Geschiedenis der Noordsche Compagnie
by Samuel Muller · Dutch · Gutenberg #41287 · 1,340,875 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Geschiedenis der Noordsche Compagnie
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Author: Samuel Muller
Release date: November 4, 2012 [eBook #41287]
Most recently updated: October 23, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/41287
Credits: Produced by André Engels, Harry Lamé and the Online
Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This
book was produced from scanned images of public domain
material from the Google Print project.)
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GESCHIEDENIS DER NOORDSCHE COMPAGNIE ***
+--------------------------------------------------------------------+
| Opmerkingen van de bewerker: |
| |
| Tekst die in het originele werk schuingedrukt, gespatiëerd of in |
| klein-kapitalen is afgedrukt wordt hier weergegeven als _tekst_, |
| ~tekst~, respectievelijk TEKST. Superscript wordt weergegeven als |
| ^{tekst}. |
| |
| Voor de duidelijkheid zijn om sommige breuken haakjes geplaatst. |
| |
| Voetnoten zijn verplaatst en hernummerd; waar de tekst verwijst |
| naar noot x op bladzijde y is de tekst niet gewijzigd, het nummer |
| van de voetnoot wordt hier tussen accolades gegeven. Bijvoorbeeld: |
| p. 17 noot 2 in het originele werk wordt hier weergegeven als p. |
| 17 noot 2{[24]}. |
+--------------------------------------------------------------------+
GESCHIEDENIS
DER
NOORDSCHE COMPAGNIE.
GESCHIEDENIS
DER
NOORDSCHE COMPAGNIE
DOOR
M^{r}. S. MULLER F^{z}.
UITGEGEVEN DOOR HET
PROVINCIAAL UTRECHTSCH GENOOTSCHAP
VAN
KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.
UTRECHT,
GEBR. VAN DER POST.
Uitgevers van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap.
1874.
GEDRUKT BIJ G. A. VAN HOFTEN, TE UTRECHT.
BEANTWOORDING
DER
PRIJSVRAAG:
„EEN HISTORISCH OVERZICHT VAN DE ONTDEKKINGEN DER HOLLANDERS IN DE
NOORDPOOLZEEËN EN VAN HUNNE VESTIGING OP ENKELE PUNTEN, VOORNAMELIJK
OP SPITSBERGEN, ALSMEDE VAN DE INTERNATIONALE GESCHILLEN DER
NEDERLANDSCHE REPUBLIEK MET ENGELAND, DENEMARKEN EN ZWEDEN, OVER DE
VAART EN VISSCHERIJ IN HET NOORDEN.”
ONDER DE SPREUK:
Plus ultra;
AAN WELKE
DOOR HET PROVINCIAAL UTRECHTSCH GENOOTSCHAP
VAN
KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN,
OP DEN 24 JUNI 1873,
DE GOUDEN EEREPRIJS
IS TOEGEWEZEN.
VOORREDE.
_Een enkel woord vooraf bij het in het licht zenden van dit boek ter
rechtvaardiging van titel en inhoud, die niet geheel beantwoorden aan
het geëischte in de door het Provinciaal Utrechtsch Genootschap
uitgeschreven prijsvraag._
_Mijne aandacht werd het eerst op deze zaak gevestigd door de vermelding
der internationale geschillen over vaart en visscherij in de IJszee, een
onderwerp mij van vroeger bekend. Het bleek mij echter aanstonds,
dat de hoofdinhoud der vraag--de geschiedenis der Nederlandsche
ontdekkingsreizen naar de noordpool--eene afzonderlijke, uitvoerige
studie vorderde, en hoe meer ik mij daarin verdiepte, hoe meer ik de
overtuiging erlangde, dat tusschen de reizen, door de Nederlanders
herhaaldelijk naar Novaya Zemlya ondernomen om den noordelijken
doortocht te zoeken, en de tochten, door hen in latere jaren ter
walvischvangst naar Spitsbergen gedaan, nauwelijks eenig verband
bestond. De vereeniging van beide onderwerpen in éen boek scheen mij
onmogelijk. Eerst nadat ik kennis gekregen had van de tot dusver geheel
onbekende latere Nederlandsche noordpoolreizen, gelukte het mij een
aanknoopingspunt te vinden. Dien band tusschen de twee ongelijksoortige
onderwerpen meende ik gevonden te hebben in de geschiedenis der
Noordsche Compagnie._
_En zoodra ik dezen weg om uit de moeielijkheid te geraken gevonden had,
kreeg het onderwerp voor mij dadelijk groote aantrekkelijkheid. Er is
niet veel studie noodig om zich te overtuigen, dat het ~eenige~, dat tot
nog toe van deze compagnie bekend was, bestaat in eenige weinige
bladzijden, door Aitzema in zijn groot werk aan een of twee punten uit
hare geschiedenis gewijd. Wat men overigens daarover vindt, is niets dan
naschrijverij en omwerking van het weinige, dat Aitzema gaf. En toch
bleek het mij weldra, dat men wel is waar terecht de geschiedenis der
geoctrooieerde Oost- en West-Indische Compagniën met groote voorliefde
behandeld had, maar dat toch de veronachtzaming van de lotgevallen der
derde zuster, de Noordsche Compagnie, zeer te bejammeren was._
_De vroege val van dit lichaam heeft de Nederlandsche geschiedschrijvers
geheel doen vergeten, dat de Noordsche Compagnie gedurende haar bijna
dertigjarig bestaan nagenoeg de eenige Nederlandsche handelsvereeniging
was, die expedities uitzond ter verkenning van de noordsche
streken,--dat zij het was, die de Nederlanders in staat stelde, daar met
de Engelschen gelijken tred te houden en ze soms voorbij te
streven,--dat zij niettegenstaande schijnbaar onoverkomelijke
moeielijkheden lange jaren alleen onder alle Europeesche natiën op de
kusten der IJszee gevestigd bleef,--dat de handhaving van de eer der
Nederlandsche vlag in die wateren tegen verschillende machtige volken
langen tijd alleen aan hare handen toevertrouwd was,--en eindelijk dat
hare geschiedenis eene leerzame bijdrage zou kunnen leveren voor de
kennis der te weinig bestudeerde handelspolitiek van de Nederlanders der
zeventiende eeuw._
_Ik zette mij dan ook dadelijk aan het werk, en was zoo gelukkig drie
rijke bronnen voor de geschiedenis der Noordsche Compagnie te vinden,
die in dit opzicht nog onbearbeid waren, en ons voor het verlies van het
archief der vereeniging eenigszins schadeloos stellen. In de Resolutiën
der Staten-Generaal ontdekte ik reeds dadelijk een lange lijst van
besluiten, die op dit onderwerp betrekking hadden, en die, hoewel steeds
zeer kort, een vaste leiddraad voor de geschiedenis der vereeniging
leverden. Het bekende werk van Purchas bood verder een schat van nog
onopgemerkte berichten over het begin van de walvischvangst der
Nederlanders en hunne geschillen daarover met de Engelschen. Eindelijk
trof ik op het Rijks-archief eene portefeuille met stukken aan, die door
wijlen den rijks-archivaris Bakhuizen Van den Brink--meest uit de
liassen der inkomende brieven aan de Staten-Generaal--waren
bijeengebracht, en die onder den titel »Noordsche togten” eene wel is
waar ongeordende, maar overigens voor mijn onderwerp geheel
gereedgemaakte verzameling bleken te zijn. Dáarin vond ik de meeste
eenigszins uitvoerige bouwstoffen voor mijn werk. Het viel mij
gemakkelijk, het ontbrekende uit de liassen van brieven, uit Denemarken
aan de Staten-Generaal gericht, uit de verhalen van enkele ambassaden en
uit de Sententiën van het Hof van Holland nog eenigermate aan te vullen,
en het resultaat van dit alles bied ik hierbij aan het publiek aan. Wil
men zeggen, dat het weinig is, ik zal de eerste zijn om het te erkennen.
Nu het archief der compagnie eenmaal verloren is, moeten er natuurlijk
bijna op elke bladzijde van hare inwendige geschiedenis vraagteekens
blijven staan, en met name moet al, wat naar statistiek zweemt, steeds
wijde gapingen vertoonen. Nog veel hinderlijker is het gemis der
archiefstukken bij het verhaal der ontdekkingsreizen. Ik heb in het
daarover handelende hoofdstuk bijna niets anders kunnen doen, dan de
bronnen te gebruiken, waarop reeds de aandacht gevestigd was door den
heer De Jonge, wiens niet genoeg te waardeeren verdienste het is, dat
hij bijna voor elk gedeelte der geschiedenis van onze handel en zeevaart
nieuwe bronnen geopend heeft. De hoogste lof, dien ik hierbij kan
oogsten, is dan ook, dat ik een goed gebruik gemaakt heb van wat hij
gevonden heeft. Ongelukkig geven die bronnen hier echter bijna niets
over de resultaten der ontdekkingsreizen, en voor aardrijkskunde en
cosmographie is het verhaal dan ook zonder waarde. Maar de enkele namen,
dagteekeningen en aanduidingen van bezochte kusten, die ik heb kunnen
opsporen, geven op verrassende wijze een nieuwe getuigenis van de
verbazende volharding en de uitgebreide kundigheden onzer voorvaderen.
Mocht het mij gelukt zijn, die nieuwe aanspraak van het voorgeslacht op
onze bewondering in het licht te stellen!_
_Nog een enkel woord. Men zal in dit werk niet gesproken vinden van de
in de prijsvraag vermelde geschillen met Zweden. Ik heb daarvan niet het
minste spoor kunnen ontdekken. In het door mij behandelde tijdvak hebben
ze zonder eenigen twijfel niet plaats gehad, en ook al was mij van
latere diplomatieke geschillen met Zweden iets gebleken, ik zou gemeend
hebben de eenheid van mijn werk niet te mogen verbreken ter wille dier
in ieder geval onbeduidende twisten.--Anders is het gesteld met het
eerste hoofdstuk van dit boek. Het valt in het oog, dat het hier niet
thuis behoort. Ware ik vrij geweest in de behandeling van mijn
onderwerp, ik had dit hoofdstuk met de nu onvermijdelijke inleiding dan
ook laten vervallen en alleen in een kort woord vooraf de Nederlandsche
ontdekkingsreizen in het noorden vóor 1614 besproken, met bizondere
vermelding der plannen van Thorne, Plancius en Barendsz. en der reizen
van Jan Cornelisz. Ryp en Henry Hudson, die samen de eer van
Spitsbergens ontdekking moeten deelen. Ik voelde echter geene vrijheid
datgene weg te laten, wat blijkbaar voor den steller der prijsvraag de
hoofdzaak was geweest._
_Zooveel ter rechtvaardiging van mijn plan en de groote uitbreiding, die
dit boek daardoor erlangde. Er blijft mij over, met een enkel woord mijn
hartelijken dank te betuigen aan allen, die mij bij de bewerking daarvan
behulpzaam zijn geweest. Ik noem hier gaarne in het bizonder den heer
rijks-archivaris Van den Bergh, wiens welwillendheid voor allen, die van
de aan zijne zorg toevertrouwde schatten gebruik willen maken, trouwens
algemeen bekend is,--den heer bibliothecaris Campbell, die mij zelfs met
opoffering van zijn vrijen tijd in de gelegenheid heeft willen stellen
de uitvoerige excerpten uit Purchas’ zeldzaam werk, die ik behoefde, te
vervaardigen,--den heer Leupe, die niet moede werd mij voor mijn werk
nieuwe bouwstoffen aan te wijzen, waarvan hij bij zijne langdurige
studiën over de Nederlandsche reizen der zeventiende eeuw kennis had
gekregen,--en eindelijk den heer Baudet te Utrecht, die met meer dan
gewone hulpvaardigheid mij wel heeft willen behulpzaam zijn bij het
teekenen der hierbij gevoegde kaart._
INLEIDING.
»Men kan zich niets treurigers denken dan het voorkomen van Spitsbergens
kusten, wanneer de heuvelen, bedekt met versch gevallen sneeuw, in nevel
en mist gehuld zijn, maar men zal ook niet licht een schitterender en
vrolijker tafereel aanschouwen, wanneer op een schoonen dag de
wolkenlooze hemel prijkt in zijn onovertroffen donkerblauwen tint,
terwijl de zon hare stralen uitschiet, getemperd door die eigenaardig
zachte en toch heldere atmospheer, die een besneeuwd landschap altijd
omgeeft. Op zulk eenen dag is de wind bij het land nauwelijks merkbaar,
dikwijls is het zelfs volkomen stil, maar de stranden zijn vol beweging
en leven. De geheele natuur schijnt dankbaar te zijn voor den heerlijken
zonneschijn, al wat leeft verheugt zich en is vrolijk.
»Zulk een dag was de 4^{e} Juni (1818). Wij allen waren verrast door de
verandering van de sombere atmospheer der opene zee in den vrolijken
glans, die de heuvelen en de kalme oppervlakte van de Magdalena-baai
bestraalde. Niemand voelde de koude, en toch waren wij omringd door
sneeuw en ijs, toch stond de thermometer slechts even boven het
vriespunt. Verschillende soorten van amphibiën, duizenden vogels, die
hier bijeen waren, schenen zooveel zij konden van de kortstondige warmte
te genieten, die hun de zonneschijn bood. Reeds vroeg in den morgen
weergalmde het strand onophoudelijk van de vrolijke kreten der
watervogels; overal vermengde zich het afgebroken geblaf van den zeehond
met het speelsche gebrul van troepen walrussen, die zich in de
zonnestralen koesterden.
»Zeker, er was geen harmonie in deze vreemde mengeling van geluiden;
maar toch hoorden wij ze met genoegen omdat wij wisten dat dit alles
eene uiting was van geluk. Het was een genoegen van denzelfden aard als
dat van iederen reiziger, die op een helderen avond in een tropisch
klimaat luistert naar het vrolijk gegons van duizenden gevleugelde
insecten, zoodra de zon is ondergegaan. Zoo verschillend heeft de groote
Schepper der natuur zijne giften verdeeld! In de verschroeiende hitte
onder de keerkringen wekt het dalen der zon duizenden kleine wezens tot
vrolijkheid en beweging op, waartoe zij onder de stekende stralen der
middagzon de kracht niet hadden. Hier integendeel is de zonsondergang
het teeken tot algemeene rust.
»Zoodra die tijd van den dag in de Magdalena-baai was aangebroken,
ontstond er dan ook eene stilte, die aan het verhevene grensde, eene
stilte, slechts afgebroken door het barsten van een ijsberg of het
vallen van stukken rots, die van de bergen afrolden. En zelfs deze
geluiden, die over de kalme oppervlakte der baai weergalmden, braken het
algemeene zwijgen niet af: als zij weldra in de verte verstierven, was
de stilte die ze achterlieten nog dieper dan te voren.
»Over dag ging de aanwezigheid onzer schepen niet onopgemerkt voorbij.
De vogelen ontweken ons in hun vlucht. Elk geraas, dat toevallig gemaakt
werd, was daar vreemd: de zeevogels, die tusschen de rotsen vischten,
trokken zich verder terug, geheele troepen van dieren, die anders
grootendeels in diepen slaap zouden verzonken geweest zijn, bleven
wakker en op hunne hoede. Telkens wanneer er iets op het dek viel,
lichtten zij hunne koppen op en wierpen onderzoekende blikken over de
baai, als om te vernemen waardoor zulk een ongewone stoornis werd
veroorzaakt. Deze zwakke geluiden, die op bewoonde plaatsen zeker
onopgemerkt zouden gebleven zijn, bewezen meer dan iets anders hoezeer
de mensch hier een vreemdeling is. Ik moet bekennen, dat deze bewustheid
iets streelends had door de overtuiging, dat wij ons op eene plek
bevonden, slechts zelden vóor ons door menschen bezocht.”[1]
[1] Beechey, Voyage of Discovery towards the North Pole, gecit. in:
White, Spitzbergen and Greenland. p. VIII-X.
Zóo moet Spitsbergen zich vertoond hebben aan hen, die op het einde der
zestiende eeuw het vroeger geheel onbekende land bezochten; zóo
beschrijft nog in onze eeuw een Engelschman den indruk, dien de
verlatene stranden van dit barre gewest op hem maakten. En geen wonder,
zoo Spitsbergen eeuwen achtereen eenzaam was! De natuur schijnt dit
land, verscholen in den uitersten hoek der aarde, door een dam van ijs
aan den blik der menschen te hebben willen onttrekken. Reeds de groote
bezwaren, verbonden aan het bezoeken van streken, waar schijnbaar niets
is wat den mensch kan aanlokken, leiden tot de gevolgtrekking, dat
Spitsbergen voor altoos even eenzaam blijven zou als de ontdekkers het
vonden.
Toch is dit niet het geval geweest. In de eeuwen, die tusschen de
ontdekking en het hierboven beschreven bezoek verliepen, is het land
niet alleen herhaaldelijk bezeild, maar zijn de steeds met sneeuw en
ijs bedekte kusten het tooneel geweest van het drukke gewoel eener
handelsnederzetting, de bron waaruit een jeugdig volk een winst van
millioenen te voorschijn bracht, een voorwerp om welks bezit zelfs de
machtigste volken der zeventiende eeuw lang en hardnekkig gestreden
hebben. »Indien men deeze tyden hadde mogen beleeven, of noch beleeven
mogt,” roept een Hollandsch schrijver uit, »wat zou men zich met lust en
yver aan de Visschery konnen overgeeven! Want gelyk meest alles door
schaade of voordeel, welgevallig of ongevallig, licht of zwaar werd
gemaakt, zoo is dan by gevolg, dit voor veelen een behaaglyke Visschery
geweest, geevende niet alleen groot voordeel aan de Reeders, maar
teffens voor de Commandeurs, Harponiers en meer andere Belanghebbers,
die door veel te vangen, zoo veel te meer partgeldt verdienden. Alle de
Kookeryen en Pakhuizen maakten gelykzaam een buurt of klein Dorp uit, ’t
welk dieshalven niet oneigentlyk naar de nering, het Dorp Smeerenburg
wierd genoemt. Nademaal de Schepen dubbelt volk voerden, zoo was ’t daar
dagelyks ’t zy in de Schepen, in de Sloepen of op ’t Landt niet weinig
drok; derhalven quamen ’er ook met deeze Schepen, gelyk in de Leegers,
eenige Zoetelaars over, die in hun eigen behuizing, of in de Pakhuizen
hunne Waaren, als Brandewyn, Tabak, en meer diergelyke dingen
verkochten; insgelyks quamen er ook Bakkers om Broodt te bakken,
wordende des morgens wanneer de warme bollen en ’t wittebroodt uit den
oven quam, op den Hoorn geblaazen; zulks dat aan dit Smeerenburg,
omtrent den zelvigen tydt met Batavia gesticht, in dien tydt lustig wat
te doen viel, schoon echter niet in vergelyking met deeze Javaansche
Hoofdstadt; niet te min was ’er mede al vry veel gewoel, en naar de
gelegentheit van ’tLandt taamelyk wat te bekomen, mogelyk ook de Wyn en
Brandewyn reedelyk goed koop.”[2]
[2] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215, 227, 228.
Zulk eene drukte, zulk een gewoel vertoonde zich aan den bezoeker van
Spitsbergen lang voordat een halve eeuw na de ontdekking verloopen was;
nog een halve eeuw later en de kusten waren sedert lang weder tot hare
vorige eenzaamheid teruggekeerd! Slechts een enkele verdwaalde
walvischvaarder, een zeldzame wetenschappelijke reiziger storen nu en
dan met groote tusschenpoozen den ijsbeer en den zeehond in hunne
worstelingen op leven en dood. Zelfs de reusachtige bewoner der zee, de
walvisch, heeft voor goed Spitsbergens stranden verlaten.
Kan men zich wonderlijker geschiedenis van een land denken? Sinds de
vroegste tijden onbewoond, plotseling gedurende een halve eeuw druk
bezocht, zoo druk dat de wedijverende natiën elkander van de kust
trachten te verdringen, en daarna even plotseling en voor goed in de
eenzaamheid teruggevallen! Zeker, de lotbedeeling van alle staten is
rijk aan verrassende wendingen, welk land heeft echter zulk eene korte
en tevens zulk eene belangwekkende geschiedenis?
Het is mijn voornemen deze geschiedenis van Spitsbergen in de volgende
bladen te verhalen; de ontvouwing der redenen, die tot het bevolken en
het verlaten van dit land geleid hebben, zal mij tevens gelegenheid
geven een belangrijk en nog onbeschreven hoofdstuk van onze eigene
handelsgeschiedenis te schetsen. Voordat ik echter daartoe overga, is
het noodig een overzicht te geven van de vroegste tochten in de IJszee,
die middellijk tot de ontdekking van Spitsbergen geleid hebben.
* * * * *
Reeds vroeg in de middeleeuwen, kort na den dood van Karel den Groote,
was er eene natie, die bijna de geheele uitgestrektheid der noordelijke
IJszee, voor zooverre zij het tooneel was van de ontdekkingsreizen der
zestiende en zeventiende eeuw, had bevaren. Deze natie, de Noormannen,
had niet slechts hoog in het noorden hare koloniën steeds meer
vooruitgeschoven totdat zelfs Groenlands westkust op een trap van
beschaving stond, die in die streken sedert niet weder bereikt is, maar
zij bezat zelfs vrij nauwkeurige kennis van het groote vasteland aan den
overkant des aardbols, dat eerst vele eeuwen later aan het overige
Europa bekend zou worden. Door de uitvoerige verhalen, die hunne
kroniekschrijvers daarvan hebben nagelaten, kunnen wij ons eene vrij
duidelijke voorstelling van de bedoelde ontdekkingstochten maken.
Had nog vóor 890 de Noorman Octher de Noordkaap omzeild en, verre
voorbij de plek waar later Kola stond gestevend, zijne reis misschien
tot zelfs aan de Witte Zee uitgestrekt, reeds vroeger was IJsland door
zijnen landgenoot Naddodr ontdekt (860) en spoedig daarop door Ingolfr
gekoloniseerd (874). Het kon niet lang duren of de zeevarende bewoners
van IJsland, dat als het ware de brug vormt van Europa naar Amerika,
werden bekend met het bestaan van Groenland. En werkelijk was dit zoo.
Wel had de eerste ontdekking van dit groote vasteland door den IJslander
Gumbiörn (880) naar het schijnt geen gevolg, maar toen een ander, Erikr
Rauthi genaamd, in 982 en 983 de kusten nader onderzocht had, was
spoedig bij hem het besluit gerijpt eene volkplanting van IJsland
daarheen te voeren, een besluit reeds in 985 en 986 ten uitvoer gelegd.
De vestiging leidde weldra tot eene kolonisatie op uitgebreide schaal.
In twee gedeelten, den Ooster- en Westerbygd, gescheiden door de
onbewoonbare wildernis Ubygd, bevolkten de IJslanders de zuidwestkust
van Groenland.[3] De nederzetting, vooral de meest zuidelijk gelegen
Oosterbygd, bloeide aanvankelijk zéer. Vele dorpen, waarbij na de
bekeering der bewoners tot het Christendom (door Leifr Erikson omstreeks
990) verscheidene kerken verrezen, ontstonden langzamerhand. In jacht en
visscherij en door talrijke kudden vond men overvloedige middelen van
bestaan. Het verkeer met Noorwegen was levendig, de handel niet
onbelangrijk; het schijnt zelfs dat de Groenlandsche kolonie schatting
aan het moederland betaalde. En geen wonder! de volkplanting wist zich
zelve te helpen en scheen door hare ondernemingszucht te toonen, dat zij
levenskracht bezat. Immers niet alleen strekten zich de tochten der
jeugdige Groenlandsche nederzetting ter walvischvangst hoog in het
noorden door straat Davis tot in de Baffinsbaai uit, zóo zelfs dat zij
in 1266 het eiland Disco bereikten, maar ook het verkeer met het
Amerikaansche vasteland was levendig. Reeds spoedig na de aankomst in
Groenland had Bjarni Herjulfrson toevallig de streek lands bij het
tegenwoordige Boston ontdekt (986) en sinds het jaar 1000 was de verdere
ontdekking van dit heerlijke gewest, dat men Vinland noemde, gevolgd:
overwinteringen in het zachte klimaat waren niet zeldzaam geweest.
Hoewel kolonisatie en zelfs handel door de vijandige houding der
inboorlingen onmogelijk bleek, ondernamen de stoutmoedige Groenlanders
eeuwenlang gedurig tochten naar het nieuwe land. Voornamelijk om de
rijke ladingen hout, die zij daar vonden, was het te doen: hout was een
artikel in het eigen land niet te vinden en toch bepaald onmisbaar.
[3] Volgens de vroeger algemeen heerschende meening was het
Groenlands oostkust, die door IJslanders bevolkt werd. Het is hier
de plaats niet, deze meening te wederleggen, die voornamelijk
schijnt te steunen op den verkeerd begrepen naam Oosterbygd. Door de
resultaten van Graahs expeditie naar Groenlands oostkust en het
vinden der ruines van de Noorweegsche huizen op Groenlands westkust
schijnt mij de zaak echter nu uitgemaakt.
En toch, niettegenstaande al de ontwikkelde energie ging de kolonie
eindelijk te niet. Op den duur schijnt het klimaat, de grond van
Groenland te bar geweest te zijn, dan dat de bewoners onafhankelijk van
alle hulp uit Europa konden bestaan. Aanvankelijk was dan ook het
verkeer vrij geregeld geweest: na den dood van den bisschop van
Groenland was altijd dadelijk weder een opvolger derwaarts gezonden; ook
tot het drijven van handel landden niet zelden schepen, die de
Groenlanders van noodzakelijke levensbehoeften voorzagen. Toen echter in
de eerste jaren der vijftiende eeuw de beroemde Margaretha van
Denemarken in een oogenblik van ontevredenheid plotseling alle verkeer
met de verafgelegene kolonie verbood, hielden natuurlijk alle berichten
uit Groenland op. Langzamerhand vergat men in Europa de eens zoo
bloeiende volkplanting, en toen jaren later de koningen van Denemarken
hunne fout inziende expedities uitzonden om het verkeer te hernieuwen,
was het te laat. De Noorsche nederzetting in Groenland was verdwenen en
alle reizigers kwamen onverrichter zake terug.[4] Vele eeuwen duurde het
eer men weder eenige geringe sporen vond, dat Groenlands westkust
eertijds door eene beschaafde bevolking bewoond geweest was. Hoewel ons
dus natuurlijk over den ondergang der kolonie alle berichten ontbreken,
is het niet moeielijk te gissen, hoe eene nederzetting, die eeuwen
bestaan had, zoo plotseling verdwenen is.
[4] Tot die expedities behooren o. a. die van Jan van Kolno
(verkeerdelijk ook Szkolno en Anskoeld genoemd) in 1476 (Richardson,
Polar regions. p. 33.--Asher, Hudson the Navigator, p. XCVIII),--van
Walkendorp in 1521 en van Paulus Stygotus, Deensch landvoogd op
IJsland, in 1564 (Berghaus, Wat men van de aarde weet. I p.
121.--Nicolai, Relation. Vorredt. p. 7),--van Henningson in 1578
(Barrow, Abrégé chronol. V p. 18),--van Olivier Brunel in de laatste
jaren der zestiende eeuw (Megiser, Septentrio Novantiquus. p.
174),--van Lindenau en Hall in 1605 en 1606, van Richardson en Hall
in 1607 (Barrow, Abrégé chronol. V p. 24-29.--Barrow, Voyages into
the arctic regions. p. 169, 73)--en van Jens Munck in 1619, 20.
(Richardson, Polar regions. p. 107, 8.--Barrow, Abr. chronol. V p.
55-69.)
