Gutenberg · eo1.org

← catalogue

De nijlbruid

by Georg Ebers · Dutch · Gutenberg #42935 · 1,388,980 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of De nijlbruid
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: De nijlbruid

Author: Georg Ebers

Translator: Hendrik Cornelis Rogge


        
Release date: June 13, 2013 [eBook #42935]
                Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/42935

Credits: Produced by J.H. Berends, Jeroen Hellingman, and the Online
        Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for
        Project Gutenberg.


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE NIJLBRUID ***

                              GEORGE EBERS

                              DE NIJLBRUID

                      IN HET NEDERLANDSCH BEWERKT

                                  DOOR
                            Dr. H. C. ROGGE



                              EERSTE DEEL

                              TWEEDE DRUK

                               AMSTERDAM

                        VAN HOLKEMA & WARENDORF







VOORREDE.


De "Nijl-bruid" behoeft geen voorrede. Alleen voor vakgenooten
merk ik op, dat ik op gezag van den hoogleeraar De Goeje besloten
heb bij mijn vermoeden te blijven, dat namelijk het woord Mukaukas
niet voor den naam, maar voor den titel gehouden moet worden van den
man, wien de Arabische bronnen, waarvan ik mij bediende, aanwijzen
als den persoon, die als Stadhouder van den Byzantijnschen Keizer
de hem toevertrouwde provincie overleverde aan de heerschappij der
Muzelmannen. Van Karabaceks onderzoekingen betreffende den Mukaukas,
heb ik helaas geen gebruik meer kunnen maken.

Dat ik den ouden Horus Apollon (Horapollon) plaats in de zevende eeuw,
zal terecht de bevreemding wekken van ieder, die den schrijver van
de Hiëroglyphica voor denzelfden persoon houdt als den gelijknamigen
Egyptischen geleerde, die volgens Suidas onder Theodosius leefde, en
van wien reeds Stephanus van Byzantium tegen het einde der vijfde eeuw
gewag maakt. Doch eerstgenoemde lexicograaf Suidas telt de werken van
Horapollon, den grammaticus en den commentator van Grieksche dichters
op, zonder de Hiëroglyphica te noemen, waarop hier alles aankomt,
en alle andere oude schrijvers, die den naam Horapollon vermelden,
laten ons de vrijheid--gelijk ook C. Leemans, de beste beoordeelaar der
Hiëroglyphica toegeeft--om twee Horapollons aan te nemen, van welke de
tweede zeer goed eerst in de zevende eeuw geleefd kan hebben, daar in
zijn tijd de nauwkeurige kennis van het hiëroglyphen-schrift reeds veel
meer verloren moest zijn, dan wij dit mogen aannemen voor de vierde
eeuw na Christus, wanneer wij in aanmerking nemen, dat er nog zeer
goede hiëroglyphische opschriften uit den tijd van Decius, 250 jaren
na Christus, bewaard zijn gebleven. Wij kunnen moeilijk aannemen,
dat de Egyptische commentator van Grieksche dichters een vertaler
noodig heeft gehad, terwijl de Hiëroglyphica eerst door Philippus in
het Grieksch schijnt overgebracht te zijn. Onze combinatie, volgens
welke de schrijver, in het Egyptisch Horus (zoon van Isis) genaamd,
afkomstig was van het Isis-eiland Philae, waar de heidensch-Egyptische
eeredienst zich het langst staande hield, en waar nog tot in later
tijd eenige kennis van het hiëroglyphen-schrift bewaard bleef, houdt
rekening met de juiste verhoudingen in het door ons gekozen tijdperk.


Tutzing am Starnberger See

1 Oct. 1886.                                             Georg Ebers.







EERSTE DEEL.


EERSTE HOOFDSTUK.


Er waren een paar jaren verloopen, sedert Egypte zich onderworpen
had aan de jeugdige maar met buitengewone kracht en snelheid zich
ontwikkelende macht der Arabieren. Het was aan eene kleine, goed
aangevoerde schare muzelmansche krijgslieden zonder veel moeite in
handen gevallen, en de schoone provincie, die nog kort geleden een
sieraad was van het Byzantijnsche keizerrijk, waar het christendom
zijne trouwste aanhangers vond, behoorde thans aan den Kalief Omar,
en moest er in berusten dat de halve maan zich overal naast het kruis
omhoog hief.

Over het ongelukkige land was een zomer voorbijgegaan, zoo heet als
men in lang niet beleefd had, en hoewel men als naar gewoonte het
wassen van den Nijl den 17den Juni in "den nacht van den regendruppel"
met feestelijke toebereidselen had gevierd, tot dusverre werd de
verwachting der Egyptenaren bedrogen, en de stroom daalde al lager
en lager, in plaats van te stijgen. In deze bange dagen, den 10den
Juli van het jaar 643, trok een karavaan, die van het noorden kwam,
Memphis binnen. De kleine karavaan wekte dadelijk aller aandacht
in de ontvolkte, vervallen pyramidenstad, die zich in den vorm van
een kolossaal rietblad slechts in de lengte uitbreidde, daar hare
uitzetting in de breedte tusschen den Nijl en de Libysche woestijn
beperkt was. In vroeger jaren zouden de Memphieten het nauwelijks
der moeite waardig hebben geacht het hoofd op te heffen, wanneer
onafzienbare met handelswaren bevrachtte wagentreinen, vrachtkarren
met flinke jukossen bespannen, sierlijk uitgedoschte keizerlijke
ruiterdrommen of afzienbare processies de meer dan mijlenlange
hoofdstraat stoffeerden.

Hij die als koopman op een dromedaris van uitgelezen ras vóor
de karavaan reed, was een magere muzelman, gehuld in een zijden
kleed. Een breede tulband bedekte zijn klein hoofd, en overschaduwde
voor een deel zijn fijnbesneden, oudachtig gelaat. De Egyptenaar,
die als gids op een stevigen ezel naast den koopman reed, zag telkens
en met blijkbaar welgevallen naar dit juist niet schoon gelaat, met
ingevallen wangen, dunnen ringbaard en grooten adelaarsneus, doch het
bevatte een paar heldere oogen waaruit vriendelijke bedachtzaamheid
en hartelijke welwillendheid straalden. Maar deze schrale oude heer,
op wiens gezicht smart en ziekten diepe sporen hadden achtergelaten,
wist ook te bevelen en zijn wil te doen eerbiedigen. Dit kon men zijn
fijnen, vastgesloten mond wel aanzien, en bleek ten overvloede uit de
stiptheid, waarmede die kloeke, gebaarde, tot aan de tanden gewapende
krijgslieden, die hem volgden, op zijne wenken gehoorzaamden. Zijn
Egyptische geleider, het hoofd van de hermeneuten of het gilde der
gidsen, een knorrige, bruine Memphiet, trok zich terug, wanneer hij
onvoorziens wat dicht kwam bij de op dromedarissen gezeten ruiters,
als vreesde hij een houw of stoot te zullen ontvangen, terwijl hij
den koopman Haschim, den eigenaar van de karavaan, zonder vrees te
woord stond, en praatziek, gelijk lieden van zijn stand, van alles
de verklaring gaf.

"Wat zijt gij hier te Memphis goed te huis," zeide de Egyptenaar,
nadat de oude heer zijne verbazing te kennen had gegeven over den
treurigen ommekeer en den achteruitgang van de stad.

"Dertig jaren geleden," antwoordde de koopman, "ben ik voor mijne zaken
vaak hier geweest. Hoevele huizen staan er leeg en zijn bouwvallig
geworden, waarin men toen voor grof geld nauwelijks een onderkomen
kon vinden! Overal ruïnen, waar men rondziet! Wie heeft deze schoone
kerk zoo jammerlijk vernield? Door mijne landgenooten, ik weet het
van den veldheer Amr zelven, is geen christelijk bedehuis aangevallen."

"Het was de hoofdkerk van de Melchieten, de dienaars van den keizer,"
zeide de gids als lag in die toevoeging tevens de verklaring van
het gebeurde.

Doch de koopman had hiermede geen vrede, en vraagde daarom: "Nu,
wat kwaad is er dan in hunne leer gelegen?"

"Wat kwaad?" herhaalde de Egyptenaar, terwijl zijne oogen van toorn
fonkelden; "wat kwaad? Zij verdeelen den goddelijken persoon des
Heilands en schrijven Hem verschillende naturen toe. Dit is niet
alles. Al die Grieken hier te lande hebben, voor de uwen aan dezen
gruwel een einde maakten, ons, de heeren des lands, als slaven
behandeld, steunende op de macht van den keizer. Zij dreven ons met
geweld in hunne kerken, en allen, die Egyptisch bloed in de aderen
hadden, werden als rebellen en melaatschen behandeld. Zij hebben ons
uitgelachen en verketterd, omdat wij geloofden aan de éene goddelijke
natuur van onzen Heiland."

"En daarom," zeide de koopman, weder het woord nemende, "hebt gij,
zoodra wij de Grieken verdreven hadden, u onverdraagzamer getoond
jegens hen en hunne tempels, dan wij, die gij ongeloovigen scheldt,
ons gedroegen jegens u!"

"Verdraagzaam, jegens hen?" hernam de Egyptenaar op minachtenden
toon, terwijl hij verstoord een blik sloeg op het half verwoeste
gebouw.--"Zij hebben geoogst wat zij gezaaid hadden, en wie thans in
Egypte--de Heiland zij geprezen!--niet aan uw eenigen God gelooft,
die gelooft in de éene natuur van onzen Heer Jezus Christus. Dat
Melchieten-rot hebt gij verdreven, daarna was het onze taak om de
handen te slaan aan de bedehuizen van hun erbarmelijken Heiland,
dien zij op de synode te Chalcedon--verdoemd mogen ze zijn!--van
zijne goddelijke waardigheid hebben beroofd."

"Maar die Melchieten blijven toch altijd uwe geloofsgenooten; zij
zijn christenen," zeide de koopman.

"Christenen?" herhaalde de gids, terwijl hij met minachting de
schouders ophaalde. "Ze mogen zichzelven daarvoor houden! Wat mij
betreft en allen hier te lande, groot en klein, wij zijn van meening
dat zij niet het minste recht hebben zich onze geloofsgenooten, zich
christenen te noemen. Vervloekt zijn ze allen, en zullen ze blijven
met hunne honderden ja duizenden duivelsche ketterijen, die onzen God
en Verlosser tot een ding zouden willen maken als dat godenbeeld aan
dien steenen deurpost. Van boven is het een koe en van onderen een
mensch; welk verstandig man, vraag ik u, kan zulk een tweeslachtig
monster aanbidden? Wij Jacobieten, Monophusieten, of hoe men ons
noemen wil, geven van de goddelijke natuur van onzen Heer en Heiland
geen tittel prijs, en als het eens uit is met het oude geloof, dan wil
ik een muzelman worden en mij bekeeren tot het geloof in uw grooten,
eenigen God. Want voordat ik de ketterij der Melchieten omhels laat
ik me liever met vrouw en kind in stukken houwen. Wie weet wat er
nog gebeuren zal! Wel beschouwd is het niet zoo onvoordeelig om tot
uw geloof over te gaan, want gij hebt de macht in handen en moogt
die behouden. Het is nu eenmaal ons lot door vreemden beheerscht
te worden, en wie betaalt niet liever den kleinen cijns aan den
wijzen en gezonden Kalief in Medina dan de grootere belasting aan het
Melchietisch en ziekelijk keizersgebroed in Konstantinopel? De Mukaukas
Georg is zeker geen slecht mensch; daar hij den tegenstand tegen u zoo
spoedig opgaf, is hij zeker van dezelfde meening geweest. Hij geeft
aan u, als rechtvaardige, vrome lieden, onze naburen, misschien wel
onze stamverwanten, de voorkeur--boven die Byzantijnsche ketters,
die menschenvillers en bloedhonden. Bovendien is de Mukaukas een
christen zoo goed als een onzer."

De Arabier had den Memphiet, die door zijn ambt gedwongen werd
zichzelven het zwijgen op te leggen, opmerkzaam en soms met een
glimlach aangehoord. De Egyptenaar liet de karavaan nu een straatje
inslaan, dat naar de met den stroom evenwijdig loopende hoofdstraat
voerde, waarin eenige deftige huizen stonden, door tuinen omgeven.

Zoodra de menschen en de dieren op den beter geplaveiden weg verder
trokken, zeide de koopman: "Ik heb den vader van den man, dien
gij daar noemdet, zeer goed gekend. Hij was een rijk en bovendien
welgezind man, en ook van zijn zoon vernam ik niets dan goeds. Mag
hij nog altijd den titel van stadhouder of--hoe zeidet gij daareven
ook?--van Mukaukas dragen?"

"Zeker, meester!" antwoordde de hermeneut. "Er is in Egypte geen
ouder geslacht dan het zijne, en was de oude Menas reeds een rijk
man, Mukaukas Georg is het nog meer, door hetgeen hij geërfd heeft
en door het huwelijksgoed zijner vrouw. Wij kunnen geen verstandiger,
rechtschapener stadhouder begeeren! Hij ziet de ondergeschikte beambten
ook streng op de vingers; doch zoo spoedig als vroeger worden de zaken
toch niet meer afgedaan. Wel is hij niet veel ouder dan ik, en ik ben
bijna vijftig, maar hij komt zijne ziekte niet meer te boven, want
sedert maanden heeft niemand hem meer zien uitrijden. Zelfs wanneer
uw stadhouder hem zien wil, komt hij niet verder dan van de eene zijde
der straat naar de andere. Het is jammer van den man! En wie heeft dat
edele lichaam ondermijnd? De Melchieten-honden hebben het gedaan! Vraag
maar aan den Nijl zoo lang als hij is naar de oorzaak van ons ongeluk,
en gij zult overal hetzelfde antwoord krijgen. Waar de Griek, de
Melchiet zijn voet zette, daar was het uit met den groei van het gras!"

"Maar den Mukaukas, den hoogsten beambte des keizers," begon de
Arabier te zeggen.

Doch de ander viel hem in de rede, zeggende: "Meent gij dat hij voor
hen veilig was? Zeker, zij hebben zijn persoon niet durven aantasten,
maar wat hem overkwam was nog erger, want bij een opstand van de
Melchieten tegen de onzen--het was in Alexandrië, en de gestorven
Grieksche patriarch Cyrus had mede de hand in het spel,--zijn twee
zijner zonen, twee schoone jonge mannen, in den bloei hunner jaren
als dolle honden doodgeslagen; en dat, dat heeft hem geknakt."

"Arme man!" zeide de Arabier met een zucht. "En hield hij geen andere
kinderen over?"

"Ja, heer, nog éen zoon, en de weduwe van den oudsten. Deze is echter
na den dood van haar man in een klooster gegaan, doch haar kind, de
kleine Maria, die nu zoowat tien jaar oud zal zijn, heeft zij bij de
grootouders gelaten."

"Dat is gelukkig," hernam de koopman, "dat zal wat zonneschijn in
huis gebracht hebben."

"O zeker, heer! Toch ontbrak het ook thans niet aan reden tot
blijdschap. De eenig overgebleven zoon, hij heet Orion, is eergisteren
uit Konstantinopel teruggekeerd, waar hij lang vertoefde. Dat was me
een vreugde! De halve stad was als gek van opgewondenheid. Duizenden
zijn hem te gemoet gesneld, alsof hij de Heiland was, eerepoorten
hebben ze voor hem opgericht, zelfs de mijnen deden mee--er viel niet
aan te denken dat iemand zich daaraan kon onttrekken. Allen wilden den
zoon en erfgenaam van den grooten Mukaukas zien, de vrouwen natuurlijk
in de eerste plaats!"

"Gij zegt dat op een manier, alsof de teruggekeerde zulk eene eer
niet waardig was," merkte de Arabier op.

"Zooals men het op wil vatten," hernam de Egyptenaar, terwijl hij de
schouders ophaalde. "Hij is nu eenmaal de eenige zoon van den eersten
man in het land."

"Laat het zich dan niet verwachten dat hij den vader gelijken zal?"

"O, ja!" antwoordde de ander. "Mijn broeder, een geestelijke, die
aan het hoofd staat van onze groote school, is zijn leermeester
geweest, en deze zegt nog nooit zulk een schrandere kop ontmoet te
hebben als Orion. Alles woei hem zoo maar aan, en daarbij was hij
zoo vlijtig als het kind van een arme. Wij, zijne ouders, en zijne
vaderstad Memphis hadden, zooals Marcus meent, niet dan roem en eer
van hem te wachten. Doch ik zie ook de schaduwzijde, en ik zeg u dat
de vrouwen hem het hoofd op hol brengen en hem eindelijk ten gronde
zullen richten. Het is een mooie man, hij ziet er nog schooner uit
dan de oude heer in zijne jonge jaren, en daar trekt hij partij van,
en waar hij iets aanminnigs tegenkomt--en dat ontmoet hij overal op
zijn weg--."

"Daar grijpt de jonge deugniet toe," zeide de muzelman lachend. "Nu,
als het niets anders is wat u beangst maakt, dan doet mij dit plezier
voor hem. Hij is jong, en zulke dingen komen terecht."

"Neen, heer, neen! Zelfs mijn broeder--hij is thans in Alexandrië
en nog altijd blind en bespottelijk ingenomen met zijn vroegeren
leerling--ziet hierin eene gevaarlijke klip. Wanneer daarin geen
verandering komt, zal hij al verder en verder afwijken van de geboden
des Heeren en schade lijden aan zijne ziel, want de gevaren omringen
hem aan alle zijden als brullende leeuwen. De kostelijke gave der
schoonheid en die om anderen voor zich in te nemen zullen hem nog
in het verderf storten; waarlijk ik wensch het niet, maar ik vrees
het...."

"Gij ziet het te donker in en oordeelt te hard," hernam de ander. "De
jeugd...."

"Ook de jeugd," antwoordde de gids, "bij den christen ten minste, moet
zichzelve weten te beheerschen. Zoo iemand, dan ben ik geneigd den
schoonen jonkman het beste te gunnen. Laat ik er maar voor uitkomen:
als hij mij groet dan ben ik te moede als ware mij een geluk te beurt
gevallen, en zoo is het met ontelbare andere mannen in Memphis en
met de vrouwen bovenal. Maar desniettemin heeft reeds menigeen vele
bittere tranen over hem gestort. Doch, bij alle heiligen, als men van
den wolf spreekt, dan..... Ziet ge wel, daar is hij!.... Halt, wat
langzaam aan, mannen!--Het is wel de moeite waard voor een oogenblik
onzen gang wat in te houden."

"Dat statige vierspan daar, bij die hooge tuinpoort, is dat van hem?"

"Het zijn de Pannonische dravers, die hij heeft meegebracht, snel als
de bliksem en daarenboven.... Maar dáar.... zie! Ach, nu verliezen
wij ze achter dien tuinmuur juist uit het oog; doch gij moet ze op uw
hooge dromedaris nog kunnen zien. Dat kleine meisje daar naast hem,
is de dochter van de weduwe Susanna, de eigenares van dezen hof en
van dat fraaie paleis achter die boomen."

"Eene heerlijke bezitting!" zeide de Arabier.

"Dat zou ik ook denken," antwoordde de Memphiet. "De hof strekt zich
uit tot aan den Nijl; en hoe goed wordt alles onderhouden!"

"Heeft hier niet vroeger de korenhandelaar Philammon gewoond?" vraagde
de koopman, als verlevendigden zich bij hem oude herinneringen.

"Juist! híj was de echtgenoot van Susanna en moet reeds een vijftiger
geweest zijn, toen hij haar vrijdde. De kleine is hare eenige dochter,
de rijkste erfgename in de geheele provincie, maar niettegenstaande
zij reeds zestien jaren telt niet flink opgewassen; het kind van een
ouden vader, begrijpt ge? Toch is ze dartel en vroolijk, een lachduif
in menschelijke gedaante, en zoo vlug en bewegelijk! Hare huisgenooten
noemen haar het kwikstaartje."

"Heel aardig en naar waarheid," hernam de koopman met welgevallen. "Ze
is klein, meer een kind dan een jong meisje, maar ik schep behagen in
dat aanvallige vroolijke schepseltje. De zoon van den Mukaukas--hoe
heet hij ook weer?"

"Orion, heer," antwoordde de ander.

"Drommels," zeide de ander meesmuilend, "ge hebt hem niet gevleid,
vriend! Een jongeling als dien Orion ziet men niet alle dagen! Welk
een lichaamsbouw! Wat staan die bruine lokken hem goed! Ja, ja,
zulk een jonkman wordt eerst door zijne eigene moeder vertroeteld,
en andere vrouwen volgen dan haar voorbeeld. Hij heeft een flink,
open gezicht, daar wat achter steekt. Maar hij had dien purperen rok
en dat gouden flikwerk in Konstantinopel moeten laten. Die dingen
zijn hier in deze sombere vervallen stad niet op hun plaats."

Onder de laatste woorden porde de Memphiet zijn ezel wat aan, maar
de Arabier hield hem terug, want wat er achter den tuinmuur plaats
greep trok al te zeer zijne aandacht. Hij zag dat de schoone Orion
een wit hondje, een zeer fijn zijdharig beestje, dat naar het scheen
hem toebehoorde, het kleine meisje op den arm gaf; hij zag hoe zij
het kuste en hem een langen grashalm om den hals sloeg, als wilde zij
daarmede hem de maat nemen. De oude merkte verder op hoe ze beiden
ondeugend lachten, hoe ze elkander in de oogen zagen en eindelijk
afscheid namen. Daarna verhief zij zich op de teenen naar een vreemde
struik, aan welks top twee heerlijke roode klokjes bloeiden; zij
plukte ze haastig en reikte ze hem toe, terwijl een blosje hare wangen
overtoog. Daarbij weerde zij de hand, waarmede hij haar bij het reiken
naar de bloemen ondersteund had, met een zwaai van haar arm lachend
terug, en op haar frisch gezichtje las hij de innige blijdschap die
zij gevoelde, toen hij de plek, die zij met haar vingers had getroffen,
kuste en daarna ook de bloemen aan zijne lippen bracht.

De oude heer zag dit alles met zooveel deelneming en vreugde aan,
als wekte het de liefelijkste herinneringen in zijn gemoed, en zijne
goedige oogen lachten toen Orion, niet minder schalksch en dartel als
zij, haar eenige woorden in het oor fluisterde, waarop zij de lange
grashalm uit haar gordel trok, hem haastig daarmede over het gezicht
streek, als wilde zij hem straffen, en vervolgens ijlings, snel als
eene ree, over gras en bloemperken naar het paleis vloog, zonder
zich te storen aan zijn herhaald roepen: "Katharina, allerliefste,
goede jonkvrouw Katharina!"

Dat was een klein opwekkend avontuur geweest, en de oude Haschim hield
de herinnering er aan vast, en verkneukelde zich daarin nog altijd,
toen hij met de zijnen reeds een tamelijk eind wegs had afgelegd. Hij
was Orion, den zoon van den Mukaukas Georg, dankbaar voor dit liefelijk
schouwspel, en toen hij het vierspan in langzamen draf de karavaan
hoorde naderen, keek hij er naar om en hield het in het oog.

Maar voordat de Pannonische rossen, den met allerlei in zilver
gedrevene figuren bedekte wagen en zijnen menner, die te zamen een
toonbeeld van buitengewone schoonheid en goeden smaak aanboden, hem
langzaam waren voorbijgereden, om daarna pijlsnel op de nu vrije straat
voorwaarts te rennen en in eene dichte stofwolk te verdwijnen, had
het gelaat van den koopman zijne vroolijke uitdrukking verloren. Er
lag iets diep weemoedigs in zijne stem, toen hij een der jonge
kameeldrijvers beval de bloemen, die achter hen in het stof lagen,
van den weg op te rapen en hem te brengen.

Hij had gezien hoe de schoone jonge man met een blik en eene beweging,
als ware hij boos op zichzelven, de vriendelijke gave in het heete
stof op straat had geslingerd.

"Uw broeder heeft gelijk," riep de oude den Memphiet toe. "Voor dezen
jongen man zijn de vrouwen eene gevaarlijke klip, en hij is het voor
haar, gelijk ik vrees.--Die arme kleine daar ginds!"

"Dat kwikstaartje, meent ge?" vraagde de gids. "O, met haar kon het
licht meenens worden. De lieve moeders maken de zaak al klaar. Zij
zitten beiden in het goud, en waar duiven zijn vliegen duiven
toe. Godlof, de zon staat al boven de pyramiden! Laten uwe lieden
gindsche groote herberg binnengaan. De waard is een schappelijk man,
en men vindt bij hem ook schaduw."

"Wat de beesten en de manschappen aangaat," antwoordde de koopman,
"mogen zij hier wat uitrusten. Ik, de aanvoerder van de karavaan
en nog eenige lieden, wij zullen ons wat versterken--en dan brengt
gij ons naar den stadhouder, met wien ik over een en ander spreken
moet. Het is niet vroeg meer..."

"Wees daarover niet bezorgd!" hernam de Egyptenaar. "De
Mukaukas ontvangt op zulk een gloeiend heeten dag het liefst na
zonsondergang. Als gij wat met hem te doen hebt, zijt ge bij mij aan
het rechte kantoor. Laat eenige goudstukken vliegen, dan verschaf ik
u nog heden gehoor door den huismeester Sebek, mijn neef. Terwijl gij
hier wat uitrust, rijd ik naar het stadhouderlijk verblijf en breng
u dan bericht."






TWEEDE HOOFDSTUK.


De herberg, waarin de koopman Haschim met de karavaan zijn intrek
nam, lag op eene hooge plek aan den weg, van alle zijden omgeven
door palmen. Vóor de verwoesting van de heidensche oudheden in het
Nijldal was dit een tempel van Imhotep, den Egyptischen Aesculapius,
den vriendelijken god der geneeskunde, die ook in de doodenstad eene
afzonderlijke plaats voor zijne vereering had gehad. Deze lag half
verwoest, half in het woestijnzand begraven, toen een ondernemende
herbergier den bevalligen tempel met het daarbij behoorende heilige
bosch voor eene billijke som aankocht. Sedert was het gebouw van de
eene hand in de andere overgegaan, tegen de stevig gebouwde tempelzaal
had men een groot houten huis opgetrokken, bestemd voor het opnemen
van reizigers, en in het palmbosch, dat tot aan den slecht onderhouden
oeverdam reikte, verhieven zich stallen en zag men omheinde plaatsen,
bestemd voor kudden, die hierheen werden gedreven. Het geheel had
aldus het aanzien van een veemarkt, en werkelijk kwamen de slachters
en paardenkoopers der stad gaarne hierheen om te vinden wat zij
zochten. Daarentegen trok het palmbosch, een der weinigen dat in de
nabijheid der stad bewaard was gebleven, de burgers van Memphis aan,
om een luchtje te scheppen en zich in zijne schaduw te verkwikken. De
waard had vlak bij den stroom tafels en banken doen opstellen, en in
de kleine haven op zijn erf kon men booten huren. Iedereen die van
de stad een pleiziertochtje te water maakte, legde hier gaarne aan en
liet zich onder de palmen van Nesptah een verfrisschenden dronk geven.

De twee rijen huizen welke deze plaats van bijeenkomst zoo voor
redelijke wezens als voor het redeloos vee vroeger van de groote
straat gescheiden hadden, en zich uitstrekten in de richting van
den Nijl, waren sedert lang ingestort en de waard had alles met
den grond gelijk gemaakt. Op dit oogenblik kon men zien hoe onder
de leiding van Arabische opzieners ettelijke arbeiders bezig waren,
om eene kolossale ruïne uit den tijd der Ptolomeën, die nauwelijks
tweehonderd schreden van het palmbosch verwijderd lag, af te breken
en de groote, zorgvuldig gehouwene kalksteen- en marmerblokken,
evenals de talrijke hooge zuilen die het dak van den Zeus-tempel te
Memphis gedragen hadden, in weerwil van de brandende middaghitte,
op ossenkarren te laden, om ze naar den dam en van daar op platte
booten naar den oostelijken Nijl-oever te brengen.

