Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

by Daniel Defoe · Dutch · Gutenberg #41429 · 548,388 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Author: Daniel Defoe


        
Release date: November 21, 2012 [eBook #41429]
                Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/41429

Credits: Produced by Anne Dreze, Annemie Arnst & Marc D'Hooghe (Images generously made available by the Hathi Trust)


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN EN DE LOTGEVALLEN VAN ROBINSON CRUSOE, T. 2 ***
HET LEVEN

EN

DE LOTGEVALLEN

VAN

ROBINSON CRUSOE,

DOOR

DANIËL DE FOE.


TWEEDE DEEL.

OP NIEUW UIT HET ENGELSCH VERTAALD.


TE AMSTERDAM, BIJ

J.F. SCHLEIJER.

1843




HET LEVEN EN DE LOTGEVALLEN

van

ROBINSON CRUSOE.




Lezers, ons gewone Engelsche spreekwoord, dat wat in het gebeente zit,
niet uit het vleesch zal gaan, werd bij niemand meer dan bij mij
bevestigd. Iedereen zou denken, dat na vijf en dertig jaren vol
rampspoed en eene menigte ongelukken, zoo als zelden of nooit iemand
ondervond, en na bijkans zeven jaren rust en welvaart in alle opzigten
genoten te hebben; en nu ik oud was, en zoo goed als iemand zeggen mogt,
in mijne mannelijke jaren ondervinding opgedaan te hebben, ik zeg, na
dit alles zou men denken, dat de zucht tot zwerven, die, gelijk ik
verhaald heb, mij aangeboren was, wel zou uitgebluscht zijn, en ik op
mijn een en zestigste jaar weinig lust kon hebben mijn vaderland te
verlaten en mijn leven en bezittingen op nieuw in gevaar te stellen.

Wat meer is, ik had geene reden meer om buitenlandsche avonturen te
zoeken; want ik behoefde mijne fortuin niet meer te maken. Al had ik
tienduizend Pond St. verdiend, ik zou er niet rijker om geweest zijn,
want ik bezat reeds genoeg voor mij en voor hen, dien ik het nalaten
zou; en het vermeerderde nog dagelijks; want daar ik een kleine familie
had, kon ik mijne inkomsten niet verteren, of ik had eene andere
levenswijze moeten aannemen; zoo als een groot huishouden opzetten,
knechts en paarden houden, gastmalen geven, en zoo voorts; dingen,
waarvan ik geen verstand, noch lust toe had; zoodat ik slechts behoefde
stil te zitten en te genieten wat ik had, om dit nog dagelijks onder
mijne handen te zien aangroeijen.

Dit alles maakte echter geen indruk op mij, althans niet genoeg om mij
den lust te benemen, om weder buiten 's lands te gaan, dat eene
aangeboren kwaal bij mij scheen te zijn; vooral maalde mij de begeerte,
mijn eiland en de kolonie, die ik daar achtergelaten had, weder te zien,
mij gestadig door het hoofd. Des nachts droomde ik er van, en over dag
peinsde ik er gestadig over, tot dat mijne verbeelding zoo werd, dat ik
in mijn slaap er over sprak. Kortom, niets kon dit mij uit het gemoed
zetten; en het werd daardoor zelfs lastig met mij om te gaan, want ik
kon nergens anders over spreken, maar had er, tot walgens toe, altijd
den mond vol van.

Ik heb dikwijls verstandige lieden hooren zeggen, dat al wat men lieden
van spoken of geesten hoort verhalen, alleen zijn oorsprong heeft in
hunne eigene sterk gespannen verbeelding; dat er geesten noch spoken
verschijnen, maar dat men door gestadig aan afgestorvenen te denken, zoo
ver komt van zich eindelijk te verbeelden, dat men die bij buitengewone
gelegenheden ziet, met hun spreekt en antwoord ontvangt; terwijl alles
slechts ijdelheid, bedrog en zelfbegoocheling is.

Wat mij betreft, ik weet niet dat er spoken zijn, of dat er in de
spookgeschiedenissen, die men hoort, iets anders dan de werking eener
verhitte verbeeldingskracht is; maar dit weet ik, dat mijne verbeelding
zoo gaande raakte, dat ik mij somtijds verbeelden kon op het eiland, in
mijn oud kasteel achter het geboomte te zijn; dan zag ik mijn ouden
Spanjaard, Vrijdags vader, en de schelmsche matrozen, die er achter
gebleven waren; soms verbeeldde ik mij, dat ik met hen sprak; en daar
dit niet in mijn slaap, maar als ik wakker was, gebeurde, werd ik
eindelijk bevreesd hoe dit alles zou afloopen. Eens in mijn slaap
verbeeldde ik mij duidelijk, dat de oude Spanjaard en Vrijdags vader mij
de slechtheid der drie matrozen verhaalden, zij vertelden hoe deze al de
overige Spanjaarden hadden willen vermoorden, en zij hunnen voorraad van
levensmiddelen hadden in brand gestoken, om hen te laten verhongeren;
dingen, waarvan ik nooit gehoord had, en die ook later bleken onwaar te
zijn. Dit alles stond mij zoo levendig voor den geest, dat ik niet
anders dacht of het was waarlijk zoo; ook hoe ik op de aanklagt der
Spanjaards dit bestrafte, hen voor mij als regter daagde, en alle drie
veroordeelde om opgehangen te worden. Wat hiervan waarheid is zal men
later zien, hoezeer dit was, moet ik zeggen, zeer veel. Wel was er niets
letterlijk zoo gebeurd als in mijn droom, maar toch had het slechte
gedrag der schelmen veel overeenkomst daarmede, en zoo wel als ik hen
naderhand gestreng wilde straffen, had ik hen toen kunnen laten
ophangen, en zou gelijk gehad hebben, en mijn gedrag door Goddelijke en
menschelijke wetten te regtvaardigen geweest zijn. Doch ik keer tot
mijne geschiedenis terug.

Ik had in deze gemoedsgesteldheid nu eenige jaren geleefd. Ik had geen
genot van mijn leven; niets was er, dat mij vermaak verschafte, of dit
werd hierdoor getemperd; zoodat mijne vrouw, die bespeurde hoezeer mijn
hart mij derwaarts trok, mij op zekeren avond ernstig onder het oog
bragt, hoe zij het voor een geheimen aandrang der Voorzienigheid hield,
die besloten had, dat ik derwaarts zou gaan; en dat zij vond, dat mij
niets hierin verhinderde dan mijne gehechtheid aan vrouw en kinderen.
Zij zeide, dat zij, wel is waar, er niet aan denken kon van mij te
scheiden, maar dat zij zich verzekerd hield, dat het het eerste zijn
zou, wat ik na haren dood deed, dat zij dus, daar het des Hemels wil
scheen te zijn, niet de eenigste hinderpaal wilde zijn. Want dat als ik
besloten had te gaan.... Hier hield zij in verwarring op, om dat zij
zag, dat ik met een zeer ernstig gelaat naar haar luisterde. Ik vroeg
haar waarom zij niet voortging en zeide wat haar op het hart lag. Maar
ik bemerkte, dat haar hart te vol was, en dat de tranen haar in de oogen
kwamen.--"Spreek verder, mijn beste," zeide ik, "verlangt gij, dat ik
gaan zoude?"--"Neen," zeide zij, "verre vandaar. Maar zoo gij er toe
besloten hebt, wil ik, liever dan de eenigste hinderpaal te zijn, u
vergezellen; want schoon het eene ontzettende onderneming voor iemand
van uwe jaren is, zoo wil ik echter, als het zijn moet," vervolgde zij
weenende, "u niet verlaten. Want is het des Hemels wil, dan moet gij het
doen, en zoo de Hemel wil, dat gij gaat, zal hij mij ook sterken om u te
vergezellen, of maken, dat ik niet langer een hinderpaal daar tegen
ben!"

Dit liefderijk gedrag mijner vrouw bragt mij een weinig tot andere
gedachten, en ik begon over mijn voornemen na te denken. Ik beteugelde
mijne verhitte verbeelding, en vroeg mij zelven af, wat ik, die zestig
jaren oud was, na zulk een leven vol ongevallen en lijden, dat op zulk
eene gelukkige wijze afgeloopen was, wat ik nog noodig had nieuwe
gevaren te zoeken en avonturen, die alleen geschikt zijn voor jeugd en
armoede.

Bovendien overwoog ik welke nieuwe betrekkingen ik had, dat ik eene
vrouw en een kind had, en weldra een tweede mogt verwachten; dat ik
alles bezat wat de wereld mij verschaffen kon, en niet noodig had
gevaren te zoeken, om eenig geld te verdienen; dat ik oud begon te
worden, en eerder denken moest datgene, wat ik gewonnen had, te
verlaten, dan te trachten het te vermeerderen. Met hetgeen mijne vrouw
gezegd had, dat het de wil des Hemels zijn kon, kon ik mij niet
vereenigen; zoodat ik na veel weifelen eindelijk mijn voornemen opgaf,
en mij zelven daartoe overreden met de gronden, die mij voor den geest
kwamen. Als het beste middel daartegen echter, besloot ik eenige
bezigheden aan te vangen, die mij in het vervolg voor soortgelijke
buitensporigheden zouden behoeden; want ik ondervond, dat dit verlangen
mij meestal bekroop als ik niets te doen, noch iets van belang te
wachten had.

Te dien einde kocht ik een boerenplaats in het graafschap Bedford, en
besloot mij daar neder te zetten. Er stond een klein, gemakkelijk huis
op, en ik bevond, dat het daarbij behoorende land voor veel verbetering
vatbaar was, iets, wat zeer met mijne neiging strookte, want land
ontginnen, planten en bouwen was mijn lust; en daar het binnen in het
land lag, was ik buiten allen omgang met schippers en schepen, en
dingen, die tot andere werelddeelen betrekking hebben. Ik ging dan met
mijn gezin mijne boerderij betrekken, kocht ploegen, eggen, een kar, een
wagen, paarden, koeijen, schapen, en ging ijverig aan het werk, zoodat
ik binnen een half jaar een volslagen landedelman was geworden. Mijne
gedachten waren uitsluitend gevestigd op mijne knechts, het bouwen en
planten, enz., en ik leidde, naar mij dacht, het aangenaamste leven,
waartoe iemand, die altijd tot ongelukken bestemd was, in staat was.

Ik bouwde mijn eigen land, behoefde geen pacht te betalen, en kon in
alles mijn eigen hoofd volgen, bouwen of afbreken, naar ik goedvond. Wat
ik kweekte was voor mij, wat ik verbeterde was voor mijn gezin, en toen
al mijne neiging tot zwerven mij verlaten scheen te hebben, was er niets
in mijn leven, dat mij kwelde. Nu meende ik tot dien staat gekomen te
zijn, dien mijn vader mij zoo ernstig aangeraden had, die levenswijze,
die de dichter noemt: "bevrijd van ondeugden en smarten; waar de
ouderdom geene zorgen, de jeugd geene valstrikken kent."

Maar te midden van dit geluk werd het door eene beschikking der
Voorzienigheid mij op eens ontnomen. Deze slag trof mij, mag ik zeggen,
tot in mijn binnenste, en deed mijn lust tot zwerven weder ontwaken, die
mij ingeschapen zijnde, als eene ziekte met onweerstaanbare kracht mij
weder overviel, zoo dat ik tot niets meer geschikt was. Deze slag was de
dood mijner vrouw. Ik wil hier geene lofrede op haar houden, of hare
deugden in het bijzonder opsommen. Zij was de steun van al mijne
verrigtingen; het middenpunt van al mijne ondernemingen; de wijze
raadsvrouw, die mij van de heillooze voornemens, die mij steeds door het
hoofd maalden, wist af te houden; en die hiertoe meer deed dan mijn
moeders tranen, mijn vaders wijze lessen, vriendenraad en mijn eigen
gezond verstand ooit vermogten. Ik was gelukkig als ik naar hare
smeekingen luisterde en aan hare tranen toegaf; en uiterst rampzalig en
van alles beroofd door haren dood.

Toen ik haar verloren had, was de wereld mij een walg; in mijn vaderland
achtte ik mij evenzeer een vreemdeling als in Brazilië, toen ik daar het
eerst aan wal stapte; en even verlaten, met uitzondering van de hulp van
knechts, als op mijn eiland. Ik zag iedereen rondom mij bezig; de een
zwoegde voor zijn brood, de ander verspilde zijn geld in lage
losbandigheden of ijdele vermaken; en beide even ongelukkig, omdat zij
hun doel niet konden bereiken; want dagelijks walgden de najagers van
het vermaak meer van hunne genoegens, en zamelden steeds meer redenen
tot ellende en naberouw; terwijl de arme dagelijks zwoegde om een
schamel stuk brood te verwerven, levende in eenen gedurigen kring van
zorg en kommer, en alleen om zooveel te verdienen, dat zij niet van
gebrek omkwamen.

Dit bragt mij mijne levenswijze en mijn koningrijk, mijn eiland, weder
te binnen, waar ik geen meer graan kweekte, omdat ik niet meer noodig
had; waar ik geen meer geiten aanfokte, daar ik geen meer gebruiken kon;
waar het geld lag te beschimmelen, en naauwelijks eens in twintig jaren
met eenen blik verwaardigd werd. Zoo ik uit deze bedenkingen het regte
nut getrokken had, gelijk ik had moeten doen, en rede en godsdienst mij
leerden, zouden zij mij geleerd hebben naar een volmaakter geluk te
trachten, dan de genoegens des levens mij konden verschaffen; en dat er
een doel van ons bestaan was, dat men aan deze zijde des grafs bereiken,
althans er naar streven konde. Doch mijne wijze raadgeefster was
verdwenen; ik was als een schip zonder loods, dat zich door den wind op
goed geluk laat voortdrijven. Mijne gedachten waren steeds bij mijne
vroegere verrigtingen en op vreemde avonturen gevestigd. De schuldelooze
genoegens van mijn akker- en tuinbouw en huisgezin, die mij vroeger
geheel bezig hielden, waren thans voor mij als muzijk voor een doove, en
lekkernijen voor iemand, die geen smaak heeft. Ik besloot eindelijk
mijne huishouding op te breken, mijn goed te verkoopen, en naar Londen
te gaan, gelijk ik weinige maanden daarna deed.

Te Londen was ik even onrustig als vroeger, de plaats beviel mij niet;
ik had er niets te doen dan rond te slenteren, als een luiaard, van wien
men zeggen kon, dat hij op Gods aardbodem van geen het minste nut is, en
het iedereen onverschillig is of hij leeft of dood is. Dit was mij al
mijn leven de onaangenaamste toestand, daar ik altijd aan een werkzaam
leven gewoon geweest was, en dikwijls zeide ik tot mijzelven: "een lui
leven is een ellendig leven," en waarlijk ik begreep, dat ik mijn tijd
veel beter besteed had, toen ik zes en twintig dagen werkte, om eene
plank te maken.

In het begin van 1698 kwam mijn neef, dien ik, gelijk ik verhaald heb,
naar zee gezonden en kapitein gemaakt had op een schip, terug van een
reisje naar Bilbao. Hij kwam bij mij en verhaalde, dat eenige kooplieden
van zijne kennis hem voorgesteld hadden, voor hen een reis naar
Oost-Indië en China te doen. "En als gij nu mede wilt gaan, oom," zeide
hij, "verbind ik mij u aan uw oud verblijf op het eiland aan land te
zetten, want wij zullen Brazilië aandoen."

Mijn neef wist niet hoe mijn zucht tot reizen weder bij mij ontwaakt
was, en ik niets van hetgeen hij mij wilde voorslaan; doch dien zelfden
morgen had ik, na alles overwogen te hebben, het besluit genomen van
naar Lissabon te gaan, om met mijn ouden kapitein te raadplegen, en als
het verstandig en uitvoerbaar was, mijn eiland weder te gaan opzoeken,
en zien wat er van het volk daarop geworden was. Het denkbeeld streelde
mij van de plaats te bevolken, inboorlingen van hier derwaarts over te
brengen; en een octrooi of acte te verkrijgen, waarbij het mij wettig
toegewezen werd; toen juist mijn neef inkwam met zijn voorslag, mij
daarheen te brengen op zijne reis naar Oost-Indië.

Ik zweeg eenigen tijd, terwijl ik hem strak aanzag. "Wie duivel heeft u
die ongelukkige boodschap ingegeven?" vroeg ik. Mijn neef ontzette op
deze vraag, maar ziende, dat hij er mij niet mede mishaagde, zeide hij:
"Ik hoop, dat het geen ongelukkige voorslag zal geweest zijn, oom. Ik
dacht, dat gij verlangde uwe nieuwe kolonie te zien, waar gij eens
gelukkiger regeerde dan de meeste uwer broeders, de koningen en vorsten,
in hunne rijken doen."

Het voorstel strookte zoo zeer met mijn verlangen, dat ik hem met korte
woorden zeide, dat ik mede zou gaan, als de andere kooplieden er in
toestemden. "Maar ik beloof u niet verder dan mijn eiland mede te gaan,"
zeide ik.--"Wel oom! ik hoop toch niet, dat gij daar zult willen
achterblijven," hernam hij.--"Kunt gij mij op de tehuisreis niet weder
afhalen?" hervatte ik.--"Dat zou onmogelijk zijn," zeide hij, "want de
reeders zouden nimmer toestaan, dat een zoo rijkgeladen schip zulk een
omweg maakte, daar misschien een, misschien drie of vier maanden mede
konden heengaan. Bovendien, als ik schipbreuk leed," voegde hij er bij,
"en in het geheel niet terugkeerde, zoudt gij u in denzelfden toestand
als vroeger bevinden."

Dit was verstandig gesproken, maar wij vonden er spoedig een middel op,
namelijk om een uit elkander genomen sloepscheepje aan boord te nemen,
dat door eenige timmerlieden, die wij zouden medenemen, op het eiland
ineengezet, en in weinige dagen klaar kon zijn, om zee te bouwen. Ik
bleef dan ook niet lang besluiteloos, want het verlangen van mijnen neef
en het mijne stemden volkomen overeen. Daar aan den anderen kant mijne
vrouw dood was, was er niemand, die mij raad kon geven dan mijne oude
vriendin, de weduwe, die mij ernstig smeekte mijne jaren, mijne
onbekrompen omstandigheden, de gevaren eener lange reis, en bovenal
mijne nog zoo jonge kinderen te bedenken. Doch niets baatte; ik had zulk
eene begeerte die reis te doen, dat ik haar zeide, dat mijn geest er zoo
mede vervuld was, dat ik geloofde de Voorzienigheid tegen te streven,
zoo ik te huis bleef. Zij berustte er dus in, en verleende mij hulp niet
alleen voor mijne uitrusting, maar ook voor het schikken mijner zaken en
de opvoeding mijner kinderen, gedurende mijne afwezigheid. Ik maakte
mijn testament, en zoodanige beschikkingen, dat ik volmaakt gerust was,
dat mijne kinderen na mijn dood ontvangen zouden wat hun toekwam. Hunne
opvoeding liet ik geheel aan de weduwe over, met genoegzamen onderstand,
om haar voor alle gebrek te vrijwaren. Dit alles verdiende zij dubbel,
want geen moeder kon beter voor hunne opvoeding bezorgd of geschikt
geweest zijn; en daar zij bij mijne tehuiskomst nog leefde, mogt ik haar
daarvoor nog mijne dankbaarheid bewijzen.

Mijn neef was in het begin van Januarij 1694 zeilree, en ik ging met
Vrijdag den 8sten aan boord te Duins, hebbende behalve de sloep, eene
groote lading van allerlei noodwendigheden voor mijne kolonie, die ik
besloot in eenen goeden staat te verlaten, als ik ze daarin niet
aantrof. In de eerste plaats nam ik eenige lieden mede, die ik daar als
kolonisten wilde achterlaten, althans voor mij gedurende mijn verblijf
aldaar laten werken, en ze achterlaten of medenemen, naar zij zouden
verkiezen; vooral had ik twee timmerlieden, een smid, en een zeer
handige, vlugge knaap, die eigenlijk een kuiper van beroep was, maar
allerlei werktuigen kon maken en uitdenken. Hij was een goed
wieldraaijer, en kon handmolens maken, om koren te malen, en kon van
klei of hout alles maken, wat men wilde. Aan boord noemde men hem altijd
de duizendkunstenaar.

Bovendien nam ik een kleermaker mede, die als passagier naar Oost-Indië
wilde gaan, maar naderhand er in toestemde, in mijne kolonie te blijven,
en die, gelijk later bleek, een onontbeerlijke en vlugge knaap was in
vele opzigten buiten zijn beroep; want de noodzakelijkheid is de moeder
van vele kunsten.

Mijne lading bestond, voor zoo ver ik onthouden heb, want ik heb er
geene lijst meer van, uit genoegzaam linnen en ligt Engelsch laken, om
al de Spanjaards, die ik daar verwachtte te vinden, te kleeden, en zoo
veel als naar mijne rekening voor zeven jaren voor hen genoeg was. Als
ik het wel heb, kostten de stoffen voor kleeding, met handschoenen,
hoeden, kousen en schoenen daaronder begrepen, meer dan tweehonderd Pond
St. Hieronder was ook begrepen eenige bedden, beddegoed en
huishoudelijk goed, vooral keukengereedschappen, ketels, potten en
pannen, enz., terwijl ik nog een honderd pond uitgaf voor ijzerwerk,
spijkers en allerlei gereedschappen, krammen, schroeven, hengsels en al
wat ik bedenken kon.

Ik nam ook een honderd wapens, geweren en pistolen, een groote menigte
hagel van allerlei grootte, eenige duizend ponden lood en twee koperen
stukjes geschut, en daar ik niet wist wat er te eeniger tijd gebeuren
kon, een honderd vaatjes kruid, met sabels en houwers, en het ijzer van
eenige pieken en hellebaarden, zoo dat wij, om kort te gaan, een
magazijn van allerlei goederen hadden, en ik deed mijn neef twee
halfdek-stukjes meer medenemen dan hij noodig had, om die daar te kunnen
laten, en zoo het noodig was daar een fort te kunnen bouwen en tegen
allerlei vijanden te kunnen verdedigen. Ik dacht ook in het eerst, dat
wij dit alles en nog meer zouden noodig hebben, om ons in het bezit van
het eiland te handhaven, gelijk men in den loop van mijn verhaal zien
zal.

Op deze reis trof ik zoo veel tegenspoed niet, als ik gewoon was, en
derhalve zal ik den lezer, die misschien naar nieuws uit mijne kolonie
verlangt, minder ophouden; echter troffen wij bij onze uitreis eenige
ongevallen, als slecht weder en tegenwind, dat onze reis langer maakte
dan ik eerst gedacht had, en ik, die slechts eens in mijn leven eene
reis gedaan had, die goed afliep, namelijk mijne eerste reis naar
Guinea, begon te denken, dat hetzelfde onheil mij toefde, en dat ik
geboren was om aan wal nimmer tevreden en op zee altijd ongelukkig te
zijn.

Tegenwinden sloegen ons noordwaarts heen, en wij waren verpligt te
Galway, in Ierland, binnen te loopen, waar wij twee en twintig dagen
moesten blijven. Wij troffen hier echter dit geluk, dat de
levensmiddelen er zeer goedkoop en overvloedig waren, zoodat wij al dien
tijd nimmer den scheepsvoorraad behoefden aan te spreken, maar dien nog
vermeerderden. Ik kocht hier nog twee koeijen, die kalven moesten, met
oogmerk, die bij een gelukkige overtogt, op mijn eiland aan wal te
zetten, maar zij kwamen ons naderhand anders te pas.

Den 5den Februarij verlieten wij Ierland, en hadden eenige dagen zwaren
wind. Als ik het wel heb, was het den 20sten februarij, laat in den
avond, dat de stuurman, die toen de wacht had, in de kajuit kwam, en ons
zeide, dat hij een flikkering van vuur gezien en een schot gehoord had,
en terwijl hij het ons verhaalde, kwam een jongen met het berigt, dat de
bootsman een tweede gehoord had. Dit deed ons allen naar het halfdek
gaan, waar wij eerst niets hoorden, maar eenige minuten later zagen wij
een groot licht, en bemerkten, dat het een vreesselijke brand in de
verte was. Onmiddellijk maakten wij allen ons bestek op, en kwamen
daarin overeen, dat er dien kant uit, waar het vuur zigtbaar was, geen
land zijn kon op geen vijfhonderd mijlen, want wij zagen het in het
W.N.W. Hierop besloten wij, dat het een schip op zee moest zijn, dat in
brand stond, en dat het, daar wij even te voren het schieten gehoord
hadden, niet ver af zijn kon. Wij hielden er dus regt op aan, en zagen
spoedig, dat wij vinden zouden wat het was, daar het licht steeds
grooter werd, naarmate wij verder zeilden, schoon, daar het nevelachtig
weder was, wij eene poos niets anders dan het licht konden zien. Na
verloop van een half uur konden wij, daar wij vlak voor den wind
zeilden, ofschoon die niet stevig was, toen het weder wat opklaarde,
zien, dat het een schip was, dat midden in zee in brand stond. Hoezeer
ik niet wist wie er op waren, trof deze ramp mij allerhevigst. Ik
herinnerde mij mijn vroegere lotgevallen, en in welken toestand ik door
den Portugeeschen kapitein opgenomen was, en in hoe veel beklagelijker
toestand de arme schepsels daar aan boord moesten zijn, zoo zij niet met
een ander schip in gezelschap zeilden. Ik gelastte dadelijk vijf schoten
spoedig achter elkander te doen, om hun, zoo mogelijk, te kennen te
geven, dat er hulp voor hen opdaagde, en dat zij trachten moesten zich
in de boot te redden, want schoon wij de vlam van het schip zien konden,
konden zij ons echter niet gewaar worden.

Eenigen tijd maakten wij een bijlegger en dreven even als het andere
schip dreef, in afwachting dat het daglicht zou doorkomen, toen
plotseling, tot onzen grooten schrik, schoon wij dit hadden kunnen
verwachten, het schip in de lucht vloog, en onmiddellijk, dat wil
zeggen weinige minuten daarna, was al het vuur uit, want het wrak zonk.
Dat was een verschrikkelijk en inderdaad bedroevend gezigt, om de arme
menschen, die ik begreep, dat allen met het schip moesten vergaan, of in
den uitersten angst zijn in het midden van den oceaan in hunne booten,
die wij thans niet zien konden. Om hun echter den weg te wijzen, deed ik
op alle plaatsen van het schip zooveel lantarens hangen als wij hadden,
en wij bleven den geheelen nacht schoten doen, om hun te doen weten, dat
wij niet ver af waren.

Tegen acht ure des morgens ontdekten wij door onze kijkers de
scheepsbooten, en zagen, dat er twee waren, die opgepropt met volk en
zeer diep geladen waren. Wij bespeurden, dat zij roeiden, daar de wind
tegen was, dat zij ons schip zagen en hun uiterste best deden, dat wij
hen zouden zien. Wij heschen dadelijk onze vlag, ten teeken dat wij hen
zagen, zetten meer zeil bij en hielden regt op hen aan. Binnen een half
uur hadden wij hen bereikt en namen hen allen aan boord, ten getale van
niet minder dan vierenzestig, mannen, vrouwen en kinderen, want er waren
veel passagiers.

Wij vernamen, dat het een Fransche koopvaarder, op de tehuisreis van
Quebec op de rivier van Canada, was. De kapitein verhaalde ons in het
breede het ongeluk, dat zijn schip getroffen had, hoe de brand in de
stuurmanskamer, door achteloosheid van den stuurman ontstaan was, maar
nadat hij hulp geroepen had, geheel gebluscht was geworden, gelijk
iedereen gemeend had. Spoedig echter bespeurde men, dat er eenige vonken
gevallen waren op eene plaats, waar men zoo moeijelijk bij kon komen,
dat men die niet kon blusschen, en de brand naderhand tusschen de
inhouten en beschotten geraakt was, vanwaar hij zich in het ruim
verspreid en al hunne inspanningen vruchteloos gemaakt had.

