Tusschen mal en dwaas
by P. J. Andriessen · Dutch · Gutenberg #41239 · 375,765 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Tusschen mal en dwaas
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Tusschen mal en dwaas
Author: P. J. Andriessen
Clementine Helm
Release date: October 30, 2012 [eBook #41239]
Most recently updated: October 23, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/41239
Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK TUSSCHEN MAL EN DWAAS ***
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |
| ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
| e-boek op https://www.gutenberg.org/ |
| |
+----------------------------------------------------------------+
TUSSCHEN MAL EN DWAAS.
[Illustratie]
TUSSCHEN MAL EN DWAAS,
OF
WAT EEN MEISJE TE GENIETEN EN TE LIJDEN HEEFT,
EER ZIJ DE WERELD IN IS,
DOOR
P. J. ANDRIESSEN.
_Derde, herziene Druk._
[Illustratie: ALTYT WAEK SAEM.]
LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF.
OPDRACHT.
_LIEVE JONGE DAMES!_
_Aan u zij dit boekje opgedragen. Aan u, die den leeftijd tusschen mal
en dwaas reeds te boven zijt, of nog in die ongelukkige jaren verkeert,
wanneer men „te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken”
is. 't Is zeker geen benijdenswaardig tijdperk in een meisjesleven,
wanneer men zoo graag nog met de kleinere zou meedoen en men er
zich boven acht, en met de grootere, die ons echter met een oog van
minachting aanzien. Onze taal heeft daar geen woord voor dan „tusschen
mal en dwaas” of „te groot voor een servet en te klein voor een
tafellaken”, de Duitschers noemen zulke meisjes „bakvischjes”. Het boek,
waarnaar ik dit verhaal gevolgd heb, heet: „Het lijden en de vreugde
van een bakvischje”. 't Is van Clementine Helm; ik heb het in een
Nederlandsch gewaad gehuld en met het oog op Nederlandsche toestanden
bewerkt. 't Is een boek voor alle jonge dames. Vooreerst voor haar, die
nog den leeftijd van „bakvischjes” niet bereikt hebben: zij kunnen er
uit leeren zich tegen de onhandigheden der „bakvischjes” te hoeden;
ten tweede voor bakvischjes zelf; die zullen er een beeld in zien van
haar treurig lot; en ten derde voor haar, die al boven den leeftijd
van „bakvischjes” zijn: zij zullen er braaf pret in hebben, hoe ons
„bakvischje” _from the saucepan into the fire_ kwam en er zich zeker mee
amuseeren._
_Kortom, ik draag mijn arbeid aan alle jonge Nederlandsche dames op en
vraag ter belooning, niet zooals Van Alphen deed, en 't geen ik ook wel
graag zou doen: „een kusje of twee”, maar alleen eenige sympathie voor
mijn arbeid, een vriendelijk glimlachje van u, die de hoop zijt van ons
vaderland en de toekomst daarvan in handen hebt._
De Schrijver.
INHOUD.
Eerste Hoofdstuk.
Bladz.
Hoe ik uit Brondaal vertrok 1
Tweede Hoofdstuk.
Hoe ik den eersten morgen in 't huis mijner Tante doorbracht 7
Derde Hoofdstuk.
Hoe mijn eerste visites afliepen 15
Vierde Hoofdstuk.
Aan tafel 28
Vijfde Hoofdstuk.
Onder ons 34
Zesde Hoofdstuk.
In gezelschap 38
Zevende Hoofdstuk.
De gevolgen van mijn dwaasheid 48
Achtste Hoofdstuk.
Eene logée 62
Negende Hoofdstuk.
Nog wat over de nieuwe huisgenoot 83
Tiende Hoofdstuk.
Verschillende moeders 96
Elfde Hoofdstuk.
Het bal 103
Twaalfde Hoofdstuk.
Een ontmoeting 113
Dertiende Hoofdstuk.
Op de planken 121
Veertiende Hoofdstuk.
Groote veranderingen 132
Vijftiende Hoofdstuk.
De mensch wikt, maar God beschikt 140
Zestiende Hoofdstuk.
De reis 153
Zeventiende Hoofdstuk.
Een avontuur 163
Achttiende Hoofdstuk.
Weder in 't ouderlijke huis 169
EERSTE HOOFDSTUK.
Hoe ik uit Brondaal vertrok.
't Rijtuig stond al een heele poos voor de deur. De oude Frits klapte
met de zweep, als ware hij een postiljon zooals we ze met de zware
reiscalèches wel eens door ons dorp zagen rijden, en de bruintjes
stampten zoo ongeduldig op den grond, als wilden zij er de steenen
uithalen. Nog eens lag ik weenend in de armen van vader en moeder,
kuste al mijn broertjes en zusjes en reikte den knechts en meiden, die
aan de deur stonden, de hand tot afscheid; toen wierp ik mij snikkend
in een hoek van 't rijtuig, den zakdoek voor de oogen houdende, en boog
mij toch terstond weer uit het portier om met dien door mijn tranen
bevochtigden zakdoek mijnen dierbaren nog tallooze afscheidsgroeten toe
te wuiven.
„Voort, beestjes!” riep Frits, en daar gingen we voort, het dorp door.
Uit alle vensters, uit alle deuren klonken vriendelijke groeten en
wenschen: want ik kende al de bewoners van die kleine boerenwoningen;
ik had met allen meer of minder omgegaan gedurende de gelukkige
kinderjaren, welke ik in mijn lief dorp had doorgebracht. En nu moest
ik dat alles verlaten, wat mij tot hiertoe 't liefst geweest was: mijn
ouderlijk huis en mijn dorp, dat voor mij 't schoonste in de heele
wereld was! Was 't niet vreeselijk, lieve Lezeressen? Misschien lacht
gij er om, dat ik daar zoo bedroefd om was. Ik hoop het niet. Ik zou u
wel eens hebben willen zien, als gij in mijn geval waart geweest.
Naast mij in 't rijtuig zat een vriendelijke, beschaafde vrouw van
middelbaren leeftijd, in wier welwillend gelaat, door grijze lokken
omlijst, twee verstandige, donkere oogen stonden. Zij was het, die mij
uit mijn geboortedorp was komen weghalen naar haar huis in Den Haag.
Daarheen zou het jonge, onnoozele meisje met haar gaan, om onder haar
hoede wat van de wereld en het leven te leeren kennen. Deze lieve dame
was Tante Betsy. Ze was de zuster van mijn vader, sedert jaren weduwe,
en bemind en vereerd door allen die haar kenden.
De goede tante drukte zacht mijn hand, die ik in de hare legde, en sprak
mij zulke vriendelijke woorden van troost toe, dat ik een weinig tot mij
zelf kwam. Ik voelde mij aan haar zijde niet zoo verlaten, als ik mij
tot nu toe gevoeld had.
Nadat we eenige uren gereden hadden, waren we in Arnhem, vanwaar de
spoortrein ons naar de residentie zou brengen. Hier moest ik van de
laatste herinnering aan 't ouderlijk huis afscheid nemen: van den ouden
trouwen Frits met de twee wakkere bruintjes, die ik zelf zoo dikwijls
gemend had, als we naar 't land reden om hooi of graan binnen te
brengen. Ik droeg Frits duizenden groeten op aan al mijn kennissen
in Brondaal, nogmaals streelde ik de bruintjes en onthaalde hen op
wittebrood met suiker, en keek toen met tranen in de oogen nog lang
de stofwolk na, die achter het wegrollende rijtuig opsteeg.
Tante deed met mij een wandeling door de stad en haar schoone omgeving.
Ze liet me 't mooie buitengoed van baron van Heeckeren, den Hartjesberg,
zien, wandelde met mij langs den Rijn, waar we de schipbrug bezichtigden
en toen naar 't station, waar we wat gebruikten en een heerlijk uitzicht
genoten op de buitenplaats, die we zoo straks bekeken hadden, en op de
wegen naar Velp en naar Apeldoorn. Hierdoor werden langzamerhand mijn
gedachten afgeleid en bedaarde mijn droefheid over de scheiding van al
wat mij lief en dierbaar was. En toen de bengel geluid was, en we rustig
en wel in den spoortrein zaten, had ik mij met de verandering reeds
verzoend. Tante was er dan ook wel de vrouw naar, om mijn opmerkzaamheid
gaande te houden: van al wat wij voorbijreden wist zij mij wat mede te
deelen; daarenboven droeg het telkens afwisselende reisgezelschap er
veel toe bij, om mij afleiding te bezorgen.
Toch zou de reis van Arnhem naar Den Haag mij misschien wel wat lang
gevallen zijn, had Tante niet, toen we te Zeist-Driebergen kwamen, haar
reistasch opengemaakt, waaruit zij allerlei lekkere vruchten en koekjes
haalde, die mama haar stilletjes had meegegeven en waaraan ik zoo geheel
en al het lieve, zorgzame moederhart herkende, dat haar kind ook nog in
de verte vreugde wilde bereiden. Ik was nog genoeg kind, om met deze
heerlijke versnapering mijn verdriet te vergeten, en zoo had die goede
moeder het doel bereikt, dat zij daarmee gehad had.
Eindelijk, ja, eindelijk, riep de conducteur: „Den Haag!” en ik was
heel blij, dat we aan de plaats onzer bestemming waren. Door het groote,
prachtige station heen, ging tante naar een vigilante, die ons naar haar
woning zou brengen. Wat was mij dat alles vreemd, die stad met haar
groote huizen, haar breede straten, ruime pleinen met boomen beplant
en met standbeelden versierd. 't Was of al die huizen, welke paleizen
geleken bij de woningen op ons dorp, of die kerken en standbeelden
trotsch op mij, het arme dorpskind, neerzagen, of ze vroegen: „Wat kom
jij hier doen, dom gansje?”
