Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn
by Pieter Louwerse · Dutch · Gutenberg #43560 · 462,600 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn
Author: Pieter Louwerse
Illustrator: Alfred Ronner
Release date: August 26, 2013 [eBook #43560]
Most recently updated: October 23, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/43560
Credits: Produced by Branko Collin, kleinmeisje and the Online
Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This
file was produced from images generously made available
by The Internet Archive/Canadian Libraries)
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN DELFTSHAVENSCHE KWAJONGEN OF HET LEVEN VAN LUITENANT-ADMIRAAL PIET HEYN ***
Opmerkingen van de bewerker:
Cursieve tekst wordt _cursief_ weergegeven, vette tekst wordt =vet=
weergegeven en tekst die in het origineel gespatieerd is, wordt hier
als ~gespatieerd~ weergegeven.
Tekst die in het origineel weergegeven wordt in klein kapitaal, bestaat
hier volledig uit hoofdletters, superscript (bijvoorbeeld in "derde")
wordt weergegeven als 3^e.
De spelling in het origineel is behouden, ook waar deze inconsistent
is. Twee uitzonderingen zijn gemaakt: "Hein" op bladz. 110 is veranderd
in Heyn en lalei op bladz. 206 is veranderd in lakei.
Fouten in de interpunctie zijn stilzwijgend verbeterd.
Soms wordt binnen een citaat nog een citaat aangehaald. Als het einde
van deze beide citaten op hetzelfde punt valt, wordt slechts één ”
gebruikt.
Op bladzijde 109 heeft Annetje (de vrouw van Piet Heyn) een zus, op
bladzijde 110 niet.
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend
hersteld.
[Illustratie: Een Delftshavensche Kwajongen]
EEN DELFTSHAVENSCHE KWAJONGEN
OF HET LEVEN VAN
LUITENANT-ADMIRAAL PIET HEYN.
[Illustratie]
EEN
Delftshavensche Kwajongen
OF HET LEVEN VAN
Luitenant-Admiraal Piet Heyn.
Geschiedkundig verhaal voor oud en jong Nederland
DOOR
P. LOUWERSE.
Derde, verbeterde druk.
Geïllustreerd.
LEIDEN.--A. W. SIJTHOFF.
„De vreeze van de zee,
de schrik van ’t trotsche Spanje,
Eene eere van ons land,
en sterkte van Oranje,
Die, waar hij kwam of voer,
de vreeze met zich bracht,
Die, waar hij vocht of streed,
vernielde ’s vijands macht.”
(ADRIANUS HOFFERUS.)
VOORBERICHT.
„Omtrent den inhoud van dit boekje kan ik kort zijn. De heer A. J. VAN
DER AA zegt in zijn ~Biographisch Woordenboek der Nederlanden~, van
Piet Heyn sprekende: „Evenals van de meeste onzer Zeehelden is er
omtrent zijne afkomst, jeugd en jongelingsjaren niets bekend.”--Ik
kon dus niets anders doen dan gebruik maken van overleveringen, die
omtrent hem in omloop zijn, en voor het overige mijn’ held tot 1623,
wanneer hij als Vice-Admiraal indienst der W. I. Compagnie trad, doen
leven in de gebeurtenissen van zijn tijd. Dat hij hieraan een wakker
aandeel genomen heeft, valt wel niet te betwijfelen, doch van die
gebeurtenissen zondere men uit de twisten tusschen de Remonstranten en
Contra-Remonstranten. De meeste zeelieden waren Contra-Remonstrantsch,
doch bemoeiden zich niet met die kerkelijke geschillen. Ze geloofden,
wat ze als kind geleerd hadden, leerden varen en waren aan den wal
vreemd aan elke partij.--Voor een deel vond ik de gebeurtenissen
in dit boekje vermeld, in eene historische plaatsbeschrijving van
Delftshaven.--De jeugd van Piet Heyn moge dan ook tot de verdichting
behooren, aan de geschiedenis van Delftshaven bleef ik getrouw. Moge
dit werkje de lezers vinden, die ik mij voorgesteld heb.”
Tot zoover het slot van de voorrede van den tweeden druk. Bij dezen
derden druk voeg ik slechts den wensch, dat de vermeerdering en
verbetering van den inhoud en bovenal dat de wijze van illustreering
het werkje ten goede moge komen en dat het weer de lezers en lezeressen
vinde, die ik mij zoo gaarne voorstel.
DEN HAAG. P. LOUWERSE.
INHOUD.
Bladz.
Eerste Hoofdstuk.
Vuistensoep tot avondeten 1
Tweede Hoofdstuk.
De Moeder bidt 21
Derde Hoofdstuk.
Moeder heeft gedroomd 33
Vierde Hoofdstuk.
Het muist graag, wat van katten komt 46
Vijfde Hoofdstuk.
Onder Moeders gebed naar zee 57
Zesde Hoofdstuk.
Geketend en het hoofd geschoren 65
Zevende Hoofdstuk.
Pieter heeft weer stoppeltjes 77
Achtste Hoofdstuk.
Wat oorlog is 88
Negende Hoofdstuk.
Mensch of tijger? 98
Tiende Hoofdstuk.
Een heele profeet 108
Elfde Hoofdstuk.
Vooruit! Vooruit! 119
Twaalfde Hoofdstuk.
Het landje van Schep-op 131
Dertiende Hoofdstuk.
Vader Heyn heeft het rekenen afgeleerd 137
Veertiende Hoofdstuk.
„Slaet opten trommele” 153
Vijftiende Hoofdstuk.
Trompetter en Trompet 167
Zestiende Hoofdstuk.
Een schipper heeft ook oogen 179
Zeventiende Hoofdstuk.
Een pleistertje op de wonde 191
Achttiende Hoofdstuk.
Een roerganger om voor te knielen 203
Negentiende Hoofdstuk.
Een goed antwoord 213
Twintigste Hoofdstuk.
Spanje’s zilveren pols gevoeld 220
Een en Twintigste Hoofdstuk.
Het avondschot is gevallen 228
Besluit 242
[Illustratie]
EERSTE HOOFDSTUK.
Vuistensoep tot avondeten.
Al lang hadden de Delftenaars, die in het Graafschap Holland en zelfs
vrij ver er buiten een’ aanzienlijken handel dreven in bier en boter,
verlangend uitgezien naar een’ waterweg, die de stad met de breede
Maas in verbinding zou stellen. Met geld en goede woorden kon men toen
bij de Graven van Holland nogal wat gedaan krijgen. De Delftenaars
beproefden dat bij den Graaf, die Albrecht van Beieren heette, en het
gelukte. Door een Grafelijken voorrechtsbrief kreeg Delft vergunning
om eene haven naar de Maas te graven. Delft was dus eene havenstad
geworden. De haven liep met eene sluis in de rivier en het spreekt
bijna vanzelf, dat bij die sluis zich vele Delftenaren metterwoon
vestigden. Ruim twee eeuwen later, in 1631, telde men er meer dan
vijfhonderd huizen en daaronder zelfs zeer aanzienlijke, die bewoond
werden door kooplieden, die een’ uitgebreiden handel dreven. Veertig
jaar vroeger, in 1591 dus, was deze plaats niet zoo welvarend, want
in de eerste jaren van den Tachtigjarigen oorlog had ze zeer veel
geleden, nu eens door de Spanjaarden, dan door de Watergeuzen, want
waar het op vernielen en plunderen aankwam, gaven die twee elkander
geen krimp. Maar de eerste jaren van dien bangen strijd waren voorbij.
De Watergeuzen bestonden onder dien naam niet meer en de Spanjaarden
hadden in heel Holland niets meer voor hun zeggen, zoodat die van
Delftshaven al druk bezig waren zich van de geleden oorlogsrampen te
herstellen en de plaats weer in welvaart toenam.
Die welvaart van Delft en Delftshaven maakte echter de Rotterdammers
jaloersch, zoodat de verhouding tusschen de bewoners dier twee plaatsen
niet zoo heel vriendschappelijk was. Dat was vooral een kolfje naar de
hand van de jongens, die daardoor steeds in de gelegenheid waren om
zich in de kunst van oorlogvoeren te oefenen, en niet zelden was de
Maasdijk, die den verbindingsweg tusschen deze twee plaatsen vormde,
het tooneel van een’ veldslag tusschen jongens, waarbij het meestal
heel ruw en woest toeging. Van zulk een’ jongens-veldslag willen wij
getuigen zijn.
Het was de zevende Augustus van het jaar 1591 en het liep tegen den
avond. Het was dien dag drukkend heet geweest, doch een onweder had
de hitte aanmerkelijk doen afnemen en de regen, die bij stroomen
neergevallen was, had den dijk, die niet bestraat was, niet veel beter
dan onbegaanbaar gemaakt. Wandelaars, die verkoeling zochten, waren er
dus niet te zien, en zij, die men zoo nu en dan nog eens zag, waren
door hunne bezigheden gedwongen, dien glibberigen weg te betreden.
Voor straatjongens is echter zulk een morsboel geen beletsel om slag
te leveren. Integendeel, ze vonden het heerlijk, want ze waren er te
vrijer door in hun doen en laten. Dat schenen ook de bengels, die
daar onder wild geschreeuw met elkander aan het vechten waren, zoo te
meenen. Zoo op het oog waren het jongens van tusschen de twaalf en
zestien jaar oud, die elkander met steenen en stukken hout gooiden,
of met stokken en touwen, waarin knoopen gelegd waren, elkander te
lijf gingen. Hier en daar zag men er ook twee al worstelend door de
modderplassen zich wentelen. Het was een tooneel vol ergerlijke ruwheid.
En dat had nogal plaats niettegenstaande Schout en Schepenen bij advies
van Burgemeesteren van Delft, eene publicatie uitgevaardigd hadden
waarbij verboden werd, dat de jongens van Delftshaven vochten met
die van Rotterdam, „_op poene_ (boete) _dat sulcke rebelle jongers
verbeuren sullen het opperste Cleet, dat nobel man met de daed hem sal
mogen uyttrecken en ofnemen oft selve te mogen redimeeren[1] met twee
pond van 40 g. en bij verwondinghe ofte mishandelinghe gevonnist te
worden tot discreet[2] van Schepenen. Ende indien soodanigh jongers
ontloopen ofte nyet te becomen en ware zullen de ouders daarvoor worden
gevonnist._”
[1] Redimeeren = afkoopen.
[2] Tot discreet = naar het oordeel.
Ge ziet, dat er nogal krasse maatregelen genomen waren om die
kwajongens-liefhebberij te keer te gaan, en dat men nu, trots die
straffe bedreigingen, toch nog bijna op leven en dood durfde vechten,
moet wel toegeschreven worden aan iets heel ergs, en eer we nu dit
gevecht van naderbij bekijken, willen we eerst samen eens onderzoeken,
wat de oorzaak ervan was. We gaan daarom een uur of drie terug en
stappen in de Groenendaal te Delftshaven, een klein, onaanzienlijk
gebouw binnen.
Op een houten vloer, die op balkjes en dus wat hooger lag dan de
steenen vloer van het vertrek, was eene vrij groote houten kast
getimmerd, die niet heel hoog, maar nogal lang en tamelijk breed en
van boven open was. Het best valt zulk een ding te vergelijken met den
katheder of het spreekgestoelte waarin iemand voor eene vergadering
eene voordracht houdt. De kast hier genoemd was echter ruimer en hij,
die er plaats in nam, stond er niet in, maar zat er in. In de kast,
die we hier voor ons zien, zit een man met een zeer streng voorkomen.
Hij heeft eene veeren pen achter de ooren en op een’ lessenaar, die
boven op den bak is vastgehecht, ligt een boek in perkamenten omslag.
In de linkerhand houdt de man een soort van potlepel, waarmee men
soep zou kunnen scheppen, als hij maar, als een gewone lepel, hol
uitgesneden was. Dat ding is evenwel niet gemaakt om te scheppen; het
dient alleen om de jongens, die daar aan onooglijke, groote tafels
zitten te spelen, rekenen of schrijven, in toom te houden. Ge begrijpt
wel waar we zijn, nietwaar? Wij zijn in de eerste en eenige school van
Delftshaven, en de man, die daar in zijne kast zit, is Meester Jacob
Zegers, die van de Regeering van Delft ten vorige jare vergunning
gekregen heeft, om ook talen te onderwijzen.
[Illustratie: Twee „brave” jongens. (Bladz. 4.)]
Op eene der banken zitten twee „brave” jongens, schijnbaar ijverig
bezig, eene les over te schrijven. Als men evenwel wat naderbij komt,
ziet men, dat het met het lesschrijven niet zoo heel hard vordert.
Één van hen, Willem Adriaensz. Blokmaker, wiens Vader diaken in de
Gereformeerde kerk is, is bezig met een mes in de tafel te snijden.
Willem is een kunstenaar in zijne soort; hij snijdt met diepe kerven,
die bijna aan de andere zijde van de plank uitkomen, eene haringschuit.
De ander, Jacob Pietersz. Heyn, doet alsof hij schrijft, maar zet geen
letter en fluistert, voor zich uitziende: „Broer Piet komt vanavond
weer thuis. Wist-je ’t al?”
„En komt hij dan weer op school?”
„Ja, dat kan-je zoo maar aan je hart voelen! Denk-je dat de Meester
vergeten is, dat hij hem op een’ goeden dag van school gestuurd heeft?”
„Dat is waar ook. Maar waarom heeft Meester hem weggestuurd? Alvast
niet voor zijne braafheid!”
„Alles behalve. Eigenlijk kon Pieter het wel eens wat al te bont maken;
want Meester Zegers is zoo kwaad niet.”
„Dat is te zeggen: hij gebruikt de plak toch nogal eens en zijne slagen
komen goed aan ook.”
„Nu ja, maar is het ooit onverdiend? Leggen wij het er niet al te vaak
op toe om hem boos te maken, en ons dan van pret te verkneuteren over
de vreemde gezichten, die hij dan trekken kan? Dat is toch niet goed,
weet-je!”
„Wat word-je vroom en braaf!”
„Zeg dat niet, maar wat waar is mag gezegd wezen. Pieter zelf zegt,
dat hij Meester zóó lang getergd heeft tot hij bij het „kantoor”,--zoo
noemde men dien lessenaar wel eens,--moest komen om een’ slag met de
plak te ontvangen.”
„En dien slag kreeg hij niet, hé?”
„Neen! Juist toen Meester de plak met kracht liet neerdalen, trok
Pieter de hand terug en Meester sloeg zijne eigen knieschijf bijna
stuk. De man gaf een’ luiden schreeuw van pijn, ja, er zijn jongens,
die gezien hebben, dat hem de tranen uit de oogen sprongen. Zóó raak
was het.”
„En Pieter?”
„Die liep de school uit, zoo vlug hij kon, doch toen wij den volgenden
morgen weer op onze plaatsen zaten,--Pieter was stilletjes op straat
gebleven,--schreef Meester met groote letters op het zwarte bord dat
Pieter Pieterszoon Heyn van school gejaagd was.”
„En wat zeiden je Vader en Moeder ervan?”
„Moeder begon te schreien van verdriet, en Vader beproefde Meester te
bewegen om Pieter nog een jaar op school te houden, maar dat was mis.
Meester zeide: „Er moet een voorbeeld gesteld worden, goede man! Uw
oudste zal geen voet meer in mijne school zetten, als ik niet wil,
dat de bengels er mij anders op den eenen of anderen dag uitzetten.
Dat zou er van komen. Dus .... Piet moet maar zien, dat hij den mast
inklimt met wat hij kan en weet, en dat is weinig genoeg. Dat is mijn
laatste woord.”
Wat nu te doen? Moeder wilde dat Vader nog eens naar Meester Zegers
ging, en dat hij Pieter dwingen zou een’ knieval voor Meester te doen,
maar hiervan wilde Vader niets weten. Van een’ knieval voor iemand
doen komt bij zoo’n ouden Watergeus, als Vader is, nu heelemaal niets.
Hij zocht een plaatsje voor hem op eene Rotterdamsche schuit om de
riviervaart te leeren. Maar weet-je wat nu het geval is?”
„Wel neen! Hoe zou ik dat kunnen weten?”
„Welnu, ik zal het je zeggen. Dicht bij de Schiedamsche poort te
Rotterdam woont een zwager van Meester Zegers. Die man heeft twee
jongens, die er achter gekomen zijn welk eene poets Piet hun’ Oom
gespeeld heeft. Ze willen hun’ Oom nu wreken, en telkens als Piet
voorbijkomt, loopen die jongens van Meesters zwager hem na en schelden
hem uit voor al wat leelijk is. Piet heeft den laatsten keer hun ieder
een’ opstopper gegeven, die zoo even raak was. Dat is oorzaak, dat die
twee jongens, ik weet zeker, dat het zoo is, een tiental van hunne
kameraads hebben overgehaald om Piet, als hij weer voorbijkomt, een
pak slaag te geven. Ze zullen zich achter den dijk versteken en hem
onverwachts aanvallen!”
„Dat is gemeen; twaalf tegen één!”
„Zóó, dat zeg ik ook, en daarom heb ik er wat op bedacht. We moeten
Piet, die nergens van weet, helpen!”
„Dat is goed en wel; maar hoe?”
„Gauw gezegd. Ik ben te weten gekomen, dat de Rotterdammers, bij de
tweede bocht van den weg zich verbergen zullen. Wij gaan naar de derde
bocht, die er maar eenige schreden van verwijderd is.”
„En dan slaan ze Piet in dien tusschentijd, dat hij geen tien kan
tellen!”
„Geen nood! Als Piet ziet, dat er zooveel zijn, dan zal hij het wel op
een loopen zetten. Lichtelijk duurt het eene minuut of wat, eer ze hem
ingehaald hebben!”
„En dan?”
„Wel, dan komen wij uit onze hinderlaag en de Rotterdammers staan dan
netjes tusschen twee vuren. Wat zeg-je van dat plan? Je gaat toch mee,
is ’t niet?”
„Met onze beiden toch niet?”
„Ben-je mal? Mijne broêrs Simon en Cornelis gaan ook mee; dat is
gisteren al besloten. En vanmiddag heb ik het aan Jan van Dominee
Jansz. en Claes Adriaensz. eveneens gevraagd. Die gaan ook mee, als jij
en Jan Dirksz. niet achterblijven.”
„Ik ga mee, en ik weet zeker, dat Klaas Bout en Herman de Kruyt ook van
de partij zijn. Met hoevelen zijn we dan?”
„Dan zijn we met ons ... ons ... met ons negenen!”
„Ei, dat is er nog drie minder dan de Rotterdammers!”
„Jawel, maar Piet is onze tiende man, en die telt er wel voor drie! Al
de jongens houden van Piet, en misschien gaan er nog wel meer mee, als
we het maar vragen!”
„Nu, goed, goed, ik ben je man! Een’ knuppel zal ik onderweg wel
opduiken. Wanneer moeten we bij de derde bocht zijn?”
„Vroeger dan de Rotterdammers bij de tweede; ze konden ons anders
wel eens zien en dan was de kans verkeken. Om kwart voor zeven gaat
Piet uit Rotterdam. Wij moeten er om zes uur zijn. Maar niet allemaal
tegelijk, hoor, anders ruikt Mijnheere van den Gerechte lont; wij
worden binnengehouden en Pieter krijgt zijne volle bekomst.”
Op dit oogenblik scheen Meester Zegers te twijfelen, of die twee
ijverige knapen op de achterbank, wel zooveel uitvoerden, als ze
den schijn aannamen, en daarom klonk het op den gewonen stijven en
plechtigen toon: „De jongelingen van de achterbank staan van hunne
zitplaatsen op en naderen mij, opdat ik zien moge den arbeid hunner
nijvere handen!”
Misschien lacht ge om die uitdrukking en zegt ge, dat toch wel geen
enkel onderwijzer zoo dwaas zal zijn om tegenover schooljongens zulk
eene bespottelijk deftige taal te spreken.
Er bij geweest ben ik niet, doch waar is het, dat de schoolmeesters
zich toen dikwijls heel dwaas aanstelden, en om te toonen, dat zij het
wisten, maar al te vaak heel deftige boekentaal spraken. Het kan zijn,
dat Meester Zegers een verstandig schoolmeester was, doch daar bijna
al de schoolmeesters toen zoo verwaand waren, tel ik hem maar bij de
dwazen. Een weinig meer weten dan ge nu weet van de toenmalige scholen,
zal u blijde doen zijn, dat uwe onderwijzers heel andere menschen zijn.
Gelukkig hadden de knapen vóór hun gesprek inderdaad ijverig gewerkt,
zoodat ze met eene vermaning, gepaard met een’ flinken draai om
de ooren, die behoorde er zoo bij, naar hunne zitplaatsen konden
terugkeeren. Kort daarop ging de school uit en hoorden de bewoners van
de Groenendaal, dat het halfvier was, hetgeen ze gewoon waren uit te
drukken met een: „Daar breken de gevangenen weer los; het is halfvier!”
„Waar ga-je heen, jongens?” vroeg een uurtje later eene vrouw in de
Kerkhofsteeg aan hare drie zoons.
„Moeder, we gaan Pieter te gemoet!” antwoordde Jacob.
„Zoo, dat is vroeg genoeg! Zorgt maar dat je niet geplukt en gehavend
thuiskomt, zooals dat meer het geval is geweest, anders zullen je Vader
en ik je de metten lezen! Verstaan?”
„Ja, Moeder!” mompelde het drietal, dat weldra de Kerkhofsteeg uit en
op den dijk naar Rotterdam was.
De drie broeders waren niet het eerst op de afgesproken plaats:
de derde bocht van den dijk van Rotterdam af. De meesten waren al
tegenwoordig, en toen Jacob een half uurtje later wapenschouwing
hield, bleek het, dat hij te bevelen had over negen jongens, die met
stokken gewapend waren, en over vier, die zich van een’ goeden voorraad
steenen voorzien hadden. Jacob zelf, als Aanvoerder van de bende,
had zich gewapend met een dik touw met zeven knoopen erin. Stil bij
elkander gezeten, trachtten ze den tijd, die hun wel wat lang viel, te
verdrijven met allerlei verhalen omtrent de heldenfeiten, die ze reeds
bedreven hadden, of nog volbrengen zouden.
Juist met klokslag van zeven uren trad Pieter Pietersz. Heyn, de
schippersjongen, de Schiedamsche poort uit en den dijk naar Delftshaven
op. Pieter was een stoere, ik zou haast zeggen, een pootige, jongen
van ongeveer vijftien jaar. De gezondheid lag op zijne volle, bruine
wangen, en de wijze waarop hij het hoofd droeg, deed genoeg zien, dat
hij voor geen klein gerucht vervaard en een echt baasje was. Dat kon
men trouwens ook wel aan zijne glinsterende oogen zien. Het scheen
hem zelfs niet te bevallen, dat de twee neefjes van Meester Zegers
hem niet naschreeuwden: „Delftshavensche Kniebeuker!” Hij had zoo van
zijne schuit af tot op deze plaats loopen bedenken, hoe hij Govert en
Steven hunne volle bekomst geven zou. Hij had er al op bedacht, dat
hij onder het uitdeelen van krachtige vuistslagen roepen zou: „Hier,
Rotterdamsche Hongerlijders, hier heb-je van den Delftshavenschen
Kniebeuker boterhammen met knokkelworst en vuistenvet!”--En nu, geen
mensch te hooren! Maar wacht, is het vandaag niet, dan morgen! Hunne
boontjes lagen in de week. Lang geborgen zou nog niet kwijtgescholden
zijn.
Onder het fluiten van een lustig schippersdeuntje stapte hij vroolijk
verder. Wat gaf hij, op de keper beschouwd, ook om die twee jongens?
En was het eigenlijk toch geen eerenaam voor hem: „Kniebeuker!”--Wel,
voor geen schepel met stuivers had hij dien slag op zijne hand willen
hebben, en hij, „Baas Bullepees van Plakkenburg”, hij kreeg hem op
zijne eigene knie! Gezien had hij het niet, want de waarheid was dat
hij zoo moest lachen dat hij niet durfde opkijken, maar hij kon het
zich zoo voorstellen welk een gezicht de man moest gezet hebben! Want
de slag was zoo even raak geweest; hij klonk als eene klok door heel de
school en toen Meester: „Au!” schreeuwde, riepen al de jongens, alleen
van den weeromstuit, nog veel harder: „Hê!” en „O!” Hij was er bij al
de jongens de held door geworden.
Dat „een held” met den eernaam van „Kniebeuker” zijn, stemde hem
vroolijk en deed hem al zingend of al fluitend vergeten dat de dijk
een ware modderpoel geworden was. Wat gaf hij ook om modder of vuil!
Hij was immers geen fijn juffertje!--Een fijn juffertje, hij de zoon
van een’ Watergeus! Ha ha! Daar moest een Geuzen-liedeken op gezongen
worden! Hij deed het, en luid galmend, wat hij „echt mooi” noemde, van:
„Graef Maurits met een kloeck verstant,
Een jonge vorst, vroom end vaillant,”
had hij de eerste bocht van den dijk al achter den rug en was hij bij
de tweede.
„Rotterdam boven! Delftshaven onder!” klonk het eensklaps achter en
voor hem.
Pieter keek vreemd op; maar spoedig zag hij, waar de wind vandaan kwam.
Twaalf of veertien jongens met knuppels gewapend, of met steenen in de
handen, stonden op den dijk en sneden hem den weg af. Govert en Steven
schenen de Aanvoerders te zijn.
„Rotterdam boven! Je komt niet levend voorbij, Delftshavensche
Kniebeuker!” schreeuwde Govert en drong met zijn’ knuppel vooruit.
Met een’ enkelen oogopslag had Pieter gezien waar ergens het zwakste
punt was om er door te breken. Dat was langs het kantje waar een dikke
jongen met een’ vreeselijk grooten knuppel stond. Pieter scheen hem
terstond aan te zien, dat hij alleen dáárom zulk een dik hout zwaaide
en zoo verschrikkelijk hard schreeuwde, omdat hij eigenlijk wat bang
uitgevallen was. Eer het dus te laat was, voorwaarts! Hij nam een’
geduchten zijsprong, bons, tegen het lijf van den dikzak, die met
zijn’ balk of zijn’ heipaal, zooals ge dat wapen noemen wilt, als een
tonnetje van den dijk rolde, en in eene tamelijk diepe sloot terecht
kwam.
„Delftshaven boven!” schreeuwde Pieter en holde, door twaalf vijanden
gevolgd, den weg op naar huis. Eerst vloog hem zijne muts van het
hoofd, die door een’ der Rotterdammers opgeraapt en, als zegeteeken,
op een’ stok gestoken werd. Toen verloor hij den zakdoek, waarmede hij
onder het loopen zich het zweet van het gelaat droogde. Govert greep
hem en bond dat doek, als een vaandel, aan zijn’ knuppel.
Voorwaarts! Voorwaarts!
Pieter was een stugge looper; maar Govert en Steven waren hem de baas.
Nog een oogenblik slechts en men zou hem ingehaald hebben.
Daar sloeg hij de derde bocht van den dijk om, en, alsof het werk
sprak, dat hij nu eens het lootje zou moeten leggen,--hij struikelde.
„Hoezee! Hoezee! Slaat erop! Gevangen, Gevangen! Houdt hem, den
Delftshavenschen Kniebeuker!” joelden de Rotterdammers.
Maar Pieter was weer opgekrabbeld, en de knuppelslag van Steven had
zijn doel gemist.
Voorwaarts! Voorwaarts!
Daar waren al de aanvallers de derde bocht voorbij en....
„Delftshaven boven! Rotterdam onder!” klonk het op eenmaal achter de
Rotterdammers.
De Rotterdamsche helden bleven verschrikt staan, en toen Govert het
waagde achter zich te kijken, kreeg hij met het knoopentouw van Jacob
zulk een’ slag tegen de kuiten, dat hij onderstboven tuimelde.
Snel als de wind ontnam Jacob zijn’ vijand het veroverde vaandel, den
bonten zakdoek van Pieter, die nu niet langer vluchteling was; maar met
de vuisten slagen uitdeelde, dat een Engelschman, bokser van beroep,
het hem niet verbeterd zou hebben.
De Rotterdamsche jongens gaven evenwel ook niet zoo gauw krimp, en
Govert, die alweer opgestaan was, sloeg er nu, bij gebrek aan een ander
wapen, met de klomp op, en toen hij zag, dat zijne makkers begonnen
te wijken, sprong hij op Pieter los en onder het geschreeuw van:
„Rotterdam boven! Delftshaven onder!” wist hij de vluchtelingen weer
tot staan te brengen.
„Delftshaven boven! Rotterdam onder!” riep nu Willem Adriaensz.
Blokmaker en ontnam een’ der vijanden Pieters muts, maar ten koste van
een’ vuistslag, hem door Steven van achter toegebracht.
Een oogenblik zelfs scheen het nu, alsof Jacob en zijne makkers
het onderspit zouden delven, doch zoodra zag Piet dat niet, of hij
maakte zich van Govert los, liep naar Jacob, die gevallen was,
ontnam dezen het knoopentouw, en „Hoezee! Hoezee! Delftshaven boven,
Rotterdam onder!” juichte hij, want hij slingerde er drie zijner
aanvallers tegelijk mede van den dijk. Thans was de overwinning der
Delftshavensche knapen beslist, doch de blauwe oogen, de bloedneuzen,
de gescheurde en vreeselijk gehavende kleederen bewezen maar al te
zeer, dat de overwinning duur genoeg gekocht was.
