Gutenberg · eo1.org

← catalogue

De Belgische omwenteling

by H. T. Colenbrander · Dutch · Gutenberg #45392 · 426,798 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of De Belgische omwenteling
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: De Belgische omwenteling

Author: H. T. Colenbrander


        
Release date: April 14, 2014 [eBook #45392]
                Most recently updated: October 24, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/45392

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
        http://www.pgdp.net


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE BELGISCHE OMWENTELING ***

  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn  |
  | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing.      |
  |                                                                |
  | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als      |
  | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als            |
  | ~uitgespatieerd~; superscript tekst als {superscript}.         |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder  |
  | accent, met/zonder koppelteken.                                |
  |                                                                |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van        |
  | dit e-boek op https://www.gutenberg.org/                        |
  |                                                                |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+




DE BELGISCHE OMWENTELING




                              DE BELGISCHE
                              OMWENTELING

                                  DOOR

                         Dr. H. T. COLENBRANDER

              (Met gebruikmaking van onuitgegeven bronnen)

                   [drukkersmerk: ALLES KOMT TEREGT]

                             'S-GRAVENHAGE
                            MARTINUS NIJHOFF
                                  1905




TYP. ZUID-HOLLANDSCHE BOEK- EN HANDELSDRUKKERIJ.




_België en Nederland hebben te veel gemeen, dan dat, bij het feest
ginder, de gedachten van hier niet over den Moerdijk zouden vliegen._

_Ik heb de mijne niet weerhouden. Zij keerden van heden tot verleden
terug. Tot wat ons vereenigt, en wat ons scheidt._

_Zich daarover een klaar oordeel te vormen, past den Hollander als den
Belg. En nimmer zal het licht van één kant kunnen komen. Ik waag het er
op, mijn zienswijze publiek te maken. Moge slechts mijn geschrift kunnen
doen gelooven, dat zij niet zonder studie is gevormd._

                                                                  C.




INLEIDING.


Nimmer zal ik den indruk vergeten, dien, jaren geleden, het eerste
bezoek aan België op mij achterliet.

In dien kring van studiegenooten der Gentsche hoogeschool, aan dien
disch waar scherts de—Nederlandsche!—taal kruidde, onder het luisteren
naar die zangstem die aanhief van „die nachtegael die sanc een liet,”
zangstem die aan den schrijver van „De Nederduitsche geschriften van
Marnix van St. Aldegonde” behoorde,—was de Leidsche student in den
vreemde?

Wij van onze Leidsche tafel plachten toen een hoog woord te
voeren—hooger dan ons toekwam, meen ik natuurlijk thans
betamelijkerwijs—over kunst en literatuur. Hoe geleidelijk konden wij
daarmee voortgaan te Gent. _Zij_ hadden Couperus en van Deyssel gelezen,
_wij_ Buysse's pas verschenen „Recht van den Sterkste”.

Maar de reis ging verder België in, en wij bemerkten meer en meer
hetgeen ons reeds te Gent niet verborgen was gebleven: dat „'t Zal
wel gaan” een kleine minderheid vertegenwoordigde. Brussel, zijn
schouwburgen en eethuizen waren Fransch. De dagbladpers, Fransch, en wat
meer zegt, aan al wat Parijs betrof een onevenredige plaats inruimend,
als ware Brussel geen centrum, maar provincie.

Wat viel er, buiten den kleinen kring van „'t Zal”, in België als
Nederlandsch op? De taal der aflaatbeloften, waarmede de kerkwanden
als overdekt waren, de schreeuwende aanprijzingen der wonderdoende
kracht van dezen en gindschen heilige, patronen tegen buik- en kiespijn,
de rijke sorteering in katholieke stuiversliteratuur achter de
ongewasschen vensterglazen van boekwinkels van den vierden rang. De
Belgische samenleving scheen van boven verfranscht en van onderen
verroomscht. En welk een Roomschheid! In geen katholieke kerk in het
Noorden—gloednieuwe gebouwen voor het meerendeel—verwacht of vindt men
zóó gestelde aanplakbrieven.

Nederlandsch was er voor de opmerkingsgaaf van ons alledaagsche
reizigers ook nog iets anders. Er moesten blijkbaar zoo iets als wetten
bestaan ter bescherming van de rechten onzer taal in dit tusschenland.
Allerlei mededeelingen aan het publiek, van heel of half ambtelijk
karakter, waren in beide talen gesteld. Maar ons overstapje heette een
„overeenstemmingskaart,” en, op de terugreis, konden wij aan den ingang
van het Leopoldspark te Antwerpen de waarschuwing lezen: „verboden hier
paarden in te sleepen.” Wij waren echter niet te paard. Doch stel u,
ruiter-landgenoot, gerust. Komt gij ooit op uw bruin voor het hek, de
andere helft van het bord, met zijn „défense d'entraîner des chevaux”,
zal u de bedoeling volkomen duidelijk maken.

Een land van veel beloften en meer teleurstellingen;—met dezen indruk
keerden wij naar huis.

       *       *       *       *       *

Wij kenden echter België niet. Welke wartaal is niet, door
eenweeksreizigers, over ons eigen Holland uitgeslagen?

Als wij later België bezochten, waren het andere zaken die wij zien
wilden. En of die er zijn! Wat ben ik aan u, primitievenzaal van het
Antwerpsch museum, verplicht; wat aan u, betooverde Brugsche grachten!
Aan u allen, steden van het Vlaamsche land! De Hollander, die werk maakt
van de geschiedenis van zijn eigen volk, kan u niet genoeg bezoeken. Uit
Vlaanderen, of door Vlaanderen, is een groot deel van onze beschaving
tot ons gekomen, en die zien wil, vindt in dit land van her- en
doorkomst nog heden daarvan de sporen. En België is daarbij geen dood
land, maar een dat in zijn heden ons in veel opzichten tot voorbeeld
strekt. Zijn optreden op het wereldtooneel kan ons dikwijls beschamen.
De kloekheid en het goed gevolg, waarmede dit volk zijn materieele
belangen weet voor te staan in verre landen, blijven bij ons niet
onopgemerkt; wij, die ons geboren kooplieden noemen, mogen de Belgen hun
consulaatwezen benijden. De haven van Antwerpen leidt een zoo krachtig
leven als één der onze, terwijl onze nijverheid bij de hunne niet in
vergelijking komt. En dit bloeiend stoffelijk leven wordt geadeld door
nieuwe werken van het oude kunstgenie. Zoo onze Israëls naam heeft, hoe
staart de wereld bewonderend op Meunier! Hoe dun blijkt ook, bij beter
kennismaking, het Fransche vernis over het Belgische karakter gespreid.
Rodenbach en Maeterlinck, zij mogen dan naar Parijs zijn gegaan, zijn
geen Franschen en schrijven niet als Franschen. En dan stegen, juist in
de laatste jaren, uit de diepten van het Vlaamsche volksgemoed klanken
voor ons op van zegevierende schoonheid. Jaren lang, onverstaan en
ongeëerd, had daar in een hoek van West-Vlaanderen Guido Gezelle
gedicht. Wie kende tien jaren geleden zijn naam? En thans mogen wij ons
schier afvragen, of onze gansche, rinkelende „beweging van '80” iets
heeft voortgebracht, dat niet door het werk van dezen eenzame wordt
overschenen. Een eenzame? Bloem en dier, zon en kind kenden hem. En aan
de zijne verwant is de loutere ziel van dien anderen grooten Vlaming,
Edgar Tinel.

Wij Hollanders moeten weten wat dit wonderbare land is. Leeren wij de
Belgen, zij ons niet kennen, licht zullen wij, bij de eerstvolgende
nauwe aanraking, elkander kwaad doen in plaats van goed.

Er moet wel veel tusschen ons zijn, dat het ons zooveel moeite kost,
elkander te vinden. Zóóveel punten waarop verstandhouding mogelijk
schijnt, en toch nog zoo weinig vruchtdragende samenwerking. Ieder
van ons blijft, in zich gesloten, zoo klein;—hoe zou het onzen
gedachtenkring verruimen, indien wij ons aanwennen wilden, van
weerszijden wat aanhoudender en wat scherper over de grens te zien. Het
komt, bij eenig nadenken, toch waarlijk ongehoord voor, dat bij ons de
aardrijkskunde van België, en ginder die van Nederland, onderwezen
worden als die van een geheel vreemd land. Met de geschiedenis is
het alleen in zooverre beter, dat de lotgevallen van het eene deel
in de vijftiende en zestiende eeuw, en in de periode van '15 tot '30,
niet verhaald kunnen worden zonder eenige vermelding van die der
andere helft. Doch hoe staat het bij ons met de kennis van België's
geschiedenis sedert den val van Antwerpen tot het Weener Congres, of van
België's geschiedenis sedert 1830?

Ik zou het een goed denkbeeld, en mij dunkt uitvoerbaar achten, aan een
Noordnederlandsche hoogeschool een leerstoel voor Zuidnederlandsche
geschiedenis, aan een Zuidnederlandsche een leerstoel voor de
geschiedenis van het Noorden op te richten. En mochten dan de
titularissen vooral de geschiedenis na 1830 niet vergeten. Hun
werkzaamheid zou kunnen en moeten opwekken tot kennismaking met het
levende zusterland.

Doch ik kwam hier tot een praktisch voorstel, en dit is voorshands mijn
doel niet. Ik wil, naar aanleiding van dit onafhankelijkheidsfeest, mij
verdiepen in ons gezamenlijk verleden. De vroegere vereeniging, onder
de Bourgondiërs, zal ik niet voorbijgaan, doch mij bepaaldelijk met de
latere onder Willem I bemoeien. Met de oorzaken der scheiding, en met
de omwenteling zelf, die nog altijd zoo verschillend en veelal met
zoo weinig kennis van zaken beoordeeld wordt. Daarna zal ik trachten
uit te drukken wat naar mijne meening ieder van ons thans is, en
onderstellenderwijs spreken over hetgeen wij voor elkander zouden kunnen
worden.




EERSTE HOOFDSTUK.

België en Nederland vóór de Vereeniging.


België vormt, ondanks zijn tweetaligheid, in veel hooger mate een
eenheid dan men het zich dikwijls voorstelt. Om die eenheid te begrijpen
moet men de geschiedenis van België raadplegen.

De oudste geschiedenis van België, waar die te vinden? Langen tijd heeft
men haar inderdaad niet weten voor te stellen, en de oudste geschiedenis
der Belgische gewesten voor geschiedenis van België gegeven. Tot Pirenne
het meesterlijk boek schreef, waarvan de voltooiing voor Noord en Zuid
beide van zooveel gewicht zijn kan. Een goede geschiedenis van België
toch zal ons helpen, onze eigene beter te verstaan.

België geeft moeilijkheden genoeg. Half Waalsch, half Dietsch; half leen
der Fransche kroon, half Rijksleen. Een horizontale linguistische, een
vertikale politieke scheidslijn. En toch moet dit België een nationale
geschiedenis hebben gehad, aangezien het eene natie is geworden.

De naam wijst tot Caesar's tijden terug. Toen waren de Belgen de
noordelijkste Kelten op het vasteland, ongeveer van de Marne en de
Moezel tot het eiland der Bataven wonend. Hun geheele gebied werd
ingelijfd in het Romeinsche rijk; het vormde er het uiterste grensland
van, dat het eerst weder verloren is gegaan. Ten gevolge der aanhoudende
oorlogen met de volken van over den Rijn raakte het Noorden van het
tegenwoordige België, tot den grooten heerweg van Keulen over Maastricht
en Tongeren naar Doornik en Boulogne, nagenoeg geheel ontvolkt en werd
door Germanen ingenomen. Ten Zuiden van de lijn Maastricht–Boulogne
handhaafde zich de Keltoromeinsche bevolking in zoodanige dichtheid, dat
de ook hier als enkele individuen, niet meer als volksmassa gevestigde
Germanen, de taal der Keltoromeinen overnamen. Deze taalgrens in België,
ontstaan omstreeks het jaar 430, heeft zich tot den huidigen dag zeer
weinig verschoven.

Gelijk de taal, was ook de godsdienst van het laat-Romeinsche rijk uit
het Noorden van België verdwenen. Niettegenstaande de bekeering van hun
koning Clovis, bleven de Salische Franken heidensch in het land waar
zij de eigenlijke bevolking van uitmaakten: aan den benedenloop van
Schelde en Maas. Deze streken moesten later voor het Christendom worden
teruggewonnen. Het is betrekkelijk laat geschied: de stichting van de
eerste kerk, op de plaats waar later Gent verrees, door St. Amand is van
610, en dit was eerst het begin. De christianiseering van het geheele
gebied van het huidige België was eerst omstreeks een eeuw later
voltooid. Een feit van niet te onderschatten beteekenis nu voor de
vorming der Belgische nationaliteit is het geweest, dat in het
Germaansche Noorden geen zelfstandig bisdom ontstond. De noordelijkste
bisdommen, welke voor den val van het Romeinsche rijk bestaan hadden,
reconstitueerden zich eenvoudig en namen elk hun moot van het inmiddels
Germaansch geworden Noorden terug: Tongeren (Maastricht, Luik) het land
tot de Dijle, Kamerijk (Atrecht) dat tusschen Dijle en Schelde, Noyon
(Doornik) dat van de Schelde tot het Zwin en de Noordzee, Terwaan het
dal van de Yser. M. a. w. de bisdommen, die in hun traditiën teruggingen
tot den Romeinschen tijd, zochten de grenzen op der oude Romeinsche
provinciën en _civitates_: Tongeren besloeg het gebied van de gewezen
_civitas_ der Tungri en ressorteerde, als weleer die _civitas_, onder
de provincie _Germania inferior_, m. a. w. onder Keulen;—Kamerijk,
Noyon[1] en Terwaan vertegenwoordigden elk een van drie vroeger bestaan
hebbende _civitates_ der provincie _Belgica secunda_ (die der Nervii,
Menapii en Morini) en ressorteerden onder het aartsbisdom dier
provincie: Reims. De kerkelijke indeeling weerspiegelde dus, tot 1559
toe, die van den Romeinschen tijd, hoewel de oude stammen, wier grenzen
de Romeinsche indeeling gevolgd had, lang verdwenen waren. Nu lagen al
deze vier bisschopszetels bezuiden de taalgrens: m. a. w. de hoofdsteden
van de aanvankelijke beschaving der gezamenlijke Zuidnederlanders lagen
in Franschsprekend gebied. Dáár verrezen hun kathedraalkerken, dáár werd
hun geestelijkheid opgevoed, dáár bevonden zich de grootste abdijen[2].
Elke diocees, van uit Waalsch gebied bestuurd, had zoowel Dietschers als
Walen onder hare geloovigen. Hierdoor werden de Dietsche Belgen als uit
de Germaansche volkerengemeenschap afgescheiden en met hun aangezicht
naar het Zuiden getrokken, of liever, zij werden in die laatste houding,
welke zij op het oogenblik der christianisatie, als uit het Noorden
gekomen veroveraars, uit den aard der zaak innamen, voor goed in de
geschiedenis vastgelegd. Geheel anders is het uitgangspunt der
geestelijke ontwikkeling van het Noorden geweest. Daar ontbrak de
mogelijkheid, bij overleveringen uit den Romeinschen tijd aan te
knoopen, en vormde Utrecht een locaal en tegelijkertijd nationaal
middelpunt.

[1]   In 1146 werd Doornik afgescheiden uit Noyon. In 1093 was Atrecht
      afgescheiden uit Kamerijk. De oude bisschopszetel van Tongeren was
      eerst overgebracht naar Maastricht en sedert het begin der 8ste
      eeuw gevestigd te Luik.

[2]   Pirenne I, 19.

Wij hebben hier met een inderdaad gewichtig verschil tusschen de
ontwikkeling van Noord en Zuid te doen, een verschil dat uit oude,
grootendeels aardrijkskundige oorzaken is te verklaren.

De 's-Heerenbergsche, Veluwsche en Nijmeegsche hoogten vervullen in de
geschiedenis van Groot-Nederland een belangrijke rol. Zij noodzaken Maas
en Rijn die richting naar het Westen te nemen, die beider delta doet
samenvallen met die der Schelde, en aldus het geheel van Noord-Nederland
tegen het Zuiden door breede wateren afsluit. Hadden Maas en Rijn hun
oorspronkelijke richting behouden, ware alzoo de Maas bij Emmerik in den
Rijn, de Rijn, zonder delta te vormen, bij het Vlie in zee geloopen, er
zou wel geen afzonderlijke Noordnederlandsche geschiedenis bestaan
hebben. Groot-Nederland zou ten tijde van Caesar Keltisch zijn
geweest, en na hem Romeinsch. De natuur heeft echter deze streken tot
verbrokkeling en verscheidenheid voorbeschikt. De Germanen, die ten
tijde der Merovingers het grootste deel van de gezamenlijke bevolking
der latere zeventien provinciën uitmaakten, waren deels op oud-Romeisch,
deels op oud-Germaansch gebied gezeten, en een groot stroomstelsel
scheidde beide helften vaneen. Terwijl de noordelijke helft zich
geheel als Germaansch gebied ontwikkelen kon, zag het Zuiden zich
door de historie tot taak gesteld, uit verschillende bevolkings- en
beschavings-elementen een harmonie op te bouwen.

Dit Zuiden, land van overgang tusschen de Romaansche en de Germaansche
nationaliteit, werd het tegelijk tusschen twee politieke werelden. De
Neustrisch-Austrasische grens, die meer naar het Zuiden in hoofdzaak
met de taalgrens samenviel, sneed deze laatste in België rechthoekig,
zoodat de diocesen van Kamerijk, Noyon en Terwaan, m. a. w. België
bewesten de Dijle, aan Neustrië bleven. Een grens die herleefde na Karel
den Groote, met deze wijziging, dat ditmaal het land tusschen Dijle en
Schelde aan Lotharingen kwam, zoodat alleen Vlaanderen en Artois tot
het Westfrankische rijk bleven behooren. Maar ook deze tweede, naar
het Westen verlegde, staatkundige grens sneed de onveranderd gebleven
taalgrens rechthoekig. Zoowel de Vlaamsche als de Lotharingische helft
van België hadden dus een gemengd Waalsch-Dietsche bevolking. Van
de territoriale staten, die in de middeleeuwen op Belgischen bodem
ontstonden, waren de gewichtigste: Vlaanderen, Brabant, Luik, alle in
hetzelfde geval.

Ware nu België gebleven in de positie die het ten tijde der Romeinen
innam: van uitersten voorpost eener beschaving die in het Zuiden
haar middelpunt had, van grensland dus tegen een noordoostelijk
barbarendom, de zuidelijke beschavingselementen zouden het land geheel
aan zich onderworpen en de ingedrongen bevolking van Dietschen stam
onvermijdelijk opnieuw geromaniseerd hebben. Doch dit is verhinderd door
de Karolingen, die de grens van Europa van den Rijn naar de Elbe hebben
verlegd. Van grensland tegen de barbaren werd België overgangsland
tusschen twee beschavingsgebieden. Zijn cultuur is hierdoor tegelijk een
zeer bizondere en een zeer Europeesche geworden. Hadde het onverbrokkeld
voortbestaan van het rijk van Karel den Groote tot de mogelijkheden
behoord, het land van Keulen tot Luik zou een centrale positie hebben
ingenomen: de blijkbare voorkeur van Karel voor Aken wijst daarheen, en
reeds begon tijdens zijn regeering de Luiksche school een Europeesche
vermaardheid te verkrijgen. Het vreemdelingenverkeer, de handelsbeweging
namen in deze voor korten tijd nog als half barbaarsch geldende streken
zeer snel toe. De oude heerweg van het zeestrand naar Keulen wemelde
van volk uit alle oorden der Christenheid. Het Friesche laken werd een
wereldartikel. Naar die van Dorestat zijn de oudste munten van Zweden en
van Polen gevolgd. Een bloei die dien der zestiende eeuw als voorspelt,
wanneer, onder Karel V, een gedeelte der politieke voorwaarden, die
onder Karel den Groote de snelle ontwikkeling dezer landen mogelijk
maakten, weder vervuld zijn. Hoe kort dan ook deze eerste tijd van
opbloei geduurd moge hebben, hij blijft een teeken tot welke rol
aardrijkskundige ligging en bevolkingsmenging deze landen als aanwezen.
Het Karolingisch, universeel karakter dezer oud-Nederlandsche beschaving
is, hoe ook verduisterd, nimmer geheel te gronde gegaan[3].

[3]   Zeer fraai bij Pirenne, I, 32 en daarvoor.

De eerstvolgende tijd was nagenoeg geheel de negatie van den
Karolingischen. De Noormannen verwoestten de beschaving, de eenheid des
rijks ging verloren, de groote trek van Karels tijd schijnt geheel uit
de geschiedenis te verdwijnen. Het is de geboorte der territoriale
staten, die thans om onze aandacht vraagt.

In het Westfrankische deel van België ontstaat één machtige leenstaat:
Vlaanderen. Het is een groote dwaling, op den naam „Vlaamsche beweging”
af, dezen staat als een oorspronkelijk Dietschen te beschouwen. Hij was
tweetalig: van het Zwin tot de Canche (bezuiden Boulogne) uitgestrekt,
is het zeer de vraag, of hij oorspronkelijk meer Dietsche dan Waalsche
bevolking geteld heeft, en het Waalsche Zuiden was eeuwen lang het
hooger ontwikkelde deel. In Lotharingen, waar de proefneming met een het
gansche gebied omvattend hertogdom mislukt (navolging van de groote
Duitsche hertogdommen, maar niet als deze in de historie geworteld),
is het woord aan de bisschoppen en aan de locale wereldlijke dynasten.
Aanvankelijk is de Duitsche staatkundige invloed op het tot Duitschland
gerekende deel oneindig sterker, dan die der Capetingers op Vlaanderen,
en geniet dus deze laatste staat een veel grooter zelfstandigheid, dan
de naburen van over de Schelde. Later zijn deze verhoudingen omgekeerd.
Het Duitsche koningschap krimpt in tot een naam, het Fransche wordt een
krachtige werkelijkheid. Brabant, Luik, Henegouwen, Holland ontwikkelen
zich in een vrijheid, die slechts door de verhouding van nabuurschap
waarin zij tot elkander en tot Vlaanderen staan, is beperkt: Vlaanderen
staat bloot aan de volle macht van den Franschen koning.

Het is in de dertiende eeuw, van den slag bij Bouvines tot dien der
Gulden Sporen, dat deze zich het krachtigst gelden laat. Artois wordt
van het graafschap afgerukt. In gansch België, ook in de helft die
in naam tot het Duitsche Rijk behoort, heeft het huis Capet zijn
betrekkingen. Het wordt op een inlijving toegelegd, en Philips IV de
Schoone komt dit doel zeer nabij. In het jaar 1300 scheen de wereld
Vlaanderens ondergang te beleven. Het land, in zichzelf ten heftigste
verdeeld, viel zonder eer en haast zonder strijd. De graaf gaf zich
gevangen, zijn leen werd aan de kroon vervallen verklaard en door een
luitenant des konings bestuurd. Tegelijkertijd erfde het met Frankrijk
eng verbonden huis van Avesnes, dat in Henegouwen regeerde, Holland en
Zeeland. Uitbreiding van Frankrijk noordwaarts tot den Rijn scheen in de
naaste toekomst te wachten.

Doch dit was buiten de Vlaamsche poorters gerekend, die in den
Sporenslag Vlaanderen en daarmede België hebben gered. Om over den graaf
te zegevieren, had Philips een verbond moeten sluiten met de stedelijke
aristocratie. De Fransche overwinning deed zich derhalve in de Vlaamsche
steden, die in den loop der dertiende eeuw het krachtigste element in
den staat waren geworden, als een gebeurtenis voor van maatschappelijke
strekking, waartegen de arbeidende bevolking zich verhief. Philips de
Schoone schijnt, bij zijn bezoek aan Gent in 1301, het gevaar van deze
verhouding te hebben ingezien, doch een verbond met de stedelijke
democratie streed tegen de gansche overlevering der koninklijk-Fransche
staatskunst. De verblinding van den koninklijken stadhouder deed het
overige. Een opstand verdrijft hem uit het land, de graaf wordt
teruggeroepen; bij Kortrijk verslaat het Vlaamsche volk den Franschen
adel. Een woedende krijg volgt, die niet ten onrechte bij de oorlogen
der Fransche omwenteling is vergeleken, waarin eveneens een volksmassa,
met opofferingen waartoe geen gevestigde regeering in staat is een
nieuwe vechtwijze toepassend, in den aan een verouderde organisatie
vasthoudenden tegenstander tegelijk een maatschappelijke macht uit het
eigen land overwint. Slechts Waalsch-Vlaanderen bleef in het bezit des
konings; de rest van het graafschap herwon zijn onafhankelijk bestaan.

Het was tegelijk de mogelijkheid eener zelfstandige Belgische
beschaving, die bij Kortrijk werd gered. Het universeel karakter, dat
België van den Karolingischen tijd af eigen was, had zich, verzwakt,
toch nog altijd gehandhaafd, en bij de groote Europeesche onderneming
der middeneeuwen, de kruistochten, had het land van zijn nut voor Europa
een schitterende proef kunnen afleggen. Het is voorzeker geen toeval,
dat Lotharingische edelen bij de tochten naar het Heilige Land zulk
een groote rol gespeeld hebben. Godfried van Bouillon, de tijdgenoot
vermeldt het uitdrukkelijk, werd aan het hoofd van den eersten
kruistocht gesteld, omdat hij opgevoed was aan de grens der Romaansche
en der Duitsche volken, en beider talen sprak. Onder bisschop Notker
(972–1008) en nog lang daarna was Luik het middelpunt der Europeesche
geleerdheid. Beroemde bisschoppen van Salzburg, van Verdun, van Utrecht
hebben daar hun vorming gehad; vermaarde onderwijskrachten der Luiksche
school hebben college gegeven te Mainz, te Brescia, te Parijs. Een van
de eerste schrijvers en wellicht de beste geschiedschrijver der 11{de}
eeuw is een Belg: Sigebert van Gembloux. De kloosterhervorming van
Cluny, en de _treuga Dei_, zijn door België heen aan Duitschland bekend
geworden. In omgekeerde richting drong de stijl der groote Romaansche
bouwwerken aan den Rijn door Lotharingen, waar Sint-Servaas en Onze
Lieve Vrouw van Maastricht, Onze Lieve Vrouw van Roermond, drie
Luiksche kerken tot deze periode behooren, tot Doornik door, en werd
daar onder plaatselijke en zuidelijke invloeden tot een gewijzigd
Rijnsch-Romaanschen stijl, die weder een groote verbreiding in
Noord-Frankrijk heeft gehad.

