Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik

by J. van Lennep · Dutch · Gutenberg #44863 · 402,192 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik

Author: J. van Lennep

Illustrator: Willem Pieter Hoevenaar
        Herman F. C. ten Kate


        
Release date: February 9, 2014 [eBook #44863]
                Most recently updated: October 24, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/44863

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
        Gutenberg.


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GALERIJ VAN BEROEMDE NEDERLANDERS UIT HET TIJDVAK VAN FREDERIK HENDRIK ***

                            NEÊRLANDS ROEM.

                              GALERIJ VAN
                         BEROEMDE NEDERLANDERS
                          UIT HET TIJDVAK VAN
                           Frederik Hendrik.

                            AFBEELDINGEN VAN
                   HERMAN TEN KATE & W. P. HOEVENAAR.

                           BESCHRIJVINGEN VAN
                           MR J. VAN LENNEP.


                                UTRECHT,
                          L. E. BOSCH EN ZOON.







                          Eerbiedig opgedragen

                                  AAN

                       ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID

                     Prins Frederik der Nederlanden

                                  DOOR

                             DE UITGEVERS.







LIJST VAN INTEEKENAREN.



                                                           Exempl.
      Zijne Majesteit de Koning                                 1
      Zijne Koninkl. Hoogheid Prins Frederik der Nederlanden    1
      Hare Koninkl. Hoogheid Prinses Frederik der Nederlanden   1
      Hare Koninkl. Hoogheid Prinses Marianne der Nederlanden   2
      Z. D. H. Bernard Hertog van Saxen Weimar                  1


                                                                Exempl.
Andriessen, (Johs. G.) Boekh. te Wijk bij D.                          4
Asperen v. d. Velde, (C. v.) Boekh. te Haarlem                        4
Baerle, (M. E. C. van) Hoogheemraad der 5 Heerenlanden te Leerdam     1
Bakhuyzen, (A. H.) Boekh. te 's Hage                                  1
Baalen & Zn., (J. van) Boekh. te Rotterdam                            1
Bazendijk, (P. M.) Boekh. te Rotterdam                                2
Beets van Heemstede, (M. A.) te Haarlem                               1
Beets, (W.) Boekh. te Delft                                           1
Behr, (C.) Lithograaf te 's Hage                                      1
Bekkers, (A. J. M.) Boekh. te Breda                                   1
Belinfante (Gebrs.) Boekh. te 's Hage                                 2
Benthem & Jutting, (van) Boekh. te Middelb.                           1
Bentinck van Schoonheten, (W. J. G. Baron) Burgemeester van           1
Nieuwleusen
Bielevelt, (C.) Boekh. te Utrecht                                     1
Bisschop, (S. A.) te 's Hage                                          1
Blanché & Co., (A. F.) Boekh. te Utrecht                              1
Blankenberg & Zn., (B.) Boekh. te Amersfoort                          1
Blikman Kikkert, (D.) te Amsterdam                                    1
Blussé van O. Alblas, (Wed.) te Dordrecht                             1
Blussé & v. Braam, Boekh. te Dordrecht                               13
Boer, (J. C. de) te Amsterdam                                         1
Bolk Jr., (F.) te Utrecht                                             1
Bongaardt, (P.) Boekh. te Zaandam                                     1
Bos, (J. J. H. van den) Koopman te Amsterdam                          1
Bossy, (F. W.) te Dordrecht                                           1
Braat, (P. K.) Boekh. te Dordrecht                                    1
Brat, (P. J.) Boekh. te Amsterdam                                     1
Breijer, (H. B.) Boekh. te Arnhem                                     2
Brill, (Dr. W. G.) voor 't leesgez. te Zutphen                        1
Brinkman, (C. L.) Boekh. te Amsterdam                                 2
Broese, (J. G) Boekh. te Utrecht                                      2
Brouwer, (G.) te Deventer                                             1
Brugmans, (Mr. J. J.) Assuradeur te Amst.                             1
Burgerman, (P. P.) te 's Hage                                         1
Busma, (H. R.) Stud. te Kampen                                        1
Campagne, (H. C. A.) Boekh. te Thiel                                  2
Castendijk, (J. M.) Kolonel bij het 3e reg. dragonders te Zutphen     1
Chatinier, (G. S. du) kunstdraaijer te 's Hage                        1
Chivat, (C. E.) Boekh. te Zierikzee                                   1
Cleef, (Gebrs. van) Boekh. te Amsterdam                               1
Cleef, (Gebrs. van) Boekh. te 's Hage                                 5
Coenen, (J. T. L.) Kontrol.. bij 's Rijks belastingen te              1
Amersfoort
Collot d'Escury, (Baron) te Prinsenhage                               1
Dannenfelser, (W. F.) Boekh. te Utrecht                               1
Dekema, (B.) Boekh. te Utrecht                                        1
Dekker Fzn., (P.) te Zaandam                                          1
Delden Hz., (W. van) Boekh. te Zwolle                                 1
Diermanse, (P.) Theol. Stud. te Kampen                                1
Diggelen, (Mr. H. C. van) Advokaat en Notaris te Axel                 1
Diggelen, (M. v.) Koopman te Axel                                     1
Dirkman, (D.) Comm. in de gevangenis voor vrouwen te Gouda            1
Doesburg, (J.) Koopman te Utrecht                                     1
Donker, (N.) te Voorschoten                                           1
Dorsten Jr., (A v.) Boekh. te Utrecht                                 1
Doorman & Comp., Boekh. te Breda                                      2
Doorman, (De Erven) Boekh. te 's Hage                                 2
Doorn & Zn., (C. van) Boekh. te 's Hage                               1
Draijer, (C. W.) Boekh. te Rotterdam                                  2
Dreckmeijer, (C. W.) Boekh. te Amsterdam                              1
Dumont, (C.) te Utrecht                                               1
Dijk, (P. J. van) Boekh. te Schiedam                                  1
Dijverinck, (A. L.) Koopman te Haarlem                                1
Elk, (H. R. van) Boekh. te Dordrecht                                  1
Es, (P. P. van) te Oisterwijk                                         1
Escher, (G. A.) te 's Hage                                            1
Estor Jr., (J. C.) Boekh. te 's Hage                                  1
Evenhuis, (S.) Stud. te Kampen                                        1
Eversz, (J. W.) Boekh. te Zeist                                       2
Faber van Riemsdijk, te 's Hage                                       1
Fock, (Mr. C.) Burgem. van Haarlem                                    1
Frijlink, (H. A.) Boekh. te Amsterdam                                 3
Gensau, (Jhr. Mr. R. G. C. van) Raadsheer in het Prov. geregtshof     1
te Maastricht
Gessel, (J. J. van) Boekh. te Delft                                   3
Geus, (G. de) Boekh. te 's Hage                                       2
Gogh & Oldenzeel, (van) Boekh. te Rotterd.                            2
Goltstein, (W. Baron van) te 's Hage                                  1
Goor, (D. Noothoven van) Boekh. te Leyden                             1
Goor, (G. B. van) Boekh. te Gouda                                     2
Graeuwen, (A. J. 's) te Middelburg                                    1
Greven, (J.) Boekh. te Utrecht                                        1
Groot, (G. C. de) Ambtenaar bij 's Rijks munt te Utrecht              1
Haaff, (J. M. van 't) Boekh. te 's Hage                               5
Haan, (T. F. de) Leeraar aan de Theol. school te Kampen               1
Haas, (J. de) Rijks kommies 4e kl. te Doesburg                        1
Halbeek, (J. A.) Zadelmaker te 's Hage                                1
Haspels, (E. J.) Postdirekteur te Wageningen                          1
Hendriksen, (H. T.) Boekh. te Rotterdam                               1
Hessels, (J.) Stud. te Kampen                                         1
Heteren, (J. H. & G. van) Boekh. te Amsterdam                         2
Heyl, (C. J.) Boekh. te Utrecht                                       1
Heyst, (F. M. de Vries van) 1e Luit. bij het 6e reg. Inf. te          1
Gorinchem
Hoek, (Gebrs. van der) Boekh. te Leyden                               1
Hoet, (H. ten) Boekh. te Nijmegen                                     1
Houpt, (A. C.) Boekh. te Middelburg                                   3
Huber, (J.) Boekh. te Groningen                                       1
Hubers, (W.) Koopman te Amersfoort                                    1
Huisingh, (P.) Boekh. te Winschoten                                   1
Hulst & Zn. (Wed. L. v.) Boekh. te Amsterdam                          1
Itz, (G. N.) Gemeente-archit. van Dordrecht                           1
Jagt, (J. A. Manus van der) te Burgh                                  1
Jans, (J.) Stud. te Kampen                                            1
Jesse, (H.) Scheepstimmerman te Amsterdam                             1
Jong, (G. de) Boekh. te Westzaan                                      1
Jong Zijlstra, (J. de) Boekh. te Middelburg                           1
Kalma, (S.) Stud. te Kampen                                           1
Kampen, (P. N. van) Boekh. te Amsterdam                               2
Kappelhoff, (J. H.) Bontwerker te Amsterdam                           1
Kardol, (H. L.) te Bruinisse                                          1
Katwijk Jr., (P. van) Boekh. te Schiedam                              1
Kemink & Zn., Boekh. te Utrecht                                       1
Kirberger, (W. H.) Boekh. te Amsterdam                                1
Kleeuwens & Zn., (F.) Boekh. te Goes                                  1
Knijff Hz., (A.) Steenfabriekant te Woerden                           1
Korthals, (Th.) Mr. Schilder te Dordrecht                             1
Kruyff, (J. de) Boekh. te Utrecht                                     2
Kunst, (Wed. D.) Boekh. te Amsterdam                                  1
Laguna, (Mr. J. L. de Lead) Advokaat te Amsterdam                     1
Lamberge, te 's Hage                                                  1
Lanting, (T. A.) Stud. te Kampen                                      1
Leesgezelschap: Beproef alle dingen, maar behoud het goede, te        1
Voorschoten
Leesgezelschap: Het nuttige, gepaard met het aangename, te Utrecht    1
Leeuwen, (C. v.) Direkteur der Muziekschool te Leeuwarden             1
Leeuwen, (C. J. van) Boekh. te Woerden                                1
Legel Jb zoon, (J. G.) Expediteur te Dordrecht                        1
Lindgreen, (C. J. F.) Boekh. te Amsterdam                             3
Lingius, (A.) te Amsterdam                                            1
Linsz, (F.) Kunstschilder te 's Hage                                  1
Loman Jr., (J. C.) Boekh. te Amsterdam                                2
Macdonald, (F. C.) Boekh. te Haarlem                                  1
Made, (P. M. van der) Boekh. te Amsterdam                             1
Manssen & Blom, Boekh. te Utrecht                                    14
Mansveld, (Wed. van) te Utrecht                                       1
Mansveld, (van) Wachtmeester hij de Vesting-artill. te Amsterdam      1
Martens, (F. W.) Boekh. te Deventer                                   1
Melder, (Wed. H.) Boekh. te Utrecht                                   1
Mellink, (J. H.) Boekh. te Zutphen                                    1
Merkes, (Jhr. F. G. E.) 1e luit. bij het 6e reg. Inf. te Gorinchem    1
Meulen, (M. van der) te Rotterdam                                     1
Mijer, (Mr. P.) Oud-Minister van Koloniën te 's Hage                  1
Meijer, (H. A.) Boekh. te Amsterdam                                   2
Meijer, (G. H.) Boekh. te Zwolle                                      1
Meijers, (Ph.) Boekh. te Amersfoort                                   2
Mol van Otterloo, (J. de) te Zeyst                                    1
Mooij, (H. W.) Boekh. te Amsterdam                                    2
Mouw, (J. C. der) Boekh. te Nijmegen                                  2
Muelen, (De dames v. d.) te Utrecht                                   1
Muller, (Mr. B. J.) Advocaat te Amsterdam                             1
Müller, (Gebrs.) te Maastricht                                        1
Muntendam, (P. A.) Apotheker te Utrecht                               1
Nieuwenhuizen, (J. H.) Boekh. te Amsterdam                            1
Nolet & Zn., Boekh. te Utrecht                                        1
Noman, (van Haren) Boekh. te Leyden                                   4
Noordendorp, (J.) Boekh. te Amsterdam                                 1
Nijgh, (H.) Boekh. te Rotterdam                                       1
Nijhoff, (Js. An.) Boekh. te Arnhem                                   1
Ochtman Jzn., (S.) Boekh. te Zierikzee                                1
Okhuyzen, (W. L.) Boekh. te Amersfoort                                1
Ormeling, (J. A.) Boekh. te Amsterdam                                 1
Paddenburg & Co., (van) Boekh. te Utrecht                             1
Palier & Zn., (H.) Boekh. te 's Bosch                                 2
Perk van Lith, (G.) Ridder van de Milit. Willems-orde te Gouda        1
Pflughaupt, (A. F.) Makelaar te Amsterdam                             1
Pickhardt, (K. W.) Boekh. te 's Hage                                  3
Pieren Jz., (T.) Boekh. te Dordrecht                                  1
Post Jr., (C. van der) Boekh. te Utrecht                              1
Post, (L. G.) Boekh. te Purmerend                                     1
Post Uyterweer & Co., Boekh. te Utrecht                               1
Prins, (H. J.) Boekh. te Amsterdam                                    2
Pull, (T. D. H.) Boekh. te Apeldoorn                                  1
Radersma, (Y.) Theol. Stud. te Kampen                                 1
Rappard, (Mr. F. A. L. van) Adv. te 's Hage                           1
Rens, (J. C. W. T.) Kassier te Dordrecht                              1
Rensinck, (A. A.) Boekh. te Leyden                                    2
Revers, (J. P.) Boekh. te Dordrecht                                   2
Ritzema, (H. J.) Theol. Stud. te Kampen                               1
Roldanus, (A. J. A.) Boekh. te Oudewater                              1
Roldanus, (W. N. C.) Boekh. te Delft                                  1
Römelingh, (J.) Boekh. te Groningen                                   1
Rooij, (J. de) Boekh. te Delft                                        1
Ruyter, (J. de) Boekh. te Amsterdam                                   7
Rijswijk Wzn., (W. van) te Dordrecht                                  1
Salm, (P.) te Amsterdam                                               1
Sanders, (P.) te Schiedam                                             1
Schalk, (A. J. v. d.) Steendr. te Rotterdam                           1
Schalk, (P. C. van der) Boekh. te Dordrecht                           1
Scheltema, (J. H.) Boekh. te Amsterdam                                1
Schierbeek, (R. J.) Boekh. te Groningen                               1
Schinkel, (A. D.) te 's Hage                                          1
Schooneveld & Zn., (M.) Boekh. te Amsterdam                           1
Schuller, (de Wed. C. D.) te Amsterdam                                1
Sepp, (C.) Pred. bij de Doopsgez. gem. te Leyden                      1
Serrière, (G. de) te Breda                                            1
Siddré, (J. H.) Boekh. te Utrecht                                     1
Slothouwer, (A. M.) Boekh. te Amersfoort                              1
Smit, (J.) Stud. te Kampen                                            1
Smit, (M.) Boekh. te Groningen                                        2
Smits, Secretaris van Nieuwerkerk                                     1
Smits Frz., (P.) te Dordrecht                                         1
Smits, (W. P.) voor het Leesgez. Leeslust te Dordrecht                1
Stamperius, (J. A.) te Middelburg                                     1
Stenfert Kroese, (W. H.) Boekh. te Arnhem                            15
Stemler, (C. F.) te Amsterdam                                         2
Stockum, (W. P. van) Boekh. te 's Hage                                5
Stokhuyzen, (W.) Boekh. te Gorinchem                                  2
Strick van Linschoten, (Jhr. J. C.) Kand. Not. te Maarssen            1
Striening Jr., (J.) te Deventer                                       1
Stuart, (M. Cohen) Pred. bij de Remontstr. gemeente te Rotterdam      1
Swaan, (J. W.) Boekh. te Arnhem                                       1
Swaving geb. Abo, (Wed.) te 's Hage                                   1
Sybrandi, (J. D.) Boekh. te Amsterdam                                 3
Tack, (J. C.) Jur. Stud. te Utrecht                                   1
Telenga, (T.) Boekh. te Franeker                                      1
Terveen & Zn., (J. G. van) Boekh. te Utrecht                         18
Thieme JFzn., (H. C. A.) Boekh. te Nijmegen                           1
Thieme, (W. J.) Boekh. te Zutphen                                     1
Thierry & Mensing, (De Erven) Boekh. te 's Hage                       2
Thijssen, (W. J.) Theol. Stud. te Kampen                              1
Tibout, (W. J.) Boekh. te Wageningen                                  1
Tollens, (Mr. L. J. A.) te Batavia                                    1
Tuinen, (C. v.) Boekh. te Leerdam                                     1
Uije, (J. J. van) Boekh. te Doesburgh                                 1
Veder, (W. R.) Theol. Doct. te Dordrecht voor 't genootschap          1
Diversa sed Una
Veenendaal, (W.) te Rotterdam                                         1
Veldman, (R.) Stud. te Kampen                                         1
Velsen Jr., (S. van) Boekh. te Kampen                                15
Verheggen, (J.) te Dordrecht                                          1
Vout Jr., (W.) te Amsterdam                                           1
Waning Bolt, (P. B. van) Boekh. te Amst.                              7
Wayfort, (R. H. v. d.) Notaris te Dordrecht                           1
Wedding, (J.) Boekh. te Harderwijk                                    1
Weelden en Mingelen, (van) Boekh. te 's Hage                          3
Wenk, (W.) Boekh. te Rotterdam                                        5
Werl, (P. van der) Huismeester van het Krankzinn. gesticht te         1
Dordrecht
Westerman & Zn., (M.) Boekh. te Amst.                                 1
Weijerman, (J. W.) Onderwijzer te Haarlem                             1
Willemse, (Gebrs.) Boekh. te Zutphen                                  4
Winkler Vieweg, (Wed. A. G.) Boekh. te Gorinchem                      1
Zalsman, (G. Ph.) Boekh. te Kampen                                    1
Zeelt, (J.) Theol. Stud. te Kampen                                    1
Zelle, (W. A.) Gepens. Kapt. van de Oost-Ind. Inf. te Apeldoorn       1
Zuylen, (D. H. van) Hulp-onderwijzer te Amsterdam                     1







BEROEMDE MANNEN UIT HET TIJDVAK VAN FREDERIK HENDRIK.

FREDERIK HENDRIK.


Zoo menigmaal wy in de geschiedenis een tijdvak ontmoeten, 't welk
met den naam van een byzonder persoon wordt aangeduid, zullen wy
tevens bevinden, dat de man, naar wien het heet, wel een deel van
zijn glorie ontleent aan dat tijdvak, maar dat ook wederkeerig de
stralenkroon, die zijn schedel omgeeft, haar glansen op hetgeen hem
omringt terug doet schitteren: en noch de eeuw van Perikles, noch die
van Augustus, van de Medicissen of van Lodewijk XIV, hadden die namen
ontfangen, indien zy, die ze droegen, niet door eigen verdiensten,
door eigen grootheid, hadden uitgeblonken.--De stelling, welke wy
hier als van algemeene toepassing vooruit zetten, geldt dan ook,
waar sprake is van de eeuw van Frederik Hendrik.--Van het tijdvak,
dat zijn naam draagt, was hy zelf niet het minst merkwaardig, niet
het minst glansrijk verschijnsel.

Wil men het hier aangevoerde door bewijzen bevestigd zien, men lette
in de eerste plaats op de omstandigheden, welke zijn geboorte, zoo
wel als op die, welke zijn komst aan 't Staatsbewind vooraf gingen
en vergezelden.

Zijn geboorte--'s Prinsen levensbeschrijver De la Pise noemt haar:
"een Oostelijk morgenrood, uit het Noorden aanbrekende tusschen
bliksemstralen en donkere onweersvlagen":--de moeder van Frederik
Hendrik had, na een kortstondigen echt, haar eersten man in de
Sint-Bartels-nacht door het moordstaal zien vallen, en, ten tweede male
gehuwd, heeft zy naauwlijks de moedervreugde gesmaakt, of de gruwzame
aanslag eens dweepers maakt haar ten tweeden male weduwe. Zijn vader,
naauw hersteld van de wonde, hem toegebracht door Jauregui, het
verlies zijner overdierbare Charlotte naauwlijks hebbende zoeken te
vergoeden door het aanknoopen van een vierden huwelijksband met Louise
de Coligny, sterft door den kogel van Geraerds. De wieg des onnoozelen
zuigeling vertoont zich aan ons oog als bedolven in 't bloed eens
vaders en in de tranen eener radelooze burgery:--daarby, de zaken
in schijnbaar wanhopigen toestand, het vaderland door tweedracht,
verdeeldheid en wantrouwen geschokt, door de benden eens dapperen,
listigen en zegevierenden vyand van alle kanten bestookt, verstoken
van verdedigingsmiddelen, van de hulp der bondgenooten, en, wat meer
zegt, van bekwame krijgshoofden, en niet anders te gemoet ziende dan
een wissen val.

Indien zoo treurig niet, hachlijk genoeg stond het met de
Republiek geschapen, toen Frederik Hendrik de teugels van 't
bewind aanvaardde. Niet glorievol als de vroegere waren de laatste
krijgstochten van Maurits geweest: de voorspoed, die zijn wapenen
voor den aanvang van het Twaalfjarig Bestand bestendig had verzeld,
bleek, na de hervatting der vyandelijkheden, van zijn zijde te zijn
geweken. Wat erger was, binnenlandsche oneenigheden, die wrange
vruchten, die doorgaands, in tijden van rust, uit den hoorn des
overvloeds neder stroomen en den smaak van het goede en gezonde ooft
bederven, hadden den Staat verzwakt: veerkracht, moed en eensgezindheid
hadden plaats gemaakt voor flaauwmoedigheid, achterdocht en wantrouwen;
by den vyand daar-en-tegen, zich fier verheffende op de voordeelen,
door hem behaald, en in 't sterke Breda een prooi ziende, die hem
niet kon ontgaan, herleefden de stoutheid en overmoed van vroegere
dagen: weder straalde het uitzicht, dat hy naauwlijks meer had durven
koesteren, het uitzicht op de herovering der afgevallen Gewesten,
hem tegen in een niet verwijderd verschiet: en in Europa begon
het denkbeeld veld te winnen, dat het Borgondische kruis, nu in de
Spaansche standers opgestoken, den Nederlandschen Leeuw den kop te
pletter slaan en den pijlbondel zou verbreken, met zoo veel moeite
en zorg te samen gesnoerd.

En toch, de onheilspellende voorteekenen, die de beide aangeduide
tijdstippen uit Frederik Hendriks leven kenmerkten, worden beide
reizen door de uitkomst gelogenstraft. Na den dood van Willem den
Eerste waren het de kloekheid en 't beleid van Oldenbarneveldt en
's Lands Regenten, die den Spanjaart beletteden, zijn voordeel te
vervolgen; terwijl, spoedig daarna, de heldendegen van Maurits de
krijgskans ten eenen male keeren deed:--na den dood van Maurits was
het Frederik Hendrik zelf, die, als Veldheer, de wankelende fortuin
herstelde, den vyand staande hield niet alleen, maar hem overal van
den Vaderlandschen bodem terugdrong, en, als Regent, de partyen tot
rust wist te brengen en de verdraagzaamheid, door zijn vader gepredikt,
ten nutte van handel, nyverheid en kunsten te doen heerschen.

Het ligt niet in ons doel, hier een levensgeschiedenis van Frederik
Hendrik te schrijven: dat leven is te algemeen bekend, dan dat het
noodig zoû zijn, er een korte schets van te geven, en, wilden wy
er omstandig over uitweiden, wy zouden de grenzen overschrijden,
ons gesteld. Het zijn alleen de belangrijkste byzonderheden uit dat
leven, die hier in herinnering moeten gebracht worden, om nader de
aanspraken te staven, welke zich Frederik Hendrik op de erkentenis
des landgenoots en den eerbied van allen verworven heeft.

Geboren op den 29 Januarij 1584, ontfing de zoon van Willem van Oranje
en Louise de Coligny, by den doop, de vereenigde namen van twee
doorluchtige gevaders, Frederik, Koning van Denemarken en Hendrik,
Koning van Navarre. Toen laatstgemelde ook de kroon van Frankrijk
verwierf en daardoor een rang onder de Soevereinen van Europa,
hooger dan die des Deenschen Konings, werden 's Prinsen namen
omgezet, en hy een tijd lang Hendrik Frederik geheeten, hoewel hy,
later, zijn oorspronkelijken naam van Frederik Hendrik terugnam. Te
Leyden en te Parijs zijn wetenschappelijke opleiding zoo wel als die
van edelman genoten hebbende, leerde hy op veertienjarigen leeftijd
zich tot krijgsman vormen in de school zijns doorluchtigen broeders,
die school, waar zoo velen onder de edelste, ja onder de soevereine
Huizen van Europa, hun zonen heenzonden, om zich te oefenen in de
kunst van den oorlog, gelyk zy daar op wetenschappelijke gronden in
praktijk gebracht werd. Geen jaar verliep er, of de jeugdige Vorst
had by Bommel den vuurdoop ontfangen, en eerlang was het strand van
Nieuwpoort getuige, hoe hy zich, in moed, in onverschrokkenheid,
in vertrouwen op hoogeren bystand, den waardigen zoon van een
onvergetelijken vader toonde.--Naauwlijks achttien jaren oud, neemt
hy voor Grave, waar een zware wond den generaal Vere op 't krankbed
nederwerpt, het bevel over, door dezen gevoerd, en de halve maan, door
hem veroverd, is het eerste pand, dat de fortuin hem schenkt van den
roem, dien hy zich als stedewinnaar zal verwerven. Twee jaar later
hebben de Staten het winnen van Sluis vooral aan hem te danken. In
1605 geeft hy nieuwe blijken van zijn verachting voor 't gevaar,
in dien moorddadigen slag by Mulheim, waar hy, zeven uren achtereen,
tegen een overmachtigen vyand, den ongelijksten kamp uithoudt, alleen
met Marcelis Bax in 't dichtste der vyandlijke drommen den kloeksten
weêrstand biedt aan zijn tallooze bespringers, en, als door een wonder
aan dood en gevangenschap ontkomen, den dag nog zegepralend ten einde
brengt. Voor Breêvoort, voor Rijnberk, voor Venlo, en eindelijk te
Erkelens, waar hy binnendringt en zijn vollen neef, dien gevreesden
Grave van den Bergh, overwint en gevangen met zich voert, overal
onderscheidt hy zich op roemruchtige wijze, tot dat het Twaalfjarig
Bestand hem belet, voor 't oogenblik nieuwe lauweren in den strijd
voor het Vaderland te plukken; maar naauwlijks is de tijd voorby, ter
verademing aan Nederland geschonken, of hy keert naar 't oorlogsveld
terug en voert zijn gevreesde wapenen tot voor de poorten van Brussel.

Tot hiertoe had Frederik Hendrik zich den roem verworven van een wakker
krijgsoverste, die de hem opgedragen taak met onverkloekt beleid wist
te verrichten, en daarby het voorbeeld van persoonlijke dapperheid aan
anderen wist te geven. Maar voortaan zoû hy toonen, dat de bekwame
aanvoerder van afdeelingen ook legers gebieden kon en de lessen der
wetenschap, in de oefenschool zijns broeders opgegaêrd, in praktijk
brengen op een wijze, die Europa met verbaasdheid en bewondering
't oog op hem zoû doen vestigen. De vermeestering van Grol in 1627
leverde daarvan het eerste voorbeeld. In zoo korten tijd waren de
werken voltooid, welke die vesting bedwingen moesten, en toch zoo
volkomen bestand tegen allen overval, dat, naar de getuigenis van
deskundige tijdgenooten, nimmer, zelfs onder Prins Maurits niet,
een arbeid verricht was, elks bewondering zoo zeer verdienende.