Er was niets anders op, dan in de booten te gaan, die tot hun geluk zeer
groot waren, bestaande uit de barkas en eene groote boot, benevens nog
een sloepje, dat weinig anders hun baten kon, dan om er eenig zoet water
en proviand in te laden, nadat zij zich uit den brand gered hadden. Zij
hadden inderdaad weinig hoop op hun behoud, toen zij zoo ver van alle
land in deze booten gingen, alleenlijk, gelijk zij te regt aanmerkten,
waren zij buiten gevaar van den brand, en bestond de mogelijkheid, dat
zij op die hoogte een schip ontmoetten, dat hen opnam. Zij hadden
zeilen, riemen en een kompas, en waren besloten naar Newfoundland koers
te stellen, daar het eene stijve koelte uit het Z.O.t.O. woei. Zij
hadden zooveel voorraad en water, dat als zij er niet meer van
gebruikten, dan om voor verhongeren bewaard te blijven, zij voor twaalf
dagen genoeg hadden, in welken tijd de kapitein zeide, dat hij gehoopt
had, buiten slecht weder en tegenwind, de banken van Newfoundland te
bereiken, en misschien eenige visschen tot hun voedsel te vangen, totdat
zij het land zouden bereiken. Doch in al deze gevallen liepen zij nog
veel gevaar, als om door storm omvergeworpen en verbrijzeld te worden,
van regen en koude te verstijven en te bevriezen, door tegenwinden
opgehouden te worden en van honger te sterven, dat zoo zij aldus gered
waren geworden, dit waarlijk wel een wonder had mogen heeten.

De kapitein verhaalde mij met tranen in de oogen, dat te midden hunner
beraadslagingen, en toen iedereen alle hoop liet varen en vertwijfelen
wilde, zij plotseling verrast werden door het hooren van een schot, door
nog vier gevolgd; dit waren de vijf schoten, die ik had laten doen,
zoodra wij de vlam zagen. Dit stak hun een riem onder het hart, en
verwittigde hen, gelijk mijne bedoeling was, dat er een schip in de
nabijheid was, om hen te hulp te komen. Op het hooren van deze schoten
hadden zij hunne masten en zeilen gestreken, en daar het geluid voor den
wind afkwam, besloten zij te blijven liggen tot het dag werd. Eenigen
tijd daarna, niet meer hoorende schieten, hadden zij drie geweerschoten
gedaan, die wij echter, daar het in den wind was, niet gehoord hadden.

Eene poos daarna werden zij weder verblijd door onze lichten te zien en
ons schieten te hooren, dat ik, gelijk ik zeide, den geheelen nacht door
had laten doen; dit deed hun aan de riemen gaan en op ons aanroeijen,
ten einde wij hen spoediger zouden kunnen zien, en eindelijk bemerkten
zij tot hunne onuitsprekelijke vreugde, dat zij gezien werden.

Het is mij onmogelijk de verschillende gebaren te beschrijven, de
verrukking en opgetogenheid, waaraan deze arme geredde lieden zich
overgaven, om hunne vreugde over hunne onverwachte redding uit te
drukken. Droefenis en vrees zijn gemakkelijk te beschrijven; zuchten en
tranen, snikken en eenige weinige bewegingen met hoofd en handen zijn de
eenige wijzen, waarop zij uitgedrukt worden; maar een overmaat van
vreugde, eene heugelijke verrassing brengt duizend buitensporigheden met
zich. Sommigen smolten weg in tranen, anderen schreeuwden en jammerden,
alsof zij ten diepste bedroefd waren; sommigen waren volslagen
krankzinnig; anderen liepen stampvoetende over het schip; anderen
handenwringende; sommigen dansten, anderen zongen, anderen lachten,
anderen gilden; sommigen waren van de spraak beroofd en konden geen
woord uitbrengen; sommigen waren ziek en misselijk; verscheidene vielen
in zwijm; en eenige weinige sloegen een kruis en dankten God.

Ik wil hun geen onregt doen; naderhand waren misschien zeer velen
dankbaar; maar de eerste aandoening was hun te sterk, en zij konden die
niet bedwingen; zij waren in zekere mate verbijsterd van zinnen, en
slechts weinigen betoonden zich in hunne vreugde bedaard en gematigd.
Misschien ligt hiervan de reden eensdeels in hunnen eigendommelijken
landaard, ik bedoel den Franschen, wier geest altijd vlugger,
hartstogtelijker en meer geneigd is, om tot uitersten over te slaan, dan
die van andere volken. Ik ben geen wijsgeer genoeg, om de oorzaak te
bepalen, maar nooit had ik vroeger in mijn leven zoo iets bijgewoond. De
verrukking, waaraan zich Vrijdag, mijn trouwe wilde, overgaf, toen hij
zijn vader in de boot aantrof, kwam er het naaste bij; en de verbazing
van den kapitein en zijne brave medgezellen, die ik redde van de
schurken, die hen op het eiland aan wal gezet hadden, zweemde er
eenigzins naar; maar noch dat van Vrijdag, noch iets wat ik ooit in mijn
leven zag, haalde er eenigzins bij.

Ik moet nog opmerken, dat deze uitsporigheden zich niet alleen bij
verschillende personen op zich zelve vertoonden; neen, dezelfde persoon
bedreef ze achtervolgens allen, in een kort tijdsverloop. Een man, die
het eene oogenblik sprakeloos en geheel bedwelmd en verbijsterd was,
danste en schreeuwde het volgende oogenblik als een bezetene; een
oogenblik daarna rukte hij zich de haren uit, scheurde zich de kleederen
van het lijf, en vertrapte die als een krankzinnige; weinige minuten
daarna smolt hij weg in tranen, dan werd hij flaauw en viel in zwijm, en
zou, als men hem niet oogenblikkelijk te hulp gekomen was, binnen
weinige minuten dood geweest zijn; en zoo ging het niet met een of twee,
of tien, of twintig, maar het meerendeel van hen; en als ik wel heb, was
onze doktor verpligt er meer dan dertig te aderlaten.

Er bevonden zich twee priesters onder hen, een oud en een jong man, en
wat zonderling was, de oude man was het hevigst aangedaan. Zoodra hij
aan boord van ons schip was, en zich gered zag, viel hij als dood neder,
terwijl er geen teeken van leven in hem te bespeuren was. Onze doctor
diende hem dadelijk de noodige middelen toe, en was de eenigste man aan
boord, die niet geloofde, dat hij dood was, en eindelijk deed hij hem
eene aderlating, na zijn arm eerst gewreven te hebben, om dien te
verwarmen. Eerst kwam het bloed bij droppels, en vloeide toen wat
ruimer; drie minuten later sloeg de man de oogen op, en een kwartier
daarna scheen hij volkomen hersteld. Nadat zijn arm verbonden was, liep
hij heen en weêr, zeide, dat hij geheel hersteld was, en nam een drankje
in, dat de doctor hem gaf. Een kwartier uurs later kwam men den doctor
roepen, die eene in flaauwte liggende Fransche vrouw aderliet, en zeide,
dat de priester ijlhoofdig was geworden, gelijk ook werkelijk het geval
was. De doctor wilde hem in dien toestand niet aderlaten, maar gaf hem
een verdoovend en slaapwekkend middel in, dat na eenigen tijd werkte, en
den volgenden morgen ontwaakte de oude man volkomen wel en bij zijn
volle verstand.

De jonge priester was zijne hartstogten meer meester, en werkelijk een
voorbeeld van een gelaten en bezadigd karakter. Toen hij eerst aan
boord bij ons kwam, wierp hij zich plat op den grond neder, om God voor
zijne bevrijding te danken, waarin ik hem ongelukkig en ontijdig
stoorde, daar ik dacht, dat hij in flaauwte was gevallen; doch hij sprak
bedaard, dankte mij, zeide mij, dat hij God gedankt had voor zijne
bevrijding, en smeekte mij hem nog eenige oogenblikken ongestoord te
laten, en dat hij na zijnen Schepper ook mij wilde dank zeggen.

Het speet mij bitter, dat ik hem gestoord had, en ik liet hem niet
alleen ongemoeid, maar zorgde ook, dat anderen dit deden. Hij bleef
ongeveer drie minuten in dezelfde houding, kwam toen naar mij toe,
gelijk hij gezegd had, en dankte mij met de opregtste hartelijkheid, en
met tranen in de oogen, dat ik, naast God, hem en zoo vele andere
ongelukkigen, het leven had gered. Ik zeide hem, dat ik hem niet
behoefde aan te sporen, God veeleer dan mij te danken, daar ik gezien
had, dat hij dit reeds had gedaan. Maar ik voegde er bij, dat dit
slechts een bevel was, dat aan alle menschen door de rede en
menschlievendheid voorgeschreven werd, en dat wij even veel reden als
zij hadden om God te danken, dat deze ons de genade had bewezen, ons tot
werktuigen zijner barmhartigheid te maken.

Daarna keerde de jonge priester zich tot zijne landgenooten, trachtte
hen tot bedaren te brengen, en vermaande en smeekte hen, zich aan geene
buitensporigheden over te geven. Bij eenigen gelukte dit, doch de
meesten hadden geenerlei magt over zichzelven. Ik heb dit vermeld, om
dat het nuttig kan zijn voor degenen, in wier handen dit verhaal valt,
dat zij zich voor alle uitsporige vervoering van aandoeningen wachten;
want zoo overmaat van vreugde den mensch reeds zoo zeer buiten het
bestier zijner rede vervoert, waartoe zal dan de overmaat van nijd, haat
of toorn ons niet brengen? Waarlijk, ik zag hier hoe wij steeds over
alle driften de wacht moeten houden, zoo wel bij vreugde en genoegen als
bij droefheid en leed.

Deze uitsporigheden onzer nieuwe gasten veroorzaakten den eersten dag
eene tamelijke verwarring, maar toen zij zich naar bed hadden begeven,
zoo goed wij hun dit in ons schip konden geven, en gerust geslapen
hadden, gelijk de meesten hunner van afmatting deden, waren zij den
volgenden dag geheel andere menschen.

Zij lieten niet na, ons alle beleefdheid en dankbaarheid voor de hun
bewezene diensten te betuigen; want men weet, dat de Franschen over het
algemeen beleefd genoeg zijn. De kapitein en een der priesters kwamen
den volgenden dag bij mij, en verzochten mij en mijnen neef, onzen
kapitein, te spreken, en met ons te beraadslagen, hoedanig wij met hen
zouden handelen. Eerstelijk zeiden zij, dat daar wij hun het leven gered
hadden, al wat zij in de wereld bezaten te weinig was, om ons deze
dienst te vergelden. De kapitein zeide, dat hij eenig geld en eenige
zaken van waarde nog in der haast uit de vlammen had weten te redden, en
dat, zoo wij het wilden aannemen, zij volmagt hadden, ons het aan te
bieden; zij verzochten alleen hier of daar aan wal gezet te worden,
vanwaar zij zoo mogelijk als passagiers naar Frankrijk zouden gaan. Mijn
neef wilde eerst hun geld aannemen en dan beraadslagen wat met hen aan
te vangen; maar ik bragt hem daaraf; want ik wist wat het te zeggen is,
in een vreemd land aan wal gezet te worden, en als de Portugesche
kapitein, die mij op zee opnam, mij zoo behandeld en voor mijne
bevrijding mij alles afgenomen had, had ik van honger moeten sterven, of
in Brazilië even goed slaaf zijn als in Barbarije, behalve dat ik dan
aan geen Turk zou behooren; maar misschien is een Portugees al geen
beter meester dan een Moor, zoo niet in sommige gevallen veel erger.

Ik zeide derhalve den Franschen kapitein, dat wij hen, wel is waar, in
zijnen nood hadden opgenomen; maar dat dit alleen onze pligt jegens
onzen evenmensen was, en gelijk wij in denzelfden of soortgelijken
toestand zouden verlangen gered te worden; dat wij niets voor hen gedaan
hadden, dan hetgeen wij vertrouwden, dat zij voor ons zouden hebben
gedaan, als wij in hun geval en zij in het onze waren geweest; dat wij
hen opgenomen hadden om hen te redden, maar niet om hen te plunderen; en
dat het onmenschelijk zou zijn, hun het weinige, dat zij uit den brand
gered hadden, te ontnemen en hen dan aan wal te zetten en aan hun lot
over te laten; dat zou zijn hen eerst van den dood te redden, om hen
naderhand daaraan ten prooi te geven; hen uit het water te redden om
hen aan den honger prijs te geven; en derhalve verlangde ik, dat hun
niets het minste zou ontnomen worden. Hen aan wal te zetten, was
inderdaad voor ons eene moeijelijke zaak, gelijk ik hun mededeelde, want
ons schip was naar Oost-Indië bestemd, en schoon wij zeer ver westwaarts
heen waren geslagen, hetgeen welligt de Hemel tot hun behoud aldus
beschikt had, was het ons toch ondoenlijk, om hunnentwil onze reis te
veranderen, en mijn neef, de kapitein, kon het niet aan de reeders
verantwoorden, jegens welke hij verpligt was, om zijne reis naar
Brazilië te vervolgen. Al wat ik voor hen doen kon was, ons zooveel
mogelijk in het vaarwater te houden van naar huis gaande
West-Indievaarders, en zoo mogelijk hun een overtogt naar Engeland of
Frankrijk te verschaffen.

Het eerste deel van mijn voorstel was zoo edelmoedig en welgemeend, dat
zij er niet dan zeer dankbaar voor konden zijn, doch zij waren zeer
ongerust, vooral de passagiers, vooral bij het vooruitzigt van misschien
mede naar Oost-Indië te moeten gaan. Zij smeekten mij, dat, aangezien
ik, voordat ik hen aantrof, zoo ver westelijk geslagen was, ik althans
tot de banken van Newfoundland dienzelfden koers zou houden, waar ik
waarschijnlijk wel een scheepje zou aantreffen, dat zij konden huren, om
hen naar Canada terug te brengen.

Ik beschouwde dit als een zeer billijk verzoek, en wilde dit hun gaarne
toestemmen, want ik begreep dat al dit volk naar Oost-Indië mede te
nemen, voor henzelven niet alleen eene onondragelijke hardigheid zijn
zou, maar ook onze reis bemoeijelijken, door het verteren van onze
proviand; zoodat ik het voor geene inbreuk op den vrachtbrief aanzag,
dat een geheel onvoorzien toeval ons hiertoe dwong, en waarin wij niet
te laken waren; want zoowel Goddelijke als menschelijke wetten eischten
van ons, dat wij twee booten vol volk in zulk eenen ongelukkigen
toestand niet weigerden op te nemen, en zoowel hun als onze toestand
vereischte, dat wij hen te hunner bevrijding hier of daar aan wal
zetten. Dus beloofde ik hen naar Newfoundland te brengen, als wind en
weder het toelieten, en zoo niet, dat ik hen dan naar Martinique zou
brengen.

De oostenwind bleef lang aanhouden, doch met goed weder, en daar er
reeds lang oostelijke winden geheerscht hadden, misten wij verscheidene
gelegenheden hen naar Frankrijk te zenden, want wij praaiden
verscheidene naar Europa bestemde schepen, waaronder twee Fransche, die
van St. Kitts kwamen, maar zij hadden zoo lang tegen den wind moeten
opwerken, dat zij geene passagiers durfden innemen, uit vrees van
levensmiddelen te kort te komen voor hen en hunne passagiers. Het was
omstreeks eene week daarna, dat wij de banken van Newfoundland
bereikten, waar wij al onze Franschen aan boord van een bark lieten
overgaan, die zij op zee huurden, om hen naar wal en vandaar naar
Frankrijk te brengen, als zij aan wal genoeg levensmiddelen konden
bekomen. Ik moet echter vermelden, dat de jonge Fransche priester, van
wien ik gesproken heb, hoorende dat wij naar Oost-Indië gingen, ons
verzocht aan boord te blijven, om op de kust van Coromandel aan wal
gezet te worden. Ik gaf hiertoe gereedelijk mijne toestemming, want ik
hield veel van den man, en niet zonder reden, gelijk in het vervolg
blijken zal. Ook vier matrozen namen bij ons dienst, waarvan wij veel
nut hadden.

Vandaar zetten wij koers naar de West-Indiën en hielden omstreeks
twintig dagen Z.Z.O. aan, somtijds met weinig of geen wind; toen wij
nieuwe voorwerpen van menschlievendheid aantroffen, bijkans even
jammerlijk als de vorige.

Het was op 27° 5' N.B., den 18 Maart 1694, dat wij een zeil zagen, dat
in onzen koers Z.Z.O. lag. Spoedig zagen wij, dat het een groot schip
was, dat op ons aanhield, maar wisten eerst niet wat er van te denken.
Wat naderkomende zagen wij, dat het zijne groote steng, fokkemast en
boegspriet verloren had, en hoorden het een noodschot doen. Het weder
was zeer goed, het woei eene bramzeilskoelte uit het N.N.W., en spoedig
konden wij het praaijen.

Wij vernamen, dat het een schip van Bristol was, op de tehuisreis, doch
dat het weinige dagen voordat het zeilree was, door eenen vreesselijken
storm van de reede van Barbados was weggeslagen, terwijl de kapitein en
opperstuurman beide aan wal gegaan waren, zoodat, behalve het gevaar van
den storm, zij slecht in staat waren het schip naar huis te brengen.
Zij waren reeds negen weken op zee, en hadden na den orkaan nog een
vreesselijken storm moeten doorstaan, die hen westwaarts, geheel buiten
hun bestek, had geslagen, en waarbij zij hunne masten verloren hadden.
Zij verhaalden ons, dat zij verwachtten de Bahamas te zien, maar toen
weder door een zwaren N.N.W. wind, dezelfde die thans woei, naar het
Z.O. waren geslagen, en daar zij niet anders dan de onderzeilen en eene
soort van razeil op een noodfokkemast, dien zij opgerigt hadden, konden
bijzetten, konden zij niet digt bij den wind liggen, maar trachtten de
Kanarische eilanden te bereiken.

Het ergste echter was, dat zij bijkans van honger gestorven waren, uit
gebrek aan leeftogt, behalve de vermoeijenissen, die zij uitstonden; hun
brood en vleesch was geheel op, en geen lood er meer van overig. Zij
hadden sedert elf dagen niets genuttigd dan zoet water en een half
vaatje meel; ook hadden zij suiker genoeg; in den beginne hadden zij
eenige confituren gehad, doch deze waren ook op, en zij hadden nog zeven
vaatjes rum.

Aan boord waren een jongeling en zijne moeder met een dienstmeisje als
passagiers; deze waren, denkende dat het schip reeds gereed was onder
zeil te gaan, ongelukkig den avond voor den orkaan aan boord gegaan, en
daar zij geen leeftogt van zichzelven meer hadden, waren zij in nog
jammerlijker toestand dan de overigen; want de matrozen, die zelf
zooveel gebrek leden, hadden geen medelijden met de arme passagiers, en
deze bevonden zich in eenen toestand, wiens ellende onbeschrijfelijk is.

Ik zou dit welligt niet vernomen hebben, indien de nieuwsgierigheid mij
niet, toen de wind bedaard was, aan boord aldaar had doen gaan. De
tweede stuurman, die thans het bevel op het schip had, was bij ons aan
boord geweest, en vertelde mij, dat zij in de kajuit drie passagiers
hadden, die in eenen allerjammerlijksten toestand waren. "Ik geloof
zelfs, dat zij dood zijn," zeide hij, "want ik heb sedert twee dagen
niets van hen gehoord, en vreesde naar hen te vernemen, want," vervolgde
hij, "ik had niets waarmede ik hen kon laven."--Wij zochten onmiddellijk
zooveel leeftogt voor hen bijeen, als wij missen konden, en ik had met
mijnen neef reeds afgesproken, dat ik hen provianderen zou, al zouden
wij ook naar Virginië of eenig deel van de Amerikaansche kust gaan, om
voor onszelven levensmiddelen in te nemen; doch dit was niet
noodzakelijk.

Zij bevonden zich echter thans in een nieuw gevaar, namelijk dat van te
veel te eten, zelfs van het weinige, dat wij hun gaven. De stuurman, die
thans bevelhebber was, bragt zes man in de boot mede, maar deze arme
lieden zagen er uit als schimmen, en waren zoo zwak, dat zij naauwelijks
op de riemen konden zitten. De stuurman zelf was zeer ziek en half
verhongerd, want hij verklaarde, dat hij niets boven het volk vooruit
had gehad, en van alles gelijk aandeel met hen genomen. Ik waarschuwde
hem, weinig te eten, maar zette hem dadelijk vleesch voor; maar bij den
derden mond vol werd hij ongesteld en kon niet meer slikken. Onze doktor
maakte daarop eene soep voor hem gereed, dat voedsel en geneesmiddel,
volgens zijn zeggen, te gelijk was, en na die genuttigd te hebben, werd
hij beter. Middelerwijl vergat ik de matrozen niet. Ik gelastte hun eten
voor te zetten, dat de arme lieden meer verslonden dan aten; zij waren
zoo hongerig, dat zij half waanzinnig waren en zich niet bedwingen
konden; en twee hunner aten zoo gulzig, dat zij den volgenden morgen in
levensgevaar waren.

De ellende van deze lieden trof mij zeer, en deed mij herdenken aan het
verschrikkelijk vooruitzigt, toen ik het eerst op het eiland kwam, waar
ik geen mondvol eten had, en geenerlei verwachting het te zullen
bekomen; zonder te spreken van de vrees, om door verscheurende dieren
verslonden te worden. Maar terwijl de stuurman mij aldus den
jammerlijken toestand van het scheepsvolk verhaalde, kon ik niet uit
mijne gedachten zetten wat hij mij van de drie arme schepsels in de
groote kajuit verhaald had, van de moeder, den zoon en het dienstmeisje
namelijk, waarvan hij sedert twee of drie dagen niets gehoord had, en
die hij, naar zijne woorden te oordeelen, scheen te bekennen, geheel
verwaarloosd te hebben, omdat hun eigen nood zoo groot was. Ik begreep
hieruit, dat zij hun in het geheel geen eten gegeven hadden, en dat zij
derhalve gestorven zouden zijn, en misschien dood op den grond van de
kajuit liggen.

Terwijl ik dus den stuurman met zijn volk aan boord hield, om hen te
verkwikken, vergat ik het uitgehongerd volk niet, dat aan boord gebleven
was, maar liet mijn eigen boot uitzetten, en zond den stuurman en twaalf
man daarheen, om hun een zak beschuit en vier of vijf stukken
ossenvleesch, om te koken, te brengen. Onze doktor waarschuwde hen, het
vleesch te laten koken terwijl zij er bij waren, en in de kombuis de
wacht te houden, ten einde het niet raauw gegeten of voor het gaar was
door de matrozen uit den ketel gehaald werd, en ieder man slechts een
klein stukje te gelijk te geven. Deze voorzorgen waren het behoud van
het volk, want anders zouden zij zich dood gegeten hebben aan hetgeen
hun tot behoud van hun leven gegeven werd.

Tevens gelastte ik den stuurman in de groote kajuit te gaan en te zien
in welken toestand de arme personen waren; en zoo zij nog leefden, hen
te vertroosten en zoodanige verkwikkingen te geven als zij behoefden; en
de doktor gaf hem een pot met eenige soep, gelijk hij voor den stuurman
had gereed gemaakt, en die hij niet twijfelde, dat hen van lieverlede op
de been zou brengen.

Ik was hiermede nog niet tevreden, maar daar ik, gelijk ik zeide,
verlangde, het tafereel van ellende, dat ik wist, dat dit schip zou
opleveren, met eigene oogen te zien, nam ik den stuurman of kapitein,
gelijk wij hem thans noemden, mede en begaf mij kort daarop zelf aan
boord. Ik vond de matrozen bijkans in oproer, om het vleesch uit den
ketel te halen eer het gaar was. Mijn stuurman handhaafde de orde, en
deed goede wacht aan de kombuis houden. Het volk, dat daar de wacht
hield, was genoodzaakt, na op alle mogelijke wijzen het volk vermaand te
hebben geduldig te zijn, het met geweld er af te houden. Hij liet echter
eenige beschuit in het vleeschnat doopen, en gaf iedereen daarvan een
stuk, om hunne maag tevreden te stellen, en zeide, dat hij tot hun eigen
bestwil genoodzaakt was, hun slechts weinig te gelijk te geven. Doch
niets baatte; en als niet ik met hun eigen bevelhebber gekomen was, en
hun goede woorden gegeven en ook gedreigd had, hun niets meer te geven,
zouden zij, geloof ik, met geweld in de kombuis gedrongen zijn, en het
vleesch er uitgehaald hebben, want woorden zijn een flaauw voedsel voor
eene hongerige maag. Echter bragten wij hen tot rede, en gaven hun de
eerste maal slechts weinig, en langzamerhand wat meer, tot wij hen
eindelijk verzadigden, en niemand nadeel hierbij leed.

Maar de ellende van de arme passagiers in de kajuit was van een anderen
aard, en ging die van de anderen ver te boven. Want daar het scheepsvolk
zelf zoo weinig had, hadden zij hen in het begin zeer schraal bedeeld,
en op het laatst geheel verwaarloosd, zoo dat zij inderdaad zes of zeven
dagen lang in het geheel geen voedsel hadden gehad, en verscheidene
dagen te voren zeer weinig. De arme moeder, die, volgens den stuurman,
eene zeer welopgevoede vrouw was, had uit moederliefde, alles wat zij
krijgen kon, zoo voor haren zoon bespaard, dat zij er eindelijk onder
bezweken was. Toen de stuurman van ons schip in de kajuit trad, zat zij
op den grond met den rug tegen het beschot, tusschen twee vastgesjorde
stoelen, en haar hoofd op de borst gezonken, schoon zij nog niet geheel
dood was. Mijn stuurman zeide al wat hij kon, om haar op te beuren en
aan te moedigen, en stak haar met een lepel eenige bouillon in den mond.
Zij bewoog hare lippen en hief eene hand op, maar kon niet spreken; zij
verstond echter wat hij zeide, en gaf door teekens te kennen, dat het
voor haar te laat was, maar wees op haar kind, als wilde zij zeggen, dat
hij daarvoor maar moest zorgen.

De stuurman, die hevig getroffen was, trachtte echter haar iets binnen
te krijgen, en zeide, dat hij haar een paar lepels vol had doen
doorzwelgen, schoon ik twijfel of hij hiervan zeker was. Het was echter
te laat; zij stierf nog denzelfden nacht.

De knaap, die ten koste van zijn moeders leven bewaard was gebleven, was
nog niet zoo ver heen, maar toch lag hij in eene kooi uitgestrekt, en
gaf naauwelijks eenig teeken van leven. Hij had een stuk van een ouden
handschoen in zijn mond, waarvan hij het overige opgegeten had. Daar hij
echter jong en sterker was dan zijne moeder, gaf de stuurman hem
langzamerhand wat in, en hij begon zigtbaar te herleven, schoon hij,
toen hij eene poos daarna twee of drie lepels te gelijk innam, zeer
ongesteld werd en het niet kon binnenhouden.

De dienstmaagd vereischte thans ook onze zorg. Zij lag digt bij hare
meesteres op den grond, even als iemand, die door eene beroerte
getroffen was, en lag met den dood te worstelen. Hare leden waren
verwrongen; een harer handen was krampachtig om den poot van een stoel
geslagen, zoo stijf, dat wij dien niet gemakkelijk konden losmaken, hare
andere hand lag boven haar hoofd, en hare beenen stijf tegen het beschot
der kajuit; kortom zij lag als een zieltogende; en toch was er nog een
vonkje leven in. Niet alleen was de arme meid half dood van honger en
verschrikt door het naderen van den dood, maar gelijk het volk ons
naderhand verhaalde, haar hart was gebroken, toen zij twee of drie dagen
te voren het zieltogen harer meesteres aanschouwd had, die zij teeder
beminde. Wij wisten niet wat met de arme meid te beginnen, want toen
onze doktor, die een man van veel kennis en groote ervaring was, haar
met veel moeite in het leven had teruggebragt, moest hij haar onder
zijne behandeling houden, want het scheen langen tijd, dat haar verstand
gekrenkt was.