Deze bedrijvigheid echter van Lotharingen hing ten nauwste samen met
den bloei en de kracht van het Oostfrankische, Duitsche, Rijk, waarin
zich de Karolingische traditie veel zuiverder scheen te handhaven
dan in het aan de feodaliteit vervallen Westfrankische. Het waren
met name de bisschoppen die in Lotharingen het keizerlijk gezag en
tevens het daarbij behoorend ideaal van op het universeele gerichte
beschaving vertegenwoordigden. Doch de toekomst behoorde niet aan dit
nieuwe, op oud-Rome geïnspireerde universalisme, zij behoorde aan de
nationaliteiten, die thans bezig waren zich, in haar ware karakter nog
weinig opgemerkt, uit de wereld der feodaliteit te kristalliseeren. Ook
in Lotharingen was, als in Duitschland over het geheel, ten leste de
feodaliteit meester geworden, en in den strijd tegen haar en tegen de
Kerk ging het oude keizerlijk gezags- en beschavingsideaal nagenoeg
geheel te gronde. De bisschoppen worden, in stede van keizerlijke
ministers, feodale heeren, uit den omliggenden adel voortgekomen en
van gelijke beweging als hij;—de hertogstitel van de wereldlijke
vertegenwoordigers der keizerlijke macht in Neder-Lotharingen wordt een
twistappel tusschen twee inheemsche gravenhuizen, en verliest ten slotte
elke beteekenis dan die van ornament. Daarentegen komt in Frankrijk
de eerste modern-Europeesche natie op, en in het Fransche koningschap
de eerste moderne centralisatie van staatkundige macht. De 12{de}
eeuw reeds ziet den overwegend Duitschen invloed in België door een
overwegend Franschen vervangen; in de 13{de} eeuw heerscht de Fransche
invloed schier onbeperkt. De Lotharingische feodale heeren vergeten dat
zij tot het Rijk behooren; de Keizer is hun een legende, de nabijzijnde
koning van Frankrijk een geduchte werkelijkheid. De staatkundige
grenslijn die België van Noord naar Zuid deelde had geen beteekenis
meer. Of de andere grens, die van West naar Oost, de taalgrens, zich zou
kunnen handhaven? Het Vlaamsche hof van Philips van den Elzas en van de
Dampierre's is geheel verfranscht, Fransch is de taal van de ridderlijke
beschaving die uit het Zuiden doordringt en de Belgische aristocratie
geheel aan zich onderwerpt. Sint-Omaars ging in de 13{de} eeuw voor
het Dietsche taalgebied verloren, tijdelijk zelfs Yperen. Onder het
patriciaat van Gent en Brugge nam het Fransch over de hand toe, eveneens
aan het hertogelijk hof van Brabant. Nieuwe monniksorden, uit het Zuiden
gekomen, werken aan de verbreiding van het Fransch mede. De rol van Luik
als wetenschappelijk centrum is uitgespeeld. Het licht komt van Parijs.
België zou geheel gefranciseerd zijn geworden, indien niet de gunstige
geographische ligging intusschen ook de Dietsche bevolking tot grooter
activiteit gewekt en daarmede haar weerstandsvermogen verhoogd had.

Na de invallen der Noormannen, die, met Dorestat, Witlam en Sluis, den
oud-Nederlandschen handel verwoestten, was aanvankelijk de landbouw het
eenig middel van bestaan geweest. Doch het kon niet anders, of een land
gelegen als België moest den Europeeschen handel, zoodra hij weder
ontstond, tot zich trekken. Voor de opkomst van Brugge in het bijzonder
werd de verovering van Engeland door de Normandiërs van veel gewicht,
die door een groote emigratie van het vasteland naar het eiland gevolgd
werd. Brugge, door zijn ligging daartoe aangewezen, werd de plaats
vanwaar de wijnen, de Schelde af uit Frankrijk, den Rijn af uit
Duitschland gekomen, naar Engeland werden overgescheept. Uitvoer van
producten des lands, als Doorniksche gehouwen steen, Vlaamsch linnen en
laken, was spoedig het gevolg. Het laken vooral, waarvan de bereiding
sedert de dagen der Morini in het wolrijke Vlaanderen inheemsch was,
werd spoedig weder een artikel voor de Europeesche markt, zoozeer, dat
men aan den voorraad eigen wol niet genoeg had, en deze uit naburige
landen, ook over zee, moest worden aangevuld. Naast de klasse der
kooplieden scheidde zich uit de massa der bevolking een afzonderlijke
klasse van wolwevers af, die zich ophoopten op zoodanige plaatsen waar
zij hun product het snelst en voordeeligst van de hand konden zetten.
Ook andere locale industrieën, als de metaalbewerking van Hoei en
Dinant, werden door de gunstige voorwaarden, welke de nabijheid der
groote handelscentra aanbood, tot ontwikkeling gebracht. Langer heeft
het geduurd, eer ook het tusschen de waterwegen in gelegen Brabant in
deze beweging werd opgenomen; het bleef tot in de 12{de} eeuw bij
uitsluiting een land van akkerbouw. Toen echter eenmaal het verkeer van
den Rijn naar Brugge zulk een omvang had aangenomen dat het aan den
waterweg niet meer genoeg had, maar zich bovendien van den overlandweg
(Keulen–Maastricht–Leuven–Brussel–Aalst–Gent) begon te bedienen, brak
ook voor Brabant een nieuwe tijd aan. Het verkeer van Keulen naar Brugge
overland ging weldra het verkeer langs den waterweg verre te boven, een
feit dat gelijkelijk den snellen aanwas der Brabantsche steden en van
Gent, en het verval van Tiel en het achterblijven van Holland verklaart.

De groote vlucht die de lakennijverheid nam, bepaalde zich aanvankelijk
volstrekt niet tot het Dietsche gedeelte van Vlaanderen. De lakens van
Atrecht, van Rijsel, van Douai waren even beroemd als die van Yperen of
Gent, en behalve naar Brugge, werden de producten der nijverheid ook in
groote hoeveelheden naar de jaarmarkten van de Champagne uitgevoerd,
voor welken handel de zuidelijke fabriekssteden het gunstigst lagen.
Doch gaandeweg verliepen deze jaarmarkten en kwamen de vreemde
kooplieden uitsluitend te Brugge zich van lakens voorzien. Er had zich
namelijk een directe scheepvaart zoowel van Noord- als van Zuid-Europa
naar de Brugsche haven ontwikkeld, die meer en meer het karakter
verkreeg van een wereld-entrepôt. De oorspronkelijke eigen scheepvaart
verviel, maar daarentegen werden de handelsoperatiën zoozeer te Brugge
geconcentreerd, dat de naastbijgelegen fabriekssteden de verder
afgelegene overvleugelden. Eindelijk werd, door de inlijving van
Waalsch-Vlaanderen bij Frankrijk, de nijverheid der Waalsche steden
zoowel van haar uitvoerhaven als van haar grondstof, de Engelsche wol,
verstoken. In het Dietsche Noorden bloeide zij voortaan des te meer.

Natuurlijk is deze toenemende bloei van Dietsch-Vlaanderen van invloed
geweest op het behoud en de ontwikkeling der Dietsche taal. De kleine
klasse der „ledichgangers” mocht verfranschen, de groote massa der
nijvere bevolking bleef Dietsch. Hoe zou het anders? Het was geen
ingevoerde, het was een overoude, ter plaatse zelf ontstane nijverheid
waarmede zij haar brood verdiende. De taal, met de maatschappelijke
ontwikkeling medegegroeid, voldeed aan de eischen van leven en bedrijf;
er was geen tijd, geen noodzaak om een vreemde cultuur aan te nemen. Een
geheel burgerlijk, geheel wereldlijk beschavingsideaal nam het hart in.
Het vervult den eersten dichter dien deze maatschappij voortgebracht
heeft.

      Al heeft een sot op thoeft gescoren
    Ene breede crune toten oren
      Hines te vroeder niet een saet.

En elders, in den _Eersten Martijn_, het thema:

    Edelheit begint noch heden.

Na zijn overwinning van 1302 neemt de Vlaamsche burgerman de geheele
breedte van het tooneel in, of tracht het althans te doen. De Gentsche
republiek verduistert het graafschap, Artevelde den landsheer. Maar het
zijn slechts gemeentebelangen, die hem bewegen. Zoodra zijn dictatuur
gevestigd en hij voor het landsbestuur aansprakelijk geworden is,
heeft hij niets dringenders te verrichten dan ten bate van Gent de
lakenweverij van Dendermonde te vernietigen. Onder den kreet van „heer
ende wet” staan die van Oudenaarde tegen hem op. Niet eenmaal in de
eigen stad weet hij zijn gezag te handhaven: de wevers, met wier hulp
hij machtig geworden is, bezorgen hem, in de persoon van hun deken, een
mededinger. Met Eduard III meent hij te handelen als met een gelijke,
maar Gent is oneindig meer afhankelijk van den invoer der Engelsche wol,
dan Engeland van den vrijen afzet van slechts één van haar producten. De
val van Artevelde bewijst, dat het Vlaamsch-burgerlijk belang zichzelven
in de wereld niet voldoende kon beschermen. De toekomst was aan de
eenige waarlijk representatieve macht: aan den landsheer.

Is voor de nieuwere historische kritiek de heldenfiguur, die de
romantiek van Artevelde gemaakt heeft, niet bestaanbaar gebleken, zeer
heeft zij den roem verhoogd van den veelgesmaden Lodewijk van Male. Geen
held doopt zij hem, maar een zeer helderziend en zeer bekwaam vorst,
voorlooper der Bourgondiërs. De economische belangen van het land vinden
in hem een zoo goed verdediger, dat hij de stedelijke aristocratie,
vroeger de grootste vijandin der grafelijke macht, voor zich wint; in
ruil verzekert hij haar bewind tegen de aanslagen van den arbeidenden
stand. De naijver der steden tegen elkander neemt, althans bij de
regeerende klasse, sterk af. Tegenover de gedurig zwaarder wordende
mededinging der Engelsche nijverheid hebben de Vlaamsche steden behoefte
aan den steun der landsheerlijke macht. Onder 's vorsten bescherming
wordt de lakenindustrie ook in een aantal dorpen gevestigd; de wol- en
lakenhandelaars, die voor een goed deel de stedelijke aristocratie
uitmaken, ondervinden daar geen nadeel van, wel de arbeidende klasse in
de groote steden. Naast de „drie leden van Vlaanderen”, Gent, Brugge,
en Yperen, doet Lodewijk van Male als vierde vertegenwoordigend lid
het zuiver landbouwende Vrije van Brugge opnemen. In zijn „audiencie”
schept hij een centraal orgaan voor regeering en rechtspraak, gelijk
later de Bourgondiërs zouden doen in andere provinciën. En al is deze
instelling van Franschen oorsprong, zij werkt er in de toepassing niet
minder nationaal om. De leden van het college zijn landskinderen; van
de 690 acten, in het eerste deel van het _Cartulaire de Louis de Male_
gedrukt, zijn er 9 in het Latijn, 264 in het Fransch en 417 in het
Vlaamsch. Gelijkelijk steun zoekend bij de gegoede burgers, den adel
en den landbouwenden stand, is zijn staatkunde vooral op het bedwingen
der arbeidersklasse gericht, wier politieke invloed gebleken was
de maatschappij als geheel niet te kunnen leiden. Een laatste
geweldige opstand beslist tusschen de monarchie en het stands- en
stadsparticularisme; de algemeene deelneming van Europa bewijst, hoe
groot gewicht ook voor anderen de afloop van dezen strijd werd geacht te
zullen hebben. Het is minder een stad dan wel een enkele klasse van haar
bevolking die den strijd voert. Te Brugge vereenigen zich allen tegen
het eene weversambacht, dat daar bij lange na zoo talrijk niet is als te
Gent, en brengen de stad onder de gehoorzaamheid van den graaf terug. Nu
wordt het gansch Vlaanderen tegen de Gentsche wevers. Zij houden Gent
twee jaar lang en verrassen zelfs weder Brugge, waar op de gegoede
burgers een bloedige wraak genomen wordt. Op Dendermonde en Oudenaarde
na, maakt Gent zich meester van het geheele graafschap; de landsheer
moet een Fransch leger te hulp roepen, om zijn stad te kunnen
overwinnen. Bij Roosebeke ontmoeten de legers elkander, maar de geest
van Kortrijk was niet vaardig meer over de Vlamingen. Een groot deel van
hun gepreste krijgsmacht diende de Gentenaars onwillig, en verliet hen
bij het aangaan van den slag, die in een nederlaag der witte kaproenen
eindigde. Maar de stad zelf hield zich overeind, nog drie jaar lang,
en Lodewijk van Male stierf eer hij haar ten onder gebracht had. Zijn
schoonzoon en opvolger, Philips de Stoute van Bourgondië, zag zich tot
onderhandelen genoopt, wilde hij niet met zijn graafschap een oorlog
beërven. Tot den prijs eener volledige amnestie en van bevestiging der
stadsprivilegiën onderwierp zich Gent op den 18{den} December 1385. Met
dien datum eindigen voor Vlaanderen de middeleeuwen, die voor gansch
België ten einde spoedden.

       *       *       *       *       *

Lodewijk van Male was, behalve op bevestiging van zijn gezag in het
graafschap, ten zeerste op versterking zijner huismacht uit geweest,
doch hij had geen zoons, en werkte dus voor anderen. Hij had, ten
nadeele van de zuster zijner vrouw, de hertogin van Brabant, zijn gebied
met Mechelen en Antwerpen vergroot, en beheerschte dus den geheelen loop
der Schelde. Voorts was zijn doel om Artois, door Philips August, en
Waalsch-Vlaanderen, door Philips den Schoone aan Vlaanderen ontrukt,
weder met zijn graafschap te vereenigen. Het eerste middel dat hij
hiertoe bij de hand greep, was de verloving van zijn eenige dochter
Margaretha met Philips van Rouvre, hertog en graaf van Bourgondië, graaf
van Artois. Een huwelijk dat twee van de drie groote dynastieën, die in
Frankrijk nog nevens de koninklijke bestonden: die van Vlaanderen,
Bourgondië en Bretagne, vereenigen moest, en wel juist de twee wier
landen zich het best er toe leenden om de basis uit te maken van een
geduchte, tusschen Frankrijk en Duitschland ingeschoven territoriale
macht. Maar vijf jaar na de verloving stierf Philips van Rouvre. Artois
en het graafschap Bourgondië vielen aan diens moei, de moeder van
Lodewijk van Male ten deel; het hertogdom Bourgondië kwam aan de
Fransche kroon. Koning Jan beleende er zijn derden zoon mede, Philips
den Stoute. Diens broeder, koning Karel V, bevorderde, om Vlaanderen
buiten verbond met zijn Engelschen vijand te houden, zelf het huwelijk
van Philips met de dochter van Lodewijk van Male, en gaf zelfs bij deze
gelegenheid Rijsel, Douai en Orchies aan Vlaanderen terug (1369). In
1384, bij den dood van Lodewijk van Male, zag dus Philips Vlaanderen
met Mechelen en Antwerpen, Artois, Nevers, Réthel, Bourgondië en het
graafschap Bourgondië in zijn bezit vereenigd. Oom van Karel VI van
Frankrijk en diens invloedrijkste raadsman, kon hij over de gansche
hulpmiddelen van het koninkrijk ter bevordering zijner bizondere
oogmerken beschikken. Hij had daarmede een reusachtigen voorsprong op
de beide andere huizen die hem het bezit der Nederlanden wellicht zouden
kunnen betwisten: het Beiersche en het Luxemburgsche.

Ongetwijfeld heeft Karel V, toen hij den jongeren tak van zijn huis den
weg naar het Noorden wees, gemeend zoodoende het „Vlaamsche gevaar”
het best te zullen bezweren. Philips de Stoute heeft zich dan ook nog
wel degelijk Franschman gevoeld, maar sedert de Bourgondiërs in de
Nederlanden grooter gezag verkregen, konden zij bezwaarlijk Franschman
blijven: daartoe waren de Nederlanden te zeer een wereld op zich zelf.
Al dadelijk was Philips, door zijn bezit van Rijks-Vlaanderen en van
Franche Comté, leenman van het Rijk zoo goed als van de Fransche kroon;
hij was ook erfgenaam van al de betrekkingen en belangen van het
Vlaamsche graafschap, die voor een groot deel over de Henegouwsche,
Brabantsche, Hollandsche grens wezen. Nauwelijks een jaar na den dood
van Lodewijk van Male gelukte hem een meesterlijke zet, waarbij de
belangen der Fransche kroon weder evenzeer schenen te zijn gebaat, als
de persoonlijke belangen van Philips zelf. Engeland bereidde, om in
Holland een vergoeding te vinden voor wat het in Vlaanderen op het
vasteland verloren had, een huwelijk voor van den zoon van hertog
Albrecht van Beieren met de dochter van den hertog van Lancaster. Het
gold nu, het huis Wittelsbach, door aanbieding van grooter voordeelen,
aan de Fransche zijde te trekken. Hiertoe werden drie huwelijken
tegelijk voorgeslagen: van Jan (zonder Vrees), zoon van Philips den
Stoute, met Margaretha, dochter van Albrecht; van Margaretha, dochter
van Philips, met Albrechts zoon Willem; eindelijk van Elisabeth
(Isabeau) van Beieren met den jongen koning van Frankrijk, Karel VI,
zelf. Deze huwelijken kwamen alle drie in 1385 tot stand. Zij bezorgden
het huis Bourgondië een overwegenden invloed in de Beiersche bezittingen
en in de gansche Nederlanden. In 1390 stond de oude hertogin van
Brabant, Johanna (met verscheuring van een vroeger verdrag, dat de
opvolging toegezegd had aan het geslacht van haar thans overleden
Luxemburgschen gemaal) haar hertogdom, onder beding van vruchtgebruik en
uitoefening der heerschappij tot haar dood voor zichzelve, aan Philips,
echtgenoot van hare nicht Margaretha van Vlaanderen, af. Hiermede werd
niet slechts de val van het Luxemburgsche huis in de Nederlanden
bezegeld, maar ook de feitelijk sinds lang bestaande vervreemding der
oud-Lotharingische Nederlanden van het Duitsche Rijk. Johanna toch had
over haar hertogdom beschikt als over allodiaal goed. Deze beschikking
werd genomen met goedvinden van de Staten van Brabant, tegenover welke
Philips dezelfde tegemoetkomende houding aannam als in 1385 tegenover de
stad Gent. Had hij toen alle privilegiën bevestigd en toegezegd dat de
Fransche kanselarij zich in brieven aan de stad van de Vlaamsche taal
zou bedienen, thans had hij de hereeniging van Antwerpen en Mechelen
met Brabant beloofd, en tevens dat Brabant zijn bijzonderen vorst zou
behouden. Zijn tweede zoon Antonie zou in Brabant en Limburg regeeren.
Deze is Johanna van Brabant opgevolgd bij haar dood in 1406.

Niettegenstaande den schijn, die hem als den bewusten grondlegger eener
Nederlandsche macht kan doen voorkomen, is Philips de Stoute echter
bovenal Fransch prins van den bloede geweest. Zijn hoofddoel was, zich
en zijn nakomelingen het overwicht te verschaffen over de factie van
zijn neef, den hertog van Orleans, en zijn vergrooting in de Nederlanden
was hem een middel om dit doel te bereiken. Gewoonlijk verbleef hij òf
aan het Fransche koningshof, òf in het verre Bourgondië. Vlaamsch heeft
hij niet gekend. Maar zijn werk, het moge aaneenhangen van huwelijken
en onderhandelingen tusschen vorsten, was niet ondernomen zonder
rekening te houden met de neigingen der bevolking zelve. Geen oogenblik
heeft, na Johanna's dood, Brabant er over gedacht, aan de reclamatiën
van Ruprecht van de Palts, die het hertogdom aan het Rijk vervallen
verklaarde, gehoor te verleenen. En meer dan reclameeren kon de Duitsche
Keizer niet.

Philips' groote tegenstander, de hertog van Orleans, trachtte hem na te
volgen en ook in de Nederlanden vasten voet te verkrijgen. Hij sloeg het
oog op Luxemburg en op Gelder; pogingen, die mede Jan zonder Vrees er
toe zullen gedreven hebben hem te doen vermoorden (1407). Twee jaar
later sneed het huwelijk van Antonie van Bourgondië met Elisabeth van
Görlitz, hertogin van Luxemburg, aan hernieuwing van dergelijke pogingen
den pas af. Gelijk deze echt de Luxemburgsche, moest die van Antonie's
zoon Jan met Jacoba van Beieren (1418) de Beiersche erfenis in de
Nederlanden aan het Bourgondische huis verzekeren. Een jaar na dit
laatste huwelijk had een gebeurtenis plaats, die in de positie van het
huis van Bourgondië een groote verandering te weeg bracht: de moord van
Jan zonder Vrees op de brug bij Montereau.

De misdaad, waaraan Jan zich in 1407 had schuldig gemaakt, had hem
het gouvernement van het koninkrijk niet in handen geleverd. In 1411
was de hevige burgeroorlog der Bourguignons en Armagnacs uitgebroken,
waarin beide partijen Engeland op hun hand zochten te krijgen, en
waarin de dauphijn, zoon van Karel VI, de zijde der Armagnacs hield.
Het was na een mondgesprek met den dauphijn, dat Jan zonder Vrees werd
vermoord. Voortaan is de Bourgondische macht zonder terughouding aan
de koninklijk-Fransche vijandig; de dubbelzinnige verhouding, waartoe
Philips de Stoute den grond gelegd had, heeft tot een geweldige
ontknooping geleid, die geen verzoening meer toelaat. Aanstonds verbindt
zich Jans opvolger openlijk met den landsvijand; bij het verdrag van
Troyes erkent hij Hendrik V van Engeland als koning van Frankrijk. Hij
breekt met de houding van vazal; weldra zal hij voor zijn gezanten rang
eischen onmiddellijk na dien der koningen.

De Fransche geschiedschrijving stelt in den regel het gansche gedrag van
Philips den Goede als een gevolg van wraakzucht over den moord zijns
vaders voor. De moord was evenwel niet meer dan de laatste aanleiding
tot een beslissing, die toch niet uit zou hebben kunnen blijven. De
jonge Philips was reeds meer te Gent dan te Parijs opgevoed; aanhoudend
meer vorderden de Nederlandsche zaken, waarmede de Bourgondiërs zich zoo
diep hadden ingelaten, de aandacht van een geheelen mensch. Bij den dood
van Hendrik V weigert Philips de waardigheid van regent van Frankrijk,
die hij aan den hertog van Bedford overlaat (1422). Terwijl Engelschen
en Franschen hun zaak uitvechten, verwerft Philips zich Henegouwen,
Holland en Zeeland (regeering in 1428, titel in 1433), Brabant en
Limburg (1430, dood van Philips van St. Pol, tweeden en laatsten zoon
van Antonie van Bourgondië). In 1421 had hij de opvolging in Namen
gekocht, dat hem acht jaar later dan ook toeviel; te Utrecht was zijn
invloed overwegend; in Gelder had hij een partij; over de bisdommen
Kamerijk en Doornik beschikte hij naar welgevallen. In Luxemburg nam de
oude hertogin Elisabeth hem voor momber aan (1441); na haar dood in 1451
volgt hijzelf op. Buiten het Bourgondisch gezag blijven voorshands nog
alleen de noordoostelijkste Nederlanden. De grondslag voor een nieuwen
Europeeschen staat, met Brussel tot hoofdstad, schijnt gelegd. In 1435
sluit Philips vrede met Karel VII, maar als met een buitenlandsche
macht. Hij zal den koning voor de Fransche leenen die hij bezit of bij
het verdrag verkrijgt, geen hulde behoeven te doen, en de door den
koning uitgeschreven belastingen zullen niet geheven worden in de landen
van Philips. Deze afval van het verdrag van Troyes berokkent hem een
oorlog met Engeland, dat wel Calais tegen hem behoudt, maar geen vasten
voet in Philips' eigen bezittingen weet te verkrijgen. In 1439 wordt
de vrede gesloten. In 1440 eindelijk begint de regeering van een
Keizer, die, anders dan de Luxemburger Sigismund, tegen de usurpatie
der Nederlandsche rijksleenen door Bourgondië zich niet langer met
machtelooze protesten verzet. Europa heeft, uitdrukkelijk of feitelijk,
de nieuwe macht erkend. In 1447 onderhandelt Philips met Frederik III
over de oprichting van een koninkrijk. De zaak gelukt niet, maar ieder
weet dat de hertog van Bourgondië in aanzien menig koning der
Christenheid overtreft.

Terwijl Bourgondië zich aldus zelfstandig maakt, wordt de staatkunde der
Fransche kroon in de eerste plaats anti-Bourgondisch. Doch zij wordt
verlamd door de oneenigheid tusschen Karel VII en zijn zoon Lodewijk,
die de vlucht neemt naar zijn Bourgondischen verwant, en daar 's konings
dood verbeidt. Het schijnt een oogenblik of de vroegere dubbelzinnige
toestand nog eenmaal zal kunnen intreden, wanneer met Lodewijk XI een
creatuur van den hertog van Bourgondië den Franschen troon bestijgen
zal. Doch Lodewijk, eenmaal koning, heeft dergelijke verwachtingen te
schande gemaakt. Valois en Bourgondië vertegenwoordigden voortaan
onherroepelijk verschillende landen met verschillende belangen.

De Bourgondische bezittingen waren rijk genoeg, om Karel den Stoute in
staat te stellen zich tegenover Frankrijk te handhaven, en zelfs om naar
de Rijkszijde zijn gebied verder uit te breiden. Het gedeelte zijner
rustelooze werkzaamheid, dat, als de bemoeiingen in Luik en in Gelder,
als de uitvoering van het program zijns vaders kan worden beschouwd,
heeft dan ook zeker zijn val niet veroorzaakt. Maar Karel ging, in
dolzinnige haast, de grenzen eener aan een opkomende dynastie
geoorloofde eerzucht ver te buiten. De Bourgondiërs konden twee dingen
doen. Zij konden hun Nederlandsche bezittingen afronden; zij konden ook,
door het toe te leggen op de verwerving van Lotharingen, Bourgondië met
de Nederlanden in onmiddellijke verbinding zoeken te brengen. Het eerste
doel was volkomen bereikbaar, het tweede reeds uitermate moeilijk, en
het was zeer de vraag, of op die wijze een levensvatbare staat kon
ontstaan: Frankrijk drong, met Ile de France en de Champagne, provinciën
die het onmogelijk was ooit aan de Fransche kroon te ontnemen, te ver
naar het Oosten in. Een dergelijke groot-Bourgondische staat, gezwegen
er van, dat hij bezwaarlijk ooit de belichaming eener nationaliteit zou
zijn geworden, zou naar te veel zijden tegelijk defensief hebben moeten
optreden, en in zijn smalle verbindingslid steeds een zeer kwetsbare
plek hebben gehouden. Om dit verbindingslid een behoorlijke breedte te
geven, bleef niets over dan het veroveren der Rijngrens van Bazel tot
Kleef, een pogen dat half Duitschland tegen den Bourgondiër in de
wapenen zou brengen, zooals de geschiedenis van het beleg van Nuis kwam
bewijzen. De plannen echter van Karel den Stoute gingen echter nog boven
dit groot-Bourgondisch program uit. Beurtelings stelde hij zich voor
de Fransche monarchie in zes of zeven kleine staten op te lossen, de
Habsburgers tot zijne cliënten en zichzelf tot Keizer te maken, zijn nog
niet eenmaal bestaand rijk uit te breiden tot de Middellandsche Zee, ja
zelfs voet te vatten in Italië. Op zijn dood is een geweldige reactie
gevolgd, die te nauwernood de voornaamste resultaten van het werk van
zijn vader in wezen liet.

Wèl moest een schepping aan wezenlijke behoeften beantwoorden, die zich
staande hield onder zoo ongunstige omstandigheden als de regeering van
Maria en Maximiliaan opleverde. In één opzicht werd zij zelfs zeer
versterkt: het terugvallen van het hertogdom Bourgondië aan de Fransche
kroon, nekslag aan de groot-Bourgondische gedachte, bepaalde de
krachten van het huis, voor eenigen tijd althans, tot zijn taak in de
Nederlanden, die scherp belijnd, en die uitvoerbaar was.

