Vadertje Langbeen
by Jean Webster · Dutch · Gutenberg #42443 · 288,849 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Vadertje Langbeen
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Vadertje Langbeen
Author: Jean Webster
Release date: March 31, 2013 [eBook #42443]
Most recently updated: October 23, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/42443
Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VADERTJE LANGBEEN ***
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. Onderstreepte tekst is weergegeven als |
| #onderstreept#. Superscript is als normale tekst weergegeven. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |
| afbreekstreepje, met/zonder extra spatie. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
| e-boek op https://www.gutenberg.org/ |
| |
| Het engelse origineel van dit e-boek is „Daddy-Long-Legs”, |
| welke ook als e-boek no. 157 beschikbaar is via |
| Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org/ebooks/157) |
| en in een geïllustreerde versie als e-boek no. 40426 |
| (https://www.gutenberg.org/ebooks/40426). |
| Het engelse boek is ook beschikbaar als audio-boek (e-boek |
| no. 19782, https://www.gutenberg.org/ebooks/19782). |
| |
+----------------------------------------------------------------+
VADERTJE LANGBEEN
VADERTJE
LANGBEEN
DOOR
JEAN WEBSTER
6de GOEDKOOPE DRUK
[Illustratie]
AMSTERDAM
SCHELTEMA & HOLKEMA'S BOEKHANDEL
K. GROESBEEK & PAUL NIJHOFF
LAMME WOENSDAG.
De eerste Woensdag van elke maand was een echt in-vervelende dag, een
dag, die vol angst tegemoet gezien werd, dapper doorstaan moest worden
en dan weer zoo gauw mogelijk vergeten werd. Geen vlekje mocht er dan op
de vloeren te bespeuren zijn, geen stofje op de stoelen en geen rimpel
in de beddelakens. Zevenennegentig onrustige, kleine vondelingetjes
moesten geboend, gekamd en geborsteld en in versch gesteven pakjes
gestoken worden, en aan alle 97 werd nog extra op het hart gedrukt,
dat zij zich netjes moesten gedragen en vooral met twee woorden
moesten antwoorden, wanneer een van de regenten of van de bezoekers
zich verwaardigde hen aan te spreken.
Het was werkelijk een allerafschuwelijkste dag en de arme Jerusha
Abbott, de oudste vondeling, had er nog den meesten last van. Maar ook
deze afschuwelijke „Lamme Woensdag” kwam, net zooals zijn voorgangers,
gelukkig tot een eind. Jerusha vluchtte van de provisiekamer, waar zij
sandwiches voor de gasten had klaargemaakt, naar boven, om haar gewone
dagelijksche werk af te maken. Aan haar was de speciale zorg voor Kamer
F. opgedragen, waar elf kleine kleuters van vier tot zeven jaar sliepen
in elf kleine bedjes, die op een rij langs den muur stonden. Jerusha
verzamelde haar pleegkinderen om zich heen, trok hun verkreukelde
pakjes glad, snoot hun vuile neuzen en stuurde ze op een rijtje naar
de eetkamer, waar ze zich gedurende een gezegend half uur aan brood
met melk en pruimepudding te goed konden doen.
Daarna liet ze zich op de vensterbank neerzakken en drukte haar
bonzend, gloeiend voorhoofd tegen de koele ruit. Van 's morgens vijf
uur af was ze op de been geweest en had ze iedereen naar de oogen
moeten zien en dan nog op den koop toe uitgescholden en opgejaagd door
een zenuwachtige directrice. Want achter de schermen bezat Juffrouw
Lippett lang niet altijd de kalme waardigheid, waarmede ze op den
Lammen Woensdag de regenten en bezoeksters ontving.
Jerusha staarde recht voor zich uit, over de uitgestrekte bevroren
weilanden, over het hooge ijzeren hek, dat het gesticht omringde, over
het heuvelland, waarop zich hier en daar een landhuis verhief, naar
de torenspitsen van de stad, die te midden van de kale boomstammen
verrezen.
De dag was afgeloopen, voor zoover zij wist, goed afgeloopen zelfs.
De regenten en bezoeksters hadden de ronde door het gesticht gedaan,
de verslagen gelezen, hun thee gedronken en waren nu weer vlug
weggegaan naar hun eigen gezellige huizen om daar hun vervelende
kleine liefdadigheidsplichten weer tot het begin van de volgende maand
te vergeten. Nieuwsgierig leunde Jerusha tegen het raam en volgde
belangstellend met de oogen den stroom van equipages en automobielen,
die door het hek van het gesticht wegrolden. In haar verbeelding
vergezelde zij eerst de ééne, dan weer de andere equipage tot de groote
landhuizen, welke zich langs de heuvels verhieven. Zij zag zichzelf,
gehuld in een dikken bontmantel en met een grooten fluweelen hoed met
veeren op, gemakkelijk in de kussens gevlijd, terwijl ze nonchalant den
chauffeur gelastte „Naar huis” te rijden. Aan den drempel van haar huis
werd haar droombeeld echter verward.
Jerusha had zooveel verbeeldingskracht, dat Juffrouw Lippett wel eens
beweerde, dat ze nog gek zou worden, indien zij er zich niet met kracht
tegen verzette. Maar hoe groot haar fantazie ook was, die kon haar toch
niet brengen in het portaal van de huizen, waar zij wilde binnentreden.
De arme, avontuurlijke kleine Jerusha had in haar heele zeventienjarig
bestaan nog nooit den drempel van een gewoon huis overschreden. Zij kon
zich het dagelijksche leven van menschen, die niet met den zorg voor de
arme vondelingen belast waren, met geen mogelijkheid voorstellen.
„Jerusha Abbott
Je moet komen
In de kamer
Van Juf Lippett!”
Tommy Dillon, die in het koor had meegezongen, kwam zingende de trap
op en de kamer binnen, al luider keel opzettend naarmate hij naderde.
Jerusha schrok uit haar droom aan het venster op en keerde tot de
dagelijksche lasten van haar leven terug.
„Wie heeft er naar me gevraagd?” onderbrak ze Tommy's gezang op
angstigen toon.
„Juf Lippett is in de kamer.
Ze is geloof ik gek.
A-a-men!”
eindigde vrome Tommy zijn mededeeling. Toch was zijn toon niet plagerig,
want zelfs het onverschilligste pleegkind voelde medelijden voor zijn
armen broeder of beklagenswaardige zuster, die in de kamer van de
gejaagde, zenuwachtige directrice werd ontboden. En Tommy hield van
Jerusha, al rammelde ze hem ook wel eens door elkaar en al werd zijn
neus ook vaak heel hardhandig door haar gesnoten.
Jerusha ging naar de kamer. Twee diepe rimpels vertoonden zich
tusschen haar wenkbrauwen. Wat had ze nu weer niet goed gedaan?
Waren de sandwiches niet dun genoeg gesneden, waren er schillen in de
amandelkoekjes geweest of had een bezoekster het gat in Suze Hawthorns
kous ontdekt? Hemelsche goedheid, had een van die allerleukste kleine
kleuters uit haar eigen kamer een regent misschien een brutaal antwoord
gegeven?
De lange lage gang was niet verlicht en toen zij bij de kamer kwam,
stond daar nog een regent, op het punt van vertrekken, in de open
gangdeur, die naar de hal leidde. Jerusha kreeg slechts een vluchtigen
indruk van den man. Zij zag alleen maar, dat hij groot was en heel lange
beenen had. Met zijn armen zwaaide hij naar de auto, die voor de deur
stond te wachten. Toen deze zich in beweging zette en naderbij kwam,
wierpen de lantaarns een duidelijke schaduw van den man tegen den muur
van de vestibule. Die schaduw toonde enorm lange armen en beenen, die
langs den wand naar den uitgang zwaaiden. Het geheel maakte den indruk
van iets enorm groots en fladderends.
Jerusha's angstig gezichtje nam een vroolijke uitdrukking aan. Ze had
een blijmoedig karakter en het geringste kon haar lachlust opwekken.
Ze kwam dan ook door die kleine gebeurtenis geheel opgevroolijkt in
de directricekamer en begroette Juffrouw Lippett met een glimlach.
Tot haar groote verbazing was de Moeder, zooal niet glimlachend,
toch oogenschijnlijk in een rooskleurige bui. De kleine Jerusha werd
tenminste haast net zoo welwillend ontvangen als de bezoekers van dien
middag.
„Ga zitten, Jerusha. Ik moet iets met je bespreken.”
Jerusha liet zich in den eersten stoel den besten neervallen en wachtte
ongeduldig af, wat komen zou. Een auto snorde langs het raam. Juffrouw
Lippett keek haar na.
„Zag je dien heer, die zooeven wegging?”
„Ja, zijn rug”.
„Het is een van de regenten, die het meest te zeggen heeft. Hij heeft
ook al groote sommen gegeven om onze inrichting te steunen. Ik mag je
zijn naam niet noemen, hij heeft mij uitdrukkelijk gezegd, dat hij
onbekend wil blijven.”
Jerusha keek haar met groote oogen aan. Zij was er niet aan gewend, dat
de directrice de particuliere zaken van de regenten met haar besprak.
„Deze heer stelt in verschillende van onze jongens belang. Herinner
je je Charles Benton en Henry Freize? Die werden alle twee door hem
naar de universiteit gezonden en beiden hebben ze door hard werken en
groot succes het geld eer aangedaan, dat zoo edelmoedig voor hen werd
uitgegeven. Een andere betaling wenscht deze heer niet. Tot nu toe heeft
hij alleen maar jongens op weg geholpen en het is me nooit gelukt, ook
maar in het minst belangstelling in een van de meisjes van het gesticht
bij hem op te wekken, hoe zeer enkelen het misschien ook verdiend
hebben. Ik kan je wel vertellen, dat hij absoluut niets om meisjes
geeft”.
„Zoo, juffrouw”, bromde Jerusha, die dacht, dat zij hierop iets moest
antwoorden.
„Vandaag is op de vergadering jouw toekomst besproken”.
Juffrouw Lippett hield even een veelzeggende pauze. Daarna vervolgde zij
weer op haar kalme spreekwijze tot de nu plots gespannen toehoordster:
„Zooals je weet, worden de kinderen gewoonlijk hier niet langer dan tot
hun zestiende jaar gehouden, maar hebben we bij jou een uitzondering
gemaakt. Tot je veertiende jaar ben je op de lagere school geweest en
omdat je altijd goed geleerd hebt, werd er besloten, dat je daarna de
middelbare school mocht bezoeken, ook al was je gedrag lang niet altijd
even goed. Nu heb je ook die geheel bezocht en kan het gesticht niet
langer voor je zorgen. Je hebt al twee jaar meer dan je toekwam”.
Juffrouw Lippett negeerde het feit, dat Jerusha gedurende die twee jaar
hard voor haar kost had moeten werken, zoodat het werk voor het gesticht
in de eerste plaats en dat voor haar opvoeding pas daarna aan de beurt
was gekomen. Ook sprak ze er niet over, dat het kind op dagen als heden
b.v. thuis werd gehouden, om het huis schoon te maken.
„Zooals ik zooeven al zei, werd vanmiddag je toekomst besproken, grondig
besproken.”
Beschuldigend keek Juffrouw Lippett de kleine, voor haar zittende
gevangene aan en bescheiden sloeg deze de oogen neer, niet omdat zij
zich van iets kwaads bewust was, maar omdat zij begreep, dat dit van
haar verwacht werd.
„Natuurlijk behoorde iemand in jouw positie ergens heen gestuurd te
worden, waar je hard moet werken, maar je hebt nu eenmaal op school goed
je best gedaan, vooral in sommige vakken. Het schijnt, dat je Engelsche
opstel zelfs schitterend geweest is. Juffrouw Pritchard, die in ons
bestuur zit en ook in het schoolcomité, heeft er met je leeraar over
gesproken en heeft hier een opstel van je voorgelezen, dat je „Lamme
Woensdag” hebt betiteld.”
Deze keer was Jerusha's schuldige uitdrukking niet geveinsd.
„Het komt me voor, dat je je niet bepaald dankbaar toont, wanneer je
het instituut, waar je zooveel hebt genoten, belachelijk maakt. Als het
niet bepaald humoristisch geschreven was, geloof ik dan ook niet, dat
de regenten het je ooit hadden vergeven. Maar gelukkig voor jou heeft
Mijnheer.... ik meen Mijnheer de regent, die zoo juist vertrokken is,
heel veel gevoel voor humor en naar aanleiding van dit brutale opstel
heeft hij aangeboden, je voor zijn kosten naar de universiteit te
sturen”.
„Naar de Universiteit?” Met open mond gaapte Jerusha de directrice aan.
Die knikte. „Ja, hij bleef net hier om nog verschillende condities met
me te bespreken. Heel buitengewone condities waren het. Die Mijnheer
de regent is een fantast, mag ik wel zeggen. Hij gelooft, dat je veel
oorspronkelijke gedachten hebt en wil nu een schrijfster van je maken”.
„Een schrijfster!” Jerusha kon haar ooren niet gelooven. Half onbewust
herhaalde ze Juffrouw Lippett's woorden.
„Ja, dat wil hij nu eenmaal. Of zijn wensch ook in vervulling zal gaan,
moet de toekomst ons leeren. Hij wil je een heele groote toelage geven,
eigenlijk te groot voor een meisje zooals jij, dat nog nooit eenig
begrip van geldzaken gehad heeft. Maar hij heeft nu alles tot in de
kleinste bijzonderheden met me besproken en ik kwam er niet toe, eenige
tegenwerpingen te maken. 's Zomers kun je hier altijd komen en Juffrouw
Pritchard is zoo vriendelijk geweest om voor je uitzet te willen zorgen.
Je pension en het collegegeld zal direct aan de universiteit betaald
worden en de vier jaar, dat je daar bent, krijg je nog een toelage
van $ 35.— per maand. Daardoor zal je op gelijken voet met de andere
meisjes-studenten kunnen leven. Eén keer per maand ontvang je het geld
door den secretaris van dien regent en dan moet je hem zelf in antwoord
daarop elke maand een brief schrijven, waarin je hem er voor bedankt.
Of nee, bedanken moet je hem ook weer niet voor het geld, daar geeft
hij niets om.... Maar je moet hem schrijven over de vorderingen, die
je maakt en hem allerlei kleine bijzonderheden van je dagelijksch leven
vertellen. Schrijf hem net zoo'n brief als je aan je ouders zoudt sturen
als je die hadt.
Die brieven moet je aan Mijnheer John Smith richten, en aan zijn
secretaris zenden. Hij heet natuurlijk niet John Smith, maar wil nu
eenmaal onbekend blijven en voor jou zal hij dan ook wel nooit iemand
anders zijn dan John Smith. Hij verlangt dat je hem geregeld elke maand
schrijft, omdat hij meent, dat niets een betere oefening voor je stijl
en het gemakkelijk in woorden brengen van je gedachten is, dan juist
brieven schrijven. Omdat jij nu geen familie hebt aan wie je kunt
schrijven, wil hij die brieven ontvangen. Ook wil hij precies op de
hoogte gehouden worden van je vorderingen. Hij zal je nooit antwoorden
of de geringste notitie van je brieven nemen. Hij verfoeit dat
gecorrespondeer! En, hij wil natuurlijk geen last van je hebben. Mocht
het voorkomen, dat je een direct antwoord noodig hebt—b. v. als je
weggestuurd zou worden, wat naar we hopen niet gebeuren zal—dan kun je
aan den secretaris, Mijnheer Griggs, schrijven. Je bent verplicht elke
maand een brief te sturen, dat is de eenige betaling, die Mijnheer Smith
van je verlangt, dus moet je ze altijd stipt op tijd sturen, want het
is je rekening, die je daarmee betaalt. Ik hoop, dat je altijd met het
noodige respect zult schrijven en je opvoeding eer zult aandoen. Denk er
altijd aan, dat je aan een regent van het John Grier Home schrijft....”
Jerusha's oogen zochten tersluiks de deur. Haar hoofd bonsde, zij
hoopte, dat ze nu eindelijk van Juffrouw Lippett af kon komen om rustig
over alles na te denken. Ze stond op en deed zachtjes een stap naar de
deur, maar met een beslist handgebaar hield de directrice haar terug,
haar rede was nog niet ten einde.
„Ik vertrouw dat je je altijd dankbaar zult toonen voor het geluk,
dat je te beurt gevallen is. Er zijn uiterst weinig meisjes in jouw
omstandigheden, aan wie zoo'n gelegenheid wordt geboden om in de wereld
vooruit te komen. Je moet er altijd aan denken, dat....”
„Ja zeker, Juffrouw, dat zal ik doen. Maar ik geloof, dat ik nu weg
moet. Freddie Perkins heeft een gat in haar kous....”
De deur ging achter haar dicht. Met een onderdrukt scheldwoord sloot de
waardige directrice haar redevoering.
DE BRIEVEN VAN JERUSHA ABBOTT AAN MIJNHEER VADERTJE LANGBEEN.
215 Fergussen Hall.
24 September.
Lieve, vriendelijke Regent-die-Vondelingen-naar-College-stuurt!
Hier ben ik nu! Gisteren heb ik vier heele uren in den trein gezeten.
Een typisch gevoel is dat, hè? Ik was er vroeger nog nooit in geweest.
College is de grootste inrichting, die je je kunt voorstellen! Ik
verdwaal gewoonweg als ik even mijn kamer uitga! Als ik me een beetje
minder door elkaar gerammeld gevoel, zal ik u later een heel nauwkeurige
beschrijving geven en dan zal ik u ook van alles over mijn lessen
vertellen. Die beginnen pas Maandagmorgen en het is nu Zaterdagavond,
maar ik wou u zoo graag dadelijk mijn eersten brief schrijven, alleen
maar, om gauw met u bekend te raken.
't Is toch gek om brieven te schrijven aan iemand, die je heelemaal
niet kent en voor mij is het toch al erg vreemd om te schrijven. Denk
eens aan, ik heb er in mijn heele leventje pas drie of vier geschreven.
Erger u er dus alsjeblieft maar niet over, wanneer dit niet precies een
model-brief wordt!
Voordat ik gisteren eindelijk vertrok, heb ik nog een heel ernstig
gesprek met Juffrouw Lippett gehad. Ze zei me voor de duizendste maal
nog eens precies hoe ik me nu gedurende de rest van mijn leven moest
gedragen en vooral schreef ze me nog eens uitdrukkelijk mijn gedrag
voor, tegenover den vriendelijken heer die zooveel voor me doet. Ik
moest er altijd aan denken, Heel Eerbiedig aan hem te schrijven!
Maar hoe kan ik nu in 's hemelsnaam heel eerbiedig zijn (eigenlijk weer
met twee hoofdletters) tegenover een man, die zich _John Smith_ wenscht
te noemen! Hoe kwam u er eigenlijk toe, zoo'n alledaagschen naam uit
te pikken? Ik zou net zoo goed brieven aan Mijnheer Hitching Post of
Mijnheer Clothes-Prop kunnen schrijven.
Ik heb dezen zomer heel veel aan u gedacht. Nu ik eindelijk iemand heb
gevonden, die werkelijk belang in me stelt, heb ik het gevoel, alsof
ik zoo opeens een heele familie heb gekregen, het is net, alsof ik nu
ook bij iemand hoor. O, het is een zalig gevoel! Toch moet ik eerlijk
opbiechten, dat ik het erg vervelend vind dat ik zoo verschrikkelijk
weinig van u weet. Kijk, daar zijn alleen maar drie dingen, waarop ik
mijn verbeelding voortbouw:
I. U is groot.
II. U is rijk.
III. U hebt het land aan meisjes.
Ik zou u wel Lieve Mijnheer Meisjes-Hater kunnen noemen, maar dat
is toch nogal beleedigend voor mij. Of Lieve Mijnheer Rijkaard, maar
dat is weer beleedigend voor u, want dan lijkt het wel of uw geld het
belangrijkste van u is. En daarbij is rijk zijn zoo iets wisselvalligs.
Misschien blijft u niet eens uw heele leven rijk, een massa heel knappe
menschen eindigen hun leven in Wall Street. Maar lang zult u wel uw
heele leven blijven en daarom heb ik besloten U mijn Lieve Mijnheer
Langbeen of wel Vadertje Langbeen te doopen. Ik hoop, dat u het niet
erg zult vinden, het is een eigen naampje voor mij alleen. We zullen
het niet aan Juffrouw Lippett vertellen.
Over twee minuten zal de tien uur bel geluid worden. Ons heele leven
is hier door bellen ingedeeld: wij eten, slapen en studeeren volgens
bellen. Vroolijk, hè? Ik voel me den heelen dag als een vurig,
steigerend paard. Daar gaat het licht al uit! Goeden nacht!
Let u wel op, hoe netjes ik hier gehoorzaam? Dat komt door de training
in het John Grier Home.
Met verschuldigden eerbied,
Hoogachtend,
Uw Jerusha Abbott.
Aan den WelEd. Heer Vadertje Langbeen Smith.
1 October.
Mijn lieve Vadertje Langbeen.
Ik houd van College en houd van jou, omdat ik door jou hier gekomen ben.
Ik ben heel, heel gelukkig en overdag zoo opgewonden, dat ik 's nachts
bijna niet slapen kan. Je kunt je niet voorstellen, wat een verschil het
leven hier is met dat in het John Grier Home. Zelfs in mijn droomen heb
ik me zoo'n leventje niet kunnen voorstellen! Zeg Vadertje, ik heb
medelijden met iedereen, die geen meisje is en die dus hier niet kan
komen, want ik weet heel zeker, dat het op College, waar jij geweest
bent toen je nog jong was, niet half zoo prettig kan geweest zijn als
hier bij ons.
Mijn kamer is in een toren en toen het nieuwe ziekenhuis nog niet
gebouwd was, werd ze voor de besmettelijke zieken gebruikt. Er slapen
nog drie andere meisjes op dezelfde verdieping als ik: een Senior
(studente van het vierde jaar), met een bril op, die ons vraagt, toch
alsjeblieft wat kalmer te zijn, en dan nog twee groentjes, Sallie
McBride en Julia Rutledge Pendleton. Sallie heeft rood haar en een
wipneus en ze is heel aardig, Julia behoort tot een van de eerste
families in New-York en heeft het tot nu toe beneden haar waardigheid
gevonden, eenige notitie van mijn persoontje te nemen. Die twee wonen
samen op éen kamer, en de oudere studente en ik hebben ieder een kamer
voor ons alleen. Gewoonlijk krijgen nieuwelingen geen kamer alleen, er
zijn er maar heel enkelen, die dat hebben, maar ik kreeg er dadelijk
een, zonder dat ik er om gevraagd had. Ik denk, dat de registerbewaarder
het niet over zich kon verkrijgen een fatsoenlijk grootgebracht meisje
te verzoeken om samen met een vondeling op éen kamer te wonen. Dat is
tenminste nog een voordeeltje!
Mijn kamer ligt op het Noordwesten en heeft twee ramen. Wanneer je 18
jaar lang met twintig anderen op éen zaal hebt geleefd, is het heerlijk
rustig, eindelijk eens alleen te zijn. Ik geloof, dat dit het eerste
gansje is, dat ik kreeg door de kennismaking met Jerusha Abbott en ik
geloof heusch, dat ik nog eens van haar ga houden ook.
Hou jij ook een beetje van haar?
Dinsdag.
Ze zijn bezig het Korfbal-twaalftal van de Groentjes samen te stellen
en ik geloof wel, dat ik kans heb er in te komen. Ik ben natuurlijk
wel erg klein, maar toch verbazend vlug en lenig. Wanneer de anderen
allemaal in de lucht springen om den bal te vangen, kan ik onder hun
voeten grabbelen en den bal op rapen. O, het is éénig 's middags daar
buiten op het veld! De bladeren zijn nu alle rood, bruin en geel, er
is en heerlijke, frissche lucht en wij lachen en schateren en hebben
eeuwig pret! Ik heb nog nooit zulke gelukkige meisjes gezien en ik ben
nog de allergelukkigste van allemaal!
Ik wou je eigenlijk een heel langen brief schrijven en je over alles
vertellen, wat ik nu leer (Juffrouw Lippett zei, dat je dat weten
moest), maar het heeft net zeven uur geslagen en over 10 minuten moet
ik in mijn sportpak op het korfbalveld zijn. Zeg, hoop jij ook zoo,
dat ik in het twaalftal kom?
P.S. (9 uur). Sallie McBride stak net haar hoofd door de deur. Weet je,
wat ze zei? „Ik heb zoo'n heimwee, dat ik het niet meer kan uithouden.
Heb jij ook zoo'n verlangen naar huis?”
Ik lachte een beetje en zei, dat ik er niet zoo'n erge last van had.
Ik dacht, dat ik er wel doorheen zou komen.
Heimwee is tenminste een kwaal, waar ik geen last van zal hebben.
Ik heb tenminste nog nooit gehoord van iemand die heimwee naar het
Vondelingengesticht had, jij wel?
10 October.
Lieve Mijnheer Langbeen,
Heb jij ooit van Michael Angelo gehoord?
Hij was een beroemd schilder, die in de Middeleeuwen in Italië leefde.
Iedereen in de Engelsche letterkunde-les scheen hem te kennen en zij
lachten mij allemaal uit omdat ik dacht, dat het een aartsengel was.
Maar het klinkt ook net als de naam van een aartsengel, nietwaar? Zieje,
Vadertje, dat is heel lastig hier op College. Ze verwachten van me, dat
ik een heele massa dingen weet, waarvan ik nog nooit gehoord heb. Ik ben
er in het eerst vreeselijk verlegen mee geweest, maar nu luister ik goed
wanneer de anderen over dingen spreken, waarvan ik niets weet, en dan
zoek ik ze later in de encyclopaedie op.
Den eersten dag maakte ik een vreeselijke stomme fout. Iemand had het
over Maurice Maeterlinck en toen vroeg ik of dat ook een nieuweling was.
Die mop is nu in de heele universiteit bekend. Maar het doet er niets
toe: in de klas ben ik even knap als de anderen en zelfs nog knapper dan
sommigen.
Wil je weten hoe ik mijn kamer heb ingericht? Het is alles in bruin
en geel gehouden. De muur was geel geverfd en nu heb ik geel linnen
gordijnen en kussens gekocht en een mahoniehouten schrijftafel (tweede
hands voor $ 3.—) en een rieten makkelijken stoel en een bruin karpet
met een inktmop er midden in. Nu zet ik mijn stoel net op die mop.
De vensters zijn heel hoog van den grond en wanneer je gewoon op de
stoel zit, kun je niet naar buiten kijken. Maar nu heb ik mijn lessenaar
bij het raam gezet en ga ik daarop zitten. Dat gaat heel gemakkelijk. Ik
schuif maar de la's uit en klim erop als bij een trap.