De lezers van dit mijn geschrift moeten wel in het oog houden, dat men
op zee bij elkander geene bezoeken aflegt, zoo als men een reisje te
land doet, waar men soms veertien dagen achtereen op dezelfde plaats
blijft. Het was thans wel onze zaak dit scheepsvolk in hunnen nood bij
te staan, maar niet bij hen te blijven liggen; en schoon zij wel eenige
dagen gelijken koers met ons wilden houden, konden wij echter geen zeil
voeren, om gelijk met een schip te blijven, dat zijne masten verloren
had. Daar echter hun kapitein ons verzocht hem te helpen een noodsteng
op den grooten mast en een soort van steng op zijn fokkemast op te
zetten, maakten wij als het ware drie of vier dagen te dien einde een
bijlegger bij hem. Na hem daarop vijf vaten ossenvleesch, een vat spek,
twee groote vaten beschuit, en zooveel erwten, meel en wat wij missen
konden, gegeven te hebben, namen wij daarvoor van hen over drie vaten
suiker, eenigen rum en eenige stukken van achten, en verlieten hen
daarop, na op hun eigen ernstig verzoek den jongeling en de dienstmaagd
met al hun goed bij ons aan boord te hebben genomen.

De jongeling was ongeveer zeventien jaren oud, een knappe, welopgevoede,
verstandige en zedige knaap; zeer bedroefd over het verlies zijner
moeder; en naar het bleek had hij slechts weinige maanden geleden zijn
vader te Barbados verloren. Hij verzocht den doktor, om zijne voorspraak
bij mij, om hem aan boord te nemen; want hij zeide, dat de onbarmhartige
kerels zijne moeder vermoord hadden. Dit was ook in zekeren zin de
waarheid, want zij hadden wel een klein weinig kunnen afzonderen voor de
arme hulpelooze vrouw, waardoor zij het leven had kunnen behouden, al
ware het maar genoeg, dat zij niet van honger gestorven was. Maar de
honger is een scherp zwaard, en kent vrienden noch bloedverwanten, noch
regten; en heeft derhalve geene gewetens wroeging en is voor medelijden
onvatbaar.

De doktor zeide hem welk eene verre reis wij gingen doen, en hoe die
hem van al zijne bloedverwanten verwijderen zou, en hem misschien even
ongelukkig doen worden, als toen wij hem vonden, namelijk om in de
wereld te verhongeren. Hij zeide, dat het hem onverschillig was, waar
hij heen ging, zoo hij slechts van dat verschrikkelijk scheepsvolk
ontslagen was; dat de kapitein (waarmede hij mij bedoelde, want hij had
mijn neef niet gezien) hem het leven gered had, en hij was verzekerd,
dat hij hem verder geen kwaad zou toevoegen. Wat de dienstmaagd betrof,
ook deze, zeide hij, zou zeer dankbaar zijn, al bragten wij haar ook
waar wij wilden. De doktor stelde mij de zaak zoo treffend voor, dat ik
er in toestemde, en wij namen beide aan boord met al hun goederen;
behalve elf vaten suiker, die niet overgeladen konden worden; en daar de
jongeling er een cognossement van had, liet ik den kapitein eene
verbindtenis teekenen, om zoodra hij te Bristol aankwam, naar zekeren
heer Rogers, een koopman daar, te gaan, die volgens des jongelings
zeggen, een bloedverwant van hem was, en dien een brief van mij, met al
de goederen der overledene weduwe af te geven, hetgeen ik niet geloof,
dat ooit gebeurd is; want ik heb nooit vernomen, dat het schip te
Bristol aangekomen is. Waarschijnlijk is het vergaan, want het was zoo
ontredderd en zoo ver van alle land, dat ik denk, dat het bij den
eersten storm, waarvan het beloopen werd, moest zinken, want het was lek
en had schade in het hol, toen wij het aantroffen.

Wij waren nu op 19° 32' en hadden tot hiertoe, wat het weder betreft,
eene niet ongunstige reis, schoon in het eerst veel tegenwinden gehad.
Ik zal niemand lastig vallen met de geringe voorvallen van weer en wind
en stroomingen, maar mijne geschiedenis bekortende, alleen vermelden,
dat ik den 10den April 1695 op mijn oud verblijf, het eiland aankwam.
Geene geringe moeite kostte het mij het terug te vinden, want daar ik
vroeger er op kwam en vertrok van de zuid- en oostzijde, als van
Brazilië komende, zoo kwam ik nu tusschen het vasteland en het eiland,
en daar ik geene kaart van de kust of eenige landmerken had, kende ik
het niet, toen ik het zag, en wist niet of ik het zag of niet.

Wij kruisten een geruimen tijd rond, en deden verscheidene eilanden aan
in den mond van de Oronoco, doch vruchteloos; alleen bespeurde ik door
onze kustvaart, dat ik vroeger in eene groote dwaling vervallen was;
namelijk, dat het vasteland, hetwelk ik van het eiland waarop ik woonde
meende te zien, eigenlijk geen vast land, maar een lang eiland, of
liever eene eilandenreeks was, die van de eene zijde van den wijden mond
dier rivier tot aan de andere liep, en dat de wilden, die op mijn eiland
kwamen, eigenlijk niet diegenen waren, die wij Caraïben noemen, maar
eilandbewoners van hetzelfde ras, die wat digter dan de overige aan
onzen kant woonden.

Ik bezocht verscheidene dier eilanden vruchteloos; sommigen vond ik dat
onbewoond waren, anderen niet. Op een derzelve trof ik eenige
Spanjaarden aan, die ik meende dat daar hun verblijf hielden; maar toen
ik hen sprak vernam ik, dat zij daar digtbij in eene kreek eene sloep
hadden liggen, en dat zij hier kwamen, om zout te maken, en naar
parelmosselen te visschen; maar zij behoorden tot het eiland Trinidad,
dat op 10° of 11° verder noordelijk lag.

Aldus het eene eiland na het andere aandoende, somtijds met ons schip,
en somtijds met de sloep van den Franschman, dat wij een zeer geschikt
vaartuig vonden, en met hun goedvinden achtergehouden hadden, kwam ik
eindelijk aan de zuidzijde van mijn eiland, en herkende thans duidelijk
waar ik was. Ik bragt dus het schip veilig ten anker, dwars voor de
kleine kreek, waar mijne oude woning was.

Zoodra ik de plaats zag, riep ik Vrijdag, en vroeg hem, of hij wist waar
hij was. Hij zag in het rond, en, in de handen klappende, riep hij uit:
"O ja, daar! O ja, daar!" terwijl hij naar onze oude woning wees, en
danste en rondsprong, of hij gek geworden was, en ik had veel moeite,
hem te beletten dat hij in zee sprong, om naar den wal te zwemmen.

"Wel Vrijdag," zeide ik, "denkt gij, dat wij hier iemand zullen vinden
of niet? Wat dunkt u, zullen wij uwen vader hier vinden?" Hij stond eene
poos zonder te spreken, maar toen ik van zijn vader sprak, zette hij een
treurig gelaat, en ik zag, dat hem de tranen over het gelaat liepen.
"Wat deert u, Vrijdag," zeide ik, "zijt gij bedroefd, omdat gij
denkelijk uw vader zult zien?"--"Neen, neen," zeide hij, het hoofd
schuddende; "hem niet weêr zien, zal hem niet weêr zien."--"Waarom?"
zeide ik, "hoe weet gij dat, Vrijdag?"--"O neen," zeide Vrijdag, "hij
lang geleden gestorven; hij lang dood, hij zoo oud man is."--"Kom, het
is nog zoo zeker niet, Vrijdag," zeide ik. "Maar zullen wij dan niemand
anders zien?" Vrijdag had beter oogen dan ik, en hij wees naar den
heuvel, achter mijn verblijf; en, schoon wij er nog een half uur af
lagen, riep hij uit: "Ik zie, ik zie, ik zie veel menschen, en daar en
daar!" Ik zag derwaarts, maar kon niets onderscheiden, zelfs niet met
een kijker, schoon dit geloof ik, kwam door dien ik de plek niet er in
opvangen kon, want den volgenden dag vernam ik, dat hij gelijk had
gehad, en er vijf of zes lieden naar het schip hadden staan te zien, die
niet wisten waar zij ons voor moesten houden.

Zoodra Vrijdag mij zeide, dat hij menschen zag, deed ik de Engelsche
vlag hijschen en drie schoten doen, om te kennen te geven, dat wij
vrienden waren, en ongeveer een half kwartier later zagen wij rook van
de zijde van de kreek oprijzen. Ik gelastte dadelijk de boot uit te
zetten, nam Vrijdag mede, en eene witte of vredevlag opzettende, ging
ik naar den wal, met den jongen priester, waarvan ik gesproken heb, wien
ik mijne geheele levensgeschiedenis verhaald had, benevens hoe ik daar
gewoond en wie ik daar had gelaten, en die evenzeer als ik daarheen
verlangde. Bovendien hadden wij ongeveer zestien goed gewapende mannen
bij ons, als er soms eenige nieuwe gasten gekomen waren, die wij niet
kenden; doch wij hadden onze wapens niet noodig.

Daar wij, toen de vloed bijkans op zijn hoogst was, aan wal gingen,
roeiden wij de kreek in, en de eerste man, waar mijn oog op viel, was de
Spanjaard, dien ik het leven gered had, en wiens gelaat ik dadelijk
herkende; zijne kleeding zal ik later beschrijven. Ik gelastte, dat
buiten mij niemand de boot zou verlaten, maar Vrijdag was niet te
houden, want de brave jongen had zijn vader zeer in de verte gezien,
veel verder dan mijn oog reikte, en zoo men hem niet aan wal had laten
gaan, zou hij in zee gesprongen zijn. Naauwelijks was hij aan land, of
hij vloog als een pijl uit den boog naar zijn vader. De hardvochtigste
mensch zou tranen vergoten hebben bij het zien van de eerste uitbarsting
zijner vreugde, toen hij bij zijn vader gekomen was. Hij omhelsde en
kuste hem, streelde hem over het gelaat, nam hem in zijne armen op en
zette hem op een boomstam en ging bij hem liggen; dan stond hij op en
staarde hem aan, gelijk men eene vreemde schilderij zou doen, wel een
kwartier lang; dan viel hij weder neder, streelde zijne beenen en kuste
ze, en sprong dan weder op en bleef hem aanstaren; men zou gezegd
hebben, dat hij betooverd was. Maar iedereen had weder moeten lagchen
als men zag hoe hij zijne vreugde weder op eene andere wijze lucht gaf.
In den morgen wandelde hij verscheidene uren met zijn vader langs het
strand heen en weder, altijd hem bij de hand houdende alsof hij een kind
was, en nu en dan kwam hij iets uit de boot voor hem halen, als een
klomp suiker, een borrel, een beschuit of eenige andere versnapering.
Des namiddags maakte hij weder andere grappen, want toen zette hij den
ouden man op den grond en danste om hem heen met allerlei potsige
gebaren, en gedurende al dien tijd sprak hij tot hem, en verhaalde hem
eene of andere gebeurtenis van zijne reizen, en wat hem overgekomen was,
om hem te vermaken. Kortom, zoo er bij de Christenen in ons werelddeel
zoo veel kinderlijke liefde bestond, zou men bijkans geneigd zijn te
zeggen, dat het vijfde gebod niet noodig was.

Doch ik moet tot mijne landing terugkeeren. Ik zou nimmer eindigen als
ik al de pligtplegingen en beleefdheden der Spanjaarden wilde vermelden.
De eerste Spanjaard, dien ik, gelijk ik zeide, zeer goed herkende, was
degeen wien ik het leven gered had, hij kwam met nog een naar de boot
toe, ook met eene witte vlag; en niet alleen herkende hij mij in het
eerst niet, maar hij had ook niet het minste denkbeeld of vermoeden, dat
ik het zijn zou, tot ik hem toesprak. "Sennor," zeide ik in het
Portugeesch, "kent gij mij niet?" Hij antwoordde niet, maar gaf zijn
geweer over aan den man, die bij hem was, en iets in het Spaansch
zeggende, dat ik niet wel verstond, kwam hij naar mij toe en omarmde
mij, zeggende, dat het onverschoonlijk was, dat hij het gelaat niet
herkende, dat hem eens, als dat eens engels uit den Hemel, was
verschenen om zijn leven te redden. Hij zeide mij eene menigte
beleefdheden, gelijk ieder welopgevoede Spanjaard altijd doen zal, en
riep daarop dengeen, die bij hem was, en verzocht hem naar zijne makkers
te gaan en die te roepen. Hij verzocht mij daarop naar mijn oud verblijf
te gaan, waar hij mij weder in het bezit van mijn vorig huis zou
stellen, en mij laten zien, dat er slechts geringe verbeteringen waren
aangebragt. Ik ging dus met hem mede, maar ik kon helaas den weg evenmin
vinden, alsof ik er nooit geweest was, want zij hadden zoo veel boomen
en zoo digt bij elkander geplant, en deze waren in tien jaren zoo
ineengegroeid, dat de plaats onbereikbaar was, behalve langs zulke
kromme en bedekte wegen, daar alleen derzelver aanleggers den weg door
konden vinden.

Ik vroeg hem naar de reden van al deze verschansingen. Hij zeide, dat ik
erkennen zou, dat zij noodig genoeg waren, als hij mij verhaald had wat
zij van hunne komst op het eiland af beleefd hadden, vooral nadat zij
het ongeluk hadden gehad van mijn vertrek te vernemen. Hij zeide, dat
toen hij gehoord had, dat ik met een goed schip en naar mijn genoegen
vertrokken was, hij niet dan zich kon verheugen over mijn geluk; en dat
hij naderhand dikwijls vertrouwd had, dat hij mij den een of anderen
tijd zou wederzien. Maar nimmer was hem in zijn leven iets zoo
onverwachts en treurigs overgekomen als de teleurstelling, die hij in
het eerst gevoelde, toen hij, op het eiland teruggekeerd, vernomen had,
dat ik mij daar niet meer bevond.

Wat de achtergebleven barbaren (gelijk hij ze noemde) betrof, en van
welke hij zeide mij veel te verhalen te hebben, de Spanjaarden achtten
zich allen veel beter onder de wilden, hoezeer zij in zoo klein getal
waren. "En waren zij sterker in getal geweest," zeide hij, "wij zouden
reeds lang in het vagevuur geweest zijn," terwijl hij een kruis maakte.
"Ik hoop echter, dat het u niet mishagen zal, mijnheer," vervolgde hij,
"als ik zeg hoe de noodzakelijkheid ons gedwongen heeft hen, tot behoud
van ons leven, te ontwapenen, en hen, die niet tevreden waren met in
zachtheid onze meesters te zijn, maar onze moordenaars wilden zijn, tot
onze onderdanen te maken." Ik antwoordde, dat ik er zeer voor gevreesd
had, toen ik hen daar achterliet, en dat niets bij mijn verlaten van het
eiland mij meer onrust baarde dan dat zij niet teruggekomen waren;
anders zou ik hen eerst in het bezit van alle dingen gesteld en de
anderen in een staat van onderdanigheid achtergelaten hebben, gelijk zij
verdienden. Doch zoo zij hen daartoe gebragt hadden, was mij dit zeer
aangenaam, en ik er verre af hierin iets laakbaars te vinden; want ik
wist, dat zij een hoop ontembare, weerbarstige schurken waren, die tot
alle kwaad in staat waren.

Terwijl hij dit verhaalde, kwam de man, die hij teruggezonden had, met
nog elf anderen terug. Het was mij onmogelijk uit de kleeding, die zij
droegen, op te maken, van welke natie zij waren, doch hij verklaarde
alles zoo wel aan hen als aan mij. Eerst keerde hij zich tot mij, en
naar hen wijzende, zeide hij: "Dit, mijnheer, zijn eenigen van de
heeren, die hun leven aan u te danken hebben," en zich daarop tot hen
keerende en op mij wijzende, deelde hij hun mede wie ik was. Waarop zij
allen een voor een naar mij toekwamen, niet alsof zij matrozen en zulk
volk waren en ik huns gelijken; maar als waren zij ambassadeurs van
hoogen adel en ik een monarch of groote veroveraar. Hun gedrag was ten
uiterste hoffelijk en verpligtend, en toch met een manhaften ernst en
deftigheid gepaard, die hun zeer goed stond; kortom, zij waren zoo
hoffelijk, dat ik naauwelijks wist hoedanig hunne beleefdheden te
ontvangen, veel minder hoe ik die beantwoorden zou.

De geschiedenis van hunne komst en gedrag op het eiland na mijn vertrek
is zoo merkwaardig, en behelst zoo vele voorvallen, die het volgend deel
mijns verhaals zal ophelderen, en in het meerendeel overeenstemmen met
het daarvan reeds gegeven verslag, dat ik niet dan met het grootst
genoegen die te boek stel voor hen, die na mij dit zullen lezen.

Ik zal niet langer mijzelven laten optreden, ten einde niet duizendmaal:
"ik zeide, hij zeide, ik hernam, hij hervatte," enz., te moeten herhalen,
maar zal de gebeurtenissen mededeelen, zoo als zij achtervolgens
geschied zijn, en mijn geheugen die bewaard heeft, uit hetgeen zij mij
mededeelden en van hetgeen ik in mijn omgang met hen en op de plaats
vernam.

Ten einde dit zoo duidelijk mogelijk geschiede, moet ik teruggaan tot
den staat, waarin ik het eiland verliet, en van de personen, waarvan ik
spreken moet. Eerstelijk moet ik herhalen, dat ik Vrijdags vader en den
Spanjaard, die ik het leven gered had, in eene groote kanoe naar het
vasteland, waarvoor ik het toen hield, had doen oversteken, om de
makkers van den Spanjaard, die hij achtergelaten had, te halen, ten
einde hen voor gelijke ramp, als die hem getroffen had, te behoeden, en
hen voor het oogenblik te hulp te komen, en ten einde wij zoo mogelijk,
gezamenlijk een middel tot onze bevrijding zouden uitvinden.

Toen ik hen wegzond had ik geenerlei vooruitzigt of eenigen meerderen
grond om op mijne redding te hopen, dan ik twintig jaren lang gehad had,
veel minder had ik eenig vermoeden van hetgeen kort daarop gebeurde,
namelijk, dat een Engelsen schip het eiland zou aandoen om mij op te
nemen; en het moest voor hen eene zeer groote verrassing zijn, toen zij
bij hunne terugkomst niet alleen vonden, dat ik vertrokken was, maar er
ook drie vreemdelingen aantroffen, in het bezit van al wat ik
achtergelaten had, en dat anders hun eigendom zou geweest zijn.

Het eerst waar ik naar vroeg, was naar hunne eigene lotgevallen; en ik
verzocht hem mij een verslag te geven van zijne terugreis naar zijne
landslieden, met de boot, toen ik hem uitgezonden had om hen te halen.
Hij zeide, dat dit zeer eenvoudig was, want dat hun onder weg niets
merkwaardigs gebeurd was. Zij hadden stil weder en eene effen zee gehad.
Het was buiten kijf, zeide hij, dat zijne landslieden bovenmate verheugd
waren hem weder te zien. (Het schijnt, dat hij de voornaamste onder hen
was, want de kapitein van het schip, waarmede zij schipbreuk geleden
hadden, was voor eenigen tijd gestorven). Zijne terugkomst verbaasde hen
te meer, daar zij wisten, dat hij in de handen der wilden gevallen was,
die, naar zij begrepen, hem zoo goed als hunne andere gevangenen zouden
opgegeten hebben, en toen hij hun verhaalde hoe hij gered was geworden
en thans in staat was gesteld hen vandaar te voeren, dachten zij te
droomen, en waren, zeide hij, even verbaasd als Jozefs broeders, toen
deze hun verhaalde wie hij was, en hoe hoog hij aan Farao's hof verheven
was. Maar toen hij hun zijne wapens, kruid en lood en mondbehoeften liet
zien, die hij voor hunne reis medegebragt had, kwamen zij tot
zichzelven, juichten over hunne bevrijding en maakten zich dadelijk tot
hun vertrek gereed.

Hunne eerste zorg was thans kanoes te bekomen, en hierbij waren zij
genoodzaakt niet al te eerlijk te werk te gaan, maar van hunne vrienden,
de wilden, twee groote kanoes of praauwen te leenen, onder voorwendsel,
dat zij er mede gingen visschen. Met deze vertrokken zij den volgenden
morgen. Zij hadden ook weinig tijds noodig om zich gereed te maken, want
zij hadden noch bagaadje, noch kleederen, noch voorraad, noch iets dan
zij aan het lijf hadden, en geen anderen voorraad dan eenige wortelen,
waarvan zij gewoon waren brood te maken.

In het geheel waren zij drie weken afwezig, en ongelukkig voor hen had
zich juist in dien tijd de gelegenheid voor mij opgedaan van het eiland
te verlaten, gelijk ik in het vorig deel verhaald heb, terwijl ik er
drie alleronbeschaamdste, weerbarstigste en verhardste schurken
achterliet, die men ooit ergens vinden kon, en zeer tot verdriet en
ongeluk der Spanjaarden, daar kan men op rekenen.

De eenigste pligtmatige daad der schurken was, dat toen de Spanjaarden
aan wal stapten, zij hun mijnen brief gaven, en levensmiddelen en
goederen, gelijk ik gelast had. Ook gaven zij hun de vele geschrevene
aanwijzingen, hoe ik gedurende mijn verblijf aldaar gehandeld had, hoe
ik mijn brood bakte, mijne tamme geiten aanfokte, mijn koorn plantte en
mijne druiven droogde, potten bakte, kortom, hoe ik alles deed. Dit
geheele schriftelijke opstel gaven zij aan de Spanjaarden, waarvan twee
vrij goed Engelsch verstonden. Ook weigerden zij in den beginne niet,
hen met een en ander te gerijven, want zij leefden eerst in vrij goede
verstandhouding; zij vergunden hun mede het gebruik van het huis of den
kelder, en zoo leefden zij vrij gezellig, en de Spanjaard, die veel van
mij afgezien had, benevens Vrijdags vader, beschikten alle
werkzaamheden. De Engelschen deden niets anders dan het eiland
rondzwerven, papegaaijen schieten en schildpadden vangen, en als zij des
avonds te huis kwamen, hadden de Spanjaarden het eten voor hen gereed
gemaakt.

Hierin zouden de Spanjaards genoegen hebben genomen, als de anderen hen
slechts ongemoeid hadden gelaten, maar dit konden zij niet van zich
verkrijgen, en even als de hond in de fabel wilden zij noch zelf eten,
noch het anderen laten doen. Wel waren hunne geschillen in het eerst
beuzelachtig en niet meldenswaard, maar eindelijk barstten zij in
openbaren oorlog uit, en deze begon met alle denkelijke woestheid en
ruwheid, zonder oogmerk, zonder aanleiding, en inderdaad strijdig met
alle gezond verstand, en ofschoon het eerste verhaal er van mij door de
Spanjaarden, als het ware de aanklagers, gedaan werd, konden de kerels,
toen ik hen daarover ondervroeg, er geen woord van ontkennen.

Maar alvorens hiervan de bijzonderheden mede te deelen, moet ik iets
vermelden, wat ik in mijn vorig verhaal vergeten heb, namelijk, dat
juist toen wij het anker zouden ligten bij mijn vertrek, er een kleine
twist aan boord ontstond, die ik vreesde, dat in eene tweede muiterij
zou ontaarden. Deze werd ook niet gestild, voor dat de kapitein ons
allen tot zijn bijstand geroepen had, hen met geweld uiteen dreef, en de
twee weerbarstigsten in de ijzers zette; en daar deze ook aan de
vroegere wanorde deel genomen, en zich eenige zware bedreigingen de
tweede maal hadden laten ontvallen, dreigde hij hun in de ijzers naar
Engeland te zullen voeren, en daar voor muiterij en afloopen van het
schip te laten ophangen.

Hoewel de kapitein dit niet ernstig meende, scheen het toch eenige
andere matrozen bang gemaakt te hebben, en deze trachtten de overigen
diets te maken, dat de kapitein hen met goede woorden zocht te paaijen,
tot hij eene Engelsche haven zou bereikt hebben, en hen dan allen in de
gevangenis zetten zou, en hun proces laten opmaken. De stuurman had dit
vernomen en deelde het ons mede, waarop men besloot, dat ik, die nog
altijd voor een groot man bij hen doorging, met den stuurman bij hen zou
gaan, en het volk geruststellen en beloven, dat het verledene vergeven
zou zijn, als zij zich gedurende de verdere reis goed gedroegen. Ik deed
dit, en op mijn woord stelden zij zich gerust, vooral toen ik de twee
matrozen, die in de ijzers zaten, deed ontslaan.

Maar door deze muiterij hadden wij, daar de wind ook was gaan liggen,
dien nacht voor anker moeten blijven. Den volgenden morgen vernamen wij,
dat de twee man, die uit de boeijen waren ontslagen, ieder een geweer en
eenige andere wapens gestolen hadden, en kruid en lood, hoeveel wisten
wij niet, en met de pinnas naar hunne makkers aan den wal gevlugt waren.
Op het ontdekken hiervan zond ik de groote boot met twaalf man en den
stuurman aan wal om hen te zoeken; maar zij konden noch hen, noch een
der overigen vinden, want allen waren in de bosschen gevlugt, toen zij
de boot zagen naderen. De stuurman wilde eerst, om hen te straffen, alle
aanplantingen vernielen, en al hun goed en huisraad verbranden, maar
daar hij hiertoe geene orders had, liet hij alles zoo als het was, en
nam alleen de pinnas weder mede.

Zij waren dus thans met hun vijven, maar de drie eersten waren zoo veel
woester, dat zij na twee of drie dagen de nieuw aangekomen ter deur
uitwierpen en niets met hen te doen wilden hebben; het duurde lang eer
zij zelfs bewogen konden worden hun eenig eten te geven; de Spanjaarden
waren toen nog niet aangekomen. Toen deze aankwamen, wilden zij de drie
Engelschen overreden hunne landslieden weder op te nemen, ten einde,
gelijk zij zeiden, allen slechts een huisgezin zouden uitmaken, maar
deze wilden daarvan niet hooren. Dus leefden deze twee Engelschen op
zichzelven, en bemerkende, dat zij op hunne vlijt alleen moesten
steunen, sloegen zij tenten op aan de noordzijde van het eiland, doch
wat naar het westen toe, om voor de wilden bevrijd te blijven, die
altijd op de oostzijde van het eiland aan wal stapten.

Hier bouwden zij twee hutten; een om in te wonen en een om hunnen
voorraad in te bergen, en daar de Spanjaarden hun eenig zaaikoren en
vooral erwten geschonken hadden, zaaiden en plantten en omheinden zij,
op de wijze als ik gedaan had, en leefden rustig voort. Hun eerste koren
kwam juist boven den grond, en schoon de tijd hun slechts toegelaten had
weinig om te spitten, was dit genoeg om hen te voeden, en van
genoegzamen spijsvoorraad te voorzien. Een hunner, die aan boord
koksmaat geweest was, was zeer behendig in het maken van soep, podding
en soortgelijke spijzen, waartoe de rijst, melk en het weinige vleesch,
dat zij hadden, hem in staat stelde.

Terwijl zij aldus rustig voortleefden, kwamen de drie schurken, en dat
nog wel hunne landslieden waren, bij hen, alleen uit lust om hen te
schelden en te beschimpen. Zij zeiden, dat het eiland hun toebehoorde,
dat de gouverneur, waarmede zij mij bedoelden, hen in het bezit er van
gesteld had, en niemand anders er eenig regt op had, terwijl zij onder
afgrijsselijke vloeken betuigden, dat zij op hunnen grond geene huizen
zouden bouwen zonder er belasting voor te betalen.