Men weet, dat de pest, die onder den naam van de zwarte dood in de
veertiende eeuw geheel Europa doorgetrokken was, ook de kleine bevolking
van Groenland geweldig geteisterd had; men weet, dat een inval uit het
zuiden, waarschijnlijk van Amerikaansche inboorlingen, de gedunde
bevolking nog had doen verminderen; men weet eindelijk, dat de
kustbewoners langen tijd veel te lijden hadden gehad van binnenlandsche
vijanden. Het waren de reeds door de herhaalde tochten der Noormannen
naar hun land verbitterde Amerikanen, die, toen in de veertiende eeuw
eene volksverhuizing der tegenwoordige bewoners van Amerika, de
roodkleurige Indianen, hen steeds meer naar het oosten drong, besloten
hadden de gelegenheid aan te grijpen om zich op hunne oude vijanden te
wreken. Zij waren straat Davis overgestoken en hadden zich weldra op
Groenlands westkust gevestigd. Deze wilde horden, de tegenwoordige
Eskimo’s, hadden sedert dien tijd jarenlang een bitteren krijg met de
Europeesche bewoners gevoerd. In 1379 waren zij eindelijk aanvallend
tegen de kleinste der beide volkplantingen, den Westerbygd, opgetreden.
De hulp, den bedreigden kolonisten door hunne stamgenooten uit den
Oosterbygd ijlings toegezonden, was te laat gekomen[5]: de troepen
hadden slechts rookende puinhoopen gevonden en geen levend wezen was er
sinds dien tijd in den eens zoo bloeienden Westerbygd gezien. Het kan
bijna niet twijfelachtig zijn, of de bevolking van den Oosterbygd, door
Denemarken aan zich zelve overgelaten, door herhaalde rampen gedund,
onderging een gelijk lot. Eskimosche overleveringen wijzen nog de plaats
aan, waar de laatste Noorman strijdende voor zijn land bezweek.[6]
[5] Aan het hoofd dezer expeditie stond Ivar Bere of Bardseu, die
onder den naam van Iver Booty eene zekere vermaardheid heeft
verkregen in de geschiedenis der ontdekkingsreizen door de
vertaling, die Barendsz van zijne aanteekeningen over den weg naar
Groenland maakte.
[6] Het verhaal dezer Noorsche tochten is voornamelijk ontleend aan:
Richardson, The polar regions. p. 20-30.--Vgl. daarover en over de
Noorsche ruines in Groenland ook: Hayes, The land of desolation. p.
45-72.--Berghaus, Wat men van de aarde weet. I p. 118-20.--Asher,
Hudson the Navigator. p. LIX vlg. CLXIII.--Reeds in de vorige eeuw
had men daarvan vrij nauwkeurige kennis. Zie het verhaal bij:
Barrow, Abr. chronol. V p. 1-18. Ook: Mauricius, Naleesingen tot
Weederlegging van ’t regt gepraetendeert by Noorwegen op de
Noordelijke Landen. (R.-A.), die echter de geloofwaardigheid dezer
verhalen zeer betwijfelt.--Alle berichten zijn oorspronkelijk
ontleend aan IJslandsche kronieken, grootendeels uitgegeven in
Rafn’s Antiquitates Americanae.
De geschiedenis dezer ontdekkingen--wanneer men ze zoo noemen mag, nu er
nieuwe ontdekkingen op geographisch en historisch gebied noodig zijn
geweest om zoowel het ontdekte land als de geschiedenis der ontdekkers
zelven aan de beschaafde wereld bekend te maken,--ze is voor ons op het
oogenblik van weinig belang. Zoo ik er desniettemin een paar bladzijden
aan wijdde, dan is het omdat in een overzicht der vroegste reizen in de
noordelijke IJszee de vermelding er van niet ontbreken mag, en vooral
omdat het waarschijnlijk mag heeten, dat de beide ontdekkers van
Amerika, Columbus en Cabot, bij hunne bezoeken aan IJsland juist door de
verhalen over de Noorsche tochten het plan hebben opgevat tot hunne
latere reizen. Zóo knoopt een dunne draad de Noorsche ontdekkingen aan
die van het overige Europa vast.
Want niet lang nadat de Groenlandsche koloniën zoo ellendig waren te
niet gegaan, verspreidde zich over geheel Europa de lust tot
ontdekkingen, die eens de Scandinaviërs tot hunne avontuurlijke tochten
had aangespoord. Aangevuurd door de schitterende uitkomsten der
Portugeesche reizen, vooral door de wonderen, die van de door Columbus
betreden landstreken verhaald werden, wenschten alle natiën in het
aangewezen spoor te volgen. De Italianen, de ijverigsten van allen, die
in hun eigen verbrokkeld land de middelen niet vonden om hun dorst naar
avonturen te lesschen, verspreidden zich over de geheele wereld en velen
boden aan vreemde vorsten hunne nuttige diensten aan. Zulk een man was
Columbus zelf, zulk een man was ook Giovanni Cabot.
Elke geschiedenis van de ontdekkingsreizen naar het noorden behoort te
beginnen met eene eervolle vermelding der namen van dezen genialen
reiziger en zijnen uitnemenden zoon Sebastiaan. De Cabots zijn minder
bekend dan Columbus, maar zij hebben bijna evenveel aanspraak op den
dank van het nageslacht. Al volgden zij ook slechts op de baan die
Columbus geopend had, toch zijn zij de eigenlijke ontdekkers van
Amerika[7] en hunne meer veelzijdige werkzaamheid heeft hunnen naam ook
op het gebied der noordpoolreizen met onverwelkbare lauweren
omkransd[8]. Giovanni Cabot, een Venetiaan die zich te Bristol gevestigd
had, verkreeg 5 Maart 1496 van Hendrik VII van Engeland eene akte om met
zijne drie zonen ter ontdekking van onbekende streken te mogen uitvaren.
De reis, die daarop door hem ondernomen werd, leverde de belangrijkste
resultaten: den 24 Juni 1497 zette Cabot bij Newfoundland het eerst den
voet op Amerikaanschen grond en zeilde van daar eenige weken zuidwaarts
langs eene geheel onbekende kust. De koning was door de mededeeling
hiervan zoo verrast, dat hij dadelijk een nieuw patent aan den reiziger
verleende (13 Februari 1498). Weldra rustten de Cabots zich dan ook tot
eene tweede ontdekkingsreis uit. Ditmaal was het Giovanni Cabots tweede
zoon Sebastiaan, die den tocht ondernam. Zijn doel was echter niet het
verder onderzoeken van het nieuwgevonden land: Amerika werd steeds door
hem beschouwd als een hinderpaal voor het vinden van zijn ideaal, een
korten weg naar Oost-Indië. Ook het resultaat van deze reis was
allergewichtigst. Het moet ieder met bewondering voor Cabot vervullen,
dat hij, de eerste die het plan om eene noordwestelijke doorvaart naar
Oost-Indië te zoeken opwierp, de eerste die daarnaar zocht, reeds
dadelijk de twee wegen vond, die ook nu nog als de eenige beschouwd
worden, die kans op welslagen in het noordwesten bieden: de beide
zeeëngten, die haren naam, met voorbijgaan van haren ontdekker, van de
veel latere reizigers Davis en Hudson hebben ontvangen[9].
[7] Cabot bereikte het vaste land van Amerika in 1497, dus een jaar
vóor Columbus. Bovendien schijnt Cabot de eerste geweest te zijn,
die bemerkte, dat de gevondene landstreken niet een deel van Azië
waren, maar een nieuw, tot dusverre geheel onbekend werelddeel. (cf.
Asher, Hudson the Navigator. p. LXXI.)
[8] Zie over de Cabots: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 89,
90.--Rundall, Voyages tow. the North-west, p. 4-6.--Richardson,
Polar regions. p. 36 vlg.,--en vooral: Asher, Hudson the Navigator,
p. LXVI-LXXV, CII, CXX-CXXIII.--Het hoofdwerk over de Cabots is:
Biddle, Memoir of Sebastian Cabot.
[9] Waarschijnlijk werd straat Davis door Cabot eerst op zijne reis
van 1517 ontdekt. De berichten omtrent de beide reizen zijn echter
zeer verward. (cf. Asher, Hudson the Navigator, p. LXXIII, CXX.)
Het voorbeeld door Cabot gegeven vond weldra navolging. In eenen tijd,
toen de lust tot ontdekkingen nagenoeg geheel Europa bezielde, was het
niet meer dan natuurlijk, dat ook bijna alle handeldrijvende natiën
Cabot op zijnen weg volgden. Het zoeken van eenen doortocht naar
Oost-Indië midden door Amerika werd het doel van verscheidene
ondernemingen. Van de meesten zijn slechts zeer onvolledige berichten
tot ons gekomen, slechts de meer bekende vermeld ik hier. De Portugeezen
waren ook hier wederom de eersten. Reeds in 1501 deed een edelman van
die natie, Gaspar de Cortereal, een reis naar Amerika’s noordkust.
Misschien onder het zoeken naar Hudsons-straat, misschien ook terwijl
hij trachtte een anderen weg dan den door Cabot aangewezene te vinden,
verviel hij in eene zeer natuurlijke en later algemeene vergissing. De
wijde mond van de St. Laurens-rivier, die in de golf van dien naam
eindigt, werd voor eene zeeëngte gehouden. De berichten, die men al
spoedig van de inboorlingen verkreeg over de groote zee, waarnaar die
stroom leidde (de vijf groote Amerikaansche meren) konden niet anders
dan dit vermoeden bevestigen. Cortereal was de eerste die dezen weg
onderzocht. Zijne ontdekkingen bepaalden zich dan ook tot de golf en de
riviermonding van St. Laurens en tot de omliggende kusten. Een tweede
tocht leidde tot geen verder resultaat en de moedige reiziger zelf vond
daarbij den dood.
Ook de Franschen deden spoedig pogingen om hun aandeel in den roem
hunner tijdgenooten te bemachtigen. Maar eerst na twintig jaren
vruchteloos gezocht te hebben, vonden zij krachtige hulp in den
Venetiaan Giovanni di Verazzano, die zijne diensten aan Frans I aanbood.
De koning nam ze gretig aan en gaf hem het bevel over een schip,
waarmede de reiziger in 1524 den oceaan overstak. Verazzano handelde
onder de bepaalde overtuiging, dat er een westelijke doortocht naar
Oost-Indië ~moest~ zijn, naar het schijnt echter zonder bepaald plan
~waar~ die was. Om zeker te zijn, dat de gewenschte zeeëngte hem niet
ontsnappen zou, stuurde hij zuidwestelijk en ontdekte de Amerikaansche
kust op 34° NB. Van daar noordwaarts langs het strand stevenende
onderzocht hij de baaien, die hij ontmoette (voornamelijk den mond der
Hudsons-rivier en de Narraganset-baai) en zette zijne tochten voort tot
de noordpunt van Newfoundland. Omtrent de St. Laurensbaai schijnt hij
beter ingelicht te zijn geweest dan zijne voorgangers; maar daardoor
moest hij nu ook, toen de levensmiddelen begonnen te ontbreken, naar
huis keeren zonder zelfs hoop op een bepaalden doortocht te kunnen
geven. De bekende reizen van den Franschman Jaques Cartier in 1534 en
1535 slaagden nog minder goed: evenals Cortereal bepaalde hij zich tot
onderzoekingen op de St. Laurensrivier, waar hij meende den
noordwestelijken doortocht te zullen vinden. De volkplantingen door
Cartier later (1540) naar de dus bekend geworden streken gevoerd hebben
zijnen naam echter een eervolle plaats in de geschiedenis verzekerd.
De Spanjaarden, bezitters van een gedeelte der Amerikaansche streken,
waardoor men verwachtte dat de doortocht zou loopen, waren niet het
minst ijverig in het zoeken daarnaar. Sinds 1500 deden zij onophoudelijk
tochten langs de kust, voornamelijk in Middel-Amerika. De beroemde
Fernando Cortez maakte zelfs een plan om de geheele Noord-Amerikaansche
kust, zoowel de oost- als de westzijde te doen onderzoeken door eene
daartoe met opzet uitgeruste expeditie, die van het zuiden beginnende
niet rusten zou voordat zij verder noordwaarts den doortocht gevonden
had. De verdienstelijkste tocht der Spanjaarden was echter die onder den
Portugees Estevan Gomez. Deze uitstekende zeeman, die naar het schijnt
in zijnen tijd voor eene autoriteit op het gebied der cosmographie
gehouden werd, verkende slechts weinige maanden na Verazzano (1525) op
last van Karel V dezelfde kusten, die de Venetiaan had bevaren, maar in
omgekeerde richting. Waar hij zijne reis begon is niet zeker, maar het
staat vast, dat hij de Amerikaansche kust ten noorden van 41° NB. tot
aan de West-Indische eilanden nauwkeurig opnam en de meest volledige
berichten over land en volk medebracht. De kaart, die hij van de door
hem geziene kust opmaakte, staat verre boven de gelijktijdige van
Verazzano. De interessante reis van Gomez, die trouwens niet nader tot
het voorgestelde doel leidde, was de laatste tocht van belang, die
voorloopig ondernomen werd. De Engelschen begonnen zich omstreeks dezen
tijd mede in het strijdperk te vertoonen, maar hunne eerste pogingen
waren zwak en zonder eenig belangrijk resultaat.
Twee redenen schijnen omstreeks 1530 samengewerkt te hebben om de
pogingen om westwaarts naar Oost-Indië te zeilen te doen opgeven. De
hoofdreden zal natuurlijk wel geweest zijn de slechte uitslag van
zoovele ondernemingen, die bijna jaar op jaar gedurende meer dan het
vierde eener eeuw waren beproefd. Alle reizen, die in deze eerste
periode volbracht waren, hadden wel is waar geleid tot eene betrekkelijk
nauwkeurige kennis van Amerika’s oostkust, maar tot het voorgestelde
doel, het vinden van eenen korten weg naar Oost-Indië, was men geen stap
genaderd. Voor een lateren tijd bleef het bewaard het spoor door Cabot
aangewezen te volgen en in het verre noordwesten naar een doortocht te
zoeken[10]; voorloopig werd de tot dusverre betreden weg algemeen
verlaten, en terwijl de Spanjaarden op het voetspoor van Cortez in
verschillende expedities Amerika’s westkust onderzochten zonder de
doorvaart te vinden, gaven de andere natiën hunne pogingen geheel op.
Maar een tweede reden bracht daartoe niet weinig bij. De expedities om
het rijke Oost-Indië en het mythische Cathay, het land waarvan men
zoovele wonderen verhaalde, te vinden hadden de Europeanen meer en meer
opmerkzaam gemaakt op de schatten, die het nieuwontdekte westelijke
vasteland zelf in niet minderen overvloed aanbood. Langzamerhand begon
dan ook de lust om die zoo gemakkelijk te bereiken voordeelen te
bemachtigen, de overhand te krijgen op de begeerte om de Indische
rijkdommen, waarvan de oudheid gewaagd had, te winnen. En de reizen naar
Amerika’s kusten met dat doel gemaakt, hadden natuurlijk niet meer den
omvang, waardoor de vroegere zulke uitgebreide resultaten op het gebied
der aardrijkskunde hadden opgeleverd. Want voortaan waren het bepaalde
punten van het nieuwe vasteland zelf, waarheen men zijne tochten
richtte, en alleen het voortdurend toenemende verkeer was oorzaak, dat
ook deze reizen na lange jaren aanmerkelijk bijdroegen tot de
geographische kennis van Amerika’s kusten. De landstreek, waarop ik
hierbij voornamelijk het oog heb, is Newfoundland. Het was reeds den
eersten reizigers niet ontgaan, dat de bijzonder groote overvloed van
kabeljauw, die zich op de kusten van dat land bevond, een bron van
voordeel zou kunnen zijn, die niet verwaarloosd diende te worden, en
toen eenmaal de weg daarheen gewezen was, verschenen hoe langer hoe meer
Portugeesche, Spaansche en vooral Fransche schepen in die rijke wateren.
De Franschen, wier Baskische broeders reeds van ouds als onverschrokkene
visschers bekend stonden, verdrongen eindelijk hunne mededingers geheel
van dat gebied, maar niet voordat de Portugeezen de geheele kust tot
zelfs in Hudsons-baai bezeild en vrij nauwkeurig opgenomen hadden. (vóor
1570.)[11]
[10] In deze eerste periode had men over het algemeen het voetspoor
gevolgd van Columbus, die eenvoudig westwaarts naar Oost-Indië had
willen zeilen. Toen men het bestaan van Amerika ontdekt had, zocht
men ergens midden door dat werelddeel een doortocht, die zeker de
eenvoudigste weg naar Oost-Indië zou geweest zijn. Nadat deze
pogingen vruchteloos gebleken waren, beproefde men natuurlijk den
kortsten weg, den noordoostelijken doortocht. Eerst toen ook hier
zich groote moeielijkheden opdeden, wendde men zich naar het
noordwesten en in deze glansrijke tweede periode van het zoeken naar
de westelijke doorvaart, nagenoeg uitsluitend door Engelschen
beproefd, onderscheidden zich vooral mannen als Frobisher, Davis,
Weymouth, Bileth en Baffin. Over deze reizen vindt men uitvoerige
berichten in: Purchas his Pilgrimes. III.
[11] In dit overzicht der ontdekkingsreizen op de Amerikaansche kust
volg ik bijna uitsluitend de uitnemende inleiding voor: Asher,
Hudson the Navigator. p. LXV-CI.
Lang voor dien tijd was echter het zoeken van een noordelijken doortocht
naar Oost-Indië, of zooals men toen algemeen zeide naar China en Cathay,
reeds weder hervat en wel volgens een geheel nieuw plan.
De pauselijke bul, waarbij aan de Portugeezen de nieuw ontdekte landen
op de oostelijke helft van den aardbol, aan de Spanjaarden die op de
westelijke helft werden geschonken (1493), had dezen in hun eigen oog
gerechtigd alle andere natiën van de vaart op de hun toebehoorende
landen, bekend of onbekend, uit te sluiten. Er waren maatregelen genomen
om de demarcatielijn juist te trekken (congres van Badajoz 1524)[12], en
men was eindelijk tot eene vreedzame oplossing gekomen. Het laat zich
begrijpen, dat dit alles door de overige Europeesche natiën met leede
oogen werd aangezien. Mocht ook voor niet-katholieke natiën het
pauselijk woord geen gewicht in de schaal leggen, de beide begunstigde
mogendheden hechtten daaraan des te meer, en daar zij in de zeeën, die
den toegang naar het zoo begeerde Oost-Indië openden, oppermachtig
waren, deed hun wil om anderen uit te sluiten hier alles af. Maar deze
toestand was op den duur niet te dulden: voor de uitgeslotenen was het
alles waard het verre land te bereiken en de wrevel tegen de
overweldigers was algemeen. Eene handeldrijvende natie als de Engelsche,
bovendien steeds in oppositie tegen Spanje, moest wel het eerst
ongeduldig worden over den opgelegden dwang. Het was dus waarschijnlijk,
dat Engeland eene nieuwe poging zou doen om Oost-Indië te bereiken,
zoodra zich een kans opdeed om dien stap te doen met eenige hoop op
goeden uitslag.
[12] Zie daarover: Hakluyt, Divers voyages. p. 47 Noot 2.
En die kans deed zich op. In 1548 was Sebastiaan Cabot, die sinds zijne
vorige tochten met een korte tusschenpoos[13] in Spaanschen dienst was
geweest, in Engeland teruggekomen. Een reis naar het noordwesten in 1517
ondernomen had hem de overtuiging geschonken, dat zoo al een doortocht
naar Oost-Indië in die richting te vinden was, de moeielijkheden daaraan
verbonden toch in ieder geval te groot waren dan dat die weg voor den
geregelden handel met Oost-Indië van eenig nut zou kunnen zijn. Zijn
aandacht viel nu op de eenige zee, die nog kans op eenen nieuwen weg
scheen aan te bieden.
[13] In die tusschenpoos volbracht Cabot in Engelschen dienst zijne
noordwestelijke reis van 1516 of 1517.
Het hooge noorden van Europa was sinds de dagen van Octher niet meer
bezocht geworden: de beschaafde wereld was geheel onbekend met de kusten
der IJszee. Slechts onbepaalde voorstellingen vormde men zich van die
streken, voorstellingen voornamelijk aan de schriften van Plinius en
andere oude geographen ontleend. Dezen hadden geleerd, dat de kust van
Azië ten noorden in een kaap uitliep, die kaap Tabin (kaap Taimyr?)
genoemd werd. Van dat punt zou de kust recht naar het zuiden loopen.
Door eene straat, de straat van Anian genaamd (de Behring-straat),
meende men onmiddellijk het rijke Cathay, een mythisch land ten noorden
van China, te kunnen bereiken; de weg van daar naar China en Oost-Indië
zou niet moeielijk te vinden zijn.--Dezen weg wilde Cabot nu inslaan. De
moeielijkheden daaraan verbonden waren hem onbekend; het onmiskenbare
voordeel, dat deze weg boven alle andere bood, de kortheid, moest ieder
in het oog vallen. Vast besloten om ten minste een proef te wagen,
vinden wij Cabot dan ook reeds weinige jaren na zijne laatste mislukte
noordwestelijke reis, in 1522 en 1523 bezig met onderhandelingen, om aan
zijne vaderstad Venetië de voordeelen van deze vaart te verzekeren[14].
Maar te vergeefs! Venetië was door hare ligging aan gene zijde van de
straat van Gibraltar te veel afhankelijk van Spanje’s goedvinden om het
te wagen de bedoelingen dier groote mogendheid te weerstreven op een
punt van zooveel belang. Cabot was dus genoodzaakt van zijn ideaal af te
zien: Venetië zou de vruchten van de plannen door haren zoon gemaakt
niet plukken. Maar nauwelijks was de geniale grijsaard vele jaren later
in Engeland teruggekeerd, of hij maakte gebruik van de gunstige
gelegenheid en het jarenlang geliefkoosde plan werd ter tafel gebracht.
[14] Cabot heeft dus de prioriteit boven Robert Thorne, die in 1527
nieuwe plannen over den noordelijken doortocht naar Oost-Indië
opperde. Zie Thorne’s werkjes afgedrukt in: Hakluyt, Divers Voyages
to America.
En niet zonder vrucht! Het eerste resultaat van Cabots bemoeiingen was
reeds in 1551 de oprichting eener nieuwe compagnie, die bestemd schijnt
geweest te zijn om het overwicht, dat de Hansesteden door hare
privilegiën in Engelands handel hadden, te vernietigen en de eigen
werkzaamheid der Engelschen door het openen van nieuwe banen voor het
verkeer op te wekken. De belangrijke plaats, die deze compagnie ook in
ons verhaal innemen zal, maakt het noodig over haar iets uitvoeriger te
spreken[15]. Het was eene maatschappij op aandeelen van 25 p. St.;
binnen korten tijd had men de som van 6000 p. St. bijeen en kon de
compagnie onder den naam van »~The Mystery, Company and Fellowship of
Merchants Adventurers for discovery of unknown lands~” hare
werkzaamheden beginnen. Cabot werd tot president voor zijn geheele leven
benoemd. Het doel was, zooals reeds uit den naam blijkt, het ontdekken
van nieuwe landen; het aanknoopen van handelsbetrekkingen zou daarmede
natuurlijk gepaard gaan. Reeds de eerste tocht der compagnie, waarover
later meer, bepaalde voor goed de richting, waarin zich hare
ondernemingen voortaan zouden bewegen. Er werden namelijk reeds in 1553
handelsbetrekkingen met Rusland aangeknoopt, en hoewel de compagnie
haar doel, het ontdekken van vreemde landen, niet uit het oog
verloor,--hoewel door hare pogingen de Engelsche walvischvangst een
tijdlang bloeide, bleven toch de betrekkingen met Rusland zoozeer
hoofdzaak, dat de naam der compagnie geheel in vergetelheid geraakte en
men haar gewoonlijk de Moscovische of Russische Compagnie noemde.
[15] Zie Hakluyts uitvoerig verhaal der omstandigheden, die tot de
vestiging dezer compagnie leidden, in de inleiding van: Beke, Three
voyages by the North-east. p. II-IV.
In Engeland was men trouwens zeer met de handelwijze der nieuwe
vereeniging ingenomen. Dadelijk na de terugkomst der eerste expeditie
verkreeg zij (6 Februari 1555) van Philips en Maria verschillende
privilegiën en octrooi voor den uitsluitenden handel op het noorden. De
compagnie werd in dit stuk aangeduid door de omschrijving: »~The
Merchants adventurers of England for the discovery of lands,
territories, isles, dominions and seignories unknown~.” Toen later, door
de groote winsten die de maatschappij maakte aangelokt, andere
Engelschen inbreuk op haar octrooi maakten en onder allerlei
voorwendsels trachtten de beperkende bepalingen der wet te
ontduiken[16], toonde Elisabeth hoezeer zij het bestaan der compagnie op
prijs stelde, door op nieuw in uitdrukkelijke bewoordingen het
uitsluitend recht der vereeniging, voortaan »~The Fellowship of English
Merchants for the Discovery of New Trades~” genaamd, te handhaven.
(1566)[17] Onder laatstgemelden naam heeft de Moscovische Compagnie de
eeuwen getrotseerd en bestaat zij tot op dit oogenblik[18].
[16] Zie over deze inbreuken op het octrooi der Moscovische
Compagnie: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 204, 212, ook p. 220,
cf. p. 201 Noot 1, 214 Noot 2, 216 Noot 2.
[17] Sommigen verhalen, dat deze bevestiging van het octrooi onder
Elizabeth ~bij parlementsakte~ is geschied.
[18] Zie over de Moscovische Compagnie: Hamel, Tradescant. p. 88-90,
162, 212.--Asher, Hudson the Navigator p. CII, CIII, CXXIII,
CXXV.--Beke, Three voyages by the north-east. p. II-IV,
VII.--Hakluyt, Divers voyages. p. LXXXV, LXXXVI.--Read, Hist. inq.
conc. Henry Hudson. p. 21 vlg.
Dadelijk na hunne vereeniging maakten de kooplieden zich op Cabots
aandrijven gereed het voorgestelde doel, de ontdekking van nieuwe
landen, te bereiken. Reeds in 1553 zeilde eene expeditie naar het
noordoosten. In plaats van Cabot, die te oud was om persoonlijk de
ontberingen eener noordelijke ontdekkingsreis te verduren, werd Sir Hugh
Willoughby, een ervaren krijgsman van aanzienlijke familie[19], aan het
hoofd der onderneming gesteld. Als opperstuurman werd hem de bekwame
Richard Chancellor toegevoegd. De drie schepen, waaruit de kleine vloot
bestond, de Bona Esperanza, de Edward Bonaventure en de Bona
Confidentia, verlieten de haven van Ratcliff den 10 Mei 1553. Geheel
Engeland zag met belangstelling den uitslag der onderneming te gemoet.
Het resultaat was dubbel belangrijk. Niettegenstaande een hevige storm
reeds spoedig op de kust van Noorwegen den Edward Bonaventure, met
Richard Chancellor aan boord, van de overige schepen scheidde, zeilden
beide afdeelingen moedig voort. Willoughby ontdekte den 14 Augustus
Novaya Zemlya. Hij bereikte dat gedeelte van het eiland, dat de
Ganzenkust heet en dat op de nieuwste kaarten ter zijner eere
Willoughby-land genoemd wordt[20]. Het ijs belette hem te landen en na
vruchteloos getracht te hebben noordwaarts te zeilen besloot hij de
Russische kust op te zoeken. Hij bereikte den mond van de rivier
Warsina, waar het ijs hem insloot. In deze zeer ongunstig gelegen haven
in eene verlatene streek moesten de daarop niet voorbereide schepen
overwinteren. Het volgend voorjaar vonden de Laplanders ze beiden
ingevroren: de geheele bemanning was van koude en gebrek omgekomen.
[19] Zie over den persoon en de familie van Willoughby met zeer
overdrevene uitvoerigheid: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 91-104.
[20] Dat Willoughby-land en de Ganzenkust identiek zijn, wordt nu
algemeen erkend. (Beke, Three voyages by the north-east. p.
V.--Asher, Hudson the Navigator, p. CXXIV, CLVIII.--Hamel,
Tradescant der Aeltere. p. 110.) De eer van dit overtuigend bewezen
te hebben komt toe aan Rundall. (Voyages towards the north-west. p.
