Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Langs lijnen van geleidelijkheid

by Louis Couperus · Dutch · Gutenberg #44084 · 490,330 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Langs lijnen van geleidelijkheid
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Langs lijnen van geleidelijkheid

Author: Louis Couperus


        
Release date: November 1, 2013 [eBook #44084]
                Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/44084

Credits: Produced by Annemie Arnst & Marc D'Hooghe (Images generously made available by the Internet Archive - University of Toronto, Robarts Library.)


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LANGS LIJNEN VAN GELEIDELIJKHEID ***
LANGS LIJNEN VAN GELEIDELIJKHEID

DOOR

LOUIS COUPERUS

EERSTE DEEL

L.J. VEEN--UITGEVER--AMSTERDAM

1887




I.


Het pension van de marchesa Belloni was gelegen in een van de
gezondste, zoo niet dichterlijkste wijken van Rome: de helft van het
huis was een gedeelte van een villino der oude Ludovisi-tuinen; de
oude mooie tuinen, betreurd door een ieder, die ze gekend had, vóór
de nieuwe kazernewijken verrezen waren, waar eerst het Romeinsche
villa-park zich had uitgestrekt. Het pension stond in de Via Lombardia;
het oude villino-gedeelte had voor de locataires van de marchesa zekere
antieke bekoring gehouden, en het nieuw aangebouwde perceel bood aan:
ruime kamers, moderne waterleiding en electrisch licht. Het pension
had een zekere reputatie van goed en goedkoop en aangenaam gelegen
te zijn; enkele minuten wandelens van den Pincio af, hoog gelegen,
behoefde men er niet voor malaria te vreezen, en de prijs, dien men
er voor een langer verblijf betaalde, en die acht lire nauwlijks te
boven ging, was buitengewoon voor Rome, bekend als duurder dan iedere
andere Italiaansche stad. Zoo was het pension dan ook meestal vol:
de reizigers kwamen reeds in October--die het vroegst in den season
kwamen, betaalden het minst; en behalve enkele haastige toeristen,
bleven zij meest allen tot Paschen, om na de groote kerkfeesten naar
Napels af te zakken.

Het pension was door Engelsche reiskennissen zeer aanbevolen aan
Cornélie de Retz van Loo, die alleen in Italië reisde, en uit Florence
geschreven had aan de marchesa Belloni. Het was de eerste keer, dat
zij in Italië reisde; het was de eerste keer, dat zij uitstapte aan
het groote holle station bij de Thermen van Diocletianus, en op het
plein, in de gouden zonnelucht van Rome, terwijl de groote fontein van
de Acqua Marcia ruischte, en de koetsiers klapperden met de zweepen
en met de tong--om haar aandacht te trekken--kreeg zij hare "lieve
Italiaansche sensatie", zooals zij dacht en was blij in Rome te zijn.

Zij zag een oud moeilijk loopend mannetje op haar toe komen, met het
instinct van een oud-gedienden portier, die zijn reizigers dadelijk
herkent, en zij zag op zijn pet: Hôtel Belloni en wenkte hem, en
glimlachte. Hij begroette haar als een oude kennis, met familiariteit
en eerbied tegelijk, als was hij blij haar te zien--vroeg of zij
prettig gereisd had, of zij niet moê was, geleidde haar naar de
victoria, schikte haar plaid, haar valies, vroeg het biljet van hare
koffers, en zeide, dat zij maar gaan moest: in tien minuten volgde hij
met de bagage. Zij kreeg een gevoel van gezelligheid, van verzorgd te
worden door het oude hinkende mannetje, en knikte hem vriendelijk toe,
terwijl de koetsier wegreed. Zij gevoelde zich licht en luchtig, met
even den weemoed van iets onbekends, dat haar gebeuren ging: en zij
zag links en rechts om nu te zien de straten van Rome: zij zag alleen
maar huizen en huizen, kazernehuizen; toen een groot wit paleis: het
nieuwe Palazzo Piombino--waar zij wist, dat de Juno Ludovisi was--en
toen hield hij stil, en een knoopenjongentje kwam naar haar toe. Hij
bracht haar in den salon: een donker vertrek; in het midden een tafel
vol tijdschriften, gerangschikt in een regelmatigen, nog ongelezen
cirkel; twee dames, klaarblijkelijk Engelsch, en van het esthetische
genre--groezelige haren, lossige blouses,--zaten, in een hoek, in haar
Baedekers te studeeren, voor zij uit gingen. Cornélie boog even het
hoofd, maar ontving geen groet terug; zij nam het niet kwalijk, al
bekend met Albionsche reismanieren. Zij zette zich aan tafel en nam den
Romeinschen "Herald" op, het blad, dat om de veertien dagen verschijnt
en waaruit men leert, alles wat er die weken te doen is in Rome, en nú
vroeg een der dames haar, uit haar hoek, agressief:

--I beg your pardon, maar zal u, als-u-blieft den Herald niet naar uw
kamer meênemen?

Cornélie richtte heel hoog en kwijnend haar hoofd in de richting op
waar de dames zaten, zag vaag over hare groezelige hoofden heen, zeide
niets en blikte weêr terug in den Herald, en zij vond zich zeer bereisd
en glimlachte inwendig, omdat zij wist hoe men deed tegen dit genre van
Engelsche dames.

De marchesa trad binnen, en verwelkomde Cornélie in het Italiaansch,
in het Fransch. Zij was een groote dikke matrone, vulgair dik; haar
ampelen boezem omspande een zijden kuras of spencer, dat glom op de
naden en barstte onder de armen: haar grijze frizuur gaf haar iets
van een leeuw; de groote geel en blauw gebistreerde oogen sperden een
blik open, onnatuurlijk van bella-donna; in hare ooren regenboogden
ontzaglijke kristallen, en naamlooze eêlgesteenten waren aan hare dikke
vette vingertjes gerist. Zij sprak heel vlug, en Cornélie vond hare
frazen even gezellig huiselijk als de verwelkomst van den krukkenden
portier op het stationsplein. Zij liet zich door de marchesa geleiden
naar den lift, en steeg met haar in: de hydraulische lift, een
getraliede kooi, opgaande langs de trappen, steeg plechtig en bleef
eensklaps roerloos, tusschen tweede en derde verdieping.

--Derde verdieping! riep de marchesa naar omlaag.

--Non c'è aqua! riep het knoopenjongentje kalm terug, daarmeê willende
beweren, dat--hetgeen heel natuurlijk scheen,--er geen water genoeg
was om den lift in beweging te stellen.

De marchesa schreeuwde schel eenige bevelen; twee facchino's liepen
aan, heeschen zich met het ijverig doende knoopenjongentje aan den
kabel van den lift, en met schokjes steeg de kooi hooger en hooger en
bereikte eindelijk, bijna, de derde étage.

--Nog iets hooger! beval de marchesa. Maar hoe de facchino's hunne
spieren spanden, de lift bleef roerloos.

--Wij kunnen er wel uit! zei de marchesa. Wacht even.

Met een grooten stap, die haar enorme witte kuit zien liet, stapte
zij op de étage, glimlachte en reikte de hand aan Cornélie, die hare
gymnastiek navolgde.

--Wij zijn er! zuchtte de marchesa met een glimlach van voldoening.
Hier is uw kamer.

Zij opende een deur en liet een kamer zien. Hoewel het buiten een dag
van helle zon was, was de kamer als een kelder kil en vochtig.

--Marchesa, zei Cornélie dadelijk. Ik heb u geschreven om twee kamers
op het Zuiden.

--O ja? vroeg de marchesa argeloos en naïf. Ik herinnerde het me heusch
niet meer. Ja, dat is zoo een idee van de vreemdelingen: kamers op het
Zuiden.... Dit is heusch een mooie kamer.

--Het spijt mij, maar ik kan deze niet nemen, marchesa.

La Belloni bromde een beetje, ging door den corridor en opende een
ander vertrek.

--En deze kamer, signora.... Wat dunkt u hiervan....

--Is dit het Zuiden?

--Bijna.

--Ik moet het volle Zuiden hebben.

--Dit is op het Westen: u ziet uit uw raam hier de prachtigste
zonsondergangen.

--Ik moet bepaald een kamer op het Zuiden hebben, marchesa.

--Ook heb ik allerliefste vertrekjes op het Oosten: u heeft daar de
beelderigste zonsopgangen.

--Neen, marchesa....

--Heeft u geen gevoel voor natuurschoon?

--Een klein beetje, maar nog meer voor mijn gezondheid.

--Ik slaap wel op het Noorden.

--U is een Italiaansche en er gewend aan, marchesa.

--Het spijt mij wel, maar ik heb geen kamers op het Zuiden.

--Dan spijt het mij ook, marchesa, maar dan zal ik ergens anders zoeken.

Cornélie wendde zich af, als om weg te gaan. De keuze van een kamer is
soms de keuze van een leven....

De marchesa vatte haar hand en glimlachte. Zij had niet meer haar
koelen toon, maar haar stem was als balsem.

--Davvero, het is zoo een idee van vreemdelingen: kamers op het Zuiden!
Maar ik heb er nog twee hokjes. Hier....

En zij opende snel twee deuren: twee kleine gezellige zonnige
pijpelaadjes, uit de open ramen een hoog en wijd luchtgezicht over de
lagere straten en daken heen, en, blauwe dom, in de verte, Sint-Pieter.

--Het zijn mijn eenige kamers nog op het Zuiden, klaagde de marchesa.

--Deze wil ik gaarne hebben, marchesa....

--Zestien lire, glimlachte la Belloni.

--Tien, zooals u geschreven had.

--Ik zoû er twee personen in kunnen logeeren.

--Ik blijf--als het mij bevalt--den heelen winter.

--U is dapper! riep de marchesa eensklaps uit met haar liefste stem,
stem van overwonnene. U krijgt de kamers, voor twaalf lire. Laten
wij er niet verder over spreken. De kamers zijn van u. U is een
Hollandsche? Wij hebben nog een Hollandsche familie; een mama met twee
dochters en een zoon. Wil u naast ze zitten aan tafel?

--Neen, zet mij liever ergens anders; ik hoû niet van landgenooten op
reis....

De marchesa liet Cornélie alleen. Zij zag uit het raam, gedachteloos,
blij in Rome te zijn, met even den weemoed van het onbekende, dat
gebeuren ging. Er werd geklopt, hare koffers werden binnengebracht.
Zij zag, dat het elf uur was en begon uit te pakken. Haar eene kamer
was een klein zitkamertje, als een vogelkooi in de lucht, ziende over
Rome heen. Zij schikte zelve de meubels anders, drapeerde de verschoten
chaise-longue met een lap uit de Abruzzen en bevestigde eenige
portretten en fotografieën met punaises in den kalkwand, gebroken
door ruwe fresco-arabesken. En zij lachte om den rand van purperen,
pijldoorstoken harten, die het frescovak van den wand omgaf.

Zij werkte een uur en hare zitkamer was geschikt: een eigen home met
een paar eigen lappen, een schut zoo, een tafeltje zus: kussens op de
chaise-longue, boeken bij de hand. Toen zij klaar was en zitten ging
en om zich heen zag, voelde zij zich plotseling zeer eenzaam. Zij
dacht aan Den Haag, aan wat zij er achterliet. Maar zij wilde niet
denken, nam haar Baedeker en bestudeerde het Vaticaan. Zij kon er
niet hare gedachten bijhouden en nam Hare's "Walks in Rome" ter hand.
Een bel luidde. Zij was moê, voelde zich nerveus, zag in den spiegel,
zag hare haren uit den krul, haar blouse-hemd vuil van steenkool en
stof, ontsloot een tweeden koffer en verkleedde zich. Terwijl zij zich
frizeerde, schreide zij, snikte zij. De tweede bel luidde en na zich
gepoeierd te hebben ging zij naar beneden.

Zij dacht laat te zijn, maar er was niemand in de eetzaal en zij
moest wachten voor zij bediend werd. Zij beloofde zich voortaan niet
zoo dadelijk te komen. Sommige locataires keken naar binnen door de
geopende deur, zagen, dat er nog niemand aan tafel zat dan éene nieuwe
dame, en verdwenen weêr.

Cornélie zag om zich rond en wachtte af.

De eetzaal was de antieke eetzaal van het oude villino-gedeelte met een
plafond van Guercino. De kellners drentelden wat rond. Een oude grijze
hofmeester zag met een verren blik over de tafel, of alles in orde was.
Hij werd ongeduldig, omdat niemand kwam en beval, dat men Cornélie
de macaroni diende. Het viel Cornélie op, dat hij ook met het been
trok, evenals de portier. Maar de kellners waren heel jong, nauwlijks
zestien, achttien jaar en zonder het gewone kellner-aplomb.

Een dikke heer, levendig, gewichtig, pokdalig, slecht geschoren, in een
kale zwarte jas, zonder veel linnen te toonen, kwam binnen, wreef zich
in de handen, zette zich op zijn plaats, tegenover Cornélie.

Hij groette beleefd en at ook van de macaroni.

En het scheen een sein te zijn, dat men ging eten, want tal van
locataires, meestal dames, kwamen nu binnen, zetten zich en namen van
de macaroni, die de jonge kellners ronddienden onder toezicht van den
grijzen hofmeester. Cornélie glimlachte om het amuzante dier reistypes
en toen zij, onwillekeurig, naar den pokdaligen heer over zich zag,
bespeurde zij, dat hij ook glimlachte.

Hij haastte zich zijn beetje tomatensaus nog met brood te eten, boog
zich een weinig over de tafel en fluisterde bijna in het Fransch:

--Het is amuzant, niet waar?

Cornélie trok de wenkbrauwen op.

--Hoe meent u?

--Een cosmopolitisch gezelschap....

--O ja....

--U is een Hollandsche?

--Hoe weet u?

--Ik zag uw naam in het vreemdelingenboek, en daarachter: la Haye....

--Het is waar....

--Er zijn hier nog meer Hollandsche dames, daar zitten zij ... ze zijn
charmant.

Cornélie vroeg een ordinairen wijn aan den hofmeester.

--Die wijn is niet goed, zei de dikke heer, levendig. Ik heb hier
Genzano,--en hij wees op zijn fiasco. Ik betaal een klein kurkegeld en
drink mijn eigen wijn.

De hofmeester zette haar half fleschje voor Cornélie: dat was gratis
begrepen in haar pension.

Ik zal u, als u wilt, het adres geven van mijn wijn: Via della Croce
61....

Cornélie bedankte. De meer dan gewone gemakkelijkheid, levendigheid van
den pokdaligen heer vermaakten haar.

--U ziet naar den hofmeester, vroeg hij.

--U let goed op, glimlachte zij.

--Een type, onze hofmeester, Giuseppe. Hij was vroeger hofmeester in
het paleis van een Oostenrijkschen aartshertog. Hij heeft, ik weet niet
wat gedaan. Gestolen misschien. Of brutaal geweest. Of een lepel laten
vallen. Hij is gedegringoleerd. Hij is nu maar in ons pension Belloni.
Maar wat een waardigheid....

Hij boog zich voorover.

--De marchesa is zuinig. Al de bedienden hier zijn òf oud, of héél
jong. Dat betaalt minder.

Hij boog tot twee Duitsche dames: moeder en dochter, die waren
binnengekomen en naast hem plaats namen.

--Ik heb voor u de permissie, die ik u beloofd heb: om het palazzo
Rospigliosi te zien; de Aurora van Guido Reni, sprak hij in het Duitsch.

--Is dan de prins terug?

--Neen, de prins is in Parijs. Het paleis is niet te zien, behalve voor
u.

Hij boog galant.

De Duitsche dames riepen uit hoe lief hij was, hoe hij toch alles kon
doen, op alles iets vinden. Hoeveel moeite hadden zij niet gedaan om
den portier van Rospigliosi om te koopen. Het was haar niet gelukt.

Een mager Engelsch dametje had plaats genomen naast Cornélie.

--En voor u, miss Taylor, heb ik een kaart voor een vroegmis in de
eigen kapel van Zijne Heiligheid....

Miss Taylor straalde van genot.

--Is u weêr aan het sight-seeing geweest? ging de pokdalige heer voort.

--Ja, muzeum Kircher, zeide miss Taylor; maar ik ben nu doodmoê.... It
was most exquisite.

--Ik schrijf u voor vanmiddag thuis te blijven, miss Taylor, en uit te
rusten.

--Ik heb een afspraak om naar den Aventijn te gaan....

--U mag niet. U is moê. Iederen dag ziet u er slechter uit en wordt
u magerder. Rome is te vermoeiend voor u. U moet rust nemen, anders
krijgt u niet de kaart voor de vroegmis.

De Duitsche dames lachten. Miss Taylor beloofde, gestreeld, zalig. Zij
zag naar den pokdaligen heer, of zij van hem het woord der wijsheid
moest vernemen.

Het déjeuner was afgeloopen: de biefstuk, de pudding, de droge vijgjes.
Cornélie stond op.

--Mag ik u even inschenken, uit mijn flesch? vroeg de dikke heer.
Proeft u eens mijn wijn. Vindt u dien goed? Dan bestel ik, in de Via
della Croce, een fiasco voor u....

Cornélie wilde niet weigeren. Zij dronk. De wijn was heerlijk zuiver.
Zij dacht, dat het goed zoû zijn in Rome een zuiveren wijn te drinken
en terwijl zij zoo dacht, scheen de dikke heer haar snelle denken te
lezen.

--Het is goed, zeide hij; als u in Rome, waar het leven vermoeiend is,
een versterkenden wijn drinkt.

Cornélie beaamde het.

--Dit is Genzano, van twee-vijf-en-zeventig lire de fiasco. U doet
daar lang meê, de wijn bederft niet. Ik bestel u dus een fiasco.

Hij boog in het rond tegenover de dames en vertrok.

De Duitsche dames bogen tegen Cornélie.

--Altijd zoo minzaam, die Mr. Rudyard....

--Wat zoû hij zijn, dacht Cornélie. Fransch, Duitsch, Engelsch,
Amerikaansch?




II.


Zij had na het lunch een victoria genomen, en een toer gemaakt door
Rome, als een eerste kennismaking met de stad, waarnaar zij zoo
verlangd had. Die eerste indruk was haar een groote teleurstelling
geweest. Hare frissche verbeelding, hare lectuur, zelfs hare
fotografieën, in Florence gekocht en met de liefde van een pas
beginnend toerist bestudeerd, hadden haar al een illuzie gegeven van
een stad uit een ideale oudheid, een ideale Renaissance, en zij had
vergeten, dat, vooral in Rome, het leven meêdoogenloos is voortgegaan,
en de tijden er niet in gebouwen en ruïnes opstaan als afzonderlijke
perioden, maar iedere periode door dagen en jaren verbonden is aan de
volgende, nauw aaneengeschakeld.

Zoo had zij den koepel van Sint-Pieter klein kunnen vinden; het Corso
nauw; de zuil van Trajanus, een zuil als een andere; en het Forum had
zij niet gezien terwijl zij er langs reed, en bij den Palatijn had zij
aan geen enkelen keizer kunnen denken.

En zij was nu thuis en moê, en rustte uit en dacht na, weemoedig en
toch genietende van hare vage gedachten, van de stilte rondom haar
heen, in het groote huis, waar de meeste pensionnaires nog niet
teruggekeerd waren. Zij dacht aan Den Haag, aan hare groote familie,
vader, moeder, broers en zusters, die zij vaarwel gezegd had voor
geruimen tijd, om te reizen. Haar vader, gepensionneerd kolonel van
de huzaren, zonder groot fortuin, had haar niets kunnen meegeven voor
haar gril, zooals hij zeide, en zij had zich dien gril, van een nieuw
leven te beginnen, niet kunnen inwilligen zonder een klein legaat, dat
zij reeds jaren geleden van een peettante geërfd had. Zij was blij
eenigszins onafhankelijk te zijn, hoewel zij voelde het egoïsme van die
onafhankelijkheid....

Maar wat had zij voor haar kring kunnen doen, na het éclat van hare
scheiding? Zij was zwak--egoïst--; zij wist het; maar zij had een slag
gehad, waaronder zij eerst gedacht had te zullen bezwijken. En toen
zij toch leefde, had zij bijéen geschraapt haar beetje energie, en zich
gezegd, dat zij niet kon blijven bestaan in hetzelfde kringetje van
hare zusters en vriendinnetjes, en had zij haar leven gedwongen een
anderen kant uit te gaan. Zij had steeds den tact bezeten van een oude
japon een schijnbaar nieuw toilet te arrangeeren, een hoed van verleden
jaar te herscheppen tot een nieuwerwetschen hoed, en zoo had zij ook nu
gedaan met haar verstrooid en ellendig leven, verwaaid en gebroken: zij
had bij elkaâr gezocht, als met een zuinigheid, wat nog over was en nog
goed, en van die overblijfselen had zij zich een nieuw bestaan gemaakt.
Maar dit nieuwe leven kon niet ademen in de oude atmosfeer, was er
doelloos, vreemd, en zij had het weten te dwingen een andere richting
uit, trots allen weêrstand van familie en kennissen. Misschien had zij
dit niet zoo vermocht, als zij niet zoo gebroken was geweest. Misschien
had zij die energie niet zoo gevoeld als zij maar een beetje geleden
had. Zij had hare kracht en zij had hare zwakte; zij was zeer geheel,
en zij was toch zeer verscheiden en deze complexiteit was misschien
geweest de redding voor hare jeugd.

Daarbij, zij wàs heel jong; drie-en-twintig; en op dien leeftijd is
er een onbewuste levenskracht, trots alle schijnbare zwakte. En hare
tegenstrijdigheden vormden haar evenwicht, zoodat zij niet overhelde
naar den afgrond.... Dat alles ging als wolkjes vaag door haar heen,
niet met het concieze van woorden, maar met de nevels van moê gedroom.
Zooals zij daar lag, zag zij er niet uit of zij ooit die kracht van
nieuwe richting aan haar leven geven, beoefend had. Een bleeke tengere
vrouw, rank, met gebroken bewegingen, liggende op een langen stoel, in
haar niet geheel meer frisschen peignoir, waarvan het rose verbleekt,
de kant verkreukeld was. En toch was er die poëzie van haarzelve om
haar heen, trots die moede oogen, de slappe lijnen van haar kleed,
trots de pensionkamer, met het vlug in elkaâr gezette comfort, dat
meer tact was dan werkelijkheid en in iederen koffer geborgen kon
worden. Zij had in haar broze figuur, in haar bleeke, meer fijne
dan mooie trekken, zij had om zich heen als een halo, de poëzie van
zichzelve, als een atmosfeer, die zij onbewust om zich heen straalde,
die uitging van haar oogen over de dingen, waarop zij staarde, uit
hare vingers over de dingen, waarover zij streek. Voor wie haar niet
sympathiek waren, was die atmosfeer het ongewone, het excentrieke, het
niet-Haagsche-vrouwtjesachtige, dat men haar dan verweet. Voor wie
haar sympathiek waren, was dat iets van talent, iets van ziel, iets
bizonders, dat bijna genie, maar ontzenuwd scheen, en groote bekoring
gaf, en veel deed denken, en veel beloofde: misschien te veel om te
houden. En deze vrouw was het kind van haren tijd maar vooral van hare
omgeving, en daarom zoo weinig af: strijdigheid tegen strijdigheid, in
evenwicht van tegenstrijdigheden, dat haar ondergang kon zijn, of haar
behoud, maar in elk geval haar noodlot.

Zij voelde zich eenzaam in Italië. Zij had weken gewoond in Florence,
en zij had er een rijk leven pogen te leven van kunst en verleden. Dan
vergat zij wel veel van zichzelve, maar voelde zich toch eenzaam. Zij
was twee weken in Sienna geweest, maar Sienna had haar beklemd: de
sombere straten, de doodsche paleizen, en zij had gesmacht naar Rome.
Maar zij had Rome dien middag nog niet gevonden. En al voelde zij
zich moê, zij voelde zich vooral eenzaam, doodeenzaam en nutteloos op
een groote wereld, in een groote stad, een stad, waar men het groote
en nuttelooze, en eeuwenwijde, misschien zóó voelt als nergens. Zij
voelde zich als een kleine atoom van leed, als een mier, een insect,
lam getrapt, half verpletterd, tusschen de inmense koepelingen van
Rome, die zij buiten ried.

En hare hand dwaalde ijdel over hare lectuur, die zij, zoo nauwgezet
van geweten, bij zich op een tafeltje gestapeld had: eenige vertaalde
klassieken: Ovidius, Tacitus, en dan Dante, Petrarca, Tasso. Het
schemerde in hare kamer, het was geen licht om te lezen, zij was
te weifelend om te bellen voor een lamp; een kilte dreef door haar
kamertje, nu de zon geheel onder was, en zij had vergeten te laten
stoken dien eersten dag. Wijd was de eenzaamheid om haar heen, pijn
deed haar heur leed, haar ziel verlangde naar een ziel, maar haar
mond naar een zoen, haar armen naar hèm, eenmaal haar man, en zich
omwentelend in hare kussens, vroeg zij, uit het diepst van zichzelve,
wringend de handen:

--O God, zèg mij wat ik doen moet!




III.


Het diner was gonzend van stemmen; om de drie, vier lange tafels was
het vol; de marchesa zat aan het hoofd der middentafel. Nu en dan
wenkte zij ongeduldig Giuseppe, den ouden hofmeester, die een lepel had
laten vallen aan een aartshertogelijk hof, en de piepjonge kennertjes
draafden buiten adem rond. Cornélie vond, over haar gezeten, den
welwillenden dikken heer, dien de Duitsche dames Mr. Rudyard noemden,
en vóór haar couvert haar fiasco Genzano. Zij bedankte lachende, en
sprak met Mr. Rudyard, het gewone praatje: dat zij getoerd had dien
middag, de eerste kennismaking met Rome, het Forum, de Pincio. Zij
sprak met de Duitsche dames en met de Engelsche, die altijd zoo moê
was van het "sight-seeing", en de Duitsche, eene "Baronin", en de
dochter, "Baronesse", lachten met haar om de twee esthetischen, die
Cornélie dien morgen al in den salon had aangetroffen. Deze twee zaten
op eenigen afstand; lang en hoekig, groezelig van haar, in zonderling
uitgeknipte evening-dress, die borst en armen vertoonde, comfortabel
gedekt door een grauwen Jaeger-borstrok, waarover dan nog rustig-weg
snoeren van groote blauwe kralen hingen. Haar beider blik weidde over
de lange tafel, als beklaagden zij een ieder, die in Rome gekomen was
om kunst te leeren kennen, omdat zij beiden alleen wisten wat kunst
in Rome was. Zij lazen onder het eten, dat zij onsmakelijk, bijna met
de vingers, deden, in esthetische werken, de wenkbrauwen gefronst,
en nu en dan verstoord opkijkende, omdat men aan tafel praatte. Zij
vertoonden in hare waanwijsheid, hare onmogelijke manieren, en kleedij
van minder dan geen smaak, en daarbij nog groote aanstellerigheid,
types van reizende Engelsche dames, zooals men ze nergens anders
ontmoet dan in Italië. De kritiek over haar was aan tafel eenstemmig.
Ze kwamen iederen winter in het pension Belloni, en waschten aquarellen
in het Forum of op de Via Appia. En zij waren zóó opmerkelijk van
ongeziene oorspronkelijkheid, in hare hoekige groezeligheid, met de
avondjapon, de Jaegers, de blauwe snoeren, de esthetische werken,
en hare, vleesch uitrafelende, vingers, dat aller oogen steeds naar
haar toegingen, als onder een medusa-achtige suggestie. De jonge
barones, een type uit de Fliegende Blätter, geestig, vlug, met haar
rond Duitsche gezichtje en hoog geteekende wenkbrauwen, lachte met
Cornélie, en toonde haar in een schetsboek een vlugge krabbel, die
zij van de twee esthetische dames gemaakt had, toen Giuseppe eene
jonge dame leidde aan het einde van de tafel, waar Cornélie en
Rudyard over elkander zaten. Zij was klaarblijkelijk pas aangekomen,
groette met een "evening" in het rond, en ging ruischende zitten. Van
de esthetische dames af, gingen aller oogen naar deze nieuweling.
Men zag dadelijk, dat zij een Amerikaansche was, bijna te mooi, te
jong, om zoo maar alleen te reizen, met een glimlachend aplomb, of
zij thuis was, heel blank, heel mooie donkere oogen, tanden als een
reclame voor een dentiste, haar volle buste gegoten in mauve laken met
zilveren passement geheel gearabeskeerd, op haar zwaar uitgegolfde
haren een grooten mauve hoed met een cascade van zwarte struisveêren,
vastgehouden door een te groote gesp van strass. Bij iedere beweging
ruischte de zijde van haar onderrok, wuifden de pluimen, schitterde
het strass. En niettegenstaande deze opzichtigheid was zij als een
kind, misschien even twintig jaar, met een naïeven blik: zij richtte
dadelijk het woord tot Cornélie, tot Rudyard; zeide, dat zij moê was,
van Napels kwam, gisteren avond gedanst had bij prins Cibo, dat zij
heette Miss Urania Hope, dat haar vader woonde te Chicago, dat zij twee
broêrs had, die, trots het fortuin van papa werkten op een hoeve in de
Far West, maar dat zij als een bedorven kindje was grootgebracht door
haar vader, die echter wilde, dat zij op haar eigen kon staan, en haar
daarom alleen liet reizen, in de Oude Wereld, in "dear old Italy".
Zij vond het heerlijk te hooren, dat Cornélie ook alleen reisde, en
Rudyard plaagde de dames met haar nieuwe begrippen, maar de baronin en
de baronesse juichten toe. Miss Hope vatte dadelijk eene genegenheid
op voor hare Hollandsche medereizigster en wilde afspraken maken,
maar Cornélie, huiverig, weerde zacht af, zeide, dat zij het druk
had, studeeren in de muzea wilde. Zóó ernstig dus, vroeg Miss Hope
met eerbied, en de onderrok ruischte, de pluimen wuifden, het strass
schitterde. Zij maakte op Cornélie den indruk van eene bonte kapel,
die dartel en onbezonnen zich wel eens te pletter kon vliegen tegen
de serre-glazen van het nauwe leven. Zij voelde wel geen sympathie
voor dat mooie vreemde wezentje, dat er uitzag als een cocotte en een
kind tegelijk, maar zij voelde medelijden, waarom, wist zij niet. Na
den eten stelde Rudyard aan de beide Duitsche dames voor, een kleine
wandeling te maken. De jonge baronesse kwam naar Cornélie, vroeg of
zij meêging, om Rome te zien in den maneschijn, vlak bij, bij de villa
Medici. Zij was dankbaar voor dat vriendelijke woord, en ging even een
hoed opzetten, toen Miss Hope haar achterna liep.

