Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Warda: Roman uit het oude Egypte

by Georg Ebers · Dutch · Gutenberg #42433 · 1,236,830 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Warda: Roman uit het oude Egypte
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Warda: Roman uit het oude Egypte

Author: Georg Ebers

Translator: Hendrik Cornelis Rogge


        
Release date: March 29, 2013 [eBook #42433]
                Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/42433

Credits: Produced by eagkw, J.H. Berends and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WARDA: ROMAN UIT HET OUDE EGYPTE ***

  WARDA




  WARDA

  ROMAN UIT HET OUDE EGYPTE
  VAN
  GEORGE EBERS


  IN HET NEDERLANDSCH BEWERKT DOOR
  DR. H. C. ROGGE


  VIJFDE DRUK


  AMSTERDAM
  VAN HOLKEMA & WARENDORF




    EERSTE BOEK.

    EERSTE HOOFDSTUK.         7
    TWEEDE HOOFDSTUK.        17
    DERDE HOOFDSTUK.         28
    VIERDE HOOFDSTUK.        36
    VIJFDE HOOFDSTUK.        50
    ZESDE HOOFDSTUK.         67
    ZEVENDE HOOFDSTUK.       82
    ACHTSTE HOOFDSTUK.       95
    NEGENDE HOOFDSTUK.      110
    TIENDE HOOFDSTUK.       121
    ELFDE HOOFDSTUK.        130
    TWAALFDE HOOFDSTUK.     137
    DERTIENDE HOOFDSTUK.    146
    VEERTIENDE HOOFDSTUK.   153
    VIJFTIENDE HOOFDSTUK.   163


    TWEEDE BOEK.

    EERSTE HOOFDSTUK.       173
    TWEEDE HOOFDSTUK.       183
    DERDE HOOFDSTUK.        196
    VIERDE HOOFDSTUK.       207
    VIJFDE HOOFDSTUK.       213
    ZESDE HOOFDSTUK.        221
    ZEVENDE HOOFDSTUK.      232
    ACHTSTE HOOFDSTUK.      248
    NEGENDE HOOFDSTUK.      258
    TIENDE HOOFDSTUK.       265
    ELFDE HOOFDSTUK.        277
    TWAALFDE HOOFDSTUK.     292
    DERTIENDE HOOFDSTUK.    301
    VEERTIENDE HOOFDSTUK.   316
    VIJFTIENDE HOOFDSTUK.   331


    DERDE BOEK.

    EERSTE HOOFDSTUK.       349
    TWEEDE HOOFDSTUK.       359
    DERDE HOOFDSTUK.        365
    VIERDE HOOFDSTUK.       380
    VIJFDE HOOFDSTUK.       396
    ZESDE HOOFDSTUK.        402
    ZEVENDE HOOFDSTUK.      413
    ACHTSTE HOOFDSTUK.      421
    NEGENDE HOOFDSTUK.      433
    TIENDE HOOFDSTUK.       443
    ELFDE HOOFDSTUK.        453
    TWAALFDE HOOFDSTUK.     463
    DERTIENDE HOOFDSTUK.    470
    VEERTIENDE HOOFDSTUK.   480
    VIJFTIENDE HOOFDSTUK.   488
    ZESTIENDE HOOFDSTUK.    498
    ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.  505




EERSTE BOEK.




EERSTE HOOFDSTUK.


Bij het oude honderdpoortige Thebe wordt de Nijl merkbaar breeder. De
bergketenen, die zich uitstrekken aan beide zijden van den stroom, nemen
hier bepaalden vorm aan. Eenige bijna kegelvormige toppen steken, scherp
gekant, boven den vlakken rug van het veelkleurig kalkgebergte uit,
waarop geen palmboom groeit en zelfs de planten der woestijn niet tieren
kunnen. Met steenen gevulde spleten en openingen zijn de eenige wegen,
om meer of minder diep in dit gebergte door te dringen, waarachter de
doodsche woestijn zich uitbreidt, met hare zandvlakten en rotsblokken,
met hare klippen en naakte riffen. Achter de oostelijke bergen wordt
deze woestenij begrensd door de Roode zee, achter de westelijke is zij
onbegrensd als de eeuwigheid. De Egyptenaren geloofden, dat daarachter
het doodenrijk begint.

Tusschen beide heuvelrijen nu, die als wallen en muren het woestijnzand
tegenhouden, stroomt de breede heldere Nijl, zegen en vruchtbaarheid
brengende, zoowel de vader als de wieg van millioenen schepselen. Aan
zijne beide oevers liggen in breede vlakten de donkere akkers, en in
zijn schoot koestert hij geschubde en gepantserde waterbewoners van
allerlei gedaante. Op den waterspiegel wiegelen lotusbloemen, en in het
papyrusriet aan den oever bouwen ontelbare watervogels hunne nesten.
Van den voet der bergen tot aan den Nijl strekken de graanvelden zich
uit, na den zaaitijd blauwachtig groen gekleurd, bij het naderen
van den oogst gelijk aan een zee van vloeibaar goud. Bij de putten
en schepraderen bespeurt men van nabij en van verre schaduwrijke
sykomoren-boomen, en zorgvuldig gekweekte dadelpalmen verheffen zich
samen tot lieflijke bosschen. Het vlakke zaailand, dat jaarlijks door de
overstrooming wordt besproeid en bemest, steekt bij de zandige helling
der bergen, die er achter liggen, af, als de tuinaarde van een bloembed
bij het gele kiezelzand van het voetpad.

In de veertiende eeuw vóor onze jaartelling ― want wij brengen onze
lezers terug in zulke langvervlogen tijden ― waren menschenhanden in
Thebe druk in de weer, om door hooge steenen dammen en dijken den
wassenden vloed te keeren, ten einde de straten en pleinen, de tempels
en paleizen der stad voor overstrooming te bewaren. Kanalen, die goed
afgesloten konden worden, baanden den weg van de dammen naar het
daarachter gelegen land en door menige kleine zijvaart naar de tuinen
van Thebe. Aan den rechter, oostelijken oever van den Nijl zag men de
straten van deze beroemde residentie der pharao’s. Dicht bij den stroom
verhieven zich de kolossale bontbeschilderde tempels van de Amonstad.
Daarachter, tot op geringe afstand van den oostelijken bergketen,
gedeeltelijk reeds op den woestijnbodem, verrezen de paleizen der
koningen en aanzienlijken, en waren de schaduwrijke straten aangelegd,
waar hooge en smalle huizen dicht bij elkander gebouwd stonden. Welk
een bont gewemel, wat levendige drukte heerschte daar in den bloeienden
zetel der pharao’s!

De westelijke Nijloever bood weder een gansch ander schouwspel aan.
Ook hier ontbrak het voorzeker niet aan weidsche gebouwen en overvloed
van menschen. Maar terwijl aan gene zijde van den stroom de huizen
éene ineengedrongene massa vormden, en de burgerlieden luidruchtig en
vroolijk hunne dagelijksche bezigheden volbrachten, zag men aan deze
zijde slechts prachtige gebouwen van buitengewone afmeting, waartegen de
kleinere huizen en hutten zich aandrongen, als kinderen die bescherming
zoeken door zich aan moeders schoot vast te klemmen. Deze groepen van
gebouwen rezen naast elkander op, doch waren onderling niet verbonden.
Wie het gebergte besteeg en op dit alles nederzag, kreeg den indruk als
lagen daar beneden hem, dicht bij elkander, een groot aantal dorpen met
deftige heerenhuizen. Zoo iemand uit de vlakte opzag naar de oostelijke
hellingen der westelijke bergen, dan ontwaarde men honderde geslotene
poorten, deels alleen staande, deels op rijen naast elkander, waarvan
er velen aan den voet van het gebergte, verscheidene in het midden,
sommigen zelfs op eene vrij aanzienlijke hoogte waren aangelegd. En hoe
weinig geleek het afgemeten, ja ernstige leven op de straten in dit
gedeelte, op het levenslustige gejoel en de bedrijvigheid der menschen
daar ginds! Ginds op den rechteroever was ieder in heftige beweging bij
arbeid en vermaak, onder vreugd en smart, in woord en daad. Hier, op den
linkeroever, werd weinig gesproken, scheen eene zekere tooverkracht de
schreden der wandelaar tegen te houden, eene bleeke hand den vroolijken
blik der oogen te benevelen en elke plooi glad te strijken, die een
lachje om den mond kon doen spelen. En toch landde hier menige sierlijk
getooide bark, ontbrak het er niet aan koren van zangers, bewogen
feestelijke optochten zich in de richting der westelijke bergen.
Maar die vaartuigen brachten slechts dooden aan, de liederen die
hier weerklonken waren klaagzangen, en de optochten bestonden uit
rouwdragenden, die de sombere lijkkist volgden.

Wij staan op den bodem van Thebe’s doodenstad.

Doch daarom werd ook in dit gedeelte het levendige verkeer niet gemist.
Immers voor den Egyptenaar waren de dooden niet gestorven. Hij drukte
zijne ontslapenen de oogen toe; hij bracht hen naar de Nekropolis, de
doodenstad, in het huis van den Kolchyt, die de lijken balsemde, en ten
laatste in de groeve. Nochtans wist hij, dat de zielen der afgestorvenen
bleven voortleven; dat zij gerechtvaardigd zijnde als Osiris in het
zonneschip den hemel zouden bevaren, dat zij in elke gedaante, die zij
zouden willen aannemen, weder op aarde konden verschijnen, en op den
levensloop der achtergeblevenen invloed mochten oefenen. Daarom zorgde
hij voor eene waardige begrafenis zijner dooden, bovenal voor het
balsemen, waardoor de lichamen zeker voor bederf bewaard bleven. Ook
verzuimde hij niet, op bepaalde tijden het doodenoffer, bestaande in
vleesch en gevogelte, dranken en reukwerken, groenten en bloemen te
vernieuwen. Bij de begrafenis zoo min als bij het brengen dier offers
kon de dienaar der godheid worden gemist.

De stille doodenstad scheen bovendien de geschiktste plaats voor het
bouwen van scholen en woningen voor geleerden. In de tempels van deze
Nekropolis hielden groote priestervereenigingen hun verblijf, en de
talrijke Kolchyten, wier ambt van den vader op den zoon overging,
hadden hunne huizen in de nabijheid der uitgestrekte gebouwen, die voor
het balsemen bestemd waren. Het ontbrak echter niet aan fabrieken en
winkels. In de eersten werden sarcophagen van steen en hout vervaardigd,
benevens windsels van lijnwaad, waarin de mummiën werden gewikkeld,
en amuletten waarmede deze werden opgesierd. In de laatsten boden
kooplieden specerijen, reukwerken, bloemen, vruchten, groenten en
gebak te koop aan. Hier en ginds zag men runderen, gazellen, geiten,
ganzen en ander gevogelte binnen grasperken met heggen omgeven, en
de naastbestaanden van den overledene gingen daarheen, om uit de
offerdieren, door de priesters voor rein verklaard, de zoodanige uit te
zoeken, die zij noodig hadden, en met het heilige merk te doen voorzien.
Velen kochten ook aan de slachtbanken enkele stukken vleesch. De armen
bleven echter van deze plaats verwijderd, zij vergenoegden zich met het
koopen van allerlei gebak in de gedaante van dieren, dat de runderen en
ganzen, die zij niet machtig konden worden, symbolisch vervangen moest.
In de deftigste winkels zaten dienaars van priesters, die bestellingen
aannamen en op papyrus-rollen aanteekenden. Deze werden daarna in de
bureelen van den tempel met die heilige teksten beschreven, welke
de zielen der afgestorvenen moesten kennen en uitspreken, om de
onderaardsche geesten af te weren, de deuren van de onderwereld te doen
openen, en rechtvaardig bevonden te worden voor Osiris en de twee en
veertig rechters van het onderaardsch gerechtshof.

Wat er in de tempels omging, kon men buiten niet zien, want ieder
heiligdom was door een hoogen ringmuur omgeven, waarvan de zorgvuldig
geslotene en verhevene hoofdpoort alleen werd geopend, wanneer ’s
morgens vroeg of des avonds een priesterkoor naar buiten ging, om
godsdienstige hymnen te zingen ter eere van de godheid, die als Horus
opkwam en als Tum nederdaalde[1]. Zoodra de laatste tonen van het
priesterlijk avondlied waren weggestorven, werd het ledig in de
Nekropolis, want alle rouwdragenden en bezoekers der graven waren dan
gehouden in de booten te gaan en de doodenstad te verlaten. Eene groote
menigte menschen, die in feestelijken optocht aan den westelijken oever
van Thebe voet aan wal hadden gezet, spoedde zich ordeloos naar den
stroom, voortgedreven door de wachters, die bij afdeelingen dienst deden
en de graven voor roovers moesten bewaren. De handelaars sloten hunne
winkels, de Kolchyten en werklieden eindigden hun dagwerk en gingen naar
hunne woningen. De priesters begaven zich naar hunne tempels terug, en
de herbergen werden gevuld met gasten, die van verre hierheen gereisd
waren, en liever in de nabijheid van hunne afgestorvenen, voor wie zij
herwaarts kwamen, dan in de woelige stad aan den anderen oever van den
stroom verlangden te overnachten.

      [1] De loop van den zonnegod werd vergeleken met die van
      het menschelijk leven. Als kind (Horus) ging de zon op; zij
      ontwikkelde zich tegen den middag tot den held Ra, voor wien
      de Uraeus-slang, die op zijn diadeem prijkte, streed. Aan den
      avond, als zij onderging, was zij een grijsaard (Tum). Het licht
      was ontstaan uit de duisternis, bijgevolg werd Tum voor ouder
      gehouden dan Horus en de andere lichtgoden.

De stemmen der zangers en klaagvrouwen waren verstomd, zelfs het gezang
der matrozen, die de talrijke booten naar den oostelijken oever van
Thebe roeiden, stierf langzamerhand weg. De avondwind bracht nu en dan
nog een enkelen toon over, en eindelijk zweeg alles. Een onbewolkte
hemel breidde zich uit over de sombere doodenstad, slechts van tijd tot
tijd verduisterd door de lichte schaduwen van vledermuizen, die elken
avond naar den Nijl vliegen om zich te laven en op muggen jacht te
maken. Na zich versterkt te hebben voor haren dagslaap, keerden de
lichtschaduwen naar hare holen en rotsspleten terug. Nu en dan gleden
zwarte gedaanten met lange schaduwen als over den bodem heen. Het waren
de jakhalzen, die op dit uur hun dorst plegen te lesschen aan de rivier,
en zich dikwijls in troepen, schier zonder vrees, vertoonden in de
nabijheid van de ganzenhokken en de geitenstallen. Het was verboden om
op deze nachtelijke roovers jacht te maken, want zij werden gehouden
voor de heilige dieren van den god Anubis, den wachter der graven[2].
Zij bleken ook weinig gevaarlijk te zijn, daar zij overvloed van
voedsel vonden in de graven. Zij toch aten de stukken vleesch die op de
offeraltaren waren neergelegd, tot groote voldoening der nabestaanden,
die meenden, wanneer zij het vleesch den volgenden dag niet meer vonden,
dat het door de onderaardsche goden goedgekeurd en aangenomen was.
Ook bleken zij betrouwbare wakers te zijn, want zij waren gevaarlijke
vijanden voor ieder, die ongeroepen, onder de bescherming van de
duisternis der nacht, in eene groeve wilde binnendringen.

      [2] Anubis, die met den kop van een jakhals wordt afgebeeld, is
      de zoon van Osiris en Nephthys. De jakhals is zijn heilig dier.
      In den vroegsten tijd komt hij reeds voor als god van de
      onderwereld. Hij ziet toe op het balsemen, bewaart de lijken,
      en beschermt de Nekropolis. Bovendien baant hij, als Hermes
      Psychopompos (Hermanubis), den weg voor de zielen. Volgens
      Plutarchus waakt hij voor de goden gelijk de honden voor de
      menschen.

Ook aan den zomeravond van het jaar 1352, op welke wij onze lezers
uitnoodigen de doodenstad van Thebe met ons te bezoeken, werd het
stil in de Nekropolis, nadat het priesterlijk avondlied was gezongen.
Reeds wilden de soldaten die de wacht hadden van hun eersten
onderzoekingstocht terugkeeren, toen plotseling een hond in het
noordelijk gedeelte van de doodenstad hard begon te blaffen. Weldra liet
een tweede, een derde, een vierde zich hooren. De hoofdman van de wacht
riep »halt!” en toen het geblaf algemeener werd en met elke minuut in
hevigheid toenam, beval hij hen die hem volgden in noordelijke richting
op te marcheeren. De kleine troep had weldra den hoogen dam bereikt,
die langs den westelijken oever liep van een kanaal, dat uit den Nijl
was afgeleid, en overzag van hier het bouwland tot aan den vloed
en het noordelijk gedeelte van de Nekropolis. Wederom werd »halt”
gecommandeerd. Zoodra de soldaten in de richting in welke de honden het
hevigst aansloegen het schijnsel van fakkels bespeurden, ijlden zij
voorwaarts en bereikten bij de pylonen[3] van den tempel, die door Seti
I, den overleden vader van den thans regeerenden koning Ramses II, was
gebouwd, de rustverstoorders.

      [3] Pylonen noemde men de door een poortdoorgang verbonden
      torens aan den ingang van een Egyptischen tempel.

De maan was opgegaan en goot haar bleek schijnsel uit over het prachtig
gebouw, waarvan de buitenmuren roodachtig werden verlicht door de in
donkeren rook gehulde vlammen der fakkels, die door zwarte dienaars
werden gedragen. Een kleine dikke man, bijzonder rijk gekleed, sloeg
met de metalen greep van een zweep zoo hard tegen de met koperen platen
bekleedde tempeldeur, dat de slagen bij de nachtelijke stilte heinde en
ver werden gehoord. In zijne nabijheid stonden een draagstoel en een
wagen, met paarden van het edelst ras bespannen. In de eerste zat eene
jonge vrouw, en op den wagen stond eene aanzienlijke maagd, rijzig van
gestalte, naast den wagenmenner. Beiden waren omgeven door mannen, die
blijkbaar tot de meer bevoorrechte standen behoorden, en een aantal
dienstknechten. Er werd niet veel gesproken; de aandacht van de geheele
groep, die maar gedeeltelijk werd verlicht, scheen uitsluitend op de
tempeldeur gericht te zijn. De duisternis maakte het onmogelijk de
gelaatstrekken der bijzondere personen te onderscheiden, doch de
maneschijn versterkt door het fakkellicht was voldoende, om den portier,
die uit een der torens van den pylon op de rustverstoorders neerzag,
te doen begrijpen, dat hij met hooggeplaatste lieden, ja misschien met
leden van de koninklijke familie te doen had. Met luider stem vroeg hij
den man die geklopt had, wat hij begeerde.

Zoodra deze zich hoorde toespreken, zag hij op, en zeide op
meesterachtigen, ja zelfs beleedigenden toon: »Hoe lang moeten wij hier
op je wachten, luië hond? Kom eerst naar beneden, open de poort en vraag
dan! Wanneer de fakkels niet helder genoeg branden, om je te doen zien
wie hier wacht, dan zal mijn zweep je op den rug schrijven wie we zijn
en je leeren hoe men vorstelijke gasten te woord moet staan!”

De vrouw in de draagstoel rees van schrik overeind, toen zij de rust van
de doodenstad zoo opeens en zoo ruw hoorde storen. Terwijl de portier
een onverstaanbaar antwoord bromde en naar beneden kwam, om de deur
open te doen, richtte de vrouw op den wagen zich tot haar ongeduldigen
geleider. »Gij vergeet, Paäker,” sprak zij op welluidenden maar toch
gebiedenden toon, »dat gij weder in Egypte zijt, en hier niet te doen
hebt met wilde Shasoe[4], maar met vriendelijke priesters, van wie
wij bovendien nog een dienst hebben te vragen. Men klaagt niet ten
onrechte over uwe ruwheid, die vooral ongepast is, nu wij onder zulke
buitengewone omstandigheden ons naar dit heiligdom hebben begeven.”

      [4] Roofzuchtige Semitische stammen in het oosten van Egypte.

Hoewel deze woorden niet zoozeer werden gesproken om te berispen, dan
wel om leedwezen over het gebeurde uit te drukken, toch achtte zich de
kleine gevoelige man er door beleedigd. De vleugels van zijn breeden
neus begonnen zich sterk te bewegen; krampachtig omklemde hij met zijn
rechterhand de greep der zweep, en terwijl hij zich deemoedig scheen te
buigen, gaf hij een ouden Ethiopischen slaaf, die naast hem stond, zulk
een duchtigen slag op de naakte beenen, dat deze als een door de koude
verschrompeld blad ineenkromp. De arme kerel gaf echter geen kik, want
hij kende zijn meester.

Inmiddels had de portier opengedaan, en tegelijk met hem trad een
jeugdige priester naar buiten, om te vernemen wat deze rustverstoorders
verlangden. Paäker wilde weder het woord voeren, maar de vrouw die op
den wagen stond kwam hem voor met te zeggen: »Ik ben Bent-Anat, de
dochter des konings, en zij die in den draagstoel zit is Nefert, de
gemalin van den edelen Mena, den wagenmenner mijns vaders. Wij hadden
ons in gezelschap van deze aanzienlijke mannen naar het noordwestelijk
dal van den Nekropolis begeven, ten einde de nieuwe bouwwerken in
oogenschouw te nemen. Gij kent de smalle rotspoort dier kloof. Op den
terugweg hield ikzelve de teugels, en had het ongeluk een meisje,
dat met een korfje vol bloemen aan den weg zat, te overrijden en te
verwonden, ja zeer gevaarlijk, zoo ik vrees. Mena’s echtgenoote heeft
de kleine dadelijk met eigene handen verbonden. Wij lieten haar daarop
brengen naar het huis haars vaders, een Paraschiet[5], Pinem geheeten,
geloof ik. Ik weet niet of gij hem kent.”

      [5] Een paras-chiet was iemand, die de lijken opende.

»Zijt gij zijne hut binnengegaan, prinses?” vroeg de priester.

»Ik moest wel, heilige vader,” was haar antwoord, »ofschoon ik weet, dat
men zich verontreinigt, wanneer men den drempel van zulk eene woning
overschrijdt. Maar....”

»Maar,” riep de vrouw van Mena, terwijl zij zich weder oprichtte in
haar draagstoel, »Bent-Anat kan zich immers heden door u of door haren
huispriester laten reinigen; den armen vader zal zij echter bezwaarlijk,
misschien ook nooit, zijn kind gezond kunnen wedergeven.”

»Dit neemt niet weg, dat het ellendig verblijf van zulk een Paraschiet
onrein is,” viel de kamerheer Penbesa, ceremoniemeester van de prinses,
haar in de rede. »Ik heb er mij genoeg tegen verzet, toen Bent-Anat
haar voornemen te kennen gaf, dat vervloekte nest in eigen persoon te
betreden. Ik sloeg voor,” zoo vervolgde hij tot den priester, »het
meisje naar huis te laten dragen, en den vader een koninklijk geschenk
te zenden.”

»En de prinses?” vroeg de priester.

»Zij handelde, als gewoonlijk, overeenkomstig haar eigen wil,” hernam de
ceremoniemeester.

»En dan doet zij altijd wat goed is,” merkte de vrouw van Mena op.

»Gaven de goden dat het zoo ware!” sprak de Prinses met zachte stem.
Zich tot den priester wendende, ging zij voort: »Gij kent den wil der
hemelsche goden en de harten der menschen, heilige vader, en ik ben mij
bewust, dat ik gaarne geef en armen help, ook wanneer de armoede de
eenige voorspraak is. Maar na hetgeen heden is gebeurd, en tegenover
dien ongelukkigen man ben ik het die voorspraak noodig heb.”

»Gij?” vroeg de kamerheer verbaasd.

»Ja, ik!” antwoordde de prinses op stelligen toon.

De priester die tot hiertoe zwijgend dit gesprek had aangehoord, hief
nu zijn rechterhand op, als om te zegenen, en zeide: »Gij hebt braaf
gehandeld. De Hathors[6] vormden uw hart, en de godin der waarheid leidt
het. Ongetwijfeld komt gij ons in onze nachtelijke gebeden storen, ten
einde een arts te vragen voor het verwonde meisje?”

      [6] Hathor is Isis in zinnelijken vorm. Zij is de godin van den
      helderen lichten hemel en draagt de zonneschijf tusschen de
      hoornen op den koekop, of op een menschenhoofd met de ooren van
      eene koe. Zij wordt de godin met het schoone aangezicht genoemd
      en is de schenkster van elke reine levensvreugde. Later
      beschouwde men haar als de muze, die het leven veraangenaamt met
      vroolijkheid, liefde, zang en dans. Als goede fee ontmoeten wij
      haar bij de wieg der kinderen, om hun levenslot te bepalen. Zij
      draagt vele namen, en er komen verschillende, meestal zeven
      Hathoren voor, om de voornaamste richtingen harer goddelijke
      werkzaamheid te verpersoonlijken.

»Zooals gij zegt!”

»Ik zal den opperpriester vragen, om den besten geneesheer voor
uitwendige verwondingen, onverwijld naar de kranke te zenden. Doch waar
is het huis van den Paraschiet Pinem? Ik ken hem niet.”

»Ten noorden van de terrassen van Hatasoe[7], dicht bij.... Maar ik zal
een mijner geleiders gelasten den geneesheer den weg te wijzen. Ik stel
er bijzonder veel prijs op morgen vroeg te vernemen, hoe het met de
zieke staat. ― Paäker!”

      [7] De groote koningin uit de 18de dynastie, voogdes van twee
      pharao’s.

De aangesprokene, met wien wij hebben kennis gemaakt, toen hij zoo ruw
op de poort klopte, boog zich met nederhangende handen ter aarde en
vroeg: »Wat beveelt gij?”

»Ik wijs ú aan tot gids van den arts,” zeide de prinses. »Het zal den
wegwijzer des konings niet moeilijk vallen, het verborgen huisje weer te
vinden. Vergeet niet dat gij mijn medeschuldige zijt. Want,” en hierbij
wendde zij zich tot den priester, »laat ik er maar rond voor uitkomen:
het ongeluk geschiedde, toen ik met mijne rossen Paäkers Syrische
harddravers, die naar zijn zeggen veel vlugger liepen dan de Egyptische,
trachtte in te halen. Het was een wild rennen.”

»Amon zij geloofd, dat het zóo afliep,” sprak de ceremoniemeester.
»Paäkers wagen ligt verbrijzeld in het enge dal, en zijn beste paard is
zwaar gewond.”

»Nu, als hij den arts bij den Paraschiet heeft gebracht, mag hij naar
zijn paard gaan kijken,” hernam de prinses. »Weet gij, Penbesa, gij
trouwe bewaker van een onbezonnen meisje, dat ik mij heden voor het
eerst er over verblijd, dat mijn vader krijg voert in het verre
Sati-land[8]?”

      [8] Azië.

»Hij zou ons zeker niet zeer vriendelijk ontvangen hebben,” antwoordde
de ceremoniemeester met een glimlach.

»Maar de arts, de arts!” riep Bent-Anat haastig. »Paäker, het blijft
er bij: gij wijst hem den weg en brengt ons morgen bericht omtrent den
toestand van het meisje.”

Paäker boog nog eens. De prinses gaf daarop een wenk. De priester en
zijne gezellen, die intusschen uit het heiligdom naar buiten waren
gekomen, hieven zegenend de handen omhoog, en de nachtelijke optocht
ging op weg in de richting van den Nijl. Paäker bleef alleen achter met
zijne beide slaven. Hij was verdrietig over den last, dien de prinses
hem had opgedragen. Zoo lang de maneschijn toeliet den draagstoel met de
vrouw van Mena te onderscheiden, oogde hij haar na. Toen trachtte hij
zich te herinneren, waar het huis van den Paraschiet gelegen was. De
hoofdman van de veiligheidspolitie hield nog altijd met zijne
manschappen stand bij den tempelpoort.

»Kent gij de woning van den Paraschiet Pinem?” vroeg Paäker.

»Wat moet gij bij hem zoeken?”

»Dat gaat u niet aan,” hernam Paäker.

