagde
de kapitein op wiens naam hij de balen moest te boek stellen, die mij
ter verkoop werden opgedragen. „Schrijft die,” antwoordde hij, „op naam
van Sindbad den zeeman.” Ik was niet weinig verwonderd mijn' eigen naam
te horen noemen, en den kapitein strak aanziende, herkende ik hem voor
degene, die mij, op mijne tweede reis, achter liet op het eiland, waar
ik bij de beek in slaap was gevallen, en die onder zeil ging zonder op
mij te wachten, of naar mij te laten zoeken. Ik had hem in het eerst
niet herkend, daar hij, sedert ik bij hem aan boord was, zeer verouderd
en veranderd was.

Dat hij _mij_ niet herkend had, was eerder te begrijpen, daar hij in de
stellige overtuiging verkeerde, dat ik mij reeds lang in het rijk der
dooden bevond. „Kapitein,” zeide ik, „is het zeker, dat de koopman, wien
deze balen toebehooren, Sindbad heette?” „Ja,” antwoordde hij, „zoo
noemde hij zich; hij was van Bagdad, en heeft zich te Balsora op mijn
vaartuig ingescheept. Eens, dat wij aan een eiland aanlegden, om water
en eenige ververschingen in te nemen, en hij zich met andere kooplieden
aan wal begaf, is hij achtergebleven, en wij misten hem niet, vóór
dat wij reeds eenige uren onder zeil waren. De wind maakte het ons
onmogelijk den steven te wenden en hem af te halen.” „En gij meent dat
hij dood is?” hernam ik. „Daarvan ben ik zoo goed als zeker,” antwoordde
hij. „Welnu! kapitein,” ging ik voort, „open dan uwe oogen eens goed. Ik
ben die Sindbad, welken gij op dat onbewoonde eiland hebt achtergelaten.
Ik had mij bij eene beek nedergezet en was in slaap gevallen. Bij mijn
ontwaken zag ik niemand meer van hen, die met mij aan land waren
gegaan.” Nadat ik dit gezegd had, zag de kapitein mij sterk aan.

Hij bleef eenigen tijd in die houding staan, en hield zijne oogen
onafgewend op mij. Eindelijk echter scheen hij zich mijne gelaatstrekken
te herinneren, en tot de overtuiging te komen, dat ik werkelijk die
Sindbad was, dien hij voor dood had gehouden. „Allah zij geprezen,”
riep hij uit, viel mij om den hals, „ik ben opgetogen van vreugde, dat
ik door mijn' misslag niet schuldig ben aan uw' dood. Zie hier uwe
goederen; zij zijn niet verminderd, maar vermeerderd, daar ik er een'
gelukkigen handel mede heb gedreven, opdat uw kapitaal niet renteloos op
uwe erfgenamen zou overgaan. Ik geef u alles met de daarop verkregen
winst terug.”

Van het eiland Salahad vertrokken wij naar een ander, waar ik eene goede
lading kruidnagelen, kaneel en andere specerijen insloeg. Op onze
terugreis zagen wij een' haai van twintig ellebogen lengte; alsmede een'
anderen visch die veel op eene koe geleek. Zijne huid is zoo dik en
hard, dat men er schilden van maakt, waardoor geen pijl kan dringen.
Eindelijk liepen wij, na eene lange reis, te Balsora binnen. Van daar
keerde ik naar Bagdad met een' grooten rijkdom aan geld en goederen
terug. Wederom schonk ik daarvan een aanzienlijk deel aan de armen, en
kocht nog verscheidene nieuwe landgoederen.”

Aldus eindigde Sindbad het verhaal van zijne derde reis. Hij deed
Hindbad weder honderd sequinen geven en noodigde hem tegen den volgenden
dag op het middagmaal, om het verhaal van zijne vierde reis aan te
hooren. Zoodra de maaltijd op den volgenden dag afgeloopen was, nam
Sindbad het woord, en zette aldus het verhaal van zijne hoogst
zonderlinge lotgevallen voort.


VIERDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„De genoegens, die ik na mijne derde reis in ruime mate mogt smaken,
hadden toch voor mij zoo veel bekoorlijks niet, dat daardoor mijne
lust, om verre landen te bezoeken en vreemde dingen te zien, kon worden
uitgebluscht. Ik stelde dus orde op mijne zaken, voorzag mij van een'
goeden voorraad van allerlei kostbare koopwaren, en vertrok. Ditmaal
voegde ik mij bij eene karavaan, die naar Perzië ging. Ik doorreisde
verscheidene provinciën van dat uitgestrekte rijk, totdat ik eene
zeehaven bereikte, waar ik mij inscheepte. Wij gingen onder zeil, en
reeds hadden wij verscheidene havens aan het vasteland en eenige
eilanden in de Indische zee bezocht, toen wij door een' orkaan werden
overvallen, zoodat de kapitein zich verpligt zag de zeilen te strijken,
en maatregelen te nemen om het gevaar af te wenden, waarmede wij
bedreigd werden. Al onze voorzorgen waren echter vruchteloos; de bevelen
van den kapitein werden niet goed of te langzaam uitgevoerd, de zeilen
vlogen los en aan stukken, het roer werd weggeslagen en het nu niet
meer te besturen schip stiet op een rif en berstte. Vele passagiers
verdronken, en de lading ging geheel verloren. Eenige der kooplieden
en matrozen,” vervolgde Sindbad, „en ik, wij hadden het geluk, ons aan
planken of andere drijvende overblijfselen van het uiteengeslagen schip
vast te klemmen, en wij werden door den vloed, die zeer sterk was, op de
kust geworpen van het eiland, dat voor ons lag. Wij vonden daar vruchten
en eene bron van zoet water, wat ons zeer te stade kwam om onze krachten
te herstellen. Wij bragten den nacht door op de plaats, waar de zee ons
had aangespoeld, zonder nog te hebben nagedacht over hetgeen ons verder
te doen stond. Onze verslagenheid over de ramp, die ons getroffen had,
was daartoe te groot.

Den volgenden dag echter, zoodra de zon opkwam, verwijderden wij ons
van het strand, en het eiland dieper ingaande, zagen wij spoedig eenige
woningen, waarheen wij nu haastig onze schreden rigtten. Bij onze komst
in het gehucht, dat uit een twintigtal hutten bestond, kwamen vele
zwarten naar ons toeloopen. Zij omringden ons, maakten zich van onze
goederen meester, en na die onder elkander verdeeld te hebben, bragten
zij ons naar hunne woningen.

Met vijf van mijne kameraden kwam ik in het zelfde huis. Men deed ons
nederzitten, diende ons een zeker kruid voor, en noodigde ons door
teekenen uit om daarvan te eten. Het geregt zag er niet onsmakelijk uit
en had een' aangenamen geur. Mijne makkers hierdoor verlokt, en alleen
hunne hongerige magen raadplegende, vielen dadelijk aan, zonder op te
merken, dat zij, die het ons voorzetten, er zelven niet van aten. Wat
mij aangaat, door een voorgevoel gedreven, dat er welligt achter deze
gastvrijheid der zwarten iets anders mogt schuilen, ik nam den schijn
aan van te eten, maar zette er den mond niet aan. Ik bevond er mij wel
bij, want weldra bleek het, dat mijne kameraden geheel buiten zinnen
waren, en niet meer wisten wat zij zeiden.

Vervolgens diende men ons rijst voor, toebereid met kokosolie, en mijne
van hun verstand beroofde makkers aten er duchtig van. Ik gebruikte
slechts zeer weinig, naauwelijks genoeg om mijn' honger te stillen.

En raadt nu eens, mijne heeren!” vervolgde Sindbad, „waarom die lieve
zwarten ons eerst dat kruid toedienden, en ons vervolgens op rijst
onthaalden? Het eigenbelang speelde hier de hoofdrol, de gastvrijheid
kwam niet in aanmerking; het waren menscheneters. Het bedwelmende kruid
moest dienen, om ons het bewustzijn te benemen van het lot, dat ons te
wachten stond (want te veel verdriet vermagert), en zij gaven ons rijst
om ons vet te maken. Met mijne makkers hadden zij hun doel bereikt: zij
hadden geen besef van hunnen toestand, aten zooveel zij maar konden en
werden dagelijks dikker en vetter. Wat mij betreft, ik werd, in plaats
van vet, nog magerder dan ik ooit geweest was.

De vrees voor zulk een' afgrijselijken dood, waardoor ik onophoudelijk
gekweld werd, benam mij niet alleen den eetlust, maar deed de weinige
spijzen, die ik gebruikte, in vergift veranderen. Ik kwijnde weg, en
tot mijn geluk; want toen de zwarten mijne makkers geslagt en opgegeten
hadden, lieten zij het daarbij niet blijven. Omdat zij zagen, dat ik
mager, ontvleescht en ziek was, verschoven zij mijn' dood.

Intusschen genoot ik veel vrijheid, en men sloeg zoo weinig acht op
mijne handelingen, dat dit mij in de gelegenheid stelde de woonplaats
van mijne zwarte vrienden te verlaten. Een grijsaard, die mij zag gaan,
en mijn voornemen giste, schreeuwde mij luidkeels na, dat ik terug moest
komen. Maar wie zoo gek was, Sindbad de zeeman niet! Ik liep er slechts
te sneller om, en was weldra buiten zijn gezigt. Die grijsaard was op
dat tijdstip mijn eenige gevangenbewaarder, want al de anderen waren van
huis en werden eerst tegen den avond terug verwacht: iets dat meermalen
plaats had. Zij zouden dus bij hunne terugkomst het vogeltje gevlogen en
de kooi ledig vinden, zonder veel kans te hebben mij te achterhalen;
en daarop had ik gerekend. Men moet echter zijn' vijand niet te ligt
achten; die zwarten kunnen loopen als windhonden en hebben een' scherpen
reuk. Ik gebruikte dan de meest mogelijke voorzorg om uit hunne handen
te blijven, want hiervan was ik zeker, vet of mager, zij zouden mij
thans niet meer sparen. Ik liep den geheelen dag door; eerst des avonds
gunde ik mij een weinig rust, en versterkte mij door eenige spijs te
nemen van den kleinen voorraad, dien ik bij mijne vlugt had medegenomen.
Gelukkig scheen de maan en flikkerden de sterren helder aan den blaauwen
hemel, zoodat ik ook 's nachts kon voortgaan. Zoo liep ik zeven dagen
lang, vermeed alle bewoonde plaatsen, en leefde, toen de voorraad
verteerd was, van kokosnoten, wier kern mij tot spijs en wier melk mij
tot drank verstrekte. Op den achtsten dag bereikte ik het strand;
eensklaps bevond ik mij nu onder blanken, die peper plukten, welke op
dat eiland in menigte groeit. Zoodra die lieden mij zagen, kwamen zij
naar mij toe. Zij vraagden mij in het Arabisch wie ik was en van waar
ik kwam. Verblijd dat ik mijne moedertaal hoorde spreken, voldeed
ik bereidwillig aan hunne nieuwsgierigheid en verhaalde hun, hoe ik
schipbreuk geleden had en op dat eiland was gekomen, waar wij in handen
van wilden waren gevallen. „Maar die zwarten,” zeiden zij, „zijn
menscheneters. Door welk wonder zijt gij aan hunne wreedheid ontkomen?”
Ik deelde hun mede, wat u reeds bekend is, en zij waren ten hoogste
verwonderd, dat ik, na het doorstaan van zoo vele gevaren en
vermoeijenissen, nog in leven was.

