Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Homo sum: Roman

by Georg Ebers · Dutch · Gutenberg #42861 · 546,478 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Homo sum: Roman
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Homo sum: Roman

Author: Georg Ebers

Translator: Hendrik Cornelis Rogge


        
Release date: June 2, 2013 [eBook #42861]
                Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/42861

Credits: Produced by J.H. Berends, Jeroen Hellingman and the Online
        Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for
        Project Gutenberg.


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HOMO SUM: ROMAN ***

                                HOMO SUM

                         Homo sum, humani nil a me alienum puto.
                              Terentius, Heautontimorumenos, 77.

                                 ROMAN
                                  VAN
                              GEORGE EBERS

                    IN HET NEDERLANDSCH BEWERKT DOOR
                            Dr. H. C. ROGGE



                              VIERDE DRUK
               Naar de elfde Hoogduitsche uitgave herzien

                               AMSTERDAM
                        VAN HOLKEMA & WARENDORF







                              AAN DEN HEER

                          ALMA TADEMA, M. A.,

                 DEN GROOTEN MEESTER IN HET SCHILDEREN
                       VAN VOORSTELLINGEN UIT HET
                            LEVEN DER OUDEN,

                           WIJDT DIT VERHAAL

                        MET VRIENDELIJKEN GROET

                             DE SCHRIJVER.







VOORREDE.


Toen ik bezig was mij voor te bereiden tot het schrijven van eene
geschiedenis van het Sinaïtisch schiereiland, hield ik mij geruimen
tijd onledig met de studie van de eerste christelijke eeuwen. Onder de
massa martyrologische en ascetische geschriften, de geschiedenissen
van heiligen en monniken, die ik voor mijn zeer beperkt doel had te
doorworstelen en te ziften, vond ik, en wel in de Ecclesiae graecae
monumenta van Cotelerius, een verhaal dat, hoe weinig beteekenend ook
op zichzelf, mij zeer eigenaardig en roerend toescheen. Het tooneel
der handeling was de Sinaï en de aan zijn voet gelegen oase Pharan.

Toen ik daarna op mijne reis door Petraeïsch Arabië de holen der
Anachoreten van den Sinaï met eigene oogen zag en met mijn eigen
voeten betrad, kwam dit verhaal mij weder voor den geest, en ik kon
het maar niet vergeten, terwijl ik verder door de woestijn trok.

Het kwam mij voor, dat in het eenvoudig verloop der gebeurtenis zich
een zielkundig probleem voordeed, bijzonder eigenaardig in zijn soort.

Een Anachoreet, ten onrechte in plaats van een ander beschuldigd,
neemt, zonder zich te verdedigen, diens straf, de verbanning,
op zich. Eerst door de bekentenis van den misdadiger wordt zijne
onschuld aan het licht gebracht.

Ik gevoelde mij bijzonder aangetrokken, de zielsaandoeningen te
ontleden, die tot zulk eene apathie, zulk eene vernietiging van
het gevoel konden leiden, en terwijl de denk- en handelswijze der
zonderlinge grotbewoners voor mij steeds grooter aanschouwelijkheid
verkreeg, ontstond voor mijne verbeelding de gestalte van
Paulus. Weldra groepeerden zich om deze figuur een kring van
denkbeelden, en eindelijk inzichten, die mij geen rust lieten,
vóor ik eene poging waagde, om ze in het kleed van een verhaal,
in kunstvorm weer te geven.

De naaste aanleiding tot het uitwerken van dezen stof, die reeds lang
bij mij tot volledige aanschouwelijkheid was gerijpt, in een roman,
werd mij gegeven door het lezen van Koptische monniksgeschiedenissen,
waartoe ik gebracht werd door Abel's Koptische Studiën. Later maakte
het kleine maar degelijke werk van R. Weingarten, over den oorsprong
van het monnikwezen, een diepen indruk op mij, die mij ook thans,
bij de studie der eerste eeuwen van het christendom, met name in
Egypte is bijgebleven.

Het is hier de plaats niet om de punten te doen uitkomen, waarin ik
van Weingarten meen te moeten afwijken. Mijn scherpzinnige collega
uit Breslau verwerpt veel, dat geen recht van bestaan heeft, maar
op vele plaatsen van zijn boek schijnt hij mij met een al te ruwen
bezem te vegen.

Het zou mij even gemakkelijk zijn geweest, mijn verhaal van het
dertigste naar het veertigste jaar van de vierde eeuw te verplaatsen;
maar ik heb dit gelaten, omdat ik met zekerheid meen te kunnen
aanwijzen, dat er in het door mij gekozen tijdperk niet slechts
heidensche kluizenaars in de Serapis-tempels, maar ook christelijke
Anachoreten waren. Hierin ben ik het geheel met Weingarten eens,
dat het begin van een georganiseerd christelijk monnikenwezen in elk
geval niet voor het jaar 350 gesteld kan worden.

Mijn Paulus mag niet met den eersten heremiet Paulus van Thebe
verwisseld worden, wiens naam Weingarten terecht op de lijst van
historische personen heeft doorgehaald. Hij is, evenals elke andere
figuur in dit verhaal, een persoon van mijne eigene vinding, de drager
van een idee, niets meer en niets minder.--Voor mijn held heb ik geen
bepaald voorbeeld gekozen, en ik onderstel alleen de mogelijkheid,
dat er in zijn tijd zulk een man bestond. Allerminst heb ik gedacht aan
den heiligen Antonius, die nu ook zijn uitstekenden levensbeschrijver
Athanasius heeft moeten verliezen, en die ons geteekend wordt als een
man met een zeer gezond verstand, maar van zoo gebrekkige ontwikkeling,
dat hij enkel het Egyptisch verstond.

De dogmatische geschillen, die reeds in den tijd van dit verhaal
ontbrand waren, zijn met opzet onvermeld gebleven. In later tijd hebben
de Sinaïeten en de bewoners van de oase er levendig aan deel genomen.

De Sinaï, waar ik den lezer heenvoer, mag niet verwisseld worden met
den berg, die een groote dagreis zuidelijker gelegen is. Deze berg,
aan welks voet het beroemde "klooster der opstanding" ligt, draagt
in ieder geval sedert Justinianus dien naam, en wordt algemeen voor
den Sinaï van den bijbel gehouden. In de beschrijving van mijne
reis door Petraeïsch Arabië [1] heb ik getracht de door Lepsius op
wetenschappelijke gronden uitgesproken zienswijze, dat namelijk de
reusachtige berg, die thans Serbal wordt genoemd, en niet de Sinaï
der monniken, voor den berg der wetgeving gehouden moet worden en
ook in den tijd vóor Justinianus daarvoor gehouden is, door nieuwe
bewijzen te staven.

Wat aangaat het steenen huis van den Senator Petrus, met zijne vensters
aan de straatzijde, iets wat geheel in strijd is met de Oostersche
zeden, moet ik, om gegronde twijfelingen te voorkomen, doen opmerken,
dat nog heden ten dage in de oase Pharan, de bijzonder goed onderhouden
buitenmuren van een tamelijk groot aantal van dergelijke gebouwen
aanwezig zijn.

Maar aan zulke uitwendige dingen ruim ik in dit psychologisch tafereel
slechts eene ondergeschikte plaats in. Terwijl in mijne vroegere
romans de geleerde wel gedwongen was aan den dichter en de dichter
wederom aan den geleerde iets toe te geven, heb ik in dit verhaal,
enkel en alleen aan eene idee, die mijne ziel vervulde, een afgeronden
kunstvorm willen geven, zonder rechts of links te zien, zonder te
willen onderrichten, of de resultaten mijner studiën in gestalten
van vleesch en been te willen omzetten. De eenvoudige figuren, wier
innerlijk wezen ik aan mijne lezers tracht bloot te leggen, vullen
de ruimte van de schilderij, terwijl de stroom der wereldgeschiedenis
zich op den donkeren achtergrond beweegt.

Ik heb den Latijnschen titel gekozen, gedachtig aan een dikwijls
gebruikte spreuk, waarin eene opvatting ligt opgesloten, waartoe ik
gekomen ben door het denken en zijn aller menschen opmerkzaam gade
te slaan, ook van hen die meenen reeds hoogere sporten beklommen te
hebben van den ladder die ten hemel leidt.

In den Heautontimorumenos van Terentius (Act. I, sc. I vs. 77)
antwoordt Chremes zijn buurman Menedemus: "Homo sum, humani nil a me
alienum puto"; hetgeen woordelijk vertaald zeggen wil: "Ik ben mensch,
ik acht niets menschelijks mij vreemd."

Doch reeds Cicero en Seneca gebruiken dezen dichtregel als spreekwoord,
en wel in een zin, die veel verder reikt dan die daarin, volgens den
samenhang van de plaats waar zij voorkomt, schijnt te liggen. Mij
bij hen aansluitende, vertaal ik, doelende op den titel van dit boek:

"Ik ben een mensch, en meen dat ik overal mensch ben."


    GEORGE EBERS.
    Leipzig, den 11den November 1877.







EERSTE HOOFDSTUK.


Rotsen, aan alle zijden niets dan naakte, harde, roodbruine
rotsen; geen struik, geen grasscheutje, zelfs geen zich vastklemmend
mosplantje, dat de natuur soms op de steenvlakte van het hoog gebergte
heeft doen wassen, als ware een ademtocht van hare scheppende
levenskracht over den onvruchtbaren bodem gegaan. Niets dan kaal
graniet, en daarboven een hemel zoo arm aan wolken, als de rotsblokken
aan planten en halmen.

Toch leven er menschen in gindsche holte van den bergwand. Twee kleine
grijze vogels zweven in de reine, fijne, door de middagzon verhitte
woestijnlucht, en verdwijnen achter eene rij klippen, die eene diepe
kloof begrenzen, als een muur door menschenhanden opgetrokken.

Dáar is het uit te houden, want een bron bevochtigd den steenachtigen
bodem, en gelijk overal waar het water de woestijn besproeit, zoo
bloeien er ook welriekende kruiden en groeien er vriendelijke struiken.

Toen Osiris,--zoo verhaalt ons de mythe der Egyptenaren,--de
godin der woestijn omarmde, liet hij zijn groenen krans op hare
legerstede achter. Doch in den tijd en in de kringen, waarin onze
geschiedenis speelt, kent men de oude sage niet meer, of wil ze
niet meer kennen. Wij verplaatsen onze lezers in het begin van het
dertigste jaar van de vierde eeuw onzer jaartelling, en wel op het
Sinaïtisch gebergte, op welks geheiligden bodem sedert eenige jaren
enkele Anachoreten, die der wereld zijn afgestorven en zich geheel
aan boete willen wijden, nog zonder orde of regel samenwonen.

Naast de bron in de dalkloof, waarvan wij spraken, groeit
een veelgetakte waaierpalm, maar hij beschut haar niet voor de
zonnestralen, die op deze breedte loodrecht nederdalen. Hij schijnt
alleen zijne eigene wortels te beschaduwen. Toch zijn de gevederde
takken veerkrachtig genoeg om een blauwgazen doek te dragen, dat als
een zonnescherm het aangezicht van een meisje overdekt. Zij ligt
lang uitgestrekt op den verhitten steenbodem en droomt, terwijl
eenige geelachtige klipgeiten, naar voeder zoekende, zoo vroolijk
van den eenen steen op den anderen klimmen en springen, alsof hun
de middaghitte recht welkom was. Het meisje grijpt van tijd tot tijd
naar een herdersstaf, die naast haar ligt, en lokt de geiten met een
fluitend geluid, dat ver in het rond kan worden gehoord. Een jong
geitje nadert haar huppelend. Weinige dieren zijn in staat hunne
opgeruimdheid uit te drukken, maar deze kleine dieren kunnen het.

Ziet, daar strekt het meisje den naakten slanken voet uit, en stoot
er het lustig met haar spelende geitje vol dartelen luim mede terug,
en altijd weder terug, wanneer het opnieuw komt aanhuppelen. Het
herderinnetje buigt daarbij de teenen zoo sierlijk, als noodigde zij
een toeschouwer uit hunne fijnheid te bewonderen.

Het sikje springt wederom toe, ditmaal met den kop voorover
gebogen. Zijn voorhoofd raakt haar voetzool, maar als het zijn kromme
neusje zachtkens wrijft aan den voet van het herderinnetje, stoot
zij het beestje zoo hevig terug, dat het ineen krimpt en onder luid
geblaat het spel opgeeft.

Het scheen als had het meisje het rechte oogenblik afgewacht, om
het dier gevoelig te treffen, want zij had het met kracht, zelfs
met zekere boosheid dien stoot gegeven. Het blauwe doek hield de
gelaatstrekken der herderin verborgen, doch zeker hadden hare oogen
gefonkeld, toen zij zoo opeens aan dit spel een einde maakte.

Gedurende eenige minuten bleef zij nu roerloos liggen, maar de doek,
die op baar gezicht neerhing, golfde zachtkens heen en weer, bewogen
door hare snelle ademhaling. Zij luisterde met groote inspanning,
met hartstochtelijk ongeduld; dat kon men ook bespeuren aan de wijze,
waarop zij krampachtig hare teenen samentrok.

Daar liet zich eenig gedruisch hooren. Het kwam uit de richting van
de ruwe, uit onbehouwen steenblokken gevormde trappen, die van den
steilen wand naar de bron beneden leidden.

Eene huivering voer door de teedere, nog maar half ontwikkelde
leden der herderin; doch zij verroerde zich niet. De grijze vogels,
die naast haar op den doornstruik zaten, vlogen op, doch zij hadden
slechts eenig geluid vernomen, en konden niet onderscheiden wie het
had voortgebracht.

Het oor der herderin was scherper dan dat der vogels. Zij hoorde dat
iemand haar naderde, en wist dat er maar een was, wiens voetstap dit
zijn kon.

Zij strekte de hand uit naar een steen die naast haar lag, en wierp
dien in de bron, waardoor het water dadelijk troebel werd. Daarop
ging zij op de zijde liggen, met het hoofd rustende op den arm, alsof
zij sliep. Duidelijker, steeds duidelijker lieten zich krachtige
voetstappen hooren.

Hij die de trappen afkwam was een jongeling, lang van gestalte. Naar
zijne kleeding te oordeelen behoorde hij tot de Anachoreten van
den Sinaï, want hij droeg niets dan een hemd-rok van grof linnen,
waaraan hij ontgroeid scheen te zijn, en ruwe lederen voetzolen,
die om zijne voeten vastgesnoerd waren met banden van palmbast.

Zoo armelijk als deze er uitzag zou geen heer zijn slaaf kleeden,
en toch zou niemand hem voor een onvrije hebben gehouden, want met
opgerichten hoofde schreed hij voort, zich blijkbaar bewust van zijne
beteekenis. Hij kon niet veel ouder zijn dan twintig jaren; zulk een
leeftijd verried althans het zachte pas te voorschijn komende haar
op zijn bovenlip, om zijn kin en op zijne wangen. In zijne groote
blauwe oogen las men echter niet de frischheid der jeugd, maar zekere
onvoldaanheid. Hij hield zijne lippen als uit trots stijf op elkaar
gedrukt.

Thans bleef hij staan en streek zich de ongeordende bruine lokken,
die in dichte massa, als de manen van een leeuw, zijn hoofd omgaven,
uit het gezicht. Vervolgens naderde hij de bron. Zoodra hij bukte,
met de groote gedroogde schaal van een pompoen in de hand, om water
te scheppen, bemerkte hij eerst dat de bron troebel was; toen zag
hij de geiten en eindelijk ook de sluimerende herderin.

Mismoedig zette hij de schaal voor zich op den grond, en riep daarop
het meisje met luider stem. Zij verroerde zich echter niet voordat hij
haar met zijn voet vrij onzacht aanstiet. Toen rees zij plotseling
op, als had haar een adder gestoken. In haar jeugdig, door de zon
gebruind gelaat vlamden twee oogen, zwart als de nacht, die op den
jonkman waren gericht. De sierlijke vleugels van haar scherp gebogen
neus bewogen zich snel, en hare sneeuwwitte tanden schitterden,
terwijl zij hem toeriep: "Ben ik dan een hond, dat gij mij zóo wekt?"

Hij kreeg een kleur, wees onwillig op de bron en zeide norsch: "Uw
vee heeft het water als altijd troebel gemaakt. Ik zal hier moeten
wachten tot het weer helder wordt en ik er uit scheppen kan."

"De dag is lang," gaf de herderin ten antwoord, en rolde, terwijl
zij opstond, als geschiedde het bij ongeluk, een nieuwen steen in
het water.

De zegevierende blik, waarmede zij in den bron had neergezien, was den
jongeling niet ontgaan en toornig hernam hij: "Hij heeft gelijk! Gij
zijt eene vergiftige slang, een demon der hel."

Lachend keerde zij zich tot hem, en zette een gezicht, alsof zij
wilde toonen, dat zij werkelijk een schrikkelijk monster was; en
dit viel haar gemakkelijk bij het buitengewoon scherpe van hare licht
bewegelijke, jeugdige trekken. Zij bereikte dan ook volkomen haar doel,
want onder allerlei teekenen van ontzetting week hij terug, strekte de
armen uit als wilde hij haar van zich weren, riep den naam van God aan,
en zeide heftig, toen hij haar zag lachen, steeds uitgelatener lachen;
"Terug, demon, terug! In den naam des Heeren vraag ik u, wie zijt gij?"

"Mirjam ben ik, wie anders?" antwoordde zij overmoedig.

Hij had een ander antwoord verwacht. Hare dartelheid verdroot hem, en
met weerzin zeide hij: "Hoe gij dan ook heet, gij zijt een monster,
en ik zal Paulus verzoeken u te verbieden, uw vee te drenken uit
onze bron."

"Wat mij betreft mocht gij naar uw voedster loopen en mij bij haar
aanklagen, als ge er eene hadt," hernam zij, terwijl zij verachtelijk
de lippen optrok.

Het bloed steeg hem naar het hoofd, doch zij ging onbevreesd en met
levendig gebarenspel voort: "Gij behoordet een man te zijn want gij
zijt sterk en groot, maar gij laat u als een kind of als een hulpeloos
meisje leiden. Uw dagelijksche bezigheid is wortels en bessen te
zoeken, en met dat armzalige ding water te scheppen. Dat heb ik
geleerd, toen ik zóo klein was." Bij deze laatste woorden duidde zij
met de lang uitgestrekte spitse vingers harer beide handen, die niet
minder bewegelijk waren dan hare gelaatstrekken, eene bespottelijke
kleine maat aan. "Schaam u toch! Gij zijt sterker en schooner gebouwd,
dan al die Amalekieten-knapen daar beneden, doch beproef het eens u
met hen te meten in het pijlschieten of in het werpen met de lans!"

"Kon ik maar doen wat ik wilde," zeide hij, haar in de rede vallende,
terwijl hij rood werd tot over de ooren. "Ik zou wel tien van die
schrale wichten kunnen staan!"

"Dat wil ik gaarne gelooven," hernam het meisje, en met haar levendig
oog monsterde zij vol fierheid de breede borst en de sterk gespierde
armen van den jongeling. "Dat geloof ik wel; maar waarom durft gij
niet? Zijt gij de slaaf van dien man daarboven?"

"Hij is mijn vader, en dan...."

"Wat dan!" riep zij, met de hand zwaaiende, als wilde zij een
vleermuis verjagen. "Het zou een mooi gewemel worden in het nest,
als geen vogel wilde uitvliegen! Zie mijne jonge geiten daar: zoolang
zij de moeder noodig hebben loopen zij haar achterna, maar zoodra
zij zelve hun voedsel kunnen opsporen, zoeken zij 't waar zij het
vinden kunnen. Die eenjarige ginds, dat verzeker ik u, weet niet
eens meer of zij door de gele of door de zwarte gezoogd is.--En wat
voortreffelijks doet uw vader dan voor u?"

"Zwijg!" viel de jongeling haar in de rede, met kennelijken onwil. "Er
spreekt een booze geest uit u. Ga weg van mij, want ik mag niet
aanhooren, wat ik niet zou durven uitspreken."

"Durven, durven, durven," brauwde zij hem na. "Wat durft gij dan? Gij
durft niet eens luisteren."

"Allerminst naar de dingen, die gij zegt, gij duivelin!" riep hij op
heftigen toon. "Ik haat je stem, en als ik je weder bij de bron vind,
zal ik je met steenen wegjagen."

Zij staarde hem zwijgend aan, terwijl hij deze woorden sprak. Hare
lippen waren doodsbleek geworden en hare kleine handen balden zich tot
vuisten. Hij wilde haar voorbijgaan om water te scheppen, maar zij trad
hem in den weg en hield hem staande met den strakken blik harer oogen.

Eene kille huivering voer hem door de leden toen zij met bevende
lippen en eene doffe stem vroeg: "Wat heb ik u gedaan?"

"Laat mij met rust," sprak hij, en hief zijne hand op om haar van
het water weg te dringen.

"Gij zult mij niet aanraken," riep zij buiten zichzelve van toorn. "Wat
heb ik u toch gedaan?"

"Gij weet niets van God," antwoordde hij, "en wie God niet toebehoort
is des duivels."

"Dat zegt gij niet uit uw zelf," hernam zij, en wederom klonk er iets
spottends in haar stem. "Wat zij u laten gelooven, dat brengt uw tong
in beweging, evenals de hand het koord van een ledepop. Wie heeft u
gezegd, dat ik des duivels ben?"

"Waarom zou ik het voor u verbergen?" antwoordde hij trotsch. "De
vrome Paulus heeft mij voor u gewaarschuwd, en ik mag er hem dankbaar
voor zijn. Uit uw oog, zeide hij, blikt de booze. En hij heeft gelijk,
duizendmaal gelijk. Als gij mij aanziet is het mij, als moet ik alles
met voeten treden wat mij heilig is. In den afgeloopen nacht heb ik
gedroomd, dat ik met u rondzweefde in luchtigen dans..."

Bij deze woorden verdwenen ernst en boosheid uit Mirjam's oogen. Zij
klapte in de handen en riep: "Ware het maar werkelijkheid geweest
en geen droom! Schrik nu niet weder, gij gek! Weet ge wat het is,
als de snaren klinken bij de tonen der fluiten, en de voeten zich in
de maat opheffen, als hadden ze vleugels?"

"De vleugels van den Satan," hernam Hermas op strengen toon. "Gij
zijt eene duivelin, eene verstokte heidin!"

"Zoo zegt de vrome Paulus," sprak Mirjam lachende.

"Ook ik zeg dat!" zeide de jongeling. "Wie heeft u ooit in de
vergadering der vromen gezien? Bidt gij? Dankt gij den Heer en
Heiland?"

"Waarom zal ik toch danken?" vroeg Mirjam. "Daarvoor misschien,
dat de vroomste onder u mij voor een boozen geest uitmaakt?"

"Juist omdat gij eene zondares zijt, onthoudt de hemel u het goede."

"Neen, neen, duizendmaal neen!" riep Mirjam uit. "Geen godheid heeft
zich ooit om mij bekommerd. Ben ik niet goed, hoe zou ik het kunnen
zijn, daar mij nooit anders dan het kwade ten deel viel. Weet gij
wie ik ben, en hoe ik zoo werd? Was ik misschien reeds slecht, toen
zij op den pelgrimstocht hierheen mijne beide ouders doodsloegen? Ik
was toen nog slechts zes jaren oud, en wat beteekent een kind van
dien leeftijd! Maar ik herinner mij nog zeer goed, dat bij ons huis
vele kameelen weidden, en ook paarden, die ons toebehoorden, en dat
een groot edelgesteente schitterde aan de hand--zeker wel die mijner
moeder,--die mij zoo vaak streelde. Ik bezat ook eene zwarte slavin,
die mij gehoorzaamde. Als zij niet wilde gelijk ik, dan ging ik aan
hare grijzende wollige haren hangen, en mocht haar zelfs slaan. Wie
weet wat er van haar geworden is? Toen had ik haar niet lief, maar als
zij nu bij mij was, hoe goed zou ik voor haar zijn! Nu eet ik zelve
sedert twaalf jaar het brood der slavernij en hoed de schapen van den
senator Petrus. Waag ik het op het feestterrein mij bij de overige
meisjes te voegen, dan jagen ze mij weg en rukken mij de krans uit
het haar.--En ik zou dankbaar zijn! Waarvoor dan? En vroom! Welke God
heeft dan voor mij gezorgd? Noem mij een booze demon, noem mij vrij
aldus, doch wanneer Petrus en uw Paulus zeggen, dat Hij daarboven,
die mij tot zulk een lot liet opgroeien, goed is, dan liegen zij. God
is boos, en het komt geheel met zijn karakter overeen, wanneer hij
u in het hart geeft mij met steenworpen van de bron te verjagen."

Bij deze woorden barstte zij in een smartelijk snikken uit, en op
haar gelaat vertoonden zich allerlei hevige zenuwtrekkingen.

Hermas gevoelde medelijden met de weenende Mirjam. Honderdmaal had
hij haar ontmoet, en altijd had zij zich hetzij overmoedig, hetzij
ontevreden betoond. Nu eens was zij hem uitdagend, dan weder toornig
tegengetreden, maar nooit had hij haar week of bedroefd gezien.

Heden ontsloot zij voor het eerst haar hart voor hem, en de tranen,
die nu haar gelaat zoo veranderden, gaven haar persoon voor hem eene
waarde, die zij tot hiertoe niet bezeten had. Hermas gevoelde thans dat
zij eene vrouw was, en terwijl hij hare zwakheid zag en hoe zij onder
leed gebogen ging, schaamde hij zich over zijne hardheid, naderde hij
haar vriendelijk en sprak: "Gij behoeft niet te weenen. Kom altijd
maar weder aan de bron, ik zal u niet weren."

Zijn zware stem klonk zacht en vriendelijk bij het uitspreken
dezer woorden; zij begon echter nog heviger, bijna krampachtig te
snikken. Zij wilde maar kon niet spreken. De slanke herderin stond
daar voor hem, bevende over al hare teedere leden, diep geschokt,
als wegsmeltende in hare tranen, en het was of eene inwendige stem
hem zeide, dat hij haar helpen moest.

Tot in het diepst zijner ziel gevoelde hij medelijden, en zijne niet
zeer buigzame tong was als verstijfd. Toen hij geenerlei troostwoorden
kon vinden, nam hij de waterkruik in de linkerhand, waardoor de
rechter vrij werd, die hij vriendelijk op haar schouder legde.

Zij kromp ineen, maar verroerde zich niet.

De warme adem van haar mond gleed over hem heen. Hij wilde zich
terugtrekken, maar gevoelde zich als vastgekluisterd. Nauwelijks wist
hij of zij weende of lachte, terwijl hij zijne hand op hare zwarte
lokken liet rusten.

Zij verroerde zich niet. Ten laatste hief zij het hoofd op. Hare vurige
oogen ontmoetten de zijne, en op hetzelfde oogenblik gevoelde hij,
hoe twee teedere armen zijn hals omsloten.

Toen was het hem als vernamen zijne ooren de branding der zee,
als flikkerden vlammen op voor zijn blik. Naamlooze angst greep hem
aan. Met geweld scheurde hij zich van haar los, en vloog onder een
luiden gil, alsof de geesten der hel hem vervolgden, naar den trap
die tot de bron leidde. Hij gaf er zelfs geen acht op, dat hij zijn
kruik tegen den rotswand in duizende stukken verpletterde.

Zij bleef als aan den grond genageld staan en keek hem na. Daarop
sloeg zij zich met de kleine hand voor het voorhoofd, wierp zich
weder bij de bron neer en staarde in de ruimte.

Roerloos lag zij daar; haar mond bleef gestadig in beweging. Eerst
toen de schaduwen der waaierpalmen langer werden sprong zij overeind,
lokte de geiten en richtte scherp luisterend den blik naar den trap,
waarlangs hij verdwenen was.

In de nabijheid van den keerkring is de schemering kort, en zij wist
dat zij op den steenachtigen weg naar het dal, die zoo rijk was aan
kloven, door de duisternis zou kunnen overvallen worden, wanneer zij
langer toefde.

Zij was ook bang voor de schrikbeelden van den nacht, voor geesten en
demonen en ontelbare gevaren, van welker aard zij zich geen rekenschap
kon geven. Doch zij week niet van de plek en hield niet op te luisteren
en naar zijn terugkomst uit te zien, tot dat de zon achter den heiligen
berg was verdwenen en de gloed in het westen verbleekte.