Philips de Goede reeds, de _conditor Belgii_, had verwonderlijk veel
bereikt. Eigenlijk niet verwonderlijk, als men bedenkt hoe reeds de
veertiende eeuw op Nederlandschen bodem de leer van Philips van Leyden,
en de practijk van Lodewijk van Male had voortgebracht. Het gemeene
recht won veld op de privilegiën, die opgehouden hadden noodzakelijk
en dus aangevangen hadden schadelijk te zijn. De gesloten klassen
der middeleeuwsche maatschappij houden zich niet meer in stand. De
geleerdheid is niet meer het deel der geestelijkheid alleen, de adel is
niet meer de militaire kaste bij uitnemendheid, de voorrechten, aan
steden en corporatiën verleend, zijn niet meer de eenige waarborgen der
vreedzame verrichting van bepaalde maatschappelijke functiën. De vorst
wordt de natuurlijke toevlucht van allen die geen deel hebben aan de
privilegiën, en evenzeer van allen die er deel aan hebben, want geen
geprivilegieerde of hij wordt door eens anders privilegie in zijn
belangen geschaad en in zijn vrijheid beperkt. De betrekkingen van allen
met allen zijn te levendig geworden, dan dat de oude scheidsmuren
overeind kunnen blijven staan, en de vorst is de eenige die de
bouwvallen kan opruimen.

Zeer duidelijk is nu, in elk der gewesten die in het bezit der
Bourgondiërs geraken, een versnelde ontwikkeling in de reeds
overal ingeslagen richting naar egalisatie, centralisatie,
monarchie. Daarnevens worden de eerste grondslagen gelegd eener
algemeen-Nederlandsche regeering en vertegenwoordiging.

Van de hervorming der instellingen eener bepaalde provincie levert
Vlaanderen een sprekend beeld. De „audiencie” van Lodewijk van Male
hield zes of zeven zittingen per jaar, en was een omgaand hof. De raad
die Philips de Stoute in 1386 te Rijsel instelt (voor Vlaanderen met
Antwerpen en Mechelen inbegrepen, Rijsel, Douai en Orchies, Artois,
Nevers en Réthel) zit elken dag en is gebonden aan een bepaalde plaats.
De leden moeten afzien van elke andere betrekking of bezigheid, leven
uitsluitend van hun wedde, mogen niet het burgerrecht behouden eener
bizondere stad of het lidmaatschap eener bepaalde corporatie: zij vormen
het eerste volkomen uit de maatschappij geïsoleerde ambtenaren-college
dat de Nederlanden gekend hebben. De raad is behalve regeeringsraad en
gerechtshof tevens rekenkamer; hij waakt over de rechten en bezittingen
van den heer, die inderdaad zijn, en met elk jaar meer worden, de
rechten en bezittingen van het publiek. De raad sprak Fransch.
Hiertegen, en tegen de omstandigheid dat het graafschap geen
afzonderlijk ressort meer vormde, maar met andere gewesten aan eenzelfde
college onderworpen was geworden, brachten de Vlamingen aanhoudend
klachten in. Jan zonder Vrees splitste daarom het college in een
rekenkamer, die te Rijsel bleef, en in een gerechtshof, dat te
Oudenaarde gevestigd werd (1405) en twee jaar later te Gent, waar
het, met korte tusschenpoozen in de 15{de} eeuw[4], tot de Fransche
omwenteling toe is gebleven (de Raad van Vlaanderen). Onderwijl werd
het gebied der rekenkamer te Rijsel nog met Namen en Henegouwen
vergroot. Zij bleef zich bij uitsluiting van het Fransch bedienen. Voor
den Raad van Vlaanderen werd aanstonds in 1405 ten aanzien der taal een
andere regeling getroffen, waarbij werd voortgebouwd op de regelen bij
de Audiencie van Lodewijk van Male in gebruik, waar de rechters gewoon
waren geweest hun vonnissen te vellen in de taal die partijen gebruikt
hadden. „Toutes enquestes quy se feront par lesdicts conseillers ou
autres commis de par eulx, où les escriptures des parties sont en
flameng, se feront en flameng.” Voorts werd bepaald „qu' à l'huys ouvert
chascune des parties et poursuyvans puyssent parler à tel langage qu'ilz
veuillent, et qu'on leur responde en langage flameng. Et s'ilz sont
en débatz, le Flameng aura l'option de playder en flameng s'il luy
plaist”[5]. Dit taalbesluit van Jan zonder Vrees is van kracht geweest
zoolang de Raad van Vlaanderen gestaan heeft: tot de Fransche
omwenteling toe. Het is dan ook zeer verkeerd, in de Bourgondische
vorsten voorvechters te zien van het gebruik der Fransche taal. Zij
eerbiedigden te dezen aanzien de bestaande toestanden. In België gold de
taalgrens voor het lagere volk, maar waren de hoogere standen feitelijk
tweetalig geworden, lang voor de komst van den eersten Bourgondiër in de
Nederlanden. Benoorden den Moerdijk, waar het Fransch niet doorgedrongen
was, hebben zij ook niet de geringste poging gedaan om het in te voeren.
Nauwelijks minder verbreid dan de kennis van het Fransch in Vlaamsch-,
was die van het Vlaamsch in Waalsch-België. Philips de Goede en
Karel de Stoute konden Vlaamsch spreken; zij wisten te goed, zegt de
kroniekschrijver Molinet, „que leur puissance estoit trop plus flamande
que wallonne.” Froissart kende Vlaamsch. Een groote menigte Fransche
uitdrukkingen drongen in het Vlaamsch, een niet minder groote menigte
Vlaamsche woorden drongen in het Luikerwaalsch door. Sedert het verval
van de jaarmarkten in de Champagne was het gebruik van het Vlaamsch in
den handel zeer toegenomen, en dank zij de verbetering van het onderwijs
nam in de 15{de} eeuw het officieel gebruik der landstaal in het
binnenlandsch bestuur der Dietsche streken geheel en al de overhand
op Latijn en Fransch beide. Van weerszijden der taalgrens noodigde
men elkander uit tot het vogelschieten en tot de landjuweelen. Het
onderscheid in taal verdeelde België in geenen deele in twee vijandige
kampen. Waar echter het Vlaamsch zich bedreigd voelde, wist het zich te
verdedigen, als in 1477 tegenover Vrouw Maria, na het drijven van Karel
den Stoute, den eenigen vorst die de wijze gematigdheid van zijn huis
ten opzichte der taalkwestie niet volkomen gehandhaafd, en in Vlaamsch
land ambtenaren aangesteld heeft, die de taal der bevolking niet
verstonden, volstrekt niet uit stelselmatige vijandschap tegen het
Vlaamsch evenwel, maar als een gevolg zijner ook in andere opzichten
niets ontziende willekeur.

[4]   In 1439 voor een jaar te Kortrijk; van 1447 tot 1451 te
      Dendermonde, van 1451 tot 1463 te Yperen.

[5]   Placcaerten van Vlaenderen, I, 241, 242.

De voor Vlaanderen ontworpen binnenlandsche bestuursinrichting werd,
naar 's lands gelegenheid verbrabantscht of verhollandscht, elders
nagevolgd. In 1406 werden te Vilvoorde een Rekenkamer en een Raad van
Brabant opgericht. Het eerste lichaam is blijven bestaan en zag later
Luxemburg aan zijn gebied toegevoegd[6], tegen den Raad evenwel kwam het
land in verzet, en in 1422 kwam een geheel ander college tot stand, dat
niet uit vorstelijke ambtenaren, maar uit gedelegeerden van adel en
steden bestond. Eerst Philips de Goede heeft na 1430 het plan van zijn
oom Antonie weer kunnen opnemen, en een Hof van Brabant ingesteld naar
het model van den Raad van Vlaanderen. In Holland dagteekent het Hof
uit denzelfden tijd. In de economisch en staatkundig minder ontwikkelde
gewesten, als Henegouwen en Luxemburg, werd met eenvoudiger, minder
kostbare inrichtingen volstaan, die evenwel dezelfde strekking tot
egalisatie en centralisatie hadden.

[6]   Van 1463 tot 1477 ook Holland en Zeeland. De Haagsche Rekenkamer,
      in 1446 opgericht, werd bij art. 22 van het Groot-Privilegie
      hersteld.

Al deze inrichtingen, de meer samengestelde en de meer eenvoudige,
hebben zich spoedig geacclimatiseerd, en den storm van 1477 zeer wel
doorstaan. Zij hebben aan de administratie der afzonderlijke gewesten
een strenger monarchaal karakter gegeven, zonder evenwel ergens de
organen der volksvertegenwoordiging te vernietigen of te verminken. Alom
hebben de Staten des lands het recht behouden de bede te bewilligen, en
haar rol is in beteekenis toegenomen naarmate de vorsten vaker in de
gelegenheid kwamen die bewilliging in te roepen.

Veel langzamer en behoedzamer dan de hervorming van het provinciaal
bestuur, is de schepping van een algemeen landsbestuur in zijn werk
gegaan. De Bourgondiërs konden hierbij niet voortbouwen op reeds gelegde
grondslagen: van eene bovengewestelijke bestuursinrichting kon eerst
sprake wezen, nadat de veelheid der dynastieën voor een eenheid had
plaats gemaakt. Gelijk het vorstenhuis zelf, komen de instellingen der
centrale regeering uit den vreemde. Zij kunnen niet aan Nederlanders
in handen gegeven worden, omdat er in dezen zuiver staatkundigen zin
nog geen Nederlanders zijn, doch slechts Vlamingen of Brabanders.
Bourgondiërs en Picardiërs leverden het personeel, en het Fransch was
bij uitsluiting de taal der bovengewestelijke regeering.

Toen Philips de Stoute Vlaanderen en Artois erfde, was hij sedert
twintig jaren hertog van Bourgondië geweest, en had als alle vorsten,
zijn raad gehad, waarvan de leden hem omringden en bijstonden in de
regeering. Maar Philips, toentertijd een man van groot gezag bij zijn
neef koning Karel VI, bepaalde zijn aandacht niet tot het hertogdom.
Hij verbleef meest te Parijs, en zoo veranderde de oorspronkelijk
locaal-Bourgondische raad van karakter en werd een orgaan der
uitgebreider staatkundige werkzaamheid van zijn heer. De eerste in rang
behoudt den titel van kanselier van Bourgondië, maar onder hem staan
lieden van uitgelezen bekwaamheid en van velerhande herkomst, edelen,
geestelijken, leden van den derden stand. Een nieuwe vassaliteit,
waarbij de wedde in de plaats gekomen is van het leen, en staatkundige
diensten in de plaats van den krijgsdienst[7]: de Croy's, Lalaing's,
Hugonet's, Humbercourt's, Hagenbach's komen uit hun rijen voort. De
meester weet hun trouw koninklijk te beloonen en straft hun ontrouw
zonder genade. Sommigen van hen houden zich gestadig in zijn nabijheid,
anderen gaan in zending uit, besturen een provincie, bevelen in een
vesting. De gansche regeering, voor zoover zij buiten het terrein ligt
dat door de bezworen privilegiën wordt bestreken, gaat door hun handen:
buitenlandsche zaken, gewestelijk opperbestuur, rechtszaken aan den
vorst voorbehouden, gratiën en remissiën, domeinbestuur, zorg voor leger
en vloot. In al deze zaken geldt het souverein bevel van den vorst,
„ainsi nous plaist-il et voulons estre faict”. Tot midden onder de
regeering van Philips den Goede heeft deze „Groote Raad” geen vaststaand
ledental en geen vaste residentie gehad. Een ordonnantie van 1446 bracht
hierin verandering, en bepaalde tevens dat alle beslissingen van den
vorst genomen zouden worden na advies en beraadslaging van den Grooten
Raad, en dat alle requesten, mondelinge en schriftelijke, aan den
Raad zouden worden gerenvoyeerd. Rechterlijke en bestuursfunctiën
bleven echter nog in één lichaam vereenigd; in 1454 evenwel werd een
afzonderlijke justitiekamer bij den Raad ingericht. Karel de Stoute
splitste den Raad in tweeën: een politiek en een rechterlijk lichaam,
welk laatste te Mechelen werd gevestigd en tevens beroepshof werd voor
alle Nederlanden (1473). Dit was meer dan het particularisme der
gewesten voorshands kon verdragen: in 1477 kwam de Groote Raad van
Mechelen te vervallen, en werd eerst in 1504 door Philips den Schoone
weder opgericht. Een andere hervorming van Karel den Stoute, de
vervanging der rekenkamers van Rijsel en Brussel door één enkele kamer
te Mechelen, werd eveneens in 1477 ongedaan gemaakt. Rijsel, Brussel en
den Haag kregen hunne bizondere kamers terug.

[7]   Pirenne II, 362.

De strenge administratie der financiën, door deze rekenkamers
gewaarborgd, toonde waartoe bij eenheid in beheer de hulpmiddelen der
Nederlanden reeds in staat waren. De inkomsten van Philips den Goede
beliepen in 1455 het vierdubbele van die van de republiek Florence, het
driedubbele van die van Napels, het dubbele van die van den Paus en
van den hertog van Milaan, en bijna zooveel als die van de republiek
Venetië. En deze inkomsten werden verkregen zonder de hulpmiddelen zelve
ook maar eenigszins uit te putten.

Evenwel is het algemeen bestuur niet populair geweest: het was te
zeer het bestuur van den vorst, te weinig dat van het land. Doch
hierin bracht de vorstelijke staatkunde zelf een begin, of liever een
mogelijkheid, van verandering. Als een middel om het particularisme der
provinciën te gemakkelijker te breken, riep Philips de Staten zijner
landen in gezamenlijke vergadering bijeen. Zesmaal zijn zij tusschen
1463 en 1477 zoo vergaderd geweest. De provinciën zagen aanvankelijk
zulk een bijeenroeping zeer ongaarne: zij werden liever aangesproken „in
den haren”, zooals tal van oude privilegiën het geboden. Doch gaandeweg
kwamen zij tot het inzicht, dat de gezamenlijke vergadering hen ook
sterken kon tegenover den landsheer. De laatste vergadering die onder
Karel den Stoute gehouden is, die van Gent in 1476, verwierp de bede, en
bij het Groot-Privilegie werd het recht bedongen dat de Staten-Generaal
zouden mogen bijeenkomen zoo dikwijls zij zelf het verkozen, en dat geen
oorlog zou worden ondernomen zonder hun bewilliging. Een recht dat niet
constitutioneel geworden is, maar toch bewijst hoe grooten voortgang
de eenheidsidee in de provinciën zelve had gemaakt, juist ten gevolge
van het strenge absolutisme van Karel den Stoute, dat hen niet als
afzonderlijke landen, maar als massa aan zijn wil had zoeken te
onderwerpen. Het feit van 1477 bleef in de geschiedenis staan als een
voorspook en waarschuwing. Zoodra het absolutisme antinationaal van
strekking wordt, herleeft de unie-idee der afzonderlijke provinciën: zoo
in 1558 bij gelegenheid der novennale bede, zoo in 1576 na Requesens'
dood.

       *       *       *       *       *

Is, in het Bourgondische tijdvak, Nederland als staat nog slechts in de
eerste wording, Nederland als beschavingseenheid manifesteert zich reeds
in onmiskenbare uitingen. Het karakter van tusschenland tusschen de
Romaansche en de Germaansche wereld handhaaft zich hierbij en teekent
zich gedurig weder in nieuwe lijnen af. Doch het is een tusschenland
geworden in hoogere beteekenis dan vroeger, geen doorvoerstation als bij
het overbrengen van den Rijnschen bouwstijl naar Doornik of van den
Franschen ridderroman naar Duitschland, maar een land van zelfstandige
voortbrenging. Op dezen gunstig gelegen bodem, reeds eeuwen lang in
onmiddellijk verkeer met onderscheiden landen en beschavingen der
Christenheid, is een volk ontstaan van buitengewone begaafdheid, dat
elementen van Germaansche en van Romaansche kultuur weet te versmelten
tot een eenheid die tegelijk voor gansch Europa verstaanbaar en
onmiskenbaar Nederlandsch is. De Nederlandsche nationaliteit (in den
ruimen zin genomen die Zuid en Noord omvat) ontsnapt aan alle annexatie,
van Frankrijk of Duitschland uit ondernomen, aan de staatkundige
niet alleen, maar ook en zelfs vooral aan de geestelijke. Vandaar
dat de Duitsche geschiedschrijving, zoo dikwijls zij Noord-Nederland
als Duitsch, de Fransche, zoo dikwijls zij België als Fransch
beschavingsgebied opvat, van onze geschiedenis niet meer dan een
karikatuur weten te leveren. Nederland is zichzelf, en tegelijkertijd
bij uitnemendheid het land der open deur: geen bespottelijker en
misdadiger, dan een Nederlandsch jingoïsme zou zijn. Wij nemen gaarne
op, maar verwerken zelfstandig, en Europa is er te rijker om. Onze
beschaving is ons eigenste bezit, onze staat slechts de noodschuur, die
is opgericht om haar te kunnen behouden.

       *       *       *       *       *

Opmerkelijk is, bij het beschouwen van de oorsprongen der Nederlandsche
samenleving van den nieuweren tijd, de afwisselende rol, die aan de
enkele gewesten in haar geschiedenis is toegevallen. Overweegt in de
gansche oude en middeleeuwsche geschiedenis het belang van het Zuiden,
dit belang is in de onderscheiden tijdperken niet gelijkelijk over de
verschillende streken verdeeld geweest. In de Romeinsche periode is
kennelijk de provincie _Germania inferior_, die onmiddellijk den invloed
van het groote centrum Keulen ondergaat, de draagster der beschaving, en
dit Oosten handhaaft zijn overwicht in de dagen van Karel den Groote en
nog daarna, in den tijd van den grooten wetenschappelijken bloei van
Luik. Vervolgens evenwel neemt merkbaar Vlaanderen de overhand, zoowel
door de ontwikkeling van het handelsverkeer en van de nijverheid, als
door zijn nauwere betrekking tot de nieuwe leidende beschavingsmacht,
Frankrijk.

Op het hooge standpunt nu waarop wij Vlaanderen in de 13{de} en nog in
de 14{de} eeuw aantreffen, heeft het zich als Bourgondische provincie
niet kunnen handhaven. Zoodra de gewichtigste Nederlanden in één hand
kwamen, maakte Vlaanderen's ligging het voor zetel van het algemeen
bestuur minder geschikt. Afgezien nog van het zeer bizonder karakter
van de ontwikkeling der Vlaamsche steden, was Brussel reeds om
aardrijkskundige redenen de aangewezen residentie. Doch er waren nog
veel krachtiger werkende oorzaken dan de verplaatsing van het hof,
die Vlaanderens beteekenis deden afnemen. Zijn handel en nijverheid
handhaafden zich niet op de oude hoogte.

Sedert Eduard III van de Vlaamsche troebelen van het midden der 14{de}
eeuw gebruik had gemaakt, om een aanzienlijk aantal Vlaamsche wevers
naar Engeland te lokken, was in het wolland zelf de lakennijverheid tot
grooter volmaking gebracht, ja tegen het einde der eeuw reeds werd de
Engelsche mededinging zoo scherp, dat men in Vlaanderen om bescherming
riep. Het Zwin werd ontzegd aan schepen met Engelsche lakens aan boord,
maar de maatregel had een niet bedoeld gevolg: de Hanze verliet Brugge
voor Dordrecht, en om haar kantoor terug te bekomen moest men het verbod
intrekken. De Engelsche wol werd zoo zeldzaam in Vlaanderen dat men er
toe over moest gaan, de minder in tel zijnde Spaansche te gebruiken.
Weldra kwam de Engelsche wol hooger in prijs, dan de gefabriceerde
Engelsche lakens. Een der hoofdsteden van de Vlaamsche draperie, die
namelijk welke buiten dit eene geen noemenswaardige middelen van bestaan
had, Yperen, verviel in den loop der 15{de} eeuw geheel en al. Het
werd een stad van bouwvallen en bedelaars. De lakennijverheid trok zich
op het platteland terug, waar de loonen lager en het ambacht vrijer
waren, en waar men zich toelegde op het vervaardigen van een goedkoop
artikel voor den minderen man. Daarnevens ontstond, mede hoofdzakelijk
op het platteland, een belangrijke linnennijverheid. In de 16{de} eeuw
is het Vlaamsche linnen een voornaam uitvoerartikel voor de Europeesche
markt geworden. Eveneens begon de tapijtweverij tot grooten bloei te
komen. Maar dit alles vergoedde het verlies van de oude hoofdindustrie
toch niet geheel; ook deelde Vlaanderen de linnenfabricage met Holland,
de tapijtweverij met Brabant.

Ook in den handel nam men opkomst waar naast verval, maar het verval was
dat van de Vlaamsche, de opkomst die van een buiten-Vlaamsche haven.
Brugge spreidde in den Bourgondischen tijd een ongekende weelde ten
toon, maar zijn beteekenis in het handelsverkeer nam af. Niet op eenmaal
echter; zelfs waren er betrekkingen, als die met Spanje en Portugal,
die in den loop der 15{de} eeuw drukker onderhouden werden dan ooit te
voren. Doch Brugge had zijn opkomst te danken aan den daar gepleegden
ruilhandel tusschen Noord- en Zuid-Europa, en de Hanze, die er
Noord-Europa vertegenwoordigde, werd in de 15{de} eeuw door de
Hollanders en de Engelschen overvleugeld. En evenals de Hanze zelf,
was Brugge in den handel aartsconservatief; de jongere natiën, door de
verouderde handelsgebruiken afgeschrikt, verlieten de stad voor het
concurreerende Antwerpen. Sedert 1407 hebben de _Merchant Adventurers_
daar een huis, in 1442 vestigen zij er zich in massa. Nog eenigen tijd
houdt Brugge beteekenis door de daar gevestigde agenturen der groote
Italiaansche geldkantoren, maar eindelijk komt de genadeslag: de
hopelooze verzanding van het Zwin. In 1494 staan er vier, vijfduizend
huizen leeg; in het begin der 16{de} eeuw reeds is het verval der stad
bijna zoo groot als dat van Yperen.

Doch wat Nederland in Brugge verloor, vond het in Antwerpen met
winst terug. Deze haven was spoedig na de opneming van Brabant in het
middeleeuwsche wereldverkeer[8] van eenige beteekenis geworden: zij was
vooreerst de locale uitvoerhaven van een eigen Brabantsch achterland,
maar trok ook alras een gedeelte van den handelsstroom tot zich, die
zich overland van Keulen naar Brugge richtte. De tyrannie, die Dordrecht
met zijn stapel- en Maasrecht op de Hollandsche rivieren oefende,
belette het wereldverkeer op den natuurlijken uitweg van Duitschland
naar zee zich recht te ontwikkelen: de functiën van het oude Dorestat
waren door het middeleeuwsche Holland slechts voor een klein deel
overgenomen. Zoo lag dus Antwerpen buitengemeen gunstig voor het
Duitsche verkeer. De Duitsche kolonie was er van den aanvang af zeer
aanzienlijk. Na een tijdelijk verval onder de heerschappij van Lodewijk
van Male, die Antwerpen opofferde aan Brugge, bloeide de stad onder de
Bourgondiërs weder zeer snel op. Tegelijkertijd had in de gesteldheid
der Zeeuwsche vaarwaters een verandering plaats, welke de Westerschelde
tot dien uitnemenden weg naar zee maakte, die zij tot heden is
gebleven[9]. En Antwerpen wist, door moderne inrichtingen, den handel
te lokken, terwijl Brugge, waar het gansche bedrijf van privilegiën
aan elkander hing, dien afstootte. Dáár moest alle koop en verkoop
geschieden door tusschenkomst van Brugsche makelaars; Antwerpen
daarentegen huldigt de vrijheid. Het makelaarsbedrijf is geheel vrij,
het burgerrecht wordt met groot gemak verkregen, de vreemdelingen zijn
niet onderworpen aan allerlei dwingende en ondoeltreffende bepalingen,
de waren behoeven niet in een bepaalde hal te worden opgeslagen. Te
Antwerpen wordt, in 1460, de eerste koopmansbeurs geopend. Eindelijk
komen alle vreemdelingen van Brugge naar haar over. De stad groeit aan
van 3440 haardsteden in 1435, tot 6801 in 1494 en 8785 in 1526. Haar
bloei verzekert aan Oost-Vlaanderen, dat door de Schelde gemeenschap
met haar heeft, nog altijd zeker aandeel aan het wereldverkeer: het
Vlaamsche linnen en het koren van Vlaanderen, Artois en Henegouwen
nemen hun weg naar Gent en vandaar op Antwerpen. West-Vlaanderen
daarentegen wordt een achterhoek.

[8]   Zie bl. 17.

[9]   Vroeger was de directe weg onbruikbaar, en moesten de schepen
      Walcheren om.

Met Brussel en Antwerpen, de vorstelijke residentie en de
handelsmetropool, is Brabant het hart van den wordenden staat. Door
Antwerpen bepaaldelijk staat het Zuiden ook met het Noorden in verkeer,
met de nieuwe wereld die voorbestemd was in het leven der gezamenlijke
Nederlanden zulk een belangrijke en geheel eigenaardige rol te
vervullen.

Het Noorden vormde in dezen tijd nog minder een eenheid dan het Zuiden.
Eigenlijk waren er drie verschillende werelden in op te merken: een
Hollandsche, een Geldersche, en een Friesch-Groningsche, in het verre
Noordoosten. Verreweg de belangrijkste was de Hollandsche wereld, maar
dit was niet altijd zoo geweest.

De Karolingische beschaving had hier haar zetel gehad meer landwaarts
in, niet in de onherbergzame moerassen aan de zeekust. Te Utrecht,
ongeveer in het midden der noordelijke Nederlanden, en in de
onmiddellijke nabijheid van de grootste handelsplaats, werd de
bisschopszetel gevestigd, en na de Noreninvallen op zijn ruïnen
hersteld. Omstreeks het jaar 1000 was Utrecht, op bescheidener schaal,
een brandpunt van beschaving als Luik. En haar diocees was de eenige die
zuiver Dietsch was; bij gunstige omstandigheden had de stad een groot
middelpunt voor het gansche Noorden kunnen blijven. Doch zij had zeer
te lijden gehad van de nederlaag der Duitsch-koninklijke politiek, wier
agent de bisschop van Utrecht in dit afgelegenst deel van het afgelegen
Neder-Lotharingen was geweest. Het bisdom Utrecht als groote wereldlijke
macht kon zich evenmin staande houden als die andere kunstmatige
schepping: het hertogdom Neder-Lotharingen zelf. De feodaliteit won
den strijd aan alle kanten. De bisschop verloor het gezag over den
benedenloop der groote rivieren; hij werd een binnenlandsch potentaat,
wiens landen niet eenmaal aan één stuk lagen. Van de territoriale
machten in opkomst die Utrecht omringden, wist gaandeweg Holland, dat
daartoe het gunstigst lag, zich den overwegenden invloed in het bisdom
te verwerven. Althans in zijn voornaamste stuk, het Nedersticht. Het
land over den IJsel werd een nagenoeg aan zichzelf overgelaten uithoek,
waar kleine economische machten zich aanmerkelijke staatkundige
zelfstandigheid wisten te verwerven, als de drie IJselsteden en vooral
de stad Groningen. Het platteland bleef in die streken in ontwikkeling
zeer ten achter. In Friesland eindelijk had de bisschoppelijke
autoriteit weinig meer dan in naam bestaan. Dit gewest, waar zich noch
een landsheerlijke macht, noch een politiek machtige stad ontwikkelde,
vormde in het middeleeuwsche Noord-Nederland een wereld op zichzelf,
ingeschrompeld overblijfsel van het vermaarde Friesland uit den
Karolingischen tijd, dat in zijn werkelijke beteekenis veeleer in
Holland, dan in het gewest Friesland der latere middeleeuwen voortleeft.