III-VI.)--Tot zoover is men het eens; over de quaestie of Willoughby
~na~ de ontdekking van Novaya Zemlya ook Spitsbergen heeft gevonden
~kan~ nog eenig verschil bestaan. Bij de overtuigende gronden door
Rundall (l. c. p. VI-XII) ~tegen~ dit gevoelen aangevoerd, zou men
m. i. nog deze kunnen voegen, dat het onwaarschijnlijk, ja bijna
onmogelijk is, dat Willoughby in een reis van negen dagen door eene
altijd met ijs bezette zee (terwijl hij in het gunstigste geval
slechts ~drie~ dagen noordelijk gezeild is en overigens meest
zuidoost of zuidwest) den grooten afstand heeft afgelegd tusschen
Novaya Zemlya’s zuidwestpunt en Spitsbergen.
Van meer dadelijk belang voor de compagnie was het resultaat door
Chancellor bereikt. Met zijn schip, waarvan de bekende Stephen Burrough
kapitein was, oostwaarts gezeild, kwam hij in de Witte Zee en landde 24
Augustus 1553 aan den mond van de Dwina. Welwillend ontvangen
overwinterde de bemanning aldaar. Chancellor zelf vertrok over land naar
Moscou, waar hij den czaar bereid vond tot het aanknoopen van
handelsbetrekkingen. Dit heugelijk bericht, door hem het volgende jaar
aan zijne lastgevers overgebracht, gaf aanleiding tot het aanknoopen van
een geregeld verkeer tusschen Engeland en den mond der Dwina, waar
spoedig op het Rozen-eiland bij Kholmogorui eene kolonie van Engelschen
verrees[21].
[21] Zie over het handelsverkeer tusschen Engeland en Rusland
voornamelijk in de eerste twintig jaren: Hamel, Tradescant der
Aeltere 1618 in Russland. In dit zeer geleerde, zeer onsystematisch
bewerkte en met vele onbelangrijke kleinigheden opgevulde boek vindt
men over dezen handel nauwkeurige en uitvoerige berichten van het
grootste belang, die grootendeels uit de voor ons zoo moeielijk
toegankelijke Russische archieven geput zijn.
Niettegenstaande deze handel weldra bijna alle aandacht der jeugdige
compagnie tot zich trok, werden toch de pogingen tot het ontdekken van
den noordoostelijken doortocht naar Oost-Indië niet opgegeven. Reeds in
1556 werd Stephen Burrough, die kapitein was geweest van Chancellors
schip, uitgezonden om nadere kennis omtrent de noordoostelijke zee te
verkrijgen en bepaaldelijk om den mond van de rivier den Ob te
verkennen. Met een klein schip de Searchthrift verliet hij 23 April
Gravesend, bevond zich 9 Juni te Kola, stak verder oostwaarts gezeild
den mond der Witte Zee over en volgde van daar nagenoeg de lijn der
Russische kust. Langs het eiland Kolguev bereikte de moedige zeeman den
31 Juli Vaigatsch, waar hij landde; hij zag Novaya Zemlya en ontdekte
den ingang naar de zee van Kara, de breede naar hem genoemde
Burroughs-straat, ook wel Kara-straat geheeten[22]. Maar toen hij de nog
door geen Europeaan bezeilde zee was ingevaren, vond hij het ijs daar in
zulke hoeveelheden ronddrijven, dat hij het ongeraden achtte verder te
gaan. Den 5 Augustus keerde hij terug en kwam 11 September behouden te
Kholmogorui aan.
[22] Dat deze straat later voor de noordpoolreizen zelden of nooit
meer gebruikt werd, is waarschijnlijk aan hare ondiepte toe te
schrijven. Massa teekent toch daarbij op zijne kaart (in Hessel
Gerritsz’ Beschr. v. Samoyeden-Landt) aan: „Hier machmen by hoogh
water overvaeren, anders ist droogh.” Witsen (Noord en oost
Tartarye. p. 921) is van een ander gevoelen en verhaalt, dat „de
Moskoviten de vaert benoorden ’t Eiland Waigats na de Binnen-zee
schouwen, maer meest altoos de doortogt naest aen de vaste Kust
gebruiken, hoewel de Noorder-straet het diepste is. Zy zyn
vreesachtig,” voegt hij er bij, „dat van die zyde meer gevaer is, om
dat aldaer de meeste Ys-schollen zoude(n) zyn.”
Hoezeer deze reis de geographische wetenschap eene belangrijke schrede
voor uitbracht, waren hare praktische resultaten eer ontmoedigend dan
verblijdend. De zekerheid was wel is waar verkregen, dat de hinderpaal,
die zich zoo onverwachts in de IJszee tot ver in het noorden uitstrekte,
den toegang naar het oosten niet geheel sloot, maar men had zich tevens
kunnen overtuigen, dat de verdere weg naar Oost-Indië met vele bezwaren
bezet was,--dat niet alleen kaap Tabin, het doel waarnaar ieder zeeman
streefde, maar zelfs de mond van den Ob niet gemakkelijk te bereiken
was. Onder deze omstandigheden besloot de compagnie, meer en meer door
den handel op de Dwina beziggehouden, eenen weg in te slaan, die
waarschijnlijk spoediger tot resultaten van praktisch belang zou leiden
dan de tot dusver beproefde. Verschillende pogingen werden door Anthony
Jenkinson op haren last aangewend om overland het rijke Cathay te
bereiken en onderweg handelsbetrekkingen met Perzië aan te knoopen.
Maar dit plan mislukte volkomen: de onderlinge oorlogen der aldaar
wonende stammen beletten, dat er een vreedzame handelsweg door Azië’s
binnenlanden geopend werd[23].
[23] Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 199-203.--Read, Henry Hudson.
p. 55, 59.
Toen het zoodoende gebleken was, dat de weg overland aan meer bezwaren
en meer wisselvalligheden onderworpen was dan die over zee, sloeg de
compagnie den ouden weg op nieuw in. Herhaaldelijk beproefde zij van de
noordelijke kusten ten minste eene eenigszins nauwkeurige kennis te
verkrijgen. Het doel was bij die tochten niet zoozeer het omzeilen van
kaap Tabin,--de onverwachte ontdekking van Novaya Zemlya schijnt de
toenmalige geographen aan de juistheid van Plinius’ mededeelingen te
hebben doen twijfelen,--maar voornamelijk om te onderzoeken of ergens
voorbij den Ob de kust zich al dan niet noordwestwaarts omwendde en door
aansluiting aan Novaya Zemlya’s noordoostpunt een baai vormde, die aan
alle verdere pogingen om den doortocht naar Oost-Indië langs dien weg te
vinden eens en voor goed een onoverkomelijken hinderpaal in den weg
moest leggen. Tevens werd den reizigers op het hart gedrukt om te
onderzoeken, of het door Willoughby ontdekte land al dan niet verbonden
was met het door Burrough geziene Novaya Zemlya, en om te ontdekken
hoedanig de gesteldheid was van de kusten van den Ob en van de bewoners
dier streken.[24]
[24] De instructiën aan Bassendine c. s. in 1568 en aan Pet en
Jackman in 1580 door de Moscovische Compagnie gegeven, zijn nagenoeg
volkomen eensluidend wat het doel der reis betreft. Men moet echter
uit dit feit geene conclusiën trekken over de algemeene verspreiding
der daarin vervatte beschouwingen, immers ~beide~ stukken zijn van
de hand van den bekenden William Burrough. (Hamel, Tradescant der
Aeltere. p. 223 en vooral p. 185 Noot 1.--Beke, Three voyages. p.
XXV.) De lijst van geschriften van W. Burrough in de inleiding van
Hakluyts Divers voyages (p. LXI) moet dus met deze beide vermeerderd
worden.
Van de tochten met dit oogmerk ondernomen zijn ons slechts zeer
onvolledige berichten bewaard gebleven. Slechts van éene reis, die van
Arthur Pet en Charles Jackman in 1580, kunnen wij een eenigszins
volledig overzicht geven. Evenals in 1553 was de belangstelling in dezen
tocht, waaraan men een meer dan gewoon gewicht schijnt gehecht te
hebben, in Engeland zeer levendig. Met twee schepen, de George en de
William, verlieten Pet en Jackman, twee ervaren zeelieden, 31 Mei 1580
de reede van Harwich. Reeds den 24 Juni, niet ver voorbij Wardöhuus,
moest echter Jackman tot herstel van zijn ontredderd scheepje--de
William--de kust opzoeken. Pet zette zijne reis moedig voort: hij
bereikte, Willoughby’s spoor volgende, Novaya Zemlya nagenoeg op
dezelfde plaats als zijn voorganger en maakte zoodoende de identiteit
van Novaya Zemlya en Willoughby-land voor goed uit, een feit, waarop
door de toenmalige geographen echter geen acht geslagen is. Op eenigen
afstand van de kust--ijs en mist beletten hem haar geheel te
volgen--zeilde Pet langs Novaya Zemlya, miste den ingang van
Burroughs-straat, die vol ijs zat, en kwam 17 Juli in de baai van
Pechora aan. Bij de eerste goede gelegenheid vertrok hij weder van daar;
volgde de Russische kust en ontdekte de tweede opening, die toegang
verleent tot de zee van Kara, Yugorsky-sjar, door de Hollanders later
straat van Nassau, door de nieuwere geographen echter naar haren
ontdekker Pets-straat genoemd. Na vruchtelooze pogingen om door het ijs
te breken, ontmoette onze reiziger volgens afspraak zijnen tochtgenoot
Jackman bij Vaigatsch. Beide bevelhebbers besloten nu noordwaarts te
zeilen om eene ijsvrije zee te zoeken, maar vruchteloos! Na eene nieuwe
beraadslaging besloot men de reis op te geven en den terugtocht aan te
nemen. Pet kwam 26 December behouden te Ratcliff aan, Jackman
overwinterde in eene Noorweegsche haven en men heeft sedert dien tijd
niets meer van hem vernomen.
Van de overige expedities, door de Moscovische Compagnie omstreeks dezen
tijd uitgezonden, weten wij uiterst weinig.[25] Uit verspreide berichten
vernemen wij, dat er in 1568 een plan heeft bestaan tot eene expeditie
met geheel hetzelfde doel als die van Pet en Jackman, onder Bassendine,
Woodcocke en Browne, en dat deze expeditie waarschijnlijk vertrokken is.
Vóor 1584 zijn er nog verschillende andere reizen door Engelschen
gemaakt met het doel om den mond van den Ob te vinden, en wel niet
zonder belangrijke resultaten, die echter ongelukkig alle voor de
wetenschap verloren zijn gegaan. De eerste dier reizen had ten gevolge
het vinden van den weg ter zee naar den mond van den Ob, eene
wetenschap, die aan Europa niet bekend werd, daar alle deelnemers aan de
expeditie door de Samojeden vermoord werden.[26] Zekere Anthony Marsh,
onbekend met het resultaat door zijne landgenooten verkregen, deed in
dienst der compagnie nogmaals den landweg beproeven. Een Rus met name
Bodan, bereikte op zijnen last zoodoende den Ob weder, maar de czaar
keurde dergelijke proefnemingen ten sterkste af: hij zette Bodan
gevangen, ontnam hem zijn rijke voorraad koopmansgoederen en belette
daardoor op nadrukkelijke wijze alle verdere proefnemingen met
gebruikmaking van de verkregen kennis. Marsh beraamde eindelijk in 1584
een nieuw plan om den Ob te bereiken. Eenige Russen zouden voor hem in
twee vaartuigen de rivier de Pechora opzeilen, van daar door eene andere
rivier, door hen Ouson genoemd (de Ussa?), in den Ob komen en dien met
den stroom afzakken. De Russen gaven aan Marsh de keus tusschen dezen
weg en dien door Mathijs-straat over de zee van Kara naar den mond van
den Ob. Of er ooit iets van deze onderneming gekomen is, is niet bekend.
Eene ontdekking van niet minder belang was de kennis, die Marsh door
deze Russen verkreeg van het bestaan en de ligging van Mathijs-straat
zelve (Matyushin-sjar tusschen Novaya Zemlya en Mathijs-land), de derde
en voor zoover bekend is de laatste weg naar de zee van Kara[27].
[25] Zie intusschen daarover: Hamel, Tradescant. p. 313, 22.
[26] Zie over deze reis breedvoerig: Hamel, Tradescant der Aeltere.
p. 322 Noot 2. Hamel plaatst haar op goede gronden in 1581 en maakt
het waarschijnlijk, dat Jackman en de zijnen de moedige reizigers
geweest zijn, die hier den dood vonden.
[27] Van een vierden weg door Novaya Zemlya naar de zee van Kara,
tusschen Mathijs-land en Lütke’s-land wordt het bestaan wel vermoed;
het is echter nog niet gelukt hem te ontdekken. Hamel (Tradescant.
p. 321) gelooft er niet aan.
Hoe belangrijk de tot 1584 verkregen uitkomsten zijn mochten, men kon
zich niet verhelen, dat men na dertig jaren zoekens nog slechts éene
schrede op den moeielijken weg naar Oost-Indië gevorderd was. Ook nu men
den mond van den Ob bereikt had, bleven de grootste hinderpalen op dien
weg zelfs ondoorzocht. Volgde men Plinius’ uitspraken, dan bleef de
verre noordelijkste punt van Azië kaap Tabin nog steeds in het duister;
het bleef twijfelachtig of op zulk eene noordelijke hoogte de zee
bevaarbaar was. En de vrees, dat de zee van Kara niets dan eene groote
baai zou zijn, die den weg naar Oost-Indië afsloot, was niet weggenomen.
Onder deze omstandigheden schijnt de compagnie, die nu reeds naar haren
uitgebreiden handel op de Witte Zee terecht den naam van Moscovische
droeg, besloten te hebben aan dien handel al hare aandacht te wijden.
Noch Hakluyt, die zooveel belang gesteld had in de noordpoolreis van
1580 en wiens beroemd werk ~Principal Navigations~ eerst in 1589
verscheen, (de tweede editie is van 1598),--noch Purchas, die de
wetenschappelijke nalatenschap van dezen uitnemenden geleerde in
materiëelen en immateriëelen zin aanvaardde, melden iets van Engelsche
ontdekkingsreizen naar het noordoosten na 1584. De reis van Pet en
Jackman schijnt de laatste expeditie van eenig belang geweest te zijn,
door Engelschen uitsluitend tot het doen van ontdekkingen naar het
noordoosten uitgezonden, totdat de opmerking, dat de IJszee in den
walvisch een onmetelijken rijkdom in hare wateren verborg, op nieuw tot
het opsporen van onbekende landen aanzette[28].
[28] In het verhaal dezer noordoostelijke tochten volgde ik
voornamelijk de uitnemende inleiding voor: Beke, Three voyages by
the north-east.
Maar de taak, die de Engelschen na moedig en ijverig pogen dus
onafgewerkt gelaten hadden, werd dadelijk door eene andere natie
opgevat. De rivaliteit, die Engeland en Nederland gedurende de geheele
zeventiende eeuw verdeelde, nam reeds op het einde der zestiende een
aanvang. In de onherbergzame wateren der IJszee begon een strijd, die
zich van daar over alle oorden der wereld zou uitbreiden,--een strijd,
die op de geschiedenis van geheel Europa den beslissendsten invloed zou
oefenen.
HOOFDSTUK I.
DE NEDERLANDERS IN DE IJSZEE. (1565-1613.)
»Men miskent het doel der wetenschap, als men hare waarheden minder hoog
schat, omdat men de nuttige toepassingen niet ontdekt, die men daarvan
zal kunnen maken[29]”. Zoo is het waarlijk! De wetenschap is het slechts
te doen om waarheid op elk gebied: met de eischen der praktijk kan zij
zich niet dan accidenteel bezighouden. Gelukkig echter is het nut der
wetenschap daarom nog niet uitsluitend in het ontdekken van waarheden
gelegen, die, hoe gewichtig ook, toch soms zeer koel door het algemeen
ontvangen worden. De onbaatzuchtige geleerde, wien het alleen om die
waarheden te doen is, doet soms op zijnen weg ongezochte en onverwachte
ontdekkingen, die aanleiding geven tot het verbeteren van bestaande of
het scheppen van nieuwe toestanden,--ontdekkingen, die door personen
alleen op praktische resultaten bedacht bezwaarlijk zouden zijn gedaan.
Op deze wijze zijn verreweg de meeste der uitvindingen verkregen, die de
negentiende eeuw zoo oneindig ver boven de vorige verheffen; op deze
wijze verwierven ook de Nederlandsche noordpoolreizigers der zeventiende
eeuw een ongedachten prijs voor hunne inspanning.
[29] Spruyt, De achterhoede van het idealisme. (Gids, Juni 1872. p.
391.)
De herhaalde reizen door de Nederlanders op het einde der zestiende en
in het begin der zeventiende eeuw in de IJszee gedaan, versierden de
namen der eenvoudige zeelieden die ze ondernamen met onverwelkbare
lauweren, en zelfs nog zeer onlangs verleenden onverwachte ontdekkingen
aan den roem van hun moed en volharding nieuwen glans. Zij brachten over
tot dien tijd nagenoeg onbekende streken verrassende berichten en
bewezen aan de wetenschap dier dagen belangrijke diensten. Maar te
gelijk verwierven zij ook voor hunne volharding eene belooning van
practischen aard, al werd het doel, dat zij zich voorgesteld hadden, in
weerwil van al hunne inspanning niet bereikt. De gezochte handelsweg
naar Oost-Indië bleek meer en meer een hersenschim, maar onverwachts
werd den moedigen ontdekkers een ruim veld geopend, waarop de energie
hunner landgenooten door het vestigen der walvischvangst eerlang
schatten zou verwerven.
Men make uit het voorgaande de gevolgtrekking niet, dat het den helden
op wie ik het oog heb om een zuiver wetenschappelijk belang te doen was.
Overdreven zucht tot verheerlijking van het voorgeslacht moge soms de
Staten voorgesteld hebben als edele menschen, die van liefde tot de
wetenschap blakende kostbare expeditiën uitrustten om de menschheid met
de wonderen der IJszee bekend te maken; teleurgestelde nationale trots
moge het zelfs den moedigen ontdekkers tot schande aangerekend hebben,
dat zij niet uit zuivere zucht om de kennis van den aardbol te
vermeerderen maar uit baatzucht hunne reizen ondernamen: deze
traditioneele voorstellingen, deze overdreven eischen zijn even onjuist
als onbillijk. Reeds in theorie schijnt het voor eene regeering
onwenschelijk, de plannen van zuiver wetenschappelijke mannen, die zich
met de eischen der practijk niet inlaten, uit hare middelen te steunen.
Partikulieren als Hakluyt en Mercator mogen tijd en geld overhebben voor
het doen van nasporingen, die slechts theoretisch nut opleveren; de
staat, die het algemeen belang moet behartigen, kan zich met die
nasporingen niet inlaten, wanneer er niet gegronde hoop bestaat, dat ze
tot een praktisch nuttig resultaat zullen leiden. Het is reeds veel, zoo
de regeering door premiën en belooningen voor verkregen uitkomsten de
beoefening der wetenschap aanmoedigt; eerst wanneer de geleerde
onderzoekingen haar bevorderlijk schijnen voor het algemeen belang mag
zij zelve daaraan deelnemen. Hoeveel te minder mag men hoogere eischen
stellen aan de leiders van den gewapenden opstand tegen Spanje, in eenen
tijd toen geld en nogmaals geld het doel der verarmde onderzaten bij al
hunne ondernemingen was en zijn moest, toen de behoefte van den geest
aan iets hoogers dan de belangen der geldkist zich bijna uitsluitend
uitte in een streng vasthouden aan den onlangs aangenomen kerkvorm! Hoe
getuigt het veeleer voor den ruimen blik der Staten-Generaal, voor hun
gezonden practischen zin, voor hunne verlichte denkbeelden, dat zij niet
meer maar ook niet minder deden dan men zelfs in gewone omstandigheden
van eene regeering eischen mag!
Want de laatste twintig jaren der zestiende eeuw waren waarlijk geene
gewone: het was een donkere tijd van algemeene ellende. De
godsdiensttwisten, die Europa beroerd hadden, lieten bijna alle staten
uitgeput achter en nog was er overal overvloedige brandstof opgehoopt,
die eerlang de vlammen feller dan te voren zou doen uitbarsten. Spanje
was door den reeds langen oorlog met zijne oproerige onderdanen verzwakt
en verspilde zijne krachten met pogingen om in Frankrijk de leiding der
zaken in handen te krijgen. En wel stuitten die pogingen af op den
nationalen zin van het Fransche volk, maar Hendrik IV won slechts een
land, sinds lange jaren door bijna onafgebroken bloedige twisten
geteisterd en nog steeds door den bittersten partijhaat verdeeld. In
Duitschland heerschte na de overwinning der protestantsche partij een
betrekkelijke rust, maar de aanhoudende verdeeldheden deden reeds
voorzien, dat de godsdienst ook hier in de politiek haar laatste woord
nog niet gesproken had. Ook Engeland, dat onder het bestuur der
protestantsche koningin tijden van ongekende welvaart doorleefde, moest
alle aandacht wijden aan den toestand van het buitenland, wilde het
zijne zelfstandige plaats tusschen de nog steeds vijandig tegen elkaar
overstaande partijen behouden. Slechts éen volk ontwikkelde onder de
algemeene verslapping plotseling groote energie. Het godsdienstige
antagonisme, dat overal elders zoo nadeelig werkte, had in Nederland
integendeel alle sluimerende krachten gewekt. Met taaie volharding werd
de strijd gestreden; het enthousiasme van een jeugdig volk, dat zich nu
voor het eerst één voelde tegen den algemeenen vijand, wekte tot groote
daden op. Had ook Holland zelf in de middeleeuwen zijne vlag reeds op
eene niet onaanzienlijke handelsvloot doen wapperen, de overkomst van
talrijke Zuid-Nederlandsche vluchtelingen had nieuwen moed en nieuwe
talenten in de bevolking ontwikkeld. De voorname Vlamingen, die in die
jaren dikwijls den toon aangaven en in bijna alle ondernemingen van
eenig belang gemoeid waren, deelden aan de Noord-Nederlanders hun
heftigen ijver mede voor kerkelijke rechtzinnigheid, maar ook hunne
ondernemingszucht en hunne ervaring in handel en nijverheid, en
bepaalden zoodoende zelfs voor een goed deel het karakter der
Nederlandsche natie gedurende den tachtigjarigen oorlog. Gesterkt door
deze even talentvolle als vermogende schare, doorleefden de Hollanders
bange tijden zonder te bezwijken: het gevaar en het ongeluk scheen hun
slechts een nieuwe prikkel tot krachtsinspanning te zijn. Geleid door
eene regeering, die, hoewel in geenen deele als eens haar vorstelijke
leider den tijd waarin men leefde vèr vooruit, toch steeds in hare
betrekkingen met handel en nijverheid eene even vrijzinnige als
vrijgevige politiek volgde, geraakte het jonge gemeenebest eerlang tot
verbazenden bloei. Niet tevreden met de oude banen, zocht de ontluikende
energie naar nieuwe wegen om de welvaart te vermeerderen en onder het
krijgsrumoer, dat haar soms van nabij dreigde, vond de wetenschap op het
kleine plekje gronds reeds toen eene eervolle plaats.
Dit waren tijden, waarin stoute, geniale plannen konden gevormd worden,
maar de kamergeleerde, de wetenschappelijke onderzoeker vond er geen
plaats. Wie lust tot dergelijke bezigheid voelde, wijdde zich aan de
theologie, die aller harten innam: buiten de kerk dwong de nood der
tijden tot rusteloos werken, tot het zoeken van winst. In dien tijd
moest een Plancius leven, rechtzinnig theoloog en wakker geleerde als
éen, maar die misschien aan de geographische studiën zijne aandacht niet
zou gewijd hebben, als hij er niet het eenige middel in gezien had om
den noorderlijken doortocht naar het rijke Indië te vinden. Het was dit
veelbelovende plan, dat aan de geographie in die dagen nieuwe vlucht
gaf; daarmede waren schatten te verwerven, daardoor was Spanje gevoelig
te treffen, daarvoor was dus ook de sympathie van regeering en volk.
Stap voor stap naderde men het begeerde doel; allen werkten samen om het
te verwezenlijken. Maar niet de geleerden gaven aan de uitvoering van
het plan den krachtigsten stoot: een man der practijk, een
Zuid-Nederlander bracht daartoe het meeste bij, evenals het weder
eenvoudige kooplieden, weder Zuid-Nederlanders zouden zijn, die door het
vestigen eener nieuwe nering de vruchten plukten van de inspanning
hunner voorgangers.
* * * * *
Toen de Engelschen zich in 1553 aan den mond der Dwina bij het klooster
van St. Nikolaas gevestigd hadden, was er door hen geene moeite gespaard
om zich bij voortduring in het uitsluitend bezit van den handel op die
streken te handhaven[30]. Slechts gedurende korten tijd had hun dit
mogen gelukken; reeds twaalf jaren na de aankomst der Engelschen waren
de Nederlanders er in geslaagd het spoor hunner voorgangers ten minste
gedeeltelijk te vinden. In het jaar 1565 toch knoopte zekere Philip
Winterkönig, een banneling uit Wardöhuus, betrekkingen met Nederland
aan; een schip uit Enkhuizen kwam door zijne tusschenkomst naar de
plaats, waar spoedig Kola verrijzen zou[31]. Reeds het volgende jaar
(1566) durfden twee Antwerpsche kooplieden, Simon Van Salingen en
Cornelis De Meijer, van Kola langs de kust gestevend, de Witte Zee
inzeilen. Zij landden aan den mond van den Onega en reisden verder als
Russen verkleed overland naar Moscou[32]. Schijnt ook deze moedige
tocht, die geen ander doel had dan de regeling van partikuliere zaken,
niet dadelijk tot het vestigen van handelsbetrekkingen met de Witte Zee
geleid te hebben, de nederzetting te Kola bleef bestaan en nam weldra
maatregelen om den directen handel met de Dwina in te leiden. Zij zond
daartoe een vertrouwd persoon met Russische schepen naar Kholmogorui
(eene stad, dicht bij de Engelsche nederzetting op het Rozen-eiland
gelegen) om de Russische taal te leeren, waarschijnlijk ook om eenige
voor de vestiging van handelsbetrekkingen noodige inlichtingen in te
winnen. Die man was geen ander dan de vroeger zoo bekende[33],
tegenwoordig voor velen raadselachtige Olivier Brunel[34].
[30] Vgl. Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 204-20.
[31] Hamel, Tradescant. p. 150 Noot, 293, 318.
[32] Hamel, Tradescant. p. 212 Noot, 318.
[33] Dat Olivier Brunel op het laatst der zestiende eeuw een persoon
van Europeesche vermaardheid was, blijkt reeds daaruit, dat bijna
alle berichtgevers (o. a. Gerrit De Veer, Moucheron, Logan en
Hudson) zijnen naam zonder eenige verdere aanduiding noemen.
[34] De berichten omtrent Brunel vindt men verzameld bij: Beke,
Three voyages. p. XXXVII-LI. De voornaamste bron (Wassenaer, Hist.
verhael. VIII fol. 93) is hem echter ontgaan. Aan den heer De Jonge
komt de eer toe, het eerst op dit allerbelangrijkste bericht de
aandacht gevestigd te hebben. Te groote bescheidenheid geeft echter
den schijn, alsof hij zijne mededeelingen over Brunel alleen aan
Hamel ontleend heeft, wiens verhaal door Beke zéer ten onrechte „a
hypothetical biographical memoir” genoemd wordt.
De nu bijna vergeten naam van Olivier Brunel verdient door den
toekomstigen schrijver onzer handelsgeschiedenis in hooge eer gehouden
te worden; ook in dit overzicht der Nederlandsche ontdekkingsreizen moet
hij de eerste plaats innemen. Brunel was niet alleen de grondlegger van
Nederlands handel op de Witte Zee, hij was ook onze eerste reiziger in
het noorden. Laat ons zien in hoeverre wij uit de hier en daar
verspreide losse berichten de levensgeschiedenis van dezen
belangwekkenden man kunnen reconstrueeren[35].