Rondom haar was alles doodelijk stil; zij kon hare eigene ademhaling
hooren. Huiverend kromp zij ineen, bij het gevoel van de kilheid
der nacht.

Daar hoorde zij boven haar hoofd een luid gerucht. Een troep
steenbokken, die gewoon waren op dit uur hun dorst te lesschen,
kwam nader en nader, maar week terug bij het bespeuren van eene
menschelijke gedaante. De aanvoerder van de kudde alleen was aan den
rand van de kloof blijven staan, en zij wist dat deze wachtte tot
zij zou opgebroken zijn, om de overigen voor te gaan naar de bron.

Reeds hief zij, eene vriendelijke opwelling van haar hart volgende,
den voet op, om voor de dieren plaats te maken. Doch opeens herinnerde
zij zich de bedreiging van Hermas, dat hij haar van de bron verjagen
zou, en onwillekeurig nam zij een steen op, waarmede zij naar den bok
wierp, die van schrik ijlings wegsprong, gevolgd door de geheele kudde.

Mirjam hoorde ze vluchten, en dreef nu met gebogen hoofd de kudde
in de duisternis huiswaarts, terwijl zij met hare voeten al tastende
den weg zocht.







TWEEDE HOOFDSTUK.


Hoog boven de kloof met de bron lag eene effene rotsvlakte van niet
zeer grooten omvang, aan de achterzijde begrensd door een veelvuldig
gespleten wand van kaal roodbruin porfier. Door den voet liep, als een
groene band, een diorietader, zoo hard als staal, en daaronder zag
men de opening van eene kleine ronde holte, die de scheppende hand
der natuur hier zelve had aangebracht. Vroeger hadden wilde dieren,
panters en wolven hier hun verblijf gehouden, thans diende zij tot
woning voor den jongen Hermas en zijn vader.

Er bevonden zich in den heiligen berg vele dergelijke holen, en de
grootste waren door Anachoreten in beslag genomen. Die van Stephanus
was bijzonder hooggewelfd en diep; toch was er maar eene smalle ruimte
over tusschen de legersteden van gedroogde bergkruiden, waarop hier
de vader, dáar de zoon sliep.

Het middernachtelijk uur was reeds lang voorbij, maar noch de jonge
noch de oude grotbewoner scheen te slapen. Hermas zuchtte luide, en
wierp zich onrustig van de eene zijde op de andere, zonder acht te
geven op den ouden man, die zwak en door smarten gekweld, den slaap
niet ontberen kon, terwijl Stephanus zich de verademing ontzegde
van zich om te wenden of te steunen, toen hij meende te bemerken,
dat zijn krachtige zoon rust gevonden had.

Wat mocht toch den knaap, die anders zoo vast sliep en moeilijk te
wekken was, wel de rust benemen?

"Hoe komt het," dacht Stephanus, "dat de krachtige jeugd zoo zwaar
en lang slaapt, de ouderdom, die behoefte heeft aan rust, ja ook
de kranke, zoo licht en zoo weinig? Moet het waken hun levenstijd,
waarvan zij het einde vreezen, verlengen? Waarom is men toch zoo
kinderachtig gehecht aan dit jammerlijk bestaan, en zou men zich
uit de voeten willen maken en verbergen als de engel ons roept en
de gouden deuren zich voor ons openen? Wij zijn niet ongelijk aan
Saul, den Hebreër, die zich schuil hield, toen men naderde om hem
te kronen.--Hoe smartelijk brandt mijn wond! Had ik maar een teug
water! Als het den armen jongen niet zooveel moeite had gekost den
slaap te vatten, zou ik hem om den kruik vragen."

Stephanus boog zich over naar zijn zoon en luisterde, doch hij wekte
hem niet, toen hij zijne zware regelmatige ademhaling hoorde. Huiverend
trok hij zijne leden samen onder de schapenvacht, die slechts
halverwege zijn lichaam bedekte, want door de opening van de spelonk,
waarin het overdag gloeiend heet was, drong nu eene ijzige nachtlucht.

Zoo verliep er geruimen tijd. Eindelijk meende hij op te merken,
dat Hermas zich oprichtte.

Ja, de slaperige jonkman moest wel ontwaakt zijn, want hij begon te
spreken en Gods naam aan te roepen.

Nu wendde de oude man zich tot zijn zoon en waagde het zacht te vragen:
"Hoort ge mij, kind?"

"Ik kan niet slapen," antwoordde de jonkman.

"Geef mij dan wat drinken," vroeg Stephanus; "mijne wond brandt zoo
ondragelijk."

Hermas stond dadelijk op en stak den lijder de waterkruik toe.

"Dank, dank, mijn kind," sprak de oude, en greep terstond naar de
hals van de kruik. Maar dezen kon hij niet vinden en verwonderd
zeide hij: "Wat is dit vochtig en koud. Dat is leem, en onze kruik
was een pompoen."

"Ik heb haar gebroken," antwoordde Hermas, en "Paulus leende mij
de zijne."

"Zoo, zoo," prevelde Stephanus. Na gulzig gedronken te hebben, gaf
hij de kruik aan zijn zoon terug en wachtte tot deze zich weder op
zijn leger had neergevlijd. Toen drong de bezorgdheid hem te zeggen:
"Gij zijt heden avond lang uitgebleven, de kruik is gebroken, en gij
hebt in uw slaap telkens gedroomd. Wat hebt gij toch ontmoet?"

"Een demon der hel," antwoordde Hermas. "En thans vervolgt mij dit
gedrocht in onze grot en jaagt mij onder allerlei gedaanten schrik
aan."

"Verban het dan en bid," sprak de oude man ernstig. "Voor den naam
van God vlieden alle onreine geesten."

"Ik heb hem aangeroepen," zeide Hermas met een zucht, "doch te
vergeefs. Ik zie vrouwen met roode lippen en vliegende haren,
en witmarmeren beelden met ronde leden en gloeiende oogen, die mij
altijd en altijd weder wenken."

"Neem dan den geesel ter hand," beval de vader, "en zie of ge u
daarmee rust kunt bezorgen."

Dit bevel gehoorzamende stond Hermas andermaal op en ging met den
geesel naar buiten. De beperkte ruimte van de grot belette hem
daarbinnen dit werktuig met krachtigen arm te zwaaien.

Weldra hoorde Stephanus in de stilte der nacht het snorrend geluid
der lederen riemen, de slagen op de veerkrachtige menschelijke spieren
en het smartelijk steunen van zijn zoon. De oude man kromp samen bij
elke striem, als had deze hemzelven getroffen. Eindelijk riep hij,
zoo luid hij kon: "Genoeg, thans is het genoeg!"

Hermas keerde in de grot terug. Zijn vader riep hem aan zijne
legerstede en noodigde hem uit met hem gemeenschappelijk te bidden.

Toen het Amen was uitgesproken, streek hij met de hand over de dichte
haren van zijn zoon en zeide: "Sedert gij in Alexandrië waart, zijt
gij veel veranderd. Ik wenschte, dat ik den bisschop Agapitus geen
gehoor gegeven en u de reis verboden had! Weldra zal mijn Heiland mij
roepen, dat weet ik, en niemand zal hier voor u zorgen. Dan zal de
verzoeker komen, en al die heerlijkheden van de groote stad, die toch
maar lichten als rottend hout, als slangen die een weerschijn geven,
als giftige purperbeziën...."

"Ik verlang ze niet," viel Hermas hem in de reden. "Die woelige stad
bracht mij in verwarring, maakte mij beangst. Nooit, neen nooit zal
ik haar weer betreden."

"Zoo spreekt gij altijd," gaf Stephanus ten antwoord, "en toch zijt
gij sedert de reis veranderd. Vroeger dacht ik zoo dikwijls, als ik u
hoorde lachen: die klank zal den Hemelschen Vader welgevallig zijn. En
thans?--Gij waart den zangvogel gelijk, en nu loopt gij zwijgend
daarheen; somber en mistroostig is uw blik en booze gedachten weren
den slaap van uwe sponde."

"Dat is mijn lijden," antwoordde Hermas. "Wat ik u bidden mag, laat
mijne hand los. De nacht is weldra voorbij, en gedurende den geheelen
langen dag hebt gij tijd mij lessen te geven."

Stephanus zuchtte, en Hermas zocht zijn leger weder op. Zij konden
beiden den slaap niet vatten, en de een wist van den ander, dat hij
waakte. Zij hadden elkander gaarne toegesproken, maar ontevredenheid
en trots sloten de lippen van den zoon, en de vader zweeg omdat hij
maar altijd de juiste woorden niet vinden kon, waarnaar hij zocht,
woorden die doordringen tot het hart.

Eindelijk brak de morgen aan. Eene lichte schemering drong door de
opening naar binnen en het werd langzamerhand helderder in de sombere
ruimte van de spelonk. De jongeling ontwaakte en stond geeuwend op.

Toen hij zijn vader zag liggen met geopende oogen, vroeg hij
onverschillig: "Zal ik hier blijven of naar den morgendienst gaan?"

"Laat ons samen bidden," verzocht Stephanus. "Wie weet hoe kort ons
dit nog maar vergund is. De dag is voor mij niet verre meer, waarop
geen avond zal volgen. Kniel hier neder en laat mij het beeld van
den gekruisigden kussen."

Hermas deed overeenkomstig het verlangen zijns vaders, en toen beiden
hun lofzang ten einde hadden gebracht, sprak een derde stem mede het
Amen uit.

"Paulus!" riep de oude. "De Heiland zij geloofd! Onderzoek mijne wonden
toch eens. De pijlpunt tracht een uitweg te vinden en veroorzaakt
mij onlijdelijke smart."

De zoo even aangekomen Anachoreet, die als eenige kleeding een
soort van hemd van bruine ongevolde stof en een schapenvacht droeg,
onderzocht de wond zorgvuldig, legde er kruiden op en prevelde daarbij
eenige vrome spreuken.

"Nu is het veel beter," zeide de oude man met een zucht. "Terwille
uwer goedheid erbarmt de Heer zich mijner."

"Ik goed? Ik, zondig vat!" hernam Paulus met een diepe metaalstem,
terwijl hij zijne bij uitnemendheid vriendelijke blauwe oogen
opsloeg, als wilde hij de verzekering geven, dat men zich zeer in
hem vergiste. Daarop streek hij met de hand het grijsachtig haar, dat
ongeordend en in groote lokken over zijn hals en zijn gelaat hing, uit
het gezicht en zeide opgewekt: "Een mensch is niet meer dan een mensch,
en velen zijn minder! In de ark was veel vee doch maar éen Noach!"

"In ons scheepje zijt gij de Noach," zeide Stephanus.

"Dan is die groote lummel hier de olifant," hernam Paulus lachende.

"Gij zijt niet kleiner dan hij," antwoordde Stephanus.

"Het is jammer dat deze steenen ark zoo laag van verdieping is,
anders konden wij terstond meten," sprak Paulus. "Ja, als Hermas en
ik zoo vroom en rein waren als wij groot en sterk zijn, dan hadden wij
beiden den sleutel tot het paradijs in handen.--Gij hebt u heden nacht
gegeeseld jonkman; ik hoorde de slagen. Goed zoo! Wanneer het zondige
vleesch zich laat gelden, dan moet men er zich tegen verzetten."

"Hij heeft zwaar gesteund en kon niet slapen," zeide Stephanus.

"Wel, dat zal ik hem afleeren," riep Paulus den jonkman toe, terwijl
hij zijne gespierde armen met gebalde vuisten naar hem uitstrekte. Doch
deze dreigende woorden klonken meer luid dan boos, en hoe wild die
reusachtige man in zijn schaapsvel er ook uitzag, er lag toch zulke
ene onweerstaanbare vriendelijkheid in zijn oogopslag en in zijne stem,
dat niemand gelooven kon, dat hij het met zijn toorn ernstig meende.

"Helsche geesten hebben hem gekweld," zeide Stephanus vergoelijkend,
"en ik zou toch ook zonder zijn steunen geen oog hebben toegedaan. Dit
is nu reeds vijf nachten zoo geweest."

"In den zesden echter," haastte Paulus zich te zeggen, "hebt gij rust
noodig. Sla de schapenvacht om, Hermas. Gij moet beneden in de oase
naar den senator Petrus gaan, en van hem of van zijne vrouw Dorothea,
de diakones, voor onze kranke eene goede slaapdrank halen.--Zie
nu eens aan; de jongen denkt waarachtig nog aan het ontbijt zijns
vaders! Waarlijk, uw eigen maag is een goed raadgever. Steek nu dat
brood bij u, en zet het water hier naast het bed neder. Gedurende
uwe afwezigheid zal ik een frisschen dronk halen. Ga nu met mij mede."

"Wacht nog even," riep Stephanus. "Breng eene nieuwe kruik uit de
stad mede, mijn kind. Gij hebt ons gisteren de uwe geleend, Paulus
en ik wil...."

"Ja, dat had ik haast vergeten," viel deze hem in de rede. "Ik ben dien
onvoorzichtigen jongen dank schuldig, want nu weet ik eerst hoe men
drinken moet, zoolang men gezond is. Voor geen last goud wil ik mijne
kruik terug hebben. Het water smaakt alleen, wanneer men uit de holle
hand drinkt. De pot behoort u toe. Ik zou mijzelven een zeer slechten
dienst bewijzen, als ik dien terug wilde vorderen. Goddank, thans
kan zelfs de slimste dief mij niets ontstelen, behalve mijn vacht."

Stephanus wilde hem bedanken, maar hij greep Hermas bij de hand en
trok hem mede naar buiten.



Beide mannen liepen een tijdlang zwijgend bergopwaarts over klippen
en rotsblokken heen.

Paulus bleef eindelijk stilstaan op eene rotsvlakte, gelegen aan den
weg die van de zee over den berg naar de oase leidde. Hij richtte
zich tot den jongeling en zeide: "Als wij altijd de gevolgen van onze
handelingen konden voorzien, dan zou er geene zonde zijn."

Hermas zag hem vragend aan; Paulus ging echter voort: "Indien gij
bedacht had, hoezeer uw arme vader slaap noodig heeft, zoudt gij
heden nacht doodstil hebben gelegen."

"Ik kon niet," gaf de jonkman knorrig op deze berisping ten
antwoord. "Gij weet toch hoe onzacht ik mij gegeeseld heb."

"Daaraan hebt gij goed gedaan, want als een stoute jongen hebt gij
slagen verdiend!"

Hermas zag den berispenden vriend vragend aan. Schaamrood bedekte zijne
wangen, want hij herinnerde zich het woord der herderin, dat hij haar
bij zijne voedster mocht aanklagen. Daarom antwoordde hij op onwilligen
toon. "Zóo wil ik u niet langer te woord staan; ik ben geen kind meer?"

"Ook niet het kinds uws vaders?" vroeg Paulus, en zag hem daarbij
zoo verwonderd en vragend aan, dat Hermas verlegen de oogen neersloeg.

"Het is toch niet mooi, wanneer iemand juist hem, die alleen om
zijnentwil verlangt te leven, het weinigje leven dat hem rest
verbittert."

"Gaarne had ik stil gelegen, want ik heb mijn vader lief, zoo goed
als ieder ander."

"Gij slaat hem niet," hernam Paulus. "Gij brengt hem brood en water,
en drinkt den wijn niet alleen op, die de bisschop u voor hem van
het avondmaal mede naar huis geeft. Dit is nu wel iets, maar toch
lang niet genoeg."

"Ik ben geen heilig man!"

"Ik ook niet," zeide Paulus weder. "Ik ben vol zwakheden en zonden;
maar wat de liefde is, die de Heiland ons leerde, weet ik en dat kunt
gij ook weten. Hij werd aan het kruis voor u, voor mij, voor de armen
en tollenaren gefolterd. Liefde is zelfopoffering! En gij? Hoe lang is
het geleden sedert gij uw vader voor de laatste maal, een vriendelijk
gelaat hebt getoond?"

"Ik kan niet huichelen."

"Dat behoeft gij ook niet te doen; maar gij zult liefhebben. Inderdaad,
men bewijst geen liefde met hetgeen de hand doet, maar met hetgeen
het hart blijmoedig geeft, of zich weet te ontzeggen."

"Is het dan geen offer, dat ik hier zoo armzalig mijn jeugd
verslijt?" vroeg de jongeling.

Paulus deed verrast een schrede achterwaarts, schudde bedenkelijk
het ruige hoofd en zeide: "Staat het zóo met u? Denkt gij aan
Alexandrië? Voorzeker, het leven vliegt daar sneller voorbij dan op
onze eenzame bergen. Het bruine herderinnetje moogt ge niet lijden,
maar misschien heeft u daar eene mooie blanke Griekin met roode wangen
in de oogen gezien."

"Spreek mij niet van de vrouwen!" hernam Hermas met oprecht gemeenden
weerzin. "Daar waren wel andere dingen te zien."

Bij deze woorden fonkelden de oogen van den jonkman, zoodat Paulus
in groote spanning vroeg: "Wat dan?"

"Gij kent Alexandrië beter dan ik," antwoordde Hermas ontwijkend. "Gij
zijt daar geboren, en men zegt dat gij een rijk jongeling geweest
zijt."

"Zeggen ze dat?" vroeg Paulus. "Misschien hebben ze gelijk. Doch dit
moogt gij weten: ik ben blijde dat ik niets meer bezit van al de
nietswaardige zaken, die daar omlaag mij toebehoorden, en ik dank
den Heiland, dat ik het gekrioel der menschen thans den rug kan
toekeeren. Wat komt u toch in dat gewoel zoo bijzonder uitlokkend
voor?"

Hermas aarzelde. Hij vreesde te spreken, en toch werd hij door eene
onweerstaanbare kracht gedreven, eindelijk eens te bekennen wat zijne
ziel verontrustte.

Indien er onder al de ernstige mannen, die de wereld verachten en
waaronder hij was opgegroeid, zich éen bevond die hem begrijpen
kon, dan, dit wist hij, moest het Paulus zijn. Hem had hij, toen
hij nog klein was, in den ruigen baard gegrepen. Vaak had hij op
zijne schouder gezeten, en hem duizendmaal getoond, hoe lief hij hem
had. Wel was de Alexandrijn een der gestrengste, doch hij was alleen
hard voor zichzelven.

Eens moest Hermas zijn hart ontlasten. Hij nam een haastig besluit
en vroeg den Anachoreet: "Hebt gij dikwijls de baden bezocht?"

"Dikwijls?--Het verwondert mij zeer dat ik in al dat lauwe water niet
ben geweekt en uit elkander gevallen als een stuk wittebrood."

"Waarom drijft gij den spot met hetgeen de schoonheid van den
mensch verhoogt?" vroeg Hermas vol vuur. "Waarom mogen in Alexandrië
christenen de baden bezoeken, terwijl wij hierboven, terwijl gij en
vader en alle Anachoreten het water slechts gebruiken om den dorst
te lesschen? Gij dwingt mij als een uwer te leven, maar ik wil geen
morsig dier gelijk zijn!"

"De Allerhoogste trekt ons enkel aan," gaf Paulus ten antwoord,
"en voor Hem reinigen wij onze zielen."

"Maar de Heer heeft ons ook het lichaam gegeven," viel Hermas hem in
de rede. "Het heet dat de mensch Gods evenbeeld is. En wij? Ik kreeg
een afkeer van mijzelven, alsof ik een leelijke aap was, zoo vaak
ik de jongelingen en mannen uit het groote badhuis bij de Zonnepoort
zag komen, met keurig geschikte welriekende haren en fijne kleederen,
die er zoo frisch en rein uitzagen. Toen zij daarheen gingen, dacht
ik aan mijn schurftig schaapsvel en meer dan verwilderd hoofdhaar;
als ik mijne armen en voeten aanzag, die niet minder fraai of stevig
gevormd zijn dan die van hen, werd ik beurtelings heet en koud, en was
het mij als trok een bittere drank mijne keelspieren samen. Het liefst
ware ik van schaamte, van spijt en verdriet in tranen uitgebarsten. Ik
wil geen vogelverschrikker zijn!"

Hermas had de laatste woorden tandenknarsend uitgesproken, en Paulus
keek hem met onrust aan, toen hij voortging: "Mijn lichaam behoort
God toe, zoo goed als mijne ziel, en wat den christen in de stad
geoorloofd is...."

"Dat mogen wij toch niet doen," viel Paulus hem ernstig in de
rede. "Wie zich eenmaal aan den hemel heeft toegewijd, die moet zich
geheel losmaken van de bekoringen des levens, en den eenen band na den
anderen losrijten, die hem aan het stof gekluisterd houdt. Er is een
tijd geweest, waarin ook ik mijn lichaam heb gezalfd en deze stugge
haren gekapt. Hoe verheugde ik mij, als ik mijn eigen beeld in den
spiegel zag! Toch zeg ik u, Hermas, en bij mijn dierbaren Heiland,
ik zeg het alleen omdat ik het gevoel, hier diep in het hart gevoel:
bidden is beter dan baden, en ik arm nietswaardig schepsel ben met
uren begenadigd, waarin mijne ziel zich vrijgeworsteld heeft, met uren,
waarin het mij vergund werd vol zaligheid en verrukking als eere-gast
deel te nemen aan de feestvreugde des hemels."

Onder het uitspreken dezer laatste woorden had Paulus zijne
wijdgeopende oogen omhoog gericht, terwijl zij straalden met
wonderbaren glans.

Een tijdlang stonden beiden zwijgend en roerloos tegenover
elkander. Ten laatste streek de Anachoreet zich het haar uit het
gezicht, waardoor zijn voorhoofd voor het eerst zichtbaar werd.

Het was schoon gevormd, hoewel niet hoog, terwijl de blanke huidkleur
scherp afstak bij zijn door de zon gebruind gelaat.

"Gij weet niet knaap," sprak hij, na eene diepe ademhaling, "welk
eene vreugde gij zoudt prijs geven voor nietige dingen. Eer de hemel
eene vrome tot zich roept, trekt de vrome den hemel tot zich op
aarde neder."

Hermas verstond den Anachoreet zeer goed, want zijn vader staarde
ook vaak na urenlange gebeden, roerloos ten hemel, zonder te zien of
te hooren wat rondom hem gebeurde. Ook deze was gewoon, als hij uit
zijne ekstátische visioenen ontwaakte, aan zijn zoon te vertellen,
dat hij den Heiland gezien en de koren der engelen gehoord had. Doch
het was hem nooit gelukt zich in zulk een toestand te verplaatsen,
hoewel Stephanus hem niet zelden gedwongen had, vele eindeloos lange
uren op de knieën te liggen en met hem te bidden.

Het was dikwijls gebeurd, dat na zulke oefeningen, die zijne ziel
diep schokten, het zwakke levenslicht van den ouden man dreigde uit
te gaan. Daar Hermas hem liefhad, zou hij hem gaarne verboden hebben
zich aan zulk eene gevaarlijke opwinding over te geven. Maar deze
zinsverrukkingen werden voor buitengewone begenadigingen gehouden,
en hoe zou de zoon het hebben durven wagen, zijn afkeer voor zulke
bij uitnemendheid heilige dingen voor zijn vader uit te spreken?

Tegenover Paulus echter had hij, in de stemming waarin hij verkeerde,
den moed daartoe, daarom zeide hij: "Ik hoop stellig op het paradijs,
doch het wordt ons in elk geval eerst na den dood geopend. De
christen moet geduld hebben; waarom wacht gij niet op den hemel tot
de Heiland u roept, en wilt gij zijne vreugde reeds hier op aarde
genieten? Eerst het eene, en dan het andere! Waartoe heeft God ons
de gaven des lichaams gegeven, dan om ze te gebruiken? Schoonheid en
kracht zijn waarlijk niet gering te achten, en een gek alleen geeft
iemand kostelijke geschenken om ze weg te werpen."

Paulus kon niet nalaten wederom met verbazing den jonkman aan te
zien, die zijn vader en hem tot deze ure in alle geestelijke dingen
zonder tegenspraak was gevolgd, en antwoordde, terwijl hij het hoofd
schudde: "Zoo denken de kinderen dezer wereld, die verre staan van
den Allerhoogste. Gewis, wij zijn evenbeelden Gods, maar welke zoon
kust het beeld zijns vaders, wanneer de vader zelf hem zijne lippen
voorhoudt?"

Paulus had "moeder" in plaats van "vader" willen zeggen; daar hij
echter nog intijds bedacht, dat Hermas reeds zoo vroeg het voorrecht
had moeten missen van eene moeder te kunnen omhelzen, had hij het
verbeterd. Hij behoorde tot de zoodanigen, die het zooveel leed zou
doen anderen te kwetsen, dat zij, als konden zij gissen waar ook
zelfs de meest verborgene wonden van hunne naasten gelegen zijn,
ze nimmer willen aanraken dan om ze te heelen.

In den regel sprak hij niet veel, heden echter ging hij haastig
voort: "Zooveel hooger God staat boven ons erbarmerlijk Ik, zooveel
waardiger is het ook voor een christen aan hem te denken, in plaats
van aan zijn eigen persoon. O, indien het ons gelukken kon dit Ik
geheel te verliezen en op te gaan in God! Maar het loopt ons altijd
achterna, en wanneer de ziel meent zich reeds in den Allerhoogsten
opgelost te hebben, roept het: 'Hier ben ik', en trekt het edelste
deel van ons wezen neer in het stof. Het is ellendig genoeg, dat
wij onze ziel in hare vlucht belemmeren, en ons vergankelijk deel
tot schade van het eeuwige door brood en water en armzalig slapen
onderhouden en versterken moeten, terwijl wij zoo gaarne zouden vasten
en waken. Zullen wij dan het vleesch nog, tot schade der ziel, zulke
eischen toestaan, die zich zoo gemakkelijk laten afwijzen? Slechts
hij, die zijn rampzalig Ik veracht en prijs geeft, zal door de genade
des Verlossers, als hij zichzelven verloren heeft, zich wedervinden
in God."

Hermas had den Anachoreet geduldig aangehoord. Thans schudde hij
het hoofd en zeide: "Ik versta noch u, noch mijn vader. Zoolang ik
op deze aarde wandel ben ik Ik en geen ander. Na den dood echter,
maar ook eerst dan, begint het nieuwe eeuwige leven."

"In geene deele," hernam Paulus, hem met levendigheid in de rede
vallende. "Dat andere hoogere leven, waarvan gij spreekt, begint niet
eerst aan gene zijde des graf voor hem, die hier reeds zonder ophouden
tracht terwijl hij leeft te sterven, zijn vleesch te dooden, de eischen
der zinnelijkheid te overwinnen, de wereld en zijn Ik te verloochenen,
en den Heer te zoeken. Het was velen vergund reeds te midden van dit
leven wedergeboren te worden tot een hooger bestaan. Zie mij aan, den
armsten van alle armen. Ik ben een wezen en toch ben ik voor den Heer
zoo zeker een ander, dan die ik was vóor zijne genade mij aangreep, als
deze palmtwijg, die opschiet uit den wortel van den omgevallen boom,
niet éen is met den verrotten stam. Ik ben een heiden geweest, en elke
lust der zinnelijkheid heb ik met volle teugen genoten. Daarna ben ik
een christen geworden; de genade des Heeren is over mij gekomen; ik
werd opnieuw geboren en andermaal een kind, maar ditmaal mijn Verlosser
zij dank! een kind des Heeren. Midden in het leven stierf ik, stond
ik op, vond ik de vreugde des hemels. Eens was ik Menander, en als
Saulus ben ik Paulus geworden. Alles wat Menander lief was: baden,
gastmalen, tooneelspelen, paarden en wagens, wedstrijden, zalvingen,
rozen en kransen, purperen kleederen, gezang en vrouwenliefde, dat
alles ligt achter mij als een vuil moeras, waaraan de wandelaar met
moeite is ontkomen. Geen ader van den ouden mensch is in den nieuwen
teruggebleven, en gelijk voor mij, zoo is voor alle vromen, midden
op den weg naar het graf, een nieuw leven begonnen. Ook uwe ure zal
slaan ook gij zult afsterven...."

"Ware ik slechts als gij een Menander geweest!" riep Hermas uit, den
ander haastig in de rede vallend. "Hoe kan men iets van zich werpen,
wat men nooit bezeten heeft? Om te kunnen sterven, moet men eerst
leven! Dit jammerlijk leven is verachtelijk in mijn oog, en ik ben
het moede u na te loopen als het kalf de koe. Ik ben een vrij man
en van een edel geslacht, dat heeft mijn vader mij zelf gezegd, en
waarlijk ik ben niet zwakker dan de burgerzonen in de stad, die ik
van het badhuis naar het worstelperk volgde."