Sallie McBride hielp mij die dingen koopen op een veiling die de Seniors
(vierde jaars studenten) hielden. Zij heeft haar heele leven in een huis
gewoond en weet dus precies hoe je een kamer moet inrichten. O Vadertje
Langbeen, je kunt je heusch niet voorstellen hoe leuk dat is, een winkel
binnen te gaan en dan met een echt vijfdollars banknootje te betalen en
dan nog geld terug te krijgen. Dat weet je alleen wanneer je je heele
leven nooit meer dan een paar centen je eigendom hebt kunnen noemen.
Ik stel je zakgeld erg op prijs.
Sallie is het aardigste meisje dat ik ken en Julia Rutledge Pendleton
het vervelendste. Toch vreemd, dat de registerbewaarder zulke
tegenstrijdige karakters op één kamer brengt. Sallie vindt alles even
leuk en prettig, en Julia heeft aan alles even erg het land. Weet je
waarom? Ze vindt dat alleen het feit dat ze een Pendleton is, haar het
recht geeft zonder eenige moeite in den Hemel te komen. Zij en ik zijn
geboren om vijandinnen te worden.
Je bent zeker erg ongeduldig, omdat ik je nog nooit verteld heb wat we
hier allemaal leeren. Luister:
I. Latijn: Tweede Punische Oorlog. Hannibal overnachtte gisteravond
met zijn leger aan het Trasimeensche meer. Zij gaan in een hinderlaag
liggen en om 4 uur vanmorgen had het gevecht tusschen hen en de Romeinen
plaats. De Romeinen delven het onderspit.
II. Fransch: 24 bladzij's uit „Les trois Mousquetaires” en de
onregelmatige werkwoorden van de derde klas.
III. Meetkunde: Met de Cylinders zijn we klaar, nu komen de Kegels.
IV. Engelsch: Wij moeten de tentoonstelling beschrijven. Mijn stijl
wordt van dag tot dag beter en ik schrijf nu veel pittiger.
V. Menschkunde: Het verteringsproces hebben we gehad. Den volgenden keer
beginnen we aan de gal en de klieren.
Dag,
Je, met kennis volgepropte,
Jerusha Abbott.
P.S. Ik hoop, dat je nooit alcohol drinkt, Vadertje Langbeen? Het zou
vreeselijk slecht voor je lever zijn.
Woensdag.
Mijn lieve Vadertje Langbeen,
Ik heb mijn naam veranderd!
In de lijst der studenten sta ik nog heel deftig als Jerusha aangegeven
maar overal elders heet ik nu Judy. Het is toch eigenlijk naar dat
je jezelf een lievelingsnaam moet geven, maar ik heb hem toch niet
heelemaal zelf bedacht. Freddie Perkins noemde me zoo, toen hij nog
niet goed kon praten.
Ik wou dat die Juffrouw Lippett zich een beetje meer moeite gaf om
aardige namen voor ons uit te zoeken. De achternamen haalt ze uit
het telefoonboek—als je het openslaat, zul je Abbott op de eerste
bladzij vinden—en de voornamen pikt ze overal uit op. Jerusha heeft
ze eens op een grafsteen gelezen. O, ik had toch altijd zoo het land
aan dien afschuwelijken naam! Maar Judy vind ik wel aardig. Weet je,
het past eigenlijk heelemaal niet bij mij; een lief klein kindje met
zonnige, blauwe oogen moest zoo heeten, een, dat door de heele familie
vertroeteld en geknuffeld wordt en zonder eenige moeite zijn weg in het
leven vindt. Zou het niet heerlijk zijn ook zoo'n kind te wezen? Ik mag
een heeleboel fouten hebben, maar dat kan niemand mij verwijten, dat
ik door mijn familie bedorven ben. Ik vind het prettig om me voor te
stellen, dat ze het wèl gedaan hebben! Doe me een plezier en noem me in
het vervolg nooit anders dan Judy, wil je?
Wil je nog meer van me weten? Ik heb drie paar glacés. Ik heb wel eens
met Kerstmis wollen wanten gekregen, maar nog nooit echte handschoenen
met vijf vingers. En dan glacés! Is het geen rijkdom? Lach niet, ik moet
je nog iets biechten. Ik trek ze elk oogenblik uit en aan en vind het
alleen maar doodjammer, dat ik ze niet in de klas kan dragen!
(Daar luidt de etensbel. Dag!).
Vrijdag.
O Vadertje Langbeen, ik heb je zoo iets prettigs te vertellen! De
Engelsche leerares zei, dat mijn laatste opstel veel oorspronkelijke
gedachten inhoudt. Dat zei ze woordelijk, zeg! Je kunt het haast niet
gelooven, hè, als je denkt aan het leven, dat ik achttien heele jaren
heb moeten leiden. Zooals je wel weet (en zeker ook van harte goedkeurt)
is het doel van het John Grier Home om 97 vondelingen in 97 gelijk- en
gelijkvormige kinderen te herscheppen.
Ja, van mijn buitengewonen teekenaanleg gaf ik al in mijn prilste jeugd
blijk, getuige de vele spotprentjes op Juffrouw Lippett op de deur van
de loods.
Ik hoop dat ik je niet kwets, wanneer ik het instituut zoo bekritiseer.
Je weet wel, dat jij de grootste macht in handen hebt, want als je me
al te brutaal vindt, kun je altijd een eind aan mijn maandgeld maken.
Het is niet erg beleefd dat ik dat zeg, hè Vadertje, maar hoe kun je ook
van mij manieren verwachten: een vondelingengesticht is nu eenmaal geen
jongedameskostschool.
Zeg, weet je, het is niet het werk dat me hier zwaar valt, het
moeilijkste is voor mij onze vrije tijd. Ik weet haast nooit waar de
meisjes het over hebben. Hun grappen schijnen op dingen betrekking te
hebben, die iedereen behalve ik hier weet. Ik ben een vreemde eend in
de bijt en versta hun taal niet. O, het is een ellendig gevoel en ik
heb het mijn heele leven gehad. Op de middelbare school stonden de
meisjes in groepjes bij elkaar en keken naar mij. Ik was altijd alleen
en heel anders dan de anderen en iedereen vond me gek. Ik _voelde_ „John
Grier Home” op mijn voorhoofd branden. Een paar, die medelijden met me
hadden, kwamen dan wel eens naar me toe en zeiden iets tegen me. O, _ik
had het land aan iedereen_, maar nog het allermeest aan die medelijdende
schapen.
[Illustratie: VONDELINGEN TYPE
van achteren van voren]
Niemand weet hier, dat ik uit een vondelingengesticht kom. Ik vertelde
Sallie McBride, dat mijn ouders gestorven waren en dat een lieve, oude
heer mij naar College had gestuurd. En dat is tot zoover ook heelemaal
waar. Denk nu alsjeblieft niet dat ik laf ben, maar begrijp dan toch,
Vadertje, ik wou zoo graag net als de andere meisjes zijn en dat
ellendige gesticht zou nog mijn heele leven kunnen bederven. Daardoor
alleen ben ik anders dan gewone meisjes, maar als ik dit huis den rug
toe draai en er nooit meer aan denk dan geloof ik, dat ik nog net
zoo als de anderen kan worden. Want ik geloof toch niet dat er een
werkelijk bestaand verschil tusschen ons is. Jij wel?
In elk geval houdt Sallie McBride toch van mij!
Dag Vadertje, hartelijke groeten van
Judy Abbott.
(Née Jerusha).
Zaterdagmorgen.
Ik lees zoo net mijn brief van gisteren over. Hij is niet erg aardig,
wel? Maar begrijp je dan ook niet, dat ik van morgen over een te voren
opgegeven onderwerp moet spreken en repetitie meetkunde heb, terwijl het
met dat al nog vreeselijk koud is bovendien?
Zondag.
Ik vergat mijn brief gisteren te posten en wil er nu nog even een
verontwaardigd P.S. bijschrijven. Vanmorgen preekte een bisschop hier
en _waarover denk je wel dat hij het had_?
„De schoonste belofte in den Bijbel is deze: „De armen zult gij altijd
bij u hebben”. De armen zijn hier op aarde opdat wij barmhartigheid
zullen leeren”.
Luister goed dan zul je begrijpen, dat de armen als zoo'n soort nuttig
huisdier in de wereld dienst doen. Wanneer ik hier niet een volmaakte
lady moest wezen zou ik na den dienst naar hem toegegaan zijn en hem
eens flink hebben verteld, hoe ik daarover wel dacht.
25 October.
Lieve Vadertje Langbeen,
Ik ben in het Korfbal twaalftal en ik wou dat je de rozet op mijn
linkerschouder eens kon zien. Ze is blauw met bruin en binnen in een
klein oranje knoopje. Julia Pendleton wilde ook in het twaalftal komen,
maar ze kwam er lekker niet in. Hoera!
[Illustratie: Judy op het Korfbalveld]
Nu zie je eens, wat een min schepseltje ik ben.
O, ik vind het hier hoe langer hoe prettiger. Ik houd van de meisjes en
de leeraressen en de lessen en de openluchtspelen en ook van het eten,
dat we hier krijgen. Zeg, we krijgen twee keer in de week roomijs en
nooit meer maismeelpap. Je wou eigenlijk maar één keer in de maand van
me hooren, is het niet, en ik overstroom je elk oogenblik met mijn
brieven. Maar denk eens aan, Vadertje, wat heb ik niet veel nieuws
beleefd in dien korten tijd! Ik ben zoo opgewonden, dat ik er wel met
iemand over _moet_ spreken en jij bent de eenige dien ik ken. Erger je
dus maar niet als ik het je zoo erg vaak lastig maak. Ik zal wel gauw
weer tot bedaren komen en als mijn geschrijf je verveelt, wel, dan kun
je mijn brieven altijd verscheuren en ze in je papiermand gooien. Ik
beloof je plechtig, je nu niet meer te schrijven voor midden November.
Dag,
Je kleine babbelzieke
Judy Abbott.
15 November.
Lieve Vadertje Langbeen,
Luister eens naar wat ik vandaag weer heb geleerd:
De ruimte van de bolle oppervlakte van de kegels van een regelmatige
pyramide is het halve product van de som van den omtrek van zijn basis
en de hoogte van elk van zijn trapeziums.
Het klinkt niet erg waarschijnlijk, maar het is tòch zoo en ik kan het
bewijzen ook.
Ik heb nog nooit over mijn kleeren gesproken, wel Vadertje? Nu, hoor dan
eens:
Ik heb zes japonnen, allemaal nieuw en mooi en extra voor mij gekocht en
niet eerst voor een ander, die er nu uitgegroeid is. Misschien begrijp
je niet eens, wat voor een punt van belang dat wel in het leven van een
John Grier-Home-kind uitmaakt. Ik heb ze alle zes van jou gekregen en
ik ben er je heel, heel dankbaar voor. Het is een zalig gevoel een
goede opleiding te krijgen maar toch is het niets, vergeleken bij het
overstelpend genot, de eigenares van zes nieuwe japonnen te zijn.
Juffrouw Pritchard, die zooals je weet een geregelde bezoekster van
het J. G. H. is, heeft ze voor me uitgezocht—gelukkig niet Juffrouw
Lippett! Ik heb een avondjapon, zacht roze voile op roze zijde gewerkt
(als ik die aan heb, ben ik heusch mooi) en een blauwe japon om naar de
kerk te gaan en een japon voor 's avonds aan tafel, roode voile met een
mooie Liberty rand (net een Zigeunermeisje is kleine Judy dan) en weer
een andere met een roze zijden ceintuur en een grijs mantelcostuum en
een daagsche japon om onder de les te dragen. Julia Rutledge Pendleton
zou het niet veel bijzonders vinden, maar voor Jerusha Abbott is het een
schat!
Nu denk je zeker: wat is ze toch een dom, frivool klein ding en waarvoor
heb ik haar nu eigenlijk naar College gestuurd.
Maar kijk eens, Vadertje, als je, zooals ik, je heele leven lang geruite
katoenen jurken hebt moeten dragen, zou je wel kunnen begrijpen wat ik
nu voel. En toen ik naar de middelbare school ging, brak er voor mij een
nog veel erger tijd aan dan die met de geruite jurken.
Toen kreeg ik de afleggers van de kinderen uit mijn klas.
O, je weet niet hoe vreeselijk ik het vond in die afleggertjes op school
te komen! Ik was er zeker van, dat ik in de klas naast het meisje moest
zitten, dat mijn kleeren eerst had opgedragen en ik voelde, dat ze zou
gaan gichelen en fluisteren en ginnegappen met de anderen en er pret
over zou maken. Het was zoo vernederend, de afgedragen kleeren van die
nesten te moeten dragen, waaraan je zoo het land hebt, en het toch niet
anders te kunnen! Al kon ik mijn heele verdere leven zijden kousen
dragen, dan zou dat toch niet het verdriet uitwisschen, dat ik toen op
school heb geleden!
Laatste oorlogsbulletin!!
Nieuws van het slagveld!
Bij de vierde rondte op Donderdag 13 November dreef Hannibal de
voorhoede der Romeinen op de vlucht en leidde de Carthagers over de
bergen in de vlakte van Casilinum. Een krijgsbende van licht gewapende
Numidiërs kwam in botsing met het voetvolk van Quintus Fabius Maximus.
Twee veldslagen en een kleine schermutseling. Na zware verliezen trokken
de Romeinen zich terug.
Met de meeste hoogachting, teeken ik
J. Abbott,
uw speciale correspondent van de voorhoede.
P.S. Ik weet, dat ik geen antwoord op mijn brieven mag verwachten en ze
hebben me ook genoeg gewaarschuwd, dat ik je niet met vragen mag lastig
vallen. Maar één ding zou ik toch zoo graag willen weten. Zeg Vadertje,
ben je vreeselijk oud of maar een béétje oud. En ben je heelemaal kaal
of heb je alleen maar een klein maantje? Het is zoo vreeselijk vervelend
als ik aan jou als aan iets wezenloos moet denken, net zooals aan een
theorieregel in de meetkunde.
Gegeven: Een groote, rijke man, die aan meisjes het land heeft maar heel
edelmoedig is voor een brutaal klein ding.
Gevraagd: Hoe ziet hij er uit?
_Antwoord s. v. p._
19 December.
Lieve Vadertje Langbeen,
Je hebt nog altijd niet op mijn vraag geantwoord en toch was die van
groot belang.
_Ben je kaal?_
Ik heb bij me zelf nog eens overdacht, hoe je er wel uit moet zien en ik
weet het nu precies. Maar als ik den kruin van je hoofd bereik, is mijn
heele kennis uitgeput. Het maakt me radeloos! Ik kan maar niet uitmaken
of je sneeuwwit haar hebt of wel ravenzwarte lokken of peper-en-zout of
wel heelemaal niets.
Hier heb je je portret.
[Illustratie]
Maar nu de hoofdzaak: moet ik er nog wat haar opplakken?
Wil je weten wat voor kleur oogen je hebt? Ze zijn grijs en je
wenkbrauwen steken als luifels naar voren (in romans spreken ze altijd
van dreigende, zwarte wenkbrauwen maar ik vind dat niet leuk), je mond
vormt een rechte, besliste lijn, bij de mondhoeken trekt die heel even
spottend naar beneden. Zie je wel, dat ik je ken? Je bent een scherpe,
oude heer, toch heel aardig, maar je hebt een lastig humeur.
(Daar gaat de bel. We moeten naar de kapel).
945 n. m.
Ik heb een vasten stelregel waarvan ik nooit wil afwijken: 's avonds
studeer ik niet, onverschillig hoeveel opstellen we ook voor den
volgenden dag hebben opgekregen. Dan lees ik alleen maar mooie boeken
en ik heb een massa te lezen, want 18 lange jaren heb ik het niet
kunnen doen. Je kunt je heusch niet voorstellen, wat een woestenij van
onwetendheid er in mijn hersenen heerscht. Nu eerst krijg ik er zelf een
flauw besef van. Van de dingen, die de meeste meisjes van een gewone
familie met een eigen thuis en vrienden en een bibliotheek al van kind
af aan weten, heb ik nog nooit gehoord.
Ik heb nog nooit „Moeder de Gans” gelezen of „David Copperfield” of
„Ivanhoe” of „Asschepoes” of „Blauwbaard” of „Robinson Crusoe” of „Jane
Eyre” of „Alice in Wonderland” of iets van Rudyard Kipling. Ik wist
niet, dat Hendrik VIII meer dan eens getrouwd was en dat Shelley een
dichter was. En nog veel minder, dat de menschen van de apen afstammen
en dat het Paradijs maar een mooie mythe is. Ik wist niet, dat R.L.S. de
afkorting van Robert Louis Stevenson is en dat George Eliot een vrouw
was. Ik had nog nooit een afbeelding van de Mona Lisa gezien en (het is
waar maar je zult het haast niet kunnen gelooven) ik had nog nooit van
Sherlock Holmes gehoord.
Nu weet ik al die dingen en ook nog een heeleboel meer, maar nu zie je
eens, hoe ik mijn best moet doen om dat alles in te halen. En is het
niet grappig, ik verlang den heelen dag al naar den avond en dan hang ik
een bordje met „Niet te spreken” op de deur en doe mijn mooie warm-roode
kimono aan en mijn sandalen. Alle kussens worden op de sofa gegooid, de
koperen studeerlamp bij mijn hoofd neergezet en dan ga ik lezen, lezen
en nog eens lezen. Eén boek is nooit genoeg, ik heb er altijd vier
tegelijk bij de hand. Op het oogenblik zijn dat Tennyson's gedichten,
„Vanity Fair”, Kiplings „Plain Tales” en dan nog (lach niet) „Op eigen
wieken” van Louise Alcott. Ik heb gemerkt, dat ik hier het eenige meisje
ben, dat dat boek in zijn jeugd nog niet gelezen heeft. Ik heb het
niemand verteld (dan zou ik dadelijk den naam krijgen van een vreemd
kind) maar ik ging heel kalm de deur uit en kocht het boek voor $ 1.12
van mijn zakgeld van de laatste maand. En als er nu iemand een volgende
keer over kleverige lemoenen spreekt, weet ik tenminste, wat ze er mee
bedoelt.
(Daar heb je de 10-uur-bel. Deze brief is wel erg verward).
Zaterdag.
Mijnheer,
Hiermede heb ik de eer u mede te deelen, dat ik nieuwe ontdekkingen
op het gebied van de meetkunde heb gedaan. Vrijdag l.l. hebben we ons
werk over de parallelogrammen gestaakt en hetzelve bij de afgeknotte
pyramides voortgezet. Wij vinden onzen studieweg hobbelig en zéér steil.
Zondag.
De volgende week begint de Kerstvacantie en wij hebben allen onze
koffers voor den dag gehaald. De gangen staan er zoo propvol mee, dat
je er haast niet door kunt en wij zijn allemaal zoo dol-opgewonden, dat
we haast niet meer aan ons werk denken. Ik krijg beslist een heerlijken
vacantietijd! Er is hier een andere nieuweling, die uit Texas komt
en ook met de vacantie hier blijft en nu hebben wij afgesproken om
samen lange wandelingen te maken en—als we ijs krijgen—te leeren
schaatsenrijden! Dan is daar nog de heele bibliotheek en drie volle
weken om te lezen!!
Dag, Vadertje, ik hoop dat jij je even blij voelt als ik me nu!
Altijd, Je Judy.
P.S. Vergeet vooral niet mijn vraag te beantwoorden! Als je het te
lastig vindt om te schrijven, kun je je secretaris toch even laten
telegrafeeren.
B.v.
Mijnheer Smith is heelemaal kaal,
of:
Mijnheer Smith is niet kaal,
of:
Mijnheer Smith heeft sneeuwwit haar,
en het kwartje dat het telegram kost, mag je dan van mijn
maandgeld afhouden.
Dàààg, tot Nieuwjaar! En prettige Kerstvacantie!
Aan het eind van de Kerstvacantie.
Datum weet ik niet.
Mijn lieve Vadertje Langbeen,
Sneeuwt het ook zoo waar jij bent? Alles wat ik hier vanuit mijn toren
zie, is wit, en groote sneeuwvlokken dwarrelen voortdurend naar beneden.
Het is laat in den namiddag. De zon is juist ondergegaan en koud-gele
strepen zijn achter de nog kouder lila heuvels zichtbaar. Ik zit hier in
mijn raamzitje om bij het laatste daglicht nog aan jou te schrijven.
Je heerlijke vijf goudstukjes waren een verrassing! Ik ben er niet
aan gewend met Kerstmis cadeaux te krijgen en jij hebt me al zóó veel
gegeven—alles wat ik heb, komt van jou—dat ik zelf vind, dat ik
eigenlijk niet nog iets extra's verdien. Maar het is toch heerlijk, dat
je het me gestuurd hebt! Wil je weten, wat ik er voor gekocht heb?
I. Een zilveren horloge in een leeren riempje om aan mijn pols
te dragen. Nu zal ik altijd wel op tijd op college komen.
II. De gedichten van Matthew Arnold.
III. Een nikkelen kruik.
IV. Een heerlijke warme reisdeken. (Het is vaak ijskoud in mijn
toren).
V. 500 folio's geel papier. (Ik ben van plan nu gauw een
schrijfster te worden, weet je).
VI. Een woordenboek van synoniemen. (Om de woordenschat van de
schrijfster te vergrooten).
VII. (Eigenlijk heb ik niet veel lust om je ook dit laatste te
bekennen, maar ik wil het toch niet voor je verzwijgen).
Een paar zijden kousen.
En nu moet je nooit vertellen, dat ik niet alles, tot het laatste toe,
opbiecht!
Het was een klein, flauw motief, dat me er toe bracht ook die zijden
kousen te koopen. Luister maar! Julia Pendleton komt 's avonds in mijn
kamer om met me meetkunde te doen en zit daar met gekruiste beenen op
mijn sofa, opdat ik vooral toch maar haar zijden kousen zal zien. Maar
nu komt de mop! Als zij nu weer terug komt, zal ik met gekruiste beenen
op háár canapé gaan zitten en ook zijden kousen dragen! Nu zie je weer,
Vadertje, wat Judy toch een kinderachtig schepseltje is, maar ik ben
nu tenminste eerlijk geweest en je weet al door mijn John Grier Home
rapport, dat dit vroeger niet altijd het geval was, herinner je je wel?
Om het in het kort nog eens samen te vatten (zoo begint onze Engelsche
leerares ook elken nieuwen zin), ik ben heel, heel blij met mijn zeven
cadeaux. Ik verbeeld me, dat alles in een groot pak van mijn familie in
Canada is gekomen. Het horloge is van Vader, de reisdeken van Moeder
(die is altijd bang, dat ik hier in dat kille klimaat kou zal vatten),
de kruik van Grootmoeder, het gele papier van mijn kleine broertje
Harry, Isabel, mijn zusje, gaf mij de zijden kousen en Tante Suze de
gedichten van Matthew Arnold. Van Oom Harry (kleine Harry is zoo naar
hem genoemd) komt het woordenboek. Eigenlijk wilde hij me chocolade
sturen, maar ik vond het woordenboek veel nuttiger.
Je hebt er niets op tegen, is het wel, om zoo voor een heele familie te
spelen?
Zal ik je nu eens iets over mijn vacantie vertellen, of kan alleen mijn
werk je maar interesseeren?
Het meisje uit Texas heet Leonora Fenton, (haast net zoo'n gekke naam
als Jerusha, vind je niet?) Ik houd wel van haar, maar niet zooveel als
van Sallie McBride. En ik zal ook nooit zooveel van iemand gaan houden
als van Sallie, behalve van jou natuurlijk. Van jou zal ik altijd het
meeste houden, dat spreekt vanzelf, want jij bent mijn heele familie in
één persoon.
Leonora en ik en twee tweede jaars studenten hebben elken mooien dag
groote wandelingen gemaakt. Wij droegen voetvrije rokken, sweaters en
gebreide mutsen en kleine wandelstokken voor de mop en hebben zoo den
heelen omtrek doorkruist. Eens zijn we naar de stad gewandeld (dat was
vier mijlen) en hebben daar gegeten in een restaurant, waar de studenten
altijd heengaan. Eerst kreeft en vleesch (75 cent) en beschuit met
bessensap toe (30 cent). Goedkoop en voedzaam!
Het was éénig leuk, vooral voor mij, omdat het zoo heel anders was dan
in het gesticht. Vadertje, ik voel me nu nog elken keer weer als een
vluchteling, wanneer ik Fergussen Hall verlaat. Voordat ik het zelf
wist, had ik de anderen al over dat gevoel gesproken en ik kon me nog
net bijtijds inhouden. Maar het valt me zoo vreeselijk moeilijk niet
alles uit te flappen, wat me te binnenschiet. Ik ben van natuur een erg
mededeelzaam zieltje en als ik jou niet had om alles te vertellen, mijn
lieve Vadertje, dan geloof ik heusch, dat ik nog eens op een goeden dag
zou barsten!
Verleden Vrijdag heeft de directie van Fergussen Hall aan alle
achterblijfsters een caramelfuif aangeboden. Wij waren met ons
tweeëntwintigen; groentjes en tweede-, derde- en vierdejaars, allen
vreedzaam bijeen. De keuken is kolossaal groot met roodkoperen pannen en
ketels op een rij aan den steenen muur. De kleinste ketel heeft nog veel
van een stoomketel. Wij wonen hier met ons vierhonderden op Fergussen.
De chef-kok met een witte muts en schort kreeg nog 22 andere witte
mutsen en schorten (ik begrijp niet waar hij die zoo vlug vandaan
tooverde), en wij werden allen aan het werk gezet.
Het was éenig leuk, al hebben we wel eens betere caramels gegeten.
Toen we klaar waren en wijzelf en de deurknoppen en alles in de keuken
even vies en kleverig was, hebben we een processie georganiseerd en
zijn we, met onze mutsen en schorten aan, elk met een groote vork, lepel
of braadpan gewapend, door de gangen gemarcheerd naar de ontvangkamer,
waar een half dozijn professoren en leeraressen rustig hun avond
doorbrachten. Wij gaven een serenade met studentenliederen ten beste en
boden hun verfrisschingen aan. Ze namen alles heel beleefd maar toch een
beetje weifelend aan. Toen gingen wij weer naar onze kamers terug, en
zwijgend en kleverig, op groote brokken caramel zuigend, bleven ze daar
achter.
Nu zie je weer, Vadertje Langbeen, wat een welopgevoede dame ik hier nog
eens zal worden.
Kijk eens naar deze penneschets. Geloof je niet werkelijk ook, dat ik
een schilderes moest worden inplaats van een schrijfster?
Over twee dagen is de vacantie weer voorbij en dan zal ik alle meisjes
weer hier zien. Nu is mijn toren wel een beetje eenzaam. Wanneer negen
meisjes een huis bewonen, dat voor vierhonderd is gebouwd, kom je jezelf
wel wat verlaten voor.
[Illustratie]
Elf bladzijden al! Arme lieveling, wat zul je moe zijn! Ik was eigenlijk
van plan je alleen maar een kort bedankbriefje te schrijven, maar nu zie
je, waartoe mijn schrijfsterstalent me niet al brengt!