Dáar bouwde Amr, de veldheer en plaatsvervanger van den Kalief
zijne nieuwe residentie. De tempels der oude goden werden daartoe
als steengroeven gebruikt, en men vond daarin niet alleen keurig
afgewerkte ornamenten van den hardsten steen, maar ook Grieksche
zuilen van verschillende bouworden in menigte, die allen aan gene zijde
van den stroom weder opgericht werden. De Arabieren versmaadden geen
enkel bouwmateriaal; zij gebruikten bij het optrekken hunner moskeeën
alle steenblokken en zuilen, onverschillig of ze van heidensche of
christelijke tempels afkomstig waren.

In den herbergtempel van Imhotep waren de wanden en zolderingen
oorspronkelijk overal met godenbeelden en hiëroglyphische opschriften
bedekt geweest, maar de rook van het haardvuur had ze sedert lang
zwart gemaakt. Bovendien hadden de handen van geloofsijveraars ze
onophoudelijk geschonden, en over velen had men kalk gestreken, om
die plekken met christelijke symbolen en zeer wereldlijk gekrabbel in
Grieksche teekenen of in het volksschrift der Egyptenaars, te bedekken.

In de groote tempelzaal van weleer gebruikte de Arabier met de zijnen
den maaltijd. Allen onthielden zich daarbij van wijn, met uitzondering
van den aanvoerder der karavaan, die eigenlijk geen muzelman was,
maar tot de Perzische secte der Masdakieten behoorde.

Nadat de oude heer zich verzadigd had aan een afzonderlijk tafeltje,
riep hij dezen tot zich en beval hem de baal met het tapijt, vast
te binden op den draagstoel tusschen de beide groote lastkameelen,
maar zóo, dat hij gemakkelijk losgemaakt kon worden.

"Dat is reeds geschied," antwoordde de Pers, een prachtige kerel,
groot en breed als een eik, met een kop door blonde haren als met
leeuwenmanen omlijst, terwijl hij zijn zwaren snorbaard afveegde.

"Des te beter," antwoordde Haschim. "Kom met mij naar buiten!"

Dit zeggende ging hij den Masdakiet voor in het palmbosch.

De zon was inmiddels achter de pyramiden, de doodenstad en de
Libysche bergketen ter ruste gegaan, en haar schijnsel kleurde nog
slechts den oostelijken horizont en het naakte kalksteengebergte van
Babylon aan gene zijde van den stroom, met afwisselende verwen van
onbeschrijfelijke schoonheid. Het was als hadden alle soorten van
rozen, die de kunstigste hovenier in Arsinoë of Naukratis teelde,
van de goudgelen tot de purperen, en die schitteren met donkerrooden
naar het violet zweemenden glans, de kleuren geleverd, om de vlakke
zijden, de uitstekende punten en kloven van het gebergte, sneller
als zich laat denken, met tooverachtige tinten te overgieten.

Den ouden heer zwol de borst bij dit gezicht en terwijl hij diep
adem haalde, legde hij zijne zachte hand op den reuzenarm van den
Pers en zeide: "Uw meester Masdak leert: het is Gods wil dat de eene
mensch niet meer of minder zijn eigendom mag noemen dan de andere, en
dat er geen rijken noch armen mogen zijn, want dat alle bezittingen
gemeengoed zijn. Zie nu eens met mij naar dezen kant. Wie dit nog
nimmer aanschouwde heeft nog niets gezien. Er is hier beneden niets dat
dit schouwspel in schoonheid overtreft. En wien behoort het? Dien armen
eenvoudigen Salech daar, dien wij uit genade halfnaakt de kameelen
laten nadraven, beschouwt dit evengoed als zijn eigendom als gij en ik
en de Kalief. God heeft ons ten opzichte van zijne groote werken allen
op éen lijn geplaatst, zooals uw meester begeert. Hoeveel schoons is
er toch, dat ons geslacht gemeenschappelijk bezit! Laten wij daarom
dankbaar zijn, Rustem, want waarlijk, het is niet weinig.--Met het
eigendom, dat de mensch zich verwerven of dat hij verliezen kan, is
het echter geheel anders gelegen. Wij staan allen in dezelfde loopbaan,
en wat gij begeert zou vereischen, dat men hun die hard loopen kunnen
lood aan de voeten bond, opdat de een den ander niet vooruit zou
snellen; dat zou zooveel zijn als.... Maar geven we thans onze oogen
den kost en laten wij ons liever wijden aan het prachtige schouwspel
daarginds! Kijk eens, wat er zooeven uitzag als deze purperkleurige
bloemkelk, dat worden nu robijnen; wat schitterde als een viooltje is
donker amethyst geworden. Alles wordt heerlijk omlijst door dien gulden
rand van lichte wolken. En dat alles is het mijne, is het uwe, is
het onze, zoolang oog en hart zich daaraan te goed doen en verkwikken."

De Masdakiet barstte uit in een gullen, welluidenden lach en zeide:
"Ja meester, als ieder maar uwe oogen had! Waarlijk het ziet er daar
kleurig genoeg uit aan den hemel en tegen de bergen, en zulke roode
tinten neemt men bij ons zelden waar; maar wat hebben wij aan dat
betooverend gezicht? Gij ziet robijnen en amethysten daarginds, maar
ik?--De juweelen in uw tapijt zijn wat meer waard dan al dat gefonkel
aan den horizont! Gij moogt er over denken zoo ge wilt, maar voor dien
baal dáar gaf ik alle zonsondergangen op aarde present, en waarlijk
het zou mij niet berouwen!"--Wederom begon hij hartelijk te lachen,
waarna hij vervolgde: "Maar vadertje, gij zult er wel voor passen om
den koop te sluiten!--Wat ons Masdakieten aangaat, de goede tijd is
nog niet voor ons gekomen."

"En als die nu eens aangebroken was en gij bezitter werdt van dat
tapijt?"

"Dan verkocht ik het; ik voegde de opbrengst bij mijne spaarpenningen,
ik ging naar huis om daar land te koopen, ik nam een aardig wijfje
en begon kameelen en paarden te fokken."

"Jawel, en dan zouden overmorgen de armen komen, die niets bespaarden
en slechte zaken maakten met dat avondrood; ieder zou een stuk van
uw land, een kameel en een veulen verlangen; gij zoudt nooit meer een
heerlijken zonsondergang te zien krijgen, en uwe lieve vrouw moest met
u door de wereld trekken, om u te helpen met anderen te deelen. Beste
Rustem, laat de dingen blijven zooals ze zijn. De Allerhoogste moge
uw braaf hart bewaren, dwaze dweeper, die ge zijt!"

Terwijl de reus zich over den arm van zijn meester boog om hem dankbaar
te kussen, keerde de gids met een lang gezicht terug, want hij had te
veel beloofd. De Mukaukas Georg was,--een ongehoord geval--juist toen
hij voor den Arabier gehoor wilde vragen, in een gondel gedragen,
om met zijn zoon en de vrouwen van zijn huis een watertochtje te
maken. De terugkeer van Orion, zeide de huismeester, had den ouden
heer geheel verjongd. Haschim moest dus tot morgen wachten, en hij,
de gids zou hem raden in de stad te overnachten in de herberg van
Moschion, waar het hen aan niets zou ontbreken.

Doch de koopman verkoos hier te blijven. Het oponthoud hinderde
hem niet, daar hij toch een Egyptischen arts wilde raadplegen over
eene oude kwaal. Een beter en geleerder als de beroemde Philippus,
zoo verzekerde de hermeneut, was er in het geheele land niet te
vinden. Het was hier buiten zoo schoon, en op de banken aan den oever
kon men de komeet waarnemen, die sedert eenige dagen zich aan den
hemel vertoonde en zeker slechte tijden profeteerde. De geheele stad
was als stom van verslagenheid, dat bemerkte men zeer goed hier in de
herberg van Nesptah, want anders, als de avondkoelte kwam, zat het er
op de banken en rondom de tafeltjes vol van bezoekers, die in bootjes
kwamen; maar wie durfde in deze dagen van angst aan uitspanning denken?

De gids sprong weer op zijn ezel om den arts te halen, terwijl de oude
Haschim zich aan den arm van den Masdakiet naar de banken onder de
palmen begaf. Daar zat hij peinzend naar den sterrenhemel te staren,
terwijl zijn jongere metgezel droomde van zijn vaderland, waar hij
zonder het kostbare tapijt, en alleen van zijne spaarpenningen een stuk
weiland kocht en een huisje bouwde waarin hij zijn aardig vrouwtje zag
op en neer dribbelen. Zou ze er blond uitzien, of donkerbruin? Het
liefst had hij eene blonde.--Maar opeens ging zijn luchtkasteel in
rook op, want er naderde iets op den Nijl dat zijne aandacht trok,
en hem noopte er ook zijn meester opmerkzaam op te maken.

Voor hen lag de stroom als een breede band van donker zilverbrocaat. De
wassende maan spiegelde zich in zijne nauw merkbaar bewogen
oppervlakte, en waar zijne wateren zich rimpelden, daar omzoomde hij de
toppen der kleine golven met een helderen glans. Uit de richting van de
doodenstad schoten vledermuizen door de nachtlucht en streken over den
Nijl heen als lichte, door den wind bewogen schaduwen. Slechts enkele
driehoekige zeilen zweefden als blanke reusachtige vogels over het
donkere water, doch uit het noorden, van de zijde der stad, naderde
op den stroom een groot gevaarte het palmbosch, met twee glanzende,
van verre flikkerende lichten.

"Een statige boot, waarschijnlijk die van den Mukaukas Georg," zeide
de koopman, terwijl hij het vaartuig langzaam uit het midden der
rivier naar het boschje zag drijven. Onderwijl deed zich ook op den
landweg achter de herberg paardengetrappel hooren. Haschim keek om,
en zag fakkeldragers, die vóor een wagen liepen.

"De kranke," vervolgde de oude, "zal zeker tot hier varen en dan
met een wagen naar huis rijden, om de nachtlucht op het water te
vermijden. Zonderling, daar ontmoet ik nu heden voor de tweede maal
zijn zoon, waarvan ieder den mond vol heeft."

Spoedig naderde de staatsiegondel van den stadhouder het palmbosch. Het
was een groot, schoon vaartuig van cederhout, rijk met goud versierd
en met het beeld van Johannes, den beschermheilige der familie, op
de plecht. Aan den stralenkrans, die het hoofd van dit beeld omgaf,
hingen lampen, en groote lantaarnen verhieven zich daarnaast en aan
de achterzijde van de boot. Daar zat onder een baldakijn de Mukaukas
Georg en naast hem zijne gemalin Neforis. Tegenover hen zat hun zoon en
eene volwassene jonkvrouw, aan wier voeten een kind van tien jaar lag
neergehurkt, dat het vriendelijke kopje tegen haar liet rusten. Eene
meer bejaarde Griekin, de opvoedster van de kleine, was naast een
zeer groot man, den arts Philippus, gezeten op eene rustbank, die
niet meer door het baldakijn overhuifd werd. De heldere tonen van de
luit begeleidden de boot, en hij die met kunstvaardige hand de snaren
tokkelde was de onlangs teruggekeerde Orion.

Het geheel bood een vriendelijken aanblik; gaf het schoonste beeld te
aanschouwen van eene aanzienlijke familie, wier leden door den band
der liefde waren verbonden. Doch wie was die statige jonkvrouw aan
de zijde van den jongen Orion? Blijkbaar wijdde hij aan haar al zijne
aandacht, en telkens wanneer zijne hand krachtig in de snaren greep,
zocht hij hare oogen; bijwijlen scheen het als speelde hij voor haar
alleen. Zulk eene onderscheiding scheen zij wel te verdienen, want
toen het vaartuig de kleine haven invoer en Haschim hare trekken kon
onderscheiden, stond hij verbaasd over hare edele, zuiver Grieksche
schoonheid.

Thans stegen eenige rijkgekleede slaven, die met den wagen langs den
weg moesten gekomen zijn, in de boot, om den ziekelijken heer naar
het rijtuig te brengen, waarbij bleek dat de zetel waarin de lijdende
zat, van handvatsels voorzien was, die hen in staat stelden dezen op
te heffen en te dragen. Een groote, zwarte kerel greep den stoel aan
de achterzijde, en toen een ander zich gereedmaakte dezen van voren
aan te grijpen, drong Orion hem opzij, trad in zijne plaats, hief den
zetel met zijn vader op, en droeg dien over de landingsbrug, die het
vaartuig met den oever verbond, voorbij Haschim naar den wagen. De
jonge man verrichtte het werk van een drager met welgevallen, zonder
dat het hem inspanning kostte. Telkens keek hij vriendelijk naar zijn
vader om, en riep de andere vrouwen toe--alleen zijne moeder, die
den lijder zorgvuldig in doeken had gewikkeld, en de arts volgden den
kranke--dat zij uit zouden stappen en hem hier wachten; waarop hij bij
het licht der fakkels, die voor hem uitgedragen werden, verder ging.

"Arme man!" dacht de koopman, terwijl hij den zieken Mukaukas
nakeek. "Maar het treurigste en zwaarste lot verwaait als een
morgennevel voor den wind, wanneer men een zoon heeft, die iemand
zoo vriendelijk wegdraagt."

Het werd hem nu verklaarbaar, waarom Orion hedenmiddag de bloemen
had weggeworpen! ja, toen die jonkvrouw aan wal kwam, terwijl
het meisje haar zoo teeder aan den arm hing, moest hij bekennen,
dat de kleine dochter van de rijke weduwe Susanna bezwaarlijk den
toets der vergelijking kon doorstaan met deze hooge, koninklijke
verschijning. Welk eene gestalte had dit meisje, welk eene vorstelijke
houding, en wat klonk haar stem welluidend en lieflijk, toen zij het
kind de namen noemde van eenige sterrenbeelden, en op de komeet wees,
die juist opging. Haschim zat in 't donker, en kon ongezien waarnemen
wat er op de bank aan den oever, die door een der lantaarnen van het
schip beschenen werd, verder voorviel, en hij schepte behagen in deze
onverwachte afleiding, want alles wat den zoon van den Mukaukas betrof
wekte zijne deelneming en nieuwsgierigheid. Hij voelde zich getrokken
tot dien buitengewonen jongen man, over wien hij zich een oordeel
wilde vormen, en de aanblik van het mooie meisje daar op de bank
deed zijn oud hart goed. Dat kind was zeker Maria, de kleindochter
van den stadhouder.

De wagen zette zich thans weer in beweging, hij rolde over den weg
voort en een oogenblik later keerde Orion tot de wachtenden terug.

Arm, rijk dochtertje van de weduwe Susanna! Hoe geheel anders verkeerde
hij met deze schoone jonkvrouw dan met die kleine! zijne oogen hingen
als betooverd aan hare trekken; terwijl hij met haar sprak hield hij
nu en dan midden in zijn verhaal op; en wat hij zeide moest nu eens
ernstig en boeiend en dan weer geestig zijn; want niet alleen zij,
maar ook de opvoedster van de kleine luisterde met inspanning, en als
de jonkvrouw hartelijk lachte, klonk het welluidend en helder. Er
lag in haar wezen iets zoo voornaams, dat dergelijke uitingen van
gulle vroolijkheid verrasten en den indruk maakten als de geur van
een prachtige bloem, waarvan men tot dusver geloofde, dat zij alleen
geschapen was om het oog te behagen en niet ook de andere zintuigen
te streelen. En zij, tot wie alles gericht werd wat Orion zeide,
luisterde niet alleen aandachtig naar hem, maar de wijze waarop zij
het deed overtuigde den koopman, dat de verhaler zelf haar nog beter
beviel dan hetgeen hij zoo levendig wist mee te deelen. Wanneer dit
meisje het eens was met den zoon van den stadhouder, ja, dan zou het
een kostelijk paar zijn.

Daar verscheen de waardin Taous, eene kloeke, lijvige Egyptische van
middelbaren leeftijd. Zij droeg zelve hare beroemde spritskoeken,
die zij juist eigenhandig gebakken had, benevens melk, druiven en
ander ooft op, en hare oogen glinsterden daarbij van vreugde en
gestreelde eerzucht; want de zoon van den grooten Mukaukas, de trots
der stad, die vroeger zoo vaak op watertochten met lustige gezellen,
meest Grieksche officieren, die helaas allen gevallen of uit het land
verdreven waren, niet enkel om de koeken aan een bezoek bij haar de
voorkeur had gegeven, deed haar nu de eer aan om zoo spoedig na zijne
terugkomst weer bij haar te komen. Haar radde tong stond niet stil,
terwijl zij vertelde, dat ook zij en haar man hem waren te gemoet
gegaan tot de eereboog bij de Menespoort, terwijl Emau met haar
jonkske hen hadden vergezeld. Emau was namelijk sedert getrouwd,
en zij had dezen eersten kleine "Orion" genoemd.

Toen de jonge man daarop vroeg of Emau nog altijd zulk een aanvallig
schepseltje was en zoo op hare moeder geleek als vroeger, stak vrouw
Taous dreigend den vinger tegen hem op, vragende, terwijl zij op de
jonkvrouw wees, of de vroolijke vogel, wien zoo menigeen bij zijn
vertrek eene weemoedige zucht had nagezonden, eindelijk in een kooitje
zou gaan, en of misschien die schoone jonkvrouw daar...

Maar Orion stuitte haar woordenvloed door te zeggen, dat hij nog zijn
eigen meester was, hoewel hij den strik reeds om zijn hals voelde. Het
schoone meisje kleurde daarop nog sterker dan bij de eerste vraag
der waardin, maar hij overwon spoedig zijne eigene verlegenheid en
verzekerde op luchtigen toon, dat het dochtertje van de brave Taous
eens het aardigste kind van Memphis was, en dat zij niet minder werd
gezocht dan de spritskoeken van hare voortreffelijke moeder. Vrouw
Taous mocht het jonge moedertje van hem groeten.

De waardin ging daarop heen, geroerd en gestreeld door deze
woorden. Orion greep het snarenspeeltuig weer op, en terwijl de
vrouwen zich verkwikten, voldeed hij aan de uitnoodiging van de
jonkvrouw en zong op haar verlangen het lied van Alkaios met eene
welluidende doch zachte stem, onder meesterlijke begeleiding van de
luit. Het meisje hing met de oogen aan zijn mond, en het scheen dat
alleen om harentwil zijne hand in de snaren greep. Toen de tijd kwam
om op te breken en de vrouwen in het vaartuig stegen, ging hij in de
herberg om het gelag te betalen. Spoedig kwam hij alleen terug, en de
koopman zag hoe hij een doekje, dat de jonkvrouw op tafel had laten
liggen, opnam en haastig aan zijne lippen bracht, terwijl hij naar de
boot ging. Met de prachtige roode bloemen was het heden morgen minder
vriendelijk afgeloopen. Aan het meisje, dat daar op het water wegvoer,
behoorde het hart van den jongen man. Zijne zuster kon zij niet zijn;
maar in welke betrekking stond zij tot hem?

De koopman zou er weldra achter komen, want de gids kwam terug
en lichtte hem in.--Zij was Paula, de dochter van Thomas, den
wijdberoemden Griekschen veldheer, die de stad Damascus zoo hardnekkig
en dapper tegen de krijgsmacht van den Islam verdedigd had. Zij was
de nicht van den Mukaukas Georg, maar niet zeer bemiddeld, eene arme
verwante des huizes, die men na het verdwijnen van haar vader--want
men had zelfs zijn lijk niet gevonden--in het stadhouderlijk verblijf
uit genade en barmhartigheid had opgenomen; dus eene Melchietische. De
hermeneut was haar reeds daarom weinig genegen, en hoewel hij tegen
hare schoonheid niets had in te brengen, zoo verzekerde hij toch
te weten, dat zij trotsch en vol inbeelding was, en de kunst niet
verstond om iemands liefde voor zich te winnen. Alleen dat kind,
die kleine Maria, was aan haar gehecht. Het was een publiek geheim,
dat zelfs de gemalin van haar oom, de brave Neforis, de trotsche
nicht niet lijden mocht en haar slechts duldde ter wille van den
kranken man. Wat kwam die Melchietische ook te Memphis doen, in een
oprecht Jacobietisch gezin? Elk woord van den gids ademde den wrevel,
die menschen van minder afkomst en zielenadel zoo licht doen blijken
jegens hen, die de bescherming genieten van hunne eigene weldoeners.

Maar de schoone aristocratische dochter van een groot man had het
oude hart van den koopman gewonnen, en het oordeel van den Memphiet
wijzigde het zijne in geenen deele. Weldra zou hij ook steun vinden
voor zijne opvatting. De arts Philippus, dien de gids had geroepen,
was een dagelijksch bezoeker van het stadhouderlijk verblijf. Zijn
ernstig voorkomen boezemde den Arabier het grootste vertrouwen in,
en deze nu noemde Paula een dier heerlijke schepsels, welke de hemel
ter goeder ure heeft geschapen. Doch die daar boven troont scheen
zijn eigen meesterwerk vergeten te hebben, want sedert jaren leidde
zij een droevig leven.

De arts kon den ouden heer het uitzicht geven op vermindering zijner
smarten. Beide mannen begrepen elkaar zoo goed, dat het reeds laat
in den nacht was, toen zij als goede vrienden scheidden.






DERDE HOOFDSTUK.


Intusschen gleed de boot van den Mukaukas, door krachtige riemslagen
voortgedreven, rustig stroomopwaarts. Door hen die er in zaten werd
nu eens een zacht gesprek gevoerd, dan weer gezongen. De kleine Maria
was aan Paula's borst in slaap gevallen; de Grieksche opvoedster keek
het eene oogenblik naar de komeet, die haar angst aanjoeg, het andere
naar Orion, wiens schoonheid haar niet meer jeugdig gemoed verkwikte,
of naar de jonkvrouw, wie zij het voorrecht misgunde van door dezen
lieveling der goden aangebeden te worden. Het was eene heerlijke,
warme, stille nacht, en het maanlicht, dat de wateren der zee dwingt te
rijzen, doet ook den golfslag van het gevoel in de menschelijke borst
zwellen en stijgen. Wat Paula maar begeerde dat zong Orion, als ware
geen enkel lied hem vreemd van allen, die op de lier eens Griekschen
dichters weleer de thans zoo diep gezonken wereld in verrukking hadden
gebracht. Hoe langer zij voeren, des te helderder en schooner klonk
zijne stem, des te weeker en betooverender werd hare uitdrukking,
met des te vuriger verlangen wendde hij zich tot het hart van het
meisje. En zoo gaf Paula zich ten laatste aan deze zoete betoovering
gevangen, en toen hij de lier liet rusten en haar zachtkens vroeg:
of zijn vaderland in zulk eene nacht niet schoon mocht heeten? welk
lied het streelendst was voor haar? of zij begreep wat het voor hem
beteekende, dat hij haar in het ouderlijke huis had gevonden? liet
ook zij zich overhalen om hem op fluisterenden toon antwoord te geven.

Onder de dichte kronen der boomen van den stillen tuin bracht hij
hare hand aan zijne lippen en bevende liet zij het toe.--Zware,
moeielijke jaren lagen achter haar. De arts had maar al te zeer
waarheid gesproken. Op de harde slagen van het noodlot waren voor
haar, de trotsche dochter van een grooten vader, allerlei pijnigende
vernederingen gevolgd. Het leven van de wel-is-waar niet arme maar toch
verlatene aanverwante, die uit goedhartigheid in het huis van een rijke
familie was opgenomen, was reeds lang voor haar een pad vol doornen
geworden. Doch sedert eergisteren was dat alles veranderd. Orion was
gekomen! Als een heerlijk geschenk van het lot hadden het ouderlijk
huis en de stad zijne terugkomst gevierd, en ook zij had rijkelijk
haar aandeel gehad van de feestvreugde. Hij had haar begroet, niet
als de verlatene verwante, maar als de schoone jonkvrouw van edele
geboorte. Het was alsof er een zonneschijn van hem uitging, die
doordrong tot haar hart, en haar het hoofd opnieuw deed oprichten als
eene bloem, die men weder onder den vrijen hemel plaatst, nadat zij
langen tijd licht en lucht heeft moeten ontberen. Zijn frissche geest,
zijn vroolijke levensmoed verkwikten haar hart; de achting die hij
haar bewees versterkte haar onderdrukt zelfvertrouwen, en vervulde
hare ziel met warmen dank. En wat deed het haar goed zich dankbaar,
innig dankbaar te mogen gevoelen! En nu, nu was de avond van heden
gekomen, de schoonste, de heerlijkste, die zij sedert jaren genoten
had. Hij had haar weder geleerd, wat zij bijna vergeten scheen, dat
zij nog jong, zoo schoon was, dat zij het recht had nog gelukkig te
zijn, geestdrift te gevoelen en te wekken, ja misschien ook lief te
hebben en bemind te worden.

Zijn kus brandde nog op hare rechterhand, toen zij het koele vertrek
binnentrad, waar vrouw Neforis achter haar spinrokken, naast het
rustbed van haar kranken echtgenoot, die zich altijd laat naar bed
begaf, de terugkeerenden wachtte. Met een vol gemoed drukte Paula hare
lippen op de hand van haar oom, Orions vader. Mocht zij hem haar Orion
noemen? Daarop kuste zij--in hoelang was dat niet gebeurd!--ook hare
tante, zijne moeder, terwijl zij met de kleine Maria haar goeden nacht
wenschte. Neforis bleef koel, en terwijl zij hare verwondering over
deze hartelijkheid niet verheelde, sloeg zij een onderzoekenden blik
op Paula en haren zoon. Zeker vlogen haar daarbij allerlei gedachten
door het hoofd, maar zij achtte het geraden deze voorshands niet
uit te spreken. Als was er niets bijzonders gebeurd, liet zij de
meisjes heengaan, hield zij een oog op de lieden, die haar gemaal
naar het slaapvertrek droegen, gaf zij hem de witte pilletjes, die
hij gebruiken moest om te slapen, en schoof zij met onvermoeide zorg
de kussens zoolang terecht, tot hij naar zijn zin lag. Toen eerst, en
nadat zij zich overtuigd had dat een dienstknecht in het aangrenzende
vertrek waakte, verliet zij den kranke, en zocht zij haar zoon op. In
uitstel lag gevaar.

De groote, stevige, een weinig gezette vrouw was in hare jeugd een
statig, slank meisje, eene deftige verschijning, maar haar nuchter
en onbewegelijk gelaat nooit in het oog vallend schoon geweest. De
jaren hadden dat gelaat echter weinig veranderd; het was thans
een goed, vol matronengezicht geworden, zonder veel uitdrukking,
dat door de langdurige en inspannende verpleging van den kranke
zijne kleur had verloren. Hare geboorte en de plaats die zij innam
gaven haar een gevoel van zelfstandigheid, zekere zelfbewustheid,
doch er lag daarbij niets innemends, niets aantrekkelijks in haar
wezen. Zij deelde niet in het leed en de vreugde van anderen, toch kon
zij zich uit zelfopoffering moeite en bezwaren getroosten, en haar
hart was in staat om voor anderen te ontblaken in hartstochtelijken
gloed. Evenwel die anderen moesten hare naaste betrekkingen zijn
en ook dezen alleen. Er was dan ook geen trouwer en zorgvuldiger
gade, geen teederder moeder te vinden, maar wilde men de liefde
die in haar leefde bij een gesternte vergelijken, dan reikten hare
korte stralen niet buiten de sfeer van hare naaste bloedverwanten,
en dezen verheugden zich natuurlijk dankbaar over het buitengewoon
geluk van te worden opgenomen in den engen cirkel van de genegenheid
dezer onvrijgevige ziel.

Zij klopte nu aan Orions woonvertrek, en haar laat bezoek verraste hem
niet minder dan het hem genoegen deed. Zij kwam om iets gewichtigs
met hem te bespreken, en deed dit nu reeds, omdat de houding van
Paula en haar zoon haar drong haast te maken. Er was tusschen beiden
iets voorgevallen, en de nicht van haar gemaal stond verre buiten
den beperkten kring harer liefde.