Ik bleef bij hen totdat zij eene genoegzame hoeveelheid peper hadden
ingezameld, waarna ik mij met hen inscheepte op het vaartuig, dat hen
hier had gebragt, en waarmede zij nu naar het eiland terugkeerden. Zij
stelden mij voor aan hun' koning, die een zeer menschlievend vorst was.
Hij luisterde geduldig naar het verhaal van mijne rampen, en beklaagde
mij. Hij deed mij kleederen geven, en beval, dat men mij in alles
verzorgen zou.

Zijn eiland was sterk bevolkt en rijk aan allerlei voortbrengselen,
waarmede de inwoners een' grooten handel dreven. Dit aangename oord en
de goedheid van den edelmoedigen vorst troostten mij eenigzins over mijn
ongeluk. Daar ik bij den koning in gunst stond, beijverde bijna een
ieder zich om mij genoegen te doen, en beschouwde men mij niet langer
als vreemdeling, maar als inboorling van het eiland.

Ik merkte inmiddels iets op, dat mij zeer vreemd voorkwam. Als de koning
of een zijner onderdanen te paard reed, gebruikte hij noch zadel, noch
toom of stijgbeugels. Dit deed mij de vrijheid nemen zijne majesteit
te vragen, waarom men zich bij het paardrijden niet van deze gemakken
bediende. Hij antwoordde mij, dat ik hem daar over dingen sprak waarvan
het gebruik, ja zelfs de naam, in zijn rijk onbekend was.

Dadelijk ging ik nu naar een' bekwamen werkman, en liet hem van hout
een' zadel maken, naar het model, dat ik hem gaf. Deze gereed zijnde
omkleedde ik hem met leder, vulde dit op met haar en versierde hem met
gouden passementwerk. Daarop vervoegde ik mij bij een' slotenmaker, die
mij, volgens mijne opgave, een gebit en stijgbeugels maakte.

Toen alles gereed was, bood ik den koning mijn werk aan, en legde den
zadel op het paard, dat hij had laten voorbrengen, om een' rid te maken.
De vorst steeg, terwijl ik den stijgbeugel vasthield, volgens mijne
aanwijzing op, en zette zich in den zadel. Hij was over mijne uitvinding
zeer voldaan, en deed mij dit door een rijk geschenk blijken. Ik moest
nu ook voor zijne staatsdienaren, en de voornaamste officieren van zijn
hof zadels maken, waarvoor zij mij geschenken gaven, die mij in korten
tijd tot een rijk man maakten. Ook de aanzienlijkste inwoners der
stad, kwamen er mij om vragen, en behalve ruime betaling, verwierf ik
bovendien eene groote vermaardheid en genoot ik de algemeene achting.

Ik bleef inmiddels den koning getrouw bezoeken. Eens zeide hij tot mij:
„Sindbad! ik heb u lief, en ik weet, dat gij bij al mijne onderdanen
bemind zijt. Ik heb eene bede en ik wilde gaarne, dat gij mij die
toestondt.” „Sire,” antwoordde ik, „ik ben bereid alles te doen om uwe
majesteit mijne gehoorzaamheid te bewijzen; haar minste wensch zal voor
mij steeds een bevel zijn.” „Ik wil u uithuwelijken,” hernam de koning,
„opdat gij, door dien echt aan dit land verbonden, moogt vergeten ooit
een ander vaderland gehad te hebben.” Daar ik mij tegen den bepaalden
wil van den vorst niet durfde verzetten, kreeg ik eene zijner hofdames
van voorname geboorte, schoon, deugdzaam en rijk, tot echtgenoot. Na de
voltrekking van ons huwelijk nam ik mijn' intrek bij mijne vrouw, met
welke ik eenigen tijd in volkomen eendragt, leefde. Evenwel was ik met
mijn' toestand niet erg tevreden, ik kon mijn' geboortegrond, ik kon
Bagdad niet vergeten, een onweêrstaanbaar verlangen naar mijn vaderland
en mijne achtergelaten betrekkingen en vrienden liet mij dag noch nacht
rust, en ik besloot, zoodra zich de gelegenheid aanbood, in stilte te
vertrekken.

Met dit denkbeeld was ik bezield, toen de vrouw van een' mijner beste
vrienden ziek werd en stierf. Toen ik mijn' vriend een woord van troost
wilde toespreken, vond ik hem radeloos bedroefd. „Allah zij u genadig!”
sprak ik binnentredende, „en Hij schenke u troost en een lang leven!”
„Helaas!” antwoordde hij, „wat wenscht gij mij toe? Ik leef geen uur
meer.” „Kom!” hernam ik, „haal u zulk eene treurige gedachte niet voor
den geest; men sterft zelden van verdriet, en de tijd zal ook uwe
wonde wel weêr heelen. Vergeet niet, dat gij een' vriend hebt, die in
uw ongeluk deelneemt, en nog jaren zich in uwe vriendschap hoopt te
verblijden.” „Ik wensch u een lang leven,” hernam hij, „doch wat mij
betreft, het is met mij op deze wereld gedaan, want nog heden zal
men mij met mijne vrouw begraven. Dit gebruik, door onze voorouders
ingesteld, is steeds ongeschonden bewaard gebleven. De levende man wordt
met zijne doode vrouw, de levende vrouw met haren dooden man begraven.
Niets kan mij redden; wij zijn allen aan deze wet onderworpen.”

Terwijl mijn vriend mij met deze barbaarsche gewoonte bekend maakte, en
dit nieuws mij eene rilling aanjoeg, kwamen de bloedverwanten, vrienden
en buren om de begrafenis bij te wonen. Het lijk der vrouw werd, als
ging zij ter bruiloft, met hare kostbaarste kleederen omhuld, en men
versierde het met alles, wat zij ooit bij haar leven aan goud, zilver,
paarlen en diamanten had gedragen. Toen werd het lijk in eene doodkist
zonder deksel, als op een praalbed, gelegd, en de stoet stelde zich in
beweging. De man ging achter de lijkbaar, aan het hoofd der lijkstatie.
Men sloeg den weg in naar een' hoogen berg. Daar aangekomen, werd eene
zware zerk afgewenteld, die op de opening van een' diepen put lag.
Hierin liet men nu de kist neder met het lijk, zonder dit van zijn' tooi
te ontdoen. De man omhelsde zijne bloedverwanten en vrienden, en liet
zich zonder tegenstand te bieden in eene doodkist leggen, met eene kruik
water en zeven kleine brooden bij zich. Men liet hem op dezelfde wijze
neder als zijne doode vrouw. Daarna werd den steen weder op den put
gelegd en de begrafenis was afgeloopen. Ik was bij dit alles zeer
treurig gestemd, en mogten ook de anderen weinig aandoening verraden,
omdat hun gevoel door de kracht der gewoonte verstompt was, mij werd het
benaauwd om het hart. Bij mijne terugkomst sprak ik met den koning over
dit gebruik. „Sire,” zeide ik, „ik kan mij niet genoeg verwonderen over
de vreemde gewoonte, die in uw rijk plaats heeft, om de levenden met de
dooden te begraven. Ik heb veel gereisd, vele volkeren bezocht, doch
nooit heb ik van eene zoo wreede wet hooren gewagen.” „Wat zoudt gij dan
willen, Sindbad!” antwoordde de koning, „het is eene algemeene wet,
waaraan ook ik, zoo wel als ieder mijner onderdanen, onderworpen ben.
Indien de koningin vóór mij komt te sterven, zal ik levend met haar
worden begraven.” „Maar, Sire,” hervatte ik, „veroorloof mij aan uwe
majesteit te vragen, of ook de vreemdelingen hieraan onderworpen zijn.”
„Wel zeker,” hernam de koning met een' spotachtigen lach (want hij
raadde mijne bedoeling), „zij zijn daarvan niet vrijgesteld, zoodra zij
hier een huwelijk hebben aangegaan.” Met dit antwoord keerde ik, alles
behalve opgeruimd, naar mijne woning terug. De vrees, dat mijne vrouw
eerst mogt sterven, en dat men mij dan levend met haar zou begraven,
maakte mij zeer treurig. Maar wat was er aan te doen? Ik moest geduld
hebben en afwachten wat Allah over mij besloten had. Evenwel was
er, sedert ik met die barbaarsche wet bekend werd, geen bezorgder
echtgenoot, dan Sindbad de zeeman. Als mijne vrouw maar eene verkoudheid
had gevat, als ik haar maar hoorde kugchen, werd het mij reeds bang om
het hart, en hadde ik vleugelen gehad, de koning zelfs, al hadde hij mij
tot zijn' eersten staatsdienaar willen maken, zou mij geen uur langer op
zijn eiland hebben gezien. Zonder een' traan te storten of een' zucht
te laten, zou ik van mijne lieve vrouw zijn weggevlogen. Ik had mij
voorgenomen te ontvlugten, maar de dood voorkwam zulks. Hij was vlugger
dan ik; mijne vrouw werd ziek, en was binnen weinige dagen een lijk.

Levend begraven te worden, leek mij niet minder vreeselijk toe, dan
het lot mijner makkers bij de menscheneters. Ik moest mij evenwel
onderwerpen. De koning, van zijn geheele hof vergezeld, wilde mijne
uitvaart met zijne hooge tegenwoordigheid vereeren; en al de
aanzienlijke ingezetenen der stad woonden mijne begrafenis bij.

Toen alles tot de plegtigheid gereed was, legde men het lijk van mijne
vrouw, getooid met al hare juweelen en met hare kostbaarste kleederen,
in de kist. De optogt nam een' aanvang. Ik, als de tweede hoofdpersoon
in dit treurspel, was de eerste achter de lijkbaar. Ik stortte vele
tranen en beklaagde mijn ongelukkig lot. Vóór wij den berg bereikt
hadden, wilde ik nog eene poging aanwenden om het gemoed der
toeschouwers te treffen. In de eerste plaats rigtte ik mij tot den
koning, en vervolgens tot allen, die mij omgaven, en met het hoofd ter
aarde gebogen, den zoom hunner kleederen kussende, smeekte ik hun,
medelijden met mij te hebben. „Neemt toch in aanmerking,” zeide ik, „dat
ik een vreemdeling ben, die aan deze gestrenge wet niet onderworpen
behoort te zijn, en dat ik in mijn vaderland eene andere vrouw en
kinderen heb.” Ik mogt deze woorden op een' smeekenden toon uitspreken,
niemand werd er door getroffen, integendeel, men haastte zich het lijk
van mijne vrouw in den put neder te laten, en een oogenblik daarna liet
men ook mij af in eene opene doodkist, met eene kruik water en zeven
brooden. Naauwelijks had de kist den grond bereikt, of men trok de
touwen op, en sloot de opening van den put, door er den steen weder op
te leggen, zonder dat men zich aan mijne wanhopige kreten stoorde.