[35] Ik neem hierbij de hypothese van Hamel over, die Olivier Brunel
met Alferius vereenzelvigt. (Zie: Hamel, Tradescant. p. 316-19.) De
juistheid dezer scherpzinnige gissing (te scherpzinniger omdat Hamel
Wassenaers bericht slechts kende uit de verkorte mededeelingen van
Scheltema in zijn: Rusland en de Nederlanden. I p. 39) wordt ook
door De Jonge (Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I p. 10,
14) erkend. Daar deze echter de gronden zijner meening niet opgeeft,
wil ik ze hier mededeelen om aan het ongeloof van mannen als Beke
een einde te maken. Wij weten dan, dat in 1581 twee personen, beiden
den niet gewonen naam van Olivier dragende, waarvan de een „natione
Belga,” de ander „domo Bruxella” was, sinds lange jaren aan de Witte
Zee gewoond hadden. Neemt men in aanmerking, dat eerst in 1578 zich
eenige weinige Nederlanders voor het eerst daarheen begeven hadden,
dan is reeds deze overeenkomst vrij in het oog vallend. Beider
ontwikkeling was dezelfde: de een, Alferius was volgens Balak geen
geleerde maar een man van rijpe ervaring; de ander, Brunel, had zijn
leven als handelsreiziger in het noorden doorgebracht. Ook in beider
levensomstandigheden is er eene treffende overeenkomst: Alferius
„captivus aliquot annos vixit in Moscovitarum ditione, apud viros
illic celeberrimos Iakouius et Vnekius”; Brunel werd in Rusland
„eenighe jaren in gevanckenisse gehouden” en „daer uyt verlost door
de Ameckers, dat seer treffelycke koopluyden zyn, ende haer houden
tot Coolwitsogda”, die Brunel daarna „eenighe jaren gedient” heeft.
„Iakouius et Vnekius” werden reeds door Lütke, die van Brunel
waarschijnlijk niets wist, voor Iakov en Grigory Anikiew gehouden;
Hamel was overtuigd, dat met de „Ameckers” alleen de Anikiews te
Sol-Wütschegodsk bedoeld konden worden, hoewel zijn berichtgever
Scheltema „Coolwitsogda” (Sol-Wütschegodsk) willekeurig in „Cool”
(Kola) veranderd had. Alferius verder werd in 1581 naar Nederland
gezonden, Brunel ging daar jaarlijks heen, Brunel reisde dikwijls
over land naar Rusland, Alferius deed de reis langs de kusten der
Oostzee. Alferius was dikwijls in dienst zijner patroons aan den Ob
geweest, Brunel was jarenlang handelsbediende geweest bij Russen,
die jaarlijks op den Ob handelden; Alferius zou van Nederland uit
den noordelijken doortocht zoeken, Brunel is als de eerste
Nederlandsche noordpoolreiziger bekend. Eindelijk: Brunel was een
der bewerkers van de Nederlandsche noordpoolreizen en sprak daarover
met den Zuid-Nederlander Moucheron; Alferius was op reis naar den
Zuid-Nederlander Mercator, onder wiens medewerking Moucheron den
stoot gaf tot het ondernemen dier noordpoolreizen.--Al deze redenen
doen mij geen oogenblik aarzelen, voor Alferius Olivier Brunel te
schrijven: de enkele bezwaren wegen niet tegen deze groote
overeenkomst op.
Olivier Brunel werd in de eerste helft der zestiende eeuw te Brussel
geboren. Van zijne eerste levensjaren is ons volstrekt niets bekend. Men
kan gissen, dat hij reeds in 1565 met de eerste Enkhuizer schepen te
Kola gekomen is; men kan het er voor houden, dat hij, evenals vele
Zuid-Nederlandsche koopmansgeslachten, zooals de Moucherons, de Le
Maire’s, de Usselincxs en anderen, Alva’s dwingelandij ontvluchtende,
zich eerst later daarheen begeven heeft. Zeker is het, dat hij reeds
spoedig na de vestiging der Nederlanders te Kola de bovenvermelde reis
naar Kholmogorui aanvaardde. Het geluk diende hem daar niet: spoedig
door de Engelschen opgemerkt en als concurrent gevreesd werd hij door
hen als spion overgeleverd aan de Russische regeering, die hem te
Jaroslawl verscheidene jaren gevangen hield. Eindelijk daagde er voor
hem hulp op: de gebroeders Iakov en Grigory Anikiew[36], die tot het
aanzienlijke handelshuis der Stroganows te Sol-Wütschegodsk behoorden,
verzochten en verkregen van den czaar zijne vrijheid. De edelmoedige
kooplieden hadden alle reden zich over de weldaad aan Brunel bewezen te
verblijden: hun beschermeling nam ijverig en opmerkzaam deel aan de
jaarlijksche tochten, die de Russen naar het oosten ondernamen. Zoowel
te land door Samojedenland en Siberië, als ter zee langs de kust voorbij
de rivier de Pechora, bereikte hij met hen den door Engelschen en
Nederlanders vergeefs gezochten Ob. Op een dier reizen, die
waarschijnlijk nu en dan ook langs den in Rusland gewonen weg door
Matyushin-sjar gingen, werd hij door zijnen Russischen gids in
Kostin-sjar gebracht, eene zeeëngte die door dit bezoek aan Europa
bekend werd.
[36] Zie over de Anikiews en hunne plannen zeer uitvoerig: Massa,
Beschryvinge van Siberia, in: Hessel Gerritsz, Beschr. v.
Samoyeden-Landt. Zij hadden o. a. „eenighe van hunne Slaven ende
Knechten, tot 10 ofte 12 toe met de Samoieden in haer Lant gesonden,
bevelende de selve, dat se alle ’t Landt datse door-reysden, alles
wel neerstelyck bespieden souden, ende oock alle haer manieren,
wooningen, leven ende ghebaerden wel ordentelijck souden
op-teeckenen, om so van alles goedt rapport te doen, als sy weder
t’huys souden comen, d’welck eens geschiet zijnde, heeft hyse,
dieder geweest waren, wel ghetracteert, ende oock goede gunste
toe-ghedragen, dan heeft haer neerstelijck bevolen te swyghen, ende
oock heeft hy ’t neerstelijck by hem gehouden, sonder yemant daer
van te vermanen, maer heeft het Jaer daer aen volghende meerder
partye daer heenen ghesonden, oock eenighe zyner Vrienden, met
Coopmanschap van kleynder weerden, als Duytsche Cramerye, Bellen
ende dierghelijcke dinghen: dese zijn oock met gereyst, ende hebbent
oock gelijck als d’andere alles wel door-snuffelt ende doorsien,
ende reysden tot de Riviere Oby toe, door vele Woestynen, ende
verscheyden Rivieren, die daer vele zijn, ende maeckten met sommighe
Samoyeden aldaer groote Vruntschap ende Alliantie.... In somma,
door-saghen ’t alles, ende quaemen met rijckdommen van Bont weder
t’huys, ende hebbende Anica doen van alles verstaen, daer hy nae
wenschte, soo dreef hy met zyne Vrunsten eenighe Coopmanschappe op
die Landen, eenighe jaren langh, so dat dese Aniconij heel machtich
wierden.” Deze Aniconij „woonden inde Stadt Osoil, op de Riviere
Witsogda ghelegen.” Is het niet, alsof deze beschrijving een
commentaar is op het ons reeds van Alferius Brunel en zijne patroons
bekende? en is het wel gewaagd onzen landgenoot onder deze „Slaven
ende Knechten,” die de Aniconij „wel ghetracteert ende oock goede
gunste toe-ghedraghen hebben,” eene eervolle plaats aan te wijzen?
Weldra maakte de ondergeschikte zich echter voor zijne meesters nog
verdienstelijker door het openen van nieuwe wegen voor hunnen handel.
Met de Nederlandsche kolonie te Kola en met de behoeften van den
Nederlandschen handel goed bekend, opperde Brunel het plan om in het
westen eene gelegenheid te zoeken tot afzet der Russische producten. Om
dit plan uit te voeren vertrok hij zelf, begeleid door twee
bloedverwanten der Anikiews en met passen van den czaar naar Kola,
huurde daar een Nederlandsch schip en kwam behouden te Dordrecht aan.
Daar vonden de Russische bezoekers goede gelegenheid om hunne waren te
verkoopen. Het overblijvende gedeelte werd te Antwerpen en te Parijs
voordeelig geplaatst, en toen Brunel het volgende jaar bij zijne
patroons teruggekomen was, toonden dezen zich met het resultaat der reis
zeer ingenomen. Zij besloten tot het aanknoopen van geregelde
handelsbetrekkingen met Kola en van daar uit met Nederland. Zoo bezocht
Brunel jaarlijks als agent der Anikiews beide plaatsen.
Het duurde niet lang of hij maakte van zijne gunstige positie gebruik om
het plan uit te voeren, waarom hij jaren geleden met zoo ongelukkigen
uitslag in Rusland gekomen was. Hij trad in overleg met zekeren Jan Van
de Walle en in 1577 haalde hij dezen over om overland de reis naar
Rusland mede te maken. Van de Walle maakte zich zijnen tijd uitnemend te
nutte: reeds het volgende jaar werd het eerste Nederlandsche schip door
stuurman Jan Jacobsz mette Lippen van Alkmaar in den Pudoshemscomond
der Dwina voor anker gebracht. (1578.) Dit schip, uit Vlissingen
uitgezeild, behoorde aan Gillis Van Eychelenberg, gezegd Hoofman, een
Antwerpsch koopman te Middelburg gevestigd; als zijn agent was Jan Van
de Walle daarop aanwezig. Onder de schepen, die tegelijk met dat van
Hoofman in Rusland aankwamen, bevond zich reeds dadelijk dat van Adriaan
Crijt, een zeekapitein in dienst van den bekenden Balthazar De
Moucheron.
De handel van Nederland met de Witte Zee was zoodoende gevestigd.
Spoedig kwam Melchior De Moucheron zich als agent van zijnen
bloedverwant Balthazar aan den Dwina-mond vestigen. De
handelsnederzetting werd verlegd naar een haven bij het klooster van St.
Michiel; weinige jaren later verrees daar de stad Novo-Kholmogorui,
meestal Archangelsk genoemd. Na langdurige aarzeling waren de Engelschen
genoodzaakt hunne nederzetting op het Rozen-eiland te verlaten en zich
in de nieuwe reeds bloeiende koopstad te vestigen: de Nederlandsche
energie was hun te machtig, Nederlands handel bloeide weldra meer dan
die van Engeland, dat toch den weg gebaand had[37]. Dit alles uitvoerig
te verhalen ligt buiten ons bestek: wij keeren tot Olivier Brunel terug.
[37] Zie over de vestiging van den Nederlandschen handel op de Witte
Zee: Wassenaer, Hist. verhael. p. 89-93.--De Jonge, Opkomst. I p.
9-14.--Purchas, Pilgrimes. III p. 464.--Uitvoerig bij: Scheltema,
Rusland en de Nederlanden. I, en bij: Hamel, Tradescant, passim.
Reeds twee jaren nadat Brunel den Nederlandschen handel op Rusland had
bevestigd, vinden wij hem bezig met nog grootscher en avontuurlijker
plannen. Het was het jaar 1580, toen Pet en Jackman onder den toeloop
van duizenden op eene nieuwe noordoostelijke reis uitgevaren waren, toen
de geleerde wereld in gespannen verwachting den uitslag van deze poging
verbeidde. Ook aan den Dwina-mond zullen de Russen, die dagelijks met de
dienaars der Moscovische Compagnie in aanraking kwamen, zonder twijfel
kennis gekregen hebben van de verwachtingen, die men omtrent den
noordelijken doortocht koesterde. Niet te verwonderen was het zeker, dat
Russen, met de kusten der IJszee oneindig beter bekend dan de
Engelschen, van die meerdere kennis gebruik trachtten te maken, om aan
de plannen op het vinden van den noordoostelijken doortocht gebouwd deel
te nemen[38]. De Anikiews hadden reeds dadelijk een Zweedsch
scheepsbouwmeester in hun dienst, die zich bezighield met het bouwen van
twee tot die reis geschikte schepen. Brunel, de Nederlandsche
handelsreiziger, kreeg van hen den last om in Antwerpen bekwame
stuurlieden en matrozen te huren, al was het tegen hooge prijzen.
[38] Dat Engelsche en Russische kaarten Brunel tot zijne reis
aangespoord hebben, blijkt uit de mededeeling van Hessel Gerritsz
(Beschryvinghe van Samoyeden-Landt. p. 2), die trouwens met Brunel
en zijne daden reeds veel minder bekend schijnt dan Barendsz en
zijne tijdgenooten.--Overigens komt het mij waarschijnlijk voor, dat
de twee schepen, door de Anikiews uitgerust, eerder met de plannen
tot de verovering van Siberië omstreeks dien tijd in verband gestaan
zullen hebben, dan met het zoeken van den noordoostelijken
doortocht. Massa (Beschr. v. Siberia. p. 4) is zeer uitvoerig in het
verhalen van het aandeel door de Anikiews aan dien tocht genomen.
Op zijnen weg daarheen kwam Brunel in Februari 1581 op het eiland Oesel
in de golf van Riga, waar hij in de stad Arensburg eene samenkomst had
met zekeren Johan Balak, een cosmograaph met den beroemden Gerard
Mercator bevriend. Balak, die zeer veel belang schijnt gesteld te hebben
in ontdekkingstochten, gaf hem eenen aanbevelingsbrief aan Mercator te
Duisburg mede. Uit dezen brief, door Hakluyt bewaard, kennen wij de
plannen en inzichten van onzen landgenoot. Zoo Balak het ons niet
uitdrukkelijk verzekerde, uit de mededeelingen van Brunel zelven zouden
wij het reeds kunnen opmaken, dat hij, de koopman, geen geleerde was,
maar een man van rijke ervaring: zijne plannen getuigen niet van de
studie van Plinius, maar daarentegen van eene betrekkelijk nauwkeurige
kennis van de Siberische kusten.
Brunel was dan voornemens een schip van weinig diepgang in Nederland met
koopmansgoederen te beladen, in de Witte Zee eenige ervaren Russen te
huren, zich van den noodigen proviand te voorzien en in de maand Mei ter
ontdekking uit te zeilen. Oostwaarts voorbij het eiland Dolgoi
gestevend, wilde hij den mond der Pechora bezoeken, onderweg alle kusten
en zeeën nauwkeurig opnemen en zooveel mogelijk de afstanden bepalen.
Vooral den mond der Pechora wilde hij als een geschikt station voor de
heen- en terugreis nauwkeurig onderzoeken. Langs de kust door de
Yugorsky-sjar stevenende, de Karabaai overstekende, meende hij spoedig
aan den Ob te zullen komen. Eenige van de vele monden dezer rivier wilde
Brunel opnemen en dan twaalf dagen de rivier stroomopwaarts opzeilen
totdat hij aan de plaats kwam, waar een andere groote rivier, de Yaks
Olgush genaamd (de Taz-rivier?), zich in den Ob uitstortte. Op zijne
reizen overland was hij vroeger reeds op die plaats geweest, waar de
inboorlingen hem verzekerd hadden, dat zij, wanneer zij daarheen varende
den Ob in drie dagen waren overgestoken, rijke scheepsladingen door
zwarte menschen de rivier (namelijk de Yaks Olgush) hadden zien
afvoeren. Eene nabijgelegene rivier, de Ardoh (de Keta of de Taimyr?),
die zich in het meer van Kittai[39] (Keta of Taimyr?) uitstortte,
begrensde dan ook het land, bewoonde door de Carrah Colmak, dat niets
anders was dan het rijke en beroemde Cathay. (Khatangsk?) Brunel hoopte
daar te overwinteren en het volgende jaar naar de Witte Zee terug te
keeren.
[39] China heet volgens Hamel in het Russisch nog steeds Kittai.
Dit was het plan, dat de oudste Nederlandsche noordpoolreiziger zich had
voorgesteld. Tot den mond van den Ob had hij zijne eigene ondervinding
om hem te leiden. Verder moest hij alleen op de onvolkomene berichten
der Samojeden afgaan. En dat dezen geene veilige gidsen waren, blijkt
reeds bij eene oppervlakkige studie der kaarten. De verwarring, door
Plinius’ berichten gesticht, was nauwelijks grooter dan die, waartoe de
verhalen der wilde stammen Brunel brachten. Tot den Ob kunnen wij hem
volgen. Maar zoo al de gissingen, hier en daar over zijn verderen tocht
uit de overeenkomst van naam en ligging door mij gewaagd, juist zijn, in
ieder geval blijkt het, dat de opgaven der afstanden voorbij den Ob
geheel verkeerd zijn. En Brunel zou zeker spoedig hebben bemerkt, dat
bij den Ob zijne reis eerst begon.
De ontwerper zelf was van de deugdelijkheid zijner plannen overtuigd.
Niet echter zijne Russische weldoeners, het vaderland moest het voordeel
genieten, dat de jarenlange nasporingen van den handelsreiziger zou
beloonen. Nu hij zelf eindelijk de noodige kennis voor het aanvaarden
der reis verkregen had, besloot Brunel dadelijk, de liefde tot het
vaderland hooger stellende dan de dankbaarheid, om eenige kooplieden in
Nederland voor zijn plan te winnen. Dadelijk na zijne aankomst stelde
hij alles in het werk om tot de verwezenlijking zijner geliefkoosde
denkbeelden te komen. Ik geloof dan ook niet, dat het gewaagd is aan te
nemen, dat het op zijnen aandrang was, dat eenige kooplieden aan prins
Willem I het voorstel deden om door het noordoosten eenen weg naar
Oost-Indië te zoeken, mits de regeering hen ondersteunde. De bekende
Middelburgsche koopman Balthazar De Moucheron[40], de beroemde geleerde
Gerard Mercator[41], beiden evenals Brunel Zuid-Nederlandsche ballingen,
beiden met hem goed bekend, schijnen aan dit plan niet vreemd geweest te
zijn. De toestand des lands was echter te benard, dan dat de regeering
het op zich had kunnen nemen veel geld te wagen in ondernemingen,
waarvan de uitslag zoo twijfelachtig was als van deze. Hoe ingenomen de
prins persoonlijk met het plan zijn mocht, aan ondersteuning van
staatswege viel dus niet te denken.[42]
[40] Zie over Moucheron: De Jonge, Opkomst v. h. Ned. gezag. I p.
109-12.
[41] Moll, Zeetogten der Nederl. p. 46.--Reeds lang vóor 1581 had
Mercator, volgens den brief van Balak, van de reizen naar den
noordpool bizondere studie gemaakt.
[42] De Jonge, Opkomst. I p. 15.--Linschoten, Voyasie ofte
schipvaert by Noorden om. (Voor-reden.)
De beide ondernemende Zuid-Nederlanders, Brunel en Moucheron, lieten
zich echter niet afschrikken. Het komt mij hoogstwaarschijnlijk voor,
dat in 1584 op kosten van Moucheron de eerste Nederlandsche
noordpoolreis ondernomen werd[43]. Hoe dit zij, zeker is het, dat aan
Brunel de eer dier eerste reis toekomt. Met een schip van Enkhuizen--de
stad, die reeds sinds 1565 handel dreef op Kola,--vertrok de onvermoeide
reiziger »lange voor Willem Barentszoons reis” naar het noorden om het
verre Cathay te bereiken. Evenals al zijne navolgers, die, kooplieden in
merg en been als de Nederlanders waren, zich ook op zulke gevaarlijke
reizen niet van den handel wilden onthouden[44], hield ook Brunel zich
onderweg bezig met het aanknoopen van handelsbetrekkingen met de
Samojeedsche stammen. Zijne pogingen waren hem echter noodlottig: nog
voordat hij Novaya Zemlya bereikt had, nam zijne reis een einde. De
rivier de Pechora, die hij blijkens den brief van Balak reeds vroeger
als zeer ondiep had leeren kennen, verzwolg zijn schip, dat reeds met
eene rijke lading kostbare handelsartikelen (pelterijen, bergkristal en
Russisch glas) bevracht was[45].
[43] Ik maak dit op uit het bericht van den hier zéér welingelichten
Middelburgschen notaris Le Petit (Gr. chron. anc. et mod. II p.
651), die op het jaar 1594 verhaalt, dat Balthazar De Moucheron
„s’asseurant sur cela (d. i. de berichten uit Rusland over de
mogelijkheid van den noordelijken doortocht) ~oultre la petite
espreuve que dix années auparavant il en avoit desia faite~,
advertit le prince Maurice de la délibération qu’il avoit de
chercher ledit passage.” Moucheron deed juist in 1584 met kracht
eene uitrusting op de Witte Zee en wij weten, dat hij dien handel
sedert, „mits dat zijnen naem in desen eenichsins kennelic ende
ruchtbaer gemaect was, nyet en heeft moghen ofte derven vervolgen
ende continueren.” (De Jonge, Opkomst. I p. 15, 17.)--Wel verhaalt
Linschoten (Voyasie, Voor-reden) dat „etlijcke Kooplieden ende
andere dese Noordtsche Vaert ofte ondersoeckinghe langhe ghesocht
hebben op de baen te brenghen; maer dat dat altijdt achterghebleven
is tot op het Iaer 1593,” maar het bericht van den anders natuurlijk
zeer betrouwbaren getuige is toch bepaald onjuist, daar wij weten
dat Brunel omstreeks 1584 eene mislukte reis deed. Het eenige, dat
tegen het noemen van Moucheron als reeder van Brunels schip pleit,
is het feit, dat deze laatste uit Enkhuizen vertrok, terwijl de
Moucherons zooals men weet te Middelburg, later te Veere gevestigd
waren.
[44] Zoo moest b. v. ook de tweede noordpoolreis (van 1595) volgens
de Instructie alleen dienen om handelsbetrekkingen met Cathay en
andere Aziatische landen aan te knoopen: verder dan Japan mochten de
schepen nog niet gaan.
[45] Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CXXV. („Sints,” d. i. na
Pet en Jackman in 1580, „heeft Olivier Brunel uyt Hollant de
Noordooste passagie ghesocht, ende ontdeckte”, d. i. onderzocht (?),
„de Reviere van Pechora.”)--Beschr. v. d. Samoyeden-Landt. p.
2.--Ook Van Dam (Gesch. der O.-I. C. MS. R.-A.) spreekt van
vruchtelooze noordpoolreizen, door Nederlanders op het voetspoor der
Engelschen ~reeds vóor~ 1594 ondernomen.
Nog wilden de twee bondgenooten het niet opgeven: zij besloten tot eene
nieuwe poging. Maar eene noordpoolreis was geene zaak van gering belang:
„by de Kooplieden alleen konde ’t selfde seer qualijck te weghe
ghebracht worden sonder eenighe hulpe ofte assistentie midtsgaders d’
authoriteyt van ’t Landt daer toe te hebben[46].” Het vaderland had zich
tot bijstand onmachtig verklaard: men moest zich dus elders heenwenden.
Aan een terugkeer in Russische dienst viel voor Brunel niet te denken:
vernamen wij reeds, dat hij tijdens zijn bezoek aan Balak niet van plan
was zich bij de Russische onderneming naar het oosten aan te sluiten,
hoe zou men hem ontvangen, nu hij van het geheim den geheimzinnigen
Russen afgezien gebruik gemaakt had om den streng verboden handel op
Siberië zelf te ondernemen? Hoe zou men den ontwerper van het plan
beschouwen, terwijl de geldschieter Moucheron zelf, die nog in 1584
talrijke schepen naar de Witte Zee zond, daar met zulke wantrouwende
blikken werd aangezien, dat hij het raadzaam oordeelde den winstgevenden
handel eerlang te staken?[47] Maar eene andere mogendheid bleef hun
over. Denemarken, reeds lang misnoegd over de tochten naar de Witte Zee,
die zijnen Sondtol afbreuk deden, zou gaarne de gelegenheid aangrijpen
om zelf in het noorden machtig te worden. Daarheen wendde zich dan ook
eerlang Brunel en sloot uit naam van Moucheron met den koning eene
overeenkomst, waarbij Z. M. den Zeeuwschen koopman verscheidene
privilegiën schonk en hem zelfs ƒ 100,000 voor zijne moeite beloofde,
zoo hij den tocht wilde doen ondernemen en zijne kennis voor den koning
beschikbaar stellen. Maar ook ditmaal kwam er van de reis niets: mag men
Moucheron gelooven, dan »prefereerde hy den dienst ende welvaert van
deze landen” ten slotte boven het bevoordeelen van den vreemdeling, en
was dus zuivere vaderlandsliefde de oorzaak, dat hij zich ongeneigd
toonde den Deen te helpen[48].
[46] Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert. (Voor-reden.)
[47] Contract van Moucheron met de Staten van Zeeland, bij: De
Jonge, Opkomst. I p. 17.
[48] Dit bericht heeft De Jonge bekend gemaakt uit het contract van
Moucheron met de Staten van Zeeland. (De Jonge, Opkomst. I p. 17.)
Maakt ook dit wel wat laat opgekomen gewetensbezwaar bij iemand, die zoo
goed wist wat hij wilde als de latere handlanger van Hendrik IV, een
eenigszins verdacht figuur, zeker is het dat Brunel minder nauwgezet
was. De wegen der beide krachtvolle mannen scheiden zich hier. Terwijl
Moucheron zich langzamerhand en in het geheim voor verdere
noordpoolreizen voorbereidde, zocht Brunel elders bevrediging voor zijn
onleschbaren dorst naar avonturen. Eenmaal in betrekking met Denemarken
bood hij den koning aan de lang verlorene Groenlandsche koloniën voor
hem te gaan opzoeken. Het aanbod van den ervaren noordpoolreiziger kon
niet anders dan welkom zijn aan eene natie, die reeds vroeger een paar
maal tochten met dit doel had ondernomen, en gretig werd dan ook de
voorslag aangenomen. Brunel trad dadelijk in Deenschen dienst en gaf
niet eerder zijne pogingen op, voordat drie vruchtelooze reizen, door
hem in achtereenvolgende jaren ondernomen, hem van de ijdelheid van zijn
streven hadden overtuigd[49].
[49] Dit interessante bericht omtrent Brunel heb ik gevonden bij:
Megiser, Septentrio Novantiquus (1613), die op p. 174 verhaalt:
„Innerhalb 100 Iahren haben die Dennenmercker den Strich oder Weg
dahin (d. i. naar Groenland) verlohren. Darumb dann beij vnsern
Zeiten, Olivier Brunel, ein wolerfahrner Stewrman dreij Iahr nach
einander vom König von Dennenmarck gegen Mitternacht gesandt worden,
diese Insul Gronland zu suchen.” Ik heb er een oogenblik aan
gedacht, of met die drie reizen in drie opeenvolgende jaren ook die
van Hall c. s. (1605-7) bedoeld zouden kunnen zijn.
Het komt mij waarschijnlijk voor, dat Brunel zich daarna in zijn
vaderland heeft nedergezet om krachtig mede te werken tot
verwezenlijking zijner geliefkoosde plannen en om de begeerte zijner
landgenooten naar betere kennis van het geheimzinnige noorden te
prikkelen. Wij weten toch, dat de latere noordpoolreizen der
Nederlanders voor geen gering deel aan zijne bemoeiingen moeten
toegeschreven worden[50]; wij kunnen nagaan, dat hij met Barendsz.
zelven uitvoerig over zijne ervaringen moet gesproken hebben[51].
Waarschijnlijk ging hij met zijne onderrichtingen voort tot aan zijnen
dood, die zeker op het einde der zestiende eeuw voorgevallen is: althans
in 1577 was hij »al een bedaeght man”[52]. Zijn naam bleef wijd en zijd
bekend: Engelschen en Nederlanders vermelden hem als iemand van gezag en
ondervinding[53]. Slechts de zorgeloosheid der geschiedschrijvers is
oorzaak, dat wij zoolang onbekend gebleven zijn met de lotgevallen van
eenen landgenoot, wiens naam als die van zoovele reizigers dier tijden
tot nog toe nagenoeg het eenige was, dat van hem ter onzer kennis was
gekomen[54].