„Geeft je over en legt de wapens af!” beval Pieter, die wel eens
gehoord had, dat in den oorlog een overwinnaar dat altijd tot den
overwonnene zeide, en toen Govert hieraan schoorvoetend gehoor gaf,
volgden zeven zijner makkers zijn voorbeeld. Vier hadden het hazenpad
gekozen, en de dikzak was, zonder aan de vechtpartij verder deelgenomen
te hebben, met een nat pak naar huis gehold, zoo snel, als zijne korte
beentjes hem dit toelieten.
„Geen genade!” schreeuwde Jacob. „Ze moeten er vandaag aan gelooven,
die valsche Rotterdammers, die dertien tegen één gaan vechten!”
Een paar zijner makkers riepen hem dit na, doch Pieter plaatste zich
voor de overwonnen knapen en zeide: „Hoort eens, jongens! wij moeten
er nu een speldje bij steken. De Rotterdammers hebben mij lafhartig
overvallen, dat is zoo, want zóóveel tegen één, dat is geen partij.
Maar dat ze alével niet lafhartig zijn, dat is ons best aan te zien.
Kijkt maar naar mijn eigen blauw oog, mijn’ bloedneus en mijn
gescheurd buis! We moesten wat anders doen. We moesten voor goed vrede
maken!”
„Neen, we willen geen’ vrede! Rotterdam onder! Delftshaven boven!” riep
Simon Heyn.
„Ei, broertje, je hebt goed schreeuwen! Zal jij voor mij telkens langs
den Schiedamschen dijk naar Rotterdam en Delftshaven loopen en dan
iederen keer groote kans hebben op een pak slaag?”
Simon zweeg.
„Zie-je wel? Dat zou je ook liefst niet willen! En daar de heele
vechtpartij om mij begonnen is, zoo heb ik, geloof ik, wel een eitje in
het zakje te leggen, en zal aan mij het woord zijn om te zeggen, wat ik
nu wil en op staanden voet voorstel. Het is dit. Ik wil eeuwigen vrede
tusschen Delftshaven en Rotterdam! Wie dat van ons óók wil, kome bij
me staan,” en zich de muts, die hij weer opgezet had, van het hoofd
nemend, hield hij deze onder het zeggen van: „Vinger in den hoed, die
meedoet!” zijn’ kameraads voor.
Op deze woorden kwamen al de Delftshavensche knapen, hoewel de een
vlugger dan de andere, bij Pieter staan en staken,--het was zoo iets
als een jongenseed,--hun’ vinger in de muts.
„Welnu, Govert, wat wil-je?” vroeg Pieter.
„Wij willen vrede, maar op ééne voorwaarde!” antwoordde Govert.
„En deze is?”
„Dat je geen van allen ons meer lafaards noemt; want dat dulden wij
niet. We willen geen lafaards heeten!”
„Daar heb-je mijne hand erop, Govert! Ik zal nooit zeggen dat je
lafaards bent,” sprak Pieter.
„En wij zullen het ook niet weer doen!” riepen Pieters makkers nu op
hunne beurt.
„Top, dan is de vrede gesloten, en, als het een beetje wil, dan worden
we nog goede vrienden op den koop toe. Is het niet, jongens?”
„’t Is goed,” zeiden er een paar, doch het kwam er toch uit, alsof ze
wilden zeggen: „’t Is eene gedwongen fraaiigheid, zie-je, en van dat
„goede vrienden worden” zien we nog niet zooveel!”
Onze Pieter zag dat wel, doch hij hield zich, alsof hij het niet zag
en, als hij in de plaats van de Rotterdammers geweest was en ook zoo
van laken gekregen had, zou hij ook niet zoo gemakkelijk te vinden
geweest zijn voor dat „goede vrienden worden.” Toch wilde hij er een
einde aan maken en daarvoor zeî hij: „Best! De hand er op en dan naar
huis eer een „nobel” man komt om ons het „opperste kleed” te ontnemen.”
Hij bekeek zijn gehavend matrozenbuisje en lachte, als een boer die
kiespijn heeft.
„Bijlo, daar zou die „nobel” man ook niet veel stuivers voor in den
lombard krijgen”, riep Steven, luid schaterend van pret, en liet zijn
buis zien waaruit de linkermouw gerukt was en dat bovendien scheur op
scheur had.
De jongens bleven nu niet langer meer bijeen en scheidden als „bijna”
goede vrienden.
„Delftshaven en Rotterdam boven!” riepen de Rotterdammers toen ze een
eind ver waren, en Pieters makkers niet in beleefdheid onder willende
doen, juichten terug: „Rotterdam en Delftshaven boven!” Mooier kon het
al niet.
Toen ze de buurt in het gezicht kregen, brak Simon het stilzwijgen af
en zeide: „Het is maar goed, dat we al een goed pak beet hebben.”
„Waarom dat dan?” vroeg Claes Adriaensz.
„Wel, er staat voor ons allen thuis zeker een pannetje te vuur. Moeder
althans zal, als ze ziet hoe onze plunje toegetakeld is, niet zoo heel
vroolijk kijken; ze is niet van de gemakkelijkste.”
Simon had gelijk. De Moeder van onze drie broeders was eene zeer
strenge vrouw, die met vaste hand de teugels van gezag hield onder
hare kinderen. Dat moest ook wel, want haar man was soms weken aaneen
niet thuis, en de kinderen hadden het hard noodig, dat het lijntje
strak gehouden werd, wilde ze niet, dat hare jongens tot deugnieten
opgroeiden. Lief had zij hen, zielslief zelfs, maar juist die liefde
was het, welke haar buitengewoon streng deed zijn. Ongelukkig begrepen
de kinderen dat niet altijd, en zoo kwam het, dat ze hun’ Vader veel
beter en aardiger vonden dan hunne Moeder.
Geen wonder dus, dat Jacob er nog op liet volgen: „Ja, toen we
weggingen zeide zij ons nog, dat we niet geplukt en gehavend mochten
thuiskomen. En hoe zien we er uit! Ik ken Moeder te goed om niet te
weten, wat ons wacht.”
„Stil,” sprak nu Pieter, „ik zal voorop gaan en het woord doen. Ik zal
haar alles vertellen, wat er gebeurd is, en dan zal ze ons toch gelijk
moeten geven, ja, en ik wed dat het best afloopt. Ze zou toch wel niet
willen, dat ze mij nu half doodgeslagen thuisbrachten? Het is onze
schuld niet!”
„Ja, eigenlijk wel,” liet Simon zich hooren. „Als jij op school
niet zulk een’ leelijken streek uitgehaald hadt, dan zou er van dat
alles niets gebeurd zijn, want Govert en Steven hadden het toch maar
opgenomen voor Meester Zegers, weet-je, en dus....”
„Och, kom,” viel Pieter in, „daaraan valt niets meer te veranderen. Dat
is nu eenmaal gebeurd. In alle gevallen, ik zal het woord doen en je
straf overnemen. Ik heb een’ rug, die nogal wat verdragen kan. Vooruit
nu!”
Hiermede waren de overige knapen evenwel niet veel gebaat, en ik
geloof, om met Simon te spreken, dat er voor al de andere jongeluî wel
wat uit dat bewuste pannetje, dat te vuur stond, uitgedeeld is geworden.
Het was reeds over acht uur toen de vier gebroeders het nederige huisje
in de Kerkhofsteeg binnentraden.
Met een’ oogwenk zag Moeder, hoewel het niet zoo heel licht meer was,
dat de kleedij van hare zoons erg gescheurd was. De blauwe oogen en
dikke neuzen liepen in het halfdonker minder in het oog.
„Wel, wel, zijn de lieve jongens daar alle vier?” dus begon ze. „En wat
zien ze er netjes uit! Hoe zindelijk! Om door een ringetje te halen!”
„Moeder,” sprak Pieter en deed een paar schreden voorwaarts, „we
zijn....”
„Deugnieten, straatbengels, robbedoezen en schavuiten, wil je zeker
zeggen. Houd dat maar binnen, want dat weet ik wel zonder dat je het
mij vertelt. Maar jij, die de oudste zijt en ook de verstandigste moest
wezen, gaat al de anderen in straatschenderij voor. Zie-je er niet alle
vier uit als bedelvolk, dat in gescheurde en gehavende kleeren den boer
afloopt om aalmoezen te bedelen?”
„Maar, Moeder....”
„Wie zal al die kleeren herstellen? Heb je er geld voor? Neen,
Moeder is er goed voor! Jawel, Moeder zal heel maken, wat jij
vernielt, moedwillig vernielt! Fij, je bent de grootste belhamels en
liederlijkste deugnieten van heel Delftshaven.”
„Maar hoor dan toch, Moeder, ik....”
„Zwijg, Pieter, ik spreek en jij hebt te luisteren, jij en je broeders!
Ik zal je kleederen herstellen, hoor-je dat? Ik zal het doen. Maar niet
midden in den nacht om je den volgenden dag weer wat toonbaar te maken.
Ik geef aan zulke deugnieten mijne nachtrust niet meer. Je trekt de
bovenkleederen vlug uit, gaat naar bed en blijft daar liggen vannacht,
morgen, overmorgen, zóó lang tot ik op mijn gemak en bij daglicht de
scheuren en winkelhaken dicht heb gemaakt. Dat zal je straf zijn,
want voor een pak slaag ben-je toch geen van allen meer bang. Je rug
is vereelt, geloof ik, vereelt net als je consciëntie. Je bent me de
lieverdjes wel! Komt er om!”
„Maar, Moeder, laat mij u dan toch vertellen, wat er gebeurd is,” zeide
Pieter.
„Ik wil je leugens niet aanhooren!” sprak Moeder.
„Moeder, zeg mij wanneer ik gelogen heb!” riep Pieter.
„Wanneer je gelogen hebt? Wanneer vraag-je, wanneer? Duizend en een
keeren op zijn minst! Wanneer? Welja, wanneer?!”
Het scheen dat de goede vrouw, die wezenlijk niet zonder er grond voor
te hebben, erg verstoord was, wel een weinig in de verlegenheid zat,
toen Pieter zoo op den man af vroeg: „Wanneer heb ik gelogen, Moeder?”
Ze had in hare drift iets verweten, waarvan ze wist, dat het niet waar
kon zijn. Nog nooit had Pieter, om zich van straf vrij te pleiten,
eene leugen verzonnen; altijd was hij rond en open voor de waarheid
uitgekomen. Had niet zelfs buurvrouw, toen Piet aan Moeder alles
vertelde van wat er op school gebeurd was, en zichzelven niet spaarde,
vol verbazing de handen in elkander geslagen en uitgeroepen: „Brutaal
als de deur van het rasp- en spinhuis! Hoe durft de gannef zoo iets
vertellen?”
Maar Moeder, hoeveel leed het haar ook deed, dat dit met Pieter gebeurd
was, deed het bij al haar verdriet goed, dat haar oudste zoo ’n
„gannef” was, die niet loog, al wist hij, dat hij met waarheid spreken
zichzelven aan straf blootstelde.
Neen, neen, ze kende haar volkje, en ze wist, dat ze op hare beurt Piet
van iets beschuldigde, waaraan hij zich nooit zou schuldig maken.
Misschien zou Pieter er nog op aangedrongen hebben, dat zijne Moeder
zeggen zou, wanneer hij gelogen had, als de deur niet geopend was
geworden en Vader Heyn zijne thuiskomst met een „Hm, hm,” aangekondigd
had.
Piet Heyn, de Vader, was een kranige vijftiger, die eenmaal op de vloot
der Watergeuzen met roem gediend had. Kort na de inneming van Brielle
was hij in Delftshaven gekomen, had daar eerst voor de Spanjaarden,
die, als ze ergens de baas waren, allerlei baldadigheden pleegden,
naar Delft moeten vluchten, doch was later naar zijne geboorteplaats,
door hem nog wel eens als eene herinnering aan den Watergeuzen-tijd
„Achelous” genoemd, teruggekeerd, in gezelschap van zijne tegenwoordige
vrouw. Hij leefde hoogst eenvoudig en verdiende, als visscher op de
haringvloot, eene spaarzame snede broods.
Dien bijnaam „Achelous” voor Delftshaven zal u zeker wel onverstaanbaar
voorkomen, en daarom wil ik er even wat van zeggen.
De Achelous was eene rivier in Griekenland; tegenwoordig heet ze
Aspropotamos, doch zooals het woord hier gebruikt wordt, heeft het
niets met deze rivier te maken.
Het is natuurlijk, dat de Watergeuzen, bij de vele vijanden hier te
lande, ook eenige vrienden hadden. Met dezen hielden ze briefwisseling,
en daar het best kon gebeuren, dat de Spanjaarden op de eene of andere
wijze in het bezit van zulk een’ brief konden komen, zoo hadden de
Watergeuzen met hunne vrienden afgesproken, aan bekende personen en
plaatsen andere namen te geven. Kwam nu zulk een brief in handen
van den vijand, dan had deze er niets aan, omdat hij zonder sleutel
niet weten kon, welke personen of plaatsen bedoeld werden. Om een
paar voorbeelden te noemen. Willem van Oranje noemden ze: „~Maarten
Willemsz~”; de Koningin van Engeland: „~Hendrik Filips~”; Dillenburg:
„~Danzig~”; Hamburg: „~Heidelberg~”; Overijsel: „~Tin~”; Gelderland:
„~Staal~”; Holland: „~Koper~”; Brielle „~Vulcanus~”; Delft: „~Apollo~”,
enz. Zoo heette Delftshaven in dat soort van roovers- of dieventaal:
„~Achelous~”. Hoe ze aan die vreemde namen kwamen, zou ik u niet durven
zeggen, doch dat doet dan ook minder tot de zaak af. Als we weten, dat
het zoo is, dan moeten we ons maar tevredenstellen. Keeren we nu tot
ons verhaal terug.
„Wat is hier aan de hand?” klonk Vaders vraag.
Moeder begon verslag te geven, doch daar ze Pieter niet had laten
uitspreken, zoo begrijpt ge wel, dat de goede ziel de zaken al heel
scheef voorstelde, zoodat Vader zeî: „Moeder, ik begrijp er niets af.
Laat Pieter ons zeggen hoe de vork in den steel zit!”
[Illustratie: Pieter gaf thans een getrouw verslag. (Bladz. 18).]
Pieter gaf thans een getrouw verslag van hetgeen er gebeurd was, en
Jacob vertelde hoe hij het aangelegd had om te maken, dat broer Piet
niet half doodgeslagen was thuis gebracht.
Vader Heyn luisterde oplettend toe, en toen hij zoo ongeveer alles
wist, moest hij in zijn hart zijne zoons gelijk geven; want al waren er
eigenlijk geen Watergeuzen meer, wie het eenmaal geweest was, hield er
toch altijd wat van over. Hij zou, èn als jongen, èn als Watergeus,
ook zoo gedaan hebben, en ook trotsch geweest zijn, na zulk eene
kloppartij, een’ dergelijken eervollen vrede te sluiten.
„Nu, Vader, zal de mattenklopper dien bengels ook het stof uit hunne
buizen en hozen slaan?” vroeg Moeder, die nog maar altijd niet toegeven
wilde, dat hare zoons ditmaal toch niet zoo heel veel schuld hadden.
Vader Heyn bleef bedaard staan en zweeg.
„Nu, Vader, wat zal het zijn?”
„Och, vrouw, daarop moet ik eerst eens slapen. Gaat alvast dezen avond
maar zonder eten naar bed, jongens! Wie zooveel vuistensoep gegeten
heeft, als jelui, is verzadigd en heeft geen honger meer!” sprak Vader.
Hoewel de vier broeders meenden, en ook besten voelden, dat
vuistensoep de maag wel hongerig, maar niet verzadigd maakt, kropen
ze maar stilletjes en zonder tegenpruttelen het laddertje op naar den
zolder, en gingen stil naar bed. Ze begrepen wel, dat ze bij Vader nu
maar niet moesten aandringen op eenige verzachting van straf; want
dan kon het wel gebeuren, dat de mattenklopper op hunne ruggen in
werkelijken dienst gesteld werd. Ze trachtten dus in het bed maar te
vergeten, dat „vuistensoep” al heel slecht voedt.
Vader en Moeder bleven, nadat de jongens naar boven gegaan waren,
eene heele poos zonder spreken zitten. Eindelijk verveelde Moeder dit
zwijgen, en daarom zeî ze op een’ eenigszins ontevreden toon: „Vader,
Vader, als we voor de ondeugende streken onzer kinderen geen schotje
schieten, dan zie ik hen nog eens op het schavot. Hoe kunt ge zoo
wezen? Zijt gij dan vergeten wat Dominee Jansz. verloopen Zondag gezegd
heeft: „Wie zijne kinderen liefheeft, spaart de roede niet?”
„Ditmaal kan ik de jongens niet straffen, vrouw! Ze hebben zich veel
te wakker gedragen en ze waren in hun recht. Hoe zou het je aangestaan
hebben, als Pieter dood, of half dood, thuis ware gebracht?”
Moeder zweeg, doch zeide eindelijk zuchtend: „Had ik maar vier
dochtertjes, inplaats van vier zoons, dan zou ik niet zooveel angst
uitstaan!”
Vader Heyn zag zijne verstoorde vrouw glimlachend aan en zeide:
„Ja, Moeder, jongens zijn jongens, dat is eene oude waarheid. Maar
troost-je, lieve ziel, en geloof maar, dat ze al hard genoeg gestraft
zijn met een „z’n genoegen gegeten hebben aan vuistensoep.” Voor
flinke, gezonde bengels is een pak met den mattenklopper niet zulk eene
groote straf, als met eene ledige maag naar bed.”
Moeder zeide hierop niets, maar de bovenkleederen van hare zoons
nemende, begon ze die, trots hare bedreiging, te verstellen, en bij
nader inzien zag ze, dat ze toch niet zoo gehavend waren, als het eerst
wel geleek, zoodat een paar uurtjes later alles weer in orde was en
ze kon gaan slapen, na een’ dag van allerlei drukke bezigheden en
beslommeringen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De Moeder bidt.
De burgers van Delftshaven lagen rustig te slapen en alleen de
rotmeesters, of korporaals, zooals we nu zouden zeggen, met hunne
burgerwachten waren wakker, hoewel ze voor het grootste deel stil in
de wachthuizen zaten, en het nauwlettend toezien, of er ook gevaren
dreigden, bedaard overlieten aan hunne makkers, die met een musket op
den schouder of eene hellebaard in den arm, op enkele plaatsen heen en
weer liepen, om op een’ volgenden rondgang door de anderen afgelost te
worden.
Na het onweder was het heet en drukkend gebleven en een heete nacht
volgde er op. Geen koeltje bracht verkwikking aan. Langzamerhand
evenwel verdwenen in het Zuiden de sterren achter donkere wolken, die
nu en dan bij het schitterend licht van den bliksem duidelijk zichtbaar
werden. Er naderde andermaal een onweder, en in de verte hoorde men
reeds het gerommel van den donder. Nog vóór middernacht brak de bui
in al hare hevigheid boven de havenbuurt los. Van op bed blijven
liggen met onweder was geen sprake, althans niet voor de gezonden.
Alleen kleine kinderen en zieken mochten blijven liggen, hoewel men
toch zorgde, dat dezen gekleed te bed lagen, of althans de kleederen
bij de hand hadden, als er door het hemelvuur eens brand ontstond.
Die voorzorgen waren niet zoo dwaas en op het platteland, vooral op
de eenzaam gelegen hofsteden, wordt dat oude gebruik nog gevolgd. Bij
eene boerderij behoort eene schuur, die meestal van hout opgetrokken
en met riet gedekt is, zoodat bij brand de vlammen snel om zich heen
grijpen, daar ze overal voedsel vinden. Tegenwoordig mogen er in de
steden, en ook in de kom van vele dorpen, geen houten huizen met rieten
of strooien daken gebouwd worden, doch vroeger was dat heel anders,
en zelfs midden in de steden waren maar enkele woningen van steen
opgetrokken en van pannen- of leien daken voorzien. Bedenkt men nu nog,
dat er toen ook geen wet op de breedte van straten bestond, en dat tal
van straten zoo nauw waren, dat men geen kunstenmaker in het springen
moest zijn om uit zijn huis naar het huis van den overkant te springen,
dan begrijpt men dat in die tijden, bij een’ brand, bijna heele steden
in de asch konden gelegd worden, alleen omdat zooveel huizen van hout
gebouwd en met riet gedekt waren, terwijl de straten niets anders waren
dan stegen en sloppen. En dat was niet het eenige gevaar. Het grootste
gevaar bestond daarin, dat de brandbluschmiddelen zoo buitengewoon
gebrekkig waren. Het volk op straat gaf elkander emmers water aan,
en deze werden dan door mannen, die met ladders tegen die brandende
woningen stonden, in de vlammen gesmeten. Maar in die nauwe stegen
was ook geen ruimte genoeg om den helpers en blusschers gelegenheid
te geven om het bluschwerk goed te verrichten. Daarom zorgde men, bij
onweder, steeds gereed te zijn om gekleed te kunnen vluchten met zijne
beste bezittingen.
Maar opstaan en zich geheel gekleed hebben was daarom nog niet de deur
uitgaan. Men ging bij nacht zoo goed als nooit de deur uit, omdat
het in de straten zoo donker was. Wel was door de Regeering in heel
enkele steden bevolen, dat bij onweder, bij brand, bij hevigen storm
of bij eene doorbraak van den rivierdijk, alle menschen het blind
van een raam, dat op de straat uitzag, moesten openen, en dan eene
brandende kaars voor de ruiten zetten, doch als dat bevolen was, werd
thuisblijven nog noodzakelijker, omdat door zulk eene kaars wel eens
brand zou kunnen ontstaan.
Men kan er dus van verzekerd zijn, dat bij het rommelen van den eersten
donderslag bijna heel Delftshaven het bed verliet, licht opstak en
zich aankleedde om dan zoo ver mogelijk van den schoorsteen af in een
hoekje te gaan zitten tot de bui over was. Dat men bij onweder den
schoorsteen vreesde, was zoo dom niet, want de hoogste punten worden
immers door den bliksem het eerst van al getroffen?
Toen het onweder op het hevigst was, sloeg een bliksemstraal in een
huis aan de Westzijde van de Oude Haven in de nabijheid van de Sluis.
Eensklaps kwam er een uitschot van wind, die naar het Noordwesten liep,
en in een’ vliegenden storm overging. De bewoners van dat huis waren
vreeselijk verschrikt, doch ze meenden, dat de bliksemstraal, die door
het raam het huis verlaten en eenige ruiten verbrijzeld had, voor het
overige niets had beschadigd.
„Ik geloof toch, dat het is, alsof er iets brandt!” zeide de vrouw des
huizes na een poosje.
„Dat is zeker nog de zwavelachtige stank van den lichtstraal,”
antwoordde de man.
Intusschen zaten de rotmeesters en hunne onderhebbende manschappen
in de wachthuizen, en zij, die op schildwacht stonden of rondliepen,
trachtten zich tegen den fellen hagel- en regenslag te beschutten,
zoodat ze ook niets zagen dan dat, wat in hunne onmiddellijke nabijheid
was. Zoo lang het niet hagelde en regende, hadden enkele lieden het
hoofd nog al eens buiten de deur gestoken, doch nu wachtte ieder tot
het weer wat bedaard zoude zijn.
En op het kurkdroge rieten dak, van dat huis bij de Oude Haven,
kronkelden kleine vlammetjes zich langs de gebinten, maakten eene
opening in de nok, en de stormwind blies er door. Hierdoor verbreidden
zich de vlammetjes en zett’en zich uit tot groote vlammen.
„Ruik je nu nóg niets?” vroeg de vrouw.
„Och, Moeder, stel-je toch gerust! Het is vast de zwavelstank nog, die
je in den neus zit!”
Een poosje stilte in huis.
Maar daar buiten loeide de wind, rommelden de donderslagen, kletterde
de hagel en plaste de regen.
Het was een ontzettend onweder.
Zelfs de Grootvader, die stokdoof was, en midden op den vloer aan tafel
zat, hoorde het en verklaarde, dat hij nog nooit ofte nimmer zulk
vreeselijk weer had bijgewoond.
„Man, de stank wordt erger! Hoor, daar kraakt wat!” riep de vrouw.
De man, nog altijd even ongeloovig, antwoordde: „Het is de storm, die
het dak doet kraken!”
„Kijk, kijk, een lichtje!” schreeuwde hierop bijna op hetzelfde
oogenblik de Grootvader en wees naar boven.
Het waren de vlammen, die door de zoldering begonnen te dringen.
„Brand! Brand!” gilde de vrouw.
„Brand! Brand!” kermde de oude man, die naar den bedstedehoek
strompelde om zijne kruk te halen.
Zeker, met zulk weer was het onder een beschuttend afdakje of onder
de luifel van een’ winkel de beste plaats voor de nachtwakers om
niet doornat te worden, maar hoe de stormwind huilde en de regen bij
stroomen neerplaste op de slecht geplaveide straten, zoo nu en dan
moest men er zich toch even aan wagen en een kijkje nemen, anders
verzuimde men zijn’ plicht en--met de gestrenge Heeren van den
Magistraat viel niet te spotten.
Eén der twee nachtwakers, die het dichtst bij de Westzijde van de Oude
Haven waren toen de bui in al hare hevigheid losbarstte, hadden zich
gerept om onder de luifel van een’ winkelhuis te komen, waar ze tegen
het weer voldoende beschut waren.
„’t Is raak,” begon na een poosje zwijgens om eens uit te huiveren één
der twee.
„Ja, verschrikkelijk!” zeide de ander. „En het ziet er niet naar uit,
dat het gauw gedaan zal zijn. De lucht werkt van alle kanten en het
onweer is overal.”
„Ik geloof het ook. Kijk, daar links van je, dat flikkeren eens!”
„Dat is de weerspiegeling van het hemelvuur op de Maas!”
„Of op het water in de Haven!”
„Van allebeî wel, want enkel van het licht op de Maas is het toch wel
wat al te sterk en te aanhoudend.”
„Als het eens brand was!”
„Loop toch met je brand naar de Mookerheide! Hoe zou er bij zulk
een’ aanhoudenden stortregen brand kunnen komen? Het vuur zou immers
dadelijk uitgebluscht zijn, want brand begint niet met eene groote
vlam.”
„Daar heb-je gelijk aan, maar het had al een heel poosje hard geönweerd
eer het begon te regenen. Ik ben er niet gerust op, maat! Dat licht
daar ginder in dat dakraampje is geen weerspiegeling van het hemelvuur
op het water van de Maas of de Haven. Ik moet er het mijne van hebben
en waag er een nat pak aan!”
„Ieder zijn’ meug! Ik blijf hier!”
De man, die achter bleef, had nu het droge plaatsje geheel voor zich
alleen en wilde het zich juist eens „lekker” maken, toen hij zijn maat,
die er op uit was om eens te kijken, met luide stem: „Brand! Brand!
Brand!” hoorde roepen.
Nu was de ander ook niet meer op zijne schuilplaats te houden. Hij
sprong te voorschijn en beiden liepen, wat ze loopen konden, de een
naar het wachthuis, en de ander naar het huis, dat in brand stond. Het
was dat, waar wij met de bewoners al een vlammetje door den zolder
zagen te voorschijn komen. En terwijl daar allen in de weer waren en,
zooals dat gewoonlijk gaat, niemand recht wist, wat hij deed, bonsde de
nachtwacht met het uiteinde van den stok aan den hellebaard op de deur,
en schreeuwde uit alle macht: „Brand! Brand! Red leven en goed! Brand!
Brand!”
Zijn akelig geroep werd niet alleen gehoord door hen, die waren in het
huis, waarvan het heele dak reeds in brand stond, maar het joeg ook de
bewoners van de naastgelegen woningen angst en schrik aan. Daar had
men binnen nog niets bemerkt, en toch werd het meer dan tijd, dat zij
zich repten om te redden, wat nog te redden was, want de wapperende,
zwalpende vlammen hadden hunne daken ook reeds in brand gestoken.
En wat die ééne waker bij het brandende huis gedaan had, dat deed de
andere waker met al de mannen, die in het wachthuis zoo in hun schik
geweest waren, dat de bui losbrak, als zij binnen zaten.
Bij: „Brand! Brand! Brand!” of „Water! Water! Water!” was er geen
sprake van om onder dak te blijven. Naar buiten moesten ze om .... och,
om niet veel anders te doen dan vreeselijk lawaai maken, wat ze dan
ook trouw deden. Dat sloeg met de vuisten op de luiken, dat bonsde met
de hellebaardstokken op de deuren, dat schreeuwde om er schor van te
worden: „Brand! Brand!” Dat bracht heel het goede Delftshaven van het
eene punt der open buurt tot het andere, in rep en roer, en in eene
beweging, die aan razernij deed denken.
