Stuurman Flink; of, De schipbreuk van "De Vrede"
by Frederick Marryat · Dutch · Gutenberg #44758 · 696,450 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Stuurman Flink; of, De schipbreuk van "De Vrede"
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Stuurman Flink; of, De schipbreuk van "De Vrede"
Author: Frederick Marryat
Illustrator: Joh. Braakensiek
Translator: J. J. A. Goeverneur
Release date: January 26, 2014 [eBook #44758]
Most recently updated: October 24, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/44758
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK STUURMAN FLINK; OF, DE SCHIPBREUK VAN "DE VREDE" ***
STUURMAN FLINK
OF
DE SCHIPBREUK VAN "DE VREDE"
NAAR HET ENGELSCH
VAN
KAPITEIN MARRYAT
DOOR
J. J. A. GOEVERNEUR
Geïllustreerd door JOHAN BRAAKENSIEK
NEGENDE DRUK
AMSTERDAM--VAN HOLKEMA & WARENDORF
Typ. De Erven H. van Munster & Zoon, Amsterdam.
EERSTE HOOFDSTUK.
HET SCHIP DE VREDE. STUURMAN FLINK.
Het was in de maand October, 18**, dat De Vrede, een groot
koopvaardijschip, door harden wind gedreven, de wateren kliefde van den
wijden Atlantischen Oceaan. Het schip had slechts weinig zeil bij, want
de wind was zoo sterk, dat het doek door de woedende stooten en rukken
in flarden zou zijn gereten, en pijlsnel schoot het vaartuig over de
hooggaande golven, die het schuimend volgden en het beurtelings ten
hemel opbeurden of diep in de holle zee bedolven, zoodat men had kunnen
denken, dat het daaruit nooit weer zou te voorschijn komen. Evenwel
was het schip hecht en stevig en de kapitein een goed zeeman, die
alles deed, wat hij tot behoud van zijn bodem dienstig achtte.
De kapitein stond bij het stuurrad en hield een wakend oog op de
mannen aan het roer, want hierop vooral moet men acht geven, als het
schip recht vóór een harden wind zeilt. Terwijl hij hier zoo in het
rond en van tijd tot tijd ook naar de lucht zag, neuriede hij een
oud zeemansliedje, dat begint:
"'t Is alles water, wat men ziet,
En donkre, zwarte lucht!"
En zoo was het ook waarlijk. Zij dobberden midden op den oceaan, geen
ander vaartuig was te zien, de hemel was overdekt met donkere wolken,
welke de storm woedend voor zich uit joeg, de golven stapelden zich
tot bergen op en deden het schuim omhoogspatten, terwijl de wind
akelig door het want floot en huilde.
Buiten den scheepskapitein en de beide mannen aan het roer, waren er
nog twee andere personen op het dek: de eerste een knaap van omstreeks
twaalf jaren, de ander een oud, verweerd zeeman, wiens grijze haren
in den wind fladderden, toen hij naar het achterdek van het schip
ging en overboord keek.
Op eens zag de knaap, hoe een geweldig zware golf tegen den spiegel
van het schip kwam aanrollen. Angstig greep hij den oude bij den arm
vast en riep: "Kijk, zal die groote golf niet over ons heele schip
heen slaan, Flink?"
"Neen, Willem, wees maar gerust. Merkt ge niet, hoe ze ons schip in
de hoogte tilt? En kijk, nu is ze al onder ons door gegaan en zijn
wij gelukkig over haar heen. Maar 't kon licht gebeuren, dat een
tweede golf nog hooger klom, en dan zou het slecht met u afloopen,
als ik mijzelf en u meteen hier niet stevig vasthield. De zee zou u
zeker overboord spoelen."
"Ik houd niet van de zee, Flink; ik wou wel, dat we weer op het
vasteland waren," antwoordde de knaap. "Zie de golven daar recht
vooruit;--is 't niet, alsof ze van het schip geen stuk heel wilden
laten?"
"Ja, ja, ze zijn vrij wild, en daarbij loeien ze zoo, alsof ze boos
waren dat zij het schip niet in de diepte begraven kunnen. Maar daaraan
ben ik gewoon, Willem, en op een goed schip, met een braven kapitein
en wakker volk, ben ik niet bang voor zulk een storm."
"Maar vaak gaan er toch schepen ten gronde, en dan verdrinken allen,
die er op zijn, niet waar?"
"Ja, Willem, en soms vergaat wel eens een schip, terwijl het volk
aan boord daar het minst op bedacht is."
"Wat zijn dat toch voor kleine vogels, die zoo laag over het water
vliegen?"
"Ei, dat zijn moeder Carey's [1] kuikens, zooals wij zeelui ze
noemen. Ze vertoonen zich alleen bij storm, of als er boos weer
ophanden is."
"Zeg, Flink, hebt gij wel eens op een woest eiland schipbreuk geleden,
zooals Robinson Crusoë?"
"Ja, jongenlief, ik heb wel al schipbreuk geleden, maar van Robinson
Crusoë heb ik mijn leven niet gehoord. Er zijn zoovelen, die hun
schip verloren en zwaren nood hadden door te staan, terwijl nog ruim
zoovelen daarbij omkwamen en dus van hunne ontmoetingen niet meer
vertellen konden, dat het niet heel denkelijk is dat ik uit al die
menigte den man, dien gij daar noemt, zou gekend hebben."
"O, dat staat alles in een boek, dat ik gelezen heb. Ik kon het
u wel alles van stukje tot beetje vertellen--en wil dat ook doen,
zoodra de zee weer bedaard is; maar wees nu zoo goed en breng mij
weer naar beneden, want ik heb moeder beloofd niet al te lang hier
boven te blijven."
"En wat ge beloofd hebt, moet ge als een flinke jongen altijd houden,"
zei de oude man. "Kom, geef mij de hand maar, en ik zal wel zorgen,
dat ge zonder vallen of stooten door het luik komt. Als het beter
weer is, zult ge van mijne schipbreuk hooren en dan moet gij mij ook
eens zeggen, wat ge van dien Robinson Crusoë weet."
Met deze woorden bracht de oude zeeman den kleinen Willem tot aan de
deur der kajuit en keerde toen op het dek terug, waar hij de wacht had.
Stuurman Flink had nu al ruim vijftig jaren op zee rondgezworven;
hij was nog pas tien jaren oud, toen hij op een kolenschip als
koksjongen zijn eerste reis deed. Door zijn voortdurend verblijf in
de open lucht was zijn gezicht donkerbruin gekleurd en diepe rimpels
lagen in zijne wangen, hoewel hij nog altijd een flink en sterk man
was gebleven. Hij had jaren achtereen aan boord van een oorlogschip
gediend en daarop alle werelddeelen bezocht; hij wist dan ook vele
vreemde geschiedenissen te vertellen. Maar al klonken die ook nog zoo
vreemd, men mocht hem vrij gelooven, daar nooit een onwaar woord over
zijn lippen kwam.
Hij verstond de stuurmanskunst vrij goed, kon dus lezen en schrijven
en was een verstandig en braaf man. De naam Flink paste zeer goed voor
hem, want altijd was hij flink en vlug bij de hand en in oogenblikken
van nood en gevaar zoo welberaden, dat de kapitein hem niet zelden
om raad vroeg en zich daar gewoonlijk wel bij bevond. Op deze reis
bekleedde hij den rang van tweeden stuurman.
Zooals wij reeds weten, was De Vrede een fraai schip van meer dan
vier honderd tonnen en zoo hecht en sterk gebouwd, dat men het zeer
goed tegen een hevigen storm bestand kon achten. De tegenwoordige
bestemming van het vaartuig was Nieuw-Zuid-Wales, [2] waarheen het eene
kostbare lading Engelsche goederen had over te brengen. De kapitein
was een bekwaam zeeman en bovendien een braaf mensch van een altijd
vroolijk en opgeruimd humeur, die de dingen steeds in hun beste licht
beschouwde en ook, als 't geluk hem soms eens tegenliep, eer geneigd
was daarmee te lachen, dan dadelijk een zuur gezicht te trekken. Zijn
naam was Osborn. De eerste stuurman heette Mackintosh en was een
Schot. Ofschoon barsch en ruw van aard, nam hij toch zijn dienst
aan boord voorbeeldig waar en was een man, op wien kapitein Osborn
zich verlaten kon, hoewel deze anders niet van hem hield. Met Flink
hebben wij reeds kennis gemaakt en van de matrozen aan boord behoeven
wij niet meer te zeggen, dan dat zij in het geheel dertien in getal
waren. Dit was zekerlijk eene nauwelijks toereikende bemanning voor
zulk een groot schip en oorspronkelijk waren er ook meer geweest;
doch op den dag vóór het onder zeil gaan, hadden vijf mannen,
uit ontevredenheid over de behandeling, die Mackintosh, de eerste
stuurman, hun aandeed, het schip eensklaps weer verlaten, waardoor
de kapitein gedwongen was geweest in zee te steken, zonder anderen in
hunne plaats te hebben aangeworven. Gelijk in het vervolg blijken zal,
was dit voor het schip eene zeer noodlottige omstandigheid.
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE FAMILIE WILSON.
De jonge Willem was de oudste zoon eener familie, die uit vader,
moeder en vier kinderen bestond en zich thans in haar geheel aan boord
van De Vrede bevond. De vader, mijnheer Wilson, was een verstandig,
welonderricht man, die jaren lang een post bij het bestuur te Sidney,
de hoofdplaats van Nieuw-Zuid-Wales, bekleed had en nu, na een
driejarig verlof, uit Engeland derwaarts terugkeerde. Hij had van de
regeering een duizend of wat morgen land aangekocht; dit was sedert
aanmerkelijk in waarde gerezen en de schapen en veeteelt, waarop hij
zich toelegde, hadden hem reeds groote winsten opgeleverd. Gedurende
zijne afwezigheid in Engeland had zijn rentmeester zijne belangen met
veel zorg behartigd, en zelf bracht hij nu eene menigte voorwerpen
van allerlei aard mede, zoo tot verbetering zijner landerijen als tot
eigen gebruik, b. v. huismeubelen, gereedschappen voor den landbouw,
verschillende zaden en gewassen, rundvee en nog meer, te veel om op
te noemen.
Mevrouw Wilson was een lieve, zachte vrouw, die echter veel sukkelde
en allesbehalve sterk was. Op den oudsten zoon, Willem, een sterken,
vluggen knaap, vol geest en leven, volgde Thomas, een door en door
goede jongen van bij de acht jaar oud, maar zoo dom en onhandig,
dat er geen voorbeeld van was en men hem geen ommezien alleen kon
laten. Caroline, een meisje van zeven jaren, was het derde en de pas
éénjarige Albert het jongste kind. Tot oppassing van dezen laatste
vooral diende een jonge negerin van de Kaap de Goede Hoop, die naar
Sidney overgekomen en mevrouw Wilson naar Engeland gevolgd was. Wij
hebben nu al de personen aan boord van De Vrede opgenoemd; maar bijna
hadden wij onder de levende schepselen twee herdershonden van mijnheer
Wilson vergeten en een kleinen dashond, die de bijzondere lieveling
van zijn meester, kapitein Osborn was.
Eerst op den vierden dag na de losbarsting, begon de storm te bedaren
en nam allengs af, totdat hij eindelijk in bijna geheele windstilte
overging. De matrozen, die al dien tijd dag en nacht op het dek
gewaakt hadden, hingen hunne van regen en zeewater doorweekte
kleeren in het want te drogen en konden nu zelven rust nemen en
hunne krachten herstellen. Een zachte wind blies in de zeilen, de
zee was weer effen en het schip legde in zijne rassche vaart bij de
vijf mijlen in het uur af. Mevrouw Wilson had een mantel omgeslagen
en zat op eene bank op het achterdek. Haar man en hare kinderen waren
bij haar en verheugden zich in het kostelijke weer, toen ook kapitein
Osborn die met zijn sextant den stand der zon had waargenomen, met
een lachend gezicht op hen toekwam en riep:
"Wel Thomas, jongen, ge zult zeker wel hartelijk blij zijn, dat de
storm over is?"
"O, ik ben niet bang geweest," antwoordde Thomas. "Ik was maar boos,
dat ik altijd mijne soep stortte. Maar Juno is eens van haar stoel
gerold en lag met broertje op den grond te spartelen, totdat eindelijk
papa kwam en haar weer ophielp."
"Goddank, dat mijn kleine Albert zich niet doodelijk bezeerd
heeft!" zeide de moeder, met een blik vol liefde op haar kind.
"En dat zou hij zich zeker gedaan hebben, had Juno niet zoo geheel
alleen aan het kind en geen oogenblik aan zichzelve gedacht," zeide
de vader.
"Ja, dat is waar," hernam kapitein Osborn. "Zij redde het kind,
maar zal haar eigen hoofd wel terdeeg gevoeld hebben."
"Ikke een harden bons kreeg op mijn kop," verzekerde Juno en grijnsde,
dat hare witte tanden tot aan de ooren zichtbaar werden.
"Gelukkig, dat ge er zulk een dik wollig overtreksel over hebt,"
zei de kapitein lachend. "Maar word niet boos, Juno; waarlijk, ge
zijt een goed meisje, en wij allen houden veel van u."
"Het is twaalf uren naar de zon, mijnheer," kwam Mackintosh, de eerste
stuurman, den kapitein berichten.
"Maak mij dan de breedte op, stuurman, en ik zal terstond de lengte
berekenen. Over vijf minuten, mijnheer Wilson, zal ik u op de kaart
aanwijzen, waar wij ons thans op zee bevinden."
"Ha, daar komen ook onze honden eens boven kijken," riep Willem op eens
uit. "Ik wed, dat ze met dat mooie weer even blij zijn als wij. Hier,
Romulus! Remus hier!"
"Ei, mijnheer," zei Flink, die dicht bij hen stond, "ik heb u al lang
eens een vraag willen doen. Uwe honden daar hebben een paar zulke
wonderlijke namen, die ik in mijn leven nog niet gehoord heb. Romulus
en Remus--wie waren dat?"
"Zoo heetten twee broeders in den overouden tijd," antwoordde de
heer Wilson. "Zij waren als schaapherders opgewassen en bouwden de
stad Rome, die naderhand zoo beroemd en zoo machtig werd en waarover
Romulus als eerste koning regeerde."
"En verbeeld u eens, Flink; toen ze nog klein waren, werden zij door
eene wolvin gezoogd," vervolgde Willem. "Wat zegt ge van zoo iets,
man?"
"Door eene wolvin? Dat was zeker eene vreemde soort van minne voor
een paar jonge prinsen," antwoordde Flink.
"En Romulus sloeg zijn broeder dood."
"Geen wonder, als men rekent wat zoogster ze hadden," merkte Flink
aan. "Maar waarom deed hij dat?"
"Omdat Remus zoo goed springen kon," zeide Willem lachend.
"De jongeheer wil mij zeker wat wijsmaken?" riep Flink en zag den
vader vragend aan.
"Dat juist niet. De geschiedenis vertelt, dat Remus zijn broeder
om den lagen stadsmuur, die deze gebouwd had, bespotte en, om hem
te tergen, daar losweg overheen sprong. Dit moet Romulus zoo euvel
hebben opgenomen, dat hij hem in drift doodsloeg. Evenwel, op zulke
oude verhalen kan men niet altijd zoo vast staat maken."
"En ik wil ook niet hopen, dat beiden werkelijk broeders geweest zijn,"
hernam Flink; "hoewel--'t oude spreekwoord heeft het zoo mis niet:
"Twee meesters onder 't zelfde dak
Geeft altijd moeite en ongemak.
"Men hoort tegenwoordig nog wel eens van Rome spreken; is dat misschien
nog diezelfde stad?"
"Ja," antwoordde Willem; "het zijn de puinhoopen van die oude."
"Een mensch is toch nooit uitgeleerd," zeide Flink. "Vandaag heb ik
weer vrij wat nieuws gehoord, en dat kan men altijd en overal, als
men zijn mond maar tot vragen weet te gebruiken. Ik ben een oud man en
weet weinig buiten 't geen tot mijn beroep behoort; maar toch zou ik
veel minder weten, als ik geen onderzoek naar de dingen had gedaan,
zonder mij te schamen om voor mijne onwetendheid uit te komen. Dat
is het eenige middel om iets goeds te leeren, jongeheer."
"Gij geeft daar mijn zoon kostelijken raad, Flink;--en pas op, mijn
kind, dat gij dien nooit vergeet," sprak de vader. "Gij behoeft u
nooit te schamen, naar iets te vragen, dat gij niet weet of begrijpt."
"Dat doe ik ook altijd, vader. Heb ik u niet al naar heel veel dingen
gevraagd, Flink?"
"Ja, ja, dat hebt gij; en gij vraagt doorgaans vrij verstandig voor een
knaap van uwe jaren. Ik wou maar, dat ik uwe vragen beter beantwoorden
kon, dan ik daar soms toe in staat ben, lieve jongen."
"Nu zou ik toch liefst weer naar beneden willen, lieve," zeide mevrouw
Wilson eindelijk. "Flink zal wel zoo goed zijn den kleine voor mij
te dragen."
"Van harte gaarne, mevrouw," antwoordde Flink. "Komaan dan, Juno,
geef mij het kind en ga gij vooruit.--Ruggelings, domme meid! Hoe
dikwijls moet ik u dat nog zeggen? 'k Voorzie, dat gij nog eens hals
over kop de trap aftuimelt."
"En breken mijn nek," zei Juno.
"Ja, of een arm of een been! En wie zal dan het kind dragen?"
Zoodra allen weder in de kajuit waren, namen de kapitein en mijnheer
Wilson de kaart voor zich en zochten daarop de plaats, waar het schip
zich thans bevond. Zij zagen, dat zij nog dertig mijlen van de Kaap
de Goede Hoop verwijderd waren.
"Als de wind aanhoudt, kunnen wij daar morgen zijn," zeide mijnheer
Wilson tot zijne vrouw. "Misschien kan onze Juno daar haar vader en
moeder wedervinden."
De arme Juno schudde het hoofd, en de tranen rolden over hare donkere
wangen, terwijl zij vertelde, dat hare ouders een Hollandschen veeboer
toebehoorden, die met hen diep landwaarts in getrokken was. Zij was
nog maar een klein kind geweest, toen men haar van hare ouders afnam,
en had alleen in de Kaapstad moeten achterblijven.
"Maar nu zijt gij vrij, Juno," zeide mevrouw Wilson. "Gij zijt in
Engeland geweest, en allen, die dat land eens betreden hebben, zijn
van dat oogenblik af vrije menschen."
"Ja, mevrouw, Juno vrij zijn, maar Juno toch geen vader hebben en
geen moeder," antwoordde het arme meisje en weende bitter. De kleine
Albert sloeg nu echter de armpjes om haar hals, en weldra lachte zij
weer en speelde vroolijk met het lieve kind.
DERDE HOOFDSTUK.
KAAP DE GOEDE HOOP.
Den volgenden morgen zag men de Kaap voor zich en liet in de Tafelbaai
het anker vallen.
"Waarom noemt men dit hier de Tafelbaai, Flink?" vroeg Willem.
"Denkelijk is dat, omdat die groote berg daar de Tafelberg heet,
jongeheer, gij ziet, hoe zijn top heel vlak is."
"Ja waarlijk, hij is zoo vlak als eene tafel."
"Maar nu en dan ziet men witte wolken zich op eene zonderlinge wijze
rondom de toppen samenpakken en dan zeggen de zeelieden, dat de tafel
gedekt wordt, of ook wel, dat de berg zijn pruik opzet. Men ziet dat
niet graag, omdat er doorgaans ruw en stormachtig weer op volgt."
"Dan hoop ik dat die tafel, zoolang wij hier zijn, maar ongedekt mag
blijven. Wij hebben al storm en onweer genoeg gehad, en moeder is er
nog zwak en ziek van. Wat is dat eene mooie stad, Flink!"
"Wij zullen hier twee dagen voor anker blijven, mijnheer," kwam
kapitein Osborn den heer Wilson berichten, "en zoo gij en mevrouw
aan wal wenscht te gaan, is daar gelegenheid toe."
"Ik zal bij mijne vrouw gaan en het haar vragen," zeide Willems vader
en ging met dezen in de kajuit.
Mevrouw Wilson was zeer blijde, dat het schip nu althans eenigen tijd
stil zou liggen, maar voelde zich te zwak om aan land te gaan. Er
werd dus besloten, dat zij met de beide jongste kinderen aan boord
zou blijven, terwijl haar man de beide oudsten, Willem en Thomas,
den volgenden dag naar de Kaapstad medenam, van waar hij beloofde
nog vóór den avond terug te zullen zijn.
Den volgenden morgen liet kapitein Osborn een groote sloep uitzetten
en zich daarin met mijnheer Wilson, Willem en Thomas naar den wal
roeien. Thomas had aan zijne moeder beloofd, dat hij heel zoet en
gehoorzaam zou wezen; maar dat deed hij altijd en had het altijd
ook weer vergeten, zoodra hij haar maar uit het gezicht was. Van de
landingsplaats gingen zij naar een vriend van den kapitein, die in
de stad woonde. Hier bleven zij een half uur, om een glas limonade
te drinken, want het was zeer warm, en toen besloot men naar den tuin
van de Compagnie te gaan, om de wilde dieren te zien, die daar bewaard
werden. Willem was met dit plan zeer ingenomen en zijn broertje klapte
in de handen van blijdschap.
"Vader, waarom heet die tuin de tuin van de Compagnie?" vroeg Willem.
"Omdat hij door de Hollandsch-Oostindische Compagnie is aangelegd,
in den tijd, toen de Kaap nog aan de Hollanders toebehoorde. Het
is eigenlijk een plantentuin, waar men evenwel ook wilde dieren
bewaart. Vroeger had men er hier een groote menigte, doch tegenwoordig
zijn de reizigers er minder nieuwsgierig naar, daar men ze ook in
Europa genoeg te zien kan krijgen."
"En wat zullen we dan al zien?" vroeg Thomas.
"Gij zult leeuwen zien, mijn jongen, ik weet niet hoeveel wel,
allemaal in één hok bijeen," antwoordde kapitein Osborn.
"O, dat is goed! Ik heb nog nooit een leeuw gezien."
"Maar pas op, kind, dat gij niet te dicht bij het hok komt."
"Neen, zeker niet," beloofde Thomas.
Zoodra zij binnen het tuinhek waren wilde Thomas ontloopen, uit
ongeduld om de leeuwen toch vooral spoedig te zien, maar kapitein
Osborn haalde hem gelukkig weder in en hield hem nu stevig bij de
hand vast.
"Hier zijn een paar zonderlinge vogels," zeide de heer, die bij
hen was. "Men noemt ze secretarisvogels, om de veeren, die hun daar
achter aan den kop uitsteken, evenals de veer van de pen, die een
klerk of schrijver soms wel achter het oor draagt. Het zijn echter
zeer nuttige dieren, daar zij de slangen dooden en, als zij konden,
alleen van slangen en adders leven zouden. Zij pakken die beesten
met hunne klauwen aan en drukken ze met zooveel geweld, dat zij in
een oogenblik dood zijn."
"Vindt men veel slangen in dit land?" vroeg Willem.
"Ja, en zeer vergiftige slangen," antwoordde zijn vader, "waarom
deze vogels hier dan ook van groot nut zijn. Gij kunt daaruit zien,
Willem, hoe geen dier, vooral geen van de schadelijke soorten, zich
al te sterk vermenigvuldigen kan, maar op zijne beurt weer de prooi
van andere roofdieren wordt. En zoo is het overal; in elk land, waar
eenig dier in groote menigte voorhanden is, vindt gij ook zeker een
tweede, 't welk dat eerste vervolgt en tot buit maakt. De secretaris
bewoont dit land, waar slangen in menigte zijn, om deze te dooden;
in Europa daarentegen, waar minder vergiftige slangen zijn, zou deze
vogel ook weinig nut doen."
"Maar, vader, sommige dieren, zooals de leeuw en de olifant zijn zoo
groot en sterk, dat andere ze bijna niet vernielen kunnen."
"Dat is waar, maar die grootere dieren vermenigvuldigen zich niet
zoo sterk als andere en daarom neemt hun aantal ook veel minder
schielijk toe. Een paar olifanten b. v. krijgt in den tijd van twee
of meer jaren maar één enkel jong, terwijl de konijntjes, die de
buit van zooveel andere dieren en vogels zijn, tot in het oneindige
vermeerderen zouden, indien hunne toeneming niet op die wijze werd
te keer gegaan. Ik heb ergens gelezen, dat een paar konijnen met hun
gebroed, dat zich even snel weer vermeerdert, in een enkel jaar tot
vele honderden kan aangroeien."
Onder zulke gesprekken had men het verblijf der leeuwen weldra
bereikt. Het was een ruim, rond plein, dat, van boven open en rondom
tusschen hooge muren besloten, slechts eene enkele opening voor de
toeschouwers had. Deze opening was breed en van boven tot onder met
hechte ijzeren staven bezet, die echter zoo ver van elkaar afstonden,
dat de leeuwen er met hunne klauwen wel tusschendoor konden tasten,
waarom de kinderen dan ook gewaarschuwd werden, er vooral niet te
dicht bij te komen. Het was kostelijk om te zien, hoe acht of tien
van die edele dieren daar in allerlei houding in het rond lagen, zich
koesterden in de heete zon en met hunne breede, borstelige staarten
den grond zweepten, zonder zich, naar 't scheen, aan de menschen
daar buiten in het minst te storen. Willem bleef op een behoorlijken
afstand van de tralies staan en keek aandachtig toe. Ook de kleine
Thomas zette groote oogen op en was in den beginne niet weinig bang;
maar dat ging over en hij werd spoedig stouter. De heer, die bij hen
was en langen tijd aan de Kaap gewoond had, verhaalde eenige zeer
onderhoudende anecdoten aangaande den leeuw, waarnaar het gansche
gezelschap zoo aandachtig luisterde, dat niemand merkte, hoe Thomas
opnieuw ontsnapt en naar den ingang van het leeuwenhok teruggeloopen
was. Hij stond eerst een tijdlang naar de dieren te kijken, maar wilde
toen ook, dat zij eens wat beweging maken zouden. Om hen hiertoe te
dwingen, nam hij eindelijk een steen op en wierp dien naar den jongen,
nagenoeg driejarigen leeuw, die het dichtst bij den ingang lag. Deze
scheen dit niet te bemerken, want hij verroerde zich niet, ofschoon
hij het oog niet van den onvoorzichtigen knaap afwendde. Hierdoor
werd onze Thomas gedurig stouter, wierp nog een steen en nog een en
kwam daarbij telkens dichter bij het hok.
Op eens hief de leeuw nu een vreeselijk gebrul aan en sprong op Thomas
los, terwijl hij met zulk een woede tegen de ijzeren staven van zijn
hok opvloog, dat deze kletterden en dreunden en de kalk op enkele
plaatsen van de steenen viel. Doodelijk verschrikt, gilde de jongen
het uit en tuimelde achterover in het gras, 't geen zijn behoud was,
want ware hij voorovergevallen, dan zou het dier hem zekerlijk met
zijne klauwen hebben aangepakt. Zijn vader en kapitein Osborn schoten
dadelijk toe en hielpen hem op. Zoodra hij weder adem kon halen,
begon hij te huilen van angst, terwijl de leeuw voor de tralies stond
en brullend en loeiend met den staart in het rond sloeg.
"Breng mij weg,--breng mij weer op het schip!" kreet Thomas en trilde
als een blad.
"Wat hebt gij gedaan, jongen?" vroeg kapitein Osborn.
"Ik zal u nooit weer met steenen gooien, heer leeuw; neen, neen,
nooit van mijn leven meer!" riep de knaap en zag ontzet naar het
vergramde dier om.
De heer Wilson bracht hem zijne onvoorzichtigheid ernstig onder het
oog, en van lieverlede kwam hij nu tot bedaren, maar was toch niet
gerust, voordat men van de leeuwen niets meer hooren of zien kon.
Zij bezochten thans ook nog de overige dieren, die hier te zien
waren, en van nu af aan hield Thomas zich van alle op een eerbiedigen
afstand. Zelfs waagde hij het niet bij een schaap te komen, dat op
de Kaap thuis behoort en een dikken vetstaart van verscheiden ponden
zwaarte heeft.