De vigilante hield op voor een eenvoudig, net huis, gelukkig niet zoo
groot als die andere, welke mij met hun aantal vensters en hun breede
gevels de borst beklemden. 't Zag er van buiten vriendelijk en goed
onderhouden uit: het inwendige beantwoordde daaraan volkomen. Achter 't
huis lag een kleine tuin, door andere tuinen omgeven, en daarvan slechts
met een houten schutting gescheiden, zoodat men, wanneer men daarin was,
schier vergat dat men zich in de drukke residentie bevond. Hier zou
ik dan wonen, hier in dit vreemde huis, in deze vreemde stad, waar ik
niemand kende! O, hoe bonsde mij 't hart, toen ik achter Tante de deur
intrad, welke een knap gekleede dienstmaagd had geopend. Schroomvallig
bleef ik op den drempel van de keurig gemeubileerde kamer staan, en
waagde het niet, mijn goed af te doen. Maar Tante Betsy kwam vriendelijk
naar mij toe, trok mij vol liefde aan haar borst, en zeide:
„Welkom in mijn huis, kindlief! God geve, dat gij u hier naar uw zin en
gelukkig moogt voelen, en mijn liefde u het ouderlijk huis vergoede!”
Hoe innig geroerd nestelde ik mij aan de borst van mijne lieve tante! O,
hoe alleen, hoe eenzaam zou ik mij in deze groote, vreemde stad gevoeld
hebben, zonder deze trouwe, moederlijke vriendin! Maar aan haar zijde,
onder haar bescherming kon ik gerust al het nieuwe en vreemdsoortige te
gemoet gaan, dat mij hier wachtte.
Tante liet mij haar geheele huis zien, dat voor een alleenwonende
dame vrij groot en ruim was. Overal heerschte de keurigste netheid,
en hoezeer ook 't geheel aantoonde, dat de bewoonster geen geld
behoefde te ontzien, vond men er toch geen buitensporige weelde of geen
overlading. Alles ademde denzelfden eenvoud en dezelfde degelijkheid
als de bewoonster bezat. In Tante Betsy was iets, wat telkens weer een
geheime bewondering in mij opwekte, en toch was er niets bijzonders in
het doen en laten dezer stille, hoogst beschaafde vrouw; integendeel,
alles scheen zoo eenvoudig, zoo natuurlijk, dat men zich verbeeldde,
niet anders te kunnen zijn dan zij, niet anders te kunnen handelen en
spreken. Dat was dan ook wel in haar het voortreffelijke, dat er nergens
een gebrek in haar te bespeuren was, dat alles juist zoo was als het
zijn moest en men er geen verandering in zou gewenscht hebben. Toen
echter kon ik er mij nog geen rekenschap van geven, waarin dat bestond;
thans weet ik het: het was de goede opvoeding, welke zij genoten had en
die uit al haar handelingen zoo duidelijk sprak.
Eerst aan de zijde van deze uitmuntende vrouw gevoelde ik meer en meer
wat er aan de opvoeding van mij, onnoozel dorpskind, nog ontbrak. Bij
ons thuis, in onze eenvoudige omgeving en midden onder mijn talrijke
kleinere broertjes en zusjes, was deze gedachte nooit in mij opgekomen.
Maar mijn lieve Mama, die door haar groot huishouden en doordien ze nog
al eens sukkelde, zich weinig met mijn opvoeding had kunnen bezighouden,
die haar eigene jeugd slechts op het dorp had doorgebracht, ver van de
fijnere beschaving der stad, had reeds sedert lang gewenscht, dat haar
oudste dochtertje in een andere omgeving eens mocht leeren wat haars
vaders huis haar niet kon schenken. Wel had die lieve moeder mij
zorgvuldig en trouw in die stille, huiselijke deugden opgebracht,
waardoor zij het geluk van haar gezin uitmaakte, en daarvoor kan ik
haar, zoolang ik leef, nooit dankbaar genoeg zijn. Haar lessen legden
den grondslag voor al datgene, wat mij in 't latere leven te pas is
gekomen en waardoor verstand en hart hun verdere ontwikkeling erlangden.
Maar toch, er was meer voor een beschaafd meisje noodig; en dat ik die
verdere ontwikkeling nergens beter zou kunnen vinden, dan aan de hand
van Tante Betsy, daarvan was mijn lieve mama verzekerd, omdat zij zelf
der voortreffelijke, fijnbeschaafde vrouw zulk een oprechte innige
vereering toedroeg. Met dankbare blijdschap hadden dan ook mijn ouders
haar aanbod aangenomen, om voor mijn verdere opvoeding zorg te dragen,
en gaarne hadden zij mij daartoe voor eenigen tijd aan haar afgestaan.
Spoedig ondervond ik, aan welke liefdevolle handen ik was toevertrouwd.
In den eersten tijd van 't verblijf bij Tante Betsy was ik zeer gedrukt
en treurig; want naast haar gevoelde ik telkens, hoe houterig ik in al
mijn bewegingen was en juist dat gevoel en daarbij de mij aangeboren
blooheid verergerden mijn stijfheid nog meer. Als een houtenklaas stond
ik naast haar en als zij tot mij sprak, dan kreeg ik een kleur tot
achter de ooren en durfde geen antwoord geven, omdat ik mijzelf zoo
onhandig en kinderachtig voorkwam. Doch de vriendelijkheid van Tante
Betsy werkte allerweldadigst op mij; mijn blooheid smolt als sneeuw voor
de zon en langzamerhand kreeg ik mijn kinderlijke vroolijkheid weer,
ondanks alle fouten en bokken, die ik steeds opnieuw beging. Reeds den
eersten dag zeide Tante mij, dat ze mij terstond zonder eenige erbarming
opmerkzaam zou maken op alles wat zij anders wenschte, maar vermaande
mij tevens, dat ik er niet ongeduldig onder moest worden, als ze
misschien tusschenbeide wat veel knorde, omdat het van haar kant niet
kwaad gemeend en alles tot mijn eigen bestwil was. Natuurlijk beloofde
ik haar dat van harte, en ik moet zeggen, dat ik mij werkelijk heel goed
hield, ofschoon 't mij in den beginne dikwijls moeilijk genoeg viel, om
niet moedeloos te worden.
En nu, lieve Lezeressen, heb ik u zoowat bekendgemaakt met mijn
persoontje en mijn omgeving. Welnu, thans wil ik u openhartig en zonder
iets te verbergen verhalen, wat ik van mijn verblijf in 't huis mijner
tante nog onthouden heb. Voor mij zijn en blijven het aangename en
lieflijke herinneringen. En daar 't geslacht der „meisjes tusschen mal
en dwaas” tot op heden nog niet uitgestorven is, ja steeds groeit en
bloeit, zoo zal er onder u wel de een of andere zijn, die zich op den
leeftijd van veertien, vijftien jaren even weinig op haar gemak gevoelt,
als dat bij mij het geval was, en zullen haar deze bladzijden tot troost
en opwekking verstrekken. En al zijt gij ook op den leeftijd, waarin ik
mij bevond toen ik bij mijne goede Tante Betsy kwam, veel slimmer en
meer ontwikkeld dan ik het was, dan zult gij toch gaarne mijn boek lezen
en om domheden, die ik beging, lachen; misschien vindt gij er nog wel
hier of daar iets in, dat ge op uzelf kunt toepassen, een kleinigheid,
waaraan ook gij mank gaat en welke gij verbeteren kunt. Is dat het
geval, dan hebt ge bij 't amusement van de lectuur het nut op den koop
toe. En nu, terstond begonnen met mijn verhaal.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Hoe ik den eersten morgen in 't huis mijner Tante doorbracht.
„Je slaapt op mijn kamer, Margot,” zeide Tante Betsy, toen ze me haar
woning liet zien, en dit zeggende deed ze de deur van een allerliefst
en net gemeubileerd vertrek open. Met angstige blikken keek ik naar het
sierlijke ledikant, onder welks sneeuwwitte gordijnen ik nu voortaan
zou droomen. Mijn eenvoudig bed te huis was zoo mooi niet en toch, hoe
heerlijk had ik daarin geslapen! Tantes ledikant was ook met witte
gordijnen behangen, die van voren door den snavel van een arend werden
vastgehouden. Dat beest keek mij zoo boos aan, als was het nijdig over
de nieuwe slaapkameraad; 't joeg mij een gevoel van angst aan. Gelukkig
echter scheen het mij toe, alsof het van dag tot dag vriendelijker op
mij neerzag; misschien merkte het wel, dat ik, arm kind, mijn best deed,
om het iedereen zooveel mogelijk naar den zin te maken.
Naast mijn ledikant stond een waschtafeltje, waarop alle mogelijke
toiletbenoodigdheden zich bevonden. Een mollig tapijt lag op den grond;
groene staatsiegordijnen harmoniëerden met het groene behangsel op den
muur en gaven aan de kamer een allervriendelijkst voorkomen. Wat ik het
prettigst vond, was, dat mijn ledikant vlak bij 't venster stond, dat op
de tuinen uitzag. Als ik dus wakker werd, zou ik terstond den blauwen
hemel en de groene boomen zien; dat was net zooals bij ons thuis in de
groote benedenkamer, waarin wij kinderen sliepen.