Zij leidde hare toespraak in met te zeggen, dat zij zoo niet kon
gaan slapen. Zij had een wensch op het hart en zijn vader deelde
daarin. Orion kon wel begrijpen wat zij meende; reeds gisteren had zij
er met hem over gesproken. Zijn vader was hem vriendelijk te gemoet
gekomen, had zijne schulden betaald zonder een woord van berisping,
en nu stond het aan hem voor goed te breken met zijne ongebondene
levenswijze van weleer en eene eigene huishouding op te zetten. De
bruid, dat wist hij wel, was gevonden. "Susanna," zeide zij, "is
reeds bij ons geweest. Hebt gij, booswicht, zooals zij zelve zegt,
hare Katharina heden morgen niet het hoofd geheel op hol gebracht?"

"Helaas," haastte hij zich te zeggen op verdrietigen toon. "Het
aanhalen van vrouwen is eene gewoonte van mij geworden; doch het zal
hiermee van nu af uit zijn; het is beneden mij. Thans, lieve moeder,
thans gevoel ik...."

"Dat de ernst des levens begint," vulde Neforis aan, "dat is ook de
bedoeling van den wensch, die mij tot u doet komen. Gij kent dien, en
ik weet niet wat gij er tegen zoudt kunnen aanvoeren. Kort en goed,
laat mij morgen de zaak met vrouw Susanna in orde brengen. Van de
genegenheid harer dochter zijt gij zeker, zij is de rijkste erfgename
van het land, goed opgevoed, en ik herhaal het: zij heeft u haar
hartje geschonken."

"En zij mag het behouden!" zeide Orion lachend.

"Ik bid u uwe vroolijkheid te bewaren voor een anderen tijd en
voor komischer onderwerpen," hernam de moeder, verstoord over
dit antwoord. "Ik meen het zeer ernstig als ik zeg: het meisje is
lief en goed, en zal voor u, zoo God wil, eene trouwe, teedere gade
zijn. Of hebt gij misschien uw hart in Konstantinopel gelaten? Heeft
wellicht de schoone verwante van den senator Justinus... Maar dit
is dwaasheid! Gij zelf kunt toch vooruit wel begrijpen, dat wij deze
luchthartige Griekin...."

Opeens omhelsde Orion haar, en zeide op teederen toon: "Neen,
moedertje, neen! Konstantinopel ligt verre achter mij in grauwe
nevelen, aan gene zijde van het uiterste Thule; maar hier, hier vlak
bij, in het ouderlijk huis heb ik iets veel schooners en volmaakters
gevonden, als zij daar aan den Bosphorus ooit hebben gezien. Die
kleine past niet voor een zoon van ons groot, breedgeschouderd
geslacht. Ook onze toekomstige geslachten moeten zich in alle opzichten
fier verheffen boven het gemeene volk, en ik wil geen speelpopje
hebben tot gemalin, maar eene vrouw, zooals gijzelve in uwe jeugd
zijt geweest, een flinke, voorname, schoone vrouw. Mijn hart wordt
niet aangetrokken door eene elfenkoningin maar door eene waarlijk
koninklijke jonkvrouw. Wat behoef ik er nog veel woorden over te
verspillen: Paula, de kostelijke dochter van den edelen Thomas heb ik
uitverkoren. Heden avond is mij dit als door eene openbaring duidelijk
geworden. Ik bid u om uwen zegen over eene verbintenis met haar!"

Vrouw Neforis had haar zoon tot zoover door laten spreken. Wat
zij gevreesd had te zullen hooren, had hij haar rond en open te
verstaan gegeven. Hoe lang had zij zich ingespannen om zich in te
houden! Maar nu was het ook uit met hare zelfbeheersching. Bevende
van kwaadheid viel zij hem in de rede en zeide, terwijl een donkere
blos hare wangen overtoog: "Zwijg, ga niet verder! De hemel beware
ons, dat hetgeen ik daar uit uw mond moest hooren iets meer zou zijn
dan een vluchtige, dwaze inval! Hebt gij dan gansch en al vergeten
wie en wat wij zijn? Weet gij dan niet dat het de geloofsgenooten
van deze Melchietin waren, die uw twee geliefde broeders, onze twee
bloeiende zonen ombrachten? Wat zijn wij in het oog van de Grieken,
de Orthodoxen? Maar onder de Egyptenaars, die de alleen zaligmakende
leer van Eutuches aanhangen, onder de Monophusieten zijn wij de
eersten, en wij willen dat blijven en ooren en harten sluiten voor
ketters en hun bijgeloof. De kleinzoon van Menas, een broeder van twee
martelaren voor ons heerlijk geloof, verloofd met eene Melchietin! Deze
gedachte is heiligschennis, is godslastering; ik vind daarvoor geen
zachter woorden. Voor ik, voor uw vader daarin toestemt, willen
wij liever kinderloos sterven. Om der wille van deze vluchtelinge,
die niets anders bezit dan haar bedelaarstrots en het saamgeraapte
overblijfsel van een vermogen, dat nooit met het onze vergeleken kan
worden, om deze ondankbare, die zich nauwelijks verwaardigt mij hare
weldoenster, uwe moeder--bij God, ik spreek de waarheid!--ook maar een
'goeden morgen' te zeggen, waarmede ik zelfs de slaven vriendelijk
begroet, om harentwil moet ik, moeten uwe ouders den zoon verliezen,
den eenige dien de genadige hemel ons nog tot onze vreugde gelaten
heeft? Neen, neen, neen! Dat kan niet! En gij, Orion, mijn beste
jongen, gij zijt uw leven lang een drieste knaap geweest, maar gij
zult den dwazen moed niet hebben deze koude schoone te beminnen, die
gij in twee dagen maar enkele uren hebt gezien, en uwe oude moeder,
die u vier-en-twintig jaren lang teeder aan het hart heeft gedrukt,
tot der dood te bedroeven, en uw vader, wiens dagen geteld zijn,
den korten tijd dien hij nog te leven heeft, te vergiftigen. Neen,
mijn lieve jongen, daartoe hebt gij den moed niet, kunt gij den
moed niet hebben. En mocht gij in eene noodlottige ure het wagen,
mocht gij het durven doen, dan--ik ben gedurende uw gansche leven
uwe teeder liefhebbende moeder geweest--dan, zoo waar God mij en uw
vader zal bijstaan in onze laatste ure, dan ruk ik de liefde voor
u uit mijn hart als eene schadelijke giftplant, dan zou ik, ook al
moest mijn hart er bij breken..."

Maar Orion liet haar niet verder gaan. Hij trok de zenuwachtig
opgewondene vrouw, die zich reeds lang uit zijne armen had losgemaakt,
weder tot zich, legde zachtkens zijne hand op haren mond, kuste haar
op de beide oogen en fluisterde haar in het oor: "Neen, hij heeft
er den moed niet toe en zal dien ook bezwaarlijk vinden in zijn
leven." Daarop greep hij hare beide handen en vervolgde, terwijl hij
haar flink in het aangezicht zag: "Brrr! uw waaghals is nog nooit
zoo angstig te moede geweest als bij deze bedreigingen. Maar wat
hebt gij ook schrikkelijke woorden uitgesproken; en daar lagen u nog
erger op de tong! Moeder, moeder Neforis! Uw naam beteekent de goede,
maar hoe boos, hoe erg boos kunt gij toch zijn!"

Daarop omhelsde hij de geliefde vrouw nog hartelijker; in een aanval
van overmoed, de terugwerking van den schrik dien zij hem zooeven
had aangejaagd, kuste hij hare haren, slapen en wangen driftig
achter elkander, en toen zij hem verliet had hij haar de vergunning
gegeven voor hem aanzoek te doen om de hand van de kleine Katharina,
daarbij echter de belofte ontvangen, dat dit nog niet morgen, op
zijn vroegst overmorgen zou geschieden. Hij achtte het eene groote
overwinning, dat hij dit uitstel had verkregen, en toen hij alleen was
en nadacht over hetgeen hij gedaan en aan zijne moeder toegestaan had,
bloedde zijn hart uit wonden, waarvan hij zelf de diepte nog niet
kon peilen. Toch verheugde hij zich Paula nog niet vaster aan zich
verbonden te hebben. Met zijne oogen had hij haar reeds veel gezegd,
maar het woord 'liefde' was nog niet over zijne lippen gekomen, en
daar hing toch alles van af. Het stond den neef toch vrij om eene
schoone verwante een handkus te geven. Zij was en bleef voor hem het
voorwerp zijner wenschen, maar om der wille van een meisje hoegenaamd,
al gold het Aphrodite zelve, of eene der Muzen of Gratiën, met zijne
ouders te breken, dat was hem ondenkbaar. Er waren nog ontelbare
mooie vrouwen voor hem op aarde, maar slechts éene moeder, en hoe
dikwijls had zijn hart niet voor vrouwen sneller geklopt, had hij niet
veroveringen gemaakt en van de bekoring van het oogenblik genoten,
maar ook daarna weder gemakkelijk en gewillig allen vergeten.

Ditmaal echter scheen het hem dieper te hebben aangegrepen dan bij
vroegere gelegenheden, en zelfs die schoone Perzische slavin, om wier
wil hij, toen hij pas de school had verlaten, groote dwaasheden had
begaan, en de bekoorlijke Heliodora in Konstantinopel, aan wie hij
nog een aandenken schuldig was, hadden niet zulk een indruk op hem
gemaakt. Deze Paula prijs te geven, dat viel hem zwaar, maar het ging
niet anders. Morgen moest hij beproeven op een vriendschappelijken,
broederlijken voet met haar te geraken; want hij durfde niet hopen dat
zij zich, evenals die zachtaardige Heliodora, die in rang met haar
gelijk stond, alleen met zijne 'liefde' tevreden zou stellen. Hoe
schoon, hoe onuitsprekelijk heerlijk zou het toch geweest zijn aan
de zijde van deze schoone vrouw het leven door te zweven! Als hij
met haar door de hoofdstad reed, dan kon hij er zeker van zijn, dat
iedereen zou stilstaan en naar hen omzien. En als zij hem nu eens
waarlijk liefhad, en teeder de armen voor hem opende.... Ach waarom
had het grillige noodlot haar toch eene Melchietin gemaakt!--Doch het
kon wel zijn, helaas, dat er iets haperde aan haar eigen karakter;
anders had het haar toch moeten gelukken gedurende die twee jaren
de liefde te winnen van zijne voortreffelijke, teedere moeder, die
nu zulk een afkeer van haar had.--Alles wel beschouwd was het toch
goed, dat de zaken zoo geloopen waren. Doch Paula's beeld wilde niet
van hem wijken, het roofde hem den slaap en zijn verlangen naar haar
bezit kwam niet tot rust.

Vrouw Neforis ging intusschen niet terstond naar haar gemaal
terug, maar tot Paula. Deze zaak moest nog heden in allen deele
worden afgedaan. Had zij kunnen verwachten dat de door haar behaalde
overwinning den kranke onverdeelde vreugde zou hebben bereid, dan ware
zij met de blijde boodschap naar hem toegesneld, want zij kende geen
hooger genot dan hem een gelukkig oogenblik te verschaffen. De Mukaukas
had echter noode in hare keuze toegestemd, want ook hem kwam Katharina
te klein voor en te kinderlijk voor den grooten zoon, die hem in
menig langdurig onderhoud, dat hij na zijn terugkeer met hem had, tot
vreugde van zijn ouderhart de onloochenbaarste bewijzen had gegeven,
dat zijn geest tot vollen wasdom was gekomen. Het "kwikstaartje",
aan wie hij alles schoons en goeds toewenschte, voldeed hem niet als
gade voor Orion. Paula was voor hem altijd eene lieve nicht geweest,
en vaak had het hem goed gedaan, als hij zich haar voorstelde aan
Orions zijde. Maar zij was eene Melchietin, en hij wist bovendien
hoe kwalijk zijne vrouw jegens haar gezind was. Zoo verkropte hij
dezen wensch om de trouwe verpleegster, die voor hem leefde, voelde
en dacht, niet te krenken. Vrouw Neforis wist of vermoedde dit alles
en zeide tot zichzelve, dat het hem de nachtrust zou kosten, wanneer
hij heden reeds vernam wat Orion haar toegestaan had.

Met Paula stond het echter anders. Hoe eerder zij vernam dat zij
van haren zoon niets te wachten had, des te beter zou het voor haar
zijn. Aan den morgen van dezen dag hadden zij en Orion elkander
begroet als een paar verliefden, en zoo straks waren zij als bruid en
bruidegom van elkander gegaan. Zulk een ergerlijk schouwspel wilde
zij niet weder bijwonen, en daarom ging zij tot de Damasceensche,
om haar in vertrouwen mede te deelen hoe recht gelukkig zij was,
en welk eene vreugde haar zoon haar zooeven had bereid. Doch tot
overmorgen moest zij het zwijgen.

Reeds dadelijk bij haar binnentreden had Paula uit de blijdschap die
uit hare oogen straalde het besluit getrokken, dat zij eene voor
haar pijnlijke boodschap kwam brengen, en zoo wist zij zichzelve
te beheerschen. Met het masker eener koele onverschilligheid liet
zij de uitstortingen van het blijde moederhart over zich heengaan en
wenschte zij de verloofden geluk; maar zij deed het met een schamperen
lach, die vrouw Neforis kwetste. Zij was anders niet boos van aard,
maar tegenover dit meisje veranderde hare natuur, en het was haar
niet ongevallig weder eens te doen blijken, dat Paula bescheidenheid
voegde bij de plaats die zij innam. Dat alles zeide zij tot zichzelve,
toen Paula's kamer achter haar gesloten was, maar wellicht had deze
vrouw, die toch zooveel goeds had, berouw gevoeld, wanneer het haar
vergund was geworden in de volgende ure in het hart te lezen van de
aan hare zorgen toevertrouwde wees. Slechts eenmaal barstte Paula
in hevig snikken uit, toen droogde zij spijtig hare tranen, staarde
lang somber voor zich en schudde daarbij vaak het schoone hoofd, als
ware haar iets ongehoords bejegend, dat zij niet vatten kon. Eindelijk
legde zij zich ter ruste met een smartelijken zucht, en terwijl zij te
vergeefs trachtte te slapen, en de kracht zocht om te bidden en stil
te berusten, scheen haar de tijd eene oneindige steppe toe, het noodlot
een gruwzaam jager, waarbij zij zelve het wild was dat hij vervolgde.






VIERDE HOOFDSTUK.


Den volgenden avond reed de koopman Haschim met een klein deel zijner
karavaan het stadhouderlijk verblijf binnen. Een vreemdeling zou het
eer voor de woning van een rijk grondbezitter dan voor de residentie
van een aanzienlijk staatsambtenaar gehouden hebben, want binnen het
uitgestrekte terrein, dat door de bijgebouwen aan drie zijden werd
ingesloten, dreef men thans na het ondergaan der zon groote kudden
runderen en schapen binnen, een vijftigtal paarden van edel ras kwam
samengekoppeld uit de zwemplaats en bruine en zwarte slaven droegen
naar een door horden omsloten zandige plek het avondvoeder voor een
kudde kameelen.

Het woonhuis van den bezitter, buitengewoon groot in omvang, geleek
een sierlijk paleis uit den ouden tijd en was dus wel geschikt om
een stadhouder des keizers tot residentie te dienen. De Mukaukas
Georg, wien dit alles toebehoorde, had inderdaad dit ambt langen
tijd bekleed. Na de verovering des lands hadden de veroveraars hem
daarin bevestigd, en tegenwoordig leidde hij de aangelegenheden
zijner Egyptische landgenooten niet meer in naam van den keizer
te Konstantinopel, maar op gezag van den Kalief te Medina en zijn
veldheer Amr. De muzelmansche veroveraars hadden in hem een goedwillig
en verstandig vertegenwoordiger gevonden, en zijne geloofsgenooten
en stamverwanten gehoorzaamden hem als den voornaamsten en rijksten
heer hunner natie, als den zoon van een geslacht, wiens voorouderen
reeds bij de pharaonen in hooge eer stonden.

Alleen het woonhuis van den Mukaukas was Grieksch of liever
Alexandrijnsch; de hoven en bijgebouwen, die zich daarbij aansloten,
hadden daarentegen geheel het aanzien als behoorden ze aan het
machtig opperhoofd van een grooten oosterschen stam, aan een Erpaha of
gouwvorst, zooals de voorouders van den Mukaukas in den heidenschen
tijd genoemd en als hoedanig zij aan het hof en onder het volk
geëerd werden.

De gids had den koopman niet te veel verteld van het grondbezit
van dezen man. Zijne uitgestrekte landerijen waren in Opper- en
Neder-Egypte gelegen en werden bebouwd door eenige duizenden slaven
onder een aantal opzichters. Hier in Memphis was het middenpunt
van het bestuur van zijn bijzonder eigendom, en bij zijn eigen
rentmeesterskantoor sloten zich de schrijfvertrekken aan, die hij
als staatsbeambte noodig had. Goed onderhouden dammen en de breede
Nijlstraat, die op de haven uitliep, scheidden zijn uitgebreid terrein
te Memphis van den stroom, en langs den muur, die aan de noordzijde de
afsluiting vormde, liep een straatje. Hierop kwam de groote poort uit
die bij den dag wijd open stond om aan allen toegang te verleenen,
hetzij dienaars hetzij zaakgelastigden, die op het grondgebied
van den Mukaukas iets hadden uit te richten. De met Korinthische
marmeren zuilen versierde, altijd gesloten schoone hoofdpoort aan
de Nijlstraat, waardoor ook zij waren binnengekomen, die gisteren
het tochtje op de rivier hadden gedaan, werd alleen geopend voor de
familie en de hooggeplaatste bezoekers van den stadhouder. Bij de
dienstpoort in het straatje stond het wachthuis, dat door eene kleine
afdeeling Egyptische soldaten bewoond was, die hadden te waken voor
de persoonlijke veiligheid van den Mukaukas.

Zoodra zich na de hitte van den dag eene verfrisschende koelte verhief
uit de richting van den stroom, kwam er leven op het terrein achter
deze dienstpoort. Uit alle woningen van het dienstpersoneel kwamen
mannen, vrouwen en meisjes te voorschijn, om de frissche avondlucht in
te ademen. Sommige dienstmaagden en slaven schepten water uit verbazend
groote steenen bakken en droegen het in sierlijk gevormde kannen
weg, terwijl de overige beambten des huizes in groepen stonden te
praten, te spelen en te zingen, om zich te ontspannen van vermoeiende
bezigheden. Uit het slavenkwartier, dat een tweeden hof omsloot,
klonk het gezang van geestelijke liederen, het tot den dans opwekkende
schrille en doffe geluid van dubbele fluiten en handtrommels, getwist
en gelach, het gillen van een meisje dat tot dansen werd gedwongen
en het geschreeuw van een door den opzichter gegeeselden slaaf,
alles verward dooreen.

De poort voor het dienstpersoneel, die ter eere van den onlangs
teruggekeerden Orion nog rijk met bloemen en groene guirlandes versierd
was, stond ook thans wijd open, ten einde de schrijvers en boekhouders
gelegenheid te geven om uit te gaan, en de stedelingen, die hunne
vrienden in het stadhouderlijk paleis des avonds gaarne bezochten,
om binnen te komen. Want men vond daar steeds eenige hooger geplaatste
beambten van den Mukaukas bijeen, die van de jongste gebeurtenissen in
staat en kerk meer wisten dan andere lieden. Onder de houten galerij
vóor het huis van den hofmeester vereenigden zich dan ook weldra een
groot aantal mannen, die in druk gesprek geraakten. Ook zonder het
bier, dat de gastheer hun nog altijd op rekening van het welkomstfeest
voor den zoon zijns meesters liet aanbieden, beschouwden zij dit als
een bijzonder genot; want voor een Egyptenaar ging er niets boven
een twistgesprek, waarbij hij de pijlen van zijn geestigen spot op
aanzienlijke personen, die anders ongenaakbaar voor hem waren, alsmede
op andersdenkenden en vijanden des lands kon richten. Heden was er
ook zeker menig snedig woord, menige aardige scherts te hooren, want
het vroolijk gelach en de luide bijvalsbetuigingen in de voorgalerij
van den hofmeester schenen geen einde te nemen, en de bevelhebber der
wacht bij de poort sloeg nu en dan een afgunstigen en wreveligen blik
op het luidruchtig gezelschap, waaraan hij gaarne had deelgenomen, als
hij zijn post had durven verlaten. Maar daar stonden nog de gezadelde
paarden der boden, die op antwoord wachtten; daar kwamen af en toe
zaakgelastigden en lieden met verzoeken die wenschten toegelaten te
worden, en in het ruime voorvertrek van het stadhouderlijk paleis
waren nog vele personen bijeen, die den Mukaukas moesten spreken; want
geheel Memphis wist, dat de kranke stadhouder in de heetste maanden
alleen des avonds audiëntie verleende. De Egyptenaars stelden nog
weinig vertrouwen in de Arabische beambten, en iedereen trachtte te
voorkomen, dat hij naar de plaatsvervangers van den Mukaukas verwezen
werd; zoo verstandig en rechtvaardig als de oude heer was geen zijner
ambtenaren. Hoe de lijdende man kracht en tijd vond om ook dezen op
te vingers te zien, wist niemand te verklaren, maar het stond vast,
dat ieder besluit door hem werd nagezien.

De audiëntietijd was voorbij, en de bezorgdheid, die het uitblijven
van de overstrooming en de komeet wekten, had de wachtkamer heden met
meer personen die wat te vragen hadden gevuld, dan gewoonlijk. De
vertegenwoordigers der steden en de dorpshoofden waren bij groepen
toegelaten; zij die over hunne eigene belangen te spreken hadden
kwamen een voor een, en de meesten waren bevredigd of althans met
goeden raad heengegaan. Alleen een landman, wiens rechtvaardige
zaak reeds lang op afdoening wachtte, was achtergebleven en hoopte,
omdat hij van zijne armoede eenige drachmen ten offer had gebracht
voor den persoon die hem moest aandienen, nog heden de vrucht te
oogsten van zijn geduldig wachten, toen de huismeester hem beval
morgen terug te komen en de hooge deuren, die tot de vertrekken van
den Mukaukas leidden, onderdanig opende voor den koopman Haschim,
dank zij de goudstukken, die hij van zijn neef den gids ontvangen
had. Doch de Arabier had den landman opgemerkt, en drong er op aan,
dat deze hem voor zou gaan. Zoo gebeurde het dan ook, en na eenige
oogenblikken keerde de boer tevreden terug en kuste Haschim dankbaar
de hand. De huismeester liet daarna den ouden heer met zijne lieden,
die hem eene zware baal achterna hadden gedragen, in een prachtig
voorvertrek wachten, en zijn geduld werd zeer op de proef gesteld,
eer de uitnoodiging tot hem kwam, om den stadhouder zijn koopwaar
te toonen.

De Mukaukas had, nadat hij met een stillen wenk had goedgevonden den
braven koopman, die hem bijzonder was aanbevolen, later te ontvangen,
zijn rusttijd genomen, en zonder zich over den wachtende te bekommeren
verpoosde hij zich met het schaakspel. Hij lag op een divan, waarover
de gladde huid eener leeuwin was gespreid, terwijl zijne jeugdige
speelgenoote op een lagen zetel tegenover hem zat. De deuren aan
de Nijlzijde van het vertrek, waarin hij ook in liggende houding de
personen had ontvangen die ter audiëntie waren gekomen, stonden nu
half open, om de koelere maar altijd nog lauwe avondlucht binnen te
laten. Het groene velarium [1], dat overdag de zonnestralen belette om
door het in het midden geopende dak naar binnen te dringen, was nu op
zij geschoven, en maan en sterren schenen in het vertrek, dat geheel
beantwoordde aan zijne bestemming om in heete zomerdagen een dragelijk
toevluchtsoord te zijn. Want de wanden waren met koele, bonte tegels
bekleed, de bodem bestond uit een veelkleurig mozaïk van allerlei
figuren op een grond van verguld glas, en op het ronde middenstuk
van dezen kunstigen vloer verhief zich het voorwerp, dat eigenlijk
de frischheid aanbracht, een twee manslengten wijde schaal van bruin
met wit doorspikkeld porfier, waaruit een waterstraal opspoot, die
de geheele omgeving met fijne waterstof besproeide. Enkele zetels,
stoelen en kleine tafeltjes, allen van metaal, vormden het overige
ameublement van dit hoog, door vele lampen verlicht vertrek. Eene
zachte koelte drong door het open dak en de thans ontsloten deuren
binnen, bewoog even de vlammen der lampen en speelde met de bruine
lokken van Paula, die zich met geheel hare opmerkzaamheid aan het
schaakspel scheen te wijden.

Orion, die achter haar stond, had reeds meermalen te vergeefs
moeite gedaan om hare aandacht te trekken. Thans bood hij zich
dienstvaardig aan om een doek voor haar te halen, opdat zij geen tocht
mocht vatten. Maar zij sloeg het kortweg en bepaald af, ofschoon
eene vochtige lucht van de rivierzijde binnendrong en zij reeds
meermalen haar peplos dichter om de borst had samengetrokken. Bij
deze afwijzing beet de jonge man zich op de lippen; hij toch wist
niet dat zijne moeder haar had medegedeeld, wat hij haar gisteren
had ingewilligd, en vond geene verklaring voor Paula's veranderde
gezindheid. Sedert den vroegen morgen had zij hem ijskoud bejegend en
zijne vragen ternauwernood met een koel "ja" of "neen" beantwoord,
en deze verhouding werd hem, den verwenden lieveling der vrouwen,
al meer en meer ondragelijk. Moeder had dus wel juist over haar
geoordeeld. Zij liet zich gansch en al beheerschen door hare luimen,
en thans deed zij ook hem haar trots gevoelen, waarvan hij vroeger
niets bespeurd had. Ja, deze koude behandeling grensde aan lompheid,
en hij was niet genegen zich dit langer te laten welgevallen. Bitter
verdrietig volgde hij elke beweging harer hand, elke buiging van haar
hoofd en de afwisselende uitdrukking van haar gelaat, maar hoe meer
hij zich in de beschouwing van deze trotsche jonkvrouw verdiepte,
des te schooner scheen zij hem toe, des te dieper indruk maakten die
volmaakte vormen op zijn gemoed en des te hooger steeg zijn vurig
verlangen, om haar weer zoo lachende, zoo echt vrouwelijk teeder te
zien als gisteren. Thans geleek zij slechts op een voortreffelijk
marmeren beeld, doch hij wist maar al te goed dat dit beeld ook eene
ziel had. Welk een heerlijke taak zou het zijn om dit schepseltje, dat
zoo geheel door hare dwaze luimen beheerscht werd, te leeren zichzelve
te beheerschen, en haar, al moest het met hardheid geschieden, te
wijzen op hetgeen eene vrouw, eene jonkvrouw bovenal betaamt.

Onder deze afwisselende gewaarwordingen wijdde hij zijne aandacht meer
en meer uitsluitend aan Paula. Zijne moeder, die met vrouw Susanna op
tamelijken afstand van de spelenden op een rustbank zat, bespeurde
dit met toenemende ergernis; zij zocht hem door vragen en door hem
nu en dan eene kleinigheid te verzoeken, van haar af te trekken en
aan zijne kwalijk verholen gedachten eene andere richting te geven.

Wie had gisteren morgen kunnen denken, dat haar lieveling haar
weldra zulk een verdriet, zooveel zorgen zou geven! Hij was
teruggekeerd als een zelfstandig man, die het leven in de groote
wereld heeft leeren kennen, juist zooals zijn vader en zij het
gewenscht hadden. Wel-is-waar had hij in de hoofdstad alles genoten,
wat het hart van een jongeling uit hoogen stand aantrekt, maar
desniettemin--en hierover vooral verblijdde zich zijn vader--was
hij frisch gebleven en ontvankelijk ook voor het kleinste. Van die
oververzadiging, die onverschilligheid voor de gewone genietingen des
levens, waartoe zoovele jongelieden van zijn stand vervielen, vertoonde
zich bij hem geen spoor. Hij kon met de kleine Maria nog altijd even
dartel spelen, zich over eene zeldzame bloem of een nieuw fraai paard
nog even hartelijk verheugen als voor zijn vertrek. Daarbij had hij
echter zulk een diepen blik geslagen in de staatkundige verhoudingen
van zijn tijd, in den toestand van het keizerrijk en het hof, in
het staatsbestuur en de verschijnselen op godsdienstig gebied, dat
het zijn vader een genot was hem te hooren spreken, en deze aan zijne
gade de verzekering kon geven, dat hij van den jongen man veel leerde,
en dat Orion op weg was een degelijk staatsman te worden, die thans
reeds kennis genoeg bezat om zijne plaats geheel te kunnen innemen.