Na alles bekeken te hebben, gingen zij weder naar het huis van den
vreemden heer, die hun te eten had verzocht, en na den maaltijd keerden
allen naar het schip terug. Toen Thomas' moeder van het avontuur
hoorde, dat hij met den leeuw had gehad, verzekerde zij, dat zij zulk
een ongehoorzaam kind nooit weer uit haar gezicht zou laten gaan.
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN STORM OP ZEE.
Den volgenden morgen werden levensmiddelen en versch water aan boord
genomen en zette De Vrede opnieuw hare zeilen in top, terwijl men
alle hoop op eene voorspoedige reis begon op te vatten, daar het
schip dagen achtereen met goeden wind zijne vaart vervolgde. Dit was
nochtans niet van duur. Er volgde eene windstilte die bijna drie volle
dagen aanhield, en gedurende dezen tijd was ook zelfs geen schijn van
wind op de breede watervlakte te bespeuren. De geheele natuur scheen
in diepe rust verzonken, en geen ander levend wezen vertoonde zich,
dan nu en dan een enkele albatros, die met half geopende vlerken
het schip een tijdlang bijbleef en de stukjes brood oppikte, die men
overboord uitstrooide.
"Wat is dat voor een groote vogel, Flink?" vroeg Willem.
"Dat is een albatros, Willem, de grootste zeevogel dien wij hebben. Ik
zag er eens een schieten, wiens uitgestrekte vlerken van het eene
tot het andere einde wel ruim elf voet lang waren."
"Dat is de eerste, dien ik ooit gezien heb."
"Omdat men ze ten noorden van de Kaap ook zelden vindt. Men zegt,
dat zij onder het vliegen slapen kunnen en zich dan met den kop op
de vlerken hoog boven in de lucht laten drijven."
"Hoe komt het, vader," vroeg Willem dezen, die naast hem stond,
"dat onder de vogels de een zwemmen kan en de ander niet? Weet gij
nog, toen Thomas eens een van onze hoenders in den grooten vijver
had gejaagd, hoe het arme beest in het water omspartelde tot zijne
vleugels nat werden en het niet langer kon boven houden, zoodat het
verdrinken moest? Hoe maakt een zeevogel het dan, om zich zoo lang
boven water te houden?"
"De zwemvogels, mijn jongen, zijn van eene soort van olie voorzien,
waarmede zij hunne vederen van buiten bestrijken, en deze olie maakt
dat het water daar niet indringt. Hebt gij nooit van eenden op het
land gezien, hoe zij met den snavel in hare vederen omplozen? Zij
gebruiken dan die olie, om de veeren waterdicht te maken."
"Hoe vreemd!"
"Ja, wel merkwaardig.--Maar, daar komt Juno zeggen, dat de thee
gezet is."
Den derden dag na het invallen der stilte meende kapitein Osborn
uit het diepe dalen van zijn barometer te moeten opmaken, dat er een
hevige storm ophanden was, en verzuimde dus niet, alle toebereidselen
te maken, om dien bij zijn losbreken het hoofd te bieden. En inderdaad
had hij zich niet bedrogen. Tegen middernacht stegen plotseling donkere
wolken aan den hemel op en pakten zich allengs dichter en dreigender
opeen. Vlammende bliksemstralen doorkruisten in alle richtingen de
nachtelijke duisternis, en toen de wolkgevaarten hooger klommen, stak
ook de wind op, doch aanvankelijk slechts met enkele zware rukken,
die eerlang weder door doodelijke stilte werden gevolgd.
"Uit wat hoek, Flink, denkt ge, dat wij den wind te wachten
hebben?" vroeg kapitein Osborn.
"Om u de waarheid te zeggen, kapitein, geloof ik niet, dat hij lang
in ééne richting blijven zal. Het zal eerst misschien duchtig uit
het noorden blazen, maar dan, denk ik, zal hij wel spoedig naar eene
andere streek overslaan en dan ons nog veel harder op het lijf vallen."
"Wat zegt gij, Mackintosh?"
"Wij zullen wind genoeg hebben en een duchtig aanhoudenden storm
bovendien," antwoordde deze. "Hoe eer wij de luiken schalmen, des te
beter zal het zijn."
De heer Wilson had met Willem dit gesprek aangehoord, en daar Flink
op het gelaat van zijn jongen vriend bij die laatste woorden eenige
ongerustheid meende te lezen, klopte hij hem op den schouder en
vermaande hem, zich niet vóór den tijd beangst te maken.
"Voor mijzelf ben ik niet bang, Flink," verzekerde de moedige knaap;
"maar moeder is deze beide laatste dagen weer zoo zwak geweest,
dat ik om háár wel wenschen zou, dat de storm uitbleef."
"Maar, Flink," vroeg de kapitein verder, "wat doet u denken, dat de
wind draaien zal?"
"Och, ik weet het zelf niet," antwoordde de oude man; "misschien vergis
ik mij ook en kan stuurman Mackintosh gelijk hebben. De wind komt uit
het noordoosten; zooveel schijnt althans zeker." Met deze woorden trad
hij op het nachthuisje toe en zag opmerkzaam op het kompas. Vader en
zoon keerden inmiddels naar de kajuit terug, en ook Mackintosh ging,
om de noodige orders aan het volk te geven. Zoodra allen weg waren,
vervoegde Flink zich weder bij den kapitein en zeide:
"Kapitein, het past mij niet, den stuurman tegen te spreken, maar in
een geval als dit moet ieder vrij voor zijn gevoelen uitkomen. Ik zou
het mijne ook verdedigd hebben, als de vreemde heer met zijn zoon er
niet bijgestaan hadden; maar nu wil ik u wel zeggen, dat wij nog iets
ergers dan een storm te wachten hebben. Ik ben vroeger al meer onder
deze breedte geweest en ben een oud zeeman, zooals gij weet. Daar is
iets in de lucht, dat bemerkte ik voor drie dagen al. Ik ben zeker,
dat het niet tot een storm, neen, dat het tot een volslagen orkaan
komen zal,--en wat het ergste daarbij is, dat die denkelijk veel
langer zal aanhouden, dan een storm doorgaans doet. Ik heb nauwkeurig
op alles gelet en zelfs de vogels zeggen mij zoo, en die bedriegen
nooit, daar het de natuur zelve is, die hen onderricht. De stilte tot
hiertoe was niets anders dan de rust van den wind, die altijd zijn
hevigst woeden voorafgaat.--En nu weet gij mijne vaste overtuiging."
"Ik vrees, man, dat gij maar al te zeer gelijk hebt. Zorg dan,
dat de bramraas neerkomen en laat al de kleine zeilen in de marsen
opruimen. Besla den bezaan en doe den gaffel strijken. Ik wil zelf
mee naar voren gaan."
Er was werkelijk geen tijd te verliezen; want aan deze bevelen was
nauwelijks voldaan, toen reeds een heftige storm uit het noordoosten
losbrak. De zee rees met ontzettende snelheid; in allerijl werd
het eene marszeil na het andere geborgen en het vaartuig vloog,
enkel met gereefde fok en stormstagzeilen, door den wind gedreven,
over de donkere golven. Slechts met de grootste inspanning gelukte
het den drie mannen aan het rad, het roer vast te houden, zoo geweldig
sloeg de hooggaande zee tegen de zijden van het schip. Niet een enkele
onder de bij andere gelegenheden zoo zorgelooze matrozen waagde het
gedurende dezen nacht een oog te sluiten, en in angstige verwachtingen
zagen allen het aanbreken van den dag te gemoet. Tegen drie uren in
den morgen ging de wind plotseling liggen, doch slechts voor eenige
minuten, waarop hij, gelijk Flink voorspeld had, weder met nieuwe
woede uit een anderen hoek het schip bestookte en de laatste zeilen
aan flarden scheurde, die nog eenigen tijd aan de raas fladderden en
eindelijk door den storm ver lijwaarts geslingerd werden.
De hemel was in dikke duisternis gehuld en alleen het schuim, dat de
woelende zee rondom het schip deed opspatten, verspreidde nu en dan een
zwakken, akeligen lichtglans. De wind was nu naar het west-noordwesten
gedraaid en zoo moest ook het schip zijn koers veranderen en was
men gedwongen zich aan het geweld van den orkaan over te geven. Dit
geschiedde ook, doch hieruit ontstond een nieuw bezwaar, want daar
de zeeën in de vroegere windrichting uit het noordoosten liepen,
kreeg het schip die op eenmaal dwars in, gelijk de zeelieden het
noemen, en sloegen ieder oogenblik stortzeeën overboord, die alles,
wat niet vaststond, wegspoelden. Zoo werd ook een der matrozen van
het dek afgerukt en was reddeloos verloren, daar in zulk een orkaan
aan pogingen tot redding niet te denken viel. Kapitein Osborn stond
op het achterdek en hield zich aan een van de korvijnagels vast,
terwijl hij Mackintosh, die bij hem was, toeriep:
"Wat dunkt u, hoe lang kan dat nog duren?"
"Misschien langer dan het schip zelf," antwoordde de stuurman met
allen ernst.
"Dat wil ik nog niet hopen," hernam de kapitein; "en erger kan het
toch niet worden. Wat zegt gij, Flink?"
"We hebben nu meer van ginder boven dan van de zee onder ons te
vreezen," riep de tweede stuurman en wees naar de nokken van de raas,
aan beide einden waarvan de electrische stof als kleine vuurballen
vlamde. "Zie die twee wolkjes, die op elkaar stooten; als ik...."
Flink had geen tijd om uit te spreken, daar een blauwe bliksemstraal
den toeschouwers het gezicht verblindde en hen toen eenige seconden
achtereen in zwarte duisternis hulde. Daarop volgde een vreeselijke
donderslag, die het schip in zijn gansche lengte deed sidderen en
schudden. Een dof gekraak--een ontzettende slag--een doffe kreet
werd gehoord, en toen zij de verblinde oogen weer opslaan konden,
zagen zij den fokkemast als een dun riet tot beneden toe gespleten
en het schip in lichtelaaien gloed. De mannen aan het rad, geheel
verblind en verbijsterd door het licht, konden het roer niet langer
regeeren; het schip loefde op--krak! daar sloeg de groote mast over
zij--en alles was opschudding en verwarring. De Vrede was op eenmaal
een hulpeloos wrak geworden.
Gelukkig--want anders ware alles reddeloos verloren geweest--werd
de vlam door de zware golven, die over den bak heenrolden, spoedig
gebluscht, doch nu lag het schip weerloos, aan de golven ten prooi,
hevig te stooten tegen de overboord geslagen, slechts door het want
nog vastgehouden masten. Zoodra zij van hun eersten schrik bekomen
waren, liepen Flink en de eerste stuurman naar het rad en zochten het
schip weder voor den wind te brengen; doch hunne poging mislukte, want
fokkemast en hoofdmast waren weg en alleen de bezaansmast was nog over,
waardoor het schip juist belet werd naar het roer te luisteren. De
wakkere Flink liet twee matrozen dit laatste aanvatten; terwijl hij
Mackintosh een teeken gaf want de wind huilde nu te sterk, dan dat
men elkanders woorden nog had kunnen verstaan, eene bijl opgreep en
het bezaanswant van zijn mast loshakte. De kruissteng en de top van
den bezaansmast stortten overboord en zoo gelukte het hun eindelijk,
het vaartuig voor den wind te brengen. Het vereischte nu nog veel tijd
en inspanning, het wrak geheel van zijne masten vrij te maken, en toen
men eindelijk tijd kreeg om op het dek rond te zien, vermiste men vier
man, die door den bliksem gedood of onder den fokkemast verpletterd
waren, zoodat thans, buiten kapitein Osborn en de beide stuurlieden,
nog maar acht matrozen aan boord overig waren.
VIJFDE HOOFDSTUK.
HET WRAK.
Een zeeman geeft in het gevaar den moed niet op, zoolang hij nog
eenige kans ziet om zich door eigen inspanning van het verderf te
redden. Het verlies van hunne kameraden, die zoo plotseling uit hun
midden gerukt waren,--de ellendige toestand van het schip,--de woeste
golven, die hen als in een breeden waterkuil dreigden te begraven,
het huilen van den orkaan,--de sissende bliksem,--het ratelen van den
donder--dat alles kon hen niet weerhouden te doen, wat de nood van
hen eischte. Mackintosh, de eerste stuurman, verzamelde zijn volk
en sloeg zelf de handen aan het werk, om een blok en strop aan den
nog rookenden stomp van den fokkemast vast te maken. Een touw werd
door het blok geschoren en het groote bramzeil opgeheschen, zoodat
het wrak weder met versnelde vaart voor den wind uitvloog en beter
naar het roer luisterde.
Het schip was weer voor den wind, en in vergelijking met vroeger
tamelijk zeker, hoewel de narollende baren het van tijd tot tijd
geweldig schokten. Andermaal begon de avond te vallen en nog was aan
geen rust te denken. De manschap was door de onophoudelijke inspanning
reeds ten hoogste afgemat. Kapitein Osborn en Flink waren meermalen
in de kajuit geweest, om de beangste passagiers te troosten en gerust
te stellen. Buiten zichzelven van angst en bezorgdheid, was mevrouw
Wilson ernstig ongesteld, en haar man waakte aan haar bed. De kinderen
werden vermaand in de hut bedaard te blijven en de kleine kwam niet
uit de armen der onvermoeide en zorgdragende Juno.
Reeds liep de derde dag van den storm ten einde en nog deden zich
geene geruststellende teekens op. Door het onophoudelijk breken der
stortzeeën over het achterschip, waren de kompashuisjes weggespoeld en
men kon nu niet langer den koers, waarin het schip tot hiertoe gestuurd
was, noch den doorloopen afstand bepalen. Het vreeselijk beuken en
stooten der golven had reeds een lek teweeggebracht en zooveel was met
zekerheid vooruit te zien, dat, zoo de storm niet spoedig bedaarde,
de bodem niet lang meer tegen de zee bestand zou zijn.
Van dit oogenblik af stonden angst en moedeloosheid op des kapiteins
gelaat te lezen. De verantwoordelijkheid, die op hem rustte,
drukte hem zwaar;--zelfs als nog enkelen er het leven afbrachten,
had hij een kostbaar schip en eene nog veel kostbaarder lading te
verliezen. Men naderde immers thans een punt, waar de oceaan met lage
koraalriffen en eilandjes bezaaid was en moest met recht vreezen,
in den tegenwoordigen hulpeloozen toestand, zonder een enkel middel
van tegenstand, door wind en golven op een daarvan geworpen te worden.
De oude stuurman stond naast hem, toen de kapitein zeide:
"Ik heb slechten moed, Flink. Wij loopen het gevaar in den mond en
hebben geen middel om het te ontwijken."
"Dat is, helaas, zoo; alle middelen zijn ons benomen."
"Er was menig man," sprak kapitein Osborn met ernst, "die mij benijdde,
toen ik dit fraaie schip onder mij kreeg. Zou thans een hunner met
mij willen ruilen?"
"Ik denk voor 't naast--neen, kapitein, ofschoon geen mensch weet wat
de dag van morgen mee kan brengen. Vol hoop liept gij met dit schip
het zeegat uit; nu voelt gij, niet zonder grond, zoo iets, dat veel
van moedeloosheid heeft. Maar wie weet? In allen gevalle hebt gij uw
plicht gedaan en geen braaf man kan meer doen. Ik wou maar, kapitein,
dat Mackintosh niet zoo schrikkelijk vloekte. Ik verbeeld mij altijd,
dat de storm er sterker om huilt."
"Gij hebt gelijk," was het antwoord; "maar houd vast, Flink: daar
komt weer eene zee."
Onze vriend had nog even tijd, om met beide handen de korvijnagels beet
te pakken, toen zulk een watervloed zich over het schip uitstortte, dat
zij een tijdlang met de voeten van boord werden gespoeld. Echter lieten
zij hun houvast niet los en konden eindelijk weer op de been komen.
"Dat heeft hem weer een knauw gegeven, wed ik," zeide Flink en nam
den hoed af om het water weg te schudden.
"Zoo vrees ik; het beste schip, dat ooit zee bouwde, is tegen zulke
stooten niet bestand," antwoordde de kapitein. "En nu juist, met ons
doodmoe volk, zie ik geen mogelijkheid, om meer zeil bij te krijgen."
Den geheelen nacht door schoot het schip weder met vogelsnelheid over
het water voort. Met het krieken van den dag ging de storm liggen en
werd de verbolgen zee bedaarder; maar nog altijd moest men het schip
voor den wind houden, want nadat dit reeds zoo geteisterd was, durfde
men niet bijsteken. Men maakte thans toebereidselen, om noodmasten op
te richten en de vermoeide matrozen waren daar juist druk mede bezig,
toen de heer Wilson met zijn zoon Willem op het dek kwam.
Willem staarde in het rond. Tot zijne verbazing zag hij, hoe de slanke
masten met al hunne touwen en zeilen verdwenen waren en het gansche
dek in een staat van wanorde en verwarring voor hem lag.
"Zie, mijn jongen," sprak de vader, "wat ellende en vernieling hier
heeft plaats gehad. Zie nu, 's menschen trotschheid is vernederd."
"Ja, Willem," riep Flink hem toe; "zie maar eens aandachtig rond!"
"Maar vader," vroeg Willem na eene poos, "hoe moeten wij nu zonder
masten en zeilen naar Sidney komen?"
"Wel, vriend Willem," antwoordde Flink, "wij moeten alles doen, wat
maar in onze macht staat. Wij zeelieden staan zelden lang verlegen
en, als 't goed gaat, zult gij ons vóór den nacht wel weer onder een
lap of wat zeil zien. Wij hebben onze groote masten verloren; daarom
moeten wij noodmasten opzetten, zooals men ze noemt--of kleine masten
met klein zeil, en die brengen ons ook misschien nog wel naar Sidney
toe.--Hoe maakt de goede mevrouw het, mijnheer?" vervolgde Flink,
zich tot den vader keerende. "Is zij wat beter?"
"Ik vrees, dat zij zeer ziek en zwak is," was het antwoord. "Alleen
goed weer kan haar weer eenigszins doen bijkomen. Denkt gij, dat het
nu opklaren zal?"
"Neen, mijnheer, om u de waarheid te zeggen, vrees ik, dat het nog
erger gaat spoken. Ik heb den kapitein mijne gedachten niet gezegd,
want een mensch kan zich vergissen; maar toch, ik blijf er bij--ik heb
niet tevergeefs volle vijftig jaren op zee omgezwalkt. De nevelbank,
die daar ginder bijeentrekt, bevalt mij niet en 't zou mij niet
verwonderen, als het nog eens uit denzelfden hoek begon te blazen en
wel nog voordat het nacht wordt."
"Het zij zoo!" sprak de heer Wilson. "Echter vrees ik zeer voor mijne
vrouw, die al zoo door de zeeziekte verzwakt is."
"Daarover zou ik mij niet al te ongerust maken, mijnheer, want ik
heb nog nooit gehoord, dat menschen aan die kwaal gestorven zijn,
hoeveel zij er ook door te lijden hadden.--Weet gij al Willem, dat
wij eenigen van ons volk verloren hebben in den tijd, dat gij niet
boven geweest zijt?"
"Neen, ik hoorde den kok daar wel iets van mompelen, maar wilde hem
niet vragen, omdat moeder reeds zoo in angst was."
"Dat was heel braaf van u, mijn jongen; maar denk eens: we hebben vijf
van onze rapste en beste matrozen verloren. Seevers werd overboord
geslagen,--Fennings en Master zijn door den bliksem gedood,--en Jones
en Emery zijn door den vallenden fokkemast getroffen. Gelooft gij
wel, Willem, dat niet één dezer lieden er aan dacht, toen wij de
Kaap verlieten of zelfs maar een dag of een enkel uur voordat het
geschiedde, dat weldra hunne lichamen honderden mijlen ver van het
land op zee zouden omdobberen?"
"Ik ben van oordeel," zeide mijnheer Wilson, "dat een zeeman eigenlijk
geen recht heeft om te trouwen."
"Dat is ook altijd mijn gevoelen geweest," antwoordde Flink; "en
zeker, menige arme verlaten matrozenvrouw, als zij 's nachts op haar
bed naar den storm en regen luisterde, heeft evenzoo gedacht."
"Met mijne toestemming," vervolgde de vader, "zullen mijn zoons
nooit ter zee gaan, zoolang ik nog een andere betrekking voor hen
vinden kan."
"En gij hebt gelijk, mijnheer Wilson. Men zegt wel, dat het niets
helpt, een knaap tegen te houden, wanneer hij zich het varen eens in
het hoofd heeft gezet;--maar ik voor mij denk in dat geval anders. Ik
geloof, dat een vader recht heeft om neen te zeggen; want ziet gij,
mijnheer, zoo jong als zulk een knaap het baaitje aantrekt, heeft hij
nog zijn volle verstand en oordeel niet. Ieder stoute, moedige jongen
wil het zeegat uit,--dat is heel natuurlijk; maar als de meesten onder
hen voor de ronde waarheid uitkwamen, zouden zij moeten zeggen, dat
het niet zoozeer het verlangen naar zee was, dat hen verleidde, als
wel de wensch, om de school of zelfs het vaderlijk huis te verlaten,
waar zij onder het opzicht van meesters of ouders stonden."
"Juist, juist, Flink; zij willen onafhankelijk zijn en dat hopen zij
op zee te worden."
"Maar daar bedriegen zij zich geweldig in; want, geloof mij, op de
gansche wijde wereld wordt geen slaaf zoo gekweld en geplaagd, als
zulk een arme knaap in de eerste tien jaren van zijn zeeleven. Voor
ééne berisping, die hij aan land verdient, krijgt hij aan boord
tiendubbel slagen en nooit vindt zulk een mensch de liefde en de
genegenheid weder, die hij op vasten wal achterliet. Het is een hard
leven en er zijn slechts enkelen, die het zich niet bitter beklaagd
hebben en niet gaarne zouden willen terugkeeren--als hunne schaamte
hen daarvan niet terughield."
"Dat is de zuivere waarheid, Flink, en daarom geloof ik ook, dat een
vader ten volle recht heeft, als hij zijn zoon niet toelaat, ter zee
te gaan, zoolang hij hem op eenige andere wijze een behoorlijk bestaan
kan verschaffen. Het zal daarom toch nooit aan matrozen ontbreken,
daar er nog altijd arme jongens in menigte zijn, voor wie hunne
betrekkingen niet beter zorgen kunnen, en voor zulke lieden is de
zee zekerlijk de beste keus, daar zij hier geen ander kapitaal dan
moed en ijver tot hunne bevordering noodig hebben."
"Datzelfde heb ik ook steeds gedacht, mijnheer," hernam Flink. "Maar
hoe maakt uw zoon Thomas het toch, en de andere kleinen en de arme
Juno?"
"Die zijn allen vrij wel, behalve dat zij zich nu en dan door
uitglijden eens wat zeer deden, als het schip zoo geweldig
slingerde. Maar ik mag hier niet langer blijven," vervolgde de heer
Wilson; "mijn arme vrouw zal naar mij verlangen. Wilt gij nog langer
op het dek blijven, Willem?"
"'t Is beter, dat hij met u omlaag gaat;" zeide Flink; "wij allen
hebben hier de handen te vol en ik kan mij niet met hem bemoeien. Dezen
nacht hebben wij weer geen rust te wachten, 't moge gaan hoe 't wil,
daar ons getal thans zoo klein is. Goedennacht dan, heerschappen,
rust wel!"
ZESDE HOOFDSTUK.
ALS HET WATER TOT DE LIPPEN KOMT, IS OOK VAAK UITKOMST NABIJ.
Toen vader en zoon in de kajuit kwamen, vonden zij er dadelijk handen
vol werk. De hofmeester had een schotel erwtensoep voor de kinderen
gebracht en deze was brandend heet. Thomas, die naast zijn zusje in
't bed overeind zat, had Juno, die met den rechterarm haar kleinen
Albert vasthield, het bord uit de linkerhand getrokken en dit in zijn
ongeduld over de arme Caroline uitgestort, die een kreet gaf van pijn;
terwijl Juno, vol verlangen om Caroline te helpen, opgesprongen en op
den grond gevallen was met den kleine, die, hoewel niet bezeerd, nu
ook een geduchte keel opzette. Tot overmaat van ramp was Juno op des
kapiteins dashond neergekomen en deze had haar daarvoor in het been
gebeten, waarop ook Juno het luid uitschreeuwde en mevrouw Wilson,
bevend en radeloos van angst, zich van hare kussens had opgericht
en gaarne had willen, maar niet kunnen helpen. Daar kwam haar man
gelukkig nog juist bijtijds, om Juno met den kleine op te helpen. Hij
zocht vervolgens de arme Caroline tot bedaren te brengen, die zich,
gelijk nu bleek, nog niet zoo erg gebrand had, als men verwachtte.
"Massa Thomas ben toch stout ondeugend jonk," jammerde de negerin
en wreef zich het been. De "ondeugende jonk" oordeelde maar 't best,
zich stil te houden;--hij werd terdeeg beknord. De hofmeester kwam de
tafel schoonmaken, en zoo keerde alles eindelijk weder tot de vorige
orde terug.
Onderwijl was men ook op het dek niet werkeloos gebleven. De timmerman
had eene opening voor een der stengen gemaakt, die den grooten mast
moest vervangen; terwijl het andere volk het want weder in gereedheid
bracht. Ongelukkig had het schip een lek gekregen en vier handen
waren aan de pompen bezig en moesten daar bijna voortdurend werkzaam
zijn. Gelijk Flink voorzegd had, was ook de nacht niet daar, of de wind
verhief zich weder, de zee werd holler en woester en het lek nam zoo
toe, dat men elk ander werk moest opgeven, om alleen bij de pompen te
blijven. Zoo duurde de storm twee volle dagen lang, totdat de geheel
uitgeputte matrozen te laatste ook niet meer pompen konden. Aan den
gang van het schip was te zien, dat er reeds veel water in het ruim was
binnengedrongen, en thans--om het ongeluk ten top te voeren--gebeurde
er nog eene nieuwe ramp, die de ernstigste gevolgen had.
Kapitein Osborn was vóór op het schip en gaf eenige orders aan zijn
volk, toen de blokstrop, die de groote bramra aan den stomp van den
fokkemast vasthield, eensklaps losging, zoodat ra en zeil op het dek
neerploften en den kapitein bewusteloos deden neervallen. Zoolang
hij aan hun hoofd had gestaan, hadden de matrozen, vol eerbied voor
zijne erkende bekwaamheid als zeeman en bemoedigd door het hem eigen
goed humeur, hunne taak gaarne en gewillig verricht, maar thans,
nu hij, zoo al niet dood, toch in allen gevalle buiten kennis en
tot handelen niet in staat was, thans werd het op eenmaal anders en
ontbrak het geheel aan het vereischte gezag. Mackintosh was bij het
volk te weinig bemind, dan dat zijne woorden eenigen invloed hadden
kunnen uitoefenen. Zij sloegen zijn vermaningen en bevelen in den
wind en staken de hoofden bijeen, om onderling te beraadslagen.
"Het ergste is geleden. De orkaan is gebroken, mannen, en wij hebben
nu goed weer te wachten," merkte Flink aan en vervoegde zich bij de
matrozen aan het volkslogies. "De wind is haast op, zooals gij zelven
zien kunt."
"Ja, en het schip is ook haast op," antwoordde een matroos; "daar is
nog veel minder aan te twijfelen."
"Een paar uren stevig aan de pompen gewerkt, dat zou nu goed doen,"
vervolgde Flink. "Wat zegt gij, jongens?"
"Een stevig oorlam zou ons meer goed doen," hernam de zeeman. "Wat
zegt gij, jongens? De kapitein, als hij spreken kon, de arme drommel,
zou ons dat zeker niet weigeren."
"Wat zijt gij van zins, jongen?" vroeg Mackintosh. "Ge wilt u toch
niet dronken drinken, hoop ik?"
"Waarom niet?" riep een ander uit den hoop. "Het schip moet toch
spoedig te gronde gaan."
"Dat is mogelijk,--ik wil het niet tegenspreken," zeide Mackintosh;
"maar dat is nog geen grond, waarom wij niet gered zouden worden. Als
ge u nu echter dronken drinkt, is er geen denken aan, dat een van
ons er het leven zou afbrengen en mij is mijn leven lief. Ik ben
bereid om u in alles bij te staan, waartoe gij besluiten mocht, en
gij hebt maar te zeggen wat gebeuren moet; maar drank zult gij niet
hebben. Zoolang ik het beletten kan, kunt gij daar staat op maken."
"En hoe zoudt gij ons dat beletten?" vroeg een der matrozen op
dreigenden toon.