»Lomperd!” riep de hoofdman. ― »Links om en voorwaarts, mannen!”

»Halt!” riep Paäker, nijdig, »ik ben de koninklijke gids.”

»Dan zult gij des te gemakkelijker de plaats kunnen wedervinden, waar
gij vandaan komt. ― Soldaten, voorwaarts!”

Op deze woorden volgde als een echo het gelach van velerlei stemmen.
Paäker schrok zoo hevig van dit honend geluid, dat hij zijn zweep op den
grond liet vallen. De slaaf, dien hij weinige minuten te voren geslagen
had, stond deemoedig op en volgde zijn heer in den voorhof des tempels.
Beiden schreven het gegiegel, dat de ernstige rust in den doodenstad zoo
ongepast kwam storen, en hun nog steeds in de ooren ruischte, zonder dat
zij de oorzaak er van ontdekken konden, aan rustelooze geesten toe. Maar
ook de oude portier had die overmoedige toonen vernomen. Hem was dat
lachen beter bekend dan den wegwijzer des konings, want met forsche
schreden trad hij de poort des heiligdoms uit en riep, terwijl hij, de
donkere schaduw van den pylon volgende, met zijn langen stok blindelings
voor zich uitsloeg: »O, gij nietswaardig Sethsgebroed[9], gij galgenaas,
gij aterlingen, ik zal u!”

      [9] Door de Grieken Typhon genoemd. Hij was de vijand van
      Osiris, het ware, goede en reine, en vertegenwoordigde de
      disharmonie en onrust in de natuur. Horus, die voor zijn vader
      Osiris strijdt, kon hem ter aarde werpen en verminken, maar
      nimmer vernietigen.

Op eens verstomde het gelach. Eenige jeugdige gestalten kwamen in het
maanlicht voor den dag; de oude vervolgde ze al hijgende, en na eene
korte jacht vloog een troep opgeschoten knapen door de tempeldeur naar
het poortgebouw terug. Het was den wachter gelukt een dertienjarigen
misdadiger te vatten, en hij hield hem zoo vast bij het oor, dat zijn
kleine kop in horizontale richting aan zijn hals scheen gegroeid.

»Ik zal het den onderwijzer bekend maken, gij sprinkhanenplaag, gij
vledermuisgebroed,” riep hij vervolgens. Maar de bende schooljongens,
die eene gunstige gelegenheid hadden waargenomen om uit hun engen kerker
te komen, begon hem vriendelijk te vleien. Uit aller mond vernam hij
woorden van berouw, hoewel het pleizier over het gebeurde, dat niemand
hun ontnemen kon, in het oog van al die bengels stond te lezen. En toen
een van de grootste scholieren den ouden om den kin streek, en beloofde
hem morgen den wijn, die zijne moeder hem voor de volgende week zou
zenden, ter bewaring te zullen geven, liet de wachter zijn gevangene
los, die de pijn uit zijn vuurrood oor trachtte te wrijven, en riep nog
onvriendelijker dan zoo even: »Wilt gij een, twee, drie maken dat ge weg
komt! Denkt ge dat ik uw streek zoo maar zal laten voorbijgaan? Dan kent
gij den ouden Baba nog niet. Ik zal het den goden klagen en niet den
onderwijzer. En je wijn, vlegel, zal ik ten offer plengen, opdat de
hemel het je vergeve!”




TWEEDE HOOFDSTUK.


De tempel, in welks eerste voorhof Paäker stond te wachten, en waarin de
priester was verdwenen om den geneesheer te halen, werd het Seti-huis
genaamd, en was een der grootste heiligdommen van de doodenstad[10].
Wat zijn grootsche aanleg betreft, werd hij enkel overtroffen door het
prachtig gebouw uit den tijd der vorstelijke dynastie, die door den
grootvader van den thans regeerenden koning werd onttroond, dat Thotmes
III had gegrondvest en waarvan Amenophis III den ingang had versierd met
ontzaglijk kolossale beelden[11]. In ieder ander opzicht echter kwam aan
het Seti-huis de eerste plaats in de Nekropolis toe. Ramses I had den
eersten steen gelegd, kort nadat het hem gelukt was zich door geweld
van den Egyptischen troon meester te maken. Zijn groote zoon Seti had
den bouw voortgezet, ten einde in dezen tempel den doodendienst voor
de zielen der afgestorven leden van het nieuwe koningshuis te doen
verrichten, en de heilige feesten ter eere van de goden der onderwereld
te vieren. Groote sommen waren ten koste gelegd aan de versiering van
het gebouw, en beschikbaar gesteld voor het onderhoud van priesters en
instellingen, die aan dit heiligdom verbonden waren. Die stichtingen,
geheel ingericht naar het model der eeuwenoude scholen van Heliopolis en
Memphis, waarin de wijsheid der priesters werd bewaard, waren bestemd
met dezen gelijken tred te houden; zij moesten Thebe, de nieuwe
residentie van Opper-Egypte, ook door de vruchten van wetenschappelijk
onderzoek boven de hoofdsteden van Neder-Egypte verheffen.

      [10] Hij bestaat nog en is bekend onder den naam van den tempel
      van Qoernah.

      [11] Het noordelijk beeld is, als het geluidgevende
      Memnonsbeeld, wereldberoemd geworden.

Het waren inzonderheid eenige inrichtingen voor onderwijs, die het eerst
verdienden genoemd te worden[12]. Op den voorgrond stond de hoogeschool,
waarin priesters, geneesheeren, rechters, wis- en sterrenkundigen,
beoefenaars van taal- en letterkunde en andere geleerden, niet alleen
onderwijs ontvingen, maar ook eene vrije woonplaats vonden, nadat zij
den hoogsten graad van kennis bereikt en den titel van »schrijver”
ontvangen hadden. Daar werden zij dan op kosten des konings onderhouden,
opdat zij, zonder door andere zorgen en bemoeiingen afgetrokken te
worden, dagelijks verkeerende met huns gelijken, die zich met dezelfde
studiën bezighielden, zich geheel zouden kunnen wijden aan bespiegeling
en wetenschappelijk onderzoek. De geleerden hadden eene groote boekerij
tot hun dienst, waarin duizenden schriftrollen werden bewaard, en
waaraan tegelijk een papyrus-fabriek verbonden was. Sommigen hunner
waren belast met het onderricht der jongere scholieren, die gevormd
werden in de evenzeer tot het Seti-huis behoorende voorbereidende
school. Die school stond open voor alle zonen van vrije burgers, en
werd door honderden kinderen bezocht, die hier ook een nachtkwartier
vonden. Trouwens de ouders waren verplicht òf kostgeld te betalen, òf
de spijzen, die de kinderen voor hun onderhoud noodig hadden, naar
de school te zenden. Voorts woonden in een afzonderlijk gebouw de
kostkinderen van den tempel. Het waren zonen van de voornaamste
familiën, die hier voor eene niet geringe vergoeding door de priesters
werden opgevoed. Seti I, de stichter van deze inrichting, had zijne
eigene zonen, ja zelfs den troonopvolger Ramses daar laten opvoeden.

      [12] De volgende beschrijving van eene Egyptische inrichting van
      onderwijs is, tot in elke bijzonderheid, ontleend aan bronnen,
      die uit den tijd van Ramses II en zijn opvolger Mernephtah
      afkomstig zijn.

Deze voorbereidende scholen werden druk bezocht. De stok speelde hier
zulk eene groote rol, dat zeker paedagoog aan deze inrichting met volle
recht kon zeggen: »De ooren der schooljongens zitten op hun rug; zij
hooren als men hen slaat.” Knapen, die uit de lagere klassen tot de
hooge school wilden overgaan, moesten zich aan een examen onderwerpen.
Waren zij geslaagd, dan konden de jonge studenten zich een leermeester
kiezen uit de geleerden van hoogeren rang. Deze nam de leiding hunner
wetenschappelijke studiën op zich, en zij bleven hun leven lang als
cliënten aan zulk een patroon verbonden. Na een tweede examen konden
zij den titel van schrijver verkrijgen en het recht om eenig openbaar
ambt te bekleeden. Nevens deze scholen voor geleerden vond men hier
verder eene school tot opleiding van kunstenaars, waarin zoodanige
jongelingen werden onderwezen, die zich op de bouw-, de beeldhouw- of
schilderkunst wenschten toe te leggen. Ook bij deze inrichting koos elke
leerling zich zijn meester. Alle leeraars in deze scholen behoorden
tot de priesterschap van den Seti-tempel, die uit meer dan achthonderd
personen bestond. Zij waren in vijf klassen verdeeld, aan het hoofd
waarvan drie zoogenaamde profeten stonden. De eerste profeet was de
opperpriester van het Seti-huis, en tegelijk het hoofd van die duizende
hoogere en lagere dienaars der godheid, die tot de doodenstad van Thebe
behoorden.

Het eigenlijk Seti-huis was een tempel van massieven kalksteen. Eene
rij van sphinxen voerde van den Nijl tot den ringmuur en den eersten
breeden pylon, die toegang verleende tot een ruim aan twee zijden door
zuilengangen omgeven voorhof, aan het einde waarvan zich eene tweede
poort verhief, die uit twee torens bestond in den vorm van afgeknotte
pyramiden. Was men deze doorgegaan, dan bevond men zich in een tweeden
voorhof, niet ongelijk aan den eersten. De achterzijde werd hier echter
gesloten door eene breede zuilenrij, die tot den eigenlijken tempel
behoorde. Deze werd thans van binnen door het matte schijnsel van enkele
lampen verlicht.

Achter het Seti-huis stonden groote vierkante gebouwen, uit gebakken
Nijltegels opgetrokken, die er deftig en sierlijk uitzagen; want men
had de steenen door pleisterkalk aan het oog onttrokken, en de gladde
oppervlakte beschilderd met allerlei voorstellingen en opschriften
in hiëroglyphen. Inwendig waren deze gebouwen alle op dezelfde wijze
ingericht. In het midden bevond zich een open hof, waarop de deuren
uitkwamen van de vertrekken der priesters en geleerden. Aan beide zijden
van den hof had men een overdekten houten zuilengang aangebracht, die
tevens overdag schaduw verleende. Midden in de opene ruimte bespeurde
men een waterbekken, door sierlijke planten omgeven. De woningen der
scholieren waren op de bovenverdieping, terwijl het onderricht werd
gegeven in den hof, waarvan de tegelvloer door matten was bedekt.
Eindelijk verdient nog bijzonder de aandacht het huis van de hoofden
der profeten. Dit had een nog deftiger aanzien, en was terstond te
onderkennen aan de wimpels, die boven het dak uitwoeien. Het lag op
ongeveer honderd schreden afstands achter het Seti-huis tusschen een
goed onderhouden boschje en een helderen vijver, het heilige tempelmeer.
Die profeten hielden hier slechts tijdelijk verblijf terwille van hun
ambt, want zij woonden met vrouw en kinderen in aanzienlijke huizen,
die in de eigenlijke stad, aan gene zijde van den stroom, gelegen waren.

Het late bezoek, dat aan den tempel werd gebracht, was natuurlijk deze
kolonie van priesterlijke geleerden niet ontgaan. Evenals de mieren
onrustig heen en weer beginnen te loopen, wanneer de menschelijke hand
hun nest aanraakt, zoo had deze onverwachte beweging niet alleen onrust
te weeg gebracht onder de scholieren, maar ook onder de leeraars en
priesters. In groepen naderden zij den ringmuur. Verschillende vragen
werden gedaan en vermoedens uitgesproken. Volgens den een was eene
koninklijke boodschap gekomen; volgens een ander weder zou de prinses
Bent-Anat door Kolchyten overvallen zijn. Een schalk onder de
losgebroken knapen wist te vertellen, dat de koninklijke gids, Paäker,
met geweld in den tempel was gebracht, om hier wat beter te leeren
schrijven. Daar de man, met wien de ondeugd den spot dreef, vroeger
werkelijk een kweekeling van het Seti-huis was geweest, en er onder het
knapengeslacht nog allerlei vermakelijke anecdoten voortleefden van ’s
mans uiterst gebrekkige kennis van taal en stijl, zoo werd deze tijding
met algemeenen bijval begroet. Hoe onzinnig deze verklaring ook was,
daar Paäker een der hoogste posten bekleedde bij het leger des konings,
scheen zij toch zoo onwaarschijnlijk niet, daar een ernstige jonge
priester verzekerde, dat hij den wegwijzer in het eerste voorhof van den
tempel had gezien.

De levendige gesprekken, het lachen en joelen der knapen op zulk een
ongewoon uur, bleef door den opperpriester niet onopgemerkt. Deze
geestelijke, Ameni geheeten, de zoon van Nebket, een zeldzaam man,
gesproten uit eene oude adellijke familie, was oneindig meer dan de
oppermachtige gebieder der tempelbewoners, die hij met krachtige hand en
wijs overleg wist te besturen. Alle priestercollegiën van het geheele
land erkenden zijne meerderheid, vroegen zijn raad in moeielijke
gevallen, en wachtten zich wel in eenig opzicht af te wijken van de
bepalingen ten aanzien van geestelijke dingen, die in het Seti-huis,
dat wilde zeggen door Ameni, werden vastgesteld. Men zag in hem het
priesterlijk ideaal als verwezenlijkt, en wanneer hij soms aan enkele
collegiën moeielijke, ja vreemde eischen stelde, dan onderwierp men
zich zonder tegenspraak, omdat de ervaring had geleerd, dat de duistere
kronkelwegen, die hij aanwees om te bewandelen, altijd tot éen doel
leidden, namelijk de verheffing van de macht en het aanzien der
hiërarchie. Zelfs de koning wist dien geheel eenigen man te waardeeren,
en had sedert lang beproefd hem als zegelbewaarder aan zijn hof te
verbinden. Ameni was er nochtans niet toe te bewegen geweest, zijne
oogenschijnlijk lagere betrekking vaarwel te zeggen. Immers hij zag met
minachting neer op uiterlijken glans en weidsche titels; hij waagde
het nu en dan zich bepaald te verzetten tegen de maatregelen van het
„het groote huis”[13] en liet er zich toe overhalen de onbepaalde
heerschappij over de geesten te verwisselen voor een beperkt gezag in
uitwendige aangelegenheden, die hem te nietig voorkwamen, terwijl hij
dan in dienst zou staan van den maar al te zelfstandigen pharao, die
zich niet gemakkelijk door anderen liet leiden.

      [13] Het groote, het verhevene huis, de hooge porte: ziedaar de
      vertolking van het Egyptische Peraä, waaruit het „pharao” der
      Joden is ontstaan.

Hoewel zeer regelmatig in zijne gewoonten, had Ameni zich een geheel
bijzonderen levensregel voorgeschreven. Van elk tiental dagen vertoefde
hij er acht in den tempel, die aan zijne zorgen was toevertrouwd; de
overige twee wijdde hij aan zijn gezin dat aan den anderen Nijl-oever
woonde. Doch hij hield voor ieder, zelfs voor de zijnen verborgen, welk
gedeelte van de tien dagen hij voor zijn uitspanning dacht te nemen. Hij
had maar vier uren slaap noodig. Gewoonlijk rustte hij op den middag en
wel in een vertrek, dat stikdonker kon worden gemaakt, en waartoe geen
geluid vermocht door te dringen. Nooit sliep hij ’s nachts; de koelte
en de diepe stilte schenen aan de krachtige inspanning des geestes
bevorderlijk te zijn. Vaak hield hij zich dan bezig met de beschouwing
van den helderen sterrenhemel. Aan alle ceremoniën, die zijn stand van
hem vorderde, zooals wasschingen en reinigingen, scheren en vasten,
onderwierp hij zich met stipte nauwgezetheid, en zijn uiterlijk
beantwoordde geheel aan zijn innerlijk.

Ameni was pas zijn vijftigste jaar ingetreden. Hij was hoog van
gestalte, maar miste geheel de breedte en gezetheid, die men bij
oosterlingen op zulk een leeftijd pleegt waar te nemen. Zijn glad
geschoren schedel had een gelijkmatigen vorm en de gedaante van een
langwerpig ovaal. Zijn voorhoofd was noch breed, noch hoog, maar zijn
profiel buitengewoon fijn van lijnen. Zijne dunne droge lippen en
groote oogen, die onder zware wenkbrauwen te voorschijn kwamen, trokken
dadelijk de aandacht. Men kon ze juist niet prachtig noemen, noch
tintelend van vuur, want gewoonlijk richtte hij ze naar den grond, Maar
wanneer hij zien en onderzoeken wilde, dan was in die heldere oogen,
als hij ze langzaam opsloeg, hartstocht te lezen. De jonge Pentaoer,
de dichter van het Seti-huis, die deze oogen kende, had ze bezongen en
er van gezegd, dat zij goed aangevoerde legerscharen geleken, die de
veldheer vóor en na den strijd rust gunt, om ze met volle kracht in den
slag ter overwinning te voeren. De waardige afgemetenheid van zijne
woorden en gebaren had iets koninklijks en priesterlijks tegelijk; zij
was hem deels eigen en aangeboren, deels ook een gevolg van zijne groote
zelfbeheersching. Aan vijanden ontbrak het hem niet, maar lasteraars
waagden het zelden zich te meten met den man, die in alles hun meerdere
was.

Verwonderd over de onrust die hem stoorde, zag de opperpriester thans
van zijn arbeid op naar de voorhoven van het heiligdom. Het vertrek,
waarin hij zich bevond, was zeer ruim en luchtig. Het benedendeel van
de wanden was met fijne tegels bemetseld, het bovendeel gepleisterd en
beschilderd. Doch men kon weinig zien van het veelkleurig meesterwerk,
door den schilder der inrichting gepenseeld, want de muren waren bijna
overal achter houten kasten verborgen, waarin de schriftrollen en
wastafeltjes lagen. Eene groote tafel, eene hooge sofa met panthervel
overtrokken, waarvoor een voetbank stond en waarop men een toestel zag
met een halvemaanvormigen beugel, bestemd om er het hoofd in te laten
rusten[14]; verder verschillende stoelen, een tafeltje met bekkens en
kannen en een ander met flesschen van verschillende grootte, schalen en
doozen, maakte het ameublement uit van deze zaal, die verlicht werd door
drie lampen in den vorm van vogels, met kiki-olie[15] gevuld. ― Ameni
droeg een overkleed van sneeuwwit linnen, dat in nette plooien tot op
zijne enkels afhing; eene met franje omboorde sjerp, waarvan de breede
en hard gesteven einden tot aan de knieën reikten, was rondom zijn
middel gestrikt. Het wijde overkleed werd echter opgehouden door een
breeden draagband van zilverbrokaat. Een uit paarlen en edelgesteenten
saamgestelde, meer dan een span breede band hing van zijn hals tot laag
op zijne naakte borst af, en zijne bovenarmen waren getooid met groote
gouden armbanden. Hij rees op van den ebbenhouten stoel, waarvan de
pooten gesneden waren in den vorm van leeuwenklauwen, en wenkte een
der dienaars, die aan den wand van het vertrek neergehurkt zaten. Deze
verstond ook zonder woorden het verlangen zijns meesters, zette hem
voorzichtig en stilzwijgend eene zwarte pruik met breede lokken op den
kalen schedel[16], en hing over de schouders een panthervel, waarvan de
kop en de klauwen met plaatgoud waren overtrokken. Een tweede dienaar
hield Ameni den metalen spiegel voor, waarin hij even een blik wierp,
terwijl hij de pruik en de dierenhuid recht schikte.

      [14] Vele exemplaren zijn in de graven gevonden. Een dergelijk
      toestel wordt nog heden in Nubië gebruikt.

      [15] Ricinus-olie.

      [16] Alle voorname Egyptenaars droegen eene pruik op den
      geschoren kruin. Zulke pruiken worden nog in enkele musea
      bewaard.

Juist wilde de derde slaaf den prelaat den kromstaf, het teeken zijner
hooge waardigheid, overhandigen, toen een priester binnentrad om den
schrijver Pentaoer aan te dienen. Ameni wenkte, en de zelfde jonge
geestelijke, met wien wij de prinses Bent-Anat bij de tempelpoort zagen
spreken, trad het vertrek binnen.

Pentaoer kuste knielend de handen van den opperpriester, die, hem
zegenende, met welluidende stem tot hem zeide, in zulk eene zuivere taal
en zoo goed gestyleerd, alsof hij uit een boek voorlas: »Sta op mijn
zoon; uw komst zal mij op dit ongelegen uur eene wandeling besparen, zoo
gij mij kunt berichten, wat de scholieren in onzen tempel zoo in onrust
brengt. Spreek!”

»Er is niet veel bijzonders voorgevallen, heilige vader!” gaf Pentaoer
ten antwoord; »en ik zou u thans niet gestoord hebben, wanneer de
kweekelingen niet zonder eenigen grond, zoo veel beweging hadden
gemaakt, en de prinses Bent-Anat niet zelve was gekomen, om ons een
geneesheer te vragen. Het ongewone uur, en het gevolg waarmede zij zich
aanmeldde....”

»Is de dochter van den pharao dan ziek geworden?” vroeg de prelaat
haastig.

»O neen, mijn vader, zij is maar al te welvarende. Want toen zij eene
proef wilde nemen van de vlugheid harer paarden, overreed zij de dochter
van Pinem, den Paraschiet. Goedhartig, gelijk zij is, bracht zij het
zwaar verwonde meisje in eigen persoon naar huis.”

»Zij betrad alzoo de hut van den onreine?”

»Zoo is het.”

»En nu verlangt zij, dat wij haar reinigen zullen?”

»Ik meende haar het misdrevene te mogen vergeven, vader, want de reinste
menschenliefde had haar bewogen tot eene daad, die wel is waar met de
zeden in strijd is, maar....”

»=Maar=?” vroeg Ameni op hoog ernstigen toon, en zijne oogen, die tot
hiertoe naar den grond waren geslagen, begonnen te leven.

»Maar,” vervolgde de jonge priester, die nu op zijn beurt voor zich zag,
»maar toch geen misdaad kan zijn. Wanneer Ra[17] in zijn gouden boot den
hemel bevaart, beschijnt zijn licht het paleis van den pharao niet eer
en niet milder dan de hutten der armen. Moet dan het zwakke menschenhart
zijn vriendelijk licht, zijne liefde, aan den banneling onthouden,
omdat hij ellendig is?”

      [17] De zonnegod der Egyptenaars.

»Ik hoor den dichter Pentaoer spreken,” hernam de prelaat, »niet den
priester, wien de genade ten deel viel, tot den hoogsten graad der
wijsheid te worden opgevoerd, dien ik mijn broeder noem en mijns
gelijke. Jongeling, ik heb niets op u vooruit dan wat vergankelijke
kennis, die het verledene voor u zoowel als voor mij verworven heeft,
dan eenige waarnemingen en ervaringen, die de wereld niets nieuws kunnen
aanbrengen, maar wel haar leeren, hoe men de levensvatbaarheid en de
werkende kracht van het oude moet onderhouden. Dat wat gij voor weinige
weken geleden beloofd hebt, dat heb ik voor vele jaren in het aangezicht
van het allerheiligste bezworen, namelijk: =het weten zorgvuldig te
bewaren=, als het uitsluitend eigendom der ingewijden. Want het is ’t
vuur gelijk, dat door hen die leerden er mede om te gaan tot een edel
doel wordt gebruikt, dat echter in de hand van een kind ― en het volk,
de groote menigte kan zich nimmer tot mannelijk rijpheid ontwikkelen ―
een alles vernielenden brand doet ontstaan, wanneer de woedende
en onuitbluschbare vlammen alles aantasten en vernietigen, wat de
voorgeslachten zoo schoon hebben gebouwd. Hoe echter kunnen wij
=de wetenden= blijven, en onze wetenschap onder de hoede van onzen
vreedzamen tempel in diepte en omvang doen toenemen, zonder de zwakken
en vromen in gevaar te brengen? Het is u bekend, en gij hebt gezworen
hiernaar te zullen handelen! Het is uw plicht en die van elken priester,
de groote menigte te binden aan het geloof en de inzettingen der
vaderen. De tijden zijn veranderd, mijn zoon! Onder de oude koningen was
het vuur, waarover ik tot u, dichter, zoo even sprak in een beeld, als
door metalen muren omgeven, waarlangs de menigte onwetend voorbijging.
Thans zie ik spleten in de oude omheining; de oogen der oningewijde
zinnelijke menschen zijn scherper geworden, en de een vertelt den ander
wat hij, half verblind, door die gloeiende openingen meent bespeurd te
hebben.”

Er was eene zachte trilling te bespeuren in de stem van den spreker.
Terwijl hij zijn doordringend oog onafgebroken op den dichter gericht
hield, ging hij voort: »Ieder ingewijde, die deze spleten tracht te
verbreeden, vloeken wij en bannen wij uit ons midden. Ja, wij straffen
zelfs den vriend, die onachtzaam verzuimt ze met metaal en hamerslagen
te dichten.”

»Mijn vader!” riep Pentaoer, en diep getroffen trok hij zijn hoofd
terug, terwijl het bloed hem naar de wangen steeg.

De opperpriester trad naar hem toe, en legde beide handen op zijne
schouders. Ameni en Pentaoer waren van dezelfde lengte en ongeveer van
gelijke gestalte. Ook tusschen de trekken van hun gelaat bestond groote
overeenkomst. Toch zou iemand hen zelfs niet voor verre verwanten
gehouden hebben, want in de uitdrukking van hun gelaat bestond een
hemelsbreed verschil. De trekken van den een spraken van een vasten
wil en kracht, om zoowel het leven als zich zelven met ernst en
koelbloedigheid te beheerschen; die van den ander waren de tolken van
zeker teeder verlangen, om de gebreken en de ellende der wereld over ’t
hoofd te zien, en het leven op te vatten gelijk het zich voordoet aan de
ziel eens dichters, wanneer hij het beschouwt in den tooverspiegel die
alles idealiseert. Frischheid van geest en levensvreugde verkondigden
zijne heldere oogen. Doch het fijne lachje dat om zijne lippen speelde,
bij eene gedachtenwisseling of wanneer zijn gevoelig gemoed in beweging
werd gebracht, bewees dat Pentaoer zich niet overgaf aan zekere naïve
zorgeloosheid, maar dat hij menigen zwaren zielestrijd had doorworsteld,
en ook gedronken had uit den beker van den twijfel. In dit oogenblik
voerden afwisselende aandoeningen strijd in zijn gemoed. Het was hem als
moest hij het gehoorde wederleggen; en toch oefende de indrukwekkende
meerderheid van den ander zulk een diepen invloed op de ziel van den
jongen man, die tot gehoorzaamheid was opgevoed, dat hij zweeg en eene
heilige huivering door zijne leden voer, toen Ameni’s handen zijne
schouders aanraakten.