De twee Engelschen dachten, dat zij schertsten, en noodigden hen binnen
te komen, om te zien welk slag van huizen zij gebouwd hadden, en hun te
zeggen hoeveel grondrente zij daar wel voor moesten betalen. Een hunner
voegde er lagchende bij, dat hij hoopte, zij zouden, als grondeigenaars,
het land verbeteren en er gebouwen opzetten, en hun, volgens gewoonte,
een langen pachttijd vergunnen, en verzocht hun een notaris te halen om
de grondbrieven op te maken. Een der anderen zeide daarop onder veel
vloeken en zweren, dat zij zien zouden, dat het geene gekheid was, en
een eind weegs vandaar gaande, waar de ander een vuur aangelegd had, om
eten te koken, nam hij een brandend stuk hout en wierp het tegen de hut,
die binnen weinige minuten in de asch zou gelegd zijn, zoo niet de ander
hem weggestooten, en hoewel niet zonder moeite, het vuur had uitgetrapt.

De kerel werd zoo woedend, dat de ander hem wegstiet, dat hij een stuk
hout opnam, en zoo de ander niet vlug den slag ontweken en in zijne hut
de wijk genomen had, ware het met hem gedaan geweest. Zijn makker,
ziende in welk gevaar zij beide waren, liep hem achterna, en een
oogenblik daarna kwamen zij met hunne geweren terug. Degeen, op wien de
slag gemunt was geweest, velde dengeen, die hem dien had willen
toebrengen, met den kolf van zijn geweer neder, voor de anderen hem te
hulp konden komen, en toen deze naderden, hielden zij hen de geweren
voor en gelastten hen heen te gaan.

De anderen hadden ook vuurwapens bij zich, maar de moedigste van de twee
eerlijke Engelschen (gelijk ik hen voortaan noemen zal) door het gevaar
wanhopig gemaakt, zeide, dat zij hen zouden doodschieten als zij hand of
voet bewogen, en gelastte hen hunne wapens af te leggen. Dit laatste
deden zij wel niet; maar de standvastigheid van de anderen bragt hen tot
onderhandelen, en zij verlangden den gekwetste mede te nemen en te
vertrekken; het schijnt, dat deze vrij zwaar gekwetst was. Zij hadden
echter ongelijk, dat zij, thans de overhand hebbende, hen niet
ontwapenden, gelijk zij hadden kunnen doen, en daarop naar de Spanjaards
toegingen en hun verhaalden hoe de schurken hem bedreigd hadden, want
deze drie zonnen op niets dan op wraak, en gaven toen dagelijks de
blijken daarvan.

Ik zal kleinere staaltjes hiervan niet vermelden, als het vertrappen van
hun koorn, het doodschieten van jonge geiten en van een tamme geit, die
de arme lieden voor verdere aanfokking hielden. Zij plaagden hen op
dergelijke wijze nacht en dag, tot dat de twee anderen in wanhoop
besloten hen alle drie te bevechten, bij de eerste gelegenheid de beste.
Zij besloten te dien einde naar mijne oude woning te gaan, waar de
Spanjaards en de drie schurken gezamenlijk woonden, ten einde de
Spanjaards te vragen om toe te zien, dat het bij het gevecht eerlijk in
zijn werk ging. Op een morgen voor dat de dag aanbrak, begaven zij zich
op weg, en voor het kasteel gekomen (gelijk zij het noemden) riepen zij
de Engelschen bij hun naam, en zeiden aan een Spanjaard, die hun
antwoordde, dat zij hen wilden spreken.

Toevallig hadden twee der Spanjaarden den vorigen dag in het bosch een
der eerlijke Engelschen ontmoet, die zich bij hen bitter beklaagd had
over de schandelijke behandeling, die zij van hunne landslieden
ondergingen, hoe deze hunne aanplantingen vernield, hun koorn vertrapt
hadden, waaraan zij zoo hard gewerkt hadden; dat zij hunne melkgeit en
drie jongen gedood hadden, waarvan zij geheel moesten leven, en dat zoo
de Spanjaarden hen niet bijstonden, zij van honger moesten sterven. Toen
de Spanjaarden dien avond te huis kwamen, namen zij de vrijheid de
Engelschen te berispen, schoon in zachte en gematigde bewoordingen, en
vroegen hoe zij zoo wreed konden zijn jegens lieden, die hun geheel geen
kwaad deden, en die zelf hun onderhoud trachtten te verdienen, en wie
het zoo veel moeite had gekost hunne zaken op dien voet te brengen.

Een der Engelschen antwoordde zeer barsch, wat zij daar te maken hadden;
zij waren zonder verlof op het eiland gekomen; de grond behoorde hun
niet. "Wel sennor," zeide een der Spanjaarden zeer bedaard, "zij moeten
niet van honger sterven."--"Dat kunnen zij doen, wat mij betreft,"
antwoordde de Engelschman, als een echte ruwe zeebonk, "zij mogen daar
niet planten of bouwen."--"Wat moeten zij dan doen, sennor?" vroeg de
Spanjaard. Een ander der woestelingen antwoordde, dat zij knechts
moesten zijn en voor hen werken.--"Maar hoe kunt gij dat verwachten,"
hernam de Spanjaard, "gij hebt ze niet voor geld gekocht, gij hebt geen
regt hen tot uwe knechts te maken." De Engelschman antwoordde, dat het
eiland hun toebehoorde, de gouverneur had het hun gegeven en niemand had
daar iets te zeggen dan zij, en daarbij zwoer hij, dat hij telkens hunne
nieuwe hutten zou afbranden, en dat zij er geen op hun land zouden
zetten.

"Wel, sennor," zeide de Spanjaard, "op dien grond zouden wij ook uwe
dienstknechten zijn."--"Ja," zeide de onbeschaamde kerel, "en dat zult
gij ook worden, eer wij met elkander afgedaan hebben." Hij doormengde
dit gezegde met eenige afgrijsselijke vloeken. De Spanjaard echter
lachte hierover en gaf hem geen antwoord. Dit gesprek had echter de
Engelschen warm gemaakt; een hunner, Willem Atkins geloof ik, zeide:
"Kom Jack, laat ons hen op een ander tijd te lijf gaan; wij zullen hun
kasteel vernielen, zij zullen op onzen grond geene plantaadje
aanleggen."

Hierop vertrokken zij, ieder met een snaphaan, een pistool en sabel
gewapend, terwijl zij verscheidene bedreigingen uitstieten, wat zij den
Spanjaarden zouden doen, als er zich de gelegenheid toe aanbood. Het
schijnt echter, dat de Spanjaarden hen niet genoeg verstonden om hunne
bedoeling op te maken, alleen begrepen zij, dat zij verbitterd waren,
omdat zij de twee andere Engelschen voorgesproken hadden.

Waar zij heen gingen en hoe zij dien avond den tijd doorbragten, zeiden
de Spanjaarden, wisten zij niet. Het schijnt echter, dat zij een deel
van den nacht rondzwierven, en toen, vermoeid zijnde, gingen liggen op
de plaats, die ik mijne buitenplaats noemde, en dat zij toen zich
versliepen. Zij hadden namelijk besloten tot middernacht te wachten, en
dan hunne arme landslieden, als zij sliepen, te overvallen, en gelijk
zij naderhand bekenden, hunne hut in brand te steken, terwijl zij er in
sliepen, en hen laten verbranden of hen dood te slaan als zij er uit
kwamen. Daar nu de boosheid zelden gerust slaapt, is het wonder, dat zij
niet wakker bleven.

Daar echter de twee anderen ook een voornemen hadden, schoon een veel
loffelijker dan dat om te branden en te moorden, gebeurde het, en zeer
tot hun geluk, dat zij op, en uitgegaan waren voor de bloeddorstige
schelmen aan hunne hutten kwamen. Toen deze daar gekomen en de bewoners
vertrokken vonden, riep Willem Atkins, die naar het scheen de belhamel
was: "Ha, Jack, daar is het nest, maar de vogels zijn gevlogen!" Zij
wisten eerst niet wat zij er van denken moesten, dat zij zoo vroeg
uitgegaan waren, en begrepen, dat de Spanjaards hen gewaarschuwd hadden;
hierop sloegen zij de handen ineen, en zwoeren, dat zij zich op de
Spanjaarden zouden wreken. Zoodra zij deze bloedige overeenkomst
gesloten hadden, vielen zij op de woning der arme Engelschen aan. Zij
staken wel niets in brand, maar braken de beide hutten stuksgewijs
uiteen, en lieten niet den minsten stijl in den grond, zoodat men
naauwelijks zien kon waar zij gestaan hadden. Al hun huisraad en
goederen vernielden zij, en strooiden alles zoo in het rond, dat de arme
lieden naderhand eenige hunner goederen een kwartier verder vonden
liggen.

Toen dit gedaan was, rukten zij al het jonge plantsoen uit, dat zij
geplant hadden, vertrapten de heining, waardoor zij hun vee en graan
beschermden, en kortom, vernielden en verwoestten alles zoo als
naauwelijks eene horde Tartaren had kunnen doen.

De twee Engelschen waren op dat oogenblik uitgegaan om hen op te zoeken,
en zij hadden besloten hen te bevechten, waar zij hen ook vonden, schoon
zij twee tegen drie waren, zoo dat er zeker bloed zou gestort zijn als
zij elkander ontmoet hadden, want allen waren zeer kloeke en moedige
kerels. Doch de Voorzienigheid zorgde meer, hen van elkander te houden,
dan zij om elkander te ontmoeten, want, alsof zij voor elkander
wegliepen, waren de twee hier, de drie waren ginder; en toen naderhand
de twee teruggingen om hen op te zoeken, kwamen de drie aan hunne oude
woning terug; wij zullen zien hoe verschillend zij zich gedroegen. Toen
de drie terug kwamen, als dolle schepselen, kokende van drift, waarin
hunne daden hen gebragt hadden, kwamen zij bij de Spanjaarden, en
verhaalden hun, al snoevende, wat zij gedaan hadden, en een hunner trad
naar de Spanjaards toe, als waren zij een troep kwade jongens, draaide
een den hoed op het hoofd rond, en sloeg hem daarop er mede in het
gelaat, zeggende: "En gij, Spaansche Jaap, zult van hetzelfde laken een
pak hebben, als gij u voortaan niet beter gedraagt." De Spanjaard, die,
ofschoon een stil, beleefd man, zoo moedig als een leeuw was, zag hem
eene poos strak aan, en stapte, daar hij geen wapen in de hand had,
daarop langzaam naar hem toe, en deed hem met een vuistslag, als een
gedolden os, op den grond storten; waarop een van de schurken, even
onbeschaamd, dadelijk een pistool op den Spanjaard loste. Hij miste hem,
maar de kogel streek langs zijn hoofd, en raakte hem even aan zijn oor,
zoo dat dit bloedde. Het zien van het bloed deed den Spanjaard gelooven,
dat hij zwaarder gewond was, dan het geval was, en hierdoor eenigzins
driftig geworden, want hij was tot hiertoe volkomen bedaard gebleven,
nam hij het geweer op van den kerel, dien hij nedergeveld had, en stond
op het punt den man, die op hem gevuurd had, dood te schieten, toen de
andere Spanjaarden uit den kelder kwamen, hem toeriepen niet te
schieten, tusschen beide traden en de anderen ontwapenden en bonden.

Toen zij thans ontwapend waren, en bemerkten, dat zij zich ook de
Spanjaards tot vijand hadden gemaakt, zoo wel als hunne landslieden,
begonnen zij een toontje lager, en gaven den Spanjaards goede woorden,
om hun de geweren terug te geven; maar de Spanjaards, in aanmerking
genomen de veete, die er tusschen hen en hunne landslieden bestond, en
begrijpende, dat het best ware hen van elkander te houden, zeiden, dat
zij hun geen kwaad wilden doen, en zoo zij vreedzaam wilden leven, hen
blijven bijstaan, gelijk zij vroeger gedaan hadden, maar dat zij er
niet aan konden denken hunne wapens terug te geven, terwijl zij
voornemens schenen er hunne landslieden mede te beleedigen, en zelfs
gedreigd hadden hen allen tot slaven te maken.

De schurken wilden evenmin naar rede hooren als handelen, en op deze
weigering gingen zij heen, vloekende als dollen, en dreigende wat zij
hen ook zonder vuurwapenen zouden doen. Maar de Spanjaards, die hunne
bedreigingen verachtten, zeiden hun, dat zij te zorgen hadden van geen
kwaad aan hunne plantaadjes of vee te doen, want dat zij hen anders als
wilde beesten zouden doodschieten, waar zij hen vonden, en hen ophangen
zoo zij hun levende in handen vielen. Wel verre van hierdoor te bedaren,
dropen zij af, vloekende en zwerende als helsche furiën. Naauwelijks
waren zij weg of de twee anderen kwamen, even woedend, schoon om eene
andere reden; want toen zij, bij hunne aanplantingen gekomen, die allen,
gelijk gezegd is, vernield en verwoest vonden, hadden zij reden genoeg
zich te vertoornen. Zij konden naauwelijks hun verhaal doen, want de
Spanjaards lieten hen niet aan het woord komen, en verhaalden hun
wedervaren; en waarlijk het was opmerkelijk hoe drie menschen hier
negentien getergd hadden, zonder straf te beloopen. De Spanjaarden
echter verachtten hen, en na hen ontwapend te hebben, telden zij hunne
bedreigingen weinig, maar de twee Engelschen besloten het hun te
vergelden, wat moeite het hun ook kosten zou hen op te sporen.

Maar hier kwamen de Spanjaarden ook weder tusschen beide, en zeiden hun,
dat daar de anderen reeds ontwapend waren, zij niet konden toestemmen,
dat zij (de twee) hen met vuurwapens vervolgden en misschien
doodschoten. "Maar," zeide de bezadigde Spanjaard, die hun gouverneur
was, "wij willen ons best doen, dat u geregtigheid geschiede, als gij
het aan ons wilt overlaten, want er is geen twijfel aan of zij zullen
terugkomen als hunne eerste drift bedaard is, daar zij zonder onzen
bijstand niet leven kunnen, en ik beloof u, dat wij geen vrede met hen
zullen maken zonder eene volledige voldoening aan u, en op deze
voorwaarde hopen wij, dat gij u van alle gewelddadigheden jegens hen
zult onthouden, anders dan ter uwer verdediging."

De twee Engelschen stemden slechts met weerzin hierin toe, maar de
Spanjaarden verzekerden dat zij het alleen deden om bloedstorting te
voorkomen en eindelijk alles te schikken. "Want," zeide hij, "zoo veel
zijn wij niet in getal of er is ruimte genoeg voor ons allen, en het zou
jammer zijn zoo wij niet allen in goede vriendschap leefden." Eindelijk
stemden zij dan toe af te wachten hoe de zaak afloopen zou, en bleven
eenige dagen bij de Spanjaards, omdat hunne eigene woning vernield was.

Ongeveer vijf dagen daarna kwamen de drie vagebonden, vermoeid van hun
rondzwerven, en half dood van honger, daar zij bijkans alleen van
schildpadeijeren geleefd hadden, naar het woonhuis terug, en daar zij
den Spanjaard, die, gelijk ik zeide, de gouverneur was, met nog twee
anderen langs de kreek zagen wandelen, kwamen zij zeer ootmoedig naar
hen toe en smeekten op nieuw in hun huisgezin opgenomen te worden. De
Spanjaarden ontvingen hen beleefd; maar zeiden, dat zij zoo barbaarsch
jegens hunne landslieden, en zoo onbescheiden jegens henzelve gehandeld
hadden, dat hij geen besluit kon nemen, zonder de twee Engelschen en
zijne overige landslieden te raadplegen. Hij zou hen echter gaan
opzoeken en er over spreken, en hun binnen een half uur antwoord geven.
Zij schenen er kwaad aan toe te zijn, want toen zij een half uur moesten
wachten, smeekten zij, dat hij hun eerst een stuk brood wilde geven;
hetgeen hij deed, en hun tevens een stuk gekookt geitenvleesch en een
gebraden papegaai toezond, dat zij gretig opaten, want zij waren
uitgehongerd.

Na verloop van een half uur werden zij geroepen, en nu volgde nog een
lange onderhandeling. Hunne twee landgenooten beschuldigden hen van het
vernielen van al wat zij bezaten, en van het voornemen hen te
vermoorden, hetwelk zij vroeger openlijk verklaard hadden, en dus thans
niet konden ontkennen. De Spanjaards handelden als bemiddelaars, en daar
zij vroeger de twee Engelschen belet hadden hen te vervolgen, toen zij
ongewapend waren, zoo gelastten zij thans de drie, dat zij de hutten van
hunne landslieden weder zouden opbouwen, de eene even als zij geweest
was, de andere wat grooter; ook de heiningen weder te herstellen, andere
boomen te planten voor de uitgeroeide, het land om te spitten, om het
weder te bezaaijen, waar zij het vernield hadden; kortom, alles zoo veel
mogelijk in zijn vorigen staat te herstellen, want geheel kon het niet,
daar het jaargetij voor het koorn voorbij was, en de boomen en heiningen
eerst weder moesten groeijen.

Zij voldeden hieraan gewillig, en daar men hen al dien tijd goed van
eten voorzag, leefden zij zeer ordelijk, en de geheele bevolking begon
weder aangenaam en genoegelijk te leven; slechts konden de drie
Engelschen nimmer overgehaald worden om voor zichzelven te werken,
behalve nu en dan voor eene poos, als hun dit in het hoofd kwam. De
Spanjaarden zeiden hun echter ronduit, dat zoo zij slechts gezellig en
in goede vriendschap wilden leven, en niets tegen het welzijn der
volkplanting ondernemen, zij voor hen zouden werken en hen laten
rondzwerven en luijeren zoo veel zij wilden; en nadat zij aldus een paar
maanden zich vrij wel gedragen hadden, gaven de Spanjaards hun hunne
wapens terug en verlof om te gaan waar zij wilden.

Geen week duurde het echter of de ondankbare kerels begonnen even
onrustig en lastig te worden. Thans echter gebeurde er iets, dat hun
aller veiligheid in gevaar bragt, waardoor zij genoodzaakt waren alle
bijzondere veeten te laten varen en alleen op hun lijfsbehoud te denken.

Het gebeurde op een nacht, dat de Spanjaard-gouverneur, gelijk ik hem
noemde, dat wil zeggen de Spanjaard, dien ik het leven gered had, en
thans zoo veel als kapitein van zijne landslieden was, zeer onrustig was
en volstrekt niet slapen kon. Hij was volkomen wel, zeide hij mij, maar
allerlei denkbeelden kwamen hem voor den geest, van lieden die vochten
en elkander doodsloegen, schoon hij volkomen wakker was, hoewel hij
volstrekt den slaap niet vatten kon. Kortom, hij bleef eene poos liggen,
maar steeds onrustiger wordende, besloot hij op te staan. Daar hun
aantal zoo groot was, sliepen zij niet, zoo als ik, in eene hangmat,
maar lagen op geitenvellen, waarvan zij legersteden gemaakt hadden. Als
zij dus wilden opstaan, behoefden zij weinig anders te doen om gereed te
zijn dan misschien schoenen en een buis aan te doen.

Opgestaan zijnde, zag hij uit, maar het was zoo donker, dat hij niets
onderscheiden kon; en bovendien belemmerden de boomen, die ik geplant
had en nu digt ineengegroeid waren, het uitzigt, zoodat hij alleen zien
kon, dat de sterren helder aan de lucht stonden; en geenerlei gerucht
hoorende, keerde hij terug en ging weder liggen, maar het baatte niet,
hij kon niet slapen, en had geen rust, want hij was in de uiterste
onrust, zonder dat hij wist waarom.

Daar hij met opstaan en heen en weder loopen eenig gedruisch had
gemaakt, werd een ander wakker, die vroeg wie er opgestaan was. De
gouverneur zeide hoe het met hem was. "Zegt gij zoo," zeide de ander,
"zulk een voorgevoel is niet te verachten; er wordt zeker eenig kwaad
gebrouwen in onze nabijheid. Waar zijn de Engelschen?" vervolgde
hij.--"Die zijn allen in hunne hutten," zeide hij, "en rustig." Het
schijnt, dat de Spanjaarden het grootste vertrek gehouden hadden, en de
Engelschen afzonderlijk lieten slapen, waar zij niet bij de anderen
konden komen. "Er is dan toch iets gaande," hernam de andere Spanjaard,
"daarvan ben ik door mijne eigene ondervinding verzekerd. Ik houd mij
overtuigd, dat onze ziel in betrekking staat tot bewoners eener
onzigtbare wereld, en dat een voorgevoel ons altijd tot ons welzijn
wordt gegeven, als wij er goed partij van weten te trekken. Kom,"
vervolgde hij, "laat ons naar buiten gaan en eens uitzien; zoo wij niets
vinden, dat onze bezorgdheid regtvaardigt, zal ik u eene geschiedenis
verhalen, die u van de juistheid van mijn voorslag zal overtuigen."

Zij begaven zich daarop boven op den top van den heuvel, gelijk ik
gewoon was, maar daar zij sterk en in gezelschap en niet alleen, gelijk
ik, waren, gebruikten zij geenszins dezelfde voorzorgen als ik, van
langs de ladder tot halfweg te komen, en die dan op te halen en tot op
den top te klimmen, maar zij gingen gerust en onbezorgd door het
boschje, toen zij verrast werden door het zien van een licht als van een
vuur, niet ver van hen af, en het hooren van menschenstemmen, niet van
een of twee, maar van een groot aantal.

Telkens als ik ontdekt had, dat er wilden op het eiland geland waren,
was ik altijd zeer bevreesd geweest, dat zij zouden ontdekken, dat het
eiland door iemand bewoond werd, en toen zij dit eens bemerkt hadden,
bemerkten zij het zoo geducht, dat degeen, die er het leven afbragten,
naauwelijks het konden navertellen, want zij verdwenen zoo schielijk
mogelijk, en niemand, die mij gezien had, ontsnapte het, om het anderen
mede te deelen, behalve de drie wilden bij onze laatste ontmoeting, die
in de boot sprongen, en welke ik, gelijk ik zeide, vreesde dat naar huis
zouden keeren en met meer hulp terugkomen. Of dit nu de oorzaak was, dat
er zoo velen gekomen waren, dan of zij zonder iets te vermoeden er
toevallig met hun gewoon bloeddorstig doel kwamen, konden de
Spanjaarden, naar het schijnt, niet ontdekken. Maar hoe dit zij, het
ware hunne zaak geweest, zich of verborgen te houden en hen in het
geheel niet te zien, veel minder den wilden te laten zien, dat er
bewoners op het eiland waren; of hen zoo geducht op het lijf te vallen,
dat geen een hunner ontsnapte, hetwelk zij alleen hadden kunnen doen
door hen van hunne booten af te snijden; maar zij hadden hiertoe geen
tegenwoordigheid van geest genoeg, hetgeen hen voor langen tijd hunne
rust kostte.

Men kan er op aan, dat de gouverneur en zijn makker, hierdoor
verschrikt, dadelijk terugliepen en de overigen wekten, en hun
verhaalden in welk groot gevaar zij verkeerden, doch het was hun
onmogelijk stil te blijven waar zij waren, maar allen liepen naar buiten
om te zien hoe de zaken stonden. Terwijl het duister was kon dit ook
geen kwaad, en hadden zij gelegenheid genoeg hen gade te slaan bij het
licht van drie vuren, die zij op eenigen afstand van elkander aangelegd
hadden. Wat de wilden daar verrigtten, wisten zij niet, en wat zij zelve
zouden doen, evenmin; want vooreerst waren er te veel vijanden, en ten
tweede bleven zij niet bij elkander, maar waren in verschillende
partijen verdeeld, die op onderscheidene plaatsen aan het strand waren.

De Spanjaarden werden door dit gezigt niet weinig verontrust, en daar
zij zagen, dat de wilden gedurig langs het strand zwierven, zoo
twijfelden zij niet of eenigen zouden ten laatste aan hunne woning of
eenige andere plaats belanden, waar zij de sporen van bewoning zouden
zien; en zij waren ook vol bekommering over hunne kudde geiten, daar zoo
deze uiteengejaagd en vernield werd, het gebrek hun ten deel zouden
vallen; dus besloten zij eerst, voor het licht werd, drie mannen af te
zenden, namelijk twee Spanjaards en een Engelschman, om al de geiten
naar het dal te te drijven waar de spelonk was, en ze des noods in de
grot zelve te drijven.

Zoo zij al de wilden digt bijeen en op eenigen afstand van hunne kanoes
zagen, besloten zij hen aan te vallen, al waren er ook honderd, maar
dit gebeurde niet, want een troep van hen was wel een half uur van de
andere verwijderd, en deze waren, gelijk naderhand bleek, van
verschillende volkeren. Na lang beraadslaagd en zich het hoofd gebroken
te hebben, over hetgeen hun te doen stond, kwamen zij eindelijk overeen,
om, terwijl het nog duister was, den ouden wilde, Vrijdags vader, op
verspieding te laten uitgaan, ten einde, zoo mogelijk, iets te vernemen,
waarom zij kwamen, wat zij voornemens waren te doen, en wat dies meer
is. De oude man begreep dit spoedig, en na zich geheel ontkleed te
hebben, gelijk meest al de wilden waren, ging hij heen. Na verloop van
een paar uur kwam hij terug, zeggende, dat hij, zonder ontdekt te
worden, onder hen geweest was, dat er twee partijen waren en van
verschillende natiën, die in oorlog geweest waren, en elkander een
grooten slag in hun eigen land hadden geleverd, waarbij van weerszijden
verscheidene gevangenen gemaakt waren. Nu waren zij toevallig op
hetzelfde eiland gekomen om van hunne gevangenen een feestmaal te
houden, maar dit zamentreffen op dezelfde plaats had al hunne vreugde
vergald; zij waren zeer verwoed en zoo nabij elkander, dat zij elkander
waarschijnlijk weder zouden bevechten, zoodra het dag werd. Hij had
echter niet bemerkt, dat zij eenig vermoeden hadden, dat er buiten hen
nog iemand op het eiland zich bevond. Naauwelijks had hij zijn verhaal
geëindigd, of aan het ongewone rumoer konden zij hooren, dat de twee
kleine legers weder in een bloedig gevecht waren.

Vrijdags vader gebruikte al zijne welsprekendheid om hen te overreden,
dat zij zich verbergen zouden en niet laten zien. Hij zeide, dat dit het
veiligste was, en dat zij niets behoefden te doen dan zich stil te
houden; de wilden zouden elkander onderling ombrengen, en dan zouden de
overblijvenden heengaan; gelijk ook werkelijk zoo gebeurde. Maar het was
hem onmogelijk hen hiertoe over te halen, vooral de Engelschen; bij deze
had de nieuwsgierigheid zoo ver de overhand boven de voorzigtigheid, dat
zij volstrekt het gevecht moesten zien. Echter gebruikten zij toch de
voorzorg van er niet openlijk heen te gaan, uit hunne woning, maar zij
gingen dieper het bosch in en plaatsten zich zoo, dat zij veilig het
gevecht konden aanzien, zonder, naar zij geloofden, gezien te kunnen
worden; het schijnt echter, dat de wilden hen zagen, gelijk later
blijken zal.

Het gevecht was zeer hevig, en als men de Engelschen gelooven mag,
bemerkten zij, dat er eenige mannen onder waren van groote dapperheid,
onwrikbaren moed en zeer bedreven in het bestieren van het gevecht. Het
gevecht duurde twee uren, zeiden zij, voor zij konden gissen, welke
partij het onderspit zou delven; maar toen begon de troep, die het
digtst bij onze woning was, te verflaauwen, en na eene poos namen
eenigen de vlugt. Dit verwekte weder groote bekommering bij ons volk,
dat eenigen in het boschje zouden vlugten voor hunne woning, om zich
daarin te verbergen, en hierdoor onwillekeurig de plaats ontdekken, en
de vervolgers uit dien hoofde, als zij hen najoegen, insgelijks. Hierop
besloten zij gewapend binnen den muur te blijven, en als er een het
boschje indrong, dien zoo mogelijk te dooden, ten einde niemand zou
terugkeeren om het bekend te maken. Zij gelastten ook dit te doen met
de sabels of geweerkolven, en niet op hen te schieten, uit vrees dat het
schot de aandacht mogt trekken der overigen.