--Blijf bij mij zitten in het salon....

--Ik ga wandelen met de baronin, antwoordde Cornélie.

--Die Duitsche dame?

--Ja.

--Is zij van adel?

--Ik vermoed van wel.

--Is er veel adel in dit pension? vroeg Miss Hope gretig.

Cornélie lachte.

--Ik weet het niet. Ik ben hier pas sedert van morgen.

--Ik geloof wel, dat er veel adel is. Ik heb gehoord, dat hier veel
adel was. Is u van adel?

--Geweest! lachte Cornélie. Maar ik heb mijn titel af moeten schaffen.

--Hoe jammer! riep Miss Hope uit. Adel is zoo lief. Weet u wat ik heb?
Een album met wapens, van allerlei geslachten, en een ander album
met staaltjes zij en brokaat van iedere baljapon van de koningin van
Italië.... Wil u het eens zien?

--Dolgaarne! lachte Cornélie. Maar nu moet ik mijn hoed opzetten.

Zij ging, zij kwam terug, een hoed op, een pélérine om: de Duitsche
dames en Rudyard wachtten reeds in de vestibule en vroegen waarom
zij lachte. Zij vertelde van het stalenalbum der baljaponnen van de
koningin, en het was een groote vroolijkheid.

--Wie is hij? vroeg zij aan de baronin, terwijl zij met deze voorging,
de Via Sistina door; de baronesse volgde met Rudyard.

Zij vond de baronin een charmante vrouw, maar haar trof in deze
Duitsche vrouw, uit militaire adelkringen, een koud cynischen blik op
het leven, niet bepaald eigen aan hare Berlijnsche omgeving.

--Ik weet het niet, antwoordde de baronin onverschillig. Wij reizen
veel. Wij hebben op het oogenblik geen huis in Berlijn. Wij willen
pleizier van onze reis hebben. Mr. Rudyard is heel aardig. Hij helpt
ons met allerlei: kaarten voor een mis van den Paus, introducties hier,
invitaties daar. Hij schijnt veel invloed te hebben. Wat kan het mij
schelen, wie en wat hij is. Else denkt ook zoo. Ik neem van hem aan,
wat hij ons geeft, en verder dring ik niet in hem door....

Zij liepen voort.

De baronin nam Cornélie's arm.

--Mijn beste kind, vind ons niet al te cynisch. Ik ken je bijna nog
niet, maar ik voel sympathie voor je. Zoo vreemd, niet waar, op reis,
in eens aan een table-d'hôte, bij een magere kip. Vind ons niet
slecht, niet cynisch. Ach, misschien zijn wij het. Men wordt zoo door
ons cosmopolitisch, plichtvrij, bandenloos leven: onedel, cynisch en
egoïst. Heel egoïst. Rudyard bewijst ons veel diensten. Waarom zoû ik
ze niet aannemen. Het kan mij niet schelen wat en wie hij is. Ik bind
mij niet aan hem.

Cornélie zag onwillekeurig om. In de bijna donkere straat zag zij
Rudyard en de jonge baronesse, bijna fluisterend en geheimzinnig.

--En denkt uw dochter ook zoo?

--O ja. Wij binden ons niet aan hem. Wij voelen niet eens sympathie
voor hem, met zijn pokdalig gezicht en zijn zwarte nagels. Wij nemen
alleen zijn introducties aan. Doe ook zoo. Of ... doe het niet. Het is
misschien edeler als je het niet doet. Ik, ik ben erg egoïst geworden,
door ons reizen. Wat kan het mij schelen....

De donkere straat scheen tot vertrouwen uit te lokken, en Cornélie
begreep iets van die cynische onverschilligheid, bizonder in eene
vrouw, opgevoed in enge begrippen van plichtmatigheid en moraal. Edel
was het niet; maar was het niet moêheid om het plagen van het leven?
Hoe dan ook, vaagweg begreep zij het: die onverschillige toon, dat
nonchalante schouderophalen....

En zij sloegen langs het Hôtel Hassler om, en naderden de villa Medici.
De volle maan vloot haar vloed uit van wit licht, en Rome lag in den
blauwen blankigen nachtgloed. Uit den vollen beker der fontein, onder
de zwarte steeneiken, wier loover de schilderij van Rome omvatte in een
ebben lijst, plaste, klaterend, het overvloedige water af....

--Rome moet wel mooi zijn, zei Cornélie zacht.

Rudyard en de baronesse waren ook nader gekomen, en hoorden Cornélie's
woorden.

--Rome _is_ mooi, zeide hij ernstig. En Rome is meer. Rome is een
groote troost voor velen.

In den blauwigen maannacht troffen zijne woorden haar. De stad scheen
mystiek aan te golven aan hare voeten. Zij zag hem aan: hij stond
voor haar, in zijn zwarte jas, zonder veel linnen: altijd een dikke
beleefde heer. Zijn stem was heel doordringend, met een rijken klank
van overtuiging. Zij zag hem lang aan, niet van zichzelve zeker en vaag
gevoelende een naderende suggestie, maar stil antipathiek.

Toen zeide hij nog na, als wilde hij haar niet te veel laten nadenken
over het woord, dat hij gesproken had:

--Een groote troost, voor velen ... omdat schoonheid troost....

En zij vond zijn laatste woord een esthetische banaliteit, maar hij had
het ook bedoeld, dat zij het zoo vinden zoû.




IV.


De eerste dagen in Rome vermoeiden Cornélie zeer. Zij deed te veel,
als een ieder, die pas in Rome is; zij wilde de geheele stad in
eens omhelzen, en de afstanden, schoon met rijtuig afgelegd, de
eindelooze galerijen der muzea braken haar van vermoeidheid. Daarbij
ondervond zij telkens teleurstellingen, in schilderijen, in beelden,
in gebouwen. Eerst dorst zij zich die teleurstellingen niet bekennen,
maar op een middag, doodmoê, na een smartelijke teleurstelling in de
Sixtijnsche kapel, bekende zij het zich. Alles wat zij zag en reeds
kende van studie, was haar eene teleurstelling. Toen nam zij een
besluit vooreerst niets meer te gaan zien. En na hare vermoeiende dagen
van 's morgens-uit, 's middags-uit, was het een wellust zich aan
den onbewusten stroom der dagen over te geven. Zij bleef 's morgens
thuis, in een peignoir, in haar gezellig hoog vogelkooitje van een
zitkamer, schreef brieven, droomde wat, de armen om het hoofd gebogen,
las in Ovidius, in Petrarca, hoorde naar een paar straatmuzikanten,
die, met trillende tenorstemmen, bij het snerpend gejammer van hun
guitaren, de stille straat vervulden met een snikkenden hartstocht van
muziek. Aan het lunch vond zij, dat zij het getroffen had met haar
pension, met haar hoekje aan tafel: de baronin Von Rothkirch, met hare
onverschillige aristocratische neêrbuigendheid tegen Rudyard, vond
zij interessant, omdat zij zag hoe reizen iemand rukken kan uit het
cirkeltje van côterie-begrip. De jonge baronesse, die zich niets van
het leven aantrok en maar schilderde en maar schetste, interesseerde
haar in haar gefluister met Rudyard, dat zij niet begreep. Miss Hope
was zoo naïef, zoo kinderlijk dol, dat Cornélie niet inzag hoe de oude
Hope, de rijke tricot-fabrikant daar ginds in Chicago, dit kind maar
alleen liet reizen met haar al te ruim maandgeld en haar totaal gemis
aan wereld- en menschenkennis; en Rudyard zelve, hoewel zij soms afschuw
van hem had, boeide haar ondanks dien afschuw. Hoewel zij dus in geen
van die tafelgenooten gevonden had diepere vriendschap, waren het
menschen om haar heen, met wie zij spreken kon, en de tafelconversatie
was een afleiding in haar eenzaamheid van den geheelen dag.

Want 's middags ging zij deze dagen van moêheid en teleurstelling
alleen een kleine wandeling maken in het Corso, of op den Pincio,
keerde dan thuis, zette zelve haar thee in haar zilveren trekpotje, en
droomde bij het houtvuur, in den donker, tot zij zich kleeden moest
voor het diner.

En de goed verlichte eetzaal met het plafond van Guercino was vroolijk.
Het pension was vol: de marchesa sliep in de badkamer en had hare eigen
kamer afgestaan. Een gegons van stemmen ruischte aan tafel, de kellners
draafden, lepels en vorken klakkerden. De melancholieke stemming van
zoovele table-d'hôtes was hier niet. Men kende elkaâr, en de drukte van
Rome's leven, de zuurstof van Rome's lucht, scheen een levendigheid
te geven aan gebaar en gesprekken. In die levendigheid vielen de twee
groezelige esthetische dames op door haar onveranderlijke houding:
altijd de evening-dress, de Jaegers, de kralen, de lectuur in het dikke
boek; de booze blik omdat er gesproken werd.

En na, het eten zat men in het salon, in den hall, maakte kennis hier,
daar, en sprak men over Rome, Rome, Rome.... Een groote agitatie
was steeds om de muziek in de verschillende kerken: men raadpleegde
den Herald, men vroeg Rudyard, die alles wist, omringde hem en hij
glimlachte, dik en beleefd, en deelde kaartjes uit en zeide de
dagen, de uren, waarop er een gewichtige dienst plaats greep in die
en die kerk. Aan Engelsche dames, niet op de hoogte, gaf hij nu en
dan, terloops, inlichtingen omtrent de ingewikkelde formaliteiten
en hierarchieën van den Katholieken eeredienst: hij vertelde welke
nationaliteiten de verschillende kleuren der seminaristen aanwezen,
die men 's middags bij troepen op den Pincio ontmoette, starende naar
Sint-Pieter, in extaze om Sint-Pieter, machtig symbool van hunnen
machtigen godsdienst; hij vertelde wat het onderscheid was tusschen
een kerk en een baziliek; hij vertelde intimiteiten uit het leven van
Leo XIII. De wijze, waarop hij over dit alles sprak, had iets boeiend
insinueerends: de Engelsche dames, gretig op informatie, hingen aan
zijne lippen, vonden hem allerliefst, vroegen hem duizend détails.

Deze dagen waren dus rust voor Cornélie. Zij bekwam van hare
vermoeidheid, zij werd onverschillig om Rome. Maar zij dacht niet
aan eerder weggaan. Of zij hier was of ergens anders, het was het
zelfde: zij moest ergens zijn. Daarbij, het pension was goed, hare
tafelgenooten gezellig, vroolijk. Zij las niet meer "Hare's Walks
through Rome," en niet meer de Metamorfozen van Ovidius, maar zij las
Ariadne over van Ouida. Zij vond het boek niet zoo mooi meer, als
zij het drie jaar geleden gevonden had in Den Haag, en las nu niets
meer. Maar zij amuzeerde zich met de dames Von Rothkirch een geheelen
avond over de cachetverzameling en het stalenalbum van Miss Hope. Hoe
die Amerikanen toch tuk waren op adel en vorstelijkheid. De baronin,
goedig, drukte in het album haar wapen af. En de stalen werden zeer
bewonderd, goudbrokaat, zilverzware zij, tulle met loovers. Miss Hope
vertelde hoe zij er aan kwam: een van de kameniers van de koningin
kende zij, doordat deze vroeger gediend had bij eene Amerikaansche
en tegen een hoogen prijs wist die kamenier haar nu de stalen te
bezorgen: een kostbaar lapje, opgeraapt als de koningin paste,
soms zelfs afgeknipt van een breeden naad. Het kind was trotscher
op hare verzameling staaltjes dan een Italiaansche prins op zijn
schilderijen, zeide de baronin Von Rothkirch. Maar niettegenstaande
die belachelijkheid, die ijdelheid, werd het mooie Amerikaansche meisje
Cornélie sympathiek om het spontane en eerlijke van haar natuur. Zij
zag er 's avonds allerliefst uit, in een zwarte gedecolleteerde japon
of in een blouse van roze chiffon. Trouwens, het was iederen avond
iets anders. Het was een kaleidoscoop van toiletten, van blouses, van
juweelen. Door de ruïnes van het Forum wandelde zij in een tailorpak
van bijna wit laken, met oranje zij gevoerd, en hare witte kanten
onderrok tipte luchtig over de grondvesten van de Basilica, Julia of
den tempel van Vesta. Hare druk opgemaakte hoeden gaven kleurvlekjes
van de Avenue de l'Opéra of Regentstreet midden in den tragischen
ernst van het Colosseum of in de paleisruïnes van den Palatijn. De
jonge baronesse plaagde haar met haar oranje zijden voering, zoo in
toon met het Forum; met hare hoeden, zoo in toon met den ernst van een
Christenmartelplaats, maar zij werd nooit boos. 't Is toch een lieve
hoed! antwoordde zij met haar Yankee-accent, dat hare mooie tanden
telkens goed liet zien, maar haar mondje opensperde, of zij hazelnooten
kraakte. En het kind genoot, genoot van de "baronin" en de "baronesse,"
genoot van te zijn in een pension, gehouden door een vervallen
Italiaansche markiezin. En zoodra zij den grijzen leeuwenkop van de
marchesa Belloni in het oog kreeg, verliet zij de anderen, vloog zij op
haar toe--mevrouw Von Rothkirch zeide, omdat een markiezin meer is dan
een barones--trok la Belloni meê in een hoekje en behield haar daar als
monopolie, zoo mogelijk den geheelen avond. Rudyard voegde zich dan bij
haar beiden, de marchesa en miss Hope, en Cornélie, dit ziende, vroeg
zich weêr af, wat Rudyard was, wie hij was, en wat hij wilde. Maar het
interesseerde de baronin niet, die pas een kaartje gekregen had voor
een mis in de Pauselijke kapel, en de jonge baronesse zeide alleen,
dat hij aardig vertellen kon, legenden van Heiligen, om haar enkele
schilderijen te verklaren in Doria en Corsini.




V.


Een van die avonden maakte Cornélie kennis met de Hollandsche familie,
naast wie de marchesa haar eerst had willen aan tafel plaatsen: mevrouw
Van der Staal en hare twee dochters. Zij bleven ook den geheelen
winter in Rome, zij hadden er kennissen, en gingen er uit. Het gesprek
vlotte, en mevrouw vroeg Cornélie te komen praten in haar zitkamer. Den
volgenden dag ging zij met hare nieuwe kennissen naar het Vaticaan, en
hoorde zij, dat mevrouw haar zoon uit Florence wachtte, die in Rome zoû
komen voor archeologische studiën.

Cornélie was blij een Hollandsch element in het hôtel aan te treffen,
dat haar niet antipathiek was. Zij vond het prettig Hollandsch te
kunnen praten en zij bekende het ronduit. In een paar dagen was zij
intiem met mevrouw Van der Staal en de twee meisjes, en den eersten
avond, dat de jonge Van der Staal was aangekomen, gaf zij meer van
zich, dan zij ooit gedacht had te kunnen doen aan vreemden, die zij
nauwlijks enkele dagen kende.

Zij zaten in de zitkamer van de Van der Staals, Cornélie in een
gemakkelijken stoel, bij het hooge, vlammende houtvuur, want de avond
was kil.

Zij had gesproken over Den Haag, over hare scheiding, en nu sprak zij
over Italië, over zichzelve.

--Ik zie niets meer, bekende zij. Ik ben duizelig van Rome. Ik zie
geen kleur meer, geen vorm. Ik herken geen menschen meer. Ze dwarrelen
zoo om mij heen. Soms heb ik behoefte uren alleen te zitten in mijn
vogelkooi, boven, om te bekomen. Van morgen in het Vaticaan, ik weet
niet meer, ik heb niets onthouden. Het is alles grauw en grijs om
me heen. Dan de menschen van het pension. Iederen dag die zelfde
gezichten. Ik zie ze, en ik zie ze toch niet. Ik zie ... mevrouw Von
Rothkirch en haar dochter, dan de schoone Urania, Rudyard en het
Engelsche dametje, miss Taylor, dat altijd zoo moê is van sight-seeing,
en alles "most exquisite" vindt. Maar mijn geheugen is zoo slecht, dat
ik in mijn eenzaamheid moet bedenken: mevrouw Von Rothkirch is lang,
statig, met den glimlach van de Duitsche keizerin, op wie ze een beetje
lijkt, druk pratende en toch onverschillig, of hare woorden zoo maar
onverschillig van haar lippen vallen....

--U merkt goed op ... zei Van der Staal.

--O, zeg dat niet! sprak Cornélie bijna geërgerd. Ik zie niets, ik
onthoû niet. Ik krijg geen indrukken. Alles is grijs om me heen. Ik
weet niet waarom ik eigenlijk reis.... Als ik alleen ben, denk ik aan
de menschen, die ik ontmoet.... Mevrouw Von Rothkirch weet ik nu, en
Else weet ik. Zoo een rond, geestig gezicht met hooge wenkbrauwen, en
altijd een geestigheid of een "pointe": soms vind ik dat vermoeiend,
ik moet er zooveel om lachen. Ze zijn toch wel lief. Dan de schoone
Urania. Die vertelt mij alles: ze is zoo mededeelzaam, als ikzelf op
dit oogenblik. En Rudyard, dien zie ik ook voor me.

--Rudyard! glimlachten mevrouw, de meisjes.

--Wat is hij? vroeg Cornélie, nieuwsgierig. Hij is altijd zoo beleefd,
hij heeft mij wijn gerecommandeerd; hij weet altijd allerlei kaarten te
krijgen.

--Weet je niet wat Rudyard is? vroeg mevrouw Van der Staal.

--Neen, en mevrouw Von Rothkirch weet het ook niet.

--Pas dan maar op, lachten de meisjes.

--Ben je Katholiek? vroeg mevrouw.

--Neen....

--En de schoone Urania ook niet? En de Von Rothkirchen ook niet?

--Neen....

--Nu, daarom heeft la Belloni Rudyard aan je tafel geplaatst. Rudyard
is een Jezuïet. In ieder pension van Rome is een Jezuïet, die er gratis
woont, als de eigenaar goeien vriend met de kerk is, en die met veel
minzaamheid zielen poogt te winnen....

Cornélie wilde niet gelooven.

--Geloof me vast, ging mevrouw voort; dat in een pension zooals dit,
een pension van beteekenis, van naam, heel veel intrigue omgaat....

--La Belloni...? vroeg Cornélie.

--Onze marchesa is een volbloed intrigante. Verleden winter zijn hier
drie Engelsche zusjes bekeerd.

--Door Rudyard?

--Neen, door een anderen priester. Rudyard is hier van dezen winter
voor het eerst....

--Rudyard is van morgen met mij op straat een heel eind opgeloopen, zei
de jonge Van der Staal. Ik heb hem laten praten, ik heb hem uitgehoord.

Cornélie viel achterover in haar stoel.

--Ik ben moê van de menschen, zeide zij met de vreemde oprechtheid, die
in haar was. Ik zoû wel eens een maand willen slapen, zonder iemand te
zien.

En na een korte pooze, stond zij op, nam afscheid, en ging naar bed,
terwijl het zwom voor hare oogen....




VI.


Zij bleef toen een paar dagen thuis, en at op hare kamer. Op een
morgen, ging zij echter wat wandelen in de villa Borghese, toen zij den
jongen Van der Staal tegen kwam, op zijn wiel.

--U fietst niet? vroeg hij, afspringende.

--Neen....

--Waarom niet?

--Het is een beweging, die niet met mijn type overeenkomt, antwoordde
Cornélie boos, dat zij iemand ontmoette, die de eenzaamheid van haar
wandeling stoorde.

--Mag ik met u meêloopen?

--Zeker.

Hij gaf zijn wiel in bewaring bij den portier aan de poort, en liep,
natuurlijk, met haar meê, zonder veel te praten.

--Het is hier zoo mooi, zeide hij.

Zijn woord klonk eenvoudig gemeend. Zij zag hem aan, voor het eerst,
met opmerkzaamheid.

--U is archeoloog? vroeg zij.

--Neen, weerde hij af.

--Wat dan?

--Niets. Mama zegt dat zoo, om me te excuzeeren. Ik ben niets en een
heel nutteloos lid van de maatschappij. En daarbij niet eens rijk.

--U studeert toch?

--Neen. Ik lees wat hier en daar. De zusjes noemen dat studeeren.

--Houdt u van uitgaan, zooals de zusjes hier doen?

--Neen, ik vind het afschuwelijk. Ik ga nooit meê.

--Houdt u niet van menschen ontmoeten en bestudeeren?

--Neen. Ik hoû van schilderijen, van beelden en van boomen.

--Dichter?

--Neen. Niets. Heusch niets.

Zij zag hem aan, meer en meer opmerkzaam. Hij liep dood-eenvoudig met
haar meê, een lange magere jongen van misschien zes-en-twintig-jaar,
in zijn figuur, in zijn gelaat meer jongen gebleven dan man geworden,
maar met een zekerheid en rust, die hem weêr ouder maakten dan zijn
leeftijd. Hij was bleek, hij had donkere koele, bijna verwijtende
oogen, en zijn lang en mager figuur had, in zijn niet verzorgd
fietspak, iets onverschilligs, of zijn armen en zijn beenen hem niet
schelen konden.

Hij sprak niet meer, maar liep, natuurlijk, gezellig meê, zonder het
noodig te vinden te praten. Cornélie echter werd zenuwachtig en zocht
naar woorden.

--Het is hier zoo mooi, stamelde zij.

--O, het is hier heel mooi, antwoordde hij kalm, zonder te zien, dat
zij nerveus was. Zoo groen, zoo wijd, zoo rustig: die lange lanen, die
perspectieven van lanen, zoo een antieke boog daarginds, en daar, kijk,
zoo blauw, zoo ver, Sint-Pieter, altijd Sint-Pieter. Jammer van al die
rare dingen verder op; die restauratie, die melkkiosk.... Ze bederven
alles tegenwoordig.... Laat ons hier gaan zitten: het is zoo mooi
hier....

Zij gingen zitten op een bank.

--Het is zoo zalig als iets mooi is, ging hij voort. Menschen zijn
nooit mooi. Dingen zijn mooi: beelden, schilderijen. En dan boomen,
wolken!

--Schildert u?

--Soms, bekende hij onwillig. Een beetje. Maar eigenlijk is alles al
geschilderd, en eigenlijk kan ik niet zeggen, dat ik schilder.

--Schrijft u ook misschien?

--Er is nog veel meer geschreven, dan geschilderd. Misschien is nog
niet alles geschilderd, maar geschreven _alles_. Ieder nieuw boek van
niet bepaald wetenschappelijk belang is overbodig. Alle poëzie is
gezegd, en iedere roman is geschreven.

--Leest u niet veel?

--Bijna niets. Ik blader soms wat in oude schrijvers.

--Maar wat doet u dan? vroeg zij eensklaps, geërgerd.

--Niets, antwoordde hij kalm, en zag haar deemoedig aan. Ik doe niets,
ik besta.

--Vindt u dat een goede levensopvatting?

--Neen....

--Maar waarom neemt u dan geen andere?

--Zooals ik een nieuwe jas zoû nemen, of een nieuwe fiets?

--U spreekt niet in ernst, zeide zij boos.

--Waarom is u zoo kwaad op mij?

--Omdat u mij agaceert, zeide zij geërgerd.

Hij stond op, groette heel beleefd, en zeide:

--Dan zal ik liever wat gaan fietsen.

En hij wandelde langzaam heen.

--Idiote jongen! dacht zij kribbig.

Maar zij vond het vervelend met hem gekibbeld te hebben, om zijn moeder
en zijne zusters.




VII.


In het hôtel echter, na tafel, sprak hij met Cornélie, beleefd, of er
geen nerveuze woordenwisseling van klein gekibbel tusschen hen geweest
was, en zelfs--omdat mama en de zusjes dien middag visites moesten
maken--vroeg hij haar dood-eenvoudig, of zij samen naar den Palatijn
zouden gaan.

--Ik ben er verleden langs geweest, zeide zij onverschillig.

--En gaat u niet de ruïnes bezoeken?

--Neen.

--Waarom niet?

--Ze interesseeren me niet. Ik kan er toch geen verleden meer in zien.
Ik zie alleen maar ruïnes.

--Maar waarom is u dan in Rome gekomen? vroeg hij geërgerd.

Zij zag hem aan, en had wel in snikken kunnen uitbarsten.

--Ik weet het niet, zeide zij deemoedig. Ik had wel ergens anders ook
kunnen gaan.... Maar ik had mij veel van Rome voorgesteld, en Rome valt
mij tegen.

--Hoedat?

--Ik vind Rome hard en onverbiddelijk, en zonder gevoel. Ik weet niet
waarom, maar ik krijg dien indruk. En ik ben tegenwoordig in een
stemming, dat ik juist behoefte heb aan iets gevoeligs en zachts.

Hij glimlachte.

--Kom, zeide hij. Ga meê naar den Palatijn. Ik moet u Rome laten zien.
Rome is zoo mooi.

Zij voelde zich te treurig om alleen te blijven, en zij kleedde zich
vlug en ging met hem het hôtel uit. Vóor klapperden de koetsiers met de
zweepen.

--Vole, vole!? riepen zij.

Hij koos er een.

--Dit is Gaëtano, zeide hij. Dien neem ik altijd. Hij kent mij, niet
waar, Gaëtano?

--Si Signorino. Cavallo di sangue, Signorina! zeide Gaëtano, en wees op
zijn paard.

Zij reden weg.

--Ik ben altijd bang voor die koetsiers, zei Cornélie.

--U kent ze niet, antwoordde hij, glimlachend. Ik hoû van ze. Ik hoû
van het volk. Het is een aardig volk.

--U vindt alles goed in Rome.

--En u geeft u zonder voorbehoud over aan een verkeerden indruk.

--Waarom verkeerd?

--Omdat die eerste indruk omtrent Rome, van hardheid en gevoelloosheid,
altijd de zelfde, en altijd verkeerd is.

--Ik vind Rome moeilijk.

--O ja. Zie, hier gaan we langs het Forum.

--Als ik het zie, denk ik aan miss Hope en haar oranje voering.

Hij zeide niets, boos.

--En hier is de Palatijn.

Zij stegen uit en gingen door den ingang.

--Deze houten trap brengt ons naar het paleis van Tiberius. Boven dit
paleis, boven deze bogen is een tuin, vanwaar we op het Forum zien.

--Vertel mij van Tiberius. Ik weet, dat er goede en slechte keizers
waren. Zoo leerden wij dat op school. Tiberius was een slechte keizer,
niet waar?

--Hij was een somber beest. Maar waarom moet ik iets van hem vertellen?