Toen de moeder haar echtgenoot de groote som had genoemd van de
schulden, die Orion in Konstantinopel had achtergelaten, greep de oude
heer met zekeren trots in zijn buidel. Hij verheugde er zich over,
dat de eenige hem overgebleven erfgenaam de kunst verstond om de groote
rijkdommen, die hem zelven meer tot last dan tot genot waren, evengoed
als hijzelf in zijne jeugd, te gebruiken, en zich te omgeven met een
glans, waarvan het schijnsel op hemzelven en zijn naam terugviel. "Bij
hem weet men," zeide de kranke, "waarvoor men zijne geldstukken laat
rollen. Zijne paarden kosten veel, maar hij weet er mee te overwinnen;
zijn optreden in de wereld verslindt aanzienlijke sommen, maar daarvoor
verschaft hij zich achting, waar hij zich ook vertoont. Hij brengt mij
een brief mede van den senator Justinus, en de waardige man erkent,
dat hij eene groote rol onder de voorname jongelieden van aanzienlijk
vermogen in de hoofdstad gespeeld heeft. Zulk een roem verwerft men
geenzins om niet, en ten slotte valt de rekening nog mee. Wat vraag
ik naar een honderd talenten meer of minder? En er ligt iets van
beteekenis in, dat hij den moed heeft gehad het ook niet te doen."

Hij die zoo sprak was geen levenslustige grijsaard, maar een man wiens
gezondheid was geknakt, en die zich verheugde dat zijn zoon alles,
waarvan het genot hem sedert lang was ontzegd, nu blijde en volop
genieten kon.

De vurige, pas de kinderschoenen ontwassen, hoogbegaafde jonkman,
dien hij met eenige bezorgdheid naar de keizerstad had gezonden, moest
dan toch in de hoofdstad een veel ingetogener leven hebben geleid,
dan men van hem verwacht had; daarvoor stonden hem borg de roode blos
op zijne een weinig gebruinde wangen, de kracht zijner spieren en de
dichtheid van zijne gladde doch met kunstvaardige hand gekroesde haren,
die in kort gesneden lokken, naar de mode van dien tijd, op zijn hoog
voorhoofd neerhingen, en hem ietwat deden gelijken op de beelden van
Antinous, den schoonen jongeling uit de dagen van keizer Hadrianus.

De moeder moest zelve bekennen, dat de wedergekeerde er uitzag als
een toonbeeld van gezondheid. Niemand van de keizerlijke familie
kon rijker, zorgvuldiger en meer naar de mode gekleed zijn dan haar
lieveling; maar ook in het eenvoudigst gewaad zou hij een schoon, een
krachtig jonkman, de trots eener moeder zijn geweest. Toen hij zijne
vaderstad met de residentie verwisselde, was hij niet vrij geweest van
zeker iets, dat den knaap uit de provincie verried, maar thans was hij
vrij van alle onbeholpenheid en waar hij zich vertoonde, ook aan het
hof, kon hij zeker zijn onder de eersten met bijval te worden begroet.

En wat had hij niet in die hoofdstad doorleefd! In de dertig maanden
van zijn verblijf aldaar waren de gebeurtenissen elkander zoo verbazend
snel opgevolgd, als had hij er een eeuw doorgebracht. Hoe grooter
prikkel, des te meer genot, dat was het wachtwoord van den tijd, en
ofschoon hij aan den Bosphorus in weelderige vermaken voor niemand
had ondergedaan, zoo waren al die gastmalen, die liefdesavonturen,
die wedstrijden met zijne eigene overwinnende vierspannen, van
welke genietingen hij zich niets had ontzegd, toch kinderspel
geweest in vergelijking met de zenuwachtige spanning, waarin hij
gebracht werd door de schrikkelijke gebeurtenissen, die zijne oogen
hadden aanschouwd. Wat een armzalig genot was dat wagenmennen in
Alexandrië! Wat deed het er toe of de paarden van Timon, van Ptolemeüs
of zijne eigene wonnen? Ook in den circus te Byzantium was het schoon
den krans te verwerven, maar daar waren nog andere dingen dan paarden
en wagens, die de gemoederen in beweging brachten! Daar was het om
kronen te doen, daar gold het het bloed en leven van duizenden! Wat
nam men voor indrukken mee uit de tempels in het Nijldal? Maar had men
den drempel van den Sophia-dom in Byzantium overschreden, dan kwam men
soms met bloedende wonden, ja, als een doode naar huis. Driemalen had
hij den scepter in andere handen zien overgaan; een keizer en eene
keizerin waren voor zijne oogen van het purper ontdaan en vermoord
geworden. Dáar kon men in die dagen eerst waarlijk genieten te midden
van tooneelen aangrijpend tot in merg en been. Wat het overige betreft,
ja ook aan het kleine had hij zijn hart opgehaald. Men had hem niet
ontvangen als andere Egyptenaars: half beschaafde philosophen, die
zich wijzen noemden en met geheimzinnige en aanmatigende deftigheid
optraden, astrologen, rhetoren, armzalige, maar vinnige en geestige
spotters, geneesheeren die met de wetenschap hunner vaderen pronkten,
fanatieke godgeleerden, die steeds gereed waren om bij elken
bitteren geloofsstrijd zich van andere wapenen dan van bewijzen en
dogmen te bedienen, droefgeestige, geestelijk zoowel als lichamelijk
verwaarloosde heremieten en kluizenaars, korenhandelaars en woekeraars,
met wie het gevaarlijk was zonder getuigen zaken te doen. Met al dit
volk had Orion niets uit te staan. Men had hem ontvangen als den
welopgevoeden, levenslustigen en geestigen zoon van den rijken en
voornamen stadhouder, den beroemden Mukaukas Georg, ja, als een soort
van gezant, en wat de rijkste jongelieden van de keizersstad zich
veroorloofden, dat mocht ook hij doen. Zijne beurs was niet minder
goed gespekt dan de hunne, zijne gezondheid en zijne veerkracht waren
wel twintigmaal sterker, en zijne paarden, die hijzelf bestuurde en
niet door betaalde agitatoren mennen liet, hadden driemaal de hunnen
geslagen. De "rijke Egyptenaar", de "nieuwe Antinous", de "schoone
Orion", zooals zij hem noemden, mocht bij geen feestmaal, bij geene
partij ontbreken. De eerste huizen der stad telden hem gaarne onder
hunne gasten, en in het paleis en de villa van den senator Justinus,
een vriend zijns vaders uit jonger jaren, verkeerde hij als een zoon
des huizes. Bij hem en zijne vriendelijke gade Martina leerde hij ook
de schoone Heliodora kennen, de weduwe van een neef des senators, en
de geheele stad had gewaagd van de teedere verhouding tusschen Orion
en het aanvallige jonge vrouwtje, wier strenge ingetogenheid niet
minder bewonderd werd dan heur blond haar en de groote edelgesteenten,
waarmede zij hare wel eenvoudige maar toch kostbare kleederen gaarne
opsierde. Reeds had menige schoone jonkvrouw uit Byzantium getracht
de gunst van den jongen Egyptenaar te verwerven, toen Heliodora ze
allen uit het veld had geslagen. Nochtans was het haar niet gelukt
Orion vast en op den duur aan zich te kluisteren, en toen hij zijne
moeder gisteren avond verzekerde, dat zij zijn hart niet bezat,
had hij de waarheid gesproken.

Zijn gedrag in de residentie was wel niet onberispelijk geweest, maar
hij had zichzelven toch nimmer vergeten en de achting genoten niet
alleen van de metgezellen zijner feestgelagen, maar ook van waardige
en ernstige mannen, die hij in het huis van Justinus had leeren
kennen, en die zijn verstand en zijne weetgierigheid roemden. Hij
die als knaap een vlijtig scholier was geweest, liet ook hier geene
gelegenheid voorbijgaan om te leeren. Vooral had hij zich in de
keizersstad toegelegd op de verdere ontwikkeling van zijn aanleg voor
de muziek, en het daar tot eene buitengewone hoogte gebracht in gezang
en snarenspel. Gaarne zou hij langer in de hoofdstad gebleven zijn,
maar ten slotte werd hem de bodem te heet onder de voeten, en wel
om zijns vaders wil. Want de overtuiging dat deze er veel toe had
bijgedragen, om Egypte van het Byzantijnsche rijk los te maken en
het in handen te spelen van de gehaatte maar onweerstaanbare macht
der Arabieren, had in de aanzienlijkste kringen geloof gevonden,
sedert Cyrus, de afgezette en inmiddels reeds gestorven Melchietische
patriarch van Alexandrië, zich persoonlijk naar Konstantinopel had
begeven. Reeds was tot zijne gevangenneming besloten, toen de senator
Justinus en andere vrienden hem waarschuwingen hadden doen toekomen,
waaraan hij bijtijds gehoor had gegeven.

De houding zijns vaders had Orion wel in ernstig gevaar gebracht,
maar hij was er niet verstoord over; integendeel, hij moest haar
in zijne ziel billijken. Immers was hij duizendmaal getuige geweest
van de verachting, waarmede de Grieken over de Egyptenaren, van den
haat en den afkeer waarmede de orthodoxen over het monophysitisch
geloof van zijn volk spraken. Het kostte hem moeite zijn toorn in te
houden, wanneer hij den spot en de smaadredenen moest aanhooren, die
aanzienlijke mannen en jongelieden, leeken en geestelijken over zijn
land en zijne stamgenooten uitstortten, zonder zich te storen aan zijne
tegenwoordigheid. Want zij hielden hem voor een der hunnen, voor een
Griek, wien al wat 'barbaarsch' was even stuitend en verachtelijk moest
voorkomen als hunzelven. Toch vloeide het bloed zijns volks door de
aderen van den 'nieuwen Antinous', die de Grieksche liederen zoo schoon
en met zulk een zuivere uitspraak wist voor te dragen. Elk smadelijk
woord dat tegen de zijnen was gericht wondde hem diep in het hart, elk
minachtend oordeel over zijn geloof riep den dag hem in het geheugen
terug, waarop de Melchieten zijne beide broeders hadden vermoord.

Deze bloedige daden en ontelbare geweldenarijen, waarmede de Grieken de
andersdenkende Egyptenaars gekweld, beleedigd, doodgemarteld hadden,
waren nu gewroken, gewroken door zijn vader. Dat deed hem de borst
zwellen, dat maakte hem trotsch, en hij vergunde den ouden man diep
in zijne ziel te lezen, en wat deze daar vond verraste en verblijdde
hem tegelijk. Immers hij had gevreesd dat Orion zich in Konstantinopel
niet zou hebben kunnen onttrekken aan den onweerstaanbaren invloed van
den Griekschen geest, ja, hij had er zich soms bezorgd over gemaakt
hoe zijn eigen zoon het zou misbillijken, dat hij, hoewel gedwongen,
de hem toevertrouwde provincie aan de Arabische veroveraars overgegeven
en met hen vrede gesloten had.

De Mukaukas gevoelde dat Orion eenstemmig met hem dacht, en nu en
dan wierp hij hem, van het schaakbord opziende, een teederen blik
toe. Vrouw Neforis deed inmiddels haar best om de moeder van de
toekomstige bruid haars zoons zoo goed mogelijk bezig te houden
en haar af te leiden, zoodat zij de vreemde houding van Orion niet
opmerkte. Dit scheen haar ook te gelukken, want vrouw Susanna luisterde
naar alles wat zij zeide. Dat zij echter daarbij een oog in het zeil
hield bleek uit de onverwachte vraag: "Zou de voorname nicht van uw
gemaal zich wel verwaardigen ons een woord toe te spreken?"

"O neen," antwoordde Neforis op bitteren toon. "Ik hoop maar dat
zij spoedig andere lieden vindt, met wie zij zich liever genadig zal
inlaten. Ik zal haar den weg daartoe wel banen, daar kunt ge zeker
van zijn!"

Zij bracht vervolgens het gesprek op Katharina en de weduwe vertelde,
dat haar zwager Chrusippos met zijne beide dochtertjes in Memphis
was. Morgen zouden ze weer vertrekken en haar kind had zich dus
aan die meisjes moeten wijden. "Zoo zit daar nu het arme schaap,"
dus besloot zij op medelijdenden toon, "en moet die twee kleine
babbelaarsters bezig houden, terwijl zij smacht om hier te zijn."

Orion had de laatste woorden gehoord; hij vraagde daarop naar de kleine
en zeide daarna op luchtigen toon: "zij heeft mij gisteren vroeg een
halsbandje beloofd voor dat witte beestje, dat ik als aandenken uit
Konstantinopel meebracht.--Foei, Maria! Gij moogt het arme diertje
niet kwellen."

"Ja, laat den hond los!" voegde de weduwe er bij, terwijl zij zich
tot het kleindochtertje van den Mukaukas wendde, die het dier dwingen
wilde tegen zijn zin hare pop te kussen. "Maar weet ge wel, Orion,
dat die kleine keffer eigenlijk veel te sierlijk is voor zoo'n groot
heer als gij zijt? Geef het beestje present aan een aardig meisje,
daar is het beter op zijn plaats. Katharina is echter reeds bezig
aan den halsband. Ik mag het eigenlijk niet verklappen, maar op den
blauwen grond komen gouden sterren."

"Omdat Orion een ster is," riep de kleine Maria, "stikt zij enkel
Orions."

"Gelukkig is er maar één gesternte dat mijn naam draagt," merkte
Orion op. "Zeg dat, bid ik u, aan uwe dochter, vrouw Susa."

De kleine klapte in de handen en riep lachende: "Hij wil geen ster
naast zich hebben!"

Maar de weduwe haastte zich te zeggen: "Die kleine wijsneus! Ik
ken lieden die het zelfs niet lijden kunnen, wanneer men bij hen
eenige overeenkomst met anderen waarneemt. Gij moet u dit echter
laten welgevallen Orion!--Ja, gij had zooeven wel gelijk, Neforis,
voorhoofd en mond zijn als uit het gezicht zijns vaders gesneden!"

Deze opmerking was zeer juist, toch kon men zich moeielijk twee
uiteenloopender menschen denken dan deze jongeling in de frischheid
der jeugd en die zwakke, oudachtige man op den divan, wien zelfs elk
der kleine bewegingen, die het spel medebracht, inspanning kostte. De
Mukaukas mocht eens op zijn zoon geleken hebben, maar dat was heel
lang geleden. Enkele grauwe vlokken haar bedekten thans slechts
ten halve zijn naakten schedel, en van zijne oogen, die voor dertig
jaren zoo helder schitteren mochten als die van Orion, was gewoonlijk
weinig en menigmaal niets te zien, want de zware oogleden vielen,
als hadden ze alle veerkracht verloren, voortdurend er overheen en
gaven het welgevormde doodsbleeke gelaat iets dat aan een uil deed
denken. Toch was hij niet gemelijk, maar veeleer vereenigden zich in
zijn gelaat smartelijke en vriendelijk welwillende trekken, die het
eene weemoedige uitdrukking verleenden. De mond en de slap neerhangende
wangen waren bewegingloos en als gestorven; de verlammende handen van
kommer, angst en zorg schenen daarover heen gegaan te zijn en hun spoor
daarop achtergelaten te hebben. Hij zag er uit als een doodvermoeid
man, die alleen nog leefde, omdat het noodlot hem de gunst ontzegde
van te sterven. Ja hij was door de zijnen reeds dikwijls voor een
lijk gehouden, als hij al te dikwijls in het doosje van bloedjaspis
had getast en te veel gebruikt had van de witte opiumpilletjes, van
welke hij er ook onder het schaakspel met lange tusschenpoozen telkens
een op de kleurlooze lippen legde. Langzaam en als sliep hij bijna
verplaatste hij met half geslotene oogen stuk voor stuk, en toch kon
zijne tegenpartij het niet tegen zulk een bedreven speler uithouden, en
was zij reeds ten derden male door hem geslagen, ofschoon de Mukaukas
zelf haar een goede speelster noemde. Men kon het haar hoog gewelfd
voorhoofd en hare donkerblauwe klare oogen aanzien, dat zij verstandig
kon denken en diep gevoelen. Maar zij scheen wel wat eigenzinnig te
zijn en geneigd tot tegenspraak, althans heden, want als Orion hare
aandacht vestigde op dezen of genen zet, volgde zij zelden zijn raad
en verschoof zij de kleine figuur met op elkaar geklemde lippen naar
haar eigen en zelden beter inzicht. Men bespeurde duidelijk dat het
haar hinderde door dezen raadsman te worden terecht gewezen.

De wrevelige houding van het meisje zoowel als Orions ijverige pogingen
om haar in vriendelijker stemming te brengen, moesten door alle
aanwezigen worden opgemerkt, en daarom verheugde zich vrouw Neforis,
toen hij, die de bezoekers aandiende, nadat de Mukaukas de derde partij
had gewonnen en de op het bord overgebleven stukken met den rug van
zijn hand door elkaar wierp, zijn meester kwam herinneren aan den
Arabier, die buiten met toenemend ongeduld wachtte. In plaats van te
antwoorden gaf de Mukaukas een wenk, trok dan den langen kaftan van den
fijnsten wol wat vaster om het lijf, en wees naar het dak en de deuren
van het vertrek. Zijne familie had reeds lang die vochtige nachtlucht,
die het vertrek van de rivierzijde binnendrong, gehinderd, maar daar
zij wisten dat vader niets onaangenamer was dan de zomerhitte, hadden
zij allen gewillig den tocht verdragen. Orion riep nu de slaven en vóor
de vreemdelingen binnentraden, waren deuren en dakopening gesloten.

Paula stond op, de Mukaukas bleef daartegen roerloos zitten en hield
de oogen voortdurend met zijne oogleden bedekt, doch hij moest toch
door eene onmerkbare opening kunnen waarnemen wat hem omgaf, want hij
wendde zich eerst tot haar en dan ook tot de andere vrouwen met te
zeggen: "Is het niet vreemd, anders zoeken ouden en kinderen de zon,
en de laatsten spelen, de eersten rusten gaarne in de hitte. Maar
ik.... Daar is mij jaren geleden iets overkomen, dat weet ge, en
toen is mij het bloed in de aderen gestold. Nu wil het niet meer
warm worden, en ik gevoel de tegenstelling tusschen de koude hier
binnen en de hitte daarbuiten zeer sterk, bijna smartelijk. Hoe meer
de jaren klimmen, des te liever laat men aan de jeugd over, wat ons
zelven eens goed deed. Het eenige wat wij oudjes ons niet gaarne laten
ontnemen is een aangenaam lichamelijk gevoel, en ik dank u dat gij
zoo geduldig draagt wat u hindert, en dat gij het mij zoo aangenaam
maakt. Een verschrikkelijke zomer! Gij, Paula, weet van den Libanon
wat ijs is. Vaak wensch ik mij een bed van sneeuw. Mijn hoogste wensch
zou zijn met de frissche koude éen te worden. De koele avondlucht,
die gij vreest, doet mij goed. De warmte der jeugd verzet zich tegen
alles wat kil is."

Dit was de eerste maal sedert den aanvang van het spel, dat de Mukaukas
lang achtereen had gesproken. Orion liet hem eerbiedig uitspreken,
maar toen nam hij de vrijheid er lachende bij te voegen: "Er zijn
intusschen ook jeugdige menschenkinderen, die er een welbehagen in
vinden koel en koud te zijn. God weet om welke reden!"

Hij zag daarbij haar, tegen wie deze woorden gericht waren, flink
in de oogen. Maar zwijgend en trotsch wendde zij zich van hem af,
en het was als trok er een donkere schaduw over hare schoone trekken.






VIJFDE HOOFDSTUK.


Nadat den Arabier toegang verleend was tot den Mukaukas, spreidden
zijne dienaars een stuk tapijt voor den kranke uit. De reusachtige
Masdakiet was bij dit werk de hoofdpersoon. Maar zoodra de Mukaukas
den kolossalen man zag, met zijne verwilderde haren, die hem als
manen langs het hoofd hingen, met dien dolk en dien slachtbijl in zijn
gordel, riep hij angstig uit: "Voort, voort met dezen kerel, weg met
die wapens.... Ik wil het tapijt niet zien voor deze uit de voeten is!"

De handen van den lijder beefden, en de koopman beval terstond zijn
trouwen Rustem, de onschuldigste ziel van de wereld, heen te gaan. De
stadhouder, wiens prikkelbaar zenuwgestel, na een moordaanslag door een
uit Egypte verbannen Griek tegen hem gepleegd, nu en dan onderhevig
was aan dergelijke aanvallen van angst, kwam echter spoedig weer tot
bedaren, en keek met bewondering naar het tapijt, waarom ook de zijnen
zich schaarden. Ieder stemde toe zoo iets nog nooit gezien te hebben,
en de levendige weduwe Susanna wilde hare dochter Katharina laten
roepen met de kinderen die bij haar op bezoek waren, doch omdat het
zoo laat en haar huis zoo ver van het stadhouderlijk verblijf gelegen
was, zag zij er van af.

Vader en zoon hadden reeds van dit kunstwerk gehoord, hetwelk door het
overwinnend leger der Arabieren bij de verovering van het Perzische
rijk in het "witte slot", het koninklijk paleis der Sassaniden in de
residentie Madain buit was gemaakt. Zij wisten dat het oorspronkelijk
300 ellen lang en 60 breed was geweest en hadden met schrik vernomen,
dat de Kalief Omar, die altijd nog als een eenvoudig aanvoerder eener
karavaan leefde, zich kleedde en voedde, en op zulk een prachtstuk
met minachting neerzag, dit onschatbaar kunstwerk in stukken gesneden
en onder de strijdgenooten van den profeet verdeeld had.

De koopman verklaarde nu, dat dit stuk tapijt het aandeel in den
buit geweest was van Ali, den schoonzoon van den profeet. Hij had
het kunstwerk in zijn geheel in Madain, waar het in de prachtige
troonzaal aan den wand hing, en later andermaal in Medina vóor de
verdeeling gezien.

Alle aanwezigen verzochten nu dringend, dat hij eene beschrijving zou
geven van het ontbrekende gedeelte. Maar hij scheen niet op zijn gemak
te zijn; herhaaldelijk keek hij naar zijne naakte voeten, die op den
vochtigen mozaïekbodem nabij de fontein stonden; want overeenkomstig de
zeden zijns volks had hij zijne sandalen in het voorvertrek gelaten. De
stadhouder had de bewegingen van den ouden heer gevolgd, die zijne
hand vaak aan zijne lippen bracht, en een zijner slaven iets in het
oor gefluisterd, terwijl zijne vrouw, Orion en de weduwe, Haschim met
vragen bestormden. De slaaf was terstond daarop teruggekeerd en had
op bevel zijns meesters eene langwerpige strook tapijt voor de bruine,
welgevormde maar teedere naakte voeten van den Arabier uitgespreid.

Terwijl dit geschiedde had er in de houding van den koopman eene
eigenaardige verandering plaats. Met eene waardigheid, door niemand
der aanwezigen verwacht van den man, die het vertrek zoo deemoedig was
binnengetreden en zijne kostbare koopwaar met welsprekende woorden
aangeprezen had, richtte hij zich op; zijn kalm, zachtmoedig gelaat
nam een uitdrukking aan van tevredenheid, om zijn mond speelde een
beminnelijk lachje, en zijne goedige oogen fonkelden als die van
een kind, dat men bijzonder pleizier aandoet. Daarna boog hij voor
den Mukaukas, terwijl hij met de vingertoppen zijner rechterhand het
voorhoofd, den mond en de borst aanraakte, om daarmee te kennen te
geven: "wat ik denk, spreek en gevoel is u gewijd," en zeide: "Heb
dank, zoon van Menas! Dit was eene daad een muzelman waardig!"

"Een christen," verbeterde Orion haastig; doch zijn vader schudde
daarop even het hoofd en zeide met nadruk en langzaam: "Slechts
een mensch!"

"Een mensch," herhaalde de koopman, waarop hij nadenkend liet volgen:
"Een mensch! ja, dat is waarlijk het hoogste, zoolang we zijn wat we
zijn moeten: evenbeelden van den eeuwigen God. Wie is barmhartiger
dan Hij, en ieder barmhartige uit eene vrouw geboren is Hem gelijk."

"Wederom een christelijk woord," zeide Orion, hem in de rede
vallende. "Gij zijt een vreemde muzelman!"

"En toch," hernam Haschim met kalme waardigheid, "komt dit woord
voor woord overeen met de leer van den besten der menschen, onzen
profeet. Ik behoor tot hen, die hem hier op aarde gekend hebben. De
geringste smart van den broeder vervulde zijn teergevoelig hart met
innig medelijden. Zijn voorschrift verlangt barmhartigheid ook voor
het boompje aan den weg, en noemt het doodzonde dit te schenden. Ieder
muzelman heeft dit voorschrift te volgen. Barmhartigheid te betoonen
heet in het boek van den profeet...."

Hier werd de koopman plotseling en ruw gestuit, want Paula, die
tot hiertoe, tegen een der zuilen van den wand geleund, het tapijt
bewonderd en het gesprek zwijgend gevolgd had, liep met een paar
driftige schreden op den Arabier toe, wees, terwijl een hooge blos
hare wangen kleurde en hare oogen vlammen schoten, op hem en riep
met trillende stem, zonder zich te storen aan de verbazing en de
ontevredenheid der aanwezigen, noch om het hondje, dat vinnig tegen den
Arabier begon te keffen: "Gij, gij, de aanhanger van den leugenprofeet,
gij de gezel van den bloedhond Chalid, gij zoudt barmhartig zijn! Ik
ken u, ik weet wat gij in Syrië hebt uitgericht! Ik heb u en uwe
bloedlekkende vrouwen met deze oogen gezien en het schuim van woede
op uwe lippen! Hier sta ik als getuige tegen ulieden en roep u in
het aangezicht toe: Gij hebt in Damascus verdragen verbroken en de
slachtoffers van uw bedrog--mannen niet alleen maar ook weerlooze
vrouwen en teedere kinderen--met het zwaard vermoord en met de
handen geworgd. Gij, gij, een apostel der barmhartigheid! Hebt gij
dan niets van Abyla gehoord? Gij vriend van uw profeet, wat hadden u,
die zegt dat gij zelfs geen boom aan den weg zult deren, wat hadden u
die onschuldige lieden in Abyla gedaan, dat gij ze worgdet als wolven
die een schaapsstal binnendringen? En gij zoudt barmhartig zijn!"

Het hartstochtelijke meisje, wien niemand barmhartigheid bewees,
wien dit woord als een smaad in de ziele had gegrepen, dat uren lang
gemarteld door een pijnigend gevoel van spijt, met moeite ingehouden,
thans zich verlicht gevoelde, nu het den vrijen loop kon laten aan
het wee dat hare ziel kwelde--het meisje barstte uit in een bitteren
lach en zwaaide met de hand, als wilde zij een bijenzwerm verdrijven.

Welk eene vrouw! Orion hield de oogen met huivering en toch
vol geestdrift op haar gericht. Ja, zijne moeder had haar wel
doorgrond. Zoo lacht geen goed en teergevoelig meisje; maar zij was
toch groot, heerlijk, bewonderenswaardig in haar toorn. Zij deed hem
denken aan het beeld van de godin der wraak van Apelles' hand, dat
hij in Konstantinopel had gezien. Zijne moeder zag schouderophalend
de weduwe aan met een blik die zeide, dat zij elkander begrepen. Doch
ook zijn vader werd onrustig nu hij van dit tooneel getuige was. Hij
wist wat haar aandreef, doch hij begreep dat hij haar niet mocht laten
begaan en bracht het opgewonden meisje tot bezinning, door haar op
half verwijtenden half meewarigen toon eerst zacht, daarna luider en
strenger bij den naam te roepen.

