Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Christuslegenden

by Selma Lagerlöf · Dutch · Gutenberg #44506 · 316,801 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Christuslegenden
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Christuslegenden

Author: Selma Lagerlöf

Translator: Margaretha Meijboom


        
Release date: December 25, 2013 [eBook #44506]
                Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/44506

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
        Gutenberg.


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK CHRISTUSLEGENDEN ***

                            CHRISTUSLEGENDEN


                           Naar het Zweedsch
                                  van
                             SELMA LAGERLÖF

                            Schrijfster van:
                       "Gösta Berling", "Ingrid",
                    "De Koninginnen van Kungahälla",
                   "De Wonderen van den Antichrist",
                  "Jeruzalem", "Onzichtbare Ketenen".

                                  door
                          MARGARETHA MEIJBOOM


                         Geautoriseerde uitgave
                               Amsterdam
                             H. J. W. Becht







INHOUD.


                                          Bladz.

    De heilige nacht                          1
    Het visioen van den Keizer               11
    De bron der Wijzen                       23
    De Kinderen van Bethlehem                37
    De vlucht naar Egypte                    69
    In Nazareth                              81
    In den Tempel                            89
    De Zweetdoek van de Heilige Veronica    111
    Vogel Roodborst                         179
    Onze Lieve Heer en de Heilige Petrus    191
    De Kaarsvlam                            207







DE HEILIGE NACHT.


Toen ik vijf jaar oud was, trof mij een groot verdriet. Ik kan mij
niet herinneren dat ik ooit grooter verdriet gehad heb. Dat was de
dood van mijn grootmoeder. Tot dien tijd toe had zij elken dag in
den hoek van de sofa gezeten en verhalen verteld.

Ik kan me niet anders herinneren, dan dat Grootmoeder aldoor maar
zat te vertellen van den morgen tot den avond, en dat wij, kinderen,
stil naast haar zaten te luisteren. Dat was een heerlijk leven. Geen
kind had het zoo goed als wij.

Ik kan me niet veel meer herinneren van Grootmoeder. Ik herinner me,
dat ze mooi spierwit haar had, en dat ze heel krom liep en altijd aan
een kous zat te breien. En ik herinner me ook, dat zij, als ze een
verhaal gedaan had, haar hand op mijn hoofd placht te leggen en dan zei
ze: "En dat alles is waar gebeurd, zoo waar als je mij ziet en ik jou."

Ik herinner me ook, dat ze liedjes zingen kon, maar dat deed ze niet
alle dagen. Een van die liedjes was van een ridder en een meermin en
daarvan was het refrein: "Koud waait de wind over de zee".

En dan herinner ik me een gebedje, dat ze mij geleerd heeft, en
een gezangvers.

Van alle verhalen, die zij gedaan heeft, heb ik nog maar een flauwe,
verwarde herinnering. Er is maar één dat ik nog zóó goed weet, dat ik
't zou kunnen navertellen. Dat is een verhaal van Jezus' geboorte.

Zie, dat is bijna alles wat ik van mijn grootmoeder weet, behalve
dat wat ik me 't allerbest herinner--en dat is het groote gemis,
toen zij was heengegaan.

Ik herinner me dien morgen, toen de canapé daar leeg stond--en toen
ik maar niet begrijpen kon, hoe de dag om komen zou! Dat weet ik
nog zoo goed. Dat vergeet ik nooit. En ik weet hoe wij, kinderen,
bij de doode gebracht werden om haar hand te kussen.

En we waren bang, toen we dat doen moesten, maar iemand zei ons toen,
dat het de laatste maal was, dat we Grootmoeder konden bedanken voor
al het pleizier, dat zij ons gedaan had.

En ik weet nog, hoe de verhalen en liedjes heengingen van onze hoeve,
ingepakt in een lange zwarte kist en hoe ze nooit weerom kwamen.

Ik weet, dat er iets weg was uit ons leven. Het was alsof de deur
van een mooie tooverwereld gesloten was, een deur, waar we vroeger
vrij uit- en inliepen. En nu was er niemand, die die deur weer open
kon maken.

En ik weet, hoe wij kinderen zoo langzamerhand met poppen en speelgoed
leerden spelen, en leven zooals andere kinderen, en toen kon 't wel
schijnen, alsof we Grootmoeder niet meer misten of aan haar dachten.

Maar nog op dezen dag, veertig jaar later, nu ik hier zit en de
legenden van Christus verzamel, die ik nu in 't Oosten gehoord heb,
wordt dat kleine verhaal van Jezus' geboorte, dat Grootmoeder me
placht te vertellen, weer in me wakker. En ik moet daar nog eens over
spreken en het opnemen in mijn verzameling.



't Was op een Kerstdag. Allen waren naar de kerk, behalve Grootmoeder
en ik. Ik geloof dat we heel alleen in huis waren. Wij mochten niet
meerijden, omdat de eene te jong en de andere te oud was. En het
speet ons allebei, dat we niet mee naar de vroeg-mis mochten rijden
en de Kerstlichtjes zien.

Maar toen we daar zoo alleen zaten, begon Grootmoeder te vertellen.

"Er was eens een man," zei ze, "die uitging in den donkeren nacht
om vuur te leenen. Hij ging van 't eene huis naar het andere en
klopte aan.

"Ach, vrienden," zei hij, "helpt mij. Mijn vrouw heeft pas een kind
gekregen en ik moet vuur aanmaken om haar en den kleine te verwarmen."

"Maar 't was laat in den nacht. En alle menschen sliepen. Niemand
antwoordde hem.

"De man liep steeds door. Eindelijk zag hij heel in de verte het
schijnsel van een vuur. Hij ging in die richting en zag dat het vuur
in het open veld brandde. Een menigte witte schapen lagen er om heen
te slapen en een oude herder zat hen te hoeden.

"Toen de man, die vuur wilde leenen, tot bij de schapen gekomen was,
zag hij, dat drie groote honden aan de voeten van den herder lagen
te slapen. Zij werden alle drie wakker, toen hij kwam, en sperden
de bekken wijd open, alsof ze wilden blaffen, maar geen geluid werd
gehoord. De man zag, dat de haren op hun ruggen overeind gingen staan,
hij zag hun tanden wit glimmen in 't schijnsel van het vuur en zij
vlogen op hem aan. Hij voelde, dat een van hen hem in 't been wilde
bijten en een in zijn hand en dat een aan zijn keel kwam hangen. Maar
de kaken en tanden, waarmee de honden bijten moesten, wilden niet
gehoorzamen en de man werd in 't minst niet gewond.

"Nu wilde hij verder gaan om te krijgen wat hij noodig had. Maar de
schapen lagen zóó dicht op elkaar, rug aan rug, dat hij er niet door
kon. Toen sprong de man op de ruggen van de dieren en liep naar het
vuur. En geen van de dieren werd wakker of verroerde zich."

Tot nu toe had Grootmoeder ongestoord verteld. Maar nu kon ik niet
laten haar in de rede te vallen. "Waarom werden ze niet wakker,
Grootmoeder?" vroeg ik.

"Dat zul je straks hooren," zei Grootmoeder, en vertelde voort.

"Toen de man bijna bij 't vuur was, zag de herder op. Hij was een oud,
knorrig man, onvriendelijk en hard tegen alle menschen. En toen hij
den vreemde zag aankomen, greep hij zijn langen spitsen staf, dien
hij gewoonlijk in de hand had, als hij zijn kudde hoedde, en wierp hem
dien tegemoet. En de staf vloog suizend op den man aan, maar eer hij
hem trof, week hij op zij af en snorde voorbij hem ver het veld in."

Toen Grootmoeder zóóver gekomen was, viel ik haar weer in de rede:
"Grootmoeder, waarom wilde de staf dien man niet treffen?" Maar
Grootmoeder antwoordde mij niet, maar vertelde voort:

"Nu kwam de man bij den herder en zei: "Vriend, help mij, en leen me
wat vuur. Mijn vrouw heeft pas een kindje gekregen en ik moet vuur
aanmaken, om haar en den kleine te verwarmen."

"De herder had 't liefste "neen" gezegd, maar toen hij er over dacht,
dat zijn honden den man geen kwaad hadden kunnen doen, dat de schapen
niet voor hem weggeloopen waren en dat zijn staf hem niet had willen
treffen, werd hij een beetje bang en durfde hem niet weigeren wat
hij vroeg.

"Neem zooveel ge noodig hebt," zei hij tot den man.

"Maar 't vuur was nagenoeg uit. Er lagen geen stokken of takken, maar
niets dan een gloeiende hoop en de vreemde had geen schop of schep,
waarin hij de heete kolen dragen kon.

"Toen de herder dat zag, zei hij opnieuw: "Neem zooveel als gij noodig
hebt," en hij was er blij om, dat de man geen vuur zou kunnen meenemen.

"Maar de man boog zich neer, zocht kolen uit de asch met zijn handen
en legde ze in zijn mantel. En de kolen brandden zijn handen niet,
toen hij ze aanraakte en ook zengden ze zijn mantel niet, maar de
man droeg ze weg, alsof het noten of appelen waren."

Maar opnieuw werd de vertelster in de rede gevallen: "Grootmoeder,
waarom wilden de kolen den man niet branden?"

"Dat zul je hooren," zei Grootmoeder, en vertelde verder:

"Toen de herder, die een nare, knorrige man was, dat alles zag,
werd hij heel verbaasd: "Wat kan dat toch voor een nacht zijn, dat
de honden niet bijten, de schapen niet bang worden, de speer niet
doodt en 't vuur niet zengt?"

"Hij riep den vreemde terug en vroeg hem: "Wat is dit toch voor een
nacht? En hoe komt het toch, dat alle dingen barmhartigheid betoonen?"

"Toen zei de man: "Ik kan het u niet zeggen, als gij het zelf niet
ziet." En hij wilde heengaan, om spoedig vuur aan te maken en vrouw
en kind te kunnen verwarmen.

"Maar toen dacht de herder, dat hij den man niet geheel uit het
oog moest verliezen, eer hij begrepen had wat dit alles toch kon
beteekenen.

"Hij stond op en ging den man na, tot hij gekomen was waar hij woonde.

"Toen zag de herder, dat de man zelfs geen hutje had om in te wonen,
maar dat zijn vrouw en kind in een grot lagen, waar niets te zien
was dan kale, naakte steenen wanden.

"Toen dacht de herder, dat dit arme, onschuldige kindje wel dood zou
kunnen vriezen daar in de grot, en hoewel hij een hardvochtig man was,
werd hij aangedaan en wilde het kind helpen.

"En hij nam zijn ransel van de schouders en nam er een zachte witte
schapenpels uit, gaf die aan den vreemde en zei dat hij het kindje
daarop moest leggen.

"Maar op hetzelfde oogenblik dat hij ook toonde barmhartig te kunnen
zijn, werden zijn oogen geopend en hij zag wat hij te voren niet had
kunnen zien en hoorde wat hij te voren niet had kunnen hooren.

"Hij zag, dat om hem heen een dichtgesloten kring van engeltjes met
zilveren vleugels stond. En ieder van hen had een harp in de hand en
allen zongen luid, dat dien nacht de Verlosser geboren was, die de
wereld zou redden uit haar zonden.

"Toen begreep hij, dat alle dingen zóó blij waren, dat ze geen kwaad
wilden doen.

"En niet alleen om den herder heen waren engelen, maar hij zag ze
overal. Zij zaten in de grot en buiten op den berg en zij vlogen langs
den hemel. Zij kwamen aanloopen over de golven in groote scharen en
als zij voorbijgingen, bleven zij staan en keken naar het kindje.

"Er was zulk een jubelende vreugde, zooveel zang en spel! En dat alles
zag hij in den donkeren nacht, waar hij vroeger niets had kunnen
onderscheiden. Hij werd zoo blij, omdat zijn ooren geopend waren,
dat hij op de knieën viel en God dankte."

Maar toen Grootmoeder zoover gekomen was, zuchtte ze en zei: "Maar
wat die herder zag, kunnen wij ook zien. Want in elken Kerstnacht
vliegen de engelen langs den hemel. Als wij ze maar zien konden."

En toen legde Grootmoeder haar hand op mijn hoofd en zei: "Dat moet
je goed onthouden, want dat is zoo waar als dat jij mij ziet en ik
jou. 't Zit hem niet in kaarsen en lampen en 't is niet verborgen in
zon of maan, maar het ééne noodige is, dat wij oogen hebben, die Gods
heerlijkheid kunnen zien."







HET VISIOEN VAN DEN KEIZER.


Het was in den tijd, dat Augustus keizer in Rome was en Herodes koning
in Jeruzalem.

Toen gebeurde het, dat een grootsche, heilige nacht over de aarde
neerdaalde. 't Was de donkerste nacht, dien ooit iemand gezien had;
men zou kunnen denken, dat de heele aarde in een kelder terechtgekomen
was. Het was onmogelijk het water van het land te onderscheiden en men
kon den meest bekenden weg niet vinden. En dat kon ook niet anders,
want van den hemel kwam geen enkele lichtstraal. Alle sterren waren
thuis gebleven en de liefelijke maan had haar gelaat afgewend.

En even diep als de duisternis was de doodsche stilte. De rivieren
staakten haar loop, de wind bewoog zich niet en zelfs de espebladeren
hadden opgehouden te trillen. Had iemand aan den oever van de zee
gestaan, hij zou gezien hebben, dat de golven niet meer op het strand
sloegen, en wie in de woestijn gekomen was, zou het zand niet hebben
hooren knarsen onder zijn voeten. Alles was versteend en hield zich
onbeweeglijk om den heiligen nacht niet te verstoren. 't Gras durfde
niet groeien, de dauw kon niet vallen, de bloemen waagden 't niet
haar geuren uit te ademen.

In dien nacht jaagde geen enkel roofdier, beten de slangen niet,
blaften de honden niet. En wat nog heerlijker was, geen van de
levenlooze dingen zou de heiligheid van dien grootschen nacht hebben
willen storen door zich tot een booze daad te leenen. Geen looper
zou een slot hebben kunnen opensteken en geen mes bloed vergieten.

Juist in dien nacht kwam in Rome een kleine groep menschen van het
keizerlijk paleis op den Palatin, en nam den weg over het Forum naar
het Kapitool. In den afgeloopen dag hadden namelijk de raadsheeren
den keizer gevraagd, of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel
bouwden op den heiligen berg van Rome. Maar Augustus had niet dadelijk
zijn toestemming gegeven. Hij wist niet, of het den goden behaagde,
dat hij een tempel zou hebben naast de hunnen en hij had geantwoord,
dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn beschermgeest hun
wil in deze zaak wilde uitvorschen. Hij was het, die nu, vergezeld
door enkele vertrouwden, dit offer ging brengen.

Augustus liet zich in zijn draagstoel brengen, want hij was oud en
de vele trappen van het Kapitool vermoeiden hem. Hij hield zelf de
kooi met duiven in de hand, die hij zou offeren. Geen priesters of
soldaten of raadsheeren volgden hem, alleen zijn naaste vrienden.

De fakkeldragers gingen voor hem uit, als om een weg door 't nachtelijk
duister te banen en achter hem kwamen slaven, die het drievoetige
altaar droegen, de kolen, de messen, het heilige vuur--en alles wat
er verder voor het offer noodig was.

Onderweg sprak de keizer opgeruimd met zijn vertrouwden, en daarom
lette niemand van hen op de zeldzame, ademlooze stilte van den
nacht. Eerst toen ze op het bovenste gedeelte van het Kapitool de
ledige plaats bereikten, die voor den nieuwen tempel was afgezet,
openbaarde het zich voor hen, dat er iets ongewoons was.

Dit kon geen nacht zijn als alle anderen, want boven op den rand
van de rots zagen zij een allerwonderlijkst wezen. Ze meenden eerst,
dat het een oude vergroeide olijfstam was; toen meenden zij, dat een
oeroud steenen beeld van uit den Jupiterstempel naar buiten op de
rots gekomen was. Eindelijk meenden zij, dat het niemand anders kon
zijn dan de oude Sibylle.

Zooiets ouds, verweerds, reuzengroots hadden zij nog nooit gezien. Die
oude vrouw was verschrikkelijk om aan te zien. Als de keizer er niet
bij geweest was, waren ze allen naar hun legersteden gevlucht. "Zij
is het," fluisterden ze elkaar toe, "die zooveel jaren telt als er
zandkorrels aan de kust van haar geboorteland zijn. Waarom is zij juist
vannacht uit haar grot te voorschijn gekomen? Wat zal zij den keizer
en het rijk voorspellen, zij, die haar profetieën op de bladeren der
boomen schrijft en weet, dat de wind orakelspreuken brengt tot hen,
aan wie ze zijn afgezonden?"

Zij waren zóó bang, dat allen op de knieën zouden zijn gevallen met het
voorhoofd op den grond, als de sibylle ook maar een enkele beweging
gemaakt had. Maar zij zat doodstil, alsof ze levenloos was. Ze zat
aan den uitersten rand van de rots neergehurkt en zag, met de hand
over de oogen, uit in den nacht.

Zij zat daar, alsof zij op de rots geklommen was, om iets, wat heel
in de verte gebeurde, beter te kunnen zien.

Hoe kon zij iets zien, in zulk een nacht?

Opeens merkten de keizer en zijn gevolg, hoe diep de duisternis
was. Niemand kon een handbreed voor zich uitzien. En wat een stilte,
wat een ademlooze stilte! Zelfs het doffe bruisen van den Tiber konden
ze niet hooren. Maar 't was alsof de lucht hen wilde smoren; het koude
zweet parelde op hun voorhoofd en hun handen waren stijf en machteloos.

Zij dachten: "Er moet iets vreeselijks gebeuren."

Maar niemand wilde toonen, dat hij bang was en allen zeiden tot den
keizer, dat dit een goed teeken was: de heele natuur hield den adem
in om den nieuwen god te begroeten.

Zij drongen er op aan, dat Augustus zich haasten zou met het offer
en zeiden, dat de oude sibylle zeker uit haar grot was opgestegen om
zijn beschermgeest te begroeten.

Maar de waarheid was, dat de oude sibylle zóó verdiept was in een
visioen, dat zij niet eens wist, dat Augustus op het Kapitool gekomen
was. Zij was met haar geest in verre landen en het was haar, alsof
ze daar over een groote vlakte ging. In het donker stootte zij met
den voet onophoudelijk tegen iets, dat zij voor bosjes gras hield. Zij
boog zich neer en voelde met de hand. Neen, dat waren geen bosjes gras,
maar schapen. Zij liep tusschen groote kudden slapende schapen.

Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op het veld
en zij zocht den weg er heen. De herders lagen bij 't vuur te slapen
en naast hen lagen de lange spitse staven, die zij gebruikten om de
kudde tegen wilde dieren te beschermen. Maar die kleine dieren met de
glinsterende oogen en de dikke staarten, die naar het vuur slopen,
waren dat geen jakhalzen? En toch slingerden de herders hun staven
niet naar hen, de honden sliepen door, de schapen vluchtten niet en
de wilde dieren legden zich ter ruste naast de menschen.

Dit zag de sibylle; maar ze wist niets van wat er achter haar op den
berg gebeurde. Ze wist er niets van, dat men daar een altaar bouwde,
de kolen aanstak, wierook strooide en dat de keizer de eene duif uit
de kooi nam om haar te offeren. Maar zijn handen sliepen en hij kon
den vogel niet houden. Met een enkelen wiekslag maakte de duif zich
vrij en verdween in 't duister van den nacht.

Toen dat gebeurde, zagen de hovelingen wantrouwend naar de oude
sibylle. Zij meenden, dat zij dit ongeluk bewerkt had.

Konden zij weten, dat de sibylle steeds bij 't kolenvuur der herders
meende te staan en dat ze nu luisterde naar een zwak geluid, dat door
den doodstillen nacht klonk van uit de verte? Ze hoorde het lang,
eer ze merkte, dat het niet van de aarde kwam, maar van den hemel.

Eindelijk hief zij het hoofd op en toen zag ze lichtende, schitterende
gestalten daarboven in 't donker voortglijden. 't Waren kleine scharen
engelen, die liefelijk zingend en als zoekend heen en weer vlogen
over de wijde vlakte.

Juist terwijl de sibylle naar het engelengezang luisterde, bereidde
de keizer een nieuw offer voor. Hij waschte zijn handen, reinigde
het altaar en liet zich de andere duif geven. Maar hoewel hij alle
krachten inspande om haar vast te houden, gleed het lichaam van de
duif door zijn handen en de vogel steeg op in den ondoordringbaar
duisteren nacht.

De keizer was ontzet. Hij viel op de knieën voor het leege altaar
en bad tot zijn beschermgeest. Hij riep hem aan om kracht, om de
ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen te voorspellen.

Ook hiervan had de sibylle niets gehoord. Zij luisterde met heel
haar ziel naar het engelengezang, dat al sterker klonk. Eindelijk
werd het zóó krachtig, dat het de herders wekte. Zij hieven zich
overeind op de ellebogen en zagen glanzende scharen van zilverwitte
engelen zich boven hen in 't donker bewegen in lange, golvende rijen,
als trekvogels. Sommigen hadden luiten en violen in de hand, anderen
cithers en harpen, en hun lied klonk zoo vroolijk als kinderlachen
en zoo zorgeloos als leeuwerikgekweel. Toen de herders dat hoorden,
stonden ze op om naar de stad op den berg te gaan, waar zij woonden,
om van het wonder te vertellen.

Zij trachtten vooruit te komen op een smal slingerend pad, en de
oude sibylle volgde hen. Opeens werd het licht op den berg. Een
groote heldere ster fonkelde er midden boven, en de stad op den
bergtop glinsterde als zilver in het sterrenlicht. Al de rondzwervende
engelenscharen haastten zich daarheen onder jubelkreten en de herders
versnelden hun schreden en liepen zoo hard als zij konden.

Toen zij de stad bereikt hadden, vonden zij de engelen verzameld boven
een lagen stal bij de stadspoort. 't Was een onooglijk gebouw met een
rieten dak en de naakte rots als achterwand. Daar stond de ster boven
en daarheen stroomden steeds meer engelen samen. Sommigen zetten zich
op het rieten dak of sloegen neer op den steilen bergwand achter het
huis, anderen zweefden er klapwiekend over. Hoog, heel hoog was de
lucht, lichtend van stralende engelenvleugels.

Op hetzelfde oogenblik, dat de ster ontvlamde boven de bergstad,
ontwaakte de geheele natuur en de mannen, die op de hoogte bij 't
Kapitool stonden, konden niet nalaten dat op te merken. Zij voelden
frissche, maar streelende koelten door de lucht gaan, liefelijke
geuren stegen op om hen heen, de boomen ruischten, de Tiber begon te
bruisen, de sterren straalden en de maan stond plotseling hoog aan
den hemel en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee
duiven neerdalen en zetten zich op de schouders van den keizer.

Toen dit wonder gebeurde, stond Augustus op in fiere vreugde, maar
zijn vrienden en slaven vielen op de knieën. "Ave, Caesar!" riepen
zij. "Uw beschermgeest heeft U geantwoord. Gij zijt de God, die
aangebeden moet worden op het Kapitool."

En de hulde, die de verrukte mannen den keizer toejubelden, klonk
zóó luid, dat de oude sibylle het hoorde. Die wekte haar uit haar
visioenen. Zij stond op van haar plaats aan den rand van de rots en
ging op de menschen toe. Het was alsof een donkere wolk uit den afgrond
was opgestegen en over den heuvel neergedaald. Zij was vreeselijk in
haar ouderdom. Ruige haren hingen in dunne vlokken om haar hoofd, de
gewrichten der ledematen waren uitgezet; en de donkere huid bekleedde
rimpelend, hard als boombast, haar lichaam.

Maar geweldig en eerwaardig was zij, toen zij den keizer tegemoet
ging. Met de eene hand vatte zij hem om den pols, met de andere wees
zij naar het verre oosten.

"Zie," beval zij hem. En de keizer hief de oogen op en zag. De ruimte
opende zich voor zijn blikken en zij drongen door tot het land in
het verre oosten. En hij zag een armoedigen stal onder een steilen
rotswand en in de open deur eenige herders, die geknield lagen. In
den stal zag hij een jonge moeder op de knieën voor een kindje,
dat op een stroobos op den grond lag.

En de groote, beenige vingers van de sibylle wezen op dat arme kind.

"Ave, Caesar!" zei ze met een hoonlach. "Dáár is de God, die op den
heuvel van het Kapitool zal worden aangebeden."

Toen deinsde Augustus achteruit, alsof hij een krankzinnige voor
zich had.

Maar de sibylle veranderde in een machtige profetes. Haar doffe
oogen begonnen te branden, ze hief haar handen ten hemel, haar stem
veranderde, zoodat die niet meer haar eigen scheen, maar een klank en
een kracht had, die de wereld over had kunnen klinken. En zij sprak
woorden, die ze uit de sterren scheen te lezen:

"Op den heuvel van het Kapitool zal Hij aanbeden worden, die de
wereld vernieuwt.

"Christus of Anti-Christus, maar geen onvolmaakte menschen."

Toen zij dit gezegd had, ging zij heen van de door schrik verslagen
mannen, liep langzaam den berg af en verdween.

Maar Augustus liet den volgenden dag 't volk streng verbieden een
tempel voor hem op het Kapitool te bouwen. In plaats daarvan richtte
hij er een heiligdom op voor het pasgeboren Godenkind en noemde dat:
"Altaar des Hemels", Ara Coeli.







DE BRON DER WIJZEN.


In het oude land van Juda ging de droogte rond, met holle oogen en
verbitterd, tusschen verschrompelde distels en verdord gras.

't Was in den zomer. De zon scheen op schaduwlooze bergruggen, de
minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe
veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde beken.

De droogte ging rond en inspecteerde den watervoorraad. Ze dwaalde naar
Salomons vijvers en zag zuchtend, dat ze nog een massa water tusschen
hun rotsige oevers bewaarden. Daarop ging ze naar de beroemde bron van
David bij Bethlehem en vond ook daar water. Toen liep ze met slependen
tred langs den grooten landweg, die van Bethlehem naar Jeruzalem leidt.

Toen ze ongeveer halfweg gekomen was, zag zij de Bron der Wijzen,
die daar dicht aan den weg ligt, en zij merkte spoedig, dat die bijna
uitgedroogd was. De droogte zette zich op den rand van de put, dien
uit één grooten, uitgeholden steen bestaat, en keek naar beneden
in de bron. De blanke waterspiegel, die anders heel dicht bij de
opening lag, was nu diep omlaag gezonken en slik en modder van den
bodem maakte hem onrein en troebel.

Toen de bron het bruinverbrande gezicht van de droogte zag afgebeeld
op haar doffen waterspiegel, begon zij te golven van angst.

"Ik zou wel eens willen weten, wanneer 't met jou gedaan kan zijn,"
zei de droogte. "Je zult wel geen waterader kunnen vinden daar in de
diepte, die je nieuw leven kan komen brengen. En van regen kan er,
Goddank, in de eerste twee, drie maanden nog geen sprake zijn."

"Je kunt gerust wezen," zuchtte de bron; "niemand kan me helpen. Daar
zou minstens een bronaâr uit het Paradijs voor noodig zijn."

"Dan zal ik je niet verlaten, voor alles voorbij is," zei de
droogte. Ze zag, dat de oude bron haar einde tegemoet ging, en nu
wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien sterven.

Ze zette zich behaaglijk op den rand van den put en verheugde zich
als zij de bron in de diepte hoorde zuchten. Zij had er ook veel
pleizier in te zien hoe dorstige reizigers naar den put kwamen,
den aker lieten neerdalen en dien optrokken met een paar modderige
droppels van den bodem.

Zoo ging de heele dag voorbij en toen de schemering viel, keek de
droogte weer in den put. Er blonk nog wat water in de diepte.

"Ik blijf hier vannacht," riep ze. "Haast je maar niet. Als het zoo
licht is, dat ik je weer zien kan, ben ik er zeker van, dat 't met
je gedaan is."