[50] Hessel Gerritsz verhaalt (Beschr. v. d. Samoyeden-Landt. p. 2),
dat „de tochten der Engelschen ~ende van Olivier Brunel~” aanleiding
tot de Nederlandsche noordpoolreizen gegeven hebben.--Ik vermoed,
dat Brunel om tot die reizen aan te sporen zelfs eene brochure heeft
uitgegeven, waarin hij zijne lotgevallen in het noorden beschreef.
Het boekje is waarschijnlijk de aan prof. Fruin (Tien jaren p. 241
Noot 2) onbekend gebleven bron van Wassenaer.
[51] Dit maak ik op uit het feit, dat Barendsz. Kostin-sjar
~herkende~ volgens de beschrijving door Brunel daarvan gegeven. (De
Veer, Drie seylagien. Eerste reis. fol. 7.)
[52] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 93.--Het tijdstip van zijnen
dood maak ik op uit het feit, dat hij, bekend als hij was en na al
zijne bemoeiingen, niet voorkomt onder de bevelhebbers der drie
noordpoolreizen van 1594-97. Ook sprak Hessel Gerritsz. reeds in
1613 van zijne reis als die van „Oliverii ~cuiusdam~ Bunelli.”
(Descr. detect. freti, bij: Asher, Hudson. p. 237)--Ik geloof dan
ook niet, dat hij in 1606 bij de ongelukkige noordpoolreis van John
Knight tegenwoordig geweest kan zijn, wat men anders zou kunnen
opmaken uit de volgende mededeeling. Aan het einde van het journaal
der reis (bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 831) staat vermeld: „The
rest of this Iournall, from the death of Master John Knight, was
written by Oliuer Browne (of „Brownel”) one of the Company.” (De
laatste letter van den naam Brownel is niet duidelijk afgedrukt.)
Maar al is de lezing „Brownel” (de gewone Engelsche verbastering van
„Brunel”) juist, dan schijnt het toch vreemd, dat een oud en
ervaren, algemeen bekend zeeman als hij nog in eene ondergeschikte
betrekking zou gevaren hebben. Onmogelijk is het echter volstrekt
niet, dat wij hier een belangrijk bericht over den verderen
levensloop van onzen landgenoot bezitten. Dat Brunel te gelijk met
Knight uit Deenschen in Engelschen dienst overgegaan is en zoodoende
het noordwesten op nieuw bezocht, is op zich zelf niet
onwaarschijnlijk, te minder daar de Engelschman Josiah Logan nog in
1611 nauwkeurig wist te zeggen, hoe Brunel Kostin-sjar gevonden had.
(Beke, Three voyages. p. XLIII.) Ik maak hieruit op, dat deze
Engelsche noordpoolreiziger, die uit de ons bekende veel kortere
Nederlandsche berichten niet geput kan hebben, Brunel persoonlijk
moet gekend hebben. En bovendien zou het feit, dat Brunel zich na
zijne mislukte noordpoolreis in 1584 voortdurend in Deenschen en
Engelschen dienst bevond, zijne afwezigheid op de latere
Nederlandsche noordpoolreizen en Hessel Gerritsz.’ onbekendheid met
zijne lotgevallen voldoende verklaren.
[53] Vgl. de bij Beke (Three voyages. p. XLIII, XLIII) aangehaalde
gezegden van Barendsz., Hudson en Logan. Zie ook het contract van
Moucheron met Zeeland, bij: De Jonge, Opkomst. I p. 17.
[54] Ik ben in de beschrijving van het leven van Brunel uitvoeriger
geweest dan ik over de verdere Nederlandsche noordpoolreizen zijn
zal, omdat hetgeen over dezen persoon, die reeds vroeger de aandacht
der geschiedkundigen getrokken heeft, bekend is, gevonden wordt in
allerlei oude werken. De eenige, die er een overzicht van geeft
is--behalve De Jonge, die natuurlijk zeer kort is,--Hamel, wiens
boek door het geheele gemis van opgaven der bronnen minder
vertrouwen geniet dan het verdient. De drie nu volgende, beroemde
ontdekkingsreizen der Nederlanders zijn echter meer dan voldoende
bekend: ik zal dus bij het verhalen daarvan den tegenovergestelden
weg inslaan en mij zooveel mogelijk bekorten.
Maar waren ook zijne daden vergeten, de uitwerkselen daarvan zijn sinds
eeuwen wereldberoemd. Brunel zelf schijnt de uitvoering zijner plannen
niet meer beleefd te hebben, maar zijn deelgenoot Moucheron vatte met de
hem eigene energie het oude, niet vergeten plan weder met kracht aan,
zoodra hij een geringe kans van slagen zag. Gedurende de lange jaren,
dat de onderneming schijnbaar was opgegeven, had hij door zijne
bloedverwanten te Archangel en te Londen, door personen, die hij alleen
met dat doel naar Rusland zond, onvermoeid de meest volledige
inlichtingen verzameld over de kansen op eene noordoostelijke doorvaart
en de resultaten door Russen en Engelschen reeds verkregen[55]. In 1593
kon hij zich dan ook tot Maurits Van Nassau wenden[56] en, door dezen
aan de Staten aanbevolen, in December aan den thesaurier van Zeeland
Jacob Valcke en aan de Gecommitteerde Raden dier provincie zijne plannen
ontvouwen. De Staten van Zeeland toonden zich dadelijk geneigd tot
medewerking: zij boden Moucheron het bestuur over de onderneming aan en
1/3 van de in- en uitgaande rechten der langs den nieuwen weg te
vervoeren goederen, mits hij 1/4 van de kosten droeg. Toen echter de
zaak door eene conferentie van Moucheron met Maurits, Oldenbarnevelt,
Cant, Maelson en Valcke meer algemeen bekend werd, mengde zich ook
Holland daarin en beide provinciën besloten geheel op eigene kosten
zonder tusschenkomst van Moucheron den tocht te doen ondernemen. Den
ontwerper beloofden zij met eene som gelds of eene jaarwedde voor hem en
zijne nakomelingen te zullen beloonen. Moucheron moest, hoewel hij
liever zelf als aandeelhouder in de verwachte voordeelen der onderneming
had willen deelen, toegeven en hij sloot met de Staten van Holland en
Zeeland een contract, waarbij hij zich verbond hen voor de ontworpen
reis met zijne verkregen kennis bij te staan. Na lange beraadslagingen
en vele conferentiën met Moucheron werd eindelijk 11 Mei 1594 de
Instructie voor de expeditie vastgesteld en den 16 door de
Staten-Generaal bekrachtigd. Dit gewichtige stuk bevatte den last om de
Yugorsky-sjar, de straat tusschen het vaste land en het eiland
Vaigatsch, door te zeilen, te trachten over de Kara-zee het voorgebergte
Tabin te bereiken en van daar na alle kusten, eilanden, havens en
reeden, alle zeeën en andere wateren goed opgenomen te hebben, na de
nauwkeurigste waarnemingen omtrent vloed en eb en andere belangrijke
verschijnselen in het scheepsjournaal te hebben aangeteekend, onverwijld
huiswaarts te keeren. Het zoeken van den verderen weg werd voor eene
volgende reis bewaard[57].
[55] Zie hierover en over de verdere voorbereidingen tot de
expeditie: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om.
(Voor-reden.)--Contr. der Stn. v. Zeeland met Moucheron, als bijlage
achter de Notulen Zeeland 1594.--Le Petit, Gr. chron. anc. et mod.
II p. 651.--De Jonge, Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I
p. 14-18.--Een uitnemend en tot in bizonderheden volkomen juist
overzicht van de aanleiding en voorbereiding der Nederlandsche
noordpoolreizen vindt men bij: Fruin, Tien jaren. p. 238-54.--In:
Begin ende Voortgangh van de Oost-Indische Compagnie (Inleid. p. 1,
2) worden Jacob Valcke en Christoffel Roeltius, Thesaurier en
Pensionaris van Zeeland, en de bekende kooplieden Balthazar De
Moucheron, Jan Jansz. Carel en Dirk van Os als de voornaamste
aanleggers der noordoostelijke tochten genoemd. Eveneens bij: Van
Meteren, Comment. ofte Memor. fol. CXXV.
[56] Le Petit. Gr. chron. anc. et mod. II p. 651.--Linschoten,
Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Voor-reden.)
[57] „Instructie voor Wilhem Barentsz. waer naer hy hem sal hebben
te reguleren, omme die reyse by Noorden (Noua Sembla) om t’
ondersoucken ende te vinden naer ’t Coninckryck van China enz.” dd.
16 Mei 1594, in het Register der „Instructien zedert 1588 tot 1610.”
R.-A.
Ondertusschen had de Amsterdamsche regeering, wier opmerkzaamheid zich
weldra op de onderneming vestigde, het plan opgevat om voor zich een
aandeel in den roem en het voordeel daarvan te verkrijgen. Aangevuurd
door haren burger, den beroemden cosmograaph Petrus Plancius, besloot
zij tegelijk met de Staten-Generaal een schip voor eigene rekening naar
het noorden uit te zenden. De plannen, door de hooge regeering in
overleg met Moucheron gemaakt, droegen echter de goedkeuring der
Amsterdammers niet weg. Zij besloten de inzichten van Plancius te
volgen. Misschien onder den invloed der berichten van Brunel, die
ongetwijfeld van den Russischen handelsweg naar het oosten door
Matyushin-sjar ten noorden van Novaya Zemlya (~propria~) gesproken had,
verkondigde Plancius de leer, dat de weg door Yugorsky-sjar met vele
moeielijkheden verbonden was (de reis van Pet en Jackman had dit
voldoende bewezen) en dat men dus de voorkeur moest geven aan het zoeken
van eenen doortocht ten noorden van Novaya Zemlya[58]. De instructie,
aan de Amsterdammers door de Staten-Generaal gegeven, luidde dus, dat
zij overeenkomstig met deze begrippen den weg aan de beide andere
schepen voorgeschreven wel een eind ver moesten volgen, maar dat zij
vóor het bereiken van Novaya Zemlya daarvan moesten afwijken en trachten
dit land te omzeilen. Na het bereiken van kaap Tabin moest ook deze
expeditie na soortgelijke waarnemingen als de andere langs denzelfden
weg huiswaarts keeren[59].
[58] Tot het aannemen van Plancius’ meening werkte ongetwijfeld mede
de onzekerheid of Novaya Zemlya een eiland dan wel ten noordoosten
met het vaste land verbonden was. Was het laatste waar, dan voerde
de Yugorsky-sjar niet naar eene opene zee maar naar eene baai, die
geen uitgang ten oosten had. (Vgl. o. a. Hessel Gerritsz’
aanteekeningen op de kaart van Massa in: Beschr. v. d.
Samoyeden-Landt.--Ook de Instr. der Mosc. Comp. aan Bassendine c. s.
en aan Pet en Jackman, aangehaald hiervóor p. 17 Noot
2{[24]}.--Eindelijk nog: Philosophical Transactions. Vol. X (1675)
p. 418.)
[59] Instr. der Stn.-Gen. voor Wilhem Barentsz., dd. 16 Mei 1594,
in: Instructieboek der Stn.-Gen. 1588-1610. R.-A.
Wel niet te gelijk, maar toch op denzelfden dag (5 Juni 1594) verlieten
de beide expedities de reede van Texel. Den vorigen dag had men besloten
gezamenlijk den tocht tot Kildin te maken en Cornelis Cornelisz. Nay,
den kapitein van een der beide schepen van de Staten-Generaal, tot
opperbevelhebber van de geheele vloot benoemd. Den 23 Juni lag men te
zamen voor Kildin: spoedig daarop vertrok elk in de hem voorgeschrevene
richting. Wij zullen eerst de grootste der beide uitrustingen op haren
weg volgen.
De twee schepen, de Swane van Veere en de Mercurius van Enkhuizen,
uitgerust onder toezicht van Moucheron en Maelson, vertrokken 2 Juli
naar Vaigatsch. Op de Swane was kapitein Cornelis Cornelisz. Nay van
Enkhuizen, die meermalen voor Moucheron op de Witte Zee gevaren had,
stuurman Pieter Dircksz. Strickbolle van Enkhuizen, een zeeman, die
zijne ervaring mede in dienst der Moucherons had verkregen; als commies
was daar de bekende Francoys De la Dale, een bloedverwant van Moucheron,
die lang voor hem aan de monden der Dwina vertoefd had; Christoffel
Splindler, een Slavoniër die te Leiden gestudeerd had, ging als tolk
mede. Op de Mercurius was kapitein Brandt Ysbrandtsz. Tetgales van
Enkhuizen en stuurman Claes Cornelisz. uit dezelfde stad; de commies was
de beroemde Jan Huygen Van Linschoten. Wat kon men niet van de
vereenigde pogingen van zoovele ervarene en geleerde mannen verwachten!
Het resultaat der onderneming was, hoezeer ook door tijdgenooten
geroemd, slechts gering: de Nederlanders kwamen langs denzelfden weg als
Pet en Jackman ongeveer tot hetzelfde punt als hunne voorgangers. Reeds
dadelijk door drijfijs bemoeielijkt zeilden zij langs de Russische kust,
staken de Witte Zee en de Cheskaia-golf over en bereikten 18 Juli den
mond der Pechora. Den 21 kwamen zij bij Vaigatsch voor anker, zeilden na
vele onderzoekingen de Yugorsky-sjar door en bereikten 1 Augustus de zee
van Kara. Ook daar werden zij zeer door drijfijs gehinderd, maar na
moedig doorzetten kwamen zij 9 Augustus op omstreeks 71° NB. in eene
opene zee. Zij meenden daarom wel wat voorbarig de doorvaart naar Indië
gevonden te hebben en »stemden met een ghemeen accoort de Cours weder
naer ’t Vaderslandt te stellen om aldaer (hun Godt sulcks gunnende) dese
wel-gheluckte begonnen vaert, met blijdtschap te communiceren.” Aan
verschillende, zooals zij meenden door hen ontdekte plaatsen hadden zij
namen gegeven. Zoo noemden zij Yugorsky-sjar de straat van Nassau,
Vaigatsch het Enkhuizer eiland, de Kara-zee de Nieuwe Noordzee, twee
eilanden het Maelsons- en het Staten-eiland[60]. Fier op het resultaat
hunner reis, die hen naar zij meenden voorbij den Ob en in het gezicht
van kaap Tabin gebracht had, ontmoetten Nay en de zijnen den 16 Augustus
ten westen van Vaigatsch de Amsterdammers, die minder hoog van zich
zelven denkende in werkelijkheid aan het voorgestelde doel veel nader
gekomen waren.
[60] Vgl. over deze reis: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by
Noorden om. (Eerste reis.)
Deze expeditie bestond uit slechts éen schip, de Mercurius, dat een
jacht of visschersschuit bij zich had. De geringe krachten der
onderneming werden echter ruimschoots opgewogen door de tegenwoordigheid
van Willem Barendsz. als kapitein. Het is voldoende zijnen naam te
noemen om voor den lezer dadelijk het beeld op te roepen van dezen
beroemden Terschellinger, den ervaren stuurman, die »~van syne kintsche
daghen aen~ altijt gheneghen gheweest was, omme nae alle syn vermoghen,
de Landen die hy bewandelde oft beseylde, Caertsghewyse met den
omloopenden Zeen, Wateren, ende Streckinghen af te beelden”[61],--den
vromen held, die volgens zijne zinspreuk »Niet sonder God”[62]
deed,--den man eindelijk, wiens karakter zijnen onderhoorigen tegelijk
diep ontzag en warme genegenheid inboezemde. Het is dan ook overbodig
meer over zijnen persoon te zeggen; van zijne vroegste lotgevallen is
het onmogelijk iets van belang mede te deelen.
[61] Barentzoen, Nieuwe beschr. ende Caertboeck vande Midlandtsche
Zee. (Voorrede.)
[62] Barentzoen, Caertb. vande Midlandtsche Zee. (Lofdicht.)--De
opvoeding van Barendsz. schijnt door Beke (Three voyages. p. LV) met
recht „good if not learned” genoemd te zijn: uit de opdracht van het
Caertboeck blijkt, dat hij Latijn verstond.
Den 29 Juni verliet de Amsterdamsche expeditie Kildin, den 4 Juli kreeg
zij Novaya Zemlya in het gezicht ten noorden van Matyushin-sjar. De lijn
der kust volgende bereikte Barendsz. reeds 10 Juli zonder vele
moeielijkheden kaap Nassau, het punt van waar de kust zich oostwaarts
wendt, maar reeds drie dagen later ontmoette hem veel ijs en het overige
gedeelte der reis ging daardoor met ontelbare bezwaren gepaard. Steeds
heen en weer zeilende kwam het schip eerst 29 Juli op 77° NB. bij het
noordelijkste punt van Novaya Zemlya, dat IJskaap genoemd werd, en twee
dagen later bij de Oranje-eilanden, die nog steeds de herinnering aan
Willem Van Oranje bewaren. Juist op dit punt, waar de lang gezochte zee
van Kara zich opende, moest Barendsz. zijne pogingen opgeven: de zee was
vol drijfijs en de bemanning weigerde verder te gaan. Men zeilde terug
geheel langs Novaya Zemlya tot de zuidpunt toe, miste echter
Matyushin-sjar, waar men juist de kust eenige dagen verlaten had, en
bereikte na lang omzwerven Vaigatsch. Den 16 Augustus ontmoette
Barendsz. daar Nay en de zijnen[63].
[63] Vgl. over deze reis: De Veer, Drie seylagien na de
Coninckrycken van Catthay ende China. (Eerste reis.)
Den 16 September 1594 kwam de verzamelde vloot behouden in het vaderland
aan. De bevelhebbers deden dadelijk verslag van hunne verrichtingen aan
Maurits, aan de Staten-Generaal en aan de Staten van Holland, in
tegenwoordigheid van eenen afgevaardigde van Zeeland. Het resultaat van
Nay’s reis, hoe gering het ons moge schijnen, en ook het verslag door de
Amsterdammers uitgebracht, waren wel geschikt om den Staten moed te
geven tot verdere pogingen. Beide ondernemingen hadden ten oosten van
Novaya Zemlya eene opene zee gevonden; beide konden meenen, dat de
bezwaren op eenen weg naar Oost-Indië niet onoverkomelijk waren.
Dadelijk werden dan ook de voorbereidende maatregelen getroffen om op
nieuw uit te zeilen. Door middel van den bekenden Emanuel Van Meteren,
Nederlandsch consul te Londen, werden inlichtingen ingewonnen van den
Engelschen geograaph Richard Hakluyt. Het bericht door dezen gegeven
luidde alleszins bemoedigend: Hakluyt geloofde, ook onafhankelijk van de
door de Nederlanders verkregen kennis, vast aan het vinden van den
noordoostelijken doortocht. Door al deze berichten was men in Nederland
vol hoop; men vreesde zelfs nu reeds mededinging van Frankrijk langs den
te vinden weg: men stelde voor de straat van Nassau te versterken en zoo
aan alle vreemde natiën den pas af te snijden; tot het verder
voortzetten der ontdekkingsreizen werd zonder aarzeling besloten.
Holland was de eerste provincie, die van de zaak sprak. Reeds in October
1594 werd de zaak daar in de statenvergadering behandeld. Ook Zeeland
toonde zich ijverig: Moucheron was den Staten weder met raad en daad
behulpzaam. Na langdurige conferentiën van Holland en Zeeland onderling
en van deze provinciën met de Staten-Generaal, werd 9 Mei 1595 tot het
ondernemen eener tweede reis op staatskosten besloten: de instructie
werd 16 Juni vastgesteld[64].
[64] De Jonge, Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I p. 20,
21.--De Instructie is afgedrukt in de „Voyasie” van Linschoten op
fol. 24.
Het plan dezer tweede Nederlandsche noordpoolreis leeren wij nauwkeurig
kennen uit de »pointen geproponeert opte Nauigatie benoorden om, naeden
Coninckrycken van China ende Japan.”[65] Het voornemen was zich 11 Juni
in het Marsdiep te verzamelen en van daar ten spoedigste langs Vaigatsch
naar kaap Tabin te zeilen. Twee jachten waren bestemd om de tijding van
het bereiken van dit moeielijk te naderen punt dadelijk in het vaderland
aan te brengen. De expeditie zou ondertusschen van kaap Tabin
voortstevenen »naede haeuen ende Stadt van Guinsay”, aldaar landen en
moeite doen om den vrijen handel te bekomen, vooral er op lettende »wat
Coopmanschappen aldaer aengenaem waren, ende voor retour herwaert
szouden wezen te becommen.” Dezelfde pogingen moesten de schippers,
wanneer het hun hier mislukte, herhalen in alle havens van Azië’s
oostkust tot aan het noorden van Japan. Slaagde men ook daar niet, dan
moesten de schepen terugkeeren om in Juli, Augustus of uiterlijk
September 1596 straat Nassau weder te kunnen passeeren. Evenals het
vorige jaar kreeg de bemanning last »van alles goede notitie te houden”
en twee jachten af te zenden om den terugweg benoorden Novaya Zemlya te
beproeven onder belofte van »eerlycke recompense extraordinarie by
succes.” Zooveel wat de reis zelve betrof; de Staten wenschten echter
reeds dadelijk de handelsbelangen te bevorderen en besloten »omme te
aengenamer te wezen in de voorszeide landen” »eenige Coopmanschap” aan
de schepen te doen medegeven. Ten einde de ondernemingszucht der
kooplieden, »die op zoe onzekere reyse niet gaerne en zouden
hazarderen,” te prikkelen, zou men hen »daertoe Inviteren” door de
belofte van vrijdom van in- en uitgaande rechten en van de vracht. Ook
kolonisatieplannen werden gekoesterd; ten minste men besloot, dat »oick
geleth soude werden oft men eenige quaetdoenders op het Landt soude
stellen.”[66]
[65] Zie dit merkwaardige stuk in de verzameling: Noordsche togten,
1. R.-A.--Deze „pointen” werden den 9 Mei 1595 in tegenwoordigheid
van Moucheron en andere gecommitteerden der Staten van Zeeland in de
vergadering der Staten-Generaal geresumeerd. Men besloot de reis ~op
die punten~ vermeerderd met de adviezen der comparanten en op eene
nadere instructie te ondernemen, en de kosten uit den opbrengst der
konvooien en licenten te vinden. (R. S.-G. 9 Mei 1595.)
[66] Daertoe werd besloten; Van Meteren (Comment. ofte memor. fol.
CXXV) verhaalt: „eenighe souden daer ontrent verwinteren, om te
weten hoe langhe den Winter ende ghevries daer duert, daer toe
ghereetschappe mede nemende om stoven op te stellen.”
Nog veel tijd ging met het gereedmaken der vloot heen: eerst 2 Juli
konden de schepen voor de onderneming bestemd van Texel in zee steken.
Opperbevelhebber der vloot was wederom Cornelis Cornelisz. Nay[67],
opperstuurman Willem Barendsz. Als commiezen van Holland waren op de
vloot aanwezig de bekende Linschoten, Heemskerck en Rijp; voor Zeeland
De la Dale en Buys, neven van Moucheron. Zoo zeker rekende men ditmaal
op het bereiken van Azië’s oostkust, dat men het anders geheel onnoodige
getal van zeven schepen voor de reis had uitgerust; men hoopte ze
beladen met kostbare handelsartikelen te zien terugkeeren, en werkelijk
hadden eenige kooplieden de schepen met koopmanschappen bevracht. De
Instructie, die voor Linschoten en De la Dale als oppercommiezen werd
gereed gemaakt, schreef hun zelfs nauwkeurig voor, hoe zij met de
vorsten der stammen ten noorden van Japan handelsbetrekkingen moesten
aanknoopen.
[67] Merkwaardig is het zeker en het getuigt niet voor Nay’s bestuur
op den eersten tocht, dat de Staten-Generaal besloten, wanneer de
bevelhebber „thert ende Resolutie nyet en hadde om voort te varen”,
de overige bevelhebbers dit op hunne eigene verantwoordelijkheid
mochten doen; een nader aan te wijzen persoon, misschien wel de
onversaagde Willem Barendsz., zou dan het bestuur voeren. (Pointen
opte Nauigatie benoorden om, in: Noordsche togten, 1 R.-A.)
Al deze schoone verwachtingen zouden echter op de grievendste wijze
teleurgesteld worden. Eerst den 10 Augustus bereikte de vloot den
Noordkaap; reeds den 17 ontmoette zij drijfijs. Toch kwamen de reizigers
weldra aan de straat van Nassau, waar zij echter in eene baai, door hen
Traenbaei genoemd, moesten blijven liggen: de geheele straat van Nassau
was eene onafgebroken ijsvlakte. Wel gelukte het 24 Augustus de straat
door te zeilen, maar het ijs dreef de schepen spoedig weder naar
Vaigatsch terug en toen zij eindelijk 3 September het Staten-eiland
bereikten, bleken de moeielijkheden in de zee van Kara toch te groot dan
dat men zich daarin durfde wagen. Na herhaalde vruchtelooze pogingen
door Barendsz., die van geen terugkeeren hooren wilde, gedaan om ergens
open water te vinden, bewilligde deze eindelijk 15 September in het
mede-onderteekenen van een protest, waarbij alle bevelhebbers der vloot
voor God verklaarden, dat het hun onmogelijk was dit jaar verder te
zeilen. Eerst in November kwamen de schepen zeer verspreid in het
vaderland terug[68].
[68] Zie over deze reis: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by
Noorden om. (Tweede reis.)--De Veer, Drie seylagien na de
Coninckrycken van Catthay ende China. (Tweede reis.)
Maar al was het resultaat ontmoedigend, de kooplieden wilden hun streven
niet opgeven. Nog vóor het einde van het jaar leverde Linschoten aan de
Staten-Generaal zijn journaal van de reis over; tegelijk gaf hij HHM.
een nieuw plan ter overweging. Op het voorbeeld der Portugeezen
wijzende, die eerst na herhaalde proefnemingen den weg naar Oost-Indië
hadden gevonden, wekte hij de Staten tot een nieuwe poging op. Door het
reeds omtrent de gelegenheid der Yszee bekende achtte hij het
ontwijfelbaar, dat de noordoostelijke doortocht naar Oost-Indië bestond;
uit de jaarlijksche tochten der Russen naar den Ob besloot hij, dat de
straat van Nassau niet altijd zoo onbevaarbaar zijn kon als de
Nederlanders haar dien zomer gevonden hadden. Alleen »de kennisse ende
rechte ervarentheydt van den tijt” was nog onbekend. Om die kennis te
verkrijgen stelde Linschoten voor, dat de Staten vroeg in het voorjaar
van 1596 twee »Iachten ofte Boots” naar de straat van Nassau zouden
zenden om daar het oogenblik af te wachten, dat de Russische schepen de
reis naar den Ob deden. Eenmaal daar aangekomen twijfelde hij niet of de
verdere weg was gemakkelijk: zijne ondervinding van 1594, toen hij
meenende reeds voorbij den Ob te zijn eene opene zee had gevonden,
boezemde hem daaromtrent het volste vertrouwen in. Weldra zouden de
schepen de rivier de Gillissy (de Jenissei) bereiken, waar zij des
gevorderd gemakkelijk overwinteren en van de talrijke kustbewoners de
noodige inlichtingen verzamelen konden om het volgende jaar de reis
voort te zetten[69].
[69] Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Conclusie
ofte Na-reden.)--Hetzelfde plan werd later nog aanbevolen door Massa
(Cort verhael. p. 8, in: Beschr. v. d. Samoyeden-Landt),--en door
Pontanus. (Beschr. v. Amst. p. 179.)