    Toen klonck de blijschap op met zegekloeken helder
    Uit vruchtbre Betuwe, en het strijtbre lant van Gelder,
      Uit Zutfen, Deventer, uit Doesburg, Kampen, Zwol
      En alle plecken, wie 't veroveren van Grol
    Tot rust streckte.


Maar was, door het bemachtigen van Grol, aan de Oostelijke Gewesten
een kwellende doorn uit het vleesch gerukt, de landen, aan de boorden
van Waal en Maas gelegen, konden nog geen rust genieten, zoo lang
's Hertogenbosch,


      Die oude en noit gewonne stadt,
    Gewoon te zwaaien 't oorloghsvendel,
    Die sleutel was en grenzegrendel,
      En trots als Brabants pijler stont,
      En Hollant scheidde en Brabants gront,


in handen des vyands bleef: en het was alzoo voor deze stad, dat de
Prins, in April 1629, zijn legertenten nedersloeg. Ieder weet, hoe
meesterlijk ook dit beleg bestuurd, en met welke volharding het werd
doorgezet. Geen inval der Spaanschen in de Veluwe, zelfs niet de val
van de tweede stad van het Sticht, die zich aan de krijgsmacht van
Montecuculi overgaf, niets was in staat, Frederik Hendrik te bewegen,
den aangevangen arbeid op te geven of zelfs voor een oogenblik te
staken, en een glansrijke uitkomst bekroonde dan ook zijn pogen,
toen, op den 14den September van 't zelfde jaar, de oude Hertogstad
haar poorten voor hem opende.

Wat echter 's Prinsen roem als stededwinger voltooide, was de
overmeestering van Maastricht in 1632. Ongelooflijk klonk door Europa
de maar, hoe Frederik Hendrik, met een leger van naauwlijks 23000 man,
in zes weken tijds, eene der sterkste vestingen, die men kende, had
kunnen bedwingen, in weêrwil dat zy verdedigd werd door een talrijke
en moedige bezetting, en dat drie vyandelijke legers, die te samen ruim
60,000 geoefende soldaten telden, aangevoerd door beroemde Veldheeren,
als Gonzales van Kordua, den Markies van Santa Croce en den Grave
van Papenheim, al hun krachten inspanden tot ontzet der stad. Geen
legerhoofd, zoo werd nu algemeen erkend, had vóór Frederik Hendrik
in zulke volkomenheid de kunst verstaan, belegeringswerken derwijze
in te richten, dat zy, aan de buitenzijde tegen de aanvallen ook van
een overmachtigen vyand verschanst, dien ten spijt, aan de binnenzijde
hun aanval tegen de ingesloten vesting rustig doorzetten en ten einde
konden brengen.--De lier van Vondel, toen zy de drie belegeringen,
hier vermeld, in even zoo vele onsterfelijke zangen verhief, was dan
ook wel de uitdrukking van wat ieder in Nederland dacht en gevoelde.

Het herwinnen van Breda in 1637 was het vierde der groote oorlogsfeiten
van den Prins, om en nevens welke men er nog zoo vele van ondergeschikt
belang mocht noemen; doch wier gezamentlijke uitkomst was, dat op
den Staatschen bodem niet een enkele sterkte meer in 's vyands handen
gebleven, het oorlogstooneel buiten de grens der vereenigde provinciën
verplaatst en een uitgebreide streek gronds, van de Vlaamsche kust
af tot aan het verre Maastricht, aan de Staten onderworpen was
om als een voorwal te strekken tegen de zuidelijke Nederlanden:
eindelijk, dat Spanje, na een zoo hardnekkig gevoerden oorlog, zich
nog verheugen mocht, indien het, niet de herovering der haar ontvallen
Provinciën--daarop was haar het uitzicht reeds lang ontgaan--maar
een eerlijken vrede verwierf.

Maar het waren niet alleen de Spaansche of Oostenrijksche wapenen,
tegen welke Frederik Hendrik gedurende zijn Stadhouderschap had te
strijden, en, had hem in het oorlogsveld zijn onverkloekt beleid ten
dienste gestaan, niet minder had hy behoefte daaraan gehad in het
binnenlandsch bestuur. Zeer onderscheiden is de houding beöordeeld,
door hem daarby aangenomen. Terwijl sommigen hem ten hemel verheffen,
dat hy een andere gedragslijn dan zijn broeder Maurits gevolgd is,
zijn er anderen, die hem ten kwade duiden, dat hy de teugels van
't bewind, door zijn voorganger zoo krachtig gevoerd en zoo stevig
aangehaald, gevierd, ja in zijne handen heeft laten verslappen,
dat hy de heerschzucht en den overmoed der Stedelijke Regenten,
door Maurits gefnuikt, weder ongestoord heeft laten aanwassen,
en daardoor de oligarchie voorbereid, die, drie jaren na zijn
dood, het Stadhouderschap vernietigde:--en wederom anderen, die in
tegendeel verlangd zouden hebben, dat hy, ook de verst uitgestrektste
verwachtingen der Staatsgezinden vervullende, een geheel reactionnaire
richting gevolgd ware, en alles te niet gedaan hadde, wat door
de Synode in 't kerkelijke, door Maurits in 't politieke, was tot
stand gebracht. Doch is het voor den zoodanige, die de feiten in
't afgetrokkene beschouwt en zich daarby meer laat geleiden door
eigen wenschen en vooroordeelen dan door een behoorlijk wikken en
wegen van tijden en omstandigheden, een lichte zaak, te beslissen,
hoe, naar zijne subjektieve meening, een Staatsman had behooren te
handelen, niet zoo gemakkelijk is het, zelfs voor hem, die, met de
noodige kennis toegerust, ook door de vereischte billijkheid in zijn
oordeel gedreven wordt, met juistheid te bepalen, welke gedragslijn
had moeten, ja zelfs, in hoe verre die altijd had kunnen gevolgd
worden. Zeker is het, en wy hebben er op gewezen, dat Frederik Hendrik
by den aanvang van zijn Stadhouderschap een moeilijke rol te vervullen
had. Hooggespannen was de verwachting, die de thans onderliggende party
van hem koesterde; hy zoû, zoo dacht men, niet alleen het Spaansche
geweld doen zwichten, maar ook van binnen aan alle geloofsvervolging
een einde maken, "'s Lands rechten en vrijheden,"--zoo luidt de taal,
die Vondel hem in den mond legt:


    's Lants rechten en vrijheden,
      Ik helpen zal in zwang:
    In geen vereende Steden
      Gewetens felle dwang
    Of tirannije lijen,
      Ik wensch de goê gemeent,
    En trouwe burgerijen
      Door liefd' te zien vereent.


En meer nog, zy, die zoo zongen, vleidden zich, dat de nieuwe
Stadhouder de verbannen Staats- of Remonstrantsgezinden zoû terug
roepen, de vrienden van Maurits uit het bestuur doen treden om
hunne plaatsen door andersdenkenden te doen vervangen, in 't kort,
een geheele tegenomwenteling tot stand zoû brengen.

Had hy aan zoodanige wenschen gehoor gegeven, had hy de party,
die door zijn broeder was gefnuikt, weder op 't kussen en in de
kerk doen troonen, hy had den pas geëindigden strijd wederom doen
ontbranden, de burgeryen met vernieuwde felheid tegen elkander in
't harnas gejaagd, wellicht het nog naauwlijks gevestigd bestaan der
jeugdige Republiek op losse schroeven gesteld. Maar bovendien, was het
van hem, den Stadhouder, te vergen, zijn eigen belang en dat van zijn
Huis dus geheel voorby te zien en de macht weder onbeperkt in handen
te stellen van hen, die getoond hadden, er bepaald op uit te zijn,
om de rechten en voorrechten van het Stadhouderschap te verminderen
en te doen inkrimpen?

Evenmin echter kon hy by zijn handelingen alleen luisteren naar de stem
van 't zelfsbelang, en, door het gestreng handhaven der beginselen
van het vorige bewind, de rust in den Staat pogen te koopen door
de onderliggende party geheel tot zwijgen te brengen. Al ware ook
zoodanige onverbiddelijke politiek niet in weêrspraak geweest met
zijn hart, dat van nature zachtmoedig en vredelievend was, hy had
zich, door haar te volgen, het ongenoegen op den hals gehaald dier
machtige Hollandsche Regenten en kooplieden, die meer en meer begonnen
in te zien, dat, om hun steden, en Amsterdam vooral, de markt en
voorraadschuur van Europa te doen worden, verdraagzaamheid er voor
alles heerschen moest.


    Godt, Godt, zeit d'Amstelheer, zal elk geweten peilen.
    De vrijdom ga zijn gang en vliegh met volle zeilen
    Den IJstroom uit en in: zoo wort ons vest gebout:
    Zoo tast de koopman tot den elleboogh in 't gout.


En die kooplieden, die, naar Vondels taal, tot den elleboog in 't goud
tastten, Frederik Hendrik moest hen te vriend houden; want zy alleen
konden het geld bezorgen, dat de zenuw van den oorlog was. Ja 't was
reeds veel, wanneer hy 't zoo verre brengen kon, hen te beletten, hun
voordeel te zoeken door alleen aan den Staat en niet door ook aan den
vyand te verschaffen wat tot voortzetting van den krijg benoodigd was.

Was het dan wonder, dat de Prins onder zoodanige omstandigheden
zich gedwongen zag, alle uitersten te vlieden en den middelweg te
bewandelen? En dit deed hy, door de strenge plakkaten tegen de
Arminianen niet af te schaffen, maar ze langzamerhand te laten
vervallen, door het te dulden, dat van lieverlede en Staats- en
Remonstantsgezinden wederom plaats verkregen in de gestoelten der eere:
en dat aan een iegelijk de gelegenheid werd geöpend, God naar zijn
overtuiging te dienen. Welk oordeel men over 's Prinsen Stadhouderschap
velle, zeker is het, dat, zoo lang hy de teugels voerde van 't bewind,
er binnenlandsche rust en orde heerschten, en de strijd tusschen de
verschillende partyen--op enkele voorvallen na van bloot plaatselijk
belang--tot geen uitersten meer oversloeg en zich hoofdzakelijk tot
een pennestrijd bepaalde. Op de uitkomst, door hem verkregen, mocht
hy zich althands beroepen: en aan het volgen van die gedragslijn
had hy het te danken, dat het tijdperk van zijn bestuur niet alleen
schitterde door den roem, te lande en ter zee bevochten, maar ook
door dien, welken de beoefening verschafte van zoodanige bedrijven,
kunsten en wetenschappen, als enkel in tijden van vrede kunnen bloeien.

Ook dien bloei was men dus grootendeels aan hem verschuldigd; en
gewis, de Vorst, wien Cats en Huygens ter zijde stonden, wien de
Groot en Hooft een onbeperkte achting toedroegen, wiens lof door
Vondel bezongen werd, en die zich met de lezing van diens Palamedes
wist te vermaken, de beschermer der schilderkunst en de stichter van
het Huis ten Bosch en van 't lustslot te Hondsholredijk kon zoo min
onverschillig zijn omtrent de zedelijke als omtrent de stoffelijke
ontwikkeling der natie, aan wier hoofd hy stond, en wier glorie van
de zijne onafscheidelijk was.

Wy gewaagden daar van het Huis ten Bosch en van Hondsholredijk,
en deze namen herinneren ons, dat wy van Frederik Hendrik niet
mogen afstappen, zonder met een woord te gewagen van haar, op
wier aansporing, ter liefde van wie althands, hy die twee prachtige
verblijven deed opbouwen en met echt vorstelijke weelde inrichten, van
Amelia van Solms. 't Was onder eenigzins zonderlinge omstandigheden,
dat haar echt met Frederik Hendrik had plaats gehad. Prins Maurits
stond met eenen voet in 't graf en nu voor 't eerst scheen hy berouw
te gevoelen, dat hy geen wettigen nakomeling achterliet, op wien de
waardigheden, door hem bekleed, konden overgaan. Voor een dergelijk
berouw wilde hy zyn broeder bewaren, en hem, zelfs zyns ondanks,
dwingen, de glansrijke stelling, die hem wachtte, door een huwlijk te
bevestigen. Intusschen, de zaak had bezwaren: Frederik Hendrik had zich
tot nog toe van 't huwelijk afkeerig betoond: onderhandelingen over het
sluiten van een echtverbond met de dochter van eenig uitheemsch Vorst
zouden wellicht lang slepende worden gehouden, en, werd het huwelijk
niet voltrokken zoo lang Maurits nog leefde, dan stond, dit wist deze,
uitstel met afstel gelijk. Er was dus geen tijd te verliezen. Gelukkig
behoefde de Prins niet verre te zoeken wat hy in zijn onmiddelijke
nabyheid vinden kon. Immers te 's Gravenhage was, met zijn nicht,
de verdreven Koningin van Boheme, de nu drie-en-twintigjarige Amelia
van Solms verschenen en had er terstond dien opgang gemaakt, welken
jeugd, schoonheid, vernuft en geest onmisbaar te weeg brengen, vooral
wanneer die hoedanigheden in een Vorstin vereenigd zijn. Reeds zes
malen hadden de Huizen van Nassau en van Solms zich door huwelijken
met elkander verbonden, en een zevende verbintenis kon dus door
niemand onvoegzaam worden geoordeeld. Wel bleef Frederik Hendrik,
wien een andere liefde geboeid hield, nog een wijl weêrbarstig; doch
de reden van Staat en de wil zijns broeders zegevierden, en hy gaf
zijn toestemming. Zoo veel spoed maakte nu Maurits, die wellicht voor
een terugtreden vreesde, met de zaak, dat hy door de Gekommitteerde
Raden ontslag van de huwlijksgeboden verleenen deed en binnen een
tijdsverloop van weinige dagen de verbintenis bepaald en voltrokken
werd. Geen drie weken waren er na de plechtigheid verloopen, of
Maurits was ten grave gedaald; maar met het bewustzijn, dat hy het
geluk zyns broeders gevestigd had. En, inderdaad, zoo deze niet dan
schoorvoetende tot den stap was overgegaan, die van hem gevorderd
werd, dankbaar mocht hy zich later verblijden, wanneer hem, na de
woelingen van den krijg of de beslommeringen van het staatsbewind, in
den omgang met een beminnelijke en beminnende gade, met een aanvallig
en bloeiend kroost, verademing en rust ten deele vielen. Weinig moge
er bekend zijn aangaande de verrichtingen der edele Princes zoo lang
haar echtgenoot leefde, doch uit de wakkerheid, welke zy, toen, eerst
hy zelf, en naderhand haar groothartige zoon, haar ontvallen waren,
tot op vergevordenden ouderdom aan den dag legde in 't voorstaan
der aanspraken en belangen van haar doorluchtigen kleinzoon, is
licht af te meten, dat zy, ook in de twee-en-twintig jaren, die zy
aan Frederik Hendriks zijde doorbragt, hem niet alleen een teedere,
zorgende huisvrouw strekte, maar ook, in netelige gevallen, meermalen
in staat was, hem, met dien vluggen blik, die snelle bevattelijkheid,
den vrouwen eigen, den weg te wijzen, dien hy te volgen had. Alles
afdoende is toch ten dezen opzichte de getuigenis van Temple, die
van haar verklaarde, dat zy een vrouw was, zoo kloek van verstand
als hy er immer eenige ontmoet had. Gewis, aan een zoodanige alleen
voegde het, den eersten rang te bekleeden gedurende het tijdvak,
waarop Nederland het toppunt zijner grootheid had bereikt.

En, was zy door haar zedelijke en geestvermogens dien rang ten vollen
waardig, zy was het niet minder door de wijze, waarop zy dien ook
in 't uiterlijke wist te handhaven. Noch Willem de Eerste, die tot
aan zyn uiterste met bezwaren van geldelijken aart te worstelen had,
noch Maurits, die ongehuwd en van praal en pracht afkeerig was, hadden
een eigenlijk gezegde hofhouding gehad. Maar sints de Republiek rijk
en machtig geworden was, sints voegde het ook, dat hy, die aan haar
hoofd stond niet alleen, maar ook haar tegen over de buitenlandsche
Mogendheden vertegenwoordigde, door uiterlijk vertoon de glansrijke
stelling ophield, welke hy bekleedde. Om hem hierin te doen slagen,
daartoe was Amelia als geboren. Van nature geneigd om zich te omgeven
van al wat lieflijk, welstandig en bekoorlijk was, aan zucht tot weelde
een fijn gekuischten smaak parende, de schoone kunsten beminnende
en beschermende, wist zy de lusthuizen, door haar gade gesticht,
in tooverpaleizen te herscheppen, waar de keurigste gewrochten, die
de kunst uit doek, uit hout, uit goud en gesteenten wist voort te
brengen, in kwistigen overvloed den verbaasden bezoeker in de oogen
flikkerden, en waar een weelde heerschte, wier gelijke een Engelsche
Gezant getuigde nergends aan deze zijde van Perziën te hebben gezien.

Gewis, zoo ergends, voegde die weelde aan 't hof van den Stadhouder,
door wien de Munstersche vrede werd voorbereid; en vergelijken wy
den toestand van dat hof, gelyk dit was toen hy geboren werd, met
dien waarin het zich bevond, toen hy, op den 14den Maart 1647, het
hoofd ter ruste leide, dan zien wy daarin een sprekend zinnebeeld
van de verschillende toestanden der Republiek zelve op die beide
tijdperken. Brengen wy, met een terugslag op hetgeen wy in den aanvang
zeiden, die tijdperken nogmaals in vergelijking, en wat vertoont zich
voor onze oogen?--In stede van verbrokkelde, verarmde, uitgeputte
gewesten, van buiten door talrijke legers bedreigd, van binnen alom
nog uit steden en sterkten door vyandelijke roofbenden bestookt,
door wantrouwen, bekommernis en schrik tot moedeloosheid vervallen,
geen uitkomst ziende dan in de afgebedelde bescherming van vreemde
Mogendheden, zich zelve als een koopwaar aanbiedende, doch vergeefs
een kooper zoekende, zien wy thands een fieren en machtigen Staat,
die, groot door eendracht, orde, welvaart, zich vrij en onafhankelijk
beweegt op het grondgebied, dat hy van vyanden gezuiverd heeft, die,
ver van gunsten en bescherming af te smeeken, ze uitdeelt op zijne
beurt, zich in macht en aanzien met de grootste Mogendheden van Europa
gelijk stelt, en, in de overige waerelddeelen, door zijn kooplieden
aan vorsten en volkeren de wet laat voorschrijven: een Staat, waar
handel, zeevaart, nyverheid, tot een vroeger nergends gekende hoogte
zijn gestegen, en wiens vlaggen tot in de verste zeeën met eerbied
worden aanschouwd: een Staat, waar letteren, kunsten, wetenschappen,
als nimmer te voren bloeien, in een woord, een Staat, wiens gelijke op
dat tijdstip de waereld niet aanbiedt!--en vestigen wy dan tevens onzen
blik op dat trotsche Spanje, by den aanvang van den worstelstrijd het
rijkste en machtigste onder de Rijken van Europa, nu door dien strijd
verarmd, ja uitgeput, en dankbaar, dat het den vrede sluiten mag met
de Nederlanders, die het als verachtelijke slaven had beschouwd, en
die het, door vervolging, verbanning, plundering, verbeurdverklaring
en moord, gedwongen had, door wanhoop vrij, door vrijheid op zijne
beurt rijk en machtig te worden.

Wel beleefde Frederik Hendrik dien vrede niet, door de Natie, aan wier
hoofd hy gestreden had, verkregen, maar toch hy had dien voorbereid,
en de voorspelling in allen deele vervuld, drie-en-twintig jaren te
voren door Vondel omtrent hem uitgesproken:


    Ick zie 't verbont gemaackt, het volk wordt goedertieren,
    Ick zie de vredefeest op speeltooneelen vieren.
    Ick zie de vredevlam die drift van wolcken leckt.
    Ick zie hoe als een schat de vrede 't land bedeckt.
    Ick hoor Vorst Frederik van alle tongen roemen.
    Ick hoor hem vrederijck en Vredevader noemen.
    Ick smaack zijn goedigheid. Ick voel zijn heuschen aart.
    Ick rieck den zoeten reuck van vrede, dien hy baart.
    Bekrachtig Frederik dan 't geen wy ons verbeelden.


En gewis, de Vorst, die aldus het werk voltooid had, waarvan de
grondslagen door zijn vader gelegd waren, had het recht, met eenige
zelfverheffing terug te zien op den arbeid, door hem volbracht,
maar tevens aanleiding om God te danken, die hem tot zulk een taak
geroepen en daarby hem de kracht geschonken had, ten einde toe,
gestand te doen aan de zinspreuk, welke hy zich gekozen had:


                         PATRIAEQUE, PATRIQUE.







PIETER PIETERSZOON HEIN.


Pieter Pieterszoon Hein opent de rij van doorluchte zeehelden,
waar het tijdvak van Frederik Hendrik zich op beroemt. In 1578 te
Delftshaven uit eenvoudige burgerlieden geboren, had hy reeds vroeg
het zeemans-bedrijf gekozen, aan menigen verren tocht, aan menigen
zeetriomf deel genomen. Maar het was niet alleen door zijn vlugheid
in 't want, of door de onversaagdheid, waarmede hy den enterbijl
zwaaide, dat hy zich onderscheidde; het was ook door die stipte en
strenge plichtsbetrachting, die van een vroom gevoel--het was door
dien yver en die oplettendheid, die van een weetgierig en schrander
brein getuigen. Was het wonder, dat hy de opmerkzaamheid wekte van
zijn meerderen, en eerlang ook hun genegenheid en achting? Was het
wonder, dat, op een tijd, toen in Nederland ware verdiensten niet
vruchteloos naar de gelegenheid zochten om aan den dag te komen, Piet
Hein--gelijk tijdgenoot en nageslacht hem by voorkeur noemden--niet
voor den mast bleef, maar al spoedig, als stuurman, als schipper,
als kommandant van een eskader, in dienst kwam? In 1623 treffen wy
hem aan als Vice-Amiraal by de vloot, door de W. Indische Maatschappy
uitgerust en waarover Jakob Willekens als Amiraal gebood. Men hechte
intusschen niet te veel aan dien tytel van Vice-Amiraal. Dan alleen
duidde die tytel een rang aan by 't Zeewezen, wanneer hy gevoerd
werd krachtens een aanstelling by eene der Amiraliteiten. Voor 't
overige gaven de benamingen Amiraal, Vice-Amiraal, Schout-by-Nacht,
doorgaans alleen de betrekking te kennen, welke iemand, tijdelijk,
by een zeetocht, op een vloot, zelfs op een smaldeel, vervulde. Ja,
al gold het een koopvaardy-vloot, of ook maar een drietal te samen
varende schepen, dan werd, zoolang de reis duurde, hy, aan wien
het hoofdbestuur was opgedragen, Amiraal genoemd: die den voortocht
gebood heette Vice-Amiraal, en die over de achterhoede of 't achterste
schip 't bevel had, Schout-by-Nacht. Was men aan wal terug gekeerd,
dan legden zy, die deze tytels gevoerd hadden, ze af om eenvoudig
weder Kapitein, Schipper of Stuurman te heeten.--Met dit al werden
niet zelden voor hen die tijdelijke kommandementen over byzondere
uitrustingen de eerste aanleiding, om hen later een werkelijke
aanstelling by 't Zeewezen te bezorgen. Zy behoefden daartoe zich
slechts te onderscheiden, en, in een tijd, toen maar zelden een schip
zijn reis over zee volbracht, zonder een vyand ontmoet te hebben,
was daartoe, als wy reeds aanmerkten, gelegenheid genoeg: vooral
by Oost en Westindische Maatschappyen. Haar zeemacht was de kern,
waaruit de meeste bekwame zeelieden voor 's Lands vloot ontsproten,
de kweekschool, waarin de beroemdste zeehelden gevormd en opgeleid
werden. Het was door de verheffing van zulke wakkere mannen als die
in den dienst der Kompagniën een onschatbare ondervinding opgedaan
en alle denkbare gevaren getrotseerd hadden, dat 's Lands zeemacht
een zedelijke kracht bekwam, welke zy tot dien tijd niet bezeten
had.--Na deze uitweiding, niet onnoodig wellicht om by sommige lezers
een misverstand weg te ruimen, dat zich lichtelijk voordoet, keeren
wy tot onze schets terug.

Het doel der onderneming, van welke wy thands gaan gewagen, en dat
zelfs aan den Vlootvoogd, naar de gewoonte van die dagen, eerst
in volle zee, door het openen van den lastbrief van Bewindhebberen
bekend mocht worden, was het bemachtigen der Allerheiligen-Baai op
de kust van Braziel.--Op den 8sten Mei 1624 had de vloot de plaats
harer bestemming bereikt. De baai was verdedigd door een sterkte,
die den ingang bestreek, en door eenige Portugesche schepen. Maar
Willekens achtte, om het geschut der sterkte tot zwijgen te brengen,
en de schepen te vernielen, drie zijner vaartuigen genoeg, mits Piet
Hein die gebood. Veertienhonderd-veertig man werden aan wal gezet:
meer zoû Allart Schouten niet behoeven, om de stad Sint Salvador
te winnen. Het vertrouwen van den Amiraal werd niet beschaamd
gemaakt. Terwijl Schouten de stad binnen rukt en er rijken buit
behaalt, maakt Piet Hein zich meester van de schepen, die in de baai
liggen, en van de menigte koopwaren, welke zy bevatten: en, met roem
bedekt, keeren de Vlootvoogden naar het Vaderland, Joan van Dorth
als bevelhebber over de veroverde vesting achter latende.

Twee jaren later werd aan Piet Hein, nu als Amiraal, het bevel
gegeven over een vloot, uit acht groote schepen en vijf jachten
bestaande. Na gedurende eenige weken met afwisselende fortuin in
de West-Indische zeeën en langs de Barbarijsche kusten gekruist
te hebben, zeilde onze Vlootvoogd nogmaals naar die baai, die,
sedert zijn vertrek, ten gevolge van het sneuvelen van Van Dorth
en van het verwaarlozen van 't bewind door zijn opvolgers, weder
in handen der Portugezen gevallen was. Het was in January 1627, dat
Piet Hein voor Sint Salvador verscheen, onder het geschut van welke
stad zes-en-twintig groote en twee-en-twintig kleine, doch alle sterk
bemande en welgewapende schepen lagen, die Spaansche of Portugesche
vlaggen voerden. Door zulk een macht en bovendien door een kustbattery
van twee-en-veertig stukken verdedigd, meende 's Konings Stadhouder,
Don Diëgo Louis de Oliveyros, tegen elken aanval gewaarborgd te
zijn: maar hy had er niet op gerekend, dat, by de Hollanders van
die dagen, een hunner schepen er, in doorslag, drie van den vyand
voor zijn rekening nam. Piet Hein geeft den zijnen het voorbeeld:
hy zeilt tusschen het vyandelijk Amiraal- en Vice-Amiraalschip in,
ankert op een musketschot van de stad en opent zijn vuur aan beide
zijden. Nog twee schepen volgen hem en werpen mede hun anker uit:
de overige worden door den wind belet op te komen. Doch ook dezen
tegenspoed weet de Zeevoogd te herstellen. Terwijl de drie geänkerde
schepen den strijd doorzetten, schrik en verwoesting brengen onder
's vyands vloot, en door hun geschut diens Vice-Amiraalschip in den
grond boren, laat hy van zijn mast den topstander waaien. Op dat
sein werpt de manschap uit de overige schepen zich in de boots, roeit
op den vyand aan, beklimt en entert diens schepen, en drijft er het
volk uit, dat, van doodsche vreeze bevangen, alom over boord springt,
en met zwemmen zijn behoud zoekt. Geen drie uren zijn verloopen, of
de overwinning is bevochten, en, moet het schip van Piet Hein, dat
op het drooge geraakt en geheel vernageld is, worden achter gelaten,
was een ander door zijn eigen vuur in de lucht gesprongen, dat verlies
wordt ruim vergoed door het bemachtigen van twee-en-twintig groote
en rijk beladen vaartuigen, die hy met zich naar zee sleept en naar
't Vaderland zendt als sprekende getuigen zijner viktorie.