"Twee vastberaden mannen kunnen veel doen,--ik mag zeggen drie, want
in dit geval is stuurman Flink op mijne zijde en ook op den passagier
in de kajuit kan ik tot bijstand rekenen. Bedenkt, dat alle geweren
in de kajuit zijn. Maar waarom zouden we samen twisten?--Zegt mij
ronduit, wat ge denkt te doen; en als ge nog niets besloten hebt,
wilt ge dan nog naar mijn voorslag luisteren?"
Daar des stuurmans moed en vastberadenheid wel bekend waren,
beraadslaagden de matrozen nog een tijdlang samen en vroegen hem toen
naar zijn plan.
"Wij hebben nog een goede boot," antwoordde Mackintosh, "de nieuwe
sloep is behouden. De andere booten, weet gij, zijn overboord gespoeld,
met uitzondering van de kleine boot achter, die nochtans onbruikbaar
is, daar de zee ze bijna verbrijzeld heeft. Nu kunnen wij niet heel
ver meer van de eilanden af wezen, ja, ik geloof zelfs dat wij er reeds
tusschen zijn. Laten wij de boot van al het noodige voorzien en daartoe
getroost en vlug te werk gaan. Neemt zooveel drank, als gij weet, dat
u niet schaden kan en laat ons ook nog een goeden voorraad daarvan
medenemen. De sloep is met mast, tuig en riemen in goeden staat en
het moest al vreemd zijn, zoo zij ons niet ergens behouden aan land
bracht.--Kameraad Flink, is de raad, dien ik hier geef, goed of niet?"
"Volkomen goed, Mackintosh;--slechts nog één ding: wat moet er van de
kajuitpassagiers, de vrouwen en kinderen worden? En wilt gij onzen
armen kapitein, die daar ligt te ijlen, hulpeloos achterlaten? Of
wat wilt gij anders aanvangen?"
"Wij willen den kapitein niet verlaten!" riep een van de matrozen.
"Neen--neen, onze kapitein moet mee!" herhaalden de overigen.
"En de passagiers?"
"Het spijt mij van hen," antwoordde de eerste spreker; "maar wij
zullen genoeg te doen hebben, om ons eigen leven te redden. De boot
kan ons nauwelijks bergen."
"Ik moet u gelijk geven, jongens," sprak Mackintosh. "Het hemd is
nader dan de rok. Welaan dus, wat zegt gij?--Blijft het besloten?"
"Ja!" riepen de matrozen eenstemmig, en Flink wist wel, dat hier iets
tegen in te brengen geheel vruchteloos zijn zou.
Zij gingen nu terstond tot het uitrusten der boot en het aanbrengen
van den vereischten voorraad over. Beschuit, pekelvleesch,
eenige tonnen water, een vat met rum werden bij de valreeptrap
bijeengebracht. Mackintosh haalde zijn octant, een kompas en eenige
geweren met kruit en lood boven; de timmerman maakte met de hulp van
een matroos eene opening in de verschansing, om de boot daardoor van
boord neer te laten; want thans, nu de masten ontbraken, kon men die
natuurlijk niet daaraan ophijschen. Na verloop van een uur was alles
gereed. Een lang touw werd aan de boot vastgesjord, deze hierop aan
de opening gesleept, waardoor zij te water gaan moest en het schip
vervolgens dwarswinds gebracht. Flink had aan dit werk niet geholpen,
maar een-, of tweemaal gepeild, om te onderzoeken of het water in het
schip ook geklommen was en zich daarna bij kapitein Osborn neergezet,
die nog altijd bewusteloos lag van den slag, die hem op het hoofd
had getroffen. Toen het schip in den wind was gebracht, kwam mijnheer
Wilson boven en zag rond.
Hij zag de boot gereed om af te loopen, water en proviand bij het
boord en het schip langzaam met de deining voortdrijven.--Eindelijk
ontdekte hij Flink, aan de zijde gezeten van den kapitein, die daar
schijnbaar dood nederlag.
"Wat beduidt dit alles, Flink?" vroeg hij. "Willen zij het schip
verlaten? En hebben zij hun kapitein omgebracht?"
"Neen, mijnheer, zoo erg is 't nog niet. De arme kapitein is door
de vallende ra getroffen en ligt sedert buiten kennis; maar wat het
andere aangaat, ik vrees, dat het zoo besloten is. Gij ziet, dat men
daar de boot van boord stoot."
"Maar mijne arme vrouw! Zij is nooit in staat om mee te gaan; ze kan
zich nauwelijks verroeren,--ze is doodzwak!"
"Ik moet u tot mijn leedwezen zeggen, dat die dáár ook niet voornemens
zijn uzelf of uwe vrouw en uwe kinderen mee te nemen."
"Wat! ze willen ons hier laten omkomen? Barmhartige Hemel! hoe
wreed,--hoe barbaarsch!"
"Het is niet menschlievend van hen gehandeld, mijnheer; maar ziet gij,
zoo is de natuur van den mensch. Als eens 't leven er mee gemoeid is,
dan denkt iedereen aan zichzelf, want het leven is zoet. Zij zijn
niet harder tegen u, dan zij ook tegen elkaar zijn zouden, als zij
te sterk in aantal waren en de boot niet allen opnemen kon. Ik heb
dat al zelf mede beleefd," antwoordde de oude man zeer ernstig.
"Mijne vrouw! mijne arme kinderen!" riep de wanhopende vader en bedekte
het gezicht met beide handen. "Doch ik wil met hen spreken," vervolgde
hij; "zeker zullen zij naar het gebod der menschelijkheid luisteren,
en in allen gevalle heeft stuurman Mackintosh nog wel eenigen invloed
op hen. Gelooft gij dat ook niet, Flink?"
"Daar gij mij dat vraagt, mijnheer, moet ik u zeggen, dat er geen
harder hart onder hen is, dan dat van Mackintosh en dat het u evenmin
helpen zal, of gij met hem spreekt of met een van de overigen. Ook moet
gij die menschen niet te streng beoordeelen: de sloep is klein en kan
met den voorraad, dien zij meenemen, ook niet meer koppen bergen;--dáár
zit de zwarigheid. Wou men u en uwe familie nog innemen, dan kon
dat de oorzaak van alles zijn. Geloof mij, als ik zelf anders dacht,
zou ik zeker alles doen, om hen over te halen; doch het helpt niets."
"Maar wat dan te doen, Flink? Gaat gij niet met hen mede?"
"Neen, mijnheer Wilson. Ik heb het laatste uur daarover nagedacht
en ben nu besloten bij u achter te blijven. Zij willen den armen
kapitein meenemen, om hem misschien te redden, en vroegen ook mij;
maar ik blijf hier."
"Om met ons om te komen?" was de verbaasde vraag.
"Al naar 't God behaagt, mijnheer Wilson. Ik ben oud en grijs, aan
mij is weinig gelegen; ik hoop ook, dat ik mij zoo goed op den dood
heb voorbereid, als dat in mijne geringe krachten stond. Geloof mij,
mijnheer, ik denk veel meer aan uwe kinderen, dan aan mijzelven. Het
scheelt mij weinig, of ik een paar jaren vroeger of later sterf, doch
't zou mij diep ter harte gaan, als zulke lieve bloempjes al zoo in de
eerste lente werden afgesneden. Ik kan van nut zijn door mijn blijven,
want ik draag een ouden kop op mijne schouders en voor geen geld zou
ik u aan het verderf overlaten, zoolang gij nog misschien gered kunt
worden, wanneer ge slechts wist, hoe te doen. Maar zie, daar komen
de matrozen; de boot is geheel klaar en zij willen nu onzen braven
kapitein wegdragen."
De zeelieden traden toe en beurden den nog altijd bewusteloozen
kapitein op. Onder het weggaan riep een hunner: "Kom, stuurman,
wij hebben geen tijd meer te verliezen."
"Denkt niet aan mij, vrienden; ik blijf hier op het wrak," antwoordde
Flink. "Ik wensch u van ganscher harte eene behouden vaart. En aan
u, Mackintosh, heb ik slechts dit ééne verzoek: als gij gered zijt,
vergeet dan niet, wie ge hier aan boord hebt gelaten en laat ons dan
tusschen de eilanden opzoeken."
"Gekheid, Flink, kom mee in de boot!" antwoordde de eerste stuurman.
"Ik zal hier blijven; kameraad; en ik bid u alleen, dat gij doen zult,
wat ik van u verlang. Laat aan mijnheer Wilsons vrienden weten, wat
hier is voorgevallen en waar men ons het best kan opsporen. Dat is
alles, wat ik van u verlang. Wilt gij mij dit ééne beloven?"
"Ja, Flink, ik wil, wanneer gij dan toch bepaald besloten hebt te
blijven. Maar," vervolgde hij, op Flink toetredende en hem in het
oor fluisterende, "het is waarachtig gekheid:--kom mee, man!"
"Vaarwel dan, vriend Mackintosh," antwoordde Flink en gaf hem de
hand. "Gij zult zeker uwe belofte houden?"
Na nog vele verdere vermaningen van de zijde der matrozen waarvoor
Flink echter doof bleef, stak de boot eindelijk af en stuurde naar
het noordoosten.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE SCHIPBREUK.
Een tijdlang, nadat de boot het schip verlaten had, stond de oude
Flink met over elkaar geslagen armen zwijgend uit te zien. Mijnheer
Wilson stond bij hem. Hij kon geen woord spreken, het hart was hem
te vol. Naarmate de sloep zich verder van het schip verwijderde,
scheen ook zijne laatste hoop meer en meer te verdwijnen en schenen
vrouw en kinderen, hijzelf en de oude man, die aan zijne zijde stond,
aan een onvermijdelijken ondergang prijsgegeven. Zijne gelaatstrekken
drukten volslagen moedeloosheid en vertwijfeling uit. Ten laatste
nam Flink het woord:
"Zij denken zeker, dat zij zichzelven redden en dat wij vergaan zullen,
mijnheer, doch het kan nog wel anders loopen."
"Het is waar," antwoordde de bedroefde vader; "maar welke hoop ons
nog zou overblijven op een zinkend schip, met zoovele hulpelooze
wezens om ons heen, dat, moet ik bekennen, kan ik niet begrijpen."
"Wij moeten ons best doen en dan ons aan Gods wil onderwerpen,"
hernam de oude zeeman en ging toen naar achteren, waar hij het roer
weder oplegde, zoodat het schip andermaal voor den wind kwam.
Wat Flink aan de matrozen voorspeld had, voordat zij het schip
verlieten geschiedde werkelijk; de storm had uitgewoed en ook de zee
was reeds aanmerkelijk bedaard. Niettemin dreef het schip slechts
langzaam door het water en na eenigen tijd zette Flink het stuurrad
vast en kwam weder bij den heer Wilson op het voordek. Deze had zich,
in een staat van wanhoop naar het scheen, op het zeil neergeworpen,
waarop kapitein Osborn na zijne verwonding gelegd was.
"Het doet mij leed, mijnheer, dat ik u storen moet; maar voelt gij u
door troosteloosheid overweldigd, dan kan u ik misschien een weinig
hoop geven."
"Ik heb gebeden," antwoordde Wilson en stond op: "en sedert heb ik
mijn zinnen zooveel mogelijk bijeenverzameld, die zekerlijk zeer
verward zijn. Wat mij het meest beangst, is, hoe onzen hulpeloozen
toestand aan mijne lieve vrouw mede te deelen."
"Ik zou er rond voor uitkomen, indien ik onzen toestand als hopeloos
beschouwde," hernam Flink; "maar hopen blijft zelfs in het ergste
geval geoorloofd. Doch luister, mijnheer, ik wil als zeeman spreken
en u zeggen, welke mogelijkheid er thans nog voor ons over is. Het
schip is half vol water geloopen, daar 't geweld van den storm de naden
opende waardoor het naar binnen drong; maar nu, sedert de zee bedaarde,
heeft zich dat al vrij wat weer hersteld. Ik heb in het ruim gepeild
en bevonden, dat het water deze beide laatste uren maar een paar
duim gewassen is en daar het schip langzamerhand zijne naden weder
sluit, zal het spoedig nog wel beter worden. Indien het goede weder
vooreerst aanhoudt, behoeven wij niet te vreezen, dat het schip zoo
spoedig zinken zal; en daar wij ons nu tusschen de eilanden bevinden,
is het niet onmogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat wij ons vaartuig
op een daarvan zullen kunnen laten stranden en zoo nog lijf en leven
redden. Dat alles heb ik bedacht, toen ik weigerde in de boot te
gaan, en ik bedacht ook, mijnheer, dat indien ik u evenals de anderen
verliet, gij voor uzelf niet in staat zijn zoudt, van zoovele gunstige
omstandigheden, die tot ons behoud misschien nog bijdragen kunnen,
behoorlijk partij te trekken.--Daarom ben ik gebleven en hoop het
werktuig te worden, dat u en al de uwen uit dezen akeligen toestand
redt. Mij dunkt, het zou nu 't best zijn, dat gij weer in de kajuit
gingt, uwe arme vrouw met een vroolijk gezicht de gunstige verandering
van het weer berichttet en haar zeidet, dat wij hoop hebben, aan eene
of andere veilige kust te landen. Als zij nog niet weet, dat het volk
het schip verlaten heeft, moet gij haar daar niets van doen merken. Gij
kunt immers zeggen, dat de hofmeester met de andere matrozen aan het
werk is, want dat is hij ook waarlijk, en zoo het mogelijk was, zou ik
u raden, alles, wat sedert is voorgevallen, te verzwijgen. Uw Willem
moogt gij het wel toevertrouwen, of liever, zend hem boven bij mij
en ik zal met hem spreken.--Zeg nu, wat dunkt u van de zaak, mijnheer?"
"Ik weet nauwelijks, Flink, wat ik denken of hoe ik u voor uwe
zelfopoffering in dezen nood behoorlijk danken moet. Wees verzekerd,
uw raad is voortreffelijk; ik zal hem in alles ten stipste opvolgen,
en mocht het ons gelukken den dood te ontgaan, die ons thans van alle
kanten aangrijnst, dan zal mijne dankbaarheid...."
"Spreek daar niet van, mijnheer; ik ben een oud man, heb slechts weinig
behoeften en mijn leven is ook maar van gering nut. Wat ik wensch te
behouden is de bewustheid, dat ik in dezen toestand mijn plicht naar
mijn beste vermogen heb zoeken te vervullen. Wat kan de wereld veel
aanlokkelijks hebben voor een man, die zich altijd met moeite door
het leven heeft heen geworsteld en thans vrienden noch magen bezit,
die zich om zijn dood bekommeren! Niettemin dank ik u hartelijk,
mijnheer Wilson; maar nu zal 't beter zijn, dat gij naar omlaag gaat,
terwijl ik hierboven een wakend oog houd."
De heer Wilson drukte den braven man met hartelijkheid de hand en
ging toen naar beneden, zonder verder een woord te spreken. Hij vond
zijne vrouw in slaap; ook de kinderen lagen rustig in hunne bedden;
alleen Juno en Willem waren op.
Willem gaf zijn vader een teeken dat zijn moeder sliep, en zeide
zachtjes: "Ik wou niet uit de kajuit gaan, terwijl gij boven op
het dek waart; maar de hofmeester heeft zich in geen twee uren meer
laten zien. Hij kwam nog om de geit te melken en na dien tijd niet
meer. Geen van ons allen heeft nog ontbijt gehad."
"Willem, ga op het dek," antwoordde zijn vader. "Flink heeft u iets
te zeggen. Ik wil zoolang hier blijven."
Onze jonge vriend vervoegde zich bij Flink, die hem in korte woorden
met den toestand bekendmaakte, waarin zij zich thans bevonden. Hij
bracht hem onder het oog, hoe noodzakelijk het was dat hij alles
beproefde wat in zijne macht stond, om zijn vader en hem (Flink)
te ondersteunen en zijne moeder in haar lijdenden toestand niet te
verontrusten. Gelijk natuurlijk is, maakte, wat hij hier hoorde,
op Willem een diepen indruk, doch hij vatte toch spoedig weer moed
en beloofde in alles zijn best te zullen doen.
"Maar, Flink," zeide hij, "de hofmeester, weet ge, is nu met de
anderen weg, en als moeder wakker wordt, zal hare eerste vraag zijn,
of wij al ontbijt gehad hebben. Wat kan ik doen?"
"Dat weet ik niet; maar mij dunkt, ge kunt eene van de geiten melken,
als ik u dat voorgedaan heb, en onderwijl wil ik voor het verdere
zorgen. Ik kan wel eens van het dek, want het schip stuurt nu zichzelf
vrij goed.--En, Willem, ik heb juist voordat gij kwaamt, naar het
water omgezien en geloof, dat wij niet veel meer inkrijgen. En,"
vervolgde hij en liet zijne oogen in het rond gaan, "wij zullen goed
weer krijgen en ook nog voor den nacht eene kalme zee."
Daar beiden elkander hielpen, was het ontbijt spoedig gereed, terwijl
mevrouw Wilson nog voortdurend in een gezonden slaap lag. De beweging
van het schip was thans zeer gering, daar het ingedrongen water zijn
diepgang aanmerkelijk had doen toenemen. Zee en wind waren bedaard
en de zon scheen helder en verwarmend aan den hemel. De boot had men
reeds eenigen tijd geheel uit het gezicht verloren en het wrak stuurde
zacht, niet sneller dan drie mijlen in het uur, door het water heen,
want het had slechts een enkel zeil, het groote bramzeil namelijk,
dat men op den stomp van den fokkemast had bijgezet.
Flink was voor eenige oogenblikken in de kajuit gegaan en sloeg
mijnheer Wilson voor, Juno met de drie kleinen op het dek te
zenden. "Het verveelt hen, hier zoo stil te zijn," zeide hij;
"en daar mevrouw eindelijk eens gerust slaapt, zou het jammer zijn,
haar te wekken. Daar zij zooveel geleden heeft, kan haar slaap nog
wel eenige uren aanhouden, en hoe langer, hoe beter, want zij zal
hare krachten misschien spoedig noodig hebben."
Mijnheer Wilson keurde dezen voorslag goed en ging met Juno en de
kinderen op het dek, terwijl hij Willem achterliet, om bij zijne
moeder te waken. De goede negerin was uiterst verbaasd, toen zij de
trap opkwam en den staat van het schip en de afwezigheid der matrozen
ontdekte; doch haar meester verhaalde haar wat er was voorgevallen, met
de ernstige vermaning, om er zijne vrouw geen woord van te zeggen. Juno
beloofde dit, ofschoon het arme meisje wel bemerkte in welk gevaar
men verkeerde, en toen zij den kleinen Albert aan hare borst drukte,
rolden haar twee zware tranen over de wangen neer. Zij dacht daarbij
niet aan zichzelve, maar wat er van dat lieve kleine schaap worden
moest. Zelfs Thomas en Caroline konden niet nalaten te vragen, waar
de masten en zeilen gebleven waren en waarom kapitein Osborn hun niet
wat lekkers bracht.
"Zie, zie daar ginder eens, mijnheer!" riep Flink en wees naar een
hoop drijvend zeewier.
"Ik zie het wel," was het antwoord; "maar wat zou dat?"
"Dat alleen zou op zichzelf nog niet veel beteekenen," hernam Flink;
"maar wij zeelieden hebben nog andere merkteekenen, waarop wij
afgaan. Ziet gij ginder die vogels wel over het water heenstrijken?"
"O ja, zeer duidelijk."
"Welnu, die vogels begeven zich nooit ver van land. Thans begrijpt
ge wat ik meen.--En nu, mijnheer, ga ik mijn octant eens halen en
al kan ik onze lengte nog niet dadelijk vinden, zoo kan ik toch de
breedte wel bepalen. Als wij de kaart raadplegen, kunnen wij dan wel
ongeveer gissen, waar wij zijn, als wij eens land voor ons zien. Het
is nu omtrent middag," vervolgde Flink, terwijl hij zijne berekening
maakte; "de zon rijst heel langzaam.--Zoo'n kind is toch een gelukkig
schepsel! Zie eens, mijnheer, spelen uwe kleintjes daar niet zoo
vroolijk, alsof er geen gevaar in de wereld was en ze thuis in de
kinderkamer waren? Ofschoon er niets is, dat mij meer leed doet,
als het gebeurt denk ik toch vaak, mijnheer, dat het een werkelijk
geluk voor zulk een wicht is, als het al vroeg wordt weggenomen en
dat de ouders niet goed doen, daar zoo bitter over te klagen."
"Gij kunt gelijk hebben," gaf de vader ten antwoord en wierp daarbij
een treurigen blik op zijne lievelingen.
"Het is twaalf uren, mijnheer. Ik ga beneden gauw onze breedte
berekenen en zal dan de kaart hier meebrengen."
Mijnheer Wilson bleef boven. Spoedig was hij in diepe, sombere
gedachten verzonken. Geen wonder ook! Het schip een zinkend,
verlaten wrak,--hij alleen op de breede watervlakte met vrouw en
kinderen,--niemand tot zijnen bijstand dan een enkel mensch: en had
ook deze ééne hem eens verlaten, gelijk de overigen deden, wat ware
dan waarschijnlijk zijn lot geweest? De uiterste hulpeloosheid. En
nu, wat hadden ze nu te hopen? Hunne stoutste hoop was, nog eenig
eiland te bereiken en, gelukte dit, wellicht was het dan een woest
eiland, misschien zelfs wel door wilden bewoond.--Wat was dan het
vooruitzicht?--Vermoord te worden of van honger en dorst om te
komen! Of gesteld ook, dat zij de middelen tot hun levensonderhoud
vonden, wat dan nog? Zouden zij hun leven daar slijten moeten en
onbekend en onbemerkt wegsterven? Het was eerst nadat hij deze treurige
gedachten als met geweld had verbannen, dat de bedrukte man gevoelde
moed te bezitten, om elke beproeving, die hem nog verder mocht worden
opgelegd, als man door te staan.
"Hier is de kaart, mijnheer," riep Flink. "Ik heb met eene
potloodstreep onze breedte aangeduid. Zooals gij ziet, gaat zij juist
midden door deze groep eilanden, en, naar 't mij voorkomt, moeten wij
er op dit oogenblik reeds tusschenin of er althans niet ver meer af
zijn. Nu wil ik zorgen, dat wij vanmiddag iets te schaften krijgen,
en dan moeten wij op den uitkijk, of zich ook land vertoont. Wilt gij
onderwijl uwe oogen maar gebruiken, vooral naar voren en lijwaarts
uit?"
De onvermoeide man ging zien, wat hij voor den maaltijd bijeen
kon brengen; en gebrek daaraan bestond er niet, daar de matrozen
bij hun vertrek slechts weinig en wat het naast bij de hand lag
hadden meegenomen. Weldra vond hij een stuk pekelspek en eenige
aardappelen, die hij in de braadpan legde en waarvan hij zich een
voor de omstandigheden kostelijk gerecht beloofde.
Mijnheer Wilson stond nog voorop en zag over den boeg uit, toen de
stuurman weer bij hem kwam.
"Flink, mij dunkt, ik zie iets, doch ik kan niet met zekerheid zeggen,
wat het is. Het schijnt in de lucht te hangen en toch kunnen het geen
wolken zijn. Zie eens, dáár, waar ik met den vinger heen wijs."
"Gij hebt gelijk, mijnheer," riep Flink; "daar is iets. Het is niet
het land, dat gij ziet, maar 't zijn boomen, die weerkaatst worden,
gelijk men het noemt, waardoor het den schijn heeft, of zij in de
lucht zweefden. Dit is een eiland; gij kunt daar staat op maken. Ik
ga mijn kijker halen en dan zullen wij meer zien."
"Het is werkelijk land mijnheer," verzekerde hij, na het door zijn
kijker te hebben opgenomen.--"Ja, ja, het is zoo," ging hij nadenkend
voort. "Ik wenschte, dat wij het vroeger ontdekt hadden; en toch
moeten wij dankbaar zijn."
"Hoe zoo, Flink?"
"Ik meen maar.... daar het schip zoo langzaam over het water glijdt,
vrees ik, dat wij de kust niet voor den donker halen zullen, en ik
had die liever nog bij daglicht bereikt, om eene gunstige plaats tot
stranden te kunnen kiezen."
"Er is weinig wind op dit oogenblik."
"We willen dan hopen, dat we wat meer krijgen," antwoordde Flink;
"zoo niet, zullen we toch ons best doen. Maar nu is mijne plaats
aan het roer, want wij moeten recht op het eiland aanhouden. Het
te laten liggen gaat niet, want ofschoon het schip niet zooveel
water meer maakt, als het gedaan heeft, wil ik u toch wel zeggen,
dat het zich bezwaarlijk vierentwintig uren meer boven zal kunnen
houden. Toen ik dezen morgen in het ruim peilde, dacht ik anders,
maar daareven, bij het halen van het vleesch, ontdekte ik, dat wij
in grooter gevaar verkeeren, dan ik had geloofd. Het land ligt daar
nu echter vóór ons en wij hebben alle hoop."
"Gelukkig!" sprak mijnheer Wilson.
Flink begaf zich aan het roer en richtte den koers recht op de kust,
die niet zoo ver af lag, als men in den beginne geloofd had, daar het
eiland zeer laag en vlak bleek te zijn. Van lieverlede verhief de wind
zich eenigermate en dreef het schip rasscher voort. Aldra zag men de
boomen, die eerst in de lucht schenen te zweven, te gelijk met het
land en kon men dit als een laag, met groepen van kokosboomen overdekt
koraaleiland onderscheiden. Van tijd tot tijd vertrouwde Flink het
roer aan mijnheer Wilson toe en ging naar voren, om door zijn kijker
te turen. Toen zij nog drie of vier mijlen van land verwijderd waren,
kwam Flink van den bak terug en riep: "Ik geloof mijn weg nu vrij
duidelijk voor mij te zien. Ge ziet, we zijn loefwaarts van het eiland
en zulke koraalbanken hebben dáár altijd diep water, maar de klippen
en ondiepten aan lij. We moeten de eene of andere kleine kloof in het
koraal opzoeken en het schip daar doorheen brengen, omdat het anders
licht weer van den grond afraakt en in het diepe water terugvalt. Mij
dunkt, ik heb al een plek in 't oog, waar ik het schip veilig op het
droge kan zetten. Gij ziet daar die kokosboomen dicht bij elkander op
het strand? Welnu, mijnheer, ik kan ze niet goed zien, terwijl ik het
roer houd, maar ga gij naar voren en let wel op. Moet ik meer rechts
sturen, steek dan de rechter-, meer links, steek dan de linkerhand op
en zijn wij in de juiste richting, dan laat gij de hand weer zakken."
"Ik begrijp u volkomen," antwoordde mijnheer Wilson, die nu naar
voren ging en den koers bedachtzaam aangaf. Zoo kwam men allengs
nader. Op eene halve mijl afstands van de kust verkreeg het water
eene andere kleur, waarover Flink zich zeer verheugde, doordien hij
daaruit afleidde, dat de oever in dit geval minder steil dan gewoonlijk
zijn zou. Niettemin was het toch een beangstigend gevoel, zoo op een
geheel onbekend strand aan te loopen. Nog slechts eene kabelslengte
waren zij daarvan af en nog schuurde het schip den grond niet. Nog wat
verder en een dof gekraak steeg uit de diepte op, 't was het breken en
afbrokkelen der koraalboomen, die in gansche wouden onder het water
voortwassen.--Toen opnieuw een gekraak, doch ditmaal sterker dan
eerst;--toen herhaalde malen eene slingerende schommeling;--toen een
schok, een stoot, die het wrak, nu de branding het voor de laatste
maal in de hoogte beurde, tot in zijn binnenste deed sidderen en
kreunen;--toen bleef het vast en onbeweeglijk zitten. Flink liet het
roer varen, om zich van de ligging van het schip te overtuigen. Hij
zag over den boeg naar alle zijden rond en bevond, dat het geteisterd
wrak van het zoo trotsche schip De Vrede op een bed van koraalklippen
roerloos vastzat.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
TROOST IN HET ONGELUK.
Nauwelijks was dit gebeurd, of Willem kwam uit de kajuit aanloopen
en riep: "Vader, moeder zendt mij bij u. Zij is wakker geworden door
het gekraak van het schip en zeer ontsteld. Wilt gij niet eens bij
haar komen?"
"Ja, mijn beste jongen, dadelijk," was het antwoord.
"Wat is er dan toch, lieve, en waar zijt gij allen geweest?" riep
mevrouw Wilson, toen haar man voor haar bed trad. "Ik ben zoo geweldig
verschrikt:--ik lag gerust in slaap en werd door een vreeselijk
leven gewekt."