Wie geen gevaar liep, dat zijn eigen huisje in brand vloog, omdat het
van den wind lag, snelde te hulp. Maar hier was bijna geen hulp te
brengen. Er viel niet veel meer te doen dan toe te zien, hoe jammer
het was, dat verreweg de meeste huizen met riet gedekt waren. Enkele
pannendaken stonden daar immers te midden van andere brandende huizen
nog ongeschonden, en boden langen tijd weerstand. Maar ten laatste
werden de vlammen te machtig en ook de steenen daken bezweken.
Natuurlijk werd dat geroep van: „Brand! Brand!” ook gehoord in het
huisje in de Kerkhofsteeg, waar een paar uren geleden vier jongens voor
straf van bedreven kwaad met eene maag, gevuld met vuistensoep, naar
bed gezonden waren.
Ook deze jongens hadden, bij het uitbreken van het onweder het bed
moeten verlaten. Tijd om zich te kleeden hadden ze niet noodig, want
broeken en buizen waren beneden om door Moeder weer „opgekalefaat” te
worden, zooals Vader „verstellen” gewoon was te noemen. Het bed uit,
de kousen aan, de muilen aangeschoten, de ladder af, daar waren ze
beneden, waar ze Moeder, die nog niet naar bed geweest was, juist bezig
zagen met een verschoten fluweelen lap op Pieters bombazijnen broek te
zetten.
„Trekt je goed aan, bengels! Het is weer klaar en ligt daar op een’
stoel,” zeide zij, terwijl de naald roef-roef door het stevige en
stugge bombazijn ging om er den fluweelen lap aan vast te hechten. Den
draad afgebeten, dan de broek Pieter toegeworpen met een: „Trek aan,
dan kan je weer gaan vechten!” en--geluisterd naar het kletteren en
rommelen van den donder, het loeien en bulderen van den storm en het
neerplassen van den regen.
„Wat een weer! Wat een noodweer!” zuchtte Moeder, die van de breede
schoorsteenlijst den zwaren huisbijbel nam om, bij het walmend licht
der kleine vetkaars, een op het onweder toepasselijken psalm te gaan
lezen.
„Ja,” zeide Vader, „het is bijna even erg als in ’72 (1572) toen we
alweer op de Noordzee rondzwierven om Spanjolen op te pikken.”
Die geschiedenis van dat onweer en dien storm op zee, waarbij, volgens
Vader, die zijne oude zeemanstermen niet vergeten kon, wel vier schepen
naar de „grondvergadering” gingen, hadden de jongens hem al meer dan
eens hooren vertellen, maar zóó dikwijls kon hij dat niet doen, of met
alle aandacht luisterden zijne zoontjes naar dat verhaal. Vooral nu zou
het mooi zijn, waar de Natuur, die in opstand scheen, aan de woorden
dubbele kracht gaf, en reeds zett’en zij zich om Vader van dat noodweer
op zee te hooren vertellen, toen Moeder zeide: „Ja, ja, man, dat weten
we immers al lang. Vertel het maar niet en luister liever naar wat ik
je voorlees!”
En zonder af te wachten of Vader het goed vond, begon ze te lezen:
„De stemme des Heeren is op de wateren; de Godt der eeren dondert.
De stemme des Heeren is met kracht; de stemme des Heeren is met de
heerlickheyt. De stemme des Heeren breekt de cederen, ja....”
„Brand! Brand! Brand!” klonk het in de verte van den eenen kant.
„Brand! Brand! Brand!” hoorde men van den anderen kant, maar nu dicht
bij hunne deur.
Eerbied hadden ze allen, de Vader, de ruwe „zeebonk” en de jongens,
de echte schavuiten, voor het Woord. De Bijbel droeg toen bijna geen
anderen naam dan het „Woord” en geen hunner zou het ooit gewaagd
hebben, om Moeder, als ze wat uit dat „Woord” voorlas, in de rede te
vallen. Wagen? Er was geen wagen aan, heelemaal niet! De zilveren stem
van Moeder dwong tot luisteren. Ze dwong er ook toe, als ze Vader
belette te vertellen van dat noodweer in ’72 op zee!
Maar dat galmende, onheilspellende: „Brand! Brand! Brand!” deed nu
allen opeens opspringen en--het deed ook verstommen het liefelijk
geklank van Moedertjes zilveren klokje.
In een oogenblik waren allen opgesprongen en was jonge Pieter aan de
voordeur.
„Waar is de brand?” vroeg hij aan een’ brandwacht, die met een paar
emmers in de hand voorbijholde.
„Aan de Oude Haven!” was het antwoord.
Pieter naar binnen!
„Aan de Oude Haven, Vader, Moeder! Heel de lucht is rood! Het is net of
de wolken in brand staan!” riep hij, binnenkomend, uit.
„Vrouw, ik ga zien of ik wat helpen kan,” sprak Vader. „Geen der
jongens er uit! Ze zouden meer in den weg loopen dan helpen. En wie
weet in het gedrang,--brandende balken, die neervielen,--muren, die
instorten,--heele bossen brandend riet, die huizenver door den wind
weggevoerd worden!--Neen, neen, een groot mensch moet naar alle kanten
uitzien om geen gevaar te loopen zijn leven te verliezen, hoeveel te
meer dan een knaap. Dus, Moeder, zorg dat de jongens binnen blijven!”
Het kwam er uit op een’ toon, die duidelijk genoeg zeide, wat hij
wilde, dat gebeuren zou.
Bons! De voordeur viel toe; Moeder was met hare kinderen alleen.
Wat moest ze doen?
In huis blijven? Zou ze ook niet eens even, heel even aan de deur
kijken naar die wolken, die wel in brand leken te staan?
Waarom zou ze dat niet doen? Hoorde ze daar buiten niet de stem van
hare naaste buurvrouwen? Hoorde ze niet boven het loeien en bulderen
van den wind, boven het ratelen en kletteren van den donder, boven het
neerplassen van den regen uit, dat holle en gerekte geschreeuw van
„Brand! Brand!” en het „Bom! Bom! Bom!” van de zware torenklok?
Even, heel even buiten kijken en over de onderdeur heen een paar
woordjes met de buurvrouwen gewisseld.
Naar de buitendeur en--de jongens haar na.
„Hier moet je staan, bure, hier, dan kan je de vlammen zien,” riep haar
eene buurvrouw toe.
Moeder dacht niet aan de jongens, die achter haar stonden. Ze stapte de
straat over om bij buren de vlam te zien....
Klos-klos klos! achter haar.
Even omgekeken!
Het is haar oudste, het is Pieter, die, met de schoenen maar los aan de
voeten, de deur uit- en de steeg inloopt.
De anderen willen zijn voorbeeld volgen, maar Moeder laat de buren naar
de vlammen en de rood gekleurde lucht kijken, springt naar hare deur,
duwt de drie, die al op de stoep staan, in de gang, en met een: „Naar
binnen! Je Vader wil niet, dat je er uit gaat! Wat kunnen jongskens bij
zulk eene gelegenheid anders doen dan iedereen in den weg loopen om ten
slotte nog een ongeluk te krijgen?” binnen.
Mokkend, tegenpruttelend, zooals alleen ontevreden jongens dat kunnen,
gaan ze met looden voetjes naar binnen en ze hooren Moeder den
bovengrendel voor de bovendeur schuiven.
Ze hooren meer, veel meer!
Regen, storm en onweder nemen toe!
Het geloop, geschreeuw, geraas en gejoel worden met elk oogenblik als
verdubbeld.
Daar buiten lijkt het wel Heksen-sabbat! Hu, Heksen-sabbat, waarvan
Vader zoo mooi vertellen kon, dat ze er des nachts niet van slapen
konden, omdat ze op den donkeren zolder niets anders zagen dan heksen,
afschuwelijk leelijke vrouwmenschen, die op bezemstelen door de lucht
vlogen, of onhoorbaar op den zolder dansten.
Het wordt Jacob te machtig. Hij wipt op zijn houten zitbankje op en
neer, alsof duizend naalden en spelden hem prikjes geven.
„Zit dan toch stil, jongen,” zegt Moeder, die alweer den Bijbel voor
zich heeft om wat te gaan lezen. „Het licht staat van je gewiemel te
dansen.”
„Moeder, mag ik ook naar den brand gaan kijken?” vraagt Jacob.
„Ik ook? Ik ook?” vragen de andere twee.
„Neen, hier blijven! Je Vader heeft het immers gezegd, dat je niet op
straat moogt! En hij heeft gelijk ook, groot gelijk!”
Jacob pruttelt wat; Simon en Cornelis pruttelen mee. Moeder begint
te lezen, denzelfden psalm van zooeven, want die past zoo bij dit
vreeselijke weer.
„Een Psalm Davids. Hm-hm!”
Ze schraapt zich de keel. Er zit haar daar achterin wat in den weg. Net
eene prop, die slikken, spreken en ademhalen belet, die aan de stem wat
geeft, dat rauw krast.
Nog eens!
„Een Psalm Davids. Gevet den Heere, ghy kinderen der machtigen, gevet
den Heere eere ende sterckte. Gevet ... hm, hm, hm... Gevet den Heere
de eere sijns naems ... hm, hm, hm, ... syns naems, ... hm, hm, hm, ...
aenbiddet den ... hm, hm, hm, ... aenbiddet, ... hm, hm, hm!...”
Het gaat niet! Die prop in de keel ook, die...
De Bijbel wordt dicht geslagen en op de schoorsteenlijst gelegd.
Zes gloeiende, stralende, vonkenschietende oogen kijken haar aan.
Zes ongeduldige voeten trippelen op den steenen vloer.
„Moeder, mogen we gaan? Mogen we?” vraagt Jacob weer.
„Neen, jongen, neen! Je mag niet!”
„En Pieter mocht wel,” bromt Jacob.
„Neen, jongens,” zegt Moeder, „Pieter mocht óók niet. Hij is stil
weggesnapt, de bengel!”
Jawel, zulk een bengel zouden ze dan nu op het oogenblik toch ook
wel willen zijn. Moeder zeide altijd, dat Pieter een kwajongen of een
bengel was, en als het op stuk van zaken aankwam, dan had hij toch
steeds een schreefje voor.
„Hij is de oudste,” was Moeder dan gewoon te zeggen.
De oudste? Jawel, Jacob was juist op den kop dertien maanden jonger dan
hij, en Simon wat meer dan twee jaar. Dat „oudste” zijn beteekende dus
zoo heel veel niet.
Zoo op deze wijze zaten de jongens weer onder elkander te brommen.
En Moeder? Wat had zij toch tegen haar’ oudsten zoon, dat zij hem
altijd „kwajongen” of „bengel”, soms wel „luie slampamper” noemde, en
hem zoo dikwijls voorspelde, dat dat hij voor galg en rad opgroeide?
Wat ze tegen hem had? Wel niets, heusch, ze had niets tegen hem.
Eigenlijk hield ze juist van Pieter het meest. Hij leek, zoo zeiden al
de buren, het meest van al hare zoons op haar’ Vader. En die Vader was
een stil en vroom man geweest. Zij had o, zoo veel, van hem gehouden!
En nu hij dood was, zou zij zoo graag willen, dat haar Pieter hem
niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk geleek. Dit laatste liet
veel te wenschen over. Pieter was in zijn doen en laten van top tot
teen zijn Vader. Daar zat wat in dien jongen, dat een mensch aan die
dolle Watergeuzen deed denken. Niet dat zij veel van de Spanjaarden
hield, lieve deugd, neen! Spanjolen waren in haar oog niets anders dan
kinderen van den Booze. Maar zulk een Watergeus! Als haar man aan het
vertellen ging, wat hij op zee zoo al gedaan had, dan wist zij zoo
precies niet, wat ze zeggen moest. Dan begon de goede ziel, die het
liefst haar huis knap en netjes hield, en voor het overige met alle
menschen in vrede wilde leven, als ze op Zon- en Feestdagen maar naar
de kerk mocht om naar Dominee Jansz.’ preeken te luisteren, te rillen
en te beven. Wilde zij zich eens een’ Spanjaard, een’ echten Spanjaard
voorstellen, dan kwam er een Watergeus, en wilde ze een’ Watergeus
zien, dan stond er een Spanjaard, zoodat ze ten laatste besloot met te
zeggen: „Een Watergeus en een Spanjaard, ik zeg maar, lieve menschen,
het is zoo potje, zoo pannetje!”
En haar Pieter wilde zoo graag een Watergeus zijn! Ze had zoo dikwijls
gezien, dat zijne oogen glinsterden, als twee kolen vuurs, als haar
man van die dolle jacht op Spaansche schepen en Spanjaarden vertelde.
Altijd had ze gehoopt, dat Pieter een stil bedrijf aan den wal zou
kiezen. Haar goede Vader was timmerman geweest, en in heel het Gilde
kon men geen knapper gezel vinden. Niets was op hem aan te merken, op
zijn werk niet en op zijn gedrag niet. Zij had nog al zijn gereedschap,
en de withouten tafel, waaraan ze iederen dag zaten te eten, had hij
gemaakt, toen ze met Pieter Heyn zou gaan trouwen. Als haar jongen,
haar Pieter, toch eens timmerman werd, evenals zijn Grootvader, dan....
Maar de knaap was begonnen met zich van school te laten jagen, en
was toen gaan varen. Een slecht begin om een eerzaam timmerman te
worden. Aan boord leert men niet schaven, boren of timmeren. Aan boord
leert men woest en wild zijn;--aan boord leert men met alle gevaren
spotten;--aan boord leert men voor Watergeus, voor niets anders dan
Watergeus!
En daarover had ze nu zulk een verdriet! En daarom was haar Pieter
een „kwajongen”, een „bengel”, een „luie slampamper”. Dat maakte zij
zichzelve tenminste wel eens was, en soms meende zij ook, dat ze er nu
heelemaal overheen was en onmogelijk veel van hem houden kon.
Dat trachtte ze nu in dezen vreeselijken nacht zichzelve ook weer diets
te maken, en zeker om te toonen hoe weinig ze van dien wilden knaap
hield, liep ze even naar de voordeur, legde haar brandend hoofd tegen
de koude, ijzeren deurklink en stamelde: „O, goede God, mijn jongen,
mijn jongen! Neem hem in Uwe hoede! Ik heb hem zoo lief, Vader! Ik heb
hem zoo lief! Bewaar, o, bewaar hem!”
DERDE HOOFDSTUK.
Moeder heeft gedroomd.
Het stille gebed, dat zijne Moeder, zoo innig, zoo warm voor hem
opzendt, hoort de knaap niet, die daar tegen eene brandladder opklimt.
Verscheidene huizen, houten huizen met rieten daken, zijn al in de asch
gelegd.
Wild loeit de storm en het onweder schijnt, als het eene poos tot
bedaren kwam, alweer in kracht toe te nemen.
Wat moet er van Delftshaven worden?
Men heeft hoop om veel, heel veel te behouden, trots het onweder, trots
den storm.
Het huis, dat nu bedreigd wordt, is een steenen huis met pannen dak en
de brandende pakken riet, die de wind er op neersmijt, worden door den
regen uitgedoofd eer ze brand gesticht hebben.
Maar de hitte zal de pannen doen barsten en het houtwerk er onder zal
het niet kunnen houden en ook ontvlammen.
En dan?
Dan eene heele rij met houten of steenen huizen alle met rieten daken,
en in eene nauwe steeg, waar haast geen ruimte is om er zich met een
paar man te bewegen, en nog veel minder om er met eenige honderden een’
brand te blusschen.
Dat steenen huis met pannen dak moet dus behouden blijven! Delftshavens
wel of wee hangt er van af.
Goed en wel, dat huis moet behouden blijven, maar hoe? Dat is de vraag!
Kijk, kijk, de vlammen slaan er al over heen!
Eene brandladder is aangebracht en een metselaars-gezel, een stoer man,
die klimmen kan, klautert er tegen op!
Zal hij van daar emmers water op het naaste brandende huis werpen? Wat
zal dat geven?
Neen, neen, wat anders! Hij haalt aan een touw een zeil op!
Hoe dwaas! Alsof zoo’n ge-olied zeil geen vuur vatten zal! Veel gauwer
dan pannen! Het is dom!
Niet dom! Niet dom! Hij trekt het zeil over het pannendak heen, en
smijt er dan de emmers water, die de menschen hem aanreiken, over uit!
Ha, dat zal helpen! Dat moet helpen!
Maar dat natte zeil wordt door al dat water zoo zwaar! Kijk, kijk, het
zakt al!
Uit alle macht trekt de dappere gezel het weer op, maar juist op dat
oogenblik drijft eene nieuwe, felle windvlaag de vlammen over het
pannendak!
De vlammen krullen om den gezel zich heen! Ze lekken zijne handen! Een
schreeuw van pijn! Het touw glipt hem uit de handen en het zeil schuift
snel naar beneden.
„Geen redden mogelijk,” denkt de dappere, en om zelf niet in de vlammen
om te komen, klimt hij snel naar beneden.
Verloren! Verloren! Delftshaven, wat zal er van u worden?
Eene ruïne!
Bange vrees grijpt allen aan! Ontzetting schijnt allen te bevangen! Men
staart met starende oogen het voortwoekeren der vlammen aan, doch de
handen hangen machteloos langs het lijf. Men weet niet, wat men doen
moet, en het: „Alleen een wonder kan Delftshaven behouden,” zoo even
door een oud Moedertje gezegd, gaat van mond tot mond, en allen klemmen
zich vast aan het wonder, dat .... niet komt!
Het zal niet komen ook! De tijd, dat er wonderen gebeurden, is voorbij!
En toch, toch....
Is dat dan geen wonder, als een vijftienjarige jongen, een bengel, in
heel Delftshaven, als een deugniet bekend, durft, wat al die mannen, en
er zijn zoo even kerels onder, niet aandurven?
Hoe wil men dan een wonder wel hebben?
Het moet iets onbegrijpelijks zijn, vat-je! Dan is het een wonder!
Goed! Begrijp dat dan! Dát!
Pieter was juist komen aanhollen toen de metselaars-gezel naar boven
klom, en het speet hem, dat hij te laat kwam. Hij had dat zoo graag
willen doen. Maar nu is de man weer beneden! Ja, nu zal hij toonen,
wat hij kan, dat zal hij! Hij dringt zich door de menschen heen, pakt
van een’ der helpers een’ emmer water aan, smijt zich den heelen
inhoud over het lijf, doet dat nog eenmaal, vat dan het touw van het
neergeplofte zeil beet, en klimt de ladder op!
Eerst ziet niemand hem, maar de zware stem van Dominee Jansz., die het,
zooals de menschen met zekeren trots zeggen, van den preekstoel af in
de kerk kan laten onweeren, en die nu bulderend roept: „Naar beneden,
bengel! Naar beneden! Moet je daar boven verbranden?” doet alle
menschen naar het huis met het pannendak kijken, en bij het felle licht
der wapperende vlammen zien ze een’ jongen op het dak klauteren.
De rook doet hem een oogenblik onzichtbaar zijn.
De wind blaast den rook weg.
Ze zien hem weer, dien .... dien .... o, dien waaghals, maar toch, dien
jongen met een mannenhart in het lijf!
„Wie is dat?”
„Weet ik het? Een neger geloof ik! Dominee, zeg, Dominee, wie is die
durfal, die bengel?”
„Pieter, de oudste van Pieter Heyn den haringvisscher!”
„O, die!”
En in dat „O, die!”, dat nu van alle kanten klinkt, ligt zooveel als:
„Ja, zie-je, dan begrijpen we het!”
„Wel, Meester,” dus spreekt er een uit den hoop Meester Jacob Zegers
aan, „wel, Meester, wat zeg-je van dien bengel?”
„Van dien bengel? Van dien rabauw? Van dien .... dien ....”
„Aartsdeugniet, Meester! Wat zeg-je van hem?”
„Een jongen om voor te knielen, man! Een jongen met een hart in het
lijf, waarop Koningen trotsch zouden zijn, als ze er zoo een bezaten!”
„Hij heeft u....”
„Zwijg, man! Vergeven! Vergeten! O, wat een jongen! Moge de Heere hem
behoeden!”
„Dat help ik u mee wenschen, Meester! Maar hij haalt het niet! Het
zeil is hem te zwaar! Het is boven zijne macht. Het....”
Een schreeuw, een luide schreeuw klinkt!
Wat is er? Nog meer brand? Nog meer ongelukken?
Een stevig gebouwd man baant zich door de opgepakte menigte een’ weg,
en wie hem wil tegenhouden, wordt terzijde gesmeten.
„Wie is dat? Wie? Wat wil die ruwe gast?”
Die ruwe gast is anders in Delftshaven, dat nog niet zoo groot is, of
de menschen kennen er elkander wel, algemeen bekend. Wie zou Pieter
Heyn, den haringvisscher, niet kennen? Haringvisscher van buiten,
Watergeus in hart en nieren!
Maar hij is in den brand geweest en niet op de plekjes, waar rook en
vlammen niet komen konden! Alles behalve! Hij ziet er uit, alsof hij
door een dozijn schoorsteenen geklommen is, en in den dertienden een
jaar lang gerookt is, als eene ham, die eene verre reis moet doen! Bij
het onzekere geflakker der vlammen herkent men hem niet zoo gauw.
Hoor, hoor, wat roept hij tot dien kordaten jongen, die daar tusschen
rook en vlammen op het dak klimt?
„Groote God, mijn jongen, mijn jongen! Pieter, kom hier! Kom hier!
Wil-je dan levend verbranden? Pieterrrr! Pieterrrrr!”
„Ha, de oude Watergeus! Ja, ja, nou kennen we hem! Nou, die heeft den
brand ook niet van den Rotterdamschen toren af bekeken!”
Steeds roepend, schreeuwend uit alle macht: „Pieter! Pieterrrrr!”
nadert hij de ladder, waarbij alweer de metselaar staat, die al op het
dak geweest is, maar het er niet houden kon.
Het volk dringt op! Men wil den afloop van dat alles van nabij
bekijken, want het schijnt een mooi, een heel mooi stuk te zullen
worden. Die oude Watergeus, die zooveel kogels om de ooren heeft hooren
fluiten, zal op het laatst nog wel wat anders doen dan brullen van:
„Pieterrrrr!”
Maar Pieter hoort zijn’ Vader niet; hij klimt dwars door de vlammen
heen. Ziet, daar zit hij boven op de nok van het dak. Hij kan niet
laten nog eens luidkeels te schreeuwen, evenals een paar uren geleden:
„Hoezee! Hoezee! Delftshaven boven!” En als hij dat gedaan heeft,
begint hij uit alle macht het natte zeil omhoog te trekken.
Maar het is zoo zwaar, zoo vreeselijk zwaar!
„Ziet, ziet, hij zal het touw laten glippen,” klinkt het uit enkele
monden.
„Welnu, wat een jongen durft, dat durf ik ook!” zegt dezelfde
metselaars-gezel en klimt andermaal, na zich nat te hebben laten
gieten, op het dak.
„En ik ook, en ik ook!” roepen nu meerdere stemmen, waaronder ook die
van Pieter Heyn.
Binnen weinige oogenblikken zitten thans acht of negen mannen op
het dak en met vereenigde krachten trekt men het zeil, dat doornat
gemaakt is, omhoog, om het over de pannen te spreiden. Het is een zeer
gevaarlijk werk, want de vlammen lekken het zeil reeds.
„Gooi dat naaste huis toch onderstboven!” schreeuwt de jonge Pieter,
die van zijne hooge standplaats af, beter dan het volk beneden zien kan
van welk een ontzettend gevaar dat brandend rieten dak voor de heele
straat is.
„Ja, ja, neer met dat dak! Neer met dat dak!” schreeuwen Pieters Vader
en eenige anderen daar uit de hoogte.
Men spaart zoo graag, wat misschien nog te sparen is, zoo lang
mogelijk, en vergeet dan, dat die spaarzucht de oorzaak van eene groote
ramp kan worden. Waarom te vernielen, als het niet noodig is? Heeft de
brand dan al niet meer dan genoeg, ja, reeds al te veel vernield? Zij,
die daar boven staan, vinden het neerhalen van dat huis noodig, maar
is het wel zoo? Zij daar beneden hebben toch ook oogen in het hoofd,
weet-je!
Een oogenblik schijnen zij daar beneden gelijk te hebben, want de
vlammen slaan minder hoog uit. Het is echter maar een heel klein
oogenblik, want eer de aarzelaars daar beneden gezegd of gedacht
hebben: „Zie-je nu wel, dat de vlam al mindert en dat het huis niet
neergehaald moet worden!” flakkert, wappert, klappert, golft, zwalpt
en zwiept eene veel hoogere vlam uit het knetterende dak.
Nu ziet men, dat zij daar boven gelijk hebben, en dat het huis moet
neergehaald worden. Het kan niet anders!
„Haalt neer! Haalt neer! Waar zijn de brandhaken?” roept een van
beneden.
Men zoekt ze; men vindt ze niet; de brandhaken schijnen verloren
geraakt.
Hooger, steeds hooger slaan de vlammen uit.
De knaap daar boven op het dak ondervindt thans de waarheid van het
spreekwoord: „Wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het best.”
Maar hij zit daar wel wat al te warm.
Nog eenige oogenblikken slechts en hij zal het niet meer kunnen houden.
Hij heeft zich reeds een paar keeren een’ emmer water over het hoofd
gegooid, in plaats van het op het zeil of in de vlammen te werpen. Zou
dat alles nu niet baten? Zou hij dit huis, en door dit huis niet de
heele steeg kunnen helpen behouden?
Hoor, daar kraakt wat!
Het is het rieten dak, dat bijna doorgebrand is. Als dat nu maar heel
spoedig instort, dan is er kans, dat de brand gestuit is!
De wind begint ook minder hevig te worden. Eene nieuwe onweersbui komt
opzetten en vangt den fellen luchtstroom achter hare dikke wolken.
Krek-krek-krek-krek!
Eene vuurzee stijgt omhoog! Ze lijkt wel een’ Vesuvius!
Het rieten dak is ingestort;--de vlammen dalen neer!
Pieter heeft er zijn aandeel van gehad, en als hij niet juist op het
oogenblik, dat het dak instortte, zich opnieuw een’ emmer water over
het geheele lijf gesmeten had, dan zouden de wilde vlammen hem zeker
hebben aangetast. Nu is hij alleen maar op een paar plaatsen een weinig
gebrand. Maar gelijkt zijn gezicht, door rook en houtskool, ook veel
op dat van een’ neger, die uit schoorsteenvegen geweest is,--zijn de
lange, wilde haren hem ook ten deele van het hoofd geschroeid,--voelt
hij hier en daar aan handen en aangezicht een plekje, dat pijn
doet,--toch verlaat hij het dak zonder ernstige wonden verkregen te
hebben, en daalt, nu het gevaar geweken is, onder het gejuich van eene
menigte mannen en vrouwen, naar beneden.
Zou soms het gebed der goede Moeder den „kwajongen” beschermd en behoed
hebben?
Maar het volk heeft geen tijd, onderzoek te doen, hoe het kwam, dat de
jonge waaghals, de ferme knaap, zoo behouden bleef, want.....
Als bij eene algemeene volksopwinding de zenuwen van streek zijn, dan
is eene kleine gebeurtenis, die in kalme oogenblikken, ons zou doen
lachen of doen zeggen: „Maak het je niet druk! Het is niemendal!”
in staat om eene heele menigte in eene nieuwe beroering te brengen.
Zoo iets heeft nu plaats. Boven het wilde rumoer van donderslagen,
huilenden storm, krakende balken, instortende muren en zolders,
schreeuwende menschenstemmen, hoort men in de verte iets, dat een
nieuw, een nog onbekend geluid is. Wat het is? Men vraagt het elkander,
doch de een weet den ander geen antwoord te geven.
Het komt nader, steeds nader, dat geluid, dat men niet zoo dadelijk een
naam weet te geven.
Eene gillende vrouw is het, die komt toesnellen.
Wie? Wie? Een ongeluk gebeurd soms? Wie is het?....
Lang had Pieters Moeder zich goed gehouden en met kracht en geweld
hare drie jongens belet, de deur uit te loopen. Maar eene gedienstige
buurvrouw was gekomen, had op het venster geklopt en geroepen: „Vrouw
Heyn, je zoon Pieter zit boven op een brandend dak. Je man zit ook bij
hem, en ze kunnen ieder oogenblik in de vlammen omkomen!”
Dat was te veel voor haar! Ze dacht er geen oogenblik aan, dat
buurvrouw het gevaar, dat Vader en zoon liepen, misschien erger gemaakt
had dan het was. Ze sprong met een’ gil op, snelde, gevolgd door Jacob,
Simon en Cornelis naar buiten, en juist op het oogenblik, dat al het
volk zich om Pieter Pieterszoon Heyn verdrong, kwam zij aan, zij, de
goede Moeder!
Daar zag zij haar’ man.
„Waar, waar is onze jongen? Vader, waar is mijn Pieter?” riep ze in
onbeschrijfelijken angst.
„Daar, Moeder, daar! Pieter is een held geweest! Hij....”
Zij zag hem en liet haar’ man niet uitspreken.