Maar nog kon het behaalde voordeel den Zeevoogd niet voldoen. Zijn
vloot in Spirito Santo ververscht en van water voorzien hebbende,
verdeelt hy die in drieën, zendt een smaldeel naar Rio de la Plata
en een naar Rio Janeiro, en keert met vier schepen van oorlog en vier
jachten naar de baai terug, welke hy den 10den Juny binnenstevent. Hy
zeilt de stad voorby, verovert, plundert en verbrandt twee van 's
vyands schepen, die op 't drooge liggen, en toen, met een pinas, een
jacht en een fregat, de rivier opvarende, vervolgt hy een tiental
met suiker geladen schepen, die voor hem terug geweken zijn. 't
Gelukt hem, twee daarvan op te sporen, die zich veilig achten in een
naauwe kreek, waar geen diepgaand vaartuig hen kan bereiken. Maar,
is de rivier niet verder bevaarbaar voor de schepen, zy is het nog
steeds voor de booten. Twee malen laat Piet Hein die af, om een
aanval te beproeven op de Portugesche schepen; doch beide reizen
vruchteloos. De aanvallen worden afgeslagen, en de koopvaarders,
al hooger en hooger op wijkende, vereenigen zich met de andere
vaartuigen en worden eerlang versterkt door een vendel krijgsvolk,
hun van Sint Salvador toegezonden door den Kommandant Oliveyros. Het
was niet de eerste maal, dat de aanvoerder dier bende, de Hopman
Padilla, de Hollanders had bestreden. Hy was het, die, drie jaren
te voren, Van Dorth in een hinderlaag gelokt en omgebracht had,
en hy vleidde zich, thands, door een dergelijk wapenfeit, zijn roem
te voltooien. Doch de dood van den voormaligen bevelhebber van Sint
Salvador zoû deze reis gewroken worden: de aanval der onzen, op den
derden dag meer krachtdadig hervat, was ditmaal onwederstaanbaar:
een kogel, door Padillaas kuras gedrongen, berooft hem van 't leven:
het schip, waar hy zich op bevindt, wordt stormenderhand veroverd;
de bemanning, twee-honderd-vijftig man sterk, neder gehouwen. Nu
ontzonk op de overige schepen den vyand den moed, en hy zocht zijn
redding in de vlucht. Nog twee, insgelijks rijk beladen vaartuigen,
werden bemachtigd, en het was alleen de onmogelijkheid om de rivier,
die al naauwer en naauwer en al meer met geboomte bezet was, verder op
te varen, die Piet Hein verhinderde, grooter buit te behalen. Reeds was
de taak hachelijk genoeg, om de veroverde schepen met zich naar zee
te voeren; immers, terwijl de hier vermelde wapenfeiten in de rivier
plaats grepen, had Oliveyros, ter plaatse, waar zy in de baai uitliep,
een der schepen, die op den 11den uitgeplunderd en verlaten waren,
dwars in het vaarwater laten zinken, en langs de geul, welke alleen
voor de afzakkende schepen overbleef, op den oever een borstweering
opgeworpen en met musketiers voorzien. Zoo meende hy de onzen als in
een fuik gevangen en hun alle ontkoming onmogelijk gemaakt te hebben:
en daar zoû hy hun nu de vroegere en thands geleden verliezen betaald
zetten. Te meer gegrond scheen zijn hoop, omdat er byna geen water in
de rivier stond, en de wind den onzen tegen was, zoodat de schepen
niet dan langzaam, en met behulp van werpankers, konden worden
uitgebracht;--welk laatste, naar Oliveyros meende, wel onmogelijk
zoû wezen, uithoofde de schepen langs den oever moesten houden, waar
't volk, dat in de booten de ankers moest uitbrengen, aan het moordend
geweervuur der musketiers was blootgesteld. Doch het woord "onmogelijk"
stond in het woordeboek van Piet Hein niet geschreven. Naauwlijks is
hy van de gevaren, die hem bedreigen, onderricht, of hy zendt eerst
eenige matrozen in de booten de rivier af, die 't gezonken schip by
laag water in brand steken en uiteen doen springen. Vervolgens laat
hy al de huiden, die in de gemaakte prijzen te vinden zijn, voor
den dag halen en doet daarmede de schepen, maar vooral de booten,
beschansen. Aldus tot afweer gereed, zakt hy de rivier weder af,
laat al de veroverde schepen uitwerpen, en vaart den vyand, die 't
met spijt moet aanzien, voorby, zonder een man te verliezen; want
de bootsgezellen, die de ankers uitbrachten, zaten veilig achter hun
borstweer van huiden, waar de kogels der Portugezen in smoorden. Met
geen minder voorspoedigen uitslag brengt Piet Hein nu zijn eigen
vaartuigen uit en raakt daarmede op den 16den weder by zijn smaldeel,
waarvan hy sints den 6den gescheiden was, en dat, kort by Sint Salvador
geânkerd, alsnu, in 't gezicht van den vyand en tot diens ergernis,
de prijzen overneemt, die hy door zijn moed verworven, maar door
zijn vernuftig beleid had weten te bewaren. Een en ander werd dan
ook dankbaar erkend, en hy, in October in 't Vaderland teruggekeerd,
door Bewindhebberen met een gouden keten beschonken.

Met ongelijk minder moeite verkregen, doch oneindig meer beroemd, om
de voordeelen, welke zy opleverde, was de overwinning, welke Piet Hein
in 1628 behaalde. Met een-en-dertig meest groote schepen uitgezeild,
en vooral met den toeleg, om, zoo mogelijk, de vloot, die de schatten
uit Amerikaas zilvermijnen naar Spanje bracht, te onderscheppen, had hy
een tijd lang in de West-Indische zeeën gekruist, toen, in Augustus,
omtrent de Havana een hevige storm zijn vloot uit den koers dreef,
welken hy meende te houden. Reeds had hy de hoop, om den verwachten
buit te winnen, opgegeven, dewijl de tijd, waarop hy de Spaansche
vloot had gerekend te ontmoeten, verstreken was, toen het bleek,
dat hetgeen hy voor een tegenspoed gehouden had, alleen had moeten
dienen, om hem in zijn oogmerk te doen slagen. Een zeil, op drie
mijlen afstands ontdekt, wekt de aandacht van Witte Corneliszoon de
With, die op het schip van Piet Hein het bevel als schipper voerde:
hy vraagt en bekomt verlof het te vervolgen, stapt in zijn sloep,
roeit naar de onbekende bark, vermeestert die, en ontdekt, dat zy
gezonden was ter waarschuwing van de Spaansche vloot. Dit stoute feit
was alzoo de aanleiding, dat de zilvervloot onkundig bleef van het lot
dat haar dreigde, en zy de onze dwars in den mond liep. Vergeefs zocht
zy een toevlucht in de baai van Matanza: zy werd daar achtervolgd en
op den 9den September zonder veel tegenstand veroverd.

"Hoe moest," zong Vondel, toen hy, in zijn Zegezang op het innemen
van den Bosch, in 't voorby gaan de zegepraal van Piet Hein herdacht,


    Hoe moest, Havaen! uw hart bezwijcken,
    Toen ghij uws Konings zeil zaeght strijcken
      Voor 's Prinsen vlaggen al benout?
      Toen ghy het zilver en root gout
    Zaeght plondren, en de purperoegsten
    Die Hollant dreighden te verwoesten?
      De schim van Attabaliba
      Vernam 't, en huppelde om uw scha,
    Omdat men hem de zenuw kerfde,
    Die niet door deught zijn scepters erfde,
      Maar schoot, met voordeel van geweir,
      In 't moedernaeckt en weerloos heir.
    Dat heet den draeck op 't harte trappelen,
    Den wachter der Hesperische appelen,
      En na 'et verovert Indisch Vlies,
      Hem zuchten doen om 't Boschverlies.


De vloot van Piet Hein kwam eerst in 't laatst van 1628 en in 't begin
des volgenden jaars terug. De meeste buit, in vele kisten van zilver,
voorts in goud en paerlen, edelgesteenten en kostbare koopmanschappen
bestaande, en op ruim elf en een half millioen guldens begroot,
werd te Amsterdam in 't Huis der Kompagnie opgeslagen. Men hield een
plechtigen dankdag en brandde vreugdevuren wegens deze verovering. De
aandeelhouders in de Kompagnie kregen een uitdeeling van vijftig
ten honderd: Piet Hein zelf slechts f 1000: de With, zonder wiens
wakker bedrijf die rijke buit nooit verkregen ware, geen penning:
de matrozen niet meer dan zestien maanden gaadje: was het wonder,
dat zy, met die schrale belooning kwalijk tevrede, den buit poogden te
plunderen? Was het wonder mede, dat Piet Hein niet ongaarne de dienst
der Kompagnie verliet, om een luisterrijker betrekking te aanvaarden,
de hoogste namelijk, die by 't zeewezen te bekomen was, die van
Luitenant-Amiraal van Holland, opengevallen door den dood van Willem
van Nassau, doorschoten voor Grol?--Slechts kort na zijn terugkomst in
't Vaderland door de Staten tot deze waardigheid verheven, had Piet
Hein niet lang van zijn verheffing genot. In April van 't zelfde jaar
1629, met een vloot naar zee gezonden, om de Duinkerker kapers te
tuchtigen en onze kusten schoon te houden, ontmoette hy op den 17den
Juny in de Cingels eenige vyandelijke schepen, die hy vervolgde en
op den volgenden morgen achterhaalde. Volgens zijn gewoonte brak hy
dadelijk door de linie des vyands heen, en, na een hevigen strijd,
gelukte het den onzen, het Duinkerker smaldeel op de vlucht te drijven,
en drie veroverde schepen als trofeën met zich naar 't Vaderland te
voeren. Maar kon men die overwinning wel een voordeel noemen? Want met
dien buit voerden zy ook het lijk mede van hun Amiraal, wien reeds
de derde kogel, die van 's vyands zijde gelost werd, zielloos op
het dek had nedergeworpen. Zijn dood was een groot verlies voor het
Vaderland in 't algemeen, maar in 't byzonder voor het Zeewezen. Met
hem toch moest het Vaderland den kloeken aanvoerder derven, die in deze
oogenblikken meer dan iemand in staat zoû zijn geweest, de rooveryen
der Duinkerkers te beteugelen, en de zeeën schoon te houden. Het
Zeewezen zag zich verstoken van een bekwamen Opperbevelhebber, die,
wanneer men oordeelen mag uit de veelvuldige verbeteringen, door hem,
gedurende zijn twee-maandelijksch bestuur, of ingevoerd of voorgesteld,
den heilzaamsten invloed op de zeemacht zoû hebben uitgeoefend,
om daarin de heerschende misbruiken en ongeregeldheden door orde en
tucht te doen vervangen. Te recht werd daarom zijn verlies algemeen
betreurd, en, hadden zijn krijgsmakkers by den strijd, waarin hy
sneuvelde, zijn dood op glansrijke wijze gewroken, de Staten zorgden
voor de vereering zijner nagedachtenis. Plechtig werd hy op hun last te
Delft ter aarde besteld, en een gedenkteeken, op zijn graf geplaatst,
getuigt nog heden van zijn onvergankelijken roem.







JACOB CATS.


Mag de eeuw van Frederik Hendrik zich verhoovaardigen op den
grooten lier- en treurspeldichter, aan wiens onsterfelijken naam een
eereplaats beschoren is in den tempel des roems nevens die van Homerus,
Maro, Dante, Shakespeare, Milton, Racine, Byron, Schiller, Goethe,
Bilderdijk,--zy boogt tevens op den man, die, als schrijver, zich
voorstellende niet te schokken, maar te roeren, niet te verblinden,
maar te overtuigen, niet te betooveren, maar te overreden, niet tot
de verbeelding, maar tot het hart te spreken, geen bewondering op
te wekken, maar nut te stichten: op den volksdichter, die, zich tot
geene hooge vlucht wagende, maar er zich boven alles op toeleggende,
voor ieder verstaanbaar te zijn, juist daardoor dan ook meer algemeen
begrepen werd, en een meer uitgebreiden, meer duurzamen invloed op
zijn landgenooten uitoefende--Jacob Cats.

Dat Cats geen dichter was in de meer verhevene beteekenis van het
woord, bewijst de omstandigheid, dat, toen hy zijn eerste rijmvrucht
uitgaf, hy een leeftijd bereikt had, op welken de groote mannen,
hierboven door ons genoemd, zich reeds een naam verworven hadden. In
1578 geboren, zond hij niet voor 1618 zijn eerstelingen in 't
licht. Maar voor hem was de poëzy geen hoofdzaak, gelijk voor Vondel,
gelijk voor de genoemde schrijvers; zy was op zijn best een verpoozing
van zoogenaamd meer gewichtigen arbeid: zijn vaerzen waren nimmer het
gevolg van dat opbruischend zielsgevoel, waaraan geen wederstand te
bieden is, van die behoefte om hetgeen uit hoofd of hart opwelt in
zangen uit te storten: zy waren niet meer dan een vorm of inkleeding,
boven 't proza verkieslijk, om een gunstig onthaal te doen vinden
aan de nuttige lessen en wenken, welke hy aan zijn landgenooten wilde
geven. Wie daarom de werken van den geleerden Pensionaris beöordeelt
naar den maatstaf, aan welken men gewoon is, poëtische voortbrengselen
te toetsen, handelt dwaas en onbillijk. "Waar vindt men schilders,"
vraagt van Effen in zijn Spectator, "die eene keukenmeid met fluweel
bekleeden of eene vischvrouw, met paerlen, diamanten en goudlaken
opgepronkt, baars en karper doen schoonmaken? Is het derhalve niet
oogschijnlijk, dat hoogdravenheid van Cats te vorderen en stoffen
als de zijne daartoe te willen verheffen, de dwaaste pedanterie is,
die ooit beschimpt kan worden." Cats heeft nimmer naar den roem
des dichters gestreefd, maar alleen naar dien van den moralist,
en dit is juist wat hem onderscheidt b. v. van La Fontaine. Beiden
hebben meer dan eens dezelfde fabel, dezelfde vertelling, behandeld;
maar de laatstgemelde let by voorkeur, zoo niet by uitsluiting, op het
poëtische, dat zijn stof hem aanbiedt, of dat, zoo 't er oorspronkelijk
niet in lag, zijn scheppend genie weet aan te brengen; terwijl hy zich
van de zedeles, die er uit voort moet vloeien, in een of twee regels
afmaakt: Cats daar-en-tegen vat de zaak bestendig uit een ernstig
oogpunt op: de leering, daarin gelegen, is by hem de hoofdzaak:
aan de ontwikkeling dier leering besteedt hy zijn voorname zorg,
en laat niets na wat volgends zijn meening dienen kan om haar by
den lezer in te prenten. Hy wil niet meer zijn dan moralist, doch,
om zijn lessen gereedelijker ingang te doen vinden, geeft hy ze op
rijm en licht zijn betoog met poëtische beelden toe.

Gewis zal de lezer, die Cats uit zoodanig oogpunt bestudeert, zich
te-leur-stelling gespaard vinden, en daar-en-tegen meer dan eene
aangename verrassing zien bereid. Hem zal de eentoonige dreun niet
hinderen dier vaerzen, waarby de snede altijd zoo juist is in acht
genomen, dat zy ons by 't hooren doen denken aan droppels, die, by
een lekkaadje, met gelijke tusschenpozen van het dak vallen,--noch
dat gestadig aanwenden van stopwoorden en stoplappen, die aan
het geheel wel naïviteit maar ook op den duur vrij wat platheid by
zetten;--neen, hy zal een wezenlijk genot smaken, als hy ondervindt,
hoe vloeiend, bevallig, schilderachtig, vooral natuurlijk, de schrijver
zich meermalen weet uit te drukken, welk een schat van kennis en
ervaring hem ten dienste staan en hoe mild daaruit geput is om de
zaak, die behandeld wordt, van elke harer tallooze zijden te doen
bezien: welk een overvloed van nieuwe, altijd welgekozen en volkomen
passende beelden gebezigd worden ter toelichting van de redeneering:
hoe duidelijk de bewijzen voor elke stelling worden voorgedragen:
hoe menschkundig 's mans beschouwingen zijn: en hoe overal tot het
hart gesproken wordt.

Wy herinneren ons niet wie het was,--misschien deden wy 't zelve
wel--die Cats den Kristelijken Ovidius noemde. In de daad, het is
vooral de schrijftrant van dezen, dien men zoû zeggen dat Cats
ten voorbeeld gekozen had, waarvan hy althands de verdiensten
zoo wel als de gebreken heeft overgenomen. Als Ovidius is hy
eentoonig, omslachtig en weelderig; doch by hem als by Ovidius is
die weelderigheid somtijds bekoorlijk en zijn verbeelding is, als
die van Ovidius, onuitputtelijk. Maar zoo min de Hollandsche als de
Latijnsche schrijver weet grenzen aan die verbeelding te stellen,
en geen van beiden is voldaan, zoo lang hy niet alles over zijn
onderwerp gezegd heeft wat er van gezegd kan worden.

Is echter beider trant gelijk, te meer verschilt de inhoud. Cats
schrijft om te onderwijzen, niet om te vermaken; overal toont hy
zich de brave, eerlijke, godvruchtige man. Ook dan zelfs, wanneer hy
stoffen behandelt, welke onze preutsche eeuw als onkiesch verwerpen
zoû, weet hy zorg te dragen, door zijn wijze van voorstelling allen
aanstoot te vermijden, en hy doet dit, niet door het omsluieren der
naaktheid--doorgaands een prikkel te meer ter opwekking eener verhitte
verbeelding--; niet door het half verzwijgen van hetgeen hy te zeggen
heeft: niet door het bezigen van dubbelzinnige uitdrukkingen:--neen,
hy schroomt geenszins de zaken by haren naam te heeten en zelfs
over byzonderheden uit te weiden;--maar hy stelt nimmer de ondeugd
behagelijk voor: hy schertst nimmer met boosheid en zonde: hy verzuimt
nimmer, onmiddelijk op haar treurigen nasleep te wijzen. Hy durft
verhalen wat Aretino of Boccacio voor hem verhaald hebben; maar het
onreine vuur, dat in hun vertellingen blaakt en schendige lusten in de
ziel des lezers ontbranden doet, heeft in de zijne zijn verderfelijk
vermogen verloren: het is niet langer het vuur der verleiding,
dat de zinnen bekoort; het is het vuur der hel, dat ontzetting en
afschrik baart.

Verdient Cats onzen lof als zedeschrijver, vooral om den weldadigen
invloed, dien hy als zoodanig op de Natie heeft uitgeoefend; wy
mogen dien ook aan Cats als regent niet onthouden. 't Is waar, ook
een grooter staatsman dan hy was, zoo kort na Oldenbarneveldt en zoo
kort voor Jan de Witt aan 't roer komende, zoû moeite hebben gehad,
zijn licht te doen schijnen tusschen de schitterende stralen, die van
beide zulke sterren der eerste grootte uitgingen; maar Cats achtte zich
niet--gelijk de twee groote mannen, hier genoemd--in zijn betrekking
geroepen het land te regeeren;--neen, gedreven door denzelfden geest,
die hem als schrijver bezielde, zocht hy, eerst als Pensionaris van
Dordrecht, later als Raadpensionaris, eenvoudig den plicht, hem door
zijn instruktie opgelegd, naar behooren te vervullen, en zich daarby te
onderscheiden door naauwgezetheid, eerlijkheid en trouw. Dat hy zulks
deed, daarvoor verdient hy onze hulde: en toch mogen wy het misschien
bejammeren, dat hy zich, door zijn geboorte en door de omstandigheden,
tot hooge eerambten geroepen zag. Had hy zich in nederiger kring
bewogen, en in zijn jeugd, in stede van op meer praktische studiën,
zich op de beöefening der dichtkunst met nadruk toegelegd, zijn
weelderig vernuft leeren besnoeien, den aanleg die zich openbaart in
zijn Galatee, en in zoo vele zijne Zinne- en Minnebeelden, zorgvuldig
aangekweekt, zijn stijl leeren zuiveren van de onnutte stoplappen
die hem ontcieren, hy had wellicht den rang kunnen innemen onder de
eerste dichters, die hem thands niet mag worden toegekend.

Misschien zal aan sommigen deze beweering vreemd voorkomen:
zy zullen wijzen op het gedenkteeken, dat te Brouwershaven,
's mans geboorteplaats, werd opgericht, en ons vragen, of de
omstandigheid, dat hy tot heden de eenige onder onze dichters is,
aan wiens nagedachtenis eene zoo openbare hulde is aangeboden, niet
het luidst sprekende bewijs oplevert, dat de Natie in 't algemeen een
andere meening koestert omtrent Cats dan die wy hier geuit hebben. Wy
geven dit toe niet alleen; maar wy hebben hier boven er reeds op
gewezen; wy zullen er zelfs byvoegen, dat ook in Belgiën nog altijd
de meerderheid der Vlaamsche bevolking in het gevoelen deelt van den
Aartsbisschop van Mechelen, Jacob Boonen, die tot Vondel zeggen dorst:
"awiel sinjeur Vondel! ghy rijmt zeer aardig; maar ghy zijt nog lang
gienen Cats."--Doch wy zien ook in onze dagen, dat aan Tollens een
standbeeld wordt opgericht, terwijl Bilderdijk er nog vergeefs op
wacht; en wy gelooven met eenigen grond de vraag te mogen stellen,
of niet de Natie, by de hulde, welke zy tweewerf by voorkeur aan den
minst verhevene van twee beroemde tijdgenooten bracht, niet telken
reize door andere beschouwingen geleid is geworden dan door deze:
"wie was, als dichter, in de eerste plaats een gedenkteeken waardig?"

Ware onze taal ook buiten 's lands bekend, de vreemdeling zoû ons
wellicht leeren het genie van Vondel en dat van Bilderdijk te schatten,
gelijk hy ons is voorgegaan in het toekennen aan Rembrand van den rang,
die hem behoort.







JOHAN PIETERSZOON EN DIEDERIK SWELINCK.


Is in andere landen de nagedachtenis van beroemde kunstenaren vaak
vereeuwigd door standbeelden, te hunner eere opgericht, dan moet
het verwondering baren, dat er geen van metaal of steen oprijst ter
eere van een kunstheld als Joan Pietersz. Swelinck, (musicus et
organista toto orbe celeberrimus, gelijk onder zijn door Muller in
staal gegraveerd portret te lezen staat), noch in zijn geboorteplaats
Deventer (1540), noch te Amsterdam, waar hy leefde en werkte. Het
kolossale beeld van Orlandus de Lassus prijkt wel binnen Bergen
in Henegouwen, waar deze 't eerste levenslicht aanschouwde, en een
prachtige medalje werd te zijner vereeuwiging geslagen; maar aan het
brengen eener hem waardige hulde aan onzen waereldberoemden Swelinck
werd tot hiertoe niet gedacht. En toch, welk een groot en te recht
hoog vermaard man was hy! Weten wy van zijn vroegste jeugd slechts dit,
dat hy reeds toen een buitengewone vlugheid op klavier en orgel bezat
en op die speeltuigen uitmuntte, zijn latere levensjaren getuigen
van wat hy als kontrapuntist en organist verrichtte, en hoe hy om
zijn voortreffelijke begaafdheden en leerwijze alom geächt en geroemd
werd. Vermoedelijk had hy het eerste onderwijs in de gronden der muzyk
genoten by zijn vader, mede, als wy straks zullen zien, organist te
Amsterdam. In de kennis der kompozitie zich verder wenschende bekwaam
te maken, reisde hy in den jare 1557 naar Italiën, waar hy zich, te
Venetiën, onder Josef Zerlino, leerling van den Nederlander Willaert,
zoo zeer in de kunst volmaakte, dat hy, by zijn terugkomst in zijn
vaderland, zich reeds den naam had verworven een der treffelijkste
organisten te zijn, en, by het openvallen van de betrekking als
zoodanig in de Oude Kerk te Amsterdam door den dood zijns vaders,
tot diens opvolger werd aangesteld. Den roemvollen naam, die van
hem was uitgegaan, mogen wy dan ook als een gewichtige oorzaak
beschouwen, waarom vooral Duitschers, die tot kundige organisten
wenschten te worden opgeleid, zich naar Amsterdam begaven, om van
onzen Swelinck lessen in het orgelspel en kontrapunt te ontfangen,
en zich naar zijn voorbeeld te vormen. In Hamburg werd hy niet anders
dan de organistmaker genoemd, en werkelijk riep hy een orgelschool in
't leven, waaruit de kundigste mannen van dien tijd te voorschijn
kwamen, als de beroemde Melchior Schildt van Hanover, Paul Seiffert
van Dantzig, Samuel Scheidt van Halle, Jacob Schultz of Praetorius
en Heinrich Scheidemann, beiden van Hamburg, welke stichters werden
van de zoo beroemde Noord-Duitsche orgelschool.

Zijn leerlingen achtten hem niet alleen hoog als kunstenaar, maar
vereerden hem ook als een vader, inzonderheid Schultz en Scheidemann,
die 's mans beeltenis uit Holland met zich voerden, welke tot het
einde huns levens hunne kamer moest vercieren, opdat zy den zoo
beminden meester steeds voor oogen zouden hebben: voorwaar een bewijs,
dat Swelinck niet alleen als voortreffelijk kunstenaar schitterde,
maar ook als mensch door een beminnelijk karakter en voorbeeldige
zielshoedanigheden uitmuntte, waarin wy bevestigd worden, wanneer wy
mede onder zyn reeds genoemde afbeelding lezen: Vir singulari modestia
ac pietate, cum in vita tum in morte omnibus suspiciendus. En hoe
men dien Nederlandschen kunstenaar hier beminde, getuigt de edele
handelwijze van eenige muzykliefhebbers, handelaren te Amsterdam,
die, zijn tijdelijke omstandigheden wenschende te verbeteren, hem
voorstelden, hun een som van 200 guldens af te staan, waarmede zy tot
zijn voordeel zouden werken, en wel zoo, dat zy daarvan alleen het
verlies zouden dragen, en hy de winst. En met welke uitkomsten werd
dit contractus leoninus van een gands ongewonen aart bekroond? Na
verloop van eenige jaren deed men rekening en verantwoording, en
werd meester Jan Pietersz. in het bezit gesteld van de (voor dien
tijd vooral) aanzienlijke som van f 40,000, waardoor hem, tot aan
zijn dood, een onbezorgd leven ten deel viel.

Hoe rijk en onuitputtelijk zijn fantazy was, hoe weinig hy, in een
vriendenkring voor het klavier gezeten, en daaraan heerlijke toonen
ontlokkende, zich om tijd of uur bekommerde, vinden wy by Baudartius
opgeteekend: "Deze Apollo," zegt hy, "heeft gehat ten deele van meest
alle musicanten, daarvan een Latijnsche poët aldus spreekt:


    Omnibus hoc vitium est cantoribus inter amicos,
    Ut numquam inducant animum cantare rogati,
    Jnjussi numquam desinant,


"dat is te zeggen: dat men de liefelyke musiciens niet lichtelyck
aen het singen of spelen en kan brenghen, maer als men se daeran
gebracht heeft, so kunnen sy qualyck ophouden. My gedenckt dat ik
eens met eenige goede vrienden by meyster Jan Peter Swelinck, mynen
goeden vriend, gegaen zynde, met noch andere goede vrienden, in de
maend Mey, ende hy aen het spelen op zyn clave-cymbel gecomen zynde,
hetzelfde continueerde tot omtrent middernacht, spelende onder anderen
het liedeken: "Den lustelicken Mey is nu in zynen tydt," dewelcke hy,
sal ick goede memorie daervan hebbe, wel op vyf ende twintigerley
weysen speelde, dan sus, dan soo. Als wy opstonden, ende ons afscheyt
wilden nemen, so badt hy ons wy souden toch dit stuck noch hooren,
dan dat stuck niet kunnende ophouden, also hy in een zeer soet humeur
was, vermaeckende ons, syne vrienden, vermaeckende ook hemselven."