"Zijt gij dan in de palaestra geweest?" vroeg Paulus verwonderd.

"In het Timagetische worstelperk!" riep Hermas in geestdrift. "Vóor
de poort zag ik de spelen der jongelingen, hoe zij worstelden en met
zware schijven naar een doel wierpen. De oogen sprongen mij bijna
uit het hoofd, toen ik dit aanzag, en ik zou het luid hebben kunnen
uitschreeuwen van spijt, dat ik daar zoo staan moest met die lompe
vacht en uitgesloten blijven van dien wedkamp. Als Pachomius er niet
op aangekomen was, bij de wonden des Heilands, ik zou in de baan zijn
gesprongen, ik zou den sterksten van allen zeker uitgedaagd en met hem
geworsteld hebben, ik zou den schijf verder hebben geslingerd dan die
welriekende gek, die de overwinning behaalde en dien zij bekransten."

"Dank Pachomius," zeide Paulus lachend, "dat hij u terug hield, want
gij zoudt in het worstelperk slechts bespotting en schande hebben
verworven. Sterk zijt gij zeker, maar het werpen met de schijf moet
geleerd worden, gelijk iedere andere kunst. Hercules zelf zou bij
dit spel moeten onderdoen zonder oefening en kennis der handgrepen."

"Het zou de eerste maal niet geweest zijn, dat ik wierp," hernam de
jongeling. "Zie maar eens wat ik kan!"

Bij deze woorden bukte hij, nam een der platte steenen op, die hier
bij menigte lagen om den weg vast te maken, strekte krachtig den arm
achterwaarts, en slingerde de werpschijf van graniet over de helling
in de diepte.

"Nu ziet gij het!" zeide Paulus, die den worp opmerkzaam en niet
zonder nieuwsgierige spanning gevolgd had. "Hoe sterk uw arm ook zijn
mag, ieder nieuweling werpt verder dan gij, als hij de kunstgrepen
kent. Zóo is het niet goed; de schijf moet met den scherpen kant
als een mes de lucht doorsnijden. Zoo als gij uw hand houdt, werpen
vrouwen. Het handgewricht gestrekt, de linkervoet achterwaarts, de
knie gebogen!--Zie nu dien domoor eens aan! Geef mij den steen!--Dáar,
zoo neemt men den schijf in de hand, zoo trekt men het lijf samen
en drukt de knie naar beneden, gelijk het hout van een boog,
opdat elke spier van het geheele lichaam het werptuig, als ge het
loslaat, helpt voortstuwen.--Ja, zoo zal het beter gaan; maar het
is toch nog het rechte niet. Hef de schijf eens op met uitgestrekten
arm! Houd nu het oog goed op uw doel gericht! Beweeg haar nu hoog naar
achter!--Hola! Nog eens! De arm moet sterker gespannen zijn eer gij
slingert.--Dat was vrij wel; maar de steen moet komen tot gindschen
palm.--Geef mij deze schijf en dien steen dáar. Zoo! De ongelijke
hoeken belemmeren de snelheid! Let nu eens op!"

Paulus had met steeds klimmende levendigheid gesproken, terwijl hij
den jonkman leerde met den discus te werpen. Thans nam hijzelf de
schijf in de hand, gelijk hij jaren geleden gewoon was te doen, toen
geen jongeling in Alexandrië hem in het werpspel kon overtreffen. Hij
boog de knie, bracht het bovenlijf een weinig vooruit, draaide het
handgewricht heen en weer, strekte den arm, waarvan alle spieren
tot het uiterste werden gespannen, zoo ver mogelijk uit, en wierp
den steen met vliegende snelheid in de ruimte, terwijl de gekromde
teenen van zijn rechtervoet in den grond boorden.

De schijf viel vóor den palm neder, waarop hij gemikt had, zonder
hem geraakt te hebben.

"Wacht," riep Hermas, "laat mij nu beproeven of ik den boom treffen
kan!"

Zijn steen snorde door de lucht, maar bereikte niet eens den heuvel,
waarop de palm zich verhief.

Paulus schudde afkeurend het hoofd, greep andermaal een platten
steen, en thans begon er tusschen beiden een levendige wedstrijd. Bij
elken worp vloog de steen van Hermas, die met groote vaardigheid
zijn meester in houding en greep wist na te volgen, een eind verder,
terwijl de arm van den ouden man vermoeid begon te worden.

Daar bereikte de schijf van Hermas reeds voor de tweede maal den
palmboom, terwijl Paulus bij zijn laatste worp zelfs den heuvel
had gemist.

De lust tot den wedkamp overmeesterde den Anachoreet hoe langer hoe
meer. Hij wierp zijn vacht af, en terwijl hij een nieuwen steen
opraapte, riep hij, als stond hij nog onder zijne van zalfolie
glimmende gezellen in het Timagetische worstelperk, waarin hij
zoovele kransen veroverd had: "Bij Apollo met zijn zilveren boog en
de schietlustige Artemis, nu wil ik den palm toch raken!"

Het werptuig doorkliefde de lucht, zijn bovenlijf richtte zich snel
vooruit, zijn linkerarm strekte zich achteruit om zijn wankelend
lichaam het evenwicht weder te geven. Een krak werd gehoord. De boom,
die getroffen was, schudde.

"Verbazend!" riep Hermas juichend uit, "verbazend! Dat was een
worp! De oude Menander is dus nog niet gestorven. Vaarwel, morgen
werpen wij verder!"

Met deze woorden verliet Hermas den Anachoreet en snelde met groote
stappen den berg af naar de oase.

Evenals een slaapwandelaar, wanneer iemand hem wekt door hard zijn naam
uit te roepen, zoo schrikte ook Paulus bij deze woorden op. Verward zag
hij rondom zich, als was hij in eene vreemde wereld verplaatst. Op zijn
voorhoofd parelden heldere zweetdruppels. Beschaamd raapte hij zijn
op den grond liggend kleed op en bedekte daarmede zijne naakte leden.

Een tijdlang staarde hij Hermas na; vervolgens bracht hij in diepe
smart de hand aan zijn voorhoofd, terwijl dikke tranen in zijn baard
rolden. "Wat heb ik gezegd!" prevelde hij in zichzelven. "Elke ader
van den ouden mensch zou hier binnen uitgeroeid zijn? Ik dwaas,
ik ijdele dwaas! Ze noemen mij Paulus en ik ben nog maar een Saulus!"

Bij deze woorden wierp hij zich op de knieën, drukte zijn voorhoofd
tegen de harde rotsen en begon te bidden. Het scheen hem toe alsof
hij uit de hoogte was neergevallen op zwaarden en lansen, als bloedde
zijn hart, terwijl hij wegsmolt in tranen en verzuchtingen, zichzelven
aanklagende en veroordeelende, gevoelde hij niet hoe heet de zon,
die al hooger en hooger rees, brandde, bedacht hij niet hoe de tijd
voorbijging, hoorde hij niet, dat vele pelgrims, die onder leiding
van den Bisschop Agapitus de heilige plaatsen kwamen bezoeken,
hem naderden.

De bedevaartgangers zagen hem bidden, hoorden zijn snikken, bewonderden
zijne vroomheid en knielden op een wenk van hun aanvoerder achter
hem neder.

Toen Paulus eindelijk opstond, bemerkte hij tot zijne verrassing
en schrik de menschen, die getuigen waren geweest van zijne
verootmoediging in het gebed. Hij naderde Agapitus, om diens gewaad
te kussen.

"Niet alzoo!" sprak deze. "De vroomste is de grootste onder ons. Komt
vrienden, buigen wij de knieën voor dezen heiligen man!"

De pelgrims voldeden aan dit bevel.

Paulus bedekte zijn gelaat met de handen en zeide al snikkend: "Ik
arme, ik arme!" Doch de pelgrims prezen zijn deemoed en trokken met
hun aanvoerder verder.







DERDE HOOFDSTUK.


Hermas was voortgesneld, zonder zich op te houden.

Reeds stond hij aan de laatste kromming van den door de bergkloof
gevormden weg, dien hij gevolgd had, en zag aan zijne voeten in het ver
uitgestrekte dal het heldere water van de beek, dat hier den bodem der
woestijn vruchtbaar maakte. Hier verhieven zich hoogstammige palmen
en groeiden ontelbare tamarisken-struiken, waartusschen de huizen
der oase-bewoners, door kleine tuintjes en zorgvuldig bevochtigde
strooken bouwgrond omgeven, overal kwamen uitkijken. Reeds vernam hij
het hanengekraai en het vriendelijk geblaf der honden, hetgeen hem,
wien dag en nacht, ginds op de rotsachtige hoogte, de diepe stilte
der eenzaamheid omgaf, als een groet midden uit het leven, waarnaar
hij smachtte, in de ooren klonk.

Hij bleef staan en volgde met zijne oogen de dunne rookzuilen, die
statig in den helderen glans van de steeds hooger en hooger rijzende
zon, uit de talrijke woningen beneden hem opstegen.

"Daar koken nu," dacht hij, "de vrouwen voor hunne mannen, de moeders
voor hunne kinderen het ochtendmaal, en dáar, waar die donkere rook
zich verheft, wordt misschien voor gasten een heerlijken maaltijd
bereid. Doch ik ben nergens te huis en niemand noodigt mij."

De wedstrijd met Paulus had hem opgewekt en wat vroolijker gestemd,
maar het zien van de stad vervulde zijn jeugdig hart met nieuwe
bitterheid. Zijne lippen beefden, toen hij een blik sloeg op zijn
schapenvacht en zijne onreine ledematen.

Hij stond niet lang na te denken, keerde ijlings de oase den rug toe en
liep den berg op. Bij eene bron, die hem alleen bekend was, wierp hij
zijn harig kleed af, liet het koele water over zijn lichaam stroomen,
wiesch zich zorgvuldig en met welgevallen, streek met zijne vingers
zijne dichte haren in orde en ijlde daarop weder naar het dal terug.

De kloof die hij volgde kwam bij een heuvel uit, die zich te midden
der vlakte verhief en op welks oostelijke helling eerst onlangs een
kerkje was opgetrokken. Overigens werd deze hoogte omgeven door muren
en wallen, waarachter de inwoners van die plaats beschutting vonden,
wanneer roofzuchtige Saracenen de oase bedreigden. Zij wordt nog voor
eene bij uitnemendheid heilige plaats gehouden, want op den top zou
Mozes in den slag tegen de Amalekieten gebeden hebben, terwijl Aäron
en Hur zijne hoog opgehevene armen ondersteunden.

Doch er waren in de nabijheid van deze oase nog andere eerwaardige
plaatsen. Daar zag men, wat verder noordwaarts, de rots, waaruit Mozes
eene bron te voorschijn had doen komen; ginds, iets meer zuidoostelijk
en hooger op, den heuvel waar de Heer met zijn wetgever gesproken had,
waar ook het braambosch had gebrand. Hier werd ook de bron gevonden,
waarbij Mozes de dochters van Jethro had aangetroffen, die de oude
legende Zippora en Ledja noemt.

Naar deze heilige plaatsen gingen vrome pelgrims in grooten getale
ter bedevaart. Onder dezen bevonden zich vele inboorlingen van het
schiereiland, en met name Nabateërs, die weleer den heiligen berg
hadden bezocht, om op zijn top aan hunne goden, de zon, de maan en
de planeten te offeren.

Aan den noordelijken ingang verhief zich een sterkte, waarin, sedert
onder Trajanus de Syrische praefect Cornelius Palma Steenachtig Arabië
had onderworpen, een keizerlijke bezetting lag, die de bloeiende
stad der woestijn moest verdedigen tegen de invallen der Saracenen
en Blemmyers.

Ook de Pharanietische burgers hadden maatregelen genomen voor de
beveiliging van hunne bezittingen. Op den bovensten top van den
veelgespleten bergkroon, het hoogste verblijf wijd en zijd in het
land, onderhielden zij wachters, die dag en nacht in de verte tuurden,
om bij naderend gevaar een waarschuwend teeken te geven.

Elk hunner huizen geleek een burcht, want het was uit vasten steen
opgetrokken, en hunne jonge mannen waren in het boogschieten flink
geoefend.

De voornaamste familiën woonden in de nabijheid van den
kerkheuvel. Daar lagen de huizen van den bisschop Agapitus en van de
raadsheeren van Pharan. Onder de laatste stond de senator Petrus het
hoogst in aanzien, deels wegens zijn ernst en degelijkheid, deels
wegens zijne bezittingen in bergwerken, tuingrond, dadelpalmen en
vee, maar deels ook tengevolge van de zeldzame eigenschappen zijner
vrouw, de diakones Dorothea, de kleindochter van den sedert lang
gestorven waardigen bisschop Chaeremon, die met zijne gade gedurende
de christenvervolging onder Decius hierheen was gevlucht en vele
Pharanieten tot de leer des kruizes had bekeerd.

Het steenen huis van Petrus was stevig gebouwd en net gevoegd; de
palmtuin daarnaast werd zorgvuldig onderhouden. Tot zijne bezittingen
behoorden twintig slaven, vele kameelen en zelfs twee paarden. De
centurio, die het opperbevel voerde over de keizerlijke bezetting,
de Galliër Phoebicius en zijne vrouw Sirona, woonden als huurders
onder zijn dak; hoewel niet tot genoegen van den raadsheer, want de
centurio was geen christen, maar een aanbidder van Mithras. Bij de
mysteriën van deze godheid was de woeste Galliër tot den rang van
"leeuw" opgeklommen, daarom waren de zijnen en ook de Pharanieten
gewoon hem "de leeuw" te noemen. Zijn voorganger was een officier van
veel minder rang, doch een geloovig christen geweest, dien Petrus
had uitgenoodigd zijn intrek te nemen in zijn huis. Toen de leeuw
Phoebicius een jaar geleden den vromen Pancratius verving, kon de
senator den eerstgenoemden het opengevallen verblijf niet weigeren.

Schuw en aarzelend naderde Hermas het erf van Petrus, en zijne
verlegenheid klom, toen hij in de voorzaal van het deftige steenen
huis, dat hij ongehinderd was binnengetreden, niet wist naar welke
zijde hij zich wenden moest. Er was niemand die hem den weg kon
wijzen, en hij waagde het niet de trappen op te klimmen, die naar
de bovenverdieping voerden, ofschoon Petrus zich daar scheen op te
houden. Er was geen twijfel aan, want nu hoorde hij boven zich spreken
en onderscheidde hij duidelijk de zware stem van den senator.

Hermas liep dus naar den trap en zette zijn voet op de eerste
trede. Doch toen hij, beschaamd over zijn blooheid, nauwelijks begonnen
was, minder besluiteloos op te klimmen, hoorde hij boven zich een
deur openvliegen, en daarna stroomde, als bij eene opgehoudene beek,
wanneer de molenaar de sluizen openzet, een vloed van heldere lachende
kinderstemmen hem te gemoet.

Verrast keek hij naar boven, maar hij had geen tijd om te overleggen,
want reeds had de losgelatene jubelende schare den trap bereikt. Een
buitengemeen schoone jonge vrouw, met goud-blonde haren, vloog
vóor allen uit. Zij hield, overluid lachende, eene met veelkleurige
kleederen opgesierde pop in de hoogte. Zij liep achterwaarts naar den
trap toe, en keek met haar blank gelaat, vol ondeugende blijdschap,
de kinderen aan, die in hartstochtelijk verlangen, half dringend,
half smeekend, half lachend, half huilend door elkander riepen:
"Geef ze ons, Sirona!" "Neem ze niet weer meê, Sirona!" "Toe, blijf
toch hier Sirona!" "Sirona" en weder "Sirona!"

Een lieftallig zesjarig meisje vloog op haar toe, om den blanken
gevulden arm, die het speelgoed omhoog hield, te bereiken. Drie
kleintjes, die poogden zich aan haar knie vast te klemmen, hield zij
met de vrijgeblevene linkerhand dapper van zich af, en riep, altijd
achteruitgaande: "Neen, neen, ge krijgt de pop niet weder, voor zij
eene nieuwe jurk aan heeft, die lang zal zijn en even kleurig als
het kleed van den keizer. Laat mij los, Cæcilia, anders valt ge naar
beneden, zooals onlangs met den wilden Nikon is gebeurd."

Onder het spreken dezer woorden was zij aan de bovenste trede
genaderd. Eensklaps keerde zij zich om, en sloot met uitgestrekte
armen den toegang tot den smallen trap af, waarop Hermas stond,
die met open mond het lustig spel boven zijn hoofd aanzag.

Zoodra Sirona zich gereed maakte om naar beneden te vliegen,
merkte zij den jonkman op en schrikte. Doch zoo ras zij bespeurde,
dat de Anachoreet enkel uit verlegenheid geen woorden kon vinden,
om op hare vraag naar hetgeen hij verlangde te antwoorden, barstte
zij op nieuw in een schaterlach uit en riep naar beneden: "Kom maar,
wij zullen u geen kwaad doen; niet waar, kinderen?"

Intusschen had Hermas weder moed gevat, om zijn verlangen, namelijk
den Senator te spreken, te kennen te geven, en de Gallische vrouw,
die met welgevallen de krachtige gestalte van den jonkman opnam,
bood zich aan om hem tot Petrus te brengen.

Deze had zich, terwijl dit alles voorviel, met zijne volwassene oudste
zonen onderhouden, flinke mannen, ofschoon de vader grooter was en
bovendien buitengewoon breed van schouders. Terwijl de jongelingen het
woord voerden, streek hij over zijn korten, grijzen baard, en keek
naar den grond met somberen ernst; zoo moest het den oppervlakkigen
beschouwer althans toeschijnen. Hij die scherper zag werd spoedig
gewaar, dat niet zelden een tevreden, ja meermalen een ondeugend
lachje de lippen plooide van dezen verstandigen, degelijken man.

Hij was een dergenen, die de kunst verstaan om met hunne kinderen als
eene jonge moeder te spelen, en zich het lijden van anderen weten
aan te trekken, alsof het henzelven betrof, die echter zoo donker
kunnen kijken en zulke scherpe woorden durven spreken, dat alleen
zij hen niet miskennen noch vreezen, die geheel met hen vertrouwd
zijn. Er knaagde zeker iets aan de ziel van dezen man, die toch alles
bezat, wat een mensch gelukkig kan maken. Hoewel dankbaar gestemd,
was hij zich toch bewust, dat hij meer had kunnen uitrichten, dan
hem het lot vergund had tot stand te brengen en te zijn. Hij was een
steenhouwer gebleven, maar zijne beide zonen hadden in eene goede
school te Alexandrië hunnen leertijd voleindigd.

De oudste, Antonius, die reeds een eigen huis bezat, benevens vrouw en
kinderen, was bouwmeester en werktuigkundige; de jongste, Polycarpus,
een zeer begaafd jong beeldhouwer. Onder leiding van den oudsten was
het statig kerkje van de oase-stad gebouwd. Polycarpus, die eerst
sedert een maand terugkeerde, was van plan in de steengroeve zijns
vaders werken van grooten omvang te ontwerpen en uit te voeren,
want hij had de opdracht ontvangen om te Alexandrië het nieuwe
voorhof van het prachtig gebouw, dat Sebasteum of Caesareum werd
genaamd, te versieren met twintig leeuwen van graniet. Meer dan
dertig kunstenaars hadden met hem naar den voorrang gedongen; doch
oordeelkundige rechters hadden eenstemmig aan zijne modellen den prijs
toegekend. De bouwmeester, die voor het herstel van de zuilengangen
en vloeren van het voorhof zorg moest dragen, was zijn vriend, en
had hem toegestaan de granietblokken, steenplaten en cylinders, die
hij noodig had, uit de groeven van Petrus, en niet zooals gewoonlijk
geschiedde, uit die van Syëne bij den eersten waterval te halen.

Antonius en Polycarpus stonden thans met hun vader voor een groote
tafel en gaven hem de verklaring van het plan, dat zij te zamen in de
dunne waslaag op een bord hadden gegrifd. De jonge bouwmeester sloeg
voor, over eene diepe doch smalle kloof, die de lastdieren niet konden
ontgaan dan langs een verren omweg, een brug te leggen en vervolgens
den afstand van de brug naar de zee, door een nieuw aan te leggen
weg voor meer dan een derde te bekorten. De kosten voor dit werk
waren spoedig te vinden uit de besparing van arbeidskracht, en wel
stellig en zeker, wanneer men de transportschepen, niet, zooals tot
hiertoe geschiedde, ledig liet terugkomen, maar in Klysma eene lading
winstgevende artikelen uit Alexandrijnsche fabrieken deed innemen.

Petrus, die in de raadsvergadering vaak als redenaar kon schitteren,
sprak in het dagelijksch leven zeer weinig. Bij elken nieuwen voorslag
van zijn zoon, sloeg hij de oogen op, als moest hij onderzoeken of de
jonkman zijn verstand misschien niet verloren had, terwijl hij met
zijne half onder een grijzen knevel verborgene lippen meesmuilde,
ten teeken van bijval. Toen Antonius zijn plan, om namelijk de
kloof, die hem in den weg lag, onschadelijk te maken, begon uiteen
te zetten, bromde de senator: "Laat den slaven vleugels aangroeien;
maak de zwarte maar tot raven en de witte tot meeuwen, dan kunnen
zij daarover vliegen. Wat men al niet in de hoofdstad leert!"

Zoodra het woord "brug" Antonius over de lippen was gekomen, zag hij
den jongeling strak aan en zeide: "Het is maar de vraag of de hemel ons
een regenboog wil leenen." Toen Polycarpus hem daarop voorsloeg, door
zijne Alexandrijnsche vrienden eenige cederbalken uit Syrië te laten
komen, en zijn oudste zoon hem de teekening van den boog verklaarde,
waarmede hij de kloof vast en zeker beloofde te overwelven, volgde
hij zijne woorden met gespannen opmerkzaamheid. Daarbij fronsde hij
zijne wenkbrauwen zóo onheilspellend en zag zóo somber, als vernam
hij het bericht van een misdaad. Toch liet hij zijn zoon geheel
uitspreken en prevelde alleen in den beginne: "kunststukken," of:
"ja, als ik eens de keizer was!"

Eindelijk stelde hij duidelijke en bepaalde vragen, en ontving hij
stellige en doordachte antwoorden. Antonius bewees door getallen,
dat de verdiensten van eene leverantie voor het Caesareum meer dan
drievierde gedeelte der gezamenlijke uitgaven zou dekken. Daarop
nam Polycarpus het woord om te verzekeren, dat het graniet van den
heiligen berg deugdelijker van gehalte en schooner van kleur was,
dan dat van Syëne.

"Wij arbeiden hier goedkooper dan aan den waterval," viel Antonius
hem in de rede. "Het vervoer der steenblokken zal ons niet zoo duur
te staan komen, wanneer de brug en de weg tot aan zee klaar zijn en
wij gebruik maken van den binnen weinige maanden weder bevaarbaren
Trajanusstroom, die de Roode zee met den Nijl verbindt."

"En wanneer mijne leeuwen gelukken," zeide Polycarpus, "en Zenodotus
tevreden is met onzen steen en onzen arbeid, dan zou het weleens kunnen
gebeuren, dat wij boven Syëne den voorrang verwierven, en wij een
deel kregen van de kolossale bestellingen ten behoeve van de nieuwe
residentie voor Constantijn, die thans alleen aan de steengroeven
bij den waterval worden gedaan."

"De verwachting van Polycarpus is niet te hoog gespannen," voegde
Antonius hierbij, "want de keizer zoekt met zekeren koortsachtigen
ijver Byzantium uit te breiden en te verfraaien. Aan ieder die een
nieuw huis bouwt, wordt jaarlijks graan geleverd, en om lieden van
onze soort, waarvan hij er nooit te veel kan hebben, tot zich te
trekken, belooft hij aan bouwmeesters, beeldhouwers, ja zelfs aan
bekwame arbeiders geheelen vrijdom van belastingen. Als wij hier
de blokken en zuilen nauwkeurig en volgens de teekening afwerken,
beslaan zij niet te veel plaats in de schepen, en niemand zal zoo
goedkoop kunnen leveren als wij."

"En ook niet zoo goed," hernam Polycarpus, "want gij zijt zelf een
kunstenaar, vader, en kent de gesteenten beter dan iemand anders. Nooit
zag ik zulk een schoon stuk graniet, zoo gelijkmatig van kleur,
als het stuk dat gij voor den eersten leeuw heb uitgezocht. Ik zal
hem hier op de plaats zelve geheel gereed maken, en ik geloof dat
hij gezien zal mogen worden. 't Is waar, mijn arbeid zal moeielijk
de proef der vergelijking kunnen doorstaan met zoovele andere edele
werken uit den bloeitijd der kunst, waarmede het Caesareum is opgevuld:
doch ik zal mijn best doen."

"Het worden prachtige leeuwen," zeide Antonius, terwijl hij zijn
broeder met trots aanzag. "In de laatste jaren heeft niemand
iets tot stand gebracht dat er bij halen kan, en ik ken mijne
Alexandrijners. Zoo het meesterwerk uit het gesteente van den
heiligen berg geprezen wordt, dan wil de geheele wereld graniet van
dáar en van daar alleen hebben. Het komt er maar op aan te zorgen,
dat het transport van steenen naar zee minder moeilijk en kostbaar
wordt gemaakt."

"Beproeven wij het dan," zeide Petrus, die onder dit gesprek zijner
zonen zwijgend vóór hen op en neder had geloopen. "Beproeven wij
het dan in godsnaam met den bruggebouw. Den weg zullen wij maken,
wanneer de burgerij zich bereid verklaart de helft van de kosten te
dragen, anders niet. Gij moogt het wel weten: gij zijt beiden flinke
mannen geworden!"

De jongste zoon greep zijne hand en bracht haar met innige
hartelijkheid aan zijne lippen.

Petrus liet de hand snel over 's jongelings bruine lokken glijden, stak
daarop zijn oudsten de sterke rechterhand toe en zeide: "Wij zullen het
getal onzer slaven moeten vermeerderen. Roep uwe moeder, Polycarpus!"

Met blijden spoed gaf de aangesprokene gevolg aan deze opdracht. Zoodra
vrouw Dorothea, die met hare dochter Marthana en eenige slavinnen
aan het weefgetouw zat, hem met gloeiende wangen het vrouwenverblijf
zag binnenstormen, stond zij, ofschoon zij tamelijk gezet was, met
jeugdige vlugheid op, en riep Polycarpus toe: "Heeft hij uw plannen
goedgekeurd?"

"Den bruggebouw, moeder, en alles, alles," antwoordde de
jongeling. "Schooner graniet voor mijne leeuwen, dan dat vader voor
mij weet uit te zoeken, kan ik nergens vinden. Gij weet niet hoeveel
genoegen mij dit doet voor Antonius! Maar met den weg zullen wij
geduld moeten hebben. Hij wil terstond met u spreken."

Vrouw Dorothea bracht haar zoon, die reeds haar arm had gegrepen en
trachtte haar met zich mede te trekken, door eene zachte beweging met
de hand tot bedaren. Hoezeer zij echter in den blijmoedigen geestdrift
van haren lieveling deelde, dat bewezen de tranen, die in hare goedige
oogen opwelden.

"Geduld, geduld, ik kom al," zeide zij, terwijl zij haar arm losmaakte,
om haar gewaad en hare grijze haren, die in grooten overvloed en
goed onderhouden haar altijd nog vriendelijk en ongerimpeld gelaat
omlijstten, te ordenen. "Ik heb het u vooruit wel gezegd. Wanneer ge uw
vader verstandige dingen hebt voor te stellen, zal hij u hooren en uwe
wenschen inwilligen, ook zonder mijne tusschenkomst. De vrouw moet zich
niet met het werk der mannen bemoeien. De jeugd hanteert sterke bogen
en schiet dikwijls het doel voorbij. Dat zou mij fraai staan, als ik
uit kinderachtige liefde voor u beproeven wilde de sirene te spelen,
ten einde het wijs verstand van den stuurman van dit huis, uw vader,
door honingzoete woorden te streelen!--Gij lacht om zulk eene grijze
sirene? maar de liefde vergeet wat de jaren deden verloren gaan,
en heeft een goed geheugen voor alles wat er eens aanvallig in ons
was. De mannen hebben bovendien niet altijd als het noodig zou zijn,
was in de ooren. Komt, laat ons nu naar vader gaan!"