Maar hoe schoon het plan mocht schijnen, er kwam niets van. De
onvoldoende uitslag der laatste onderneming schrikte de regeering van
verdere pogingen af. Wel beraadslaagden de Staten-Generaal en de Staten
van Holland nogmaals ernstig over een nieuwen tocht, maar »hoe wel meest
alle de Steden van Hollant daer toe eerst waren jnclinerende”[70],
besloot men toch geen geld meer aan zoo onzekere kansen te verkwisten en
liever eene premie van ƒ 25.000 benevens vrijdom van in- en uitgaande
rechten uit te loven voor dengene, die den doortocht werkelijk ontdekt
had[71]. Amsterdam, altijd zoo ijverig in het bevorderen van deze zaak,
liet het er niet lang bij blijven. Reeds vóordat de premie uitgeloofd
was had de vroedschap besloten,--overwegende »dat bysonder dese Stad
(als principaelyck Inde coophandel ende nauigatie bestaende) ende oick
’t gemeene landt ende d’Ingesetenen vandien in neringe, coophandelinge
ende ryckdomme grootelicx souden kommen te floreren, by soe verre de
voorszeide vaert (daer toe goede hope wierd gegeven) mochte werden
gevonden,”--dat de stad ƒ 12.000 zou beschikbaar stellen om twee
schepen, éen van 50 à 60 en éen van 30 last, naar het noorden uit te
zenden[72]. Plancius was nu evenals de vorige malen niet alleen een der
voornaamste bevorderaars der reis, maar ook de eerste raadsman der
regeering. Had hij het vorige jaar bij het opmaken der plannen voor de
reis zijne eigene inzichten opgeofferd, toen het scheen alsof de straat
van Nassau een geheel ijsvrijen weg naar Oost-Indië zou openen; nu het
gebleken was, dat deze straat somtijds nog grootere moeielijkheden
opleverde dan het omzeilen van Novaya Zemlya, kwam hij op zijn oude plan
terug. Men besloot dan ook, dat deze expeditie den door Barendsz.
onderzochten weg nogmaals zou inslaan.
[70] Resol. der Amst. vroedschap, dd. 25 Maart 1596. (Amst. arch.)
[71] R. S.-G. 13 Apr. 1596.--De Veer, Derde seylagie. fol. 16.
[72] Resol. Amst. vroedsch. 25 Mrt. 1596.--Pieter Hasselaer en
eenige anderen werden door de burgemeesters volgens deze resolutie
aangewezen, „omme te verzorgen alle ’t gundt tot wtrustinge vande
voornoemde schepen van noode wezen zou.” De Veer, Drie seylagien.
fol. 61.
Wederom waren het ervarene zeelieden, aan wie het bestuur der schepen
werd toevertrouwd. Was Jan Cornelisz. Rijp van Enkhuizen, die reeds den
vorigen tocht als commies had medegemaakt, schipper en commies op het
eerste schip met Arend Martensz. van Amsterdam als stuurman[73]; in het
andere bekleedde Jacob Hendricksz. Heemskerck dezelfde betrekkingen als
Rijp, terwijl geen minder persoon dan Willem Barendsz. stuurman was. De
bizonderheden van deze allerbelangrijkste onderneming, waarbij men
verdere ontdekkingen deed dan de meeste beroemde zeevaarders der
negentiende eeuw, zijn algemeen bekend: deze reis is een der populairste
gedeelten onzer geschiedenis. Ik kan mij dus bepalen tot het geven van
een overzicht van den gevolgden weg. Den 18 Mei van Vlieland uitgezeild
zette men noordelijk koers. Reeds spoedig ontstonden er onaangenaamheden
tusschen de aanvoerders van beide schepen. Rijp meende, in
overeenstemming met Plancius’ inzichten[74], dat het volgen van den
ouden koers tot bij Novaya Zemlya de expeditie evenals vroeger in het
ijs zou voeren; hij vreesde ook op de reeds zoo dikwijls onoverkomelijk
bevonden bezwaren, die de zee bij Vaigatsch aanbiedt, te zullen stuiten.
Ook Barendsz. was wel niet van plan zich naar Vaigatsch te begeven, maar
hij meende toch dat de richting, die Rijp aangaf, te veel westelijk was.
Voor eenen tijd gaf hij echter toe dien koers te blijven vervolgen. Het
resultaat daarvan was reeds 9 Juni de ontdekking van Beeren-eiland en
weinige dagen later (17 Juni[75]) ook van Spitsbergen, dat zij niet
verre van den noordwestelijken hoek bereikten. De pogingen om van daar
in noordwestelijke richting eenen doorgang door het ijs naar de pool te
vinden mislukten. Men keerde na eene landing op een der noordwestelijke
eilanden terug en poogde, langs de kust zuidelijk gestevend, de
zeeëngte, die Prince Charles’ foreland van Spitsbergen scheidt, door te
zeilen. Maar deze nauwe straat bleek onbevaarbaar en de expeditie voer
dus het eiland westelijk langs, bezocht Bellsound en bereikte, nadat zij
de geheele westkust van Spitsbergen gevolgd had, den 1 Juli het
Beeren-eiland weder[76]. Hier deed zich het verschil van gevoelen
tusschen beide bevelhebbers op nieuw voor en men besloot tot eene
scheiding. Rijp zeilde nogmaals noordelijk om te trachten de pool te
bereiken. Daar hij aan de westzijde van het nieuw ontdekte Spitsbergen
de ijsvlakte dicht aaneengesloten bevonden had, beproefde hij ditmaal
of ten oosten van dat land de kans hem gunstiger zou zijn. Maar
vergeefs! Ook daar vond hij de ijsmuur ondoordringbaar en al volgde hij
den rand daarvan westelijk, geen doorgang vertoonde zich. Bij zijne
pogingen om dien te vinden geraakte hij ondertusschen hoe langer hoe
meer westelijk, ten noorden van het land, en kwam eindelijk op de plaats
terug, waar hij eenige weken te voren met Heemskerck en de zijnen
vruchteloos naar eenen doorgang gezocht had. Van daar zuidelijk gezeild,
richtte hij in eene baai op 79° en eenige minuten NB., waarschijnlijk de
Cross-bay, een paal op, zooals hij dat met de anderen had afgesproken en
zeilde ook de vroeger bezochte Vogelhoek voorbij. Het vinden van een
doortocht noordelijk naar den pool werd nu opgegeven en Rijp besloot
Heemskerck en de zijnen naar Novaya Zemlya te volgen. Het jaargetijde
was ondertusschen verre verloopen en weldra stuitten de reizigers op
zooveel ijs, dat zij genoodzaakt waren »sonder veel anders uyt te
rechten” te Kola binnen te loopen en van daar huiswaarts te keeren[77].
Niet het schip van Heemskerck heeft dus, zooals onlangs beweerd is,
Spitsbergen omzeild; aan Rijp alleen komt de eer van die moeielijke reis
toe. De weinige publiciteit, die echter aan den tocht van Rijp na zijne
scheiding van Heemskerck gegeven is, schijnt de oorzaak geweest te zijn,
dat de aardrijkskundige wetenschap der zeventiende eeuw van zijne
ontdekking, dat Spitsbergen een eiland is, geen partij getrokken heeft.
[73] Zie zijne getuigenis over den tocht van Rijp in de verzameling:
Noordsche togten. 4. Loopende Noordsche Compagnie. R.-A.
[74] Plancius meende volgens Linschoten (Voyasie ofte schip-vaert by
Noorden om. Voor-reden): „dat boven Nova-Zembla, ~te weten, onder
den Polus Arcticus door~, den rechten ende doenlijcksten wegh moeste
zijn; om welkes te bevestighen, hy . . . . ghenoegh met sekerheyt
bevestighde, . . . . dat ~den wegh onder den Pole~, te weten, boven
Nova Zembla om, seker, gantsch ghewis, ende sonder twijffel goet
was.”
[75] Dien datum geeft het journaal van Barendsz., door Hessel
Gerritsz. medegedeeld; dat van De Veer vermeldt eerst 19 Juni het
zien van land.
[76] In de beschrijving van deze reis verwerp ik het gevoelen van
Beke (Three voyages. p. LXXXV-LXXXIX), die meent, dat Spitsbergen
door Heemskerck en Rijp omzeild is. Ook De Jonge is het niet met
Beke eens (Opkomst. I p. 23-26); het komt mij echter voor, dat zijne
gronden niet alle even afdoende zijn. Doch sinds de uitgave van dat
werk zijn er een paar ontdekkingen gedaan, die Beke’s gevoelen
geheel wederleggen. Tiele heeft aangetoond (Mém. s. l. journ. des
navigat. Holl. p. 93, 112, 195): 1^{o}. dat de opgave van den weg
der reizigers van 1596/7 op de „tabula geographica” (opgenomen o. a.
in Ashers Hudson the Navigator) door Barendsz. zelven daarop is
aangeteekend en dus een onwederlegbaar bewijs levert, dat
Spitsbergen door hem ~niet~ omzeild is. 2^{o}. dat de voornaamste
grond, waarop Beke de authenticiteit van het door Hessel Gerritsz.
in zijne ~Histoire de Spitsberghe~ medegedeelde journaal van
Barendsz. zelven betwist, (namelijk de vermelding daarin van den
naam Spitsbergen,) vervallen is door De Jonge’s ontdekking van Rijps
getuigenis, waarin men leest, dat reeds de eerste ontdekkers aan het
eiland den naam gaven, waaronder het later bekend bleef. (Opkomst, I
p. 24.) De andere reden, waarop Beke de echtheid daarvan betwist,
beteekent m. i. niets. Hij meent, dat Barendsz’. journaal
noodzakelijk na den dood van den schrijver in handen van De Veer had
moeten komen en dus met het journaal van den laatste in alle
opzichten overeenstemmen. De ~noodzakelijkheid~, dat het journaal
van den opperstuurman na diens dood aan een ondergeschikt, zij het
ook bevriend, persoon uit de bemanning ter hand gesteld werd, zie ik
volstrekt niet in. Maar ook al neemt men die aan, dan toch is het
~ondenkbaar~, dat de eerlijke Gerritsz., om de ontdekking van
Spitsbergen door de Nederlanders te bewijzen, terwijl hij uit het
journaal van De Veer eenige feiten overnam, de oppervlakkig
beschouwd zeer onwaarschijnlijke koersen langs nog grootendeels
onbekende kusten, die het door hem medegedeelde extract opgeeft, zou
~verzonnen~ hebben, ~zonder daardoor zijne argumentatie vóor de
ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders ook maar iets sterker
te maken dan ze door de eenvoudige mededeeling van De Veer’s
journaal zou geweest zijn~. Het verschil in de opgaven der koersen
en hier en daar in het verhaal der omstandigheden, bewijst
voldoende, dat wij hier twee geheel zelfstandige werken voor ons
hebben. En dan verdient het journaal van Barendsz., dat minder
anecdoten, maar meer opgaven van koersen geeft, m. i. zelfs veel
meer vertrouwen dan de onduidelijke opgaven van De Veer, die
blijkbaar minder goed op de hoogte was. Nog meer: uit den tekst van
het door Gerritsz. medegedeelde uittreksel zelf blijkt m. i., dat
het aan het dagboek van den stuurman ontleend is. De uiterst
nauwkeurige mededeeling van de gevolgde koersen, van de gemaakte
waarnemingen, het geheel verwaarloozen van alles, wat aan het
verhaal voor den lezer iets aangenaams geven kan, stempelt het
fragment als een scheepsjournaal, een „logbook”, dat niet tot
lectuur bestemd is. Ik meen dus, dat het journaal van Barendsz. echt
is. Maar ook al neemt men dit niet aan, dan nog verdient het
fragment als zelfstandig werk van een blijkbaar beter ingelicht
persoon dan De Veer, wiens mededeelingen soms zeer onbestemd zijn,
alle vertrouwen. En Beke zelf geeft toe (Three voyages. p. LXXXIX
Noot), dat de daar beschrevene reis langs Spitsbergens westkust niet
ten noorden van het eiland plaats had. (Vgl. ook het verhaal der
reis van den goed ingelichten Van Meteren, Comment. ofte memor. fol.
CLIII,--en het verhaal door Hessel Gerritz. in de Detectio freti.
ed. 1613, F. 2 ~uit het journaal van De Veer~ opgemaakt.)--Zoo het
noodig was, bij deze afdoende argumenten tegen de omzeiling van
Spitsbergen door Barendsz. een ander te voegen, dan zou reeds het
door Beke zelf vermelde feit, dat Spitsbergen door Barendsz (en door
velen lang na hem) voor een gedeelte van Groenlands oostkust
gehouden werd (een feit, dat volstrekt niet strijdt met het geven
van den naam van Spitsbergen aan een gedeelte dier kust)
onverklaarbaar zijn, wanneer het eiland op de zoo algemeen bekende
reis van 1596/7 door Barendsz. omzeild was. (Vgl. o. a. Van Meteren,
Comment. fol. CLIII.--Zie ook: Hist. de Spitsberghe. p. 13, waar
gezegd wordt: „Du Fayre Forland au long de la coste il faut prendre
la route Nord nordest et Nordest, jusqu’es par dessus la hauteur de
80 degrés ~la ou Guilliaume Barenss. et Jean Corneliss. Rijp,
decouvrirent premièrement le Pays~”,--en van het noordelijke
gedeelte van den Foreland fjord: „c’est la mesme Baye la ou ont esté
Guilliaume Barenss. et Jean Corneliss. laquelle ils pensoyent passer
par derrière ou par dedans, mais ils n’y trouvoyent pas prou (?)
profond et y avoit de la glace, qui estoit ferme attaché au fond,
comme aussi a trouvé la Navire de Duynkerkes, selon qu’a raconté un
de leur Pilotes.” Het Duinkerksche schip was in 1613 op Spitsbergen
ter walvischvangst. (Hist. de Spitsb. p. 21.) Deze ijsdam, waarop
men stuitte, wordt nog op eene in 1631 vervaardigde kaart van
Spitsbergen (in: White, Greenland and Spitsbergen p. 253) als „The
Barr” aangeteekend.--Zie over de op deze reis aangedane plaatsen ook
de getuigenissen van Arend Martensz. en Antonie Claesz. Homan, in:
Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A., waar duidelijk het
Amsterdamsche eiland, de Foreland fjord en Bellsound opgegeven
worden.)
Nog een enkel woord over de beide verhalen van de ontdekking van
Spitsbergen: de ontdekking van het journaal van Barendsz. geeft een
zeer goede maatstaf voor de kritiek van De Veer’s reisverhaal. Ik
zeide reeds, dat de mededeelingen van Barendsz. in alle opzichten
den voorkeur verdienen. Niet alleen heeft Barendsz. als zegsman meer
gezag dan zijn onderhoorige, maar zijne opgaven zijn beter.
Barendsz. geeft gedurig uiterst nauwkeurig de richting op, die soms
verscheidene malen op één dag veranderd werd; De Veer zegt dikwijls,
dat de koers b.v. ~eenigszins~ noordelijk was zonder nadere
aanduiding. Barendsz. geeft elken dag het voorgevallene op; De Veer
slaat somtijds een paar dagen over. De Veer houdt zich niet alleen
dikwijls bezig met uitvoerige verhalen, die van geen belang zijn
(b.v. de tallooze gevechten met beeren), maar hij verwaarloost
daarom dikwijls zaken van meer belang, waarbij hij trouwens
misschien niet altijd tegenwoordig was, of die om andere redenen hem
als ondergeschikte dikwijls onbekend bleven. Maar vooral daalt het
journaal van De Veer in waarde, wanneer wij door de vergelijking met
dat van Barendsz. bemerken, dat hij zijn journaal niet dagelijks
bijschreef, maar later opgesteld heeft: hoewel in de hoofdzaak beide
verhalen volkomen overeenstemmen is de chronologie van De Veer
geheel verkeerd.--Van de andere zijde is het verwijt aan De Veer
gedaan, dat zijn verhaal niet te begrijpen zou zijn en de richting
van het schip niet te volgen (Beke, Three Voyages. p. LXXXV.--De
Jonge, Opkomst. I p. 23,--vooral: Asher, Hudson. p. CXXXIX)
onverdiend. Het schijnt mij duidelijk, dat de schepen, van
Beeren-eiland NW. gezeild (De Veer’s mededeeling van een NO. koers
wordt door de feiten weêrsproken; niettemin was men reeds op de reis
zelf het over de gevolgde richting niet eens: Rijp hield met De Veer
vol, dat zij NO. gezeild waren. cf. Hist. de Spitsb. p. 10), den 17
Juni ten NW. van Spitsbergen op het ijsveld stuitten, dat zich ten
noorden van het eiland uitstrekt. Westelijk deed zich geene opening
daarin op, zuidoostelijk scheen het in eene punt te eindigen. De
wind belette den reizigers die punt te omzeilen, maar hunne ZO.
richting had hen in de nabijheid van Spitsbergen gebracht, dat zij
den 19 ontdekten op ongeveer 79°50´ NB. en 13° OL. van Greenwich.
Den 20 volgden zij de kust in westelijke richting en zeilden den 21
den NW. hoek van het eiland om. 22 Juni onderzochten zij dien NW.
hoek (de twee eilanden en het schiereiland, waar zij de rotganzen
vingen, zijn zonder eenigen twijfel het Amsterdamsche en het
Deensche eiland met het schiereiland ten N. van de Magdalenabaai,
waarop nog de „Rotges- of Rotganzen-berg” ligt.) 23 Juni:
vergeefsche pogingen om NW. door den ijsdam naar de pool door te
breken, en daarop ~terugkeer~. Zij zeilen daarop „langs de westzijde
van het land.” 24 Juni: Cross-bay. 25-27 Juni: tusschen Spitsbergen
en Prince Charles’ foreland. 28 Juni: om Vogelhoek Z. langs de kust.
29 Juni: langs de kust tot de zuidpunt van het eiland. 30 Juni: ZO.
door de zee. 1 Juli: Beereneiland.--Barendsz.’ journaal komt ~in
hoofdzaak~ met deze beschrijving van den tocht overeen; vooral in de
chronologische volgorde der feiten verschilt hij echter nu en dan en
over het geheel geeft hij ook de gevolgde koersen veel nauwkeuriger
op.
[77] De koers van Rijp na zijne scheiding van Heemskerck wordt hier
voor het eerst medegedeeld. Ik ontleen dien voornamelijk aan de door
De Jonge gevonden getuigenis van Rijp zelven. (Opkomst. I p. 24.) De
woorden zijn niet overal duidelijk, maar in verband met de
mededeeling van De Veer op 1 Juli 1596 (en van Van Meteren, Comment.
ofte memor. fol. CLIII), dat Rijp op nieuw naar 80° NB. wilde zeilen
en wel ~oostelijk~ van Spitsbergen, en met de berichten van zijne
aankomst bij Vogelhoek, kan ik de woorden van Rijp: „et prist son
cours en amont (naar het noorden?) ~a tour d’iceluy pays~,” niet
anders verstaan dan door het omzeilen van Spitsbergen aan te nemen.
Daarmede stemt volkomen overeen het verhaal van Rijps plannen en
reis door Hessel Gerritsz. (Hist. de Spitsb. p. 10), die Barendsz.’
journaal voor zich had liggen.--Vgl. over de reis van Rijp ook:
Pontanus, Beschr. v. Amst. p. 168.
Onderwijl hadden Heemskerck en Barendsz. een geheel andere richting
gevolgd. Den 17 Juli kwamen zij in het gezicht van Novaya Zemlya. Op
nieuw volgde Barendsz. nu de noordwestkust van het eiland, die hem
reeds in 1594 bekend geworden was. Weken lang worstelde het schip met
het ijs en den 15 Augustus bereikte men eindelijk de Oranje-eilanden,
het verste punt der eerste reis. Ditmaal gelukte het verder te gaan.
Zuidoostwaarts de kust volgende zeilde men den Hoek van Begeerte om en
kwam 21 Augustus in de IJshaven aan, waar het schip geheel in het ijs
beklemd raakte. Hoe de Nederlanders hier van den 26 Augustus 1596 tot
den 14 Juni 1597 onder 76° NB. op eene onbewoonde barre plaats in een
hut van planken moesten overwinteren, hoe zij daarna in twee opene
schuiten de terugreis aannamen, hoe Barendsz. onderweg overleed, hoe
zijne lotgenooten na tallooze gevaren ontmoet te hebben eindelijk 2
September te Kola een Nederlandsch koopvaardij schip vonden, waarop hun
vroegere tochtgenoot Jan Cornelisz. Rijp kapitein was, en hoe zij van
daar 29 October in de Maas aangekomen te Amsterdam in hunne pelzen van
vossenvel rapport van hun wedervaren deden,--zijn zaken, die te bekend
zijn om ze hier uitvoerig te verhalen[78].
[78] Zie over deze reis: De Veer, Drie seylagien na de Coninckrycken
van Catthay ende China. (Derde reis.)--Ook: Hamel, Tradescant der
Aeltere. p. 148 Noot 1.
Het verslag, dat Heemskerck en de zijnen van hunne avontuurlijke reis
deden, was niet geschikt om tot verdere proefnemingen aan te moedigen.
Men mocht hen prijzen om den betoonden moed en volharding; men mocht hun
den lof geven, dat zij verder dan een hunner voorgangers in het noorden
waren doorgedrongen, te verhelen was het niet, dat de doortocht niet
gevonden was en dat, ook al had geen land de reizigers gestuit, de zee
zelve dicht bezet met drijfijs een bijna even onoverkomelijken
hinderpaal had opgeleverd. Men moest wel door eene harde
noodzakelijkheid gedrongen worden, wanneer men die bijna onbevaarbare
zee als handelsweg gebruiken wilde. En die noodzakelijkheid bestond
reeds niet meer. Waren reeds in het begin van 1596 de uitkomsten van
Linschotens reizen in Portugeeschen dienst bekend geworden, in hetzelfde
jaar als Heemskerck keerde Houtman met de eerste Nederlandsche vloot uit
Oost-Indië terug. De gewone weg, waarom men Spanje en Portugal steeds
zoozeer benijd had, was gevonden: wat behoefde men zich een nieuwen
doortocht te zoeken, die zooveel meer moeielijkheden aanbood?
Werkelijk werd er in de eerste jaren na 1597 niet meer aan den
noordelijken doortocht gedacht: de handel op Oost-Indië bloeide langs
den gewonen weg meer en meer. In 1602 kwam het tot de oprichting der
Oost-Indische Compagnie, die den handel bevestigen en voor goed in den
ouden weg leiden zou. Maar juist door die oprichting ontstond er weder
eene aanleiding tot het zoeken van den noordelijken doortocht. In het
octrooi had de regeering zijdelings eene premie uitgeloofd op het
bereiken van het vroeger zoo begeerde doel. Aan de Oost-Indische
Compagnie was namelijk door de Staten het recht verleend om met
uitsluiting van alle andere Nederlanders op Oost-Indië te mogen varen
~langs de kaap de Goede Hoop en door de straat van Magellaan~. Andere
onontdekte wegen naar Oost-Indië bleven dus voor de vrije mededinging
open. Wat wonder; dat zij, die om politieke of religieuse redenen geen
deel aan de voordeelen, door de bevoorrechte compagnie verkregen, wilden
hebben, zich dadelijk beijverden het oude Nederlandsche plan weder op te
vatten, dat te lang vergeten was? De Oost-Indische Compagnie werd door
deze mededingers dan ook reeds dadelijk na hare oprichting verontrust.
Was er reeds in December 1601--misschien onder den indruk van de
verschijning van het journaal van Linschoten in dat jaar,--weder sprake
geweest van het zoeken van den noordoostelijken doortocht[79], den 8
November 1602 richtten eenige kooplieden tot de Staten-Generaal een
verzoek om hulp tot een tocht »om te soecken den pas om noorden nade
eylanden ende vaste landen van Asia ende America.”[80] Dadelijk
beraadslaagden de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie om zelven
den doortocht te zoeken en zoodoende, steunende op hun recht als eerste
ontdekkers, ook dezen weg in hun monopolie te doen opnemen. Het gevaar
dreigde echter de compagnie nog te zeer van verre om de vergadering tot
zulke maatregelen van belang over te halen: den 7 Augustus 1603 namen de
zeventien het besluit den doortocht niet te zoeken. Men schijnt
overwogen te hebben, dat ook na de ontdekking het verkrijgen van octrooi
bij de bekende ongunstige gezindheid der Staten-Generaal voor monopoliën
twijfelachtig was, en men nam dus voor, liever te trachten de pogingen
door de vijanden der compagnie aangewend te verijdelen, dan zelf met hen
te wedijveren in zoo onzekere ondernemingen[81].
[79] R. S.-G. 21 Dec. 1601.--Het journaal van Linschoten bevatte in
de opdracht aan de Staten-Generaal eene nieuwe aansporing tot het
zoeken van den noordoostelijken doortocht. Het doel dezer poging,
door de vijanden der O.-I. C. gewaagd, schijnt geweest te zijn, te
beletten, dat de compagnie octrooi kreeg ook voor de nog onontdekte
wegen naar Oost-Indië.
[80] R. S.-G. 8 Nov. 1602.
[81] Resol. XVII dd. 27 Febr., 7 Aug. 1603.--Murphy, Hudson in
Holland. p. 22, 23.--De Jonge, Opkomst. I p. 26.--Van Dam, Gesch.
der O.-I. C. I Cap. I. 5. (M.S.) R.-A.
Hoewel dit plan van de bestrijders der Oost-Indische Compagnie
voorloopig ter zijde gesteld schijnt te zijn, hield de concurrentie
volstrekt niet op. De bekende Isaac Le Maire, de hardnekkige
tegenstander der compagnie, zocht voortdurend naar middelen om de gehate
vereeniging te doen bukken. Wel had in 1606 een besluit der
Staten-Generaal het door hen verleende monopolie krachtig gehandhaafd,
maar de publieke opinie verklaarde zich meer en meer ten nadeele der
compagnie en de oppositie schepte moed. Vele Zuid-Nederlandsche
kooplieden, nog onlangs versterkt door de rijke aandeelhouders der
compagnie zelve, die geen deel aan den door haar met de wapenen in de
vuist verkregen buit wilden hebben, waren reeds lang in het geheim aan
het onderhandelen met Hendrik IV, om onder zijne bescherming den
Franschen handel op Oost-Indië te vestigen. Le Maire voegde zich bij
hen. De nieuwe compagnie, die zich alleen op vreedzaam handeldrijven
wilde toeleggen, zou ongestoord de vruchten plukken van de door de
Oost-Indische Compagnie met geweld en kosten behaalde voordeelen en haar
dadelijk op elk met moeite ontgonnen veld als mededingster kunnen
volgen. Door de bescherming van Nederlands machtigen vriend zou zij
onschendbaar zijn[82]. En dit meer slimme dan edele plan was niet het
eenige gevaar, dat de Oost-Indische Compagnie dreigde. Een ander
lievelingsdenkbeeld der Zuid-Nederlanders, het ontwerp van eene
West-Indische Compagnie, werd door Willem Usselincx gedurig met kracht
aangedrongen, en het naderend bestand met Spanje dreigde de compagnie
met nieuwe moeielijkheden. Wat eindelijk alles afdeed: de alvermogende
Oldenbarnevelt, die slechts onder den drang der omstandigheden
medegewerkt had tot het vestigen van het Oost-Indische monopolie, scheen
niet ongeneigd den mededingers nu de hand boven het hoofd te houden.
Waarlijk, zelden stonden de kansen der Oost-Indische Compagnie zoo
hachelijk! In deze omstandigheden was het van het uiterste belang, dat
de publieke opinie zich weder begon bezig te houden met den doortocht in
het noorden.
[82] Zie over deze plannen: Fruin, Een onuitgeg. werk van de Groot,
in: Gids. 1868. IV p. 33-35.--Bakhuizen van den Brink, Isaac le
Maire, in: Gids. 1865. IV p. 18-34.--Asher, Hudson the Navigator, p.
CXCVIII-CCI.
In 1607 had de beroemde Henry Hudson een nieuw tijdperk in de
geschiedenis der noordoostelijke reizen geopend. Hij had Spitsbergen
bezocht en bij zijne terugkomst vele belangrijke mededeelingen gedaan.
Het gerucht van zijne reis had ook Nederland bereikt en de algemeene
aandacht gaande gemaakt. Voor de Oost-Indische Compagnie was dit een
feit, waarmede gerekend moest worden: in den ernstigen toestand, waarin
zij verkeerde, zou de ontdekking van de noordelijke doorvaart, die aan
hare mededingers ook binnenslands de handen beloofde vrij te geven, haar
onmiddellijk ten val gebracht hebben. Er moesten dus maatregelen
genomen worden om die mededingers vóór te zijn, nu de publieke opinie
nieuwe tochten naar het noorden scheen te eischen.