Met welk een onbeschrijfelijk zwaar gemoed drukte ik den eersten avond
mijn hoofd in de mollige kussens. Ach! het was de eerste nacht, dien
ik buiten het ouderlijk huis doorbracht, de eerste scheiding van al
wat mij lief was op mijn dorp! Tranen en nog eens tranen vielen op de
donzen kussens en een onuitsprekelijk verlangen naar huis beklemde mij
de borst. Eindelijk vouwde ik de handen en zocht troost en rust bij Hem,
die toch ook hier over mij waakte en Wiens hand ook hier mij liefderijk
en vaderlijk zou leiden, gelijk Hij tot nu toe gedaan had. Dat deed mij
goed; mijn arm hart kwam al biddende tot rust; eindelijk vielen mijn
moegeschreide oogen toe, en ik viel in slaap om in den droom weer
daarheen te ijlen, waar mijn hart en mijn gedachten waren; naar het
geliefde ouderlijke huis.
Hoe raar keek ik op, toen ik den volgenden morgen, in den geest nog
onder mijn levenmakende broertjes en zusjes, hier in de stille groene
kamer wakker werd. Met een lichten zucht herinnerde ik mij nu alles
en keek nieuwsgierig naar het andere ledikant, om te zien of Tante al
wakker was. Zij knikte mij een vriendelijken morgengroet toe en vroeg
mij hoe ik geslapen had.
„Heel goed, lieve tante,” antwoordde ik opgeruimd. „Ik heb den geheelen
nacht van Brondaal en van al mijn broertjes en zusjes gedroomd. Ze
zullen van daag wel een gat in den dag slapen, nu ik er niet ben om hen
wakker te maken.”
„'t Is of jij ook nog niet uitgeslapen bent,” hernam Tante glimlachend,
toen ik mijn mond luid geeuwend opendeed en, zonder er de hand voor te
houden, haar aankeek. „Hè, kind! gaap je mond niet uit het lid!” riep
zij uit terwijl ze de vingers voor de oogen hield. Beschaamd haalde ik
mijn hoofd weer achter de gordijnen. Dat was de eerste ongemanierdheid
waarmede ik den dag begon, en die maakte zulk een indruk op mij, dat ik
van toen af mijn geeuwen buitengewoon beschaafde.
„Kom, Margot, sta nu op!” zeide tante. Dat behoefde ze mij geen tweemaal
te zeggen; terstond stak ik, zooals ik 't al heel mijn leven gedaan
had, beide beenen onder het dek vandaan en ging in het allerlichtste
nachtkostuum op den grond zitten, om daar mijn kousen aan te trekken.
Een hartelijk gelach van Tante deed mij tot achter de ooren blozen.
„O,” riep zij vroolijk uit, „hoe oud is toch dat meisje, dat daar zoo
ongegeneerd op den grond zit?”
Als een vogel vloog ik bij deze woorden achter de bedgordijnen, en nu
begreep ik eerst, waartoe die moesten dienen; want tot zoolang ik mijn
al te natuurlijk bedkostuum met andere kleederen verwisseld had, bleef
ik er achter verscholen. Beschaamd kwam ik toen te voorschijn en snelde
naar het ledikant van Tante, om haar mijn morgengroet te brengen.
Zij beantwoordde dien groet vriendelijk; doch toen ik haar mijn lippen
tot een kus aanbood, duwde zij mij zacht terug en zeide:
„Lieve Margot! Eer men iemand kust, behoort men zich te wasschen en den
mond te spoelen.”
Dat was nu al de derde domheid die ik beging, en ik was nog
ternauwernood uit de veeren! Tot welk een aantal zouden Tantes
vermaningen wel zijn aangegroeid, eer ik mij weer achter die witte
bedgordijnen zou nedervlijen!
Bedremmeld ging ik nu naar de waschtafel, om aan mijn morgentoilet te
beginnen, waaraan ik tot hiertoe tehuis weinig tijd besteed had. Een
beetje water, juist genoeg om de handen nat te maken, was mij voldoende
om mij te wasschen, en zonder mijn japon uit te doen, ging ik een paar
maal met den natten handdoek over mijn gezicht en mijn hals; even gauw
ging het met de handen en klaar was ik.
Tante was nu opgestaan en kwam bij mij aan de waschtafel.
„Is 't water bij u op 't land zoo duur, dat je er zoo zuinig op bent?”
vroeg zij mij, terwijl ze op de weinige druppels wees, die in de
lampetkom waren.
„Ik heb niet meer noodig, lieve Tante,” antwoordde ik verwonderd.
„En toch zou ik graag zien, dat je wat meer zorg besteeddet aan deze
bezigheid; het is zoowel noodig voor de zindelijkheid als voor de
gezondheid,” zeide zij vriendelijk. Ze begon nu zelve aan haar
morgentoilet; terwijl ik verbaasd naar haar keek, hoe zij deed.
Eerst goot zij een stroom water in de lampetkom, maakte hals en armen
bloot en wiesch zich nu herhaalde malen met een groote, fijne spons,
die zij achter in den hals uitdrukte. Toen wiesch zij armen en handen
met schuimende zeep en riep opgeruimd uit: „Water en zeep kunt gij
niet te veel gebruiken! Naar 't verbruik van zeep beoordeelt men de
beschaving der Staten; hoe meer zeep die behoeven, hoe beschaafder zij
zijn.” Daarop gaf ze mij een even fijne spons en noodigde mij uit haar
voorbeeld te volgen. Ik verrichtte het mij ongewone werk, doch deed het
zoo onhandig, dat weldra de geheele waschtafel nat was. Tot overmaat van
ramp stiet ik de lampetkan om, en nu dreef letterlijk alles om mij heen:
de sierlijke waschtafel, de grond, mijn bedgordijnen en zelfs de
kleeren, die van mijn stoel gevallen waren.
„Hemel! Wij verdrinken! Dat noem ik eerst water gebruiken!” riep Tante
lachend uit; terwijl zij den nog drogen omtrek voor het water trachtte
te beveiligen. „Je bent met reuzenschreden vooruitgegaan, Margootje, en
dat noem ik eene theorie in praktijk brengen.”
„Ach, Tante! Dat komt ook door die dikke spons!” riep ik bijna schreiend
uit en keek bedremmeld naar den zondvloed om mij heen.
„Alles is een wetenschap, kindlief,” zeide Tante troostend en
vriendelijk. „Zorg nu maar, dat je gauw weer droog wordt; anders haal je
je nog op den koop toe een verkoudheid op den hals.”
„Ik wou dat ik al gekleed en gereed was!” dacht ik zuchtend, terwijl
ik een glas water inschonk, om den mond te reinigen. „Wie weet, welke
bokken ik nu weer schiet!” Maar 't ging beter dan ik gedacht had. De
tandborstel was keurig fijn, de tandpoeder rook heerlijk, en dat hielp
mij voortreffelijk.
„Ik hoop toch, dat je ook na het middageten steeds den mond spoelt en de
tanden poetst,” zeide Tante, toen ik gereed was.
„Na het middageten, Tante? Dat heb ik nog nooit gedaan.”
„Doe het dan voortaan; het is uitmuntend voor 't behoud der tanden.”
„Jawel, Tantelief.”
Ach! hoe dikwijls heb ik in dien tijd: „Jawel, Tantelief!” gezegd. Als
ik voor elken keer een rijksdaalder had gekregen, dan zou ik als een
millionair naar huis zijn teruggekeerd.
„Ik zie gaarne, dat jonge meisjes 's morgens terstond het haar opmaken,”
zeide Tante, toen zij zag, dat ik mijn bruine lokken maar zoo wat wilde
gladkammen.
„Jawel, Tantelief,” antwoordde ik onderworpen, en rukte mijne vlechten
zoo onhandig los, dat de haarspelden over den grond vlogen.
„Ik zal je intusschen de krant voorlezen, Margot. Neem er den tijd toe,
opdat je er fatsoenlijk uitziet; daar ben ik op gesteld,” zeide Tante,
terwijl zij in een leuningstoel ging zitten en mij uit de krant van
alles wat voorlas, waarbij zij er echter voortdurend overheen keek, om
te zien of ik alles wel goed deed. Nu eens was het: „Doe de haren uit
den kam, eer gij dien weer gebruikt;” dan: „Leg het haar niet op de
tafel, maar op een papier!” Dan weer: „Niet zoo stijf vlechten, maar
gelijk. Maak kam en borstel schoon, eer je ze weglegt,” en al dergelijke
vermaningen meer.
Eindelijk was het werk volbracht en greep ik naar mijn morgenjapon, om,
zooals ik gewoon was, er mij gemakkelijk in te hullen.
„Neen, kind, een jong meisje kleedt zich dadelijk aan. Ik houd niet van
slechte aanwensels,” zeide Tante, en ik legde het versmade kleedingstuk
weer weg. „Dat is goed als je ziek bent, maar in gezonde dagen moet men
zoo iets niet doen. Een jonge dame moet er altijd net en keurig uitzien.
Slordige meisjes zijn afschuwelijk. Kom, ik zal je helpen.”
Dit zeggende nam zij mijne kleederen en hielp mij banden, haken en
knoopen vastmaken.
„O, o, wat zie ik daar een tal van dingen, die mij niet bevallen,” klonk
mij in 't oor en daar vloog een van mijn roksbanden, die ik gisteren in
de haast aan elkander geknoopt had, door de kamer.
„Hoor eens, Margot! zoo iets moet bij mij nooit gebeuren,” zeide Tante
streng. „En kijk eens, de haken van je jurk zitten altemaal zoo los, dat
ze van boven tot onder een voor een te zien zijn. Dat kan zoo niet. Geef
me terstond een andere jurk en naai dadelijk den roksband vast.”
Geheel en al uit het veld geslagen ging ik naar de kleerkast en deed
wat mij bevolen was.