De droogte ging op het dak over den put zitten, terwijl de heete nacht,
die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag, neerdaalde over het land
van Juda. Honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en dorstige
koeien en ezels antwoordden hen van uit hun warme stallen. Toen
eindelijk de wind opstak, bracht hij geen koelte, maar was heet en
verstikkend, als de hijgende adem van een groot slapend monster.

Maar de sterren lichtten met haar allerliefelijksten glans en een
kleine, blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over
de grijze heuvels. En in dat licht zag de droogte een groote karavaan
aankomen en den heuvel optrekken, waar de Bron der Wijzen lag.

De droogte zat op het lange dak te kijken en verheugde zich opnieuw
in al den dorst, die naar de bron kwam en daar geen druppel water
vinden zou om gelescht te worden. Daar kwamen zooveel dieren en
kameelleiders aan, dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken, al
was die ook heelemaal vol geweest. Plotseling kreeg zij den indruk,
dat er iets wonderlijks, iets spookachtigs was aan die karavaan,
die daar kwam aanzetten in den nacht.

Alle kameelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel, die scherp
tegen den horizon afstak; het was alsof zij uit den hemel kwamen. Zij
schenen ook grooter dan gewone kameelen en droegen al te gemakkelijk
de reusachtige lasten, waarmee zij beladen waren.

Maar toch kon ze niet anders denken dan dat het werkelijkheid
was. Zij zag ze immers heel duidelijk. Ze kon zelfs ook zien, dat
de drie eerste dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en
dat ze rijk opgetuigd waren, gezadeld met mooie matten met franje,
en bereden door schoone, voorname ruiters.

De heele optocht hield stil bij de bron. De dromedarissen legden
zich neer op het veld met drie onwillige, schokkende bewegingen,
en hun ruiters stegen af.

De pakkameelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar kwamen,
schenen ze een onafzienbaar bosch te vormen van lange halzen en bulten
en wonderlijk opeengestapelde pakken.

De drie ruiters kwamen snel op de droogte toe en begroetten haar
door de handen op de borst te leggen, Zij zag, dat zij glanzend witte
gewaden droegen en reusachtige tulbanden, waarop bovenaan een helder
glinsterende ster bevestigd was, die straalde alsof zij direct van
den hemel genomen was.

"Wij komen uit een ver land," zei een van de vreemdelingen, "en wij
verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk de Bron der Wijzen is."

"Zoo wordt zij vandaag nog genoemd," zei de droogte; "maar morgen is
het geen bron meer. Zij zal vannacht sterven."

"Dat kan ik begrijpen, omdat ik u hier zie," zei de man; "maar is
dit niet een van de heilige bronnen, die nooit uitdrogen? En vanwaar
heeft zij haar naam?"

"Ik weet dat ze heilig is," zei de droogte; "maar wat kan haar dat
helpen? De drie wijzen zijn in het Paradijs."

De drie reizigers zagen elkander aan.

"Kent ge werkelijk de geschiedenis van de oude bron?" vroegen ze.

"Ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en stroomen," zei
de droogte trotsch.

"Doe ons dan het genoegen en vertel ons die," vroegen de vreemdelingen.

En ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit,
en luisterden.

De droogte kuchte even en kroop op den rand van den put, als een
sagenverteller op zijn hoogen stoel en begon haar verhaal:

"In Gabes, in Medië, een stad die aan de grenzen van de woestijn
ligt, en waar ik mij daarom gaarne ophoud, leefden voor vele jaren
drie mannen, die beroemd waren om hun wijsheid. Zij waren heel arm,
wat een ongewoon verschijnsel was, want in Gabes werd kennis hoog in
eere gehouden en goed betaald. Maar voor deze mannen kon dit haast
niet anders, want een van hen was buitengewoon oud, de tweede was
melaatsch en de derde was een neger, pikzwart en met dikke lippen. De
menschen vonden den eerste al te oud om hun wat te kunnen leeren,
den tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar den derde
wilden zij niet luisteren, omdat ze meenden te weten, dat nooit eenige
wijsheid uit Ethiopië gekomen was.

De drie wijzen sloten zich intusschen in hun ongeluk bij elkaar
aan. Zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen des
nachts op hetzelfde dak. Op die wijze hadden zij ten minste gelegenheid
zich den tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het
wonderbare, dat zij bij dingen en menschen opmerkten.

Op een nacht dat ze, zij aan zij, sliepen op een dak, dat dicht
begroeid was met roode bedwelmende papavers, werd de oudste van hen
wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen, of hij
wekte de beide anderen.

"Gezegend zij onze armoede, die ons noodzaakt in de open lucht
te slapen," sprak hij tot hen. "Ontwaakt en heft uw oogen op naar
den hemel."

"Nu," zeide de droogte met een wat zachter stem, dit was een nacht,
dien niemand, die hem gezien heeft, ooit kan vergeten. Het heelal was
zoo licht, dat de hemel, die meestal op een vast gewelf gelijkt, diep
en doorschijnend en vol golven scheen als een zee. Het licht stroomde
er heen en weer en men zag de sterren drijven op ongelijke diepten,
sommige midden in de lichtgolven, andere op hun oppervlakte.

Maar zoo ver mogelijk en zoo hoog mogelijk zagen de drie mannen
een zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als
een bal en kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde, begon
hij te lichten. Maar hij lichtte zooals rozen--God late ze alle
verdorren--wanneer ze pas uit den knop komen. Hij werd al grooter en
het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht barstte
naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten. Eindelijk, toen
hij zoover naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster,
hield hij stil. Toen bogen de donkere stukken geheel op zijde en
er wikkelde zich het eene blad na het andere los van een prachtig
stralend rozenkleurig licht, tot hij eindelijk geheel klaar was en
straalde als de schoonste onder de sterren.

Toen de arme mannen dat zagen, zei hun wijsheid hun, dat op dit uur
op aarde een machtig Koning geboren werd, een wiens macht die van
Cyrus en Alexander te boven zou gaan.

En ze zeiden tot elkander: "Laat ons naar den vader en de moeder
van den Pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zooeven gezien
hebben. Misschien dat ze ons dan beloonen met een zak munten of met
een gouden armband."

Ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg. Zij gingen
de stad door en de stadspoort uit. Maar daar waren ze een oogenblik in
de war, want nu breidde zich voor hen uit de groote droge, lieflijke
woestijn, die de menschen verafschuwen. Toen zagen ze, hoe de nieuwe
ster een smalle streep licht over het woestijnzand wierp en zij gingen
getroost voort met de ster als wegwijzer.

Zij gingen den heelen nacht voort over de witte zandvlakte en onder
den heelen tocht spraken ze over den jongen pasgeboren Koning,
dien ze zouden vinden, slapend in een gouden wieg, en spelend met
edelgesteenten. Zij verkortten de uren van den nacht door er over te
spreken, hoe zij tot zijn vader, den koning, zouden gaan en tot zijn
moeder, de koningin, en hun zeggen dat de hemel hun zoon kracht en
macht en schoonheid en geluk voorspelde, grooter dan die van Salomo.

Ze verhieven er zich op, dat God hen geroepen had om de ster te
zien. Zij zeiden, dat de ouders van den jonggeborene hen niet met
minder dan twintig zakken goud konden beloonen. Misschien zouden zij
zelfs wel zooveel geven, dat zij de pijn van de armoede niet meer
behoefden te dragen.

"Ik lag op de loer in de woestijn als een leeuw," zei de droogte,
"en wilde mij op deze reizigers werpen met alle ellende van den dood,
maar ze ontkwamen mij. De ster leidde hen den heelen nacht en tegen
den morgen, toen het licht werd en de andere sterren verbleekten,
bleef deze hardnekkig staan en lichtte over de woestijn, tot ze
hen geleid had naar een oase, waar zij een bron en vruchtdragende
boomen vonden. Daar rustten zij den geheelen dag en eerst tegen den
nacht, toen ze het sterrenlicht over het woestijnzand zagen, gingen
zij verder.

"Voor een mensch," ging de droogte voort, "was het een heerlijke
wandeling. De ster leidde hen zoo, dat ze honger noch dorst behoefden
te lijden. Zij bracht hen voorbij de scherpe distels. Zij ontweken het
diepe losse stuifzand, zij ontkwamen den scherpen zonneschijn en den
heeten woestijnstormen. De drie wijzen zeiden aanhoudend tegen elkaar:
"God beschermt ons en zegent onzen gang; wij zijn Zijn gezanten."

"Maar zoo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen," ging de droogte
voort. "Het hart van die sterrenreizigers veranderde in een woestijn,
even droog als die waar ze doortrokken. Zij werden vol onvruchtbaren
trots en verwoestende gierigheid. "Wij zijn Godsgezanten," herhaalden
de drie Wijzen. "De vader van den pasgeboren Koning beloont ons niet
te hoog, als hij ons een karavaan schenkt, beladen met goud."

"Eindelijk leidde de ster hen over den beroemden Jordaan en de
heuvels van Jeruzalem op. En op een nacht bleef die staan boven de
stad Bethlehem, die tusschen de groene olijven op een heuvel lag
te schitteren.

"De drie Wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en muren
en al zulke dingen, die bij een koningsstad hooren; maar zij zagen
niets. En wat erger was, het sterrenlicht leidde hen niet eens de
stad in, maar bleef staan bij een grot aan den kant van den weg. Daar
gleed het zachte licht naar binnen door de opening en toonde den drie
wandelaars een kindje, dat op zijn moeders schoot rustig lag te slapen.

"Maar hoewel nu de drie Wijzen zagen, dat het sterrenlicht het hoofdje
van het kind omstraalde als een kroon, bleven zij buiten de grot
staan. Zij gingen niet naar binnen om den kleine eer en een koninkrijk
te voorspellen. Zij wendden zich af zonder hun tegenwoordigheid te
verraden, en zij vluchtten van het kind weg en liepen terug naar
den heuvel.

"Zijn wij uitgegaan naar bedelaars, die even arm zijn als wij?" zeiden
ze. "Heeft God ons hierheen geleid, opdat wij met Hem zouden spotten,
en eer en aanzien voorspellen aan den zoon van een schaapherder? Dat
kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn kudde hoeden zal hier
in het dal."

De droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe. "Heb
ik geen gelijk?" scheen zij te vragen. "Er is iets, dat droger is
dan woestijnzand, maar niets is onvruchtbaarder dan het menschenhart."

"De drie Wijzen hadden niet lang geloopen, toen het hun voorkwam,
dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd hadden," ging de
droogte voort. "En zij zagen omhoog om de ster te vinden en den rechten
weg. Maar toen was de ster, die zij heel uit het oosten gevolgd hadden,
van den heuvel verdwenen."

De drie vreemdelingen maakten een heftige beweging en op hun aangezicht
lag een uitdrukking van diepe smart.

"Wat nu gebeurde," ging de spreekster voort, "is van 't standpunt
van een mensch uit gezien, misschien gelukkig. Dit is zeker, dat
de drie mannen, toen zij de ster niet meer zagen, begrepen dat zij
tegen God gezondigd hadden. En hun geschiedde," vertelde de droogte
bevend verder, "zooals het veld in den herfst, als de sterke regens
beginnen. Zij beefden van schrik als voor donder en bliksem, hun ziel
werd week, en ootmoed ontsproot in hun hart als groen gras.

"Drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het kind
te vinden, dat zij moesten aanbidden. Maar de ster vertoonde zich
niet aan hen. Zij verdwaalden steeds verder, en voelden de grootste
smart en wanhoop. In den derden nacht kwamen zij aan deze bron om te
drinken. En toen had God hun de zonde vergeven, zoodat toen ze over
het water bogen, zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de
ster, die hen uit het oosten hierheen geleid had.

"En onmiddellijk zagen zij die ook aan den hemel en zij leidde hen
opnieuw naar de grot in Bethlehem. En zij knielden voor het kind
en zeiden: "Wij brengen U gouden schalen met wierook en kostbare
kruiden. Gij zult de grootste koning worden, die op aarde geleefd
heeft, van haar schepping af tot haar ondergang toe."

"Toen legde het kind zijn hand op hun gebogen hoofden, en toen zij
opgestaan waren, had het hun geschenken gegeven, grooter dan een
koning ze geven kon. Want de oude bedelaar was jong geworden, de
melaatsche was gezond en de zwarte was een schoon blank man. En men
zegt, dat zij zoo heerlijk waren om aan te zien, dat zij heentrokken
en koning werden--ieder in zijn eigen land."

De droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen haar:
"Ge hebt goed verteld," zeiden zij.

"Maar het verwondert mij," zei de eene, "dat de drie Wijzen niets
voor de bron deden, die hun de ster toonde. Zouden ze zulk een weldaad
geheel vergeten?"

"Moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan?" zei de tweede
vreemdeling, "om den menschen te herinneren, dat het geluk, dat
verloren wordt op de bergen van den hoogmoed, teruggevonden kan worden
in het dal van de nederigheid?"

"Zijn de overledenen dan erger dan de levenden?" zei de derde. "Sterft
de dankbaarheid bij hen, die leven in het Paradijs?"

Maar toen zij dat zeiden, sprong de droogte op met een kreet. Zij
had de vreemdelingen herkend, ze begreep wie die reizigers waren. En
zij vluchtte als een razende om niet te behoeven zien hoe de drie
Wijzen hun dienaren riepen en hun kameelen naar de bron leidden, allen
beladen met waterzakken, en de arme, stervende bron vulden met water,
dat zij uit het Paradijs gehaald hadden.







DE KINDEREN VAN BETHLEHEM.


Buiten de stadspoort te Bethlehem stond een Romeinsch krijgsman op
wacht. Hij droeg harnas en helm, een kort zwaard op zij en een lange
speer in de hand. Hij stond den heelen dag bijna onbeweeglijk, zoodat
men werkelijk denken kon, dat hij van ijzer was. De stadsbewoners
gingen de poort uit en in, bedelaars zetten zich neer in de schaduw
onder het poortgewelf, vruchtenverkoopers en wijnhandelaars zetten
hun manden en potjes op 't veld naast den krijgsman, maar hij nam
nauwelijks de moeite het hoofd om te wenden om ze aan te zien.

"Dat is niet de moeite waard om naar te kijken," scheen hij te willen
zeggen. "Wat geef ik om jelui, die werken en handel drijven en komen
aanloopen met oliepotjes en wijnzakken? Laat mij een leger zien, dat
zich opstelt om den vijand tegemoet te gaan! Laat mij het krioelen
zien en den heeten strijd van een troep ruiters, die zich op een
schaar voetvolk werpt. Laat mij de dapperen zien, die met stormpas
vooruitsnellen om de muren van een belegerde stad te bestormen. Niets
kan mijn oogen doen genieten dan de oorlog. Ik verlang er naar den
Romeinschen adelaar weer in de lucht te zien glinsteren. Ik verlang
naar het gedruisch van de koperbazuin, naar de glanzige wapens,
de roode bloeddroppels."

Buiten de stadspoort lag een prachtig veld, geheel bedekt met
leliën. De krijgsman stond daar iederen dag, de blikken steeds op dit
veld gericht, maar hij dacht er geen oogenblik aan, de buitengewone
schoonheid der bloemen te bewonderen. Nu en dan merkte hij, dat de
voorbijgangers bleven staan en van het zien van de lelies genoten,
en dan verwonderde hij er zich over, dat ze hun tocht vertraagden
om naar zooiets onbeduidends te kijken. "Die menschen weten niet wat
mooi is," dacht hij.

En terwijl hij dat dacht, zag hij niet meer het groenende veld en de
olijvenheuvels om Bethlehem heen voor zijn oogen, maar hij droomde
zich ver weg in een gloeiende woestijn in het zonnige Lybië. Hij zag
een legioen soldaten in een lange rechte lijn over het gele, effen
zand trekken. Nergens vonden ze beschutting tegen de zonnestralen,
nergens een verfrisschende bron, nergens zagen zij een grens aan de
woestijn of een doel voor hun tocht. Hij zag de soldaten voortloopen
met wankelende schreden, uitgeput door honger en dorst. Hij zag den
een na den ander omvallen, neergeveld door de gloeiende hitte. Maar
niettegenstaande dit alles trok de troep toch altijd voort, zonder
aarzelen, zonder er aan te denken hun veldheer ontrouw te worden en
terug te gaan.

"Zie, dàt is mooi," dacht de krijgsman, "dat is de moeite waard voor
een dapper man, om te zien."

Terwijl de krijgsman dag aan dag op post stond op dezelfde plaats,
had hij de beste gelegenheid de mooie kinderen te bekijken, die om hem
heen speelden. Maar het ging met de kinderen als met de bloemen. Hij
begreep niet, dat het de moeite waard was naar hen te zien. "Wat is
daar voor aardigs aan?" dacht hij, wanneer hij menschen zag lachen,
als zij naar de spelen der kinderen keken. "'t Is wonderlijk, dat
menschen pleizier in zulke kleinigheden kunnen hebben."

Op een dag, dat de krijgsman als gewoonlijk op zijn post stond buiten
de stadspoort, zag hij een kleinen jongen, die zoowat drie jaar
oud kon zijn, op 't veld komen om te spelen. 't Was een arm kind,
met een kleinen pels aan, dat heelemaal alleen speelde.

De soldaat stond op dien kleinen nieuweling te letten bijna zonder
't zelf te merken.

't Eerste wat hem boeide, was dat die kleine zoo licht over 't
veld sprong; 't was alsof hij over de punten van de grassprietjes
zweefde. Maar toen hij hem later in zijn spelen volgde, werd hij
nog verbaasder.

"Bij mijn zwaard!" zei hij eindelijk. "Dit kind speelt niet als
anderen. Wat kan het toch zijn waar hij mee bezig is?"

't Kind speelde maar een paar stappen van den krijgsman af, zoodat
deze kon zien wat hij deed. Hij zag hem de hand uitstrekken om een
bij te vangen, die op den rand van een bloem zat en zoo zwaar beladen
was met stuifmeel, dat zij nauwelijks de vleugels tot vliegen kon
opheffen. Hij zag tot zijn groote verbazing, dat de bij zich liet
opnemen, zonder te probeeren weg te vliegen en zonder haar angel te
gebruiken. Maar toen hij de bij goed en wel in de hand had, liep de
knaap vlug naar een scheur in den stadsmuur, waar een troep bijen
haar woning hadden en zette haar daarbij neer. En zoo gauw hij op die
manier een bij geholpen had, haastte hij zich een andere te zoeken. Den
heelen dag zag de soldaat hem bijen vangen en naar haar huis dragen.

"Die jongen is zoowaar nog dwazer dan ik er ooit een gezien heb,"
dacht de krijgsman. "Hoe komt hij er toch bij die bijen te willen
helpen, die zich zoo goed zonder hem redden kunnen en die hem op den
koop toe nog kunnen steken? Wat zal daar voor een mensch van groeien,
als hij in 't leven blijft!"

De kleine kwam dag aan dag terug en speelde buiten op het veld, en
de krijgsman kon niet laten met verbazing naar hem en zijn spelen te
kijken. "Dat is toch wonderlijk," dacht hij. "Ik heb hier nu volle
drie jaar op wacht gestaan bij de poort, en tot nu toe heb ik niets
gezien, dat mijn gedachten innemen kon, behalve dit kind."

Maar de krijgsman was in 't geheel niet ingenomen met het
kind. Integendeel, de kleine deed hem aanhoudend denken aan een
vreeselijke voorspelling van een oud joodsch profeet. Die had namelijk
gezegd, dat een tijd van vrede eenmaal over de aarde komen zou. In een
tijd van duizend jaar zou er geen bloed vergoten, geen oorlog gevoerd
worden, maar de menschen zouden elkaar als broeders liefhebben. Als
de krijgsman er aan dacht, dat zooiets vreeslijks werkelijkheid zou
kunnen worden, ging er een rilling door zijn leden en hij klemde de
hand om zijn speer, als om steun te zoeken.

En nu--hoe meer de krijgsman naar den kleine en zijn spelen zag,
hoe vaker hij aan het rijk van den duizendjarige vrede dacht. Wel
was hij niet bang, dat het al gekomen kon zijn, maar hij hield er
niet van aan zooiets akeligs te denken.

Op een dag, dat de kleine tusschen de bloemen op het mooie
veld speelde, kwam er een geweldige regenbui uit de wolken
neerkletteren. Toen hij voelde hoe groot en zwaar de droppels waren,
die op de teere lelies neersloegen, scheen hij bezorgd over zijn
sierlijke vrienden te worden. Hij haastte zich naar de grootste en
mooiste van hen en boog den stijven stengel, die de bloemen droeg,
naar den grond, zoodat de regendroppels den onderkant van de kelken
troffen. En zoo gauw hij dit met één bloemsteel gedaan had, haastte
hij zich naar een anderen en boog dien op dezelfde wijze, zoodat de
bloemkelken naar den grond gekeerd stonden. En toen naar een derden
en een vierden tot alle bloemen van het veld voor den hevigen regen
beschut waren. De krijgsman lachte in stilte, toen hij dat werk van
den jongen aanzag. "Ik ben bang, dat de lelies hem daar niet dankbaar
voor zijn," zei hij. "Elke stengel is natuurlijk gebroken. Dat gaat
niet, die stijve planten zoo te buigen."

Maar toen de regenbui eindelijk ophield, zag de krijgsman den
kleinen jongen gauw weer naar de lelies loopen en ze weer overeind
zetten. En tot zijn onbeschrijfelijke verbazing boog het kind
zonder de minste moeite de stijve stengels weer recht. Het bleek,
dat geen enkele gebroken of beschadigd was. Hij snelde van de
eene bloem naar de andere en alle geredde lelies prijkten in volle
pracht op het veld. Toen de krijgsknecht dat zag, werd hij door een
wonderlijk gevoel van toorn aangegrepen. "Kijk nu zoo'n kind eens,"
dacht hij. "'t Is ongeloofelijk, dat iemand zooiets onzinnigs doen
kan. Wat zal er voor een man uit zoo'n jongen groeien, die niet
verdragen kan, dat een lelie vernield wordt? Hoe zou 't gaan als zoo
iemand in den oorlog moest? Wat zou hij doen als hem bevolen werd een
huis in brand te steken vol vrouwen en kinderen, of een schip in den
grond te boren met alle manschappen aan boord?" Weer moest hij denken
aan die oude profetie en hij begon bang te worden, dat de tijd toch
werkelijk gekomen kon zijn, dat die in vervulling zou gaan. "Nu er
zulk een kind gekomen is als dit," dacht hij, "is die vreeselijke tijd
misschien heel nabij. Nu al is er vrede in de heele wereld en zal de
dag van oorlog misschien nooit meer aanbreken. Van nu af aan zullen
alle menschen gezind zijn als dit kind. Zij zullen niet eens het hart
hebben een bij of een bloem te vernielen. Geen groote heldenfeiten
zullen meer verricht worden, geen heerlijke overwinningen behaald,
en geen stralende held zal zegevierend naar het kapitool trekken. Er
zal niets meer zijn om naar te verlangen voor een dapper man."

En de krijgsman, die aldoor hoopte spoedig nieuwe oorlogen te beleven
en er naar verlangde door heldendaden tot macht en rijkdom te komen,
voelde zich zoo geërgerd door den kleinen driejarige, dat hij dreigend
met de speer naar hem stak, toen hij weer voorbij kwam.

Op een anderen dag waren het geen leliën of bijen, die de kleine
trachtte te helpen, maar hij deed iets wat den krijgsman nog veel
onnoodiger en ondankbaarder voorkwam.

't Was een vreeselijk warme dag en de zonnestralen, die op den helm
en het harnas van den soldaat vielen, verhitten die zoo sterk, dat
hij een gevoel had, alsof hij een uniform van vuur droeg. 't Scheen
den voorbijgangers toe, dat hij vreeslijk door de warmte leed. Zijn
oogen waren met bloed beloopen en puilden hem uit het hoofd, en 't
vel op zijn lippen kromp ineen; maar de krijgsman, die zoo gehard was,
dat hij de brandende hitte in de Afrikaansche woestijn kon verdragen,
vond dit een kleinigheid en dacht er niet aan zijn gewone plaats te
verlaten. Hij had er integendeel plezier in den voorbijgangers te
toonen, dat hij zoo sterk en volhardend was, dat hij geen beschutting
voor de zon behoefde te zoeken.

Maar terwijl hij daar zoo stond en zich bijna levend liet braden, kwam
de kleine jongen, die gewoonlijk op 't veld speelde, plotseling naar
hem toe. Hij wist wel, dat de krijgsman niet tot zijn vrienden hoorde,
en hij was gewend zich in acht te nemen, zoodat hij niet binnen het
bereik van zijn speer kwam, maar nu sprong hij zelfs naar hem toe,
bekeek hem lang en nauwkeurig en liep toen in volle vaart weg. Toen
hij na een poosje terugkwam, hield hij beide handen uitgebreid als
een schotel en bracht op die manier een paar droppels water meê.

"Zou dat kind nu de moeite genomen hebben weg te loopen om water voor
mij te halen?" dacht de krijgsman. "Dat is toch al te onwijs! Zou
een Romeinsch soldaat niet een beetje warmte kunnen verdragen! Wat
hoeft die snaak zoo te loopen om allerlei hulp te brengen, die niet
noodig is. Ik heb geen zin in zijn barmhartigheid. Ik wou, dat hij
en zijns gelijken de wereld uit waren!"

De kleine kwam zachtjes aanloopen. Hij hield de vingers vast
opeengedrukt, opdat niets zou verloren gaan door overloopen. Terwijl
hij den krijgsman naderde, hield hij zijn oogen angstig op het beetje
water gericht, dat hij meebracht; en hij zag dus niet, dat de man
daar stond met gefronst voorhoofd en afwijzende blikken.

Eindelijk bleef hij dicht voor den krijgsman staan en bood hem het
water aan.

Terwijl hij liep waren zijn zware, blonde krullen al verder en verder
over zijn voorhoofd en oogen gevallen. Hij schudde meermalen het
hoofd om het haar weg te krijgen, zoodat hij op kon zien. Toen hem dat
eindelijk gelukte en hij de harde uitdrukking op het gezicht van den
soldaat zag, werd hij toch niet bang, maar bleef staan en noodigde
hem met een betooverend glimlachje uit van het water te drinken,
dat hij meêgebracht had. Maar de krijgsman had geen lust een weldaad
aan te nemen van dit kind, dat hij als zijn vijand beschouwde.

Hij zag het niet in 't lieve gezichtje, maar bleef stijf en
onbeweeglijk staan en toonde niet, dat hij begreep wat het kind voor
hem wilde doen.

Maar het knaapje kon ook niet begrijpen dat de ander hem afwijzen
wou. Hij bleef even vertrouwelijk lachen, hief zich op de teenen op
en strekte de handen zoo ver mogelijk omhoog, opdat de lange soldaat
bij het water zou kunnen komen.

De krijgsman voelde zich zoo beleedigd doordat een kind hem wilde
helpen, dat hij zijn speer greep om den kleine weg te jagen.

Maar nu gebeurde het, dat op datzelfde oogenblik de hitte en de
zonnestralen zoo heftig neerstroomden over den krijgsman, dat hij
roode vlammen voor zijn oogen zag en zijn hersens in zijn hoofd voelde
smelten. Hij vreesde, dat de zon hem zou vermoorden, als hij niet
oogenblikkelijk eenige verlichting kon vinden. En buiten zich zelf
van schrik door het gevaar, waarin hij verkeerde, wierp hij de speer
op den grond, omvatte het kind met beide handen en zoog zooveel hij
kon van het water op, dat het in de handjes hield.

't Waren maar een paar droppels, die hij zoodoende binnen kreeg,
maar meer was ook niet noodig. Zoodra hij het water geproefd had,
voelde hij een liefelijke koelte door zijn lichaam gaan en zijn helm
en harnas brandden en drukten niet meer. De zonnestralen hadden hun
moordende kracht verloren. Zijn droge lippen werden weer zacht en de
roode vlammen dansten niet meer voor zijn oogen.