Dag mijn oude, lieve Vadertje. Je bent een schat, dat je zoo aan me hebt
gedacht. Ik zou volkomen gelukkig zijn, wanneer er niet een klein wolkje
aan den hemel dreigde: in Februari beginnen de examens.
Dag lieveling, veel groeten van
Judy.
P.S. Misschien vind je het niet erg comme il faut, dat ik je zoo maar
„lieveling” noem. Neem het me niet kwalijk. Ik moet toch iemand op de
wereld liefhebben en ik heb alleen maar Juffrouw Lippett en jou, dus
snap je wel, Vadertje, dat ik wel van jou _moet_ houden, want aan haar
heb ik het land.
Even voor het examen.
Mijn lieve Vadertje Langbeen.
Je moest ons hier op College eens zien blokken! Wij hebben allemaal
vergeten, dat er ook eens een vacantietijd bestond. In de laatste vier
dagen alleen heb ik 75 onregelmatige werkwoorden in mijn arm hoofd
gepompt—het is nu maar te hopen, dat die er tot na het examen in
blijven!
Sommige meisjes verkoopen hunne leerboeken wanneer ze die niet meer
noodig hebben, maar ik wil de mijne alle houden. Wanneer ik dan
eindelijk heelemaal afgestudeerd ben, zal mijn heele opleiding in
een rijtje in mijn boekenkast staan en als ik iets niet weet, kan ik
het dadelijk opslaan. Dat is veel secuurder dan al die wijsheid te
onthouden, (dat gaat toch niet!)
Julia Pendleton kwam vanavond even binnen om me een buurvisite te
brengen. Ze bleef hier een flink uur plakken en had het natuurlijk over
„Familie”. Ik kon maar niet van haar afkomen. Ze wilde met alle geweld
weten, welke mijn Moeders meisjesnaam was. Heb je ooit zoo'n onmogelijke
vraag gehoord aan iemand, die uit een vondelingengesticht komt? Ik dorst
haar niet te bekennen, dat ik het niet wist en zei toen maar den eersten
den besten naam, die me te binnen schoot en dat was Montgomery. Ze wilde
toen weten of ik van de Montgomery's uit Massachusetts of wel van die
uit Virginia afstamde.
Haar moeder was een Rutherford. Die familie is (dat spreekt van zelf)
verbazend oud en nog door huwelijk aan Hendrik VIII verwant. Van haar
Vaders kant stamt ze van nog vóór Adam's tijd. Op de bovenste takken van
haar stamboom huist een superieur apengebroed met zacht, zijachtig haar
en extra lange staarten.
Ik was van plan je vanavond een lieven, aardigen en geestigen brief te
schrijven, maar ik ben werkelijk te slaperig en te dood op. Het lot van
een eerstejaars studente is werkelijk niet op rozen gebed.
Je haast geëxamineerde
Judy Abbott.
Zondag.
Liefste Vadertje Langbeen.
Ik heb allerafschuwelijkst nieuws voor je, maar ik zal niet dadelijk met
de deur in huis vallen. Eerst moet ik probeeren je in een goed humeur te
brengen.
Jerusha Abbott is haar schrijfstersloopbaan begonnen. Haar gedicht,
getiteld „Uit mijn toren”, verschijnt in het tweede nummer van „De
Maandelijksche” op de allereerste bladzij—een groote eer voor een
eerste jaars. De Engelsche leerares hield me op weg naar de kapel even
tegen en zei dat het een alleraardigst gedicht was. De zesde regel
uitgezonderd, want die heeft te veel lettergrepen. Als je er iets om
geeft, zal ik je er den volgenden keer een copie van sturen.
Wacht eens—heb ik niet nog iets aardigs om je te vertellen? O, ja, ik
heb leeren schaatsenrijden en kan nu al heel alleen voortkrabbelen. En
ik kan ook aan een touw van de zoldering van het gymnastieklokaal af
naar beneden klauteren. En ik kan 1.50 M. hoog springen, misschien breng
ik het nog wel tot twee Meter!
Van morgen preekte hier de bisschop van Alabama.
Prachtig! Zijn tekst was „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld
wordt”. Hij wees er op, dat we niet zoo op gebreken van anderen moeten
letten en ook de menschen niet mogen ontmoedigen met ons hard oordeel.
Ik wou dat je er bij geweest was.
Vandaag is het de heerlijkste, zonnigste winterdag, die je je kunt
voorstellen. IJskegels hangen aan de boomen en de heele wereld gaat
onder een zware vracht sneeuw gebukt... behalve ik, want ik ga onder
mijn groot verdriet gebukt.
Nu komt het nieuws! Vat moed, Judy, je moet het vertellen. Ben je nu
heusch in een goed humeur?.... Ik ben voor Latijn en Meetkunde gezakt
en moet nu de volgende maand herexamen doen. Ik vind het heel naar als
je nu teleurgesteld bent, maar anders kan het me niet zooveel schelen,
want ik heb een macht dingen geleerd, die niet op het programma staan.
Hoor maar: ik heb 17 boeken gelezen en _bundels_ gedichten, werkelijk
heel goede boeken, zooals: „Vanity fair” en „Richard Feverel” en
„Alice in Wonderland” en ook nog „Emerson's Essays” en het eerste
deel van Gibbon's „Roman Empire” en de helft van Benvenuto Cellini's
„Life”—interessant is dat, vind je ook niet? Hij had de gewoonte 's
morgens rond te zwerven en bij gelegenheid eens een man te dooden, alles
vóór zijn ontbijt.
[Illustratie: NIEUWS van de MAAND
Judy leert schaatsen rijden
en over een heele hoogte springen
Ook langs een touw naar beneden glijden
Rokken zijn lastig!
Ze krijgt twee herexamens en stort heete tranen
Maar ze gaat #hard# aan 't werk.]
Dus nu zie je, dat ik nog knapper ben dan wanneer ik dat alles niet had
gelezen en alleen maar door mijn Latijn was gekomen. Wil je het me dus
dezen éénen keer vergeven wanneer ik je beloof nooit, nooit meer voor
iets te zakken?
In zak en asch,
Je Judy.
Lieve Vadertje Langbeen.
Vandaag krijg je een extra brief in het midden van de maand, want ik
voel me zoo alleen en verlang er naar, je weer eens te schrijven. Het
stormt buiten en het sneeuwt aanhoudend. Alle lichten in het gebouw zijn
al uitgedraaid, maar ik heb sterke koffie gedronken en kan nu niet in
slaap komen.
Ik heb vandaag Sallie en Julia en Leonora te soupeeren gevraagd. We
hadden sardines en toast en sla, kaas en koffie. Julia zei, dat het
heel gezellig geweest was, maar Sallie bleef nog hier om me te helpen
opruimen.
Het zou heel geschikt zijn, als ik nu vannacht nog wat voor mijn Latijn
ging werken, maar ik moet je eerlijk bekennen, dat ik daar heel weinig
voor voel. We hebben Livius en De Senectute uit en ik ben nu met De
Amicitia begonnen.
Vind je het goed als ik me (alleen maar voor een tijdje) voorstel, dat
jij mijn grootmoeder bent? Sallie heeft er een en Julia en Leonora
hebben er zelfs twee en ze spraken er vanavond alle drie over. Ik zou,
geloof ik, niets zoo graag willen, als ook een eigen grootmoedertje
te hebben. Dat is zoo'n lief, eerwaardig familielid. Dus, als je er
werkelijk niets tegen hebt.... Toen ik gisteren in de stad was, zag ik
er een met een allerdoddigst zwart kanten kapje met lila linten. Ik zal
het jou dus geven met je 83sten verjaardag.
! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !
Dat is de klok van de kapel, die juist twaalf sloeg! Ik geloof, dat ik
nu toch slaperig word.
Nacht Grootmoedertje! Ik houd heel veel van je.
Judy.
Midden Maart.
Lieve V.L.,
Ik ben druk bezig over mijn Latijn te blokken. Ik ben er mee bezig
geweest, ik zal er mee bezig zijn, ik zal er gelukkig haast mee bezig
geweest zijn. A.s. Dinsdag om 7 uur moet ik her-examen doen en ik zal
er doorkomen of _stralen_. Je zult dus wel gauw weer van me hooren en
als het eenmaal terecht is, zal ik je ook weer een behoorlijken brief
kunnen schrijven. Vannacht moet ik me geheel aan den Ablativus Absolutus
wijden.
In alle haast,
je J. A.
26 Maart.
Den Heer V. L. Smith,
Mijnheer,
U hebt mij nog nooit op een enkelen vraag antwoord gegeven. U toont
nooit de minste belangstelling in wat ik doe. U bent ongetwijfeld de
allervervelendste van al die afschuwelijk-vervelende Regenten en dat
U me hier een goede opleiding laat genieten, doet U niet, omdat U
een steek om me geeft, maar vindt alleen zijn oorsprong in een zeker
plichtsgevoel.
Ik weet absoluut niets omtrent u; ik ken zelfs uw naam niet. Ik twijfel
er geen oogenblik aan of u gooit al mijn brieven in de prullemand zonder
zelfs de moeite te nemen ze te openen. Van nu af aan zal ik u slechts
over mijn werk schrijven.
Verleden week had ik her-examen voor Latijn en Meetkunde. Ik slaagde
voor beide vakken.
Hoogachtend,
Jerusha Abbott.
2 April.
Mijn lieve Vadertje Langbeen,
Ik ben een _Mispunt_.
Vergeet alsjeblieft dien afschuwelijken brief, dien ik je verleden week
zond. Ik voelde me dien nacht afschuwelijk verlaten en ellendig en ik
had erge keelpijn. Ik wist het toen niet, maar mijne amandelen waren
gezwollen en ik had influenza en nog een macht andere vervelende
dingen.
Ik lig nu al zes dagen in het ziekenhuis en ik mag vandaag voor het
eerst weer opzitten en aan jou schrijven. De hoofdverpleegster is heel,
heel lief, maar ik heb den heelen tijd aan dien vervelenden brief moeten
denken en ik zal niet beter worden, voordat ik er zeker van ben, dat je
me vergeeft.
[Illustratie]
Hier zie je meteen hoe ik toegetakeld ben met dien dikken doek om mijn
hoofd geknoopt! Heb je nu niet een beetje medelijden met me? Ik heb
gezwollen amandelen. Ik heb nu al het heele jaar Menschkunde gehad en
toch wist ik niets van die amandelen af. Wat is onze opvoeding toch
oppervlakkig!
Ik kan nu niet verder schrijven, want ik word een beetje duizelig van
het lange opzitten. Vergeef me, dat ik zoo ondankbaar en brutaal geweest
ben. Ik ben èrg slecht opgevoed.
Je je liefhebbende
Judy Abbott.
In het Ziekenhuis.
4 April.
Liefste schat van een Vadertje Langbeen,
Toen ik gisteravond tegen donker in bed opzat, naar den regen keek en
allerverschrikkelijkst het land had aan het leven hier in die groote
inrichting, kwam de verpleegster met een lange witte doos, aan mij
geadresseerd, die met de snoezigste rose rozenknopjes was gevuld. En wat
nog veel aardiger was, er zat een kaartje binnen-in, waarop een paar
vriendelijke zinnetjes met een grappig, stijl handje geschreven (maar
toch toont je schrift veel karakter). Dank je lieveling, dank je heel,
héél hartelijk. Dat is nu het eerste werkelijke cadeau, dat ik ooit in
mijn leven heb gekregen. En zoo'n kleine baby ben ik nog, dat ik stil
ging liggen en zachtjes huilde, omdat ik me zoo gelukkig voelde.
Nu ik zeker weet dat je mijn brieven wel leest, zal ik je in het vervolg
nog veel meer vertellen en ze zoo interessant maken, dat je ze nog
allemaal zult bewaren, met een rood zijden lintje er om heen gebonden.
Maar neem alsjeblieft die ééne nare er uit en verbrand hem. Ik zou het
ellendig vinden, als je die ooit weer eens te voorschijn haalde.
Dank je, Vadertje, dat je een zieke, knorrige en landerige eerste jaars
zoo gelukkig hebt gemaakt. Je zult wel een groote familie hebben en een
massa vrienden die van je houden, en je weet dus niet hoe ellendig het
is, wanneer je je zoo vreeselijk verlaten voelt.
Dàg. Ik beloof je, nooit meer naar tegen je te zijn, omdat ik nu weet,
dat je een werkelijk bestaand mensch bent en ik zal je ook nooit meer
met vragen lastig vallen.
Altijd,
Je kleine Judy.
Maandag, 8 uur.
Lieve Vadertje Langbeen,
Je bent toch niet de regent geweest, die op die pad is gaan zitten?
Ze vertelden me naderhand, dat die ongedeerd met een plof er onderuit
sprong. Het zal dus wel bij een dikkeren regent gebeurd zijn, denk ik.
Herinner je je dat kleine holletje met tralies ervoor, bij het waschhuis
van het John Grier Home? Elk voorjaar, wanneer de padden weer te
voorschijn kwamen, maakten we jacht op ze en stopten dan heele benden
in dat holletje. En af en toe sprongen ze er dan uit en kwamen ze ook
in 't waschhuisje en brachten ons zoo wat afleiding op die vervelende
waschdagen. We kregen dan natuurlijk allemaal erge straf maar toch
konden we het nooit laten, die padden telkens en telkens weer te vangen.
En op een goeden dag (ik zal je maar niet met kleine bijzonderheden
vervelen) maar in elk geval, toen kwam een van onze vetste padden in een
van de groote leeren clubstoelen in de regentenkamer terecht. En dien
middag op den Regentendag—maar ik hoef je niets verder te vertellen,
want je bent er natuurlijk ook bij geweest en herinnert je nu zeker wel
de rest.
Wanneer ik nu na langen tijd onpartijdig aan het geval terugdenk, moet
ik eerlijk bekennen, dat onze straf verdiend was en—als ik me tenminste
goed herinner—zelfs in evenredigheid met de zonde.
Ik weet niet, waarom ik juist vandaag zoo'n zin heb, al die oude
herinneringen weer eens op te frisschen. Misschien roepen het voorjaar
en de padden mijn ouden ondeugenden geest wakker. Alleen het feit, dat
hier geen enkele regel ons verbiedt er een verzameling padden op na te
houden, weerhoudt me, aan die lust toe te geven.
Na kerk, Donderdag.
Wat denk je wel, dat mijn lievelingsboek is? Op het oogenblik meen ik,
want ik verander alle drie dagen. „Wuthering Heights!” Emily Brontë
was nog heel jong toen ze het schreef, was zelfs nog nooit buiten het
kerkhof van Haworth geweest. Ze had nog nooit in haar heele leven een
man gekend. Hoe kon ze dan toch zoo'n man als Heathcliffe beschrijven?
Ik zou het niet kunnen. Soms ben ik op eens erg bang, dat ik heelemaal
geen schrijfsterstalent heb. Zou je erg teleurgesteld zijn wanneer ik
geen groote schrijfster werd? Nu het in het voorjaar zoo mooi wordt met
al dat jonge groen en die zwellende knoppen, zou ik die boeken wel den
rug willen toedraaien en naar buiten, in het veld, hollen. Daar kun je
toch zoo'n macht avonturen beleven en het is veel leuker boeken te
lezen dan ze te moeten schrijven!
O!!!!
Dat was een noodkreet, die Sallie en Julia en (o schrik!) zelfs de
Senior vierde jaars, met den bril op, in mijn kamer deed stormen. Hij
werd veroorzaakt door een ongedierte, dat er zoo uitzag:
[Illustratie]
Alleen nog wat griezeliger! Juist toen ik mijn laatsten zin af had en er
over nadacht, wat ik je nu wel zou vertellen, viel dat dier, plof, op de
bladzij naast me neer. Ik heb twee kopjes van de theetafel gegooid in
mijn angst om weg te komen. Sallie smeet er met mijn haarborstel naar,
(die zal ik nu nooit meer durven gebruiken) en doodde het kopstuk, maar
het achtereind kronkelde over mijn schrijftafel weg en ontsnapte.
Door den klimop en omdat onze toren zoo oud is, wémelt het hier van
duizendpooten. Ik vind het vreeselijke dieren, ik vond heusch nog liever
een tijger onder mijn bed!
Vrijdag, 9.30 n.m.
Ik had vandaag toch zoo'n pechdag! Vanmorgen hoorde ik de bel niet en
heb ik me verslapen. Ik trok mijn schoenveter stuk terwijl ik me in
alle haast aankleedde en liet het knoopje van mijn boord in mijn hals
glijden. Ik kwam te laat aan het ontbijt en ook op het eerste uur.
Ik vergat mijn vloeipapier, en mijn vulpenhouder lekte. Onder de
trigonometrie hadden de leerares en ik een klein meeningsverschil
in verband met de logarithmen; ik heb de zaak nagegaan en zij had
natuurlijk gelijk.
Bij de lunch hadden we gestoofd schapenvleesch en rijstenbrij. Ik heb
aan alle twee het land—het ruikt naar het John Grier Home! Met de post
kwamen er niets anders dan rekeningen voor me (hoewel ik moet bekennen,
dat dit niets bijzonders is want er komt voor mij nooit iets anders:
mijn familie houdt nu eenmaal niet van schrijven). Dan hadden we vandaag
nog onverwachts een schrijfles. Kijk, dat moesten we overschrijven:
„I asked no other thing,
No other was denied.
I offered Being for it;
The mighty Merchant smiled.
Brazil? He twirled a button
Without a glance my way:
But, madam, is there nothing else
That we can show to-day?”
Dat moet een gedicht voorstellen! Ik weet niet wie het in elkaar
prutste en nog veel minder wat het beteekent! Toen we vanmorgen in
de klas kwamen, stond het al op het bord en wij moesten het allemaal
overschrijven. Na het eerste couplet dacht ik, dat ik het begreep. De
machtige Koopman was een godheid, die zegeningen in ruil voor goede
daden uitdeelde, maar toen ik bij het tweede couplet hoorde, dat hij een
knoop ronddraaide, leek me dat wel een heel profane voorstelling en nu
weet ik niet meer, wat ik er van denken moet. De anderen verkeerden in
hetzelfde geval en zoo zaten we drie kwartier met een wit papier voor
ons en een doezelig hoofd. Een goede opleiding te krijgen is toch soms
een gruwelijk vervelend proces!
Maar daarmede was mijn pechdag nog niet teneinde. Er kwam nog iets veel
ergers!
Het stortregende zoo, dat we geen golf konden spelen, maar naar het
gymnastieklokaal moesten. Het meisje naast me sloeg me bij het schermen
op mijn elleboog. Ik ging naar mijn kamer en zag daar, dat mijn nieuwe
lichtblauwe voorjaarsjapon was gekomen. De rok is zoo verknipt, dat ik
niet kan zitten. Vrijdags wordt hier schoongemaakt en de meid had alle
papieren op mijn lessenaar door elkaar gesmeten. Voor dessert hadden
we vanavond vanillevla, dat is melk en gelatine met wat vanillesuiker
er bovenop. We moesten twintig minuten langer dan anders in de kerk
blijven om er een preek over Vrouwelijke Vrouwen aan te hooren. En toen
ik op mijn kamer eindelijk met een zucht van verlichting. „The Portrait
of a Lady” van het rek haalde, kwam daar een kind, dat Ackerly heet,
een dom schaapachtig wurm, dat met Latijn naast me zit omdat haar naam
ook met A begint (Ik wou, dat Juffrouw Lippett me maar Zabriski had
gedoopt). Ze vraagt me of de les voor Maandag bij Par. 69 of 70 begint
en _blijft me daar liefst een heel uur plakken_. Nu net is ze weggegaan.
Heb je ooit zoo'n rits vervelende dingen bij elkaar gezien? Het zijn
werkelijk niet de groote lasten in het leven, die veel van je karakter
vergen. Iedereen kan een verpletterende tragedie met moed in de oogen
zien, maar om de kleine onaangename dagelijksche ongelukjes met een
glimlach over je heen te laten gaan—daar is heusch heel wat kracht voor
noodig.
Zoo'n karakter zou ik wel willen hebben. Ik oefen me dagelijks. Dan stel
ik me voor, dat het heele leven maar een spel is, dat je zoo handig en
zoo mooi mogelijk moet spelen. Wanneer ik verlies, zal ik mijn schouders
ophalen en lachen—en als ik win ook!
In elk geval wil ik me harden. Je zult me niet meer hooren klagen,
hoor oude lieveling, wanneer Julia zijden kousen draagt en duizenden
duizendpooten van den muur naar beneden vallen.
Altijd, Je Judy.
Antwoord me eens gauw.
27. Mei.
Den WelEd. Heer Vadertje Langbeen.
WelEd. Heer,
Ik kwam in het bezit van een schrijven van Mejuffrouw Lippett, waarin
deze den wensch uitspreekt, dat ik me goed gedraag en hard werk.
Daar ik dezen zomer hier niet blijven kan, mag ik gedurende dien tijd
naar het gesticht terugkeeren en daar met werken mijn kost verdienen,
totdat ik weer hier kan komen.
_Ik haat het John Grier Home._
Ik ga liever dood dan nog eens daarin.
Met beleefde groeten,
Hoogachtend,
Jerusha Abbott.
Cher Père-Jambes-Longues,
Vous êtes un éénige man!
Je suis très heureuse dat ik naar die boerderij mag, parce que je n'ai
jamais geweest op een boerderij dans ma vie en ik zou het vreeselijk
vinden om retourner chez John Grier en daar de vaten af te wasschen
tout l'été. Ik ben heusch bang, dat er dan quelque chose affreuse zou
gebeuren, parce que j'ai perdue ma humilité d'autrefois et j'ai peur
dat ik op een goeden dag uit den band zou springen en alle borden en
schotels dans la maison kapot zou smijten.
Pardon brièveté et papier. Je ne peux pas zenden des mes nouvelles,
parce que je suis dans Fransche les et j'ai peur que Monsieur le
Professeur me tout de suite een beurt zal geven.
Hij deed het werkelijk!
Au revoir.
Je vous aime beaucoup
Judy.
30 Mei.
Lieve Vadertje Langbeen,
Ben je hier ooit vroeger wel eens geweest? (Dit is alleen maar een vraag
om mijn brief in te leiden, je hoeft er niet op te antwoorden). Je kunt
je in Mei niets mooiers voorstellen! Alle struiken dragen bloesems en
alle boomen hebben satijnige groene blaadjes—zelfs de oude dennenboomen
zien er nu nog jong en frisch uit. Het gras is met gele paardebloemen
bezaaid en daartusschen loopen honderden meisjes in blauwe, witte en
roze japonnetjes. Iedereen is even vroolijk en onbezorgd, want nu komt
onze heerlijke vacantietijd en met dat vooruitzicht laten zelfs de
examens ons koud.
Is het niet heerlijk, zoo tusschen allemaal vroolijke menschen te leven?
En, o Vadertje, ik ben nog de vroolijkste en gelukkigste van allemaal,
want ik hoef niet naar het gesticht en ik hoef ook niet in mijn vacantie
de kindermeid of type-writester of boekhoudster van de een of andere
rijke familie te zijn! (Ik had natuurlijk overal mijn kost dubbel en
dwars moeten verdienen behalve bij jou).
Ik heb nu berouw over al mijn vroegere ondeugendheden.
Ik heb er berouw over, dat ik Freddie Perkins wel eens door elkaar
rammelde.
Ik heb er berouw over, dat ik zoo vaak brutaal tegen Juffrouw Lippett
was.
Ik heb er berouw over, dat ik het suikervaasje eens met zout heb gevuld.
Ik heb er berouw over, dat ik achter den rug van de regenten grimassen
trok.
Ik wil nu tegenover iedereen vriendelijk en lief zijn, omdat ik zoo
gelukkig ben. En dezen zomer zal ik gaan schrijven, om een beroemde
schrijfster te worden. Heb ik nou geen prachtige plannen? O, je zult
zien, dat ik nog eens een mooi karakter krijg, de thermometer daalt een
beetje bij koud weer, maar bij zonneschijn stijgt hij voortdurend!
Dat is met iedereen zoo het geval. Ik ben het ook heelemaal niet eens
met de menschen, die beweren, dat verdriet en teleurstellingen de
zedelijke kracht sterken. Neen, het zijn de vroolijke menschen, die
van zonnige vriendelijkheid overloopen. Ik heb geen vertrouwen in
misanthropen. (Dat is netjes gezegd, hè?). Maar jij bent ook geen
misanthroop, wel Vadertje?
O ja, dat is waar ook, ik wou je over College vertellen! Zeg, kan
je niet eens hier komen? Ik zou je overal rond leiden en dan alles
uitleggen: „Hier is de bibliotheek, daar ginds is het badhuis, dat
Gothische gebouw aan je linkerhand is het gymnastieklokaal. Het
Romaansche daarnaast is het nieuwe ziekenhuis”.
O, ik kan de menschen wàt goed rondleiden! Ik heb het mijn heele leven
in het gesticht gedaan en ik doe het hier ook haast elken dag, werkelijk
waar.
Laatst heb ik hier zelfs een Heer rondgeleid. Toen heb ik heel wat
kunnen leeren, Vadertje, want ik heb nog nooit te voren zoo maar met
een echten heer gesproken. (Behalve zoo af en toe met de Regenten en die
tellen niet mee). O, pardon! 't Is niet mijn bedoeling je te beleedigen,
wanneer ik zoo over de regenten spreek. Maar zie je, ik weet ook zeker,
dat je daar ook eigenlijk niet tusschen hoort. Je bent er alleen maar
toevallig tusschen verzeild geraakt. Want zie je, een echte regent is
dik en opschepperig en welwillend en klopt je goedkeurend op je hoofd
en draagt een zware horlogeketting.
[Illustratie]
Maar om nu op ons verhaal terug te komen:
Ik heb met een heer gewandeld en gepraat en thee gedronken en nog wel
met een heel deftig heer uit een van de eerste families—met Mijnheer
Jervis Pendleton uit de familie van Julia! Haar oom, in het kort (in
het lang hoorde ik eigenlijk te zeggen, want hij is even groot als jij
bent). Omdat hij toch voor zaken in onze buurt was, besloot hij ook even
naar College over te wippen om zijn nichtjes daar te bezoeken. Hij is
de jongste broer van Julia's vader, maar zij kent hem haast niet. Het
schijnt, dat hij haar eens als baby heeft gezien, maar ik geloof niet,
dat hij ooit van haar heeft gehouden of verder eenige notitie van haar
heeft genomen.
In elk geval, hij zat daar heel correct in de ontvangkamer met zijn
hoed en stok en handschoenen in de hand. En Julia en Sallie hadden om
zeven uur les en konden zich daar niet van afmaken. Julia stormde dan
ook mijn kamer binnen en vroeg me, om hem alles te laten zien en hem na
zeven-uur-les weer bij haar af te leveren. Ik wilde het wel doen, hoewel
ik er niet veel voor voelde, want ik geef niets om die Pendletons.