„Pieter, Pieter, kind!” klonk het, en opeens baande zich door de
opgepakte menigte eene vrouw met loshangende haren en verwilderd gelaat
een’ weg.
„Moeder,” riep Pieter, die niet begreep, wat er in het hart van de
vrouw, die zich altijd zoo stug hield, moest omgaan, dat zij zich zoo
vreemd aanstelde. „Moeder, zoekt u Vader?”
„Neen, jou, jou, kindlief, jou, mijn jongen, mijn besten, besten,
lieven jongen, jou zoek ik! O, God, heb dank, heb dank!”
Hare armen omstrengelden den knaap, die nu toch gevoelde, hoe diep, hoe
innig zijne Moeder hem liefhad.
Het volk werd onder die ontmoeting tusschen Moeder en zoon bewogen, en
de ruwste man onder den hoop, de oude Watergeus, Pieter Heyn, veegde
met de mouw van zijn buis een’ traan van zijne wang, en bromde met een
vreemd hokken in zijne stem: „Wat stom, gaan mijne oogen regenen? Dat
is mij te machtig! Wat zou mijn oude Kapitein, Dirk Duivel, wel zeggen,
als hij zag, dat ik grijnde? Hij zou zich eerst een ongeluk lachen en
me dan een’ opstopper geven, dat ik Noord lag! Grijnen! Ik! Ik!”
En waar waren Simon, Jacob en Cornelis?
Moeder had niet aan hen gedacht, och, in het geheel niet, doch nu de
angst geweken was, bedacht ze, dat zij de deur uitgeloopen was zonder
die gesloten te hebben, en ze begreep wel, dat de jongens nu wel niet
meer thuis zouden zijn. Ze begon dus met haar’ man en Pieter naar de
drie anderen te zoeken. Simon en Cornelis werden vrij spoedig gevonden,
doch Jacob was nergens te zien. Inmiddels was de nieuwe onweersbui
losgebarsten en viel de regen in stroomen neer. De wind was echter
bedaard en het gevaar volkomen geweken. Velen besloten dus naar huis te
gaan, en Heyn met vrouw en drie zoons vonden het op straat nu ook zoo
heel pleizierig niet, en zeker zouden zij ook naar hunne woning gegaan
zijn, als ze Jacob maar gevonden hadden.
„Maar is Jacob wel meegegaan?” vroeg de oude Heyn.
„Ja, Vader, hij was het eerst van ons op straat; maar toen we de steeg
uit waren, konden we hem al niet meer zien; zoo hard had hij geloopen!”
zeide Cornelis.
„Weet-je, wat we doen moesten?” sprak Vader.
„Neen, man! Ik weet het niet! Hadde ik mijn’ jongen maar!” klaagde
Moeder.
„We zullen hem zoeken en vinden ook. Hij is toch waarlijk geen kind
meer, dat nog met den valhoed, of achter den steekwagen loopt! Maar
eerst gaan we naar huis. Vooral voor Pieter zal het goed zijn, als hij
binnen is; want weet je wel, Moeder, dat ze geen avondboterham gehad
hebben? De jongens zullen dus wel hongerig zijn!” antwoordde Vader.
De goede vrouw begreep dat ook, en daarom verdubbelde men de schreden
om ras binnen te zijn. Toen ze bij hun huisje kwamen, vonden ze de deur
open en hoorden ze al heel gauw, dat er een kind in de kamer was, dat
schreeuwde.
Daarvan begrepen de Ouders niets. Wat zou dat zijn?
Moeder liep naar binnen en, kijk eens aan, Jacob was alleen thuis
en liep, in zijn ondergoed gekleed, met een klein kind op den arm.
Dat kind huilde zoo, hoewel Jacob alles deed, wat hij kon om het tot
bedaren te brengen. Op den grond, zoo maar op de vloermat, lag nog een
jongsken van een jaar of twee, toegedekt met Jacobs buis en borstrok!
Als het moedervogeltje, dat zich het lijfje van vederen kaal plukt om
het teedere vogeljong te verwarmen, zoo had Jacob gedaan! De Liefde
woont soms in zoo’n raar, zoo’n onooglijk huisje!
„Wat zal dat?” riep Vader.
„O, Vader en Moeder, ik ben zoo blij, dat ge komt! Ik kon Mietje niet
tot bedaren krijgen. Als ze maar een dotje had, zou ze wel zoet zijn!”
„Maar van wie zijn die kinderen dan toch en hoe komen die hier?” vroeg
Moeder.
„Wel, toen ik naar den brand liep,” hernam Jacob, „zag ik in de
Olyphants-steeg eene kribbe staan met een schreeuwend kind er in, en
een schreeuwend kind er naast. Ik kende ze wel. Het waren Mietje en
Jantje van den sluiswachter. Zijn huis is zeker ook verbrand, want
het stond in de Kolk, en de kinderen waren zeker zóó maar naar buiten
gebracht en daar door den een of ander neergezet. Maar de zieltjes
werden doornat van den regen, en toen ik dat zag, heb ik Mietje met
krib en al naar hier gedragen, en Jantje moest me maar aan mijn
buisje vasthouden. Zoo kwamen we in huis. Ik stak gauw licht op en
legde Jantje op de mat. Maar omdat hij zoo koud was, heb ik mijne
bovenkleeren uitgetrokken en er hem mee toegedekt. Hier, Moeder, pak
Mietje eens aan, dan zal ik den sluiswachter gaan opzoeken en zeggen,
dat zijne kindertjes goed bezorgd zijn!”
„Ben-je dwaas, jongen?” sprak Vader. „Dat zal ik wel doen! Je kunt in
dit weer zoo niet naar buiten!”
Pieter Heyn stapte nu terstond de deur uit en begon al heel gauw te
roepen: „Gerrit de sluiswachter! Gerrit de sluiswachter!”
„Wat moet ge van dien man hebben, vriendlief?” vroeg Dominee Jansz.,
die blijkbaar erg opgewonden was, en hem op straat tegenkwam. „O,
dat is een vreeselijk geval; zijne twee kindertjes zijn in den brand
omgekomen. De Ouders zijn radeloos van verdriet!”
„Neen, ze zijn geen van beiden verbrand!” antwoordde Heyn. „Ze zijn....”
Maar eer hij verder kon gaan, kwam er eene oude vrouw bij, die zeide:
„In hun eigen huis zijn ze stellig en zeker niet verbrand. Ik heb het
met mijne eigene oogen gezien, dat Joriaan Dirksz., de diaken, ze naar
buiten gedragen heeft. Ik zou er een’ eed op willen doen!”
„Dan naar Joriaan Dirksz.,” hernam Dominee. „Het is de vraag maar, waar
hem te vinden, want zijn huis is ook al verbrand! Mee, vrouwtje! Mee,
man!”
Pieter Heyn hield hem evenwel tegen en zei: „Maar wat kallen de luiden
toch? De kindertjes zijn allebei bij ons in huis. Mijn jongen heeft ze
meegenomen en binnen gebracht, omdat de bloedjes zoo doornat werden en
in de Olyphant-steeg zoo moederziel alleen stonden.”
„Die Pieter is me toch een jongen van het bovenste plankje!” riep de
vrouw.
„Neen, Pieter heeft het nu niet eens gedaan. Jacob kan ook wel wat, al
zeg ik het zelf! Jakob is ook een zoon van me, weet-je!” sprak Heyn en
begon weer maar te schreeuwen: „Gerrit de sluiswachter! Ger--rit!!!”
Daar kwam midden uit een’ hoop menschen eene vrouw, die radeloos scheen
en haveloos gekleed was, met hangende en rondfladderende haren, te
voorschijn, en met wat wilds, wat schrils en wat vreeselijks in hare
stem, riep ze: „Wie roept mijn’ man? Wie zoekt hem? Wat wil men van
hem? Zeg het mij maar! Ik ben zijne vrouw!”
„Ho, vrouwtje, dat is er al vast eene! Den ander zal ik ook wel
opsnorren! Weet-je de Kerkhof-steeg?”
„Ja, ja! O, mijne lieve kinderen!”
„Nu, stil maar, stil maar! Weet-je daar Pieter Heyn, den
haringvisscher, wonen?”
„Och ja, dat weet ik wel!”
„Goed, goed, daar zijn je twee kindertjes, levend en wel! Ga er maar
heen!”
Dat laatste hoorde de vrouw al niet meer; want nauwelijks had Heyn
gezegd: „Daar zijn je twee kindertjes,” of ze snelde als een pijl uit
den boog henen.
Een half uurtje later kwamen Heyn en de sluiswachter ook binnen.
Dat was daar in die nederige woning een heerlijk tooneel! De hoogste
Liefde en de reinste Vreugde vierden daar samen feest!
Wat dachten die Vader en die Moeder aan alles, wat de brand vernield
had? Niets! Ze dachten niet aan iets, dat ze verloren hadden! Ze hadden
alleen gedachten voor dat, wat ze behouden mochten! Van droefheid, van
zorgen, van treurigheid, geen sprake! Feest, heerlijk feest was het
daar binnen! Ze hadden behouden, wat hun meer waard was dan de schat
eens Konings! Hunne lieve, lieve kinderen! Wat wilden ze meer?
Die Gerrit was ook een oude Watergeus, en toen vrouw Heyn zag hoe hij
Mientje en Jantje beetpakte, terwijl hem de tranen langs de wangen
liepen, toen zag ze, dat sommige Watergeuzen toch óók menschen waren,
en van dien dag begon ze haar’ man ook van een’ anderen kant te
bekijken, en weldra kwam ze tot de overtuiging, dat die ruwe, harde
Pieter, die oude Spanjolen-dooder, toch wezenlijk zoo kwaad niet was,
als zij nog wel eens meende.
Gerrit bleef dien nacht natuurlijk met vrouw en kinderen bij Heyn. Ze
moesten maar in het kleine zijvertrekje op het pronkbed slapen. En dat
deden die luidjes gaarne; want het was nog maar halfvier in den morgen
en het onweder was afgedreven.
De vier jongens hadden hun hart aan de boterhammen opgehaald, en waren
ook nog maar ter kooi gekropen. En toen alles in dat kleine huisje in
de Kerkhof-steeg in rust was, behalve de oude Heyn en zijne vrouw,
zeide Vader Pieter heel stil: „Wel, vrouw, wensch-je nu nog, dat je
vier meisjes in stede van vier jongens hadt?”
Moeder zweeg; haar hart was te vol. Zij was zoo over-dankbaar, zoo
in-gelukkig, dat ze geene woorden vinden kon om haar’ man te antwoorden.
Heyn bleef een poosje op antwoord wachten, en toen dat niet kwam, vroeg
hij nog eens: „Zeg, Moeder, zou-je die vier belhamels niet gaarne
willen verruilen voor vier meisjes?”
„Och, Vader, zwijg daar nu toch van!” klonk het op een’ toon, die meer
dan duizend woorden zeide.
De Vader had er evenwel het zijne nog niet van en fluisterde haar in
het oor: „Jawel, maar jongens, zie-je, Moeder, zijn toch maar jongens,
hé?”
„Maar jongens met nobele harten! O, ik verruil ze voor geen
koningsdochters!” sprak Moeder vurig en drukte haar’ man innig de
handen. „Het is me net, alsof ik na een’ stikdonkeren nacht de zon zie
opkomen!”
„Zoo, zoo, daar heb ik je gehoord. Daarheen wilde ik het gestuurd
hebben. En nu ik dat weet, wel te rusten, vrouw! Droom gelukkig van je
jongens, van ~onze~ jongens, en, als je er soms een goed woord voor
doen wilt, Hij, daar boven, Moeder, zal je verstaan.”
Zoo sprak Vader Pieter en terwijl hij dat zeide, dacht de vrouw in
alle stilte: „Ja, dat goede woordje zal ik nu ook wel doen, eer ik ga
slapen! Maar heel mijn leven zal één goed woord zijn tot den Heere om
mijn’ man en onze vier jongens te zegenen!”
Te zeven uren werd Moeder eerst wakker. Ze schrikte, dat het al zoo
laat was en wekte ook haar’ man. Deze stond op, en terwijl hij zich
aankleedde, zei Moeder: „Man, ik heb zulk een’ mooien droom gehad!”
„Zoo, wat heb-je dan gedroomd?”
„Wel, ik droomde, dat ik te Rotterdam bij de Maas stond. Er kwam een
schip aan. Zeker een oorlogsschip; want de leelijke kanonnen lagen naar
buiten te kijken. En boven op dat schip stond de Kapitein in mooie
kleeren en met eene sabel op zijde met gouden kwasten eraan. En weet-je
wie die Kapitein was? Dat was onze Pieter! Onze Pieter in levenden
lijve, geen mensch anders. Maar juist toen hij langs de loopplank kwam
om mij goeden dag te zeggen, werd ik wakker. Wat zeg-je van dien droom,
man?”
„Wat ik er van zeg?”
„Ja, ja, van dien droom?”
„Wel, wat anders dan: „droomen zijn bedrog?” Dat is geen droom geweest.
Weet-je niet meer dat gisteren Kapitein Jansz., de broeder van Dominee,
verteld heeft, hoe hij voor veertien dagen te Rotterdam aankwam, en dat
de eerste, die hij zag, zijne Moeder was? Die vertelling heeft je door
het hoofd gemaald, en omdat je zóó veel aan Pieters flink gedrag hebt
gedacht, maakte-je van Kapitein Jansz. eenvoudig Kapitein Heyn. Dat is
alles. Het moederhart is zoo groot, vrouw, o, zoo groot!”
Dat viel Moeder tegen. Ze had zoo gaarne gewild, dat haar man gezegd
had: „Dat kan best gebeuren, dat Pieter Kapitein wordt!” Maar nu,
„droomen zijn bedrog!” Bedrog! Ja, ze geloofde dat ook wel, zeker,
zeker, maar toch....
Met den vollen dag kon men eerst de verwoesting zien, die door den
brand aangericht was. Het was akelig om te aanschouwen. Gelukkig,
dat de Regeering van Delft, op last van den Hove van Holland, tegen
den interest van vijf ten honderd, gelden voorschoot om de verbrande
huizen weer te kunnen opbouwen. En was het ook weer hier: „Als het kalf
verdronken is, dempt men den put,” het was toch een goed bevel, dat
er tevens gegeven werd: „De nijeuwe huysen sullen met hard deck ofte
pannen gedeckt worden.”
VIERDE HOOFDSTUK.
Het muist graag, wat van katten komt.
Na den brand bleef Pieter eenige dagen thuis. De kloppartij, het
moeielijke en zware nachtwerk zonder avond-boterhammen in de maag,
het natte pak, dat hij zichzelven gegeven had en de vreeselijke hitte
boven op het pannendak waren hem niet te best bekomen. Hij was eerst
erg verkouden geworden en had toen de koorts gekregen, en in dien tijd
was het met de geneeskunde nog treurig gesteld, en een groot geluk, dat
toen over het algemeen de menschen wat sterker van lichaamsgestel waren
dan ze nu zijn. Ze konden beter tegen een stootje, en tegen een hard
stootje ook. Dat sterker zijn van onze voorouders was heel natuurlijk.
Een kind, dat zwak was, kon in de meeste gevallen niet blijven leven,
zoodat alleen de sterken overbleven. In dien tijd was de kindersterfte
heel groot, veel grooter althans dan tegenwoordig. Van versterkende
middelen wist men toen zoo goed, als niets, en zij, die als „dokters”
dienst deden, waren veel meer gebrekkige chirurgen, of liever kervers
en snijders, dan geneeskundigen. Barbiers in steden en op dorpen waren
toen meteen „dokters” voor de zieken en „dokters” voor de gewonden. Zij
trachtten de menschen zoowat op dezelfde manier te genezen, als nu op
de kleine dorpen sommige hoefsmeden de paarden en het rundvee probeeren
„op te knappen”. Alles ging geheel volgens een receptenboek, waarin
soms de vreemdste middelen werden opgegeven, gewoonlijk met de stellige
verzekering er bij, dat het voor deze of die ziekte, en voor dit en dat
gebrek, het heilzaamste middel was, dat er ooit gevonden werd.
Zoo had de barbier, om Pieters verkoudheid te verdrijven, hem eerst een
mengsel van vlier, kamillen en jeneverbessen laten slikken, met het
bevel er bij: „Twee dagen lang niet van onder vier dikke dekens komen!”
Er is wel eens wat vermakelijkere in de Hondsdagen dan achtenveertig
uren lang onder vier dekens te liggen met om het uur een’ paplepel van
dat keurige drankje in het lijf. Maar Pieter hield het die twee dagen
moedig uit, doch toen hij den derden dag opstond, waren zijne poriën
door het vreeselijk zweeten zóó geopend, dat hij, toen de deur even
openging, opnieuw eene koude vatte, die hem de derdendaagsche koorts
bezorgde. Toen begon het slikken andermaal. Eerst een mengsel van
pimpernel, salie, mosterd en azijn. Wel mocht het hem bekomen; maar
de koorts gaf er niet om en kwam terug. Toen moest hij bladeren van
brandnetels op zijne polsen leggen, en eindelijk om het half uur twee
paplepels vol van een drankje, dat gemaakt was van negen wortels van
weegbladen, negen roemers wijn en achttien roemers water. En toch bleef
de koorts niet weg.
„Weet-je wat, Moeder, die barbier weet precies zooveel van zieken
genezen, als de Turk van onzen Bijbel. Ik houd het er voor, dat Pieter
best beter zal worden, als hij maar begint met vasten!” zeide de oude
Heyn toen het hem begon te vervelen, dat hij iederen dag zulk een’
ziekenverknoeier over den vloer kreeg. Moeder vond het goed en de
koorts bleef eindelijk heelemaal weg.
„Ze is vanzelf weggegaan,” zeiden Pieters Ouders.
„Het mocht wat,” antwoordde de barbier, „het mocht wat! Ik zeg, het is
een gevolg van mijn laatste geneesmiddel! Dat verzeker ik, en ik wil je
groeten!”
Na dien tijd gaf de barbier elken koortslijder, dien hij in zijne
macht kreeg, niets anders te drinken dan een aftreksel van weegbladen
in water en wijn. Stierven de zieken, dan was het: „Hun tijd was
er geweest! Verzet-je daar eens tegen! Voor den dood is geen kruid
gewassen!”--Herstelden ze, dan hoorde men: „Dacht-je dan, dat ik niet
weet, wat zieken noodig hebben om weer beter te worden? Zag-je me voor
zóó min aan?”
Door dat gedwongen thuisblijven had de schipper, bij wien Pieter, als
jongen, aan boord was, omdat hij niet wachten kon, een’ anderen knaap
genomen en Pieter moest maar zien, dat hij wat kreeg.
Eens op een’ avond in het begin van September zaten Pieters Ouders te
schemeren en de oude Heyn vertelde geschiedenissen van de Watergeuzen.
Midden in de vertelling werd er echter op de deur geklopt. Moeder deed
open en .... Meester Zegers trad binnen.
Meester, die de bespottelijke gewoonte had aangenomen om altijd
boekentaal te spreken, om zoo doende, naar hij meende, zijn’ scholieren
een exempel te geven, er niet aan denkend, dat juist dit gemaakte
spreken hem in den weg was om een plaatsje te vinden in het hart zijner
leerlingen, wat jammer genoeg was, want meester Zegers meende het zoo
goed, begon dadelijk met een: „Ik wensch ulieden een’ goeden avond!”
„Van hetzelfde, Meester! Ga zitten!” antwoordde Vader.
Pieter was niet op zijn gemak.
„Ik kom den vrede teekenen, oude Watergeus!” hervatte de Meester met
iets hartelijks in zijne stem.
„Den vrede teekenen? We leven, naar ik hoop, toch niet met elkander in
oorlog, is het wel?” dus liet de Vader zich hooren.
„Dat is te zeggen, Vader Heyn, met u leef ik niet in oorlog, maar
tusschen uw’ oudsten zoon en mij is de verhouding toch niet van zulk
een’ uitnemenden aard, zou ik denken. Wie weet hoe dikwijls onze maat
me al wat leelijks heeft toegewenscht!”
„Meester, daar is geen steek van aan,” riep Pieter, in zijne
platte jongenstaal en geraakt, uit. „Ik heb u nog nooit wat kwaads
toegewenscht, en dat mag u niet maar zoo zeggen. Ik heb u na dien dag,
u weet wel, nooit weer iets in den weg gelegd!”
„Dat weet ik, Pieter! Daarom, en ook nog om wat anders, kom ik vrede
met u maken!”
Ineens was Pieters drift over en vol verwondering riep hij: „Vrede
maken, Meester? Vrede maken met mij?”
„Ja, mijn jongen, ik kom vrede maken met u. Tot den zevenden Augustus
van het jaar onzes Heeren 1591, altijd Nieuwe Stijl, leefde ik met u
in vijandschap. Als ik tot dien tijd aan u dacht, o, jongeling, kreeg
ik geregeld pijn in het lichaamsdeel, dat de ongeletterde luiden
knieschijf noemen, doch hetwelk door de geleerden met den beteren naam
van „patella” wordt aangeduid.”
Gelukkig, dat het meer dan half donker in het vertrek en dat Meester
Zegers wat slecht van gezicht, misschien ook minder scherp van gehoor
was, want bij het noemen van „knieschijf” of „patella”, gingen vier
vingers te gelijk tusschen de tanden van vier jongens, om, door in
de vingers te bijten, het lachen te voorkomen. Zelfs Vader, maar
daar was hij dan ook een oude Watergeus toe, had de grootste moeite
om zijn verweerd gelaat in een’ effen plooi te houden, want van die
knieschijf-geschiedenis wist hij alles af, en hij had er altijd meer
vermakelijks dan ernstigs in gevonden. Alleen Moeder, die heel het
leven van den ernstigen kant bekeek, die nooit eens vroolijk lachte en
ten hoogste eens heel even een’ glimlach liet zien, omdat ze lachen
zonde noemde, had de halve duisternis niet noodig om haar gelaat te
verbergen, en zeide met een’ diepen zucht: „Het heeft mij diep gesmart,
Meester!”
Meester bleef den jongen Pieter aanzien en zonder gelet te hebben op
dat, wat de Moeder zeide, vervolgde hij: „Maar na den nacht van den
negenden Augusti is al mijn wrok tegen u over, mijn jongen! Gij hebt
toen in een enkel oogenblik heel Delftshavens hart en ook het mijne
gestolen. Nu gevoel ik er behoefte aan, o, jongmensch, u te zeggen: bij
de vele vrienden, die gij door uw manhaftig gedrag hier te Delftshaven
verworven hebt, behoor ook ik. Alles is vergeten en vergeven! Ziedaar
mijne hand erop, jeugdige vriend!”
„Van harte gaarne, Meester! Daar is mijne hand!” sprak Pieter nu zonder
lachen, en stak Meester Zegers de rechterhand toe.
Nadat de oude man de hand van den knaap gedrukt had, zeide hij: „En
raadt gijlieden nu eens, wat ik nog meer kom doen?”
Ja, daar was moeielijk naar te raden; dat kon men zoo maar niet weten.
„Welnu,” sprak Meester Zegers, nadat Vader, Moeder en Pieter
vergeefsche pogingen aangewend hadden om de oorzaak van Meesters komst
te weten, „welnu, ik kom vragen of onze Pieter de grimmige wateren van
den woesten Oceaan mag gaan beploegen.”
De beeldspraak voor wat het volk eenvoudig noemt: „het zeegat uit,”
ging wel wat diep, doch Moeder, die door het lezen van den Bijbel en
andere ernstige boeken, zoowel als door het aanhooren van geleerde en
deftige preeken, veel beter dan al de overigen in staat was om achter
de beteekenis van beeldspraak te komen, begreep hem, en bijna ontsteld
riep ze uit: „Maar, Meester! Mijn oudste jongen naar zee? Hij naar
zee!?”
Meester Zegers wist hoe zwart de Watergeuzen bij vrouw Heyn stonden
aangeschreven, en daarom zeide hij terstond op geruststellenden toon:
„Zooals gij zegt, Moeder, naar zee! Maar niet als Watergeus om te
stroopen, te moorden en te branden; neen, als eerlijk matroos ter
koopvaart!”
„Ja, dat is wat anders, maar toch....” zuchtte Moeder.
„Stil, vrouw Heyn, stil,” hervatte Meester. „Ik weet wel, wat ge
eigenlijk wilt! Gij zoudt zoo graag zien, dat Pieter den stiel van uw’
braven Vader leerde en met allerlei gereedschappen het ruwe hout tot
nuttige voorwerpen ging vervormen!”
„Ja, Meester, dat zou ik zeker graag zien. De zee is zulk een
gevaarlijk element, en boven op zolder staan nog al de stukken
gereedschap van mijn’ lieven Vader, zaliger, zonder één roestvlekje
erop!”
Vader Heyn, die er al lang geleden over gedacht had om zijn’ oudsten
jongen, matroos op een zeeschip te laten worden, tikte zijne vrouw even
op den schouder en sprak: „Er zijn nóg drie jongens buiten Pieter,
vrouw!”
„Laat mij met haar redeneeren, vriend Heyn,” sprak Meester, en haalde
een pennemes in een lederen kokertje uit zijn’ zak, en dit bij Moeder
Heyn leggende, vervolgde hij: „Maak van dit pennemes eens eene stoof of
eenig ander voorwerp, Moeder Heyn!”
De Moeder zag Meester vreemd lachend aan en zeide op wel wat spijtigen
en snibbigen toon: „Ik en ben geen tooverkol of heks, Meester, en
bezondigde mij nooit aan de zwarte kunst. Houdt gij me nu voor den mal,
of .... of .... of hoe heb ik het met u?”
„Toch niet, Moeder Heyn, mijne vraag lijkt wel dwaas, maar toch is ze
ernstig gemeend. Er steekt heel geen jokkernij en nog veel minder ars
atracia of zwarte kunst achter. Ik verzoek u alleen om van dit pennemes
eene stoof of zoo iets te maken.”
„Maar, Meester, dat kan immers niet? Men maakt geen hout uit staal!”
„En dat wilt gij toch, vrouwtje!”
„Ik, Meester? Ik?”
„Ja, gij, vrouw Heyn! Gij wilt uit uw’ Pieter een’ timmerman maken.
Maar evenmin, als ge uit een pennemes eene stoof kunt maken, evenmin
maakt ge uit dezen knaap een’ timmerman, of, zooals uw echtgenoot zoude
zeggen: eene „landrot”! De zinnen van dien jongen, vrouw Heyn, staan
nu eenmaal op varen. Houd hem aan den wal, ja, leg hem vast aan nieuwe
touwen, waarmede nog geen’ arbeid verricht is, of bind hem met versche
boogsnaren, die nog niet verdroogd zijn,--als een tweede zoon van
Manoach, als een tweede Simson, zal hij zich losrukken van dezelve, en
naar zee gaan!”
„De banden der liefde, Meester, zijn sterker dan boogsnaren of nieuwe
touwen!” antwoordde Moeder bedaard.
Meester Zegers was getroffen door de schoone woorden, die daar eene
eenvoudige vrouw uit de volksklasse sprak, waar ze zich Moeder
gevoelde. Maar de oude man liet zich niet zoo heel gauw uit het veld
slaan, en vervolgde: „Zeker, Moeder Heyn, de banden der liefde zijn
sterker dan boogsnaren en nieuwe touwen! Met die banden der liefde
zoudt gij hem ook aan den wal binden, maar uw jongen zou vergaan als
sneeuw voor de zon. De landziekte zou hem al zijne krachten ontnemen en
oud en zwak doen worden voor zijn’ tijd!”
„Vrouw, Meester Zegers spreekt als Dominee Jansz.! Zeg er eens wat
tegen, als gij kunt?” riep Vader Heyn opgetogen van ingenomenheid bij
het hooren van woorden, die hem, als het ware, uit het hart gegrepen
waren.
Moeder Heyn zweeg en Meester zag, dat hij overwonnen had, hoewel ze nog
aarzelde, toe te geven. Maar daar kwam opeens de jonge Pieter naar haar
toe en haar om den hals vallende, zei hij: „Och toe, Moedertje, laat
me maar naar zee gaan! Ik zal goed oppassen, Moedertje lief! Ik zal
stellig geen Watergeus worden, maar een eerlijk zeeman blijven.”
„Hebt gij het dan bij ons zoo kwaad, Pieter?” vroeg Moeder snikkend.
„Neen, Moedertje, neen, ik heb het hier niet kwaad; maar ik verlang
naar zee! Och, toe, laat me toch maar gaan! Ik zal inderdaad goed
oppassen, en ik kan hier zoo maar niet in huis meeleven en niemendal
doen. Ik moet den kost toch helpen verdienen.”
„Nu, jongen, als je de zinnen zóó op de zee gezet hebt, ga dan! Ik
zal u niet langer tegenhouden,” sprak Moeder, doch men behoefde geen
toovenaar te zijn om uit de wijze, waarop ze dat zeide, af te leiden,
hoeveel het haar kostte om haar’ oudsten jongen naar zee te laten gaan.
„Gij zijt een braaf, lief, best, goed Moedertje,” riep Pieter en kuste
haar de tranen van de wangen, en zich hierop van haar losmakende, ging
hij naar Meester Zegers en zei: „Heeft u het gehoord, Meester, ik mag,
ja, ik mag! Heerlijk!”