Dorothea ging Polycarpus en hare dochter vooruit. De eerste hield
zijne zuster bij de hand terug en vroeg haar: "Was Sirona niet bij u?"

De beeldhouwer wilde geheel onverschillig schijnen; toch kreeg hij
een kleur bij deze vraag.

Marthana merkte het wel op en antwoordde met een schalksch lachje:
"Zij heeft ons haar mooi gezicht laten zien; maar gewichtige bezigheden
riepen haar weg."

"Sirona?" vroeg Polycarpus ongeloovig.

"Wel zeker!" antwoordde Marthana met een lach. "Zij moet voor de pop
van de kinderen eene nieuwe jurk maken."

"Waarom spot gij met hare goedhartigheid?" vroeg Polycarpus een
weinig verwijtend.

"Wat zijt gij prikkelbaar!" zeide Marthana zacht. "Sirona is zoo
vriendelijk en goed als een engel. Maar gij moest haar wat minder
aanzien, want zij behoort niet tot de onzen. Zoo afkeerig als ik
echter ben van dien norschen centurio, zoo...."

Zij voltooide haar volzin niet, want vrouw Dorothea was aan den
drempel van het woonvertrek gekomen, en zag naar hare kinderen om.

Petrus ontving zijne gade niet minder ernstig dan gewoonlijk, maar er
lag toch iets ondeugends in zijne halfgeslotene oogen toen hij vroeg:
"Gij zult zeker wel weten, waarom het te doen is?"

"Gijlieden zijt waaghalzen, hemelbestormers," gaf zij hem vroolijk
ten antwoord.

"Als het werk mislukt," hernam Petrus, terwijl hij op zijne beide
zonen wees, "zoo zullen zij de nadeelige gevolgen daarvan langer
moeten gevoelen dan wij."

"Maar het zal u gelukken!" riep Dorothea. "Met een ouden veldheer en
jonge soldaten moet men den slag winnen."

Opgewekt en vrijmoedig stak zij haren echtgenoot hare kleine gevulde
hand toe. Deze nam haar blijmoedig aan, en zeide: "Ik denk dat ik den
voorslag van den weg er in den senaat wel doorhaal. Voor de bruggebouw
moeten wij nog werkvolk aanwerven, en daartoe hebben wij u noodig,
Dorothea. Onze slaven zullen niet toereikend zijn."

"Wacht eens," haastte zich de huisvrouw te zeggen. Zij liep naar het
venster en riep: "Jethro, Jethro!"

Hij die aldus werd aangesproken, de oude hofmeester des huizes,
verscheen, en Dorothea begon met hem te bespreken, wie van de bewoners
der oase geneigd zou zijn, hun flinke mannen af te staan, en of het
niet uitvoerbaar zou zijn dezen of genen van de huisslaven bij den
bouw te gebruiken.

Wat zij zeide was verstandig en wel overdacht. Zij toonde hare
huishouding tot in het geringste te overzien en gewoon te zijn hier
geheel onbeperkt te gebieden. "De lange Anubis," dus eindigde zij,
"kan zeker in de stal wel gemist worden?"

De hofmeester, die tot dusverre kort en verstandig had gesproken,
draalde thans met zijn antwoord. Daarbij zag hij naar Petrus, die,
geheel in het bouwplan verdiept, hem den rug had toegekeerd. Uit zijn
blik en zekere beweging van zijne hand kon men duidelijk opmaken,
dat hij iets op het hart had, maar aarzelde te spreken in de
tegenwoordigheid van zijn meester.

Vrouw Dorothea was vlug van begrip en verstond ook nu Jethro's
meening. Doch juist daarom zeide zij, meer verbaasd dan knorrig:
"Wat beteekent dat knippen met het oog? Wat ik mag weten, kan ook
Petrus hooren."

De senator keek om en nam den hofmeester met zulk een donkeren blik
van onder tot boven op, dat deze achteruit ging en haastig begon te
spreken. Doch hij werd gestoord door het gejoel der kinderen bij den
trap, en door Sirona, die Hermas naar den senator bracht en lachend
zeide: "Dezen grooten jongen heb ik op den trap gevonden waar hij
u zocht."

Petrus zag den jongeling juist niet zeer vriendelijk aan en zeide:
"Wie zijt gij? Wat boodschap brengt gij?"

Hermas zocht te vergeefs naar woorden, want de aanwezigheid van
zoovele menschen, waaronder zich nog wel drie vrouwen bevonden,
maakte hem bijzonder verlegen. Hij draaide zijne vingers door de
wollige lokken van zijn schaapsvel, en bewoog de lippen zonder geluid
te geven. Eindelijk gelukte het hem stamelend uit te brengen: "Ik ben
de zoon van den ouden Stephanus, die verwond werd bij den laatsten
inval der Saracenen. Mijn vader heeft in vijf nachten weinig of niet
geslapen, en nu zend Paulus mij tot u, de vrome Paulus van Alexandrië,
gij begrijpt het,--opdat ik...."

"Zoo, zoo," viel Petrus hem in den rede met bemoedigende
vriendelijkheid. "Gij verlangt dus eene artsenij voor den ouden
man. Ziet toch eens, Dorothea, wat een flinke jonkman er gegroeid is
uit dien kleinen knaap, die de Antiochiër met zich den berg opsleepte."

Hermas kreeg een kleur en richtte zich in al zijne lengte op. Daarbij
bespeurde hij met groote tevredenheid, dat hij grooter was dan de
zonen van den senator, die ongeveer van zijn leeftijd waren. Toch
had hij een zekeren afkeer van hen, zoodat hij voor hen schuwer was
dan zelfs voor hun strengen vader.

Polycarpus nam hem met zijne oogen op en zeide tot de Gallische,
waarmede hij juist een groet had gewisseld, en van welke hij sedert
zij het vertrek was binnengekomen, den blik niet afgewend had. "Als
wij twintig slaven konden krijgen met zulke schouders, dan zouden
wij vorderen. Er is hier wat te doen, groote jongen...."

"Ik heet niet 'jongen', maar Hermas," zeide de Anachoreet, en de
aderen op zijn voorhoofd begonnen te zwellen.

Polycarpus, die wel eens enkele der oude Anachoreten gezien had,
die op den heiligen berg in overpeinzing en boetedoening hun leven
sleten, in wien het echter niet opkwam, dat ook een krachtig jonkman
tot de kluizenaars kon behooren, begreep nu, dat hij die zijn vader
zocht meer was, dan de eenvoudige kleeding liet vermoeden, en dat
hij hem gekrenkt had. Daarom zeide hij vergoelijkend: "Gij heet dus
Hermas? Wij roeren hier allen de handen en arbeid is geen schande. Wat
is dan uw handwerk?"

Deze vraag bracht den jongen Anachoreet in heftige beweging. Vrouw
Dorothea, die wel merkte wat er in hem omging, haastte zich juist van
pas te zeggen: "Hij verpleegt zijn zieken vader. Niet waar, mijn zoon,
dat doet gij immers? Petrus zal u zijn hulp niet ontzeggen."

"Stellig niet," verzekerde de senator. "Ik zal u straks geleiden,
als gij tot hem gaat. Gij moogt het wel weten, kinderen, de vader
van dezen jongeling was een aanzienlijk heer, die afstand deed van
rijke bezittingen, om de wereld, waarin hij veel bittere ervaringen
had opgedaan, te vergeten en God te dienen op zijne wijze, die niet
de onze is, maar waarvoor we toch eerbied moeten hebben. Ga daar
zitten, mijn zoon. Eerst hebben wij nog eene gewichtige bezigheid te
voleindigen, daarna zal ik u volgen."

"Wij wonen hoog op den berg," stamelde Hermas.

"Des te reiner zal daar de lucht zijn," antwoordde de senator. "Doch
wacht eens! Misschien is de oude man alleen..... Niet? De vrome
Paulus, zegt gij, is bij hem? Dan is hij in goede handen, en hebt
gij den tijd?"

Petrus bleef een oogenblik nadenkend staan, toen wenkte hij zijne
zonen en zeide: "Antonius, ga er dadelijk op uit om slaven te zoeken;
en gij, Polycarpus, zie of gij stevige lastdieren kunt vinden. In den
regel neemt gij 't met het geld al zeer licht op, maar thans komt
het er op aan naar de naaste prijzen te vragen. Hoe eerder gij, na
geslaagd te zijn, terugkeert, des te beter. De daad mag niet achter
het besluit komen aanhinken, maar moet rustig en snel volgen, gelijk
het geluid den hamerslag. Marthana, meng mij de bruine koortsdrank
en leg windsels gereed. Daar hebt gij den sleutel!"

"Ik wil haar helpen," riep Sirona, die gaarne een dienst bewees, en die
oprecht medelijden had met den ouden zieken kluizenaar. Het was ook
of zij met Hermas te zien eene ontdekking had gedaan. Onwillekeurig
beschouwde zij hem met eenige meerdere achting, sedert zij wist dat
hij de zoon was van een voornaam heer.

Terwijl de jonge vrouw en het meisje in de artsenijkist bezig waren,
verlieten Antonius en Polycarpus het vertrek. De laatste stond reeds
met den voet op den drempel, toen hij nog eens omkeerde en Sirona
eenige oogenblikken gadesloeg. Daarop ging hij haastig voort, sloot
de deur en daalde met een diepen zucht den trap af.

Zoodra zijne zonen zich verwijderd hadden, wendde Petrus zich tot
den hofmeester en vroeg: "Wat is er gebeurd met den slaaf Anubis?"

"Hij is...," antwoordde Jethro. "Hij is gewond en zal in de eerste
dagen wel niet te gebruiken zijn. Mirjam, de geitenhoedster, die
wilde kat, heeft hem met den sikkel op het hoofd geslagen."

"En dat kom ik nu eerst te weten!" sprak Dorothea verwijtend. "Wat
heeft men met het meisje gedaan?"

"Wij hebben haar in de hooischuur opgesloten," antwoordde Jethro,
"en daar raast en tiert zij nu."

De vrouw des huizes schudde afkeurend het hoofd en zeide: "Op deze
wijze zal men het meisje niet beter maken. Ga, en breng haar dadelijk
bij mij."

Zoodra de hofmeester het vertrek verlaten had, keerde zij zich tot haar
echtgenoot, zeggende: "Men zou eindelijk onder deze schepsels den moed
kunnen verliezen, als men ziet hoe zij elkander behandelen. Duizendmaal
heb ik het moeten aanzien! Geen oordeel valt zoo hard, als dat door
den eenen slaaf over den ander wordt geveld."

Jethro en eene dienstmaagd brachten Mirjam het vertrek binnen. De
handen van het meisje waren met ruwe touwen gebonden, en zoowel haar
kleedje als hare zwarte verwilderde haren zaten vol hooi. In hare
oogen vonkelde een donkere gloed, en hare gelaatszenuwen vertrokken
zich als bij iemand die den St. Vitus-dans heeft.

Zoodra Dorothea haar aanzag richtte zij het hoofd fier omhoog en
zag het vertrek rond, als wilde zij hare vijanden monsteren. Opeens
kreeg zij Hermas in het oog. Hare lippen werden doodsbleek; met een
heftigen ruk wrong zij hare kleine handen uit de knellende banden,
bedekte haar gelaat en wilde de deur uitvluchten. Doch Jethro trad
haar in den weg en greep haar stevig bij den schouder.

Mirjam gaf een luiden gil. De dochter van den senator, die het
artsenijfleschje uit de hand gezet en elk harer bewegingen met
deelneming gadegeslagen had, vloog nu op de herderin toe, stiet de
hand van den ouden, die haar nog altijd vasthield, terug en zeide:
"Vrees maar niet, Mirjam. Wat gij ook gedaan hebt, vader kan u alles
vergeven."

Deze woorden klonken haar zoo liefelijk in de ooren, alsof ze door
den mond eener innig liefhebbende zuster gesproken waren. De herderin
volgde Marthana zonder verzet naar de tafel, waarop de bouwplannen
lagen uitgespreid, en bleef daar naast haar staan.

Gedurende enkele oogenblikken sprak niemand. Ten laatste trad vrouw
Dorothea op de herderin toe en vroeg: "Wat is u overkomen, arm kind,
dat gij u zelve zoozeer hebt vergeten?"

Mirjam wist waarlijk niet wat er met haar gebeurde. Zij had zich
voorbereid op harde scheldwoorden en slagen, ja op ketens en banden,
en nu deze zachte woorden, deze vriendelijke blikken! Haar trots was
gebroken, hare oogen ontmoetten het liefderijk oog harer meesteres en
zij zeide op zachten toon: "Hij heeft mij reeds zoo lang vervolgd,
en wilde dat gij mij aan hem tot vrouw zoudt geven. Maar ik heb een
hekel aan hem; ik haat hem als al uwe slaven."

Bij de laatste woorden kregen hare oogen hun wilden glans terug, en met
de vurigheid die haar eigen was, ging zij voort: "Ik wenschte wel dat
ik hem met een stok in plaats van met een sikkel had geslagen: doch ik
greep wat voor de hand lag om mij te verweren. Ik kan het niet dulden
dat een man mij aanraakt; dat vind ik afschuwelijk. Gisteren kwam
ik later dan gewoonlijk met de beesten terug, en toen ik de geiten
gemolken had en naar bed ging, sliep alles reeds in huis. Opeens
kwam Anubis op mij aan en praatte mij van liefde. Ik wees hem af;
maar hij pakte mij beet, greep mij met de hand hier bij het hoofd
en wilde mij kussen. Toen vloog mij het bloed naar de keel; ik greep
naar den sikkel, die naast mij hing, en eerst toen hij brullend op den
grond lag, zag ik dat ik kwaad had gedaan. Hoe dat gekomen is, kan ik
niet zeggen. Daar zit iets in mij, iets--hoe zal ik het noemen?--dat
mij drijft, gelijk de wind de bladeren die op den weg liggen, en ik
kan het niet tegenhouden. Misschien ware het maar 't best, dat ge
mij liet sterven; dan waart ge op eens verlost van mijne boosheid en
alles zou voorbij zijn."

"Hoe kunt gij zoo spreken?" viel Marthana haar in de rede. "Gij zijt
wild en wat onstuimig, maar daarom niet slecht."

"Vraag het dien daar!" riep de herderin, en wees met vlammende blikken
op Hermas, die verlegen zijne oogen nedersloeg.

De senator wisselde met zijne vrouw een vluchtigen blik. Zij waren
gewoon elkander ook zonder woorden te verstaan.

"Wie gevoelt," zeide vrouw Dorothea, "dat hij niet is gelijk hij
wezen moet, die is reeds op den weg van beterschap. Wij lieten u bij
de geiten, omdat ge altijd de kudde naliept en in huis geen rust
kondt vinden. Vóor den morgendienst beklimt gij den berg en eerst
na het avondmaal keert gij terug. Voor uw geestelijk welzijn zorgde
niemand. De helft van uw schuld komt op ons hoofd neer, en wij hebben
geen recht u te straffen. Gij behoeft u niet te verwonderen. Ieder
kan struikelen; Petrus en ik zijn menschen als gij, niet meer en niet
minder. Maar wij zijn christenen, en het is onze plicht te waken voor
de zielen dergenen, die God ons heeft toevertrouwd, hetzij kinderen,
hetzij slaven. Gij zult niet meer naar den berg gaan; gij blijft bij
ons tehuis. Gaarne wil ik vergeven, wat gij in overijling hebt gedaan,
wanneer Petrus u ten minste niet verlangt te straffen."

De senator schudde ernstig van neen, waarop Dorothea tot Jethro de
vraag richtte: "Is Anubis zwaar verwond en moet hij verpleegd worden?"

"Hij heeft de koorts en ijlt," luidde het antwoord. "De oude Praxinoa
koelt zijne wond met water af."

"Dan moet Mirjam," beval Dorothea, "hare plaats vervangen en het
kwaad trachten te herstellen, dat zij heeft aangericht. De helft
van uw schuld is uitgedelgd, meisje, als Anubis onder uwe handen is
genezen. Straks kom ik met Marthana bij u, om u te leeren hoe men
compressen maakt."

De herderin sloeg de oogen neer en liet zich werktuigelijk naar den
kranke brengen.

Intusschen had Marthana den bruinen drank gereed gemaakt. Petrus
liet zich zijn staf en zijn vilten hoed geven, overhandigde Hermas
het geneesmiddel en noodigde dezen uit hem te volgen.

Sirona staarde beiden na en kon niet nalaten te zeggen: "Het is jammer
van dien flinken jonkman! Hem stond een purperkleed ook beter dan
dat ellendig schaapsvel."

De vrouw des huizes haalde de schouders op, gaf hare dochter een wenk
en zeide: "Kom aan den arbeid, Marthana, de zon staat reeds hoog aan
den hemel. Wat gaan de dagen toch snel voorbij! Hoe ouder men wordt,
des te spoediger vliegen de uren om!"

"Dan moet ik wel zeer jong zijn," hernam de Gallische, "want voor
mij kruipt de tijd in deze eenzaamheid ontzachlijk langzaam voort. De
eene dag is als de andere, en dikwijls is het mij als stond het leven
geheel stil, en daarmee ook het kloppen van mijn hart. Wat zou ik
zijn zonder uw huis en de kinderen! Altijd dezelfde berg en dezelfde
palmen en dezelfde aangezichten!"

"Maar de berg is grootsch," antwoordde Dorothea, "en de boomen zijn
schoon, en als men de menschen liefheeft, met wie wij dagelijksch in
aanraking komen, dan kan men ook hier tevreden zijn. Wij ten minste
zijn het, zoover de levensomstandigheden het ons toelaten. Maar ik
heb u dikwijls gezegd: u ontbreekt werk!"

"Werk? Maar voor wien dan?" vroeg Sirona. "Ja, als ik kinderen had,
gelijk gij! In Rome was ik ook niet gelukkig, zeker niet; maar daar
viel wat te doen en te denken; nu eens een optocht, dan weder eene
tooneelvoorstelling. Maar hier. Voor wien zal men zich tooien? Mijn
gouden sieraden worden dof in de kast en mijne beste kleederen door de
motten verteerd. Uit mijn veelkleurigen mantel maak ik poppenkleederen
voor uwe kleinen. Als een demon mij in een egel of in een grijzen
uil veranderde, het zou mij onverschillig kunnen zijn!"

"Bezondig u niet," zeide Dorothea ernstig, en zag met welgevallen op
naar de goudgele haren en het wonderschoone en vriendelijke gelaat
van de jonge vrouw. "Het moest u een genot zijn, u sierlijk te kleeden
voor uw echtgenoot!"

"Voor hem?" vroeg Sirona. "Hij ziet mij niet eens aan, en als hij het
doet, dan is het alleen om mij te krenken. Het verbaast mij steeds,
dan ik nog vroolijk kan zijn. Ik ben het ook maar alleen in uw huis,
en ook daar slechts dan, wanneer ik niet aan hem denk."

"Ik mag zulk eene taal niet aanhooren, neen, in het geheel niet," viel
Dorothea haar op strengen toon in de rede.--"Neem het linnen en het
koelwater, Marthana, wij zullen de wonden van Anubis gaan verbinden."







VIERDE HOOFDSTUK.


Petrus beklom met Hermas den berg. De oude man volgde den jongeling
die hem den weg wees, en bewonderde, zoo vaak hij den blik tot hem
ophief, diens breede schouders en de veerkracht zijner ledematen.

Bij eene kleine bergvlakte gekomen werd de weg wat breeder en nadat
beide wandelaars een tijdlang naast elkander waren voortgegaan,
zonder een woord te spreken, vroeg de senator: "Hoe lang woont uw
vader nu reeds op den berg?"

"Al menig jaar," antwoordde Hermas, "maar ik weet niet hoevele. Het
doet er ook weinig toe. Bij ons vraagt niemand naar den tijd."

De senator bleef stilstaan, nam zijn geleider weder met de oogen op
en vroeg: "Zijt gij bij uw vader gebleven, sedert hij hierheen kwam?"

"Hij wil mij niet laten heengaan," antwoordde Hermas met somberen
blik. "Ik ben nog maar tweemalen alleen in de oase geweest, toen ik
naar de kerk ging."

"Gij hebt dus ook geene school bezocht?"

"Welke zou ik bezocht hebben? Mijn vader leerde mij de evangeliën
lezen. Ik heb ook kunnen schrijven, maar dat zal ik wel verleerd
zijn. Waartoe zou het ook dienen? Wij leven als biddende dieren."

Die laatste woorden werden op zeer bitteren toon uitgesproken. Petrus
sloeg een blik in de met spijt en wrevel vervulde ziel van zijn
metgezel, bij wien het verlangen der jeugd, om zijne krachten te
beproeven, zich met alle macht verzette tegen dat verslijten van zijn
leven in ledigheid, waartoe hij veroordeeld was. Hij had medelijden
met Hermas, en was de man niet om een natuurgenoot voorbij te gaan,
zonder hem te helpen. Bovendien gedacht hij zijne eigene zonen, die van
der jeugd waren geoefend en in ernstige plichtsbetrachting opgegroeid,
en hij zeide bij zichzelven, dat die schoone jongeling naast hem niet
minder was dan zij; dat het hem slechts aan de rechte leiding ontbrak.

Nadenkend keek hij nu eens den jongeling aan, dan weder voor zich,
en mompelde daarbij al voortgaande eenige onverstaanbare woorden
achter zijn grijzen baard. Opeens verhief hij zich in al zijne lengte
en knikte toestemmend met het ernstige hoofd. Hij wilde beproeven
Hermas te redden, en volgens zijne gewone manier van handelen, liet
hij de daad onmiddellijk op het voornemen volgen. Aan het einde van
de bergvlakte verdeelde zich de weg. Een pad liep bergopwaarts, het
andere daalde naar het dal af en eindigde bij de steengroeve. Petrus
wilde het laatste volgen, doch Hermas riep hem toe: "Deze weg leidt
niet naar onze spelonk. Gij moet mij volgen."

"Volg gij mij," antwoordde de senator, en legde zulk een bijzonderen
nadruk op het voorlaatste woord, dat de jongeling de tweeledige
beteekenis daarvan niet kon ontgaan. "De dag is nog lang en wij
willen eens zien wat mijne arbeiders uitvoeren. Kent gij de plaats,
waar wij de steenen uithouwen?"

"Hoe zou ik die niet kennen?" vroeg Hermas, en ging den senator als
gids vooruit. "Ik ken alle wegen op onzen berg naar de oase en de
zee. In de kloof achter uwe groeven had een panter zijn leger."

"Dat hebben we ontdekt," zeide Petrus. "Die roover heeft twee mijner
kameelen verworgd. Het volk kon hem noch met strikken vangen, noch
met honden verjagen."

"Gij behoeft niet voor hem te vreezen," zeide de jongeling
lachende. "Ik heb het mannetje van dien rots daarboven met mijn pijl
neergeschoten, en het wijfje vond ik in het hol bij hare jongen. Met
haar had ik het zwaarder te verantwoorden. Mijn dolk is zoo slecht, en
de koperen kling boog toen ik een stoot gaf. Ik moest die gestreepte
duivelin met mijne handen worgen. Zij heeft mij daarbij den schouder
opengekrabd en in den arm gebeten. Zie die litteekens eens! Maar
bij mij gaat de genezing der wonden, goddank sneller dan bij mijn
vader. Paulus zeide dat ik veel op een aardworm geleek, die als men
haar midden doorsnijdt, afscheid neemt van zichzelven, en gezond en
wel, half hierheen, half daarheen kruipt. Die jonge panters waren
zoo jolig en hulpbehoevend tegelijk, dat ik niet besluiten kon
ze te dooden. Ik deed ze in mijn schaapsvel en bracht ze bij mijn
vader. Wat had hij een vermaak in die kleine schepsels! Daarna nam
een Nabateër ze mede naar Klysma, om hen aan kooplieden uit Rome
te verkoopen. Dáar en te Byzantium hebben zij behoefte aan allerlei
levende roofdieren. Ik heb voor die beesten en het vel van den oude
ook geld gekregen, en mocht het als teerpenning behouden, toen ik
met de anderen naar Alexandrië reisde, om den zegen af te smeeken
van den nieuwen patriarch."

"Waart gij dan in de hoofdstad?" vroeg Petrus. "Hebt gij de groote
bouwwerken gezien, die de kust tegen het geweld der zee moeten
beschermen, den grooten vuurtoren, waarvan het licht op zoo grooten
afstand kan worden gezien, de vaste bruggen, de kerken, de paleizen en
tempels met hunne obelisken, zuilen en keurig geplaveide voorhoven! Is
u daarbij nooit in de gedachten gekomen, welk een heerlijk gevoel
het zijn moet zulk een bouw tot stand te brengen?"

Hermas schudde ontkennend het hoofd en antwoordde: "Ik zou wel liever
in een luchtig huis met hooge zuilen leven, dan in onze sombere holen,
maar het te bouwen zou mijn zaak niet zijn. Wat duurt het niet lang
eer de eene steen op den anderen staat! Ik heb geen geduld genoeg,
en als ik mijn vader verlaat, dan wil ik iets doen waardoor ik roem
kan verwerven.--Maar daar zijn wij reeds aan de groeven...."

Petrus liet zijn geleider niet uitspreken, maar viel hem in de rede,
terwijl hij met jeugdig vuur uitriep: "En gij meent dat men met de
bouwkunst geen roem kan inoogsten? Zie daar die blokken en platen en
hier die cylinders van harden steen. Ze zijn allen voor Aïla bestemd,
want daar zal mijn zoon Antonius, de oudste van de twee, die gij zoo
straks gezien hebt, een bedehuis bouwen met vaste muren en zuilen,
veel schooner en grooter dan onze kerk in de oase, die ook reeds zijn
werk is. Hij is niet veel ouder dan gij, maar reeds nu roemt men hem
heinde en ver. Uit deze roode blokken daar beneden zal mijn jongsten
zoon Polycarpus fiere leeuwen beitelen, die bestemd zijn om in de
hoofdstad het edelste bouwwerk te versieren. Wanneer ze mij en u en
alle levenden reeds lang hebben vergeten, zal men nog zeggen: dat
zijn de gewrochten van meester Polycarpus, den zoon van Petrus, den
Pharaniet. Wat hij vermag, is eenig in zijn soort. Niemand, die niet
tot de uitverkorenen behoort, kan zeggen: dat wil ik ook leeren! Maar
gij hebt een helder verstand, sterke handen en opene oogen, wie kan
weten wat er misschien nog in u schuilt! Kondet gij spoedig in de
leer komen, dan zou het toch nog niet te laat zijn om een deugdelijk
meester van u te maken. Maar voorwaar, wie het zoover brengen wil,
die moet geen arbeid ontzien. Gij haakt naar roem? Dat is goed en ik
kan er mij slechts over verheugen. Doch gij moet het weten: wie deze
zeldzame vruchten wil oogsten, die moet haar, gelijk een edel heiden
eens zeide, met zweet besproeien! Zonder moeite, arbeid en strijd is
er geene overwinning en zonder overwinning verwerft men zelden roem."

De levendigheid van den ouden man deelde zich aan de ziel van den
jongeling mede, en vol geestdrift riep hij uit: "Wie zegt u, dat ik
strijd en moeite ontzie? Ik ben bereid alles, zelfs mijn leven er aan
te wagen om roem te verwerven. Maar steenen af te meten, op weerlooze
blokken met hamer en bijtel te slaan, of dezen met veel moeite saam
te voegen, dat kan mij niet aanlokken. Ik zou in de palaestra kransen
willen verwerven en den sterkste ter aarde werpen, of als krijgsman
in den slag anderen voorgaan. Mijn vader was ook een soldaat, en
al spreekt hij van vrede en altijd van vrede, zooveel hij maar wil,
in zijne droomen vertelt hij toch van bloedigen strijd en brandende
wonden. Wanneer gij hem doet herstellen, blijf ik niet langer op
dezen eenzamen berg, en zal ik trachten heimelijk te vluchten. Waartoe
anders gaf God mij deze armen, dan om ze te gebruiken?"

Petrus antwoordde niet op deze woorden, die met stormachtige
gejaagdheid over Hermas' lippen waren gevloeid. Hij streek zijn grijzen
baard en dacht bij zichzelven: "Het jong van een adelaar vangt geene
vliegen. Dit soldatenkind zal ik nimmer voor ons vreedzaam handwerk
winnen. Maar op den berg, onder die zonderlinge ledigloopers, mag
hij niet blijven, want daar kwijnt hij weg; en daarvoor is hij van
te goede afkomst...."

