De onderaardsche reis van Klaas Klim
by Ludvig Holberg · Dutch · Gutenberg #41439 · 533,224 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De onderaardsche reis van Klaas Klim
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De onderaardsche reis van Klaas Klim
Author: Ludvig Holberg
Release date: November 22, 2012 [eBook #41439]
Most recently updated: October 23, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/41439
Credits: Produced by Annemie Arnst and Marc D'Hooghe (Images generously made available by the Internet Archive.)
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ONDERAARDSCHE REIS VAN KLAAS KLIM ***
DE ONDERAARDSCHE _REIS_
VAN
_KLAAS KLIM._
_Behelzende_
_EENE NIEUWE BESCHRIJVING_ VAN DEN _AARDKLOOT_,
BENEVENS DE HISTORIE DER VIJFDE,
TOT NOG TOE ONBEKENDE, _MONARCHY._
_Uit het Latijn van den Heere BARON_
_LODEWIJK VAN HOLBERG_,
_Hoogleeraar in de Historiën en Philosophie, Lid
van de Koninglijke Maatschappije der Weetenschappen,
enz, te Koppenhagen._
DERDE, VERBETERDE, EN MET GEHEEL NIEUWE PLAATEN VERSIERDE, DRUK.
_Te AMSTERDAM,_
Bij de WED. VAN ESVELDT en HOLTROP.
MDCCLXXVIII.
[Illustration]
INHOUD DER HOOFDSTUKKEN.
EERSTE HOOFDSTUK.
_Inleiding, en begin deezer Reize_.
TWEEDE HOOFDSTUK.
_Nederdaling op de Planeet Nazar_.
DERDE HOOFDSTUK.
_Beschrijving van de Stadt Keba_.
VIERDE HOOFDSTUK.
_Van het Paleis des Vorsts van Potu_.
VIJFDE HOOFDSTUK.
_Van den aart des Landschaps Potu, en van
den inborst der Natie_.
ZESDE HOOFDSTUK.
_Van den Godsdienst des Volks van Potu_.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
_Van deszelfs Staatkunde_.
AGTSE HOOFDSTUK.
_Van de Hooge schoole aldaar_.
NEGENDE HOOFDSTUK.
_Reis van KLIM om de Planeet Nazar_.
TIENDE HOOFDSTUK.
_Reis naar 't Firmament_.
ELFDE HOOFDSTUK.
_Togt naar vreemde Landen_.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
_Komst op den Kust van Quama_.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
_Oorsprong der Vijfde Monarchij_.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
KLIM _Onderaardsch Monarch_.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
_Droevige uitgang deezer Geschiedenis_.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
_Wederkomst in 't Vaderland, en einde der Vijfde Monarchij._
_Bijvoegsel van_ ABELINUS.
DE ONDERAARDSCHE REIS VAN KLAAS KLIM.
EERSTE HOOFDSTUK.
_Inleiding, en begin deezer Reize._
Na dat ik in het Jaar 1664. op de hooge school te Koppenhagen een dubbel
_Examen_ ondergaan, en aldaar met goedkeuring van de Philosophische
Faculteit had bekomen het zoogenaamde _Loffelijke_ caracter, maakte ik
mij gereed om weder naar mijn Vaderland te keeren, en begaf mij op een
schip dat zeilreê lag naar _Bergen in Noorwegen,_ pronkende met de
heerlijke _Testimonia_ van de welgemelde Faculteit; dog met eenen
ledigen buidel. Mijn noodlot was gemeen met dat der overige Noorweegsche
Studenten, die doorgaans van de Markt der Geleerdheid t'huis komen met
eene schrale beurs. Dewijl wij eenen goeden wind hadden, zeilden wij, na
eene voorspoedige reize van zes dagen, de haven van _Bergen_ in. Dus wel
geleerder, maar niet rijker, t'huis komende, bleef eenigen tijd mijne
goede Vrienden, wier hulp mij ondersteunde, op den hals hangen; leidende
juist voor 't overige geen lui of ledig leven. Want zijnde nu gewijd en
overgegeven aan de Natuurkunde, ondernam ik die wetenschap door
waarnemingen op te helderen, en de natuur en ingewanden des Aardkloots
en der Bergen te onderzoeken; doorkruipende ten dien einde de
allerafgelegenste oorden van ons Gewest. Geene rots was zoo steil, welke
ik niet tragtte te beklimmen, nog geen afgrond zoo diep of zo
afschuwelijk, waarin ik niet zogt neder te daalen, om aldaar te
doorsnuffelen of ik ook iets mogte ontdekken, waardig het onderzoek eens
Natuurkundigen. Want daar zijn in ons Vaderland zeer vele zaken, die wij
nooit gezien, of van welke wij nooit gehoord hebben; en indien ze in
Frankrijk, Italië, Duitschland, of in eenig ander Gewest, vrugtbaar in,
en pochende op zijne zeldzaamheden, gevonden wierden; wij zouden daar
van gehoord, geleezen en die bezigtigt hebben. 't Gene mij onder dezelve
't aanmerkenswaardigste voorkwam, was eene Spelonk met eene wijde en
steile openinge boven op eenen Berg, welken de inlanders _Flöien_
heeten. En wijl de opening van die Spelonk een zagt en gantsch geen
onaangenaam windje bij poozen uitgeeft, zoo egter, dat zij als door
geduurige snikken, nu haaren mond schijnt te openen, dan wederom dien te
sluiten; dagten de Geleerde Bergenaars, en vooral de vermaarde
_Abelinus_ en de Conrector der Schoolen aldaar, de Groote _Eduard_, dat
heldere licht beide in de _Sterre-_ en _Natuurkunde_, dat dit eene zaak
was waardig het onderzoek en de naspeuringen der Wijsgeeren; en hadden
zelfs meenigmaal hunne Landsluiden, vermits zij zelve door hunne hooge
jaaren daar in belet wierden, aangespoort, om de natuur en eigenschap
deezer Spelonk wat nader te onderzoeken: voornamentlijk nadien dezelve,
als op gezette tijden, en even als een mensch, die zijn adem haalt, den
ingehaalden wind met geweld wederom uitgaf.
Ik dan, zoo door hunne redenen, als uit mijnen eigen aart, aangespoord,
ondernam in deezen afgrond neder te daalen, en gaf mijn Voornemen aan
eenige mijner Vrienden te kennen. Dog mijne onderneming mishaagde hen
ten hoogsten, en zij kreeten die uit voor den toeleg van een uitzinnig
en wanhoopig mensch. Dog alle die vermaningen konden mijne driften niet
vertraagen, veel min afwenden, en 't geen de vuurigheid in mijn
ontsteken brein hadt moeten uitblussen, diende niet anders, dan om
dezelve nog des te meer te doen blaken; aangezien de brandende drift die
ik had, om zaken in de Natuur te ontdekken, mij aanzettede, om alle
gevaren te ondergaan: waar bij nog kwam, dat de schrale beurs de sporen
gaf aan een paard dat van zelf op den loop was. 't Hammetje was tot
mijnent gekloven; en langer in mijn Vaderland, alwaar mij alle hoop van
voort te komen was afgesneden, van eens anders brokken te leeven, was
eene zaak, daar ik tegen op zag: ik scheen tot den bedelzak voor altoos
verwezen, en de weg tot eerampten en goederen gesloten, ten ware ik door
't een of 't ander heldenstuk beroemd wierd. Met een vast voornemen
dan, en voorzien van al wat tot den aanslag noodig was, stapte ik, op
eenen donderdag, met schoon en helder weêr, ter stad uit, in 't krieken
van den dag, op dat ik, mijn werk verrigt hebbende, nog voor den donker,
weder zoude konnen binnen de poort komen: want weinig wetende wat mij
over 't hoofd hing, kon ik niet voorzien dat ik als een andere Phaëton
nederwaards te tuimelen, en, na lang dwalens door de lugtstreeken, als
in eene andere Waereld geschopt, niet dan na een tienjaarig omzwerven
weder mijn Vaderland en Vrienden stont te zien.
't Was dan in 't jaar '665. dat ik deezen togt ondernam: geduurende 't
Burgermeesterschap van _Johan Munte_ en _Laurens Severini_: Raden
zijnde: _Christiern Bartholdi_ en _Laurens Scandius_. Op mijne reize
wierd ik verzelt door vier, die daar toe gehuurd waren, en die de touwen
en haaken, welke mij in 't afklimmen noodig waren, mede droegen. Wij
namen den weg regt toe op _Sandwijk_, alwaar men gevoeglijkst den berg
opklimt: boven op den top des bergs geklautert, en ter plaatze gekomen
zijnde alwaar dat noodschikkelijk hol was, zaten wij, vermoeid zijnde
van de ongemakkelijke reis, wat ter neder, en namen het ontbijt. Toen
begon mij 't hart, als door een voorspook van het aanstaande ongeluk
voor de eerste maal beklemt te worden. Keerende mij derhalven naar mijne
Makkers, vraagde ik hen, of 'er iemand lust hadt, om op deezen togt de
eerste te wezen? Dog wijl niemand daar op antwoordde, voelde ik mijne
verflaauwde drift op nieuw, ontbranden: ik gebood hen het touw om mijn
lijf te binden, en dus reisvaerdig staande, beval ik mijne ziel aan God.
Staande nu gereed om neder te daalen in de Spelonk, onderrigtte ik mijne
makkers, wat zij vervolgens hadden te doen: namentlijk dat zij het touw
maar hadden te laaten schieten, tot dat zij mij zouden hooren roepen, op
welk teeken zij het touw moesten, ophouden, en, ingevalle ik bleef
roepen, mij schielijk uit het hol ophaalen. Ik hield in mijne regterhand
eenen haak, welken ik noodig had, om, zoo 'er in 't nederdaalen eenige
beletzelen zig opdeeden, die uit den weg te ruimen, en mijn lichaam
vlak in 't midden des hols te houden. Maar naauwelijks was ik tien of
twaalf ellen nederwaards gedaalt, of het touw brak aan stukken. Dat
ongeluk vernam ik door het daarop volgende geschreeuw en gehuil der
huurlingen; dog 't geen welhaast verdween: want ik viel met eene
ongelooflijke snelheid in die diepte, en even als een andere Pluto:
alleen met dat onderscheid, dat mijn haak mij voor een scepter diende.
Ik tuimelde dan nederwaarts, en de gespleten aarde baande mij den weg
ten afgrond.
Omtrent den tijd van een kwartier-uurs, voor zoo veel ik in die
gemoedsgesteltheid kon gissen, had ik mij bevonden in een dikke
duisternisse en in eenen gestadigen nagt, wanneer eindelijk een flaauw
licht, niet ongelijk aan 't eerste schemerlicht des dags, begon te
flikkeren, waar op terstont een heldere en klaare lucht doorbrak. Ik
beeldde mij dan dwaaslijk in, dat ik, of door de wederstuiting der
onderaardsche licht-deelen, of door de kragt eens tegenwinds te rug was
gekaatst, en dat die Spelonk mij met verdubbeling haarer ademhaaling
als weder op den Aardbodem hadt uitgespogen. Dog zoo wel de Zon welke ik
toen zag, als de Lugthemel en de overige Gesternten waren in mijne oogen
onbekende Verschijnselen, aangezien de gene welke ik thans beschouwde,
kleinder waren, dan die zig aan ons uitspansel vertoonen. Ik stelde
derhalven vast, of dat het gantsche stelsel van dien nieuwen hemel
bloote harssenschimmen waren, veroorzaakt door de zwijmeling mijns
hoofds, of ik waande bereids dood te zijn, en tot de verblijfplaatzen
der gelukzaligen overgedraagen te worden. Maar korts daar na ziende mij
zelven voorzien met eenen haak, en dat mij de lange slenter van het touw
nasleepte belachte ik dat laatste gevoelen; al te wel bewust zijnde dat
men op de reize naar 't Paradijs geenen haak nog touw noodig heeft, en
dat de hemellingen geen behagen konnen scheppen in eenen opschik,
waarmede ik, naar het voorbeeld der Reuzen, kon schijnen den hemel te
bestormen, en de goden van daar te willen verdrijven. Eindelijk, na
ernstige overweginge, viel ik in dat begrip, dat ik in den
onderaardschen hemel was overgevoerd, en dat niet dan al te waar waren
de gissingen der gener die stellen, dat de Aardkloot hol is, en dat 'er
onder deszelfs korst eene andere Waereld, kleinder dan de onze, en een
andere Hemel, door eene Zonne, Sterren en mindere Planeten
onderscheiden, gevonden worden. En de uitkomst deedt zien, dat ik den
spijker op 't hooft had geslagen.
De geweldige aandrang, waar mede ik naar beneden wierd gevoert, hadt nu
al eenigen tijd geduurt, wanneer ik eindelijk bespeurde dat die
allengskens verflaauwde, naar mate dat ik eene Planeet, ofte wel eenig
ander hemelsch lichaam 't geen ik in 't nederdaalen ontmoette, nader
kwam. Die zelve Planeet begon allengskens zoo groot te worden, dat ik
eindelijk door eenen dikken dampkring, waarmede zij omringd was, in
dezelve bergen, dalen en zeeën zonder moeite konde onderkennen.
_Gelijk de Zee-meeuw langs de baaren_
_De steile rots en 't bogtig strand_
_Gestadig om en om gaat waaren,_
_En leeft in zee en op het land;_
_Zoo zweefd' ik tusschen aard' en hemel,_
_En zag zelfs 't onderaardsch gewemel._
Toen bespeurde ik ook, niet alleen dat ik was hangende en als zwemmende
in de lugt, maar ook dat de beweging van mijn lichaam, die tot nog toe
regt nedergaande was geweest, begon krings-gewijs te worden. Hier over
reezen mij de hairen te berge, vreezende dat ik in eene Planeet ofte
eenen wagter van eene daar aan nabuurige Planeet zoude worden hervormt,
om tot in alle eeuwigheid in eenen geduurigen kring te worden omgevoert.
Maar toen ik bedagt, dat mijne agtbaarheid door zoodanige
gedaantverandering niets stont te verliezen, en dat dat hemelsch
lichaam, of deszelfs wagter ten minsten in gelijke waardigheid zoude
staan met die van eenen bedel-student in de Wijsgeerte, schepte ik weder
moed: vooral, wijl ik mij zelven door de hulp van een gezuiverder en
hemelscher lugt, waar in ik was zweevende, nog door dorst nog door
honger gepraamd vond. Toen ik mij egter te binnen bragt, dat 'er brood
in mijnen zak was (de Bergenaars noemen het _Bolken_, dat doorgaans
langwerpig en van eene ei-ronde figuure is) nam ik voor, dat uit mijnen
zak te nemen, en te onderstaan, of 't mij ook in dien toestand van zaken
nog smaken zoude. Maar straks bij de eerste beete ondervindende dat alle
aardsch voedzel mij eene walging veroorzaakte, wierp ik dat weg, als
eene zake die nu nergens toe nut was. Dog 't weggeworpen brood bleef, ô
wonder! niet alleen in de lugt hangen; maar begon eenen kleinen kring
rondsom mij te maken. Zedert dien tijd begon ik te verstaan de
waaragtige wetten der beweeging, waar door alle zaken in evenwigt
gesteld zijnde overslaan tot eene krings-beweging. Dit bragt te weeg,
dat, daar ik mij zelven nog onlangs had aangemerkt als de speelpop der
Luk-Godin, ik thans begon te zwellen van hoogmoed, ziende mij zelven aan
niet alleen als eene gemeene Dwaalsterre, maar wel als zodanig eene, die
gestadig omringd was van haaren wagter, dermaten, dat ik onder de
grootste Sterren of ten minsten onder de Planeten van den eersten rang
konde worden gerekent. En om mijne zwakheid niet te verzwijgen, ik
wierd bevangen van zoodanig eenen hoogmoed, dat, bijaldien ik alle de
Burgermeesters en Raden van _Bergen_ te gelijk was tegen gekomen, ik ze
over schouder aangezien, voor verzeltjes gerekent, en niet waardig zoude
hebben geoordeelt, dat ik ze gegroet, of mijnen haak voor hen zoude
hebben laaten zakken.
In dien toestant bleef ik bijna drie volle dagen. Want aangezien ik
omtrent de Planeet die mij de naaste was zonder ophouden zweefde, kon ik
de dagen uit de nagten niet onderkennen, ziende de onderaardsche Zonne
nu eens op dan weder ondergaan, en buiten mijn gezigt verdwijnen, schoon
ik nooit nagt, zo als die bij ons is, gewaar wierd. Want met het
ondergaan der Zonne, vertoonde zig aller wegen het heldere en
purperverwig uitspansel, niet ongelijk aan 't schijnsel der Maan, 't
geen ik oordeelde de binnen-zijde der korst of des halfronds van den
onderaardschen Aardbodem te zijn, welke dat licht van de onderaardsche
Zon, geplaatst in 't middel-punt deezer Waereld, ontleende. Deeze
veronderstelling maakte ik mij, als een man die niet geheel en al
onbedreven was in de kennisse van de Natuur-kunde der hemelsche
lichamen. Dog terwijl ik dagt, dat ik met dat geluk nabij den staat der
goden was, en mij zelven beschouwde als een nieuw Gesternte, dat met
deszelfs wagter, waar mede het omringd wierd, nu eerlang van de
Sterrekijkers der naaste Planeet op de naamrolle der Sterren stondt te
worden gestelt; zie daar! een nieuw gevleugeld wangedrogt, dat nu eens
mijne regter-, dan mijne linkerzijde, dan wederom mijn hoofd dreigde.
Met den eersten opslag dagt ik niets anders, of het was een uit de
twaalf onderaardsche Hemelteekenen, wenschende daarom, zoo anders mijne
gissing waar was, dat het de Maagd mogte weezen, aangezien alleen dit
teeken (te weten de Maagd) uit het gantsch zamenstelsel der twaalf
teekenen in die eenzaamheid, eenige hulp en troost aan mij konde
toebrengen. Dog toen mij dat lichaam wat nader bij kwam, bevondt ik dat
het een vervaarlijk groote Griffioen was. Toen wierd ik met zoodanig
eene vreeze bevangen, dat ik, vergetende mij zelf en mijne gesternde
waardigheid waar toe ik onlangs was overgebragt; mijn Academisch
_Testimonie_ 't welk ik bij geval in mijnen zak had, daar uit haalde, om
het mijnen vijand voorde neus te leggen, en hem te toonen, dat ik mijne
Academische _Examens_ had ondergaan; dat ik een Student, en wel een
_Baccalaureus_ was, die, wat voor eene buitenpartij mij ook mogte
bejegenen en aandoen, het regt had, deszelfs geregts-dwang als
onbehoorlijk te verwerpen. Dog die eerste drift wat verkoeld zijnde, en
na dat ik tot mij zelven was gekomen, belachte ik mijne dwaasheid. Nu
stondt het nog te bezien met wat oogmerk mij die Griffioen verzelde: of
hij vijand was, of vriend; dan of hij enkel en alleen vermaak scheppende
in de ongewoonheid der zake, nader komende alleenlijk zijn oog wilde
verlustigen. Want het gezigt van een menschelijk lichaam in de lugt
rondom draaijende, en in de regterhand eenen haak houdende, en eenen
langen slenter van een touw als eenen staart agternaslepende, was een
verschijnsel, 't geen ieder onvernuftig dier tot deszelfs beschouwinge
konde aanlokken: ja die ongewoone figuur, welke ik toen vertoonde,
heeft, zoo als ik naderhand vernam, gelegenheid gegeven aan de
bewoonders van den Aardbol, rondsom welken ik zweefde, tot verscheide
redeneringen en gissingen. Want de Wijsgeeren en Wis-konstenaars meenden
dat ik eene staartsterre was, en namen het stuk touws voor den staart.
Ook ontbraken 'er geene, die oordeelden dat met een zoo ongewoon
hemelschijnsel eene aanstaande plage, 't zij Pest, Hongersnood, of
eenige andere aanmerkelijke veranderinge gedreigt wierdt. Eenige gingen
nog verder, en teekenden mijn lichaam, zoodanig als zij 't van verre
hadden beschouwd, zeer naauwkeurig uit: invoegen ik al beschreven,
omschreven, uitgeschildert en in 't koper gesneden was, eer ik nog eenen
voet op dien aardbol gezet had. Dat alles heb ik niet zonder lachen en
vermaak konnen aanhooren, zoo haast als ik, in deeze Waereld
overgebragt, de onderaardsche taal geleert had.
Dog staat te letten, dat 'er ook onverwagt opkomende Sterren zijn, bij
de onderaardlingen _Sciscisi_, dat is gehairde, geheeten, welke van hen
beschreven worden schrikkelijk te zijn door haar bloedig hair, en op de
borstelige kruin als een soort van lang hooft hair te hebben: in voegen
haar de maane op de wijs van eenen langen baard overeind staat. Hiervan
daan worden ze aldaar niet minder dan in onze Waereld onder de hemelsche
wonderteekenen gerekent.
[Illustration]
Dog, om 't weder op te vatten daar wij 't gelaten hebben, de Griffioen
was mij nu zoo na gekomen dat hij mij al bereids met het slaan zijner
wieken begon te raken en eindelijk verscheide neepen met zijnen bek in
mijn been begon te geven. Dit was de reden, dat ik dat strijdbaar dier
gewapenderhand begon te bespringen; en nemende mijnen haak met beide
mijne handen, bedwong ik mijns vijands stoutheid, noodzakende hem
ettelijke maalen te wijken; en eindelijk, toen hij voortging met mij te
sarren, na een en andermaal te vergeefs op hem gestooten te hebben,
dreef ik den vogel met zoodanig een geweld den haak tusschen beide de
wieken, dat ik 'er hem niet weder konde uittrekken. De vogel, zig gewond
voelende; maakte een afgrijsselijk gedruis, en stortte van boven neder
op den Aard-bol: en ik, die nu al verdriet begon te krijgen in mijnen
gesternden staat en nieuwe waardigheid, welke ik, gelijk het doorgaans
gaat, had gezien te weezen bloot gestelt aan menigerlei gevallen en
gevaaren
_Wierd weggesleept: en 't was des Vogels welbehagen_
_Mij tot aan 't Sterr'-gewelf in zijnen vlugt te dragen:_
_En na dees verre reis rukt hij mij naar een grond,_
_Waar van men nooit iets las, en dien nooit iemand vondt,_
_Niet anders was mijn val, als die, wanneer een Sterre_
_Schijnt uit het Hemel-dak te tuimelen van verre,_
_En neêr te storten op ons Aardrijk: daar verschiet_
_Een' Sterre, zegt het volk; maar 't weet de reden niet._
En aldus wierdt de kringswijze beweging, hier boven gemeld, in eene
regtstandige beweginge verandert.
Aldus dan met eenen grooten aandrang voortgesleept en door de
ontmoetende deeltjes van een verdikter lugt, welkers gehuil mij de ooren
deedt tuiten, als gestadig voortgezweept wordende, viel ik eindelijk
zagtjes, en zonder mij te bezeeren, op dien Aardbol neder te gelijk met
den vogel; dog die eerlang aan zijne wonde kwam te sterven. Het was nagt
toen ik op deese Planeet kwam, 't geen ik alleenlijk konde afnemen uit
de afweezigheid der Zonne; dog geenszins uit de duisternisse, vermits
het aldaar nog zoo licht was, dat ik mijn Academisch _Testimonie_
duidelijk kon zien te leezen. Dit nagt-licht komt voort uit het
uitspansel of de binnenwaardsche korst der Aarde, welkers halfrond een
schijnsel van zig geeft, even als de Maan bij ons doet: zulks, zo 't
alleenlijk op 't licht aankomt, 'er alhier weinig onderscheid is
tusschen dag en nagt, als alleenlijk dit, dat de Zon afwezig is, en dat
door deszelfs afwezen, de nagten kouder zijn.
TWEEDE HOOFDSTUK.
_Nederdaling op de Planeet Nazar._
Wanneer ik nu, deeze hemelsche Schipvaart aldus afgelegd hebbende,
behouden en onbezeert op dien Aardbol was neergedaald (want de vaart
welke de Griffioen in 't begin maakte, begon met het afnemen zijner
kragten allengskens te minderen) lei ik eenen tijd lang als
onbeweeglijk, afwagtende wat mij, als 't dag geworden was, zoude mogen
bejegenen. Toen bevond ik dat de voorige zwakheden mij weder bijkwamen,
en dat ik zoo wel slaap als spijze nodig had; invoegen 't mij begon te
spijten dat ik het brood hadde weggeworpen. Een diepe slaap dan begon
mij, door verscheidene angstvalligheden en kwellingen afgemat zijnde, te
bekruipen. Nu had ik, naar gissinge, twee uurtjes leggen ronken, wanneer
een afschuwelijk geloei, dat lang mijn rust gestoort hadt, eindelijk mij
geheel en al den slaap verdreef. Veele wonderlijke gezigten hadden mij
bereids, terwijl ik nog sliep, in de zinnen leggen maalen. Mij dagt ik
was in Noorwegen wedergekeerd, en verhaalde aldaar aan mijne landslieden
't geene mij bejegent was. Ik beelde mij in, dat ik in de kerk te Fanoe
niet wijd van de Stad af was, en dat ik aldaar den Diaken _Niclaas
Andriesz_ hoorende zingen, het gehuil zijner stemme, gantsch onaangenaam
en als naar gewoonte, in mijne ooren klonk: waarom ik wakker wordende
geloofde, dat het gebalk van dien kaerel mij in mijnen slaap gestoort
hadt. Maar toen ik niet wijd van mij af eenen Bul zag staan, bevroedde
ik wel, dat deszelfs gebulk mijne rust had afgebroken. Slaande daarom al
bevende mijne oogen rondom, zag ik met het opgaan der Zonne allerwegen
grazige velden en vrugtbaare akkers. Daar deeden zig ook boomen op;
maar, wonderlijk gezigt! zij waren beweegbaar, hoe zeer het ook zulk een
stil weêr was, dat zelfs het allerligtste veêrtje zig niet verroerde.
Wanneer nu de loeijende Bul regt toe op mij aankwam, zogt ik, al
bevende, naar een goed heenkomen; en ziende in die bevreestheid eenen
boom, niet verre van mij afstaande, trachtte ik daar op te klauteren.
Maar toen ik daar mede bezig was, begon hij een fijn stemmetje van zig
te geven, dog scherp, en even zodanig als dat van een gramstoorig wijf,
en terstond daar op kreeg ik al met eenen uit der lengte zulk eene
oorvijg, dat ik in zwijm rakende op mijn neus viel. Door deezen klap als
door eenen donderslag getroffen, en door vrees eenen tijd lang beteutert
leggende, hoorde ik allerwegen gebons en geraas, even gelijk men
doorgaans hoort in de Vleeschhal, of op de Beursen der kooplieden,
wanneer 't aldaar op zijn drukste is. Na dat ik mijne oogen geopent had,
zag ik dat het gansche bosch rondom mij leevendig, en het veld met
groote en kleine boomen beslagen was, daar men 'er even te vooren slegts
zes of zeven hadt konnen tellen. Het is bijna onmogelijk uit te drukken,
hoedanig alle deeze dingen mij de harssenen ontstelden, en hoe zeer ik
door alle deeze guichelarijen als in de ziel beroerd wierd. Nu dagt ik,
wakker zijnde, te droomen: dan, dat ik van de spooken geplaagd, en door
Heintje Pik bezeten wierd: dan wederom beeldde ik mij nog iets
wanschikkelijkers in. Dog ik had den tijd niet om alle deeze konst
werktuigen en derzelver oorzaken te onderzoeken: want een andere boom
terstont toevliegende, stak eenen tak uit, welkers uiterste met zes
botten, als met zo veele vingers was voorzien. Hier mede greep hij mij,
ligtte mij op van de aarde, en voerde mij, die niets deed dan
schreeuwen, van daar weg, onder 't gezelschap van een onnoemelijk getal
boomen van allerlei soort en grootte, die een geluit en gegons uitgaven,
dat wel naar eene taal geleek, dog die egter vreemd was voor mijne
ooren; zoo dat ik daar van niets anders dan de woorden _Pikel Emi_,
vermits dezelve dikwils herhaald wierden, hebbe konnen onthouden.