Omtrent den juisten tijd van 's mans dood zijn de opgaven eenigzins
uiteenloopend, minder betreffende het jaar en de maand, dan wel den dag
zijns overlijdens. Die alle hier aan te voeren achten wy overtollig,
maar de opgave onder Swelincks beeltenis, door Muller gegraveerd:
"obiit MDCXXI. XVI Octobris Aet. LX." zeer aannemelijk.

Moge er op dit punt onder zijn tijdgenooten verschil van meening
zijn ontstaan, omtrent Swelincks grootheid als kunstenaar, organist
en komponist, stemmen allen overeen. Hooren wy, in de eerste plaats,
wat Hooft en Vondel van hem getuigen. De eerste schreef op hem het
navolgende grafschrift:


    Hier leit, die stelde wyz' den koninklyken woorde,
    En Sion galmen deed, dat men 't in Holland hoorde.


Vondel vervaardigde op zijn beeltenis het navolgende byschrift:


    Op meester Johan Pieterszoon Zweling
    Fenix der Muzycke en Orgelist van Amsterdam.

    Dit 's Zwelings sterflyk deel, ten troost ons nagebleven.
    't Onsterflyk hout de maet by Godt in eeuwig leven.
      Daar streckt hy, meer dan hier kan vatten ons gehoor,
      Een goddelycke galm in aller Englen oor.


Hooren wy nu Baudartius: "Mr. Joan Peters Swelinck, seer constich en
vermaert organist, ja beroemd voor den allercloeksten en constichsten
organist deser eeuw. Welcken lof de constrycke Organist ende Musicien
Pedro Philippi, Organist binnen Brussel, en alle andere hem geern
gheven, hem eerende als eenen Phoebus ofte Apollo. De treffelijcke
musyckstucken welke hy aen den dach gegeven heeft, zoo als die in de
Gereformeerde kerken gesongen worden, gheven getuychenissen van den
musikalen geest, daermede hy is begaeft gheweest, ghelyck oock doen
alle andere Musyckstucken by hem gecomponeert en aen den dach gegeven."

Nog meer bepaald zijn de narichten, ons door Sweertius over
's mans arbeid gegeven, en welke wy, uit het latijn vertaald,
hier laten volgen, "Joan Pietersz. Swelinck, een Nederlander,
met my zeer bevriend, was het wonder der toonkunstenaars en
organisten. Verwonderlijk was te Amsterdam de dagelijksche toeloop om
hem het orgel te hooren bespelen. Niemand, die er geen roem in stelde,
den man gekend, gezien en gehoord te hebben. Hy schreef drie-, vijf-,
zes- en achtstemmige muzyk van gewijde en waereldsche zangen en voor
al de Psalmen Davids."

Ook Wassenaer spreekt in zijn historisch verhaal van "den wijdberoemden
organist Jan Pieterszoon Swelingh, die door syn uitnemende konsten voor
een Prince der Musiciens mach geacht werden, ghelyck aan de wercken
blyckt, die by syn leven zyn uitghegaen, en die nog niet uitghegaen
zyn. Hy was een uytghenomen konstenaer in 't orghelspelen, so dat
men syns ghelyck niet veel en vondt, waerdoor hy van de liefhebbers
der Musycke, maer bysonders van syne medeborgers in groote waerden
ghehouden wiert."

Hoe zijn werken gezocht waren, kan men opmaken uit de spoedige
verschijning van een tweeden druk, vooral uit de voorrede van zyn
beroemde Psalmen, (livre des Pseaumes de David, nouvellement mis en
musique, a 4, 5, 6, 7, 8 parties) waarin hem de hoogste lof toegezwaaid
en hy nu eens "l' Amphion divin et doux sonnant Harpeur," dan "l'unique
Phoenix de nostre Pays" genoemd wordt, terwijl in hetzelfde werk
(Livre troisième) het volgende klinkdicht op Swelincks muzyk der
psalmen Davids gedrukt staat.


    "Tout ravi hors de moy, ars d'une douce flamme,
      Espris d'un sainct amour par ces divins accords,
    Se rallumer je sens au millieu de mon asme
      Un Esprit tout nouveau, qui desdaigne ce corps.

    Esprit, tu est bien prompt: et cependant se pasme
      Le corps, que tu devois mouvoir par tes ressorts.
    Ne suyvant, ce dit-il, celuy que je reclame,
      Je ne suis plus vivant, ains au nombre des morts.

      Swelinck, en mariant les sons avec les sens,
    Fait si bien, que le corps, par sa douce harmonie,
      Suit et vit en suyvant l'esprit tout en un temps,

    Dont David par ses mots tenant l'ame ravie,
      Et puis Swelinck tirant le corps par ses accents,
    A l'esprit et au corps ravis rendent la vie."


Het is hier de plaats niet, al zijn werken op te sommen, veel min
hun waarde aan de kritiek te toetsen. Wy meenen genoeg te hebben
aangevoerd, waaruit des grooten Swelincks hooge verdiensten als
organist en komponist kunnen blijken.

En nu zijn zoon, Diederik Swelinck? Over hem bewaren de buitenlandsche
schrijvers het stilzwijgen: vermoedelijk omdat, al was hy als
kunstenaar in zijn eigen vaderland vermaard, zijn naam, by gemis van
gedrukte muzykale compositiën van zijne hand, niet tot in den vreemde,
althands niet tot by den nazaat aldaar is doorgedrongen. Doch moge
hy al minder beroemd zijn geweest als komponist, niet minder dan het
spel zijns vaders werd het zijne op prijs gesteld. Hy was gewoon,
na het eindigen van den avondgodsdienst in de Oude Kerk, waar hy
zijn vader in die betrekking was opgevolgd, zijn stadgenooten op
een heerlijk orgelmuzyk te vergasten, wanneer gewoonlijk stoelen en
banken met een overgroote menigte luisterende en verrukte toehoorders
waren opgevuld. Zijn beeltenis door Jan Lievensz., welke het ons
niet gelukt is onder de oogen te krijgen, werd door Vondel met dit
byschrift vereerd, waaruit wy althands de byzonderheid leeren, dat
de post van organist der meergenoemde kerk gedurende een eeuw in het
geslacht van Swelinck erfelijk was gebleven.


      "Aldus heeft Livius ons Zweling afgebeeldt,
      Maar niet zyn' fenixgalm, uit 's Vaders asch geteelt.
    De Neef, de Grootvaêr, en de Fenix Vader zongen
    Een eeuw den Aemstel toe met hemelsche orgeltongen.
      Zoo Thebe door een lier tot zulck een' wasdom quam;
      Wat zou men dichten van het orgel t' Amsterdam?
    Daar David en Orlande om stryt zich laten hooren,
    Als Didryck zielen vangt, en ophangt by heur ooren."


Hoe hoog de Drossaart 's mans kunsttalent waardeerde, kan blijken, uit
een brief van hem, waarin hy, aan Van Baerle zijn gevoelen mededeelende
aangaande de vermakelijkheden, waarop men Maria de Medicis, gedurende
haar verblijf te Amsterdam, in 1638, onthalen zoû, zijn meening uit,
dat "eene der onthaalingen, die meest by haar zoude geacht worden,
een treflijke muzijk zoude zijn", waaromtrent, zoo als Hooft verder
schreef, het verkieslijk ware "te volgen den raadt van den Orgelist
meester Dirk Sweeling, wiens gelyk ik meene dat zy nooit gehoort
heeft."

Dirk Swelinck overleed in 1652, en rust in een en hetzelfde graf met
zijn vader en zijn grootvader, gelijk wy leeren uit het grafschrift,
dat Vondel op hem dichtte:


    Gy Zanggodinnen, valt aen 't schreien,
    Aen 't jammeren met heele reien;
    De zoon van Orfeus is verscheien.

    Nu zwijght de galm der orgeltongen,
    Die door de pijpen quam gedrongen,
    Daar hemelsche Engelen op zongen.

    Hoe kout en kil zijn deze handen,
    Daer Jesses snaer mêe komt te stranden,
    Met zijn Marenssen, en Orlanden.

    Hoe juichte 't hart van oude en jongen,
    Wanneer zijn vingers ongedwongen,
    Op noten en op steeken sprongen!

    Men kon, door Kerckgewelf en Kooren,
    Den Vader in den Zoone hooren,
    Nu zal een zerck die stemme smooren.

    Gestoelten noch gepropte bancken
    Niet langer Zwelings kunst bedancken
    Voor zijn verquickende avontklancken.

    Gy die mijn ziel hebt opgeheven
    Uit dit moerasch in 't eeuwigh leven,
    Wat zweep heeft u naer 't graf gedreven ?

    Ten minste kus, o koor der Zingeren!
    Met uwen mont dit ijs der vingeren,
    Daar ieders ooren op verslingeren.

    Ten minste draegh hem, naer zijn waerde
    Die zijn vermaeck voor niemant spaerde,
    Noch met dit grafgeschrift ter aerde:

    "Hier rusten Grootvaer, Zoon en Vader
    Zy volgen Davids harp te gader,
    Een eeuw van voore, om hoogh noch nader."







GERARDUS JOHANNES VOSSIUS.


Had de zestiende Eeuw de wedergeboorte der letteren aanschouwd,
in de zeventiende mocht het nieuw ontgonnen veld geheel in staat
geächt worden, de noeste vlijt der arbeiders met rijken overvloed
van voedzame vruchten te loonen. Maar toch lag er nog hier en ginds
een akker onbebouwd, nog was op menige plaats onkruid onder de
tarwe gebleven, en, hetgeen de voorgangers verricht hadden, toonde
gedurig meer en meer aan, hoeveel er nog voor hen, die later kwamen,
te verrichten overbleef.

De verkregen uitkomsten, naarmate zy heerlijker waren, wekten te meer
het verlangen op naar nieuwere en nog betere, en met onafgebroken
yver werd de taak der Erasmussen, der Scaligers, der Casaubonussen,
voortgezet. Vond de klassieke oudheid overal in Europa tolken en
vereerders, Nederland inzonderheid was de plaats, waar zy beoefend
werd en van waar het licht uitging, dat, aan haar fakkel ontstoken,
zijn stralen over Europa verspreidde: en onder hen, die in Nederland
gedurende het tijdvak van Frederik Hendrik hun leven aan de bevordering
der echte wetenschap toewijdden, was er niet een, wiens verdiensten
meer algemeen erkend en gewaardeerd werden, wiens invloed op de studie
der Grieksche en Latijnsche talen en al wat daarmede in verband staat,
gewichtiger en duurzamer was, dan Gerardus Johannes Vossius.

In 1577, te Heidelberg, doch uit ouders van Geldersche afkomst,
geboren, en reeds in zijn eerste levensjaar met hen in Holland
gekomen, had hy beiden als kind verloren, en was door de zorg van
trouwe verwanten verpleegd. Aan de Latijnsche schole te Dordrecht
opgekweekt, had hy zich spoedig met de eigenschappen en den zwier der
oude talen gemeenzaam gemaakt, en dien smaak voor welsprekendheid
en dichtkunst aan den dag gelegd, die door oefening gezuiverd,
maar niet verkregen wordt. Later te Leyden het meesterschap in de
vrije kunsten en in de wijsbegeerte verworven hebbende, gaf hy, op
naauwlijks een-en-twintig-jaren ouderdom, aldaar, zoo in 't openbaar
als in 't byzonder, lessen over de werken van Aristoteles, toen hy
naar de Schole, die hy te Dordrecht verlaten had, werd teruggeroepen,
maar thands om er het opengevallen Rektoraat te aanvaarden, welke
betrekking hy vijftien jaar bekleedde. Niet minder steeg zijn roem,
na dat hy, in 1606, zes boeken over de Redekunst had uitgegeven,
een werk, waarvan Casaubonus en Scaliger getuigden, dat zelfs de
ouden niets keurigers geschreven hadden.

Werd Vossius als Rhetor, niet minder werd hy als Godgeleerde
geroemd, en hem in 1615 een leerstoel als zoodanig te Steinfurt
opgedragen. Wellicht had hy aan die roepstem gehoor gegeven; maar
De Groot wenschte hem aan het hoofd van het Theologisch kollegie te
Leyden, en Vossius begaf zich in die hoedanigheid derwaarts, hierin
meer der aansporing van anderen gehoor gevende dan zijner eigen
begeerte. Vier moeilijke jaren bracht hy in zijn nieuwe betrekking
door, en moest in die dagen van Staats- en Kerkelijke twisten,
het gevaar ondervinden, dat er in gelegen was, de hartelijke vriend
van De Groot te zijn. De geschiedenis der Pelagianen, op raad van
dezen geschreven, verwierf hem, ja, toejuiching van de eene, maar
haat en vervolging van de andere, nu bovendrijvende, zijde, en de
omstandigheden noopten hem, in 1619, zijn bediening neder te leggen
en gedurende twee jaren een ambteloos leven te leiden. Een man van
zijne begaafdheden kon echter moeilijk ontbeerd worden, en nu, onder de
bestaande omstandigheden, de baan der godgeleerdheid voor hem gesloten
scheen, werd hem het Hoogleeraarsambt in de welsprekendheid door de
verzorgers der Leydsche Hooge Schole opgedragen. Hoe hoog inmiddels
zijn roem ook buiten 's Lands gestegen was, bleek daaruit, dat, in
1626, van de zijde der Engelschen alle pogingen in 't werk gesteld
werden, om hem aan de Hooge-school van Kantelberg te verbinden. Maar
ook de schoonste aanbiedingen konden hem niet bewegen, zijn Vaderland
te verlaten. In weêrwil hy aldus de hem gedane voorstellen afsloeg,
was de achting, welke men hem in Engeland toedroeg, zoo algemeen, dat,
toen hy in 1629 dat Rijk bezocht, koning Karel I. hem het Kanonikaat by
de Kantelbergsche abdy liet opdragen en daarby het zeldzame voorrecht,
om de inkomsten, daaraan verbonden, te genieten, zonder dat hy er
Holland voor behoefde te verlaten.

Het was gedurende zijn verblijf te Leyden, dat Vossius zijn Kort
Begrip der Rhetorica en zijn Latijnsche en Grieksche Spraakkunst
uitgaf, werken, aan wier herziening en verbetering hy tot aan zijn
dood arbeidde, en waaruit, gedurende meer dan twee eeuwen, de jeugd,
zoo hier als elders, haar eerste kennis dier vakken heeft opgedaan. Nog
gedurende hetzelfde tijdvak zond hy zeven boeken over de Grieksche en
Latijnsche Historieschrijvers in het licht en Rhetorische Kommentariën,
die hy opdroeg aan de Staten van Holland.

Eerlang, en wel in 1632, werd hy tot een nieuwen werkkring geroepen,
en wel om het Professoraat in de geschiedenis te bekleeden aan het
onlangs opgerichte Atheneum, te Amsterdam. Hy begaf zich derwaarts,
en niet minder schitterend dan te voren was ook hier de roem, die van
hem uitging, en die nog grootere uitbreiding ontfing, toen eerlang zijn
kinderen dien achtereenvolgens met hem deelden, ja sommigen daarvan
hem dreigden naar de kroon te steken. Zeldzamer en tevens schooner
verschijnsel kon er wel niet worden ontmoet, dan zich voordeed in
de woning van Vossius, waar de vader des huisgezins als een licht
van Europa werd beschouwd, en er onder acht kinderen niet een was,
die niet door ongewone gaven des geestes uitblonk, terwijl velen
reeds als wonderen van hun tijd werden aangemerkt. Men oordeele.

Johannes, de oudste, in 1605 geboren, behoorde tot die vernuften,
die zich door veelzijdigheid onderscheiden, en wat zy by de hand nemen
met snelheid meester worden. In wis-, kruid- en ontleedkunde bedreven,
had hy die studiën laten varen, om zich op de godgeleerdheid toe te
leggen; doch zich vervolgens tot de rechten gewend hebbende was hy
in 1634 als Advokaat Fiskaal naar de Indiën vertrokken.

De tweede zoon, Franciskus, drie jaren later, en, gelijk de volgenden,
uit een andere moeder geboren, had te 's Gravenhage met ongewonen
lof het beroep van pleitbezorger uitgeoefend, doch daarom de letteren
niet verwaarloosd, zoo als uit de Latijnsche gedichten, die hy naliet,
blijkt.

Op hen volgde Mattheus, in 1610 geboren. Na schitterende studiën te
Leyden volbracht te hebben, was zijn smaak inzonderheid gevallen op
de beoefening der geschiedenis. In 1635 gaf hy het Eerste Deel uit
der Jaarboeken van Holland en Zeeland, geschreven in Liviaansch
Latijn. Hoogen lof droeg deze arbeid weg by de Staten der beide
Gewesten, die hem met een rijk geschenk beloonden, en hem, toen
het Tweede Deel, mede, als het vorige, uit vijf boeken bestaande,
zes jaren later uitkwam, tot hun historieschrijver benoemden.

Met schitterenden glans blonk boven zijn oudere broeders de vierde,
Dionys, die in 1612 geboren was. Reeds als kind in 't Latijn en
Grieksch bedreven, had hy op zijn veertiende jaar de Hebreeuwsche,
Kaldeeuwsche, Arameesche en Arabische talen geleerd, op zijn zestiende
het Lexicon van Rafelengius vermeerderd, vervolgens zich op 't
Armenisch en Ethiopisch toegelegd, en de Talmudische en Rabbijnsche
schriften doorwroet; terwijl hy eerlang, onder andere werken, een
Latijnsche vertaling uitgaf van Maimonides. De Regeering van Amsterdam
had hem, die bovendien in byna geen nieuwe taal onkundig was, aan
't hoofd der stads-boekery gesteld, en heel Europa weêrklonk van
zijn roem.

Niet minder belezen, niet minder werkzaam, waren Izaak en Gerard,
gene in 1618, deze in 1619 geboren, en terwijl de eerstgenoemde zich
reeds vroeg als vlijtig navorscher van handschriften onderscheidde,
leverde Gerard nog vóór zijn twintigste jaar een keurige uitgave van
Vellejus Paterculus en vervaardigde aanteekeningen op Valerius Flakkus
en Censorinus. Hoe anderen, hoe b. v. Vondel, over Izaak dachten,
zullen wy straks vermelden; van Gerard getuigde de dichter:


    Verstant, in honighraat gedoopt,
    Geleertheid, daar al 't huis op hoopt,
        Hadt Geeraert, die zoo vroegh
        Zijn broeders overwoegh
    En dreighde alreê des Vaders faem
    En vlught te volgen, als zijn naem.


Niet minder dan de zonen, onderscheidden zich de dochteren. Zoo wel
Kornelia, die in 1613, als Johanna, die in 1622 geboren was, blonken
uit door bevallige schoonheid, vroomheid van inborst, reinheid van
zeden en innemend vernuft. Wisten beiden met pen en borduurnaald
op kunstige wijze om te gaan, meer dan gewoonlijk was Kornelia
in de muzijk, Johanna in de schilderkunst bedreven. Met gemak en
bevalligheid spraken zy de Fransche, Italiaansche en Spaansche talen,
en waren met de Latijnsche gemeenzaam; terwijl nog bovendien de oudste
der meisjens met ongemeene wakkerheid het huisbestier bleef voeren.

Kan er schooner, kan er gelukkiger toestand worden uitgedacht, dan
waarin Vossius en zijn huisvrouw, de dochter der Juniussen, zich
bevonden?--Voorspoed, gezondheid, roem, huislijk heil, glansrijke
uitzichten in de toekomst, niets ontbrak hun: maar--onbestendigheid
der aardsche dingen!--hoe weinige jaren verliepen er, en niets
dan puinhoopen waren er gebleven van het gebouw, dat zoo duurzaam
gegrondvest scheen.

De eerste slag was niet de minst treffende. Dionys, wiens naam zoo
vroeg reeds geheel Europa doorklonken had, die door den vermaarden
Poolschen reiziger Kristoffel Slupeski was uitgenoodigd geworden,
hem als tolk op een reis naar Konstantinopel en Klein-Aziën te
vergezellen--een aanbod 'twelk alleen om den te jeugdigen leeftijd des
jongelings niet was aangenomen--die vervolgens, zoo naar Engeland als
naar Zweden als hoogleeraar, en, toen hy hier geen gehoor aan gaf, als
geschiedschrijver van Gustaaf Adolf naar 't Noorden geroepen was, werd,
toen hy op het punt stond, deze laatste betrekking te gaan vervullen,
op een-en-twintigjarigen leeftijd door de kinderziekte aangetast,
die hem den 25 November 1633 van deze aarde rukte.--Men weet, in
hoe aandoenlijk schoone vaerzen Vondel den wreeden slag bezong,
die Vossius trof. "Wat," schreef hy aan Van Baerle,


    Wat gaat het sterflot over,
    Dat het de beste lover
      Van Febus lauwer schent!

    Of trof hem 't heiloos weder,
    Omdat de Zweedsche veder
      Zijn hant was toebetrouwt,
    Die, zwanger van history,
    Gustaefs verdiende glory
      Beschrijven woû met gout?

    Of kon de nijd niet lijen
    Dat hem de Teems quam vrijen,
      Of dat hy docht te treên
    In onze Fredrix laerzen
    Met zoete vredevaerzen
      Als in triomf voorheen?

enz.


En wie kent de heerlijke koepletten niet, die hy den troostloozen
vader ter vertroosting toezond:


    Wat treurt ge, hooghgeleerde Vos
      En fronst het voorhooft van verdriet?
      Beny uw zoon den hemel niet,
    De hemel trekt: ay, laet hem los.

    Ay, staeck dees ydle tranen wat,
      En offer, welgetroost en bly,
      Den allerbesten vader vry
    Het puick van uwen aertschen schat.

    Men klaeght, indien de kiele strant,
      Maer niet, wanneer ze, rijck gelaen,
      Uit den verbolgen Oceaen
    In een behoude haven lant.

    Men klaeght, wanneer de balssem stort
      Om 't spillen van den dieren reuck,
      Maar niet, zoo 't glas bekomt een breuck
    Als 't edel nat geborgen wort.

enz.


Naauwlijks was wel niet de wonde des harten geheeld, maar toch de
uiterlijke rouw over 's jongelings dood voorby, toen een treurmaar
het ouderhart op nieuw deed bloeden. Johannes, voor wien zich op Java
de glansrijkste uitzichten openden, was, in 1635, een jaar na zijn
komst aldaar, bezweken.

Mocht het gemis van den afwezige minder gevoeld worden, te treffender
zoû alras het verlies zijn van haar, die de vreugd, de lust, de ziel
was van geheel het huisgezin. Op den 28 January 1638, waren de beide
dochters van Vossius, met haar broeder Mattheus, haar oom Junius,
een zoon van den Poolschen gezant en diens leermeester, naar Leyden
gereden. By 't overtrekken van het bevroren Leydsche meer, dat sterk
genoeg was om de zwaarste wagens te dragen, geraakte hun voertuig,
door de onvoorzichtigheid van den voerman, van de baan op een min
veilige plek, en zakte door het ijs: allen kwamen er met den schrik af;
alleen Kornelia werd niet dan levenloos uit het kille water opgehaald.

"Een oogenblik," zong Vondel haar, in een droeve weeklacht toe,


    Een oogenblick heeft zoo veel gaven,
      Gedaelt van 't hemelsch paradijs,
      Op u verslingert, in het ijs
    En sneeuw, op 't onverzienst begraven:
      Een waterslang verbeet die bloem
      Van onze jeught, der maegden roem.

    Nu zwijgen al uw schelle snaren,
      d'Yvoire fluit, de zoete keel,
      Daer 's vryers goddelijkste deel,
    De ziele om hoogh op plagh te varen,
      Toen zy ten ooren uitgelockt,
      Gy haer tot in den hemel trockt.

    Uw onvolwrochte beelden treuren
      En roepen al: ick sterf, ick sterf!
      Papier, panneel verschiet zijn verf,
    Men ziet geen leven in de kleuren
      Van uw tapijten, met de naelt
      En zijde naer de kunst gemaelt.

    Nu zult ge geest noch wijsheit zoecken
      In 't Neêrduitsch, Fransch of in Toskaensch,
      Noch u vermaeken in het Spaensch
    En lezen 't keurighst uit de boecken;
      Of 't antwoort geven op 't Latijn
      In Duitsch als u gevraeght zal zijn.

enz.


Maar nog was met deze offers, aan het ouderhart ontscheurd, de
onverbidlijke dood niet te vrede. Twee jaren waren wederom verloopen,
toen de pest in 't huis van Vossius kwam woeden, en, weinige dagen
achter elkander, Johanna en Gerard ten grave sleepte.

Franciskus had der praktijk vaarwel gezegd, en te Amsterdam
in het thands byna ontvolkte ouderlijke huis zijn oude plaats
weder ingenomen. Hy scheen er enkel gekomen, om den rouw nog te
vermeerderen. Door een kwijnende ziekte aangetast, bezweek hy in
December 1645.

Drie maanden later werd Mattheus, die nu het Derde Deel zijner
Jaarboeken uitgegeven, en het Vierde omtrent voltooid had, door een
plotslinge ongesteldheid overvallen, en op 22 Maart aan de zijnen
ontrukt. Van de acht kinderen, waar Vossius op boogde, was er, toen
hy in 1649 uit de waereld scheidde, slechts één meer in leven: en
die eene, Izaak, kon niet aan zijns vaders sterfbed staan, om hem de
oogen te sluiten. Rusteloos en zwerfziek van aart, had hy overal in
't beschaafd Europa de voornaamste boekeryen bezocht, om merkwaardige
handschriften op te sporen en onderling of met de uitgaven te
vergelijken. In 1645 in 't vaderland teruggekeerd, om Mattheus als
stadsbibliothecaris en geschiedschrijver der Staten op te volgen,
had hy zich in 1648 naar Zweden begeven, waar koningin Kristina hem
ontbood. "O Izak!" riep, na zijns vaders dood, hem Vondel toe,


        O Izak! eenigh pant
    Van Vossius, gy die zoo verre
    Om 't licht der koninklijke sterre
        Verliet uw vaderlant;
    Verlaet om ons de kroon van Zweden!
    Gy kunt uws vaders stoel herkleden,
        Zijn doorgeleert gebouw
    Van schriften voort in top voltrecken
    En moeders hart ten balsem strecken
        Die anders smilt van rouw.


Izaak voldeed aan die uitnoodiging niet: hy toog naar Engeland, waar
hy zijn verdere dagen sleet. Maar al was het aan hem-alleen onder
de kinderen van Vossius beschoren, tot in hoog gevorderden leeftijd,
door tal van schriften, van den omvang zijner kennis te doen blijken,
de glans blijft daarom onverminderd, die in het tijdvak, dat wy
voorstellen, het huis van Vossius omstraalde, en schaars zullen de
jaarboeken der waereld een tweede voorbeeld geven van een gezin,
waarvan de leden in zulk een aantal en zoo treflijk uitblonken op
het veld der wetenschap. Stierven de meesten jong, niet een daalde
onberoemd ten grave, en, wanneer wy nagaan, hoeveel zy ongetwijfeld
aan het voorbeeld en de opleiding van hun vader te danken hadden
gehad, dan mogen wy daar eenigzins uit opmaken, hoe voortreflijk in
't algemeen het onderwijs van Vossius en hoe weldadig zijn invloed
op zijn talrijke leerlingen geweest moet zijn, ja, op de geheele
wetenschaplijke ontwikkeling in Frederik Hendriks eeuw.

