Het boek van Siman den Javaan
by E. F. E. Douwes Dekker · Dutch · Gutenberg #45017 · 578,637 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Het boek van Siman den Javaan
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Het boek van Siman den Javaan
Author: E. F. E. Douwes Dekker
Release date: February 25, 2014 [eBook #45017]
Most recently updated: October 24, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/45017
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg (This book was produced from scanned images of
public domain material from the Google Print project.)
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN ***
HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN
EEN ROMAN VAN RIJST, DIVIDEND EN MENSCHELIJKHEID
DOOR
E. F. E. DOUWES DEKKER
Redacteur aan het Bataviaansch Nieuwsblad.
AMERSFOORT--P. M. WINK--1908.
De auteur stelt er prijs op, te verklaren dat elk détail in zijn
verhaal, hetwelk van invloed kan zijn op de strekking ervan, waar
is. Voor overdrijving heeft hij zich zorgvuldig gehoed. Hij zou
in staat zijn om, door het met hun waren naam aanduiden van vele
schuldigen, aan zijn pleidooi meerder kracht bij te zetten, doch
liet dit vooralsnog na, wijl men hem bij een eventueel rechtsgeding
stellig niet in de gelegenheid zou stellen, de waarheid van zijn
beschuldigingen in rechte te bewijzen.
De gegevens, welke hij bezit, zal hij gaarne ter beschikking stellen
van de regeering.
De vertaling der Javaansch-Maleische woorden kon niet door den auteur
zelf bezorgd worden. Mocht daarin dus, onverhoopt, een fout ingeslopen
zijn, zoo mag dit hem niet aangerekend worden.
HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN.
Pah Rekso rookte zwijgend zijn kaoengstrootje. [1] Droef staarden
zijn oude oogen over de sawahs: stoppelvelden, nu de oogst was
binnengehaald. Heel in de verte projecteerden zich de rustige bergen
tegen den klaren hemel, waaruit de zon reeds verdwenen was.
Zij zaten voor hun huisje, Pah Rekso en zijn twintigjarige zoon
Siman. Een armoedige woning was het, als de meeste woningen in de
desa [2] Tjidamar. De geheele desa was in waarheid niet meer dan een
gehucht, een van de vele in de afdeeling Warnaleutik. Rekso's vader,
hij was reeds lang dood, had Tjidamar nog gekend als een welvarend
dorp. Maar dat moest toch heel lang geleden zijn. Hoe oud hij zelf was,
wist Pah Rekso niet. In de desa houdt men zich niet met leeftijden
op. De klapperboom, dien zijn vader bij zijn geboorte geplant had,
was jaren geleden door den bliksem getroffen. De kruin was geheel
weggeslagen, en de slanke boom bijna tot aan den voet gespleten. Later
was de dorre, zwarte stam, die als wanhopig den hemel om erbarming
smeekte, door een hevigen windvlaag omgeworpen. Nog slechts een stronk,
geen el hoog meer, was blijven staan; en langzamerhand hadden de witte
mieren zich daarvan meester gemaakt. Dat was al wat er van Rekso's
leeftijdsmeter was overgebleven. Hij kon zich nog goed herinneren
dat zijn boom zes en veertig ringen had, toen hij door het hemelvuur
werd getroffen. Maar de tel der jaren was hem ontschoten. Als hij
zich niet vergiste, was er nog driemaal lebaran [3] geweest, daarna,
toen zijn oudste zoon stierf aan de cholera, daar heel ver weg in de
kotta [4]. Hij had het heel bij toeval vernomen.
Maar het kon ook wel vier jaren geleden geweest zijn, misschien
zelfs wel langer. Dat was zeker de tjilaka [5] geweest, die hem
door den goeroe [6] was voorspeld, toen Allah den klapperboom,
zijn levensgezel van de geboorte af, had uitgekozen tot trefpunt van
zijn bliksem. Dat moest wel. Hij was steeds op iets ergs voorbereid
geweest na dien luid krakenden donderslag. Maar toen er niets kwam,
niets buitengewoons, had hij zich in het hoofd gepraat, dat Onze
Lieve Heer zich wellicht vergist had in den boom. Dat kon best,
meende hij. De boomen stonden vaak dicht bijeen. Maar hij had zijn
onbewusten twijfel aan de goddelijke almacht toch weer moeten laten
varen; want, al had het ongeluk lang op zich laten wachten na die
daverende demonstratie van het Lot, eindelijk was toch Rekso's oudste
aan de vreeselijke ziekte bezweken.
Daarna waren weer vele, vele jaren heengegaan; Siman was nu bijna
volwassen, en tòen nog maar een kleine jongen, een botja angon
[7]. Vee was er echter niet meer. Pah Rekso herinnerde zich niet eens
meer hoeveel assistent-residenten in de afdeeling elkander in dien
tusschentijd hadden opgevolgd. De oude regent was overleden, en zijn
zoon, die zeer knap was, en te Batavia op een Hollandsche school was
geweest, jaren lang, was nu regent. Ja, het was een heele tijd geleden,
dat Tjidamar een welvarende desa was, waar een groote passar gehouden
werd op elken legi [8] en soms zelfs ééns in de tien dagen geslacht
werd. De velden moesten toen nog ruime oogsten opgebracht hebben, omdat
er geen doorloopend gebrek was aan water gelijk thans. En Rekso's vader
had vaak verteld dat in zijn tijd wel drie honderd gulden werd betaald
voor een bahoe [9] sawahgrond. Drie honderd gulden. 't Was een heele
som. Onlangs had Bapa Soei zijn sawahs, en dat waren nog heel goede
gronden voor Tjidamar, verhuurd aan de njai [10] van den toean commies
op de assistènan [11] en hij had maar zestig gulden gekregen per bahoe.
Niet dat de grond slechter was geworden. Hier in de Preanger was de
aarde een brave, trouwe moeder; maar het zat hem in de moeilijkheid
om water op de bergsawahs te krijgen. Hij herinnerde zich nog heel
vaag den tijd--toen was hij nog een botja angon, die zijns vaders
vee hoedde--dat in de Tjikanding-saät heel veel water was, meer dan
men vaak gebruiken kon. Nu was de Tjikanding droog; ook in de groote
Tjipalang was nauwelijks stroom meer en het was een heel verre weg,
dien het water, op een hoog gelegen punt afgetapt, moest afleggen door
een lange met den patjol [12] gemaakte leiding om Pah Rekso's veld te
bereiken. En onderweg was dan voor de aanliggende sawahs al veel water
gebruikt en het was een bitter schijntje dat op Pah Rekso's rijstveld
neersijpelde. Het was geen wonder dat de grond koppig was en weinig
gaf in ruil voor het weinige dat hij ontving. De padi [13] stond er
schraal, en was nauwelijks voldoende, in de goede jaren, om voor de
eigen voeding van het gezin te dienen. De beide laatste jaren was zij
ontoereikend gebleken. Droge moessons waren het geweest. En Pah Rekso
had zijn vrouws pending [14], toen haar giwangs [15], toen eindelijk
een mooie toessoek kondé [16] naar het pandhuis moeten brengen. Dat
hij van de laatste moest scheiden, had hem vooral zeer gedaan. Hij
had ze zijn vrouw gegeven een dag voor hun huwelijk. Ten was oud,
voor een vrouw uit de desa dan, ze had ruimschoots de moederweelde
mogen genieten; de tijd van het mooi-zijn was voorbij en de fraaie
haarnaald had ze ook in lang niet meer gedragen. Die werd bewaard in
het kastje onder het hoofdeind van het wrakkige, ruw-houten bed. Toch
waren de beide oudjes er zeer aan gehecht en het kostte dagen van
beraad en nachten van droef overleggen, alvorens besloten werd van
het kleinood te scheiden. Het was grof werk, uitheemsch fabrikaat
en bestond uit een ruw geslagen zilveren montuur en een slecht
geslepen grooten steen, met nog wel acht kleinere steentjes daarom
heen, waaraan een leek op het eerste oog kon zien, dat ze van het
zuiverste glas waren. Alleen de groote steen, een troebele Indische
robijn, onoordeelkundig bewerkt, had eenige, maar geringe waarde. De
Chineesche pandhuis-pachter wist natuurlijk van de levensomstandigheden
van het echtpaar Rekso af en wist de hem geboden gelegenheid te
gebruiken. Hij gaf vijf rijksdaalders aan Siman mede. Dat was een
teleurstelling voor de oudjes. Rekso had zelf niet willen gaan. Hij
had het, hoe weinig sentimenteel hij ook was, niet over zich kunnen
verkrijgen. En hij was blijde het ook niet gedaan te hebben, want
voor vijf rijksdaalders had hij de speld niet afgestaan en toch had
het geld er moeten zijn. Het was beter zoo. Ten had zuchtend het geld
van Siman in ontvangst genomen en Ipah, Simans vier jaar jonger zusje,
had later aan haar broer medegedeeld, dat ze moeder had zien schreien.
Ipah was een handig klein ding, dat Ten al aardig werk uit de hand kon
nemen. Zij paste voornamelijk op de twee jongsten van het nest van
acht, tweelingen, twee jongens, van nog geen vijf jaar. Ook Mariam,
die na Ipah het licht aanschouwde, was een flink meisje, één jaartje
jonger dan haar zuster en wel voor drie jaar coquetter. Ipah was een
leelijk kind, door de pokken geschonden; Mariam daarentegen, die al
wat vormen begon te krijgen, beloofde een desa-schoone van den eersten
rang te zullen worden. Van Djamin, den vijfde, een bengel van tien
jaar, en Djirah, die op Mariam geleek, was niet veel te zeggen. Na
Djirah was er in vijf jaren geen spruit gekomen. Rekso was voor de
desa laat gehuwd; Ten was ook heel veel jonger dan hij en bij de
geboorte van de tweelingen scheen het wel of de natuur haar verzuim
had willen goed maken in de mollige nakomertjes.
De tijden werden niet beter.
Pah Rekso was reeds naar de hoofdplaats geweest om den
assistent-resident, die een braaf man was, naar men zeide, te verzoeken
de padjeg [17] te verminderen. Maar, met welke goede voornemens hij
ook in de kotta was gekomen, toen hij er was, zonk hem de moed in
de schoenen. De ambtenaar kende hem immers niet; en hoe zou hij hem
dan zijn verzoek kunnen inwilligen? Dit echter was het niet dat hem
weerhield. Het was de voor den desaman onoverkomelijke beklemdheid
voor den Europeeschen ambtenaar, dien hij niet bij machte oordeelt de
toestanden bij den kleinen man te begrijpen, vóór wien zijn toch reeds
in voldoende mate aanwezige reserve hem den mond sluit, waar het gemoed
hem tot spreken aanzet. Maar Rekso deed als andere menschen, die zich
trachten te verontschuldigen bij zichzelven en de daad--een negatieve
in dit geval--goed praten met verstandsbetoog, dat wat laat komt. Neen,
zeide hij bij zichzelf, ik moet bij mijn hoofd, den assistent-wedana
[18] zijn. En dat was niet verkeerd gedacht, zeker niet. Het was de
aangewezen weg. Allicht zou ook de assistent-resident hem verwezen
hebben naar den assistent-wedana, omdat een ambtenaar zoo veel zaken
te doen heeft en rechtstreeks met de bevolking in zulke op zich zelf
staande gevallen als van Rekso niet kan in aanraking komen.
Maar de assistent-wedana van Tjidamar was iemand, die op weg was
half onbewust het leger der bedorven inlandsche ambtenaren met een
lid te versterken. Hij had landhonger en al was hij nog niet zoo
ver om de bevolking opzettelijk tot armoede te brengen--men wordt
niet opeens een misdadiger--hij begreep dat het ongeluk van Rekso
hem wellicht diens stuk sawahgrond [19] in handen zou doen vallen,
en het verzoek van Rekso bij hem gedaan om vermindering van belasting
... kwam niet hooger.
Dit wist Rekso niet. Hem trof slechts het negatief resultaat van het,
in zijn oogen toch billijke, verzoek. En dit resultaat versterkte
hem in zijn meening omtrent de nutteloosheid en doelloosheid van
Europeesche ambtenaren. Hij had berust, gelijk hij berust had
in allen tegenspoed. Hij had zijn padjeg betaald, met een zwaar
hart, dat is zoo, maar toch had hij betaald, omdat hij bang was
voor de gevangenis. Vele menschen, die niet betaalden wat zij aan
het gouvernement schuldig waren, had hij zien wegbrengen onder
politiegeleide en later had hij gehoord dat zij in de gevangenis
waren gezet. En als eenvoudig desaman had hij een kinderlijke angst
voor de boei.
Na de kommervolle dagen was weder een jaar verstreken, De oogst was
binnengehaald. Weer had de kleine bahoe sawah, die Pah Rekso zijn
bezit mocht noemen, al wat hem overgebleven was van de vier bahoes,
die zijn vader hem had nagelaten, niet veel opgebracht. Het was weer
het oude lied. Eerst walang-sangit, toen de hama mentek [20], half
als gevolg daarvan. De rijst die binnenkwam, was nagenoeg tot menir
[21] slechts te verstampen en lang niet voldoende voor de voeding van
het groote gezin. Artikelen om te verpanden waren er niet meer. Ja
toch: Pah Rekso had nog een kris, poesaka [22] van zijn vader. Het
was met schrik dat de gedachte zich van hem meester maakte dat hij
wellicht genoodzaakt zou zijn zich van die kris te scheiden. Hij
dacht met ontzetting aan het ongeluk, dat uit zoo'n heiligschennis
moest voortvloeien. En toch! als het moest; als er niets meer was;
als de laatste menir was verbruikt en men naar boschproducten zou
moeten zoeken.....
Pah Rekso vreesde voor het oogenblik, dat hem dwingen zou de poesaka
te verkoopen. Het is waar; er kon veel geld van gemaakt worden. Ver
buiten Tjidamar was het bekend dat Rekso's vader eens een tijger had
afgemaakt met die kris en de oude regent van Walirang had, toen hij
van het heldenstuk hoorde, een bod laten doen. Maar hij had de kris
niet gekregen. Neen, neen, ook Rekso kon haar niet te gelde maken.
Maar dan overviel hem weder de angst dat hij zou moeten, moeten om
den honger. Hij had de kris in gedachten reeds vermaakt aan Siman. Na
zijn dood zou zij het eigendom zijn van zijn zoon. Siman was een brave
jongen, die voor het werk niet schroomde. Hij zou het dierbare wapen
in eere weten te houden. En toen was hij op de gedachte gekomen om de
kris reeds bij zijn leven te schenken aan Siman, uit vrees voor zich
zelf. Hij voelde dat er een beroep gedaan zou worden op zijn sterkte,
en hij voelde ook, dat hij zou bezwijken. En zoo was het gekomen
op dien avond dat vader en zoon gezeten waren voor hun nederige
woning. Pah Rekso was naar binnen geweest en toen teruggekomen met
iets onder zijn baadje. Schichtig had hij om zich heen gekeken of
niemand hem bespiedde, als ging hij een misdaad begaan. Toen had
hij het pakje van onder zijn baadje te voorschijn gehaald. Het was
de kris, gewikkeld in een goor-witten doek. Met veneratie ontdeed
Pah Rekso haar van den doek. Siman had zwijgend, met een uitdrukking
van diepen eerbied in zijn klare oogen, toegekeken. De kris was nog
gewikkeld in een fijn matje van nipabladeren. Daar lag zij in als in
een rustbed. Het was een vrij gewone, weinig kostbare kris. Zij was
met eenige valsche steenen bezet. Pah Rekso trok het lemmet uit de
schee; zijn hand beefde. Hij voelde met zijn nagel langs het scherp.
"Siman," zeide de oude met heesche fluisterstem. "Je weet dat deze kris
een poesaka van je grootvader is. Je weet dat hiermede in het bosch
van Tjilempoe een groote tijger werd gedood ...? Ik wil jou dezen
kris geven, Siman; niet na mijn dood, maar nu, op dit oogenblik. Je
moet niet vragen, je moet aannemen. Maar op een belofte."
"Ik beloof u, vader."
"Nooit, nooit, versta je goed, mijn jongen, nooit mag je je van deze
poesaka scheiden. Ik kan dat mijzelf niet beloven, Siman. Jij bent
jong en hebt nog meer vertrouwen in het leven. Houd jij de kris. Ze
is een djimat [23]."
"Geef op, vader!" had de zoon geroepen. "Ik zweer hier op de
gelukzaligheid van grootvader, dat ik deze kris zal behouden."
Het was een eenvoudig tooneel; voor een dergelijken talisman-cultus
zou de beschaafde Westerling de schouders minachtend ophalen. Voor
deze beide eenvoudige menschen evenwel was de overgave van de kris
door den nog levenden vader een aandoenlijke gebeurtenis van groote
beteekenis: Pah Rekso had zijn zoon daarjuist een man verklaard.
Trots welde op in Siman's hart. Hij voelde zich in staat met
zijn djimat de wereld te veroveren. Hij geloofde nu niet meer aan
ellende. Hij klemde zijn hand om het wapen, als om zich te overtuigen
dat hij het werkelijk bezat. En hij zag in den schemer niet de scherpe
groef, die er plotseling om den mond zijns vaders was verschenen,
om niet meer te verdwijnen.
De maan was opgekomen. In de verte klonken de weemoedige, kwijnende
tonen van een soeling. [24] Rekso's oogen boorden, starend, in de
bleek-verlichte lucht.
"Zoo gaat het niet langer, Siman. Wij hebben niet meer om van te leven,
binnenkort. En wat dan?"
Het is ons gewoonlijk een behoefde te verklaren dat de inlander
zorgeloos is, dat hij niet maalt om armoe, en bij gebrek teert op de
buren. Dit is een soort verontschuldiging voor ons gebrek aan kennis
van de inlandsche huishouding en aan zin tot hulpverschaffing. Die
zucht tot geestelijke zelfreiniging wil gemeenlijk ook niet weten dat
"de buren" wel eens niet in staat konden zijn op zich te laten teren.
Siman was nog te jong gelukkig, om diep te beseffen dat kommer in
aantocht was. Zag hij niet elken nieuwen dag de lachende natuur om zich
heen; las hij niet in het groen van bosch en beemd groote beloften? En
liet hij al eens het hoofd hangen, dan was een blik in de groote,
donkere kijkers van Djiah voldoende om hem weder op te beuren.
"Is het wezenlijk zoo erg, vader?" vroeg hij. "Ik kan toch gaan werken,
in de kotta. Ik weet van Karta dat men in de stad geld kan verdienen,
als men werken wil ..."
Maar de oude weerde hem af.
Neen, van de kotta moest hij als desaman niets hebben.
Hij dacht even aan het lot van zijn oudste. God gave dat het niet
noodig zou zijn! Beiden verdiepten zich weder in hunne gedachten. Rekso
bepeinsde de middelen om voor den komenden planttijd aan zaadpadi te
komen en vond ze niet. Siman overlegde of hij op de kawedanan [25]
niet wat kon bijverdienen; hij kon ook hout kappen in het bosch om te
verkoopen te Walirang. En in den overmoed der jeugd, die niet opgeeft,
omknelde hij werktuigelijk grootvaders kris.
"Wij zouden kunnen wegtrekken van Tjidamar ..." opperde Pah Rekso.
Even trof Siman een schok van plotselingen schrik. Weggaan? Van
Tjidamar heengaan, waar Djiah was? En waarheen zou men gaan? Het zou
overal wel hetzelfde zijn. En hier was de grond toch rijk; als men
slechts voldoende water op de sawahs kon krijgen.
"Waarom wilde u weg, vader? Hier bent u geboren, en daar ginds kunt u
de kambodja [26] zien, waar grootvader begraven ligt. Wij allen zijn
hier geboren. Zullen wij dan niet hier sterven? Het is niet goed,
vader, het land te verlaten, dat ons zag geboren worden."
De innige gehechtheid van den Javaan voor den grond, waar hij geboren
werd, dreef Siman tot strijd voor dien bodem. Zoo meende hij. In
waarheid kwam nog een groote factor in rekening: Djiah. Het was
schoon trouw te blijven aan zijn geboortegrond, omdat hij ook was de
geboortegrond van Djiah!
Maar de oude was koppig. Hij had al vaker aan de mogelijkheid gedacht,
dat de nood hem zou dwingen weg te trekken. En toen hij onlangs
over de Tjiboeroeng was geweest bij de desa Randoe-aloes, had hij
den stroom langs gekeken, die in eindeloos geklots zijn golven naar
het noorden voortjoeg. Gaf de rivier hem den weg niet aan? Hoog in
de lucht had een eenzame koentoel een schreeuw gegeven, en toen
Rekso opkeek, zag hij den reiger noordwaards vliegen met groote,
rustige wiekslagen. Rekso twijfelde niet of de vogel had met dien
eenen schreeuw zijn aandacht willen trekken. De toevalligheid had
hem getroffen, en was hem bijgebleven. Zou hij niet wijs doen om de
teekenen te gehoorzamen? Hij dacht traag, maar daardoor ook wisselde
hij niet dan zeer moeilijk van gedachten.
Daar ver in het noorden, aan gene zijde van de donkere silhouet der
bergen, hield het gouvernementsgebied op. Daar waren de particuliere
landen Alas Bamboe en Telatiga, en meer naar het westen strekten zich
de groote Seboeroengan- en Tjimanis-landen uit, zoo had hij vernomen
van den schrijver van den regent, die een neef was van zijn vrouw. Daar
op die particuliere landen, had de djoeroetoelis [27] gezegd, werd
geen padjeg gevraagd; maar dat geloofde Rekso toch niet. Hij kon zich
niet denken een land, waar geen belasting werd geheven. Wel moest
een vijfde gedeelte van den oogst worden afgestaan aan den landheer;
en ook moesten, evenals in Warnaleutik, heerendiensten worden verricht.
"Het wordt koud, Siman," zeide Rekso opstaande, "en de maan is al hoog
geklommen. Morgen is het weer een zware dag. Laten wij gaan rusten."
Zwijgend gevolgd door Siman, ging de oude de hut binnen. Deze bestond
uit twee vertrekjes, door een bamboezen wand gescheiden. In het voorste
sliepen de ouders en de twee kleinsten. In het tweede vertrekje trad
men door een niet af te sluiten opening in den wand, waarvoor een goor,
roodachtig, verkleurd gordijntje hing. Hier sliepen Siman, zijn zusjes
en Djamin. Door een deur tegenover het gordijn in den achterwand kwam
men onder den emper [28], waarvan een deel, afgeschoten door een stuk
kadjang [29], dienst deed als keuken. Dat was de geheele woning, in
het geheel nog geen veertig vierkante meters oppervlakte beslaande,
waar negen paar longen moesten ademen. Rekso en Siman kwamen zich
bij moeder Ten en de beide oudste meisjes onder den emper voegen. Zij
wachtten geduldig, zwijgend, tot Ten hun wat rijst had opgeschept op
een pisangblad; een kleine hoeveelheid sambal djeroek [30] en een
sajoer [31] van reboeng [32], meer voor den smaak dan als voedsel,
voltooiden het maal. Rekso en Siman kregen elk nog een stukje visch. De
twee zusjes waren aan het kibbelen. Ipah was jaloersch op de mooie
Mariam en zij, het werkzame huismoedertje, kon van de jongere niet
velen dat ze lui en gemakzuchtig was.
Het eenvoudige maal was spoedig afgeloopen. Rekso stak een strootje op;
hij zette zich op de bamboezen zitbank, sloeg de armen om de omhoog
getrokken knieën en verzonk weer in gedachten. Terwijl Siman de geit
in den anderen hoek van den emper wat versch voeder in den stok gaf,
waarvoor het dier uit erkentelijkheid zacht mekkerde en zich tegen
hem aanwreef, wierp de jonge man steelsche blikken op zijn vader. Hij
wist wat er bij den oude omging en dat verontrustte hem.
In de verte huilde een hond tegen de maan, die door de wolken
joeg. Even loeide een buffel in de kraal. De beide meisjes hadden
zich reeds op haar tikar [33] uitgestrekt. Ook moeder Ten had zich
te rusten gelegd. Eindelijk ging ook Rekso naar binnen.
"Laten we maar gaan slapen," zeide hij als nachtgroet.
Siman sloot de deur van den emper, legde zich neer op de mat in den
hoek naast Djamin, die hoorbaar ademhaalde, vleide het hoofd op het
gore, grauwe kussen en trok den sarong om zich heen. Lang kon hij
den slaap niet vatten. Hij dacht er over, wat hij doen moest als zij
toch Tjidamar zouden verlaten en Djiah achterbleef. Hij hoorde Rekso
eenige woorden wisselen met zijn moeder. Als hij het hoofd oplichtte
kon hij langs het gordijntje hen zien liggen. Och, wat zou het:
voor de oudere kinderen, ook voor Djamin, bestonden geen sexueele
geheimen meer. Hun hinderde de aanwezigheid van vader en moeder niet,
en deze behoefden zich om hen evenmin in acht te nemen.
Buiten loeide de wind.
Vroeg was Siman reeds op. Binnen sliep men nog, toen hij de geit haar
vrijheid gaf en zich in het beekje wiesch. Toen schepte hij zich wat
rijst op, die er nog stond van gisteravond en ontbeet met sambal
als toespijs. Uit de kamer nam hij zijn patjol en begaf zich naar
de sawah. De leiding moest noodig uitgediept worden. Er was al weer
minder water en wat er nog was, had nauw kracht genoeg om de sawah
te bereiken.
Voor de woning van Djiah's vader vertraagde hij den tred. Juist
opende zich de deur en verscheen Pah Ran op den drempel. Hij wenkte
Siman en voegde zich bij hem. Samen togen zij verder. Pah Ran's sawah
lag nabij die van Pah Rekso. Zij was nog kleiner dan Rekso's sawah,
maar lager en daardoor met het oog op het water beter gelegen. Ook
was Pah Ran bezitter van een buffel.
Beide mannen waren spoedig aan het werk. Met eentonige regelmaat
sloeg Simans patjol in de bedding der leiding. Het was nog vroeg,
toch zweette hij reeds in de frissche morgenkoelte.
Wij meenen dat de Javaan lui is en den arbeid vreest en wij beoordeelen
hem naar onze goedkoope huisbedienden. Maar als de blanke nog in diepen
slaap ligt, trekt de Javaan, man, vrouw en kind, reeds zwaar beladen
passarwaarts; dan is hij reeds aan den arbeid op tegalan [34] of sawah.
Siman had in het laatste half uurtje telkens opgekeken naar Pah Ran,
dien hij onvermoeid bezig zag met het snijden der merang, [35] welke
als mest dient op de sawah's. Hij wilde met hem spreken. Maar de
gelegenheid was nog niet gunstig.
Eindelijk zag hij Pah Ran op de galangan [36] neerhurken om zijn arit
[37] aan te zetten op den slijpsteen. Hij zette zijn patjol neer en
ging op den ander toe.
"Ik wou wel met u spreken, Pah Ran," begon hij. De ander keek rustig
op. Hij wist dat Djiah, zijn dochter, en Siman het met elkander eens
waren. Hij had geen bezwaar. Hij hield veel van den flinken knaap,
die iets ernstigs over zich had, al kon hij bij tijden toonen ook een
goed deel luchthartigheid, het privilegie der jeugd, te bezitten. Pah
Rekso bezat nog minder dan hij, dat is zoo, maar mariages de raison
zijn zeldzaam in de desa. En hij hield zeer veel van zijn Djiah,
zijn eenig kind, en zou haar niet gaarne verdriet doen. Zoo meende
Pah Ran niet anders dan een verklaring en een aanzoek te vernemen
van Siman en hij was wel verrast door de vraag van den jongen man:
"Zeg, Pah Ran, kunt ge mij zeggen, waarom er in de Tjikanding-Saät
geen water meer is?"
"Ja, dat kan ik je wel zeggen, maar waarom vraag je dat?" antwoordde
hij.
"Omdat ik gehoord heb, dat het water uit de Saät gestolen is."
"Dat is ook zoo, Siman. Dat is zoo. Ze hebben het van ons gestolen,
lang, heel lang geleden. Ik weet het van mijn vader. Die heeft het
ons vaak genoeg verteld."
"Maar ik begrijp niet, Pah Ran ..."