Eerlang hoorde ik dat die woorden zeggen wilden: een Aap van eene
ongewoone figuur: want uit de gedaante en opschik van mijn lichaam
gisten zij dat ik een Aap was, schoon in 't soort een weinig
verschillende van de Meerkatten welke in dit Land vallen. Andere hielden
mij voor eenen inwoonder van het Firmament, welken zij dagten dat de
Vogel door de lugt aldaar gebragt hadt; 't geen eertijds door de
Jaarboeken van dien Aardbol bevestigt wierdt meer geschied te zijn. Dog
alle die dingen vernam ik niet, dan eenige maanden daarna; en na dat ik
de onderaardsche taal was magtig geworden: want in dezen tegenwoordigen
toestand van zaaken had ik door vrees en gemoeds-onsteltenis mij zelf
vergeten, geen bezef konnende maaken, wat ik van die levende en
sprekende boomen had te denken, nog waar toe deeze omgang, die traag met
eenen langzaamen tred voortging, dienen mogte: want die boom, op welken
ik voor den Stier vlugtende had willen klimmen, was de huisvrouw van den
Richter der Stad, die mede in de naaste Stad Richter was, en de
waardigheid der beledigde persoon verzwaarde de misdaad: want het scheen
dat ik, niet een slegt vrouwspersoon of van 't geringste slag, maar eene
Matroone van den eersten rang opentlijk had willen zoeken tot mijne
_Devotie_ te krijgen. Dit was een ongemeen en afgrijselijk schouwspel
voor zulk eene zedige en eerbare Natie. Eindelijk kwamen wij in de Stad
werwaards ik gevangen gebragt wierd. Dezelve pronkte niet minder door
pragtige gebouwen dan door de sierlijke orde en evenredigheid der
wijken, buurten en straaten. De huizen waren zoo hoog en aanzienlijk
dat ze naar toorens geleeken. De straaten waren vol wandelende boomen,
welke door 't laten zakken haarer takken zig in 't ontmoeten onderling
begroeteden, en hoe lager zij hunne takken lieten vallen, hoe grooter
bewijs zulks was van eerbied en onderwerpinge: invoegen dat een
eike-boom ter zelver tijd komende uit een aanzienlijk huis, op deszelfs
gezigt, alle overige boomen hunne meeste takken hangen latende, agter
uit gingen: waar uit men konde opmaken, dat die eik wat meer dan gemeen
was. En 't leet niet lang of ik vernam dat hij de Richter der Stad was,
en wel die zelve, wiens huisvrouw voorgaf door mij beledigt te zijn.
Terstont wierd ik naar boven in dezes Richters huis gebragt, alwaar van
stonden aan de deur wierd agter mij gesloten en gegrendelt, waarom ik
mij zelven begon aan te merken, als verwezen tot het rasphuis. 't Geen
deeze vreeze kragtig in mij vermeerderde was, dat 'er drie wagters als
op schildwagt voor de deure wierden geplaatst, elk gewapent met zes
bijlen, naar 't getal haarer takken: want zo veele takken al zij hadden,
waren zoo veele armen, en zoo veele botten, zoo veele vingers. Ik
bemerkte dat boven op de stammen hoofden stonden, niet ongelijk aan die
der menschen, en in plaats van wortels zag ik twee voeten die zeer kort
waren, waar door het komt, dat de Inwoonders deezer Planeet kroopen als
slakken; zulks dat indien ik niet geboeid was geweest, het mij ligt
zoude hebben gevallen hen te ontsnappen, mits ik, vlugger ter been
zijnde, hen scheen te vliegen.
[Illustration: Een Portuaansch Inwoner]
Om mijn verhaal kort te maaken: ik kon nu klaar bespeuren dat de boomen
de Inwoonders deezes Aardbols waren, en dat dezelve waren begaaft met
redelijk verstant: en ik verwonderde mij over de verscheidenheid, waar
mede zig de Natuur in 't formeeren der bezielde wezens schijnt te
verlustigen. Deeze boomen komen in grootte geenszins bij de onze,
aangezien de meeste de gemeene lengte van een mensch niet overtreffen,
en eenige nog zelfs daar onder waren; men zou die genomen hebben voor
bloemen of planten, en ik zag dezelve aan voor kinderen. Wonderlijk is
't, in hoedanigen doolhof van gedagten mij die verschijnzelen
vervoerden, hoe veele zugtingen zij mij gekost, en hoedanig verlangen
naar mijn lieve Vaderland zij in mij hebben doen opkomen. Want alhoewel
mij die boomen gezellig scheenen, 't geluk hadden, om zig van eene taal
te bedienen, en met een soort van reden begaafd te zijn, zoo dat ze
eenigermaten onder de redelijke Schepzelen konden worden gerekent; egter
twijfelde ik, of zij met menschen konden worden gelijk gestelt, en ik
kon niet zien dat de geregtigheid, de goedertierenheid, en andere
zedelijke deugden onder hen gevonden wierden. Door deeze onrustige
gedagten geslingert wordende, voelde ik dat mijne ingewanden beefden; en
uit de bronnen mijner oogen vloten als rivieren van traanen over mijn
aangezigt. Dog terwijl ik aldus mij overgaf aan de droefheid, en toen ik
als een wijf stont te huilebalken, traden mijne wagters in mijne kamer,
welke ik, uit hoofde der bijlen die zij droegen, niet anders dan voor
beulen konde aanzien. Deeze vooruitgaande wierd ik de Stad door naar een
voornaam huisgebragt, staande in 't midden der Stad. Ik beeldde mij
zelf toenter tijd in, dat ik Dictator geworden was, en hoger gezag had
dan een Burgermeester van Rome: aangezien 'er slegts twaalf bondelbijlen
voor de Burgermeesters wierden gedragen, daar ik 'er met agttien omringd
was. Aan de poort van het gebouw, werwaards ik gebragt wierd, stond het
stantbeeld der Justitie uitgehouwen in de gedaante eenes booms, houdende
met een haarer takken eene Weegschaal. Het beeld zelf geleek eene Maagd,
stuurs van aanzien, scherp van gezigt, aanzienlijk, niet door eene
lafhartige of wreede, maar door eene zekere ontzachelijke somberheid.
Dit deedt mij klaar zien, dat hier de Raadsvergadering gehouden wierdt.
Gebragt zijnde op het Raad huis zelf, welkers vloeren met ingeleide
marmersteen pronkten, zag ik aldaar eenen verhevenen boom in een verguld
gestoelte als op den Richterstoel, met twaalf bejaarde bijgevoegde
Raadsheeren, die in eene welgeschikte orde en in even zoo veele
gestoeltens aan de regter- en slinker-hand des Presidents geplaatst
waren. De President zelf was een Palmboom boom van een middelmatige
hoogte, welken de verscheidenheid zijner bladeren, die met allerlei
kleuren geverft waren, boven de andere Richters aanzienlijk maakte. Aan
beide zijne zijden stonden Deurwaarders, wel tot vierentwintig in getal,
welke ieder gewaapent waren met zes bijlen. Een schouwspel, dat
schrikkelijk in mijne oogen was, mits ik uit deezen gewapenden toestel
deeze Natie voor bloeddorstig hield. De Raadsheeren op mijne inkomste
opstaande, verheften hunne takken hemelwaards, welke Godsdienstige daad
verrigt hebbende, gingen zij wederom zitten. Na dat zij alle
nedergezeten waren, wierd ik in 't midden tusschen twee boomen voor de
balie gebragt, welkers stammen met schapenvagten rondom bekleed waren.
Ik zag ze aan voor Advocaten; en zij waren 't ook inderdaad. Alvorens
zij hunne pleidooien begonnen, wierdt des Presidents hooft met
verscheide zwarte deekens bewonden. Daarop begon de aanlegger eene
beknopte redenvoering te doen, welke hij tot drie maalen toe herhaalde,
en wierd met gelijke kortheid door den verweerder beantwoordt. Op hunne
pleidooijen volgde een stilzwijgen van een halfuur. Toen stont de
President, na dat hem het deksel van 't hoofd was afgenomen, op, en
andermaal zijne takken hemel waards heffende, sprak hij eerbiediglijk
eenige woorden, welke ik oordeelde mijn vonnis te behelzen: want niet
zoo haast hieldt hij op van spreeken, of ik wierd weder te rug gebragt
naar mijn oude rasphuis, zulks ik mij niet anders voorspelde, dan
eerlang uit deeze bewaarplaats aan de geesselpaal te zullen worden
gezet. Aldaar alleen gelaten, na dat ik mij al het voorgevallene had te
binnen gebragt, belachte ik de dwaasheid dezer Natie: want het scheen
mij toe, dat zij veel eer een tooneelspel hadden gespeelt, dan Justitie
geoeffent, en alles 't geen ik had gezien, aangaande hunne gebaarden,
opschik, wijze van procedeeren enz, geleek eerder naar openbaare spelen
of klugten van Tooneelspeelders, dan naar staatige Gerichtsplaatzen.
Toen was het ook dat ik het geluk onzer Waereld, en de
voortreffelijkheid der Europische Natie boven dat van alle andere
Volkeren roemde. Maar schoon ik de domheid en dwaasheid deezer
onderaardsche Natie veroordeelde, moest ik egter al met een bekennen,
dat zij te onderscheiden waren van het onvernuftige Vee: want de
schoonheid hunner Stad, de evenredigheid der gebouwen, en veele andere
zaken gaven klaar te kennen, dat deeze boomen niet ontbloot waren van
redelijk verstand, en niet geheel en al onbedreven in konsten en
wetenschappen, vooral der konstwerktuigen. Dog ik was van gedagten, dat
in dit land alle deugd en voortreffelijkheid ophielden.
Terwijl ik aldus bij mij zelf sprak, kwam 'er een boom met een Lancet in
de hand, welke mij mijne borst ontblootende, en mijnen eenen arm
opgestroopt hebbende, volmaaktelijk naar de konst aderliet. Na dat hij
daar uit zo veel bloed getrokken hadt, als 'er scheen vereischt te
worden, leide hij, met geen minder handigheid, het verband. Dus zijn
werk gedaan, en 't bloed naauwkeurig bekeeken hebbende, vertrok hij,
zonder een woord te spreeken, als opgetogen in verwondering. Alle deeze
dingen versterkten mij in 't gevoelen 't geen ik wegens de dwaasheid
deezes Volks had opgevat. Dog zoo haast was ik de onderaardsche taal
niet magtig, en alles mij nader beduid geworden, of de veragting
veranderde in verwondering. De manier van procedeeren welke ik
onbedagtelijk veragt had, wierdt mij aldus uitgelegt: uit de gedaante
van mijn lichaam hadden zij mij aangezien voor een inwoonder des
Firmaments. Ik was hen voorgekomen als zulk een die eene eerlijke
Matroone van den eersten rang had willen geweld aandoen. Over deeze
misdaad was ik als schuldig naar de Vierschaar gesleept. De eene
Advocaat had mijne misdaad zeer verzwaard, en daar over straffe
gevordert ingevolge de wet: dog de ander had juist wel de straf niet
verbeden; maar aangeraden dezelve uit te stellen, tot dat het bekend was
geworden, wie, hoedanig, en waar van daan ik was; en of ik een beest of
redelijk schepzel was. Verders vernam ik dat het opsteeken der takken
een gewoonlijk Godsdienstig bedrijf was, eer men tot beslissing eener
zaak, overging. De Advocaten waren met schapen-vagten bekleed, op dat
zij gedagtig zouden zijn der onnozelheid en der opregtigheid in 't
bedienen van hun beroep. En inderdaad zijn ze alle vroome en opregte
luiden: waar uit het blijkt, dat 'er in eenen welgestelden Staat vroome
en eerlijke Advocaten konnen zijn. Tegen de gene die haaren pligt niet
betragten, zijn zoodanige strenge wetten afgekondigt, dat 'er voor
vitteren en bedrog geen dekmantel te vinden is, dat 'er geen afbidden
van trouwloosheid, geen berging voor de lastertaal, geen huisvesting
voor oneerbiedig spreeken, nog geen uitvlugt voor loopjes meer is
overgebleven. De woorden driewerf te herhaalen plagt te geschieden om de
traagheid in 't bevatten, waar in de Inwoonders deezes Aardskloots van
alle andere Volkeren worden onderscheiden: want maar weinige was het
gegeven te verstaan 't geen zij ter loops geleezen hadden, of te
begrijpen 't geen zij maar eens gehoord hadden. De gene die aanstonts
een ding begreepen, wierden gehouden ontbloot te wezen van gezond
oordeel, en daarom wierden dezelve zeer zelden toegelaten tot hooge en
gewigtige bedieningen: aangezien men aldaar op de proef hadt
ondervonden, dat de Staat in gevaar was geweest onder 't bestier der
gene, die van een zeer vaardig begrip waren, en die gemeenlijk
schrandere geesten genoemt worden: maar dat de langzaame van begrip, en
die, bij veragtinge, domkoppen worden geheeten, weder te regt gebragt
hadden, 't geen de eerstgemelde hadden in de war gesmeten. Alle deeze
dingen waren mij zo veele wonderspreuken, dog na ernstig onderzoek,
scheenen ze mij zoo vreemd niet. Maar allermeest was ik verwondert over
de voorvallen van die de Presidents plaats bekleedde: (want men moet
weten dat die eene Maagd was, gebooren in die Stad, en van den Souverain
aangesteld tot _Kaki_ of Oppersten Richter in de Stad:) want bij dit
volk word geen onderscheid altoos van kunne gemaakt in 't uitdeelen der
eerampten, maar eene verkiezing gedaan zijnde, worden de zaken, rakende
het Gemeenebest, den waardigsten toebetrouwd. Om nu naar behooren van
eens ieders bekwaamheden en gaven te oordeelen, zijn 'er kweek-schoolen
aangelegt, welker Opzienders of Bestierders genoemd worden _Karatti_:
('t woord wil eigentlijk te kennen geven Onderzoekers of Naspeurders).
Deezer werk is, de bekwaamheid en kragten van een iegelijk te
onderzoeken, den aart en inborst der jeugd in den grond in te zien, en
na gedaan onderzoek aan den Souverain jaarlijks op te leveren eene
naam-lijst der gene, die tot Staats-ampten konnen worden toegelaten; en
daar bij te kennen te geven in welke zaken een iegelijk het Vaderland
meest ten nutte kan verstrekken. Deeze naamrolle der Candidaten
ontvangen hebbende, beveelt de Souverain dezelve te boek te stellen; op
dat hij in zijn geheugen en als voor zijne oogen mag houden de gene
welke hij met de openstaande bedieningen staat te bekleeden. De
bovengemelde Maagd hadt vier jaren van te vooren van de _Karatti_ een
schoone _Attestatie_ gekregen, en daar op was zij van den Souverain
aangesteld tot Presidente van den Raad deezer Stad, waar in zij gebooren
was, Deeze gewoonte wordt heilig en onschendbaar bij de _Potuaners_
onderhouden: vermits zij vaststellen, dat niemant de toestand der
plaatze beter bekend is, dan de gene die aldaar gebooren en opgevoed
zijn. _Palmka_ (dus wierdt de Maagd geheeten) hadt met den allerhoogsten
lof, geduurende den tijd van drie jaaren, deezen post bekleet, en wierde
gehouden voor den schrandersten boom der gantsche Stad: want de
langzaamheid van haar begrip was zoo groot, dat zij eene zaak, zoo die
niet drie- of vier-malen herhaalt wierdt, kwalijk konde begrijpen. Dog
't geen zij eens begreep, verstont zij in den grond, en loste alle
geschilstukken met zoo veel oordeel op, dat haare uitspraken als zoo
veele Godspraken wierden gehouden.
_Zij wist waarin de grond der zaken was gelegen,_
_En in de weegschaal van de billijkheid te wegen_
_Het weiflend regts-geding: zij wist het heilig regt_
_Te schiften van 't bedrog aan schijndeugd vastgehegt._
_Geen zeldzaam toeval kon haar doorzigt ooit verduisteren,_
_Mits Themis zelv' altoos kwam haar verstant opluisteren._
Hierbij kwam het toe, dat zij in den tijd van vier jaaren geen vonnis
heeft uitgesproken dat niet door het hoogde _Potuaansche_ Gerichtshof
bevestigd, en met loftuigingen is vereerd geworden. Derhalven kwam die
inzetting ten voordeele van de vrouwelijke sexe, welke ik in 't begin
veroordeelt hadt, mij niet ongerijmt voor, na dat ik de zaak
naauwkeuriger had ingezien. Ik dagt bij mij zelf, wat zoude 't al zijn
zoo de Vrouw van onsen _Bergschen_ Richter in plaats van haaren Man eens
in de regtbank zat? En wat zou men al zeggen, zoo de dogter van onzen
Advocaat _Severini_, eene Maagd versiert met welspreekendheid en andere
voortreffelijke gemoedsgaven, in plaats van haaren dommen Vader de
Gerichtszaken in de Vierschaar bepleitte? Onze regtsgeleerdheid zou daar
door weinig nadeel lijden, en mogelijk zou 't regt zoo dikwils niet
gebogen worden. Voorts dagt ik, dat, vermits in de Europische
Gerichtshovende zaken zoo schielijk beslist worden, zoo de schielijk en
onbedagtzame vonnissen tot een rijper onderzoek wierden gebragt, dezelve
niet weinig berispinge zouden onderhevig wezen. Maar om voort te gaan
met mijn verder verhaal: de reden van de aderlatinge zeide men mij deeze
te wezen. Wanneer iemand van misdaad overtuigd is, wordt hij, in plaats
van eene geesselinge, verminking der leden, of den dood te ondergaan,
verwezen tot eene aderlatinge, op dat het kome te blijken of de misdaad
aan kwaadaartigheid, of aan bedorven bloed en sappen moet worden
toegeschreven; en of hij door zodanig eene kuur kan worden verbeterd:
invoegen deeze regtbanken meer verbetering dan straffe beöogen. Egter
behelsde deeze verbetering eenigzins eene straffe, nademaal het
eenigermaate eene schandvlekke veroorzaakte door vonnis van den Richter
deeze operatie te moeten ondergaan. Zoo iemant zig ten tweedenmaale
misging, wierdt hij de Stad onwaardig geoordeelt, en naar het Firmament,
waar naar toe zij alle zonder onderscheid verwezen wierden, in
ballingschap verzonden. Dog van die verbanning, en van de natuur
derzelve zullen wij straks breeder spreeken. En aangaande dat die
Chirurgijn, die mij eene ader geopent hadt, op 't gezigt van mijn bloed
als verstomt was geworden; daar van was dit de oorzaak: dat namentlijk
de inwoonders deezes Aardbols in plaats van bloed, een helder en wit
vogt hebben, dat door hunne aders vloeit, en 't welk hoe witter het is,
hoe het ook des te grooter teeken van deugtzaamheid te kennen geeft.
Dit alles vernam ik ten vollen, na dat ik de onderaardsche taale was
magtig geworden, waar door ik een gunstiger gevoelen voor deze Natie
begon op te vatten, welke ik al te roekeloos had veroordeelt. Dog hoe
zeer ik deeze boomen voor dom en zot in den eersten opslag had gehouden;
had ik egter terstont daar na bespeurt, dat zij niet van alle
menschelijkheid waren ontbloot, en dat vervolgens mijn leven geen gevaar
liep: in welke hoop ik ook bevestigd wierd, toen ik zag dat mij
tweemaalen daags spijs gebragt wierdt, die gemeenlijk bestont in
vrugten, groente en peulvruchten:--aangaande de drank die bestont in
een klaar vogt, 't aangenaamste en smaakelijkste dat men bedenken kon.
De Richter in wiens bewaringe ik was, liet den Vorst of Landheer, zig in
eene nabijgelegen Stad onthoudende, van stonden aan weten, dat hem bij
geval in handen was gekomen zeeker redelijk Dier, maar van eene
ongewoone gedaante. De Vorst bewogen door die nieuwigheid, beval mij in
de taal te onderwijzen, en dat ik daar na zoude worden gezonden naar
zijn Hof. Hierom wierdt mij een taalmeester verzorgt, onder wiens
onderwijs ik in een halfjaar tijds zo verre vorderde, dat ik met de
inwoonders gemakkelijk genoeg konde praten. Na dat ik in de
onderaardsche taal mijnen eersten leertijd hadt doorgebragt, kwam 'er
een nieuw bevel van 't Hof nopende mijn verder onderwijs, en ik wierd
belast in de eerste beginzelen van 't kweekschool mij te laten
onderwijzen, ten einde dat de _Karatti_ of Onderzoekers mijn verstand
zouden beproeven, en naspeuren in wat soort van wetenschap ik de meeste
hoop van mij gaf. Dit alles volbragten zij zeer zorgvuldiglijk: maar
terwijl ik in deeze loopbaan liep, wierdt 'er geen mindere zorg voor
mijn lichaam dan voor mijn verstand gedragen; en zij waren wel
voornamentlijk daar op uit, dat ik, zoo veel immer mogelijk was, mogte
worden gevormt tot het fatsoen van eenen boom, ten welken einde eenige
geleende takken aan mijn lijf geschikt wierden.
Terwijl dit voorviel, onderhieldt mij mijn huiswaard 's avonds zoo dra
als ik, schoon laat, uit het kweekschool kwam, met verscheide praatjes
en vraagen. Hij hoorde mij met een overgroot genoegen van al 't geene
mij in deeze onderaardsche Reize ontmoet was, redenkavelen; dog niet
weinig verwondert was hij over mijne beschrijving van onzen Aardkloot,
en over den onmetelijken Lugt-hemel onderscheiden door oneindige
Sterren, waar meede dezelve omringd was. Dit alles hoorde hij gretig en
met oplettendheid aan; dog hij wierdt eenigzins beschaamd op 't hooren
van dat gene 't welk ik hem verhaalde van de boomen onzes Aardkloots,
welke onbezield en onbeweeglijk met hunne wortels vast in den grond
staan; en eindelijk zag hij mij niet zonder verontwaardiging aan,
wanneer ik hem betuigde, dat onze boomen uitgehouwen zijnde, dienden om
de kachel te slooken en de pot te kooken. Dog na eene ernstige
overweginge, bedaarde eindelijk zijne gramschap, en stekende vijf takken
op naar den hemel (want zoo veele hadt hij 'er) verwonderde hij zig over
de wijsheid van den Schepper, welkers redenen menigvuldig en verborgen
zijn; luisterende voor het overige naarstig toe naar mijne verdere
vertellingen. Zijne huisvrouw die tot nog toe van mijne tegenwoordigheid
eenen afkeer hadt gehad, vermits zij gehoord hadt, dat de oorzaak,
waarom ik voor de regtbank was gebragt geweest, waaragtig was, en dat ik
door de gedaante van eenen boom, welke wij in onze waereld plegen te
beklimmen, bedrogen was geweest; maakte, haare agterdogt afgelegt
hebbende, met mij peis. Maar ik, om niet in 't begin van eene getroffen
verzoeninge het versche litteeken wederom op te krabben, wilde niet, dan
in 't bijwezen van haaren man en op zijn bevel, met haar aan het praaten
komen.
DERDE HOOFDSTUK.
_Beschrijving van de Stad Keba._
Terwijl ik nog in mijne leerjaaren was, leidde mijn huiswaard mij nu en
dan eens door de Stad, om mij te doen zien al 't geen daar in fraai en
't meest aanmerkelijk was. Wij wandelden zonder eenig beletzel, en 't
geen mij 't wonderlijkste van allen voorkwam, zonder eenigen toeloop der
inwoonders; geheel anders als bij ons geschiedt, alwaar de menschen als
met geheele troepen komen toevliegen, om te bezien al 't geen ongewoon
is, en hunne nieuwsgierige oogen te verlustigen; daar integendeel de
bewoonders deezer Planeet zig weinig laten gelegen leggen aan nieuwe
snufjes, en alleenlijk ernstige zaaken betrachten. Deeze Stad wordt
_Keba_ geheeten en is de tweede in rang van het _Potuaansche_ Prinsdom.
Deszelfs inwoonders zijn zoo deftig en schrander, dat men alle de
burgers zoude groeten voor Raadsheeren. De ouderdom wordt aldaar boven
maate in aanzien gehouden: want nergens bewijst men den bejaarden
lieden zoo veel eers, en nergens wordt de grijsheid met meer agtinge
bejegent: want men heeft 'er niet alleen ontzach voor hunne woorden,
maar zelfs voor hunne wenken. Ik verwonderde mij dat een volk zoo zedig
en deftig, zig met spiegelgevegten, comedien en schouwspelen konde
ophouden, aangezien die dingen daar zoo weinig overeenkomst mede hebben;
't welk mijn huiswaard bemerkende, zeide: door dit geheele Vorstendom is
juk en ernst beurtelings onze bezigheid.
_Saturnus zelf hoe stuursch en wreed hij is van aart,_
_Word door den zagten luim weer van Jupijn bedaart._
Onder andere loffelijke inzettingen deezes Vorstendoms was, dat de
eerlijke vermaken, dienende om den geest te verlevendigen, en dien
bekwaam te maken tot ernstige en moeijelijke bezigheden, wierden
toegelaten; aangezien zij vastelijk gelooven, dat de kwade luim en de
zwaarmoedige gesteltheden, de bronnen van zo veele beroerten,
opschuddingen en verkeerde raadgevingen, daar door uit den weg geruimt
worden. Hier door is 't, dat zij hunne gewigtigste bezigheden met spel
en boert mengen; parende egter zodanig de staatigheid met de
vriendelijkheid, dat deeze niet overslaat tot dartelheid, nog gene tot
droefheid. Maar niet zonder verontwaardiging bemerkte ik, dat onder de
schouw- en tooneelspelen ook wierden gerekent disputeerkonstoefeningen:
aangezien 'er op zekere vastgestelde tijden in 't jaar weddenschappen
geschiedden, en onder eene vastgestelde belooning voor den overwinnaar,
twistredenaars, even als koppels van kampvegters, tegens elkaêr gesteld
wierden, bijna op dezelve voorwaarden, als bij ons de kampgevegten der
haanen of andere feller dieren geschieden. Dit is de oorzaak, dat
gegoede lieden twistredenaars onderhouden, even als bij ons de
jagthonden worden onderhouden, en dezelve onderrigten in de _Dialectica_
of konst van Zintwisten; ten einde zij bekwamer en grooter snappers
mogen worden, tegen dat de tijd van 't jaar, tot kakelen bestemd,
aannadert. Hier door hadt zeeker rijk burger, _Henochi_ geheeten, in den
tijd van drie Jaaren groote rijkdommen, en wel tot 4000. _Ricatu_ toe,
gewonnen uit den veroverden buit van een eenigen twistredenaar, welken
hij ten dien einde onderhield; en het was al meer dan eens geschied, dat
hem voor den zelven zeer groote sommen gelds waren aangeboden geworden
van de gene die met diergelijke oefeningen gewoon waren winst te doen;
dog hij wilde voor als nog dien schat, waar uit hij jaarlijks zoo veele
inkomsten trok, niet verkoopen. Met eene verwonderlijke vaardigheid van
tonge wist die kakelaar de redenen te ontzenuwen, te bekragtigen en te
verdraaijen, zijnde een meester in verstrikkende kwinkslagen, en in de
loopjes der _Dialectica_ of Redeneerkonst: daarenboven was hij zo
afgeregt op de konsttreken van door _distingueeren, subsumeeren_, en
_limiteeren_, alle zijne tegenpartijders uit te strijken, dat hij ze op
zijn gemak den mond konde stoppen. Meer dan eenmaal ben ik bij
schouwspelen van die natuur, niet zonder de uiterste smerte,
tegenwoordig geweest: want ik hield het voor onbetamelijk en
verfoeijelijk zoodanige heerlijke oefeningen, welke onze schoolen zulken
luister bijzetten, tot tooneelspelen te maken: en wanneer ik mij te
binnen bragt, dat ik driemaalen, met de grootste toejuichinge in 't
openbaar gedisputeert, en daar door mijne _Promotie_ bekomen had; kon ik
naauwelijks mij van traanen onthouden. Voor de rest mishaagde mij de
manier van disputeeren niet minder, dan de daad zelve: want daar wierden
zeekere aanhitzers gehuurd, welke zij daar _Cabalcos_ heeten, die,
wanneer zij zien dat de drift der Redentwisters begint te verkoelen,
dezelve met een soort van prikkelen in de zijden steeken, om ze weder
vuurig te maken, en ze de afnemende kragten te doen hervatten. Andere
dingen, en welke ik grootelijks in zulk een geslepen volk veroordeelde,
laat ik daar, want ik schaame het mij dezelve te melden. Behalven deeze
Redentwisters, welke de Onderaardlingen spottender wijze _Mashakos_, dat
is gezegt Krakkeelers, noemen, waren 'er ook andere gevegten van
viervoetige zoo wilde als tamme beesten, en van roofvogels, welke men
voor een stuk gelds, dat daar toe slont, zien kon. Ik vraagde mijnen
huiswaard, hoe 't mogelijk was, dat een volk van zoo veel oordeel zulke
voortreffelijke oefeningen, waar door men een talent van welsprekendheid
krijgt, de waarheid, ontdekt, en het verstand gescherpt wordt, naar de
schouwspelen verwees. Hij gaf mij ten antwoord, dat zoodanige
kampgevegten eertijds in de Barbaarsche Eeuwen zeer in agtinge waren
geweest; dog dat, vermits zij eindelijk door de ondervindinge hadden
geleert, dat de waarheid door redetwisten meer uitgedooft, de jeugd
dartel gemaakt wierdt beroerten ontstonden en de allernuttigste studien
als 't ware boeijen wierden aangeklonken, zij die oefeningen van de
Academien tot de schouwspelen hadden overgebragt; en dat ook de uitkomst
geleert hadt, dat de leerlingen door stilzwijgen, leezen, en overdenken,
veel eerder tot het Meesterschap geraakten. Met welk antwoord, hoe zeer
ook het zelve schijn van waarheid hadt, ik geen genoegen nam. In deeze
Stad was eene Academie of Hoogeschool, alwaar de vrije konsten naar
behooren en met zeer veel deftigheid geleerd wierden. Ik wierd van
mijnen huiswaard in de gehoorzaal deezer school ingeleid op eenen
plegtigen dag, en op welken een _Madic_ of Leeraar in de Philosophie
verkooren wierdt. Dat geschiedde zonder eenige plegtigheid, behalven
alleen dat de aanstaande Leeraar eene zeer geleerde en sierlijke
redenvoeringe deedt over een geschilstuk in de Natuurkunde; waar na hij
van de Bestierders der schoole op de naamrolle der gene, welken het
vergunt wordt opentlijk te leeraren, wierdt aangetekent. Toen mijn
huiswaard mij vraagde, hoe mij die plegtigheid hadt aangedaan, gaf ik
hem ten antwoord, dat mij dezelve al te droog en te mager bij onze
_Promotien_ was voorgekomen. Vervolgens deed ik hem verslag op wat wijze
bij ons Meesters en Leeraars worden gemaakt, te weten: na voorgaande
proefstukken te hebben gegeven van Disputatien. Hij hierop zijn hoofd
met rimpels trekkende, vraagde mij naar den aart en nature van die
Disputatien, en waar in dezelve van die der Onderaardlingen verschilden.