Voor hij nog tijd had dit alles op te merken, had hij het kind weer
neergezet en dit liep nu weer op het veld te spelen. En hij vroeg
zich verwonderd af: "Wat was dat voor water, dat het kind me gaf? 't
Was een heerlijke drank! Ik moet het toch mijn dankbaarheid toonen."

Maar omdat hij den kleine haatte, verjoeg hij die gedachte. "'t Is
immers maar een kind," dacht hij, "'t weet zelf niet waarom het zoo
of zoo doet. Hij speelt maar het spelletje, dat hij het prettigst
vindt. Zou hij dank krijgen van de bijen of van de lelies? Voor dien
kleinen snaak hoef ik me toch geen moeite te geven, hij weet niet eens,
dat hij me geholpen heeft."

En hij gevoelde zich een oogenblik later zoo mogelijk nog meer
geïrriteerd tegen 't kind, toen hij den aanvoerder der Romeinsche
soldaten, die te Bethlehem gedetacheerd waren, de poort uit zag
komen. "Kijk," dacht hij, "wat ben ik door dien jongen in gevaar
geweest! Als Voltigius maar even eerder voorbij gekomen was, zou hij
mij met een kind in de armen hebben zien staan."

De hoofdman ging intusschen recht op den krijgsman toe en vroeg hem
of zij hier konden spreken zonder dat iemand hen hoorde: hij had hem
een geheim meê te deelen. "Als wij maar tien stappen van de poort
weggaan," antwoordde de krijgsman, "dan kan niemand ons hooren."

"Je weet," zei de hoofdman, "dat koning Herodes meer dan eens getracht
heeft een kind machtig te worden, dat hier in Bethlehem opgroeit. Zijn
profeten en priesters hebben hem gezegd, dat dit kind zijn troon zal
bestijgen en bovendien hebben zij voorspeld, dat de nieuwe Koning een
duizendjarig rijk van vrede en heiligheid stichten zal. Je begrijpt
dus, dat Herodes hem graag onschadelijk maken wil."

"Ja, dat begrijp ik," zei de krijgsman levendig, "maar dat moet immers
de eenvoudigste zaak van de wereld zijn."

"Dat zou ook zeker heel gemakkelijk zijn," zei de hoofdman, "als de
koning maar wist welk van al de kinderen in Bethlehem het bedoelde
was."

De krijgsman trok zijn voorhoofd in diepe rimpels. "'t Is jammer,
dat zijn profeten hem dat niet hebben kunnen zeggen."

"Maar nu heeft Herodes een list bedacht, waardoor hij meent den jongen
Vredevorst onschadelijk te kunnen maken," ging de hoofdman voort. "Hij
looft een prachtig geschenk uit aan iedereen, die hem helpen wil."

"Wat Voltigius ook beveelt, zal worden uitgevoerd, ook zonder belooning
of geschenken," antwoordde de soldaat.

"Ik dank je," antwoordde de hoofdman. "Hoor nu wat de koning van plan
is. Hij wil den verjaardag van zijn jongsten zoon vieren door een
feest te bereiden, waarop alle jongens in Bethlehem, die tusschen
de twee en drie jaar oud zijn, zullen worden uitgenoodigd met hun
moeders. En op dit feest----"

Hij hield op en lachte, toen hij de uitdrukking van afkeer zag,
die op het gezicht van den soldaat kwam.

"Vriend," ging hij voort, "je hoeft niet bang te zijn, dat Herodes
van plan is ons als kindermeisjes te gebruiken. Breng nu je oor bij
mijn mond, dan zal ik je zijn plannen toevertrouwen."

De hoofdman fluisterde lang met den krijgsman en toen hij hem alles
verteld had, zei hij: "Ik behoef je zeker niet te zeggen, dat de
grootste geheimhouding noodig is, als niet de heele onderneming
zal mislukken."

"Ge weet, Voltigius, dat ge op mij vertrouwen kunt," zei de krijgsman.

Toen de hoofdman was heengegaan en de krijgsman weer alleen op
zijn post stond, keek hij rond naar het kind. Dat speelde nog altijd
tusschen de bloemen, en het verraste den soldaat, dat hij onwillekeurig
dacht, dat het zoo licht en gracelijk rondzweefde als een vlinder.

Plotseling begon de krijgsman te lachen.--"'t Is waar," zei hij,
"ik zal me niet lang aan dat kind daar hoeven te ergeren. Dat wordt
vanavond ook op het feest van Herodes genoodigd."

De krijgsman bleef den heelen dag door op zijn post staan, tot de
avond viel en het tijd werd de stadspoorten voor den nacht te sluiten.

Toen dit gedaan was, liep hij door smalle en donkere straten naar
een prachtig paleis, dat Herodes in Bethlehem bezat.

Binnen in dit reusachtige paleis was een groote steenen plaats,
door gebouwen omringd, waar drie open galerijen omheen liepen, boven
elkaar. Op de bovenste galerij had de koning bepaald, dat het feest
voor de Bethlehemsche kinderen plaats zou hebben.

Deze galerij was, evenzoo op 's konings uitdrukkelijk bevel,
zoo veranderd, dat het een overdekte gang leek in een heerlijken
lusthof. In het dak slingerden zich wijngaardranken van waar heerlijke
druiventrossen afhingen, en aan de wanden en pilaren stonden kleine
granaat- en oranjeboomen, die met rijke vruchten bedekt waren. De vloer
was bestrooid met rozebladen, licht en zacht als een kleed, en langs
de balustrade, langs de lijst van het dak, langs de tafels en de lage
divans, overal liepen guirlanden van schitterend witte lelies langs.

In dezen bloementuin stonden hier en daar groote bassins van marmer,
waar glinsterende zilver- en goudvisschen in 't doorschijnende water
speelden. In de boomen zongen bonte vogels uit verre landen, en in
een kooi zat een oude kraai, die onophoudelijk sprak.

Toen het feest begon, trokken kinderen en moeders naar die galerij. De
kinderen werden dadelijk bij 't binnenkomen in 't paleis getooid
in witte kleeren met purperen randen en kregen kransen van rozen op
de donkere haren. De vrouwen kwamen aan in statige roode en blauwe
gewaden en witte sluiers, die van hooge puntige kappen neerhingen,
met munten en kettingen behangen. Sommige droegen haar kind hoog op
de schouders, andere leidden haar zoontje bij de hand en weer andere,
wier kinderen verlegen en angstig waren, droegen ze op de armen.

De vrouwen zetten zich op den vloer in de galerij. Zoodra ze plaats
genomen hadden kwamen er slaven aan en zetten lage tafels voor haar,
waarop uitgezochte spijzen en dranken werden voorgediend, zooals het
past op een koninklijk feest, en al die gelukkige moeders begonnen
haar maaltijd zonder die fiere gracieuse waardigheid af te leggen,
die het grootste sieraad der Bethlehemsche vrouwen is.

Langs de wanden der galerij en bijna verborgen achter de
bloemguirlanden en met vruchten beladen boomen waren dubbele rijen
krijgslieden in volle uniform opgesteld. Zij stonden volkomen
onbeweeglijk, als hadden ze niets te maken met wat er om hen heen
gebeurde. De vrouwen konden toch niet laten nu en dan die geharnaste
schare verwonderd aan te zien.

"Waarom staan die daar?" fluisterden zij; "meent Herodes, dat we ons
niet behoorlijk zullen gedragen? Denkt hij, dat er zooveel krijgslieden
noodig zijn om op ons te passen?"

Maar anderen fluisterden weer, dat het zoo hoorde bij een
koning. Herodes zelf gaf nooit een feest zonder dat zijn heele huis
vol krijgsknechten was. Het was om haar eer te bewijzen, dat de
zwaarbewapende soldaten daar op wacht stonden.

In het begin van het feest voelden de kinderkens zich verlegen en
onveilig, en hielden zich dicht bij hun moeders, maar al spoedig
kwamen ze in beweging om de heerlijkheden in bezit te nemen, die
Herodes hun aanbood. Het was een betooverend land, dat de koning voor
zijn kleine gasten geschapen had.

Als ze de galerij doorwandelden, vonden ze bijenkorven, waaruit ze
honig mochten plunderen, zonder dat een enkele knorrige bij hen
hinderde. Zij vonden boomen, die hun met vruchten beladen takken
voor hen neerbogen. Zij vonden in een hoek goochelaars, die in een
oogenblik hun zakken vol speelgoed tooverden, en in een anderen hoek
van de galerij een dierentemmer, die hun een paar tijgers toonde,
die zoo tam waren, dat zij op hun rug konden rijden.

Maar in dit paradijs, met al zijn vreugd was er toch niets, wat
zoo de aandacht trok van de kleinen als de lange rij krijgslieden,
die onbeweeglijk langs de eene zij van de galerij stonden. Hun oogen
werden geboeid door hun glinsterende helmen, door hun strenge trotsche
gezichten, door hun korte zwaarden, die in rijk versierde scheeden
gestoken waren. En terwijl zij met elkaar speelden en juichten,
dachten ze toch onophoudelijk aan de krijgslieden. Zij hielden zich
nog op een afstand, maar ze verlangden bij hen te komen, om te zien
of ze levend waren en zich wezenlijk konden bewegen.

Het spel en de feestvreugde nam ieder oogenblik toe, maar de soldaten
stonden altijd door onbeweeglijk. Het kwam den kleinen ongelooflijk
voor, dat menschen zoo dicht bij die druiventrossen en al dat lekkers
konden staan, zonder de hand uit te steken en ze te grijpen.

Eindelijk was er een van de jongetjes, die zijn nieuwsgierigheid niet
kon beheerschen. Hij naderde zachtjes en bereid tot snelle vlucht,
een van de geharnasten en daar de soldaat voortdurend onbeweeglijk
bleef staan, kwam hij al nader. Eindelijk was hij zoo dicht bij hem,
dat hij aan zijn sandaalriemen kon voelen en aan zijn schenen.

Toen, alsof dat een ongehoorde misdaad was, kwamen opeens al die
ijzeren menschen in beweging. Met een onbeschrijfelijke razernij
wierpen ze zich op de kinderen en grepen ze. Sommigen zwaaiden ze
over hun hoofden als werpspiesen en slingerden ze tusschen lampen en
guirlanden door over de balustrade der galerij op den grond, waar ze
verbrijzeld werden op de marmeren steenen. Enkelen trokken het zwaard
en doorboorden hun hart, anderen verbrijzelden hun hoofden tegen den
muur, vóór zij ze naar beneden wierpen op de donkere plaats.

In het eerste oogenblik na dien overval was het ademloos stil. De
kleine lichamen zweefden nog in de lucht, de vrouwen waren versteend
van schrik. Maar opeens kwamen al die ongelukkigen tot het bewustzijn
van wat er gebeurd was, en zij vlogen gelijktijdig met een vreeselijken
kreet op de krijgslieden toe.

Er waren nog kinderen over op de galerij. De krijgsknechten joegen
ze voort en hun moeders wierpen zich voor hen op den grond en grepen
met de handen de ontbloote zwaarden om den doodelijken slag af te
wenden. Eenige vrouwen, wier kinderen reeds gedood waren, wierpen
zich op de soldaten, grepen ze bij de keel en trachtten haar kleinen
te wreken door hun moordenaren te worgen.

Onder die woeste verwarring, terwijl ontzettende kreten door het paleis
klonken en de vreeselijkste bloedige daden bedreven werden, stond de
krijgsman, die gewoonlijk de wacht hield aan de stadspoort, volkomen
onbeweeglijk vlak onder aan de trap, die van de galerij naar beneden
leidde. Hij nam geen deel aan den strijd en het bloedbad. Alleen hief
hij het zwaard op tegen de vrouwen, wien het gelukt was haar kind
te grijpen en die er de trap mee trachtten af te vluchten. En alleen
zijn gezicht, terwijl hij daar somber en onbeweeglijk stond, was zoo
vreeselijk, dat de vluchtenden liever over de balustrade sprongen of
terugkeerden in het strijdgewoel, dan zich bloot te stellen aan het
gevaar van hem voorbij te gaan.

"Voltigius heeft wel gelijk gehad, dat hij mij dezen post gaf,"
dacht de krijgsman, "een jong, onnadenkend soldaat zou zijn plaats
verlaten hebben en zich in het gewoel begeven. Als ik mij hiervandaan
had laten lokken, zouden minstens een tiental kinderen ontkomen zijn."

Terwijl hij zoo dacht, werd zijn aandacht gevestigd op een jonge vrouw,
die haar kind naar zich toe getrokken had en nu in snelle vlucht naar
hem toe kwam rennen. Geen van de krijgslieden, die ze voorbijvloog,
kon haar den weg versperren, omdat ze in het heetst van 't gevecht
waren met andere vrouwen, en zoo was ze tot aan het eind van de
galerij gekomen.

"Ziedaar een, die hoopt gelukkig weg te komen," dacht de krijgsman;
"noch zij noch het kind is gekwetst. Als ik nu niet hier stond...."

De vrouw kwam op den krijgsknecht af met een vaart, alsof ze vloog,
en hij had geen tijd om duidelijk haar gezicht of dat van het kind
te zien. Hij stak alleen het zwaard naar hen uit en met het kind in
haar armen stormde ze daarop af. Hij verwachtte, dat zij en het kind
het volgend oogenblik doorboord op het veld zouden neervallen.

Maar op hetzelfde oogenblik hoorde de soldaat een woedend gonzen
boven het hoofd en onmiddellijk daarop voelde hij een hevige pijn
in het eene oog. Die was zoo scherp en snijdend, dat hij bedwelmd en
verward werd en het zwaard viel hem uit zijn hand op den grond. Hij
bracht de hand aan het oog, greep een bij en begreep, dat wat hem
die vreeselijke pijn veroorzaakte, niet anders was dan de steek van
dat kleine dier. Hij boog zich bliksemsnel neer naar zijn zwaard,
in de hoop, dat het nog niet te laat zou zijn om de vluchtende tegen
te houden. Maar de kleine bij had haar werk zeer goed gedaan. In den
korten tijd, dat zij den krijgsman verblind had, was het de jonge
moeder gelukt hem voorbij en de trap af te snellen, en hoewel hij
haar haastig achterna liep, kon hij haar niet meer inhalen. Zij was
verdwenen en in heel het groote paleis kon niemand haar vinden.



Den volgenden morgen stond de krijgsman met eenigen van zijn kameraden
op wacht, dicht bij de stadspoort. 't Was nog vroeg en de zware poorten
waren pas geopend. Maar het scheen alsof niemand verwacht had, dat
zij dien morgen geopend zouden worden, want geen schare landarbeiders
stroomden de stad uit zooals gewoonlijk iederen morgen. Al de inwoners
van Bethlehem waren zoo vol ontzetting over het bloedbad van dien
nacht, dat niemand 't waagde zijn huis te verlaten.

"Bij mijn zwaard," zei de soldaat, terwijl hij daar stond en de nauwe
straat inzag, die naar de poort leidde, "ik geloof, dat Voltigius
een onverstandig besluit genomen heeft. 't Was beter geweest als
hij de poorten gesloten had gehouden en ieder huis in de stad had
laten doorzoeken, tot hij den jongen gevonden had, wien het gelukt
is van het feest te ontkomen. Voltigius rekent er op, dat zijn ouders
zullen probeeren hem hiervandaan te brengen, zoodra ze weten, dat de
poorten openstaan en hij hoopt, dat ik hem zal kunnen vangen juist
hier in de poort. Maar ik vrees dat die berekening niet verstandig
is. Hoe licht kan het niet gelukken een kind te verbergen." En hij
dacht er over na, of ze ook zouden probeeren het kind te verbergen
in de manden met vruchten op een ezel of in een grooten oliepot. Of
in balen met koren op een karavaan.

Terwijl hij daar stond te wachten of men hem ook op die manier zou
trachten te verschalken, kreeg hij een man en een vrouw in 't oog,
die haastig de straat uit kwamen en de poort naderden. Zij liepen hard
en keken angstig om, als vluchtten ze voor een gevaar. De man had een
bijl in de hand en hield die stevig vast, alsof hij besloten was zich
met geweld een weg te banen, als iemand dien voor hem versperren wilde.

Maar de krijgsman zag niet zoozeer naar den man, dan wel naar de
vrouw. Hij dacht erover dat ze even groot was als de jonge moeder,
die hem den vorigen avond ontkomen was. Hij merkte ook op, dat zij
den rok van haar kleed over 't hoofd geslagen had. Hij dacht: "Dat
doet ze misschien om te verbergen, dat ze een kind op den arm draagt."

Hoe dichter ze bij hem kwamen, hoe duidelijker de krijgsman het kind,
dat de vrouw op den arm droeg, zich zag afteekenen onder het omhoog
geslagen kleedingstuk.

"Ik ben er zeker van dat zij het is," dacht hij, "die mij gisteren
ontvluchtte. Ik kon haar gezicht niet zien maar ik herken die lange
gestalte. En hier komt ze nu aan met het kind op den arm, zonder
zelfs te trachten het te verbergen. Ik had niet op zooveel voorspoed
durven hopen."

De man en de vrouw zetten hun haastige wandeling voort tot aan de
stadspoort. Het was duidelijk, dat zij niet verwacht hadden hier
tegengehouden te worden; zij krompen ineen van schrik, toen de
krijgsman zijn speer voor hen velde en hun den weg versperde.

"Waarom mogen we niet naar het veld gaan om te werken?" vroeg de man.

"Je moogt dadelijk gaan," zei de soldaat; "ik moet alleen maar eerst
even zien, wat je vrouw onder haar kleed verbergt."

"Wat is daaraan te zien?" zei de man, "het is alleen wat brood en wijn,
waar we vandaag van moeten leven."

"Het is misschien waar, wat je zegt," zei de soldaat; "maar als dat
zoo is, waarom wendt ze zich dan af, waarom laat zij mij dan niet
gewillig zien wat ze draagt?"

"Ik wil niet hebben, dat je het ziet en ik raad je ons voorbij te
laten gaan."

Op hetzelfde oogenblik hief de man de bijl op, maar de vrouw legde
de hand op zijn arm.

"Neen, ga nu niet vechten," smeekte ze. "Ik zal hem laten zien wat
ik draag, en ik weet zeker, dat hij het geen kwaad kan doen."

En met een fieren glimlach en vol vertrouwen keerde zij zich naar
den soldaat toe, en sloeg een slip van haar kleed op.

En op hetzelfde oogenblik schrikte de soldaat terug en hield de hand
voor de oogen, als verblind door een sterken glans. Wat de vrouw
onder haar kleed verborgen hield, straalde hem tegen met zulk een
schitterend witten glans, dat hij eerst niet wist wat hij zag.

"Ik dacht, dat je een kind op den arm hadt," zei hij.

"Je ziet nu wat ik draag," antwoordde de vrouw.

Toen eindelijk zag de soldaat dat, wat daar schitterde en blonk, niet
anders was dan een bos witte lelies van dezelfde soort, die op het
veld groeide. Maar haar glans was veel rijker, veel stralender. Hij
kon er nauwelijks naar kijken.

Hij stak zijn hand in de bloemen. Hij kon de gedachte niet van zich
afzetten, dat het een kind was, dat de vrouw droeg. Hij voelde niets
dan de koele bloembladeren.

Hij voelde zich bitter bedrogen en hij had graag in zijn boosheid
den man en de vrouw allebei gevangen genomen, maar hij begreep,
dat hij geen reden zou kunnen opgeven voor zulk een handelwijze.

Toen de vrouw zijn verbazing zag, vroeg ze:

"Wil je ons nu laten gaan?"

De krijgsman nam zwijgend de speer weg, die hij voor de poort gehouden
had en trad op zij.

Maar de vrouw trok weer haar kleed over de bloemen en bekeek op
hetzelfde oogenblik wat ze op haar arm droeg met een lieflijken
glimlach!

"Ik wist wel, dat je het geen kwaad zou kunnen doen, als je het maar
zag," zei ze tegen den krijgsman.

En toen snelde ze weg. Maar de krijgsman stond ze na te zien zoolang
ze in 't gezicht waren.

En terwijl hij hen met de blikken volgde, was hij er weer zeker van,
dat ze geen bos lelies op haar arm droeg, maar een echt levend kind.

Maar terwijl hij de beide zwervers nazag, hoorde hij luide kreten
uit de straat. Het was Voltigius met eenigen van zijn mannen, die aan
kwamen loopen. "Houd ze!" riepen ze. "Sluit de poort voor hen! Laat
hen niet ontkomen!"

En toen ze den krijgsman bereikten, vertelden zij, dat zij het spoor
van den ontkomen knaap gevonden hadden. Zij hadden hem nu in zijn
huis gezocht, maar van daar was hij weer gevlucht. Zij hadden zijn
ouders met hem zien wegloopen. De vader was een krachtig man, met een
grijzen baard, en droeg een bijl; de moeder was een lange vrouw, die
't kind verborgen had onder haar kleed, dat ze omhoog geslagen had.

Op 'tzelfde oogenblik, dat Voltigius dat vertelde, kwam een Bedouïen
de poort inrijden op een mooi paard. De krijgsman snelde zonder een
woord te zeggen op den ruiter toe. Hij rukte hem met geweld van het
paard, wierp hem op den grond, en met één sprong was hij zelf in
't zadel en joeg voort over den weg.



Een paar dagen later reed de krijgsman door de vreeslijke bergwoestijn,
die 't zuiden van Judea vult. Hij vervolgde nog altijd de vluchtelingen
van Bethlehem en hij was buiten zichzelf over dien vruchteloozen tocht,
waar maar geen einde aan kwam.

"'t Schijnt waarachtig wel, of die menschen in den grond kunnen
zinken," zei hij morrend. "Hoe dikwijls ben ik hun in deze dagen niet
zoo dicht op de hielen geweest, dat ik mijn speer naar het kind had
kunnen slingeren, en toch ontkwamen ze nog. Ik begin bang te worden,
dat ik ze nooit kan vinden."

Hij voelde zich moedeloos, als een die tegen een overmacht strijdt. Hij
vroeg zich af of het mogelijk was dat de goden deze menschen tegen
hem beschermden.

"'t Is vergeefsche moeite. Laat ik toch teruggaan, eer ik van honger
en dorst omkom in dit eenzame land!" zei hij herhaaldelijk in zichzelf.

Maar dan overviel hem de vrees voor wat hem bij zijn thuiskomst
wachtte, als hij onverrichter zake terugkwam. Hij was het, die nu
al twee keer het kind had laten ontkomen. 't Was niet denkbaar,
dat Voltigius of Herodes hem zooiets zouden vergeven.

"Zoolang Herodes weet, dat een van de kinderen van Bethlehem nog
leeft, zal hij voortdurend aan denzelfden angst lijden," zei de
krijgsman. "'t Waarschijnlijkste is, dat hij--om zijn ellende te
verzachten--mij aan het kruis zal slaan."

't Was een heete middag, en hij leed vreeselijk onder het rijden in
deze boomlooze bergstreek op een weg, die zich door diepe ravijnen in
't dal slingerde, waar geen windzuchtje zich bewoog. Het paard en de
ruiter beide waren op 't punt te bezwijken.

Reeds sedert verscheidene uren had de krijgsman elk spoor van de
vluchtenden uit het oog verloren en hij voelde zich moedeloozer
dan ooit.

"Ik moet het opgeven," dacht hij. "Voorwaar, ik geloof niet, dat het
de moeite loont ze verder te vervolgen: zij moeten toch omkomen in
deze vreeselijke woestijn."

Toen hij zoo dacht, ontdekte hij in een rotswand, die zich aan den
weg verhief, den gewelfden ingang van een grot.

Hij stuurde zijn paard aanstonds in de richting van de
grot-opening. "Ik zal een poos uitrusten in die koele rotsholte,"
dacht hij. "Misschien dat ik later de vervolging met vernieuwde kracht
kan hervatten."

Toen hij de grot in wilde gaan, verraste hem iets merkwaardigs. Aan
beide zijden van den ingang groeide een schoone lelieplant.

Ze stonden daar hoog en rank, vol bloemen. Ze geurden bedwelmend,
als honig en een menigte bijen gonsden er om heen.

Dat was zulk een ongewoon gezicht in deze woestenij, dat de krijgsman
iets buitengewoons deed. Hij brak een groote, witte bloem af en nam
die mee in de grot.

De rotsholte was niet diep of donker en zoodra hij 't gewelf
binnenkwam, zag hij, dat zich daar al drie reizigers bevonden. 't Waren
een man, een vrouw en een kind, die op den grond waren uitgestrekt,
in diepen slaap verzonken.

De krijgsman had nooit zijn hart zóó voelen bonzen als toen hij dat
zag. Dat waren juist de drie vluchtelingen, die hij zoo lang had
nagezet. Hij herkende ze dadelijk. En hier lagen ze nu te slapen,
buiten staat zich te verdedigen, geheel en al in zijn macht.

Zijn zwaard gleed kletterend uit de scheede en hij boog zich nu over
het slapende kind.

Hij bracht de punt van 't zwaard zacht bij 't hart van het kind en
mikte nauwkeurig om het met één stoot te dooden.

Maar hij hield een oogenblik op om zijn gezichtje te zien. Nu hij
zich zeker voelde van de overwinning, voelde hij een wreed genot bij
't bekijken van zijn offer.

Maar toen hij 't kind zag, werd zijn vreugde zoo mogelijk nog verhoogd,
want hij herkende den kleinen jongen, dien hij met de bijen en de
leliën had zien spelen op het veld buiten de stadspoort.

"Ja zeker," dacht hij, "dat had ik al lang moeten begrijpen. Daarom
heb ik dat kind hier altijd gehaat. Dat is de aangekondigde
vredevorst." Hij liet zijn zwaard weer zakken, terwijl hij dacht:
"Als ik het hoofd van dit kind voor Herodes neerleg, zal hij mij tot
aanvoerder van zijn lijfwacht aanstellen."

Terwijl hij de punt van zijn zwaard al nader bij den slapende bracht,
verheugde hij zich door in zich zelf te zeggen: "Deze keer tenminste
zal er niemand tusschen komen om hem aan mijn handen te ontrukken."

Maar de krijgsman had de lelie, die hij aan den ingang van de grot
geplukt had, nog in de hand en terwijl hij zoo dacht, vloog een bij,
die in den kelk verborgen gezeten had, eenige keeren gonzend omhoog
en om zijn hoofd.

De krijgsman schrikte op. Hij dacht opeens aan de bij, die de kleine
jongen naar huis gedragen had en hij dacht er aan, dat het een bij was,
die het kind geholpen had om te ontkomen aan het feest van Herodes.

Die gedachte trof hem als iets heel verbazends. Hij hield zijn zwaard
stil en stond naar de bij te luisteren.

Nu hoorde hij het diertje niet meer gonzen, maar terwijl hij daar
zoo stil stond, trok de sterke, liefelijke geur, die uit de lelie
in zijn hand opsteeg, zijn aandacht. En nu dacht hij aan de leliën,
die de kleine jongen geholpen had, en hij herinnerde zich dat het
een bos lelies was, die het kind voor zijn blikken verborgen hadden
en het hadden helpen ontkomen door de stadspoort.

Hij verzonk al dieper in gedachten, en trok zijn zwaard terug.

"Bijen en lelies hebben hem zijn weldaden vergolden," fluisterde hij.

Hij dacht er aan, hoe de kleine ook hem een weldaad bewezen had en
een diepe blos kwam op zijn gezicht.

"Kan een krijgsman uit de Romeinsche legioenen vergeten een bewezen
dienst te vergelden?" fluisterde hij. Hij voerde een korten strijd
met zich zelf; hij dacht aan Herodes en aan zijn eigen lust om den
jongen vredevorst te vernietigen.

"Mij past het niet dit kind te dooden, dat mijn leven gered heeft,"
zei hij toch eindelijk. En hij boog zich neer en legde zijn zwaard
naast het kind neer, opdat de vluchtelingen bij hun ontwaken begrijpen
zouden aan welk gevaar zij ontkomen waren.