--Omdat ik anders geen belang stel in die bogen en vertrekken.

--Laten we dan boven, in den tuin gaan zitten.

Zij deden zoo.

--Voelt u Rome hier niet? vroeg hij.

--Ik voel overal mezelve, antwoordde zij. Maar hij scheen haar niet te
hooren.

--Het is de atmosfeer, ging hij door. U moet nu eens niet aan ons hôtel
denken, niet aan Belloni en al onze medegasten, en niet aan uzelve. Als
iemand pas hier komt, heeft hij al het gedoe van een hôtel, kamers, een
table-d'hôte, vage sympathieke of antipathieke menschen. Dat heeft u nu
gehad. Vergeet dat. En probeer alleen te voelen de atmosfeer van Rome.
Het is of de atmosfeer hier de zelfde is gebleven, niettegenstaande
de eeuwen op elkaâr gestapeld liggen. Eens hebben de middeneeuwen de
antiquiteit van het Forum bedekt, en nu wordt ze overal verborgen door
onze negentiende-eeuwsche touristenwoede. Dat is de oranje voeling van
Miss Hope. Maar de atmosfeer is altijd de zelfde gebleven. Of verbeeld
ik het me....

Zij zweeg.

--Misschien, ging hij door. Maar wat kan het me schelen. Ons heele
leven is verbeelding, en verbeelding is mooi. Het mooie van onze
verbeelding is voor ons, die geen menschen van doen zijn, de troost van
ons leven. Hoe heerlijk een heel leven lang te droomen, te droomen over
wat gebeurd is. Het verleden is de mooiheid. Het heden is niet, bestaat
niet. En de toekomst interesseert mij niet.

--Denkt u dan niet over de moderne vraagstukken? vroeg zij.

--Het feminisme? vroeg hij. Het socialisme? De vrede?

--Bijvoorbeeld.

--Neen, glimlachte hij. Ik denk wel aan ze, maar niet over ze.

--Hoe meent u?

--Ik kom er niet verder meê. Dat is mijn natuur. Mijn natuur is te
droomen, en het Verleden is mijn groote droom.

--Droomt u niet over uzelven?

--Neen. Over mijn ziel, mijn inwezen? Neen. Het interesseert mij weinig.

--Heeft u ooit geleden?

--Geleden? Ja, neen. Ik weet het niet. Ik voel leed over mijn volslagen
nutteloosheid als mensch, als zoon, als man, maar als ik droom, ben ik
gelukkig.

--Hoe komt u er toe zoo open met mij te spreken?

Hij zag haar verbaasd aan.

--Waarom zoû ik mij verbergen? vroeg hij. Ik praat óf niet, óf ik praat
zooals nu. Het is misschien wel een beetje gek.

--Praat u dan met iedereen zoo vertrouwelijk?

--Neen, bijna met niemand. Vroeger had ik een vriend, hij is dood. Zeg,
u vindt me zeker ziekelijk?

--Neen, ik geloof van niet.

--Het zoû me ook niet kunnen schelen, als u het vond. O, wat is het
hier mooi. Ademt u Rome in?

--Welk Rome?

--Dat van de oudheid. Hier onder is het paleis van Tiberius. Ik zie hem
er loopen, met zijn hooge sterke gestalte, met zijn groote spiedende
oogen--hij was heel sterk, hij was heel somber, en hij was een beest.
Hij was zonder ideaal. Daar verder op is het paleis van Caligula, een
geniale gek. Hij bouwde een brug over het Forum om op het Capitool te
spreken met Jupiter. Zoo iets zoû men niet meer kunnen doen. Hij was
geniaal en gek. Als men zoo is, heeft men veel moois.

--Hoe kan u mooi vinden een tijd van keizers, die beesten waren en gek?

--Omdat ik hun tijd vóór mij zie, in het verleden, als droom.

--Hoe is het mogelijk, dat u het heden niet voor u ziet, en de
vraagstukken van dezen tijd, vooral dat van de eeuwige armoede?

Hij zag haar aan.

--Ja, zeide hij; dat weet ik, dat is in mij mijn slechtheid, mijn
zonde. De idee van de eeuwige armoede treft mij niet.

Zij zag hem aan, bijna met minachting.

--U is niet van uw tijd, zeide zij koel.

--Neen....

--Heeft u ooit honger gehad?

Hij lachte en haalde de schouders op.

--Heeft u u ooit verplaatst in het leven van een arbeider, of
fabrieksmeid, die zich moê, oud, half dood werkt voor nauwlijks een
korst brood?

--O, die dingen zijn zoo akelig, en zoo leelijk: praat daar niet over!
smeekte hij.

Hare oogen stonden koel, haar lippen trokken neêr van walging en zij
stond op.

--Is u boos? vroeg hij deemoedig.

--Neen, zeide zij zacht. Ik ben niet boos....

--Maar u veracht me, omdat u me een nutteloos wezen van esthetiek en
gedroom vindt?

--Neen. Wat ben ikzelf, om u uw nutteloosheid te verwijten?

--O, als wij wat vinden konden! riep hij uit, bijna in vervoering.

--Wat?

--Een doel. Maar het mijne zoû altijd schoonheid blijven. En verleden.

--En als _ik_ de kracht had mij te wijden aan een doel, zoû het vooral
zijn: brood voor de toekomst.

--Wat klinkt dat afschuwelijk! sprak hij, onbeleefd oprecht. Waarom is
u toch niet naar Londen gegaan, naar Manchester, of naar zoo een zwarte
fabrieksplaats?

--Omdat ik geen kracht had en te veel aan mijzelf denk, aan verdriet,
dat ik pas gehad heb. En ik dacht in Italië afleiding te vinden.

--En dat is uw teleurstelling.... Maar misschien wordt u langzamerhand
krachtiger, en wijdt u dan aan uw doel: brood voor de Toekomst. Ik zal
u dan echter niet benijden: Brood voor de Toekomst....

Zij zweeg. Toen zeide zij koel:

--Het wordt laat. Laat ons naar huis gaan....




VIII.


In de Via del Babuino had Duco van der Staal een groot hol atelier
gehuurd, drie trappen hoog, kil van het Noorden. Hier schilderde hij,
boetseerde hij, studeerde hij, hier sleepte hij bij elkaâr alles wat
hij voor moois en antieks kon krijgen in de winkeltjes langs den
Tiber of op de Mercato dei Fiori. Dat was hem een hartstocht: te
zoeken door Rome naar een oud stuk tryptiek of een antiek fragment
beeldhouwkunst. Zoo was zijn atelier niet gebleven de groote, kille,
holle werkplaats, die van ijverige en ernstige studie getuigt, maar het
was geworden een asyl van vaagkleurig verleden en oude kunst, muzeum
voor zijn droomenden geest. Als kind, als jongen had hij reeds in zich
die passie voor antiquiteit voelen ontwikkelen, kon hij snuffelen bij
een ouden jood, leerde hij schacheren als zijn beurs niet vol was,
en verzamelde hij eerst prullen, later, langzamerhand, voorwerpen van
kunst- en geldswaarde. En hij had er alles voor over: het was zijn
eenige ondeugd: hij verdeed er al zijn zakgeld aan, en later, zonder
voorbehoud, het beetje, dat hij verdiende. Want soms, een enkelen keer,
voltooide hij iets en verkocht het. Maar meestal was hij te ontevreden
met zichzelven om te voltooien, en was zijn nederig idee, dat alles
geschapen was, en dat _zijn_ kunst nutteloos was.

Dit idee verlamde hem soms voor maanden, zonder dat het hem ongelukkig
maakte. Als hij wat geld had, om van te blijven leven--en zijne
behoeften waren uiterst gering--, voelde hij zich rijk, en was
gelukkig in zijn atelier, of dwaalde, gelukkig, door Rome. Zijn lang,
onverschillig, mager en slank lichaam was dan gestoken in zijn oudste
pak, dat, zonder aanstellerij, een slordig sporthemd en een das als
een touwtje zien liet; en een hoed zonder kleur, en verregend van
vorm, was zijn liefste hoofddeksel. Zijne moeder en zusters vonden hem
meestal ontoonbaar, maar hadden het opgegeven hem te metamorfozeeren in
den eleganten zoon en broêr, dien zij zoo gaarne in de salons hunner
Romeinsche kennissen hadden gebracht. Blij te ademen de atmosfeer van
Rome, dwaalde hij uren door de ruïnes, en zag hij,--verblindend vizioen
van droomzuilen,--etherische tempels, paleizen van marmer transparant
oprijzen in een trillenden zonnelichtschemer, en de volgens hun
Baedeker naspeurende touristen, die dezen langen, mageren jongen man,
onverschillig gezeten op het fondament van den tempel van Saturnus,
voorbijgingen, hadden nooit willen gelooven aan zijne illuzies
van architectuur: harmonisch opgaande lijnen, bekroond door een
standbeeldentheorie met edel en goddelijk gebaar, hoog in den blauwen
hemel.

Hij, hij zag ze voor zich. Hij richtte de schachten der zuilen omhoog,
hij flûteerde de strenge Dorische zuil, hij boog week het Ionisch
kapiteelkussen rond, en liet bladeren-uit de Corinthische akanth; en
de tempels zuilden in een oogwenk op; de basilica's boogden als met
toover omhoog, de statuen gebaarden blank tegen het ongrijpbare diep
van de lucht, en de Via Sacra leefde. Hij, hij vond dat mooi, hij
leefde zijn droom, zijn Verleden. Het was of hij voorbestaan had in
Rome antiek, en de moderne huizen, het modern Capitool, en zij allen,
het graf van zijn Forum omgevelend, zag hij voor zijn oogen niet. Uren
kon hij zoo zitten, of dwalen, of weêr neêrzitten en gelukkig zijn. In
de intensiteit van zijn verbeelding riep hij de historie op, wolkte
ze uit het verleden hoog, eerst als een damp, een tooverwaas, waaruit
weldra de figuren duidelijk traden, tegen den marmeren achtergrond van
oud Rome aan. De reusachtige drama's speelden voor zijne droomende
oogen af als op een ideaal tooneel, dat zich van het Forum uitstrekte
naar de wazige zonneblauwtes van de Campagna; met coulissen, die zich
verloren in de diepte van de lucht. Het Romeinsche leven gebaarde er
zich, met een armbeweging uit een toga, een dichtregel van Horatius,
een plotseling vizioen van een keizermoord of een gladiatorenspel in de
arena. En plotseling ook verbleekte het beeld, en zag hij de ruïnes, de
ruïnes alleen, als de tastbare schaduw zijner onwezenlijke illuzie: zag
hij de ruïnes, zooals zij waren, verbruind en vergrauwd, opgegeten van
oudheid, verbrokkeld, gemarteld, met mokers verminkt, tot maar ènkele
zuilen nog optrilden en droegen een bevende architraaf, die dreigde
ineen te storten. En het bruin en het grauw was zoo edel rijk aangegoud
door vegen van zon, de ruïnes waren zoo heerlijk mooi van afbrokkeling,
zoo weemoedvol in hare onbewuste toevalligheid van stukkende lijnen,
van barstende bogen en verminkte sculptuur, dat het was of hijzelve,
na zijn luchtvizioen van stralende droomarchitectuur, ze met een hand
van artist gemarteld had en verminkt, zoo had barsten laten, en beven,
en trillen, om het weemoedige na-mooi ervan. Dan werden zijne oogen
hem vochtig, dan was hem zijn hart te vol, dan liep hij weg, door den
Titusboog langs het Colosseum, den boog van Constantijn door, door, en
hij haastte zich langs het Lateraan, naar de Via Appia en de Campagna,
en zijne stekende oogen dronken het blauw van de verre Albaansche
bergen in, als zoû dat ze genezen van te veel gestaar en gedroom....

Hij vond noch in zijne moeder, noch in zijne beide zusters een
element, dat sympathiek was aan zijne excentrieke neigingen, en na
dien eenen vriend, die gestorven was, had hij nooit een anderen
gevonden en was hij altijd als door eene voorbeschikking, die hem
geen sympathie ontmoeten liet, eenzaam geweest in zichzelven en om
zich heen. Maar hij had zijne eenzaamheid zoo dicht bevolkt met
zijne droomen, dat hij er zich nooit ongelukkig om gevoeld had, en
zooals hij hield van alleen dwalen door ruïnes en langs buitenwegen,
was hem ook lief de intimiteit van zijn eenzaam atelier, met de
zoovele stille silhouetten op een oud stuk tryptiek, op tapijtwerk
of op de vele dicht bij elkaâr bevestigde schetsen, allen rondom hem
heen, allen met de bekoring van hunne lijnen en kleuren, allen met
het stille gebaar van hun beweging en emotie, en samensmeltend in
schemering van hoeken en schaduw van antiek kabinet. En daartusschen
leefde zijn porcelein en brons en oud-zilver, en straalde-uit dof het
getaande goudborduursel van een kerkelijk gewaad, en stonden bruin,
gezellig gereid, de oude leêren banden van boeken, waaruit, geopend
in zijne handen, ook opstegen en wolkten-op de vele figuren, levend
hun liefde en smart in die getemperde bruinen en rooden en gouden
der geluidelooze atelier-atmosfeer. Zoo was zijn eenvoudig leven,
zonder veel twijfel aan zich, omdat hij niet veel van zich eischte,
en zonder de melancholie van modern artist, omdat hij gelukkig was in
zijn mijmering. Nooit had hij, trots zijn hôtelbestaan met moeder en
zusters--hij sliep en hij at bij Belloni--veel menschen ontmoet, zich
met vreemdelingen bezig gehouden, van nature een beetje schuw voor
toeristen met Baedekers, voor Engelsche dames in korte rokken, met
haar steeds zelfde uitroepjes van gelijkmatige bewondering, en geheel
en al zich onmogelijk voelende in den kring--half Italiaansch, half
cosmopolitisch--van zijne vrij wereldsche moeder en elegante zusjes,
die met Italiaansche prinsjes en jonge hertogen dansten en fietsen.

En nu dat hij Cornélie de Retz had ontmoet, moest hij zich bekennen,
dat hij weinig menschenkennis had en nooit had kennen denken aan de
wezenlijkheid van zoo een vrouw--nog wel in een boek--maar niet in
werkelijkheid. Haar uiterlijk al,--het bleeke, het gebroken bevallige,
het moede, had hem verbaasd--, en hare woorden verbaasden hem nog meer:
het besliste en toch weifelende, het artistieke en toch pogende meê
te spreken in haar tijd: tijd, dien hij nog niet artistiek had kunnen
inzien, dwepende als hij deed met Rome en Verleden. En hare woorden
verbaasden hem, sympathiek als hem de klank ervan was, en geërgerd als
hij dikwijls werd, door dat dikwijls bittere, snijdende, en dan weêr
matte en moedelooze, tot hij over ze dacht en weêr dacht, tot hij ze
peinzende weêr klinken hoorde van haar eigen lippen af, tot zij meêdeed
tusschen de koppen en torsen van zijn atelier, en voor hem opdoomde in
het weeke lelieachtige van hare geziene werkelijkheid, te midden der
pre-rafaëlitische stijfte van lijnen, en Byzantijnsche goudkleuren der
engelen en der madonna's op doek en wandtapijt.

In zijn ziel was nooit liefde geweest en hij had liefde altijd
beschouwd als verbeelding en poëzie. In zijn leven was nooit meer
geweest dan de natuurlijke drang zijner viriliteit en het gewone
amouretje met een model. En zijn ideeën over liefde wiegelden in een
te wijd en onwezenlijk evenwicht, zonder overgang en graadverschil,
tusschen een vrouw, die zich voor enkele lires naakt toonde, en
Laura; tusschen het verlangen naar een mooi lichaam en het dwepen met
Beatrice, tusschen het vleesch en de droom. Aan eene ontmoeting van
gelijksoortige zielen had hij nooit gedacht; naar sympathie, naar
liefde in den vol bloesemenden zin van het woord en zijn idee, nooit
verlangd. En dat hij over Cornélie de Retz nu dacht, en veel dacht,
begreep hij niet in zich. Over een vrouw in een gedicht, had hij wel
eens dagen, een week, gepeinsd, gedroomd; over een vrouw in het leven
nog nooit.

En dat hij, geërgerd door sommige harer woorden, haar toch staan zag
met haar lelielijn tegen zijn Byzantijnsche tryptieken, als een fantoom
in zijn droomers-eenzaamheid, maakte hem bijna bang, omdat hij er zijn
rust door verloren had.




IX.


Het was Kerstmis, en de marchesa Belloni bood bij gelegenheid van dit
feest aan hare pensionnaires aan: een boom in het salon, en een bal
daarna in de antieke eetzaal van Guercino. Bal te geven en boom was een
gewoonte van vele hôtelhouders, en de pensions, waar bal en boom niet
gegeven werden, waren bekend en werden om dezen inbreuk op de traditie
zeer gelaakt door de vreemdelingen. Er waren voorbeelden bekend van
zeer goede pensions, waar tal van reizigers--dames vooral--niet kwamen,
omdat er noch boom, noch bal was met Kerstmis.

De marchesa vond haar boom duur en haar bal ook niet goedkoop en gaarne
had zij eens het een of ander voorwendsel gevonden, om beiden weg te
goochelen, maar zij dorst niet: de reputatie van haar pension was
juist het wereldsche, het chique ervan: de table-d'hôte in de mooie
eetzaal, waar men toilet maakte, en dan met Kerstmis een schitterend
feest. En het was aardig te zien, hoe fel die dames allen waren op
hare rekening van den geheelen winter op den koop toe te krijgen een
prullig kerstcadeautje, en de gelegenheid om te dansen met vrij gebruik
van een orgeade en een koekje, een sandwich en een bouillon. De oude
knikkende maître-d'hôtel, Giuseppe, zag met minachting neêr op deze
feestelijkheid: hij herinnerde zich het gala zijner aartshertogelijke
avonden en vond het bal min, en de boom armoedig; de krukkende portier,
Antonio, gewend aan zijn betrekkelijk rustig leventje--een gast
afhalen of wegbrengen naar het station--,de post een paar keer per dag
rustigjes sorteeren, en verder wat lummelen in en om zijn loge en den
lift,--haatte het bal, om al de invités der pensionnaires--want ieder
mocht twee of drie invitaties doen--, om al het vermoeiende gedoe
met rijtuigen, als de genoodigden dan nog vlug in hun fiacre wisten
te stappen zonder hem zijn fooitje te geven. Om en bij Kerstmis was
de stemming tusschen de marchesa en haar beide eerste dignitarissen
dan ook verre van harmonisch, en een storm van bevel en vervloeking
hagelde deze dagen neêr op de ruggen der oude cameriera's, die, met
hare warme-waterketeltjes in de bevende handen, moeizaam de trappen
op en neêr krabbelden, en der jeugdige blanc-becs van kellners, die
in onbesuisden ijver tegen elkaâr in draafden en borden braken. En nu
dat het heele personeel aan het werk was gezet, zag men eerst hoe oud
de cameriera's waren, en hoe jong al de kellners, en kritizeerde men
als "shame and shocking," de zuinigheids-maatregel van de marchesa om
niets dan ruïnes en kinderen in dienst te nemen. De enkele gespierde
facchino, noodzakelijk om koffers te zeulen, maakte een onverwachte
figuur van mannelijken leeftijd en stevigheid. Maar vooral haatten de
gasten hunne marchesa om het groote aantal harer bedienden, nu, om en
bij Kerstmis, bedenkende, dat zij aan ieder een fooitje geven moesten.
Neen, men had niet geweten, dat er zooveel personeel was. Dat was toch
ook niet noodig! Als de marchesa voor al die oude vrouwen en kleine
jongentjes nu eens een paar flinke jonge meiden en knechts nam! En het
waren in de hoeken der gangen en aan tafel stille samenzweringen en
afspraken, hoeveel fooi men zoû geven: men wilde niet bederven, maar
toch bleef men den geheelen winter, en was éen lire dus te weinig, en
zoo weifelde men tusschen éen lire-vijf-en-twintig en éen lire-vijftig.
Maar toen men op de vingers telde, dat er wel vijf-en-twintig bedienden
waren en dat men dus bij de veertig lire kwijt was, vond men dat
schrikbarend veel en organizeerde men lijsten van inschrijving. Er
gingen twee lijsten rond, een van éen lire, en een van twaalf lire
per gast, voor het geheele personeel. Op die laatste lijst teekenden
sommigen, die een maand vroeger gekomen waren of van plan waren weg
te gaan, voor tien lire, en sommigen voor zes lire. Vijf lire werd
algemeen te weinig gevonden, en toen het bekend was, dat de groezelige
esthetische dames vijf lire wilden geven, werden zij aangekeken met de
diepste verachting.

Het waren groote emoties en groote drukten. Kerstmis naderde en men
stroomde naar de presepio's, die schilders in Palazzo Borghese hadden
opgesteld--een panorama van Jeruzalem; en de herders, de engelen,
de koningen, en Maria met het kindje in den stal met os en ezel.
Men hoorde in Ara-Coeli naar de predicatie der kleine meisjes en
jongentjes, die beurtelings op een estrade klommen en het verhaal
van de Geboorte deden: sommigen, verlegen een versje opzeggend,
voorgefluisterd door een angstige moeder; andere, meisjes vooral, met
Italiaansche tragiek en rollende oogen deklameerend als kleine actrices
en eindigend met een religieuze moraal. Om de predicaties luisterden
het volk en tallooze toeristen: een prettige geest heerschte in de
kerk, waar de jonge schelle kinderstemmetjes hoog-op oreerden; men
lachte luid om een gebaar en effect; en de ronddwalende geestelijken
hadden een zalvenden glimlach, omdat het zoo aardig en lief was. En in
de kapel van den Santo Bambino straalde de houten wonderpop van goud en
juweelen, en de dichte menigte verdrong zich er voor.

Alle gasten van Belloni kochten op de Piazza di Spagna hulsttakken
en versierden er hunne kamers mede, en sommigen, bijvoorbeeld de
baronin Von Rothkirch, richtten in haar eigen kamer een particulieren
Kerstboom op. Den avond vóor het groote feest ging een ieder deze
particuliere boomen bewonderen; liep men kamer in, kamer uit, en alle
pensionnaires, hoe ze anders soms ook kibbelden en intrigeerden tegen
elkaâr, hadden een welwillenden feestlach, en ontvingen iedereen. Men
was het er algemeen over eens, dat de baronin veel werk had gemaakt
en haar boom prachtig was, en haar slaapkamer aardig omgetooverd
in een boudoir; de bedden gedrapeerd tot divans, de waschtafels
verborgen, en de boom stralende van licht en goud. En de baronin,
wat sentimenteel gestemd op dezen avond, die haar veel aan Berlijn
en verloren huiselijkheid herinnerde, opende hare deuren wijd voor
iedereen, en prezenteerde zelfs de twee esthetische dames bonbons,
toen de marchesa ook glimlachend aan de deur verscheen, haar boezem,
omspannen in hemelsblauw satijn, en nog grootere kristallen dan anders
in de ooren. De kamer was vol; er waren de Van der Staals, Cornélie,
Rudyard, Urania Hope, andere in- en uitloopende gasten, zoodat men zich
niet verroeren kon, en op elkaâr gepakt stond en zat op de gedrapeerde
bedden van moeder en dochter. De marchesa voerde aan hare zijde
binnen een onbekend jongmensch: klein, smal, olijfbleek, met donkere
vif geestige schitteroogen, in rok, en met de vage en nette manieren
van een onverschilligen en moeden viveur; gedistingeerd, en toch
laatdunkend. En zij naderde fier de baronin, die hare vochtige oogen
telkens bevallig afwischte en stelde met arrogantie voor:

--Mijn neef, duca di San Stefano, principe di Forte-Braccio....

De algemeen bekende Italiaansche naam klonk van hare lippen expres
luid op in de volle, niet groote kamer en aller oogen gingen naar
den jongen man, die voor de baronin boog en toen vaag en ironisch de
kamer rondzag. Men had dien winter den neef van de marchesa nog niet
in het hôtel gezien, maar een ieder wist, dat de jonge hertog van
San Stefano, prins van Forte-Braccio, een neef was van de marchesa,
en een der reclames voor haar pension. En terwijl de prins met de
baronin en hare dochter sprak, staarde Urania Hope hem aan als een
wonderwezen uit een andere wereld. Zij had Cornélie's arm vastgegrepen
als voor een steun, als zoû zij bezwijmen bij den aanblik van zooveel
Italiaansche adelgrootheid. Zij vond hem heel mooi, heel voornaam:
klein en smal en bleek, met zijn oogen als karbonkelen, met zijn matte
gedistingeerdheid, en de witte orchidee in zijn knoopsgat. En dolgaarne
had zij de marchesa gevraagd haar in kennis te brengen met haar chiquen
neef, maar zij dorst niet, want zij dacht aan de tricotfabriek van haar
vader in Chicago.

Den volgenden avond was het feest van den boom en het bal. Het was
bekend, dat de neef van de marchesa ook dien avond zoû komen en het was
den geheelen dag een groote emotie. De prins kwam, nadat de prezentjes
van den boom waren afgehaakt en uitgedeeld, en in de zaal, waar het bal
nog niet begonnen was, maar de gasten reeds hier en daar zaten, deed
hij aan de zijde van zijn tante, de marchesa, een soort van intocht,
aller blikken zich richtend naar zijn hertogelijke en prinselijke
verschijning.

Cornélie wandelde met Duco van der Staal, die tot groote verwondering
van moeder en zusters zijn rok te voorschijn had gehaald en verschenen
was in den ruimen hall, en zij zagen beiden den zegetocht van la
Belloni en haar neef, en zij lachten om de dwepend opkijkende oogen
der Engelsche en Amerikaansche dames. Zij zetten zich,--Cornélie en
Duco--in den hall op twee stoelen, voor een groep van palmen, die een
der deuren van de zaal maskeerden, terwijl binnen het bal begon. Zij
praatten over de beelden in het Vaticaan, die zij een paar dagen te
voren gezien hadden, toen zij, als vlak aan hun ooren, een stem hoorden
praten, die zij herkenden als het te vergeefs zich in gefluister
verzachtende commando-orgaan van de marchesa. Verbaasd zagen zij om,
en bespeurden de verborgen deur met een breede reet opengekraakt, en
zagen door die reet ten deele de slanke hand en de zwarte mouw van
den prins, en een stuk blauwen boezem van Belloni, beiden gezeten op
een canapé in de zaal. Zij waren dus, gescheiden door de opengekraakte
deur, rug aan rug. Voor amuzement hoorden zij naar het Italiaansch
van de marchesa; wat de prins antwoordde, was zoo een zacht gelispel,
dat zij het niet verstonden. En van wat de marchesa zeide, hoorden
zij slechts enkele woorden en stukken van zinnen. Onwillekeurig
luisterden zij, toen zij den naam van Rudyard hoorden noemen, duidelijk
uitgesproken door de marchesa.

--En wie dan? vroeg de prins zacht.

--Een Engelsche miss, zei de marchesa. Miss Taylor, ze zit daar, in
dien hoek alleen.... Een simpel menschje.... Dan de baronin en haar
dochter.... Dan de Hollandsche; een gescheiden vrouw.... En dan de
mooie Amerikaansche.

--En die twee aardige Hollandsche meisjes? vroeg de prins.

De muziek boem-boemde luider op en Cornélie en Duco verstonden niets.

--En de gescheiden Hollandsche vrouw? vroeg de prins verder.

--Geen geld, antwoordde de marchesa kort.

--En de jonge baronesse?

--Geen geld, herhaalde Belloni.

--Dus niemand dan de kousenverkoopster? vroeg de prins moê.

La Belloni werd boos, maar Cornélie en Duco verstonden niet hare
afratelende zinnetjes: de muziek boem-boemde steeds op.

--... Ze is mooi, hoorden zij de marchesa zeggen. Ze is schat- en
schatrijk. Ze zoû in een eerste hôtel kunnen zijn, maar ze is hier,
omdat ze als jong en alleen reizend meisje aan mij gerecommandeerd is
en het hier gezelliger is. Ze heeft het groote salon voor zich en
betaalt vijftig lire per dag voor haar twee kamers. Ze ziet op niets.
Haar hout betaalt ze driemaal zoo duur als de anderen en ook voor den
wijn laat ik haar betalen.

--Ze verkoopt kousen, murmelde de prins onwillig.

--Onzin, sprak de marchesa. Bedenk, dat er op het oogenblik niemand
is. Verleden winter hadden wij rijke Engelsche lui van adel, met een
dochter, maar je vondt haar te lang. Je vindt altijd wat. Je moet niet
zoo moeilijk zijn.