In het afdalen kon ik, bij het weinige licht, dat van boven door de
opening viel, mij eenig begrip maken van de plaats, die mij tot een
levend graf moest verstrekken. Het was eene grot van grooten omvang in
eene rots van wel vijftig ellebogen hoogte. De onverdragelijke reuk der
half verteerde lijken, die ik regts en links van mij op den grond zag
liggen, deed mij walgen, en ik meende nog de laatste zucht te hooren van
sommigen, die kort geleden levend in dit hol waren neêrgelaten. Zoodra
ik beneden was, verliet ik de kist, en de neus digt houdende verwijderde
ik mij van deze plaats zoo ver mogelijk, niet zonder nu en dan over een
lijk of over eene geraamte te struikelen. Ik wierp mij wanhopig op den
killen grond, ik schreide en zuchtte, en duizenden gedachten dwarrelden
mij door het hoofd. Daarna meer geregeld over mijn rampzalig lot
nadenkende, zeide ik tot mij zelven: „Het is waar, dat Allah over ons
beschikt volgens de besluiten zijner Voorzienigheid; maar, arme Sindbad,
hebt gij het niet aan u zelven te wijten, dat gij zulk een' ellendigen
dood moet sterven? Ach, mogt het Gode behaagd hebben, dat gij bij de
vele schipbreuken, waaraan gij ontkomen zijt, uw graf in de golven
haddet gevonden! Gij zoudt dan niet gedoemd zijn tot zulk een' langzamen
en in alle opzigten verschrikkelijken dood. Maar gij zelf hebt u dien op
den hals gehaald door uwe verwenschte hebzucht. Ach! ongelukkige waarom
zijt gij niet gebleven in uw land, waar gij het goed hadt, en waar gij
in rust de vruchten van uwen arbeid hadt kunnen genieten!”

Van deze nuttelooze klagten deed ik de grot weêrgalmen, gaf mij aan
de wanhopigste gedachten over, en sloeg mij, als een razende, met de
vuisten voor het hoofd en op de borst. Evenwel, hoe rampzalig ik mij ook
gevoelde, de liefde tot het leven deed hare stem in mij hooren; ik was
er dus op bedacht dat zoo lang mogelijk te rekken. Ik sloop, den neus
digt houdende, en als een blinde rondtastende naar de plaats waar mijne
kist stond, om mijn brood en water te halen. Hoe groot ook de duisternis
was, die in de grot heerschte, zoo zelfs dat men den dag niet van den
nacht kon onderscheiden, vond ik echter mijne kist terug; en het scheen
mij nu toe, dat de grot nog veel grooter was, en meer lijken bevatte,
dan ik aanvankelijk dacht. Ik leefde eenige dagen van mijn' brood en
water maar eindelijk niet meer over hebbende, bereidde ik mij voor om te
sterven.

Ik verwachtte ook niet anders dan den dood, want reeds werd ik op eene
vreeselijke wijze door den honger en door den dorst gekweld, toen ik den
steen van den put hoorde afnemen. Men liet een doode en eene levende af.
De doode was een man. Het is niet onnatuurlijk, dat men op uiterste
redmiddelen bedacht is, als men in zulk een' toestand verkeert als de
mijne. Terwijl men de vrouw liet zakken, naderde ik de plek, waar de
kist moest nederkomen, en zoodra ik bemerkte dat men den steen weder op
den put legde, bragt ik de ongelukkige twee of drie zware slagen op het
hoofd toe met een groot doodsbeen, dat ik had opgeraapt. Zij bleef
ogenblikkelijk dood. Ik nam vervolgens de kruik met water en het brood
uit hare kist, en kon mij nu daarmede weder eenige dagen voeden. Na
verloop daarvan liet men weder een lijk af, ditmaal eene vrouw; de
levende man volgde, die ik op gelijke wijze doodde. Tot mijn geluk
heerschte er toen in de stad eene buitengewone sterfte. Ik nam steeds
tot het zelfde middel mijne toevlugt, en had bij gevolg geen gebrek aan
levensmiddelen. Eens, toen ik weder eene vrouw gedood had, hoorde ik in
mijne nabijheid blazen en loopen. Ik ging naar den kant van waar het
gerucht kwam, dat bij mijne nadering verdubbelde. Het kwam mij voor,
als of ik iets zag vlugten. Ik volgde deze soort van schim, die nu en
dan stil stond, doch als ik naderde, al blazende verder liep. Na lang
geloopen te hebben, schemerde mij een licht als eene ster in de oogen.
Op dat licht ging ik nu af; meermalen verloor ik het uit het oog, doch
telkens zag ik het terug. Eindelijk naderde ik eene opening in de rots,
ruim genoeg om mij een uitgang te verschaffen.

Bij deze ontdekking was ik zoo aangedaan, dat ik eenige oogenblikken
roerloos bleef staan. Daarop liep ik snel naar de rotsspleet, wrong er
mij door, en bevond mij in de vrije lucht aan het strand der zee. Mijne
vreugde was zoo groot, dat ik bijna mijne oogen niet geloofde, en meende
dat het slechts een droom was. Eindelijk kwam ik tot de overtuiging
dat het geen spel mijner verbeelding, maar werkelijkheid was, en dat
ik waarschijnlijk mijne vrijheid te danken had aan het een of ander
zeedier, dat door de rotsspleet in de grot kwam, om zich aan de lijken
te vergasten. Ik onderzocht nu den berg, en bevond dat deze gelegen was
tusschen de zee en de stad. Het strand was aan de landzijde geheel door
steile rotswanden afgesloten, en lag alleen open aan den zeekant. Ik
wierp mij met het gelaat ter aarde, om Allah te danken voor de genade,
die hij mij had bewezen. Na dit dankgebed keerde ik naar de grot terug
om van daar brood te halen, waarmede ik in de vrije lucht mijn' maaltijd
deed, met een' eetlust, zoo als ik dien sedert mijne begrafenis in dit
doodshol niet gekend had.

Ik ging vervolgens nogmaals in de grot, en nam uit de doodkisten al de
juweelen, al het goud en al de kostbare kleederen, die ik in handen
kreeg. Ik bragt dit alles aan het strand, maakte er balen van, en
bediende mij daartoe van de touwen, die bij het aflaten der doodkisten
gebruikt werden, en dus in groote menigte voorhanden waren. Ik liet
mijne goederen aan het strand, tot dat zich, gelijk ik hoopte, een schip
zou vertoonen en mij aan boord nemen; want ik behoefde niet bang te
zijn, dat mijne waren door den regen bederven zouden, daar het den tijd
van den droogen mousson was.

Na verloop van twee of drie dagen zag ik werkelijk een schip, dat zoo
even de haven had verlaten en het strand, waar ik mij bevond, op niet
grooten afstand voorbij zeilde. Ik maakte het linnen van mijnen tulband
los, waaide daarmede, en schreeuwde uit alle magt om mij te doen hooren.
Men had mij spoedig opgemerkt, en de sloep werd uitgezet om mij af te
halen. Op de vraag der matrozen door welk ongeluk ik mij op die eenzame
plaats bevond, gaf ik ten antwoord, dat ik voor vier dagen op deze kust
schipbreuk had geleden, en dat ik met mijne goederen, die aangespoeld
waren, hier moest blijven, omdat ik niet over de steile rotsen kon
komen. Gelukkig voor mij, stelden deze eenvoudige lieden zich hiermede
tevreden, en namen mij, zonder eenig onderzoek te doen, met mijne balen
in hunne sloep op.

De kapitein, die het druk had met zijne bevelen uit te deelen, nam mij
aan boord, zonder mij met vragen lastig te vallen, die mij in groote
verlegenheid hadden kunnen brengen. Hij betuigde mij alleen zijne
blijdschap, dat hij aan een' schipbreukeling eene dienst had kunnen
bewijzen, en hij was onbaatzuchtig genoeg, om de juweelen, welke ik hem
voor mijne reiskosten aanbood, niet aan te nemen.

Wij zeilden voorbij verscheidene eilanden en ankerden onder anderen bij
het Klokken-eiland, gelegen omstreeks tien dagreizen van Serendib en zes
dagreizen van het eiland Kela. Op dit eiland vindt men loodmijnen en
uitmuntende kamfer.

De koning van het eiland Kela is zeer rijk en magtig; hij is tevens
gebieder van het geheele Klokken-eiland, dat eene uitgestrektheid, heeft
van twee dagreizen, en welker bewoners nog zoo barbaarsch zijn, dat zij
menschenvleesch eten. Wij dreven daar echter een' aanzienlijken handel,
gingen toen weder onder zeil en deden nog verscheidene andere havens
aan. Eindelijk kwam ik behouden te Bagdad in het bezit van onschatbare
rijkdommen, te veel om hier op te sommen. Ten einde Allah mijn' dank te
betuigen, dat hij mij uit zoo vele doodsgevaren gered, en behouden in
mijn vaderland en bij mijne betrekkingen had terug gebragt, deelde ik
groote giften uit, zooveel aan de moskeeën als aan de armen. Ik wijdde
mij nu geheel en al aan mijne bloedverwanten en vrienden, vermaakte mij
met hen en maakte goede sier.”

Met deze woorden besloot Sindbad het verhaal van zijne vierde reis,
dat de verbazing van zijne hoorders in nog hoogere mate opwekte, dan
dat zijner drie voorgaande reizen. Hij deed aan Hindbad op nieuw een
geschenk van honderd sequinen uitreiken, en noodigde hem uit den
volgenden dag terug te komen om bij hem te eten, en het verhaal van
zijne vijfde reis aan te hooren. Toen het gezelschap den dag daaraan
zich weder ten zijnen huize bevond en de maaltijd was afgeloopen, ving
Sindbad aldus aan:


VIJFDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Het genoegelijke leven, dat ik met mijne vrienden leidde, wischte
weldra de vermoeijenissen en rampen, die ik had doorgestaan, uit mijn
geheugen, zoodat ik na eenigen tijd reeds weder lust gevoelde om nieuwe
reizen te doen. Ik kocht alzoo weder eene menigte koopwaren, die ik in
balen pakte en op wagens liet laden, en waarmede ik mij naar de naaste
zeehaven begaf. Om niet van den kapitein afhankelijk te zijn, liet ik
op eigen kosten een schip dusdanig bouwen en uitrusten, als ik dit
verlangde. Zoodra het schip gereed was, deed ik mijne goederen daarin
laden en begaf mij aan boord, eenige kooplieden met hunne waren
medenemende.

Met den eersten gunstigen wind ligtten wij het anker, en bevonden ons
weldra in de ruime zee. Wij waren reeds eenige weken onder zeil geweest,
toen wij gebrek aan drinkwater kregen, en voor een onbewoond eiland het
anker lieten vallen om onze watervaten te vullen. Hier vonden wij een ei
van gelijke grootte en omvang als dat, wat ik u vroeger heb beschreven.
Het bevatte een' jonge rok, die spoedig zou uitkomen, en waarvan de bek
reeds zigtbaar was. De kooplieden, die zich aan boord van mijn schip
bevonden, en met mij aan land waren gegaan, hakten met een' bijl in
het ei en maakten daarin eene opening, waardoor zij den jongen rok bij
gedeelten te voorschijn haalden, en dien zij daarna lieten braden. Ik
had hen ernstig gewaarschuwd, dat zij het ei onaangeroerd zouden laten,
maar zij wilden naar mijn' raad niet hooren.

Naauwelijks hadden zij hunnen maaltijd geëindigd, of er vertoonden
zich in de lucht op een' vrij grooten afstand twee donkere wolken.
De kapitein, dien ik gehuurd had om mijn schip te besturen, bij
ondervinding wetende, wat dit te beduiden had, zeide dat het de vader
en de moeder van den jongen rok waren. Hij drong er op aan, dat wij
terstond aan boord moesten gaan om, zoo mogelijk, het ongeluk, dat hij
voorzag, te voorkomen. Wij volgden zijn' raad en gingen dadelijk onder
zeil.

Intusschen naderden de twee rokken met een groot geschreeuw, dat nog
verdubbelde toen zij bemerkten in welken toestand zich het ei bevond.
Daarop vlogen zij weder weg naar den kant, van waar zij gekomen waren.
Wij verloren hen voor een' korten tijd uit het oog, en de kapitein liet
alle zeilen bijzetten, ten einde het gevaar te ontkomen, dat ons
bedreigde.