Toen verschrikte zij als eene slaapwandelaarster, die plotseling uit
hare halve sluimering ontwaakt, streek met de hand over hare oogen
en zeide, terwijl zij zich voor den stadhouder boog: "Vergeef mij,
oom! Het doet mij leed dat ik mij zoo liet medesleepen, maar ik
kon mij niet inhouden. Gij weet wat achter mij ligt, en als men mij
daaraan herinnert, als ik den lof moet hooren verkondigen van die
afschuwelijken, die mijn vader en mijn broeder...."

Een luid snikken belette haar eensklaps verder te gaan, en de kleine
Maria drukte zich weenend tegen haar aan. Orion moest zich bedwingen om
niet naar haar toe te snellen en haar te omarmen. Hoe goed stond haar,
die zoo groot scheen, deze vrouwelijke zwakheid, hoe trok zij thans hem
aan! Maar Paula bleef niet lang in dien toestand, want reeds terwijl
de stadhouder haar met vriendelijke woorden geruststelde, werd zij hare
innerlijke ontroering meester, en zeide zacht, terwijl de tranen langs
hare wangen biggelden: "Laat mij, bid ik u, naar mijne kamer gaan."

"Goeden nacht dan, kind!" zeide de Mukaukas hartelijk, en daarop
richtte zij na een zwijgenden groet aan de anderen, hare schreden naar
de deur. De muzelman hield haar echter terug, zeggende: "Ik weet wie
gij zijt, edele dochter van Thomas, en ik heb vernomen dat uw broeder
de bruidegom was, die naar Abyla was gekomen, om daar bruiloft te
vieren met de dochter van den prefect van Tripolis. Ach, dat ik,
terwijl ik op reis voor mijne zaken daar ter jaarmarkt ging, het zelf
moest beleven, zelf moest aanzien hoe eene waanzinnige bende van mijne
geloofsgenooten de vreedzame stad overviel. Arm, arm kind! Uw vader
was de grootste en wakkerste onder al onze vijanden. Hetzij hij nog
op aarde leeft of in den hemel, hij eert gewis ons zwaard, gelijk wij
het zijne. Maar uw broeder, die als bruidegom werd vermoord, hij heeft
stervende ons vervloekt, en gij zijt de erfgename van zijn toorn en
wanneer uwe verontwaardiging zich over mij, den muzelman, uitstort,
dan kan ik niet anders doen dan mij buigen en boeten voor de schuld
dergenen, die van mijn bloed zijn en wier geloof ik belijd. Ik weet
niets aan te voeren, edele jonkvrouw, neen niets, wat de daad van
Abyla verontschuldigen kan, en dáar, dáar was het mijne grijze haren
beschoren--geloof mij, meisje, het heeft mij pijn gedaan--mij over de
mijnen te schamen. De krijg, de herinnering aan menigen gesneuvelden
vriend, aan roof en plundering had de hartstochten ontbonden, en waar
deze de vleugels uitslaan, hetzij in den strijd om het mijn en dijn,
hetzij om andere goederen, heeft sedert Kaïn en Abel altijd en overal
hetzelfde plaats."

Paula, die den ouden man tot dusverre roerloos had aangehoord,
schudde het hoofd en zeide bits: "Dat alles geeft mij mijn vader en
mijn broeder niet weder. Gij zelf ziet er uit als een zachtaardig man,
maar als gij even rechtvaardig zijt als goed, zoo overtuig u in het
vervolg eerst met wien gij spreekt, voor gij de barmhartigheid van
uwe geloofsgenooten roemt."

Zij herhaalde daarop haar groet en verliet het vertrek. Orion ging
haar achterna; wat er ook van komen mocht, hij moest haar volgen. Doch
weinige oogenblikken later keerde hij terug, terwijl hij na een diepen
zucht de tanden vast op elkaar klemde. Hij had hare hand gegrepen,
haar alles te verstaan gegeven, wat een beminnend hart zeggen kan,
maar hoe scherp, hoe ijskoud was hij afgewezen, en met welk een
onverdragelijk verachtelijk gebaar had zij hem den rug toegekeerd! En
nu hij zich weder onder de zijnen bevond, hoorde hij nauwelijks hoe
zijn vader aan den ouden heer zijn leedwezen te kennen gaf, dat zulk
eene pijnlijke bejegening hem onder zijn dak was ten deel gevallen,
en hoe de Arabier verklaarde zeer goed te begrijpen, dat de weeze van
Thomas zich niet had kunnen inhouden. Het gebeurde te Abyla was door
niets te verontschuldigen.

"Maar komt niet in elken strijd iets dergelijks voor?" zoo ging
de oude heer voort. "Ook de christen is niet altijd zichzelven
meester. Ook gijzelf hebt, zooals ik weet, twee bloeiende zonen
verloren, en wie waren de moordenaars? Het zijn christenen geweest,
uwe eigene geloofsgenooten...."

"De bitterste vijanden van mijn eigen geloof," antwoordde de stadhouder
langzaam, en iedere syllabe weerlegde koel en uit de hoogte de meening
van den muzelman, alsof het geloof dergenen, die zijne kinderen
vermoord hadden, ook het zijne was, en daarbij openden zich zijne
oogen wijd en kregen het aanzien der harde, dof glanzende steenen,
welke zijne voorvaderen den zuilenbeelden als sterren om te zien
in het aangezicht zetten. Opeens sloten zij zich plotseling weder
en vervolgde hij op onverschilligen toon: "Hoe hoog schat gij uw
tapijt? Want ik heb lust het te koopen. Geef mij den naasten prijs op,
want afdingen stuit mij tegen de borst."

"Ik wilde er vijfmaal-honderdduizend drachmen voor vragen," hernam
de koopman. "Met vierhonderdduizend zal ik tevreden zijn."

De vrouw van den stadhouder sloeg bij deze som hare handen in elkaar,
waarschuwde haar gemaal door gebaren en schudde nog eens ontevreden
het hoofd, toen Orion, die bijzonder zijn best deed om te toonen,
dat ook hij zijn aandeel nam aan dezen buitengewonen koop, zeide:
"Driemaal-honderdduizend is het wel waard."

"Viermaal-honderdduizend;" herhaalde de koopman kalm. "Uw vader heeft
verlangd den uitersten prijs te weten, en ik vraag niet meer dan
billijk is. De robijnen en granaten, die dezen druiventros vormen,
die paarlen hier in de mirten, die turkooizen in de bloeiende
vergeet-mij-nietjes, die diamanten daar boven, die als dauwdroppels
aan de grashalmen hangen, en de smaragden die den glans van het groen
der bladeren verhoogen--en vooral die eene reusachtige groote--hebben,
als men ze er af nam, eene zeer hooge waarde."

"Waarom hebt gij ze dan niet uit het weefsel gesneden?" vroeg vrouw
Neforis.

"Omdat ik het niet over mij verkrijgen kon," antwoordde de muzelman,
"dit edele werk te schenden. Ik verkoop het zooals het is, of in het
geheel niet."

Bij deze woorden gaf de stadhouder zijn zoon een wenk, zonder
acht te geven op de afkeuring die zijne vrouw niet ophield te doen
blijken, liet zich een tafeltje geven, dat bij het schaakbord lag,
schreef eenige woorden daarop en zeide, terwijl hij het den koopman
overhandigde: "De koop is door ons gesloten. Morgen vroeg zal de
rentmeester Nilus op dit bewijs het bedrag voldoen."

Orion geraakte opnieuw in geestdrift, en onder het uitroepen van
"heerlijk! heerlijk!" vloog hij naar zijn vader toe en kuste hij
hem onstuimig de hand. Daarna wendde hij zich tot zijne moeder,
wier oogen baadden in tranen van verdriet, beurde haar hoofd op,
kuste haar voorhoofd en zeide trotsch en gelukkig: "Zoo handelen wij
en de keizer."

Hierop ging hij naar den muzelman, zeggende: "Als de vader de
grootmoedigste aller menschen is, dan zinkt de zoon er licht bij
weg. Hij is er niet minder om, waardige heer! Wat uw tapijt aangaat,
het mag kostbaarder zijn dan alle schatten van Kroisos, maar iets moet
gij ons nog op den koop toegeven, voor gij uwe kameelen met ons goud
belaadt: hoe heeft dit kunstwerk er uitgezien, vóor het verdeeld werd?"

De muzelman, die het kostbare tafeltje kalm in zijn gordel had
geschoven, voldeed onverwijld aan deze uitnoodiging. "Gij kent," zoo
begon hij, "zijne oorspronkelijke verbazende lengte en breedte. De
zaal, welker wand met dit pronkstuk bedekt was, kon duizenden gasten
bevatten, terwijl aan beide zijden van den troon plaats was voor
honderden lijfwachten. Zooveel wevers, borduurders en juweliers als
er dagen in het jaar zijn, moeten een heel menschenleven aan dit
tapijt gewerkt hebben. Het ongeschonden weefsel stelde het paradijs
voor, zooals de Perzen zich dat denken, geheel vervuld met groene,
bloeiende en vruchtdragende boomen. Hier ziet gij nog een stuk van
de koele bron, die bezaaid met diamanten, saffieren en smaragden,
als men het behangsel van verre bekeek, er uitzag als glinsterend,
frisch water. Die paarlen hier zijn het witte schuim eener golf. Die
doorgesneden bladeren daarginds maakten deel uit van een rozestruik,
die aan Edens bron bloeide, voor de drup van den eersten regen de
wereld bevochtigde. Oorspronkelijk droeg hij enkel witte bloemen,
doch toen de ledematen der eerste vrouwen grooter blankheid vertoonden
dan zij, bloosden de witte bloemen van schaamte en sedert zijn er
ook roode rozen. Zoo vertellen de Perzen."

"En wat was dit, ons stuk?" vroeg Orion verder.

"Het heeft," antwoordde de koopman, terwijl hij den jongeling met
welgevallen aanzag, "behoord tot het middendeel van het tapijt. Aan
de linkerzijde zag men het Oordeel bij de brug Tschinvat. Men had
de verdoemden niet afgebeeld maar wel de gevleugelde Fravaschi, de
genieën, die volgens het geloof der Perzen iederen sterveling in zijne
eigene gestalte, met hem vereenigd maar toch niet onafscheidelijk
verbonden, als schutsgeesten door het leven geleiden. Men zag hen
voor zich, zooals zij in wilde vaart de verdoemde misdadigers,
de werktuigen van den zwarten Angramainjus, die men zich als eene
vluchtende schare voorstellen moest, vervolgden. Zegepralend trokken
de zalige, reine, waarachtige vrienden van den lichtgod Ahouramasda
zingend het bloeiende paradijs binnen, en aan hunne voeten zag men
hen, die niet geheel verdoemd maar ook niet ten volle zalig verklaard
konden worden, met gebogen hoofd, deemoedig en stil in een donker
woud verdwijnen. In behagelijke rust genoten de reinen de gaven van
het paradijs. Een priester der vuuraanbidders heeft mij dit alles
verklaard. Hier ziet gij een reusachtige druiventros, waarnaar een
gezaligde grijpt. Zijne hand bleef onbeschadigd, zooals gij ziet,
maar de arm is, helaas! doormidden gesneden. Van de bloemen- en
vruchtenkrans, die het geheel omlijst, bleef hier aan de bovenzijde
een prachtig stuk bewaard. De smaragd, die daar den bloemknop vormt,
hoe hoog schat gij dien steen wel?"

"Een prachtig edelgesteente!" zeide Orion, "Zelfs Heliodora bezit
een dergelijke niet. Nu vader, wat mag die wel waard zijn?"

"Veel, zeer veel," antwoordde deze, "en toch zou het geheele,
ongeschonden kunstwerk nog te gering zijn voor hem, wien ik het
heb toegedacht."

"Den veldheer Amr?" vraagde Orion.

"Neen, mijn kind," antwoordde de stadhouder op stelligen toon. "Den
hoogen, ondeelbaar goddelijken persoon van Jezus Christus en zijne
kerk."

Bij deze woorden sloeg Orion teleurgesteld de oogen neder. De gedachte
stuitte hem tegen de borst, dat hij dezen heerlijken steen op een
reliquiënkistje in eene donkere kast zou zien verdwijnen. Hij zou er
veel vriendelijker bestemming aan hebben weten te geven.

Doch zijn vader zoomin als zijne moeder bemerkten hoezeer hij ontstemd
was; want vrouw Neforis was naar het rustbed van haar gemaal gevlogen,
daarvóor op de knieën gezonken en fluisterde, terwijl zij de koude
fijne hand van den kranke met kussen overlaadde, zoo welgemoed, als
had dit besluit hare ziel van een zwaren last bevrijd: "Onze zielen,
onze zielen, Georg! Wacht maar--terwille van zulk een geschenk--zal
u alles vergeven worden en zult gij uwe zielsrust terug erlangen."

De stadhouder haalde zwijgend de schouders op, liet het tapijt oprollen
en door Orion in het tablinum [2] wegsluiten. Ten laatste beval hij
den huismeester, dat hij den Arabier en zijne lieden voor dezen nacht
een kwartier zou aanwijzen.






ZESDE HOOFDSTUK.


Zielsangst en gewetenswroegingen waren het inderdaad geweest, die
den stadhouder hadden doen besluiten het tapijt te koopen, en het
zou hem daarom misschien verheugd hebben, wanneer het nog duurder was
geweest. Hoe grooter de gave, des te vaster mocht hij verwachten dat
hij, die het geschenk ontving, hem zijne genade en gunst niet zou
onthouden. Hij had wel reden om zich te verontrusten en zich af te
vragen of hij goed gehandeld had. Wraak te oefenen was geen christelijk
werk, maar ongestraft te laten wat de Melchieten hem hadden aangedaan,
terwijl zich de gelegenheid aanbood om het hun betaald te zetten,
dat had hij niet van zich kunnen verkrijgen. Maar welke vader zou
dit mogelijk zijn geweest, als men twee zijner bloeiende zonen
had vermoord? Deze vreeselijke slag had den hartader zijns levens
getroffen. Sedert had hij zijne lichaamskrachten langzaam voelen
afnemen, en ook dat gevoel van zwakheid, die aanvallen van angst,
die gebreken en smarten, welke hem meer en meer kwelden, meende hij
op rekening te mogen schrijven van de Melchietische geweldenaars.

Het kwijnende leven van dezen man werd alleen staande gehouden door
zijne natuurlijke kracht en door zijn brandenden dorst naar wraak,
en de omstandigheden hadden hem in staat gesteld dezen laatsten op
eene wijze te stillen, die ten slotte hem, die anders vreedzaam van
aard was, al te zeer geschokt had.

Het mocht dan niet door zijne schuld zijn, het was toch met zijne
medewerking, dat het Byzantijnsche rijk eene rijke provincie verloor,
die de keizer aan zijne hoede had toevertrouwd. Hij was er getuige
van dat de Grieken en allen die den naam van Melchieten droegen uit
Egypte werden verdreven, en dat zij, hoewel hij het gaarne verhinderd
had, op vele plaatsen door het opgeruide volk, hetwelk de muzelmannen
als bevrijders begroette, gelijk dolle honden werden doodgeslagen. Al
het kwaad, dat hij den moordenaars zijner kinderen, den verdrukkers
en uitzuigers  van zijn volk had toegewenscht, was over hen gekomen
en zijne wraak maar al te volkomen geweest. Doch te midden van de
vreugde over deze onverwachte vervulling van een vurigen wensch,
dien hij jaren lang had gekoesterd, was de stem van zijn geweten
ontwaakt en had zich eene te voren ongekende angst van hem meester
gemaakt. Om als een held of een hervormer op te treden, daartoe
ontbrak het hem aan geestkracht. Wat de nieuwe veroveraars hadden
tot stand gebracht was van te veel beteekenis, de rampen die zij over
duizenden hadden gebracht waren te vreeselijk, het christelijk geloof,
dat hij zoo hoog stelde, was te zeer door hen in gevaar gebracht,
dan dat hij de gedachte rustig zou hebben kunnen verdragen hiervan de
oorzaak te zijn. De verantwoordelijkheid van dit alles was voor zijne
schouders te zwaar, en hoe vaak hij het zichzelven ook herhaalde,
dat hij de Arabieren niet in het land had geroepen, dat het hem
aan macht had ontbroken hen af te weren, zoo hoorde hij zich toch
van alle zijden aanwijzen als de man, die hun zijn vaderland had
overgeleverd. Van alle kanten zag hij zich bedreigd, en hij geloofde
hen die hem vertelden van sluipmoordenaars, welke de Byzantijnen tegen
hem hadden uitgezonden. Maar nog kwellender was zijne vrees voor den
toorn des hemels over hen, die een christelijk land aan de ongeloovigen
hadden overgeleverd. Het bewustzijn dat hij levenslang een weldenkend,
rechtvaardig man was geweest, kon hem van dezen angst niet verlossen,
en er was maar éen middel dat zijn gezonken moed staande hield,
namelijk de witte pilletjes, die hem sedert lang even onontbeerlijk
waren als lucht en water.

De oude, zachtmoedige bisschop Plotinos van Memphis en zijn
geestelijkheid hadden voor alles vergeving. De patriarch Benjamin,
die gedurende zijne verbanning uit de woestijn op de Arabieren had
gewezen als verlossers van de tyrannie der Melchieten, was vooral
door zijn toedoen teruggeroepen en in zijn ambt hersteld. Hij had dus
op diens goedkeuring gehoopt; maar deze had hem als een verlorene,
eeuwig verdoemde bejegend, en hoewel hij, de Mukaukas, ook doorzag,
welke bijzondere bedoelingen de kerkvorst hierbij had, zoo geloofde
hij toch dat Benjamins herdersambt hem de macht verleende, voor elk
schaap zijner kudde de hemelpoort te sluiten. Hoe meer hij zag dat de
Arabieren zich in zijn vaderland vastnestelden, hoe verstandiger zij
daar alles inrichtten, hoe meer Egyptische christenen hij eindelijk
van het kruis tot de halve maan zag overgaan, des te grooter scheen
hem zijn schuld. En nu, na zich volledig gewroken te hebben, hetgeen
de Grieken "dubbel verraad" noemden, nu hem in plaats van de straf
Gods alles ten deel viel, wat de menschen geluk en gunst van het lot
noemen, bekroop  den geloovigen man de vrees, dat dit de vergelding
des duivels was, omdat de vrede die hij zoo haastig met de muzelmannen
had gesloten, hem zoo vele christenzielen in de armen had gedreven.

Twee groote erfenissen waren hem onverwacht ten deel gevallen. Zijne
schatgravers in de doodenstad hadden meer goud uit de oude heidensche
groeven opgedolven dan alle overigen te samen. De muzelmansche Kalief
en zijn plaatsvervanger hadden hem in zijn ambt gehandhaafd en bewezen
hem vriendschap en eer. De bouleuten [3] der stad hadden hem onder de
toejuiching van de geheele burgerij den bijnaam van den "rechtvaardige"
toegekend. Zijne goederen hadden nooit meer rente afgeworpen. Van de
weduwe van zijn vermoorden oudsten zoon kreeg hij uit het klooster
brieven, gewagende van het groot geluk dat zij gevonden had in
deze nieuwe levensbestemming, en haar dochtertje, zijn kleinkind,
groeide zoo voordeelig op, dat ook vreemden in het vroolijke kind
behagen schepten. Eindelijk hadden de talrijke brieven van zijn zoon
uit Konstantinopel hem bewezen, dat deze zich in alle opzichten
ontwikkelde en geen oogenblik zijne ouders vergat; want van alle
genietingen die hij smaakte, van alle overwinningen die hij behaalde,
had hij zich steeds beijverd uit eigen beweging dadelijk mededeeling
te doen. Ook in den vreemde bleef hij met vader en moeder voortleven
en hen beschouwen als het beste en liefste wat hij op aarde bezat.

En Paula? Zij wist zijne gade niet voor zich in te nemen, maar hij
beschouwde hare tegenwoordigheid als eene goede beschikking, waaraan
hij--niet enkel bij het schaakspel--menig aangenaam uur te danken had.

Dit alles kon wel een geschenk van den satan zijn, maar was dit
het geval, dan wilde hij, Georg de Mukaukas, den booze nu toonen,
dat hij niet hem maar den Heiland toebehoorde en op diens genade
hoopte. Hoe was zijne ziel met innige dankbaarheid vervuld jegens
den Allerhoogste voor den terugkeer van zulk een zoon! Al wat in hem
was drong hem dit gevoel uit te spreken, en zoo waren het zielsangst
en erkentelijkheid beide, die hem ertoe gebracht hadden zulk eene
groote som op te offeren, om aan de kerk van Christus een geschenk
te geven zonder weerga. Hij verbeeldde zich een krijgsgevangene te
zijn voor wien het losgeld wordt voldaan, toen hij het tafeltje met
de lastgeving tot betaling aan den koopman overhandigde; en nu men
hem ter ruste bracht en zijne gade niet ophield hem te danken voor
zijn vroom plan, gevoelde hij zich zoo verlicht en blijmoedig gestemd,
als in geen jaren het geval was geweest.

In den regel hoorde hij Paula, die boven zijn slaapvertrek huisde,
heen en weer loopen; want zij ging laat te bed en verdiepte zich
gedurende de nachtelijke stilte misschien in zoete en smartelijke
herinneringen. Hoeveel had het bittere noodlot haar niet ontroofd:
een vader, een broeder, hare meeste bloedverwanten en vrienden,
allen tegelijk, allen door de hand der muzelmannen, aan wie hij zijn
vaderland had overgegeven zonder het te verdedigen! "Men hoort Paula
heden niet," zeide hij, naar boven ziende, als zocht hij iets. "Het
arme meisje zal zich na het gebeurde van zoo straks tijdig ter ruste
gelegd hebben."

"Laat haar rusten," sprak vrouw Neforis, die ongaarne hare
blijmoedige stemming zag verstoren, terwijl zij onwillig de schouders
ophaalde. "Hoe heeft zij zich weer misdragen! Wij hebben zooeven veel
te veel over barmhartigheid gehoord; ik zal over de mijne niet roemen,
hoewel ik haar gaarne wil betoonen; bovendien is het mijn plicht eene
verlatene verwante van u goed te behandelen. Doch dit meisje--neen, zij
maakt het mij al te zwaar, en ik ben toch ook maar een mensch! Ik kan
niet vroolijk zijn als ik haar zie; komt zij het vertrek binnen, dan is
het mij als trad het ongeluk zelf over den drempel. En dan--gij hebt
voor zulke dingen geen oogen, maar Orion bemoeit zich met haar veel
meer dan goed is. Ik zou wel willen dat wij haar de deur uit hadden."

"Neforis," zeide haar echtgenoot op een toon van zacht verwijt. Gaarne
had hij haar in sterker bewoordingen terecht gewezen, maar sedert
hij een slaaf van de opium was geworden, wilde het hem niet meer
gelukken, noch in kleine noch in groote dingen, zich krachtig tegen
haar te verzetten.

Weldra lag de Mukaukas onrustig te dommelen, terwijl hij van tijd tot
tijd de oogen opende. Hij hoorde den zachten tred niet boven zijn
hoofd, waaraan hij sedert twee jaren gewoon was. Toch was zij, die
meestal de eerste helft van den nacht nog in beweging was, niet ter
ruste gegaan, gelijk hij meende. Na hetgeen er was voorgevallen had
zij wel met gloeiende wangen en brandende oogen haar kamer opgezocht,
maar de slavinnen, die weinig acht sloegen op een gast, die men
slechts scheen te dulden en die door de vrouw des huizes met den nek
werd aangezien, hadden het voorschrift om de luiken harer kamer na
zonsondergang te openen, ten einde de koelere avondlucht binnen te
laten, niet nagekomen, en thans vervulde eene bedwelmende, drukkende,
zwoele atmosfeer het vertrek. De houten blinden, ja zelfs de linnen
lakens op haar wollen rustbed voelden warm. Het water in haar aarden
kruik en ook de handdoek waarnaar zij greep waren lauw. Voor eene
Egyptische was dit niets ongewoons, maar de Damasceensche had elken
zomer in het schoone landhuis haars vaders, op de zonnige helling van
den Libanon, in schaduwrijke koelte doorgebracht, en heden scheen
de warmte haar overal ondragelijk toe. Buiten was het aangenaam,
dat had zij beneden gevoeld, en daarom stootte zij, zonder zich lang
te bedenken, de luiken open, omsluierde haar hoofd met een langen
donkeren doek, sloop de steile trap af en ging vervolgens door een
poortje voor het dienstpersoneel, dat haar bekend was, naar den
open hof. Daar haalde zij vrij adem en strekte de armen wijd uit,
als verlangde zij niets vuriger dan van hier weg te vliegen; doch
weldra liet zij ze zinken, terwijl zij rondom zich keek.

Zij was niet enkel naar buiten gegaan om koelte te zoeken, neen, zij
verlangde bovenal haar onstuimig en beangst gemoed aan anderen lucht
te geven, en in de woningen der dienaren bevonden zich twee menschen,
van welken eene haar begreep, kende en liefhad, terwijl de ander aan
haar gehecht was als een trouwe hond, en zaken voor haar verrichtte,
die voor den stadhouder en zijn gezin een geheim moesten blijven. Een
van dezen was hare voedster, die haar naar Egypte was gevolgd, de
tweede was de vrijgelaten stalmeester van haar vader, die met zijn
halfvolwassen zoon de vrouwen had geleid en beschermd, toen zij na het
bloedbad van Abyla uit hun schuilhoek waren te voorschijn gekomen, en
na zich een tijdlang in een dal van den Libanon te hebben opgehouden,
niet beter hadden weten te doen, dan naar Egypte te vluchten, ten einde
zich daar onder de bescherming te stellen van den Mukaukas Georg,
wiens zuster de eerste gemalin haars vaders was geweest. Zijzelve
was gesproten uit den tweeden echt met eene aanzienlijke Syrische
jonkvrouw, eene bloedverwante van keizer Heraclius, die op jeugdigen
leeftijd kort na hare geboorte gestorven was.

Sedert hare komst alhier waren beiden van haar gescheiden. De
vrouw van den stadhouder had in de voedster Perpetua terstond eene
buitengemeen kunstvaardige weefster gezien, en haar gebruikt om aan
het hoofd te staan van de huisslavinnen, die zich met het weefgetouw
bezighielden. De oude vrouw had zich gaarne met die taak belast,
ofschoon zij van geboorte eene vrije was; doch voor haar was er
alles aan gelegen in de nabijheid te blijven van haar dierbaar
pleegkind. Ook de stalmeester Hiram was met zijn zoon onder de
lieden van den Mukaukas opgenomen, allereerst om te zorgen voor de
vijf schoone paarden uit den stal haars vaders, die de vluchtenden
naar Egypte hadden medegebracht, vervolgens ook--want men had zijne
bekwaamheden spoedig ontdekt--om als veearts en bij het aankoopen
van paarden met zijn raad te kunnen dienen.

Paula moest met beiden spreken en zij wist nauwkeurig waar zij
te vinden waren, maar zij kon hen niet bereiken zonder zich aan
onaangenaamheden bloot te stellen, want de vrije bedienden van den
Mukaukas, haar vriend, en nu na het sluiten van de poort ook de
soldaten van de wacht, zaten nog altijd in verschillende groepen bij
elkaar te praten, en zij gingen zeker vooreerst nog niet uit elkander,
want eenige slaven brachten daar juist aan de manschappen van de wacht
hun avondmaal. In den hof hield het komen en gaan nog niet op, want
ieder wien dit vrij stond genoot van de nachtelijke koelte. Alleen
de slaven behoorden hiertoe niet, daar zij terstond na het sluiten
van de poort voor het dienstpersoneel in hunne woningen gedreven
waren. Doch ook uit hun kwartier lieten zich nog stemmen vernemen.