Toen zag hij, dat het kind wakker was. Het lag hem met zijn mooie
oogen aan te zien, die als sterren straalden.

En de krijgsman boog een knie voor het kind.

"Heer, Gij zijt de machtige," sprak hij. "Gij zijt de sterke, de
overwinnaar. Gij zijt degene, dien de goden liefhebben. Gij zijt
degene, die slangen en schorpioenen in het stof treedt."

Hij kuste de voeten van het kind en ging zachtkens uit de grot, terwijl
de kleine hem lag na te kijken met groote, verwonderde kinderoogen.







DE VLUCHT NAAR EGYPTE.


Ver weg in een van de oostersche woestijnen groeide voor lange,
lange jaren een palm, die buitengewoon hoog was. Allen, die door de
woestijn trokken, moesten blijven stilstaan om hem te bewonderen,
want hij was veel grooter dan andere palmen, en men placht te zeggen,
dat hij zeker hooger dan de obelisken en pyramiden zou worden.

Toen nu die groote palm daar zoo eenzaam stond uit te zien
over de woestijn, kreeg hij op een dag iets in 't oog, dat zijn
geweldige bladerkroon op den dunnen stam heen en weer deed wiegen
van verwondering. Ver weg aan den rand van de woestijn kwamen twee
eenzame menschen aan. Zij waren nog zoo ver weg, dat kameelen op zulk
een afstand niet grooter dan mieren schijnen, maar het waren toch
zeker twee menschen. Twee, die vreemd waren in de woestijn,--want de
palm kende het woestijnvolk; een man en een vrouw, die geen gidsen,
geen lastdier, geen tent of geen reiszak bij zich hadden.

"Voorwaar," zei de palm tot zichzelf, "die twee zijn hier gekomen om
te sterven."

De palm wierp snel een blik om zich heen.

"Het verwondert me," zei hij, "dat de leeuwen dien buit nog niet
vervolgen. Maar ik bespeur er nog nergens een. Ook zie ik nog geen
van de woestijnroovers, maar ze zullen wel komen. Hen wacht een
zevenvoudige dood," dacht de palm. "De leeuw zal ze verslinden, de
slangen zullen hen bijten; van dorst zullen ze omkomen, de zandstorm
zal ze begraven, de roovers vermoorden hen, een zonnesteek zal hen
treffen en de vrees ze doen sterven."

En hij probeerde aan wat anders te denken. Het lot van deze menschen
stemde hem weemoedig. Maar in de heele woestijn, die zich aan alle
kanten om den palm heen uitstrekte, was niets wat hij al niet duizend
jaren gekend en gezien had. Niets kon zijn aandacht boeien. Hij moest
weer aan die twee zwervers denken.

"Bij de droogte en den storm!" zei de palm, de twee gevaarlijkste
vijanden van het leven aanroepende, "wat heeft die vrouw daar op den
arm? Ik geloof, dat die dwazen ook nog een kindje bij zich hebben."

De palm, die vèrziende was, zooals de ouden van dagen gewoonlijk
zijn, had werkelijk goed gezien. De vrouw droeg een kind op den arm,
dat het hoofdje tegen haar schouder leunde en sliep.

"'t Kind heeft niet eens genoeg kleeren aan," zei de palm. "Ik zie,
dat de moeder haar kleed heeft losgemaakt en dat om het kindje
heengeslagen. Zij heeft het in groote haast uit zijn bedje genomen
en is er meê weggesneld. Nu begrijp ik het: deze menschen zijn
vluchtelingen."

"Toch zijn het dwazen," ging de palm voort. "Als niet een engel
hen beschermt, hadden ze liever het ergste van hun vijanden moeten
afwachten, dan de woestijn in te gaan.

"Ik kan me wel voorstellen hoe alles gegaan is. De man was aan
zijn werk, het kind sliep in de wieg, de vrouw is naar buiten
gegaan om water te halen. Toen ze even buiten de deur gekomen was,
heeft ze vijanden zien aanstormen. Ze is naar binnen gevlogen,
heeft het kind gegrepen en den man toegeroepen haar te volgen, en
is weggevlucht. Sinds dien tijd zijn ze den heelen dag op de vlucht
geweest en hebben zeker geen oogenblik gerust. Ja, zoo is alles gegaan,
maar toch zeg ik:--als geen engel ze beschermt....

"Zij zijn zóó bang, dat ze nog geen moeheid of ander lijden voelen,
maar ik zie hoe de dorst hun uit de oogen kijkt. Ik ken het gezicht
van een dorstig mensch maar al te goed."

En toen de palm aan den dorst dacht, ging een kramptrekking door
zijn langen stam en de vele punten van zijn lange bladen krulden om,
alsof ze boven het vuur gehouden werden.

"Als ik een mensch was," zij hij, "zou ik me nooit in de woestijn
wagen. Wie zich hierheen waagt, zonder wortels te bezitten, die bij
de nooit verdrogende wateraren kunnen komen, moet wel heel moedig
zijn. Zelfs voor palmen kan 't hier gevaarlijk zijn. Zelfs voor palmen
zooals ik.

"Als ik hun kon raden, zou ik hun smeeken terug te keeren. Hun vijanden
kunnen nooit zoo wreed zijn als de woestijn. Misschien meenen zij,
dat het gemakkelijk is hier te leven. Maar ik weet, dat zelfs ik vaak
moeite gehad heb om in 't leven te blijven. Ik herinner me nog hoe in
mijn jeugd een stormwind een heelen berg zand over me heen gooide. Ik
was bijna gestikt. Als ik had kunnen sterven, zou dat mijn laatste
uur geweest zijn."

De palm dacht aldoor hardop, zooals ouden en eenzamen gewoonlijk doen.

"Ik hoor een wonderlijk melodisch suizen door mijn kroon gaan," zei
hij, "alle punten aan mijn bladen moeten trillen. Ik weet niet, wat
me zoo beweegt bij het gezicht van deze arme vreemdelingen. Maar
die bedroefde vrouw is zoo mooi. Zij herinnert me aan het
wonderbaarlijkste, wat ik ooit beleefde."

En terwijl de bladen voort bleven trillen in een melodisch suizen,
herinnerde de palm zich hoe eens, héél lang geleden, twee schitterende
schoone menschen de woestijn bezocht hadden. Het was de koningin
van Saba, die daar gekomen was, door den wijzen Salomo vergezeld. De
schoone koningin zou weer naar haar land terugkeeren; de koning had
haar een eind begeleid en nu moesten zij scheiden.

"Ter herinnering aan dit oogenblik," zei toen de koningin, "leg ik nu
een dadelpit in den grond en ik wil, dat daaruit een palm ontkiemen
zal, die zal groeien en leven tot er in Juda een koning zal opstaan,
die grooter is dan Salomo." En toen zij dit gezegd had, stak zij de
pit in den grond en haar tranen bevochtigden die.

"Hoe kan dat zijn, dat ik daar juist vandaag aan denk," zei de
palm. "Zou deze vrouw zoo mooi zijn, dat zij mij aan de schoonste
aller koninginnen doet denken, aan haar, door wier woorden ik geleefd
heb en gegroeid ben tot op dezen dag toe?"

"Ik hoor mijn bladen steeds sterker suizen," zei de palm, "en het
klinkt droevig als een doodslied. Het is als een voorteeken. 't Is
goed, dat ik weet, dat het mij niet gelden kan, want ik kan niet
sterven."

De palm meende, dat het suizen in de bladen de twee eenzame zwervers
gelden moest. En zelf geloofden zij ook zeker, dat hun laatste ure
naderde. Men kon het zien aan de uitdrukking op hun gezicht, als
zij voorbij een van de kameelsskeletten gingen, die aan beide kanten
van den weg lagen. Men kon het zien aan de blikken, die ze een paar
voorbijvliegenden gieren toewierpen. Het kon wel niet anders. Ze
moesten omkomen....

Zij hadden den palm en de oase in het oog gekregen en haastten zich
daarheen om water te vinden. Maar toen zij er eindelijk aankwamen,
zonken zij ineen van wanhoop, want de bron was uitgedroogd. De vrouw
legde uitgeput het kind neer en zette zich schreiend aan den rand van
de bron. De man wierp zich naast haar op den grond en sloeg met zijn
beide vuisten op den dorren bodem. De palm hoorde, hoe zij er samen
over spraken, dat zij sterven moesten.

Hij hoorde ook uit hun spreken, dat koning Herodes alle kinderen van
twee en drie jaar had laten vermoorden, uit vrees, dat de groote,
verwachte koning van Juda geboren zou zijn.

"Het suist al sterker in mijn bladen," zei de palm. "Spoedig zal voor
deze arme vluchtelingen hun laatste ure slaan."

Hij hoorde ook hoe bang ze waren voor de woestijn.

De man zei, dat het beter geweest was te blijven en met de
krijgsknechten te strijden, dan hierheen te vluchten. Hij zei, dat
zij zoodoende een lichteren dood zouden zijn gestorven.

"God zal ons bijstaan," zei de vrouw.

"Wij zijn alleen tusschen roofdieren en slangen," zei de man. "Wij
hebben geen eten en geen water. Hoe kan God ons bijstaan?"

Hij scheurde zijn kleeren van wanhoop en drukte het gezicht tegen
den grond. Hij was hopeloos, als iemand met een doodelijke wonde in
het hart.

De vrouw zat rechtop, met de handen gevouwen om de knieën. Maar de
uitdrukking van haar oogen, als zij de woestijn inzag, sprak van
grenzenlooze vertwijfeling.

De palm hoorde, dat het weemoedige suizen in zijn bladen al sterker
werd. De vrouw moest het ook gehoord hebben, want zij hief het hoofd
op en zag naar de kroon van den boom.

"O, dadels, dadels!" riep zij.

Er klonk zulk een groot verlangen in haar stem, dat de palm wenschte,
dat hij niet grooter was dan een bremstruik en dat de dadels zoo
gemakkelijk te bereiken waren, als de bottels van den rozestruik. Hij
wist wel, dat zijn kroon vol groote trossen dadels hing, maar hoe
zouden de menschen ooit tot zulk een duizelingwekkende hoogte op
kunnen klimmen?

De man had al gezien, hoe onoverkomelijk hoog de dadeltrossen
hingen. Hij hief niet eens het hoofd op. Hij smeekte zijn vrouw,
niet naar het onmogelijke te verlangen. Maar het kind, dat alleen had
rondgeloopen en met stokjes en strootjes gespeeld, had den uitroep
van zijn moeder gehoord.

Het kleintje kon zich zeker niet voorstellen, dat zijn moeder niet
alles kon krijgen, wat zij verlangde. Zoodra hij van de dadels had
hooren spreken, begon hij naar den boom te kijken. Zijn voorhoofd
trok hij bijna in rimpels onder de lichte krullen. Eindelijk gleed er
een glimlach over zijn gezichtje. Hij had het middel gevonden. Hij
ging op den palm toe, streelde dien met zijn handje en zei met zijn
lief kinderstemmetje:

"Palm, buig je, palm, buig je."

Maar wat was dat nu, wat was dat toch! De palm suisde, alsof een orkaan
zijn takken schudde en door den langen palmestam ging de eene rilling
na de andere. En de palm voelde, dat de kleine hem te machtig was. Hij
kon hem niet weerstaan. En hij boog zijn langen stam voor het kind,
zooals menschen voor vorsten buigen. In een geweldigen boog zonk hij
ter aarde en kwam eindelijk zoo ver naar beneden, dat de groote kroon
met de trillende bladen het woestijnzand raakte.

Het kind scheen niet verschrikt of verbaasd, maar met een vreugdekreet
kwam het aanloopen en maakte den eenen tros na den anderen los uit
de kroon van den ouden palm. Toen hij genoeg geplukt had en de boom
nog bleef liggen op het veld, ging het kindje weer naar den stam,
streelde dien, en zei met zijn liefste stemmetje:

"Sta op, palm, sta op, palm."

En de groote boom rees stil en eerbiedig overeind op zijn
veerkrachtigen stam, terwijl al zijn bladen zongen als harpen.

"Nu weet ik, voor wie ze de doodsmelodie spelen," zei de oude palm
in zich zelf, toen hij weer rechtop stond. "Dat is niet voor een van
deze menschen."

Maar de man en de vrouw lagen op hun knieën en loofden God.

"Gij hebt onzen angst gezien en dien weggenomen. Gij zijt de sterke,
die den stam van den palm buigt als een riet. Voor wie van onze
vijanden zullen wij nog vreezen, als Gij ons beschermt?"

Den eersten keer daarna, dat een karavaan door de woestijn trok, zagen
de reizigers, dat de bladerkroon van den grooten palm verdord was.

"Hoe kan dit zijn?" zeide een reiziger. "Deze palm zou immers niet
sterven, voor hij een koning gezien had, die grooter was dan Salomo?"

"Misschien heeft hij dien ook gezien," antwoordde een ander van de
woestijnreizigers.







IN NAZARETH.


Eens, toen Jezus nog maar vijf jaar oud was, zat hij op de stoep
van zijns vaders werkplaats in Nazareth en was bezig met vogels
te boetseeren uit een klomp vochtige, lenige klei, die hij van den
pottenbakker aan de andere zij van de straat gekregen had. Hij was
zoo blij als nooit te voren, want alle kinderen uit de buurt hadden
Jezus gezegd, dat de pottenbakker een knorrige man was, die niet te
bewegen was door vriendelijke blikken of honigzoete woorden en hij had
hem nooit iets durven vragen. Maar zie--hij wist nauwelijks hoe dat
gegaan was: hij had maar op zijn stoep gestaan en verlangend naar zijn
buurman gekeken. En toen was de man uit zijn winkel gekomen en had hem
zooveel klei gegeven, dat hij er wel een wijnvat van had kunnen maken.

Op de stoep voor het huis daarnaast zat Judas, die leelijk was en rood
haar had en een gezicht vol sproeten, en kleeren vol scheuren, die hij
gekregen had in zijn voortdurende gevechten met de straatjongens. Voor
't oogenblik was hij stil; hij kibbelde en vocht niet, maar werkte aan
een stuk klei op dezelfde manier als Jezus, maar die klei had hij zelf
niet kunnen krijgen, hij durfde den pottenbakker nauwelijks onder de
oogen te komen, want die beschuldigde hem van steenen op zijn broze
waar te gooien en zou hem met stokslagen hebben weggejaagd. Jezus
had zijn voorraad met hem gedeeld.

Naarmate de kinderen hun vogels van klei afhadden, zetten zij ze in een
kring voor zich neer. Zij zagen er uit zooals vogels van klei er altijd
uitgezien hebben. Ze hadden een grooten klomp om op te staan in plaats
van pootjes, korte staarten, geen hals en bijna onzichtbare vleugels.

Toch was er al gauw een verschil te zien tusschen het werk van de
kameraadjes. De vogels van Judas waren zoo scheef, dat ze aanhoudend
omvielen, en hoe hij ook werkte met zijn kleine stijve vingers, hij
kon hun lichamen niet knap en goedgevormd krijgen. Hij keek nu en
dan van ter zijde naar Jezus om te zien wat hij toch deed, om zijn
vogels zoo mooi gelijk en glad te krijgen als de eikenbladen in de
bosschen op Tabor.

Bij elken vogel, dien Jezus afkreeg, werd hij gelukkiger; de eene kwam
hem nog mooier voor dan de andere en hij bekeek ze met trots en liefde;
zij moesten zijn speelkameraden worden, zijn broertjes en zusjes;
zij zouden in zijn bed slapen, hem gezelschap houden, liedjes voor
hem zingen, als zijn moeder van hem wegging. Hij had zich nooit zoo
rijk gevoeld; nooit meer zou hij nu eenzaam of verlaten wezen.

De forschgebouwde waterdrager kwam voorbij, gebogen onder zijn
zwaren zak, en dadelijk daarna kwam de groentehandelaar, die zat
te zwaaien op den rug van zijn ezel, midden tusschen de groote,
leege teenen korven. De waterdrager legde de hand op Jezus' lichte,
krullende haren en vroeg hem naar zijn vogels, en Jezus vertelde hem,
dat zijn vogels namen hadden en konden zingen. Al zijn vogeltjes waren
uit vreemde landen bij hem gekomen en hadden hem allerlei verteld,
wat alleen hij en zij wisten. En Jezus sprak zóó, dat de waterdrager
en de groentehandelaar langen tijd hun werk vergaten om naar hem
te luisteren.

Maar toen ze verder wilden gaan, wees Jezus op Judas. "Kijk eens wat
mooie vogels Judas maakt," zei hij.

Toen hield de groentehandelaar goedig zijn ezel in en vroeg Judas of
zijn vogels ook namen hadden en zingen konden. Maar Judas wist daar
niets van; hij zweeg hardnekkig en hief de oogen niet op van zijn
werk. En de groentehandelaar schopte knorrig naar een van zijn vogels
en reed door. Zoo ging de middag voorbij en de zon straalde zoo ver,
dat haar schijnsel naar binnen kon komen door de lage stadspoort, die
met een Romeinschen adelaar versierd, zich aan het eind van de straat
verhief, en de zonneschijn die tegen den avond kwam was rozerood,
alsof die met bloed vermengd was, en kleurde alles wat hem in den weg
kwam, terwijl hij door de smalle straat gleed. Die tintte de vaten
van den pottenbakker evengoed als de planken, die knarsten onder de
zaag van den timmerman, en den witten doek om het aangezicht van Maria.

Maar het allermooist blonk de zonneschijn in de kleine waterplasjes,
die tusschen de groote ongelijke straatsteenen lagen, die de straat
bedekten.... En plotseling stak Jezus zijn hand in de plas, die het
dichtst bij hem was. Hij was op den inval gekomen zijn grauwe vogels
met den fonkelenden zonneglans te verven, die 't water, den huismuren
en alles om hem heen zulk een mooie kleur gaf.

En de zonneschijn liet zich met welgevallen opvangen als verf uit
een schilderspot, en toen Jezus hem uitstreek over de vogeltjes van
klei, bleef hij stil liggen en bedekte ze geheel met een glans als
van diamanten. Judas, die nu en dan naar Jezus gekeken had om te
zien of hij ook meer en mooier vogels maakte dan hij, gaf een kreet
van blijde bewondering, toen hij zag, hoe Jezus zijn vogels van klei
met zonneschijn schilderde, dien hij opnam uit de waterplassen van
de straat. En Judas doopte ook de hand in het glinsterende water en
trachtte den zonneschijn op te vangen.

Maar die liet zich door hem niet vangen. Die gleed tusschen zijn
vingers door en hoe snel hij ook probeerde de handen te roeren om hem
te grijpen, de zonneglans sloop weg en hij kon geen nieuwe kleur aan
zijn arme vogels geven.

"Wacht, Judas!" zei Jezus. "Ik zal bij je komen en je vogels verven."

"Neen," zei Judas, "je moogt er niet aankomen, ze zijn mooi genoeg,
zooals ze zijn."

Hij stond op met gefronste wenkbrauwen en opeengeklemde lippen. En
hij zette zijn breeden voet op de vogels en veranderde den een na
den ander in een klein platgetrapt klompje klei. Toen al zijn vogels
vernield waren, ging hij naar Jezus, die zijn kleien vogeltjes zat
te streelen, die glinsterden als juweelen. Judas bekeek ze een poosje
zwijgend, toen hief hij zijn voet op en vertrapte er een van.

Toen hij zijn voet terugtrok en 't vogeltje in een propje klei
veranderd zag, gaf hem dit zulk een verlichting, dat hij begon te
lachen, en hij hief den voet op om er nog een te vertrappen.

"Judas!" riep Jezus, "wat doe je? weet je niet, dat ze leven en
kunnen zingen?"

Maar Judas lachte en vertrapte een tweeden vogel.

Jezus keek rond naar hulp. Judas was groot en sterk en Jezus had
geen kracht om hem terug te houden. Hij keek naar zijn moeder. Zij
was niet ver weg, maar eer zij bij hem was, zou Judas al zijn vogels
kunnen vernielen. Jezus kreeg de oogen vol tranen. Judas had al vier
van zijn vogels vertrapt, er waren er nog maar drie over.

Hij ergerde zich over zijn vogels, die daar zoo stil stonden en zich
lieten vertrappen, zonder op het gevaar te letten. Jezus klapte in
de handen en riep ze toe: "Vliegt weg, vliegt weg!"

Toen begonnen de drie vogels hun vleugeltjes te bewegen en angstig
fladderend gelukte het hun toch op de dakgoot te komen, waar ze
veilig waren, maar toen Judas zag, dat de vogels de vleugels bewogen
en wegvlogen op Jezus' bevel, begon hij te schreien. Hij rukte zich
de haren uit het hoofd, zooals hij de anderen had zien doen als ze
in angst en droefheid waren en wierp zich aan Jezus' voeten.

En daar bleef hij liggen en wentelde zich in 't stof, en kuste Jezus'
voeten en smeekte hem zijn voet op te heffen en hem te vertrappen,
zooals hij het zijn speelgoed gedaan had.

Want Judas had Jezus lief, en bewonderde hem, en aanbad hem--en haatte
hem tegelijk.

Maar Maria, die al dien tijd op het spel der kinderen gelet had,
stond nu op. Zij hief Judas op van den grond, nam hem op haar schoot
en liefkoosde hem.

"Arm kind," zei ze. "Je weet niet, dat je iets geprobeerd hebt wat geen
schepsel kan. Doe dat nooit weer, want dan wordt je de ongelukkigste
mensch van de wereld. Hoe zou het ons gaan, als we probeerden een
wedstrijd aan te gaan met Hem, die met zonneschijn schildert en den
adem des levens in de doode klei blaast?"







IN DEN TEMPEL.


Er waren eens arme menschen: een man, een vrouw en een kind, die in
den grooten tempel te Jeruzalem rondliepen. Hun zoontje was zulk een
mooi kind. Hij had krullend haar en oogen die straalden als sterren.

De zoon was niet in den tempel geweest, sinds hij groot genoeg was
om te begrijpen wat hij zag en nu gingen zijn ouders met hem rond en
lieten hem alle heerlijkheden zien. Daar waren lange zuilenrijen,
vergulde altaren, heilige mannen, die hun leerlingen zaten te
onderwijzen, de hoogepriesters met hun versierselen van edelsteenen,
het voorhang uit Babylon, met gouden rozen doorweven, en de groote
koperen poorten, die zóó zwaar waren, dat er dertig man voor noodig
waren om ze op haar hengsels te doen draaien.

Maar de kleine jongen, die pas twaalf jaar oud was, gaf niet zooveel
om dat alles. Zijn moeder zei hem, dat wat ze hem nu lieten zien het
merkwaardigste op de wereld was. Zij zei hem, dat het nog wel lang
duren kon eer hij weer zooiets zag. In het arme Nazareth, waar zij
woonden, was niets anders dan grijze straten om naar te kijken.

Maar haar vermaningen hielpen niet veel. De kleine jongen keek alsof
hij graag was weggeloopen uit dien prachtigen tempel en in plaats
daarvan verlof had willen hebben om naar buiten te loopen en in de
nauwe straat te Nazareth te spelen.

Maar het was eigenaardig: hoe onverschilliger de jongen zich toonde,
des te opgewekter en vroolijker werden de ouders, zij knikten elkaar
toe over zijn hoofd en waren een en al tevredenheid.

Eindelijk zag de kleine er zoo moe en uitgeput uit, dat de moeder
medelijden met hem kreeg. "Nu hebben we te lang met je geloopen,"
zei ze. "Kom, nu moet je een poosje rusten."

Ze ging zitten bij een pilaar en zei, dat hij op den grond moest
gaan liggen, met het hoofd in haar schoot. En dat deed hij en sliep
spoedig in.

Nauwelijks was hij in slaap of de vrouw zei tegen den man:

"Ik heb nergens zoo tegen opgezien als tegen het oogenblik, dat hij
hier zou komen in den tempel te Jeruzalem. Ik meende, dat als hij
dit huis van God zag hij hier altijd zou willen blijven."

"Ik ben ook bang geweest voor deze reis," zei de man. "Toen hij geboren
werd, zijn er zooveel teekenen geschied, die er op wezen dat hij een
machtig heerscher zou worden. Maar wat beteekent de waardigheid van
een koning onder deze bekommeringen en gevaren? Ik heb altijd gezegd,
dat het voor hem en ons het beste was, als hij nooit anders werd dan
een timmerman in Nazareth."

"Al sinds zijn vijfde jaar," zei de moeder nadenkend, "zijn er geen
wonderen meer met hem gebeurd. En hij zelf herinnert zich niets meer
van wat er in zijn eerste kindsheid gebeurd is. Hij is nu heelemaal
een kind met andere kinderen. Gods wil geschiede boven alles, maar ik
begin bijna te hopen, dat de Heer in Zijn genade een ander zal kiezen
voor die groote roeping, en Hij mij mijn zoon zal laten behouden."

"Wat mij betreft," zei de man, "ik ben er in elk geval zeker van,
dat, als hij niets hoort van de teekenen en wonderen, die er in zijn
eerste levensjaren gebeurd zijn, alles goed zal gaan."

"Ik spreek nooit met hem over dat wonderbare," zei de vrouw. "Maar
ik ben altijd bang, dat er buiten mijn toedoen iets gebeuren kan,
waardoor hij begrijpt wie hij is. Vooral ben ik er bang voor geweest
hem hier naar dezen tempel te brengen."

"Ge moogt blij zijn, dat het gevaar nu voorbij is," zei de man. "We
zullen hem nu gauw weer thuis hebben in Nazareth."

"Ik ben bang geweest voor de wijze mannen in den tempel," zei
de vrouw. "Ik was bang voor de profeten, die hier op hun matten
zitten. Ik dacht, dat als hij hun onder de oogen kwam, ze zouden
opstaan en zich neerbuigen voor het kind en hem begroeten als den
koning van Judea. 't Is wonderlijk, dat ze zijn heerlijkheid niet
voelen. Zulk een kind hebben ze nog nooit gezien."

Ze zat een poos zwijgend naar het kind te kijken.

"Ik kan 't bijna niet begrijpen," zei ze. "Ik dacht dat, als hij die
rechters zag, die zitten in 't huis van den Heilige en de twisten der
menschen beslechten, en die leeraars, die tot hun leerlingen spreken
en de priesters, die den Heer dienen, hij opeens wakker zou worden
en zeggen: "Hier, bij die rechters, die leeraars, die priesters wil
ik leven, daarvoor ben ik geboren."

"Wat zou dat voor een geluk zijn, in deze zuilengangen opgesloten te
zitten?" viel de man haar in de rede. "'t Is beter voor hem rond te
dwalen op de heuvels en bergen om Nazareth."

De moeder zuchtte even. "Hij is zoo gelukkig bij ons thuis," zei
ze. "Wat is hij niet blij, als hij met de schaapherders mee mag op
hun eenzame zwerftochten, of op 't veld gaan, om te zien naar het
werk der landlieden? Ik kan niet gelooven, dat we verkeerd doen,
door te trachten hem voor ons te behouden."

"Wij besparen hem een groote smart," zei de man.

Zoo spraken zij door tot het kind wakker werd.

"Zie zoo," zei de moeder, "ben je nu uitgerust? Sta nu op, want het
loopt tegen den avond en wij moeten naar onze slaapplaatsen terug."

Zij waren in het afgelegenste gedeelte van het gebouw toen zij den
tocht naar den uitgang aanvingen. Een oogenblik later moesten zij
door een oud gewelf, dat was blijven staan in den tijd, toen er voor
't eerst een tempel gebouwd werd op dezen plaats, en daar tegen
den muur geleund stond een oude koperen bazuin, reusachtig groot
en zwaar, bijna als een zuil, die men voor den mond kon zetten en
bespelen. Die stond daar gedeukt en gegroefd, vol stof en spinnewebben
van buiten en van binnen, omgeven door een nauwlijks zichtbare rij
oude letters. Duizenden jaren waren zeker voorbijgegaan, sedert iemand
getracht had er een toon uit te halen.