Nadat hij den opzieners van zijn werkvolk eenige bevelen had gegeven,
volgde hij den jongen man naar zijn lijdenden vader.



Reeds eenige uren geleden hadden Hermas en Paulus den kranken
Anachoreet verlaten. Deze laatste lag nog altijd alleen in zijne
spelonk. De al hooger en hooger stijgende zon brandde op de rotsen,
die op hunne beurt gloeiende warmte uitstraalden, en de woning van
den kluizenaar vervulden met eene verstikkende hitte.

De pijnen in de wond van den armen Stephanus namen in hevigheid toe,
de koorts klom en hij versmachtte van dorst. Daar stond de kruik,
die Paulus hem schonk en sedert lang ledig was. Doch noch Paulus noch
Hermas keerden terug.

Angstig luisterde hij in de verte. Eerst kwam het hem voor als hoorde
hij de schrede van den Alexandrijn; daarna meende hij luid spreken en
een zacht gesteun buiten zijn hol te hooren. Stephanus beproefde te
roepen, maar hij kon zelf ternauwernood het zachte geluid hooren, dat
hij aan zijne gewonde borst en zijne uitgedroogde mond ontperstte. Toen
wilde hij bidden, maar eene schrikkelijke inwendige angst belette
hem zijne gedachten te verzamelen.

Al de ellende der verlatenheid greep hem aan. De man die na een leven,
zoo overrijk aan daden, genietingen, teleurstelling en verzadiging,
onverdroten en eenzaam, in volhardenden zielestrijd naar het hoogste
doel streefde, gevoelde zich nu zoo troosteloos verlaten, als een
verdwaald kind, dat zijne moeder verloren heeft. Zacht jammerende lag
hij daar op zijn krankbed. Zoodra hij aan de schaduwen van de rots
bemerkte, dat de zon hare middaghoogte reeds overschreden had, begon
hij bij zijne smart, zijne angst en zijn dorst wrevelig en bitter
te worden. De vuisten ballende, prevelde hij woorden, die klonken
als soldatenvloeken, waarbij hij nu eens den naam van zijn zoon, dan
dien van Paulus noemde. Eindelijk kreeg de angst weder de overhand
over zijn toorn, en kwam het hem voor, als moest hij de pijnlijkste,
ver achter hem liggende uren van zijn bestaan nog eens doorleven.

Hij zag hoe hij wederkeerde van een luidruchtig feest in het keizerlijk
paleis. Zijne slaven hadden zijne borst en zijn voorhoofd ontdaan van
de kransen, uit popelgroen en rozen gevlochten, en hem zijn nachtgewaad
aangetrokken. Daar naderde hij zijn slaapvertrek, met de zilveren lamp
in de hand. Hij glimlachte, want daar wachtte hem zijne jonge vrouw,
de moeder van zijn Hermas. Zij was zoo schoon, en hij had haar zoo
lief! Hij bracht van den keizerlijken disch allerlei aardigheden mede
naar huis. Zoo iemand, dan mocht hij vroolijk zijn. Thans trad hij
het voorvertrek binnen, waarin gewoonlijk twee slavinnen waakten. Hij
vond er maar éene en deze lag in diepen slaap. Lachend lichtte hij
haar in het gezicht. Wat zag zij er dom uit met dien open mond! Het
slaapvertrek werd zacht verlicht door eene albasten lamp. Zachtkens en
steeds lachende naderde hij de elpenbeenen legerstede van Glycera. Doch
toen hij zijne lamp ophief en op het ledige bed zijner vrouw staarde
dat nog niet was aangeroerd, lachte hij niet meer, en sedert dien
avond had hij jaren lang niet weder gelachen, want Glycera had hem
verraden en verlaten, hem en haar kind.

Dat was nu twintig jaren geleden, en heden stond alles, wat hij toen
doorleefd had, hem weder helder voor den geest. Hij zag gelijk toen,
het ledige bed zijner vrouw voor het oog zijner verbeelding, en hij
gevoelde zich zoo eenzaam en verlaten als in dien feestnacht.

Daar vertoonde zich eene schaduw vóor de opening van het hol. Hij
haalde weder vrij adem, nu hij verlost was van dit schrikkelijk
droomgezicht; want hij had Paulus herkend, die aan zijne zijde
nederknielde.

"Water, water!" smeekte Stephanus zacht. De Alexandrijn, wien het
gejammer van den ouden man, dat hij dadelijk bij het binnentreden van
de spelonk hoorde, diep door de ziel sneed, greep de kruik, keek er in,
zag dat zij geheel was uitgedroogd, en vloog toen, als gold het een
wedloop, naar de bron beneden, vulde haar met water, zette haar den
kranke aan de lippen, die met gretige teugen den laafdrank opslurpte,
en diep ademhalende uitriep: "Nu is het weer goed. Waar zijt gij toch
zoolang gebleven? Ik was zoo dorstig!"

Paulus, die naast den grijsaard op de knieën was neergezonken, drukte
zijn voorhoofd in de legerstede en antwoordde niets.

Stephanus zag zijn metgezel verwonderd aan, en toen hij bespeurde
dat deze hevig weende, vroeg hij niet verder.

Gedurende een uur heerschte er doodsche stilte in het hol. Ten laatste
hief Paulus zijn hoofd op en zeide: "Vergeef mij, Stephanus. Terwijl
ik door gebed en geeseling de rust trachtte weer te vinden, die ik
zelf had verspeeld, heb ik uw nood en angst vergeten. Dat zou zelfs
geen heiden gedaan hebben!"

De kranke liet vriendelijk de hand over den arm van zijn verpleger
glijden; deze prevelde echter: "Zelfzucht, ellendige zelfzucht leidt
en bestuurt ons. Wie onzer vraagt naar den nood van anderen? En wij,
wij meenen de wegen van het Lam Gods te bewandelen!"

Hij zuchtte smartelijk en leunde met zijn hoofd tegen de borst van
den kranke, die liefderijk de ruige haren van den ander streelde.

Zoo vond de senator hem, toen hij met Hermas den spelonk betrad. De
tijddoodende ledigheid van de Anachoreten was geheel in strijd met
zijne opvatting van de levensroeping, die de mensch en de christen
te vervullen had. Doch hij hielp waar hij kon, en vroeg niet naar
den persoon des lijders.

De innige vereeniging, waarin hij de beide mannen vond, bewoog zijn
hart, en terwijl hij zich tot Paulus wendde, zeide hij vriendelijk:
"Ik kan u getroost verlaten, want gij schijnt mij een trouw verpleger
te zijn."

De Alexandrijn kreeg een kleur, schudde het hoofd, en antwoordde:
"Ik heb alleen aan mijzelven gedacht en mijn plicht verzuimende hem
laten lijden en versmachten! Maar nu verlaat ik hem niet meer, neen
zeker niet, en met Gods hulp en de uwe zal hij genezen."

Petrus knikte hem vriendelijk toe, want hij geloofde niet aan
de zelfbeschuldiging van den Anachoreet, maar wel aan zijn goeden
wil. Hij beval Hermas, alvorens het hol te verlaten, dat hij hem den
volgenden dag vroeg zou komen opzoeken, om hem bericht te brengen
van den toestand zijns vaders. Hij wenschte niet enkel Stephanus te
genezen, maar wilde ook in betrekking blijven tot den jongeling, die
in zoo hooge mate zijne belangstelling had gewekt. Hij was besloten
hem te helpen, en hem te onttrekken aan het werkeloos leven, waarin
hij wegkwijnde.

Paulus weigerde deel te nemen aan het eenvoudig avondmaal, dat vader
en zoon gingen gebruiken, en verklaarde bij den kranke te willen
blijven. Hij verzocht Hermas, die in de beperkte ruimte van de spelonk
geen plaats meer kon vinden, zich ter ruste te leggen in zijn verblijf.

Voor dezen jongeling was heden een nieuw leven aangebroken, want alle
verzuchtingen en wenschen, die sedert zijne reis naar Alexandrië zich
verward en nevelachtig in zijn ziel verdrongen, hadden heden gedaante
en kleur gekregen, en hij wist nu zeker dat hij geen Anachoreet
wilde blijven, maar zijne opbruischende kracht in het leven zou
beproeven. "Mijn vader," dacht hij, "was een krijgsman, en bewoonde
een paleis, voordat hij zich in ons dompig hol terugtrok. Paulus
was Menander, en heeft ook nu het werpen met den discus nog niet
vergeten. Ik ben jong, sterk en vrijgeboren, evenals zij, en Petrus
zegt dat ik een flink man geworden ben. Ik wil niet evenals zijne
zonen steenen opstapelen en metselen; maar de keizer heeft soldaten
noodig, en onder al de Amalekieten, ja zelfs onder de Romeinen hier
in de oase, vond ik er geen, met wien ik het niet zou durven opnemen."

Terwijl hij zoo dacht, rekte hij zijne leden uit, en bracht hij de
handen aan zijne breede borst. Toen hij ingeslapen was, droomde hij
van wedloopen en van een purperen kleed, dat Paulus hem overhandigde,
van eene krans uit populierenbladeren gevlochten, die op zijne geurige
lokken rustte, en van de schoone vrouw, die hij ontmoet had in het
huis van den senator.







VIJFDE HOOFDSTUK.


Stephanus had, dank zij het geneesmiddel van den senator, goed
geslapen.

Paulus zat naast hem en verroerde geen lid. Hij hield zijn adem
in en deed zich geweld aan, om toch elken prikkel tot hoesten te
onderdrukken, ten einde de zachte sluimering van den ouden man niet
te storen.

Een uur na middernacht was de oude wakker geworden, en nadat hij langen
tijd met open oogen had liggen nadenken, sprak hij ernstig: "Gij
noemdet u zelven en ons zelfzuchtig. Ik voor mij ben het zeker! Dat
heb ik heden niet voor het eerst maar reeds dikwijls tot mijzelven
gezegd, sedert den tijd dat Hermas uit Alexandrië is teruggekeerd
en het lachen verleerd heeft. Hij is niet tevreden, en zoo vaak ik
mij afvraag wat er van hem worden moet wanneer ik dood ben, als hij
den Heer loslaat en de wellust najaagt, dan huiver ik. Ik meende het
zoo goed met hem, toen ik hem medenam naar den heiligen berg. Maar
dat was toch het eenige niet. Het viel mij te zwaar, mij geheel van
het kind te scheiden. Mijn God, elk jong dier is toch verzekerd van
de trouwe liefde zijner moeder; maar de zijne zag naar hem niet om,
toen zij met haren verleider mijn huis ontvluchtte. Zijn vader,
dacht ik, moet hij ten minste behouden, en wanneer hij opgroeit in
afzondering van de wereld, zal hij bewaard worden voor al de ellende,
waarvan ik zoo ruimschoots mijn deel heb gehad. Ik wilde hem opvoeden
voor den hemel, voor een leven zonder leed. En thans?...... Als hij
ongelukkig wordt, wordt hij het door mij! Bij alle andere smarten
komt nu ook nog deze zorg."

"Gij hebt den weg voor hem gezocht," sprak Paulus, "en het overige
zal vanzelf wel terechtkomen. Hij heeft u lief en zal u zeker niet
verlaten, zoolang gij lijdt."

"Zeker niet?" vroeg de kranke angstig. "Wat heeft hij ook voor wapenen
om zich in het leven te verweren?"

"Gij hebt hem den Heiland tot leidsman gegeven; dat is genoeg," hernam
Paulus, om den ouden wat tot kalmte te brengen. "Het zijn geen effen
wegen die ten hemel voeren; bovendien, niemand kan de zaligheid voor
zijn naasten verwerven."

Stephanus zweeg lang; eindelijk ging hij weder voort: "Het is den
leermeester voor zijn leerling, den vader voor zijn zoon zelfs niet
vergund, de eenvoudigste levenservaringen op te doen. Wij kunnen het
doel aanwijzen, maar de weg daartoe is voor ieder een verschillende."

"Zoo laat ons God danken," riep Paulus, "want Hermas staat reeds op
het pad, dat wij eerst moesten zoeken gij en ik."

"Gij en ik," herhaalde de kranke nadenkend. "Ieder onzer heeft zijn
weg gezocht, doch altijd alleen naar den zijnen, niet naar dien van
den ander gevraagd. Die zelfzucht, die zelfzucht! Hoeveel jaren wonen
wij hier reeds dicht bij elkander, en toch heb ik nog nimmer behoefte
gevoeld u te vragen, wat gij van uw jeugd weet, en hoe de genade
u deelachtig werd. Ik vernam bij gerucht, dat gij uit Alexandrië
afkomstig zijt, dat gij een heiden waart en om het geloof veel hebt
moeten lijden. Daarmede stelde ik mij tevreden. Gij schijnt ook niet
gaarne over die lang vervlogen dagen te spreken. Wij moeten onzen
naasten liefhebben als ons zelven; en wie was mij nader dan gij? O,
die zelfzucht! Er zijn ook afgronden op den weg tot God."

"Ik weet u niet veel te vertellen," zeide Paulus, "maar men vergeet
toch niet wat men eens geweest is. Men zet het van zich, men meent
daarvan los te zijn, maar opeens staat het weer voor ons en groet ons
als een oud bekende. Al komt de kikvorsch ook een enkele maal op den
boom, hij springt toch weder naar het moeras terug."

"Niet waar, de herinnering laat zich niet dooden!" hervatte de
kranke. "Ik kan nu niet meer slapen. Vertel mij wat van uw jeugd,
en hoe gij een christen geworden zijt. Wanneer twee mannen langen
tijd denzelfden weg bewandeld hebben, en de ure van scheiding slaat,
dan vraagt de een den ander toch ook naar zijn afkomst en zijn naam."

Paulus staarde een tijd lang voor zich uit, daarna begon hij:

"Mijn speelgenooten noemden mij Menander, zoon van Herophilus. Verder
weet ik niet veel meer uit mijn jeugd, want ik zeide het u reeds:
sedert lang heb ik mijzelven verboden aan de wereld te denken. Wie de
zinnelijkheid verwerpt en de gedachte eraan behoudt, dien blijft...."

"Dat riekt waarlijk naar Plato," zeide Stephanus lachende.

"Heden komt al dat heidentuig weder bij mij boven," vervolgde
Paulus. "Ja, ik heb hem gekend en dikwijls gedacht, dat zijn gelaat
veel overeenkomst gehad kon hebben met dat van onzen Heiland."

"Toch slechts zooveel, als een schoon gezang met de stemmen der
engelen," hernam Stephanus, blijkbaar van een ander gevoelen.

"Wie zich eens verdiept in de stelsels der wijsgeeren....."

"Zoover is het bij mij eigenlijk nooit gekomen," verzekerde
Paulus. "Wel-is-waar moest ik de geheele school doorloopen: grammatica,
rhetorica, dialectica en muziek...."

"En arithmetica, geometrie en astronomie," vulde Stephanus aan.

"Deze drie liet men reeds sedert eenige jaren aan de geleerden over,"
ging Paulus voort, "en ik was nooit bijzonder leergierig. In de
school van den rhetor bleef ik bij mijne makkers veel ten achter, en
zoo ik Plato leerde lief hebben, dan heb ik dit aan den Atheenschen
paedonomos [2] te danken, een waardig man, dien mijn vader voor ons
in huis had genomen."

"Men zegt dat hij een groot koopman geweest is," zeide de kranke
weder. "Gij zijt toch misschien geen zoon van den rijken Herophilus,
wiens zaken in Antiochië werden waargenomen door den braven jood
Urbib?"

"Welzeker, dat ben ik," antwoordde Paulus, en sloeg verlegen de oogen
neder. "Onze huishouding was inderdaad koninklijk, dat wil ik niet
ontkennen, en 't was zonde zooveel slaven wij hadden! Wanneer ik aan
al die beuzelingen denk, waarvoor mijn vader te zorgen had, dan kan ik
nog duizelen. Hij bezat twintig zeeschepen in de haven van Eunostus, en
tachtig Nijlbooten in het Mareotische meer. Een stad vol armen had hij
kunnen verzorgen uit de winst, die de papyrusfabrieken opleverden. Doch
wij hadden onze inkomsten voor andere dingen noodig. Onze Cyrenaeische
paarden stonden in marmeren stallen, en de groote zaal, waarin vader
zijne vrienden ontving, geleek wel een tempel.--Maar ziet gij wel
hoe de wereld ons aangrijpt, wanneer wij aan haar denken? Laten wij
het verleden liever rusten!--Moet ik toch verder vertellen? Nu dan,
mijne kindsheid ging voorbij als die van duizend andere zonen van
rijke burgers; mijne moeder echter was buitengewoon schoon, lief en
engelachtig goed."

"Voor elk kind is zijne eigene moeder de beste," prevelde de kranke.

"En voor mij was het zeker de mijne," vervolgde Paulus. "Toch is zij
slechts eene heidin geweest. Van haar kreeg ik altijd een goed woord,
een vriendelijken blik, als vader mij leed had gedaan door zijne
strenge berisping. Zeker was er niet veel aan mij te prijzen. Het
leeren viel mij al bijzonder zwaar, en al had ik op de school beter
vorderingen gemaakt, dan zou mij dit toch niet in rekening zijn
gebracht, want mijn broeder Apollonius, die zoowat een jaar jonger
was dan ik, leerde het moeielijkste alsof het maar spelen was. Bij de
oefening in de dialectiek was er weldra geen rhetor in Alexandrië,
die het tegen hem kon uithouden. Geen stelsel was hem vreemd, en
ofschoon men nooit kon merken, dat hij zich bijzonder inspande,
was hij toch de eerste op menig gebied van wetenschap. In twee
dingen alleen was ik zijn meerdere: in de muziek en in athletische
kunsten. Terwijl hij studeerde en disputeerde, won ik kransen in het
worstelperk. Doch de beste rhetor en vechter met woorden was toen de
voortreffelijkste man, en mijn vader, die zelf in de raadsvergadering
wist te schitteren als een vurig en smaakvol redenaar, hield mij
voor een half mislukten domkop. Totdat hem eens een geleerd cliënt
van ons huis een gesneden steen overhandigde met een epigram, waarin
te lezen stond: "Wie de edelste gaven van den Griekschen stam wil
aanschouwen, die moge het huis van Herophilus bezoeken; dáar toch zijn
te bewonderen, in Menander de kracht en bevalligheid des lichaams,
en gelijke eigenschappen des geestes in Apollonius." Deze versregels,
die in de gedaante van eene luit geschreven waren, gingen van mond
tot mond, en bevredigden de eerzucht mijns vaders, die van nu aan
ook een woord van lof sprak, als mijn vierspan in de renbaan had
overwonnen of wanneer ik, met kransen getooid, uit de worstelspelen
of den zangstrijd wederkeerde. Ik bracht mijn leven door in de baden,
de palaestra en in vroolijke drinkgelagen."

"Dat alles weet ik bij ervaring," zeide Stephanus, "en de herinnering
hieraan heeft mij vaak verontrust. Viel het u gemakkelijk deze
tooneelen uit uwe verbeelding te verbannen?"

"In den beginne had ik zwaar te strijden," zuchtte Paulus, "maar
sedert eenigen tijd, nu ik over de veertig heen ben, plagen mij
de verzoekingen der wereld steeds minder. Alleen moet ik zorgen de
boodschaploopers, die den visch uit de vlekken aan het meer en uit
Raïthoe naar de oase brengen, te ontgaan."

Stephanus zag den ander vragend aan; Paulus vervolgde echter: "Ja,
dat is wel vreemd! Of ik mannen of vrouwen zie, de zee of dezen berg:
nooit denk ik aan Alexandrië en altijd aan heilige dingen. Maar
wanneer ik vischlucht ruik, zie ik in mijne verbeelding de markt,
en denk ik aan vischbanken en oesters.--"

"Die van Canobus zijn voortreffelijk," viel Stephanus hem in de rede;
"men bakt daar kleine pasteitjes...."

Paulus veegde zich met de bovenzijde van zijne hand de gebaarde
lippen af en zeide: "Bij den dikken kok Philemon in de Herakleotische
straat!"....

Maar dadelijk brak hij af en vervolgde beschaamd: "Het zou toch beter
zijn als ik ophield te vertellen. De schemering breekt nog niet aan,
en gij moet trachten nog wat te slapen."

"Ik kan niet," zuchtte Stephanus. "Als gij mij liefhebt, voleindig
dan het verhaal uwer geschiedenis."

"Maar val mij dan niet weder in de rede," verzocht Paulus en ging
voort: "Bij al dat vroolijke leven gevoelde ik mij niet gelukkig,
neen waarlijk niet. Wanneer ik soms alleen was, en niet te midden
mijner lustige makkers en, onder aanvallige meisjes met popelgroen
bekranst den beker ledigde, dan was het mij soms als wandelde ik aan
den rand van een zwarten afgrond, of als ware alles in mij en rondom
mij ledig en woest. Uren lang kon ik in zee staren, en als dan de
golven zich verhieven om weder te dalen en geheel te vervloeien,
dacht ik dikwijls dat ik niet ongelijk was aan deze, en dat de
toekomst van mijn nietswaardigheden toch een ijdel niets was. Onze
goden hadden weinig waarde voor ons. Mijne moeder offerde nu eens
in dezen, dan weder in genen tempel, al naar de behoefte van den dag
medebracht. Vader nam deel aan de feesten, maar dreef den spot met het
bijgeloof der menigte, en mijn broeder sprak altijd van het wezen van
licht, waaruit alles ontstaan zou zijn, en was steeds in de weer met
allerlei demonen en tooverformulieren. Hij was een aanhanger van de
leer van Jamblichus, Ablavius en andere Nieuw-Platonische wijsgeeren,
die mij, domkop, voorkwamen nu eens bovenmenschelijk diepzinnig,
dan weder onmenschelijk dwaas te zijn. Menig woord uit zijn mond is
mij bijgebleven, en eerst hier in de eenzaamheid heb ik het leeren
verstaan. Het redelijke buiten ons te zoeken is niets; maar het
hoogste is, wanneer de rede in ons zichzelve mag beschouwen. Zoo
dikwijls de wereld voor mij in het niet wegzinkt en ik in God leef,
hem alleen heb en vasthoud, zijne onmiddellijke nabijheid gevoel,
gedenk ik die leerstelling. Hoe zochten en luisterden al die dwazen,
of zij de waarheid ook vinden en verstaan mochten, de waarheid die
naast hen zoo luide verkondigd werd!

"Overal vond men Christenen, en zij behoefden zich in dien tijd niet
te verbergen; ik had echter niets met hen uit te staan. Maar tweemalen
kruisten zij mijn weg. De eene maal was ik niet weinig verdrietig,
toen in het renperk de paarden van een christen, die een Nazareenschen
zegen had ontvangen, de mijnen overwonnen. De andere keer was ik zeer
vreemd te moede, toen ikzelf zulk een zegen van een ouden christelijken
havenwerker ontving, wiens zoon ik uit het water had gered.

"Er verliepen jaren. Mijne ouders stierven. De laatste blik mijner
moeder was op mij gericht, want van al hare kinderen hield zij toch
het meest van mij. Men zeide ook dat wij veel op haar geleken, ik en
mijne zuster Arsinoë, die spoedig na den dood mijns vaders met den
praefect Pompejus in het huwelijk trad.

"Bij de verdeeling der erfenis liet ik de fabrieken en de leiding
der zaak aan mijn broeder over, ja ook het huis in de stad, ofschoon
het mij als den oudsten toekwam. Daarvoor nam ik het landgoed vóor de
Canobische poort in bezit, en vulde daar de stallen met edele paarden,
en de schuren met niet minder kostelijken wijn. Dien had ik noodig
ook, want de dagen waren aan de baden en het worstelperk gewijd,
maar de nachten werden met drinken doorgebracht, nu eens bij mij,
dan weder bij een vriend, of ook in een der herbergen te Canobus,
waar de gastmalen werden gekruid door gezang en dans van de schoonste
Grieksche meisjes.

"Wat hebben, zult gij vragen, deze plaatsen van ijdel zingenot met
uwe bekeering te maken? Hoor mij slechts aan. Toen Saul uitging om
de ezelinnen zijns vaders te zoeken vond hij eene kroon.

"Op zekeren dag waren wij in onze vergulde booten daarheen gevaren,
en de Lesbische Archidice had voor ons in haar huis een gastmaal
gereed gemaakt, zooals men het zelfs in Rome nauwelijks zou kunnen
toebereiden. Sedert Diocletianus, na den opstand van Achilleus,
onze stad had ingenomen, gedroegen zich de keizerlijke troepen, die
naar Alexandrië waren gekomen, meer dan overmoedig. Al maanden lang
hadden mijne vrienden met eenige jonge officieren uit Romeinsche
patricische familiën telkens weder verschil gehad over paarden,
vrouwen en weet ik wat niet meer. Nu wilde het ongeluk, dat wij juist
deze heertjes in de woning van Archidice aantroffen. Het kwam tot
bitse woorden, die de krijgslieden op hunne manier beantwoordden,
eindelijk tot beleedigingen, ja, toen de wijn hen en ons verhit had,
tot luide bedreigingen.

"De Romeinen verlieten de woning vóor ons. Met kransen getooid,
zingende en geen kwaad vermoedende, volgden wij hen een poos
later. Reeds waren wij dicht bij de haven, toen een schreeuwende troep
uit eene zijstraat te voorschijn kwam, en ons met blanke wapenen op het
lijf viel. Het was maneschijn, zoodat ik enkele van onze aanvallers
kon herkennen. Ik wierp mij op een langen tribuun, worgde hem en
zonk, toen hij viel, met hem op den grond. Wat verder geschiedde,
weet ik niet recht meer, want zwaardhouwen vielen als een slagregen
op mij neer en het werd mij zwart voor de oogen. Ik weet alleen nog
wat ik toen in het aangezicht van den dood heb gedacht."

"Wat dan?" vroeg Stephanus.

"Ik dacht," antwoordde Paulus, terwijl hij een kleur kreeg van
schaamte, "aan mijne kwartels in Alexandrië, die ik onderhield om
te vechten, of zij wel water hadden gehad. Daarna overviel mij eene
diepe en sombere bewusteloosheid. Weken lang heb ik zoo gelegen,
want ik was gehakt als het worstvleesch van den slager. Ik had twaalf
wonden, de kleine niet mede gerekend, ieder van welke zeker een ander
het leven zou hebben gekost. Gij hebt u immers menigmaal over mijne
litteekens verwonderd."

"En wien heeft de Allerhoogste uitverkoren om u te redden?"

"Toen ik ontwaakte," ging Paulus voort, "lag ik in een groot net
vertrek, achter een gordijn van helder doek. Ik kon mij niet oprichten,
en als had ik evenveel minuten als dagen gesluimerd, dacht ik dadelijk
weder het eerst aan mijne kwartels. Bij den laatsten kamp had mijn
beste haan dien van den schoonen Nicander leelijk toegetakeld, en
toch beproefde hij mij den inzet te betwisten. Ik wilde mij evenwel
recht verschaffen. De kwartels moesten althans nog eens tegen elkaar
in het strijdperk, en als Nicander mocht weigeren, dan wilde ik hem
in de palaestra tot een vuistkamp dwingen, en hem ter herinnering aan
zijn schuld een blauw teeken op het oog schilderen. Mijne handen waren
zwak en toch balden zij zich tot vuisten, als ik aan dat ergerlijk
gedrag dacht. Ik zal hem! prevelde ik in mijzelven.

"Daar hoorde ik hoe de deur van het vertrek, waarin ik sliep, werd
geopend, en zag hoe drie mannen eerbiedig een vierden naderden. Deze
laatste begroette hen waardig maar toch vriendelijk, en rolde een
geschrift op, waarin hij gelezen had. Gaarne had ik hem geroepen,
maar ik kon de drooge lippen niet openen. Toch zag en hoorde ik alles
wat er in de kamer bij mij voorviel.