De compagnie zag dit zelve in en hare maatregelen beantwoordden aan haar
karakter als bevoorrechte vereeniging. Op het einde van 1608 besloot zij
bij de Staten-Generaal een verzoek in te dienen om haar octrooi uit te
breiden. Door ook den noordelijken weg naar Indië daarin op te nemen
meende zij, dat voor goed aan alle mededinging de pas afgesneden zou
zijn. Maar het plan lekte uit en dadelijk was de erfvijand der
compagnie, Isaac Le Maire, gereed om het te bestrijden. Hij diende bij
Oldenbarnevelt eene uitvoerige memorie in, waarin hij er op wees, dat
alle onnoodige uitbreiding van monopolie schadelijk was, omdat »daermede
eenige particuliere alleen het benefitie genietten ende het generael
daervan gefrustreert is.” Waren daarom alle de verzochte uitbreidingen
van het octrooi niet wenschelijk, de vaart naar het noorden in het
bizonder behoorde open te blijven; aangezien »die noch te vinden was
ende misschien by de Compagnie niet gevonden soude werden, ende met
sulcken ernst apparentelycken niet en soude gesocht worden, als by
andere.” Het verzoek der bewindhebbers strekte verder tot nadeel van
alle partikuliere kooplieden der Vereenigde Provinciën, die zich steeds
verlaten hadden op de in 1596 op het ontdekken van den doortocht
gestelde premie[83].
[83] Zie deze memorie afgedrukt bij: De Jonge, Opkomst v. h. Nederl.
gezag in O.-I. III p. 364 vlg.--Vgl. daarover: De Jonge, I. c. III.
p. 125.--Van Rees, Gesch. der staathuishoudk. II. p. 42
vlg.--Bakhuizen van den Brink, Isaac le Maire, in: Gids, 1865. IV p.
34-39.
Dit laatste was wel het hart der quaestie. Le Maire verheelde het aan
Oldenbarnevelt niet, »dat andere soowel als de Compagnie, desseing
hadden gemaeckt, inde vaert van Noorden te aventueren, ende niet en
behoorden gefrustreert te worden.” Werkelijk werden van beide zijden
toebereidselen gemaakt om den doortocht te zoeken. Oldenbarnevelt, de
oude vijand van alle monopolie, was de man niet om tot het plan der
compagnie mede te werken, en van het uitbreiden van het octrooi kwam dan
ook niets. De bewindhebbers hadden dit zelven reeds gevreesd. Reeds
vooraf hadden zij hunne maatregelen genomen, en zoodra het bleek, dat
hun plan geen kans van slagen had, poogden zij in het worstelperk der
vrije concurrentie de overwinning te behalen. Dadelijk toen Hudson in
1608 terugkwam van zijne tweede reis, waarop hij den weg ten noorden van
Novaya Zemlya te vergeefs had beproefd, Kostin-sjar onderzocht en
bevonden had, dat die zeeëngte niet naar de zee van Kara leidde, ontbood
de Oost-Indische Compagnie hem zelven naar Nederland om met hem in
onderhandeling te treden.
Omstreeks het einde van 1608 kwam Hudson werkelijk te Amsterdam[84]. Hij
had langdurige conferentiën met de bewindhebbers der Oost-Indische
Compagnie, met Plancius en Hondius, maar ten slotte oordeelde men het
onmogelijk, van een zoo omslachtig ingericht lichaam als de
Oost-Indische Compagnie, tijdig een besluit te verkrijgen om Hudson nog
dit jaar in dienst te nemen. Met eene belooning voor zijne moeite en de
belofte hem het volgende jaar te zullen uitzenden, moest de Engelschman
dus naar huis vertrekken. Dadelijk maakte Le Maire van deze gelegenheid
gebruik. Hij sprak met Hudson en trachtte hem over te halen, de reis
naar het noorden nog dit jaar voor zijne rekening te doen. Voor de
nieuwe in Frankrijk op te richten Oost-Indische Compagnie stelde hij
zich gouden bergen voor van de diensten des beroemden zeemans. Maar het
plan lekte uit en de Oost-Indische Compagnie nam dadelijk hare
maatregelen. Toen de Zeeuwsche kamer weigerde Hudson uit te zenden, daar
zij de uitgaven aan het zoeken van den noordoostelijken doortocht
besteed, als nuttelooze geldverspilling beschouwde, besloot de
Amsterdamsche kamer in de bestaande onmogelijkheid om tijdig eene
algemeene vergadering bijeen te roepen, de verantwoordelijkheid voor de
zending alléen op zich te nemen. Zij trad dadelijk op nieuw met Hudson
in overleg en den 8 Januari 1609 sloten beide partijen een contract,
waarbij de Engelschman zich verbond den noordoostelijken doortocht te
zoeken en bij goeden uitslag dadelijk naar Nederland terug te keeren.
Daar zou hij zich dan met der woon vestigen en uitsluitend in dienst der
Oost-Indische Compagnie blijven. Deze verbond zich daarentegen aan
Hudson na het einde der reis ƒ 800 of bij overlijden aan zijne vrouw
en kinderen ƒ 200 uit te betalen. Zoo de doortocht gevonden was, zou
men hem rijkelijk beloonen; de aard en grootte dezer belooning werden
geheel aan de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie overgelaten. Den
6 April 1609 vertrok Hudson daarop met een vlieboot, de Halve Maan
genaamd, van de reede van Texel[85].
[84] Zie hetgene over Hudsons vroegere betrekkingen te zeggen valt
zeer uitvoerig bij: Read, Hist. inquiry conc. Henry Hudson.
[85] Zie over het voorgaande zeer uitvoerig: Murphy, Hudson in
Holland. p. 22-39.--Ook: Asher, Hudson the Navigator, p. CCII,
CCIII.--Dat Hudsons schip de Halve Maan, niet de Goede Hoop heette,
heeft Murphy l. c. p. 55-58 overtuigend aangetoond.
Zoo belangrijk de geschiedenis van het uitzenden van Hudson is, zoo
onbeduidend zijn de resultaten, door hem verkregen in de hem bij zijne
Instructie opgedragen taak. Men had hem voorgeschreven het oude
Amsterdamsche plan nogmaals te beproeven, en dus evenals Barendsz. ten
noorden van Novaya Zemlya te trachten de straat Anian te bereiken[86].
Van daar moest hij terugkeeren, zonder bij mislukking van die poging
eenen anderen weg te mogen beproeven. Dergelijke proefnemingen wenschte
de Oost-Indische Compagnie tot eene latere gelegenheid uit te stellen;
voorloopig was het haar alleen om de prioriteit in het vinden van den
noordoostelijken doortocht te doen[87].
[86] Witsen, Noord- en oost-Tartarye. p. 906.
[87] Hudsons Instructie is verloren; zie echter een overzicht van
den inhoud uit Van Dam’s Geschiedenis der O.-I. C. bij: Murphy,
Hudson in Holland. p. 38, 39.--Zoo men al de ontdekkingen, door den
~Engelschman~ Hudson op deze reis gedaan, aan de Nederlanders wil
toeschrijven, is het toch duidelijk, dat Nederland alle aanspraak op
de ontdekking der Hudsonsrivier, ~die tegen den wil der
bewindhebbers geschiedde~, verliest.
In de uitvoering van dit plan was Hudson bizonder ongelukkig. Evenmin
als op zijne vorige reis vermocht hij Novaya Zemlya nu te omzeilen. Den
5 Mei bij de Noordkaap aangekomen, zette hij koers naar Novaya Zemlya,
maar geraakte spoedig in het ijs beklemd. Nog voordat hij dit eiland
bereikt had, werd zijn volk oproerig en was hij genoodzaakt den tocht op
te geven. Den 14 Mei keerde hij om, den 19 was hij weder bij de
Noordkaap en op zijne verdere reis hield hij zich geheel bezig met het
uitvoeren zijner nieuw opgevatte plannen tot het vinden van den
noordwestelijken doortocht[88]. Dat hij op die reis o. a. de
Hudsonsrivier onderzocht en aanleiding gaf, dat de aandacht zich op de
heerlijke streek, waar nu New-York verrezen is, vestigde, is eene zaak,
die, hoe gewichtig ook en met hoeveel ingenomenheid ook door de
geschiedkundigen besproken, voor ons van geen belang is. Het zij ons
genoeg op te merken, dat Hudson den 7 November in Engeland aan wal
gestapt, aan de Nederlandsche Oost-Indische Compagnie voorstelde om van
daar uit op hare kosten het noordwesten verder te onderzoeken,--dat de
bewindhebbers hem integendeel bevalen dadelijk naar Nederland te komen,
maar dat hij door de Engelsche regeering verhinderd werd aan dien last
te voldoen; eindelijk dat hij, dus belet om zijne gelofte aan de
Oost-Indische Compagnie gestand te doen, zijn journaal overzond, het
schip alleen naar Nederland liet terug gaan en zich op nieuw in dienst
der Engelsche Moscovische Compagnie begaf[89].
[88] Zie over deze plannen zeer uitvoerig het scherpzinnige betoog
van Murphy: Hudson in Holland, p. 41-52.
[89] Alle berichten over Hudsons reizen vindt men verzameld by:
Asher, Hudson the Navigator. De berichten over dezen tocht, voor
zoover die voor mijn onderwerp van belang is, vindt men bij: Van
Meteren, Historie. fol. 629 en in het journaal van Juet bij Purchas.
Hoe was het ondertusschen met de pogingen van Le Maire afgeloopen? Het
was niet te verwachten, dat een man van zijne energie eene zoo
belangrijke zaak zou opgeven zonder ze eerst te beproeven. Werkelijk was
dit ook het geval niet: niettegenstaande de vele teleurstellingen zette
hij zijn plan door. Wij hebben gezien, dat Hendrik IV de plannen van de
vijanden der Oost-Indische Compagnie in zijn eigen belang begunstigde;
het kwam er slechts op aan den weg door het noorden te vinden, ten einde
botsingen met de Staten-Generaal te voorkomen. In Frankrijk was echter
niet licht iemand te vinden, die met kans op goeden uitslag den
gevaarvollen tocht zou kunnen ondernemen. Wij zagen, dat ook de
onderhandelingen met Hudson aangeknoopt mislukten. Het was dus zaak, in
Nederland een persoon in dienst te nemen, die tegen den Engelschman ten
minste eenigszins opgewassen was. Le Maire meende dat dit niet moeielijk
zou zijn. Reeds dadelijk nadat Hudson door de Oost-Indische Compagnie in
dienst was genomen, had hij het oog op een ander, die zijne oogmerken
kon bevorderen. Wie daarmede bedoeld wordt, weten wij niet; alleen
verhaalt ons Jeannin, dat het iemand was, die de reis (ten noorden van
Novaya Zemlya) reeds eenmaal gedaan had en door Le Maire voor een meer
ervaren zeeman dan Hudson zelf gehouden werd. Wij mogen het er voor
houden, dat dit verhaal meer van de zucht om het plan aan Hendrik IV
smakelijk te maken dan van historische nauwgezetheid getuigt: een
bekwamer persoon dan Hudson was toch in 1609 bezwaarlijk te vinden.
Verschillende omstandigheden schijnen dan ook den bedoelden zeeman
eenvoudig als eenen tochtgenoot van Heemskerck en Rijp op hunne beroemde
reis van 1596 en 97 te kenmerken[90].
[90] Jeannin, Négotiation. II p. 280.--De gissing maak ik op uit
eene plaats van denzelfden (l. c. II p. 276) waar hij ons meldt, dat
Le Maire bij deze gelegenheid confereerde met Plancius en eenige
„pilotes, qui ont fait la même navigation,” o. a. een, „qui fut
aussi, il y a trois ans, employé en cette même recherche, et passa
jusqu’à Nova Zembla, . . . tirant au nord.” Dat hier sprake is van
eenen tochtgenoot van Heemskerck in 1596, is dunkt mij buiten
twijfel. Eene Nederlandsche reis naar het noorden tusschen 1597 en
1609 heeft niet plaats gehad: de reis van Hudson was „de vierde
Schip-vaerd.” (Tiele, Mémoire. p. 115.) Ook eene reis door
Engelschen naar Novaya Zemlya ondernomen is mij niet bekend, behalve
die van Hudson zelven in 1608. Asher plaatste dan ook zonder
aarzeling „treize” voor „trois ans.” (Hudson the Navigator, p.
246.)--Hoe dit zij, op Melchior Van Kerckhoven schijnt de
beschrijving van dezen stuurman gegeven volstrekt niet te passen
(zooals De Jonge, Opkomst. I p. 28, III p. 125 wil) en ik moet dus
aannemen, dat Le Maire zich eerst later tot hem gewend heeft.--Asher
daarentegen (Hudson the Navigator, p. 253 Noot 1) gist, dat Le Maire
het oog had op Nay, den bevelhebber der Nederlandsche expeditiën van
1594 en 1595, zonder nochtans eenigen grond voor dit gevoelen op te
geven. Daar Asher echter Cornelis Cornelisz. Nay nu en dan met Jan
Cornelisz. May, den noordpoolreiziger van 1611 en 12, verwart (zie
l. c. p. XLV en CXXXIII, waar hij beide malen May bedoelt) is het
ook mogelijk, dat hij den laatste voor den aangeduiden persoon
houdt. Ik geloof echter, dat beide gissingen onaannemelijk zijn: van
Nay noch van May is het bekend, dat hij „ce même voyage” (namelijk
ten noorden van Novaya Zemlya) vóor 1609 gedaan heeft.
Wij weten niet, of Hendrik IV Le Maire’s keus goedkeurde; zeker is het,
dat de onderhandelingen met den stuurman van 1596 weldra werden
afgebroken. De redenen daarvan zijn ons onbekend; wij kunnen ze echter
gissen. De Oost-Indische Compagnie had in overleg met Hudson de plannen
voor de onderneming vastgesteld en het was voor Le Maire, die
breedvoerige conferenties met den Engelschman gehad had, niet
twijfelachtig langs welken weg deze zijn doel zou trachten te bereiken.
Het kon niet wenschelijk schijnen, met de compagnie, die in ieder geval
vroeger gereed zou zijn dan Le Maire, langs denzelfden weg mede te
dingen, en de koers ten noorden van Novaya Zemlya werd dus door den
ondernemenden koopman opgegeven[91]. De voornaamste aanbeveling van den
stuurman van 1596, namelijk het vermoeden dat hij den te volgen weg
kende, verviel hiermede en het was dus verkieslijker iemand van meer
ervaring in dienst te nemen.
[91] Dat Le Maire aanvankelijk op den weg ten N. van Novaya Zemlya
het oog had, blijkt uit het verslag zijner conferentiën met Hudson
e. a. bij: Jeannin, Négotiation. II p. 276. Massa’s beschrijving van
de reis bewijst echter, dat dit plan veranderd werd. De poging om
Massa voor de reis te winnen wijst aan, dat het de bedoeling van Le
Maire was, zich de ondervinding der Russen volgens het plan van
Linschoten (zie hiervóor p. 41) ten nutte te maken en zoodoende eene
laatste poging langs den algemeen opgegeven weg door de straat van
Nassau te wagen. Nog in 1614 beval Pontanus deze richting aan boven
de toen algemeen geroemde over de pool. (Beschr. v. Amst. p. 179.)
Het voornemen was nu, om overeenkomstig met de plannen van Linschoten
den ouden korteren weg door de straat van Nassau weder te beproeven. De
jaarlijksche tochten der Russen naar den Ob bewezen, dat het mogelijk
was langs dien weg ten minste ver naar het oosten te komen, en het viel
Le Maire niet moeielijk eenen anderen schipper »fort entendu aux
nauigations et de grande expérience” voor die plannen te winnen. De dus
door Jeannin geprezen zeeman was geen ander dan de befaamde Melchior Van
Kerckhoven, op wiens bekwaamheid en moed met meer reden geroemd werd dan
op zijn karakter en beginselen[92]. Moeielijker bleek het een commies
voor de reis te vinden. Le Maire had dadelijk het oog laten vallen op
den bekenden Isaac Massa van Haarlem[93] en zeker had hij moeielijk een
beter keus kunnen doen, nu het gold de kennis, die de Russen van de
kusten der IJszee verkregen hadden, ten nutte der reis aan te wenden.
Gedurende zijn langjarig verblijf in Rusland had Massa, ijverig
beoefenaar der aardrijkskunde en schrander opmerker als hij was,
langzamerhand een schat van berichten opgezameld, die in Europa geheel
onbekend gebleven waren. Ongelukkig bleek hij echter de man niet te
zijn, die Le Maire dienen kon. Ofschoon een tegenstander der bekende
plannen van Plancius en overtuigd dat alleen de weg door de straat van
Nassau kans van slagen aanbood, was Massa te nauwkeurig bekend met de
bezwaren, die eene reis in de IJszee opleverde, misschien ook te weinig
doortastend om de altijd onzekere plannen zelf te steunen.
[92] Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 4.--Jeannin, Négotiation. II
p. 489. Vgl. over Van Kerckhoven: De Jonge, Opkomst. I p. 52, 128,
29.--De Jonge, Nederland en Venetië. p. 86.
[93] Zie over hem: Van der Linden, Isaac Massa.--Nicolai (Relation.
Vorredt, p. 11) verhaalt, dat de Staten „ein aignen Mann in der
Moszkau underhalten Isaac Massa genannt” ~om berichten over de
mogelijkheid van een~ NO. ~doortocht naar~ O.-I. ~in te winnen~; het
schijnt echter, dat dit bericht alleen steunt op Massa’s verhaal der
wegen naar en door Siberië, dat Nicolai in Hessel Gerritsz.’
Detectio freti vond. Nicolai was toch over Nederlandsche zaken zeer
slecht ingelicht.
Hij stelde reeds dadelijk vele eischen. De geheele inrichting der
expeditie was volgens hem verkeerd. De reizigers moesten vóor hun
vertrek nog talrijke voorzorgen nemen en zich beter toerusten tot den
tocht; zij moesten bepaaldelijk naar het voorbeeld der Russen kleine
booten medenemen, die altijd veel meer kans hadden zich door het ijs
heen te werken dan de betrekkelijk groote Nederlandsche schepen; zij
moesten eindelijk zich voorbereiden op de mogelijkheid eener
overwintering in het barre noorden, die waarschijnlijk noodig was wilde
men zijn doel bereiken. Het was echter Le Maire onmogelijk zich al deze
wenken, hoe heilzaam ook, ten nutte te maken: hij had de voorschriften,
die van ouds voor noordpoolreizen bestonden, gevolgd en Massa’s plannen
zouden eene geheel nieuwe uitrusting hebben noodig gemaakt. Daartoe zou
echter vóor alles veel tijd en veel geld noodig zijn geweest, en hoewel
Hendrik IV zijnen handlanger een paar maal eene som gelds door zijnen
gezant deed toekomen, had hij gemeend aan diens hooge eischen niet
geheel te moeten voldoen. Tijd vooral was het, die Le Maire ontbrak: het
door de Oost-Indische Compagnie uitgeruste schip was reeds gereed en
Hudson kon op zijnen tijd vertrekken. Zoo deze ervaren zeeman, van wien
men zooveel verwachtte, den doortocht vond voordat Le Maire gereed was,
dan was alles verloren, het doel der reis gemist.
Het was dus duidelijk, dat de onderhandelingen moesten afspringen. Maar
ook al waren de beide geniale kooplieden het hierin eens geworden, dan
nog zou Le Maire zich waarschijnlijk van Massa’s medewerking niet veel
goeds hebben mogen beloven. Het mocht een verstandige eisch heeten, dat
Massa in de plannen en voorbereidingen van Le Maire de fouten wilde
verbeterd zien, die zijne rijke ervaring hem aanwees; het is hem geheel
niet kwalijk te nemen, dat hij, toen Le Maire weigerde zijnen raad te
volgen, van zijnen kant ongeneigd was om deel te nemen aan eene
expeditie, die naar zijne inzichten niet slagen ~kon~, maar het was
kleingeestig, dat hij ook, waar zijne ervaring hem in den steek liet,
aan zijne bekrompene wereldbeschouwing argumenten tegen de mogelijkheid
van te slagen ontleende. Het toonde, dat het Massa met de zaak geen
ernst was;--het bewees, dat hij niet bezield was met den geest, die de
Moucherons, de Barendszen, de Linschotens gedrongen had hunne tochten
over den geheelen aardbol uit te strekken, dat hij zijne landgenooten
door dwaze bezwaren, waaraan hij zelf niet geloofde, van verdere
pogingen afschrikte[94]. Maar wij laten Massa en zijne kritiek rusten:
»ick sloech het af,” dus verhaalt hij, »want ick bewysen wil dat mender
niet door en can en altyts vergeefs sal wesen wat sy doen, ~oft moesten
’t anders aenlegghen~.”[95]
[94] Dit was te meer verkeerd, omdat men toen ter tijd vrij algemeen
aan de mogelijkheid van den noordoostelijken doortocht gewanhoopt
schijnt te hebben. Zelfs Hessel Gerritsz. twijfelde. (Zie zijne
Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 3, 4. Vgl. echter aldaar zijne
aanteekeningen op Massa’s kaart.) Het blijkt uit Massa’s in den
tekst aangehaalde woorden, dat hij integendeel aan de mogelijkheid
geloofde.
[95] Zie de kritiek van Massa in zijn: „Cort verhael van de Wegen
ende Rivieren uyt Moscovia.” p. 8, 13, 14, in: Beschr. v. d.
Samoyeden Landt.
Zoo was dus Le Maire weder teleurgesteld, maar de zaak opgeven dat wilde
hij niet. Spoedig was een andere commies gevonden en de overeenkomst met
Hendrik IV werd nu gesloten. De onderneming zou op naam van Le Maire, in
het geheim echter voor Fransche rekening, plaats hebben. Gelukte de
poging, dan zou het schip niet in Nederland maar in Frankrijk
binnenvallen; Le Maire zou dan dadelijk naar Parijs vertrekken en zich
aan het hoofd der nieuwe Fransche Oost-Indische Compagnie plaatsen.
Voorloopig ontving de ondernemer reeds 15,000 livres van Hendrik IV[96]
en den 5 Mei 1609 vertrok Kerckhoven met een »kleyn schipken” en
voorzien van eenen geloofsbrief van Maurits naar het noorden.[97]
[96] Zie over de plannen en voorbereidingen voor deze reis: Jeannin,
Négotiation. II p. 345, 70, 75.--Bakhuizen van den Brink, Isaac le
Maire, in: Gids. 1865. IV p. 28-33.--Murphy, Hudson in Holland, p.
31, 32.
[97] Jeannin, Négotiation. II p. 489.--Bij het verhaal dezer reis
verwerp ik het door De Jonge (Opkomst. I p. 28) op het voetspoor van
Murphy (Hudson in Holland, p. 32 Noot 1) voorgestane gevoelen, dat
Le Maire ~twee~ tochten naar het noorden zou hebben doen ondernemen:
in 1609 en omstreeks 1611. Reeds Megiser (Septentrio Novantiquus. p.
431) sprak in 1613 van eene reis van Le Maire naar het noorden in
1611. Al deze schrijvers hebben echter hun bericht ontleend aan
Massa, die zegt, dat een Nederlandsch schip „dit Jaer” voor Le Maire
aan Vaigatsch geweest is. (Cort verhael. p. 8 in: Beschr. v. d.
Samoyeden Landt.) Nu is de „Beschryvinge vander Samoyeden Landt”
verschenen in het voorjaar van 1612 en het lag dus voor de hand te
meenen, dat Massa’s „Cort verhael” geschreven was in 1611, toen de
schrijver in Nederland aanwezig was. De drie geleerden schijnen
echter voorbijgezien te hebben, dat Hessel Gerritsz. op den titel
zijner Beschryvinge vander Samoyeden Landt mededeelt, dat de beide
daarin voorkomende stukken van Massa „wt de Russche tale overgheset
(en blijkens de aanteekeningen op den rug van Massa’s kaart
vermeerderd) syn ~Anno 1609~.”--Het door De Jonge l. c.
gecursiveerde woordje „wederom” behoeft dunkt mij niet op een
Nederlandsch schip ~door Le Maire uitgerust~ te slaan.
Hoe dwaas ook de argumenten van Massa tegen de uitvoerbaarheid van het
laatste gedeelte der reis waren, het bleek den reizigers weldra, dat hij
over het eerste gedeelte met volkomen kennis van zaken gesproken had. De
onderneming was tegen de bedoeling van Le Maire, die haar gaarne zeer
vroeg in het voorjaar had zien vertrekken[98], door den herhaalden
tegenspoed een paar maanden vertraagd en geen wonder dan ook, dat
Kerckhoven in dit toch reeds zeer ongunstige jaar de straat van Nassau
onbevaarbaar vond. De zeeëngte was opgevuld met ijsmassa’s van niet
minder dan 50 à 60 vademen dikte.[99] Aan het volvoeren van den tocht
viel niet te denken; de reizigers moesten terugkeeren en maakten eene
»slechte reyse.”[100] Het is niet onwaarschijnlijk, dat Le Maire in het
volgende voorjaar op nieuwe pogingen bedacht was[101], maar de
plotselinge dood van zijnen beschermer Hendrik IV maakte natuurlijk aan
alle plannen een einde.
[98] Jeannin, Négotiation. II p. 279.
[99] Massa, Cort verhael. p. 8, in: Beschr. v. d. Samoyeden Landt.
[100] Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 4.
[101] Dit maakt De Jonge (Opkomst. I p. 28) op uit het aankoopen van
een voor Noordsche tochten veelal gebruikte vlieboot door Le Maire
in Februari 1610 voor een doel, dat volgens zijn zeggen, wanneer het
bereikt werd, den lande zeer voordeelig zou zijn.
Terwijl de beide bovenvermelde reizen grootendeels hare verklaring
vinden in den strijd tusschen monopolie en vrije concurrentie, schijnt
het tot nog toe niet duidelijk geweest te zijn, wat de reden was, dat
van 1607 tot 1612 plotseling na tienjarige rust het zoeken van den
noordoostelijken doortocht naar Oost-Indië weder met zooveel ijver, een
enkele maal zelfs van staatswege, in Engeland en Nederland werd opgevat.
Het komt mij voor, dat deze hernieuwde pogingen moeten toegeschreven
worden aan het genie van twee Engelschen, die eene andere richting
aanwezen dan den tot nog toe in de noordsche ondernemingen gewoonlijk
gevolgden koers.
Toen Henry Hudson in 1607 zijne eerste reis naar het noorden ondernam,
handelde hij volgens een bepaald plan. Reeds in 1527 had Robert Thorne,
een Engelschman, die te Seville woonde, verkondigd, dat men noordelijk
recht over de pool naar Oost-Indië moest zeilen. Hij meende, dat die weg
veel korter was dan eenige andere tot dusver ingeslagen; aan de bezwaren
met dit plan verbonden, de onbevaarbaarheid der zee en de
onbewoonbaarheid van het land, geloofde hij niet[102]. Dit voorstel, in
1582 door Hakluyt in zijne Divers Voyages wereldkundig gemaakt, bleef
aanvankelijk onopgemerkt. Plancius alleen schijnt het met Thorne eens
geweest te zijn[103], maar Barendsz. nam op de twee tot bereiking van
Plancius’ doel uitgeruste tochten steeds zijn koers te veel oostelijk om
de pool te bereiken en zoo naar Oost-Indië te geraken. Slechts Jan
Cornelisz. Rijp, getrouwer dan Barendsz. aan Plancius’ instructiën,
sloeg in 1596 de richting door Thorne aangewezen in[104]. Hij wilde ten
noorden van Spitsbergen door het ijs breken en de pool bereiken, maar de
ijsdam, die zich steeds oostelijk van Groenland en ten noorden van
Spitsbergen uitstrekt, belette hem zijn plan uit te voeren. En Barendsz.
zelf, al kon hij zich ook niet vereenigen met de plannen van Rijp,
stierf in de overtuiging, dat men niet door de noordelijke kusten van
Europa of van Novaya Zemlya te volgen, maar door hooger in het noorden
zijnen weg te zoeken de meeste kans hebben zou om eene opene zee te
vinden[105]. Het onbeduidende resultaat, dat de reis van Rijp volgens de
toenmalige inzichten had, belette, dat men zijn plan op nieuw trachtte
uit te voeren, maar de op zijn aandrijven gevolgde noordelijke koers had
tot de ontdekking geleid, dat niet altijd de koude, hoe meer men de
pool naderde, heviger werd[106]. De opmerking, dat het op Spitsbergen
op 80° minder koud was dan op Novaya Zemlya op 76°,--een verschijnsel,
dat waarschijnlijk aan den warmen golfstroom moet worden
toegeschreven,--leidde reeds de Nederlanders tot de conclusie, dat de
massa’s ijs, die de Russische rivieren in de IJszee uitstortten, de
atmospheer kouder, de zeeën onbevaarbaarder maakten dan hoog in het
noorden, waar volgens Mercator de snelle stroomingen de vorming van ijs
verhinderden en waar dus eene opene zee zich uitstrekte[107]. Door deze
opmerkingen moesten de plannen van Thorne meer en meer uitvoerbaar
schijnen.