"Wees gerust, lieve," antwoordde haar echtgenoot. "Wij hebben in groot
gevaar verkeerd, maar thans, hoop ik, zijn wij behouden. Zeg mij,
voelt gij u niet beter na uwe lange rust?"
"O ja, veel beter--veel sterker; doch zeg mij toch, wat er gebeurd is."
"Veel, veel, beste vrouw, reeds voordat gij in slaap waart. Wij hebben
't voor u geheim gehouden; maar thans, nu wij denkelijk spoedig aan
land zullen gaan--..."
"Aan land gaan?"
"Ja, aan land. Welnu, wees maar bedaard en laat mij u vertellen, wat
er al is voorgevallen en hoezeer wij reden hebben om dankbaar te zijn."
Mijnheer Wilson gaf nu een nauwkeurig verslag van al het tot dusver
gebeurde. Zijne vrouw hoorde hem aan zonder een woord te spreken,
maar toen hij geëindigd had, zonk zij in zijn armen en weende
bitterlijk. Hij deed alles om haar te troosten, tot eindelijk Juno
met de kinderen terugkwam, want het was vrij laat geworden.
"Nu, mijnheer," riep Flink, toen de heer Wilson weer bij hem op het
dek kwam, "ik heb eens goed rondgekeken en vind, dat wij alle reden
hebben om blij en dankbaar te zijn. Het schip ligt vast genoeg en zal
zich niet verroeren, totdat er een nieuwe storm komt en het in stukken
slaat. Zoo iets is echter vooreerst niet te vreezen. De weinige wind,
die er nu nog is, gaat langzamerhand liggen en nog vóór den dag van
morgen zullen wij volmaakt stil weer hebben."
"Ik geef toe, Flink, dat er geen dadelijk gevaar is; maar hoe zullen
wij aan wal komen--en, zijn wij daar, waarvan in de toekomst leven?"
"Ook daarover heb ik nagedacht en ik zal uw en zelfs Willems
bijstand verzoeken, om de kleine boot aan boord te krijgen, waar ik ze
kalefateren kan. De kiel is beschadigd, maar ik heb het timmermanswerk
meer bij de hand gehad en met wat dik geteerd zeildoek zal ik haar
wel zoo waterdicht maken, dat zij ons allen veilig aan land brengt."
"En als wij nu aan land zijn?"
"Ei, mijnheer, waar kokosboomen in zoo groote menigte voorhanden zijn,
als op het eiland vóór ons, is zeker geen hongersnood te vreezen, zelfs
als wij niet nog al den proviand van ons schip hadden. Leelijker zal
het er licht met het water uitzien, want het eiland is laag en smal;
maar een mensch kan ook niet verwachten alles altijd zoo te vinden,
als hij het juist wenscht."
"Ik dank den hemel voor onze aanvankelijke redding, mijn vriend; maar
heb toch nog altijd een gevoel van onrust in mijne borst, dat ik niet
meester kan worden. Wij hebben hier zulk een woest eiland voor ons,
dat misschien nooit door een ander schip wordt aangedaan, zoodat er
weinig hoop voor ons is, om het ooit weer te kunnen verlaten. Hier
zullen wij leven en sterven,--hier zullen mijne arme kinderen
opgroeien--ja zelfs oud worden, nadat zij u en hun vader en moeder
begraven hebben, en dan zullen zij die volgen in hetzelfde graf. Al
hunne vooruitzichten en ook de mijne--ze zijn verijdeld,--al mijne
verwachtingen teleurgesteld. O, het is een treurig, ja een wreed lot,
Flink! Moet gij dat zelf niet erkennen?"
"Mijnheer Wilson, in vergelijking met u ben ik een oud man, en als
zoodanig mag ik wel zeggen, dat gij u ondankbaar toont, wanneer gij op
die wijze aan uwe smart toegeeft. En bovendien, wie weet of uit het
schijnbaar kwaad niet nog veel goeds voor ons kan voortvloeien? Gij
spreekt daar van uwe kinderen en hunne vooruitzichten, mijnheer; maar
kunt gij wel zeggen, wat hun lot zou geweest zijn, als zij Sidney
gelukkig bereikt hadden? Hoevele kinderen geven aanleiding tot de
schoonste verwachtingen! En als zij tot rijpheid komen, vervullen zij
dan altijd de hoop hunner ouders? Vergeef mij, mijnheer Wilson, ik
hoop U niet beleedigd te hebben, maar waarlijk, ik voel mij verplicht
zoo te spreken, als ik gedaan heb."
"Gij hebt mij met volle recht bestraft, Flink, en van ganscher harte
dank ik u daarvoor," antwoordde de ander en drukte den zeeman diep
bewogen de hand. "Ik wil niet langer klagen, neen; ik wil mij, zoo
goed ik kan, aan mijn lot onderwerpen. Ik moet mij van nu af onder
uwe orders stellen; want in onzen tegenwoordigen toestand zijt gij
mijn meerdere: kennis en ervaring is hier zooveel als macht. Kunnen
wij vandaag nog iets doen?"
"Ik wel, mijnheer Wilson, maar gij kunt mij morgen vroeg eerst
helpen. Ofschoon neen, wacht--gij kunt mij deze twee spieren nog naar
't achterdek helpen dragen; dan kan ik een bok opzetten en alles
voor morgen klaarmaken, om de boot in te zetten. Gij ziet zelf, met
zoo weinig armen aan boord en zonder masten, moeten we onze eigen
krachten wel beproeven."
De heer Wilson deed wat van hem verlangd werd. "Ga thans gerust naar
beneden, mijnheer," zeide Flink; "maar laat Willem vooral de honden
losmaken en hun wat te eten geven. De arme dieren hebben wij immers
geheel vergeten. Ik zal van nacht wacht houden, want ik heb nog veel
te doen en te overleggen; en dus wel te rusten, mijnheer."
Toen Flink alleen was, bond hij de spieren van boven stevig aan elkaar
vast en maakte een takel gereed voor den volgenden morgen. Nadat
dit verricht was, zette hij zich op een der kippenhokken neder en
verzonk in gepeins. In 't eind door waken en vermoeienis uitgeput,
viel de oude man in diepen slaap. Met het aanbreken van den dag werd
hij gewekt door de honden, die, door Willem losgelaten en nadat ze
in het schip de ronde gedaan en niemand gevonden hadden, weder naar
de kajuit waren teruggekeerd en voor de deur waren ingeslapen. Toen
zij met zonsopgang weer op het dek kwamen en daar den ouden Flink op
het hoenderhok slapende vonden, sprongen zij bij hem op en likten hem
vol blijdschap de handen en het gezicht. "Aha," zeide de oude man,
terwijl hij van zijn hard leger opstond, "gij zult alle drie van
nut zijn, verbeeld ik mij. Koest Viven, koest--arme dier! Gij hebt
een goeden meester verloren, naar ik vrees." "Stil--laat mij nu eens
zien," vervolgde hij, in zichzelf sprekende. "Eerst,--maar ik wil de
lei en een stuk krijt halen en alles opschrijven; want mijn geheugen
is niet zoo goed meer als in mijne jonge jaren."
Flink legde de lei op het hoenderhok en schreef daar toen met krijt
op: "drie honden, twee geiten en Billy; de big (ik meen, dat wij
vijf varkens hadden in 't geheel; hoenders die zijn er genoeg);
drie of vier paar duiven (zooveel zeker); (de koe is gaan liggen en
zal wel niet meer opstaan;--dan moeten wij haar slachten); dan het
paar merino-schapen, dat mijnheer Wilson toekomt. Aan levend vee dus
geen gebrek. Nu--wat hebben we eerst noodig, als we allen aan wal
zijn?--Een spier en het groot-bramzeil tot een tent, of twee trossen,
een paar matrassen voor mevrouw en de kleinen, twee bijlen, hamer, boor
en spijkers; wat te eten--ja en ook wat om dat te snijden.--Ziezoo,
dat is voor een gezin genoeg," besloot Flink zijne alleenspraak. "Nu
wil ik schielijk vuur aanmaken, 't water overhangen en, daar ik dat
toch heb, een paar stukken rund- en varkensvleesch koken om mee aan
land te nemen. Dan wil ik mijnheer roepen, want ik reken, dat wij
een zwaren werkdag in het vooruitzicht hebben."
NEGENDE HOOFDSTUK.
HET EILAND.
Zoodra Flink het voorgenomene verricht en de dieren gevoederd had,
ging hij in de kajuit en wekte vader en zoon. Met vereenigde krachten
werd de bok opgericht en vastgezet; vervolgens haakte men de boot in,
maar om deze onbeschadigd over het boord te hijschen, werd nog de
hulp van een vierden persoon vereischt.
"Willem, loop schielijk naar Juno en zeg haar, dat zij op het dek
moet komen, om ons te helpen;--wij moeten allen de handen uit de mouw
steken! Uw moeder zal de kleinen wel een poosje bij zich nemen."
De knaap was in een ommezien met Juno terug, die eene sterke meid
was en braaf hielp om de boot uit te zetten, waarna zij naar de
kajuit terugkeerde.
De boot werd onderstboven gekeerd en Flink begon zijn arbeid, terwijl
mijnheer Wilson den teerpot op het vuur zette en alles gereedmaakte,
om het zeildoek, zoodra 't was opgespijkerd, behoorlijk te teren. Het
liep reeds tegen den middag, toen Flink, die er duchtig op los hamerde,
met het lappen der boot klaar kwam. Nu moest hij die nog met zeildoek
bekleeden, dat vooraf door en door goed met teer was doortrokken.
"Zoo, denk ik, zal het wel gaan, mijnheer," zeide hij. "Wij moeten
haar nu naar den valreep brengen en in zee laten. Het is een geluk
voor ons, dat zij de verschansing al vroeger weggenomen en ons daardoor
nu vrij wat moeite bespaard hebben."
Er werd een touw aan de boot vastgemaakt. Vervolgens werd zij door de
beide mannen met vereende krachten neergelaten en scheen, tot hunne
groote blijdschap, slechts weinig water in te laten.
"Wat dunkt u nu 't best, mijnheer: zullen wij eerst de kinderen of
liever vooraf het noodzakelijkste aan land brengen?"
"Hoe denkt gij daar zelf over, Flink?"
"Ik? Ei, mij dunkt, daar het water nu zoo glad als een spiegel is en
wij ook overal landen kunnen, moesten gij en ik maar eerst overroeien,
om de kust eens op te nemen. Het is slechts een klein tochtje en zal
ons weinig tijd doen verliezen."
"Zeer goed, Flink; maar eerst wil ik dat even aan mijne vrouw gaan
zeggen."
"En in dien tusschentijd zal ik het zeil en eenige andere dingen in
de boot brengen; dan gaat er geen tijd verloren."
Flink haalde het zeil, eene bijl, een geweer en eenig
touwwerk. Mijnheer Wilson was spoedig terug. Toen lieten zij zich
zakken in de boot en roeiden naar het land.
Bij het betreden van den wal bevonden zij, dat zij van het binnenste
van het land niets zien konden, wijl de kokosboomen overal zoo dicht
stonden. Aan hunne linkerhand echter, op ongeveer een vierde mijl
afstands, ontdekten zij eene kleine zandige bocht, geheel omgeven
met struikgewas, dat zich tot aan het hooge woud uitstrekte.
"Daar," riep Flink, met den vinger er heen wijzende, "daar is onze
plaats. Laat ons weer in de boot gaan en er heen roeien; het is een
korte afstand voor ons, maar zou een lange weg zijn, indien wij ons
goed er naar toe moesten sleepen."
In weinige minuten bereikten zij de bocht; het water had weinig diepte
en was zoo helder als kristal, zoodat zij de fraaiste schelpen op den
bodem ontdekten en zagen hoe de visschen in alle richtingen vroolijk
voortschoten.
Het vlakke oeverzand liep bij de vijftig passen landwaarts in en
dan nam het kreupelbosch een aanvang, dat zich, met hier en daar een
enkelen kokosboom daartusschen, bijna even ver uitstrekte, tot het
ten laatste het hooge woud bereikte. Na weinige riemslagen schuurde
de boot het witte zand en zij stapten aan wal.
"Welk eene heerlijke plek is dit!" riep de heer Wilson; "en wellicht
werd zij nog nooit door een sterveling betreden."
"Zoo gij het goedvindt," antwoordde Flink, "willen wij het bosch een
eind weegs ingaan. Neem echter het geweer mede, mijnheer. Niet, dat
er veel kans is, dat wij het noodig zullen hebben; men vindt zelden
een wild dier op deze kleine eilanden, of 't mochten soms een paar
zwijnen zijn, er vroeger aan land gezet,--maar men kan toch niet te
voorzichtig zijn. Ik heb vroeger met een kapitein gevaren, die zelden
een woest eiland aandeed, zonder er een paar biggen of eenig ander
gedierte tot aanfokking achter te laten, voor 't geval, dat eens een
mensch daar schipbreuk lijden mocht. Een mooie trek, niet waar?"
"Dat was het zeker, vriend. Ziehier het bosch dan; wat wilt gij nu?"
"Ik zag naar eene plek uit, om voor het oogenblik eene tent op
te slaan, mijnheer, en geloof, dat deze kleine hoogte daartoe wel
geschikt is, totdat wij verder onderzoek doen en een betere woonstee
vinden kunnen. Nu dadelijk hebben wij echter geen tijd, want wij dienen
nog vrij wat riemslagen te doen, voordat het avond wordt. Mij dunkt,
wij moesten het zeil en het andere goed nu eerst maar aan wal brengen
en dan weer naar boord gaan."
Onder het terugroeien naar het wrak, zeide Flink: "Daar bedenk ik,
mijnheer, wat mogelijk wel het best zal zijn. Mevrouw zal zich toch
niet al te ongerust maken, als gij niet bij haar zijt?--Zoo niet,
zou ik zeggen, dat wij Juno en den kleinen Thomas eerst aan land
moesten brengen, omdat zij daar dadelijk van dienst kunnen zijn."
"Ik geloof niet, dat zij zich beangst zal maken, als wij haar met
Willem en de kinderen aan boord achterlaten, wanneer ik maar weer
bij haar ben, als zij met het kleintje het schip verlaat."
"Welnu, zooals gij goedvindt, mijnheer. Wij laten Willem dus aan
boord en ditmaal zet ik Juno met den kleinen Thomas over. Ook wil
ik daarbij de honden niet vergeten; zij kunnen tot onze bescherming
strekken, ingeval er iets gebeuren mocht. Terwijl gij met Juno aan
land dan bezig zijt, roei ik terug en haal de andere dingen, die wij
voor een begin noodig hebben."
Terstond toen zij op het schip aankwamen, snelde mijnheer Wilson
naar zijne vrouw om haar door het verhaal van wat zij gezien hadden
te verblijden, en verkreeg ook gereedelijk hare toestemming tot
het door Flink ontworpen plan. Terwijl de heer Wilson beneden was,
had Flink de beide spieren, waaruit de bok bestond, losgebonden en
ze in 't water neergelaten, om ze aan een stuk touw aan de boot met
deze naar den oever te boegseeren. Een paar minuten later verscheen
Juno met Thomas op het dek. Flink pakte nog eenig timmergereedschap
benevens een paar spaden in de boot, haalde ten laatste de honden nog,
en voor de tweede maal landden zij in de zandige bocht. Thomas staarde
langen tijd als verbijsterd rond, maar sprak geen woord, totdat hij
aan het strand eenige bonte schelpen ontdekte, waarover hij luide
juichkreten aanhief en die hij met beide handen begon op te rapen. De
honden blaften en liepen in hun blijdschap, dat zij eindelijk weer op
vasten grond waren, als dol en uitgelaten heen en weer. Ook Juno lachte
en klapte in de handen, toen zij in het rond zag, en zeide tot Flink:
"Wat ijselijk mooi land hier is, hier ikke wel wonen wil."
"Nu zal ik een tijdlang met u aan land blijven, mijnheer Wilson,"
zeide de oude zeeman. "Eerst willen wij het geweer laden, en dan moet
gij dien kleinen jongeheer eens terechtzetten, die merk ik, alles
met handen voelen en tasten moet. Wij met ons beiden zullen het zeil
hierheen dragen; Juno kan het gereedschap nemen, en dan hebben wij
nog eene vracht aan de spieren, het touw en wat wij meer vinden. Kom,
kleine handjegauw, gij kunt althans een van de spaden dragen en dan
zijt gij toch ook tot iets nut. Geen van ons mag vandaag luieren."
Na eene lading op de kleine, vroeger door Flink gekozen hoogte gebracht
te hebben, keerden zij naar het strand terug en haalden de spieren
en het verdere gereedschap. Thomas droeg deze tweede reis de andere
schop en was niet weinig trotsch, dat men hem zoo goed gebruiken kon.
"Deze beide boomen zijn volmaakt tot ons doel geschikt," zeide Flink,
"en staan ook juist ver genoeg van elkander. Wij moeten de spieren
daar bovenaan vastbinden en dan het zeil daarover werpen, dat hierop
aan weerszijden met pinnen in den grond wordt vastgemaakt. Dat is
althans voldoende voor een begin; de volgende reis breng ik nog meer
zeildoek over en dan maken wij tusschen gindsche twee boomen nog een
tweede tent. Dan hebben we voor 't minst toch onze twee tenten: de
eene voor mevrouw, Juno en de beide jongens, de andere voor Willem,
onzen knappen Thomas hier en ons beiden. Nu, mijnheer, zal ik u de
spieren nog helpen vastmaken. Het overige moet ik dan aan uw eigen
zorg overlaten, om spoedig weer aan boord terug te zijn."
"Hoe kunnen wij echter zoo hoog reiken, Flink?"
"Wel, dat is zeer eenvoudig. Wij binden eerst de eerste spier zoo
hoog als wij met gemak doen kunnen; dan klimmen wij daarop en brengen
de volgende waar zij behoort. Ik zal nog eene spier aan wal brengen,
die voor de tweede tent kan dienen."
Zoodra de spier op de vereischte hoogte vastzat, wierpen zij het
zeil daarover en bij het uitbreiden daarvan bevonden zij, dat zij
eene zeer bruikbare tent van behoorlijke hoogte verkregen hadden.
"Nu, mijnheer, ga ik weer naar boord. Gij kunt inmiddels van het hout
daar prikken snijden en het zeil daarmee in den grond vastslaan. Als
gij dan met de schop den tentrand met zand bedekt, dat de einden
neerdrukt, zal alles redelijk goed sluiten. Hier is mijn mes, zoo
gij er zelf geen bij u hebt."
"Ik zal in alles mijn best doen," verzekerde mijnheer Wilson. "Als
ik zoover ben, kan Juno mij het doek vast helpen aantrekken."
"Goed; en onderwijl neemt Juno eene schop en maakt den grond onder
de tent schoon en effen, ruimt alle dorre kokosbladeren weg en ziet
daarbij wel toe, dat er niet het een en ander ongedierte onder schuilen
blijft. Gij kleine Tom, moet niet wegloopen en moogt ook niet bij de
bijlen komen, want zoodra ge die aanraakt, snijden ze u. Ook moeten
wij afspraak maken, mijnheer, dat gij, zoodra u iets overkomt en gij
mij noodig hebt, dadelijk het geweer lost. In een oogenblik ben ik dan
bij u. Maar dat is wel niet waarschijnlijk," besloot Flink eindelijk,
ging naar de baai, stapte in de boot en roeide naar het schip terug.
TIENDE HOOFDSTUK.
LANDING.
Na zijne komst aan boord ging Flink eerst in de kajuit, om mevrouw
Wilson te vertellen wat er al gedaan was. Deze was natuurlijk
eenigszins bezorgd, dat haar man zoo alleen was achtergebleven; maar
Flink stelde haar weder gerust en zeide haar, hoe hij met mijn heer
Wilson was overeengekomen, dat deze bij het geringste onraad door
het losbranden van zijn geweer een teeken geven zou.
Hierop begaf hij zich naar de zeilkooi, om eenig doek, een nieuw
bramzeil benevens bindtouw, naalden en zeilgaren te halen. Nauwelijks
had hij dit opgepakt, toen op eens, juist toen hij zijn voet op de
trap zette, de knal van een geweer gehoord werd en mevrouw Wilson,
doodelijk verschrikt, uit de kajuit kwam vliegen. De oude man nam
oogenblikkelijk een ander geweer, liet zich daarmee in de boot
afzakken en repte zich, wat hij kon, naar de kust. Toen hij geheel
buiten adem aanlandde, vond hij mijnheer en Juno aan de tent bezig,
Thomas zat daarbij en schreide en snikte al zijn best. Gelijk nu bleek,
was de kleine deugniet, terwijl de anderen druk aan 't werk waren,
naar het geweer geslopen, dat men tegen een boom had gezet. Na het
een poosje van alle kanten bekeken te hebben, kwam hij met de hand
aan den trekker. Het schot viel. Daar echter de tromp van 't geweer
gelukkig naar boven gericht was, deed het niemand schade, ofschoon
het den kleinen schutter toch duur te staan had kunnen komen,--en
wee onzen Thomas, als die hem op het hoofd ware gevallen! Hij zou
er dood onder gebleven zijn. Zijn vader, die wel begrijpen kon wat
ontsteltenis dat schot aan boord veroorzaken moest, had hem duchtig
onder handen genomen, en daar zat Thomas nu en schreide tranen met
tuiten, om te toonen, hoe bitter berouw hij had.
"'t Zal wel het best zijn, dat ik dadelijk terugroei en mevrouw zeg
wat hier gebeurd is," zeide Flink.
"Ja, doe dat, mijn goede vriend," bad mijnheer Wilson hem.
Dus keerde de oude man naar het schip terug en berichtte het
voorgevallene. Vervolgens ging hij aan zijn arbeid. Vooreerst liet
hij des zeilmakers zak met al het noodige, als priemen, garen,
enz., in de boot neer, vervolgens twee matrassen en beddedekens uit
de bovenkajuit, de bakpan met het pekelvleesch en eindelijk nog een
spier, die hij weder achter aan de boot vastmaakte. Daarmee had hij
zijne lading overvol; doch daar hij anders geen volk inhad, kwam
hij nog al spoedig over. De twee aan land hielpen hem alles naar de
hoogte overbrengen en hier werd de nokbalk der tweede tent spoedig
aan twee andere boomen vastgehecht. Juno had de eerste tent van binnen
netjes schoongemaakt en daarbij, naar zij verzekerde, geenerlei dier
of insect onder het dorre loof gevonden. Voordat Flink vertrok, gaf
hij Thomas een stok in de hand en zeide hem op het vleesch te passen
en toe te zien, dat de honden daar niet bij kwamen; waarop Thomas,
die al weer in vroolijk humeur was, zijn stok schouderde en zoo
parmantig op schildwacht stond als een oud grenadier.
Onze stuurman roeide nog tweemaal naar het schip en bracht meer
beddegoed, een zak met scheepsbeschuit, een tweeden met aardappelen,
borden, messen, lepels, vorken en allerlei keukengereedschap van
daar mede. Hierop wees hij Juno, hoe zij de einden van de eerste
tent met het garen en 't zeildoek, dat hij had meegebracht, aaneen
moest hechten; zoodat de tent rondom dicht en goed gesloten werd; en
Juno nam naald en draad en piekte er dapper op los. Uiterst voldaan,
dat het meisje zoozeer haar best deed en zich zonder vreemde hulp
redden kon, zei Flink ten laatste: "Mijnheer, wij hebben nog maar
twee uren dag en het begint dus tijd te worden, dat ook mevrouw van
het schip komt. Als ge 't goedvindt, willen we gaan en haar met de
kinderen halen. Voor den eersten nacht aan land zullen wij het, denk
ik, vrij goed hebben. Zoo 't weer goed blijft, kunnen wij morgen een
heel stuk verder komen,--en waarlijk, 't is noodig dat wij, zoolang
het zóó blijft, ons uiterste best doen, om alles aan wal te krijgen,
daar één duchtige storm het wrak waarschijnlijk geheel in stukken
zal slaan. Ik heb alles zelf mee in het ruim helpen stuwen en weet
de meeste dingen daar te vinden ofschoon wij er, vrees ik, niet veel
meer uit zullen krijgen, dat ons van dienst kan zijn."
Aan boord gekomen, ging mijnheer Wilson zijne vrouw dadelijk het
voorstel doen, om thans mee aan land te gaan. Zij was zeer aangedaan en
nog zwak en ongesteld, maar toch hield zij zich recht moedig en kwam,
ondersteund door haar man, op het dek, waarheen Willem met zijn kleine
broertje op den arm volgde, terwijl Flink zijne zuster Caroline aan
de hand leidde. Het koste vrij wat moeite om allen goed in de boot te
krijgen; maar dit gelukte toch eindelijk. De arme vrouw was echter
zoo zwak, dat haar man haar in zijne armen overeind moest houden en
zijn riem aan Willem overgeven. Zij landden gelukkig en brachten de
zieke in de tent, waar men haar op een der bedden nederlegde. Zij
verzocht om een weinig water.
"En ik, oude domkop, heb vergeten dat mee te nemen; doch ik ga het
terstond halen," riep Flink. "Zoo druk allen mogelijken voorraad
over te slepen en toch het allernoodzakelijkste voor den mensch te
vergeten! Wij moeten zoo spoedig mogelijk hier op dit eiland naar
water omzien daar dit ons vrij wat moeite kan besparen."
Flink keerde zoo snel mogelijk naar boord terug en bracht twee vaatjes
water mede, welke hij en Willem naar de tent rolden.
"Voor vandaag heb ik nu mijne laatste reis gedaan," zeide de oude
man. "Ik ben moe--doodmoe."
"Dat geloof ik wel, mijn goede vriend," antwoordde mijnheer
Wilson. "Gij hebt vele nachten achtereen gewaakt en over dag hard
gearbeid. Aan verder werk moet gij heden niet meer denken."
"En ik heb geen eten geproefd vandaag en zelfs geen druppel water
over mijne lippen gebracht," vervolgde Flink en zette zich op den
grond neder.
"Hoe is het, beste Flink, zijt gij niet wel?" vroeg Willem.
"Een beetje flauw, mijn jongen; ik ben niet meer zoo jong als
vroeger. Kunt ge mij wat water aanreiken?"
"Wacht, Willem, dat zal ik doen," zei zijn vader en haalde een tinnen
kan, die hij pas voor zijne vrouw gevuld had. "Hier, Flink, drink en
wel bekome 't u!"
"Het zal spoedig beter zijn, mijnheer. Ik zal mij een poosje neerleggen
en dan een beschuit met wat vleesch gebruiken."
De goede oude man was werkelijk geheel uitgeput, doch na iets
gegeten te hebben, voelde hij zich spoedig veel beter. Juno was zeer
ijverig. Ze had aan de kinderen wat pekelvleesch en beschuit gegeven;
de jongste, benevens Thomas en Caroline, waren te bed gebracht,
en de tweede tent was genoegzaam gereed.
"Voor dezen nacht zal het zeer goed gaan, Juno," zeide haar
meester. "Wij hebben vandaag veel afgedaan en de rust zal daar goed
op smaken."
ELFDE HOOFDSTUK.
HET ONTBIJT.
Mijnheer Wilson was den volgenden ochtend de eerste die ontwaakte en
opstond. Hij verliet de tent en liet de oogen in het rond gaan. De
hemel was helder als kristal. Een frisch morgenwindje streek over
de watervlakte en de kleine golfjes speelden op het witte zand
van de bocht. Aan de linkerzijde van deze klom het land tot kleine
heuvels op, boven welke zich de voortzetting van het kokosbosch statig
verhief. Rechts rees eene lange reeks koraalriffen genoegzaam loodrecht
uit de zee op en paalde aan het frissche groen der heuvelhelling en aan
het struikgewas, terwijl het wrak van De Vrede zich, als hoofdfiguur
in deze schilderij, zwart en roerloos, als een gestrand zeemonster,
aan den toeschouwer vertoonde. De zon brandde, waar zij hare stralen
werpen kon, doch onder de kokosboomen, waar Wilson stond, was eene
koele verkwikkende schaduw.
De uitnemende schoonheid van dit tooneel, hoewel eenigszins gematigd
door de treurige vertooning van het gestrande vaartuig, maakte een
diepen indruk op den bekommerden huisvader, die daar in diep nadenken
verzonken stond.