„En heeft uwe goede moeder zulke slordigheid toegelaten?” vroeg Tante,
terwijl ik den band aannaaide.
„Ach neen, Tante! dat niet. Zij houdt veel te veel van orde,” antwoordde
ik zacht, terwijl mij de tranen uit de oogen sprongen. „Ik ben anders
zoo slordig niet; 't ging gisteren met het vertrek zoo gauw, dat ik geen
tijd had om den boel in orde te brengen.”
„Ik wil je een goeden raad geven, opdat zoo iets niet meer gebeure,
kindlief,” hernam Tante vriendelijk. „Zie elken avond, vóór je naar bed
gaat, geregeld al je goed, dat je den volgenden dag wilt aantrekken,
na, en breng het gebrekkige in orde. Daartoe is altijd gelegenheid en,
moet je er wat slaap door missen, dat beteekent zooveel niet. Zulke
kleine, goede aanwensels dragen vruchten: dat moet men steeds bedenken.
Winkelhaken worden spoedig groote scheuren, evengoed in iemands kleed
als in zijn ziel, en dan is elke herstelling tiendubbele arbeid.”
Ik kuste de goede Tante stil de hand, waarmede zij mij de wang streelde.
Eensklaps zette zij een half grappig, half ernstig gezicht, keek naar
mijn handen en zeide:
„Heb je den hofrouw aangenomen, lieve Margot?”
„Den hofrouw, Tante? wat meent gij daarmede? Is er iemand van de
koninklijke familie gestorven?” vroeg ik verwonderd.
„Hoe! Kent ge die uitdrukking niet?” vroeg Tante lachend, terwijl ze
allebei mijn handen voor mijn oogen hield. „Zie, die tien zwarte
nagelranden noemen wij hier gewoonlijk den hofrouw. 't Is waarlijk,
alsof er geen nagelschuiers in de wereld zijn. Kom, maak die nagels
terstond schoon. Op je waschtafel vindt ge alles, wat je er voor noodig
hebt.”
Ik deed, wat mij bevolen was; 't was voor de eerste maal in mijn leven:
te huis had ik het nooit gedaan. Tante wees mij hoe ik het doen moest,
en dat was goed, en nu begreep ik, waartoe al die nette dingetjes
dienden, die op mijn waschtafel lagen. Nog nooit had ik zulke mooie
witte nagels gehad en ik moet eerlijk bekennen, dat mijn handen er nu
netjes uitzagen.
„Margot, pantoffels zijn van die zaken, die een jong meisje slechts
op haar slaapkamer mag dragen,” hervatte Tante, terwijl ze een
bedenkelijken blik op mijn voeten wierp. Ik deed spoedig mijn pantoffels
uit en verruilde die voor mijn rijglaarsjes. Hierop verliet Tante de
slaapkamer en ik volgde haar spoedig naar 't woonvertrek, waar het
ontbijt ons wachtte. Toen ik binnentrad, kwam ze mij vriendelijk te
gemoet, nam mijn hoofd tusschen haar beide handen en drukte een
hartelijken kus op mijn lippen.
„Zie je, nu krijg je van harte, wat ik je straks weigerde,” sprak
ze opgeruimd. „'t Is een walgelijk iets, door onreine lippen gekust
te worden en dat vergeten heel veel menschen, niet alleen mijn
nichtje.—Maar nu aan 't ontbijt, mijn kind,” ging zij voort en wees op
de mooie, blankgepoetste koffiekan. „Vandaag is de koffie al gezet; maar
van heden af aan draag ik u den post op om koffie en thee te zetten.”
Ik haastte mij om Tante een kop koffie te schenken en er melk en suiker
bij te doen.
„Eerst suiker, dan melk, dat is een oude regel,” zeide zij. „Schenk het
kopje niet te vol en mors er niet over.”
„Ach! neem 't mij niet kwalijk,” riep ik blozend uit en goot spoedig de
overgestorte koffie weer uit het schoteltje in het kopje. Maar nu raakte
ik van de wal in de sloot, zooals het spreekwoord zegt; want dat was nu
eerst heel ongemanierd.
Eindelijk zette ik mij neder om te ontbijten en sopte, zooals ik thuis
gewoon was te doen, mijn brood in mijn kopje.
„Margot! Margot!” zeide Tante. „Wat heb je nog onhebbelijke manieren!
Eet nu 't gesopte brood maar op; doch doe het nooit als er anderen bij
zijn.”
„Dat is jammer, 't smaakt zoo lekker, Tante!” zeide ik.
Het tweede kopje poogde ik echter, naar 't gegeven voorschrift,
fatsoenlijk uit te drinken; doch daar de koffie zeer warm was, schonk ik
die in 't schoteltje, opdat ze gauwer koud zou worden.
„Dat is alweer niet gemanierd, kindlief,” zeide Tante lachend, en
verschrikt zette ik het schoteltje neer.
„Maar thuis dronken wij, kinderen, altijd uit het schoteltje, Tante,”
zeide ik blozend.
„Dat wil ik graag gelooven,” antwoordde zij. „Kinderen mogen wel eens
kinderachtig zijn. Maar gij zijt nu bij mij om te leeren hoe volwassen
menschen doen moeten en om de kinderschoenen uit te trekken, en daarom
plaag ik je zoo zonder eenige deernis, arm kind! We willen echter voor
van daag de les voor geëindigd houden; doe nu verder zooals je 't
goeddunkt; anders vergeet je 't een door het andere. Heden heb ik je met
de regelen en plichten van den morgen bekendgemaakt, dat was les één.
Als we zoo alle dagen een Hoofdstuk nemen, dan zullen we over een jaar
wel klaar zijn.”
Op deze opgeruimde, prettige manier wist Tante Betsy mij, onbeschaafd
meisje, wat te polijsten, 't geen inderdaad geen gemakkelijke taak was.
Zij deed dit echter met zooveel zachtheid en met zulk een onuitputtelijk
geduld, dat ik er onmogelijk boos over kon worden. Al deed ik ook nog
zooveel verkeerds en kreeg ik nog zooveel terechtwijzingen: steeds was
ik dankbaar aan haar, die mijn opvoeding met zooveel zelfverloochening
en liefde op zich genomen had, en elken morgen begon ik met het vaste
voornemen, om deze pogingen met ijver en oplettendheid te vergelden.
En 't was inderdaad voor mij geen gemakkelijke taak om op alles te
letten en alles anders te doen dan ik het tot nu toe gedaan had. Toch
was ik wel een weinig moedeloos wanneer ik bedacht, hoe alleen de morgen
reeds zooveel reden tot vermaningen en berispingen had opgeleverd. Met
welk een treurig hart dacht ik reeds op den eersten dag aan mijn lief
ouderlijk huis!—Ach, daar was steeds alles goed geweest wat ik deed:
daar was ik nog een kind, daar was alles mij geoorloofd, en hoe gelukkig
en vroolijk gevoelde ik mij daar! Maar nu! Nu was ik geen kind meer, nu
moest ik een volwassen meisje verbeelden en dat stelde mij allerlei
nieuwe verplichtingen en nieuwe eischen. Dan kwam mij telkenmale weder
het refrein van dat gevoelvolle lied voor den geest, dat ik zoo dikwijls
gezongen had en nu zoo ten volle tot de taal van mijn eigen hart maakte:
„Hoe zalig, hoe zalig, een kind nog te zijn!”
DERDE HOOFDSTUK.
Hoe mijn eerste visites afliepen.
Gij moet niet denken, lieve Lezeressen, dat mij al de dagen die ik bij
Tante doorbracht, zoo levendig en in alle bijzonderheden voor den geest
staan als die eerste morgen, waarvan ik u een beschrijving heb gegeven.
Toch herinner ik mij, vooral uit den eersten tijd, nog vele op zichzelf
staande voorvallen zoo duidelijk, alsof ze eerst gisteren gebeurd waren
en van deze wil ik er u eenige verhalen.
„Krijg je hoed en mantel, Margot! we gaan eenige visites maken,” zeide
Tante op zekeren dag, en ik haastte mij om aan haar bevel te voldoen en
spoedig klaar te komen; want zij hield er niet van om op mij te wachten.
Nu was ik echter aan zulk een deftig uitgaan niet gewoon; want te huis
zette ik maar gauw mijn hoed op en sprong zoo de deur uit. Mantel,
handschoenen, parasol en al dergelijke voorwerpen, die zoo noodig zijn
voor een wandeling in de stad, waren mij genoegzaam onbekend. Vandaar
dat ik geregeld steeds een van die dingen vergat, wat ik gewoonlijk
eerst bemerkte, zoodra wij onderweg waren en natuurlijk was Tante
daarover niet erg in haar humeur.
Het had geregend en daarom schortte ik mijn japon heel netjes op;
want reeds dikwijls had tante mij doen opmerken, hoe leelijk het
stond als netgekleede dames haar goede japonnen in de modder lieten
hangen, of ze zoo ongemanierd opnamen, dat men alle verdiepingen der
onderkleederen volgen kon, waarbij niet altijd alles even zindelijk
was. Goed uitgerust met mantel en parapluie, volgde ik snel mijn
geleidster die, als naar gewoonte, vlugger klaar was dan ik. Ik was nog
op de stoep, toen ik bemerkte dat ik mijn handschoenen vergeten had en
verschrikt ijlde ik het huis weer in, om die mij zoo ongewone dingen te
krijgen. Gelukkig haalde ik Tante spoedig weer in, doch lette er in mijn
haast niet op, hoe nat de straten waren en dat ik dunne rijglaarzen aan
had, tot Tante eensklaps bleef stilstaan en naar mijn voeten wees.