Ik zeide hem, dat ze doorgaans waren over zeer geleerde en
wetenswaardige zaaken: vooral aangaande de gewoonten, taalen, en
kleedingen van twee oude Volkeren, die eertijds in Europa 't meest
gebloeit hebben; betuigende hem, dat ik met drie geleerde Disputatien
gehandelt had over derzelver wijze van schoeijen. Naauwlijks hadt hij
dit gehoord, of hij barstte zodanig uit in lachen, dat 'er het gantsche
huis van klonk. Zijn wijf, door dat geluid gaande gemaakt, kwam,
schielijk toegeloopen, vraagende naar de oorzaak van dat gelach. Dog ik
was hier door zoodanig gestoord, dat ik mij niet verwaardigde te
antwoorden: want het scheen mij onbehoorlijk, dat zulke deftige en
ernstige zaken, oorzaak tot lachen en spotten gaven. Dog zij eindelijk
van haaren man vernomen hebbende wat van de zaak was, begon niet minder
in lachen uit te barsten. Dit geval eerlang door de gantsche Stad
verspreit zijnde, gaf aanleidinge tot geduurige spotternijen: zoodanig
dat de vrouw van zekeren Raadsheer, die uit haar zelven goed lachs was,
door dit verhaal zoo zeer wierd aangezet, dat zij door gestadig lachen
bijna haaren reuzel scheurde. En vermits zij niet heel lang daar na, de
koorts gekregen hebbende, kwam te overlijden, geloofde men, dat zij door
dat onmatig lachen, waar in het al veel op de long was aangekomen, eene
ziekte, die haar ook doodelijk was geweest, gekregen hadt. Het bleek
egter niet klaar, waar aan zij gestorven was; en men verspreidde maar
iets diergelijks onder den duim. Voor het overige was zij eene
goedaartige vrouw, en de beste huismoeder van de waereld: want zij hadt
zeven takken, dat voor die Sexe al iets zeldzaams is; waaromme ook allen
boomen van fatzoen haar dood zeer ter harte ging. Zij wierdt bij nagt
begraven buiten de muuren der Stad, in dezelve kleederen, welke zij aan
hadt ten tijde haares overlijdens: want binnen de Stad te begraven is
bij eene wet verboden, vermits zij vaststellen dat de lugt door de
uitwaasseming der doode lichamen wordt aangesteken. Voorts legt 'er een
verbod tegen het begraven der lijken met groot gevolg, of pragtige
lijkstaatie; aangezien dezelve welhaast staan te worden tot voedsel voor
de wormen. Alle welke dingen mij als zeer voorzigtige inzettingen
voorkwamen. Egter worden 'er doorgaans Lijk en Lof redenen gedaan: dog
welke enkel en alleen bestaan in vermaningen om wel te leeven; en door
welke den toehoorderen de sterflijkheid wordt afgeschetst. Die het
opzigt over de zeden hebben, zijn genoodzaakt zig daar bij te laten
vinden, om agt te slaan of de Lijk-redenaars de geheugenisse der
overledenen meer of min dan naar behooren prijzen. Daar van daan is het,
dat de Redenaars der Onderaardlingen zoo spaarzaam zijn in 't geven van
loftuigingen, vermits 'er eene straf gestelt is op het geven van grooter
lof, dan iemant toekomt. Niet lang daarna wanneer ik bij eene
diergelijke Lijkreden tegenwoordig geweest was, vraagde ik mijnen
huiswaard naar den staat en waardigheid des overledenen, wiens uitvaart
geviert was. Hij antwoordde, dat hij was geweest een boer, dien de dood
overvallen hadt, zoo als hij onder weg was naar de Stad. Toen begon ik,
die nog zoo onlangs door de Onderaardlingen was uitgelachen, op mijne
beurt mede te schateren van lachen, kaatsende hen de pijlen, die zij op
die van Europa hadden geschoten, thans rijkelijk weder toe. _Waarom dog
worden,_ zeide ik, _de Ossen en Bullen, der boeren makkers en
spitsbroeders, niet mede met eene Lijk-reden vereert: vermits zij met de
Landlieden in gelijke bediening? zijnde, ook dezelve stoffe tot
Lijkredenen redenen komen uit te leveren_? Dog mijn huiswaard geboodt
mij mijn lachen in te houden, zeggende, dat de Akkerlieden daar te Lande
uittermate geagt wierden, om de voortreffelijkheid huns beroeps, en dat
generlei soort van levenswijze aldaar boven den Landbouw geschat wierdt;
waar door het toekomt, dat een eerlijke boer, en die op zijne zaken wel
agt sloeg, voor een verzorger en handhaver der Stad wierdt gehouden. Ten
dien opzigte is 't ook aldaar eene gewoonte, dat de Landlieden, wanneer
zij in de _Palmboom maand_, met een groot getal van wagens, geladen met
koren, naar de Stad trokken, buiten de poort door de Magistraat wierden
te gemoet gegaan, en met trompetten-geschal en 't geklank van
musiekinstrumenten, zegepralender wijze, binnen de Stad ingehaald. Ik
stond versteld op het gehoor daar van, mij te binnen brengende den staat
onzer Landlieden, zugtende onder eene harde slavernij, en welker beroep
wij meenen veragtelijk te zijn en verre beneden andere konsten, welke
niet dan voor de wellust dienstig zijn, gelijk als die der koks,
pasteibakkers, parfumeerders, dansmeesters, enz. Mijnen huiswaard gaf
ik dat eenigen tijd daar na wel te kennen, dog onder belofte van
stilzwijgen, vreezende dat de Onderaardlingen een al te slegt gevoelen
mogten opvatten van de menschen. Hij, stilzwijgen belooft hebbende,
bragt mij naar de gehoorzaal, alwaar de Lijk-reden stont te geschieden.
Ik moet bekennen niets zakelijker, waaragtiger, en 't geen meer van
allerlei vleijerij ontdaan was, ooit gehoord te hebben: en deeze
uitvaartsviering scheen mij een model te wezen, naar 't welk alle
diergelijke redenvoeringen behoorden geschikt te wezen. Eerst gaf de
Redenaar op een ontwerp der deugden van den overledenen: daar na telde
hij op deszelfs zwakheden en gebreken, met vermaninge aan de
Toehoorders, dat zij zig daar van hadden te wagten. Zoo als wij uit de
gehoorzaal traden, kwam ons een misdadige te gemoet, verzelt van drie
wagters. Dees hadt onlangs de straf aan den arm (dus noemen ze de
aderlating) bij vonnis van den Richter ondergaan, en wierdt thans naar
het publyke dolhuis gebragt. Toen ik vraagde wat de reden was van zijn
vonnis, wierdt mij geantwoort, dat hij in 't openbaar gedisputeert hadt
over de eigenschappen en het wezen Gods; 't geen daar te lande verboden
is, alwaar alle zulke neus-wijze zintwistingen voor zoo roekeloos en
dwaas worden gehouden, dat zij in schepzelen van eenen bedaarden geest
niet wel vallen konnen. Daarom is aldaar de gewoonte, deeze
scherpzinnige Redeneerders, na dat men ze heeft adergelaten, als narren
in 't publyke dolhuis te brengen, tot dat ze ophouden te kolderen. Toen
zeide ik in mij zelv': "_Ach hoe zoude 't onze Godgeleerden hier
vergaan!_ welke men alle dag hoort twisten over de hoedanigheden en
eigenschappen der Godheid, over de natuur der Geesten, en over meer
andere diergelijke verborgenheden. Wat lot was onze Overnatuurkundigen
hier beschooren, die, trots zijnde op hunne hoogdravende geleertheid,
meenen dat zij wijzer zijn dan 't gemeen, ja gelooven dat zij 't naast
aan de Goden komen. Zekerlijk in plaats van Lauwer kransen of Doctorale
Mutsen, waar mede zij in ons Land worden opgepronkt, zouden zij zig den
weg baanen naar 't dolhuis, of zij zouden schrap staan, om in 't
gasthuis te geraken."
Dit en andere zaken, die mij scheenen tegen de gezonde reden aan te
loopen, merkte ik naauwkeurig op, geduurende den tijd van mijn
leerlingschap. Eindelijk kwam de tijd, door 's Vorsten bevel bepaald,
waarop ik, uit het school naar 't Hof, met een _Testimonie_, moest
vertrekken. Ik lei mij niet anders toe dan op heerlijke loftuigingen en
goedkeuringe, steunende eensdeels op mijne eigene bekwaamheden, vermits
ik de Onderaardsche taale binnen zulken korten tijd, buiten verwagtinge,
geleert had, anderdeels op de gunst mijnes huiswaards, en der Opzigteren
alom beroemde regtvaardigheid. Eindelijk kreeg ik mijn _Testimonie_, 't
welk ik van blijdschap al beevende opende, begeerig zijnde mijnen lof
daar in te leezen, en daar uit af te neemen hoedanig mijn nootlot stont
te wezen. Dog 't leezen daar van, maakte mij gram en wanhopig. De
Brieven van voorschrijving waren van den volgenden inhoud.
"Niet willende in gebreke blijven om uwer. Doorlugtigheids bevel op te
volgen, zenden wij uwe Doorlugtigheid hier nevens toe het schepsel dat
onlangs tot ons uit een andere waereld is overgebragt, en zig zelven een
mensch noemt; na dat wij het zelve, met alle zorgen naarstigheid, in ons
School hebben doen onderwijzen. Deszelfs aart en inborst naauwkeurig
nagespeurt, en deszelfs zeden onderzogt hebbende, hebben wij hetzelve
van een redelijk goed begrip en van een zeer vaardige bevattinge
gevonden; dog van zulk een verkeerd oordeel, dat, vermits deszelfs
verstand al te vlug is, het naauwlijks onder de redelijke schepzelen
gerekent, laat staan tot eenige bediening van gewigt, behoort toegelaten
te worden. Vermits het egter door de gezwindheid zijner voeten ons alle
te boven gaat, zal het zeer bekwaam wezen om de bedieninge van
Postlooper van 't Hof met lof te komen bekleeden.--Gegeven in 't
Kweekschool te _Keba_, in de _Doorn-maand_."
Uwer Doorlugtigheids gehoorzaamste dienaars _Nehek, Jochtan, Rapafi,
Chilac._
Hier over liep ik al huilende naar mijnen huiswaard, hem op 't
nederigste biddende, dat het hem behagen mogte, zijn gezag aan te wenden
om een gunstiger _Testimonie_ van de _Karatti_ te verkrijgen, en dat hij
aan dezelve wilde vertoonen mijn Academisch _Testimonie,_ waarin ik voor
een verstandig man, en daar niets op te zeggen viel, vermeld stond. Dog
hij voerde mij te gemoet, dat dat _Testimonie_ in onze waereld zijn
waardij kon hebben, alwaar men mogelijk meer zag op de schaduwe dan op
het lichaam, meer op de bast dan op het pit; dog dat het hier, alwaar
men de zaken in haar binnenste beschouwde, van geen waardij altoos was:
voorts vermaande hij mij mijn noodlot met gedult te draagen, vooral,
wijl het _Testimonie_ nog vernietigd nog verandert konde worden:
aangezien 'er hier geen zwaarder misdaad was, dan de loftuigingen van
onverdiende bekwaamheden. Willende egter eene pleister op de wonde
leggen,
_Zeid' hij, om mijne smert een luttel te verzagten,_
_En 't meerendeel mijns druks mij, weinig te doen agten;_
_O Zoon! hoe dus beleest? een' edelaarte ziel_
_Staat pal in tegenspoet, ofschoon de hemel viel._
_Ei! 'k bid u, stoor u, niet aan 't geen u doet verbaazen,_
_En daar uw' dwaaze drift u slaaflijk op doet aazen:_
_Wat magt wat immermeer geborgen voor de Nijt?_
_Zeg wat haar felle klaauw niet wreed aan flarden rijt?_
_Men zoud' een' gantsche lijst, was 't nood, u konnen geven_
_Van Amptenaars van Staat, die jammerlijk om 't leven_
_Gebragt zijn: en 't gaat vast, me naar te hoogen staat_
_Staag reikhalst, en door 't goud zijn hart vermeest'ren laat,_
_Die wordt als hemelwaards en uit 't gezigt verheven,_
_Om door te laager val rampzaliglijk te sneeven._
Hier voegde hij bij, dat niets diergelijks, in eenen' laagen of
middelmatigen staat te vreezen stont. Wat nu aanbelangde het
_Testimonie_ der _Karatti_ dat deet zien, dat zij zeer doorzigtige en
tegelijk zeer regtvaardige Richters zijn, die nog door geschenken
omgekogt, nog door dreigementen afgeschrikt konnen worden, om een hair
breet van de billijkheid af te gaan, waarom 'er ook in die zaak geen
plaats tot kwaad vermoeden overig wierdt gelaten. Eindelijk beleedt hij
gantsch openhartig, dat hem al van over lang gebleeken was, dat ik niet
veel verstands had, en dat hij terstont uit mijne sterke memorie en
snedigheid van begrip hadt konnen afnemen, dat ik wel hout, maar geen
goed timmerhout was, en derhalven, om het weinig oordeels dat ik bezat,
niet bekwaam was tot een gewigtig ampt: zeggende, dat hij uit de
verhaalen en beschrijving van de Europische Natie geleerd hadt, dat ik,
_Gebooren in het Land der Narren,_
_Den invloed had der kwaade Starren._
Betuigende voorts met overvloed van woorden zijne genegenheid 't
mijwaarts; mij radende, dat ik zonder uitstel mij vaardig zoude maken
tot de reize. Ik volgde den raad der zes schranderen mans, vooral wijl
de nood zulks vereischte, en het mij als eene roekelooze zaake
voorkwam, om mij tegens 't bevel van den Vorst te verzetten.
Ik begaf mij dan op weg in 't gezelschap van eenige boomjes, die te
gelijk met mij uit het Kweekschool gezonden, ten zelven einde naar de
Koninglijke Stad wierden gevoert. Onze Leidsman was een bejaard man uit
het getal der _Karatti_ of Bestierders, welke, door ouderdom verzwakt
geworden, en niet wel ter been zijnde, op eenen Stier reedt: want op
eenen wagen te rijden is daar de manier niet, en dat voorregt hebben
alleen de stokoude Grijsaarts, of de gene die ziek zijn, hoe zeer ook
bij ons de bewoonders dezer Planeet, om hunnen traagen en moeijelijken
gang, daar in meer te verontschuldigen zouden zijn. Het staat mij nog
zeer wel voor, dat, wanneer ik hen eens eene beschrijving onzer
rijtuigen had opgegeven, namentlijk onzer paarden, onzer viergespannen
en koetsen, waarin wij, als gepakt zijnde, door de Stad worden gevoert,
de Onderaardlingen op 't hooren van mijn verhaal grimlachten, en vooral
toen zij hoorden dat zelfs gebuuren de een den anderen mee plegen te
bezoeken, dan in eene koets of karosse zittende, en voortgetrokken
wordende door twee sterke viervoetige Dieren. Vermits deeze met reden
begaafde boomen zeer traag van gang zijn, waren wij genoodzaakt drie
dagen op deeze reize onder weg te zijn, schoon _Keba_ van de hoofdstad
naauwlijks vier uuren aflegt: want zoo ik alleen geweest was, had ik op
eenen dag die reize afgelegt. Het gaf mij een zonderling vermaak dat ik
vrij wat beter ter been was dan de Onderaardlingen; dog 't smertte mij
al met een, dat ik om die uitnemendheid mijns lichaams tot een slegte en
veragte bedieninge verbannen zoude zijn. _Ik wenschte wel_, zeide ik,
_dat ik dat zelve gebrek aan mijne voeten had, 't geen de
Onderaardlingen hebben: nadien ik alleen daar door zoude bevrijd zijn
van de slaafagtige en geringe bedieninge, daar men mij nu toe geschikt
heeft_; 't welk onze Leidsman hoorende, mij toebeet: _ten ware de Natuur
met deeze uitnemendheid des lichaams eenigermate hadt willen goedmaken
't gebrek in uwe ziele, wij alle zouden u daar voor houden, dat gij
onnuttelijk de aarde vervulde: want om de vlugheid uwes verstands ziet
gij alleen de schil der noot en niet het pit en kern: en vermits gij
slegts twee takken hebt, zijt gij in allerlei slag van handwerk verre
beneden de Onderaardlingen_. Wanneer ik dit alles hoorde, dankte ik God
over de gezwindheid mijner voeten, ziende dat ik, zonder die
bekwaamheid, naauwlijks onder de redelijke Schepzelen zoude mogen
gestelt worden.
Op reis zijnde zag ik, niet zonder verwonderinge, dat de inwoonders
zoodanig oplettend omtrent hun werk zijn, dat niemant ophoudt met
arbeiden op het zien der voorbijgangers, of zig verwaardigt zijn gezigt
daar naar te slaan, alschoon daar omtrent iets ongewoons te zien mogt
wezen. Dog de dag ten einde, en 't werk gedaan zijnde, geven zij zig
over aan spelen en allerhande uitspanningen, met oogluikinge van de
hooge Regeering, welke die uitspanningen aanmerkende als zoo veele
steunzels voor lichaam en geest, oordeelt, dat de Schepzelen daar door
niet minder dan door spijs en drank gevoed worden. Om deeze en andere
redenen heb ik deeze reis met groot genoegen afgelegt. De gedaante der
Landstreek is, geheel en al aangenaam, verbeeld in een ronden
schouwburg, en wel in zoodanig eenen als de Natuur alleen kan te
voorschijn brengen. Overal daar de Natuur wat schaars was geweest, was
de konst der inwoonders toegeschoten, om 't gebrek te vervullen, en
dezelve waren, door de belooningen van de Magistraat daarop gestelt,
geslepen op het boeren-werk, en op de Landbouwerij; dog al wie aan zijn
Land de hand niet hieldt, wierd van zijn burgerregt verstooten, en in
eene boete verwezen. Wij trokken verscheide aanzienelijke Gehugten door,
welke, vermits ze zoo kort op malkanderen komen, het gezigt van eene
doorgaans bebouwde en aaneengevoegde Stad opgeven, en wijd en zijds een
onafgebroken gezigt uitleveren. Maar wij wierden egter eenigermate
gekweld van een soort van Bosch-aapen, die hier en daar op de wegen
warende, mij, welken zij om de gelijkheid van gedaante geloofden van hun
gedagt te zijn, niet weinig met gestadige aanvallen plaagden. Dit maakte
dat ik mijnen toorn en verontwaardiging niet konde bedwingen, vooral
toen ik bespeurde, dat deeze vertooning aan de boomen stoffe verschafte
tot lachen: want men moet weten dat ik ten Hove gevoerd wierd, op bevel
van den Vorst, met het zelve gewaad, waar mede ik op die Planeet was
overgebragt, te weten: houdende mijnen haak in de regterhand, op dat hij
daar uit zoude zien, hoedanig de opschik onzer waereld was, en in
hoedanige toerustinge ik aldaar eerst was aangeland. En die haak kwam
mij toen zeer wel te stade, als waar mede ik de Aapen, die met geheele
troepen op mij afkwamen, van mij trachtte af te weeren, schoon te
vergeefsch: want in de plaats der gevlugtte, kwamen steeds meer andere
toeschieten, zoo dat ik ieder oogenblik eenen tred moest houden, als of
ik op den vijand los ging.
VIERDE HOOFDSTUK.
_Van het Paleis des Vorsts van Potu._
Nu kwamen wij aan de koninglijke Stad _Potu_ Deeze is eene pragtige en
aanzienlijke Stad. De gebouwen zijn aldaar breeder en grooter dan te
_Keba_, en de straaten ruimer en gemakkelijker. De allereerste markt
daar wij bij kwamen, was opgepropt met een groot getal van kooplieden,
en rondom bezet met winkels van konstenaars en handwerkslieden. Op 't
midden der markt zag ik met verwondering eenen misdadiger staan met een
strop om den hals, omringt van een grooten kring der deftigste boomen,
dat een soort van raadsvergadering uitleverde. Toen ik vraagde, wat 'er
te doen was, en om welke misdaad hij verdient hadt opgehangen te worden,
daar 'er in dat land geen misdaad met den dood gestraft werdt; kreeg ik
ten antwoord, dat de misdadige was een uitvinder (project-maker) die
aangeraden hadt, eene oude gewoonte af te schaffen; en dat de omstanders
Regtsgeleerden en Raadsheeren waren, die de nieuwe uitvinding naar
gewoonte zouden onderzoeken, invoegen dat, zoo dezelve wel in orde
gebragt, en voor het Gemeenebest heilzaam bevonden wierdt, de misdadige
niet alleen ontslagen, maar zelfs beloond stont te worden; dog bij
aldien ze schadelijk voor den Staat, of de uitvinder, in 't afschaffen
van die wet zijn eigen voordeel te hebben bedoelt, bevonden wierdt, hij
alsdan den hals, als een verstoorder der gemeene rust, door den strop
stont te worden gebroken. Zijnde dit de reden, waarom 'er weinige
gevonden worden, die dat gevaar willen ondergaan, of 't afschaffen eener
wet durven aanraaden, ten ware de zaak zoo billijk en baarblijkelijk
was, dat men aan eenen goeden uitslag niet konde twijfelen. Zoo zeer
zijn de Onderaardlingen van bevattinge, dat de oude wetten blijven, en
de instellingen der voorouderen moeten onderhouden worden; want zij
gelooven, dat de Staat geschud wordt, wanneer de wetten op iemants
goeddunken verandert, of afgeschaft worden. Ten zeide ik in mij zelv':
O! wat zoude 't hier slegt staan met de uitvinders bij ons, die, onder
schijn van algemeen nut, dagelijks nieuwe wetten smeden, dienstig, niet
voor het Gemeenebest, maar wel voor bijzondere eigenbaat!
Wij wierden eindelijk gebragt in een zeer groot huis, de gewoonlijke
intrek der gene die uit alle de kweek-schoolen des gantschen Vorstendoms
worden verzonden. Uit dat zelve huis worden ze gebragt om voor den Vorst
gesteld te worden. Onze Leidsman of de _Katatti_ beval ons, dat wij ons
gereed zouden houden, terwijl hij heen ging om den Vorst van onze
aankomst te verwittigen. Zoo dra was hij niet uitgegaan, wanneer wij een
zeer groot geroep als dat van eene zegepraal hoorden; en 't leedt niet
lang, of het geschal der trompetten en 't geraas der trommels klonk
allerwegen. Door dit gerugt genoopt, en voor de deur gegaan zijnde,
zagen wij eenen boom aankomen, verzeld van eenen heerlijken stoet, en
met een bloemkransje om het hoofd, en straks wierden wij gewaar, dat het
die zelve burger was, dien wij op de markt hadden zien staan met den
drop om den hals. De reden der zegepraal was 't goedkeuren der wet,
welke hij, met gevaar zijns levens, hadt aangeraden. Dog wat redenen
hij tot afschaffing der oude wet mag hebben bijgebragt, kon ik niet
vernemen, en heb 'er nooit konnen agter komen, door de diepe
stilzwijgendheid der inwoonderen, waar door het geschiedt dat de
allergeringste zaak, het Gemeenebest belangende, of in den Raad
verhandelt wordende, nooit het gemeen ter ooren komt; geheel anders dan
bij ons pleeg te geschieden, alwaar de Raads besluiten en Resolutien van
Staat daags daarna, op de gemeene wegen en in de gaarkeukens, verhandelt
en bedilt worden. Na een uur vertoevens kwam de _Karatti_ wederom, en
beval ons alle hem te volgen. Wij volgden onzen Leidsman op zijn bevel.
Onder weg ontmoetten wij overal hoorntjes, die van allerlei raare en
gedenkwaardige zaaken, gedrukte boekjes te koop veilden. In die
rommelzoô van boekjes ontdekte ik een werkje welks tytel was: _Van het
nieuw en ongewoon hemelsteeken, of vliegenden Draak, die in 't voorleden
jaar zig vertoont heeft_. Ik zag mij zelv', zoodanig ik was, toen ik met
mijnen haak en den slenter van het touw rondom de Planeet wierdt
gewentelt, in koper gesneden. Op dat gezigt kon ik mij naauwlijks
bedwingen van lachen, en zei stilletjes in mij zelv':
_O! welk een vreemd gezigt! een tronie zoo verwildert,_
_Is waardig door Apell' te worden uitgeschildert!_
Hebbende niet te min het boekje gekogt voor drie _Kilac_, makende
omtrent twee schellingen van ons geld uit, bedwong ik mijn lachen:
vervolgende stillekens mijnen weg naar 't Paleis, een gebouw dat
aanzienlijker is om deszelfs konst en nettigheid, dan door deszelfs
kostelijkheid.
_Geen voorhof pronkte alhier van koninglijke pragt,_
_Nog glinsterend' marmer, daar de schilderkunst in wragt_
_Verscheidenheid van kleur en verw'...?_
Ik zag 'er maar weinige hovelingen of deurwaarders, want de
spaarzaamheid der Vorsten hadt allen overvloed afgesneden. Ook heeft men
hier niet noodig zoo veele dienaars, als 'er wel aan de Hoven bij ons
vereischt worden, want zoo veele takken als deeze boomen hadden, waren
zoo veele handen: zoo dat de handwerken en huislijke bezigheden drie- of
vier-maalen rasser alhier verrigt worden.
Het was juist op de maaltijd, toen wij 's Vorsten Paleis intraden; en
vermits zijne Doorlugtigheid, alvorens dezelve aan tafel ging, met mij
afzonderlijk wilde spreken, wierd ik alleen in de eetzaal binnen
gelaten. Dees Vorst bezat eene wonderlijke goedertierenheid en te gelijk
deftigheid. Zoo groot was zijne standvastigheid, dat de deftigheid van
zijn gelaat en wezen door geene de minste gestoordheid kon verdonkert
worden. Op 't gezigt van den Vorst viel ik terstond op mijne knieën. Dog
bij die aanbidding stonden de omstanders als verdomt; en wanneer ik de
reden van mijn vallen op de knieën den Vorst te kennen gegeven had,
beval hij mij op te staan: zeggende dat zoodanig eene eerbewijzing
niemand dan de Godheid toekwam: voegende vervolgens daarbij, dat men
aldaar alleenlijk door gehoorzaamheid, arbeid en vlijt, 's Vorsten gunst
konde gewinnen. Na dat ik opgestaan was, wierden mij verscheidene
vragen gedaan. En wel voor eerst
_Door welken weg ik daar te lande was gekomen?_
_Om welke reden ik die reis had ondernomen?_
_In welken oord ik 't licht eerst zag: hoe 'k wierd geheeten?_
_Waarop ik antwoord gaf: zoo gij mijn' naam wilt weten._
_Die heeft niet veel om 't lijf, KLAAS KLIM word' ik genoemd,_
_En Berg' in Noorwege is (onnoodig hier geroemt)_
_Mijn Vaderland: 'k ben in een grooter Waerelddeel_
_Geboren, dan Gij Vorst, O! dat scheelt al te veel!_
_Mijn' reis aangaande, daar valt vrij wat van te zeggen:_
_Ik liet daar toe geen schip, dat bruist door zee, aanleggen:_
_Ook reisde ik niet te land, maar door het starrendak_
_Nam 'k herwaards mijnen koers, en kwam 'er met gemak._
Vervolgens ondervraagde hij mij over de dingen die mij op mijne reize
bejegent waren, en te gelijk over de wetten en de zeeden onzer waereld.