"Kijk, Siman, je weet dat bij de desa Tjisanoer in de Tjikanding een
groote steenen dam is gelegd, niet waar? Vandaar loopt het water
van de Tjikanding in een leiding op het land Alas Bamboe. Je moet
je dat goed voorstellen, Siman. Vroeger ging de Tjikanding langs
de grens van het district Tjioedik en dan verder naar het oosten,
naar het district Tampo. Maar door dien dam bij Tjisanoer werd al
het water afgesneden. En nu weet je ook zeker wel dat er een oude
dam is in de droge bedding van de Tjikanding bij Bandar. Vroeger,
zoo heeft mijn vader verteld, werd daaruit het water afgetapt voor
de bevloeiing van onze sawahs. Dat kan nu niet meer."
"Maar is het niet mogelijk om het water van de Tjipalang op onze
sawahs te brengen?"
"Neen, dat water is alleen voor de oostelijke sawahs te
gebruiken. Vroeger was dat anders. Maar de landeigenaren van Telatiga
hebben een dam gebouwd in de Tjipalang dicht bij Langoe en het water
naar het noorden geleid. De Tjipalang heeft nu alleen water als er
bandjir [38] is en de Tjipalang-leiding als het ware overloopt."
"Dus, Pah Ran, als ik u goed begrijp, is het ook ons water dat nu
naar de particuliere landen wordt afgevoerd?"
"Juist. Daar is nu water genoeg, maar wij hebben altijd gebrek."
"Is dat al lang geleden?"
"Al heel lang, Siman. Mijn vader was toen nog jong. Vroeger waren Alas
Bamboe en Telatiga één land, weet je. En toen is het gescheiden in
tweeën, en toen hebben ze ook de leidingen gegraven voor het water,
waarop ook wij, lieden van Warnaleutik, recht hadden."
"Maar dan, Pah Ran, de regent moet dat toch gemerkt hebben, dien
diefstal, en de assistent-resident ...
"Of er toen een assistent-resident was, weet ik niet, mijn jongen. De
regent heeft er natuurlijk kennis van gedragen. Maar je weet hoe het
gaat, Siman: de landheeren zijn machtig, en alleen Mohameds paradijs
ontsluit men niet met goudstukken. Het geeft zoo'n soesah, Siman,
als je eerlijk bent. Heeft niet die brave controleur Meyer--het
zal nu wel tien jaren geleden zijn, Djiah was nog geen vijf jaar,
geloof ik--zijn hoofd gestooten toen hij poogde om het onrecht te
herstellen? Er is toen een commissie geweest, omdat de controleur
geklaagd had. De toean assistent van Telatiga en de toean assistent
van Warnaleutik, onze kandjeng regent [39] en ook de regent van
Telatiga, en de controleur zijn toen te Tjisanoer geweest en hebben
dien diefstal onderzocht. En ook de toean besar [40] van Alas Bamboe
was er bij en een toean ziender [41]. Daar is toen veel gelogen,
Siman. En de machtige landheeren hebben het weer gewonnen, alles bleef
als vroeger; alleen werd de goede controleur overgeplaatst .... Ja,
ja, je hebt geen oentoeng [42] als je het onrecht niet kunt dulden."
De oude zweeg. Siman dacht over het gehoorde na.
"En dus daarom," zeide hij na een wijle, "mislukt nog altijd een
groot gedeelte van den oogst in ons district Tjioedik. En is dat ook
de reden van de mislukking van de padi in het district Tampo?"
"Niet geheel, Siman. Want de landheer van Alas Bamboe heeft eigenlijk
slechts het voorbeeld gevolgd van dien van Telatiga, die voorgegaan
was met waterroof uit de Tjipalang. Het voordeel van dien roof was
niet gering, en wat deze deed met de Tjipalang, heeft hij met de
Tjikanding gedaan. Dat heb ik je al verteld."
Weer trad een pauze in.
Toen nam Pah Ran zijn arit weer op. "Je moet er maar niet over tobben;
dat maakt je ontevreden, en dat dient tot niets." Hij wilde zich weer
aan den arbeid begeven.
"Pah Ran, is daar nu niets aan te doen? Kunnen wij dat water nooit
meer terugkrijgen?"
Er lag iets smeekends in de stem van den jongen man, waardoor Pah Ran
hem met aandacht opnam. Zou de jongen verkeerde denkbeelden koesteren
en ontevreden worden?
"Niets, Siman. Er is niets aan te doen. Wij zijn maar arme
desamenschen, en de landheeren hebben veel kwassa [43] en veel
geld. Maar wat wilde jij dan, Siman?" vervolgde hij bezorgd.
"Ik wou dat ik toch dat water op onze sawahs kon krijgen, Pah Ran. De
padi kan niet zonder water blijven ... Wij zouden dien dam kunnen
afbreken ..."
"Doe geen dwaasheden, Siman. Zoo iets wordt dadelijk gemerkt. En
weet je wat er dan op staat? Eerst de gevangenis en dan veroordeeling
... wegens waterdiefstal," zeide Pah Ran schamper.
"Maar dat kan niet. Wij stelen niet, Pah Ran; wij nemen alleen terug
wat ons ontstolen is ... dat is toch geen diefstal ...!"
"Je bent nog erg jong en naïef, Siman."
"Maar het moet, Pah Ran, het mòet, anders moeten wij weg ...!" Het
was de angstkreet van een, die geen uitweg weet.
Pah Ran stond als van den bliksem getroffen. Weg? Moest Siman weg?! Was
de jongen gek geworden?
"Wie moeten weg?"
"Wij, Pah Ran, vader, moeder en ik, wij allen."
"Waarom?"
"Omdat er niets meer is om van te leven."
"Maar dan kunnen jullie toch bij ons komen. Ik heb te veel voor mij
en Djiah."
"Dat kan niet, Pah Ran, we zijn met ons negenen. Ik dank u."
"En waar wil je dan heen?"
"Vader wou naar het noorden. Ik weet zelf niet waarheen."
Weer stokte het gesprek; te veel gedachten verdrongen zich bij
beiden. Siman stond met een zucht op en verwijderde zich.
Pah Ran keek hem nog lang na, hoofdschuddend.
Vergeefs trachtte bij dien avond Pah Rekso er toe te brengen zijn
plan te laten varen. De oude was koppig en de tegenstand, dien hij
bij de zijnen ontmoette, maakte hem kregel. Hij nam zich daarom voor,
om eerder dan zijn aanvankelijk plan was, te vertrekken.
"Morgen zoek ik een kooper voor mijn grond!" zeide hij
vastbesloten. Dat was zijn laatste woord.
Siman vergezelde Pah Ran en Djiah, die meegekomen was, naar huis. Het
drietal was in zeer gedrukte stemming. Bij Siman kwam het niet op
tot zijn vader te zeggen dat hij blijven zou, om Djiah; zij vroeg
het hem niet. En toch, als hij het fijne profiel van de jonge maagd
en haar ranke lijf beschouwde, gevoelde hij, dat hij in staat zou
zijn om den eerbied jegens zijn vader op te zeggen. Maar dan nog,
wat zou het geven? Hij zou niets bezitten en het streed met zijn eer
eerst te moeten leven door de goedheid van Pah Ran en hem dan zijn
dochter tot vrouw te vragen, ook al wist hij dat Pah Ran hem het een
zoo graag als het ander gunde.
Kon Pah Ran niet mee? waagde Djiah te veronderstellen. Maar haar
vader schudde het hoofd. Hier had hij het goed, wie kon zeggen wat
hem elders wachtte? En dan, hij was hier te Tjidamar geboren. Neen,
het zou verkeerd zijn weg te gaan.
Het was een treurig afscheid tusschen Djiah en Siman voor de woning van
Pah Ran. "Ik ben bang, Siman, als je weggaat," fluisterde Djiah. "Saïd
Alaidroes vervolgt mij overal. En als hij vader nu eens geld, veel
geld bood, Siman; vader is arm, en ik ben maar een meisje ..."
Siman balde de vuist en zijn hand zocht de greep van de kris, die
hij sedert den avond te voren bij zich had gestoken, omdat hij haar
een djimat dacht. Alaidroes, die Arabier, die desa-hyena! Hij had hem
al geruimen tijd in het oog, omdat hij Djiah niet met rust liet. Die
gemeene woekeraar was rijk. Hij kon veel geld bieden aan Pah Ran. En
wat kon hij zelf, hij, Siman, daartegenover stellen? En als hij weg
was, zou Alaidroes de handen vrij hebben. Nu nam hij zich in acht
voor den ontembaren, krachtigen, jongen Soendanees, in wiens blikken
hij meer dan eens haat en vijandschap had gezien.
Neen, hij moest niet gescheiden worden van Djiah; hij moest haar
beschermer zijn.
In zijn kamertje strekte hij zich moedeloos op zijn leger uit. Weer
duurde het lang voordat hij den slaap kon vatten.
De gamelan liet de geliefde oedjan'mas [44] hooren. De panajagan [45]
was zijn instrument volkomen meester, en bespeelde het met vaardigheid;
virtuositeit zou men het met billijkheid mogen noemen. Wel, in de
geheele desa Gatok was geen beter gamelanslager te vinden; ja, men kon
gerust beweren dat in de geheele afdeeling Herea van het particuliere
land Alas Bamboe--de "klassieke afdeeling Herea" noemden de Europeesche
opzichters haar om den Griekschen klank van den naam--geen beteren
panajagan kon worden gevonden. Onverstoorbaar hield hij maat, niet
af te leiden door de vroolijke drukte om hem heen, de lachende
menschenmenigte, de vele tientallen brandende olieglaasjes. En de
overige leden van het orkest stonden hem onberispelijk bij. De kromong
[46] accompagneerde in den middentoon, de kendang [47] zorgde voor
den doffen maatslag; de melodie werd gevolgd door de tweesnarige rebab
[48]. De hoogere tonen werden evenmin vergeten. Met een vaardigheid,
van langdurige oefening getuigende, viel de man aan de ketoek met
den regelmaat van een uurwerk in, de kempoel deed hooger, de bendeh
[49] de hoogste tonen hooren. De twee go-ongs [50] en de kleinere,
schellere sarons [51] wisselden elkander aldoor rythmisch af.
Op een afstand heeft deze muziek, de oedjan'mas, zelfs voor Europeesche
ooren iets melodieus en weemoedigs, dat week stemt.
De Javaan is een vriend van den weemoed; zelfs op zijn vroolijkste
feesten wenscht hij de lagoe blenderan [52] of de oedjan'mas. Veel
minder heeft hij op met de lawaaierige giroh [53].
Er was groot feest in de woning van den koewoe [54]. Voor op het
erf stond een eerepoort met een rood-wit-blauw doek en eenige
klapperbladeren versierd; en wel vijftig flikkerende en walmende
olielichtjes in ruwe glaasjes maakten een alleraardigst effect. Er
waren zelfs lampions hier en daar, en in de pendopo [55] van de woning
brandden wel vier petroleumlampen, terwijl buiten aan de stijlen nog
al meer illuminatie was aangebracht. Het was een bruiloftsfeest, nog
op de echt-prettige manier, met open tafel voor ieder voorbijganger,
voor ieder die op bezoek wilde komen. Op het erf en rond de pendopo
zag het zwart van het volk. Zulke mooie feesten had men in lang
niet bijgewoond; het was een eenige gelegenheid! Mannen, vrouwen en
kinderen verdrongen zich om naar den demang [56] te zien, die om zijn
fijn tandakken [57], geheel in stijl, bekend was.
Maar ik zal niet uitweiden over het tandakken, noch over de elegante
bayadère, een mooie jonge vrouw--een verdorven vrouw tevens,
een die nergens achting vindt onder haar landgenooten. De kunst
miskend! Zij is een straatdeerne van de minst eischende soort. Ik
zal u niet vertellen van het bruiloftsfeest zelf, dat al uren aan de
gang was--Indische lezers hebben die dingen meer gezien, en anderen
kunnen een beschrijving van zulk een feest, zonder dronkenschap,
zonder lawaai, zonder liederlijkheid, elders zeker beter vinden. Het
was een feest, ingetogen als het volkskarakter, maar toch een van
vroolijke, prettige drukte, waarover nog dagen werd nagepraat in
Gatok. Eerst ver na twaalven werden bruid en bruidegom in optocht
weggeleid, zooals het oud gebruik wil. En de schuchtere, bedeesde
maagd, met de boré [58] op het gelaat, de strak gedraaide kondé [59]
met melatti en kralen versierd--waarlijk het is Djiah, de dochter van
Pah Ran van Tjidamar. En naast haar loopt haar echtgenoot, trotsch op
zijn mooie bruid, Siman. Wat is hij mooi uitgedost met zijn glimmende,
korte zwarte jas, en de keurig gevouwen sarong! Achter uit den gordel
steekt het gevest van de kris van zijn grootvader, zijn djimat.
Zij treden de kleine woning binnen, waar zij voortaan hun leven zullen
slijten naast elkander. Een deel van de muziek is meegetrokken en
verscheurt de lucht thans voor de gesloten deur met helsche fanfares,
waarbij de jeugd vooral op luidruchtige wijze van de heerschende
vroolijkheid getuigt. Ruwe, toch niet kwaadgemeende kwinkslagen worden,
maar niet luide, gehoord onder de ouderen, waarvan er menigeen Siman
om zijn lief vrouwtje benijdt. Dan kan het huwelijk als ingewijd
beschouwd worden en trekt het geleide weer terug naar het feesthuis,
aan het andere einde van de desa.
Siman en Djiah kunnen nog lang de zachte klanken hooren van de gamelan,
nu en dan verbroken door een hol klinkenden slag van go-ong of saron,
wijdend het afscheid van Djiah van haar meisjesjaren.
In de binnengalerij van de woning van het desahoofd zaten, terwijl het
feest nog in vollen gang was--het zou zeker niet voor het hanekraaien
eindigen--op een rustbank Pah Rekso en Pah Ran genoegelijk te
keuvelen. De zoon van den koewoe hield hun gezelschap. Mah Ten was
voor een uurtje naar huis teruggekeerd; de slaap overmande haar. Hun
woning stond zeer nabij die van het jonge paar, maar was te klein en
te onaanzienlijk om er een feest in te geven, en de koewoe had hun
bereidwillig zijn huis, het grootste in de desa, aangeboden. Van het
aanbod was gretig gebruik gemaakt.
Siman en Djiah moesten een schitterende bruiloft hebben, dat was
uitgemaakt. En waarom ook niet? Men was rijk nu!
Ja, de beide oudjes hadden geld, al was er nu niet bar veel meer
van over na de kapitale fuif. De geschiedenis van hun wedervaren in
de laatste drie maanden was heel eenvoudig. Pah Rekso had zijn sawah
verkocht aan een buurman. Hij had wel begrepen dat de assistent-wedana
er achter zat; trouwens de buurman was een familielid van des wedana's
vrouw. Maar het kon hem après tout niet schelen. Hij had het geld
contant ontvangen. Meer vroeg hij niet. De geit had ook een kooper
gevonden. En wat er meer was werd meegenomen. Toch was het een heele
onderneming geweest voor het gezin. Ze waren nog nooit verder dan de
kotta geweest en nu zouden ze dagen en dagen onderweg moeten zijn. En
dat, beladen met het huisgerei: een gendi [60] en een kleine paso
[61], een paar pannetjes, een tjobek. [62] De tempajan [63] hadden ze
wel achter moeten laten en ook het bed. Dat was te oud en te slecht
om nog verkocht te kunnen worden.
Te vergeefs hadden Rekso, Siman en Djiah bij Pah Ran aangedrongen
mede te gaan. De oude was zelfs voor de tranen van zijn dochter niet
bezweken. Djiah was diep bedroefd. Haar lief gezichtje stond bedrukt
en ze lachte niet meer. Ook Siman zag de toekomst donker in.
Een dag of drie voor het vertrek echter was Pah Ran op ongelegen
tijd--men was bezig met de toebereidselen voor een slametan, [64]
om oentoeng [65] te hebben op de reis--in de woning van Pah Rekso
gekomen. Zijn gezicht stond donker.
"Zeg, buurman, heb je gehoord dat de landrente verhoogd wordt?" barstte
hij uit.
De ander keek verwonderd en met schrik op. De gewoonte deed hem er
een oogenblik niet aan denken dat de verzwaarde belasting hèm niet
zou treffen.
"Is het waar?" vroeg hij.
"Ja de djoeroetoelis heeft het mij zelf verteld. Hij heeft de printah
[66] gelezen, zegt hij."
"En onlangs zijn de desadiensten al verzwaard. Het gouvernement
schijnt wel arm te zijn, tegenwoordig."
"Ja. Het heeft geld noodig om nieuwe soldaten te werven, want er zijn
wel duizend doodgeschoten in den prang Atjeh. [67] Maar dat weet ik
niet, Pah Rekso, ik heb het maar van hooren zeggen. Wat ik wel weet,
is dat het een schandaal is."
De brave wist niet dat er van zulk een verhooging der landrente geen
sprake was. Wel had de nieuwe landvoogd--dat er een nieuwe toean
besar was, ook daarvan wist men in de desa Tjidamar niets af,--een
circulaire doen rondzenden aan de hoofden van gewestelijk bestuur om
beter te zorgen voor de inning der door de bevolking verschuldigde
belastingen. De opdracht had den weg afgelegd van de residenten tot de
inlandsche bestuursambtenaren en dezen gaven in den meest practischen
vorm aan het bevel uitvoering. Het kwam er immers maar op aan dat er
meer geld binnenkwam; welnu, de eenige weg om een resultaat te kunnen
aanwijzen, was: de belasting te verhoogen. Veel behoefde het niet te
zijn. Bleef de ambtenaar in gebreke door meerdere opbrengst te wijzen
op meer activiteit, het zou hem allicht slecht worden aangerekend.
En aan de andere zijde was die eigenmachtige belastingverhooging niet
te controleeren. Wat lag meer voor de hand dan zich te beroepen op
meerdere draagkracht der bevolking? Het was dwaasheid zich moedwillig
het ongenoegen van de hooggeplaatste ambtenaren op den hals te halen.
"Schandaal of niet," merkte Pah Rekso droog-wijsgeerig op, "je zult
moeten betalen."
"Ik moet niets. Ik doe het eenvoudig niet!" voer de jongere driftig
uit.
Rekso zweeg. Wat zou hij op die driftige woorden zeggen? Maar Pah
Ran zag aan zijn houding dat Rekso hem dwaas vond. 't Ergerde hem. En
in zijn toorn liet hij zich verleiden tot het doen van een gelofte,
welke hij later verplicht was op geheel andere wijze na te komen dan
hij bedoeld had:
"God hoort mij: eer zal ik het graf mijns vaders met mijn handen
omwoelen, dan een cent meer te betalen."
Het klonk plechtig. De aanwezigen waren onder den indruk en lang nog
na het vertrek van Pah Ran waren de achtergeblevenen te zeer beklemd
om te kunnen spreken.
Die gelofte was een dwaasheid en had tot gevolg dat Pah Ran weg
moest trekken, wilde hij haar gestand doen. Want een strijd tusschen
den assistent-wedana en Pah Ran moest wel in het voordeel van den
eerste uitvallen. Pah Ran had zich nu juist regelrecht in de soesah
gewerkt. Hij met zijn koppigen aard dacht natuurlijk niet aan het
verbreken der gedane gelofte, gesteld al dat hij den moed bezeten had
om het gevaar, daaraan verbonden, te trotseeren. Bovendien zou hij zich
te zeer moeten schamen voor hen, die zijn gelofte hadden gehoord. Hij
moest dus weg. En daar dit natuurlijk bekend werd, speculeerde de
assistent-wedana er op zijn stukje sawah goedkoop in handen te krijgen,
wat hem na lang loven en bieden gelukte. Het vertrek van het gezin
Rekso was in verband met het hiervoor medegedeelde uitgesteld, want Pah
Ran zou nu mee trekken naar het noorden. Twee menschen waren gelukkig
bij dezen loop van zaken: Siman en Djiah. Dat laat zich denken!
Toen was de groote dag van het vertrek aangebroken. Pah Ran had
zijn buffel, een jong, sterk dier, niet verkocht. Met Pah Rekso
had hij een pedatti [68] gekocht en die zou de karbouw trekken. Dat
gaf inderdaad een groot gemak. De kinderen en de meisjes zouden bij
beurten kunnen plaats nemen in het voertuig, en op die manier zou
men beter en vlugger vooruitkomen.
De teekenen waren gunstig toen de reis begon. Siman en Djiah waren
haast den ganschen dag samen; rustte zij al voorttrekkende uit in de
pedatti, dan liep Siman er naast en wisselde van tijd tot tijd een blik
met haar. 's Avonds werd rijst gekookt voor den geheelen volgenden dag
en de nacht werd doorgebracht door een deel der vrouwen in de pedatti,
zoo goed en zoo kwaad als het ging op de boenkoesans [69] en pakken,
de anderen sliepen, evenals de drie mannen en Djanim, onder de kar. Men
kwam natuurlijk langzaam vooruit, want de karbouw moest gespaard worden
voor de hitte. Dus trok men in den vroegen morgen om vier uur reeds
op weg. Om tien uur 's morgens moest het trekdier rust gegund worden,
om de warmte. En eerst tegen vier uur 's middags brak men weer op,
om 's avonds om acht uur uiterlijk af te spannen.
De weg was moeilijk te vinden, maar nauw meer dan een voetpad,
en vaak moest met parang [70] en golok [71] den doorgang voor de
pedatti verbreed worden. Langs den Goenoeng Andjoer ging men in
noordoostelijke richting door ijl bosch naar Tjisanoer. Van hier
uit kon men gedurende een heele poos de Tjikanding-leiding volgen,
die naar wij zagen, door het water van de Tjikanding gevoed wordt
doordat de rivier bij Tjisanoer is afgedamd.
Den eersten dag kwam men niet verder dan het armoedige boschgehuchtje
Passanggrahan Tjikanding, waar de nacht werd doorgebracht. Den
volgenden dag was men in het zwaardere bosch, maar de weg was nog
wel te volgen. Het was een lange trek, dien tweeden dag. Bij Pondok
Boeroeng kampeerde men. De drie volgende nachten moest men zich in
het dichte bosch opschieten. Er werden groote vuren ontstoken om
de wilde dieren verre te houden. Den laatsten dag vooral had men
een vermoeiende reis op den drassigen bodem, waar de wielen vaak in
wegzonken; terwijl door het dichte struikgewas over groote afstanden
de weg moest worden gebaand. In den nacht eerst werd de desa Dojang
bereikt, waar de eerste sawahs de eentonigheid van het woud braken. Na
nog een stuk bosch doorgetrokken te zijn, ontplooide zich voor de oogen
der reizigers de uitgestrekte laagvlakte; zoo ver het oog ging, zag men
de sawahs. Water was er overal! Aan dit kostelijk vocht scheen nergens
gebrek te zijn. In den vooravond was men in de groote desa Tjikoedoeng.
Hier werd de groote rust genomen. Pah Rekso en Pah Ran gingen op
kondschap uit. Veel vernamen de vreemdelingen niet, wijl zij niet
nieuwsgierig waren naar iets anders dan naar de mogelijkheid om
gronden te krijgen en hoe dat geschieden moest. De koewoe gaf den
mannen den raad naar Herea te gaan. De grond was daar zeer goed,
zeide hij, en zuidelijk van de desa Gatok, aan den grooten weg, was
grond te krijgen, ruim drie bahoes, had hij gehoord. De erfpachter
was onlangs overleden zonder kinderen. En als men er vlug bij was,
zou men dien grond wel kunnen pachten. Het ging heel gemakkelijk:
men moest door het desahoofd maar aan den toean ziender doen weten
dat men den grond wel wilde hebben.
En zoo waren de reizigers, na twee dagen oponthoud in de desa
Tjikoedoeng, nog verder oostwaarts over het land Alas Bamboe getrokken,
langs den grooten weg. De desa Gatok was een groote dagmarsch verder
gelegen, nabij de grens van het land en de naburige particuliere
landerij Telatiga.
Het was vlot achter elkander gegaan. Men had den koewoe, het
dorpshoofd, een douceur gegeven voor de vele kosten, die hij verzekerde
te moeten maken, en die inderdaad daarin bestonden dat hij naar den
opzichter ging in de desa Herea en dien mededeelde dat hij den grond,
die indertijd aan Pah Merdja had toebehoord, aan nieuwe opgezetenen
had afgestaan. Hij kwam terug met de ingevulde contract-formulieren,
welke nog slechts door Pah Ran en Pah Rekso behoefden te worden
geteekend. Dezen konden evenwel schrijven noch lezen. Pah Rekso,
die voorzichtig was, wenschte den inhoud van het contract te kennen,
alvorens te teekenen. De koewoe verstond eenigszins de kunst van
schrijven; in lezen was hij evenwel geen meester. Hij nam echter een
houding aan als las hij den inhoud door en deelde hem bij gedeelten
mede, wat hij wist dat het contract bevatte. Zij hadden zich te
onderwerpen aan de bestaande bepalingen, neergelegd in het Reglement
op de particuliere Landerijen van 1856, zij hadden den landeigenaar
het 1/5 gedeelte van den oogst af te staan en eenmaal 's weeks in
heerendienst arbeid te verrichten.
"Zijn er geen andere belastingen?" had Pah Rekso gevraagd, en de
koewoe had verklaard van niet. Rekso had evenwel nog bezwaar om
te teekenen. Een soort instinct waarschuwde hem dat het dorpshoofd
een handlanger was van den landeigenaar, en hij voelde hem als een
vijand. Het desahoofd nam genoegen met het verzoek van Pah Rekso om
hem het papier achter te laten.
"Maar talm er nu niet mee," had de koewoe nog gezegd, "want de gronden
kunnen elken dag aan een ander geschonken worden, zoolang jij geen
erfpachter bent."
Rekso beloofde over twee dagen te zullen terugkomen.
De sawahs besloegen bij elkander nog geen anderhalven bahoe, maar ze
waren goed gelegen en konden vrij gemakkelijk bevloeid worden. Graag
had Pah Ran een grooter stuk gehad, maar Rekso had hem onder het oog
gehouden dat zij de eerste jaren toch nog geen uitgestrekteren akker
zouden kunnen exploiteeren en dat men zijn aanplant langzamerhand
wel zou kunnen uitbreiden. Gescheiden werd het stuk niet, althans
niet officieel. Hoewel er nooit over gesproken was, zoo had men als
het ware bij afspraak reeds uitgemaakt dat Siman en Djiah man en
vrouw zouden worden en als dat gebeurde, kwam alle grond toch in één
hand. Waarvoor zou men dan zich de moeite en de kosten van afmeting
en scheiding op den hals halen?
Dien avond ging Pah Rekso naar den penghoeloe, [72] wien hij verzocht
hem den inhoud van het contract mede te deelen. De penghoeloe was een
klein oud mannetje met sluwe vossenoogjes, iemand, die het, in weerwil
van de vele geschenken, welke hij aannam, goed met de bevolking meende,
wat hem trouwens zijn eigen belang voorschreef. Toch stond ook hij
onder den invloed van den landheer, van wien hij een soort wisselvallig
salaris trok, wat hem evenwel niet belette revolutionair te zijn,
althans tegenover zijn intieme vrienden. Hij was veel te sluw om met
zijn politieke beginselen te koop te loopen. De man genoot een roep
van groote knapheid. Hij kon even vlot lezen als spreken, zeide men.
Rekso vernam van hem den geheelen inhoud van het contract, die hem erg
onschuldig toescheen. Hij dankte den penghoeloe en vergat de douceur
niet. Den volgenden dag teekenden hij en Pah Ran met een kruisje het
contract, welke handteekeningen door den koewoe en den penghoeloe
werden gelegitimeerd. Het dorpshoofd had nieuwe kosten te maken en
dus meenden de beide immigranten hem opnieuw met een kleinigheid te
moeten schadeloos stellen.
Den dag daarop waren Pah Rekso en Pah Ran in het bezit van een
duplicaat van de acte van erfpacht, waar ze wel niets van begrepen,
maar dat zij, domme desalieden, met een kolossalen eerbied voor al
wat papier is, een veilige plaats gaven in hun woning.
Zij waren erfpachters. Wat waren zij trotsch en hoe maakten de jongeren
zich illusies over de toekomst! Met een kinderlijk genoegen werd het
duplicaat-contract telkens open- en toegevouwen. Men had er behoefte
aan zichzelf nog eens en nog eens te overtuigen van zijn bezit.
Dit bestond, gelijk wij zeiden, uit een stuk sawahgrond van nog geen
anderhalven bahoe oppervlak. Het lag vrij gunstig. Een primitieve
leiding bracht uit de nabij gelegen Tjikoentoel het water op
de sawahs. In den westmoeson was er voldoende bevloeiing. En dit
voordeel hadden de nieuwe erfpachters dat zij, althans in normale
tijden, geen vrees voor bandjirs behoefden te koesteren. Hoe het in
een droog jaar zou gaan? Och, Rekso en Ran waren Javanen en dachten
dus geen moeson vooruit.