„Zonder overschoenen in zulk weer, Margot!” riep zij knorrig uit. „Dat
gaat niet, kind! Vooreerst krijg je natte voeten en ten tweede bederf je
je goede laarzen. Ga gauw weer naar huis, doe je overschoenen aan en kom
mij dan achterop; je vindt me bij mevrouw Bredius, naar wie ik 't eerst
toega.” Haastig snelde ik naar onze woning terug en haalde de vergetene
overschoenen uit de kast. Maar, o lieve hemel! Ze zaten nog vol modder
van den vorigen keer, toen ik uit geweest was, en nu moest ik wachten,
tot Doortje ze had schoongemaakt.
„Dat ik ook zoo dom geweest ben, om die dingen vuil weg te zetten!”
bromde ik in mijzelven en stampte ongeduldig op den grond. „Haast je
toch wat, Doortje! anders kan ik Tante niet meer inhalen en moet alleen
bij mevrouw Bredius binnengaan.” Die gedachte joeg mij een hevigen angst
aan; en toen de overschoenen klaar waren en ik ze had aangetrokken,
rende ik Tante met zulk een spoed achterna, dat ik in duizend plassen
trapte, alle menschen die mij ontmoetten tegen 't lijf liep of hun met
mijn parapluie bijna de oogen uitstak.
„Lieve Hemel! Nu die heeft haast! Die moet er wezen!” hoorde ik achter
mij roepen; maar onophoudelijk stormde ik voorwaarts om Tante nog in te
halen, voor zij bij mevrouw Bredius was. Doch al mijn hollen hielp mij
niet: Tante was er al vóór ik aankwam, en ik moest nu alleen de kamer
binnengaan.
Met een kloppend hart volgde ik den huisknecht, die mij aandiende en
ging toen bloode naar de dame des huizes toe, die mij vriendelijk welkom
heette. Tante Betsy zat reeds naast haar op de canapé, doch stond bij
mijn binnenkomst ook op, om mij aan mevrouw Bredius voor te stellen.
Daar kwam een vreeselijk oogenblik: ik moest een nijging maken! Ach! dat
was een steen des aanstoots, en ik moet mij houterig genoeg gedragen
hebben; dat voelde ik duidelijk aan mijn knikkende knieën en den hoogen
blos, die mij de wangen kleurde.
„Kom nader, lieve Margot,” zeide de dame hartelijk en wees mij een
keurigen fauteuil om op te gaan zitten.
„Veroorloof Margot om eerst haar overschoenen en parapluie in 't
voorhuis te brengen,” zeide Tante, juist toen ik mij angstig in den
fauteuil zette.
Verschrikt rees ik weer van mijn zitplaats op en sloeg mijn oogen neder.
Dit gaf mij de gelegenheid te bemerken, in welk een onbehoorlijken
toestand ik door mijn haast de kamer was binnengetreden. Niet alleen dat
ik vergeten had, mijn opgenomen japon te laten vallen om mijn rok te
bedekken, die bij den geforceerden marsch tamelijk vuil was geworden,
maar ik had ook mijn modderige overschoenen aangehouden, die leelijke
sporen op het kostbare tapijt hadden achtergelaten. Ook omklemde ik nog
krampachtig mijn parapluie, die braaf nat was en vreeselijk droop.
Met een verlegene verontschuldiging stormde ik 't vertrek uit en
verbeterde in de entréekamer zoo goed ik kon mijn misslagen. Tevens keek
ik eens in den daar hangenden spiegel en ontdekte nu hoe slordig ik er
uitzag. Mijn haar was door den wind geheel verward en zat zoo los als
't maar kon; mijn hoed stond door de botsingen met de parapluies der
voorbijgangers geheel scheef en had een groote deuk bekomen; de strik
van mijn dasje was naar achteren geschoven en mijn kraagje was losgegaan
en op het punt mij te begeven.
„Dat Tante nu ook juist met zulk weer visites moet maken!” zeide ik
braaf knorrig en bracht mijn toilet weer eenigszins in orde. Terwijl
ik daarmede nog bezig was, viel mijn blik op mijn handschoenen en dat
bezorgde mij een nieuwen schrik. In de haast had ik een paar oude
aangetrokken en dat bemerkte ik nu eerst. Wat zou Tante wel zeggen als
zij dit zag! Want zien zou zij het; aan haar oog ontging niets. En
wat zou mevrouw Bredius wel van mij denken! 't Ergst was, dat ik die
afschuwelijke handschoenen moest aanhouden, want zonder handschoenen op
visite te komen, dat ging bij ons in Gelderland best, maar niet in Den
Haag. Angstig en aarzelend trad ik de kamer weder binnen; terwijl ik
zooveel mogelijk mijn handen onder mijn mantel poogde te verbergen, 't
geen mij natuurlijk een nog stijver en onbehaaglijker voorkomen gaf.
De goede mevrouw Bredius was vriendelijk genoeg om te doen of ze mijn
binnenkomen niet bemerkte en zat druk met Tante te praten. Ik zette mij
dus zoo stil mogelijk op een stoel en zat daar lang zonder een woord te
spreken, terwijl ik heimelijk aan de vingertoppen van mijn ongelukkige
handschoenen trok, die hier en daar losgebarsten waren, zoodat de
vingers er door kwamen als rozenknopjes uit hun bladeren. Het hielp
echter niets: ze werden er niet weer heel door.
Ik moest noodzakelijk mijn neus snuiten en wilde dus mijn zakdoek
krijgen. Maar, o hemel! hoe ik ook in mijn zak tastte, ik kon den doek
niet vinden. Zeker had ik hem op straat verloren of in de entréekamer
laten liggen. Nu weet gij, lieve lezeressen, welk een toestand het is,
als men zijn neus moet snuiten en zijn zakdoek vergeten heeft. En Tante
bleef maar; 't was of zij aan geen heengaan dacht. Eindelijk stond
mevrouw Bredius op om den huisknecht te schellen, en van dit oogenblik
maakte ik gebruik om een paar stappen naar Tante te doen en haar met een
smeekenden blik den fijnen zakdoek uit de hand te nemen. Toen mevrouw
Bredius zich weer omkeerde, zat ik reeds weer, maar ik had duidelijk aan
't ontevreden hoofdschudden van Tante bemerkt, hoe zij over haar
onbezonnen nichtje dacht.
„Frits, zeg aan de juffrouw dat er visite is,” zeide mevrouw Bredius
tegen den knecht. Kort daarop ging de deur van de aangrenzende kamer
open en eene knappe jonge dame in een elegant toilet trad binnen. Met
een lichte nijging begroette zij Tante. Mij scheen ze over 't hoofd te
zien, ofschoon ik in mijn geheele lengte naast haar stond, tot eindelijk
hare mama mij aan haar voorstelde. Het stijve compliment dat ik bij
mijn binnentreden gemaakt had, wilde ik nu door een beter goed maken en
dus neeg ik voor juffrouw Amanda zoo diep als ik maar kon en was zeer
tevreden over mijzelve. Juffrouw Amanda verwaardigde zich nauwelijks
mij een genadig knikje toe te werpen, en ging toen zoo gemakkelijk zij
maar kon op den door mij lediggelaten leuningstoel zitten. Deze scheen
haar nog niet gemakkelijk genoeg te zijn; want zij trok een geborduurd
voetbankje naar zich toe, ondersteunde met de eene hand het hoofd en
hield in de andere een mooien waaier, waarmede zij zoowat speelde;
terwijl zij mij met halfgesloten oogen lang zwijgend aankeek.
't Koude zweet stond mij op 't voorhoofd en ik zat onrustig op mijn
stoel heen en weer te draaien, terwijl ik voelde dat ik tot achter de
ooren rood werd.
„Je bent zeker uit het boerenland gekomen,” zeide de jonge dame
eindelijk met een geaffecteerde stem.
Ik werd nog rooder bij deze eenvoudige vraag. Tot dusverre was ik nog
altijd trotsch op mijn dorp geweest en mijn oog schitterde als ik er
met iemand over spreken kon; thans echter was 't mij als moest ik mij
schamen, dat ik uit het „boerenland” was; want de toon, waarop Amanda
dat vroeg, was vrij verachtelijk.
Tante, die tot hiertoe met mevrouw Bredius gesproken had, verloste mij
uit mijn pijnlijken toestand, daar zij voor mij antwoordde. Na eenigen
tijd, gedurende welken ik weer zonder een woord te spreken daar gezeten
had, wendde Amanda zich weer op een toon van nederbuigende trotschheid
tot mij.
„Hoe oud ben je, kind?” vroeg zij.
„Zestien jaar, juffrouw,” antwoordde ik, terwijl de kleur mij weer, uit-
en insloeg.
„Dus nog tusschen mal en dwaas!” zeide Amanda op kouden toon, en
verkoelde zich met haar waaier, terwijl ze 't hoofd trotsch in den nek
wierp.
Dat was inderdaad geen nieuws voor mij. Tusschen mal en dwaas was ik van
top tot teen, dat zeiden Tante en alle menschen mij dagelijks en ik had
het mij nog nooit aangetrokken. Doch uit den mond van Amanda kwam 't
mij hatelijk voor, en 't scheelde niet veel of de tranen waren mij van
kwaadheid uit de oogen gesprongen. Gelukkig stond Tante juist op en nam
afscheid van moeder en dochter, waardoor ik uit mijn onaangenamen
toestand verlost werd.
Goddank! Eindelijk waren wij weer op straat! Zonder een enkel woord te
spreken en vol schaamte over mijzelve, wandelde ik naast Tante voort, en
ook deze sprak in den beginne volstrekt niet. Eindelijk zeide zij:
„Nu, Margot! Ik moet zeggen dat je je van daag met roem overdekt hebt!”