"Dat kwam mij toen vreemd genoeg voor. Reeds de groet dezer mannen was
zoo zonderling. Weldra bespeurde ik, dat hij die op den stoel zat een
rechter was, en dat de anderen als klagers kwamen. Zij waren alle drie
oud en arm, maar goede menschen hadden hun een stuk grond in gebruik
gegeven. Gedurende den tijd van den akkerbouw was de een, een flinke
grijsaard met lange witte haren, ziek geweest, zoodat hij ook bij den
oogst niet had kunnen medehelpen. Nu zullen zij hem zeker, dacht ik
zoo bij mijzelven, zijn aandeel aan het koorn willen onthouden. Doch
het kwam gansch anders, uit. De gezonden hadden den kranke het derde
deel van het gedorschte in huis gebracht, en de grijsaard weigerde
hardnekkig de tarwe aan te nemen, daar hij noch bij het zaaien,
noch bij den oogst had medegeholpen. Hij verlangde van den rechter,
dat deze den anderen aan het verstand zou brengen, dat hij niet
gerechtigd was aan te nemen, wat hij zich inderdaad niet verworven had.

"De rechter had tot hiertoe gezwegen. Thans hief hij zijn verstandig
en vriendelijk gelaat op, en vroeg den grijsaard: 'Hebt gij voor uwe
gezellen en voor het gedijen van den arbeid gebeden?'

"Dat heb ik gedaan," antwoordde de oude.

"Zoo hebt gij hen door uwe voorbidding geholpen," besliste de
rechter. 'Het derde deel van den oogst is het uwe en gij moogt het
behouden!'

"De grijsaard boog; de mannen gaven elkaar de hand, en weldra was de
rechter weder alleen in het vertrek.

"Ik begreep niet recht wat er in mij omging. Zoowel de klacht als de
uitspraak van den rechter schenen mij onredelijk toe. Toch werd ik
door beiden in het hart geroerd. Ik sliep weder in, en toen ik den
volgenden morgen gesterkt ontwaakte, kwam de rechter naar mij toe en
bood mij geneesmiddelen aan, niet enkel voor het lichaam maar ook voor
de ziel, die zeker even diep gewond was als de arme gekwetste leden."

"Wie was die rechter?" vroeg Stephanus.

"Eusebius, de presbyter van Canobus. Christenen hadden mij halfdood op
de straat gevonden en in zijn huis gebracht, want de weduwe Theodora,
zijne zuster, was diakones der stad. Zij beiden hebben mij verpleegd,
als ware ik werkelijk hun broeder. Eerst toen ik krachtiger was
geworden, toonden zij mij het kruis en den doornenkroon van hem, die
ook om mijnentwil zooveel smartelijker lijden ondergaan heeft. Zij
leerden mij zijne wonden vereeren en de mijne met geduld dragen. Aan
het dorre hout der vertwijfeling botte weldra de groene knop der hoop;
in plaats van dat ijdel niets aan het einde des levens, toonden zij
mij den hemel met al zijne vreugde. Ik werd een nieuw mensch en de
toekomst lag voor mij als een eindeloos zalig bestaan. Na den dood,
dit leerde ik nu, zal er niets zijn dan de eeuwigheid. De poorten
des hemels waren wijd voor mij geopend en te Canobus werd ik gedoopt.

"In Alexandrië had men mij reeds als een afgestorvene betreurd, en
mijne zuster Arsinoë had, als mijne erfgename, met haar echtgenoot
den praefect mijn landhuis betrokken. Ik liet het gaarne aan haar
over en woonde van nu aan weder in de stad om, als de vervolgingen
opnieuw mochten beginnen, de broeders te kunnen bijstaan. Dat viel
mij gemakkelijk, want door mijn zwager was de toegang tot alle kerkers
voor mij geopend. Eindelijk moest ik in het openbaar voor mijn geloof
uitkomen en heb ik op de pijnbank en in de porfiergroeven veel moeten
lijden. Doch elke smart was mij welkom, daar zij mij het doel van
mijn vurig verlangen nader scheen te brengen. Als ik hier op den
heiligen berg mij over iets te beklagen heb, dan is het alleen over
dit, dat de Heer mij niet verwaardigt tot meerder lijden, daar toch
zijn eigen beminde zoon voor mij en elken arme, zulke bittere smarten
op zich genomen heeft."

"Gij heilige man!" prevelde Stephanus en kuste deemoedig Paulus'
schaapsvel; deze scheurde het hem echter uit de hand en zeide
mismoedig:

"Ik bid u, laat dat! Wie mij hier in dit leven met eerbewijzen nadert,
die werpt mij steenen in den weg op het pad der zaligheid. Thans ga
ik naar de bron om frisch water voor u te putten."

Toen Paulus met de kruik terugkeerde, vond hij Hermas, die zijn vader
een morgengroet bracht, eer hij weer naar den senator in de oase-stad
ging om nieuwe geneesmiddelen te halen.







ZESDE HOOFDSTUK.


Sirona zat voor het open venster van haar slaapvertrek, en liet door
eene oude zwarte slavin, die haar echtgenoot in Rome gekocht had, hare
blonde haren opmaken. Zij zuchtte, terwijl de slavin met welriekende
olie op hare vlakke hand, nu hier dan daar, den glanzenden hoofdtooi
van hare meesteres bestreek.

Thans greep de zwarte krachtig in de volle afhangende haren, waarover
een gouden glans lag gespreid; zij scheidde ze met beide handen,
om met het maken van vlechten te beginnen; doch Sirona weerde haar
af en zeide: "Geef mij den spiegel!"

Een tijdlang staarde zij weemoedig op het gladgepolijste metaal. Toen
zuchtte zij andermaal, tilde het hazewindhondje, dat aan haar voeten
gelegen had, in haar schoot en zeide, terwijl zij het diertje den
spiegel voorhield: "Daar, arme Jambo; als wij beiden binnen deze vier
wanden wat willen zien, dat ons bevalt, dan moeten wij hier inkijken."

Daarop vervolgde zij, terwijl zij zich tot de slavin richtte: "Wat
beeft dat diertje toch! Ik geloof dat het naar Arelate terug verlangt,
en bevreesd is dat wij nog lang hier onder de brandende zon zullen
blijven. Geef mij mijne sandalen."

De zwarte overhandigde hare meesteres twee kleine zolen met gouden
versierselen op de keurige riemen; Sirona wierp het haar met den rug
van haar hand naar achteren en riep: "De oude, niet deze! Een houten
schoen zou thans ook voldoende zijn."

Bij deze woorden wees zij naar den hof onder het venster, en deze
verkeerde inderdaad in zulk een toestand, als hadden hare met goud
geborduurde sandalen dien nog nooit betreden. Hij was van alle zijden
door gebouwen omgeven. Aan de eene zijde verhief zich een muur met
eene ingangspoort, op elk der anderen zijden stond een gebouw, die
te zamen een scherphoekig hoefijzer vormden.

Tegenover den vleugel, waarin Sirona met haar echtgenoot een onderkomen
had gevonden, stond het zooveel hoogere huis van Petrus, en beide waren
op den achtergrond van den hof aan elkander verbonden door een schuur
van roodbruinen steen met palmtakken gedekt. Daar woonden de slaven
van den senator en werd het akkergereedschap bewaard. Daarvóor lag
een hoop zwarte kolen, zooals men ze hier brandde uit het hout van den
doornigen Sayal-acacia, en een niet onaanzienlijke rij goed geslepen
molensteenen, die Petrus in zijne steengroeven liet vervaardigen en
in Egypte verkocht.

In dit vroege morgenuur lag deze geheele ruimte, die er niet
fraai uitzag, en door eene menigte hoenders en duiven bevolkt was,
in diepen schaduw. Sirona's venster alleen werd door de morgenzon
beschenen. Als zij geweten had welk een tooverglans het gouden licht
over hare gestalte, haar blank en blozend gelaat en haar glimmend haar
uitgoot, zou zij de zon vriendelijk hebben dank gezegd, terwijl zij
nu boos op haar was, omdat zij haar zoo vroeg wekte uit den slaap,
haar beste troost in de eenzaamheid.

Behalve over eenige zijvertrekken, had zij nog te beschikken over
een grooter vertrek, de voorkamer, die op den straat uitzag.

Op dit oogenblik hield zij hare hand voor de oogen en zeide:

"Die lastige zon! Zij kijkt bij ons het eerst door de vensters. Als
of ons de dagen niet lang genoeg vielen! De bedden moeten in het
woonvertrek opgemaakt worden; daar sta ik op!"

De slavin schudde het hoofd en antwoordde stamelend: "Dat wil
Phoebicius niet."

In Sirona's oogopslag lag wrevel, en hare bijzonder welluidende stem
trilde een weinig, toen zij vroeg: "Wat heeft hij nu weer?"

"Hij zegt," antwoordde de zwarte, "dat de zoon van den senator,
Polycarpus, uw venster meer voorbij gaat dan hem lief is, en het komt
hem voor, als bemoeit gij u meer dan noodig is met zijne kleine zusjes
en die andere kinderen daarboven."

"Is hij daar nog?" vroeg Sirona, terwijl hare wangen vuurrood werden
en zij dreigend met den vinger naar het woonvertrek wees.

"De heer is weg," stamelde de oude. "Hij ging reeds vóor zonsopgang
uit. Gij moest hem niet met eten wachten: hij komt eerst laat terug."

De Gallische antwoordde niet, maar zij boog het hoofd en hare bloeiende
gelaatstrekken teekenden diepe troosteloosheid.

Het hazewindje scheen het leed zijner meesteres ook te gevoelen,
want het richtte zich tot haar op, als wilde het haar kussen. De
verlatene vrouw drukte het diertje, dat zij uit haar vaderland had
medegebracht, hartstochtelijk aan haar borst, want haar hart werd
beklemd door een buitengewonen angst. Zij gevoelde zich zoo eenzaam,
zoo zonder vrienden, zoo geheel aan zichzelve overgelaten, als dreef
zij alleen in een bootje zonder roer, alleen op de onmetelijke zee.

Huiverend kromp zij ineen. Zij had aan haar echtgenoot gedacht, aan
den man die alles voor haar moest zijn, en wiens tegenwoordigheid
haar toch met weerzin vervulde, wiens onverschilligheid haar niet
meer beleedigde en wiens teederheid zij oneindig meer vreesde dan
zijne wilde prikkelbaarheid. Zij had hem nooit liefgehad.

Zonder zorgen was zij onder vele broeders en zusters opgegroeid. Haar
vader was penningmeester van het college van decurionen in zijne
vaderstad. Hij woonde tegenover het circus; toch had hij, gestreng in
zijne beginselen, zijne dochters nooit veroorloofd de schouwspelen bij
te wonen. Maar hij kon haar niet verbieden de menigte het amphitheater
te zien binnenstroomen en weder verlaten, zonder het gejubel en de
hartstochtelijke kreten van woede en bijval te hooren.

Sirona werd groot, vervuld met het steeds levendiger maar nooit
bevredigd verlangen naar het genot, dat zij dagelijks voor oogen
zag. Zij had echter geen tijd om zich met onnutte dingen bezig te
houden, want hare moeder stierf eer zij tot vollen wasdom was gekomen,
en op haar rustte de taak, om voor hare acht jongere broertjes en
zusjes te zorgen. Dat deed zij dan ook zeer trouw, doch in hare
vrije uren luisterde zij gaarne naar de verhalen van de vrouwen der
beambten, die de heerlijkheden van het gulden Rome hadden gezien en
altijd roemden.

Zij wist dat zij schoon was, want zij behoefde maar even buitenshuis
te komen om het te hooren. Maar wanneer zij heimwee gevoelde naar de
hoofdstad, dan was het niet om bewonderd te worden, maar omdat daar
zooveel heerlijks te zien en te bewonderen was. Toen nu de centurio
Phoebicius, de bevelhebber over de bezetting in hare vaderstad,
naar Rome werd verplaatst, en verlangde haar, de zeventienjarige,
die meer dan veertig jaren jonger was dan hij, als zijne vrouw mede
te nemen naar de keizerstad, volgde zij hem in overmoed en vervuld
van blijde hoop.

Zeer spoedig na de bruiloft stak zij te Massilia in zee, vergezeld
van eene oude bloedverwante, en trok hij over land aan het hoofd
zijner cohorte naar Rome. Zij bereikte het doel der reis veel vroeger
dan haar echtgenoot, en gaf zich, hoewel altijd vergezeld van hare
bloedverwante, van ganscher harte en geheel onbevangen over aan de
vreugde van zooveel schoons te zien en te bewonderen. Daarbij ontging
het haar niet, dat zij overal de aandacht trok, en hoewel haar dit
in den aanvang streelde en behaagde, zoo bedierf het haar toch menig
genot, toen jonge en oude Romeinen begonnen haar na te loopen en het
hof te maken.

Eindelijk kwam ook Phoebicius aan, en toen hij bemerkte dat vele
bewonderaars van zijne vrouw zijn huis wat te dikwerf bezochten,
nam hij tegenover Sirona eene houding aan, alsof zij sedert lang hare
trouwbelofte had geschonden. Dit nam niet weg dat hij haar dwong van
de eene vermakelijkheid naar de andere, nu eens naar deze dan naar
gene vertooning mede te gaan. Want hij vond er behagen in met zijne
mooie jonge vrouw te pronken.

Wat haar betreft, zij was niet geheel vrij van behaagzucht. Maar zij
had van haren strengen vader, als opvoedster van hare broertjes en
zusjes, reeds jong geleerd, recht en onrecht, goed en kwaad juist van
elkaar te onderscheiden, en zij merkte spoedig op, dat de vermaken der
hoofdstad, die haar in den beginne toelachten, als bonte bloemen met
schitterende kleuren en bedwelmenden reuk, bloeiden boven afzichtelijke
moerassen.

Zij had aanvankelijk met welgevallen gezien naar alles wat schoon,
wat lieflijk, wat vreemd was. Doch haar echtgenoot vond slechts
behagen in het gemeene en verfoeielijke, waarvan zij walgde. Hij
bespiedde elk harer blikken, en toch wees hij haar bij voorkeur op
hetgeen het oog eener reine vrouw kwetsen moet. Het genoegen werd
haar tot eene kwelling, want ook van den zoetsten wijn gevoelen wij
een afkeer, wanneer hij wordt aangeroerd door onreine lippen. Na den
afloop van elk feest en ieder schouwspel, overlaadde hij haar met
smadelijke verwijten. Toen zij, zulk eene behandeling moede, eindelijk
weigerde een voet buiten de deur te zetten, dwong hij haar toch hem te
begeleiden, zoo dikwijls de legaat Quintillus, die over hem gesteld was
en haar dagelijks met bloemen en geschenken overlaadde, zulks wenschte.

Tot hiertoe had zij al haar best gedaan hem te verdragen, hem te
verontschuldigen, en zichzelve aansprakelijk te stellen voor veel
dat zij te lijden had. Daar werd haar echter--het was tien maanden na
hare komst in Rome--door Phoebicius iets voorgesteld, iets, dat zich
als een muur van metaal verhief tusschen hem en haar. En daar dit
iets ten gevolge had, dat hij, in plaats van bevorderd te worden,
gelijk hij had gehoopt, verbannen werd naar de afgelegene oase en
gedegradeerd tot aanvoerder van een armzalige handvol soldaten,
begon hij haar met opzet te kwellen. Zij trachtte zich te verweren,
door eene ijskoude onverschilligheid, en bracht het eindelijk zoo ver,
dat de man, voor wien zij niets dan verachting voelde, haar levensgenot
niet meer en niet minder bedierf dan eenig lichamelijk lijden, dat de
kranke veroordeeld is levenslang te dragen. In zijne tegenwoordigheid
zweeg zij, toonde zij zich trotsch en terughoudend, doch zoodra had
hij haar niet verlaten, of de haar van nature eigene goedheid en
kinderlijke vroolijkheid ontwaakte tot een nieuw leven. Haar warm
hart uitte zich in ongekunstelde blijdschap en deed de liefelijkste
bloemen ontluiken in het huis van den senator en onder de kleine
schare, die hare liefde met wederliefde vergold.

Phoebicius behoorde tot de aanbidders van Mithras. De dienst dezer
godheid deed hem nu eens vasten, zóo streng dat hij bijna werd
uitgeput, dan weder zich bedwelmen met de feestgenooten, tot hij zijn
bewustzijn verloor. Ook hier had hij in het Sinaïtisch gebergte een
grot voor het vieren der Mithras-feesten ingericht, en eenige weinige
geestverwanten rondom zich verzameld. Wanneer hij dagen en nachten
achtereen uitbleef, om bleeker dan gewoonlijk terug te keeren, dan
wist zij waar hij geweest was.

Op dit oogenblik stond het beeld van dezen man met zijne nu eens
slaperige, dan weder van brandenden toorn gloeiende oogen, in scherpe
omtrekken voor hare verbeelding, en zij vroeg zich af hoe het mogelijk
was geweest, dat zij er in had toegestemd zijne vrouw te worden. Eene
versnelde ademhaling deed haar borst zwoegen, want zij dacht weder
aan den hoon, die hij te Rome haar had aangedaan, en hare kleine
handen balden zich tot vuisten.

Plotseling hief het hondje zich op in haar schoot en sprong blaffend op
de vensterbank. Zij verschrikte een weinig, maakte haar morgenkleed,
dat van den blanken schouder was gegleden, weder dicht, snoerde de
laatste riemen van haar sandalen vast, en keek in den hof.

Terstond speelde er een glimlach om haren mond, want zij bespeurde
den jongen Hermas, die reeds lang roerloos tegen den wand van het
huis van Petrus had gestaan, en het beeld der schoone vrouw met zijne
blikken als verslonden had. Haar bewegelijk gemoed was als het oog,
waarin de verlammende duisternis geen spoor meer achterlaat zoodra
het een straal van het licht heeft opgevangen. Geen leed was in staat
haar zóo diep te treffen, dat niet de ademtocht van eenig nieuw genot
het naar alle windstreken kon uiteendrijven. Evenals vele rivieren bij
hare bronnen eene andere kleur hebben dan bij hare monding, zoo ging
het niet zelden met hare tranen; zij begon van smart te weenen, en
door overmaat van vreugde viel het haar moeilijk hare oogen te droogen.

Hoe gemakkelijk zou het Phoebicius zijn gevallen, haar het leven te
veraangenamen, want zij was hoogst gevoelig van hart en dankbaar,
ook zelfs voor het kleinste bewijs van liefde. Maar tusschen hem en
haar was elke band verscheurd.

De houding en het gelaat van Hermas bevielen haar. Zij vond dat
hij er voornaam uitzag, ondanks zijne armelijke kleeding. En toen
zij opmerkte dat zijne wangen gloeiden, en zijne hand, waarin hij
het medicijnfleschje hield, beefde, wist zij dat hij haar bespied,
dat haar aanblik zijn jeugdig bloed in beweging gebracht had.

Eene vrouw, en vooral eene die gaarne behaagt, vergeeft alles wat
om harentwil wordt misdreven, en hare stem klonk zelfs vriendelijk
genoeg, toen zij Hermas goeden morgen wenschte en hem vroeg hoe zijn
vader het maakte, en of het geneesmiddel van den senator gewerkt had.

De antwoorden van den jongeling waren kort en verlegen; doch zijne
oogen verrieden, dat hij haar gaarne gansch andere dingen zou gezegd
hebben, dan die zijne ongeoefende tong haar schuchter vermocht te
antwoorden.

"Vrouw Dorothea vertelde mij gisteren avond," zeide zij vriendelijk,
"dat Petrus hoopt uw vader te kunnen herstellen, maar hij is nog
zeer zwak. Misschien zou goede wijn hem helpen; heden nog niet,
maar morgen of overmorgen. Kom maar bij mij, wanneer gij dien noodig
hebt; wij hebben in den kelder ouden Falerner en witten Mareotischen,
die uitnemend en versterkend is."

Hermas dankte, en toen zij hem nogmaals aanmoedigde, om zich gerust
tot haar te wenden, wist hij over zich te krijgen, haar meer stamelend
dan sprekend toe te roepen: "Gij zijt niet minder goed dan schoon."

Deze woorden waren ter nauwernood over zijne lippen, toen de bovenste,
van de naast het slavenverblijf kunstig opgestapelde steenen, met
luid geraas naar beneden rolde.

Sirona schrikte en ging van het venster terug. Het hazenwindje begon
hard te blaffen, en Hermas bracht de hand aan het voorhoofd, alsof hij
uit een droom ontwaakte. Even daarna klopte hij aan de deur van den
senator. Nauwelijks had hij het huis betreden, of de tengere gestalte
van Mirjam kwam, als eene schaduw, achter de steenen te voorschijn,
om snel en zonder eenig geluid te maken, in de woning der slaven
te verdwijnen.

Dit verblijf was thans ledig, daar de bewoners op het veld, of in
huis, of in de steengroeven aan den arbeid waren. Het bestond uit
eenige slecht verlichte vertrekken, met naakte oneffene wanden. De
herderin ging het kleinste binnen, waar de slaaf, dien zij gewond had,
rustte op een bed van palmtakken. Hij bewoog zich even, toen zij in
vliegende haast een nieuwe slordig gevouwen compres scheef op zijne
diepe hoofdwonde legde. Zoodra deze plicht vervuld was, verliet
zij het vertrek weder, plaatste zich achter de halfgeopende deur,
die toegang verleende tot den hof, en zag hijgend nu eens naar het
huis van den senator, dan weder naar de vensters van Sirona.

Eene nieuwe gedachte had haar jeugdig hart in onstuimige beweging
gebracht. Weinige oogenblikken geleden zat zij nog naast den gewonden
man op den grond neergehurkt, met het hoofd rustende op haar hand,
denkende aan den berg en haar geiten. Daar vernam zij aan de zijde van
den hof een zacht gedruisch, dat een ander zeker ontgaan zou zijn. Zij
echter merkte het niet enkel op, maar zij kon ook met volle zekerheid
onderscheiden, wie er de oorzaak van was. In het geluid van Hermas'
schreden kon zij zich niet vergissen, en het werkte op haar met
onweerstaanbare macht.

Snel hief zij het hoofd en den arm op, sprong overeind en ging den
hof in. De molensteenen maakten haar onzichtbaar, maar zij kon Hermas
toch zien, zooals hij daar stond in bewondering verzonken. Zij volgde
zijne blikken en--daar zag zij hetzelfde beeld, dat zijne oogen in
verrukking bracht, de schoone, door het zonlicht beschenen gedaante
van Sirona. Zij zag er uit als sneeuw met rozen en goud bestrooid,
als de engel aan het graf op de nieuwe schilderij in de kerk. Ja, als
de engel! En op eens bedacht zij, hoe bruin en zwart zij zelve was,
en dat hij haar een duivelin had genoemd.

Eene diep smartelijke gewaarwording overmeesterde haar, en zij gevoelde
zich als verlamd naar lichaam en ziel. Spoedig echter ontworstelde
zij zich aan deze betoovering; haar hart begon onstuimig te kloppen,
en zij moest zich met de witte tanden op de lippen bijten, om het
niet luide uit te schreeuwen van toorn en pijn. Hoe gaarne was zij
tegen dat venster opgeklauterd, waaraan Hermas' blikken hingen; was
zij Sirona in de goudgele haren gevlogen; had zij haar op den grond
getrokken en als een vampyr haar het bloed uit de roode lippen gezogen,
tot zij vóor haar uitgestrekt zou liggen, bleek als het lijk van eene
die van dorst was omgekomen.

Thans zag zij hoe het dunne gewaad haar van de schouders gleed,
hoe hij schrikte en de hand aan zijn hart bracht. Wederom welde eene
andere gedachte bij haar op, namelijk om Sirona toe te roepen en te
waarschuwen. Zelfs vijandinnen reiken elkander in den geest de handen,
wanneer het geldt het bedreigde heiligdom van het zedig vrouwelijk
gevoel te beschermen.

Zij bloosde om Sirona's wil, en reeds opende zij de lippen, toen
het hondje aansloeg en het gesprek tusschen beiden begon. Aan haar
scherp gehoor ontsnapte geen woord van hetgeen zij sprak, en toen hij
zeide, dat zij zoo schoon was als goed, gevoelde zij, dat zij begon
te duizelen. De bovenste steen, die weinig steun had, en waaraan zij
zich wilde vasthouden, verloor zijn evenwicht. Zijn val stoorde het
gesprek van de twee en deed Mirjam naar den kranke terug ijlen.

Thans stond zij aan de deur op Hermas te wachten. Dat wachten viel haar
lang, zeer lang. Eindelijk kwam hij met vrouw Dorothea te voorschijn
en zij bemerkte alleen nog, dat hij weder naar Sirona opzag. Een
ondeugend lachje speelde om hare lippen, want het venster was ledig,
en het schoone beeld, dat hij gehoopt had weder te zien, was verdwenen.

Sirona zat thans aan haar weefstoel in het voorvertrek; het geluid van
een naderenden hoefslag had haar daarheen gelokt. De tweede zoon van
den senator, Polycarpus, was op den fieren hengst zijns vaders voorbij
gereden, had haar gegroet en tevens eene roos op den weg geworpen.

Een halfuur later kwam de oude slavin bij Sirona, die met vlugge hand
den weversspoel door den inslag schoot. "Meesteres!" riep de zwarte
met een hatelijk lachje. Zoodra de verlatene vrouw haren arbeid
staakte en haar vragend aanzag, overhandigde de oude haar de roos.

Sirona nam de bloem aan, blies het stof dat haar bedekte weg, schikte
met de vingertoppen de sierlijke blaadjes, en zeide, terwijl zij aan
deze bezigheid hoofdzakelijk hare opmerkzaamheid scheen te wijden:
"Laat voortaan die rozen liggen. Gij kent Phoebicius, en wanneer
iemand het ziet, dan komen er maar praatjes van."

De zwarte vrouw haalde de schouders op en keerde haar den rug
toe. Sirona dacht echter: "Die Polycarpus is toch een schoon en
vriendelijk jonkman. Zulke groote gevoelvolle oogen heeft zeker geen
ander. Als hij maar niet altijd van zijne ontwerpen, teekeningen,
figuren en zulke ernstige dingen spreken wilde, die mij niets aangaan!"







ZEVENDE HOOFDSTUK.


Toen de zon den volgenden dag hare middaghoogte reeds voorbij was
en het koeler begon te worden, willigden Hermas en Paulus den wensch
van Stephanus in en brachten zij hem naar buiten, want hij begon zich
krachtiger te gevoelen.

Thans zaten de Anachoreten naast elkander op een vlak rotsblok,
dat Hermas voor zijn vader door eene laag van frissche kruiden in
een zacht kussen had veranderd. Beiden zagen zij den jongeling na,
die met pijl en boog den berg opklom, ten einde een steenbok te
schieten. Petrus toch had den kranke krachtige spijs voorgeschreven.

Zij spraken geen woord, tot de jager uit het gezicht was. Toen zeide
Stephanus: "Wat is hij toch veranderd, sedert ik ziek ben! Het is toch
nog zoo lang niet geleden, dat ik hem voor het laatst bij daglicht
zag. Inmiddels schijnt de knaap een man geworden te zijn. Met welk
een gevoel van zelfbewustheid ging hij daarheen!"

Paulus prevelde, terwijl hij naar den grond keek, eenige bevestigende
woorden. Het werpen met den schijf kwam hem weder voor den geest,
en hij dacht: "Zeker heeft hij de palaestra in zijn hoofd. Hij heeft
zich ook gebaad. Reeds gisteren, toen hij uit de oase terugkwam,
stapte hij voort als een jeugdig athleet.

Dan eerst mag de vriendschap eene ware heeten, wanneer twee menschen,
zonder een woord te spreken, zich toch mogen verheugen in elkanders
samenzijn. Stephanus en Paulus zwegen; nochtans bestond er tusschen
hen eene onmerkbare gedachtenwisseling, toen zij, terwijl de zon
begon onder te gaan, naar het westen zagen. Diep beneden hen glansde
in zacht blauw-groene tinten de smalle vlakte der Roode zee, aan
de kusten begrensd door naakte, helder goudgele bergen. In hunne
nabijheid verhief zich de veelgespleten kroon van het reuzengebergte,
die zoodra de dagvorstin achter haar verdween, als omgeven werd met
een stralenkrans van vurige robijnen. Een gloeiend rood overdekte den
westelijken horizont; dunne nevelsluiers begonnen het kustgebergte te
omhullen; de zilveren wolkjes aan den reinen hemel veranderden van
tint, zich kleurende met het zachte rood der pas ontluikende rozen;
en de heuvels aan het strand schitterden met het doorzichtig blauw
van violen en amethysten. Er was geen zuchtje; geen geluid verstoorde
de plechtige avondstilte.

Eerst toen de kleur der zee al donkerder en donkerder werd, toen de
gloed op de bergtoppen en in het westen was uitgedoofd, toen de nacht
zijne schaduwen over hoogten en laagten begon uit te breiden, maakte
Stephanus zijne gevouwen handen los en riep zijn metgezel zacht bij
den naam.