--Ik vind die twee Hollandsche poppetjes aardig.

--Ze hebben geen geld. Je vindt altijd wat je niet vinden moet.

--Hoeveel heeft papa u beloofd, als u....

De muziek boemde op.

--... Zoû er niets toe doen.... Als Rudyard met haar praat.... Taylor is
gemakkelijk.... Miss Hope....

--Ik heb zooveel kousen niet noodig....

--... erg geestig. Als je niet wilt....

--... neen....

--... dan trek ik mij terug ... zal Rudyard zeggen.... Hoeveel?

--... Zestig à zeventig duizend: ik weet niet precies.

--... Urgent?

--Schulden zijn nooit urgent!

--Wil je?

--Goed dan. Maar ik verkoop me niet minder dan voor tien millioen....
En dan krijgt ... u....

Zij lachten beiden en weêr klonken de namen van Rudyard, Urania.

--Urania? vroeg hij.

--Urania ... antwoordde la Belloni. Die Amerikaantjes zijn handig. Denk
aan de gravin de Castellane, aan de hertogin van Marlborough; houden
die niet den naam van hun mannen hoog. Ze slaan een uitstekend figuur.
Ze worden genoemd in iedere modekroniek en altijd met waardeering.

--... goed dan. Ik ben moê van al die vergeefsche winters. Maar niet
minder dan tien millioen.

--Vijf....

--Neen, tien....

De prins en de marchesa waren opgestaan. Cornélie zag Duco aan. Duco
lachte.

--Ik begrijp ze niet goed, zeide hij. Het is natuurlijk een aardigheid.

Cornélie schrikte.

--Een aardigheid, dunkt u, meneer Van der Staal?

--Ja, ze maakten gekheid.

--Ik geloof van niet.

--Ik van wel.

--Heeft u menschenkennis?

--O neen, heelemaal niet.

--Ik doe wat op, langzamerhand. Ik geloof, dat Rome gevaarlijk kan zijn
en dat een marchesa-hôtelhoudster, een prins en een Jezuïet....

--Wat dan?

--Ook gevaarlijk kunnen zijn, zoo niet voor uw zusjes, omdat ze geen
geld hebben, dan toch voor Urania Hope....

--Ik geloof er niets van.... Het was alles gekheid. En het interesseert
me niet. Maar wat vindt u van den Eros van Praxiteles? O, dat vind ik
het goddelijkste beeld, dat ik ooit heb gezien. O, de Eros, de Eros...!
Dat is de liefde, de ware liefde; het niet anders kunnen, het fatale en
om vergeving smeekende van de liefde, voor het leed, dat hij aandoet....

--Heeft u ooit liefgehad?

--Neen. Ik heb geen menschenkennis en ik had nooit lief. U is zoo
gedecideerd altijd. Droomen zijn mooi, beelden zijn heerlijk en poëzie
is alles. De Eros is alles, van liefde. Zoo mooi als de Eros liefde is,
zoû ik nooit in werkelijkheid kunnen lief hebben.... Neen, menschen te
kennen interesseert mij niet, en een droom van Praxiteles, nog over in
een romp verminkt marmer, is edeler dan alles wat op de wereld liefde
zich noemt.

Zij fronste hare wenkbrauwen; zij zag somber.

--Laat ons in de balzaal gaan, zeide zij. Wij zitten hier zoo
alleen....




X.


Den dag na het bal, aan tafel, kreeg Cornélie een vreemden indruk;
eensklaps, proevende van haar heerlijken Genzano, besteld door Rudyard,
zag zij in, dat het niet toevallig was, dat zij zat met de baronin en
hare dochter, met Urania en miss Taylor; zag zij in, dat de marchesa
wel degelijk eene bedoeling had met die schikking. Rudyard, altijd
beleefd, voorkomend, steeds vol attenties, in zijn zak altijd een
kaartje of introductie, moeilijk te verkrijgen, ten minste naar hij
liet voorkomen, praatte steeds door, en den laatsten tijd vooral met
miss Taylor, die trouw alle mooie kerkmuziek hooren ging en steeds in
verrukking thuis kwam. Het bleeke, simpele, magere Engelsche dametje,
dat eerst dweepte met muzea, ruïnes en zonsondergangen op Aventijn of
Monte Mario, en steeds moê was van hare omzwervingen door Rome, wijdde
zich voortaan alleen aan de honderden kerken, bezag en bestudeerde àlle
kerken, ging vooral trouw alle muzikale diensten bijwonen en dweepte
met het Sixtijnsche kapelkoor en de bevende gloria's der mannelijke
soprani.

Cornélie sprak met mevrouw Van der Staal en de baronin Von Rothkirch
over wat zij achter de opengekraakte deur had opgevangen van het
gesprek der marchesa met haar neef, maar geen van beiden, hoewel
geïntrigeerd, namen de woorden der marchesa ernstig op, en beschouwden
ze alleen als een loszinnig balgesprek van een malle tante, die gaarne
koppelen wilde, en een onwilligen neef. Het trof Cornélie, hoe weinig
de menschen aan ernst gelooven kunnen, maar de baronin was zeer
onverschillig, zei, dat Rudyard haar geen kwaad zoû doen en haar nog
altijd kaartjes gaf, en mevrouw Van der Staal, lang in Rome, gewend
aan pension-intriguetjes, meende, dat Cornélie zich te ongerust maakte
over het lot van de schoone Urania. Eensklaps echter was miss Taylor
van tafel verdwenen. Men dacht, dat zij ziek was, toen het uitkwam,
dat zij het pension Belloni verlaten had. Rudyard zeide niets, maar
na enkele dagen was het door het geheele pension bekend, dat miss
Taylor bekeerd was tot den Katholieken godsdienst en intrek genomen
had in een pension, haar door Rudyard gerecommandeerd: een pension,
waar vele monsignori kwamen en een geestelijke stemming heerschte. Hare
verdwijning gaf eene gedwongenheid aan het gesprek tusschen Rudyard,
de Duitsche dames en Cornélie, en deze, gedurende een week, die de
baronin te Napels doorbracht, veranderde van plaats, en voegde zich
aan tafel bij hare landgenooten. De Rothkirchen veranderden ook--om
de tocht, zooals de baronin verzekerde--; nieuwe gasten namen hare
plaatsen in: en te midden dier vreemde elementen bleef Urania alleen
met Rudyard samen aan lunch en diner. Cornélie gevoelde zelfverwijt
en eens sprak zij ernstig met het Amerikaansche meisje en waarschuwde
haar. Maar zij dorst niet zeggen wat zij overhoord had op het bal, en
hare waarschuwing maakte geen indruk op Urania. En toen Rudyard miss
Hope het voorrecht bezorgd had van een particuliere audientie bij den
Paus, wilde Urania geen kwaad van Rudyard meer hooren en vond zij hem
den vriendelijksten man, dien zij ooit ontmoet had, of hij Jezuïet was,
ja dan niet.

Maar er bleef in het hôtel een waas van geheimzinnigheid over Rudyard,
en men was het niet eens, of hij Jezuïet was, en zelfs niet of hij
priester was of leek.




XI.


--Wat kan u die vreemde menschen schelen? vroeg hij.

Zij zaten in zijn atelier, mevrouw Van der Staal, Cornélie en de
meisjes, Annie en Emilie. Annie schonk thee en zij spraken over miss
Taylor en Urania.

--Ik ben voor u ook vreemd! antwoordde Cornélie.

--U is niet vreemd voor mij, voor ons.... Maar miss Taylor en Urania
kunnen mij niets schelen. Door ons leven dwalen honderde schim men: ik
zie ze niet en voel niet voor ze....

--En ik ben geen schim?

--Ik heb met u te veel gesproken in Borghese en op den Palatijn om u
een schim te vinden.

--Rudyard is een gevaarlijke schim, zeide Annie.

--Hij heeft geen vat op ons, antwoordde Duco.

Mevrouw Van der Staal zag Cornélie aan. Zij begreep dien blik en zeide
lachend:

--Neen, hij heeft geen vat op mij ook.... Toch, als ik aan
godsdienst--ik meen kerkelijken godsdienst--behoefte had, zoû ik liever
Roomsch-Katholiek willen zijn dan Hervormd. Maar nu....

Zij voltooide niet. Zij voelde zich veilig in dit atelier, in deze
zachte, bonte samenwemeling van mooie dingen, in hunne sympathie: zij
voelde zich met hen allen harmonisch: met het bevallige en wereldsche
van die ietwat oppervlakkige moeder en hare twee mooie meisjes: een
beetje poppig en vaag cosmopolitisch, vrij ijdel op de markiesjes,
waar ze meê dansten en fietsten; en met dier zoon, dien broêr, zoo
geheel verschillend van haar drieën en haar toch zichtbaar verwant
door een beweging, een gebaar, en een enkel woord. Ook trof het
Cornélie, dat zij elkaâr met liefde namen, zooals zij waren; Duco zijne
moeder en zusters met hare verhaaltjes over de prinsessen Colonna
en Odescalchi; mevrouw en de meisjes hem, met zijn oude jasje en
verwarde haren. En als hij begon te spreken, vooral te spreken over
Rome, als hij zijn droom gaf in woorden, in bijna boeke-zinnen, maar
zoo geleidelijk en natuurlijk vloeiende van zijne lippen, voelde
Cornélie zich harmonisch, voelde ze zich veilig, geïnteresseerd, en
verloor ze een weinig die zucht tot tegenspraak, die zijn artistieke
indolentie soms bij haar opwekte. En daarbij, zijne indolentie scheen
haar eensklaps maar schijnbaar, en misschien wel aanstellerij, want
hij toonde haar schetsen, aquarellen, geen enkele af, maar elke
aquarel levend van licht, van licht vooral, van alle licht van Italië:
de parelen zonsondergangen over het vloeiende emerald van Venetië;
Florence's torens droomvaag geteekend in theeroos-teedere luchten; het
forteresachtige Sienna zwartblauw in blauwenden maneschijn; oranje
zonnebranden achter Sint-Pieter, en vooral de ruïnes en in ieder licht:
het Forum in felle zon, de Palatijn in den avondschemer, het Colosseum
in den nacht geheimzinnig, en dan de Campagna: al het luchtgedroom
en lichtgewaas van de blijde en droeve Campagna, met zachtroze
mauve's, dauwende blauwen, opduisterend violet, of de brallende okers
van zonsondergangen als vuurwerk, en wolkuitwaaiïngen als purperen
fenixwieken. En toen Cornélie hem vroeg waarom niets was af, antwoordde
hij, dat niets goed was. Hij zag de luchten als droomen, vizioenen en
apotheozen, en op zijn papier werden ze water en verf, en vèrf, dat
was niet af te maken. En dan miste hij zelfvertrouwen. En dan liet hij
zijn luchten, zeide hij en teekende-na Byzantijnsche madonna's.

Toen hij zag, dat zijn aquarellen haar toch interesseerden, sprak hij
over zichzelven voort. Hoe hij eerst dweepte met de edele en naïve
Primitieven, met Giotto en vooral Lippo Memmi.... Hoe hij daarna, een
jaar in Parijs, gevonden had dat niets ging boven Forain: droogkoele
satyre in twee of drie lijnen; hoe zich toen, in den Louvre, Rubens aan
hem geopenbaard had: Rubens, wiens eigen talent en wiens eigen penseel
hij opspoorde tusschen al het nagedoe en leerwerk van al zijn talrijke
leerlingen, tot hij wist te zeggen, welk cherubijntje van Rubens
zelven was in een hemel vol cherubijnen, geschilderd door vier, vijf
discipelen.

En dan, zeide hij, dacht hij weken niet na over schilderkunst, en nam
hij geen penseel ter hand, en ging hij iederen dag naar het Vaticaan,
en verloor zich in de edele marmers.

Eens had hij een morgen lang zitten droomen voor den Eros, eens had hij
er een poëem gedroomd op heele zachte melodie van monotone begeleiding,
als een innige incantatie: thuis had hij gedicht en muziek willen
stellen op papier, maar had hij niet gekund. Nu kon hij Forain niet
meer zien, vond Rubens walgelijk en grof, maar was de Primitieven
getrouw gebleven.

--En stel nu, dat ik veel schilderde, en veel naar expozities zond? Zoû
ik gelukkiger zijn? Zoû ik voldoening voelen iets te hebben gedaan?
Ik geloof het niet. Soms maak ik een aquarel af, verkoop die, en kan
dan een maand bestaan zonder mama lastig te vallen. Geld kan mij niet
schelen. Roemzucht is mij heelemaal vreemd! Maar laat ons niet meer
over mij praten. Denkt u nog aan de toekomst en ... brood?

--Misschien, antwoordde zij, droef lachende, en om haar heen duisterde
donkerder het atelier, verzwijmden zacht-aan de silhouetten van zijn
moeder en zusters, die stil zaten, loom in gemakkelijke stoelen, en
weinig geïnteresseerd, en verschaduwde stil alle kleur. Maar ik ben zoo
zwak. U zegt, dat u geen artist is, en ik, ik ben geen apostel.

--Aan zijn leven richting geven, dàt is het moeilijke. Ieder leven
heeft een lijn, een richting, een weg, een pad: langs die lijn moet het
leven vervloeien in den dood, en wat is na den dood; en _die_ lijn is
moeilijk te vinden. Ik zal mijn lijn niet vinden.

--Ik zie mijn lijn ook niet voor me....

--Weet u, er is een onrust over me gekomen. Mama, hoort u, er is
een onrust over me gekomen. Vroeger droomde ik in het Forum, ik was
gelukkig en dacht niet aan mijn lijn. Mama, denkt u aan uw lijn, en
denken de zusjes er aan?

De zusjes, in den donker, als poesjes in de diepe stoelen verzonken,
gichelden een beetje. Mama stond op.

--Beste Duco, je weet, ik kan je niet volgen. Ik bewonder Cornélie, dat
zij je aquarellen mooi kan vinden, en begrijpt, wàt je bedoelt met die
lijn. Mijn lijn is nu naar huis, want het is al heel laat....

--Dat is de lijn van de naaste seconde. Maar er is een onrust over mijn
lijn van dagen en weken hierna. Ik leef niet goed. Het Verleden is
heel mooi, en zoo rustig, omdat het geweest is. Maar ik heb die rust
verloren. Het Heden is wel heel klein. Maar de Toekomst. O, als we een
doel konden vinden! Voor de Toekomst....

Zij hoorden niet meer naar hem; zij gingen de donkere trappen af,
tastende.

--Brood? vroeg hij zich af.




XII.


Op een morgen, dat Cornélie thuis bleef, zag zij hare lectuur na, die
in hare kamer verspreid lag. En zij vond, dat het voor haar nutteloos
was, Ovidius te lezen, om enkele Romeinsche zeden te bestudeeren,
waarvan sommige haar verschrikt en geschokt hadden; zij vond, dat Dante
en Petrarca te moeilijk waren om Italiaansch te bestudeeren, terwijl
het genoeg was een paar woorden op te vangen om zich verstaanbaar te
maken in een winkel of tegen de bedienden; zij vond de Wandelingen van
Hare een te vermoeiende gids, omdat ieder steentje van Rome haar nu
niet zóó belang inboezemde als het klaarblijkelijk Hare had gedaan.
Toen bekende zij zich, dat zij nooit Italië, nooit Rome zóo zoû kunnen
zien als Duco van der Staal deed. Zij zag nooit het licht van luchten
en gedrijf van wolken als zij het gezien had in zijn onvoltooide
waterverfstudies. Zij zag nooit de ruïnes verheerlijkt als hij het
deed in zijn urenlang gedroom in Forum en op Palatijn. Een schilderij
zag zij alleen maar met het oog van een leek; voor een Byzantijnsche
madonna voelde zij niets. Zij hield wel van beelden; maar innig
liefhebben een romp verminkt marmer, als hij den Eros liefhad, leek
haar ziekelijk ... en toch het ware gevoel om den Eros te zien. Niet
ziekelijk, dacht zij toen ... maar "morbide": het woord, hoewel zij er
zelve om glimlachte, gaf haar beter hare opinie weêr. Niet ziekelijk,
maar morbide. En een olijf vond zij een boom, die op een wilg leek,
terwijl Duco haar gezegd had, dat een olijf den mooisten boom was van
de wereld.

Zij was het niet met hem eens, noch wat die olijf, noch wat den
Eros aanging en toch voelde zij, dat hij gelijk had van een zeker
geheimzinnig standpunt, waarop zij zich niet stellen kon, omdat het was
als een mystieke heuvel, te midden van onoverschrijdbare tooverkringen:
kringen, die hij doorging als gevoelsferen, die de hare niet waren,
zooals de heuvel haar was een onbekende troon van gevoel en van
uitzicht. Zij was het niet met hem eens en toch was zij overtuigd
van zijn beter recht, zijn beteren blik, zijn edeler inzicht, zijn
dieper gevoel; en was zij zeker, dat haar wijze van Italië-zien--in
de teleurstelling van hare illuzie--, in het grauwe licht eener
toenemende onverschilligheid--niet edel was en niet goed; en wist zij,
dat de schoonheid van Italië haar ontsnapte; terwijl ze hem was als
een tastbaar en omhelsbaar vizioen. En zij ruimde Ovidius, Petrarca en
Hare's gidsboek op, en sloot ze in haar koffer, en nam er uit de romans
en brochures, dat jaar verschenen over de vrouwenbeweging in Holland.
Zij stelde belang in het vraagstuk en zij vond er zich moderner om
dan Duco, die haar eensklaps toescheen van een verleden tijd. Niet
modern. Niet modern. Zij herhaalde het woord met wellust en voelde zich
eensklaps krachtiger. Modern te zijn, zoû haar kracht zijn. Een enkel
woord van Duco had haar zeer getroffen: die uitroep: O, als wij een
doel konden vinden! Ons leven heeft een lijn, een pad, dat het gaan
moet.... Modern zijn, was dat geen lijn; oplossing vinden van modern
vraagstuk, was dat geen doel? Hij, hij had gelijk, op zijn standpunt,
vanwaar hij Italië zag, maar was geheel Italië niet een verleden, een
droom, tenminste dàt Italië, dat Duco zag, droomparadijs van kunst
alleen? Het kon niet goed zijn, zoo te staan en zoo te zien, en zoo
te droomen. Het Heden was er: aan de grauwe kimmen daverde naderend
een storm en de moderne vraagstukken flikkerden op als weêrlicht. Was
het dat niet, waar zij voor leven moest? Zij voelde voor de Vrouw, zij
voelde voor het Meisje: zij was zelve het Meisje geweest, opgevoed
alleen met salon-educatie, om te schitteren, als mooi en bevallig,
en dan wel te trouwen. En zij was mooi geweest, en bevallig, zij had
geschitterd en was getrouwd, en nu was zij drie-en-twintig, gescheiden
van dien man, die eens haar eenige doel was geweest, en, haar terwille,
het doel harer ouders: nu was zij alleen, verloren, wanhopig en
stervens-troosteloos: zij had niets om zich aan vast te klemmen, zij
leed. Zij had hem nog lief, hem, een ploert, een ellendeling; en zij
had gedacht al heel flink te zijn: te gaan reizen, om kunst, naar
Italië. Maar zij begreep geen kunst, zij voelde niet Italië. O, hoe zag
zij het in, na die gesprekken, gewisseld met Duco: dat zij kunst nooit
begrijpen zoû, al had zij vroeger wat geteekend, al had zij vroeger in
haar boudoir een biscuitgroep gehad naar Canova: Amor en Psyche: zoo
lief voor een jong meisje. En hoe zeker wist zij nu, dat zij Italië
niet begrijpen zoû, omdat zij een olijfboom niet zoo heel mooi vond, en
de lucht van de Campagna nooit gezien had als een waaiende fenix-vlerk.
Neen, Italië zoû nooit haar levenstroost zijn....

Maar wat dan? Veel had zij doorgemaakt, maar zij leefde en was heel
jong. En op nieuw, bij den aanblik dier brochures, den aanblik van dien
roman, kwam het verlangen in haar ziel op: modern zijn, modern zijn! En
doen aan de moderne problemen. Leven voor de toekomst! Leven voor de
Vrouw, voor het Meisje....

Zij dorst niet diep in zich zien, vreezende te weifelen. Leven voor de
Toekomst.... Het scheidde haar iets meer van Duco, dat nieuwe ideaal.
Kon haar dat schelen, had zij hem lief? Neen, zij dacht van niet. Zij
had haar man lief gehad en wilde niet dadelijk verlieven op den eersten
den besten aardigen jongen, dien zij bij toeval in Rome ontmoette....

En zij las de brochures. Over de Vrouwenkwestie en de Liefde. Toen
dacht zij aan haar man, toen aan Duco. En moê liet zij de brochure
vallen, en dacht hoe treurig het was. De menschen, de vrouwen, de
meisjes. Zij, vrouw, jonge vrouw, doellooze vrouw, hoe treurig zij was
in het leven. En Duco, hij was gelukkig? Maar toch zocht hij de lijn
van zijn leven, toch zag hij uit naar zijn doel. Een nieuwe onrust was
in hem gekomen. En zij schreide een beetje, en wrong zich, onrustig,
in hare kussens, en klampte haar handen, en bad, onbewust, en tot wie,
wist zij niet:

--O God, zèg mij, wat wij moeten doen!




XIII.


Toen was het na eenige dagen, dat Cornélie idee kreeg het pension te
verlaten en op kamers te gaan wonen. Het hôtelleven stoorde haar in
hare opkomende gedachten, als een wind van ijdelheid, die telkens
schroeide over heel vage bloesems, en niettegenstaande een scheldvloed
van woorden van de marchesa, die haar verweet voor den geheelen winter
gehuurd te hebben, trok zij in de kamers, die zij na veel zoeken en
trappenklimmen, met Duco van der Staal had gevonden. Het was in de Via
dei Serpenti, vele trappen op, een suite van twee ruime, maar bijna
geheel ongemeubeleerde vertrekken: alleen het hoog noodige stond er,
en hoewel het uitzicht wijd over de huizenmassa's van Rome streek tot
de cirkelige ruïne van het Colosseum toe, waren de kamers van een
rulle ongezelligheid, van een naakte onbewoonbaarheid. Duco had ze
niet goed gevonden en zeide, dat hij er rilde, hoewel ze lagen op de
zonnezijde, maar er was iets in de stroefheid van dit verblijf, dat
Cornélie in hare nieuwe stemming harmonisch aandeed. Toen zij dien
dag scheidden, dacht hij van haar: wat is ze toch weinig artistiek;
en zij van hem: wat is hij onmodern! Zij zagen elkaâr in dagen niet
weêr, en Cornélie was geheel eenzaam, maar voelde hare eenzaamheid
niet, omdat zij een brochure schreef over den maatschappelijken
toestand der gescheiden vrouw. Dat idee was bij haar opgekomen door
enkele zinnen in een brochure over de Vrouwenbeweging, en in eens,
zonder veel te hebben nagedacht, schreef zij in impulsie na impulsie,
intuïtie na intuïtie, hare zinnen, stroef, koel, en klaar; schreef
zij in een epistolairen stijl, zonder kunst, maar met overtuiging en
ondervinding, als om meisjes te waarschuwen tegen te veel illuzie
voor het Huwelijk. Zij had hare kamers niet gezellig gemaakt; zij zat
daar, hoog in Rome, met haar blik over de daken tot het Colosseum
toe, te schrijven, te schrijven, zich verdiepende in haar leed, zich
gevende in hare weêrbarstige zinnen, bitter, maar den alsem harer
ziel gietende in hare brochure. Mevrouw Van der Staal en de meisjes,
die haar kwamen bezoeken, waren verbaasd, om haar slordig uitzien,
om haar rulle kamers, een stervend vuur in het haardje, geen bloem,
geen boeken, geen thee, en geen kussens, en toen zij na een kwartier
heengingen, voorgevende boodschappen te moeten doen, zagen zij, de
eindelooze trappen aftrippende elkaâr verbaasd aan, geheel in de war
en niets begrijpende van die herschepping: die van een interessant,
elegant vrouwtje, met om zich heen een waas van poëzie, een tragiek van
verleden,--in een "vrije vrouw", die verwoed schreef aan een brochure,
met bittere verwenschingen tegen de maatschappij. En toen Duco haar
na een week weêr opzocht, en een oogenblik bij haar kwam zitten,
bleef hij doodstil, stijfrecht op zijn stoel, zonder te spreken,
terwijl Cornélie hem het begin harer brochure voorlas. Hem roerde wat
hij er in schemeren zag, van eigen leed en ondervinding, maar iets
onharmonisch ergerde hem tusschen die slanke, lelieachtige vrouw,
met hare gebroken bewegingen, en de omgeving, waarin zij zich nu wèl
voelde, geheel verdiept in haar haat tegen de maatschappij, met name
de Haagsche, die haar vijandig was geworden, omdat zij niet met een
ploert, die haar mishandelde, was samengebleven. En terwijl zij las,
dacht Duco: zij zoû zoo niet schrijven, als zij niet alles uit eigen
leed naschreef. Waarom schept zij er niet een novelle uit...? Waarom
dat generalizeeren van persoonlijk verdriet, en waarom dat waarschuwend
stemgeluid.... Hij vond het niet mooi. Hij vond den klank van die stem
zoo hard, die waarheden zoo persoonlijk, die bitterheid onsympathiek
en die conventie-haat zoo klein. En toen zij hem iets vroeg, zei
hij niet veel, schudde vaag goedkeurend het hoofd, en bleef zitten,
ongemakkelijk strak. Hij wist niet wat te antwoorden, hij wist niet hoe
te bewonderen, hij vond haar onartistiek. En toch welde in hem groot
medelijden, toch zag hij hoe lief zij zoû zijn, en hoe edel vrouw,
als zij gevonden had de lijn van haar leven, en zich langs die lijn
harmonisch bewoog met de muziek van haar eigen beweging. Nu zag hij
haar gaan een verkeerden weg; een pad, door anderen haar met vingers
aangewezen, en niet ingeslagen uit eigen aandrang van ziel. En hij
voelde een diep medelijden voor haar. Hij, artist, maar vooral droomer,
zag soms scherp, tròts zijn droomen, tròts zijn soms alles omvattend
gevoel voor lijn en voor kleur en voor waas; hij, artist en droomer,
zag dikwijls als helderziend de emotie schemeren door het voordoen der
menschen, zag de ziel, als een licht door albast heen, en hij zag haar
eensklaps verloren, zoekende, dwalende; zoekende, zij wist zelve niet
wat; dwalende, zij wist zelve niet door welk labyrinth; ver van haar
lijn, haar levenslijn en richting van haar zielebeweging, die zij nog
nimmer had gevonden.

Zij zat opgewonden voor hem, zij had gelezen haar allerlaatste
bladzijden, met verhit gelaat, met klinkende stem, met een koorts
in heel haar wezen. Het was als wilde zij nu smijten die bladen
vol bitterheid voor de voeten harer Hollandsche zusteren, voor
de voeten van alle vrouwen. Hij, verloren in zijne bespiegeling,
weemoedig in zijn meêlij voor haar, had nauwlijks geluisterd, en
schudde vaag goedkeurend het hoofd. En eensklaps sprak zij over
zichzelve, en gaf ze zich geheel, vertelde zij haar leven: haar
Haagsche-jongemeisjes-bestaan, haar opvoeding om wat te schitteren, en
aardig en mooi te zijn, zonder éen ernstigen blik op haar toekomst,
alleen afwachtende een goed huwelijk, met een flirtation hier, en
een verliefdheidje daar, tot zij getrouwd was; een goed huwelijk in
haar kringetje; haar man eerste luitenant van de huzaren, een mooie
flinke jongen, goede notabele familie, een beetje geld,--op wien zij
verliefd was geworden om zijn mooie gezicht, en zijn flink figuur in
zijn uniform, die hem goed stond; die op haar verliefd was, zooals
hij op een ander meisje ook had kunnen worden, omdat zij een aardig
snoetje had: toen, de openbaring al dier allereerste dagen: de dadelijk
uitbarstende disharmonie hunner karakters. Zij, thuis verwend, fijn,
delicaat, fijngevoelig, maar egoïst fijngevoelig, maar prikkelbaar voor
haar eigen verwende ik-je; hij, niet meer hofmakerig, maar dadelijk
grofweg man met rechten hierop en rechten daarop, met een vloek nu en
een gedonder dan weêr; zij, zonder eenigen tact, zonder eenig geduld
nog te maken van hunne verongelukkende levens wat er misschien nog te
maken zoû zijn: nerveus, driftig, drift tegen grofheid in, wat zijn
ruwheid zoo oprazen deed, dat hij haar mishandelde, uitschold, sloeg,
schudde en kwakte tegen den muur aan....