De Friesche volksstam, oudtijds niet verder dan tot den Rijnmond wonend,
had zich, naarmate de Salische Franken zuidwaarts drongen, over de
landen langs de zeekust sterk uitgebreid, tot aan het Zwin en zelfs nog
daarover. De naam „Fresia” duidde in den vroeg-middeleeuwschen tijd een
gebied aan van het Zwin tot de Wezer. Willebrord arbeidt zoowel op
Walcheren als te Vlaardingen of Heiloo „onder de Friezen”: Utrecht
ligt „op de grens der Friezen”. Zij zijn het zeevarende volk van den
Karolingischen tijd. In en bezuiden Kennemerland hebben zij voorzeker
de kuststreek niet geheel verlaten gevonden, maar er zich met een
achtergebleven Frankische bevolking vermengd: de taal van Holland is
Frisofrankisch. Geheel Holland als geschiedkundig verschijnsel is alleen
uit deze menging te verklaren. Holland is een door zuidelijken invloed
getemperd en beschaafd Friesland. In taal en ingevoerde instellingen
overweegt het Frankisch karakter, maar de Hollandsche mentaliteit
is grootendeels Friesch. Aan Hollanders en Friezen is gemeen de
trek naar de zee, die bij de Salische Vlamingen nagenoeg geheel
ontbreekt;—Hollanders en Friezen zijn gelijkelijk toegankelijk gebleken
voor het Calvinisme, dat onder de Frankische Nederlanders nergens goed
wortel heeft kunnen schieten.

Het Hollandsche gravenhuis komt uit Kennemerland, op de grens der
zuivere en der gemengde Friezen. Van groote historische beteekenis nu
is het feit, dat het aan dit huis, dat eenerzijds met zijn aanspraken
weldra tot in hedendaagsch Friesland zou reiken, gelukt is zich tevens
aan de Merwede en in Zeeland vast te zetten. Holland werd meester van de
groote rivieren, en tevens van de brug naar Vlaanderen; over Zeeland
bewester Schelde oefende het zelfs geruimen tijd met Vlaanderen
condominium uit, zoodat de aanraking met dit meest beschaafde van
alle Nederlanden een zeer levendige was. Het kan niet verwonderen dat
een zoo gelegen en onder zulke invloeden zich ontwikkelende macht de
beteekenis van Utrecht weldra geheel overtrof. Holland en Utrecht
behooren, in de kern hunner historische verschijning, tot twee
verschillende tijdperken: Utrecht tot dat van het overwicht van het
Lotharingische, Holland tot dat van het overwicht van het Vlaamsche deel
der Nederlanden. Utrechts beteekenis hangt samen met den Duitschen
invloed in de vroege middeleeuwen; Holland daarentegen is het gewest
dat, door bemiddeling van Vlaanderen, in de latere middeleeuwen Fransche
beschavingselementen in het Noorden invoert en tot den voor het Noorden
passenden vorm verwerkt. Deze functie van Holland komt voor het eerst
duidelijk aan het licht in de dertiende eeuw, om zich gedurig scherper
af te teekenen. Sedert de dertiende eeuw kan men zeggen dat er een
Hollandsche bizonderheid bestaat, die niet alleen noch Duitsch noch
Fransch, maar evenzeer noch Vlaamsch noch Friesch is. De Henegouwsche
graven eerbiedigen dat bizonder karakter ten volle; zij hebben
uitmuntende Hollanders weten te zijn. De Beiersche vorsten raken
in Holland zeer spoedig ontduitscht, en geheel onder zuidelijken,
Vlaamsch-Bourgondischen invloed. De taal van hun hof is Fransch, als die
van het Henegouwsche dat zij opvolgen. Het is de dwaasheid zelve, om in
den strijd van Jacoba tegen Philips den doodsstrijd van het „Duitsche”
Holland tegen de Waalsche overheersching te zien, zooals von Löher
gedaan heeft. Jacoba, dochter van een Bourgondische moeder en volslagen
gefranciseerden vader (die in Parijs zijn _hôtel de Hollande_ had zoo
goed als Jan zonder Vrees zijn _hôtel d'Artois_), weduwe van een
dauphijn, vrouw van een Bourgondiër, is juist gelijk aan Philips van
Bourgondië zelven, minus het talent, de sekse, en het politiek overwicht
die hem in staat stelden een beter vorst van Holland te wezen dan zij
ooit zou zijn geworden. Hoe weinig Waalsch de overheersching van
Philips van Bourgondië was, hebben wij reeds bij Vlaanderen gezien. Ten
opzichte der taal veranderde in 1428 eenvoudig niets hoegenaamd: Holland
had sinds 1299 Franschsprekende vorsten gehad, zonder dat, bij deze
zuiver Dietsche bevolking, de landstaal hierdoor ook maar eenigermate
bedreigd was geworden. En wat het „Duitsche” Holland betreft: Holland
was in 1428 sinds lang niet meer Duitsch. Zijn schrijf- en spreektaal
hadden zich gevormd en waren ten opzichte van het Duitsch wat zij nu
nog zijn: een verwante, doch andere taal. „Die seind all de partibus
inferioribus Rheni und de Brabancia und Flemming, der deutsch wir nicht
versten muegen,” heet het in een Bazelschen tekst van 1435. Van de
geheele voorstelling, dat wij hier een stuk Fransch-Duitsche worsteling
bijwonen, blijft al zeer weinig over.

Terwijl Holland zichzelf bleef, trad het toch in 1428 tot de Zuidelijke
Nederlanden in een nog nauwer betrekking dan te voren. Zijn historische
rol van beschaver van het Noorden begon nu eerst recht. De Bourgondische
invloed uit zich, in het nog niet onderworpen Noorden, als een
Hollandsche invloed. Aan gene zijde van de oostelijke grens van
Nederland bevindt zich geen zoodanig aantrekkingspunt als Holland: de
landen die, in een halven cirkel, van Geertruidenberg tot het Vlie,
Holland omringen, komen noodzakelijk met Holland in veel nauwer
aanraking dan met welk ander van de Nederlandsche hoofdgewesten ook.
Deze aantrekkingskracht van Holland, reeds vóór 1428 duidelijk waar
te nemen, werd natuurlijk slechts te grooter sedert Holland als de
vertegenwoordiger van een zoo reusachtige macht als de Bourgondische
verscheen.

Het minst door bevolking en ligging voorbeschikt om in Hollands kielzog
te moeten varen was het hertogdom Gelderland. Het naderde veel meer tot
het normale type van den Nederduitschen territorialen staat dan Holland
ooit gedaan had. Tot in de veertiende eeuw, ja eigenlijk tot het
uitsterven van het Guliksche huis, is Gelderland meer naar Brabant,
Limburg, Gulik, Kleef, Berg georienteerd, dan naar Holland. In 1423
komt hierin verandering. Een werktuig der Bourgondische politiek wordt
hertog, „en schijnt zijn regeering als een Hollandsch stadhouderschap
op te vatten”[10]. Zijn zoon ontworstelt zich aan dezen invloed, die
evenwel onvermijdelijk op den duur overwinnen moet, daar er geen
tegenwicht van genoegzame zwaarte tegen de Bourgondische macht bestaat.
Eerst de gevolgen van den vroegen dood van Karel den Stoute, daarna de
steun van Frankrijk en de omstandigheid dat Karel V door ander werk een
tijdlang overstelpt is, rekken het zelfstandig bestaan van Gelderland
tot 1543, maar bij de eerste gelegenheid de beste dat Karel zijn
volle kracht aan dit onderdeel van zijn historische taak besteden
kan, is het met deze ten doode opgeschreven zelfstandigheid gedaan.
Toch blijft Gelderland nog zeer merkbaar het meest Duitsche van de
Noordnederlandsche gewesten. Het Hollandsch is er in de zestiende eeuw
nog niet als schrijftaal in gebruik. De toetreding van het gewest tot de
Unie van Utrecht werd niet dan met moeite verkregen.

[10]  P. L. Muller in Gids 1885, Octobernummer („Middeleeuwsch
      Nederland”; het beste wat over deze aangelegenheden geschreven
      is).

Gemakkelijker dan Gelderland, vielen de noordoostelijke gewesten aan
de Bourgondiërs ten deel. Hier vonden zij geen groote territoriale
eenheden, als Gelderland er een was. De steden aan den IJsel hadden
aan den bloei der Hanze deel gehad, en moesten, nu deze verviel, het
economisch overwicht van Holland gevoelen, dat zich tot een machtig
centrum van handel en scheepvaart opwerkte tegen de Hanze in. De
merkwaardige oorlog van 1437 bezegelde den val der Hanze en maakte
Holland tot de overwegende maritieme macht in de Noordzee. In Friesland
was, bij ontstentenis van het orgaan dat elders de maatschappelijke
ontwikkeling leidde, een hopelooze verwarring en verwildering
ingetreden, die de Bourgondische macht aanleiding gaf er de oude
Hollandsche aanspraken met kracht te doen gelden. Het op zich zelf
staande Groningen was reeds door het Bourtanger moeras voorbeschikt het
lot van Nederland, niet dat van Noordduitschland te deelen.

Als verreweg het belangrijkste Noordnederlandsche gewest leerden wij dus
Holland kennen. Het vertoonde reeds veel van de karaktertrekken, die de
tachtigjarige oorlog heeft verscherpt en die het toen in meerdere of
mindere mate aan de gansche Unie heeft weten in te drukken. Wanneer wij
in dit verband van Holland spreken, bedoelen wij steeds Holland, Zeeland
en West-Friesland te zamen, die reeds vroeg zoo nauw vereenigd zijn
geweest en het ook in den opstand te midden der grootste gevaren altijd
zijn gebleven. Zij vormen eenigermate de mikrokosmos van Noordnederland,
en nemen een zelfstandig aandeel in het cultuurleven van de gezamenlijke
Bourgondische landen. Economisch vervullen zij een eigen rol, die van
zeevaarders, en zijn dus een gewichtige aanvulling op het Zuiden dat
geen zeevaart heeft. Ook in de geestelijke kultuur hebben zij een
onmiskenbare eigen individualiteit, die, in de vijftiende evenzeer
als in de zeventiende of in de negentiende eeuw, minder sterk tot
uitdrukking komt in de letterkunde dan in de beeldende kunsten.

Wij schrijven daar een stelling neer, die, voor zoover het de vijftiende
eeuw geldt, velen misschien paradoxaal zal lijken.

Toch is het alleen aan de betreurenswaardige zeldzaamheid van
Hollandsche primitieven in de Hollandsche musea, en aan de daarmede
samenhangende verwaarloozing onzer vroegste kunstgeschiedenis toe te
schrijven, dat deze stelling ook voor de vijftiende eeuw niet sinds lang
is erkend.

De Hollandsche schilderschool der vijftiende eeuw is minder aanzienlijk
en van jonger oorsprong dan de Vlaamsche, zij is zelfs in haar oorsprong
afhankelijk van de Vlaamsche. Het verschil tusschen de beide scholen
is, zoo kort na beider ontstaan, natuurlijk voor den oppervlakkigen
beschouwer gering. Doch dezelfde oppervlakkige beschouwer zal misschien
zeer weinig verschil zien tusschen een oud-Keulsch, een oud-Fransch en
een oud-Vlaamsch schilderij. Waar het op aankomt is niet, of het den
ongeoefende even gemakkelijk valt te onderscheiden tusschen Geertgen
tot St. Jans en Memling als tusschen Rembrandt en Rubens, maar of de
verschillen, die het geoefend oog tusschen Geertgen en Memling opmerkt,
al of niet mede zijn te verklaren als uitvloeisel van eenzelfde verschil
in nationaliteit, als tusschen Rembrandt en Rubens bestaan heeft. Het
verschil mag dan veel geringer zijn in graad, maar kan daarom met het
latere toch overeenkomst hebben in wezen. Ware dit het geval, dan is
daarmede voor de bepaling der onderlinge verhouding van Noord- tot
Zuidnederlandsche nationaliteit een gewichtig vast punt gewonnen.
De vrijheidsoorlog, die naar veler oordeel de Noordnederlandsche
nationaliteit eerst heeft geschapen, zou dan eenvoudig een reeds vroeger
bestaand verschil hebben verscherpt.

Ik geloof nu zeer zeker dat dit laatste het geval is geweest, en wil
daarom het nog weinig behandeld punt van het onderscheid tusschen
Vlaamsche en Hollandsche primitieven hier kortelings bespreken[11].

[11]  Ik dank de bevestiging mijner eigen schroomvallig gevormde
      zienswijze in dezen aan de met uitnemende bereidwilligheid
      verstrekte voorlichting van mijn vriend Dr. Wilhelm Valentiner,
      die voornemens is het punt eerlang opzettelijk te behandelen.

Wij zeiden boven dat (Groot-)Nederland, als beschavingseenheid, zich in
het Bourgondische tijdvak in onmiskenbare uitingen manifesteert. Geen
van die uitingen is beroemder, dan de kunst van Huibert en Jan van Eyck.

Zelden is, boven het door een vorig geslacht bereikte, een beeldende
kunst in één werk zoo hoog uitgeheven als in het Gentsche altaar. Hoe
natuurlijk, dat men is gaan spreken van „het raadsel der van Eyck's”.
Raadsel is het aandeel van elk der gebroeders aan het werk dat hun roem
verbreidt, raadsel is de plotselinge verschijning hunner kunst zelve.
Doch ook in deze raadselen, al zijn zij ver van opgelost, is wel eenig
licht gaan schijnen. Hoe ver inderdaad zijn wij reeds gevorderd sedert
den tijd, dat men als voorlooper der van Eyck's nog slechts den enkelen
Broederlam wist te noemen. Broederlam is een kunstenaar uit Yperen,
van wien eenig omstreeks 1390 voor Philips den Stoute uitgevoerd
schilderwerk bewaard is te Dijon. Maar juist dit werk staat zeer ver van
de kunst der van Eyck's af, en schijnt het raadsel grooter te maken in
plaats van het op te lossen. Er zijn echter, indien men van schilderijen
afziet, een vrij groot aantal werken die nader aan de van Eyck's staan,
dan de luiken van Broederlam. De Vlaamsche kunst, die wij in het
Gentsche altaar als op eenmaal ten troon zien stijgen, heeft inderdaad
een lange ontwikkeling gehad.

De gansche 14{de} eeuw door hebben Zuidnederlanders een groot aandeel
gehad in de kunstproductie van Noord-Europa, maar zij hebben meest
gewerkt voor Fransche bestelling. De Fransche kunst zelf scheen in die
eeuw op een dood punt geraakt. In de 13{de} eeuw daarentegen had zij
heerlijk uitgeblonken. Gelijk in zooveel anders, was Frankrijk ook in de
kunst in de 13{de} eeuw de eerste kultuurmacht van Europa. De zegetocht
zijner gothiek is bekend, zijn verluchtingskunst stond op hoogeren
trap dan die van elders, zijn sculptuur nog meer, met name die van
Noord-Frankrijk, een land waar de bevolking veel Frankisch bloed, en met
de Belgische veel aanraking heeft. De sculpturen van den dom te Reims
zijn voor een deel van een zoo treffend realisme, dat men ze zou wanen
gisteren gehouwen te zijn. Maar de beelden, die ons het meest op de
komst van Sluter en de van Eyck's voorbereiden, zijn die van de Fransche
koningen te St. Denis, uit het eerste begin der 14{de} eeuw. Wellicht
de allerfraaiste van de tomben, welke die beroemde abdij uit deze
periode bewaart, is werk van een Zuidnederlander, Jehan Pepin van Hoei,
„imaigier” van de gravin van Artois; het stelt haar zoon, Robert het
Kind, voor (±1330). Na dien tijd wemelt het van Zuidnederlandsche
kunstenaars in Frankrijk. André Beauneveu van Valenciennes, Jean
Hennequin van Luik, Jan Bandol van Brugge, zijn in dienst van koning
Karel V; dezelfde Beauneveu, Jacquemart van Hesdin, Paul van Limburg in
dienst van hertog Jan van Berry; de Brabander Henri Bellechose, en
Melchior Broederlam van Yperen, in dienst van Philips den Stoute van
Bourgondië. Onder deze kunstenaars zijn er, die meer als de wegbereiders
der gebroeders van Eyck zijn te beschouwen dan Melchior Broederlam: wij
bedoelen Beauneveu en Paul van Limburg. Beauneveu genoot reeds in zijn
eigen land een zeer grooten roem, eer hij zich in Frankrijk vestigde.
Hij was toen al beeldhouwer in dienst van Lodewijk van Male geweest.
Zijn tomben van Philips VI, Jan den Goede en Karel V te St. Denis laten
in de richting naar het realisme van Sluter en de van Eyck's al het
voorafgegane ver achter zich. Nog duidelijker voorboden van de Vlaamsche
kunst der 15{de} eeuw zijn de miniaturen van Paul van Limburg in de
„Très riches heures” van den hertog van Berry (te Chantilly), waar
op enkele bladen, als dat waarop het bezaaien van den akker is
voorgesteld, het weergeven der ruimte, dat aan de middeleeuwsche kunst
onbekend is, doch daarentegen naar algemeene toestemming een der
zegepralen is van de kunst der 15{de} eeuw, zoo goed gelukt schijnt als
nog nimmer te voren. Toch ligt er tusschen den zaaier van Paul van
Limburg en het Gentsche altaar nog een groote afstand, op het midden
waarvan wij eerst het werk van Sluter, en vervolgens de Turijnsche
getijden aantreffen.

Sluter en zijn neef Claes van de Werve sluiten de rij der vreemde
kunstenaars, die door Philips den Stoute naar zijn Bourgondische
hoofdplaats Dijon zijn geroepen, waar hij, in het Karthuizerklooster van
Champmol, een gedenkteeken wilde oprichten voor zich en zijn huis. In
1383 had de eerste-steenlegging van het gebouw plaats; het volgende jaar
werd met de beeldhouwwerken begonnen, onder leiding van 's hertogs
„imaigier”, Jean de Marville, ook een Zuidnederlander. Onder hem
arbeidde Claes[12] Sluter, die in een der teksten voorkomt met den
bijnaam „de Orlandes”. Onder Jean de Marville, die in 1389 stierf,
schijnt men zich hoofdzakelijk te hebben bepaald tot den aankoop van
materiaal; de roem der vinding en uitvoering van de kunstwerken die
vervolgens ontstonden wordt in de bescheiden uitsluitend aan Sluter
gegeven, die in 1389 de leiding van het geheel verkreeg. In 1393 was het
portaal der kerk gereed. Daarvan bestaan nog de beelden van den hertog
en zijn gemalin, een Heilige Maagd, een Sint Jan en een Sinte Catharina.
Maar boven alles stelden de tijdgenooten den grooten Calvariënberg,
waaraan Sluter van 1392 tot 1405 gearbeid heeft, en waarvan alleen het
voetstuk, op een in een put gefundeerde zuil rustend, is overgebleven.
De groep die door het voetstuk werd gedragen: een Christus aan het kruis
tusschen de Maagd, Sint Jan en Magdalena, is in den tijd van vrijheid,
gelijkheid en broederschap vernield. De spraakmakende gemeente noemde
het geheel den Mozesput, naar een der figuren van het voetstuk, dat,
vijf meters hoog, zich boven den rand der put verheft, en waarin zes
vlakke nissen zijn uitgehouwen, waartegen de levensgroote beelden van
Mozes, David, Jesaja, Jeremia, Zacharia en Daniël zijn aangebracht.
Gevleugelde engelenbeelden in voorover gebogen houding, wier voeten op
de kapiteelen der kolommen rusten welke de zes nissen vaneenscheiden,
dragen een vooruitspringenden bovenrand, die eenmaal glooiend opliep tot
een heuvel, waaruit het kruis rees. Het geheel moet, te oordeelen naar
het gedeelte dat bewaard is, even gelukkig van vorm geweest zijn als
vernuftig van vinding. De zes profetenbeelden zijn niet minder dan een
mijlpaal in de geschiedenis der Noord-Europeesche kunst. Zij zijn als de
hoogste ontwikkeling der middeleeuwsche sculptuur te beschouwen, en
reiken tegelijk reeds in den nieuwen tijd. De taal der vormen, zooals
die in de houding der figuren, in de behandeling van het gewaad, in het
bijwerk spreekt, is nog gothisch, maar in de overweldigende realiteit
der koppen, (der handen ook!) komt de kracht eener voor driekwart
zelfstandig geworden kunstenaarsindividualiteit tot uiting. Zeker even
hoog staan de beelden van het kerkportaal, waaronder de stichtersfiguur
en de grijsaard, die Sint Jan voorstelt, uitmunten. Al deze beelden
moeten niet slechts ontworpen, maar ook uitgevoerd zijn door Sluters
eigen hand; van de tombe echter van Philips den Stoute, lang te voren
begonnen maar eerst in 1412 voltooid, schijnt de detailuitvoering aan
Claes van de Werve te zijn overgelaten. Ook bij dit beeld treft het
traditioneele in de behandeling van het gewaad, het individueele in die
van hoofd en handen.

[12]  Of men van Claes of van Klaus Sluter moet spreken, hangt af van
      het antwoord op de m. i. nog open vraag, of men in hem een
      Noordnederlander of een Rijnduitscher te zien heeft, waarover
      nader.

Is Sluter een Hollander geweest? De bijvoeging „de Orlandes”,
voorkomende in de acte waarbij het kapittel van de St. Stevensabdij te
Dijon hem in 1404 zekere voorrechten verleent, wordt gemeenlijk niet
anders verklaard. Een van de verdere gronden die Busken Huet tot staving
van Sluters Hollanderschap meent te kunnen aanvoeren[13], heeft dunkt
mij al zeer weinig vastheid. In een Hollandsche grafelijkheidsrekening
van 1396, waarin Heer Garbrand van der Coulster, proost van Bergen in
Henegouwen, en Jorghel mijns heeren kamerling, verantwoording doen „van
tgeen sij ontfaen hebben van mijnen lieven Heere van Hollant, toter
reyze behoef van Oistvrieslant,” wordt een som vermeld als „ghegeven
Dirc die Sluter, om al rande provanci mede te copen van bussen, van
crude, van steen, van schutte...., des men behoeven soude in die grote
scepe, die in de Lauwers varen souden.” Huet nu trekt hieruit het gevolg
„dat er in Holland of Zeeland in de tweede helft der 14{de} eeuw eene
slotemakers-familie geleefd heeft, tevens geschutgieters, en dat Sluter
de beeldhouwer een lid van dat geslacht geweest is, oudere of jongere
broeder van een Dirc. Een Dirc die sloten maakte, kon ook kanonnen
vervaardigen.... Klaus zou dan als jongeling in de vaderlijke werkplaats
al de leermiddelen aangetroffen hebben, noodig voor de vorming van
iemand met beeldhouwersgenie.” Deze gissing noemt hij „gerechtvaardigd
in zoover wij ons nauwelijks kunnen denken, dat zelfs een geboren
kunstenaar in de tweede helft van zijn leven iets volmaakts zou leveren,
zoo hij niet in de eerste, gedurende zeker aantal leerjaren, zich
gevormd had in eene goede school.” De rekeningspost, het eenige waarvan
men kan uitgaan, kan echter het gestel van Huet's redeneering niet
dragen. Waar staat dat de som aan Dirc wordt ter hand gesteld om van hem
gekochte bussen enz. daarmede te betalen? Er staat duidelijk dat de som
hem gegeven is om er bussen voor te koopen. Dirc is niet de fabrikant,
maar de opkooper van het verlangde oorlogstuig.

[13]  Land van Rembrand, I, 496.

Een tweede bewijs dat Sluter „in de provincie Holland of de provincie
Zeeland, of op de grens tusschen de eene en de andere” tehuis hoort,
ziet Huet in den naam van zijn neef, dien hij verklaart Claes van Voorne
te hebben geheeten. Voor zoover ik weet is niemand dan Huet op het
denkbeeld gekomen, de lezing van den tekst der rekeningen, waaruit
wij den naam alleen kennen, zóó te verklaren. De gedrukte tekst van
deze rekeningen, zooals die voorkomt bij de Saint-Mémin[14], geeft
afwisselend deze lezingen: Claes Vandeverbe, de Werne, de Wrne, de
Vuenre. „Hiermede wordt Voorne bedoeld”, verklaart Huet kort en
krachtig. Hoe kan de klank „van Voorne” ooit door een Franschman
wedergegeven worden met „Vandeverbe”? Ieder die het schrift van
den tijd, en tevens de willekeur kent waarmede de transcriptie van
middeleeuwsche teksten omstreeks 1847 gemeenlijk nog plaats had, zal
niet twijfelen of de gedrukte _b_, _n_, _n_ van de drie eerste boven
aangehaalde vormen staan voor geschreven _u_'s (het teeken voor _v_),
terwijl _Vu_ in „Vuenre” voor geschreven _uu_ (teeken voor _w_), en
_nr_ in hetzelfde woord voor geschreven _ru_ staan. Zoo er uit de boven
uitgeschreven lezingen een Nederlandsche geslachts- of persoonsnaam
moet worden opgemaakt, kan deze niet anders luiden dan van de Werve,
onmogelijk van Voorne. Huet's tweede bewijs is even waardeloos als het
eerste.

[14]  Mémores de la Commission des Antiquités du département de la Côte
      d'Or, II, 7 vv. (1847).

Er blijft dus over, dat Sluter in een te zijnen voordeele opgemaakt
bewijsstuk, niet in een meer of minder terloops geschreven rekeningspost
dus, uitdrukkelijk „Sluter de Orlandes” wordt genoemd. Zoo onder dit
woord niet Holland moet worden verstaan, wat dan? Vrij algemeen werd de
plaats dan ook reeds als een bewijs voor Sluters Noordnederlandsche
herkomst aanvaard, toen in 1890 een nieuw gewichtig document deze
meening kwam versterken: het teruggevonden grafschrift van den neef. „Cy
gist Claus de Werve de Hatheim, au comté de Hollande, tailleur d'imaiges
et varlet de chambre de monseigneur le duc de Bourgogne, qui trespassat
le jeudi VIII{e} jour d'octobre MCCCCXXXIX”[15]. Gansch Holland is geen
Hattem rijk, maar wel Hollands buurland, Gelder. Een merkwaardig
voorbeeld dus, hoe reeds in de 15{de} eeuw Holland in het spraakgebruik
buitenaf voor Noord-Nederland werd genomen. Doch de vondst van 1890 is
nog geen voldingend bewijs. Ook een niet-Nederlander kan een
Nederlandschen neef hebben.

[15]  Gazette des Beaux Arts, 1890, p. 359.—Pirenne (II, 428) noemt
      Sluter een Zeeuw; op welken grond weet ik niet, maar zoo hij aan
      Huet's Claes van Voorne gedacht heeft, is de grond onvoldoende.

In 1899 bracht Henri Stein een tekst aan den dag, waaruit blijkt dat te
Bourges in 1385, in den dienst van hertog Jan van Berry, een bouwmeester
„Claus de Sleseurre, dit de Mayence” werkzaam was en stierf[16]; iemand
die blijkbaar vereenzelvigd moet worden met een in andere teksten
meermalen genoemden „Claux de Mayence.” Stein wil in dezen bouwmeester
den vader van den beroemden beeldhouwer zien[17].

[16]  Bibliothèque de l'Ecole des Chartes, LX, 86.

[17]  Wiens naam in de rekeningen voorkomt als Slustre, Celustre,
      Celeustre, Celoistre, Celestre, Celeute, en de Selustre. Te Dijon
      heeft men dus de klanken Sluter en Sluiter, niet Schlözer gehoord.