Wy besluiten met de bekende, doch altijd even lezenswaardige regels,
welke Vondel schreef onder het afbeeldsel zijns grijzen vriends,
vervaardigd door Sandrart:


    Laat sestigh winters vry dat Vossenhooft besneeuwen;
      Noch grijzer is het brein dan 't grijze hair op 't hooft:
    Dat brein draeght heugenis van meer dan vijftigh eeuwen
      En al heur wetenschap, in boeken afgeslooft.
    Sandrart, beschans hem niet met boeken, en met blaeren;
    Al wat in boeken steekt, is in dat hooft gevaeren.







WILLEM EN JOAN BLAEU.


Het zijn niet alleen de namen van doorluchtige krijgshoofden
en staatslieden, van verheven dichters en kunstenaars, of van
voortreffelijke geleerden, die by de nakomelingschap in aandenken
bewaard blijven: nevens deze schrijft zy ook in den tempel der
onsterfelijkheid de namen op der zoodanigen, die naar geen andere
glorie streven dan aan 't algemeen van nut te zijn, en daaronder
schenkt zy een eereplaats aan hen, die zich er op toeleggen, hun
werkplaatsen te doen strekken om hetgeen de wetenschap gevonden
en op 't papier gesteld heeft, aan de waereld te doen kennen, en,
op die wijze, kennis, verlichting en beschaving te verspreiden. De
aanspraken op onze dankbare hulde, langs dien weg door de Aldussen
en Stefanussen, de Plantijnen en Moretussen verkregen, mogen minder
schitterend wezen, zy zijn even gegrond als die van de schrijvers,
wier werken zy ons in staat hebben gesteld, tot veredeling van onzen
geest, tot vermeerdering van onze kennis, tot liefelijke ontspanning
van ons brein, of tot verbetering van ons hart, te raadplegen.

Maar zoo vaak wy ons Boekdrukkers voor den geest stellen gelijk zy
het waren, die wy zoo even noemden, denken wy daarby ook aan mannen,
die meer deden dan een werktuiglijk beroep drijven en een fabriek
besturen. Neen, even als ontelbare anderen, die boeken drukken of
uitventen, zouden ook zy voorlang zijn vergeten, indien zy er niet
hunne eer in gesteld hadden, niets onder hunne pers te ontfangen,
dan hetgeen verdienstelijk of althands belangrijk was, niets daaruit
te voorschijn te brengen dan wat zich door voortreffelijkheid in
de uitvoering onderscheidde. En zoo wel de eene als de andere
voorwaarde kon niet verkregen worden, zoo niet hy, die aan 't
hoofd der inrichting stond, aan yver en goeden smaak ook geest des
onderscheids en grondige kennis paarde, maar boven al doordrongen was
van de hooge verantwoordelijkheid, die op hem rustte. Immers, zoo de
weldaden niet te noemen zijn, door de verspreiding van hetgeen goed,
schoon, nuttig en geestverheffend is, te weeg gebracht, evenmin kan
men de rampen tellen, veroorzaakt door het verderfelijk gif, dat,
door middel der drukpers aan de waereld is en nog dagelijks wordt
toegediend, en indien zy, die zich met het eerste bezig houden, te
recht den naam verdienen te dragen van priesters der verlichting,
voor hen, die zich aan 't laatste schuldig maken en onheilig vuur op
het outer brengen, zoû de straf niet te licht schijnen, die Aarons
zonen eens voor een dergelijk misdrijf trof.

Zijn handel en nyverheid de grondzuilen, waar een Staat op rust,
welke schooner nyverheid kan er bestaan, dan het belichamen der
gedachte? Welke schooner handel, dan het wijd en zijd verspreiden van
de vruchten des geestes? En toch! maar al te wel is de stortvloed van
onkundigen, die zich met een en ander bezig houden, er in geslaagd,
beroepen, die uit hun aart den rang boven elk ander beroep moesten
nemen, al lager en lager in de algemeene schatting te doen zinken:
en is, naarmate het getal der ongeroepenen steeg, dat der Aldussen
en Plantijnen van dag tot dag geringer geworden.

Nog echter mag het Nederland van onze dagen zich op loffelijke
uitzonderingen beroepen: nog telt het mannen, die zich het gewicht,
ja de heiligheid hunner taak bewust zijn en haar niet dan met een vol
besef hunner verplichtingen aanvaard hebben en volbrengen, mannen,
die het voetspoor betreden van hunne groote voorgangers, en daaronder
dat van de onsterfelijke Boekdrukkers en Boekhandelaren uit het door
ons gevierde tijdvak, Willem en Joan Blaeu.

Ook Willem Blaeu was een dergenen, die zich door langdurige en ernstige
studiën tot zijn beroep hadden voorbereid. In 1591 te Alkmaar geboren,
had hy zich zoo binnen als buiten 's lands in al de vakken, welke hem
dienstig konden zijn, bekwaam gemaakt. Hierby was echter de wiskunde
het vak, voor 't welk hy een byzondere voorliefde koesterde, waarin
hy, o. a. ook onder de leiding van den beroemden Tycho-Brahe, een
aanmerkelijke hoogte bereikte, en 't welk de hoofdrichting bepaalde,
door hem aan zijn drukkery gegeven. Immers, ofschoon ook talrijke
werken van smaak, en menige dichtvrucht--als b. v. Vondels "Verovering
van Grol," diens "Begroetenis van Frederik Hendrik," "Geboorte-klock
van Willem van Nassou," "Zege-zangh op den Bosch" en "Gysbreght van
Aemstel"--op zijne persen zijn gedrukt, toch duidde de zonnewijzer,
met de zinspreuk indefessus agendo, die boven het huis van Willem Blaeu
prijkte, dat het voornamelijk werken waren, de wiskunde--inzonderheid
de zeevaart-, aardrijks- en sterrekunde betreffende, die by hem het
licht zagen. Vele daarvan waren door den geleerden drukker zelven
geschreven, en daaronder genoten het "Graedt Boeck" en het "Licht der
Zeevaert" de eer, door Hooft en Vondel te worden bezongen. Hoe Blaeu
als wiskundige vermaard was, blijkt o. a. daaruit, dat hem in 1637
met Reael en anderen door de Staten werd opgedragen, een uitvinding
van Galilei, om de lengte op zee te vinden, te onderzoeken. Vondel
verhief 's mans roem als zoodanig op de navolgende wijze:


      Men soeck volkomen breyn vergeefs en vindt er geen:
      En selden een vernuft alleen bequaem tot een:
    Noch seldener een man bequaem geacht tot velen:
    Het schijnt Natuur heeft lust haer gaven te verdeelen,
      Maer trof in Blaeu een stof, tot veelerley bequaem.
      Soo draeght de Wiskonst moed op sijnen grooten naem.


Maar zoû de roem, dien Willem Blaeu zich verworven had, hem overleven,
evenzeer overleefde hem de inrichting, waar hy het aanzijn aan gegeven
had. Hy liet, toen hy in 1638 overleed, twee wakkere zonen na, die,
geplaatst aan 't hoofd der vermaardste drukkery hunner eeuw, die
vermaardheid al luider en luider door Europa deden klinken. Joan en
Kornelis Blaeu bleven het voetspoor van hun vader volgen: Kornelis,
van wien o. a. Hooft in een zijner Brieven de loffelijkste getuigenis
geeft, overleefde zijn vader niet lang, zoo dat het geheele gewicht
der zaak op de schouders van zijn oudsten broeder kwam. Hoe deze in
zijn studiën dezelfde richting volgde als zijn vader, leeren wy onder
anderen kennen uit het allerliefste vaersjen, ter gelegenheid van
zijn huwlijk met Geertruid Vermeul uit Gouda, door Vondel vervaardigd:


    De wackre Blaeu sloegh 's avonds spae
    Het gulden heyr des hemels gae
        En monsterde alle stralen,
        Die vast staen, of verschralen;

    Als Venus, dochter van Jupijn,
    Hem in een ongemaeckten schijn
        Verscheen; en quam voor oogen,
        Daer hy stond opgetogen.

    Sy sprack: mijn allerwaerdste soon,
    Die lust hebt in der Goden troon
        En 't eeuwighdurend leven
        Met uwen geest te sweven;

    Al langh genoegh met ongemack
    Gedragen 't aerdsch en hemelsch pack,
        En Herkles nagetreden
        En Atlas wijde schreden.

    Al lang genoegh tot 's vaders troost,
    Sijn swacken ouderdom verpoost:
        't Is tijt om eens te hooren
        Nae 't geen u is beschoren.

    Ick wijs u nae de goude stad,
    Daer is voor u een eedle schat,
        Een schoone Maeghd ten beste,
        Treck heen nae dese veste.

    Ghy sult er vinden aen de Gou
    De lieve lang beloofde trou,
        En u in hare kaecken
        En heusch onthael vermaecken.

    Of deystse met bevreesden gang
    Ick salse met een minneprang
        Bedwingen tot mijn wetten
        En 't harde hart versetten.

    Soo sprack de moeder van de min,
    En liet hem met verbaesden sin,
        (Terwijle sy ging strijcken)
        Verbaest ten hemel kijcken.

    Sijn boesem brande stracx van hoop,
    Die hem den lust van starrenloop
        En 't schrander hemelmeten
        Benam en deed vergeten.

    Ghy handelt passer, boogh noch kaart
    O Blaeu, wat of u wedervaert?
        Noch Tychoos wijze boecken:
        Ghy gaet uw weêrga soecken;

    En Venus voortgang maeckt het spoor,
    En wijst u met haer starre voor,
        En opent Geertruys armen,
        Genegen tot ontfarmen.

    Geluck, ô blijde Bruydegom!
    In Hymens vrolijck heyligdom.
        Uw Bruyd heeft u genesen.
        Laet sy uw spieghel wesen.

    Nu staroogh op geen ander licht
    Als dat er straelt uyt haer gesicht.
        Nu staroogh op haer oogen,
        Die alle dingh vermogen.

    Nu druck, in 't kussen even kloeck,
    Met mond op mond een minneboeck,
        Nu druck met inckt van weelden
        Een huys vol minnebeelden.


Als een bewijs der achting waarin Joan Blaeu by zijn medeburgers stond,
bewijst zijn benoeming in 1651 tot Schepen en Raad. Zijn drukkery, die
vroeger op de Bloemgracht by de derde Dwarsstraat stond, verplaatste
hy in 1666 naar het gebouw der toenmalige Latijnsche school ten
noorden van de Nieuwe Kerk, waar nog 't Blaauw-straatjen zijn naam van
draagt. De werkplaats bevatte niet minder dan negen persen, naar de
negen Zanggodinnen geheeten. Geheel Europa deelde zes jaren later in
den ramp die hem trof, toen op den 22sten February 1672 dat treflijke
gebouw door den brand in asch gelegd werd, waarby de letters en platen
der vermaarde Atlas- en Stedeboeken vernield werden, en by de vier
tonnen gouds verloren gingen. Hy stierf den 28sten December van 't
volgende jaar. De toen zes-en-tachtigjarige Vondel, die van kindsbeen
af, de huisvriend der Blaeuwen geweest was, wijdde hem dit grafschrift:


    Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,
                              Al 't aertrijk door bekent,
                              Hoe quam hy aan zijn endt?
    De gansche weerelt viel dien grooten man te kleen.







PIETER CORNELISZOON HOOFT.


De Nederduitsche taal, jeugdig, frisch, krachtig en bevallig, zoo
lang Holland nog zijn eigen Gravenhuis bezat, was, ten gevolge der
heerschappy, aldaar, byna drie eeuwen lang, door vier uitheemsche
vorstengeslachten gevoerd, in een diep en treurig verval geraakt. Zoo
zy nog leefde, 't was in de oude spreekwoorden en refereinen en in
den mond des volks; maar als schrijftaal was zy sedert lang vervangen
door een barbaarsch mengelmoes, waarin Hoogduitsche kanselarystijl en
Fransche bastertwoorden--om van de Latijnsche niet te spreken--elkander
verdrongen: een eigenlijk gezegde letterkunde bestond niet meer,
en zelfs zy, die, toen de uitvinding der drukkunst en de studie der
klassieke Oudheid het morgenrood eener nieuwe beschaving over Europa
deden opgaan, hier te lande de eerste pogingen in 't werk stelden,
om haar te doen herleven, de Rederijkers, waren nog machteloos iets
anders voort te brengen dan verveelende moralizatiën, in ellendige
kreupelvaerzen en nog ellendiger taal vervat. 't Is waar, mannen als
Marnix, Coornhert, Spieghel, Roemer Visscher, hadden de hand aan de
ploeg geslagen, en, met de herboren vrijheid poogden zy ook hun taal
op vaste grondslagen te vestigen; doch het was niet, zoo lang de
worstelstrijd tegen de dwingelandy op Hollands bodem gevoerd werd,
dat een zoodanige poging, die boven alles een rustigen staat van
zaken vereischte, met den noodigen klem kon worden doorgezet. Dan
er was een betere tijd, een tijd van welvaart en binnenlandsche
rust voor Holland aangebroken, en tevens de gelegenheid om den
begonnen arbeid met wakkere volharding voort te zetten. Het was
de Amsterdamsche Kamer "In Liefde Bloeyende"--tot wier leden niet
alleen de twee laatstgenoemde geleerden behoorden, maar ook al wie
in Amsterdam zich door wetenschappelijken aanleg onderscheidde--die
de taak aanvaardde, om, als zy 't uitdrukte, "de Hollandsche taal
van uitheemsch schuim te zuiveren, en de noodigste konsten in
zuiver Dietsch te leeren." Maar geene omwenteling--'t zij dan in
Kerk, in Staat of in Taal--werd immer volbracht door mannen van
bedaagden leeftijd en grijze ervaring. Spieghel en al die als hy
mannen van overgang waren, konden slechts theoriën stellen, naar
welke de letterkunde zich te richten had; zy waren niet in staat,
die in praktijk te doen brengen: die taak was voor jeugdiger krachten
bewaard. Zy hadden uit de opgedolven stoffen een onbezield lichaam
samengesteld; maar er moest een Prometheus komen, die aan dat lichaam
het leven gaf: die Prometheus was Pieter Corneliszoon Hooft.

Geboren in datzelfde jaar 1581, waarin ons Vaderland, door de
afzweering van Filips, als zelfstandige Mogendheid optrad, zoon
van dien Cornelis Pieterszoon, die als de grondlegger, althands als
de vertegenwoordiger kon worden aangemerkt van dat aristokratisch
beginsel, 't welk hier gedurende twee eeuwen schier uitsluitend
heeft geheerscht, van tijdelijke middelen wel voorzien, vlug van
bevatting, werkzaam, schrander en vernuftig, onberispelijk van zeden
en aangenaam van omgang, en, by dat alles, zich van zijn tijdgenooten
onderscheidende door het schuwen van elke uitsluitende richting in Kerk
of Staat, scheen Hooft door stelling en karakter aangewezen als de man,
die de letterkunde van den nieuwen Staat hervormen kon. De party,
die thands regeerde, en die alzoo bestemd was in alles, ook in wat
smaak en beschaving betrof, den toon te geven, moest geneigd zijn,
zich te regelen naar het voorbeeld van iemand, die aan haar verwant
en vermaagschapt was: de andersdenkenden vonden geen aanleiding, zich
te verzetten tegen den schrijver, wiens byzondere denk- of handelwijze
aan niemand aanstoot gaf. Wy willen echter den invloed, dien Hooft zich
op de letterkundigen van zijn tijd wist te verwerven, niet uitsluitend
op rekening der aangeduide omstandigheden schuiven. Gewis zouden deze
weinig gebaat hebben, indien hy niet een gelukkigen aanleg bezeten
had, dien hy gelegenheid vond te ontwikkelen, eerst te Leyden, door
het onderwijs van beroemde geleerden en den omgang met ontluikende
vernuften--waaronder het genoeg is, De Groot te noemen--en later op
een buitenlandsche reize van drie jaren, waarvan hy er twee in Italiën
doorbracht. Hier was het, dat hy, door het bestudeeren der klassieke
Oudheid op haar eigen bodem, doch vooral ook door zich gemeenzaam
te maken met de voortbrengselen der Italiaansche letterkunde--toen
de eerste in Europa--hier was het, zeggen wy, dat hy zijn geest en
smaak verfijnde, en leerde inzien, hoe er, ter hervorming van den
Nederduitschen stijl, betere voorbeelden te kiezen waren dan de
werken ook der bekwaamste Rederijkers. De Granida, zeker onder de
tooneelwerken van Hooft niet het minst verdienstelijke, was geheel
op Italiaansche leest geschoeid, doch leverde tevens een bewijs, hoe
de liefelijke vormen en de welluidendheid der Italiaansche poëzy in
't Hollandsch op de gelukkigste wijze konden worden nagevolgd. Op
zijn acht-en-twintigste jaar reeds zag hy zich geroepen tot de
hooge betrekking van Drost van Muiden, Baljuw van Gooiland enz.--een
betrekking, hem des te welkomer dan eenige regeeringspost in de stad
zijner geboorte, om dat zy hem onafhankelijk maakte van de woelingen
der partyen. Hy zag zich voortaan in staat, zijn tijd te verdeelen
tusschen de plichten van zijn ambt en de beoefening der letteren. Het
slot te Muiden, waar hy in 1609 zijn intrek nam en reeds in 't volgende
jaar de bekoorlijke Kristina van Erp als Drostin binnenleidde, werd
van dat tijdstip af, door het gul en gastvrij onthaal, dat men er
genoot en door den kring van rijke vernuften, die er byeenkwamen,
meer beroemd dan het te voren, zelfs door de belegeringen die het had
uitgestaan of door den kerker van Graaf Floris, was geweest. De eerste
werken, die hier uit zijn pen vloeiden, waren meest tooneelstukken,
die, hoe hemelhoog ook geprezen door 's mans tijdgenooten, hem
nimmer dien eersten rang als schrijver verzekerd hadden, die hem
uit anderen hoofde geworden moest. Alleen zijn Warenar, die geestige
navolging der Aulularia, is een meesterstuk, dat nog heden ten dage
kan worden aangeprezen als een voorbeeld, hoe men, by het overbrengen
van een blij- of kluchtspel uit een vreemde taal in de onze, te werk
moet gaan, en met behoud van intrigue, karakters en toestanden,
niet alleen de uitheemsche namen, maar ook de uitheemsche zeden,
gewoonten, vormen, gezegden en geestigheden met Hollandsche kan
verwisselen. Onze hedendaagsche vertalers mogen al aan hun Fransche,
Engelsche of Hoogduitsche personaadjen namen geven, die Hollandsch
klinken, in hetgeen die personaadjen doen en zeggen, zullen wy
zelden of ooit iets nationaals herkennen. Warenar daar-en-tegen
en al die hem omringen, zijn geen Romeinen, maar Amsterdammers,
en hun taal, uitdrukkingen, zeden, manieren, alles in een woord,
is, onder de handen van den vernuftigen en opmerkenden navolger,
van elke Latijnsche kleur ontdaan om de inheemsche, de lokale, tot
in de kleinste byzonderheden over te nemen.

Het was eerst in 1626, dus reeds op vijf-en-veertigjarigen leeftijd,
dat Hooft een prozawerk van eenigen omvang in 't licht gaf, te weten
zijn Henrik de Groote. Het was dan ook geen vrucht van enkele ledige
oogenblikken, maar van een achtjarige gezette studie, en het getuigde
niet alleen van des schrijvers meesterschap over de taal, maar ook
van de nasporingen, door hem in 't werk gesteld. Wekte aldus de vorm
elks bewondering wegens het bondige, krachtige en cierlijke van een
stijl, waarvan men nimmer hier te lande de wedergade had aangetroffen,
de inhoud werd niet minder geprezen. De Groot, toen te Parijs als
balling levende, getuigde, dat Hooft in kennis van de Fransche zaken
voor geen Franschman behoefde te wijken, en dertien jaar later erkende
Koning Lodewijk XIII de treflijke wijze waarop het leven van zijn
vader door Hooft was beschreven, door hem de ridderorde van Sint
Michiel benevens brieven van adeldom toe te zenden.

De lof, aan Hooft toegekend, mocht hem een vertroosting strekken in
zijn druk over de vele en zware verliezen, welke hy geleden had. Vader,
gade, kinderen, ook zelfs een aanzienlijk deel van zijn vermogen,
waren hem achtereenvolgends ontvallen: en het Huis te Muiden,
na gedurende een reeks van jaren een verblijf van vrolijkheid en
huislijk genoegen te zijn geweest, was een wijk en verblijf geworden
van somberheid en rouw. Die treurige staat van zaken moest veranderd
worden: Hooft had te wel de genoegens van het gezellige leven leeren
op prijs stellen, om die niet terug te wenschen, en hy herwon die,
toen hy, op den 30sten October 1627, een tweeden echt had aangegaan
met Helionora Hellemans, weduwe van Jan Baptista Bartelost. Van nu af
tot aan des Drossaarts dood was het Muiderslot weder het middelpunt,
waar zich de schranderste vernuften, die Holland, neen, die de
zeven Vereenigde Gewesten opleverden, zoo gaarne vereenigden. Daar
kwam Vondel zijn Konstantijn, De Huybert zijn Psalm-berijming en
Van Baerle zijn Latijnsche gedichten lezen; daar de wakkere Huygens
zich van de staatsaangelegenheden verpozen, Reael de vruchten zijner
veelsoortige ondervinding mededeelen, de Baecken, de Wickeforts,
Staeckman, Graswinkel, van den Honert en zoo vele anderen de schatten
hunner rijke kennis uitstorten: daar klonken de liefelijke stemmen
van Tesselschade Roemer Visschers en Franciska Duarte, vergezelschapt
door het klavecimbelspel van Diederick Swelingh of Joan Albert Ban.

Maar Hooft, hoe ook gesteld op zoet gezelschap, had geen gezelschap
noodig om verveeling te ontvlieden: en wellicht was hy nog het best
te vrede, wanneer hy, in het zomerhuisjen in zijn tuin, doorgaans zijn
"torentjen" genoemd, tusschen zijn boeken en papieren was gezeten. Dit
althands getuigde Vondel, toen hy hem schreef:


    Somtijts kiest ge 't zeskant huiske
    Voor uw afgescheiden kluiske,
      En zijt in deze eenzaamheên
      Nimmer min dan dus alleen.
    In dit huiske wert geboren
    ('t Was zoo van uw lot beschooren)
      's Grooten Henrix groote Faam,
      En de grootheid van zijn naam
    Quam uit deze kleinheit rennen,
    Vlugh geworden door uw pennen,
      Allesins waar 't Duitsche volck
      Is bekent door tael of tolck.


Het goed onthaal, te beurt gevallen aan het werk hier, door Vondel
geprezen, had Hooft aangemoedigd, een dergelijken arbeid, maar
van vrij wat uitgebreider omvang, te aanvaarden. In 1628 leide
hy de hand aan zijn Nederlandsche Historiën, waar hy negentien
jaren lang, tot aan zijn sterfdag toe, met onafgebroken vlijt aan
voortwerkte. 't Is onuitspreeklijk, met wat moeite en inspanning,
met hoe veel lezens van gedrukte en ongedrukte boeken en bescheiden,
met wat naarstig onderzoek en navorschen, met wat overleg en beraad,
dat groote werk werd samengesteld, ontworpen, op papier gebracht,
beschaafd en gepolijst. Hy diende zich daarby niet alleen van een
aantal schrijvers, die in onderscheiden talen over de Nederlandsche
beroerten hadden gehandeld; maar hy deed ook zijn voordeel met den
raad en de voorlichting, die hem verschaft kon worden door mannen, in
zaken van staat en oorlog ervaren. Zoo was Jacob Wijts, de Algemeene
Wachtmeester van 't Leger der Staten, zijn gids en raadsman in alles
wat het krijgswezen betrof: zoo waren 't Huygens, van den Honert,
Schotte, Staeckman, Wickefort, waar 't Staatsaangelegenheden gold. Niet
voor het jaar 1642 zag het eerste gedeelte van 't werk het licht,
terwijl de schrijver inmiddels nog, tot verpozing en stijloefening,
een vertaling van Tacitus en een beschrijving der Rampzaligheden van
den Huize Medicis had bewerkt.

Waren de Nederlandsche Historiën met ongeduld verbeid, met ongemeene
graagte en belangstelling werden zy ontfangen en met uitbundige
toejuiching vereerd. 't Is waar, het kostte aan sommigen in den
aanvang moeite, zich aan de kernachtige beknoptheid van den stijl,
aan de vaak ongewone woordschikking, te wennen; doch had men eenmaal,
door een aandachtig lezen en vergelijken, zich met zijn schrijftrant
gemeenzaam gemaakt, dan vergoedde een schier onvermengd genot de
moeite van het lezen. Wat ons thands het meest hindert in den stijl
van Hooft, te weten de Latijnsche spraakwendingen, werd hem niet ten
kwade geduid door de letterkundigen van zijn dagen, over 't geheel
meer gewoon Latijn dan Neêrduitsch te lezen: en evenmin konden zy
er zich aan ergeren, dat hy, op 't spoor van Livius, en van Tacitus
vooral, op welken laatsten hy zich gevormd had, aan zijn personaadjen
meermalen cierlijke redevoeringen in den mond leide, die nimmer
werkelijk gehouden waren, doch die tot ontwikkeling hunner karakters
of meeningen moesten dienen. De geschiedenis, zoo als Hooft die gaf,
was geen dorre kronijk, maar een gedramatizeerde epos, die voortdurend
tot de verbeelding zoowel als tot het verstand bleef spreken, en
waar de poëzy zich huwde aan naauwgezetheid in 't voorstellen der
feiten. Het verhaal van den moord te Naarden, van de belegeringen,
door Haarlem en Leyden uitgestaan, van den overtocht der Spanjaarts
naar Duiveland en Schouwen, van de Spaansche furie te Antwerpen en van
de ontploffing van Gianibellies brandschepen, zijn meesterstukken van
schilderachtige beschrijving, waarby alles leeft en tot de verbeelding
spreekt, en ook de kleinste byzonderheid, met getrouwheid aangebracht,
en in een gelukkig licht gesteld, het hare bybrengt om het geheel af
te ronden of te kleuren. Geen wonder dan ook, dat Frederik Hendrik
de opdracht van dit werk vorstelijk beloonde, en dat de geleerdste
en aanzienlijkste mannen in den lande onuitputtelijk waren in den
lof, dien zy er aan schonken. Maar wat meer nog hem streelen moest,
als zijnde een getuigenis, herkomstig van die zijde, van welke men
die 't minst verwachten moest, was het verzoek, hem door Broeder
Gabriël, een Kapucijn uit Leuven, gedaan, om niet te verflaauwen,
maar standvastig voort te varen met den aangevangen arbeid, onder
byvoeging, dat noch hy, noch de beroemde Puteanus te Leuven, immer een
boek gelezen hadden, in onze taal geschreven, dat hun zoo wel geviel.

Ongelukkig werd het aan Hooft niet gegeven, zijn Historiën verder
te bewerken dan tot aan het Bestuur van Leycester. Hy zelf had
het voorgevoel hiervan uitgedrukt in de volgende letteren, onder
dagteekening van 12 Maart 1647 geschreven aan den reeds genoemden
Kapucijn en bewaard in die keurige verzameling van zoo vele honderde
Brieven, die niet tot de minste zijner aanspraken op onsterfelijke
vermaardheid behooren: ".... ik hoop binnen korte jaaren noch tien
boeken uit te geeven, die bequaamelijkt by de voorige twintig zullen
kunnen gevoegt worden: zijnde mijn zorg, dat my niet gelukken zal het
werk wijder te brengen, by mangel van gezondtheit oft leeven. Want
d'eene wordt dikwijls bestreeden, en 't ander fluisterst my, die staa
om op den zestienden deezer maandt in mijn zeven-en-zestigste jaar
te treeden, in 't oor: Tempus abire mihi."