Met een kloppend hart zocht Paula alles, wat hare scherpe oogen en
ooren bereiken kon, op te vangen. De hooger stijgende maan verlichtte
de eene helft van den hof, de andere lag, zoover de schaduw van het
stadhouderlijk paleis reikte, in het donker. In het midden van den
eersten halven kring, waarin de vrije dienaars zich bijeen geplaatst
hadden, brandde een vuur, dat flikkerlichten wierp op hunne bruine
aangezichten, en wanneer het opnieuw met pijnappels gevoed werd hoog
opvlamde, en ook de donkere ruimte van de groote plaats voor haar
verlichtte. Dit vermeerderde de bezorgdheid van de luisterende,
die den hof moest oversteken en toch niet opgemerkt mocht worden;
want hoe natuurlijk en onschuldig alles ook was wat zij voorhad,
zoo wist zij toch dat de vrouw van haar oom aan haren nachtelijken
gang eene smadelijke uitlegging zou geven.

In den beginne had Neforis haar gemaal opgewekt, Paula bij hare
nasporingen naar haren vader, van wiens dood niemand eenige zekerheid
kon geven, behulpzaam te zijn, doch de aanmoediging van de vrouw des
stadhouders was overbodig geweest, want hij had uit eigen beweging een
jaar lang alles gedaan, om bij christenen en muzelmannen omtrent het
leven of den dood van den verlorene berichten in te winnen. Sedert
de laatste maanden was echter iedere verdere bemoeiing in deze
zaak eerst door vrouw Neforis voor dwaas verklaard, en weldra had
haar onzelfstandige gemaal deze zienswijze gedeeld en den verdwenen
bloedverwant opgegeven. Van de goederen haars vaders had de Mukaukas
niet zonder persoonlijke opofferingen veel voor haar gered, de
grondbezittingen ten haren bate verkocht, uitstaande gelden zoo
mogelijk ingevorderd, en haar afrekening willen geven van alles wat
hij teruggekregen had. Maar zij achtte haar eigendom in zijne hand
wel bewaard, en zij stelde zich tevreden met de mededeeling, dat zij,
hoewel niet rijk in den zin van den Egyptischen Kroisos, toch een vrij
aanzienlijk vermogen bezat. Toen zij een en andermaal een deel ervan
vroeg, om de nasporingen voort te zetten, liet de Mukaukas haar het
verlangde terstond uitbetalen, doch voor de derdemaal weigerde hij
echter zeer bepaald aan haar wensch gehoor te geven, en wel met de
beste bedoeling. Hij verklaarde bij die gelegenheid haar kurios [4]
en natuurlijke voogd te zijn, en achtte zich verplicht haar te beletten
ter wille van een hersenschim--want anders was dat vruchteloos zoeken
toch sedert lang niet meer--een geheel vermogen te verkwisten dat
haar later welkom, ja wellicht van groot nut kon zijn. Wat hij tot
hiertoe uitgaf, had hij uit zijne eigene kas betaald. Zij erkende dit
als eene edele daad, maar zij drong toch telkens weder bij hem aan om
haar zin te doen, hoewel sedert lang te vergeefs; want onverbiddelijk
legde hij de hand op dat hem toevertrouwde goed, en schonk haar geen
enkele solidus meer om dat eenigst en dierbaarst doel van haar leven
te bereiken.

Schijnbaar onderwierp zij zich, maar haar voornemen om er alles aan
te wagen, ten einde het spoor van den verdwenen vader te ontdekken
werd in haar vastberaden gemoed niet tot wankelen gebracht. Voor de
opbrengst van een parelsnoer, dat zij nog bezat, had haar trouwe
Hiram een verre reis ondernomen, en daarna een aantal boden naar
verschillende landstreken gezonden. Nu kon althans éen hunner zeer goed
met nieuwe berichten teruggekeerd zijn, en zij moest den vrijgelatene
spreken. Maar hoe hem ongezien te bereiken? Een poos lang tuurde en
luisterde zij, om een gunstig oogenblik tot het oversteken van den
hof waar te nemen.

Daar viel een lichtstraal op een gelaat, het was dat van Hiram. Thans
barstte de vroolijke troep in luid gelach uit; zij nam haastig een
besluit, trok den hoofddoek vaster om haar hoofd, doorliep in allerijl
het in de schaduw liggende deel van den hof, en snelde in gebukte
houding door den maneschijn naar het slavenkwartier. Aan den ingang
ervan bleef zij ademloos en met een kloppend hart staan. Had men
haar opgemerkt? Neen! Geen roepstem weerklonk, geen schrede naderde,
de honden kenden haar allen; de wachters, die anders hier stonden,
hadden hunne posten verlaten en zaten met hunne gezellen bij het vuur.

Het lange huis aan hare linkerzij was de weverij en op de
bovenverdieping woonde Perpetua, hare voedster.

Voor alles diende zij ook hier omzichtig te handelen, want de gemalin
van den stadhouder kwam vaak op deze plaats, om bevelen te geven aan
de arbeidsters, om op den arbeid toe te zien en te beoordeelen wat er
gewerkt werd op de honderd weefgetouwen, die van 's morgens vroeg tot
's avonds laat in beweging waren. Als men haar hier opmerkte, konden
de weefsters haar nachtelijk bezoek licht verraden.

Zij waren nog niet ter ruste gegaan, want uit de groote, aan alle
zijden opene, alleen met een dak gedekte schuur, waar de kuipen
der ververs stonden klonk haar een luid gelach te gemoet. Ook dit
gedeelte van de dienstdoenden genoot na de gloeiend heeten dag van
de nachtelijke koelte. De meisjes hadden bovendien een vuur aangelegd.

Paula moest hen in de maneschijn voorbijgaan, doch het rechte oogenblik
daartoe was nog niet gekomen, en zij bleef zoo dicht mogelijk bij
het strooien afdak, dat de groote aarden waterkruiken bedekte, die
hier geplaatst waren ten behoeve van de slavinnen. Dat afdak wierp
eene donkere driehoekige slagschaduw op den zandigen, helder door
het maanlicht verlichten grond, en deze maakte haar onzichtbaar voor
de oogen der weefsters, hoewel zij alles zag en hoorde wat er in de
schuur gebeurde.

Een moeilijke, pijnlijke dag, die met een schrillen wanklank geëindigd
was, lag achter haar, en daarachter weder eene reeks van zalige uren,
die nieuw geluk schenen te voorspellen. Ze waren gevolgd op een
langen tijd van deemoediging, de nasleep van het smartelijk ongeluk,
dat haar had getroffen. Hoe zonnig en vroolijk was hare kindsheid
geweest, hoe kostelijk hare vroegste jeugd! Zij had jaren gekend,
waarin elke morgen haar tot nieuwe vreugde had gewekt, waarin zij
elken avond ter ruste ging met dankgebeden, die zoo natuurlijk en vrij
uit hare ziel opwelden als de geur uit de rozen stijgt. Vaak had zij
toen ongeloovig en verdrietig het schoone hoofdje geschud, wanneer de
aarde een jammerdal en het levenslot van den mensch beklagenswaardig
werden genoemd. Thans, ja thans wist zij het beter, en in vele eenzame
uren, in elken slapeloozen nacht vroeg zij zichzelve af, of het een
goed en liefderijk God kon zijn, die een kind deed geboren worden
en opwassen, en daarna vervulde met de schoonste verwachtingen, om
het vervolgens alles wat het lief had gekregen en wat het begeerlijk
achtte, ja zelfs de hoop te ontnemen. Maar de ongelukkige, die eene
godsdienstige opvoeding had gehad, geloofde nog altijd, en nog onlangs
scheen het wel als wilde de hemel haar geven, waarnaar haar warm
gemoed het meest verlangde, de liefde namelijk van een ander, dien
zij liefhebben kon en die hare liefde ten volle waardig was. En nu,
hoe was zij teleurgesteld! Daar stond zij in het troosteloos gevoel
van hare verlatenheid, en was haar toestand beklagenswaardig geweest
vóor de terugkomst van Orion, hij was het thans nog meer. Want van
eene vergetene was zij eene bedrogene geworden, zij, de dochter van
Thomas, de bloedverwante, de gast van de rijkste familie in het land;
en naast haar klonk in de ruw getimmerde smerige verversschuur, uit
de borst van armzalige slavinnen, die door de zweep van den opzichter
werden geregeerd, een zoo luid, levenslustig en jolig gelach, dat zij
er naar luisteren moest en het oog richten op deze jeugdige wezens,
die zulk een overvloed van blijmoedigheid schenen te bezitten dat er
de mond van overliep.

Onder de met palmtakken gedekte wijde ruimte van de ververij waren
vele meisjes bijeen, aardige en leelijke, bruine en blanke, kleine
en groote, recht opgegroeide en anderen wier ruggen reeds gekromd
waren door den zwaren arbeid in de weefstoelen sedert hunne prille
jeugd. Allen waren nog jong, geen hunner telde meer dan achttien
jaren. De slaven waren een kapitaal, waarvan de arbeid die zij leverden
en de kinderen die zij kregen de renten vertegenwoordigden. Elk
onvrij meisje werd spoedig, nadat zij volwassen was, uitgehuwelijkt
aan een slaaf. In de weverij werkten vrouwen en meisjes, doch de
eersten sliepen in een eigen kwartier bij hunne mannen en kinderen;
de nog ongehuwde arbeidsters daarentegen overnachtten in slaapzalen,
die aan de werkplaatsen grensden. Thans was het hun rusttijd en hadden
zij zich in twee groepen verdeeld. De eene had zich geschaard rondom
een Egyptisch meisje, dat allerlei krabbels op eene tafel maakte, de
andere vermaakte zich met een eenvoudig spel, daarin bestaande, dat
ieder meisje op hare beurt den schoen over het hoofd wierp. Vloog deze
nu over zekere krijtstreep, waarnaar zij met den rug gekeerd stond,
dan beteekende dit, dat haar liefje weldra haar man zou worden; bleef
de schoen tusschen haar en de op den grond getrokken lijn liggen,
zonder deze te bereiken, dan moest zij nog wat geduld oefenen, of
werd zij verbonden met een lotgenoot, dien zij niet lijden mocht.

Het meisje dat, wel door een twintig anderen omringd, op de tafel
krabbelde, moest de voorbeelden voor de weefsels afteekenen, en
bezat de gave, die zij van hare heidensche voorvaderen geërfd had,
om elk gelaat van ter zijde gezien met enkele strepen zoo weer te
geven, dat het, ofschoon de trekken wat komisch verwrongen waren,
gemakkelijk te herkennen was. Zij verrichtte dit kunstwerk met behulp
van een wastafeltje en een koperen stift, en gaf dan aan anderen te
raden wie zij bedoeld had.

In den uitersten hoek van de schuur zat een meisje geheel alleen
neergehurkt, dat zwijgend voor zich keek.

Paula overzag dat alles en begreep tevens wat er gebeurde, ofschoon
er geen samenhangende volzin gesproken werd en er niets te hooren was
dan een luid, hartelijk en onweerstaanbaar gelach. Wierp een meisje
den schoen ver genoeg, dan lachte de jonge bende uit volle borst,
en ieder riep vroolijk den naam van hem, dien zij aan hare gezellin
tot man wilden geven. Viel de schoen vóor de streep, dan ging het
nog luidruchtiger toe en riep men den naam uit van den oudsten en
onoogelijksten der slaven. Aan eene bruine Syrische was het niet gelukt
de grenslijn te bereiken, maar zij greep ondeugend het stuk krijt
en trok eene nieuwe lijn tusschen haar en den schoen, zoodat deze nu
toch achter eene streep kwam te liggen. Hierop steeg de vroolijkheid
ten top, want velen wierpen zich op de valsche streep om haar uit te
wisschen. Een overmoedig Nubisch kroeskopje smeet de schoen in de
lucht en ving haar weer op, terwijl anderen over deze aardige grap
bijna niet tot bedaren konden komen, en den naam luide uitriepen van
hem, om wiens wil hare gezellin met de fortuin een loopje had genomen.

Het was of een vroolijk kaboutermannetje in de tochtige schuur
zijn kwartier had opgeslagen, want rondom de teekenares ging het
niet minder lustig toe dan bij het andere groepje. Werd een portret
herkend, dan hadden allen plezier; zoo niet, dan riepen de deernen
de namen van allerlei personen, die het voorstellen kon. Met welke
uitgelatene bijvalsbetuigingen werd de goedgelukte karikatuur van den
slavenopzichter beloond! Elk die het zag hield zich den buik vast
van lachen, en hoe dol en uitgelaten werden ze toen een meisje der
teekenares het tafeltje uit de handen rukte, en anderen haar op het
lijf vielen, om het veroverde weder machtig te worden.

Paula had dit tooneel aanvankelijk met bevreemding en hoofdschuddend
aangezien. Hoe kon men zich met zulke nietige en onzinnige dingen
vermaken! Wel-is-waar, toen zij nog klein was, had zij ook om
nietswaardige dingen kunnen lachen, en waren deze volwassene meisjes
in onwetendheid en bekrompenheid van geest niet allen nog kinderen? De
muren van het stadhouderlijk verblijf omsloten hare gansche wereld,
haar blik reikte niet verder dan het tegenwoordig oogenblik, evenals
bij de kleinen en zoo konden zij ook lachen als dezen. "Het lot,"
dacht Paula, "stelt haar nu schadeloos voor het ongeluk harer geboorte
en voor ontelbare zure dagen, en straks gaan zij moede en vroolijk
gestemd naar bed. Ik kan die arme schepseltjes benijden! Als ik het
doen kon, begaf ik mij onder hen en gevoelde mij nog eens een kind!"

Zie daar was het geestig portret van den opzichter klaar, en een
klein dikkertje barstte boven alle anderen in zulk een uitbundig en
aanhoudend lachen uit, dat zoo natuurlijk uit de diepste diepte van
haar borst opwelde, dat Paula, die waarlijk niet hierheen was gegaan
om vroolijk te zijn, er door werd aangestoken, en of zij wilde of niet
meelachen moest. Kommer en ellende waren opeens vergeten, zij overwoog
en peinsde niet meer, en gedurende eenige oogenblikken gevoelde zij
niets dan dat zij lachte, hartelijk en onophoudelijk lachte, als een
jong en gezond menschenkind. Dit was zij inderdaad, en hoe goed deed
het haar een wijle zichzelve te vergeten! Zij zeide het wel niet,
maar zij voelde het en lachte nog steeds door toen de slavin, die
alleen in een hoek had gezeten, zich bij de anderen voegde om het
luidruchtig troepje wat toe te roepen, dat door Paula niet verstaan
werd, maar dat aan de dartelheid der anderen nieuw voedsel gaf.

Het stille meisje met die slanke gestalte stond nu bij het
vuur. Paula had haar nog niet kunnen zien, thans bleek dat zij
verreweg de schoonste van allen was. Maar zij zag er niet vroolijk
uit en denkelijk had zij pijn, want zij droeg, als had zij kiespijn
een doek om het hoofd, die op den schedel over het zware blonde
haar was vastgeknoopt. Het gezicht van dat meisje bracht Paula tot
bezinning, en zoodra zij weder begon te denken, was het uit met de
vroolijkheid. Doch de slavinnen bleven in dezelfde stemming, hoewel
haar gelach niet meer zoo onschuldig en rein klonk als zooeven. Zij
hadden een voorwerp voor hare scherts gevonden, dat zij liever met
rust moesten laten.

Het meisje met het verbonden hoofd was ook eene slavin des huizes, maar
eerst sedert kort en nadat het eenigen tijd bij twee oude slavenweduwen
handenarbeid had verricht, was zij bij de weefsters toegelaten. Eene
legerbende van Heraklius had haar aan de borst harer moeder na de
overwinning van Chosroes II uit Perzië naar Alexandrië gebracht, waar
beiden voor den Mukaukas gekocht werden. De Perzische vrouw stierf,
toen de kleine, die niet in slavernij geboren was, den leeftijd van
dertien jaren bereikt had. Het kind wies op tot een lieftallig meisje
met een lelieblanke huid en dik goudgeel haar, dat thans bij het licht
van het vuur heerlijk glansde. De jonge Orion had haar vóór hij op
reis ging opgemerkt, en bekoord door de schoonheid der jonge Perzische,
wenschte hij haar te bezitten. Gewetenlooze dienaars en beambten hadden
hem om strijd de behulpzame hand geboden, door haar naar een landhuis
van den Mukaukas aan gene zijde van den Nijl over te brengen; dáár had
hij haar ongestoord kunnen bezoeken, zoo vaak zijn hart begeerde. De
nauwelijks zestienjarige onervarene slavin, die niemand had om haar te
waarschuwen en te beschermen, had zich tegen den schoonen zoon haars
meesters niet durven of kunnen verzetten. Toen Orion luchthartig,
en nadat hij genoeg had van een meisje, hetwelk hem niet anders kon
aanbieden dan hare schoonheid, naar Konstantinopel was vertrokken,
vernam vrouw Neforis wat zij voor haren zoon was geweest, en beval
zij den overste van de slavenopzichters, dat hij de ongelukkige zou
beletten, om verder voor verleidster te spelen. De man had aan deze
opdracht voldaan, door aan de Perzische, volgens een oud gebruik,
de beide ooren te doen afsnijden. Na deze gruwzame straf verviel de
schoone verminkte tot zwaarmoedigheid en waanzin, en niettegenstaande
de kerkelijke exorcisten en andere duivelbanners vergeefsche moeite
deden om de demonen van den waanzin te verdrijven, bleef zij, wat zij
altijd geweest was, een gedienstig en vriendelijk schepsel, dat zich
onder hare vroegere opzichtsters en ook in de algemeene werkplaats
gedurende de uren van den arbeid stil en vlijtig betoonde. Alleen
wanneer zij niets te doen had kwam haar waanzin voor den dag, en deze
gaf de andere weefsters aanleiding om zich met haar te vermaken.

Zij hadden thans Mandane naar het vuur getrokken en haar onder allerlei
dwaze betuigingen van eerbied uitgenoodigd, zich op haar troon, eene
ledige verfton, neer te zetten; zij toch verkeerde in den zonderlingen
waan, dat zij de vrouw was van den Mukaukas Georg. Lachend kwam elk
haar huldigen, verzocht haar om eene gunst, of vroeg haar naar de
gezondheid van haar gemaal en den staat harer bezittingen. Zeker
gevoel van betamelijkheid had deze arme onwetende schepsels lang
teruggehouden den naam van Orion voor haar uit te spreken, doch
heden liep eene negerin, een schraal boosaardig ding, naar haar toe
en vraagde met allerlei leelijke grimassen: "O gebiedster, hoe maakt
het uw zoontje Orion?"

Het gelaat der waanzinnige vertrok niet bij deze vraag, maar zij
antwoordde ernstig: "Ik heb hem in Konstantinopel aan de dochter des
keizers uitgehuwelijkt."

"Wel kijk eens," riep de zwarte, "welk een voornaam huwelijk! Weet ge
ook dat de jonge heer weer hier is? Hij zal zeker zijne hooge gemalin
aan u voorstellen, en dan zullen we purperen gewaden en kronen zien."

Deze woorden deden de geesteskranke het bloed naar het hoofd
stijgen. Angstig drukte zij de handen tegen het verband om de
afgesneden ooren en vroeg: "Waarlijk? Is hij terug?"

"Nog niet zoo lang," zeide eene andere goedige slavin, als om haar
te troosten.

"Geloof haar niet," hernam de zwarte. "En als gij het nieuwste nieuwtje
wilt weten: gisteren avond is hij met de groote Damasceensche op den
Nijl gaan spelevaren. Mijn broeder, de bootsman, was bij de roeiers,
en hij was heel lief voor de jonkvrouw, dat verzeker ik u, heel lief.."

"Mijn gemaal, de groote Mukaukas?" vroeg Mandane, terwijl zij hare
gedachte verzamelde.

"Neen, uw zoontje Orion, die met des keizers dochter gehuwd is,"
zeide de zwarte lachend.

De waanzinnige stond op, keek met dwalende blikken rond en vroeg nog
eens aarzelend, als had zij de laatste woorden niet goed verstaan:
"Orion? De schoone Orion?"

"Uw lieve zoontje, Orion!" riep de andere nog eens, en zoo luide,
alsof zij met eene doove te doen had.

Daarop bracht de anders zoo zachtaardige slavin de eene hand aan
het verminkte oor, en sloeg met de andere haar kwelgeest zoo heftig
tegen de breede negerlippen, dat het klapte. Vervolgens begon zij te
schreeuwen en riep met eene gillende stem: "Mijn zoon, hebt ge gezegd,
mijn zoon Orion! Alsof ge het niet wist! Hij is mijn liefje geweest;
ja hij heeft mij gezegd dat hij het was, en daarom zijn zij gekomen en
hebben mij gebonden en mij de ooren--Maar ik, ik mag hem niet lijden;
ik zou, ik zou..." Daarbij balde zij de vuisten, knarste met hare
witte tanden en ging hijgend voort: "Waar is hij? Wilt ge het mij niet
zeggen? Wacht maar, wacht! O, ik ben zoo dom niet; ik weet het al,
ge hebt hem hier!--Waar is hij dan?--Orion, Orion, waar zijt gij?"

Bij deze woorden vloog zij op, rende door de schuur, schoot van ieder
verfvat het deksel weg, en boog onder luid gelach der overigen diep
over den rand, als zocht zij hem daar.

De meeste meisjes grinnikten van plezier over deze dwaze vertooning,
maar anderen stond dit blijkbaar niet aan. De smartelijke kreet van de
ongelukkige had haar pijn gedaan en zij trokken zich weder in groepen
terug. Reeds had een hunner een nieuw spel voorgesteld, toen eene
kleine, net gekleede vrouw de schuur binnentrad en riep, terwijl zij
in de vleezige handen klapte: "Ge hebt nu genoeg gelachen! Komaan,
bijtjes, naar bed! Morgen vroeg is de nacht voorbij en na zonsopgang
moeten de weefgetouwen weer klepperen. Komt, de eene hier, de andere
daarheen, net als de muizen, wanneer de kat ze overvalt! Gaat ge haast,
nachtvogels? Nu, gaat ge?"

De meisjes hadden gehoorzaamheid geleerd, en terwijl zij hare
opzichtster voorbij ijlden naar de slaapzaal, spitste Perpetua,
eene vrouw, die de vijftig nauwelijks voorbij was en op wier gelaat
verstand en goedheid beide te lezen stonden, de ooren en luisterde
in de stilte van den nacht. Uit de richting van de watertent had zij
een eigenaardig, langgerekt, maar niet luid "Ohuio!" vernomen, en
dat teeken was haar goed bekend; want de prefect Thomas was gewoon op
deze wijze in zijn landhuis op den Libanon de in den tuin verspreide
huisgenooten saam te roepen. Thans maakte Paula er gebruik van,
om de voedster op hare nabijheid opmerkzaam te maken.

Deze schudde echter bezorgd het hoofd. Wat bewoog haar lieve kind om
zoo laat in den avond tot haar te komen? Er moest wel iets bijzonders
zijn voorgevallen, en met tegenwoordigheid van geest, als altijd,
riep zij, om te kennen te geven dat Paula's roepstem haar niet ontgaan
was: "Haast je wat, meisjes! Zijt ge klaar? Ohuio! Komaan, Ohuio! Een,
twee, drie!"

Daarop volgde zij de laatste slavinnen naar de slaapzaal, en toen zij
zich overtuigd had, dat er geen werd gemist behalve de waanzinnige,
vroeg zij waar deze zijn kon. Allen zeiden haar zooeven nog in de
schuur gezien te hebben. Perpetua wenschte de meisjes goeden nacht
en verliet ze, den schijn aannemende alsof zij de achtergeblevene
ging zoeken.






ZEVENDE HOOFDSTUK.


Paula ging de kamer binnen van hare voedster, die, nadat zij
vruchteloos een oogenblik naar de waanzinnige had omgezien, Mandane
niet zonder eenige gewetenswroeging aan haar lot overliet.

In het vertrek van Perpetua hing eene keurig gepolijste koperen
lamp aan de zoldering, en deze kleine ruimte beantwoordde volkomen
aan hare bewoonster, want beiden waren helder en netjes, eenvoudig
en degelijk. Het bed van de voedster was omgeven door sneeuwwitte,
doorzichtige gordijnen tegen de muggen; boven het hoofdeinde der
legerstede was een kunstig gesneden crucifix geplaatst, en de zetels
waren allen met goede stoffen van allerlei kleur, afval uit de weverij,
overtrokken. Fijn gevlochten stroomatten bedekten den grond, en op de
vensterbanken evenals in een hoek van het vertrek, waar een van klei
geboetseerd beeld van den goeden herder op het beddetafeltje neerzag,
stonden bloemstruiken, die het eenvoudige vertrek met een aangenamen
geur vervulden.

Nauw was de deur gesloten, of Perpetua zeide: "Maar mijn kind wat
hebt ge mij doen schrikken! Op zulk een laat uur!"

"Ik moest komen," verzekerde Paula; "ik kon niet langer wachten."

"Wat zie ik, tranen?" zeide de voedster met een zucht, terwijl hare
verstandige, kleine oogen ook vochtig begonnen te worden. "Arme ziel,
wat is er nu weer gebeurd?"

Daarbij naderde zij de jonkvrouw, om haar te streelen; maar deze
vloog aan hare borst, sloeg hartstochtelijk beide armen om haar hals,
en barstte in een luid en smartelijk weenen uit.

De kleine matrone liet haar eene poos begaan, daarna maakte zij zich
los uit hare omhelzing, droogde hare eigene tranen en die van hare
groote lieveling, die op hare gladde grijzende haren waren gevallen,
greep Paula met eene vaste hand bij de kin, keerde haar gelaat naar
zich toe en zeide vol deelneming maar op vasten toon: "Zoo, nu is het
genoeg! Ween wat mij betreft maar uit, want dat verlicht het hart,
maar vergeet niet dat het zoo laat is. Is het weder het oude lied:
heimwee, verdriet en dergelijken, of is er wat anders gebeurd?"

"Helaas," antwoordde het meisje, en zij vervolgde hevig opgewonden,
terwijl zij haar doek in de handen verfrommelde: "Mijn geduld is ten
einde; ik kan het daar in huis niet meer uithouden; het gaat niet
langer zoo! Ik ben niet van steen, en als men 's avonds vreest voor
den nacht en 's morgens weer voor den dag, waaraan geen doorkomen
zal zijn, zóó ellendig, zóo onverdragelijk...."

"Men dient toch redelijk te zijn, mijn hartje, en tot zichzelve
te zeggen, dat het verstandig is om van twee kwaden het minste te
kiezen. Wat ik u reeds zoo dikwijls in bedenking gaf, dat krijgt ge
nu opnieuw te hooren: Als wij dit veilig toevluchtsoord prijs geven
en ons werkelijk daarbuiten in den vreemde wagen, zullen we dan wat
beters vinden?"

"Misschien slechts eene hut met eene bron onder een paar palmen! Ik
zou er mede tevreden zijn, als ik u maar behouden mocht en vrij was,
geheel vrij van die anderen!"

"Wat is dat? Hoe heb ik 't nu met u?" prevelde de oude, terwijl zij
bedenkelijk het hoofd schudde. "Eergisteren waart ge geheel op uw
gemak; dus moet er zeker weer iets...."