Maar toen de knaap die groote bazuin zag, bleef hij verwonderd
staan. "Wat is dat daar?" vroeg hij.

"Dat is de groote bazuin, die "de Stem van den Wereldvorst heet,"
antwoordde de moeder. "Daarmeê riep Mozes de kinderen Israëls bijeen,
toen ze in de woestijn verspreid waren. Niemand heeft na dien tijd er
ook maar een enkelen toon uit kunnen krijgen. Maar hij die dat kan,
zal alle volken der aarde onder zijn heerschappij brengen."

Zij lachte hierom; ze geloofde, dat het een oude sage was, maar de
knaap bleef bij de groote bazuin staan, tot ze hem riep. Die bazuin
was het eerste van al, wat hij in den tempel gezien had, dat hem
aantrok. Hij had er bij willen blijven staan om haar lang en goed
te bekijken. Zij hadden niet lang geloopen, toen ze in een grooten
breeden tempelhof kwamen. Hier was in den berggrond zelf een kloof,
diep en breed, die al van oudsher zoo geweest was. Die spleet had
koning Salomo willen vullen toen hij den tempel bouwde. Geen brug had
hij er over gelegd, geen slagboom had hij opgericht bij den steilen
afgrond. Hij had over de kloof een kling van staal gespannen, die
verscheidene ellen lang was, scherp geslepen en met den scherpen kant
naar boven lag, en na een oneindig aantal jaren en veranderingen lag
de kling nog over den afgrond. Nu was die toch bijna geheel verroest;
aan de einden zat hij niet meer goed vast, maar trilde en schommelde,
zoodra iemand met zware stappen over den tempelhof ging. Toen de
moeder den knaap met een omweg langs de kloof leidde, vroeg hij haar:
"Wat is dat voor een brug?"

"Die is daar neergelegd door koning Salomo," antwoordde de moeder, "en
wij noemen die de Paradijsbrug. Als je die kloof kunt oversteken op die
zwaaiende brug, waarvan de scherpe kant dunner is dan een zonnestraal,
kun je er zeker van zijn in het Paradijs te komen." En ze lachte en
liep haastig verder, maar de knaap bleef staan en zag naar de smalle,
trillende kling, tot ze hem riep. Toen hij haar gehoorzaamde, zuchtte
hij er over, dat ze hem die twee wonderbare dingen niet eerder had
laten zien, zoodat hij tijd genoeg gehad had om ze te bekijken.

Zij gingen nu door, zonder opgehouden te worden tot ze de groote
ingangspoort bereikten met haar vijfdubbele zuilenrijen. Hier stonden
in een hoek een paar pilaren van zwart marmer, op hetzelfde voetstuk,
zóó dicht bij elkaar, dat er nauwelijks een strootje tusschen door
kon gestoken worden. Zij waren hoog en majestueus, met rijk versierde
kapiteelen, waarom een rij van wonderlijk gevormde dierenkoppen
liep. Maar geen duimbreed van die mooie zuilen was zonder schrammen
en scheuren, zij waren 't meest beschadigd en versleten van alles
wat in den tempel was. Zelfs de vloer er omheen was glad afgesleten
en was uitgehold door vele voetstappen.

Weer hield de knaap zijn moeder staande en vroeg haar: "Wat zijn dit
voor pilaren?"

"Dat zijn zuilen, die vader Abraham heeft meegebracht naar Palestina
van uit het verre Chaldea, en die hij de Poort der Rechtvaardigheid
noemde. Hij, die daar door kan komen, is rechtvaardig voor God en
hij heeft nooit een zonde begaan." De knaap bleef staan en zag met
groote oogen naar de zuilen.

"Je zult wel niet probeeren er door te komen," zei de moeder
lachend. "Je ziet hoe de vloer er omheen versleten is door de velen,
die geprobeerd hebben door de nauwe opening te komen, maar je kunt
wel denken, dat het niemand gelukt is. Maar haast je nu! Ik hoor het
gedreun van de koperen poorten, de dertig tempeldienaars zetten er
hun schouders tegen om ze in beweging te brengen."

Maar den ganschen nacht lag de knaap wakker in de tent en hij zag niet
anders vóór zich dan de Poort der Rechtvaardigheid, de Paradijsbrug
en de Stem van den Wereldvorst. Van zulke wonderbare dingen had hij
vroeger nooit gehoord, en hij kon ze maar niet vergeten.

En den volgenden morgen was het niet beter: hij kon aan niets anders
denken. Dien morgen zouden zij naar huis gaan. Zijn ouders hadden veel
te doen, eer ze de tent opgebroken en op een grooten kameel geladen
hadden, en alles in orde gebracht was. Zij zouden niet alleen reizen,
maar met veel familieleden en buren, en omdat er zooveel menschen
waren, die op reis moesten, ging het pakken natuurlijk heel langzaam.

De knaap hielp niet bij het werk. Midden in de drukte en de verwarring
zat hij stil aan die drie wonderbare dingen te denken. Plotseling kwam
hij op de gedachte, dat hij naar den tempel moest gaan om ze nog eens
te zien. Er was nog zooveel, dat ingepakt moest worden. Hij zou wel
voor de afreis uit den tempel terug kunnen zijn.

Hij haastte zich voort, zonder iemand te zeggen waar hij heen
wilde. Hij vond dat niet noodig. Hij zou immers gauw terug zijn. Het
duurde niet lang of hij had den tempel bereikt en kwam in de portiek,
waar de twee zwarte zusterzuilen stonden.

Zoodra hij die zag, begonnen zijn oogen te schitteren van vreugd. Hij
ging bij haar op den grond zitten en zag naar ze op. Als hij er aan
dacht, dat hij, die zich tusschen die twee zuilen door kon dringen,
rechtvaardig was voor God en nooit een zonde begaan had, vond hij,
dat hij nooit zoo iets wonderbaars gezien had.

Hij dacht er aan, hoe heerlijk het zijn zou, zich tusschen die twee
zuilen door te dringen. Maar zij stonden zóó dicht bij elkaar, dat
het zelfs onmogelijk was het te beproeven.

Zoo zat hij ruim een uur voor de zuilen zonder het te weten. Hij
meende, dat hij ze maar een korten tijd had bekeken.

Maar nu waren in de prachtige portiek, waar de knaap zat, de rechters
van den Hoogen Raad bijeen om het volk te helpen hun twisten te
beslechten. De heele portiek was vol menschen, die klaagden over
grenssteenen, die verzet waren, over schapen, die van de kudde waren
weggevoerd en met valsche merken voorzien, en over schuldenaren, die
hun schulden niet wilden betalen. Onder anderen kwam een rijk man,
gekleed in slepende purperen kleederen, en bracht voor het gerecht
een arme weduwe, die hem eenige sikkelen zilver schuldig zou zijn.

De arme vrouw jammerde en zei, dat de rijke onrechtvaardig
handelde. Zij had hem haar schuld al eens betaald en nu wilde hij haar
dwingen het nog eens te doen. Maar dat kon ze niet. Zij was zoo arm
dat zij, als de rechters haar veroordeelden te betalen, genoodzaakt
zou zijn aan den rijke haar dochters als slavinnen over te geven.

Hij, die op den hoogsten rechterstoel zat, wendde zich tot den rijken
man, en zei tot hem:

"Durft ge er een eed op doen, dat die arme vrouw u nog niet betaald
heeft?"

Toen antwoordde de rijke: "Heer, ik ben een rijk man; zou ik de moeite
nemen mijn geld van deze arme weduwe op te eischen, als ik daar geen
recht op had? Ik zweer dat, zoo waarachtig als nooit iemand zal gaan
door de Poort der Rechtvaardigheid, zoo waarachtig is deze vrouw mij
de som schuldig, die ik van haar begeer."

Toen de rechters dien eed hoorden, geloofden zij wat hij zeide en
deden uitspraak, dat de arme weduwe hem haar dochters als slavinnen
zou geven.

Maar de knaap zat dichtbij en hoorde dit alles. Hij dacht bij
zich zelf: "Wat zou het goed zijn, als iemand door de Poort der
Rechtvaardigheid kon dringen. Die rijke man daar spreekt stellig de
waarheid niet. Het is vreeselijk voor die arme vrouw, genoodzaakt te
zijn haar dochters tot slavinnen te maken."

Hij sprong op het voetstuk, waarvan de twee zuilen omhoog stegen,
en keek door de spleet.

"Ach, was het toch maar niet heelemaal onmogelijk," dacht hij.

Hij was zoo bedroefd ter wille van die arme vrouw. Nu dacht hij er
heelemaal niet aan, dat hij, die door deze poort drong, rechtvaardig
en zonder zonde zou zijn. Hij wilde er alleen maar doorkomen ter
wille van die arme vrouw.

Hij zette zijn schouder in de reet, tusschen de zuilen, als om zich
een weg te banen.

En op dat oogenblik zagen alle menschen, die onder de portiek stonden,
naar de Poort der Rechtvaardigheid. Want het dreunde in het gewelf,
en de oude zuilen zongen, en zij bewogen zich op zij, de een rechts
en de ander links, en lieten zulk een groote ruimte over, dat het
tengere lichaam van den jongen er tusschen door kon.

Dat wekte de grootste verbazing en ontroering.

In het eerste oogenblik wist niemand wat hij zeggen moest. De menschen
stonden maar te kijken naar dien kleinen jongen, die zulk een wonder
verricht had. De eerste, die tot zich zelf kwam, was de oudste van
de rechters. Hij riep, dat men den rijken koopman grijpen zou en hem
voor de rechtbank brengen. En hij veroordeelde hem al zijn bezittingen
aan de arme weduwe te geven, omdat hij een valschen eed gezworen had
in Gods tempel.

Toen dit was uitgemaakt, vroeg de rechter naar den knaap, die door
de Poort der Rechtvaardigheid gedrongen was.

Maar toen de menschen rondkeken om hem te vinden was hij
verdwenen. Want op hetzelfde oogenblik, dat de pilaren van elkaar
gleden, was hij als uit een droom ontwaakt, en had hij zich zijn
ouders en de reis naar huis herinnerd.

"Nu moet ik mij haasten," dacht hij; "anders moeten mijn ouders op
mij wachten."

Maar hij wist er niets van, dat hij een heel uur gezeten had voor
de Poort der Rechtvaardigheid; hij dacht, dat hij er maar een paar
minuten gebleven was. Daarom meende hij, dat hij nog wel tijd had
even naar de Paradijsbrug te kijken, die in een heel ander gedeelte
van den grooten tempel lag.

Maar toen hij de scherpe stalen kling zag, die over de kloof was
gespannen, en er aan dacht, dat de mensch, die over die brug daar
kon gaan, er zeker van was in het Paradijs te zullen komen, vond hij,
dat dit het merkwaardigste was, dat hij ooit gezien had. En hij ging
op den rand van de kloof zitten om de kling te bekijken.

Hij zat er aan te denken hoe heerlijk het moest zijn in het Paradijs
te komen en hoe graag hij over die brug zou loopen. Maar op hetzelfde
oogenblik zag hij in, dat het volslagen onmogelijk was het zelfs maar
te probeeren.

En zoo zat hij twee uur lang te peinzen. Maar hij wist er niets van,
dat de tijd voorbijging. Hij zat maar aan het Paradijs te denken.

Maar nu was het zoo, dat op de plaats, waar die diepe kloof zich
bevond, een groot offer-altaar was opgericht. En daaromheen liepen
witgekleede priesters, die het vuur op het altaar moesten aanhouden
en offergaven aannemen. Op de plaats stonden ook velen, die offers
kwamen brengen en een groote menigte, die alleen de godsdienstoefening
bijwoonden.

Daar kwam ook een arme, oude man, die een heel klein mager lammetje
droeg, dat nog op den koop toe door een hond gebeten was, zoodat het
een groote wond had.

De man ging naar de priesters met dit lam en vroeg of hij dit mocht
offeren, maar dat weigerden zij. Zij zeiden, dat hij zulk een ellendig
geschenk den Heer niet aanbieden kon.

De oude smeekte, dat zij uit barmhartigheid het lam zouden aannemen,
want zijn zoon lag op sterven. Hij bezat niets anders wat hij aan
God kon offeren voor zijn genezing.

"Ge moet mij dit offer laten brengen," zei hij; "anders komt mijn
gebed niet voor Gods aangezicht en mijn zoon zal sterven."

"Ge kunt gerust gelooven, dat ik medelijden met u heb," zei de
priester; "maar het is bij de wet verboden een beschadigd dier te
offeren. Het is even onmogelijk aan uw verzoek te voldoen, als het
is over de Paradijsbrug te loopen!"

De knaap zat zoo dicht bij, dat hij alles hoorde. Hij dacht er dadelijk
aan hoe jammer het was, dat niemand over die brug kon komen. Misschien
kon die arme zijn zoon behouden als het lam geofferd werd.

De oude man ging bedroefd weg uit den tempelhof. Maar de knaap stond
op, ging naar de trillende brug en zette er zijn voet op.

Hij dacht er in 't geheel niet aan, dat hij er over wilde gaan om
zeker te zijn van het Paradijs. Zijn gedachten waren bij den arme,
dien hij verlangde te helpen.

Maar hij trok de voet terug, want hij dacht: "Dat is onmogelijk;
zij is veel te oud en roestig, zij kan mij niet eens dragen."

Meer dan eens gingen zijn gedachten naar den arme, wiens zoon op
sterven lag en weer zette hij den voet op de kling. Toen merkte hij,
dat die ophield te trillen en hij voelde haar breed en vast onder
zijn voet.

En toen hij den volgenden stap deed, voelde hij, dat de lucht om hem
heen hem ondersteunde, zoodat hij niet kon vallen. Die droeg hem,
alsof hij een vogel geweest was en vleugels had.

Maar uit de gespannen kling trilde een lieflijke toon, toen de knaap
er over ging, en een van hen, die in den hof stonden, wendde zich om,
toen hij dien toon hoorde. Hij gaf een kreet en nu keerden zich ook
de anderen om en zij zagen den kleinen jongen, die over de stalen
kling liep. En er was groote ontroering en verbazing over allen,
die daar stonden.

De eersten, die tot bezinning kwamen, waren de priesters. Zij zonden
dadelijk een bode naar den arme, en toen hij terugkwam, zeiden ze
tot hem: "God heeft een wonder gedaan, om ons te toonen, dat hij uw
geschenk wil aanvaarden. Geef ons uw lam, dan zullen wij het offeren."

En toen dit gebeurd was, vroegen ze naar den kleinen jongen, die over
de kloof was geloopen, maar toen zij naar hem zochten, konden ze hem
niet vinden.

Want juist, toen de knaap over den afgrond geloopen was, had hij
weer gedacht aan de thuisreis en aan zijn ouders. Hij wist er niets
van, dat de morgen en voormiddag nu voorbij waren, maar hij dacht:
"Ik moet nu gauw teruggaan, zoodat zij niet op mij behoeven te
wachten. Ik wil toch eerst gauw even heengaan, om te kijken naar de
Stem van den Wereldvorst."

En hij sloop weg tusschen het volk en haastte zich op vlugge voeten
naar den donkeren zuilengang, waar de koperen bazuin tegen den muur
geleund stond.

Toen hij die zag en er aan dacht, dat hij indien hij daar een toon
aan ontlokken kon, eens alle volken der aarde onder zijn heerschappij
zou vereenigen, vond hij, dat hij nooit iets zoo merkwaardigs gezien
had. En hij ging naast de bazuin zitten om die te bekijken.

Hij dacht er aan, hoe grootsch het zou wezen alle menschen der aarde
te kunnen overwinnen en hoe graag hij wilde, dat hij in die oude
bazuin zou kunnen blazen.

Maar hij begreep, dat dit onmogelijk was, zoodat hij het niet eens
durfde probeeren.

Zoo zat hij verscheidene uren, maar hij wist niet, dat de tijd voorbij
ging. Hij dacht er alleen aan wat dàt wel voor een gevoel zou zijn,
alle menschen der aarde onder zijn heerschappij te vereenigen.

Maar nu was het zoo, dat in die koele zuilengang een heilig man
zat en zijn leerlingen onderwees. En hij wendde zich nu tot een
van de jongelingen, die aan zijn voeten zaten en zei hem, dat hij
een bedrieger was. Anderen hadden hem verraden, zei de heilige, dat
deze jongeling een vreemde was en geen Israëliet. En nu vroeg hem
de heilige, waarom hij zich tusschen zijn leerlingen had ingedrongen
onder een valschen naam.

Toen stond de vreemde jongeling op en zeide, dat hij door woestijnen
geloopen had en over groote zeeën gevaren was, om de ware wijsheid
te hooren en de leer van den eenigen God.

"Mijn ziel versmachtte van verlangen," zei hij tot den heilige; "maar
ik wist, dat gij mij niet zoudt willen leeren, als ik niet zeide,
dat ik een Israëliet was. Daarom heb ik gelogen, opdat aan mijn
verlangen voldaan zou worden, en ik smeek u, laat mij bij u blijven."

Maar de heilige stond op en hief de armen ten hemel. "Gij zult evenmin
bij mij blijven als daar iemand zal komen en blazen op die groote
koperen bazuin, die wij de Stem van den Wereldvorst noemen. Het
is u niet eens geoorloofd deze plaats in den tempel te betreden,
daar gij een heiden zijt. Spoed u weg van hier, anders zullen mijn
leerlingen u aanvallen en verscheuren, omdat uw tegenwoordigheid den
tempel ontheiligt."

Maar de jongeling bleef staan en zeide: "Ik wil nergens anders
heengaan, waar mijn ziel toch geen voedsel vindt. Ik wil liever aan
uw voeten sterven."

Nauwelijks had hij dat gezegd, of de leerlingen van den heilige
stonden op om hem weg te drijven. En toen hij zich verweerde,
wierpen zij hem op den grond en wilden hem dooden. Maar de knaap
zat daar dichtbij, zoodat hij dit alles hoorde en zag, en hij dacht:
"Dit is zeer hard! Ach! kon ik toch maar op de koperen bazuin blazen,
zoodat hij geholpen was."

Hij stond op en legde de hand op de bazuin. Op dat oogenblik wenschte
hij niet meer haar aan de lippen te brengen, omdat hij, die dat
vermocht, een groot heerscher zou worden, maar omdat hij hoopte
daarmee iemand te kunnen helpen, wiens leven in gevaar was.

En hij greep de koperen bazuin met zijn handjes om te beproeven of hij
haar oplichten kon. Toen voelde hij, dat de reusachtige bazuin zich
ophief tot zijn lippen. En toen hij maar even ademde, drong een sterk
klinkende toon uit de bazuin en klonk door heel het groote tempelruim.

Toen wendden allen hun oogen daarheen en zij zagen, dat het een kleine
jongen was, die met de bazuin aan de lippen stond en er de klanken
aan ontlokte, die gewelven en zuilen deed trillen.

Dadelijk zonken alle handen neer, die zich hadden opgeheven om den
vreemden jongeling te slaan, en de heilige leeraar sprak tot hem:
"Kom, en zet u aan mijn voeten, waar gij tot nu toe gezeten hebt! God
heeft een wonder gedaan om mij te toonen, dat het Zijn wil is, dat
ge wordt ingewijd in Zijn dienst."

Tegen den avond van dien dag kwamen een man en een vrouw haastig aan
op den weg naar Jeruzalem. Zij zagen er verschrikt en onrustig uit
en zij riepen ieder, dien zij tegenkwamen, toe: "Wij hebben onzen
zoon verloren. Wij meenden, dat hij met onze familieleden en buren
was meegegaan, maar niemand van hen heeft hem gezien. Is een van u
op weg ook voorbij een alleenloopend kind gereden?"

Zij, die uit Jeruzalem kwamen, antwoordden:

"Wij hebben uw zoon niet gezien, maar in den tempel zagen wij een
heerlijk kind. Hij was als een engel uit den hemel en hij is gegaan
door de Poort der Rechtvaardigheid."

Ze zouden dit graag heel nauwkeurig verteld hebben, maar de ouders
hadden geen tijd om te luisteren.

Toen zij een eind geloopen hadden, kwamen zij andere menschen tegen
en vroegen het hun.

Maar zij, die van Jeruzalem kwamen, wilden alleen vertellen van een
heerlijk kind, dat er uitzag alsof het uit den Hemel gekomen was en
dat geloopen had over de Paradijsbrug. Zij hadden graag over dit alles
staan praten tot laat in den avond, maar de man en de vrouw hadden
geen tijd om naar hen te luisteren, maar haastten zich de stad in.

Zij gingen de eene straat na de andere in en uit zonder hem te
vinden. Eindelijk kwamen zij aan den tempel.

Toen zij daar voorbijgingen, zei de vrouw: "Nu we toch hier zijn,
laat ons nu naar binnen gaan, om te zien wat het voor een kind is,
waarvan ze zeggen, dat het uit den Hemel is gekomen."

Zij gingen naar binnen en vroegen waar ze het kind konden zien.

"Ga recht uit, tot waar de heilige leeraren met hun leerlingen zitten;
daar is het kind. De ouden hebben hem tusschen zich in gezet. Zij
vragen hem en hij vraagt hun en allen verwonderen ze zich over
hem. Maar alle menschen blijven staan voor den tempelhof, alleen om
een glimp te zien van hem, die de Stem van den Wereldvorst aan zijn
lippen heeft gebracht."

De man en de vrouw baanden zich een weg door het volk en zij zagen
dat het kind, dat bij de wijze leeraren zat, hun zoon was.

Maar zoodra de vrouw het kind herkende, begon ze te schreien.

En de knaap, die bij de wijze mannen zat, hoorde dat iemand
schreide. En hij herkende de stem van zijn moeder. Toen stond hij op
en kwam bij zijn moeder, en de vader en de moeder namen hem tusschen
zich in en gingen met hem uit den tempel.

Maar al dien tijd bleef de moeder schreien en het kind vroeg:
"Waarom weent ge? Ik kwam immers bij u, zoodra ik uw stem hoorde?"

"Zou ik niet schreien?" zei de moeder; "ik meende dat je voor mij
verloren waart."

Zij gingen de stad uit en het duister viel. En nog altijd schreide
de moeder.

"Waarom schreit ge?" vroeg het kind; "ik wist niet dat de dag voorbij
was. Ik dacht, dat het nog morgen was, en ik kwam bij u, zoodra ik
uw stem hoorde."

"Zou ik niet schreien?" zei de moeder; "ik heb je den heelen dag
gezocht; ik meende dat je voor mij verloren waart."

Zij liepen den heelen nacht door en aldoor schreide de moeder. Bij
het aanbreken van den dag zei het kind: "Waarom schreit ge? ik heb
niet mijn eigen eer gezocht, maar God heeft mij wonderen laten doen,
omdat Hij deze drie arme menschen helpen wilde en zoodra ik uw stem
hoorde, kwam ik weer bij u terug."

"Mijn zoon," antwoordde de moeder, "ik schrei, omdat ge toch voor
mij verloren zijt. Mij zult ge nooit meer toebehooren. Van nu af
aan zal uw geheele streven zijn: rechtvaardigheid, en uw verlangen
zal uitgaan naar het Paradijs en uw liefde zal alle arme menschen
omvatten, die de aarde bevolken."







DE ZWEETDOEK VAN DE HEILIGE VERONICA.


I.

In een van de laatste jaren van de regeering van keizer Tiberius
gebeurde het, dat een arme wijngaardarbeider en zijn vrouw zich
neerzetten in een eenzame hut, hoog in de Sabijnsche bergen. Zij waren
vreemden en leefden in de grootste eenzaamheid, zonder ooit van iemand
bezoek te ontvangen. Maar op een morgen, dat de arbeider zijn deur
opendeed, vond hij tot zijn verbazing een oude vrouw, ineengedoken op
den drempel zitten. Zij was in een eenvoudigen grijzen mantel gewikkeld
en zag er uit alsof ze heel arm was. Maar niettegenstaande dat, kwam ze
hem zoo eerbiedwaardig voor, toen ze opstond en hem te gemoet ging, dat
hij onwillekeurig denken moest aan wat de sagen vertellen van godinnen,
die in de gedaante van een oude vrouw de menschen bezocht hadden.

"Mijn vriend," zei de oude tegen den arbeider, "ge moet u er niet over
verwonderen, dat ik vannacht op uw drempel geslapen heb. Mijn ouders
hebben in deze hut gewoond en hier werd ik voor bijna negentig jaar
geboren. Ik had gedacht, ze leeg en verlaten te vinden. Ik wist niet,
dat menschen haar opnieuw in bezit genomen hadden."

"Het verbaast mij niet, dat gij meendet, dat een hut, die zoo hoog
in deze woeste bergen ligt, leeg en verlaten zou staan," zei de
arbeider; "maar mijn vrouw en ik komen uit een ver land, en wij arme
vreemdelingen hebben geen beter huis kunnen vinden. En voor u, die
hongerig en moe moet zijn na die lange wandeling, die ge in uw hoogen
ouderdom ondernomen hebt, moet het beter zijn, dat de hut door menschen
bewoond wordt, dan door wolven van de Sabijner bergen. Nu vindt ge
toch daarbinnen een bed om op te rusten, een schotel geitenmelk en
een stuk brood, als ge dat voor lief wilt nemen."

De oude glimlachte even, maar dat lachje was zoo vluchtig, dat het
de uitdrukking van diepe smart niet kon verdrijven, die op haar
gezicht rustte.

"Ik heb mijn heele jeugd hier in de bergen doorgebracht," zei ze; "ik
ben de kunst nog niet vergeten een wolf uit zijn hol te verdrijven."

En ze zag er werkelijk zoo sterk en krachtig uit, dat de arbeider er
niet aan twijfelde, dat zij, niettegenstaande haar hoogen ouderdom,
nog kracht genoeg had om te strijden met de wilde dieren in het bosch.

Hij herhaalde intusschen zijn uitnoodiging en de oude vrouw trad de
kamer binnen.

Zij zette zich aan den maaltijd met de arme lieden en nam daaraan
deel zonder aarzelen.

Maar hoewel zij heel tevreden scheen met het grove brood in melk
geweekt, dachten de man en de vrouw beiden: "Waar kan toch die
oude zwerfster vandaan komen? Zij heeft zeker vaker faisanten van
zilveren schotels gegeten, dan zij geitenmelk heeft gedronken uit
aarden schotels."

Nu en dan hief zij haar oogen op van den grond en keek rond, alsof ze
trachten wilde alles in de hut te herkennen. De armoedige woning met
haar kale wanden van klei en haar aarden vloer waren zeker niet veel
veranderd. Zij wees zelfs haar gastheer en gastvrouw hoe op de muren
nog enkele sporen te zien waren van honden en herten, die haar vader
daar geteekend had tot vermaak van zijn kleine kinderen. En op een
plank in de hoogte meende zij nog de scherven te zien van een aarden
vat, waarin zij zelf de melk placht te gieten.

Maar de man en de vrouw dachten: "Het zal zeker wel waar zijn, dat
zij in deze hut geboren is, maar zij heeft toch wel anders in het
leven te doen gehad dan geiten melken en boter en kaas maken."

Zij merkten ook, dat zij dikwijls ver weg was met haar gedachten,
en dat ze diep en zwaar zuchtte zoo vaak ze tot zichzelf kwam.

Eindelijk stond ze op van den maaltijd. Ze dankte vriendelijk voor
de gastvrijheid, die ze genoten had en ging naar de deur.

Maar toen kwam het den arbeider voor, dat zij zoo deerniswaardig
eenzaam en arm was, dat hij uitriep: "Als ik mij niet vergis, was
het uw plan niet, zoo spoedig deze hut te verlaten, toen ge vannacht
hierheen kwaamt. Als ge werkelijk zoo arm zijt als ge schijnt, zal
het wel uw bedoeling geweest zijn, hier al de jaren te blijven, die
ge nog te leven hadt. Maar nu wilt ge heengaan, omdat mijn vrouw en
ik de hut reeds in bezit genomen hebben."