Twee dagen later stierf Frederik Hendrik, en Hooft, naar den Haag
gereisd, om 's Vorsten lijkstaatsie by te wonen, werd aldaar door een
zware koorts aangetast, waaraan hy den 21sten Mei deszelfden jaars
overleed. Algemeen was de rouw over zijn afsterven, en openbaar werd
zijn lof herdacht in een lijkrede, door Geeraart Brandt opgesteld en
door Adam Karelszoon van Zjermesz, een uitstekend tooneelspeler van
die dagen, op den Amsterdamschen Schouwburg uitgesproken. Korter en
kernachtiger schetste hem Vondel, in de regels onder zijn afbeelding
door Sandrart geplaatst.


    Het brein, gespitst op 't roer der Staten te regeeren,
    En 's weerelts Oceaan met kloeckheit te braveeren,
      Den geest, die Tacitus en d'oudste dichters tart,
      Besloot natuur in Hooft, herboren uit Sandrart,
    Die hooft- en halscieraet des Ridders heeft vergeeten:
    De Duitsche lauwerkroon, en Fransche koningsketen.







LAURENS REAEL.


Onder de voortreflijke afbeeldingen, welke het penceel der bekwame
schilders uit de zeventiende eeuw ons van de meest beroemden onder
hunne tijdgenooten heeft nagelaten, is er naauwlijks eene, die,
by den eersten blik, welken men er op slaat, zulk een gunstigen
indruk te weeg brengt, en die ons, hoe langer wy er op staren, meer
doet gevoelen, dat de man, dien zy voorstelt, schrander, geestig,
beminlijk, groot en goed moet zijn geweest, als de afbeelding, door
Thomas de Keyser vervaardigd, van Laurens Reael.

En gewis, het penceel des kunstenaars heeft niet gelogen: want,
hoe vele groote mannen het tijdvak van Frederik Hendrik ook hebbe
opgeleverd, niet een, die veelzijdiger verdiensten bezeten en in
meer onderscheiden werkkring uitgeschitterd heeft, dan Reael: en in
zoo verre mag men hem aanmerken als den type van dat tijdvak zelf en
van de Natie, welke hy, op de vloot, in den strijd, in de vergelegen
Nederzettingen en aan de Hoven der Vorsten vertegenwoordigde.

Op den 20sten October 1583 was Reael te Amsterdam geboren, waar zijn
vader, Laurens Jakobsz., vroeger graanhandelaar te Dantzich, zich
gevestigd en een huis betrokken had op het Water, aan de Papenbrug, in
de "gouden Reael," waar hy zijn toenaam van ontleende. Reeds voorlang
de leer der Hervormden omhelsd hebbende, was hy een der zes vermogende
burgers, die in 1568 de openbare prediking bevorderden. Groot was
zijn invloed by de burgery, en belangrijk waren zijn verrichtingen in
de woelige tijden, welke Amsterdam had door te worstelen. Zijn yver
om den beeldestorm voor te komen, de pogingen, door hem, op verzoek
der Stads-Overheid, in 't werk gesteld, om, met eigen lijfsgevaar,
een uitgebarsten oproer te stillen, zijn wijze gedragingen tegenover
den onrustigen Hendrik van Brederode, zijn onbekrompen edelmoedigheid,
betoond in 't leenen eener som van f 10,000 aan Prins Willem I, het
kloek beleid, door hem, als Kolonel der Schuttery, gedurende Leycesters
verblijf te Amsterdam aan den dag gelegd, dit alles te samen had hem
by zijn stadgenooten zoo wel als elders een aanzien doen verwerven,
dat natuurlijk ook zijn kinderen ter aanbeveling strekken moest.

Zelf beminnaar en beöefenaar der letterkunde, welke hy ook als Lid der
Oude Kamer voorstond, verzuimde Laurens Jakobsz. niets, wat dienen kon,
om aan zijn kinderen een treflijke opvoeding te geven. Van Laurens,
zijn jongste spruit, is het althands zeker, dat hy, behalve in de
Latijnsche en Grieksche, ook in de Engelsche, Fransche en Italiaansche
talen onderwijs genoot, en aan Leydens Hoogeschool de rechtsgeleerdheid
bestudeerde.

Zijn reeds bejaarden vader verloren hebbende, toen hy nog maar
zeventien jaren bereikt had, vond de jonge Laurens vaderlijke vrienden
in zijn oudere broeders, maar vooral in zijn zwager, den beroemden
Arminius, die zijn leidsman werd op het veld der letteren, gelijk de
geleerde Snellius op dat der wiskunde, in welke wetenschap hy spoedig
belangrijke vorderingen maakte. Weldra echter--in 1609--overleed
Arminius, wiens dood Reael in een Latijnsch gedicht bezong, dat
beiden zijn bekwaamheid en zijn hart tot eer verstrekte.--Grooteren
lof nog verwierf hy zich door het bespelen der Nederduitsche lier,
en wakker handhaafde hy zijns vaders roem by diens vrienden uit de
Kamer "In Liefde Bloeyende." By Roemer Visscher was de vernuftige
jongeling een welkome gast: met diens dochters Anna en Geertruida,
hem gelijk in jaren, wedyverde hy om den dichtgeest der jeugdige
Tesselschade aan te kweeken: en met Hooft, dien hy aldaar leerde
kennen, sloot hy een vriendschap, die tot zijn dood heeft geduurd.

De zoon van Laurens Jakobsz. en de zwager van Arminius behoefde zich in
die dagen niet verlegen te maken, dat hem de gelegenheid ontbreken zoû,
om vooruit te komen. Reeds spoedig zag hy zich te 's Gravenhage in een
eervolle betrekking by het Bestuur der geldmiddelen geplaatst. Zijn
bekwaamheid en doorzicht werden opgemerkt door Oldenbarneveldt:
hy won diens vertrouwen, en toen, in 1609, het belang der jeugdige
Oost-Indische Maatschappy medebracht, dat er iemand naar Indiën
gezonden wierd, met geestkracht, moed en kennis toegerust, beval
Oldenbarneveldt Reael by Bewindhebberen aan. Een aanbeveling van
's Lands Advokaat stond aan een bevel gelijk: en zoo gebeurde het,
dat de kweekeling der Muzen, op acht-en-twintig jarigen leeftijd, als
Kommandeur met vier schepen naar de Molukken vertrok. Hy stelde het hem
geschonken vertrouwen en de verwachtingen, welke men van hem koesterde,
niet te leur: gedurende den tijd, dat hy in genoemde Eilanden met het
gezach bekleed bleef, bewees hy gewichtige diensten aan de Maatschappy,
veroverde vesting na vesting op de aldaar gezeten Spanjaarts, bezette
verscheiden kleine eilanden, deed door de inlanders Vorsten verkiezen,
aan de belangen der Maatschappy verknocht, en vestigde den handel in
streken, waar vroeger onze vlag zich nimmer had vertoond. Geen wonder
dan ook, dat, toen de Gouverneur-Generaal Reynst in 1616 overleed,
Reael met eenparigheid van stemmen in diens plaats werd gekozen.

De tijd van zijn bestuur was een te voren in de Oost ongekend tijdperk
van orde en rust. Met zijn bondgenooten leefde Reael in vrede, en hy
werd van zijn vyanden ontzien. Den handel zoowel als het krediet onzer
Natie wist hy door zijn maatregelen te verheffen en de Ambtenaren
door ontzach in toom te houden. "Dat heet eerst regeeren," zeide
Hooft van hem. Het beloop der retoeren ten tijde van zijn bestuur
bedroeg dan ook het dubbel van dat van vorige jaren. Niet lang echter
bleef hy aan 't hoofd der zaken geplaatst. Hy verzocht en verkreeg
zijn ontslag, droeg in July 1618 het bewind over aan zijn opvolger,
den beroemden Jan Pieterszoon Koen, doch nam de terugreis niet aan,
dan na dezen door zijn ervaring en raad ondersteund te hebben by het
fnuiken van den tegenstand, door Engelschen en Javanen geboden by het
stichten van Batavia. In Augustus 1619 van daar vertrokken, kwam hy,
in 't begin des volgenden jaars, behouden in 't vaderland aan. Dan,
hoe vond hy alles aldaar veranderd! Hy was vertrokken, toen de
beginselen, door zijn zwager en leermeester Arminius in 't kerkelijke,
door zijn beschermer Oldenbarneveldt in 't staatkundige voorgestaan,
als wet en regel golden;--hy vond, by zijn terugkomst, de aanhangers
van beiden vervolgd, gekerkerd, gebannen, zijn voornaamste vrienden
en weldoeners uit de gestoelten der eere geschopt, Oldenbarneveldt
zelven onthalsd. Was het vreemd, dat de bitterste aandoeningen van
smart en verontwaardiging de ziel des fijngevoeligen mans vervulden,
dat hy lucht daaraan gaf in een Latijnsche elegie "over de rampen van
het vaderland," en eerlang ook in dichtvruchten van anderen aart? Maar
evenmin zal het iemand verwonderen, dat voor den erkenden aanhanger van
's Lands Advokaat de weg tot alle ambten voor 't oogenblik gesloten
was, dat Hooft in 1623 vergeefs moeite deed, om hem tot Afgezant
naar Venetiën te doen benoemen, ja, dat, toen men in dat zelfde jaar
onderhandelaars benoemde, om de geschillen te vereffenen tusschen
de Hollandsche en Engelsche Maatschappyen, Reael niet tot dat getal
behoorde. Hy-zelf verlangde op dat tijdstip wellicht ook geen bemoeying
met staatsbeslommeringen, en zich, op een landhuis naby de Beverwijk,
in de buurt van dat van zijn geleerden en beminlijken vriend Laurens
Baeck, hebbende nedergezet, sleet hy zijn dagen een tijd lang buiten
alle zaken. Doch een man als hy kon niet werkeloos zijn. Hy gaf
een belangrijk boekjen uit, ten tytel voerende: "Raad voor hem, die
zich naar Indiën begeven wil." Maar bovendien hield hy met Vondel,
Hooft en De Huybert geregelde byeenkomsten, waar over de moedertaal
gehandeld werd. Men stelde hier verscheiden regels, waaraan men zich
in het dichten en schrijven had te houden: met name over het stuk der
taalschikking, der te-samenvoeging der woorden, over het onderscheid
der geslachten, de verbuiging en spelling der woorden: alle zaken,
waarover men destijds nog maar weinig in 't licht gegeven en zelfs
weinig nagedacht had. Voorts vervaardigde hy met Hooft, in 1625,
een vertaling van Senekaas Troades, die Vondel in verzen bracht,
en schreef bytende hekeldichten, goed genoeg om voor werk van Vondel
door te gaan, en by de uitgave van diens Poëzy als zoodanig daarin
te worden opgenomen.

De tijd stond echter aan te breken, waarop hy de zoete letteroefeningen
weder af zoû wisselen met een meer bedrijvig leven. Frederik Hendrik
was aan 't bewind gekomen, en hy kon een man als Reael niet ongebruikt
laten. Een vloot moest worden afgezonden, die, in verband met die
der Engelschen, een poging aan zoû wenden, om den Spanjaart op eigen
kusten te bestoken. Willem van Nassau, de wakkere zoon van Maurits,
was destijds Amiraal van Holland; doch men achtte het dienstig,
hem een raadsman ter zijde te stellen, die aan moed en vastheid van
geest ook beproefde ervaring en kennis paarde, en, daar gehechtheid
aan een vroeger stelsel niet meer als reden van uitsluiting gelden
kon, sloeg men het oog op Reael, die, na eenig beraad, zich de
benoeming tot Vice-Amiraal liet welgevallen. De tocht had,--gelijk
trouwens altijd het geval was met zeetochten, in vereeniging met de
Engelschen ondernomen--geen merkwaardige gevolgen; doch, dat de beste
verstandhouding tusschen de beide Hollandsche Vlootvoogden bleef
heerschen, blijkt o. a. uit de omstandigheid, dat, toen de jeugdige
Amiraal voor Grol werd doodgeschoten, Reael hem met een aandoenlijk
lijkdicht in 't Nederduitsch herdacht, en met een keurig Latijnsch
grafschrift:


    Nassovium dum terra sibi, sibi vindicat æquor,
      Has cælum lites solvit, utrique negat.


't welk hy-zelf aldus vertolkte:


        Terwyl zee tegen lant
        Om Nassau is gekant,
    Komt haar de Hemel scheyden
    En gunt hem geen van beyden.


Dadelijk na zijn terugkomst in 't Vaderland, was Reael aangesteld
tot Bewindhebber der Oost-Indische Maatschappy, welke betrekking
hy tot aan het eind zijner dagen vervulde: zoo eenige betrekking,
was deze voor hem geschikt, en hem komt voorzeker geen gering deel
toe van de voordeelige uitkomsten, welke, ten gevolge der goede orde
en der zorgen van 't Bewind, de zaken van dat lichaam opleverden.

Reeds kort nadat Reael het genoemde ambt aanvaard had, werd hem
een schijnbaar alleen vereerende, doch in de daad zeer netelige taak
opgedragen. In 1626 werd hy, namelijk, naar Engeland gezonden, om Karel
I, by diens krooning, te begroeten. Aan dezen openbaren last was een
geheime verbonden, te weten om te Londen pogingen aan te wenden tot
het byleggen der geschillen, tusschen de Engelschen en Hollandsche
Maatschappyen gerezen, over de bekende zaak van Amboina. Welken
uitslag zijne bemoeyingen hadden, kunnen wy niet bepalen; zeker is
het, dat zijn handelingen den Koning niet ongevallig waren, die hem
tot Ridder sloeg en in den adelstand verhief.

In Duitschland woedde het oorlogsvuur, en de Keizer, wiens wapenen,
onder den groote Wallenstein, hoogst voorspoedig waren, had de
meeste plaatsen aan de Oostzee bezet. De Staten van Holland, de
nadeelen hiervan voor onzen handel inziende, drongen er op aan,
dat men een bekwamen onderhandelaar naar Denemarken zoû zenden,
ten einde die Mogendheid te bewegen, de vorderingen van Oostenrijk
tegen te staan. Reael werd met dien last vereerd en stak, in 1628,
met een oorlogschip van den Staat naar Koppenhagen over. 't Was hierop,
dat Vondel zinspeelde, toen hy het navolgende byschrift onder 's mans
afbeelding plaatste:


        Zoo maelde een Keysers hant den wackeren Reael,
        Den Ridder, den Gesant, den grooten Generael,
    Voorsien met breyn in 't hooft, met oorloghsmoet in 't harte.
    't Was hy, die Spanjen op sijn eygen bodem tartte.
        Vaer heen, gelauwert hooft, geluckelijck door zee
        En breng voor 't Vaderlant ontelbre kranssen meê.


De wenschen des dichters werden niet vervuld. Het zij, dat Reael
door de geslepen Staatsdienaars van den Keizer by den Koning van
Denemarken was voorgekomen, 't zij dat het Deensche Hof, indachtig
aan de fabel van het Paard en den Man, het gevaar inzag eener hulp
van bondgenooten, Reael slaagde niet in zijn zending, en, met hoe
vele eerbewijzigingen ook ontfangen, hy kon geen traktaat tot stand
brengen. Integendeel maakten de beide Monarchen eerlang vrede met
elkander. Niet alleen had Reael alzoo het doel zijner zending gemist,
maar hy moest nog verderen tegenspoed ondervinden. Op zijn terugreize
naar het Vaderland leed hy schipbreuk, op de kust van Jutland. Wel
kwam hy, met groot gevaar, aan wal, maar om in een anderen tegenspoed
te vervallen. De plaats, waar hy aanlandde, was door de Keizerschen
bezet. Hun Veldheer, onderstellende, dat de Gezant, zoo hy in Holland
keerde, de Staten tot eenige onderneming tegen het Keizerrijk zoû
aansporen, hield niet alleen Reael gevangen, maar zond hem zelfs
naar Weenen op. Het duurde tot aan 't volgend jaar, eer hy ontslagen
werd, zoo men wil, ten gevolge der voorspraak van de Jezuiëten
aldaar, door Roomsgezinde Hollandsche kooplieden te zijnen behoeve
aangezocht. Zeker is het, dat hy te Weenen met eerbied werd behandeld:
naar de getuigenis eens schrijvers, kwam hy er als gevangene, maar
vertrok als een Vorst. Weinig dagen na zijn terugkomst in Holland,
die in Maart 1629 plaats had, gaf hy by de Staten-Generaal verslag
van zijn verrichtingen, en verwierf den dank en de goedkeuring van
zijn lastgevers.

Na zoo vele lotswisselingen is het geen wonder, dat Reael naar de
genoegens van het huislijk leven begon te verlangen. Hy trad in den
echt met Suzanna de Moor, de nog jeugdige weduwe van Hendrik de Picker,
een aanzienlijk Amsterdamsch koopman: en, zoo haar zielshoedanigheden
beäntwoordden aan haar bekoorlijkheden, gelijk het penceel van De
Keyser ze heeft vereeuwigd, zoo moet, naast zulk een wederhelft, zijn
lot wel gelukkig zijn geweest. Dat hy zich ook zoo gevoelde, blijkt
uit de verandering, die zich van dat tijdstip af in zijn levenswijze
openbaarde: zoo geheel was hy aan zijn huis gehecht, dat zelfs zijn
beste vrienden hem ter naauwernood meer zagen. "Toen hy in de hel
van Weenen lag," schrijft Hooft, "spoelde de vergetelbeek my niet
uit zijn gedachte. Nu schijnt men hem quijt met lijf en met ziel. Ik
denk niet, dat die doorluchtige sinnen, gelijk ze 't zijner tyd de
hebbelijkheid hadden om zich tot behelzing der grootste zaaken uit te
rekken, alzoo zich nu weeten in te krimpen, dat ze in een luiermand
schuilen kunnen en zich aan het toestellen derzelver te kost leggen,
gelijk Tasso zeit van een oudt soldaat:


    De zoete naam van vaader en gemaal
    Hadt nu geweekt zijn braave borst van staal."


In het volgende jaar werd Reael Lid van de Vroedschap te Amsterdam,
later Kommissaris tot de Wisselbank, Weesmeester en Schepen. Voorts
bleef hy den tijd, die hem van zijn ambtsbezigheden overschoot,
aan zijn meest geliefde studie, de wiskunde, toewijden, vooral met
toepassing op de zeevaart. Veel bracht hy hierover op 't papier,
waaronder eenige hoogst belangrijke "Aanteekeningen over den
magneetsteen en de magnetische kracht der aarde." In 1636 was hy het,
aan wien, op aanbeveling van De Groot, de beroemde Galileus Galilei
zich richtte, ten einde een gewichtige uitvinding, om de lengte op zee
te vinden, by de Staten Generaal in te dienen. Hy deed dit, en werd
door hen, met Willem Blaeu, Martinus Hortensius, Golius en Beeckman,
in kommissie gesteld, om de zaak te onderzoeken. Dit had aanleiding
gegeven tot een allerbelangrijkste briefwisseling tusschen hem en
Beeckman, die echter, ten gevolge van het overlijden van de meesten,
die in de zaak betrokken waren, geen gevolgen had.

Het huwelijk van Reael was met twee zonen gezegend geweest en hy
had alle reden, om zich gelukkig te noemen in het hem beschikte lot,
toen zich op eens het uitzicht voordeed, dat hy zijn stille en rustige
levenswijze nogmaals tegen een woelige en gevaarlijke--hoezeer dan ook
schitterende--loopbaan zoû verwisselen. Filips van Dorp had in 1637
als Luitenant-Amiraal van Holland zijn ontslag bekomen, en niemand was
er hier te lande, die niet luide of in stilte den wensch herhaalde,
door Hooft gedaan, "dat het scheeprijkst en strijdbaarst volk aan
een Amiraal met hart en harsenen geraken mocht." Een zestal personen,
welke men voor de opengevallen plaatsen meest geschikt achtte, werd
aan den Prins voorgedragen, om er een uit te kiezen. De eerste twee
op deze lijst waren Reael en Tromp: en daar de Staten van Holland
den eerstgemelde met byzonderen aandrang by den Prins voorstonden,
was het hoogstwaarschijnlijk, ja genoegzaam zeker, dat hem deze
luisterrijke bediening zoû worden opgedragen. Maar anders was het
in Gods raad besloten. Een besmetlijke ziekte, die omtrent dezen
tijd in Amsterdam woedde, trof ook zijn huis: zijn beide zoontjens
werden achtereenvolgens aan zijn hoop en aan zijn hart ontrukt,
en die treffende slag deed hem zoo zeer aan, dat hy eerlang tot
een volslagen lusteloosheid verviel, zoo zelfs, dat verscheidene
brieven, waaronder een van Galilei, ongeopend bleven liggen. By de
ongesteldheid van zijn geest, kwam een heete koorts zich voegen, die
op den 10den October van dat jaar--1637--een einde maakte aan zijn
nuttig en werkzaam leven. Diep werd zijn dood betreurd, ja als een
algemeene ramp beschouwd. Gelukkig nog het Vaderland, dat, toen het
hem verloor, althands in één opzicht, een waardigen plaatsvervanger
voor hem mocht zien optreden in Marten Harpertszoon Tromp.







MARTEN HARPERTSZOON TROMP.


In het jaar 1610 zwierf een roofschip in de Spaansche zeeën, waarop
een knaapjen van ruim dertien jaren als kajuitwachter voer. Hard en
lastig was de dienst, welken hy te verrichten had: sober en slecht
het voedsel, dat hem werd verstrekt: en geen ander loon trok hy voor
zijn moeite dan scheldwoorden en slagen. Maar moeilijker te verduren
dan dit alles waren de aandoeningen, die den knaap pijnigden zoo
dikwijls hy zijn lot overdacht;--want hy had de betrekking, welke hy
vervulde, niet vrijwillig gekozen; want over het vaartuig, waarop hy
nu ruim twee jaren in slaafsche dienstbaarheid had doorgebracht, had
eenmaal zijn vader het bevel gevoerd; want aan den ruwen vrijbuiter,
dien hy zijn meester noemde, had hy den dood zijns vaders te wijten;
en nog bestendig herriep zijn verbeelding dat verschriklijk tooneel,
toen, door den pulverdamp heen, de afschuwwekkende, door zon en
kruit gebronsde gelaatstrekken der roovers, die over de verschansing
klouterden, zich voor zijn oogen vertoonden, toen moord en vernieling
om hem heen woelden, zijn vader in zijn nabyheid met gespleten
schedel op het dek werd geworpen, en hy vergeefs den bangen kreet
liet hooren: "zal niemand den dood mijns vaders wreken?"--Helaas! er
was weldra niemand meer, om aan die roepstem gehoor te geven: en,
alleen uit de algemeene slachting gespaard, had hy voortaan aan de
bevelen van zijns vaders beulen moeten gehoorzamen. Kan men zich
beklagenswaardiger, ellendiger toestand voorstellen dan die van den
armen knaap? Kan er hopeloozer toekomst worden uitgedacht dan die
hem scheen te verbeiden? En toch, diezelfde knaap, die van allen dus
verlaten scheen, God had hem niet verlaten, God had hem bewaard, om,
door tijden en beproevingen, eenmaal rijp te worden voor de roeping,
tot welke hy bestemd was, om, uit dien staat van diepe vernedering,
zich een weg te banen tot de hoogste eerambten, om de hersteller te
worden van ons zeewezen en de schepper onzer vloot, en zich een naam
te verwerven, naast welken men er weinige, boven welken men er geenen
stellen kan;--want die knaap was Marten Harpertszoon Tromp.

Uit zijn drijvenden kerker ontkomen, was hy, verre van afgeschrikt te
zijn door de uitgestane rampen, verre van in een stil en rustig leven
in zijn vaderstad den Briel vergoeding daarvoor te zoeken, op nieuw
die loopbaan ingetreden, welke hem als kind zijn vader gewezen had, en
die hem alleen in staat kon stellen, zijns vaders dood te wreken. Een
snelle bevordering was het loon zijner plichtsbetrachting. In 1622
Luitenant op een oorlogschip, kreeg hy twee jaren later reeds het
bevel over een fregat. In 1629 op den tocht tegen de Duinkerkers,
bevond zich Piet Hein op het schip van Tromp, en werd aan zijne
zijde doodgeschoten. Maar reeds had de groote Amiraal aangaande hem
herhaaldelijk de getuigenis afgelegd, dat hy vele wakkere kapiteins
gekend, maar altoos 't een of 't ander gebrek by hen gevonden had; doch
nooit in Tromp, die alle deugden bezat, in een scheepsvoogd gevorderd.

En toch scheen het een wijl, als of onze held in zijn loopbaan moest
gestuit worden. Miskenning en teleurstelling vielen hem te beurt:
zijn schip werd hem ontnomen, en, diep gegriefd, verliet hy voor een
tijd den werkelijken dienst om een administratieve betrekking by de
zeezaken te bekleeden.--Maar wat schijnbaar nadeelig was voor zijn
bevordering tot hoogeren rang moest strekken om hem te meer daarvoor
geschikt te maken. Door den aart zijner bediening leerde hy nu, aan
praktische ervaring, theoretische kennis paren, de misbruiken, by 't
bestier van 't zeewezen ingeslopen, nog meer van naby onderscheiden
en op middelen peinzen tot hun herstel. Die misbruiken en het gebrek
aan orde en vaste regelmaat, waarover luide geklaagd werd, gaven dan
ook aanleiding, dat, in 1637, aan den Luitenant-Amiraal van Dorp zijn
ontslag als zoodanig werd gegeven, en de Staten naar iemand omzagen,
die van de noodige veerkracht en kennis was voorzien en geschikt om
de zaken op een beteren voet te brengen. Men had het oog op Reael,
die, zoo wel toen hy onder Willem van Nassau 's Lands vloot had
aangevoerd, als gedurende zijn bestuur in de Oost-Indiën, blijken
zijner bekwaamheid had gegeven; doch het onverwacht overlijden van
dezen verdienstelijken man was oorzaak, dat de keuze op Tromp viel en
de Staten hadden geen reden om zich over deze keus te beklagen. Niet
alleen deed hy terstond zijn wakend oog over alles gaan wat herstel of
verbetering noodig had; maar geen jaar verliep er na zijn aanstelling
of hy gaf het schitterendste bewijs van zijn geschiktheid voor den
hoogen rang, waartoe hy zich geroepen zag.

Reeds sedert lang was het hier te lande bekend, dat de Koning van
Spanje uit de onderscheidene Staten, aan zijn heerschappy onderworpen,
de kloekste en meest bekwame vaartuigen vereenigde, ten einde daarmede
een vloot samen te stellen, die--zoo vleidde men zich in Spanje--aan
de onze de zee zou doen ruimen. Men wist hier insgelijks, dat naar
Duinkerken last gezonden was, de grootste schepen naar Spanje te
zenden, om die vloot te versterken. In den aanvang van 1639 waren
dan ook twintig vaartuigen uit die haven gezeild; doch niet te
vergeefs kruiste Tromp op de Vlaamsche kusten. Ofschoon hy niet
meer dan elf schepen by zich had schuwde hy den ongelijken strijd
niet. Moedig tastte hy, op den 28sten February, de Duinkerkers aan,
veroverde, na een hardnekkig gevecht van acht uren, twee van 's vyands
zwaarste schepen, joeg dat van hun Vice-amiraal op het strand, waar
het verbrandde, en noodzaakte de overige hun behoud in de vlucht te
zoeken en zich weder te bergen in de haven, die zy verlaten hadden. De
Markies van Fuentes, de kommandant van Duinkerken, die met zijn koets
naar 't strand gereden was om getuige te zijn van de viktorie, door
de zijnen behaald, was alleen getuige van hun nederlaag.