Maar bij nader inzien was het toch een geschikte baas. Hij is tenminste
een menschelijk wezen—absoluut geen Pendleton. Wij hadden het erg
prettig samen. Ik heb altijd naar een oom verlangd! Zeg, zou jij niet
voor een tijdje mijn oom willen zijn? Ik geloof, dat ze nog aardiger
zijn dan grootmoeders!
Mijnheer Pendleton deed mij wel een beetje aan jou denken, toen je nog
twintig jaar jonger was. Je ziet, dat ik je heel intiem ken, al heb ik
je ook nog nooit goed gezien!
Hij is lang en slank en heeft een bruin verbrand gezicht met besliste,
scherp geteekende trekken. En dan kan hij zoo aardig lachen! Zijn mond
lacht nooit heelemaal, de mondhoeken krullen alleen heel even naar
boven! En hij heeft zoo iets over zich om je je dadelijk op je gemak
te gevoelen. Het was net of ik hem al mijn heele leven had gekend en
hij was ook erg kameraadschappelijk.
Ik heb hem alles laten zien, van den binnenhof af tot het sportveld toe.
Toen zei hij, dat hij zich een beetje flauw ging voelen en wel graag
thee wilde drinken. Hij zei, dat we maar naar het „College Café” moesten
gaan—dat is vlak bij het dennenbosch. Ik vond, dat we eigenlijk terug
moesten naar Julia en Sallie, maar hij zei, dat hij het beter vond, dat
zijn nichtjes niet zooveel thee dronken. Daar zouden ze maar zenuwachtig
van worden. Dus gingen we het Café binnen en gebruikten daar thee met
toast en gelei en roomijs en cake aan een klein aardig tafeltje op het
balcon. Het was er haast heelemaal leeg, want het loopt nu tegen het
eind van de maand en dan is er nooit veel van ons maandgeld over.
O, we hebben toch zoo'n pret gehad! Hij moest naar den trein rennen om
nog op tijd te komen en hij zag Julia haast heelemaal niet meer. Ze was
woest, dat ik hem zoolang voor mezelf had gehouden! Het schijnt, dat hij
een buitengewoon rijke oom is en heel lief kan zijn. Ik vind het heusch
een verlichting, dat hij zoo rijk is, want onze thee heeft 60 cents per
persoon gekost.
Van morgen (het is Maandag) kwamen er drie doozen chocola met de
exprespost voor Julia, Sallie en mij. Hoe vind je dat? Leuk hè, om
bonbons van een heer te krijgen!
Ik ga me nu heusch als een gewoon jong meisje voelen en niet meer als
een vondeling.
Ik wou, dat je ook eens kwam en met me thee ging drinken. Dan kon ik
zien of ik werkelijk zooveel van je kan houden. Maar het zou toch ook
weer vreeselijk jammer zijn als ik dan niet meer van je hield! Nee, dat
is onzin, ik weet heel zeker, dat ik dan nog veel meer van je ging
houden.
Bien! Ik groet je heel hartelijk.
Jamais je ne t'oublierai,
Judy.
P.S. Ik keek vanmorgen in den spiegel en ontdekte een heuschig kuiltje
in mijn kin. Grappig hè? Waar zou dat zoo opeens vandaan komen?
9 Juni.
Mijn lieve, beste Vadertje Langbeen.
Het is vandaag een heerlijke dag. Ik ben juist door mijn laatste examen
gekomen en wel in de physiologie. En nu:
_Nu ga ik drie maanden naar een boerderij!_
Ik weet heelemaal niet wat eigenlijk een boerderij voor een ding is.
Ik ben er in mijn heele leven nog nooit in geweest. Ik heb er zelfs nog
nooit een gezien (behalve uit het spoorraampje), maar ik weet zeker, dat
het daar heerlijk is en ik er heel vrij zal zijn.
Ik ben er nog altijd niet aan gewend, dat ik nu van het John Grier Home
verlost ben. Wanneer ik daar maar even aan terugdenk, voel ik koude
rillingen over mijn rug loopen en dan zou ik wel hard willen weghollen
en telkens omkijken, om te zien of Juffrouw Lippett nog niet vlak achter
me is, om me met haar grijphanden mee te sleuren.
Ik hoef me dezen zomer gelukkig aan niemand te storen, niet waar?
Van jouw gezag heb ik niet de minste last, je bent veel te ver weg om
me ook maar eenigszins in den weg te staan. Juffrouw Lippett is voor
mij voor altijd dood en de Semples hoeven zeker geen toezicht over
mijn zedelijk welzijn te houden. Neen, ik ben er zeker van, dat dat
niet noodig is, want ik ben nu immers een groot jongmeisje. Hoera!
Ik moet je nu in den steek laten want ik moet mijn koffer pakken en nog
drie kisten met theeketels en kopjes en schoteltjes en sofakussens en
boeken vullen.
Altijd,
Je Judy.
P.S. Hier heb je mijn examenvragen voor Physiologie. Zou je denken dat
jij er ook door was gekomen?
Lock Willow Farm.
Zaterdagnacht.
Liefste Vadertje Langbeen.
[Illustratie]
Ik ben juist hier aangekomen en ik heb mijn koffer nog niet uitgepakt,
maar ik kan er toch niet mee wachten met je te schrijven. Ik moet je
dadelijk vertellen hoe dolletjes ik het hier op de boerderij vind. Het
is in één woord zalig. Kijk, het huis ziet er zoo uit: en het is oud,
wel honderd jaar geloof ik! Het heeft een waranda aan den kant, dien ik
niet kan teekenen en een aardige ingang van voren. Het is jammer, dat
ik niet alles kan teekenen zooals het er werkelijk uitziet. Die dingen,
die net speelgoedboompjes zijn, zijn eschdoorns en die prikkelige aan
den oprijweg zijn poëtisch murmelende dennen en sparren. Het huis staat
op den top van een heuvel en je kijkt mijlen ver weg over groene
weilanden tot aan een andere heuvelrij.
De menschen, die hier wonen, zijn: de twee Semples, man en vrouw, en een
boerenmeisje en twee boerenknechten. Die drie laatsten eten in de keuken
en de twee Semples en Judy in de eetkamer. Wij hadden vanavond ham met
eieren en honing en boterhammen met gelei en pudding en kaas en thee en
we hebben een heeleboel samen afgepraat. Ik heb in mijn heele leven nog
nooit zooveel gebabbeld! Alles, wat je hier ziet, is ook even grappig.
Ik geloof dat ik dat alleen maar vind omdat ik nog nooit buiten geweest
ben, en al mijn vragen komen uit een enorm groote onwetendheid voort.
[Illustratie]
De kamer met het kruisje is niet die, waar de moord is gepleegd, maar
waar je kleine beschermeling slaapt. Zij (de kamer) is groot en vierkant
en frisch en heeft eenige ouderwetsche meubels en langs het raam groeit
een klimplant met gele bloemen, die er afvallen als je er even aan
raakt. En in de kamer staat nog een groote vierkante mahoniehouten
tafel. Daar zal ik dezen zomer met gefronst voorhoofd en mijn ellebogen
onder mijn hoofd aan zitten en de eene novelle na de andere schrijven.
O lieveling, ik ben zoo opgewonden! Ik kan heelemaal niet wachten tot
het eindelijk weer dag is! Het is nu half negen en ik zal dadelijk mijn
kaars uitblazen en probeeren wat te slapen. Wij staan hier om vijf uur
al op. Heb je ooit zoo iets grappigs gehoord? Ik kan werkelijk niet
gelooven, dat ik nog dezelfde oude Judy ben. Jij en de goede God geven
me veel meer dan me eigenlijk toekomt. Ik moet wel heel, heel goed zijn
om het je ooit te vergelden. Maar ik ga mijn best doen. Je zult het
zien.
Nacht Vadertje!
Je Judy.
P.S. Ik wou dat je die kikkers kon hooren kwaken en de varkens knorren.
Je moet ook eens even naar de nieuwe maan kijken. Ik zag hem net van
over mijn rechter schouder.
Lock Willow.
12 Juli.
Lieve Vadertje Langbeen.
Hoe wist je secretaris het adres van Lock Willow? (dit is geen
rhetorische vraag, ik wil het vreeselijk graag weten). Luister eens, hoe
grappig: de boerderij is het eigendom van mijnheer Jervis Pendleton,
maar nu heeft hij haar aan de Semples gegeven, want Juffrouw Semple is
zijn oude kindermeid. Heb je ooit van zoo'n typischen samenloop van
omstandigheden gehoord? Ze noemen hem hier nog altijd „Jongeheer Jervie”
en spreken over hem alsof hij nog altijd hetzelfde aardige jongetje van
vroeger was gebleven. Zij hebben een van zijn babykrulletjes in een
doosje bewaard en het is rood—tenminste een beetje roodblond.
Sedert ze weten dat ik hem ook ken, ben ik minstens 100% in hun achting
gerezen, want een van de leden van de familie Pendleton te kennen, is de
beste introductie voor Lock Willow en de beste van de heele familie is
natuurlijk „Jongeheer Jervie”. Ik ben blij, dat Julia tot een van de
minder geachte takken hoort!
Het leven wordt hier hoe langer hoe leuker. Gisteren heb ik op een
hooiwagen gereden! Wij hebben hier drie groote, vette varkens en negen
biggetjes en je moest ze eens zien slobberen! We hebben ook een macht
baby-kuikentjes en eendjes en kalkoenen en paarlhoenders. De menschen
die in de stad blijven, terwijl ze hier buiten konden wonen, zijn toch
eigenlijk gek.
Mijn dagelijksche taak is, de eieren op te sporen. Ik viel gisteren van
een balk in de schuur, toen ik probeerde naar een nest te kruipen, dat
de zwarte hen had gestolen. En toen ik met een gekneusde knie in huis
kwam, heeft juffrouw Semple er een verband met zalf om heen gedaan,
en weet je, wat ze zei: „Ach lieve deugd, het lijkt wel gisteren, dat
Jongeheer Jervie van dienzelfden balk viel en ook zijn rechterknie
bezeerde!” Aardige oude vrouw, hé?
De omstreken zijn hier prachtig. Er is een vallei en een rivier en heel
veel begroeide heuvels en heelemaal in de verte verrijst een éénig mooie
berg. Ik zou die graag eens willen beklimmen.
Twee keer in de week karnen we, en de room bewaren we in de steenen
schuur. Sommige boeren hier hebben een speciale separator voor het
karnen, maar wij houden niet van die nieuwe ideeën. Het is misschien wel
wat omslachtiger zooals wij het doen maar de boter is zooveel te beter.
Wij hebben zes kalveren.
[Illustratie]
1. Sylvia. Omdat ze in het bosch geboren is. 2. Lesbia. Naar de Lesbia
in Catullus. 3. Sallie. 4. Julia-a. Een gek, niet te beschrijven dier.
5. Judy. Naar mij. 6. Vadertje Langbeen. Je bent er niet boos om, wel
lieveling? Het is een volbloed Jersey en hij ziet er heel lief uit. Kijk
maar hierboven.
Zie je wel, dat de naam erg goed gekozen is?
Ik heb tot nog toe geen tijd gehad om aan mijn onsterfelijke novelle te
beginnen. Wij hebben het daarvoor veel te druk.
Dàg, veel groeten van
Judy.
P.S. Ik heb pannekoeken-bakken geleerd.
P.S. (2) Wanneer je misschien van plan bent kuikens te koopen, moet je
Buff Orpingtons nemen. Dat is een goed ras.
P.S. (3) Ik wou, dat ik je wat van die heerlijke versche boter kon
sturen, die ik van morgen zelf heb gekarnd. Ik ben een uitstekende
melkmeid.
[Illustratie: Buttercup Daisy Birdie Bess Spotty
Koeien drijven kan ik niet]
P.S. (4) Dit is het portret van Mejuffrouw Jerusha Abbott, de
toekomstige groote schrijfster, bezig de koeien naar den stal te
drijven.
Zondag.
Lieve Vadertje Langbeen.
Is dat niet leuk? Gisterenmiddag wou ik aan je schrijven, maar ik kwam
niet verder dan tot het „Lieve Vadertje Langbeen” want het schoot me
opeens te binnen, dat ik beloofd had, wat boschbessen voor het avondeten
te plukken. En dus liep ik weg en liet mijn papier op tafel liggen. En
wat denk je wel, dat ik op mijn brief vond toen ik terug kwam? Een echte
Mijnheer Langbeen, een glazenwasscher!
[Illustratie]
Ik nam hem heel voorzichtig bij een poot en liet hem het raam
uitvliegen. Ik zou voor geen geld van de wereld er een kwaad willen
doen. Met hun lange pooten herinneren ze me altijd weer aan jou, toen
ik je voor de eerste en eenige maal in mijn leven zag.
We namen vanmorgen het wagentje en reden naar de kerk. Het is een
vriendelijk wit dorpskerkje met een spitsen toren en drie Dorische
kolommen aan den voorkant (misschien zijn het wel Ionische, ik haal die
twee altijd door elkaar).
Het was een alleraardigst, slaperig preekje en alle menschen schenen
veel moeite te hebben om niet te gapen. Het eenige geluid, dat tot
ons doordrong, was, behalve het lijmige orgaan van den predikant, het
gezang van de sprinkhanen daar buiten in het veld. Ik werd niet wakker
voordat ik mezelf op de knieën vond liggen, bezig een psalm te zingen.
Toen speet het me toch, dat ik niet beter had geluisterd, want ik zou
dolgraag wat meer van den man willen weten, die zulk een psalm uitzocht.
Luister maar:
Come, leave your sports and earthly toys
And join me in celestial joys.
Or else, dear friend, a long farewell.
I leave you now to sink to hell.
Ik heb al gemerkt, dat het niet goed is om met de Semples over
godsdienst te spreken. Hun Gods-idee (die zij nog onveranderd van hun
oude Puriteinsche voorvaderen hebben geërfd) is die van een kleinzielig,
onredelijk, onrechtvaardig, min, wraakzuchtig, bigot Wezen. Gelukkig,
dat ik me er niet zoo'n voorstelling van maak! Weet je, hoe ik me Hem
denk? Hij is vriendelijk en vergevend en zacht en begrijpt alles—hij
heeft gevoel voor humor.
Ik hou dolveel van de Semples. In het werkelijk leven zijn ze veel beter
en liever dan je wel uit hun redeneeringen zoudt opmaken. Ze zijn veel
beter dan hun eigen God. Ik zei hun dat ook en toen had je hun gezichten
moeten zien! Ze waren ontsteld. Ze vonden, dat ik godslasterlijke taal
sprak—en ik vind, dat _zij_ het doen. Wij spreken nu maar nooit meer
over godsdienst.
Het is nu Zondagmiddag.
Amasai, de eene knecht, is juist met een roode das en kanariegele
handschoenen, hoogrood en geschoren, met Carrie (de meid) met een
grooten hoed met roode rozen op en een lichtblauwe japon en stijf
gekrulde haren, weg gereden. Amasai bleef den heelen morgen thuis om
de sjees schoon te maken en Carrie gaf voor, dat zij het eten moest
koken, maar in werkelijkheid heeft ze haar blauwe japon gestreken.
Wanneer ik mijn brief aan jou klaar heb, ga ik naar beneden om een
boek te lezen, dat ik op de vliering heb gevonden. Het heet „Op
het Indianenpad” en op de eerste bladzijde staat met een grappig
jongenspootje geschreven:
Jervis Pendleton.
Als je dit boek ooit vindt,
Pak het dan in en stuur het me naar huis.
Hij was hier eens 's zomers, 11 jaar geleden, nadat hij lang ziek was
geweest, en liet toen dit boek achter. Je kunt wel zien, dat hij het
goed heeft gelezen, overal zie je vuile, kleine vingertjes. In een
hoek van de vliering staat ook een windmolen. Verder vond ik er een
paar tollen en knikkers. Juffrouw Semple spreekt zoo vaak over hem,
dat ik werkelijk ga gelooven, dat hij nog leeft. Niet als een groot
heer met een hoogen zijden en een wandelstok, maar als een aardige,
vuile robbedoes, met een krullebol die altijd in de war zit, en groote
laarzen, waarmee hij stampt als hij de trap opgaat. En de deuren laat
hij allemaal open staan en hij bedelt om koekjes. (En krijgt ze ook
altijd, ik ken Juffrouw Semple!) Het schijnt een avontuurlijk heertje
geweest te zijn, flink en rond. Jammer dat het een Pendleton is! Hij
verdient iets beters te zijn.
Morgen gaan we de haver dorschen. Er is al een stoommachine besteld en
drie extra knechts hebben we gehuurd.
Tot mijn groot verdriet moet ik je vertellen, dat Eenhoorn (de gevlekte
koe met één hoorn en moeder van Lesbia) iets heel onbehoorlijks heeft
gedaan. Vrijdagavond is ze den boomgaard binnengeloopen en heeft er net
zoolang de afgevallen appels gegeten, tot het haar naar het hoofd is
gestegen. Nu is ze al twee dagen stomdronken. Het is heusch waar. Heb
je ooit zoo iets schandelijks gehoord?
Dag lieveling.
Als altijd,
Je kleine Judy.
P.S. Het eerste hoofdstuk handelt over Indianen en het tweede over
struikroovers. Wat zal er in het derde staan? „De Roode Arend sprong
twintig voet hoog en stortte toen dood neer”. staat er met dikke letters
boven. Zullen Judy en Jervie nu samen pret hebben?
15 September.
Lieve, oude Lieveling,
Ik ben gisteren op de groote weegschaal op den korenzolder gewogen. Denk
eens aan, Judy is 9 pond aangekomen. Laat ik je Lock Willow als een
uitstekend herstellingsoord aanbevelen.
[Illustratie]
Altijd,
Je Judy.
25 September.
Lieve Vadertje Langbeen.
Stel je eens voor, ik ben een tweede jaars studente! Ik kwam hier
gisteravond aan, wel een beetje verdrietig dat ik van de lieve luidjes
op Lock Willow weg moest, maar toch blij, dat ik alle meisjes hier weer
terug zou zien. Want het is erg prettig, weer naar een bekende omgeving
terug te keeren. Ik ga me hier zoo echt thuis voelen, over het algemeen
voel ik me nu in de wereld thuis, net of ik er werkelijk in hoor en er
niet maar bij ongeluk tusschen ben gekomen.
Ik geloof dat je eigenlijk heelemaal niet begrijpt, wat ik daarmee
zeggen wil. Zoo'n gewichtig persoon als een regent kan ook moeilijk het
gevoelsleven van een niets beteekenend persoontje als een vondeling
begrijpen.
[Illustratie: Sallie Judy Studeerkamer Julia gang.]
Maar luister nu eens even, mijn oude lieveling. Weet je met wie ik samen
woon? Met Sallie McBride en Julia Rutledge Pendleton. Werkelijk waar! We
hebben samen een studeerkamer en drie kleine slaapkamertjes.—Voilà!
Sallie en ik vormden dit voorjaar het plan, samen te gaan huizen, en
Julia wil met alle geweld weer bij Sallie wonen. Waarom weet ik niet,
want die twee hebben geen snars gemeen. Maar de Pendletons zijn nu
eenmaal van natuur erg conservatief en te laksch om van gedachte te
veranderen. In elk geval zitten we hier nu bij elkaar. Denk eens aan:
Jerusha Abbott uit het John Grier Home woont samen met een Pendleton!
Het is hier toch een democratisch land.
Sallie is candidaat gesteld voor het Klasse-Presidentschap en als ik
het niet heelemaal mis heb, zal ze het worden ook! Er heerscht hier
toch zoo'n intrigeer-atmosfeer. Je moest eens weten wat een politieke
vrouwen hier allemaal bij elkaar huizen! O manneke, als wij vrouwen
eenmaal onze rechten krijgen, zullen de mannen al hun tijd noodig
hebben, om de hunne te houden! Komende Zaterdag is onze verkiezingsdag
en 's avonds zullen we een fakkeloptocht houden, onverschillig wie of
er wint.
Ik ben nu bezig scheikunde te leeren, een onmogelijke studie! Ik had
nog nooit van zoo iets gehoord. Op het oogenblik hebben we het over
Moleculen en Atomen, maar de volgende maand zal ik je daar meer over
kunnen vertellen.
Ik krijg nu ook les in de philosophie.
En in de Algemeene Geschiedenis.
En we behandelen de tooneelstukken van Shakespeare.
En ik heb les in Fransch.
Als dit nog lang zoo doorgaat, zal ik ten slotte nog heelemaal beschaafd
worden.
Ik had veel liever les in Staathuishoudkunde dan in Fransch gehad, maar
ik dorst het niet te zeggen, want ik was bang, dat de Prof. me zou laten
zakken als ik geen Fransch koos. Ik kwam er voor Fransch net eventjes
door met het Juni-examen. Maar ik geloof ook niet, dat de lessen op de
Middelbare School veel waard waren.
Er is een meisje in onze klas, dat net zoo vlug in het Fransch als in
het Engelsch babbelt. Als klein meisje stak ze met haar ouders naar
Frankrijk over en ze heeft daar drie jaar in een kloosterschool geleefd.
Je kunt je denken hoeveel knapper ze is dan de rest. Alle onregelmatige
werkwoorden heeft ze onder den duim! Ik wou, dat mijn ouders me ook in
een klooster hadden gestopt, toen ik klein was, inplaats van in een
vondelingengesticht. Of neen, toch weer niet, want dan had ik jou niet
gekend en ik vind het toch nog prettiger jou te hebben dan goed Fransch
te spreken.
Dag Vadertje, ik moet nu even naar Harriet Martin om me een paar
scheikunde-dingen te laten uitleggen. En dan moeten we nog eens de a.s.
verkiezingen bespreken.
Je politieke
J. Abbott.
Lieve Vadertje Langbeen.
17 October.
Wanneer het heele zwembassin met citroenvla gevuld zou zijn, zou dan
iemand die zwemmen kan, zich boven de vla kunnen houden of zou hij
zinken?
Wij hadden vanavond aan tafel citroenvla als dessert en kwamen er
zoo over te spreken. Wel een half uur lang hebben we er hevig over
gedebatteerd en nog is het niet beslist. Sallie beweert, dat ze heel
vast gelooft, dat je er doorheen zou kunnen zwemmen en ik ben er vast
van overtuigd dat zelfs de beste zwemster zou zinken als een baksteen.
Zou het niet grappig zijn zoo in de citroenvla onder te gaan?
[Illustratie: McBride lang zal zij leven]
Nog twee andere kwesties werden aan tafel besproken.
A. Hoe moeten de kamers in een achthoekig huis gebouwd zijn? Sommige
meisjes beweerden dat ze vierkant moeten zijn, maar ik geloof dat ze
den vorm van een stuk punttaart zullen hebben. Geloof je ook niet?
B. Neem eens voor een oogenblik aan, dat er een groote ruimte van
spiegelglas is en iemand daar middenin zit. Tot hoever zal dan het
gezicht weerspiegeld worden en waar zal het glas beginnen den rug te
weerkaatsen?
Hoe meer je er over nadenkt, des te minder weet je het.
Nu zie je eens, wat een diepzinnige onderwerpen er bij ons bij net eten
behandeld worden en dan zeggen ze nog: als de katjes muizen, mauwen ze
niet.
Heb ik je al over de verkiezingen gesproken? Het is al drie weken
geleden, maar we hebben hier zooveel te doen, dat het wel een eeuw
geleden schijnt. Sallie werd gekozen en we hadden een fakkeloptocht
met transparanten, waarop „McBRIDE, LANG ZAL ZIJ LEVEN!” geschilderd
stond. En dan nog een muziekcorps dat uit 14 muzikanten bestond,
waarvan er drie mondharmonica's bespeelden en elf ketelmuziek gaven.
Wij zijn nu heel gewichtige personages in No. „258”. Een groot deel
van Sallie's glorie straalt ook op Julia's onwaardig hoofd en op het
mijne: het is een heele eer met de Presidente samen te wonen!
Bonne nuit, cher ami!
Acceptez mes compliments.
Très respectueux
Je suis
Votre Judy.
12 November.
Lieve beste Vadertje Langbeen.
Met korfbal hebben we het gisteren van de Groentjes gewonnen. Natuurlijk
vonden we het éénig, maar het zou toch nog heel wat leuker geweest zijn,
wanneer het de juniores (derde jaars studenten) geweest waren. Ik zou 't
er dan heusch voor over hebben gehad, heelemaal bont en blauw te zijn en
een week met koude compressen in bed te moeten liggen.
Sallie heeft me uitgenoodigd, in de Kerstvacantie bij haar familie te
komen logeeren. Ze komt uit Worcester in Massachusetts. Is het niet
schattig van haar? Ik ben nog nooit in mijn heele leven in een echte
familie geweest, behalve in Lock Willow, maar de Semples zijn beiden
oud en dat noem ik eigenlijk geen familie. Maar bij de McBrides zijn er
nog meer kinderen (wel twee of drie) en een moeder en een vader en een
grootmoeder en een Angora kat. Het is een _echte_ familie. Je koffer
te pakken en op reis te gaan is veel leuker dan hier blijven. O, ik vind
het toch zoo zalig om er heen te gaan!
7 uur! Ik moet naar de repetitie. We studeeren een comedie in. Ik ben
een prins met een fluweelen mantel en blonde krullen. Eenig leuk hè?
Dàg!
Je J. A.
Zaterdag.
Wil je niet eens weten hoe ik er uitzie? Hier heb je een kiek van ons
drietjes, die Leonora Fenton genomen heeft.
Dat meisje in het wit, dat lacht, is Sallie, en de lange met haar neus
in de lucht is Julia en dat kleintje met hangend haar is Judy. Ze ziet
er in werkelijkheid beter uit, maar de zon scheen net in haar gezicht.
„Stone Gate”
Worcester, Mass.
31 December.
Liefste Vadertje Langbeen.
Ik had je eigenlijk al lang willen schrijven en je voor je chèque met
Kerstmis bedanken, maar het gaat hier in huis zoo druk toe, dat ik
nauwelijks een paar minuten kan vinden om een beetje met je te babbelen.
Ik heb een nieuwe japon gekocht. Eigenlijk had ik hem niet bepaald
noodig, maar ik wou hem zoo dolgraag hebben. Dit jaar kreeg ik mijn
Kerstcadeau van mijn ouden vriend, Vadertje Langbeen. Mijn familie
stuurde me niets, alleen maar een lieven brief.
Mijn vacantie is gewoonweg heerlijk hier bij Sallie's familie. Ze wonen
in een groot, ouderwetsch baksteenen huis met wit gekalkte gevel. Het
ziet er net zoo uit als het huis, waarnaar ik altijd tuurde toen ik nog
in het John Grier Home was, en ik verlangde er toen altijd zoo naar om
te weten hoe het er wel van binnen zou uitzien. Ik had nooit gedacht,
dat ik het ooit te weten zou komen—en nu leef ik al een paar weken in
zoo'n huis!
Alles is hier gezellig en huiselijk en smaakvol. Ik loop soms alle
kamers achter elkaar door en geniet.