Het district Herea, waar zij zich hadden neergezet, stond niet bekend
als het beste der vier, waarin het groote land Alas Bamboe verdeeld
was. De gronden zijn er poreus en bezitten de eigenschap niet het water
vast te houden. En een zeer groot deel van het district is dan ook
hoofdzakelijk aangewezen op de regens. In de Tjikanding-leiding, in het
boschgedeelte, is een dam gelegd nog slechts enkele jaren geleden. Deze
dam heeft ten doel het waterpeil te verhoogen en het kostelijk nat
voor de rijstvelden kan zich daardoor in kleinere leidingen over een
naar verhouding toch nog geringe oppervlakte verdeelen. Zoo wordt
het noordwestelijk gedeelte van Herea en het westelijk gedeelte van
het aangrenzende district Sikarang geïrrigeerd. Op een wijze dan,
die op den naam irrigeeren eigenlijk geen aanspraak mag maken.
De practische blik, dien de domme Javaan toch op het stuk van zijn
landbouw bezit, was de beide nieuwe kolonisten van nut geweest. Zij
hadden nabij hun desa, anderhalve paal noordelijker, een setoe [73]
gezien. En zoo terloops hadden zij van gedachten gewisseld over de
mogelijkheid om het heuvelwater daaruit desnoods voor hun velden te
benutten. Zij geloofden evenwel niet dat het noodig zou zijn, want
de Tjikoentoel, hoe kleine kreek ook, niet veel meer dan een sloot,
zou toch ongetwijfeld nog langer water bevatten dan de setoe, die,
met heuvel- en boschwater gevoed, in den drogen tijd wel dienst zou
weigeren, eerder nog dan de Tjikoentoel.
Maar, gelijk wij zeiden, verder dachten Pah Rekso en Pah Ran niet.
Den eersten tijd van hun vestiging hadden zij op het eind van de desa
een woning opgezet, want een leege hut, die zij hadden mogen betrekken
en die ook aan den overleden sawahbezitter had toebehoord, was veel
te klein om hen allen te bergen. Het ging natuurlijk wel tijdelijk:
men wist zich te behelpen, maar als Siman en Djiah gehuwd waren,
dan moesten de jongelui ook goed geïnstalleerd zijn. De nieuwe hut,
van ruwbewerkte balken, bamboe en atap [74] opgetrokken, was er
binnen een week. Drie paar handen werkten er met ijver aan en zelfs
Djamin kon al goeden dienst doen bij het werk met het kloppen der
sasaks. [75] De vriendelijke kleine hut, uit twee afdeelingen en
een emper voor en achter bestaande, was nabij de vrij groote woning
der oudjes gelegen. Pah Ran, die wel van een grapje hield, had Djiah
gevraagd waar ze nu wel zou slapen, in het westelijke of het oostelijke
vertrekje? En toen zijn aardige dochter er zich lachend van afmaakte
met een: "Ach, weet ik het!" had hij met een veelbeteekenend lachje
geraden de oostelijke kamer te kiezen, want 's middags stond de zon
op den westkant en het westelijke vertrek bleef dus voor een goed
deel van den avond het warmste. En, had hij er bijgevoegd, vooral
des nachts zullen jullie de warmte best kunnen missen.
Pah Ran hield van zulke aardigheden, ruw en laag bij den grond,
maar kwaad waren die grappen nooit bedoeld.
Toen de hut er stond, moest een slametan gegeven worden. Om de kwade
geesten te verbannen. Siman en Djiah waren zeer in hun schik met
hun aanstaand kluisje en konden nauw van den tijd van het huwelijk
afwachten, niet alleen om de woning evenwel. Siman had haar vooruit
maar betrokken; er was nog wel geld over om een ruime baleh [76]
te koopen, noodzakelijk meubel, en Djiah had er zelf een klamboe
[77] voor genaaid. Ook ander onmisbaar huisraad was aangekocht en
het keukengerei.
Men was er natuurlijk niet afgekomen zonder de noodige douceurs en
fooien. De koewoe moest vergunning geven voor het bouwen, voor het
houtkappen, voor het halen van kali-steen en grint uit de Tjikoentoel;
hij moest hen inschrijven in registers, zoo beweerde hij, hij moest
den toean ziender om dit vragen en van dat kennis geven. En voor al
die goede diensten moest natuurlijk betaald worden. De koewoe trok
dapper partij van de onbekendheid der nieuwelingen met de plaatselijke
toestanden, en dezen begrepen wel dat zij meer moesten afschuiven dan
van hen rechtens gevorderd mocht worden. Maar wat konden zij er tegen
doen? Zij waren geheel onbekend, wisten heg noch steg, en dan, overal
is de kleine man de dupe van het meer geslepen hoofd, dat een soort
bezoldiging ontvangt van den landheer, en daarvoor zijne medewerking
moet verleenen bij de inning van tjoeké [78] en van padjeg. [79] Waar
zouden Pah Rekso en Pah Ran dan moeten klagen? Bij den opzichter, die
hen niet kende en den koewoe noodig had? Bij den assistent-resident,
die dagen en dagen ver weg woonde, wààr was hun zelfs niet bekend,
en die van dergelijke zaken geen kennis kon nemen? Er viel immer
niets te bewijzen?
En dus schoot er niets anders op over dan te geven wat gevraagd
werd. Het was overigens niet veel: nu eens een kwartje, dan weer
een halve gulden; meer dan dat nooit. Zeker, zij hadden zich kunnen
verzetten tegen dergelijke knevelarij. Buren hadden hen wel reeds
ingelicht dat zij niet voor al wat de koewoe hun in rekening bracht
debiteur waren. Maar de koewoe had hun het gebruik van zijn woning
voor het huwelijksfeest toegezegd en het instinct van den onderdrukte
weerhield de lieden van verzet. Dat zou tot niets leiden; het gaf veel
soesah; het dorpshoofd zou hen nog heel wat slimmer het leven kunnen
verbitteren en op het eind was hij dan toch nog de sterkste. Neen,
de kolonisten dachten eenvoudig niet aan verzet.
Overigens bekommerden zij zich met de zorgeloosheid van den Javaan
niet veel om de geringe onrechtmatige belasting, die van hen geheven
werd, zoolang er nog genoeg in de kous was.
Van het voorschot, dat hun was gegeven, negen gulden, en dat zij
natuurlijk hadden aangenomen--daarvoor waren zij inlanders--hadden
zij den noodigen voorraad zaadpadi ingeslagen in de desa Herea in
het noorden, de standplaats van den opzichter, en toen de sawahs
bewerkt waren, de grond voldoende had uitgezuurd en er genoeg water
op de velden was gebracht, waren moeder Ten en de meisjes aan het
werk getogen en hadden in de plantgaten de padi neergelegd. Het
weer was gunstig, de padi kiemde krachtig uit en reeds begon een
licht zachtgroen dons zich mijlen en mijlen ver over het land uit
te spreiden.
Groen, zoover 't oog reikte, groen in alle nuances: het zware donkere
van het boomloof in de desa's, die hier en daar als gezaaid lagen in
de vlakte van teer groen, waarin weer struiken van donkerder tint een
streep trokken als aanwijzing van leiding of riviertje. De galangans
[80] teekenden de figuren in dit heerlijk tapijt van groen, waarboven
de helder blauwe hemel zich in schitterende strakheid spande. Maar
de menschen, die dit tapijt geweven hadden, zagen niet het schoone
van dat hun zoo bekende landschap. Zij berekenden het aantal picols
[81] padi per bahoe, naar den stand van het gewas. En daar deden
zij wel aan. Zij kunnen van natuurschoon niet leven: de tjoeké moet
opgebracht worden. Dat is nummer één.
Zoo stonden de zaken, toen Siman en Djiah een paar werden en er
bruiloft werd gevierd in de desa Gatok. Voordeelig was het feest
niet geweest. Wel hadden de meeste bezoekers in den koperen schaal
zilvergeld doen glijden, meer of minder, al naar het de beurs paste,
maar daarvan moest welstaanshalve een deel worden afgedragen aan
het dorpshoofd voor het gebruik der woning; en dan, wat er besteed
was aan gamelan en dansmeiden, aan siroop en kwee-kwee, [82] en aan
geschenken voor de vrouwen, die voor den opschik der bruid hadden
gezorgd, had een groot gat in de beurs geslagen.
Pah Rekso en Pah Ran, die op de baleh-baleh hun strootje zaten te
rooken en, de herinneringen ophalend, de gebeurtenissen der laatste
maanden nagingen, hadden geen spijt van den stap, dien zij deden,
toen zij besloten Tjidamar te verlaten.
Laat, heel laat, legden zij zich ter ruste. Zij zouden morgen een
dagje vrijaf nemen.
Toen zij voor hun woning waren gekomen, waar Mah Ten en de kinderen
reeds ter ruste lagen, wees Pah Ran voor het naar binnen gaan over
zijn schouder naar de woning van Siman en Djiah, waar in het vertrek
op het oosten een zwakke lichtschijn viel door den bamboewand.
"Zouden ze al slapen?" vroeg hij met een trek van den mond.
"Goede kinderen," antwoordde Rekso rustig. "Allah zal ze zegenen."
Het particuliere land Alas Bamboe is een zeer groot land, een der
grootste landerijen op Java. De eigenaren hebben er een maatschappij
van gemaakt met een aandeelen-kapitaal van drie millioen gulden. Het
kapitaal kon heel veel grooter zijn, want het land is er groot
genoeg voor. Het beslaat tezamen ruim 180.000 bahoes en zou geheel
in cultuur gebracht kunnen zijn, als de eigenaren wat meer energie
en voortvarendheid hadden gehad, en voor de bevolking wat meer
... hart. Thans is ongeveer het achtste gedeelte van het uitgestrekte
gebied, welhaast een groote provincie van Nederland gelijk,
bebouwd. De rest is wildernis. Vruchtbare grond ligt er bedolven,
duizenden en duizenden bahoes, onder een tapijt van woudmos. In de
bosschen in het zuiden verstoren slechts nu en dan de bijlslag van
een eenzamen houthakker en de roep der vogels de rust van eeuwen. In
het noorden schakelen zich de moerassen aan elkander. Daar verzamelt
de kustbewoner de bladeren van de traté [83], kostelooze lading,
die elders tegen weinige centen van de hand gedaan wordt.
Alas Bamboe, althans het bebouwde gedeelte, ligt zeer laag. De
standplaats van den administrateur, Sikarang, in de gelijknamige
afdeeling, ruim zeven Java-palen het binnenland in, ligt nauw acht
voet boven zeepeil. Wij zagen hiervoor reeds dat de bodem voornamelijk
bestaat uit poreuze zeeklei; hij slaat in den oostmoeson hier en daar
zelfs zout uit. Dat is ook de reden, waarom er op den verbouw van
palawidja [84] niet te rekenen is. Rijst is het product, waarop de
bevolking is aangewezen. Zij moet rijst verbouwen om in het leven
te blijven. En als bij misoogsten dit bestaansmiddel ontbreekt,
dan--vreeselijke consequentie--moet zij onverbiddelijk honger
lijden, meer of minder. Neen, toch is er een middel om aan deze harde
noodzakelijkheid--in de lachende natuur van Java!--te ontkomen. Men
kan uitwijken, vluchten voor het nare spook van den honger en zijn
heil zoeken op anderen grond, buiten Alas Bamboe. Maar deze stap is
moeilijk. Immers, wanneer de nood eindelijk tot emigreeren dwingt,
dan is reeds veel ellende geleden. Van waar moeten dan de middelen
komen om uit te wijken? En gelukt het al, wat dan zal men elders
vinden? In gunstig geval onbebouwden grond. Maar die zal eerst over
een jaar het zweet van den arbeid loonen met de vruchten van den
oogst. En in dat jaar blijft de maag om voedsel vragen.
Toch, er is nog een ander middel om den honger te bestrijden. Een
eenvoudig middel. De grond moet gesterkt worden, zoodat misoogsten niet
meer voorkomen. De slechte factoren in de natuur moeten geneutraliseerd
worden door de kunst des menschen. Irrigatie zij daar waar de droogte
zich doet gelden, opdat de bodem aan de opgezetenen in harde dagen
voldoende voedsel geve om blijder tijd tegemoet te gaan. Natuurlijk
hebben de landeigenaren gezorgd voor een irrigatie-stelsel, beter dan
de regeering haar andere onderdanen schenken kan. Niemand kan echter
van een zaak verlangen, dat zij het belang van anderen dient vóór
haar eigen. Men kan dan ook niet verwachten dat de landeigenaar het
land vruchtbaarder maakt en irrigeert, uitsluitend ten behoeve van de
inlanders. De stelling moet deze zijn: Het eigen belang der eigenaren,
die uit grooter oogst grooter contingent tjoeké trekken, en welk belang
door een misoogst allerminst gediend wordt, heeft de landeigenaren
doen zorgen voor een systeem van irrigatie, zoo deugdelijk ...
Een oogenblik. Het had zoo kunnen zijn. Helaas; het is zoo niet. En
de fout zit niet in gebrek aan fondsen om over te gaan tot verhooging
van de capaciteit langs dezen weg, gelijk elders op particuliere
landerijen en door de Indische regeering met schijn van excuus wordt
aangevoerd. Neen, het grappige in dit bijzonder geval is, dat er
... te veel winsten zijn gemaakt tot dusver. Men taalt niet om wat
meer, en van de eigenaren, die daar ver weg in de lichtstad Parijs of
in het vrouwenrijke Weenen hun gelden verteren in lachende minne en
bruisenden wijn, kan toch waarlijk niet verwacht worden dat zij, in den
genotsroes, zich de hersenen zullen pijnigen met zorgende gedachten
voor de werkers, wier moeizame arbeid hun orgieën betaalt? Dat zou
inderdaad onbillijk zijn.
Niet waar? En zoo is het dan dat de eenige levensbron voor Alas Bamboe
is de kleine leiding der Tjikanding, gevoed met het, aan een andere
bevolking, dat zijn: andere zwoegers, ontstolen water. De Tjikanding
is evenwel slechts een onbeduidend stroompje, waarvan de benedenloop
in den natten moeson zelfs niet is na te speuren, wijl zijn water zich
al maar verdeelt over de sawahs en het zelf ophoudt te bestaan, zich
verliezende in de reuzenvlakte. Anderen natuurlijken watertoevoer voor
de vlijtige landbouwers op Alas Bamboe moet men niet zoeken, tenzij
men de door heuvelwater gevoede beken en kreken, of de zijtakken der
Tjikanding voor deugdelijke waterwegen wil houden, wat zij niet zijn.
De geringe watertoevoer is natuurlijk onvoldoende voor het gansche
land Alas Bamboe. Slechts de beide afdeelingen Sikarang en Herea
hebben het geringe genot van dezen waterzegen. In de andere, grootste
en minst bebouwde, afdeelingen, Goenoeng Lawang en Alas Bamboe, wacht
de opgezetene op de genade des hemels voor zijn velden. Zonder regen
op goede tijden, lijdt hij honger ... Dit is het akelig axioma van
Alas Bamboe.
En toch, het kon zoo anders zijn!
De ruim drie duizend bahoes in het district Goenoeng Lawang, de ruim
zeven duizend bahoes van het daarvan oostelijk gelegen district Alas
Bamboe, en de overige twaalfduizend bahoes van de beide andere nog meer
oostelijk gelegen districten, welke thans reeds bebouwd zijn met rijst,
en vele, vele duizenden bahoes nog maagdelijke grond zouden doelmatig
en ruimschoots geïrrigeerd kunnen worden door een enkele groote rivier,
die in den zuidoostelijken hoek van de landerij haar bruine golven
voortstuwt naar den stroom, die de grens vormt met de Peboeroengan-
en Tjimanis-landen: de Tjikoembang. Maar de eigenaren hebben tot dusver
niet noodig geacht het water dezer rivier ten nutte der bevolking aan
te wenden. Ik zeide het reeds hiervoor: er komt genoeg geld binnen
in de zakken der eigenaren en het altruïsme gaat gewoonlijk juist zoo
ver, tot waar het nadeel voor eigen beurs begint. Bovendien, zoo voert
men aan, de beide districten Goenoeng Lawang en Alas Bamboe, die dan
volgens de "onrecht-aanbrengers" zoo waterarm zijn, worden gescheiden
door een rivier, de Tjilawedok. Dit is volkomen juist. Alleen wordt
er niet bij gevoegd dat deze rivier een nietig stroompje is, dat,
even nadat het in de bebouwde vlakte is getreden, doodbloedt.
Buiten den dam in de Tjikanding, waaromtrent reeds het een en ander
gezegd is, bestaan geen kunstmatige waterwerken. Althans de beide
setoes in het district Herea, door de opgezetenen ten eigen behoeve
ingedamde kommen, kan men moeilijk aanhalen als een bewijs van de
goede zorgen der eigenaren. In de andere districten is van kunstmatige
irrigatie, buiten de primitieve leidingen der ingenieuze landbouwers
zelf, in het geheel geen sprake. Daar is het in concreto dat men
Gods water over Gods akker laat vloeien, en een geluk is het voor de
inlanders dat de grond vruchtbaarder is in de westelijke districten
en vetter, en dat hij daardoor het water langer weet vast te houden.
Dit is dan wat er omtrent de gesteldheid van het land Alas Bamboe
valt op te merken. Ik kan mij onthouden van verdere misprijzing der
landeigenaren, dunkt mij. De toestand, als hierboven geschilderd,
spreekt voldoende voor zich zelf. Slechte regenjaren zijn rampjaren
en wreken zich geducht op het product. In de maanden December,
Januari en Februari komt de padi in den grond. Geoogst wordt van Mei
tot Augustus. Maar wat men elders op het groene Java kan waarnemen:
dat de tijd tusschen oogst en nieuwen aanplant benut wordt om tol
te heffen van den geduldigen bodem in den vorm van tweede gewassen,
dat is op Alas Bamboe, en ook op het aangrenzende land Telatiga,
meestentijds niet mogelijk. Om de droogte. De riviertjes weigeren in
die maanden den dienst, zelfs de levensader, de Tjikanding, droogt
dan bijna uit. En de verbouw van palawidja-gewassen, zooveel hij nog
bestaat, verdient den naam kultuur niet. Hij is geheel onbeteekenend.
Indische journalisten hebben meer dan eens de toestanden op de
beide landerijen op de kaak gesteld en aangedrongen op onderzoek en
verbetering. Daar evenwel over Insulinde de Hollandsche vlag wappert,
valt op onderzoek en verbetering niet te rekenen, en de strijd der
naïeve journalisten was weinig meer dan de kamp van ridder Quichote
tegen de windmolens van Montiel. Het resultaat was, gelukkig voor
de publicisten, minder onfortuinlijk dan het voor hun klassieken
voorganger was. Werd deze in zijn dwaze maar vermetele poging de reuzen
te verslaan door de wieken van den molen op de vlakte neergekwakt:
de koenheid der journalisten om te durven wijzen op misstanden werd
niet beloond met gevangenisstraf als gevolg van een aanklacht wegens
"laster". De wetten in dit land zijn er uitsluitend voor de schelmen,
en er worden hier geen rechters gevonden, die den moed hebben te
handelen en recht te spreken in afwijking van de wet. Het moet voor
de dagbladschrijvers hard geweest zijn, te ervaren dat zij hun "straf"
ontliepen door de goedertierenheid van de eigenaren zelf.
Het was eenige maanden verder. In de desa Gatok ging het leven voort,
met al de kleine ongeriefelijkheden van het bestaan. Pah Rekso was
ernstig ziek geweest. Een zware longaandoening had zijn krachten
gesloopt. Zij hadden in een langdurige zware bui op het veld moeten
wezen, hij, Pah Ran en Siman. Het had al dagen lang bijna onafgebroken
geregend; het water werd een kruis. De sawahs met het jonge gewas
stonden blank. De zware drop knakte de halmen. Met bezorgdheid hadden
de landbouwers de gevolgen berekend. De afvoer was gebrekkig, en steeds
meer en meer water wierp de hemel omlaag. Den derden dag moest raad
geschaft worden, wilde men niet den geheelen oogst aan vernieling
blootstellen. Het veld der nieuwe opgezetenen was door een smalle
strook sawah van den desagenoot Rakiman van de Tjikoentoel gescheiden
en vormde een hooger terras. Het was zaak het overvloedige water af te
leiden, over Rakimans grond naar de kleine rivier, die reeds geducht
gezwollen was. De buurman had geen bezwaar; hij begreep zijn belang,
want ook het water op zijn sawah zou hij daardoor kunnen loozen.
Met groote van bamboe gevlochten hoeden op het hoofd, het bovenlijf
naakt, waren toen de drie mannen in den neerplassenden regen en den
gierenden wind aan het werk gegaan.
Het rijstveld helde naar het zuiden af; het was dus zaak aan de
zuidzijde langs den galangan een voor te slaan. De patjols drongen in
de weeke modder, die op zij uit, zoover mogelijk in de sawah, werd neer
geworpen. Op den galangan kon zij niet worden neergelegd; daar zou de
regen haar weer wegspoelen. Een goed uur hadden de mannen aan dezen
voor gewerkt, nadat de galangan was doorgebroken. In een breeden,
bruinen modderstroom viel het water af in de sawah van Rakiman, om
hierover de Tjikoentoel te bereiken. Ook de galangan, die Rakimans
sawah van het lager gelegen riviertje scheidde, had doorgebroken
moeten worden. Maar hiermede was het werk niet afgeloopen. Het bleek
dat de drainage aan de zuid onvoldoende was; langs den oostkant moest
noodig nog een weg voor het water worden geslagen. En met nieuwen
moed werden de patjols in de klei gedreven. Het water spatte de
landbouwers in 't gezicht; de regen doorweekte hen. De donder ratelde
rusteloos; het licht was niet van den hemel. En steeds weer gierden
en floten de windvlagen over de vlakte en deed de mannen rillen van
verkleuming. Ruim drie uren waren zij bezig geweest, voordat het werk
gedaan kon heeten. Zij hadden voldoening van den arbeid. Waar zij
den blik heen wendden, zagen zij ondergeloopen rijstvelden; slechts
die met voldoende helling, een nadeel bij normale weergesteldheid,
en welke van beter te regelen afvoerwegen voorzien waren, hadden geen
inundatie te vreezen.
Van Ten en Djiah hadden de mannen een warmen kop zwarte koffie
gehad. Toen waren zij weer opgeknapt en bijeengezeten spraken zij
over den gedanen arbeid.
"Het is hier toch ook niet alles even mooi," merkte Pah Ran op. "Als
de landheer wilde, zouden wij nooit behoeven te vreezen voor te veel
of te weinig water."
"Och, de landheer kan daar maar weinig toe of af doen. Hij is een
boedjang, [85] evenals wij: hij krijgt ook zijn printahs van de
eigenaren," wierp Rekso tegen.
"Maar waarom kan het gouvernement niet gelasten dat er beter gezorgd
wordt voor de rijstvelden?" vroeg Siman.
"Alsof het op de landen van het gouvernement zoo mooi is," viel zijn
schoonvader uit. "Je bent nu zeker al vergeten hoe prachtig ons water
geregeld was in Tjidamar. Het gouvernement, wel ja! Dat vraagt alleen,
maar geeft niets, evenals de bedelaars op lebaran."
"Ik heb gehoord," zei Rekso, de kalmste en meest wijsgeerige van
hen allen, "dat de landheer ons wel wil helpen, maar niet kan,
omdat er geen geld is. Dat wil zeggen, geld zal men natuurlijk wel
hebben, want het land moet erg groot zijn en dus wordt er veel tjoeké
ontvangen, maar de eigenaren willen niets afzonderen voor de irrigatie,
begrijp je?"
"Hoe weet je dat zoo, Pah?" werd hem door Siman gevraagd.
"Ik heb het van den koewoe gehoord, mijn jongen. Deze toean besar moet
voorgesteld hebben om leidingen aan te leggen uit de Tjikoembang--die
rivier ligt hier ver vandaan, in het district Goenoeng Lawang, waar
precies weet ik niet. Maar het zou heel veel geld kosten, misschien
wel tienduizend gulden. En nu zegt de koewoe dat de landeigenaren er
geen ooren naar hebben."
Pah Rekso wist er niet veel van, maar in de desa vraagt men niet naar
betere inlichtingen. De zaak zat eenigszins anders. Ruim twintig
jaar geleden had de toenmalige administrateur van het land Alas
Bamboe een ingenieur ter hoofdplaats van het gewest verzocht een
ontwerp te maken van een irrigatiestelsel voor de meest daaraan
behoefte hebbende districten, door aftapping van bevloeiingswater
uit de Tjikoembang. De ingenieur stelde een grondig onderzoek in
en maakte een uitgewerkt ontwerp op. Dit is evenwel nimmer van het
papier losgekomen. Later is door een anderen administrateur,--deze
werd door den koewoe bedoeld--den heer Nederman, de directie te
Batavia weder op de kwestie gewezen. De directie deinsde natuurlijk
voor de kosten terug en weigerde, even natuurlijk, het werk te doen
uitvoeren. Er was drie en een halve ton mede gemoeid, en men wenschte
er zelfs geen duizend gulden aan te besteden. Het kon van de gemiddelde
winst van ruim twee ton gouds per jaar niet af. De gevolgen van deze
... kortzichtigheid--zoo zal ik het noemen--blijven natuurlijk niet
uit. Men kan gerustelijk beweren, zonder vrees voor overdrijving,
dat in Zuid-Herea, waar de magere gronden nooit een goed product
geven, elk jaar in meerdere of mindere mate honger wordt geleden;
dat daar elk jaar lieden zijn, die eens per dag eten, eens in de twee
dagen misschien. Hoe een groot deel van de bevolking er dan leeft,
zal later wel blijken.
Dien avond ging men vroeg ter ruste: den volgenden morgen wachtte
weer werk, als het niet ophield met regenen. Pah Rekso voelde zich
niet goed. Hij had een zware koude gevat, maar met de zorgeloosheid
van den inlander wijdde hij daaraan slechts matige aandacht. Drie
dagen later echter werd hij geplaagd door een beklemming op de borst
en pijn in de longen. Hij begon te hoesten en te kuchen en moest
aanvallen van voorbijgaande benauwdheid verduren. Nog achtte men de
ziekte niet erg. Eerst toen hij na een week begon bloed te spuwen,
maakte zijn omgeving zich ongerust. Een groote maand lang was Pah Rekso
niet tot werken in staat. Toen hij zich eindelijk hersteld waande,
zag hij er uit als een geest. Zijn gelaat was ingevallen, zijn oogen
stonden flets, diep in de kassen. Hij kuchte nog steeds. Rekso zelf
begreep zeer goed welke ziekte hij had: de tering, waartegen ook in
de desa geen kruid gewassen is en die menigvuldiger voorkomt onder
de inlanders dan men oppervlakkig wel meent.
Ook zijn gezin en de anderen beseften wat die droge kuch beduidde. Zij
schikten zich in het onvermijdelijke. Het stond geschreven. Allah wilde
het. Alleen Ten klaagde. Waarom had men ook Tjidamar en de bergen
verlaten? Het was een straf van Allah, die niet wil dat de menschen
het land verlaten, waarin hij hen heeft doen geboren worden. Siman
volgde met groote bezorgdheid de vorderingen der sloopende ziekte,
waarvan hij de schuld wierp op de landeigenaren, die weigerden de
bevolking irrigatie te schenken.
De veldarbeid kwam thans geheel ten laste van Pah Ran en Siman. Zij
hadden er de handen vol aan. Wel had Pah Rekso zich aangeboden
voor diverse werkzaamheden, maar daar wilden de anderen niet van
hooren. Later, zeiden zij, later, als hij weer geheel hersteld was,
kon hij weer mee naar het veld. Maar niemand was er, die geloofde
dat dit nog zou gebeuren.
De regens hadden opgehouden. Het weder was gunstig en de oogst liet
zich goed aanzien. Het liep nu tegen Mei. Laat in Juni, dus berekende
Siman, zouden zij den eersten oogst binnenhalen, die beloofde
mede te vallen. Hij bouwde zich luchtkasteelen, de jonge man. Zij
zouden de rijst van hun petahs [86] verkoopen en er inferieure voor
terugkoopen, want zij voor zich behoefden geen rijst van zes gulden
de picol te hebben. Er zou dan een kleine winst op overschieten en
met het goed geborgen geld, dat er nog was, kon men allicht zich een
buffel aanschaffen, zonder dat de geheele kas werd uitgeput--want er
zouden nog andere uitgaven bestreden moeten worden. Djiah toch was
zwanger en de bevalling werd verwacht tegen Juli. Het kwam wel niet
zeer gelegen, want zeer waarschijnlijk zou men dan nog niet met den
oogst gereed zijn, maar daar was natuurlijk niets aan te doen.