"Ja," dacht hij, "ware ik de wereld en hare beslommeringen moe geweest
en had ik een oord gezocht, waar vrede en schoonheid om den prijs
dingen, ik zou dat hier gevonden hebben. Hoe heerlijk is dat gezicht
hier! Wat kalmte, wat zoeten weemoed wekt het op? Hoe genadig zijn wij
bewaard, toen alle hoop reeds verdwenen scheen; hoe weldadig werden
wij verzorgd na onze werkelijke redding--en toch--toch waagde ik het
te klagen, toen vurige dankbaarheid mijn eenig gevoel had behooren
te zijn!"
Hij keerde naar zijne tent terug. Willem, Thomas en stuurman Flink
lagen nog in diepen slaap. "Brave oude man," sprak hij bij zichzelf,
"als wij ooit weder in de woelige samenleving terugkeeren, zal uwe
goedheid haar loon erlangen; voor zoover het in mijne macht staat u te
vergelden. Een edel hart is hier onder de ruwe schors verborgen. Zonder
zijne verknochtheid,--zijne voorbeeldelooze zelfopoffering, zou ik,
zouden deze lieve hulpelooze wezens niet meer bestaan!"
De honden, die in de tent gekropen waren en zich nevens Willem en
Thomas op de matrassen hadden neergelegd, rezen nu op en naderden
vleiend hun meester. Deze beweging deed Willem ontwaken. Zijn vader
gaf hem een wenk, dat hij Flink niet wekken moest, en zachtjes kleedde
hij zich aan en kwam buiten.
"Zal ik niet liever Juno wekken, vader?" vroeg hij. "Ik kan dat
denkelijk wel doen zonder moeder te storen."
"Doe het dan, mijn jongen, ik ga onderwijl zien, wat voor
keukengereedschap Flink al aan land heeft gebracht."
Willem was spoedig terug en berichtte, dat moeder nog gezond en vast
sliep en dat Juno was opgestaan, zonder haar of de beide kleinen
wakker te maken.
"Goed, dan zullen wij zien, of we niet een ontbijt voor hen gereed
kunnen maken, Willem. Deze dorre kokosbladeren zullen heerlijk
branden."
"Maar, vader, waar krijgen wij het vuur vandaan? Wij hebben geen
tondeldoos en ook geen zwam of vuurslag."
"Neen, maar er zijn nog andere middelen, mijn zoon, ofschoon de tondel
meestal daarbij noodig is. De wilden maken vuur door een week stuk
hout tegen een hard voorwerp aan te wrijven. Ik vrees, dat ons dit
niet zoo spoedig gelukken zou; maar wij hebben kruit en kunnen dit
als tondel gebruiken, als wij 't nat maken en op een stuk papier of,
nog beter, op zacht hout wrijven. Het kruit aansteken kunnen wij op
tweeërlei manier: door middel van steen en vuurslag, of anders met
behulp van een brandglas."
"Maar een brandglas hebben wij niet."
"Neen; maar wij kunnen er een uit een verrekijker nemen als wij weer
eens aan boord komen. Voor 't oogenblik hebben wij geen ander middel
dan met het geweer."
"Maar, vader, als ons vuur aan is, wat zullen wij dan nog koken? Wij
hebben immers thee noch koffie."
"Dat is waar; ik geloof niet, dat wij een van beide rijk zijn."
"Aardappelen hebben wij wel, vader."
"Ja, mijn jongen; maar dunkt het u niet beter, dat wij ons
vooreerst met koud vleesch en beschuit behelpen en de aardappelen
sparen? Misschien hebben wij die alle noodig om te poten. Doch
waarom gaan wij niet zelven aan boord van het schip? Gij kunt de
riemen vrij goed hanteeren en wij moeten thans leeren arbeiden en
niet alles aan den braven Flink overlaten. Het zal nog wel een tijd
aanhouden, voordat wij zoo handig en op alles gevat zijn als de oude
man, maar al doende leert men, en wij willen ten minste onzen goeden
wil toonen. Kom, Willem."
Zij gingen naar de bocht. De kleine boot lag nog aan het strand en
schommelde zacht op de spelende golven. Zij bonden ze los en stapten
er in.
"Ik weet, waar de kok zijne thee en koffie bewaarde, vader," zei
Willem onder het roeien. "Moeder zal die gaarne bij haar ontbijt
hebben, en ik kan ook de geiten melken voor kleinen Albert."
Hoewel geen van beiden in het roeien zeer bedreven, kwamen zij toch
spoedig aan de zijde van het wrak en klommen zonder moeite aan boord,
na de boot eerst stevig te hebben vastgebonden.
Willem liep eerst naar de kajuit om thee en koffie te zoeken en liet
zijn vader inmiddels andere benoodigdheden bijeenpakken, terwijl bij
de geiten melkte en de melk in een tinnen schotel deed. Vervolgens
goot hij ze in een zuivere flesch over, opdat zij niet zuur zou worden
en keerde toen naar zijn vader terug.
"Ik heb deze beide korven met eene menigte dingen gevuld, die uwe
moeder zeer welkom zullen zijn, Willem. Wat zullen wij verder nog
meenemen?"
"Dezen verrekijker in allen gevalle, lieve vader; en dan willen wij
alle kleeren en linnengoed inpakken;--dat zal moeder verrassen. Het
linnen ligt in de koffers; wij zullen er zeildoek omheen slaan. En dan,
vader, zullen we ook eenige van de boeken meebrengen."
"Dat is uitmuntend, Willem," antwoordde de vader. "Ik wil eerst alles
inladen en dan terugkomen en het overschot halen."
Binnen het uur waren zij weer aan land. Daar vonden zij Juno, die
zich intusschen gewasschen had en nu aan de bocht op hen wachtte,
om hen bij het lossen behulpzaam te zijn.
"Wel, Juno, hoe hebt gij 't van morgen?"
"Ikke heel goed, massa," was haar antwoord en op 't helder water
wijzende, vervolgde zij: "Daar zwemmen geducht veel visch hier."
"Ja, als wij maar vischtuig hadden," antwoordde mijnheer Wilson. "Flink
zal wel ergens haken en snoeren voor ons weten op te schommelen. Kom,
meid, breng dezen bundel linnen naar uwe tent; het overige kunnen
wij alleen wel bezorgen."
"En neem ook deze flesch melk, Juno; ik heb haar voor kleinen Albert
meegebracht," zeide Willem.
"Dankje, dankje wel, massa Willem; datte heel zoet zijn van jonk
massa."
"En haast u maar wat, Juno; want daar is Thomas ook al op de been en
springt in zijn hemd rond."
Bij de tenten vonden zij allen wakker, met uitzondering van den ouden
stuurman, die nog zeer vast scheen te slapen. Mevrouw Wilson had een
zeer goeden nacht gehad en voelde zich verfrischt en gesterkt. Willem
wreef een stuk papier met kruit in en bracht het door de glazen van
den kijker aan het branden, waarop spoedig een helder vuur vroolijk
opvlamde. Zijn vader had onderwijl aan het strand drie groote steenen
gezocht, waarop de ketel geplaatst werd; en na een half uur kookte
het water en was de thee gezet.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
DE HAAIEN.
Juno had de kinderen naar de bocht meegenomen en, tot aan de knieën
in het water wadende, hen daarin gedompeld, als het eenvoudigste
middel om hen te wasschen. Vervolgens had zij hen aangekleed en aan
mevrouw overgegeven, waarna zij Willem de kopjes en borden voor het
ontbijt hielp bijeenzoeken. Alles werd sierlijk en net tusschen de
beide tenten op den grond uitgezet en toen sloeg Willem voor, den
goeden ouden Flink te wekken.
"Doe dat mijn jongen, nu is het tijd;--hij zal ook wel iets tot
ontbijt willen hebben."
Willem trad op Flink toe en tikte hem zacht op den schouder.
"Hoe is 't, Flink, hebt gij nu goed uitgeslapen?" vroeg hij, toen de
oude man opstond.
"Ja, beste jongen. Ik ben terdeeg onder zeil geweest, dunkt mij;
maar nu wil ik mij haasten en zien, of ik wat tot ontbijt voor u
allen klaar kan krijgen."
"Doe uw best maar," was Willems lachend antwoord.
Het aankleeden kostte Flink weinig moeite of tijd, daar hij bij
't slapen gaan enkel zijn buis had uitgetrokken. Hij schoot dit
weer aan en kwam toen buiten. Hoe vreemd stond hij te kijken, toen
hij het gansche gezelschap met mevrouw Wilson, die met den kleinen
was meegekomen, verzameld vond aan 't ontbijt, dat op den grond
gereedstond.
"Goeden morgen, Flink," zeide mevrouw Wilson en reikte hem vriendelijk
de hand. Ook haar man schudde de zijne en wenschte hem goedenmorgen.
"Gij hebt een langen, vasten slaap gehad, Flink," zeide hij, "en ik
wou u na dien zwaren dag van gisteren niet te vroeg wekken."
"Ik dank u voor uwe goedheid, mijnheer, en ben hartelijk blij, mevrouw,
dat ik u zoo wel vind," antwoordde de oude man. "Ik heb geen berouw
over mijn lang slapen, nu ik zie, dat gij allen u ook zonder mij zoo
kostelijk redden kunt."
"Ja, maar juist dat kunnen wij niet, vrees ik," hernam mevrouw
Wilson. "Wat zou zonder u en zonder uwe goedheid van ons geworden
zijn?"
"Wij kunnen wel een ontbijt zonder u gereedmaken," zeide haar man;
"maar zonder u, brave vriend, hadden wij dat op dit oogenblik niet
meer noodig gehad. Onder het eten zullen wij u alles vertellen wat
wij gedaan hebben."
Terwijl zij nu bij elkaar zaten, vertelde Willem zijn vriend,
hoe zij naar boord geroeid waren en wat zij van daar al hadden
medegebracht. Hij zeide hem ook, hoe Juno de kleinen in het water
had laten spartelen en hoe dat zeebad allen zoo goed bevallen was.
"Maar dat mag Juno volstrekt niet meer doen," sprak Flink "voordat
ik eerst goed onderzoek gedaan heb. Gij weet wel, dat rondom deze
eilanden haaien in menigte loeren en dat het daarom hoogst gevaarlijk
is, in het water te gaan."
"Mijn God, lieve man, wat gevaar zijn onze kinderen daar dan weer
ontkomen!" riep de bezorgde moeder met innerlijke huivering.
"Dat is waar," vervolgde Flink. "Evenwel zijn die booze gasten minder
talrijk aan de loefzijde van de eilanden, ofschoon deze vlakke baai
eene al te geschikte plaats voor hen is, dan dat zij er niet dikwijls
komen zouden. Dus, Juno, zou ik u raden, niet weer te water te gaan,
voordat ik eene plek heb opgezocht, waar gij veilig baden kunt. Nu
echter is daar nog geen tijd toe, en zoodra wij uit het schip alles
aan wal hebben, wat ons dienstig is, moeten wij eerst overleggen,
of wij hier blijven willen of niet."
"Hier blijven of niet, Flink hoe meent gij dat?"
"Wij hebben hier tot nog toe geen water gevonden en dit is toch de
eerste behoefte des levens;--als er op deze zijde van 't eiland geen
water te vinden is, moeten wij onze tenten ergens anders opslaan."
"Dat begrijp ik, zal noodig wezen," antwoordde de heer Wilson.
"Ik wenschte wel, dat wij tijd hadden om eenig onderzoek te doen."
"Dat kunnen wij ook; maar wij mogen daarom het fraaie weer niet
ongebruikt laten voorbijgaan. Morgen kan het licht weer stormen en
dan hebben we geen gelegenheid om iets van boord te krijgen. Het zou
goed zijn, dat wij thans opbraken, mijnheer: gij, Willem en ik. Gij
en uw zoon blijven aan boord, om het noodzakelijke bijeen te zoeken
en ik zal de goederen in de bocht brengen, waar Juno ze afhaalt."
In den loop van den dag haalden zij nog eene menigte dingen, waarvan
zij verwachten konden in de toekomst dienst te zullen hebben. Nog vóór
den middag waren de kleinere zeilen en al het touwwerk, bindgaren
en doek, verder kleine tonnen, zagen, beitels en groote spijkers,
eindelijk planken van iepen- en eikenhout aan wal gebracht. Na het
gebruiken van een hartig maal begonnen zij den arbeid opnieuw. Stoelen
en tafels uit de kajuit, de gezamenlijke kleedingstukken, eenige
kisten met kaarsen, twee balen koffie, twee met rijst en twee met
scheepsbeschuit, verscheidene stukken rund- en varkensvleesch,
zakken met meel (men had veel moeite gedaan, om een geheel vat
naar boven te krijgen, doch dit was niet gelukt), dan eindelijk de
slijpsteen, nog meer drinkwater en mijnheer Wilson's huisapotheek
werden achtereenvolgens ontscheept. Toen Flink andermaal terugkwam,
zeide hij: "Onze boot begint sterk te lekken en zal niet veel reizen
meer doen kunnen, voordat ik ze gebreeuwd heb. Ook heeft Juno nog
niet de helft van 't goed naar de tenten gebracht; de last is voor
één persoon te zwaar. Me dunkt, we kunnen het er heden bij laten,
mijnheer Wilson, als wij voor den donker maar eerst al de dieren
aan land hebben. Ik wil die niet gaarne aan hunne eigen zwemkunst
overlaten en toch zijn het lastige potentaten in eene boot. De koe
kunnen wij niet over krijgen; zij ligt altijd nog en zal ook wel
niet meer opstaan;--zoo gaat het meestal met de beesten. Echter heb
ik haar nog rijkelijk hooi voorgestrooid en als zij niet opstaat,
moet ik haar slachten en het vleesch inzouten."
Flink ging in het ruim, en het geknor van het varken liet zich
weldra hooren. Hij had het over den rug geworpen en hield het bij de
achterpooten vast. Zoo kwam hij er mee op het dek en liet het toen
over de verschansing in zee neerploffen. Het zwijn spartelde eenigen
tijd besluiteloos rond, maar keerde toen den kop van het schip af en
zwom op het land aan.
"Het gaat regelrecht op den oever los," merkte Flink aan, die het
met de beide anderen naoogde, maar een oogenblik later riep hij:
"Ik heb het wel gevreesd,--'t is verloren!"
"Hoe zoo?" vroeg mijnheer Wilson.
"Ziet gij dat zwarte ding daar, hoe 't pijlsnel over het water op
het dier toeschiet? Dat is de staart van een haai en nu heeft het
arme beest zijn langsten tijd van het leven gehad.--Kijk, daar gaat
het al!" vervolgde Flink, toen het zwijn met een zwaren slag onder
water verdween. "Die is er geweest. Beter dat stomme dier, dan uwe
lieve kleinen, niet waar, mijnheer Wilson?"
"Ja, waarachtig!--Misschien is het monster dicht bij hen geweest,
toen Juno met hen in het water stond."
"De slokop was zeker niet ver uit de buurt," antwoordde Flink;
"maar nu moet hij zich met dien eenen hap tevreden stellen, want meer
krijgt hij van ons niet. Wij zullen nu naar omlaag gaan en de andere
vier varkens de pooten vastbinden; dan brengen wij ze in de boot,
die met al wat er in is, dan hare behoorlijke lading heeft."
Met de zwijnen in de boot, roeide Flink nu naar land, terwijl vader
en zoon de schapen en geiten op het dek brachten en voor de volgende
reis gereed hielden.
"Dat zal voor heden de laatste maal zijn," riep de oude man bij zijne
terugkomst, "en, vergis ik mij niet, de laatste maal in vele dagen,
daar de wolken hare koppen ginder weer braaf beginnen op te steken. We
zullen nog een zak met koren voor het vee meenemen, en dan zeggen we
het schip voor een tijdlang vaarwel. Ik heb de koe weer een voorraad
water en hooi voorgezet, maar geloof niet, dat wij haar nog levend
vinden zullen bij onze terugkomst."
Door de zwaarte van het graan ging de boot ditmaal zeer diep. Echter
brachten zij het gelukkig nog tot den oever, ofschoon ditmaal niet
zonder veel water in te krijgen. Willem dreef de schapen en geiten
naar de tenten, waar zij zich rustig nederlegden; de zwijnen waren
weggeloopen en ook de hoenders hadden zich verstrooid, 't geen trouwens
niet anders te verwachten was. Het strand was geheel overdekt met de
menigte van goederen, die men heden had aangebracht.
"Wij hebben ons vandaag dapper geweerd, mijnheer Wilson," zeide Flink
met een vergenoegden blik op al dien voorraad, "en ook de kleine
boot heeft zich goed gehouden. Voordat ik haar wat heb nagezien,
mogen wij ons er echter niet weer in wagen."
Het was hun na het harde dagwerk allesbehalve onaangenaam, dat Juno
voor koffie had gezorgd, en onder het drinken verhaalden zij mevrouw
Wilson, hoe het arme varken op eene zoo gruwelijke wijze door den
haai verslonden was. De moeder drukte bij het hooren hiervan haar
zoontje onstuimig aan het hart, en toen zij haar hoofd weer ophief,
glinsterden tranen van dankbaarheid in hare zachte oogen. Ook de goede
Juno was ontsteld en verzekerde in hare gebroken taal, voortaan wel
zorg te zullen dragen, dat die booze zeeduivels niet bij hare lieve,
kleine massa's komen konden.
"Wij zullen hier morgen volop te doen hebben met al dat goed uit
te zoeken en het eene behoorlijke plaats te geven," sprak mijnheer
Wilson tot Flink.
"Wij zullen een langen tijd de handen nog terdege vol hebben," hernam
deze. "Over een paar maanden omtrent kan de regentijd invallen, en
zoo er eenigszins mogelijkheid toe is, moeten wij nog voor dien tijd
onder dak zijn. Zonder eene degelijke beschutting kunnen wij dit weer
niet afwachten, dat zeker tot het einde van het jaar aanhouden zal."
"Waarmee moeten wij dan eerst beginnen?" vroeg mijnheer Wilson.
"Morgen zullen wij 't best doen nog een of twee tenten op te slaan,
om al de aan land gebrachte goederen daaronder te bergen. Hierna kunnen
wij eens zien, waar wij onzen rijkdom voor de toekomst bewaren willen,
en ook nagaan, wat ons nogal zoo ontbreekt."
"Zeer goed; en wat moet er dan gebeuren?"
"Dan, mijnheer, dienen wij, dunkt me een klein tochtje naar het
binnenste van het eiland te doen en de plek uit te zoeken, waar wij
ons huis zullen opbouwen."
"Kunnen wij een huis bouwen?" riep Willem verbaasd.
"Wel zeker, mijn kind; en dat zal ons minder moeite kosten, dan gij
u misschien voorstelt. Er is geen nuttiger boom dan de kokosboom en
daarbij is zijn hout zoo licht, dat wij het gemakkelijk van de plaats
kunnen krijgen."
"En waarin bestaat dan het groote nut van dien boom?" vroeg mevrouw
Wilson.
"Dat zal ik u vertellen, mevrouw. Vooreerst geeft hij u hout, om er een
huis van te bouwen; dan hebt gij de schors, waaruit ge touw, koord en,
zoo gij verkiest, ook vischnetten maken kunt; vervolgens de bladeren,
om uwe woning en, wilt ge, ook uw hoofd daar mee te dekken, want men
kan zeer goed hoeden en ook manden daarvan vlechten. Verder hebben wij
de vrucht, eene noot, die zeer goed te eten en ook gekookt voedzaam
en lekker is. In de jonge noot is de zeer gezonde melk besloten
en bovendien geeft zij nog lampolie en hare schil drinknappen en
veldflesschen, als men die anders niet heeft. Eindelijk kan men nog een
wijn uit den boom tappen, die versch gebruikt een aangename drank is,
maar bedwelmt en dronken maakt, als hij langer bewaard wordt; en van
dezen wijn kan men dan ook een zeer sterken drank brouwen. Oordeel nu
zelve maar eens, mevrouw: kent gij een anderen boom, die den mensch
zooveel nut aanbrengt en hem, zooals deze, bijna van al wat hij noodig
heeft, voorziet?"
"Waarlijk, daar heb ik nooit iets van geweten," was het antwoord.
"In allen gevalle zijn hier boomen in menigte," zeide Willem.
"Ja, ja, mijn jongen, daar is hier geen gebrek aan; en dat verheugt
mij hartelijk, want als er maar weinig waren, zou ik er niet gaarne
een van omhouwen. Misschien konden in het vervolg nog anderen hier
schipbreuk lijden en daarbij het noodzakelijkste missen, zoodat zij
gedwongen waren, geheel alleen van de weinige kokosboomen te leven."
"Maar nu, geloof ik, zou 't voor allen goed zijn, dat wij te bed
gingen," zeide mevrouw Wilson.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
EERSTE VERRICHTINGEN OP HET EILAND.
Wij kunnen voortaan in de geschiedenis van ons gezelschap op het eiland
niet meer, als tot hiertoe, de dagelijksche verrichtingen optellen,
daar wij genoeg te doen zullen hebben met de belangrijkste voorvallen
en ontmoetingen van elken dag behoorlijk te vermelden. Den volgenden
morgen na het ontbijt zeide Flink:
"Nu, mijnheer Wilson, moeten wij krijgsraad houden en aangaande een
ontdekkingsreisje op morgen een besluit nemen. Is dit bepaald, dan
zullen wij wel middel vinden, om dezen dag verder op eene nuttige
wijze te besteden. De eerste vraag is: wie zullen mee van de partij
zijn? Mag ik weten, hoe gij daarover denkt?"
"Wel, vriend," antwoordde mijnheer Wilson, "mij dunkt, wij beiden,
gij en ik, zullen gaan."
"Toch beiden niet te gelijk, lieve man?" viel zijne vrouw hem in de
rede. "Gij kunt u ook wel zonder mijn man redden, niet waar, Flink."
"Ik had zeker wel gewenscht mijnheer Wilson en zijn goeden raad bij mij
te hebben," was het antwoord; "maar ik heb er ook al over nagedacht en
geloof zelf, dat de kleine Willem geene toereikende bescherming voor u
is; of althans zoudt gij hem daar niet voor houden, en dat komt voor
uwe bezorgdheid nagenoeg op 't zelfde uit. Dus, als mijnheer er niet
tegen heeft, zal 't het best zijn, dat hij u gezelschap blijft houden."
"Wilt gij echter geheel alleen gaan, Flink?" vroeg de heer Wilson.
"Neen mijnheer; ik geloof niet, dat dit goed en verstandig zou zijn. Er
kon mij immers een ongeluk overkomen, want niemand kan zeggen, wat
er gebeuren kan. Ofschoon er alle schijn van veiligheid voorhanden
is. Daarom wenschte ik wel iemand bij mij te hebben; de vraag is maar,
of dat Willem of Juno zal zijn."
"Neem mij mee!" riep Thomas op eens.
"U meenemen, kleine man!" zei Flink lachend; "dan diende ook Juno mee
te gaan, om op u te passen. Neen, men kan u hier zeker niet missen;
uwe moeder zou verlegen staan, als gij weg waart. Gij kunt zoo mooi
brandhout en drooge prikken opzamelen en op uw zusje en kleine broertje
passen, dat moeder zonder u geen raad meer weten zou. Dus moet Juno
of broer Willem met mij gaan."
"En wien van beiden hadt gij 't liefst, Flink?" vroeg mevrouw Wilson.
"Uw zoon Willem, mevrouw,--hem verreweg 't liefst, als gij hem aan
mijne zorg wilt toevertrouwen. Ik vreesde enkel, dat gij misschien
zwarigheid zoudt maken."
"Ik heb het liever niet; ik zou mij liever een poos lang zonder Juno
behelpen," antwoordde de moeder. "Maar neen, ik heb ongelijk, lieve
man," vervolgde zij zich tot haren man wendende, die haar bestraffend
aanzag. "Ja, ik heb ongelijk. Ziekte en lijden hebben mij niet alleen
zwak en vreesachtig, maar, vrees ik, ook zelfzuchtig gemaakt. Ik
wil mij daartegen verzetten. Tot hiertoe ben ik u lang tot last en
bezwaar geweest, maar dat zal, hoop ik, eerlang beter worden en dan
zal ik mij ook nuttig zoeken te maken. Zoo gij 't beter acht, lieve
Wilson, dat gij zelf, in plaats van Willem, met Flink gaat,--ik ben
er nu niet meer tegen, 't was heusch zeer verkeerd van mij, dat ik er
mij een oogenblik tegen verzette. Ga dus gerust met onzen vriend mede."
"Dat mijnheer meegaat is niet noodig, mevrouw," hernam Flink; "uw
wakkere Willem kan mij dezelfde diensten doen. Geloof mij, ik zou
van harte gaarne alleen gaan: ik heb geen vrees, dat mij iets kwaads
bejegenen zal; maar toch weten wij niets van den dag van morgen. Ik
kon immers ook ziek,--kon door eenig toeval overvallen worden, ik
ben een oud man; en dan, dacht ik, als mij een ongeluk trof, kondt
gij mij missen. Dat is alles;--ik zeide 't niet uit eigenbelang."
"Daar ben ik volkomen van overtuigd, mijn goede oude vriend,"
antwoordde mevrouw Wilson; "maar eene moeder is soms al heel dwaas
en onverstandig."
"Vergeef mij, mevrouw, niet dwaas, zooals gij zegt; slechts soms al
te bezorgd en angstvallig."
"Genoeg, Flink. Onze Willem zal dan met u gaan, dat is bepaald en
besloten," besliste de vader ten laatste. "Wat is nu aan de beurt?"
"Vooreerst moeten wij ons nu tot onzen marsch gereedmaken. Wij moeten
wat mondkost en wat water bij ons hebben, daarbij een geweer en kruit,
eene groote bijl voor mij en een kleinere voor mijn reismakker. Ook
zal het goed zijn, dat Romulus en Remus meegaan; het dashondje kunt ge
hier bij u houden. Gij, Willem, kunt nu dadelijk vier halve fleschjes
met water vullen, terwijl ik voor ieder van ons een linnen knapzak
in elkander naai."
"En wat zal ik doen?" vroeg mijnheer Wilson.
"Gij, mijnheer, zoudt ons een grooten dienst kunnen doen, als
gij zoo goed waart, deze twee bijlen op de slijpsteen wat aan te
scherpen. Thomas zal wel draaien. 't Is een sterke, fiksche jongen en
frisch te arbeiden is altijd zijn lust en zijn leven." Thomas stond
dadelijk op. Hij was juist sterk genoeg, om den steen rond te draaien;
maar gewoonlijk wilde hij liever spelen dan werken. Nu de oude man
echter gezegd had, dat dit laatste zijn lust was wilde hij dat ook met
de daad bewijzen en sloofde zich af, wat hij kon. Flink zat daarbij
zijne reiszakken te naaien, en zoo vaak onze jongeheer lust gevoelde
om het werk te staken, prees Flink hem, dat hij zich zoo dapper weerde
en vertelde aan zijne moeder welk een knappe jongen hij was. Zoo dan
ging Thomas, die zich gaarne hoorde prijzen, met zijn werk voort,
totdat de zweetdruppels hem op het voorhoofd stonden. Vóór het avond
werd, waren de bijlen geslepen, de zakken klaar en was alles gereed
voor den volgenden morgen.
"Wanneer wilt gij morgen op weg gaan, Flink?" vroeg mevrouw Wilson.
"Het zal goed zijn, dat wij met het eerste daglicht opbreken, daar
de hitte zoo vroeg nog niet sterk is."
"En tegen wanneer denkt gij terug te zijn?"
"Ja, zie, mevrouw, wij hebben voorraad voor drie dagen bij ons. Als
wij morgen, Woensdag, in de vroegte opstappen, kunnen we misschien
Vrijdagavond hier terug zijn. In allen gevalle denk ik niet, dat het
later dan Zaterdagochtend worden zal."
"Goeden nacht, dan--en vaarwel, lieve moeder!" zeide Willem. "Ik zal
u morgen vroeg niet meer zien."
"God zegene en behoede u, mijn lief kind!" sprak deze. "Pas toch vooral
goed op hem, Flink! En ook gij--goede reis en tot spoedig wederzien!"
De beangste moeder ging in hare tent, om de tranen te verbergen,
die zij niet kon weerhouden. "Het is nog geheel nieuw voor haar,"
merkte Flink aan; "als zij er meer aan gewoon is, zal eene korte
scheiding haar zoo hard niet meer vallen."