Het is het mooiste huis, dat je je voor je kinderen denken kunt. Er zijn
heerlijke donkere hoekjes en gaatjes, waar je prachtig verstoppertje
kunt spelen en er is een groote zolder om op regenachtige dagen pret
te maken en heerlijke gladde trapleuningen met een knop aan het
ondereind. En dan is er een groote, zonnige keuken met een aardige dikke
keukenmeid, die hier al dertien jaar dient en altijd een stukje deeg
voor de kinderen bewaart wanneer ze bakt. Hè, Vadertje, ik verlang er
soms vreeselijk naar, om heel klein te zijn en dan hier op te groeien.
En dan de familie! Ik had nooit gedroomd dat die zóó lief kon zijn.
Sallie heeft een vader en een moeder en een grootmoeder en een schat van
een zusje van drie jaar met allemaal kleine, blonde krulletjes en een
broer van een jaar of 14, die altijd vergeet zijn voeten te vegen, en
een groote, knappe broer, die Jimmie heet, en al Junior op het Princeton
College is.
Wij hebben altijd pret aan tafel. Iedereen lacht en praat en maakt
gekheid en we hoeven gelukkig niet vóór het eten te bidden. Dat vind ik
toch zoo'n verlichting, dat je hier niet voor iederen hap eten hoeft te
danken. (Je vindt misschien, dat ik een godslasteraarster ben, maar jij
zou dat ook worden, wanneer je, net zooals ik, zooveel gedwongen gebeden
had moeten opzeggen).
We hebben al zoo'n macht dingen gedaan! Ik weet heusch niet, waar ik mee
zal beginnen. Mijnheer McBride heeft een fabriek, en op Kerstmis hebben
we een grooten boom voor de arbeiderskinderen versierd. Hij stond in een
groote zaal van het pakhuis, dat voor dien dag heelemaal met hulst en
mistletoe was versierd. Jimmie McBride was als St. Nicolaas verkleed en
Sallie en ik hielpen hem om de pakjes uit te deelen.
O lieve deugd, wat was dat eenig! Ik voelde me dien avond welwillend als
een regent van het John Grier Home. Een allerliefst klein jongetje heb
ik gekust, maar ik geloof, dat ik ze geen van allen op hun hoofd heb
getikt.
En twee dagen na Kerstmis hebben we hier in huis een bal gehad, _ter
eere van mij!!_
Het was het eerste, echte bal, dat ik ooit heb bijgewoond—die op
College tellen niet mee, want daar dansen we alleen onder elkaar.
Ik droeg een nieuwe witte avondjapon (jouw Kerstcadeau, dank je nog
hartelijk) en lange, witte handschoenen en wit satijnen schoentjes. Het
eenige wat me speet, was, dat Juffrouw Lippett me niet zien kon, toen
ik den cotillon met Jimmie danste. Spreek er haar alsjeblieft over, den
eersten den besten keer dat je weer naar het John Grier Home gaat.
Als altijd,
Je Judy Abbott.
P.S. Zou je het heel, heel erg vinden, mijn liefste lieveling, wanneer
ik geen Groote Schrijfster werd, maar alleen een heel gewoon meisje
bleef?
6.30 Zaterdag.
Liefste Vadertje.
We waren eigenlijk vandaag van plan naar de stad te gaan, maar we hadden
geen rekening met het weer gehouden: het stortregent nu. Ik houd van den
winter wanneer hij ook werkelijk winter is met sneeuw en ijs, maar niet
wanneer het regent. Julia's model-oom kwam haar vanmiddag opzoeken.
Hij bracht vijf pond bonbons mee!! Je ziet, er is ook wel eens een
voordeeltje aan verbonden, om met Julia samen te wonen. Ons gebabbel
scheen hem te amuseeren en hij besloot een lateren trein te nemen en
eerst met ons samen thee te drinken. Het was vreeselijk lastig voor
ons om daartoe verlof te krijgen. Het is al heel moeilijk om een vader
of grootvader bij ons te mogen hebben en een oom—nu, dat is weer een
graadje erger. Broers en neven zijn heelemaal contrabande! Julia moest
voor een notaris den eed afleggen, dat hij werkelijk haar oom was en
toen heeft een klerk daarvan dadelijk een certificaat opgemaakt. (Weet
ik niet een heeleboel van rechtsgeleerdheid af?) En dan betwijfel ik nog
hard, of we Oom Jervie wel bij ons hadden mogen houden, als die lieve
menschen gezien hadden, hoe jong en knap hij er uitziet.
[Illustratie]
Lieve deugd, wat regent het! Als we vanavond naar de kapel willen,
zullen we er heen moeten zwemmen!
Dag lieveling,
Je Judy.
20 Januari.
Mijn lieve oude Vadertje Langbeen.
Heb je nooit over een allerdoddigste kleine baby hooren spreken, die
door slechte menschen uit zijn wiegje werd geroofd?
Ik zou zoo graag het arme kind geweest zijn. Wanneer we in boeken
leefden, zou dat het dénouement geweest zijn.
Het is heusch heel vreemd wanneer je zelf niet eens weet, wat je
eigenlijk bent—echt opwindend en romantisch! Daar zijn zoo veel
mogelijkheden. Misschien ben ik wel geen Amerikaansche—een heeleboel
zijn het niet. Ik kan wel van de oude Romeinen afstammen of van de
Vikingers of het kind zijn van een Russischen banneling en dus eigenlijk
in Siberië thuis hooren. Of misschien ben ik wel een Zigeunermeisje—ja,
dat is, geloof ik, eigenlijk nog het meest waarschijnlijk. Ik heb een
zwerversnatuur, hoewel ik nog niet veel kans heb gehad om die te
ontwikkelen.
Ken je de schandvlek in mijn leven? Weet je, dat ik eens stilletjes
ben weggeloopen omdat ik gestraft was voor het snoepen van koekjes?
Het staat in het groote boek beschreven en elke regent kan het lezen.
Maar nu in ernst.—Wat kun je anders verwachten van zoo'n kind? Wanneer
jij een hongerig kind van 9 jaar in de provisiekamer messen laat slijpen
met een schaal koekjes vlak naast haar en je gaat weg en laat haar
alleen. En je komt dan plotseling weer binnenstormen, zou jij dan ook
niet verwachten, dat ze een paar kruimeltjes aan haar mond heeft? En
wanneer je haar dan door elkaar rammelt en om haar ooren slaat en haar
commandeert van tafel op te staan, wanneer de pudding binnengebracht
wordt en je vertelt dan aan alle kinderen, dat dat gebeurt omdat zij
een dievegge is—zou jij het dan ook niet heel begrijpelijk vinden, dat
ze stilletjes weg loopt? Ik heb alleen maar vier mijlen geloopen. Toen
hebben ze me achterhaald en weer teruggebracht. En een week lang werd ik
toen elken dag aan een paal in den tuin vastgebonden, terwijl de anderen
mochten spelen.
O, lieve deugd, daar heb je de bel van de kapel al! En na den dienst
moet ik naar een bestuursvergadering. Het spijt me heusch, want ik was
net van plan je vanavond een echt gezelligen brief te schrijven.
Auf Wiedersehen,
Cher oude vriend,
Pax tibi!
P.S. Iets weet ik toch heel beslist: _ik kom niet uit China!_
4 Februari.
Lieve Vadertje Langbeen.
Jimmie McBride heeft me een Princeton banier gestuurd, zoo groot als
de heele lengte van de kamer. Ik vind het verbazend aardig van hem dat
hij aan me dacht, maar wat moet ik er in 's hemelsnaam mee doen? Sallie
en Julia willen niet dat ik hem ophang. Onze kamer is dit jaar geheel in
het rood gehouden en je begrijpt, hoe het oranje met zwart van die vlag
er mee zou vloeken. Maar het is zulk heerlijk, dik warm goed, dat ik het
zonde vind, het zoo maar te laten liggen. Wat dunkt je, zou ik het niet
als badmantel kunnen gebruiken. Mijn oude kromp in de wasch.
[Illustratie: We moeten er vroeg bij zijn om een badkuip te krijgen.]
Ik heb in den laatsten tijd heelemaal vergeten je over ons werk te
schrijven. Je zou het werkelijk niet uit mijn brieven opmaken, maar toch
is haast mijn heele tijd daarmee in beslag genomen.
„Een werkelijk ernstige studente moet met de grootste nauwkeurigheid
haar studies beoefenen”, zegt de Prof. in de scheikunde.
„Zorgt ervoor, dat ge niet in kleine onderdeelen opgaat”, zegt de Prof.
in de geschiedenis. „Houdt u op een afstand, zoodat ge het geheel kunt
overzien”.
Nu zie je eens hoe aardig we moeten scharrelen, willen we ze allebei
tevreden stellen. Ik houd meer van de methode van den laatsten geleerde.
Wanneer ik zeg, dat Willem de Veroveraar in 1492 naar Engeland overstak
en Columbus in 1100 of 1066, of weet ik wanneer, Amerika ontdekte, dan
is dat natuurlijk een kleinigheid, die de Prof. negeert. Het geeft je
zoo'n gevoel van zekerheid en rust dat ik bij de scheikunde geheel mis.
Daar gaat de zes-uur-bel! Ik moet naar het laboratorium om nog een
scheikundig mengsel van zuren en zouten na te zien. Ik heb laatst met
Waterstof een groot gat in mijn schort gebrand. Als de theorie opging,
had ik het met een sterke oplossing van Ammoniak kunnen neutraliseeren,
niet waar?
De volgende week hebben we weer examens, maar je gelooft toch niet, dat
ik daar bang voor ben?
Veel liefs van
Je Judy.
5 Maart.
Lieve Vadertje Langbeen.
De Maartstorm loeit en de heele hemel is met zware wolken bedekt. De
kraaien in de denneboomen maken een helsch lawaai. Het is een opwindend
lokkend geluid. Ik zou mijn boeken wel willen dichtslaan en over de
heuvels rennen, voortgejaagd door den wind.
Wij hebben verleden Zaterdag een snippenjacht gehouden over vijf
mijlen land. De foks (voorgesteld door drie meisjes en een schepel
confetti) kwam een half uur voor de 27 jagers aan. Ik was een van de 27;
8 konden er onderweg niet verder en met ons negentienen kwamen we op
het eindpunt aan. Onze weg leidde over een heuvel, door een korenveld
en over een drassig land, waar we heel voorzichtig van het eene droge
plekje op het andere moesten springen. Natuurlijk is meer dan de helft
er tot de enkels ingezakt. Wij verloren het confetti-spoor en hadden wel
25 minuten noodig om weer uit dat moeras te komen. Dan leidde het spoor
weer over een heuvel, door struikgewas, en zelfs lag het bij het raam
van een schuur. De deur van de schuur was gesloten, het raam was vrij
hoog van den grond en nogal smal. Het was eigenlijk al te moeilijk, vind
je ook niet?
Maar we zijn ook niet naar binnen geklommen! We hebben heel voorzichtig
langs de schuur rondgespeurd en toen het spoor weer gevonden. Ze hadden
haast alle confetti daar uitgestrooid. De foks dacht, dat hij ons
leelijk voor den gek kon houden, maar we zijn verder door blijven zoeken
en hebben twee mijlen over glooiend weiland moeten rennen. Het spoor was
vreeselijk moeilijk te volgen, want de confettivoorraad bleek wel haast
uitgeput. Volgens de regels van het spel moet je met een tusschenruimte
van hoogstens 2 meter strooien, maar dit waren de langste twee meters,
die ik ooit heb gezien. Eindelijk, na twee uur aanhoudend zoeken, vonden
wij onzen foks in de keuken van Crystal Spring. (Dat is een boerderij,
waar de meisjes in bobsleden en hooiwagens heengaan, om kuikens en
wafels te eten). We vonden de drie hondjes vreedzaam bezig met melk en
beschuit met honing te verorberen. Ze hadden nooit gedacht dat we ze nog
zouden vinden. Ze hadden bepaald gehoopt, dat we daar in het raam van de
schuur waren blijven steken.
Alle twee partijen beweerden, dat zij het hadden gewonnen. Ik vind, dat
wij het gewonnen hebben, want we hadden ze toch maar gevonden voordat
ze weer op den terugweg naar College waren. In elk geval waren wij alle
19 uitgehongerd en we vielen als wolven op den voorraad aan en moesten
al maar meer honing hebben. Er was niet genoeg voor ons allemaal, maar
Juffrouw Crystal Spring (zoo noemen wij haar, eigenlijk heet ze Johnson)
bracht een groote pot aardbeienjam en een kan appelstroop en drie bruine
brooden.
Wij stapten pas om half zeven op (we kwamen een half uur te laat voor
het avondeten), en we liepen zoo maar naar binnen, zonder ons eerst te
verkleeden, we hadden zoo'n honger! We zijn dien avond geen van allen
meer naar de kapel gegaan, maar als je onze schoenen gezien had, had je
begrepen dat dat ook niet meer kòn.
Ik heb je nog niets van de examens verteld. Ik ben door alles
gemakkelijk heengerold. Ik weet nu hoe je dat moet aanleggen. Ik geloof
ook niet, dat ik ooit weer zal zakken. Ik kan niet meer _cum laude_
promoveeren door dat gemeene herexamen voor Latijn en Fransch, maar het
komt er niets op aan. Er zonder zullen we ook nog wel gelukkig worden!
Heb je Hamlet al eens gelezen? Als je het nog niet gedaan hebt, moet
je het beslist doen. Het is _schitterend_ in één woord. Ik heb al mijn
heele leven over Shakespeare hooren spreken, maar ik had toch geen flauw
benul dat het zoo mooi zou zijn. Ik dacht altijd, dat de menschen het
elkaar maar naspraken.
Ik heb een heerlijk tijdverdrijf, dat ik al bedacht heb, toen ik mijn
eerste boek las. Elke nacht droom ik, dat ik de persoon ben (natuurlijk
de hoofdpersoon) van het boek dat ik juist lees.
Nu ben ik Ophelia en een heel gevoelige Ophelia ook. Ik leid Hamlet
af en vertroetel hem en knor op hem en zorg dat hij zijn mantel
omslaat wanneer hij het koud heeft. Ik heb hem al heelemaal van
zijn melancholie genezen. De Koning en de Koningin zijn alle twee
dood—door een ongeluk op zee. Er is dus geen begrafenis bij noodig.
Nu kunnen Hamlet en ik zonder eenige dwarsboomerij in Denemarken
regeeren. O, ons koninkrijk bloeit! Hij zorgt voor de regeeringszaken
en ik voor de liefdadigheidsinstellingen. Ik heb zoo juist een
Model-Vondelingeninrichting gesticht (het heeft niets van het John
Grier Home!) Als jij of een van de andere regenten het misschien willen
bezichtigen, zal ik je met alle plezier persoonlijk rondleiden. Het zal
leerrijk zijn!
Ik verblijf, Mijnheer,
Uwe U welwillend gezinde
Ophelia,
Koningin van Denemarken.
24 Maart (misschien is het wel de 25ste).
Lieve Vadertje Langbeen.
Ik geloof niet, dat ik ooit in den hemel zal komen. Ik geniet hier op
aarde zóó, dat ik het niet fair zou vinden, als ik hiernamaals nog eens
aan de beurt kwam. Luister eens, wat er gebeurd is!
Jerusha Abbott heeft den eersten prijs ($ 25!) gewonnen voor de schets
die „De Maandelijksche” elk jaar uitlooft. En ze is een tweede jaars!
De mededingsters zijn haast allen derde jaars. Toen ik mijn naam las,
kon ik het haast niet gelooven. Misschien wordt ik dus toch nog een
schrijfster! Ik wou dat Juffrouw Lippett me niet zoo'n vervelende naam
had gegeven; is me dat nu een naam voor een Schrijfs_ter_?
Ik ben ook al gekozen om in het tooneelstuk in de open lucht „Elck wat
Wils”, dat we dit jaar zullen opvoeren, mee te spelen. Ik zal Celia
zijn, het nichtje van Rosalinde.
En, last not least: Julia, Sallie en ik gaan komenden Vrijdag naar
New-York om onze inkoopen voor het voorjaar te doen en we blijven er den
heelen nacht over en gaan den volgenden dag met „Jongeheer Jervie” naar
den schouwburg. Hij heeft ons uitgenoodigd. Julia gaat bij haar ouders
logeeren, maar Sallie en ik gaan dien nacht naar het Maria Washington
Hotel. Heb je ooit van zoo iets heerlijks gehoord! Ik ben nog nooit in
een hotel geweest en ook nog niet in een theater. Alleen eens, toen de
Katholieke kerk een feest gaf en alle vondelingen vrijkaarten kregen,
maar dat was geen echt tooneelstuk en telt dus eigenlijk niet mee.
En wat denk je wel, dat er gegeven wordt? Hamlet! Stel je voor hoe
zalig! We hebben het juist vier weken geleden behandeld en ik ken heele
stukken uit mijn hoofd.
Ik ben nu zoo opgewonden door al die heerlijke vooruitzichten, dat ik
haast niet kan slapen.
Nacht Lieveling!
Het leven is toch heerlijk!
Veel groeten van
Je Judy.
P.S. Ik keek net op de kalender. Het is de 28ste.
Nog eens P.S. Ik zag vandaag een tramconducteur met één blauw en één
bruin oog. Zou dat geen prachtig kenteeken zijn voor een schurk in een
detective roman?
7 April.
Liefste Vadertje Langbeen.
Lieve deugd, wat is New-York groot! Worcester is er niets bij. Woon jij
heusch in al dat geroezemoes? Ik geloof, dat ik in geen maanden van al
die verwarring door die twee enkele dagen zal bekomen. Ik kan je ook nu
nog niet geregeld over al die wonderlijke dingen schrijven, die ik daar
gezien heb. Het is ook niet noodig, want je woont er immers zelf en je
kent zeker alles.
Vind je het ook op straat en in de winkels zoo leuk? En wat zijn de
menschen er aardig! Ik heb nog nooit zulke mooie dingen gezien als
daar in de winkelkasten zijn uitgestald. Ik ga nu heusch begrijpen,
dat sommige menschen zulke schatten voor hun kleeding over hebben.
Sallie, Julia en ik gingen Zaterdagmorgen winkelen. Julia liep het
prachtigste gebouw binnen, dat ik ooit zag. De muren waren wit met goud,
blauwe kleeden lagen op den grond en er waren blauw zijden gordijnen
en vergulde stoeltjes. Een mooie, blonde dame in een prachtige zijden
sleepjapon verwelkomde ons met een vriendelijk lachje. Ik dacht dat
we hier een bezoek gingen brengen en wilde al juist mijn hand gaan
uitsteken, toen het bleek, dat we alleen maar hoeden gingen uitzoeken.
Tenminste, dat deed Julia. Ze nam tegenover een spiegel plaats en paste
toen wel een stuk of twaalf hoedjes, het eene al mooier en eleganter dan
het andere, en toen kocht ze de twee allermooiste.
Ik geloof, dat ik niets zaligers zou vinden dan me ook zoo tegenover
een spiegel bewonderen en alle hoeden te koopen, die ik mooi vond,
zonder eerst naar den prijs te vragen. Daar is geen twijfel aan of het
eenvoudige vondelingetje uit het John Grier Home zou in New-York wel
gauw veranderen!
En toen we alle boodschappen gedaan hadden, ontmoetten we Jongeheer
Jervie bij Sherry. Je bent daar zeker wel eens geweest. Denk dan eens
aan de eetzaal in het John Grier Home met zijn met zeil bedekte wit
houten tafels en grof aardewerk, dat je _onmogelijk_ zou kunnen breken
en tinnen vorken en messen met zwart houten handgrepen. Dan zul je
begrijpen hoe ik me daar in Sherry te moede voelde.
Ik at mijn visch met de verkeerde vork, maar de kellner gaf me heel
vriendelijk een andere, dus heeft niemand het gemerkt.
En na de lunch zijn wij naar het theater gegaan. Het was
duizelingwekkend, tooverachtig, onbeschrijfelijk—ik droom er nog elken
nacht van.
Is Shakespeare niet heerlijk?
Hamlet komt zooveel beter op het tooneel uit, dan wanneer wij het in de
klas behandelen. Te voren vond ik het al heel mooi, maar nu—laat ik
daar niet over beginnen!
Als je het goed vindt, word ik, geloof ik, liever tooneelspeelster dan
schrijfster. Heb je er bezwaar tegen dat ik nu maar van College af ga
en me op een tooneelschool laat inschrijven? Later zal ik dan je ook
telkens, wanneer ik optreed, een vrijkaart voor een loge geven en je van
voor het voetlicht toelachen. Maar draag dan alsjeblieft een roode roos
in je knoopsgat, want anders zou ik zeker een verkeerden man toelachen
en dat zou toch erg vervelend voor me kunnen worden.
Zaterdagnacht keerden we terug. We aten in den trein aan kleine
tafeltjes met schemerlampjes met roode kapjes en werden door negers
bediend. Ik had er nog nooit van gehoord, dat je in den trein kon eten
en ik was zoo dom, het er uit te flappen ook.
„Waar ben jij in 's hemelsnaam toch opgegroeid?” vroeg Julia.
„In een dorp”, antwoordde ik schuchter.
„Maar heb je dan nooit gereisd?” zette ze het onderzoek voort.
„Neen, niet totdat ik naar College moest en dat was maar een 150 mijlen
en we hebben toen niet gegeten”.
Ze gaat nu bepaald veel belang in me stellen, omdat ik zulke gekke
dingen zeg. Ik probeer ze telkens te onderdrukken, maar wanneer
ik verbaasd over iets ben, denk ik daar niet aan. En ik ben haast
altijd verbaasd. Ja, mijn oude, beste vriend, je kunt heel vreemde
gewaarwordingen hebben, wanneer je 18 jaar lang in het John Grier Home
bent opgesloten geweest en dan opeens midden in de _wereld_ wordt
geplaatst.
Maar nu voel ik me daar al meer op mijn gemak en ik maak ook niet meer
zulke vreeselijke blunders als in het begin. En ik voel me ook niet meer
vreemd tegenover de andere meisjes. Vroeger bloosde ik geregeld, wanneer
de menschen naar me keken. Ik dacht dat ze dan, door mijn nieuwe kleeren
heen, het geruite John Grier Home jurkje zouden ontdekken. Maar nu laat
ik me zelfs door geen honderd geruite jurkjes van streek maken.
Ik vergat je nog over onze bloemen te spreken. Jongeheer Jervie gaf ons
alle drie een groote bos viooltjes met lelietjes van dalen. Lief van
hem, hè? Vroeger voelde ik niets voor mannen, omdat ik alleen maar de
regenten kende—maar nu ga ik er anders over denken.
Elf bladzijden! Is me dat een brief! Kom, mijn oud, best Vadertje
Langbeen, ik schei er mee uit!
Veel liefs van
Judy.
10 April.
Waarde Mijnheer Rijkaard.
Ik stuur je inliggend je chèque voor $ 30. terug.
Ik ben je dankbaar, maar voel dat ik dat geld niet kan aannemen. Mijn
zakgeld is groot genoeg om er alle hoeden voor te koopen, die ik noodig
heb, en het spijt me wel, dat ik je al dien onzin over die modiste
schreef. Het komt alleen maar, omdat ik nooit te voren zoo iets had
gezien.
In elk geval deed ik het niet, om geld van je te ontvangen. Ik maak
liever niet meer gebruik van je weldadigheid dan ik toch al doen moet.
Vriendelijke groeten van
Judy.
11 April.
Liefste lieveling.
Zeg, wil je me vergeven, dat ik je gisteren zoo'n naren brief schreef?
Toen ik hem op de bus had gedaan, had ik er al weer spijt van en ik
vroeg hem terug, maar die vervelende brievenbesteller wilde hem er niet
meer uithalen.
Het is nu middernacht. Ik lig uren lang wakker door die ellendige
gedachte, dat ik zoo'n wurm, zoo'n duizendpootig wurm ben. (Dat is
het ergste scheldwoord, dat ik voor me zelf bedenken kan). Ik heb
heel voorzichtig de deur van onze werkkamer dicht gemaakt om Sallie
en Julia niet te wekken en zit nu op een vel papier, dat ik uit mijn
geschiedenis-dictaatcahier heb gescheurd, aan jou te schrijven.
Ik wou je zeggen dat ik het zoo naar vind, dat ik je dien chèque zoo
plompweg heb teruggestuurd. Ik weet dat je het heel lief hebt bedoeld
en je bent een schat, dat je je zoo'n moeite geeft voor zoo'n dom kind
als ik ben. Ik had hem je natuurlijk wel terug moeten sturen, maar heel
anders dan ik het deed.
Maar in elk geval _moest_ ik hem terugsturen. Het is bij mij zoo iets
heel anders dan bij de andere meisjes. Die hebben vaders en moeders en
tantes en ooms, maar ik heb heelemaal geen familie, ik heb niemand,
niets. Ik stel me wel graag voor, dat jij zoo'n beetje familie van me
bent, omdat ik dat zoo'n prettig gevoel vind, maar ik weet natuurlijk
heel goed, dat dat maar onzin is. Ik sta heelemaal alleen op de wereld,
en ik moet me schrap zetten, om den strijd met het leven te aanvaarden.
O, ik word koud als ik daaraan denk. Ik durf er dikwijls niet aan
denken en daarom fantaseer ik zooveel, maar je begrijpt ook wel, dat
ik niet meer mag aannemen dan ik al doe, omdat ik je later alles wil
terugbetalen en zelfs als ik werkelijk nog eens een groote schrijfster
word, zal het toch moeilijk zijn om zoo'n _vreeselijk_ groote schuld af
te lossen.
Ik hou heel veel van mooie kleeren en hoeden, maar ik mag mijn toekomst
niet verpanden door ze nu te koopen.
Wees er niet boos over, dat ik daar zoo ruw over spreek. Ik heb de
afschuwelijke gewoonte om alles impulsief neer te schrijven, wanneer
ik het denk, om er dan later berouw over te hebben als de brief al weg
is en ik hem niet meer kan verscheuren. Maar al lijk ik soms ook ruw en
ondankbaar, ik meen het toch nooit. In mijn hart dank ik je altijd voor
het vrije leven, waarin je me geplaatst hebt en de onafhankelijkheid,
die ik door jou zal verkrijgen. Mijn jeugd was één lange sleur, die ik
met al mijn oproerige gedachten niet kon verbreken en nu voel ik me
elken dag zoo gelukkig, dat ik nu, na dat heele jaar op College, soms
nog niet kan gelooven dat ik niet droom. Ik voel me als een heldin in
een verhaaltje!
Het is nu kwart over twee. Ik ga op mijn teenen naar de bus om dezen
brief nog even te posten. Je zult hem dus precies een post na dien
anderen krijgen en je kan dus gelukkig niet lang boos op me zijn.
Nacht lieveling!
Ik hou heel veel van je.
Judy.