Siman en Djiah beiden wenschten een jongen: dat gaf dadelijk meer
aanzien en oentoeng. Een jongen was altijd oentoeng. Een meisje
gaf meer last dan pleizier en was niet zoo vroeg voor het werk
geschikt. Siman had al eens aan de doekoen [87] gevraagd of zij niet
kon zeggen of het een jongen of een meisje zou zijn en de wijze vrouw
had hem naar verschillende zaken gevraagd om au fait te zijn. Met welke
maan ze getrouwd waren, en of Djiah dadelijk zwanger was geworden,
en nog tal van intieme dingen. Zij was Djiah ook komen opzoeken
om naar den omvang van den buik de kansen op een mannelijk kind
te berekenen. Zij had om koffie gevraagd en daarover druk gebeden
gepreveld, waarna Djiah ze in eenen had moeten uitdrinken, nadat
de doekoen haar den buik en den rug had betast en gepidjit. [88]
Zij had Djiah opgedragen te zorgen niet in den maneschijn te loopen,
want dat zou onvermijdelijk een meisje ten gevolge hebben. Toen de
wijze vrouw heenging, zeide zij nog, elken vijfden dag menjan [89]
te branden en gaf nog wel twintig andere aanbevelingen meer. Nu
was ze gedekt. Werd het geen jongen, welnu dan zou ze zich kunnen
beroepen op het een of andere verzuim. Want geen mensch zou hebben
kunnen onthouden en nakomen wat Mah Itam allemaal had voorgeschreven.
En zoo was er dan reden tot vreugde in het gezin. Alleen de toestand
van Pah Rekso wekte steeds meer bezorgdheid. De man teerde zichtbaar
uit. Zijn bezigheden thuis bestonden in het maken van vogelkooitjes
en het vlechten van manden, hetgeen hij de kleine Djirah nu ook had
geleerd. De anderen schikten zich in den toestand en de ouderliefde,
bij den Javaan zoo ontwikkeld, omringde den ongelukkige met kleine
gerieven.
Djamin deed voorloopig niet veel. Tot ingespannen veldarbeid was
hij nog niet in staat. Trouwens, nu er slechts gewacht werd op den
snijtijd, was er niet veel werk meer op de velden. De regentijd
was normaal verloopen en afgewisseld door het schoonste zonneweer,
dat de aren deed zwellen door de rijpende vrucht. Siman, die in den
geest reeds den karbouw op zijn erfje zag, had Djamin reeds den rol
van botja angon toegedacht.
Toen brak de panèn [90] aan, de eerste oogsttijd voor de nieuwe
kolonisten; zij waren vol goeden moed, want de halmen bogen onder
het gewicht.
Heeft een van mijn lezers wel eens den panèn meegemaakt op het
land te midden van het volk? Welk een vroolijken aanblik hebben
dan de velden, als het goudgeel van het graan doorspikkeld is van
de roode, blauwe, groene en witte vlekken der vrouwenbaadjes; als
heel het landschap in volle rijpheid leeft en trilt. De anè-anè,
het kleine mesje, verborgen in de handpalm der snijdsters, klikt
en klikt tegen de halmen. De wind suist door de strak-heete lucht
en ritselt in de padi. Over het land welft zich een helderblauwe
hemel. De snijdsters zingen al maar voort onder het werk, soli en
koren in droefgeestige modulatie. De jongeren lachen en dollen en
verzuimen het werk niet. Stap voor stap schrijden zij voorwaarts;
wat van de aren valt uit de linkerhand, wordt bijeengezocht door de
lezers, knapen en meisjes. De koperen zon met haar schroeiende stralen
deert het volk niet. Vaak zijn zij van verre gekomen, en zij, die heden
hier aan den arbeid zijn, zullen voor een deel althans, morgen elders,
wat zoeken te verdienen met den oogst. Des avonds is er rameh [91]
in de desa. Dan speelt de gamelan. Het zweet der dampende lijven is
weggewasschen aan bron of leiding, de kondeh is, vet van klapperolie,
in stevige wrong gedraaid; de mooie badjoes worden ten pronk gedragen
door de meisjes. Men snoept de helft van het schamel snijloon weg aan
de vele wandelende winkeltjes, welker eenige illuminatie bestaat in
een walmend oliefleschje. Dan is het een goede tijd voor de jongelui,
want er zijn lieve bekjes onder de verre geburen.
Niet alzoo is de panèn op Alas Bamboe en het was een groote
teleurstelling voor Siman en Djiah en de beide meisjes, Ipah en Mariam,
vooral, dat er van rameh en gamelan niet veel te merken was. Dat was in
de Preanger, zelfs in het armoedige Warnaleutik, toch anders geweest.
De ouderen hadden den anderen geest, die op Alas Bamboe onder
het landvolk heerschte, wel opgemerkt. Men was hier passiever,
gedrukter. De stemming was zoo'n heel andere als daar ver weg in het
zuiden over de bergen, dat zij waarlijk een soort van heimwee kregen
naar de vervallen kluis in Tjidamar.
Zij begrepen nog niet dat de panèn op Alas Bamboe de aanvang is van
een periode van veel leed. Zij kenden dat leed nog niet en geloofden
ook niet de droeve verhalen van knevelarij en afpersing, hun door de
desalieden gedaan. Dat moest wel overdreven zijn.
Reeds maanden geleden hadden Pah Rekso, Pah Ran en Siman de vrijwillige
overeenkomst, waarbij zij zich verbonden hun contingent tjoeké te
leveren in rijst, geteekend en zij hadden in hun domheid gemeend den
landheer nog te moeten prijzen dat hij zoo goed was hen daartoe in
staat te stellen. Zij toch meenden voor zich daar voordeel in te zien.
Hun sawahs waren niet onder die, welke door den landheer gerekend
werden te behooren tot de "goede gronden", waarvan het product wordt
getaxeerd--door den landheer--op 6 1/4 kattie [92] per roede of 31
1/4 picols natte padi per bahoe, maar daar stond tegenover dat zij
weer minder tjoeké zouden behoeven te betalen. En nu hadden zij
bovendien de stille hoop dat zij meer van den grond zouden kunnen
maken dan de taxatie en in dat geval zouden zij bij het teekenen der
"vrijwillige overeenkomst", waarbij het te leveren contingent vooruit
werd uitgemaakt, in het voordeel zijn.
Desagenooten beweerden wel dat die vrijwillige overeenkomsten
afgedwongen werden, maar Pah Rekso en de zijnen, die daarvan voor
hen zelven nog niets gemerkt hadden, waren geneigd hun zegslieden te
houden voor aarts-mopperaars, menschen, zooals men die overal vindt
en wien niets naar den zin gemaakt kan worden.
Op zekeren avond echter was Pah Ran thuis gekomen met een
verontrustende mededeeling. Hij was op bezoek geweest bij een
desagenoot en daar had hij toevallig een djoeroetoelis van den
opzichter van het district Herea ontmoet. Men was in druk gesprek
geraakt; Mas [93] Prawira bleek een onderhoudend prater, die meer
wist, veel meer, dan de desalieden om hem heen: hij kon lezen en
schrijven, was jong en minder conservatief dan zijn omgeving. Hij had
een aangenaam uiterlijk, wat hem door de meisjes als een deugd werd
aangerekend. Nu, een Don Juan was Prawira niet, al mocht hij graag
in mooie oogen kijken.
Hij werd gaarne gezien in de woning van zijn neef Djeni, in Gatok,
wiens vrouw overal met hem blufte. Het was maar goed dat zij niet
de minste bekoorlijkheid meer bezat, anders was de vriendschap van
Djeni voor zijn heer neef wellicht ras bekoeld. Nu was er geen gevaar.
Prawira nu had aan zijn hoorders rare dingen verteld. Hij had hun
met een gewichtig air gevraagd of zij zich nog herinnerden den
landraadspresident te Telatiga, mr. Hazelaar?
Djeni had verklaard van niet, waarop Prawira zijn geheugen had
gescherpt door te herinneren aan verscheidene strafzaken van lieden,
die zij beiden kenden. Ja, toen was bij Djeni de herinnering levendig
geworden.
Nu dan, had Prawira gezegd, mr. Hazelaar, die zoo vaak bewezen had
het wèl te meenen met de lieden, wier ondeugden hij geroepen was te
bestraffen, had een boekje geschreven in het Maleisch, waarin hij
uitlegde welke verplichtingen de opgezetenen hadden na te komen,
maar ook welke rechten zij bezaten.
De nieuwsgierigheid was geprikkeld. Vooral Pah Ran, die nog vreemdeling
was om zoo te zeggen, had veel belangstelling getoond. Hij had nog
nooit eenige rechten bezeten, was zich deze althans nooit bewust
geweest, gesteld dat zij bestaan hadden of nog bestonden.
En Prawira had hun, zoo goed als hem mogelijk was, uitgelegd dat
de landheeren veel meer van hen vorderden, aan tjoeké voornamelijk,
dan waarop zij aanspraak konden maken. Hoe dat alles verband hield
met de bepalingen van een zeker reglement, dat er bestond voor de
particuliere landen, wist Prawira echter niet te zeggen, maar hij was
toch overtuigend genoeg geweest om bij Pah Ran, die nog al spoedig
onder een indruk kwam, een gevoel van wantrouwen te doen opkomen,
dat hem nu niet zoo spoedig verliet.
Hij deelde aan Pah Rekso mede, nog gebrekkiger dan Prawira hem
had ingelicht, wat hij vernomen had. Pah Rekso was bedachtzaam en
voorzichtig. Hij had Pah Ran kalm aangehoord en hem verzocht Mas
Prawira bij hen te noodigen. Hij wilde gaarne meer van de zaak weten.
Den volgende avond was Prawira bij hen. De jonge man werd hupsch
ontvangen en het was niet aller aandacht ontgaan dat hij zeer getroffen
was door de schoonheid van Mariam, die zich extra-mooi had uitgedost,
nadat zij Pah Ran zoo terloops had uitgehoord over Prawira.
Mariam was mooi. Ze was nu een bloeiende maagd geworden met een,
voor een Soendaneesche, zelfs zeer regelmatig gezichtje, in koelit
langsep [94] tint. Een zware kondé, zonder tjemara's, [95] prijkte
met een zilveren naald. Zij was slank en lenig; haar bewegingen
waren gracieus. Een licht zwellende boezem, kleine, teere handen en
voeten--het was een verschijning als van een radènajoe [96] en daar
Mariam zeer goed wist dat ze mooi was, streefde zij er steeds naar
op het voordeeligst uit te komen.
Prawira nam zich dadelijk voor het gezin Rekso méér te bezoeken en
zorgde ervoor bij deze menschen een goeden indruk na te laten. Hij
sneed wat op over zijn positie en zijn inkomen, dat hij, het
verdubbelende, op vijftien gulden in de maand bracht. Hij sprak met
een tikje minachting over dingen, waar de anderen niet dan met zekeren
eerbied van plachten te gewagen.
En toen het op het behandelen van zaken aankwam, waar Rekso telkens
op aandrong, zeide hij dat hij bij zijn neef Djeni in een koffer nog
papieren had, die hij wel even kon gaan halen.
Dit was nu maar bluf, want al wat hij had was een staat van
tjoeké-aanslag, dien hij had moeten overschrijven en waarvan hij een
afschrift meer had gemaakt; eigenlijk zonder dat hij wist, waarvoor
het dienstig kon zijn. Dit papier stak hij in een jasje van hem. De
"koffer", waarmede hij gebluft had, bestond natuurlijk alleen maar
in zijn verbeelding.
Toen hij weg was om zijn papieren te gaan halen, zeide Pah Ran tot
Pah Rekso: "Wel, hoe vind je 'm?" en om kritiek te voorkomen voegde
hij er haastig aan toe: "Hij weet heel wat!"
"Dat schijnt zoo," antwoordde Rekso ontwijkend.
"Onze Mariam schijnt het hem al dadelijk aangedaan te hebben," zeide
Siman lachend. "Pas maar op je dochter, vader."
Mariam was boos.
"Ach, wat," zei ze, "jij ziet altijd dingen, die een ander niet ziet."
"Daar zou ik rijk mee kunnen worden," antwoordde haar broer
grinnikend. "Maar het is toch heusch waar, hoor. Ik zag het aan
zijn oogen."
"Ik ook, Siman," klonk het schelle stemmetje van een der
tweeling-zusjes. Het was een welkome afleiding voor Mariam. Op de
zusjes kon ze rustig lostrekken.
"Stil jij, kétèh [97]," snauwde zij vinnig. "Wacht jij je tijd
maar af!"
De kleine droop af. Dadelijk daarop werd de aandacht afgeleid door
Prawira, die weer binnentrad. Mariam's booze trek om de mondhoeken was
als bij tooverslag verdwenen. Zij voelde dat Prawira een blik op haar
wierp. Daarop vouwde hij een papiertje met streepen en cijfers open,
en streek het vlak op de ruwgetimmerde tafel van geel nangkahout.
De drie mannen keken er naar met wezenlooze blikken van niet-begrijpen
en Siman gevoelde wrevel bij zich opkomen over zijn domheid, die hem
belette al die teekens op het papier te verstaan. Als hij ook eens
lezen en schrijven kon als Prawira! Toen zij nog te Tjidamar woonden,
had hij de school te Walirang wel willen bezoeken, maar de afstand
was te groot om dagelijksch schoolbezoek mogelijk te maken.
"Kunnen jullie dit lezen?" vroeg Prawira, zeker van het ontkennende
antwoord, terwijl hij bewondering trachtte te lezen in Mariams donkere
kijkers. Maar het coquette nest deed hem dat pleizier niet.
"Neen," antwoordde Pah Rekso.
"Ja, zie je," zeide de schrijver weer, "je moet je nu goed herinneren
wat er in de vrijwillige overeenkomst staat. Jullie hebt toch zoo'n
overeenkomst gesloten met den landheer?"
"Neen," zei Rekso, "wel met den opzichter."
"Nou ja, dat is hetzelfde. Teekenen moet je toch, wil je het nu niet,
dan dwingen ze je het volgende jaar."
"Waarachtig niet!" viel Pah Ran in. "Ze kunnen ons niet dwingen!"
Prawira keek hem schamper aan. "Men kan wel zien," zeide hij,
"dat jullie niet lang op het land bent. Geloof me, ze dwingen je,
en de bestuursambtenaren van kandjeng gouvernement [98] doen daaraan
mee. Ja, ja, schud het hoofd maar niet. Ik ken die dingen al zoo lang."
"Maar, om verder te gaan," vervolgde hij, "je weet dat er een bepaling
is in de overeenkomst, de vierde geloof ik ... ah, daar heb je het
ding!" viel hij zichzelf in de rede, het contract uit de hand van
Pah Ran nemende, die het was gaan halen. Hij sloeg de bladzijde om
en las een poosje.
Toen vervolgde hij: "Juist, zie je, artikel vier. Luister!"
En met eentonige stem, half spellend, las hij, heel langzaam: "Van
sawahs, waarvan de opbrengst minder bedraagt dan 6 1/4 kattie natte
padi per Rijnlandsche roede, tot en met een opbrengst van 4 1/2 kattie
natte padi per Rijnlandsche roede wordt tjoeké-rijst betaald en wel
veertig kattie voor elken picol natte padi."
"Nu moet je goed opletten," ging hij voort, "wat deze tjoeké-staat
vertelt." Hij legde de beteekenis van den hierachter curiositeitshalve
opgenomen staat aan zijn hoorders uit.
"Kijk nu eens hier," zei Prawira en hij legde zijn vinger op het eerste
getal in de vierde kolom; "de landheer heeft dus 2191,10 picols rijst
getrokken van ruim 1484 bahoes ..."
"Hoe weet je dat, Mas?" viel Siman hem in de rede.
AANSLAG der Tjoeké-heffing op het Particuliere Land Alas Bamboe in 19..
===============+======================+=====================+======================+======================+============+============
| Goedgeslagde sawa's |Minder goed geslaagde| Slecht geslaagde | | | Totaal
| boven 6-1/4 | sawa's van | sawa's van | TOTAAL | Mislukte | bewerkte
| kattie per roede | 6-1/4--4-1/2 k. | minder dan 4-1/2 k. | | sawa's | sawa's
| | per roede | per roede | | |
DISTRICTEN +------------+---------+------------+--------+------------+---------+------------+---------+------------+------------
| Aantal | Tjoeké | Aantal | Tjoeké | Aantal | Tjoeké | Aantal | Tjoeké | Aantal | Aantal
+-----+------+ aanslag +-----+------+ aanslag+-----+------+ aanslag +-----+------+ aanslag +-----+------+-----+------
|bouws|roeden| |bouws|roeden| |bouws|roeden| |bouws|roeden| |bouws|roeden|bouws|roeden
---------------+-----+------+-----+---+-----+------+----+---+-----+------+-----+---+-----+------+-----+---+-----+------+-----+------
Sikarang | 1607| 211| 4018| 55| 1484| 414|2191| 10| 3954|331 | 4443| 13| 7046| 456|10652| 78| 1153| 228| 8200| 178
Herea | 1162| 64| 2905| 32| 980| 148|1479| 90| 1679| 75 | 1927| 32| 3821| 287| 6312| 54| 703| 71| 4524| 358
Alas Bamboe | 893| 62| 2232| 80| 785| 76|1744| 99| 4522|362 | 4376| 75| 6201| --| 8354| 54| 1000| 491| 7201| 491
Goenoeng Lawang| 1038| 248| 2596| 24| 239| 325| 524| 17| 1511|440 | 1445| 06| 2790| 13| 4565| 47| 235| 416| 3025| 459
---------------+-----+------+-----+---+-----+------+----+---+-----+------+-----+---+-----+------+-----+---+-----+------+-----+------
| 4701| 85|11752| 91| 3489| 463|5940| 16|11668|208 |12192| 26|19859| 256|29885| 33| 3093| 206|22952| 456
===============+=====+======+=====+===+=====+======+====+===+=====+======+=====+===+=====+======+=====+===+=====+======+=====+======
"Neen, die is goed," antwoordde Prawira. "Het staat er immers vlak
naast. Hier kijk maar, links, waar ik nu mijn vinger houd, staat
dat de sawahs te zamen 1484 bahoes en nog 414 roeden groot waren en
daarvan is geheven 2191 picols en tien kattie rijst. Begrijp je?"
"Ja, nu wel," zei Siman.
"Nu, goed. Je contract zegt, niet waar, dat je van zulke sawahs,
die niet minder dan vier en een halve en niet meer dan zes en een
kwart kattie per roede opbrengen moet leveren tjoeké in rijst van
veertig katties per picol natte padi. Is het niet zoo?"
"Ja, dat is zoo," zeide Rekso.
"Dus die 2191,10 picols rijst zijn genomen uit twee en een half maal
zooveel picols natte padi, begrijp jullie wel?"
"Nou, erg goed niet," zei Pah Ran ietwat benepen. Het leek zoo dom om
het niet te begrijpen, Prawira scheen het heel duidelijk te vinden. De
uitlegger zuchtte en begon weer met het gewichtige vraagstuk hoeveel
picols natte padi geweest waren een zekere hoeveelheid rijst, waarvan
veertig katties gewonnen werden uit één picol. Het gelukte hem ten
slotte den anderen een, zij het nog wat vaag, begrip te geven van
dit wonder der mathematiek.
"Dus," vervolgde hij, "die 2191,10 picols rijst zijn geweest ..."
Hij cijferde een poosje met een stompje potlood, dat hij uit zijn
jaszak had opgediept, op den achterkant van zijn papier. Het ging
langzaam, maar hij kwam er toch zonder fout uit.
... "Vijfduizend vier honderd zeven en zeventig picols en vijf en
zeventig kattie natte padi."
"Dat kan wel," zeide Siman, "ik heb het uit 't hoofd nagerekend,
maar ik ben nog niet klaar, het zijn zulke groote getallen."
"Doe maar geen verdere moeite," antwoordde Prawira blufferig, "ik
heb het becijferd. Zoo is het goed. En dus," vervolgde hij, "hebben
die 1484 bahoes zooveel padi geleverd aan tjoeké. En die bedraagt,
of moet bedragen, het vijfde deel van den oogst. Nu kan je zelf wel
uitrekenen hoeveel dat per bahoe en per roede is."
"Doe jij het maar," drong Pah Rekso, die een machtig respect kreeg
voor de kennis van zijn bezoeker.
Deze zat heel lang te peuteren over het eenvoudige sommetje. Het stukje
potlood moest telkens met de lippen bevochtigd worden. De eenvoudige
lieden waren natuurlijk nooit uit dien staat wijs geworden, gesteld
al dat zij lezen en schrijven gekund hadden, en zij beschouwden Mas
Prawira als een phenomeen. Deze zat intusschen te zweeten over zijn
deelsommetje. Eindelijk was hij er.
"Nou, weet je wat die sawahs dan gemiddeld opgebracht hebben?"
Hij keek triomfantelijk rond in gezichten, die een uitdrukking van
angstige verwachting hadden. Toen nam hij, tartend, een slokje van
het koud geworden kopje zwart koffie-afkooksel.
"Niet zes en een kwart kattie en ook niet vier en een halve kattie,
maar een beetje meer dan drie en een halve kattie natte padi per
roede."
"Dus dat is nog niet eens achttien en een halve picol per bahoe!" viel
Siman uit, na een indrukwekkend zwijgen.
"Ja, dat is zoo, geloof ik," verklaarde de rekenmeester.
"Maar dat is bijna misoogst!" brak Pah Ran los. "Dat kan niet, je
zal wel fout gerekend hebben."
Prawira was op zijn teenen getrapt.
"Doe jij het dan maar beter," wierp hij er stuursch tegen.
Prawira had werkelijk goed gerekend. De opbrengst van de "minder
goed geslaagde sawahs" van Sikarang had precies 3,69 kattie bedragen,
volgens dien staat.
"Maar," zeide Siman schuchter en hij was bevreesd voor de conclusie,
die hij zelf trok, "er zijn natuurlijk stukken geweest die veel meer
dan dat hebben opgebracht, want jij, Mas, hebt maar een gemiddelde
berekend; en als dat zoo is, dan zijn er ook sawahs geweest die minder,
en andere, die heel wat minder hebben opgebracht ...."
De anderen zwegen. Alleen Prawira knikte.
Toen barstte Pah Ran uit: "Maar dat is laag, dat is gemeen ...!"
"Och, wel neen," zeide Prawira schamper, "dat komt elk jaar voor. Het
is maar knevelarij, zoo heet het in het reglement, zegt het boekje
van mijnheer Hazelaar. En je merkt het niet, begrijp je. Er wordt hier
een beetje gestolen, en daar nog wat; maar altijd kleine beetjes. En
nu heb ik dat nagerekend, maar anders merk je het niet eens. Maar
zoo kun je alles narekenen, dan zul je telkens zien dat de landheer
altijd meer vraagt dan waarop hij recht heeft."
"Maar," zei Rekso, "het kan toch ook wel zijn dat de landheeren te
laag getaxeerd hebben?"
Prawira lachte spottend.
"Dat behoef je niet te denken, Pah. Dat doen die blanda's [99]
niet. Wat raakt het hun of jij en anderen kreveeren van den
honger? Neen, Pah Rekso, in filantropie doen ze hier niet. Een
particulier land is er niet als liefdadige instelling. En je weet nog
lang niet alles, jullie nieuwelingen. Jullie denkt er niet aan, dat
van het aandeel van den landheer nog geen vijfde deel is afgetrokken
wegens de indroging van de natte padi. Jullie denkt er niet aan,
als je die vrijwillige overeenkomsten sluit, dat je ook nog een zesde
deel van je padi moet geven voor stamploon."
Prawira wond zich op. Hij was au fond een goede knaap en
revolutionair gezind en het ergerde hem, dat zijn landgenooten zoo
werden geschoren. Hij kon dit nagaan, en hem liet het niet, als de
meesten, lauw.
"Jullie zijn toch ook stomme kerels; eigenlijk verdienden jullie
niet beter. Wat drommel, waarom teekenen jullie ook die vrijwillige
overeenkomsten? Je moet weigeren. Alleen padi leveren en bij weging
en anders niet. En als jullie nu maar eensgezind zijt en allemaal
zoo doet dan kan de assistent-resident je ook niets maken."
Prawira wist echter, gelijk nog blijken zal, ook niet alles, bij lange
niet. Zoo is het verhoudingscijfer voor de verkrijging van rijst uit
padi, waar de normale coëfficient op O,54 gesteld moet worden, veel
te hoog genomen. En een berekening, op papier, van veertig katties
rijst per picol natte padi met 20 % breuk is absurd hoog.
Er was een gedrukte stemming gekomen over de aanwezigen; buiten
hoorde men het fladderen der tjodots [100] in den manggaboom en in de
verte blaatte klagelijk een geit. In het kleine vertrekje walmde het
flikkerende olielichtje. Het was reeds vrij laat. De vrouwen waren
successievelijk verdwenen en hadden zich ter ruste gelegd.
"Ik wou je nog wat vragen," zei Pah Rekso tot Prawira, die een strootje
gerold had; "je weet dat onze overeenkomsten worden ingeschreven op het
kantoor van den assistent-resident, ten minste dat is mij gezegd door
den koewoe. Die kan de dingen, die jij me vertelt, toch ook wel weten?"
"Hij zou het kunnen weten, ja meer: hij zou het moeten weten,
maar die kandjeng daar te Telatiga weet niets. Hij teekent de
overeenkomsten maar raak weg, geloof ik. Anders zou hij toch niet
overeenkomsten teekenen voor het land Telatiga, waarbij uitgegaan
wordt van een maatstaf van 33 katties rijst per picol natte padi,
terwijl hier 40 katties wordt geëischt? De assistent-resident is geen
goed bestuursman. Hij doet te weinig, hij houdt niet van soesah. Hij
wil het altijd seneng [101] hebben, en dat kan toch niet als je
assistent-resident bent."
De inconsequentie bij het registreeren van de overeenkomsten met de
opgezetenen van Alas Bamboe en Telatiga gesloten, heeft ook anderen
dan Prawira getroffen. Zij zal den lezer evenzeer treffen, wanneer
hij zich de moeite wenscht te geven op die basis na te rekenen, zich
houdende aan den hiervòòr medegedeelden staat dat in 19 .. aldus de
opgezetenen van een vierde gedeelte van den gecultiveerden grond op het
land Alas Bamboe voor ruim vierhonderd picols rijst werden bestolen!
Het was al heel laat toen Prawira opstapte, met het vaste voornemen
weerom te komen. Om Mariam.
Het was midden Juni. Fel blakerde de zon de gouden velden. Reeds was
men overal in den omtrek aan het oogsten. Weldra zou ook de dag daar
zijn, dat Mah Ten en de meisjes de sawahs zouden ingaan. Drie dagen
geleden had Pah Ran aan den koewoe kennis gegeven, dat zij weldra
de padi zouden snijden. En den volgenden avond was Sastrawidjaja,
de mantri-tjoeké, bij hen geweest.
Zoo'n mantri-tjoeké is een ondergeschikte van den landheer, die er
voor te zorgen heeft dat het aandeel van den eigenaar, het vijfde
gedeelte, bij den oogst ook werkelijk wordt afgezonderd. Dit werk is
niet gemakkelijk, al lijkt het zoo eenvoudig dat men van elke vijf
bossen padi er één voor den landeigenaar op zijde zet, en hiervan
aanteekening houdt. Het kost heel wat tijd in de eerste plaats en
het vordert groote oplettendheid. Immers, de landbouwer betaalt even
ongaarne belasting als de meeste andere menschen en met anderen heeft
hij gemeen de zucht om aan de verplichting tot betalen te ontkomen,
als hem dat maar even mogelijk is. Hij zal zijn best doen om de
minstwaardige padi als tjoeké af te staan, of minder te leveren dan
het vijfde gedeelte van zijn product. Er zijn tal van middelen, die er
alle op berekend zijn voor den toepasser voordeel af te werpen. Voor
den mantri is het zaak de toepassing te verijdelen. In gevallen van
twijfel aan de goede trouw van den landbouwer, van oneenigheid, van
onzekerheid, e. d. zal de mantri de gesneden padi wegen, om langs
dezen weg het aandeel des eigenaars vast te stellen.