Vragen wij diens werk zelf om antwoord, dan treft zeer sterk en zeer
onmiddellijk het Germaansch, niet zoo sterk of onmiddellijk een
Nederlandsch karakter. Wel is er groote verwantschap met sommige
verschijnselen in de Noordnederlandsche kunst van de tweede helft der
15{de} eeuw. Dezelfde neiging tot bijna-karikatuurachtige realiteit
komt in de prentkunst uit van den „meester van Zwolle,” en in de
beulsknechten van Geertgen tot St. Jans. Doch het komt er op aan, de
verwantschap te bepalen van Sluter tot vóór hem geschapen werk. Nergens
is een zoo groote hoeveelheid sculptuur aangewezen, die overeenkomst
heeft met de zijne, en tegelijk van ouderen datum dan de zijne is, als
in den dom te Mainz[18]. Hier staat tegenover, dat vier zeer fraaie en
zeer Sluteriaansche beeldjes, te Utrecht gevonden, geacht worden eenige
bewijskracht ten voordeele van Noord-Nederland te hebben. Men schijnt
veilig dit te mogen zeggen, dat de Noordnederlandsche sculptuur der
14{de} eeuw met die van den Rijn enger samenhangt dan met de Vlaamsche;
en dat niet onwaarschijnlijk de aanzienlijkste in Noord-Nederland
aangetroffen beeldhouwwerken uit dien tijd door meesters van den Rijn
vervaardigd zijn. Het is zeer wel mogelijk, maar allerminst ~bewezen~,
dat een Mainzer Schlüter of Schlözer langen tijd in Noord-Nederland
heeft gewerkt, er gehuwd is en familiebetrekkingen heeft aangegaan, en
er een zoon gewonnen heeft, die later, al of niet in gezelschap van zijn
vader, naar Frankrijk is gekomen. Wat geen bewijs meer behoeft, is dat
Sluter te Dijon de stichter is geworden eener Bourgondische kunstschool,
die op de Fransche sculptuur der 15{de} eeuw een even grooten invloed
heeft gehad als op de Fransche schilderkunst van die eeuw het werk der
groote Vlamingen.

[18]  Pit, La Sculpture hollandaise au Musée national d'Amsterdam
      (Amsterdam 1902).

Doch er is, vóór het Gentsche altaar, door ontwijfelbaar Nederlandsche
handen een ander werk geschapen, dat de geboorte eener nieuwe kunst
nog meer onmiddellijk aankondigt, dan Sluters nog half gothisch
beeldhouwwerk dit doet. Het is een stuk miniatuurkunst: de Getijden van
Turijn.

Jammerlijker ongeluk kon de jonge studie van de oorsprongen der
Nederlandsche kunst niet treffen, dan de bibliotheekbrand, die onlangs
dit heerlijk kunstwerk zoo onherstelbaar geschonden heeft. Men kan van
de bladen, die algemeen met de kunst der van Eyck's werden in verband
gebracht, ja waarvan gedurig meer en gedurig bewuster geoordeeld werd
dat zij aan Huibert van Eyck zelven moesten worden toegeschreven, thans
nog slechts zich de reproductiën laten voorleggen. Is de toeschrijving
aan Huibert juist, dan heeft niet slechts Jan van Eyck, maar ook zijn
oudere broeder een tijdlang met het Beiersche hof in betrekking gestaan,
en zich in den Haag opgehouden. Blijkens de aanwijzingen van wapens
en banieren is het geen ander dan onze graaf Willem VI, die op het
wellicht fraaiste blad van alle in krijgsrusting en met riddergevolg
is afgebeeld, gelijk hij, aan het Hollandsch duin geland, uit Engeland
terugkeert; een stoet die in houding der personen en rossen, in
voorstelling van de beweging eener naderende ruiterschaar, in kleuren
en in detailteekening, als de voorproef verschijnt van het luik met de
ridders te Berlijn. Doch al wezen onmiskenbare teekenen onzen Willem VI
niet aan, geen oogenblik zou men kunnen twijfelen waar het zeestrand te
zoeken is, dat de stoet zooeven verlaten heeft, waar het duinlandschap,
dat zich achter hem ontrolt. Het terugwijken van den achtergrond is hier
reeds veel beter uitgedrukt dan in de getijden van Chantilly zelve;
ook een ander blad uit de Turijnsche getijden, een zee voorstellende,
is onvolprezen in het teruggeven der ruimte, en in de kunst, om de
voorgestelde stof, het water in beweging, realistisch af te beelden.
De middeleeuwen konden een dergelijk natuurmotief nog niet anders dan
symbolisch behandelen: een golvende lijn zou de illusie hebben moeten
opwekken, dat men zich tegenover de zee bevond[19].

[19]  Nog zijn merkwaardig „het Landschap met den Kerktoren” en „het
      Straatje”, afgebeeld bij Johanna de Jongh, Het Hollandsche
      Landschap in Ontstaan en Wording (den Haag 1903).

Met het Gentsche altaar vervolgens is de Nederlandsche kunst als
zelfstandige beschavingsuiting als geconstitueerd te beschouwen. Een
groote technische overwinning werd tegelijkertijd door de van Eyck's
behaald: de kunst van het mengen der kleuren in olie, vóór hen bekend
maar slechts bij uitzondering en zonder gelukkig gevolg toegepast,
werd door hen zoozeer verbeterd dat zij dit procédé tot regel konden
verheffen. De kleuren kregen hierdoor een gloed, die aan de schilderijen
in temperverf geheel ontbreekt. Op de wereld hunner tijdgenooten heeft
de kunst der van Eyck's een diepen indruk gemaakt; zij werd ook hierdoor
van zoo nationale beteekenis, dat zij, hoezeer in Jan van Eyck nog
hoofsch van karakter blijvend, echter niet meer in den vreemde om brood
liep, maar zich localiseerde, en Gent en Brugge tot hoofdsteden ook der
artistieke productie verhief. Zoo ontstonden eerst in waarheid een
school en een stijl: het hoogst bereikte werd telkens uit de handen
der meesters zelven aan een jonger geslacht, dat zich ter oefening en
navolging om hen schaarde, overgeleverd. De kunstenaar, die in een
vroegere periode als aan de persoon van één bepaalden vorst gebonden
verscheen, wordt na Jan van Eyck een zelfstandige burgerlijke figuur.

Steken de van Eyck's boven allen uit, het is er verre van, dat zij den
eenigen roem zouden uitmaken der Vlaamsche schilderkunst in de 15{de}
eeuw. Onafhankelijk van hen heeft zich de Doorniker Roger de la Pasture
gevormd, die zich sedert 1436 te Brussel de positie van stadsschilder
verwierf, en er zijn naam verdietscht zag tot Rogier van der Weyden. Nog
anderen hooren in het Walenland thuis: Marmion van Valenciennes, en de
„meester van Flémalle” (Jacques Daret van Doornik?). Een Brabander van
geboorte is Petrus Cristus; een Gentenaar Huge van der Goes; van bij
Mainz weg komt Hans Memling. Bij groote overeenkomst, merkt men in de
kunst van deze onderscheiden meesters ook ettelijke verschillen op,
gevolg van verschil in talent, in tijd, in temperament, ook zeker
van verschil in gewest van herkomst. In geen enkel land en bij geen
enkele school ontbreken dergelijke verschillen; zij beletten niet de
overeenkomst te erkennen, die recht geeft hen tot ééne groep te brengen.
Hoe echter is het nu met de deelneming van Holland aan de
kunstvoortbrenging der 16{de} eeuw gelegen?

Vier groote meesters zijn uit Holland geboortig: Albert van Ouwater, uit
de plaats waarnaar hij is benoemd; Dirc Bouts, uit Haarlem, Gerard David
wederom uit Oudewater, Geertgen tot Sint Jans wederom uit Haarlem. Aan
den eerste wordt met volle zekerheid slechts één werk toegeschreven:
de opwekking van Lazarus te Berlijn. Het stuk blijkt bij den eersten
oogopslag van een meester te zijn, die middellijk of onmiddellijk
den invloed van Jan van Eyck heeft ondergaan, en wijkt, oppervlakkig
beschouwd, van het gemiddeld-Vlaamsche nog niet genoeg af, dan dat dit
werk alleen licht aanleiding zou hebben gegeven om van het bestaan eener
Hollandsche school in de 15{de} eeuw te spreken. Brengt men echter het
stuk met die der drie overige Hollanders in verband, dan bespeurt men
duidelijk den eersten aanzet tot iets zeer bizonders, dat tot het
innerlijkste wezen der Hollandsche kunst behoort, gelijk dit zich in
later eeuwen geuit heeft.

In de Vlaamsche kunst overweegt het plastische; de actie;—in de
Hollandsche het schilderachtige en passieve. De Vlaming zoekt de type
te benaderen, de Hollander geeft, zoo ruw of zoo fijn als het zijn mag,
het individueele. Bij den Vlaming der 15{de} eeuw, die nog onder den
invloed der sculptuur staat[20], staan de figuren nog in eenzelfde plat
vlak, als in een fries; Ouwater stelt ze in een halven cirkel op, naar
de diepte toe. De Vlaming zou licht den Christus in het midden der
voorstelling hebben geplaatst, om deze zooveel mogelijk monumentaal te
doen werken; bij Ouwater staat hij ter zijde. De figuren zien niet
eenmaal alle naar de plaats waar het lichaam van Lazarus zichtbaar
wordt, noch uiten zij hun aandoening in levendige gebaren; en toch is
de beschouwer geen oogenblik in twijfel, of zij allen zijn, ieder voor
zich, met niets anders dan met het wonder dat zij bijwonen, vervuld. Het
wezenlijk voorgestelde is niet de opwekking als actieve gebeurtenis,
maar de naar binnen werkende kracht van het wonder op de individuen die
het aanschouwen. De Christus is eigenlijk de eenige die naar Lazarus
toegewend is[21], en nauwelijks in de houding van een thaumaturg, maar
daarentegen met een uitdrukking van zoo rustige verzekerdheid in het
gelaat, als slechts uit het binnenste eener persoonlijkheid voortkomt.
De opstelling der figuren naar de diepte toe noodzaakt daarbij tot een
mate van eenheid van ruimte en licht, die in de gelijktijdige Vlaamsche
kunst nog te nauwernood is bereikt.

[20]  Het duidelijkst Rogier en de meester van Flémalle (enge
      verwantschap met de Doorniksche beeldhouwkunst).

[21]  Zelfs hij niet geheel. Hij blikt althans niet recht op Lazarus
      aan.

Heeft Ouwater te Haarlem gewerkt, Dirc Bouts is vroeg naar Leuven
getrokken. Er zijn geen werken van hem bekend, die nog te Haarlem
_moeten_ gemaakt zijn. Echter doet ook hij ten duidelijkste den
Hollander uitkomen in zijn phlegma, scherp onderscheiden als het is van
den Vlaamschen hartstocht; in zijn rustige compositie, waarbij de nadruk
gelegd wordt op de horizontale en vertikale lijnen, in tegenstelling tot
de diagonaal als hoofdrichtingslijn bij de Vlamingen, die van zooveel
levendiger, dramatischer werking is; in zijn ruimteontwikkeling en
grooter isoleering der enkele figuren in de ruimte; in zijn landschap
niet het minst, dat bij hem veel zelfstandiger behandeld is als bij de
Vlamingen.

Maar de hoofdmeester der Hollandsche school is Ouwaters leerling,
Geertgen tot Sint-Jans. Van hem noemt van Mander een groot altaarstuk,
dat hij voor de heeren van St. Jan te Haarlem geschilderd heeft, en
waarvan zich twee vleugels, een Nood Gods en een Verbranding van het
gebeente van Johannes den Dooper, thans te Weenen bevinden. Van deze
werken uitgaande, heeft men een aantal andere stukken als van zijn hand
erkend, waaronder de Aanbidding der Koningen te Praag, de Johannes de
Dooper te Berlijn, de Aanbidding van het Kind aldaar (verzameling-von
Kaufmann), de Heilige Familie te Amsterdam en de Passievoorstelling te
Utrecht de merkwaardigste zijn.

Geertgen is niet slechts de sterkste persoonlijkheid der Hollandsche
school van de 15{de} eeuw, maar van de gansche Hollandsche
schilderkunst vóór Rembrandt. Indien men zich rekenschap geeft van de
uitgebreidheid der schaal van menschelijke aandoeningen, die alleen
reeds in de genoemde werken door hem zijn doorleefd en tot een nu eens
aangrijpende, dan eens beminnelijke, dan weer naieve, steeds ongemeene
uitdrukking zijn gebracht;—indien men nagaat welke beloften er in zijn
werk liggen opgesloten, hoeveel Hollandsche bizonderheden der 17{de}
eeuw reeds in beginsel bij hem voorkomen, en men bedenkt dan dat deze
man gestorven is in den leeftijd van negen-en-twintig jaar, dan blijft
in het gemoed slechts bewondering en liefdevolle dankbaarheid over voor
dit groot en oer-Hollandsch genie. De uitdrukking van de smart der
Moeder op Geertgens Nood Gods behoort tot het aangrijpendste dat ooit in
penseel is bereikt; en te aangrijpender is deze smart, naarmate zij zich
minder in gebaren uit. De moeder kust het lijk niet, zij houdt het niet
omstrengeld; zij staart het met gevouwen handen aan. De enkele gebaren
die in anderen zijn aangegeven, dat waarmede de in de knie gezonken
Jozef van Arimathea den rand van zijn hoed omvat, dat waarmede Johannes
zijn in den mantel gewikkelde hand naar het oog brengt, zijn juist in
hun soberheid van een onbeschrijfelijke kracht, en brengen het gebaar
van Saul te binnen in Rembrandt's meesterwerk, op welks bezit het
Mauritshuis prat gaat. In het kleine paneel te Berlijn, dat ons den
Dooper voorstelt in eenzaamheid nederzittend, ligt een onpeilbare
diepte: het omsluit binnen zijn weinige vierkante duimen de beide
werelden van mensch en natuur. De strakheid van het voorovergebogen, op
de rechterhand neergezonken gelaat, de gesloten linkerhand, de over
elkander geschoven voeten, het heele zoo diep het kon ineengedoken
lichaam drukken den in zichzelf verloren zoeker uit, en rondom groent,
onaandoenlijk, de gansche rijkdom der geschapen natuur. Gelaat, handen
en geopende mond der Moeder op de Nativiteit bij von Kaufmann hebben
dezelfde kracht van uitdrukking. Het Utrechtsche passiestuk eindelijk
gaat in driestheid alles te boven. Opzettelijk zijn hier de figuren
buiten de natuurlijke ruimte gehouden; men ziet niet waar zij staan of
het kunnen doen. Niets dan het Lijden zelf, zooals het uit alle wonden
leekt, en de weerspiegeling er van in Johannes' tranen en Maria's
gebeden.

En dezelfde kunstenaar, die de uiterste concentratie weet voor te
stellen in zijn Berlijnschen Dooper, heeft een rijkdom van bijwerk
dat de gansche verscheidenheid der latere Hollandsche school reeds
voorspelt. Men vindt het genre bij hem: de vuuraanmakende beulsknechten
te Weenen, de hondjes op de Verbranding en op den Nood Gods, de
ruilebuitende kinderen op het stuk te Amsterdam. Het portret: twee
gansche regentenstukken, en reeds van een meesterlijke ordonnantie,
zijn midden in de Verbranding ingelascht (de Sint Jans ridders, in hun
plechtig zwart), en vertegenwoordigen in dit stuk van actie het element
der rust. Het architectuurstuk: de Amsterdamsche Heilige Familie is
feitelijk het met figuren gesierd portret eener Hollandsche kerk, en de
lichtwerking is er verwonderlijk fijn en juist in. Het clair obscur:
terwijl de afgenomen hoed en de knie van Jozef van Arimathea op den Nood
Gods sterk verlicht zijn, is het bovenlijf in het donker gehuld; een
verlichting die zich van de Vlaamsche onderscheidt, doordat zij het
licht als stijlmiddel gebruikt en op een bepaald punt te zamen trekt.
Het nachtstuk: de Nativiteit bij von Kaufmann is de eerste die werkelijk
in den nacht is voorgesteld; het licht straalt van het kindeke als bron
uit; een volstrekt nieuwe vinding, nagevolgd in onderscheiden scholen,
als bij Correggio en Rembrandt. Het landschap: dat rondom den Dooper is
zeker het zelfstandigste en zuiverst waargenomene, dat in de 15{de}
eeuw geschilderd is.—Bij zijn leermeester Ouwater staat Geertgen
slechts achter in zuiverheid van koloriet; in al het andere overtreft
hij hem.

Ook Gerard David is te Haarlem in de leer geweest. Van de stukken
die men van hem bezit zijn een zeker aantal nog daar ontstaan. In
toepassing van het clair obscur, in behandeling van het landschap toont
hij duidelijk de sporen van Geertgens invloed. Maar hij is niet, als
zijn groote tijdgenoot, de representatieve Hollander der 15{de} eeuw.
Hij is naar Brugge gegaan, en heeft er zijn Hollandsche eigenaardigheden
wel niet verloren, maar onder invloed van Memling, en later van
Matsijs, sterk gewijzigd. In hem, den laatsten grooten Nederlandschen
quattrocentist, verbindt zich Hollandsche met Vlaamsche ontwikkeling tot
een nieuw en zeer bizonder geheel[22].

[22]  Alles wat tot dusver over Gerard David geschreven werd, is thans
      verduisterd door het schitterend boek van von Bodenhausen, Gerard
      David und seine Schule (München 1905).

De Hollandsche kunstenaar heeft, meer dan de Vlaming, oog voor het leven
in rust. Zich niet zoozeer uitputtend in actie en wil, houdt hij meer
frischheid over voor de waarneming van het zieleleven.

       *       *       *       *       *

Wij hebben ons lang bij de Hollandsche primitieven opgehouden, doch
niet langer dan zij verdienen. Zie ik wel, dan is het voorkomen van
zóó diepgaand verschil bij zoo onloochenbare verwantschap, als tusschen
de Vlaamsche kunst der 15{de} eeuw en de Hollandsche bestaat, een
verschijnsel dat onze hoogste opmerkzaamheid tot zich moet trekken.
Wij leerden een Holland kennen dat, van de Vlaamsche kultuur nog in
veel opzichten afhankelijk, deze toch geheel zelfstandig verwerkt en tot
iets eigens omschept. Een eng verband met het Zuiden, geen gelijkheid.

Zoo is in de zestiende eeuw de verhouding gebleven, aanvankelijk veel
minder duidelijk echter, daar Vlaamsche en Noordnederlandsche kultuur
gelijkelijk onder het Italianisme als bedolven raakten. Eerst in de
verwerking van het ingezogene toont zich weder het verschil; reeds
vóór den tachtigjarigen oorlog! Niemand die de Hollandsche renaissance
met de Vlaamsche ooit verwisselen zal; niemand toch ook die hun engen
samenhang zal loochenen. Verschil bij verwantschap schijnt wel de ware
formule om de verhouding van Holland tot Vlaanderen op onderscheiden
levensgebied te vatten.

Ingewikkeld blijft het vraagstuk zeker, want niet in alles is het
onderscheid even groot als in de beeldende kunst. Geringer is het in
de letteren, geringer in de muziek, geringer in de wetenschap. In de
letteren blijft het Zuiden nog in de zestiende eeuw ten eenenmale
overwegend, nog meer zoo mogelijk in de muziek. In de wetenschap schijnt
het Noorden niet zoozeer qualitatief, als quantitatief de mindere. Doch
eer wij van dit onderwerp der geestelijke beschaving afstappen, moeten
wij nog een woord zeggen over een onderdeel daarvan dat, evenzeer als
de beeldende kunst, de kern der Noordnederlandsche persoonlijkheid
blootlegt: het godsdienstig leven.

Aan de groote mystieke beweging, die op de grens staat van middeleeuwen
en nieuwen tijd, hebben de Nederlanden een zeer groot aandeel
genomen. Dezelfde 14{de} en 15{de} eeuw die getuige waren van een zoo
schrikbarend zedenverval en van een toenemende verwereldlijking en
verwildering der Kerk, hebben het geloof zelf in den boezem van het
individu nieuwe en onsterfelijke zegepralen zien behalen. Ook in deze
beweging is het Zuiden voorgegaan, en heeft het Noorden zelfstandig
verwerkt. Geert de Groote heeft aan Ruysbroeck's voeten gezeten,
maar hij is een ander geworden dan de Noordnederlandsche Ruysbroeck.
Het denkbeeld, de ondeugd in de onkunde te bestrijden, was
Noordnederlandsch, Noordnederlandsch de toepassing van dit beginsel
in de broederschap des gemeenen levens. Aan de innigheid van het
geloofsleven deed dit streven zoo weinig afbreuk, dat uit de Zwolsche
omgeving de _Imitatio Christi_ is voortgekomen; tot de verlevendiging
der studiën heeft het zoozeer bijgedragen, dat Erasmus zelf, hoezeer
hij later (en, van zijn nieuw beklommen hoogte, terecht) op het
Noordnederlandsche klooster gesmaald moge hebben, niet denkbaar is
zonder zijn in die nationale school genoten opleiding.

Met Erasmus komen wij, van verschil, weder op verbinding terecht.
Het Noordnederlandsche dorperskind, oud-voedsterling van een
Noordnederlandsch klooster, is tevens de stichter van het _Collegium
trilingue_, den roem der Leuvensche hoogeschool. In de wetenschap der
zestiende eeuw, universeel van strekking als zij was, gaan Noord en Zuid
hand aan hand. Naast die van Busleyden, van Mercator, Ortelius,
Dodonaeus en Vesalius, bewaart de geschiedenis de namen van Paludanus,
van Dorpius, van Jemme den Fries.

       *       *       *       *       *

Een volk dat aan Europa de Antwerpsche beurs en de Hollandsche
scheepvaart ten gebruike stelde, en dat daarbij aan den ingang der
nieuwe geschiedenis de van Eyck's en Thomas a Kempis, dat een eeuw later
Erasmus had voortgebracht, kon gezegd worden zijn plaats onder de zon
verdiend te hebben. Evenwel stond zijn staatkundige organisatie nog niet
op de hoogte van zijn stoffelijke en geestelijke beschaving. Er bestond
hier een volk, eer er een staat was.

De Bourgondiërs waren op weg dien te maken, maar 1477 bracht een
groote terugslag. En, op een dochter na, was het huis uitgestorven,
dat in korten tijd hier zooveel had bereikt. Een noodlottige
omstandigheid voor de Nederlanden. Maximiliaan herstelde hier wel de
orde, maar zijn huwelijk met Maria bracht noodzakelijkerwijs voor de
Nederlandsche wereld het gevaar met zich van al te enge verbinding aan
buiten-Nederlandsche belangen. Het was de staatkunde der Habsburgsche
huismacht, die Philips den Schoone een Spaansche prinses, zijn zuster
Margaretha een Spaanschen prins huwen deed. De gemaal van Margaretha
overleed kort na het huwelijk; eveneens overleed het eenig kind van de
zuster der gemalin van Philips den Schoone (20 Juli 1500). Zoo werd
Philips' zoon koning van Spanje; tevens volgde hij zijn grootvader op
in het keizerschap.

Aan een zoo machtig monarch te behooren, heeft de Nederlanden kwaad en
goed gedaan. Hun economische belangen hadden in Karel's Europeesche
macht een sterken steun. Het leenverband van Vlaanderen en Artois
werd losgemaakt; de verhouding tot het Rijk zeer in het voordeel der
Nederlandsche zelfstandigheid geregeld. Maar de vorst kon tegen de
Nederlanden optreden met een macht, die hij niet aan de Nederlanden
had ontleend. Zijn persoonlijke welgezindheid was de eenige waarborg
voor de handhaving der Nederlandsche belangen. Het was voldoende dat
op een Nederlandschen vader een in Spanje opgevoede zoon volgde, om
moeilijkheden te zien ontstaan waaruit het geweld alleen den uitweg
heeft gevonden.

Onder Karel V heeft Nederland het geluk gehad, door twee hoogbegaafde
vorstinnen te worden geregeerd; door Karel's moei en vervolgens door
Karel's zuster. Deze omstandigheid waarborgde de continuiteit en het
nationaal karakter der regeering: Margaretha van Oostenrijk zoowel als
Maria van Hongarije waren van opvoeding Nederlandsche prinsessen.
Persoonlijk heeft Karel zich in 1531, 1540, 1543 en 1549 met de
Nederlandsche zaken sterk bemoeid. In 1531 kwam onder zijn persoonlijke
deelneming de bestuursorganisatie tot stand, die zich in België
gehandhaafd heeft tot de Fransche omwenteling toe, en tevens de
oorsprong is geweest van een goed deel der instellingen van de Republiek
der Vereenigde Nederlanden. Als organen der centrale regeering treft
men sedert den Landvoogd of de Landvoogdes aan, den Raad van State als
adviseerend, den Geheimen Raad en den Raad van Financiën als besturende
lichamen; tevens werden de instructiën van den Grooten Raad van Mechelen
en van de provinciale hoven herzien, en kwam er een vaste orde tot stand
in de samenvoeging van bepaalde provinciën tot stadhouderschappen; de
stadhouders werden gebonden aan vaste instructiën. In deze maatregelen
lag een strekking tot strenge centralisatie, maar ook tot grooter
nationaliseering van het opperbestuur: de „kanselier van Bourgondië”
verviel, de hooge landsadel kreeg eenigermate een constitutioneelen
werkkring, al bleef de klem der regeering berusten bij de Landvoogdes en
den uit legisten (doch Nederlanders) samengestelden Geheimen Raad. In
1540 werd een laatste opflikkering der Gentsche demagogie door Karel met
geweld onderdrukt, en deze stad voor goed onder de heerschappij van het
gemeene recht gebracht; in 1543 werd het onmisbare Gelder ingelijfd bij
den gemeen-Nederlandschen staat; in 1549 werd Philips als troonsopvolger
gehuldigd en een uniform successierecht ingevoerd. In de inleiding van
de Pragmatieke Sanctie waarbij het nieuwe recht werd afgekondigd, wijst
de Keizer op het groote belang dat deze landen er bij hebben, om altijd
onder één vorst te blijven en door dezen bezeten te worden als een
geheel. Als over een geheel, stond Karel dan ook in 1555, ten overstaan
van de plechtige vergadering der Staten-Generaal, de regeering der
Nederlanden aan zijn zoon af.

Wel natuurlijk is het, dat de gedachten onzer historieschrijvers,
als zij aanvangen zullen van den tachtigjarigen oorlog te verhalen,
eerst bij de vergadering van 1555 plegen te verwijlen. Het is, in
de geschiedenis van Groot-Nederland, een der meest gedenkwaardige
oogenblikken; bovendien een dat de pen uitdaagt tot het ontwikkelen
der tegenstellingen, toen onder één dak bijeen. De eerste souverein
reeds over de ~zeventien~ Nederlanden zal tevens de laatste zijn, zoo
men dien ander niet mederekenen wil, nazaat van den man op wiens
schouder 's Keizers arm leunt, die wederom eerste en laatste zijn
zal in één. Tegenstelling: de populaire Gentenaar, nu gebogen en
afgeleefd, en de nurksche Spanjaard, die jong van jaren is maar niet
van hart; andere tegenstelling: de vorst en de aanstaande rebel; de
_auctor intellectualis_ van den moord, en het slachtoffer. Nog andere
tegenstelling: de bontgepluimde adel van het Zuiden, de effen tabbaarden
uit het Noorden, dat overwinnen zal....