De beide vogels kwamen terug, en wij bemerkten, dat elke rok een stuk
rots, zoo groot als een' kleinen berg, in zijne klaauwen medebragt. Toen
zij vlak boven mijn schip waren, staakten zij hunne vlugt, en op hunne
wieken drijvende, liet de eene zijn stuk vallen, doch door de handigheid
van den stuurman, die het roer omwierp en het schip deed zwenken, viel
het in zee. Het water week, zoodat wij bijna den grond konden zien. Tot
ons ongeluk liet echter de andere rok zijn stuk rots zoo juist op het
midden van het schip vallen, dat het aan duizend stukken werd geslagen.
De matrozen en de kooplieden werden allen door de rots verpletterd en
zonken in de diepte der zee. Ook ik zonk eenige vademen diep, doch hield
mijn' adem in, kwam weder boven, en had het geluk mij vast te klemmen
aan een in mijne nabijheid drijvend stuk van het wrak. Mij nu eens met
de eene, dan weder met de andere hand vasthoudende, werd ik, daar wind
en stroom mij gunstig waren, eindelijk op een eiland geworpen. De kust
was hoog en steil, doch ook deze zwarigheid kwam ik te boven. Ik zette
mij in het gras om een weinig van mijne vermoeijenis te bekomen; en
zoodra ik mij sterk genoeg gevoelde, stond ik weder op en ging dieper
landwaarts in, om het eiland te verkennen. Dit viel mij mede; want
overal bevond ik mij te midden van een' lusthof, vol van de schoonste
vruchtboomen, allen beladen met rijp en half rijp ooft, de grond
geleek een bloemtapijt, waardoor zich beekjes van het helderste water
kronkelden. Ik plukte en at van de heerlijke vruchten, dronk van het
heldere water, en ik gevoelde mij, zelfs in mijn ongeluk, gelukkig.

Toen ik mij aldus verkwikt had en mijne wandeling verder voortzette,
zag ik aan den oever van ene beek een' grijsaard zitten, die mij
toescheen zeer gebrekkig te zijn. Ik dacht in het eerst dat hij, gelijk
ik, hier schipbreuk had geleden. Ik ging naar hem toe, en groette hem,
waarop hij alleen met eene hoofdbuiging antwoordde. Ik vraagde hem
vervolgens, wat hij daar deed, doch in plaats van te antwoorden, gaf hij
mij een teeken, dat ik hem op mijne schouders nemen en door de beek zou
dragen, ten einde aan de overzijde, zoo als hij verder te verstaan gaf,
eenige vruchten te gaan plukken.

Ik meende, dat hij er werkelijk behoefte aan had, dat ik hem deze dienst
bewees, en daarom nam ik hem zonder dralen op mijnen rug, en waadde met
hem door de beek, die zeer ondiep was. „Klim af,” zeide ik nu, en kromde
mij om hem het afstijgen gemakkelijk te maken. Doch in plaats van zich
te laten afglijden (ik moet nog lagchen zoo dikwijls ik er aan denk),
sloeg deze verduivelde grijsaard, dien ik voor gebrekkig had aangezien,
zijne beide beenen met vlugheid om mijn' hals, en ik zag nu, dat het vel
daarvan veel geleek op eene gedroogde koehuid. Terwijl ik deze opmerking
maakte, zette hij zich op mijne schouders, gelijk een schoenmaker op
zijn' driestal, en wrong mij de keel zoo digt, dat ik niet anders dacht,
of hij verworgde mij. Een plotselinge schrik beving mij, en ik viel in
zwijm. De lastige grijsaard bleef altoos aan mijn' hals hangen; alleen
ontsloot hij zijne beenen een weinig, ten einde mij gelegenheid te
geven om weder tot mij zelven te komen. Toen drukte hij den eenen voet
krachtig tegen mijne maag, en schopte mij met den anderen zoo lang in
de lenden dat ik, mijns ondanks, verpligt was op te staan. Zoodra ik
weder overeind was, dwong hij mij voort te gaan en vruchten voor hem te
plukken. Hij verliet dien geheelen dag mijne schouders niet, en toen ik
mij des nachts ter ruste wilde begeven, legde hij zich met mij op den
grond neder, zonder mijn' armen hals een oogenblik los te laten. Elken
morgen wekte hij mij, door mij met de hielen in de lenden te schoppen,
en dwong mij dan, door mij den hals bijna toe te knijpen, om op te
staan, en hem te dragen, waarheen hij wezen wilde. Stelt u mijn'
toestand voor, mijne heeren! dag en nacht zulk een' last te moeten
dragen, zonder er mij van te kunnen ontslaan.

Eens vond ik op mijn' weg verscheidene drooge pompoenen, die van een'
boom waren gevallen; ik zocht er eene der grootste uit, die ik mede nam.
Na hem goed gereinigd te hebben, perste ik eenige druiven uit, liet het
sap in mijne soort van flesch loopen, en vulde ze tot aan den hals. Ik
verborg nu mijne met druivensap gevulde kalebas, en wist het zoo aan te
leggen, dat wij na eenige dagen weder langs die plaats kwamen. Nu nam
ik mijne kalebas, bragt die aan den mond, en dronk een' overheerlijken
wijn, die mij zoo opwekte, dat ik bijna mijn treurig lot vergat. Ik
gevoelde mij zoo opgeruimd, dat ik begon te zingen, en met mijne vracht
op den rug meer danste dan liep.

Toen de grijsaard bemerkte, dat die drank mij vrolijk maakte, en ik
hem met veel meer gemak en lust droeg dan gewoonlijk, gaf hij mij door
teekenen te verstaan, dat ik ook hem moest laten drinken. Ik reikte
hem mijne kalebas toe, hij nam die, en daar mijn wijn hem zeer lekker
smaakte, dronk hij haar tot den laatsten droppel ledig. Er was nog
genoeg in om hem dronken te maken, en hij werd het ook. Terwijl de
dampen van den wijn hem meer en meer naar het hoofd stegen, ving ook hij
aan op zijne wijze te zingen, en op mijne schouders eene soort van dans
uit te voeren. Door dit hotsen gaf zijne maag terug, wat hij te gulzig
had gedronken, en werden zijne beenen allengskens losser. Zoodra ik dit
bemerkte, wierp ik hem met een' duchtigen schok van mijne schouders in
het zand, waar hij bedwelmd bleef liggen. Ik nam nu een' grooten steen
op en verpletterde hem de hersenpan. Mijne blijdschap was zeer groot,
toen ik mij van dezen verwenschten grijsaard had verlost. Ik ging naar
het strand, en tot mijne niet minder groote vreugde ontmoette ik eenige
matrozen, die daar met hun schip voor anker lagen, om versch water in
te nemen. Zij waren zeer verwonderd, toen zij mij zagen, en nog meer,
toen zij mijne lotgevallen vernamen, waarmede ik hen in weinige woorden
bekend maakte. „Gij waart,” zeiden zij, „in handen gevallen van den
grijsaard van de zee, en gij zijt de eerste, dien hij niet heeft
verworgd; nooit heeft hij den ongelukkige, van wien hij zich had meester
gemaakt, weder losgelaten, dan na hem gestikt te hebben. Hij heeft dit
eiland berucht gemaakt door het groote aantal lieden, die hij gedood
heeft; en de vrees, die hij aan alle zeevarenden inboezemt, is zoo
groot, dat matrozen en kooplieden, alleen in groot gezelschap, voet
aan land durven zetten.”

Toen zij mij dit gezegd hadden, namen zij mij mede aan boord van hun
schip. De kapitein ontving mij zeer vriendelijk; en als hij vernam, wat
mij was overkomen, betuigde hij mij, verheugd te zijn, dat ik aan zulke
gevaren ontsnapt was. Hij ging weder onder zeil, en na eenige dagen
lieten wij het anker vallen voor eene groote stad met steenen huizen,
die anders gewoonlijk slechts van hout of van bamboes zijn gemaakt.

Een der kooplieden van het schip, die zich mijner in vriendschap had
aangetrokken, nam mij met zich naar de stad en bragt mij in een huis,
ingerigt om schipbreukelingen of vreemde kooplieden zonder vermogen op
te nemen. Hij gaf mij vervolgens een' grooten zak, en beval mij aan in
de bescherming van eenige lieden, die allen van dergelijke zakken
voorzien waren; hij verzocht hun, dat zij mij zouden medenemen om
kokosnoten in te zamelen. „Ga,” zeide hij nu tegen mij, „met deze
lieden; doe, gelijk gij hen zult zien doen, en draag zorg u niet van hen
te verwijderen, gij zoudt anders uw leven in gevaar brengen.” Hij gaf
mij ook levensmiddelen voor dien dag, en ik vertrok met die menschen.

Wij kwamen in een groot bosch van regt opgaande en hemelhooge boomen,
wier stammen zoo glad waren, dat er voor den besten klimmer geene
mogelijkheid bestond, zelfs de onderste takken, waaraan zich de vruchten
bevonden, te bereiken. Het waren allen kokosboomen, met wier noten wij
onze zakken wenschten te vullen. De apen, waarvan wij eene groote
menigte zagen, waren echter betere klimmers dan wij, want zoodra deze
dieren ons vernamen, vlugtten zij in de boomen, en klauterden met eene
verwonderlijke vlugheid tegen de gladde stammen op.

De lieden, die bij mij waren, namen steenen op en wierpen die uit
alle magt naar te toppen der boomen en naar de apen, die daar hunne
wijkplaats hadden genomen. Ik deed gelijk de anderen, en nu bemerkte ik,
dat de apen ons goede diensten bewezen, want in hunnen toorn gingen zij
met verbazende vlugheid aan het plukken, en wierpen ons de noten toe,
die wij nu maar hadden op te rapen en in onze zakken te doen. Nu en dan
wierpen wij weder met steenen om de apen aan het werk te houden, en door
deze list vulden wij spoedig onze zakken met vruchten, wat ons anders
onmogelijk zou zijn geweest. Toen een ieder onzer zijn' zak gevuld had,
keerden wij naar de stad terug, en de koopman, die mij naar het bosch
had gezonden, betaalde mij de waarde voor de kokosnoten, die ik had
medegebragt.

„Ga,” zeide hij, „elken dag naar het bosch tot dat gij genoeg verdiend
zult hebben, om de kosten voor de terugreis naar uw vaderland te kunnen
betalen.” Ik bedankte hem voor zijn' goeden raad, en verzamelde zoo vele
kokosnoten, dat ik eene aanzienlijke som kon opleggen. Ik wachtte nu
slechts op eene gunstige gelegenheid om naar mijn geboorteland terug te
keeren, en zoodra deze zich opdeed, liet ik mijne kokosnoten aan boord
brengen. Vervolgens nam ik afscheid van den koopman, aan wien ik zoo
veel verpligting had, en ging scheep.

Daar de wind gunstig was, gingen wij dadelijk onder zeil, en zetten
koers naar een eiland, waar de peper in grooten overvloed groeit. Van
daar gingen wij naar Comara, waar de beste aloé wordt gevonden. Bij de
bewoners dier eilanden is het eene wet, zich van wijn en van alle
uitspattingen te onthouden.

Hier verruilde ik mijne kokosnoten tegen peper en aloéhout. Ook ondernam
ik met andere kooplieden de parelvisscherij. Ik nam eenige duikers aan,
die eene menigte groote en zeer schoone parelen voor mij opvischten.
Verheugd over zulk eene rijke vangst, scheepte ik mij in op een schip,
dat regelregt naar Balsora zeilde, waar ik behouden aankwam. Van daar
vertrok ik onmiddelijk naar Bagdad, en verkocht er mijne peper, mijn
aloéhout en mijne parelen zeer duur. Het tiende deel van mijne winst
deelde ik uit aan aalmoezen en zocht mijne doorgestane vermoeijenissen
in een genoegelijk leven te vergeten.”