Aan den anderen kant is de aanwezigheid van den mantri voor den
landbouwer hinderlijk, vaak hatelijk. Zijn zij geen vrienden, dan
maakt de eerste het den opgezetene lastig, kiest de beste bossen
uit. De mantri staat gemeenlijk in ontwikkeling een trapje hooger, kan
lezen en schrijven, en beschikt over een gezag, voortkomend uit zijn
meerderheid en geschraagd door het gezag van den landheer, die achter
hem staat. En ook zonder dat eenige animositeit behoeft te bestaan,
is de mantri, uit welbegrepen eigenbelang, er op uit, zooveel mogelijk
te requireeren. Dat geeft natuurlijk om kleinigheden vaak wrijving.
Er zit voorts nog meer vast aan die tjoekélevering, wanneer de landman
zich bij "vrijwillige overeenkomst" gebonden heeft. Het eerste artikel
van die overeenkomst bepaalt n.l. dat de sawah-opbrengst bij het
rijpen der padi bepaald zal worden naar den maatstaf van het gewicht
der gesneden padi van één enkele vierkante Rijnlandsche roede. Wat dit
zeggen wil, zouden de bestuursambtenaren moeten begrijpen, wanneer
zij niet al hun tijd wijdden aan het opmaken van staten en stukken,
om daaruit te doen blijken, hoe goed het in hun gewest, afdeeling
of district gaat. Daardoor ontgaat het hun, dat het hun plicht is
te weigeren de vrijwillige overeenkomsten tusschen landheeren en
opgezetenen op de landen Alas Bamboe en Telatiga te registreeren.
Het gewas toch van een sawah staat niet overal even goed en,
is het bezit van den landbouwer uitgestrekt, dan vooral zal
de gewichtsbepaling over één vierkante Rijnlandsche roede hem
ernstig benadeelen. Want de erfpachter maakt geen deel uit van de
met die gewichtsbepaling belaste commissie en de landheer wel, bij
delegatie. De commissie bestaat, volgens datzelfde eerste artikel der
vrijwillige overeenkomst, uit den mantri-tjoeké, een bezoldigd dienaar
van den landheer, en twee leden van het desabestuur. En daar ook de
laatsten slechts voordeel hebben te wachten van de goede gezindheid
der landheeren, is het niet meer dan menschelijk en begrijpelijk,
dat de vierkante Rijnlandsche roede, welke aangewezen zal worden voor
de gewichtsbepaling, niet ligt in het slechtste gedeelte van den
sawah, noch ook een gemiddelde opbrengst zal vertegenwoordigen. Er
zal een gewicht bepaald worden, dat den landman tot een abnormale
tjoekélevering zal verplichten, maar daar is dan niets aan te doen,
want de bezitter heeft zich immers gewapend met de "vrijwillige
overeenkomst", in domheid en onwetendheid door den erfpachter
geteekend.
Prawira's berekening heeft reeds laten zien welke inbreuk gemaakt
wordt op de wettelijke bepaling, dat slechts het vijfde gedeelte van
het product als grondbelasting wordt ingenomen, maar de landheer kan
ongestraft elke andere bepaling van het reglement van 1836 overtreden
en meer nog: hij kan in zulke gevallen steeds rekenen op den steun
van bestuursambtenaren, die, bepalingsslaven, slechts rekening houden
met letters en geschreven woorden; hij kan, mochten de opgezetenen
hulp inroepen van Buitenzorg, rekenen op de passiviteit van een
Gouverneur-Generaal, die het schoone bevel der Koningin om vòòr alles
een beschermer te zijn der inlandsche bevolking, niet telt, wetend
dat deze lastgeving slechts een frase is geworden en zijn gebiedster
hem nimmer ter verantwoording zal roepen, vragend:
"Hebt gij gedaan, wat Ik u bevolen had?"
Op het land Alas Bamboe, dus had Rekso, vóór het teekenen der
overeenkomst van den penghoeloe vernomen, moet een halve kattie tjoeké
rijst worden opgebracht als de opbrengst der aangewezen roede zes en
een vierde kattie natte padi of meer bedraagt. Deze limiet bedraagt
op het land Telatiga zeven en een halve kattie.
Waarom de assistent-resident van Telatiga, die de overeenkomsten van
beide landen registreert, niet vordert dat eenzelfde maatstaf worde
aangelegd, is een vraag, die door velen der minder onontwikkelde
opgezetenen meer dan eens wordt gesteld. Waarom hij niet volstrekt
weigert die overeenkomsten te registreeren, waar hij mòet weten dat
zelfs een grens van zeven en een halve kattie nog te eng is? Dit is
de vraag, die ik mij stel. Het antwoord is gemakkelijk te geven. Het
luidt voor beider vragen: de assistent-resident is gedekt doordat de
opgezetenen zelf de overeenkomsten teekenen.
Hij is gedekt! Dat is het, dat is de groote vloek van deze schoone
landen. De ambtenaar verzaakt zijn plicht, verloochent zijn roeping,
en wat nog erger is van regeeringsoogpunt: hij benadeelt het land. Maar
hij zorgt gedekt te zijn; hij waakt er voor dat niet hem, maar anderen,
gemeenlijk hen, die onder hem staan, blaam zal treffen; hij berekent
vooruit de middelen, welke hem zullen in staat stellen de schuld
van wat er verkeerd liep, te wentelen op anderer schouders. En de
belooning voor zijn plichtverzekering vindt hij in handhaving in zijn
gezag, dat hij misbruikte. Er zou veel minder verkeerd zijn in Indië,
wanneer er slechter ambtenaren waren!
Het vierde artikel der vrijwillige overeenkomst is reeds uit de
mededeeling van Prawira bekend. Daarbij worden de grenzen bepaald
tusschen vier en een halve en zeven en een vierde kattie natte padi
per roede voor een opbrengst van veertig kattie's rijst per picol
natte padi. Deze belasting is zwaarder dan die in het tweede artikel
genoemd voor een opbrengst van zes en een vierde en meer kattie natte
padi per roede. Dit schijnt niet het geval te zijn, maar ìs zoo.
En het is niet meer dan natuurlijk dat de landeigenaren, geraffineerd
sluw, in de bepaling der overeenkomst, een voorstelling hebben weten
te geven, welke de waarheid bedekt. Immers de productie van een zeer
groot deel der rijstvelden beweegt zich tusschen die beide grenzen
en het was dus zaak die productie vooral te treffen door een zware
belasting, wilde men een nog redelijke inkomst hebben. Dit kan blijken
uit de getalverhoudingen van den hiervoor vermelden tjoeké-staat,
die reeds een zeer verkeerd beeld geeft van den waren stand van
zaken, gelijk Prawira aantoonde en die bovendien een groot aantal
sawahs vermeldt als goed geslaagd, welke dien naam niet verdienden,
doch waarvan de opbrengst getaxeerd werd.
Maar er zijn sawahs, die een product leveren van minder dan vier en
een halve kattie per roede. Hiervan wordt goedgunstig een belasting
geheven, op papier, naar verkiezing des landbouwers in padi of
rijst. Dit is niet waar, want wie zich den tijd wil gunnen den
tjoeké-staat na te rekenen, zal ontwaren dat zulke mislukte sawahs
voorkomen in de rubriek der in het vorige artikel bedoelde rijstvelden.
Het was noodig wat langer stil te staan bij den inhoud dier vrijwillige
overeenkomsten: zij spelen zulk een groote rol in dit verhaal, zij
zijn oorzaak van zooveel leed, dat zij daarom reeds verdienden in
haar geheel te worden weergegeven, wat echter deze bladzijden niet
aantrekkelijker zou maken.
Sastrawidjaja, de mantri-tjoeké, was dan op dien avond in de woning
van Pah Rekso en Pah Ran geweest. Hij was er beleefd ontvangen. Sastra
was een oud man, die jaren lang reeds in den dienst der landheeren
was. Hij had er velen gekend, en bezat om zijn stalen geheugen en zijn
nauwkeurigheid bij de opzichters van Herea grooten invloed; wie met
hem oneenigheid kreeg, behoefde op gelijk niet te rekenen. Sastra
was zich zeer goed van zijn onmisbaarheid bewust en hij maakte,
autocraat als hij was, van zijn macht behoorlijk gebruik.
De desabesturen waren zijn werktuigen, want het kostte hem weinig
moeite, met behulp der opzichters, die zoo op hem vertrouwden,
degenen, die zijn vrienden niet waren of wilden zijn, het leven zeer
onaangenaam te maken. Het was dus geen wonder dat Sastra de reputatie
genoot een uitmuntend aanslager der tjoeké te zijn. Inderdaad was dit
zoo; maar dat de oude zijn landgenooten benadeelde om zijn meester
welgevallig te zijn, durfde niemand hem verwijten. Sastra was zeer
kwalijknemend. Onvriendelijkheid en stugheid namen hem onmiddellijk
tegen de menschen in. En zoo trachtte men het hem steeds naar den
zin te maken en hem in het gevlei te komen. Hij was in Herea de
heerscher en had er meer ontzag dan de opzichter, waarvan hij wist
te profiteeren. Als de meeste inlanders, die een zekere macht hebben
verworven, was hij despoot. Hij liet zich "smeren," zonder zich
daarvoor tot iets te verbinden. Hij bezat drie vrouwen, gold voor
een kapitalist, was een don Juan en een vrek.
In de woning van Rekso had hij zich met het air van den meester
een kopje koffie laten brengen, en met een gewichtig gezicht een
aanteekeningboekje voor den dag gehaald, waarin hij de namen van Pah
Rekso, Pah Ran en Siman had opgeschreven.
"Hoeveel sawah hebben jullie?" vroeg hij.
"Een bahoe en tweehonderd vier en veertig roeden," antwoordde Pah Ran.
"Nu, ik zal maar opschrijven: anderhalve bahoe; dat is gemakkelijker
voor de berekening," besliste de mantri-tjoeké.
"Ja, maar, kang [102], met je verlof," merkte Pah Ran op, "dat is
toch nadeelig voor ons."
"Och wat, dat kan hoogstens maar enkele katties schelen, en bovendien,
ik zal er rekening mee houden, en ze later van de tjoeké aftrekken."
De anderen zwegen. Er was toch niets aan te doen.
"En," vervolgde Sastra, "wil je dat wij wegen bij proefsnit, of reken
je de opbrengst op meer dan 6 1/4 kattie?"
"Neen," zeide Pah Ran haastig, "zooveel krijgen we nooit. Misschien
4 3/4, hoogstens vijf kattie."
Pah Rekso kreeg een hoestbui; hij stond, de keel schrapend, op en
begaf zich naar buiten, om een bloederige fluim uit te spuwen.
"Wat heb jij, Pah?" vroeg Sastra, maar deelneming was in de vraag
niet te vinden.
Pah Rekso legde de hand op de borst.
"Hier is het niet goed, mantri; de regens hebben me de longen
bedorven." Hij kuchte weer. "En nu komt er ook bloed."
"Zoo! Is de doekoen [103] er bij?"
"Ja, nu en dan. Het geeft natuurlijk niets."
Ipah vulde het kopje van den mantri nog eens, en zette een grof glas
zonder voet op tafel, waarin kaoeng-strootjes.
"Is dat je dochter?" vroeg Sastra op de vertrekkende deern wijzende,
aan Pah Ran.
"Neen, dat is Ipah, het oudste meisje van hem daar," antwoordde de
aangesprokene. "Ik heb maar een dochter; die is getrouwd met Siman,
hier."
"Hm. Maar à propos van de tjoeké ..." Sastra dronk langzaam een
teug van de zwarte koffie. Toen nam hij een strootje uit het glas
op tafel, tikte tegen het blad, blies er in, en stak het bedaard
aan. "Je begrijpt dat wij bij proefsnit moeten bepalen. Nu heb ik
gehoord dat, in het oosten, bij de rantja [104], je padi heel mooi
staat. De koewoe heeft verteld, dat jullie er goed voor hebt gezorgd
dat het water niet op het veld bleef. Dat is ferm. Maar nu kunnen
wij dáár een roede snijden ..."
Hij zeide den laatsten zin langzaam, met veel nadruk op elk woord.
"En dan?" vroeg Siman gretig, toen de ander ophield.
"Wel, zie je, de opbrengst daar is zeker meer dan zes en een kwart
kattie en je zou dus drie en driekwart picol tjoeké-rijst moeten
opbrengen."
"Maar," kon Siman zich niet bedwingen op te merken, "dat is niet overal
zoo op de sawah. Om de noord staat ze erg schraal. Daar is hama oeret
[105] geweest. En ook op de andere stukken kunnen we nauwelijks op vier
kattie rekenen. Er was hama poetik door de vele regens van het jaar."
"Ja, maar dat geeft je niets. De landheer mag zelf aanwijzen, welk
stuk voor de tjoeké moet worden gesneden."
"Maar er zijn toch ook nog de leden van het bestuur van de desa;
die kunnen toch ook wat zeggen?" verweerde zich Pah Ran.
"Jullie bent hier nog niet lang," zeide Sastra kalm. "Pah Djaja en
Marto van het bestuur moeten wel doen wat de landheer wil, begrijp
je. En ik ben in dienst van den landheer. Als ik niet veel tjoeké
binnen breng, word ik ontslagen. Hoe graag ik jullie ook zou helpen,
ik moet wel het beste stuk laten snijden," huichelde de mantri.
"Maar, kang," klaagde Pah Ran, "dat is toch verschrikkelijk,
dat is toch niet zooals het moet? Wij kunnen bij den kandjeng
assistent-resident klagen."
"Doe dat maar niet," zeide de ander, "het zou een vergeefsche reis
zijn, want hij onderzoekt de klacht niet eens. Dat hebben er al
zooveel gedaan, geklaagd. Maar het gaf ze niets. De toean assistent
zeide: jullie hebt immers zelf geteekend? En daaraan heeft hij toch
ook gelijk."
"Er is dus niets aan te doen."
"Misschien wel, maar daar heb ik veel soesah mee; ik zou het voor
jullie, omdat je nog vreemd bent, wel willen doen, maar dan moet ik
den landheer toch eigenlijk misleiden. Ja, het geeft veel soesah."
De wenk werd begrepen.
Er heerschte zwijgen, slechts onderbroken door het kuchen van Pah
Rekso. De anderen zaten te berekenen hoeveel de welwillendheid van
Sastra hun zou kosten, met blikken van verstandhouding elkander
aankijkende. Sastra slurpte loerend zijn koffie en stak een nieuw
strootje op. Eindelijk zeide Pah Ran:
"Kijk eens, Sastra, wij willen natuurlijk niet dat je kosten voor
ons maakt. Wij zijn je heel dankbaar voor je hulp, maar je moet ons
veroorlooven dat wij de kosten, die je daarvoor maakt, vergoeden."
"Goed," zeide Sastra, "dat verrekenen we wel na den oogst. Dus geen
proefsnit. Ik zal dan maar opschrijven dat de oogst geschat is op
vier en een halve kattie."
Zoo deed hij.
"Snijdt dan maar," vervolgde hij, het notitieboekje in den zak van
zijn zwart jasje stekend. "En breng dan maar de tjoeké-rijst naar
het pakhuis te Herea."
Daarmede stapte Sastrawidjaja op. Met een korten groet verliet hij
de woning.
"Wij hebben toch nog oentoeng," zeide Siman.
Maar zijn oude vader schudde het hoofd. "Ja, jongen, je hebt nu een
beetje oentoeng; dat wil zeggen je zoudt meer hebben moeten opbrengen,
wanneer de mantri zich niet liet omkoopen. Maar ik ben bang, dat
wij niet de twee en twintig en een halve picol padi zullen oogsten
per bahoe, waarop de opbrengst nu geschat is. Ik ken den groei hier
nog niet, maar hij lijkt mij arm. En de vele regens zullen geen goed
gedaan hebben. In Tjidamar is het anders. Wat de regen er bederven zou,
maakt de grond weer goed. Ik ben bang, dat vele aren dood zullen zijn."
"Kom vader, u maakt u veel te bezorgd. Wij zullen een goed product
krijgen, daar ben ik zeker van. Wij kunnen op wel dertig picols
padi rekenen, van het geheele stuk, bedoel ik, na aftrek van tjoeké,
stamploon, enz. En als we daar dan twaalf picols mooie witte rijst
van krijgen, dan hebben we ruim zeventig gulden te wachten. Nog niet
eens de palawidja meegerekend. Het volgende jaar kunnen we dan een
stukje sawah meer er bij halen, een halve bahoe dacht ik. Dan hebben
we net twee bahoes. Kom, vader, het hoofd niet laten hangen; het zal
best gaan."
De oude was evenwel niet op te beuren.
"Palawidja, zeg je? Daarvan komt hier in Gatok niets terecht. Te
veel zout in den grond, zeggen ze hier, en geen water. Neen, het
gaat verkeerd. En het is mijn schuld. Wij hadden in Tjidamar moeten
blijven."
Pah Rekso had weer een van zijn zwaarmoedige buien, die in den laatsten
tijd menigvuldiger dan ooit voorkwamen.
"Wij zijn dom geweest," zeide hij, "erg dom, dat we die vrijwillige
overeenkomst hebben geteekend. Als wij het niet gedaan hadden, zouden
wij padi hebben kunnen leveren."
"Nou ja, Pah," viel Pah Ran in, "dat is nu gebeurd en het geeft
niets er nu nog over te zeuren. En bovendien, het scheen ons toen
toe voordeeliger te zijn."
"Ja ja, het scheen zoo," antwoordde de oude koppig. "Dat zou ook een
bewijs zijn van onze domheid, als we niet gedwongen waren geweest om
te teekenen."
"Maar, Rekso," zeide zijn compagnon, die niet wilde toegeven, "nu
praat je toch maar wat. Wij hebben die overeenkomst toch vrijwillig
geteekend!"
"Je bent nog dommer dan ik, Ran. Dat had ik niet gedacht. Herinner
je je dan niet meer, dat wij voorschot hebben gekregen om zaadpadi
te koopen? Negen gulden hebben we gekregen. Dat moet je ook nog
terugbetalen aan den landheer. Noem je dat geen dwingen?"
"Wel neen, natuurlijk niet. Wij hadden zelf nog wel geld, om zaadpadi
te koopen. Dat hebben wij natuurlijk niet gedaan, toen wij voorschot
konden krijgen. Maar bovendien: van Tan Boen Ho hadden wij óók padi
kunnen krijgen."
"Zeker, maar voor de anderhalve picol padi, die wij noodig
hadden, zouden wij anderhalve picol rijst moeten teruggeven,
goede tjoekérijst. Alsof dat dan niet nog veel bezwarender is! Niet
gedwongen?! Pjoe! [106] de toean ziender heeft ons niet voor niets
gezegd dat we voorschot konden krijgen als wij teekenden. De landheer
moet er wel voordeel van hebben, als hij ons met voorschot helpt. Voor
niets helpt niemand. En dan met zooveel, met negen gulden! Aan vijf
gulden hadden wij ruim genoeg gehad."
"Maar vader," protesteerde Siman, "dat is toch onbillijk. Wij hadden
het toch niet behoeven aan te nemen?"
"We hadden toch onkosten met je trouwen, jongen; je huisje was ook
nog heelemaal niet ingericht. En Djiah mocht toch waarachtig wel een
slendang [107] hebben, en het plantloon kon er ook mee betaald worden."
"Nou ja," zei Pah Ran, "maar wij hebben toch ook andere voordeelen
gehad. Wij behoeven geen tuinhuur te betalen, heeft de toean ziender
gezegd, geen tjoeké van de katjang [108] en andere palawidja."
"Juist," barstte Pah Rekso kuchend los, "dat is het. Dat is het wat
ik dwingen noem. Ze hebben ons met allerlei moois gepaaid, toen we
nog vreemd waren als een karbouw in een nieuwe kraal. Wij hebben
gedacht dat het heel wat moois was, die vrijstelling van tuinhuur,
en die vrijstelling van vischtjoeké bij de aftapping van setoes. Wat
voor vrijstelling is er nog meer? O, ja, we mogen vrij visschen in
de rawahs [109] en de rantja's [110], en ook mogen wij visschen in
de waterleidingen. Het is prachtig. Maar het visschen is bijna niet
te controleeren en de palawidja mislukt hier elk jaar, dus van tjoeké
daarvan zijn wij van zelf al vrijgesteld. Ik begrijp niet dat jullie
dan niet inziet, dat wij feitelijk gedwongen zijn om te teekenen,
als een kind, dat met een koekje gedwongen wordt om obat [111] in
te nemen."
De oude zweeg, geërgerd. Ook de anderen spraken niet. Maar al zijn
grieven kwamen zoo allengs bij Rekso op. Hij had meer tijd dan de
anderen. Hij werkte niet, zat den ganschen dag alleen en bracht zoo
uren door, waarin hij kon zitten piekeren en peinzen over zaken,
waar hij met zijn verstand niet bij kon.
"De landheer, die nekt je, als je niet teekent. Prawira heeft goed
praten dat we het volgend jaar niet moeten teekenen. Wat is er met
Karta gebeurd van de desa Tjikoedoeng?--Zijn vrouw is onlangs bevallen
van het vierde kind, weer een meisje. Karta heeft wel tjilaka. Karta
heeft niet geteekend. En toen hij langs de leiding liep, sprong een
ikan gaboes [112] uit het water vóór hem in het gras. Karta raapte
de visch op en dat zag de koewoe, die hem zoo slecht gezind is,
omdat Karta hem niet genoodigd heeft op de sedekah [113], het vorige
jaar. En door toedoen van den koewoe is Karta toen op de politierol
gestraft ... De landheer maakt het je met alles moeilijk, alle macht
is bij hem."
Den volgenden dag had de oogst-sedekah plaats in de woning van
Pah Rekso. Mah Ten, Djiah en de beide meisjes waren druk aan het
werk geweest. Veel kosten had men er niet voor gemaakt. Er was
nasi koening [114] en tal van sambalans [115], gebak, wadjik [116]
en assamkoekjes [117]. Rekso had het voorvaderlijk gebruik om voor
den oogst den zegen van den Allerhoogste af te smeeken niet willen
verwaarloozen. Hij kon niet gelooven dat uit zulke veronachtzaming
geen onheil zou voortvloeien en hij voor zich keurde het af, dat in
de desa sedekahs zoo zeldzaam zijn, dat de sawahbezitters slechts
zelden den penghoeloe verzoeken het oogstgebed uit te spreken over
de panèn. Hij wilde niet afwijken van den ouden adat [118], ook al
kostte het hem wat geld aan de sedekah en aan den penghoeloe.
Den dag daarop was men met het snijden begonnen.
Mah Ten, Ipah en Mariam, zelfs Djiah, die dagelijks hare bevalling
wachtte, bijgestaan door nog een tiental vrouwen, waren het
veld ingegaan. Djirah en nog andere kleuters hielpen mee met het
arenlezen. Ook in enkele naburige sawahs waren de vrouwen aan het werk.
Het was brandend heet, maar daarom verstomde de zang der snijdsters
niet.
Men vorderde goed. Uren en uren zonder rustpoos werkten de vrouwen
voort. Het aantal schoven groeide. Het zweet parelde de werksters op
het gelaat. Rusteloos ging de anè-anè door de halmen.
Ver over eenen eindelijk werd verpoosd. Reeds waren uit de desa
de kinderen gekomen met het schrale middagmaal van moeder en
zuster. Andere vrouwen hadden haar kostje zelf reeds meegenomen. Hier
en daar op de galangans werd een vuurtje ontstoken om een visch
te bakken. De rook steeg loodrecht omhoog: geen zuchtje trok over
de velden.
Mah Ten, de meisjes, Djiah en de andere snijdsters zaten bijeen
om en naast de galangan, droge rijst met een ikan sepat [119]
verschalkend. In een kommetje was lekkere sajor lodé [120], waaruit
met graagte werd geschept. Djanim had den karbouw vandaag wat vroeger
naar huis gedreven en hem een soendoeng [121] vol gras en bladeren
voorgezet.
Daarop had hij het maal voor de vrouwen naar de sawah gebracht. Heel
gewichtig zat hij op eenigen afstand met de handen om de knieën een
strootje te rooken. Djiah pikte dapper mede met de vrouwen.
"Zeg 'reis, Djiah," merkte een der snijdsters op tusschen twee smakken,
"het moet vandaag of morgen toch gebeuren, geloof ik."
"Het kind moest er al zijn, heeft de doekoen gezegd," antwoordde Djiah.
"Nou maar, jij durft hoor; als je niet oppast wordt het nog hier op
de sawah geboren."
"Dat is niets hoor, een anak sawah [122] wordt een goede tani [123],"
was de wijsgeerige opmerking van een oudje.
Djiah was overmoedig.
"Kun je begrijpen," zei ze, "ik houd hem op."
"Wat zegt de doekoen? Is het een jongen of een meisje?"
"Natuurlijk een jongen," lachte Ten schelmsch, "Siman verlangde er
erg naar getrouwd te zijn."
Algemeen gelach.
"Nou mah," verweerde zich het aanstaand moedertje, "ik zou nou maar
niets zeggen. Jouw oudste en je tweede waren ook jongens."
Maar Ten was met het antwoord dadelijk gereed:
"Je kunt me nog wel de baas zijn met twee jongens tegelijk!"
Maar na de boert kwam het werk weer.
Tegen vier uur 's middags was ruim de helft van de padi gesneden
en stond in bossen op het land. Men ging huiswaarts. Het was een
zware dagtaak geweest. Met het water der Tjikoentoel wiesch men zich
gelaat en bovenlijf, de vrouwen ongegeneerd den boezem ontblootend;
de meisjes hadden zedig de sarong onder de oksels vastgemaakt.
Thuis klaagde Djiah over pijn in de lenden. Siman maakte zich ongerust.
"Zal ik Mah Itam halen?" vroeg hij bezorgd. Maar zijn jonge vrouwtje
lachte hem uit.
"Welneen, zoover is het nog niet. Maar ik heb te lang gestaan. Morgen
zal ik liever de bossen binden."
"Zou je nog wel gaan, morgen?" vroeg Siman.
"Zeker, hoor. Ik kan nog best mijn werk doen."
Den volgenden dag ging Djiah ook naar het veld en bepaalde zich tot
het aaneenbinden der schoven, maar lang hield zij dat toch niet meer
vol en na den maaltijd moest zij gaan liggen. Zij kreunde zoo hevig,
dat Djirah bevreesd om haar moeder riep.
"Mah, mah, kom toch. Djiah is ziek."
Ten keek om, zag haar schoondochter krimpen en wentelen, begreep
dadelijk wat er gebeurde en ijlde naar haar toe, enkele vrouwen
wenkende haar bij te staan.
"Djirah, gauw naar huis," riep ze haar dochtertje toe. "Laat Siman
en Pah Ran komen met een baleh, en zeg Mah Itam, dat ze dadelijk komt!"
De gloeiende zon brandde fel op de struiklooze vlakte. Mah Ten knielde
neer, en Ipah hield haar hoofddoek boven Djiah's gelaat om dit te
beschutten tegen de doordringende zonnestralen. Ten keek spiedend
over de vlakte. Het liep nu tegen vieren en nog was van de mannen of
van Mah Itam niets te bespeuren.
Als ze er niet spoedig waren, zou de bevalling afgeloopen zijn zonder
hulp der wijze vrouw.
Eindelijk verscheen in de verte Mah Itam. Langzaam kwam zij nader.
Ze kwam nog op tijd.
Ten brandde van verlangen om te weten waar de baleh bleef, maar durfde
de aandacht der doekoen niet af te leiden door vragen.
Mah Itam, al prevelende, nam 'n drinknap, vulde die uit 'n nabijstaande
gendi [124] met water, wierp er 'n dubbeltje in en hield ze Djiah te
drinken voor. Deze dronk half onbewust, in diep ontzag voor de kennis
der vroedvrouw.
"Bapah-moe 'ntenni [125], bapah-moe 'ntenni," zeide zij hoog ernstig
tot 't ter wereld komende menschje.
Zij was 'n Javaansche.
Als werd er gehoor gegeven aan deze aansporing, werd 't volgende
oogenblik 't knaapje geboren, dat met geschrei 't eerste levenslicht
begroette.
"Heb ik 't niet gezegd," zeide Mah Itam triomfantelijk, terwijl zij
teekenen van bewondering las in de oogen der haar omringende vrouwen.