De oude ontkende niet, dat hij goed geraden had. "Maar deze hut, die
zooveel jaren alleen gestaan heeft, hoort evenzeer van u als van mij,"
zei ze. "Ik heb geen recht u daaruit te verdrijven."

"Maar het is toch de hut van uw ouders," zei de arbeider; "en ge hebt
er zeker meer recht op dan ik. Bovendien zijn wij jong en gij zijt
oud. Daarom moet gij blijven en wij zullen heengaan."

Toen de oude deze woorden hoorde, was zij zeer verwonderd. Zij wendde
zich om op den drempel en staarde den man aan, alsof zij niet begrepen
had wat hij met zijn woorden meende. Maar nu mengde zich de jonge
vrouw in 't gesprek:

"Als ik mocht doen wat ik wilde," zei ze tegen den man, "zou ik die
oude vrouw willen vragen, of ze ons niet als haar kinderen beschouwen
wil en ons hier bij haar laten blijven om haar op te passen. Wat
zou het haar helpen, of we haar al deze armoedige hut gaven en haar
dan verlieten? Het zou vreeselijk voor haar zijn alleen hier in de
wildernis te wonen en waar zou ze van leven? Het zou hetzelfde zijn
als haar dood te laten hongeren."

Maar de andere ging naar den man en de vrouw toe en keek ze
onderzoekend aan.

"Waarom spreekt ge zoo," vroeg ze; "waarom bewijst ge mij
barmhartigheid? Ge zijt immers vreemdelingen?"

Toen antwoordde de jonge vrouw: "Dat doen wij, omdat we eenmaal zelf
groote barmhartigheid ondervonden hebben."




II.

De oude vrouw kwam zoo inwonen in de hut van den arbeider en zij sloot
groote vriendschap met de jongelieden. Maar toch zei ze hun nooit
van waar ze gekomen was of wie ze was, en zij begrepen, dat ze het
niet aangenaam zou gevonden hebben, als zij het haar gevraagd hadden.

Maar op een avond, toen 't werk gedaan was en ze alle drie op den
grooten platten steen voor de deur zaten en 't avondmaal gebruikten,
zagen zij een oud man het pad opkomen.

't Was een groot en sterk gebouwd man, met schouders zoo breed als
die van een worstelaar. Op zijn gezicht lag een strakke, sombere
uitdrukking. 't Voorhoofd stak vooruit over de diep liggende oogen,
en de lijnen om den mond spraken van bitterheid en verachting. Zijn
houding was fier en zijn bewegingen waren snel.

De man droeg eenvoudige kleeren, en de arbeider dacht zoodra hij hem
zag: "Die man is een oud soldaat, een die uit den dienst ontslagen
is en nu op weg naar huis is."

Toen de vreemde dicht bij hen gekomen was bleef hij als in twijfel
staan. De arbeider, die wist, dat de weg een eind boven de hut
doodliep, legde zijn lepel neer en riep hem toe: "Zijt ge verdwaald,
vreemdeling, dat ge bij deze hut komt? Niemand neemt de moeite hierheen
te klimmen, die niet een boodschap heeft voor ons, die hier wonen."

Terwijl hij zoo vroeg kwam de vreemdeling dichter bij: "Ja, 't is
zooals ge zegt," zei hij. "Ik ben verdwaald en nu weet ik niet waar
ik heen moet. Als ge me hier een poos wilt laten uitrusten en mij
dan zeggen welken weg ik moet inslaan om bij een hoeve te komen,
zal ik heel dankbaar zijn."

Met deze woorden nam hij plaats op een van de steenen, die voor de
hut lagen.

De jonge vrouw vroeg of hij geen deel aan hun maaltijd wilde nemen,
maar hij wees dat glimlachend af. Daarentegen was hij zeer geneigd
met hen te spreken; onder het eten vroeg hij de jonge menschen naar
hun levenswijze en hun werk en zij antwoordden opgeruimd en openhartig.

Maar plotseling wendde de arbeider zich tot den vreemde en begon hem
uit te hooren: "Ge ziet hoe verlaten en eenzaam we wonen," zei hij. "'t
Is wel een jaar geleden, dat ik iemand anders sprak dan herders en
arbeiders in den wijngaard. Kunt gij, die van een of ander leger komt,
ons niet wat vertellen van Rome en van den keizer?"

Nauwelijks had de man dit gezegd of de jonge huismoeder merkte, dat
de oude vrouw hem een waarschuwenden blik toewierp, en dat zij met de
hand het teeken gaf, dat men met zijn woorden voorzichtig moest zijn.

De vreemdeling antwoordde intusschen zeer vriendelijk: "Ik begrijp,
dat ge me voor een soldaat aanziet, en ge hebt geen ongelijk, hoewel ik
al lang geleden uit dienst gegaan ben. Onder de regeering van Tiberius
was er niet veel werk voor ons, krijgslieden. En toch was hij eens een
groot veldheer. Dat was zijn gelukkige tijd. Nu denkt hij aan niets
anders dan om zich te beschermen tegen samenzweringen. In Rome spreken
alle menschen er over, dat hij verleden week den senator Titus heeft
laten gevangen nemen en terechtstellen,--alleen op een verdenking."

"Die arme keizer, hij weet niet meer wat hij doet," barstte de jonge
vrouw uit. Ze breidde de handen uit en schudde treurig en verwonderd
het hoofd.

"Ge hebt werkelijk gelijk," zei de vreemde, terwijl een trek van diepe
somberheid op zijn gezicht kwam. "Tiberius weet, dat alle menschen
hem haten, en dat brengt hem bijna tot waanzin."

"Wat zegt ge?" antwoordde de vrouw. "Waarom zouden we hem haten? Wij
beklagen hem alleen, omdat hij niet meer zulk een groot keizer is
als in 't begin van zijn regeering."

"Ge vergist u," zei de vreemde. "Alle menschen haten en verachten
Tiberius. Waarom zouden ze anders doen? Hij is niets dan een wreede
en onbarmhartige tiran. En in Rome gelooft men, dat hij van nu af
aan nog erger wordt dan hij geweest is."

"Is er dan iets gebeurd, dat hem tot een nog grooter monster maken
zal dan hij al is?" vroeg de man.

Toen hij dat zei, merkte de huisvrouw, dat de oude hem opnieuw een
waarschuwend teeken gaf, maar zóó in 't verborgen, dat hij 't niet
zien kon.

De vreemdeling antwoordde hem vriendelijk, maar een eigenaardige
glimlach gleed op hetzelfde oogenblik over zijn lippen.

"Ge hebt misschien hooren vertellen, dat Tiberius tot nu toe in
zijn omgeving een vriendin had, waarop hij vertrouwen kon en die hem
altijd de waarheid zeide. Alle anderen, die aan zijn hof leven, zijn
gelukzoekers en huichelaars, die de booze en listige daden van den
keizer evenzeer prijzen als zijn goede en edele. Toch was er, zooals
ik zei, een enkele, die nooit bang was hem te zeggen wat zijn daden
waard waren. Die mensch, die moediger was dan senatoren en veldheeren,
was de oude min van den keizer: Faustina."

"Dat is waar, ik heb van haar gehoord," zei de arbeider. "Men heeft mij
gezegd, dat de keizer haar altijd groote vriendschap bewezen heeft."

"Ja, Tiberius wist haar genegenheid en trouw op prijs te stellen. Hij
heeft die arme boerenvrouw, die in een ellendig hutje op de
Sabijnerbergen geboren werd, als zijn tweede moeder behandeld. Zoolang
hij zelf zich in Rome ophield, liet hij haar wonen in een huis op
het Palatino, om haar altijd in zijn nabijheid te hebben. Geen van
Rome's voornaamste matronen had het beter dan zij. Ze werd in een
draagstoel door de straten gedragen en haar gewaad was als dat van
een keizerin. Toen de keizer naar Capri verhuisde, moest zij hem
daarheen vergezellen, en hij liet daar voor haar een landgoed koopen
vol slaven en kostbaar huisraad."

"Zij heeft het werkelijk goed gehad," zei de man.

Nu was hij het, die alleen het gesprek met den vreemde gaande hield. De
jonge vrouw zat zwijgend de verandering na te gaan, die er met de oude
vrouw gebeurde. Reeds van 't oogenblik, dat de vreemde gekomen was,
had zij geen woord meer gesproken. Zij had haar zacht en vriendelijk
uiterlijk verloren. Zij had het eten van zich af geschoven en zat
daar stijf en strak tegen den deurpost gedrukt. Zij staarde recht
voor zich uit met een streng gezicht, als versteend.

"Het was de bedoeling van den keizer, dat zij een gelukkig leven zou
hebben," zei de vreemdeling, "maar niettegenstaande al zijn weldaden
is zij hem nu ook ontrouw geworden."

De oude vrouw kromp ineen bij deze woorden, maar de jonge vrouw legde
troostend de hand op haar arm.

Daarop begon ze te spreken met haar warme, zachte stem. "Ik kan toch
niet gelooven, dat de oude Faustina zoo gelukkig geweest is aan 't
hof, als ge zegt," zeide ze, zich tot den vreemde wendend. "Ik ben
er zeker van, dat zij Tiberius heeft liefgehad, alsof hij haar eigen
zoon was. Ik kan me begrijpen hoe trotsch ze op zijn edele jeugd was,
en ik kan ook begrijpen, wat een verdriet het voor haar geweest is,
dat hij op zijn ouden dag wantrouwend en wreed geworden is. Ze heeft
hem zeker elken dag vermaand en gewaarschuwd. 't Moet vreeslijk voor
haar geweest zijn, dat dit alles vergeefsch was. Eindelijk heeft zij
't niet kunnen uithouden hem al dieper en dieper te zien zinken."

De vreemde boog zich verrast een weinig voorover bij 't hooren van
deze woorden. Maar de jonge vrouw keek niet naar hem op. Ze hield de
oogen neergeslagen en ze sprak heel zacht en ootmoedig.

"Misschien hebt ge gelijk met wat ge van de oude vrouw zegt,"
antwoordde hij. "Faustina is werkelijk niet gelukkig geweest aan
't hof. Maar 't is toch vreemd, dat zij den keizer in haar hoogen
ouderdom verliet, nu zij het een heel leven bij hem had uitgehouden."

"Wàt zegt ge daar?" zei de man. "Heeft de oude Faustina den keizer
verlaten?"

"Ze is uit Capri verdwenen, zonder dat iemand het wist," zei de
vreemde. "Ze is even arm teruggegaan als ze gekomen is. Ze heeft niet
één van haar schatten meêgenomen."

"En weet de keizer volstrekt niet, waarheen ze gegaan is?" vroeg de
jonge vrouw met haar zachte stem.

"Neen, niemand weet zeker welken weg ze gegaan is. Maar men houdt
het voor waarschijnlijk, dat ze haar toevlucht tot de bergen van haar
vaderland genomen heeft."

"En de keizer weet ook niet, waarom ze is heengegaan?" vroeg de
jonge vrouw.

"Neen, de keizer weet er niets van. Hij kan niet gelooven, dat ze hem
verlaten heeft, omdat hij haar eens gezegd heeft, dat ze hem diende
om loon en geschenken--zij zoo goed als de anderen. Ze weet toch
wel, dat hij nooit aan haar onzelfzuchtigheid getwijfeld heeft. Hij
heeft altijd gehoopt, dat ze vrijwillig naar hem terug zou komen,
want niemand weet beter dan zij, dat hij nu geheel zonder vrienden is."

"Ik ken haar niet," zei de jonge vrouw, "maar ik geloof toch, dat
ik wel zeggen kan, waarom zij den keizer verliet. De oude vrouw is
opgevoed in eenvoud en vrome zeden hier in de bergen en zij heeft
altijd door naar hier terug verlangd. Zij zou toch zeker nooit den
keizer verlaten hebben, als hij haar niet beleedigd had, maar ik
begrijp, dat zij daarna, nu haar dagen bijna geteld waren, meende recht
te hebben ook aan zichzelf te denken. Als ik een arme vrouw uit de
bergen was, zou ik zeker handelen als zij. Ik zou gedacht hebben, dat
ik genoeg gedaan had als ik mijn heer een leven lang gediend had. Ik
zou eindelijk weggegaan zijn van een weelderig leven en keizersgunst
om mijn ziel te doen genieten van eer en rechtvaardigheid, voor zij
van mij heenging op de lange reis."

De vreemde zag de jonge vrouw droevig en somber aan. "Ge denkt er
niet aan, dat de handelingen van den keizer nu nog vreeselijker dan
ooit zullen worden. Nu is er niemand, die hem tot kalmte kan brengen,
als wantrouwen en menschenverachting hem bestormen. Denk u hier eens
in," ging hij voort en boorde zijn sombere blikken diep in de oogen
van de jonge vrouw, "in de heele wereld is er nu niemand meer, die
hij niet haat, niemand, dien hij niet veracht."

Toen hij deze woorden van bittere vertwijfeling uitsprak, maakte de
oude vrouw een snelle beweging en wendde zich tot hem, maar de jonge
zag hem vast in de oogen en antwoordde:

"Tiberius weet, dat Faustina weer bij hem komt, zoodra hij dat
wenscht. Maar eerst moet zij weten, dat haar oude oogen aan zijn hof
geen zonde en schande behoeven te zien."

Zij waren allen bij deze woorden opgestaan, en de arbeider en zijn
vrouw gingen voor de oude vrouw staan, als om haar te beschermen.

De vreemde sprak geen woord meer, maar hij zag de oude vragend aan. "Is
dat ook uw laatste woord?" scheen hij te willen zeggen.

De lippen der oude beefden en de woorden bleven haar in de keel steken.

"Als de keizer zijn oude dienares heeft liefgehad, dan moet hij haar
de rust gunnen in haar laatste dagen," zei de jonge vrouw.

De vreemde aarzelde nog, maar plotseling klaarde zijn donker gezicht
op. "Mijn vrienden," zei hij, "wat men ook zeggen mag van Tiberius,
er is toch één ding, dat hij beter geleerd heeft dan anderen--en dat
is ontberen. Ik heb nog maar één ding te zeggen: als die oude vrouw,
waar we over spraken, deze hut mocht bezoeken, ontvang haar dan
vriendelijk. De gunst des keizers rust op ieder, die haar bijstaat."

Hij wikkelde zich in zijn mantel en ging heen, langs denzelfden weg
waar langs hij gekomen was.




III.

Na dien tijd spraken de arbeider en zijn vrouw nooit meer met de oude
vrouw over den keizer. Onder elkaar verwonderden zij er zich over,
dat zij op haar hoogen leeftijd de kracht gehad had al dien rijkdom en
macht, waaraan zij gewend was, te verzaken. "Zou ze niet gauw weer naar
Tiberius teruggaan?" vroegen zij elkander af. "Zij heeft hem zeker
nog lief. 't Is in de hoop, dat dit hem tot bezinning zal brengen
en hem er toe brengen zich te bekeeren van zijn slechte handelwijze,
dat ze hem verlaten heeft."

"Zoo'n oud man als de keizer komt er nooit toe een nieuw leven te
beginnen," zei de arbeider. "Hoe wil je zijn groote verachting voor
de menschen van hem wegnemen? Wie zou bij hem kunnen komen en hem
leeren ze lief te hebben? Vóór dit gebeurd is, kan hij niet van zijn
wantrouwen en wreedheid genezen worden."

"Je weet, dat er een is, die dat werkelijk zou kunnen," zei de
vrouw. "Ik denk er dikwijls aan, hoe het gaan zou, als die twee elkaar
ontmoetten. Maar Gods wegen zijn onze wegen niet."

De oude vrouw scheen haar vorig leven in 't geheel niet te
missen. Eenigen tijd later kreeg de jonge vrouw een zoon en toen de
oude dien mocht verzorgen, was ze zóó vergenoegd, dat het scheen,
of ze al haar verdriet vergat.

Ieder half jaar wikkelde zij zich in den langen grijzen mantel en
ging naar Rome. Daar bezocht ze niemand, maar ging regelrecht naar
het Forum. Daar stond ze stil voor een kleinen tempel, die aan de
eene zijde van de prachtig versierde markt was opgericht.

Die tempel bestond eigenlijk alleen uit een buitengewoon groot
altaar, dat onder den blooten hemel op een met marmer bevloerde plaats
stond. Hoog op het altaar troonde Fortuna, de godin van het geluk en
aan zijn voet stond een beeld van Tiberius. Om de plaats heen lagen
gebouwen voor priesters, bewaarplaatsen voor brandstof en stallen
voor offerdieren.

De wandeling van de oude Faustina strekte zich nooit verder uit dan
tot dezen tempel, want daar plachten zij te komen, die om geluk voor
Tiberius wilden bidden.

Als zij een blik naar binnen geworpen en gezien had dat het beeld
van de godin en dat van den keizer beide met bloemen versierd waren,
dat het offervuur vlamde en een schaar eerbiedige aanbidders voor het
altaar verzameld waren, als ze gehoord had hoe de hymnen der priesters
er omheen klonken keerde zij om en begaf zich weer naar de bergen.

Op die manier kwam zij te weten, zonder dat ze iemand behoefde te
vragen, dat Tiberius nog onder de levenden behoorde en dat het hem
wel ging.

Den derden keer, toen ze dien tocht ondernam, wachtte haar een
verrassing. Toen ze bij den kleinen tempel kwam, vond ze dien stil en
verlaten. Geen vuur vlamde voor de beelden en zij zag geen enkelen
aanbidder. Een paar verdroogde guirlanden waren nog aan het altaar
blijven hangen, maar dat was ook alles wat nog van de vroegere
heerlijkheid getuigde. De priesters waren weg en het keizersbeeld,
dat daar onbewaakt stond, was beschadigd en bezoedeld.

De oude vrouw wendde zich tot den eersten den besten voorbijganger:
"Wat moet dat beteekenen?" zei ze. "Is Tiberius dood? Hebben wij een
and'ren keizer?"

"Neen," antwoordde de Romein, "Tiberius is nog keizer. Maar wij hebben
opgehouden voor hem te bidden. Onze gebeden baten hem niet meer."

"Vriend," zei de oude, "ik woon ver weg in de bergen, waar men niets
hoort van wat er in de wereld gebeurt. Wilt ge me niet zeggen welk
ongeluk den keizer getroffen heeft?"

"Het vreeselijkste van alle," zei de man. "Hij is aangetast door een
ziekte, die vroeger niet in Italië bekend geweest is, maar die schijnt
voor te komen in 't oosten. Sinds die ellende over den keizer kwam,
is zijn aangezicht veranderd, zijn stem is als die van een knorrend
dier geworden en zijn teenen en vingers teren weg. En voor die
ziekte schijnt geen geneesmiddel te bestaan. Men gelooft, dat hij
binnen eenige weken zal sterven, maar als hij niet sterft moet men
hem afzetten, want zoo'n ziek, ellendig mensch kan niet regeeren. Ge
begrijpt dus wel, dat zijn lot beslist is. Het baat niet de godin
om geluk voor hem aan te roepen. En 't is ook de moeite niet waard,"
voegde hij er bij met een glimlach, "niemand heeft nu meer iets van hem
te hopen en te vreezen. Waarom zullen we nu moeite doen om zijnentwil?"

Hij groette en ging heen, maar de oude vrouw bleef als bedwelmd staan.

Voor 't eerst in haar leven zonk ze ineen en zag er uit als iemand, die
door den ouderdom overwonnen was. Ze stond met gebogen rug en trillend
hoofd en handen, die hulpeloos voor zich uittastten in de lucht.

Zij verlangde van die plaats weg te komen, maar ze verzette de voeten
langzaam en bewoog zich wankelend voort. Ze zag om naar iets wat ze als
staf gebruiken kon. Eenige oogenblikken later gelukte het haar toch
met een ongehoorde krachtsinspanning haar matheid te overwinnen. Ze
richtte zich op en dwong zich met vaste schreden door de dicht bevolkte
straten te gaan.




IV.

Een week later ging de oude Faustina de steile helling van het eiland
Capri op. 't Was een warme dag en het vreeslijk gevoel van ouderdom
en matheid kwam weer over haar, terwijl ze zich langs de slingerende
wegen naar boven werkte op de in de rots uitgehouwen trappen, die
naar de villa van Tiberius leidden.

Dat gevoel nam toe, toen ze begon te merken hoe veranderd alles was in
den tijd, dat ze weg geweest was. Voorwaar, langs deze trappen waren
altijd groote scharen menschen op en neer gegaan. Hier wemelde het
vroeger van senatoren, die zich lieten dragen door reusachtige Lybiërs,
van gezanten uit de provincie--die in lange optochten vergezeld
van slaven aankwamen--van sollicitanten, van aanzienlijke mannen,
die uitgenoodigd waren om deel te nemen aan de feesten van den keizer.

Maar vandaag waren die trappen en gangen geheel verlaten. De
grijsgroene hagedissen waren de eenige levende wezens, die de oude
vrouw op haar weg ontdekte.

Zij was er verwonderd over dat alles al scheen te vervallen. De
ziekte van den keizer kon hoogstens een paar maanden geduurd hebben,
en toch was het gras al geworteld tusschen de marmeren steenen. Fijne
gewassen, die in schoone vazen geplant stonden, waren al verdroogd,
en domme vernielaars, die niemand had tegengehouden, hadden op een
paar plaatsen de balustraden afgebroken.

Maar 't allerzonderlingste vond ze toch die volkomen afwezigheid van
menschen; al was het ook aan vreemdelingen verboden zich op het eiland
te vertoonen, dan moesten zij er toch wel zijn, die eindelooze scharen
van krijgslieden en slaven, van danseressen en muzikanten, van koks en
tafelbedienden, van paleiswachters en tuinarbeiders, die tot 's keizers
huishouding hoorden. Eerst toen Faustina het bovenste terras bereikt
had, kreeg ze een paar oude slaven in 't oog, die op de stoep voor
de villa zaten. Toen ze hen naderde, stonden ze op en bogen voor haar.

"Wees gegroet, Faustina!" zei de een. "Het is een god, die u zendt
om ons ongeluk te verzachten."

"Wat is dat toch, Milo," vroeg Faustina, "waarom is 't hier zoo
eenzaam? Men heeft mij toch gezegd, dat Tiberius nog op Capri woont."

"De keizer heeft al zijn slaven weggedreven, omdat hij vreest, dat
een van ons hem vergif bij den wijn te drinken gegeven en daardoor de
ziekte veroorzaakt heeft. Hij zou ook mij en Tito hebben weggejaagd,
als wij niet hadden geweigerd hem te gehoorzamen. En ge weet, dat
wij den keizer en zijn moeder ons heele leven gediend hebben."

"Ik vraag niet alleen naar slaven," antwoordde Faustina, "waar zijn
de senatoren en veldheeren? Waar zijn de vertrouwden van den keizer,
en al de kwispelstaartende gelukzoekers?"

"Tiberius wil zich niet meer aan vreemden vertoonen," zei de slaaf;
"de senatoren Lucius en Macro, aanvoerders van de lijfwacht, komen
hier elken dag zijn bevelen ontvangen. Niemand anders mag hem naderen."

Faustina was de stoep opgegaan om de villa binnen te treden. De slaaf
ging voor haar uit en onder het loopen vroeg ze hem: "Wat zeggen de
geneesheeren van de ziekte van Tiberius?"

"Niemand van hen kan die ziekte behandelen. Zij weten niet eens of
zij snel of langzaam doodt; maar dit kan ik u wel zeggen, Faustina,
dat Tiberius sterven moet, wanneer hij zooals nu, alle voedsel weigert,
uit vrees dat het vergiftigd kan zijn. En ik weet, dat een zieke het
niet uithouden kan, dag en nacht te waken, zooals de keizer doet,
uit angst om in den slaap vermoord te worden. Als hij op u vertrouwen
wil zooals in vroeger dagen, dan kon het u misschien gelukken hem er
toe te brengen te eten en te slapen. Daarmee kunt ge zijn leven vele
dagen verlengen."

De slaaf voerde Faustina langs velerlei gangen en binnenplaatsen naar
een terras, waar Tiberius zich gewoonlijk ophield om het uitzicht
te genieten over de heerlijke baaien en den trotschen Vesuvius. Toen
Faustina op het terras kwam, zag ze daar een griezelig wezen met een
opgezwollen gezicht en dierlijke trekken. Zijn handen en voeten waren
met witte verbanden omwonden maar uit het verband staken hier en daar
half verteerde vingers en teenen, en de kleeren van dien mensch waren
stoffig en vuil.

Men kon begrijpen, dat hij niet in staat was rechtop te gaan, maar
op het terras had moeten kruipen.

Hij lag met gesloten oogen bij de balustrade en bewoog zich niet,
toen de slaaf en Faustina aankwamen.

Maar Faustina fluisterde den slaaf, die voor haar liep, toe: "Maar
Milo, hoe kan zulk een mensch hier op het terras van den keizer zelf
komen? Breng hem gauw weg."

Maar nauwelijks had zij dat gezegd, of ze zag hoe de slaaf zich ter
aarde boog voor den ellendige, die daar lag.

"Caesar Tiberius," zei hij, "ik heb u eindelijk een blijde boodschap
te brengen."

Op dat oogenblik wendde de slaaf zich naar Faustina, maar toen week
hij verbaasd achteruit en kon geen woord meer uitbrengen.

Hij zag niet meer de trotsche matrone, die er zoo sterk had uitgezien,
dat men had kunnen verwachten, dat haar leeftijd zoo hoog zou worden
als die van een sibylle. In dat oogenblik was ze ineen gezonken als in
machteloozen ouderdom. En de slaaf zag voor zich een gebogen oude vrouw
met somberen blik en tastende handen. Want wel had Faustina gehoord,
dat de keizer vreeselijk veranderd moest wezen, maar ze had toch
geen oogenblik opgehouden zich hem voor te stellen als den sterken,
krachtigen man, dien zij het laatst gezien had. Zij had ook iemand
hooren zeggen, dat deze ziekte langzaam werkte en dat die jaren noodig
had om een mensch te veranderen.

Zij wankelde naar den keizer. Ze kon niet spreken, maar stond stil
naast hem te schreien.

"Zijt ge nu gekomen, Faustina?" zei hij toen zonder de oogen te
openen. "Ik lag hier en verbeeldde mij, dat ge bij mij stondt en om mij
schreide. Ik durf niet opzien uit angst dat het maar een dwaling is."

Toen zette de oude zich naast hem neer. Zij hief zijn hoofd op en
legde het in haar schoot.

Maar Tiberius bleef stil liggen zonder haar aan te zien. Een gevoel
van lieflijke rust kwam over hem en hij viel een oogenblik later in
een gezonden slaap.




V.

Eenige weken later kwam een van de slaven van den keizer naar de
eenzame hut in de Sabijner-bergen. Het liep tegen den avond, en de
arbeider en zijn vrouw stonden in hun deur en zagen de zon ondergaan
in het verre westen. De slaaf ging van het pad af, kwam op hen toe
en groette hen. Daarop nam hij een zware beurs, die hij in den gordel
droeg en hij legde die in de hand van den man.

"Dit zendt u Faustina, de oude vrouw, aan wie gij barmhartigheid
bewezen hebt," zei de slaaf; "zij verzoekt u voor dit geld u een eigen
wijngaard te koopen en u een huis te bouwen, dat niet zoo hoog op de
bergen ligt als een arendsnest."

"Leeft de oude Faustina dan werkelijk nog?" zei de man; "we hebben haar
gezocht in kloven en moerassen. Toen zij niet meer terugkwam, meende
ik, dat zij den dood gevonden had tusschen deze ellendige bergen."

"Herinner je je niet," zei de vrouw, "dat ik niet wilde gelooven,
dat ze dood was? Heb ik je niet gezegd, dat ze weer naar den keizer
teruggegaan was?"

"Ja," gaf de man toe; "dat heb je werkelijk gezegd, en ik ben blij,
dat je gelijk hebt, niet alleen omdat Faustina op die manier rijk
genoeg geworden is om ons uit de armoede te helpen, maar ook ter
wille van den armen keizer."