Toen ging ik op eene zielroerende wijze ontvouwen de deugden der
menschen, derzelver aart en inborst, de wijze van leven in de Steden, en
andere zaken, waarop het menschdom meerendeels zijnen roem pleeg te
dragen. Dog hij nam mijn verhaal geheel koeltjes op, en op verscheide
zaken, welke mijns oordeels grootelijks in hem verwondering hadden
moeten verwekken, begon hij te geeuwen. Toen zeide ik in mij zelv': _wat
zijn ook de smaaken en verkiezingen der menschen verscheiden! daar wij
de meeste aandoeninge van hebben, daar trekken deeze de neus van op_.
Dog 't geen ik in den Vorst 't ergst van allen in de ooren hoorde
klinken, was, 't geen ik hem verhaalde van de manier van procedeeren,
van de welsprekendheid onzer Advocaten, en van de vaardigheid onzer
Regters in 't vonnis uit te spreeken. Ik trachtte hem dat wat nader te
ontvouwen; dog hij mij in de reden vallende, wendde het over een'
anderen boeg, en begon eindelijk te vernemen naar onzen Godsdienst en de
plegtigheden daar omtrent. Daar op leide ik hem kortelijk uit alle de
Artikelen van 't Geloof, op welker meldinge hij eenigermate rimpels uit
zijn voorhoofd trok: betuigende, dat hij gaerne elk van die zoude
onderteekenen: zig alleenlijk verwonderende dat een Volk van zoo weinig
oordeel, zulke gezonde gevoelers hadt van God en Godsdienst. Maar
straks, toen hij hoorde, dat de Christenen in ontelbaare Secten verdeeld
waren, en om die oneenigheid onderling het harnas aanschooten, zeide
hij: "Bij ons zijn 'er ook verscheide gevoelens over de zaken die den
Godsdienst betreffen; dog de een vervolgt daarom den anderen niet:
aangezien alle vervolgingen over zaken, rakende alleen de leere of
dwaalingen, en spruitende alleenlijk voort uit de verscheide
bevattingen, niet dan uit hoogmoed voortkomen, vermits de een dwaaslijk
meent dat hij meer doorzigt bezit dan de ander; welke hoogmoed aan God,
die ons de verdraagzaamheid en nederigheid beveelt, niet welbehaaglijk
kan wezen. Een iegelijk", zeide hij, "die ter goeder trouw en in
opregtigheid des harten van een aangenomen gevoelen in 't stuk der leere
is afwijkende, laten wij zijn oordeel vrij, zoo hij maar in de practijk,
die eigenlijk den dienst Gods betreft, toestemt: en hierin volgen wij de
voetstappen onzer voorzaten na, die 't voor eene onmenschlijkheid
hielden, het verstand der stervelingen de boeijen aan te doen, en over
de conscientien te heerschen. Deezen regel bevelen wij ook in 't
burgerlijke zeer zorgvuldig te volgen: invoegen dat zoo de gevoelens der
onderdaanen, rakende de form onzer lichaamen, de manier van leven, de
huishouding, en wat diergelijken meer is, verscheiden zijn, en egter
dezelve mij voor wettigen Vorst, welken zij gehoorzaamheid schuldig
zijn, erkennen; ik ze alle mee malkanderen voor goede onderdaanen
houde."
Hier op antwoordde ik: _Allerdoorlugtigste Vorst, dat wordt bij ons voor
Syncretismus[1] uitgekreten en ten uitersten van onze Godgeleerden
veroordeelt_. Meer liet hij mij niet toe te spreeken, maar ging
gramstoorig weg: bevelende mij te blijven tot dat hij zijn middagmaal
gehouden hadt.
Aan de tafel zat de Vorst met zijne doorlugtige Gemalin, als mede de
Prins zijn Zoon met den Groot-cancelier of _Kadoki_. Die zelve _Kadoki_
was om zijne beleeftheid en bekende voorzigtigheid zeer onder de
_Potuanen_ gezien. Geduurende twintig jaaren agter een, hadt hij nooit
zijn gevoelen in den Raad gezegt, of 't was van alle anderen toegestemd
geworden: ook hadt hij niets in den Staat vastgestelt, 't geen niet
onwrikbaar was staande gebleven; en zijne woorden waren als zoo veele
zetregels. Dog hij was te gelijk van zulk eene langzaame bevattinge, dat
hij, om het allergeringste Placcaat op te stellen, den tijd van veertien
dagen pleeg noodig te hebben: invoegen dat zoo hij op onzen Aardbol was
overgebragt geweest, alwaar alle vertoef met den naam van luiheid en
traagheid gedoopt wordt, hij daar zoude doorgaan voor een man van weinig
bekwaamheid om zaken van gewigt waar te nemen. Maar om dat hij al 't
gene hij bevattede in den grond verstont, en niets besloot, dan na een
voorgaand en ernstig onderzoek, kon hij gezegt worden meer te hebben
uitgevoert, dan tien zulke die de zaken ras en schielijk ten uitvoer
brengen, en door de bank schrandere verstanden genoemt worden; wier
verrigtingen menigmaal verbetert en verandert worden, ja niet zelden
eene netter beschaavinge moeten ondergaan: zoo, dat bij 't uitgaan
hunner bedieninge bevonden wordt, dat zij niets onbezogt gelaten, maar
ook teffens niets voltooit hebben; dierhalven onder de zinspreuken aan
dat Hof deeze zeer aanmerklijk is, te weten: dat de gene die met al te
groote vlugheid hun ampt bedienen, vergeleken kunnen worden bij de
ledige straatslijpers, welke nu eens voortgaande, dan weder te rug
tredende, op denzelven weg blijven hangen, en schoon gestadig in
beweging zijnde, egter niets vorderen.
Na dat het geheele Doorlugtige Huis was gaan aanzitten, tradt 'er eene
dienstmaagd binnen die agt takken hadt, en met dezelve even zoo veele
schotelen en assietten droeg; invoegen dat in eenen oogenblik de
geheele tafel van geregten voorzien was. Aanstonts wierdt zij gevolgt
van eenen anderen boom, dragende agt flessen, gevult met most van
allerlei soorten van wijn, of andere vogten. Dees boom hadt negen
takken, om welke redenen hij zeer bekwaam geoordeelt wierdt tot allerlei
huiswerk. Dus wierdt alleen van twee bedienden zeer gevoeglijk verrigt
al 't gunt aan de Aardsche Hoven kwalijk van eenen geheelen troep van
dienaars wordt te wege gebragt. Met dezelve vaardigheid daar zij mede
opgebragt waren, wierden de geregten ook wederom afgenomen. Het
middagmaal was sober, doch teffens zinnelijk. Onder alle de opgedischte
geregten hadt de Vorst slegts van een, 't geen 't meest naar zijnen mond
was, gegeten; geheel anders dan onze Grooten, die 't daar voor houden,
dat 'er niet wel opgeschaft is, tenzij de afgedragen geregten door
grootere en betere worden vervangen. Over de maaltijd hadden ze
verscheide discourssen over de deugden en ondeugden, als mede over zaken
van Staat; zoo, dat het vermaak als met de letter oeffeningen gesaust
wierdt. Ook maakten ze geduurig gewag van mij, welken zij geloofden om
de vlugheid mijns begrips nooit goed timmerhout te zullen wezen.
_Na dat de honger door het eeten was verdreven,_
_Wierdt tot het wegdoen van de tafel last gegeven._
En toen was het, dat men mij belastte mijn _Testimonie_ voor den dag te
haalen. De Vorst dat gelezen hebbende, sloeg zijne oogen op mijne
voeten: zeggende, dat de _Karatti_ regt hadden geoordeelt, en dat het
ook zoo moest geschieden. Door dat antwoord als door eenen donderslag
opgewekt, eischte ik niet zonder overvloedige traanen te storten,
herzieninge van 't gewijsde, vermits ik, mijne bekwaamheden en gaven des
geests een weinig nader onderzogt zijnde, eenige verzagtinge in mijn
vonnis verhoopte. De Vorst, gelijk hij een goedertieren en regtvaardig
Heer was, over dit moeilijk en ongewoon verzoek niet gram wordende, lei
den tegenwoordig zijnde _Karatti_ op, mijne zaake op nieuw en
naauwkeuriger te onderzoeken. Geduurende die beproevinge hieldt hij zig
wat aan eenen kant, om ook de overige _Testimonia_ te leezen. De Vorst
weggegaan zijnde, stelden de _Karatti_ nieuwe vragen vóór om die te
beantwoorden. Ik antwoordde daarop met mijne gewoonlijke schielijkheid:
waar over hij, zig verwonderende, zeide: _Gij begrijpt de zaake wel zeer
gaauw; maar gij treedt geenszins tot in het binnenste derzelve; want Uwe
antwoorden geven klaarlijk te kennen, dat het geschilstuk veel eer
vaardig bevat, dan wel en grondig begreepen is_. Na dat hij de proef
genomen hadt, tradt hij in de eetzaal van den Vorst, en keerde straks
wederom met een vonnis van deezen inhoud: Dat ik zeer kwalijk en
onvoorzigtiglijk had gedaan, met het oordeel der _Karatti_ in twijfel te
trekken, en dat ik deswegen waardig was te draagen de straffe, bij 't
derde kleine Artikel van 't vierde grooter Artikel der wet, tegen de
roekelooze Betigters vastgestelt; (door grootere en kleindere Artikels,
anders gezegt _Skibal_ en _Kibal_ verstaan zij Boeken en Hoofdstukken)
en dat ik vervolgens verdient had, dat mij op beide mijne takken of
armen een ader geopent wierdt, volgens het oude gebruik; en in het
openbaare rasphuis vastgezet te worden. De woorden der wet in het 3.
Hoofdstuk van het IV. Boek van de valsche Betigting zijn deeze: _Spik.
Anri. Flak. Skak. Mak. Tabu. Mihalatti. Silak_. Dog dat, schoon de zin
klaar en duidelijk was, en dat de straffe, bij de wet vastgesteld, geen
uitzondering konde lijden; egter zijne Doorlugtigheid besloten hadt, dat
deeze zwaare overtreding, zoo uit hoofde dat de misslag was begaan uit
eene al te groote vlugheid van geest, als uit onkunde der wet, mij te
vergeven was, aangezien de misdaad, begaan door eenen vreemdeling en
uitlande, zonder de wet geweld aan te doen, eenigzins konde worden
kwijtgescholden. Einde dat hij, om daar mede te meer gunst en
genegenheid 't mijwaarts te betoonen, mij hadt beschonken met eene
plaatse onder de gewoonlijke Hof-postloopers, met welke gunst ik
genoegen behoorde te nemen.
Dat vonnis uitgesproken zijnde, wierdt de _Kina_ of Secretaris ontboden,
die mij met de overige onlangs aangekomen Candidaten zoude stellen op de
lijst der gene die gevordert stonden te worden. Die Secretaris was een
man schoon van gedaante, hebbende elf armen, waarom hij ook elf brieven
te gelijk met hetzelve gemak, waarmede wij 'er eenen schrijven, konde
ontwerpen; dog hij was van een middelmatig verstand, om welke reden hij
ook niet hooger gevordert, maar in die bediening, welke hij bijna dertig
jaren bekleed hadt, oud en grijs stont te worden. Dees was de man, met
welken ik naderhand zeer gemeenzaam omging, en welken ik het meest had
te ontzien, vermits hij de eerste ontwerpen der Placcaaten of Brieven
opstelde, welke ik als Postlooper door de Provinciën stond om te
brengen. Menigmaalen stond ik versteld, over de handigheid waarmede hij
zijne bedieninge waarnam, vermits hij niet zelden elf voorschriften op
eenen en denzelven tijd schreef, en op dezelve te gelijk ook zoo veele
zegels drukte. Hier van daan is het, dat onder de voordeeligste zaaken
in de familien gerekent worden, de kinderen die gebooren worden mee
veele takken; en dat de kraamvrouwen, na dat zij gelukkig verlost zijn,
aan haare buuren plegen bekend te maken, met hoe veele takken de
kinderen ter waereld zijn gekomen. Men zeide aldaar dat de Vader van
onzen Secretaris twaalf takken gehad hadt; en zijn geheele geslagt is
boven alle andere vermaard door de meerderheid van takken. Na dat ik,
onder de gewoonlijke Postloopers des Vorsts aangenomen was, ging ik naar
bed. Dog hoe vermoeid ik ook wezen mogt, moest ik egter, niet konnende
rusten, het meerendeel van den nagt, alle moeite doen tot slaapen: want
geduuriglijk kwam mij in de gedagten die verachte bediening, waar toe ik
verwezen was, en 't scheen mij gantsch onbetamelijk en schandelijk te
zijn, dat een Proponent en Baccalaureus in de grooter Waereld, voor een
slegt en veracht Postlooper zoude speelen in de onderaardsche. Met deeze
droevige gedagten bragt ik een goed deel van den nagt zonder slaapen
door; en in deezen drift las en herlas ik mijn Academisch _Testimonie_
geen ik had mede genomen, (want ik heb reeds boven gezegt, dat nagt en
dag hier weinig verschillen.) Eindelijk afgemat zijnde door deeze
muizennesten en kommer, bekroop mij een diepe slaap. Terwijl ik lag te
rusten, waarden mij verscheide droomen in den geest. Mij dagt, dat ik
in mijn Vaderland wedergekeert zijnde, aan mijne Landslieden al wat mij
op de Onderaardsche reize ontmoet was, tot het allergeringste toe,
verhaalde: straks daarop mij de lugt-schipvaart verbeeldende, dagt mij,
dat ik met den wreeden Griffioen te doen had, die mij zoo veel spel
maakte, dat, terwijl ik mij tegen hem verweerde, alle slaap van mijne
oogen week. Maar wakker wordende, zag ik, niet zonder schrik, eenen Aap
van eene ongemeene grootte, die door de deur mijner slaapkamer, welke
door onagtzaamheid niet wel gesloten was, ingekomen, en in mijn
slaapvertrek gesloopen was, voor mij staan. Dat onverwagt verschijnzel
joeg mij zodanigen schrik op 't lijf, dat ik met een groot geroep, waar
van de kamer weergalmde, om hulp schreeuwde. Eenige boomen, die op de
kamers naast aan mijn vertrek sliepen, op dit geroep wakker geworden
zijnde, traden binnen, schooten mij, die reeds met den Aap aan 't
worstelen was, te hulp, en stootten dat leelijk gedierte buiten de deur.
Het leedt niet lang, of het kwam mij ter ooren, dat deeze klugt aan den
Vorst veel stoffe tot lachen hadt verschaft. Dog op dat dat zelve geval
niet weer mogt voorkomen, beval hij terstont mij op de Onderaardsche
wijze te kleeden en met takken toe te takelen.--De Europische kleederen,
welke ik tot nog toe gedraagen had, en die mij waren ontnomen, waren in
't Kabinet of de Rariteit kamer van den Vorst, om de ongewoonheid der
zaake, opgehangen, met dit opschrift: OPSCHIK VAN EEN BOVENAARDSCH
SCHEPSEL. Toen dagt ik bij mij zelv': bijaldien de Bergsche snijder _Jan
Andriesz_, die deeze kleederen 't fatsoen heeft gegeven, eens te weten
kwam dat zijn handwerk onder de Onderaardsche rariteiten bewaart wierdt,
zonder twijfel zoude hij van hoogmoed opzwellen, en na deezen naauwlijks
voor de Burgermeesters of Kapiteins van de Stad willen zwigten.
Na dit voorval bragt ik het overige van den nagt door, zonder een oog te
konnen toedoen, tot dat de Zon opging. Toen ik opstond wierdt mij mijne
acte gebragt, waar bij mij gegeven wierdt de bedieninge van Post looper.
Van stonden aan kreeg ik oneindig werk, en was als een geduurig
beweegrad, brengende Placcaaten en Brieven over, zoo naar de groote als
kleine Steden. Op deeze mijne togten den aart deezes volks wat
naauwkeuriger onderzogt hebbende, ontdekte ik in de meeste eene
verwonderlijke heuschheid en eene zeldzaame wijsheid. Alleen de
inwoonders van _Maholki_, die alle Doornboomen zijn, kwamen mij voor
niet zeer geslepen of beschaafd te wezen: want iedere Provincie heeft
haare bijzondere boomen of inwoonders, 't geen zeer klaar blijkt in de
Boeren of Landlieden, die alle inboorlingen zijn: want in de groote
Steden, vooral in de Stad daar zig de Vorst ophoudt, was een mengelmoes
van allerhande boomen. Het gevoelen dat ik van 't verstand der
inwoonders deezes Vorstendoms opgevat had, nam toe, naar mate dat ik
gelegenheid kreeg om hunne bekwaamheden wat dieper in te zien. De wetten
en inzettingen, welke ik het meeste veroordeelt had, begon ik hooglijk
te prijzen om derzelver billijkheid en regtvaardigheid: zoo was de
verachting in verwonderinge verkeert! 't Zoude mij niet moeilijk
vallen, een geheele lijst op te geven van zaaken en gewoonten, die mij,
wanneer ik ze terloops beschouwde, dwaas, maar als ik ze nader inzag,
verstandig en voorzigtig voorkwamen. Uit een oneindig getal van
voorbeelden zal ik alleenlijk dit bijbrengen, 't welk den aart deezes
volks zeer duidelijk uitdrukt. Toen eens een Student in de Litterature
stont naar het Rectorschap van zekere School, wierdt zijn verzoek
ondersteunt met deeze aanprijzing, te weten: de Burgerij der Stad
_Nahami_ getuigde, dat hij, geduurende den tijd van vier jaaren, met een
dertele en ontrouwe vrouw gerust en stil hadt geleeft, en een gewillige
hoorndrager was. Deeze Attestatie was bijna met deeze of diergelijke
woorden opgesteld:
"Nademaal de zeer geleerde en eerwaardige Heer _Jocthan Hu_ van zijne
Gebuuren verzogt heeft eene Attestatie, nopende zijn leven en gedrag,
zoo verklaaren wij burgers, wonende in de wijk of in den oort der Stad
_Posko_, dat dezelve geheele vier jaaren agter een mee zijne huisvrouwe,
die eene ligtekooi is, zonder eenig huiskrakeel, in den egt geleeft
heeft: dat hij zijne hoornen geduldig heeft gedragen en met zodanige
gematigdheid die ziels-smerte geleden heeft, dat wij hem oordeelen te
zullen wezen een waardig Rector der openstaande School, zoo anderszins
zijne studien met zijn gedrag overeenkomstig zijn."
"Gegeven op den tienden dag der Palmboommaand, in het jaar drie duizend,
na den grooten Zundvloed."
Bij deeze aanprijzing was gevoegd eene verklaaring; van de _Karatti_ van
het Kweekschool, aangaande deszelfs studien en geleerdheid, 't geen meer
scheen ter zake te zullen doen: want wat aanbelangde de verdiensten van
dien gehoornden Schoolvos boven die andere leeraars, daarvan kon ik niet
wel begrip vormen. Maar van die klugtige Attestatie was dit de regte
zin: Onder de deugden welke eenen leeraar 't meest aangenaam maken, is
de gematigdheid: want, tenzij zulk een Jobs lijdzaamheid bezitte, zal
hij met den gantschen opschik zijner geleerdheid weinig bekwaamheid
hebben om 't Schoolmeesters ampt waar te nemen, 't geen zonder
strengheid en oploopenheid moet worden bedient, op dat, door zijne
ontijdige tugtigingen, de gemoederen der jeugd niet verbitterd worden.
Nu gelijk 'er kwalijk een voorbeeld van grooter gematigdheid kan worden
gegeven dan van die, waar mede de aanstaande Rector zoo een aanmerklijk
huis-kruis verdragen hadt, zoo trokken ook des Verzoekers gebuuren niet
lang in twijfel, dat zij op deeze drangreden moesten aandringen, om daar
mede aan te toonen, wat men van eenen Schoolmeester, die boven andere
met deeze deugd pronkte, te wagten hadt. Men zegt dat de Vorst over die
ongewoone aanprijzing boven mate in lachen uitbarstte; dog wijl hij
dezelve niet geheel en al ongerijmd bevondt, begiftigde hij den
Verzoeker met het openstaande Rectorschap: en het is zeker dat dezelve
dat ampt met zoo veel snedigheid heeft bedient, en de leerlingen door
verdraagzaamheid en goedertierenheid zoo zeer aan zig heeft verbonden,
dat zij hem eerder voor eenen Vader, dan voor eenen Schoolmeester
hielden, en zoodanige liefde voor de letter-oeffeningen, onder zulk
eenen zagtzinnigen en gematigden bestierder, kreegen, dat 'er
tegenwoordig weinige Schoolen in 't geheele Vorstendom zijn, waar uit
zulke vermaarde, geleerde, en wel opgevoedde boomen jaarlijks te
voorschijn komen.
Vermits ik nu, geduurende den tijd van vier jaaren dat ik het ampt van
Post looper bediende, gelegenheid had, zoo om den aart deezes lands, als
om den inborst, zeden, staatkunde, Godsdienst, wetten en
letteroeffeningen deezes volks na te speuren; hoop ik de Leezers niet
onaangenaam te zullen wezen, als ik al het geen wijd en zijd in dit werk
gevonden wordt, hier als in eenen bondel betrekke.
[1] Mengelmoes van gevoelens.
VIJFDE HOOFDSTUK.
_Van den aart des Landschaps Potu; en van den inborst der Natie._
De Landpaalen des Vorstendoms _Potu_ strekken zig niet wijd uit, en
beslaan slegts een tamelijken landstreek van dien Aardbol. De gantsche
Bol Nazar behelst in zijnen omtrek naauwlijks twee honderd Duitsche
mijlen. Elk reiziger kan dien gemakkelijk zonder Leidsman omreizen: want
overal wordt eenerlei taal gesproken, hoe zeer ook die van _Potu_ door
wetten en gewoonten van de overige Vorstendommen en Staaten grootlijks
verschillen. En even gelijk in onze Waereld de Europeers boven andere
Natiën uitsteeken, zoo zijn ook die van _Potu_ in bekwaamheid en
schranderheid verre boven de andere bewoonders deezes Aardbols te
achten. De wegen worden doorgaans met steenen, die de mijlen te kennen
geven, afgeteekent; en hebben of uitstekende handen of andere teekenen
die naar elke Stad of wijk het pad aanwijzen. Het geheele Vorstendom
door, vindt men veele schoone Steden en Gehugten. Voorzeker is dit
verwonderlijk en merkwaardig, dat alle bewoonders dezes Aardbols
eenerlei spraak hebben, schoon elke Natie in staat, zeden, wetten en
gaven des geests zoodanig verschilt, dat dees Aardbol eene zeer klaare
afbeeldinge verschaft van de verscheidenheden waarin zig de Natuur,
verlustigt: en ten dien opzigte kan zij gezegt worden de reizigers niet
zoo zeer aandoeninge te geven, als wel te verbaazen, en ze als bijna te
brengen in eene verrukkinge van zinnen.
De landerijen worden afgescheiden door wateren, zoo door groote als door
kleine, waar door schepen varen, die met riemen als door tooverkonst
worden voortgedreven: want dezelve worden niet als bij ons met handen
voortgeroeit; maar door konst werktuigen, even als door zulke werktuigen
die door zig zelv' bewegen, aangezet. Den aart en het maakzel deezer
kunstwerktuigen kan ik niet bepaalen, omdat ik mij niet grondig verstaan
op de Wiskonst: voeg hier bij, dat deeze boomen zoo vernuftelijk alles
uitvinden, dat niemant, ten ware hij nog meer oogen hadt dan Argus zelf,
en met een bijna Godlijk doorzigt begaafd was, ontdekken kan hoedanig
het gemaakt en in een gezet is. Die Aardbol wordt even als de onze op
driederlei wijzen bewogen, invoegen dat de tijden hier niet anders dan
bij ons worden, onderscheiden in. Dag en Nagt, Zomer en Herfst, Winter
en Lente, en dat de oorden, gelegen aan de Poolen of Aspunten, kouder
zijn dan de andere. Maar aangaande het licht is 'er weinig onderscheid
tusschen dag en nagt, om redenen boven gemeld. Ook kan in eenige
opzigten de nagt aldaar gezegt worden aangenamer te zijn dan de dag;
want men kan niets heerlijker bedenken dan het licht dat van de Zon
komende op deeze Planeet afstuit, en op het halfrond of 't verdikte
Firmament te rug gekaatst wordende, als tot een soort van eene
overgroote nabij staande Maan, wijd en zijd te samen vergaderd wordt. De
inwoonders bestaan uit boomen van verscheiden soort; te weten: uit
Eiken, Linden, Populieren, Palm-boomen, Doornboomen, enz. waar uit
zestien maanden haare naamen ontleenen, in welke het Onderaardsche Jaar
omschreven wordt; want op elke zestiende maand, komt de Planeet _Nazar_
weer op haar eerste loopspunt; dog egter niet op eenen vasten dag, om
derzelver ongelijke beweginge, vermits zij, even als onze Maan, door
veelerlei afwijkingen de Verstanden der lugtbewoonders genoeg te doen
geeft. De Jaarrekeningen zijn 'er zeer verscheiden, en nemen haar begin
van de meest gedenkwaardigste zaaken: voornamentlijk van eene groote
Staartsterre, die men gelooft over drie duizend jaaren eenen algemeenen
Zundvloed te hebben veroorzaakt, waarin het gantsche geslagt der boomen,
met al wat leven hadt en bezield was, versmoort is geworden, uitgezonden
alleen eenige weinigen, die op de heuvelen en toppen der bergen den
algemeenen Zundvloed zijn ontvloden; en waar uit de tegenwoordige
inwoonders afkomstig zijn. De grond, die zeer vrugtbaar is in vrugten,
kruiden en peulgewassen, brengt bijna dezelve vrugten voort, welke in
Europa vallen; egter wast daar geen haver, ook is die daar niet noodig,
wijl die Aardbol geen Paarden uitlevert. De Zeeën en staande waters
verschaffen smakelijke Vis, en de gebouwen der Dorpen, die dan eens aan
een grenzen, dan wederom door eenigen afstand van een gescheiden zijn,
versieren de stranden en oevers door eene zeer aangename
verscheidenheid. De drank die daar gedronken wordt, wordt geperst uit
zekere kruiden, die, alle tijden van 't jaar door, groen zijn. Die
deezen drank verkoopen worden gemeenlijk genaamt _Minhalpi,_ dat is
kruiden-kookers, waar van 'er in elke Stad een bepaald getal is, en
welken alleen het vergund is kruiden te moogen kooken. Die met dit
voorregt begiftigt zijn, zijn genoodzaakt van alle andere bedieningen,
neeringen en handteeringen af te zien. Maar wel inzonderheid legt 'er
een gebod, dat niemant der gene die ampten of bedieningen hebben en
wedden van den Staat trekken, deeze neeringe zal mogen doen, en zulks om
dat ze uit hoofde van het gezag waarmede zij in den Staat bekleed zijn,
alle koopers tot zig trekken, en, om andere voordeelen welke zij
genieten, de waaren beter koop konnen geven: gelijk wij meenigmaalen in
onze Waereld zien gebeuren, daar de gene die bedieningen hebben en
jaarwedden trekken, door zoodanige middelen, binnen weinige jaren rijk
worden van het zweet en bloed der andere handwerkslieden.