Gelijk zij verwachtten, zoo gebeurde het; drie man van de verslagen
troep namen de vlugt, staken de kreek over en liepen regt op hunne
woning aan, om zich in het boschje te verbergen. De verspieder, die
buiten stond, gaf hun hiervan kennis, tevens met het aangename berigt,
dat de overwinnaars hen niet vervolgden, en niet gezien hadden waarheen
zij gevlugt waren. Hierop wilde de Spaansche gouverneur, een zeer
menschlievend man, niet toelaten, dat de drie vlugtelingen gedood
werden, maar drie man achter den heuvel omzendende, gelastte hij hun hen
achterop te gaan en gevangen te nemen, gelijk ook geschiedde. Het
overschot der overwonnenen vlugtte naar hunne kanoes en stak in zee; de
overwinnaars trokken terug en vervolgden hen weinig of niet, maar gingen
bijeenstaan en hieven tweemaal een luid geschreeuw aan, waardoor zij
naar het scheen victorie riepen, en hiermede was het gevecht geëindigd.
Denzelfden dag, des namiddags te drie uren, begaven zij zich ook in
hunne kanoes. Aldus zagen de Spanjaards hun eiland weder van hen
bevrijd; hun angst was voorbij, en verscheidene jaren achtereen vernamen
zij niets van de wilden.

Nadat allen vertrokken waren, kwamen de Spanjaarden uit hunnen
schuilhoek, en de plaats van het gevecht overziende, vonden zij daar
tweeëndertig dooden liggen, sommigen waren met groote, lange pijlen
gedood, waarvan verscheiden nog in hun ligchaam staken, maar de meesten
waren afgemaakt met die groote houten zwaarden, waarvan zij nog zestien
of zeventien op de plek vonden, en even veel bogen en eene menigte
pijlen. Deze zwaarden waren groote, onbehouwen dingen, en men moest zeer
veel kracht hebben om ze te kunnen zwaaijen. De meesten hadden dan ook
het hoofd verbrijzeld en verscheidene armen of beenen gebroken, zoodat
het bleek, dat zij met de uiterste verwoedheid gevochten hadden. Al die
zij vonden waren dood, want of zij blijven bij hunnen vijand tot zij hem
geheel afgemaakt hebben, of zij nemen al hunne gekwetsten, als er nog
eenig leven in is, mede.

Deze gebeurtenis bragt onze Engelschen voor eene poos tot bedaren, want
het gezigt van het gevecht had hen met afschuw vervuld, en deszelfs
uitslag scheen allen allerverschrikkelijkst, vooral bij de bedenking,
dat zij den een of anderen tijd in handen dier wezens konden vallen, die
hen niet alleen als vijanden zouden dooden, maar hen slagten om hen op
te eten, gelijk wij het vee doen. En zij verklaarden mij, dat het
denkbeeld, om als ossen- of schapenvleesch opgegeten te worden, schoon
het te verwachten was dat dit ook eerst na hunnen dood zou plaats
grijpen, hun zoo afschuwelijk voorkwam, dat zij er van walgden, en niet
konden eten, als zij er slechts aan dachten, zoodat het verscheidene
weken duurde eer zij weder tot zichzelven kwamen. Gelijk ik zeide,
maakte dit zelfs de drie Engelschen eene geruime poos handelbaar; die al
dien tijd zeer gezellig leefden en medewerkten; zij plantten, zaaiden,
oogstten, en begonnen zich aan het leven aldaar te gewennen; maar eene
poos daarna gedroegen zij zich weder zoo, dat zij niet weinig onrust
verwekten.

Zij hadden, gelijk ik gezegd heb, drie gevangenen gemaakt, en daar dit
jonge, sterke mannen waren, hadden zij hen tot dienstboden gemaakt, en
lieten hen voor hen werken, hetgeen vrij wel ging. Zij behandelden hen
echter niet, gelijk ik mijn Vrijdag, namelijk, dat zij hen eerst
voorstelden hoe zij hun het leven gered hadden; en hen dan onderrigtten
in de eerste beginselen der wijsheid en godsdienst, hen beschavende, en
door zachte taal en goede behandeling aan zich verbindende; maar gelijk
zij hun iederen dag voedsel gaven, zoo gaven zij hun ook iederen dag
werk, en hielden hen daarmede genoeg bezig. Maar iets misten zij,
namelijk, dat zij hen zouden bijstaan en voor hen hun leven wagen,
gelijk mijn Vrijdag, die niet minder aan mij verknocht was, dan mijn
vleesch aan mijn gebeente.

Doch om verder te gaan; daar nu allen goede vrienden waren (want het
algemeene gevaar had hen schielijk verzoend), begonnen zij over hunne
omstandigheden te beraadslagen. Het eerst wat hun voor den geest kwam
was, dat daar zij zagen, dat de wilden bijzonder dat gedeelte van het
eiland bezochten, en er op hetzelve meer afgelegene en verborgen plekken
waren, die voor hunne manier van leven even geschikt waren, en zelfs
blijkbaar voordeeliger gelegen, of zij niet liever van woning zouden
veranderen, en eene andere plaats voor hunne plantaadje, en vooral ter
bewaring van hun vee en graan, zouden kiezen. Na lange overwegingen
besloten zij echter hunne woning niet te verplaatsen, omdat zij den een
of anderen tijd nog iets van hunnen gouverneur verwachtten te hooren,
waarmede zij mij bedoelden, en als ik iemand anders zou zenden om hen te
zoeken, zou ik hem zeker dien kant aanduiden, en als deze daar de plaats
vernield vond, zou hij besluiten, dat de wilden hen vermoord hadden, of
dat zij vertrokken waren, en zoo zou hun onderstand hun niet toekomen.
Zij besloten echter hun graan en vee in het dal te brengen, waarin mijne
spelonk was, waar het land voor weiland en bouwen even geschikt, en naar
het scheen in overvloed was. Bij nader overweging maakten zij in dit
besluit echter eenige verandering, namelijk een deel van hunne kudde
daarheen te voeren en een deel van hun graan daar te bouwen, en zoo een
gedeelte te behouden, als het andere mogt vermeld worden. Aan eene daad
van voorzigtigheid deden zij ook zeer verstandig, namelijk, dat zij de
drie wilden, die zij gevangen hadden genomen, nimmer iets toevertrouwden
van de plantaadje of het vee, dat zij in het dal nahielden, veel minder
van de spelonk, die zij in geval van nood als eene veilige schuilplaats
beschouwden, en waarheen zij ook de twee vaatjes buskruid bragten, die
ik hun bij mijn vertrek toegezonden had.

Zij besloten hierom niet van woonplaats te veranderen, maar daar ik die
zorgvuldig eerst met een muur en daarna door boomen verborgen had, en
zij nu ten volle overtuigd waren, dat hunne veiligheid er geheel van
afhing, dat niemand hen ontdekte, gingen zij aan het werk om die nog
meer te bedekken. Terwijl ik op een afstand van den ingang van mijn
verblijf boomen had geplant, of liever stekken, die thans tot boomen
opgeschoten waren, zoo gingen zij op gelijke wijze te werk en vulden het
overige van die plek aan tot aan de zijde van de kreek, waar ik mijne
vlotten aan wal bragt, ja zelfs tot in de bedding, die met hoogwater
onder liep, en lieten er geene landingplaats of eenig spoor, dat die er
geweest was. Daar, gelijk ik vroeger zeide, deze stekken van zeer welig
groeijend hout waren, en zij veel grooter en zwaarder dan ik kozen en ze
zeer digt bijeen plaatsten, was het na drie of vier jaren zoo digt
gegroeid, dat men op geringen afstand niets van de plantaadje zien kon.
De door mij geplante boomen waren thans zoo dik, dat men ze niet met de
hand omspannen kon, en daar tusschen hadden zij jong hout geplant,
zoodat het een paalwerk was geworden, dat ondoordringbaar was, behalve
voor een leger, sterk genoeg om het geheel te doen vallen. Het was zoo
digt, dat een hond er niet door had kunnen dringen.

Doch dit was hun niet genoeg, zij deden hetzelfde rondom den geheelen
heuvel, en lieten geen anderen uitgang open dan langs de ladder, die
tegen den heuvel geplaatst, halverwege opgehaald en waarmede dan de top
beklommen moest worden. Als dus de ladder weggehaald was, kon niemand
bij hen komen, die niet vliegen of tooveren kon. Dit was zeer goed
bedacht, en kwam hun naderhand zeer te pas; een bewijs voor mij, dat de
Voorzienigheid der menschen raadslagen bestuurt, en zoo wij oplettender
naar hare stem luisterden, houd ik mij overtuigd, dat wij vele
ongevallen zouden voorkomen, waaraan onze achteloosheid ons thans
blootstelt. Doch ik keer tot mijn verhaal terug.

Zij leefden vervolgens twee jaren volkomen rustig en zonder bezoek van
wilden. Op een ochtend hadden zij echter een valsch alarm, dat hun
grooten schrik aanjoeg; want eenige Spanjaarden, die vroeg in den morgen
uitgegaan waren, aan de westzijde van het eiland, waar ik nimmer ging,
uit vrees van ontdekt te worden, zagen met verbazing ongeveer twintig
kanoes met Indianen, die op het strand aanhielden. Zij haastten zich
naar huis om hunne makkers te waarschuwen, en bleven dien geheelen dag
en den volgenden in huis, en gingen alleen des nachts op verkenning uit.
Zij kwamen ditmaal echter met den schrik vrij; want waar de wilden ook
gingen, zij landden niet op het eiland.

Daarna hadden zij weder oneenigheid met de drie Engelschen. Een dezer,
een alleronrustigste kerel, werd woedend, omdat een van de drie slaven,
die zij, gelijk ik verhaald heb, bezaten, iets niet goed deed, wat hij
hem belastte, en deze welligt niet begreep. Hij haalde een bijl uit zijn
gordel, die hij bij zich droeg en viel op den armen wilde aan, niet om
hem te bestraffen, maar om hem dood te slaan. Een van de Spanjaards, die
daar in de nabijheid was, en zag hoe hij den wilde een onmenschelijke
houw met de bijl toebragt, die op het hoofd gemikt was, maar hem in den
arm trof, zoodat hij meende dat zijn arm afgehouwen was, liep naar hem
toe, verzocht hem den armen man niet te vermoorden, en trad tusschen hem
en den wilde, om verdere mishandelingen te voorkomen. De kerel, hierdoor
nog woedender geworden, deed eene houw naar den Spanjaard, en zwoer hem
zoo wel als den wilde te zullen doodslaan. De Spanjaard ontweek den
slag, en velde den aanvaller neder met eene spade, die hij in de hand
had, want hij was op het veld aan het werk. Een ander Engelschman schoot
zijn makker te hulp, en deed den Spanjaard nederstorten, en toen kwamen
weder twee Spanjaarden hunnen landgenoot te hulp, terwijl de derde
Engelschman hen aanviel. Zij hadden geen van allen geweren of andere
wapens dan hunne gereedschappen bij zich, behalve de derde Engelschman,
die eene oude roestige sabel droeg, waarmede hij de beide Spanjaarden
wondde. Dit gevecht bragt de geheele bevolking op de been, en toen er
meer hulp gekomen was namen zij de drie Engelschen gevangen. De eerste
vraag was thans wat met hen te doen. Zij waren zoo dikwijls oproerig
geweest, en zoo kwaadaardig, vermetel en tot leegloopen geneigd, dat zij
niet wisten wat met hen te beginnen, want het was gevaarlijk met hen om
te gaan, zij bekreunden er zich niet aan hoe zij iemand aanvielen,
zoodat het niet veilig was met hen te leven.

De Spanjaard gouverneur hield hun dit alles voor, en zeide ronduit, dat,
zoo zij zijne landslieden waren, hij hen allen zou laten ophangen; want
alle wetten en alle regeerders zijn tot de veiligheid der maatschappij,
en degenen, die voor dezelve gevaarlijk zijn, behooren daaruit geweerd
te worden; maar, daar zij Engelschen waren en zij aan de edelmoedigheid
van een Engelschman allen hun tegenwoordig behoud en hunne bevrijding te
danken hadden, wilde hij zoo zacht mogelijk jegens hen te werk gaan en
hen aan het oordeel van de twee andere Engelschen, hunne landslieden,
overlaten.

Een van de twee eerlijke Engelschen stond op en zeide, dat zij
verzochten hiervan ontslagen te zijn. "Want," zeide hij, "naar mijne
overtuiging zouden wij hen tot de galg moeten verwijzen." Hierop
verhaalde hij hoe Willem Atkins, een van de drie, voorgeslagen had, dat
al de vijf Engelschen zich vereenigen zouden, om al de Spanjaards in
hunnen slaap om te brengen. Toen de Spaansche gouverneur dit hoorde,
vroeg hij aan Atkins: "Hoe, sennor Atkins, zoudt gij ons allen willen
vermoorden? Wat hebt gij daarop aan te merken?" De verharde schurk wel
verre van het te ontkennen, zeide, dat het de waarheid was, en voegde
er met afgrijsselijke vloeken bij, dat hij het nog doen zou, den een of
ander tijd. "Maar sennor Atkins," vervolgde de Spanjaard, "wat hebben
wij u gedaan, dat gij ons zoudt willen vermoorden? en wat zoudt gij
winnen door ons te vermoorden? en wat moeten wij doen om u te beletten,
dat gij ons vermoordt? Moeten wij u dooden of door u vermoord worden?
Waarom wilt gij ons noodzaken een van beide te kiezen?" vervolgde de
Spanjaard zeer bedaard en glimlagchende.

Sennor Atkins werd echter zoo woedend, dat de Spanjaard er nog mede
spotte, dat men meende, dat zoo hij niet ongewapend geweest en door drie
man vastgehouden was, hij beproefd zou hebben den Spanjaard in aller
bijzijn te vermoorden. Dit uitsporig gedrag noodzaakte hen ernstig na te
denken wat hun te doen stond. De twee Engelschen en de Spanjaard, die
den armen slaaf gered hadden, waren van oordeel, dat zij een van de
drie, tot een voorbeeld voor de overigen, moesten ophangen, met name
hij, die tweemaal met zijne bijl een moord had willen begaan, en
misschien er een begaan had, want de arme wilde was in zulk een
gevaarlijken toestand, dat men niet dacht, dat hij er van zou opkomen.

Doch de Spaansche gouverneur zeide nogmaals neen. Een Engelschman had
hun allen het leven gered, en nimmer zou hij er in toestemmen een
Engelschman het leven te benemen, al had hij de helft van hen vermoord,
ja, hij zeide, al werd hij zelf door een Engelschman vermoord, en hij
kon nog slechts eenige woorden spreken, zouden deze zijn, dat men hem
vergiffenis moest schenken. Hierop stond hij zoo bepaald, dat er niet
tegen in te brengen viel, en gelijk een raad tot genade gewoonlijk de
overhand behoudt als hij ernstig aangedrongen wordt, stemden zij allen
er in toe. Maar nu moest men bedenken hoe men hen zou beletten hun
voorgenomen misdadig opzet te volvoeren, want allen, ook de gouverneur,
kwamen hierin overeen, dat zij voor gevaar van hunnen kant moesten
beveiligd worden. Na eenige beraadslagingen kwam men overeen,
eerstelijk, dat zij ontwapend en hun noch geweer noch sabel, kruid noch
lood, noch eenig wapen toegestaan zou worden, en dat zij uit het
gezelschap verjaagd zouden worden, en op zichzelven, waar en hoedanig
zij konden, zouden leven; maar dat geen der overigen, hetzij Spanjaarden
of Engelschen, met hen omgaan, hen toespreken, of iets met hen
uitstaande zou hebben; dat het hun verboden zou worden binnen een
zekeren afstand te komen van de plaats, waar de overigen woonden; en dat
zoo zij eenige wanorde pleegden, als rooven, branden, of iets van de
veldvruchten, gebouwen, heiningen of vee, vernielen of dooden mogten,
zij zonder genade zouden sterven, en men hen zou doodschieten, waar men
hen aantrof.

De gouverneur, een allermenschlievendst man, overdacht dit vonnis eene
poos, en keerde zich daarop tot de twee eerlijke Engelschen, zeggende:
"Gij moet echter bedenken, dat het lang duren zal eer zij zelf graan
geoogst of vee gefokt hebben, en zij moeten niet van honger omkomen;
wij moeten hun dus voorraad geven." Hij zorgde daarop, dat hun
genoegzaam graan verstrekt werd voor acht maanden en om te zaaijen;
binnen welken tijd zij eenig graan zelf konden telen; tevens zouden zij
ontvangen zes melkgeiten, vier bokken en zes jonge geitjes, zoowel ter
aanfokking als om van te leven; en men hun werktuigen geven om den
veldarbeid te verrigten, en zes bijlen, een boor, een zaag en
dergelijke; maar deze werktuigen zouden zij niet verkrijgen zonder
vooraf plegtig te zweren, dat zij met dezelve geen der Spanjaarden of
hunne landslieden eenig kwaad zouden doen.

Aldus werden zij uit de maatschappij gezet, om voor zichzelve te zorgen.
Zij vertrokken norsch en met weerzin; want zij wilden noch blijven, noch
heengaan, maar daar hier geen tusschenweg was, vertrokken zij, zeggende,
dat zij eene plek gingen zoeken, waar zij op zichzelven konden wonen en
werken; eenige levensmiddelen werden hun medegegeven, maar geen wapens.

Vier of vijf dagen later kwamen zij terug om eenige levensmiddelen te
halen, en den gouverneur te zeggen waar zij hunne tenten opgeslagen en
eene plek gronds afgestoken hadden om hutten te bouwen en eene
plantaadje aan te leggen. Het was inderdaad eene zeer geschikte plek,
aan het N. O. einde van het eiland, ongeveer op de plek, waar ik
gelukkig belandde op mijne eerste reis, toen ik naar zee gedreven was,
in mijne dwaze onderneming om het eiland rond te varen. Hier bouwden zij
twee knappe hutten, in den smaak van mijne eerste woning, tegen de
helling van een heuvel, waar eenige boomen reeds aan drie kanten
stonden, zoodat de plek, door er eenige bij te planten, spoedig, zonder
scherp nazoeken, niet meer te vinden zou zijn. Zij verzochten om eenige
gedroogde geitenvellen om op te slapen en zich mede te dekken, die hun
gegeven werden, en nadat zij beloofd hadden geen kwaad te doen aan de
overigen of hunne plantaadjen, gaf men hun bijlen en ander gereedschap,
zooveel men missen kon, eenige erwten, graan en rijst om te zaaijen, en
kortom alles wat zij noodig hadden, behalve wapens en kruid en lood.

Aldus afgescheiden leefden zij ongeveer zes maanden, en hadden hunnen
eersten oogst binnengehaald, schoon die weinig was, daar zij slechts
een klein stuk gronds bebouwd hadden. Zij hadden ook, daar zij de
geheele plantaadje eerst moesten aanleggen, volop werk, en toen zij
planken en potten en dergelijke zouden maken, konden zij het in het
geheel niet klaren, en toen het regensaizoen kwam, liep al hun graan
gevaar van te verrotten, omdat zij geen kelder hadden, om het in droog
te houden. Dit maakte hen wat gedweeër; dus kwamen zij de Spanjaards
smeeken hen te helpen, hetgeen deze gewillig deden, en in vier dagen
voor hen eene groote spelonk delfden, in de zijde van de heuvel, groot
genoeg om hun koorn en andere goederen in te bewaren. Het was echter
slechts een gebrekkige bergplaats, vergeleken bij mijn kelder, vooral
zoo als die nu was, want de Spanjaarden hadden dien veel vergroot en er
verscheidene nieuwe vertrekken bij gemaakt.

Ongeveer drie vierendeel jaars hierna, haalden de drie schelmen zich
weder iets anders in het hoofd, dat met de vroegere schurkerij, door hen
begaan, hun onheil genoeg berokkende, en bijkans den geheelen ondergang
der kolonie bewerkt had. Onze drie knapen begon het werkzame leven, dat
zij, en dat zonder hoop op verbetering in hunne omstandigheden, leidden,
naar het schijnt, te vervelen; en zij vatten het plan op om een reis te
maken naar het vasteland, vanwaar de wilden kwamen, om te zien of zij
daar onder de inboorlingen niet eenige gevangenen konden maken en naar
huis brengen, ten einde deze het zwaarste werk voor hen verrigtten.

Dit ontwerp was niet zoo kwaad overlegd, maar deze kerels deden niets
zonder daarbij kwaad te bedoelen; als ik mijn gevoelen zeggen mag,
schenen zij onder 's Hemels vloek te liggen. Het was gewis een blijkbare
straf voor hunne moordzucht en muiterij, die hen in hunnen toestand
bragt, en daar zij niet de minste wroeging betoonden, maar er nieuwe
snoodheden bijvoegden, zoo als het kwetsen van een armen slaaf, omdat
hij niet begreep, of misschien niet verstond wat hem gelast werd, en wel
zoodanig, dat hij al zijn leven verminkt bleef, en dat in eene plaats,
waar geen geneeskundige hulp te vinden was; en wat nog het ergste was,
het moorddadig opzet, of beter gezegd, den voorgenomen moord, gelijk
het was, zoowel als hun openlijk erkend voornemen, om al de Spanjaards
in koele bloede te vermoorden als zij in slaap waren. Doch ik keer tot
mijn verhaal terug.

De drie kerels kwamen op een morgen naar de Spanjaards toe, en
verzochten zeer gedwee hen eens te mogen spreken. De Spanjaards waren
bereid te hooren wat zij te zeggen hadden, hetgeen hierop neerkwam.
Langer zoo te leven, verveelde hen. Zij waren niet vlug genoeg om te
maken wat zij noodig hadden, en zagen wel in, dat zij zonder hulp van
gebrek zouden omkomen, maar zoo de Spanjaards hun een van de kanoes
wilden geven, waarmede zij op het eiland gekomen waren, en genoegzame
wapens en kruid en lood, om zich te verdedigen, zouden zij naar het
vasteland oversteken en hunne fortuin zoeken, en hen zoo van den last
bevrijden, hun van meer voorraad te voorzien.

De Spanjaarden waren wel blijde, dat zij van hen ontslagen zouden raken,
maar stelden hun toch eerlijk voor hoe zij zeker hun verderf in den mond
liepen, en zeiden, dat zij daar zooveel ongemakken hadden moeten
verduren, dat zij, zonder profeten te zijn, hen konden voorspellen te
verhongeren of vermoord te zullen worden, en verzochten hen hierover na
te denken.

Zij antwoordden vrij norsch, dat zij zeker verhongeren zouden als zij op
het eiland bleven, want zij konden niet werken en wilden niet werken;
dus mogt het even zoo goed elders gebeuren; wierden zij vermoord dan was
het met hen gedaan; vrouwen noch kinderen zouden hen beweenen; kortom,
zij drongen er sterk op aan, en verklaarden, dat zij vertrekken zouden,
hetzij men hun wapens wilde geven of niet. De Spanjaards zeiden daarop
zeer goedhartig, dat als zij volstrekt gaan wilden, zij niet naakt en
bloot en zonder verdedingsmiddelen behoefden te gaan, en hoewel zij
slecht hunne vuurwapens konden missen, daar zij zelfs voor zich niet
genoeg hadden, zouden zij hun twee geweren, eene pistool, eene sabel en
drie bijlen medegeven, waaraan zij huns oordeels genoeg hadden.

Zij namen dit aanbod aan, en nadat men hen voor eene maand van brood
voorzien had, en van zooveel geitenvleesch als zij konden eten, zoo lang
het goed bleef; een groote mand vol rozijnen, een jonge geit om te
slagten en een groote pot met zoet water, ondernamen zij moedig in hunne
kanoe de reis over zee, waar die ten minste veertig (Eng.) mijlen breed
was. De boot was zeker groot en had zeer goed vijftien of twintig man
kunnen bevatten, en dus zwaar genoeg voor hen om te besturen; maar daar
de wind en het getij hun gunstig was, ging het zeer goed. Zij hadden van
een langen staak een mast gemaakt en een zeil van vier groote gedroogde
geitenvellen, dat hen snel genoeg deed voortuitgaan. De Spanjaards
riepen hun achterna: _Buen viago_, en niemand dacht, dat hij hen ooit
weder zou zien.

Dikwijls zeiden de Spanjaarden tegen elkander en de twee achtergebleven
eerlijke Engelschen: hoe rustig en genoegelijk leven wij thans, nu die
drie onruststokers weg zijn. Dat zij ooit weder zouden komen, daaraan
dachten zij het minst, doch twintig dagen na hun vertrek zag een der
Engelschen, die op het veld arbeidde, in de verte drie vreemde gestalten
naar zich toekomen, waarvan twee geweren op den schouder hadden. Weg
liep de Engelschman alsof hij dol was, en kwam geheel ontzet bij den
Spaanschen gouverneur, zeggende, dat zij verloren waren, want er waren
vreemdelingen op het eiland, hij wist niet wie. Na eenig nadenken zeide
de Spanjaard: "Wat meent gij, dat gij niet weet wie. Het zijn toch zeker
wilden?"--"Neen, neen," zeide de ander, "zij hebben kleederen en
wapens."--"Welnu," zeide de Spanjaard, "waarvoor vreest gij dan? Zijn
het geen wilden, dan zijn het vrienden, want geen Christennatie op de
wereld is er, die ons anders dan goed zou doen."

Terwijl zij spraken kwamen de drie Engelschen nader, en het bosch voor
de woning intredende, riepen zij hun toe. Zij herkenden de stemmen en
alle verwondering van dien aard hield dus op. Maar nu waren zij over
iets anders verwonderd, namelijk hoe het kwam, dat men hen terugzag.
Weldra waren zij aangekomen, en op de vraag, waar zij geweest waren, en
wat zij uitgerigt hadden, verhaalden zij in korte woorden hunne geheele
reis, namelijk, hoe zij in minder dan twee dagen het land ontdekt
hadden, doch bij hunne nadering het volk op de been en gereed vindende
hen met boog en pijl te bevechten, durfden zij niet aan wal gaan, maar
zeilden zes of zeven uren noordwaarts, tot zij aan eene groote opening
kwamen, waaraan zij bespeurden, dat het land, dat zij van ons eiland
gezien hadden, niet het vasteland, maar ook een eiland was. In de
opening gekomen, zagen zij een ander eiland regts van hen, in het
noorden, en nog verscheidene in het westen. Besloten hebbende ergers te
landen, hielden zij op een der westelijke eilanden aan, en stapten
moedig aan wal. Zij vonden het volk vriendschappelijk; men gaf hun
verscheidene wortelen en gedroogden visch, en ontving hen zeer
welwillend, zoo wel vrouwen als mannen voorzagen hen vlijtig van
levensmiddelen, en bragten die een groot eind weegs ver, op het hoofd.
Zij bleven daar vier dagen, en vroegen door teekens, zoo goed zij
konden, wat slag van volk elders op de eilanden woonde. Men gaf hun te
kennen, dat overal woest en kwaad volk woonde, dat menscheneters waren;
zij echter aten nimmer menschenvleesch, behalve van in den oorlog
gemaakte gevangenen, dan hielden zij van deze een groot gastmaal. De
Engelschen vroegen wanneer zij zulk een feestmaal zouden houden, en zij
antwoordden, twee manen later, door op de maan te wijzen en dan twee
vingers op te steken; en dat hun groote koning thans tweehonderd
gevangenen gemaakt had, en dat zij die vet maakten voor het volgende
feest. De Engelschen schenen zeer verlangend om deze gevangenen te zien,
maar de wilden begrepen hunne meening verkeerd, en dachten, dat zij
eenigen van hen verlangden om zelf op te eten. Zij wezen dus eerst naar
de ondergaande en dan naar de opgaande zon, om te beduiden, dat zij den
volgenden morgen met zonsopgang hun eenigen zouden brengen, en den
volgenden morgen kwamen zij met vijf vrouwen en elf mannen aan, en gaven
die aan de Engelschen om op reis mede te nemen, even als wij in een
zeehaven ossen en koeijen zouden brengen om een schip te provianderen.