„Zoo, wildzang, vindt gij dat zoo heerlijk? Maar wie het doel wil, moet
ook de middelen willen, die tot dat doel leiden, en .... die middelen
zijn nu juist niet zoo gemakkelijk, vooral niet voor een’ knaap, die
als gij, de schooljaren al achter den rug heeft. Gij hebt echter in uwe
schooljaren al bitter weinig geleerd, Pieter, bitter weinig!”
Onze Piet had een paar brutale kijkers in het hoofd, en er moest heel
wat gebeuren, als hij ze neersloeg. Nu evenwel schenen die kijkers
opeens al hun’ overmoed afgelegd te hebben, want hij sloeg ze neer, en
een hoog schaamrood vloog hem over de verbruinde wangen.
Meester Zegers scheen het niet te zien of wilde het niet zien, en
vervolgde op denzelfden deftigen toon: „Gij hebt den kostbaren tijd van
uwe leerjaren vermorst, en als ik op het zwarte bord de woorden van
mijn’ vriend Valcoogh, schoolmeester tot Barsigherhorn, geschreven had:
„Ghy jonge kynders wilt op mijn leer mercken,
Verlaet rabbouwen ende boose wercken,”
dan staakt gij er den draak mede, o, jongeling!”
Vader knikte met het hoofd en bromde, toen de jonge Pieter nog meer
verlegen werd: „Pieter, mijn jongen, Meester verstaat de kunst om
iemand ongezouten de waarheid te zeggen.”
De waardige schoolmeester scheen dat nu ook niet te hooren, of er geen
aandacht aan te verleenen, en ging op denzelfden preektoon voort: „Een
zeeman, die wat meer wil worden dan matroos, moet wat in het hoofd
hebben. Een, die ter nauwernood lezen en schrijven kan, zooals gij,
Pieter, en die van de stuurmanskunst zooveel weet, als een Heiden van
den Bijbel, gaat, als jong-matroos naar zee, en als hij niet vóór
dien tijd sterft, als oud-matroos het graf in! Weet gij dat wel, o,
jongeling? Verstaat gij mijne tale, jeugdige vriend?”
„Ja, Meester, ik voel wel, wat u zeggen wil,” antwoordde Pieter. „Een
zeeman, die niet meer weet dan ik, komt niet vooruit. Wat hij is, als
hij aan boord komt, dat is hij zestig jaar later nog, als hij het boord
verlaat.”
„Juist, juist,” vervolgde Meester, tevreden, dat Piet hem zoo goed
begrepen had. „Het is nu de vraag, de groote vraag maar, of gij lust
hebt om aan boord heel uw leven lang matroos te blijven, dan wel of ge
vooruitkomen wilt!”
Thans pas scheen de jonge Pieter wat op dreef te komen. De schaamteblos
maakte op de wangen voor jongensvuur plaats, en eenigszins gejaagd kwam
er uit: „Ik zou niet graag op zee altijd de oude knecht blijven. Ik zou
willen vooruitkomen, Meester! En ik zou er mijn best voor doen ook om
wat meer te worden dan matroos. En als ik wil, kan ik wel!”
„Dat is een goed voornemen, jonge vriend, maar, niet ten onrechte
heeft iemand eens gezegd: „Met goede voornemens is de weg naar de hel
geplaveid.” Ik hoop dat voornemens bij u daden zullen worden, en dat
zult ge veel gauwer kunnen bewijzen dan gij denkt. Luister naar het
plan, dat ik gemaakt heb. Ik heb een’ broeder, die schipper is geweest
op een’ Levantvaarder. Hij krijgt nu een nieuw schip, dat over een
paar maanden klaar zal zijn. Dan gaat hij er mede naar Lissabon en
Venetië. Die broeder is een zeer knap zeeman, die de stuurmanskunst
en de zeevaartkunde uitmuntend verstaat. Hij woont te Rotterdam in de
Hoogstraat, en zoo lang, als hij nu nog niet uitgezeild is, gaat gij
iederen dag, behalve op Zon- en feestdagen, des middags om drie uur
naar hem toe, dan zal hij u de stuurmanskunst en zeevaartkunde leeren.
Wilt gij dat?”
Nu was Pieter niet klein meer; nu waren zijne wangen niet schaamrood
meer! Neen, het vuur der blijdschap straalde uit zijne oogen en vol
geestdrift riep hij uit: „Of ik wil, Meester? O, graag, heel graag! U
zal zien, dat ik wil!”
„Best, best, knaap! Maar wij zijn nog niet ten einde! Gij kunt slecht
lezen en schrijven, en dat moet ook niet zoo wezen. Daarom komt gij
iederen morgen tusschen zeven en acht uren bij mij aan huis om ook dat
te leeren. Hebt ge het verstaan?”
„Maar, Meester,” zeide eindelijk de oude Heyn, „wij zijn geen
vermogende lieden. Wij hebben geen penning om al dat onderwijs te
bekostigen!”
[Illustratie: „Wie spreekt er van geld?” (Bladz. 56).]
„Wie spreekt er van geld? Ik immers niet? Mijn broeder doet het om
Godswil en ik ook. Maar als Pieter later opklimt en iemand wordt, die
het betalen kan, dan zal hij aan ons, of, als wij dan niet meer in
leven mochten zijn, aan de armen vergoeden, wat wij aan hem ten koste
gelegd hebben!”
„Nu, als het zóó is, dan heb ik er vrede meê. Dan zal het schip wel in
eene goede haven komen, zooals onze Watergeuzen-hopman Dirk Duivel, een
man van zessen klaar, gewoon was te zeggen, als het hem naar den zin
ging,” zeide Vader Pieter.
Thans scheen Moeder ook uit hare verbazing te bekomen, want opstaande
ging ze naar Meester Zegers en zeide: „Meester, gij slaat wonden, maar
gij heelt ze ook! Hoe komt het toch, dat u zooveel voor onzen Pieter,
die u eens zoo mishandeld heeft, doen wilt?”
„Wel, vrouw Heyn, dat is gauw gezegd. Pieters gedrag bij den
verschrikkelijken brand verdient nog meer loon, dan hij reeds kreeg.
Het eerste loon kreeg hij van den goeden God, die zegenend op hem
nederzag. Het tweede loon ontving hij van zijne Ouders, die vol vreugde
en trots op hun’ oudsten jongen wijzen. Het derde loon kreeg hij in
een dankbaar hart van de lieden, wier huizen en bezittingen hij hielp
beschermen. Het vierde loon vond hij in alle Delftshavenaars, die na
dien tijd met lof van hem spreken. Ik kom hem, omdat mijn hart voor
zulke jongens warm klopt, het vijfde loon brengen, en dat vijfde loon
zal zijn, hem te helpen om in de wereld vooruit te komen. Die begeerte
om hem te beloonen, heeft al lang bij mij bestaan. Toen ik hem daar
zoo zag boven op dat pannendak, te midden van de vlammen, die naar
alle kanten uitsloegen, en hem zelfs de haren zengden, vergaf ik hem
terstond de pijn en de schande, die hij mij eenmaal in eene booze bui
aandeed, en ik besloot al mijne zwakke krachten in te spannen ten einde
hem iets voor zijn’ moed te geven. Ziet ge, daarom en dáárom alleen is
het, dat ik uw’ Pieter helpen wil, opdat er iets meer uit hem groeie
dan een simpel matroos. En nu ik mijne boodschap gedaan heb, en alles
naar genoegen is afgeloopen, zoo wensch ik u allen een’ goeden avond en
wel te rusten! Pieter, morgenochtend om zeven uren in de Groenendaal,
hoort ge?”
Zoodra Meester Zegers vertrokken was, raakten alle banden der tongen
los. Wat al gepraat en gesnap! Men zou dit; men zou dat; men wilde
hier; men wilde daar! Ieder had wat te zeggen en Pieter wel het meest.
Alleen Moeder zweeg en dacht stil voor zichzelve na, terwijl Vader
vergenoegd de handen wreef en maar ieder oogenblik mompelde: „Ja, ja,
het is waarheid: Het muist graag, wat van katten komt.”
VIJFDE HOOFDSTUK.
Onder Moeders gebed naar zee.
Het ongewone van alweer te gaan leeren, maar bovenal zijne blijdschap,
dat hij binnenkort naar zee zou mogen gaan, had Pieter den nacht, die
op dit gewichtige besluit volgde, slechts eene korte rust vergund. Had
het lang geduurd eer hij den slaap vatten kon, toen deze eindelijk
kwam, kwamen droomen mede, en zoodra de stralen der morgenzon door het
dakvenstertje vielen, was hij wakker, en moede van het droomen, wilde
hij liever maar niet langer blijven liggen. Hij stond dus op, waschte
en kleedde zich. Voor het kleine dakvenster gekomen, deed hij dat open,
boog zich er door heen en keek naar de Maas, waarover een dunne nevel
lag. De masten der schepen werden zichtbaar, doch overal aan boord was
alles nog in rust. Alleen de mannen van de hondewacht, die om vier uur
zouden afgelost worden door de dagwacht, keken hier en daar droomerig
over de verschansing.
En daar, met de oogen naar het water en de schepen gekeerd, begon onze
Pieter te denken aan de zee,--aan zijne toekomst! Er ging veel om in
het hoofd van den knaap.
Dat hij bij het weinige, dat hij op school geleerd had, ook niets
aan de geschiedenis gedaan had, is duidelijk, maar zonder dat de
geschiedenis op school onderwezen werd, wist zelfs de geringste man in
de zeegewesten de gebeurtenissen van den dag mede te deelen.
Wanneer de bakker het deeg heeft gekneed, laat hij het eene poos in den
trog staan om het door gist te laten rijzen. Dan zet het deeg uit, en
wat een halfvolle trog was, wordt weldra een volle, en als hij er ten
laatste geen brood van ging bakken, dan zou het deeg over den trog heen
komen.
Zie, de Nederlanders der zeegewesten van dien tijd, waren als het
bakkersdeeg in den trog; er was werking in. Nog bijna onbewust hoe
het kwam, gevoelde het volk zich tot daden geprikkeld, op de groote
wateren, maar niet zoo zeer hier te lande. Althans de Hollanders,
Zeeuwen en Friezen hadden met dappere daden op het land weinig op. Er
stak een zeeman in hen, geen soldaat.
Leycester was een paar jaren geleden vertrokken en na diens vertrek had
men de oppermacht dezer landen niet aan een’ anderen Vorst aangeboden.
De Republiek was, als het ware, gevestigd, en met een’ Prins Maurits
aan het hoofd van het leger en een van Oldenbarnevelt in ’s Lands
raadzaal, begon de jonge Republiek al de kracht van hare jeugd te
gevoelen, en evenals een gezonde knaap, die vrij gekregen heeft, denkt:
„Wat zal ik toch nu eens doen? Ik moet, ik wil, ik zal wat doen,” zoo
spitsten ook zoo onze Voorouders in die dagen hun brein tot het zoeken
van alles, wat ze doen konden, doen, het liefst op zee en ver van honk.
Dat de jonge Pieter nu ook zoo dacht, is duidelijk. Wat zou hij aan
boord van het schip doen? Waar zou hij komen? Wat zou hij worden?
De Ridders van vroegere eeuwen waren er sinds lang niet meer; de
adellijke grondbezitters, mannen met aanzienlijke namen, waren er nog
wel in Holland, maar het ontzag, dat het volk vroeger voor hen gehad
had, bestond niet meer. Er was een andere aanzienlijke stand aan het
opkomen. Het was die der „Burgerkoningen van de Republiek” en deze
stand groeide op uit heel de burgerij, uit de armen zoowel als uit de
aanzienlijken en rijken. Het was, alsof iedereen gevoelde, dat hij het
ver in de wereld zou brengen, als hij maar van aanpakken wist. Die
geest van „willen aanpakken” bezielde duizenden van hoofdstraat tot
achterbuurt.
Was het nu wonder, dat de zoon van een’ matroos, die slechts ter
haringvangst voer, eerzuchtige droomen kreeg en met tal van voorbeelden
voor oogen, van zichzelven dacht: „Wat een ander kan, dat kan ik
ook!”--Immers reeds tegen het begin der zeventiende eeuw waren, vooral
in Holland en Zeeland mannen uit den minderen stand al heel wat
geworden in den lande!
Het was aan Pieters gelaat te zien, dat zijn vurig hart van eerzucht
klopte, en naarmate de nevelen op de Maas meer verdwenen, naarmate
de zonnestralen alles meer in gloed zett’en en naarmate alles, op de
rivier en in de havenbuurt, meer tot leven kwam, naar diezelfde mate
stegen zijne eerzuchtige plannen, en wie weet hoe hoog ze wel gestegen
waren, als Vader, die niet wist dat Pieter al lang en breed op was,
beneden aan de trap niet geroepen had: „Jongens, jongens, het is
halfzes! Er uit, jongens!”
Jacob, Simon en Cornelis rekten zich uit en riepen: „Ja, Vader!”
waarna ze opstonden. Onder het aankleeden vertelde Pieter hun, wat hij
dien morgen zoo al op de Maas gezien en welke mooie plannen hij voor
zichzelven gemaakt had.
Na het ontbijt, dat steeds te zes uren gehouden werd, begaf Pieter
zich naar zijn’ ouden Meester, en des middags ging hij vol blijden
levensmoed naar Rotterdam om bij schipper Zegers de eerste lessen te
nemen in de stuurmanskunst.
Zoo ging het den eenen dag na den anderen bijna twee maanden lang. Zoo
traag in het leeren Pieter vroeger geweest was, zoo ijverig was hij nu.
De tijd vloog hem om. Maar ook voor Moeder vlogen de dagen te schielijk
voorbij. Ze was wel arm, en het geld moest uit alle hoekjes en gaatjes
opgezocht, ja, op een paar boterhammen en een stukje kaas minder,
uitgewonnen worden; maar ze wilde toch niet hebben, dat haar oudste
jongen als een schooier aan boord zou komen. Oude spulletjes waren het,
zeker, dat viel niet tegen te spreken. Op een koopje, van oud nieuw
gemaakt, ieder zag het! Maar was dat schande? Zet eens eene vuist als
ge geen hand hebt, en koop eens spiksplinternieuwe en mooie kleeren,
als er zelfs niet genoeg voor oude is! Eene Moeder kan veel, maar zulke
wonderen verrichten, dat gaat niet, dat kan niet. En dan, behalve die
uitrusting was er nog meer noodig.
In 1580 was te Delftshaven eene vereeniging tot stand gekomen, die
den naam droeg van: „Matroozen-troost”. Die vereeniging bestond uit
zeelieden, die eenig geld bij elkander brachten, hetwelk door drie
Regenten beheerd werd. Viel nu een der matrozen, die lid van die
vereeniging was, in handen van Duinkerksche kapers, dan werd hij met
geld van de bijeengebrachte som vrijgekocht. Dat lidmaatschap kostte nu
wel veel geld, veel althans voor menschen, die met schrale verdiensten
moesten rondkomen, maar Moeder had besloten, dat haar jongen ook lid
zou worden, het mocht kosten wat het wilde. Wanneer hij in handen van
die woeste zeeschuimers, niet veel beter, misschien wel erger, dan de
Watergeuzen, viel, dan zou hij in harde gevangenschap moeten blijven
zuchten, en wie weet of ze hem zelfs niet om het leven zouden brengen.
Dus, Pieter moest lid worden van „Matroozen-troost”.
En onder die velerlei beschikkingen brak eindelijk de dag aan, dat
Pieter zou vertrekken. Het schip, „de Westland” geheeten, en voor
rekening van eenige Delftsche kooplieden uitgerust, lag zeilreê in
Delftshaven.
Slechts een paar uren nog en dan zou het de haven verlaten. Wie wist
voor hoe lang!
Pieter was nog aan boord; hij had echter geen afscheid genomen en mocht
dat nog gauw gaan doen. Zijn Vader was niet thuis; deze was op de
vischvangst, en hem had Pieter al vaarwel gezegd. Jacob was bij een’
timmerman te Delft in de leer, en Cornelis en Simon waren in school.
Moeder was dus alleen, heel alleen thuis.
„Nu, jongens, een half uurtje, hoor, niet langer,” zeide de schipper,
aan wien gevraagd werd om thuis afscheid te gaan nemen.
Hierop liepen drie jongens van boord de Haven op.
Wie dat waren?
Dat waren Willem Adriaensz. Blokmaker,--Jan Dirksz. en onze Pieter.
De eerste twee gingen met „de Westland” als licht-matrozen mede, en
Pieter, als bootsmans-leerling.
„Tot straks,” klonk het thans, en de drie knapen liepen ieder naar hun
eigen huis.
Maar weldra vertraagde Pieter zijne schreden. Hij wilde wel hard
loopen; maar hij kon niet. Er was iets, dat hem hinderde, en hoe
dichter hij bij huis kwam, des te vreemder gevoelde hij zich. Het
was in zijne keel, alsof daar een stuk droog brood zat, dat hij wel
doorslikken wilde, maar niet doorslikken kon.
Eindelijk kwam hij, ondanks zijne vertraagde schreden, toch thuis.
Hij deed de deur open, trad binnen en ging naar zijne Moeder, die bezig
was om met de tang het vuur wat op te rakelen. Zij keerde zich om toen
zij iemand hoorde binnenkomen, en Pieter in het vertrek ziende, zag ze
hem verstoord aan en zeide: „Blijf staan! Wat is dát?”
Pieter stond onthutst stil en vroeg: „Wat, Moeder?”
„Vraag-je nog „wat”, jongen?”
„Ja, Moeder, ik weet niet....”
„Zoo, weet gij altemet niet, waarom daar voor de deur eene voetmat
ligt?”
Pieter lachte even en zei: „Maar, Moeder! Ik....”
„Houd dat „maar” toch eindelijk voor je! Doe als altijd!”
Pieter keerde terug en veegde de lage zeemansschoenen, die niet vuil
waren, aan het matje af. Hij had dat voor het eerst van zijn leven
vergeten.
„Genoeg,” sprak thans Moeder, „zeg mij nu vaarwel!”
Pieter deed het; maar, koel. Moeder deed ook zoo raar!
[Illustratie: „Vergeet--je--Moeder--niet!” (Bladz. 62).]
„Hoor eens, jongen,” begon Moeder terwijl ze hem de armen om den hals
bleef houden, „ik weet dat je mij al heel vreemd vindt. Goed, vind dat.
Maar nu we op het punt staan, van elkander te scheiden, heb ik je nog
wat ernstigs te zeggen. Tot heden heb-je altijd ons, uw’ Ouders, moeten
gehoorzamen, en als je het niet deedt, dan wachtte je straf. Nu ga-je
naar zee. De zee maakt een’ mensch lichtelijk vrij en ongebonden, ja,
soms woest, hardvochtig en onverschillig. Zoo ze jou dat óók maakt, dan
zou ik liever hebben, dat je nimmer weer een’ voet over dezen drempel
zettet. Ik wil van mijne kinderen gehoorzaamheid, al werden ze zoo hoog
geplaatst, dat er tusschen hen en Zijne Excellentie Prince Maurits,
dien God behoede, slechts ééne schrede afstands was. Ik heb je geleerd,
God en uw’ Ouders te gehoorzamen. Als ik je wederzie, moet dat nóg zoo
zijn. En gehoorzaamheid zit niet enkel in het groote,--gehoorzaamheid
zit ook in het kleine. Wie, als hij binnen de deur komt, begint met
de voeten niet op de mat af te vegen, ofschoon hij weet, dat dit orde
en regel is, die eindigt met zelfs God niet te gehoorzamen en te
leven als een heiden. En nu, mijn jongen, denk altijd, je heele leven
lang, in Noord of Zuid, in Oost of West, nu of over veertig jaar, als
bootsmans-leerling, als schipper of als Kapitein, denk altijd aan deze
ure. Vergeet je Moeder nooit, dan vergeet je ook de lessen niet, die
zij je gegeven heeft; dan vergeet je den Lieven Heer niet; dan zal mijn
gebed voor je welzijn niet onverhoord blijven! En nu, Pieter, lieve
beste Pieter, ga, ga met God! Vergeet .... je--je Moeder---je Moeder
niet!”
Hier moest de strenge Moeder opeens zwijgen. Zij had zich geweld
aangedaan om kalm te blijven; ze wilde tot op het laatste oogenblik
den schijn aannemen, alsof er in dat kloppende en zwoegende hart geen
teedere liefde te vinden was. Maar de strenge Moeder moest in dien
fellen strijd voor de teedere Moeder onderdoen. Ze wierp de tang neer
en krampachtig snikkend sloeg ze de armen, de trouwe Moederarmen, om
den hals van haar’ oudsten en drukte hem aan het Moederhart, het trouwe
Moederhart, dat zóó hevig klopte, dat Pieter de slagen wel tellen kon.
Eindelijk, na zijn gelaat met kussen overdekt te hebben, maakte zij
zich los, en een klein pakje, dat op de tafel lag, in de hand nemende,
reikte zij het hem over en zeide: „Aan boord eerst te openen,” kuste
hem nogmaals en nogmaals, en .... beval hem heen te gaan, omdat zijn
tijd verstreken was.
„Een half uurtje, hoor!” had de schipper gezegd.
Het was bijna een uur geworden.
Voort, Pieter, voort! Niet begonnen met nu al te kort te doen aan
zeemansplichten!
Pieter toonde thans, dat hij nog loopen kon. Den weg, waarover hij
wel tien minuten gedaan had, toen hij naar zijne Moeder ging, werd nu
in minder dan de helft afgelegd. Hij kwam evenwel volgens het bevel te
laat, maar toch won hij het nog van zijne beide makkers, Willem en Jan.
Zoodra hij nu aan boord trad, vond hij daar Meester Zegers en zijne
broeders Cornelis en Simon om afscheid te nemen, en hoewel Meester hem
niet zoo weekhartig maakte, als Moeder, toch vond Pieter, dat de oude
man hartelijk was, als weinig anderen. Maar eindelijk, toen Willem en
Jan ook aan boord waren gekomen, verzocht de schipper zijn’ broeder
vriendelijk om henen te gaan. Hij kon er op rekenen, vast en stellig,
dat hij voor den jongen Pieter Pietersz. Heyn zorgen zou, alsof hij
zijn eigen kind was.
Meester ging met Piets broeders aan den wal. De loopplank werd
ingehaald en toen, evenals eenige jaren geleden waarin onze goede Dr.
Heye zong, was het:
„De kabels los, de zeilen op,
Dat gaat er op een varen:
Al waren wij Sinjeurs aan wal,
Ons hart lag in de baren;
Een Hollandsch kind, dat is bekend,
Dat vindt in zee zijn element!
Hoezee dan, jongens, in het want!
De handen uit de mouwen!
Laat Duitscher, Noor of Engelschman
Niet klimmen in je touwen!
Dàn kan je varen zonder peil,
Al blies de Nikker in het zeil.”
Pieter keek naar alle kanten uit, of hij zijne Moeder nog niet eens
zou zien. Hier stond een groepje mannen en vrouwen; zij was er niet
bij.--Daar stonden eenige nieuwsgierigen, die van alles, wat er
gebeurt, het naadje van de kous willen weten; vrouw Heyn was er niet
bij. Ginds liepen eenige luierende manspersonen met een dergelijk
slag van vrouwen, den tijd dooden met kallen en snappen over allerlei
onbeteekenende dingen, soms ook wel over hunne buren; ook daar was ze
niet bij.
Maar bij de Sluis, ja, daar bij Gerrit, den sluiswachter, die uit de
Kolk verdreven werd door den brand, en die nu bijna aan het einde van
de haven in een nieuw huisje woonde, daar stonden een paar vrouwen door
de ruiten te kijken.
De eene was de Moeder van Mietje en Jantje.
De andere?
Zou Pieter dat nog behoeven te vragen? Neen, hij herkende haar
terstond, al was haar gelaat, door eene huive gedekt, nauw zichtbaar.
Die andere was zijne Moeder.
Hij wuifde met de wollen muts, deed het nog eens en nog eens, en zij,
die daar binnen stond en wie die laatste groet gold, knikte hem zoo
lang vriendelijk tegen, tot ze voor elkander verdwenen....
En de wind, die de zeilen van de „Westland” deed zwellen, en haar langs
het gerimpelde watervlak der Maas naar zee bracht, diezelfde wind sloeg
het deurtje van Moeders huisje toe, toen zij er intrad om nog eens
in alle stilte, door niemand gezien en door Één slechts gehoord, te
stamelen: „Goede God, bewaar mijn’ jongen! Behoed mijn’ zoon, mijn’
oudste.”
ZESDE HOOFDSTUK.
Geketend en het hoofd geschoren.
Acht jaren lang had Pieter met wisselvallig geluk gevaren. Op
zijn’ eersten tocht leed hij met „de Westland” schipbreuk in de
Middellandsche Zee en kwam hij weer aan boord van een ander schip in
het Vaderland terug, arm en berooid. De uitrusting, waaraan zijne
lieve Moeder zooveel ten koste had gelegd, lag op den bodem der
zee, en alleen dat, wat in het pakje zat, hetwelk zij hem bij het
heengaan gegeven had, was behouden gebleven. Dat had hij, zelfs met
levensgevaar, nog uit het zinkende schip gehaald. Het was een tamelijk
versleten en beduimeld Bijbeltje, doch met geen enkele bladzijde te
weinig, al lagen er ook bladen los in.
Niet afgeschrikt door den ongelukkigen afloop van dien eersten tocht,
ging hij met schipper Zegers, die op een ander schip voor Rotterdam
was gaan varen, mede naar de Oostzee. Maar ook deze tocht was niet
gelukkig; want een zeer vroeg invallende winter sloot het schip met nog
enkele andere Hollandsche vaartuigen bijna vijf maanden in de haven
van Danzig op. Schipper Zegers, door dezen nieuwen tegenspoed erg
korzelig en onverschillig geworden, gaf onzen Pieter weinig of geen
les meer in stuurmanskunst en zeevaartkunde, hoewel er in die vijf
lange wintermaanden anders gelegenheid genoeg toe zou geweest zijn.
Boeken waren toen nog verre van algemeen, zoodat er aan boord ook geen
te vinden waren. De tijd werd dus doorgebracht met wat in de stad te
slenteren, wat op het verkeer- en dambord spelen, zingen, vertellen of
zich vervelen. Ter eere van Pieter moet evenwel gezegd worden, dat hij
geen dag voorbij liet gaan zonder een hoofdstuk uit zijn’ Bijbel, of
wat in een boek over zeevaartkunde gelezen te hebben.
Eerst half Mei kwam hij weder te Delftshaven aan en daar hij op dat
oogenblik geen schip krijgen kon, nam hij dienst op eene schuit voor de
vaart naar Antwerpen. Dat gedurig heen- en weervaren beviel hem echter
in het geheel niet, hoewel zijne Moeder het niet ongaarne zag. Zij had
hem dan om de veertien dagen zeker eenmaal thuis. Van de binnenvaart
ging hij op de haringvloot, en van de haringvloot alweer op een schip,
dat naar de Middellandsche Zee moest. En zoo ging het af en aan, nu
eens op dit, dan op dat schip. Nu eens op Spanje, dan op de Oostzee. In
1599 evenwel was hij zoo gelukkig, zich, als tweeden stuurman, te laten
aanmonsteren op de „Maze”. De schipper was zijn oude bekende, Zegers,
en behalve Willem Adriaensz. Blokmaker, die, als bootsman, dienst deed,
en Jan Dirksz. die voor kok aangenomen was geworden, bevonden zich
ook thans aan boord Govert en Steven, de neven van Meester Zegers.
Zij hadden zich als gewoon matroos laten aanmonsteren. De reis van de
„Maze” was naar Lissabon. Vroolijk en vol blijde verwachting ging
men het zeegat andermaal uit. Men zou toch eindelijk wel eens eene
gelukkige reis maken!
Maar onderwijl de reis voorspoedig werd voortgezet, gebeurde er iets in
Spanje, waarvan de bemanning van de „Maze” niets te weten kwam vóór het
te laat was.
Wat was het?