De veelheid der inwoonders wordt door de heilzaame wet, die op de
voortteelinge der kinderen gemaakt is, wonderlijk bevordert. Want naar
het getal der kinderen worden de bedieningen of vrijheden vermeerdert of
vermindert, en die vader is van zes kinderen, wordt zoo wel van de
gewoonlijke als van de ongewoonlijke schattingen ontheven. Hier van daan
is 't, dat de voortteeling en het getal der kinderen daar niet minder
heilzaam wordt gerekent, dan dezelve in onze Waereld, alwaar op de
hoofden der kinderen eene belastinge gesteld pleeg te worden, moeilijk
valt en schadelijk is. In dat land bedient niemant ooit twee ampten te
gelijk, vermits men aldaar vaststelt, dat de minste bezigheid een geheel
man vereischt. Om deeze reden (het zij met oorlof van de bewoonders
onzes Aardbols gezegt) worden de ampten daar getrouwer en beter bedient
dan bij ons; en zoo heiliglijk wordt 'er die wet onderhouden, dat een
Geneesheer aldaar zig niet inlaat in het onderzoek der geheele
Geneeskunde; maar zig alleenlijk met alle naarstigheid uitlegt in het
doorgronden van den aart van een eenige ziekte. Een Musicant oeffent zig
niet dan maar op een eenig instrument; geheel anders dan in onze
Waereld, alwaar door de verscheidenheid der bedieningen dieningen de
inschikkelijkheid gekrenkt, de koppigheid vermeerdert, en het waarnemen
der bedieningen versloft wordt; en waar door wij gemeenlijk nergens
zijn, om dat wij overal zijn. En gelijk een Geneesheer, die terwijl hij
de ziekten van het menschelijk lichaam tracht te geneezen, ook te gelijk
het Gemeenebest wil helpen, beide mist; even zoo is 'er van eenen
Musicant, zoo hij te gelijk voor Musicant en Raadsheer wil speelen, geen
harmonie te verwagten. Wij verwonderen ons over de gene, die niet
schroomen om verscheide ampten te gelijk te bedienen, die zig zelf in
zaken van 't uiterste gewigt indringen, en meenen dat zij tot allerlei
bedieningen bekwaam zijn; maar het is enkel roekeloosheid en zijne
eigene kragten niet te kennen, daar wij ons dwaaslijk over verwonderen,
aangezien dat, zoo zij de zwaarwigtigheid der zaaken wisten, en daarbij
hunne eigene zwakheden kenden, zij het aangeboden bewind uit eige
beweginge afstaan zouden, en zidderen op het zelve te hooren noemen.
Niemant dan neemt hier iets aan, daar hij geen bekwaamheid toe heeft.
Het heugt mij nog, dat ik over deeze lesse den vermaarden Wijsgeer
_Rakhazi_ hebbe hooren redeneeren, en wel in deezer voegen: "Elk moet
zijne eigene bekwaamheid kennen, en een streng regter over zig zelven,
over zijne misslagen en goederen zijn, op dat niet misschien een
tooneelspeeler meer verstands en voorzigtigheids schijne te hebben dan
wij; die kiezen nooit de beste, maar wel de voor hen best passende
klugtspelen uit. Zal een klugtspeeler op een tooneel dat gene zien, wat
een wijs man in zijnen leevensloop niet zal zien?"
De inwoonders deezes Vorstendoms zijn niet onderscheiden in Edelen en
Gemeene. Voortijds hadt dat onderscheid van rang plaats; dog toen de
Vorsten bespeurden dat daar door het zaad van tweedracht verspreid
wierdt, namen zij voorzigtiglijk weg alle voorregt uit geboorte
spruitende; zoo, dat de boomen thans geschat worden enkel en alleen naar
mate dat zij deugd bezitten, en naar hunne bedieningen en bezigheden,
waar van ik elders uitvoeriger zal spreeken. 't Eenige, dat de geboorte
voorheeft, bestaat in de veelheid van takken; want naar mate dat de
vrugt die geboren wordt, die min of meer heeft, wordt dezelve ook min of
meer adelijk gerekent, aangezien de overvloed van takken den boomen
bekwaamheid verschaft tot alle handwerken. Van den inborst en zeeden des
volks heb ik boven, zoo hier en daar, al vrij wat gemeld, waarom ik, den
Lezer wijzende naar 't geen boven gezegt is, dit Hoofdstuk zal
besluiten, en overgaan tot de verhandeling van andere zaaken.
ZESDE HOOFDSTUK.
_Van den Godsdienst des volks van Potu._
Het samenstelzel des Godsdiensts van die van _Potu_, kan onder menige
Hoofddeelen worden begrepen, en behelst eene korte Geloofs-belijdenisse,
die een weinig breeder uitgestrekt is, dan onze Apostolische
Geloofs-belijdenisse. 't Is hier verboden, op straffe van bannissement
naar het Firmament, over de Heilige Boeken eenige aanmerkingen te
maaken. En overzulks zoo iemant zig verstout te disputeeren over het
Wezen en de Eigenschappen van God, over de hoedanigheden der Geesten en
Zielen, wordt hij verwezen tot de aderlatinge, en in het publyke
Stads-dolhuis gezet. Want zij houden het voor dwaasheid dingen te willen
schrijven en bepaalen, waarop ons verstand niet minder schemert, dan de
oogen van eenen nagtuil op het licht der Zonne. Alle stemmen zij over
een in het dienen en eeren van een Opperwezen, door wiens Almagt alle
dingen geschapen zijn, en door wiens Voorzienigheid dezelve worden
onderhouden. Uitgenomen deeze dienst wordt niemant, om verschillende
gevoelens, belangende de maniere en wijze des diensts, eenige
moeilijkheid aangedaan: alleenlijk worden de gene die in 't openbaar den
Godsdienst, bij de wetten vastgesteld, tegenspreeken, als verstoorders
der gemeene rust gestraft. Uit deezen hoofde wierd ik in de oeffeninge
mijnes Godsdiensts niet gedwongen, nog van iemant gestoord. Die van
_Potu_ bidden weinig, maar zeer ijverig: invoegen dat zij, zoo lang
hunne gebeden duuren, schijnen als in verrukkinge van zinnen te zijn.
Waarom dezelve, toen ik hen verhaalde dat wij onder ons huiswerk
gebeden deden; en zelfs onder ons handwerk heilige liederen zongen, ons
dat tot eene misdaad rekenden, zeggende, dat een aardsch Prins het
kwalijk zoude opneemen, zoo hem iemant iets willende verzoeken, naderde,
en te gelijk in zijne tegenwoordigheid zijne kleederen af borstelde, of
zijn hair kamde. Ook vonden zij geen meer smaak in onze heilige
liederen: want zij hielden het daar voor, dat het belachenswaardig was
met Musiektoonen smert en leedwezen uit te boezemen, vermits de toorn
Gods door tranen en zugtingen, en niet door zangwijzen, fluiten of
trompetten, gestilt wordt. Deeze en andere dingen hoorde ik niet zonder
verontwaardiginge: inzonderheid vermits mijn Vader zaliger, eertijds
Voorzanger van de kerk, verscheiden lofzangen, die nog heden ten dage
gezongen worden, op noten hadt gestelt, en ik zelf besloten had te staan
naar eene openstaande Voorzangers-plaats; maar ik trachtte mijne
gramschap te bedwingen: want onze Onderaardlingen beweeren hunne
gevoelens met zoo groote scherpzinnigheid, en leggen alles zoo
waarschijnlijk uit, dat het gantsch niet gemakkelijk valt zelfs hunne
allertastelijkste dwalingen te wederleggen. Daar zijn nog andere
dwalingen in den Godsdienst, welke zij, met dezelve snedigheid en schijn
van waarheid, staande houden: zoo, dat zij, wanneer ik aan eenige onder
hen, waar mede ik gemeenzaam omging, menigmaalen gezegt had, dat 'er
voor hen, als welke in de duisternisse wandelden, na den dood, geen
zaligheid te wagten was; mij ten antwoord gaven; dat al wie strengelijk
anderen verdoemt, zelf het meeste gevaar liep van verdoemt te worden:
want dat een ander te veroordeelen doorgaans spruit uit hoogmoed, welke
God, die niets meer dan de nederigheid gebiedt, haat, en in 't schepzel
niet verdraagen kan: dat ook eens anders gevoelen te verdoemen, en die
van ons in gevoelen verschillen, met geweld tot het onze te willen doen
overgaan, even eens is, als of men zig zelven alle wijsheid alleen wilde
toeëigenen: 't geen 't werk van dwaazen is, die zig inbeelden, alleen
wijs te zijn. Voorts wanneer ik eens een gevoelen zullende verdedigen,
mijnen tegenstreever tegemoet voerde, dat ik in mijn hart daarvan ten
vollen overtuigd was; prees hij mijne drangreden en beval mij voort te
gaan in 't licht mijner conscientie te volgen; belovende, dat hij altoos
het zelve zoude doen; aangezien dat, bijaldien een iegelijk in de
verschillen kwam op te volgen het voorschrift der conscientie, alle
twist ter nedergelegt, en alle stoffe tot disputeeren zouden worden
afgesneden. Onder andere dwalingen, die de inwoonders deezes Vorstendoms
voorstonden, waren ook deeze volgende. Zij ontkenden wel niet dat de
goede werken van God beloond en de kwaade gestraft zullen worden; dog
zij oordeelden dat de gerichtsoeffening, bestaande in het toewijzen van
belooning of straffe, eerst plaats zal hebben na dit leven. Ik bragt
hierop verscheiden voorbeelden bij der gene die om hunne misdaaden en
Godloosheden bereids in dit leven gestraft waren; dog zij bragten daar
tegen in even zoo veele tegengestelde, namentlijk: van zeer ondeugende
boomen, die te gelijk Godloos en zeer gelukkig waren geweest tot hunnen
dood toe: zoo menigmaalen zeiden zij, als wij tegen de gene die van ons
verschillen eene zaake verdedigen, vestigen wij onze redenen op het geen
wij dagelijks zien gebeuren, en letten alleenlijk op zulke voorbeelden
die ons van nuttigheid zijn, en onze stellingen gewigt bijzetten,
overslaande of voorbij gaande alle die daar tegen strijden. Ik bragt een
voorbeeld bij van mij zelv', doende zien, dat veele die mij geweld en
ongelijk hadden aangedaan, een rampzalig einde hadden gehad; dog zij
voerden mij daar op te gemoet, dat dat alles voortkwam uit eigeliefde,
terwijl ik geloofde, dat ik in de oogen Gods meer en beter was dan
andere, welke, schoonze ten onregte groot ongelijk hadden geleden, hunne
vervolgers egter hadden zien oud en grijs worden in eenen geduurigen
voorspoed tot hunnen dood toe. Wanneer ik wijders eens aanprees, dat men
God dagelijks moest bidden, antwoordden zij; dat zij wel de
noodzakelijkheid des gebeds niet ontkenden, maar dat zij wel verzekerd
waren, dat de Godsvrugt en waare Godsdienst meest bestonden in de
onderhoudinge der Wet Gods. Om dit te bewijzen, ontleenden zij dusdanig
argument van eenen Vorst of Wetgever: Een Vorst, zeiden zij, gebiedt
over tweederlei slag van onderdanen. Eenige zondigen dagelijks, en
overtreden, 't zij uit zwakheid, 't zij uit kwaadaartigheid of
halstarrigheid, zijne geboden: dog zij staan ook dagelijks in den
voorhof van zijn Paleis met Verzoek- en Smeek-schriften; biddende om
vergevinge van misdaaden, welke zij straks wederom staan te vernieuwen.
De andere daarentegen komen zelden, en nooit dan verzogt zijnde, aan 't
Hof; maar altijd t'huis blijvende, volgen zij de bevelen van den Vorst
getrouwelijk en met allen ijver op, betoonende aan hem hunne
gehoorzaamheid door eene gestadige onderhouding zijner wet. Wie kan 'er
aan twijfelen, of hij zal de laatst gemelde al zijne liefde waardig
agten, daar hij de eerste voor booze, afkeerige, en teffens lastige
onderdanen zal aanzien, zoo ten opzigte hunner overtredingen als hunner
geduurige verzoeken.
Deeze en andere zintwistingen verschaften mij dagelijksch werk; dog
zonder vrugt: aangezien ik niemant konde overhaalen tot mijn gevoelen.
Waarom ik alle andere verschillen van Godsdienst daar latende, zal
voortgaan met hunne andere algemeene en merkwaardigste leerstukken te
verklaaren; aan 't oordeel des Lezers overlatende, of dezelve goed of
kwaad gekeurd moeten worden.
De _Potuanen_ gelooven in eenen God, die almagtig is, die alle dingen
geschaapen heeft, en onderhoudt; en zij bewijzen deszelfs Almagt en
Eeuwigheid uit de grootheid der geschaapen dingen, en uit derzelver
overeenstemminge. En gelijk zij in de Sterre- en Natuur-kunde zeer
ervaren zijn, hebben ze zulke treffelijke gevoelens van het Wezen en de
Eigenschappen Gods, dat zij het voor dwaasheid rekenen, dingen te willen
bepaalen, die ons begrip te boven gaan.--Het jaar wordt 'er
onderscheiden door vijf Feest-dagen, waar van de eerste zeer
Godsdienstiglijk geviert wordt in donkere plaatsen, alwaar het daglicht
niet kan doorbreken; en zulks om daar mede te kennen te geven, dat de
Godheid, welke zij aanbidden, onbegrijpelijk is. In die plaatsen blijven
zij, als in den Geest opgetogen, onbeweeglijk van dat de Zon opkomt tot
dat dezelve ondergaat. Dit Feest wordt genoemt de _dag des
Onbegrijpelijken Gods_, en valt in op den eersten dag der _Eikemaand_.
De overige vier Feesten worden geviert op de vier getijden des jaars, en
zijn ingestelt ten einde God te danken voor zijne bewezene weldaden.
Weinige zijn 'er in 't gantsche Vorstendom, die op deeze plegtige
Feest-dagen niet verschijnen. Die 'er egter niet komen, en geene wettige
redenen hunner afwezigheid geven, worden voor kwaade onderdanen
gehouden, en leeven in gestadige veragtinge. De Formulieren der
openbaare gebeden zijn zoodanig ingerigt, dat ze niet op de bidders
zelve, maar alleenlijk op den Vorst en op de gemeene welvaart
betrekkelijk zijn. Hier van daan is het, dat niemant in 't openbaar voor
zig zelven bidt. Het oogmerk deezer instellinge is, om de _Potuaners_ in
te prenten, dat de welvaart der bijzondere lieden, zoo naauw verknogt is
met die van 't Gemeenebest, dat zij daar van niet kan worden
afgescheiden. Niemand wordt tot den dienst van God nog door geweld nog
door geldboete genoodzaakt: want overmits zij oordeelen, dat de
Godsvrugt voornamentlijk bestaat in liefde, en dat de ervarenheid
leert, dat de liefde eer door geweld verkoelt, dan ontsteken wordt;
gelooven zij 't niet alleen onnut, maar ook schadelijk te zijn, de
traage door dwang tot Godsvrugt aan te zetten. Deeze stellinge bewijzen
zij met dit voorbeeld: Bij aldien een man, zeggen ze, eene wederzijdsche
liefde van zijne egtgenoote begeerende, derzelver laauwheid of
verkoelinge met stokken- en vuistslagen daar tracht uit te drijven; is
het 'er zoo verre van daan, dat de liefde door die middelen zoude worden
ontsteken, dat de verkoeling veel eer toeneemt, en eindelijk op haat en
afkeer uitkomt.
Dit zijn de voornaamste Hoofstukken der Godgeleerdheid in _Potu_ welke
aan eenigen niet anders zal voorkomen, dan als een bloote natuurlijke
Godsdienst, zoo als die ook mij zelv' in den beginne voorkwam. Maar de
_Potuaners_ beweeren, dat hen alles door Goddelijke ingevingen
geopenbaart, en daar benevens een boek, behelzende hun Geloof en
Pligten, is ter handgestelt. Hunne Voorouderen, zeggen zij, hebben
eertijds alleen den natuurlijken Godsdienst beleden; dog de
ondervinding had hen geleerd, dat het licht der Natuur niet genoeg was,
vermits door de onagtzaamheid en zorgeloosheid van sommigen de Wet der
Natuur, geheel en al verwaarloost wierdt, en door de al te spitsvinnige
wijsgeerte van anderen, vermits vrijheid van denken geen bepalinge kent,
alles verergerde: en dat hen daarom de geschreven Wet van God gegeven
was. Daar uit blijkt het ook, hoe grootelijks zij dwaalen, die
halstarrig ontkennen, dat 'er eene Openbaringe van nooden is. Ik wil wel
bekennen, dat verscheiden Leerstukken der _Potuaansche_ Godgeleerdheid,
zoo dezelve al niet te prijzen zijn, egter niet geheel en al te
verachten schijnen; dog egter kan ik aan die alle mijne toestemminge
niet geven. Dit egter scheen mij niet alleen loffelijk, maar zelfs
verwonderenswaardig voor te komen, te weten: dat de gene, die bij
oorlogs-tijden als verwinnaars hunner vijanden t'huis komen, in plaats
van vreugde en blijdschap, waar mede wij over onze overwinningen vieren,
en _Te Deum_ zingen; ettelijke dagen in een bedrukt stilzwijgen
doorbrengen, even als of zij zig schaamden van wegens het
bloedvergieten in de overwinninge. Om deeze reden wordt 'er zelden in de
Onderaardsche Geschiedenissen gewag gemaakt van Oorlogs-Zaaken; maar
haare Jaarboeken behelzen alleen Burgerlijke Zaaken, Instellingen,
Wetten en Geschriften.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
_Van de Staatkunde._
In het Vorstendom _Potu_ heeft de erflijke opvolging geheele duizend
jaaren lang plaats gehad; en wordt 'er thans nog onderhouden. De
Jaarboeken wijzen egter aan, dat de _Potuaners_ eens van dien regel van
opvolging zijn afgeweken: want vermits de gezonde reden schijnt te
leeren, dat zij die regeeren, boven andere begaaft moeten zijn met
bekwaamheden, vonden eenige geraden, meer naar deugd dan naar geboorte
te zien, en dat men den genen verkiezen moest, die de uitmuntendste der
ingezetenen was. Hierom wierdt de oude opvolging afgeschaft, en het
Vorstendom aan zekeren Wijsgeer, genaamd _Rabaku_, opgedragen. Dees
bestierde in 't begin den Staat met zoo veel voorzigtigheid en rust, dat
zijne regeering een voorbeeld scheen te wezen, om van anderen te worden
nagevolgt. Dog dit was van korten duur: en die van _Potu_ bemerkten al
te laat, dat de spreuk, die zegt, dat een Staat gelukkig is daar
Wijsgeeren aan 't roer zitten, onwaaragtig was. Want nademaal de nieuwe
Vorst, tot het toppunt van eer gesteegen, uit eenen laagen stand was,
waren zijne deugden en bekwaamheden tot de regeering alleen niet genoeg,
om het ontzag en de majesteit, die in den Staat de kragt en den klem aan
de zaaken geven, te verwekken en staande te houden. De gene die onlangs
met hem in gelijke waardigheid hadden gedaan, of boven hem uitgesteeken
hadden, konden bezwaarlijk daar toe worden gebragt, dat zij huns
gelijken of die beneden hen geweest was, konden verdragen, en die
gehoorzaamheid aan den nieuwen Vorst bewijzen, welke onderdanen hunnen
Souverain schuldig zijn: en daar kwam het bij toe, dat, zoo dikwils hen
iets moeilijks of lastigs wierdt opgelegt, zij doorgaans murmureerden;
niet denkende, wie de Vorst nu was, maar wie hij voor zijne verheffinge
was geweest. Hier van daan was hij genoodzaakt, om, bij wege van
verzoek, hen alles met zagtheid af te vorderen. Maar weinig vorderde hij
met streelingen: want zij, zig weinig kreunende aan zijne wetten en
bevelen, toonden op 't afkondigen van elk Placcaat hun ongenoegen.
Waarom _Rabaku_, ziende dat 'er, om zijne onderdanen bij hunnen pligt te
houden, andere middelen vereischt wierden, van goedertierenheid en
rekkelijkheid tot strengheid oversloeg. Dog door dit andere uiterste
barstten de vonken die onder den asch verborgen waren, tot eene lichte
vlam uit; en de onderdanen stonden in 't openbaar tegen den Vorst op: ja
zoo dra was de eene kwalijk gestilde beroerte niet over of de andere nam
haaren aanvang: zoo, dat hij, eindelijk bespeurende dat de Staat niet
konde behouden blijven, ten zij onder eenen Bedierder uit doorlugtigen
bloede, en wiens geboorte het volk eenen indruk van eerbied pleeg te
geven, zelf 't gebied neerleide; dragende de Vorstelijke waardigheid
over aan den Prins, welke dezelve door zijne geboorte toekwam. En op
deeze wijze kwam de rust weder, en te gelijk het oude heerschende Huis
op den throon; en de stormen die op den Staat, zoo lang gewoed hadden,
geraakten tot bedaren. Zedert dien tijd wierdt op halsstraffe verboden
in het toekomende eenige veranderinge te maken in de maniere van
opvolginge.
Dit Vorstendom is dan erflijk, en het is waarschijnlijk dat de oude
wijze van opvolginge altoos onwrikbaar zal blijven staan; zodanig dat
men nooit dan bij de alleruiterste noodzakelijkheid den eerstgeboorenen
Vorst daar in zal voorbijgaan. Dit niet tegenstaande wordt 'er in de
Jaarboeken van _Potu_ gewag gemaakt van eenen Wijsgeer, die, trachtende
eene inbreuk te maken in die wet, eenen middelweg daar op uitdagt;
aanradende het Koninglijke Stamhuis nooit voorbij te gaan; maar na
gedane verkiezing, uit de Zoonen van den overledenen Vorst, het gebied
op te dragen aan den genen, die in verdiensten voorlag, en door de
onderdanen bekwaam geoordeelt wierdt om den last der regeeringe te
konnen torsschen. Die Wijsgeer deeze Wet in bedenken hebbende gegeven,
onderwierp zig naar gewoonte aan derzelver onderzoek, staande, terwijl
de stemmen wierden opgenomen of zijn raad goed was, met den strop om den
hals. De Raadsvergadering gescheiden, en de stemmen opgenomen zijnde,
wierdt de voorstelling deezer Wet als roekeloos en verderflijk voor den
Staat verworpen: aangezien men oordeelde, dat dezelve een bron ader
zoude zijn van veele opschuddingen, en eenen vrugtbaaren grond stondt te
verstrekken voor het zaad van tweedragt onder het Koninglijke kroost: en
dat het derhalven beter zoude wezen, dat de oude gewoonte plaats hielde;
en veiliger, dat het regt tot het Vorstendom op den oudsten Prins
overging, schoon de jongere Vorsten hem, in gaven des Verstands, kwamen
te overtreffen. De Wet dan verworpen zijnde, wierdt de uitvinder met de
koorde gestraft. Want aan niemant wordt in dit Vorstendom de halsstraf
geoeffent, dan alleen aan de uitvinders van nieuwe Wetten: aangezien de
_Potuaners_ vastelijk van gevoelen zijn, dat alle verandering en
hervorming, hoe wel ook dezelve mengen wezen geschikt, gelegenheid
verschaffen tot opschuddingen en beroerten, en den gantschen Staat in
gevaar stellen; dog kwalijk geschikt en ontijdig zijnde, dien naar
zijnen ondergang doen hellen, en eindelijk geheel en al ter neder
storten.
't Gebied der _Potuaansche_ Vorsten hoe zeer ook het zelve door geene
Wetten bepaald wordt, is veel eer eene Vaderlijke bestiering, dan
Koninglijke regeering: want vermits zij naar verstand, niet naar wetten,
Justitie oefenen; ziet men aldaar eene gestadige mengeling van
heersching en vrijheid: twee zaaken die elders niet konnen te samen
gevoegd worden.
Onder andere Wetten deezes Vorstendoms is deeze niet minder heilzaam,
waardoor de Vorsten de gelijkheid, zoo veel 't Gemeenebest toelaat,
onder hunne onderdanen trachten te houden. Daar van daan heeft men 'er
geen hooger of laager rang in de bedieningen, wordende alleenlijk de
mindere genoodzaakt de meerdere te gehoorzamen, en de jongere de gene
die ouder zijn, allen eerbied te bewijzen. De Onderaardsche
gedenkschriften melden wel dat dat onderscheid eenige eeuwen geleden,
plaats hadt, en zelfs bij de Wetten was vastgesteld; dog het blijkt ook
teffens, dat het zelve oorzaak gegeven heeft tot groote beroerten:
nademaal het aan eenen ouderen broeder hard en bitter scheen, voor
zijnen jongeren broeder te moeten opstaan, en den Ouderen onverdraaglijk
voorkwam, beneden hunne kinderen geacht te worden: zoo, dat de eene boom
des anderens bijzijn schuwde, en eindelijk alle bijeenkomsten en
gezelschappen geheel en al ophielden. Dit was het kwaad niet alleen;
maar dat onderscheid bragt ook in vervolg van tijd te weeg, dat aan de
uitneemendste en uitstekendste boomen, die door de natuur met de
allergrootste bekwaamheden en met de meeste takken waren begiftigd, in
de gastmaalen en gezelschappen, de laagste plaatsen wierden aangewezen.
Want ieder boom, die iets üitsteekends bezat, en door deugd en verstand
aanzienlijk was, kon van zig zelven niet verkrijgen, dat hij den tytel
en de hooger hand ging bejagen: daar in tegendeel de ongeagte boomen,
die niets waardig waren, om, ware 't mogelijk, hunne natuurlijke
gebreken en onbekwaamheid met eenige grootsche eertytelen eenigzins te
bedekken, den Vorst met hunne Verzoeken zoo lang het hoofd braken, tot
dat zij hem deezen of genen tytel hadden afgeperst. Dit bragt te weeg,
dat de tytels eindelijk doorgingen voor ken- en merkteekenen der
waardigste boomen. Derhalven verschaften de staatelijke gezelschappen en
gastmaalen wonderlijke en belachelijke vertooningen aan de
Vreemdelingen, wanneer zij zagen dat doornen en braambossen de hoogere
gestoelten toegewezen, en in tegendeel de Palm-boomen, de Ceder en en
aanzienlijke Eiken van tien of twaalf takken, agteraf geplaatst wierden:
want geduurende deezen stand van zaaken, waren 'er weinig doornen zonder
deeze of gene waardigheid. Aan de Vrouwen wierdt de tytel gegeven van
Raadsvrouwen der huishouding, des bewinds, of des Hofs, en dit verwekte
in die Sexe grooter opschuddingen, dan onder de Mannen. De ijdele
Staatszugt van verscheiden boomen klom tot die hoogte, dat, schoon zij
van de natuur slegts begunstigd waren met twee of drie takken, zij egter
de tytels van tien of twaalf takken bejaagden, en die maar doornen of
braambossen waren, Palm boomen wilden geheeten worden: 't geen al zoo
belachelijk stondt, als of een leelijk wanschapen man, zig den tytel van
welgemaakt (_welgebooren_) of een janhagel zig dien van doorlugtig
(_edelgeboren_) toeschreef. Waarom ook, toen dat kwaad op zijn hoogst
was geklommen, en het geheele Landschap als tot deszelfs eersten Bajert
gebragt was, wijl iedereen naar ijdele schimmen en namen zonder eer
stondt; een inwoonder der Stad _Keba_ de stoutheid hadt van eene Wet
voor te stellen om die gewoonte af te schaffen. Dees wierdt met den
strop om den hals, volgens 't aloud gebruik, naar de Vierschaar
gesleept; dog de Raad vergadert en de stemmen opgenomen zijnde, wierdt
hetzelve met eenparigheid van stemmen, en zonder tegenspreken van
iemant, heilzaam voor den Staat geoordeeld: waarop zijn hoofd met
bloemen bekranst, en hij zelf van al het volk met toejuichingen verzeld,
als in zegepraal, door de Stad geleid wierdt. En toen men in vervolg
van tijd bemerkte hoe groote nuttigheid de afschaffing deezer gewoonte
hadt te weeg'gebragt, wierdt hij _Kadoki_ of Groot-Zegelbewaarder
gemaakt.
Zedert dien tijd is de Wet van degelijkheid onder de Burgerij voor
altoos te bewaren, heiliglijk onderhouden geweest. Egter heeft door 't
afschaffen dier gewoonte niet alle naijver opgehouden, maar heeft elk
een getragt enkel en alleen door deugd en verdiensten den anderen te
overtreffen; en het is klaar uit de Onderaardsche geschiedenissen, dat
'er zedert dien tijd maar één uitvinder van nieuwigheden is geweest, die
de Wet van de Orde der Waardigheden tweemaal bedektelijk heeft trachten
te doen intrekken; dog welke ook over zijne eerste poging met de ader
latinge gestraft, en, toen hij beschuldigd wierdt in zijn voorneemen te
volharden, eindelijk naar het Firmament in ballingschap wierdt
verzonden. Dit is de reden dat 'er tegenwoordig in dat Vorstendom geen
Orde van Waardigheden of Tytels altoos meer is; alleenlijk verklaart de
hooge Regeering, door een soort van onderscheid te maken, eenige
beroepen voortreffelijker te zijn dan andere; door welke verklaring
egter aan niemant wordt toegestaan het regt om zig de eerste plaats toe
te eigenen in de bijeenkomsten. Dit onderscheid wordt gevonden in de
Placcaaten of Bevel-brieven des Vorsts, welke gemeenlijk besloten worden
met deeze woorden: WY GEBIEDEN ENDE BEVELEN ONZEN LANDLIEDEN, UITVINDERS
VAN HANDWERKEN, KOOPLIEDEN, AMBAGTSLIEDEN, WYSGEEREN, KONSTENAARS,
HOFBEDIENDEN ENZ. Ik ben 'er agter gekomen, dat 'er, onder de
Staatsschriften van den Vorst, zekere naamrolle van Waardigheden bewaard
wordt van den volgenden inhoud.