"Wat is er?" werd van 'n naburige sawah geroepen.
"Djiah is daar juist bevallen!" riep Mariam terug.
"Loh! [126] Op de sawah! Wat is 't?"
"Een jongen!"
"Slamat! [127] Oentoeng temen! [128]" klonk het hartelijk weerom.
Toen de kleine in de beek gereinigd was, kwamen eindelijk Pah Ran en
Siman met de baleh aan. Zij waren aan het visschen, toen Djirah was
gekomen. Vandaar hun lang uitblijven. Djiah was na een half uurtje
weer in zoover hersteld, dat zij zich, gesteund door Ten en Ipah,
in de Tjikoentoel kon wasschen. Toen wilde zij naar huis loopen, maar
daartegen verzetten zich de mannen. En de spotternij der vrouwen kon
hen van hun plan niet afbrengen. Djiah moest met den zuigeling op de
baleh plaatsnemen en werd naar huis gedragen.
Dien nacht bleef de zorgzame Ten bij haar schoondochter. Den volgenden
dag was Djiah weer op de been.
Siman was een gelukkig vader. Hij kon zich maar niet voorstellen,
dat die kleine, mollige Rekso nu zìjn jongen was. En als hij alleen
dacht te zijn, zou men hem hebben kunnen verrassen in een alleenspraak
tot den kleinen vent, waarbij hij dezen tallooze lieve naampjes gaf.
Het beschot van den oogst was tegengevallen. Pah Rekso had gelijk
gehad. De hama poetik had meer nadeel gedaan dan aanvankelijk vermoed
was en de regen was schuld aan veel vooze aren. En zoo kwam het dat
men nog geen dertig picols padi binnenhaalde.
Daar moest het snijloon nog af; het vijfde gedeelte van den snit, naar
het landsgebruik, en van de rest zou weer het vijfde gedeelte ongeveer
aan indroging verloren gaan. Nu hadden echter Ten, Djiah, en de beide
meisjes medegesneden en daardoor kwam men er met een snijloon van
slechts drie en een halve picol af, wijl de huurarbeidsters zooveel
minder hadden gesneden.
Na de indroging te velde kon men op ruim een en twintig picols droge
padi rekenen. Daarvan zou dan af moeten aan tjoeké veertig kattie
mooie rijst voor elken vijfden picol natte padi, die geoogst was.
Siman had na een half uur rekenen uitgevonden, dat zij alzoo twee
picols en veertig kattie goede rijst van één vijfde breuk zouden moeten
opbrengen. Van de tien en een halve picol rijst, die zij uit de een
en twintig picols droge padi zouden winnen, bleven er alzoo ongeveer
acht over. Het resultaat was niet mooi. Neen, dat was het niet. En met
een soort beklemming dacht hij er aan dat Sastra nog zijn "onkosten"
vergoed moest hebben, dat er nog stamploon betaald zou moeten worden,
dat de penghoeloe nog een aandeel in den oogst bezat.
Met een bedrukt gemoed was hij de woning van zijn vader binnengetreden.
Hij vond er Prawira, die weer eens om de eene of andere reden verlof
had gekregen van den opzichter. Dat gebeurde heel vaak in den laatsten
tijd. Telkens loog Prawira den opzichter voor dat er een familielid
van hem overleden was, het gewone verhaal.
Rekso lag in het afgeschoten vertrekje op de baleh. De oude was in
't geheel niet goed. Het bloedspuwen was zeer veel erger geworden
en telkens was hij genoodzaakt het bed te houden. Mah Ten was in de
keuken bezig en in het middenvertrek der woning vond Siman alleen
Prawira op den balehrand zitten, in gezelschap van de mooie Mariam,
die echter, zooals de dorpsétiquette voorschrijft, op goeden afstand
van den gast zat. Het scheen wel of Siman beiden verrast had in een
ernstig gesprek, althans dat maakte hij op uit de zichtbare verwarring
van Prawira. Aan Mariam was niets te merken.
"Hoe is het met vader, Mariam?" vroeg de binnentredende, na een korten
groet aan Prawira.
"Niet goed, Siman, niet goed. Ach God, wij hebben toch soesah met hem."
"Ja, meisje, er komt nog meer." Daarop vervolgde hij tot Prawira:
"Zeg, het komt mooi gelegen dat ik je hier tref. Ik heb je te spreken,
maar liever moet de oude het niet hooren. Weet je wat, ga met me
mee. Bij mij kunnen we beter praten."
Erg veel genoegen had Prawira er niet in, maar hij kon de uitnoodiging
toch moeilijk weigeren en na een blik van verstandhouding met zijn
gastvrouw, die Siman niet ontging, volgde hij den jongen man naar
buiten.
Simans gemoed was vol bitterheid en hij kon niet wachten tot ze thuis
waren, om zijn medgezel deelgenoot te maken van zijn vrees.
"Wij zitten in de soesah, Prawira. Je moet me helpen."
"Als ik kan, graag, Siman. Maar geld heb ik zelf niet."
"Niet met geld. Je bent knapper dan wij, Prawira, je hebt veel geleerd
en weet meer dan wij. Je moet ons raad geven. Maar hier zijn wij bij
mij thuis, ga naar binnen."
Prawira trad binnen en begroette Djiah, die naast het slapend jongske
zat te naaien, bij het oogbedervend walmend licht van de palita [129].
Toen zij gezeten waren, vervolgde Siman zijn gesprek.
"Ik wou je vragen voor mij na te rekenen of wij niet te veel betalen
moeten aan tjoeké. Kijk, wij hebben bijna dertig picols padi geoogst."
"Ja, dat beteekent niets. Al hadt je de helft binnengehaald," zei
Prawira dadelijk op een toon van gezag. "Je hebt de overeenkomst
geteekend, niet waar, en je hebt met de taxatie van dien schurk van een
Sastra genoegen genomen, welnu, dan moet je leveren wat afgemaakt is."
"Ja maar, Prawira, de landheer vraagt rijst en geen padi, dus hij
heeft geen stamploon te betalen en dan, de padi droogt in en daar
wordt ook geen rekening mee gehouden."
"Dat weet ik wel, Siman, dat weet ik heel goed. Maar daar geven ze
daarginds," en met zijn duim wees Prawira over zijn schouder naar
het noorden--"niets om."
"Maar dan krijgen ze toch meer dan een vijfde, en dat mag toch niet;
wij behoeven toch niet meer op te brengen, dan waartoe wij verplicht
zijn?"
"Jullie hebt een fout begaan, eerst door te teekenen en later heb je
weer een fout begaan door met de taxatie genoegen te nemen. En nu is
er niets aan te doen, niets. Wou je soms naar den assistent-resident
gaan? Daar krijg je toch geen gelijk. Voor ons, kleine lui, hebben
de blanda's geen recht, weet je. Wie het geld heeft, heeft het
recht. Maar hoeveel moet je nu opbrengen? De taxatie was vier en
een halve kattie per roe, niet? Dat is dus twee en twintig en een
halve picol per bahoe, dus drie en dertig picol en vijf en zeventig
kattie voor de anderhalve bahoe, die jullie hebt. Daarvan moet je
dus aan tjoeké opbrengen, het vijfde deel, dat is zes picol en vijf
en zeventig kattie, of veertig kattie rijst per picol, niet waar,
dat is dus twee picol en zeventig kattie rijst."
"Ik kreeg maar twee picol en veertig kattie", merkte Siman op, die
aandachtig geluisterd had. "Maar Sastra kreeg ook dezelfde uitkomst
als jij. "Maar wij krijgen slechts tien en een halve picol rijst in
handen, zonder stamploon, draagloon en andere onkosten. Dan krijgt
de landheer toch veel meer dan een vijfde deel?"
"Wel ja, zonder de onkosten krijgt hij al ruim een vierde deel van je
product. En nu wil ik je niet verontrusten, zie je, maar als je denkt
dat je daarmede van de soesah af bent, dan toon je de toestanden hier
niet te kennen."
"Wat is er dan nog meer?" vroeg de ander angstig.
"Wel in de eerste plaats dat stampen. De vrouwen kunnen dat natuurlijk
wel. Maar tusschen stampen en stampen is een groot verschil. De
rijst voor den landheer moet erg grof zijn, er mag nog geen tiende
deel kleine korrel bij wezen. En dat vereischt een handigheid en een
routine bij het stampen, die jullie niet kunt hebben. Als Mah Ten en
de meisjes en hier Djiah, gingen stampen, zou je al je padi bedorven
krijgen, voor de tjoekérijst namelijk."
"Och kom," viel Djiah in, "dacht je, dat wij het niet even goed kunnen
als de anderen?"
"Neen, heusch niet, Djiah, heusch niet. Want weet je wat het geval
is? In jullie contract staat, dat je een vijfde deel gebroken korrel
mag hebben, maar dat is niet waar, dat is een leugen, want als je
zulke rijst brengt, dan wordt die geweigerd."
De beide anderen zwegen in angstige spanning, toen Prawira ophield. Hij
vervolgde:
"Het is niet om jullie iets op de mouw te spelden. Wat zou ik er aan
hebben? Maar het gebeurt dagelijks, kan ik zeggen. Als je rijst levert
met meer dan tien kattie kleine korrel op een picol, kijken ze zuur;
is er meer dan twaalf kattie, dan wordt de rijst niet ontvangen. Daar
heb je nu Mordi, hier van de desa, jullie kent hem wel. Ik was in
het pakhuis om op te schrijven, toen hij de tjoeké kwam leveren. De
opzichter heeft tegen hem gevloekt. "Wil jij mij bedriegen? Die rijst
is veel te fijn," zei hij. Ik heb de rijst toevallig ook gezien. Ze
was heel mooi. En zooveel kon zelfs ik wel zien, dat er meer dan
vier vijfde deel mooie gave korrel was. Wat kon Mordi doen? Hij ging
weer weg met zijn rijst. En hij heeft de tjoekérijst moeten koopen,
God weet voor hoeveel. Maar het moet een heele som geweest zijn,
want er was bijna geen gebroken korrel bij. Geloof mij, Siman, je
moet je rijst veel mooier leveren dan in je contract staat."
"Maar, dat is verschrikkelijk!" riep Siman, die niets dan zorgen te
gemoet zag.
"Wat kan je er aan doen? Daarom, laat liever je padi stampen door
vrouwen, die het elk jaar doen. Die weten, hoe ze verlangd wordt door
den landheer."
"En wat kost het stampen hier?"
"Op elke zes kattie èèn, d. w. z. tot gewone witte rijst, maar je
kunt naar verhouding ook geld geven."
"Zonder eten?" vroeg Djiah.
"Natuurlijk wèl, twee maal daags."
"En als ze tjoekérijst moeten stampen?"
"Dan betaal je nog vijf en twintig cents voor elke picol."
"Dus voor onze tjoeké moeten we aan stamploon betalen ...?" Djiah
dorst den zin niet afmaken.
Prawira vulde hem aan:
"Vijf en veertig kattie rijst, zeven en zestig en een halve cent en
de kost."
Het gesprek werd onderbroken door den kleinen Rekso, die de borst
vroeg. Djiah nam den kleinen man op, maakte de onderste speld van de
kabaja los en hield hem ongegeneerd den tepel der welgevulde borst
voor. Gulzig dronk de kleine.
Siman zeide niets. Prawira stak een strootje op.
"Weet je wat", zeide hij, "ik zal een goed woord voor je doen bij den
opzichter. En kom jij dan zelf ook of Pah Ran, om te vragen de tjoeké
te verminderen, omdat het beschot zoo slecht is uitgevallen. Maar of
het wat baten zal?"
"Misschien kan ik wat verdienen," zeide Djiah schuchter.
De beide mannen keken haar tegelijk aan en in Simans oogen blonk iets
van erkentelijkheid.
"Dat kan zeker," zei Prawira, "in het pakhuis te Herea bijv. is nu
wel wat te doen; van 't jaar is veel padi binnengekomen. Als je wilt,
kan ik wel vragen aan den opzichter of hij je gebruiken kan."
"Ja, doe dat," klonk het zacht uit Djiah's mond, toen plotseling
Siman ruw inviel:
"Neen, ik wil niet. Ik wil niet. Praat er niet meer over, want je
zou mij boos maken."
Toen vervolgde hij: "Ga jij morgen weer terug naar Herea?"
"Ja," antwoordde Prawira.
"Dan ga ik met je mee. Misschien wil de opzichter ons wel helpen."
In de opzichterswoning te Herea was een vroolijk gezelschap bijeen. Het
was een nederige woning, waar de geëmployeerde Van Affelen in
huisde. Op een gecementeerden vloer verhief zich het van bilik [130]
opgetrokken huis, dat uit drie gesloten vertrekjes, een kantoortje,
een slaapkamer, een eetkamertje en een open voorgalerij bestond. Het
was er een rommel, zooals gewoonlijk in jongelui's huishoudentjes. In
de voorgalerij stond een zwarthouten ronde tafel, op het blad waarvan
tal van jeneverkringen plekten. Rond de tafel zaten vier mannen,
de drie jongeren ietwat angeheitert, achter de bitterglaasjes. Het
liep tegen etenstijd. Op de voor deze bijzondere gelegenheid met een
hagelwit laken gedekte tafel dampte reeds de warme rijst.
Van Affelen voelde zich wel gewichtig als gastheer. Het was de eerste
maal dat "de baas" hem de eer aandeed bij hem te rijsttafelen. Het
trof wel toevallig samen dat ook De Leeuw van het district Alas Bamboe
en Zevenaer, de collega van Sikarang, bij Van Affelen waren. Hij
had hun een uitnoodiging gezonden dezen dag bij hem door te brengen,
ter eere van zijn verjaarfeest. De baas, Nederman, was op tournee en,
te Herea aangekomen, vond hij het clubje jongelui bijeen. Nederman was
voor zijn employé's geen kwaad chef. Hij zelf was liever lui dan moe
en een licht kon hij bezwaarlijk genoemd worden. Zijn superioriteit
op het land ontleende hij uitsluitend aan het in zijn handen gesteld
gezag. Nederman kende slechts één streven: de tevredenheid der
eigenaren te verwerven door groote opbrengst. Hoe die verkregen werd,
kon hem weinig schelen. Hij wist wel dat de eigenaren hem nimmer om
verantwoording zouden vragen, waarom de winsten zoo ruim waren. Als
de tjoeké dus geregeld en ruim binnenkwam, was Nederman tevreden. Aan
lectuur of aanspraak had hij geen behoefte; zijn onwetendheid was
daarvoor te groot en geen zucht naar kennis verleende degelijkheid
aan zijn karakter. Hij had slechts één hartstocht: meiden. Hij
was getrouwd, dat is waar, maar zijn vrouw was weinig meer dan een
huishoudster, dochter van een Chineesche, in ontwikkeling met haar
moeder gelijkstaande. De "njonja besar", werd ze spottend genoemd. Maar
dit huwelijk belette hem niet om jonge meiden op de besaran [131]
te brengen, voor een nacht of voor langer. Mevrouw bleef bij hem,
omdat ze het goed had en wachtte er wel voor zijn ontstemming op te
wekken door een naijver, dien zij trouwens had moeten huichelen. Zij
wist heel goed dat Nederman zich niet ontzag in tal van desa's de
gastvrijheid der koewoe's te misbruiken door hun woningen te beschouwen
als plaatsen van rendez-vous. Maar wat deerde het haar? Zij had een
veel te gemakkelijk bestaan, bij haar blanken echtgenoot, dan dat zij
dit in de waagschaal zou stellen door hem onaangenaam te zijn. Waar
het prestige bleef van den administrateur, bij employé's en bevolking,
vrage men niet.
Zevenaer, de "jonker", zooals hij genoemd werd, omdat hij door de
landeigenaren, die een jonkerkliek vormden, als presenthaasje was
uitgestuurd, was een heel gewoon type van een gansche categorie
Hollandsche jongelieden in Indië, een boemelaar, met weinig liefde
voor het nieuwe vaderland, waar hij gedurig op schold; een van de
velen, die "aan de zuip" raken en door een geheel verkeerd begrepen
wilden echt in den loop der jaren "totaal naar den bliksem" gaan.
De Leeuw was een Indische jongen, zeer bruin van kleur, driftig
en opvliegend; een van die Indo's, gesproten uit den echt van een
blanken vader en een Javaansche moeder, en later door den vader
erkend. Hij bezat de meeste ondeugden van zijn soortgenooten, maar
had in hooge mate de deugden van het ras zijner moeder: gastvrijheid,
behulpzaamheid, vriendelijkheid. Van zijn vader had hij een dorst
naar kennis meegekregen, te meer voelbaar, waar hij slechts weinig
geleerd had. De Leeuw kon uitmuntend met het volk omgaan, welks taal
hij vloeiend sprak, dat hij begreep en dat hem begreep.
Van Affelen eindelijk, de "nieuweling", was eerst een maand of zes
in zijn afdeeling, maar had zich reeds ontpopt als een streber. Hij
zou en moest carrière maken, was despoot en hardvochtig.
"Nog een bittertje, meneer Nederman?" vroeg hij met zijn nog niet
vergrokte stem.
"Dankje."
"Kom, neemt u er nog een? Niet? Nou, een halfje dan."
Met schonk hij in, een halfje, dat meer op heel dan op drie kwart leek.
"De bitter is puik. Oranje. Vindt u 'm niet goed?"
"Hij is heel goed," zei Zevenaer effen, terwijl hij zich bediende. "Het
is hier een goed land!"
Men lachte.
De Leeuw stak een sigaar op.
Zevenaer stond op. Hij wilde blijkbaar speechen. Men zou het ten
minste hebben kunnen opmaken uit zijn gewichtig gezicht en uit het
tikken aan zijn glas.
"Ben je mal, Jonker," riep De Leeuw, "wou jij speechen, man? Dat doen
we niet met bitter. Wacht maar, aan tafel krijg je bourgogne. Dan
kun je vertellen wat je te zeggen hebt."
"Ik wou toch wel even op de gezondheid van onzen vriendelijken en
zeer geacht ...."
"Ho stop, geen speech, man, geen speech. Hou je toet nu maar."
"Maar apropos, wat denken jullie van de rijsttafel? Ik krijg
honger!" viel de baas in. "Dan kan Zevenaer zijn hart luchten."
Van Affelen was al opgestaan.
"We kunnen onmiddellijk aan tafel gaan, mijnheer. Mag ik u voorgaan?"
Door het "kantoor" kwam men in de eetkamer.
"'t Rommeltje wel hier, zeg, Van Affelen," merkte De Leeuw op;
"'t Is er bij mij nog mooier."
"Dat komt," zei Zevenaer, "dat komt omdat Af nog niet getrouwd is,
zie je. Met de vrouw des huizes komt de orde."
"Dat zien we bij jou," viel De Leeuw schamper uit, maar de opmerking
ging verloren door het stoelengeschuifel.
"Wilt u aan het hoofd plaats nemen, mijnheer Nederman?"
De jongen bracht de rijst rond, eerst bij Zevenaer.
"Halo, Soerja, toean besar doeloe! [132]" stoof Van Affelen op.
Zevenaer, die aan het opscheppen was, hield op.
"Och wel neen," viel Nederman in, "maak nu toch geen complimenten."
"Waarachtig wel. Houd me ten goede, mijnheer; maar anders leert de
lummel het nooit."
"Och, leg nu niet te hannessen," riep De Leeuw. "Allo vooruit. Kom
maar met den wijn. 't Is wat moois, er staat, potdori, nog niks op
tafel. Hier, jongos, anggoer, bawah anggoer. [133] Bedienen kunnen
we ons zelf wel," en hij nam de jongen de rijstschaal uit de hand.
Soerja was al heelemaal den kop kwijt.
"A propos, Van Affelen, wat hoor ik, wou je gaan trouwen? En wie is
het slachtoffer?"
"Trouwen, ben je gek, ik denk er niet aan."
"Zevenaer beweert het toch."
"Nou ja, trouwen, trouwen. Dat moet je nu niet al te ideaal
opvatten. Hij trouwt over de puthaak. Ze zijn bij mij al aan het
zoeken, op de afdeeling, naar een njonja ziender."
"Verrek!" schold Van Affelen, wat nijdig om het gelach. "Ik zal er
een van jou nemen! Merci."
"De keus kan toch niet moeilijk zijn," merkte Nederman op.
"Neen, zeker niet, mijnheer, zeker niet. Er zijn hier vriendinnetjes
genoeg."
"En je zult er toe komen, Affelen, het gaat op den duur toch niet
zonder. Je boel verwaarloost en ze stelen je het eten onder je neus
weg, als zoo'n noodzakelijk meubel niet in huis is."
"Oh, maar ik heb er ook niets tegen. Ze mogen zeggen wat ze willen,
ik vind het concubinaat nog zoo'n slechte uitvinding niet. Zoo'n
menagère houdt den rommel in orde, en bevalt ze je niet, dan gaat ze
de laan uit."
De glazen werden ingeschonken.
"Nou, Jonker, nou kun je speechen. Vooruit, verslik je niet en maak
het kort." Zevenaer stond op.
"Mijnheeren, 't is met aandoening ...."
De Leeuw barstte in lachen uit. "Wat zegt-ie,
aandoening? Hahaha! Aandoening, die is verdomd goed. Ga door, kerel,
ga door, maar niet zoo grappig, als je blieft."
Zevenaer bleef onverstoord.
"... met aandoening, dat ik hier een dronk instel op onzen gullen
gastheer. Ik zal jullie maar sparen de gewone heilwenschen, zie je,
maar ik wou toch wel opmerken, dat het in den huize Van Affelen,
hoe zal ik het zeggen, nog veel aangenamer, neen lieflijker, juist:
lieflijker, dat is het woord, zou zijn, wanneer de sylphiden-gestalte
van een schoone fee ..."
... "Liefde-rijker, bedoel je, Jonker," viel De Leeuw den spreker in
de rede, die vervolgde:
... "door deze vriendelijke woning zweefde en die van onzen
gemeenschappelijken vriend De Leeuw er buiten bleef."
"Bravo, bravo," lachte Nederman, die de mop binnen zijn bereik en
dus alleraardigst vond.
"Schei maar uit, Jonker, schei maar uit," viel de gastheer in, die
kregelig werd over de hardnekkigheid van de lui op dit chapiter.
Zevenaer bleef koppig op zijn stuk.
"En daarom zal ik drinken op de spoedige blijde inkomste van een
donkergelokte, naar klapperolie riekende, eegade in deze nederige
kluis en van een sleep van spruiten ...."
De redenaar werd overstemd door het onbehouwen gelach van Nederman,
door de bravo's en andere uitroepen van instemming van De Leeuw en
door de schimpwoorden van Van Affelen.
"Ad fundum, ad fundum!" riep Nederman en gaf het voorbeeld.
Toen het rumoer bedaard was, zeide hij, en op dit gebied kon hij
meepraten:
"Afgezien van de sleepende spruiten van Zevenaer, kun je er toch
niet te vroeg toe overgaan (om een menagère in huis te nemen, bedoel
ik). Dat geeft je in de eerste plaats meer gezag bij de bevolking,
zie je, ze houden je dan niet meer voor groen. En het is voor je
gezondheid ook veel beter."
Van Affelen was het natuurlijk dadelijk met zijn chef eens. Bij
deze was het een ware zucht, zeer begrijpelijk overigens, zijn
ondergeschikten tot de zelfde lage moraal, die hij op sexueel gebied
huldigde, omlaag te trekken. Van Affelen zou daarvoor een willig sujet
zijn: die deed alles, wat hem bij "den baas" in een goed blaadje kon
doen komen.
De Leeuw zorgde er voor dat de glazen weer gevuld werden, waarvoor
een tweede flesch aangesproken moest worden.
Gaandeweg kwam 't gesprek op de bevolking en op de wijze, waarop De
Leeuw er mee wist om te gaan.
"Ja," zei Van Affelen, "het is om jaloersch te worden zooals jij met
de lui kunt omgaan."
"Och, dat is geen verdienste, man. Dat komt van zelf, als je ze maar
niet trapt, zooals gewoonlijk regel is bij de blanda's. Wat bliksem,
die lui hebben ook gevoel in hun bast, zie je, en als je ze eens
bedondert, heb je 't voor altijd bij ze verbruid."
"Nou ja, maar daarmee alleen kom je er niet. Jij spreekt de taal als
ze zelf, dat is ook een groot voordeel."
"Dat leer je ook ... Nog eens inschenken, mijnheer Nederman?"
"Dank je. Maar hoe lang bennen jullie van plan nog te blijven? Ik moet
nog van avond thuis zijn. Dus, Affelen, je zult me moeten toestaan
dat ik dadelijk na het eten opstap."
"Zeker, mijnheer, natuurlijk. Het spijt me wel, anders."
De maaltijd was spoedig afgeloopen. Soerja bracht sigaretten, toen
de koffie rondgediend was.
Erg vlotte het gesprek niet meer. Zevenaer, die anders luidruchtig
genoeg was, had de stemming verloren. En toen Nederman in zijn bendy
[134] weggereden was, zat men eigenlijk wat met den tijd verlegen. Er
kwam een zacht regentje opzetten en De Leeuw merkte op dat "de oude
daar in zijn spulletje lol van kon hebben."
"Je kunt er donder op zeggen dat-ie in Benda blijft hangen. Daar
heeft hij nog een vriendinnetje zitten, Sarinten heet ze, een snol
als een paard, zeggen ze, maar een knap loeder."
"Zeg, De Leeuw," zeide Van Affelen, "het is toch waarlijk
bewonderenswaard, kerel, hoe jij met het volk één bent. Jij weet,
geloof ik, wat er hier op het heele land gebeurt."
"Ja, ik ben een gevaarlijk mensch, Van Affelen. Zoo weet ik
bijvoorbeeld dat jij een van de dochters van Sastra, den mantri-tjoeké
van je afdeeling, in je huis wilt hebben, als snaar, en dat de oude je
te slim is en kwasi weigert om zijn prestige. Die Djiëm is getrouwd
geweest, maar weer gescheiden. Dus bang voor een manspersoon hoeft
ze niet te zijn. Geef den oude vijf en twintig pop en je krijgt in
plaats van één dochter er twee. Hij heeft er zat."
Van Affelen had even gebloosd, bij de woorden van De Leeuw, en Zevenaer
had geh'md.
"Apropos, Van Affelen, van dien Sastra: houd dien smeerlap in de
gaten als ik je raden mag. Van Braam, en voor hem, Mulder, en voor
dien ... kom, hoe heet-ie ook weer, Van de ... Van der ... Van de Pol,
juist Van de Pol, liepen allemaal met hem weg. Nou, de kerel is best
voor zijn werk, daar niet van, maar dat is van ons standpunt, zie
je, van het standpunt van den landeigenaar, die hoe meer hoe liever
sleept. Maar het is een hond voor het volk. Hij snijdt ze om een
onverwacht groote hoeveelheid tjoeké binnen te brengen. En let op:
hij zal je gezegd hebben, dat van het jaar de padi slecht staat ..."
"Waarachtig, het is sterk!"
"Welneen, dat zegt hij elk jaar. Je voorgangers geloofden den vent
door dik en dun. Enfin, het had dit voor, dat het dan altijd een
meevaller is voor den baas. Je zult dus meer binnenhalen dan je
verwacht, daar kun je zeker van zijn. Maar, en dat is het mooiste
van de heele geschiedenis, dan bedondert hij je feitelijk tòch nog."
"Hoe zoo?"
"Wel, hij geeft jou minder op dan hij bij de bevolking opschrijft,
bij de tani's [135] namelijk die van de lastige weging op het land
afzien. Nou, dat weet het volk natuurlijk niet. En als hij zich dan
later laat omkoopen, om vermindering te geven, dan heeft hij er geen
stap voor te verzetten, want hij heeft dan al minder opgegeven. Zoo
snijdt het mes van twee kanten, begrijp je?"
"Wat een gannef! Maar er is, geloof ik, niet veel aan te doen."
"Wel zeker. Wat ik je daar verteld heb, is speciaal een praktijk van
Sastra. Maar een van mijn mantri's probeerde zich op dezelfde manier
gemakkelijk gezag te verzekeren bij het volk. Ik had hem in de gaten,
door mijn huishoudster, ik donderde hem er uit en noteer nu zelf
de tjoeké."
"Dat geeft je dan toch een hoop soesah."
"Nou ja, maar de bevolking vaart er wel bij. En nou ben ik misschien
erg rood, hé, maar in mijn oog gaat het volk voor."