Bij het eindigen van deze woorden deed Sindbad weder honderd sequinen
aan Hindbad geven. Den volgenden dag kwamen de zelfde gasten nogmaals
bij den rijken Sindbad ter maaltijd, en na hen even als de vorige dagen
heerlijk onthaald te hebben, begon hij het verhaal van zijne zesde reis.


ZESDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Mijne Heeren!” zeide hij, „gij zult moeijelijk kunnen begrijpen hoe ik,
na het doorstaan van zoo vele rampen, en na vijf malen schipbreuk te
hebben geleden, kon besluiten nieuwe gevaren te gaan zoeken. Als ik
er wel over nadenk, ben ik zelf verwonderd over mijne dwaasheid, maar
mijn noodlot dwong er mij voorzeker toe. Hoe dit zij, na een jaar rust,
maakte ik aanstalten om eene zesde reis te ondernemen. Wat ook mijne
bloedverwanten en vrienden mogten zeggen, om mij van mijn voornemen af
te brengen, het was te vergeefs!

Wederom nam ik mijn' weg door Perzië en Indië, tot dat ik eene zeehaven
bereikte. Hier ging ik scheep met een' kapitein, die voornemens was
eene zeer lange reis te doen. Zij was in waarheid lang, maar tevens zoo
ongelukkig, dat de kapitein en de stuurman van den koers afdwaalden, en
volstrekt niet meer wisten, op wat lengte of breedte wij ons bevonden.
Toen zij dit eindelijk ontdekten, was het waarlijk voor ons geene
aangename zaak. Verbeeldt u onzen schrik, toen wij den kapitein
eensklaps zijn' post zagen verlaten, terwijl hij in wanhoopskreten
uitbarstte. Hij was als zinneloos, wierp zijn' tulband op het dek, rukte
zich den baard uit, en sloeg zich met de vuisten voor het hoofd. Wij
vraagden wat hem zoo wanhopig maakte. „Ik moet u zeggen,” antwoordde
hij, „dat wij ons op de gevaarlijkste plaats der zee bevinden. Een
zeer sterke stroom voert het schip mede, en eer een kwartier verloopen
is, zijn wij misschien allen kinderen des doods. Bidt Allah, dat hij
medelijden met ons hebbe, en ons uit dit gevaar redde, of wij zijn
verloren.” Te gelijk beval hij alle zeilen bij te zetten, maar ook dit
mogt niet baten; de stroom sleepte het schip met onweerstaanbare kracht
mede naar eene ongenaakbare rots, waar tegen het aan stukken stiet.
Wij hadden echter den tijd, niet alleen ons leven, maar tevens onzen
voorraad en onze kostbaarste goederen te bergen, alvorens het schip
uiteensloeg. Nu dachten wij het gewonnen te hebben, maar de kapitein
zeide: „Wat verblijdt gij u! Wij bevinden ons hier op eene rots, van
waar nog nooit een schipbreukeling levend is afgekomen. Zijn wij al
niet in de golven omgekomen, er blijft ons niets over dan hier onze
graven te maken en te sterven.” Deze woorden van den kapitein stortten
ons in eene diepe droefheid; wij omhelsden elkander met tranen in
de oogen en betreurden ons ongelukkig lot, dat ons aan een zoo
onherbergzaam strand had geworpen.

De rots, aan wier voet wij waren, bevond zich aan de kust van een
uitgestrekt eiland, maar zij was zoo hoog en zoo steil, dat er geene
mogelijkheid bestond, haar te beklimmen, en had een onzer hieraan nog
getwijfeld, de geraamten en de beenderen der schepelingen, die vóór ons
hier aan het strand waren geworpen en er hun' dood hadden gevonden,
zouden er hem het overtuigendste bewijs van hebben gegeven. De geheele
kust lag als bezaaid met wrakken van schepen. Ongeloofelijk groot was
de rijkdom aan koopmansgoederen, die hier aangespoeld waren. Dit alles
strekte echter slechts om onze wanhoop te vergrooten. Wat toch baten
alle schatten der aarde, indien men er geen gebruik van kan maken, en
een zekere dood ons voor oogen staat! Ik ontdekte nu ook, waardoor de
schepen naar deze noodlottige kust werden gedreven. In de rots, die uit
kristal, robijnen en andere edelgesteenten bestond, was eene breede
grot, waarin zich de zee met geweld als in een' afgrond nederstortte;
hierdoor ontstond die sterke stroom. Van de rots stroomde in de zee eene
bron, wier water zwart van kleur was en geheele stukken pek of jodenlijm
met zich voerde, die door de visschen ingeslikt en als stukken barnsteen
uitgeworpen, door de golven aan strand werden gespoeld. Eindelijk vonden
wij er ook aloëhout, niet minder deugdzaam dan dat, hetwelk op het
eiland Camara groeit. Maar iets, om ons leven mede te rekken, zooals
vruchten, eetbare wortels, schildpadden of schelpdieren ontbraken er
geheel. Waren alzoo onze levensmiddelen, die wij geborgen hadden,
opgeteerd, dan stond ons de hongerdood met al zijne ijsselijkheden voor
oogen. Dit maakte ons half zinneloos; en dagen lang zaten wij elkander
zwijgend en wanhopig aan te staren.

Reeds in den aanvang hadden wij onzen voorraad onder elkander verdeeld,
en zoo bezweek ook de eene vroeger dan de andere, naar mate hij een zwak
of sterk gestel had, of van zijn' voorraad met meerdere of mindere
spaarzaamheid had gebruik gemaakt. Die het eerst stierven, werden
door de nog levenden begraven. Ik bewees die laatste eer aan al mijne
lotgenooten.

Dit, mijne vrienden, moet u niet bevreemden. Ik was met den mij
toegedeelden voorraad zeer zuinig geweest. Bovendien had ik mij aan
boord nog van het een en ander voorzien, en hiervan liet ik mijnen
makkers niets blijken. Dit moge onbarmhartig schijnen, maar wat
beteekende dat weinige voor ons allen! Ik wil evenwel niet ontkennen,
dat de wensch om mijn leven zoo lang mogelijk te rekken, mij zelfzuchtig
maakte. En toch toen ik den laatsten mijner medgezellen ter aarde had
besteld, bleef mij zoo weinig voorraad over, dat ik er aan begon te
denken ook mijn eigen graf te graven, met het doel om mij daarin te
werpen, als ik den dood voelde naderen. Bij dezen treurigen arbeid dacht
ik er onwillekeurig aan, dat ik zelf de schuld van mijn ongeluk was,
door niet naar den raad van mijne vrienden te hebben geluisterd. Het
berouwde mij nu, dat ik mijne zesde reis ondernomen had. Ik trok mij de
haren uit het hoofd, en liep als een waanzinnige naar de grot, om mij in
den stroom te storten, en zoo een einde aan mijn leven te maken. Maar
Allah had anders over mij besloten; hij deed mij op eene gedachte komen,
die mij weder hoop gaf. „Deze rivier,” dacht ik, „die onder de rots
doorloopt en zich in de zee uitstort, moet een begin hebben. Indien ik
nu eens een vlot maak en mij aan den loop van dit water overgeef, zal ik
mogelijk een bewoond land bereiken. Kom ik hierbij om, het zal slechts
eene andere soort van dood zijn, dan die mij hier te wachten staat.
Blijf ik integendeel behouden, dan zal ik niet alleen het treurige lot
van mijne makkers ontgaan, maar welligt op nieuw in de gelegenheid komen
om mij te verrijken. Wie weet, of het geluk mij niet wacht aan de andere
zijde van deze noodlottige plaats, om mij mijne schipbreuk met woeker te
vergoeden.”

Dit was met regt kasteelen in de lucht bouwen, maar ik was reeds zoo
dikwijls aan niet minder groote gevaren ontkomen, dat ik, als 't ware,
op mijn geluk steunde. Ik ging met ijver aan het werk, en daar het mij
niet aan materialen ontbrak (want planken en touwwerk had ik maar voor
het uitkiezen) maakte ik in korten tijd een stevig vlot, en een paar
riemen. Toen een en ander gereed was, belaadde ik het met balen
robijnen, smaragden, rotskristal, amber en andere kostbare stoffen.
Vervolgens maakte ik mijn vlot los, en de hulp van Allah inroepende,
gaf ik mij aan den stroom over.

Zoodra ik onder het gewelf van de grot kwam, was ik door een' donkeren
nacht omgeven, en het water voerde mij mede, zonder dat ik van mijne
riemen behoefde gebruik te maken. Ik dreef eenige dagen in deze
duisternis voort. Op één punt was het gewelf zoo laag, dat ik bijna mijn
hoofd gestooten en gewond zou hebben. Van mijn' voorraad gebruikte ik
niet meer dan noodig was om in leven te blijven, maar hoe zuinig ik
het ook aanlegde, eindelijk had ik het laatste stukje scheepsbeschuit
gebruikt. Toen overviel mij de slaap, zonder dat ik mij daartegen kon
verzetten. Hoe lang mijn slaap geduurd heeft, kan ik u niet zeggen,
maar bij mijn ontwaken bevond ik mij in het vrije veld aan den oever
eener rivier, terwijl mijn vlot was vastgemaakt. Eene menigte zwarten
omringden mij. Zoodra ik hen zag, rigtte ik mij op en groette hen. Zij
spraken mij aan, maar ik verstond hunne taal niet.

Ik was zoo verheugd, dat ik in het eerst niet wist, of ik waakte of
droomde. Maar eindelijk overtuigd, dat ik niet sliep, riep ik in het
Arabisch uit: „Roep den Allerhoogste aan, Hij zal u ter hulpe komen, en
gij hebt niet te vreezen. Sluit uwe oogen, en in den slaap zal Hij het
kwade van u afwenden en u het goede geven.”

Een der zwarten, die het Arabisch verstond, en mij dus hoorde spreken,
naderde mij en zeide: „Broeder, wees niet verwonderd ons te zien. Wij
wonen in deze landstreek en zijn hier gekomen, ten einde het water van
deze rivier door kleine kanalen af te leiden, om onze rijstvelden te
besproeijen. Wij bemerkten, dat er iets op het water dreef, en toen
wij nader kwamen, zagen wij dat het een vlot was met goederen beladen.
Een van ons heeft zich toen te water begeven en het vlot naar den
wal gestuurd, waar wij het, zoo als gij ziet, hebben vastgelegd, in
afwachting dat gij zoudt ontwaken. Wij verzoeken u ons uwe geschiedenis
te verhalen, die hoogst zonderling moet zijn. Zeg ons, hoe gij u met
zulk een zwak vaartuig op dezen stroom hebt durven begeven, en van waar
gij komt.” Ik antwoordde, dat zij mij eerst wat eten moesten geven, en
dat ik daarna hunne nieuwsgierigheid zou bevredigen.

Zij verschaften mij onderscheidene soorten van spijzen, en zoodra ik
mijn' honger gestild had, deed ik hun een getrouw verhaal van hetgeen
mij was overkomen. Zij luisterden met verbazing naar mij, en toen ik
met spreken ophield, zeide de zwarte, die het Arabisch verstond, en
mijne woorden vertolkt had, uit aller naam tot mij: „Dit is eene hoogst
wonderlijke geschiedenis. Het is noodig, dat wij u bij onzen koning
brengen, want uwe lotgevallen zijn te merkwaardig, om ze uit een'
anderen mond dan den uwe te vernemen.” Ik verklaarde bereid te zijn
om alles te doen, wat zij van mij verlangden.