"Dat vertrouw ik ook," antwoordde haar echtgenoot; "maar zij is nu
nog zenuwachtig en ongesteld; en in aanmerking nemende, dat zij tot
dusverre zelden langer dan een uur van hare kinderen gescheiden
is geweest en haar zoon nu weggaat, zonder dat zij zelfs weet
waarheen,--houdt zij zich, dunkt mij, nog al vrij standvastig."
"Ja, waarlijk, mijnheer, dat doet zij," erkende Flink; "de angst eener
moeder is even natuurlijk als hare liefde. In allen gevalle wil ik, ook
indien ik alles wat ik wenschte niet op eenmaal verrichten kan, toch
op den bepaalden dag terug zijn en dan later nog eens een reisje doen."
"Doe dat, Flink; dat zal haar geruststellen. En nu, vaarwel; wees
voorspoedig en moogt gij uw doel bereiken!"
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
EERSTE UITSTAPJE OP HET EILAND.
Nog vóór de zon was Flink op en wekte ook Willem uit den
slaap. Zwijgend kleedden zij zich aan en vermeden elk gerucht,
dat de moeder had kunnen doen ontwaken. Hunne reiszakken waren
reeds gepakt. In ieder was een portie vleesch, dat zij dadelijk
onder elkander verdeeld hadden, benevens twee waterfleschjes, in
kokosbladeren gewikkeld, opdat zij minder licht breken zouden. Flink,
die den grootsten reiszak droeg, had nog beschuit en verscheidene
andere dingen bij zich, waarvan hij zich voor het geval van nood had
voorzien. Om het lijf had hij twee strikken geknoopt, om, als dit
vereischt werd, de honden daaraan vast te binden.
Zoodra zij de reiszakken hadden omgehangen, nam Flink bijl en geweer
en vroeg Willem, of hij wel dacht een kleine spade, die zij te gelijk
met de schoppen van het wrak gehaald hadden, op den schouder te kunnen
dragen. De knaap antwoordde toestemmend. De honden, die schenen te
weten, dat zij meegaan mochten stonden klaar, en nu ging de oude man
naar een der watertonnen, nam zelf een duchtigen slok, spoorde Willem
tot hetzelfde aan en liet toen ook de honden drinken, zooveel zij
lustten. Hierop, juist toen de zon aan den hemel opging, traden zij
het kokosbosch in en hadden de tenten spoedig uit het gezicht verloren.
"Nu, reiskameraad," begon Flink en stond stil, toen zij een twintig
schreden ver waren, "weet gij ook, op welke wijze wij den terugweg
vinden kunnen? Gij ziet, in het dichte bosch konden wij licht verdwalen
en er is geen pad, dat ons dan leiden zou."
"Neen, waarlijk, dat weet ik niet; ik dacht daar juist aan, toen gij
er over begont, en ook Klein Duimpje viel mij in, die broodkruimels
uitstrooide om zijn weg weerom te vinden, maar hem toch niet vond,
omdat de vogels zijne kruimels hadden opgepikt."
"Ge ziet dus, dat Klein Duimpje de zaak niet goed overlegd had, en
wij moeten het hem zoeken te verbeteren. Wij moeten doen, zooals de
Amerikanen doen in hunne bosschen: wij moeten de boomen merken. Dit
geschiedt door een enkelen slag met de scherpe bijl een kerfje in de
schors van den boom te houwen, dat hun tot teeken dient, waaraan zij
hun weg herkennen. Zij merken daarbij niet elken boom, maar altijd
den tiende of zoo, die aan hun pad staat, en dan beurtelings een
aan den rechter- en een aan de linkerhand. Het kost slechts weinig
moeite; zij doen het onder het gaan, zonder dat het hen een oogenblik
ophoudt. Laat ons nu ook daarmee beginnen; gij neemt de rechterkant:
het zal u gemakkelijker vallen de bijl in de rechterhand te houden;
ik voor mij kan evengoed ook de linker gebruiken. Zie, zoo maakt men
slechts een kerfje in den bast:--de zwaarte van de bijl doet het bijna
alleen en dat kan ons jaren lang tot wegwijzer door het woud dienen."
"Dat is heerlijk bedacht!" riep Willem, en beiden vervolgden nu hun
marsch, terwijl zij de boomen rechts en links op gezette afstanden
teekenden.
"Ik heb evenwel ook nog een anderen vriend in den zak," begon Flink
weder, "en ik zal dien moeten gebruiken."
"Wat is dat?"
"Het zakkompas van den armen kapitein Osborn. Gij ziet, Willem,
het merken der boomen zal ons wel onzen terugweg aanduiden, maar kan
ons niet zeggen, in welken koers we thans te sturen hebben. Op dit
oogenblik weet ik nog, dat wij den rechten weg houden, daar ik door
het geboomte achter mij heen zien kan: maar dikwijls zal dit niet
mogelijk zijn en dan moet ik met mijn kompas te rade gaan."
"Dat begrijp ik zeer goed; maar zeg mij, Flink, waartoe nemen wij die
schop mede? Hoe kan ons die van dienst zijn? Gij zeidet er gisteren
morgen niets van, dat gij er eene mee woudt nemen."
"Neen, Willem, en ik zweeg er opzettelijk van, omdat ik uwe moeder
niet beangst wilde maken. U echter durf ik wel zeggen, dat ik zelf
omtrent één ding zeer bezorgd ben, en dat is, of hier water te vinden
is of niet. Is er geen water, dan moeten wij het eiland wat vroeger
of later toch verlaten, want men kan wel eenig water verkrijgen door
kuilen in het zand te graven, doch dat is ziltig zeewater en zou ons
bij voortgezet gebruik allen ziek maken. Van het schip hebben wij
niet veel meegebracht, en als er stormachtig weer komt, kunnen wij er
ook niet meer vandaan halen. Nu gebeurt het echter dikwijls, dat er
ergens zoet water is, zonder dat men het aan den grond zien kan,--men
moet er dan naar graven, en daartoe heb ik de spade meegebracht."
"Gij denkt toch aan alles, Flink."
"O neen, mijn goede Willem, dat doe ik niet altijd. 't Is waar, in
onzen tegenwoordigen toestand denk ik meer aan wat noodig is, dan
misschien uw vader en uwe moeder; maar dat is, omdat zij nog nooit
geweten hebben, wat het is aan zichzelf alleen te zijn overgelaten. Zij
zijn nog nooit in 't geval geweest, dat zij genoodzaakt waren aan
zulke dingen te denken; als men echter zijn gansche leven op zee
zwalkte, zooals ik--als men schipbreuk heeft geleden en rampen
en gevaren van allerlei aard doorgestaan,--als men gedwongen was,
uitkomst te verzinnen of te gronde te gaan, dan, Willem, verzamelt
men zich nuttige kundigheden, niet alleen uit zijn eigen lijden,
maar ook uit het verhaal van anderen, wanneer men hoort, hoe die
zich er in de ellende hebben weten door te worstelen. Nood, zegt
men, is de moeder der wijsheid, en dat is werkelijk waar, Willem,
want hij scherpt het verstand; en het is dikwijls opmerkelijk, wat
vele menschen, vooral zeelieden, als de nood hen tot handelen drijft,
met de eenvoudigste middelen tot stand brengen."
"En waar gaan wij dan nu naar toe, Flink?"
"Recht op de lijzijde van het eiland aan; en ik hoop, dat wij nog
vóór het vallen van den donker daar zijn zullen."
"Waarom noemt gij dat de lijzijde van het eiland?"
"Omdat de wind tusschen deze eilanden genoegzaam altijd uit dezelfde
richting waait. Wij landden op de windzijde; thans hebben wij den
wind in den rug; steek uw vinger maar eens op en gij zult hem zelfs
hier in het bosch nog voelen."
"Neen, ik merk niets," verzekerde de knaap, terwijl hij den vinger
omhoog hield.
"Maak uw vinger dan eens nat en beproef het nog eens."
Willem bevochtigde zijn vinger met de tong en stak hem nogmaals
op. "Ja, nu voel ik het. Maar hoe komt dat?"
"De wind droogt de vochtigheid van uw hand op; daardoor ontstaat koude,
en deze is het, die gij voelt."
Op eenmaal begonnen de honden te knorren, sprongen toen vooruit en
blaften luid.
"Wat kan dat wezen?" riep Willem.
"Blijf staan, jongen," sprak Flink en spande den haan; "ik zal vooruit
gaan en zien." De oude man sloop zachtjes voorwaarts, het geweer
voorzichtig tegen de heup drukkende. Het geblaf der honden verdubbelde,
en uit een hoop dorre kokosbladeren stoven daar op eenmaal.... al de
varkens, die men een paar dagen te voren had laten loopen, voor den
dag en zetten het op een galoppeeren, met de honden achter hen aan.
"Het zijn onze varkens maar, Willem," riep Flink lachend, "Ik had
nooit gedacht, dat een tam zwijn iemand zoo kon doen schrikken.--Hier,
Romulus! Koest, Remus!" vervolgde hij, de honden roepende. "Nu, Willem,
daar hebt gij ons eerste avontuur."
"Ik hoop, dat wij er geen gevaarlijker beleven zullen," gaf de knaap
lachend ten antwoord. "Evenwel, ik wil wel bekennen, dat ik vrij wat
ontsteld was."
"Geen wonder, want ofschoon al niet waarschijnlijk, zou het toch
mogelijk zijn, dat zich roofdieren of zelfs wilden op dit eiland
ophielden. Wij moeten in een onbekend land steeds op het ergste gevat
zijn, Willem. Men kan verschrikt wezen en daarom toch, evenals gij
daareven, moedig standhouden. Wie echter bevreesd is, loopt weg."
"Ik geloof niet, dat ik ooit wegloopen en u verlaten zal, als er
gevaar aanwezig is, Flink."
"Ik vertrouw er gerust op, Willem, dat gij dat niet doen zult; maar
daarom moet gij toch niet onbezonnen en te haastig zijn. Wij willen
nu verder gaan, als ik eerst mijn haan in rust gezet heb. Daar mij
dit nu juist invalt, Willem, en gij dikwijls een geweer bij u zult
hebben,--denk er toch aan, jongen, dat gij nooit uw haan gespannen
laat. Ik heb daardoor alleen, dat velen den haan spanden en naderhand
vergaten hem weder in rust te zetten, meer ongelukken zien gebeuren,
dan gij u ooit zoudt voorstellen. Span nooit den haan, zoolang gij niet
vuren wilt;--dezen raad moet gij altijd in gedachten houden. Nu moet
ik eens op het kompas zien, want wij hebben op eens eene veranderde
richting, zoodat ik niet meer weet, welken weg in te slaan.--Ziezoo,
nu is alles goed. Vooruit, honden!"
Nog langer dan een uur vervolgden de wandelaars hun weg door het
kokosbosch en vergaten daarbij niet, al voortgaande, de boomen rechts
en links te teekenen. Eindelijk kozen zij een plekje uit, om er hun
ontbijt te gebruiken, en de honden strekten zich daarbij nevens hen
op den grond neer.
"Geef de dieren geen water en geen gezouten vleesch; geef hun niets
dan beschuit."
"Maar zij zijn zoo dorstig; moet ik hun niet een weinig te drinken
geven?"
"Neen; vooreerst omdat wij alles voor onszelven noodig hebben, en
bovendien verlang ik juist, dat zij dorstig zijn. En ook gij, Willem,
volg mijn raad en drink maar weinig water op eens. Weinig is volkomen
toereikend, om den dorst te lesschen, en hoe meer gij drinkt, des te
meer voelt gij dorst."
"Dan dien ik ook wel niet te veel gezouten vleesch te eten."
"Juist; hoe minder gij eet, des te beter, als wij geen water vinden
en onze fleschjes weer vullen kunnen."
"Maar wij hebben onze bijlen immers en kunnen van tijd tot tijd ook
eene kokosnoot afslaan en de melk daarvan drinken?"
"Ja, en het is een geluk voor ons, dat wij die uitkomst altijd nog
hebben; maar toch zou kokosmelk alleen ons slecht bevallen, ook als
die het gansche jaar door volop te krijgen ware.--Nu, Willem, willen
wij weer opstappen, als gij niet te moe zijt."
"Volstrekt niet; ik ben alleen moe niets dan de stammen der boomen
te zien, en zal hartelijk blij zijn, als wij het bosch eens achter
den rug hebben."
"Hoe meer wij ons haasten, des te beter dus," antwoordde Flink. "Voor
zoover ik dit eiland bij onze aankomst beoordeelen kon, moeten wij
thans ongeveer halfweg zijn."
De wandelaars begaven zich met vernieuwde krachten op weg.
Na een half uur bevonden zij, dat de grond niet meer zoo effen was
als vroeger en beurtelings begon te rijzen en te dalen.
"Het is mij zeer lief, dat ik het eiland hier niet meer zoo vlak vind,
Willem. Wij hebben zoo meer vooruitzicht om water te vinden."
"Ei, zie eens; daar wordt het nog steiler," merkte Willem aan,
terwijl hij een boom teekende; "daar is immers wezenlijk een heuvel."
"Des te beter;--wakker voorwaarts!"
De bodem was thans meer golvend geworden. Echter was hij nog altijd met
kokosboomen overdekt, die zelfs nog dichter stonden, dan tot dusver
het geval was geweest. Zij vervolgden hun marsch, waarbij zij van
tijd tot tijd op het kompas zagen, totdat Willem zijne vermoeidheid
niet langer verbergen kon, want de weg door het woud was thans nog
bezwaarlijker geworden dan in den beginne.
"Hoeveel mijlen denkt ge wel, dat we nu al gegaan zijn, Flink?" vroeg
hij ten laatste.
"Acht ongeveer, denk ik."
"Niet meer dan acht?"
"Neen, ik geloof niet, dat we, door elkaar gerekend, meer dan twee
mijlen in het uur hebben afgelegd. Het gaat maar langzaam, als men
naar het kompas reist en daarbij altijd de boomen merken moet; maar
mij dunkt, dat het woud vóór ons lichter wordt, van den top van dezen
heuvel gezien."
"Ja, dat is zoo, Flink; ik verbeeld mij, den blauwen hemel weer
te zien."
"Uwe oogen zijn jonger dan de mijne, Willem, en mogelijk hebt gij
goed gezien. We zullen dat spoedig vernemen."
Zij daalden nu in een ravijn neer en klommen vervolgens weer een
tweeden heuvel op. Zoodra zij boven kwamen, riep Willem overluid:
"De zee, Flink! daar is de zee!"
"Zeer goed, Willem; ik voor mij heb daar volstrekt niets tegen."
"Ik dacht al, dat wij nooit een einde aan dat donkere bosch zouden
zien," sprak de knaap en snelde ongeduldig vooruit; eindelijk stond
hij aan den uitersten zoom van het kokoswoud en bleef staan. Flink
stond spoedig aan zijne zijde, en beiden vestigden nu hunne oogen op
het voor hen uitgebreide landschap.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
DE OOSTZIJDE VAN HET EILAND.
"O hoe heerlijk!" riep Willem ten laatste: "zeker, hier zou moeder
recht gaarne wonen. Ik hield de andere zij van het eiland voor heel
lief, maar zij is toch niets bij deze vergeleken."
"Het is hier werkelijk fraai," antwoordde Flink in diepe gedachten.
Men kan zich trouwens niet licht een liefelijker tooneel
voorstellen. Het kokoswoud werd ongeveer een vierde mijl van de kust
eensklaps afgebroken door eene steile helling, die zich bij de dertig
voeten boven het strand verhief. Dit strand zelf was een golvende,
hier en daar met struiken begroeide groene vlakte en strekte zich
tot op ongeveer vijftig schreden afstands van het water uit, waar
het in verblindend wit zand overging, door 't welk enkele smalle
klippenreeksen van den oever landwaarts opliepen. Het water was
van eene helder blauwe kleur en brak slechts aan de klippen in wit
schuim. De riffen strekten zich mijlen ver van den oever in zee
uit en op enkele plaatsen staken de punten der rotsen boven den
rand des waters uit. Talrijke scharen van zeevogels hadden zich op
die hoogten genesteld; anderen wiegden zich in de heldere lucht of
schoten van tijd tot tijd in de blauwe zee neer, waaruit zij dan met
hunne klauwen een van de visschen ophaalden, welke in menigte aan de
zandbanken speelden en dikwijls zelf in vroolijke sprongen uit het
water opwipten. De kust had de gedaante van een hoefijzer en vormde
eene baai, besloten tusschen twee boschachtige landtongen, die zich
aan weerszijden ver in zee uitstrekten. De horizon was helder en
scherp tegen de zee afgeteekend.
Flink bleef een tijdlang stom, liet zijne oogen rechts en links langs
den gezichteinder gaan, monsterde scherp de riffen in de verte en
wierp toen een vorschenden blik op het land vóór hem.
"Waaraan denkt gij, Flink?" vroeg Willem ten laatste.
"Ik?--Ik denk dat wij zoo spoedig mogelijk naar water moeten omzien."
"Maar waarom zuchttet gij daareven?"
"Omdat ik niet, gelijk ik verwacht had, nog een ander eiland aan
lij ontdekken kan en er dus bijna geene mogelijkheid voorhanden is,
dat wij dit hier verlaten. Bovendien is deze bocht hoe fraai gelegen
ook, toch vol riffen, en ik zie nergens een ingang, wat de zaak om
velerlei redenen hoogst bezwaarlijk maakt. Evenwel kunnen wij niet
terstond op het eerste gezicht oordeelen. Eerst willen wij gaan
zitten en ons middagmaal houden, dan kunnen wij verder zien. Halt,
halt!--voordat wij van de plaats gaan, moeten wij aan de boomen bij
den uitgang van het bosch een duidelijk teeken maken; zonder dat,
zouden wij bij het terugkeeren onze merken moeielijk wedervinden."
Hij sneed twee witte streepen in de stammen der kokosboomen en daalde
toen met Willem naar het vlakke veld neer, waar zij zich neervlijden
en hun eenvoudigen maaltijd hielden. Zoodra dit verricht was, stonden
zij weder op en gingen aan het zeestrand. Flink keerde zich naar de
landzijde, in de hoop van ergens eene kleine beekbedding of holte
te ontdekken, die mogelijk zoet water bevatten kon. "Hier zijn
eenige plekken," zeide hij en wees ze met den vinger aan, "waar
het water in den regentijd zijn afloop gehad heeft; wij moeten ze
zorgvuldig onderzoeken, maar nu niet. Daartoe hebben wij morgen tijd
genoeg. Eerst moet ik een middel uitvinden om onze kleine boot door
gindsche klippen heen te krijgen; anders hebben wij een vreeselijken
arbeid, als wij naar deze plaats verhuizen, namelijk, zoo wij al onze
bezittingen door het woud aansleepen moesten en dat zou ons weken, zoo
niet maanden kosten. Dus willen wij vandaag de kust goed onderzoeken,
Willem, en dan morgen naar zoet water omzien."
"Zie de honden eens, Flink; ze drinken zelfs zeewater, de arme
beesten!"
"Zij zullen er niet veel van nemen. Zie, ze loopen er al van weg."
"Wat zijn die koralen fraai! Zie, ze groeien als jonge boomen onder het
water.--Ha, daar is een bloem, die op de rots uit het water opschiet."
"Raak haar eens met den vinger aan, Willem," sprak Flink.
Willem deed dit, en de bloem, gelijk hij haar noemde, sloot zich
oogenblikkelijk.
"Hoe, wat is dat? Het is vleesch en leeft!"
"Dat is het ook. Ik heb ze vroeger meer gezien; men noemt ze, meen ik,
zee-anemonen, doch ik kon nooit te weten komen, of het schelpdieren
zijn of niet. De natuur is toch bewonderenswaardig! Maar laat ons
nu die landtong eens opgaan en zien, of wij ook een doorgang door
de riffen vinden kunnen. De zon gaat onder en wij hebben nu nog maar
één uur licht. Vooraf moeten wij ook nog eene slaapplaats opzoeken."
"Maar wat is dat?" riep Willem en wees naar het zand;--"dat ronde,
zwarte ding?"
"Iets, dat ik blij ben hier te zien; eene schildpad. Zij komen om
dezen tijd tegen den avond aan land, om hare eieren te leggen, die
zij onder het zand begraven."
"Kunnen wij haar niet vangen?"
"O ja; als wij haar slechts stilletjes naderen. Maar vooral moogt
gij haar niet in den rug komen, want dan werpt zij met haar staart
en hare achterpooten of vinnen zulk een wolk van zand over u heen,
dat gij er blind van wordt en zij gemakkelijk kan ontsnappen. Om
deze beesten te vangen, moet men hen van boven aanvatten en bij een
der voorvinnen op den rug omwentelen. Dan kunnen zij zich niet meer
bewegen en blijven stil liggen."
"Laat ons het dan eens met deze hier beproeven."
"Dat zou zeer onverstandig zijn, mijn beste Willem, daar wij het beest
toch niet mee kunnen nemen en het morgen in de hitte sterven zou,
zonder dat iemand er dienst van had. Men mag geen schepsel doelloos
van het leven berooven, en zoo wij nu deze schildpad vermaakshalve
dooden wilden, kon het licht gebeuren, dat wij een andermaal, als
wij ze noodig hadden, er geen vonden."
"Dat had ik niet bedacht, Flink. Als wij eens hier wonen, kunnen wij
ze, hoop ik, zoo dikwijls vangen, als wij verkiezen."
"Neen, dat is niet waarschijnlijk; zij komen alleen gedurende den
broeitijd aan land. Maar wij willen ergens een schildpadvijver
aanleggen, die uit zee frisch water krijgt en waaruit zij ons niet
weder ontsnappen kunnen. Die wij dan vangen, zetten wij in den vijver
en halen ze er uit, zoo dikwijls wij lust hebben."
"Dat is een zeer goed plan," antwoordde Willem.
Onder zulke gesprekken vervolgden zij hunne wandeling. Zij moesten zich
met moeite een weg banen door het struikgewas, dat verder den landtong
op steeds dichter werd, en stonden weldra op den uitersten uithoek.
"Wat is dat daar ginder?" riep Willem en wees met de hand naar de
rechterzijde.
"Dat is een tweede eiland, Willem, en ik ben zeer verheugd het te
zien, ofschoon 't al niet gemakkelijk te bereiken zal zijn, als
wij eens genoodzaakt mochten worden dit eiland hier om gebrek aan
water te verlaten. Echter is 't nog altijd mogelijk, dat dit ons
gelukken kan. In allen gevalle is het een veel grooter eiland dan
het onze," vervolgde Flink en mat met de oogen de uitgestrektheid
van den gezichteinder, aan welks rand hij de toppen der boomen zien
kon. "Kom nu, jonge kameraad; voor onzen eersten dag hebben wij ons
redelijk goed gehouden. Ik ben vrij moe, en gij, dunkt mij, zult ook
uwe beenen wel voelen. Laat ons dus omkeeren en naar eene rustplaats
voor den nacht omzien."
Zij keerden naar den zoom van het kokosbosch terug. Daar pakten zij
eenige hoopen dorre bladeren opeen en bereidden zich daaruit een
zachte legerstede onder de boomen.
"Nu nog een teugje water gedronken en ons dan tot rusten neergelegd,"
zeide de oude man. "Zie de lange schaduw, Willem, die de boomen in
de zon werpen! Binnen een paar minuten zal deze geheel onder zijn."
"Mag ik onzen honden nu water geven? Zie eens, de arme Remus heeft
de tong uit den bek hangen en lekt aan de flesschen,--zoo'n dorst
heeft hij."
"Neen, neen, zij krijgen nu niets. Gij zult dit hard vinden, maar het
moet zoo wezen. Morgen kunnen wij de scherpe zintuigen dezer dieren
noodig hebben: hun dorst zal hun dan dubbel oplettend maken en kan
ons van groot nut zijn. Wij weten nooit, welk lot ons boven het
hoofd hangt. Had gij voor eene maand wel gedacht, dat gij u nu in
't gezelschap van een oud man op dit eiland bevinden en daar onder
den blooten hemel slapen zoudt? Als iemand u dat toen voorspeld had,
zoudt gij het nooit geloofd hebben. En nu goeden nacht, mijn jongen!"
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
WATER.
Willem sliep zoo goed, alsof hij op het zachtste bed en in een warm
vertrek gerust had, en Flink insgelijks. Beiden ontwaakten eerst,
toen de zon lang aan den hemel stond. De arme honden leden hevige
dorst, en het deed Willem zeer aan het hart, te zien hoe zij huilend
en bijna versmachtend met uitgestrekte tongen tot hem opkeken.
"Hoe is 't Willem," vroeg Flink hem, "willen we, voordat we opbreken,
ons ontbijt nemen, of zullen wij eerst eene wandeling doen?"
"Flink, ik kan waarlijk zelf geen droppel drinken, ofschoon ik heel
dorstig ben, voordat gij aan deze arme beesten een weinigje water
geeft."
"Ik heb medelijden met de arme stomme schepsels, zoo goed als gij,
jongen, en geloof mij, het geschiedt niet uit onbarmhartigheid,
maar integendeel tot hun eigen en ons aller best, dat ik hun dat
nog onthoud. Laat ons dan maar dadelijk eens de ronde doen en zien,
of wij niet ergens water vinden. Daar ginder bij die kleine kloof aan
de rechterhand willen wij het eerst beproeven, en lukt het daar niet,
dan gaan wij verder op en zien, waar het water gedurende den regentijd
zijn afloop gehad heeft."
De knaap keurde dit dadelijk goed. De honden volgden hen, en Flink
had nog eene schop bij zich, die hij op den schouder droeg. Spoedig
kwamen zij in de kleine laagte, waar de dieren den neus aan den grond
brachten en hijgend rondsnuffelden.
Het oog van den ouden man volgde aandachtig al hunne bewegingen,
totdat zij zich eindelijk kreunend nederlegden.
"Wij moeten verder gaan, Willem," zeide hij, in gedachten
verzonken. Zoo naderden zij eene plaats, waar een afloop van het water
scheen geweest te zijn; de honden snuffelden hier nog ijveriger rond.
"Gij ziet, Willem, de arme dieren verlangen nu zoo geweldig naar
water, dat zij het zeker oproepen, als het ergens voorhanden is,
terwijl wij zonder hen nooit iets hadden kunnen vinden. Ik reken
niet op eene openliggende wel, maar daarom is het toch wel mogelijk,
dat hier of daar onder den grond water verborgen zit. Dit gedeelte
van het strand is niet ver genoeg van zee verwijderd, anders zou ik
hier in het zand daarnaar graven."
"In het zand! Zou dat dan niet zout smaken?" vroeg Willem.
"Op behoorlijken afstand van het zeestrand niet: want gij moet weten,
mijn jongen, dat het zand al langzamerhand het zeewater reinigt,
zoodat men, als de zandige oever breed is, op punten, die het verst
van het hoogste zeepeil af liggen, bij opgraving dikwijls zoetwater
vindt, dat wel wat ziltig, maar toch goed om te drinken is. Ik wou
wel, dat deze omstandigheid onder de zeelieden beter bekend was,
dan zij werkelijk is;--menig brave jongen zou daardoor een langzamen
marteldood ontgaan zijn. Er is niets vreeselijkers dan gebrek aan
water te lijden. Ik weet wat het is op een pintje elken dag bepaald
te zijn en hoop dat nooit weer te ondervinden."
"Zie eens, Flink, hoe druk Romulus en Remus met hunne pooten daar
omlaag den grond opkrabben."
"Den Hemel zij dank, mijn goede Willem; gij weet niet, wat blijde
tijding gij mij daar verkondigt, want om de waarheid te zeggen,
begon ik mij al ernstig ongerust te maken."
"Maar waarom wroeten zij dan toch zoo?"
"Wel omdat daar water is. Nu ziet gij, hoe goed het was, dat wij hen
eenige uren dorst lieten lijden: 't is waarschijnlijk ons aller behoud,
daar wij eene wel moesten vinden of anders het eiland verlaten. Wij
zullen de dieren nu met de schop helpen, en spoedig zullen ze drinken
hebben in overvloed."
De oude man ijlde op de plaats toe, waar de honden nog altijd met
wroeten voortgingen. Zij waren tot den vochtigen bodem gekomen
en werkten zoo ijverig, dat Flink moeite had hen van de stee te
verdrijven, om zelfs de spade te kunnen gebruiken. Hij had pas twee
voet diep gegraven, of het water begon te borrelen, en in minder
dan vijf minuten was er reeds zooveel voorhanden, dat de honden naar
hartelust drinken konden.