De slaaf wilde nu spoedig afscheid nemen om nog in bewoonde streken
te komen vóór de nacht inviel. Maar dit stonden de beide echtgenooten
niet toe.

"Ge moet bij ons blijven tot morgen," zeiden ze. "We kunnen u niet
laten gaan voor ge ons alles verteld hebt, wat met Faustina gebeurd
is. Waarom is zij weer naar den keizer teruggegaan? Hoe was hun
ontmoeting? Zijn ze nu blij, dat ze weer bij elkaar zijn?"

De slaaf gaf toe aan hun verzoek. Hij volgde hen in de hut en onder
den avondmaaltijd vertelde hij van de ziekte des keizers en van
Faustina's terugkomst.

Toen de slaaf zijn verhaal geëindigd had, zag hij den man en de
vrouw onbeweeglijk zitten, stom van verbazing. Zij hielden de oogen
neergeslagen als om de ontroering, die hen aangegrepen had, niet
te verraden.

Eindelijk zag de man op en zei tot zijn vrouw: "Gelooft ge niet,
dat dit een beschikking van God is?"

"Ja," zei de vrouw, "zeker was het hiervoor, dat de Heer ons over zee
zond naar deze hut. Stellig was dit Zijn bedoeling, toen Hij de oude
vrouw hierheen voerde naar onze deur."

Zoodra de vrouw deze woorden gesproken had, wendde de arbeider zich
weer tot den slaaf.

"Vriend," zeide hij tot hem, "ge moet een boodschap voor mij naar
Faustina brengen. Zeg haar dit woord voor woord: "Zoo groet u uw
vriend, de wijngaardarbeider uit de Sabijner-bergen: Gij hebt de jonge
vrouw gezien, die mijn echtgenoote is. Vondt ge haar schoonheid niet
lieflijk en haar gezondheid bloeiende? En toch heeft deze jonge vrouw
eenmaal aan dezelfde ziekte geleden, die nu Tiberius heeft aangetast."

De slaaf maakte een beweging van verwondering, maar de arbeider ging
voort met steeds sterker nadruk op ieder woord:

"Als Faustina mijn woorden niet gelooven wil, zeg haar dan, dat mijn
vrouw en ik uit Palestina in Azië komen, een land, waar die ziekte
dikwijls voorkomt. En daar is de wet zoo, dat de melaatschen worden
verdreven uit steden en dorpen, en op eenzame plaatsen moeten wonen,
zich hun woning zoekend in greppels en grotten. Zeg Faustina, dat mijn
vrouw is geboren in een grot uit zieke ouders en zoolang ze nog een
kind was, was ze gezond, maar toen ze opgroeide tot een jonge maagd,
werd zij door de ziekte aangetast."

Toen de arbeider dit gezegd had, boog de slaaf vriendelijk lachend
het hoofd en sprak tot hen:

"Hoe wilt ge, dat Faustina dat gelooven zal? Zij heeft immers uw
vrouw in haar schoonheid en gezondheid gezien en zij weet immers,
dat er geen geneesmiddel voor die ziekte is?"

Maar de man antwoordde: "Het zou het beste voor haar zijn, als ze mij
geloofde. Maar ik ben ook niet zonder getuigen. Zij moet boodschappers
zenden naar Nazareth in Galilea. Daar zal ieder mensch bevestigen
wat ik gezegd heb."

"Is het misschien door een wonderwerk van een of anderen god, dat uw
vrouw genezen is?" vroeg de slaaf.

"Ja," antwoordde de arbeider; "het is zooals ge zegt. Op een dag
verspreidde zich een gerucht onder de zieken, die in de eenzaamheid
leefden: Zie, er is een groot Profeet opgestaan in Nazareth in
Galilea. Hij is vol van Gods geest en Hij kan uw ziekte genezen door
alleen maar Zijn hand op uw voorhoofd te leggen." Maar de zieken,
die daar lagen in hun ellende, wilden niet gelooven, dat dit gerucht
waarheid was.

"Ons kan niemand genezen," zeiden ze; "al sinds de dagen van de
groote profeten heeft geen mensch iemand van ons uit zijn ongeluk
kunnen redden."

Maar er was één van hen, die geloofde, en dat was een jonge maagd. Zij
ging weg van de anderen om te trachten naar de stad Nazareth te komen,
waar de profeet zijn verblijf hield. En op een dag, toen ze over
groote vlakten wandelde, ontmoette ze een man, die lang en slank was,
een bleek gezicht had en wiens haar in gladde zwarte lokken lag. Zijn
donkere oogen glansden als sterren en trokken haar aan. Maar eer ze
elkaar ontmoetten, riep ze hem toe:

"Kom niet bij mij, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den
Profeet van Nazareth vinden kan."

Maar de man bleef op haar toekomen, en toen hij dicht voor haar stond,
vroeg hij:

"Waarom zoekt ge den Profeet van Nazareth?"

"Ik zoek hem, opdat hij zijn hand op mijn voorhoofd zal leggen en
mij van mijn ziekte genezen."

Toen kwam de man en legde zijn hand op haar voorhoofd, maar zij sprak
tot hem:

"Wat baat het mij, of gij uw hand op mijn voorhoofd legt? Gij zijt
geen profeet."

Toen zag hij haar glimlachend aan en zei:

"Ga nu naar de stad, die daarginds op de berghelling ligt en vertoon
u aan de priesters."

De zieke dacht: "Hij houdt mij voor den gek, omdat ik denk, dat
ik genezen kan worden. Van hem zal ik niet te weten komen wat ik
vraag." En zij liep voort. Onmiddellijk daarna zag ze een man,
die op de jacht ging en over het groote veld kwam aanrijden. Toen
hij zoo dichtbij was, dat hij haar hooren kon, riep zij hem toe:
"Kom niet bij me, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den
profeet van Nazareth vinden kan."

"Wat verlangt ge van den profeet?" vroeg de man en reed langzaam naar
haar toe.

"Ik wil alleen, dat Hij Zijn hand op mijn voorhoofd leggen zal en
mij van mijn ziekte genezen."

Maar de man reed nog nader bij.

"Van welke ziekte wilt ge genezen worden?" vroeg hij. "Gij hebt geen
geneesmeester noodig."

"Ziet ge dan niet dat ik een onreine ben?" zeide zij. "Ik ben uit
zieke ouders geboren in een grot."

Maar de man bleef op haar toe rijden, want zij was mooi en teer,
als een pas uitgekomen bloem.

"Gij zijt de schoonste maagd uit Judea!" barstte hij uit.

"Spot nu ook niet met mij," zei ze. "Ik weet dat mijn trekken verwoest
zijn en dat mijn stem is als het knorren van een wild dier."

Maar hij zag haar diep in de oogen en zei tot haar: "Uw stem is
helder als die van een beek in de lente, als zij voortkabbelt over
de kiezelsteenen, en uw gezicht is als een zachte zijden doek."

En op dat oogenblik was hij haar zoo nabij gekomen, dat zij haar
gezicht kon zien spiegelen in het blanke beslag, dat zijn zadel
versierde.

"Ge kunt u hier spiegelen," zei hij.

Dat deed zij en zij zag een gezicht, dat zacht en lenig was als de
vleugel van een pas ontpopten vlinder.

"Wat is dat?" riep ze, "dat is mijn gezicht niet."

"Ja, dat is uw gezicht," zei de ruiter.

"Maar is mijn stem dan niet heesch; klinkt die niet alsof wagens
voortgetrokken worden over een steenachtigen weg?"

"Neen, zij klinkt als de schoonste melodieën van een citherspeler."

Zij wendde zich om en wees in de richting vanwaar zij gekomen was.

"Weet ge wie die man is, die nu juist achter die twee eiken
verdwijnt?" vroeg zij den ruiter.

"Dat is Hij, naar wien ge zoo pas gevraagd hebt, dat is de Profeet
van Nazareth," antwoordde de man.

Toen sloeg zij de handen ineen van verbazing en haar oogen kwamen
vol tranen.

"O, Gij Heilige! O, Gij drager van de macht Gods!" riep zij uit. "Gij
hebt mij genezen!"

En de ruiter lichtte haar in den zadel en bracht haar naar de stad
op de berghelling en ging met haar naar de ouderlingen en priesters
en vertelde hun, hoe hij haar gevonden had. Zij vroegen nauwkeurig
naar alles, maar toen zij hoorden, dat de maagd in de woestijn uit
zieke ouders geboren was, wilden zij niet gelooven, dat zij hersteld
was. "Ga terug vanwaar ge gekomen zijt," zeiden zij. "Als ge ziek
geweest zijt, moet ge dat uw geheele leven blijven. Ge moet niet hier
naar de stad komen om ons met uw ziekte te besmetten."

Zij sprak tot hen: "Ik weet, dat ik gezond ben, want de Profeet van
Nazareth heeft Zijn hand op mijn voorhoofd gelegd."

Toen zij dat hoorden, riepen zij uit: "Wie is hij, dat hij de
onreinen rein zou kunnen maken? Dit alles is verblinding door booze
geesten. Keer terug naar de uwen, opdat gij ons allen niet in het
verderf stort."

Zij wilden haar niet voor genezen verklaren en zij verboden haar zich
in de stad te vertoonen. Zij bepaalden, dat ieder, die haar beschermde,
ook onrein zou verklaard worden.

Toen de priesters dit vonnis geveld hadden, zei de jonge maagd tot den
man, die haar op het veld gevonden had: "Waar moet ik nu heengaan? Moet
ik weer naar de woestijn, naar de zieken terug?"

Maar de man hief haar weer op zijn paard en zei tot haar: "Neen,
gij zult geenszins meer naar de zieken in hun grotten gaan, maar
wij beiden zullen over de zee trekken, naar een ander land, waar
geen wetten voor reinen en onreinen zijn. En zij ..." maar toen de
arbeider zoover gekomen was met zijn verhaal, stond de slaaf op en
viel hem in de rede.

"Ge behoeft me niets meer te zeggen," zei hij, "sta liever op en ga
met mij mee--gij, die de bergen hier kent, zoodat ik mijn terugtocht
al vannacht beginnen kan en niet tot morgen behoef te wachten. De
keizer en Faustina kunnen uw boodschap geen oogenblik te vroeg hooren."

Toen de arbeider den slaaf een eindweegs had weggebracht, en weer in
de hut terugkwam, vond hij zijn vrouw nog wakker.

"Ik kan niet slapen," zei ze. "Ik moet er steeds aan denken, dat deze
twee elkaar zullen ontmoeten: Hij, die alle menschen liefheeft en hij,
die ze haat.

"Het is alsof deze ontmoeting de wereld uit haar voegen zou kunnen
brengen."




VI.

De oude Faustina was op reis naar Jeruzalem en trok door het afgelegen
Palestina. Zij had niet gewild, dat de opdracht den profeet te
zoeken en hem bij den keizer te brengen aan een ander dan aan haar
zou worden toevertrouwd. Zeker had zij in zich zelf gedacht: wat wij
van dien vreemden man begeeren is iets, dat we hem niet met geweld
of geschenken kunnen aflokken. Maar misschien geeft hij het ons,
als iemand hem te voet valt en hem zegt in welken nood de keizer
verkeert. En wie kan beter Tiberius' voorspraak zijn dan iemand,
die onder zijn ongeluk evenveel lijdt als hijzelf?

De hoop om misschien Tiberius te redden, had de oude vrouw
verjongd. Zij had zonder moeite de lange zeereis naar Joppe uitgehouden
en op weg naar Jeruzalem gebruikte zij geen draagstoel, maar reed te
paard. Zij scheen de moeilijke reis even gemakkelijk uit te houden,
als de Romeinsche edelen, de krijgslieden en de slaven, die haar
gevolg uitmaakten.

Die reis van Joppe naar Jeruzalem vervulde het hart der oude vrouw
met blijdschap en hoop. Het was in de lente en de vlakte van Saron,
waarover zij den eersten dag hadden gereden, was één enkel schitterend
kleed van bloemen. Zelfs op de tweede dagreis, toen ze in de bergen van
Judea waren, bleven de bloemen hun bij. Al de verschillend gevormde
heuvels, waar de weg zich tusschen door slingerde, waren beplant met
vruchtboomen, die in vollen bloei stonden. En toen de reizenden de
witrose bloesems van abrikozen en perziken moe werden, konden zij hun
oogen rust geven door naar het jonge wingerdloof te zien, dat uit de
zwartbruine wortelstokken te voorschijn kwam en dat zoo snel groeide,
dat men meende het te kunnen zien groeien.

Maar het waren niet alleen de bloemen en het lentegroen, die de reis
zoo mooi maakten. De grootste bekoring ging uit van alle menschen,
die dien morgen op weg waren naar Jeruzalem. Van alle zijwegjes en
paden, van eenzame hoogten en van de afgelegenste hoekjes van de
vlakte kwamen de reizigers. Toen zij den weg naar Jeruzalem bereikt
hadden, sloten de alleen-reizenden zich bij elkaar aan in groote
scharen en trokken voort onder blij gejubel. Om een ouden man, die op
een schommelenden kameel reed, liepen zijn zonen en dochters, zijn
schoondochters en al zijn kleinkinderen. De familie was zoo groot,
dat ze een klein leger vormde. Een oude moeder, die te zwak was om
te loopen, werd door haar zonen op de armen gedragen en zij liet zich
fier door de eerbiedig op zij wijkende schare brengen.

Voorwaar, het was een morgen, die zelfs de meest bedroefden blij
maken kon. De hemel was wel niet helder, maar met een dunne witgrijze
wolkenlaag overtrokken, geen van de reizigers toch dacht er aan zich
te beklagen, omdat de sterke zonnegloed wat gedempt was. Onder dien
gesluierden hemel stroomden de geuren van de bloeiende boomen en de
pas uitgekomen bladeren niet zoo snel als anders in de ruimte weg,
maar bleven hangen over wegen en velden. En die mooie dag, die met zijn
zacht licht en zijn windstilte deed denken aan de rust en den vrede van
den nacht, scheen aan al die scharen voortspoedende menschen iets van
zijn aard mee te deelen, zoodat ze opgeruimd maar toch plechtig gestemd
voorttrokken, met gedempte stem overoude hymnen zingend, of spelend
op wonderlijke, ouderwetsche instrumenten, waaruit tonen kwamen,
die waren als het gonzen van een mug of het zingen van een krekel.

Toen de oude Faustina voortreed onder al die menschen, werd ze
werkelijk door hun voortvarendheid en blijdschap aangestoken. Zij
spoorde haar paard tot grooter snelheid aan, terwijl ze tot een
jongen Romein, die naast haar reed, zeide: "Ik droomde vannacht,
dat ik Tiberius zag en hij verzocht mij de reis niet uit te stellen,
maar juist vandaag naar Jeruzalem te gaan. 't Komt mij voor alsof de
goden mij een vermaning hebben willen zenden, niet te verzuimen er
dezen mooien morgen heen te trekken."

Terwijl zij dat zeide, had zij den top van een uitgestrekten bergrug
bereikt en daar hield zij onwillekeurig stil. Vóór haar lag een
groot, diep keteldal, door mooie heuvels omringd en uit de donkere,
schaduwrijke diepte van dat dal verrees de reusachtige rots, die op
haar schedel Jeruzalem droeg.

Maar de enge bergstad, die met haar muren en torens als een gekroond
kleinood op den platten top van den heuvel lag, scheen haar dien dag
duizendmaal vergroot. Al de heuvels, die zich rondom het dal verhieven,
waren met bonte tenten bedekt en met een oneindige menschenmassa.

't Was duidelijk voor Faustina, dat de bevolking van het heele land
bezig was in Jeruzalem bijeen te komen voor een of andere groote
plechtigheid. Die 't verst woonden, waren al gekomen en hadden hun
tenten reeds in orde. Zij daarentegen, die in de buurt van de stad
woonden, waren nog in aantocht. Aan den voet van alle lichte heuvels
zag men ze aankomen als een onafgebroken stroom van witte kleeren,
zangen en feestvreugde.

De oude vrouw zag lang neer op die aanstroomende menschenmassa en hun
lange rijen tenten. Toen sprak zij tot den jongen Romein, die naast
haar reed:

"Voorwaar, Sulpicius, 't geheele volk moet naar Jeruzalem gekomen
zijn."

"Dat is werkelijk zoo," antwoordde de Romein, die door Tiberius was
uitgekozen om Faustina te vergezellen, omdat hij verscheidene jaren
in Judea gewoond had. "Zij vieren nu het groote lentefeest en dan
trekken alle menschen, oude en jonge, naar Jeruzalem."

Faustina bedacht zich een oogenblik:

"Ik ben er blij om, dat we in deze stad komen op den dag, dat het
volk hoogtij viert," zei ze. "Dat kan niet anders beteekenen dan
dat de goden onze reis beschermen. Houdt ge 't niet voor mogelijk,
dat hij, dien we zoeken--de Profeet van Nazareth, ook naar Jeruzalem
is gekomen om aan 't feest deel te nemen?"

"Voorwaar, ge hebt gelijk, Faustina," sprak de Romein. "Hij is
hoogstwaarschijnlijk in Jeruzalem. Dat is waarlijk een beschikking der
goden. Hoe sterk en krachtig ge ook zijt, toch kunt ge blij zijn, dat
ge de vrij lange, moeilijke reis naar Galilea niet behoeft te maken."

Hij reed haastig op een paar wandelaars toe, die juist voorbij kwamen
en vroeg hun of ze geloofden, dat de Profeet van Nazareth zich in
Jeruzalem bevond.

"Wij hebben er hem elk jaar om dezen tijd gezien," antwoordde een van
de wandelaars. "Zeker is hij ook dit jaar hierheen gekomen, want hij
is een vroom en rechtvaardig man."

Een vrouw strekte de hand uit en wees naar een heuvel, die ten
oosten van de stad lag. "Ziet ge die berghelling, met olijfboomen
begroeid?" vroeg ze. "Daar richten de Galileërs gewoonlijk hun
tenten op en daar kunt ge de zekerste berichten krijgen over hem,
dien ge zoekt."

Zij trokken verder, reden langs een slingerend pad eerst naar 't
diepst van het dal en toen den berg van Sion op om de stad op zijn
top te bereiken.

De steil oploopende weg was hier met lage muren omgeven, en daarop
zaten en lagen een eindelooze massa bedelaars en kreupelen, die de
barmhartigheid van de reizigers inriepen.

Onder het langzaam voortrijden kwam een der Joodsche vrouwen op
Faustina toe: "Zie daar," zei ze, op een van de bedelaars wijzend,
die op den muur zat, "dat is een Galileër. Ik herinner me, dat ik hem
onder de leerlingen van den Profeet gezien heb. Hij kan u zeggen waar
ge hem vinden zult, dien ge zoekt."

Faustina reed met Sulpicius naar den man, die haar was aangewezen. 't
Was een arme oude man met een grooten baard, die hier en daar grijs
werd. Zijn gezicht was gebruind door hitte en zonneschijn; en zijn
handen waren door den arbeid vereelt. Hij vroeg niet om aalmoezen;
integendeel, hij scheen zoo verdiept in bekommering en gepeins,
dat hij de voorbijgangers niet eens aanzag.

Hij hoorde ook niet, dat Sulpicius hem aansprak maar deze moest zijn
vraag een paar maal herhalen.

"Vriend, men heeft mij gezegd, dat gij een Galileër zijt. Ik verzoek
u daarom, mij te zeggen waar ik den Profeet van Nazareth kan vinden."

De Galileër sprong heftig op en zag verwoed om zich heen. Maar toen
hij eindelijk begreep wat men van hem verlangde, werd hij door toorn
en ontzetting aangegrepen. "Wat zegt ge toch!" stoof hij op. "Waarom
vraagt ge mij naar dien man? Ik weet niets van hem! Ik ben geen
Galileër."

De Joodsche vrouw mengde zich nu in het gesprek. "Ik heb u toch in
zijn gezelschap gezien," viel zij in. "Wees niet bang, maar zeg deze
voorname Romeinsche vrouw, die een vriendin van den keizer is, waar
ze hem 't beste kan vinden."

Maar de verschrikte leerling werd hoe langer hoe verbitterder. "Zijn
dan alle menschen waanzinnig vandaag?" zei hij. "Zijn ze door een
boozen geest bezield, dat ze keer op keer mij naar dien man komen
vragen? Waarom wil niemand me gelooven, als ik zeg, dat ik den Profeet
niet ken? Ik ben niet uit zijn land gekomen. Ik heb hem nooit gezien."

Zijn heftigheid trok de aandacht, en een paar bedelaars, die naast
hem zaten, begonnen hem ook tegen te spreken.

"Zeker hebt gij tot zijn discipelen gehoord," zeiden zij. "Wij weten
allen, dat gij met hem uit Galilea gekomen zijt."

Maar de man strekte beide armen ten hemel en riep: "Ik heb het vandaag
niet in Jeruzalem kunnen uithouden om zijnentwil, en nu laat men mij
niet eens met rust hier onder de bedelaars. Waarom wilt ge mij niet
gelooven als ik zeg, dat ik hem nooit heb gezien?"

Faustina haalde de schouders op en wendde zich af. "Laat ons verder
gaan," zeide ze. "Die man daar is immers waanzinnig. Van hem komen
we niets te weten."

Zij trokken verder de berghelling op. Faustina was niet verder dan
twee stappen van de stadspoort, toen de Israëlietische vrouw, die haar
had willen helpen den Profeet te vinden, haar toeriep voorzichtig te
wezen. Zij hield den teugel in en zag, dat er een man op den weg lag,
vlak voor de voeten van het paard. Zooals hij daar lag uitgestrekt
in het stof, juist waar het gedrang het grootst was, scheen het een
wonder, dat hij niet reeds door dieren of menschen vertrapt was.

De man lag op den rug en staarde naar boven met doffe oogen zonder
uitdrukking. Hij bewoog zich niet, hoewel de kameelen hun zware pooten
dicht naast hem neerzetten. Hij was armoedig gekleed en nu was hij
bovendien vuil door stof en aarde. Inderdaad had hij zooveel gruis
over zich heen gegooid, dat het scheen alsof hij zich verbergen wilde
om gemakkelijker overreden of vertrapt te worden.

"Wat is dat? Waarom ligt die man hier op den weg?" vroeg Faustina.

Op 'tzelfde oogenblik begon de liggende de voorbijgangers aan te
roepen: "Weest barmhartig, broeder en zuster, leidt uw paarden en
lastdieren over mij heen. Wijkt niet voor mij uit. Trapt mij tot
stof! Ik heb onschuldig bloed verraden. Trapt mij tot stof!"

Sulpicius vatte het paard van Faustina bij den teugel en leidde het
ter zijde.

"Dat is een zondaar, die boete wil doen," zei hij. "Laat u dat
niet ophouden. Dat is een wonderlijk volk en men moet het zijn gang
laten gaan."

De man op den weg ging voort met roepen: "Zet uw hielen op mijn
hart. Laat de kameelen mijn borst vertrappen en de ezels hun hoeven
in mijn oogen zetten."

Maar Faustina vond, dat ze niet voorbij dien ellendige kon rijden
zonder te beproeven hem te bewegen op te staan. Zij hield stil
naast hem.

De Israëlietische vrouw, die haar vroeger al eens had willen helpen,
drong nu weer tot haar door: "Die man hoorde ook tot de leerlingen van
den Profeet," zei ze. "Wilt ge, dat ik hem naar zijn meester vraag?"

Faustina knikte bevestigend, en de vrouw boog zich over den liggende.

"Wat hebt gij, Galileërs, vandaag met uw meester gedaan?" vroeg
ze. "Ik zie u verspreid op wegen en paden, maar hem zie ik nergens."

Maar toen zij hem zoo vroeg, hief de man, die in het stof van den
weg lag, zich op de knieën. "Wat is dat voor een boozen geest, die
u heeft ingeblazen mij naar hem te vragen?" zei hij met een stem,
waarin de grootste wanhoop klonk. "Ge ziet immers, dat ik mij in het
stof van den weg gelegd heb om vertreden te worden. Is dat u nog niet
genoeg? Moet ge mij nu ook nog komen vragen wat ik met hem gedaan heb?"

"Ik begrijp niet, wat ge u te verwijten hebt," zei de vrouw. "Ik wil
alleen weten, waar ge uw meester hebt."

Toen zij de vraag herhaalde, vloog de man op en hield beide handen
voor de ooren. "Wee u, dat ge mij niet in vrede kunt laten sterven,"
riep hij. Hij baande zich een weg door het volk, dat zich voor de
poort verdrong en rende weg, bevend van ontzetting, terwijl zijn
verscheurde kleeren om hem heen fladderden als donkere vleugels.

"'t Schijnt wel dat we bij een volk van krankzinnigen gekomen zijn,"
zei Faustina, toen zij den man vluchten zag. Zij was ontstemd door het
zien van de leerlingen van dezen profeet. Zou een man, die zulke dwazen
onder zijn gezellen had, in staat zijn iets voor den keizer te doen?

Ook de Israëlietische vrouw zag er bedroefd uit, en zij zei met
grooten ernst tot Faustina: "Vrouwe, draal niet met hem op te zoeken,
dien ge vinden wilt. Ik vrees, dat hem iets kwaads overkomen is,
nu zijn leerlingen buiten zichzelven zijn en niet kunnen verdragen,
dat men over hem spreekt."

Faustina en haar gevolg reden eindelijk onder 't poortgewelf door en
kwamen in nauwe, donkere straten, die overvol van menschen waren. 't
Was bijna onmogelijk daaruit te komen in de stad. De rijdenden moesten
keer op keer stilhouden. Slaven en krijgsknechten trachtten te vergeefs
wegen te banen. De menschen bleven zich voortspoeden in een dichten,
niet te keeren stroom.

"Voorwaar," zei de oude vrouw tot Sulpicius, "de straten van Rome
zijn stille lusthoven in vergelijking met deze."

Sulpicius zag spoedig in, dat bijna onoverkomelijke moeielijkheden
hen wachtten.

"Op deze overvolle straten is het bijna gemakkelijker te loopen dan
te rijden," zei hij. "Als gij niet al te moe zijt, zou ik u willen
raden te voet naar het paleis van den landvoogd te gaan. Dat ligt
wel ver weg, maar als we moeten rijden, komen we daar zeker niet voor
na middernacht."

Faustina ging dadelijk op dit voorstel in. Zij stapte van het paard
en gaf dit over aan een der slaven.

Daarop begonnen de Romeinsche reizigers hun wandeling door de stad.

Dat gelukte hun veel beter. Zij drongen tamelijk vlug door tot het
hartje van de stad, en Sulpicius wees Faustina juist een eenigszins
breeder straat, die zij bijna bereikt hadden.

"Zie daar, Faustina," zeide hij, "als wij daar maar komen kunnen,
dan zijn we waar we wezen moeten. Die straat loopt recht op onze
herberg aan."

Maar juist toen zij die straat wilden inslaan, ontmoetten zij den
eersten hinderpaal. Want op hetzelfde oogenblik, dat Faustina de
straat bereikte, die van het paleis van den landvoogd naar de Poort
der Rechtvaardigheid en Golgotha liep, leidde men daar langs een
gevangene, die weggevoerd werd om gekruisigd te worden.

Voor hem uit haastten zich een schare jonge, woeste menschen, die
de terechtstelling wilden zien. Zij joegen springend de straat
over, strekten de armen in de hoogte van verrukking en stootten
onverklaarbare klanken uit in hun vreugde iets te zullen zien, wat
niet alle dagen voorkwam. Achter hen aan kwamen scharen mannen in
zijden kleederen, die tot de voornaamsten en meest aristocratischen
van de stad schenen te behooren, en daarachter liepen vrouwen,--vele
met beschreide gezichten. Een groep armen en kreupelen liepen mee,
onder kreten, die de ooren verscheurden.

"O God," riepen ze. "Red hem! Zend Uw engel om hem te redden! Zend
toch een helper in den uitersten nood!"