Toen hare scheiding; hij eerst niet gewild; trots alles, tevreden
met een huis te hebben, en in dat huis een vrouw, wijfje van hèm,
mannetje, en niet willende weêr de ellende van op kamers wonen,
tot zij eenvoudig wegliep, naar hare ouders toe, de stad uit bij
vrienden, razende op de wet, zoo onrechtvaardig jegens vrouwen.... Hij
had eindelijk toegegeven, zich laten beschuldigen van overspel, wat
niet bezijden de waarheid was. Toen was zij vrij, maar zij stond als
alleen, aangekeken door al hare kennissen, niet willende toegeven aan
hun conventie-eisch van die soort van halve rouw, die een gescheiden
vrouw moest omgeven volgens hunne conventie-ideetjes, en dadelijk
terugkeerende tot haar vroeger jonge-meisjes-schitterbestaan. Maar
zij had gevoeld, dat dat niet wezen kon, niet om de kennissen en
niet om zichzelve: de kennissen, schuin naar haar kijkende, en zij,
walgende van de kennissen, van hun soirées en diners, tot zij zich
diep ongelukkig gevoeld had, eenzaam, verloren, zonder iets, zonder
iemand, en zij gevoeld had al den druk, die weegt op de gescheiden
vrouw. Diep in zich had zij wel eens gedacht, dat zij met veel geduld
en veel tact dien man nog had kunnen beheerschen, dat hij niet kwaad
was, alleen maar grof, dat zij toch wel nog van hem hield, ten minste
van zijn mooie gezicht en van zijn flinke lichaam. Liefde, dat was het
niet, maar had zij ooit over liefde gedacht, zooals zij die nu wel eens
voorgevoelde? En leefde niet bijna een ieder zoo-zoo maar, zich een
beetje schikkende naar wat hem gegeven werd? Maar die spijt bekende zij
nauwlijks zichzelve, bekende zij ook nu niet aan Duco, en wèl bekende
zij haar bitterheid, haar haat tegen haar man, tegen het huwelijk, de
conventie, de menschen, de wereld: tegen al de groote algemeenheden,
generalizeerend haar eigen gevoel tot éen vloek tegen het leven. Hij
hoorde haar aan, met medelijden. Hij voelde, dat er iets edels in haar
was, maar verstikt, van den beginne af. Hij vergaf haar, dat zij niet
artistiek was, maar het smartte hem, dat zij zich nooit gevonden had,
dat zij niet wist wat zij was, wiè zij was, hoe haar leven moest zijn,
en waar de lijn slingerde van haar leven, het eenige pad, dat zij gaan
moest, zooals ieder leven volgt éen pad. O, hoe vaak, als een mensch
zich maar gaan liet, als een bloem, als een vogel, als een wolk, als
een ster, die haar baan zoo gehoorzaam beschreef, zoû een mensch zijn
geluk en zijn leven wel vinden, als de bloem en de vogel ze vonden, als
de wolk weg dreef in de zon, en de ster haar hemelbaan volgde. Maar
hij zeide haar niets van zijn gedachten, wetende, dat zij vooral in
hare stemming van bitterheid ze niet begrijpen zoû, en er geen steun
aan grijpen kon, omdat ze haar te vaag zouden zijn, en te vreemd aan
haar eigen denken. Zij dacht aan zichzelve, maar zij dàcht, dat zij
dacht aan de Vrouwen, de Meisjes, en hare beweging naar de Toekomst.
De lijnen van de vrouwen.... Maar had iedere vrouw niet haar eigen
lijn? Alleen, hoe weinigen wisten haar, haar richting, haar pad, haar
levenslijn, haar meander in de toekomstschemering. En misschien, omdat
zij niet wisten voor zich, zochten zij allen te zamen nu een breed pad,
een hoofdweg, waarop zij voortgaan zouden met scharen, met dringende
menigte van vrouwen, met regimenten van vrouwen, met leuzen en vanen
en oorlogskreet, breed pad, paralel aan de beweging der mannen, tot
de paden zouden versmelten tot éen, tot de scharen der vrouwen zich
vermengen zouden met de scharen der mannen, met gelijke rechten en
levensbeweging....

Hij zeide haar niets. Zij merkte zijn zwijgen, en zag niet, hoeveel in
hem omging, hoe innig hij over haar dacht, hoe diep meêlij hij voor
haar voelde. Zij dacht, dat zij hem verveeld bad. En eensklaps, om
zich heen, zag zij de duisterende naakte kamer, het vuur uitgedoofd,
en zonk haar geestdrift, verkoelde haar koorts, vond zij slècht haar
brochure, zonder kracht, overtuiging. Hoe gaarne had zij een woord van
hem gehoord! Maar hij zat stil, hij scheen geen belang te stellen, hij
vond haar stijl zeker niet mooi. En zij voelde zich treurig, verlaten,
eenzaam, vervreemd van hem, en bitter om die vervreemding, zij voelde
zich klaar om te weenen, te snikken, en--vreemd--in haar bitterheid,
dacht zij aan hèm, haar man, met zijn mooie gezicht. En zij kon zich
niet houden: zij weende. Hij naderde haar, hij legde op haar schouder
zijn hand. Toen voelde zij iets, van wat er in hem omging, en dat zijn
zwijgen niet koude was. Zij zeide hem, dat zij dien avond niet alleén
zoû kunnen blijven, te rampzalig, te rampzalig.... Hij troostte haar;
zei, dat er veel goeds, veel waars in haar brochure was, dat hij geen
goed beoordeelaar was over zulke moderne kwesties; dat hij alleen maar
knap was als hij sprak over Italië; dat hij zoo weinig voelde voor
menschen, en zoo veel voor beelden; zoo weinig voor wat nieuw wordt
opgebouwd voor een volgende eeuw, en zoo veel voor wat in ruïnes lag en
restte uit vorige eeuwen. Hij zei het als vroeg hij verontschuldiging.
Zij glimlachte door hare tranen heen, maar herhaalde, dat zij niet
alleen kon blijven, en dat zij met hem meêging naar Belloni, dien
avond, naar zijn moeder en zusters. En zij gingen samen uit, zij
liepen samen om; en hij vertelde haar, om haar af te leiden, van eigen
gedachten, vertelde haar anecdoten van meesters uit de Renaissance. Zij
hoorde niet wat hij zeide, maar zijn stem was lief aan haar ooren. Hij
had zoo iets zachts in zijn onverschilligheid voor het moderne, dat
haar interesseerde: hij had zooveel kalmte, weldadig als balsem, in de
rust van zijn ziel, die zich liet gaan aan den goudenen draad van zijn
droomen--als was die draad zijn levensrichting,--zoo veel kalmte en
zachtheid, dat ook zij kalmer werd, en zachter, en glimlachend tot hem
opzag.

En hoe ver zij ook van elkaâr verwijderd waren, hij gaande langs
droomenlijn, zij verloren in een duisteren doolhof,--zij voelden
elkaâr toch naderen, voelden hunne zielen van verre toch naderen,
terwijl hunne lichamen zich naast elkaâr bewogen op een straat van
werkelijkheid, dwars door Rome in den avond. Hij stak zijn arm door den
hare, maar steunde haár, ondanks dat gebaar.

En toen zij Belloni naderden, dankte zij hem, zij wist niet precies
waarvoor: voor zijn blik, voor zijn stem, voor hunne wandeling, voor
den troost, dien zij onuitlegbaar, maar toch duidelijk, uit hem voelde
stralen, en zij was dien avond blijde met hem meê gegaan te zijn, en om
zich heen te voelen de afleiding van Belloni's table-d'hôte.

Maar des nachts, alleen, alleen in haar rulle kamers, kwam hare
rampzaligheid als een zwarte zee over haar heen, en, uitziende naar
het Colosseum--donker te raden boog in donkeren nacht--, snikte zij,
zich tot stervens toe voelende verzinken, wegspoelen, verlaten en
eenzaam, zoo hoog boven Rome, boven de daken, boven de flauwe lichtjes
der nachtstad, onder de wolken van den donkeren nacht, verzinken en
wegspoelen, als dreef zij, schipbreukeling op een oceaan, die de wereld
verdronk, en klagend opruischte tegen den onverbiddelijken hemel.




XIV.


Toch kwam er een kalmte in Cornélie nu hare brochure geschreven was.
Zij pakte hare koffers uit, arrangeerde hare kamers wat gezelliger,
en, rustiger, schreef zij de brochure over en verbeterde onder het
overschrijven haar stijl, en zelfs haar gedachten. Als zij des morgens
gewerkt had, lunchte zij meestal in een kleine osteria en ontmoette
daar bijna altijd Duco van der Staal, en at met hem aan éen tafeltje.
Meestal dineerde zij bij Belloni, bij de Van der Staals, om wat
afleiding te hebben voor haar avond. De marchesa had haar eerst niet
gegroet, al duldde zij haar aan de table-d'hôte, voor drie lire per
avond, maar langzamerhand groette zij weêr Cornélie, met een zuurzoet
lachje, want zij had de beide kamertjes al voordeeliger weêr verhuurd.
En Cornélie, in hare kalmere stemming, vond het eene gezelligheid zich
's avonds te kleeden, naar Belloni te gaan, mevrouw Van der Staal en
de meisjes te zien, verhaaltjes van haar te hooren over de salons van
Rome, en een blik te weiden over de lange tafels. En zij zag, dat de
gasten alweêr anderen waren, als met een kaleidoskoop van vluchtige
menschen. Rudyard was verdwenen, met een schuld aan de marchesa, en
niemand wist waarheen. De Rothkirchen waren naar Griekenland gegaan,
maar Urania Hope was er nog steeds en zat naast de marchesa Belloni, en
aan hare andere zijde de neef: de prins van Forte-Braccio, hertog van
San Stefano, die geregeld bij Belloni dineerde. En Cornélie zag, dat
het was als eene samenzwering: de marchesa en de prins, die de kleine
ijdele Amerikaansche van beide zijden bestookten. Een volgenden dag
zag Cornélie aan de tafel van de marchesa twee monsignori zitten in
druk gesprek met Urania, terwijl de marchesa en de prins toeknikten.
Alle gasten spraken er over, aller oogen zagen die kant uit, allen
bespiedden de manoeuvre en vermaakten zich met dien roman.

Alleen Cornélie lachte er niet om; zij had Urania willen waarschuwen,
voor de marchesa, den prins en de monsignori, die Rudyards plaats
innamen, maar vooral waarschuwen voor het Huwelijk, al was het met een
prins-hertog. En zich opwindende, sprak zij met mevrouw en de meisjes,
herhaalde zij hare brochure-zinnen, gloeide, rood-òp, haar jonge haat
tegen de maatschappij en de wereld en de menschen.

Het diner was afgeloopen; druk pratende nog ging zij met de Van der
Staals mevrouw en de meisjes en Duco--naar het salon, zette zich in
een hoek, vervolgde haar gesprek, vaarde uit tot mevrouw, die haar
tegensprak, tot zij eensklaps een dikke dame--de meisjes hadden haar al
bijgenaamd: het satijnen fregat--glimlachend naar hen toe zagen komen
en zeggen al van verre:

--I beg your pardon, maar ik woû u iets zeggen.... Kijk, ik kom al
sedert tien jaren geregeld iederen winter bij Belloni, van November tot
na Paschen, en dan zit ik iederen avond, nà het diner--maar ook alleen
maar nà het diner--in _dezen_ hoek, aan _deze_ tafel, op _deze_ plaats.
Neemt u me dus niet kwalijk, maar ik zoû ook nu gaarne mijn plaats weêr
innemen....

En het "satijnen fregat" glimlachte lieftallig, maar toen de Van
der Staals en Cornélie op rezen in stomme verbazing, liet zij zich
ruischende ploffen op de canapé, deinde even op en neêr op de veeren,
zette haar haakwerk op de tafel met een gebaar of ze een Engelsche vlag
plantte op een kolonie, en zeide met haar lieftalligsten glimlach;

--Very much obliged, I thank you very much.

Duco schaterde het uit, de meisjes gichelden, maar het "satijnen
fregat" knikte hen goedmoedig toe. En nog niet goed beseffende,
verbaasd, maar vroolijk, zetten zij zich in een anderen hoek, de
meisjes met een onuitbluschbaar gegichel. De twee esthetische dames,
met de evening-dress en de Jaegers, die aan de middentafel zaten te
lezen, sloegen tegelijkertijd hare twee boeken dicht, en stonden op en
gingen verontwaardigd heen, omdat men in het salon lachte en praatte.

--It is a shame! zeiden zij hard op, en rechthoekig, verwaten en
groezelig draaiden zij de deur uit.

--Vreemde menschen! dacht Duco glimlachend; schimmen van menschen....
Hun lijnen dwarrelen als arabesken door onze lijnen. Waarom kruisen
zij onze lijnen met hun kleine beweging, en waarom kruisen ons nooit
misschien die ons het liefst zouden zijn aan onze ziel...?

Steeds bracht hij Cornélie des avonds naar de Via dei Serpenti. Zij
wandelden dan langzaam door de stille verlaten straten. Soms was het
laat, maar soms was het dadelijk nà het diner, en dan wandelden zij
nog het Corso in, dan vroeg hij haar meestal nog wat te gaan zitten
bij Aragno. Zij deed dit, en samen gebruikten zij een kop koffie, in
de vroolijkheid van het verlichte café, kijkende naar de avonddrukte
op straat. Zij spraken dan weinig, afgeleid door de voorbijgangers en
de bezoekers van het café, maar zij vonden het beiden een gezellig
oogenblik, en voelden zich één met elkaâr. Duco dacht klaarblijkelijk
niet na over het liberale van hun doen, maar Cornélie dacht aan
mevrouw Van der Staal, en dat zij het niet goed zoû keuren en niet zoû
toestemmen in een harer dochters: 's avonds alleen met een heer te
zitten in een café. En Cornélie dacht ook aan Den Haag en glimlachte
bij de gedachte aan hare Haagsche kennissen. En zij zag naar Duco....
Rustig zat hij, tevreden met haar samen te zitten, en hij dronk zijn
koffie, en zei nu en dan een woord en wees haar op een type of op
een mooie vrouw, die voorbijging.... Op een avond, na het diner,
stelde hij voor allen te gaan naar de ruïnes: de maan scheen, dat
was wondermooi. Maar mevrouw was bang voor malaria, de meisjes voor
roovers; en zij gingen alleen, Duco en Cornélie. De straten waren heel
eenzaam, het Colosseum rees dreigend op als een zwarte forteres in den
nacht, maar zij gingen er binnen, en door de open bogen scheen het
maanlichte blauw van den nacht: in de ronde put van de arena, ter eene
zijde zwart, schaduw, stroomde ter andere de stroom van maneschijn
binnen, als een witte vloed, als een waterval, en het was als spookte
de nacht, als spookte het Colosseum en het geheele verleden van Rome:
keizers, gladiatoren en martelaars; schaduwen slopen om als kruipende
wilde beesten, een lichtvlak was als een naakte vrouw, en de galerijen
schenen te ruischen van menigte.... En toch was er niets en waren zij
eenzaam, Duco en Cornélie, in de diepte der hooge reuze-ruïne, half in
schaduw en half in licht, en hoewel zij niet bang was, was zij onder
den indruk van het ontzaglijk gespook des verledens, en schoof bij
hem nader en klemde zijn arm, en voelde zich klein, heel klein. Hij
drukte even haar hand, met zijn eenvoudige gemakkelijkheid, als om
haar gerust te stellen. En de nacht beklemde haar, het spook benauwde
haar, de maan scheen te duizelen hoog in de lucht en zich reusachtig
uit te breiden en rond te draaien als een zilveren wiel. Hij zeide
niets, hij was in zijn droom, hij zag het verleden voor zich.... En
zwijgend gingen zij heen, en hij voerde haar door den boog van Titus
het Forum binnen. Links rezen de ruïnes der keizerpaleizen, en om hen
heen stonden de zwarte brokkelingen op, wezen de enkele zuilen omhoog
en stroomde de blanke mane-stroom neêr, als een spookzee uit de lucht.
Zij ontmoetten niemand, maar zij was bang en klemde vaster zijn arm.
Toen zij even gingen zitten op een stuk fondament, huiverde zij van de
kilte. Hij schrikte, zeide, dat zij op moest passen geen koû te vatten,
en zij gingen verder en verlieten het Forum. Hij bracht haar thuis,
en alleen ging zij de trappen op, een lucifer afstekende om wat licht
te hebben in het duistere trappenhuis. In haar kamer bevroedde zij,
dat het gevaarlijk was 's avonds in de ruïnes te dwalen. Zij dacht hoe
weinig Duco gesproken had, niet denkende aan gevaar, verloren in zijn
nachtelijken droom, turende in het ontzaglijk gespook.... Waarom ...
was hij niet alleen gegaan? Waarom had hij haar meêgevraagd? Zij sliep
in, na een chaos van warrelende gedachte: de prins en Urania; de dikke
satijnen dame, en het Colosseum en de martelaren, en Duco en mevrouw
Van der Staal.... Zijn moeder was zoo gewoon, zijn zusjes lief maar
banaal, en hij ... zoo vreemd! Zoo eenvoudig, zoo zonder voordoen, zich
zoo gevende als hij was; en daarom zoo vreemd.... Onmogelijk zoû hij
zijn in Den Haag, onder haar kennissen.... Zij glimlachte als zij dacht
aan wat hij gezegd had, en hoè hij dat gezegd had en hoe hij lustig kon
zwijgen, minuten lang, een glimlach om zijn mond, als dacht hij aan
iets moois....

Maar Urania moest zij waarschuwen.

En moê sliep zij in.




XV


Wat Cornélie voorgedacht had over mevrouw Van der Staals opinie omtrent
haar omgang met Duco, werd bewaarheid: mevrouw sprak ernstig met haar,
zeggende, dat zij, zoo voortgaande, zich comprometteeren zoû, en
voegde er tevens aan toe, dat zij ook met Duco in dien geest gesproken
had. Maar Cornélie antwoordde vrij hoog, en nonchalant, beweerde, dat
zij, na zich steeds aan conventie gestoord te hebben, en toch diep
ongelukkig te zijn geworden, zich voortaan niet meer aan conventie
stoorde, en dat zij Duco's conversatie op prijs stelde zonder zich
te laten weêrhouden door wat "men" dacht en vond. En dan, vroeg zij
mevrouw Van der Staal, wie was "men"? Hun drie, vier kennissen in
Belloni? Wie kende haar anders? Waar kwam zij verder? Wat deerde haar
Den Haag? En zij lachte schamper, uit de hoogte afwerende de argumenten
van mevrouw Van der Staal. Het gaf tusschen haar eene verkoeling:
zij kwam dien avond niet bij Belloni dineeren, gekrenkt in hare
prikkelbare overfijngevoeligheid. Den volgenden dag, Duco ontmoetende
aan hun tafeltje in de osteria, vroeg zij, wat hij dacht van zijn
moeders berisping. Hij glimlachte vaag, de wenkbrauwen opgetrokken,
klaarblijkelijk niet beseffende de middelmaat-waarheid der woorden
zijner moeder, zeggende: dat dat zoo ideeën waren van mama, natuurlijk
heel goed en gangbaar in den cirkel, waarin mama en de zusjes leefden,
maar waarin hij zich niet verdiepte, waaraan hij zich niet stoorde,
tenzij Cornélie vond, dat mama gelijk had. En Cornélie vaarde schamper
uit, haalde hare schouders op, vroeg terwille van wie en wat zij
zich zouden laten weêrhouden in hun vriendschappelijken omgang. Zij
bestelden samen een halve fiasco, en zij aten lang en gezellig, als
twee kameraden, als twee studenten. Hij zeide, dat hij had nagedacht
over hare brochure; hij sprak,--om haar lief te zijn--over den
toestand der moderne vrouw, over het huwelijk, over de meisjes. Zij
laakte de opvoeding, die mevrouw Van der Staal aan zijn zusjes gaf, de
luchtige schitter-educatie en dat eeuwige uitgaan en zoeken naar een
man. Zij sprak uit ondervinding, zeide zij. Dien dag wandelden zij de
Via Appia op, en gingen in de Catacomben, geleid door een Trappist.
Daarna namen zij een rijtuigje, reden naar Rome terug en dronken thee
bij Ramazotti, den banketbakker. Toen Cornélie thuis kwam, voelde zij
zich pleizierig en luchtig en vroolijk. Zij ging niet meer uit, stookte
met veel hout haar vuur op voor den avond, die kil werd, en soupeerde
alleen met wat brood en gelei, om niet uit te gaan voor haar diner.
In haar peignoir, de handen om het hoofd gebogen, tuurde zij in het
aardig brandende hout, en liet den avond over zich glijden. Zij was
tevreden met haar leven, zoo vrij, los van alles, en iedereen. Zij had
een beetje geld, zij kon zoo blijven leven. Vele behoeften had zij
niet. Haar leven op kamers, in kleine restauraties kostte niet veel.
Toiletten had zij niet noodig. Zij voelde zich tevreden. Duco was een
prettige vriend; wat zoû zij eenzaam zijn zonder hem. Alleen, een doel
moest haar leven krijgen.... Wat? Wat? De vrouwenbeweging...? Maar hoe,
in den vreemde? Er aan te arbeiden was zoo moeilijk.... Hare brochure
nu zoû zij zenden aan een nieuw blad voor vrouwen, pas opgericht.
Maar dan? Zij was nu eenmaal niet in Holland, en zij wilde niet naar
Holland: en toch, daar zoû ze zeker gemakkelijker werkzaam zijn, van
gedachte wisselen met anderen. Maar hier in Rome.... Een luiheid kwam
over haar, in de loomte van haar gezellige kamer. Want Duco had haar
geholpen haar zitkamer te arrangeeren. Hij was toch een ontwikkelde
jongen, al was hij niet modern. Wat wist hij veel van geschiedenis, van
Italië, wat vertelde hij aardig. Zooals hij haar Italië verklaarde,
vond zij Italië toch wel interessant.

Maar hij was alleen niet modern. Voor de politiek van Italië had hij
geen oog, niet voor den strijd tusschen Quirinaal en Vaticaan; niet
voor het anarchisme, dat er den kop opstak in Milaan, niet voor de
woelingen in Sicilië.... Een doel; zoo moeilijk een doel.... En in hare
avondloomheid na een prettigen dag, voelde zij het gemis van een doel
niet, smaakte zij de zachte wellust hare gedachten te laten glijden
met de lome avonduren meê, in een egoïsme van welbehagen. Zij zag naar
de bladen harer brochure, verspreid op hare groote schrijftafel: een
tafel om aan te werken: ze lagen geel in het licht van hare werklamp:
ze waren allen nog niet overgeschreven, maar zij had nu geen lust: zij
wierp een blok in het haardje, en het vuur rookte en vlamde op. Zoo
gezellig in het buitenland, dat stoken met blokken hout.... En zij
dacht aan haar man. Soms miste zij hem. Zoû zij hem niet hebben kunnen
leiden met een beetje tact en geduld? Hij was toch heel aardig geweest
in den tijd van hun engagement. Hij was ruw, maar hij was niet kwaad.
Hij vloekte wel eens tegen haar, maar misschien had hij het niet zoo
kwaad gemeend. Hij walste heerlijk, hij draaide je zoo stevig meê....
Hij was een mooie jongen, en, ze bekende zich, ze was verliefd op hem,
alleen om zijn mooie gezicht, zijn mooie lijf. Hij had iets in zijn
oogen en mond gehad, dat zij niet had kunnen weêrstaan. Als hij sprak,
had zij naar zijn mond moeten kijken. Enfin, het was nu voorbij....
Het Haagsche leven was toch misschien te eentonig geweest voor hare
natuur. Zij hield van reizen, van nieuwe menschen zien, van nieuwe
gedachten in zich ontwikkelen, en ze had nooit kunnen vastgroeien
in haar côterie-tje. En nu was zij vrij, los van alle banden, van
alle menschen. Als mevrouw Van der Staal boos was, wat kon het haar
schelen.... En Duco, hij was toch wèl modern, een beetje, in zijne
onverschilligheid omtrent conventie. Of was het alleen artisticiteit
in hem; of was het hèm, als on-modern man, onverschillig, zooals het
haar, moderne vrouw, was? Een man kon zich meer veroorloven. Een man
comprometteerde zich zoo gauw niet. Moderne vrouw.... Zij herhaalde
het trotsch. Iets fiers stak op in hare loomheid. Zij richtte zich,
rekkende-uit hare armen, zag in den spiegel haar slanke figuur,
haar fijne gezichtje, een beetje bleek, de oogen groot, en grauw en
glansend, onder opvallend lange wimpers; haar donker-blonde haren in
een losse verwarde wrong; haar gebroken lelie-lijn heel bevallig in de
frommelplooien van haar ouden peignoir, bleek roze en verschoten. Waar
was haar pad? Zij voelde zich niet alleen werkster en streefster, zij
voelde zich zoo complex; zij voelde zich vrouw ook, zij voelde veel
vrouwelijkheid in zich, als een loomte, die haar werkkracht verlammen
zoû. En zij dwaalde de kamer door, besluiteloos naar bed te gaan, en,
starende in de gloei-asch van het uitgebrande vuur, dacht zij aan haar
toekomst, aan wat en hoe zij worden zoû, en hoe en waar zij gaan zoû,
langs welke arabesk des levens, wendende door welke wouden, krullende
door welke dreven, kruisende welke andere arabesken, van welke andere
zoekende zielen?




XVI.


Reeds langen tijd was het een idee-fixe van Cornélie, dat zij met
Urania Hope moest spreken, en op een morgen schreef zij een briefje
en vroeg belet voor dien middag. Miss Hope antwoordde toestemmend en
om vijf uur vond Cornélie haar thuis in haar mooi en duur salon van
Belloni: veel licht op, veel bloemen; Urania, hamerende op de piano,
in een robe-d'interieur van Venetiaansche kant, terwijl een rijke
tea met koekjes, boterhammetjes, bonbons, was klaargezet. Cornélie
had geschreven, dat zij Miss Hope over een belangrijk onderwerp
alleen wilde spreken en vroeg ook dadelijk of zij alleen zouden zijn,
twijfelende, nu Urania haar zoo receptie-achtig ontving. Maar Urania
stelde haar gerust: zij had alleen thuis gegeven voor Mrs. De Retz,
en zij was zeer nieuwsgierig waarover Cornélie haar wilde onderhouden.
Cornélie herinnerde Urania hare eerste waarschuwing en toen Urania
lachte, vatte zij haar hand en zag haar met zulke ernstige oogen aan,
dat zij indruk maakte op de luchtige natuur van het Amerikaansche
meisje, en Urania geïntrigeerd werd. Nu vond zij het eensklaps zeer
gewichtig--een geheim, een intrigue, een gevaar in Rome!--en zij
fluisterden samen. En Cornélie, niet angstig meer in deze toenemende
vertrouwelijkheid, bekende haar wat zij op het Kerstbal overhoord
had, door de opengekraakte deur: de machinatie van de marchesa met
haar neef, dien zij met alle geweld koppelen wilde aan een rijke
erfgename ter wille van des prinsen vader, die haar item zooveel
voor dat huwelijk scheen beloofd te hebben. Daarop sprak zij over de
bekeering van Miss Taylor, door Rudyard bewerkt; Rudyard, die niet met
haar, Urania, scheen te kunnen klaar komen--geen vat krijgende op haar
argelooze, maar luchtige vlindernatuur, en--als Cornélie vermoedde,
--daarom de ongenade van zijn geestelijke superieuren zich op den hals
had gehaald, en verdwenen was, zonder zijn schuld aan de marchesa
te hebben kunnen voldoen. Nu scheen hij vervangen te zijn door de
beide monsignori, die er deftiger, wereldscher uitzagen, en zalvender
waren, met meer glimlach. En Urania, starende in dit gevaar, in die
lagen aan hare voeten, waarin Cornélie haar eensklaps blikken liet,
verschrikte nu werkelijk, werd bleek, en beloofde op hare hoede te
zijn. Eigenlijk had zij maar dadelijk hare kamenier willen zeggen in
te pakken om zoo spoedig mogelijk Rome te verlaten, naar een andere
stad, in een ander pension, waar veel adel was: adel was zoo lief! En
Cornélie, ziende, dat zij indruk gemaakt had, voer voort, sprak over
zichzelve, sprak over het huwelijk, zeide, dat zij een brochure had
geschreven tegen het huwelijk en over den Maatschappelijken Toestand
van de Gescheiden Vrouw. En zij sprak over het leed, dat zij had
doorgemaakt, en over de Vrouwenbeweging in Holland. En, eenmaal op
dreef, kon zij zich niet betoomen, heviger en heftiger, tot Urania
haar erg knap vond--a very clever girl--zoo te kunnen redeneeren en
te schrijven over een "question brûlante." Zij gaf een flinken nadruk
op de eerste lettergrepen der Fransche woorden, bekende, dat zij wel
gaarne kiesrecht zoû willen hebben, en plooide bij die woorden den
langen sleep van haar kanten tea-gown uit. Cornélie sprak over de
onrechtvaardigheid der wet, die de vrouw niets laat, alles ontneemt,
geheel dwingt in de macht van den man, en Urania was het met haar
eens en prezenteerde het schaaltje met fijne bonbons. En onder een
tweede kop thee spraken zij, opgewonden, beiden te samen, de eene
niet hoorende naar wat de andere betoogde, en Urania zeide, dat het
"a shame" was. Van een algemeene beschouwing kwamen zij weêr op hare
eigen belangen: Cornélie beschreef het karakter van haar man, in zijn
grofheid de natuur van een vrouw niet begrijpende, en niet toegevende,
dat een vrouw naàst hem stond, en niet beneden. En nogmaals kwam zij
terug op de Jezuïeten, op het gevaarlijke in Rome voor rijke meisjes
alleen, op die tang van een marchesa, en op dien prins: getiteld
lokaas, dat de Jezuïeten uitwierpen, om een ziel te winnen, en een
verarmd Italiaansch huis,--dat den Paus was trouw gebleven, en den
koning niet diende--te verbeteren in zijn finanties. En zij waren
beiden zoo hevig en opgewonden, dat zij niet hoorden, hoe er geklopt
werd, en eerst opzagen, toen de deur langzaam open ging. Zij schrikten,
zagen op, en verbleekten beiden toen zij den prins van Forte-Braccio
zagen binnenkomen. Hij verontschuldigde zich met een glimlach, zei,
dat hij licht gezien had in het salon van miss Urania, dat de portier
hem wel belet had gegeven, maar dat hij het consigne geforceerd had. En
hij zette zich, en trots alles wat zij zooeven besproken hadden, vond
Urania het verrukkelijk, dat de prins daar zat, en een kop thee van
haar aannam en een koekje wilde eten.