In 1580 had Koning Filips II door Alva Portugal laten veroveren, zoodat
dit kleine land met zijne uitgestrekte bezittingen in Oost en West,
vooral in Oost-Indië, ook tot het Spaansche rijk behoorde. Voor de
Indische voortbrengselen waren eerst Venetië en Genua de stapelplaatsen
geweest, doch toen de koene en ondernemende Portugeezen, om Kaap
de Goede Hoop heen, den weg naar Oost-Indië gevonden hadden, werd
Lissabon de stapelplaats van de Indische voortbrengselen, en voor heel
Europa kwam men ze hier uit de tweede hand koopen. Dat deden vooral
de Nederlanders, en hoewel Koning Filips II met zijne Nederlandsche
gewesten in oorlog was, en menigmaal op het punt gestaan had om de
Spaansche en Portugeesche havens voor de Nederlandsche schepen te
sluiten, hadden de kooplieden in Portugal en Spanje dat nog altijd
weten te voorkomen, want zij vreesden, dat de Nederlanders, als ze de
Indische waren niet meer in Portugal uit de tweede hand konden koopen,
niet rusten zouden, voor ze die uit de eerste hand in Oost-Indië zelve
zouden kunnen koopen. De Nederlanders wisten den weg wel niet om Kaap
de Goede Hoop heen, doch men kende hun’ ondernemingsgeest genoeg om
te begrijpen, dat zij zóó lang zoeken zouden, tot ze den weg gevonden
hadden, en dan zouden ze niet rusten voor ze ook vasten voet in de
Indiën hadden. Om dat zoeken en vinden van dien weg, met al wat er op
volgen zou, te voorkomen, wist men Koning Filips II te bewegen om den
Nederlanders de vrije handelsvaart op de Spaansche havens te blijven
toestaan. In 1598 stierf Koning Filips II, en onder den naam van Filips
III, volgde zijn zoon hem op. Deze luisterde niet naar de raadgevingen
en verzoeken van de Portugeesche kooplieden, en in het sluiten van
al de havens in zijn gebied voor de Nederlandsche schepen zag hij
juist het middel om de oproerige gewesten, die het Spaansche gezag
reeds afgezworen hadden, tot onderwerping te dwingen. Van dien kloeken
ondernemingsgeest der Nederlanders, om niet te rusten vóór ze den weg
naar de Oost-Indië gevonden hadden, geloofde hij, jammer genoeg voor
Portugal en Spanje, niets.
Hij wist, dat de Nederlanders niet al de goederen, die ze in Lissabon
of eene andere haven van het Spaansche grondgebied kochten, voor zich
zelven aanschaften, maar dat het grootste deel van die goederen alweer
door hen verkocht werd aan de bewoners van de Oostzee-landen, en dat
ze hiermede groote winsten wisten te behalen. Dat die winsten alweer
voor een groot deel besteed werden om er krijgsvolk voor te werven,
dat bestemd was om tegen de Spanjaarden te strijden, wist hij ook. Het
was genoeg bekend, dat de legers der oproerige Nederlanders voor het
grootste deel uit vreemde huurbenden bestonden. Nu meende Koning Filips
III, dat hij door het openlaten van de Spaansche havens zelf oorzaak
was, dat de Nederlanders den strijd tegen hem konden volhouden, en hij
redeneerde daarbij zoo ongeveer aldus:
„Hieraan moet, hoe eer hoe beter, voorgoed een einde komen. Ik wil niet
langer toestaan, dat die rebellen met hunne schepen in mijne havens
komen. Zij verrijken zich ten koste van mijne onderdanen, die eigenlijk
de vrachtvaarders op heel Europa moesten zijn! Voortaan worde elk
Nederlandsch schip, dat mijne havens binnenloopt, verbeurdverklaard
en de bemanning naar de galeiën gebracht. Als ik dat doe, snijdt het
mes aan twee kanten. Aan den eenen kant ga ik de vermeerdering der
rijkdommen van de oproerige kooplieden tegen, en aan den anderen kant
breng ik stilstand in den zeehandel, waardoor ginds honderden matrozen
zonder verdiensten zullen komen. Deze laatsten zullen met hun’ ledigen
tijd geen’ raad weten, en uit ontevredenheid over het gemis aan
verdiensten, oproer maken. „In troebel water is het goed visschen,”
zeggen de luiden daar! Best, ze zullen ondervinden, dat ik Hollandsche
spreekwoorden weet toe te passen.”
De verstandig denkende Spanjaarden en Portugeezen, die aan het Hof
verkeerden en wisten, wat de Koning van plan was, trachtten hem wel
duidelijk te maken, dat hij zichzelf en zijne onderdanen met dat aan
twee kanten snijdende mes het eerst wonden en hevig wonden zou ook,
maar Koning Filips III meende de wijsheid in pacht te hebben, en
luisterde niet naar den goeden raad, zoodat hij den domsten streek
beging, dien een Vorst maar begaan kon, en oorzaak zou zijn van
Spanje’s ondergang en de opkomst van eene Republiek, die eens zoo
machtig worden zou, dat Spanje zich in een bondgenootschap met haar
verheugen zou. Van de voorspelde wonden, die de Koning zichzelf en zijn
land toebrengen zou, zullen we in dit verhaal nog genoeg te weten komen
en te zien krijgen. Keeren we daarom terug aan boord van de „Maze”, die
we voor dit uitstapje in de geschiedenis een oogenblik verlaten hebben.
Terstond, na het nemen van dit besluit, werden ijlboden naar alle
Spaansche en Portugeesche kuststeden afgezonden, met het bevel aan de
bestuurders dier plaatsen, dat men alle Nederlandsche schepen, die er
binnenvielen, prijs verklaren en het volk ervan, als slaven, naar de
galeiën zenden zou.
Voor den mond van de Taag kruiste de Spaansche oorlogsgalei „de Lucera”.
De Kapitein van dat schip heette Don Calliado. Hij was een tiran
voor zijne eigen landslieden en altijd even grimmig als een Noorsche
beer. De roeiers van zijne galei, allen veroordeelden, werden door
hem nog erger dan wilde dieren behandeld, en als er een paar onder de
martelingen bezweken, zei hij: „O, er is in Spanje nog meer van dat
tuig te vinden!”
Met scherpen en geoefenden zeemansblik zag hij uit, of hij in de verte
geen zeil zag naderen. Hij toch ook had het bevel van Koning Filips
ontvangen, en hij verheugde zich al bij voorbaat in de kwellingen, die
hij den Nederlanders zou aandoen, en genoot in gedachten al van het
voordeel, dat het nemen van een Nederlandsch schip hem aanbrengen zou.
Eindelijk ontdekte hij een zeil; maar het was nog te ver om te zien
welke landsman het was. Met een goed gezeilden wind naderde het evenwel
spoedig, en kwam het zóó dichtbij, dat men op de „Lucera” alles
onderscheiden kon.
Calliado lachte; het was een Hollander.
„Daar kruist eene oorlogsgalei voor de rivier, schipper!” zeide Pieter.
„Dat zie ik ook!” was het antwoord.
„Liggen hier altijd oorlogsbodems?” vroeg Willem Blokmaker.
„Nooit gezien! Maar waarom?”
„Wel, schipper, ze konden het wel eens op ons verzien hebben. Men kan
het niet weten.”
„Ben-je mal? Waarom zouden ze dat? We zijn nu wel met Spanje in oorlog,
maar zelfs ten tijde van Alva kwamen wij hier rustig aan. Na Alva zijn
de zaken heel wat veranderd, en Filips III is Filips II niet!”
„Ze zeggen, dat hij dom is!” waagde Pieter zoo terloops aan te merken.
„Zou het waar zijn?”
„Nu ja, het buskruit zou hij nooit uitgevonden hebben. Maar wat geeft
dat? Mij dunkt, dat is juist in ons voordeel!”
„Of in ons nadeel, schipper! Hoewel Spanje en Portugal veel voordeel
trekken uit onzen handel op hunne havens, kon de nieuwe Koning er wel
eens anders over denken. Domme menschen doen soms domme dingen!”
„Ei, Pieter Pietersz. Heyn, de tweede stuurman op de „Maze” begint zoo
wat aan de regeerderij te doen? Een slecht baantje, vriendlief! Voor
een’ zeeman geldt het in de eerste plaats: „Schoenmaker, blijf bij uwe
leest!”
Pieter en Willem zwegen. Ze dorsten niet langer voortgaan met ook
maar met een enkel woord, den schipper, die nooit eenige tegenspraak
verdragen kon, uit zijn humeur te brengen.
Ondertusschen kwam de oorlogsgalei wat nader, en het was duidelijk, dat
ze iets met de „Maze” te maken had.
„Hoe vreemd toch, dat die galei ons zoo tegemoet komt,” zeide Pieter
tot Willem.
„Misschien denken ze wel, dat we de kinderpokjes of eene andere ziekte
aan boord hebben, en dat wij de besmetting in Lissabon brengen zullen!”
„Kwamen ze daarnaar vroeger ook onderzoek doen?”
„Weet ik het? Ik ben hier voor den eersten keer!”
Nu werd er eene roeiboot van de galei uitgezet en deze legde aan
bakboordszijde aan.
„Aan stuurboord, man aan het roer!” riep schipper Zegers. „Nobel
gezelschap ontvangen we nooit aan bakboord. Dat is alleen voor de
kadraaiers en uitventers van vruchten.”[3]
[3] Deze uitdrukking van schipper Zegers zal denkelijk voor velen
eenige opheldering behoeven. Wanneer men op het dek van een schip staat
met den rug naar het roer en dus met het gelaat naar den boeg, dan heet
dat deel van den scheepswand, hetwelk men aan de rechterhand heeft,
„stuurboord”. Het deel, dat links ligt, draagt den naam van „bakboord”.
En evenals ieder wellevend mensch zijn meerdere of oudere aan zijne
rechterzijde laat loopen, zoo laat men ook aan boord van schepen
menschen, die men eeren wil, aan stuurboordszij op het schip komen.
Met stoombooten, die aanleggen, kan dat niet in acht genomen worden,
omdat men dan vaak zou moeten wenden en dat houdt niet alleen op, maar
valt voor een’ steiger ook niet altijd zoo gemakkelijk te doen. Dat
eerbewijs van iemand aan stuurboordszij aan boord nemen geldt dan ook
meer voor een schip in volle zee.
De Spaansche Bevelhebber scheen zich evenwel niet aan deze woorden te
storen en klom, gevolgd door een tiental matrozen, tegen den valreep
van de „Maze” op en betrad het dek.
Schipper Zegers en de manschappen, voor zoover deze op het dek waren,
stonden verwonderd op te kijken, en wisten niet, wat zij van dat
vreemde bezoek maken moesten.
„Wie is de schipper?” vroeg Calliado, die in persoon met de boot
medegegaan was, voorwaarts tredende.
„Die ben ik, Senor!” antwoordde Schipper Zegers beleefd, en ook in het
Spaansch.
„Welnu, dan! In naam van Z. M. den Koning van Spanje, Heer der
Nederlanden en Oppermachtig gebieder van Amerika verklaar ik dezen
bodem prijs en de bemanning gevangen!” Schipper Zegers, zoowel als al
de schepelingen, stonden op dat bericht geheel verslagen.
Eindelijk vatte de schipper moed en zei: „Maar dat is schenden van alle
volkenrecht!”
„Als je dat denkt, zeg het dan den Koning zelf, als je hem ooit in je
leven te spreken krijgt. Ik denk er anders over!”
Tot op dit oogenblik hadden de matrozen geen woord gesproken, doch
plotseling trad één hunner vooruit en riep: „Op, mannen, zullen we ons
door deze Spaansche bloedhonden, als slachtvee, laten knevelen? Op, op,
slaat ze dood! Slaat ze dood!”
En de daad bij het woord voegend, greep hij eene bijl en vloog op Don
Calliado en zijne manschappen in. De overigen volgden dit voorbeeld,
en zeker zouden de Spanjaarden het onderspit gedolven hebben, als er
niet twee sloepen van de galei hulp gebracht hadden.
[Illustratie: Schipper Zegers en al de zijnen werden gekneveld.
(Bladz. 73).]
Nu werden schipper Zegers en al de zijnen gekneveld, en op den matroos,
die het eerst aangevallen was, toetredende, zeide Don Calliado, op eene
buil aan het hoofd wijzende, hem door een’ vuistslag toegebracht: „Ééne
buil heb-je mij toegebracht, oproerig gespuis, tienduizend zal ik er je
allen teruggeven. Don Calliado heeft altijd woord gehouden! Reken er
dus op, dat de tienduizend meer dan vol zullen gemaakt worden! Mannen,
voert hen weg!”
De geknevelde Hollanders werden nu onder het gejuich der straatjongens
van Lissabon, als een troep slachtvee naar een’ donkeren kelder van
de gevangenis gebracht. De deur werd gesloten, doch aan het losmaken
der banden en touwen werd niet gedacht. Heel den tijd, dat ze in dat
donkere hol zaten, hoe lang wisten ze niet, liep er een schildwacht
voor de deur met eentonigen tred op en neder.
„Schipper, waar is u?” riep Pieter na eenigen tijd.
„Hier ben ik. Wat moet gij van mij hebben?”
„Hoe lang moeten we hier blijven?”
„Weet ik het, jongmensch? Heb ik het bevel gegeven om ons te laten
opsluiten en behandelen als honden?”
„Ik heb ergen dorst!” klaagde Jan Dirksz.
„Jongen, als je ons niet allen razend wilt maken, spreek dan niet van
dorst, van water, of van wijn! Hoe meer men daarover praat, hoe meer
men den dorst opwekt,” sprak de eerste stuurman.
Op dit bevel zwegen allen, hoewel de vijf kameraads elkander hadden
opgezocht om, ware het dan ook maar fluisterend, malkander hun’ nood te
klagen.
En er was nood! Het hok was te nauw voor één’ man om er, zonder toevoer
van versche lucht, vierentwintig uren in opgesloten te blijven, hoe
veel te nauw was het dan niet voor de twaalf personen, waaruit de
bemanning van de „Maze” bestaan had!
Het werd er snikheet, en naarmate de hitte toenam, begonnen de meesten
ook woelig te worden, niettegenstaande de eerste stuurman, die nog
eens in Algiers gevangengezeten had, en er dus alles van wist, hen
aanmaande, toch zoo bedaard mogelijk te blijven.
„O, eer de dag een uur ouder is, ben ik toch al van de hitte gestorven!
Een half uur later of vroeger doet er niets aan af of toe,” klaagde
Govert.
„Zwijg, lummel, gij moogt niet met uw leven spotten! Wie weet of er
niet binnen het uur redding opdaagt. Ik voor mij denk altijd nog, dat
het eene vergissing geweest is, en dat we weldra allen zoo vrij zullen
zijn, als een vogel in de lucht,” hernam de stuurman.
„Vrij zijn!” Hoe weinig men ook aan zijne woorden geloofde, men hoopte
er toch op.
Maar de tijd ging voorbij, liever, de tijd kroop voort.
Ééne minuut in dit akelige hol scheen een uur.
De hitte en de benauwdheid namen hand over hand toe.
„Water! Water!” klaagde Steven, die nu onmogelijk langer zwijgen kon,
daar hem de tong aan het gehemelte kleefde van dorst.
Nauwelijks had één dat geroep laten hooren, of „Water! Water!” werd van
alle kanten geroepen.
Maar geen vriendelijke hand opende een luik om versche lucht te
brengen. Geen vriendelijke hand kwam en bood den gemartelden mannen
één’ dronk waters!
Alleen het eentonig: „stap stap,” van den schildwacht en het klagend
gesteun van de opgeslotenen werd gehoord, meer niet.
De ellende werd onbeschrijflijk.
„Pieter, Pieter, waar ben-je?” klonk nu op eenmaal eene zwakke stem.
Het was die van Jan Dirksz.
Pieter kroop op het geluid toe en een’ arm grijpende, vroeg hij: „Is
dat de arm van Jan Dirksz.?”
„Dat is de arm van mij, van schipper Zegers, jongmensch! Wat wil-je van
mij hebben?”
„Ik zoek Jan Dirksz. Hij heeft mij geroepen!”
„Er ligt hier wat op den grond; misschien is hij dat wel, dien je
zoekt!”
Pieter, die toch werkelijk geen jongen meer was, stoorde zich op dit
oogenblik niet aan dat barsche „jongmensch” van den schipper, die hem
heel dikwijls zoo toesprak, meer uit gewoonte, omdat hij hem als knaap
gekend had, dan met eenig oogmerk om Pieter te beleedigen.
„Ben-je hier, Jan?” vroeg Pieter nu, terwijl hij zich bukte en met de
halfvrije hand rondtastte.
„Ja,” klonk het zwak, „hier ben ik! O, ik ga sterven! Wat wa-water,
Pieter! Vraag, vraag het eens aan den schild-schildwacht!”
„Die geeft het toch niet!”
„Dat- weet- je- niet! Vr-aag ma-maar!”
Pieter stond op en zocht de plek, waar de deur moest zijn. Zien kon hij
haar niet; maar de schildwacht liep er voor. Zoodra hij meende de deur
gevonden te hebben, klopte hij er tegen.
„Wat wilst doe?” vroeg de soldaat in vrij goed verstaanbaar
Nederlandsch.
„Och, als je een landsman van ons bent, geef ons dan wat water!”
schreeuwde Pieter, zoo hard hij kon, om goed gehoord te worden.
„Ikkik ’eb keen waoter, neen ik. Waor zou ik het ’aolen, jao? Ikkik kan
ook niet van main’ post. De koegel zit er op jao, als ikkik main’ post
verlaot. Maor ’ebbe gai maor patientie, jao! Over een uurken komen ze,
en dan gaot ge allemaol naor de galaien. Ebbe maar patientie, zegge ik
oe,” antwoordde de soldaat, die blijkbaar een Vlaming in Spaanschen
dienst was.
„Vraag eens hoe laat het is, Pieter!” zei Steven.
Pieter deed dat en het antwoord was: „Het is nog geen vier uren in den
naonoen! Bel neen, ikkik zegge oe, het is nog zoo ’eel laot niet!”
Opnieuw wilde Pieter wat vragen, doch opeens fluisterde de schildwacht
door het sleutelgat: „Stille, wees stille, zegge ik oe; want daor komt
onze Kapitaono Don Calliado. Het en is mai niet toegestaon met oe te
praoten. Zwaig en ’oude oe koest!”
Pieter zweeg en ieder luisterde of Don Calliado ook in de gang komen
zou, en zoo ja, dan moest men weten wat hij zei.
Maar in plaats van één’ man te hooren aankomen, hoorden ze er meer dan
één’, benevens het rammelen van kettingen.
„Let op,” sprak de eerste stuurman; „ze gaan ons opschikken. We krijgen
kettingen aan de voeten!”
De deur ging open en bij het daglicht, dat in de gang viel, zag men uit
den kelder een’ damp opstijgen, alsof van een’ grooten ketel met kokend
water het deksel even opgelicht werd.
Twee mannen traden binnen en begonnen onze zeelieden twee aan twee, de
voeten aan elkander te ketenen.
Pieter werd gekoppeld met den eersten stuurman, en hoewel hij liever
gezien had, dat Jan Dirksz., Willem Blokmaker, Govert of Steven zijn
makker ware geweest, toch dacht hij, dat er misschien nu meer kans op
ontvluchten zijn zou. Hij kende Nelissen, den stuurman, en meende zeker
te weten, dat hij vroeg of laat wel pogingen zou aanwenden, vrij te
komen. Hij was immers in Algiers ook wel ontvlucht! En dan ging hij,
Pieter, zeker mee. Waarheen?
Eenige soldaten en andere mannen traden binnen en brachten de
schepelingen in een grooter vertrek, waar men hen tot op het ondergoed
ontkleedde en een’ dunnen boevenkiel en een soort van broek aantrok.
Kousen en schoenen werden hun ook uitgetrokken, doch hiervoor kregen ze
niets anders in de plaats. Ze zouden blootsvoets moeten loopen.
En nog waren alle vernederingen niet geleden.
Een ruwe kerel knipte hun de haren af en toen dat gedaan was, kwam er
een ander, die met een scheermes hun het hoofd geheel kaal schoor. Geen
haartje was op hun hoofd of gelaat te zien.
Nog, neen, nog was alles niet geleden.
Men sleepte voetboeien, zware kettingen, aan en hiermede werden ze,
twee aan twee aan elkander gekoppeld.
Dat er zelfs bij de ruwsten onder de bemanning der prijsverklaarde
„de Maze” tranen langs de wangen biggelden, wie is er, die dat niet
begrijpt? Wie, die dit niet gevoelt?
Ze waren nu klaar voor het werk, dat hen wachtte!
De galeiboeven waren in hunne uniform gestoken!
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Pieter heeft weer stoppeltjes.
Onder behoorlijk geleide en een hernieuwd geschreeuw van straatbengels
werden schipper Zegers en zijne elf mannen aan boord van „de Lucera”
gebracht, waar zes banken voor hen waren leeggemaakt. De overige
roeiers, allen Spaansche boeven, ontvingen hunne makkers met
schimpschoten, gevloek en gelach, doch daar ze dat deden in hunne
platte, Spaansche boeventaal, zoo verstonden de onzen er niet alles
van, en dat was maar goed ook, want hun leed was al groot genoeg.
Galeislaaf zijn, wat was dat eigenlijk in dien tijd?
Een schip heeft om op zee voort te komen en in de goede richting te
varen, masten, zeilen, staand en loopend want, kortom, tuigage noodig.
Een roer is ook onmisbaar. Dit alles is een onderdeel van het schip,
en het wordt door de bemanning gebruikt op dezelfde manier, als een
timmerman zijn gereedschap. Maar alles is dood, levenloos, zonder
eenig gevoel. Het zijn machine’s. Welnu, de galeislaven waren niets
anders dan machine’s, en ze behoorden tot de tuigage van het schip,
tot de gevoellooze, doode tuigage. Men kon ze trappen, knijpen, slaan,
branden, schroeien, wat hinderde het? Tuigage is dood en voelt tóch
niets. Opdat de tuigage niet door wind of water verloren ga, is ze aan
het schip vast. Ook de tuigage, die uit galeislaven bestond, was aan
het schip vast. Met de ketenen, die ze aan de voeten hadden, werden ze
in het schip aan de roeibanken der galeien geketend. Moest de galei in
een’ storm in de diepte wegzinken, de tuigage: masten, roer, zeilen,
enz. zonk mee. Ook de slaven-tuigage, die vast aan het schip was,
verdween in de diepte. Toch was er onderscheid tusschen die slaven en
al de andere tuigage, die werkelijk uit levenlooze voorwerpen bestond.
Men beschouwde galeislaven wel als levenlooze tuigage, maar ze waren
niet levenloos. Ze leefden en hadden een’ wil, en die wil kwam wel
eens in verzet tegen den wil der bemanning. Als dat waar was, moest de
slavenzweep den slavenwil doen verdwijnen. Eten en drinken hadden die
slaven ook noodig, doch dat beduidde niets. Een zeil moest op zijn tijd
getaand, een kabel geteerd, een rad in de olie gezet worden. Zie, nu
weet ge wat in dien tijd galeislaven waren, of, neen, ge weet nog niet
alles.
Een troost is het vaak voor een lijdend mensch aan een ander mensch
zijn leed te klagen. Ook dát mochten de galeislaven niet. Ze moesten
stom naast elkander zitten en geen woord spreken. Gebeurde dat, zooals
nu gebeurd was toen de mannen van „de Maze” op de galei kwamen, en ze
door de slaven, die er al waren, vervloekt en uitgescholden werden,
dan vond de man met de zweep dit wel aardig, en dat spreken liet hij
lachend toe, doch ander spreken niet, en toen de eerste stuurman tot
Pieter zeide: „Wel, nu nog mooier! Je zult zien, Heyn, dat wij zelf
nu zullen moeten medewerken om onze landgenooten ook op de galeien te
brengen,” daalde de zweep neer en striemde de nauwelijks met wat vodden
bedekte huid van den arme, die het waagde een woord te spreken.
„Leelijke schildpad, mogen wij hier met elkander niet praten?” vroeg
Pieter op brutalen toon.
Een tweede zweepslag, heviger dan de eerste, doch nu op Pieters
schouders, was het eenige antwoord.
Pieter verkropte zijn leed zoo goed mogelijk en deed, alsof de slag hem
geen pijn gedaan had.
Ondertusschen hadden de schipper en Dirksz. al eens beproefd of ze, ter
stilling van den dorst, want nog altijd hadden ze geen druppel drinken
gehad, niet wat zeewater met de hand konden scheppen. Doch pas hadden
ze hiertoe pogingen aangewend, of er daalden op de handen, nog rood van
de koorden, waarmede ze gebonden waren geweest, ook zweepslagen neer.
Jan Dirksz. gaf een’ gil van pijn, en toen Pieter eens even omkeek,
ontving hij weer een’ slag en ditmaal vlak over de wang. De tranen
sprongen hem uit de oogen, doch al zwol de wang ook op, al was de pijn
snerpend en fel, geen klacht kwam over zijne lippen.
Eindelijk werden eenige kruiken met drabbig water en een paar hompen
droog brood gebracht.
Als honger rauwe boonen zoet maakt, dan werd het hier bewezen; want de
arme mannen deden, na zooveel honger en dorst geleden te hebben, een
koningsmaal.
Men roeide dien dag gestadig heen en weer, en hoewel iedere slaaf zeer
goed aan de beweging der galei bemerkte, dat men niet meer in de haven,
maar in volle zee was, zoo kon hij toch niet ontdekken, waar ergens
hij zich bevond. De roeibanken waren veel te laag om in zee te kunnen
zien. Men vermoedde evenwel, dat Don Calliado op den uitkijk was of
hij nog niet een tweede Nederlandsch schip zag. Hij kruiste evenwel
tevergeefs rond en toen het avondschot, van een nabijgelegen fort aan
den wal, viel, roeiden ze de Taag op en werden ze, in de nabijheid van
het schip, in een hok gebracht om daar den nacht door te brengen, of te
wachten tot men hen riep om opnieuw de galei voort te roeien.
Gelukkig was dit hok veel grooter dan het andere, en het dak was voor
een gedeelte open, zoodat ze over gebrek aan versche lucht ook niet te
klagen zouden hebben. Eenige bossen stroo en riet lagen daar op den
kalen grond, en hierop konden zij zich uitstrekken om in den slaap te
vergeten, dat ze ellendige galei-slaven waren, en te droomen van ....
ja, waarvan zoo al? Eigenlijk van alles.
En ook Pieter had een’ droom. Hij zag zijne Moeder het huis uitgaan
en spoedig daarop terugkeeren met een’ vollen geldbuidel. Op dien zak
stond wat geschreven; maar wat, dat kon hij niet lezen. Zij lachte hem
vriendelijk tegen en kwam met een’ doek, met koud water bevochtigd, om
hem de gloeiende wang te verkoelen.
„Houd maar moed, mijn jongen,” dus hoorde hij haar zeggen, „over een
paar maanden ben-je vrij. Wij zullen je loskoopen!”
Toen ze dit gezegd had, keerde ze den zak hem zóó toe, dat hij lezen
kon, wat er opstond. Hij las: „Matroozen-troost.”
Pieter werd van blijdschap wakker en voelde nu, dat de regen, die door
de openingen van het dak viel, hem het gelaat verkoeld had. Dat was dan
de doek met koud water van zijne lieve Moeder geweest. Maar over dien
doek dacht hij niet meer. Hij dacht alleen aan „Matroozen-troost” en
aan het geld, dat in den zak was, om hem vrij te koopen.
Thans stond hem alles klaar voor den geest. Hoe dom was het van
hem geweest, dat hij er niet reeds dadelijk aan gedacht had, dat
hij lid was van eene vereeniging, die zich ten doel had gesteld,
gevangengenomen varensgezellen vrij te koopen! Ja, hij herinnerde
zich wel, dat er altijd gesproken was van gevangengenomen worden
door Duinkerksche kapers, maar hij meende, dat de hulp van
„Matroozen-troost” zich ook wel uitstrekken zou tot hen, die nu op de
Spaansche galeien zaten. Vol blijdschap en hoop, dat hij althans niet
gedoemd zou zijn, lang die martelingen te ondergaan, viel hij opnieuw
in slaap en werd eerst wakker toen zijn kameraad hem aanstootte en
zeide: „Als je soms nog wat te zeggen hebt, doe het dan nu! Als we
straks aan boord zijn, wordt ieder woord, dat wij spreken, met een’
zweepslag gestraft.”
Pieter vertelde hem thans zijn’ droom, en de hoop, die hij had,
vrijgekocht te zullen worden.
„Hoop doet zelfs een’ galeislaaf leven,” antwoordde Nelissen, „maar
die hoop bestaat voor ons niet. „Matroozen-troost”, waarvan ik ook lid
ben, koopt alleen mannen vrij, die door Duinkerkers gevangengenomen
worden. Dat er ook zoo iets met onze matrozen in Spanje en Portugal
zou kunnen gebeuren, hieraan heeft men nooit gedacht en daarom is de
jaarlijksche bijdrage ook zoo laag. Een schat van geld zou er te kort
komen, als „Matroozen-troost” ook ons moest loskoopen. Voor mijzelven
heb ik dus hierop heelemaal geen hoop, en als ik ze toch nog heb,
dan is het om wat anders. Aan de Algerijnsche slavernij wist ik door
de vlucht te ontkomen en dat ook hier eens te kunnen doen, is mijn
eenige troost, hoewel de kansen veel geringer zijn, want vergeleken
bij de behandeling hier, hadden we in Algiers een prinsen-leventje.
Het kan evenwel zijn, dat Don Calliado de wreedste van alle Spaansche
Scheepskapiteins is, en dat we er later een’ krijgen, die minder tijger
en meer mensch heet, want ook onder de Spanjaarden zijn mannen met
edele harten. Denk maar eens aan den nobelen, dapperen, eerlijken en
braven Mondragon.”
„En als die Calliado nu hier blijft en we geen Mondragon krijgen?”
„Ja, dan is het eindje de dood. Maar misschien heeft je Moeder of je
Vader een’ vetten spaarpot of een’ vriend met eene goedgespekte beurs.