De haven kon echter niet voortdurend geblokkeerd blijven en zoo gelukte
het later den Duinkerkers, aan het hun gegeven bevel te voldoen. De
Spaansche vloot was hierdoor niet weinig versterkt; want de Duinkerker
schepen waren niet alleen voortreffelijk gebouwd en bezeild, maar
ook bemand met wakkere zeelieden, die met onze zeegaten en stroomen
bekend waren.

In dezen stand van zaken en by de onzekerheid waarin men omtrent
het doel der afgezonden vloot verkeerde, kreeg Tromp bevel, met een
smaldeel in 't kanaal te kruisen, terwijl Banckert de haven van
Duinkerken bezette en de Witte zich met een klein getal schepen
gereed moest houden om by te springen wie hulp behoefde. Dubbele
waakzaamheid was er noodig; daar men niet alleen op de Spanjaarts te
passen had, maar ook op onze Engelsche zoogenaamde bondgenooten, die,
nayverig op het aanwassen onzer macht ter zee, volgaarne de middelen
by de hand namen die zich aanboden om ons afbreuk te doen, en, in 't
geheim onzen vyand begunstigden. Dit bleek onder anderen, toen men,
by 't onderzoek van drie Engelsche koopvaarders, daarin een duizendtal
Spaansche soldaten vond en gevangen nam, die er mede waren overgevoerd.

Het was eerst op den 15den September, dat Tromp, op de hoogte
van Bevezier, de Spaansche vloot ontdekte. Zy bestond uit niet
minder dan zeven-en-zestig schepen, meest van de zwaarste soort. Het
amiraalschip was van 800 last en voerde 66 stukken: die van de Amiraals
van Kastiliën en van Napels van 600 last, voerden, het eene 54, het
andere 60 stukken. Doch de mater Teresa, waarop de Amiraal van Portugal
gebood, was van 1210 last, met 68 stukken en 1200 man gewapend. Het
gezamentlijk getal stukken, die de vloot voerde, was 1700 en dat der
manschappen 24,000, waarby zich de puik der Spaansche en Portugeesche
legerbenden bevond en de bloem van den adel uit beide Rijken. Aan het
hoofd der vloot stond Don Antonio d'Oquendo, een zeeman en bevelhebber
van beproefde ervaring.

En wat kon Tromp overstellen tegen zulk een zeemacht?--Niet meer dan
een smaldeel van dertien schepen: welk getal, ook al gelukte het hem,
den bystand van de Witte en van Banckert te bekomen, slechts tot een
dertigtal kon gebracht worden, dat ter naauwernood zoo vele stukken
voerde als des vyands Amiraalschepen alleen. Maar op die schepen
van Tromp waren zeelieden, in den krijg op de Vlaamsche kusten,
in de Middellandsche en Indische zeeën en op den grooten Oceaan,
geoefend en gehard, en Bevelhebbers, die nooit gewoon waren geweest,
hun vyanden te tellen. Daar toch vond men den onverschrokken de Witte,
wien de hem gegeven naam van "Vechtvraag" reeds genoeg afschildert:
daar Joost Banckert, die de zilvervloot had helpen winnen en aan de
Duinkerkers slag op slag had toegebracht; de man, die den dood zoo
weinig schroomde, dat hy eens, door overmacht van vyanden benaauwd,
zijn eigen zoon met een brandende lont in de kruitkamer geplaatst had,
met last, die daarin te werpen, zoodra tegenweer noodeloos werd: daar
zoo velen, waarvan elk in deze galery een plaats verdiend had, indien
die aan anderen dan aan de meest uitschitterenden kon gegeven worden.

Was het wonder, dat, toen een krijgsraad, uit mannen als de hier
genoemden samengesteld, door Tromp werd geraadpleegd, hoe onder de
bestaande omstandigheden te handelen, het besluit algemeen genomen
werd, al het mogelijke te beproeven om den vyand afbreuk te doen. Een
der kleinste schepen werd afgezonden aan de Witte, die in de Cingels
kruiste, en aan Banckert, die voor Duinkerken lag, met last, zich
onverwijld by hem te voegen. Reeds den volgenden dag was de Witte,
met de vijf schepen die hy aanvoerde, by Tromp: en met dit kleine
getal van zeventien schepen besloot men nu, de zeven-en-zestig des
vyands aan te tasten.

De Spaansche vloot, die den wind in haar voordeel had, kwam nu
tegen de onze opzetten, welke d'Oquendo zich voorstelde spoedig
uit zee te zullen drijven. Maar jammerlijk vond hy zich in zijn
verwachting bedrogen. In stede van te wijken, wenden de schepen van
Tromp op eenmaal den boeg, storten zich midden tusschen hun vyanden,
en brengen er schrik en verwoesting. De kracht van den metalen boog,
gelijk Tromp de Spaansche vloot genoemd had, was gebroken en d'Oquendo,
geen geneigdheid hebbende den strijd langer voort te zetten, naar de
Cingels geweken. Maar het schip van de Witte was reddeloos geschoten
en een ander onzer vaartuigen in de lucht gesprongen. De reeds
zoo onbeduidende macht der Nederlanders was dus nog meer verzwakt:
Des-niet-te-min bleef Tromp by het eens genomen besluit volharden, en,
op den 17den door mist opgehouden, kwam hy op den 18den de Spaansche
vloot weder op zijde en hernieuwde het gevecht, dat, terwijl de beide
vlooten met schoon weer en zuidoosten wind naar de Hoofden dreven,
de geheele nacht by maanlicht voortduurde. Niet weinig klom de moed
der onzen, toen, met den dageraad, Banckert met twaalf schepen
kwam opdagen. Die tijdige bystand besliste de overwinning. Twee
Spaansche schepen vielen den onzen in handen: de rest week, tegen
tien ure in den morgen, onder het geschut der Engelsche kasteelen
van Duins. Terwijl hier eenige moeilijkheden tusschen de Britsche en
Spaansche Bevelhebbers vereffend werden over het strijken der vlag,
zeilde Tromp naar Calais, voorzag er zich van versche krijgsbehoeften,
hem door den Franschen Bevelhebber goedgunstig afgestaan, en was
reeds den volgenden dag in staat, ten zuiden van Duins het anker te
laten vallen; terwijl Banckert aan de Spaansche vloot ten noorden
den uittocht afsneed, die haar ten oosten door een zandbank werd belet.

Naauwlijks had de Witte, die met zijn beschadigd schip naar het
Vaderland gezonden was om verslag van het gebeurde te geven, aan
de Staten-Generaal medegedeeld, hoe onze geringe scheepsmacht de
Spaansche vloot niet alleen met goed gevolg had aangetast, maar
zelfs voor Duins hield ingesloten, of alles werd in 't werk gesteld
om Tromp de middelen te verleenen, ten einde het begonnen werk te
voltooien. Overheden en onderzaten, Holland en Zeeland, Amiraliteiten
en Indische Maatschappyen, allen wedyverden, wie 't spoedigst het
noodige verschaffen zoû: alle kleine oneenigheden en jaloezyen
schenen vergeten en by kollegies noch personen heerschte een andere
gedachte meer, dan die, om het grootsche doel, dat men voor oogen
had, te bereiken. Dagelijks verlieten behoorlijk uitgeruste schepen
onze havens, en vervoegden zich, door een aanhoudenden oostewind
begunstigd, by de vloot, die alzoo, tot verbazing van geheel Europa,
binnen den tijd van vier weken, tot een aantal van 96 oorlogschepen
en elf branders was aangegroeid.

Maar was Tromp nu in staat gesteld, met hoop op goeden uitslag
den kamp voort te zetten, de Spanjaart was niet de eenige vyand,
van wien hy tegenstand te wachten had. Karel I had reeds aan onzen
Gezant doen weten, dat hy op zijn reede geen gevecht zoû dulden, maar
hem, die het begon, als vyand zoû behandelen. Aan dertien Spaansche
schepen liet hy gelegenheid verschaffen om onder geleide van Engelsche
vaartuigen by nacht te ontsnappen, langs een weg, door de Engelschen
zelve als onbevaarbaar opgegeven. Een Britsche zeemacht werd by Duins
verzameld om tegen de schending der reede te waken, met andere woorden,
om den Spanjaart tegen ons te beschermen: en de Engelsche vlootvoogd
bleef dag aan dag by Tromp, nu eens op vleienden, dan op dreigenden
toon, aandringen, dat hy zijn opzet zoû laten varen. Maar Tromp had
nu eenmaal uitdrukkelijk bevel bekomen om de Spaansche vloot aan te
tasten en, zoo mogelijk, te vernielen; en geen vleitaal of bedreiging
was in staat hem te verhinderen in 't volbrengen van dien last. Hy
bleef voor Duins liggen, verdubbelde in waakzaamheid en sloot de
vloot des vyands al naauwer en naauwer in. Intusschen beseffende,
dat een aanval op deze, terwijl zy ter reede van Duins lag, onder
bescherming der Britsche kasteelen en in de nabyheid eener Britsche
vloot, op zich zelf een hachlijke zaak ware, wenschte hy haar de
reede te doen verlaten en in de open zee te kunnen aantasten, waardoor
aan de Engelschen alle voorwendsel om den strijd te verhinderen zoû
worden ontnomen. En toen d'Oquendo, hiervan verwittigd, allerlei
voorwendsels te baat nam, om op de reede te blijven, onder anderen,
dat hy masten en stengen noodig had, die te Dover lagen, liet Tromp
die door een zijner schepen halen en by den Spaanschen Amiraal aan
boord brengen. Nu kwam deze met een andere uitvlucht te baat: hy had
gebrek aan kruit. En nu dorst de Engelsche opperbevelhebber aan Tromp,
uit d'Oquendoos naam, het voorstel doen, dat hy dezen eenige duizenden
ponden kruit zou verschaffen!--Zonderling moge dit voorstel schijnen,
nog zonderlinger is het, dat Tromp het in den krijgsraad bracht: en het
zonderlingst van allen is, dat de krijgsraad genoeg vertrouwen stelde
op de Nederlandsche dapperheid, om te besluiten d'Oquendo het kruit
te sturen dat hy behoefde. "Zy verstonden" zegt het dagboek van Tromp,
"dat men dat kwaad zou willen doen."

d'Oquendo behielp zich nu langer met geen uitvluchten, maar bleef in
Duins. Het geduld van Tromp was ten einde en hy besloot, in spijt
der Engelschen, den aanval te doen. Op den 21sten October begon de
vloot den aanval. By die der Spanjaarts, door de engten der plaats in
haar bewegingen belemmerd, ontstond aldra verwarring, en, naauwlijks
had de strijd een aanvang genomen of de Amiraal van Kastiliën met
twee-en-twintig andere schepen raakten aan wal. Zoo hevig werden deze
beschoten dat zy weldra van hun volk verlaten werden, en zeventien
daarvan door onze branders vernield. Intusschen hadden andere branders,
door Kapitein Musch bestuurd, de Mater Teresa in vlammen doen opgaan,
van wier manschap naauwlijks 200 behouden werden. d'Oquendo was
er in geslaagd, met een gedeelte zijner macht uit Duins in zee te
loopen. Snel als de honden, die het boschzwijn uit zijn schuilplaats
hebben opgejaagd, vervolgden hem de schepen van Tromp. Dertien
Spaansche oorlogsvaartuigen werden veroverd: andere verzeilden op
de zandbanken: aan tien of twaalf mocht het gelukken, met d'Oquendo,
de tijding der geleden nederlaag binnen Duinkerken te brengen.

Zoo noodlottig liep voor de Spanjaarts een onderneming af, die zulke
onmetelijke schatten had gekost! Grooter zee-triomf dan die van Tromp
was, by ongelijker kans, nimmer bevochten geweest. Was het wonder, dat,
toen hy aan wal stapte, zijn reis naar den Haag een zegetocht geleek;
en dat zoowel de machtigste Regenten als de nederigste burgers hem
om strijd lof en eere toebrachten, als aan den grootsten zeeheld,
dien Nederland ooit had bezeten?

Het is hier de plaats niet, Tromp te volgen in zijn luisterrijke
loopbaan, noch omstandig de heldenfeiten te verhalen, later door hem
verricht in dien bloedigen kamp tegen Engeland, toen zijn gelukster
en die van Blake beurtelings op- en onderdoken, en de roem, door den
overwinnaar behaald, telkens alleen scheen te kunnen worden opgewogen
door dien, welken zijn tegenstander zich had verworven. Die feiten
behooren tot een tijdvak, afgescheiden van hetgeen dat wy behandelen:
en toch mogen wy het niet verzwijgen, dat zoo, ten tijde dat Joan
de Witt het opperbestuur voerde, onze vlooten zich by voortduring
onderscheidden, zulks grootendeels te danken was aan hem, die orde in
't zeewezen gebracht had, en in wiens school mannen, als de Witte,
de Ruyter, van Galen, de Evertsens, Kornelis Tromp, Meppel en zoo vele
anderen zich gevormd hadden. Mochten wy het ook maar kunnen verzwijgen,
hoe, in 1652, nogmaals ondank en miskenning den held van Duins moesten
treffen en hoe hem--was het dan ook maar voor een korten tijd--ontzegd
werd zijn vaderland te dienen. Dat ongelijk--die misslag, zoo men
liever wil,--werd hersteld; maar de miskenning bleef voortduren: en
nog heden wordt Tromp niet geschat op die hoogte, waarop hy werkelijk
behoort geplaatst te worden. Verre zij het van ons, de verdiensten
van eenigen, na hem gekomen zeevoogd, te willen verkleinen; doch
dit vergete men nimmer, dat, zoo Nederland, na dat de slag te Duins
gestreden was, zijn rang als Zeemogendheid van toen af gevestigd zag,
en het gewicht van onzen Staat onder de Mogendheden door niemand meer
kon geloochend worden, zoo de Staten-Generaal, en te recht, oordeelden,
voortaan den tijtel van Hoog-Mogenden te kunnen voeren en den pas
voor de Keurvorsten vorderen, zy het in de eerste plaats aan Tromp
verschuldigd waren, wiens glansrijk voorbeeld, als een elektrische
vonk, geheel de Natie had aangevuurd tot de bevochten overwinning.

Tromp stierf den heldendood op den 10den Augustus 1653, en wy zeggen
het Vondel na:


      Hy ruste nimmer onbeweend,
    Al heeft de Doot het lyf verslonden:
    De Faem is aen geen graf gebonden,
      De Deught verduurt het kout gebeent.







HUIG DE GROOT.


Hebben de overige groote mannen, wier namen in deze galery zijn
opgenomen, hun roem verworven door hetgeen zy of binnen of ten behoeve
van den Staat der Vereenigde Gewesten verrichteden, De Groot is in die
ry de eenige, die geheel buiten beide kategoriën geplaatst is. Immers,
hy moge zich al, gedurende het bewind van Frederik Hendrik, een paar
reizen in Holland vertoond hebben, het is niet geweest dan zeer
kort, en als in 't voorbygaan; terwijl de werken, welke hy in dat
tijdvak geschreven, of de bedieningen, welke hy vervuld heeft, tot
bevordering gestrekt hebben, gene van de wetenschap in 't algemeen,
deze van andere dan Nederlandsche belangen. Maar dit belet niet, dat
van den lichtkrans, die om zijn hoofd schittert, stralen afschitteren
op zijn Vaderland, en dat zich dit ook thans nog verheffen mag, den
uitgebannen zoon te hebben voortgebracht, dien het by zijn leven
niet in genade had willen aannemen. Immers niet alleen door zijn
geboorte, door opvoeding en opleiding, door de betrekking, welke hy
als jongeling en man vervuld had, was De Groot een Hollander, ook in
zijn ballingschap was hy Hollander in 't hart gebleven, al bezigde hy
in zijn geschriften by voorkeur de algemeene taal der geleerden, en al
was hy ook, aan Frankrijks Hof, de Gezant eener vreemde Mogendheid:
ja hy kon aangemerkt worden als de man, die by den buitenlander wel
niet de byzondere politiek zijner Natie, maar haar wetenschaplijk
leven, haar aanspraken op beschaving, op kennis, op verlichting,
vertegenwoordigde. Wanneer men nagaat, in welke achting De Groot door
geheel Europa gehouden werd, dan zoû men byna zich tot de gedachte
laten geleiden, dat de Regenten van dien tijd daarom alleen zijn
vestiging hier te lande bleven tegenhouden, op dat de vreemdeling,
vernemende, hoe zoo voortreflijk een man in zijn Vaderland gemist
kon worden, nòg grooter gedachten mocht opvatten van hen, die er
achter bleven.--'t Ware met dat al een gevaarlijk beginsel geweest,
en, liever dan het na te volgen, zouden de Regeeringen, omgekeerd,
wijs handelen, wanneer zy het overschrijden der grenzen verboden aan
zoodanige landgenooten, als door hun gedragingen in den vreemde niet
alleen zich zelve bespotlijk maken, maar ook, waar zy zich vertoonen,
een slechten dunk doen opvatten van het land, dat zulke mislukte
kinderen voortbrengt.

Over de verdiensten te willen uitweiden van een man als De Groot,
of daarvan slechts een klein denkbeeld te willen geven, ware even
belachlijk als onnoodig: zijn werken zijn de waereld door bekend en
gewaardeerd: en zijn naam alleen zegt reeds genoeg. Liever daarom hier
een nederiger taak aanvaard dan het schrijven eener lofrede: liever dan
hoogdravende woordenpraal, een vluchtige beschouwing van zijn leven
en karakter gegeven. By het vele bekende zal dan wellicht het een en
ander kunnen worden te pas gebracht, dat niet zoo algemeen geweten
wordt, of wel, dat by hen, die 't wisten, uit het geheugen is geraakt.

Op den 10den April, 1583, te Delft geboren, was de kleine Huig wat
men gewoon is een wonderkind te noemen, en maakte hy zich reeds
vroeg, uit verscheidene oorzaken, beroemd. Zoo b. v. vervaardigde
hy, op zijn negende jaar reeds, vaerzen, die geprezen werden--iets,
dat tegenwoordig met de meeste kinderen het geval is; doch toen nog
ongemeen schijnt geweest te zijn. Wat als een vrij sterker bewijs
zijner vroegtijdige ontwikkeling mag gelden, is, dat hy reeds vóór
zijn twaalfde jaar de Hooge School te Leyden bezocht, waar hy zich
zoo vlijtig oefende in theologie, filozofie en rechten, dat hy in
staat was, op zijn vijftiende, in 't openbaar eenige stellingen
te verdedigen. Niet vreemd is 't, dat Oldenbarneveldt, als Gezant
naar Frankrijk zullende trekken, en aan de Franschen een gunstig
denkbeeld willende geven, zoo van den toestand, waarin zich 't hooger
onderwijs in Holland bevond, als van de bekwaamheid der leerlingen,
op de gedachten kwam, den vluggen knaap met zich te nemen en aan
Hendrik IV. voor te stellen. De genomen proef voldeed uitnemend aan de
verwachting: De Groot bracht het bedoelde effekt te weeg, bekwam een
geschenk van den Koning en, van de Akademie, het diploma van Doctor
in de Rechten. Van de alzoo verkregen bevoegdheid maakte hy by zijn
terugkomst gebruik: en, wat nog nimmer gezien was, hy pleitte op zijn
zeventiende jaar, terwijl hy op denzelfden ouderdom zijn eerste werk in
't licht deed verschijnen.--Maar niet alleen by 's Lands Advokaat, ook
by Prins Maurits stond de jongeling in gunst: hy was een der weinigen,
die--altijd in datzelfde jaar 1600--de hooge eer genoten, den tocht
over het zeestrand mede te maken met den zeilwagen van Stevijn,
die in twee uren van Scheveningen naar Petten reed: hy, de eenige
ambtelooze burger onder acht-en-twintig doorluchtige tochtgenooten:
en nog bestaat het gedicht, waarin hy dien tocht beschreef.

Verwierf hy zich een naam aan de balie, niet minder deed hy zulks
door zijn Historie der Nederlandsche Oorlogen en door zijn werk
over de vrije zee, op hoog bevel in 't licht gegeven. Op zijn
vier-en-twintigste jaar alreeds tot Advokaat-Generaal benoemd,
zag hy zich in 1613 aangezocht door de Regeering van Rotterdam,
het ambt van Pensionaris dier stad te aanvaarden, 't welk hy deed,
onder voorwaarde, dat men hem nimmer zoû mogen afzetten.--Hy kon
zich toen nog niet voorstellen, dat ooit een macht in den Staat zich
krachtiger zoû kunnen doen gelden dan die van een Stadsregeering.--In
ditzelfde jaar naar Engeland gezonden, om de geschillen wegens den
handel op Indiën te helpen beslissen, zag hy zich aldaar een nieuwe
gelegenheid verschaft, om zijn roem zoo wel als zijn kennis uit te
breiden.--Tot nu toe had de fortuin zijn loopbaan bestraald, ja,
hem ruimschoots met alles bedeeld, wat een mensch verlangen kan:
geleerdheid, kunde, vermaardheid, eerambten, een vrij ruim vermogen,
en, om dat alles te bekroonen, een door en door bekwame en wakkere
vrouw. Geen vijf jaren echter waren verloopen, of de staat van zaken
was op eenmaal veranderd. Het beding, dat De Groot--misschien wel op
aandrang zijner echtgenoote--had aangegaan, kon hem wel waarborgen
tegen elk opkomend geschil met de Rotterdamsche Vroedschap, maar
niet tegen het ongenoegen van den Prins. Hoe hy in 1618, in den
val van Oldenbarneveldt medegesleept, tot eeuwigdurende gevangenis
veroordeeld, te Loevestein opgesloten en door de kloekheid van zijn
vrouw verlost werd--is te overbekend, om hier zelfs eenige herinnering
te behoeven. Naar Frankrijk geweken, werd hy met onderscheiding door
Lodewijk XIII. ontfangen en met een jaargeld begiftigd. Had De Groot
in zijn kerker tal van boeken geschreven, te Parijs had hy even zeer
de volle gelegenheid en tijdruimte over, om zich aan letterarbeid te
wijden: en zoo voltooide hy aldaar zijn verdediging van de waarheid van
den Kristelijken Godsdienst, zijn waereldberoemd werk over het Recht
van Vrede en Oorlog, zijn Jaarboeken en een tal van andere werken.

Met dit al ware zijn leven in de plaats zijner ballingschap vrij
treurig, ja, hem ondragelijk geweest, had hem de trouwe Maria van
Reigersberg niet ter zijde gestaan, zy, hem niet enkel als gade,
maar ook als huishoudster onontbeerlijk. Immers, het was met De
Groot gesteld als met meer mannen van de wetenschap. Zijn geest,
bestendig rondzwervende in een meer verheven luchtkring, kon niet
afdalen tot het gewone en alledaagsche. De man, die voor de balie of in
het studeervertrek elke geldquestie zoû ontward en helder uiteengezet
hebben, kende de betreklijke waarde niet der geldstukken, welke hy in
zijn buidel droeg,--wat byna tot zijn ontdekking geleid had, toen hy,
na zijn ontkomen uit Loevestein, van Gorcum naar Antwerpen reizende,
voor een pint bier, onder weg gebruikt, de tiendubbele waarde woû
betalen. Gelukkig was Maria even praktisch en by de zaak als haar
man het weinig was, zoo dat dan ook voortdurend het bestuur over
de huishouding, ja, ook over de geldmiddelen en belangen van haar
echtgenoot by haar berustte. Niet alleen had dit plaats zoo lang zy
zich te Parijs bevond; maar daartoe was ook menige reis naar Holland
noodig, waar De Groot geen veiliger noch waakzamer zaakwaarnemer
dan haar had kunnen vinden. En al blijkt het nu uit de brieven,
die zy aan De Groot schreef, hoe zy elk voorstel, dat zy deed, elke
schikking, die zy trof, bescheidelijk aan zijn oordeel onderwierp,
toch blijkt het tevens, hoe de wakkere huisvrouw wel by haar zelve de
bewustheid koesterde, dat haar betuiging van onderwerping aan beter
oordeel niet hooger kon worden opgenomen dan als een uitdrukking,
door de betamelijkheid voorgeschreven en omtrent gelijk staande met
die, waarby aan 't slot van een brief iemand zich verklaart, eens
anders gehoorzame dienaar te zijn;--hoezeer de schrijver 't alles
behalve heusch zoû opnemen, indien zijn woorden naar de letter werden
opgevat.--Zelfs uit Holland bleef Maria al wat de huiselijke zaken te
Parijs betrof, ja de opvoeding harer kinderen, met overleg en wijsheid
gadeslaan. Niets ontgaat haar aandacht: noch het schoolgaan en de
oefeningen harer kinderen, noch de nieuwe hoed, dien zy oordeelt,
dat haar man noodig zal hebben, terwijl zy tevens meent, dat de oude
wel voor haar zoon Cornelis kan pas gemaakt worden: noch het aan te
koopen paard, 't welk volgends haar bestel een colle en geen blesse
op 't voorhoofd hebben moet: over alles oppert zy bedenking en schaft
zy raad, en echt karakteristiek is de wijze, waarop zy zich nu en dan
beklaagt, dat De Groot een zorg en een moeite op haar laat aankomen,
waarvan zy gewis zeer ongaarne zoû zijn ontslagen geweest.

Reeds dadelijk na zijn komst aan 't bestuur, had Frederik Hendrik
aan De Groot zijn gunst aangeboden en daarby het uitzicht geöpend op
terugkeer in zijn Vaderland. Waarschijnlijk wist de schrandere Vorst
zeer wel, dat dit uitzicht niet zoo gemaklijk, zoo immer, zoû kunnen
worden verwezenlijkt; maar in elk geval moest de gedane stap hem in
de oogen der Staatsgezinden aangenaam maken, en miste dan ook te dien
opzichte zijn uitwerking niet. Het duurde echter tot in October 1631,
eer De Groot, wiens pensioen in Frankrijk Richelieu had doorgeschrapt,
het wagen dorst, zich weêr in Holland te vertoonen. Men had hem
gevleid, dat hy een aanstelling zoû bekomen by de Doorluchtige Schole,
tot wier oprichting de Vroedschap van Amsterdam twee jaren vroeger
besloten had: doch die stichting zelve, in groote mate strekkende, om
de Remonstrants-gezinden te believen, had reeds opspraak en tegenstand
genoeg verwekt, en, altijd behoedzaam, oordeelde de Amsterdamsche
Regeering die niet te moeten vermeerderen door het beroepen van den
man, die, hoezeer meer dan elk ander voor de taak berekend, als de
leider der Remonstrantsche partij beschouwd kon worden, en boven wiens
hoofd nog het vonnis zweefde eener eeuwigdurende gevangenschap. Dit
belette echter niet, dat De Groot de plechtigheid van de inwijding
der gezegde Schole kwam bywonen, en daartoe op den negenden December
naar Amsterdam kwam, waar Vondel, die steeds briefwisling met hem
gehouden had, hem, met dit lied verwelkomde:


    Wat saelge wint is 't, die van lelistrant,
    Den stroom op, in 't ondanckbre Vaderlant
    Hervoert het Delftsche wet-orakel, dat
    Gekoffert, als een kostelijcke schat,
    Weleer de bange Maes afdrijven quam,
    Tot dat de Sein het in haer armen nam,
    En sette dat geberghde Godts-kleenoot
    Met blijschap op den Koningklyken schoot
    Des Aller-Christelijcksten Luydewijcx
    Die 't herberg schonck, tot glori sijnes Rijcx,
    Op dat het, na 't verstuyven van die wolck
    Des drucx verscheen, tot heyl van 't vrije volck,
    En 't misverstandt, aensiende 's helts gedult,
    Hem weder eerde en riep: het is mijn schult.