En Urania toonde haar album met wapens--de prins had het zijne er al
in afgedrukt--en toen haar album met stalen van de baljaponnen der
koningin. Toen lachte de prins en zocht uit zijn zak een couvert: hij
opende het en haalde er voorzichtig uit een lapje blauw brokaat met
zilveren parelen bewerkt. Wat was het? vroeg Urania verrukt. En hij
zeide, dat hij haar bracht een staal van het nieuwste toilet van Hare
Majesteit; zijn nicht,--niet een Zwarte, als hij, maar een Witte; niet
pauselijk, maar koningsgezind, hofdame der Koningin,--had hem dit
lapje weten te bezorgen voor Urania's album. Urania zoû het zelve zien:
de koningin zoû dit toilet dragen op het hofbal over een week. Hij ging
daar niet heen, hij ging zelfs niet officieel naar zijn nicht, niet
naar hare receptie's, maar hij zag haar toch uit familierelatie, uit
vriendschap. Nu smeekte hij Urania hem toch niet te verraden: het kon
hem kwaad doen in zijn carrière,--welke carrière? vroeg Cornélie zich
af--als men wist, dat hij zijn nicht veel zag, maar hij had haar veel
bezocht, den laatsten tijd, voor Urania, om dat staaltje te krijgen.

En Urania was zoo dankbaar, dat zij alles vergat van den
maatschappelijken toestand van meisje en vrouw, getrouwd of ongetrouwd,
en zij had haar kiesrecht gaarne geofferd voor zoo een lieven
Italiaanschen prins. Cornélie ergerde zich, stond op, groette met een
koele hoofdbuiging den prins, en trok Urania even meê bij de deur:

--Vergeet ons gesprek niet, waarschuwde zij. Wees op je hoede.

En zij zag den prins, toen zij fluisterden, sarcastisch naar haar
kijken, vermoedende, dat zij over hèm sprak, radende een antipathie in
die Hollandsche vrouw, maar prat op de macht van zijn persoonlijkheid
en zijn titel en zijn attenties, voor de dochter van een Amerikaanschen
tricot-fabrikant.




XVII.


Er was eene verkoeling gekomen tusschen mevrouw Van der Staal en
Cornélie, en Cornélie kwam 's avonds niet meer dineeren bij Belloni.
In weken zag zij mevrouw en de meisjes niet meer, maar zag zij Duco
iederen dag. Zij waren, trots hun essentieel verschil van karakter, zoo
zeer gewend aan hun samenzijn, dat zij elkaâr misten zoo zij elkaâr éen
dag niet gezien hadden, en zij waren langzamerhand als natuurlijkweg
er toe gekomen iederen dag met elkaâr te déjeuneeren en te dineeren:
's ochtends in de osteria, 's middags in het een of ander kleine café,
meestal heel eenvoudig. Om niet te behoeven af te rekenen, betaalde
Duco den eenen keer en Cornélie den anderen. Meestal hadden zij veel
te praten; hij leerde haar Rome, leidde haar na het lunch rond door
kerken en muzea, en, onder zijne leiding, begon zij te begrijpen,
begon zij te waardeeren en mooi te vinden. Onbewust suggereerde hij
haar eenige zijner ideeën: schilderkunst was haar heel moeilijk, maar
sculptuur begreep zij veel sneller. En zij begon hem niet alleen maar
"morbide" te vinden; zij zag tegen hem op, hij sprak eenvoudig weg
tegen haar als van zijn hoog standpunt van sentiment en kennis en
begrijpen, over heel hooge dingen, die zij als jong meisje, als jonge
vrouw later, nooit had gezien in het edele licht van verheerlijking,
dat hij voor haar liet opgaan, als de eerste glans van een dageraad;
nieuwe dag, waarin zij nieuwe dingen des levens aanschouwde, geschapen
uit het edelste van kunstenaarsziel. Hij betreurde het, dat hij haar
Giotto niet kon laten zien in Santa Croce te Florence, de Primitieven
in de Uffizie, en dat hij haar dadelijk moest Rome leeren, maar
hij leidde haar in al het exuberante kunstleven van de Pauselijke
Renaissance, tot zij het, onder zijn woorden, meêleefde een enkele
intense seconde, en Michelangelo, Rafaël, voor haar uitstonden,
levende ook. Hij dacht, na zoo een dag: zij is toch niet zoo heelemaal
onartistiek, en zij dacht aan hem met eerbied, ook als de suggestie
verbroken was, en zij nadacht, en, eigenlijk heel diep in zich, niet
meer zoo goed begreep als dien morgen, omdat haar ontbrak de liefde
voor die dingen. Maar toch bleef er 's avonds dan nog zooveel glans van
kleur en verleden dwarrelen voor hare oogen, dat haar brochure haar dof
scheen, dat de Vrouwenbeweging haar niet interesseerde, en dat Urania
Hope haar niet schelen kon.

Hij bekende zich, dat hij zijn rust geheel verloren had, dat Cornélie
voor hem stond in zijn gepeins, tusschen hem en zijn antieke
tryptieken; dat zijn leven, eenzaam, zonder kennissen, naïef en
eenvoudig, tevreden met te dwalen in en buiten Rome, met te lezen,
te droomen, en nu en dan wat te schilderen, geheel veranderd was in
gewoonte en lijn, nu de lijn van zijn leven haar levenslijn gekruist
had en zij samen éen weg schenen te gaan; hij wist, eigenlijk niet
waarom. Liefde kon hij niet noemen het gevoel, dat hem tot haar
aantròk.... En maar heel vaag, heel diep in zich, onbewust, vermoedde
hij, altijd onuitgesproken, en zelfs onuitgedacht, dat het de lijn van
haar lichaam was, bijna iets Byzantijnsch; de tengerte der gestalte,
de lange armen, de gebroken lelie-lijn van die vrouw van leed, met
de melancholie in haar grauwe oogen, waarover de bijna te lange
wimpers schaduwden; dat het was de adel van haar hand, klein en lief
voor een groote vrouw; dat het een beweging was van haar hals, als
van buigenden stengel, of zwaan, die moê was, en omzag naar achteren.
Hij had nooit veel vrouwen ontmoet, en die hij ontmoet had, waren
hem steeds heel gewoon geweest, maar zij was hem oneigenlijk, in de
contradicties van haar karakter, in het vage en ongrijpbare ervan,
in al de halftinten, die aan zijn oog, toch gewend aan halftint,
ontsnapten.... Hoe was zij?... Een vrouw in een boek, een heldin in
een gedicht, had hij steeds gezien in haar karakter. Hoe was zij, een
levende vrouw, vleesch en bloed?! Zij was niet artistiek, en zij was
niet onartistiek; zij had geen energie, en zij miste toch geen energie,
zij was niet zeer ontwikkeld, en toch schreef zij, na impulsie en
uit intuïtie, een brochure over een der modernste kwestie's en zij
werkte er aan, en zij schreef ze af, en het werd een geschrift, niet
slechter dan anderen. Zij had ruimte van denken, hatende kleinheid van
côterie, zich, na haar leed, niet meer thuis voelende in haar Haagsch
cirkeltje, en hier in Rome luisterde zij op een bal, achter een deur
naar wat onnoozele intrigue,--nauwelijks intrigue, dacht hij--en was
zij gegaan naar Urania Hope, om zich te mengen in de verwarde arabesken
van kleinere levens, zonder belang, van menschen, die hij minachtte
om hun gemis aan lijn, aan kleur, aan droom, aan waas, aan alles, wat
hem levensdierbaar was en voor hem het leven maakte.... Hoe was zij?
Hij begreep haar niet. Maar hàre arabesk was hem van belang. Zij miste
geen lijn: geen kunstlijn en geen levenslijn; zij bewoog zich in den
droom harer eigen vaagheid voor zijn turende oogen, en zij schemerde
op uit het waas, uit den schemer van zijn atelier-atmosfeer, en stond
als fantoom voor zijn oogen. Hij kon dat geen liefde noemen, maar zij
was hem dierbaar als eene openbaring, die zich telkens met geheim
dichtsluierde. En zijn leven van eenzamen dwaler was wel veranderd, maar
zij had in zijn leven geen onharmonische gewoonte gebracht: hij hield
van te eten in een klein café of osteria, met het volk van Rome om zich
heen, en zij deed dat met hem meê gemakkelijk en eenvoudig, niet vies
doende, maar gezellig, harmonisch, met een groot gemak van zich voegen
en met even veel natuurlijke gratie, als zij 's avonds dineerde aan
Belloni's table-d'hôte. Dat alles, het weêrspel van oneigenlijkheid,
van tegenstrijdigheid, dat levend vizioen van vaagheid, dat ontastbare
van hare eigenlijkheid, dat zich verschuilen van haar ziel, dat
samensmelten harer essence's, was hem eene bekoring geworden:--een
onrust, een behoefte, een nervoziteit in zijn leven, anders zoo rustig,
klein tevreden en kalm--maar bekoring vooral, onmisbare bekoring van
iederen dag.

En zonder zich te storen aan wat men er van denken kon, aan wat mevrouw
Van der Staal er van dacht, gingen zij soms een dag samen naar Tivoli,
wandelden een anderen dag van Castel-Gandolfo tot Albano, en reden naar
het meer van Nemi, en ontbeten op een antiek kapiteel--als tafel--in de
villa Sforza-Cesarini. Zij rustten te samen in de schaduw der boomen,
zij bewonderden de camelia's, zagen zwijgend naar de glasklaarte van
het Nemi-meer,--spiegel van Diana---en reden over Frascati terug. In
het rijtuig waren zij stil, en hij dacht er over, glimlachend, hoe men
overal hen had aangezien dien dag voor man en vrouw. Zij ook dacht
aan hun toenemende intimiteit, en dacht tevens, dat zij nooit meer
trouwen zoû. En zij dacht aan haar man en vergeleek hem bij Duco. Zoo
jong in zijn gezicht, maar de oogen vol diepte, vol ziel, vol droom,
zijn stem zoo geleidelijk, wat hij zeide zoo knap, zoo welwetend, en
dan zijn kalmte, zijn naïveteit, zijn gemis aan drift, of zijn zenuwen
alleen zich gevormd hadden tot het voelen van kalmte van kunst, in het
droomwaas van zijn leven. En zij bekende zich, daar in dat rijtuig
naast hem--rondom hen heen de zacht glooiende heuvelen, wegpaarschend
in den avond, voor hen uit het verglanzende mauve-achtige roze van
een nauwlijks goudenen zonsondergang,--dat hij haar dierbaar was om
die kalmte, om dat gemis aan drift, die naïveteit, en dat welwetende:
klare stem uit droomschemer opklinkend--en dat zij gelukkig was naast
hem te zitten, te hooren die stem, en bij toeval te voelen zijn
hand ... gelukkig, dat haar levenslijn de zijne gekruist had, en de
lijnen beiden een pad schenen te vormen, naar het opschemerende, naar
het iederen dag meer en meer opklarende, van hun dichtstbijzijnde
toekomst....




XVIII.


Cornélie zag niemand meer dan Duco. Mevrouw Van der Staal had zich
met haar gebrouilleerd en wenschte niet, dat hare dochters meer met
Cornélie omgingen. Zelfs tusschen moeder en zoon was verkoeling.
Zij zag niemand meer dan Duco en een enkelen keer Urania Hope. Het
Amerikaansche meisje kwam dikwijls bij haar en vertelde haar van
Belloni: men sprak er veel over Cornélie en Duco en maakte commentaren
op hun omgang. Urania was blij zich verheven te achten boven die
praatjes van het hôtel, maar zij wilde Cornélie toch waarschuwen.
Er was in haar woorden iets eenvoudig spontaans van vriendschap,
dat Cornélie sympatisch aandeed. Als Cornélie echter vroeg naar den
prins, werd zij stilzwijgend, verlegen en wilde klaarblijkelijk
niet veel zeggen. Toen na het hofbal--waar de koningin waarlijk het
gepailletteerde brokaat had gedragen!--zocht Urania Cornélie weêr op en
bekende onder een kop thee, dat zij dien morgen den prins beloofd had
hem in zijne woning te komen bezoeken. Zij zeide dit eenvoudig weg, als
was het de natuurlijkste zaak ter wereld. Cornélie schrikte en vroeg
hoe zij zoo iets had kunnen beloven....

--Waarom niet? antwoordde Urania. Wat is daar aan? Ik ontvang zijn
visites.... waarom, als hij mij vraagt zijn kamers te komen zien,
--hij woont in het Palazzo Ruspoli--als hij mij een paar schilderijen
toonen wil, miniaturen, en antieke kant ... waarom zoû ik dan weigeren
te komen? Why should I make such a fuss about it? Ik sta boven zulke
kleingeestigheden. Wij, Amerikaansche meisjes, hebben een vrijen omgang
met onze heeren. En jijzelf? Je wandelt met Mr. Van der Staal, je
dineert en déjeuneert met hem, je maakt uitstapjes met hem, je komt in
zijn atelier....

--Ik ben getrouwd geweest, antwoordde Cornélie. Ik ben aan niemand
verantwoording schuldig. Jij hebt je ouders.... Wat je doen wilt is
onberaden en overmoedig.... Zeg mij, denkt de prins .... aan een
huwelijk?

--Als ik Roomsch word....

--En...?

--Ik denk van ja.... Ik heb geschreven naar Chicago, zeide zij
weifelend.

Zij sloot even haar mooie oogen en werd bleek, omdat de titel van
prinses-hertogin haar schemerde voor de oogen.

--Alleen.... begon zij.

--Wat...?

--Ik zal geen vroolijk leven hebben. De prins behoort tot de Zwarten.
Ze zijn altijd in rouw om den Paus. Er is in hun côterie bijna niets,
geen bals, geen feesten. Ik woû, dat als wij trouwden, hij meêging
naar Amerika. Hun kasteel in de Abruzzen is eenzaam en vervallen. Zijn
vader is heel trotsch, ongenaakbaar en stilzwijgend. Ik heb dat gehoord
van verschillende kanten. Wat moet ik doen, Cornélie? Ik hoû veel
van Gilio; Virgilio heet hij. En dan, weet je, de titel is een oude
Italiaansche titel: principe di Forte-Braccio, duca di San Stefano....
Maar zie je, dat is ook alles, alles. San Stefano is een gat. Daar
woont de papa. Ze verkoopen wijn en daar leven ze van. En olijfolie;
maar ze maken geen geld. Mijn vader fabriceert tricot, maar hij is
er meê rijk geworden. Veel familie-juweelen hebben ze niet. Ik heb
mijn informaties genomen.... Zijn nicht, de contessa di Rosavilla,
de hofdame van de koningin, is lief ... maar die zouden we officieel
niet zien. Ik zoû nergens naar toe kunnen gaan. Het lijkt me wel wat
vervelend....

Cornélie nam heftig het woord, vaarde uit en herhaalde hare frazes:
tegen het huwelijk in het algemeen en nu in het bizonder tegen dit
huwelijk, alleen om een titel. Urania beaamde het: het wàs alleen een
titel ... maar dan was het toch ook Gilio: hij was zoo lief en zij
hield van hem. Maar Cornélie geloofde er niets van, en zeide het haar
ronduit. Urania weende: zij wist niet wat zij doen zoû.

--En wanneer zoû je naar den prins gaan?

--Van avond....

--Ga niet.

--Neen, neen, je hebt gelijk, ik zal niet gaan.

--Verzeker je het mij?

--Ja, ja.

--Ga niet, Urania.

--Neen, ik zal niet gaan. You are a dear girl. Je hebt gelijk: ik zal
niet gaan. Ik zweer het je, ik zal niet gaan....




XIX.


Er was echter zooveel vaagheid geweest in Urania's verzekering, dat
Cornélie zich ongerust voelde en er Duco dien avond, in den restaurant,
waar zij elkaâr ontmoetten, over sprak. Maar hij stelde geen belang,
niet in Urania, niet in wat zij deed, of niet doen zoû, en hij haalde
onverschillig zijn schouders op. Zij echter was stil en afgetrokken
en hoorde niet naar wat hij zeide: een zijpaneel van een tryptiek,
gedecideerd van Lippo Memmi, dat hij ontdekt had in een winkeltje aan
den Tiber: de engel van de Annonciatie, bijna zoo mooi als die van de
Uffizie, neêrgeknield in den waai nog van het laatste zijner vlucht,
en de lelietak in de handen. Maar de koopman vroeg er tweehonderd lire
voor en hij wilde maar vijftig geven. En toch, de koopman had den naam
van Memmi niet genoemd: hij vermoedde niet, dat de engel van Memmi
was....

Cornélie had niet geluisterd en plotseling sprak zij:

--Ik ga naar het Palazzo Ruspoli....

Hij zag verbaasd op.

--Waarom?

--Om naar miss Hope te vragen.

Hij was stom van verbazing en bleef haar met open mond aanzien.

--Als zij er niet is.... hernam Cornélie; dan is het goed. Is zij er
... is zij toch gegaan, dan vraag ik haar dringend te spreken....

Hij wist niet wat te zeggen, hij vond haar inval zoo vreemd, zoo
excentriek, zoo nuttelooze arabesk om te kruisen arabesken van
onbeduidende, onverschillige menschen, dat hij geen woorden wist te
vinden. Cornélie zag op haar horloge.

--Het is over half negen. Gaat zij toch, dan gaat zij omstreeks dezen
tijd.

Zij wenkte den kellner en betaalde. En zij knoopte haar manteltje dicht
en stond op. Hij volgde haar.

--Cornélie, begon hij, is het niet vreemd wat je wilt doen. Je zal er
allerlei last meê krijgen.

--Als men altijd tegen wat last opzag, zoû niemand eens een goede daad
doen.

Zij wandelden stilzwijgend door, hij boos aan hare zijde. Zij spraken
niet: hij vond het eenvoudig dol wat zij wilde: zij vond hem flauw
Urania niet te willen beschermen. Zij dacht aan hare brochure, aan de
Vrouwen, en zij wilde Urania beschermen voor het Huwelijk, en voor dien
prins. En zij wandelden door het Corso, naar het Palazzo Ruspoli. Hij
werd zenuwachtig, wilde haar nog eenmaal weêrhouden, maar zij vroeg al
aan den suisse:

--Is de signore principe thuis?

De man zag haar argwanend aan.

--Neen, sprak hij kort.

--Ik vermoed van wel. Zoo ja, vraag dan of miss Hope bij zijne
Excellentie is. Miss Hope was niet thuis; ik vermoed, dat zij van avond
den prins komt bezoeken en ik moet haar dringend spreken ... over iets,
dat geen uitstel lijdt. Hier ... la signora De Retz....

Zij reikte haar kaartje over. Zij sprak met zooveel aplomb, zij stelde
het bezoek van Urania voor met zooveel rust en eenvoud, alsof het
iederen avond voorkwam, dat Amerikaansche meisjes Italiaansche prinsen
bezochten, en alsof zij niets anders dacht, dan dat de suisse die
gewoonte wel wist. De man werd er door uit het veld geslagen, boog, nam
het kaartje aan en verwijderde zich. Cornélie en Duco wachtten in den
portiek.

Hij bewonderde haar om hare kalmte. Hij vond het wel excentriek wat zij
deed, maar zij deed hare excentriciteit met eene zekerheid, die haar
weêr in een ander licht bescheen. Zoû hij haar dan nooit begrijpen, zoû
hij nooit iets tasten, en zeker weten, in het wisselen en ontastbare
van die vaagheid van haarzelve? Hij had nooit die enkele woorden zoo
tot dien suisse kunnen zeggen. Hoe had zij dien tact gevonden, dien
hoog-ernstigen toon tegen dien impozanten deurwachter met zijn stok
en zijn steek! Zij deed het even gemakkelijk als zij, met familiare
minzaamheid, hun eenvoudig diner bestelde aan den kellner in hun kleine
restauratie.... De suise kwam terug.

--Miss Hope en zijne Excellentie verzoeken u boven te willen komen....

Zij zag Duco glimlachend aan, zegevierend, geamuzeerd om zijne
verwarring.

--Ga je meê?

--Wel neen, stotterde hij. Ik zal hier wel op je wachten.

Zij volgde een lakei de trappen op. Familieportretten hingen in den
breeden corridor. De deur van het salon stond open. De prins kwam haar
tegemoet.

--Vergeef mij, prins, sprak zij kalm en strekte de hand uit: zijn oogen
waren klein als dichtgeknepen karbonkels, hij was wit van woede, maar
hij bedwong zich en drukte even zijn lippen op de hand, die zij uitstak.

--Vergeef mij, ging zij voort. Ik heb miss Hope dringend te spreken....

Zij trad in het salon; Urania was daar, blozende, verlegen.

--U begrijpt, glimlachte Cornélie; ik had u niet durven storen, als
het niet voor een zaak van gewicht was. Een zaak tusschen vrouwen ...
maar toch van gewicht! schertste zij en de prins zeide iets terug,
zoetsappig galant. Mag ik miss Hope even alleen spreken?

De prins zag haar aan. Hij vermoedde in haar: antipathie, en meer, een
vijand. Maar hij boog, met zijn zoetsappigen glimlach en zei, dat hij
de dames even alleen liet. Hij trok zich terug in een andere kamer.

--Cornélie, wat is er? vroeg Urania gejaagd. Zij greep Cornélie bij
beide handen en zag haar angstig aan.

--Er is niets, sprak Cornélie streng. Ik heb je over niets te spreken.
Ik vermoedde alleen en ik was zeker, dat je je belofte niet zoû houden.
Ik woû zekerheid hebben, of je hier was.... Waarom ben je gekomen?

Urania begon te weenen.

--Huil niet! fluisterde Cornélie meêdoogenloos. In godsnaam huil niet.
Wat je gedaan hebt is zoo onbezonnen mogelijk....

--Ik weet het ... bekende Urania zenuwachtig, hare tranen drogend.

--Waarom deed je het dan?

--Ik kon het niet laten.

--Alleen, met hem, hier, 's avonds...! Een bekend mauvais sujet....

--Ik weet het!

--Wat zie je in hem?

--Ik hoû van hem....

--Je wil hem alleen trouwen om zijn titel. Om zijn titel compromitteer
je je. Wat, als hij je van avond niet respecteert als zijn aanstaande
vrouw? Wat als hij je dwingt zijn maîtresse te zijn?

--Cornélie ... stil...!

--Je bent een kind, een onbezonnen kind. En je vader laat je alleen
reizen. Om "dear old Italy" te zien.... Je bent Amerikaansch,
liberaal: goed; flink op je eigen om de wereld door te trekken: goed,
maar je bent nog geen vrouw, je bent een kind!

--Cornélie....

--Ga met me meê; zeg, dat je met me meêgaat. Om een dringende reden. Of
neen ... zeg liever niets. Blijf. Maar ik blijf ook....

--Ja, blijf jij ook....

--We zullen hem roepen.

--Ja.

Cornélie belde, een lakei verscheen.

--Zeg zijne Excellentie, dat wij hem wachten. De man ging. Na een
pooze kwam de prins binnen. Hij was nog nooit in zijn eigen huis
zoo behandeld geworden. Hij ziedde van woede, maar hij bleef zeer
hoffelijk, en uiterlijk kalm.

--Is de gewichtige zaak afgehandeld? vroeg hij met zijn kleine oogen en
huichelglimlach.

--Ja, dank u zeer voor uw discretie ons even alleen te laten! sprak
Cornélie. Nu ik miss Hope gesproken heb, ben ik gerust gesteld omtrent
haar opinie.... O, u zoû gaarne weten, waarover wij hebben gesproken!?

De prins trok de wenkbrauwen op. Cornélie had coquet gesproken, met
haar vinger gedreigd, geglimlacht, en de prins zag haar aan, en zag
eensklaps, dat zij mooi was. Niet met de treffende schoonheid en
frischheid van Urania Hope, maar met een complexere aantrekkelijkheid:
die van een getrouwde vrouw, gescheiden, maar heel jong, die van
een vrouw, eind'eeuwsch, met een lichte perversiteit in hare diep
grauwe oogen, werkende onder heel lange wimpers, die van een vrouw,
bizonder gracieus in de gebroken lijnen van haar moede, loome,
morbide bevalligheid: een vrouw, die het leven kende, een vrouw,
die hem--hij was er zeker van--doorzag; die hem--antipathiek--toch
toesprak met coquetterie om hem te behagen, te winnen, onbewust, uit
louter perverse vrouwelijkheid. Hij zag haar mooi en pervers, en hij
bewonderde haar, gevoelig voor verschillende types van vrouwen. Hij
vond haar eensklaps mooier en niet zoo banaal als Urania, en veel meer
gedistingeerd, en niet zoo naïef gevoelig voor zijn titel, iets wat
hij zoo mal in Urania vond. Hij was eensklaps op zijn gemak met haar,
zijn woede zakte: hij vond het aardig twee mooie vrouwen bij zich te
hebben in plaats van éene, en hij schertste terug, zei, dat hij van
nieuwsgierigheid brandde, aan de deur geluisterd had, maar helaas,
niets had opgevangen.... Cornélie lachte vroolijk, coquetteerde terug,
en zag op haar horloge. Zij sprak iets van weggaan, maar zette zich
tegelijkertijd neêr, knoopte haar mantel los en zei tot den prins:

--Ik heb zoo veel gehoord van uw miniaturen; nu ik in de gelegenheid
ben: màg ik ze zien?

De prins was bereid, bekoord door haar blik, door haar stem, éen vuur,
éen vlam in een oogenblik.

--Maar ... sprak Cornélie. Mijn cavalier wacht buiten in den portiek.
Hij wilde niet boven komen, hij kent u niet.... Het is meneer Van der
Staal.

De prins zag haar lachende aan. Hij wist de praatjes van Belloni. Hij
twijfelde geen oogenblik aan een liaison tusschen Van der Staal en
signora De Retz. Hij wist, dat zij zich stoorden aan niets. En Cornélie
werd hem zeer sympathiek.

--Maar ik zal dadelijk den heer Van der Staal laten vragen om boven te
komen.

--Hij wacht in den portiek, zei Cornélie. Hij zal niet willen....

--Ik zal zelve gaan, sprak de prins, levendig en gedienstig.

Hij ging. De dames bleven achter. Cornélie trok haar mantel uit; maar
zij hield haar hoed op, omdat hare haren in de war zouden zijn. Zij zag
in den spiegel.

--Heb je je poeier bij je? vroeg zij Urania.