Hoe ruw en woest de Engelschen ook waren, maakte dit gezigt toch diepen
indruk op hen, en zij wisten niet wat zij zouden doen; de gevangenen te
weigeren, ware de grofste beleediging geweest, die zij den wilden hadden
kunnen aandoen, en wat zij er mede beginnen zouden wisten zij niet. Zij
besloten echter, na eenig beraad, hen aan te nemen, en gaven wederkeerig
aan de wilden, die hen gebragt hadden, een hunner bijlen, een ouden
sleutel, een mes en zes of zeven kogels, welke laatsten hen bijzonder
schenen te bevallen, schoon zij er niets mede konden doen. Daarop werden
de arme gevangenen gebonden en door de wilden in de boot gebragt.

De Engelschen waren verpligt zoo spoedig mogelijk te vertrekken, anders
zouden de gevers van dit geschenk zeker verwacht hebben, dat zij er den
volgenden morgen een paar van geslagt en misschien de gevers ten
maaltijd er op genoodigd hadden. Zij namen dus afscheid met alle
vriendschapsbetuigingen, die mogelijk waren tusschen menschen, waarvan
de een geen woord verstond wat de ander zeide, staken van wal en kwamen
terug naar het eerste eiland, waar zij aan wal stapten en acht der
gevangenen in vrijheid stelden, daar zij er te veel hadden. Onder weg
trachtten zij met hunne gevangenen te spreken, maar zij konden hun niets
aan het verstand brengen; wat zij ook zeiden, of deden of gaven, uit
alles begrepen zij, dat hun oogmerk was hen te vermoorden. Eerst maakten
zij hen los, maar zij gilden hierbij verschrikkelijk, vooral de vrouwen,
alsof zij het mes reeds in hunne keel gevoelden, want zij besloten
dadelijk, dat hunne banden alleen losgesneden werden om hen ter dood te
brengen. Gaven zij hun iets te eten, het was even zoo, dat begrepen zij
was uit vrees, dat zij vermageren zouden en niet vet genoeg worden om
geslagt te worden. Zagen zij een hunner slechts aan, zij begrepen
dadelijk, dat het was om te zien of hij de vetste of beste was om te
slagten, ja, nadat zij hen overgevoerd hadden, en goed behandelden,
verwachtten zij nog elk oogenblik, dat zij tot voedsel voor hunne nieuwe
meesters moesten strekken.

Nadat de drie zwervers dit verhaal hunner lotgevallen gedaan hadden,
vroegen de Spanjaarden, waar de wilden waren, die zij medegebragt
hadden, en vernemende, dat zij die aan wal en in een hunner hutten
gebragt hadden, en eenige levensmiddelen voor hen kwamen vragen, begaven
de Spanjaarden en Engelschen, dat wil zeggen de geheele kolonie, zich
derwaarts om hen te zien, en Vrijdags vader ging mede. In de hut
gekomen, vonden zij hen allen gebonden zitten; want toen zij hen aan wal
gebragt hadden, hadden zij hen gebonden, opdat zij niet met de boot
zouden ontsnappen; dus zaten zij daar, allen geheel naakt. Eerstelijk
drie mannen, kloeke, welgebouwde kerels, van dertig of vijfendertig jaar
oud, en vijf vrouwen, waarvan twee tusschen de dertig en veertig, en
twee vier of vijfentwintig jaar oud konden zijn; de vijfde was een rank,
welgemaakt meisje van zestien of zeventien jaar. De vrouwen zagen er in
vorm en trekken niet kwaad uit, buiten hare bruine kleur, en twee van
haar zouden, als zij blank geweest waren, zelfs in Engeland voor
schoonheden zijn doorgegaan, daar zij een zeer bevallig gelaat en zedig
voorkomen hadden, vooral toen zij later gekleed en opgeschikt waren,
gelijk zij het noemden, schoon haar opschik waarlijk weinig beteekende,
doch hierover nader.

Dit gezigt was eenigzins stuitend voor de Spanjaards, die, om hun regt
te doen wedervaren, mannen van het braafste gedrag en van het
bezadigdste gemoed, en in het bezit van de volmaaktste opgeruimdheid
waren, die ik ooit ontmoet heb, en vooral waren zij allerzedigst van
aard, gelijk blijken zal. Het was voor hen een stuitend gezigt, zeg ik,
drie mannen en vijf vrouwen, geheel naakt, gebonden, en in den
jammerlijksten toestand, waarin een menschelijk wezen vervallen kan, te
zien, namelijk van elk oogenblik te verwachten als gemeste kalveren naar
buiten gesleept, den hals afgesneden en opgegeten te worden. Zij zeiden
dus tot den ouden Indiaan, Vrijdags vader, dat hij naar binnen zou gaan,
en eerst zien of hij een hunner kende, en vervolgens of hij hen verstaan
kon. Zoodra de oude man inkwam, beschouwde hij hen een voor een, maar
kende hen niet, ook kon hij zich door woorden, noch door teekens aan hen
doen verstaan, behalve aan eene vrouw. Dit was echter voldoende, om hen
te berigten, dat de lieden, in wier handen zij gevallen waren,
Christenen waren; dat deze het eten van menschenvleesch verfoeiden, en
zij er op rekenen konden niet gedood te zullen worden. Zoodra zij
hiervan verzekerd waren, legden zij zoo veel vreugde aan den dag, en op
zulke vreemde en zonderlinge wijzen, dat het niet te beschrijven was,
want zij waren, naar het schijnt, van verschillende natiën.

Daarop werd de vrouw, die tot tolk diende, gelast hen te vragen, of zij
als dienstboden wilden werken voor de lieden, die hen medegebragt hadden
om hun het leven te redden. Allen begonnen te dansen van blijdschap, en
daarop nam de een dit, de ander dat op, wat voor de hand lag, en droeg
het op de schouders, om te kennen te geven, dat zij wel wilden werken.

De gouverneur, die begreep, dat het verblijf van vrouwen onder hen
somwijlen tot onaangenaamheden, en misschien tot twist en bloedstorting
aanleiding zou kunnen geven, vroeg aan de drie mannen, wat zij met deze
vrouwen voor hadden, en hoe zij haar wilden beschouwen, als dienstboden
of als huisvrouwen. "Als beide," antwoordde een der Engelschen dadelijk.
De gouverneur antwoordde: "Daarin wil ik u niet tegengaan; gij zijt de
meester daaromtrent te handelen zoo als gij wilt; maar ik acht het
billijk om twist en tweedragt tusschen u te vermijden, en ik verlang het
alleen om die reden, dat zoo iemand uwer een dezer vrouwen tot zijne
huisvrouw neemt, hij er slechts eene zal nemen, en dat, schoon wij u
niet in den echt kunnen verbinden, zij echter als uwe wettige vrouw
beschouwd wordt, zoo lang gij op dit eiland blijft althans." Allen
achtten dit zoo billijk, dat zij er zonder aarzelen in toestemden.

Daarop vroegen de Engelschen of de Spanjaarden ook eenige wilden nemen,
doch allen zeiden neen. Sommigen zeiden, dat zij in Spanje vrouwen
hadden, anderen, dat zij geene Heidin tot vrouw begeerden, en allen
verklaarden, dat zij er niets mede wilden uitstaan hebben; waarlijk, een
voorbeeld van deugd, zoo als ik op al mijne reizen niet meer ontmoet
heb. Aan den anderen kant nam ieder der vijf Engelschen eene vrouw, en
zoo begonnen zij eene nieuwe levenswijze, want de Spanjaarden en
Vrijdags vader bleven mijn oud verblijf bewonen, dat zij van binnen
aanmerkelijk vergroot hadden; de drie slaven, die zij in het gevecht der
wilden hadden gevangen genomen, woonden bij hen; en zij verzorgden de
geheele kolonie bijkans, daar zij de overigen met levensmiddelen en
bijstand, waar dit noodig was, ondersteunden.

Maar het zonderlingste was hoe vijf zulke onrustige en onhandelbare
kerels het schikten omtrent de vrouwen, en dat twee van hen niet
dezelfde vrouw verkozen, vooral daar twee of drie van haar
ontegenzeggelijk veel fraaijer dan de andere waren. Doch zij namen een
goed middel te baat, om daaromtrent allen twist te voorkomen; want zij
plaatsten de vijf vrouwen in eene hut, en gingen allen in eene andere
hut, en toen lootten zij wie het eerst kiezen zou. Degeen, wien dit te
beurt viel, ging alleen naar de hut, waar de arme naakte schepsels
waren, en koos daar eene uit. Het was echter opmerkelijk, dat hij, die
het eerst kiezen mogt, degeen nam, die men voor de leelijkste en oudste
van de vijf hield, hetgeen de anderen niet weinig vermaakten, en zelfs
de Spanjaards schaterden van lagchen. Maar de man had beter dan zij
bedacht, dat vlijt en werkzaamheid hen het meest baatten, en zij was,
wat dat betreft, de beste vrouw van allen.

Toen de arme vrouwen zagen, dat zij zoo op eene rij gesteld en een voor
een uit de hut gehaald werden, nam de angst bij haar weder de overhand,
en zij geloofden met zekerheid, dat zij thans geslagt zouden worden.
Toen dus de Engelsche matroos inkwam en eene van haar medenam, begonnen
allen jammerlijk te krijten, en namen van haar een zoo droevig afscheid,
dat de hardvochtigste mensch er door had moeten getroffen worden; ook
konden de Engelschen haar niet beduiden, dat zij niet dadelijk vermoord
zouden worden, voor zij Vrijdags vader in de hut hadden gezonden, die
haar te kennen gaf, dat de vijf lieden, die haar een voor een uit de hut
gehaald hadden, haar tot vrouw namen. Toen dit afgeloopen en de angst
der vrouwen wat bedaard was, gingen hare mannen aan het werk en de
Spanjaarden kwamen om hen te helpen, en binnen weinige uren hadden zij
voor ieder eene nieuwe hut of tent opgeslagen om afzonderlijk te
bewonen, want degenen, die zij hadden, waren reeds vol met hunne
gereedschappen, huisraad en levensmiddelen. De drie slechte Engelschen
hadden zich verst af, en de twee goede digter bij, doch beide aan de
noordzijde des eilands nedergezet, zoo dat zij als te voren gescheiden
waren. Aldus was mijn eiland op drie plaatsen bevolkt en kon men zeggen,
dat er drie dorpen op ontstaan waren.

Nu verdient het wel hier vermeld te worden, dat, gelijk het dikwijls in
de wereld gebeurt (zonder dat ik zeggen kan waarom de Goddelijke
wijsheid het dus beschikt), dat de twee brave lieden de kwaadste wijven
hadden, en dat de drie schurken, die naauwelijks een strop waard waren,
die alleen geboren schenen om zichzelven en anderen kwaad te doen, drie
knappe, vlijtige, zorgvuldige, schrandere vrouwen hadden; niet dat de
twee andere boosaardig van karakter waren, want alle vijf waren zeer
onderdanige, zachtaardige schepsels, veeleer slavinnen dan huisvrouwen;
maar zij waren niet even schrander, vlug van begrip of even zindelijk en
net.

Nog moet ik aanmerken tot eer der werkzaamheid, en schande van een
traag, achteloos en onverschillig karakter, dat toen ik op het eiland
kwam en de verschillende bouwingen en verbeteringen der onderscheidene
kleine kolonies naging, de twee Engelschen de andere drie zoo ver
vooruit waren, dat het niet bij elkander te vergelijken was. Zij hadden
wel beide even veel grond voor koorn ontgind als zij noodig hadden, want
mijns inziens schreef de natuur voor niet meer graan te bouwen dan zij
noodig hadden, maar het onderscheid in de behandeling van het land, de
omheiningen, kortom in alles viel bij den eersten opslag ieder in het
oog.

De twee Engelschen hadden om hunne hutten eene ontelbare menigte jonge
boompjes gezet, zoodat men, daar komende, niets dan een bosch zag, en
schoon hunne plantaadje tweemaal vernield was, eens door hunne
landslieden en eens door de wilden, gelijk wij later zullen hooren, was
alles weder in een bloeijenden toestand; zij hadden wijngaarden geplant
en geleid, schoon zij nimmer te voren die gezien hadden, en hunne
druiven waren uitstekend. Zij hadden ook in het digtste van het bosch
eene schuilplaats gemaakt, en schoon daar geen natuurlijke spelonk was,
hadden zij er met ontzettenden arbeid eene gemaakt, waar, toen het
eiland in onrust was, hunne vrouwen en kinderen eenige veilige
schuilplaats vonden; zij hadden door ontelbare stekken en takken te
planten van een hout, dat, gelijk ik zeide, zoo welig groeide, een
ondoordringbaar bosch gemaakt, behalve op eene plaats, waar zij aan de
buitenzijde konden overklimmen, en dan een hun bekend pad moesten
volgen.

De drie schurken, gelijk ik hen te regt noemde, schoon zij thans veel
beschaafder waren door hunne nieuwe huishouding, vergeleken bij vroeger,
en niet meer zoo twistziek, omdat zij er niet zoo veel gelegenheid toe
hadden; bleven toch altijd eene eigenschap van een bedorven karakter
behouden, namelijk hunne luiheid. Het is waar, zij bouwden graan en
maakten heiningen, maar nimmer werden Salomo's woorden meer bevestigd
dan bij hen: "ik ging den akker des luijaards voorbij en hij was vol
doornen," want toen de Spanjaarden naar hun graan kwamen zien, was het
op verscheidene plaatsen door het onkruid verstikt, er waren
onderscheidene gaten in de heining, waar de wilde geiten doorgedrongen
en het graan afgegeten hadden. Hier en daar waren wel eenige dorre
takken gestoken om hen buiten te houden, maar dit was de put dempen toen
het kalf verdronken was. Op de plantaadje der anderen daarentegen scheen
alles gezegend en voorspoedig te zijn, er was geen onkruid onder hun
graan, geen gat in hunne heining, en ook zij bevestigden, dat de hand
des vlijtigen rijk maakt. Want alles stond welig te groeijen, zij hadden
overvloed binnen en buiten 's huis, meer tam vee en meer gereedschappen
dan de anderen, en toch meer genoegen en uitspanningen.

Wel waren de vrouwen der drie Engelschen binnen 's huis zeer handig en
net, en na van een der Engelschen, die, gelijk ik gezegd heb, koksmaat
was geweest, op de Engelsche wijze te hebben leeren koken, maakten zij
zeer goed het eten voor hunne mannen gereed, hetgeen de beide anderen
niet aan het verstand gebragt kon worden, doch hier deed de gewezen
koksmaat het zelf. De drie Engelschen echter zwierven rond om
schildpadeijeren te zoeken, vogels te vangen, en te visschen; kortom,
zij deden alles behalve werken, en het ging hun dan ook daarnaar. De
vlijtigen leefden genoegelijk en in overvloed, en de tragen bekrompen en
in armoede, gelijk het over het algemeen, geloof ik, de geheele wereld
doorgaat.

Maar thans kom ik tot eene gebeurtenis, geheel verschillende van hetgeen
hen of mij ooit gebeurd was, en de oorzaak hiervan was als volgt.

Op een vroegen morgen kwamen vijf of zes kanoes met wilden aan land,
ongetwijfeld met het oude oogmerk van hunne gevangenen te verslinden.
Doch de Spanjaarden waren thans met zulk een gebeurtenis zoo gemeenzaam
geworden, dat zij er zich niet zoo om bekommerden als ik; maar daar de
ervaring hun geleerd had, dat het alleen hunne zaak was verborgen te
blijven, en dat de wilden, zoo zij slechts niets van hen bespeurden,
stilletjes zouden vertrekken na hun oogmerk volvoerd te hebben, ik zeg,
dit wetende, gaven zij slechts kennis hiervan aan al de bewoners, zich
binnen 's huis te houden, en plaatsen alleen een verspieder om hun te
berigten als de booten weder in zee staken. Dit was ongetwijfeld zeer
verstandig, maar een onvoorzien toeval verijdelde al hunne maatregelen,
en maakten den wilden bekend, dat er bewoners op het eiland waren,
hetwelk bijkans de geheele kolonie ten ondergang bragt. Nadat de kanoes
met de wilden vertrokken waren, kwamen de Spanjaards weder buiten, en de
nieuwsgierigheid dreef sommigen aan naar de plaats te gaan, die zij
verlaten hadden. Hier vonden zij, tot hunne groote verrassing, drie
achtergebleven wilden, die gerust op den grond lagen te slapen;
waarschijnlijk waren zij, overladen na hun onmenschelijk feest, als
beesten in slaap gevallen, en hadden niet willen opstaan toen de anderen
vertrokken, of zij hadden in het bosch gezworven en waren eerst
teruggekomen toen hunne makkers reeds weg waren.

De Spanjaarden zagen vreemd op en wisten niet wat zij doen wilden. De
gouverneur was bij hen en men vroeg zijn gevoelen, maar hij zeide het
niet te weten, want slaven hadden zij genoeg, en om hen van kant te
maken, daar had niemand lust toe. Hij verhaalde mij naderhand, dat hij
er niet aan had kunnen denken om onschuldig bloed te vergieten, want zij
hadden noch hun zelven, noch hun eigendom eenig leed gedaan, en zij
hadden dus geen regt hen van het leven te berooven.

Ter eere van deze Spanjaards moet ik hier aanmerken, dat hoe
verschrikkelijk ook de verhalen der Spaansche gruwelen in Mexico en Peru
zijn mogen, ik nimmer zeventien menschen bij eenige natie ontmoet heb,
die zoo algemeen zedig, matig, deugdzaam, opgeruimd en hoffelijk waren
als deze Spanjaards; in hun geheele karakter lag geen zweem van
wreedheid, of barbaarschheid, of woeste hartstogten, en toch waren het
allen mannen van grooten moed en dapperheid. Hunne gematigdheid was
gebleken in het verduren van de schandelijke bejegeningen der
Engelschen, en hunne regtvaardigheid en menschelijkheid bleek in het
hier vermelde geval met de wilden. Na eenig beraad besloten zij zich nog
eene poos verborgen te houden, tot zoo mogelijk deze drie lieden
heengingen; maar toen herinnerden zij zich, dat zij geen vaartuig
hadden, en dat, zoo zij het eiland rondzwierven, zij zeker ontdekken
zouden, dat het bewoond was. Derhalve keerden zij terug waar de drie
mannen lagen te slapen, en besloten hen te wekken en gevangen te maken,
gelijk zij deden. De wilden waren uiterst bevreesd toen zij aangegrepen
en gebonden werden, en bevreesd te zijn, dat zij geslagt en opgegeten
zouden worden, want het schijnt dat deze lieden denken, dat men overal,
even als zij, menschenvleesch eet; doch zij werden hieromtrent spoedig
gerust gesteld en weggevoerd.

Het was zeer gelukkig, dat zij hen niet naar het kasteel, ik meen naar
mijne oude woning tegen den heuvel, bragten, maar naar mijn landhuis,
waar de meeste veldarbeid, als geiten hoeden, koorn bouwen, enz., te
verrigten viel, en naderhand voerden zij hen naar de woning der twee
Engelschen. Hier werden zij aan het werk gezet, schoon men weinig voor
hen te doen had, en hetzij door achteloos opzigt over hen, of dat men
meende, dat zij hen niet konden ontvlugten, althans een hunner liep weg,
en in het bosch gerakende, hoorde men nimmer meer van hem. Men begreep
echter met reden, dat het hem kort daarop gelukte naar zijn land terug
te keeren, met eenige wilden, die drie of vier weken later met hunne
kanoes aan den wal kwamen, om hun gewoon feest te vieren, en binnen twee
dagen vertrokken. Dit denkbeeld bekommerde hen niet weinig, want zij
begrepen niet zonder reden, dat zoo deze man weder behouden bij zijne
landgenooten kwam, hij hun zeker verhalen zou, dat er lieden op het
eiland waren, en tevens hoe weinig en zwak zij waren; want, gelijk ik
zeide, men had dezen wilde, en dit was zeer gelukkig, nimmer gezegd hoe
velen er op het eiland waren of waar zij woonden, ook had hij nimmer een
geweer zien afschieten; veel minder had hij een hunner schuilplaatsen
leeren kennen, zoo als de grot in het dal of de nieuwe spelonk, die de
twee Engelschen gemaakt hadden.

Het eerste blijk, dat deze man zijn volk van hen kennis had gegeven,
was, dat ongeveer twee maanden daarna, zes kanoes, ieder met zeven, acht
tot tien wilden er in, langs de noordzijde van het eiland kwamen
roeijen, waar zij vroeger nimmer kwamen, en een uur na zonsopgang op
eene geschikte landingplaats aan wal stapten, een kwartier van de woning
der twee Engelschen, waar de vlugteling geweest was. De Spaansche
gouverneur zeide, dat zoo zij allen daar op de plek waren geweest, het
gevaar zoo groot niet geweest zou zijn, want dan, zeide hij, zou geen
enkele wilde het ontkomen zijn. Maar nu was de kans al te ongelijk; twee
man tegen vijftig. Gelukkig hadden de beide mannen hen ontdekt, toen zij
nog eene mijl ver in zee waren, dus ongeveer een uur voor zij landden,
en daar zij een kwartier van hunne woningen aan wal stapten, duurde het
nog eenigen tijd voor zij bij hen waren. Daar zij nu veel reden hadden
zich verraden te achten, was het eerst wat zij deden, de twee
achtergebleven slaven te binden, en hen door twee van de drie mannen,
die zij met hunne vrouwen medegebragt hadden, en hen, naar het schijnt,
zeer getrouw waren, naar hunne schuilplaats in het bosch te doen
brengen, waarvan ik gesproken heb, met al wat zij verder konden
medevoeren, en daar lieten zij de twee slaven, aan handen en voeten
gebonden, voor 's hands liggen.

Daarop ziende, dat de wilden allen geland waren en regt naar hunnen kant
toekwamen, openden zij de heiningen, waarin de melkgeiten gehouden
werden, dreven haar allen naar buiten, en lieten ze los het bosch
inloopen, om de wilden in den waan te brengen, dat het wilde geiten
waren; maar de Indiaan, die bij hen was, was te sluw en had hen, naar
het schijnt, van alles onderrigt, want zij gingen regt op hun verblijf
aan. Nadat de twee arme, verschrikte Engelschen hunne vrouwen en
goederen in veiligheid gebragt hadden, zonden zij den anderen slaaf van
de drie, die met de vrouwen gekomen was, en die toevallig bij hen was,
ijlings naar de Spanjaarden, om hen hiervan te verwittigen en te hulp te
roepen, daarop namen zij hunne geweren en kruid en lood mede, en
trokken terug naar de plaats, waar hunne vrouwen waren, doch bleven op
eenigen afstand, om zoo mogelijk de wilden te blijven gadeslaan.

Zij waren niet ver gegaan of zij konden van een hoogen grond het
legertje van hunne vijanden regt op hunne woningen zien afgaan, en een
oogenblik later hunne woningen en al hun huisraad in lichtelaaije vlam
staan, tot hunne bittere smart en spijt, want zij leden een groot en
voor eenigen tijd onherstelbaar verlies. Zij bleven eene poos stand
houden, tot zij de wilden als verscheurende dieren zagen rondzwerven,
alles vernielende en nazoekende om buit te maken, en vooral naar
menschen zoekende, waarvan zij, gelijk thans duidelijk bleek, kennis
droegen. Dit ziende, achtten de twee Engelschen zich niet langer veilig
waar zij stonden, daar waarschijnlijk sommige wilden, en misschien een
te groote overmagt, hunnen kant heen zouden komen. Dus trokken zij een
half kwartier verder terug, hopende, dat hoe verder zij gingen, hoe meer
zij zich verspreiden zouden. Zij hielden stand aan het begin van een
zeer digt begroeid deel van het bosch, en waar een ouden, zeer grooten
en hollen boomstam stond, en in dezen boom gingen zij staan en besloten
af te wachten wat er verder gebeuren zou.

Niet lang daarna kwamen twee wilden regt op hen aan, alsof zij wisten,
dat zij hier stonden en hen kwamen aanvallen, en kort achter hen zagen
zij er nog drie aankomen, en nog vijf op eenigen afstand, die allen
denzelfden weg hielden; terwijl in de verte nog zeven of acht
rondzwierven, want zij liepen overal als jagers, die het wild opzoeken.
De arme kerels wisten zelf niet of zij stand houden of de vlugt nemen
zouden. Na een oogenblik beraad begrepen zij, dat als de wilden de
landstreek zoo afliepen, voor er bijstand kwam opdagen, zij misschien
hunne schuilplaats in het bosch zouden ontdekken, en dan was alles
verloren; dus besloten zij stand te houden, en als er voor hen te veel
kwamen, boven in den boom te klimmen, waaruit zij zich, zoo zij niet
door vuur aangevallen werden, dachten te kunnen verdedigen, zoo lang hun
kruid en lood zou strekken, al vielen ook al de wilden, die geland
waren, wier aantal omstreeks vijftig bedroeg, hen aan. Daarna
beraadslaagden zij of zij op de twee voorsten wilden schieten, of de
drie volgende afwachten, en op deze vuren; waardoor de twee voorsten en
de vijf laatsten gescheiden zouden zijn. Eindelijk besloten zij de twee
voorsten te laten gaan, ten ware dezen hen in den boom ontdekten of
aanvielen. Zij deden dit echter niet, maar gingen een weinig ter zijde
naar een ander gedeelte van het bosch, doch de drie en de vijf achter
hen kwamen regt op den boom aan, als wisten zij, dat de Engelschen daar
waren.

Toen deze hen zoo regt op hen zagen afkomen, besloten zij, daar zij
achter elkander liepen, dat slechts een te gelijk zou schieten, en
misschien kon het eerste schot hen alle drie treffen. Daarom deed de een
vier of vijf kogels op zijn geweer, en daar hij uit een gat in den boom
een goed mikpunt had, legde hij aan zonder gezien te worden, wachtende
tot zij omtrent dertig schreden van hem af waren, zoodat hij niet missen
kon. Terwijl de wilden naderden zagen zij duidelijk, dat een van de
drie de wilde was, die van hen was weggeloopen. Beide herkenden hem
duidelijk, en besloten, dat hij, zoo mogelijk, niet zou ontsnappen, al
zouden zij beide vuren, dus hield de ander zijn geweer gereed, om, zoo
hij niet bij het eerste schot viel, hem ook een kogel toe te zenden.
Maar de eerste was een te goed schutter, om hem te missen, en daar de
wilden digt achter elkander gingen, trof hij twee van hen. De eerste
ontving een kogel in het hoofd en was dadelijk dood; de tweede, die de
weggeloopen wilde was, stortte met een kogel in den buik neder, doch was
niet dood, en de derde had een schampschot in den schouder, misschien
van denzelfden kogel, die den ander door het lijf was gegaan, en daar
hij, schoon ligt gewond, allerhevigst verschrikt was, viel hij akelig
schreeuwende en gillende op den grond.