»Ik berisp u,” zeide de opperpriester, terwijl hij den jongeling nog
altijd vasthield, »ja ik moet u straffen ofschoon het mij smart. En
toch” ― nu eerst deed hij een schrede achterwaarts en greep Pentaoer’s
rechterhand ― »en toch verblijdt het mij, dat dit noodig is; want
ik heb u lief en eer u als iemand, dien de Onuitsprekelijke met
buitengewone gaven gezegend en tot groote dingen uitverkoren heeft. Het
onkruid laat men wassen of men rukt het uit, maar gij zijt eene edele
boom, en ik vergelijk mijzelf bij den hovenier, die verzuimde den
jeugdigen stam van een steunsel te voorzien, en nu dankbaar is dat
hij eene verkeerde kromming opmerkt, die hem aan zijne nalatigheid
herinnert. Gij ziet mij vragend aan, en ik lees in de uitdrukking van uw
gelaat, dat ge mij voor een overmatig streng rechter houdt. Wat is u te
verwijten? ― Gij hebt toegelaten, dat men aan eene overoude inzetting
heeft getornd. Dat wil, zoo denkt gij wellicht in uwe kortzichtigheid en
lichtvaardigheid, niet veel zeggen. Maar ik verzeker u: gij hebt dubbel
misdreven, want de schuldige was de dochter des konings, waarop ieder
het oog gericht houdt, de aanzienlijken zoowel als de geringen, en wier
daden het volk ten voorbeeld moeten zijn. Wanneer de aanraking van
iemand, die volgens de oude inzetting met het ergste is besmet, haar
niet verontreinigt, die boven allen staat, wien verontreinigt zij dan?
Binnen weinige dagen zal men ieder hooren zeggen: Paraschieten zijn
menschen als wij, en het gebod der vaderen om ze te mijden was eene
dwaasheid. En zullen de opmerkingen der menigte hierbij blijven, of
maakt zij niet gaarne de gevolgtrekking, dat wie in een punt dwaalt ook
feilbaar is in anderen? In geloofszaken, mijn zoon, bestaat er geen
verschil tusschen klein en groot. Laat men den vijand éen toren over,
weldra zal hij meester zijn van de geheele vesting! In dezen onrustigen
tijd is het met onze leer als met een wagen, die op de helling van een
berg staat. Een steen onder het wiel houdt hem tegen. Doch een kind
neemt deze hindernis weg, en het voertuig rolt onverbiddelijk in de
diepte, om verbrijzeld te worden. Stel u voor dat de prinses dit kind
is, en de steen onder het wiel een stuk brood, hetwelk zij een bedelaar
tot spijs wil geven. Zoudt gij haar laten begaan, als uw vader, uwe
moeder en alles wat u lief en dierbaar is op den wagen stonden? ―
Spreek mij niet tegen! De prinses zal den Paraschiet morgen weder
bezoeken. Gij wacht haar op in de hut van dien man en zult haar dáar
aankondigen, dat zij zichzelve vergeten heeft en onze reiniging behoeft.
Voor ditmaal onthef ik u van alle verdere straf. De hemel schonk u
een rijken geest. Tracht te verwerven wat u nog ontbreekt: de kracht
namelijk om terwille van het éene ― en gij kent dat eene ― al het
andere te onderdrukken, zelfs de verleidende stem van uw hart en de
bedrieglijke inblazingen van uwe eigene overtuiging. ― Nog iets! Zend
artsen naar het huis van den Paraschiet, en beveel hen de gewonde te
behandelen alsof zij de koningin zelve ware. Wie kent de woning van dien
man?”

»De prinses,” antwoordde Pentaoer, »heeft den gids des konings, Paäker,
in den tempel achtergelaten, om de artsen naar het huis van Pinem den
weg te wijzen.”

De ernstige opperpriester begon te lachen, terwijl hij zeide: »Paäker,
die waakt over de dochter van een Paraschiet!”

Pentaoer hief nog half vreesachtig, half schalks de oogen op, die hij
tot dusver had neergeslagen, en zuchtte: »En Pentaoer, de zoon van den
hovenier, die de dochter des konings moet aanzeggen, dat zij niet rein
is!”

»Pentaoer de dienaar der godheid, Pentaoer de priester zal niet met de
prinses maar met een overtreedster der wet te doen hebben,” hernam Ameni
weder ernstig. »Doe Paäker weten, dat ik hem verlang te spreken.”

De dichter boog diep en verliet het vertrek. De opperpriester fluisterde
in zichzelf: »Hij is nog niet zooals hij wezen moet, en mijne woorden
zijn op hem zonder uitwerking gebleven.” Toen zweeg hij, liep peinzend
het vertrek op en neer, en zeide half overluid denkende: »En toch is
deze jongeling voor groote dingen bestemd. Welke gave des geestes zou
hij missen? Hij kan leeren, denken, gevoelen en harten veroveren ― ook
het mijne. Edel en bescheiden heeft hij zich gedragen....”

Bij deze woorden bleef de hoogepriester stilstaan, sloeg zijn hand aan
de leuning van een stoel die voor hem stond, en vervolgde: »Juist dit is
’t wat hem ontbreekt! Hij kent het vuur der eerzucht nog niet. Laat ons
dit ontsteken, in zijn en in ons belang.”




DERDE HOOFDSTUK.


Pentaoer haastte zich aan het bevel van den opperpriester te voldoen.
Hij gelastte een dienaar den gids Paäker, die daar nog altijd stond te
wachten, naar Ameni te geleiden. Inmiddels ging hijzelf tot de artsen,
om hun de zorgvuldige verpleging van het ongelukkige meisje zeer op het
hart te drukken.

Er werden in het Seti-huis vele geneesheeren gevormd[18], doch maar
weinigen bleven daar wonen, na hun schrijversexamen te hebben afgelegd.
De bekwaamsten werden naar de inrichting te Heliopolis gezonden, in
welker groote zalen van oudsher de beroemdste medische faculteit van het
land bloeide. Nadat zij daar hunne studiën hadden voleindigd, keerden
zij als meesters, hetzij in de chirurgie, hetzij in de oogheelkunde of
in eenig ander onderdeel hunner wetenschap, naar Thebe terug. Bekleed
met de hoogste waardigheid van hun stand, werden zij door den koning tot
lijfartsen gekozen, of zij gebruikten hunne wetenschap om weder anderen
te onderrichten. In moeielijke gevallen werden zij altijd geconsulteerd.

      [18] Wat hier over de artsen wordt gezegd is hoofdzakelijk
      ontleend aan de geneeskundige geschriften der Egyptenaars,
      waaronder de papyrus-Ebers in de eerste plaats in aanmerking
      komt, vervolgens de medische papyrus I van Berlijn, en
      eindelijk een hiëratisch handschrift te Londen, dat evenals de
      papyrus-Ebers afkomstig is uit de 18de dynastie, d.i. uit de
      16de eeuw v. Chr. Vgl. verder Herodotus II, 84; Diodorus I, 82.

De meeste artsen woonden natuurlijk aan den rechter Nijloever in het
eigenlijke Thebe, en wel met hunne gezinnen in hunne eigene woningen.
Toch behoorde ieder hunner tot een of ander priestercollege. Wie dus een
arts noodig had, richtte zijne schreden niet naar de woning van dezen
of genen, maar naar den tempel. Hier moest opgegeven worden aan welke
ziekten zij leden, die geneeskundige hulp inriepen. Aan het hoofd der
vereeniging van geneesheeren in het heiligdom bleef het dan overgelaten,
den heelmeester aan te wijzen, die door zijne bijzondere kennis het
meest geschikt scheen voor de behandeling van zulk een geval.

Evenals alle priesters leefden ook de artsen van de inkomsten, die zij
trokken uit eenig grondbezit, uit koninklijke giften, uit de belastingen
der leeken en de toelagen, die zij verder ontvingen uit de schatkist van
den staat. Van hunne patiënten hadden zij geene belooning te verwachten,
hoewel de herstelden zelden verzuimden aan het heiligdom, dat den arts
had aangewezen, een geschenk te vereeren. Het behoorde daarom niet tot
de zeldzaamheden, dat de priesterlijke geneesheeren de genezing der
kranken afhankelijk maakten van de offers, die men zich ten behoeve van
den tempel wilde getroosten. De kennis der Egyptische artsen strekten
zich uit over het geheele gebied der medische wetenschap, en was
waarlijk niet gering te schatten. Het is echter te denken, dat
geneesheeren, die zich aan het ziekbed nederzetten als »daartoe
aangewezen dienaars der godheid,” zich in geenen deele tevreden stelden
met eene rationeele behandeling der lijders; veel meer meenden zij
te mogen verwachten van de geheimzinnige werking van gebeden en
bezweringen, die volstrekt noodig werden geacht.

Onder de leeraars in de geneeskunde aan het Seti-huis verbonden, waren
mannen van zeer verschillende gaven en geestesrichting. Pentaoer
aarzelde geen oogenblik aan wie hij de zorgvuldige behandeling van het
Paraschieten-kind, dat zoozeer zijne deelneming had opgewekt, moest
toevertrouwen. De man op wien zijne keuze viel, een zijner beste
schoolvrienden en met hem van gelijken leeftijd, was de kleinzoon van
een beroemd geneesheer, die ook Nebsecht heette en sedert lang gestorven
was. Deze had zich van der jeugd op zijne wetenschap toegelegd met een
buitengewonen aanleg, een ijver en eene toewijding, die hij van zijn
grootvader scheen geërfd te hebben. Te Heliopolis koos hij de chirurgie
tot zijne specialiteit[19], en zeker zou men hem daar als leeraar hebben
gehouden, indien niet een gebrek in het spraakorgaan hem het spreken
moeielijk had gemaakt. Het was hem dan ook niet mogelijk de formulieren
en gebeden overluid op te zeggen. Deze omstandigheid, eene bron van
droefheid en beklag voor zijne ouders en leermeesters, zou blijken
juist bevorderlijk te zijn aan zijn geluk. Het gebeurt zoo vaak, dat
schijnbare voorrechten ons kwaad aanbrengen, terwijl menig gemis in
het leven eene oorzaak wordt van zegen. Terwijl namelijk zij, die met
Nebsecht tot hetzelfde college behoorden, in gezangen en voordrachten
geoefend werden, kon hij, dank zij zijn gebrekkig spraakorgaan, zich
overgeven aan zijne hartstochtelijke neiging, om het organisch leven in
de natuur te bespieden. Zijne leermeesters begunstigden tot op zekere
hoogte zijn aangeboren zucht tot onderzoek, en trokken ook hun voordeel
van zijne kennis der dierlijke en menschelijke lichamen, en van de
vaardigheid zijner handen. Voorzeker zou zijn diepe afkeer van het
magisch gedeelte zijner wetenschap hem strenge straffen, ja mogelijk
uitwerping uit het gild op den hals hebben gehaald, wanneer hij hiervan
op eenige wijze had doen blijken. Nebsecht was echter een geleerde,
altijd stil en in zichzelf gekeerd. Volstrekt niet verlangende zijne
verdiensten gehuldigd te zien, vond hij overvloed van genot in de
voldoening van het onderzoek zelf. Vandaar dat hij niet zonder
tegenzin gehoor gaf, wanneer men begeerde, dat hij openlijk van zijne
bekwaamheden zou doen blijken. Zoo dikwijls hij bij kranken werd
geroepen, was dit voor hem eene onvermijdelijke stoornis in het
vruchtbaar onderzoek van zijn werkzamen geest, waarop hij zich niets
liet voorstaan.

      [19] Onder de zes hermetische boeken der artsen, door Clemens
      van Alexandrië genoemd, was er éen gewijd aan de chirurgische
      instrumenten. Verkeerd gezette beenbreuken die men bij mummies
      heeft gevonden, strekken nochtans den Egyptischen chirurgen niet
      tot eer.

Pentaoer had zich tot dezen Nebsecht meer aangetrokken gevoeld, dan tot
een zijner medeleerlingen. Hij bewonderde zijne kennis en bekwaamheden,
en wanneer de niet zeer sterke maar nochtans onvermoeide arts op zijne
wandelingen de boschjes aan den Nijloever, de woestijn of het gebergte
doorkruiste, om planten en dieren te zoeken, dan vergezelde hem de
jonge priesterlijke dichter gaarne, ook in zijn eigen belang. Want zijn
vriend merkte duizend dingen op, die zonder hem voor zijn oog verborgen
zouden zijn gebleven. Andere voorwerpen, die hij slechts uitwendig
kende, kregen inhoud en beteekenis door de verklaringen van den
natuuronderzoeker, wiens onbuigzame tong zich ongedwongen kon bewegen,
wanneer het gold zijn metgezel de eigenaardigheden duidelijk te
maken van een organisme, waarvan hij de ontwikkeling nauwkeurig had
gadegeslagen. De dichter was den geleerde genegen en Nebsecht had
Pentaoer wederkeerig lief, daar deze alles bezat wat hij miste:
mannelijke schoonheid, kinderlijke vroolijkheid, vrijmoedige
oprechtheid, kunstzin en de gave om in woorden en liederen alles uit te
drukken wat zijn hart gevoelde. De dichter was wel is waar een leek op
het gebied, dat zijn vriend geheel beheerschte, maar in staat om alles,
zelfs het meest ingewikkelde te begrijpen. Ziedaar waarom Nebsecht
meer waarde hechtte aan het oordeel van Pentaoer dan aan dat zijner
vakgenooten, die bleken door allerlei vooroordeelen bevangen te zijn,
terwijl de dichter vrij en onbevangen oordeelde.

Het vertrek van den natuuronderzoeker lag gelijkvloers, afgezonderd
van alle andere woningen, onder een graanschuur, die bij het Seti-huis
behoorde. Het mocht een ruime zaal heeten, en toch vond Pentaoer, die
thans den stillen bewoner ging opzoeken, zijn weg bijna overal versperd
door groote bundels van de meest verschillende planten, door uit
palmentakken gevlochten kooien, tot vier en vijf op elkaar; door een
menigte groote en kleine potten, die bedekt waren met papier waarin
men luchtgaten had gestoken. In die kooien en potten zag men allerlei
levende dieren, springhazen, groote Nijl-hagedissen en een soort van
lichtkleurige uilen, alsmede ontelbare exemplaren van kikvorschen,
slangen, schorpioenen en kevers. Op de eenige tafel, die in het midden
stond, lagen, behalve eenig schrijfgereedschap, beenderen van dieren,
benevens scherpe vuursteenen en bronzen messen van verschillende
grootte. In een hoek van het groote vertrek lag eene mat, waarop een
houten hoofdsteunsel stond, waaruit bleek dat de natuuronderzoeker daar
gewoonlijk sliep.

Zoodra de voetstap van Pentaoer zich hooren liet op den drempel van
dit eenzame verblijf, schoof de bewoner, even angstvallig als een
schooljongen, die een stuk verboden speelgoed voor zijn meester tracht
te verstoppen, een voorwerp van tamelijken omvang onder de tafel, wierp
er een kleed overheen, en verborg het scherpe aan een houten hecht
bevestigde mesje van vuursteen[20], dat hij juist gebruikt had, in de
plooien van zijn gewaad. Daarop sloeg hij de armen over elkaar, om zich
het aanzien te geven van iemand, die onbezorgd zit te droomen, zonder
iets te doen. De eenige lamp, die aan een standaard naast zijn stoel was
vastgemaakt, verbreidde een matig licht, echter voldoende om Pentaoer,
die de gewoonten van zijn vriend maar al te goed kende, te overtuigen,
dat hij Nebsecht in eene verbodene werkzaamheid had gestoord. Deze
laatste knikte den binnentredende, zoodra hij hem erkende, vriendelijk
toe, zeggende: »Gij hadt mij niet zoo moeten doen schrikken.” Hierop
stak hij zijne handen onder de tafel, en haalde wat hij weggestopt had
weder voor den dag, namelijk een levend konijn, op een plank gebonden.
In het opengespalkte lijf, dat door houten pennen open gehouden werd,
zag men het hart bewegen. Zonder zich verder over Pentaoer te
bekommeren, ging hij met zijn afgebroken onderzoek voort.

      [20] De Egyptenaren schijnen zich bij voorkeur van zulke
      messen te hebben bediend, ten minste bij de besnijdenis en bij
      lijkopeningen. Men heeft er een aantal gevonden, die in de
      museën worden bewaard.

Een tijdlang zag de dichter zwijgend toe; toen legde hij zijn hand op
den schouder zijns vriends, en zeide: »Sluit voortaan uw kamer, wanneer
gij u met verbodene dingen bezig houdt.”

»Men he... heeft mij,” stotterde de geleerde, »de grendel van de deur
genomen, sedert men mij onlangs betrapte, toen ik bezig was de hand van
den bedrieger[21] Ptahmes te ontleden.”

      [21] De wet beval bedriegers de hand af te houwen. Diodorus,
      I, 78.

»De mummie van den armen man zal dus de rechterhand moeten missen!”
hernam de dichter.

»Hij zal dien aan gene zijde des grafs niet noodig hebben.”

»Gij hebt hem toch zeker Schebti-beeldjes[22] mede gegeven in zijn
graf?”

      [22] Kleine beeldjes, die men den gestorvene medegaf, om hem
      behulpzaam te zijn bij den arbeid, dien hij in de onderwereld te
      verrichten had. Zij houden eene spade en een ploegijzer in de
      handen, en dragen een zaadbundel op den rug. Bijna allen voeren
      het 6de hoofdstuk van het Doodenboek tot opschrift.

»Onzin.”

»Gij gaat te ver, Nebsecht, en zijt onvoorzichtig! Hij die een
onschadelijk dier zonder nut martelt, hem zullen de geesten der
onderwereld desgelijks doen, leert de wet. Maar ik bemerk reeds wat gij
zeggen wilt. Ge acht het geoorloofd een dier te laten lijden, wanneer
gij daardoor uwe wetenschap kunt verrijken, die u in staat stelt de
smarten der menschen te lenigen......”

»En gij niet?”

Pentaoer plooide zijn mond tot een glimlach. Hij boog zich over het
konijntje neder en zeide: »Hoe merkwaardig! Het diertje leeft nog
altijd. Een mensch zou reeds lang onder zulk eene behandeling gestorven
zijn. Zijn organisme is zeker van een kostbaarder en fijner maaksel, en
daarom wordt het eerder vernietigd!”

Nebsecht haalde de schouders op, terwijl hij antwoordde: »Misschien!”

»Ik dacht toch, dat ge dit weten moest.”

»Ik?” vroeg de arts. »Waarom dan? Ik zeide het reeds: ― men staat mij
zelfs niet toe te onderzoeken, hoe zich de hand van een falsaris
beweegt.”

»Bedenk toch dat de schrift leert: het welzijn der ziel is afhankelijk
van het behoud des lichaams.”

Nebsecht sloeg zijne kleine schrandere oogen op, en zeide met hetzelfde
ongeloovig gebaar van zoo even: »Dat zal dan wel zoo zijn. Overigens
gaan die dingen mij niet aan. Handel met de zielen der menschen zooals
gij wilt, ik tracht alleen hunne lichamen te leeren kennen, en zet ze,
zoo goed het gaan wil, weder in elkaar, wanneer ze hier of daar gebroken
zijn.”

»Nu, Thot[23] zij geloofd, dat gij u in deze kunst het meesterschap niet
behoeft te ontzeggen!”

      [23] Toth is de god der geleerden en artsen. De ibis is zijn
      heilig dier; gewoonlijk wordt hij dan ook met een ibis-kop
      voorgesteld. Ra zou hem als „een schoon licht” hebben
      geschapen, om de namen zijner booze vijanden kenbaar te maken.
      Oorspronkelijk maangod, werd hij als heer van de tijdverdeeling
      en van de maat in het algemeen vereerd. Hij is het die onder de
      goden wikt en weegt, de wijze, de godheid van schrift, kunst en
      wetenschap. De Grieken noemden hem Hermes Trismegistus, d. i.
      de driemaal of zeer groote, en wel naar het voorbeeld der
      Egyptenaars, die hem Toth of Techoeti, den tweemaal grooten, den
      zeer grooten heeten.

»Wie is een meester,” vroeg Nebsecht, »behalve de godheid? Ik kan niets,
volstrekt niets, en gebruik mijne instrumenten met even onzekere hand
als de beeldhouwer die veroordeeld is in het duister te werken.”

»Dus zoowat als de blinde Resoe,” hernam Pentaoer lachend, »die beter
kon schilderen dan al de ziende kunstenaars in den tempel.”

»Ik geef toe, dat er in mijne werkzaamheid ook iets =beter= of
=slechter= kan genoemd worden, maar van =goed= kan geen sprake zijn.”

»Dan zullen wij ons met uw =beter= te vreden moeten stellen. Ik kom
juist om er een beroep op te doen!”

»Maar zijt gij dan ziek?”

»Isis zij geloofd, ik voel mij zóo sterk, dat ik wel een palmboom zou
kunnen ontwortelen. Neen, ik wilde u vragen hedenavond nog een ziek
meisje te bezoeken. De prinses Bent-Anat...”

»De koninklijke familie heeft hare eigene artsen.”

»Laat mij toch uitspreken! De prinses heeft een meisje overreden, en het
arme kind moet zwaar gewond zijn.”

»Zo-o,” zeide de geleerde met een gerekte stem. »Ligt zij aan de
overzijde in de stad, of hier in Nekropolis?”

»Hier; trouwens het is maar de dochter van een Paraschiet.”

»Een Paraschiet,” vroeg Nebsecht, en schoof zijn konijntje weder onder
den tafel. »Dan ga ik dadelijk!”

»Zonderling! ik ga waarlijk gelooven, dat gij hoopt iets bijzonders bij
den onreinen te vinden.”

»Dat is mijn zaak. Doch ik zal komen. Hoe heet die Paraschiet?”

»Pinem.”

»Hm! Met hem zal niets zijn aan te vangen,” bromde de geleerde binnen ’s
monds. »Doch wie weet!”

Na deze woorden stond hij op, opende een stevig gesloten fleschje, en
streek met een penseel strichnine[24] over de neus en den mond van het
konijn, dat terstond ophield te ademen. Daarop sloot hij het in een kist
en sprak: »Ik ben bereid.”

      [24] Dit vergif was aan de Egyptenaars goed bekend.

»Maar in deze smerige kleederen kunt gij het huis toch niet verlaten!”

De arts gaf een teeken van toestemming en greep in eene lade naar een
schoon gewaad, dat hij begon aan te trekken over hetgeen hij aanhad,
toen Pentaoer den vriend met de hand tegenhield en lachend zeide: »Eerst
moet den werkmansrok uitgetrokken. Komaan, ik zal u helpen. ― Maar bij
den God Besa[25], gij zijt veelhuidig als een ui!”

      [25] De toilet-godheid der Egyptenaars, die als een
      gedrochtelijke dwerg werd voorgesteld. Hij doet de vrouwen
      overwinnen in de liefde en de mannen ook in den strijd. Hij is
      afkomstig uit Arabië.

Pentaoer was onder zijne medepriesters bekend om zijn gulhartige
vroolijkheid, en zijn luid gelach schaterde door het stille
studeervertrek, toen hij bemerkte dat zijn vriend voor de derde maal een
schoon kleed over een vuil wilde aantrekken, zoodat hij niet minder dan
drie kleederen aanhad.

Nebsecht begon ook te lachen en zeide: »Nu begrijp ik ook waarom het
overkleed mij zoo zwaar zat, en ik het op den middag zoo ondragelijk
heet had. Ga heen, terwijl ik de overbodige kleederen uittrek, en laat,
bid ik u, den opperpriester vragen, of ik den tempel mag verlaten.”

»Hij heeft mij reeds opgedragen een arts naar den Paraschiet te zenden,
en voegde er bij, dat de kranke als een koningin behandeld moest
worden.”

»Ameni? En wist hij, dat wij hier slechts te doen hebben met een kind
van een Paraschiet?”

»Voorzeker!”

»Dan begin ik te gelooven, dat men met bezweringen, gebroken ledematen
weder in het lid kan zetten. Ja, van die bezweringen gesproken: gij ook
weet toch, dat ik niet meer alleen tot de kranken kan gaan, daar mijne
dikke tong zich te moeielijk kan bewegen om de spreuken op te zeggen, en
stervenden door angst rijke offergaven voor den tempel af te persen.
Loop gij, terwijl ik mij uitkleed, naar den propheet Gagaboe, en vraag
hem, dat hij den Pastophoor[26] Teta met mij laat gaan, die mij in den
regel vergezelt.”

      [26] Lid eener priesterorde, waartoe ook de artsen behoorden.

»In plaats van dien blinden oude, zou ik mij toch liever een jeugdiger
helper kiezen.”

»Laat het zoo blijven! Ik zou zeer tevreden zijn wanneer hij geen lust
had zelf mede te gaan en mij zijn tong als een aal of een slak liet
nakruipen. Hoofd en hart hebben met zijne spraakorganen toch niets uit
te staan, en hij gaat zijn gang als een os die het graan treedt[27].”

      [27] In Egypte, evenals in Palestina, dorschten, gelijk vele
      afbeeldingen, ook uit den oudsten tijd, ons doen zien, runderen
      het graan, door het in kuilen te treden, dikwijls met hulp
      van eene zwaar beladen slede, aan beide zijden met halfronde
      schijven voorzien, en die men heden „noreg” noemt.

»Dat is waar,” zeide Pentaoer. »Onlangs zag ik zelf, hoe de oude aan
een ziekbed zijne litanieën prevelde, en onderwijl in stilte de dadels
telde, waarvan men hem een zak vol had gegeven.”

»Hij zal niet gaarne medegaan naar den Paraschiet, want die is arm, en
de oude zou eer die schorpioenen-familie in gindschen pot aangrijpen,
dan een stuk brood aannemen uit de hand van een onreine. Zeg hem, dat
hij mij mag komen halen en mijn wijn opdrinken. Daar staan de porties
nog van drie dagen. Bij de tegenwoordige hitte benevelt de drank mijne
oogen te zeer. Woont de Paraschiet in het noorden of zuiden van den
Nekropolis?”

»Ik meen in het noorden. ― Paäker, de gids des konings, zal u den weg
wijzen.”

»Hij?” hernam de geleerde spottend. »Wat staat er dan toch heden in den
kalender[28]? Een Paraschieten-kind moet als eene prinses behandeld
worden, en een arts geleid, alsof hij de pharao was in eigen persoon! Ik
had echter mijne drie overkleederen maar moeten aanhouden.”

      [28] Er zijn nog kalenders bewaard; de volledigste vindt men in
      den papyrus-Sallier IV, door F. Chabas uitgegeven en verklaard.
      Bij elken dag staat aangeteekend, of hij gunstig is of niet,
      enz. In de tempels heeft men een groot aantal feestkalenders
      gevonden. De volledigste, van Medinet-Haboe, werd uitgegeven
      door Dümichen.

»De nacht is warm,” zeide Pentaoer.

»Doch Paäker heeft zonderlinge gewoonten. Eergisteren werd ik bij een
armen jongen geroepen, dien hij met zijn staf het sleutelbeen kort en
klein had geslagen. Als ik een paard van de prinses was geweest, zou ik
liever hem dan zoo’n arm meisje hebben getrapt.”

»Ik ook!” hernam Pentaoer lachend, en verliet het vertrek, om den
tweeden profeet van den tempel, Gagaboe, die tegelijk het hoofd der
artsen in het Seti-huis was, te verzoeken zijn vriend den blinden
Pastophoor Teta, als litanieën-zanger mede te geven.




VIERDE HOOFDSTUK.


Pentaoer wist zeer goed, waar hij den aanzienlijken priester zoeken
moest, want hijzelf was bij het gastmaal genoodigd, dat deze had
aangericht ter eere van twee nieuwe geleerden, die uit de hoogeschool
van Chennoe[29] in het Seti-huis waren overgeplaatst. In een open hof,
door bont beschilderde houten zuilen omgeven en door vele lampen
verlicht, zaten de smullende priesters in twee lange rijen op
gemakkelijke leuningstoelen. Voor ieder was een tafeltje geplaatst, en
vlugge dienaars waren druk in de weer, hen van spijzen en dranken te
voorzien, die in grooten overvloed gereed stonden op een soort van
buffet in het midden van den hof. Men zag er gazellenbouten[30],
gebraden ganzen en eenden, vleeschpastijen, artisjokken, asperges en
andere groenten, voorts allerlei soorten van koeken en suikergebak. De
gasten werden van alles bediend en hunne bekers telkens tot den rand
gevuld met de fijnste wijnen, waaraan nooit gebrek was in de luchtige
schuren[31] van het Seti-huis. Na het ronddienen van elk gerecht gingen
de dienaars met metalen bekkens en fijn geweven handdoeken rond, opdat
ieder zich de handen kon wasschen. Toen de honger gestild was begon
men lustiger te drinken, en iederen gast werden welriekende bloemen
aangeboden, welker geur het gesprek scheen te verlevendigen. Allen die
aan dit gastmaal deelnamen droegen lange sneeuwwitte kleederen, en
behoorden tot de ingewijden in de mysteriën. Zij waren derhalve de
aanvoerders der verschillende priesterorden van het Seti-huis.

      [29] Gelegen bij eene stroomversmalling van den Nijl, niet verre
      van de Nubische grenzen, tegenwoordig Gebel Silsileh geheeten,
      oudtijds beroemd door eene bloeiende priesterschool.

      [30] De gazellen werden tot huisdieren getemd. Op de monumenten
      vinden wij ze onder de kudden van rijke Egyptenaars en onder het
      slachtvee. Dit gastmaal is beschreven naar de afbeeldingen,
      zooals men er vele in de graven heeft aangetroffen.