"Ja, dat is zoo, daar is ook wat gebeurd," viel het overprikkelde
meisje haar in de rede. "De zoon van oom--gij waart er bij, niet waar,
toen hij hier zijn intocht deed, en ik dacht, ja, ook ik heb geloofd,
dat hij zulk een ontvangst verdiende... Ik, Betta, ik.... Ach, heb
medelijden met mij, ik.... gij weet niet welk een onweerstaanbaren
invloed die man op een hart kan uitoefenen.... En ik--ik stelde
vertrouwen in zijne blikken, zijne woorden, zijn gezang en--ja,
alles moet mij maar van het hart--ook in zijne kus op deze hand! Ik,
ik... Maar dat alles was valsch, was gelogen, was een schandelijk
spel met een zwak eenvoudig hart; misschien nog iets ergers, iets
afschuwelijkers! Kortom, terwijl hij al zijne krachten inspande om
mij in zijne strikken te vangen--zelfs de slaven in de boot hebben
het opgemerkt--was hij op hetzelfde tijdstip--ik weet het van vrouw
Neforis, die het zeker vertelde om er mij mede te krenken--bezig
dat popje--gij kent haar wel--die kleine Katharina te vrijen. Zij is
zijne bruid, en intusschen waagt die onbeschaamde het zijn spel met
mij voort te zetten, heeft hij de brutaliteit..."

Paula begon opnieuw luide te snikken; de oude vrouw wist ditmaal niet
hoe zij haar tot bedaren zou brengen en mompelde in zichzelve: "Ach,
't is erg.... Moest ook dit er nog bijkomen?.... Lieve hemel!...." Maar
weldra kwam zij tot bezinning en zeide op vastberaden toon: "ja,
dat is een nieuw onverwacht ongeluk; maar wij hebben zwaarder en
nog gansch andere rampen te dragen gehad. Dus het hoofd omhoog,
en wat daar binnen nog pleiten mocht voor den verleider, dat moet
uitgerukt en vertreden worden. Uw trots zal u wel helpen, en als gij
eens weet wat die Orion voor een heer is, dan dankt gij God misschien,
dat het tusschen u niet verder kwam!"--Zij deelde haar nu alles mede,
wat zij wist van de waanzinnige Mandane en hoe Orion de oorzaak was
van haar ongeluk, en toen Paula duidelijk liet blijken hoezeer haar
dit schrik aanjoeg, voegde zij er bij: "Ja, mijn kind, hij is een
hartenbreker, een gewetenloos geluksverwoester, en het ware misschien
mijn plicht geweest u voor hem te waarschuwen; doch daar hij overigens
toch niet slecht is--hij heeft den broeder van de teekenares Hathor,
die ge wel kent, met eigen levensgevaar uit het water gehaald--en
ik bovendien bij zijne terugkomst meende, dat ge met hem althans op
een vriendelijken voet zoudt verkeeren, heb ik het gelaten.... En
dan... ik oude gekkin hield uw trotsch hart voor gepantserd, doch het
is toch ook maar een zwak meisjeshart als dat van anderen, en nu het
op een-en-twintigjarigen leeftijd voor het eerst de liefde van een
man beantwoordt...."

Hier viel Paula haar in de rede, zeggende: "Ik bemin den bedrieger
niet meer, neen, ik haat hem, ik haat hem meer dan ik zeggen kan! En
ook de anderen! Van allen, allen heb ik een afkeer!"

"Helaas, dat het zoo zijn moet!" zeide de voedster met een zucht. "Gij
hebt zeker een hard lot. Over hem, Orion, zullen we maar zwijgen, maar
zou het met de anderen niet beter kunnen worden, vraag ik mijzelve
dikwijls af? Als gij het hun zoo moeilijk niet gemaakt hadt, mijn
kind, dan zouden zij u nu moeten liefhebben, dat kan niet anders;
maar sedert ge hier in huis zijt gekomen, gevoeldet ge u ongelukkig en
hebt gij gewenscht, dat men u aan uzelve overliet, en zij, zij hebben
aan uw verlangen voldaan en nu vindt ge het moeielijk te dragen, dat
de toestand geworden is zooals gij die wildet. Ja, mijn kind, zoo is
het, gij moet mij niet tegenspreken. Wij moeten heden eens oprecht
met elkander spreken: wie kan liefde vinden, als hijzelf geen liefde
betoont en mismoedig anderen voorbijziet? Ja, als ieder de menschen
waarmede hij omgaat zelf maken kon! Het leven eischt gebiedend, dat
wij hen nemen zooals zij zijn, maar van deze waarheid, mijn hartje,
neen, daar zijt gij niet van doordrongen!"

"Ik ben nu eenmaal zooals ik ben!"

"Zeker, en van alle goeden zijt gij de beste; maar wie kan dat in
huis vermoeden? Elk mensch vertoont een zeker karakter. En gij? Is
het te verwonderen, dat zij in u altijd de ongelukkige zien? Ik zeg
het duizendmaal: het is God geklaagd dat gij zoo ongelukkig zijt. Maar
wien doet het genoegen altijd een somber gelaat te zien?"

"Ik heb aan niemand daarginds nog ooit met een enkel woord geklaagd
wat ik lijd!" zeide Paula, terwijl zij zich trotsch oprichtte.

"Juist, daar hebt gij het," antwoordde de voedster. "Zij namen u
op, en meenden dus zekere rechten te hebben op uw persoon en ook op
hetgeen u bekommerde. Misschien verlangden zij u te troosten, want
daarin ligt--geloof mij mijn kind--daarin ligt iets streelends. Wie
iemand medelijden betoont, die voelt er altijd bij, dat hijzelf het
beter heeft dan een ander. Ik ken het leven! Hebt gij nooit tot uzelve
gezegd, dat gij uwe bloedverwanten daarginds eene vreugde ontrooft,
ja hen misschien beleedigt, door uw hart voor hen te sluiten? Gij
gaat geheel op in uwe smart, die gij hun van verre toont, maar waar
het u pijn doet, dat verbergt gij zorgvuldig. Ieder goed mensch wil
gaarne heelen waar hij eene wonde ziet bloeden, maar uw geheele wezen
roept hun toe: 'Blijft waar gij zijt en laat mij met rust.'--Voor uw
oom tenminste waart ge goed."

"En dat ben ik nog, en honderdmaal gevoelde ik een drang om hem alles
toe te vertrouwen, maar--"

"Maar?"

"Zie hem slechts aan, Betta, hoe marmerkoud, stijf en ongevoelig hij
daar ligt, meer dood dan levend. In den beginne zweefden mij vaak
vertrouwelijke woorden op de lippen...."

"En thans?"

"Thans ligt al dat smartelijke zoo verre achter mij! Ik geloof dat
ik het recht verloren heb hem te klagen wat mij neerdrukt."

"Hm," liet Perpetua hooren, die hierop zoo dadelijk geen antwoord
wist. "Kom eens goed tot bezinning, meisjelief. Orion heeft reeds
dadelijk opgemerkt hoever men bij ons gaan kan. Gij kunt uw hoofdje
gerust omhoog houden en kalm rondom u zien. Verdraag wat niet te
veranderen is, en wanneer eene stem in mijn binnenste mij niet
bedriegt, dan zal hij, dien wij zoeken..."

"Ook daarom ben ik tot u gekomen. Is er nog geen bode teruggekeerd?"

"Ja! de kleine Nabateër," antwoordde de voedster met eenige aarzeling,
"en hij heeft ook... Maar om Godswil, mijn kind, vlei u toch niet
met ijdele hoop! Even na zonsondergang is Hiram bij mij geweest--"

"Betta!" riep de jonkvrouw met verheffing van stem, terwijl zij
de voedster bij haar arm greep. "Wat is hij te weten gekomen, welk
bericht brengt hij?"

"Niets, niets! Wil toch niet met het hoofd door den muur loopen! Wat
hij vernam is zoo goed als niets. Ik kon Hiram maar een enkel oogenblik
spreken. Morgen vroeg wil hij den man zelven bij mij brengen. Het
eenige wat hij mij zeide...."

"Bij Christus' wonden, wat was het?"

"Hij zeide dat de bode van een ouden kluizenaar had hooren spreken,
die eens een groot krijgsheld geweest was."

"Mijn vader, mijn vader!" riep de jonkvrouw luide. "Hiram zit met de
anderen bij het vuur. Dadelijk, ja dadelijk moet ge hem hier brengen;
ik beveel het u, Perpetua, hoort gij!--O liefste, eenige Betta,
kom mede; wij moeten hem spreken!"

"Geduld toch, mijn hartje, heb wat geduld!" zeide de oude vrouw
medelijdend. "Ach, lieve arme ziel, ach, het zal weer op niets
uitloopen, en als wij den verkeerden weg andermaal blijven volgen,
geeft het niets dan teleurstelling."

"Dat doet er niet toe, gij gaat met mij mede!"

"Naar het dienstpersoneel bij het vuur, en op dit uur? Dat zou wat
wezen! Maar... Evenwel... Wacht hier even meisje. Ja, zoo zal het wel
gaan. Ik zal Jozef wakker maken, Hirams jongen. Hij slaapt ginds bij
de paarden, en deze zal dan zijn vader roepen. Ach, dat ongeduld, dat
onstuimig en hartstochtelijk zieltje! Doe ik niet wat gij verlangt,
dan doet ge heden nacht geen oog dicht, en dwaalt morgen als een
droomende rond... Bedaar, bedaar maar, ik ga al."

De oude vrouw had den hoofddoek reeds omgeslagen en ijlde naar
buiten. Paula zonk voor het kruisbeeld boven het bed op hare
knieën en bad innig, tot de voedster terugkwam. Weldra lieten zich
mannelijke voetstappen op de trap hooren en Hiram trad binnen. Hij
was een stevige vijftiger met twee goedige blauwe oogen in het grove
alledaagsche gezicht. Wie zijn breede borst zag, begreep dadelijk,
dat als hij ging spreken men eene krachtige basstem zou hooren; doch
Hiram stotterde van kindsbeen af en in zijn dagelijkschen omgang met
paarden had hij zich het gebruik van allerlei natuurgeluiden aangewend,
die hij met eene schrille stem uitstiet. Hij sprak ook niet gaarne.

Toen hij tegenover de dochter van zijn weldoener en heer stond, boog
hij zich voor haar neder, zag haar met de trouwe oogen als die van
een jachthond, onderworpen en tevens teeder aan, en kuste eerst haar
gewaad, daarna de hand, waarmede zij hem wilde oprichten.

Aan de met moeite uitgebrachte verzekering, hoe blijde hij was haar
weder te ontmoeten, maakte Paula goedhartig maar toch spoedig een
einde, en toen hij eindelijk begon te vertellen, sprak hij veel te
langzaam voor haar ongeduld. De Nabateër, die de hoopvolle tijding
had gebracht, zoo deelde hij mede, was niet ongenegen het gevonden
spoor verder te vervolgen; hij kon echter slechts tot morgen middag
wachten en had hooge eischen gesteld.

"Alles kan hij krijgen, alles wat hij verlangt," haastte Paula zich
te zeggen.

Hiram smeekte haar nochtans, meer met zijne blikken en onverstaanbare
uitroepen dan met duidelijke woorden, toch niet al te veel te
verwachten. De Nabateër Dousare, dus vulde hij de mededeeling van
de voedster aan, had van een kluizenaar te Raïthou aan de Roode zee
vernomen, dat een groot krijgsheld van Grieksche afkomst, sedert twee
jaren bij de vrome broeders op den heiligen berg Sinaï in alle stilte
een boetvaardig leven leidde. Zijn wereldlijke naam had de bode niet te
weten kunnen komen, maar onder de kluizenaars werd hij Paulus genoemd.

"Paulus?" herhaalde het meisje, terwijl haar boezem zwoegde. "Een naam
die hem aan moeder herinnert en aan mij, ja, ook aan mij! Bovendien,
hij, de held van Damascus, heeft in de wereld Thomas geheeten, en
nu hij zeker gelooft dat ook ik om het leven ben gekomen, wijdt hij
zich geheel aan den dienst van God en Christus; even als Saulus, die
andere man van Damascus, noemt hij zich, nu hij de weg ter zaligheid
gevonden heeft, Paulus. O Betta, o Hiram, gij zult het zien, hij is
het, hij moet het zijn! Twijfelt gij nog?"

De Syriër schudde bedenkelijk het hoofd en stootte een langgerekt
"Huust" uit. Perpetua sloeg de handen in elkaar en zeide op meewarigen
toon: "Heb ik het niet gedacht? Het vuur dat herders in den nacht
ontsteken om zich de handen te warmen houdt zij voor de opgaande zon,
wapengekletter voor den donder des Allerhoogsten! Hoeveel duizenden
heeten er Paulus! Bij alle heiligen, kindlief, blijf bedaard en poog
niet uit ijle nevelen u een feestkleed te weven! Bereid u voor op het
ergste, dan zijt gij tegen teleurstelling gewapend en behoudt gij het
recht om te hopen! Zeg haar toch, Hiram, zeg haar wat de bode verder
heeft bericht; want er is niets zekers, alles zweeft nog als stof in
de lucht."

De vrijgelatene deelde nu mede, dat de Nabateër een man was op wien
men staat kon maken, veel geschikter om op zulke onderzoekingstochten
uit te gaan dan hijzelf, want deze verstond behalve zijne eigene
taal ook Egyptisch, Grieksch en Arameesch; desniettemin was het ook
hem niet mogelijk geweest te Tor, waar monniken uit het klooster op
den Sinaï zich hadden neergezet, iets naders omtrent den kluizenaar
Paulus te vernemen. Later had hij echter op den zeetocht naar Kolzoum
van monniken vernomen, dat er nog een tweede Sinaï was. Het klooster
dáar--en nu zette Perpetua het verhaal voort, dat den stotteraar het
zweet op het voorhoofd deed parelen--dat klooster in de oase aan den
voet van den spitsen, hemelhoogen berg was wegens de ketterij der
monniken gesloten geworden, doch in de kloven van dat berggevaarte
huisden nog altijd vele kluizenaars in een klein coenobium [5],
in lauren [6] en in enkele rotsholen, en Paulus kon wellicht tot
dezen behooren. Men was wel op den goeden weg en zij en Hiram
waren reeds besloten in deze richting verder te onderzoeken, maar
de voormalige krijgsman was toch waarschijnlijk een vreemde, en zij
beiden huiverden bij de gedachte haar bloot te stellen aan zulk eene
smartelijke ontgoocheling.

Doch hier nam Paula het woord en zeide met blijde opgewektheid:
"En waarom zal mij ook niet eens wat anders ten deel vallen dan
teleurstelling?.. Wat geeft u den moed om mij de hoop te ontnemen,
waarmede dit arme hart zich voedt? Maar ik laat mij die hoop niet
ontrooven. Uw Paulus aan den voet van den Sinaï is de verlorene, ik
heb er een voorgevoel van. Als de laatste paarlen niet reeds verkocht
waren, dan moest de Nabateër... Maar wacht, zoo.... Wanneer kunt gij
vertrekken, Hiram?"

"Voor over veer--veertien dagen in ge--geen geval," antwoordde
deze. "Ik--ik ben nu eenmaal in dienst van den sta--ad--stadhouder en
o--overmorgen zal in Ni--i--kou--juist--de groote pa--paardenma--markt
zijn. Voor den jongen hee--heer zijn daar nieuwe he--engsten te koop,
en onze veu--lens brrr...."

"Ik zal er morgen bij oom op aandringen, dat hij u vrij laat," zeide
Paula. "Ja, ik werp mij aan zijne voeten..."

"Hij zal hem niet loslaten," viel de voedster haar in de rede. "De
huismeester Sebek heeft hem vóor de audiëntie uit mijn naam alles
gezegd en getracht om Hiram vrij te krijgen."

"En wat was het bescheid?"

"Vrouw Neforis noemde de tijding een nieuw dwaallicht en de
meester stemde met haar in. Uw oom verbood Sebek daarna iets aan u
te verklappen en liet mij weten, dat hij na de paardenmarkt Hiram
misschien naar den Sinaï zou zenden. Heb dus geduld, mijn hartje! Wat
beteekenen veertien dagen, op zijn langst drie weken, en dan....

"Maar zoolang kan ik het niet uithouden!" riep Paula. "De Nabateër,
zegt gij, is hier, en bereid om te gaan?"

"Ja, meesteres!"

"Zoo nemen wij hem in dienst," zeide Paula vastbesloten.

De voedster, die de zaak blijkbaar reeds ernstig met haar landsman
overlegd had, schudde treurig het hoofd en zeide: "Hij is ons te
duur!" Vervolgens verklaarde zij, dat de man die zoo veel talen
kende, reeds uitgenoodigd was eene karavaan naar Ktesiphon te
geleiden. Dat gaf hem brood voor een geheel jaar. Hij was niet
ongenegen de onderhandelingen met den koopman Hanno af te breken en
geheel Petreïsch Arabië voor haar te doorzoeken, maar op voorwaarde
dat hij tweeduizend drachmen ontving.

"Tweeduizend drachmen?" herhaalde Paula, terwijl zij blozende en
terneergeslagen voor zich keek. Maar spoedig was zij zichzelve weer
meester, zij hief het hoofd op en zeide verstoord: "Hoe, durven
zij mij onthouden, wat mij toekomt? Weigert mijn oom mij, wat ik
vorderen mag en moet, dan gebeure wat ik niet vermijden kan en mij
om zijnentwil leed genoeg doen zal; dan geef ik mijne zaak in handen
van de rechters."

"Van de rechters?" herhaalde de voedster lachende. "Om te klagen
hebt gij een kurros [7] noodig, en uw oom is de uwe. Voorts eer zij
een oordeel vellen, kan de bode reeds uit het verafgelegen Ktesiphon
terug zijn."

De voedster smeekte haar nu nog eens om zich tot na den afloop der
paardenmarkt stil te houden; maar zij staarde als verslagen naar den
grond. Opeens verschrikte Perpetua en ook Hiram deed eene schrede
achterwaarts, want onverwacht riep zij luide en jubelend uit: "Vader
in den hemel, ik heb gevonden wat wij noodig hebben!"

"Hoe, mijn kind, wat?" vraagde de voedster met de hand op het hart.

Paula gaf haar geen uitsluitsel, maar wendde zich haastig tot den
Syriër zeggende: "Is de eerste binnenhof weer vrij? Zijn de lieden
uit elkander gegaan?"

Het antwoord luidde bevestigend. De vrije dienstknechten waren met
Hiram tegelijk opgebroken. De heeren gingen nog wel zoo spoedig niet
uiteen, maar hen kon men gemakkelijk voorbijkomen.

"Nu goed," sprak het meisje. "Gij, Hiram, gaat mij voor en wacht
op mij bij het dienstpoortje. Ik haal van mijne kamer iets wat
de vordering van den Nabateër wel tienvoudig kan dekken.--Zie mij
niet zoo angstig aan, Betta! Hij krijgt de groote smaragd uit het
halssieraad mijner moeder."

De voedster sloeg de handen ineen en riep op droevigen, waarschuwenden
toon: "Kind, kind, dit heerlijke stuk, dit erfgoed der familie,
deze steen, die afkomstig is van den heiligen keizer Theodosius,
wilt gij dezen verkoopen, neen wegsmijten, niet om uw vader te redden
maar--ja, mijn kind, zoo is het!--maar alleen omdat gij geen geduld
hebt om twee ellendige weken te wachten?"

"Dat is hard, dat is onbillijk geoordeeld, Betta!" hernam het meisje
op verwijtenden toon. "Het is om een maand te doen, en hoe alles hier
van den bode afhangt, weten wij allen. Hebt gij vergeten hoe Hiram de
geschiktheid juist van dezen man op den voorgrond stelde? En moet ik,
die zooveel jonger ben, u dan herinneren aan de onzekerheid van een's
menschen leven? Eén oogenblik beslist over leven en dood, en mijn
vader is een oud man, die reeds vóor de belegering met vele litteekens
bedekt was. Het kan hier gelden hem al of niet weer te zien."

"Ja, ja," antwoordde de oude vrouw op zachten toon, "misschien hebt
gij gelijk, en als ik...."

Maar Paula sloot haar den mond met een kus en beval daarop den Syriër
den steen van haar in ontvangst te nemen en morgenochtend zeer vroeg
aan den jood Gamaliël, een rijk en redelijk man, te verkoopen, maar
niet onder twaalfduizend drachmen. Als de goudsmid niet zooveel ineens
betalen kon, mocht Hiram zich voor het oogenblik met de tweeduizend
drachmen voor den bode tevreden stellen, om de rest later te ontvangen.

De Syriër ging haar voor, en toen zij na een lang afscheid van de
voedster het vriendelijke vertrek verliet, had Hiram reeds aan haar
eerste bevel voldaan, door haar aan het dienstpoortje te wachten.






ACHTSTE HOOFDSTUK.


Zooals Hiram wel vermoedde, zaten de hoogere beambten nog altijd met
hunne vrienden bijeen, en ook de gids en de voornaamste begeleiders van
den koopman Haschim. Rustem de Masdakiet, alsmede diens secretaris en
tolk, hadden zich bij dit gezelschap aangesloten. De hier verzamelden
waren, uitgenomen de joodsche goudsmid Gamaliël en de lieden uit
het gevolg van den Arabier, allen christenen, en niet zonder eenigen
tegenzin hadden dezen de muzelmannen--de jood was sedert jaren een
welkom medelid van hun avondgezelschap--in hun kring opgenomen. Toch
had men het gedaan, en zelfs met zekeren ijver, omdat de heer bevolen
had hen goed te ontvangen en men met grond verwachten kon dat zij, die
van zooverre waren gekomen, veel nieuws te vertellen hadden. Daarin
had men zich echter bedrogen, want de tolk was zeer gesloten en de
Masdakiet sprak het Egyptisch in het geheel niet en het Grieksch maar
zeer slecht. Nadat men bij herhaling vruchteloos gepoogd had hen aan
het spreken te krijgen, sloeg men verder geen acht meer op hen en
liet men den secretaris van Orion aan het woord.

Deze man had reeds gisteren veel nieuws van het keizerlijk hof
verteld, dat allen boeide; doch heden praatte hij uitvoeriger over de
schitterende levenswijze van zijn jongen meester in Konstantinopel,
wien hij derwaarts vergezelde. Hij beschreef de drie overwinningen,
die hij met zijne eigene paarden in de renbaan had behaald; schilderde
met levendige kleuren hoe deze zich bij een volksoploop, gevolgd door
slechts vijf vrienden, te midden van honderden verwoede opstandelingen,
een weg had gebaand uit het paleis naar de Sophia-kerk, en roemde
verder de veroveringen die Orion had gemaakt bij de schoone vrouwen
van de hoofdstad. "De koningin van allen," zeide hij met bijzondere
zelfvoldoening, "was Heliodora, geene fluitspeelster of een meisje
van dat slag, neen, eene rijke, voorname, deugdzame patricische
vrouw, de weduwe van Flavianus, een neef van den senator Justinus,
die aan de keizerlijke familie verwant is. Geheel Konstantinopel
sloeg begeerig het oog op deze partij; zelfs de groote Gratianus had
haar voor zich trachten te winnen, maar natuurlijk te vergeefs. In
geheel Egypte, zelfs in Alexandrië is er geen paleis gelijk het
hare. Dit stadhouderlijk verblijf--want de grootte doet er niet
toe--is daarbij vergeleken maar eene boerenwoning, eene armzalige
schuur. Bij eene volgende gelegenheid vertel ik u eens hoe het er
uitziet in dit weelderig kabinetje. Dag en nacht stonden er slaven
en vrijgelatenen voor de deur, die bloemen en vruchten, buitengewone
geschenken en roerende gedichten op welriekende, rooskleurige zijde
moesten overbrengen; doch hare gunst was niet te koopen, tot Orion
haar leerde kennen. Gij zult het niet willen gelooven, maar sedert
zij hem voor de eerste maal in de villa van Justinus ontmoet had,
was zij haar hart kwijt. Zij was er geweest, hoor, zij was weg, zij
was de zijne, zoo goed als die ring hier aan mijn vinger de mijne is!"

De ijdele man wees bij deze woorden zijne toehoorders op den gouden met
een waarlijk kostbaren steen versierden ring, dien hij aan de mildheid
van zijn jongen meester te danken had, en vervolgde in geestdrift:
"Van nu aan zweefden de namen Orion en Heliodora op aller lippen,
en hoe vaak heb ik de menschen niet in verrukking gezien over de
schoonheid van dit goddelijk paar! In den circus, in het theater,
bij spelevaarten op den Bosphorus, overal zag men ze samen, en in
die akelige, bloedige dagen der snelle troonsverwisselingen leefden
zij met elkander als in een paradijs. Vaak haalde hij haar in zijnen,
zij hem in haren wagen af."

"Houdt zulk een wijf ook paarden?" vroeg de opperstalmeester op een
toon van minachting.

"Wijf?" riep de secretaris. "Eene aanzienlijke dame! Alleen glanzende
bruine paarden houdt zij, groote van Armenisch ras en kleine, vlugge
dieren van het eiland Sardinië, die in een vierspan als opgejaagde
vossen met den wagen daarheen jagen. Altijd droegen hare paarden
rosetten en fladderende linten aan de gouden hoofdstellen, en ik
verzeker u, haar voerman wist ze te mennen.--De geheele wereld dacht,
onze meester en die schoone weduwe zullen een echtpaar worden, en dat
er niets van gekomen is, ging die arme Heliodora--zij ziet er uit als
eene heilige en is zacht als een katje--bitter aan het hart; want ik
was bij het afscheid tegenwoordig, en het was om diep medelijden te
krijgen, zooveel tranen als zij stortte. Maar zij kon niet boos zijn
op haar afgod, dat weeke, teedere poesje; zij gaf hem tot aandenken
dat zijdharig hondje, dat gij gezien hebt. Ik geef er u mijn woord op
dat het een liefdepand was, want aan dat kleine beest hing haar hart
als aan een eigen kind. Doch het afscheid is ook hem zwaar gevallen,
zoo zwaar--maar ik ben geheimsecretaris, en het zou mij niet passen uit
de school te klappen. Bij het laatst vaarwel drukte hij dat hondje
aan het hart, en beloofde daarbij, dat hij haar wederkeerig een
aandenken zou zenden, dat haar bewijzen zou op hoe hoogen prijs hij
hare liefde stelde. Dat dit geen aalmoes zijn zal, daarop kan ieder
die mijn meester kent wel een duren eed zweren.--Zeg eens, Gamaliël,
is hij misschien reeds bij u geweest?"

De aangesprokene, dezelfde wien Hiram Paula's smaragd te koop moest
aanbieden, was een rijk Alexandrijn, vroolijk van aard. Zoodra
hij na den inval der Saracenen begrepen had, dat het niet geraden
was in Alexandrië te blijven, terwijl ook het grootste deel zijner
geloofsgenooten de havenstad ontvluchtte, had hij zich naar Memphis
begeven, omdat hij daar op de bescherming van zijn machtigen
begunstiger, den Mukaukas Georg, mocht rekenen. Hij schudde op die
vraag ontkennend den grijzen kroeskop en blies een oogenblik later
den secretaris in het oor: "Wij hebben wat hij noodig heeft. Als
ge mij de koe brengt, krijgt gij het kalf, en zelfs een met twaalf
pooten.--Tevreden?"

"Twaalf percent van de winst? Dat 's dus afgesproken!" antwoordde
de secretaris even zacht en met een sluw lachje, ten teeken dat hij
Gamaliël begreep, en toen een boekhouder hem wat later vroeg, waarom
Orion de schoone geliefde, die toch ook een aanzienlijken naam droeg,
niet als schoondochter mede naar huis had gebracht, antwoordde hij
dat zij eene Griekin en natuurlijk de Melchietische geloofsbelijdenis
toegedaan was. Die reden was afdoende voor de aanwezigen, en toen nu
eenmaal het gesprek op het geloof was gekomen, ontspon zich, gelijk
gewoonlijk op zulke gezellige avonden, een dispuut over dogmatische
vragen. Daarbij waagde een kanselarijbeambte de meening uit te spreken,
dat, wanneer het hier niet de zoon van den Mukaukas, bij wien van zoo
iets geen sprake kon zijn, maar een eenvoudig Jacobietisch burger en
zijne Melchietische geliefde gold, er toch wellicht een middenweg te
vinden was geweest. Beiden hadden dan maar moeten besluiten, ofschoon
hij voor zoo iets zou bedanken, de Monotheletische leer aan te nemen,
waarvoor het keizerlijke hof en ook de gestorven patriarch Cyrus van
Alexandrië warm hadden gestreden, welke leer rustte op het geloof,
dat Christus wel twee naturen had, maar dat in beiden maar éene
gemeenschappelijke wil woonde. Dit geloof splitste wel-is-waar de
natuur van den Heiland, maar handhaafde toch de eenheid in een bepaald
opzicht, waarop het toch voornamelijk aankwam. Zulk een kettersch
voorstel werd natuurlijk door de hier verzamelde Jacobieten luide
afgekeurd. Het verschil van meening kwam al duidelijker en scherper
uit, en weldra werd uit de vreedzame gedachtenwisseling een onstuimige
twist geboren, die met handtastelijkheden dreigde te eindigen.