Nietwaar, er zijn motieven te over voor een historieschilderij in
grooten stijl, gelijk Motley er een van heeft zoeken te maken. Of de
aanwezigen een voorgevoel gehad hebben van het geweldige dat gebeuren
zou? Bezwaarlijk. Nog was het godsdienstvraagstuk niet acuut, nog
Philips een onbekende. En een hevige orkaan voorwaar is het geweest,
die den groot-Nederlandschen staat geveld heeft. Een zwaren storm, dien
van 1477 en volgende jaren, had hij zegevierend doorstaan: het ontbrak
hem dus niet aan weerstandsvermogen. Wat er van zuiver staatkundig
particularisme nog leefde, zou, na 1555, nimmer bereikt hebben, waartoe
het in 1477 onmachtig was gebleken. Andere krachten moesten ontketend
worden, eer het werk der Bourgondiërs, arbeid niet ondernomen, maar
goedgekeurd door de natie, kon worden gesloopt.

Het is de hervorming en niets anders dan deze, die Noord en Zuid heeft
vaneengereten. De opstand zelf is zeker niet alleen door godsdienstige
motieven bepaald; wèl is aan het godsdienstverschil het mislukken
der centrale regeering na 1576, en de eindelijke splitsing der
Nederlanden in twee helften toe te schrijven. Dieper opgehaald, is
het godsdienstverschil een verschijningsvorm van het verschil in
geestelijken aanleg tusschen Noord en Zuid, verschil dat sinds lang
bestond, maar eerst doodelijk voor de staatkundige eenheid werd in een
tijd die de individualiteit tot oppersten rechter stelde over alle
menschelijke instelling, over alle banden van overlevering en van
dwingend recht. De staat der Zeventien Nederlanden kon alleen nog
bestand hebben in een religievrede, die onmogelijk was omdat hij een
wapenstilstand beduidde tusschen twee richtingen die beide nog in volle
groeikracht waren, het neo-katholicisme niet minder dan het calvinisme,
en die op verovering uitgaan ~moesten~, op straffe van ondergang.
Geen staat in Europa of hetzij het eene, hetzij het tegenovergestelde
levensbeginsel heeft er gezegevierd en het andere òf vernietigd, òf als
streng bewaakte uitzondering een kommerlijk bestaan doen leiden. De
„pariteit” is eerst een begrip der 18{de} eeuw, het eerst verwezenlijkt
in het Pruisen van Frederik den Groote. Doch een reeks van oorzaken
maakten in het Nederland der Gentsche Bevrediging het calvinisme te
sterk, om door het neo-katholicisme, het neo-katholicisme te sterk,
om door het calvinisme te kunnen worden onderdrukt. Nadat vreedzaam
samenwonen was beproefd en mislukt, werd scheiding de eenig mogelijke
oplossing.

De gang der hervorming in Nederland is zeer merkwaardig, en een nieuw
bewijs hoezeer deze landen van het Duitsche Rijk waren vervreemd. De
hervorming in haar bizonder-Duitschen vorm, het lutheranisme, sloeg
hier weinig in. Ten tijde harer grootste uitbreiding heeft het er nooit
naar uitgezien, of de lutherij Nederland mede zou sleepen. Ook ditmaal
zou, gelijk zoo dikwijls, de bevruchting uit het Zuiden komen. Het
calvinisme, uit Frankrijk ingevoerd, tastte het eerst de Waalsche
steden aan: Valenciennes, Doornik. Het verbreidde zich snel, haast
als een Fransche mode, over het Zuiden; niet zoo snel over het Noorden,
maar de zielen die het daar won, hield het vast. De hagepreek
en de beeldenstorm van 1566 zijn in hoofdzaak Zuidnederlandsche
verschijnselen, de _Biencorf_ een Zuidnederlandsch boek. Het is weer een
geschiedenis van Vlaamsche ontvlambaarheid en actie, van Hollandsche
stugheid en rust. Het ondiepe water wordt het felst bewogen, maar de
hooge golven die er gaan breken ook het eerst.

Weinig geleerden hebben den geest der beweging van 1566 zoo gelukkig
getroffen, als, in zijn onopzettelijkheid, de romanschrijver Charles de
Coster in zijn _Tijl Uilenspiegel_, en dat hij dit gedaan heeft, is door
niemand zoo goed gevat en zoo fraai uitgedrukt als door den
Noordnederlandschen criticus Busken Huet.

„Als mengsel van goed en kwaad is Tijl een merkwaardige type. Hij heeft
het diep gevoel van regt, hetwelk een volk op den duur het despotisme
haten doet. Hij lijdt mede met den kleinen burger, tot wiens stand hij
behoort. Hij is dapper, vindingrijk, en edelmoedig; een poorter met
de gevoelens van een ridder. Zijne ligtzinnigheid zelve heeft iets
elegants......” Maar de keerzijde! „Wanneer Tijl de guitestreken zijner
vlegeljaren achter den rug heeft, dan zweert hij wel, bij het lijk zijns
vaders, een ernstig man te zullen worden, een echte Geus; doch hij doet
zijn eed niet gestand. Alleen bij tusschenpoozen ontwaakt in hem de
volksheld. Zijne doorgaande levenswijze blijft die van den zigeuner, den
onverbeterlijken pretmaker, den man naar het hart van Jan Steen. Er is
in zijne vrijheidsliefde, hoe vurig ook, iets negatiefs. Hij wil den
koning weghebben, de priesters, de inquisitie, de regters die met de
geestelijkheid heulen, de landvoogden die door belastingen het volk
uitzuigen. Maar met welk doel? Dit begrijpt men niet, of te weinig. Wij
gevoelen alleen dat Uilenspiegel in zijn regt is, wanneer het instinkt
van zijn landaard hem zegt dat het leven de moeite niet loonen zou,
zoo elke kermisvreugde er uit gebannen werd.....” De Hollanders, die
volhielden, „hebben zich moeten onderwerpen aan de noodzakelijkheid,
een vreugdeloos kalvinistisch leven te leiden. Het bestaan der
hoogere standen werd in Noord-Nederland zoo saai dat de schilders,
tenzij in konventionele schuttersmaaltijden, in sombere regente-
en regentessestukken, geen kans zagen het op doek te brengen. Het
afbeelden van gemeene drinkgelagen, in gemeene herbergen, moest als
veiligheidsklep der onderdrukte vrolijkheid dienst doen; gelijk aan
de bruiloftsmaaltijden door schuinsche liedjes het puritanisme zich
schadeloos stelde, of in de schouwburgen voor een keer het hart ophaalde
aan eene uit de goot afkomstige klucht. Maar onderwijl werd in Europa de
strijd tegen Spanje krachtig en glansrijk voortgezet; werd in Indië een
groot overzeesch rijk gesticht; werden Amsterdam de schatten verzekerd,
die Antwerpen derven moest, en verrezen er, tot eer der wetenschap,
beroemde hoogescholen.—België heeft voor zijn meerderen levenslust,
zijn krachtiger artistieken zin, gedurende meer dan twee honderd jaren
met het verlies zijner onafhankelijkheid geboet. Dit is een harde
straf geweest. Maar ook Holland is niet vrijgeloopen. Om zich te
kunnen handhaven heeft het zich moeten afzonderen, in zichzelf moeten
opsluiten. Het is buiten de algemeene beschaving geraakt; is in de
achttiende eeuw allengs eene europesche kuriositeit geworden. En eene
wormstekige kuriositeit bovendien! Toen de kalvinistische republiek
tweehonderd jaren bestaan had, is zij op een kouden winterochtend van
het jaar 1795 roemloos ineengezonken. In het begin der negentiende
eeuw hadden Holland en België elkander niets te verwijten, niets te
misgunnen. Beiden waren van de kaart van Europa geschrapt, en fransche
wingewesten geworden.... Het is niet alles deugd geweest, wat in den
strijd tegen Spanje de Hollanders heeft doen zegevieren; niet alles
ondeugd, wat de Belgen heeft doen bezwijken. Aan de eene zijde zijn
niet enkel voordeelen behaald, aan de andere zijde is niet enkel
schade geleden. De Belgen hebben integendeel iets overgehouden wat de
Hollanders zich nog eigen moeten maken: ik weet niet welken zin om het
leven te verfraaijen, de alledaagsche zorgen voor een keer van zich af
te schudden, onbekrompen in de beurs te tasten...... Ongetwijfeld zouden
de Belgen zeer verkeerd gehandeld hebben, zoo zij in de 16{de} eeuw, ter
wille van het kalvinisme, dien natuurlijken aanleg hadden onderdrukt. En
nog verkeerder zouden zij heden ten dage handelen, zoo zij, ter wille
van hun fatsoen of uit menschevrees, er te weinig van lieten
blijken”[23].

[23]  Litt. Fantasiën, vierde reeks, vijfde deel, bl. 137–139.

Er zijn op deze geestige bladzijde eenige aanteekeningen te maken.
Ongetwijfeld zouden ook de Hollanders zeer verkeerd gehandeld hebben,
zoo zij, ter wille van de kermisvreugde, tegen de uiterste consequenties
van den strijd hadden opgezien. Zij hadden meer dan een staatkundige,
zij hadden een geestelijke zelfstandigheid te verdedigen, en het
verstrekt hun een adelbrief, dat zij zich aan die gewetenstaak niet
hebben onttrokken. De Zuidnederlanders van 1576 stonden op om de
staatkunde, niet langer om den godsdienst: zoodra hun, onder Parma,
zekere staatkundige waarborgen werden geboden, konden zij zonder
hun karakter te verloochenen den strijd opgeven. Niet aldus de
Noordnederlanders, die intusschen op het calvinisme hun eigen
stempel hadden gedrukt, en het als tot hun eigenste bezit gemaakt.

„België heeft met het verlies zijner onafhankelijkheid geboet”. Is deze
voorstelling juist? Niet ten volle. Wij bezien, zoo sprekende, het lot
van België door een Noordnederlandschen bril. Om een onafhankelijkheid
te verliezen, moet men haar bezeten hebben, en wanneer is dit, in den
hier blijkbaar bedoelden zin, vóór den tachtigjarigen oorlog het geval
geweest? Immers nooit. „Onafhankelijkheid” in den zin van 1830 was geen
ideaal der Belgische beweging van 1576. Men kwam in opstand tegen
vreemde krijgsknechten en voor het behoud van nationale instellingen en
voorrechten, die door Parma bij de reductie van het Zuiden gewaarborgd
zijn. De voorstelling, als zou België sedert den val van Antwerpen
in een toestand van slavernij hebben verkeerd, is onhistorisch. De
regeering van Albertus en Isabella bij voorbeeld was langen tijd
populair, en ontzag 's lands gerechtigheden evenzeer of meer als die van
Karel V ooit gedaan had. Nog aan den vooravond der Fransche omwenteling
vloog het volk in de wapenen voor het behoud der overgeleverde
instellingen, die het sedert Parma onverkort had bezeten. Waar blijven
bij deze feiten de „eeuwen van verdrukking”, waarvan het volkslied van
1830 spreekt? De Belgen zijn over het geheel in de zeventiende en
achttiende eeuw geregeerd zooals zij het verlangden. Ook is het niet
waar dat zij, zooals hetzelfde volkslied zegt, in 1830 „hun vaandel”
heroverd hebben. Een vaandel, symbool eener internationaal erkende
zelfstandigheid als die van de Vereenigde Nederlanden na 1648, hebben de
Belgen voor 1830 nooit bezeten, en konden zij dus ook niet heroveren.
Een zoodanige voorstelling, bestemd om den roem der mannen 1830 te
verhoogen, verkleint dien inderdaad. Zij hebben niet hersteld, maar
geschapen.

En toch, hoe begrijpelijk in haar ontstaan is de in haar algemeenheid
ongetwijfeld onjuiste voorstelling die wij gispten. De slavernij, die
men te vergeefs zoeken zal in het binnenlandsch bestuur, bestond in de
verhouding tot het buitenland, tot Noord-Nederland in het bizonder. Een
Noordnederlandsch staatsman[24] heeft eenmaal gezegd, dat in 1648 de
koning van Spanje „het land redimeerde voor de zee, die hij cedeerde aan
de Republiek.” Liever dan alle krachten in te spannen tot de verovering
van het Zuiden, dat men, als Roomsch land, toch kwalijk zou kunnen
regeeren, liet men het aan Spanje „met een bezwaarden eigendom.” België
was tot de rol van bolwerk voor Noord-Nederland vernederd, tevens
afzetgebied voor den Noordnederlandschen handel. De grootheid van de
Republiek der Vereenigde Nederlanden was op den ondergang van Antwerpen
gebouwd. Zoodra de Zeven Provinciën bevrijd en door de verovering van
eenige buitenwerken bezuiden de groote rivieren versterkt waren, liet
men België gaarne aan zijn lot over. Wat zoude men er ook mede hebben
uitgericht? De ervaring van 1632, toen men zonder gevolg het Zuiden
tot afval van Spanje had opgeroepen, was leerzaam; niet minder
teekenend was, jaren na dien, de impopulariteit van het Nederlandsch
tusschenbewind tijdens den Spaanschen successie-oorlog[25]. De
voorwaarden zelf van den voorbeeldeloozen bloei der Republiek
verhinderden, dat zij zich voor het ideaal van een Groot-Nederland
verdienstelijk zou hebben kunnen maken. Zonder de vernedering van België
was die bloei niet denkbaar.

[24]  Van de Spiegel (zie zijn papieren door Vreede II, 394).

[25]  Gachard, Le Conseil d'Etat belge et la Conférence anglo-batave,
      1706–1713 (Bull. Acad. Royale, 1876).

Het Noorden dankte intusschen aan het Zuiden onnoemelijk veel. Om
dit te erkennen, is het voldoende de lange lijst na te gaan der in
Zuid-Nederland geboren personen, die de kerk, de wetenschap, de letteren
en den handel der Republiek geïllustreerd hebben. Opmerkelijk is hierbij
weder de veel grooter zelfstandigheid van het Noorden in de beeldende
kunst dan in de letteren. De taal van den Statenbijbel en die van Vondel
is vol bewijzen van Zuidnederlandschen invloed; Vondels verbeelding
zelf is geheel Zuidnederlandsch. Daarentegen komt het gansche verschil
tusschen Noord en Zuid, behalve in het godsdienstig en burgerlijk
leven, in onmiskenbare trekken in de schilderkunst uit. Gelijk vroeger
Brugge, beleefde thans Antwerpen nog een tijd van grooten kunstbloei
na den ondergang van zijn handel. Wel mag België de gedachtenis eeren
van Rubens en van Dyck: zij zijn de laatste standaarddragers eener
beschaving, wier reddeloos verval een gevoelig verlies werd voor Europa.
In hen neemt het oude, groote België, dat in een arbeid van eeuwen was
opgebouwd, afscheid van de wereld. Voortaan zal slechts een geheel ander
België mogelijk zijn, dat zich niet onmiddellijk aan de traditiën van
het oude vastknoopen kan. Na den vrede van Munster geraakt België buiten
den stroom der Europeesche geschiedenis; de Fransche omwenteling is
noodig om het daar weder in te stooten.

Doch is het lot Noord-Nederland veel gunstiger geweest? Immers neen.
Het rijst, in de eerste twintig, dertig jaren na den val van Antwerpen,
met een verbazingwekkende snelheid omhoog. Dan volgen een zestig,
zeventig jaren van majestueuze grootheid, maar die toch geen stevigen
grondslag had. Het land dankte te veel aan voorbijgaande omstandigheden.
Ligging en volksaard verzekerden Noord-Nederland een aandeel in
den wereldhandel, zij verzekerden het geen handelsmonopolie. Als
zeemogendheid kon het zijn rang niet ophouden, zoodra Engeland zich
er toe zette van zijn rijker natuurlijke hulpmiddelen ten volle partij
te trekken. Daarbij was, te land, de jonge mogendheid zeer kwalijk
bevestigd. In 1672 kwam de waarschuwing, aan welke gevaren een
geïsoleerd Noord-Nederland in de wereld blootstond. De Republiek moest,
om bondgenooten te vinden, haar fabelachtigen rijkdom dienstbaar maken
aan belangen die haar slechts van terzijde aangingen. In stede van in
een veroverende, stond zij voortaan ten opzichte van de buitenwereld in
een verdedigende positie. Alle uitbreiding was haar ontzegd, te land als
over zee. Den schijn te redden werd voortaan haar steeds moeilijker
wordende taak. Tegelijk verschrompelde haar geestelijk bestaan, dat
gedurende korten tijd een licht der wereld was geweest. De val van
Rubens tot de Belgische achttiende eeuw is niet grooter dan die van
Rembrandt tot.... ja tot wien? Men is zelfs verlegen een naam te noemen.

Toch bleef er, in beider verval, groot onderscheid tusschen Noord en
Zuid. Hoe ondermijnd dan ook, was de Republiek toch nog een zelfstandige
staat en herbergde zij een meer zelfstandige kultuur dan het Zuiden.
Kenmerk van het Zuiden was geweest de eigenaardige versmelting van
Waalsche en Dietsche beschavingelementen. In de uitoefening dezer
historische functie trad door de ongenade der omstandigheden een
voor België's toekomst noodlottige stilstand in. De Fransche kultuur
katholiciseerde en centraliseerde zich meer en meer: zij werd de
kultuur van het tijdvak van Lodewijk XIV. Aan de andere zijde
protestantiseerde zich de Dietsche beschaving, waarin België thans
geheel door Noord-Nederland werd overvleugeld. België nu had, thans
als immer, taalgemeenschap met beide aangrenzende landen, maar
geloofsgemeenschap alleen met Frankrijk, en geloofsgemeenschap was
in dezen tijd een oneindig machtiger factor dan taalgemeenschap.
En dit was niet alles: ten gevolge van den ondergang des handels en het
schrikbarend verval der Belgische steden nam de beteekenis van den adel
en van de geestelijkheid in de Belgische maatschappij zeer toe: een
maatschappij die in bouw veel meer op die van Frankrijk dan op die van
Noord-Nederland ging gelijken. Terwijl dus de monarchale, katholieke,
aristocratische Fransche beschaving vrijen toegang had, stuitte de
republikeinsche, protestantsche, burgerlijke van het Noorden tegen een
ondoordringbaren muur. Het gevolg was dat het evenwicht tusschen Waalsch
en Dietsch werd verbroken in zulk een mate, dat vijftig of zestig jaren
Vlaamsche beweging het toen vernielde nog niet weer hebben kunnen
opbouwen. Er had langen tijd op Belgischen bodem geen bevruchting van
Romaansche door Nederduitsche beschaving en omgekeerd meer plaats, en
dus ook geen eigenaardig Belgische productie meer. Eenerzijds verviel
de Nederlandsche taal in België tot een staat van boerschheid, het
katholicisme in Vlaanderen tot een staat van bijgeloof; andererzijds
werd de beschaving van Parijs en Versailles, zonder oponthoud aan eenig
tusschenstation, regelrecht naar Brussel ingevoerd, waar zij als een
geleend pak werd gedragen. Naarmate de toon te Parijs veranderde,
veranderde de weerklank in de beschaafde kringen van België. Deze
maakten in de achttiende eeuw de zwenking van Bossuet naar Voltaire
mede. Iemand als de Brusselsche markies du Chasteler (1744–1789)
is een volmaakter type van den „philosophe à la mode” dan er in het
Noord-Nederland van denzelfden tijd één is voorgekomen. Er kwam door de
Belgische samenleving een scheur te loopen, dieper dan het verschil in
taal er ooit door getrokken heeft: een scheur door den geestelijken
samenhang der onderscheiden klassen van het volk, waarvan de beschaafden
als tot een ander rijk behoorden als de massa.

In dit opzicht was het in Noord-Nederland veel beter gesteld. Het
land lag voor allerlei geestelijken invoer open, maar het ingevoerde
bleef er zelfstandig verwerkt worden tot een product van onmiskenbaar
Nederlandsch karakter. Niet dat dit product altijd even groote waarde
had, doch dit behoeft ook niet om in de geschiedenis van een volk die
mate van continuiteit te verzekeren, waardoor de overlevering eerst
tot een eigen, levende kracht wordt gemaakt. Het is deze meerdere
continuiteit die Nederland nog altijd iets op België vóór doet hebben.
In vergelijking tot België zijn wij tegelijkertijd een veel jonger en
een veel ouder land. Veel jonger: om dit te erkennen is het voldoende
de middeleeuwsche geschiedenis van Vlaanderen naast die van Holland te
leggen, of eerst Dordrecht, Leiden en Amsterdam, daarna Gent en Brugge
te doorwandelen. En in anderen zin herkent men in Nederland toch weer
een veel ouder land, als men niet de zaken opzoekt die tot louter
historische bezienswaardigheden zijn geworden, maar zich rekenschap
geeft van den ouderdom der organen van het nationale leven gelijk zij
nog heden ten dage in werking zijn. Wij zijn in meerdere mate ons
zelf gebleven, en dus jonger dan het historische, maar ouder dan het
hedendaagsche België.—Een overeenkomstig verschijnsel leveren Noord- en
Zuidduitschland op. Gelijk in de Nederlanden, heeft ook in Duitschland
de Fransche omwenteling een veel grooter opruiming in het Zuiden dan in
het Noorden gehouden; juist wijl in het Zuiden het bestaande ouder en
meer verouderd was, heeft het minder goed den storm doorstaan, en is er
meer noodzaak geboren tot geheel nieuwe constructie.

Hoewel onmiskenbaar bestaande, is toch de voorsprong die Nederland
aldus op België behouden heeft, niet zeer groot. Lang zoo groot niet
als die van Pruisen in Duitschland. Pruisen, dat een schepping der
Hohenzollern's was van den Grooten Keurvorst tot Frederik den Groote,
en dus meer dan een eeuw jonger dan de Republiek, die van Willem van
Oranje en Oldenbarnevelt dagteekent;—Pruisen heeft van de Fransche
omwenteling niet meer dan een heilzamen stoot ontvangen, aanleiding tot
de volksbeweging van 1813, die het weder aan het hoofd der ontwikkeling
van Duitschland stelde. Jena maakt in de geschiedenis van Pruisen bij
lange na niet een zoo diepe insnijding, als het jaar 1795 in die van
Noord-Nederland. Pruisen is in de dagen zijner diepste vernedering
nimmer van de kaart van Europa verdwenen; het had een veel grooter
prestige tegenover de landen die het in 1815 verkreeg, als Nederland
het hebben kon tegenover België. De taak waarvoor Pruisen zich in de
Rijnprovincie gesteld zag, is in menig opzicht bij de taak van Willem I
in België te vergelijken. Maar Pruisen was beter toegerust; ook gingen
zijn oude provinciën in omvang en bevolking de nieuwe verre te boven,
hetgeen in de Nederlanden niet het geval was. Pruisen heeft veel
verricht, maar heeft het geleidelijk kunnen doen; in 1815 zag het een
stuk van Duitschland aan zijn leiding onderworpen, in 1866 een tweede,
in 1871 een derde stuk. En het verdient zeker de aandacht, dat Pruisen
er niet in geslaagd is de Duitsche eenheid tot stand te brengen zonder
Oostenrijk uit te sluiten, de half-Duitsche macht. Wat onder Pruisens
leiding gesteld werd, was telkens zuiver Duitsch gebied, en telkens
ook in oppervlakte en bevolkingsgetal zeer de mindere van de oude
provinciën. Hoeveel moeilijker was de taak van Noord-Nederland in 1815.
Ware het Willem I gelukt, een groot-Nederlandsche eenheid te stichten,
hij zou, op verkleinde schaal, niet hetzelfde als Bismarck, maar
veel meer dan Bismarck hebben bereikt. Een dergelijk resultaat zou
gelijkwaardig zijn geweest niet aan de aantrekking van Beieren en
Wurtemberg tot den Noordduitschen staat, maar bijna aan de assimilatie
van Oostenrijk zelve.

       *       *       *       *       *

Wij eindigen deze voorafgaande beschouwingen, die ten doel hadden
ons te binnen te brengen hoezeer Noord- en Zuid-Nederland vóór de
vereeniging van 1815 in samenstelling, in aanleg, in lotgevallen hadden
verschild. Aan den tijd van de zestiende tot de achttiende eeuw hebben
wij daarbij zeer in het kort kunnen herinneren: de geschiedenis van het
uiteengaan in den tachtigjarigen oorlog, en de groote tegenstelling
tusschen het Noorden in den tijd van zijn hoogsten bloei, het Zuiden
in den tijd van zijn diepste verval, zijn bekend genoeg. Doch wij
meenen te hebben aannemelijk gemaakt, dat het verschil niet enkel of
niet voornamelijk zijn oorsprong heeft in de groote gebeurtenissen der
zestiende eeuw. Ook daarvóór waren Noord en Zuid twee werelden, en
bestond veeleer een tegenstelling tusschen deze beide, als tusschen
een Dietsche wereld (Noord met inbegrip van Vlaamsch-België) en
een Waalsche. Maar even onloochenbaar als dat Noord en Zuid veel
verschilden, is het dat zij grooter overeenkomst met elkander hadden dan
met welk ander land van Europa ook. Het was slechts de vraag, of sedert
de zestiende eeuw de lotgevallen beide helften niet zoodanig van
elkander hadden vervreemd, dat hereeniging onmogelijk zou blijken.




TWEEDE HOOFDSTUK.

De Vereeniging.


Het was geen innerlijke drang, het was dwang van buiten die beide
helften in 1815 tezamen voegde.

Er had, reeds eenigen tijd vóór de Fransche omwenteling, een „Belgisch
vraagstuk” bestaan, dat het hoofd weer opstak toen de vloed afliep en
Europa nieuw moest worden ingericht.

België was, in 1715, aan een huis toegevallen dat het land onder zeer
bezwarende omstandigheden aanvaardde, als een soort dépôt in het belang
van het Europeesch evenwicht, en in het bizonder als bolwerk voor
de veiligheid van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Het lag
afgescheiden van de overige deelen der Oostenrijksche monarchie, en
was onmogelijk daarmede te vereenigen. Geen wonder dat de regeering te
Weenen er dikwijls over dacht, een of ander meer begeerd land, Beieren
bij voorkeur, tegen België te ruilen. Doch een dergelijk plan was zeer
moeilijk te verwezenlijken: België was nu eenmaal zoo gelegen, dat de
belangen van driekwart Europa bij zulk een ruil betrokken waren. Jozef
II heeft in 1785 getracht de zaak door te zetten, maar zonder vrucht.

Ging dit ruildenkbeeld van den vreemden souverein uit, België zelf deed
in het laatst der achttiende eeuw ook weer van zich spreken.

Het was lang geleden dat het dit ooit gedaan had. De vrede van 1648 had
het land geen rust gebracht; juist daarna werd het meer dan ooit het
slagveld, waarop de groote mogendheden van Europa haar geschillen kwamen
uitvechten. Tot den vrede van Utrecht toe weerklinkt in België haast
onafgebroken het hoefgetrappel van vreemde benden. Eerst die vrede
bracht verademing. Een lange rust breekt aan, slechts, omstreeks het
midden der eeuw, door den Oostenrijkschen successie-oorlog verstoord.

Het kon niet anders of het land moest zich in dezen tijd van langdurigen
vrede eenigermate herstellen, al ging het nog zoo langzaam. Er was
nameloos veel vernield, maar wat niet vernield had kunnen worden was de
gunstige ligging van het land, de rijkdom van zijn bodem, de begaafdheid
en de nijvere aard zijner bevolking. Van de ligging viel echter
vooralsnog weinig voordeel te trekken: de geschiedenis der Compagnie van
Oostende was er het droevige bewijs van. Doch bleef de handel België
ontzegd, het kon zich op den landbouw en op de nijverheid toeleggen.
Beide deze bedrijven gingen aanmerkelijk vooruit, met name onder de
regeering van Maria Theresia.