„Ach, Tante! ik ben zoo bedroefd over al mijn domheden!” riep ik in lang
bedwongen tranen losbarstende uit.
„Nu, kind! Huil maar zoo niet,” zeide Tante. „Wat zullen de menschen er
wel van denken, dat zoo'n groote meid over straat loopt te huilen en
snikken. Je hebt immers geen kwaad gedaan: slechts eenige misslagen
tegen welvoeglijkheid en goede opvoeding, en dat zal wel beter worden.”
„O, ik ben een dom kind, lieve Tante!” riep ik nog harder snikkend uit.
„Beknor mij maar geducht; ik heb het dubbel en dwars verdiend.”
„Je over zulke dingen beknorren, kindlief? neen dat nooit: want je weet
het nog niet beter,” hervatte Tante Betsy vriendelijk. „Maar wat ik niet
wil is, dat je mijn fijn batisten zakdoek nog langer zoo nat maakt met
je tranen.”
Ondanks mijn droefheid moest ik toch weer lachen en weldra was ik weer
bedaard.
„Ten aanzien van ons bezoek bij deze mijne vrienden,” ging zij voort,
„zal ik je nog iets zeggen, wat je bij de andere dingen, welke tot een
goede opvoeding behooren, wel in acht moogt nemen. Als je gaat zitten,
't zij op een stoel of op iets anders, dan moet je niet op den hoek of
op den rand blijven hangen, maar terstond de geheele zitting innemen,
anders stelt ge u links en bevreesd aan. Verder moet je wachten tot men
u de hand toereikt; je kunt niet weten of men plan heeft u de hand te
geven. Eindelijk moet je je nijgen inrichten naar den ouderdom en den
stand der personen, voor wie je ze maakt. Mevrouw Bredius kreeg slechts
een onbeduidend knikje van je; terwijl je voor Amanda een nijging
maaktet, zoo diep als ware zij een prinses geweest.”
„Ze was ook zoo ongenaakbaar als een prinses,” zuchtte ik.
„Daar heb je zoo geheel en al geen ongelijk aan,” antwoordde Tante
glimlachend. „En juist daarom acht ik er haar des te minder om; als jij
het doen wilt, geef ik je er verlof toe. Maar nu gaan we naar huis. De
verdere bezoeken zullen we later wel eens maken, wanneer het weer beter
is en je een zakdoek in den zak hebt en.... je handschoenen er
fatsoenlijk uitzien.”
Ja, dat had ik wel gedacht! Aan Tantes oogen was dat niet ontgaan,
hoeveel moeite ik ook gedaan had om die lastige vingers te verbergen,
die er zoo brutaal doorheen kwamen kijken. O, Tante Betsy! Ge zaagt dan
ook alles!
Gelukkig liepen niet alle bezoeken, welke Tante met mij maakte, zoo
treurig af als dit; desniettemin kreeg ik altijd de visitekoorts op 't
lijf, als we op zulke expedities uitgingen. Mijn hart bonsde geweldig
toen Tante mij eenigen tijd later mededeelde, dat we een bezoek bij
mevrouw Donker, de vrouw van den dokter, zouden afleggen.
„'t Zou me niet verwonderen, of Marie Donker zal je wel bevallen,” zeide
Tante onderweg; „ja 't kon wel zijn dat je er een vriendinnetje in
vondt.” Ik zuchtte in stilte bij deze gedachte; want, hoezeer mijn hart
ook naar den omgang met eene vriendin verlangde, de jonge meisjes in de
residentie schenen mij van zoo'n heel ander allooi te zijn dan mijne
vriendinnetjes op 't land, dat ik er aan twijfelde of ik er wel ooit
eene zou vinden. Al de Haagsche jonge dames toch stonden voor mij, arm
onbeschaafd dorpskind, op zulk een onbereikbare hoogte, dat ik telkens
wel als een slak in mijn schulp had willen kruipen, wanneer ik aan zulk
een dametje werd voorgesteld. Zoo trad ik, als een schuchter kieken,
door Tantes beschermende vleugelen gedekt, met angstige schreden de
kamer van Mevrouw Donker in. Ze was een zeer levendige, vriendelijke
dame, de doktersvrouw, die ons hartelijk en met ongeveinsde gulheid
begroette. Zij liep terstond naar de deur en riep: „Marie! kom eens
beneden! er is een aangename visite!”
Kort daarop kwam een jong meisje met mooi blond haar en vriendelijke
blauwe oogen, licht blozend en eenigszins schuchter, maar toch vrij en
bevallig de kamer binnen. Tante Betsy gaf haar een hartelijken kus en
bracht haar toen naar mij, opdat wij met elkaar in kennis mochten komen.
Marie keek mij met hare schoone blauwe oogen vriendelijk aan, gaf mij
de hand en zeide: „O, lieve Margot, uw Tante heeft mij reeds zooveel
van u verteld, dat ik er recht blij over ben u te leeren kennen.” Dit
zeggende nam zij mij mee naar de canapé, die aan 't venster stond,
terwijl de beide oude dames op eenigen afstand van ons gezeten waren
en sprak zoo hartelijk en vertrouwelijk, zoo prettig en eenvoudig met
mij, dat mijn hart zich van vreugde en genot ontsloot. Dat was nu eerst
een geheel ander meisje dan die trotsche Amanda Bredius, die zich ter
nauwernood verwaardigd had mij een paar woorden toe te voegen en mij als
een onnoozel schaap had behandeld; ook geheel anders dan de andere jonge
juffrouwen, van welke ik er reeds eenige bij Tante had leeren kennen.
Mijn blooheid verdween; weldra waren we met elkander aan 't praten
en lachen, als hadden we elkaar reeds jarenlang gekend. Toen Tante
eindelijk afscheid nam, gaf Marie mij een hartelijken kus en beloofde
dat ze mij heel gauw eens zou komen bezoeken.
„Welnu, heb ik 't je niet gezegd, dat ge vriendinnen zoudt worden?”
vroeg Tante, toen wij naar huis gingen. „Marie is een lief, hartelijk
meisje en het zal mij verheugen, als gij elkander wederzijds bevalt.”
„O, 't is een allerliefst, engelachtig meisje!” riep ik met geestdrift
uit, „en ik zal gelukkig zijn als ze mijne vriendin wil worden.”
„Dat zou mij ook zeer veel pleizier doen,” hernam Tante, „want bij al
haar natuurlijkheid is Marie een zeer beschaafd, verstandig meisje, op
wier opvoeding nauwkeurig gelet wordt: zoodat gij veel van haar kunt
leeren.”
Deze nieuwe kennismaking vervulde mijn hart met onbeschrijfelijke
vreugde. Hoe meer ik de beminnelijke Marie Donker leerde kennen, hoe
inniger onze harten verbonden werden; wij sloten een vriendschap, die
ons thans nog innig aan elkander verbindt.
Mijne vriendin was iets ouder dan ik en door haar goede opvoeding reeds
den leeftijd „tusschen mal en dwaas” te boven, maar zij hield zich toch
liever met jongere meisjes op dan met de geheel volwassenen. 't Was een
allerliefste jonge blondine, slank van gestalte en gracieus in haar
manieren, zoodat ik, hoogopgeschoten boonenstaak, met mijn lange armen
en beenen, waarmee ik zoo zonderling manoeuvreerde, vreemd bij haar
afstak; ze had een onvergelijkelijk goed, gevoelig hart, dat zoo ten
volle uit haar lieve blauwe oogen sprak, dat men haar moest lief
krijgen, men mocht het willen of niet.
Al spoedig noemden wij elkander bij onze doopnamen: dat sprak wel van
zelf. Vervolgens schreven we een vurige ontboezeming van vriendschap
in elkaars poëziealbum. Het duurde niet lang, of we hadden ieder een
medaillon met elkanders haar en Tante bezegelde het verbond nog door
een paar lieve gouden ringen met blauwe steenen, die zij ons cadeau
gaf. Beiden lieten we ons portret maken en daarna hing mijn beeld weldra
boven haar schrijftafel en het hare boven mijn toiletspiegel. Hadden wij
elkander in eenige dagen niet gezien, dan werden er van weerszijden tal
van kleine briefjes gewisseld, waarin geen eind was aan 't vertellen en
't vragen.
Van dien tijd af aan begon mijn leven in Den Haag veel prettiger te
worden; want hoe gaarne ik ook met mijn goede Tante Betsy praatte en van
hoe groot nut de omgang met deze brave vrouw voor mij was: haar leeftijd
verschilde te veel van den mijnen, dan dat onze gevoelens en inzichten
met elkander overeenkomen konden. Marie echter dacht en gevoelde bijna
evenzoo als ik, behalve dat ze meer ondervinding had en beschaafder was,
en mij daardoor met haar goeden raad ter zijde stond. Ik was nu genezen
van de visitekoorts, en begeleidde Tante zonder schroom naar haar
vrienden en bekenden; want ik wist, dat ik Marie bijna overal aantrof
en zij mij in mijn verlegenheid zou bijstaan. Het eerste wat mijn oogen
deden, als ik in een kring van vreemden kwam, was naar Marie te zoeken;
was zij er niet, dan gevoelde ik mij vreeselijk verlaten en eenzaam.