4 Mei.
Verleden Zaterdag hadden we velddienst. Het was vreeselijk leuk. Eerst
hadden we groote parade gehouden. We waren allen in het wit gekleed. De
Seniores droegen kleine Japansche parasolletjes, blauw met goud en de
Juniores wit met gele vlaggen. Wij hadden roode luchtballons. Dat was
vreeselijk aardig, want elk oogenblik verloor een van ons er eentje en
die vloog dan de lucht in. De eerste jaars hadden groote groen papieren
mutsen met lange, afhangende linten. We hadden ook een muziekcorps in
blauwe uniform voor dien dag uit de stad laten overkomen en ook een stuk
of twaalf hansworsten, die de menschen tusschen de wedstrijden door
bezig moesten houden.
Julia had zich als een dikken buitenman in een wit linnen pak verkleed,
met bakkebaarden en een geweldig groote parasol. Patsy Moriarty
(eigenlijk heet ze Patricia maar heb je ooit zoo'n onmogelijken naam
gehoord, Juffrouw Lippett zou er werkelijk geen ergere kunnen bedenken),
een lang, mager kind, was Julia's vrouw en droeg een hardgroene muts op
één oor. De menschen hebben den heelen weg langs geproest wanneer die
twee voorbijkwamen. Ik had nooit gedacht, dat een Pendleton nog zooveel
spirit zou bezitten. (Hierbij denk ik natuurlijk niet aan Jongeheer
Jervie, want die beschouw ik evenmin als een echten Pendleton als jou
als een echten regent).
Sallie en ik deden niet aan den optocht mee, omdat we ons beiden voor
de wedstrijden hadden laten inschrijven. En stel je voor, we hebben alle
twee gewonnen! Tenminste bij één spel. Bij het ver-springen verloren
we alle twee, maar Sallie won bij polsstok springen en ik bij het
hardloopen (30 M. in 8 seconden).
Ik kreeg op het laatst wel erg hartkloppingen, maar het was toch eenig,
toen de heele klas daar met zijn ballons stond te wuiven en te
schreeuwen en zong:
Wat is er aan de hand met Judy Abbott?
Ze heeft gewonnen!
Wie heeft er gewonnen?
Judy Abbott!
Dat is eerst eens roem! Toen ben ik naar het tentje gegaan en heb me
daar heelemaal met spiritus afgewreven en een citroenkwast gedronken.
Je ziet, dat we altijd aan onze gezondheid denken. Het is heel
verdienstelijk, als je een spel voor je klas wint, want de klas, die de
meeste spelen wint, krijgt dat jaar den wisselbeker. Dit jaar kregen
de Juniores hem met zeven spelen in hun voordeel. Het comité bood alle
winners in het gymnastieklokaal een diner aan. We kregen kreeft, en
chocolade-ijs in den vorm van korfballen.
[Illustratie: Judy wint bij het hardloopen]
Ik heb gisteren den halven nacht opgezeten om in Jane Eyre te lezen. Ben
jij oud genoeg om je te herinneren hoe het voor 60 jaar was en als dat
zoo is, kun je me dan ook zeggen of de menschen toen zóó spraken?
De hooghartige Lady Blanche zegt tot haar knecht: „Staak uw gepraat,
man, en verricht, wat ik u gebied”. Mijnheer Rochester spreekt over
„het metalen hemelgewelf” wanneer hij het over de lucht heeft, en als
je dan aan de krankzinnige vrouw denkt, die als een hyena lacht en de
bedgordijnen in brand steekt, tranen stort over een bruidssluier en
_bijt_... nu ja, dan is het een melodrama van het reinste water, maar
toch lees je en lees je, uren achter elkaar. Ik kan me niet begrijpen,
dat een meisje zoo'n boek geschreven heeft, vooral niet een meisje, dat
op een kerkhof werd grootgebracht. Daar is iets in de Bronte's, dat me
sterk tot ze aantrekt. Hun boeken leven, er is geest in. Maar hoe kwamen
ze aan die gave! Toen ik over het ellendige leven las, dat de kleine
Jane in die weldadigheidsinrichting had, ergerde ik me zoo, dat ik de
kamer uitging en een flinke wandeling maakte. Ik kan me heelemaal in
haar toestand verplaatsen. Als je Juffrouw Lippett kent, begrijp je ook,
hoe Mijnheer Brocklehurst geweest moet zijn.
Frons je wenkbrauwen nu maar niet. Ik weet heel goed, dat het John
Grier Home heel anders is ingericht dan het Lowood instituut. We kregen
genoeg te eten en hadden voldoende kleeren en genoeg water om ons te
wasschen en zelfs de kelder was verwarmd, maar toch is er een groote
overeenkomst. Ons leven was onbeschrijflijk eentonig. Er gebeurde
nooit eens iets bijzonders. De eenige afleiding was het roomijs,
waarop we Zondags werden getracteerd en dat werd zelfs tot een geregeld
terugkomende verrassing, dus eigenlijk geen verrassing meer. In al die
18 jaar, dat ik er was gebeurde er alleen maar één keer iets bijzonders,
n.l. toen de houten schuur afbrandde. We moesten midden in den nacht
opstaan en ons aankleeden, voor het geval dat het huis ook in brand zou
raken. Maar het vatte geen vlam en we moesten allen weer naar bed.
Iedereen houdt wel eens van een verandering, dat is zoo'n gewoon
menschelijke behoefte. Maar ik had nog geen verrassing beleefd tot
op het oogenblik, dat Juffrouw Lippett me in haar kamer riep om daar
te vertellen, dat Mijnheer John Smith me naar College wilde sturen.
En toen ging ze daar zoo vervelend over uitweiden, dat ze weer een
heeleboel van mijn plezier bedierf.
Je weet, dat ik het van het grootste belang voor iemand vind, dat
hij verbeeldingskracht heeft. Daardoor voel je je in staat, je ook
in de plaats van een ander in te denken. Het stemt je vriendelijk en
vergevensgezind. Bij kinderen moest de fantasie al vroeg ontwikkeld
worden. Maar in het John Grier Home wordt de flauwste flikkering van
je verbeeldingskracht dadelijk uitgedoofd. Plicht is het eenige, wat
je telkens voor oogen wordt gehouden. Ik vind dat kinderen eigenlijk
de beteekenis van dat woord niet moesten kennen. Het is iets kouds,
verfoeilijks. Een kind moest alles uit liefde doen, niet uit
plichtsgevoel, bah!
Wacht maar, totdat je het vondelingengesticht hebt gezien, waarvan ik de
directrice word. Dat is nu mijn lievelingsdroom vóór ik ga slapen. Ik
werk het tot in de kleinste bijzonderheden uit, het eten en de kleeren
en het werk en de spelen en de straffen... Want zelfs mijn uitstekend
opgevoede pleegkinderen zijn wel eens een enkele keer ondeugend.
Maar in elk geval zijn ze gelukkig. Volgens mijn meening moet iedereen,
al komen er naderhand ook nog zooveel zorgen, een echt gelukkige,
zonnige jeugd hebben, waaraan hij altijd de heerlijkste herinnering
houdt. En als ik ooit zelf eens kinderen krijg, dan zal ik er voor
strijden, dat ze een onbezorgd gelukkig leven hebben, zoolang ze nog
jong zijn, onverschillig onder hoeveel verdriet ik zelf misschien gebukt
ga.
Daar luidt de klok van de kapel al. Een andere keer zal ik je hierover
nog wel eens schrijven.
Donderdag.
Toen ik vanmiddag na mijn practisch werk in het laboratorium weer in
onze werkkamer kwam, zat daar een eekhoorntje juist genoegelijk op mijn
theetafel amandelen te knabbelen.
[Illustratie: „Mijn lieve Juffrouw Duizendpoot, gebruikt U één of twee
klontjes”]
Dat zijn de soort bezoekers die bij dit warme weer geregeld bij ons
komen wanneer de vensters open staan.
Zaterdagmorgen.
Misschien denk je wel, dat ik, omdat het vandaag Zaterdag is en we dan
geen lessen hebben, gisteravond eens heerlijk rustig in de boeken van
Stevenson heb kunnen lezen, die ik van het geld van mijn prijs kocht.
Maar als je dat heusch denkt, weet je niets van het leven op een
meisjes-universiteit af, mijn oude, beste Vadertje! Zes vriendinnen
stormden naar binnen, om een bowl te maken en één heeft een groote plas
op ons mooiste vloerkleedje gemorst. We zullen er die vlek wel nooit
uitkrijgen.
Ik heb je in den laatsten tijd heelemaal niet over ons werk gesproken.
We hebben een heeleboel te doen, en ik vind het daarom juist prettig om
iemand te hebben met wien ik over iets anders dan over het eeuwige werk
kan spreken. We moeten dus maar lange discussies over de wereld en het
leven in het algemeen houden. Ik vind het wel wat erg dat ik daarbij
altijd maar alleen aan het woord ben, maar dat is je eigen schuld. Je
mag me altijd antwoorden wanneer je maar wilt.
Ik heb nu al drie dagen lang telkens een paar regels aan dezen brief
geschreven en ik ben nu heusch bang dat ik je een beetje verveel.
Dag, mijn lieve oude vriend.
Je Judy.
Den WelEd. Heer Vadertje Langbeen Smith.
WelEd. Heer.
Daar ik mijn studies over argumentatie en de verdeeling van een stelling
in onderdeelen heb voltooid, heb ik besloten den volgenden briefvorm aan
te nemen. Mijn brieven zullen op deze wijze alle noodzakelijke feiten
bevatten zonder eenig overbodig woordenverbruik.
I. We hadden deze week schriftelijk examen in:
A. Scheikunde.
B. Geschiedenis.
II. We krijgen een nieuw gebouw met slaapkamers.
A. Het materiaal bestaat uit:
_a._ rooden baksteen.
_b._ grijze steenen.
B. Er in verblijf houden zullen:
_a._ een directrice, vijf leeraressen,
_b._ 200 meisjes-studenten,
_c._ een huishoudster, drie koks, 20 werkmeisjes, 20
kamermeisjes.
III. We hadden vanavond zure room als dessert.
IV. Ik schrijf een studie over de bronnen van Shakespeare's
tooneelstukken.
V. Lou McMahon gleed vanmiddag bij 't korfballen uit. Ze viel en
A. ontwrichtte haar schouder en
B. kneusde haar knie.
VI. Ik kocht een nieuwen hoed, gegarneerd met:
A. een blauw fluweelen band,
B. twee blauwe vlerken,
C. drie roode pompoenen.
VII. Het is half tien.
VIII. Goeden nacht.
Judy.
2 Juni.
Lieve Vadertje Langbeen.
Je kunt je heelemaal niet voorstellen, wat voor heerlijks er vandaag
weer gebeurd is. De McBrides hebben me uitgenoodigd den heelen zomer in
hun kamp te Adirondacks te komen logeeren. Ze zijn leden van een club,
die 's zomers buiten gaat wonen aan een klein meer, midden in het bosch.
De verschillende leden hebben daar houten huisjes en ze gaan roeien op
het meer en maken lange wandelingen naar de kampen van andere clubs en
één keer in de week wordt er in het clublokaal gedanst.
Jimmie McBride komt er ook met een van zijn vrienden, ook een student,
dus hebben we genoeg heeren om mee te dansen.
Vind je het niet verbazend lief van Mevrouw McBride, om me ook uit te
noodigen? Het schijnt, dat ze van me is gaan houden toen ik er met
Kerstmis was.
Neem het me niet kwalijk, dat ik vandaag zoo kort ben. Het is ook
eigenlijk geen echte brief. Ik schrijf je alleen maar om je te zeggen,
dat mijn zomerplannen al gemaakt zijn.
Je in gelukzaligheid zwemmende
Judy.
5 Juni.
Lieve Vadertje Langbeen.
Van je secretaris ontving ik zoo juist een briefje waarin hij me
vertelt, dat Mijnheer Smith liever heeft dat ik de uitnoodiging van
Mevrouw McBride niet aanneem, maar net als den vorigen zomer naar Lock
Willow ga.
Maar waarom... _Waarom_ dan toch, Vadertje Langbeen?
Het schijnt, dat je heelemaal niet begrijpt hoe de zaak in elkaar zit.
Mevrouw McBride vindt het heusch heel prettig dat ik kom, ik sta haar
absoluut niet in den weg. Integendeel, ik help haar. Er gaan niet veel
dienstboden mee naar buiten en Sallie en ik zullen een heeleboel in huis
werken. Het is juist een prachtige gelegenheid ook het huishouden te
leeren. Elke vrouw moet toch een goede huishoudster zijn en ik weet
eigenlijk alleen maar hoe een huishouden in een gesticht er uitziet.
Er zijn geen andere meisjes van onzen leeftijd in het kamp en Mevrouw
McBride vindt het daarom veel prettiger voor Sallie, dat ze een vriendin
bij zich heeft. We zullen een heeleboel samen doorlezen, alle boeken,
die we het volgende jaar voor Engelsch en Staathuishoudkunde moeten
kennen. De prof. zei, dat het voor ons zooveel gemakkelijker was, als we
dat alles van te voren deden en je kunt het veel beter onthouden als je
alles samen leert.
En dan zou het ook voor mij zoo goed zijn om een tijdlang met Sallie's
moeder samen te wonen. Ze is de interessantste, verstandigste en liefste
vrouw van de wereld. Ze weet alles. Denk eens aan, hoeveel zomers en
winters, hoeveel lange jaren ik met juffrouw Lippett heb geleefd en hoe
scherp dat contrast me nu opvalt. Je hoeft niet bang te zijn, dat ze
geen plaats voor me hebben: hun huis is van elastiek. Wanneer ze een
heeleboel gasten hebben, slaan ze tentjes in het bosch op en gaan de
jongens daarin slapen. Het zal een heerlijke zomer zijn en zoo gezond,
altijd in de buitenlucht. Jimmie McBride wil me leeren paardrijden en
roeien en schieten en o, nog een heeleboel andere dingen, die ik niet
ken. Het wordt een zalig, vrij leventje en ik heb dat nooit gekend en
alle meisjes moesten toch wel eens zoo'n tijd in haar leven hebben.
Natuurlijk zal ik precies doen, wat jij wilt, maar, ... och toe,
lieveling, laat me gaan.
Vandaag is het niet Jerusha Abbott, de toekomstige groote schrijfster,
die je dezen brief stuurt, het is alleen maar Judy—een jong meisje.
9 Juni.
Den WelEd. Heer John Smith.
WelEd. Heer.
Ik kwam in het bezit van Uwe letteren van 7 dezer en deel U naar
aanleiding van de instructies, door tusschenkomst van Uwen secretaris
ontvangen, mede, dat ik Vrijdag a.s. van hier vertrek om den zomer op
Lock Willow door te brengen.
Hoogachtend,
Jerusha Abbott.
Lock Willow Farm.
3 Augustus.
Lieve Vadertje Langbeen.
Ik heb je nu al bijna twee maanden lang niet geschreven en ik moet
eerlijk bekennen, dat dat alles behalve aardig van me was. Maar zie je,
ik heb dezen zomer een klein beetje het land aan je gehad. Je ziet, dat
ik alles ronduit zeg.
Je weet heusch niet hoe teleurgesteld ik was, dat ik niet naar de
McBride's mocht gaan. Natuurlijk weet ik dat je heel veel over me te
zeggen hebt en dat ik met al je wenschen rekening moet houden, maar ik
begrijp heelemaal de reden niet, waarom ik er niet zou mogen heengaan.
Het was zoo duidelijk als iets, dat het juist heel goed voor me zou
zijn, er een paar maanden te logeeren. En als ik nu Vadertje Langbeen
was geweest en jij Judy, dan zou ik hebben gezegd: „Wel, lieve meid, ik
ben heel blij voor je, dat je die uitnoodiging hebt gekregen. Natuurlijk
moet je het aannemen. Maak maar van je zomer, wat je er van maken kunt.
Je zult nieuwe menschen leeren kennen en een massa nieuwe dingen. Ga
maar heel veel in de open lucht en zorg dat je gezond en sterk en
uitgerust bent, want je zult na dezen zomer weer een jaar hard aan
het werk moeten.”
Maar niets van dat al. Alleen een kort briefje van je secretaris, waarin
hij me zegt, dat ik naar Lock Willow moet.
Het ergst van je bevelen vind ik nog, dat ze zoo onpersoonlijk zijn. Ik
vind, dat je me toch zelf wel eens een regeltje kon schrijven, inplaats
van me die vervelende, getikte briefjes te sturen, al geef je misschien
ook nog zoo weinig om me. Als je dan ook maar de kleinste zinspeling
maakte, dat je iets liever niet had, zou ik natuurlijk alles doen om je
tevreden te stellen.
Ik weet, dat ik je aardige, lange, uitvoerige brieven moet schrijven
zonder ooit een antwoord te mogen verwachten. Jij houdt je aan je
belofte (ik krijg een uitstekende opleiding) maar ik voel, dat je me
verwijt, dat ik van mijn kant me niet heelemaal aan onze overeenkomst
houd.
Maar begrijp dan ook, dat het zoo'n moeilijk geval voor me is. Heusch,
vreeselijk moeilijk. Ik voel me zoo verschrikkelijk alleen. Jij bent
de eenige van wien ik kan houden en jij bent voor mij zoo'n wazig
iemand. Je bent eigenlijk alleen maar een denkbeeldige man, die voor
mij alleen door mijn fantasie leeft en het kan heel goed zijn, dat je in
werkelijkheid heel anders bent dan ik je me voorstel. Maar eens, toen ik
in het ziekenhuis lag, heb je me een kaartje gestuurd en nu ik me zoo
afschuwelijk verlaten en alleen voel, haal ik dat weer te voorschijn en
lees het nog eens.
Ik geloof dat ik je heelemaal niet zeg, wat ik je eigenlijk had willen
zeggen en dat is:
Ofschoon ik me nog altijd een beetje gekrenkt voel—want het is
beleedigend om zoo maar weggestuurd te worden door een heerschzuchtig,
onredelijk, almachtig en onzichtbaar Iemand, ook als die Iemand even
vriendelijk en edelmoedig en bezorgd was als jij dat tot nog toe voor
me bent geweest, vermoed ik, dat diezelfde Iemand het recht heeft de
rol van een heerschzuchtige, onredelijke, almachtige en onzichtbare
Voorzienigheid te spelen wanneer hij dat wil en daarom ... daarom zal ik
je vergeven en weer lief tegen je zijn. Maar toch voel ik me nog altijd
verdrietig wanneer ik een brief van Sallie krijg en hoor, hoe prettig
het bij hen in het kamp is.
Maar—we zullen nu een sluier over het verleden hangen en weer met
frisschen moed opnieuw beginnen.
Ik heb dezen heelen zomer geschreven. Vier kleine schetsjes zijn nu naar
verschillende weekbladen gestuurd. Dus zie je, dat ik mijn best doe om
een schrijfster te worden. Ik heb hier mijn werkkamer in een hoek van
den zolder, waar Jongeheer Jervie vroeger op regenachtige dagen zijn
speelhoekje had. Het is een koele, frissche plaats met twee dakvensters
en beschaduwd door een grooten eschdoorn, waarin een heele familie
eekhoorntjes huist.
Over een paar dagen zal ik je weer een aardigen brief schrijven en je al
ons nieuws van de boerderij vertellen.
Op het oogenblik hebben we regen hard noodig.
Altijd,
Je Judy.
10 Augustus.
Den Heer Vadertje Langbeen.
Mijnheer.
Ik schrijf aan je, gezeten op den tweeden tak van den wilgenboom bij
de poel in de wei. Onder mijn voeten kwaken de kikkers, een sprinkhaan
maakt muziek boven mijn hoofd en twee kleine roodvinkjes springen in
mijn boom van tak tot tak. Ik zit hier al een heel uur. Het is een
heerlijk plaatsje, vooral nu ik eerst twee kussens op mijn tak heb
gelegd. Ik kwam hier met een vulpenhouder en een blocnote, in de hoop
een onsterfelijk verhaal op papier te doen ontstaan, maar ik heb een
zwaren strijd met mijn heldin gestreden. Ik kan haar maar niet laten
spreken en handelen zooals ik het graag zou willen en daarom laat ik
dat verhaal maar een oogenblik rusten en schrijf aan jou. (Voor mij
eigenlijk geen verlichting, want ook jij handelt niet zooals ik het
graag zou willen, en spreken doe je heelemaal niet). Wanneer je nu in
dat drukke New-York bent, zou ik je wel wat van onze heerlijke, frissche
lucht hier en het mooie uitzicht willen sturen. Het is hier hemelsch na
een week regen!
O ja, van den Hemel gesproken! Herinner je je Ds. Kellog, den predikant
van de kleine, witte kerk in Corner, waarover ik je verleden jaar
al schreef? Nu, die arme ziel is gestorven. Verleden winter aan
longontsteking. Ik ben nog wel een keer of zes naar zijn preeken gaan
luisteren en ik raakte zoo tenslotte geheel vertrouwd met zijn ideeën.
Tot aan zijn dood toe geloofde hij precies hetzelfde als wat hij
als kind al had geloofd. Ik vind, dat een mensch, die 74 jaar lang
precies dezelfde gedachten kan behouden zonder ook maar in een enkele
kleinigheid te veranderen, als een merkwaardigheid tentoongesteld moest
worden. Ik hoop, dat hij nu gelukkig is met zijn harp en zijn gouden
kroon. Hij was er zoo vast van overtuigd dat hij ze zou krijgen. Er
is nu een andere, jonge predikant. Een erg verwaand heerschap. De
broederschap is vrij oproerig, vooral de aanhangers van den diaken
Cunnings. Het lijkt wel of we hier gauw een groote verdeeldheid in
de kerk zullen krijgen. Wij op Lock Willow bemoeien ons niet met die
twisten.
Gedurende de regenweken heb ik aanhoudend op zolder gelezen.
Hoofdzakelijk Stevenson. Hij zelf is boeiender dan een van de personen
in zijn boeken. Ik zou haast zeggen, dat hij van zich zelf den held
maakt, waarvan je graag zou willen lezen. Vindt je het niet eenig van
hem, dat hij de erfenis van $ 10.000 van zijn vader heelemaal voor een
jacht besteedde en daarmede naar de Zuidzee zeilde? Hij voldeed aan zijn
avontuurlijke neigingen. Als mijn vader me $ 10.000 had achtergelaten,
deed ik het ook. De gedachte aan Vailima maakt me wild. Ik wil ook de
tropen zien, ik wil de heele wereld zien. En ik zal ook op een goeden
dag een wereldreis gaan maken. Ja heusch, lieveling, wacht maar tot
ik een groote schrijfster ben of een beroemde artiste of wat voor een
beroemdheid ik ook worden moge. Ik heb een vreeselijke zwerversnatuur.
Ik zou dolgraag willen reizen. Als ik een landkaart zie, heb ik grooten
lust om mijn hoed op te zetten en mijn parasol mee te nemen en op stap
te gaan. „Voordat ik sterf, zal ik de palmen en tempels van het Zuiden
zien”.
Donderdagavond in den schemer.
(Gezeten op den drempel).
Het is erg moeilijk, je in dezen brief een paar nieuwtjes te vertellen.
Judy is in den laatsten tijd zoo philosophisch aangelegd, dat ze
alleen maar over het leven in het algemeen wil spreken en niet tot de
onbeduidende alledaagsche kleine gebeurtenissen wil afdalen. Maar als
je met alle geweld nieuwtjes wil hooren welnu, luister dan:
[Illustratie]
Onze negen biggetjes zijn verleden Dinsdag door het moeras gewaad en
weggeloopen. Acht kwamen er maar van de reis terug. Wij willen niemand
ten onrechte beschuldigen maar wij vermoeden, dat vrouw Dowd nu een
biggetje rijker is dan haar rechtens toekomt.
Boer Weaver heeft zijn schuur hardgeel laten verven. Het is een
verschrikkelijke kleur, maar hij zegt, dat ze goed tegen weer en wind
bestand is.
[Illustratie]
De Brewers hebben deze week bezoek over; juffrouw Brewer's zuster en
twee nichtjes uit Ohio.
[Illustratie]
Een van onze Rhode Island Reds kippen heeft van vijftien eieren er maar
drie uitgebroed. Ik begrijp niet, waarin het hem ligt. Ik vind de Rhode
Island Reds geen goed ras om te fokken. De Buff Orpingtons zijn veel en
veel beter.
De nieuwe klerk in het postkantoor te Bonnyrigg Four Corners heeft
den rhum, dien ze daar hadden staan, tot den laatsten druppel toe
opgedronken. Het was wel voor $ 7.— en ze merkten het pas toen alles
op was.
De oude Ira Hatch heeft erge last van zijn rheumatiek en kan nu niet
meer werken. Hij heeft nooit een cent gespaard toen hij nog goed
verdiende. Nu is het armoe lijden.
Zaterdagavond is er bijeenkomst in het schoollokaal. We worden op
roomijs getracteerd. Als je zin hebt, kom dan ook en breng je vrienden
en familie mee.
Ik heb hier voor een kwartje een nieuwen hoed gekocht. Hiernevens heb je
mijn laatste portret. Ik ben net bezig den weg langs de heg netjes op te
harken.
Het wordt nu te donker om nog meer te schrijven. Bovendien is mijn
voorraad nieuwtjes ook uitgeput.
Goeden nacht, mijn oud vadertje!
Judy.
Vrijdag.
Goeden morgen, nu heb ik gelukkig een echt nieuwtje en wat een heerlijk
ook. Wat denk je wel, dat het is? Och, je zult het toch nooit en nooit
kunnen raden. Vanmorgen kreeg Juffrouw Semple een brief van Mijnheer
Pendleton, waarin hij haar schrijft, dat hij een autotocht door de
Berkshires heeft gemaakt. Hij is nu moe en zou graag op een gezellige,
vriendelijke boerderij een tijdje uitrusten. Of ze, als hij nu op een
goeden dag voor haar deur staat, dan een kamer voor hem klaar heeft. Hij
blijft misschien één, misschien twee, misschien ook wel drie weken. Als
hij hier is, ziet hij vanzelf, hoe moe of hij is en hoe lang hij moet
blijven.
Wij hebben nu de handen vol werk, dat snap je. Het heele huis moet
geboend worden en alle gordijnen gewasschen. Vanmorgen reed ik nog even
naar Corners om nieuw zeil voor den ingang te koopen en twee groote
blikken bruine verf om de hal en de trappen nog wat op te knappen.
Vrouw Dowd hebben we voor morgen aangenomen om de ramen een goede beurt
te geven. (In de opgewondenheid van het oogenblik vergaten we onze
achterdocht betreffende het biggetjes-geval geheel en al.) Je zult bij
het hooren van al die voorbereidselen wel denken, dat het huis niet
goed onderhouden wordt, maar ik verzeker je plechtig, dat alles er
keurig uitziet. Wat ze ook van Juffrouw Semple zeggen mogen, ze is
een _huishoudster_ van top tot teen.