De zwarten zonden nu iemand uit hun midden om een paard te halen, en
zoodra dit er was, verzochten zij mij op te stijgen. De togt ving
dadelijk aan. Eenigen der zwarten liepen voor mij uit, terwijl anderen
mijn vlot, zoo beladen als het was, op hunne schouders namen, en
volgden. Aldus gingen wij voort tot aan de stad Serendib (dit was ook de
naam van het eiland, waarop ik mij bevond). De zwarten stelden mij aan
hun' koning voor. Ik naderde den troon, waarop hij zat, en wierp mij
ter aarde naar de wijze, waarop men gewoon is de Indische koningen te
begroeten. De vorst beval mij op te staan, en ontving mij op eene zeer
heusche wijze. Hij wenkte mij nader te komen, deed mij aan zijne zijde
plaats nemen, en vraagde mij naar mijn' naam. Ik zeide hem, dat ik
Sindbad de zeeman werd geheeten, om de vele zeereizen, die ik gedaan
had, en dat ik in Bagdad geboren was. „En door welk toeval,” vervolgde
hij, „zijt gij in mijne staten gekomen, want dit eiland is alleen aan
deze zijde der kust genaakbaar.”

Ik verborg niets voor den koning, en verhaalde hem mijne zonderlinge
lotgevallen. Hij was hierover zoo verwonderd en verrukt, dat hij beval
mijne ontmoetingen met gouden letteren op te schrijven, om als eene
bijzonderheid in de archieven van zijn rijk bewaard te worden. Inmiddels
bragt men ook het vlot, en men opende de zich daarop bevindende balen in
zijne tegenwoordigheid. De koning was verbaasd over den grooten rijkdom,
welke zich aan zijne oogen vertoonde, zoo van aloëhout als van amber
en kostbare zijden stoffen; maar bovenal bragten de smaragden hem in
verrukking, daar hij in zijne schatkamer niet een' enkelen had, die
daarbij was te vergelijken.

Toen ik bemerkte, dat de koning mijne edelgesteenten met vermaak
aanschouwde, en hij zelfs eenige der schoonste, stuk voor stuk in handen
nam om ze met meer naauwkeurigheid te bezien, wierp ik mij voor zijne
voeten, en zeide: „Sire! niet alleen mijn persoon is ten dienste van uwe
majesteit maar ook de schatten, welke mijn vlot bevat; ik verzoek u,
daarover als uw regtmatig eigendom te willen beschikken.” „Sindbad,”
antwoordde de vorst lagchende, „ik zal mij wel wachten u iets te
ontnemen, van hetgeen Allah u gegeven heeft. In plaats van uwe
rijkdommen te verminderen, door daaraan eene hebzuchtige hand te slaan,
zal ik trachten die te vermeerderen, en ik wil niet, dat gij mijne
staten zult verlaten, zonder de blijken van mijne mildheid met u te
dragen.” Ik antwoordde hierop alleen door zijne edelmoedigheid te
prijzen en met de bede, dat het een zoo grootmoedig vorst steeds wel
mogt gaan. Hij belastte een' zijner officieren zorg voor mij te dragen,
en gaf mij eenige van zijne lieden om mij op zijne kosten te bedienen.
Zij kwamen de bevelen van hun meester getrouw na, bezorgden mij eene
voortreffelijke woning, waar ik op kosten des konings heerlijk werd
onthaald. Ook mijne balen werden aldaar bezorgd, zonder dat er iets aan
ontbrak.

Ik ging dagelijks op vastgestelde uren naar het hof, en den tijd,
die mij overbleef, besteedde ik om de stad te bezigtigen, en alles
te beschouwen, wat mijne aandacht waardig was. Het eiland Serendib
ligt onder de evennachtslijn, en is tachtig mijlen lang en breed. De
hoofdstad is aan het einde van eene schoone vallei, aan den voet van
een' hoogen berg gelegen. Deze berg is zoo hoog, dat men hem drie
dagreizen ver in zee zien kan. Hij bevat vele robijnen, smaragden en
andere edelgesteenten en metalen. Op het eiland groeijen vele kostbare
boomsoorten, onder andere de kokosboom; in de valleijen treft men
diamanten aan, en op de kusten zijn parelvisscherijen.

Toen ik van mijn' togt door het eiland in de stad terug kwam, verzocht
ik den koning naar mijn vaderland te mogen terugkeeren, hetgeen hij mij
op de beleefdste wijze toestond. Hij dwong mij zelfs een rijk geschenk
uit zijne schatkamer aan te nemen. Als ik afscheid van hem nam, gaf
hij mij nog andere geschenken met een' brief voor den Beheerscher der
geloovigen, onzen heer en meester, en zeide: „Sindbad! gij zult mij
verpligten deze geschenken en dezen brief den kalif Haroun-al-Raschid
ter hand te stellen, en hem de verzekering te geven van mijne
hoogachting en van mijne vriendschap.” Ik nam het geschenk en den brief,
en beloofde zijne majesteit de bevelen, waarmede het haar behaagde
mij te vereeren, met stiptheid te zullen nakomen. Vóór dat ik mij
inscheepte, ontbood de vorst den kapitein en de kooplieden, met wie
ik de reis zou doen, bij zich, en beval hun mij met de meeste
onderscheiding te bejegenen.

De brief des konings was geschreven op het vel van een om zijne
zeldzaamheid zeer kostbaar dier. De letters hadden eene hemelsblaauwe
kleur, en de inhoud, in de Indische taal geschreven, luidde aldus:

      _„De koning van Indië, vóór wien duizend olifanten uitgaan,
          die in een paleis woont, waarvan het dak schittert
            van den glans van honderd duizenden robijnen;
              en die in zijne schatkamer heeft twintig
                   duizend kroonen, verrijkt met
                     diamanten, aan den Kalif
                       Haroun-al-Raschid._

_Hoewel de geschenken, die wij u zenden, van geringe waarde zijn,
zoo hopen wij echter, dat gij die, als een broeder en vriend van onze
hand zult aannemen, uit hoofde van de vriendschap, welke ons hart u
toedraagt, en waarvan wij verheugd zijn u een bewijs te kunnen geven.
Wij vragen van u eene gelijke vriendschap, omdat wij meenen, die waardig
te zijn, daar wij met u in rang gelijk staan. Wij noodigen u daartoe uit
in naam van onze broederschap. Wees gegroet.”_

De geschenken bestonden ten eerste in een' beker, vervaardigd uit een'
enkelen robijn, een halve voet hoog en een duim dik, en gevuld met fijne
ronde paarlen, die door elkander een halve drachme wogen; ten tweede, in
een slangenvel met schubben, zoo groot als een gewoon goudstuk, dat de
eigenschap bezat, om hen, die daarop sliepen, voor ziekten te vrijwaren,
ten derde, in aloëhout ter waarde van vijftig duizend drachmen, benevens
dertig greinen kamfer van de grootte van eene pimpernoot, en eindelijk
in eene slavin van verblindende schoonheid, wier kleeding met
edelgesteenten als bezaaid was.

Het schip ging onder zeil, en na eene lange doch gelukkige reis kwamen
wij te Balsora aan, van waar ik mij onmiddelijk naar Bagdad begaf. Bij
mijn aankomst aldaar was mijn eerste werk, mij te kwijten van den mij
opgedragen last.

Ik nam den brief van den koning van Serendib, en begaf mij naar de
poort van het paleis van den Beheerscher der geloovigen, gevolgd door de
schoone slavin, en door alle leden van mijne familie, die de geschenken
droegen. Zoodra ik de deurwachters, met de reden van mijne komst bekend
had gemaakt, bragt men mij voor den troon van den kalif. Ik wierp mij
aan den voet des troons neder, en na eene zeer korte aanspraak, bood ik
den kalif den brief en de geschenken aan. Nadat hij den brief gelezen
had, vroeg hij mij, of de koning van Serendib inderdaad zoo rijk en
magtig was, als hij in dit geschrift te kennen gaf. Ik wierp mij
andermaal voor den troon en na mij te hebben opgerigt, antwoordde ik:
„Beheerscher der geloovigen! Ik kan uwe majesteit de verzekering geven,
dat de koning niet te hoog opgeeft van zijne grootheid en van zijn'
rijkdom; ik ben er getuige van geweest. Niets is bewonderenswaardiger,
dan de pracht van zijn paleis. Wanneer deze vorst zich in het openbaar
vertoont, plaatst men een' gouden troon op een' witten olifant, waarop
hij zich nederzet; terwijl hij aan weêrszijden omgeven wordt door twee
rijen staatsdienaren en hovelingen, allen op olifanten gezeten. Vóór
hem, op den zelfden olifant, houdt een officier eene gouden lans in de
hand; achter den troon staat een ander, die een' gouden staf draagt, aan
welks boveneinde een smaragd is, bijna een halve voet lang en een duim
dik. Vóór hem uit, gaat eene garde van duizend man, gekleed in goudlaken
en zijde, en gezeten op rijk geharnaste olifanten. Gedurende den togt
des konings, roept de officier vóór op den olifant, van tijd tot tijd
met luider stem:

„Zie hier den grooten monarch, den magtigen en gevreesden sultan van
Indië wiens paleis bedekt is met honderd duizenden robijnen, en die
twintig duizend diamanten kroonen bezit! Zie hier den gekroonden
monarch, grooter dan ooit Soliman en de groote Mihrage waren!”

Daarna roept de officier achter den troon op zijne beurt:

„Deze zoo groote en magtige monarch moet sterven, moet sterven, moet
sterven!”

De voorste officier neemt dan weder het woord en roept uit:

„Lof zij hem, die leeft en niet sterft!”

Overigens is de koning van Serendib zoo regtvaardig, dat hij geene
regters in zijne hoofdstad en in zijne staten heeft; zijn wil is
voor zijne volken de eenige wet. Zij hebben, even als hun vorst, de
regtvaardigheid lief, en wijken nooit van hun' pligt af.” De kalif was
over mijne woorden zeer voldaan. „De wijsheid van dien koning,” zeide
hij, „blijkt reeds uit zijn' brief, en, na hetgeen gij mij daarvan
gezegd hebt moet men toestemmen, dat zijne wijsheid zulke onderdanen
waardig is, en dat zijne onderdanen waardig zijn zulk een' vorst te
bezitten.” Met deze woorden gaf hij mij mijn afscheid, en liet mij met
een rijk geschenk vertrekken.”

Hiermede eindigde Sindbad zijn verhaal, en zijne gasten vertrokken, ook
Hindbad, nadat hij zijne honderd sequinen had ontvangen. Toen zij den
volgenden dag terug kwamen, verhaalde Sindbad hun zijne zevende en
laatste reis.