Urania haalde haar ivoren doosje uit den zak en gaf het aan Cornélie.
En terwijl Cornélie zich even poeierde, zag Urania hare vriendin
aan, en begreep niet. Zij herinnerde zich den ernstigen indruk, dien
Cornélie dadelijk op haar gemaakt had, studeerende Rome ... later
schrijvende een brochure over de Vrouwenkwestie, en de toestand der
gescheiden vrouw.... Toen haar waarschuwingen tegen het Huwelijk en
tegen den prins. En nu zag zij haar eensklaps als allerliefst wufte
vrouw, onweêrstaanbaar bekoorlijk, meer betooverend nog dan werkelijk
schoon, vol behaagzucht in de diepte van haar grauwe oogen, die op en
neêr glansden onder de kruivende wimpers, eenvoudig gekleed in een
donker zijden blouse en een laken rok, maar met zooveel distinctie
en toch coquetterie, zooveel voornaamheid en toch broze lijn van
bevalligheid, dat zij haar nauwlijks meer herkende....

Maar de prins was binnengekomen en voerde Duco meê, onwillig, nerveus,
niet wetende wat was voorgevallen, niet begrijpende, hoe Cornélie had
gehandeld. Hij zag haar rustig zitten, glimlachend en hem dadelijk
verklarend, dat de prins haar zijn miniaturen zoû toonen.

Duco zei ronduit, dat hij niet om miniaturen gaf. De prins vermoedde
om zijn boozen toon, dat hij jaloersch was. En dit vermoeden prikkelde
den prins, om Cornélie het hof te maken. En hij deed als toonde hij
de miniaturen alleen aan haàr, als toonde hij haàr zijne kanten.
Zij bewonderde vooral de kanten, en frommelde ze met hare fijne
vingers. Zij vroeg hem te verhalen van zijne grootmoeders, die die
kanten gedragen hadden. Hadden zij avonturen gehad? Hij vertelde er
een, dat haar zeer lachen deed: hij vertelde een paar anecdoten na,
levendig, opvlammende onder haar blik, en zij lachte. In de atmosfeer
van dat groote salon, bureau van den prins--zijn schrijftafel stond
er--de kaarsen op, bloemen gezet om Urania, begon iets te tintelen
van perverse vroolijkheid en luchtigen lust om te leven. Maar alleen
tusschen Cornélie en den prins. Urania was stil geworden, en Duco zei
geen woord. Ook hem was Cornélie eene openbaring. Zoo had hij haar
nooit gezien--niet op het kerstbal, aan de table-d'hôte niet, in zijn
atelier niet, niet op hun uitstapjes, en in hun restauratie. Was zij
éene vrouw, of tien vrouwen?

En hij bekende zich, dat hij haar liefhad, meer lief met iedere
openbaring, meer lief met iedere vrouw, die hij in haar zag, als
een facet, dat zij weêr liet glanzen. Maar spreken kon hij niet,
meêschertsen kon hij niet, vreemd in die atmosfeer, vreemd in dat
element van zooveel luchtigen levenslust, om niets dan doellooze
woorden, als parelde het Fransch en het Italiaansch, dat zij door
elkaâr spraken, als glinsterde hun scherts als klatergoud, en
regenboogden hunne equivoque woordspelingen.... De prins betreurde het,
dat zijn thee niet meer was te drinken, maar hij liet champagne komen.
Hij vond zijn avond ten eenen deele mislukt voor zijne plannen--want
bang Urania te verliezen, had hij Urania willen dwingen; want ziende
hare weifeling, had hij vast besloten tot het onherstelbare--maar zijn
natuur was zoo weinig ernstig--hij zoû trouwen meer om zijn vader en
de marchesa Belloni, dan om zichzelven;--hij leefde even pleizierig
met schulden en zonder vrouw, dan hij mèt een vrouw en millioenen zoû
doen--dat hij dien mislukten avond alleramuzantst begon te vinden, dat
hij er in zichzelven om lachen moest, als hij dacht aan de marchesa
zijne tante, aan zijn vader: aan hunne machinaties, die geen vat op
Urania hadden, omdat een aardige coquette vrouw niet gewild had.
Waarom wilde zij niet, dacht hij, inschenkende de schuimende Monopole,
morsende over de kelken; waarom stelt zij zich tusschen mij en die
Amerikaansche kousenverkoopster? Zoekt zijzelve een titel in Italië?
Maar het kon hem verder niet schelen: hij vond de indringster aardig,
mooi, heel mooi, coquet, verleidelijk, betooverend. Hij bemoeide zich
met haar. Hij verwaarloosde Urania. Hij schonk nauwlijks haar glas
vol. En toen het eindelijk laat was en Cornélie opstond en in haar arm
Urania's arm trok en den prins aanzag met een blik van triumf, dien zij
beiden begrepen tusschen elkaâr, fluisterde hij aan haar oor:

--Ik dank u innig voor uw bezoek in mijn nederige woning: u heeft mij
_overwonnen: ik geef mij gewonnen_....

De woorden schenen maar toespeling op hun scherts, op hun woordenstrijd
om niets, maar tusschen henbeiden--den prins en Cornélie--klonken zij
vol bedoeling en hij zag in haar oog de zege glimlachen....

Hij bleef alleen in zijn kamer en schonk zich het laatste in van de
champagne. En hij sprak luid, het glas aan zijne lippen:

--O, che occhi! Che belli occhi...! Che belli occhi...!!




XX.


Den volgenden dag, toen Duco Cornélie in de osteria ontmoette, was zij
zeer opgewonden en vroolijk: zij deelde hem meê, dat zij reeds antwoord
had van het Vrouwenblad, waaraan zij een week geleden hare brochure
verzonden had, en dat haar werk was aangenomen en zelfs gehonoreerd
zoû worden. Zij was zoo fier haar eerste geld te zullen verdienen, dat
zij vroolijk was als een kind. Zij sprak niet over den vorigen avond,
scheen den prins en Urania vergeten, maar had behoefte exuberant te
praten.

Zij had allerlei groote plannen: reizen als journaliste, zich storten
in de beweging der steden, naloopen iedere actualiteit, zich laten
afvaardigen door een blad naar congressen en feesten. De enkele
guldens, die zij verdienen zoû, maakten haar al dronken van ijver, en
zij zoû veel willen verdienen en veel willen doen en geen vermoeienis
achten. Hij vond haar eenvoudig aanbiddelijk: in het halflicht der
osteria, aan het kleine tafeltje etende hare gnocchi, voor zich de
halve fiasco, waarin de gele landwijn bleekte, kreeg hare gewone loomte
eene nieuwe levendigheid, die hem verbaasde; kreeg haar croquis, rechts
half donker, links aangelicht door den straatschijn, een moderne
gratie van teekening, die hem aan Fransche teekenaars herinnerde: het
even bleeke gelaat met de fijne trekken, opgelicht door haar lach,
geschetst onder haar matelot, die diep in de oogen stond; het haar,
aangegoud, of donker schemerblond; de witte voile opgelicht en een waas
kreukende van boven; haar figuur, rank en gracieus in het eenvoudige
manteltje--losgeknoopt--en in hare blouse een ruikertje viooltjes
gestoken.

De manier, waarop zij zich inschonk, aan den cameriere--den
eenigen,--die hen goed kende, van iederen dag--familiaar minzaam
iets vroeg; de levendigheid, die hare loomte afwisselde, hare groote
plannen, hare blijde woorden--het schitterde hem alles tegen,
studentikoos en toch gedistingeerd, vrij en toch vrouwelijk, en vooral
gemakkelijk, zooals zij overal gemakkelijk was; met een tact van
assimilatie, die hem trof als een bizondere harmonie. Hij dacht aan
den vorigen avond, maar zij sprak er niet over. Hij dacht aan die
openbaring harer behaagzucht maar zij dacht aan geen coquetterie. Ze
was met hem nooit coquet. Ze zag tegen hem op, ze vond hem bizonder
en knap, hoewel niet van zijn tijd; zij had een eerbied voor zijn
zeggen en denken, en ze was zóo gewoon tegen hem, als een kameraad
tegen een anderen, een ouderen, een knapperen. Zij voelde voor hem een
innige vriendschap, iets onbeschrijflijks van samen-te-moeten-zijn,
samen-te-moeten-leven; of hunne lijnen één lijn zouden vormen. Het was
geen zustergevoel en het was geen passie, en vóor zich zag zij het geen
liefde, maar het was een groot gevoel van eerbiedige teederheid, van
opziend verlangen en van aanhankelijke vreugde hem te hebben ontmoet.
Zag zij hem niet meer, zij zoû hem missen als zij niet éen in haar
leven meer missen zoû. En dat hij niets voelde voor moderne kwesties,
vernederde hem niet in haar oog van jonge moderne strijdster, die haar
eerste vaan zoû zwaaien. Het kon haar ergeren voor een oogenblik, maar
het overwoog niet in hare waardeering.

En hij zag het, dat zij met hem zoo eenvoudig aanhankelijk was, zonder
behaagzucht. Toch zoû hij nooit vergeten, zooals zij gisteren met
den prins was geweest. Jalouzie had hij gevoeld en ook bij Urania
opgemerkt. Maar zijzelve had zeker gehandeld zoo spontaan naar hare
natuur, dat zij nu niet dacht aan dien avond, aan geen prins, aan geen
Urania, geen coquetterie, en geen mogelijke jalouzie van hun kant. Hij
betaalde--het was zijn beurt--en zij stonden op en zij nam vroolijk
zijn arm en zei, dat ze hem wilde verrassen. Zij wilde hem een pleizier
doen. Zij wilde hem iets geven, een mooi, een heel mooi souvenir. Zij
zoû aan dat souvenir willen besteden haar honorarium. Maar zij had het
nog niet ... wat kwam het er op aan! Zij zoû het immers krijgen.... En
zij wilde het hem geven.

Hij vroeg lachende wat het zoû zijn...? Zij riep een rijtuigje aan
en fluisterde den koetsier een adres in; hij verstond niet wat zij
zeide.... Wat zoû het zijn? Maar zij weigerde nog te zeggen.... De
vetturino reed hen het Borgo door naar den Tiber. Daar hield hij
stil voor een donker winkeltje van bric-à-brac, die tot op de straat
gestapeld lag.

--Cornélie...! riep hij nu, iets radende.

--Je engel van Lippo Memmi: ik koop hem voor je, stil....

Hij kreeg tranen in de oogen; zij traden binnen.

--Vraag hem hoeveel hij er voor hebben moet.

Hij was zoo aangedaan, dat hij niet spreken kon en Cornélie moest
vragen en dingen. Zij dong niet lang; zij kreeg het paneel voor
honderd-en-twintig lire.... Zelve droeg zij het in de victoria.

En zij reden naar zijn atelier. Zij torsten samen den engel de trappen
op, glimlachende, als torsten zij binnen zijn woning een rein geluk.
In het atelier zetten zij den engel op een stoel. Edel, met het ietwat
Mongoolsche type, de oogen lang amandelvormig, knielde de engel juist
neêr in den laatsten waai van zijn vlucht, en de gouden sjerp van zijn
goud-purperen mantel fladderde op, terwijl zijn lange wieken, hoog,
recht, trilden. Duco staarde naar zijn Memmi, vol dubbele emotie; om
den engel zelven en om hàar.... En natuurlijk weg breidde hij uit zijn
armen.

--Mag ik je danken, Cornélie?

En hij omhelsde haar, en zij gaf hem zijn zoen terug.




XXI.


Toen zij thuis kwam vond zij een kaartje van den prins. Het was een
gewone beleefdheid na gisteren avond--haar geïmprovizeerd bezoek in
het Palazzo Ruspoli--en zij dacht er verder niet aan. Zij was in een
prettige stemming, prettig voor zichzelve; tevreden, dat haar werk
--artikel eerst--was aangenomen door "Het Recht der Vrouw"; later zoû
zij het als brochure uitgeven; tevreden, dat zij Duco genoegen had
gedaan met den Memmi. Zij verkleedde zich in haar peignoir en zette
zich bij het vuur in hare mijmerhouding en zij dacht er over hoe zij
gevolg zoû kunnen geven aan hare groote plannen.... Tot wie zoû zij
zich moeten wenden? Er had in Londen een Internationaal Vrouwen-Congres
plaats en "Het Recht der Vrouw" had haar een prospectus gezonden. Zij
bladerde er in. Verschillende vrouwelijke leiders zouden spreken: tal
van sociale kwesties zouden worden behandeld: de psychologie van het
kind; de verantwoordelijkheid der ouders; de invloed der toelating van
vrouwen, tot alle beroep, op het huiselijk leven; vrouwen in kunst,
in medicijnen; de vrouw in de mode, de vrouw in huis, op het tooneel;
wetten voor huwelijk en scheiding....

Kleine biografieën der spreeksters, met portretten, waren er
bijgevoegd. Het waren Amerikaansche en Russische, Engelsche, Zweedsche,
Deensche vrouwen; bijna elke nationaliteit was vertegenwoordigd.
Het waren oude en jonge vrouwen; sommige mooi, sommige leelijk;
sommige mannelijk, sommige vrouwelijk; sommige hard en energiesch met
inseksueele jongensgezichten; een enkele elegant, gedecolleteerd en
gefrizeerd. In groepen waren ze niet te verdeelen. Wat was in haar
leven de stoot geweest om meê te strijden voor het vrouwelijk recht?
In sommige zeker neiging, natuur; in een enkele roeping; in een vierde
meêdoen met mode.... En in haarzelve, wat was de stoot geweest...? Zij
liet den prospectus zakken in haar schoot, en zij staarde in het vuur
en dacht na.... Voor haar oog trok weêr haar salon-educatie, haar
huwelijk, hare scheiding....

Waar was de stoot...? Waar was de aanleiding...? Geleidelijk was zij
er toe gekomen te reizen, haar gezichtskring uit te breiden; na te
denken, kunst te willen kennen, het moderne leven der vrouwen....
Geleidelijk was zij gegleden langs de lijn van haar leven, zonder veel
te willen, zonder veel te strijden, zelfs zonder veel te denken, en
zonder veel te voelen Zij blikte in zichzelve, als las zij een modernen
roman, psychologie van een vrouw.... Soms schéen zij te willen, soms
te willen strijden, als nu, met hare groote plannen.... Soms dacht
zij, als dezer dagen dikwijls, bij haar gezellig vuur. Soms voelde
zij, als voor Duco nu.... Maar meestal was haar leven geleidelijkheid
geweest, glijden langs de lijn, die zij gaan moest, met zachten
vingerdruk van het noodlot.... Een oogenblik zag zij het duidelijk
in. Veel oprechtheid was in haar: ze speelde geen komedie, noch voor
zichzelve, noch voor anderen. Tegenstrijdigheden waren in haar, maar
zij bekende ze zich allen, voor zoover zij zich zag. Maar het open van
hare ziel werd haar duidelijk in dit oogenblik. Het complexe van haar
wezen zag zij even schitteren met zijn facetten.... Geschreven had
zij, met impulsie en uit intuïtie, maar was haar geschrift goed? Een
twijfel rees in haar op. Het wetboek lag op tafel, haar nog bijgebleven
uit hare scheidingsdagen ... maar had zij de wet goed begrepen? Haar
artikel was aangenomen, maar waren de redactrices van "Het Recht der
Vrouw" oordeelkundig? Haar blik weêr latende gaan over die portretten
van vrouwen, hare biografieën, over de ernst en hardheid van sommige,
werd zij bang, dat haar werk niet goed zoû zijn,--te oppervlakkig;--en
dat hare gedachten niet werden geleid door studie en kennis.... Maar
ook kon zij zich voorstellen haar eigen portret in dien prospectus
met er onder haren naam en die korte toevoeging: schrijfster van: "De
Maatschappelijke Toestand der Gescheiden Vrouw," verschenen in Het
Recht der Vrouw; met datum, etcetera. En zij glimlachte: wat klonk dat
hoog overtuigend! Maar wat was het moeilijk te studeeren, te doen, en
te weten en te handelen en zich te bewegen in de moderne beweging van
het leven! Zij was nu in Rome: zij had gaarne in Londen willen zijn.
Maar de reis convenieerde haar niet op het oogenblik. Zij had zich rijk
gevoeld toen zij Duco's Memmi kocht, denkende aan haar honorarium: en
nu voelde zij zich arm. Zij had gaarne naar Londen willen gaan....
Maar Duco zoû zij dan gemist hebben. En het congres duurde maar een
week. Hier was zij nu wat ingeburgerd, zij begon van Rome te houden,
van hare kamers, van het Colosseum, ginds als donkere boog, als sombere
coulisse aan het einde der stad, er achter de vaagblauwe bergen....
Toen kwam een gedachte in haar op aan den prins, en voor het eerst
dacht zij aan gisteren, zag zij dien avond terug, avond van scherts en
champagne--: Duco stil en boudeerend, Urania neêrgedrukt--en de prins,
klein, levendig, slank, opgewekt uit zijne matheid van gedistingeerd
viveur, en met zijn toegeknepen karbonkelen van oogen. Zij vond hem wel
aardig, zij hield een enkelen keer wel van dien toon van coquetterie en
flirt, en de prins had haar begrepen. Urania had zij gered: daar was
zij zeker van: zij voelde de voldoening van hare goede daad....

Zij was te lui om zich aan te kleeden en naar den restaurant te gaan.
Zij had niet veel honger en zij zoû alleen maar wat soupeeren met wat
zij thuis in haar kast had: een paar eieren, brood, wat vruchten. Maar
ze dacht aan Duco en dat hij zeker haar wachten zoû aan hun tafeltje
en zij schreef hem een briefje, dat zij door het jongentje van de
concierge bezorgen liet....

Duco ging juist de trappen af, om uit te gaan, naar de restauratie,
toen hij het ventje op de trap ontmoette. Hij las het briefje en het
was hem, als ondervond hij een groote teleurstelling. Hij voelde zich
klein, treurig als een kind. En hij ging terug naar zijn atelier, stak
een enkele lamp aan, gooide zich op een breeden divan, en bleef in den
schemer turen naar den engel van Memmi, die, nog op den stoel, vaag
goud opstraalde in het midden der kamer, zoet als een troost, met zijn
gebaar van annonciatie, alsof hij aankondigen wilde al het geheim, dat
wel gebeuren zoû gaan....




XXII.


Enkele dagen later wachtte Cornélie het bezoek van den prins, die haar
belet had gevraagd. Zij zat aan hare schrijftafel en corrigeerde de
proeven van haar artikel. Een lamp op de schrijftafel bescheen haar
zacht door een geel zijden kap; en zij was in een peignoir van witte
zijden krip, viooltjes op hare borst. Een andere lamp, staande, gaf
een tweede schijnsel van uit een kamerhoek; en het vertrek schemerde
gezellig, vertrouwelijk op in dien derden schijn van het houtvuur,--met
aquarellen van Duco, schetsen en fotografieën, witte anemonen in vazen,
viooltjes overal, en een enkele, groote palm. Over hare schrijftafel
slingerden de boeken en gedrukte vellen, getuigende van haar werk.

Er werd geklopt en zij riep binnen, en toen de prins binnenkwam,
zat zij nog even, legde haar pen neêr, en rees op. Zij kwam hem
glimlachend nader en strekte de hand uit, die hij kuste. Hij was van
een groote correctheid in zijn gekleede jas, hoogen hoed, lichtgrijze
handschoenen; een parel in zijn das. Zij zetten zich bij het vuur en
hij maakte haar enkele complimenten na elkaâr, over haar interieur,
over haar toilet en over haar oogen. Zij schertste terug en hij vroeg,
of hij haar stoorde.

--U schreef misschien een interessanten brief aan iemand, die u na aan
het hart ligt?

--Neen. Ik zag drukproeven na.

--Drukproeven?

--Ja....

--Schrijft u?

--Voor het eerst.

--Een novelle?

--Neen, een artikel.

--Een artikel? Waarover??

Zij zeide den langen titel. Hij keek met open mond op. Zij lachte
vroolijk.

--Dat had u nooit gedacht, niet waar?

--Santa Maria! prevelde hij in verbazing, in zijne wereld niet gewend
aan "moderne" vrouwen, die zich bewogen in een Vrouwenbeweging.... In
het Hollandsch?

--In het Hollandsch.

--Schrijf een volgenden keer in het Fransch: dan kan ik u lezen....

Zij beloofde het lachende en schonk hem een kop thee, prezenteerde hem
bonbons. Hij knabbelde er ettelijke.

--Is u zoo ernstig? Altijd geweest? Verleden was u toch niet ernstig?

--Soms ben ik heel ernstig.

--Ik ook....

--Dat begrijp ik. Toen, als ik niet was gekomen, was u misschien heel
ernstig geworden.

Hij lachte, met fatuïteit en zag haar welwetend aan.

--U is een bizondere vrouw! zeide hij. Heel interessant en heel knap.
Wat u wil, dat gebeurt.

--Soms....

--Soms, wat ik wil, ook.... Soms ben ik ook heel knap. _Als_ ik wil.
Maar meestal wil ik niet.

--Verleden wilde u wel....

Hij lachte.

--Ja! Toen is u knapper geweest dan ik. Morgen ik misschien knapper dan
u.

--Wie weet!

Zij lachten beiden. Hij knabbelde de bonbons, den een na den ander, uit
het schaaltje, en hij dronk liever een glas port. Zij schonk hem in.

--Mag ik u wat geven? vroeg hij ernstig.

--Wat?

--Een souvenir aan onze eerste kennismaking.

--Het is charmant van u. Wat zal het zijn?

Hij haalde uit zijn binnenzak iets in vloei en overhandigde het. Zij
opende het pakje en zag een stuk antieke Venetiaansche kant, gewerkt in
den vorm van een volant, voor een laag lijf.

--Neem het aan, smeekte hij. Het is iets heel moois. Ik geef het u met
zooveel genot.

Zij zag hem aan met al hare coquetterie in haar oogen, als wilde zij
hem doorzien.

--Zoo moet u het dragen....

Hij stond op, nam de kant, drapeerde ze op haar witten peignoir van den
eenen schouder naar den anderen. Zijne vingers frommelden de plooien,
zijne lippen beroerden even hare haren. Zij bedankte hem voor zijn
geschenk. Hij ging zitten.

--Ik ben blij, dat u het aanneemt.

--Heeft u Miss Hope ook wat gegeven?

Hij lachte, zijn overwinnaarslachje.

--Staaltjes zijn genoeg voor haar, van de japonnen van de koningin. Aan
u zoû ik geen staaltjes durven geven. Aan u geef ik antieke kant.

--Maar u had voor dat staaltje bijna uw carrière gebroken?

--Ach! lachte hij.

--Welke carrière?

--Ach neen! weerde hij af. Zeg mij, wat raadt u mij?

--Hoe meent u?

--Zoû ik haar trouwen?

--Ik ben tegen alle huwelijk, tusschen ontwikkelde menschen....

Zij wilde eenige harer frazen zeggen, maar dacht: waarom? Hij zoû ze
toch niet begrijpen. Hij zag haar diep aan, met zijn karbonkeloogen.

--Dus voor vrije liefde?

--Soms. Niet altijd. Tusschen ontwikkelde menschen....

Hij was nu zeker van een liaison tusschen haar en Van der Staal, had
hij misschien nog getwijfeld.

--En.... vindt u mij ontwikkeld?

Zij lachte, coquet, met even iets van minachting.

--Hoor eens, wil u ernstig spreken?

--Heel graag.

--Ik vind noch u, noch Miss Hope geschikt voor vrije liefde.

--Dus ben ik niet ontwikkeld?

--Ik meen niet, in beschaving. Ik meen in moderne ontwikkeling.

--Dus ben ik niet modern?

--Neen, sprak zij, een beetje geërgerd.

--Leer mij modern zijn.

Zij lachte nerveus.

--Ach, laat ons niet zoo spreken. Wat ik u raad? Urania _niet_ te
trouwen.

--Waarom niet?

--Omdat uw leven samen een ellende zoû zijn. Zij is een lief,
Amerikaansch parvenuetje....

--Ik bied haar wat ik heb; zij mij wat zij heeft....

Hij knabbelde de bonbons. Zij haalde de schouders op.

--Doe het dan, sprak ze onverschillig.

--Zeg mij, dat u het niet hebben wilt, en ik doe het niet.

--En uw papa? En de marchesa?

--Wat weet u daarvan?

--O, alles.... en niets!

--U is een demon! riep hij uit. Een engel en een demon. Zeg mij, wat
weet u van mijn vader en van de marchesa?

--Voor hoeveel verkoopt u u aan Urania? Voor niet minder dan tien
millioen?

Hij zag haar in stupefactie aan.

--Maar de marchesa vindt vijf genoeg. Het is ook mooi: vijf
millioen.... Dollars of lire?

Hij sloeg de handen in elkaâr.

--U is een duivel!! riep hij uit. U is een engel en een duivel! Hoe
weet u? Hoe weèt u? Weet u alles??

Zij wierp zich achterover en lachte.

--Alles....

--Maar hoé?

Zij zag hem aan, schudde het hoofd, coquetteerde.

--Zeg mij....

--Neen. Dat is mijn geheim....

--En u vindt, dat ik mij niet verkoopen mag?

--Ik durf niet raden in uw belang.

--En wat Urania betreft?

--Raad ik haar af.

--Hèeft u haar al afgeraden?

--Zoo nu en dan....

--U is dus mijn vijand? riep hij boos.

--Neen, zeide zij zacht, hem willende terugwinnen. Een vriendin....

--Een vriendin? Tot hoever?

--Tot zoo ver _ik_ gaan wil.

--Niet tot zoo ver _ik_ wil...?

--O, neen nooit!

--Maar misschien willen wij even ver?

Hij was opgestaan, zijn bloed in vuur. Zij bleef kalm zitten, bijna
kwijnend, haar hoofd achterover. Zij antwoordde niet. Hij viel op de
knieën en vatte haar hand en kuste die, voor zij kon afweren.

--O, engel, engel! O, demon! mompelde hij in zijn kussen.

Zij trok haar hand nu terug, duwde hem zachtjes van zich en sprak:

--Wat is een Italiaan toch vlug met zoenen!

Zij lachte hem uit. Hij stond op.

--Leer mij hoe Hollandsche vrouwen zijn, al zijn ze langzamer dan wij.

Zij wees hem zijn stoel, met een imperieus gebaar.

--Ga zitten. Ik ben geen specifiek Hollandsche vrouw. Anders zoû ik
niet in Rome komen. Ik piqueer me cosmopolitisch te zijn. Maar we
spraken niet over mij, we spreken over Urania. Denkt u ernstig haar te
trouwen?

--Wat kan ik doen, als _u_ me tegenwerkt? Werk liever met mij meê, als
een lieve vriendin....

Zij weifelde. Deze menschen, noch Urania, noch hij, waren rijp voor
hare ideeën. Zij minachtte hen beiden. Goed, zij mochten dan trouwen;
hij om rijk te zijn; zij om prinses-hertogin te worden.

--Hoor eens! sprak ze, zich buigend naar hem toe. U trouwt haar om haar
millioenen. Maar uw huwelijk is dadelijk ongelukkig. Zij is een wuft
kindje; zij verlangt brille ... en u behoort tot de Zwarten.

--Wij kunnen in Nice wonen: dan kan zij doen wat zij wil. Nu en dan
komen wij in Rome, en nu en dan op San Stefano. En ongelukkig....--hij
trok een tragisch gezicht--: wat kan het mij schelen. Gelukkig ben ik
toch niet. Ik zal Urania pogen gelukkig te maken. Maar mijn hart ...
zal elders zijn....

--Waar?

--Met de richting der vrouwenbeweging meê.

Zij lachte.

--Nu wil ik dan lief zijn?

--Ja....

--En u beloven te helpen?

Wat kon het haar schelen?

--O, engel, demon! riep hij uit.

Hij knabbelde een bonbon.

--En wat denkt de heer Van der Staal ervan? vroeg hij ondeugend.

Zij trok de wenkbrauwen op.

--Hij denkt er niet over. Hij denkt alleen aan zijn kunst.

--En aan u.

Zij zag hem aan, en boog het hoofd, toestemmend als een koningin.

--En aan mij.

--U dineert dikwijls met hem.

--Ja.

--Dineer ook eens met mij.

--O, heel gaarne.

--Morgen avond? Waar?

--Waar u wil.

--In het Grand-Hôtel?

--Vraag er dan Urania bij.

--Waarom wij niet alleen?

--Ik denk, dat het beter is uw aanstaande vrouw er bij te vragen. Ik
zal haar chaperonneeren.

--U heeft gelijk. U heeft groot gelijk. En vraagt u dan den heer Van
der Staal mij ook het genoegen te doen....

--Ik zal het doen.

--Dan tot morgen, half negen?