Reeds onder het begin van dit gesprek was het Paula gelukt om
onopgemerkt den hof over te steken. Zij wenkte Hiram zwijgend haar
te volgen; deze trok behoedzaam zijne schoenen uit, die hij onder
de steile trap voor het dienstpersoneel schoof, en stond eenige
oogenblikken later in het vertrek van de jonkvrouw. Zij deed haastig
hare kist open, nam daaruit het kostbaar met paarlen bezet halssieraad
en gaf dit den Syriër, met het verzoek om den grooten smaragd, die in
het midden hing, uit de gouden kas te lichten. De stevige handen van
den vrijgelatene verrichtten dezen arbeid spoedig en gemakkelijk met
behulp van een mes, en, terwijl hij den steen--die grooter was dan een
walnoot en nu, uit het half geopende gouden omhulsel genomen waarin
hij aan den keten had gehangen, vrij fonkelde en stralen schoot--in
de hand woog, herhaalde Paula nog eens alles omtrent den verkoop,
wat zij hem in tegenwoordigheid van de voedster gezegd had.

Zoodra de trouwe man zijne lieve meesteres verlaten had, maakte zij
het zachte, maar toch dikke en lange haar los, en glimlachte daarbij
vol blijde hoop; doch zij was nog niet begonnen zich te ontkleeden,
toen er zacht werd aangeklopt. Zij verschrikte, snelde naar de deur,
grendelde deze toe en vraagde, op het ergste voorbereid: "Wie is daar?"

"Hiram," luidde het zacht gefluisterde antwoord, en nadat zij de deur
weder geopend had, vernam zij, dat de huispoort inmiddels gesloten
was, en dat hij geen anderen weg kon vinden in het groote huis,
waarin hij zelden iets te doen had.

Wat nu te beginnen? De Syriër kon niet wachten tot de poort weder
geopend werd, want hij moest morgen vroeg zijn last volvoeren, en
betrapte men hem en hield men hem maar een halven dag vast, dan nam
de Nabateër den anderen dienst aan.

Spoedig was een besluit genomen; zij bond het haar weder op, sloeg een
doek om haar hoofd en zeide: "Kom mede; de maan schijnt nog altijd,
het zou gevaarlijk zijn eene lamp te gebruiken. Ik ga vooruit en
gij moet vlak achter mij blijven. Als er niemand meer in de keuken
is, kunnen wij ongezien in het viridarium [8] komen. Indien de
beambten in den hof nog bijeen zijn, dan staat de groote hofdeur
open, want velen hunner wonen toch in huis. In elk geval moet gij
door de voorhal. Uit het viridarium kan men den weg daarheen wel
niet missen. Maar wacht! vóor het tablinum [9] ligt de groote Beki,
de booze hond van Hermonthis. Hij kent u niet, want hij komt nooit
buiten's huis, maar mij volgt hij. Wanneer ik de hand omhoog hef,
blijft gij wat achter. In tegenwoordigheid zijner meesters is hij
rustig en onbekenden doet hij niets wanneer wij er bij zijn. Geen
woord worde van nu aan gewisseld. Worden wij ontdekt, dan kom ik voor
de waarheid uit, vindt men u alleen, dan kunt gij zeggen.... dan zegt
gij, dat gij op Orion hebt gewacht, om heel vroeg met hem te spreken
over de paardenmarkt in Nikou."

"Er we--werd me dezen middag nog een--een he--hengst aangeboden."

"Goed zoo; ge zijt dus in de voorhal gebleven, om met den heer te
spreken, vóor hij zou uitgaan. Over enkele uren zal het reeds gaan
schemeren. Maak nu ook voort."

Haastig en met zekeren tred daalde Paula de trap af. Bij de onderste
trap nam Hiram zijne schoenen weder op en hield ze in de hand,
om geen tijd te verliezen, terwijl hij zijne meesteres op den voet
volgde. Zwijgend ging zij voort, tot zij in de tastbare duisternis aan
de keuken kwamen. Hier keerde zij zich om en fluisterde den Syriër toe:
"Is hier iemand, dan zeg ik dat ik gekomen ben om water te halen; is er
niemand, dan kuch ik even en volgt ge mij. De deur blijft in elk geval
open, zoodat ge hooren kunt wat er gebeurt. Als ik moet omkeeren, dan
loopt ge mij haastig vooruit langs den weg dien wij gekomen zijn. In
dat geval begeef ik mij naar mijne kamer en wacht gij daarvoor tot het
dag wordt en men de dienstpoort weder opent. Als men u mocht vinden,
laat dan aan mij over van uwe aanwezigheid de verklaring te geven. Ga
nu wat meer achteruit en verberg u daar in dien hoek."

Dadelijk hierop opende zij met zachte hand de deur van de keuken. Daar
deze met geen dak gedekt was, werd de ruimte door het licht der
ondergaande maan en den glans der sterren beschenen. Zij bleek geheel
ledig te zijn; er lag alleen eene kat op de bank bij den grooten
haard en eenige vledermuizen fladderden met onhoorbaren vleugelslag
in de groote ruimte heen en weer. Onder het braadspit gloeiden nog,
als de oogen van loerende roofdieren, de glimmende kolen in de asch.

Paula kuchte zacht en zoodra zij Hirams schreden achter haar hoorde,
zette zij met een van angst kloppend hart hare wandeling voort. Eerst
ging zij eenige trappen op, dan door een donkeren gang, waarin de
vledermuizen vlak langs haar hoofd scheerden, eindelijk moest de
breede van boven opene eetzaal dwars worden overgestoken. Deze kwam
uit in het viridarium, een vierkanten open hof, die langs de kanten
geplaveid was, terwijl de middenruimte door sierplanten en een
fontein werd ingenomen. Aan beide zijden verhief zich een vleugel
van het stadhouderlijk paleis. Het was stil en verkwikkend in deze
afgeslotene ruimte, overwelfd door den donkerblauwen hemel, die bezaaid
was met millioenen sterren. De maan naderde reeds den bovenrand van
de gegroefde lijst, die het dak van het gebouw kroonde. De groote
bladplanten in het midden van het viridarium wierpen wonderbare,
spookachtige schaduwen over de vochtige graszoden; het water van
de fontein plaste luider dan overdag, doch het eentonig geluid,
dat nu en dan door korte ongelijkmatige pauzen werd afgebroken, had
iets geruststellends. Het marmer der zuilen glinsterde als heldere
sneeuw, en dunne dampwolkjes, die van de vochtige zoden opstegen,
dwaalden, door den zachten nachtwind bewogen, als geesten in lange
golvende sleepgewaden in allerlei bochten zacht en statig heen en
weer. Nachtvlinders wiegden zich rondom en boven de plantengroepen
op en neer, en de geheele stille, verkwikkende ruimte was vervuld
door den zoeten geur van de lotusbloemen in het marmeren bekken van
de fontein, en van de bloesems der weelderige struikgewassen en der
saprijke tropische planten die haar omgaven. Op een anderen tijd zou
het een lust zijn geweest hier te toeven, rond te zien en zich over te
geven aan de stille betoovering van den nacht, doch de ziel van Paula
was thans voor dit heerlijk genot gesloten. De diepe stilte die haar
omgaf deed het opgewonden twistgesprek in den hof, dat in afgebroken
toongolven zijn weg hierheen vond, te bedenkelijker klinken, en met
bange zorg merkte zij op dat hier niet alles in orde was, want vóor het
tablinum, dat steeds door den hond of door een wachter bewaakt werd,
kon haar scherpziend oog noch dier noch mensch bespeuren. En--neen,
zij bedroog zich niet--de met brons beslagene deur ervan was open,
en het maanlicht glinsterde tegen het blanke metaal van den eenen
half aanstaanden vleugel.

Zij bleef staan en Hiram achter haar deed desgelijks. Beiden luisterden
met zulk eene inspanning, dat de aderen hun op het voorhoofd zwollen,
want uit het tablinum, dat zij met een dertig schreden bereiken konden,
lieten zich enkele, niet goed te onderkennen, zachte geluiden vernemen,
die geheel overstemd werden door den wilden strijd daarbuiten.

Er verliepen eenige lange, bange oogenblikken, tot de vleugel die
aanstond, opeens werd geopend, en een man daaruit te voorschijn
kwam. Het was Paula of haar het bloed in de aderen stolde, maar
haar oog hield niet op scherp te turen, en toen zij duidelijk gezien
had en vast overtuigd was, dat hij die den drempel van het tablinum
overschreed Orion was en geen ander, vloog de groote ruige hond van
Hermonthis haar voorbij, stak zijn neus in de lucht en schoot daarna
onder woest geblaf op de beide wachtenden toe. Bevende en met de tanden
op elkaar geklemd, maar altijd toch volkomen meesteres van zichzelve,
liet zij hem komen, riep Beki bij zijn naam op zachten, liefkoozenden
toon, en pakte, toen hij haar herkende en ophield te blaffen, het
beest bij zijn harigen kop, om het achter de ooren te krauwen, dat
het zoo gaarne had. Zij zelve en die haar vergezelde stonden achter
een pilaar in de donkere schaduw. Orion werd hen dus niet gewaar,
ook had het geblaf Paula's liefkoozend geroep overstemd. Toen de hond
zweeg en kwispelstaartend bij haar bleef staan, floot hij hem en het
waakzame gehoorzame dier ijlde zijn meester vroolijk te gemoet. "Ouwe,
domme kattenjager!" riep hij het beest toe en duwde het daarna weder
spelende van zich af. Daarop sloot hij de deur dicht en begaf zich
naar de gebouwen, die op den hof uitkwamen.

"Om in zijne woning te komen moet hij langs dezen weg terugkeeren,"
zeide Paula tot haren geleider, terwijl zij weder vrij adem
haalde. "Laten wij hier wachten. Maar nu ook geen oogenblik
verloren! Vooruit tot aan de deur van het tablinum! De hond herkent
mij nu van verre en zal niet dadelijk weder aanslaan."

Hierop liepen beiden haastig verder, en toen zij gekomen waren bij
de deur, die achter breede posten in de donkere schaduw lag, vroeg
Paula haren geleider: "Hebt gij den man die hieruit kwam herkend?"

"Onze heer Orion," luidde het antwoord. "Hij ke--keerde terug uit de
sta--ad, toen ik u voor--voorging."

"Zoo?" vraagde zij schijnbaar onverschillig, staarde in den tuin,
terwijl zij tegen het koele metalen beslag van de deur stond gedrongen,
en begreep dat zij nu terug kon keeren. Maar ter rechter tijd dacht zij
aan den hond. In elk geval moest zij den vrijgelatene den eenvoudigen
weg beschrijven, dien hij van hier had in te slaan. Doch zoover kwam
zij niet, want uit de ruimte die de voorhal van het viridarium scheidde
hoorde men eerst de schelle stem eener vrouw en daarna de zwaardere
van een man, en nauwelijks hadden beiden eenige woorden gewisseld of
het woedend geblaf van den hond overstemde alles, en terstond daarop
trof haar luisterend oor eerst het gillen en schreeuwen uit den mond
eener vrouw en daarna een gedruisch als van een zwaar vallend voorwerp.

Wat was daar gebeurd? Het moest iets vreeselijks, iets afgrijselijks
zijn, daar viel niet aan te twijfelen. Het vermoeden van Paula werd
weldra bevestigd, want door de deur aan de zijde van de plaats waar
de schrikkelijke gebeurtenis moest voorgevallen zijn, stormde Orion
naar buiten en vloog met den hond achter zich over de graszoden van
het viridarium, die als een heiligdom met zooveel zorg werden in orde
gehouden, en ijlde naar den vleugel van het huis aan de Nijlzijde,
waar zich zijne woning en die der familie bevond.

"Nu is het tijd," sprak Paula, en ging den Syriër snel voor.

Ademloos doorliep zij met haastigen tred de eerste ruimte en
overschreed den drempel van het niet overdekte voorhuis, maar zij
was nog niet in het midden gekomen, toen zij een schreeuw gaf, want
voor haar lag in het schijnsel der maan een roerloos lichaam lang
uitgestrekt op den harden marmeren vloer.

"Vlucht, Hiram, vlucht!" riep zij den vrijgelatene toe. "De deur
staat maar aan, is open, ik zie het!"

Dit zeggende knielde zij bij de levenlooze neder, hief haar hoofd op,
en zag--in het schoone, doodsbleeke gelaat van de waanzinnige Perzische
slavin! Zij voelde hoe het bloed, dat door het zware, blonde haar van
de ongelukkige heendrong, hare eigene hand bevochtigde, en eene rilling
voer haar door de leden. Maar zij overwon alle gevoel van ontzetting
en afkeer, en toen zij ook op den gescheurden peplos donkere vlekken
bemerkte, trok zij dit kleed weg en zag in de schoone blanke borst
van de ongelukkige de gapende wonden, die de gruwzame tanden van den
woedenden hond in het teere vleesch hadden gebeten.

Paula's gemoed werd overmand door toorn, zoowel als door smart en
medelijden. Hij, wien zij gisteren nog gehouden had voor een toonbeeld
van mannelijke deugd, Orion, droeg de schuld van deze gruweldaad! Hij,
van wiens stouten moed, die zichzelven niet verschoonde, zij zooveel
had vernomen, hij was gevlucht als een lafaard, hij had het offer
in den steek gelaten, dat hij tweemaal ten gronde had gericht. Doch
er was hier wat anders te doen dan te klagen, zich boos te maken,
zich af te vragen, hoe in de ziel van denzelfden mensch naast zooveel
edels en schoons, zooveel wreedheid en boosaardigheid kon wonen. Hier
moest raad geschaft worden, zij moest trachten te redden, want Mandanes
boezem bewoog zich nog zacht onder hare bevende vingers.

De vrijgelatene had een te goed hart, dan dat hij Paula en de verwonde
dadelijk zou hebben kunnen verlaten. Hij wierp de schoenen, die hij
nog altijd in de hand had, op den grond, tilde de bewustelooze op en
zette haar tegen een der zuilen van de gaanderij, die dezen voorhof
omgaf. Eerst op herhaald bevel zijner meesteres ijlde hij naar buiten.

Paula keek hem na en zoodra zij de zware deur van het atrium hoorde
dichtvallen, riep zij, zonder acht te geven op haar eigen bedenkelijken
toestand, met zulk eene luide en gillende stem om hulp, dat het bij de
nachtelijke stilte in alle richtingen van het huis weerklonk, zoodat
weldra van hier en daar een slaaf, eene dienstmaagd, een beambte,
een kok, een wachter kwamen toeschieten.

Het eerst van allen verscheen Orion, en wel zoo snel, dat hij zich op
haar geroep reeds op weg moest hebben bevonden. Het lichte nachtgewaad
dat hij droeg moest, dacht zij, den schandelijken belager zeker
het aanzien geven, als had hij juist zijn bed verlaten. Was hij het
werkelijk? Was deze man met die hoogroode kleur, met die starende
oogen, dat verwarde haar, die heesche stem dezelfde lieveling der
fortuin, wiens blijmoedig gelaat, wiens edele houding, wiens zonnige
blik, wiens hartroerend gezang haar gemoed hadden betooverd? Wat
beefden zijne handen, toen hij haar en de verwonde naderde, hoe gemaakt
en verlegen klonk zijne vraag wat hier gebeurd was, en hoe schuw keek
hij haar aan, toen hij verlangde te weten wat haar op dit late uur
naar het voorhuis voerde. Zij bleef hem het antwoord schuldig. Toen
echter spoedig daarop zijne moeder verscheen en op scherpen toon
dezelfde vraag tot haar richtte, antwoordde zij, die nog nooit een
leugen op de lippen had genomen, haastig en op stelligen toon: "Ik
kon niet slapen. Het geblaf van den hond en de jammerkreten drongen
mij naar beneden te gaan."

"Dat noem ik zijne ooren te spitsen!" zeide Neforis, ongeloovig de
schouders ophalende. "In elk geval zou ik u raden in het vervolg bij
dergelijke aanleidingen wat minder spoedig bij de hand te zijn. Sedert
wanneer vertrouwt een meisje, als er moord wordt geroepen, op hare
eigene kracht?"

"Gij hadt u ten minste wel mogen wapenen, schoone
heldendochter!" voegde Orion erbij. Maar hij had die woorden nauwelijks
geuit of hij gevoelde bitter berouw, want met welk een blik zag Paula
hem aan! Het ergerde haar zich door hem, juist door hem en op dit
oogenblik--het was voor de eerste maal--spottend, ja sarcastisch te
hooren toespreken en op zulk eene wijze aan haren vader herinnerd
te worden. Trotsch en op bijtenden toon gaf zij ten antwoord: "Het
dragen van wapenen laat ik over aan krijgslieden en moordenaars!"

"Aan krijgslieden en moordenaars," herhaalde Orion, die deed
alsof hij den zin dezer woorden niet verstond, met een gedwongen
lach. Doch hij vervolgde op bitteren toon, begrijpende dat hij zich
verweren moest: "Waarlijk, dat klinkt als kwam het uit den mond van
een teergevoelig meisje! Maar ik bid u wat nader bij te komen en u
gerust te stellen. Deze treurige wond hier aan den schouder van het
arme ongelukkige schepseltje, dat mij, verzeker ik u, meer ter harte
gaat dan u, heeft een viervoetige moordenaar haar toegebracht, die
zijne wapenen van de natuur heeft. Ja, zoo is 't gebeurd! De ruige
Beki houdt de wacht voor het tablinum. Hoe het arme schepsel hier
gekomen is, weet ik niet, maar in elk geval heeft het beest haar
geroken en toen aangevallen."

"Of ook niet," zeide opeens vrouw Neforis, terwijl zij een paar
mansschoenen opnam, die naast de gewonde op den grond lagen.

Orion werd doodsbleek, nam zijne moeder het gevondene snel uit de
handen, en zou die schoenen het liefst door het open dak weggeslingerd
hebben. Hoe kwamen ze hier? Wien behoorden ze toe? Wie was dezen avond
hier geweest? Voor hij zich naar het tablinum begaf, had hij de deur
van het atrium gesloten, en later was hij teruggekeerd om haar voor de
lieden die daar buiten waren te openen. Eerst na dit gedaan te hebben
was hij door de waanzinnige overvallen, die hem reeds bij zijn eersten
gang door het atrium moest hebben opgewacht, maar toen misschien niet
den moed had gehad hem in den weg te treden. Toen zij daarna hem op
het lijf was gevallen, had de hond haar op den grond gesleurd, eer hij
het verhinderen kon. Ja, hij zou haar zeker dadelijk bijgesprongen
en geholpen hebben, wanneer hij daardoor niet zijn binnendringen in
het tablinum verraden had. Hij had tegenwoordigheid van geest genoeg
gehad om naar zijne kamer te ijlen, zijn nachtgewaad aan te schieten
en naar de plaats des onheils terug te keeren. Toen Paula begon te
roepen, was hij reeds op weg naar de gewonde, en met welk een gevoel!

Zoo verward, zoo ontsteld, zoo diep ontevreden met zichzelven had
hij zich nog nooit gevoeld, en heden, tegenover Paula, was het
hem voor de eerste maal gebeurd, dat hij een medemensch niet in
de oogen kon zien. En dan deze schoenen! De eigenaar ervan moest
de waanzinnige begeleid hebben, en had deze hem het tablinum zien
binnengaan en verried hij wat hij, Orion, daar gedaan had, hoe zou
hij dan zijne ouders weder onder de oogen durven komen? Hij had niet
anders in den zin gehad dan eene grap, en nu was het zoo bitteren
ernst geworden! Doch het kostte wat het wilde, hij moest voorkomen
dat zijn nachtelijke gang ontdekt werd. Liever opnieuw onrecht, zelfs
het zwaarste, gepleegd, dan zijne eer te laten aantasten.--Maar wien
behoorden dan toch die schoenen? Opeens hield hij ze in de hoogte en
riep met luider stem tot de lieden, die waren toegesneld: "Behooren
deze zoolen ook aan een van ulieden, aan den deurwachter misschien?"

Toen allen zwegen en de portier zijne vraag ontkennend beantwoordde,
bleef hij nadenkend staan en ging voort met trotschen blik en op
luchthartigen toon: "Dus heeft een inbreker, die hier overvallen
is, ze laten staan. Ons huisstempel staat op het leder, ze zijn in
onze werkplaats gemaakt, en zij rieken,--overtuig er u maar van,
Sebek!--ze rieken naar den stal. Neem ze mede, man, morgen vroeg
zullen we onderzoeken wie ons dit verdacht geschenk in het atrium
heeft neergelegd. Gij zijt het eerst hier ter plaatse geweest,
schoone Paula. Hebt gij geen man hier opgemerkt?"

"Ja," antwoordde zij, terwijl zij hem vijandig en uitdagend aanzag.

"En waar is hij heen gegaan?"

"Als een vluchtende lafaard liep hij dwars door het viridarium, en
om haastiger weg te komen zelfs over de fraaie graszoden, en verdween
daarginds in de woonvertrekken."

Orion beet zich bij deze woorden op de lippen en voelde een bitteren
haat bij zich opkomen tegen dit raadsel in vrouwengestalte, in welks
hand het scheen te liggen hem te vernietigen, welks oogen vlamden van
nijd en den wil verrieden om hem te wonden. Wat voerde zij tegen hem in
het schild? Hoe kon een mensch op aarde het wagen hem, die door groot
en klein verwend was, zóo aan te zien? Want in hare blikken lag niet
enkel weerzin, maar zelfs verachting. Wie ter wereld had het recht hem
iets te verwijten, dat grond kon geven tot zulk een gevoel? Nooit,
neen nooit was hij zoo vijandig bejegend en allerminst van de zijde
van een meisje. Hij zou dat hooghartige, ongevoelige, onrechtvaardige
schepsel, dat hem zulk eene onverdiende vernedering aandeed, nadat
hij getoond had hoe zijn hart voor haar klopte; dat hem, den man die
tallooze malen zijn moed had bewezen, thans dwong het te vreezen--hij
zou het hebben willen verpletteren, en hij moest zich geweld aandoen
om niet te vergeten dat zij eene vrouw was.--Wat had dit alles toch
te beteekenen? Welk een demon dreef hier zijn duivelsch spel? Wat
was er sedert een half uur in hem zoo veranderd, dat zijn geheele
karakter hem als omgekeerd voorkwam, en men hem zóo durfde bejegenen?

Zijne moeder bemerkte dadelijk hoe de gelaatstrekken van haren
lieveling veranderden, toen Paula verzekerde dat een man zich
haastig begeven had naar de woonvertrekken. Zij verklaarde die
woorden op hare wijze en riep ernstig bezorgd: "Een inbreker  is den
Nijlvleugel van het huis binnengedrongen, de kamer misschien waar uw
vader slaapt? Barmhartige God, als hier eens weder een verraderlijk
plan was gesmeed! Spoedig, Sebek, snel! Met gewapenden naar den
rivierkant! Het geheele huis moet van boven tot beneden doorzocht
worden! Misschien pakt ge den booswicht, die het grasperk heeft
vertreden. Ge moet hem--hij mag niet ontkomen!"

De huismeester vloog weg, doch Paula beval den hovenier, die ook
was toegeschoten, met kloppend hart, terwijl hare blikken wederom de
oogen van den jongeling zochten, het voetspoor van den vluchteling,
dat nog merkbaar moest zijn in de natte zoden, met den gevonden schoen
te vergelijken.

Wederom kromp Orion van schrik ineen, en terwijl hij zich naar het
viridarium begaf, zeide hij: "Dat is mijne zaak!" Toch schaamde hij
zich voor zichzelven, en had hij een gevoel alsof hem de keel werd
dichtgeschroefd. Hij beschouwde zich als een betrapten dief, als
een bedrieger, als een ellendig wezen, en begon te begrijpen dat hij
inderdaad niet meer was, die hij geweest was vóor dien noodlottigen
gang naar het tablinum.

Paula zag hem na met een beklemd gemoed. Zou hij zoo diep gezonken
zijn, om zijne bevinding te loochenen en te verklaren, dat de breede
zool van den vrijgelatene paste in het spoor van zijn kleinen
welgebouwden voet? Zij haatte hem, maar zij smeekte toch dat hij
dit ten minste niet doen mocht, en toen hij terugkwam en verlegen
verklaarde, dat hij niet zeker was van zijne zaak, daar de schoen niet
juist in de platgetreden sporen scheen te passen, haalde zij weder
ruimer adem en begaf zij zich met den arts, die juist verschenen was,
naar de gewonde.

Eer vrouw Neforis haar volgde, trok deze Orion tot zich en vroeg hem
bezorgd wat hem toch scheelde, daar hij er zoo bleek en ontdaan uitzag;
waarop hij bedremmeld antwoordde: "Het ongeval van het arme meisje,"
en hij wees daarbij op Mandane, "gaat mij zoo aan het hart."

"Arm, teergevoelig hart! Evenals toen ge nog een knaap waart!" hernam
de moeder om hem te troosten. Zij had tranen in zijne oogen zien
glinsteren, deze golden echter niet het Perzische meisje, maar iets
geheimzinnigs, waarvoor hijzelf geen naam kon vinden, dat hem in deze
ure ontnomen was en waarvan het verlies hem onuitsprekelijk smartte.

Doch het gesprek tusschen moeder en zoon werd weldra afgebroken,
want het eerste onheil van dezen nacht werd terstond door een
ander gevolgd. De trouwe Perzische aanvoerder der karavaan, Rustem,
de bloeiende jonge man met zijne schoone kloeke gestalte, werd als
levenloos in den voorhof gedragen. Een woedende Jacobiet had hem, toen
hij met eenige spottende opmerkingen aan den geloofsstrijd deelnam,
met een stuk hout eene diepe, misschien doodelijke wond toegebracht. De
arts wijdde dadelijk zijne zorgen aan den ongelukkige, en velen uit
de met elkander fluisterende menigte, die zich door nieuwsgierigheid
of uit begeerte om te helpen in het ruime atrium verdrongen, ijlden in
allerlei richtingen, om de bevelen van den heelmeester uit te voeren.

Zoodra hij de wond van den Masdakiet onderzocht had, zeide hij barsch:
"Een Egyptische slag, want hij is van achteren toegebracht.--Wat
doen toch al die lieden hier? Weg, gij allen, die hier niets te maken
hebt!--Allereerst hebben wij twee draagstoelen noodig. Vrouw Neforis
wijze ons twee vertrekken, een voor dat arme lieve schepsel daar,
en een voor dezen flinken knaap, met wien het echter spoedig gedaan
zal zijn, als er geen wonder gebeurt."

"Aan de noordzijde van het viridarium," antwoordde Neforis, "zijn
twee vertrekken ter uwer beschikking."

"Dáar niet!" hernam de arts. "Ik heb vertrekken noodig met frissche,
vrije lucht, vertrekken die op den Nijl uitzien."

"Er zijn ook nog geschikte vertrekken op de verdieping voor de gasten,
waar de nicht van mijn gemaal woont. Meermalen zijn zieken uit de
familie daar verpleegd; maar zulke eenvoudige lieden--verstaat ge?"

"Neen, ik ben doof aan dat oor," zeide de arts.

"Nu ja, ik weet het wel," antwoordde Neforis met een lachje, "maar
die vertrekken zijn werkelijk pas nieuw ingericht voor aanzienlijke
gasten."

"Voornamere dan deze doodelijke zieken zijn er moeielijk te vinden,"
haastte Philippus zich te zeggen. "Zij staan dichter bij Go

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/42935