ORDE DER WAARDIGHEDEN.
1. Die door hunne middelen den Staat in benaauwde tijden zijn te hulp
gekomen.
2. Staatsdienaars, die om niet en zonder jaarwedde dienen.
3. Boeren en Land-lieden met agt takken en daar boven.
4. Land lieden met zeven takken en daarbeneden.
5. Stichters van Handwerken en Ambagten.
6. Werkmeesters, die noodige werken maken.
7. Wijsgeeren, en die met de Doctorale muts begiftigd zijn, zoo Mannen
als Vrouwen.
8. Konstenaars.
9. Kooplieden.
10. Bedienden van 't Hof, die eene jaarwedde trekken van 500. Rupati.
11. Dezelve, welken jaarlijks eene wedde van 1000. Rupati wordt betaald.
Deeze naamlijst van Eer, als waarop in onze Waereld niemant zijne
toestemming zoude geven, kwam mij zeer belachelijk voor. Ik maakte wel
eenige gissingen over de redenen van die omgekeerde orde, waarop dezelve
mogt gegrond zijn, en met welke bewijzen de Onderaardlingen die mogten
staande houden; dog ik moet bekennen dat ze mij tot nog toe voorkomt als
eene wonderspreuke, welke ik niet kan begrijpen.
Onder andere aanmerkelijke zaaken nam ik ook de volgende in agt, te
weten: dat, hoe iemant meer bedieningen heeft, hoe hij zig zediger en
onderdaniger aanstelt. Zoo zag ik meermalen dat _Bospolak_, een
schatrijk man onder de _Potuaners_, met zoo groote nederigheid, de hem
ontmoetende Burgerij bejegende, dat hij alle zijne takken ter aarde
boog, en met het neigen zijns hoofds den allergemeensten boom zijn
dankbaar hart betuigde. Toen ik daarvan de redenen vraagde, wierdt mij
geantwoord; dat zulks zoo behoorde, aangezien niemant met zoo veele
bedieningen was begiftigd, en hij uit dien hoofde de grootste
schuldenaar van 't Gemeenebest was geworden. Tot die plegtigheid wordt
egter niemant 'door de Wet' gedwongen; maar vermits die van _Potu_ alles
met een gezond oordeel overwegen, oeffenen zij die deugd uit zig zelv',
meenende dat zij tot eene beleeftheid, die voorkomt uit een dankbaar
hart, verpligt zijn: voorwaar geheel anders dan bij ons, alwaar de gene
die met de hoogste eerampten en met de meeste inkomsten als opgehoopt
zijn, de mindere over schouder aanzien en met de uiterste trotsheid
veragten. Maar de meest aanzienlijkste Burgers, en welke elk een in eere
en agtinge moet houden, zijn de Vaders van een talrijk kroost. Deeze
zijn de Onderaardsche Helden, en haare gedagtenis blijft bij de
nakomelingen in zegening. Ook zijn zij de eenige aan welke de naam van
de Grooten wordt opgedragen: geheel anders dan bij ons, alwaar met den
naam van Grooten begroet worden de Verhoorders en uitroeijers van het
menschelijk geslacht. Hier uit valt ligtelijk op te maken wat de
Onderaardlingen zouden oordeelen van Alexander den Grooten, of van
Julius Cæsar, welke beide ettelijke, duizenden van menschen om hals
hebben gebragt, en zonder lijfs-erven gestorven zijn. Het staat mij
voor, binnen _Keba_ gezien te hebben het Grafschrift van eenen Landman,
hebbende dit opschrift: HIER LEGT JOCHTAN DE GROOTE, VADER VAN DERTIG
KINDEREN, DE HELD ZIJNER EEUWE. Dit dient egter geweten, namentlijk: dat
om dien roem te verkrijgen, het niet genoeg is slegts de kinderen
geteelt te hebben; maar dat 'er ook vereischt wordt, dat zij behoorlijk
worden opgevoed.
In het afkondigen der Wetten en Placcaaten gaat alles langzaam toe, wijl
de Wetten gemeenlijk hier gemaakt worden bijna op dezelve wijze als bij
de oude Romeinen. De voorstelling om eene nieuwe Wet te maken, wordt in
alle karspels der Stad aangeplakt. Als dan staat het der Burgerije vrij
die te toetsen, en haare aanmerkingen aan de vergadering der
Rechtsgeleerden, tot dien einde in de Stad van _Potu_ aangesteld, over
te geven. Daar wordt alles, wat nopende de afkondiginge, tegenstellinge
eener andere, afschaffinge, goedkeuringe, verbeteringe, bepalinge, of
uitbreidinge der Wet bijgebragt is, naauwkeurig overwogen. En wanneer nu
alles naar behooren door de Rechtsgeleerden overlegt is, wordt de Wet
die afgekondigt staat te worden, ter goedkeuringe en onderteekening van
den Vorst gebragt. Deeze langzaamheid kan aan sommigen wel belachelijk
voorkomen; dog daar uit ontstaat der Wetten eeuwige geduurzaamheid; en
ik heb mij laten zeggen, dat geen van de Wetten deezes Vorstendoms,
geduurende den tijd van vijfhonderd jaren, eenige de minste verandering
is onderhevig geweest.
De naamlijst der boomen, die voor de voortreffelijkste worden gehouden,
is onder 's Vorsten bewaringe, te gelijk met het getuigenisse, zoo
hunner geleerdheid, 't welk hen door de Onderzoekers of _Karatti_ wordt
gegeven, als hunnes gedrags, bij hen van de gebuuren hunner wijk
verworven. Hier door heeft de Staat geen gebrek aan bekwame Mannen, om
de openstaande bedieningen te vervullen. Boven al is dit aanmerkelijk,
dat niemant vergunt wordt het regt om in eenigen oord of wijk der Stad
te mogen woonen, ten zij hij voorzien zij van eene verklaringe van den
oord of wijk daar hij te voren gewoont heeft, en dat hij borg stelle
voor zijn goed gedrag in 't toekomende.
Op eene Wet, eenmaal afgekondigt en met het publyk gezag bekragtigt, is
het op halsstraffe verboden eenige aanmerkingen te maken: invoegen de
vrijheid aldaar meer bepaald is in Staats dan in Kerkelijke zaaken. Van
die inzettinge geven zij deeze reden, namentlijk: dat, zoo iemant komt
te dwalen in zaaken aangaande Godsdienst of Geloof, hij enkel en alleen
afdwaalt voor zig zelv'; dog dat, zoo iemant in twijfel trekt de
Wetten, gestaaft door 't publyk gezag, of die door zijne uitleggingen in
eenen anderen zin tracht te verdraaijen, hij den Burgerstaat komt te
beroeren.
Van den staat des Hofs en deszelfs huishoudinge, heb ik boven al eenig
gewag gemaakt, en aangetoont dat de _Kadoki_ of Groot-Cancelier de
eerste plaats bekleedt onder de Hofbedienden. Op hem volgt de _Smirian_
of Groot-Thesaurier. Dat ampt wierdt toen ter tijd bekleed door eene
Weduwe met zeven takken _Rabagna_ geheeten; om haare opregtheid en
ongemeene geeststalenten, tot een ampt van zoo veel gewigts bevordert.
Zij had langen tijd die bedieninge bekleed, en zelfs al eenige jaaren
voor haars mans dood, die, schoon zelf in de zaaken, rakende het bestier
der geldmiddelen, zeer ervaren; egter gehouden was zig te schikken naar
den raad en goeddunken zijner egtgenoote, zoo, dat hij niets op zijn
eigen gezag kon beschikken, en eer haar Stedehouder dan haar Man genoemt
moge worden. Hij schreef wel brieven op zijnen eigenen naam, en deede
wel, eigener gezag, Placcaaten aanplakken, zoo dikwils zij in de kraam
lag, of, door ziekte belet, geen zaaken kon waarnemen; dog niets wierdt
voor vast en van waarde geoordeelt, voor dat het met zijns huisvrouws
zegel of onderteekeninge bekragtigt was. _Rabagna_ hadt twee broeders;
waar van de een Hof-keldermeester, en de andere Hof-slagter was, dog die
uit hoofde, van hun gering verstand, hoe zeer ook hunne zuster in zulk
eenen verhevenen post gestelt was, naar geen hooger ampt durfden staan.
Met zoo veel regtmatigheid worden hier de ampten uitgedeeld!
Die zelve _Rabagna_, schoon zij zulke netelagtige zaaken bij de hand
hadt, zoogde egter zelve haaren zoon, die naar zijns Vaders dood
gebooren was. Toen ik oordeelde dat zelve haar kind te zoogen, een al te
lastig, en voor zulk eene aanzienlijke Vrouw onwaardig, werk was, gaven
mij de Onderaardlingen ten antwoord: "Gelooft gij dan dat de Natuur aan
de Vrouwen de tepels der borsten, als geestige vlekjes tot versieringe
haarer boesems, en niet om daar mede haare kinderen te voeden, gegeven
heeft? In het inenten der zeden komt het meerendeels aan op den inborst
der Voedster en op de natuur van de melk: zij, die haare vrugt te
zoogen, anderen toevertrouwen, snijden den band en vereeniging beide van
liefde en inborst af. Daarom voeden alle Vrouwen van aanzien in dit
Vorstendom, haare kinderen op met haar eige melk."
De Erfprins van _Potu_ was een jongeling van zes jaaren, waar in men
bereids eenen braven inborst, en beginselen van groote bekwaamheden
bespeurde, hebbende al zestien takken, 't geen zeldzaam is in zulk een
teedere jeugd: wijl niemant met meer dan vijf of zes takken gebooren
wordt, de overige wassen uit met de jaaren. Zijn Leermeester, de wijsste
boom in 't gantsche Vorstendom, onderwees zijnen leerling in den
Godsdienst, in de Geschiedenissen, in de Wiskunst, en in de zedelijke
Wijsgeerte. Ik heb dat zoo vermaarde samenstelzel of kort begrip der
Staatkunde gezien, 't geen hij tot gebruik des Vorsts hadt opgestelt:
het voert den naam van _Mabalda Libab Helil,_ 't welk in de
Onderaardsche taal zeggen wil: _Sleutel des Gemeenebests_. Hetzelve
behelst alleszins gewigtige en heilzaame Leerstukken, waar van ik 'er
eenige nog heb onthouden, die de volgende zijn.
1. Niet ligtelijk geloof te staan aan beschuldigingen of loftuitingen;
maar zijn oordeel op te schorten, tot dat men rijper kennisse van zaaken
verkregen heeft.
2. Zoo iemant over eene misdaad aangeklaagd en daar van overtuigt is;
moet onderzogt worden, of de schuldige voormaals iets goeds gedaan
heeft; op dat aldus een overslag zijner goede en kwaade verrigtingen
gemaakt, en, dezelve tegen elkanderen opgewogen zijnde, het vonnis
eindelijk gevelt worde.
3. Op de Raaden die geen Ja-broêrs, maar gestadig Tegenspreekers zijn,
kan zig de Souverain, als op de omzigtigde onderdanen, 't allerbest
verlaaten: aangezien niemant zig in de waagschaal zal willen dellen om
de waarheid te spreeken, ten zij hem de weiland van 't Vaderland meer
dan zijn eigen welvaren ter harte gaa.
4. Dat 'er in den Raad geen andere worden gebragt, dan welgehuisde en
gehoofde Lieden: aangezien derzelver welwezen met dat des Gemeenebests
verknogt is: daar in tegendeel de gene die geen vaste goederen bezitten
het Land niet voor hun Vaderland; maar, even als de reizigers, voor
hunne herberg en optrek houden.
5. Men kan wel den dienst van eenen Man, die niet eerlijk is, voor eenen
tijd gebruiken, zoo hij anderzins tot zekere zaaken bekwaamheid heeft;
dog dien rijk te maaken of te begunstigen, is gantsch ongeraaden;
nademaal een oneerlijk of gehaat man onder 's Vorsten gunstelingen
aangenoomen zijnde, onder deszelfs bescherminge zig komen op te doen
kwade ingezetenen, die zig indringen in Staatsbedieningen.
6. Die dikwils ten Hove komen, en zig gestadig in 's Vorsten Paleis
laten zien, zijn grootelijks verdagt te houden; want de gene die al te
dikwils, en zonder aldaar geroepen te zijn, den drempel van 't Hof
betreden, zijn zulke, die of bereids een schelmstuk begaan hebben, of
die 't zoeken te doen.
7. Die met de allerbrandendste begeerte naar eer-ampten staan, moeten
niet dan met het geringste ampt begiftigd worden: want gelijk niemand
eenen duit eischt, dan die arm is en gebrek lijdt; zoo staat ook niemand
vieriglijk naar eerampten, ten zij de geen die zig door deugd en
verdiensten geen agtinge heeft weeten te verkrijgen.
8. Het agtste leerstuk is van zeer groot nut; dog waar aan ik egter mijn
zegel niet kon hangen, om het hatelijk voorbeeld, waar mede het zelve
bekragtigt wordt. Geen Burger moet geheel en al onnut geoordeeld worden:
want niemand is zoo bot of plomp, die niet, zoo 'er anderzins eene goede
verkiezinge gedaan wordt, ergens toe nuttig is: ja zelfs in deeze of
geene zaak zal uitmunten. Bij voorbeeld: de een heeft een schrander
oordeel, de andere heeft veel vernuft: een derde munt uit in verstand,
een vierde in ligchaams-kragten: dees is bekwaam om Rechter, gene om
Beamptschrijver te zijn; die is scherpzinnig in iets uit te vinden, of
iets te ontdekken, een ander wederom kloekmoedig om zaaken ter uitvoer
te brengen: hierom zijn 'er weinige, die gezegt konnen worden nergens
toe te deugen: want dat 'er zoo veele schepzelen zoo schijnen te zijn,
is niet den Schepper te wijten, maar aan de gene, die niet genoeg naar
behooren eens ieders kragten weten te onderkennen, en 'er daarom niet
naar derzelver bekwaamheden van weten te oordeelen. Deeze stellinge
bewijst hij met mijn voorbeeld, in deeze woorden: in onze dagen hebben
wij gezien een Bovenaardsch schepzel, dat naar iedereens gevoelen, om
deszelfs voorbarig vernuft, gehouden is geweest als onnuttelijk de aarde
beslaande, daar 't egter, vermids het snel in 't gaan en rap ter been
was, ons van groot nut is geweest. Niet zoo haast had ik dit Artikel
gelezen, of ik zeide bij mij zelv': _de voorreden is van een eerlijk
man; dog het besluit en 't einde is van een schobbejak._
9. In de konst van regeering make men zijn voormaamste werk, dat de
Vorst den Erfprins van een bekwaam Leermeester voorzie, en daar toe
verkieze den geleerdsten en deugdzaamsten, vermids van 't onderwijs van
den aanstaanden Opvolger het heil van den Staat afhangt: want 't geen
wij in onze tedere jeugd leeren, gaat als tot de natuur over. Hier van
daan is het noodzakelijk dat de Leermeester van den Vorstelijken
Jongeling, een liefhebber van zijn Vaderland zij, en den Prins liefde
tot zijne onderdanen inboezeme: want daar op moeten alle lessen, die hij
zijnen leerling geeft, doelen en uitloopen.
10. Zeer noodig is 't, dat de Vorst den aart en inborst zijner
onderdanen wel en te regt doorgronde, zig daar naar schikke, en zoo hij
hunne misdagen tracht te verbeteren, dat hij zulks liever doe door
voorbeelden dan door wetten.
_Gebreken zullen ras tot ondeugd ons verwekken;_ _Doorlugte daaden haast
een spoor ter deugd versrekken, Als we in ons Vaderland die steeds in
zwang zien gaan:_ _'t Gedrag der grooten kleeft altijd de mind'ren aan._
11. Ledig-gangers en straat-slijpers zijn in den Staat niet te dulden:
nademaal de gene die niets te doen hebben, 't Gemeenebest slegts tot een
last zijn: want door naarstigheid en gestadige bezigheid neemt de Staat
toe in magt, en de kwaade raadslagen en listige onderneemingen worden
verstrooit, en verdwijnen. Hierom is het voor eenen Staat raadzamer, dat
de onderdanen met onnutte zaaken, beuzelingen en spelen zig ophouden,
dan dat zij zig aan de ledigheid, bronader van kwaade aanslagen,
overgeven.
12. De pligt van den Vorst is, dat hij de eendragt bewaare onder zijne
onderdanen; schoon hij niet kwalijk doet, wanneer hij eenigen naijver
onder zijne Raaden voedt: aangezien op die wijze de waarheid menigmaalen
ontdekt wordt: even gelijk een Rechter de waare gelegenheid des gedings
ontwaar wordt uit het krakkeel der Advocaten.
13. Voorzigtiglijk handelt een Vorst, zoo hij in zaaken van belang het
oordeel van alle zijne Raaden aanhoort: veiliger is het egter elk een
zijner Raaden afzonderlijk te ondertasten, dan op een en den zelven tijd
de gevoelens van den vollen Raad te overwegen: want in den vollen Raad,
en daar een iegelijk zijn gevoelen opentlijk te kennen geeft, gebeurt
het meestentijds, dat een welspreekend Raadsheer als door den droom
zijner welspreekendheid de anderen medesleept, en aldus de Vorst, in
plaats van veele, niet dan een eenig gevoelen komt te hooren.
14. Niet minder noodzakelijk zijn de straffen dan de belooningen: want
door gene wordt het kwaad geduit, door deeze het goede aangekweekt.
Hierom moet men een slegt kaerel, zoo hij iets heilzaams verrigt heeft,
met belooningen aanwakkeren, op dat andere behoorlijk aangezet worden om
hunne bedieningen wel waar te nemen.
15. In 't bevorderen tot eer ampten en staatsbedieningen wil hij dat men
voornamentlijk lette, op de snedigheid: want schoon vroomheid en
opregtigheid deugden zijn die zig zelven aanprijzen, zijn 't egter
dezelve door welker schijn wij dikwils bedrogen worden: want elk een
waant vroom te zijn, om dat hij weet dat door zulk voorgeven van deugd
hem de weg gebaant wordt tot eer-ampten. Met dat zelve oogmerk waant elk
een ook eerlijk en opregt te zijn. Voeg hier bij, dat men van eenes mans
vroomheid en opregtigheid niet ligt een vonnis kan strijken, alvorens
hij gevorderd is tot eene bedieninge, waarin hij, als op een openbaar
tooneel, proeven zijner deugd staat te geven. Maar snedigheid kan men
door een voorafgaand onderzoek, gemakkelijk ontdekken: want eenen domkop
en weet niet, valt het zwaarder zijne domheid en onkunde te bedekken,
dan eenen veinzer zijne ondeugendheid, of eenen guit zijne schelmerij.
Wijders zijn bekwaamheid en eerlijkheid niet altijd tegenstrijdige
deugden: ja zij worden beide ligtelijk in een en 't zelve mensch
gevonden, even gelijk de domheid met de vroomheid niet altoos gepaard
gaat. Maar indien een bekwaam man te gelijk vroom is, is hij in alle
opzigten volmaakt. Een man die dom is, is of goed of kwaad: indien
kwaad, zoo is het bekend, hoe veele wanschepzels de onkunde aankweekt,
wanneer dezelve met boosaartigheid gepaart gaat; maar is hij goed, zoo
kan hij om zijn domheid zijne deugden niet te pas brengen. En al is 't,
dat hij zelf nog kan nog durft een schelmstuk ondernemen, zoo zal egter
zijn slaaf of knegt, waar van hij zig bedient, dat ligtelijk bestaan:
want eer heer van een landgoed, die een kwast is, heeft gemeenlijk een
pagter die een looze vos is, en een domme Rechter heeft doorgaans eenen
snedigen Beamptschrijver, die zonder vrees zijne schalkheid oeffent,
nadien al zijn misbedrijf op zijns meesters rekening wordt gestelt.
Daarom moet 'er voornamentlijk in 't uitdeelen der bedieningen op de
snedigheid worden agt geslagen.
16. Niemant moet als eerzugtig ligtvaerdiglijk veroordeelt, nog om die
reden alleen uit eer-ampten gehouden worden, om dat hij naar eene
bedieninge staat, waar toe hij oordeelt bekwaamheid te hebben. Want zoo
de Vorst zig in 't uitdeelen der ampten te zeer bindt aan dien regel,
zal de eerzugtigste zelf het mom-aangezigt van nederigheid aandoen;
verzekert zijnde, dat hij door dien weg te ligter zijn oogmerk zal
bereiken; en de Vorst zal, tegen zijn voornemen, de allerijverigste
bejagers van eer-ampten daar mede voorzien, om dat hij niet dan
allerwege schijn-nederige beschouwt; dat is zulke, die, wanneer 'er een
ampt openvalt, dat schijnen te vlieden, en zig te verstecken: ja die
door hunne vrienden overal uitstrooijen, dat zij van alle waardigheden
en staats-bedieningen eenen afkeer hebben. Hier brengt hij bij het
voorbeeld van een zeker man, die bij 't open vallen van een aanzienlijk
ampt, en 't geen hem de tanden niet weinig waterig hadt gemaakt, den
Vorst met eenen brief deedt weten; Dat hem ter ooren gekoomen was, hoe
zijne Doorlugtigheid besloten, hadt, met de waardigheid, waar naar
andere zoo zeer haakten, hem te bekleeden; waarom hij die aanzienlijke
bediening, waar toe hij bekende geen bekwaamheid te hebben, van de hand
wees: ootmoedig verzoekende, dat een ander, die meer bekwaamheid hadt,
daar mede werde begiftigt, vooral, wijl hij met zijnen staat vergenoegt
zijnde, naar geen hooger zaaken stondt. Door welke betuiginge van
nederigheid de Vorst zodanig bewogen wierdt, dat hij, tegen zijn
voornemen, met die waardigheid begiftigde den genen die ze afsloeg. Dog
't leet niet lang, of hij ondervondt, dat hij door schijn van
nederigheid om den tuin geleid was: naardien die nieuwe Amptenaar door
hoogmoed en trotsheid alle andere verre te boven ging.
17. Eenen armen Raadsheer of Ontvanger, die meer schuldig is, dan hij
betaalen kan, het bewind over de Schatkist te vertrouwen, is even zoo
veel, als aan eenen uitgehongerden hond de spijskamer te bevelen. Het
zelve heeft plaats in eenen rijken vrek: want gene heeft niets; en deeze
nooit genoeg.
18. Geen Legaten of Stichtingen te bekragtigen, welke alleen dienen om
luijen boomen den kost te verschaffen, of derzelver onkunde te
koesteren. Hier van daan worden in alle Kloosters deezes Vorstendom en
teffens in alle Collegien, niet anders aangenomen dan naarstige en
spaarzame boomen; te weten zulke die door eenig handwerk het Gemeenebest
ondersteunen, of door Studiën en Letter-oeffeningen de Maatschappij,
waarvan zij leden zijn versieren konnen. Uitgezonden alleen eenige
weinige Kloosters, die onderhoud geven aan boomen die uitgedragen, of
door ouderdom verdort zijn: want die zijn, om hunnes ouderdoms wille,
van allen arbeid ontslagen.
19. Wanneer 't met de ondeugden zoo verre gekomen is, dat zij eene
verbeteringe van den Staat vereisschen, moet men als kruipende daar toe
overgaan. Want alle verouderde gebreken eensklaps te willen uitroeijen,
is even zoo veel, als of men eenen zieken een braakmiddel, eene
buikzuivering en eene aderlatinge, op een en den zelven tijd,
voorschreef.
20. Die alles stoutelijk belooven, en veele zaaken te gelijk op zig
nemen, zijn of gekken, die hunne eigene kragten niet kennen, en het
gewigt der zaaken niet beseffen, of kwade en verbasterde burgers die zig
zelven en niet het Gemeenebest ten dienst staan. Een voorzigtig man meet
zijne kragten af eer hij den jast op zig neemt, en een regtaartig
onderdaan, welken de welvaart des Vaderlands ter harte gaat, weet al te
wel, dat geen paard al loopende beslagen moet worden.
AGTSTE HOOFDSTUK.
_Van de Hooge School._
In dit Vorstendom zijn drie Hooge Schoolen of Academiën, waar van de
eerste is _Potu_, de tweede _Keba_, en de derde _Nahami._ De
Wetenschappen die aldaar aangekweekt worden, zijn de Geschiedkunde, de
Landbouw, de Wiskunde en de Rechtsgeleerdheid. Aangaande de
Godgeleerdheid: dewijl dezelve zoo besnoeit en beknopt is, dat zij bijna
in twee bladzijden vervat en opgestelt kan worden, en nademaal dezelve
alleen deeze Leerstukken bevat, dat wij liefde en eerbied voor God
hebben, die de Schepper en Bestierder van al het geschapene is, die in
het toekomende leven de deugd beloonen en de ondeugd zal straffen; zoo
is 'er geen Academische Studie, nog zij kan 'er ook niet wezen, vermits
bij de wetten stiptelijk bevolen is, dat niemant over het Wezen of de
Eigenschappen Gods zal hebben te disputeeren. Ook wordt de Geneeskunde
hier onder de Academische Letter-oeffeningen niet gerekent: want
overmits deeze boomen soberlijk leeven, zijn 'er de inwendige ziekten
voor het meerder gedeelte onbekend. Van de Overnatuurkunde en van de
hoogdravende Studiën zal ik niet spreeken, nademaal ik boven hebbe
aangetoont, dat alle de gene die over de natuur des Goddelijken Wezens,
over de hoedanigheid der Engelen, en over 't bestaan der Ziele
disputeeren, na voorafgaande aderlatinge, in het publyke dol- of
tugt-huis worden gezet.
De Academische Oeffeningen bestaan hier in: De jonge Studenten zijn
gehouden in 't begin haarer Letter oeffeningen over te geeven eene
ontleeding van die moeijelijke en fraaije geschilstukken. De zwarigheden
die zij daar in staan op te lossen, worden hen op gezette tijden
voorgestelt, zekere belooning gestelt zijnde voor den genen, die 't
allergeleerdst en 't allerfraaist het raadzel weet op te lossen. Door
deeze middelen wordt een iegelijk inderdaad aangespoort tot vordering,
en speuren de Opzigters der Letter-oeffeningen na, hoe verre eens
iegelijks bekwaamheid gaat, en in welke Wetenschap hij wat groots
belooft. Niemant legt zig meer dan op eene Wetenschap uit: want zig in
die alle te willen oeffenen, wordt bij hen voor 't werk van een zwak en
onbestendig vernuft gehouden: en om deeze redenen is het, dat de Studiën
aldaar, vermits dezelve zoo eng bepaalt zijn, binnen korten tijd tot
rijpheid worden gebragt. De Leermeesters zelfs zijn gehouden jaarlijks
proeven hunner geleerdheid te geven. Aan eenen Leeraar in de
Zedekundige-Wijsgeerte wordt bevolen, het een of 't ander moeijelijk
geschilstuk te verklaren: die in de Geschiedkunde, eene Historie of een
gedeelte daar van op te stellen: den Huisman en Wiskundigen wordt
opgelegt duistere zaaken na te speuren, en hunne wetenschappen door
nieuwe uitvindingen licht bij te zetten. De proefstukken der
Rechtsgeleerden bestaan in welgepaste en verstandig opgestelde
redenvoeringen: want deeze alleen zijn genoodzaakt in de _Rhetorica_ of
Redeneerkunde zig te oeffenen; aangezien zij het alleen zijn, welken
deeze oeffeningen in 't vervolg te passe komen, en tot het ampt van
Advocaat, 't geen in kragten klem van welspreekendheid beslaat, bekwaam
maken. Hierom was het, dat toen ik hen zeide, dat alle Academische
Proefstukken bij ons in 't doen van eene redenvoeringe geschiedden, zij
dat gebruik geheel en al verwierpen, zeggende; dat zoo alle
handwerkslieden eene proef moesten geven met schoenen te maken, de
meeste proefstukken onvoltooit en onbeschaaft voor den dag komen, en de
schoenmakers alleen den prijs zouden wegdragen. Ik maakte maar alleen
gewag van de redenvoeringen, niet durvende reppen van zintwistingen,
vermits dezelve aldaar onder de Schouwspelen worden gerekent. De
openbaare Leeraars onderwijzen aldaar op geen strenge of heerschagtige
wijze, in zaaken die noodig zijn vermaant of geweten te worden, even
gelijk het de manier is onder onze Wijsgeeren; maar geestige en
aangename gelijkenissen uitgedagt hebbende, geeven zij als door een
soort van betovering eenen indruk van de zaaken, die zij nuttiglijk
hebben opgemerkt.