[102] Het plan van Thorne wordt uiteengezet in: „The booke made by
Master Robert Thorne,” in: Hakluyt, Divers voyages. p. 48 vlg.--De
hier beschreven koers is als „de vijfde wegh naar Cathay” opgenomen
in de „Diversche Discourssen de O.-I. vaert betreffende” achter de
uitgave der Nederlandsche reizen naar het NO. van Jan Jansz. (1648.)
[103] „Nowe then,” zegt Thorne, „there is no doubte, but sayling
Northwarde and passing the pole, descending to the equinoctiall
lyne, wee shall hitte those Ilandes.” (nam. de Oost-Indische.)--Over
het gevoelen van Plancius zie hiervóor p. 43 Noot 1{[74]} en vooral:
Jeannin, Négotiation. II p. 276, 77.
[104] Dat de koers door de noordpoolreizigers gevolgd niet met hunne
instructiën overeenkwam, blijkt duidelijk uit De Veer’s inleiding
voor de eerste reis. (Drie seylagien. fol. 1, 2.) Barendsz. schijnt
na het mislukken zijner reis in 1597 van plan geweest te zijn, van
de Noordkaap recht naar het NO. te zeilen. Zie ook de opdracht der
Drie seylagien aan de Staten-Generaal.
[105] Zie vooral de merkwaardige plaatsen in: De Veer, Drie
seylagien. fol. 18.--Vgl. ook ald. Opdr. en fol. 1, 2.
[106] De Veer, Drie seylagien na de Coninckrijcken van Catthay ende
China. Opdr. en fol. 2.
[107] De Veer, Drie seylagien. Opdr. en fol. 1, 2, 9, 18.--De Jonge,
Opkomst. I p. 18.--Zie eene uiteenzetting en kritiek van dit plan in
het „Discours van Joh. Is. Pontanus” achter: Begin ende Voortgangh
van de Oost-Indische Compagnie. p. 70.
Toch was een Engelschman de eerste, die weder volgens Thorne’s
voorschriften handelde. Eerst in 1607 trachtte Henry Hudson de noordpool
te bereiken en zeilde daarom aan beide zijden van Spitsbergen naar het
noorden. Evenmin als Rijp, die in 1596 geheel hetzelfde gedaan had,
slaagde Hudson. Toch gaf hij het niet op en volgde op zijne tweede reis
hetzelfde plan. Ditmaal was het echter meer oostwaarts dat hij den
doortocht zocht en zoodoende kwam hij eenigszins op den weg, dien
Barendsz. gevolgd had. Maar minder gelukkig dan zijn voorganger moest
hij het reeds spoedig opgeven en terugkeeren[108]. Toch was het
resultaat zijner reizen gewichtig. Evenals de Nederlanders had hij de
opmerking gemaakt, dat op Spitsbergen de atmospheer betrekkelijk warm
was, de plantengroei minder dor dan op Novaya Zemlya[109]. Zijn bezoek
in Nederland, waar hij in den geleerden Plancius een warmen voorstander
zijner denkbeelden vond, versterkte hem in zijne plannen, en evenals
vroeger was hij dan ook in 1609 weder voornemens het plan van Thorne uit
te voeren. Hij sprak daarover nog uitvoerig met Plancius en Le Maire, en
schijnt het met beiden volkomen eens geworden te zijn[110]. Ook de
bekende cartograaph Hessel Gerritsz., hoewel aanhanger der plannen van
Linschoten, achtte de meeningen van Plancius en de zijnen eene ernstige
overweging waard.
[108] Zie over de plannen van Hudson bij zijne twee eerste reizen:
Asher, Hudson the Navigator, p. CLXXXIV-CXCVI.
[109] Zie o. a. Asher, Hudson the Navigator, p. 14.--Jeannin,
Négotiation. II p. 277.
[110] Jeannin, Négotiation. II p. 277.
Het laat zich begrijpen, dat, toen Hudsons plannen zoodoende in
Nederland bekend werden, waar de publieke opinie reeds eenigszins op het
ontvangen van zulke mededeelingen was voorbereid[111], ze dadelijk
algemeen ingang vonden. Plancius werd meer en meer in zijne denkbeelden
bevestigd. Met nadruk verkondigde hij, dat de zon, die gedurende de zes
zomermaanden onafgebroken de noordelijke streken beschijnt, de zee
warmer maakt, het ijs doet smelten en daardoor de overmatige koude aan
de atmospheer ontneemt[112]. Hij meende dus, dat de koude tot op 66° NB.
voortdurend toenam om van daar weder af te nemen tot de pool toe; hij
vond eene bevestiging dier meening in het feit, dat het onder de
evennachtslijn minder warm is dan onder de keerkringen. De meening der
ouden, die de poollanden voor onbewoonbaar hielden, was volgens Plancius
even ongegrond als hunne verhalen omtrent de onverdragelijke hitte onder
de evennachtslijn, waar men eene talrijke bevolking gevonden had. Hij
geloofde dus, dat de Nederlanders niet meer als vroeger langs de kust
slechts tot ongeveer 73° NB. moesten gaan, maar in de opene zee recht
noordelijk tot 83° NB. zeilen, waar de ijsvrije oceaan zonder twijfel
den weg naar straat Anian zou openstellen. Van daar zou de weg langs
Azië’s oostkust naar Oost-Indië gemakkelijk zijn en veel korter dan alle
andere bekende wegen[113]. De invloedrijke Plancius won weldra weder
aanhangers voor zijne leer en meer en meer maakte het denkbeeld om naar
de pool te zeilen opgang.
[111] Zoo zeide een van Heemskercks tochtgenooten in 1609 tot
Plancius: „que, pour n’estre lors assez experimenté en cette
nauigation, au lieu d’entrer auant en pleine mer, où elle n’est
iamais gelée, à cause de la profondeur et de la grande impetuosité
de ses flots et vagues, il se contenta de costoyer les bords: où,
ayant trouué la mer gelée, luy et ses compagnons furent arrestez et
contrains de s’en retourner sans passer outre.” (Jeannin,
Négotiation. II p. 276.)--Zie ook De Veer’s oordeel over de drie
eerste Nederlandsche noordpoolreizen: Drie seylagien. Opdr. en fol.
1, 2.
[112] Deze voorstelling maakte men zich nog in 1624. Vgl.:
Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 95 vso. (Juni 1624.)
[113] Jeannin, Négotiation. II p. 277.
Zoo waren de zaken gesteld, toen in 1610 zekere Helisaeus Röslin, med.
doct. te Buchsweiler in den Elzas en lijfmedicus van den graaf van
Hanau, den Staten een boekje aanbood, waarin hij het nieuwe plan
uitvoerig aanbeval[114]. Door astrologische berekeningen tot het inzicht
gekomen, dat God de ontdekking van de Noordpool wilde, stelde hij voor
om ten minste tot 80° of 82° noordwaarts te zeilen, waar hij meende, dat
men eene opene zee zou vinden. Het mislukken der vroegere Nederlandsche
tochten was volgens hem alleen toe te schrijven aan de richting dier
reizen, die de schepen steeds door eene zeeëngte voerde, waar het ijs
zich ophoopte[115]. Evenals Thorne wees hij op de vergissing der ouden,
die ook de tropische gewesten voor onbewoonbaar gehouden hadden; evenals
Plancius meende hij, dat de lange pooldag de temperatuur hoe langer hoe
meer verhitte, naarmate men de pool naderde. Met veel ernst trok hij te
velde tegen een paar argumenten van eenige tegenstanders van zijn plan:
het religieuse bezwaar van sommigen, dat het Paradijs aan de pool zou
liggen en dat dus God zelf door zijnen engel met het vlammende zwaard
den toegang daarheen zou beletten, achtte hij onbewezen; de verhalen van
den magneetberg, die alle schepen, als zij de noordpool bereikten, bij
het daaraan bevestigde ijzer vasthouden zou, hield hij voor volkomen
ongegrond[116].
[114] Mitternächtige Schiffarth, von den Herrn Staden inn
Niderlanden vor XV Jahren vergebenlich fürgenommen, wie dieselbige
anzustellen, dass man daselbst herumb in Oriënt vnd Chinam kommen
möge, zu sonderem der Christenheit, sonderlich Teutschlands Nutzen
vnd Wohlfart, Ein künstlicher Philosophischer Tractat, . . .
Gestellt durch Helisaeum Röslin.” 1610.--Vgl. over andere werken van
Röslin: Jöcher, Allg. Gelehrten-Lexicon. III p. 2175.
[115] Volgens de kaart, in het boekje voorkomende (waarop het eerst
kaap Tabin verre voorbij het zeer noordelijk gelegen Promontorium
Scythicum is aangegeven), is de zee van Kara niets dan eene zeeëngte
tusschen Novaya Zemlya en het promontorium Scythicum.
[116] Een duidelijk overzicht van de voorstellingen, die men zich
destijds van de poollanden vormde, geeft Megiser. (Septentrio
Novantiquus. p. 369.) „Es sind lauter Fantaseyen,” zegt hij, „was
etliche bisshero fürgegeben vnd den Nort-Polum also gemalet haben,
dass nemlich gestracks vnder dem Polo ein hoher schwartzlichtiger
Steinfels von lauter Magnet seye, der begreiff in seinem Vmbkreiss
33 Frantzösische Meilen. Es sollen auch vmb denselben hervmb vier
Insuln ligen, zwischen denen der Oceanus durch 19 Ostia oder Eingäng
einbreche, vnd vier Euripos oder Arm vnd Strom mache, welche vom 78
gradu an mit solcher Gewalt vnd Vngestümmigkeit nach dem Polo zu
gezogen vnd getrieben, vnd allda in mechtig grosse Abgrund
verschlucket werden: also dass kein Schiff, so einmahl darein komme,
auch durch den stärcksten Wind, mög zurück gebracht werden.”
Het boekje maakte opgang en werkte er krachtig toe mede, dat twee
Nederlanders, Ernst Van de Wal en Pieter Aertsz. de jonge van
Amersfoort, de Staten-Generaal en de Amsterdamsche admiraliteit om
bijstand tot het ondernemen van eenen nieuwen tocht verzochten[117]. Zij
beweerden stoutweg, dat het Barendsz. en Linschoten aan den noodigen
moed en volharding ontbroken had. Overtuigd als zij waren van de
deugdelijkheid van Röslins beschouwingen, meenden zij zelven gelukkiger
te zullen zijn, want, zoo redeneerden zij schertsend, »de Son soude
eerder daer by Noorden zout maken dan ijs.” Niettegenstaande de
afkeuring van sommigen[118], die het boekje vol »sotternien” achtten en
de voorstellers van den tocht »eenige onervaren, vermetele menschen”
noemden, vond het plan bijval en in 1611 besloot de admiraliteit te
Amsterdam tot den nieuwen tocht. Twee schepen, de Vos en de Craen,
werden na langdurige beraadslagingen met Plancius ~en~ Linschoten voor
de reis uitgerust. De bevelhebber der onderneming was Jan Cornelisz.
May, bijgenaamd Mensch-eter, van Hoorn[119], die reeds in 1598 de reis
van Van Neck naar Oost-Indië had medegemaakt en later op de reis om de
wereld van Spilbergen van 1614 tot 1617 als kapitein op des bevelhebbers
schip zou aanwezig zijn[120]. Commies en stuurman op zijn schip de Vos
waren Ernst Van de Wal en Pieter Fransz.; het andere schip voerden Symon
Willemsz. Cat als kapitein, Pieter Aertsz. de jonge als commies, en
Cornelis Jansz. Mes als stuurman. Hun werd bij hunne Instructie gelast,
ten noordoosten den doortocht door straat Anian te zoeken. Zoo dit doel
in één jaar niet bereikt kon worden, moesten zij ergens eene plaats
opzoeken, geschikt tot overwinteren. Mocht de reis naar het noordoosten
ook het tweede jaar niet gelukken, dan moest May het in het noordwesten
beproeven en trachten door straat Davis Oost-Indië te bereiken. In
overeenstemming met de pogingen in de laatste jaren door Engeland en
Frankrijk aangewend om koloniën in Amerika te verkrijgen, werd nu ook
May belast, overal te letten op de plaatsen, die geschikt waren ter
colonisatie en tot het aanleggen van forten[121].
[117] Hessel Gerritsz., Beschr. vander Samoyeden Landt. Voorrede, p.
4.
[118] Hevige bestrijders vond het misschien wel wat onberaden plan
der overmoedige voorstellers in Hessel Gerritsz. (Beschr. v. d.
Samoyeden Landt. p. 3, 4.--Detectio freti ed. 1613 F. 2) en in Joh.
Is. Pontanus (Beschr. v. Amst. p. 179, 80), beiden voorstanders der
plannen van Linschoten. Ook Isaac Massa oordeelde het door dezen
ontworpen plan het eenige, dat kans van slagen had. (Massa, Cort
verhael, in: Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 13.) Nicolai
(Relation. Vorredt, p. 10) zegt, dat Röslin „allein etliche seine
Träum und Mucken erzehlt, die er ihm hinder dem Ofen im Sawrbrunnen
zu Schwalbach traumen lassen.”--Onder leiding van May werd het plan
echter beter uitgevoerd dan het zich aanvankelijk liet aanzien en
althans Gerritsz. kwam nog in zijne Detectio freti zelven op zijne
afkeuring terug.
[119] De reis van Jan Corneliszoon van Hoorn, waarover Witsen
(Noord- en oost-Tartarye. p. 906) spreekt, is geen andere dan deze
tot voor korten tijd bijna onbekende tocht.--Volgens Wassenaer
(Hist. verhael. VIII fol. 84 vso) deed „Ian May van Hoorn” in 1624
nog eene reis naar Nieuw-Nederland. Op deze reis noemde hij
waarschijnlijk den mond der Delaware „May-bay”, de oostelijke punt
van den oever daarbij „Caep May.” (Zie de kaart v. Nieuw-Nederland
in den Atlas v. Just. Danckers.) Ook een veel zuidelijker gelegen
rivier op die kust heette „R. de May.” (Zie de kaart van Amerika in
dien Atlas.) Mogelijk zijn echter al deze namen van den bekenden
Cornelis Jacobsz. May afkomstig.
[120] Tiele, Mémoire. p. 70.
[121] De Jonge (Opkomst v. h. Nederl. gezag. I. p. 28-30) heeft het
eerst de aandacht op deze belangrijke reis gevestigd.
De reis, den 18 Maart 1611 aangevangen, beantwoordde geheel niet aan de
verwachting. May sloeg weder den door Barendsz. reeds tweemaal
beproefden weg in en was nog ongelukkiger dan deze. Nu het goede spoor,
door Rijp ingeslagen en in Nederland in de laatste jaren met zooveel
warmte aanbevolen, verlaten was, beloofde de reis reeds dadelijk niet
veel nieuws. En waarlijk was dit gedeelte van May’s reis arm aan
resultaten. Hij bezeilde de kust van Novaya Zemlya, onderzocht de langen
tijd zoo raadselachtige Kostin-sjar[122], en bereikte het Cruys-eylant
op 76°, maar nergens kon hij door het ijs breken. Tegen het najaar moest
hij tot herstel der geledene schade naar Kildin vertrekken, van waar hij
naar Noord-Amerika zeilde om te overwinteren. Het langdurige gedwongen
oponthoud werd door hem besteed tot onderzoekingen op de Amerikaansche
kust van 47°-(42-1/2)° NB.[123]; bij eene dier landingen werd Aertsz.
met eenige anderen door de wilden vermoord. Den 27 Februari 1612 besloot
men eindelijk, dat het schip de Craen, na nog eenig vertoef op de
Amerikaansche kust, huiswaarts zou keeren[124], en dat May met het schip
de Vos op nieuw den noordoostelijken doortocht zou opzoeken.
[122] Hudson had trouwens op zijne tweede reis reeds bewezen, dat
Kostin-sjar niet naar de Kara-zee leidde.
[123] Herinneringen van de reis vindt men echter ook op Amerika’s
oostkust op 42° NB. in de „Vos-haven” en „Crane-bay”. (Kaart v. N.
Nederl. in den atlas v. Goos van 1666.)
[124] Het schip kwam behouden aan. (Hessel Gerritsz., Beschr. v. d.
Samoyeden Landt. Voorrede, p. 4.) Zie over de onderzoekingen op de
Amerikaansche kust na het vertrek van de „Vos” vrij uitvoerig:
Descr. detect. freti. ed. 1613 F.
Deze tweede reis volbracht May met evenveel volharding, maar met even
ongelukkigen uitslag als die van het vorige jaar. In het begin van Juni
1612 bereikte hij Kildin, vertrok van daar den 10 en stevende naar
Novaya Zemlya, waar hij den 30 aankwam. Tot 8 Juli zeilde hij noordelijk
langs de kusten van dit eiland, maar toen stuitte hij op een vast
ijsveld, dat zich noordwestelijk van het land uitstrekte. Hij volgde den
rand daarvan tot 14 Juli, wanneer hij op 77° NB. was, en keerde naar de
kust van Novaya Zemlya terug, die hij den 20 bereikte. Een dergelijken
tocht langs het ijs ondernam hij tusschen 29 Juli en 9 Augustus, toen
hij niet verder dan tot 77° 45´ NB. kon komen. Zijn plan om recht naar
het noorden te zeilen scheen dus onuitvoerbaar; de buitengewoon strenge
winter van 1611/12 had de zee van Spitsbergen in eene ijsvlakte
veranderd[125]. Den 26 Augustus keerde hij naar huis terug, waar hij
omstreeks half September behouden aankwam. Het eenige resultaat der reis
was de zekerheid, dat de uitgestrekte zee tusschen Novaya Zemlya en
Beeren-eiland geene eilanden bevatte en dat dus de eilanden Matsyn en
Willoughby-land niet bestonden[126].
[125] Een dergelijk ijsveld tusschen Spitsbergen en Novaya Zemlya
vond kapitein Wood in 1676. Zie de afbeelding daarvan bij: Witsen,
Noord- en oost-Tartarye. p. 907.
[126] Berichten omtrent dezen tocht vindt men, behalve by De Jonge
en Witsen, in: Beschryvinghe vander Samoyeden Landt. (Voorrede p. 4,
en op den rug der kaart van Massa) en uitvoeriger in: Descriptio
detectionis freti. (ed. 1613 F en F 2.)--Als eene merkwaardigheid
brachten de reizigers behalve walrustanden en beerenhuiden een stuk
ijs mede van zulk eene dikte, dat de Amsterdamsche admiraliteit het
in Nederland nog aan het publiek kon vertoonen.
De ongelukkige uitslag dezer reis schrikte anderen niet af: reeds het
volgende jaar werd een andere tocht met hetzelfde doel ondernomen. Jonas
Witsen, raad en oud-schepen der stad Amsterdam, en Symon Willemsz.
Nooms[127], een Amsterdamsch handelaar op de kust van Guinea, wendden
zich in Maart 1613 uit naam eener Amsterdamsche compagnie weder tot de
admiraliteit en verzochten het schip de Vos, waarmede May de reis gedaan
had, ter leen. Zij boden daartegen aan een deel in de winst, door handel
of door het verkrijgen der in 1596 door de Staten uitgeloofde premie te
maken. De admiraliteit toonde zich genegen aan het verzoek te voldoen en
om voor de waarde van het schip, gewaardeerd op ƒ 3000, in de
onderneming te participeeren[128]. Zoodra men het eens was geworden,
vertrok het schip. Als schipper diende daarop Pieter Fransz.[129], die
May’s stuurman geweest was[130]; de lading bestond in koopmansgoederen
van allerlei soorten: glazen flesschen, olifantstanden, stukken laken,
ketels en vooral »zeeven cleynne kasgens met norembergerije.”[131]
Evenals May wilde men eerst den noordelijken doortocht zoeken; ditmaal
echter langs eenen nieuwen weg. Reeds zoovele malen hadden Nederlandsche
zeelieden het noordoostelijk gedeelte der IJszee vruchteloos doorkruist,
dat men er aan begon te wanhopen, daar te slagen. Het noordwesten, waar
Hudson in de laatste jaren onverwelkbare lauweren had geplukt, waarheen
nog onlangs Button vertrokken was, om het verloren spoor van zijnen
voorganger te zoeken, was den Nederlanders echter nog geheel onbekend en
beloofde dus beteren uitslag. Wij zagen, dat reeds May den last had,
wanneer zijne pogingen in het noordoosten mislukten, naar straat Davis
den steven te wenden; nu besloot men, de straat, die reeds den naam van
Hudson droeg, te doen onderzoeken en te trachten handelsbetrekkingen met
de inwoners dier streken aan te knoopen. Door straat Anian moesten de
reizigers verder Oost-Indië zien te bereiken. Daar echter het drijven
van handel en het verkrijgen van direct voordeel ditmaal hoofdzaak was,
werd aan Fransz. reeds dadelijk evenals aan May de last gegeven, om,
wanneer het doel in het noordwesten niet bereikt werd, zuidelijker
streken te bevaren en in Nova-Francia met de inlanders den ruilhandel te
beproeven[132].
[127] Het octrooi der compagnie van Nieuw-Nederland (bij:
O’Callaghan, New Netherland. I p. 74) noemt ook den Amsterdamschen
oud-burgemeester Gerrit Jacobsz. Witsen onder de reeders van de
„Vos.” De Resolutiën der Amsterdamsche admiraliteit spreken van hem
geen enkele maal.
[128] Resol. Adm. Amst. 27, 28, 29 Mrt. 1613.--Vgl. De Jonge,
Opkomst. I. p. 30.
[129] Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614.
[130] Waarschijnlijk was op deze reis ook tegenwoordig de bekende
Willem Meerman, zoon van den oud-burgemeester en schout van Delft
Gerrit Meerman en schrijver van de geestige satire op de kerkelijke
geschillen „Comoedia vetus.” Althans Brandt (Hist. der reform. II p.
197) verhaalt van hem, dat hij na lange jaren op zee gevaren te
hebben, in 1612 „op een tocht naar ’t Noordtwesten van America ging,
om van daer een nieuwe doortoght naar Oostindie te soecken; doch
nooit terugkeerde.” Waarschijnlijk heeft dit „overedel vernuft” zich
in Nieuw-Nederland gevestigd. Het is waar, dat de reis van de
Amsterdamsche reeders in 1613 voorviel, maar ik acht het toch
waarschijnlijker, dat Meerman hierbij tegenwoordig was, dan op de
reizen in 1612 door de Engelschen Button en Hall gedaan.
[131] Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614.
[132] Descr. detect. freti. p. 5.--„Nec fervor iste (om den N.
doortocht te zoeken)”, dus verhaalt ons daar Hessel Gerritsz. in den
zomer van 1613 „in nostris Amsterodamensibus deferbuit plane,
superioribus enim mensibus ab ijs emissa est navis, eo tantum fine,
ut de transitu, vel Freto Hudsoni inquireret, et num commercij locus
sit in istis oris; si vero eventus votis non respondeat, in Oris
Novae Franciae negotiabuntur.”
Weldra bleek het, hoe wijs deze bijvoeging geweest was. Waarschijnlijk
sneed het tusschen de tallooze landen en eilanden van het noordwesten
opgehoopte ijs den reizigers weldra den pas af; zeker is het, dat het
zoeken van den doortocht opgegeven en de steven naar »de Riviere Hudson”
gewend werd.[133] Ondertusschen was de zomer verstreken en men moest
besluiten in het latere Nieuw-Nederland te overwinteren. De
»quaetwillige inwoonders”, door herhaalde bezoeken in de laatste jaren
niet gunstig jegens hunne blanke broeders gestemd, toonden zich echter
nu evenmin als twee jaren vroeger den overwinterenden genegen. Van het
drijven van handel was geen sprake; ja evenals op de reis van May vielen
ook nu eenige Nederlanders, waaronder de kapitein Pieter Fransz. zelf,
als offers der ontembare Indianen[134].
[133] Resol. Adm. Amst. 13, 14 Aug. 1614. Over de reis in het
noordwesten wordt daar het stilzwijgen bewaard, omdat men vrijdom
van uitgaande rechten hoopte te verkrijgen, zoo de teruggebrachte
goederen in 1615 weder ~naar dezelfde bestemming~ als in 1613 werden
uitgevoerd.
[134] Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614.
Tegen het voorjaar van 1614 schenen de kansen voor onze reizigers zich
te verbeteren. Achtereenvolgens verschenen niet minder dan vier
Nederlandsche schepen op de kust. Lambert Van Tweenhuysen, de oprichter
der Noordsche Compagnie, had twee vaartuigen gezonden: de Tyger,
schipper Adriaen Block en de Fortuyne, schipper Hendrick Christiaensz.
Van Cleef; voor eene andere Amsterdamsche reederij was het schip de
Nachtegael schipper Tys Volckaertsz. Mossel uitgezeild, terwijl Le
Maire’s Austraalsche Compagnie--of ten minste de hoofdreeders
daarvan--Cornelis Jacobsz. May met het schip de Fortuyne, van Hoorn
uitgezonden hadden[135]. Schipper Jan De Wit, die in plaats van den
vermoorden Fransz. aan boord van de Vos was opgetreden[136], kwam met de
nieuw aangekomenen overeen »in Compaignie te handelen”[137], en ieder
vertrok om zijn voordeel te zoeken. Block en May maakten zich door hunne
ontdekkingen een beroemden naam[138]; Van Cleef was reeds in Juli met
zijn schip geladen met bevervellen te huis[139], maar het schip de Vos
had voortdurend ongeluk. Toen De Wit in het begin van Augustus 1614
weder te Amsterdam aankwam, had hij zoo weinig voordeel behaald, dat de
beide reeders van het schip de admiraliteit moesten verzoeken om
vrijstelling van de inkomende rechten over bijna alle goederen, waarvoor
zij reeds bij het uitvaren betaald hadden. Hunne ondernemingszucht was
echter door het ongeluk zoo weinig uitgedoofd, dat zij dadelijk verlof
verzochten de goederen naar dezelfde plaats weder vrij te mogen
uitvoeren[140].
[135] O’Callaghan, Hist. of N.-Netherland. p. 74.
[136] Resol. Adm. Amst. 24 Juli 1614.--O’Callaghan, N.-Netherland. I
p. 74.
[137] Resol. Adm. Amst. 24 Juli 1614.
[138] O’Callaghan, N.-Netherland. I p. 72, 78.
[139] Resol. Adm. Amst. 24 juli 1614.
[140] Resol. Adm. Amst. 13, 14 Aug. 1614.--Berghaus (Wat men van de
aarde weet. p. 226) deelt nog een bericht mede over eene andere
Nederlandsche noordpoolreis, die hij tot het jaar 1613 terugbrengt.
De ongenoemde zeevaarders zouden, verre naar het NO. stevenende,
Novaya Zemlya’s noordoost
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/41287