    De Vader der welsprekendheyt herblonck
    Soo weer te Rome, als d' ordenloosheid stonck
    Van Klodius, die schadelijcke pest,
    Voor 't lichaam van het algemeene best.
    Het treurigh aensien van den Staet dat lacht,
    De swacke wetten voelen nieuwe kracht.
    Self d' ontucht werdt beschaamt van 't eerlijck licht.
    Rechtvaerdigheit houdt vree door evenwight.
    De Rede stemt niets troebel, maer gesont.
    Soo vele ste'en besluyten uyt een mont.
    Men tast niet meer in blinde duysternis.
    Der burgren oirbaer 't eenigh doelwit is;
    En rept er ergens een van dwinglandy.
    Daer ooght men op als hiel hy Spanjes sij'.

    O groote siel, o son van myn gesangk,
    Die weer verrijst, na uwen onderganck,
    En ons verheught met desen gouden dagh,
    Dien Hollant wel met eere vieren magh,
    Wat woorden sal de dankbare gemeent
    Best vlyen, als de goutsmit dier gesteent,
    Om u t' onthalen op den hooghsten trap,
    Van 's kerckers ramp na suure ballinghschap?
    O stalen hart al gloeyend hard gesmeet!
    O Groothart, met wat hemelschen magneet
    Bestreeck Stantvastigheit uw vast gemoet,
    Dat het soo heet van liefde 't onswaert woet,
    En wraeckt de weelde van een aerts-palleys
    En kust het lant sijn strenge stiefmoer peys.


De Drossaart Hooft, niet minder dan Vondel de terugkomst des
doorluchtigen ballings begeerende deed met het volgende gedicht nog
eene poging, om Amsterdam te bewegen tot het beroepen van De Groot:


    Sint uw geluk zijn opgang nam;
    O hooghgereezen Amsterdam,
    En trof uw eerzucht noit het wit,
    Daar nu haar heerepyl in zit;
    Naardien gy u gingt stellen 't schrap,
    Tot winst van waarde wetenschap,
    En t' uwer onderrechting riept
    Twee helden [1], die der dingen diept
    En steilte afpeilen op een prik,
    Van 's hemels kruin in 't hart van 't slik.
    Noch mangelde aan uw grootheidt wat,
    Tot dat het Delphisch puik in stadt
    Quam storten uit den boezem Goodts.
    Hier mede zijt ghy buiten schoots
    Van 't alverblindend onverstandt
    En midden in de zon geplant
    Der gloory en voorzienigheit.
    Kent dan uw' kans, eer dat ze dreidt
    Een aardekloot verciert en drukt
    Het spansel uwer kroone. Rukt
    Die blaauwe parel van haar' top,
    En zet' er 't oogh der wijsheit op,
    Den overgrooten Huigh de Groot,
    Apollos dierbaarste kleinoodt,
    't Welk glat doorkeek, wat Griek, Latijn,
    Egyptenaar bekent moght zijn:
    Gezuivert boven dien is meê
    En afgespoeld, in all' de zee
    Van 't hof der Frankisch' heerschappy,
    Daar eeuwigh gaat soo heet een ty
    Van wereldwissels eb en vloedt,
    Dat het een dwaas kan maecken vroedt,
    En sneedigh slypen door 't verzoek,
    Veel beter dan 't geleerdste boek.
    O blaakende vernuft, soo puur
    Als 't rookelooze starrevuur,
    Wanneer hem wolk noch schaduw let?
    Ghy stelt aan krijgh en vreê de wet;
    't Wargaaren van 't gerecht ghy schift;
    Verlicht de duisternis der schrift;
    De naamen die uw lof verbreidt
    Vergoodt ghy met onsterflijkheidt,
    Oft eeuwelijk onsaaligh maakt
    De geene die uw oordeel wraakt;
    Baardt wonderwerk by wonderdaadt;
    En altijds even zwanger gaat,
    Maar alle wondren streeft verby,
    O Lief der deughde, dat, daar ghy
    Die groote wonderen bedrijft,
    Soo kleen noch by u zelven blijft.
    Dan mits dat ghy u dus verneêrt,
    Houdt zich der Eng'len schaar vereert,
    Met zich te draagen onderdaan
    Aan u, en staâghs ten dienst te staan.


Intusschen, geen voorspraak mocht baten. Haarlem, Leiden en andere
steden hadden weten te bewerken, dat er een aanschrijving aan de
Schouten en Baljuwen geschiedde, om De Groot in verzekerde bewaring
te nemen, en, al wat de Regeering van Amsterdam kon doen, was, zijn
verblijf aldaar oogluikend te gedoogen, of liever, te ignoreeren. De
Groot hield zich dan ook stil te huis, waar hem zijn vrienden kwamen
bezoeken, en zelfs liep het tot in Maart 1632, eer hy zich op straat
dorst vertoonen. Dan nu brachten het zijn vyanden zoo ver, dat door de
Staten van Holland een premie op zijn lijf gezet en wie hem huisvestte
met boete bedreigd werd. Zich nu langer, zelfs te Amsterdam, niet meer
veilig achtende, vertrok De Groot den 17 April te scheep naar Hamburg,
waar hy een geruimen tijd vertoefde. Hier werden hem aanbiedingen
gedaan, om in dienst der kroon van Zweden te treden: hy nam die aan en
ging in 1634 derwaarts, toen de Koningin Kristina hem tot haren Raad
benoemde en, als afgezant, naar Frankrijk zond. Elf jaar bekleedde
hy die betrekking, en keerde toen naar Zweden terug, om verslag van
zijn verrichtingen te doen. Toch bekroop hem wederom de lust, zijn
geboortegrond terug te zien, en hy nam zijn weg over Holland. Thands
niet meer de uitgebannen zwerver, maar de onschendbare Gezant eener
vreemde Mogendheid, kon hy zich te Amsterdam met een vrij en open
gelaat vertoonen, en behoefde niemand langs omwegen en in 't donker
uit te gaan, om hem zijn hulde te brengen; gelijk hy deze keer dan ook
ontfangen werd met de eerbewijzingen, welke men aan zijn rang, en met
de achting, welke men aan zijn persoon verschuldigd was. Zijn verblijf
kon echter uit den aard der zake niet dan kort zijn: gelukkig voor zijn
vrienden, werd het verlengd door een aanhoudenden noordewind: die het
schip, waarmede hy vertrekken zoude, een geruimen tijd tegenhield:
wat aan Vondel aanleiding verschafte, een zijner liefste vaersjens,
een dankdicht aan dien Wind, te schrijven.


    Noorden wint, die langs ons stroomen
    Knaeght den bloesem op de boomen,
      D'opgeloke bloemen schent;
      Wiltzangh steurt, en lieve Lent,
    En den May, die met zijn zonnen
    Quam aenminnigh aengeronnen:
      Wintervogel guur en schrael,
      Steur den zoeten nachtegael;
    Schen de bloemen in de hoven,
    Met een lucht van geur bestoven;
      Knaegh en eet vry ongetoomt
      Zoo veel bloesems op 't geboomt,
    Dat vast jammert om genade:
    't Is geen noot; want al die schade
      Moet nu uit voor d' overbaet,
      Die de wijze Magistraet
    Rekent by uw schorre buïen,
    Die den adem van het zuien
      En den blaesbalgh van het west
      Sluiten, keeren al hun best.
    Zonder dat, gewis wy zouden
    Grooten Huigen hier niet houden,
      Noch feesteeren in ons stadt,
      Nu verrijckt door zulck een schat,
    Dien de verresienste Heeren
    En gekroonden recht waardeeren.
      Och! hy had zijn reis gereckt
      Derwaert hem zijn Noortstar treckt,
    Vrou Kristine, wiens betrouwen
    Uitziet, om dit licht t' aanschouwen,
      Dat, al zestigh jaer geleên,
      't Hart van Hollant recht bescheen,
    En nu hijght om winter klippen
    Te bestralen met zijn lippen,
      Met zijn oogen, met zijn' mont,
      Die de ruwe tygers wont,
    Woeste bosschen leert bedaren
    En betoomt de blinde baren,
      Dat de zee heur aert vergeet.
      Zweden, ooreloghs-magneet,
    Die, te bloedigh in het wrocken,
    Zoo veel yzers hebt getrocken
      In uw boezem, gunt dat wy
      Zommige uren aen het Y
    Ons verquicken met de gaven
    Van den Helt, die aan uw staven
      Hangt verbonden, hoogh en dier:
      Laet dien trousten Batavier
    Hier zijn ongemack verzoeten,
    Eer hy neêrvall' voor de voeten
      Van de trots gekroonde Min,
      Uw gehelmde Koningin,
    Die, geluckt mijn wensch en bede,
    Ons den lang gewenschten Vrede
      Voort zal brengen uit haer schoot.
      Op dien zegen mach de Groot
    Haer bejegenen, en vinden.
    Hemel, span gewenschte winden
      Voor zijn jaght, en vlugge kiel,
      Als de stadt die groote ziel,
    Met Gustavus lievereien
    Ziet van Aemstels oever scheien,
      En te water ondergaen
      Om in 't Noorden op te staen.


Vondel deed zijn vriend nog uitgeleide by zijn vertrek naar
boord. Hun afscheid was het laatste, dat zy van elkander namen, en
nimmer zoû De Groot zijn vaderland terug zien. Te Stokholm zijn taak
volbracht hebbende, verzocht en bekwam hy van Kristina ontslag uit
haar dienst: waarna hy weder scheep ging, met het oogmerk, om zich
naar Munster te begeven. Men weet, dat aldaar reeds in 't begin van
1646 de Gevolmachtigden ter vredehandeling verschenen, en 't is niet
onwaarschijnlijk, dat het voornemen van De Groot in verband stond
met die gewichtige samenkomst: wat daarvan echter zy, de uitkomst
beäntwoordde niet aan zijn verwachtingen. Door storm beloopen, moest
hy op de Pommersche kust aan wal gaan en zijn reis te land, in ziekte
en ongemak, vervolgen. Zijn ongesteldheid verergerde, en hy zag zich
gedwongen, te Rostok stil te blijven, alwaar hy, na eenige dagen
bedlegerig te zijn geweest, op den 28sten Augustus overleed. Vandaar
werd zijn lijk naar Delft gevoerd en in zijn familiegraf bygezet. Zoo
mocht De Groot, na zijn sterven, toch in zijn vaderland die rust
vinden, welke men er hem by zijn leven geweigerd had.

Maar zoo hy de grootste helft van het tijdvak, dat er verliep sedert
zijn vroegste jongelingschap tot aan zijn dood, buiten Nederland had
doorgebracht, toch was zijn invloed op de vorming zijner landgenooten,
op de ontwikkeling der wetenschap aldaar, duurzaam en van kracht
geweest. Hy was en bleef de vraagbaak, tot wien Hooft zich wendde,
waar 't de geschiedenis of de regelen der taal, Vondel, waar 't poëzy,
Vossius of Barleus waar 't de klassieke letterkunde, zoo vele anderen,
waar 't de rechts- of godgeleerdheid of eenige andere wetenschap
gold: ja men zoû gerustelijk durven beweeren, dat, gedurende het
geheele tijdvak van Frederik Hendriks bestuur, geen werk van eenig
belang, in welk vak ook, is uitgekomen, waarover men De Groot niet
geraadpleegd heeft. Ook daarom, behalve om de straks genoemde reden,
is zijn naam van dat tijdvak onafscheidelijk, en wijzen wy hem hier,
naast zoovelen zijner vrienden, de plaats aan, die hem by zijn leven
zoo onbarmhartig is ontzegd.







JOOST VAN DEN VONDEL.


Het is onder alle omstandigheden een moeilijke taak, de aanspraken,
welke zich groote mannen op de dankbaarheid of den lof der
nakomelingschap hebben verworven, op zoodanige wijze te schetsen,
dat zich in onze schets beknoptheid aan volledigheid pare, en tevens
een afschrikwekkende dorheid worde vermeden. Maar byna onmogelijk
wordt de vervulling van die taak, waar het een man geldt, die,
en door de verhevenheid van zijn genie, en door het belangwekkende
zijner persoonlijkheid, en door het talrijke zijner voortbrengselen,
en door den invloed, welken hy uitoefende, een geheel afzonderlijk,
een buiten en boven zijn tijdgenooten uitschitterend standpunt innam,
waar het een man geldt als Vondel. Hier wordt zoo wel beknoptheid aan
de eene als volledigheid aan de andere zijde onbereikbaar. Zoo min
als men in weinige woorden een behoorlijk begrip kan geven van de rol,
door een Plato, een Cezar, een Luther, een Napoleon, vervuld, zoo min
kan men in enkele regels den dichter schilderen, die, op eenmaal en
op 't onverwachtst als met adelaarswieken zich boven den dampkring
verheffende, waarin zich zijn tijdgenooten bewogen, zich gedurende
meer dan zeventig achtereenvolgende jaren bleef handhaven in de hooge
sfeer, welke hy had ingenomen, den man, aan wiens geest elk bykomend
jaar, in stede van verzwakking of verflaauwing, nieuwe veerkracht,
kostbaarder rijkdom, hooger veredeling scheen toe te brengen: die,
geen stof onverhandeld, geen maat ongebruikt latende, zich ten allen
tijde beheerscher toonde van stof en maat, zich beurtlings kenmerkte
als stout en verheven lof- en lier- en treurspeldichter, als zwierig
en bevallig feest- en bruiloftzanger, als gemoedelijk, belezen en
innemend leer- en zededichter, als scherp en puntig hekeldichter,
als kernachtig en naauwkeurig byschriftschrijver, als liefelijk
en geestig minnezanger: die zich op ieder veld even vrij, even
gemakkelijk, met even veel bevalligheid en geluk, wist te bewegen,
en die, zelfs al waren zijn tallooze dichtvruchten door een balsturig
noodlot ons onthouden geworden, nog om zijn prozastijl als de schepper
van een rein, helder, verstaanbaar en welklinkend Nederduitsch, als
het voorwerp van aller bewondering, als de gids en vraagbaak aller
schrijvers, in onze taal zoû geroemd mogen worden: hem eindelijk,
die ook als mensch achting verdient niet alleen, maar zelfs onze
beschouwing overwaardig is.

Doch zoo aan den eenen kant een vluchtig vermelden van al de tytels,
krachtens welke zich Vondel een onsterfelijken naam verwierf, alleen
zoû neêrkomen op een onnoodig herhalen van wat honderd malen gezegd is,
een herhalen, dat niemand zoû kunnen bevredigen, even min zoû, aan den
anderen kant, de steller dezer regelen kans zien, te dezer gelegenheid
en plaatse in zijn voorstelling een volledigheid te brengen, welke
hy zelfs wanhoopt, elders, in een duizendmaal uitvoeriger werk,
te bereiken.

Liever alzoo dan hier roekeloos een poging te wagen tot het geven van
een overzicht, 't zij van Vondels leven, 't zij van 's mans werken--een
poging, die uit den aart der zake falen moet--ons vergenoegd met
die beschouwingswijze, welke ons van zelve binnen den kring bepaalt,
dien wy om onze tafereelen hebben heengetrokken, en in breede trekken
aangewezen, welken invloed het tijdperk van Frederik Hendriks bestuur
op Vondels aanleg en loopbaan als dichter uitoefende:--om daarna,
met even vluchtigen blik, den invloed te beschouwen, welken hy zelf
als schrijver wederkeerig uitoefende op zijn landgenooten.

Een der meest sprekende, zich gedurende geheel zijn levensloop
bestendig openbarende karaktertrekken van Vondel was een ingeschapen
afkeerigheid van alle vervolging, zoo wegens politieke als wegens
godsdienstige begrippen en gevoelens. Die haat tegen geloofsdwang,
licht te verklaren by den zoon van ouderen die, om 't geloof vervolgd,
als bannelingen hadden rondgezworven, was niet weinig versterkt
geworden door de gestrenge handelwijze, welke de heerschende
party in 1619 zich--zoo op 't gebied van den Staat als op dat der
Kerk--veroorloofd had jegens mannen, voor wie hy met achting en eerbied
vervuld was niet alleen, maar wier gevoelens voor een groot deel met de
zijne zoo geheel schenen overeen te stemmen. Immers als voorstander van
den vrede, wat Vondel reeds als jongeling was, toen hy nog de gevoelens
der uit hun aart vredelievende Doopsgezinden aankleefde, en tot aan
zijn laatste levensdagen bleef, moest hy zich wel ingenomen toonen met
de party, die 't sluiten van het Twaalfjarig Bestand had doorgedreven:
en evenmin kon hy, als Lidmaat eener afgezonderde Gemeente, anders
dan met afkeuring getuige zijn van de aanmatigingen der heerschende
Kerk.--En, mochten al zijn toenmalige geloofsgenooten, als ware
"Stillen in den Lande", zich er by bepalen met over hetgeen gebeurde
te treuren in de eenzame afzondering hunner binnenkamers, voor den
levendigen, ja licht opbruischenden geest van den nu even dertigjarigen
dichter moest het een behoefte zijn, zich, óf in roerende klachten
over het ongelijk, zijnen vrienden aangedaan, en over het lijden, dat
zy ondergaan moesten, óf in heftige uitvallen tegen hun vervolgers en
onderdrukkers, lucht te geven.--Doch, het was niet zoo lang "Gommers
recht" door de "stalen kling" van "mijn Heer den Prins getroost"
werd, dat dergelijke uitingen van smart of van verontwaardiging zich
in 't openbaar zouden hebben kunnen wagen: ja reeds stak er gevaar
in, ze binnen vertrouwelijke kringen aan beproefde vrienden te doen
hooren.--Maar Maurits trad van het tooneel der waereld af: een milder
staatkunde scheen het nieuwe Bestuur te zullen kenschetsen, en nu van
allen schroom verlost, of liever, alle gevolgen tartende, trad Vondel
met zijn klaag- en straf- en hekeldichten manmoedig te voorschijn. De
lang onderdrukte gemoedsopwellingen hadden zich lucht gegeven, en,
was het in 't openbaar verschijnen van werken als "het Stockske van
Oldenbarnevelt", de "Geusen Vesper", de "Weeghschael van Hollant", en
de "Palamedes" aan te merken als een gebeurtenis van hooge politieke
beteekenis, het bracht te gelijker tijd het verbaasde Nederland tot
de ontdekking, dat het in Vondel een dichter te begroeten had, even
groot in elk der zoo uiteenloopende vakken, welke hy had aangegrepen,
en wiens gelijke het tot dien tijd niet had bezeten.

En niet enkel zy, die met 's mans begrippen instemden, moesten tot
die overtuiging geraken: ook de tegenparty besefte het: zy voelde
zich tot in haar binnenste gekwetst, en, ziedende van wraak, nam
zy dat middel te baat, 't welk immer een tegenovergestelde werking
heeft dan er mede beoogd wordt: zy deed den schrijver de eer aan,
hem te vervolgen. Een korte wijl hing onzen dichter het gevaar boven
't hoofd, dat zijn vrijmoedig geschrijf hem den hals zoû kosten;--maar
toen de geheele zaak op een onbeduidende boete uitliep, toen gevoelde
hy, de kousewinkelier uit de Warmoesstraat, dat hy voortaan een
macht was tegen over de Synodale party, en, fierder en krachtiger
en bijtender dan ooit ging hy voort, haar met het zwaar geschut van
zijn dichtelijken geest en met de puntige pylen van zijn satyriek en
schalksch vernuft te bestooken.

Vondel had in het optreden van Frederik Hendrik den dageraad van
een nieuw en gezegend tijdperk begroet. Hy zag in hem den man,
die binnen 't Land verdraagzaamheid zoû doen heerschen, en, door
zijn krijgsbeleid, aan den vyand daar buiten den zoo gewenschten
vrede af zoû dwingen. Het was dan ook geen vleiery, toen hy, in zijn
"Princeliet", in zijn "Oranje Mayliet", hem met zijn hooge eerambten
geluk wenschte en begroette, toen hy, kort daarna, by gelegenheid
dat 's Prinsen huwlijkskoets met een zoon gezegend werd, aan het
vorstlijk echtpaar zijn heerlijken Geboortezang toezong: het was
even min vleizucht, die hem achtereenvolgends zijn schoone, in toon
en maat zoo geheel verscheiden Zegezangen ingaf op de verovering van
Grol, van 's Hertogenbosch en van Maastricht:--immers nooit was van
den Prins een enkel gunstbewijs, een enkele gift, een enkel woord
van dank of goedkeuring tot hem gekomen:--en, wat meer zegt en het
sprekendst bewijs levert, hoezeer Vondels poëzy de uitstorting was van
innig gevoel en oprechte overtuiging, zoodra hy begon te bespeuren,
dat die vrede, naar welke hy zoo verlangd uitzag, voortaan meer door
Spanje dan door den Stadhouder gewenscht werd, klonk de loftrompet
voor dezen laatste niet langer, en strekte die uitsluitend tot viering
en verheffing dier Amsterdamsche Regenten, wier wenschen en richting
met de zijne overeenstemden. In 1837, gelijk later in 1831, was de
juichtoon over behaalde lauweren algemeen door alle Vaderlanders
aangeheven; doch zoo wel toen als later, waren eindelijk ook degene,
die 't zij Frederik Hendrik, 't zij Koning Willem den Eerste 't
luidst geprezen en aangemoedigd hadden, het stelsel van volharding
moede geworden, ja begonnen het aan te merken als doodelijk voor 's
Lands belangen. Van daar dan ook, dat, noch in den "Getemden Mars",
noch in de "Leeuwendalers", noch in eenig ander dichtstuk, door Vondel
ter viering van den vrede van 1648 vervaardigd, een enkele toon meer
voorkomt ter eere van onze helden, of ter waardeering van den roem,
in tachtig jaren strijds door hen verworven:--neen, enkel dank-
en jubeltoonen over het ophouden van den krijg, over de zegeningen,
van den vrede te verwachten.

Het is die grondtoon "Vrede! Vrede!" in al de gedichten van Vondel
herklinkende, waaruit zich alleen het feit verklaren laat, dat hy,
en toen en tot aan zijn einde toe, by voortduring de dichterlijke
tolk bleef der gevoelens van de Amsterdamsche Regering:--en zulks
in weêrwil van de menigvuldige oorzaken, die schijnbaar tot geheel
andere gevolgen hadden moeten leiden. Immers sedert 1640 had Vondel
uit overtuiging de leer der Roomsgezinden omhelsd, en met den yver eens
jeugdigen bekeerlings, maar tevens met de geleerdheid van een belezen
theoloog, de beginselen dier leer verdedigd in uitgebreide dichtwerken,
even zeer uitmuntende door poëetischen gloed en schildering, als door
scherpzinnige dialektiek:--immers was, van dat tijdstip af, in Vondel
de Zuidnederlander meer dan vroeger ontwaakt, de Zuidnederlander,
met zijn Katholyke strekkingen en verzuchtingen, met zijn artistiek
gevoel, zijn gehechtheid aan legenden, aan overleveringen, aan
kerkplechtigheden en ceremoniën:--immers was hy met hart en ziel
een voorstander en verdediger geworden van het Goddelijk recht
der vorsten en had hy de afzwering van Filips als een misdaad
leeren veroordeelen en als een misslag betreuren:--immers was er
tusschen hem, den nu verarmden en nederigen burgerman, die noch tot
de heerschende Kerk behoorde, noch zelfs het poortrecht in de stad
zijner inwoning bezat, en het nakroost zijner voormalige medebroeders
in de Rederijkkamers--dat nakroost, 't welk thands, oppermachtig


    Gezeten op het schild met kruyssen overladen,


aan Koningen de wet voorschreef--een maatschappelijke verwijdering, een
kloof ontstaan, van hoedanig eene latere eeuwen geen voorbeeld kunnen
aanwijzen.--En toch in weêrwil van dat alles bleef de Paus- en Konings-
en Spaansgezinde artistieke burgerman tot aan zijn dood de getrouwe
bondgenoot en medestrijder van de gereformeerde, aristokratische,
materiëele Amsterdamsche Regering, met wier staatkunde, met wier
belangen, met wier denkwijze, met wier lief en leed hy zich als
vereenzelvigde, ja zoo zelfs, dat hy er op 't laatst zijn zoo innige,
door zoo veel gloeiende gedichten bewezen liefde voor 't Huis der
Stuarden aan ten offer bracht:--Maar die Regenten waren tegen de
vermeerdering van 't krijgsvolk, als hy: tegen de aanwassende macht
des Stadhouders, als hy: tegen al wat het oorlogvoeren bevorderen kon,
als hy: en van den anderen kant stonden zy die verdraagzaamheid voor,
welke hy steeds gepredikt had voor anderen, en nu ook voor zich en
zijn geloofsgenooten behoefde:--en hierin zoeke men de oplossing van
een raadsel, dat anders onverklaarbaar schijnen zoû.

Misschien was er nog een andere reden, die Vondel aan de Amsterdamsche
Regenten deed hechten, namelijk zijn gehechtheid aan Amsterdam. Vondel
was, wy herhalen het, meer Zuidnederlander dan Hollander: hy gevoelde
zich t'huis te Antwerpen, te Brugge, te Brussel, plaatsen, meer
dan eens door hem bezocht, beter dan te Rotterdam, te Delft of te
's Gravenhage, in welke steden het nog de vraag is of hy wel ooit een
voet gezet heeft. Maar Vondel was en bleef Amsterdammer. In Amsterdam
had hy van jongs af gewoond: hy had er geld verdiend en verloren:
hy had er lief en leed gekend, er dierbare panden in de wieg gezien
en ten grave gebracht: hy had er glorie en miskenning ondervonden:
en by dat alles hy had de stad zien worden wat zy was, de groote en
machtige, die, gelijk hy 't uitdrukte,


    Als Keyzerin de kroon droegh van Europe.


Al die wonderen, die met en uit het tijdvak dat wy beschrijven
binnen haar muren waren gerezen, die heerlijke driedubbele gordel
van prachtige kaaien, dat Stadhuis, als een achtste waereldwonder
gevierd, dat Zeemagazijn met zijn trotsche werven, die ter weêrszijde
uitgestrekte armen, door de Bikkers en Reaelen-eilanden aan de eene
en Katten- met Wittenburg aan de andere zijde gevormd, die het Y
omhelsden, die talrijke godshuizen, die Beurzen en marktplaatsen, dat
alles had Vondel zien ontstaan en in schitterende vaerzen bezongen:
het had stof aan zijn lier en zijn lier had er wederkeerig vermaardheid
aan geschonken: kon het anders, of hy moest liefde gevoelen voor die
waereldstad, zoo rijk, zoo welvarend, zoo prachtig, zoo schoon als
er toen geene bestond, en zoo als wy haar thands ons, zonder zijn
beschrijvingen, naauwlijks meer zouden kunnen voorstellen?

Intusschen, juist aan dat eigenaardig karakter van Katholyk,
Zuid-Nederlander en Amsterdammer tevens, waardoor Vondel zich
onderscheidde, is het waarschijnlijk toe te schrijven, dat zijn invloed
op onze taal en letterkunde niet zoo algemeen en bestendig was als men
dien zoû hebben moeten verwachten. Wel moest die zuivere frischheid van
taal, die ronding en losheid van altijd goed samengeschakelde, altijd
geleidelijk afloopende perioden, die gelukkige keus van beelden en
uitdrukkingen, die naauwkeurigheid in 't vermijden van bastertwoorden,
welke wy by hem, niet als by Hooft of de Groot door een vernuftige,
doch vaak gezochte en gekunstelde overzetting, maar door een inheemsch
woord van gelijke gehalte, vervangen zien, die Nederduitsche stijl in
een woord, waardoor hy niet enkel zijn voorgangers en tijdgenooten,
maar al wie na hem gekomen is, te boven streeft--wel moest, zeggen wy,
dat alles in wie met fijn gevoel en kieschen smaak bedeeld was en er
zijn werk van maakte ze te bestudeeren, hooge bewondering opwekken,
en daarby ook zucht om zoo schitterend een voorbeeld na te volgen--en
dit was dan ook met mannen als de Huydecopers en Bilderdijken
het geval;--maar de groote hoop bleef met de schatten, in Vondels
gedichten verzameld, onbekend. De meerderheid o

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/44863