Paulus verschrikte, en zeide als een die uit een droom ontwaakt,
en zich bewust is de woorden van den ander niet verstaan te hebben:
"Gij hebt gelijk! Het wordt donker en koel, en gij moet weder in de
spelonk gaan."

Stephanus verzette zich niet, en liet zich naar zijn leger brengen.

Paulus zuchtte diep, terwijl hij het schaapsvel over den kranke
uitspreidde.

"Wat ontroert uwe ziel?" vroeg de oude man.

"Het is... het was... Wat kan het mij baten!" riep Paulus diep
bewogen. Wij zijn daar getuigen geweest van het heerlijkst wonder
des Allerhoogsten, en ik heb schaamteloos afgoderij gepleegd, want ik
zag den wagen voor mij met de blinkende, vuursnuivende, gevleugelde
rossen van Helios, en den god zelven in de gedaante van Hermas, met
schitterende goudgele haren, en de dansende Horen [3], en de gouden
poorten van den nacht. Vervloekt demonen-tuig!...."

Hier werd de Anachoreet gestoord, want Hermas trad de spelonk binnen,
hield de beide mannen een steenbok voor, dien hij geschoten had,
en riep: "Een flinke borst, en hij heeft mij maar eene enkele pijl
gekost. Ik zal dadelijk vuur ontsteken en de beste stukken braden. Daar
zijn nog bokken genoeg op onze bergen, en ik weet ze te vinden."

Een uur later aten vader en zoon de aan het spit gebraden stukken
vleesch. Paulus weigerde er mede van te nuttigen, want toen hij,
na het werpen met den discus, zich in vertwijfeling en berouwvol had
gegeeseld, had hij zich een streng vasten opgelegd.

"En nu," riep Hermas, toen zijn vader, wien deze lang ontbeerde
krachtige spijs voortreffelijk scheen te smaken, verklaarde dat
hij verzadigd was, "en nu komt het beste! In deze flesch heb ik
versterkenden wijn, en wanneer zij ledig is, wordt zij opnieuw gevuld."

Stephanus greep den houten beker, dien zijn zoon hem toereikte, dronk
een weinig en zeide, terwijl hij den kostelijken smaak van het edel
vocht nog eens met zijne tong keurde: "Dat is wat goeds! Syrische
wijn! Proef eens, Paulus!"

De aangesprokene nam den beker in de hand, snoof de geur van den gulden
drank onderzoekend op, en prevelde toen, zonder er zijne lippen aan te
zetten: "Dat is geen Syrische; het is Egyptische. Ik ken hem wel. Ik
houd hem voor Mareotische!"

"Zoo heeft Sirona hem ook genoemd," zeide Hermas. "En gij herkent
den wijn alleen aan den geur! Ze zeggen dat hij bijzonder heilzaam
is voor zieken."

"Dat is hij," verzekerde Paulus.

"Sirona?" vroeg Stephanus verwonderd. "Wie is dat?"

Het hol werd maar flauw verlicht door het vuur, dat bij den ingang
was ontstoken; de beide Anachoreten konden dus niet opmerken, dat
Hermas kleurde tot over zijn ooren, toen hij antwoordde: "Sirona? De
Gallische Sirona? Kent gij haar niet? Zij is de vrouw van den centurio,
beneden in de oase."

"Hoe komt gij juist aan haar?" vroeg de vader.

"Zij woont in het huis van Petrus," antwoordde de jongeling, "en daar
zij van uwe verwonding hoorde...."

"Breng haar mijn dank over, wanneer gij morgen naar beneden gaat,"
vroeg Stephanus; "haar en ook haar echtgenoot. Is hij een Galliër?"

"Ik geloof ja,... neen stellig," antwoordde Hermas. Zij noemen hem
den leeuw. En hij komt uit Gallië."

Toen de jongeling het hol had verlaten, legde de oude man zich te
slapen neder, en Paulus waakte aan zijne zijde op het bed van zijn
zoon. Maar Stephanus kon den slaap niet vatten. Toen zijn vriend hem
naderde, om hem het geneesmiddel toe te dienen, zeide hij: "De vrouw
van een Galliër heeft mij een weldaad bewezen, en toch die wijn zou mij
beter bevallen zijn, wanneer hij niet van een Galliër afkomstig was."

Paulus zag hem vragend aan, en hoewel er volslagen duisternis heerschte
in de spelonk, zoo gevoelde Stephanus toch dezen blik en zeide: "Ik
ben op niemand boos, en heb mijn naaste lief. Ik ben diep beleedigd;
maar ik heb vergeven, van ganscher harte vergeven. Daar is maar éen,
wien ik kwaad zou gunnen, en dat is een Galliër."

"Vergeef ook hem," smeekte Paulus, "en laat u den slaap niet verstoren
door bittere gedachten."

"Ik ben niet moede," hernam de kranke. "Wanneer u wedervaren was,
wat mij is aangedaan, zou dit ook u de nachtrust bederven!"

"Ik weet het, ik weet het," zeide Paulus, om hem wat neer te
zetten. "Het was een Galliër, die uwe arme vrouw misleid heeft,
zoodat zij uw huis en uw kind heeft verlaten."

"En hoe heb ik Glycera bemind!" sprak de kranke steunend. "Zij werd
behandeld als eene vorstin, en ik wist hare wenschen te voorkomen,
vóor zij ze had uitgesproken. Honderdmaal heeft zij mij gezegd,
dat ik te goed en te zwak voor haar was, en haar niets te wenschen
overbleef. Daar kwam die Galliër in ons huis, een mensch, een
kerel zoo norsch als zure wijn, maar welbespraakt en met vonkelende
oogen. Hoe hij Glycera in zijne strikken heeft gevangen: ik weet het
niet en wil het niet weten. In de hel zal hij er voor boeten. Dag en
nacht bid ik voor de arme verlorene vrouw. Zij is bezweken voor eene
betoovering, doch haar hart bleef in mijn huis achter, want daar was
haar kind, en zij had Hermas zoo lief, en ook aan mij was zij zoo
innig gehecht! Hoe sterk moet wel de begoocheling zijn, die zelfs de
moederliefde kan dooden! Ik arme! Ach ik ongelukkige! Hebt gij ooit
eene vrouw liefgehad, Paulus?"

"Gij moet slapen," zeide de Anachoreet vermanend. "Wie kan, gelijk
ik, bijna een halve eeuw geleefd hebben, zonder te voelen wat liefde
is!--Maar ditmaal spreek ik geen woord meer; neem gij den drank dien
Petrus u gezonden heeft."

Het middel van den senator werkte krachtig, want de kranke sliep in, en
ontwaakte eerst, toen het volle daglicht de spelonk verlichtte. Paulus
zat nog altijd aan zijne legerstede, en overhandigde hem, nadat zij
gemeenschappelijk gebeden hadden, de kruik, die Hermas, alvorens hij
naar de oase ging met frisch water had gevuld.

"Ik gevoel mij versterkt," zeide de oude. "Het geneesmiddel is goed. Ik
heb rustig geslapen en heerlijk gedroomd. Maar gij ziet er zoo bleek
en ontdaan uit."

"Ik!" vroeg Paulus, "Ik heb daar toch op het bed gelegen. Laat mij
nu een oogenblik naar buiten gaan."

Terwijl hij dit zeide ging hij het hol uit. Zoodra hij zich aan
de blikken van Stephanus had onttrokken, haalde hij diep adem,
rekte hij zijne leden en wreef hij de brandende oogen uit. Want,
het was hem als had hij zand onder de oogleden, die hij drie dagen
en nachten achtereen niet had willen sluiten. Bovendien kwelde hem
een hevige dorst, want zijne lippen hadden in dienzelfden tijd spijs
noch drank aangeroerd. Reeds begonnen zijne handen te beven, maar de
zwakheid en de pijn vervulden hem met stille vreugde, en gaarne had
hij zich in zijn hol teruggetrokken ten einde zich, en dat niet voor
de eerste maal, over te geven aan den bitterzoeten waan, dat hij aan
een kruis hing en evenals de Heiland uit vijf wonden bloedde.

Doch Stephanus riep hem, en zonder te talmen ging hij tot hem en
beantwoordde zijne vragen. Het spreken viel hem daarbij gemakkelijker
dan het hooren, want het suisde en gonsde en klonk hem in de ooren,
alsof hij bevangen was door den vurigen wijn.

"Als Hermas nu maar niet vergeet den Galliër te bedanken," zeide
Stephanus.

"Danken, ja danken moeten wij altijd," antwoordde de ander, terwijl
hij de oogen sloot.

"Ik heb van Glycera gedroomd," begon de oude man opnieuw. "Gisteren
zeidet gij, dat de liefde ook u eens het hart heeft bewogen. Gij zijt
toch nooit gehuwd geweest.--Gij zwijgt? Maar antwoord mij dan toch?"

"Ik? Wie heeft mij geroepen?" prevelde Paulus, en staarde den vrager
met strakke blikken aan.

Deze verschrikte, zoodra hij bemerkte, dat Paulus over al zijne leden
beefde, richtte zich op, en gaf hem de flesch met den wijn van Sirona,
die de ander, zichzelven niet meer meester, hem hartstochtelijk uit
de hand rukte en brandend van dorst ledigde.

De vurige drank wekte zijne wegzinkende krachten weder op,
kleurde zijne wangen en verleende aan zijne oogen een eigenaardigen
glans. Daarbij zeide hij, diep ademhalende en zijne hand tegen de
borst drukkende: "Hoe goed heeft mij dat gedaan!"

Stephanus was nu volkomen gerustgesteld, en herhaalde zijne vraag. Doch
hij gevoelde weldra berouw over zijne nieuwsgierigheid, want de stem
van zijn vriend had een geheel vreemden klank aangenomen, toen hij
antwoordde: "Ik was nooit gehuwd, neen nooit. Maar toch heb ik lief
gehad, en ik wil u alles vertellen, alles, van het begin tot het
einde. Gij moogt mij echter niet in de rede vallen, geene enkele
maal! Ik ben zoo zonderling te moede! Misschien komt het van den
wijn. Ik heb dien in lang niet gedronken. Ik heb gevast, sedert,
... sedert... Doch dat doet er niet toe. Zwijg nu stil, doodstil,
en laat mij vertellen."

Paulus zat op Hermas' legerstede. Thans boog hij zich een eind
achterwaarts, leunde met zijn hoofd tegen den rotswand der spelonk,
door welker opening het volle daglicht binnenstroomde, en begon
terwijl hij in de ruimte staarde: "Hoe zij er uitzag wie kan haar
beschrijven? Zij was lang en groot als Hera en toch niet trotsch, en
haar edel Grieksch gelaat was niet minder lieftallig dan schoon. Zij
kon zoo heel jong niet meer zijn, toch had zij de oogen van een
vriendelijk kind. Ik heb haar alleen zeer bleek gekend. Haar
smal voorhoofd kwam als elpenbeen onder de donkerbruine haren te
voorschijn. Blank als haar voorhoofd waren ook hare schoone handen,
handen die als bezielende wezens, eene eigene taal wisten te spreken.

Als zij ze aandachtig samenvouwde, dan was het als spraken zij voor
zichzelve een gebed uit. Zij was buigzaam als een jongen palm, als zij
zich bewoog; toch was er iets voornaams en waardigs in hare houding,
zelfs in de dagen toen ik haar voor het eerst aanschouwde. Dat was
op eene verschrikkelijke plaats, in de ijzingwekkende gevangenkamer
in de Rhakotis. Zij droeg slechts een doorschijnend gewaad, dat eens
kostbaar was geweest. Gelijk een hongerige rat eene gevangene duif, zoo
volgde haar een morsig wijf, dat haar met smaadwoorden overlaadde. Zij
antwoordde niets, maar groote dikke tranen rolden langzaam over hare
bleeke handen, die zij over de borst gekruist hield. Uit hare blikken
spraken leed en angst, maar geene gemoedsbewegingen verstoorden de
regelmatigheid harer trekken. Zelfs de smaadheid wist zij waardig te
dragen, en met welk een taal vervolgde haar de woedende oude!

"Ik was reeds lang gedoopt, en voor mij, den rijken Menander, den
zwager van den praefect Pompejus, stonden alle gevangenissen open,
waarin onder Maximinus zoovele Christenen zouden gedwongen worden
tot afval van hun geloof. Maar zij behoorde niet tot de onzen. Haar
oog ontmoette het mijne; ik maakte het teeken des kruises, maar zij
beantwoordde den heiligen groet niet. Thans voerden de wachters de
oude vrouw weg; zij trok zich echter in een donkeren hoek terug,
hurkte daar neder en verborg het aangezicht met de handen.

"Hoe zonderling het ook was, ik gevoelde deelneming met deze
ongelukkige vrouw tot in het diepst mijner ziel. Het was mij als
behoorde zij aan mij en ik aan haar, en ik stelde vertrouwen in haar,
al vertelde de cipier mij ook in ruwe woorden, dat zij met een Romein
bij dat oude wijf had gewoond, dien zij voor veel geld had opgelicht.

"Den volgenden morgen kon ik niet nalaten weder naar de gevangenzaal te
gaan, om harent- en mijnentwil. Daar vond ik haar weder in denzelfden
hoek, waarin zij den vorigen dag gevlucht was. Haar gevangenkost, een
kruik water en een stuk brood, stond onaangeroerd naast haar. Toen ik
haar nader kwam, merkte ik op, hoe zij een klein stuk van de dunne
snede voor zichzelve afbrak, en vervolgens een christenknaapje, dat
zijne moeder in den kerker gevolgd was, tot zich riep, om dit kind de
rest te geven. Het kind bedankte haar vriendelijk; zij echter greep
en kuste het, ofschoon het er niet mooi en zeer ziekelijk uitzag,
met hartstochtelijke teederheid.

"Wie kinderen zóo lief heeft," zeide ik tot mijzelven, "is niet
bedorven," en ik bood haar aan naar mijn vermogen te helpen. Niet
zonder wantrouwen nam zij mij met de oogen op en zeide, dat zij loon
naar werken ontving, en dat zij alles dragen wilde.

"Eer ik verder bij haar kon aandringen, werden wij door christenen
gestoord. Zij hadden zich geschaard rondom den waardigen Ammonius,
die hen met stichtelijke woorden vermaande en troostte. Zij luisterde
opmerkzaam naar den grijsaard, en den volgenden dag vond ik haar
in gesprek met de moeder van het knaapje, waaraan zij het brood
had geschonken.

"Op zekeren morgen was ik met vruchten gekomen, waarmede ik de
gevangenen en haar in het bijzonder wilde verkwikken. Zij nam een
appel, stond op en zeide zacht: "Thans vraag ik u om een ander
geschenk. Gij zijt een christen; zend mij een priester om mij te
doopen, wanneer hij mij niet voor onwaardig houdt. Want ik ben zoo
zwaar met zonden beladen, zwaarder dan eenige andere vrouw."

"Wederom welden er stille tranen in hare lieve, groote kinderlijke
oogen. Ik sprak haar hartelijk toe en toonde haar de genade van
den Verlosser, zoo goed ik kon. Spoedig daarop heeft Ammonius haar
heimelijk gedoopt. Zij verzocht dat men haar Magdalena zou noemen. Zóo
geschiedde het, en daarna schonk zij mij haar volle vertrouwen.

"Zij had haren echtgenoot en haar kind verlaten, om de wille van een
duivelschen verleider, dien zij naar Alexandrië was gevolgd, en die
haar daar in den steek had gelaten. Alleen, zonder vrienden, in gebrek
en schulden, bleef zij bij eene onmeedoogende en hebzuchtige waardin
achter, door welke zij voor den rechter en in den kerker werd gesleept.

"In welk een afgrond van de diepste zielesmart liet deze vrouw,
die een beter lot waardig was geweest, mij een blik slaan! Wat is
voor eene vrouw het hoogste? Hare liefde, hare moederplicht, hare
eerbaarheid! En Magdalena? Zij had alle drie verspeeld, vergooid door
eigen schuld. De slagen van het lot, waaraan wij niets veranderen
kunnen, laten zich gemakkelijk dragen, maar wee hem die door eigen
toedoen, zijn levensgeluk verstoort!

"Zij was eene zware zondares; zij gevoelde dit met bitter berouw en
wees mijn aanbod haar vrij te koopen, standvastig af. Zij hunkerde
naar de straf, gelijk een koortslijder naar den bitteren drank,
die zijn bloed tot bedaren zal brengen.

"Bij den gekruisigde! Ik heb onder zondaars meer edel menschelijk
gevoel gevonden, dan bij menig rechtvaardige in priesterlijk gewaad!

"De kerker kreeg voor mij door Magdalena zijn heiligheid terug. Vroeger
had ik die plaats dikwijls met diepe verachting verlaten, want onder de
gevangene christenen was veel lui volk, dat den Heiland in het openbaar
had beleden, om zich te doen onderhouden door de liefdegaven der
geloofsgenooten. Ik vond er vloekwaardige misdadigers, die de verbeurde
zaligheid door den marteldood hoopten terug te erlangen. Ik hoorde het
gejammer der blooden, die den dood niet minder vreesden, dan verraad te
plegen jegens den Allerhoogste. Men kon er hartverscheurende tooneelen
aanschouwen, maar ook toonbeelden der verhevenste zielegrootheid. Ik
zag mannen en vrouwen, die in stillen vrede den dood tegengingen,
en wier uiteinde waarlijk edeler was dan de geprezene zelfopoffering
van een Codrus of een Decius Mus.

"Onder alle gevangen was er geene vrouw of geen man kalmer,
vastberadener, meer berustend dan Magdalena. Het woord: 'Er zal
meer vreugde zijn in den hemel over éen zondaar die zich bekeert,
dan over negen en negentig rechtvaardigen', sterkte haar wonderbaar,
en zij heeft boete gedaan, waarlijk dat heeft zij. En ik? God is mijn
getuige, dat geene zinnelijke begeerte, die een man tot eene vrouw
voert, mij tot haar trok. Toch kon ik haar niet verlaten; over dag
was ik bij haar en haar zocht mijne ziel bij nacht. Het kwam mij voor
dat niets heerlijker kon zijn, dan met haar te mogen sterven.

"Het was in den tijd van het vierde vervolgingsdecreet, weinige
maanden nadat het eerste tolerantie-edict werd uitgevaardigd. Wie
offert, zoo luidde het steeds, is straffeloos; wie zich daartegen
echter verzet, zal door alle middelen daartoe gedwongen worden. Zij
die zich hardnekkig toonen, zullen den dood ondergaan. Lang was er met
toegevendheid te werk gegaan; thans joeg men de gevangenen schrik aan,
door de wet opnieuw voor te lezen. Velen verborgen zich, steunende en
weeklagende, anderen baden overluid, en de meesten wachtten angstig
en met bleeke lippen de dingen die komen zouden. Magdalena bleef
volmaakt kalm.

"Thans werden de namen der gevangene christenen opgeroepen, en de
keizerlijke soldaten brachten ze op éene plaats samen. Noch mijn naam,
noch de hare waren genoemd, want ik behoorde niet tot de gevangenen,
en men had haar niet om het geloof in den kerker gezet. Reeds rolde
de beambte zijne lijst op; daar stond Magdalena op, trad naar voren
en zeide met kalme waardigheid: "Ook ik ben eene christin!"

"Als er een engel bestaat met menschelijke gelaatstrekken, dan
moet zijn aangezicht gelijken op het hare, zooals ik het in die ure
aanschouwde. De Romein, een waardig man, zag haar met een vorschend
oog welwillend aan, schudde het hoofd, en zeide luide, terwijl hij
op zijn geschrift wees: "Ik vind uw naam hier niet geschreven!" Zacht
voegde hij er bij: 'en wil haar ook niet vinden.'

"Toen naderde zij hem en zeide luide: 'Gun mij mijne plaats bij
mijne geloofsgenooten, en schrijf nu op: Magdalena, de christin,
weigert te offeren!'

"Mijne ziel werd heftig bewogen en in blijden ijver riep ik: 'Teeken
ook mij op en schrijf: Menander, de zoon van Herophilus, een christen,
weigert desgelijks.'

"De Romein deed zijn plicht. Geen oogenblik van dien dag heeft de
tijd mij doen vergeten. Daar stond het altaar en daarnaast aan de
eene zijde de heidensche priester, aan de andere de keizerlijke
beambte. Twee aan twee werden wij voorgebracht. Magdalena en ik
waren de laatste. Een enkel woord bracht hier leven en vrijheid,
daar marteling en dood. Onder dertig hadden slechts vier den moed
gehad het offer te weigeren; de kleinmoedigen weeklaagden echter
en sloegen zich voor het hoofd, en baden dat de Heer den moed der
anderen mocht sterken.

"Een onbeschrijfelijk rein gevoel vervulde mijne ziel. Het was mij als
zweefden wij te zamen, bevrijd van de banden des lichaams, op lichte
wolken heen. Kalm en gelaten weigerden wij het offer, en dankten
den keizerlijken ambtenaar, die ons goedhartig vermaande. Toen wij
te samen, in hetzelfde vertrek, op hetzelfde uur aan den beul werden
overgegeven, zag zij naar boven en ik slechts op haar. Te midden van
de gruwzaamste pijnen aanschouwde ik den Heiland, mij wenkende, van
engelen omgeven, die op lichte wolkjes zweefden, die aan het oog zich
vertoonden als enkel glansrijk licht en aan het oor als schoone muziek.

"Roerloos verdroeg zij het verschrikkelijkste; slechts eenmaal riep
zij den naam uit van haar zoon Hermeias. Toen richtte ik mijne blikken
op haar en zag, hoe zij met bevende lippen en wijd geopende oogen
ten hemel staarde. Zij leefde nog en toch was zij reeds bij Hem;
zij lag nog op de folterbank en toch gevoelde zij zich zalig.

"Mijn krachtig lichaam bleef mij nog aan het stof binden; zij vond
reeds verlossing bij het begin der marteling. Ikzelf drukte haar
de oogen toe, de liefelijkste oogen, waarin zich ooit de hemel
afspiegelde. Ik trok den ring van hare bloedende, zachte, blanke
hand, en hier, hier onder deze ruwe vacht, bewaar ik hem. En ik bid,
ik bid!... Mijn hart!... God, als het eens zoo ware! Als toch het
einde....!

Paulus bracht de hand aan het voorhoofd en zonk uitgeput, door zijne
aandoeningen overweldigd, geheel onmachtig op zijn leger neder.

De kranke had in ademlooze spanning zijn verhaal gevolgd; sedert
lang had hij zich reeds hoog opgericht, en was, zonder dat de andere
het bemerkt had, op de knieën nedergezonken. Thans sleepte hij zich
voort tot den bewustelooze. Gloeiend en bevend over al zijne leden,
boog hij zich over hem, trok de vacht van zijn borst, zocht driftig
met de handen naar den ring, vond dien, bekeek hem, als wilde hij dien
met zijne oogen verslinden, drukte hem een en andermaal aan zijn hart,
en dan weder aan zijne lippen, bedekte zijn gelaat met beide handen,
en weende bitter. Eerst toen Hermas uit de oase terugkeerde, dacht
hij aan zijn vriend, die daar uitgeput lag ineengezonken, en riep
hem met behulp van zijn zoon in het leven terug.

Paulus weigerde niet spijs en drank te nuttigen, en toen hij, versterkt
en als tot een nieuw leven ontwaakt, in de avondkoelte naast Stephanus
buiten het hol zat, en van den grijsaard had vernomen, dat Magdalena
zijne vrouw was geweest, zeide hij, op Hermas wijzende: "Nu weet ik,
waarom ik dezen van den aanvang zoozeer heb liefgehad."

De oude man drukte hem zacht de hand, want hij gevoelde zich door een
nieuwen teederen band aan zijn verpleger verbonden. De zekerheid dat
zijne altijd nog zoo teerbeminde vrouw, de moeder van zijn zoon, als
christin, als martelares was gestorven en vóor hem den weg ten hemel
had gevonden, vervulde hem met stille zaligheid. Vreedzaam als een
kind sliep hij den volgenden nacht, en toen er 's morgens afgezanten
uit Raïthoe verschenen, om Paulus uit te noodigen den heiligen berg
te verlaten en tot hen te komen, ten einde zich als presbyter aan hun
hoofd te stellen, zeide Stephanus: "Volg gerust deze schoone roeping,
die gij verdient. Ik heb uwe hulp thans waarlijk niet meer noodig,
want ik zal ook zonder verpleging wel genezen."

Maar Paulus, meer verontrust dan verblijd, verzocht de afgezanten
dringend hem een tijd van zeven dagen toe te staan om zich te
bedenken. Hij liep vervolgens rusteloos van de eene heilige plaats
naar de andere, en eindelijk naar de oase, om in de kerk te bidden.







ACHTSTE HOOFDSTUK.


Het was een kostelijke verfrisschende avond. De volle maan verhief zich
statig aan het donkerblauw gewelf van den nachtelijken hemel, en goot
een stroom van licht over de koele aarde uit. Maar de lichtkracht harer
zilveren stralen was niet sterk genoeg om den fijnen blauwachtigen
sluier op te heffen, die de reuzenmassa van den heiligen berg omhulde.

Daarentegen trad de oasen-stad geheel uit de duisternis te
voorschijn. De breede weg van de hoofdstraat viel den wandelaar,
die van de hoogte afdaalde, dadelijk in het oog als een wit marmeren
baan, en de pas gepleisterde wanden van de nieuwe kerk kwamen zoo
schitterend uit, als op den vollen middag. De schaduwen der huizen en
palmen lagen als donkere stukken tapijt over den weg, die niet zeer
bevolkt was, niettegenstaande de avondkoelte, die anders de burgers
naar buiten lokte.

Door de geopende vensters van de kerk klonk het gezang van mannen
en vrouwen. Thans ging de deur open, en de christelijke Pharanieten,
die hier het avondmaal hadden gevierd met brood en den kelk, die van
hand tot hand ging, kwamen buiten. Vóor de ouderlingen en diakenen,
de voorlezer en de zangers, de akolyten en de geheele geestelijkheid
van de plaats, liep de bisschop Agapitus. De leeken werden voorafgegaan
door het opperhoofd van de oase, Obedianus, en den senator Petrus. De
laatste werd vergezeld door zijne vrouw, zijne volwassene kinderen
en een aantal slaven.

Het kerkje was reeds leeg, toen de deurwachter, die de kaarsen
uitdoofde, in een donkeren hoek van het voorportaal, dat voor
de boetelingen bestemd was, en waarin eene altijd springende
bron ruischte, een man gewaar werd, die roerloos op den grond zat
neergehurkt, diep in het gebed verzonken. Eerst toen hij hem aanriep
en met zijn lampje in het gelaat lichtte stond hij op.

De deurwachter sprak hem eerst toe met harde woorden; toen hij echter
in den achterblijvenden Anachoreet Paulus uit Alexandrië herkende,
veranderde hij van toon, en vroeg hij vriendelijk, bijna onderdanig:
"Wil nu niet langer bidden, vrome man! De gemeente heeft de kerk
verlaten, en ik moet haar sluiten ter wille van ons fraai nieuw
kerkgereedschap en die heidensche roovers. Het is mij reeds bekend,
dat de broeders van Raïthoe u tot hun presbyter kozen, en dat hunne
gezanten u hebben bekend gemaakt met den hoogen eer, die u te beurt
viel. Zij hebben ook onze kerk bezichtigd en zeer bewonderd. Vertrekt
gij dadelijk daarheen, of viert gij de hooge feesten nog met ons?"

"Dat zult gij morgen vernemen," antwoordde Paulus, die zich had
opgericht en leunde tegen een der pijlers van de smalle, naakte ruimte
voor de boetelingen. "In dit huis woont Een, aan wien ik raad wil
vragen. Ik bid u, laat mij alleen. Zoo gij wilt, sluit dan de deur
en laat er mij na eenigen tijd, eer gij ter ruste gaat, weder uit."

"Dat kan ik niet doen," antwoordde de andere bedenkelijk. "Mijne vrouw
is ziek, en mijn huis ligt ver van hier aan het einde van het vlek,
bij de kleine poort. Ook moet ik heden den sleutel nog brengen bij
den senator Petrus, wiens zoon, de bouwmeester Antonius, morgen vroeg
wil beginnen met het nieuwe altaar op te stellen. De arbeiders komen
tegen zonsopgang, en wanneer...."