Het is verwonderlijk met welk eene deftigheid en luister de Academische
Handelingen verrigt worden, en de Promotien hier geschieden: want men
draagt 'er de aller uiterste zorg, dat 'er niets in de Academische
Handelingen gevonden worde, 't geen oorzaak tot lachen geeven, of tot
een soort van Schouwspel verstrekken kan: immers zij houden het daar
voor, dat alle Academische Plegtigheden, van de Tooneelspelen te
onderscheiden zijn in deftigheid en aanzienlijkheid, ten einde de
Wetenschappen, door op eene onbetamelijke wijze behandeld te worden,
niet in veragtinge komen. Hierom durfde ik geen gewag maken van de
Plegtigheden, waar mede in onze Waereld de Promotien geschiedden,
nademaal 'er uit 't geen mij te _Keba_ was overkomen, toen ik onze
Doctoraale Promotien beschreef, reden genoeg was, om 'er voor altoos van
te zwijgen.
Behalven deeze Academiën hebben alle andere Steden haare hooge
Kweek-schoolen, en mindere Schoolen, alwaar op de neigingen der
vernuften naauwkeurig gelet wordt, om al vroeg te konnen zien, waar naar
een iegelijk het hoofd staat te hangen, of in wat soort van
Letter-oeffeningen hij de grootste hoop zal geven. Terwijl ik mijne
leerjaaren in het Kweek-school te _Keba_ doorbragt, had ik tot mijne
makkers vier jongelingen, zoonen van den Opperpriester, welke alle in de
Krijgskunde; vier andere van een Raadsheers geslagt, die in handwerken
en ambagten; en twee jonge Dogters die in den Scheepvaart onderwezen
wierden: want hier wordt enkel en alleen op der leerlingen geneigdheid,
zonder onderscheid van staat of kunne, agt geslagen. De Bestierders der
Kweek-schoolen, de vernuften grondig ondertast hebbende, geven een
iegelijk een getuigenisse naar waarheid, gelijk wij boven vermeld
hebben. Die getuigenissen worden gehouden voor zeer opregtelijk, en
zonder aanzien van persoon verleent te zijn, schoon 't mij anders
voorkwam: aangezien ik het getuigenisse dat mij van het Kweek-school te
_Keba_ afgegeven was, voor gek, onbetamelijk en onbillijk hield.
Niemant staat het hier vrij Boeken te schrijven, voor dat hij dertig
jaaren oud, en van de Bestierders der Letter oeffeningen bekwaam daar
toe geoordeelt is. Hierom komen 'er weinige, maar geleerde en zeer wel
doorwrogte, schriften in 't licht: waarom ik ook, hebbende beneden mijne
jaaren van onderscheid vijf of zes verhandelingen geschreven, dat aan
niemant durfde zeggen, uit vreeze van uitgelachen te zullen worden.
Dit zij genoeg gezegt van den Inborst, Godsdienst, Staatkunde en
Letter-oeffeningen deezes Volks. Daar is nog overig van eenige
merkwaardige zaaken, en die deeze Natie eigen zijn, iets te melden.
Wanneer de eene boom den anderen tot een tweegevegt uitdaagt, wordt aan
den uitdager voor altoos het gebruik der wapenen ontzegt, daarenboven
wordt hem bevolen om als een kind onder voogdij te staan, vermids hij
zijne driften geen meester is: geheel anders dan bij ons, alwaar
zoodanige uitdagingen bekent, en voor teekenen van eenen heldenmoed
gehouden worden, voornamentlijk in onze Noorsche Landen, in welke deeze
kwaade gewoonten geboren zijn; nademaal de uitdagingen onder de Grieken,
Romeinen, en andere oude Volkeren ten eenemaal onbekent zijn geweest.
In de _Potuaansche_ Rechtsgeleerdheid heb ik dit zeldzaame stuk
aangeteekent. De namen der gene die in een onderling rechtsgeding zijn,
blijven voorde Rechters verborgen, en het geding zelf wordt niet beslist
in de plaats alwaar het zijnen oorsprong heeft gekregen; maar wordt naar
de afgelegenste Provinciën ter beslissinge verzonden. De reden deezer
vreemde gewoonte is deeze: de ondervinding leert, dat veele Rechters zig
door vereeringen laten omkoopen, of dat zij door eenzijdigheid vervoert
worden. Derhalven meenen zij dat tegen zoodanige bekoringen 't allerbest
voorzien wordt, wanneer de namen dergene die in geding zijn, verzwegen
worden, en als de Aanlegger en Verweerder te gelijk met de zaaken, haave
of erve waar over geschil is, onbekent blijven. Alleen worden de
bewijsstukken voor en tegen aan scheidsmannen, naar 's Vorsten
goeddunken, met eenige verkortingen en letters verzonden: bij voorbeeld:
_of A. die in 't bezit is, de zaak, door hem in bezit genomen, behoort
weder te geven aan B. die dezelve eischt, en hem daar over in rechten
vervolgt_. Het ware te wenschen dat die manier bij ons was ingevoert,
nademaal wij menigmalen ondervonden hebben wat partijschap of andere
aanlokzelen op het gemoed der Rechters konnen te weeg brengen.
Het recht wordt onbedwongen en zonder aanzien van Persoon geoeffent. De
Vorst alleen is ongehouden voor de Rechtbank te verschijnen. Maar zoo
haast is hij niet dood, of de publyke aanklagers, anders gezegt 's
Lands-Advocaten, zenden den Overledenen eene dagvaarding t'huis. Als dan
worden in den vollen Raad de verrigtingen des afgestorven Vorsts
onderzogt, en eindelijk een vonnis gevelt, 't welk naar gelang van des
Overledens, verdiensten uit zekere bekortingen onderscheiden wordt. Die
bekortingen zijn ten naasten bij de volgende. _Loffelijk, niet
onloffelijk; wel; niet kwalijk; duldelijk; tamelijk._ Welke afgebroken
woorden op de markt aan het volk door den openbaaren uitroeper worden
voorgeleezen; en dat gedaan zijnde op des Overledens graf-tombe
uitgehouwen. Van deze gewoonte geven de _Potuaners_ deeze reden: dat
namentlijk de Vorst, zoo lang hij in leven is, niet voor 't recht kan
gedaagd worden, zonder opschuddingen en beroerten, aangezien men hem,
zoo lang hij leeft, schuldig is eene blinde gehoorzaamheid, en eene
geduurige eerbied, waar door een Staat staande gehouden wordt; dog dat
dat verband, waar mede de Onderdanen aan hunne Souverainen verbonden
zijn, ophoudt, zoo dra de Vorst komt aflijvig te worden, en dat ze om
die reden als eenigermaten hun eigen meester geworden zijnde, ook zig
zelven konnen bestieren. Door deeze heilzaame, schoon zeer zeldzaame,
Wet, wordt 's Vorsten veiligheid gehandhaaft, de hoogheid des
oppergezags niet benadeelt, en egter teffens betracht het welvaren van
den Staat: want die characters, hoe zeer ook op den Overledenen
toegepast, zijn egter prikkels tot de deugd voor de levenden, en het
blijkt uit de Geschiedenissen van _Potu_ dat 'er in den tijd van
geheele vierhonderd jaaren agter een, slegts twee Vorsten zijn geweest,
welke alleenlijk het laatste character, te weten dat van _tamelijk_,
hebben weggedragen. Bijna alle de andere hebben dat van _loffelijk_, of
_niet onloffelijk_ verdient, gelijk de opschriften hunner tomben
aantoonen, die nog gaaf en ongeschonden, en van den alverslindenden tijd
bewaard zijn. Het character van _tamelijk_, dat in de _Potuaansche_ taal
door _Rip-sac-si_ wordt uitgedrukt, verwekt zoodanige droefheid in de
Vorstelijke Familie, dat de Opvolger van den overledenen Prins, en te
gelijk zijn gantsche Huis, zes volle maanden daar over in den rouw
gekleed gaan. En het is 'er zoo verre van daan, dat de opvolgende
Vorsten op de Rechters, over derzelver onaangename vonnissen, eenigzins
vertoornt zouden zijn, dat dezelve hen veel eer tot prikkels zijn, om
loffelijk te regeeren; en om door deugd, voorzigtigheid, gerechtigheid
en bescheidenheid, de vlekke, waar mede de Vorstelijke Familie besmet
is, uit te wisschen.
De reden, waarom een van die twee Princen een met dat character
getekent geweest is, was deeze: dat, hoe zeer ook die van _Potu_ ervaren
zijn in 't stuk der krijgskunde, zij egter niemand den oorlog aandoen;
maar zig dapper verweeren, wanneer zij aangetast worden: waar door het
ook geschied is, dat zij tusschen andere die in den oorlog zaten,
scheidsmannen geworden zijn, en dat verscheide volkeren deezes Aardbols
zig aan het regtmatig en vreedzaame gebied dezer Natie onderworpen
hebben. Dog de Vorst _Mekleta,_ de palen zijns gebieds willende
uitbreiden, deedt zijne nabuuren den oorlog aan, en bragt ze eerlang te
onder. Maar zoo veel die van _Potu_ door den aanwasch van die overwonnen
volkeren in magt toenamen, even zoo veel verlooren zij ook, wijl de
genegenheid hunner nabuuren tot schrik en afgunst oversloeg: en die
overgroote agtinge van regtmatigheid en billijkheid, waar door de Staat
van _Potu_ was magtig geworden en staande gebleven, zedert aan 't
waggelen was geraakt: om welke redenen ook de _Potuaners_, om wederom de
toegenegenheid van andere volkeren tot zig te trekken, de geheugenisse
van den overleden Vorst met deeze vlekke gebrandmerkt hebben. Waar in
nu de misslag van den anderen Vorst, mede met zodanig character
beteekent, bestondt, is mij niet gebleken.
De openbaare Leeraars zijn de gene die bereids den derden ouderdom
hebben bereikt. Om dit wat nader te verklaaren, moet men weeten, dat het
leeven der boomen verdeeld wordt in drie soorten van ouderdom. De eerste
is der gene die in landszaaken onderwezen worden. In den tweeden
ouderdom stellen zij die zaaken te werk welke zij geleerd hebben; en in
den derden, op eene eerlijke wijze van 's Lands dienst ontslagen zijnde,
onderwijzen zij wederom andere. Hierom heeft niemant het recht om in 't
openbaar te leeren, ten zij hij in landszaaken bejaard geworden is: wijl
niemant geoordeeld worde leerstukken te konnen opgeven die op hunne
beenen staan, ten zij alleen de gene die, door ondervinding, eene
bondige kennisse daar van gekregen heeft.
Wanneer iemant, wegens een ergerlijk levensgedrag geschandvlekt zijnde,
eenen treffelijken en voor den Staat heilzamen raad heeft opgegeven,
wordt deszelfs naam verzwegen, op dat een goede raad niet bevlekt worde
door den schandelijken raadgever; en men beveelt dien te stellen op den
naam van eenen man van eere: aldus blijft de goede raad in stand, alleen
met veranderinge van den schandelijken raadgever.
In het stuk des Godsdiensts heb ik ondervonden, dat het verboden is over
de grondstukken des Geloofs, en vooral over 't Wezen en de Eigenschappen
Gods te zintwisten; dog nopende andere zaaken zijn oordeel op te geven,
en bijzondere gevoelens in overweginge voor te stellen, staat elk een
vrij. De _Potuanen_ zeggen, dat het nadeel dat uit zodanige twistredenen
ontstaat, vergeleken kan worden bij de onweders die huizen en boomen om
verre werpen; dog te gelijk de lugt zuiveren, bedervinge daar in
voorkomen, en verhoeden, dat zij door al te lange stilte niet verrotte.
De reden waarom zij zoo weinige Feestdagen hebben, is op dat het geslagt
der boomen door ledigheid niet vadzig worde: want de _Potuanen_ stellen
vast, dat de Godsdienst meer bestaat in noodzaakelijke werken te
verrigten, dan in bidden en geloften te doen. Van de Poëzy wordt 'er
niet veel werk gemaakt, schoon het Vorstendom niet geheel en al van
Dichters ontbloot is. Dog de Onderaardsche Poëzy verschilt, van Onrijm
alleen in hoogdravendheid der taal; waarom zij ook als iets kinderlijks
belachten, 't geen ik hen verhaalde van de voeten en het rijm onzer
Vaarsen.
Onder de Leeraars van _Potu_ zijn 'er, die Hoogleeraars van goeden smaak
genoemt worden. Deezen is opgelegt te bezorgen dat de jeugd zig niet
ophoude met wisjewasjes, of zaaken van weinig belang, op dat 'er geen
ongezoute of straatgeschriften, die den goeden smaak bederven, voor den
dag komen; en dat uit de Boeken, die gedrukt staan te worden, al 't geen
tegen de gezonde reden aanloopt, uitgeligt worde. Om welke redenen
alleen aldaar een gebod legt, dat de Boeken moeten onderzogt en nagezien
worden; geheel anders dan in onze Waereld; alwaar zelfs van de
allerbeste Onderzoekers de Boeken enkel en alleen opgehouden plegen te
worden, om dat ze in de kraam der Regeering niet dienen, of om dat ze
eenigzins afwijken van den aangenomen spraakstijl, of om dat 'er de
menschelijke gebreken, al schertsende en naar waarheid, in worden
doorgehaald: waar door het geschiedt, dat de Letter-oeffeningen gestuit,
en de welopgestelde geschriften geen licht konnen geven. Maar vermits
die van _Potu_ eenen vrijen koophandel met hunne nabuuren hebben,
sluipen 'er dikwils prulschriften, of die naar den smaak van 't slegt
volkje opgestelt zijn, binnen. Hierom zijn 'er Onderzoekers aangesteld,
die zig dagelijks in de Boekwinkels laten vinden. Zij worden
_Syla-Macatie_, dat is Boekerijveegers, genaamt: want gelijk 'er in onze
Waereld een soort van volk is, die de schoorsteenen en vuurovens
jaarlijks vegen, zoo zoeken ook deeze Onderzoekers, na dat zij de
Boeken, die te koop geveilt worden, doorsnuffelt hebben, 'er
naauwkeuriglijk de prullen uit, en werpen al 't geen zij vinden lorren
en vodden te zijn, alleen dienende om den goeden smaak te bederven, in
de riolen. Hierom zeide ik in mij zelv': ô! wat zou dat eene slagtinge
maaken onder de Boeken, zoo die instellinge in onze Waereld plaats hadt!
Maar boven al is te prijzen het toevoorzigt der gene, die uit den
inborst der jeugd afneemen, welken levensloop dezelve te verkiezen staa:
want gelijk het gehoor der Musikanten de allerminste ongelijkluidendheid
der snaaren gewaar wordt; zoo weten ook deeze Kenners en Opzienders der
deugden en gebreken, dikwils uit het star-oogen, uit het strak-houden of
zamentrekken der wenkbrauwen, uit de somberheid, uit het vrolijk gelaat,
uit den lach, uit de spraak, uit de agterhoudinge, en uit diergelijke
zaaken, ligtelijk te oordeelen, wat een iegelijk dienstig, of tegen
deszelfs natuur strijdig is.
Maar om weer van mij zelv' te spreken. Ik sleet mijnen tijd gantsch niet
genoeglijk met deeze wonderbaarlijke boomen, welke ik ten spot en
veragtinge verstrekte, om dat men mij nagaf dat ik van een vlug verstand
was: ook nam ik zeer kwalijk op de schampscheuten die mij deswegens
wierden toegeworpen: want door de bank heetten zij mij _Skabba_, dat is
te zeggen, den gaauwert of den schielijkaart. Maar 't meest van allen
stak mij in den krop, dat zelfs mijne waschvrouw zoodanig vonnis over
mij streek, die, schoon zij van het uittrekzel van 't janhagel, en een
rampzalige Lindeboom, geen penning waardig, was, egter geen zwaarigheid
maakte om mij, met dien haatelijken naam te noemen.
NEGENDE HOOFDSTUK.
_Reize van_ KLIM _om de Planeet Nazar._
Na dat ik twee jaaren lang de moeijelijke bedieninge van Postlooper had
waargenomen, en, belast met bevel-brieven, het geheele Landschap had
doorgeloopen, kreeg ik eindelijk verdriet in mijn moeijelijk en te
gelijk onwaardig ampt: waarom ik met smeekingen op smeekingen den
doorlugtigen Vorst om mijn ontslag lastig viel, verzoekende teffens
eene aanzienlijker bedieninge. Dog ik liep gestadig een blaauwen scheen,
wijl de Vorst van gedagten was, dat mijne schouderen te zwak waren om
een ampt van gewigt te torsschen. Ook haalde hij eenige wetten en
gewoonten aan, regelregt strijdig met mijn verzoek, en welke tot hooge
en gewigtige bedieningen alleen bekwame mannen vereischten: waarom hij
zeide noodig te zijn, dat ik mijn eenmaal aanvaardde ampt bleef
bedienen, tot dat ik door verdiensten mij den weg baande tot iets
grooters; besluitende zijne redenen met deeze vermaning:
_Die naar wat groots wil staan, die dient vooral te weten._
_Dat hij zig zelf steeds heeft met eigen maat te meten._
_Men wil dat van de Goon het groote KEN U ZELF_
_Zij eertijds neergedaalt: ook pronkte Apoll's gewelf,_
_Weleer met deeze spreuk Gij dan wilt dit gedenken,_
_Betrachtend' uwen pligt......_
Dit dubbel blaauwtje deedt mij een stout en wanhoopig besluit nemen.
Zedert dien tijd trachtte ik wat nieuws uit te vinden, waar door ik de
voortreffelijkheid van mijn verstand mogt toonen, en teffens den smaad,
mij opgelegt, wegnemen. Ik had mij bijna een geheel jaar lang uitgelegt
in 't doorsnuffelen der wetten en gewoonten deezes Vorstendoms, zullende
onderstaan, of ik niet bij geval eenige gebreken, die verbetering noodig
hadden, zoude konnen ontdekken. Ik had mijn voornemen aan zekeren
Braambosch, waar mede ik zeer gemeenzaam omging, en met welken ik van
jok en ernst pleeg te praten, geopenbaart. Dees vondt mijne uitvindinge
juist zoo vreemd niet; dog maakte veel zwarigheid of dezelve wel
heilzaam voor den Staat zoude zijn. Het was, zeide hij, de pligt van een
Verbeteraar, den aart en gesteldheid van het Land, dat hij trachtte te
verbeteren, zig zelv' voor oogen te stellen: want een en dezelve zaak is
van eenen gantsch verscheiden uitslag, volkeren, even gelijk een en het
zelve geneesmiddel, waar door het eene lichaam herstelt wordt, gantsch
schadelijk is aan 't andere. Voorts deedt hij mij zien, aan hoe groot
een gevaar ik mij bloot gaf met deeze kans te wagen; dat de Raad stondt
te vergaderen over mijn leven of dood, en dat het met mij gedaan was,
zoo mijn aanraden van de Onderzoekers verworpen wierdt. Derhalven badt
hij mij zeer, dat ik alles rijper wilde overwegen schoon hij mij van
mijn voornemen niet geheel en al wilde afschrikken, nademaal het
mogelijk was, dat ik, na rijp overleg, iets heilzaams, zoo voor mij
zelv', als voorden Staat, kwam te ontdekken: volgende dan den raad van
mijnen Vriend, rekte ik den tijd; en zedert mijn Postloopers-ampt met
geduld waarnemende, doorliep ik, naar gewoonte, Landen en Steden. En op
dat mij niet uit de geheugenis ginge, 't geen ik op reis had opgemerkt,
gaf ik, alles in zoo goeden stijl, als 't in mijne magt was, aangetekent
hebbende, den Vorst een Boek over dat niet klein was. Hoe zeer dit werk
naar 's Vorsten smaak was, bleek terstont daar uit, dat hij mijnen
arbeid in den Raad mee eene openbaare loftuitinge verhefte, en 't Boek
naarstig hebbende doorgelezen, besloot, zig van mij te bedienen in 't
ontdekken van de geheele Planeet _Nazar_. Ik had eene andere belooninge
voor mijnen arbeid gewagt; waarom ik stillekens met den Digter zeide
_De deugd wordt wel geprezen;_
_Maar zelden loon bewezen._
Dog vermids ik gaarne van staat verandert had, en na mijne wederkomste,
van 's Vorsten milddadigheid belooninge wagtte, was ik niet geheel en al
onwillig om mijnen dienst toe te zeggen.
De Planeet _Nazar_, schoon ze in haaren omtrek naauwlijks twee honderd
Duitsche mijlen beslaat, schijnt egter van eene groote uitgestrektheid
te zijn, wegens der inwoonderen langzaamheid van gang. Hier van daan is
het, dat de meeste Gewesten, vooral die wat afgelegener zijn, deeze
Onderaardlingen nog onbekent zijn: want geen een _Potuaan_ is in staat
om in den tijd van twee jaaren dien Bol te Voet om te reizen: daar ik
het, wijl ik zeer wel ter been was, binnen den tijd van eene maand
konde doen. Maar daar ik het meest benaauwt voor was, was, zoo als ik
mij inbeeldde, de verscheidenheid van taal. Dog eenige gaven mij moed,
betuigende dat alle de bewoonders der Planeet, hoe zeer ze kragtig
verschilden in zeden, egter alle een en dezelve uitspraak hadden; en dat
ook het geheele boomgeslagt opregt, vriendelijk, en goedertieren was,
zulks ik, zonder eenig gevaar, de gantsche Planet zoude konnen
omwandelen. Dit was een gewillig paard de sporen geven, en ik begaf mij
op reis met het begin van de _Populier-Maand._
De dingen die staan te volgen, zijn zoo verbazende, dat ze veel eer naar
de versiersels der Digters, of zuivere harsschenschimmen schijnen te
gelijken: vooral wijl die verscheidenheid zoo in lichaam ais in geest,
welke ik op mijne reize ondervonden hebbe, zelfs, niet onder de
onderling allerafgelegenste Volkeren, en die onder eene andere
lugtstreek leeven, te wagten is. Dog men moet weten, dat de meeste
Volkeren deezes Aardbols door zeeën en zee-engtens van malkanderen zijn
gescheiden; en dat deeze Planeet een soort van Archipel vertoont.
Zelden vaart men deeze zee-engtens over, en de veerluiden, die aan de
oevers op de wagt staan, worden alleenlijk op die posten geplaatst om
der reizigers wille: want de inwoonders zetten bijna nooit hunne voeten
buiten de grenzen hunner geboorteplaats, en zoo zij door den nood
gedwongen zijn die zee engtens over te vaaren, keeren zij welhaast weder
terugge, als hebbende van stonden aan eene tegenheid in een vreemd
gewest. Hier van daan is het, dat zoo veele Natien als men 'er heeft,
men ook zoo veele nieuwe Waerelden vindt. Dog de voornaamste reden
deezer ongelijkheid spruit uit den verscheiden aart des gronds, 't welk
te zien is uit de verscheide kleuren der landerijen en der akkers, en
uit de doorslaande ongelijkheid der planten, vrugten, en peulvrugten;
zoo dat het geen wonder is dat in die verscheidenheid van landerijen en
vrugten, ook zoo veel verscheidenheid in den inborst der inwoonders, en
zoo veele verscheidene natuuren in dezelve te vinden zijn. In onze
waereld is 'er weinig onderscheid van zeden, studien, kleuren,
lichaamsform, zelfs in de Volkeren die onderling 't verst-afgelegen
zijn. Want mitsdien de aart des gronds bijna overal dezelve is, behalven
alleen dat de eene aarde vrugtbaarder is dan de andere, en dat ook de
natuur der vrugten, der kruiden en des waters dezelve is, konnen 'er
niet zoo veele Schepzelen van zoo verscheiden geslagt voortgebragt
worden, als 'er op dien Onderaardschen Bol geboren worden, alwaar ieder
stuk lands zijne bijzondere hoedanigheid heeft. Den vreemdelingen wordt
'er wel vergunt te reizen en koopmanschap te bedrijven; dog geenzins
daar te woonen: ook kan het hen om den verscheiden en tegenstrijdigen
aart der landstreeken niet toegestaan worden. Daar door komt het, dat
alle vreemdelingen die men op den weg ontmoet, of reizigers zijn of
kooplieden. De landstreeken egter, die aan 't Vorstendom _Potu_ grenzen,
zijn bijna alle van denzelven aart. Derzelver inwoonders hebben eertijds
zeer zwaare oorlogen gevoert met die van _Potu;_ dog thans staan zij, of
met dezelve in onderling verbond, of t' ondergebragt zijnde, houden zij
zig stil onder derzelver zagte regeeringe. Dog wanneer men eene groote
zee engte, die den geheelen Bol klieft, oversteekt; ziet men nieuwe
Waerelden; nieuwe en den _Potuanen_ onbekende schepzelen. Dit alleen
hebben zij gemeen met dat Vorstendom, dat alle de creaturen van dien
geheelen Aardkloot, boomen zijn met verstand en reden begaafd, en ten
naasten bij eene en dezelve uitspraak hebben, Daarom valt de reize niet
moeijelijk, voornamentlijk, nademaal zij, om de veelheid der kooplieden
of reizigers, die gewesten doortrekkende, gewoon zijn, allerlei
creaturen van verscheiden geslagt, en die in 't geheel niet naar hen
gelijken, te ontmoeten. Ik heb gemeent dit vooral niet te moeten
vergeten: op dat niemand het volgende verhaal kome te verveelen, nog de
verhaaler om zijne opgepronkte leugenen in regten worde betrokken.
Het zou te lang vallen, en 't is niet der moeite waart, alles, wat mij
op deeze reize gebeurt is, in 't bijzonder, en volgens den draad der
geschiedenisse, op te halen: mijn voornemen is alleenlijk te beschrijven
de meest verwonderlijke Volkeren, in welker zeden en gewoonten ik niet
weinige zaaken gevonden heb, die zoo ongewoon en verbaazende zijn, dat
de Planeet _Nazar_ uit dien hoofde onder de wonderwerken der waereld
gerekent mag worden. Ik heb opgemerkt dat het geheele boomgeslagt in
beschaafdheid, in verstand, en in deftigheid, weinig verschilt van de
_Potuanen;_ dog in gewoonten, geneigdheden en form van ligchaam zoo zeer
verschillend is, dat elk gewest mij voorkwam als eene nieuwe waereld op
zig zelven.
In de Provincie _Quamfo_, welke 't eerste Landschap is over de
zee-engte, zijn de inwoonders aan geen ziekten of lichaamskwaal len
onderhevig, maar leeven in eene genadige gezondheid tot dat ze oud en
grijs zijn. Om die reden hield ik hen voor de gelukkigste aller
schepzelen: dog uit den korten omgang dien ik met hen had, bespeurde ik,
dat ik zeer in mijne meeninge bedrogen was geweest: aangezien gelijk ik
onder de ingezetenen deezer Provincie niemant ooit droevig gezien heb,
ik 'er ook niemant vergenoegt, laat staan blijde, vond: want gelijk wij
geen aandoening hebben van eene heldere en getemperde lugt, ten zij wij
bevorens storm en onweder hebben uitgestaan; zoo hebben ook deeze boomen
geen bezef van hun geluk, om dat het altoosduurende en onafgebrooken is,
niet wetende dat zij gezond zijn, om dat hen de ziekten onbekent zijn:
invoegen zij hun leven doorbrengen in eene gestadige gezondheid, en te
gelijk in eene geduurige laauwheid: want voorspoed zonder tegenspoed
geraakt aan 't kwijnen door zatheid, en 't allergenoeglijkste leven is,
daar het zoet met zuur getempert wordt. Ik kan betuigen in geene Natie
onaangenaamer manieren, of kouder en onbeschaafder omgang ooit te hebben
gevonden. Het is waar, de lieden zijn 'er opregt; dog egter zoo, dat ze
nog, uwe toegenegenheid, nog uwen afkeer waardig zijn: gij hebt 'er voor
niemants belediging te vreezen, nog iemants haat te wagten: kort om, gij
zult hier niets vinden dat u mishaagt, nog iets dat u aanstaat. En
nademaal die gestadige gezondheid des lichaams nooit het afbeeldzel van
den dood onder 't oog brengt, of eenig medelijden met de ellendigen en
bedrukten verwekt; zoo brengen zij ook gantsch laauw en zorgeloos, en
zonder eenige hartelijkheid of ontferminge, hun geheele leven door:
waarom 'er ook onder dat volk geen voetstap van Godvrugt, van
teerhartigheid of meêdoogen te vinden is. Want gelijk de ziekten ons de
sterflijkbeid herinneren, zoo spooren zij ons ook aan tot wel te leeven,
en bevoelen ons op onze hoede te zijn, en reisvaardig te staan; en
gelijk zij ons smerten aandoen, zoo leeren zij ons te gelijk ons te
ontfermen over de gene die bezogt zijn. Hier door bespeurde ik
ligtelijk, hoe zeer ons de ziekten en doodsgevaaren tot alle betragtinge
van Godvrugt en onderlinge hulpe aanzetten: ja hoe onwaardiglijk wij ons
vergrammen tegen den Schepper, wijl wij schijnen als geboren te zijn tot
bezoekingen, die ons egter heilzaam en noodig zijn. Het staat egter te
letten dat deeze Eiken, op andere plaatzen overgebragt zijnde, zoo wel
als andere boomen, aan ziekten en zwakheden onderhevig zijn: waarom ik
oordeele, dat dat groote gezondheids-voorregt, zoo 't anders daar voor
gerekent mag worden, enkel en alleen aan de lugtstreek en 't voedzel
moet worden toegeschreeven. De Provincie van _Lalac_, die ook den naam
van _Mascatta_, dat is de gelukkige, genoemt wordt, schijnt met regt
haaren naam te dragen; want alles komt daar van zelf voort.