"Zie eens, Willem, hoe hen dat verkwikt. Dit was het eenige, dat ons
ontbrak: maar ook iets, dat onontbeerlijk is. Thans hebben wij alles,
wat wij op dit eiland wenschen kunnen, en zoo wij maar tevreden zijn,
moeten wij hier recht gelukkig worden,--ja, rijker dan menigeen, die
zich afslooft om rijkdommen bijeen te schrapen en toch niet weet wat
gebruik hij er van maken moet. Kijk, onze goede dieren hebben nu ten
laatste ook genoeg,--en wat hebben ze zich kogelrond gedronken! Wat
dunkt u, Willem, zullen we thans omkeeren en zien, dat wij wat te
eten krijgen?"
"Ja," antwoordde deze; "nu zal mij dat eerst recht smaken en wil ik
ook weer een duchtigen slok water nemen."
"Dit is hier een rijke bron, daar ben ik zeker van," zeide Flink,
terwijl zij naar de plaats van hun nachtleger terugkeerden en hunne
knapzakken onderzochten; "maar wij moeten haar hooger op onder de
boomen nasporen, waar geen zon komt: daar hebben wij het water altijd
koel en frisch en kan het niet opdrogen.--We zullen de handen vol
werk krijgen, en dat voor maanden, indien we hier blijven willen. De
plaats, waar we nu zijn, zal eene kostelijke gelegenheid wezen,
om daarop ons huis te bouwen."
Zoodra zij hun eenvoudig maal genuttigd hadden, stond de oude man
weer op en zei:
"Kom jongen, nu naar 't strand! Ik heb nog geen opening tusschen de
klippen gevonden, en daar ons bootje altijd dezen kant van het eiland
langs moet komen, dien ik toch te zien, of er niet een behoorlijke
doortocht te vinden is. Het komt mij voor, dat de branding niet tot
dat punt ginds reikt, en als daar een doorvaart is, mochten wij ons
wel gelukkig rekenen."
Aan den uithoek van de landtong gekomen, bevonden zij, dat Flink zich
in zijn vermoeden niet had bedrogen. Het water was diep tot dicht aan
het strand en vormde een kanaal van ettelijke roeden breedte. De zee
was zoo effen, het water zoo glad en doorschijnend, dat zij tot op
den rotsachtigen grond neerzien konden en de visschen in de diepte
zagen zwemmen.
"Zie eens," riep Willem en wees naar een punt op eenigen afstand in
zee, "daar is een groote haai, Flink."
"Ja, ik zie hem wel," antwoordde deze. "Hier in het rond zijn die
zeker in menigte, en gij moet uiterst voorzichtig zijn, als gij in
het water gaat. De haaien houden zich altijd aan lij van de eilanden
op, en in plaats van den eenen, dien wij ginds vonden, toen Juno uw
broertje baadde, kunt gij hier vijftig zien. Het eerste, waaraan wij
thans denken moeten, is dat wij zoo schielijk mogelijk van de andere
zijde hierheen zoeken te verhuizen."
"Zullen wij vandaag nog teruggaan?"
"Ik denk van ja, want hier kunnen wij toch niets doen, terwijl uwe
moeder zeker reeds in angst en zorgen over u is. Het is nog geen
middag, naar 't mij voorkomt, en wij hebben nog tijd genoeg vóór ons,
daar wij nu een bekend pad gaan en ons niet met merken en zoeken
hebben op te houden. Onze bijlen en de schop kunnen wij hier laten;
ze mee terug te sleepen zou vergeefsche moeite zijn. Het geweer zal
ik bij mij houden, want ofschoon niet waarschijnlijk, kan dat toch
te pas komen. Eerst zullen wij nog eens teruggaan en zien, of onze
wel goed water geeft, en dan trekken wij op."
Het strand langs gaande, zagen zij vele zeevogels, die dicht om
hen heen fladderden. Plotseling kwam een zwerm visschen in bonte
verwarring op den oever schieten; haar volgden eenige grootere, die
nu ook op het drooge lagen en naar water snakten, totdat de zeevogels
op eens dicht voor de beide wandelaars neerstreken, de visschen in
hunne klauwen oppakten en met die prooi ijlings wegvlogen.
"Dat is toch vreemd," riep Willem verwonderd.
"Ja, Willem, dat is het werkelijk. Maar daaraan kunt gij zien, hoe
het in de wereld gaat: de kleine visschen werden door de grootere
gejaagd en vluchtten in hunne angst op den oever. Die grootere waren
zelve zoo begeerig, dat ook zij aan land kwamen, en toen schoten de
vogels toe en pakten groot en klein op. Daar ligt een goede leering
in, Willem: als men iets te driftig najaagt, stort men zich licht
blindelings in gevaar."
"Maar de kleine visschen hadden toch niets, dat zij najaagden."
"Neen, ik bedoelde daarmee de grootere slechts;--bij de kleine was
het hier van den regen in den drop, zooals het spreekwoord zegt. Maar
laat ons nu naar de wel gaan."
Zij vonden het gat, dat Flink gegraven had, geheel met water gevuld,
en toen zij dit proefden, was het volmaakt zoet en aangenaam van
smaak. Zeer verheugd over deze ontdekking, legden zij de dingen, die
zij wilden achterlaten, onder de gemerkte kokosboomen neer, dekten
er eenige takken en bladeren overheen en namen toen met hunne honden
de terugreis aan naar de kleine bocht.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
STORM AAN LAND.
De teekens, die zij den vorigen dag gemaakt hadden, volgende, kwamen
onze landontdekkers zeer spoedig door het woud en waren binnen twee
uren dicht aan den uitgang, terwijl zij op den heenweg bijna acht
uren hadden noodig gehad, om denzelfden afstand af te leggen.
"Ik voel den wind al, Flink," zeide Willem, "en wij moeten het bosch
nu bijna ten einde zijn. Het komt mij voor, dat het zeer donker is."
"Dat heb ik daar ook al gedacht," antwoordde de oude man, "en 't zou
me niet verwonderen, dat er weer een storm in aantocht was. We moeten
ons dus haasten, daar uwe moeder zeker ongerust zal zijn."
Het waaien en schudden der boomtakken, nu en dan eene windvlaag,
waarop een zonderling gehuil en gekraak volgde, dit alles overtuigde
hem spoedig, dat er werkelijk een storm te vreezen was; en toen zij
uit het bosch traden, zagen zij den hemel, zoover hun oog reikte, met
een donkere loodkleur overtrokken en van het vroolijk glanzend blauw,
waarin hij zich tot hiertoe vertoond had, was geen spoor meer overig.
"Daar komt inderdaad een storm, en dat met volle zeilen," zeide Flink
bij het verlaten van het woud. "Schielijk naar de tenten, jongen; wij
moeten zorgen, dat alles zoo zeker zij, als wij het met mogelijkheid
maken kunnen."
De honden liepen vooruit en hun geblaf lokte mijnheer Wilson en
Juno naar buiten, die zoodra zij de beide aankomenden zagen, aan de
moeder, die met de kinderen binnen was gebleven, het afgesproken
teeken gaven. Een oogenblik later lag de knaap in de armen zijner
hoogst verheugde moeder.
"Ik ben blij, dat gij terug zijt, Flink," sprak mijnheer Wilson en
schudde hem de hand, nadat hij Willem omhelsd had; "want ik vrees,
dat er boos weer ophanden is."
"Dat is zeker," antwoordde Flink, "en wij moeten ons op een
stormachtigen nacht voorbereiden. De hemel ziet er wezenlijk
schrikwekkend uit. Het zal een van de stormen zijn, die gewoonlijk
den regentijd voorafgaan. Intusschen brengen wij u goede tijding,
mijnheer, en moeten dit als eene aansporing beschouwen, om onze
verhuizing zooveel mogelijk te verhaasten. Na dezen storm zullen wij
eene maand of daaromtrent goed weder hebben, misschien nu en dan
eens met een kleinen storm daartusschen. Daartoe moeten wij thans
terdeeg aan het werk; en als gij 't goed vindt, mijnheer, zullen wij
nu dadelijk den eersten noodigen maatregel van voorzorg nemen en naar
het strand gaan, gij, Juno, Willem en ik. Daar moeten wij onze boot,
zoover wij kunnen, op het drooge sleepen, want de zee zal hoog gaan
en spoedig zal die boot onzen voornaamsten steun uitmaken."
Flink ging nu de einden der tentsparren afzagen, ten einde ze onder
de kiel der boot te leggen en zoo als rollen te gebruiken, en daarop
daalden alle vier van den oever af. Met gezamenlijke krachten gelukte
het spoedig, de boot hoog op tusschen de struiken te sleepen, waar
Flink haar inderdaad ten volle in zekerheid verklaarde.
"Ik was eigenlijk voornemens, zonder uitstel aan het oplappen er van
te gaan," zeide hij: "maar nu moet ik wachten, tot de storm voorbij
is. Ook had ik gehoopt, nog eens aan boord te zullen kunnen gaan,
om nog eenige dingen te halen, die mij later invielen dat ons nuttig
konden zijn, en dan te zien, of onze arme koe nog in leven is; maar
ik vrees zeer," vervolgde hij, naar de lucht ziende, "dat wij het
wrak van De Vrede nooit weer betreden zullen. Hoor het loeien van den
opkomenden storm, mijnheer; zie, hoe de zeevogels rondfladderen en
krassen, alsof ze ons onheil te voorspellen hadden! Doch we mogen
niet te lang dralen, mijnheer;--de tenten moeten steviger worden
vastgemaakt, zoodat ze tegen de windstooten bestand zijn, want het
zou een leelijk ding voor mevrouw en de kleinen zijn, als ze eens
onverwacht werden opgenomen en naar den boschkant heengeblazen."
Toen zij bij de tenten terugkwamen, vonden zij den kleinen Thomas,
die met veel deftigheid op hen toetrad.
"Ei, dag, Thomas;--hoe gaat het u?" vroeg Willem.
"O, heel goed; ik ben wel en moeder ook; gij hadt gerust weg kunnen
blijven; ik zorg voor hen allemaal."
"Daar twijfel ik geen oogenblik aan, mijn beste jongen; gij zult wel
goed voor alles gezorgd hebben," gaf Flink ten antwoord. "Nu moet gij
ons helpen, om zeildoek en touw bijeen te zoeken, opdat wij den regen
beletten in moeders tent te dringen. Zoo, geef mij de hand maar en
kom mee; wij zullen 't aan Willem overlaten, aan moeder te vertellen,
wat wij onderwijl gedaan hebben."
Met de hulp van mijnheer Wilson pakte Flink stukken zeildoek en touwen,
zooveel hij noodig had, bijeen en begon die als een dubbel dek tot
beschutting tegen den regen over de tenten uit te spreiden. Het
linnen werd door middel van stevige lijnen en koorden aan de boomen
vastgemaakt, om te verhinderen dat de tenten omverwoeien, terwijl Juno
gebruikt werd om de greppel, die reeds om de tenten heen liep, met
eene schop nog verder uit te diepen, zoodat het water een behoorlijken
afloop had. Zij werkten ijverig door, totdat alles verricht was,
en zetten zich toen tot het gebruiken van een eenvoudigen maaltijd
neder. Al voortarbeidende, had Flink mijnheer Wilson zijne ontdekkingen
op het jongste verkenningstochtje meegedeeld, en allen hadden hartelijk
gelachen, toen hij het avontuur met de varkens vertelde.
Na het ondergaan der zon werd het weder nog dreigender. De wind
blies reeds hevig, de rotsige bocht werd door de golven gezweept en
was met wit schuim overdekt, terwijl de branding woest brulde, zoo
dikwijls zij over het zand van den oever brak. De geheele familie,
met uitzondering van Flink, was te bed gegaan; deze had gezegd, het
weer nog een weinig te willen afwachten, voordat hij zich ter ruste
legde. De oude man ging naar den oever en zette zich op den rand van
de boot, die zij daar straks eerst tusschen de struiken in veiligheid
gebracht hadden. Hier bleef hij zitten en liet het scherpe grijze oog
rondgaan in de verte, die slechts ééne dichte donkere massa vormde,
waarin alleen het witte schuim van het water nu en dan enkele flauwe
lichttinten wierp.
Nog niet lang had hij daar in gedachten verdiept gezeten of een
vurige bliksemstraal benam den ouden man voor een korten tijd het
gezicht. "De storm zal weldra zijne volle hoogte bereikt hebben," dacht
hij. "Ik zal naar de tenten gaan en zien, of die het tegen den wind
uithouden kunnen." Hij nam den terugweg aan, en nu begon de regen in
stroomen neer te plassen en bulderde de wind met verdubbelde woede. In
weinige minuten nam de duisternis zoodanig toe, dat hij het pad naar
de hoogte slechts met moeite vinden kon. Hij keerde zich in 't rond,
doch kon niets zien, daar de regen hem de oogen verblindde. Daar hij
toch niets doen kon, liep hij de tent in, om daar te schuilen, maar
legde zich niet neer, in de verwachting dat zijn bijstand misschien
spoedig zou vereischt worden. Hoewel al de overigen te bed waren
gegaan, hadden slechts Thomas en de beide kleinen zich ontkleed,
doch vader, moeder, Willem en Juno zich gekleed en al ter ruste gelegd.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
NA REGEN VOLGT ZONNESCHIJN.
De storm woedde nu met geweld en bliksem en donder wisselden elkaar
onophoudelijk af. De kinderen werden wakker en hieven een luid gejammer
aan, totdat het eindelijk gelukte hen tot bedaren en weder in slaap
te brengen. De wind loeide verschrikkelijk en stond met zijn volle
kracht op de tenten, waar de regen kletterend op neer sloeg. Het
eene oogenblik werd het linnen binnenwaarts gedrukt en schuurden en
kraakten de touwen, alsof zij dadelijk in stukken zouden springen; dan
weder dreef de tegenovergestelde luchtstroom het fladderende zeildoek
naar buiten, terwijl de regen reeds op onderscheidene plaatsen begon
door te dringen. Het was stikdonker en de woede der elementen scheen
eindelijk haar toppunt te hebben bereikt. Gelijk wij vroeger gezegd
hebben, was mevrouw Wilson's tent niet zoover van het strand verwijderd
als de tweede later opgerichte en stond dus ook meer aan den wind
blootgesteld. Tegen middernacht scheen de gansche natuur in oproer
te geraken. Op eens hoorden de mannen een luid gekraak, dat dadelijk
door het noodgeschrei van mevrouw Wilson en Juno gevolgd werd. De
tentprikken waren uit den grond gerukt en de verschrikte vrouwen zoo
op eenmaal van alle dak en beschutting beroofd. Terstond vloog de oude
man naar buiten en Willem en zijn vader volgden hem op den voet. De
wind was zoo sterk, de regen sloeg hun zoo heftig in het gezicht en
de nacht was zoo donker, dat zij alle krachten noodig hadden, om de
vrouwen en kinderen uit de omvergeworpen tent te bevrijden. De kleine
Thomas was de eerste, dien Flink beet kreeg. Zijn moed was geheel weg,
hij gilde van angst en was niet tot bedaren te brengen, Willem nam
zijn broertje Albert op den arm en droeg hem in de andere tent, waar
Thomas in zijn doornat hemd op den grond omkroop en de jammerlijkste
klaagtonen liet hooren. Juno, mevrouw Wilson en de kleine Caroline
werden het laatst onder de tweede tent in veiligheid gebracht. Gelukkig
had niemand zich bezeerd, maar allen waren doodelijk ontsteld en de
kleine schreide en snikte luid, wat echter nauwelijks gehoord werd,
daar het loeien der zee en het bulderen der windvlagen alle andere
geluiden geheel verdoofde. Het was een lange vreeselijke nacht,
dien men zoo in angst en zorg doorbracht, tot eindelijk de lang
gewenschte morgen aanbrak. Met de eerste schemering verliet Flink de
tent en bevond tot zijne geruststelling, dat de storm reeds zijne
woede had uitgeput en merkbaar aan het afnemen was. Nochtans was
het heden niet zulk een heldere vroolijke morgen, als waaraan zij
sinds hunne landing op het eiland gewoon waren; de hemel stond nog
dreigend, en zwart en wild dreven de wolken daaraan rond; de zon bleef
onzichtbaar en niet een enkel plekje blauw was door de nevelachtige
atmosfeer te bemerken. Het regende nog voortdurend, ofschoon niet
sterk meer, en de grond was doorweekt en glibberig. De kleine baai,
die nog den avond te voren een zoo stil en vreedzaam aanzien had,
was thans door wildschuimende en loeiende golven opgevuld en de
branding sloeg ver over het strand heen. De gezichteinder was mistig en
onduidelijk; men kon den hemel niet van het water onderkennen en het
gansche eiland scheen in een wijden kring van wit spattend zeeschuim
besloten. Flink wendde zijne oogen naar de plaats, waar het schip op
de riffen had vastgezeten. Daar was niets meer te zien,--het wrak
was op eens verdwenen! slechts hier en daar zag men er de planken
en luiken van, die met alles, wat in het ruim geborgen was geweest,
overal ronddreven of nog in de woeste branding het strand beurtelings
naderden en ontvloden.
"Ik dacht wel, dat het zoo gaan zou," zeide Flink tot mijnheer Wilson,
die hem gevolgd was, om eens naar het schip om te zien; "zie maar,
de storm heeft het geheel in splinters geslagen. Dat kan ons tot
aansporing zijn, om hier niet langer te blijven. Wij moeten van 't
goede weer, dat wij voor 't invallen van den regentijd waarschijnlijk
nog hebben zullen, zooveel mogelijk partij trekken en mogen volstrekt
geen tijd verliezen."
"Ik ben dat volkomen met u eens, Flink," antwoordde mijnheer
Wilson.--"Dat daar is ook eene aanmaning om spoed te maken," en hij
wees naar de door den wind omvergeworpen tent. "Het is wezenlijk een
geluk, dat geen van de onzen daarbij letsel heeft bekomen."
"Ja, waarlijk, mijnheer; maar de storm is nu gebroken en morgen zullen
wij weer mooi weer hebben. Laat ons nu eens gaan opnemen, wat wij
met de tent doen kunnen. Willem en Juno zullen in dien tusschentijd
wel naar een ontbijt voor ons omzien."
Met deze woorden gingen zij aan den arbeid. Zij voorzagen de tent
opnieuw van stevige prikken en touwen en brachten haar weldra weder
in behoorlijken staat, behalve dat de bedden en dekens nog doornat
waren en in den wind moesten worden te drogen gehangen. Nadat dit
gedaan was, zetten zij zich neder tot het ontbijt, waartoe Juno hen
juist was komen roepen.
"Voor 't oogenblik kunnen wij weinig meer doen, mijnheer," zeide
Flink. "Tegen den avond zal het linnen zoo nat niet meer zijn, en dan
zullen wij er beter mee kunnen omgaan. Eindelijk zie ik eene opening
in de wolken, die spoedig ander weer belooft; de storm was ook al te
hevig, om heel lang aan te houden. En nu," vervolgde hij, "willen we
nog eerst al onze krachten inspannen, om de aangespoelde goederen
te redden, die, als ze te lang omdrijven, tegen de rotsen worden
stukgeslagen. Juno kunnen wij daarbij missen, en ik hoop, dat wij
ons ook zonder den braven Thomas wel redden zullen. Het is beter, dat
hij bij moeder blijft en zorgt, dat haar hier geen ongeluk overkomt."
Thomas was echter door het gebeurde van dien nacht nog geheel uit
zijn humeur en verkoos boe noch ba te zeggen.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
DE WONDEREN DER NATUUR.
Weldra stonden zij aan het strand. Flink had onder den reeds geborgen
voorraad een stevig, lang touw opgezocht en daarmede werden nu de
tonnen en wat meer nog van het verbrijzelde schip door de golven
werd aangespoeld, vastgebonden en zoover mogelijk op het drooge
gesleept. Dit werk hield hen gedurende het grootste gedeelte van
den dag bezig en nog hadden zij niet het vierde deel der goederen
bijeengebracht, die zich binnen hun bereik ophoopten behalve nog de
menigte van gereedschappen, die buiten op de zee en aan den ingang
der bocht omdobberden.
"Kom mijnheer," zeide Flink eindelijk, "voor vandaag hebben wij onze
taak verricht. Morgen zullen wij nog meer kunnen uitvoeren, want de zee
wordt nu reeds weer effen en de zon komt van achter gindsche wolken
te voorschijn. Wij moeten nu ook voor onze maag zorgen en dan zien,
hoe wij ons dezen nacht het best behelpen kunnen."
De eene tent, die door den storm was verschoond gebleven, werd aan
mevrouw Wilson en hare kinderen afgestaan en de andere, zoo goed het
geschieden kon, weer inderhaast hersteld. Het beddegoed was nog op
verre na niet droog, en dus nam men zijne toevlucht tot eenige zeilen,
die dieper in het bosch minder van den regen hadden te lijden gehad,
en spreidde die op den grond uit, om er de vermoeide leden gedurende
den nacht op uit te strekken.
Den volgenden morgen scheen de zon helder en vroolijk. De lucht was
geurig en frisch; een zacht windje speelde over het water en er was
bijna in het geheel geen branding meer. Voortdurend werden allerlei
overblijfselen van het wrak door den wind aan land gebracht; vele
goederen waren gedurende den nacht langs het strand opeengehoopt en
bij eene menigte andere had men slechts geringe moeite noodig om ze
geheel in veiligheid te brengen. Het scheen wel dat de stroom des
waters recht op de bocht stond, want van de voorwerpen, die eerst
buiten in de zee hadden omgedreven, kwamen nu de meeste van lieverlede
in deze richting aan land gespoeld. De beide mannen werkten tot aan
het uur van het ontbijt door en hadden toen een aantal tonnen, vaten
en kisten aan den oever gehaald.
Dadelijk na het ontbijt keerden zij naar de baai terug om hun arbeid
voort te zetten.
"Zie eens, Flink, wat is dat?" vroeg Willem, die bij hem was en op
een zwart punt wees, dat langzaam kwam aandrijven.
"Dat is onze arme koe; en als gij nauwkeuriger toeziet, zult gij ook
de haaien bemerken, die op het kreng azen. Ziet gij wel?"
"O ja, duidelijk en wat een menigte zijn er!"
"Er zijn er zeker genoeg om twintig koeien te verslinden; en wees
dus maar voorzichtig, Willem als gij in het water gaat, en pas op,
dat Thomas er niet te dicht bij komt, want de haaien geven om geen
ondiepte, als ze een buit voor zich zien.--Maar nu moet ik u beiden
overlaten nog zooveel van het wrak te redden, als gij kunt, terwijl ik
onze boot nazie en haar weer in orde breng. Wij zullen haar binnenkort
noodig hebben, en hoe eer wij haar gebruiken kunnen, des te beter."
De oude man ging het gereedschap halen, dat hij tot herstelling van
de boot noodig had. Inmiddels verzamelden vader en zoon ijverig de
verschillende voorwerpen, die aan het strand spoelden, en rolden de
vaten zoo ver opwaarts, als zij konden. De houten en balken van het
schip lieten zij aan het spel der golven over, omdat zij daarvan reeds
zulk een voorraad bijeen hadden, als voor den eersten, ja voor langen,
langen tijd toereikend kon geacht worden.
Daar Flink zekerlijk eenige dagen noodig zou hebben, om de boot weder
waterdicht en bruikbaar te maken, besloot mijnheer Wilson nu ook op
zijne beurt eens met Willem naar de andere zijde van het eiland te
gaan; en daar zijne vrouw er geen bezwaar in vond met Flink en Juno
alleen te blijven, begaven beide zich den derden dag na den storm
al vroegtijdig op weg. Willem ging vooruit en richtte zich naar de
teekenen, die op de kokosboomen te zien waren. In twee uren tijds
hadden zij ditmaal de plaats hunner bestemming bereikt.
"Is het hier niet schoon, vader?" riep Willem uit.
"Ja, heerlijk, verrukkelijk, mijn beste jongen," was het antwoord.
"Ik kon mij bijna niets fraaiers voorstellen dan het plekje op de
andere zijde van het eiland, waar wij tot hiertoe woonden, maar dit
overtreft het nog zoowel in verscheidenheid als in uitgestrektheid."
"En nu moeten wij eens naar de wel gaan zien, vader," vervolgde Willem
en wees den weg dien zij hadden in te slaan.
De door Flink gegraven kuil en de geheele holte, waarin deze gelegen
was, stond tot overvloeiens vol en bevatte het heerlijkste water. Na
zich hiervan overtuigd te hebben, wandelden zij het strand langs naar
de zandige baai en zetten zich daar op eene koraalklip neder.
"Wie had ooit gedacht, Willem," begon de vader, "dat dit eiland
met zoovele andere, die in menigte in den Stillen Oceaan verstrooid
liggen, zijn ontstaan aan kleine nietige insecten kon te danken hebben,
die nauwelijks zoo groot als eene speldeknop zijn!"
"Insecten, vader?" riep de knaap uit.
"Ja! insecten. Geef mij dat stukje dood koraal eens. Ziet gij die
honderden ronde kleine gaatjes in elk takje, tot zelfs in het kleinste
toe? Verbeeld u nu, in ieder dier kleine openingen woonde eens een
zee-insect, en naarmate die insecten aangroeiden, groeiden ook de
takken der koraalboomen uit."
"Ja, dat begrijp ik wel. Maar hoe kan men weten, dat dit eiland door
hen gemaakt is? Zoo iets gaat mijn begrip geheel te boven."
"En toch is het waar, Willem, dat genoegzaam alle eilanden in dit
gedeelten van den oceaan door den arbeid en den wasdom dezer kleine
dieren ontstaan zijn. Het koraal was aanvankelijk op den bodem der zee,
waar het door wind en golven niet gestoord wordt. Al langzamerhand
schiet het hooger op, tot het eindelijk bijna tot aan de oppervlakte
des waters reikt. Dan is het juist als die klippen, welke gij ginds
ziet, Willem, en van nu af wordt het door het geweld van wind en
baren, die het gedurig afbrokkelen, in zijn groei belemmerd en kan
zich daarom ook niet boven de zee verheffen; want als dit het geval
werd, dan moesten de kleine dieren natuurlijk sterven."
"Maar hoe ontstaat daar nog een eiland uit?"
"Dat geschiedt slechts zeer langzaam en na verloop van veel tijd; ook
hangt daarbij veel van het toeval af. Zoo kan b. v. een boomstam, die
in zee omdrijft en misschien met schelpen en schaaldieren overdekt is,
op de koraalriffen blijven vastzitten. Zoo iets zou een toereikend
begin zijn, want het kon boven water blijven en de koralen aan de
windzijde beschutten, tot zich een vlakke rots, van gelijke hoogte
met de zee, had vastgezet. De zeevogels zoeken gaarne eene plaats om
uit te rusten. Zij zouden deze hier schielijk gevonden hebben en van
hunne uitwerpselen moest dan na verloop van tijd eene kleine plek boven
water ontstaan, waarop vervolgens ook nog andere drijvende voorwerpen
konden blijven hechten. Over zee verwaaide landvogels vallen daarop
neder en de in hunne maag bevatte zaadkorrels schieten, eens gevallen,
tot struiken en boomen op."
"Dat kan ik goed begrijpen."
"Welnu dan; op die wijze is de eerste grondslag om het zoo eens te
noemen tot een eiland gelegd, en eens zóóver, neemt dit ook spoedig
toe, want thans zijn de koralen tegen den wind gedekt en groeien
welig op. Merkt gij wel, hoe breed en hoog de koraalklippen op deze
zijde van het eiland, waar stormvlagen en golfslag haar niet zoo deren
kunnen, oprijzen, terwijl dit aan de windzijde, waar onze tenten staan,
zoo geheel anders is? Evenzoo onttrekt die eerste kleine plek boven
water de koraalgewassen aan den wind, en dan neemt het eilandje ras
in wasdom toe; want de vogels rusten er niet alleen, maar nestelen
er ook en broeden er jongen uit, zoodat de omvang van jaar tot jaar
grooter wordt. Ten laatste komt dan nog eene kokosnoot op de golven
aandrijven--en die vrucht is juist geschikt, om zich op zoo'n wijze
voort te planten, want hare buitenste schil is hard en waterdicht
en meteen zoo licht, dat ze op 't water drijft en daarin, zonder te
verrotten, maanden kan blijven liggen. Zij schiet wortel, wordt een
boom, die zijne breede takken telken jare verder uitbreidt en door
zijn dorrend loof gedurig meer teelaarde om zich heen verzamelt. De
rijpe noten vallen in deze vetten bodem, kiemen schieten op,--en zoo
gaat het voort, jaar in jaar uit, totdat het eiland zoo groot en zoo
dicht met boomen bezet is, als dat waarop wij nu op dit oogenblik
staan. Is dat niet verwonderlijk?"