"Laat mij den sleutel zien," viel Paulus hem in de rede. "Tot welk een
zegen kan zulk een klein ding den toegang sluiten of wel openen! Weet
ge wat, vriend; wij kunnen, meen ik, elkander helpen. Gij gaat naar
uwe zieke vrouw, en ik breng den sleutel, wanneer ik mijn gebed
voleindigd heb, naar den senator."

De portier bedacht zich een oogenblik, en willigde toen de bede van den
toekomstigen presbyter van Raïthoe in, ofschoon hij hem verzocht toch
niet lang te vertoeven. Toen hij het huis van den senator voorbijging,
rook hij de geur van gebraden vleesch. Hij was een arm man en dacht
bij zichzelven: "Deze vast als hij er lust in heeft; wij vasten ook,
maar wanneer wij het liefst niet zouden doen."

De heerlijke geur, die deze klacht in hem had doen oprijzen,
werd veroorzaakt door het braden van een hamel, die heden voor
alle huisgenooten van den senator, als een feestschotel, zou
worden opgedragen. Zelfs de slaven namen aan dezen laten maaltijd
deel. Petrus en vrouw Dorothea zaten, naar Grieksche gewoonte,
in een half liggende houding naast elkander op eene eenvoudige
rustbank. Vóor hen stond eene tafel, waaraan niemand anders gezeten
was, waarbij zich echter de zetels voor de volwassene kinderen des
huizes onmiddellijk aansloten. De slaven zaten dichter bij de deur
op den grond neergehurkt, en verdrongen zich in twee kringen om
een tweetal rookende schotels, waaruit zij met de vlakke hand de
bruinachtige linzenbrei aten. Naast ieder lag een rond grauw brood,
dat eerst gebroken werd, nadat de hofmeester Jethro den hamel gesneden
en verdeeld had. Aan Petrus en de zijnen werden de malsche stukken
van den rug en de schenkels van het dier aangeboden om te kiezen;
voor de slaven legde de hofmeester echter eene snede op ieders brood,
voor de mannen eene grootere, voor de vrouwen eene kleinere. Menigeen
zag zeker met nijd naar de lekkere stukken van zijne meer begunstigde
dischgenooten. Doch hij, die het karigst bedeeld werd, mocht niet
klagen. Het was den slaven slechts geoorloofd te spreken, wanneer de
heer hen iets gevraagd had, en Petrus verbood zelfs zijne kinderen
over de spijzen een goed- of afkeurend oordeel te vellen.

Te midden van de dienstboden zat ook Mirjam neergehurkt. Zij at
altijd weinig, en van vleesch had zij een afkeer. Daarom schoof zij
het stuk van de rib, dat men haar gegeven had, een ouden tuinman toe,
die tegenover haar zat, en haar dikwijls eene vrucht of wat honing
schonk; want Mirjam hield van zoetigheid.

Petrus sprak heden met de slaven in het geheel niet, en met de zijnen
maar zeer weinig. Vrouw Dorothea merkte niet zonder bezorgdheid
de diepe rimpels op tusschen zijn ernstige oogen, en hoe hij de
lippen vast op elkaar klemde, wanneer hij, de spijzen vergetende,
in gedachten zat verzonken.

Het maal was geëindigd, maar hij verroerde zich niet en hem
ontgingen de vragende blikken, die uit veler oogen op hem geslagen
werden. Niemand waagde het op te staan, alvorens de heer daartoe het
teeken had gegeven.

Het ongeduldigste van alle aanwezigen volgde Mirjam zijne
bewegingen. Zij schoof onrustig heen en weer; het brood, dat zij
overgelaten had, met hare spitse vingers verkruimelende. Nu eens
versnelde zich hare ademhaling, dan weder scheen deze geheel stil
te staan.

Zij had de deur van den hof hooren kraken en de schreden van Hermas
herkend. "Hij zoekt den heer des huizes; weldra zal hij binnentreden
en mij onder dezen hier vinden," dacht zij, streek onwillekeurig
met hare hand over de verwilderde haren, om ze wat gelijk te maken,
en wierp een blik, waarin zoowel haat als verachting was gelegen,
op de andere slaven.

Maar Hermas verscheen niet. Zij dacht er geen oogenblik aan, dat haar
oor haar bedrogen kon hebben. Wachtte hij thans aan de deur, tot het
maal zou zijn afgeloopen? Gold zijn laat bezoek de Gallische, tot
wie zij hem gisteren weder had zien gaan met de wijnkruik? Sirona's
echtgenoot, Phoebicius, dat wist zij, was op den berg en offerde
daar aan Mithras met zijne gezellen, bij het licht der volle maan,
in een hol, dat haar sedert lang bekend was. Zij had den Galliër
gezien, toen hij, gedurende de avond-godsdienstoefening, den hof
verliet met eenige soldaten. Twee van dezen hadden hem een grooten
kist, waaruit het hengsel van een verbazend grooten mengketel stak,
benevens een zak vol water en allerlei gereedschap nagedragen. Zij
wist dat deze mannen den ganschen nacht in de Mithras-grot zouden
vertoeven, en daar "den jongen god," de opgaande zon, met vreemde
ceremoniën begroeten. Meer dan eenmaal toch had de nieuwsgierige
herderin hen beluisterd, wanneer zij, vóor het krieken van den morgen,
met hare geiten het gebergte optrok, en haar ter oore was gekomen,
dat de Mithras-dienaars hun nachtelijk feest vierden.

Daar viel haar opeens in dat Sirona alleen was, en dat het late
bezoek van Hermas misschien haar en niet den senator gold. Zij
schrikte; haar hart deed haar pijn, en gelijk altijd, wanneer eene
heftige gemoedsbeweging haar aangreep, werd zij door haren hartstocht
medegesleept, zoodat zij alle heerschappij verloor over haren wil. Zij
sprong overeind en stond reeds bij de deur, toen de stem van den
senator haar terughield, om haar het onbetamelijke van haar gedrag
onder het oog te brengen.

De kranke dien zij verpleegde lag nog altijd met de koorts, een
gevolg van de ontsteking der wond. Zij wist dat zij alle berisping
zou ontgaan, wanneer zij op de strenge vraag van haar meester zou
antwoorden, dat Anubis haar hulp noodig had. Doch zij had nog nooit
gelogen, en trotschheid verbood haar ook onwaarheid te zeggen. De
andere slaven verschrikten toen zij den senator ten antwoord gaf:
"Ik kan het hier niet uithouden. De maaltijd duurt zoo lang!"

Petrus keek door het venster naar buiten, en toen hij bemerkte hoe hoog
de maan reeds stond, schudde hij het hoofd, als verwonderde hij zich
over zichzelven, sprak zonder verdere berisping het dankgebed uit,
gaf den slaven door een teeken te verstaan, dat zij de zaal konden
verlaten en trok zich in zijn kamer terug, nadat hij zijne kinderen,
waaronder alleen Polycarpus werd gemist, eene nachtkus had gegeven.

Hij bleef er niet lang alleen, daar Vrouw Dorothea, nadat zij
met hare dochter Marthana en den hofmeester alle beschikkingen had
gemaakt voor den volgenden dag, en in het slaapvertrek harer jongste
kinderen een vriendelijken blik had geslagen op hen, die daar zoo
vreedzaam sluimerden, hier een dekje, daar een klein hoofdkussen
recht schikkende--den drempel van zijn vertrek overschreed en hem
bij den naam riep.

Petrus bleef staan, keek om, en uit zijne ernstige oogen stroomde
thans zijne gade eene overvloed van dankbare teederheid tegemoet.

Dorothea kende het goede hart van den strengen man en knikte hem toe,
ten teeken dat zij hem begreep. Doch eer zij tijd had om te spreken,
zeide hij: "Kom maar dichter bij! Het drukt mij hier zwaar, en uw
deel van den last mag u niet ontgaan."

"Geef het dan maar hier," haastte zij zich te zeggen. "Het slanke
meisje is eene breed geschouderde vrouw geworden, zoodat het haar
lichter zal vallen haren heer de velerlei lasten des levens te helpen
dragen. Maar ik ben inderdaad zeer bezorgd. Reeds vóor wij naar de
kerk gingen is u iets onaangenaams bejegend, en dat niet alleen in
de raadsvergadering. Er moet met de kinderen iets niet in orde zijn."

"Wat gij toch voor oogen hebt!" zeide Petrus.

"Leelijke, grijze," hernam Dorothea, "en ze zijn niet eens bijzonder
scherp. Maar wat ulieden aangaat, de kinderen en u, dat kunnen zij in
donker waarnemen. Gij zijt over Polycarpus niet tevreden. Gisteren,
toen hij naar Raïthoe reed, hebt gij hem aangezien, zoo...zoo...ja,
hoe zal ik het zeggen! Ik kan mij wel begrijpen waarover het is,
maar ik geloof dat gij u noodeloos ongerust maakt. Hij is jong,
en eene zoo wonderschoone vrouw als Sirona...."

Petrus had tot hiertoe zijne vrouw zwijgend aangehoord. Thans vouwde
hij de handen samen en zeide, haar in de rede vallende: "Waarlijk
dat grenst aan het ongeloofelijke;--maar ik moest daar al aan gewend
zijn. Wat ik u in eene stille ure wilde toevertrouwen, dat vertelt
ge mij, alsof het eene lang bekende zaak was."

"Waarom ook niet?" vroeg Dorothea. "Wanneer gij een twijgje op den
boom ent en het is er goed ingegroeid, dan voelt het ook de snede van
den zaag, die den boom doorsnijdt, en de verkwikking van de bron, die
zijne wortels besproeit, alsof het zelf dit leed en deze vreugde had
ondervonden. Gij zijt de boom en ik het twijgje, en de wonderkracht van
het huwelijk heeft uit u en mij een geheel gemaakt. Als uw hart slaat,
klopt ook het mijne; uw denken is het mijne geworden, en daarom weet
ik ook altijd eer gij het mij zegt, wat er in uwe ziel omgaat."

In Dorothea's goedige oogen blonk bij deze woorden een traan; doch
Petrus greep met hartelijkheid hare beide handen en zeide: "En wanneer
de oude knorrige stam menigmaal eene zoete vrucht draagt, dan heeft
hij het te danken aan het twijgje. Ik kan niet gelooven, dat die
Anachoreten daar boven den Heer bijzonder welgevallig zijn, omdat zij
in de eenzaamheid leven. De man wordt eerst volmaakt mensch door vrouw
en kind, en wie deze niet bezit, hij leert nooit de helderste hoogten
en de donkerste diepten des levens kennen. Zoo de man al wat hij is en
wat hij vermag voor iets kan geven, dan is het voor zijn eigen huis."

"Voor ons huis," hernam Dorothea, "hebt gij dit naar uw vermogen
gedaan."

"Voor ons huis," herhaalde Petrus op vasten toon, terwijl zijne
zware stem klonk in al hare volheid. "Twee zijn sterker dan éen,
en hoe lang is het toch wel geleden, sedert wij verleerd hebben
bij alle vragen, die op het gezin en de kinderen betrekking hebben,
'ik' te zeggen. In beide opzichten heeft men ons heden getroffen."

"Wil de senaat dan geen deelnemen aan het aanleggen van den weg?"

"Neen! De Bisschop Agapitus heeft den doorslag gegeven. Ik behoef het
u niet te zeggen, in welke verhouding wij tot elkander staan. Ik wil
geen kwaad van hem spreken, want hij is een rechtschapen man; maar
in vele dingen zullen wij elkander nooit begrijpen. Zooals gij weet,
was hij in zijne jeugd soldaat, en zijne vroomheid heeft wat ruws, ik
zou haast zeggen krijgshaftigs. Als het naar zijn zin was gegaan, en
ons opperhoofd Obedianus mij niet had bijgestaan, dan zouden wij geen
enkel beeld in de kerk hebben, die er dan zou uitzien als een schuur
en niet als een bedehuis. Wij hebben elkander nooit kunnen verstaan,
en sedert ik mij tegen zijn wensch, om Polycarpus tot priester op te
leiden, heb verzet; sedert ik den jongen, die waarlijk reeds als kind
beter teekende dan menig meester in dezen ellendigen tijd, waarin geen
groote kunstenaars geboren worden, bij den beeldhouwer Thalassius in
de leer bracht, spreekt hij over mij alsof ik een heiden ben."

"En toch acht hij u hoog, dat weet ik," hernam vrouw Dorothea.

"Gaarne betaal ik hem met dezelfde munt," antwoordde Petrus. "Dat
wat hem van mij vervreemdt is waarlijk niet iets laags. Hij waant het
zuiver geloof alleen te bezitten, en daarvoor te moeten strijden. Hij
noemt de werken der kunstenaars heidensche gruwelen. Die nimmer de
louterende kracht van het schoone ondervonden heeft, meent dat elke
afbeelding tot afgoderij voert. Polycarpus' engelen en diens goede
herder mochten zijne goedkeuring nog wegdragen, maar over de leeuwen
geraakte de oude krijgsman in woede. Hij noemde ze vervloekte afgoden
en duivelswerk."

"Maar ook in den tempel van Salomo waren leeuwenbeelden te zien,"
sprak Dorothea.

"Dat juist wierp ik hem tegen, en verder nog, dat men in de
catecheten-scholen en in de stichtelijke dierkunde die wij bezitten,
den Heiland zelven bij een leeuw vergelijkt; dat ook Markus de
evangelist, die het evangelie des Heeren naar Alexandrië overbracht,
met een leeuw wordt afgebeeld. Maar hij bestreed mij steeds heftiger,
op grond dat de werken van Polycarpus bestemd zijn niet om eene heilige
plaats, maar het Caesareum te versieren. Want hij ziet daarin niets
anders dan een heidensch gebouw, en de schoone werken der Grieken,
die daar bewaard worden, noemt hij ellendige fratsen, waarmede de
Satan de harten der christenen verleidt. De andere senatoren verstaan
zijne onbeschaafde taal, maar mijne redenen niet, en daarom vielen
zij hem bij en werd mijn voorstel om den weg aan te leggen verworpen,
op grond dat het eene christelijke gemeente niet betaamt de afgoderij
in de hand te werken, en wegen te banen voor den duivel."

"Ik kan het u aanzien, dat gij hun scherp te woord hebt gestaan."

"Dat geloof ik wel," ging Petrus voort met neergeslagen oogen. "Er zal
menig hard woord gevallen zijn, en dat liet men mij ontgelden. Agapitus
was bijzonder ontevreden. Hij toonde een verslag der diakenen met mijne
rekening en verantwoording. Zij misprezen het zeer, dat gij evenveel
brooden aan heiden- als aan christengezinnen had uitgedeeld. Dat is
nu wel waar, maar..."

"Maar," vervolgde Dorothea levendig, "de honger kwelt de ongedoopten
evenzeer. Hunne christelijke buren ondersteunen hen niet, en zij zijn
toch ook onze naasten. Ik zou mijn ambt al zeer slecht uitoefenen,
wanneer ik ze liet verhongeren, omdat zij den besten troost moeten
ontberen."

"Toch," zeide Petrus, "besloot de raad, dat gij in het vervolg
hoogstens een vierde deel van het u toegewezen graan voor hen zoudt
besteden. Gij behoeft niet te schrikken. Wat vroeger van het onze
verkocht werd, zal voortaan ter uwer beschikking zijn. Gij zult
voortaan aan geen van uwe pleegkinderen een enkel brood onthouden. Doch
wat de aanleg van den weg betreft, dat kan nog een poos duren. Er is
echter geen haast met de voltooiing, want Polycarpus zal toch bij ons
zijne leeuwen moeielijk kunnen afwerken. Die arme knaap! Met welk eene
liefde heeft hij de modellen van klei gevormd, en hoe wonderbaar is
het hem gelukt de houding der koninklijke dieren weder te geven! Het
was alsof de geest van de oude meesters van Athene hem bezielde. Wij
zullen nu eens overleggen, of zich te Alexandrië niet...." "Beproeven
wij liever terstond," zeide zijne vrouw hem in de rede vallende,
"Polycarpus over te halen om deze modellen te laten liggen en andere
meer heilige werken uit te voeren. Agapitus ziet scherp, en die
heidensche werken gaan den jongen al te zeer ter harte."

Bij de laatste woorden fronsde de senator het voorhoofd, en zeide niet
zonder opgewondenheid: "Niet alles wat de heidenen hebben gemaakt,
is te verwerpen. Polycarpus moet ernstig en voortdurend aan het werk
blijven, want hij richt zijn oogen op iets, waarvan zij afgewend
moeten blijven. Sirona is de vrouw van een ander, en men mag ook
niet uit scherts de vrouw van zijn naasten voor zich trachten te
winnen. Acht gij de Gallische in staat haar plicht te verzaken?"

Dorothea aarzelde; na een oogenblik nadenkens antwoordde zij: "Zij
is een schoon en ijdel kind, ja een kind! Ik denk daarbij aan hare
geheele manier van zijn, niet aan haar ouderdom, ofschoon zij inderdaad
de kleindochter kon zijn van den wonderlijken man, voor wien zij geen
liefde of achting, neen, niets dan afkeer gevoelt. Wat het is weet ik
niet, maar reeds in Rome moet hij haar iets ontzettends voorgesteld
hebben, en ik doe maar geen pogingen meer om haar hart gunstig voor
hem te stemmen. In alle andere dingen is zij gevoelig en laat zij
zich gemakkelijk leiden, en dikwijls kan ik mij niet begrijpen, hoe
zij zoo uitgelaten kan zijn, wanneer zij met de kinderen speelt. Gij
weet toch hoe de kleinen, zelfs Marthana aan haar gehecht zijn. Ik
wenschte wel dat zij eene christin was, want ook ik, waarom zou ik
het verzwijgen, heb haar lief. Men kan in hare tegenwoordigheid niet
droefgeestig zijn. Zij is mij genegen, zij vreest mijne berisping
en is er altijd op uit mijne goedkeuring te winnen. Het is waar, zij
tracht alle menschen te behagen, zelfs de kinderen; doch Polycarpus,
welk een flink man hij ook is, zoover ik zien kan, niet meer dan de
anderen, stellig niet!"

"Doch de jongen," zeide Petrus, "ziet telkens naar haar om, en
Phoebicius heeft het opgemerkt. Gisteren is hij mij tegengekomen,
toen ik naar huis ging, en hij verzocht mij, op zijne beleefde maar
scherpe manier, mijn zoon den goeden raad te geven, in het vervolg,
als hij rozen wilde schenken, deze liever in de vensters van anderen
dan in het zijne te werpen, want hij was geen vriend van bloemen,
en voor zijne vrouw plukte hij ze liever zelf."

De vrouw van den senator verbleekte, en zeide kortaf en op stelligen
toon: "Wij hebben dien huurder niet noodig, en hoezeer ik zijne vrouw
ook missen zal, geloof ik toch dat het beste zal zijn, wanneer gij
hen verzoekt naar een ander verblijf uit te zien."

"Spreek niet verder, vrouw," zeide Petrus ernstig, terwijl hij met
de hand zijne afkeuring te kennen gaf. "Zullen wij er Sirona voor
laten boeten, dat onze zoon om harentwille eene onbezonnenheid heeft
begaan? Gij hebt echter gezegd, dat het verkeer met de kinderen en
hare achting voor u haar voor afdwalingen zullen bewaren, en nu zouden
wij haar de deur wijzen? Dat nooit. De Galliërs blijven in mijn huis,
zoolang zij niets doen wat mij dwingt hen er uit te zetten. Mijn vader
was wel een Griek, maar van moederszijde heb ik Amalekietisch bloed
in de aderen, en zoo ik hen, met wien ik eens onder mijn dak het brood
deelde, over mijn drempel joeg, zou ik mijzelven onteeren. Polycarpus
moet gewaarschuwd worden en vernemen, wat hij aan ons, aan zichzelven
en aan het gebod des Heeren verschuldigd is. Ik weet zijne uitnemende
gaven te waardeeren en ben zijn vriend, maar ook zijn heer, en zal
weten te voorkomen, dat mijn zoon de losse zeden van de hoofdstad in
zijn eigen vaders huis invoert."

De laatste woorden klonken als hamerslagen, en in de oogen van den
senator stond te lezen, dat hij op dit punt vastbesloten was.

Toch naderde zijne vrouw hem zonder vrees. Zij legde hare hand op
zijn arm en zeide: "Wat is het toch goed dat de man het rechte in
het oog houdt, terwijl wij vrouwen gewoon zijn den eersten indruk van
ons hart te volgen. Ook bij het worstelen bedient gijlieden u enkel
van geoorloofde handgrepen, terwijl vechtende vrouwen soms nagels en
tanden gebruiken. Beter dan wij weet gij het onrecht te voorkomen;
dat hebt ge mij weder getoond. Maar in het ten uitvoer brengen van
hetgeen goed is, zijt gij onzen meerderen niet. De Galliërs mogen in
vrede bij ons blijven, en gij kunt Polycarpus streng in 't verhoor
nemen; doe het echter allereerst als zijn vriend. Of ware het niet
beter, wanneer gij dit aan mij overliet? Hij heeft zich zoozeer
verheugd in het vooruitzicht op het voltooien zijner leeuwen, en zijne
medewerking bij den grooten bouw in de hoofdstad, en daarmede zal het
nu uit zijn! Ik wenschte dat ge hem dit reeds aan het verstand had
gebracht. Doch liefdesgeschiedenissen zijn vrouwenzaken, en gij weet
hoe lief de jongen mij heeft. Een moederlijk woord werkt dikwijls meer
uit, dan de klap eens vaders. Het is in het leven als in den krijg:
eerst brengt men de boogschutters in het veld; de zwaargewapenden
blijven achter en dienen hun tot steun. Eerst als de vijand niet wijken
wil, treden de laatsten vooruit en beslissen den slag. Laat mij vooraf
met den jongen spreken. Het kon toch zijn, dat hij enkel uit scherts
eene roos in het venster der Gallische wierp, die immers met zijne
broertjes en zusjes speelt, alsof zij tot onze familie behoorde. Ik
zal hem in 't verhoor nemen, en is het er zóo mede gesteld, dan zou
het noch billijk, noch verstandig zijn hem te berispen. Zelfs met
eene waarschuwing moet men voorzichtig te werk gaan, want menigeen,
die nooit aan stelen heeft gedacht, is door eene valsche verdenking
een dief geworden. Zulk een jeugdig gemoed dat begint lief te hebben,
is als een wilde knaap, die bij voorkeur langs paden wandelt, waarvoor
men hem gewaarschuwd heeft. Toen ik nog een meisje was, ontwaarde ik
zelve eerst hoe lief ik u had, nadat de vrouw van den senator Aman,
die u voor hare eigene dochter begeerde, mij den raad had gegeven mij
voor u te wachten. Wie zijn tijd te midden van al de verleidingen
van het Grieksche Sodom zoo ernstig heeft besteed als Polycarpus,
wie zich daar zulk een lof van zijne leeraars en meesters heeft
verworven gelijk hij, hem heeft de loszinnigheid der Alexandrijnen
niet geschaad. In de eerste jaren bepaalt de mensch in welke richting
hij gedurende zijn volgend leven zal voortgaan, en die richting heeft
Polycarpus aangenomen, alvorens hij ons huis verliet. Ja, als ik niet
wist hoe braaf hij is, dan zou ik slechts op u hebben te zien, om tot
mijzelven te zeggen: "uit het kind, dat door dezen is groot gebracht,
kan nooit een slecht man groeien."

Petrus haalde bedenkelijk, als hield hij die vleiende woorden zijner
vrouw voor ijdele dwaasheid, en toch lachend de schouders op, en
vroeg: "Bij welken rhetor hebt gij toch school gegaan? Het zij zoo;
spreekt gij met den jongen als hij uit Raïthoe terugkomt. Wat staat
de maan reeds hoog! Kom, laat ons ter ruste gaan, Antonius zal morgen
zeer vroeg het altaar opstellen, en daar wil ik bij zijn."







NEGENDE HOOFDSTUK.


Mirjam had goed gehoord. Terwijl zij bij het avondeten werd opgehouden,
had Hermas de deur van den hof geopend. Hij was gekomen om den senator,
uit erkentelijkheid voor de geneesmiddelen, waaraan zijn vader zooveel
beterschap had te danken, een flinken jongen steenbok te brengen,
dien hij weinige uren geleden geschoten had. Hij had hiermede wel
tot den volgenden morgen kunnen wachten, maar hij vond geen rust
boven op den berg en hij kon noch wilde het zichzelven verhelen,
dat veel minder het verlangen om zijn gevoel van dankbaarheid uit te
spreken hem naar de oase dreef, dan wel de hoop om Sirona te zien en
een woord van hare lippen te hooren.

Sedert zijne eerste ontmoeting had hij haar meermalen gesproken,
en hij was zelfs in haar huis geweest, als zij hem wijn voor zijn
vader gaf en hij de ledige flesschen terugbracht. Eens, terwijl zij de
flesch die hij vasthield uit de groote kan vulde, hadden hare blanke
vingers de zijne aangeraakt, en haar vraag of hij dan bang voor haar
was, of waarom anders zijne hand, die toch zoo sterk scheen te zijn,
zoo angstig beefde, kon hij maar niet vergeten.

Hoe meer hij het huis van Petrus naderde, des te heviger klopte zijn
hart. Hij bleef voor de deur van den hof staan om adem te halen en
weder op zijn verhaal te komen, want hij gevoelde dat het hem, in
zulk een opgewonden toestand, moeielijk zou vallen in behoorlijke
orde zijne gedachten uit te spreken. Eindelijk greep zijne hand den
knop van de deur en trad hij den hof binnen.

De honden kenden hem al en sloegen maar even aan, toen hij den drempel
overschreed. Hij had iets te brengen en wilde niets wegnemen, en
toch scheen het hem toe alsof hij een dief was, toen hij eerst opzag
naar het groote huis, dat door het maanlicht helder werd beschenen,
en dan naar het huis van den Galliër, dat daar, in duisternis gehuld,
in onbestemde omtrekken stond, en eene breede donkere schaduw wierp
op het glad geloopen en glinsterend graniet van het plaveisel. Er was
geen mensch te bespeuren, en de reuk van het feestgebraad zeide hem,
dat Petrus en de zijnen aan den maaltijd zaten.

"Ik zal hun, die daar zitten te smullen, ongelegen komen," sprak hij
in zichzelven, terwijl hij den bok neerlegde op den steenen bank bij de
deur en daarbij naar het hem maar al te goed bekende venster van Sirona
keek. Het was niet verlicht, maar hij zag toch iets wits in het steenen
kozijn, en dit trok zijne blikken met onweerstaanbare toovermacht
aan. Nu bewoog het zich; daar verhief Sirona's hazewindhondje vlak
bij hem zijn schelle stem.

Zij was het, zij moest het zijn! Haar beeld trad hem in al zijn
glans voor de oogen, en opeens kwam het hem in de gedachte, dat zij
alleen was, want hij was Phoebicius en de oude slavin te midden van
de Mithras' aanbidders op den weg in de oase tegengekomen.

Hoe was die vrome jonkman, die de geeselriemen op zijn vleesch deed
nederdalen, om verleidelijke droomgestalten te verbannen, in weinige
dagen veranderd! Om zijn vaders wil had hij den berg nog niet verlaten,
hij was echter besloten de wereld niet langer te ontvluchten, maar
haar veeleer op te zoeken. De verpleging zijns vaders had hij aan den
vromen Paulus overgelaten, en hij had beneden de rots omgezworven. Nu
eens oefende hij zich daar in het werpen met de schijf, dan weder
maakte hij jacht op steenbokken en roofdieren. Soms daalde hij, doch
altijd wel een weinig schroomvallig, in de oase af, om daar rondom
het huis van den senator te loopen, ten einde Sirona te zien.

Thans werd hij met eene onweerstaanbare kracht tot haar getrokken,
daar hij wist dat zij alleen was. Wat hij van haar wilde, wist hij
zichzelven eigenlijk niet te zeggen, en volmaakt duidelijk was hem
niets, dan dat hij wenschte haar vinger nog eens met den zijnen
aan te raken. Of dat zonde moest heeten of niet, dit was hem vrij
onverschillig. Zonde had men ook zijn onschuldig spel genoemd,
zonde elke gedachte aan de wereld, waarnaar hij verlangde, en hij
was geheel besloten de zonde voor zijn rekening te nemen, ten einde
zijn doel te bereiken. Het was ten slotte toch niet anders dan
een schrikbeeld, waarmede 

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/42861