De vijf achtersten, meer verschrikt van het schot, dan gevaar ziende,
stonden eerst stil; want het schot weergalmde in het bosch, en de echo's
herhaalden het, en de vogels vlogen met een geweldig gekrijsch van alle
kanten op, even als het was toen ik het eerste schot deed, dat misschien
daar ooit, zoo lang het eiland geweest was, gevallen was. Toen echter
alles weder stil werd, gingen zij, niet wetende wat er gebeurd was,
onbezorgd verder, tot zij aan de plaats kwamen, waar hunne makkers zich
in een toestand bevonden, die jammerlijk genoeg was. En hier stonden de
arme onwetende schepselen, weinig bevroedende, dat hun hetzelfde onheil
boven het hoofd hing, allen over den gewonde gebogen, en vroegen
waarschijnlijk hoe hij zoo gekwetst kwam. Het is te denken, dat hij
zeide, dat een bliksemstraal en daarop gevolgde donderslag der goden
deze twee gedood en hem gewond had; dat is, zeg ik, te denken, want
gelijk zij niemand in hunne nabijheid gezien hadden, zoo ook hadden zij
nimmer iets van een geweerschot gehoord, en geenerlei besef, dat men
menschen met vuur en kogels op een afstand dooden konde. Ware het
anders, dan zouden zij niet zoo gerust bij hunne makkers gestaan hebben,
zonder voor zichzelven een gelijk lot te vreezen.

Ofschoon het de beide Engelschen, gelijk zij mij naderhand verklaarden,
aan het hart ging, dat zij zoo veel arme schepsels, die zelfs geenerlei
besef van hun gevaar hadden, moesten dooden, besloten zij echter, daar
zij hen nu allen in hunne magt hadden, en de eerste weder geladen had,
thans beide vuur te geven, en kwamen overeen op wie ieder mikken zou,
waarna zij vier hunner doodden, of althans zwaar kwetsten, de vijfde,
ofschoon niet gewond, viel van schrik met de overigen op den grond, zoo
dat zij hen allen ziende vallen, dachten, dat zij allen gedood waren. In
deze meening stapten onze twee mannen moedig uit den boom alvorens zij
weder geladen hadden, hetgeen zeer onverstandig was; en zij zagen vreemd
op, toen zij op de plek komende, niet minder dan vier wilden nog in
leven vonden, en daarvan twee ligt en een geheel niet gekwetst. Dit
dwong hen de kolf van hun geweer te gebruiken; en eerst maakten zij den
weggeloopen wilde van kant, die de oorzaak van al het onheil was, en een
ander, die in de knie gekwetst was. Toen kwam de wilde, die ongekwetst
was, en knielde voor hen neder met opgeheven handen, en maakte onder een
jammerlijk misbaar allerlei teekens om zijn leven te sparen; schoon zij
geen woord konden verstaan van al wat hij zeide.

Zij gelastten hem echter door teekens, dat hij aan den voet van een boom
daar in de nabijheid zou gaan zitten, en een der Engelschen bond met een
stuk touw, dat hij toevallig in zijn zak had, hem de beenen stijf bijeen
en de handen op zijn rug, en daarop lieten zij hem liggen, en volgden
ijlings de twee voorste achterna, vreezende, dat deze of anderen den weg
naar hunnen schuilhoek in de bosschen zouden vinden, waar hunne vrouwen
en hunne weinige bezittingen verborgen waren. Eens kregen zij hen beide
in het gezigt, schoon op een grooten afstand. Zij hadden echter het
genoegen hen een vallei te zien doortrekken, die naar den zeekant liep,
geheel den tegenovergestelden weg van dien, die naar hunne spelonk
leidde, waar zij voor vreesden. Hieromtrent gerust gesteld, keerden zij
naar den boom terug, waar zij hunnen gevangene gelaten hadden.
Waarschijnlijk was deze door zijne makkers verlost, want hij was weg, en
de twee einden touw, waarmede hij gebonden was geweest, lagen aan den
voet des booms.

Zij waren thans even ongerust als te voren; niet wetende hoe nabij of
hoe sterk de vijand was; dus besloten zij zich naar de plaats te
begeven, waar hunne vrouwen waren, om te zien of alles wel was, en haar,
die zeker zeer in angst moesten zijn, gerust te stellen; want schoon de
wilden hare landgenooten waren, waren zij echter doodelijk bang voor
hen, misschien omdat zij hen zoo goed kenden. Daar gekomen, bespeurden
zij, dat de wilden in het bosch en zelfs zeer nabij de plek waren
geweest, doch die niet gevonden hadden; want zij was inderdaad niet te
ontdekken, daar de boomen er zoo digt stonden, ten ware de personen, die
het zochten, door anderen, die de plek kenden, geleid werden, hetgeen
hier het geval niet was. Zij vonden dus alles wel, behalve dat de
vrouwen in doodsangst waren. Terwijl zij hier waren, hadden zij het
genoegen van zeven Spanjaarden tot hunnen bijstand te zien aankomen; de
andere tien met hunne slaven en den ouden Vrijdag, ik meen Vrijdags
vader, waren gezamenlijk naar de buitenplaats vertrokken, om het graan
en het vee, dat daar bewaard werd, te verdedigen, in geval de wilden aan
dien kant mogten komen; maar zij kwamen zoo ver niet. Met de zeven
Spanjaards kwam een van de wilden, die zij, gelijk ik verhaald heb,
vroeger gevangen hadden gemaakt, alsmede de wilde, dien de Engelschen
aan handen en voeten gebonden bij den boom hadden gelaten, want zij
waren dien kant afgekomen, hadden de zeven dooden gezien en den
gevangene losgemaakt en medegenomen. Zij waren echter genoodzaakt hem
weder te binden, gelijk zij ook de twee gedaan hadden, die
achtergebleven waren, toen de derde weggeloopen was.

Deze gevangenen waren thans een last voor hen, en zij waren zoo bang,
dat zij ontsnappen zouden, dat zij overwogen of het niet volstrekt
noodig was hen tot zelfbehoud te dooden. De Spaansche gouverneur wilde
echter hiertoe zijne toestemming niet geven, maar gelastte, dat zij uit
de voeten, naar mijne oude spelonk gebragt en daar bewaard zouden
blijven, met twee Spanjaarden bij hen, om hen te bewaken en voedsel te
geven. Dit geschiedde, en men bond hun handen en voeten voor dien nacht.

Toen de Spanjaarden aankwamen, waren de Engelschen zoo moedig geworden,
dat zij niet langer zich vergenoegen konden met daar te blijven, maar
met vijf Spanjaarden begaven zij zich op weg, gewapend met vier geweren
en eene pistool, en twee duchtige knuppels, om de wilden op te zoeken.
Eerst kwamen zij aan den boom, waar de wilden lagen, die zij gedood
hadden, maar het was gemakkelijk te zien, dat daar nog eenige wilden
geweest waren, want zij hadden getracht hunne dooden mede te voeren, en
twee een goed eind weegs voortgesleept, doch het toen opgegeven. Vandaar
begaven zij zich naar de hoogte, waarop zij eerst gestaan hadden, en
hunne plantingen hadden zien vernielen, en nog het verdriet hadden
eenigen rook te zien oprijzen, maar nergens zagen zij hier eenige
wilden. Zij besloten toen, echter met alle mogelijke behoedzaamheid,
voort te trekken tot aan hunne vernielde plantaadje. Doch even voor dat
zij die bereikten, kwamen zij in het gezigt van het strand, en zagen
duidelijk al de wilden in hunne kanoes scheep gaan, om te vertrekken.

Het speet hun eerst, dat zij hen thans niet bereiken konden, om hun nog
een afscheidsgroet te geven, doch over het geheel waren zij thans wel
tevreden van hen ontslagen te zijn.

De arme Engelschen waren thans voor de tweede maal geruïneerd, en al
hunne aanplantingen vernield. Al de overigen besloten hen te helpen
bouwen en van het noodige te voorzien. Hunne drie landslieden, die tot
hiertoe nog niet de minste neiging betoond hadden om iets goeds te doen,
kwamen thans, zoodra zij het hoorden (want daar zij ver oostwaarts
woonden, hadden zij er niets van gehoord voor dat alles afgeloopen was),
en boden hunne hulp en bijstand aan, en werkten verscheidene dagen
ijverig mede om hunne hutten weder op te bouwen en hen van het noodige
te voorzien, en zoo werden zij in korten tijd weder in hunnen vorigen
staat gezet.

Ongeveer twee dagen later hadden zij het genoegen drie van de kanoes der
wilden aan strand te zien spoelen, en op eenigen afstand van daar twee
verdronken lieden, waaruit zij met grond vermoedden, dat hun op zee een
storm overvallen had, die hen had doen omslaan, want het woei den nacht
na hun vertrek zeer hard. Schoon echter eenigen verongelukt waren, zoo
ontsnapten er van hen genoeg om de overigen te verwittigen zoo wel van
hetgeen zij verrigt als hetgeen hun overkomen was; en hen tot eene
andere soortgelijke onderneming aan te sporen, welke zij, naar het
scheen, besloten te beproeven met genoegzame magt om alles te veroveren
wat zij ontmoetten; want uitgezonderd hetgeen de eerste man hen van
bewoners verhaald had, konden zij daarvan weinig mededeelen, want zij
hadden geen mensch gezien, en daar de man, die dat verhaald had, gedood
was, hadden zij niemand om dit te bevestigen.

Het duurde vijf of zes maanden, dat zij niets verder van de wilden
hoorden, in welken tijd de onzen begonnen te hopen, dat zij hun vorig
onheil niet vergeten of dat zij de hoop op een beteren uitslag hadden
opgegeven. Plotseling echter werden zij overvallen door eene geduchte
vloot van niet minder dan acht en twintig kanoes vol wilden, met bogen
en pijlen, groote knuppels, houten zwaarden en dergelijk krijgstuig
gewapend, en deze ware zoo vol volk, dat onze bewoners er door in de
grootste verlegenheid geraakten. Daar zij met den avond en aan de
oostelijkste zijde van het eiland aan wal kwamen, hadden de onzen den
geheelen nacht om te overleggen wat zij doen zouden. In de eerste
plaats, wetende dat vroeger al hunne veiligheid daarin bestond, dat zij
onopgemerkt bleven, en dit thans te meer het geval was, nu het getal
hunner vijanden zoo groot was, besloten zij eerstelijk de twee hutten,
die voor de Engelschen gebouwd waren, te slechten, en hunne geiten naar
de oude spelonk te drijven; omdat zij onderstelden, dat de wilden
regtstreeks daarheen zouden trekken zoodra het dag werd, om het oude
werk van vernielen te hervatten, schoon zij thans twee mijlen vandaar
geland waren.

Vervolgens dreven zij al de geiten, die zij hadden, naar mijne
buitenplaats, gelijk ik die noemde, die aan de Spanjaards behoorde, en
lieten zoo min mogelijk ergens een spoor van bewoners, en vroeg in den
morgen vatten zij met al hunne strijdmagt post bij de plantaadje der
twee mannen om hen af te wachten. Het gebeurde gelijk zij vermoed
hadden; de nieuwaangekomenen lieten hunne kanoes aan het oosteinde van
het eiland, en kwamen langs het strand regt op de plaats aan, ten
getalle van tweehonderd en vijftig, naar de onzen gissen konden. Ons
leger was slechts klein, maar wat nog erger is, zij hadden geen wapens
genoeg voor hen allen. Hunne geheele strijdmagt was naar het scheen als
volgt zamengesteld; eerstelijk uit manschappen:

/$
  17 Spanjaarden.
  5 Engelschen.
  1 oude Vrijdag, of Vrijdags vader.
  3 slaven met de vrouwen medegebragt, die zeer getrouw bleken te zijn.
  3 andere slaven, die bij de Spanjaards woonden.
$/

Om deze te wapenen hadden zij:

/$
  11 geweren.
  5 pistolen.
  3 jagtgeweren.
  5 geweren, of jagtgeweren, die door mij aan de oproerige
  matrozen ontnomen waren.
  2 sabels.
  3 oude hellebaarden.
$/

Aan hunne slaven gaven zij geene geweren, maar deze hadden ieder een
hellebaard of een langen stok met een ijzeren spits aan het einde, en
eene bijl op zijde; ook ieder van de onzen had eene bijl. Twee van de
vrouwen wilden volstrekt deel aan het gevecht nemen, en zij hadden boog
en pijlen, die de Spanjaards den wilden ontnomen hadden bij het eerste
gevecht, dat ik vermeld heb, waar de Indianen gezamenlijk vochten; deze
vrouwen hadden bijlen ook.

De Spaansche gouverneur, van wien ik zoo dikwijls gesproken heb, voerde
het opperbevel, en Willem Atkins, die schoon een vreesselijke snoodaard,
tevens een allermoedigste kerel was, voerde onder hem het bevel. De
wilden kwamen aanrukken als leeuwen, en wat het ergste was, de onzen
hadden geen voordeel van het terrein, behalve dat Willem Atkins, die
thans uitermate veel nut deed, met zes man achter eenige struiken, als
eene soort van voorpost geplaatst was, met bevel eenigen te laten
voorbijtrekken, en dan midden onder hen te vuren, en dadelijk daarop
achter een boschje om te trekken, en zoo achter de Spanjaards te komen,
die allen door eenige digte boomen beschermd werden.

Toen de onzen aankwamen, liepen de wilden allen bij hoopen rond te
zwerven, zonder eenige orde, en Willem Atkins liet ongeveer vijftig
hunner voorbijtrekken; toen ziende, dat de overigen digt opeengedrongen
naderden, gelastte hij drie van zijn volk vuur te geven, nadat zij ieder
zes of zeven kogels, zoo groot als groote pistoolkogels, op hun geweer
gedaan hadden. Hoeveel zij doodden of wondden wisten zij niet, maar de
verwarring en verbaasdheid onder de wilden was onbeschrijfelijk, die
allerhevigst ontstelden op het hooren van zulk een geraas, en hunne
makkers gedood zagen en anderen gekwetst, zonder dat zij iemand zagen,
die het deed; waarop Willem Atkins, te midden van hunnen schrik, met de
drie anderen in den digtsten hoop vuurde, en in minder dan eene minuut
gaven de drie anderen, die inmiddels weder geladen hadden, hun nogmaals
de laag.

Zoo Willem Atkins met zijn volk dadelijk, na vuur gegeven te hebben, was
teruggetrokken, zoo als hem gelast was; of zoo de overigen daar vlak bij
geweest waren, om een aanhoudend vuur te geven, zouden zij de wilden
geheel verslagen hebben, want de schrik, die onder hen heerschte,
ontstond voornamelijk daaruit, dat zij geloofden door hunne goden met
donder en bliksem gedood te worden, omdat zij niemand zagen. Maar Willem
Atkins deed hun de krijgslist ontdekken, door stand te houden om weder
te laden. Eenige wilden, die op een afstand waren, hadden hen ontdekt en
kwamen van achteren op hen aan, en schoon Atkins en zijn volk ook twee
of drie malen op hen vuurden, en terwijl hij zoo spoedig hij kon
terugtrok, ongeveer twintig van hen doodde, wondden zij echter Atkins
zelf en doodden een der Engelschen met hunne bogen, gelijk zij naderhand
een Spanjaard deden en een der met de vrouwen gekomen Indiaansche
slaven. Deze slaaf was een dappere kerel en vocht allerwoedendst,
terwijl hij vijf hunner met eigen hand doodde, zonder ander wapen dan
zijn piek en een bijl.

Ons volk, dat thans hard bedrongen werd, daar Atkins gewond en twee
anderen gedood waren, trok terug naar eene hoogte in het bosch; ook de
Spanjaarden trokken terug na hun driemaal de laag te hebben gegeven;
want hun aantal was zoo groot en zij waren zoo verwoed, dat schoon meer
dan vijftig hunner gedood en nog meer gewond waren, zij echter tot vlak
bij de onzen doordrongen, zonder het gevaar te ontzien, en eene wolk van
pijlen afschoten, en men merkte op, dat hunne gekwetsten, die door hunne
wonden niet geheel buiten gevecht gesteld waren, als razenden vochten.

Toen ons volk aftrok, lieten zij den Spanjaard en den Engelschman, die
gedood waren, achter; en toen de wilden hen vonden, mishandelden zij
hunne lijken gruwelijk, door hen met hunne knuppels en houten zwaarden,
als echte wilden armen en beenen en hoofden te verbrijzelen. Doch
bespeurende, dat ons volk vertrokken was, schenen zij niet voornemens
hen te vervolgen, maar sloten een kring, dat naar het scheen, hunne
gewoonte was, en hieven tweemaal een gejuich aan, ten teeken van
victorie. Waarna zij verscheidene hunner zagen nedervellen en van
bloedverlies sterven.

De Spaansche gouverneur had zijn kleine troep op eene hoogte
bijeengetrokken. Atkins, ofschoon gewond, wilde oprukken en gezamenlijk
de wilden op het lijf vallen. Maar de Spanjaard zeide: "Sennor Atkins,
gij ziet hoe hunne gewonden vechten; laat hen in rust tot morgen, dan
zullen al die gekwetsten stijf en pijnlijk van hunne wonden en zwak van
bloedverlies zijn, en dan zullen wij met minder te doen hebben." Deze
raad was goed, maar Willem Atkins zeide vrolijk: "Dat is waar, sennor,
maar dat zal ik ook zijn, en daarom wilde ik nu op hen af, nu ik nog
warm ben."--"Wel, sennor Atkins," zeide de Spanjaard, "gij hebt u dapper
gekweten en u deel verrigt; wij zullen voor u vechten als gij niet voort
kunt; maar ik denk dat het best is tot morgen te wachten." Dus bleven
zij wachten.

Maar daar het helder maanlicht was, en zij bespeurden, dat de wilden
in groote wanorde om hunne dooden en gekwetsten heen zwierven, met een
groot rumoer waar zij lagen, besloten zij naderhand hen gedurende den
nacht te overvallen, vooral als zij in staat zouden zijn hen slechts
eene laag te geven, alvorens ontdekt te worden. Hiertoe vonden zij eene
schoone gelegenheid, want een der twee Engelschen, nabij wiens woning
het gevecht begonnen was, voerde hen tusschen de bosschen en het
westelijk strand door, en vervolgens zuidwaarts keerende, kwamen zij
nabij den digtsten hoop wilden, zoodat, alvorens zij gezien werden, acht
hunner onder hen schoten en eene vreesselijke slagting aanrigtten. Eene
halve minuut daarna gaven acht anderen vuur op hen, en door hun schroot
werden ook eene menigte gedood en gewond, en al dien tijd waren zij niet
in staat te zien wie hen aanviel of waarheen zij vlugten moesten. Zoo
spoedig zij konden laadden de Spanjaards weder, en verdeelden zich
daarop in drie hoopen, en besloten hen alle op hetzelfde oogenblik op
het lijf te vallen. Ieder troep bestond uit acht personen, dat is vier
en twintig te zamen, waarvan twee en twintig mannen en twee vrouwen,
die, om dit ter loops aan te merken, verwoed vochten.

Zij verdeelden de vuurwapens, hellebaarden en pieken gelijkelijk onder
iedere troep. Zij wilden de vrouwen achter laten blijven, maar deze
zeiden, dat zij met hare mannen in den dood wilden gaan. Na aldus hun
legertje verdeeld te hebben, kwamen zij van onder het geboomte te
voorschijn en rukten op den vijand aan, terwijl zij zoo hard schreeuwden
als zij konden. De wilden stonden allen opeen, doch waren in de uiterste
verwarring, daar zij ons volk van drie kanten te gelijk hoorden
schreeuwen. Zij zouden gevochten hebben, zoo zij hen gezien hadden, en
zoodra zij in hun gezigt kwamen, werden eenige pijlen op hen gelost en
de oude Vrijdag gewond, schoon niet gevaarlijk. Doch de onzen gaven hun
geen tijd, maar drie maal op hen aanvallende, gaven zij hun drie maal de
laag en vielen daarop aan met de geweerkolven, sabels, pieken en bijlen,
en sloegen daarmede zoo in het rond, dat de wilden een jammerlijk gehuil
en gegil aanhieven, en naar alle kanten heen vlugtten om hun leven te
redden.

De onzen waren vermoeid van het moorden; zij hadden in de beide
gevechten ongeveer honderd en tachtig gedood of zwaar gewond; de
overigen vlugtten, geheel verbijsterd, door de bosschen en over de
heuvels, zoo snel hunne voeten hen dragen konden; en daar de onzen zich
weinig moeite gaven om hen na te zetten, bereikten zij allen gezamenlijk
het strand, waar zij geland waren en hunne kanoe's lagen. Doch hunne
rampen waren nog niet geëindigd, want dien avond kwam er uit zee een
geweldige storm op, zoodat zij onmogelijk in zee konden steken, ja daar
de storm den geheelen nacht aanhield, waren hunne kanoe's, toen de eb
begon, zoo hoog op het strand geslagen, dat zij er niet dan met de
grootste moeite weder konden afgebragt worden, en eenigen er van waren
zelfs tegen de kust of tegen elkander verbrijzeld.

De onzen, schoon verheugd over hunne overwinning, genoten dien nacht
echter weinig rust; maar na eenige ververschingen genuttigd te hebben,
besloten zij naar de plaats te trekken waar de wilden heen gevlugt
waren, om te zien hoe zij thans gesteld waren. Dit bragt hen natuurlijk
weder over de plaats van het gevecht, waar zij verscheidene van die arme
schepsels vonden, die nog niet geheel dood waren en toch geen hoop op
herstel meer hadden; dit was voor een edelmoedig gemoed een treurig
gezigt, want een waarlijk groot man, schoon door de wet des oorlogs
verpligt zijn vijand te vernielen, schept toch in zijn ongeluk geen
behagen. Zij behoefden hieromtrent echter geene bevelen te geven, want
hunne eigene wilden, die in hunne dienst stonden, maakten deze arme
schepsels met hunne bijlen af. Eindelijk kregen zij de plaats in het
gezigt, waar het rampzalig overschot van het leger der wilden gelegerd
was; dat uit nog een honderd man scheen te bestaan; zij zaten meestal op
den grond, met het hoofd tusschen de handen.

Toen de onzen op een paar geweerschoten afstand van hen gekomen waren,
gelastte de Spaansche gouverneur twee schoten met los kruid te doen. Dit
deed hij, om uit hun voorkomen op te maken, wat men van hen te wachten
had, namelijk of zij nog moeds genoeg bezaten om te vechten, of dat zij
door hunne nederlaag geheel ontmoedigd waren, ten einde hij
diensvolgens zou kunnen handelen. Deze krijgslist gelukte. Naauwelijks
hadden de wilden het eerste schot gehoord, of zij sprongen in de grootst
mogelijke verwarring op de been, en toen de onzen zich snel naar hen toe
begaven, liepen allen gillende en huilende weg, met eene soort van
gillend gekrijsch, dat ons volk niet verstond en nimmer te voren gehoord
had, en zoo liepen zij over de heuvels landwaarts in. Eerst wenschten de
onzen, dat het weder meer bedaard geweest was, en zij allen in zee waren
gestoken, maar daarbij bedachten zij niet, dat dit waarschijnlijk
aanleiding zou gegeven hebben, dat zij in zoo grooten getale terug waren
gekomen, dat zij onwederstaanbaar waren, of althans, dat zij zoo sterk
en zoo dikwijls terugkwamen, dat het eiland er geheel door verwoest
worden en zij van honger sterven zouden. Willem Atkins, die in weerwil
van zijne wond altijd bij hen geweest was, gaf thans den besten raad,
hij stelde voor van hun tegenwoordig voordeel partij te trekken, de
wilden van hunne kanoe's af te snijden, en hun zoo de mogelijkheid
ontnemen van wederom tot onheil des eilands terug te komen.

Lang beraadslaagden zij hierover, en sommigen waren er tegen, uit vrees,
dat de rampzaligen naar de bosschen zouden vlugten en daar in wanhoop
blijven leven; en dan zouden zij jagt op hen moeten maken als op wilde
beesten, bevreesd zijn van buiten's huis te gaan, hunne velden steeds
afgestroopt, hun tam vee gestolen vinden, en kortom in de grootste
armoede voortaan moeten leven. William Atkins voerde daarentegen aan,
dat het beter was met honderd mannen, dan met honderd natiën te doen te
krijgen, dat zij niet alleen de kanoe's vernielen, maar ook de menschen
moesten uitroeijen, of zelf door hen uitgeroeid worden. In een woord hij
bewees hun zoo duidelijk, dat het noodig was, dat zij er allen in
toestemden; dus begonnen zij dadelijk de kanoes te vernielen, en eenig
droog hout van een dooden boom nemende, trachtten zij er eenigen van in
brand te steken, maar zij waren zoo nat, dat zij niet wilden branden.
Het vuur beschadigde haar echter zoo, dat zij geen zee konden bouwen.
Toen de Indianen zagen, wat er gebeurde, kwamen eenige hunner het bosch
uitstuiven, en de onzen naderende, knielden zij neder en riepen: _Oa,
oa, waremokoa_! en eenige andere woorden in hunne taal, waarvan niemand
iets verstond, doch uit hunne droevige gebaren en gejammer kon men
duidelijk opmaken, dat zij smeekten hunne booten te sparen, en dat zij
vertrekken wilden en nimmer terugkomen.

Doch de onzen waren thans overtuigd, dat hun zelfbehoud en dat der
kolonie hun geen anderen weg openliet, dan dit volk te beletten weder
naar hun land terug te keeren; daar zij begrepen, dat zoo slechts een
hunner in zijn land terugkeerde om zijnen landslieden het voorgevallene
mede te deelen, het met de kolonie gedaan was. Zij gaven hun dus te
kennen, dat zij geene genade te wachten hadden, en vernielden al die
kanoes, welke de storm nog gespaard had. Op dit gezigt hieven de wilden
in het bosch een afgrijsselijk geschreeuw aan, dat de onzen duidelijk
hoorden, waarna zij als onzinnigen in het rond liepen, zoodat de onzen
eerst niet wisten, wat met hun te doen.

De Spanjaards met al hunne voorzigtigheid bedachten ook niet, dat,
terwijl zij deze lieden tot het uiterste bragten, zij goede wacht over
hunne plantaadjen moesten houden, want schoon zij hun vee weggedreven
hadden en de Indianen hunne voornaamste bewaarplaats daarvan niet
vonden, namelijk mijn oud kasteel aan den heuvel of de spelonk in het
dal, hadden zij echter mijne plantaadje aan mijn lusthuis ontdekt, en
het gewas en de afsluitingen geheel vernield, het graan vertrapt, de
wijngaarden uitgeroeid, terwijl de druiven bijkans rijp waren, en de
onzen eene onberekenbare schade toegebragt, zonder er zelf eenig
voordeel van te hebben. Schoon de onzen hen altijd het hoofd konden
bieden, konden zij hen echter niet vervolgen of jagt op hen maken, en
terwijl zij de onzen te vlug ter been waren als deze een enkelen hunner
aantroffen, durfden deze echter ook niet alleen uitgaan, uit vrees van
door een aantal hunner omsingeld te worden. Gelukkig hadden zij geene
wapens, want zij hadden wel bogen maar geen pijlen noch middelen om die
te maken, en ander wapentuig hadden zij niet.

Groot en inderdaad beklagelijk was het gebrek, dat zij leden, maar te
gelijk werden de onzen tot strenge maatregelen tegen hen genoopt, want
schoon hun bergplaats bewaard was, waren hunne velden vernield en
verwoest. Hun eenigste toevlugt was thans hunne kudde, die zij in het
dal bij de spelonk hielden, en eenig graan, dat daar groeide, benevens
de plantaadje van Willem Atkins en zijn makker, waarvan de ander gedood
was door een pijl, die hem in het hoofd getroffen had. Het was
opmerkelijk, dat dit dezelfde woestaard was, die den armen slaaf met
zijne bijl gewond, en naderhand voorgeslagen had al de Spanjaards te
vermoorden. Hun toestand scheen mij thans slimmer dan de mijne ooit was,
nadat ik het eerst de halmen graan en rijst ontdekt, en eenig koorn
gewonnen en tam vee gekregen had; want nu hadden zij als het ware
honderd wolven op het eiland, die alles vernielden wat in hun bereik
kwam, schoon zij hen zelven niet bereiken konden.