      [31] De kelders zijn in Egypte heet, men kan den wijn dus het
      best in de schaduw van luchtige schuren bewaren.

De tweede profeet Gagaboe, aan wien heden de leiding van het feest was
opgedragen door den opperpriester, die zich bij zulke gelegenheden
altijd maar voor enkele oogenblikken vertoonde, was een klein,
stevig gebouwd man, met een kalen bijna kogelronden schedel. Zijne
gelaatstrekken waren goed gevormd, hoewel hij al oud begon te worden,
en zijne gladgeschoren bolle wangen goed gevuld. Met zijne grijze oogen
zag hij vroolijk en opmerkzaam in het rond, en zij tintelden van vuur
wanneer hij zich opgewekt gevoelde, en zijne dikke zinnelijke lippen
begonnen te trillen. Naast hem stond de prachtige maar ledige zetel van
den opperpriester Ameni, en aan zijne andere zijde waren de uit Chennoe
overgeplaatste priesters gezeten, twee deftige bejaarde mannen, met
donkerkleurige huid. Aan de overige gasten waren plaatsen aangewezen
naar den rang, dien zij bekleedden bij het priestercollege van den
tempel, en die afhankelijk was van hun leeftijd.

Was er bij het plaats nemen der dischgenooten streng op de rangorde
gelet, toch stond het ieder vrij aan het gesprek deel te nemen, zoo
vaak hij maar wilde. »Wij weten onze beroeping naar Thebe op prijs te
stellen,” zeide Toeauf, de oudste der twee priesters, die uit Chennoe
naar het Seti-huis was overgeplaatst, en wiens leerbrief[32] in de
scholen dikwijls werd geraadpleegd. »Aan den eenen kant brengt zij ons
in de nabijheid van den pharao wien de godheid leven, heil en gezondheid
geve! Aan den anderen kant schenkt zij ons de eer in uw kring opgenomen
te worden. Ofschoon ook het college van Chennoe in vroeger tijd menig
beroemd man tot de zijnen rekende, en het voorrecht had dien in zijne
scholen te vormen, zoo kan het tegenwoordig toch niet meer met het
Seti-huis wedijveren. Zelfs Heliopolis en Memphis moeten voor u de vlag
strijken. Indien ik mij desniettemin in alle nederigheid en vol goeden
moed durf scharen in de rij van zooveel groote mannen, dan is het omdat
ik uw welslagen toeschrijf èn aan de goddelijke kracht, die in uw tempel
werkt, en ook mijne zwakke pogingen zal ondersteunen, èn aan uwe groote
bekwaamheden zoowel als aan uwe inspanning. Aan de laatste zal het hoop
ik, ook mij niet ontbreken. Reeds zag ik den opperpriester Ameni. Welk
een man! Wie kent uw naam niet Gagaboe; wie niet den uwen, Meriapoe!”

      [32] Sommigen zijn bewaard gebleven.

»En wie uwer,” vroeg de andere nieuweling, »mogen wij begroeten
als den dichter van de schoonste hymne aan Amon, welke ooit in het
sykomoren-land gezongen is? Wie uwer is Pentaoer?”

»Die ledige stoel daar ginds,” gaf Gagaboe ten antwoord, wijzende op een
zetel aan het benedeneinde, »staat op hem te wachten. Hij is de jongste
van ons allen, maar eene schoone toekomst wacht hem.”

»En niet minder zijne gezangen,” voegde de oudste der uit Chennoe
gekomen geleerden er bij.

»Zonder twijfel,” sprak de eerste voorzitter der Horoscopen[33], een
bejaard man met een vervaarlijken grijzen kroeskop, die te zwaar scheen
voor zijn dunnen hals, waarschijnlijk zoo lang uitgerekt, omdat zijne
dagelijksche bezigheden was naar teekenen uit te zien. »Zonder twijfel,”
zeide hij, terwijl zijne oogen in hunne hooggewelfde kassen van
fanatisme vonkelden, »hebben de goden onzen jongen vriend rijke gaven
verleend. Doch wij zullen nog moeten afwachten hoe hij ze gebruiken
zal. Ik heb bij dezen jongeling zekere ongebondenheid van den geest
opgemerkt, die mij doet vreezen. Wanneer hij dicht, dan blijft zijne
buigzame taal wel binnen de voorgeschreven vormen, maar zijne gedachten
gaan blijkbaar veel verder. In zijn hymne, die ook voor de ooren des
volks bestemd is, vind ik uitdrukkingen, die men met den naam van
verraad aan de mysteriën zou kunnen bestempelen, niettegenstaande nog
zoo weinige maanden zijn voorbijgegaan, sedert hij ze bezworen heeft.
Daar zegt hij, en wij zingen het hem na en de leeken hooren het:

    Eenig zijt Gij, Gij Schepper der wezens
    En alleen Gij, die ’t al maakt wat geworden is.

En verder:

    Hij is eenig, alleen, zonder gelijken,
    Wonende in het Allerheiligste[34].

      [33] Leden van eene priesterorde in de Egyptische hiërarchie,
      die zich met de studie der hemellichamen, tijdrekenkundige
      verklaring van uurteekens, enz. bezig hield.

      [34] Uit de hymne van Amon, bewaard op een papyrus, die te
      Boelaq aanwezig is. Grebaut en L. Stern hebben dien verklaard.

Zulke plaatsen moesten niet openlijk gezongen mogen worden, allerminst
in een tijd als de onze, nu er toch reeds zooveel nieuwigheden uit den
vreemde binnendringen, als de sprinkhaanzwermen die uit het oosten
komen.”

»Dat is mij uit het hart gesproken!” riep de schatmeester des tempels.
»Ameni heeft dezen jongeling te vroeg in de mysteriën ingewijd.”

»Op voordracht van mij, zijn leermeester,” zeide Gagaboe. »Ons
gezelschap mag trotsch zijn op een medelid, dat den roem van onzen
tempel zoo schitterend verhoogt. Het volk hoort zijne hymnen, maar
dringt niet door tot den diepen zin zijner woorden. Ik zag de leeken
nooit zoo aandachtig, als toen het diep gevoelde en schoone loflied
gezongen werd bij het feest van den trap[35].”

      [35] Een groot feest, dat bijzonder luisterrijk werd gevierd in
      de Nekropolis, in den tempel van Medinet Haboe.

»Pentaoer was sedert lang uw lieveling,” riep de voorzitter der
Horoscopen. »Vele dingen, die ge u van hem laat welgevallen zoudt gij
anderen niet veroorloven. Zijne hymne is in mijn oog en ook dat van
anderen een gevaarlijk gewrocht. Of kunt gij loochenen, dat er grond
bestaat om ernstig bezorgd te zijn; dat wij dingen zien gebeuren en
veranderingen plaats grijpen, die ons in den weg treden, en eindelijk
ons te machtig zullen worden, wanneer wij ze niet onverbiddelijk
bestrijden, zoolang het nog tijd is?”

»Gij draagt zand in de woestijn en strooit suiker op den honing,” hernam
Gagaboe, en zijne lippen begonnen te beven. »Er is thans niets meer
zooals het wezen moest, en wij zullen hard moeten vechten, niet met
zwaarden, maar hiermede en daarmede” ― en de levendige man sloeg zich
terwijl hij dit zeide op het voorhoofd en den mond. »Wie is er hier en
dáar beter toegerust dan mijn leerling? Hij zal een voorvechter zijn
voor onze zaak, een tweede Hor Hoet, die als gevleugelde zonneschijf den
booze ter aarde wierp. Daar komt gij nu en wilt hem de vleugels binden,
en zijne klauwen afsnijden! Ach, Ach! Kunt gij mannen dan nooit leeren
begrijpen, dat een leeuw harder brult dan een kater, en de zon helderder
schijnt dan eene traanlamp? Laat mijn Pentaoer ongemoeid, zeg ik u,
anders handelt gij als de man, die zich als vrees voor tandpijn de
gezonde tanden liet uittrekken. Helaas! wij zullen in de eerst volgende
jaren wat te bijten krijgen, dat de stukken vleesch eraf vliegen en het
bloed stroomt, wanneer wij niet willen beleven, dat men ons opeet.”

»De vijand is ook ons niet onbekend gebleven,” zeide de Chennoe-priester
Toeauf, »niettegenstaande wij aan de afgelegen zuidelijke grens des
rijks veel van ons verwijderd kunnen houden, wat in het noorden als een
kanker aan ons lichaam knaagt. Het vreemde wordt hier ternauwernood meer
voor onrein en typhonisch[36] gehouden.”

      [36] Wat Typhon of Seth toebehoort.

»Ternauwernood?” riep de voorzitter der Horoscopen. »Het wordt hierheen
gelokt, liefgekoosd en vereerd. Evenals stof, wanneer de heete
woestijnwinden waaien door de naden van een houten huis, zoo dringt het
door tot onze zeden en in onze taal[37]. Onze huizen, zelfs den tempel
sluipt het binnen, en op den troon van den navolger van Ra zetelt een
afstammeling....”

      [37] In geen tijdperk gebruikten de Egyptische schrijvers meer
      vreemde Semitische woorden, dan onder de regeering van Ramses II
      en zijn zoon Mernephtah.

»Vermetele!” zoo deed zich op eens de stem van den opperpriester hooren,
die juist de zaal was binnengekomen. »Bedwing uw tong en waag het niet
dien te gebruiken tegen hem, die onze koning is, en als plaatsvervanger
van Ra in deze landen den scepter voert.”

De voorzitter der Horoscopen zweeg en boog. Alle feestgenooten waren
inmiddels opgerezen om Ameni te begroeten, die hen vriendelijk en vol
waardigheid toeknikte. De opperpriester nam plaats op zijn zetel, en
zich tot Gagaboe wendende, vroeg hij kalm: ― »Ik zie dat gij in eene
stemming verkeert, die ons priesters weinig voegt. Wat verstoorde het
evenwicht uwer zielen?”

»Wij spraken over de nieuwigheden, die met alle geweld Egypte
binnendringen, en hoe noodig het wordt hieraan weerstand te bieden.”

»Gij zult mij in de eerste gelederen zien strijden,” zeide Ameni.

»Veel hebben wij reeds gedragen, doch er zijn nieuwe tijdingen uit het
noorden gekomen, die mij zeer verontrusten.”

»Hebben onze troepen eene nederlaag geleden?”

»Zij behielden het veld. Maar andere duizendtallen onzer landslieden
zijn in veldslagen en op marschen een offer des doods geworden. Ramses
vraagt nieuwe hulptroepen. De gids Paäker heeft mij een brief gebracht
van onzen ambtgenoot, die in de omgeving des konings is, en den
stadhouder een van den pharao zelven, het bevel inhoudende hem
vijftigduizend strijdbare mannen te zenden. Daar echter de geheele caste
der krijgslieden en alle troepen der verbonden volken reeds onder de
wapenen staan, moeten de onderhoorigen van den tempel, die onze akkers
bebouwen, worden gelicht en naar Azië gezonden.”

Bij het vernemen dezer woorden werden algemeen teekenen van afkeuring
gegeven. De voorzitter der Horoscopen stampvoette en Gagaboe vroeg: »Wat
denkt gij te doen?”

»Alles gereed te maken om het koninklijk bevel uittevoeren,” antwoordde
Ameni, »en onverwijld de hoofden van alle tempels in de Amonstad
tot eene raadsvergadering bijeen te roepen. Ieder moet in zijn
allerheiligste de godheid om wijze inzichten bidden. Hebben wij een
besluit genomen, dan zal het eerste zijn wat ons te doen staat, den
stadhouder op onze zijde te brengen. Wie was er gisteren tegenwoordig
bij zijne gebeden?”

»De beurt was aan mij,” zeide de voorzitter der Horoscopen.

»Volg mij na den maaltijd in mijne woning,” beval Ameni. »Maar waarom
mis ik onzen dichter in uwen kring?”

Op ditzelfde oogenblik verscheen Pentaoer in de zaal en verzocht, nadat
hij zich ongedwongen en waardig voor de dischgenooten, en diep voor
Ameni gebogen had, hem toe te staan den blinden Pastophoor Teta met den
arts Nebsecht naar het dochtertje van den Paraschiet te mogen zenden.
Ameni gaf een teeken van toestemming en voegde er bij: »Zij moeten zich
wat haasten. Paäker wacht hen aan de groote poort en zal hen met mijn
wagen wegbrengen.”

Zoodra Pentaoer de gasten verlaten had, sprak de oudere priester uit
Chennoe, terwijl hij zich tot Ameni wendde: »Waarlijk, heilige vader,
zoo en niet anders heb ik mij uw dichter voorgesteld. Hij gelijkt
den zonnegod en zijne houding is die van een vorst. Hij is gewis van
aanzienlijke afkomst?”

»Zijn vader is een eenvoudige hovenier,” antwoordde de opperpriester,
»die het land, dat hem door onzen tempel wordt toegewezen, ijverig en
goed verzorgt. Overigens munt hij niet uit door eene edele gestalte
en is hij vrij onbeschaafd. Hij zond Pentaoer reeds vroeg naar de
school[38]. De knaap had een voortreffelijken aanleg, en wij voedden
hem op tot hetgeen hij nu is.”

      [38] Het blijkt uit meer dan éen papyrus met zekerheid, dat ook
      de zonen van mindere lieden, in zooverre zij aan de gestelde
      bepalingen voldeden, in den priesterstand konden opgenomen
      worden. Afgeslotene casten, zooals de Indiërs, hadden de
      Egyptenaars niet.

»Welke ambten bekleedt hij hier in den tempel?”

»Hij geeft onderricht aan de oudste kweekelingen van de hoogeschool in
de spraakleer en de welsprekendheid. Hij is ook een uitmuntend waarnemer
van den sterrenhemel en de scherpzinnigste onder onze droomuitleggers,”
gaf Gagaboe ten antwoord. »Doch daar is hij weder terug. Naar wien moet
Paäker onzen stamelenden chirurg en zijn medehelper heenbrengen?”

»Naar het dochtertje van den Paraschiet, dat overreden is,” sprak
Pentaoer. »Maar wat is die gids een ruw man! Mijne gehoorvliezen doen
nog pijn van zijn stemgeluid, en hij begroette onzen arts, alsof deze
zijn slaaf ware.”

»Hij was gemelijk over den last, dien de prinses hem opdroeg,” merkte
de opperpriester vergoelijkend op. »Het is echter jammer, dat ’s mans
oprechte vroomheid tot hiertoe zijn onvriendelijken gemoedsaard niet wat
heeft verzacht.”

»Dit is te meer te verwonderen,” bracht een bejaarde priester in het
midden, »daar zijn broeder, die mij tot zijn leermeester koos en ons
voor eenige jaren verliet een zeer beminnelijke jongen was, die zich
gemakkelijk liet leiden.”

»En zijn vader,” voegde Ameni er bij, »was een voortreffelijk man, kloek
in het handelen, en daarbij zeer vrijzinnig.”

»Zoo zal hij die kwade eigenschappen van zijne moeder geërfd hebben.”

»Ook dit is niet het geval. Zij is eene zachtaardige, voorkomende,
gevoelige vrouw.”

»Moet dan,” vroeg Pentaoer, »een kind, altijd op zijne ouders gelijken?
Men zegt toch dat de zonen van den heiligen stier nog nooit het heilig
teeken huns vaders hebben gedragen.”

»Derhalve, als Paäker’s vader een Apis was,” zeide Gagaboe, »dan
behoorde de gids naar uw oordeel, helaas, in een boerenstal te huis!”

Pentaoer sprak niet tegen, maar vervolgde lachend: »Hij is zichzelf
gelijk gebleven, sedert hij de schoolbanken verliet, toen zijne makkers
hem wegens zijne stugheid den woudezel noemden. Hij was sterker dan de
meesten hunner, en toch kenden zij geen grooter genot, dan hem woedend
te maken.”

»Kinderen zijn onmeedoogend,” sprak de opperpriester. »Zij letten alleen
op de uitwendige verschijnselen en vragen nooit naar hunne oorzaken. De
gebrekkig ontwikkelde is in hun oog even schuldig als de trage, en
Paäker had geene eigenschappen, die hem aanspraak konden geven op
hunne toegevendheid. Ik ben een voorstander” ― en Ameni richtte bij
deze woorden zijn oog op de priesters van Chennoe ― »van vrijheid en
vroolijkheid onder onze kweekelingen, legt men hunne jeugdige dartelheid
aan banden, dan verlamt men juist hetgeen ons bij de opvoeding het meest
te stade komt. De uitspattingen van de neigingen en driften der knapen
kunnen het zekerst en het minst pijnlijk worden uitgeroeid bij hunne
wilde spelen. De schoolknaap is de beste opvoeder van zijne makkers.”

»Doch Paäker,” merkte de priester Meriapoe aan, »is door den overmoed
zijner medescholieren niet beter geworden. In voortdurenden strijd met
hen is die onhandelbaarheid steeds toegenomen, waardoor hij een schrik
is van allen die onder hem gesteld zijn, en vele harten van hem
vervreemd.”

»Hij was de ongelukkigste van het groot aantal jongens,” vervolgde Ameni
weder, »dat aan mijne zorg werd toevertrouwd, en ik meen de oorzaak er
van doorgrond te hebben. Hij miste den eenvoudigen kinderzin, toen hij
naar zijn leeftijd nog kind was, en de godheid onthield hem de hemelsche
gave der onbedachtzaamheid. De jeugd moet met weinig tevreden zijn, en
hij deed reeds van kindsbeen allerlei hooge eischen gelden. De grappen
van zijne medeleerlingen nam Paäker in ernst op, hunne scherts hield hij
voor dwaasheid, hunne plagerijen voor bewijzen van vijandschap, en zijn
vader, die op het punt van opvoeding zeer bekrompen was, prikkelde hem
tot tegenstand, in plaats van hem te leeren toegeven, meenende dat hij
op deze wijze zich zou harden tot het leven vol strijd en inspanning van
een Mohar.”

»Ik heb dikwijls hooren gewagen van de daden van zulk een Mohar”[39],
zeide de oudste der Chennoe-priesters. »Toch weet ik niet juist wat zijn
ambt van hem vordert.”

      [39] Wij kennen de zware taak van den Mohar (held) en zijne
      verplichtingen nauwkeurig uit den papyrus-Anastasi I in het
      Britsch Museum, voortreffelijk uitgegeven door F. Chabas in
      zijne =Voyage d’un Egyptien=.

»Hij moet,” antwoordde Gagaboe, »met eene keurbende van onverschrokken
manschappen het vijandelijk land doorkruisen, ten einde zich op de
hoogte te stellen van den aard en het aantal der bevolking, alsmede de
richting van bergen en dalen en den loop der rivieren onderzoeken. De
waarnemingen, zorgvuldig door hem opgeteekend, moet hij den bestuurder
der oorlogszaken[40] overhandigen, die daarnaar de marschen zijner
troepen regelt.”

      [40] Men kan hem met onzen minister van oorlog vergelijken.
      Reeds in den vroegsten tijd komt deze waardigheid op de
      gedenkteekenen voor.

»Derhalve moet de Mohar wel zeer knap zijn, èn als krijgsman èn als
schrijver.”

»Juist; en Paäkers vader is niet alleen een held maar tevens een
schrijver geweest, wiens duidelijke berichten, die blijken droegen van
groote kennis van zaken, ons in staat stelden het land dat hij doorreisd
had te overzien, als beschouwden wij het van een bergtop. Hij was de
eerste, die den naam van Mohar ontving. De koning achtte hem zóo hoog,
dat hij alleen van hem en den bestuurder der krijgsaangelegenheden
bevelen had te wachten.”

»Behoorde hij tot een adellijk geslacht?”

»Tot een der oudste en edelste van het geheele land,” antwoordde de
voorzitter der Horoscopen. »Zijn vader was de dappere krijgsman Assa,
en nadat hijzelf tot groot aanzien was gekomen en vele schatten had
verworven, huwde hij de nicht van koning Hor-em-heb, die evengoed als de
stadhouder aanspraak op den troon zou hebben, wanneer niet de grootvader
van Ramses haar geslacht door geweld van de heerschappij had beroofd.”

»Pas op uw woorden,” zeide Ameni, den heftigen grijsaard in de rede
vallende. »Ramses I is en blijft de grootvader van den regeerenden
koning, in wiens aderen door zijne moeder het bloed vloeit van de echte
nakomelingen van den zonnegod.”

»Maar nog meer en zuiverder stroomt het door de aderen van den
stadhouder,” waagde de Horoscoop nog hiertegen in te brengen.

»Nochtans draagt Ramses de kroon,” riep Ameni, »en hij zal die dragen,
zoolang de goden het willen. Bedenk dat gij reeds grijze haren hebt,
en dat oproerige woorden gelijk zijn aan vonken, die met den wind
wegwaaien, doch wanneer zij ongelukkig terecht komen, ons huis in brand
kunnen steken. ― Geniet nu verder van den maaltijd, mijne vrienden,
alleen bid ik u dezen avond niet meer over den koning en de nieuwe
verordening te spreken. ― Gij, Pentaoer, vervul morgen stipt en met
wijs overleg mijn bevel!”

De opperpriester nam hierop van de gasten afscheid. Zoodra de deur
achter hem gesloten was, zeide de priester uit Chennoe, Toeauf: »Wat wij
zooeven omtrent den koninklijken wegwijzer, die zulk een gewichtig ambt
bekleedt, vernomen hebben, heeft mij niet weinig verwonderd. Munt hij
dan uit door bijzondere scherpzinnigheid?”

»Hij was een blokker die maar een middelmatigen aanleg bezat.”

»Is dan de waardigheid van Mohar erfelijk, evenals die van de vorsten
des rijks?”

»De hemel beware ons!”

»Maar hoe kon dan...?”

»Het gebeurde zooals het wel meer gaat,” viel de oude Gagaboe den vrager
in de rede. »De zoon van den wijngaardenier heeft den mond vol druiven,
en het kind van een portier weet de sloten met woorden te openen.”

»In elk geval,” voegde een oudere priester, die tot hiertoe gezwegen
had, er bij, »heeft Paäker zich als Mohar verdienstelijk gemaakt,
en bezit hij eigenschappen, die allen lof verdienen. Hij is taai
en onvermoeid, laat zich door geen gevaar uit het veld slaan, en
onderscheidde zich reeds als knaap door zijne vroomheid en groote
werkzaamheid. Wanneer de andere scholieren hun zakgeld naar de
fruitverkoopers en suikerbakkers aan de tempelpoort brachten, kocht hij
ganzen, en wanneer zijne moeder hem bijzonder rijkelijk met geschenken
bedacht, jonge gazellen, om die op het altaar neer te leggen voor
de hemelsche goden. Geen aanzienlijke des lands bezit een rijkere
verzameling van amuletten en godenbeeldjes. Ook nog heden moet hij onder
de godsdienstigsten worden gerekend, en de doodenoffers, die hij aan
zijn gestorven vader wijdt, zijn inderdaad koninklijk te noemen.”

»Wij zijn hem voor deze gaven dank schuldig,” zeide de schatmeester,
»ook is de wijze waarop hij zijn vader na diens dood vereert
buitengewoon, en kan niet genoeg worden geroemd.”

»Zeker doet hij zijn best,” zeide Gagaboe spottend, »dien vader in
alles na te volgen. Al heeft hij ook met den waardigen man geen enkelen
trek gemeen, zoo is hij toch langzamerhand wat op hem gaan gelijken,
maar helaas, gelijk een gans op een zwaan en een uil op een arend
gelijkt! Zijn vader was fier, hij is hoogmoedig; gene was streng maar
vriendelijk, deze is hard en ruw; de eerste onderscheidde zich door
waardigheid en volharding, deze is verwaand en onbuigzaam. ’t Is waar,
hij is godsdienstig en wij kunnen zijne gaven best gebruiken. De
schatmeester heeft reden zich hierover te verblijden, en de dadels van
een vergroeiden boom smaken zoo goed als van een rechten. Doch als ik
de godheid was, dan zou mij zijne vroomheid niet meer waard zijn dan de
veder van een hoppe. Want hoe ziet het er uit in het hart van hem, die
deze offers brengt, ach, hoe ziet het er uit! De storm en de wolken
staan onder het bestuur van Seth, en daar binnen, dáar, dáar” ― en de
oude priester sloeg zich op zijn breede borst, ― »dáar kookt en schuimt
het en er is geen plekje zoo groot als deze tarwekoek te vinden,
geen plekje van den helderen, blauwen hemel van Ra, zooals zich die
vriendelijk en rein moet afspiegelen in de ziel van den waarlijk vrome.”

»Hebt gij zijn hart doorgrond?” vroeg de Horoscoop.

»Zoo goed als dezen beker,” antwoordde Gagaboe, terwijl hij den rand
van de blanke schaal op zijn nagel drukte. »Sedert vijftien jaren
onafgebroken! Deze man heeft ons diensten bewezen; hij dient ons nog en
zal het verder doen. Onze artsen gebruiken ook bittere gal van visschen
en doodelijke vergiften als geneesmiddelen, en lieden van dit slag....”

»Het is haat die u zoo doet spreken,” viel de Horoscoop den opgewonden
grijsaard in de rede.

»Haat?” herhaalde deze, terwijl zijne lippen begonnen te beven.
»Haat?” ― en hij sloeg zich met de vuist op de breede borst. »Ja, hij
is geen vreemde gast in mijn ouden boezem. Doch, Horoscoop, open uwe
ooren, en gij anderen ook, gij allen moet mij hooren! Ik ken tweeërlei
soort van haat. De eene is die van den mensch tegen zijn evenmensch, en
deze heb ik gekneveld, gedood, verstikt, vernietigd, helaas, eerst na
een zwaren strijd! Voor jaren heb ik ook zijn bitterheid beproefd en
gedaan als de wespen, die, ofschoon zij weten dat zij er het leven
bij inschieten als zij steken, nochtans hun angel gebruiken. Vele
levensdagen zijn mij echter ten deel gevallen, namelijk om wijsheid te
leeren, en thans weet ik dat van alle driften, die ons hart bewegen, er
éene geheel aan Seth, dus gansch en al aan den booze behoort, en dat is
de haat jegens zijn evenmensch. De hebzucht kan tot vlijt aansporen, uit
zinnelijke begeerlijkheid nog eene edele vrucht geboren worden; maar de
haat is een verwoester, en in elk hart dat er van vervuld is groeit al
wat edel is, in plaats van naar het licht, naar beneden in het donker.
De godheid kan alles vergeven, alleen dien haat niet! ― Doch er is eene
andere soort van haat, die de hemelsche goden niet ongevallig is, en
die gij koesteren moogt, gelijk ik dien niet gaarne in mijn borst zou
missen; het is de haat tegen alles wat het licht verhindert door te
breken, wat aan het goede en reine in den weg staat, de haat van Horus
tegen Seth. De goden mogen mij straffen wanneer ik den gids Paäker,
wiens vader mijn vriend was, haat. Maar de geesten der duisternis mogen
dit oude hart uit mijn boezem scheuren, wanneer het geen afschuw gevoelt
van den onreinen hebzuchtigen offeraar, die het geluk dezer aarde van de
goden wil koopen voor schenkels van dieren en kannen met wijn, gelijk
men door loven en bieden een rok en een ezel verkwanselt, en wiens
ziel bewogen wordt door schandelijke drijfveeren. ― Ziet, Paäker’s
offeranden kunnen de goden niet meer verblijden, dan u, Horoscoop, een
kruik rozenolie, waarin schorpioenen, duizendpooten en giftige slangen
zwemmen. Langen tijd was ik getuige van de gebeden van dezen man, en
nooit hoorde ik hem smeeken om edele goederen, wel duizendmaal om het
verderf van menschen, die hij haat.”

»In de heiligste gebeden uit den ouden tijd,” sprak de Horoscoop,
»werden de goden toch wel aangeroepen, opdat wij den voet mochten zetten
op den nek onzer vijanden. Bovendien hoorde ik Paäker niet zelden met
innig gevoel bidden voor het welzijn zijner ouders.”