"Hé, hoe merkwaardig!" antwoordde Willem.
Eenige minuten na dit gesprek bleven vader en zoon zwijgend
zitten. Toen stond de eerste op en zeide: "Kom, Willem, laat ons
nu terugkeeren; wij hebben nog drie uren licht en willen tijdig
thuis zijn."
"Ja vooral vóór het avondeten, vader," antwoordde de knaap, "dat ik
alle eer zal aandoen. Hoe eer wij er zijn, des te beter."
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
VERHUIZING NAAR DE OOSTZIJDE.
Alles was nu zoover gereed, dat men zonder twijfel met het opbreken
naar de lijzijde van het eiland beginnen kon. Flink had de boot bijna
weder klaar; hij had haar geheel vernieuwd en daarbij nog van een mast
en zeilen voorzien. Mijnheer Wilson en Willem gingen voort met het
verzamelen van goederen, die nog voortdurend werden aangespoeld, en
kozen bij voorkeur dezulke, die in de open lucht aan bederf onderhevig
zijn. Al wat zij van dezen aard vonden, werd naar het kokosboschje
gebracht, om het althans aan de hitte der zon te onttrekken, doch er
werd dagelijks zulk een menigte van alles aan land geworpen, dat zij
nauwelijks wisten, wat zij al bijeen hadden. Echter versmaadden zij
niets, maar borgen de eene kist na de andere en wachtten op eene andere
gelegenheid om den inhoud er van te onderzoeken. Ten laatste droegen
zij het verzamelde op groote hoopen en bedekten die behoorlijk met
zand, daar het in den korten tijd, die hun overig bleef, onmogelijk
was de velerlei goederen van het strand weg te brengen.
Ook mevrouw Wilson, die nu weer volkomen hersteld was, en Juno bleven
niet werkloos. Zij hadden al het noodige zoo goed zij konden in
pakken saamgebonden, om het gemakkelijk naar de nieuwe woonplaats te
kunnen overbrengen. Op den achtsten dag na den storm waren allen met
hun werk gereed en nu werd ten besluite eene groote raadsvergadering
gehouden. Men kwam overeen, dat Flink het beddegoed en het zeildoek
van de eene tent in de boot pakken en Willem op zijne eerste vaart
medenemen zou. Na dit vervoerd te hebben, zou hij terugkeeren, om eene
tweede vracht te laden, en dan moest de familie door het bosch naar
de andere zijde van het eiland trekken en daar met den heer Wilson
blijven, terwijl Flink met Willem de tweede tent ging halen. Daarna
zou de boot nog zooveel reizen doen, als het weder toeliet, tot
alles, wat men voor het begin noodig had, naar de nieuwe woonstede
was overgebracht.
Het was een lieve stille morgen, toen Flink en Willem met de zwaar
beladen boot van land stieten. Zoodra zij buiten de bocht waren,
trokken zij het zeil op en stevenden met gunstigen wind langs de kust
voort. Binnen twee uren hadden zij de oostkust bereikt. De landtong,
aan wier spits de doorgang door de klippen zich bevond, was geen mijl
meer van hen verwijderd, en nu lieten zij het zeil vallen en roeiden
in het kanaal, om in de zandige baai te landen.
"Gij ziet, Willem, hoe gelukkig het voor ons treft, dat wij altijd
een goeden wind zullen hebben, als wij met de bevrachte boot hierheen
gaan, en slechts het leege vaartuig hebben terug te roeien."
"Ja, dat treft heel gelukkig. Hoe ver zou het wel zijn van de bocht
ginds tot aan dit gedeelte van het eiland?"
"Zes of zeven mijlen, verder niet. Het eiland is lang en smal,
zooals gij ziet. Laat ons nu ons boeltje aan land dragen, dan kunnen
wij lang voor donker in onze bocht terug zijn. Uwe moeder zag niet
bijzonder gaarne, dat gij andermaal op zee gingt, Willem;--ik heb
dat wel bemerkt; en wij moeten dus niet lang uitblijven."
De boot was spoedig gelost; doch het kostte meer tijd de goederen ver
genoeg op het land te dragen. "Zulk een storm, als wij onlangs hadden,
zullen wij hier denkelijk niet meer hebben uit te staan," zeide Flink;
"want wij zijn daartegen door het kokosbosch in zijne gansche diepte
gedekt. Van den wind zullen wij nauwelijks iets merken, maar des te
meer van den regen, die in gansche stroomen op ons neerkomen zal."
"Ik moet eens even naar onze bron gaan zien en er een goeden dronk
uithalen," sprak Willem.
"Doe dat; maar laat mij niet te lang in de boot wachten."
Willem berichtte, dat de bron tot den rand toe vol was en hij in zijn
leven geen zoo heerlijk water gedronken had. Daarop staken zij van
wal en waren na ruim twee uren roeiens weder aan den ingang van de
bocht, waar mevrouw Wilson met Thomas aan de hand op hen wachtte en
hun reeds van verre met haar zakdoek toewuifde.
Bij het aan land stappen ontvingen zij de gelukwenschen der gansche
familie over den gunstigen uitslag van hunne eerste vaart, en allen
waren blij, dat de afstand zooveel korter was, dan men aanvankelijk
geloofd had.
"Den volgenden keer ga ik mee," zei Thomas met veel deftigheid.
"Alles op zijn tijd; als de jongeheer Thomas nog een weinigje grooter
is," antwoordde Flink.
"Massa Thomas komen mij help te melken de geit?" vroeg Juno.
"Ja, ja, de geiten melken!" riep de kleine schelm en huppelde
vroolijk heen.
"Zoo altijd pekelvleesch en scheepsbeschuit moet u toch
vervelen, mevrouw," zeide Flink, toen zij zich weder tot eten
nederzetten. "Zoodra wij echter in ons nieuw verblijf zijn, hoop ik
wel wat beter voedsel voor u op te doen. Tegenwoordig is het nog hard
werk en harde kost."
"Zoolang de kinderen er geen hinder van hebben, kan ik mij dat
heel goed getroosten, ofschoon ik wel bekennen wil, dat ik na dien
laatsten storm hartelijk verlang hier vandaan te komen, vooral na
de verleidelijke beschrijving, die Willem mij van onze aanstaande
woonplaats gegeven heeft. Het moet een waar paradijs zijn! Wanneer
zullen wij opbreken, Flink?"
"Niet vóór overmorgen, mevrouw; want, ziet gij, ik heb eerst nog eene
tweede reis te doen, om het keukengereedschap en de bundels, die
gij gepakt hebt, over te brengen. Als gij Juno morgen missen kunt,
moet zij met Willem door het bosch gaan, en dan kunnen wij de eene
tent voor u en de kinderen opzetten. Uw man kan dan achterblijven."
"Zeer goed, Flink; en zou 't niet het best zijn, dat zij dan meteen
de schapen en de geiten meenamen?"
"Ik ben blij, mevrouw, dat gij daaraan gedacht hebt; wij kunnen
daardoor vrij wat tijd besparen."
EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
FLINK EN WILLEM.
De oude man had zijne boot reeds lang weder volgeladen en onder zeil
gebracht, voordat de overige leden der familie nog op waren. Deze waren
nog niet aangekleed, toen hij zijne gansche vracht reeds gelost had en
zich vervolgens neerzette, om zijn ontbijt te nuttigen. Daarna droeg
hij al de goederen naar de plek, waar hij eene tent wilde opslaan,
en maakte hiertoe het noodige gereed, terwijl hij nog de komst van
Willem en Juno wilde afwachten, die hem dan helpen konden om de staken
vast te binden en het linnen daar overheen te trekken.
Tegen tien uren 's morgens verscheen Willem met eene der geiten aan
een touw, terwijl de overige los volgden. Na hem kwam Juno met de
schapen, van welke zij er ook een vasthield; de andere hadden zich
geduldig bij den trein aangesloten.
"Daar zijn wij eindelijk," riep Willem lachend. "Wij hebben in het
bosch de handen vol werk gehad, want die domme Nanni, de geit, liep
altijd om de eene zij van den boom, als ik aan de andere was, zoodat ik
het touw dan wel gedurig moest loslaten. Wij hebben de varkens ook weer
ontmoet, en ge hadt eens moeten hooren, Flink, hoe Juno het uitgierde."
"Ikke denken, dat wilde beest loopen in de bosch," zeide Juno. "O, wat
ijselijk mooie plaats hier! Hier massaas zeker dolgraag wonen zullen."
"Ja, het is wezenlijk eene heerlijke plaats, Juno; en hier kunt gij ook
weer wasschen en plassen, en zult het water niet behoeven te ontzien."
"Daar denk ik juist over, hoe wij ons gevogelte het best over zullen
brengen," zeide Willem: "het is wel niet heel wild, maar laat zich
toch niet opvangen."
"Ik zal ze morgen meenemen, vriend Willem," zeide Flink.
"Maar hoe zult gij ze in handen krijgen?"
"Doodeenvoudig; men wacht, tot ze 's avonds op hun tak zitten, en
dan kan men ze met de hand aanvatten, als men lust heeft."
"En de duiven en de varkens laten wij in 't wild loopen, denk ik,
en hun eigen kost zoeken?"
"Zeker; het is het beste, wat wij met hen doen kunnen. De varkens
zullen onder de kokosboomen altijd genoeg voedsel vinden en schielijk
jongen in menigte krijgen."
"En dan zullen wij hen schieten, niet waar?"
"Ja, Willem, dat zullen wij, en ook duiven, wanneer die zich eerst
genoegzaam vermeerderd hebben; zoodat wij, als wij hier zoolang
blijven, in het vervolg ook onze vrije jacht zullen krijgen. Spoedig
zullen wij behoorlijk van alles voorzien zijn en levensmiddelen
in overvloed tot onze beschikking hebben; elk komend jaar zal ons
rijker maken. Maar nu moet gij de tent helpen opslaan en ieder ding
op zijn plaats brengen, zoodat uwe moeder bij hare komst alles recht
gemakkelijk en netjes vindt. Zij zal wel zeer moe wezen, als zij hier
komt; want de wandeling is voor haar een heel eind."
"Moeder is veel beter, dan zij in lang geweest is," antwoordde
Willem. "Ik hoop, dat zij spoedig weder volkomen gezond zal zijn,
en dat wordt zij zeker, als zij hier maar een poosje gewoond heeft."
"Wij hebben nog zeer veel werk voor ons, meer dan wij vóór den
regentijd gedaan kunnen krijgen, en dat is waarlijk jammer, hoewel
't nu eenmaal niet te veranderen is. Vandaag over een jaar zullen
wij alles hier beter in orde hebben."
"Wel, wat hebben wij dan nog te doen, als onze tenten er eens staan
en wij ons goed overgebracht hebben?"
"In de eerste plaats moeten wij een huis bouwen, en dat zal ons vrij
wat tijd kosten. Wij dienen ons te haasten, opdat het zoo schielijk
mogelijk klaar kome. Dan moeten wij een kleinen tuin aanleggen en
de zaden, die uw vader uit Engeland heeft meegebracht, in den grond
brengen."
"O, dat is een allerprettigst werk. Waar kan dat het best geschieden,
Flink?"
"Ik heb reeds naar eene geschikte plaats omgezien. Wij moeten dwars
over die landtong eene omheining aanleggen en al het struikgewas met
den wortel uitroeien. De grond is er opperbest."
"En wat komt dan aan de beurt?"
"Dan moeten wij een pakhuis aanleggen voor al den voorraad, dien wij
verzameld hebben en die nog in het bosch en op het strand verstrooid
ligt. Daar moeten wij alles laten, tot wij tijd hebben, om het te
onderzoeken; en dan dienen wij te overleggen, hoevele reizen wij nog
met onze kleine boot te doen hebben, om alles hierheen te brengen."
"Ja, dat is alles waar. Valt er dan nog meer te doen?"
"O, nog werk in overvloed! Wij moeten een vijver voor schildpadden
een anderen voor visch aanleggen en eene badplaats voor Juno zoeken,
waar zij de kinderen wasschen kan."
"Ja, ja, en ikke mijzelf ook," zeide Juno.
"Wel, dat is den moriaan gewasschen; ofschoon ik wel weet, Juno,
dat gij een zindelijk meisje zijt, al is uwe huid ook niet heel
blank.--Maar vooreerst, Willem, moeten we onze wel in goeden staat
brengen, zoodat we altijd rijkelijk versch water hebben. En daar
hebt ge nu werk genoeg en wel zwaar werk, althans voor een vol jaar,
en hoe langer wij hier samenwonen, des te meer behoeften zullen wij
langzamerhand ook ontdekken."
"Nu, laat moeder en de kleinen maar eerst hier zijn, dan zullen wij
dapper aan den gang gaan."
"Ik wenschte van ganscher harte, dat alles reeds gedaan was, mijn beste
Willem," vervolgde Flink. "In allen gevalle hoop ik nog lang genoeg
te leven, om dat alles tot stand te zien gebracht. Ik zou u allen
gaarne in onbezorgde omstandigheden achterlaten en met de zekerheid,
dat gij u in het vervolg ook zonder mij goed kondet redden."
"Maar hoe kunt gij zoo spreken, Flink? Gij zijt wel oud, maar daarbij
toch gezond en sterk."
"Nu nog wel, mijn goede jongen; maar gij weet, hoe onzeker het leven
van den mensch is. Gij zijt jong en gezond en een lang leven schijnt
voor u weggelegd, maar toch, wie kan zeggen, of gij niet misschien
morgen reeds heengegaan en door vader en moeder bitter beweend zult
worden? En zou ik, een oud man, die al zooveel moeite en ongemakken heb
doorgestaan, dan nog op een lang leven rekenen? Neen--neen, Willem,
dat ware in de jeugd dwaasheid, maar bij een grijsaard zwakheid en
waanzinnigheid. En toch zou ik gaarne hier blijven, zoolang ik nog
nuttig zijn kan, en dan, dunkt mij, als mijne taak ten einde is,
kon ik in vrede de oogen sluiten. Ik verlang niet dit eiland ooit
weer te verlaten en heb een soort van voorgevoel, dat mijn gebeente
hier eens rusten zal."
Een tijdlang werkten zij voort zonder een woord te spreken. Het
linnen voor de tent werd uitgespannen en met prikken in den grond
vastgeslagen. Eindelijk brak Willem het stilzwijgen af.
"Flink, hebt gij mij niet eens gezegd, dat uw voornaam Masterman is?"
"Ja, zoo is het ook, Willem."
"Dat is toch een wonderlijke voornaam! Werdt gij misschien naar een
ander zoo genoemd?"
"Dat raadt gij goed; hij was een zeer rijk man, mijn peet."
"Weet gij wat, Flink!--ik zou gaarne uwe geschiedenis eens hooren
vertellen,--ik meen namelijk uwe gansche levenshistorie, van toen
gij een kind waart af."
"Nu, dat kan nog wel eens gebeuren, Willem, en waarlijk, er zijn vele
voorvallen in mijn leven, die anderen wel tot eene goede leering konden
dienen. Dat kan ik echter eerst doen, als wij met ons werk klaar zijn,
nu is de tijd er te kostbaar toe."
"Hoe oud zijt gij wel, Flink?"
"Vier-en-zestig al ruim, mijn jongen. Dat is een hooge ouderdom voor
een zeeman. Ik had ook geen dienst meer op een schip kunnen krijgen,
als ik niet met verscheidene kapiteins zoo goed bekend was geweest."
"Maar waarom zegt gij, een hoogen ouderdom voor een zeeman?"
"Omdat de matrozen zelden zoo lang leven als andere lieden, deels
wegens de ongemakken, die zij moeten doorstaan, deels ook door eigen
schuld, omdat zij te veel sterke drank gebruiken. Daarbij zijn zij
ook vaak zorgeloos, bekommeren zich al te weinig om hunne gezondheid,
zoodat hunne levenskracht vroeger uitgeput raakt, dan dit op het
vasteland gewoonlijk het geval is."
"Maar gij gebruikt tegenwoordig immers geen sterke drank meer?"
"Neen, nooit, Willem; maar in vroeger jaren was ik even dwaas als de
anderen.--Kom, Juno, het wachten is alleen op u; breng de bedden eens
hier. Wij hebben nog maar twee of drie uren tot onze beschikking. Wat
zullen wij nu 't eerst aanvangen Willem?"
"Zou 't niet goed wezen, dat wij terstond eene stookplaats zochten, om
den pot te koken? Juno en ik konden daartoe de steenen wel aanbrengen?"
"Gij toont overleg, mijn beste jongen;--juist datzelfde wou ik
voorslaan, als gij het niet gedaan hadt. Ik zal morgen lang vóór
u hier zijn en wel zorg dragen, dat gij bij uwe aankomst het eten
gereed vindt."
"Ik heb een flesch met water in mijn reiszak meegebracht," vervolgde
Willem, "niet zoozeer om dat water, als omdat ik de geiten melken en
de melk voor mijn kleine broertje meenemen wou."
"Daar hebt gij braaf en broederlijk aan gedaan. Nu frisch aan 't
werk! Terwijl gij met Juno steenen haalt, zal ik al het overige goed
hier onder de boomen wegbergen."
"Kunnen wij de schapen en geiten los laten loopen, Flink?"
"Gerust; ge hebt niet te vreezen, dat ze zullen wegloopen. Het
groene voeder is hier beter dan op de andere zijde van het eiland en
daarbij overvloedig voorhanden. Geloof mij, ze zullen heel bedaard
hier blijven."
"Goed dan zal ik Nanni loslaten, zoodra Juno haar gemolken heeft;
doch dat is vandaag ook ons laatste werk hier.--Laat ons nu eens zien,
Juno, hoeveel steenen wij in één vracht dragen kunnen."
Een uur later was de stookplaats gereed, had Flink zijne taak
volbracht, waren de geiten gemolken en druk aan 't grazen en namen
Willem en Juno den terugweg door het woud aan.
Flink keerde naar het strand terug. Toen hij dat langs wandelde, zag
hij eene kleine schildpad liggen. Behoedzaam sloop hij op haar toe,
zoodat hij tusschen haar en het water kwam te staan, en toen greep
hij haar plotseling aan en kantelde haar gelukkig op den rug om.
"Ziezoo, dat is onze hoofdschotel voor morgen," zeide hij, terwijl
hij in zijne boot klom. Met forsche handen greep hij de riemen aan
en roeide naar de bocht terug.
TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
AANKOMST OP DE NIEUWE WOONPLAATS.
Flink landde in de bocht, trok de boot aan wal en ging toen naar de
tenten, waar hij het gansche gezelschap bij elkaar vond, aandachtig
luisterende naar het verhaal, dat door Willem van de verrichtingen en
ontmoetingen van dien dag gedaan werd. Bij Flinks komst werd dadelijk
alles voor morgen afgesproken. Toen ging men slapen, en alleen de
oude man en Willem bleven nog een poosje op, om de hoenders te vangen
en hun de pooten saam te binden, zoodat men ze den volgenden ochtend
gemakkelijk in de boot vervoeren kon.
Vóór dag en dauw werden de kleinen gewekt en zoo schielijk mogelijk
aangekleed, omdat Flink de tent, waarin moeder en kinderen geslapen
hadden, in de boot wilde medenemen. Met uitzondering van dezen en
van Thomas, die in de vrouwentent--gelijk men haar noemde--onder dak
was, hadden de overigen onder den blooten hemel geslapen, op stukken
zeildoek, welke men daartoe onder de dichte kokosboomen op den grond
had uitgespreid. Wat was dat eene drukte en eene opschudding op dezen
morgen! Alles kwam in rep en roer. Zoodra mevrouw Wilson gekleed was,
werd de tent omvergehaald en met beddegoed en alle verder toebehooren
in de boot geladen. Na een hartig ontbijt gingen ook borden, messen,
lepels en andere kleinigheden scheep; toen legde Flink de hoenders
daar bovenop, en in een ommezien was hij uit het gezicht.
Een weinig later maakte zich ook het verdere gezelschap tot de reis
door het kokosbosch gereed. Willem ging met de drie honden vooruit
en wees den weg. Hem volgde zijn vader met Albert op den arm, Juno
met de kleine Caroline, en eindelijk mevrouw Wilson met Thomas aan
de hand, die volgens zijn zeggen, op zijne moeder passen moest. Met
een weemoedig gevoel zeiden zij de plaats vaarwel, die hen na zooveel
doorgestane gevaren het eerst had opgenomen. Nog eenmaal zagen zij
naar de bocht en de overblijfsels van het wrak en de scheepslading, die
naar alle zijden verstrooid lagen om en toen traden zij het woud in.
Flink was in minder dan twee uren aan de nieuw gekozene verblijfplaats
aangekomen en onverwijld aan land gestapt. Voordat hij zijne lading
begon te lossen, wilde hij nog naar de schildpad zien, die hij den
vorigen dag op het strand had omgekeerd. Hij vond het beest nog,
gelijk hij het gelaten had, doodde het en wiesch het zorgvuldig af. Nu
ging hij naar de nieuw aangelegde stookplaats, legde het vuur aan;
vulde den ijzeren ketel met water en zette hem op het vuur te koken.
Hierop sneed hij een stuk van de schildpad af en legde het met eenige
sneden pekelvleesch in den ketel, dekte dezen en liet alles behoorlijk
doorkoken. Het overschot van de schildpad hing hij in de schaduw op,
waarna hij naar het strand terugkeerde, om eindelijk de lading uit
de boot te brengen. Hij bond de arme hoenders los, welker pooten in
den beginne heel stijf waren, doch die zich spoedig weer herstelden
en toen terstond ijverig naar voeder rondzochten.
Flink nam de schotels, messen, vorken en andere kleinigheden uit
de boot en droeg ze naar de nieuwe tent, waarna hij naar het vuur
omzag en nog meer hout onder den ketel legde. Vervolgens haalde hij
het beddegoed en het linnen voor de tweede tent, benevens de staken,
die hij achter aan de boot had vastgemaakt. Hij had bijna drie volle
uren noodig om alles naar de nieuwe woonstede over te brengen, want
deze lag eenigszins van het strand verwijderd en enkele dingen waren
zwaar, zoodat de oude man hartelijk blij was, toen hij zijn werk
verricht had en zich eindelijk kon neerzetten, om wat uit te rusten.
"Me dunkt toch, het is haast tijd, dat zij komen konden," dacht Flink;
"zij moeten nu al bijna vier uren onder weg zijn. Maar misschien zijn
ze later vertrokken. Het is geen gemakkelijk ding, een hoop vrouwen met
kinderen in beweging te brengen." Zoo wachtte hij nog een kwartier,
stookte het vuur op en vergat ook niet van tijd tot tijd de soep af
te schuimen, tot eensklaps de drie honden op hem kwamen toespringen.
"Nu kunnen zij niet ver meer verwijderd zijn," dacht de oude man.
En dat waren zij werkelijk niet; want eenige minuten later verscheen
het gansche gezelschap, en dat wel zeer verhit en afgemat, gelijk
hij dan ook niet anders verwacht had. Hij hoorde nu, dat de kleine
Caroline, na een poosje geloopen te hebben, bitter over vermoeidheid
geklaagd had, zoodat Juno haar had moeten dragen. Later had ook mevrouw
Wilson zich doodelijk vermoeid gevoeld en had men een kwartiertje
moeten rusten. Daarop kwam sinjeur Thomas, die niet bij moeder had
willen blijven, maar gedurig heen en weer was geloopen en verklaarde
dat hij moe was en dat men hem dragen moest; en daar er niemand was,
die dit doen kon, begon hij te schreien en te klagen, totdat men
besloot andermaal halt te houden, opdat hij eenigermate bekomen
zou. Eindelijk begon de kleine ongelukkig nog honger te krijgen en
te schreeuwen. De vreesachtige Caroline werd beangst, toen men zoo
lang in het donkere bosch omdwalen moest, en weende mee. Thomas, dien
de goede Willem een eind ver als een zak op den rug had gedragen,
zette, toen hij eindelijk zijn eigen beenen weer gebruiken moest,
eene geweldige keel op. Zoo moest men alweer halt maken, en eerst
nadat men zich door een dronk uit Willem's flesch verkwikt had, ging
het weer eenigszins beter, tot het gezelschap ten laatste zóó moe en
uitgeput bij Flink aankwam, dat mevrouw Wilson zich met de kleinen
eenigen tijd in de tent moest nederleggen, voordat zij van de plaats,
waar zij in het vervolg wonen zouden, ook maar iets had gezien.
"Mij dunkt," zeide mijnheer Wilson, na de kleine aan Juno te hebben
overgegeven, "dat de dagreis van heden, hoe klein ook, het beste
bewijs is, hoe hulpeloos wij zonder u zijn zouden, Flink."
"Ik ben recht blij, dat gij eindelijk hier zijt, mijnheer," antwoordde
de oude man. "Het is mij een zwaar pak van het hart, want nu eerst zal
het met ons allen beter gaan. Me dunkt, na eenigen tijd zult gij hier
recht genoeglijk kunnen wonen, maar daartoe hebben wij nog veel te
doen. Zoodra mevrouw wat heeft uitgerust, willen wij ons middagmaal
gebruiken en dan onze eigene tent vastmaken, wat nog werk en omslag
genoeg zal wezen. Morgen zullen wij dan ernstig met onzen nieuwen
arbeid aanvangen."
"Gaat gij morgen naar onze oude bocht terug, Flink?"
"Ja mijnheer. Wij moeten onzen voorraad hier hebben, rund- en
varkensvleesch, meel en erwten en nog veel andere dingen, die wij
niet missen kunnen. Met drie reizen heb ik den leeftocht over; het
overige kunnen wij later onderzoeken en onder dak brengen, als wij
er eens tijd toe vinden. Zoodra ik deze drie reizen met mijne boot
gedaan heb, kunnen wij dan gezamenlijk aan het werk gaan."
"Maar in dezen tusschentijd kan ik toch ook wel iets doen?"
"O ja, er is werk in overvloed voor u."
"Wilt gij Willem meenemen?"
"Neen, mijnheer; hij zal hier meer van nut zijn, en ik kan mij ook
zonder hem redden."
Mijnheer Wilson ging nu in de tent en vond zijne vrouw weer vrij
wat van hare vermoeidheid bekomen, maar al de kinderen vast in
slaap. Men wachtte nog een half uur en wekte toen Thomas en Caroline,
om gezamenlijk aan tafel te kunnen gaan.
"Hé, beste Flink," riep Willem, toen deze het deksel van den ketel nam,
"wat een heerlijke soep hebt gij daar toch!"
"Dat is een zondagskostje, waarop ik u dezen eersten middag
eens onthalen wou," antwoordde Flink. "Ik weet dat gij allen het
pekelvleesch eindelijk van harte moe zijt, en daarom zult gij vandaag
eens als aan eene burgermeesterstafel smullen."
"Maar zeg, Flink, wat is het?" vroeg mevrouw Wilson. "De reuk er van
is heerlijk althans."
"Eene schildpadsoep, mevrouw; en ik hoop, dat ze u smaken
zal. Wanneer ze u bevalt, kan ik haar u, nu wij eens hier zijn,
wel meer voorzetten."
"Waarlijk zij smaakt keurig, maar er moet nog een weinig zout in. Gij
hebt dat toch nog, Juno?"
"Maar sikkepitte meer. Haast altemaal op," antwoordde deze.
"Hoe moeten wij het dan maken, als onze zoutvoorraad ten einde
loopt?" vroeg mevrouw Wilson.
"Juno moet ander halen," gaf Flink ten antwoord.
"Ikke halen ander?--Ikke hebben geen zier meer," hernam Juno en zag
den ouden man verwonderd aan.
"Daar buiten is het in overvloed, Juno," zeide mijnheer Wilson en
wees naar den zeekant.
"Ikke niets daarvan zien kan," antwoordde zij.
"Hoe meent gij dat, lieve?" vroeg mevrouw Wilson eindelijk.
"Ik meen alleen, dat wij, als wij zout noodig hebben, ons dat zelven
bereiden kunnen, zooveel wij verkiezen. Wij hebben slechts zeewater
in een ketel te koken, of ook tusschen de klippen ginds eene drogerij
aan te leggen, daar de zon dan het water doet verdampen en het zout
op den grond achterlaat. Flink weet dat zoo goed als ik. Op een
dezer beide manieren wordt het zout altijd gewonnen, door uitdampen
of anders door verkoken, wat
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/44758