Het eerst wat zij besloten was, hen zoo mogelijk verder naar het
zuidoost einde van het eiland te drijven, opdat, zoo er meer wilden op
het eiland kwamen, deze hen niet zouden vinden, vervolgens, dat zij hen
dagelijks zouden bestooken, en zoo veel dooden als zij konden, tot hun
getal wat afgenomen was en zij hen konden temmen, wanneer zij hun koorn
zouden geven en leeren hoe zij dit aankweeken en van hunnen veldarbeid
leven konden. Te dien einde vervolgden en verschrikten zij hen zoodanig
met hunne geweren, dat als een na weinige dagen op een Indiaan schoot,
deze, als hij niet getroffen was, van schrik nederstortte; en zij waren
zoo vreesselijk beangst, dat zij zich steeds verder verwijderden, tot
eindelijk de onzen hen volgden en schier alle dagen eenigen doodden of
wondden; waarop zij zich zoo in holen en bosschen verscholen, dat zij
schier van honger vergingen, en eenigen vond men naderhand dood in het
bosch zonder eenige wond, die alleen van honger gestorven waren.

Toen de onzen dit gewaar werden ging het hun aan het hart, en gevoelden
zij diep medelijden met hen, vooral de Spaansche gouverneur, die de
edelmoedigste man was, dien ik ooit in mijn leven aangetroffen heb. Hij
sloeg voor, er zoo mogelijk een gevangen te nemen en hem hun voornemen
te doen begrijpen, zoo dat hij het zijnen landslieden kon mededeelen, en
trachten hen tot het aannemen van voorwaarden aan te manen, waardoor zij
in het leven konden blijven en geen kwaad meer doen. Het duurde eenigen
tijd voor men er een magtig kon worden, en eindelijk werd een, die zeer
verzwakt en half dood van honger was, gevangen genomen. Hij was eerst
norsch, en wilde eten noch drinken, maar toen hij zag, dat hij goed
behandeld werd en men hem geen kwaad deed, werd hij eindelijk
handelbaar.

Daarop liet men den ouden Vrijdag tot hem gaan, die veel met hem sprak,
en hem zeide hoe goed men het met hen allen voorhad, dat zij hun niet
alleen in het leven wilden sparen, maar ook een deel van het eiland
geven om op te wonen, mits zij beloofden, dat zij binnen hunne grenzen
bleven en den anderen geen kwaad deden; en dat zij hun graan zouden
geven om aan te kweeken en er brood van te maken, en eenig brood om
thans van te leven, en de oude Vrijdag zeide den wilde, dat hij aan
zijne landslieden dit moest mededeelen en hooren wat zij er van zeiden,
terwijl hij verzekerde, dat zoo zij dit niet dadelijk aannamen, zij
allen uitgeroeid zouden worden.

De rampzaligen, die geheel gedwee waren geworden, en wier getal tot op
zevenendertig was gesmolten, namen dadelijk den voorslag aan, en
smeekten om eenig voedsel; waarop twaalf Spanjaarden en twee Engelschen,
goed gewapend, met drie slaven en den ouden Vrijdag zich naar de plaats
begaven, waar zij waren. De drie slaven droegen eene groote menigte
brood en eenige uit rijst gebakken en in de zon gedroogde koeken en drie
levende geiten. Men gelastte hun op de zijde van een heuvel te gaan
zitten, gelijk zij deden, en met veel dankbaarheid de levensmiddelen
opaten en in het vervolg hunne beloften ten stiptste nakwamen; want
behalve als zij om levensmiddelen of onderrigting kwamen vragen,
overschreden zij nimmer hunne grenzen, maar woonden binnen dezelve toen
ik op het eiland kwam en hen ging opzoeken.

Men had hun geleerd graan te kweeken, brood te maken, tamme geiten te
fokken en die te melken. Het ontbrak hun slechts aan vrouwen, anders
zouden zij spoedig een volk geworden zijn. Hun was een strook lands
aangewezen, die aan de achterzijde door hooge heuvels omringd was, en
van voren zich tot aan zee aan den zuidoosthoek des eilands, uitstrekte.
Zij hadden land genoeg, en het was zeer goed en vruchtbaar, want het was
ongeveer eene halve mijl breed en eene mijl lang. De onzen leerden hun
houten spaden te maken, gelijk ik gedaan had, en gaven hun twaalf bijlen
en drie of vier messen, en zij leefden zoo onderworpen en onschuldig als
mogelijk was. Hierna genoot de kolonie ten aanzien der wilden eene
volkomene rust, tot ik hen ongeveer twee jaren later weder bezocht; wel
kwamen nu en dan eenige kanoes met wilden, om hun barbaarsch gastmaal te
houden, maar daar zij tot onderscheidene natiën behoorden, en misschien
van degenen, die vroeger kwamen, noch van hun oogmerk iets gehoord
hadden, zochten zij nimmer naar hen, en zouden hen ook, al hadden zij
het gedaan, moeijelijk gevonden hebben.

Ik heb thans, geloof ik, een volledig verslag geleverd van hetgeen hun
tot aan mijne terugkomst wedervoer, althans alles wat meldenswaardig
was. De Indianen of wilden waren bijzonder door hen beschaafd, en
dikwijls gingen zij hen bezoeken, echter was het den Indianen op
doodstraffe verboden bij hen te komen, omdat zij hunne inrigtingen niet
weder verraden wilden hebben.

Iets was zeer opmerkelijk, namelijk, dat zij de Indianen manden leerden
vlechten, maar dat deze hunne meesters spoedig te boven gestreefd waren,
want zij maakten van teenen de alleraardigste dingen, als manden, zeven,
vogelkooijen, enz., zoo wel als stoelen, voetbankjes, rustbanken en eene
menigte dergelijke dingen, en waren zeer vernuftig in dat werk, toen zij
eerst den slag er van hadden.

Mijne komst was hun uiterst welkom, want wij voorzagen hen van messen,
scharen, schoppen, spaden, houweelen en alles wat zij van dien aard
noodig hadden. Met deze werktuigen waren zij zoo handig, dat zij zich
zeer aardige hutten of woningen bouwden, die zij even als mandenwerk
geheel met rijs omvlochten, hetgeen zeer aardig bedacht was en
allervreemdst stond, maar eene uitmuntende beschutting was, zoo wel
tegen de hitte als tegen allerlei ongedierte; en de blanken waren er zoo
mede ingenomen, dat zij den wilden verzochten dit ook voor hen te doen,
zoodat toen ik de twee Engelsche kolonies ging bezoeken, deze op een
afstand naar een aantal bijenkorven geleken, en Willem Atkins, die zich
thans zeer werkzaam, nuttig en gematigd gedroeg, had zelf voor zich eene
tent van teenen gevlochten, waarvan men de weergade wel nimmer gezien
zal hebben. De buitenste omvang daarvan was honderd en twintig schreden,
gelijk ik meette; de muren waren in twee en dertig vakken of paneelen
zoo digt als eene mand gevlochten, verdeeld, en zeer sterk en omtrent
zeven voet hoog. In het midden stond een andere muur van niet wel twee
en twintig schreden in omvang, maar sterker en in achthoekigen vorm
gebouwd, en op de acht hoeken stonden zeer sterke palen, op welke acht
stutten, die het hoogopgaande dak droegen, rustten; en dat alles zeer
sterk in elkander gevoegd, ofschoon hij geene bouten en slechts weinige
ijzeren banden had, die hij ook zelf gesmeed had uit het oude ijzer, dat
ik achtergelaten had. Inderdaad toonde deze knaap vrij wat
scherpzinnigheid in vele dingen, waarvan hij geene kennis had. Hij had
voor zich eene smidse met een houten blaasbalk gemaakt. Hij had
houtskool gebrand, om daar te stooken, en hij maakte uit een van de
ijzeren koevoeten een tamelijk goed aanbeeld om op te smeden. Op deze
wijze had hij verscheidene dingen gemaakt, maar vooral haken en banden,
bouten en hengsels. Maar om tot zijn huis terug te keeren; nadat hij het
dak van zijne binnenste tent bevestigd had, dekte hij dit met gevlochten
teenen, en deze weder zoo netjes met rijstenstroo, en daarover groote
boombladen, die den gevel bedekten, dat zijn huis zoo droog was of het
met pannen of leijen gedekt was. Hij bekende echter, dat de wilden het
vlechtwerk voor hem gedaan hadden.

Van deze binnensten tot aan den buitensten muur liep eene soort van
afdak rondom denzelven geheel en al, en lange latten liepen van de twee
en dertig vakken naar de hoofdstijlen van het binnenste huis, zijnde
eene breedte van omtrent twintig voet, zoo dat er tusschen den
binnensten en buitensten muur eene soort van wandeling was van twintig
voet breed. De binnenste tent was met soortgelijk, maar veel fijner
vlechtwerk afgedeeld in zes vertrekken, zoodat hij zes kamers
gelijkvloers daarin had, en in ieder dezer kamers was eerst eene deur,
die in den hoofdingang van de groote tent uitkwam, en eene tweede deur,
die in den rondloopenden gang of ruimte tusschen de beide muren uitkwam,
zoodat deze ruimte ook in zes vakken afgescheiden was, die niet alleen
tot een wijkplaats, maar ook tot berging van voorraad van het gezin
strekte. Deze zes kamers besloegen echter den geheelen omvang van den
buitensten omgang niet, en het overige was verdeeld als volgt. Bij het
inkomen van de deur van het geheele gebouw zag men voor zich een regte
gang, die naar de deur van de binnenste tent geleidde, maar aan
weerszijden was een gevlochten beschot met eene deur er in, door welke
men kwam eerst in eene groote kamer of schuur van twintig voet breed en
dertig voet lang, en door deze in eene andere, die niet wel zoo lang
was, zoodat er in de buitenste ruimte tien knappe kamers waren; in zes
van welke men niet dan door de binnenste vertrekken kon komen, en die
tot slaap- of bergplaatsen voor de verschillende kamers van het
binnenste verblijf verstrekten; en vier groote schuren, of hoe men ze
noemen wil, die in elkander liepen, twee aan weerszijden van den ingang,
die naar de binnenste tent voerde.

Zulk een meesterstuk van vlechtwerk is, geloof ik, nergens ter wereld
meer gezien, noch een huis of tent, die sneller zamengesteld of zoo
gebouwd was. In deze groote bijenkorf leefden drie huisgezinnen,
namelijk Willem Atkins en zijn makker; de ander was gedood, maar zijne
vrouw bleef met drie kinderen over; en de beide anderen aarzelden
volstrekt niet om de laatsten van alles hun aandeel te geven, namelijk
van melk, graan, druiven en als zij een geit geslagt of een schildpad
gevonden hadden. Allen leefden dus vrij wel, schoon het waar was, dat
zij niet zoo vlijtig waren als de andere twee Engelschen, gelijk ik
reeds gezegd heb.

Eene zaak mag ik echter niet verzwijgen, namelijk wat de godsdienst
betreft, geloof ik niet, dat zij daar ooit aan dachten; wel herinnerden
zij elkander dikwijls genoeg, dat er een God was, door op de gewone
wijze der matrozen zijn naam al vloekende te misbruiken. De arme,
onwetende Indiaansche vrouwen trokken er ook geen voordeel van, dat zij
met Christenen, gelijk zij heetten, leefden; want daar zij zelf weinig
van godsdienst wisten, waren zij geheel onbekwaam een woord over God of
godsdienst te wisselen. De eenigste aanwinst, die de vrouwen door hun
toedoen verkregen hadden, was, dat zij redelijk wel Engelsch hadden
leeren spreken, en al de kinderen, die zij hadden, dat ongeveer twintig
bedroeg, spraken ook Engelsch, schoon in den beginne zeer gebroken,
even als hunne moeders. Geen van deze kinderen was ouder dan zes jaren,
toen ik bij hen kwam; want het was niet veel langer dan zeven jaren
geleden, dat zij deze vijf Indiaansche dames van elders gehaald hadden;
maar zij waren allen zeer vruchtbaar, en hadden allen kinderen, de een
meer, de ander minder. Ik geloof, dat de vrouw van den gewezen koksmaat
van haar zesde kind zwanger was; en de moeders waren allen een goed slag
van stille, bedaarde, nijvere en zedige schepsels, zeer behulpzaam voor
elkander, magtig gehoorzaam en eerbiedig jegens hunne meesters, want ik
kan niet zeggen hunne mannen; en haar ontbrak niets dan onderrigt in de
Christelijke godsdienst, en een wettig huwelijk, hetwelk beide later
gelukkig door mijn toedoen tot stand kwam, althans ten gevolge van mijne
komst aldaar.

Na aldus een verslag van de kolonie in het algemeen gegeven te hebben,
en vrij uitvoerig van mijne vijf weggeloopen Engelschen, moet ik iets
zeggen van de Spanjaarden, die het voornaamste deel van de bevolking
uitmaakten, en wier geschiedenis ook belangrijks genoeg opleverde.

Veel heb ik met hen gesproken over hunne omstandigheden, toen zij onder
de wilden leefden. Zij verhaalden mij rondborstig, dat zij geene
bewijzen konden geven van hunne vlijt of vernuft aldaar; dat zij daar
eene handvol arme, ongelukkige, neerslagtige lieden waren, dat zoo zij
hulpmiddelen bij de hand gehad hadden, zij toch zoo aan de wanhoop
overgegeven waren, en zoo verplet door hunne ongelukken, dat zij aan
niets dan aan den dood zouden gedacht hebben. Een hunner, een ernstig en
zeer verstandig man, zeide, dat hij overtuigd was, dat zij ongelijk
hadden; dat het geen mensch paste zich door het ongeluk geheel te laten
ter nederslaan, maar dat men altijd dien bijstand moest trachten te
verwerven, die ons verstand ons zoo wel voor het oogenblik als voor het
vervolg aanbiedt. Hij zeide mij, dat neerslagtigheid de onverstandigste
eigenschap is, die er ter wereld bestaat, want dat deze alleen op het
verledene ziet, dat gewoonlijk onmogelijk herdaan of herroepen kan
worden; maar geen oog op de toekomst vestigt, en zich niet toelegt op
iets wat tot redding kan strekken, maar het ongeluk veeleer verzwaart
dan herstelt; waarbij hij een Spaansch spreekwoord aanvoerde, dat,
schoon ik het niet letterlijk mededeelen kan, zoo veel beteekende als:
"treurigheid in het ongeluk verdubbelt het ongeluk." Vervolgens putte
hij zich uit in loftuitingen over al de kleine verbeteringen, die ik in
mijne eenzaamheid had tot stand gebragt, en hoe ik een toestand, die in
den beginne op zichzelve veel erger dan de hunne was, duizendmaal
gelukkiger gemaakt had dan de hunne was, zelfs nu zij allen bij elkander
waren. Hij zeide, het was opmerkelijk, dat Engelschen in het ongeluk
meer tegenwoordigheid van geest aan den dag leggen dan eenige andere
natie, die hij ooit ontmoet had; dat hunne landgenooten en de Portugezen
het minst geschikt waren om met tegenspoeden te worstelen; want dat in
gevaren, na de eerste mislukte pogingen, zij dadelijk het hoofd in den
schoot legden en zich aan de wanhoop overgaven, zonder meer om redding
te denken.

Ik zeide hem, dat hun geval en het mijne aanmerkelijk verschilde; dat
zij schipbreuk hadden geleden zonder eenige noodwendigheden of voedsel,
of hoop op hun onderhoud te hebben. Wel is waar had ik het treurige
ongeval van geheel alleen te zijn, maar de toevoer, dien de
Voorzienigheid mij zoo onverwacht beschikt had, door het op het strand
drijven van het schip, was zulk een hulp, dat het iedereen even als mij
tot verdere inspanningen had moeten aansporen. "Sennor," zeide de
Spanjaard, "zoo wij, arme Spanjaarden, in uw geval geweest waren, zouden
wij nimmer half zooveel uit het schip gehaald hebben als gij; wij zouden
nimmer een vlot hebben kunnen zamenstellen, of het zonder zeil of riemen
naar den wal gekregen hebben; en hoeveel minder zouden wij dit gedaan
hebben," vervolgde hij, "als een onzer alleen geweest was!"--Ik verzocht
hem daarop zijne pligtplegingen te staken en het verhaal van hunne komst
aan wal, waar zij landden, te vervolgen. Hij verhaalde mij, dat zij
ongelukkig op eene plaats landden, waar het volk zelf geen voorraad had;
terwijl, zoo zij zoo verstandig geweest waren van weder in zee te gaan
en naar een ander eiland, een weinig verder af, over te steken, zij
levensmiddelen, schoon geene bewoners, zouden gevonden hebben, gelijk
men hun verhaald had. Spanjaarden uit Trinidad waren daar namelijk
dikwijls geweest, en hadden er verscheiden malen geiten en varkens op
gezet, die zich daar ontzettend vermenigvuldigd hadden, en waar zoo veel
schildpadden en zeevogels waren, dat zij althans geen gebrek aan vleesch
zouden gehad hebben, al hadden zij geen brood gevonden; terwijl zij
thans alleen van eenige wortelen en kruiden moesten leven, die zij niet
kenden en die hun geene krachten gaven, en waarvan de inwoners hun
slechts weinig gaven; en deze konden hen niet meer geven, of zij moesten
kannibalen worden en menschenvleesch eten, dat de grootste lekkernij van
hun land was.

Zij verhaalden mij hoe menigmaal zij getracht hadden de wilden,
waaronder zij woonden, te beschaven, en hen betere gewoonten in het
dagelijksch leven te leeren; doch te vergeefs; en hoe deze er over
gebelgd waren en het onregtvaardig oordeelden, dat zij die daar om hulp
en leeftogt kwamen smeeken, zich tot leermeesters wilden opwerpen van
degenen, die hun brood gaven; waarmede zij, naar het scheen, hun wilden
te kennen geven, dat niemand zich tot een anders leermeester moest
opwerpen, als hij niet zonder hem leven kon. Een droevig tafereel hingen
zij voor mij op van den nood, dien zij geleden hadden; hoe zij somtijds
verscheidene dagen zonder eenig voedsel waren; daar de bewoners van dat
eiland allertraagste wezens waren, en uit dien hoofde minder van
levensmiddelen voorzien dan zij meenden dat anderen in dat deel der
wereld waren, en toch vonden zij deze wilden minder roof- en vraatziek
dan anderen, die meer voedsel hadden.

Zij voegden er bij, dat zij in hun geval op nieuw de blijken hadden
gezien van Gods goedertierene Voorzienigheid, want zoo zij, door hunne
ontberingen en de onvruchtbaarheid van het land gedrongen, naar een
ander eiland de wijk hadden genomen, zou de hulp, die hun door mij
beschikt was, hen niet bereikt hebben. Zij verhaalden mij vervolgens hoe
de wilden, waar onder zij woonden, verlangd hadden, dat zij met hen ten
oorlog zouden trekken. En het is waar, dat daar zij geweren hadden, zoo
hun kruid en lood niet ongelukkig verloren was gegaan, zij hunne
vrienden niet alleen veel dienst bewezen, maar zich ook bij vriend en
vijand geducht gemaakt zouden hebben. Maar zonder kruid, en terwijl zij
toch billijkerwijs hunne gastheeren niet konden weigeren, mede te veld
te trekken, waren zij er op het slagveld erger aan toe dan de wilden,
want zij hadden bogen noch pijlen, en konden die, welke de wilden hun
gaven, niet hanteren; dus konden zij slechts stilstaan en pijlen op zich
laten afschieten, tot zij den vijand bereiken konden, en dan waren de
drie hellebaarden, die zij hadden, hun van veel dienst, en dikwijls
dreven zij een geheel leger op de vlugt met deze hellebaarden, en
scherpe stokken, die zij in den loop hunner geweren staken. Dit belette
echter niet, dat zij soms door een overgroot aantal omringd werden en in
groot gevaar voor hunne pijlen waren; tot zij eindelijk bedachten groote
houten schilden te maken, die zij met dierenhuiden overtrokken, en deze
beschermden hen voor de pijlen der wilden. Desniettemin kwamen zij soms
in groot gevaar, en eens was dan vijf hunner door de houten knuppels der
wilden nedergeveld, hetwelk op dat tijdstip was, dat een hunner gevangen
werd genomen, namelijk de Spanjaard, dien ik verloste, en welke zij
eerst dachten, dat gesneuveld was, maar toen zij naderhand hoorden, dat
hij gevangen was, waren zij er allerbitterst bedroefd over, en hadden
gaarne allen hun leven op het spel gezet om hem te verlossen.

Zij verhaalden mij, dat toen de vijf zoo ter aarde stortten, hunne
overige makkers hen ontzetten, en om hen heen staande, bleven vechten
tot allen bijgekomen waren, behalve de een, die men dacht dat dood was;
en toen sloegen zij, digt aaneengesloten, zich door een troep van meer
dan duizend wilden heen, dreven alles voor zich uit wat hen in den weg
kwam, en behaalden de overwinning, doch tot hun groot verdriet, omdat
die gekocht was met het verlies van hunnen vriend, welke de anderen, die
nog leven in hem vonden, medevoerden, met eenige wilden, gelijk ik
vroeger verhaald heb.

Aandoenlijk was hunne beschrijving van de vreugde, die zij smaakten bij
de terugkomst van hunnen vriend en deelgenoot in hun lijden, dien zij
door wilde dieren van de ergste soort, namelijk door kannibalen,
verslonden waanden, en hoe zij nog meer verrast werden door zijne
mededeeling van het doel zijner komst, en dat er een Christen op een
eiland in de nabijheid woonde, niet alleen, maar ook een, die in staat
en menschlievend genoeg was om tot hunne bevrijding mede te werken.
Vervolgens beschreven zij hoe verbaasd zij stonden, toen zij den
voorraad zagen, dien ik hun toegezonden had, en vooral de stukken brood,
dat zij sedert hunne komst op die rampzalige plaats niet gezien hadden;
hoe dikwijls zij het kruisten en zegenden, als eene gave des Hemels, en
hoe het hun aller moed opbeurde, toen zij het proefden; even als het
overige, dat ik hun gezonden had. En vervolgens verhaalden zij mij van
hunne vreugde bij het zien van eene boot en van een loods, om hen te
brengen naar den persoon en de plaats, vanwaar die giften kwamen; doch
dit, zeiden zij, konden zij met geene woorden uitdrukken, want hunne
bovenmatige vreugde dreef hun tot buitensporige blijken daarvan aan,
waarvan zij alleen konden vermelden, dat zij gevaar hadden geloopen van
hun verstand er bij te verliezen, daar zij niet wisten hoe zij hunne
vreugde lucht zouden geven. Bij de eene openbaarde zich dat op deze, bij
de ander op gene wijze; sommigen barstten in hunne eerste verrukking in
tranen uit, anderen waren half zinneloos en anderen vielen in zwijm. Dit
verhaal trof mij uitermate en herinnerde mij Vrijdags verrukking, toen
hij zijnen vader terug vond, en de buitensporigheden van het arme
scheepsvolk, dat ik op zee opnam, toen hun schip in brand stond; de
vreugde van den kapitein, toen hij zich bevrijd zag op de plaats, waar
hij dacht te sterven, en mijne eigene blijdschap, toen ik na eene
achtentwintigjarige gevangenschap een goed schip gereed zag, om mij naar
mijn vaderland te voeren. Al deze zaken maakten het verhaal van deze
arme lieden voor mij te treffender.

Na aldus den staat van zaken, zoo als ik die vond, medegedeeld te
hebben, moet ik vermelden wat ik voor deze lieden deed, en hoe ik hen
achter liet. Zij waren met mij van gevoelen, dat zij niet meer door de
wilden verontrust zouden worden, of dat, als het gebeurde, zij hen
zouden afslaan, al waren zij ook tweemaal zoo sterk als vroeger; dus
baarde hun dit geen zorg. Daarop had ik een ernstig onderhoud met den
Spaanschen gouverneur over hun verder verblijf op het eiland, want daar
ik niet gekomen was om eenigen hunner af te halen, zou het onregtvaardig
geweest zijn sommigen mede te nemen en anderen achter te laten, die tot
dit laatste misschien ongenegen zouden zijn als hunne magt verminderd
werd. Aan den anderen kant zeide ik hem, dat ik gekomen was niet om hen
vandaar te voeren, maar om hen daar te vestigen, en dat ik een aantal
goederen van allerlei aard voor hen medegebragt had, en geen geld
ontzien om hun zoo wel van het noodige als wat tot hun gemak dienen kon,
te voorzien, en dat ik deze en die lieden bij mij had, zoo wel om hun
aantal te vermeerderen, als om de beroepen, waartoe zij opgeleid waren,
en waardoor zij hun konden bijstaan in die dingen, die hun thans
moeijelijk vielen. Zij waren allen bijeen, toen ik hun aldus toesprak,
en alvorens ik hun de medegebragte goederen overgaf, vroeg ik hun een
voor een af of zij geheel en al hunne vroegere vijandelijkheden vergeten
en uitgedelgd hadden, en elkander de hand wilden geven en strikte
vriendschap zweren, zoo dat er noch oneenigheid, noch naijver tusschen
hen heerschte.

Willem Atkins zeide met veel openhartigheid en opgeruimdheid, dat zij
genoeg tegenspoeden hadden geleden om hen allen bezadigd, en genoeg
vijanden aangetroffen om hen allen tot vrienden te maken; dat hij, wat
hem betreft, met hen wilde leven en sterven, en wel verre van eenigen
wrok tegen de Spanjaarden te hebben, bekennen moest, dat zij hem alleen
behandeld hadden, gelijk zijn kwaad karakter hem noodzaakte, en hij zelf
in hun geval zou gedaan hebben, zoo al niet meer; en hij wilde hen om
verschooning vragen, als zij het verlangden, voor zijne dwaze en
onbescheiden handelwijze jegens hen; en zeer gaarne met hen in de
beste vriendschap en eendragt leven, en alles doen wat hij kon, om hen
hiervan te overtuigen. Het was hem wijders onverschillig of hij in de
eerste twintig jaren naar Engeland ging of niet.

De Spanjaarden zeiden, dat zij wel eerst Willem Atkins en zijne makkers
om hun wangedrag ontwapend en verjaagd hadden, gelijk zij mij verhaald
hadden, en mij zelf lieten oordeelen of dit niet noodig geweest was.
Maar Willem Atkins had zich in het gevecht met de wilden en later
meermalen zoo goed gedragen en zoo voor het algemeen welzijn zich in de
bres gesteld, dat zij al het verledene vergeten hadden, en hem met
wapens en andere noodwendigheden voorzien, gelijk ieder ander, en hem
hun vertrouwen getoond, door hem onder den gouverneur het bevel op te
dragen. Niet alleen stelden zij thans een volkomen vertrouwen in hem en
zijne landslieden, maar zij erkenden ook, dat deze dat vertrouwen op
allerlei wijzen getoond hadden te verdienen. Eene allerhartelijkste
omhelzing bevestigde van weerszijden deze verklaringen.

Na deze openhartige vriendschapsbetuigingen besloten wij allen den
volgenden dag een vriendschappelijken maaltijd te houden. Ik liet
daartoe den kok en zijn maat van boord halen, en de gewezen koksmaat
hielp hen. Wij bragten zes stukken ossenvleesch en vier zijden spek van
het schip, met onze punschkom en wat er vereischt werd om die te vullen;
en bovendien gaf ik hun tien flesschen rooden wijn en tien flesschen
Engelsch bier; hetgeen noch de Spanjaards, noch de Engelschen vele jaren
geproefd hadden, en hun dus uiterst aangenaam was. De Spanjaarden
voegden daarbij vijf geiten, die de kok braadde, en waarvan ik drie naar
boord zond aan de matrozen, ten einde deze zich aan versch vleesch
konden vergasten, gelijk wij aan gezouten deden.

Na den maaltijd waren wij onschuldig vrolijk; ik haalde mijne goederen
te voorschijn, en wees hun, om allen twist te vermijden, dat er voor
allen genoeg was, en verlangde, dat zij ieder evenveel zouden hebben,
namelijk als het tot kleedingstukken gemaakt was. Eerst

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/41429