--Tot morgen, half negen.

Hij stond op, om afscheid te nemen.

--Het is welvoegelijk, dat ik ga, sprak hij. Eigenlijk bleef ik
liever....

--Nu blijf dan ... of blijf een anderen keer, als u nu weg moet.

--U zoo koel.

--En u denkt lang niet genoeg aan Urania.

--Ik denk aan de vrouwenbeweging.

Hij ging zitten.

--Eigenlijk moet u weg, sprak zij en lachte met haar oogen. Ik moet mij
kleeden ... om te gaan dineeren met meneer Van der Staal.

Hij kuste hare hand.

--U is een engel en een demon. U weet alles. U kan alles. U is de
interessantste vrouw, die ik ooit heb ontmoet.

--Omdat ik drukproeven corrigeer.

--Omdat u is, die u is....

En heel ernstig, nog vasthoudende hare hand, zeide hij, bijna dreigend:

--Ik zal u nooit kunnen vergeten....

En hij vertrok. Toen zij alleen was opende zij hare vensters. Zij was
zich nu wel bewust wat coquet te zijn, maar het was zoo in hare natuur:
zij deed het zoo van zelve, tegen sommige mannen. Volstrekt niet tegen
iedereen. Nooit tegen Duco. Nooit tegen mannen, tegen wie zij opzag.
Dat prinsje minachtte zij, met zijn vlammende oogen en zijn gezoen....
Maar hij was voldoende om haar te amuzeeren.

En zij verkleedde zich en ging uit, en lang over het afgesproken uur
kwam zij in de restauratie, vond Duco op haar wachten aan het tafeltje,
het hoofd in de handen, en vertelde hem dadelijk, dat de prins haar had
opgehouden.




XXIII.


Duco had eerst de invitatie van den prins niet willen aannemen, maar
Cornélie zeide hem, dat zij het prettiger vond als hij ging. En het
was een keurig diner geweest in de restauratie van het Grand-Hôtel,
en Cornélie had zich uitstekend geamuzeerd en zij had er allerliefst
uitgezien in een oude gele baljapon, die nog dateerde uit haar eerste
huwelijksdagen, dien zij fluks een beetje veranderd had en met de
antieke kant van den prins gedrapeerd. Urania was heel mooi geweest,
blank, frisch, schitterende oogen, schitterende tanden, in een heel
nieuwerwetsch eng aansluitend toilet van zwart-blauwe pailletten op
zwarte tulle, alsof zij was in een pantser: de prins had gezegd: sirene
met schubbestaart. En van andere tafels had men veel naar hun tafeltje
gegluurd, want een ieder kende Virgilio di Forte-Braccio; een ieder
wist dat hij een rijke Amerikaansche erfgename zoû trouwen, en een
ieder had gevonden, dat hij zeer het hof maakte aan de slanke, blonde
vrouw, die niemand kende.... Zij was getrouwd geweest--meende men--;
zij chaperonneerde de aanstaande prinses; en zij was zeer bevriend met
dien jongen man, een Hollandschen schilder, die in Rome studeerde. Men
had er spoedig alles van geweten....

Cornélie had het aardig gevonden, dat men naar haar gekeken had en
zij had zoo opvallend gecoquetteerd met den prins, dat Urania boos
was geworden. En den volgenden morgen vroeg, tenwijl Cornélie nog
in bed lag, niet meer denkende aan gisteren avond, maar peinzende
over een fraze in haar brochure--werd er geklopt, bracht de meid
haar ontbijt en brieven, en zeide, dat Miss Hope haar spreken wilde.
Cornélie liet Urania binnen komen, terwijl zij in bed bleef en hare
chocola, dronk. En verbaasd zag zij op, toen Urania haar dadelijk
overviel met verwijtingen, uitbarstte in snikken, schold, en een
hevige scène maakte, en zeide, dat zij haar nu doorzag, bekende, dat
de marchesa haar op het hart had gedrukt voorzichtig te zijn voor
Cornélie en haar een gevaarlijke vrouw had genoemd. Cornélie liet
haar uitvaren en antwoordde koel, dat zij zich geen kwaad bewust
was, dat zij integendeel Urania had gered; dat zij, integendeel, als
getrouwde vrouw, Urania als chaperonne van dienst was geweest, haar
niet zeggende, dat de prins alleen met haar, Cornélie, had willen
dineeren.... Maar Urania wilde niet hooren en vaarde voort....
Cornélie zag haar aan en vond haar vulgair in die woede, sprekende
haar Amerikaansch-Engelsch, alsof zij kauwde op hazelnooten, en, koel,
antwoordde zij eindelijk:

--Beste meid, je maakt je nerveus om niets. Maar als je dat liever
hebt, zal ik den prins schrijven, dat hij mij geen attenties meer
bewijst....

--Neen, neen, dat niet: Gilio zal denken, dat ik jaloersch ben....

--En wat ben je dan?

--Waarom accapareer je je van Gilio? Waarom flirt je met hem? Waarom
stel je je met hem aan, zooals gisteren, in een volle restauratie?

--Nu, als je dat niet gaarne hebt,... zal ik niet meer met Gilio
flirten en me niet meer met Gilio aanstellen.... Je heele prins gaat
mij niets aan....

--Een reden te meer.

--Het is afgesproken, hoor kindje.

Hare koelheid kalmeerde Urania, die vroeg:

--En blijven wij toch "good friends?"

--Maar natuurlijk, beste meid. Is er een aanleiding om ons te
brouilleeren? Ik zie er geen....

Beiden, prins en Urania, waren haar totaal onverschillig. Zij had
tegen Urania eerst wel gepreekt, maar om een algemeen idee: toen zij
later inzag Urania's onbeduidendheid, trok zij hare belangstelling van
het meisje terug. En hinderde haar wat vroolijkheid en onschuldige
hofmakerij, nu, dan zoû het gedaan zijn.... Hare ideeën waren meer bij
de drukproeven van haar artikel, die de post haar had gebracht.... Zij
stond op, rekte zich uit.

--Ga in de zitkamer, Urania-lief, en laat mij even mijn bad nemen....

Na een poos kwam zij, frisch en glimlachend bij Urania terug in de
zitkamer. Urania weende.

--Beste meid, wat trek je je toch aan? Je illuzie is bijna bereikt. Je
huwelijk is zoo goed als zeker. Je wacht een antwoord uit Chicago? Je
bent ongeduldig? Telegrafeer dan. Ik had dadelijk getelegrafeerd. Je
denkt toch niet, dat je vader er iets op tegen heeft, dat je hertogin
di San Stefano wordt?

--Ik weet het niet van mezelve, weende Urania. Ik weet het niet, ik
weet het niet....

Cornélie haalde de schouders op.

--Je bent nog verstandiger dan ik dacht....

--Ben je heusch een goede vriendin? Kan ik je vertrouwen? Kan ik
vertrouwen op je raad?

--Ik wil je niet meer raden. Ik heb je geraden. Nu moet jezelve weten.

Urania vatte haar hand.

--Wat zoû je gaarne zien: dat ik Gilio nam ... of ... niet?

Cornélie zag haar diep in de oogen.

--Je maakt je ongelukkig om niets. Je denkt, en de marchesa denkt het
denkelijk met je, dat ik je Gilio wil ontnemen? Neen lieveling, ik zoû
niet willen trouwen met Gilio, al was hij koning en keizer. Ik heb iets
socialistisch in mij: ik trouw niet om een titel....

--Ik ook niet....

--Natuurlijk, lieveling, jij ook niet. Ik zoû het nooit durven beweren,
dat je het deed.... Maar je vraagt me, wat ik gaarne zag? Nu, ik
antwoord je heel eerlijk: ik zie gaarne niets. Het laat me heelemaal
koud.

--En je noemt je mijn vriendin....

--Ach, beste kind, dat wil ik ook wel blijven. Maar overstelp mij dan
niet op mijn nuchtere maag met zooveel verwijten....

--Je bent coquet....

--Van natuur, soms. Ik zal het heusch niet meer zijn, met Gilio.

--Heusch?

--Ja, natuurlijk. Wat kan het me schelen. Ik vind hem amuzant, maar als
het je hindert, offer ik gaarne mijn amuzement aan je op. Zooveel tel
ik het niet.

--Je houdt van Mr. Van der Staal?

--Heel veel....

--Ga je met hem trouwen, Cornélie?

--Wel neen, kindlief. Ik trouw niet meer. Ik weet wat het huwelijk
is. Ga je meê met me wat wandelen? Het is mooi weêr en je bent me zoo
overvallen met je griefjes, dat ik van morgen toch niet werken kan.
Het is prachtig weêr: kom, dan gaan we bloemen koopen op de Piazza di
Spagna....

Zij gingen, zij kochten de bloemen, Cornélie bracht haar thuis bij
Belloni. Toen zij verder liep, op weg naar de osteria om te ontbijten,
hoorde zij iemand haar inhalen. Het was de prins.

--Ik zag u al van het begin van de Via Aurora. Urania ging juist naar
huis?

--Prins, zeide zij dadelijk. Het mag niet meer.

--Wat?

--Geen visites, geen scherts, geen cadeaux, geen diners in het
Grand-Hôtel en geen champagne.

--Waarom niet?

--De aanstaande prinses wil het niet.

--Is zij jaloersch?

--Cornélie vertelde hem van de scène.

--En u mag zelfs niet met me meêloopen.

--Jawel.

--Neen, neen.

--Ik doe het toch.

--Dus het recht van den man, van den sterkste?

--Juist.

--Mijn roeping is er tegen te strijden. Maar voor vandaag ben ik mijn
roeping ongetrouw.

--U is allerliefst ... als altijd.

--Dat mag u niet meer zeggen.

--Ze is vervelend, Urania.... Zeg mij, wat raadt u mij? Moet ik haar
trouwen?

Cornélie schaterlachte.

--U vraagt beiden _mij_ raad!

--Ja, ja, wat denkt u?

--Zeker, trouw haar!

Hij zag niet hare minachting.

--Wissel uw blazoen voor haar beurs, ging zij voort en lachte, en
lachte.

Nu zag hij er iets van.

--U veracht mij, ons beiden misschien.

--O, neen....

--Zeg mij, dat u me niet veracht.

--U wil mijn opinie weten. Urania is een allerliefst goed kindje, maar
dat niet alleen moet reizen. En u....

--En ik?

--U is een charmante jongen. Koop mij die viooltjes, wil u....

--Dadelijk, dadelijk....

Hij kocht het boeketje.

--U is zoo dol op viooltjes, niet waar....

--Ja. Dit moet uw tweede ... en laatste geschenk zijn. Hier nemen wij
afscheid van elkaâr.

--Neen, ik breng u thuis.

--Ik ga niet naar huis.

--Waarheen dan?

--Ik ga naar de osteria. Meneer Van der Staal wacht mij daar.

--Hij is wel gelukkig!

--Waarlijk?

--Kan het anders!

--Ik weet het niet. Dag, prins.

--Inviteer mij, smeekte hij. Laat mij samen met u lunchen.

--Neen, sprak ze ernstig. Heusch niet. Het is beter van niet. Ik
geloof....

--Wat....

--Dat Duco precies is als Urania....

--Jaloersch?... Wanneer zie ik u dan weêr?

--Heusch, het is beter van niet.... Dag, prins. Merci ... voor de
viooltjes.

Hij boog over hare hand. Zij begaf zich naar de osteria en zag, dat
Duco door het raam hun afscheid had gezien.




XXIV.


Duco was stil aan tafel en zenuwachtig. Hij speelde met zijn brood en
zijn vingers trilden. Zij voelde, dat hij iets op het hart had.

--Wat is er? vroeg zij lief.

--Cornélie, sprak hij ontroerd. Ik moet je spreken.

--Waarover?

--Je doet niet goed.

--In welk opzicht?

--Met den prins. Je hebt hem doorzien, en toch ... toch blijf je hem
dulden, toch ontmoet je hem telkens.... Laat mij uitspreken, sprak
hij--en zag om zich rond: er waren slechts twee Italianen in de
restauratie, gezeten aan de verste tafel, en hij kon spreken zonder
beluisterd te worden: ik wil uitspreken, herhaalde hij, toen zij hem
in de rede wilde vallen. Je bent natuurlijk vrij te doen wat je wilt.
Maar ik ben je vriend en ik wil je raden. Het is niet goed wat je doet.
De prins is een ploert. Onedel, laag.... Hoe kan je cadeaux van hem
aannemen en invitaties? Waarom heb je mij gedwongen gisteren meê te
gaan? Dat heele diner was mij een marteling. Je weet hoeveel ik van
je hoû--waarom zoû ik het je niet bekennen. Je weet hoe hoog ik je
stel. Ik kan niet aanzien, dat je je zoo vernedert met hem. Laat mij
spreken. Vernedert, zeg ik. Hij is niet waard je schoen vast te binden.
En je speelt met hem, je schertst met hem, je coquetteert.... Laat mij
spreken: je coquetteert met hem. Wat kan hij je schelen, die kwast. Wat
is hij in je leven. Laat hem trouwen met miss Hope, wat kunnen beiden
je schelen. Wat kunnen jou, Cornélie, die inferieure menschen schelen.
Ik minacht ze en jij ook. Ik weet dat. Waarom kruis je dan hun leven?
Laat hen leven in hun ijdelheid van titels en geld, wat is het jou? Ik
begrijp je niet. O, ik weet het: je bent niet te begrijpen, alles wat
vrouw is, is in jou. En ik heb lief alles wat ik van je zie: ik heb
je lief in alles.... Het komt er niet op aan of ik je begrijp. Maar
ik voel toch, dat _dit_ niet goed is. Ik vraag je, zie den prins niet
meer. Bemoei je niet meer met hem. Nieer hem.... Dat diner, gisteren,
het was me een marteling....

--Arme jongen, sprak zij zacht en schonk hem uit hun fiasco in. Maar
waarom?

--Waarom? Waarom? Je vernedert je.

--Ik ben niet zoo hoog.... Neen, nu wil _ik_ spreken. Ik ben niet hoog.
Omdat ik enkele moderne ideeën heb, en enkele andere, die liberaler
zijn dan die van het gros van andere vrouwen? Verder ben ik gewoon
vrouw. Als een man vroolijk en geestig is, amuzeert me dat. Neen Duco,
nu spreek ik. Ik vind den prins geen ploert, ik vind hem misschien wel
een kwast, maar ik vind hem vroolijk en geestig. Je weet, dat _ik_ ook
veel van je hoû, maar vroolijk en geestig ben je niet. Nu niet boos
zijn. Je bent veel meer. Ik vergelijk il nostro Gilio zelfs niet met
je.... Ik wil niet meer over je zeggen, anders wordt je pedant. Maar
vroolijk en geestig, dat ben je niet. En mijn arme natuur heeft daar
soms behoefte aan. Wat heb ik in mijn leven? Niets dan jou, alléen jou.
Ik ben heel blij je vriendschap te bezitten, ik ben gelukkig je te
hebben ontmoet. Maar waarom mag ik niet eens vroolijk zijn. Heusch, er
is een beetje luchthartigheid in me, lichtzinnigheid zelfs.... Moet ik
daar tegen strijden? Is het slecht? Zeg, Duco, ben ik slecht?

Hij glimlachte weemoedig, een vochtige glans was over zijne oogen en
hij antwoordde niet.

--Ik kan wel strijden, als het moet, hernam zij. Maar is dit nu om
tegen te strijden! Het is wat schuim van een oogenblik. Meer niet. Ik
ben het dadelijk vergeten. Ik ben den prins dadelijk vergeten. En jou
vergeet ik niet.

Hij zag haar glanzend aan.

--Begrijp je dat? Voel je, dat ik met jou niet flirt en coquetteer?
Geef me een hand, wees niet boos meer....

Zij stak hem hare hand toe over de tafel en hij drukte hare vingers.

--Cornélie, hernam hij zacht. Ja, ik voel, dat je waar bent. Cornélie,
word mijn vrouw.

Zij zag ernstig voor zich en liet het hoofd een weinig hangen en
staarde voor zich uit. Zij aten niet meer. De twee Italianen stonden
op, groetten en gingen heen. Zij waren alleen. De kellner had wat fruit
voor hen neêrgezet en trok zich terug.

Beiden zwegen ze een oogenblik. Toen sprak zij met een heel zachte stem
en haar wezen had zoo iets teeders van weemoed, dat hij in snikken had
kunnen uitbarsten en haar zoo aanbidden.

--Ik wist natuurlijk, dat je me dat een dezer dagen zoû vragen. Het lag
in de natuur der dingen. Een groote vriendschap als de onze geleidde
natuurlijk weg tot die vraag. Maar het kan niet, beste Duco.... Het
kan niet, mijn beste jongen.... Ik heb mijn ideeën ... maar dat is het
niet. Ik ben tegen het huwelijk.... Maar dat is het niet. In sommige
gevallen is een vrouw al hare ideeën ontrouw in éen enkele seconde....
Wat het dan wel is...?

Zij staarde met groote oogen, streek over het voorhoofd, als zag zij
het niet duidelijk in.... Toch ging zij voort:

--Het is ... dat ik bang ben voor het huwelijk. Ik heb het gekend, ik
weet wat het is.... Ik zie mijn man nu duidelijk voor me. Ik zie die
gewoonte, die sleur voor me, waarin alle nuance uitwischt. Dat is het
huwelijk: gewoonte, sleur. En nu zeg ik het je ronduit: ik vind het
huwelijk vies. Ik vind die gewoonte vies. Ik vind passie mooi, maar het
huwelijk is geen passie. Passie kan edel zijn, en bovenmenschelijk,
maar het huwelijk is een menschelijke instelling van klein menschelijke
moraal en berekening.... En ik ben bang voor zulke moreele en wijze
banden geworden. Ik heb mijzelf beloofd--en ik geloof die belofte
te houden--dat ik nooit meer trouwen zal. Mijn geheele natuur is
er ongeschikt toe geworden. Ik ben niet meer het Haagsche meisje
van soirées en diners, dat uitzag naar een man, te zamen met haar
ouders.... Mijn liefde voor hém was passie! En in mijn huwelijk woû
hij die passie breidelen tot een sleur en een gewoonte. Toen ben ik
opgestaan.... Laat me er liever niet over praten. Passie duurt te kort
om een huwelijksleven te vullen.... Achting daarna, etcetera? Daarvoor
behoeft men niet te trouwen. Ik kan achten, ook ongetrouwd. Natuurlijk,
er is de kwestie der kinderen, er _zijn_ velerlei moeilijkheden.... Ik
kan dat nu niet uitdenken. Ik voel alleen nu, heel ernstig en kalm, dat
_ik_ ongeschikt ben om te trouwen, en nooit meer trouwen wil. Ik zoû je
niet gelukkig maken.... Wees niet treurig, Duco. Ik hoû van je, ik heb
je lief. En misschien ... heb ik je ontmoet op het juiste oogenblik.
Had ik je vroeger ontmoet in mijn Haagsche leven ... je zoû zeker te
hoog voor me hebben gestaan. Ik zoû je niet lief hebben gekregen. Nu
kan ik je begrijpen, je achten en tegen je opzien. Ik zeg je dit
eenvoudig weg, dat ik je liefheb en tegen je opzie, tegen je opzie,
trots al je zachtheid, zooals ik nooit tegen mijn man heb opgezien, hoe
hij ook zijn mannelijke rechten deed gelden. En je moet dat gelooven,
heel vast en heel zeker, en je moet gelooven, dat ik waar ben. Coquet
... ben ik alleen met Gilio....

Hij zag haar aan, door zijn stille tranen. Hij stond op, riep den
kellner, betaalde vaagweg, en het zwom en glansde voor zijne oogen.
Zij gingen de deur uit en zij riep een rijtuig aan en gaf het adres op
van de villa Doria-Pamphili. Zij herinnerde zich, dat de tuinen open
waren. Zij reden er zwijgend heen, overstelpt door hunne gedachten aan
de toekomst, die voor hen opentrilde. Soms haalde hij diep adem en
sidderde hij over zijn lichaam. Eenmaal drukte zij innig zijn hand.
Aan de poort van de villa stapten zij uit, wandelden samen op langs
de majestueuze lanen. In de diepte lag Rome, zagen zij eensklaps
Sint-Pieter. Maar zij spraken niet, zij zette zich eensklaps neêr op
een antieke bank en begon zachtjes te weenen, zwak. Hij nam haar in
zijn arm en troostte haar. Zij droogde hare tranen, glimlachte en
omhelsde hem en kuste hem terug.... Het begon te schemeren en zij
gingen terug. Hij gaf het adres op van zijn atelier. Zij volgde hem
daar. En zij gaf zich aan hem, in geheel hare oprechtheid van waarheid,
en met een liefde zoo hevig en groot, dat zij dacht te bezwijmen in
zijn armen.




XXV.


Zij veranderden hun leven niet. Duco echter, na een scène met zijn
moeder, sliep niet meer bij Belloni, maar in een kamertje, grenzende
aan zijn atelier, eerst vol koffers en rommel. Die scène speet
Cornélie, zij had steeds sympathie gevoeld voor mevrouw Van der Staal
en de meisjes. Maar een hoogmoed gierde in haar op, en Cornélie
minachtte mevrouw Van der Staal, omdat deze noch haar noch Duco
begrijpen kon. Toch had zij de verkoeling gaarne voorkomen. Op haar
aanraden zocht Duco nog eens zijne moeder op, maar zij bleef koel en
wees hem af. Daarop gingen Cornélie en Duco naar Napels. Zij deden
het niet als een vlucht, zij deden het eenvoudig weg; Cornélie zeide
aan Urania en aan den prins, dat zij naar Napels ging voor korten
tijd en dat Van der Staal haar wellicht zoû volgen. Zij kende Napels
niet en zoû het zeer apprecieeren als Van der Staal er haar leidde,
in de stad en de omstreken. Cornélie hield in Rome hare kamers aan.
En zij doorleefden een veertien dagen in een gedachteloos, groot en
louter geluk. Hunne liefde groeide bloeiend en breed op in de gouden
zuidlucht van Napels, aan de blauwe golven van Amalfi, Sorrente, Capri
en Castellamare, eenvoudig, onwederstaanbaar en rustig. Geleidelijk
gleden zij langs den purperen draad van hun leven, hand in hand liepen
zij af hun tot éen pad gesmolten lijnen, gedachteloos aan de wetten
en ideeën der menschen, en hun houding was zoo hoog, hun doen zoo
rustig en zeker van hun geluk, dat hun toestand geen onbeschaamdheid
werd, hoewel zij in zichzelven de wereld minachtten. Maar hun geluk
verzachtte al dien hoogmoed hunner opzwevende zielen, als strooide hun
geluk met bloesems rond. Zij leefden als in een droom, eerst tusschen
de marmers van het muzeum, later op de bebloemde klippen van Amalfi,
aan het strand van Capri, of op het terras van het hôtel te Sorrente:
de zee ruischende aan hunne voeten; in een parelen waas, ginds, vaag
wit, als uitgedoezeld krijt, Castellamare en Napels en de schim van
den Vezuvius, met zijn wazige pluim van rook.

Zij hielden zich van allen apart, van alle menschen, van alle
touristen: zij aten aan een klein tafeltje en men dacht algemeen, dat
zij pas waren getrouwd. Zocht men hun naam in het vreemdelingenboek,
dan las men hunne twee namen en fluisterde men commentaren. Maar zij
hoorden het niet, zij zagen het niet, zij leefden hun droom, ziende in
elkaârs oogen of naar de opalen lucht, de parelen zee, en de witwazige
bergverschieten, met, als krijten vlakjes, de steden er in neêrgeplekt.

Toen zij bijna geen geld meer hadden, glimlachten zij en keerden naar
Rome terug en leefden er als vroeger; zij, op hare kamers, hij, nu in
zijn atelier, en namen zij samen hun malen. Maar zij vervolgden hun
droom tusschen de ruïnes van de Via Appia, om en bij Frascati: verder
dan de Ponte Molle, op de helling van de Monte Mario en in de tuinen
der villa's, tusschen de statuen en schilderijen, hun geluk mengende
met de atmosfeer van Rome; hij zijne nieuwe liefde doorwevende met zijn
liefde voor Rome; zij Rome liefkrijgende om hem. En door die bekoring
was als een aureool om hen heen, waardoor zij het gewone leven niet
zagen en de gewone menschen niet ontmoetten.

Eindelijk, op een middag, trof Urania hen beiden thuis, op de kamer
van Cornélie, het vuur aan, zij glimlachend starende in het vuur, hij
zittende aan hare voeten, en zij met den arm om zijn hals. En zij
dachten klaarblijkelijk zoo weinig aan iets anders dan aan hun eigen
liefde, dat zij beiden haar geklop niet hoorden, dat zij beiden haar
eensklaps zagen vóor zich staan, als een ongedachte werkelijkheid. Hun
droom was dien dag uit. Urania lachte, Cornélie lachte en Duco schoof
een fauteuil naderbij. En Urania blij, mooi, schitterend, vertelde, dat
zij verloofd was. Waar hadden zij toch met elkander gezeten? vroeg zij
nieuwsgierig. Zij was nu verloofd. Zij was al op San Stefano geweest,
zij had den ouden prins gezien. En alles was mooi, goed, en lief: het
oude kasteel _a dear old house_, de oude man _a dear old man_. Zij
zag alles door de schittering van haar aanstaanden prinsesse-titel.
Prinses, hertogin! De dag van het huwelijk was vastgesteld, voor
Paschen, dus over een groote drie maanden. In San Carlo zoû het worden
ingezegend, met al den luister van een groot huwelijk. Haar vader
kwam er voor over met haar jongsten broêr. Zij zag klaarblijkelijk op
tegen hun komst. En zij was niet uitgepraat; zij vertelde duizend
détails over haar trousseau, waaraan de marchesa haar hielp. Zij
zouden in Nice wonen, op een groot appartement. Zij dweepte met Nice:
het was een goed idee van Gilio. En ter loops, het zich herinnerende,
vertelde zij, dat zij Katholiek was geworden. Dat was een last! Maar de
monsignore's zorgden voor alles, zij liet zich door hen leiden. En de
Paus zoû haar ontvangen in particuliere audientie, samen met Gilio....
De moeilijkheid was haar audientie-toilet, zwart, natuurlijk, maar,
fluweel, satijn? Wat raadde Cornélie? Zij had zoo een goeden smaak. En
de zwarte kanten voile met brillanten opgestoken.... Morgen zoû zij
naar Nice gaan met de marchesa en Gilio, om hun appartement te zien....

Toen zij wegging, verzoekende Cornélie aan te komen om haar uitzet te
bewonderen, sprak Cornélie met een glimlach:

--Ze is gelukkig.... Voor ieder is geluk toch anders.... Een trousseau
en een titel zouden mij niet gelukkig maken.

--Dat zijn de kleine menschen, sprak hij; die ons leven nu en dan
kruisen. Ik ga ze liefst uit den weg....

En zij zeiden het niet, maar zij dachten het beiden--hunne vingers
in elkaâr, hare oogen starende in zijn oogen,--dat ook _zij_ gelukkig
waren, maar hooger en beter en edeler; en de hoogmoed gierde in hen op:
zij zagen als in vizioen de lijn van hun leven slingeren steilen heuvel
op, maar het geluk sneeuwde er bloesems op neêr en in de sneeuwende
bloesems hoog houdende hun trotsche hoofden, met glimlach en oogen
van liefde, liepen zij voort in hun droom, onttogen aan mensch en aan
werkelijkheid.




XXVI.


De maanden droomden voorbij. En hun geluk deed zulk een zomer in hen
ontbloeien, dat zij rijpte in mooiheid, hij in talent; de hoogmoed
in hen sloeg als een fierheid naar buiten: bij haar bloei, bij hem
werkkracht; haar loome bevalligheid herschiep zich in een fiere
rankheid; in volheid zwollen hare vormen; glans lichtte op in haar
oogen, blijdschap om haar mond--van nerveuze aandoening trilden
zijn handen, als hij zijn penseelen nam, en de luchten van Italië
welfden uitspansels voor zijn oog als firmamenten van liefde en innige
kleur. Hij schiep en voltooide een serie van aquarelllen wazigheden
van droomatmosfeer, die aan het edelste van Turner deden denken:
natuurmomenten van louter waas: al het melkblauwe en parelnevelige van
de golf van Napels, als een beker vol licht, waar een turkooïs uitsmelt
tot water--en hij zond ze naar Holland, naar Londen, en had eensklaps
gevonden zijn roeping, zijn werk en zijn roem: moed, kracht, doel en
overwinning.

Ook zij had een zeker succes met haar artikel: het werd

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/44084