Naarmate eenige welvaart terugkeerde, werd het natuurlijk minder
gewillig verdragen, dat het land ten believe van de Republiek der
Vereenigde Nederlanden gekortwiekt was. Het is, behalve tegenover
Jozef II, voornamelijk tegenover Holland geweest, dat het België der
achttiende eeuw zich bijwijlen weder een natie gevoeld heeft. De onwil
om zich het barrière-tractaat te laten opleggen, de instemming die Jozef
II ondervond toen hij de Hollandsche garnizoenen verwijderde, spreken
duidelijk genoeg. Ware Keizer Jozef in andere opzichten niet dwars tegen
den geest der bevolking ingegaan, zijn maatregelen tegen de Republiek
zouden gewis nog veel hartelijker door haar zijn ondersteund. Dat het
land niet van zijn natuurlijken weg naar zee gebruik mocht maken was
inderdaad een monstruositeit; men vervange het woord Schelde eens door
Texel of Maas, en brenge zich te binnen, wat dan „de sluiting” voor
Holland zou beteekend hebben! Doch naarmate de Republiek haar grootheid
tanen zag, klampte zij zich te angstvalliger aan haar voorrecht vast.

Nog meer evenwel dan de antipathie tegen het Noorden, bracht die tegen
de regeering van Jozef II de Belgen bijeen. Jozef was sedert Philips II
de eerste vorst, die in het binnenlandsch bestuur den geest der
bevolking moedwillig tartte. Geheel iets anders was het, de verlichting
der eeuw in het land toe te laten en zelfs te bevorderen, geheel iets
anders, haar, van de bureaux der regeering uit, een niets ontzienden
aanval te doen richten tegen al wat bij overlevering bestond. En Jozef
II wilde daarbij de Nederlanden regeeren van uit Weenen, gelijk eenmaal
Philips van uit het Escoriaal. „Il imagine tout”, schrijft Starhemberg,
zijn gewezen minister in Brussel, aan Mercy, „il voit tout, dirige,
exécute et gouverne tout par lui-même. Les divers départemens ne sont
que des corps organisés auxquels il donne l'impulsion qui les met en
mouvement, mais ils ne peuvent rien par eux-mêmes et ne sont pas même
assurés d'un jour à l'autre de leur propre existence et encore moins du
maintien de leur ressort.”[26] De processiën werden verboden, op grond
dat zij „geen eer deden aan de verlichting van het volk.”[27] Alle
dorpskermissen zouden—waartoe?—in het geheele land plaats moeten
hebben op één en denzelfden dag. Tegen dergelijke schoolmeesterij kwam
ten slotte de massa van het volk in verzet, niet enkel de duisterlingen.

[26]  Schlitter, Regierung Josefs II in den Österreichischen
      Niederlanden, I, 164.

[27]  Belgiojoso aan Kaunitz, 9 Mei 1786 (Schlitter I, 159.)

Opmerkelijk is, dat het Jozef niet aan machtigen steun voor zijn
hervormingen zou ontbroken hebben, indien hij te werk had willen gaan
als een bezadigd man en niet als een dolkop. Er berust in de archieven
te Weenen een merkwaardig stuk van den markies du Chasteler, dat
aangeeft welke groote doeleinden de Keizer najaagt in zaken van
godsdienst, rechtspraak en bestuur; vervolgens op welke wijze hij zijn
doel heeft zoeken te bereiken, en eindelijk hoe hij het had kunnen
bereiken, of althans nader komen, zonder zooveel aanstoot te geven[28].
De grondtoon van het stuk is een klacht, dat de Keizer de natie het
goede op wil leggen buiten haar om, en geen oog heeft voor haar
eigenaardigheden. Zoo waren er veel onder de hoogere standen, die minder
bezwaar hadden tegen de zaak dan tegen de uitvoering. Maar Jozef
luisterde naar geen waarschuwingen, en het volk stond tegen hem op.

[28]  Bij Schlitter, I, 188–202.

Het was gedurende dezen opstand, dat van Belgische zijde de vraag
opgeworpen werd naar de toekomstige verhouding tot Noord-Nederland.
Men kon niet van Oostenrijk af zonder buitenlandsche hulp, en, zooals
de politieke verhoudingen van 1789 lagen, moest die komen van de drie
verbondenen, Engeland, de Republiek en Pruisen. Van deze drie nam
Pruisen, uit vijandschap tegen Oostenrijk, de meest tegemoetkomende
houding tegenover de Belgen aan. Meer terughoudend waren Engeland
en de Republiek; het gold dus vooral, deze beide voor de zaak van den
opstand te winnen. Tot dit doel begaf zich de advocaat van der Noot naar
Londen en naar den Haag, en spiegelde in het eene land de koningskroon
aan den hertog van York, in het andere een algemeen stadhouderschap
aan den tweeden zoon van den Prins van Oranje voor. Deze aanbiedingen
waren niet ernstig gemeend en werden ook niet ernstig opgenomen.
In den Haag sprak van der Noot ook over een toekomstige vereeniging
der Belgische en Nederlandsche republieken, een denkbeeld, dat toen
ook in het vlugschrift _La République belgique_ is aanbevolen. De
Noordnederlandsche staatkunde van 1789 echter was van zulk een
vereeniging afkeerig: de Raadpensionaris van de Spiegel noemt het, in
een brief aan den gezant der Republiek in Engeland, „een chimère,
welke aan ons althans niet convenieeren zoude”[29]. Hij wilde de
onafhankelijkheid van België slechts erkennen op beding, dat van de
voorrechten, die Nederland bij tractaat ten opzichte van België had
verkregen, iedere letter gehandhaafd bleef[30]. Een vreedzame oplossing
van het Belgische vraagstuk, waarbij het land, tegen bevestiging zijner
oude privilegiën, onder de gehoorzaamheid des Keizers terugkeerde,
was hem verreweg het liefst; hij voorzag te goed, dat een krachtige
nationale staat in België de voorrechten van Holland niet lang zou
kunnen eerbiedigen, en ze ten offer te leggen op het altaar eener
groot-Nederlandsche gedachte lag toen geheel en al buiten den
Hollandschen gezichtskring. Maar het scheen een oogenblik, in het begin
van 1790, alsof men werkelijk geen andere keus had, dan België als een
onafhankelijk land te erkennen; het had de vreemde troepen verjaagd:
liet men het nu los, dan zouden Lafayette en de Nationale Vergadering in
Frankrijk zich van de beweging meester maken, tot groot nadeel van het
belang der zeemogendheden. In dezen tijd heeft van de Spiegel overwogen,
hoever hij, zoo de nood drong, met België zou willen gaan. Zijn
„Generaale Gronden van een verbond tusschen de twee Republieken” komen
op het volgende neder: „De beide Republieken zullen independent zijn
van malkander en hebben haare eigen souverainiteit, administratie van
justitie, politie, militie, finantie en wat verder tot de regten
der souverainiteit behoort, maar zullen zich ten aanzien van de
onderlinge defensie zoo nauw confœdereeren alsof zij maar éénen Staat
uitmaakten”[31]. Derhalve geen aanvallende oorlog, geen alliantiën, geen
doortocht aan vreemde troepen dan met gemeen goedvinden; wederzijdsche
inzage van den staat van elkanders weermiddelen; éénmaal per jaar een
bijeenkomst van wederzijdsche afgevaardigden, „in welke gehandeld zal
worden van den staat van defensie, van alliantiën, en in 't generaal van
alles wat tot deeze confœderatie relatief is, doch niet beslooten dan
op approbatie van de wederzijdsche souvereinen.” In tijd van oorlog zal
deze vergadering permanent zijn, en zullen de vereenigde legers worden
aangevoerd door den Erfkapitein-generaal van de Vereenigde
Nederlanden[32].

[29]  Zie mijne „Gedenkstukken der algemeene geschiedenis van Nederland
      van 1795 tot 1840”, I, 140.

[30]  Gedenkstukken I, 141 (instructie aan d'Yvoy).

[31]  Gedenkstukken I, 145.

[32]  Overeenkomst met van de Spiegel's denkbeelden vertoont het
      vlugschrift: _Wat staat ons Batavieren te doen bij het vrijworden
      der Belgen_ (Januari 1790).

Een militaire conventie dus is het uiterste waartoe van de Spiegel komen
wil. Van een Belgisch stadhouderschap voor een lid van het huis van
Oranje wil hij niet hooren. Men behoeft zich ook geen oogenblik voor
te stellen, dat deze zaak van Belgische zijde ernstig was gemeend.
Zij was door van der Noot voorgespiegeld in Mei 1789, zeer in het vage,
als een eerste aanloksel. In December 1789 evenwel was de eigenlijke
intellectueele leider der zaken, de kanunnik van Eupen, in den Haag
geweest, en had de grondslagen opgegeven der constitutie die men
voor de nieuwe republiek dacht aan te nemen: een vergadering van
Staten-Generaal, die souverein zal zijn tegenover het buitenland en ten
opzichte der landsverdediging; een onder de Staten-Generaal gestelden
Raad van State; voorts zelfregeering der provinciën. Een prins of
gouverneur dacht van Eupen niet aan te nemen[33]. Van de Spiegel's
„generale gronden” voor een verbond tusschen Noord en Zuid waren „en
gros met van Eupen beredeneerd”. Zij zijn te beschouwen als de grondslag
waarop de wezenlijke leiders der Belgische en der Nederlandsche
staatkunde van 1790 van oordeel waren dat een toenadering kon worden
beproefd; wat daarboven uitging was toenmaals òf niet oprecht gemeend,
òf ijdele plannenmakerij. En of zelfs op de „generale gronden” de
toenadering mogelijk zou zijn geweest? Ik geloof het geen oogenblik. Het
wachtschip bij Saaftingen vertegenwoordigde in werkelijkheid een soort
Chineeschen muur, dien Holland niet wilde laten springen, en dien een in
waarheid zich onafhankelijk gevoelend België geen tien, geen vijf jaar
meer zou willen laten staan. Het netelig punt der handelsvoorrechten
werd dan ook door de Belgische onderhandelaars zooveel mogelijk
ontweken. „Nous n'aimerions pas à recevoir des lois trop dures, mais à
cela près qu'on ne nous redoute pas,” schrijft van Eupen aan zijn agent
in den Haag, Leempoel. „Niet zeer voor de vuist,” meende van de Spiegel.
Een woord van van Eupen aan van de Spiegel's man te Brussel, d'Yvoy, was
iets duidelijker: „dat er geene de minste reden van vrees was voor al 't
geen waarvan de Republiek volgens de tractaten jouïsseert, maar dat zij
onmogelijk, zonder zigzelven in gevaar te brengen, thans van eenige
zekerheid dienaangaande te geven konden spreeken.”[34] Zonder die
zekerheid evenwel zou de Republiek de onafhankelijkheid van België
nimmer erkennen, en zonder die erkenning was er geen mogelijkheid van
verbond.

[33]  Renfner 15 Dec. 1789 („si la chose est possible, nous ne voulons
      ni prince ni gouverneur”).—„Notre ambition se borne à avoir
      autant d'amis que de voisins, mais point de maîtres” (van Eupen
      aan Lafayette, nieuwjaar 1790).—Gedenkstukken I, p. XLIV.

[34]  Gedenkstukken I, p. XLVII.

Er was nog een andere omstandigheid, die het welslagen van
een Belgisch-Nederlandsch verbond in 1790 in de hoogste mate
onwaarschijnlijk maakte. Beide landen waren innerlijk verdeeld.
Noord-Nederland had juist eenige jaren van hevige partijberoering
doorgemaakt, die met een materieele, niet met een zedelijke overwinning
der partij van het behoud waren geeindigd. Duizende patriotten waren
naar België of naar Frankrijk uitgeweken, en wachtten op het oogenblik
om met Fransche hulp de oude Republiek ten val te brengen en een nieuw
staatsgebouw op te richten op den grondslag der „rechten van den
mensch”. Zij waren zeker van de instemming van de meerderheid der
beschaafde burgerij in het land zelf. Een zeer dringende reden, waarom
de Nederlandsche regeering op goeden voet met de leiders der Brabantsche
omwenteling blijven wilde, was de mogelijkheid dat zij zich door
Frankrijk op sleeptouw zouden laten nemen, waar de partij der
omwenteling met de Belgische opstandelingen de vijandschap tegen
Oostenrijk gemeen had. Een oorlog tegen Oostenrijk kon zeer licht tot
een oorlog tegen de zeemogendheden worden uitgebreid, waarin dan België
niet aan de zijde van Holland staan kon, maar geheel in den stroom der
Fransche omwenteling zou worden medegesleept, waardoor Hollands voormuur
tegen den inval der Franschen en der Bataafsche patriotten kwam te
vervallen. Hierom was het voor Holland dringend noodig dat de Belgische
omwenteling haar zelfstandig karakter behield, hetgeen alleen kon
geschieden door een volledige zegepraal der conservatieve partij van
van Eupen en van der Noot op haar democratische tegenstanders. Want het
verzet tegen Keizer Jozef was van zeer onderscheiden motieven uitgegaan:
ook in België bestond een democratische partij, die met de ouderwetsche
Staten van Brabant of van Vlaanderen niets gemeen had, dan dat ook zij
tegen den Keizer was opgestaan. Het waren de behoudende elementen in
Noord en Zuid die eenigermate elkander zochten; die vooruitstrevenden
van beide landen zochten gelijkelijk Frankrijk.

Op den naam „revolutie” af, was de Brabantsche beweging in de Fransche
hoofdstad met jubel begroet. Men verheerlijkte in éénen adem _Les
Révolutions de France et de Brabant_[35]. Zoodra men zich echter
met de Brabantsche zaken daadwerkelijk inliet, bleek dat de Fransche
vrijheidsbegrippen geen hardnekkiger tegenstanders hadden dan van Eupen
en van der Noot. Nauwelijks was de Brabantsche opstand gelukt, of
Nootianen en Vonckisten lagen in open strijd. Den 16{den} Maart 1790
brak te Brussel een woeste furie tegen Vonck en de zijnen uit, waarbij
een volkshoop, onder oogluiking der Staten, zich van de aan Parijs
ontleende revolutionnaire terminologie bediende tegen de voorstanders
der Parijsche denkbeelden. Den 18{den} Maart ontdekte Lafayette in de
Parijsche Nationale Vergadering met leedwezen, „dat het congres der
Belgische Staten niet het ware karakter eener vertegenwoordiging van het
souvereine volk scheen te vertoonen”. Het licht was eindelijk opgegaan!
De Vonckisten vluchtten naar Frankrijk, dat nu, naast eenige duizend
Bataafsche, eenige duizend Belgische uitgewekenen te herbergen kreeg,
die niet anders verwachtten of de Fransche wapenen zouden hen op
staanden voet gaan wreken.

[35]  Naam der courant van Camille Desmoulins.

Het is in 1790 echter niet daartoe gekomen. Den 20{sten} Februari
was Jozef II gestorven, en zijn opvolger koos de partij van zich met
het drievoudig verbond over België te verstaan. Hij offerde Jozefs
hervormingen op en verleende een amnestie, en de drie mogendheden
hielpen hem België te herwinnen. Er was geen wapengeweld voor noodig:
de Statenpartij verwierf wat zij bovenal verlangde en wat zij van
Frankrijk niet hopen mocht: haar behoud.

De geschiedenis van 1789 en 1790 is bij uitstek leerzaam. Zij toont
aan dat, aan den vooravond van den Franschen inval die aan het bestaan
van het oude België en van het oude Nederland een einde zou maken, van
geneigdheid tot hartelijke toenadering bij geen van beide een spoor te
ontdekken was. Niet de beide volken, maar de beide regeeringen naderden
elkander voor een oogenblik, enkel uit zucht tot zelfbehoud, maar geen
van beide was daarbij oprecht. De Belgen beloofden ons zaken die zij aan
zichzelven verplicht waren niet te houden; wij lieten ons met hen in
omdat men hen niet in de armen van Frankrijk mocht drijven, maar hadden
oneindig liever dat het land onder de gehoorzaamheid aan een Keizer
terugkeerde die onze voorrechten ontzag, dan dat het onafhankelijk
bleef. Twee jaar echter nadat wij ons recht der Scheldesluiting zoo
fraai uit de klem meenden te hebben geholpen, werd het door de Fransche
Conventie voor altijd verbeurd verklaard. Tegelijkertijd vielen de
welgedane magisters en prelaten, die zich in 1790 zoo over de ketterijen
der Vonckisten hadden ontsteld, aan de duizendmaal erger Carmagnolen ten
prooi.

       *       *       *       *       *

Een punt, dat wij nog te nauwernood aanroerden, was de houding van het
Oranjehuis ten opzichte der Belgische zaken. De Prinses van Oranje
gevoelde zich door het aanbod van een stadhouderschap aan haar zoon
gevleid, maar het is laster, dat zij ter bevordering van zulk een
plan in België op alle mogelijke wijze zou hebben geintrigueerd.
Haar welbewaard persoonlijk archief lijdt op dit punt het strengste
onderzoek; wat de Bataafsche uitgewekenen daaromtrent destijds in
honderd couranten en pamfletten hebben beweerd, en wat daaruit in tal
van jongere geschriften is overgenomen, is product geweest van hun door
vrees verbijsterde verbeelding[36]. In dezelfde maand waarin van de
Spiegel zijn „Generaale Gronden” op het papier bracht, heeft ook de
Prinses haar Belgisch program opgemaakt. Het komt met de denkbeelden van
van de Spiegel nagenoeg geheel overeen, alleen verheft zij haar gemaal
tot kapitein-generaal van het Belgische leger ook in vredestijd, waarbij
zij de opmerking voegt, dat, waren beiden niet zoo jong, een van haar
zoons gevoeglijk onder den Prins dat leger zou kunnen commandeeren[37].
Zij was dus van het denkbeeld, een van haar zoons een toekomst in België
bereid te zien, niet afkeerig, maar heeft voortdurend haar wensch aan
het inzicht van van de Spiegel ondergeschikt laten blijven, en zelf geen
stappen tot de uitvoering van zulk een plan gedaan of laten doen, hoewel
men haar hiertoe te Berlijn, waar zij in den zomer van 1789 verbleef en
waar toen de verloving van den Erfprins met de dochter van Frederik
Willem II beklonken werd, ongetwijfeld sterk aangemoedigd heeft.
Hertzberg wenschte op dat oogenblik niets liever, dan dat het huis van
Oranje zich zoo diep mogelijk in de Belgische zaken stak. Op den
zeventienjarigen, eerzuchtigen Erfprins heeft dit alles ongetwijfeld een
diepen indruk gemaakt. Lang voor 1814, in 1795 en 1799 reeds, heeft hij
de Belgische zaken in verband gebracht met de vooruitzichten van zijn
persoon en zijn huis[38]. Zoo dikwijls er sprake is van een bevrijding
der Vereenigde Nederlanden en van een herstel van de stadhouderlijke
familie aldaar, tracht hij betrekkingen aan te knoopen met Belgische
ontevredenen; hij wil bewerken dat het Zuiden tegelijk met het Noorden
opstaan, en tegelijk met het Noorden zich onder het huis van Oranje zal
begeven. Eerst veel later is dit denkbeeld door Engeland overgenomen,
dat hem in 1799 te dezen opzichte zelfs zeer duidelijk gedwarsboomd
heeft. De Engelsche staatkunde was toen, gelijk zij het in 1789 geweest
was, van de proefneming met een Oranje in België nog zeer beslist
afkeerig.

[36]  Ik meen dit te hebben aangetoond in de inleiding van het eerste
      deel mijner meervermelde Gedenkstukken, p. XLII vv.

[37]  Gedenkstukken I, p. XLV. Voor „wel” leze men daar: „wil”.

[38]  Zie voor 1795 het eerlang verschijnende tweede deel mijner
      Gedenkstukken; voor 1799 Piot in Compte-rendu Comm. Royale, 1877.

Het is merkwaardig, hoe, nadat het denkbeeld eener vereeniging eenmaal
in 1789 en '90 in openbaren druk was uitgesproken, het telkens weder
ergens voor den dag komt, dan hier, dan daar. De conservatieven van
beide landen waren er over begonnen; de democraten werden op hunne beurt
een oogenblik door het verleidelijk denkbeeld meegesleept. Onder de
uitgewekenen van beide volken in Frankrijk is meermalen uitgesproken,
dat men zich vereenigen moest om tegelijk de vrijheid van de
Oostenrijksche en van de Vereenigde Nederlanden (en daarbij van Luik) te
bevechten, en dat dan de vestiging eener groot-Nederlandsche republiek
zou zijn aangewezen[39]. Het was zeer natuurlijk dat zulk een denkbeeld
in dezen tijd opkwam. Men had elkander noodig tegen gelijksoortige
vijanden: den Keizer en de Staten in België, den Prins en de Staten in
Holland. De opwinding voor vrijheid en menschenrechten kon ook licht de
groote belangen doen vergeten, welke Noord en Zuid tot dusver gescheiden
hadden gehouden: die van godsdienst en handel. Een afvallig katholiek en
een afvallig calvinist konden een even braaf sansculot worden, en wat
maakte verschil van rijkdom uit, waar de broederschap heerschen zou? De
schepping van een dergelijke groot-Nederlandsche republiek was zelfs min
of meer een stokpaard van sommige redenaars der Gironde; zij scheen de
natuurlijke toepassing van het axioma, dat Frankrijk door een kring
van vrije republieken moest worden omringd. „Hors des limites de son
empire”, zeide een rapport van Lasource, „la République française ne
veut avoir d'autre domaine que la reconnaissance des peuples”[40]. Zoo
luidde de theorie, maar de practijk was het decreet van 15 December
1792, vrijbrief tot een systeem van roof en brandschatting, dat de
Belgen tot wanhoop dreef. Er was geen sprake van dat Frankrijk, als
het van het woord tot de daad moest overgaan, de oprichting eener
groot-Nederlandsche republiek een oogenblik zou kunnen gedoogen. Curieus
is het, in het verslag van een onderhoud van een Noordnederlandsch
uitgewekene met den Franschen minister Lebrun, in October 1792 gehouden,
te lezen hoe het de Franschman is, die de vereeniging aanprijst, en de
Hollander, die ten antwoord geeft: „wij weten immers veel te goed dat
Frankrijk het nooit toelaten zal”[41]. Als dan ook in het begin van 1795
door de Bataafsche gezanten te Parijs een intrigue met een Brusselaar in
deze richting wordt opgezet, volgt van de zijde van het Comité de Salut
Public een heftige snauw, en worden de gezanten door hun eigen regeering
in den Haag oogenblikkelijk gedesavoueerd. Zij waren dan ook hun
instructie te buiten gegaan, die hen voorschreef het niet op de
verwerving, maar op de verdeeling van België toe te leggen. Er gingen in
Frankrijk toen nog enkele stemmen op, om zich met een grensverbetering
tevreden te stellen, en niet gansch België in te lijven; de instructie
nu, een werk van Pieter Paulus, vraagt voor de Bataafsche Republiek de
Vlaamsche kust tot Nieuwpoort, en verder alles wat ten Noorden eener lijn
Nieuwpoort–Yperen–Kortrijk–Gent–Dendermonde–Antwerpen–Maastricht–Venlo–Wezel
ligt[42]. Die een dergelijken moordaanslag op België beraamt, is zeker
niet met „broederschap” voor dat land vervuld. Doch wel verre van over
zulk een verdeeling ook maar te spreken, nam Frankrijk, dat heel België
voor zich behield, ons ook nog een stuk van ons eigen gebied af,
waarvoor het ons een vergoeding toezegde in het Oosten, in Kleefs- en
Munsterland, die nimmer is toegewezen.

[39]  Gedenkstukken I, p. XXXV, 36, 43, 51–54, 463, 693–'98.

[40]  Sorel, l'Europe et la Révolution française, III, 154.

[41]  Gedenkstukken I, 43.

[42]  Gedenkstukken I, 662.

Ook in België waren de tijden er niet naar, om aan iets anders dan eigen
lijfsbehoud te denken, maar, minder gelukkig dan het voorwaar reeds niet
fortuinlijke Nederland, zag het zelfs geen mogelijkheid althans den
schijn van een zelfstandig bestaan te redden. Het land was, na twee
invallen der Fransche legers en der Fransche Conventie-commissarissen,
ongeveer tot vertwijfeling gebracht. Het verzocht zelf om bij Frankrijk
te worden ingelijfd. „La réunion de la Belgique à la France”, zegt een
rapport van den commissaris Haussmann van 27 Februari 1795, „est
généralement désirée; ceux mêmes qui n'étaient pas pour le système
républicain, sentent que le salut de la Belgique dépend de cette
réunion”. De representant Lesage d'Eure-et-Loir kwam er later in de
Conventie voor uit, wat deze raadselspreuk beteekende. „Des députés
belges m'ont dit”, zeide hij: „Vous nous avez rendus tellement
malheureux, l'état d'incertitude, d'anxiété, de peine où vous nous
retenez encore est tellement insupportable, que nous aimons encore mieux
être à la France que de rester comme nous sommes”[43]. Bij decreet van
1 October 1795 sprak de Conventie de inlijving uit, op een rapport van
Merlin de Douai, dat de zwakheid van eene Belgische, en de kracht van
eene Belgisch-Hollandsche republiek, gelijkelijk een gevaar voor
Frankrijk noemde, en de noodzakelijkheid van Frankrijks uitbreiding tot
den Rijn als een staatkundig dogma consacreerde. De revolutie had dus de
scheiding van België en Holland opnieuw bevestigd. Doch meer theoretisch
dan practisch: in werkelijkheid was Hollands onafhankelijkheid een
ietwat verzachte onderwerping, tot in 1810 ook dit verschil in graad
werd opgeheven.

[43]  Borgnet, Histoire des Belges à la fin du XVIIIe siècle, II, 394.

       *       *       *       *       *

Men doet zeer verkeerd het voor te stellen, gelijk kort na de
restauratie gebruikelijk was, of Holland en België den Franschen invloed
zeer onwillig hebben ondergaan, en sedert 1795 slechts gesnakt hebben
naar het oogenblik der verlossing. Daartoe beteekende het Fransche
régime in te veel opzichten een verbetering. Aan België's nijverheid
opende het een enorm afzetgebied, dat gesloten was voor de Engelsche
mededinging; aan Holland bracht het de een- en ondeelbaarheid, die het
land voor zijn voortbestaan zoo dringend behoefde, en die het niet
vermocht had bij zichzelf te ontwikkelen. Allerlei oude instellingen
werden opgeruimd, waaronder het meeste inderdaad volkomen versleten was
en na 1813 niet weer levend gemaakt is kunnen worden. Napoleon heeft
in Holland enkele geestdriftige dienaars gehad, als Verhuell. In 1799,
toen de Engelschen en Russen een landing deden, en de Erfprins van
Oranje naar den Helder kwam, bleek het dat Holland van een eenvoudigen
terugkeer tot het oude hoegenaamd niet weten wilde. In België behield de
boerenbeweging tegen de conscriptie en voor de geestelijkheid (in 1798
en '99) een Vendée-karakter; de beschaafden namen er geen deel aan. De
gewezen Jozefisten en Vonckisten stemden over het geheel met den geest
der Fransche regeering in; de conservatieven gehoorzaamden zonder te
luid te durven morren. Maar naarmate Napoleon's bewind ontaardde,
groeiden diep in het hart de schaamte en de wrok. Men verlaagde zich tot
al de vleierijen die de dwingeland maar verlangde, maar zoodra hij niet
meer de sterkste was, wreekte zich de geschonden menschelijke natuur. In
België deden de conscriptie, en zijn anti-kerkelijke politiek der latere
jaren hem wel het meeste kwaad, in Holland de conscriptie, de
tiërceering en het continentaal stelsel.