"Ja," zei Zevenaer, "De Leeuw, jij komt nooit vooruit, dat heb ik
je al meer gezegd. Je bent veel te goed voor de kerels. Van boven
vragen ze om rijst, rijst, rijst, hoe meer hoe beter. Humaniteit best,
daar kan mee geparadeerd worden, maar rijst vòòr alles."
Van Affelen wilde wel meer weten van De Leeuw. Hij had zich al dadelijk
voorgenomen, Sastra tot elken prijs te handhaven. Hij was nog jong,
pur sang Hollander, die niet veel voelde voor land of volk, wiens
eenige zucht was vooruit te komen, hoe sneller hoe liever. Hij had
begrepen dat Sastra hem daarin kon helpen. En van den in ervaring
zoo rijken ouderen collega kon hij nog heel veel leeren.
"Dus jij zoudt me raden dien ouden Sastra zijn congé te geven?"
"Hoe eer hoe beter. Het volk zal er je in stilte dankbaar voor
zijn. Ik weet niet hoe jij er over denkt, maar mij doet het altijd
lol als de lui van je zeggen: nou, die vent is nog zoo bar niet,
als hij er uitziet."
"Jawel, jawel dat is prachtig, maar jij drijft de goedheid wel wat
ver," meende Zevenaer. "En nu ben ik wel geen volkskenner, maar
dat weet ik wel, dat die bruine broeders je goedheid vergelden met
tallooze akals [136] om je te belazeren."
"Zeker, dat doen ze mij óók, als ze kunnen. En dat zouden wij in
hun plaats ook doen. Of zouden wij het lollig vinden aan alle kanten
geschoren te worden."
"Nou, het is maar een vijfde," suste Van Affelen.
"Een vijfde? Man, man, wat zal jij je oogen nog den kost moeten
geven! Een vijfde? Ik beweer: door de bank zoo iets als de
helft. Waar ter wereld moet je vijftig procent inkomstenbelasting
betalen? ... Verdomde sigaar! 't Ding trekt niet ... Daar, marsch! Geef
me eens een ander."
De Leeuw kauwde de punt van zijn sigaar af, greep naar een doosje
lucifers, dat op de tafel lag en stak er den brand in.
"Geloof me," zeide hij, een rookwolk uitpuffend, "de boel is hier rot,
ínrot. 't Bestuur bemoeit er zich niet mee. Komen de lui klagen,
ze worden met een kluitje in het riet gestuurd. Een kennis van
me, een krantenmensch, heeft eens een heele brochure volgepend,
waarin hij vertelt dat de gé-gé [137] zijn plicht niet doet. Het
was een kras stukje. Er werd verwezen naar een artikel van het
regeerings-reglement, waarin gezegd wordt dat zijn eerste plicht is,
te zorgen dat de bevolking geen onrecht wordt aangedaan. Artikel 54,
geloof ik, neen 55. Heeft het wat gegeven? Kun je begrijpen."
Hij zweeg even.
"Daar op Buitenzorg geven ze hormatcirculaires [138] uit en
proclamaties tegen de concubientjes. Dat laatste is vooral prachtig. De
linkerhandjes recipiereeren tegenwoordig in de residentswoningen,
bij de raden van Indië en in andere paleizen. De boel is rot, man,
geloof me, rot. Dáár, soedah! [139] Schenk nog eens in, ik lust nog
wel een wijntje."
"Ik geloof, dat ik het artikel ook gelezen heb," zei de Jonker. "Ik
heb er een overdrukje van thuis gekregen. Goed ingelicht is de man,
ten minste op de meeste punten; maar geen wonder. Ik heb hem zelf
ingelicht, en, naar hij me schreef, ook de vorige administrateur
van Telatiga."
"Heb jij hem ingelicht?" vroeg Van Affelen verrast.
"Welja, waarom niet? Verdomme, de man deed er toch geen kwaad mee?"
"Maar dan heb je den baas toch eigenlijk belazerd," zei Zevenaer,
"want toen hij jou, Van Braam en mij gevraagd heeft of wij er iets
mee uit te staan hadden, zei je van neen."
"Zeker, ik heb hem voorgelogen. 't Is niet mooi van me misschien,
maar enfijn, ik heb het gedaan. Ze wouen hem vervolgen op Batavia,
vertelde de baas, en of wij dus materiaal wilden verzamelen om aan
te toonen dat hij lasterde."
"Nou, en heb jij iets gevonden?"
"Neen, jij?"
"Ook niet."
"Dus hij overdreef niet?" vroeg Van Affelen.
"Welnee, man; hij wist nog niet half genoeg."
"En is hij vervolgd? Dat gaat hier makkelijk genoeg, hoor ik, zoo'n
persdelictje."
"Nee, vervolgd is hij niet, ze hebben er maar van afgezien, zie
je. Als je in stront roert, gaat het stinken."
"Laat me het toch eens lezen."
"Best, bij gelegenheid."
"Een ding is toch zeker overdreven, geloof ik," zei Zevenaer weer. "Die
meer dan twintig procent breuk. Er is wel iets meer, nou ja, maar dat
kun je niet altijd afpassen. En de lui zelf brengen de rijst mooier
dan ze moeten."
"Wat is dat voor een kwestie?" vroeg Van Affelen.
Zevenaer legde uit:
"In het artikel wordt gezegd dat de bevolking gedwongen wordt om
tjoekérijst op te brengen met 89 tot 90 procent grof."
"Nou, dat is toch niet waar."
"Niet waar!" stoof De Leeuw op. "Het is van a tot z waar. Hoe hij er
aan komt, weet ik niet, ik heb hem op dit punt niet ingelicht, maar
waar is het, dat bezweer ik je. In de vrijwillige overeenkomst heet
het dat er 20 procent breuk mag zijn, he? Volgens van ouds door de
bevolking geleverd, zoo staat er. Dat is verdomd hypocritisch gezegd,
weet je. Want als je zegt 20 procent, zooals een beetje verder in het
contract staat, dan heb je een getal, waaraan je kunt vasthouden. Maar
wat is nou: als van ouds geleverd? Dat is niks. Dan kan je alles
weigeren, al brengen ze je honderd procent grof."
"Jawel, goed, maar gebeurt dit? Daar komt het maar op aan."
"Ja, dat gebeurt. Elk jaar gebeurt het. Als de rijst door de
sorteermachine is, dan blijkt er maar zestien procent breuk te zijn,
op zijn hoogst, begrijp je, op zijn hoogst. En de machine maakt nog
altijd vier, vijf tot zes procent breuk.
"Dus, dat wil zeggen, dat ..."
"Dat zestien min vijf nog altijd elf is. En dat het volk dus met
rijst van elf procent breuk komt, dat wil het zeggen."
"Goed, maar dat komt misschien omdat het volk de grens van breuk niet
kent, en zoodoende uit vrees maar mooiere rijst levert dan het moet."
"Nonsens, rats, de bevolking mòet, omdat mindere kwaliteit geweigerd
wordt. Je kunt de cijfers vinden in de registers van de gesorteerde
rijst. Dat is contractbreuk, begrijp je goed. Elk jaar. En
contractbreuk is strafbaar ... behalve wanneer de opgezetenen de
dupe zijn."
"Neen maar waarom klagen de lui niet? De assistent-resident ..."
"Och wat, Jonker, laten we mekaar nou geen Mietje noemen, zeg. Die
Van Dam is een vent om er een op toe te geven. Goddomme, leg de
overeenkomsten van Telatiga en van hier nu eens naast elkaar. Telatiga
rekent de grens van goedgeslaagd op zeven en dertig en een halve
picol. Dat is te laag, beweer ik. Maar goed. Hier is de taxatie nog
zes en een kwart picol lager. Dat berust op niets. Nou zou je zeggen,
als Van Dam die twee overeenkomsten ziet--we werken toch onder gelijke
omstandigheden!--dan zegt hij: dat deugt niet. Er is minstens één
van de twee niet goed. Nou."
"Ja, hij registreert beide."
"Juist, hij registreert alles, wat voor zijn pooten komt. Want hij
is gedekt, omdat de bevolking vrijwillig teekent."
"Nou ja," merkte Van Affelen op, "wij weten allemaal wel dat de
assistent-resident geen flauw benul heeft van de finesses van ons
bedrijf ..."
"Nou, wat doet hij hier dan? Het hoofdbedrijf in de afdeeling, in
het heele gewest. God beter 't, wat heb je aan zoo'n knul, als hij
niet weet waar ie zijn poot onder zet?"
"Goed, maar als ambtenaar is zijn standpunt begrijpelijk, al toont
het weinig karakter, weinig fut. De lui hebben vrijwillig geteekend,
zegt hij ..."
"Maar, kerel, dat is gelogen. Er wordt niet vrijwillig geteekend."
"Niet? Wat is dat nou, wij dwingen ze toch niet!"
"Wij dwingen ze wèl, moreel namelijk. Wij paaien ze met beloften,
vrij visschen, geen tuinhuur, voorschot, enz.; wij bedreigen hen met
straffen als ze niet teekenen. Wat een wonder dat ze dan teekenen. Van
een reglement weten de meesten niet. En dan, weet je wat zoo verdomd
gemeen is? Het breukgemiddelde is veel te hoog."
"Niet te veel willen bewijzen, De Leeuw. Qui prouve trop, ne prouve
rien. Er zijn stampproeven, die dat gemiddelde hebben vastgesteld."
"Als ik niet te lang op het land was, zou je me nu mat hebben,
Jonker. Maar nou heb je me niet, man. Ik wou je wel vragen of je
begrijpt waarvoor die stampproeven hier, zoowel als op Telatiga,
zijn genomen, hoeveel jaar geleden weet ik niet? Waarvoor is die
standaard-stampproef genomen?"
"Om vast te stellen, de rijstcoëfficient en de breukverhouding."
"Juist. Nu ben jij landheer hé, en ik tani? Ik moet jou rijst
leveren. Andere inkomsten trek je niet, of ook zonder dat, wat zal
jij nu doen: tevreden zijn met een picol, als je twee kunt krijgen
met allen schijn van recht?"
"Een domme vraag: natuurlijk twee picol opeischen."
"Die vraag is zoo dom niet, als je denkt. Maar enfin. Dus je begrijpt
wel, dat die stampproef werd genomen onder buitengewoon gunstige
omstandigheden, niet waar, dat de nadeelige factoren zijn vermeden,
dat men eerst met de hoogst mogelijke uitkomsten tevreden was. Dat
is toch logisch, niet?"
"Zeker."
"Nou. Ik heb zelf die stampproef gecontroleerd. Je kunt me dus
gelooven, trouwens je kunt het nagaan ook, als ik je zeg dat wel geen
uitgezochte padi werd verstampt, dat zou te dol zijn, maar padi, die
niet van weersinvloeden te lijden had gehad, die uitmuntend stond in
het algemeen, en weinig breuk zou geven. Een vrij groote hoeveelheid
van die padi werd verstampt, onder ons toezicht. Dat stampen ging
uiterst voorzichtig. Nou het resultaat was, in vergelijking met wat
als tjoeké wordt ontvangen, alles behalve schitterend. Omgeslagen
over één picol kregen wij drie en vijftig kattie rijst."
"Dat is nog mooi."
"En in de witte rijst was acht en veertig en een half grof. Jammer,
dat ik zoo'n standaard-staatje niet bij de hand heb, het is wel
interessant."
"Misschien kan ik je helpen," zei Van Affelen. "Ik heb eens op de
besaran een stampproef-staat overgeschreven. Misschien is het die,
welke je bedoelt. Je kon nooit weten. Ik kon hem eens noodig hebben."
Van Affelen stond op en zocht op zijn schrijftafel naar een
notitieboekje. Na eenig zoeken had hij het. Uit de portefeuillekap
van het boekje werd een toegevouwen papiertje geproduceerd. Affelen
vouwde het open en reikte het De Leeuw toe. Deze keek er even naar.
"Ja," zeide hij, "dit is het. Nou kijk eens hier. Verstampt: 1 picol,
soort: meest verbouwde, dedek 9 kattie, merang 9 kattie, doppen 27,
niet wit grof 29 kattie, fijn 24 kattie; wit grof 25 1/2, fijn 27
1/2; dus procent rijst 53; verlies 2 kattie. Nou de breukverhouding
in procenten: niet-wit, eerste soort 54 1/2, tweede soort 45 1/2;
wit, eerste soort 48 1/2, tweede soort 51 1/2. Dit is dus je
standaard-verstampingsproef. En nu kun je zelf zien hoe het volk
bedonderd wordt. Want hun rijst is voor 88 procent grof, de rest
gebroken. De normale breukcoëfficient is 51 1/2, ze moeten leveren
met twaalf procent. Zie je, dat is toch verdomd vuil ..."
"Nou ja, je kunt je daar nu wel over opwinden," zeide Van Affelen,
wat spijtig, omdat door den harden vuistslag van De Leeuw op tafel
een der glazen was omgevallen en den inhoud gedeeltelijk over zijn,
Affelen's, pantalon had uitgestort. "Maar het is grauwe theorie, dat
wil zeggen, ik zeg het verkeerd; als je dat zoo uitlegt, dan lijkt
het wel of de lui hier worden uitgezogen tot op den laatsten druppel
bloed, terwijl 't in waarheid nu niet zoo bar is. De kerels hebben
ten minste nog bloed genoeg in d'r body om te blijven voorthappen."
De Leeuw haalde zijn schouders op, maar Zevenaer viel uit:
"Nou ben je toch verbazend kortzichtig, Affelen. In dergelijke dingen
bestaat geen theorie, dat laat zich toch begrijpen, hé? Je betaalt of
betaalt niet. Een andere keus is er niet. Of liever, er is heelemaal
geen keus voor de zwarten. Als ze niet leveren willen naar den wil van
den landheer, dan gaan ze er af of ze worden ge"rold". [140] Er blijft
alzoo niets anders te doen dan Steuer zahlen und 's Maul halten ..."
De Leeuw schoot opeens uit zijn slof:
"Affelen wil geen theorie, hè? Goed. Ik zal hem practijk
geven. Potdomme, zooveel als-ie wil. Ik heb een oppassenden kerel in
Kerep, Marto, 'n ouwe kerel, vrouw en een schuif jongen; de man heeft
250 roeden sawah. Nou, ik zal je zijn jaarbalans optellen. Meerekenen
als je blieft."
De Leeuw haalde een potloodje voor den dag en krabbelde achter op
de stampproef.
"Bewerking twee honderd vijftig roeden à vijf en twintig cent voor
de tien maakt zes gulden en een kwartje. Aankoop zaadpadi, een halve
picol, meer is niet noodig, één en een kwart, dat is samen drie
ringgits [141]. Nou plantloon. Twaalf vrouwen, stel, een dubbeltje
daags en de kost, dat is niet te royaal, twee veertig, samen negen
negentig. Een douceurtje voor den mantri-tjoeké, kan niet missen,
stali [142]; samen tien vijftien. Snijloon; ja dan moeten we de
productie hebben. Dus dat in petto. Drogen en aan bossen binden
... Neen dat gaat niet. We moeten toch de productie hebben. Dus,
onthouden, lui. Wat hadden we ..."
"Tien gulden vijftien."
"Juist, tien gulden vijftien. Bij een doorsnee-productie van vijf
en twintig picol, geeft hem zijn stukje sawah twaalf en een half
nat. Snijloon een vijfde, maakt tien; uitdroging twintig procent,
is twee picol. Rest acht picol droog. Dus acht picols. Drogen en
aan bossen binden acht dubbeltjes, maakt tien vijftien plus tachtig,
is tien gulden vijf en negentig, niet?"
"Ja, all right, ik volg. Maar à propos, je rekent alles uit. Wat
duivel, hij kan toch zelf wel zijn oogst behandelen!"
"'t Kan wel, maar het gebeurt niet, jò, dan komt er geen oentoeng ..."
"Nonsens, daar behoeft geen rekening mee gehouden te worden," viel
Van Affelen uit.
"Je kunt om den adat lachen of spotten; je vroeg om practijk. Nou, ik
geef je practijk. Volgt draagloon naar de loemboeng [143] acht gobangs
[144]: twintig cent; dat is elf gulden vijftien. Nou stamploon. Acht
picol à vier en vijftig procent geeft ... vijftig is vier, vier maal
twee-en-dertig ... geeft vier picol twee en dertig kattie. Neem nu aan,
tegen vijftig procent breuk, geeft twee, zestien grof à zes vijftig
... (na korte berekening) ... veertien gulden en vier cent. Dan nog
twee zestien fijn à vier pop, acht vier en zestig. Totaal twee en
twintig acht en zestig. Onthouden hoor. Waar waren wij daareven?"
"Bij het stamploon."
"Ah juist, een zesde van vier picol twee en dertig is twee en zeventig
kattie, maakt"--De Leeuw cijferde weer--, "berekend tegen de prijzen
van daarnet--drie zestig, plus elf gulden zestien, niet waar? is
veertien zes en zestig."
"Zes en zeventig."
"Ah ja, natuurlijk, veertien gulden zes en zeventig. Djakat [145] een
tiende is drie en veertig kattie, dat maakt twee gulden zestien. In
totaal alweer zestien gulden twee en negentig ..."
"God, wat zijn jullie vervelend! Schei nou toch uit met dat gecijfer,"
zeide Zevenaer geeuwend.
"Het is voor de inlanders nog veel vervelender altijd maar weer
te moeten betalen," antwoordde De Leeuw droogjes. "Maar ik zal Van
Affelen eerst doodslaan met de practijk. Niemand dwingt jou om te
luisteren. Draagloon naar het pakhuis, Van Affelen, zeven paal,
laten wij zeggen een kwartje. Tel maar weer op: zeventien gulden
zeventien. Nou de tjoeké. Volgens artikel vier van de vrijwillige
overeenkomst, een vijfde of twee en een halve picol nat à veertig
katties in een picol, waarvan acht en tachtig procent grof tegen zes
vijftig ... wacht, dat is een langere berekening, geef me een ander
stukje papier."
Van Affelen scheurde een velletje uit zijn zakboekje en reikte het
den ander over. Hijzelf zat ingespannen te luisteren en was een en
al aandacht.
"Dat maakt vijf gulden twee en zeventig, en twaalf procent fijn à
vier pop, acht en veertig cents, totaal zes en twintig. Dat is dus met
dat van daarnet, drie en twintig gulden zeven en dertig. Nou reken ik
niet: witstampen, waakloon gedurende vijf maanden op het veld, sedekah
voor den oogst. Maar één ding is nog vergeten. Het voorschot. Dat
neemt natuurlijke elke inlander aan als het hem aangeboden wordt. Hij
krijgt voor tweehonderd vijftig roe, drie pop, na den oogst terug met
twintig percent rente voor zes maanden, is zestig cent. Zijn uitgaven
zijn dus in totaal: drie en twintig gulden zeven en negentig cents,
rond vier en twintig gulden. En daar tegenover staat een verdienste
van twee en twintig gulden zeventig. Marto heeft dus verlies: een
gulden dertig verlies."
"Ja," zei Van Affelen, "er schijnt niets tegen te zeggen."
"En nou vraag ik je of je begrijpt, wat dat zeggen wil: verlies te
lijden als je het heele seizoen gewerkt hebt, als je je arbeid,
je zweet gegeven hebt om een goed stukje grond vruchtdragend te
maken. Alles wat de stakker deed, het water van zijn sawah houden,
het spitten, ploegen, planten, zijn heele denken gedurende dien tijd,
zijn vreugde als de padi opkwam en de aren zwollen, de blijdschap bij
den oogst, dat alles weg, weg en erger, hij heeft schuld, hij is armer
dan hij begon. Verdomme, Van Affelen, we zijn eigenlijk lammelingen,
dat we er aan meedoen, zeg, die stakkers zoo te villen ..."
"Nou, nou, word niet sentimenteel, De Leeuw, we moeten allemaal leven."
"Ja, dat houdt me hier. Wie kan mij nou gebruiken? Ik heb alleen
verstand van padi. Anders ging ik weg. Als ik zulke buien heb en me
veroorloof me in te denken in den ellendigen toestand van zoo'n Marto,
dan kan me de heele santekraam ook niks verdommen. En zoo zijn er veel
als die Marto, heel veel, het is bijna normaal zoo. Daar heb je dan
de practijk, Van Affelen, en erken dat ze verrot is, verrot, verrot!"
De Leeuw sloeg met de vuist op de tafel. Toen, als om nare gedachten
te verdrijven, stond hij op, rekte zich uit en zeide: "Kom, Zevenaer
heeft gelijk, wij zijn vervelend, wat kan ons après tout zoo'n inlander
schelen? Ik ga mandiën [146]. Als het licht op is, leggen we zeker
een ombertje, he?"
"Idealist," bromde Van Affelen, toen De Leeuw zich verwijderde,
en dat woord, op dien toon, had de beteekenis van een schimp.
"Goed, een idealist, ik ben het anders niet met je eens," zeide
Zevenaer, "maar een nobele kerel. Beter dan wij."
"Och kom, ik wist niet dat jij sentimenteele buien had, Jonker. Maar,
wat bliksem, wat De Leeuw wil, zijn herschenschimmen ..."
"Wat?"
"Nou, die rechtvaardigheid. 'n Prachtig beginsel, maar je vreet er
niet van. Onze maatschappij ..."
"Neen onze maatschappij houdt weinig rekening met mooie beginsels; dat
is zoo. Reden om met de maatschappij in denken en doen te verschillen."
"Prachtig, maar ik verkies in het leven te blijven, met of zonder
gemoraliseer,--Soerja, pasang lampoe! [147]--De schemering maakt je
tot een moralist, Jonker. Ik wist niet dat dàt mogelijk was, en ik
houd niet van inkeeringen."
Het liep tegen vier uur 's middags, den dag daarop, dat Prawira,
vergezeld van Siman, het erf van de employés-woning te Herea
opkwam. Van Affelen was nog niet thuis en Prawira zeide tot zijn
jongen metgezel te wachten bij de stoep. De ziender zou wel spoedig
thuis zijn; het was wonder dat hij er nog niet was. Prawira zelf zou
zich maar verwijderen. Het was niet goed, zeide hij, dat de opzichter
hen samen zag, en Siman kon zijn woord toch zeker zelf goed genoeg
doen. Hij, Prawira, zou later nog wel een woordje zeggen als het
noodig was. Siman begreep eigenlijk niet, waarin het kwaad stak als
men hem in het gezelschap van den ander vond, en hij was ook wel
bevreesd met zijn verzoek voor den employé te komen. Maar Prawira
ging en dus bleef hij alleen.
Gehurkt, diep in gedachten omtrent de wijze, waarop hij zijn verzoek
zou moeten inkleeden, wachtte hij. Zelfs merkte hij niet dat Van
Affelen aankwam. Eerst toen de bendy het erf opreed, keek hij op,
ter sluiks den Europeaan opnemend.
Van Affelen was in een slechte luim. Hij meende reden te hebben nijdig
te zijn op het volk, omdat Pah Roesmi gepoogd had hem om den tuin te
leiden met de tjoeké-rijst, die afgekeurd was, en die hij opnieuw
aanbood, na eenige dagen, in gave zakken, alsof hij, Van Affelen,
den toeleg niet zou doorzien. Die poging tot bedrog was verkeerd van
Pah Roesmi, maar Siman had er geen schuld aan en hem trof slechts
de booze bui van den blanke, zonder dat hij er, door het kennen der
oorzaak, reden tot verontschuldiging voor kon vinden.
"Wat mot jij?" snauwde Van Affelen, terwijl hij de leidsels naar
achteren wierp.
Siman was bedremmeld en zweeg. Zijn vooruit klaargemaakte rede bleef
hem op de tong.
"Wie ben jij? Kun je niet antwoorden?" Van Affelen werd driftig.
"Ik ben Siman, meester, van de desa Gatok."
"Nou, en wat wil je?"
"Mijn padi is gesneden, meester, en ik zal de tjoeké moeten afleveren."
"Verder?"
"Het is zoo bezwarend, meester ..."
"O, het oude liedje! Je wilt vermindering hebben van de tjoeké, he?"
"Ja, meester, mijn vrouw ..."
"Heb je taxatie gehad?"
"Ja, meester."
"Wie heeft getaxeerd?"
"Mantri Sastrawidjaja."
"Was je tevreden?"
"Ja, meester, maar de ..."
"Dat kan me niets schelen. Je krijgt geen vermindering, begrepen? Ik
ken dat gezanik. Allemaal leugens. Te lui om te werken, maar om te
vreten niet, hé? En nou is er zeker een tante of een grootje van je
dood, en moet je geld hebben? Geen kwestie van!"
Siman waagde nog een poging:
"Meester, ik lieg niet. Er is niemand dood, maar mijn vrouw is pas
bevallen ..."
"Daar ben je niet te lui voor, hé?--om kinderen te maken. Alloh,
vort! Je krijgt geen cent vermindering."
Van Affelen stapte zijn kamer in.
Siman stond op, langzaam. De laatste beleediging had hem dieper
getroffen dan de geheele hondsche bejegening. Er gloeide opeens een
heftige wraakzucht bij hem op. Een blik van diepen haat volgde den
blanke. Toen was de jonge Soendanees zich weer meester.
Buiten wachtte Prawira hem op. Siman deelde hem slechts mede, dat
zijn verzoek geweigerd was. Hoe dit geschied was, verzweeg hij,
uit schaamte. De ander schreef zijn bedruktheid en dofheid toe aan
de teleurstelling der weigering--waaraan Siman op dat oogenblik niet
eens meer dacht.
"Je hadt ook weg moeten gaan," zeide Prawira. "Ik zag aan zijn gezicht
al dadelijk dat hij in een slechte luim was."
Lang bleef Siman niet te Herea. Hij gebruikte een kleine verversching
bij Prawira en vertrok alleen naar Gatok. Het was al eenige uren
nacht, toen hij bij zijn vrouw kwam. Ze sliep reeds, maar ontwaakte
bij zijn komst.
"En?" vroeg ze, maar het antwoord las zij reeds op Siman's somber
gelaat:
"Hij heeft geweigerd."
Djiah zuchtte.
Sastra zat, de beenen kruiselings onder het lijf, voor Van Affelen,
die notities van hem overnam. Toen dit afgeloopen was, draaide de
blanke zich op zijn stoel om.
"Zeg, Sastra, wie is die Siman van Gatok?"
"Een nieuweling, meester. U weet wel, ze zijn hier het vorig jaar
gekomen. Hij heeft nog een ouden vader, die nu de tering heeft."
"Wat zijn dat voor lui; lastige menschen?"
"Neen, meester, integendeel, zij zijn zeer gewillig."
"Zoo, h'm. Hij heeft me gisteren gevraagd om vermindering van tjoeké."
"Ja, meester."
"Ik heb natuurlijk moeten weigeren."
"Het beschot is tegengevallen, meester; de oude ligt ziek, en Simans
vrouw is onlangs bevallen."
"Kan er niets aan doen. Is het een groot gezin?"
"Ja, meester, de oude Rekso, Mah Ten, zes kinderen, buiten Siman."
"Zoo, nou, ik zal 's kijken als ik dien kant uitkom. Maar nou wat
anders: Waar is je dochter nu, Sastra?"
De mantri boog het hoofd wat dieper, om een blik van vreugde te
verbergen. De oude had dadelijk begrepen wat Van Affelen bedoelde. Er
was reeds meer van deze aangelegenheden sprake geweest. Hij wilde
niets liever dan Djiëm geïnstalleerd zien als huishoudster bij den
opzichter. Dat kon hem in zijn positie slechts voordeel brengen. Maar
het was zaak hiervan niets te laten blijken.
"Welke bedoelt u, meester?" vroeg hij achteloos.
"Djiëm."
"Djiëm is te Telatiga."
"Zoo. Wanneer komt ze weer op het land?"
"Ik geloof niet meer, meester. Ze wil huishoudster worden bij een
blanda in de kotta."
De man loog. Djiëm zat thuis.
"Zoo. Ik dacht dat jij daar bezwaar tegen hadt?"
"Ja, meester, dat heb ik ook. Maar ik ben een oud man. En de kinderen
zijn reeds volwassen."
"Nou, waarvoor moet ze dan naar Telatiga? Ze weet toch dat ik jou
aangeboden heb haar hier te brengen?"
"Daar kan ze misschien meer verdienen, meester."
Sastra loerde naar Van Affelen. Zijn kleine oogjes glinsterden.
De Europeaan stond op, opende een geldkistje, dat in de slaapkamer op
een gemetseld muurtje vastgeschroefd was. Hij haalde er twee bankjes
van tien en een van vijf uit en kwam bij den mantri terug.