»Gij zijt een priester, een ingewijde,” riep Gagaboe, »en helaas, gij
weet niet of wilt niet weten, dat met de vijanden, om wier ondergang wij
bidden, slechts de demonen der duisternis en de buitenlandsche volken
die Egypte bedreigen zijn bedoeld? Paäker heeft voor zijne ouders
gebeden? Dat zal hij ook voor zijne kinderen doen, want zij zullen zijne
toekomst zijn, gelijk zijne ouders zijn verleden. Als hij eene vrouw
had, dan zouden ook haar zijne offers gelden, want zij zou de helft
uitmaken van zijn eigen bestaan.”

»En niettegenstaande dit alles,” hernam de Horoscoop Septah, »beoordeelt
gij den gids te hard. Hoewel hij onder een gelukkig gesternte geboren
werd, hebben de Hathors hem toch alles ontzegd, wat hem eene gelukkige
jeugd kon schenken. De vijand wiens ondergang hij afsmeekte, was
Mena, ’s konings wagenmenner. Inderdaad, hij zou bovenmenschelijk of
onmannelijk zwak gehandeld hebben, wanneer hij den man iets goeds had
toegewenscht, door wien hem de schoone vrouw werd ontroofd, die voor hem
was bestemd.”

»Hoe heeft zoo iets kunnen gebeuren,” vroeg een der priesters uit
Chennoe. »Eene verloving is immers heilig[41]?”

      [41] In den demotischen papyrus, die te Boelaq wordt bewaard en
      het eerst door H. Brugsch werd uitgegeven (de Roman van Setnau)
      heet het: „Is het niet de wet, die de een aan den ander
      verbindt?” Van bruiden wordt o. a. gewag gemaakt op den
      sarkofaag van Oennefer te Boelaq.

»Paäker,” antwoordde de Horoscoop, »hoe stijf overigens, was
hartstochtelijk verliefd op zijn nichtje Nefert, het aanminnigste meisje
uit geheel Thebe. Zij was de dochter van Katoeti, de zuster zijner
moeder, en hem als vrouw toegezegd. Hij was aan haar gehecht met geheel
zijne ziel. Daar werd zijn vader, dien hij begeleidde op al zijne
tochten, in Syrië doodelijk gewond. De koning stond aan het sterfbed van
den held, ving de laatste bede op van zijne lippen, en begiftigde Paäker
met zijn ambt. Deze bracht de mummie zijns vaders naar Thebe, liet dien
vorstelijk ter aarde bestellen, en moest, vóordat de rouwtijd ten einde
was, naar Syrië terug. Daar vond hij handen vol werk, want terwijl
de koning naar Egypte was teruggekeerd, moest hij het nieuwe gebied
doortrekken en opnemen. Eindelijk mocht ook hij het oorlogstooneel
verlaten, zich vleiende dat hij nu weldra met Nefert in het huwelijk zou
treden. Hij joeg zijne rossen bijna dood, om het doel van zijn smachtend
verlangen des te sneller te bereiken. Hoe bitter was hij teleurgesteld,
toen hij reeds in de Ramses-stad Tanis moest vernemen, dat de hem
toegezegde nicht de vrouw was geworden van een ander, den schoonsten
en dappersten in het leger, van den edelen Mena. Hoe kostbaarder het
voorwerp is, op welks bezit wij hadden gehoopt, des te rechtmatiger is
de toorn die ons bezielt tegen den man, die het ons betwist, ja het voor
zich weet te verkrijgen. Paäker had kikvorschenbloed in zijne aderen
moeten hebben, wanneer hij Mena dit vergeven had, in plaats van hem te
haten. De runderen, die hij onze goden ten offer heeft gebracht, om hun
wraak af te smeeken over den roover van zijn levensgeluk, zijn reeds bij
honderden te tellen.”

»Als gij ze hebt aangenomen,” hernam Gagaboe, »terwijl gij wist waarvoor
ze dienen moesten, dan hebt gij onverstandig en niet recht gehandeld.
Ware ik een leek, ik zou mij wel wachten eene godheid te dienen, die
zich voor loon laat vinden, om toe te geven aan de onreinste van alle
menschelijke driften. Nochtans, de alwijze geest, die liefderijk de
wereld regeert naar eeuwig wijze wetten, weet niets van alle deze
offers, wier geur alleen het reukorgaan van den booze prikkelt. De
schatmeester verheugde zich, zoo vaak men het gezonde blanke vee onze
stallen binnendreef, maar Seth wreef zich in de roode handen[42], toen
hij het aannam! Vrienden, ik heb de verwenschingen mede aangehoord,
die Paäker als spoeling, dat men den zwijnen voorzet, over onze reine
altaren heeft uitgegoten. De pest en etterbuilen, jammer en dood heeft
hij over Mena afgebeden, en de arme, lieve vrouw, wie ik het waarlijk
niet euvel kan duiden, dat zij aan een strijdhengst boven een nijlpaard,
aan een Mena boven een Paäker de voorkeur heeft gegeven, wenschte hij
onvruchtbaarheid en het bitterst zieleleed toe.”

      [42] Rood was de kleur voor Seth-Typhon. Het booze en
      schadelijke wordt ook in de papyrus-Ebers het roode genoemd.
      Roodharige menschen waren typhonisch.

»De hemelsche goden,” merkte de schatmeester op, »schijnen echter zijne
klachten niet zoo onbillijk gevonden te hebben, en het breken van zulk
eene verloving strenger op te vatten dan gij. Nefert heeft in de vier
jaren van haar huwelijk maar enkele weken het bijzijn van haar grooten
man genoten, en zij bleef kinderloos. Het is mij een raadsel, Gagaboe,
hoe gij, die gewoon zijt de verdediging op u te nemen van anderen,
waarover wij allen het doemvonnis uitspreken, een der grootste
weldoeners van onzen tempel zoo zonder eenige verschooning veroordeelen
kunt.”

»Het is voor mij minder mogelijk om te begrijpen,” hernam de oude, »hoe
gij, die anders zoo gaarne vonnist, dezen, juist dezen, ― noem hem zoo
ge wilt ― met zooveel ijver tracht vrij te pleiten.”

»Wij kunnen hem in dezen tijd niet missen,” zeide de Horoscoop.

»Toegegeven,” gaf Gagaboe hierop ten antwoord, terwijl hij zachter
begon te spreken. »Zelfs ik denk hem nog te gebruiken, evenals de
opperpriester sedert jaren van hem partij heeft getrokken in het belang
onzer zaak, die door gevaren wordt bedreigd. Ook een smerige weg is
goed, als hij tot het doel leidt. Voert ook de godheid ons niet vaak
door het kwade tot het heil? Maar moeten wij daarom het slechte goed
en het kromme recht noemen? Bedien u van den gids zooveel gij wilt,
vergeet echter niet, terwijl hij u door zijne gaven verplicht, hem te
beoordeelen naar zijne gevoelens en daden, wanneer gij althans aanspraak
wilt maken op den naam van ingewijden en verlichten. Laat hem al zijn
vee naar den tempel drijven en al zijn goud in onze schatkamer werpen,
maar bezoedel u niet door de gedachte, dat offers met zulk een hart en
zoodanige handen der godheid welgevallig zijn! Voor alles,” ― en er was
oprechtheid en hartelijkheid in den toon, waarop de grijsaard deze
woorden uitsprak, »voor alles: spiegelt den man, die zoo jammerlijk
dwaalt, toch niet voor, gelijk gij tot hiertoe hebt gedaan, dat hij op
den rechten weg is. Immers, mijne vrienden, het is uwe, het is ons aller
duurste plicht, de zielen dergenen, die zich aan ons toevertrouwen, op
te leiden, tot hetgeen waarlijk goed en recht is.”

»O mijn leermeester,” riep nu Pentaoer, »hoe beminnelijk zijt gij in uwe
gestrengheid!”

»Ik toonde u de afzichtelijke zweren van dezen man,” sprak de grijsaard,
terwijl hij opstond en zich gereed maakte de zaal te verlaten, »uw lof
zal ze verharden, uwe berisping zal ze genezen. Overigens, verkiest
gij in dezen uw plicht niet te doen, weet dan, dat de oude Gagaboe op
zekeren dag zal komen met zijn mes; dat hij den kranke zal aangrijpen en
snijden.”

De Horoscoop had onder deze woorden van den grijsaard meermalen de
schouders opgehaald. Hij zeide nu, zich tot een der priesters uit
Chennoe wendende: »Gagaboe is een oude kitteloorige driftkop, en gij
hebt uit zijn mond eene predikatie gehoord, zooals men ze zeker ook
bij u wel houdt voor de jonge schrijvers, die tot zielzorgers worden
opgeleid. Hij meent het best, maar hij vergeet licht het groote ter
wille van het kleine. Ameni zal het u aan het verstand brengen, dat het
ook bij ons op tien, zelfs op honderd zielen niet aankomt, wanneer het
algemeen belang er mede gemoeid is.”




VIJFDE HOOFDSTUK.


De nacht, waarin de prinses Bent-Anat met haar gevolg aan de poort van
het Seti-huis had geklopt, was voorbijgegaan. De geurige frischheid van
den vroegen morgenstond werd reeds vervangen door een gloed, die het
donkerblauw onbewolkt hemelgewelf als eene sterk verhitte stalen klok
begon uit te stralen. Het menschelijk oog was niet meer in staat op te
zien naar dien kolossalen vuurbol in de hoogte, die zijn stralen deed
breken in het fijne blinkende stof, dat heen woei over de aan graven zoo
rijke helling van het gebergte, waardoor de doodenstad aan de westzijde
werd afgesloten. De kalkrotsen weerkaatsten een verblindend licht;
de atmosfeer trilde, gelijk de verhitte lucht boven een gasvlam; de
schaduwen werden steeds kleiner, maar des te scherper hare omtrekken.

Alle dieren, die wij aan den avond de Nekropolis zagen bevolken, hadden
zich in hunne schuilhoeken teruggetrokken. De mensch alleen trotseerde
den gloed van den zomerdag. Onverpoosd verrichtte hij zijn dagwerk, nu
en dan voor eenige oogenblikken zijn gereedschap uit de hand leggende,
om een weinig adem te scheppen, wanneer een verkwikkende luchtstroom uit
de richting van den sterk gezwollen vloed zijne slapen kwam afkoelen.
De haven, waar de vaartuigen die van het oostelijk-Thebe kwamen, gewoon
waren te landen, was opgevuld met feestelijk getooide barken en booten
voor het verkeer bestemd. De manschappen van die booten, roeiers
en stuurlieden van aanzienlijke afkomst, die tot den priesterstand
behoorden, namen een weinig rust, want de gasten, die zij hadden
overgezet, gingen thans in lange optochten naar de graven. Onder de
breede schaduw van eene sykomore had een koopman in eetwaren, geestrijke
dranken en azijn om het water te verkoelen, zijn tafel opgeslagen, en in
zijne nabijheid schreeuwden en kibbelden schippers en opzichters, die
druk in de weer waren met het mora-spel[43]. Ettelijke matrozen lagen te
slapen, deels op het dek hunner vaartuigen, deels aan den oever, hier
onder het weinig beschuttend bladerendak van een palmboom, dáar midden
in de zon, voor welker stralen zij zich wisten te beschutten door den
katoenen doek, die hun tot mantel diende, over het gezicht te trekken.
Tusschen dezen wandelden in lange rijen, éen voor éen achter elkaar,
bruine en zwarte lijfeigenen en slaven, gebogen onder zware lasten. Zij
droegen wat aan de tempels geleverd moest worden, de offergaven en de
waren, die door de handelaars in de Nekropolis waren besteld. Metselaars
trokken op sleden de vierkante steenblokken, die uit de groeven
van Chennoe en Soean[44] waren aangekomen, naar de plaats waar de
grondslagen waren gelegd voor een nieuwen tempel. Eenige handlangers
goten water onder de sleden, opdat het zwaar belaste uitgedroogde hout
niet door de wrijving mocht ontvlammen. Al deze werklieden werden door
een opzichter met stokken voortgedreven. Allen zongen bij den arbeid zoo
goed zij konden, doch ook de stemmen dergenen die den toon aangaven,
hoewel zij zich des avonds luid genoeg deden hooren, wanneer na een
sober maal de tijd der rust was aangebroken, klonken thans dof en
heesch. De schier verdroogde stembanden weigerden tegen den middag hun
dienst. Dichte zwermen van muggen volgden en plaagden de arme schepsels,
die echter even ongevoelig schenen te zijn voor de steken der
insekten als voor de slagen hunner aanvoerders. De hitte bleek al hun
weerstandbiedende kracht te hebben gebroken. Als de muggen in het midden
van de doodenstad hen verlieten, kwamen de vliegen en wespen, die bij
duizenden gonsden rondom de slachtbanken, gaarkeukens, vischbakkerijen
en de winkels waar vleesch, groenten, honig, gebak en drank te koop
werden geboden. Het ging daar levendig toe, niettegenstaande de
zonnegloed tegen den middag ondraaglijker werd, en de sterk verhitte
lucht, verzadigd van stof en allerlei geuren, de ademhaling schier
belemmerde.

      [43] Het Latijnsche „micare digitis.” Een der spelers steekt met
      eene snelle beweging enkele vingers op, en de anderen moeten het
      aantal raden. Het was een geliefd spel der Egyptenaars, dat
      telkens op afbeeldingen voorkomt. Nog wordt dit vingerspel door
      de volken van Zuid-Europa dikwijls gespeeld. De voorstellingen,
      zooals wij ze op de gedenkteekenen vinden, heeft Minutoli
      weergegeven in de =Leipziger Illustr. Zeitung=, 1852, s. 331, ff.

      [44] Het Syëne der Grieken, tegenwoordig Assoean, bij den
      eersten waterval.

Hoe dichter men de Libysche bergen naderde, des te stiller werd het.
In het breede noordwestelijke dal, aan welks zuidelijke helling de
vader van den thans regeerenden koning eene diepe grafkamer had doen
uithouwen, en waar de steenhouwers reeds bezig waren een rotsgraf voor
den tegenwoordigen pharao in gereedheid te brengen, heerschte de rust
des doods. Een pas aangelegde rijweg voerde naar deze rotskloof met haar
steile gele en bruine wanden, waarop de zon enkele plekken had zwart
gezengd, en die als de in den nacht uit de graven opstijgende geesten,
van hun schaduw schenen beroofd te zijn. Rotsblokken vormden aan den
ingang van dit dal eene soort van poort. Ondanks de middaghitte, ging er
op dit oogenblik eene kleine schaar van meerendeels schitterend gekleede
menschen doorheen. Vier opgeschoten knapen of jongelingen liepen
vooruit. Hunne eenige kleeding bestond in een om de lendenen geslagen
schort en een met gouddraad doorwerkten hoofddoek, die tot den rug
afhing. De zonnestralen spiegelden zich in de gladde, roodbruine,
vochtige huid van deze stafdragers, wier veerkrachtige naakte voeten
nauwelijks met de steenen van den bodem in aanraking schenen te komen.
Zij werden gevolgd door een sierlijken tweewielige wagen, waarvoor twee
bruine paarden lustig draafden, terwijl roode en blauwe vederbossen op
hunne koppen wiegelden. Hunne edele houding, de fiere buiging van den
hals en de rustelooze beweging der staarten scheen te verraden, dat
zij trotscher waren op de rijk met zilver, blauw en purper bestikte
schabrakken en de gouden sieraden die hen tooiden, dan op de schoone
koninklijke maagd, Bent-Anat, de dochter van Ramses, wier kleine hand
hen leidde met bijna onmerkbare bewegingen, terwijl het minste geluid
uit haar mond hen de dunne ooren deed opsteken. Twee jonge mannen,
gekleed als de voorloopers, volgden den wagen, en beschermden het gelaat
van hun gebiedster tegen de zonnestralen met breede aan lange stokken
bevestigde waaiers, die uit sneeuwwitte struisvederen waren saamgesteld.

Zoolang de breedte van den weg het toeliet, werd Nefert, de gemalin van
Mena, in haar vergulden draagstoel aan de zijde van Bent-Anat gedragen
door acht roodbruine mannen, die in snellen regelmatigen loop niet
gewoon waren onder te doen voor de dravende rossen en de slanke
waaierdragers. Beiden vrouwen, die wij nu voor het eerst in het volle
daglicht kunnen beschouwen, waren buitengemeen schoon, maar elke op
eene andere wijze. De vrouw van Mena zag er nog uit als een meisje.
Onder de lange wimpers keken een paar groote ovale oogen uit, nu eens
met verwondering, dan weer droomerig. Hare nauwelijks middelmatige
goedgevormde gestalte was meer gevuld geworden, zonder iets van hare
vroegere sierlijkheid te verliezen. Er vloeide geen drupje bloed in
hare aderen, dat niet zuiver Egyptisch was, gelijk blijken kon uit de
donkere huidkleur van frisch en gelijkmatig incarnaat, die het midden
hield tusschen helder goudgeel en donkerbruin, welke kleur nog heden
de Abessinische meisjes zoo schoon staat. Ook haar rechte neus, haar
schoongevormd voorhoofd, haar gladde ravenzwarte haren, benevens de
fijnheid der met gouden banden getooide polsen en enkels, waren hiervoor
onloochenbare bewijzen. De maagdelijke koningsdochter daarentegen had
ter nauwernood den leeftijd van negentien jaren bereikt; toch spraken
houding en gelaat van meer vrouwelijk zelfbewustzijn. Zij was bijna
een hoofd langer dan hare vriendin. Haar huidkleur was lichter. In den
opslag harer goedige heldere blauwe oogen lag iets dweperigs, maar ook
kloek verstand en vaste wil. Zij had een edel fijn besneden profiel,
zóo gelijk aan dat haars vaders, als een schoon landschap in den zachten
maneschijn, die de scherpe lijnen afrondt, vergeleken bij hetzelfde
landschap in den helderen middagglans. Haar zacht gebogen neus was het
erfdeel harer Semitische voorouders[45] en hetzelfde mocht ook gelden
van haar dicht zachtgolvend donkerbruin hoofdhaar dat nu door een zijden
doek met blauwe en witte strepen was gedekt. De zorgvuldig gelegde
plooien werden saamgehouden door een gouden band, in het midden waarvan
de met een robijnen schijf gekroonde kop van een gehoornde Uraeusslang
prijkte[46]. Van den linkerslaap van het hoofd hing eene zware met
gouddraad doorweven vlecht tot op de borst af, als teeken van hare
vorstelijke geboorte. Zij droeg een purperen kleed van bijna doorzichtig
fijn weefsel, dat door een gouden gordel en breede draagbanden werd
opgehouden. Om haar hals hing, gelijk een breede kraag, een halsband van
paarlen en kostbare edelgesteenten, die neerviel op haar schoon gevormde
borst. Achter de prinses stond haar wagenmenner, een oud krijgsman van
aanzienlijke afkomst.

      [45] Er zijn van Ramses vele portretten bewaard gebleven, het
      schoonste is wel zijn voortreffelijk standbeeld, dat te Turijn
      wordt bewaard. In dat profiel, met den schier onmerkbaar gebogen
      neus, heeft men eenige gelijkenis met Napoleon meenen te zien.

      [46] Een gevaarlijk soort van giftslangen in Egypte. Wegens hun
      snelwerkende macht over leven en dood, werden zij gekozen tot
      koninklijk symbool. De Uraeusslang wordt aan geen diadeem der
      pharao’s gemist.

Achter de vorstelijke vrouwen nu volgden drie draagstoelen met
hofbeambten, twee in elke, en verder een twaalftal slaven, gereed om te
helpen, zoo vaak dit noodig mocht zijn. De trein werd gesloten door een
troep stokdragers, ten einde de tragen voort te drijven, en door eenige
lichtgewapende, slechts met een schort en een hoofddoek gekleedde
soldaten. Zij droegen in den gordel een zwaard, dat veel op een dolk
geleek, eene bijl in de rechter en, ten teeken dat zij enkel in vrede
dienst deden, een palmtak in de linkerhand. Kleine meisjes in lange
wijde kleederen zwermden om den stoet, die in snellen draf voortijlde,
gelijk dolfijnen om een zeeschip. Zij droegen waterkruikjes op de
schrandere kopjes, om op een wenk bij de hand te zijn, zoodra iemand
verlangde te drinken. Met de vlugheid van gazellen vlogen zij vaak de
dravende paarden vooruit, en het was de moeite waard bij de grootste
onder haar de sierlijke buiging op te merken van den arm, die de kruik
in evenwicht hield. De hovelingen, die evenzeer door luchtige waaiers
werden overschaduwd en afgekoeld, zoodat de middaghitte zich bijna niet
deed gevoelen, spraken onder elkander met rustige langwijligheid over
onverschillige onderwerpen. De prinses beklaagde hare paarden, die
voortdurend werden geplaagd door lastige horsels, terwijl voorloopers en
soldaten, de dragers van waaiers en draagstoelen, de kinderen met hunne
kruikjes en kuchende huisslaven, gedwongen waren onder de stralen der
middagzon hunne krachten zóo in te spannen in dienst hunner meesteres,
dat hunne pezen dreigden te springen en hunne longen te bersten.

Ter plaatse waar de weg wat breeder werd, waar aan de rechterzijde de
ingang was tot het sterk gebogen zijdal, waarin de laatste koningen van
het onttroonde koningshuis begraven waren, hield de trein eensklaps
stil, en wel op een teeken van Paäker, die de prinses te gemoet reed.
Hij mende zijne vurige zwarte Syrische paarden met zulk een stevige
hand, dat het bloedig schuim van hun gebit droop. Nadat de Mohar de
teugels aan een dienaar had overgegeven, sprong hij van den wagen en
zeide na de gewone plichtplegingen: »Hier, in dit dal is het nest van
dat afzichtelijk slag van menschen, waaraan gij, prinses, voornemens
zijt zulk een hooge eer te bewijzen. Vergun mij, dat ik als gids u
vooruitrijd. Wij zijn binnen weinige minuten aan ons doel.”

»Dan zullen wij te voet gaan,” zeide de prinses, »en ons gevolg hier
achterlaten.”

Paäker boog. Bent-Anat wierp haar wagenmenner de teugels toe en steeg
van den wagen. De vrouw van Mena en de hovelingen verlieten hunne
draagstoelen. Reeds maakten de waaierdragers en kamerheeren zich gereed
om hunne meesteres in het dwarsdal te geleiden, toen zij zich omwendde
en beval: »Gij blijft terug, allen; alleen Paäker en Nefert zullen met
mij gaan.”

De prinses vloog met haastige schreden over den effen bodem van de
rotskloof, waarin de zonnestralen schier loodrecht nedervielen; zij
matigde echter haren tred, zoodra zij bemerkte, dat de zwakkere Nefert
moeite had haar te volgen. Bij eene bocht van den weg bleef de Mohar
staan. Ook Bent-Anat en Nefert gingen niet verder. Geen van beiden had
gedurende deze wandeling een woord gesproken. Het dal was doodstil en
geheel verlaten. Op den uitersten rand van den loodrechten bergwand
aan de rechterzijde, zat eene lange rij gieren, bewegingloos, als had
de middaghitte de kracht hunner vleugels verlamd. Paäker maakte eene
buiging voor de dieren, die aan de groote godin van Thebe geheiligd
waren[47], en de beide vrouwen deden zwijgend evenals hij.

      [47] De godin Moeth, die met Amon en Choensoe een trias
      uitmaakt. Het groote rijksheiligdom, de tempel van Karah, was
      haar gewijd.

»Dáar,” sprak Mohar kortaf, terwijl hij met den vinger wees op twee
hutten, die vlak tegen den linkerwand van het dal uit tegels van
gedroogd Nijlleem waren gebouwd, »dáar, die er het best uitziet, naast
die rotsholte.”

Bent-Anat liep met een kloppend hart naar deze stulp. Paäker liet de
vrouwen vooruitgaan. Nog weinige schreden en zij stonden voor een
heining, ruw uit rietstaven, palmtakken, doornstruiken en maïsstroo
saamgevlochten. Hartverscheurende jammerkreten, die uit de hut kwamen,
deden de lucht trillen, zoodat de vrouwen huiverden verder te gaan.
Nefert beefde en klemde zich vast aan hare vriendin, die sterker was,
ofschoon zij meende ook het hart der prinses sneller te hooren kloppen.
Beiden stonden enkele oogenblikken als aan den grond genageld; toen riep
de prinses den Mohar en zeide: »Ga gij ons voor in de hut.”

Paäker antwoordde, zich diep buigende: »Ik zal den man roepen. Wij
zullen het immers niet wagen zijn drempel te overschrijden? Gij weet dat
zulk eene daad ons verontreinigen zou.”

Nefert zag Bent-Anat smeekend aan; deze sprak echter op bevelenden toon:
»Ga mij voor, ik vrees zulk eene verontreiniging niet.”

De Mohar bleef nog altijd dralen, en vroeg: »Wilt gij de goden
vertoornen en u zelve....”

Doch de prinses gunde hem geen tijd om uit te spreken; zij wenkte
Nefert, die verbaasd een afwerend gebaar met de handen maakte, haalde
toen de schouders op, liet hare gezellin bij den Mohar achter, en trad
door eene opening in de heg een kleinen tuin binnen. Daar lagen een
paar bruine geiten; er stond een ezel met de voorpooten aan elkander
gebonden, en eenige kippen, die vruchteloos naar voeder zochten, liepen
het stof op te krabbelen. Weldra stond zij alleen voor de geopende deur
van de hut, waarin de Paraschiet woonde. Niemand merkte haar op, zij
echter kon hare oogen, aan pracht en orde gewoon, niet afwenden van dit
somber maar zoo eigenaardig tooneel, dat thans haar gansch en al boeide.
Eindelijk naderde zij de deur, die te laag was voor hare hooge gestalte.
Haar hart kromp ineen; zij had wel gewenscht zich te kunnen verkleinen
en onkenbaar maken door het gewaad van een bedelaar, in plaats van te
schitteren met prachtige sieraden. Of stond zij niet gereed met goud
en edelgesteenten behangen deze stulp te betreden, als om den arme te
bespotten, gelijk een tyran, die, terwijl hij zich zit te vergasten aan
tafels, die schier bezwijken onder den last der spijzen, den bedelaar
dwingt toe te zien? Het kon hare fijngevoelige ziel niet ontgaan, dat
hare verschijning aan deze plaats in bittere disharmonie was met hare
omgeving. Deze wanklank deed haar pijnlijk aan, want zij mocht zich niet
ontveinzen, dat ellende en uiterlijke geringheid hier het recht hadden
den boventoon te voeren, en dat al hare heerlijkheid geen bijzonder
verheven figuur zou maken onder al die nietigheden, te midden van stof,
rook en jammer, ja zeer onevenredig en ergerlijk zou uitsteken, gelijk
een reus onder dwergen. Zij was echter reeds te ver gegaan om terug te
keeren, hoe gaarne zij het ook gedaan had. Hoe langer zij in deze
hut keek, des te dieper gevoelde zij de onmacht van haar vorstelijk
vermogen, het onbeduidende der rijke gaven, die zij met zich bracht; des
te meer werd zij overtuigd, dat zij den stoffige bodem dezer armelijke
hut niet betreden mocht dan in alle deemoed en als eene die om
verschooning vraagt.