In 1813 nu kwam uit, hoeveel Holland in zijn geschiedenis der laatste
eeuwen op België voor had. Het kon veel gemakkelijker dan België een
nationaal middelpunt vinden. Het riep den Prins van Oranje terug. België
kon op zijn best Oostenrijk inroepen, maar Oostenrijk wilde niet eenmaal
ingeroepen zijn. Oranje daarentegen verlangde niet beter.

Het had hard geboet voor 1787 en 1799. De man, die op den laatsten
November 1813 te Scheveningen voet aan wal zette, behoorde met zijn
geheele wezen tot een anderen tijd als de in 1795 gevluchte vader.
Aanstonds na die vlucht was tusschen Willem V en den Erfprins verschil
van meening ontstaan over de tegenover de omwenteling aan te nemen
houding. Willem V weigerde alles, zoo het niet op volledig herstel van
het oude neerkwam, en hield zich aan Engeland, de eenige macht die
mede dit volledig herstel zeide te beoogen. De zoon vestigde zijn hoop
op Pruisen, en nam zijn vaste woonplaats te Berlijn. Hij begreep de
noodzakelijkheid, een nieuwen staat van zaken te doen rusten op de
instemming der gematigden van alle partijen. In 1799 bleek dan ook, dat
de patriotten, zoo de Franschen de nederlaag hadden geleden, zich niet
zouden onttrokken hebben aan een poging om zich met hem te verstaan. Van
een weder aannemen van Willem V was bij niemand van hen sprake. Maar de
Franschen overwonnen, en het huis van Oranje moest een heenkomen zoeken
in de wereld. Weldra kondigde Engeland aan, dat het voorshands alle
pogingen tot restauratie opgaf. Napoleon, die als Consul bij den vrede
van Amiens zich tot schadevergoeding voor het stadhouderschap verplicht
had, gaf niet meer dan een vrij armzalig brok, dat hij als Keizer in
1806 weder terugnam. Tegelijk werd Pruisen lamgeslagen, de macht waarop
de Prins van Oranje[44] bij voorkeur had gebouwd. De toekomst van het
Oranjehuis kon slechts in de vernedering van Napoleon, en deze slechts
in de overwinning van Engeland liggen; met Engeland moest dus de Prins
weder aanknoopen. Hij beproefde het jaar op jaar, maar Engeland gedroeg
zich te zijnen opzichte meer dan koel. Het ontving wel 's Prinsen zoon,
naar Oxford gezonden om een Engelsche opvoeding te genieten, maar aan
den vader scheen men niets te willen vergeven. In den zoon zag men een
geschikt kandidaat voor de hand van prinses Charlotte, lang voor omtrent
een eventueel herstel van den vader iets was bepaald.

[44]  Prins sedert den dood van Willem V, 9 April 1806.

Eerst na Napoleon's nederlaag in Rusland kwam hierin verandering. De
Prins van Oranje, begrijpend dat het nu of nooit de tijd was tot een
verklaring met het Britsche kabinet te komen, stak in het begin van 1813
zonder verlof gevraagd te hebben naar Engeland over; hij deed het met
voorweten en goedvinden van Frederik Willem III en Alexander. Sedert
Pruisen was opgestaan en zich met Rusland verbonden had, was een
bevrijding van Nederland binnen de grenzen van het mogelijke komen te
liggen; Engeland onttrok zich nu ook niet langer aan een bespreking met
het natuurlijke hoofd eener nieuwe Nederlandsche regeering, al had het
ook zorg gedragen zich tegenover een zoo eigenzinnig en vasthoudend man
als men wist dat de Prins was, vooral niet te vroeg te binden. Het
stelde hem thans, informeel, de volgende voorwaarden: herstel in een
uitgebreider Nederland, dat niet al de overzeesche bezittingen van de
oude Republiek zou terug bekomen. De Prins nam, bij een 27 April 1813
gedagteekend stuk, beide voorwaarden aan[45].

[45]  „Extension des frontières de la Hollande, soit par une sorte de
      nouvelle _Barrière_ plus efficace que l'ancienne, soit par la
      réunion de quelques portions du territoire voisin de l'ancienne
      République.”—De Prins zal afwachten, „jusqu'à quel point la
      Grande Bretagne croirait convenable à ses propres intérêts de se
      dessaisir en faveur de cet état régénéré des colonies hollandaises
      dont Elle a fait la conquête pendant la guerre” (Minute des
      principaux points touchés par le Prince d'Orange dans son
      entretien avec Lord Castlereagh, le 27 avril 1813).—Dit stuk zal
      door mij worden uitgegeven in het vervolg der meergemelde
      Gedenkstukken.

Engeland, door 1792 en 1794 geleerd, wilde België in handen zien van
een macht, die er voortdurend het hoogste belang bij hebben zou, dit
land tegen Frankrijk te verdedigen. Oostenrijk kon die macht niet zijn,
Holland wel. Men rekende dat het, met België vereenigd, middelen genoeg
had om een krachtige verdediging tegen Frankrijk te voeren; voor zooveel
noodig kon Engeland bijdragen in de kosten van vestingbouw op het
zuiderfrontier. Daarentegen had Holland geen zeemacht van belang meer,
en geen middelen om er een te scheppen. Het was dus niet de macht, aan
welke met vertrouwen de verdediging van de Kaap en Ceylon tegen
Frankrijk kon worden overgelaten. De Kaap en Ceylon in zwakke handen
waren een bedreiging van Engelands bezit in Indië, zonder hetwelk
Engeland rekende niet meer te kunnen bestaan. Sedert Suffren in 1782, op
de Kaap en Ceylon gesteund, den voor Engeland zoo hoogst gevaarlijken
scheepstocht tegen Indië had kunnen ondernemen, had men te Londen
ingezien, dat deze beide koloniën bij de eerste gelegenheid de beste
Engelsch moesten worden. Ware het mogelijk geweest ze nog vóór 1784
te veroveren, zij zouden zeker niet bij den vrede teruggegeven zijn.
In 1795 overreedde Engeland Prins Willem V, alle gouverneurs van
Nederlandsche bezittingen tot vrijwillige inbewaargeving hunner posten
aan Engeland aan te schrijven; voldeden zij hieraan, dan zou Engeland,
bij een te verwachten herstel der „wettige regeering” in Nederland, aan
deze de koloniën teruggeven. Deze belofte van 1795 kon echter in 1813
niet tegen Engeland worden ingeroepen, vooreerst omdat in verreweg de
meeste koloniën geen ~vrijwillige~ inbewaargeving had plaats gehad,
maar ook omdat beide contractanten van 1795, Engeland en de Prins, in
of na 1802 het begrip der „onwettigheid” van de Bataafsche regeering
hadden prijsgegeven: beiden hadden tractaten met haar gesloten[46].
Bij den vrede van 1802 had Engeland alle Nederlandsche koloniën die
het veroverd had, of waarin het toegelaten was, aan de Bataafsche
Republiek afgestaan, op Ceylon na, dat uitdrukkelijk in vollen eigendom
aan Engeland werd gelaten. Sedert de hervatting der vijandelijkheden in
1803 waren alle bij den vrede van 1802 Bataafsch geworden koloniën weder
met de wapenen door Engeland veroverd, zonder dat eenige toezegging
hoegenaamd van latere teruggave was gedaan. Formeel noch moreel was
Engeland thans tot teruggave van eenige kolonie verplicht, en het was
vast besloten, behalve het reeds in 1802 bij tractaat afgestane Ceylon,
ook de Kaap te houden. Volstrekt niet uitgemaakt was het evenwel in
1813, dat tevens Demerary, Essequebo en Berbice aan Engeland zouden
blijven[47]; de sterke aandrang der Engelsche belanghebbenden in 1814,
en de gebleken noodzaak om, in ruil voor Zwedens afstand van Guadeloupe
aan Frankrijk, en voor Ruslands bewilliging in de vereeniging van
Holland en België, groote opofferingen in geld te doen, zijn voorzeker
van overwegenden invloed op de eindbeslissing geweest. Bij de
overeenkomst in April 1813 is niet uitgemaakt, ~welke~ koloniën
zouden worden teruggegeven; slechts erkende de Prins het recht van
Engeland, om alleen af te staan wat het zelf verkoos. Het heeft den
Oostindischen archipel teruggegeven, tegen welks kostbaar beheer toen
door de Engelsche Oostindische Compagnie werd opgezien (zij had met
Engelsch-Indië de handen vol), terwijl men wist dat Holland meende Java
en de Molukken niet te kunnen missen, en dus de niet-teruggave Holland
zoodanig zou hebben doen mokken, dat het ongeschikt werd voor de
bevordering van Engelands oogmerken op het vasteland;—verder Suriname,
de eenige van de oud-Nederlandsche bezittingen in Guyana, waarbij het
Engelsch kapitaal nog niet in overwegende mate was geïnteresseerd;—de
Westindische eilanden en de Goudkust, welke van ondergeschikt belang
werden geacht. Daarentegen zegde Engeland een bijdrage van twee millioen
pond toe in de kosten van den vestingbouw tegen Frankrijk; keerde het
aan Zweden, tot afkoop eener door deze macht wegens den afstand van
Guadeloupe gemaakte aanspraak op schadevergoeding met oud-Nederlandsche
bezittingen in West-Indië, een millioen pond uit, en nam het de betaling
op zich van de helft eener schuld van zes millioen pond, welke Rusland
had aangegaan te Amsterdam (tractaat van 13 Augustus 1814). Holland
heeft dus de Kaap niet aan Engeland verkocht, om de goede reden dat het
die niet had. Het ~kon~ geen enkele kolonie aan Engeland meer verkoopen.
Het bekwam er enkele van Engeland terug, op voorwaarde dat het in de
vereeniging met België toestemde, de grens van België tegen Frankrijk
zwaar versterkte (voor de helft op zijn eigen kosten), en de wederhelft
der schuld van zes millioen pond van Rusland overnam. Had het zich aan
deze voorwaarden willen onttrekken, het zou zeker Java niet hebben
teruggekregen. Ook is er geen sprake van dat het de Kaap zou
terugbekomen hebben, indien het tot zijn eigen grondgebied beperkt
ware gebleven. De gansche zaak is geen koop en verkoop geweest (al heeft
de Engelsche regeering er in het tractaat, ter ontlasting van haar
verantwoordelijkheid tegenover het parlement, dien schijn aan gegeven),
maar een gedwongen ruil.

[46]  Dat van 1804, over de particuliere bezittingen van het huis van
      Oranje, is nimmer van kracht geworden, daar de Bataafsche
      Republiek op verlangen van Napoleon de ratificatie weigerde.
      Het was evenwel door den Prins geratificeerd.

[47]  Vgl. Lord Malmesbury aan Fagel, 3 Dec. 1813, bij van Deventer, Het
      Nederlandsch Gezag over Java sedert 1811, bl. 25.

Behalve het beginsel van vergrooting van Nederlands grondgebied, en dat
van gedeeltelijke teruggave der Nederlandsche koloniën, werd in April
1813 nog een derde punt tusschen den Prins en Engeland vastgesteld. De
vergrooting van Holland zou geen doel treffen, indien men tot Hollands
ouden regeeringsvorm terugkeerde, die het uitvoerend gezag verdeeld
en verlamd had. Er werd dus bepaald, dat men niet eenvoudig den
toestand van vóór 1795 zou herstellen, maar een regeering invoeren
die gelijkelijk aan de wenschen der Hollandsche natie en aan die der
mogendheden voldeed[48]. De titel, dien de Prins zou aannemen, werd nog
in het midden gelaten. Hoever men met de uitbreiding van grondgebied,
hoe hoog men in de verheffing van den Prins zou gaan, moest van
omstandigheden afhangen: van het succes der wapenen, van de bewilliging
der bondgenooten, en, wat de aanvaarding der souvereiniteit betreft,
van de stemming in Holland zelf. Het bleek weldra dat deze juist in de
souvereiniteit van het huis van Oranje een waarborg zag tegen herleving
der oude partijgeschillen. Toen dan ook in November 1813 Repelaer namens
het Haagsch comité van den opstand bij den Prins in Engeland kwam, zeide
deze dat men in Holland twee zaken verlangen moest: handhaving der
sedert 1795 bestaande gelijkheid van alle gezindten voor de wet, en
aanvaarding der souvereiniteit. De Prins zeide het eerste grif toe; het
andere niet dadelijk. De keus van een titel hing met de voorgenomen
uitbreiding van grondgebied samen, en eer hij van deze laatste in het
openbaar kon spreken, moest allereerst België op de Franschen veroverd
en de toestemming der bondgenooten voor de vereeniging verkregen zijn.
Dit nu was in November 1813 nog niet het geval. Toen het echter bleek
dat Engeland evenzeer als de Hollanders de onmiddellijke aanvaarding der
souvereiniteit wenschte, bepaalde hij voorloopig zijn keus op den titel
van „Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden”, welke hem dan ook
dadelijk bij zijn komst in het land is aangeboden.

[48]  „Un système de gouvernement qui conciliât le vœu de la nation
      hollandaise avec les vues des puissances appelées à influer si
      puissamment sur les destinées futures de cette nation”.

Reeds vóór de opstand in Holland uitbrak, was Engeland begonnen het punt
der uitbreiding van grondgebied bij de bondgenooten in te leiden. Het
eerste wat het te kennen gaf was, dat Antwerpen bij Holland moest worden
gevoegd met zooveel gebied als noodig was om aan dit land een goed
verdedigbare grens te geven[49]. Van aanhechting van België in zijn
geheel werd niet gesproken. De gedachte die dezen voorslag had
ingegeven, was, dat in ieder geval het „pistool”, dat Napoleon in
Antwerpen „op Engelands borst” hield gericht, ontladen moest worden, ook
al bleek het niet mogelijk, Frankrijk geheel tot de grenzen van 1792
terug te brengen. Het was niet uitgesloten, dat men in de eischen ten
behoeve van Holland verder zou gaan, als heel België vrij kwam, en
Oostenrijk er geen aartshertog in plaatsen wilde. De Prins van Oranje
wees reeds op het belang Luxemburg en Gulik voor de verdediging der
Nederlanden, en wilde dat de uitbreiding gansch België en al het land
tusschen Maas, Rijn en Moezel zou omvatten[50]. Dit stemde Lord
Castlereagh niet toe, maar hij was toch zeer gunstig gezind. „De nieuwe
grens van Holland moet minstens Mechelen insluiten”, heet het kort na
den Haagschen opstand, „vervolgens Maastricht en Gulik, en dan Keulen
of ten minste Dusseldorp; wellicht moet ook Luxemburg er bij”[51].
Nauwelijks Souverein Vorst geworden, vroeg de Prins reeds of hij door
zijn zendelingen België mocht bewerken[52]. De Engelsche regeering
ontraadde dit: in ieder geval moesten eerst de bondgenooten worden
gehoord. Hiertoe vertrok Lord Castlereagh in de laatste dagen van 1813
naar het vasteland. Den 26{sten} December had de ministerraad plaats,
waarin zijn instructie werd vastgesteld. Men bepaalde, dat Castlereagh
voor Holland een barrière zou vragen, die voor het minst zou omvatten
Antwerpen, Maastricht en Gulik, met een „behoorlijke” uitbreiding van
grondgebied buiten de grenzen van 1792; dat men de Kaap zou houden,
maar „daarvoor” Holland geld bieden om zijn barrière te versterken; dat
men zou onderzoeken of Oostenrijk oogmerken had op de rest van België
voor aartshertog Karel; dat de Souvereine Vorst vooralsnog zijn handen
van België af moest houden[53]. Castlereagh nam zijn weg over den Haag,
waar de Prins hem met een herhaling van zijn vroegere aanspraken
opwachtte[54]. Er kwamen uit België, meende de Prins, reeds gunstige
stemmen[55]. Zelfs waren twee Gentenaars, de „propriétaire” Huyttens en
de katoenspinner Bauwens, in den Haag geweest om zich hem aan te bieden.
Hij moest vooral de koopers van geestelijk goed in hun bezit handhaven,
hadden zij gezegd, de nijverheid beschermen en de uiterste clericale
factie zoowel als de verklaarde Franschgezinden mijden[56].

[49]  „Memorandum respecting Holland, submitted to the Powers”, einde
      October 1813 (F. O.), in Fransche vertaling bij van Dijk,
      Répertoire des traités conclus par la Hollande, bl. 66.—Met F.
      O., A. E., v. M. duid ik afschriften aan in het bezit der
      Commissie van Advies voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën,
      genomen naar bescheiden uit de archieven van het Foreign Office te
      Londen, van het departement der Affaires Etrangères te Parijs, en
      uit de nalatenschap van van Maanen (Rijksarchief, den Haag). Al de
      dus aangehaalde stukken worden gedrukt in het vervolg mijner
      meervermelde uitgave.

[50]  De Prins van Oranje aan Castlereagh, 9 Nov. 1813 (F. O.).

[51]  Castlereagh aan Clancarty, 30 Nov. 1813 (F. O.).

[52]  Clancarty aan Castlereagh, 17 Dec. 1813 („whether I saw any
      objection to the employment of emissaries on the part of the Dutch
      Government at Antwerp particularly, and in other parts of the
      Austrian Netherlands, for the purpose of inducing the inhabitants
      to declare for the Government of H. R. H. the Prince of Orange”).

[53]  „The Prince of Orange to be discouraged from any attempt to extend
      Holland on the side of the Netherlands beyond its ancient limits,
      without the express consent of the Allies” (Memorandum of Cabinet,
      26 Dec. 1813; F. O.).

[54]  „La réunion de la rive gauche du Rhin jusques à la Moselle, ainsi
      que celle des Pays-Bas, y compris Luxembourg, peut seule donner
      aux Provinces-Unies, considérées comme le boulevard de l'Europe
      contre la France, la consistance nécessaire” (Haagsch memorandum
      van 26 Dec. 1813; F. O.).

[55]  „Que l'on promulgue que la religion catholique s'exercera comme du
      tems de Marie Thérèse, que jamais ils ne relèveront en fait de
      religion que du Saint-Père, que l'on abolisse la conscription et
      la gabelle, et tout ce bon et brave peuple ne demandera que de
      partager le bonheur d'être gouverné par un Prince d'Orange”
      (memorandum van J. C. Amman van Schwanberg, Dec. 1813; copie in F.
      O.).—Schrijver was een artillerie-officier, in het land gekomen
      in 1789 tijdens de Brabantsche omwenteling en daar blijven hangen.
      Hij werd in Maart 1814 door de geallieerden aan het hoofd van de
      artillerie van het toen opgericht Belgisch leger gesteld (zie
      Coremans in Compte-rendu Comm. Royale, 1847, bl. 155).

[56]  Hogendorp, Br. en Ged. V, 53, 208; het antwoord van den Prins
      aldaar, 480.—Vgl. ook Fauchille, Une chouannerie flamande,
      1813–1814 (Paris 1905), bl. 122 vv. Huyttens was ondernemer der
      stadsverlichting te Gent.

Toen Castlereagh bij de bondgenooten te Bazel kwam, bleek het
onmiddellijk dat Oostenrijk aan Venetië boven België de voorkeur gaf, en
ook geen aanspraken maakte ten behoeve van aartshertog Karel[57], maar
dat Pruisen het land tusschen Maas, Rijn en Moezel voor zich verlangde.
Een eisch waartegen Engeland in hoofdzaak geen bezwaar had[58], immers
nu Oostenrijk zich van de Fransche grens terugtrok, wilde men gaarne de
andere groote Duitsche macht tot aan die grens uitbreiden. Liefst zou nu
Engeland aan Pruisen beide Luxemburg en Mainz bezorgen, mits het lager
af op den linker Rijnoever eenig gebied aan Holland liet, welks nieuwe
grens dan zou kunnen samenvallen met de grens van België tegen Frankrijk
van 1792 van de zee tot de Maas, en voorts zou insluiten de steden
Namen, Luik, Maastricht, Gulik en Keulen. Den 27{sten} Januari vroeg
Castlereagh, of de Souvereine Vorst vast van dit gebied, voor zoover
het bewesten de Maas viel, de voorloopige administratie hebben mocht.
Oostenrijk maakte geen bezwaar; Pruisen echter wilde vooralsnog aan den
Souvereinen Vorst slechts de administratie der departementen van de
Leie, van de Schelde en van de beide Nethen overlaten (de tegenwoordige
provinciën West- en Oost-Vlaanderen en Antwerpen)[59]. Tegen toekomstige
uitbreiding van zijn gebied tot de Maas evenwel werd ook van die zijde
geen bezwaar gemaakt. Castlereagh gaf thans verlof, dat de Souvereine
Vorst aanving, België „op een bedaarde manier” in zijn voordeel te
bewerken[60].

[57]  Castlereagh aan Clancarty, 22 Jan. 1814 (F. O.).

[58]  „I doubt much the policy of making Holland a power of the first
      order, to which she would approach if she possessed the whole of
      these territories” (Castlereagh aan Liverpool, 22 Jan. 1814; F.
      O.).

[59]  Stein aan Castlereagh, 27 Jan. 1814 (F. O.).

[60]  „With respect to political connection, altho' no adjudication of
      new territory can take place till a peace, I see no reason why the
      Prince of Orange should not by emissaries or other means quietly
      encourage the people of the Low Countries to look to him as their
      future Sovereign. As far as the Meuse I think he is quite safe”
      (Castlereagh aan Clancarty, 1 Febr. 1814; F. O.).

Hij was er sinds lang mee bezig. Een zijner jonge diplomaten, van
Zuylen van Nyevelt, reisde in het gevolg der troepen van von Bülow en
van den hertog van Saksen-Weimar het land rond, en trachtte overal
betrekkingen aan te knoopen. Hij verspreidde vliegende blaadjes, op
dubbele kolom in het Vlaamsch en in het Fransch gedrukt, waarbij het
volk tot den opstand werd aangespoord om zich vervolgens met het
Noorden te kunnen vereenigen[61]. Een sedert eenige jaren te Brussel
wonend Hollander, graaf van Bylandt, schreef brochure op brochure van
dezelfde strekking[62]. Toen Bülow en de hertog van Saksen-Weimar
den 8{sten} Februari Brussel binnentrokken, was behalve de hertog
van Clarence ook prins Frederik, de tweede zoon van den Souvereinen
Vorst, aan hun zijde[63]. De stad onthaalde de bevrijders op een
schouwburgvoorstelling; halverwege den avond vertrokken Bülow en de
hertog van Weimar; de hertog van Clarence liet „God save the King”
spelen; applaus. Maar de hertog was achter in zijn loge teruggedoken, en
liet prins Frederik de ovatie in ontvangst nemen. Het publiek had het
niet zoo bedoeld[64]. De Engelsche gezant in den Haag, Lord Clancarty,
nog onder den indruk van het vroegere gebod, dat de Souvereine Vorst
in België nog niets zou ondernemen, maakte zich ernstig boos. Toen
hij vernam dat van Zuylen bezig was een Belgische deputatie bijeen te
trommelen, die den Souvereinen Vorst haar opwachting zou gaan maken in
den Haag, eischte (en verkreeg) hij de terugroeping van dezen agent, en
gaf, in tegenwoordigheid van den Souvereinen Vorst, aan van Zuylen's
chef, van Hogendorp, harde woorden[65].

[61]  „Que le seizième siècle instruise le dix-neuvième.... Que sous
      Guillaume VI il nous soit réservé de réaliser les vastes projets
      du premier Guillaume. Surtout ne laissons pas à des négociations
      de paix, toujours incertaines, le soin de fixer notre sort. S'il
      est vrai ce que nos politiques de Bruxelles assurent que l' _uti
      possidetis_ en sera la base, dépossédons l'usurpateur de son
      illégitime possession, et nous aurons une patrie” (Lettre
      interceptée d'un seigneur de Bruxelles à un de ses amis à Gand, 7
      janvier 1814; een van van Zuylen's blaadjes, gevoegd bij Clancarty
      aan Castlereagh, 5 Febr. 1814; F. O.).

[62]  Hogendorp V, 54; overzicht van den inhoud bij Hymans, Hist. de la
      Belgique I, 53, 71.

[63]  Coremans (bl. 133) en Hymans (bl. 44) meenen verkeerdelijk dat het
      de oudste zoon, de latere Prins van Oranje, was.

[64]  „Les bons Bruxellois croyaient fêter l'Angleterre, et ne pensaient
      nullement complimenter le jeune prince d'Orange. Cette scène a
      fait une fâcheuse sensation” (brief uit Brussel aan Nesselrode,
      8 Febr. 1814; afschrift in F. O.). Vgl. Hogendorp V, 56.

[65]  Clancarty aan Castlereagh, 9 Febr. 1814 (F. O.); vgl. Hogendorp
      V, 54.—„The Prince of Orange has been playing the very devil
      in attempting to agitate the public mind in the Austrian Low
      Countries to tender the sovereignty of those provinces to him;
      in some parts among the very lowest rabble he has succeeded, but
      as these efforts have been directly against the opinions of the
      better and more respectable inhabitants, who are equally hostile
      to French rule, but who wish for the return of their old
      Government, or in default of this to be disposed of by the Allies
      with the consent of the Emperor who they think will consult their
      interests, these movements have had little effect, and indeed
      except in the immediate neighbourhood of General Bülow's force
      have scarcely appeared at all” (Clancarty aan Hamilton, 9 Febr.
      1814; F. O.).—Vgl. Fauchille, bl. 180.

Intusschen kon van een voorloopig gouvernement van den Souvereinen Vorst
in België, uit te oefenen op naam der geallieerden, voor het oogenblik
geen sprake meer zijn: onmiddellijk toen Bülow en de hertog van Weimar
te Brussel kwamen, hadden dezen er reeds een voorloopig bestuur
ingericht[66], waarbij eerlang twee Pruisische commissarissen optraden,
von Lottum en Delius. Van den Souvereinen Vorst werd bij dit alles met
geen woord gesproken. Dit was voor dezen te bedenkelijker, daar Bülow en
de hertog van Weimar de Belgen toeriepen, dat hun onafhankelijkheid niet
twijfelachtig meer was[67]. De Belgen konden hieronder kwalijk iets
anders verstaan, dan dat de toestand van vóór 1795 zou terugkeeren,
hetgeen niet in de bedoeling van de stellers der proclamatie lag, die
aan onafhankelijkheid ten opzichte van Frankrijk hadden gedacht. Van
vereeniging met Holland hadden zij ook kwalijk kunnen spreken: de
bondgenooten hadden zich nog slechts bij voorloopige toezegging, niet
bij uitdrukkelijke acte tot goedkeuring van Engelands plan verbonden.
Rusland had ook de voorloopige toezegging nog niet gegeven. Het
treuzelde opzettelijk in deze zaak, met het oogmerk zich voor zijn
toestemming te doen betalen.

[66]  Coremans, bl. 135.

[67]  „Qu'elle renaisse cette Belgique jadis si florissante....;
      l'indépendance n'en est plus douteuse” (proclamatie van 4
      Februari; Coremans bl. 133).

Den 15{den} Februari waren de onderhandelingen van Castlereagh met de
bondgenooten, die over tal van zaken liepen, waaronder die van België
er maar één was, zóóver gevorderd, dat hij hun eenige artikelen ter
teekening kon voorleggen. Die welke het Hollandsch-Belgische vraagstuk
betroffen, luidden als vo

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/45392