"Laat Djiëm halen," zeide hij, "en zeg haar dat zij dit geld kan
krijgen en nog meer, als ze huishoudster hier op de zienderan [148]
wil worden. Versta-je?"
"Ik zal het doen, meester, omdat u het gelast."
"Goed, en maak een beetje haast als je blieft."
Drie dagen later was Djiëm als njai geïnstalleerd. Zij was een ferme
deern met een brutalen oogopslag, die er haar toean wel onder zou
krijgen. Haar welkomstgroet was niet zeer vriendelijk geweest. Als
ze zwanger werd, ging ze de laan uit, had Van Affelen gezegd. Maar
Djiëm had zich vast voorgenomen, als ze eerst dien blanda maar goed
aan zich gehecht had, hem nog vaster te binden door kinderen van hem
te krijgen. Van het geld, dat Van Affelen aan haar vader gegeven had,
had ze maar weinig in handen gekregen. Maar zij zou zichzelf wel een
spaarpot weten te maken. En zij begon aldra met haar jongere zuster
in een warong [149] te zetten in de desa Herea. De bevolking zou
daar de inkoopen doen, dat was duidelijk, want natuurlijk zou men
meenen, daardoor bij den opzichter in het gevlei te komen. Onder
zulke omstandigheden is concurrentie voor andere neringdoenden zeer
moeilijk. Met het gevolg dat de prijzen worden opgedreven ... ten
detrimente der bevolking.
Zoo gaat het veelal in de binnenlanden en zoo ging het ook te Herea.
En gelijk dan ook meestal het geval is, de bevolking voelt dat zij
getroffen wordt, maar verzet zich daartegen niet. Het Javanenvolk
is deemoedig, het deemoedigste ter wereld. En zeer diep moeten
gezagsmisbruik en knevelarij doordringen, voordat het stille verdragen
tot morren, het morren tot muiten wordt. De inwoners van Herea lieten
zich knevelen ...
Van Affelen merkte er niet veel van, en, deed hij het al, het zou hem
te veel zelfoverwinning gekost hebben, zich vóór het volk, waar hij
niets voor voelde, te plaatsen tegenover Djiëm. Hij hechtte zich steeds
meer aan zijn huishoudster. Djiëm paarde aan verleidelijkheid van
lichaam voldoende mate van sluwheid om haar toean aan zich te binden
door levendig houden van zijn begeerte naar haar. Haar berekening
faalde niet. Van Affelen, die in dit opzicht niet boven de middelmaat
stond, kwam steeds meer onder den wilsinvloed der Javaansche.
Het feit dat de jonge Hollander met Djiëm leefde, had iets
immoreels. Dit immoreele lag niet in de eerste plaats in hun verhouding
tot elkaar, want waarom zou het concubinaat lager staan dan de meeste
huwelijken? In toewijding, gehechtheid, zorg voor persoon en eigendom
van den man, ja zelfs in liefde, behoeft de Javaansche niet onder te
doen voor haar blanke zuster. Ligt hierin niet het moreele van het
samenleven van man en vrouw? Is het wel een eisch der moraal--of alleen
maar van fatsoen?--dat we ons van overheidswege laten autoriseeren
om iets blonds, bruins of zwarts te maken tot levensgezellin?
Het immoreele van hun samenleven lag in hun verhouding tot het
volk. Want Sastrawidjaja had terecht begrepen, dat zijn invloed zou
groeien met den duur van zijn dochters verblijf in de woning van
den opzichter!
Zoo was het.
En Sastra ging voort in het klein het voorbeeld zijner kapitalistische
patroons te volgen: de bevolking der afdeeling Herea werd meer dan
ooit gekneveld.
Ter eere van Van Affelen zij hier verklaard, dat hij te onbekwaam
was voor zijn taak, te onbekend met het volk, te veel geabsorbeerd
door de zucht naar carrière-maken, dan dat hij van die uitzuiging
veel zou bemerkt hebben. Het volk kwam bij hem zich niet beklagen,
zooals bij De Leeuw, wanneer de desalieden konden verwachten dat hun
gang naar de zienderan van Alas Bamboe onopgemerkt zou blijven. In
De Leeuw stelden zij vertrouwen.
Het was weer een maand verder.
Bedruktheid heerschte in een tweetal woningen van de desa Gatok: met
Pah Rekso ging het hard achteruit. De oude kon de baleh niet meer
verlaten. Hij kuchte voortdurend en de ingeteerde borst piepte met
naar geluid. Het einde kon zich niet lang meer laten wachten.
De misère kwam er weer zeer ongelukkig tusschen. De tjoeké
was opgebracht. Pah Ran en Siman hadden zelf de vracht naar het
pakhuis gedragen om loon uit te winnen. De rijst was gelukkig goed
bevonden; dubbele verheugenis voor dien dag, want de opzichter was
weer zeer ontstemd geweest en heel wat tjoeké-rijst was door hem
afgekeurd. Ten onrechte. Maar de getroffenen hadden zwijgend dat
onrecht geduld. Buiten eerst, onder elkander, had men gemokt over
die benadeeling. En Pah Ran en Siman begrepen dat hun rijst zeer
mooi geweest was van korrel, daar hun geen enkele opmerking gemaakt
was. Neen waarlijk, Prawira had gelijk gehad, zóó stampen zouden Djiah,
Ipah en Mariam niet gekund hebben.
Te Bodjong Kawoeng hadden zij hun zaadpadi besteld voor den volgenden
planttijd. Wel hadden zij die zaadpadi kunnen inkoopen in Gatok
zelf, van Tio Ang Sioe, en wel hadden zij dus met de padi weer een
aanmerkelijken afstand af moeten leggen, maar beiden hadden dit toch
verkieselijker gevonden. Er was reden voor.
Tio Ang Sioe toch was een zoon van den administrateur, een onecht
kind, verwekt bij een Chineesche vrouw. Nederman had, toen hij de
administratie van het particuliere land Alas Bamboe in handen nam--hij
was er langzaam aan oudste employé geworden--een zeer geschikt baantje
voor zijn zoon gevonden. Hij wilde hem liefst wat ver uit de buurt
hebben en stelde hem aan als padileverancier te Gatok. Tio Ang Sioe
leverde zaadpadi aan het land en het land gaf het uit aan de bevolking,
die er behoefte aan had. Er kwam hooge rente op, hooger zelfs dan Tan
Boen Ho te Telatiga bedong. Maar dat scheen wel billijk. Immers, de
transportkosten van Telatiga naar het land behoefden den prijs niet te
drukken. Gemeenlijk werd die zaadpadi in tjoeké-rijst terugbetaald. En
Tan Boen Ho berekende een picol tjoeké-rijst tegen een picol zaadpadi,
dat is dus ver meer dan honderd procent ... De onderneming nu betaalde
aan den Chineeschen zoon des administrateurs meer per picol zaadpadi
dan de prijs was: voor elken picol kreeg Tio Ang Sioe drie gulden. Daar
zat een aardige winst in en Nederman behoefde zich niet ongerust te
maken over benadeeling van de onderneming, want--het was immers de
bevolking aan wie de padi weer werd geleverd, die aldus zijn zoon
aan een ruim bestaan hielp?
Tio Ang Sioe zou echter geen zoon van zijn moeder geweest zijn,
wanneer hij niet getracht had zijn zoo gemakkelijk gewonnen inkomsten
te vergrooten. En het lag voor de hand, dat hij minderwaardige padi
opkocht voor de levering aan zijn natuurlijken vader. Die zaadpadi was
echter te slecht om te planten. En de Javaan werd er de dupe van ...
Toen Siman en Pah Ran 's avonds laat thuis kwamen, lag Pah Rekso
te sterven.
Mah Ten ondersteunde het hoofd van haar man. Tranen stonden
in haar oogen. Zij begreep wat er ging gebeuren met pijnigende
juistheid. De oude ging weg van haar en de kinderen, na die lange
jaren van samen leven en samen lijden. Mariam en Ipah en de jongere
kinderen schreiden. Djiah stond wat verder af het treurig tooneel
in diepe gedachten gade te slaan. Het was geen koudheid des harten,
die haar deed becijferen, op dat oogenblik, hoeveel dit sterven weer
zou kosten. Och neen, het was de benauwende greep van het gebrek,
dat in zijn druk steeds en immer de herinnering aan zich levendig
houdt. Mah Itam, er bij geroepen, wreef den zieltogende, onder het
prevelen van gebedenformulieren, over de lenden. Rekso rochelde reeds,
bloedschuim stond hem op den mond en door het rochelen heen zocht de
adem fluitend zich een uitweg naar buiten. Het was een allertreurigst
tooneel. Het olielampje op de ruwhouten tafel wierp dan hier, dan
daarheen de zwarte dansende schaduwen dier menschen op de bamboewanden,
en teekende donkere vlekken op de aangezichten.
Djamin zat buiten.
Toen Siman en Pah Ran aankwamen, snelde de knaap hun tegemoet.
"Vader is stervende," hijgde hij fluisterend, "de tjilepoek [150]
heeft al tweemaal geroepen."
Maar diep in den nacht eerst was het afgeloopen. Pah Rekso had even
voor zijn dood een oogenblik van bewustzijn gehad.
"Jullie moet weg van Alas Bamboe. Hier is tjilaka [151] ..." waren
zijn laatste woorden. In een hevige bloedgolf bleef hij. Toen begonnen
de vrouwen luide te jammeren. Mah Ten vloekte het oogenblik dat zij
waren weggegaan van Soemedang. Het was de straf van Allah. Ze hadden er
moeten blijven, dan was Pah Rekso niet gestorven. Nu kwam er nog veel
meer tjilaka. Ze moesten maar weg, weg van hier. Rekso had het gezegd
en stervenden kunnen méér zien. Men moest hem gelooven. Weg, weg ...!
Toen de morgen gloorde, zat Ten nog steeds op de baleh. Denken deed ze
eigenlijk niet. In haar oogen lag die weemoedige blik van gemartelde
berusting, die niet vreemd is onder de inlanders, welke met de blanken
in aanraking zijn geweest. Vooral treft die gelaatsuitdruk ons voor
de inlandsche rechtbanken.
De penghoeloe was er al vroeg geweest; na hem kwamen de
klaagvrouwen. Djamin had het ondernomen naar Bodjong Kawoeng te gaan,
waar Prawira's vader woonde. Prawira moest gewaarschuwd worden, had
Mariam tot hem gezegd. Hij was nu zoo vriend van den huize geworden,
dat de begrafenis moeilijk kon plaats hebben, zonder dat hem van het
overlijden van Pah Rekso was kennis gegeven. Laat in den namiddag
was Prawira gekomen op een paard, dat hij van den loerah [152] van
Herea had geleend.
Den volgenden morgen werd Rekso begraven. Het was een heel eenvoudige
plechtigheid. Het lijk, dat na gewasschen te zijn in een wit laken
was gewikkeld, werd op een eenvoudige bamboezen baar, overdekt met een
sarong, naar de kleine, vriendelijke begraafplaats gedragen onder de
kambodja's, waar den dag te voren een ondiepe kuil was gegraven. Een
houten paaltje wees het hoofdeinde aan; een kleiner de plaats van de
voeten van den doode.
De kuil was dicht; men ging huiswaarts. Prawira en Pah Ran gingen naar
het sterfhuis door, toen Siman, bij zijn huisje gekomen, daar binnen
ging. Een liefelijk tooneel zag hij daar: Djiah gaf den kleinen Rekso
de borst.
De kleuter was nu twee maanden oud ongeveer en groeide krachtig
op. Siman was zijn grootste vriend, tegen wien hij kon kraaien van
plezier. Ook nu weer trok de kleine onder het gretig zuigen het mondje
tot een lach. Maar Siman had vandaag geen zin tot vroolijkheid en
spel. Hij zette zich naast zijn bloeiend vrouwtje neer en zonk in
sombere gedachten. Djiah wist welke zorg nog bij zijn smart kwam en
vroeg niets. Siman zelf verbrak het zwijgen.
"Het voorschot moet nog betaald worden," zeide hij als tot zichzelf.
"Hoeveel is het?" vroeg Djiah schuchter.
"Ik weet het niet precies. Er komt natuurlijk rente op, maar dat kan
toch zoo veel niet zijn."
"Waarom niet betaald, toen jij en vader te Herea waren om de tjoeké
te leveren? Nu moet er weer iemand heen."
"Toen hadden wij het geld nog niet ..."
"En nu dan wel?" vroeg zij uiterst verwonderd. De vraagster ging bij
zich zelf te rade, waar Siman de middelen gevonden kon hebben ...
"Wij zullen de karbouw verkoopen," zei Siman zacht.
Stil van schrik, keek Djiah een oogenblik haar man aan. Deze waagde
zich niet aan dien blik. Toen keerde Djiah zich af; haar oogen waren
vochtig. Zij legde den kleinen Rekso, die ingeslapen was bij zijn
gewichtige levenstaak, in zijn geïmproviseerde wieg, een doek aan
twee touwen vastgeknoopt, bij wijze van schommel.
"Wanneer moet je betalen?" vroeg ze weer.
"Hoe eer hoe beter. Morgen."
"En de katjang [153] dan? We zijn toch al zoo laat. Als jullie
nog langer wachten met spitten en planten, komen we te laat in het
seizoen."
"Ja, dat is zoo. Maar Pah Ran of ik zullen toch moeten gaan."
Djiah kreeg een idee. Maar ze wist dat Siman het niet goed zou keuren
en deelde hem haar plan dus niet mede.
"Prawira gaat immers morgen naar Herea terug?" vroeg ze.
"Ja."
"Nu, dan zal ik met hem meegaan. Zorgen jullie dan voor de
katjang. Ik ben zoo bang dat we niet tijdig gereed zullen zijn met
de palawidja. Het is beter dat ik de buffel ga verkoopen. O, je hoeft
niet te vreezen, dat ik geen goeden prijs zal krijgen, en Prawira zal
mij wel helpen. Het treft juist goed, morgen is groote passerdag te
Bodjong Kawoeng. Allicht slaag ik daar al."
Siman was nog te bedrukt door de gebeurtenissen der laatste dagen, en
ook lachte hem het plan van Djiah wel toe. Ze was een ferme meid, die
zich niet zou laten beetnemen. Bovendien was het wel mogelijk dat zij
met meer volharding den prijs zou handhaven dan hij of Pah Ran. Want
zij wist niet dat men er zoo krap voorstond en zou dus niet behoeven te
strijden tegen de neiging in godsnaam wat minder geld thuis te brengen,
als er maar geld was, contant geld, dat men betasten kon. Van het
verkoopen der geoogste rijst was geen sprake. Die hadden zij met het
zoo groote gezin zelf noodig. Na eenige discussie stemde hij dus toe.
Djiah spoedde zich naar Mah Ten, wie zij de schikking mededeelde. De
goede vrouw verkeerde nog in zulk een stemming van moedeloosheid,
dat ze alles goed vond. Ook Djiah's vader liet zich overhalen. Hij
moest toegeven dat zijn dochter gelijk had: men had al veel tijd
onbenut voorbij laten gaan en er diende thans begonnen te worden met
de uitplanting der katjang.
Prawira beloofde Djiah met raad en daad bij te staan. Misschien
dat zijn vader de karbouw wel zou koopen. Onlangs nog had hij zijn
voornemen te kennen gegeven een der oudere buffels te verkoopen,
om zich een jonger, krachtiger dier aan te schaffen.
En zoo was het dan, dat heel vroeg in den morgen, nog voor het eerste
ochtendgloren, Djiah en Prawira met de buffel marktwaarts gingen. De
kleine Rekso was gedeponeerd bij Ipah. Heden zou hij zich wel moeten
tevreden stellen met de flesch.
Met loomen tred volgde de karbouw. Het was als wist het dier, dat het
van meester ging veranderen. Zij was ongeveer twee maanden voor de
panèn gedekt en men kon dus met het oog daarop wat hoogeren prijs
bedingen. Vijf en veertig gulden, zoo was uitgemaakt, moest zij
minstens opbrengen.
Tegen tienen was men te Bodjong Kawoeng. Djiah was niet vermoeid,
want zij had den ganschen weg te paard gezeten. Prawira had haar
natuurlijk het rijpaard afgestaan en Djiah had, met de beenen voor
langs het picolzadel, als een man gereden. Men hield stil bij de woning
van Prawira's vader. Het was erg levendig te Bodjong Kawoeng. Het was
de groote passerdag en van mijlen uit den omtrek, dagreizen ver zelfs,
waren de lieden gekomen. Djiah hoopte dat ze slagen zou.
Prawira's vader was niet tehuis. Ook hem zou men vinden op de
passer, zeide zijn vrouw. Haar verzoek om even te blijven zitten,
werd vriendelijk afgeslagen door Djiah, die haast had. Straks zou
men weerkomen. Eerst de zaken.
Prawira's vader werd spoedig gevonden. Hij zelf had geen buffel meer
noodig. Het trof slecht. Hij had er juist een gekocht, ingeruild
juister, tegen een der zijne, met vier rijksdaalders toe. Maar Pah
Wirio, de loerah, wilde beesten hebben. Hij zou hem hier halen.
Djiah bleef met haar buffel staan. Ze had honger, maar wilde niet
weg. Er kon een kooper komen. Prawira ging dus heen om wat ketan
[154] of rijst te koopen.
Hij was nog niet weerom, toen een net gekleede inlander op haar
toekwam. Hij bekeek de buffel van voor en op zijde en zeide toen
langzaam:
"Wil je haar verkoopen?"
"Ja."
"Ze is al wat oud," begon hij, terwijl hij met de hand over de
schoften ging.
Djiah antwoordde niet.
Na een lange poos werd een bod genoemd:
"Vijf en dertig gulden?"
"Zestig!"
De ander schrok.
"Daarop durf ik niet te bieden," zei hij en deed of hij wegging.
"Ze is bezet," prees Djiah haar waar aan, "vier maanden ver; en nog
jong is ze. Hoeveel bied je?"
De ander bukte zich, betastte de uiers, en schudde het hoofd.
"Vijftien rijksdaalders; meer is ze niet waard."
Djiah zag Prawira komen en kreeg meer moed. Er was toch nog eenige
durf noodig, had ze gemerkt, zoo openlijk de waar aan den man te
brengen. Nu hield ze prijs.
Prawira kwam haar te hulp. Hij wist niet wat Djiah gevraagd had,
maar begon dadelijk met veel welsprekendheid de goede eigenschappen
van het dier op te sommen. De ander had wel lust in de buffel, maar
de gevraagde prijs was hem te hoog. Men moest wat laten vallen. Op
dit oogenblik had Djiah gelegenheid Prawira toe te fluisteren, dat
ze zestig gulden gevraagd had. "Laat maar wat vallen," zeide ze.
Maar Prawira liet niets vallen. Hij bleef koppig, geen gulden
minder. De kooper werd blijkbaar afgeschrikt en Djiah maakte zich reeds
ongerust dat hij heen zou gaan. Hij had veertig geboden; meer wilde
hij, naar het scheen, niet geven. Maar Prawira gaf niet toe. Djiah
begreep er niets van.
Toch had Prawira reden voor zijn handelwijze. Hij had op eenigen
afstand zijn vader gezien tusschen de menigte; hij kwam hun richting
uit met een ander, de loerah waarschijnlijk. Prawira had goed gezien
en vond het beter zich op eenigen afstand op te stellen. Het was
wenschelijk dat de loerah niet begreep dat hij en zijn vader reden
hadden tot aanprijzen. En het was ook als toevallig dat Prawira's
vader Pah Wirio naar Djiah's buffel bracht.
"Dit is een goed dier," zeide hij.
Dezelfde scène van bekijken en betasten.
"Hoeveel moet je er voor hebben, vrouwtje?" vroeg Pah Wirio.
"Zestig."
"Ik geef een ringgit meer," bood de eerste bieder, die nog niet
heengegaan was.
Als toevallig kwam Prawira van voren op de groep toe.
"Moet u de buffel koopen, vader?" vroeg hij, een blik van
verstandhouding met hem wisselend.
"Neen, hier de loerah."
"Ik heb het beest reeds gezien. Goed dier, maar zestig is te veel. Of
hoeveel vraagt ze?"
"Ja, zestig."
"Ze is bezet," zei Djiah zenuwachtig, "maar soedah, ik geef haar
voor minder."
"Vijf en veertig," zei de loerah kalm.
"Zeg vijf en vijftig," antwoordde de verkoopster.
"Heeft ze al gejongd?"
"Ééns, een stier, dezen keer krijgt ze dus een koekalf; want ze is
gedekt drie maanden na de geboorte van het eerste kalf."
"Kan ze ploegen?"
"Wij hebben haar altijd gebruikt op het veld."
De andere bieder wilde tegen den loerah niet opbieden. Hij had de
buffel gaarne gehad, maar er waren nog meer dieren op de markt en
het kon hem slechts kwaad doen den loerah tegen zich te krijgen.
"Ik geef een ringgit meer," zeide Pah Wirio.
Djiah stond besluiteloos.
De loerah zag het pleit gewonnen. Hij deed alsof hij heen wou
gaan. En Djiah was nog niet handig genoeg in het verkoopen en liet
zich misleiden door deze manoeuvre.
"Goed, neem haar dan maar," zeide zij en gaf het touw den loerah in
de hand. Deze wenkte een dessagenoot.
"Och, Taman, breng jij deze karbouw in mijn kraal, wil je?"
De aangesprokene, een jonge snuiter, voldeed aan het verzoek en
verwijderde zich met het dier, dat, zich de vliegen van de flanken
slaande, met tragen tred heenstapte. De loerah telde negentien
rijksdaalders in Djiah's handen neer, en verwijderde zich na een
korten groet met Prawira's vader.
Verheugd ging Djiah met Prawira mede.
Zij had een rijksdaalder meer gekregen, dan waar op gerekend was. Dat
was een heele schat.
Een uur later was zij weer op pad naar Herea. Prawira vergezelde haar,
naast het paard stappend.
Zij moest niet dadelijk naar den opzichter gaan, zeide hij, nadat hij
had vernomen, wat haar naar Herea dreef. Djiah wilde namelijk zien
of zij niet wat kon verdienen. Wel had Siman zich daartegen verzet,
maar de omstandigheden waren thans veranderd. Er was geld noodig. En
als hij nu voor een voldongen feit werd gesteld, zou hij allicht
toegeven. Bij Van Affelen, had Prawira gezegd, zou zij evenwel niet
terecht kunnen. Want waar zou zij werk kunnen vinden? Alleen in het
pakhuis. En dat was nog heel toevallig, want gewoonlijk werkten daar
geen vrouwen. Van het jaar was het anders, wijl er een vrij groote
hoeveelheid tjoeké-padi was ingekomen. En daar had Kario, de mandoer,
alles te zeggen. De opzichter ging geheel af op het oordeel van
Kario. Die mandoer was een flink arbeider, die naar volle tevredenheid
van den opzichter werkte. Djiah moest hem om arbeid vragen. Als hij
wilde, wilde de opzichter ook.
Het was een goede raad, dien Djiah dan ook volgde. Te Herea gekomen,
begaf zij zich dadelijk naar de woning van Kario.
Deze was een nog vrij jonge man van gunstig voorkomen. Toen Djiah hem
schuchter de reden van haar komst mededeelde, had hij haar aandachtig
en lang aangekeken. Als Djiah had kunnen vermoeden, welke gedachten hem
door het hoofd gingen, toen hij de jonge vrouw met haar verleidelijk
figuur, haar mollige vormen en haar bekoorlijk gezichtje zoo oplettend
beschouwde, had zij zeker al haar voornemens laten varen. Maar zij
zag niets, want zij had de oogen neergeslagen.
Na haar gevraagd te hebben wie ze was en waar ze vandaan kwam,
zeide Kario, dat hij haar wel werk kon geven. Ze moest maar in het
pakhuis komen.
Djiah beloofde overmorgen te zullen terug zijn; zij vroeg niet naar
het loon, dat zij ontvangen zou, niet naar den arbeid, die haar
wachtte. Zij was te verheugd in haar succes en ook al was dit niet
het geval geweest, dan nog zou het de vraag geweest zijn of zij den
moed gehad zou hebben ernaar te informeeren. Van Prawira vernam zij
echter, dat zij op een verdienste van vijf tot tien cent daags zou
kunnen rekenen.
In de middaguren kwam zij op de zienderan om het voorschot en de
rente daarop te betalen.
Van Affelen zat in slaapbroek en kabaai in de voorgalerij, toen Djiah
kwam. Zij hurkte op de stoep en deelde hem mede dat zij het voorschot
kwam terugbetalen. Van Affelen was in een goede luim; hij was altijd
in een goede luim in gezelschap van mooie, jonge vrouwen.
Lachend zeide hij:
"Maar dan moet ik toch eerst weten wie je bent?"
"Ik ben de vrouw van Siman, van de desa Gatok, meester."
"Siman ... , Siman ... dien ken ik niet. Of ja toch--wacht eens. Is
hij niet onlangs hier geweest om vermindering te vragen van de tjoeké?"
"Ja, meester."
"Ah juist. En ben jij zijn vrouw; nou, je ziet er lief uit, hoor ..."
"Ik kwam het voorschot betalen, meester."
"Jawel, jawel, dat heeft zoo'n haast niet. Ik dacht dat jullie zoo'n
soesah hadt," vervolgde hij ietwat ironisch, zich voelend in de idee,
dat hij toch gelijk gehad had, toen hij Siman zijn verzoek weigerde. Ze
hadden hem dus weer willen misleiden ...
"Dat is ook zoo, meester."
"Je schijnt nu dan toch geld te hebben."
"We hebben de karbouw verkocht."
Djiah boog het hoofd, toen ze dit zachtkens zeide, bij de droeve
herinnering aan de scheiding van het trouwe dier.
"Zoo, h'm ... En jij bent dus onlangs bevallen? Men kan het je wel
aanzien."
Djiah begreep de onkiesche woordspeling en hief het hoofdje niet op.
Van Affelen stond op om zijn voorschotboek te halen, dat hij na eenig
zoeken vond.
"Zeg 'r 's," vervolgde hij bij zijn terugkomst uit het nevenvertrek,
"hoe is het met den oude; ik bedoel den vader van je man? Sastra
heeft me gezegd dat hij zoo ziek was?"
"Hij is dood, meester."
"Dood? Zoo. Dat kan toch zoo lang niet geleden zijn?"
"Hij is gisteren begraven ..."
"H'm."
Van Affelen was niet op zijn gemak. Waarom niet, zou hij moeilijk
zelf hebben kunnen zeggen. Was het omdat hij Siman vermindering van
den tjoeké-aanslag had geweigerd? Dit zou een bewijs geweest zijn
dat zijn hart nog niet voor alle edeler aandoeningen gesloten was.
Hij zocht in zijn boekje naar de desa Gatok en volgde daarop met den
vinger de namen der voorschot-houders. Maar hij vond geen Siman.
"Pah Rekso heeft het voorschot ontvangen", zeide Djiah.
De Europeaan keek op en zag haar opeens vlak in de oogen, die
bedeesd werden neergeslagen. Op dat oogenblik vond Van Affelen zijn
huishoudster zeer hinderlijk. Hij zou haar eens verlof geven, naar
Telatiga bijvoorbeeld.
"Dat hadt je wel eerder kunnen zeggen", merkte hij op, maar er was
geen zweem van ergernis in den toon van zijn stem. Toen zocht hij weer.
"Ah, hier is het. Pah Rekso, negen gulden. Daar komt een gulden
tachtig cent bij voor de rente".
Zij haalde haar katoenen zakje te voorschijn en nam er vier
rijksdaalders en een gulden uit.
Van Affelen vond het lastig dat zij geen gepast geld bij zich had. Hij
moest weer opstaan en haalde uit de geldkist twee dubbeltjes, die
hij haar gaf.
Djiah stond op en groette. De blanke gaf den groet terug met
zekere weekheid in zijn stem, die de Javaansche zeer onaangenaam
aandeed. Ze was blij dat ze weg kon en overdacht dat ze toch veel
had moeten betalen aan rente. Van de berekening dier rente begreep
zij natuurlijk niets.
Djiah wist ook niet dat op het land Telatiga van 1884 tot 1901 een
winst gekweekt was van ruim f 252.000--dit althans was de opgave voor
het patentrecht, en het bedrag kan dus hooger geweest zijn--uit de
rente op in voorschot gegeven gelden, tot een bedrag van slechts f
704.608,30. En ook al had zij dit geweten, dan nog zou zij in haar
eenvoud niet hebben kunnen berekenen hoe groot de gebrui
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/45017