_De bloemen die van zelf uit d'aarde geurig sproten._
_De klei teelde ongebonwt, gewillig, onverdroten,_
_Het weelig veld-gewas: het veld schonk, onvermoeit,_
_De zwang're kooren-aar: de melk en nektar vloeit_
_Als water: d'Eik in 't wild' scheen honingdauw te geven._
Maar dit uitsteekend voorregt maakt de inwoonders niet boven andere
gelukkig. Want gelijk zij voor de kost niet behoeven te werken, worden
ook de meeste van hen, vadzig zijnde door ledigheid en luiheid, geduurig
met ziekten gekweld. Hier van daan sterven de meesten voor hunnen tijd,
wijl zij door wormen en verrottinge bedorven zijn. De natuur deezer
Landstreek verschafte mij geen geringe stoffe tot Wijsgeerige
overdenkingen, en het bleek klaar uit den stand en gelegentheid deezes
volks, dat handwerkslieden en de gene die dienstbaar zijn, in veele
opzigten gelukkiger leeven, dan de gene die, nooit bekommert om hunnen
leeftogt, hunne dagen in ledigheid en wellusten slijten.
_De honger pleeg altijd de beste saus te wezen;_
_En zelfs geringe spijs van d'eet-lust wordt geprezen:_
_Een hongerige maag is haast de kost bereid,_
_Die slegts aan d'overdaad verstrekt tot bitterheid:_
_Het Koninglijk geregt naauw brasser kon behagen,_
_Wiens zwakke voet ontzegt 't bedorven lijf te dragen._
Hier van daan zoo veele booze raadslagen, wanhoopige pogingen, en
geweldigen dood. Want de overvloed waar in zij leeven, hen alle
aandoeningen van smaak en geneugte benemende, verstrekt hen tot walging,
en doet hen verdriet in hun leven krijgen; zulks dat Land, 't geen ik
mij verbeeldde te zijn de woonstede der Gelukzaligen, mij niet anders
voorkwam dan eene sombere verblijfplaats der dooden, waardiger beklaagt
dan benijdt te worden.
_Dit kwam in mij den lust verwekken_
_Om haastig uit dit land te trekken._
Naast aan dit Landschap grenst het Gewest _Mardak_ geheeten, bewoond
wordende van Cypressenboomen, hebbende alle dezelve lichaams gedaante,
en alleenlijk onderling onderscheiden door den ongelijken form hunner
oogen: want sommige hebben dezelve langwerpig, andere vierkant: deeze
hebben die zeer klein, gene wederom zeer groot; zodanig, dat ze bijna
hun geheele voorhooft beslaan. Eenige worden met twee, andere met drie,
en andere wederom met vier oogen geboren. Daar zijn 'er ook die maar één
oog hebben; en welke men voor afzetzels van Polyphemus zoude groeten,
ten ware zij hun oog in 't agterhooft niet hadden. Hiervandaan is het,
dat zij naar gelang der verscheidenheid hunner oogen in even zoo veele
Stammen worden verdeelt.
_De Namen der Stammen zijn deeze navolgende._
1. _Nagiri_: dat is der gene die de oogen
langwerpig hebben, en aan welke om
die reden, alle voorwerpen langwerpig
voorkomen.
2. _Naquiri_, welker oogen vierkantig zijn.
3. _Talampi_. Deeze hebben kleine oogen.
4. _Iaraku_, met twee oogen, van welke het een wat schuins staat.
5. _Mehanki_. Deeze hebben drie oogen.
6. _Tarrafuki_. Deeze hebben 'er vier.
7. _Harramba_. Welker oogen hun geheele voorhooft beslaan.
8. _Skadolki_. Deeze zijn 't die één oog in 't
agterhooft hebben.
Van, alle deeze is de Stam der _Nagiri_, of der gene die langwerpige
oogen hebben, en welken daarom alle voorwerpen ook langwerpig voorkomen,
de talrijkste, en bij gevolg de magtigste. Uit deezen Stam alleen worden
de Staats-regeerders, de Raadsheeren en de Priesters verkooren. Deeze
alleen hebben alle bewind in handen, en laten niemant uit eenen anderen
Stam toe Staats-ampten toe, ten zij hij betuige, dat zekere ronde
schijf, de Zon toegewijd, en, op eene verheven plaats des Tempels
gestelt, hem ook langwerpig voorkomt, en dat hij die belijdenisse met
eede bevestige. Deze gewijdde schijf is het voornaamste voorwerp van den
_Mardakaanschen_ Godsdienst. Hier van daan is 't, dat de eerlijkste
onderdanen, die zig niet willen hesmetten met de misdaad van
meineedigheid, van alle Staatsbedieningen geweert, en voor geduurige
spotternijen en vervolgingen blootgestelt worden; en hoe zeer zij
betuigen dat zij gelooven moeten 't geen zij met hunne oogen zien,
worden zij egter aangeklaagt, en 't geen een gebrek in de natuur is,
wordt hen als kwaadaartigheid of koppigheid aangetegen.
Het Formulier van eedzweering, 't welk een iegelijk die tot bedieningen
of eerampten staat toegelaten te worden, onderteekenen moet, is bijna
van den volgenden inhoud:
_Kaki Manasca Quihompu Miriac Jacku Mesinbrii Caphani Crukkia Manaskar
Quebriac Krusundora._
Dat is: ik zweere dat de gewijdde Zonschijf mij langwerpig voorkomt,
belovende in dat gevoelen tot mijnen laatsten levenssnik te zullen
volharden.
Deezen eed afgelegt hebbende, worden zij verkieslijk verklaard tot
bedieningen, en onder den Stam der _Nagiri_ aangenomen.
Daags na mijne aankomste, terwijl ik, niets te verzuimen hebbende, over
de markt ging wandelen, zag ik eenen ouden man wegbrengen om gegeesselt
te worden, verzelt zijnde van eenen grooten troep Cypressenboomen die
hem de huid vol scholden. Vragende wat 'er te doen was wierdt mij
geantwoort; dat hij een ketter was, en in 't openbaar geleert hadt, dat
de Zon-schijf hem vierkant voorkwam; welk verderflijk gevoelen hij,
niettegenstaande veelvuldige aanmaningen, halstarrig was blijven
aankleven.
Om deeze reden, eene kans willende wagen, of ik ook regtzinnige oogen
had, en binnen den Tempel der Zonne getreden zijnde, alwaar mij de
gewijdde schijf ook vierkant scheen te zijn; gaf ik mijnen Huiswaard,
die onlangs tot het fabryk-meesterschap der Stad verheven was, zulks
openhartiglijk te kennen. Hij, mijn zeggen met een diep gezugt
aanhoorende, betuigde mij dat dezelve hem ook vierkant voorkwam; dog dat
hij zulks aan niemant hadt durven ontdekken, ten einde hem de regeerende
Stam geen spel mogte maken, en hem zijne bedieninge afnemen.
Al beevende dan, en ter sluip, ging ik de Stad uit, vreezende dat ik
misschien de misdaad mijner oogen met den rug zoude moeten boeten, of,
met den haatelijken tytel van Ketter gebrandmerkt, op een schadelijke
wijze daar uit gezet worden. Waarlijk, nooit kwamen mij eenige wetten
zoo schrikkelijk voor, of eenige inzettingen meer barbaarsch en
onredelijk; wijl ik zag, dat men enkel en alleen door veinzerij en
meineedigheid zig eenen weg tot eerampten baande. Waarom ik ook, in 't
Vorstendom _Potu_ wedergekeert zijnde, zoo menigmaal ik gelegenheid had,
mijne gal uitbraakte op die barbaarsche Republyk. Dog toen ik op zekeren
tijd mijnen moed daar aan koelende, aan eenen Jeneverboom, waar mede ik
zeer gemeenzaam omging, mijne gramschap des wegen openbaarde, begon
dezelve aldus, te spreken: "Voorzeker zullen aan ons de inzettingen der
_Nagiri_ dwaas en onbillijk voorkomen; dog laat het u niet vreemd
schijnen, dat 'er om die verscheidenheid van oogen zulk eene groote
strengheid geoefent wordt; nadien 't mij te binnen schiet u te hebben
hooren zeggen, dat 'er in de meeste Staaten van Europa heerschende
Familien gevonden worden, die uit hoofde van het gebrek des gezigts of
des verstands, de andere te vuur en te zwaard vervolgen; en dat gij
zoodanig bedwang, als Godvrugtig, en heilzaam voor den Staat, hooglijk
kwam te roemen." Aanstonds begreep ik waar die doortrapte man met dat
zeggen heen wilde; waarom ik beschaamt zijnde, van daar ging en zedert
dien tijd altoos de verdraagzaamheid voorstaande, strijke ik een veel
zagter vonnis over de gene die niet regtzinnig zijn.
Het Prinsdom _Kimal_ wordt, om de rijkdommen die het bezit, voor 't
magtigste van alle gehouden. Want behalven de Zilvermijnen, waar van 'er
daar veele gevonden worden, wordt 'er eene groote menigte Gouds uit het
zand der rivieren gehaalt: ook levert de nabuurige zee zeer veele
Peerlen uit; dog dat in schatten alleen geen geluk gelegen is, heb ik,
met dit volk wat naauwer te ondertasten, op de proef bevonden. Want zoo
veele inwoonders als 'er zijn, zoo veele mijn gravers en duikelaars zijn
'er bijna, die op winst uit zijnde, tot eene geduurige slavernij, en tot
den allerhardsten arbeid schijnen verwezen te zijn. De gene die van
deezen arbeid bevrijd zijn, staan altoos op schildwagt om hunne schatten
te bewaren; en het geheele landschap is zoodanig onveilig door roovers,
dat niemant zig op reis durft begeven zonder eene lijfwagt.
_Geen dag zoo heilig meer, dat 't steelen wordt verschooven._
_Verraad, bedrog, geweld en gierigheid staan boven._
_Men leeft alleen op roof: de huiswaart is in last,_
_En aan zijn eigen haart niet veilig voor den gast._
_Geen schoonvaêr voor den zoon: getrouwe broederliefde_
_Is zeldzaam: want de haat den eigen broeder griefde._
_De man verhaast zijn vrouws, de vrouw haar egaês dood._
_De booze stiefmoêr mengt vergift in ekelbrood._
_De zoon t' ontijde staat den Vader naar het leven._
_Godvrugtigheid heeft uit. Astrea wordt verdreven._
_De leste van de Goon, die angstig en bedugt,_
_De waereld, rood van moord, ter naauwer nood ontvlugt._
Hier door is dat volk, dat van zijne nabuuren met nijdige oogen wordt
aangezien, meer te beklagen, dan te benijden. Want vrees, agterdogt,
wantrouwen en afgunst houden de gemoederen voor altoos gevangen, en de
een ziet den anderen niet dan als eenen vijand en belager zijner
goederen aan, zoo dat vrees, kommer, nagtbraken en een bleek wezen de
vrugten en de oogst van dien geluk-staat zijn, waarop het Prinsdom
_Kimal_ zijnen roem draagt. Dit was de reden, dat ik dat gewest niet
zonder vrees en moeilijkheid doorreisde; want op alle wegen en
grensscheidingen wierd ik genoodzaakt aan de weg-wagters te zeggen, de
oorzaak van mijne reize, mijnen naam, vaderland en diergelijke; en ik
zag mij bloot gestelt aan alle die kwellingen, welke de reizigers
pleegen te ondervinden in zulke plaatsen, daar men uit agterdogt naauw
onderzoek doet. In dat Land is een brandende berg, waar uit als met
gestadige golven onderaardsche vuuren worden uitgeworpen.
Na dat ik dit Prinsdom, 't ergste dat ik in mijnen gantschen togt
ontmoet heb, doorgetrokken was, zettede ik gestadig Oostwaards aan mijne
reize voort. Ik ontmoette allerwegen wellevende en beschaafde Volkeren,
dog ook teffens zeer zeldzaame. Maar daar ik 't meest van allen over
verwondert was, waren de inwoonders van het kleine Koningrijk
_Quamboia,_ welke de natuur met averegtsche zeden gevormt heeft, en wel
zodanig, dat hoe iemant ouder wordt, hoe hij ook te gelijk darteler en
wellustiger wordt, zulks de baldadigheid, geilheid en andere ondeugden,
die elders in de bloeijendste jeugd doorgaans gevonden worden, aldaar
met de jaaren toenemen. Derhalven wordt aldaar niemant eene
staatsbediening toebetrouwt, dan die nog tot zijn veertigste jaar niet
gekomen is: want niet zoo haast heeft hij dat bereikt, of men houdt hem
voor eenen baldadigen jongen
_Die onder 's moeders hard bedwang_
_Geweest is, al zijn leven lang._
Ik zag 'er die grijs van ouderdom waren, overal langs de straat loopen
rinkelrooijen, en hunnen tijd met kinderspel doorbrengen.
_Ik zag 'er eenige die maakten poppenhuisjes:_
_Bespanden 't wagentje met tweepaar kleine muisjes:_
_En 't paar of onpaar 's spel was anderer tijdverdrijf,_
_Die niet te paard reên op een rietje onder 't lijf._
Ik zag ook dat dezelve menigmaalen van kinderen daar over berispt, ja
zelfs met zweepen naar huis gedreven wierden. Ik zag eenen afgeleefden
grijsaard openlijk op de markt eenen drijftol voortzweepen, of met eenen
hoepel speelen; en die zelve persoon was voortijds een zeer deftig man,
en President van den Grooten Raad geweest. Deeze verkeertheid hebbe ik
zoo wel in de vrouwelijke als manlijke Sexe gevonden: en daar van daan
komt het, dat een jongeling een oud besje trouwende, zelfs het lot van
Acteon van allen man voorspelt wordt, 't geen regelregt strijdig is met
het geen bij ons voorvalt, alwaar een grijsaart een piep jonge vrijster
trouwende, bang is, dat hem hoorns opgezet zullen worden. Ik ontmoette
eens twee stok-oude mannen die al kaal waren, t' zamen vegtende op de
markt; mij verwonderende over hunne hevigheid, zoo ongewoon in dien
ouderdom, en vragende naar de oorzaak van dat tweegevegt, wierdt mij
geantwoord, dat 'er krakeel tusschen hen gerezen was over eene hoer,
welke zij beide in een hoerhuis tot hunne devotie gehad hadden. Die mij
dat verhaalden voegden 'er bij, dat men hen strengelijk met roeden de
billen zoude geesselen, zoo haast hunne voogden en bestierders die
baldadigheid zoude ter ooren zijn gekomen. Nog dien zelven avond kwam
mij ter ooren dat eene oude Matroone zig verhangen hadt, om dat zij aan
eenen jongen Beukeboom, waarop zij smoorlijk verlieft was, een blaauwtje
geloopen hadt.
Deeze averegtsche levenswijze vereischt ook averegtsche Wetten: daarom
wordt 'er in dat Kapittel der Wet, die van de voogdijen handelt, aan
niemant de beheering zijner goederen toegedaan, ten zij hij beneden de
veertig jaaren oud zij. Wijders worden geene handelingen, aangegaan bij
de gene die boven de veertig jaaren zijn, voor wettig gehouden, ten zij
dezelve door hunne kinderen of voogden bekragtigt zijn. In het Kapittel
van de afhankelijkheid worden deeze woorden gevonden: _Dat Grijsaarts en
oude Besjes gehoorzaam zijn aan het bevel hunner kinderen_. Hier door is
het, dat de gene die in bedieningen zijn even voor hun veertigste jaar
pleegen afgedankt te worden.
_Hen wordt van hoogerhand en magt en regt benomen._
_'t Bestier der Ouden moet aan jongelingen komen_
_Die hen de naaste zijn in maagschap...._
Ik dagt, dat het niet raadzaam voor mij was, langer in dat Land te
verblijven, alwaar ik, zoo ik anders nog tien jaaren levens had, door 't
bevel der Wet, zoude gedwongen zijn, weder kinds te worden.
In 't Landschap _Cocklecu_ wierdt eene gewoonte, die niet minder
verkeert is, en bij de Europische Volkeren grootelijks afgekeurt wordt,
onderhouden. Die averegtsche levenswijze spruit niet uit de Natuur, maar
alleen uit de Wetten voort. Alle inwoonders deezes Lands, zoo mannen als
vrouwen, zijn Jeneverboomen; dog de mannen alleen zijn verwezen tot
huiswerk, en alle andere geringe bezigheden. In oorlogs-tijden worden
zij wel tot den krijgsdienst opgeschreven; dog bereiken daar in zelden
hooger trap, dan dien van slegt Soldaat; vermits 'er weinige zijn, die
tot een Vaandel geraken: ook is het Vaandrigsampt de hoogste
waardigheid in den krijgsdienst, daar een manboom naar staan kan.
Daarentegen worden de vrouwen de zwaarwigtigste zaaken, zoo in het
burgerlijke als in het geestelijke, mitsgaders in het geen den krijg
betreft, aanbevolen. Ik lachte onlangs met die van _Potu_, dat zij in 't
uitdeelen der bedieningen geen onderscheid van Kunne maken; dog dit Volk
scheen mij met den kop gekwelt te zijn, en tegen de Natuur te handelen.
Om de waarheid te zeggen, ik kon de toegevendheid der mannen in mijn
hoofd niet krijgen, welke, daar zij in ligchaams-kragten verre voor
leggen, zig egter zulk een onwaardig jok lieten opleggen, en zoo veele
eeuwen lang dien smaat hebben moeten opkroppen; daar het zeer ligt zoude
vallen dat jok af te schudden, zoo zij die vrouwelijke Tyranny slegts
wilden of durfden ontzenuwen. Dog die verouderde gewoonte hadt zoo zeer
hunne gemoederen verblindt, dat het niemant in de gedagten kwam, eene
kans te wagen om dien smaat weg te nemen: ja dat zij zelfs van meeninge
waren, dat het de Natuur zoo beschikt hadt, dat de wijven baas moesten
wezen, en dat de mannen maar moesten weven, bijslapen, spinnen, het huis
schrobben, en wat rug-op krijgen. De bewijsredenen, waar mede het
vrouwvolk dit gebruik tracht goed te maken, zijn deeze: overmits de
Natuur het manvolk met ligchaams-kragten begaaft, en hunne ledematen tot
zwaaren arbeid bekwaam gemaakt heeft, is 't zeer waarschijnlijk, dat zij
alleen het geslagt der mannen tot geringen en zwaaren arbeid geschikt
heeft, 't Verbaasde de Vreemdelingen, wanneer zij in een huis komende,
aldaar de vrouw van 't huis zagen, zittende in haar boek-vertrek met
eenen schrijfpriem en een handboekje; dog den man door de keuken
warende, en potten en pannen schuurende. En zeker, in wat huis ik ook
kwam, om met den man te spreeken, ik wierd naar de keuken gewezen:
alwaar
_De een het zilver wascht, en d'andere schuurt den pot:_
_Een derde reinigt zelfs het honde- en varkenskot;_
_Terwijl 't heerschzugtig wijf al bulderende den vroomen_
_Hals met een' bullepees, vast dreigt op 't lijf te komen._
Van deeze averegtsche levenswijze zag ik zeer gevaarlijke gewrogten.
Want gelijk men in andere Landen baldadige en geile snollen vindt, die
voor een stuivertje haar lichaam ten besten geven, en haare kuischheid
te koop dragen, zoo verhuuren zig ook hier de jongelingen, en 't manvolk
voor een nagtje, en huuren ten dien einde bordeelen, welke, door
opschriften en hoeragtige uithangborden boven de deuren, bekent zijn.
Die zelve, wanneer zij al te openbaar en onbeschaamdelijk hunnen
hoerenhandel drijven worden vastgezet, en, even als oude hoeren in 't
openbaar met roeden gegeesselt. Daarentegen vrouwen van aanzien en jonge
dogters zien het manvolk op straat onder de oogen, knikken die toe,
wenken hen, schuiffelen die na, schelden hen, roepen ze, vallen ze
lastig, schrijven lofgedigtjes boven hunne deuren; en belijdende
openlijk haare Venusjankerijen, zijn 'er als op zoo veele overwinningen
moedig op, even gelijk bij ons de dertele jongelingen al pochende
pleegen op te tellen hoe veele vrijsters en vrouwen zij al onder de knie
gehad hebben. Wijders wordt het nog vrouwen nog dogters voor oneer
gerekent, dat zij den jongelingen eenige verliefde gedigtjes of kleine
presentjes aanbieden; dog deeze veinzen koel en zedig te zijn, daar het
integendeel den jongelingen fraai staat, wanneer dezelve, op de driftige
aanzoekingen der jonge dogters, terstont gereed zijn. Niet weinig
beweging was 'er ter zelver tijd over eens Raadsheers zoon, die door een
jonge dogter onteert was. Men sprak van dat meisje om dat stuk overal
zeer kwalijk; en ik hoorde dat de vrienden des jongelings onder zig
mompelden, dat men de jonge dogter zonder uitstel in rechten stondt te
vervolgen, en dat zij in de naaste zittinge zoude gevonnist worden hem
te moeten trouwen en zijne eere op te leggen: vooral, wijl geene wettige
getuigen ontbraken, dat de jongeling, welken de vrijster tot
ongeoorloofden minnehandel vervoert hadt, bevorens was geweest van een
onbesproken levensgedrag. Terwijl ik met deeze Jenever-boomen omging,
dorst ik deeze averegtsche levenswijze niet openlijk tegenspreken. Maar
toen ik uit de voornaamste Stad vertrok, zeide ik tegen eenige, dat men
aldaar tegen de Natuur te werk ging, vermids het volgens het algemeen
regt, en naar het gevoelen van alle Volkeren, vastging, dat de
mannelijke Sexe geschapen was tot hooge en gewigtige bezigheden. Waar op
zij mij te gemoet voerden, dat ik de gewoonte en de inzettingen met de
Natuur vermengde, nademaal de zwakheden, die men in de vrouwelijke Sexe
gewaar wordt, alleen voortvloeijen uit de opvoedinge, 't geen wel 't
meest bleek uit de gesteltheid en wijze van dat Gemeenebest, alwaar men
in 't vrouwvolk zoodanige deugden en gemoedsgaven zag uitblinken, welke
de mannen elders zig zelven alleen toeëigenen. Want de _Cocklekuaansche_
vrouwen zijn zedig, deftig, verstandig, standvastig, en stilzwijgende;
daar het manvolk in tegendeel ligt vaardig, schielijk en snapagtig is;
waarom ook, wanneer 'er iets vreemds verhaalt wordt, men aldaar het
spreekwoord gebruikt, _dat het mans grollen zijn_; en wanneer 'er iets
schielijk en onbedagtelijk uitgevoert is, zeggen de inwoonders, _dat
men der mannelijke zwakheid iet moet toegeven_. Dog met deeze
bewijsredenen nam ik geen genoegen; maar oordeelde dat deeze averegtsche
wijze van leven, wanhebbelijk, en geheel en al strijdig was tegen de
Natuur. De verontwaardiging, welke mij de trotschheid van 't vrouwvolk
in 't hart als ingedrukt hadt, was oorzaak van het ongelukkig
voornoemen, 't welk ik nam een weinig tijds na mijne wederkomste: een
voornemen, 't geen mij zoo veele moeilijkheden veroorzaakt heeft, zoo
als ik te zijner plaatse zal melden.
Onder de pragtigste gebouwen deezer Stad was het Koninglijke Vrouwen
getimmer, voorzien met driehonderd zoo mannen als jongelingen, van de
allerschoonste gedaante en geest, welke alle gehouden wierden op kosten
der Koningin, en tot haaren wellust dienden. Hoorende dat de gestalte
mijns lichaams van eenige zeer geprezen wierdt, en vreezende door de
Oploopers in dat Vrouwen-getimmer te zullen gebragt worden, verhaastte
ik mijn vertrek, en
_.... De vrees scheen, onder 't rekken,_
_Aan mijne voeten nog voor vleugels te verstrekken._
Aan dit Vorstendom grenst het Landschap der _Philosophen_, aldus genoemt
van deszelfs inwoonders die in de wijsgeerte en andere spitsvinnige
wetenschappen als geheel en al verzopen liggen. Ik brandde van ongeduld
om dat land te zien, wijl ik mij het zelve verbeeldde als het middelpunt
aller wetenschappen en de waare verblijfplaats der Zang-godinnen. Hier
dagt ik niet te vinden akkers en weilanden, maar wel aaneengeschakelde
tuinen,
_Versiert en flonkerende met allerleie bloemen,_
_Zoo schoon dat Flora zelv' daar op zou mogen roemen._
En geheel met dit denkbeeld ingenomen, stapte ik wakker aan, tellende op
mijne vingers de uuren en oogenblikken. De paden waar langs ik ging,
waren steenagtig en moeilijk door gragten en kuilen, zoo dat ik nu eens
langs steilten, dan wederom door moerassen, en overzulks tot mijn
middel toe nat, vermits 'er geen bruggen waren, gekwetst en bemoddert
voortsukkelde. Dog tegen deeze moeilijkheden was ik wel gehard, wetende
dat men langs ruuwe en ongebaande wegen naar het gestarnte klimt. Na dat
ik dan een gantsch uur lang met deeze moeilijkheden geworstelt had, kwam
mij een boer tegemoet, welken ik beleeft aansprekende vraagde, hoe verre
ik nog van _Mascattia_, of 't Landschap der Philosophen was. Zijn
antwoord was: _dat ik liever vraagen zoude, hoe veel wegs ik nog hadde
af te leggen, aangezien ik bereids midden in dat gewest was_. Verbaast
zijnde door dit antwoord: _hoe komt het_, hernam ik, _dat een Land,
alleen door Philosophen bewoont, eer de gedaante van afschuuwelijke
kreupelbosschen, dan van een welbebouwd gewest heeft_? Daar op
antwoordde hij, dat de gedaante van dat land binnen korten tijd beter
zoude wezen, zoo haast de inwoonders den tijd zouden hebben, om zig met
diergelijke kleinigheden op te houden; maar dat zij thans alle
alleenlijk bezig waren met boven-maansche zaaken, en wel inzonderheid om
eenen weg naar de Zonne uit te vinden: en dat men derhalven behoorde
door de vingeren te zien dat zij het land voor eenigen tijd onbebouwd
lieten: want dat het niet gemakkelijk viel te gelijk te blaazen en te
slorpen. Aanstonds begreep ik waar de redenen van dien doorslepen boer
op doelden; en, mijnen weg vervolgende kwam ik eindelijk aan de Hoofstad
_Cuskam._ In de poorten der Stad zag ik dat 'er, in plaats van eene
wagt, gansen, hoenderen, vogelnesten en spinnewebben waren. Door de
straaten der Stad waarden allerwegen Philosophen en Varkens, waar van de
eerstgemelde alleen door hunne ligchaams-gedaante onderscheiden waren
van de Varkens, zijnde anderszins door morsigheid en ontijigheid aan
dezelve gantsch gelijk. Alle de Philosophen droegen het zelve soort van
mantels; dog van wat kleur die waren, viel mij onmogelijk te
onderkennen, wijl dezelve met stof en slijk bedekt waren. Eenen
derzelven, welken ik, gantsch opgetogen in zijne gedagten, regt toe op
mij zag aankomen, sprak ik aldus aan: _Ik bid u, Meester, zeg mij tog
hoe deeze Stad genoemd wordt._ Maar hij bleef onbeweeglijk staan als een
paal; en niet eens zijn gezigt verdraaijende, als of hem de ziel uit
het lichaam verhuist was, stondt hij lang zonder zig te verroeren, dog
eindelijk zijne oogen naar den hemel slaande, antwoordde hij mij: _wij
zijn niet verre van den middag._ Zulk een gekkelijk antwoord, te kennen
gevende eene wonderlijke verstrooijing van gedagten, deedt mij zien, dat
het beter is ma
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/41439