De ruimte, die zij gemakkelijk kon overzien, was laag, maar daarom
niet klein, en werd spaarzaam en zeer onregelmatig verlicht door twee
lichtstroomen, die elkander kruisten. De eene viel door de deur naar
binnen, de andere baande zich een weg door eene opening in de door
ouderdom zeer bouwvallige zoldering van het vertrek, dat zeker nog
nooit zoovele en zoo verschillende gasten had geherbergd als heden. De
aandacht van alle aanwezigen werd getrokken door eene groep, die bij het
deurlicht helder uitkwam. Op den stoffigen vloer zat eene oude vrouw
neergehurkt, met verweerde donkere gelaatstrekken en verwarde sedert
lang vergrijsde haren. Haar zwart-blauw katoenen kleed of hemd was van
voren open, en liet op de verdroogde borst eene blauwe getatoueerde ster
zien. Met hare handen steunde zij het in haar schoot rustend hoofd van
een meisje, dat met het slanke lichaam bewegingloos lag uitgestrekt op
een smallen versleten mat. De kleine blanke voeten van de kranke raakten
bijna aan den drempel van de deur. Naast haar zat op den grond een oud,
goedig man, slechts met een grof lendekleed bedekt. Hij scheen in
zichzelf gekeerd, doch nu en dan boog hij zich voorover, om de voetzolen
van het meisje met zijne magere handen te wrijven, terwijl hij zacht
eenige woorden bij zichzelf sprak. De kleine lijderes droeg niets dan
een kort rokje van grove helderblauwe stof. Haar gelaat was teeder en
regelmatig gevormd. Zij hield de oogen half gesloten, als kinderen,
wanneer een lieflijke droom hunne zielen vervult; doch van tijd tot tijd
trok zij de fijn besneden lippen smartelijk bijna krampachtig samen.
Dicht zacht rood-blond haar, waarin enkele verdorde bloemen hingen,
golfde ordeloos van haren schedel in den schoot der oude vrouw en tot
op de mat waarop zij nederlag. Hare blanke wangen waren door een blosje
gekleurd, en zoo vaak de jonge arts Nebsecht, die aan hare zijde zat
naast zijn blinden sombere litanieën zingenden metgezel, het gescheurde
doek, over haar maagdelijken door het wagenrad gekwetsten boezem gelegd,
oplichtte, of wanneer zij haar teederen arm omhoog hief, bleek het
duidelijk, dat zij in hare schitterend blanke huidkleur niet ongelijk
was aan de dochters van het Noorderland, die onder de krijgsgevangenen
des konings niet zelden naar Thebe kwamen.

De beide uit het Seti-huis hierheen gezonden heelmeesters zaten aan de
linkerzijde van het meisje op een klein tapijt. Van tijd tot tijd legde
de een of de ander zijn hand op de plaats van het hart der lijderes, of
beluisterde hare ademhaling, of opende het medicijnkastje, om de compres
op de wond met een witachtig geneesmiddel te bevochtigen. In wijderen
kring, dicht bij de wanden van het vertrek, hadden zich eenige jongere
en oudere vrouwen op den grond neergezet. Het waren de vriendinnen van
het Paraschieten-gezin, die nu en dan door gillende jammerkreten te
kennen gaven, hoe diep hun medelijden was. Een van haar stond bij
regelmatige tusschenpoozen op, om een aarden bekken naast de artsen, met
frisch water te vullen. Zoo vaak de kou van eene nieuwe compres de heete
borst van de kranke deed huiveren, sloeg zij de oogen op, richtte ze
eerst als verwonderd, daarna met vromen eerbied naar een bepaald punt,
om ze echter terstond weder voor een langen tijd te sluiten. Deze
blikken waren tot hiertoe niet opgemerkt door hem, wien ze golden.

Pentaoer stond in zijn lang wit priesterkleed geleund tegen den
rechterwand, wachtende op de komst der prinses. Met zijn schedel raakte
hij bijna de zoldering van het vertrek, en de smalle lichtstralen, die
door de gleuf in de zoldering naar binnen vielen, verlichtten juist
zijn welgevormd hoofd en zijne borst, terwijl alles wat hem omgaf in
schemerachtig donker was gehuld. Wederom sloeg de kranke de oogen op en
ditmaal ontmoette zij den blik van den jongen priester, die terstond
zijn hand ophief en half werktuigelijk met fluisterende stem eenige
woorden van zegen sprak. Maar aanstonds staarde hij weder onafgebroken
op den grond, geheel in zijne eigene gedachte verzonken. Eenige uren
geleden was hij reeds gekomen om, gehoorzaam aan het bevel van den
opperpriester Ameni, de prinses duidelijk aan het verstand te brengen,
dat zij zich bezoedelde door de aanraking van een Paraschiet, en alleen
door tusschenkomst des priesters hare reinheid terug kon erlangen. Met
tegenzin had hij den drempel van deze armzalige hut overschreden.
Loodzwaar drukte hem de gedachte, dat juist hij was gekozen om eene daad
van edele menschlievendheid te brandmerken, en de misdadige te verwijzen
naar den straffenden rechter. Pentaoer had door den omgang met zijn
vriend Nebsecht vele banden verbroken, die zijn geest knelden, en menig
denkbeeld in zich opgenomen, dat zijn meester zondig en oproerig zou
hebben verklaard. Toch had hij nog zekeren eerbied voor de heiligheid
der oude inzettingen, waardoor zij beschermd werden, die hij had leeren
beschouwen als de door de godheid zelve geroepene uitdeelers van
alle geestelijke zegeningen. Bovendien was hij niet vrij van zekeren
castentrots, van een geestelijken hoogmoed, die uit verstandige
berekening bij de priesters werd aangewakkerd. Hij stelde den gemeenen
man, die zijne lichaamskrachten inspant om door eerlijken arbeid het
brood voor de zijnen te verdienen, den koopman, den handwerker, den
boer, ja zelfs den krijgsman en vooral de leegloopers, die voor niets
anders leefden dan voor de bevrediging hunner zinnelijke lusten,
verre beneden de mannen van zijn stand, die streefden naar een hooger
geestelijk doel. Zij die door de wet als onrein gebrandmerkt waren,
hield ook hij voor zoodanig.

Kon het wel anders? Zij die bij het balsemen der afgestorvenen het lijk
openden, waren uit de maatschappij gebannen, omdat zij door dit hun
beroep zich vergrepen aan het lichaam, den heiligen tempel der ziel[48].
Men vergete echter niet, dat geen Paraschiet vrijwillig zijn beroep
koos. Het erfde van den vader over op den zoon, en wie als Paraschiet
was geboren, had geleerd, dat hij eene oude schuld moest boeten,
waarmede zijne ziel was bezwaard in eene vroegere periode, toen zij in
een ander lichaam huisde, en waardoor zij na den dood niet had zalig
gesproken kunnen worden. Die ziel had voortgeleefd in de lichamen van
allerlei dieren, om nu eindelijk eene nieuwe loopbaan te beginnen als
Paraschieten-kind, en straks zich opnieuw te stellen voor het aangezicht
van den rechter der onderwereld. Geen wonder dus dat Pentaoer met
weerzin het verblijf van den verachten man was binnen gegaan, die,
zoodra hij den priester zag naderen en zich nederzetten aan de voeten
van de kleine lijderes, met eenige verbazing had uitgeroepen: »Al weder
een in ’t wit gekleede! Wascht dan het ongeluk den onreine rein?”

      [48] Diodorus I, 91.

Pentaoer had den oude geen antwoord gegeven, en deze sloeg verder geen
acht op hem, want hij wreef de voetzolen van de zieke op bevel van den
arts, en vol teedere bezorgdheid bleven zijne handen onvermoeid in
gestadige beweging, als een scheprad, dat door den stroom der rivier
zonder ophouden wordt rondgewenteld.

»Wascht het ongeluk den onreinen rein?” vroeg Pentaoer zich af. »Zeker
oefent het een reinigenden invloed. Zou de godheid die aan het vuur de
kracht verleende om het metaal te louteren, en aan den wind het vermogen
om den hemel van wolken te zuiveren, wel gewild hebben, dat haar eigen
evenbeeld, een mensch, van zijne geboorte tot zijn dood, besmet moet
blijven met onuitwischbare vlekken?”

Hij zag bij die gedachte den Paraschiet eens aan, en ’s mans gelaat
scheen op dat van zijn vader te gelijken. Deze opmerking deed hem
schrikken. Doch toen hij waarnam, dat de vrouw in wier schoot het
hoofd van het arme meisje rustte, angstig als eene duif, die een havik
op haar ziet afkomen, zich over de gewonde borst van de kranke heenboog,
om haar ademhaling te beluisteren, zoo vaak deze scheen stil te staan,
begon hij zich eene ure uit zijne eigene kindsheid te herinneren, toen
hij, door de koorts aangegrepen, op zijn bedje had gelegen. Wat er in
dien tijd met hemzelf en in zijne omgeving was voorgevallen, had hij
lang vergeten. Maar éen beeld had een diepen indruk op zijne ziel
achtergelaten; het was dat zijner moeder, dat met den doodsangst op ’t
gelaat boven hem scheen te zweven, wier oogen zoo teeder en bezorgd op
haar kranken zoon hadden neergezien, als die der gevloekte vrouw op
haar lijdend kind.

»Daar is dan toch eene zelfverloochenende, volmaakt reine, waarachtig
goddelijke liefde,” zeide hij bij zichzelf, »en dat is de liefde van
Isis voor Horus, van de moeder voor haar kind. Indien deze menschen
werkelijk zóo onrein waren, dat alles wordt bezoedeld wat zij aanraken,
hoe zou dan dit zoo zuiver teeder en heilig gevoel bij hen zijne
reinheid en schoonheid kunnen bewaren? Maar,” zoo ging hij denkend
voort, »de hemelsche goden hebben toch ook de moederliefde gelegd in de
borst van eene leeuwin en van het typhonisch nijlpaard!”

Met weemoed beschouwde hij de Paraschieten-vrouw. Daar zag hij hoe haar
donker aangezicht zich van de lijderes afwendde. Zij had haar ademtocht
gehoord, en de rimpels van haar gelaat vertrokken zich tot een zaligen
glimlach. Zij knikte eerst den heelmeester en toen met een diepen zucht
haar man toe. De laatste hield zijne linkerhand niet van de voetzool
der kranke af, doch hij hief de rechter biddend omhoog, en zijne vrouw
deed hetzelfde. Het was Pentaoer als zag hij de zielen van die beiden in
heilige gemeenschap boven dat kind zweven, dat hunne handen in elkaar
legde; en wederom dacht hij aan het ouderlijk huis en de ure, waarin
zijn lief eenig zustertje gestorven was. Toen had zijne moeder zich
weenend op het bleeke kind geworpen, doch zijn vader stampvoette en
snikte, en sloeg zich met de vuist voor het voorhoofd. »Hoe stil
berustend en dankbaar zijn die onreinen toch,” dacht Pentaoer, en de
afkeer van de inzetting der vaderen begon in zijn gemoed wortel te
schieten. »Ja, de hyena’s kennen ook de moederliefde, maar de mensch,
die zijn geest richt op het edelste, kan alleen de godheid zoeken
en vinden. Tot aan de grenzen van het oneindige ― en de godheid is
eeuwig ― is den dieren het denkvermogen ontzegd; zij kunnen zelfs niet
lachen. De mensch kan het ook niet in zijne eerste levensdagen, want dan
woont er nog slechts levenskracht, een dierlijke ziel in hem. Weldra
openbaart zich in hem een deel der wereldziel, want het licht des
verstands begint te schemeren. Het komt allereerst te voorschijn in den
lach van het kind, die niet minder rein is als het licht en de waarheid,
waaruit zij voortkomt. De kleine van een Paraschiet lacht evenals elk
wezen uit eene vrouw geboren. Maar hoe weinig oude menschen zijn er
zelfs onder de ingewijden, die nog zoo rein en zalig kunnen lachen als
deze oude vrouw, die onder het bitterst leed is vergrijsd!”

Diep medelijden begon Pentaoers hart te vervullen. Hij knielde naast het
arme kind neder, hief zijne armen op en bad uit den diepsten grond van
zijn hart tot den Eenige, die den hemel had geschapen en de wereld
regeert, den Eenige, wiens naam het heilig mysterie hem verbood te
noemen! dus niet tot de tallooze goden die het volk vereerde, en
die voor hem niets waren dan vermenschelijkte en zoo voor de leeken
verstaanbaar gemaakte eigenschappen van dien éénen god der ingewijden,
waartoe ook hij behoorde. In hartstochtelijke beweging richtte hij zijn
hart tot God, doch hij bad niet voor het dochtertje van den Paraschiet
en hare genezing, maar voor het geheele geslacht dezer verworpelingen
en zijne verlossing van den ouden banvloek; hij bad dat er licht mocht
nederdalen in zijn twijfelend gemoed, dat hij kracht mocht ontvangen om
zijne moeielijke taak verstandig te volbrengen. De kranke volgde hem met
haren blik, toen hij zijne vroegere plaats weder innam.

Het gebed had den jongen priester goed gedaan en hem de blijmoedigheid
des geestes wedergegeven. Hij begon nu bij zichzelf te overleggen, welk
eene houding hij moest aannemen, als hij straks tegenover de prinses
zou staan. Hij had Bent-Anat gisteren niet voor het eerst ontmoet;
integendeel, dikwijls had hij haar in de Nekropolis gezien bij plechtige
optochten en hooge feesten, en evenals al zijne jeugdige medepriesters
hare trotsche schoonheid bewonderd, bewonderd evenals den glans
der onbereikbare sterren, of van het gloeiend avondrood aan den
verren horizon. Thans moest hij deze vrouw te gemoet gaan met eene
boetpredikatie. Hij stelde zich het oogenblik voor waarin hij
op haar zou toetreden, en kon niet laten daarbij aan zijn kleinen
leermeester Choefoe te denken, die hem als knaap uit de laagte zijne
terechtwijzingen toeriep, daar hij wel twee hoofden langer was dan het
manneke. ’t Is waar, hij was groot en slank, maar het scheen toch als
zou hij heden tegenover Bent-Anat de potsierlijke rol van zijn meester
vervullen. De komische snaar zijner ziel, die zeer gevoelig bij hem was,
werd nu aangedaan, en wilde ook gehoord worden, na zooveel uren van
hoogen ernst, terwijl zooveel treurigs hem omringde. Het leven is zoo
rijk aan tegenstellingen, en een mensch, die van nature bijzonder
vatbaar is voor indrukken, zou bezwijken, evenals een brug onder den
gelijkmatigen stap van soldaten, wanneer het gewicht van de verhevenste
gedachten en van een gevoel dat hem overweldigt, met onverstoorde
gelijkmatigheid op hem bleef werken. Maar evenals in de muziek elke
grondtoon zijn neventonen heeft, zoo trillen er ook andere snaren in
ons hart, wanneer wij eene enkele geruimen tijd doen klinken, en soms
zulke, waarvan wij dit het minst verwacht zouden hebben. Pentaoers
oogen dwaalden door het eenige sombere vertrek, waaruit de geheele
Paraschieten-hut bestond. De gansche ruimte was met menschen gevuld, en
op eens, als een bliksemstraal, vloog de gedachte door zijn hoofd: »hoe
zal de prinses met haar geheele gevolg hier plaats vinden?”

Pentaoer had eene levendige verbeeldingskracht, die bij deze gedachte
lustig aan het werk ging. Hij zag hoe de dochter van den pharao, met
eene schitterende kroon op het trotsche hoofd, niet zonder gedruisch
deze stille nederige woning binnenkwam; hoe de hovelingen haar volgden
onder druk gesnap, en de vrouwen van den muur, de artsen van de zijde
der kranke, ja zelfs de witte glimmende kat van de kast zouden dringen
waarop zij zat. Wat eene vreeselijke verwarring zou dat zijn! Daarbij
stelde hij zich voor, hoe de opgeprikte heeren en vrouwen zich op een
behoorlijken afstand zouden houden van den onreinen, hoe zij de poezele
handen stijf voor neus en mond zouden drukken, en den oude in het oor
bijten, op welke wijze hij zich te gedragen had jegens het koningskind,
dat zich verwaardigde hem te bezoeken. De oude moest het in haren schoot
liggend hoofd, de Paraschiet de voeten, die hij zoo zorgvuldig gewreven
had, loslaten en opstaan, om voor Bent-Anat het stof te kussen.
Daarbij ― het was of de jonge priester dit alles werkelijk zag
gebeuren ― weken de hovelingen angstig terug, vielen over elkander, en
verdrongen zich in een hoek van het vertrek. Eindelijk wierp de prinses
den vader, de moeder, mogelijk ook het dochtertje eenige zilveren en
gouden ringen in den schoot, en het scheen alsof de hovelingen daarbij
uitriepen: »Heil zij de genade van de dochter der zon!” en de uit de hut
gedrongen vrouwen daar buiten dien jubelzang herhaalden. Toen zag hij de
glansrijke verschijning de woning van den banneling weder verlaten, en
in plaats van de lieve kranke, die nog hoorbaar ademde, een roerloos
lijk liggen op de verschoven mat, en de twee die haar nu zoo trouw
verpleegden vervangen door ongelukkigen, die troosteloos van smart luide
klachten aanhieven.

Het vurig gemoed van den jongen priester ontvlamde in toorn na dit
visioen. Zoodra het geluid van den naderenden stoet zich werkelijk deed
hooren, zou hij zich plaatsen vóor den ingang van de hut, de prinses
beletten binnen te treden en haar met strenge woorden ontvangen. Wat
voerde haar hierheen? Menschenliefde kon het moeielijk zijn. »Aan het
hof heeft men wel wat afwisseling noodig,” dacht hij in zichzelf. »Men
zal verlangen naar wat nieuws, want er gebeurt zoo weinig, nu de koning
bij het leger is, ver in het buitenland. Door zich naast de kleinen te
plaatsen wordt de ijdelheid der grooten niet zelden geprikkeld, en men
hoort de lieden gaarne praten over zijne nederbuigende goedheid. Zulk
een nietig ongeval komt daar zoo recht van pas, en men acht het de
moeite niet waard te overwegen, of de manier, waarop men zijne genade
wil toonen, zulke armzalige lieden geluk zal aanbrengen of nadeel doen.”

Verbitterd stond Pentaoer zich op de lippen te bijten, bij deze
alleenspraak. Hij dacht niet meer aan de verontreiniging, die Bent-Anat
bedreigde van den Paraschiet, maar alleen aan de ontwijding van de
heilige gewaarwordingen, die binnen dit stille vertrek in veler zielen
opwelden, van harentwege. Nu hij zich had opgewonden tot fanatisme, was
er geen twijfel aan of het zou hem niet aan scherpe woorden ontbreken.
Gelijk een lichtgeest, die het zwaard opheft om een demon der duisternis
te treffen, stond hij daar in al zijne lengte met zwoegende borst,
en spitste de ooren, of hij ook eenig gerucht uit het dal vernam, om
bijtijds het geroep der voorloopers en het geratel der wielen van den
pronkwagen, dien hij wachtte, te hooren. Daar zag hij hoe de opening van
de deur werd verduisterd en eene sterk voorovergebogene menschelijke
gedaante, met de armen kruiselings over de borst, het vertrek betrad, om
zich, zonder een woord te spreken, naast de kranke neer te zetten. De
artsen en de oude man maakten eene beweging als wilden zij opstaan, zij
gaf echter, zonder de lippen te openen, met hare betraande oogen te
kennen, dat zij moesten blijven zitten. Lang zag zij de kranke aan met
liefdevollen blik, terwijl zij den blanken arm zachtkens streek met hare
hand. Eindelijk wendde zij zich tot de oude vrouw en fluisterde haar
toe: »Wat is zij schoon!”

De vrouw van den Paraschiet boog toestemmend. Het meisje scheen te
glimlachen en de lippen te bewegen, als had zij die woorden gehoord en
als wilde zij spreken. Op eens maakte Bent-Anat eene roos los uit haar
kapsel en legde die op de borst van de kranke.

De Paraschiet had de voeten van het kind geen oogenblik losgelaten. Toch
had hij elke beweging van de prinses gevolgd en sprak thans met zachte
stem: »Hathor, die u schoonheid gaf, moge u dit vergelden!”

De koningsdochter richtte zich nu tot hem en zeide, terwijl zij naast
het meisje geknield bleef: »Vergeef mij, dat ik tegen mijne bedoeling u
zooveel smart veroorzaak.”

De oude had deze woorden niet verstaan, of hij liet de voeten der kranke
los en vroeg met heldere luide stem: »Zijt gij Bent-Anat?”

»Ik ben het,” antwoordde de prinses met gebogen hoofd, doch nauwelijks
hoorbaar, als schaamde zij zich haar verheven naam uit te spreken.

De oogen van den Paraschiet schoten vuur. Na een oogenblik zeide hij
zacht, maar op stelligen toon: »Zoo verlaat dan mijne hut, want zij zal
u verontreinigen.”

»Neen, niet voordat gij mij vergeven hebt, wat ik zonder opzet heb
gedaan!”

»Zonder opzet gedaan,” herhaalde de Paraschiet, »dat geloof ik! De
hoeven uwer paarden werden zeker onrein, toen ze deze blanke borst
vertraden! Daar, zie!” ― en hij nam den doek weg en wees op de groote
roode wond, ― »ziehier, dit is de eerste roos, die gij mijne
kleindochter op den boezem hebt gelegd, en die tweede ― dáar!”

De Paraschiet had den arm reeds opgeheven om de bloem door de deur uit
zijn hut te smijten. Doch Pentaoer was op hem toegetreden en greep zijne
hand met zijn ijzeren vuist. »Halt!” riep hij met bevende stem, zich
zooveel mogelijk inhoudende om der kranke wil. »Hebt gij, omdat uw hart
zich zoo diep gekrenkt voelt, in uwe kortzichtigheid de derde roos niet
opgemerkt, die deze edele hand u heeft toegereikt? Toch is het geschied.
Gij moest haar kennen, al ware het enkel omdat gij allermeest behoefte
hebt aan deze bloem, ja smachtend naar haar verlangt. De fiere vorstin
heeft de vriendelijke bloem der reine menschenliefde uw kind op het
hart en u aan de voeten gelegd. Niet met goud maar met deemoed is zij
tot u gekomen, en wien de dochter van Ramses zóo als haars gelijke
nadert, hij buige zijn hoofd, al mocht hij ook de eerste vorst in
dit land zijn. Waarlijk, de goden zullen die daad van Bent-Anat niet
vergeten. Daarom vergeef haar, indien gij wilt dat u de schuld vergeven
zal worden, die gij draagt als erfdeel uwer voorvaderen en door uwe
eigene ongerechtigheid!”

Onder deze woorden had de Paraschiet het hoofd gebogen; toen hij het
weder ophief, was zelfs de laatste zweem van toorn uit zijn fijn gevormd
gelaat verdwenen. Hij wreef zijn pols, die nog den stevigen druk van
Pentaoer’s vingers voelde, en sprak met eene stem, waarin hij al de
bitterheid zijner ervaringen scheen te leggen: »Uwe vuist is hard,
priester, en uwe woorden treffen mij als mokerslagen. Deze schoone vrouw
is ook goed en liefderijk, en ik weet wel, dat zij haar paarden niet
opzettelijk over dit meisje heeft gejaagd, dat mijn kleinkind, niet
mijne dochter is. Ware zij de vrouw van u of van dezen arts, of wel een
kind van het arme schepsel tegenover mij, dat haar levensonderhoud moet
vinden door de vederen en de pooten op te zamelen van de vogels, die bij
de offeranden worden geslacht, ik zou haar niet alleen vergeven maar
haar troosten, want zij zou zich even ongelukkig gevoelen als ik. Het
noodlot had haar dan buiten haar schuld, tot eene moordenaresse gemaakt,
gelijk het mij reeds als zuigeling den stempel der onreinheid op het
voorhoofd heeft gedrukt. Ja, ik wilde haar troosten! En ik ben zoo
ongevoelig niet! Heilige Trias van Thebe[49], hoe zou ik het ook kunnen
zijn! Groot en klein gaat voor mij uit den weg, om niet met mij in
aanraking te komen. Dagelijks werpt men mij met steenen, wanneer ik
verricht heb, wat tot mijn ambt behoort[50]. Trouwe plichtsvervulling
geeft anderen niet alleen het dagelijksch brood, maar vreugde en eer
bovendien, terwijl mij telkens niet anders ten deel valt dan nieuwe
smaad en pijnlijke wonden. Doch ik ben op niemand boos; ik heb moeten
vergeven en weder vergeven en nog eens vergeven, tot eindelijk alles wat
men mij aandeed natuurlijk scheen en onvermijdelijk, zoodat ik het mij
liet welgevallen, als de brandende hitte in den zomer, en het stof dat
de westewind mij in het aangezicht waait. Aangenaam was het mij niet;
maar wat zou ik er tegen doen? Alleen vergeef ik....”

      [49] Amon, Moeth en Choensoe.

      [50] „Dan snijdt de Paraschiet met een Ethiopischen steen zoover
      door het vleesch van het lijk, als de wet voorschrijft. Terstond
      loopt hij echter in allerijl weg, en de aanverwanten van den
      gestorvene vervolgen hem met steenen en vloeken, als wilden zij
      de schuld op hem wentelen.” Diodorus, I, 91.

De stem van den Paraschiet was week geworden, en Bent-Anat, die innig
geroerd op hem neerzag, viel hem in de rede door vol gevoel te zeggen:
»Arme man! Vergeef dan ook mij!”

De grijsaard zag met voordacht niet haar maar Pentaoer aan, toen hij
antwoordde: »Arme man! Ja, dat zegt gij wel, arme man! Gij hebt mij
uit de maatschappij gebannen, waarin gij leeft, en zoo heb ik deze hut
ingericht tot eene wereld voor mij alleen. Ik behoor niet onder ulieden,
en als ik dat vergeet, verjaagt gij mij als een ongenoode gast, ja, als
een wolf, die in uwe schaapskooi inbreekt. Maar gij behoort evenmin bij
mij. Toch moet ik het verdragen, als gij den wolf wilt spelen en mij
overvallen.”

»Als eene smeekelinge echter, en met de heilige begeerte u goed te doen,
betrad de prinses uwe woning,” hernam Pentaoer.

»De straffende goden,” riep de oude, »mogen dit op hare rekening
afschrijven, wanneer zij haar doen misgelden, wat haar vader jegens mij
misdreven heeft. Misschien brengt het mij in de steengroeve, maar zeggen
wil ik het toch: zeven zonen heb ik gehad en Ramses heeft ze allen
van mij weggenomen en ter dood gevoerd. Het kind van den jongste, dit
meisje, de eenige zonneschijn in mijne sombere hut, wordt nu vermoord
door zijne dochter. Drie van mijne knapen liet de koning van dorst
versmachten onder den dwangarbeid aan den Thenat[51], die den Nijl met
de Schelfzee verbinden moest; drie liet hij vallen door het zwaard der
Ethiopiërs, en de laatste, mijn oogappel, is nu misschien een aas voor
de hyena’s in het Noorderland.”

      [51] Letterlijk: de doorsteek. Het eerste Suez-kanaal wordt
      bedoeld, dat door Seti I, den vader van Ramses, werd aangelegd,
      en waarvan wij nog eene afbeelding bezitten op den noordelijken
      buitenmuur van den tempel van Karnak. Het had ongeveer de
      richting van het door De Lesseps gegraven zoetwater-kanaal, en
      maakte het land van Gosen zoo bijzonder vruchtbaar. Mogelijk
      verbond het ook in noordelijke richting de meeren op de
      landengte van Suez.

Bij deze ontboezeming barstte de oude vrouw, in wier schoot het hoofd
der kranke nog altijd rustte, in luid gejammer uit. Ook de andere
vrouwen begonnen te klagen.

De kranke richtte zich met schrik overeind, opende de oogen en vroeg
zacht: »Over wien klaagt gij?”

»Over uw armen vader,” zeide de oude.

Toen begon het meisje te lachen, evenals een kind dat men uit aardigheid
misleiden wil, en sprak: »Is mijn vader dan nog niet bij u geweest? Hij
is toch hier in Thebe, en heeft mij gezien en gekust. Hij zeide mij dat
hij buit medebrengt, en dat gij het van nu aan goed zult hebben. Ik bond
den gouden ring, dien hij mij schonk, in mijn kleedje, juist op het
oogenblik dat de wagen op mij kwam aanrennen. Ik trok nog aan de knoop,
toen alles zwart werd voor mijne oogen en ik niets meer zag en hoorde.
Maak nu den knoop maar los, grootmoeder, die ring is voor u. Ik wilde
hem u brengen. Gij moet er een offerdier voor koopen en wijn voor
grootvader, en oogzalf[52] voor u en mastiktakken[53], die gij zoolang
hebt moeten missen.”

      [52] Egyptisch: Mestem, d.i. stibium of spiesglas, dat reeds
      zeer vroeg uit Azië in Egypte ingevoerd en algemeen gebruikt
      werd.