Als dat zoo is, ja, dan is er hoop om losgekocht te worden voor jou,
maar ook voor jou alleen!”
Pieter was ineens ternedergeslagen.
Wat had hij zich in die enkele oogenblikken niet al verheugd! En nu?
„Moeder heeft geen geld!” zeide hij met groote tranen in de oogen.
„Welnu, dan is je lot, evenals het onze, ook beslist! Dan blijf-je hier
tot aan je dood!”
„O, lieve Heer! Zóó lang! Zóó lang!” kermde Pieter.
„Welneen, vriend, niet lang! Of, laat ik vragen: wat noem-je wel lang?
Laat hooren!”
„Wat lang is? Wel, veertig jaar bijvoorbeeld!”
Stuurman Nelissen begon te lachen.
„Dus,” hervatte hij op eenigszins spottenden toon, „je denkt dat iemand
op de galeiën twee-en-zestig jaar oud wordt?”
„Gisteren zat er vlak voor ons één, die zeker ouder was!”
„Goed; maar wanneer is die man hier gekomen? Niet ieder wordt jong al
galeislaaf. Dat gaat hier als met den dood. De menschen sterven op alle
leeftijden; de galei-boeven komen hier met alle mogelijke jaren achter
den rug. Ik ben straks vijftig!”
Pieter ontroerde. Wat was die Nelissen vreeselijk hard en koud in zijn
spreken. Maar....
„Misschien heb-je in het geheel geen familie, dat je er zoo koud over
praten kunt!” sprak Pieter.
„Geen familie?” zeide Nelissen nu opeens bijna snikkend. „Geen familie?
Ik heb eene oude, lieve Moeder, die ik onderhoud. Ik heb eene vrouw en
vijf, nog jonge, kinderen. Heb ik geen familie?”
„Ja, Nelissen, dat heb-je, man! Maar hoe kan-je dan toch zoo
onverschillig spreken?”
„Dat is zoo mijne manier, Pieter! Maar nog altijd ben-je het antwoord
op mijne vraag schuldig gebleven. Wat noem-je lang?”
„Nu, dat heb ik gezegd: veertig jaren!”
„Veertig jaren? Pieter, Pieter, wat ben-je nog onnoozel! Eer we vier of
vijf jaar verder zijn, dan zijn we geen galeislaven meer! Dan is alle
leed, dan is alle smart vergeten! Dan zijn we dood!”
„Maar dat meen-je toch niet?” riep Pieter, voor wien het leven nog
zooveel heerlijks had. „Neen, neen, dat is bangmakerij! Dat kan-je niet
meenen!”
„Volstrekt geen bangmakerij, mijn jongen! Ik meen het wel en ik ben er
van overtuigd, dat het zóó is en niet anders. Maar wat ik zeggen wil:
Ik heb zooeven verteld, dat „Matroozen-troost” hier niet helpt! Heb ik
niet?”
„Ja, en....”
„Maar ~troost~ is er voor arme ~matrozen~, die aan de galei-banken
geklonken zijn, toch.”
„O ja, de troost, dat hij ontvluchten kan. Wanneer zullen we dat eens
beproeven?”
„Zeker, dat is een troost, maar .... het is een schrale troost, mijn
jongen! Men ontvlucht, als er eene gunstige gelegenheid is, en die doet
zich maar zelden voor. Neen, als de zeeman op de baren rondzwalkt, te
midden van den storm, zonder roer, en ieder oogenblik in gevaar op
eene klip het schip te bersten zien stooten, dan blijft hem altijd nog
één troost over, en die is, dat de Groote Man daarboven,--neem me niet
kwalijk, dat ik Hem zoo noem; Hijzelf zal dat ook wel niet kwalijk
nemen,--dat de Groote Man daarboven ook een Vader is voor arme zeelui,
die in nood en in doodsangst verkeeren! En zoo, Pieter, denk ik er hier
ook maar over. Dat is nu mijn „Matroozen-troost”. Een mensch kan zijn
lot niet ontloopen, en dat lot te dragen, in het volle vertrouwen op
den Grooten Man, dat geeft kracht om in het leven te blijven, zoolang
men kan. Dat geeft lust om te hopen, zoolang men leeft!”
Pieter voelde zich door de woorden van den zeeman, die op het oog zoo
ruw en onverschillig leek, heel wat opgeruimder gestemd. En al ontving
hij dien dag ook bij slecht water en droog brood menigen onverdienden
zweepslag, hij bleef vrij kalm en gelaten in zijn lot.
Zoo gingen weken, ja, maanden voorbij.
De helft der manschappen had de roeispaan al voorgoed nedergelegd, met
andere woorden, was onder nameloos lijden bezweken. Tot dezen behoorden
Jan Dirkz., Govert en de schipper. Langzamerhand hadden al de Spaansche
galei-slaven plaats gemaakt voor gevangengenomen Nederlanders; maar al
duurde het ook nóg zoo lang, de tienduizend slagen van Don Calliado
schenen nooit uitgeteld te zijn. Dag aan dag daalden ze striemend neer;
dag aan dag was het drinkwater slecht en het brood bijna oneetbaar. De
dunne kleederen hingen er aan lappen en vellen bij, en de gevolgen van
de gedwongen onreinheid, neen, die verzwijg ik liever maar. Ze passen
niet voor een jong oor.
En geen berichten uit het lieve Vaderland! Hoe zouden die er ook komen?
De Nederlanders, die op „de Lucera” de Spanjaarden vervingen, waren
omstreeks denzelfden tijd als zij, gevangengenomen. Hun nieuws was dus
voor hen geen nieuws, maar wat ouds.
Hoorden ze maar eens wat! Het was wel niet nobel en goed, maar bijna
verlangden ze naar een andermans leed, en hoopten ze, dat er weer eens
een Nederlandsch schip zou genomen worden, en dat de bemanning dan hun
lot op „de Lucera” kwam deelen. Konden ze op de roeibanken ook al niet
met elkander spreken, des nachts was er toch wel gelegenheid voor.
Wie weet, wat men dan vernemen zou, want dat de zaak voor Spanje in
Nederland slecht stond, slechter dan toen ze het Vaderland verlieten,
dat stond bij allen zoo vast, als een paal boven water.
Maar--hunne hoop werd niet vervuld, want toen men in de Republiek wist,
wat er in Spanje met de Nederlandsche schepen en de bemanning gebeurde,
kwamen er geen schepen uit het Vaderland meer.
„Zouden Vader en Moeder Heyn, Simon, Jacob en Cornelis nog leven?”
dacht Pieter vaak.
Och, kon hij hun maar eens wat, al was het nog zoo weinig, van zich
laten hooren! Hoe hard de slavernij ook ware, hij zou tevreden geweest
zijn.
Maar zij daar in het Vaderland, hoorden niets! Ze wisten niets, en ook
hij, hij hoorde niets en wist niets!
Arme menschen!
Zoo waren ze reeds meer dan twee jaren op de galeiën. Nog altijd bevond
stuurman Nelissen zich goed bij zijn’ „Troost der Matrozen”. Nog altijd
bleef hij hopen! En als Pieter eens dreigde moedeloos te worden, dan
zeide Nelissen: „Hoor eens, kompeer, je kunt lezen, en je Bijbeltje,
dat je nu al zóó lang en zóó handig voor het oog van de Spanjolen hebt
kunnen verbergen, geeft je, naar het schijnt, ook al niet veel. Ik heb
geen Bijbel en kan er dus des morgens niet in lezen, maar zonder Bijbel
breng ik het verder dan jij met een. Je leest zeker niet goed, anders
zou-je niet zoo neerslachtig en hopeloos wezen.”
„Wat valt er dan te hopen?” vroeg Pieter korzelig. „Het komt me voor,
dat jij het meer doet dan ik!”
„Wel, dat doe ik ook. Is er in de laatste dagen niet eene groote
verandering ten goede gekomen? Hebben we, als Capitano van de
nachtwacht, in Don Fernando niet iemand gekregen van het goede soort,
als Mondragon was? Mogen we ons niet iederen avond en morgen flink
wasschen? Kregen we geen beter stroo om op te slapen? Zorgt hij niet
dat ons brood goed en ons drinkwater zuiver en frisch is? Heeft hij ons
ooit onverdiend laten slaan? Moet hij ons den eersten snauw nog niet
geven? Toe, antwoord hier eens op!”
Misschien dat Pieter dit zou gedaan hebben, doch een vreemd geluid
buiten de deur in de gang deed niet alleen Pieter en Nelissen, maar ook
al de anderen opspringen, en een: „Wat zou dat zijn?” klonk uit aller
mond.
[Illustratie: „Hop, hop, mannen! Ik heb je wat goeds mede te deelen!”
(Bladz. 85).]
De deur werd geopend en vóór hen stond een Officier, een ander dan Don
Calliado, en deze riep: „Hop, hop, mannen! Hop, ik heb je allen, voor
zoover gij Nederlanders zijt, iets mede te deelen!”
Er waren onder deze galei-slaven geen andere dan Nederlanders, zoodat
allen op dat geroep voor hem kwamen staan, nieuwsgierig om te weten,
wat de Capitano, die er op het oog zoo grimmig en bar uitzag, doch
die innerlijk zulk een nobel en goedhartig man was, te zeggen had.
Hier was het werkelijk: „de schijn bedriegt.” Hoe vele Spanjaarden ook
al door deze arme Nederlanders verwenscht waren, hem hadden ze nog
nooit verwenscht, ja, als ze maar geen galei-slaven van de Spanjaarden
geweest waren, dan zouden ze hem inderdaad liefgehad hebben.
„Mannen,” dus begon hij, toen allen stonden, „ik heb u een heuglijk
nieuws mede te deelen. Gij allen zijt vrij!”
Tot zijne verwondering gaven de slaven geen enkel bewijs, dat zij er
verheugd over waren.
„Hoe nu? Wilt gij liever hier blijven dan dat gij naar uw Vaderland
wederkeert?” vroeg hij hartelijk.
„Wij kunnen het niet gelooven, Senor!” zeide Nelissen.
„Nu, ik kan u het geloof niet anders geven dan u nogmaals te zeggen:
„Gij zijt allen, allen, niet één uitgezonderd, vrij!”
„Senor,” hernam Nelissen, „wees niet boos, dat we u nog niet gelooven!
Zeg ons hoe het komt, dat we vrij zijn!”
Don Fernando lachte en zei: „Waarom zou ik boos zijn, man? Ik wil u met
alle genoegen uitleg geven. Verleden jaar heeft Prins Maurits,--een
kranig veldoverste, dat moet ik bekennen,--eene schitterende
overwinning op de onzen behaald bij zeker stedeke Nieuwpoort, in
Vlaanderen. Tot hen, die gevangengenomen zijn geworden, behoorden vele
aanzienlijke mannen. De aanzienlijkste van allen evenwel is de Admirant
van Aragon, onze dappere en knappe Mendoza. Hij is tegen u allen in de
schaal gelegd, en weegt zooveel als gijlieden te zamen. Ge wordt tegen
hem uitgewisseld!”
Thans steeg er een oorverdoovend gejuich onder de gevangenen op, en
toen ze van hunne voetboeien bevrijd waren, begonnen sommigen van
louter blijdschap zich aan te stellen, als halve krankzinnigen.
Pieter stond van vreugde in een’ hoek te weenen. Toen kwam Nelissen bij
hem en fluisterde hem in het oor: „Wel, is de „Troost der Matrozen”
goed of niet? Wat zegt gij nu van dien Grooten Man daarboven?”
„Dat ik Hem mijn leven lang dankbaar zal zijn, Nelissen, voor Zijne
hulp in nood! Dat zàl ik!”
„Goed, en .... dat ge voortaan ook op Hem vertrouwen wilt, nietwaar?
Niets maakt een mensch in ongeluk, in leed en in ramp zóó sterk, als
dat vertrouwen op den goeden God. Wij zijn altijd en overal Zijne
kinderen,” zeide Nelissen, waarop beiden de anderen volgden, die onder
geleide van Don Fernando naar de haven gebracht werden, waar men hun
op zijn bevel, misschien wel op zijne kosten, niet alleen van eten en
drinken, maar ook van geschikte kleederen voorzag. Een tegenvaller
was het echter, dat er geen schip lag, dat hen naar het Vaderland
kon brengen, zoodat ze meer dan eene maand lang geduldig moesten
wachten. Gelukkig bleef Don Fernando uitstekend voor hen zorgen, dat
ze aan niets gebrek leden, en in een der vertrekken van het arsenaal
door niemand werden lastig gevallen. Trouwens, de Portugeezen waren
zoo kwaad niet, want ze waren ook geen vrienden van de Spanjaarden
en hoopten maar, dat zij eens zoo gelukkig zouden wezen, als de
Nederlanders, die hun Vaderland van de Spaansche overheersching
hadden bevrijd. De Portugeezen ondervonden ook hoe zwaar de Spaansche
verdrukking woog.
Eindelijk, na meer dan eene maand wachtens, kwam er een Antwerpensche
koopvaarder, die, na lading ingenomen te hebben, ook de Nederlandsche
vrijverklaarden aan boord nam.
„Eén geluk, maat,” zeide Piet, terwijl hij met de hand langs zijn hoofd
streek, „ik kan weer stoppeltjes aanpakken. Ik zou verlegen geweest
zijn om met zulk een’ vollemaans-knikkerbol in Delftshaven te komen.
Wie weet welk een’ leelijken bijnaam ik zou gekregen hebben.”
Hij streek hierop met de hand langs het hoofd en vervolgde: „Het is nog
wel geen wildernis, zooals Moeder het wel eens noemde, maar ik kan toch
alweer stoppeltjes voelen, weet-je!”
In den Herfst van het jaar 1601 werden al de voormalige galei-slaven
te Vlissingen aan den wal gebracht en ieder repte zich om zoo spoedig
mogelijk tot de zijnen terug te keeren. Stuurman Nelissen vond Moeder,
vrouw en kinderen wel doodarm, doch gelukkig gezond weder. Ook
Pieter was even gelukkig, en toen de eerste vreugde over de behouden
terugkomst wat over was, en Pieter in korte woorden zijn lijden verteld
had, streek Moeder hem de hand over het hoofd en zeide lachend: „Kind,
dat korte haar staat je vrij wat beter dan het verwaaide vlasveld van
vroeger.”
Misschien meende Pieter dat ook wel, want wie een zijner portretten
ziet, zal bemerken, dat hij zeer kort haar droeg.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Wat oorlog is.
Toen Pieter eenige weken thuis was geweest, zag Moeder wel, dat
het haar’ man niet naar den zin was, dat een sterk jongmensch van
vierentwintig jaar, zonder iets ingebracht te hebben en zonder ook
iets te verdienen, zijn’ Ouders zoo lang tot last was. De voormalige
Watergeus toch, eens een man, die niet wist wat ziekten en gebreken
waren, begon af te takelen en kon niet meer doen, wat hij vroeger
deed. Hij bemerkte het aan alles: de ouderdom komt met gebreken.
En die gebreken zouden te dragen geweest zijn, als de verdiensten
er niet onder leden, doch dat was juist het geval. Wel kon hij nog
voor zichzelf en zijne vrouw den kost verdienen en waren Simon, Jacob
en Cornelis hem niet meer tot last, omdat dezen hun eigen kost en
kleeren konden betalen, maar Pieter scheen in Portugal uitgehongerd
te zijn of wel, hij had er, zooals de oude man wel eens spottend zeî:
den bodem van zijne maag laten liggen, en met hem in huis ging het
ophalen van het kostje niet zoo best meer. Jacob, Simon en Cornelis,
die nog alle drie thuis waren, ontdekten al heel spoedig, dat Moeder
Heyn vier zoons had, waarvan er één Pieter heette, welke Pieter nooit
uit hare gedachten was. Ze ging met Pieter naar bed; ze stond met
Pieter op; ze werkte met Pieter den heelen, lieven dag; kortom, Pieter
lag in haar hart opgesloten, als een edelsteen in gouden rand. Met
Jacob ging het op het timmeren vrij goed, en Simon en Cornelis, die
kaaigasten geworden waren, verdienden nu eens veel, dan eens weinig.
Dat hing geheel en al af van de meerdere of mindere scheepvaart. En
die scheepvaart was in de laatste jaren door de handelwijze van den
Spaanschen Koning niet zoo heel aanzienlijk geweest. Toch verdienden
ze altijd nog genoeg om zichzelf te onderhouden en Vader en Moeder zoo
nu en dan eens wat te helpen, maar ..... dan moest hunne Moeder ook
niet doen, alsof ze maar één’ zoon had. Voor haar en voor Vader wilden
ze wel werken, ze wilden dat ook wel doen voor broer Piet, want zijne
schuld was het niet, dat hij buiten de verdiensten was, maar ..... nu,
ge begrijpt me wel: ze wilden in Moeders hart dan ook hetzelfde aandeel
van het liefdeplaatsje hebben. Nu en dan lieten zij zich woorden
ontvallen, waaruit Moeder opmaken kon, hoe Piet’s drie jongere broeders
er over dachten. Ook Piet bemerkte dat heel goed, en het voornemen
om hierin verandering te brengen bestond reeds bij hem, doch om de
waarheid te zeggen: hij zag er tegen op om er over te beginnen.
Eens echter dat hij heel alleen in het kleine woonvertrek bij het raam
aan tafel zat, had hij een groot boek, een’ zoogenaamden foliant voor
zich.
Wie voorbij het raam ging en eens even naar binnen keek, zou zeggen:
„De jonge Pieter Heyn leest!”
Wie echter wat lang bleef kijken, zou al heel gauw zeggen: „Dat is raar
lezen! Ik zie geen bladen omslaan!”
Het was geen lezen en ook geen raar lezen, dat Pieter deed. Hij had wel
eene reisbeschrijving van Jan Huygen van Linschoten voor zich, maar hij
las in het geheel niet. Hij zag zelfs de groote, vette letters niet,
waarmede dat boek gedrukt was.
Hij zag, en dat zegt nòg meer, zelfs geen boek.
De jonge Pieter Heyn dacht aan hetgeen hij in den laatsten tijd zoo dag
aan dag hier in huis hoorde of waarnam. En hoe meer hij dacht, hoe meer
er iets kwam, dat hem in den weg ging zitten, want nu en dan liet hij
een wrevelig voetengeschuifel hooren, of schudde hij driftig het hoofd,
terwijl de vingers het dunne papier van het dikke boek verfrommelden.
Hij had geen vrede met zichzelf; want hij, de sterke, gezonde bul
van vier en twintig jaar,--hij, die krachtig geworden was tegen de
verdrukking en het lijden in,--hij, die er uitzag om heel alleen het
werk van drie of vier te doen,--hij leefde ten koste van anderen, die
minder konden dan hij.
Zijn eerlijk en eergierig hart kwam daar tegen op!
Wat was hij blijde geweest alweer thuis te zijn, hij, die al gedacht
had, dat hij als „kaalhoofd” weldra een graf zou krijgen op den bodem
van den Oceaan!
Wat waren ze blijde, innig blijde geweest toen ze hem weer zagen,
Vader, Moeder, Jacob, Simon en Cornelis!
Moeder?
Ja, Moeder was nog blij, dat kon men haar zoo aanzien! Ze was zoo
gelukkig haar’ Piet, haar’ lieveling weer bij zich te hebben!
Had zij hem niet te veel lief? Deelde ze haar hart wel eerlijk uit
onder hare vier kinderen? Kreeg hij, Piet, niet een te groot deel en de
anderen een veel te klein?
En als die anderen er nu eens niet waren, of ze gingen de wijde wereld
in, ieder alleen om voor zichzelf te zorgen? Wat moest er dan van hem,
van den lieveling Piet, worden? Een hongerlijder!
Doch de broeders gingen niet de wijde wereld in! Ze bleven thuis om met
hunne verdiensten, zoo moeilijk bekomen en betaald met hun zweet, hunne
Ouders te steunen en--den nietsdoener te voeden!
Neen, neen, Jacob, Simon en Cornelis hadden geen ongelijk, en Vader,
die zeker ook dikwijls dacht, als die drie, had ook geen ongelijk.
Wat moest hij doen?
Hij wist het nog niet recht, maar dat hij verandering moest brengen,
dat wist hij zeker.
Stil, daar kwam Moeder! Zij mocht niet zien, dat er hem wat in den weg
zat, en daarom gedaan, alsof hij ijverig las!
Nu werden er bladen gekeerd en Moeder trad binnen.
„Wat lees-je daar, Pieter?” vroeg zij, terwijl ze met hare vingers hem
den gespierden nek streelde.
„Ik lees Jan Huygens boek, Moeder!”
„Zoo! Ik wenschte wel, dat we rijk waren, jongen!”
„Waarom, Moeder?”
„Wel, dan kon ik je ongestoord laten lezen! Ik zou je al de boeken
geven, die je hebben wildet!”
„Och, Moeder, in veel boeken zit het weten niet. Één goed boek, dat
gelezen en nog eens gelezen wordt, doet meer nut dan honderd boeken,
die zoo maar eens terloops doorbladerd of vlug en slecht gelezen
worden!”
„Ja, jongen, dat geloof ik ook wel. Maar als je nu zulk een boek leest,
Pieter, heb-je dan nog lust om naar zee te gaan, of vermindert die lust
er door?”
„Wel neen, Moeder, de lust vermindert er niet door; integendeel, de
lust wordt er door aangewakkerd om zoo spoedig mogelijk die verre
landen te gaan bezoeken.”
„Dus je hebt dan nog altijd lust om....”
Pieter liet zijne Moeder niet uitspreken. Hij sloot het boek en haar
aanziende, zeide hij: „Moeder, er zit u wat op het gemoed. Waarom
spreekt u niet open en rond met mij?”
„Wel, jongen, doe ik dat niet?”
„Neen, Moeder! Er is wat, dat niet in orde is, en ge durft het mij niet
ronduit zeggen!”
„Maar, Pieter!!”
„Ja, Moeder, doe maar zoo vreemd niet, alsof ik den bal geheel missla.
Er zit u wat onaangenaams in den weg, Moeder!”
„Och, jongen, dat verbeeldt gij uzelven maar!”
„Neen, Moeder! Ik ben geen kind meer! Ik heb met mijne oogen leeren
zien, en ik wil eens raden, wat ge op het hart hebt!”
„Dat kan-je toch niet! Zoo knap ben jij niet en is niemand.”
„Nu, we zullen zien! Omdat ik hier zit en geen’ penning in huis breng,
ben ik hier zooveel, als het vijfde wiel aan den wagen.”
„Pieter, zwijg!” riep Moeder, terwijl haar de tranen uit de oogen
sprongen.
„Luister, Moeder! Ik heb nog niet alles gezegd. Als het van u afhing,
dan bleef ik mijn leven lang hier, al voerde ik geen slag werk uit. Dat
weet ik, Moedertje! En zoo er sprake is, dat ik hier te veel ben, dan
geldt dat u niet, dan geldt dat Vader en mijne broeders!”
„Uw Vader meent het zoo kwaad niet, jongen!”
„Dat weet ik wel, Moedertje, dat weet ik wel! En Jacob, Simon en
Cornelis meenen het óók zoo kwaad niet. Maar de verdiensten zijn
tegenwoordig zoo luttel, dat het hun wel ergeren moet, dat ik hier zit
en niets doe om ook een stuk brood thuis te brengen. Ik wil eerlijk
zijn en ronduit zeggen, dat ik als mijne broers zou doen, als één
van de drie in mijne en ik in zijne plaats was. Ik heb al lang en
breed gezien, hoe er gerekend en nog eens gerekend moet worden om den
schralen pot betaald te krijgen, en daarom, ik ga weer naar zee!”
„Heb-je dan een schip, en ga-je weer als tweede stuurman uit?”
„Een schip heb ik nog niet. Moeder! Het is hier alles doodstroom. Ik ga
ten oorlog varen!”
„Ten oorlog, jongen? Doe dat niet, neen, doe dat niet! Je kunt niet
beseffen, hoe ik in gestadige vreeze zal verkeeren, als ik weet hoe je
dan telkens in gevaar zijt, doodgeschoten te worden!”
„Gekheid, Moeder! Niets dan overdreven vreeze. Heb ik het dan niet
moeten ondervinden, dat iemand, die ter koopvaart uitgaat, zijn leven
en zijne vrijheid ook niet zeker is? Een koopvaarder, al kan deze zich
ook verweren, loopt altijd veel meer gevaar, in handen van den vijand
te vallen, dan een welbemand en goed uitgerust schip van oorlog.”
„Ja, jongen, dat weet ik wel. Maar wie ten oorlog vaart, is genoodzaakt
de gevaren op te zoeken. Een koopvaarder ontwijkt ze uit vrees voor de
lading!”
Moeder Heyn was in al hare eenvoudigheid toch uitgeslapen, en Pieter
zag geen kans dit tegen te spreken. Daarom zei hij dan ook: „Jawel,
Moeder, dat is zoo. Maar ik verveel mij hier aan den wal, en ik neem
maar, wat ik krijgen kan. Ik beloof u, dat ik, als ik anders kán, niet
ten oorlog zal blijven varen. Ik laat mij slechts aanmonsteren voor één
jaar, en is er dan een plaatsje op een’ koopvaarder, dan zal ik er naar
mededingen. Het is dus maar voor tijd en wijl.”
„Nu, Pieter, als je mij dát belooft, ja, dan! Want het is, zooals je
zegt, mijn jongen, de verdiensten zijn zoo gering, dat wij je niet dan
met opoffering van een en ander, dat we toch moeielijk missen kunnen,
voor niemendal den kost kunnen geven. Maar....”
Vrouw Heyn hield hare woorden eensklaps in, alsof ze vreesde iets te
zullen zeggen, dat haar’ oudsten minder aangenaam zou wezen.
„Nu, moeder, spreek gerust uit, wat gij te zeggen hebt en maak van uw
hart geen moordkuil, en al is het nu voor mij niet pleizierig om aan te
hooren, dat doet er niet toe. Ik weet immers, dat uw goed hart er geen
deel aan neemt?”
„Overhaast-je niet, meende ik te zeggen, doch .... een beetje haast
maken zou toch geen kwaad kunnen. Dat kon er moeielijk uit, maar nu is
het er uit. Je gelooft immers niet, dat Vader en--en--ik je wegjagen?”
„Wegjagen, Moeder? Wegjagen? Wat is dát voor praat? Gaat het dan aan,
dat ik het brood, dat een ander in het zweet zijns aanschijns verdient,
in luiheid help opeten? Ben ik niet vierentwintig jaar? Ben ik niet
sterk, niet gezond, niet kloek? Wees gerust, lieve Moeder! Mijn eigen
geweten jaagt mij de deur uit!”
„Zoo, Piet, zoo, mijn jongen! Nu ben ik gerust,” sprak Moeder en ze
viel haar’ lieveling om den hals.
Nog dien eigen middag zocht Piet stuurman Nelissen op. Hij vond hem
thuis.
„Zoo, Heyn, ben-je daar, jongen? Ik zie je tegenwoordig in het geheel
niet! Is er averij aan boord, dat je mij komt praaien? Kom aan, leg
dan aan stuurboordszij aan. Mijn bakboord is door de slagen van den
Spanjool onklaar gemaakt!”
De Spanjaarden hadden onzen Nelissen zoo mishandeld, dat hij met
het linkeroor niet al te best hooren kon. Kwam dus iemand aan dien
kant zitten, dan verzocht hij zulk een, als hij ten minste op zijn
gezelschap gesteld was, van plaats te veranderen en aan zijne
rechterzijde te komen.
Pieter voldeed er dus ook aan en zette zich aan zijne rechterzijde neer.
„Verbeeld u, Moeder,” dus begon Nelissen tot eene oude vrouw, die zich
ook in het vertrek bevond, „verbeeld u, dat deze jonkman met een’
haarbos als een leeuw, een half jaar geleden nog een kaal hoofd had.”
De stokoude vrouw, die wel van Nelissen alles van die galeien had
hooren vertellen, doch die erg vergeetachtig was, lachte en vroeg of
hij dan eene ziekte gehad had.
„Neen, Moeder, neen! Dat hebben de Spanjolen ons gebakken. Hebben we
daar niet meer dan twee jaar met een kaal hoofd gezeten? Telkens als er
een haartje te zien was, kwam er zoo een knul en begon ons hoofd te
scheren. Ik geloof, dat ze van ons haar kabels gemaakt hebben, waaraan
de heele Spaansche vloot voor jaren genoeg heeft. Maar alle gekheid
terzijde, Heyn, dat lange haar staat je heel niet netjes. Je mag den
barbier wel eens een paar duiten laten verdienen, anders gaan alle
Delftshavensche meisjes voor je aan den haal, als ze je in de verte
maar zien aankomen.”
„Dat is minder, Stuur! Ik heb nu heel wat anders in het hoofd om er aan
te denken. Stel-je gerust! En zoodra ik weer een scheepsdek onder de
voeten voel, laat ik weer stoppeltjes maken!”
„Een goed voornemen, maar, heb-je dan een schip?”
„Nu nog niet, maar, als het maar een beetje wil, zal ik er toch een
hebben eer het avond is!”