Maar we besteedden onzen tijd niet alleen aan praten en schertsen; we
brachten ook ernstiger uren met elkander door. Tante Betsy verlangde
dat ik nog eenige lessen in de talen, muziek en teekenen zou nemen en
tot mijn onuitsprekelijk genoegen nam Marie aan die lessen deel. En
zoo zorgde de goede vrouw er voor, dat ik niet alleen wat uiterlijke
beschaving aanleerde, maar ook innerlijk in alles wat tot een goede
opvoeding behoort. Hoe zij echter ook poogde een ander mensch van
mij te maken, Tante waakte er toch altijd voor dat mijn eenvoudige
ongekunstelde aard niet vervormd en veranderd werd, en zoo zijn mij tot
op heden alle gemaaktheid en verwaandheid even onuitstaanbaar gebleven
als zij het toen waren. Op dat punt was Marie 't geheel met mij eens:
daarenboven had ik in Tante Betsy steeds een sprekend beeld voor oogen,
dat de echte beschaving in geheel wat anders bestaat.
Maar wat zeer gelukkig voor mij was: niet alleen Tante deed haar best om
mij betere manieren te leeren, ook Marie deed het van haar kant. Zoo
bijvoorbeeld kwam ze mij eens op straat tegen, en in mijn blijdschap dat
ik haar zag, liep ik haar met uitgebreide armen te gemoet; terwijl ik
haar luid jubelend om den hals viel en kuste. Ze kreeg een kleur tot
over de ooren, maakte zich snel uit mijn omarming los en keek angstig
rond.
„Wat scheelt je, Marie?” vroeg ik verschrikt. „Ben je boos op mij?”
„O neen, Margot, dat is 't geval niet,” antwoordde zij op fluisterenden
toon en trok mij snel met zich. „Kom maar mee, dan zal ik je zeggen, wat
het is.”
Nog eens keek zij angstig rond en thans eerst bemerkte ik, hoe een jonge
kwast dicht bij ons stond, zijn lorgnet voor de oogen hield en ons met
spottende blikken beschouwde. Ik schrikte er van en keek den spotter
vlak in 't gezicht. Deze glimlachte vertrouwelijk tegen mij en wierp mij
kushandjes toe, terwijl hij uitriep: „Allerliefst! Of men in de komedie
is! Wat een snoepjes van meisjes!”
Zoo spoedig mogelijk trok Marie mij uit de nabijheid van dien
onbeschaamden kwant weg en snelde met mij voort. In mijn angst wilde
ik toch weten of we vervolgd werden, en keek haastig om, of ik den
brutalen kerel nog zien kon. Marie's waarschuwing: „Maar om 's Hemels
wil, Margot! kijk toch niet om!” kwam te laat: het was gebeurd en ik had
moeten zien, hoe onze pijniger mij van uit de verte nog toeknikte en
kushandjes toewierp, gelukkig zonder ons te volgen.
„Hoe kondt ge mij op de publieke straat toch zoo woest en zoo luid
begroeten, Margot?” vroeg Marie op vriendelijk verwijtenden toon. „Doe
dat nooit meer; je ziet welke gevolgen het heeft.”
„Maar we begroeten elkander toch altijd zoo, Marie!” riep ik uit. „Wat
beweegt dien mallen kerel dan, ons zoo te beleedigen?”
„De jonge man meende dat hem dit geoorloofd was, omdat ge u zoo in 't
oogvallend dwaas gedroegt, Margot. Op straat begroet men elkander niet
zooals in huis. Kussen en omarmen is daar niet geoorloofd; dat moet je
onthouden. 't Is nu nog gezegend afgeloopen; je hadt kans gehad dat we
een troep kwajongens achter ons gekregen hadden.”
„Maar 't is dan toch verschrikkelijk, dat men elkander onder Gods vrijen
hemel niet kan betuigen hoe men elkaar liefheeft,” zeide ik zuchtend en
liet het hoofd hangen.
„Ja, wat het toonen van zijn gevoel aangaat, dat is nog een bijzonder
hoofdstuk,” hernam Marie glimlachend. „Men moet slechts al te dikwerf
zijn gevoel bedwingen en een kalm gezicht zetten, 't moge er daarbinnen
zoo vroolijk of treurig uitzien als 't wil.”
„Dat is toch moeilijk,” antwoordde ik. „En ik geloof niet, dat ik het
ooit zal leeren. Maar bewijs mij de vriendschap, lieve Marie, en zeg mij
wat er al meer zoo op straat niet welvoeglijk is. 't Is hier in Den Haag
alles zoo geheel anders; bij ons behoefde ik mij zoo niet te geneeren.
Wanneer ik daar op 't veld rondliep, was alles goed wat ik deed, en geen
mensch dacht er aan of het paste of niet.”
„Welnu, Margot, als je dan zoo graag wilt weten, wat alzoo op straat
niet fatsoenlijk is, dan zal ik je 't een en ander opnoemen,” hervatte
Marie, vriendelijk glimlachend: „Bijvoorbeeld: spreek nooit zoo luid op
straat als je nu doet. En loop, als 't je belieft, niet iedereen zoo
plomp tegen 't lijf aan; maar wijk een beetje voor de menschen uit.”
„Ja, ja, je hebt een rare stoethaspel van een vriendin, Marie!” zeide ik
zuchtend, en maakte nu een halven cirkel voor ieder die mij ontmoette,
om voor hem uit den weg te gaan. Dat was ook al niet goed: want de boog,
dien ik om de menschen beschreef, viel weer in 't oog en alles wat in 't
oog valt, was verboden kost; dat begreep ik nu. „Je zult wel heel boos
op mij zijn; je moet je wel schamen om met mij te loopen, Marie,” zeide
ik knorrig. „Ik wil dus niet langer met je gaan; 't is beter, dat ik
alleen loop. Adieu! Tot wederziens.”
„Kom, Margot, wees toch zoo dwaas niet,” zeide Marie, terwijl ze mij
vriendelijk terughield. „Ik zou al een heel mooie vriendin zijn, als ik
je zwakheden niet droeg. Jij moet immers ook mijn gebreken dragen.”
„Och, jij hebt in 't geheel geen gebreken,” antwoordde ik nog altijd
knorrig.
„Hoe! ik geen gebreken!” riep Marie lachend uit. „Nu, dan kan ik me
wel in een spel op de kermis laten kijken! En daarin heb ik nooit veel
lust gehad. Wil ik je dadelijk eens een gebrek van je voortreffelijke
vriendin laten zien,” ging ze opgeruimd voort, terwijl ze een harer
voeten oplichtte. „De welvoeglijkheid vordert, dat men te huis de
veters van zijn laarzen goed vastbindt, zoodat ze onder 't wandelen
niet losgaan en ons naslepen, waardoor men genoodzaakt is stil te staan
en ze op de een of andere stoep weer vast te maken.”
Terwijl wij na de herstelling van deze kleine fout naar huis gingen,
ontmoetten ons eenige zeer jonge, keuriggekleede meisjes, die, te
oordeelen naar de mappen die zij droegen, uit school kwamen. Ze gingen
allen gearmd en namen meer dan de geheele breedte van het trottoir in.
Toen ze dicht bij ons waren, toonden ze weinig lust om de keten te
verbreken en ons door te laten. Doch Marie ging zoo kalm op haar af,
dat ze het toch beter vonden plaats te maken, waarbij zij allermalst
ginnegapten en op elkander drongen.
„Zoo onfatsoenlijk als die nuchtere kalvertjes zich daar gedragen, heeft
Margot van het boerendorp zich nooit aangesteld!” riep ik uit, vol
verwondering dat dametjes uit de residentie zoo ongemanierd waren.
„Ja, dat is nu een van de fraaie schoolmeisjesmanieren,” antwoordde
Marie. „De jonge dingen weten zeer goed, dat het niet fatsoenlijk is de
geheele straat te beslaan, en toch laten zij het niet. Er gebeuren meer
van die grappen, welke jonge meisjes zich in de schooljaren veroorloven;
als ik je die mededeelde, zoudt ge er verbaasd over staan. Men heeft
er wat mee te stellen als men zelve nog op school gaat en niet mee
wil doen. Uitzonderingen zijn hier natuurlijk evenals overal. Dit
echter wil ik je wel zeggen en dat zal je troosten, dat zulk een echt
residentiedametje met haar verbeelding en haar ijdelheid tienmaal erger
is dan jij, lief natuurkind, zelfs al omarmdet ge mij alle dagen op de
publieke straat en al stond er een geheel legioen malle kwasten bij, om
het tooneel aan te zien.”
We waren juist thuisgekomen, toen Marie dat zeide en ik viel haar
bij die woorden om den hals. In haar kamertje toch had ik mij niet
te ontzien. Lang zaten we hier nog met elkaar te praten, tot de
avondschemering, die reeds begon te vallen, mij herinnerde dat het tijd
was om naar huis te gaan. Toen moest ik weg: want zooveel wist ik reeds,
dat het tot de lastige eigenaardigheden eener groote stad behoort, dat
een meisje 's avonds niet alleen over straat mag gaan. Thuis werd het
eerst recht prettig, als de avond aankwam. Hoe vroolijk en onschuldig
wandelde of dartelde men dan het dorp door, zonder dat iemand ons 't
minste molest aandeed, zooals hier bij klaarlichten dag gebeurde, alleen
omdat men voor 't oog der wereld zijn gevoel toonde. He! dan was het in
Brondaal toch anders.
VIERDE HOOFDSTUK.
Aan tafel.
Ik heb u reeds verteld, hoe 't mij den eersten dag aan 't ontbijt was
gegaan; natuurlijk waren er bij 't middagmaal ook verscheidene dingen,
die ik niet behoorlijk deed: want thuis was de kleine bende luidruchtige
kinderen oorzaak dat papa en mama op mij niet konden letten. 't Bewaren
van de rust toch was bij ons de eerste en eenige eisch; al 't andere
bleef genoegzaam geheel en al aan ons eigen goeddunken overgelaten.