[Illustratie: Oude Grover is geen vurig Paard]
Maar vind je dat niet ook net iets voor een man? Hij schrijft absoluut
niet of hij er over denkt, vandaag of morgen of misschien wel eerst over
twee weken te zullen komen opdagen. Wij zullen nu in een voortdurende
opgewondenheid leven, totdat hij eindelijk voor ons staat. En als hij
niet voortmaakt, zullen wij nog eens van voren af aan moeten gaan
schoonmaken.
Beneden wacht Amasai al met het mandenwagentje met Grover. Ik men zelf,
maar als je Grover zag, zou je je heusch niet over me bezorgd maken.
Met mijn hand op mijn hart roep ik je een hartelijk vaarwel toe.
Je Judy.
P.S. Is dat geen aardig slot? Ik nam het over uit een van Stevenson's
brieven.
Zaterdag.
Nogeens goeden morgen, Vadertje Langbeen! Ik had gisteravond je brief
nog niet dichtgemaakt, toen de postbode al kwam, dus zal ik er nu nog
maar wat bijschrijven. We hebben elken dag één keer buslichting—om
12 uur. Die dagelijksche brievenuitdeeling heeft heel wat voor de boeren
te beteekenen, want onze brievenbesteller deelt niet alleen de post
uit, maar hij doet ook boodschappen naar de stad voor 12½ cent per
boodschap. Gisteren bracht hij schoenveters voor me mee, en een groote
pot coldcream (mijn heele gezicht vervelt, ik heb mijn nieuwe hoed iets
te laat gekocht) en een blauwe stropdas en een potje schoensmeer. Alles
voor 25 cent, maar dat was een buitengewone reductie, omdat ik hem
zooveel tegelijk opgaf.
Hij vertelt ons ook wat er buiten in de groote wereld voorvalt. Sommige
menschen hier zijn op een krant geabonneerd en hij leest ze terwijl hij
ze rondbrengt en vertelt de nieuwtjes weer aan de anderen, die er geen
krant op nahouden. Dus als er nu een oorlog tusschen de Vereenigde
Staten en Japan uitbreekt of de President wordt vermoord of Rockefeller
vermaakt een millioen aan het John Grier Home, behoef je het me heusch
niet te schrijven. Ik hoor het toch in elk geval.
Nog altijd geen levensteeken van Jongeheer Jervie. Maar je moest eens
zien hoe kraakhelder het huis er uitziet en hoe angstvallig we onze
voeten vegen vóór we naar binnen gaan.
Ik hoop, dat hij maar gauw komt. Ik verlang er zoo naar, weer eens met
iemand te spreken. Om je de waarheid te zeggen, Juffrouw Semple wordt op
den duur wel wat vervelend. Wanneer ze eenmaal aan het babbelen is, kan
niets haar woordenvloed stuiten en het blijft babbelen, niet spreken.
Het is grappig met de menschen hier. Hun wereld bestaat alleen maar uit
den heuvel, waarop ze zich toevallig bevinden. Ze zijn heelemaal niet
voor algemeene gesprekken. Je begrijpt wel, wat ik meen. Het is precies
als in het John Grier Home. Die ideeën daar bleven ook heelemaal binnen
het ijzeren hek bepaald, maar toen merkte ik het zoo niet, omdat ik nog
jong was en den heelen dag zoo vreeselijk hard moest werken. Tusschen
twee haakjes; weet je wel, dat ik alle bedden op Kamer F. moest opmaken,
en mijn pleegkinderen wasschen en dan naar school gaan en dan, als ik
thuiskwam, weer hun gezichten moest wasschen en hun kousen stoppen en
Freddie Perkins' broeken ook. (Die scheurde hij elken dag weer opnieuw
stuk). En daar tusschendoor moest ik mijn schoolwerk maken. Wanneer
ik dan naar bed ging, was ik niet tot het besef gekomen, dat er een
geestelijke leegte in onze gesprekken was. Maar nu, nadat ik twee jaar
het gezellige universiteitsleven heb meegemaakt, mis ik dat vreeselijk
en ik zal dolblij zijn, als er iemand hier komt, met wien ik eindelijk
weer eens _spreken_ kan.
Nu geloof ik heusch, dat ik klaar ben. Er is geen ander nieuws om je te
vertellen. Een volgenden keer zal ik probeeren je een langeren brief te
schrijven.
Je Judy.
P.S. De sla staat dit jaar heelemaal niet mooi. We hebben in Juli en
Augustus te weinig regen gehad.
25 Augustus.
Zeg oude vriend, Jongeheer Jervie is hier en we hebben toch zoo'n pret
samen! Tenminste _ik_ heb verbazend veel pret en ik geloof, hij ook wel.
Hij is al tien dagen hier en spreekt gelukkig nog niet over weggaan. Als
je ziet, hoe hij door Juffrouw Semple vertroeteld wordt, rijzen je haren
te berge. Als ze het net zoo heeft gedaan, toen hij nog een baby was,
begrijp je niet, dat er zoo'n flinke man uit gegroeid is.
Hij en ik eten aan een klein tafeltje in de waranda of soms onder
de boomen voor het huis of, wanneer het regent of koud is, in de
allermooiste kamer van het huis. Hij zoekt altijd de plekjes uit, waar
hij wil eten, en Carrie loopt met het tafeltje achter hem aan. Wanneer
het dan erg lastig is en zij de schotels heel ver heeft moeten dragen,
vindt ze den volgenden morgen altijd een dollar in het suikervaasje.
Hij is een verbazend gezellige baas. Toch zou je het nooit zeggen
wanneer je hem zag. Op het eerste gezicht is hij een echte Pendleton,
maar dat is hij juist héélemaal niet. Hij is zoo eenvoudig en natuurlijk
en lief, als een man maar zijn kan. Het is misschien wel gek om het
karakter van een man zóó te beschrijven, maar het is nu eenmaal zoo
en niet anders. Hij gaat verbazend leuk met de boeren hier om. In het
begin waren ze nogal stug en achterdochtig en beweerden ze, dat ze niks
niemandal om zijn fijne kleeren gaven. En die zijn juist nogal typisch.
Hij draagt kuitbroeken en een fluweelen jacket en daaronder een wit
flanellen overhemd of een rijcostuum met een pofbroek. Wanneer hij in
een nieuw pak beneden komt, draait Juffrouw Semple als een pauw om
hem heen en bekijkt hem van alle kanten en vermaant hem, toch vooral
voorzichtig te zijn en niet overal te gaan zitten. Ze is doodsbang, dat
hij zijn goed stoffig zal maken. Het hangt hem natuurlijk vreeselijk de
keel uit en hij zegt altijd maar: „Kom Lizzy, ga nu weg. Je hebt nog
zooveel te doen. Je kunt toch niet langer den baas over me spelen. Ik
ben nu volwassen!”
[Illustratie]
Het is eenig leuk als je denkt, dat die groote, breedgeschouderde man
met zijn lange armen en beenen (haast net zoo lang als die van jou,
zeg, Vadertje Langbeen) ooit op Juffrouw Semple's schoot heeft gezeten
en door haar is afgewasschen. Maar hij beweert, dat ze eens slank en
gespierd en vlug is geweest en harder kon loopen dan hij nu.
O, we hebben zooveel avonturen beleefd! We hebben den omtrek mijlen ver
verkend en hij heeft me leeren visschen en ook schieten, met een geweer
en met een revolver. Ik kan nu ook rijden. Er is nu verbazend veel vuur
in den ouden Grover ontwaakt. We hebben hem drie dagen lang met haver
gevoed en hij vloog plots tegen een kalf aan en rende er haast met mij
van door.
Woensdag.
Maandagmiddag hebben we den Sky Hill beklommen. Dat is een berg hier
dicht bij. Geen vreeselijk hooge berg met sneeuw op den top, maar toch
hoog genoeg om buiten adem te zijn wanneer je boven bent. De hellingen
zijn met bosschen begroeid, maar de top is een opeenstapeling van
rotsblokken en verder kale hei. We bleven tot zonsondergang en staken
een vuur aan en kookten ons avondeten. Jongeheer Jervie deed als kok
dienst. Hij zei, dat hij het wel beter zou kunnen dan ik, en dat was ook
zoo, want hij is aan het kampeeren gewend. Toen zijn we bij maneschijn
afgedaald en toen we bij het bosch kwamen, waar het erg donker was,
heeft hij met zijn electrische zaklantaarn voorgelicht. O, het was
eenig! Hij heeft den heelen weg gepraat en gelachen en over allemaal
prettige onderwerpen gesproken. Hij kent alle boeken, die ik gelezen heb
en nog een macht andere daarbij. Het is verbazend, zooveel dingen als
die man weet.
Vanmorgen wilden we een stevige voetreis maken, maar een stortregen
heeft ons overvallen en onze kleeren waren doorweekt, toen we eindelijk
thuiskwamen. Maar toch voelden we ons heerlijk frisch en opgewekt. O, je
had Juffrouw Semple's gezicht moeten zien, toen we daar zoo aankwamen!
„O, Jongeheer Jervie, o, Juffrouw Judy! U bent alle twee druipnat! Wat
moeten we nu toch doen. Die mooie nieuwe jas is heelemaal bedorven!”
Het was eeuwig leuk. Je zou denken, dat we kinderen van een jaar of tien
waren en zij een wanhopige moeder! Ik was heusch een oogenblik bang, dat
we geen thee en toast met jam zouden krijgen.
Zaterdag.
Ik ben een eeuw geleden midden in dezen brief blijven steken, maar ik
had heusch geen tijd om hem af te maken.
Is dit geen mooie gedachte van Stevenson:
„The world is so full of a number of things,
I am sure we should all be as happy as kings”.
En het is beslist waar ook. Er is zooveel geluk op aarde en je kunt
ook gelukkig worden als je je alleen maar met het geluk tevreden stelt,
dat je op je weg tegenkomt. Het heele geheim bestaat hierin, dat je er
een beetje oog voor moet hebben. Vooral buiten zijn zoo verbazend veel
prettige dingen. Ik kan over een ieders land loopen en van elk mooi
vergezicht genieten en ik mag in alle beekjes plassen en ik kan van dat
alles net zoo genieten alsof het van me zelf hoorde, zonder dat ik er
iets voor hoef te betalen.
Het is nu Zondagavond, zoowat 11 uur en iedereen veronderstelt dus, dat
ik rustig in Morpheus' armen lig. Maar ik heb vanavond sterke koffie
gedronken, dus voor mij is er geen rustige slaap weggelegd.
Vanmorgen zei Juffrouw Semple tot Mijnheer Pendleton op een heel beslist
toontje: „We moeten om kwart over 10 hier weg om tegen 11 uur in de kerk
te zijn”.
„Heel goed, Lizzy”, zei Jongeheer Jervie, „de sjees zal wel voor je
klaar slaan en als ik niet op tijd ben aangekleed, moet je maar niet op
me wachten”.
„We zullen wel wachten”, antwoordde ze.
„Ga je gang”, zei hij, „maar laat alleen de paarden niet te lang staan”.
Toen zij zich nu ging kleeden, liet hij Carrie de lunch inpakken en
tegen mij zei hij, dat ik mijn sportkleeren aan moest doen, en door de
achterdeur slopen we stilletjes weg en gingen visschen.
Het heele huishouden liep daardoor natuurlijk in de war, want op Zondag
dineeren we op Lock Willow om twee uur, maar hij bestelde het diner
tegen 7 uur. Hij geeft hier alles aan zooals hij dat verkiest. Je zou
heusch gaan denken dat 't hier een restaurant is. En zoo konden dan
Carrie en Amasai vandaag ook niet samen uit rijden gaan, maar hij zei,
dat hij dat heel goed vond, want het was niet netjes om zoo zonder
chaperonne uit te gaan. En in elk geval had hij toch de paarden noodig,
want hij wou met mij gaan rijden. Heb je ooit zoo'n onzin gehoord!
En die arme Juffrouw Semple gelooft vast en heilig, dat menschen, die 's
Zondags gaan visschen, in de hel komen. Zij heeft nu nog altijd berouw,
dat zij hem niet beter heeft opgevoed, toen hij nog klein en handelbaar
was en ze veel meer over hem te zeggen had. En dan—ze zou toch zoo
dolgraag in de kerk een beetje met hem willen pronken.
In elk geval, we zijn uit visschen gegaan. Hij heeft vier kleine
vischjes gevangen en we hebben ze gekookt ook. Ze smaakten wel wat
verbrand, want we hebben ze in het vuur laten vallen toen we ze met
stokjes uit het water wilden halen, maar we hebben ze toch opgegeten.
Om 4 uur kwamen we thuis en om 5 uur gingen we uit rijden en om 7 uur
eten en om 10 uur werd ik naar bed gestuurd en nu zit ik hier aan jou
te schrijven.
[Illustratie]
Maar nu word ik toch een beetje slaperig.
Nacht lieveling!
Hier heb je het portret van den eenigen visch, dien ik ving!
Hola, Kap'tein Langbeen.
Ho, stop r's even! Jawel, geef me maar een vat rum!
Raad eens, wat ik lees? Onze gesprekken hebben in de laatste dagen een
zeemansachtigen vorm aangenomen. Is „Treasure Island” geen leuk boek?
Heb je het ook gelezen, of was het nog niet geschreven in den tijd
toen je nog een jongen was? Stevenson kreeg maar £ 30.— voor het
auteursrecht. Ik geloof niet, dat je met schrijven rijk wordt. Misschien
word ik wel onderwijzeres.
Hindert het je, dat mijn brieven in den laatsten tijd telkens zoo vol
zijn van Stevenson? In gedachten ben ik altijd met hem bezig. Die boeken
beslaan de heele bibliotheek op Lock Willow.
Ik ben nu al twee weken met dezen brief bezig. Dat is, me dunkt, lang
genoeg. Zeg maar nooit, dat ik je niet alles en alles tot in de kleinste
kleinigheden vertel. Ik wou, dat jij hier ook was. We zouden het zoo
gezellig samen hebben en het zou voor mij zoo prettig zijn als mijn
verschillende vrienden elkaar kenden. Ik wou mijnheer Pendleton vragen,
of hij je ook kende; ik zou het toch wel denken. Je zult wel in dezelfde
kringen komen en je behoort alle twee tot dezelfde politieke partij en
zoo. Maar ik kon het hem natuurlijk niet vragen want ik ken je waren
naam niet eens.
[Illustratie]
Ik vind het toch zoo vervelend, en ik heb ook nog nooit zoo iets geks
gehoord. Juffrouw Lippett waarschuwde me van te voren, dat je exentriek
bent. En ik vind dat ze groot gelijk heeft.
Veel groeten van je
Judy.
P.S. Terwijl ik mijn brief overlees, zie ik, dat hij heelemaal niet
alleen over Stevenson handelt. Een of twee keer wordt er ook vluchtig
over Jongeheer Jervie gesproken.
10 September.
Liefste oude Lieveling.
Hij is weg en we missen hem vreeselijk. Wanneer je aan iemand of iets
gewend raakt en dat wordt je dan plotseling weggenomen, laat het een
akelig leeg knagend gevoel achter. Ik vind Juffrouw Semple's gesprekken
nu tamelijk onverteerbaar.
Over twee weken opent College weer en ik zal blij zijn, wanneer ik weer
aan het werk kan gaan. Toch heb ik dezen zomer nog betrekkelijk veel
gedaan: zes verhaaltjes geschreven en zeven gedichten! Die, welke ik aan
verschillende tijdschriften heb gestuurd, kwamen alle, vergezeld van
beleefd-onbarmhartige briefjes, terug. Maar dat kan me niets schelen.
Het is een goede oefening. Jongeheer Jervie las ze allemaal door. Hij
bracht de post binnen, dus het kon niet anders of hij moest het zien
wanneer ze terugkwamen. En hij zei ook dat hij ze afschuwelijk vond.
Er bleek duidelijk uit, dat ik niet in het minst verstand had van de
dingen waarover ik schreef. (Jongeheer Jervie stelt eerlijkheid boven
beleefdheid). Maar het laatste, wat ik schreef, een kleine schets over
ons leven van meisjes-studenten, beviel hem niet slecht. Hij liet het
typen en stuurde het aan een weekblad. Ze hebben het daar nu al twee
weken, misschien denken ze er nog eens over of ze het zullen aannemen,
ja of neen.
Je moest eens naar de lucht kijken. Er is een vreemd oranjekleurig
licht. We krijgen vast en zeker storm.
Juist op dat oogenblik begon het te gieten en alle luiken rammelden. Ik
vloog weg om overal de ramen te sluiten en Carrie liep met haar armen
vol melkpannen naar zolder om die overal neer te zetten, waar het lekt.
En toen ik juist weer verder wilde schrijven, bedacht ik me daar
opeens dat ik een kussen en een kleedje en een hoed en Matthew Arnolds
gedichten onder een linde in den boomgaard had laten liggen. Dus stormde
ik weer weg om dat alles te gaan halen, maar het was natuurlijk al
drijfnat. Het rood van den band van de gedichten is doorgeloopen en
heeft overal op de bladzijden roode strepen achtergelaten. „Dover
Beach”, het strand van Dover, zal voortaan door roze golfjes bespoeld
worden.
Een regenbui brengt buiten verbazend veel opschudding te weeg. Je moet
aldoor aan dingen denken die buitenshuis zijn en door het water bedorven
kunnen worden.
Donderdag.
Zeg Vadertje, lieveling, wat denk je wel dat er vandaag gebeurd is!!
Stel je voor de post brengt me zoo juist twee brieven:
I. Mijn verhaal is aangenomen! $ 50.! Ik ben dus een _Schrijfster_!
II. Een brief van College! Ik krijg het scholarship voor twee jaar,
dus twee jaar hoef ik nu niets meer voor de colleges en het pension
te betalen. Het fonds is gesticht voor „Buitengewone bekwaamheid in
Engelsch, gepaard met goede vorderingen in de andere vakken”. En ik heb
het gewonnen! Ik heb er wel naar gedongen vóór ik met vacantie naar Lock
Willow ging, maar ik had geen idee, dat ik het zou krijgen, want ik had
het eerste jaar immers herexamen voor Meetkunde en Latijn. Maar het
schijnt, dat ik dat alweer heb opgehaald. O, ik ben toch zoo blij, zoo
dolblij, want nu behoef ik niet meer zoo vreeselijk veel geld van je te
krijgen. Alleen maar het zakgeld. En het is best mogelijk, dat ik dat
later met schrijven of lesgeven ook zelf kan bij verdienen.
Ik verlang nu toch zoo, om weer naar Fergussen Hall te gaan en dadelijk
aan het werk te kunnen.
Altijd,
Je Jerusha Abbott,
schrijfster van „Hoe de Sophomores den wedstrijd wonnen”.
Aan alle kiosken verkrijgbaar. Prijs 25 cent.
26 September.
Lieve Vadertje Langbeen.
Eindelijk zit ik weer op College en wel als Junior! (derde jaars
studente). Onze werkkamer is nog mooier dan het vorig jaar. Hij ligt op
het Zuiden en heeft twee openslaande ramen. En o, hij is zoo prachtig
gemeubeld. Julia kwam hier twee dagen vóór ons aan. Haar vader gaf haar
onbeperkt crediet en je hebt geen idee, wat ze in die twee dagen al niet
voor de kamer heeft gekocht.
We hebben nieuw behang en Oostersche kleedjes en mahoniehouten
stoelen,—echte, geen geschilderde, wat we verleden jaar toch al zoo
mooi vonden. Het is heel mooi, maar toch heb ik altijd het gevoel alsof
het niet werkelijk van ons is. En ik ben altijd bang, dat ik ergens op
een in het oog loopende plaats een inktmop zal maken.
O ja, ik vond ook je brief,—o pardon, den brief van je secretaris—bij
mijn komst hier voor me gereed liggen.
Zeg, wees zoo goed en geef me een grondige reden op, waarom je nu wil,
dat ik voor het scholarship zal bedanken. Ik begrijp heelemaal niet,
waarom je dat van me vraagt, maar in elk geval helpt het je nu toch
niets meer dat je er bezwaren tegen maakt, want ik heb het al aangenomen
en ik ben ook niet van plan nu nog van gedachten te veranderen. Dat
klinkt wel wat brutaal, hè Vadertje, maar ik meen het niet zoo erg.
Het schijnt dat je mijn heele opleiding zelf wilt bekostigen nu je er
eenmaal ook mee begonnen bent. Maar bekijk het zaakje nu eens van mijn
standpunt. Ik heb toch alles door jou gekregen, ook al betaal je niet
tot het laatste toe alles voor me, want ik had nooit het scholarship
gekregen als jij me niet hierheen had gestuurd. Het eenige verschil is,
dat ik nu niet zoo heel veel schuld aan je heb. Ik weet wel, dat je het
geld niet terug wilt hebben, maar ik wil het toch voor mijn eigen gevoel
terugbetalen en ik zal het doen ook, zoodra ik maar eventjes kan. En
door dat scholarship wordt nu alles zooveel makkelijker. Ik dacht dat
ik de heele rest van mijn leven noodig had om mijn schulden af te doen,
maar nu zal ik er alleen maar de halve rest voor hoeven te gebruiken.
Ik hoop dat je me goed begrijpt en niet boos bent. Ik zal altijd erg
blij met je maandgeld zijn. Je hebt heusch heel wat noodig om, bij
Julia's installatie-ideeën, samen te wonen. Ik wou dat ze een
eenvoudiger smaak had of dat ze anders niet met me samen huisde.
Dit is een erg verwarde brief. Ik dacht nogal dat ik je zooveel had
geschreven. Maar ik heb intusschen vier gordijnen en drie portières
gezoomd (goed, dat je mijn naaikunst niet kunt beoordeelen) en dan heb
ik een koperen schrijfgarnituur met tandpoeder gepoetst (een zwaar werk,
hoor!) en ik heb koperdraad met mijn nagelschaar doorgezaagd om een
schilderij op te hangen en ik heb vier kisten met boeken uitgepakt en
twee koffers met kleeren (het schijnt haast ongeloofelijk, dat J. A.
twee koffers met haar kleeren kan vullen, maar toch is het zoo) en daar
tusschendoor heb ik een stuk of vijftig vriendinnen gesproken.
Den eersten dag na onze vacantie gaat het hier altijd erg vroolijk toe.
Nacht Vadertje, laat het je nu niet hinderen, dat het kuiken zijn eigen
voedsel wil zoeken. Het groeit nu op tot een energieke, kleine kip met
een macht mooie veeren (die ze allemaal aan jou te danken heeft).
Je je liefhebbende
Judy.
30 September.
Lieve lieveling.
Denk je nog altijd aan dat scholarship? Ik heb nog nooit een man gekend,
die zoo koppig en taaivolhardend en hardnekkig en onredelijk en dwingerig
en niet-in-staat-iets-ook-van-een-andermans-standpunt-te-bekijken is,
als jij bent.
Je ziet liever dat ik geen gunsten van vreemden aanneem.
Vreemden—maar zeg, wat ben _jij_ dan voor me?
Is er iemand in de wereld, dien ik minder ken dan jou? Ik zou je niet
eens herkennen als ik je op straat tegenkwam. Zie je, als jij nou een
redelijk, verstandig mensch was geweest en lieve vaderlijke brieven
aan je Judy hadt geschreven en zoo af en toe was overgekomen en haar
een stevige hand hadt gegeven en haar gezegd hadt, dat je zoo blij
was, dat ze zoo haar best deed en dat je van haar hield—ja zie je,
dan was ik misschien op je ouden dag niet zoo weerspannig geweest,
maar ik had je je wenschen van je oogen afgelezen als een gehoorzaam
dochtertje—waarvoor ik toch eigenlijk ook in de wieg gelegd ben.
Vreemden ... Die is werkelijk goed! Je woont in een glazen huis,
Mijnheer Smith!
En daarbij is het heelemaal geen gunst. Het is zoo iets als een prijs
en ik heb hem door hard werken gewonnen. Als niemand goed genoeg in
Engelsch was geweest, zou het Comité het scholarship niet hebben
uitgereikt. Een paar jaar geleden hebben ze het ook niet gedaan.
Dus—maar och, wat geeft het je, met een man te redeneeren. Je behoort
nu eenmaal tot een sekse, die geen begrip van logica heeft, Mijnheer
Smith! Er zijn twee methodes, om een man iets aan het verstand te
brengen: je moet hem vleien, of je moet hem flink de waarheid zeggen.
Ik houd er niet van met vleien mijn zin te krijgen, daarom moet ik het
je dus maar even flink zeggen:
Mijnheer, ik denk er niet aan, om het scholarship te weigeren en als je
er nu nog meer over spreekt, wil ik je zakgeld ook niet meer aannemen,
maar zal ik mezelf zwak en zenuwachtig moeten maken door lessen te geven
aan domme groentjes.
Dit is mijn laatste woord.
En luister eens. Ik heb er nog verder over nagedacht. Jij bent bang, dat
ik iemand anders benadeel, wanneer ik het scholarship aanneem, zoodat
een arm meisje nu misschien niet kan studeeren. Maar dan kan je toch het
geld, dat je voor mij hadt willen uitgeven, gebruiken voor de opleiding
van een ander meisje van het John Grier Home? is dat geen prachtidee?
Alleen, lieveling, geef dat andere meisje de beste opleiding, die je
haar bij mogelijkheid geven kunt, maar ga alsjeblieft niet meer van haar
houden dan van mij.
Ik hoop dat je secretaris zich niet gekrenkt voelt, nu ik zoo weinig
op de voorstellen let, die hij me doet. Maar ik kan het werkelijk niet
helpen als hij beleedigd is. Hij is heusch een verwend kind, oudje. Ik
heb vroeger altijd aan zijn grillen toegegeven, maar nu ben ik besloten
_standvastig_ te blijven.
Je onherroepelijk voor eeuwig vastbesloten
Jerusha Abbott.
9 November.
Lieve Vadertje Langbeen.
Ik ging vandaag naar de stad om een potje schoencrème, een paar boorden
en stof voor een nieuwe blouse, een tubetje violetglycerine en een
doos geparfumeerde zeep te koopen—alles even noodzakelijk, ik kon
er werkelijk geen dag mee wachten. En toen ik mijn tramkaartje wilde
betalen, ontdekte ik daar, dat ik mijn beursje in den zak van mijn
anderen mantel had gelaten. Dus moest ik weer uitstappen en weer
terug en een andere tram nemen en kwam zoodoende te laat in het
gymnastieklokaal.
Het is afschuwelijk als je vergeetachtig bent en er daarbij twee mantels
op nahoudt.
Julia Pendleton heeft me uitgenoodigd, met Kerstmis bij haar ouders te
komen logeeren. Hoe vindt je dat wel, Mijnheer Smith? Denk eens aan,
Jerusha Abbott uit het John Grier Home zal aan de tafel van de rijken
mee aanzitten. Ik snap zelf niet waarom Julia me heeft uitgenoodigd,
maar het schijnt, dat ze zich in den laatsten tijd nogal aan me heeft
gehecht. Om je de waarheid te zeggen, ik zou veel en veel liever naar
Sallie's familie gaan, maar Julia heeft me het eerst gevraagd, dus
zal ik wel naar New-York inplaats van naar Worcester reizen. Ik krijg
kippevel als ik er aan denk de Pendletons en masse te ontmoeten, en ik
zal ook aardig wat voor mijn toilet moeten uitgeven. Dus, oude heer, als
je me nu schrijft dat je liever ziet dat ik deze vacantie rustig hier
blijf, zal ik met mijn welbekende gehoorzaamheid aan je wensch gedwee
gevolg geven.