      [53] De takken van den mastikboom worden nog heden, om den
      aangenamen smaak, gaarne door de Egyptische vrouwen gekauwd. De
      oude Egyptenaars gebruikten allerlei soort van mondpillen. Men
      kan er recepten van vinden in den papyrus-Ebers.

Het was alsof de Paraschiet elk woord van de lippen zijner kleindochter
als kostbare paarlen opving. Wederom hief hij zijn rechterhand biddend
ten hemel, en wederom merkte Pentaoer op, hoe zijn blik samensmolt met
dien zijner vrouw. Een groote, heete traan welde in zijn oog en biggelde
langs zijne wang op de vereelte hand. Toen kromp hij weer pijnlijk
ineen, want hij meende, dat de kranke een droomgezicht had gehad.
Maar ― daar zat de knoop in haar rokje. Met bevende hand maakte hij
dien los, een gouden ring rolde op den grond.

Bent-Anat raapte dien op, reikte hem den Paraschiet over en zeide: »In
een gelukkig oogenblik ben ik tot u gekomen, want gij hebt een zoon
terug ontvangen en uw kleindochtertje zal leven!”

»Ja, zij zal leven!” herhaalde de arts, die de stomme getuige was
geweest van alles wat hier gebeurde.

»Zij zal bij ons blijven,” lispelde de oude en zeide, terwijl hij de
prinses op zijne knieën naderde en haar smeekend met zijne van tranen
vochtige oogen aanzag: »Vergeef mij, gelijk ik u vergeef, en wanneer
eene vrome wensch niet tot een vloek wordt op de lippen van een
verworpeling, laat mij u dan zegenen.”

»Ik dank u,” zeide Bent-Anat, terwijl de oude zegenend zijne handen
ophief. Zij wendde zich hierop tot den arts, beval hem de kranke
zorgvuldig te verplegen, boog zich over haar heen, kuste haar op het
voorhoofd, legde haar gouden armband naast het kind neder, en gaf
Pentaoer een wenk om met haar de hut te verlaten.




ZESDE HOOFDSTUK.


Terwijl dit alles in de hut voorviel, waren de gids des konings en de
jonge vrouw van den wagenmenner Mena gedwongen op de prinses te wachten.
De zon had juist haar middaghoogte bereikt, toen Bent-Anat den tuin
van den Paraschiet binnenging. De naakte kalkrotsen aan beide zijden
van het dal, en de zandige bodem daartusschen schitterden met zulk een
verblindende glans, dat het de oogen pijn deed. Er was geen handbreed
schaduw te zien, en de waaierdragers, ook van het tweetal dat hier moest
toeven, waren op bevel der prinses bij den wagen en den draagstoel
achtergebleven. Beiden stonden een tijdlang zwijgend naast elkander; ten
laatste zeide de schoone Nefert, terwijl zij hare ovale oogen vermoeid
opsloeg: »Wat blijft Bent-Anat lang bij dien onreine! Ik verschroei
hier. Wat zullen wij aanvangen?”

»Wachten!” sprak Paäker, keerde Nefert den rug toe, klom op een
rotsblok, dat aan een der wanden uitstak, deed met zijn geoefend oog,
dadelijk een verkenning, kwam tot haar terug en zeide: »Ik heb een
beschaduwd plekje gevonden. Dáar!”

De vrouw van Mena keek in de richting, waarin hij wees en schudde
ontkennend met haar kleine hoofd. De gouden sieraden van haar kapsel
klingelden daarbij even hoorbaar tegen elkander, en eene koude huivering
deed haar teeder lichaam beven, ondanks de gloeiende middaghitte.

»Sechet[54] woedt in den hemel,” sprak Paäker. »Maak gebruik van dit
schaduwrijk plekje, al is het klein. Op dit uur werd reeds zoo menigeen
doodelijk getroffen.”

      [54] De godin met den kop van eene leeuwin of kat, waarop
      meestal de zonneschijf met de slang is te zien. Zij wordt eene
      dochter van Ra genoemd en aan de kroon haars vaders is zij als
      Uraeus-slang de verpersoonlijking van den moordenden gloed der
      zon. In het menschelijk leven verbeeldde zij den gloeienden
      en wilden hartstocht der liefde. Als kat of met den kop eener
      leeuwin snijdt zij brandende wonden in de ledematen der
      schuldigen, zoodra zij in de onderwereld zijn. Hare geschenken
      zijn dronkenschap en zinnelijken lust. Zij wordt ook Bast, en
      naar hare Phoenicische zustergodheid Astarte genaamd.

»Dat weet ik,” antwoordde Nefert, en zij bedekte haar hals met hare
handen. Daarop richtte zij hare schreden naar twee rotsplaten, die tegen
elkander leunden als de bladen van een kaartenhuis. Dat was het bedoelde
plekje, maar weinige voeten breed, dat tegen de zon eenige beschutting
aanbood.

Paäker liep voor haar uit, wentelde een vierkant met vuursteen vermengd
blok kalksteen naar deze steenen tent, verpletterde eenige schorpioenen,
die hier eene schuilplaats hadden gezocht, en spreidde zijn hoofddoek
over deze harde zitplaats uit, zeggende: »Hier zijt gij beschut.”

Nefert zette zich op den steen neder en keek den Mohar na, die langzaam
en zwijgend voor haar op en neder ging. Dit onophoudelijk heen en weder
wandelen van haar metgezel werd ten laatste onverdraaglijk voor hare
gevoelige en overprikkelde zenuwen. Daarop riep zij, na het hoofd
ijlings te hebben opgeheven, dat tot hiertoe op haar hand had gerust:
»Wat ik u bidden mag, blijf toch staan!”

De gids gehoorzaamde terstond en keek naar het huis van den Paraschiet,
terwijl hij haar den rug toekeerde.

Na eenige oogenblikken pauze zeide Nefert: »Spreek toch een woord tot
mij!”

Toen draaide de Mohar zijn breed gezicht naar haar toe, en zij schrikte
van den wilden gloed, die haar tegenstraalde uit den blik waarmede hij
haar aanzag.

Nefert sloeg hare oogen neder. De gids antwoordde alleen: »Ik zwijg
liever.” Daarop zette hij zijne wandeling voort, totdat de vrouw van
Mena hem op nieuw toesprak.

»Ik weet,” zeide zij, »dat gij boos op mij zijt. Doch ik was nog maar
een kind, toen ze mij met u verloofd hebben. Ben ik dan niet goed voor
u geweest? Als uwe moeder mij bij onze kinderlijke spelen uw klein
vrouwtje noemde, was ik werkelijk blijde, en dacht ik hoe heerlijk het
zijn zou, wanneer ik uw huis, dat gij toch voor mij zoo prachtig deed
vernieuwen, toen uw vader gestorven was, en uw schoonen tuin, en uwe
edele paarden in uwe stallen, en al uwe slaven en slavinnen mijn
eigendom zou mogen noemen.”

Paäker lachte, maar die lach klonk zóo gedwongen en beleedigend, dat het
Nefert door de ziel sneed, en zij zacht voortging, op een toon alsof
zij om verschooning vroeg: »Het heet dat gij boos zijt op ons, en nu
verstaat gij mijne woorden zóo, alsof het mij om uwe rijke erfenis te
doen was geweest. Maar ik heb u immers reeds gezegd, dat ik altijd veel
van u hield. Herinnert ge u dan niet meer, hoe ik met u geweend heb om
de kwade jongens in de school, en om de strengheid, uws vaders? Toen
stierf uw oom ―; gij zijt naar Azië vertrokken....”

»En gij,” viel Paäker haar hard en scherp in de rede, »hebt die
verloving verbroken, en zijt de vrouw geworden van Mena, den
wagenmenner. Dat alles weet ik; waartoe het weder opgehaald?”

»Omdat het mij leed doet, dat gij op mij toornig zijt en uwe goede
moeder ons huis mijdt. Kondet ge maar begrijpen wat het is, wanneer de
liefde eens in iemands borst ontwaakt en hem zoo geheel vervult, dat men
zich niet meer alleen kan denken maar altijd bij en met en in de armen
van een ander; wanneer het kloppen van ons hart ons in den slaap doet
ontwaken, en wij zelfs in den droom niets anders zien dan dien eenige!”

»En dat zou ik niet geweten hebben!?” riep Paäker, terwijl hij de armen
over elkander sloeg en vlak voor haar ging staan. »Ik zou dat niet
geweten hebben? Alsof gij het dan niet geweest waart, die mij dit gevoel
deedt kennen! Zoo vaak ik aan u dacht, was het mij of niet langer bloed
maar gloeiend vuur mij door de aderen stroomde, die gij thans met gif
hebt gevuld. Hier in deze borst, waarin uw beeld zich nog lieflijker
vertoonde dan dat van Hathor in het allerheilige, ziet het er uit als op
die zee in het land der Syriërs, die zij de doode noemen, die zee waarin
alles sterft en elke levenskiem wordt verstikt.”

Paäkers oogen rolden bij deze woorden door zijn hoofd; driftiger klonk
zijn stem, toen hij voortging: »Maar Mena staat dicht bij den koning,
dichter dan ik, en uwe moeder....”

»Mijne moeder,” viel Nefert den toornige in de rede, en hare woorden
getuigden van hevige gemoedsbeweging, »mijne moeder heeft geen
echtgenoot voor mij gekozen. Ik zag Mena toen hij, als ware hij de
zonnegod, op den wagen des konings daarheen reed. Hij merkte mij op en
zag mij aan, en zijn blik drong als een lans in mijn hart. Toen hij mij
aansprak op ’s konings verjaardag, was het mij alsof de Hathors mij met
lieflijk klinkende snaren van gouden zonnestralen omweefden. En Mena
gevoelde hetzelfde; hijzelf heeft het mij gezegd, toen hij de mijne was
geworden. Om uwentwil sloeg mijne moeder zijn aanzoek af. Ik werd echter
bleek en mager van verlangen naar hem, en hij verloor zijn frisschen
moed en werd zoo treurig, dat het den koning in het oog viel, die hem
vroeg wat hem toch zoo nederdrukte. Want Ramses heeft hem lief als zijn
eigen zoon. Mena heeft den pharao bekend, dat de liefde zijne oogen
verduisterde en zijne sterke handen verlamde, en nu deed de koning
zelf aanzoek om mijne hand voor zijn trouwen dienaar. Mijne moeder
gaf eindelijk toe en wij werden man en vrouw. Al het genot, dat de
gezaligden smaken in de Aäloe-velden[55], is flauw en armelijk bij de
zaligheid, waarin wij ons baadden, niet als sterfelijke menschen, maar
als hemelsche goden.”

      [55] De velden der gelukzaligen (Elysium) bestemd voor de
      verheerlijkte geesten. In het Doodenboek ziet men hoe de
      gelukzaligen daar bij koele wateren zitten, zaaien en oogsten.

Nefert had onder deze laatste woorden als eene verheerlijkte haar
blikken naar den hemel gericht. Nu sloeg zij de oogen neder en vervolgde
op zachten toon: »Daar braken de Cheta[56] den vrede! De koning toog ten
krijg en Mena met hem. Vijftienmaal was de maan opgegaan over ons geluk,
en toen...”

      [56] De Arameërs, volgens de hoogstwaarschijnlijke uitlegging
      van Schrader. De volken van westelijk Azië hadden zich, in den
      tijd van dit verhaal, met hen vereenigd.

»En toen verhoorden de goden mijn gebeden namen mijn offer aan,”
vervolgde Paäker met bevende stem, »en rukten den roover van mijn geluk
van uwe zijde weg, en verteerden uw hart en het zijne door de vlammen
van het heimwee. Meent gij dat ge mij iets nieuws kunt vertellen? Nog
eens was Mena vijftien dagen bij u; daarna is hij niet wedergekeerd uit
den krijg, die in Azië hevig woedt.”

»Maar hij zal wederkeeren,” riep de jonge vrouw.

»Misschien ook niet!” zeide Paäker lachend. »De Cheta voeren scherpe
wapenen en op den Libanon zijn vele gieren, die misschien in deze ure
zijn lichaam verscheuren, gelijk gij mijn hart hebt vaneengereten.”

Nefert stond op. Deze taal trof hare fijngevoelige ziel, alsof zij door
eene ruwe hand met een steen werd getroffen. Zij deed eene poging om
hare schaduwrijke schuilplaats te verlaten en de prinses te volgen
in het huis van den Paraschiet. Doch hare voeten weigerden haar den
dienst, en bevend zonk zij weder op haar steenen zitplaats neer. Zij
zocht woorden, maar haar tong scheen verlamd. Zij gevoelde zich zoo
beklemd en verlaten, en te gelijk zoo diep verontwaardigd. In dezen
onbeschrijfelijken toestand begaven haar de laatste krachten. Allerlei
pijnlijke gewaarwordingen wisselden elkander af in haar binnenste,
als woeste onstuimige golven, die al hooger en hooger stegen, haar de
ademhaling bijna belemmerden en zich eindelijk lucht gaven in een hevig
krampachtig snikken, dat haar geheele organisme schokte. Zij zag, zij
hoorde niets meer; zij kon alleen bittere tranen schreien en gevoelen
hoe diep ongelukkig zij was.

Paäker stond zwijgend tegenover haar.

Er zijn in het zuiden boomen, waaraan men naast verdroogde vruchten
witte bloesems ziet hangen. Er zijn dagen waarop zich, te gelijk met
de heldere zon, de bleeke sikkel der maan aan den hemel vertoont. Zoo
gebeurt het soms, dat een menschelijk hart liefde en haat tegelijk
gevoelt, en wel voor hetzelfde voorwerp. Neferts tranen vielen als dauw,
hare diepe zuchten als manna in de naar wraak dorstende en hongerende
ziel van den gids. Hij genoot van hare smart, en toch vervulde de
aanblik harer edele gestalte hem met hartstochtelijke liefde, en werden
zijne blikken als gekluisterd door hare lichamelijke schoonheid. Hij zou
er de hemelsche zaligheid voor over hebben gehad, om haar nog slechts
eens in zijne armen te mogen drukken, om nog eene enkele maal het woord
der liefde van hare lippen op te vangen.

Na eenige pijnlijke minuten hield Nefert op te weenen. Met matten, bijna
onverschilligen blik zag zij den Mohar aan, die nog altijd voor haar
stond, en vroeg op zacht smeekenden toon: »Mijne tong verdroogt; haal
mij toch een weinig water!”

»De prinses kan ieder oogenblik terugkeeren,” antwoordde Paäker.

»Maar ik versmacht,” zeide Nefert, en begon opnieuw in stilte te weenen.

Paäker haalde de schouders op en ging toen dieper het dal in, dat hij
zoo goed kende als het huis zijns vaders. Daar toch lagen de graven van
de voorvaderen zijner moeder, waarin hij als knaap bij volle en nieuwe
maan gebeden had opgezegd en gaven op het altaar gelegd. Het was hem
verboden de hut van den Paraschiet te betreden, maar hij wist dat nog
geen honderd schreden van de plaats waar Nefert zat eene oude vrouw
woonde, wier naam in slechten reuk stond. In haar rotshol zou wel een
dronk water zijn te vinden. Half waanzinnig door alles wat er sedert de
laatste minuten in zijne ziel was omgegaan en wat zijne oogen hadden
gezien, vloog hij weg. Het was of zijn denkvermogen stilstond door de
hartstochtelijke beweging van zijn bloed.

Hij vond de deur, die het hol van de oude bij nacht moest beschermen
tegen de overvallen van roofgierige jakhalzen, wijd open. De bewoonster
zat onder een bruin, gescheurd stuk zeildoek, dat aan den eenen kant aan
de rots en aan den anderen aan twee ruwe stokken was vastgemaakt. Zij
zocht een hoop lichte en donkere worteltjes uit, die in haar schoot
lagen. Naast haar zag men een rad, dat tusschen een hooge houten gaffel
draaide. Een kwikstaart, die aan een kettinkje vastzat, hield het in
voortdurende beweging, doordat hij van de eene spaak op de andere
sprong[57]. Een groote kater, zoo zwart als kool, zat naast haar te
spinnen, en berook de koppen van raven en uilen, wie even te voren de
oogen waren uitgestoken. Boven de deur merkte men twee in elkander
gedoken sperwers op. De rook van verbrandde jeneverbessen, waardoor de
uitwasemingen van allerlei vreemdsoortige bestanddeelen, hier aanwezig,
onschadelijk moesten worden gemaakt, drong uit het hol naar buiten.

      [57] Naar de Idylle van Theocritus: De tooveres.

Toen Paäker naderde riep het wijf vragend naar binnen: »Kookt het was?”

Een onverstaanbaar gebrom liet zich als antwoord hooren.

»Doe er dan de apenoogen en de ibisvederen, en de linnen-lappen met de
zwarte tooverteekens in[58]. Roer nog wat! Doof nu het vuur uit! Neem
een kruik en haal water! Kom, haast je wat! Daar komt een bezoeker.”

      [58] Spreekwijzen en toovermiddelen van heksen, voorkomende
      in een magischen papyrus. De door Chabas uitgegeven =Papyrus
      magique Harris= is ongeveer uit den tijd van ons verhaal
      afkomstig. Ook is hier gebruik gemaakt van den door Dr. Leemans
      uitgegeven magischen papyrus, die op het Leidsche Museum wordt
      gevonden, en van den toover-papyrus (in ’t Grieksch) te Berlijn
      aanwezig, in het licht gegeven door Parthey.

Terstond kwam eene donkerzwarte negerin, die een gescheurden kleurloozen
lap om haar magere lenden had geslagen, naar buiten. Zij zette een
grooten aarden pot op haar grauw kroeshaar en ging Paäker voorbij,
zonder hem, juist toen hij bij het hol kwam, aan te zien. De oude, een
rijzige, maar door ouderdom gekromde vrouw, met een gelaat dat mogelijk
eens schoon was geweest, doch zich nu vol rimpels en scherpe plooien
vertoonde, maakte toebereidselen om den gids te ontvangen, daar zij een
bonten doek over het hoofd bond, haar blauw-wollen kleed onder den hals
dichttrok, en eene uitgerafelde mat over de raven- en uilenkoppen wierp.
Paäker riep haar toe, doch zij hield zich doof en deed alsof zij hem
niet hoorde. Eerst toen hij vlak bij haar stond, sloeg zij hare slimme
bliksemende oogen op en sprak: »Een geluksdag, een witte dag, die hooge
gasten brengt en groote eer!”

»Sta op,” zeide Paäker tot het wijf op bevelenden toon, zonder haar te
groeten, maar een zilveren ring[59] midden onder de wortelen in haar
schoot werpende, »en geef mij voor goed geld wat water in eene zuivere
kom.”

      [59] De Egyptenaars hadden vóor Alexander en de Ptolemeërs geen
      munt. Zij wogen het metaal, waaraan zij gewoonlijk den vorm van
      ringen gaven.

»Mooi, echt zilver,” hernam de oude, terwijl zij den ring, dien zij
haastig uit de wortelen te voorschijn had gehaald, dichter onder hare
oogen hield. »Dat is te veel voor water alleen, en te weinig voor mijne
kostelijke dranken.”

»Wauwel niet, bedelaarster, maak voort!” riep Paäker, terwijl hij een
tweeden ring uit zijn zak haalde en in haar schoot wierp.

»Gij hebt eene milde hand,” zeide de oude, en dat in zuivere taal,
zooals onder de hoogere standen werd gesproken. »Vele deuren zullen zich
voor u openen, want het goud is een looper die in alle sloten past. Gij
wilt water voor die mooie ringen? Moet het dienen tegen schadelijke
dieren, of wilt gij er een ster van den hemel door doen nederdalen?
Misschien wenscht gij geheime paden te leeren kennen, want het is uw
ambt den weg te wijzen. Zal het koud maken wat warm is, en het koude
weder heet? Moet het in staat stellen in de harten te lezen en lieflijke
droomen te verwekken? Begeert gij het water der kennis, om te zien of
uw vriend dan wel uw vijand ― ha! uw vijand sterven zal? Wilt gij
een dronk hebben om uw geheugen te versterken? Of zal mijn water u
onzichtbaar maken? Moet het ook den zesden teen van uw linkervoet
wegnemen?”

»Gij kent mij dan?” vroeg Paäker.

»Hoe zou ik?” vroeg de heks. »Maar ik heb scherpe oogen, en weet
uitnemend water te bereiden voor geringen en aanzienlijken!”

»Praatjes!” riep Paäker ongeduldig, en greep naar de zweep in zijn
gordel. »Maak voort, want de vrouw voor wie....”

»Gij verlangt water voor eene vrouw?” viel de oude den Mohar in de rede.
»Had ik dat kunnen denken! In den regel vragen de oude heeren meer naar
de liefdedranken dan de jonge. Doch ik kan u hiermede dienen; ik zal u
helpen.”

De oude ging na deze woorden in haar hol, en kwam een oogenblik daarna
terug met een dun cylindervormig albasten fleschje in de hand. »Dit is
het fleschje,” zeide zij, terwijl zij het den gids toestak. »De helft
moet in het water gegoten en aan de vrouw gegeven worden. Helpt het niet
bij den eersten dan toch zeker bij den tweeden keer. Een kind kan het
water drinken, zonder dat het kwaad zal doen, en een grijsaard wordt er
vroolijk van. Daar, ik zal het u voorproeven!” ― En zij bevochtigde
hare lippen met de witte vloeistof. »Het schaadt niet. Meer neem ik er
toch niet van, anders mocht de oude heks eens verliefd op u worden, en
dat zou het rijke heertje slecht bevallen, ha, ha! Helpt het drankje
niet, dan ben ik genoeg betaald. Helpt het, dan brengt ge mij nog drie
gouden ringen. En gij zult terugkomen, dat weet ik!”

Paäker had de heks roerloos aangehoord, maar nu greep hij zoo driftig
naar het fleschje, als moest hij een machtigen tegenstander gaan
overwinnen. Hij duwde het in zijn geldzak, wierp het wijf nog eenige
ringen voor de voeten, en eischte andermaal, maar spoedig, een zuivere
kan vol Nijlwater.

»Heeft mijnheer zoo’n haast?” prevelde de oude, terwijl zij het hol
weder binnenging. »Hij vraagt mij of ik hem ken? =Hem= zeker! Maar zijn
schatje? Waar mag het hier ergens verscholen zijn? Misschien de kleine
Warda van den Paraschiet daarginds! Zij is mooi genoeg; maar zij ligt nu
half verpletterd op de mat en sterft. Wij willen zien wat dat heertje
voorheeft. Hij beviel mij niet toen ik jonger was; hij zal echter toch
zijn doel bereiken, want hij is taai en ontziet niets.”

Terwijl zij deze en dergelijke woorden bij zich zelve mompelde,
vulde zij eene nette schaal van verglaasd aardewerk, met gefiltreerd
Nijlwater, dat zij uit een groote poreuze kruik schonk, legde op het
heldere vocht een laurierblad, waarin twee met zeven strepen verbonden
harten gekrast waren, en kwam er mede naar buiten.

Toen Paäker de schaal van haar aannam en het laurierblad bekeek, zeide
de heks: »Reeds dit verbindt de harten. Drie is de man, vier is de
vrouw, zeven het ondeelbare Chaach, chachach charcharachacha”[60].

      [60] Galimatias of wartaal uit een Berlijnschen toover-papyrus.

De heks zong dit bezweringsformulier niet zonder kunst, maar de Mohar
scheen naar haar wartaal niet te luisteren, althans hij ging voorzichtig
het dal weder in, en richtte zijne schreden naar de plaats waar de vrouw
van Mena uitrustte. Vóor de rotsen, die hem voor Nefert onzichtbaar
maakten, bleef hij staan, zette de schaal op een vlakken steen en haalde
het fleschje met den liefdedrank uit zijn gordel. Zijne vingers beefden;
zijne hersenen schenen beneveld door bedwelmende dampen; in zijne borst
weerklonken wel duizend stemmen, die hem juichend schenen toe te roepen:
»Grijp toe, handel, gebruik den drank, nu of nooit!” ― Hij was temoede
als een eenzaam wandelaar, die op zijn pad het testament vindt van een
gestorven bloedverwant, op wiens vermogen hij hoopt, het testament
waarin hij onterfd wordt. Zal hij het den rechter overleveren, of zal
hij het verscheuren?

Paäker was niet alleen een uitwendig vrome, maar had ook tot dusver
gemeend in alles naar de voorschriften van den voorvaderlijken
godsdienst te handelen. Echtbreuk was eene zware zonde. Maar had hij dan
op Nefert geene oudere rechten dan de koninklijke wagenmenner? Wie zich
met de zwarte kunst inliet, moest volgens de wet met den dood worden
gestraft[61], en het wijf stond ter kwader naam bekend, wegens haar
ellendig beroep. Doch had hij haar dan om die liefdedrank gevraagd?
Was het niet mogelijk dat de zielen zijner afgestorvenen, dat de goden
zelven, vermurwd door zijne gebeden en offers, bij toeval, ja, als
door een wonder, hem het toovermiddel in handen hadden gegeven, aan de
werking waarvan hij geen oogenblik twijfelde? Zijne metgezellen hielden
hem voor een man, die spoedig besloten was, en in moeilijke gevallen
handelde hij inderdaad met buitengewone voortvarendheid. Wat hem daarbij
leidde was echter niet het bewijs van eene vlugge en gezonde werking
zijner hersenen, maar meestal het gevolg van de uitkomst van een vraag-
en antwoordspel. Want verschillende amuletten hingen om zijn hals en aan
zijn gordel, alle door de hand eens priesters gewijd. Het waren voor hem
bijzonder heilige voorwerpen van hooge waarde. Bleef het oog van den
lazuursteen, dat met een gouden keten aan zijn gordel hing, wanneer men
het op den grond wierp, zóó liggen, dat de gegraveerde zijde naar
den hemel zag en de gladde onder lag, dan zeide het »ja”, en in het
omgekeerde geval »neen”. In zijn geldtasch had hij altijd het beeldje
van den god Apheroe met den kop van een jakhals[62], den god die de
wegen opent. Zoo vaak hij aan een kruisweg kwam, wierp hij dit beeldje
voor zich uit en volgde hij de richting, naar welke de spitse snuit
van den kop heenwees. In de meeste gevallen riep hij de hulp in van
den zegelring van zijn overleden vader, een oud familiestuk, dat de
opperpriester van Abydus op het heiligste onder de veertien graven van
Osiris[63] gelegd en met wonderkracht toegerust had. Deze bestond uit
een gouden hand met eene breede zegelplaat, waarin men den naam kon
lezen van den sedert lang vergoodden Thotmes III, door wien het kleinood
aan Paäkers voorvaderen was geschonken. Als hij tot dien ring vragen
wilde richten, raakte de Mohar met de punt van zijn bronzen dolk de
gegraveerde naamteekens aan, waarvan drie betrekking hadden op de
godheid, terwijl de andere de afbeeldingen waren van profane voorwerpen.
Trof nu de punt een der eerste teekens, dan, meende hij, was
zijn Osiris-geworden vader het eens met zijn voornemen; in het
tegenovergesteld geval liet hij het varen. Dikwijls drukte hij den ring
tegen zijn hart en wachtte dan op het eerste levende wezen, dat hij zou
ontmoeten. Kwam het van zijne rechterzijde, dan hield hij het voor een
opwekkenden, kwam het van zijne linker, voor een waarschuwenden bode
zijns vaders.

      [61] Volgens den papyrus-Lee en Rollin. Vgl. Birch, =Sur un
      papyrus magique= (Revue archéol. 1863); Chabas, =Papyrus magique
      Harris=; Devéria, =Papyr judiciaire de Turin=.

      [62] Een bijzondere vorm van Anubis. Hij was de plaatselijke god
      van Lykopolis, het tegenwoordige Sioet.

      [63] Typhon had het lijk van Osiris in veertien stukken gesneden
      en deze over Egypte verspreid. Waar Isis er een vond, daar
      richtte zij een grafteeken op voor haar gemaal. Geen dier graven
      was in den lateren tijd zoo heilig als dat van Abydus, waarheen
      ook voorname Egyptenaars hunne mummies lieten brengen, om in de
      nabijheid van Osiris te rusten.