„Papperlepap, wat eene verbeelding! Denk-je, dat de schepen
tegenwoordig zoo maar voor het oprapen of grijpen liggen? Als dat waar
was, dan zat ik hier niet als een baliekluiver bij moeder de vrouw. Je
zult lang kunnen zoeken, eer je een schip hebt, maat!”
„Toch niet; ik ga ten oorlog varen. De verdiensten zijn er thuis niet
naar om nog langer den luibak te spelen. Ik moet er uit, ten oorlog of
ter koopvaart.”
„Jongen, je zegt daar zoo wat! Wacht even, ik ga mijne vrouw roepen; ze
staat bij buurvrouw aan de waschkuip.”
Nelissen stond op en kwam een oogenblik later met zijne vrouw terug.
„Ga zitten, vrouw, ga zitten,” sprak Nelissen, en toen ze dat gedaan
had, hernam hij: „Het is maar voor een oogenblik. Ik ga weer naar zee!”
„Heb-je dan een gelukje gehad en ben-je weer aangemonsterd?”
„Neen, vrouw, nog niet! Maar hier, mijn makker Pieter, gaat zich
voor één’ zeetocht ten oorlog verhuren. Dat ga ik ook doen! Ja, trek
nu maar geen gezicht, alsof je een stuk van den zwabber in de gort
vindt. Ik zeg maar, Pieter heeft gelijk. Beter blauwe boonen geblazen
en messenvet uit te deelen, dan hier als een dooddoener van een’
slampamper aan den wal armoede en gebrek lijden. Dat had ik te zeggen,
vrouw! We gaan samen naar Rotterdam en van avond komen we thuis, als
mannen van oorlog.”
„Is je dat nu heusch ernst, man?” klonk de verwonderde vraag: „Ik kan
het niet gelooven!”
„Waarom niet, wijfke? Denk-je, dat het mij niet hindert, als ik zie,
dat je bij anderen uit het werken gaat om niet alleen onzen kinderen en
onze oude Moeder, maar ook mij den kost te geven?”
„Toch hindert het mij, man! Er wordt ter koopvaart altijd meer
verdiend!”
„Dat weet ik wel, maar als men nu maar niet op een’ koopvaarder klaar
kan komen, dan zeg ik toch: beter wat dan niemendal. Verdien ik niet
genoeg om het huisgezin te onderhouden, welnu, ga dan twee, desnoods
drie dagen in de week uit werken. Als ik je van de zeven dagen er maar
vier in huis houd, dan ben ik tevreden. Moeder kan ook niet goed meer
weg, en alles doen, wat noodig is. Bovendien, als de Moeder niet thuis
is, zijn de kinderen niet gelukkig. Dus, afgesproken. Na den noen ga ik
naar Rotterdam en laat mij op een oorlogsschip aanmonsteren.”
Nelissen en Pieter begaven zich des middags samen op weg en toen ze
hun’ ouden kameraad Willem Adriaansz. Blokmaker ontmoetten, haalden ze
ook dezen over om dienst op de oorlogsvloot te nemen.
Nog voor het vallen van den avond kwamen ze thuis. Nelissen was eerste,
Pieter tweede stuurman en Willem Blokmaker bootsman op „de Samson”, een
schip van twintig stukken. De Kapitein van dien bodem was Gerbrandt
Jansz. Sael, een wakker burger van Hoorn. Eene week later waren ze
reeds aan boord, en eer men het jaar 1602 telde, kruisten ze al op
de Noordzee, met het oogmerk, Spaansche oorlogsbodems op te pikken.
Ieder oogenblik toch was Spanje genoodzaakt nieuwe manschappen naar de
Nederlanden te zenden, en niet alleen de Staten, maar ook Engeland,
trachtten dit zooveel mogelijk te beletten. Engeland deed dit niet,
omdat het zooveel van de Republiek hield, maar omdat het er belang
bij had, dat Spanje door den oorlog met de Nederlandsche gewesten
steeds van zijne macht verloor. De Engelschen konden toen ook al
rekenen. Nu liep er bovendien opnieuw een gerucht, dat in Spanje eene
groote vloot uitgerust werd om het doel van de „Onoverwinlijke vloot”
beter te bereiken dan deze gedaan had. Wat hiervan aan was, zegt de
geschiedenis niet rechtstreeks, maar wel is het waar, dat Koningin
Elizabeth van Engeland op grond van gemaakte overeenkomsten, de Staten
uitnoodigde, ook eene vloot in zee te zenden om bij mogelijk gevaar
niet overvallen te worden, maar bij de hand te zijn, evenals in 1588.
De Staten voldeden hieraan, en zoo geschiedde het, dat omstreeks
half April van het jaar 1602, Admiraal van Obdam van Duyvenvoorde
met een tiental oorlogsbodems zich naar Engeland begaf en te Duins
tweehonderd Staatsche soldaten ten dienste der Koningin aan wal zette.
De „Samson” kreeg met andere schepen van de vloot, die onder van
Duyvenvoorde stond, eene andere bestemming, doch de Admiraal zette
met de hoofdvloot koers naar Spanje en vereenigde zich daar met de
Engelsche vloot, onder bevel van Admiraal Levison. In het gezicht van
Lissabon werd de Spaansche vloot onverschrokken aangetast, zoodat de
Spanjaarden genoodzaakt waren, hun heil in de vlucht te zoeken. Zes
Spaansche galeien onder bevel van Don Frederik Spinola wisten echter
te ontsnappen naar het Kanaal, en reeds waren ze in de Noordzee, niet
ver van Duinkerken, waar ze in veiligheid zouden zijn, toen ze stuitten
op eene andere Engelsch-Nederlandsche vloot van zeven schepen. Een
dezer zeven schepen was de „Samson” met volk aan boord, waarvan enkelen
belust waren en hunkerden om met den Spanjaard een appeltje te schillen.
Dus, zooveel als wraak nemen?
Ja! Wat anders?
Dat is slecht!
Best mogelijk, dat het niet goed is, doch wat doet hij, die een den
oorlog verklaart, ooit anders dan wraak nemen. Oog om oog, tand om
tand, wonde om wonde, buile om buile, dat is oorlog nu, dat was hij,
dat zal hij zijn en blijven.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Mensch of tijger?
„Weet-je, wat ik nu toch wel zou willen?” had Pieter een paar dagen
geleden aan Nelissen gevraagd toen ze, misschien voor de zesde of
zevende maal in eene week of drie tijds, de Vlaamsche en Fransche kust
weer in het gezicht kregen.
„Je kunt wel zooveel willen,” meende Nelissen. „Ik zou ook wel wat
willen.”
„En dat is?”
„Dat we een’ flinken koopvaarder onder de voeten hadden.”
„Valt de dienst je dan tegen?”
„De dienst niet!”
„Wat dan?”
„Vraag-je nog: wat dan? Vat-je dan niet dat het de vaart en alleen de
vaart is?”
„Ik snap het toch niet!”
„Ben jij dan een zeeman? Spring zoo gauw mogelijk in een’
komenijs-winkel en weeg stroop af! Is dat eene manier van doen zoo
dag aan dag, week uit, week in wat heen en weer kuieren, alsof er op
den heelen aardbol geen ander zout water is dan de Noordzee! Bah!
Dat is straatslijperswerk! Neen, duizendmaal liever hup, vooruit,
als een koopvaarder, desnoods met eene vermolmde kast over het
„Matrozen-kerkhof” om de Kaap! Dat is pas het echte zeemans-leven! Wat
zou jij dan willen?”
„Precies hetzelfde, maar eer ik dat deed, wat anders doen!”
„Wat anders doen? En wat zou dat zijn?”
„Vraag jij dat nog? Jij, Nelissen?”
„Ik, en geen mensch anders!”
„Welnu dan, eer ik met eene vermolmde kast naar je zoogenaamd
„Matrozen-kerkhof” ging, zou ik de „Lucera” met onzen beul eerst te
pakken willen gehad hebben!”
„Stel dat uit het hoofd! Zoover van honk kuiert die man niet. De
„Lucera” is geen galei voor de Noordzee.”
„Jawel, maar we zullen toch wel verder komen dan de Noordzee, denk ik.
Ik heb er ten minste zoo een paar woorden van opgevangen.”
„Och, het volk, dat zich evenzeer verveelt, als wij ons vervelen,
vertelt voor waarheid, wat het zoo gaarne gelooft!”
„Ik heb het niet van het volk. Ik hoorde het den Kapitein tot den
schipper zeggen. En als ik wel gehoord heb, dan is het heen en weer
kuieren op de Noordzee nu zelfs gedaan en gaan we al verder. Dat bevel
moet gisteren gekomen zijn van den Admiraal. Mij dunkt, ik zie nu
Duinkerken al liggen, en kijk, daar ginder ligt het Engelsche schip de
„Hope”, Kapitein Robert Mansel.”
Het duurde niet lang of er kwam een boot van de „Hope”, waarin de
Engelsche Kapitein zelf zat om Kapitein Sael te verzoeken, met hem en
nog een paar andere Engelsche en Hollandsche schepen de wacht te houden
op de Spaansche galeiën van Don Frederik Spinola. Admiraal Levison, die
bij hem aan boord was, had dit bevolen.
„Zie-je nu toch wel, Nelissen,” zeide Pieter, „dat de galeiën wel in
het Kanaal durven komen!”
„Dat ze het durven? Nu, als het er op aankomt, zou ik wel willen
vragen: „Wat durft de Spanjaard niet?” De Spanjaarden mogen
trotschaards zijn, doch laf zijn ze niet. Maar nu er dan toch Spaansche
galeiën hier zullen komen, zou ik wel willen om een’ zak vol dukaten,
als ik ze maar had, dat de „Lucera” er bij was. Jongen, Pieter, wat zou
ik hem van laken geven! De wol zou er afstuiven, reken er op!”
„Wie weet wat gebeurt. Maar ik ga nu ter kooi, want ik heb de
hondewacht. Gegroet! Als hij komt, je weet wel wien ik bedoel, dan
laten roepen, hoor! Samen geleden, samen afrekening houden! Dat klopt!”
„Slaap er gerust op, Pieter! Als hij komt, dan zullen we het er samen
van hebben. Den zegen, maat!”
Dien nacht was er evenwel nog niets van de Spanjaarden ontdekt, doch
tegen den middag zei Pieter opeens tot Nelissen: „Heb ik het wel,
dan komt ginder wat. De Engelschman schijnt ook wat in de doppen te
krijgen. Maar die mist, die mist! Er valt zoo goed als niets te zien,
en als wij niet heel goed op onze tellen passen, dan kuiert de Spanjool
ons zoo netjes voorbij, als je het nog nooit gezien hebt. Wij zullen er
dan niets van bemerken!”
„Tut-tut! Ongemerkt voorbijkomen? Een zeilschip mogelijk, maar eene
galei niet. Zoo’n groote honderd riemen maken daarvoor immers veel te
veel geweld, en....”
Hij zweeg eensklaps en hield de holle hand achter het rechteroor en
luisterde blijkbaar scherp.
„Wat is er te hooren?” vroeg Pieter.
Nelissen’s gezicht, dat er zoo ontevreden uitgezien had, helderde
op, en met oogen, die van blijdschap straalden, zeide hij: „Het zijn
galeien, die naderen. Ze zijn zelfs al dichtbij, maar om ons te pieren
hebben ze de roeidollen alweer met leder bekleed. Je kent dat kunstje
van ouds!”
„Wat te hooren, stuurman?” vroeg Kapitein Sael nu op Nelissen
toetredend.
„Spaansche galeiën, Kapitein! Ze zijn al dichtbij! Als de galei er nu
maar bij is, die ik bedoel!”
„Zoo? Zijn er galeiën waaraan je kennis hebt?”
„Of ik, Kapitein! Ik heb meer dan twee jaar op de „Lucera”, als
galei-slaaf, moeten roeien, en ik ben er met mijne makkers behandeld
geworden, als een dolle hond!”
„En denk-je, dat de „Lucera” er bij is?”
„Ik weet het niet zeker, Kapitein! Ik hoop het!”
„Ei, ei, liggen zijne boontjes in de week?”
„Of ze, Kapitein! Ik zal....”
„Stil, stuurman! Er komt een koeltje! Kijk de mist eens optrekken! Daar
zijn de galeiën!”
„Hoezee! Hoezee!” riep Nelissen, en naar Pieter loopende, die even
tusschendeks gegaan was, klonk het: „Pieter, onze bekende is er! Kom,
jongen, kom! Hoezee!”
Daarop liep hij weer naar het dek.
„Is de „Lucera” erbij, Nelissen?” vroeg de Kapitein. „Ik ken ze niet.”
„Ja, ja, Kapitein, die middelste is het. Ze zal immers onze partij
zijn, Kapitein?”
„Misschien, stuurman, misschien! Dat hangt van omstandigheden af.”
„En van den Engelschman?”
„Ook al!”
„Als die dan maar niet bang is!”
„Sir Mansel bang? Evenmin als de beste Hollander, stuurman! Reken er
op, als het van hem afhangt, dat we werk aan den winkel krijgen.”
„Het is te hopen! Mijne handen jeuken om aan den slag te gaan.”
„En de mijne ook,” liet Pieter zich hooren.
„Best, mannen, best! Maar, Nelissen, ga nu eens met die jeukende handen
aan het roer! Houd eene streek meer Noord, ééne streek is genoeg.”
Weldra was Nelissen aan het roer.
„Het gaat goed! Het gaat best,” sprak de Kapitein, die bij zijn’
eersten stuurman stond. „We steken den luî prachtig de loef af. Niets
beter toch dan een zeilschip, als er wind is. Wat beduidt zoo’n logge
galei dan? Hoort me die riemen eens slaan! Ze zetten het op alle haren
en snaren om het van ons te winnen!”
„Arme menschen,” zeide Pieter, die toch nu een oogenblik van medelijden
had, „elk voetje terug kost-je een zweepslag! Nu, stakkerds, je zult
gauw genoeg uit je lijden zijn! Rekent er op!”
„Een vreeselijk lot toch! Geketend aan de roeibanken, worden ze
eenvoudig, als onderdeelen van het schip beschouwd. Geen mensch, die
eene hand uitsteekt om hen te redden, als de schuit naar den kelder
gaat! Maar, daar gaat de Engelschman den Franschen wal halen. Goed
gedaan! Duinkerken is te dicht bij, en vijf minuten mist, hup, ze zijn
in veiligheid,” sprak de Kapitein.
„Mag ik raad geven, Kapitein?” vroeg Nelissen.
„Jawel! Wat zou-je willen?”
„Wat ik wil, Kapitein? Ik wil met de „Samson” die kast in den grond
zeilen. Ons schip heet niet voor niemendal naar dien ouden Richter van
Israël!”
„Doe wat je kunt! Ik geef vergunning! Ten minste zoo lang we den boêl
niet in de war sturen!”
De Bevelhebber der Spaansche vloot, die aanvankelijk plan scheen te
hebben, met zijne overmacht zich op de Engelschen en Nederlanders
te werpen, gaf, het groote Engelsche Admiraalsschip ziende, last om
terstond de zeilen te geien, en begon tegen den wind in terug te
roeien, om vervolgens, onder begunstiging van het nachtelijk donker
of den mist, zich stil uit de voeten te maken en dan vervolgens te
trachten, de havens van Duinkerken of Nieuwpoort te bereiken. Sir
Levison, de Engelsche Opper-bevelhebber, die een ervaren zeeman was,
begreep evenwel terstond de bedoeling van Spinola, en gaf Kapitein
Jones van de „Advantage” last, naar Sluis te loopen en daar de
Staatsche schepen te waarschuwen voor de plannen, die de vijand
duidelijk toonde te hebben. Spinola scheen in het eerst niet te
vermoeden, dat men hem begrepen had, doch het gestadig vuren van het
Engelsche Admiraalsschip, zonder dat de kogels hem konden bereiken,
benevens de lantaarns, die Sir Levison in de stengetoppen voerde,
maakten het hem ten laatste duidelijk, dat dit alles slechts eene
waarschuwing voor andere vijandelijke schepen was, en dat het niet lang
zou duren, of hij zou zich tusschen twee vuren bevinden. Hij veranderde
derhalve van koers, en tegen den avond was hij zoo dicht onder de
Engelsche kust, dat verscheidene Turksche galei-slaven, na hunne boeien
doorgevijld te hebben, zich in zee wierpen en zwemmende den oever
bereikten.
Hadden al die arme mannen dat maar kunnen doen! Ingeval er gevochten
zou worden, waren zij immers geheel weerloos en werden door vriend noch
vijand ontzien.
Intusschen begon de wind te liggen. Dat was iets in het voordeel der
galeien, die er een goed gebruik van maakten ook.
Toch liep Spinola, die door het wijken van den Engelschen Admiraal naar
de Fransche kust in den waan gebracht was, dat men van het vervolgen
afgezien had, leelijk in de fuik, en de Engelsche en Nederlandsche
schepen, die bij Duins lagen, in den boeg. Deze ontvingen hem niet heel
malsch, zoodat Spinola genoodzaakt was, af te houden. Thans zou hij
mogelijk den dans ontkomen zijn, ware niet de wind opgestoken. Levison
maakte hiervan gebruik en sneed den Spanjaard den koers af. Het werd
aardedonker, en reeds meende Spinola op weg naar Sluis te zijn, toen
Levisons schip de „Hope,” hem ontdekte en de volle laag gaf. Hoewel
hoofdzakelijk op goed geluk af was gevuurd, werd van de vijandelijke
galei de groote ra afgeschoten en de schuit zelve, dat is de romp van
het schip, werd zoo doorboord, dat men de galei-slaven en de bemanning
om genade en hulp hoorde schreeuwen. Terwijl men deze galei naderde
en de gevangenen wilde overnemen, naderden de vijf andere galeiën. De
Engelschen lieten nu het gehavende schip aan zijn lot over en vielen de
overige vijandelijke vaartuigen aan, die schielijk ter zijde weken.
Om tien uren evenwel verdeelden zich de donkere wolken, die in het
Zuiden en Zuidoosten opeengepakt waren en de maan goot haar licht over
het watervlak.
„Daar is de „Lucera”! Daar is de „Lucera”!” juichte Pieter, die nu aan
het roer stond.
„Kijk, kijk, die beul Calliado staat bevelen uit te deelen,” riep
Blokmaker. „Ik herken hem! Hij is het, en geen mensch anders!”
De „Lucera” scheen op de „Samson” te winnen.
„Zet alle zeilen bij!” beval Kapitein Sael.
„Wil ik je helpen, Pieter, mijn jongen?” vroeg Nelissen.
„Dank-je! Kan het wel alleen af!” bromde Pieter en geloofde in alle
eenvoudigheid, dat God hem zijn’ beul in handen had geleverd, om hem de
wreede mishandelingen betaald te zetten.
Dat Pieter zijn’ Bijbel trouw las, wil ik gaarne gelooven; dat hij
zijn’ Bijbel begreep, betwijfel ik.
Maar men valle den jongen man niet te hard. Het is gemakkelijk
gezegd: „Men mag geen kwaad met kwaad vergelden,” als men niet in de
gelegenheid komt om zich te wreken. Maar komt die gelegenheid, nu,
de groote Spreukschrijver zeide het al: „Wie zichzelven overwint, is
sterker dan hij, die steden verwoest.” Bovendien was Pieter niet alleen
baas. Al had hijzelf het schip eene andere richting willen geven om
zijn’ vijand te laten ontkomen, het volk zou hem het roer uit de handen
gerukt hebben, en trots zijn tegenstreven, wraak hebben uitgeoefend.
Maar Pieter behoefde de manschappen niet aan te vuren, en er was geen
oogenblik sprake van om hem het roer uit de handen te rukken. Hijzelf
wilde wraak nemen en hij knarsetandde van woede en spijt, als hij zag,
dat de „Lucera” ook maar iets op de „Samson” won. Zonder twijfel werden
de arme galei-slaven met vreeselijke slagen aangedreven, zoo krachtig
te roeien, als slechts in hunne macht was.
Maar zweepslagen belett’en den wind niet, te doen, wat deze kan. Zie,
de zeilen van de „Samson” zwellen weer!
„Hoezee, dat gaat er op los! Hoezee!”
Het daverend gejuich der rauwe, Hollandsche varensgezellen wordt op de
„Lucera” gehoord.
Hoort die zweepslagen eens neerkomen!
Hoort die riemen zich met verbazende snelheid in het water bewegen!
Het leder springt door de krachtige wrijving uit de dollen!
Men hoort op den Hollander de slagen, die op de ruggen, vol bloedige
wonden, nederdalen, striemend neerkomen. Men hoort het brullen van
pijn en van woede, dat de weerlooze, geketende kaalhoofden na elken
zweepslag laten hooren.
Eigen schuld, dat ze die duldelooze pijnen op den vermagerden en
gekorven rug, of op welk ander lichaamsdeel ook, zoo voelen! Waarom
willen ze maar niet begrijpen, dat ze geen levende wezens meer zijn?
Zullen ze dan ook nooit leeren inzien, dat ze van hout of van ijzer
zijn en dat hout en ijzer geen pijn voelen? Dat wil Don Calliado immers?
O, domme, domme kaalhoofden! Uw drilmeester Don Calliado spant toch
zijne uiterste krachten zoo in om u zoo knap te maken, dat gij niets
meer voelt, niets, niets meer!
Hij is zoo’n edele beul, die Don Calliado!
Maar weg met alle gedachten! Daar is de werkelijkheid!
De Hollanders winnen den afstand; ze winnen den wind.
Nog één, één oogenblik!
Men heeft de „Lucera” bereikt!
Een gil, een akelige gil van zoogenaamde vreugde wordt aan het roer
gehoord. Pieter stoot dien uit: hij kan zich niet langer bedwingen.
Het Hollandsche bootsvolk schreeuwt mede.
Nog één oogenblik, nog twee seconden!
Nog één!
Een vreeselijk gekraak wordt vernomen en het angstgeschreeuw der
arme galei-slaven klinkt akelig uit het schip. De „Samson” is met
volle vaart de „Lucera” tegen bakboordszij geloopen. De riemen zijn
verbrijzeld; het achterschip en de koker van het roer zijn stuk
geslagen, en de gehavende galei helt zóó over, dat de arme slaven tot
hun middel in het water zitten.
Maar het werk der wraak is nog niet voltooid.
Als razenden loopen de Hollanders naar de kanonnen en vuren deze
tweemaal af.
„Misericordia! Misericordia!” roepen de Spanjaarden.
En beneden uit het schip klinkt uit andere monden, maar nog veel
rauwer, huilender en angstiger: „Misericordia! Misericordia!”
Nelissen en Pieter behoeven niet te vragen wie dat vreeselijk
hulpgeroep letterlijk uitbrullen! Zij weten het goed, al te goed, en
toch .... toch geen medelijden, geen deernis!
Kapitein Sael kan het moeielijk langer aanhooren. Redden wil hij niet,
maar moorden, zóó moorden, neen, dat wil hij toch ook niet; hij kan het
niet ook. Daarom: „Afhouden!”
Ze houden af, maar dat baat de „Lucera” niet, want ze wordt door andere
Hollanders aangevallen. De Spanjaarden houden stand. Don Calliado weet
van geen wijken of zich overgeven. Hij verdedigt zich tot hij van al
zijn volk alleen overschiet. Daar treft hem een kogel en stervend valt
hij neer.
De Hollanders springen vlug op het zinkende schip. De plundering
begint. Als of ze geboren roovers en niets anders zijn, breken ze alles
open en reppen zich om met hun’ roof te ontkomen, als ze bemerken, dat
de „Lucera” steeds dieper zinkt, want .... verdrinken willen de roovers
niet. Verdrinken mogen zij, de boeven daar beneden op de galei-banken.
[Illustratie]
Daar komt de „Samson” weer aan.
Wie heeft er berouw gekregen, dat de bodem niet geheel en al vernietigd
werd?
Pieter soms? Of Nelissen? Of Kapitein Sael? Blokmaker?
Wie weet het?
Bons! Een nieuwe stoot treft het ontredderde schip.
Sneller begint nu de „Lucera” te zinken.
Sael ligt in hare onmiddellijke nabijheid, doch geen mensch, die de
hand tot redden der arme slaven uitsteekt.
Hoort, hoort, wat verschrikkelijke kreten stijgen uit het hol van het
vaartuig op!
Het zijn de arme kaalhoofden, die aan de roeibanken vastgeketend zijn.
Het zijn de niet levenlooze onderdeelen van het schip, die deze kreten
laten hooren.
Hoort, hoort, Pieter, Nelissen, Blokmaker! Hoort, mannen! Eens waart ge
als zij! Als gij daar nog eens op die banken geklonken waart!
Erbarming! Erbarming! O, hebt gij dan een Don Calliado’s hart? Een
koud, ijskoud steenen hart soms, als de man uit het sprookje?
„Hebt uwe vijanden lief! Zegent hen, die u vloeken! Bidt voor hen, die
u geweld aandoen!” Gij leest het in uw’ Bijbel, die u, zooals gij zegt,
zoo dierbaar is!
En die arme kaalhoofden zijn uwe vijanden niet eens! Zij haten u niet!
Zij deden u nooit geweld aan!
Hebt medelijden, o, hebt medelijden! Slaat hunne ketenen stuk! Neemt ze
op, die mannen! Draagt ze aan boord! Kleedt en voedt ze!
Harten van menschen, die u Christenen noemt, hebt lief, o, hebt lief!
Redt, redt die armen! Eens waart gij als zij!
Tevergeefs! Men hoort niet. Het medelijden is doof.
Mannen, mannen dan! Wie weet, hebben die arme slaven geen vrouwen, die
langs het heerlijke Oosterstrand troosteloos zullen uitzien naar de
terugkomst van hare echtgenooten, van wie ze niet weten, waar zij zijn!
Wie weet hoeveel arme kindertjes daar ginds aan het strand der zee
staan om aan de stoeiende golfjes te vragen: „Wanneer brengt gij ons
lief Vadertje weer? Wij verlangen zoo naar hem! Ons hartje vraagt zoo
telkens naar hem! Zegt, golfjes, wanneer? Wanneer?”
Tevergeefs! Geen traan rolt langs de wangen dier geharde zeelieden,
als de laatste flauwe kreet gesmoord wordt door de golven, waarin de
„Lucera” thans verdwijnt.
Het is stil aan boord van de „Samson”.
„De rekening is betaald met den interest er bij!” zegt Pieter tot
Nelissen.
Doch zie, het was alsof op het eigen oogenblik Moeder Heyn hem terzijde
trad en hem in het oor fluisterde: „Pieter, mijn jongen, de rekening
was met den dood van Don Calliado immers al vereffend? Wat hadden die
ongelukkige galei-slaven u dan toch misdaan? Zeg, jongen?”
De stem van Kapitein Sael roept weer tot den arbeid. De stilte is
voorbij. Er valt nog veel meer te doen.
De Spaansche vloot werd verslagen, en alleen Spinola was zoo gelukkig,
na door de Staatschen tot voorbij Westkapelle gejaagd te zijn,
eindelijk te Duinkerken binnen te loopen. Hij redde hierdoor voor
Spanje eene waarde van tweemaal honderdduizend dukaten van goud en
zilver, eene groote som voor dien tijd. Maar dat was alles, wat van de
Spaansche vloot overgebleven was.
De Nederlandsche schepen keerden naar hunne havens weder, en voor het
volk, dat er op diende, was voor dat jaar het gewerk gedaan.
Nelissen, Pieter Heyn, Blokmaker, en al gij anderen van de „Samson”, de
handen op het hart en met de geroemde zeemans-rondheid antwoord gegeven
op de vragen: „Zijt gij tevreden over uw werk? En zegt, wat waart gij
daar op zee: Mensch of tijger?”
TIENDE HOOFDSTUK.
Een heele profeet.
In het voorjaar van 1608 lag op de Maas te Rotterdam de kloeke
koopvaarder de „Muskaatboom” gereed om uit te zeilen. Het was een
der schoonste schepen, die de Oost-Indische Compagnie, welke in 1602
opgericht was, in de vaart had. En op dat schoone schip was eene
bemanning, die genoemd mocht worden. Het was een uitgelezen manschap
van den schipper tot den pluimgraaf.
De schipper was een stevige veertiger, die Huygens had kunnen helpen om
dezen in zijne „Scheepspraet” de regels te geven:
„’k Hebb te veel gesnor van buyen
Over deuze muts sien gaen.
’k Selt hun lichtelick soo klaeren,
Dat ick vlaggen, schut en touw,
En de maets die met mij vaeren
Vryen sel van dutt en rouw.”
Hij heette Rogiersz., en had reeds twee reizen naar Amboina gemaakt en
telkens met bijzonder geluk.
De eerste stuurman was Pieter Pietersz. Heyn. Na zijn’ zeetocht onder
Admiraal van Obdam van Duyvenvoorde, had hij met Nelissen de vaart
ten oorlog vaarwel gezegd. En zulks niet zoo geheel ten onrechte. De
Oost-Indische Compagnie toch bood veel meer kansen van gewin aan,
dan de oorlogsvaart, en ieder matroos droeg in dien tijd, als hij
maar wilde, de verzekering met zich om, dat hij door moed en beleid
zek
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/43560