Eindelijk kwamen eenige Romeinsche krijgslieden op groote paarden. Zij
waakten, dat niemand uit het volk op den gevangene aan zou vliegen
om hem te bevrijden.

Onmiddellijk achter hen kwamen de beulsknechten, die den man, die
gekruist moest worden, voortleidden. Zij hadden een groot, zwaar
houten kruis over zijn schouders gelegd, maar hij was te zwak voor
dezen last. Die drukte hem zóó, dat zijn lichaam geheel tot op den
grond gebogen werd. Hij hield het hoofd zóó diep voorover, dat niemand
zijn gezicht kon zien.

Faustina stond aan den ingang van de kleine zijstraat en zag den
zwaren tocht van den terdoodveroordeelde. Verwonderd merkte ze op,
dat hij een purperen mantel droeg en dat een doornen kroon op zijn
hoofd gedrukt was.

"Wie is die man?" vroeg zij.

Een van de omstanders antwoordde: "Dat is een, die zich keizer
maken wou."

"Dan moet hij sterven voor iets, dat niet zeer begeerenswaard is,"
zei de oude vrouw weemoedig.

De veroordeelde bezweek onder 't kruis, hij liep al langzamer. De
beulsknechten hadden een touw om zijn middel geknoopt en begonnen
daaraan te trekken om hem sneller voort te krijgen. Maar toen zij
dat deden viel de man om en bleef liggen met het kruis op zich.

Het gaf een groote opschudding. De Romeinsche soldaten hadden
moeite het volk terug te houden. Zij trokken hun zwaard tegen een
paar vrouwen, die trachtten haastig voort te komen en den gevallene
te helpen. De beulsknechten trachtten hem met slagen en stompen te
dwingen tot opstaan, maar hij kon niet om het zware kruis. Eindelijk
vatten een paar van hem dat aan om het op te lichten.

Toen hief hij het hoofd op en de oude Faustina kon zijn gezicht
zien. Zijn wangen waren gestriemd door slagen en van zijn
voorhoofd, dat door de doornenkroon gekwetst was, parelden een paar
bloeddruppels. Zijn haar hing in verwarde lokken, glibberig van zweet
en bloed. Hij hield de tanden vast op elkaar gesloten, maar zijn lippen
trilden, alsof ze met moeite een kreet terughielden. Zijn starende
oogen waren vol tranen en bijna dof,--gekweld en uitgeput als hij was.

Maar achter het gelaat van dezen halfdooden mensch zag de oude, als
in een visioen, een ander, schoon en bleek, met heerlijke oogen vol
majesteit en met zachte trekken. En plotseling werd ze aangegrepen
door smart en ontroering over het ongeluk en de vernedering van dien
vreemden man.

"O, wat heeft men U gedaan, gij Arme?" barstte zij uit en ging hem
een paar stappen tegemoet, terwijl haar oogen vol tranen schoten. Ze
vergat haar eigen verdriet en onrust voor het lijden van dezen
gemartelden Godmensch. Het was haar, alsof haar hart van medelijden
zou breken. Zij wilde, als de andere vrouwen, op hem toeloopen,
om hem aan zijn beulen te ontrukken.

De gevangene zag haar aankomen en hij kroop naar haar toe. Het was,
alsof hij verwachtte bij haar bescherming te vinden tegen allen,
die hem vervolgden en kwelden. Hij omvatte haar knieën, hij drukte
zich tegen haar aan als een kind, dat bij zijn moeder vlucht.

De oude boog zich over hem heen. En op datzelfde oogenblik, terwijl
haar tranen stroomden, voelde zij een zalige vreugde, omdat hij bij
haar bescherming was komen zoeken. Zij legde haar eenen arm om zijn
hals en, zooals een moeder allereerst de tranen van haar kind droogt,
zoo legde zij haar zweetdoek van koel fijn linnen over zijn gezicht om
de tranen en het bloed weg te wisschen. Maar op dat oogenblik waren
de beulsknechten gereed met het kruis. Zij kwamen nu en rukten den
gevangene naar zich toe. Ongeduldig over het oponthoud, sleepten zij
hem voort in woeste haast. De terdoodveroordeelde steunde luid, toen
hij werd weggevoerd van de vrijplaats, die hij gevonden had. Maar hij
bood geen weerstand. Faustina greep hem om hem vast te houden en toen
haar zwakke oude handen niets vermochten, maar ze hem zag wegvoeren,
had ze een gevoel alsof iemand haar haar eigen kind ontrukt had en
zij riep uit: "Neen, neen, neem hem niet weg van mij. Hij moet niet
sterven, hij kan niet sterven!"

Zij voelde de vreeselijkste smart en toorn, omdat hij weggevoerd
werd. Zij wilde hem na. Zij wilde met de beulen strijden en hem uit
hun handen rukken.

Maar bij den eersten stap, dien ze deed, werd zij door een duizeling
en een onmacht overvallen.

Sulpicius haastte zich den arm om haar heen te slaan om haar staande
te houden.

Naast de straat zag hij een klein donker winkeltje en hij droeg
haar daarin. Er was geen stoel of bank, maar de winkelier was een
barmhartig man. Hij sleepte een mat naar voren en maakte voor de oude
een bed op den steenen vloer.

Zij was niet bewusteloos, maar zóó sterk was de duizeling, die
haar aangegrepen had, dat ze zich niet op kon houden, maar moest
gaan liggen.

"Zij heeft een langen tocht gemaakt en het rumoer en gedrang in de stad
zijn te veel voor haar geweest," zei Sulpicius tegen den koopman. "Zij
is heel oud en niemand is toch zoo sterk, dat hij door den ouderdom
niet overwonnen wordt."

"Het is een zware dag, ook voor hen, die niet oud zijn," zei de
koopman. "De lucht is bijna te zwaar om in te ademen. Het zou mij
niet verbazen als we een hevig onweer kregen."

Sulpicius boog zich over de oude heen. Zij was ingeslapen en sliep met
rustige, geregelde ademhalingen na alle vermoeienis en aandoeningen
van den dag. Hij ging aan de winkeldeur staan om naar het volk te zien,
terwijl hij op haar ontwaken wachtte.




VII.

De Romeinsche landvoogd in Jeruzalem had een jonge vrouw en zij had
den nacht voor dat Faustina de stad binnentrok, liggen droomen.

Zij droomde, dat ze op het dak van haar huis stond, en neerzag op de
mooie groote binnenplaats, die volgens de Oostersche zeden met marmer
geplaveid was en met edele gewassen beplant.

Maar op die plaats zag zij verzameld alle zieken en blinden en
gebrekkigen, die in de wereld waren. Zij zag de pestzieken met
lichamen, door builen opgezwollen, de melaatschen met verteerde
aangezichten, de lammen, die zich niet konden verroeren, maar hulpeloos
op het veld lagen en al de ellendigen, die jammerden van smart en
pijn. En ze drongen allen naar de poort om in huis te komen en enkele
van de voorsten bonsden met harde slagen op de deur van het paleis.

Eindelijk zag ze, dat een slaaf de deur opende, op den drempel ging
staan en zij hoorde, dat hij hun vroeg wat ze wilden.

Toen antwoordden zij hem en zeiden: "Wij zoeken den grooten Profeet,
dien God op aarde gezonden heeft. Waar is de Profeet van Nazareth? Hij,
die de meester van alle plagen is? Waar is Hij, die ons verlossen
kan van al ons lijden?"

Toen antwoordde de slaaf op een onverschilligen toon, zooals
paleisdienaars dien gewoonlijk aannemen als ze arme vreemdelingen
afwijzen: "Het baat u niets om den grooten Profeet te zoeken. Pilatus
heeft hem gedood."

Toen ging van al die zieken een weeklagen en jammeren en tandenknarsen
op, dat zij het niet aanhooren kon. Haar hart werd verscheurd door
medelijden en de tranen stroomden haar uit de oogen. Maar doordat ze
was beginnen te schreien, was ze wakker geworden.

Weer was ze ingeslapen en weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van
haar huis stond, en ze zag neer op de groote plaats, die zoo breed
als een markt was.

En zie, de plaats was vol van alle menschen, die waanzinnig en
zielsziek waren en bezeten door booze geesten. En ze zag enkelen, die
naakt waren en enkelen die in hun lange haren waren gehuld, en sommigen
die zich kransen van stroo hadden gevlochten of mantels van gras en
meenden, dat ze koningen waren. En anderen, die op den grond kropen en
meenden, dat ze dieren waren. En weer anderen, die altijd schreiden
over een verdriet, dat zij geen naam konden geven. En sommigen, die
zware steenen kwamen aanslepen, die ze zeiden, dat van goud waren. En
weer anderen, die geloofden, dat booze geesten door hun mond spraken.

Zij zag ze allen dringen naar de poort van het paleis. En zij, die het
dichtst bij stonden, klopten en bonsden om binnen te komen. Eindelijk
werd de deur geopend en een slaaf kwam naar buiten en vroeg hun:
"Wat verlangt ge?"

Toen begonnen allen te roepen en zeiden:

"Waar is de groote Profeet van Nazareth, Hij, die door God gezonden
is en die ons onze ziel en ons verstand zal weergeven?"

Zij hoorde, dat de slaaf antwoordde op den onverschilligsten toon van
de wereld: "Het dient nergens toe, dat ge den grooten Profeet zoekt,
Pilatus heeft hem gedood."

Toen dit gezegd werd, gaven al de waanzinnigen een kreet, die klonk
als het brullen van wilde dieren, en in hun vertwijfeling begonnen
zij zich zelf te verwonden, zoodat het bloed op de steenen vloot,
en toen zij, die droomde, hun ellende zag, begon ze haar handen te
wringen en te jammeren. En ze werd wakker van haar eigen gejammer.

Maar weer was ze ingeslapen en weer bevond ze zich in haar droom op
het dak van haar huis. En om haar heen zaten haar slavinnen, die op
de cimbaal en de cither speelden en de amandelboom wierp zijn witte
bloembladen over haar heen en de klimrozen geurden.

Terwijl ze daar zat, sprak een stem tot haar: "Ga naar de balustrade,
die het dak omgeeft en zie neer op de binnenplaats."

Maar in den droom weigerde zij, en zeide: "Ik wil niets meer zien
van allen, die vannacht op mijn binnenplaats komen."

Op hetzelfde oogenblik hoorde zij van daar een gerammel van ketenen
en het gehamer van zware mokers en het geluid van hout, dat op hout
sloeg. Haar slavinnen hielden op met zang en spel, haastten zich naar
de balustrade en keken naar beneden.

En zij zelf kon ook niet blijven zitten, maar ging daarheen en zag
neer op de binnenplaats.

Toen zag ze, dat de plaats in haar huis vol was met al de arme
gevangenen van de wereld.

Zij zag hen, die anders in donkere gevangenissen lagen, gekluisterd
met zware ijzeren ketenen.

Zij zag hen, die in de donkere groeven arbeidden, en nu kwamen
aansleepen met hun mokers.

En zij, die roeiers waren op oorlogsschepen, kwamen met hun zware
roeiriemen van ijzer gesmeed.

En zij, die veroordeeld waren om te worden gekruisigd, kwamen met
hun kruisen en zij, die onthoofd moesten worden met hun bijlen.

Zij zag hen, die in slavernij waren weggevoerd naar vreemde landen
en wier oogen brandden van heimwee. Zij zag alle ellendige slaven,
die moesten werken als lastdieren, en wier ruggen bloedig waren van
geeselslagen.

Al die ongelukkigen riepen uit één mond en zeiden: "Doe open! doe
open!"

Toen trad de slaaf, die den ingang bewaakte, naar buiten en hij vroeg
hun: "Wat is het dat gij verlangt?"

En dezen antwoordden als de anderen:

"Wij zoeken den grooten Profeet van Nazareth, die op aarde gekomen
is om gevangenen hun vrijheid te geven en den slaven hun geluk."

De slaaf antwoordde met een onverschillig gezicht:

"Ge kunt hem hier niet vinden, Pilatus heeft hem gedood."

Toen dit gezegd was, was het haar, die droomde, alsof al die
ongelukkigen uitbarstten in zulk een verachting en hoon, dat zij
voelde, hoe hemel en aarde trilden. Zij zelf voelde zich versteend
van schrik, en zulk een schok ging door haar lichaam, dat ze ontwaakte.

Toen ze nu goed wakker was, ging zij overeind in bed zitten en zei
in zichzelf: "Ik wil niet meer droomen. Nu wil ik mij den heelen
nacht wakker houden, zoodat ik niets meer van al dat vreeselijke hoef
te zien."

Maar bijna op hetzelfde oogenblik, dat ze dat dacht, had de slaap
haar weer overmeesterd en zij had haar hoofd op het kussen gelegd en
was ingeslapen.

Weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van haar huis zat, en haar
zoontje sprong daar heen en weer en speelde met een bal.

Toen hoorde ze een stem, die tot haar sprak: "Ga naar de balustrade,
die 't dak omgeeft en zie, wie het zijn, die op de plaats staan
te wachten."

Maar zij, die droomde, zeide in zichzelf: "Ik heb vannacht zooveel
ellende gezien, ik kan niets meer verdragen. Ik wil blijven waar
ik ben."

Op 'tzelfde oogenblik wierp haar zoontje zijn bal zoo, dat die
buiten de balustrade viel, en het kind sprong er op toe en klom op
het hek. Toen werd zij bang, ze sprong op en greep het kind.

Maar daardoor kwam zij er toe een blik naar beneden te werpen en weer
zag zij, dat de plaats vol menschen was.

En daar waren al de menschen der aarde, die in den oorlog gewond
waren. Zij kwamen met verminkte lichamen, met afgehouwen ledematen
en met groote open wonden, waaruit bloed vloeide, zoodat de heele
plaats er door overstroomd werd.

En daarnaast verdrongen zich alle menschen der aarde, die hun geliefden
op het slagveld verloren hadden. Het waren de vaderloozen, die hun
verdedigers betreurden en de jonge vrouwen, die om haar geliefden
riepen, en de ouden, die om hun zonen zuchtten.

Die het meest vooraan stonden, drongen naar de deur en de poortwachter
kwam zooals te voren en opende de deur.

En hij vroeg allen, die in twisten en gevechten gewond waren: "Wat
zoekt gij in dit huis?" En zij antwoordden: "Wij zoeken den grooten
Profeet van Nazareth, die strijd en oorlog verbieden zal en vrede op
aarde brengen. Wij zoeken hem, die de speer tot een zeis zal maken
en het zwaard tot een wijngaardmes."

Toen antwoordde de slaaf: "Laat nu niet meer menschen mij komen plagen,
ik heb het nu al zoo dikwijls gezegd: "De groote Profeet is hier
niet. Pilatus heeft hem gedood."" Daarop sloot hij de poort. Maar
zij, die droomde, dacht aan al het gejammer, dat nu komen zou. "Ik
wil het niet meer hooren," zei ze en snelde weg van de balustrade. Op
'tzelfde oogenblik werd zij wakker en toen merkte ze, dat zij in haar
schrik uit haar bed op den kouden steenen vloer gesprongen was.

Weer had zij gedacht, dat zij dien nacht niet meer slapen wou en
weer had haar de slaap overmand, zoodat zij haar oogen gesloten had
en was beginnen te droomen.

Weer stond zij op het dak van een huis en naast haar stond haar man,
en zij vertelde hem van haar droomen en hij lachte haar uit.

En weer hoorde ze een stem, die tot haar sprak: "Ga naar de menschen
zien, die op uw binnenplaats wachten."

Maar zij dacht: "Ik wil ze niet zien. Ik heb vannacht ongelukkigen
genoeg gezien."

Op 'tzelfde oogenblik hoorde ze drie harde slagen op de poort en haar
man ging naar de balustrade om te zien wie het was, die in zijn huis
verlangde binnen te komen. Maar nauwelijks had hij zich over het hek
gebogen of hij wenkte zijn vrouw om bij hem te komen.

"Kent gij dien man niet?" vroeg hij en wees naar beneden.

Toen zij naar beneden zag op de binnenplaats, merkte zij, dat die
vol was van ruiters en paarden. Slaven waren bezig ezels en kameelen
te ontdoen van hun lasten. Het scheen, dat een voornaam reiziger
was aangekomen.

Aan den ingang stond de reiziger. Hij was een groot oud man met breede
schouders en een zwaarmoedig en somber uiterlijk.

De droomende herkende dadelijk den vreemdeling en ze fluisterde haar
man toe: "Dat is Caesar Tiberius, die naar Jeruzalem gekomen is. Het
kan niemand anders zijn."

"Ik meen hem ook te herkennen," zei haar man en legde dadelijk
den vinger op den mond als een teeken, dat ze stil moesten zijn en
luisteren naar wat er beneden op de plaats gezegd werd.

Ze zagen, dat de deurwachter naar buiten kwam en den vreemde vroeg:
"Wien zoekt gij?"

En de reiziger antwoordde: "Ik zoek den grooten Profeet van Nazareth,
die begiftigd is met Gods wonderdoende kracht. Keizer Tiberius roept
hem, opdat hij hem bevrijden zal van een vreeselijke ziekte, die geen
ander geneesmeester wegnemen kan."

Toen hij uitgesproken had boog zich de slaaf zeer ootmoedig en zei:
"Heer, wees niet vertoornd, maar uw wensch kan niet vervuld worden."

Toen wendde zich de keizer tot zijn slaven, die achteraan op de plaats
wachtten en gaf hun een bevel.

Toen haastten zich de slaven; sommigen hadden de handen vol
versiersels, anderen hadden schalen opgehoopt met paarlen, anderen
sleepten met zakken vol gouden munten. De keizer wendde zich tot den
slaaf, die de poort bewaakte en zeide: "Dit alles zal 't zijne zijn,
als hij Tiberius bijstaat. Hiermee kan hij al den armen der aarde
rijkdom geven."

Maar de deurwachter boog zich nog dieper dan te voren en zeide:
"Heer, wees niet vertoornd op uw dienaar, maar uw begeerte kan niet
worden vervuld."

Toen wenkte de keizer zijn slaven nog eens en een paar van hen kwamen
haastig aan met een rijk geborduurd kleed, waarop een borststuk van
juweelen glinsterde.

En de keizer sprak tot den slaaf: "Zie hier. Wat ik hem aanbied is de
macht over Judea. Hij zal zijn volk besturen als de hoogste rechter,
als hij mij maar volgt en Tiberius geneest."

Maar de slaaf boog zich nog dieper ter aarde en sprak: "Heer, het
staat niet in mijn macht u te helpen."

Toen wenkte de keizer nogmaals en zijn slaven kwamen haastig aan met
een gouden hoofdring en een purperen mantel.

"Zie," sprak hij, "dit is de wil des keizers. Hij belooft hem te
benoemen tot zijn erfgenaam en hem heerschappij over de wereld te
geven. Hij zal de macht hebben de geheele aarde te besturen volgens
den wil van zijn God. Als hij maar van te voren zijn hand uitsteekt
en Tiberius geneest."

Toen viel de slaaf ter aarde voor de voeten van den keizer en sprak
jammerend:

"Het staat niet in mijn macht U te gehoorzamen. Hij, dien gij zoekt,
is niet meer hier, Pilatus heeft hem gedood."




VIII.

Toen de jonge vrouw wakker werd was het reeds helder dag en haar
slavinnen stonden te wachten om haar te helpen met aankleeden. Zij
was heel stil, terwijl zij zich kleedde, maar eindelijk vroeg zij
de slavin, die haar kapte of haar man al op was. Zij hoorde toen,
dat hij geroepen was om recht te spreken over een misdadiger.

"Ik had hem graag willen spreken," zei de jonge vrouw.

"Meesteres," zei de slavin, "dat gaat moeilijk nu midden onder het
rechtsgeding. Wij zullen u bericht brengen zoodra het afgeloopen is."

Zij bleef nu zwijgend zitten tot ze geheel gekleed was. Toen vroeg ze:
"Heeft iemand van u hooren spreken van een profeet uit Nazareth?"

"De Profeet van Nazareth! Dat is een Joodsch wonderdoener," antwoordde
dadelijk een der slavinnen.

"Dat is wonderlijk, Meesteres, dat gij vandaag naar hem vraagt,"
zei een andere slavin. "Hij is het juist, dien de Joden hier naar het
paleis gebracht hebben om hem door den landvoogd te laten verhooren."

Zij beval dadelijk, dat ze zouden gaan hooren, waarvoor hij was
aangeklaagd. En een van de slavinnen verwijderde zich.

Toen zij terugkwam zei ze: "Ze klagen hem aan, omdat hij zich tot
koning over dit land maken wil en zij roepen, dat de landvoogd hem
moet laten kruisigen."

Maar toen de vrouw van den landvoogd dit hoorde, werd zij zeer
verschrikt en zeide: "Ik moet mijn man spreken! anders gebeurt hier
vandaag een ontzettend ongeluk."

Toen de slavinnen haar nog eens zeiden, dat dit onmogelijk was,
begon ze te beven en te schreien, en een van haar werd bewogen,
zoodat ze zei:

"Als gij een schriftelijke boodschap wilt zenden aan den landvoogd,
zal ik trachten hem die te brengen."

Zij nam dadelijk een stift en schreef eenige woorden op een
wastafeltje, en dat werd aan Pilatus overgebracht.

Maar hem zelf kon ze niet alleen spreken dien heelen dag, want toen
hij de Joden had weggezonden en de veroordeelde was weggeleid naar
de gerechtsplaats, was het tijd voor den maaltijd, en daarvoor had
Pilatus een paar van de Romeinen uitgenoodigd, die in dien tijd in
Jeruzalem waren. Het waren de aanvoerder van de troepen, een jonge
leeraar in de welsprekendheid en nog een paar anderen.

Die maaltijd was niet heel opgewekt, want de vrouw van den landvoogd
zat zwijgend en ontstemd, zonder aan het gesprek deel te nemen.

Toen de gasten vroegen of ze ziek of bedroefd was, vertelde de
landvoogd lachend van de boodschap, die ze hem dien morgen gezonden
had, en hij schertste er over, dat zij gemeend had, dat een Romeinsch
landvoogd zich bij zijn rechtspraak zou laten leiden door de droomen
van een vrouw.

Zij antwoordde stil en bedroefd: "Voorwaar, dit was geen droom, maar
een waarschuwing, door de goden gezonden. Gij hadt tenminste den man
dezen eenen dag nog in 't leven moeten laten."

Zij zagen, dat ze werkelijk bedroefd was. Zij wilde zich niet laten
troosten, hoezeer ook de gasten zich inspanden om haar door een
onderhoudend gesprek die dwaze inbeeldingen te doen vergeten.

Maar na een poos hief een van hen 't hoofd op en zei: "Wat is
dat? Hebben we zóó lang aan tafel gezeten, dat de dag al voorbij is?"

Allen zagen nu op, en zij merkten, dat een zwakke schemering daalde. 't
Was vooral merkwaardig te zien hoe heel het bonte kleurenspel, dat
over alle dingen en alle wezens ligt, zachtkens uitdoofde, zoodat
alles eentonig grijs scheen.

Evenals al 't andere verloren ook hun eigen aangezichten hun kleur.

"Wij zien er uit als dooden", zei de jonge redenaar met een
rilling. "Onze wangen zijn grauw en onze lippen zwart."

Terwijl deze duisternis al dieper werd nam ook de angst der jonge
vrouw toe.

"Ach, liefste!" riep ze eindelijk uit, "ziet ge nu nog niet in, dat
de onsterfelijken u willen waarschuwen? Zij zijn vertoornd, omdat ge
een heilig en onschuldig man ter dood hebt veroordeeld! Ik denk, dat,
al is hij nu misschien al aan 't kruis geslagen, hij nog niet gestorven
is. Laat hem afnemen van het kruis. Ik wil met eigen handen zijn wonden
verbinden. Sta alleen toe, dat hij in 't leven teruggeroepen wordt."

Maar Pilatus antwoordde lachend: "Zeker hebt gij gelijk, dat
dit een teeken van de goden is. Maar zij laten de zon haar glans
niet verliezen, omdat een Joodsche dwaalleeraar tot den kruisdood
veroordeeld is. Daarentegen kunnen wij gewichtige gebeurtenissen
verwachten, die het geheele rijk betreffen. Wie kan weten, hoelang
nog de oude Tiberius..."

Hij voltooide den zin niet, want de duisternis was zóó diep geworden,
dat hij niet eens den wijnbeker vlak voor hem kon zien staan. Hij
hield op om den slaven te bevelen haastig een paar lampen te brengen.

Toen het zoo licht geworden was, dat hij het gezicht van zijn gasten
zien kon, kon hem de ontstemming, die zich van hen meester maakte,
onmogelijk ontgaan.

"Zie nu eens," zei hij tot zijn vrouw. "Nu komt' t mij voor, dat het
u gelukt is ons genoegen te bederven met uw droomen. Maar als ge nu
eenmaal aan niets anders denken kunt, laat ons dan liever hooren,
wat ge gedroomd hebt. Vertel het ons en wij zullen beproeven de
bedoeling te begrijpen."

Hiertoe was de jonge vrouw dadelijk bereid. En terwijl zij 't eene
visioen na het andere vertelde, werden haar gasten al ernstiger. Zij
lieten hun bekers onaangeroerd staan en er kwamen rimpels in hun
voorhoofd. De eenige, die bleef lachen en alles onzin noemde, was de
landvoogd zelf.

Toen 't verhaal uit was, zei de jonge redenaar: "Voorwaar, dat is
meer dan een droom, want ik heb vandaag niet den keizer, maar zijn
oude vriendin Faustina de stad zien binnentrekken. Het verwondert
mij alleen, dat zij zich nog niet heeft vertoond in 't paleis van
den landvoogd."

"Er loopt werkelijk een gerucht, dat de keizer door een vreeselijke
ziekte is aangetast," merkte de aanvoerder op. "'t Komt ook mij
mogelijk voor, dat de droom van uw vrouw een waarschuwing is, door
de goden gezonden."

"'t Is in 't geheel niet ongelooflijk, dat Tiberius iemand tot den
Profeet heeft gezonden om hem aan zijn ziekbed te roepen," stemde de
jonge redenaar toe.

De aanvoerder wendde zich met diepen ernst tot Pilatus en sprak:
"Als de keizer werkelijk op den inval gekomen is dezen wonderdoener
bij zich te roepen, is het beter voor u en voor ons allen, dat hij
hem in 't leven vindt."

Pilatus antwoordde half boos: "Is 't die duisternis, die u allen
tot kinderen maakt? Men zou denken, dat ge allen droomuitleggers en
profeten geworden waart."

Maar de hoofdman ging voort met zijn aandringen: "'t Zou misschien
niet onmogelijk zijn het leven van dien man te redden, als ge een
ijlbode zondt."

"Ge wilt me toch niet tot spot voor de menschen maken," antwoordde de
landvoogd. "Zeg nu zelf hoe het gaan zou met recht en orde hier in 't
land, als men hoorde, dat de landvoogd een misdadiger genade schonk,
omdat zijn vrouw een akeligen droom had gehad."

"'t Is waarheid, en geen droom, dat ik Faustina in Jeruzalem gezien
heb," zei de jonge redenaar.

"Ik zal mijn handelingen wel tegenover den keizer verdedigen,"
zei Pilatus. "Hij zal wel begrijpen, dat deze dweper, die zich,
zonder weerstand te bieden, door mijn knechten liet mishandelen,
hem niet had kunnen helpen."

Op 'tzelfde oogenblik, dat hij deze woorden uitsprak, dreunde het huis
als door een geweldigen rollenden donderslag, en een aardbeving deed
het veld schudden. 't Paleis van den landvoogd bleef onbeschadigd
staan, maar gedurende de minuten, die de aardbeving duurde, hoorde
men van alle kanten een schrikwekkend gedruisch van instortende huizen
en vallende pilaren.

Zoodra een menschenstem zich kon laten hooren, riep de landvoogd
een slaaf.

"Haast u naar de gerechtsplaats en beveel in mijn naam, dat de Profeet
van Nazareth van het kruis genomen moet worden."

De slaaf sp

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/44506