ZEVENDE EN LAATSTE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Na mijne zesde reis kwam het niet in mijne gedachten op, weder eene
nieuwe te ondernemen. Behalve dat ik op mijn' leeftijd naar rust
verlangde, had ik stellig voorgenomen mij niet weder aan gevaren bloot
te stellen. Ik had het besluit genomen, mijne overige dagen in rust
door te brengen. Toen ik eens een groot aantal mijner vrienden bij mij
ten eten had en wij ons vrolijk maakten, kwam een mijner bedienden mij
zeggen, dat een officier van den kalif mij verlangde te spreken. Ik
stond van tafel op, en ging naar hem toe. „De kalif,” zeide hij, „heeft
mij gelast u mede te deelen, dat hij u begeert te spreken.” Ik ging met
den officier naar het paleis, hij bragt mij onmiddelijk bij den vorst.
Ik wierp mij aan zijne voeten, doch hij deed mij opstaan. „Sindbad!”
zeide hij, „gij moet mij eene dienst bewijzen. Ik heb besloten de
beleefdheid des konings van Serendib te beantwoorden, en gij moet mijn'
brief en mijne geschenken aan hem overbrengen.” Dit bevel van den kalif
klonk mij als een donderslag in de ooren. „Beheerscher der geloovigen!”
zeide ik, „ik ben bereid te doen, wat uwe majesteit mij bevelen zal,
maar ik bid haar zeer nederig te bedenken, dat ik een oud man ben, en
nog gebukt ga onder de vermoeijenissen, die ik op mijne vele reizen heb
doorgestaan. Ik heb zelfs eene gelofte gedaan Bagdad niet weder te
verlaten.” Vervolgens nam ik hieruit aanleiding, hem een breedvoerig
verhaal van al mijne lotgevallen te doen, en hij had het geduld mij ten
einde toe aan te hooren!

Doch naauwelijks had ik uitgesproken, of hij zeide: „Ik stem toe,
dat dit zeer buitengewone ontmoetingen zijn; maar zulks moet u niet
terughouden om, uit genegenheid voor mij, de reis welke ik u voorstel te
ondernemen. Het geldt hier alleen eene reis naar het eiland Serendib, om
u van den door mij aan u opgedragen last te kwijten. Daarna zal het u
vrij staan, onmiddelijk de terugreis aan te nemen.

Maar gij moet gaan, want gij zult inzien, dat het niet met de
welvoegelijkheid en met mijne waardigheid overeenkomt, iets aan den
koning van dat eiland schuldig te blijven.” Toen ik nu zag, dat het de
volstrekte begeerte van den kalif was, betuigde ik bereid te zijn hem
te gehoorzamen. Hij was hiermede zeer ingenomen, en liet mij duizend
sequinen geven, om de kosten van de reis te bestrijden.

Binnen weinige dagen was ik gereed, om te vertrekken. Zoodra ik de
geschenken en een' eigenhandigen brief van den kalif aan den koning van
Indië had ontvangen, vertrok ik naar Balsora, waar ik scheep ging. De
reis was zeer voorspoedig, en zonder eenige bijzondere ontmoeting kwam
ik in de hoofdstad van het eiland Serendib aan. Ik vervoegde mij aan
het hof, en verzocht, dat men mij dadelijk gehoor bij den vorst zou
verschaffen. Men bragt mij onder veel eerbetoon naar het paleis, en ik
begroette den koning door mij, volgens gebruik, voor hem neder te
werpen.

De koning herkende mij terstond, en was zeer verheugd, toen hij mij
weder zag. „Ha, Sindbad!” zeide hij, „wees welkom! Ik verzeker, dat ik,
na uw vertrek, nog menigmaal aan u gedacht heb. Gezegend zij deze dag,
waarop wij elkander wederzien.” Ik boog mij ter aarde, bedankte hem voor
zijne goedheid, en bood hem den brief en de geschenken van den kalif
aan.

De kalif zond hem een rustbed met toebehooren van goudlaken, ter
waarde van duizend sequinen, vijftig opperkleederen van zeer rijke
stof, honderd andere van het fijnste witte linnen van Caïro, Suëz en
Alexandrië, nog eene andere sofa van karmozijn, eene agaten vaas, ter
dikte van een vinger en minder diep dan wijd, op welker bodem men in
bas-relief een jager zag, die een' boog en een' pijl in de hand hield,
en gereed was om op een' leeuw te schieten. Ook zond hij hem nog eene
zeer prachtige tafel, die, volgens overlevering, van den grooten Salomo
afkomstig was. De brief van den kalif was van dezen inhoud;

       _„Gegroet, in naam van den alleen regtvaardigen Opperheer,
               van den magtigen en gelukkigen Sultan, van
                 Abdala Haroun-al-Raschid, dien God tot
                  de hoogste eereplaats heeft verheven
                         na zijne voorvaderen._

_Wij hebben uw' brief met vreugde ontvangen, en wij zenden u dezen,
voorzien met het zegel van onze verhevene Poort, den bloemhof der hooge
geesten. Wij hopen dat gij, daarop de oogen slaande, van onze goede
meening overtuigd zult zijn; en deze u aangenaam zal wezen. Wees
gegroet.”_

Het verheugde den koning van Serendib zeer, dat de kalif aan zijn
verzoek voldaan had. Kort na dit gehoor, verzocht ik, om naar Bagdad te
mogen terugkeeren, hetgeen mij slechts met veel moeite werd toegestaan.
Eindelijk liet de koning mij gaan, en gaf mij bij het afscheid een zeer
aanzienlijk geschenk. Ik scheepte mij nu dadelijk in, om regelregt naar
Bagdad te zeilen, maar Allah had anders over mij beschikt. Op den derden
dag van ons vertrek werden wij door zeerovers aangevallen, en daar ons
schip niet tot verdediging in staat was, viel het den zeeroovers niet
moeijelijk het te nemen. Sommigen van het scheepsvolk stelden zich te
weêr, wat hun het leven kostte. Ik en anderen, die zoo voorzigtig waren
geweest ons niet tegen onze overweldigers te verzetten, werden tot
slaven gemaakt. Nadat de roovers ons van alles beroofd hadden, bragten
zij ons naar een groot eiland, waar wij allen verkocht werden.

Ik werd het eigendom van een' rijken koopman, die mij medenam naar
zijne woning, waar hij mij goed eten voorzette, als slaaf kleedde,
en vraagde, of ik ook eenig handwerk verstond. Zonder hem met mijn'
naam en stand bekend te maken, gaf ik alleen te kennen, dat ik geen
handwerksman, maar een koopman was, en dat de zeeroovers mij van alles
hadden beroofd, wat ik op de wereld bezat. „Maar,” hernam hij, „kunt
gij niet met pijl en boog omgaan?” Ik antwoordde hem, dat ik dit reeds
in mijne jeugd had geleerd. Toen gaf hij mij boog en pijlen, en deed
mij achter zich op een' olifant stijgen. Bij bragt mij eenige uren
ver buiten de stad in een groot bosch. Hier hield hij stil, liet mij
afstijgen, en wees mij een' grooten boom aan. „Klim,” zeide hij, „in
dezen boom, en schiet op de olifanten, welke hier voorbij zullen
trekken, want dit bosch is zeer uitgestrekt en er zijn hier vele van die
dieren. Als er een olifant gevallen is, kom het mij dan zeggen.” Daarna
gaf hij mij eenige levensmiddelen en keerde naar de stad terug, terwijl
ik gedurende dien dag en den ganschen nacht in mijn' boom op den uitkijk
zat, zonder een' enkelen olifant te vernemen. Den volgenden morgen, bij
het opgaan der zon, zag ik echter een groot getal van die dieren met
statigen tred aankomen. Zij trokken vlak onder mijn' boom heen, en ik
schoot verscheidene pijlen op hen af. Eindelijk zag ik er een, doodelijk
getroffen, nedervallen. De anderen vervolgden hun' weg, zoodat ik gerust
naar de stad kon terugkeeren, om mijn' meester den goeden uitslag mijner
pogingen mede te deelen. Toen ik dit gedaan had, onthaalde hij mij op
eene voortreffelijke wijze, prees mijne handigheid en overlaadde mij
met loftuitingen. Daarna begaven wij ons naar het bosch, waar wij
een' grooten kuil maakten en den gedooden olifant begroeven, met het
voornemen om terug te komen, als het dier verteerd zou zijn, en het dan
de tanden te ontnemen.

Ik zette deze jagt gedurende twee maanden voort, en er ging geen dag
voorbij, waarop ik niet een' olifant doodde. Ik plaatste mij niet altoos
op den zelfden boom, maar nu op den eenen, dan op den anderen. Op een'
morgen, dat ik op de komst der olifanten zat te wachten, zag ik tot
mijne groote verwondering, dat zij in veel grooteren getale aankwamen,
en, in plaats van mij als naar gewoonte voorbij te trekken stil hielden,
terwijl zij zulk een verschrikkelijk gedruisch maakten, dat de grond
onder hunne pooten beefde. Zij naderden den boom, waarop ik mij bevond,
omringden dien met uitgestrekte tromp, en hielden de oogen op mij
gerigt. Op dit dreigend schouwspel, bleef ik bewegingloos zitten, en de
schrik beving mij zoodanig, dat boog en pijlen mij uit de handen vielen.

Mijne vrees was niet ongegrond. Toen de olifanten mij eenigen tijd
hadden aangestaard, als of zij mij met hunne dreigende ogen uit den boom
wilden kijken, sloeg een der grootste zijn' slurf om den stam, en spande
zich zoo in, dat hij hem met de wortels uit den grond rukte en ter aarde
wierp. Ik viel met den boom mede; het dier omvatte mij met zijn' snuit
en plaatste mij op zijn' rug. Meer dood dan levend, zette ik mij zoo
veel mogelijk vast, met mijn' pijlkoker op den schouder. De olifant
stelde zich nu aan het hoofd van den troep, legde een groot eind weegs
af, zette mij toen op den grond, en vertrok met zijne makkers zonder
mij eenig leed te doen. Verbeeldt u mijne verbazing. Ik meende eerst te
droomen, doch geene olifanten meer bespeurende, stond ik op, en zag, dat
ik mij op een' heuvel bevond van aanzienlijken omvang, en geheel bedekt
met beenderen en olifantstanden. Dit gaf mij veel stof tot nadenken. Ik
twijfelde of het was de algemeene begraafplaats der olifanten, en zij
hadden mij hier heen gebragt, om mij die aan te wijzen; opdat ik mogt
ophouden, hen om hunne tanden langer te vervolgen. Ik hield mij op den
heuvel niet op; maar keerde naar de stad terug, waar ik, na een' dag en
nacht geloopen te hebben, half uitgehongerd bij mijn' meester aankwam.
Ik had op mijn' weg geen' enkelen olifant ontmoet, hetgeen mij deed
denken, dat zij zich dieper in het bosch hadden begeven, om mij den weg
naar den heuvel vrij te laten, en nog bewonder ik het instinkt van deze
dieren, dat aan menschelijk verstand schijnt te grenzen.

Zoodra mijn meester mij zag, liep hij verblijd naar mij toe. „Ach!
Sindbad,” riep hij uit, „ik was zoo ongerust over u. Ik ben naar het
bosch geweest, vond daar een kortelings ontwortelden boom en uw' boog
en pijlen op den grond liggen. Ik heb u geroepen en gezocht, en ten
laatste ben ik, zonder hoop u immer te zullen wederzien, naar huis terug
gekeerd. Verhaal mij toch, als ik u bidden mag, wat u is overkomen.”
Ik voldeed aan zijn verlangen; en toen wij ons den volgenden dag naar
den heuvel begaven, zag hij tot zijne groote blijdschap, dat ik hem de
waarheid gezegd had. Wij belaadden den olifant, waarmede wij gekomen
waren, met zoo vele tanden, als hij dragen konde, en keerden vrolijk
naar de stad terug. „Broeder!” zeide nu mijn meester, „(want als
zoodanig wil ik u beschouwen, en niet meer als slaaf, na de dienst, die
gij mij hebt bewezen, door eene ontdekking, die mij tot een schatrijk
man zal maken), dat Allah u met goederen overlade, en u voorspoed geve
op al uwe wegen! Ik verklaar u ten Zijnen aanhooren, dat gij van dit
oogenblik af een vrij man zijt. Ik heb voor u verborgen gehouden,
hetgeen gij nu van mij zult vernemen.