Langzamerhand had Paäker in dit vragen een zeker stelsel gebracht. Al
wat hij in de natuur ontmoette, bracht hij in verband met zichzelven en
zijn levensloop. Het was roerend en te gelijk treurig om op te merken,
hoe innig hij steeds met de zielen zijner afgestorvenen voortleefde.
Zijne niet zeer hoogvliegende maar toch sterke verbeeldingskracht was in
staat, zoo vaak hij haar liet werken, hem het beeld zijns vaders of van
zijn vroeg gestorven ouderen broeder voor de oogen te tooveren, tastbaar
duidelijk, juist zooals hij hen gekend had. Nooit echter bezwoer hij de
nagedachtenis van zijne onvergetelijke dooden, om hen te gedenken met
stillen weemoed, die lieflijke bloem aan den doornstruik der smart,
maar altijd met een of ander zelfzuchtig doel. Het aanroepen van de
vaderlijke schim was hem gebleken bij sommige vragen van bijzondere
uitwerking te zijn, en het aanroepen van de broederlijke schim bij
andere, en daarom wendde hij zich tot den een of ander, met de zekerheid
van een geoefend timmerman, die zelden twijfelt wanneer hij den bijl
en wanneer hij de zaag gebruiken moet. Hij hield het er voor, dat
deze zijne handelwijze overeenkwam met den wil der goden, en daar
hij overtuigd was dat de geesten zijner afgestorvenen na hunne
rechtvaardiging waren overgegaan in Osiris, dat wil zeggen, dat zij als
bestanddeelen van de wereldziel thans deel hadden aan het bestuur over
alles, zoo offerde hij hun niet alleen in zijn familiegraf, maar ook in
de tempels van de Nekropolis, die aan den dienst der voorvaderen waren
gewijd, en bij voorkeur in het Seti-huis. Van Ameni en de andere
priesters, die tot het heiligdom behoorden, dat onder diens toezicht
stond, ontving de koninklijke gids gaarne raad en nam hij ook berisping
dankbaar aan, en zoo leefde hij in de hoogmoedige overtuiging, die door
zijne meesters geen oogenblik aan het wankelen werd gebracht, dat hij
behoorde tot de ijverigste vromen in den lande, die den goden het
welgevalligst waren. Bij elken tred als door bovenzinnelijke machten
omgeven en geleid, gevoelde hij geen behoefte aan vrienden en
vertrouwden. In het veld zoowel als in Thebe stond hij geheel op
zichzelven en werd door de zijnen gehouden voor een ruw, trotsch en
ongevoelig man, maar die een ijzeren wil had.

Paäker was in staat het beeld van verloren geliefden met dezelfde
levendigheid voor zijne ziel te doen oprijzen, als de gestalten zijner
afgestorvenen. Dat deed hij niet enkel in ontelbare stille nachten, maar
evenzoo op lange tochten en ritten door de zwijgende woestijn. Op
zulke visioenen volgden meestal hevige opwellingen van haat tegen den
wagenmenner en eene reeks vurige gebeden, die alle het verderf van den
laatste ten doel hadden. Toen hij dan ook de schaal met het water voor
Nefert op de gladde rots zette en naar het fleschje met den liefdedrank
greep, was zijne ziel zoo vol verlangen, dat er geene ruimte was voor
haat. Intusschen kon de Mohar toch niet de bezorgdheid van zich weren,
dat hij zich door het gebruik van een tooverdrank zwaar zou bezondigen.
Daarom ondervroeg hij het orakel van zijn ring, alvorens de noodlottige
druppels in het water te gieten. De dolk raakte geen der heilige teekens
van het zegelopschrift. Onder andere omstandigheden zou hij dus zijn
voornemen hebben opgegeven. Ditmaal stiet hij echter den dolk onwillig
in de scheede, drukte den gouden ring aan zijn hart, lispelde den naam
van zijn Osiris-geworden broeder, en wachtte nu op het eerste levend
wezen, dat hem zou tegenkomen. Het liet niet lang op zich wachten,
want van de berghelling tegenover hem vlogen twee witte gieren op met
langzamen vleugelslag. Met angstige spanning volgde hij dezen in hun
vlucht, al hooger en hooger. Een oogenblik lieten zij zich onbewegelijk
door den luchtstroom dragen, beschreven een cirkel om elkander en zetten
daarop koers naar de linkerzijde, om achter de bergen te verdwijnen.
Zijn wensch was weder onvervuld gebleven. Haastig greep hij het fleschje
om het weg te slingeren, maar de hartstocht, die in zijn binnenste
woelde, had hem de heerschappij over zijn wil benomen. Daar rees het
beeld van Nefert voor zijne ziel op, alsof zij hem vriendelijk wenkte.
Geheimzinnige machten klemden zijne vingers al vaster en vaster aan het
fleschje, en met den trots die hem eigen was, als hij tegenover zijne
metgezellen stond, goot hij de helft van den liefdedrank in het water,
greep de schaal op en naderde zijn offer.

Nefert had inmiddels haar schaduwrijke zitplaats verlaten en ging hem te
gemoet. Zonder iets te zeggen, nam zij de schaal aan, en dronk zij die
met welgevallen ledig tot den bodem. »Dank,” zeide zij, toen zij na het
gulzig drinken weder bij adem gekomen was. »Dat heeft mij goedgedaan!
Hoe frisch en hartig smaakte dat water! Maar uwe handen beven, en gij
zijt zoo verhit door het harde loopen voor mij, gij arme!”

Bij deze woorden zag zij hem aan met den innigen gloed, die er in hare
groote oogen lag, en stak hem hare rechterhand toe, die hij onstuimig
aan zijne lippen drukte.

»Laat dit,” zeide zij lachend. »Zie, daar komt de prinses met een
priester uit de hut van den onreine. Foei, wat hebt ge mij straks met
uwe vreeselijke woorden doen schrikken! Nu ja, ik gaf u grond om toornig
tegen mij te zijn; maar nu moet gij weer goed zijn, hoort ge, en ook
uwe moeder weer bij de mijne brengen. Geen woord meer! Ik wil toch eens
zien of neef Paäker mij gehoorzaamheid zal weigeren!”

Ondeugend hief zij den vinger tegen hem op; daarna weder ernstig
wordende, sprak zij met een blik, die Paäker smartelijk maar tevens met
een zalig gevoel tot in de ziel drong: »Kom, wees nu niet boos meer. Het
is zoo heerlijk als men lief voor elkaar is.”

Na deze woorden liep zij naar de hut van den Paraschiet, terwijl Paäker
beide handen tegen zijn borst drukte en in zich zelven zeide: »De drank
werkt; zij zal de mijne worden. Heb dank, hemelsche goden!” ― Doch dit
gebed, dat hij nooit verzuimde uit te spreken, wanneer hem eenig geluk
was wedervaren, stierf heden op zijne lippen weg. Hij zag zich zoo dicht
bij het doel zijner wenschen. Daar lag de tooverbron, waarnaar hij jaren
lang had gesmacht, voor zijne oogen. Nog enkele schreden en hij zou zich
kunnen drenken uit haar vollen stroom van liefde en haat te gelijk.

Terwijl hij de vrouw van Mena volgde en het fleschje met angstvallige
zorgvuldigheid in zijn gordel verborg, opdat toch geen enkel drupje
verloren mocht gaan van het kostbare vocht, dat hij, overeenkomstig
het voorschrift der oude, nog eens gebruiken moest, deden zich in zijn
boezem waarschuwende stemmen vernemen, waarnaar hij gewoon was te
luisteren als naar eene vaderlijke vermaning. Maar thans dreef hij er
den spot mede, en gaf hij aan de stemming die hem beheerschte zichtbaar
lucht, door met zijne rechterhand te zwaaien als een dronkaard, die, op
weg naar het wijnvat, een zedeprediker afweert. De hartstocht hield hem
nog zóo vast gevangen, dat de gedachte nauwelijks als een nevel in
zijne ziel kon oprijzen: den korten stond, waarin een braaf man tot een
misdadiger wordt, heb ik doorleefd. Hij had het tot hiertoe slechts
gewaagd zijn smachtend verlangen naar liefde en haat in de verbeelding
te bevredigen, het aan de godheid overlatende voor hem te handelen; doch
nu had hij zijne zaak de goden uit de hand genomen, en was hij tot daden
overgegaan, zonder hen, ja, huns ondanks. Daar gleed Hekt, de tooveres,
strijkelings langs hem heen, om de vrouw te zien, waarvoor zij den
liefdedrank had gegeven. Hij merkte haar op en schrikte. Het wijf
was weldra achter een rots verdwenen en prevelde: »Zie me daar eens
dien zesteenige! Het schijnt hem wel te bevallen in het erfdeel van
Assa”[64]!

      [64] De zin dezer woorden wordt eerst later duidelijk.    Vert.

Midden in het dal kwamen Nefert en de gids de prinses Bent-Anat tegen
en Pentaoer, die haar vergezelde. Toen de laatsten de hut van den
Paraschiet verlieten, bleven zij zwijgend tegenover elkander staan. De
koninklijke jonkvrouw drukte haar rechterhand op haar hart en dronk als
eene dorstige met diepe ademhaling de reine lucht van het bergdal in.
Het was alsof een centenaarslast van haar was afgewenteld, alsof zij
verlost was van een schrikkelijk gevaar. Eindelijk richtte zij het woord
tot haren metgezel, die ernstig naar den grond keek, en zeide: »Welk een
ure!”

De hooge gestalte van Pentaoer verroerde zich niet, maar hij boog
toestemmend zijn hoofd, als in een droom verzonken.

Bent-Anat zag hem nu voor het eerst in het volle daglicht, liet hare
groote oogen vol bewondering op hem rusten en vroeg dan: »Zijt gij
de priester, die mij gisteren, na mijn eerste bezoek in de hut, zoo
bereidvaardig voor rein hebt verklaard?”

»Ik ben het,” antwoordde Pentaoer.

»Ik heb uwe stem herkend en ben u dankbaar, want gij waart het, die mijn
moed hebt gesterkt, om, in weerwil van het verbod mijns zielzorgers,
den drang mijns harten te volgen en herwaarts te gaan. Gij zult mij
verdedigen, wanneer de andere mij zullen berispen!”

»Ik kwam echter hier om u onrein te verklaren.”

»Zoo zijt gij dan van meening veranderd?” vroeg Bent-Anat trotsch, en
trekken van minachting vertoonden zich om hare lippen.

»Ik volg een hooger gebod, dat beveelt de oude inzettingen als heilig
te handhaven. Wanneer de aanraking van een Paraschiet, zoo zegt men, de
dochter van Ramses niet verontreinigt, wien dan? Want is er iemand wiens
gewaad vlekkeloozer is dan het hare?”

»Maar die man daar is braaf, bij al zijne geringheid,” hernam Bent-Anat,
»braaf, ondanks den smaad die zijn dagelijksch brood is, gelijk eere het
onze! De negen groote goden mogen het mij vergeven, maar die daar woont
is liefderijk, vroom en moedig; hij bevalt mij. En gij, die gisteren
zijne bezoedelde aanraking met éen woord meendet te kunnen afwasschen,
wat geeft u aanleiding hem heden onder de melaatschen terug te stooten?”

»De vermaning van een verlicht man, om van de oude inzettingen geen
enkel gedeelte prijs te geven, omdat daardoor de keten, waaraan men toch
reeds begint te vijlen, rammelend uit elkaar zou kunnen vallen.”

»Zoo legt gij dus op mij den smet der onreinheid op grond van een
verouderde dwaling, terwille van de groote menigte, niet om de daad
die ik heb verricht? Gij zwijgt? Antwoord mij nu openhartig en naar
waarheid, wanneer gij werkelijk de man zijt waarvoor ik u tot hiertoe
heb gehouden. Antwoord mij, want het geldt de rust mijner ziel!”

Pentaoer haalde zwaar adem, daarna gaf hij zijn door twijfel gefolterd
gemoed lucht in deze diep gevoelde woorden, die eerst zacht, vervolgens
al luider werden gesproken: »Gij dwingt mij uit te spreken, wat ik
eigenlijk niet eens moest denken. Maar liever wil ik zondigen tegen de
gehoorzaamheid dan tegen de waarheid, de reine dochter van den zonnegod,
wier gelijkenis gij draagt, Bent-Anat. Of de Paraschiet onrein is door
zijne geboorte of niet, wie ben ik, dat ik zulk een vraagstuk zou
kunnen uitmaken? Doch ook ik heb evenals gij in hem een mensch
gezien van gelijke beweging als wij, wien dezelfde heilige en reine
gemoedsaandoeningen vervullen, die mij en de mijnen, u en ieder die van
eene moeder is geboren, aangrijpen en vaak zoo zalig stemmen. Ik geloof
dat de indruk van deze ure noch uwe noch mijne ziel bevlekt, maar
veeleer gelouterd heeft. Dwaal ik, dan moge de veelnamige godheid het
mij vergeven, wier adem ook in den Paraschiet leeft en zich beweegt,
zoowel als in u en mij, de godheid waarin ik geloof, en waaraan ik
steeds reiner en blijmoediger van hart mijne gebrekkige liederen wijden
wil, wanneer zij mij zal leeren, dat al wat leeft en ademt, wat weent en
jubelt, eene afbeelding is van haar reine wezen, en tot dezelfde vreugde
en dezelfde smart geboren.”

De dichter had zijne blikken ten hemel geslagen; thans ontmoetten
zij het fier en van blijdschap glinsterend oog der prinses, die hem
vrijmoedig haar rechterhand toestak. Pentaoer kuste deemoedig haar
gewaad. Zij sprak echter: »Niet alzoo! Leg zegenend uwe hand op de
mijne! Gij zijt een man en waarlijk een priester. Thans laat ik mij
gaarne de onreinheid welgevallen, want ook mijn vader wenscht, dat door
ons om den wil des volks de instellingen uit den ouden tijd, zoolang
men er nog aan hecht, in eere gehouden worden. Laat ons de goden
gemeenschappelijk bidden, dat zij deze arme schepsels van den banvloek
ontheffen. Hoe heerlijk zou het in de wereld zijn, wanneer de mensch
den mensch liet blijven, wat de onsterfelijke goden hem gemaakt
hebben! ― Maar daar staan Paäker en Nefert nog altijd te wachten midden
in de brandende zonnehitte. Volg mij!”

Zij ging met den priester vooruit, maar had nauwelijks eenige schreden
gedaan of zij keerde zich om en vroeg: »Hoe heet gij?”

»Mijn naam is Pentaoer.”

»Zijt gij dan de dichter van het Seti-huis?”

»Zoo noemen ze mij.”

Bent-Anat bleef nog een oogenblik staan en keek hem aandachtig aan, als
een bloedverwant, die wij voor het eerst van aangezicht tot aangezicht
zien, en zeide: »De goden hebben u buitengewone gaven geschonken, want
uw blik reikt verder en dringt dieper door dan die van andere menschen,
en gij verstaat de kunst om in woorden uit te drukken, wat wij slechts
gevoelen. Gaarne volg ik u!”

Pentaoer bloosde als een knaap en zeide, terwijl Paäker en Nefert hem en
zijne gezellin steeds naderkwamen: »Tot heden lag het leven voor mij als
in eene schemering, maar deze ure toont het mij anders. Ik heb er de
donkere schaduwzijde van leeren kennen, en,” voegde hij er zachtkens aan
toe, »de heldere lichtzijde tevens.”




ZEVENDE HOOFDSTUK.


Een uur later hield Bent-Anat met haar gevolg stil voor de poort van het
Seti-huis. Evenals een bal door een mannenhand geworpen, was een der
voorloopers met groote sprongen den trein vooruitgevlogen, om den
opperpriester te melden, dat de prinses in aantocht was. Zij stond
alleen op haar wagen, die het gevolg vooruitreed. Pentaoer had eene
plaats gevonden op den wagen van den gids. De overste der Horoscopen
ontving den stoet aan de tempelpoort.

Daar de groote deuren der pylonen wijd geopend waren, was het vergund
een blik te slaan in het voorhof van het heiligdom, dat met gladde
steenplaten geplaveid, en aan de linker- en rechterzijde alsmede van
achteren met zuilengangen omgeven was. De wanden en architraven, de
zuilen en de holvormige kroonlijst, die het voorhof van boven afsloot,
waren met bontkleurig beeldwerk beschilderd. In het midden stond een
groot offeraltaar, waarop kyphi-ballen[65], die de groote ruimte met een
bedwelmenden geur vervulden, op spaanders van cederhout door het vuur
werden verteerd. Rondom in een halven cirkel stonden meer dan honderd
wit gekleedde priesters, met het aangezicht gekeerd naar de naderende
prinses, en zongen hartroerende klaagliederen. Vele bewoners van de
Nekropolis hadden zich geschaard aan beide zijden van de sphinxen,
waartusschen Bent-Anat naar den tempel reed. Men vroeg niet wat het
beduiden moest, dat juist nu klaagzangen werden aangeheven, want aan
weeklachten en geheimzinnigheden was men hier gewoon.

      [65] Een beroemd reukwerk van de Egyptenaren. Recepten om het
      te bereiden zijn bewaard gebleven in den papyrus-Ebers, in
      de laboratoriën van de tempels, bij Dioskorides, Plutarchus,
      Galenus e.a. Parthey heeft door den apotheker L. Voigt te
      Berlijn drie soorten laten namaken. Het kyphi volgens het
      voorschrift van Dioskorides, was het beste. Voigt bereidde het
      uit rozijnen, wijn, radix Galangae, baccula juniperi, radix
      calami aromatici, asphalt, mastik, myrrhe, Bourgondische hars en
      honig.

»Heil het kind van Ramses!” »Knielt neder voor de zonnedochter
Bent-Anat!” klonk het uit duizend monden, en de saamgevloeide menigte
boog zich ter aarde, toen de koninklijke jonkvrouw kwam aanrijden.

De prinses steeg vóór het poortgebouw van den wagen, en volgde den
eersten der Horoscopen, die haar ernstig en zwijgend aan den ingang
van het heiligdom kwam begroeten. Toen zij gereed stond het voorhof te
betreden, zwol het priesterlijk gezang op eens met eene vreeselijke
donderende kracht. De heldere sopraanstemmen der tempelscholieren,
gedragen door het gebrom der zware bassen, jammerden in hartstochtelijke
weeklachten. Bent-Anat schrikte en hield een oogenblik haar voet terug.
Daarop ging zij verder.

Maar achter den drempel der poort trad Ameni haar in den weg, bekleed
met al de teekenen zijner waardigheid. Hij strekte zijn kromstaf uit,
als om haar af te weren, en riep luide en met vuur: »De tegenwoordigheid
van de reine dochter van Ramses brengt dit heiligdom zegen, maar deze
herberg der goden sluit hare poorten voor de verontreinigden, zij mogen
slaven zijn of vorsten. In den naam der hemelsche goden, waarvan gij
afstamt, vraag ik u, Bent-Anat, zijt gij rein, of hebt gij u bevlekt en
uwe vorstelijke hand bezoedeld door de aanraking van onreinen?”

De priester had zich geplaatst vlak voor de hooge gestalte van de
prinses. Een helder rood overtoog de wangen der jonkvrouw; het suisde
haar in de ooren als bruiste in hare nabijheid eene stormachtige zee, en
haar boezem rees en daalde in hartstochtelijke beweging. Het koninklijk
bloed vloeide onstuimig door hare aderen. Zij gevoelde dat men haar hier
eene onwaardige rol liet spelen in een tooneelspel, dat met voordacht
werd opgevoerd. Haar voornemen zichzelve als van onreinheid aan te
klagen, was vergeten, en reeds opende zij de lippen, om den priester,
wiens aanmatiging haar diep beleedigde, met kracht af te wijzen, toen
Ameni de oogen opsloeg en haar aanstaarde, met al den ernst die in hem
was.

Bent-Anat zweeg, doch zij weerstond den blik en beantwoordde dien
trotsch en afwijzend.

De aderen op Ameni’s voorhoofd zwollen; toch wist hij de
verontwaardiging, die in zijn binnenste opkwam als een zwarte dreigende
donderwolk, te beheerschen, en zeide op een toon, die echter wel een
weinig verschilde van zijne gewone deftigheid: »Ten tweede male vragen
de goden u door mij, die hun vertegenwoordiger ben: ‚Hebt gij deze
heilige plaats betreden, opdat de onsterfelijken de onreinheid van u
nemen, die uw lichaam en uwe ziel bevlekt?’”

Bent-Anat antwoordde kortaf en zich volkomen bewust van hetgeen zij
zeide: »Mijn vader zal u het antwoord geven!”

»Niet mij,” hernam Ameni, »maar den goden zal hij het geven, in wier
naam ik u thans beveel dit vlekkeloos heiligdom te verlaten, dat door
uwe tegenwoordigheid wordt bezoedeld.”

De prinses huiverde bij deze woorden en zeide dof: »Ik ga.”

Reeds had zij den voet opgeheven, om naar de poort van den pylon terug
te keeren, toen haar blik dien van den dichter ontmoette. Als een
begenadigde, voor wiens oogen de grootste wonderen gebeuren, had hij
daar gestaan tegenover de koninklijke jonkvrouw, onrustig en toch in
verrukking, vol angst en toch met innerlijke zelfvoldoening. Scheen zij
door deze vermetele daad niet den hemel te willen bestormen? En toch,
die daad was geheel in overeenstemming met haar waar en groot karakter.
Het kwam hem voor alsof Ameni, tot wien hij met zooveel eerbied en
bewondering had opgezien, in het niet wegzonk, en toen zij zich gereed
maakte den tempel te verlaten, weigerde zijne hand, die haar wilde
tegenhouden, hem dezen dienst en zocht, terwijl Bent-Anat’s blik den
zijnen ontmoette, de plaats van zijn snel kloppend hart.

Het kon den opperpriester niet moeielijk vallen in het ongeveinsd gelaat
van deze twee te lezen. Hij gevoelde dat eene snel geknoopte band hunne
zielen had saamgesnoerd, en de blik dien hij hen zag wisselen deed
hem huiveren. Want de weerspannige had den dichter aangezien als eene
zegepralende, die bijval vraagt, en de oogen van Pentaoer waren aan dit
verlangen tegemoetgekomen. Na een oogenblik van beraad riep Ameni:
»Bent-Anat!”

De prinses keerde zich om, en zag den priester ernstig en vragend aan.
Ameni deed eene schrede voorwaarts, en plaatste zich tusschen haar en
den dichter. »Gij daagt,” sprak hij op indrukwekkenden toon, »de goden
uit ten strijd. Dat is stout! Maar het komt mij voor, dat gij tot zulk
eene daad den moed hebt gehad, omdat gij rekent op een bondgenoot, die
de onsterfelijken bijna even nabij staat als ik. Laat mij u daarom dit
zeggen: Aan u, die als een kind op een dwaalspoor zijt geleid, mag veel
vergeven worden; maar een dienaar der godheid” ― en dit zeggende zag
hij Pentaoer aan met onheilspellenden blik ― »een priester, die in den
strijd van willekeur tegen wet overloopt, die zijn plicht verzaakt en
zijn eed vergeet, die kan u niet langer als een raadsman ter zijde
staan. Al had de godheid hem ook met de rijkste gaven gezegend: hij is
verdoemd! Wij bannen hem uit ons midden, wij vloeken hem, wij....”

Bent-Anat zag bij deze woorden nu eens Ameni aan, die beefde van
ontroering, dan weder Pentaoer, die tegenover haar stond. Op haar gelaat
wisselden het rood der verontwaardiging en doodelijke bleekheid elkander
af, gelijk het licht en de schaduw op den bodem van een palmwoud,
waarover in den middag een stormwind heenvaart. De dichter kwam haar een
voetstap nader. Zij begreep dat hij spreken wilde, en door het gebeurde
te verdedigen zich onmisbaar in het verderf zou storten. Innig
medelijden en eene namelooze angst grepen haar aan, en eer Pentaoer zijn
mond nog kon ontsluiten, zonk zij langzaam voor Ameni’s voeten neder en
zeide zacht: »Ik heb gezondigd en mij bezoedeld, zooals gij zegt en
Pentaoer mij ook heeft aangekondigd voor de hut van den Paraschiet. Geef
mij mijne reinheid weder, Ameni, want ik ben onrein.”

Gelijk eene vlam, die door eene menschelijke hand wordt uitgebluscht,
verdween de gloed uit de oogen van den opperpriester. Vriendelijk, ja
met liefdevollen blik zag hij neder op de prinses. Hij zegende haar,
geleidde haar tot voor het allerheiligste, liet haar dáar hullen in
wierookwolken en zalven met de negen heiligste oliën, en gebood haar
naar het koninklijk paleis terug te keeren. Hij voegde er bij, dat haar
schuld nog niet volkomen was geboet; maar weldra zou zij vernemen door
welke gebeden en heilige oefeningen zij van de goden, die hij in het
allerheiligste des tempels zou ondervragen, hare reinheid terug kon
ontvangen.

Gedurende deze ceremoniën hief het priesterkoor in den voorhof weder
zijne klaagzangen aan. Het volk, dat vóor den tempel stond te luisteren
naar deze liederen, stemde er van tijd tot tijd mede in door een
gillenden jammerkreet; want reeds had zich de sombere mare van het
gebeurde onder de menigte verbreid.

De zon begon langzaam naar het westen te neigen; de bezoekers van de
doodenstad moesten weldra de Nekropolis verlaten, en nog altijd wilde
Bent-Anat, op welker terugkomst het volk met ongeduld stond te wachten,
niet te voorschijn komen. De een vertelde den ander, dat de dochter des
konings vervloekt was geworden, omdat zij aan de zieke blanke en schoone
Warda, bij de meesten geene onbekende, geneesmiddelen had gebracht.
Onder de nieuwsgierigen, die hierheen gestroomd waren, bevonden zich
vele balsemers, bouwlieden en menschen uit den minderen stand. De geest
van verzet en oproer, waardoor het Egyptische volk in later tijd onder
vreemde overheerschers zich zooveel lijden op den hals haalde, ontwaakte
en nam toe bij de minuut. Men schold op den priesterlijken hoogmoed en
zulk eene onzinnige en onwaardige inzetting. Een dronken soldaat, die
weldra weder terugwandelde naar de kroeg, die hij zooeven had verlaten,
was de raddraaier. Hij nam het eerst een zwaren steen op, om dien tegen
de met metaal beslagene tempelpoort te slingeren. Eenige jongens volgden
al schreeuwend zijn voorbeeld: zelfs meer bejaarde mannen, aangehitst
door het gehuil van fanatieke vrouwen, lieten zich verleiden tot het
schelden en smijten met steenen.

In het Seti-huis weerklonken onafgebroken de priesterlijke liederen.
Eindelijk, toen het geschreeuw der volksmenigte al luider en luider
werd, opende zich de hoofdpoort. Ameni trad in vol ornaat met deftigen
tred naar buiten, gevolgd door twintig Pastophoren, die godenbeelden
en heilige symbolen op de schouder droegen. Terwijl hij voortging tot
midden onder de menigte, zweeg alles. »Waarom stoort gij onze gebeden?”
vroeg hij luid en kalm.

Een verward geroep door elkander, waarin zich alleen de dikwijls
herhaalde naam van Bent-Anat liet onderscheiden, was het antwoord.

Ameni bewaarde zijne onverstoorbare bedaardheid, en zijn kromstaf
opheffende riep hij: »Maakt plaats voor de dochter van Ramses. Zij heeft
bij de goden, die zoowel de schuld van den aanzienlijkste als van den
geringste onder u kennen, reinheid gezocht en gevonden. Zij beloonen de
vromen, maar straffen de weerspannigen. Knielt neder en laat ons bidden,
opdat zij u vergeving schenken en u met uwe kinderen zegenen.”

Ameni liet zich door een Pastophoor het heilige sistrum aangeven en hief
het omhoog[66]. De priesters achter hem hieven eene plechtige hymne aan,
en de menigte zonk op de knieën zonder zich te verroeren, tot het lied
verstomde en de opperpriester uitriep: »De hemelsche goden zegenen u
door mij, hun dienstknecht. Verlaat deze plaats en maakt ruimte voor de
dochter van Ramses.”

      [66] Een muziekinstrument, dat bij de godsdienstplechtigheden
  

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/42433