In mijn vrijen tijd lees ik zoo nu en dan „Life and Letters of Thomas
Huxley”. Het is een aardig boek om er een half uurtje mee zoek te
brengen. Weet je wat een archaeopteryx is? Het is een vogel. En een
stereognathus? Ik stel me dat voor als overgang, een schakel in de
natuur b.v. een vogel met tanden of een hagedis met vleugels. O jé, het
is geen van tweeën! Ik heb het net opgezocht. Het is een mesozoïsch
zoogdier.
[Illustratie: zoo zal denk ik een Stereognathus er uit zien
Hij heeft de kop van een slang en ooren van een hond
en pooten van een koe en een staart van een hagedis
en vleugels van een zwaan
en is heelemaal met nesthaartjes bedekt als een pasgeboren katje.]
Ik heb er dit jaar staathuishoudkunde bij gekozen. Als ik daarmee klaar
ben, wil ik voor maatschappelijk werk studeeren. En dan, Mijnheer de
Regent, dan weet ik precies, hoe een vondelingengesticht moet worden
geleid.
Geloof je ook niet, dat ik een uitstekende kiezeres zou zijn, als ik
stemrecht had? Ik ben verleden week 21 geworden. Het is toch een
vreeselijk land, waar ze zoo'n edele goed onderlegde nauwgezette
verstandige burgeres niet eens naar waarde weten te schatten.
Altijd,
Je Judy.
7 December.
Mijn lief, oud Vadertje Langbeen.
Dank je wel voor je verlof om bij Julia's familie te gaan logeeren. Ik
neem tenminste aan, dat je stilzwijgen je toestemming beduidt.
We hebben toch weer zoo'n pret gehad! De vorige week was het feest van
de Stichting van de Universiteit. Het was voor het eerst, dat een van
ons er aan kon deelnemen, want alleen de Juniors en Seniors worden
toegelaten.
Ik noodigde Jimmie McBride uit, en Sallie zijn vriend, die met hem
in Princeton samen slaapt en die den vorigen zomer ook in het kamp
logeerde. Het is een erg aardige jongen met rood haar. En Julia noodigde
iemand uit New-York uit—géén erg aardige heer maar _onberispelijk en
van zeer goeden huize_. Hij is verwant aan De la Mater Cichester's.
Misschien ken jij die lui, mij zegt dat natuurlijk niets.
In elk geval, onze gasten kwamen Vrijdag aan, en we dronken thee in
de ontvangkamers van de Seniors en toen moesten ze weer weg naar het
hotel om te dineeren. Het hotel was zoo stamp en stampvol, dat ze zelfs
beweerden, dat ze op matrassen op de billardtafels sliepen, maar dat zal
wel niet heelemaal zoo geweest zijn. Jimmie zegt, dat, als hij weer voor
het een of andere feest wordt uitgenoodigd, hij een van de Adirondack
tentjes zal meebrengen en die dan op een sportveld zal opslaan.
Om half acht kwamen ze alweer terug voor de ontvangst bij den President
en voor het bal. We moesten dus gauw voortmaken. We hadden alle
dansboekjes voor de heeren van te voren klaar gemaakt en na elken
dans lieten we ze onder de voorletter van hun achternaam in groepjes
bijeenstaan, zoodat ze gemakkelijk door hun dames voor den volgenden
dans gevonden konden worden. Zoo moest Jimmie McBride geduldig onder de
„M” blijven staan totdat hij werd opgeëischt. (Tenminste dat behoorde
hij te doen, maar hij liep telkens weg en mengde zich tusschen de R's en
S's en andere letters). Ik vond hem een erg lastigen gast. Hij was een
beetje brommig omdat hij maar drie dansen met me had en hij beweerde,
dat hij te bleu was om met meisjes te dansen, die hij niet kende.
Den volgenden dag hadden wij een groot concert met zang. En raad eens
wie het welkomslied voor die gelegenheid heeft gedicht? Het is heusch
waar, _zij_ is het. O ja, Vadertje, je zult nog eens zien wat voor een
beroemd persoontje je kleine vondeling wordt!
Onze twee Princetons vonden het verbazend gezellig, tenminste, ze waren
zoo beleefd dat bij het afscheid te zeggen, en ze hebben ons meteen voor
hun feest van het volgend voorjaar uitgenoodigd. We hebben het alle drie
aangenomen; stribbel dus maar niet tegen, lieve engel!
Julia en Sallie en ik hadden alle drie nieuwe japonnen. Wil ik ze
eens beschrijven? Die van Julia was van ivoorkleurig satijn met
goud geborduurd en ze droeg daarbij purperen orchideën. Het was
sprookjesachtig mooi en het kwam regelrecht uit Parijs. Het heeft een
schat gekost.
Sallie's japon was van teer blauw satijn met Perzisch handborduursel
afgezet. Het kleurde prachtig bij haar rood haar, het kostte niet
zooveel als Julia's gewaad, maar ze zag er minstens net zoo mooi uit.
Mijn japon was van zacht roze crêpe de chine met écru kant en roze
satijn afgewerkt en ik had er roze anjelieren bij (Van Jimmie McBride,
Sallie had hem gezegd welke kleur ik zou dragen). En we droegen alle
drie satijnen schoentjes en zijden kousen en shawls in de tint van onze
japonnen.
Je zult nu wel diep onder den indruk van al die kleine
toiletbijzonderheden zijn.
't Is misschien gek, maar heusch, ik vind dat een man toch een erg
eentonig leven heeft als je alleen maar bedenkt, dat b.v. crêpe de chine
en Venetiaansche kant en handborduursel en Iersche kant enkel maar
woorden voor hem zijn, terwijl een vrouw—al stelt ze nog zooveel belang
in babies en microscopen of in haar man of een gedicht of dienstboden of
parallelogrammen of bloemen of Plato of bridge of weet ik wat—toch
altijd opleeft, als ze over kleeren hoort spreken.
Eén trek in de natuur maakt, dat de menschen zich verwant voelen. (Dit
is geen oorspronkelijke gedachte, ik las het in een van Shakespeare's
tooneelstukken).
Maar laten we nu weer op ons verhaal terugkomen. Wil ik je een geheim
toevertrouwen, dat ik laatst ontdekt heb? En beloof je me, dat je me dan
niet ijdel zult vinden?
Luister dan.
Ik zie er aardig uit.
Werkelijk waar, ik zou wel heel erg dom zijn als ik dat niet zag met
twee spiegels in mijn kamer.
Een Vriendin.
P.S. Dit is een van die ondeugende, anonieme brieven, waarover je in
novellen leest.
20 December.
Liefste Vadertje Langbeen.
Ik heb maar een oogenblik om je te schrijven. Ik moest nog twee colleges
bijwonen, een koffer pakken en een hoedendoos, en met dat al moet ik nog
den trein van vier uur halen. Maar ik kon toch niet weg zonder je nog
even te schrijven hoe gelukkig je me met je Kerstcadeaux hebt gemaakt.
Ik hou van dat prachtige bont en de kant en de Liberty shawl en de
handschoenen en de zakdoekjes en de boeken en het zilveren taschje—maar
boven alles hou ik van jou, Vadertje. Maar lieveling, toch moest je me
eigenlijk niet zoo verwennen. Ik ben maar een mensch en daarbij een jong
meisje. Hoe kan ik een ernstige studente blijven als je me met zooveel
mooie, wereldsche dingen overstroomt.
Ik heb nu een sterk vermoeden, wie van de John Grier Home regenten
altijd voor den Kerstboom zorgde en voor het Zondagsche roomijs. Hij
deed alles anoniem maar door zijn daden herken ik hem. Lieveling, jij
verdient zeker gelukkig te zijn na al het goede, dat je stil voor
anderen deedt.
Dag! Gelukkig Kerstfeest!
Je je liefhebbende
Judy.
P.S. Hier heb je het portret van kleine Judy. Geloof je, dat je van haar
zou gaan houden als je haar kende?
11 Januari.
Ik wou je eigenlijk uit New-York schrijven, maar ach heden, ik kwam er
werkelijk niet toe.
Het was een interessante, een schitterende tijd, maar ik ben toch
blij, dat ik niet zoo'n familie bezit. Ik zie heusch nog liever
het John Grier Home op den achtergrond. Ik weet nu, wat de menschen
bedoelen wanneer ze zeggen, dat ze door vormen en plichtplegingen naar
beneden worden getrokken. De atmosfeer in dat huis was al zoo drukkend.
Ik heb diep adem gehaald toen ik weer in den express naar Fergussen Hall
terugreisde. Alle stoelen waren gebeeldhouwd en overal lagen kostbare
kleeden, alles was even schitterend en verpletterend rijk. De menschen,
die ik daar ontmoette, waren prachtig gekleed en spraken op zachten,
beschaafden toon, maar werkelijk, ik heb geen enkel verstandig idee
gehoord, zoo lang ik daar in huis was. Ik geloof dat bij hen nog nooit
een denkbeeld hun hersenkast is binnengeslopen.
Mevrouw Pendleton denkt aan niets anders dan aan juweelen en kleermakers
en costumières en plichtplegingen. Ze is een heel andere moeder dan
Mevrouw McBride, maar als ik trouw en een eigen familie krijg, dan zal
ik er zooveel mogelijk McBrides van maken. Voor geen geld van de wereld
zou ik uit mijn kinderen Pendletonnetjes willen zien groeien. Het is
misschien niet beleefd, de menschen bij wie je een tijd gelogeerd hebt,
te critiseeren. Neem het me maar niet kwalijk, ik moet mijn hart even
luchten en jij spreekt er toch niet verder over.
Ik zag Jongeheer Jervie maar één keer, toen hij kwam tea-en en toen
had ik niet eens gelegenheid om hem te spreken. Erg jammer; na dien
gezelligen zomer, dien we samen gehad hebben, zou ik hem zoo graag van
alles verteld hebben. Ik geloof niet dat hij veel om zijn familie geeft
en ik weet zeker, dat zij ook niet veel van hem houden. Julia's moeder
zegt dat hij zijn evenwicht niet kan bewaren. Hij is een socialist, maar
gelukkig draagt hij geen lange haren en roode dassen. Ze begrijpen maar
niet, waar hij toch die vreemde ideeën vandaan heeft. De familie is
sedert eeuwen conservatief geweest. Hij schenkt groote sommen geld aan
allerlei vooruitstrevende vereenigingen inplaats van het voor zulke
aardige dingen als yachten, auto's en paarden uit te geven. Maar hij
koopt met dat al toch ook bonbons—hij stuurde Julia en mij ieder een
mooie bonbonnière met Kerstmis.
Weet je, ik geloof, dat ik ook een socialiste ben. Dat hindert je zeker
niet, hè? Je moet ze vooral niet verwarren met anarchisten. Het is hun
bedoeling heelemaal niet om menschen te dooden. Ik hoor bij het volk. Ik
ben nog niet besloten bij welke richting ik me zal aansluiten. Ik zal
daar Zondag nog eens ernstig over nadenken en dan schrijf ik het je in
mijn volgenden brief.
Ik heb een macht theaters en hotels en prachtige huizen gezien. In
mijn hersenen is een vreeselijk warbeeld van onyxen en verguldsels en
mozaïekvloeren en palmen. Ik ben nog altijd een beetje buiten adem
en ik geloof heusch, dat ik een echte studente ben. Deze academische
kalmte lijkt me veel gezonder dan de atmosfeer te New-York. Het
universiteitsleven geeft heel veel voldoening. De boeken en de studie en
de geregelde colleges houden je geestelijk leven bezig en wanneer je wat
overwerkt en afgemat bent, zijn er nog altijd het gymnastiek gebouw en
de openluchtspelen. En er zijn altijd een heeleboel aardige vriendinnen,
met wie je veel bespreken kunt. Wij hebben laatst een heelen avond
niet anders gedaan dan praten—praten en nog eens praten en ik ben
toen heelemaal opgelucht naar bed gegaan alsof we een massa moeilijke
problemen hadden opgelost. En dan kunnen we zoo'n heerlijken onzin
uithalen, allemaal kleine onschuldige dingen, maar toch erg leuk, en
we stellen onze moppen altijd zelf erg op prijs.
Het is niet het groote plezier, dat je leven aangenaam maakt, juist die
kleine dingen dragen er zooveel toe bij. Ik heb het ware geheim van het
geluk ontdekt, Vadertje, en dat is: In het Heden te leven. Je moet niet
altijd het Verleden betreuren of bang zijn voor de Toekomst, maar je
moet van het oogenblik zooveel maken als je maar kunt. Het is net als
buiten op de boerderij. En nu ik dit weet, leef ik dubbel, want ik
geniet van elke seconde en ik weet, dat ik ze geniet terwijl ik ze
geniet. De meeste menschen leven niet. Ze rennen altijd maar rusteloos
door, ze trachten altijd een doel ergens ver weg aan den horizont te
bereiken en door de inspanning van dat jagen raken ze buiten adem en
beginnen ze te hijgen, zoodat ze heelemaal niet naar het mooie, kalme
landschap kijken, waar ze doordraven. En het eerste, wat ze dan weten,
is, dat ze oud en afgeleefd zijn en dan is het voor hen hetzelfde, of
ze hun doel wel of niet hebben bereikt. Ik wil aan den rand van den weg
blijven zitten en een heeleboel kleine gelukjes verzamelen, ook al word
ik nooit een Beroemde Schrijfster. Wist je, dat ik zooveel aanleg had om
een philosophe te worden?
Als altijd
Je je liefhebbende Judy.
P.S. Het schijnt, dat het van nacht katten en honden heeft geregend. Ik
vond van morgen twee kleine hondjes en een katje op mijn vensterkozijn.
5 Maart.
Lieve Vadertje Langbeen.
President Cuyler hield vanavond een rede over de moderne jeugd, die
hij oppervlakkig en zwak vindt. Hij zegt, dat wij de oude idealen
van ernstig streven en ware studie uit het oog verliezen en deze
achteruitgang in ons geslacht is vooral merkbaar in een minder
eerbiedige houding tegenover onze professoren. We schijnen den
afstand tusschen ons en onze meerderen niet meer te kennen.
Zeer deemoedig verliet ik de kapel.
Ik ben tegen jou misschien ook te familiaar, Vadertje. Behoorde ik je
eigenlijk niet eerbiediger en meer op een afstand te behandelen? Ja, ik
ben er nu van doordrongen, dat ik dat eigenlijk doen moest. Ik wil van
voren af aan beginnen.
Zeer geachte Heer Smith.
Het zal u genoegen doen te vernemen, dat ik voor mijn halfjaarlijksch
examen geslaagd ben en in een nieuw semester begin te werken. Ik zet
mijn studie in de scheikunde niet langer voort doch neem de studie in
de biologie op, weliswaar eenigszins aarzelend, want ik verneem, dat we
regenwormen en kikkers zullen moeten ontleden.
Ik heb laatst een zeer interessante lezing over „Overblijfselen uit den
Romeinschen tijd in Z. Frankrijk” aangehoord en nog nooit beter over dit
onderwerp hooren spreken.
Ik lees op het oogenblik Wordsworth's „Tintern Abbey” in verband met
onze colleges over de Engelsche letterkunde. Wat is dit een buitengewoon
mooi werk en hoe mooi spreekt Wordsworth hier zijn gedachten over het
pantheïsme uit! De romantische beweging in het begin van de vorige eeuw,
uitgedrukt in de gedichten van Shelly, Byron, Keats en Wordsworth maakt
op mij meer indruk dan de klassieke periode, die daaraan voorafgaat. Van
gedichten gesproken, hebt U ooit dat fijne, kleine gedicht van Tennyson
gelezen, de „Locksley Hall”?
Ik ga in den laatsten tijd heel geregeld naar het gymnastieklokaal.
Dit is nu voorgeschreven en het zou mij zeer veel onaangenaamheden
berokkenen, indien ik deze verplichting niet zou nakomen. Wij hebben nu
in het gymnastieklokaal een prachtig zwembassin van cement en marmer,
een geschenk van een vroegere studente. Mijn kamergenoot, Juffrouw
McBride, heeft me haar zwempak geschonken (dat was zoo gekrompen, dat
zij zelve het niet langer kon dragen), en nu ga ik zwemles nemen.
Wij hadden gisteravond heerlijk rose ijs voor dessert. Er worden bij
ons alleen maar plantaardige bestanddeelen gebruikt om het eten te
kleuren. Tegen het gebruik van andere kleurstoffen verzetten wij ons
met alle macht, zoowel uit aesthetisch als uit hygiënisch oogpunt.
Het weer was in den laatsten tijd prachtig, heldere zonneschijn
afgewisseld door enkele welkome sneeuwstormen. Mijn vriendinnen en ik
hebben veel genoten op onze wandelingen voor en na de colleges—vooral
van die er na.
Terwijl ik de hoop uitspreek, dat gij, geachte Heer Smith, zooals
gewoonlijk een goede gezondheid geniet, teeken ik
met verschuldigde hoogachting,
Jerusha Abbott.
24 April.
Lieve Lieveling.
[Illustratie]
Eindelijk is het lente. Je moest eens zien, hoe mooi het er nu bij
ons uitziet! Hè ja, je moest toch zelf eens komen om je daarvan te
overtuigen. Jongeheer Jervie kwam verleden Vrijdag ook even aanwaaien
maar ongelukkigerwijs op een erg ongelegen oogenblik, want Sallie en
Julia en ik moesten juist weg om den trein te pakken. En waarheen denk
je wel, dat we reisden? Naar Princeton om aan het bal en de feesten deel
te nemen! Ik vroeg je niet van te voren of ik wel mocht, want ik had
een voorgevoel, dat je secretaris dan weer zijn onverbiddelijk veto zou
uitspreken. Maar het ging alles heel ordelijk toe. We hadden verlof
aangevraagd en Mevrouw McBride chaperonneerde ons. Wij hadden het 'er
dol, maar ik zal maar niet op bijzonderheden ingaan, dan ben ik heusch
bang, dat mijn brief veel te lang wordt.
Zaterdag.
We zijn vanmorgen voor dag en dauw opgestaan! De nachtwaker heeft ons
gewekt. We waren met ons zessen meisjes en we hebben op een komfoor
koffie gezet. (Je hebt nog nooit koffie met zooveel zaksel geproefd!) En
toen hebben we twee mijlen geloopen om op den top van One Tree Hill den
zonsopgang te bewonderen.
Je hadt ons dat laatste stuk naar boven moeten zien krabbelen! De zon
brandde ons in het gezicht! Je kunt je voorstellen hoe uitgehongerd we
bij het ontbijt waren!
Lieve deugd, ik schijn vandaag wel een erg uitroeperigen stijl te
hebben! Kijk eens naar al die uitroepteekens op die eene bladzij.
[Illustratie: Dit is Prexy's katje. Je kunt aan mijn teekening wel zien
wat een echte Angora het is.]
Ik wou je eigenlijk eens heel veel vertellen over de uitbottende
boomen en het nieuwe sintelpad dat nu naar het sportveld leidt en over
de afschuwelijke les, die wij voor morgen voor ontleedkunde moeten
leeren en over de nieuwe bootjes op het meer en over Catharina Prentiss,
die longontsteking heeft en over Prexy's Angora-katje, dat van huis is
weggeloopen en twee weken hier op Fergussen Hall heeft gelogeerd, totdat
een van de kamermeisjes het weer heeft teruggebracht. En dan over mijn
drie japonnen, wit en roze en blauw mousseline met een daarbij passenden
hoed—maar, Vadertje, ik ben heusch moe, een meisjes-universiteit is een
heel drukke plaats en wij zijn dikwijls erg moe tegen den avond, vooral
als onze dag al voor zonsopgang begint.
Je je liefhebbende kleine Judy.
15 Mei.
Lieve Vadertje Langbeen.
Hoort het tot de goede manieren, om recht voor je uit te staren, wanneer
je in de tram zit, en dus niet rond te kijken?
Een heel mooie dame in een prachtigen fluweelen mantel stapte vandaag in
de tram en zat wel 15 minuten lang met een wezenloos gezicht naar een
reclameplaat van bretels te staren. Ik vind het niet erg beleefd als
je iedereen negeert, het lijkt wel of je jezelf de eenige gewichtige
persoon in den tramwagen vindt. In elk geval gaat er dan een heeleboel
voor je verloren als je aldoor naar zoo'n vervelende plaat moet kijken.
Ik heb ondertusschen een heele tram vol interessante menschentypes
bestudeerd.
[Illustratie]
Deze brief is alweer geïllustreerd, zooals je ziet.
Het heeft wel veel van een spin die aan een touw spartelt, maar in
werkelijkheid is het een afbeelding van Judy, die in het bassin in het
gymnastieklokaal zwemmen leert.
De zwemjuffrouw haakt een touw aan een ring aan mijn zwemgordel vast
en laat dat touw over een katrol aan de zoldering loopen. Het zou een
prachtig systeem zijn als je vertrouwen in de juffrouw hadt, maar ik ben
altijd bang dat ze het touw zal laten glippen, dus houd ik één angstig
oog op haar gericht, terwijl ik met het andere mijn zwembewegingen volg
en door dit verdeelen van mijn opmerkzaamheid tusschen haar en het water
maak ik geen reusachtige vorderingen.
Het weer is erg veranderlijk in den laatsten tijd. Het regende
toen ik begon te schrijven en nu schijnt de zon weer. Sallie en ik
gaan tennissen en ik heb daardoor meteen een excuus om voor de
gymnastiekoefeningen te spijbelen.
Een week later.
Ik had dezen brief eigenlijk al lang moeten afschrijven, maar ik kwam
er niet toe. Je vindt het niet zoo heel erg, hè Vadertje, al schrijf
ik je ook erg ongeregeld. Ik vind het heusch heerlijk om aan je te
schrijven, het geeft me zoo'n heerlijk gevoel, net alsof ik ook familie
heb. Wil ik je eens iets vertellen? Je bent niet meer de eenige man,
aan wien ik schrijf. Er zijn er nog twee andere. Ik heb dezen winter
heerlijk uitvoerige brieven gekregen van Jongeheer Jervie (met getikte
enveloppes, dus weet Julia er gelukkig niets van). Heb je ooit zoo iets
shockings gehoord? En haast elke week komt er een erg verward epistel,
meestal op geel blocnote-papier, uit Princeton. En dat alles beantwoord
ik met de promptheid van een zakenman. Dus zie je, dat er niet meer
zoo'n groot verschil tusschen mij en andere meisjes bestaat. Ik krijg
ook brieven.
Heb ik je verteld dat ik gekozen ben tot lid van de dramatische club van
de Seniors? De organisatie is erg deftig: maar 75 leden worden uit de
1000 meisjes gekozen. Vind je, dat ik als consequent socialiste daarvan
deel kan uitmaken?
Waarmee denk je wel dat ik op het oogenblik voor sociologie bezig
ben? Figurez-vous, ik schrijf een proefschrift over „De zorg voor
minvermogende kinderen”! De Prof. heeft de papiertjes met de onderwerpen
eerst alle door elkaar geschud en heeft er ons toen elk eentje laten
trekken. En ik trok dit. C'est drôle ça, n'est-ce pas?
Daar gaat de gong voor het eten. Als ik nu langs de bus ga, kan ik je
brief posten.
Veel liefs van
J.
4 Juni.
Lieve Vadertje,
We hebben het vreeselijk druk. Over 10 dagen promotiedag! Morgen
beginnen de examens. We hebben nog een macht er voor te werken en
daarbij is het zoo heerlijk mooi buiten, dat het me aan mijn hart gaat,
er niet uit te mogen.
Maar kom, het is haast vacantie. Julia gaat dezen zomer naar Europa,
voor de vierde keer al. Zeg, het gaat hier op aarde toch niet eerlijk
toe. Sallie gaat als gewoonlijk weer naar Adirondacks en wat denk je
wel, dat _ik_ ga doen? Je mag drie keer raden. „Lock Willow”. Mis!
„Naar Adirondacks met Sallie?” Mis! (Dat probeer ik niet nog eens, de
teleurstelling van het vorig jaar zit er nog te versch in). Kun je nu
niets anders raden? Zeg, jij hebt toch ook niet veel verbeeldingskracht.
Ik zal het je dan maar zeggen, tenminste, als je me belooft nu niet weer
een macht bezwaren te maken. Ik waarschuw je secretaris van te voren,
dat ik vast besloten ben mijn plan door te zetten.
Ik ga dezen zomer naar zee met Mevrouw Charles Paterson en haar dochter.
De oudste moet komend najaar naar College, en nu ga ik haar een beetje
bijwerken. Ik ontmoette Mevrouw Paterson bij de McBrides. Ze is een erg
lieve dame. Haar jongste dochtertje geef ik les in Engelsch en Latijn,
maar ik zal toch ook nog een beetje tijd voor mezelf overhouden en elke
maand verdien ik daar nog $ 50.— mee. Vind je dat niet ontzaggelijk
veel geld? Ze bood het me zelf aan, ik had heusch niet meer dan $ 25.—
durven vragen.
Ik blijf in Magnolia (daar gaan ze heen) tot 1 September en dan zal ik
nog een week of drie naar Lock Willow kunnen. Ik vind het erg leuk om de
Semples en alle dieren daar eens weer te zien.
Wat zeg je nu van mijn programma? Je ziet, dat ik al heelemaal
onafhankelijk begin te worden. Jij hebt me leeren staan en nu kan ik
haast ook loopen.
De promotiedag in Princeton en onze examens vallen juist samen.
Vreeselijk jammer, hè? Sallie en ik waren er zoo dolgraag op den
promotiedag heengegaan, maar dat is nu natuurlijk onmogelijk.
Dag Vadertje, geniet maar van den zomer en kom in het najaar maar goed
uitgerust terug. (Dat zeg ik je nu maar voor, je moet dat natuurlijk
tegen mij zeggen). Ik heb er geen flauw benul van, wat jij wel in
den zomer doet en hoe je jezelf amuseert. Ik kan me je omgeving ook
heelemaal niet voorstellen. Speel je golf of ga je op de jacht of rijd
je paard of lig je languit in de zon te droomen?
In elk geval, hoe je den zomer doorbrengt, geniet ervan en vergeet Judy
niet.
10 Juni.
Liefste Vadertje,
Dit is de moeilijkste brief, dien ik je ooit heb geschreven, maar ik
heb bij mezelf ernstig overlegd, wat me te doen staat en nu kan ik niet
meer van mijn plan afwijken. Het is allerliefst en heel edelmoedig van
je, dat je me dezen zomer naar Europa wilt sturen. Toen ik je brief pas
kreeg, was ik half dronken van geluk. Maar daarna.... daarn
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/42443