[Illustratie: De drie Appelen.

                                                      Dl. II, pag. 105.]

De olifanten brengen jaarlijks een groot aantal slaven om het leven, die
wij naar het bosch zenden, om die dieren te dooden, en ons met hunne
tanden te verrijken. Welken raad wij hun ook geven, allen komen vroeg
of laat door de list der olifanten om. Allah heeft u voor hunne woede
beveiligd, eene gunst, die aan niemand vóór u is te beurt gevallen.
Dit is een bewijs, dat Hij u lief heeft, en gij een werktuig zijt
in zijne hand, om wel te doen in deze wereld. Gij brengt mij een
ongeloofelijk voordeel aan; wij konden tot heden geen ivoor bekomen,
zonder het leven van onze slaven in gevaar te stellen, doch door uw
toedoen zal onze geheele stad rijk worden. Geloof niet, dat ik mij zal
te vreden stellen met u de vrijheid te schenken, ik zal daaraan groote
goederen toevoegen. Ik zou de gansche stad kunnen oproepen om u rijk te
maken, en dit zou niet te vergeefs zijn; maar deze eer behoud ik mij
zelven voor; ik wil die met niemand deelen.”

Na deze verpligtende woorden, antwoordde ik, „Meester! Allah spare u
gedurende eene lengte van dagen! Maar de vrijheid, welke gij mij hebt
geschonken, is voldoende om u van de verpligting te kwijten, die gij aan
mij meent te hebben voor het voordeel, dat ik het geluk heb gehad, u
en uwe stad te kunnen bezorgen. Ik vraag u slechts verlof om naar mijn
geboorteland terug te keeren.” „Welnu,” hernam hij, „de mousson, die de
schepen hier aanbrengt, welke ivoor komen laden, zal weldra invallen. Ik
zal u dan eene scheepsgelegenheid verschaffen, en u voorzien van hetgeen
de reis voor u veraangenamen kan.” Ik bedankte hem op nieuw voor de
vrijheid, welke hij mij had geschonken en voor de goede voornemens, die
hij aan den dag legde. Ik bleef in afwachting van den mousson bij hem,
en gedurende dien tijd deden wij zoo vele reizen naar den heuvel, dat al
zijne pakhuizen met ivoor gevuld werden. De andere kooplieden, die in
ivoor handel dreven, deden hetzelfde, want eene zaak van dien aard kon
niet lang geheim blijven.

De schepen kwamen eindelijk aan, en mijn meester zocht zelf een schip
voor mij en bevrachtte dit met ivoor, waarvan de helft voor mij was.
Hij voorzag mij bovendien overvloedig van levensmiddelen, en dwong
mij onderscheidene zeldzaamheden uit dat land, die eene groote waarde
hadden, als een geschenk van hem aan te nemen. Nadat ik hem voor al
zijne weldaden bedankt en een heerlijk afscheid genomen had, scheepte
ik mij in. Wij gingen onder zeil, en gedurende de reis stond mij mijne
ontmoeting met de olifanten gedurig voor den geest; het geval was
daartoe ook wonderlijk genoeg.

Wij deden nog eenige eilanden aan, om ververschingen in te nemen. Doch
zoodra wij eene Indische haven van het vasteland bereikten, besloot ik,
ten einde de gevaren der zee tot aan Balsora te vermijden, daar voet
aan wal te zetten. Ik liet mijn aandeel van het ivoor ontschepen,
waarvoor ik eene groote som gelds maakte. Ik kocht eenige zeldzaamheden
tot geschenken voor mijne bloedverwanten en vrienden, en zoodra ik met
mijne uitrusting gereed was, sloot ik mij bij eene groote karavaan van
kooplieden aan. Wij waren lang onder weg, en ik had veel door te staan;
maar ik verdroeg mijn leed met geduld, bij de overtuiging, dat ik thans
geene stormen of zeeroovers te duchten had.

Eindelijk namen mijne vermoeijenissen een einde, en ik kwam gelukkig te
Bagdad aan. Ik vervoegde mij dadelijk bij den kalif, om hem rekenschap
af te leggen van mijne zending. Deze vorst zeide tot mij, dat mijne
lange afwezigheid hem verontrust had, doch dat de hoop, dat Allah mij
in zijne hoede zou nemen, hem echter nooit had begeven. Toen ik hem
het voorval met de olifanten verhaalde, was hij daarover zeer verbaasd,
en hij zou het voor eene fabel hebben gehouden, indien hij niet van
mijne waarheidsliefde overtuigd was. Hij vond deze geschiedenis en de
anderen, die ik hem verhaald had, echter zoo merkwaardig, dat hij zijn'
geschiedschrijver beval, ze met gouden letters op te schrijven, en ze
in zijne schatkamer te bewaren. Ik ging heen, zeer tevreden over de
genoten eer en de geschenken, die ik van hem ontving. Van dat oogenblik
af wijdde ik mij geheel toe aan mijne familie en aan mijne vrienden.”

Op deze wijze besloot Sindbad het verhaal van zijne zevende en laatste
reis; en zich vervolgens tot Hindbad wendende, zeide hij: „Welnu, mijn
vriend, hebt gij ooit van iemand gehoord, die zoo veel geleden en
doorgestaan heeft als ik, of dat een sterveling zich in zulke dreigende
gevaren heeft bevonden? Is het niet billijk, dat ik na zulk een werkzaam
en woelig leven een' genoegelijken en rustigen ouden dag geniet?” Zoodra
hij deze woorden geëindigd had, stond Hindbad op, trad nader, kuste
hem de hand en zeide: „Men moet toestemmen, heer! dat gij vreeselijke
gevaren hebt doorgestaan, en dat de moeijelijkheden, die ik ondervonden
heb, bij de uwe niet in vergelijking kunnen komen. Indien mijn last mij
somtijds zwaar viel, na volbragten arbeid vond ik troost in mijn gering
loon. Gij verdient niet alleen een rustig leven; ook de schatten, die
gij bezit, zijt gij waardig, omdat gij daarvan een zoo nuttig en
edelmoedig gebruik maakt. Ga dus voort, heer, in vreugde te leven tot
aan het uur van uw' dood.”

Sindbad deed hem nogmaals eene beurs met honderd sequinen geven, nam hem
op onder het getal van zijne vrienden, en zeide tot hem, dat hij van
zijn dragersberoep afzien en dagelijks bij hem ter maaltijd komen moest,
opdat hij reden mogt hebben, zich zijn leven lang Sindbad den zeeman te
herinneren.




DE DRIE APPELEN.


Op zekeren dag gelastte Haroun-al-Raschid den groot-vizier Giafar, dat
hij zich tegen den nacht aan zijn paleis moest bevinden. „Vizier!” zeide
hij tot hem, „ik wil eene wandeling doen door mijne stad Bagdad, om
met eigen oogen en ooren te vernemen, wat men van mij zegt, en in het
bijzonder, of men tevreden is over mijne regters. Indien er onder zijn,
over wie men regt heeft zich te beklagen, zullen wij hen afzetten en
anderen in hunne plaats aanstellen, die zich beter van hun' pligt
kwijten. Zijn er integendeel onder, over wie men met lof spreekt,
zoo zullen wij dezen in waarde houden naarmate zij het verdienen.”

De groot-vizier was op het bepaalde uur bij zijnen vorst, en toen hij en
de kalif met Masrour, den opperste der gesnedenen, zich verkleed hadden,
ten einde niet herkend te worden, verlieten zij door eene geheime deur
het paleis. Nadat zij eenige straten waren doorgegaan, ontmoetten zij
in eene enge steeg een' langen grijsaard met een' witten baard. Hij
droeg een groot vischnet op het hoofd, en had eene mand van gevlochten
palmbladen aan den eenen arm, en een' stok in de hand. Toen de kalif
dezen grijsaard zag, zeide hij: „Die man is zeker niet rijk, laat ons
hem staande houden en naar zijne omstandigheden vragen.”

„Goede vriend,” zeide de vizier, hem aansprekende, „wie zijt gij en wat
is uw beroep?” „Mijnheer,” antwoordde de grijsaard, „ik ben visscher,
maar voorzeker de armste en ellendigste van alle visschers. Reeds op
den middag ben ik van huis gegaan en nog heb ik geen' enkelen visch
gevangen. Ik heb eene vrouw en kleine kinderen en niets om hen te
voeden.” De kalif, hierdoor bewogen, nam nu het woord en zeide tot den
visscher: „Zoudt gij den moed hebben uwe netten nog eene enkele maal
uit te werpen? Wij zullen u honderd sequinen geven voor hetgeen gij
ophaalt.” Op dit voorstel vergat de arme visscher zijne vermoeijenis,
hield den kalif bij zijn woord, en keerde naar den Tigris terug, gevolgd
door de drie anderen, terwijl hij bij zich zelven zeide: „Die heeren
komen mij te fatsoenlijk voor, dan dat zij mij niet voor mijne moeite
zouden betalen, en al gaven zij mij ook slechts het honderdste deel van
hetgeen zij mij beloofd hebben, het zal voor mij altoos nog veel zijn.”

Zoo kwamen zij aan den oever van den Tigris. De visscher wierp zijne
netten uit, en toen hij deze daarna weder optrok, haalde hij een'
groot, welgesloten en zeer zwaar koffer op. De kalif liet door zijn'
groot-vizier den visscher onmiddelijk honderd sequinen toetellen, en
zond hem daarmee weg. Masrour nam op bevel van zijn' meester den koffer
op zijn' schouder, en daar de kalif zeer ongeduldig was, om met den
inhoud bekend te worden, keerden zij dadelijk naar het paleis terug.
Toen het koffer geopend was, vond men er eene baal van palmbladen in,
die met een' rooden draad was toegenaaid. Om aan het ongeduld van den
kalif te voldoen gunde men zich den tijd niet, den draad los te maken,
maar sneed dien met een mes door, en nu vond men in de baal een pak, in
een oud stuk tapijt gewikkeld, dat met touwen omwonden was. Nadat het
touw losgemaakt en het pak geopend was, zag men daarin met afgrijzen
het aan stukken gesneden ligchaam van eene jonge vrouw, zoo blank als
sneeuw.

Groot was, op dit gezigt, de verwondering van den kalif; maar deze
verbazing ging weldra in toorn over, en een' woedenden blik op zijn'
vizier werpende, riep hij uit: „Ha! ongelukkige, waakt gij op deze wijze
voor de veiligheid van mijne onderdanen! Straffeloos vermoordt men onder
uw beheer mijne onderhoorigen, tot zelfs binnen mijne hoofdstad, en men
werpt hunne lijken in den Tigris, opdat zij wraak tegen mij zouden
roepen op den dag des oordeels! Indien gij den dood van deze vrouw
niet spoedig wreekt, door haren moordenaar te straffen, zoo zweer ik
u, bij Allah en bij den grooten Profeet, dat ik u en veertig van uwe
bloedverwanten zal doen ophangen.” „Beheerscher der geloovigen,”
sprak de vizier, „ik smeek uwe majesteit mij tijd te vergunnen om den
misdadiger op te sporen?” „Ik geef u daartoe niet meer dan drie dagen,”
hernam de kalif, „denk daaraan.”

Hevig ontsteld over dit onredelijke bevel, keerde de 

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/45875