De maaltijden bij Tante Betsy geleken in den regel vrijwel op elkander;
toch heerschte er een opgeruimde en prettige geest: want Tante kruidde
het maal met een aangenaam onderhoud, waarin haar vermaningen als groote
uitroepteekens van tijd tot tijd de redeneering afbraken.
„Gebruik toch je servet, kindlief!” was eens een der geboden uit haar
welvoeglijkheidsformulier. „Alleen daar waar geen servetten groeien,
veegt men zich den mond met de handen af.”
Ik greep terstond naar het door mij zoo veronachtzaamde voorwerp.
„O, jij kleine lekkerbek!” heette het toen weer. „Je slurpt je soep met
al de eigenschappen van een kenster, juist zooals een echte wijnproever
het druivenvocht keurt. Je wilt zeker eens proeven, hoeveel pond
rundvleesch er noodig is geweest, om zulk een krachtigen bouillon te
trekken. En wat zit je daar op je gemak. Eten bij u thuis de ellebogen
ook mee?”
„De poort is te klein voor zulk een hoog voer hooi,” werd er kort daarop
lachend aangemerkt, toen ik zooveel eten te gelijk op mijn vork had
genomen, dat ik het bijna niet in den mond kon krijgen. Toen ik nu met
dien vollen mond wilde antwoorden, wenkte Tante mij dat ik zou zwijgen.
„Men spreekt nooit, als men den mond vol heeft,” zeide zij. „Dat is zeer
onfatsoenlijk.”
Allerlei onhandigheden beging ik, waarover ik moest terechtgewezen
worden. Nu eens kwamen mijn vingers in aanraking met hetgeen op mijn
bord lag, dan gebruikte ik mijn mes in plaats van mijn vork, of legde de
beenderen van het vleesch niet op den rand van mijn bord, maar op het
tafellaken.
„Lieve Margot, denk toch dat die arme Philax nog graag een vezeltje
vleesch aan de beenderen vindt,” was het dan weer als ik de kluifjes van
hoenders of duiven bijna geheel opat en alle beenderen zoo schoon
afkloof of uitkauwde, dat er niets meer aanbleef.
„Papa zegt altijd, dat in de beenderen de meeste kracht zit, Tante,”
antwoordde ik. Toen echter op zekeren dag het vet van mijn vingers droop
onder 't afkluiven van een hoenderboutje, zeide Tante glimlachend:
„Hoor eens, kindlief. Morgen zijn we, zooals gij weet, bij de Donkers
ten eten gevraagd. Wees dan zoo wijs, geen jong hoen in de handen te
nemen. Hier bij mij kan ik het door de vingers zien. Maar het gebruik
eischt, dat men met mes en vork het vleesch van de beenderen doet; 't is
nu eenmaal zoo en niet anders.”
„Heel goed, lieve Tante,” antwoordde ik verwonderd; want tot hiertoe had
ik nog nooit gevogelte naar den mond gebracht dan met mijn vingers.
't Was voor de eerste maal, dat ik met Tante uit eten ging en mijn hart
klopte als een hamer van angst dat ik weer bok op bok zou schieten. Tot
mijn geluk kreeg ik Marie naast mij aan tafel en zoo was ik in geval van
nood gedekt. Aan mijn andere zijde zat een dikke, vriendelijke heer, die
er uitzag, als bestond zijn grootste genot in lekker eten en drinken.
Dit was inderdaad het geval; doch het welbehagen, waarmede hij slurpte
en smakte, de onsmakelijke manier, waarop hij evenveel langs zijn breede
lippen als daartusschen bracht, en eindelijk het snuffelen, dat hij
onder dien gewichtigen arbeid deed, bedierven mijn eetlust. Nu schoten
mij Tantes woorden van gisteren te binnen: dat het alleronaangenaamst
is aan tafel naast iemand te zitten die slechte gewoonten heeft. En al
mochten nu die slechte gewoonten aan een ouden heer eer te vergeven zijn
dan aan een jong meisje: ik begreep toch ten volle, hoezeer ikzelve op
goede manieren te letten had, om geen ergernis te geven.
Na de soep werd er een gerecht rondgediend, dat ik nog nooit gegeten
had: het was een zwartachtig moes en om de korreligheid hield ik het
voor vla van moerbeziën of bramen, waarvan ik een groote liefhebster
ben. Daar nu de oude heer naast mij braaf toetastte, nam ik er ook een
goede portie van op mijn bord en begon die te verorberen.
Maar hoe verschrikte ik, toen ik in plaats van de heerlijke moerbeivla
een zout, slijmerig goed op mijn tong kreeg. Ik was niet in staat er een
tweede vork van te nemen en keek verwonderd naar mijn buurman, die dat
zwarte korrelige goed op geroosterde sneedjes brood streek, er dan
citroensap op liet druppelen en al wat hij op zijn bord had genomen
spoedig naar binnen gewerkt had.
Juist wilde ik Marie vragen, wat voor goed dit eigenlijk was, toen zich
de oude heer nog kauwend en genietend tot mij wendde.
„Delicieuse kaviaar!” zeide hij. „Ook een liefhebster van dat heerlijke
Russische product, jonge dame?”
Dus was het kaviaar. De naam was mij wel bekend, maar ik had het goed
nooit gezien; daar er nooit een korreltje van naar ons dorp verdwaald
was.
„O, neen, mijnheer, ik.... ik was in gedachte, toen ik er van nam,”
stotterde ik, terwijl ik een kleur kreeg, en mijn onwetendheid dwaas
genoeg onder een leugen verborg.
„O, dat is niet mogelijk! Proef 't nog maar eens, 't is heerlijk, dat
kan ik u verzekeren, en ik.... ik heb verstand van wat goed smaakt,”
verzekerde de dikkert met nadruk, en hoezeer ik van de waarheid
zijner bewering overtuigd was, waagde ik het toch niet, om aan zijn
uitnoodiging gehoor te geven en had er vermaak in te zien, met welke
verlangende blikken mijn buurman de door mij versmade lekkernij nakeek,
waarvan de knecht mij eindelijk bevrijdde.
Eenige volgende gerechten gingen zonder verder ongeval voorbij; slechts
toen ik Marie om zout gevraagd had en zooals ik gewoon was, met de
vingers in 't zoutvaatje wilde komen, zeide zij zacht: „Met het mes,
Margot.”
Beschaamd deed ik wat zij zeide, ofschoon ik werkelijk zeer verwonderd
was: want tot nu toe had ik mij altijd van mijn vinger en duim bediend,
om zout te nemen.
Nu kwam het gevogelte op tafel, werkelijk jonge hoenders, juist zooals
Tante Betsy gedacht had. Ik herinnerde mij gelukkig de ontvangen
vermaning en beproefde het vleesch met mes en vork los te maken,
in plaats van zooals anders de teedere beentjes met mijn tanden te
bearbeiden. 't Was echter een ondankbare arbeid, het beste bleef daarbij
aan de beenderen zitten en het deed mij groot verdriet, dat ik die
heerlijke overblijfselen moest laten wegnemen. Met de confituren, die
bij 't gevogelte werden gepresenteerd, was ik ditmaal niet bedrogen: die
waren zoet en frisch, zooals ik ze gaarne lustte en niet zoo onaangenaam
zout als de kaviaar. Ik gebruikte die confituren met niet minder
welbehagen dan mijn dikke buurman zijn steurkuit en verheugde mij reeds
op 't genot van de gesmolten suiker, waarin de vruchten op mijn bord
lagen te zwemmen. Daar ik die suiker met geen vork kon machtig worden en
er geen lepel onder mijn bereik was, lichtte ik mijn bordje op en wilde
het aan mijn lippen brengen, om, zooals ik thuis altijd deed, het sap er
van af te slurpen. Reeds zweefde het bordje in de lucht en was het dicht
bij mijn mond, toen ik mij eensklaps bij den arm voelde vatten, en met
een snellen ruk stond het bord weer op zijn plaats.
„Om 's hemels wil, Margot! Ben je niet wijs?” fluisterde Marie mij toe.
„Men laat de suiker op zijn bord liggen.”
„Op zijn bord?” vroeg ik, terwijl ik Marie aankeek, die nog altijd mijn
arm vasthield, uit vrees, dat ik de comedie nog eenmaal mocht vertoonen.
„De gesmolten suiker is juist het lekkerste van de confituren; die kan
ik toch niet op mijn bord laten liggen.”
„Doe thuis, wat gij wilt;—in gezelschap gaat dat niet anders,”
fluisterde Marie snel; want juist sprak haar buurman haar aan, en kon
ze zich niet meer met mij bemoeien. Zoo zat ik daar bedroefd tegenover
mijn bord met heerlijke vruchtensuiker, die ik niet gebruiken mocht en
ergerde mij vreeselijk over de zonderlinge wetten der welvoeglijkheid,
die mij eerst geboden hadden het vleesch aan de beenderen te laten
zitten en nu het lekkerste van 't geheele diner op te offeren.
„Wat zou mama wel van deze verkwisting zeggen!” dacht ik knorrig, maar
eensklaps stond ik doodelijk verschrikt van mijn stoel op, en keek om
mij heen, wie daar zoo vlak bij mij een pistool had afgeschoten. Mijn
oude buurman lachte hartelijk over mijn schrik en weldra bemerkte ik,
dat hetgeen ik voor een pistoolschot had gehouden, het knallen van een
champagneflesch was, een geluid dat ik misschien eens in mijn leven
gehoord had. En de wijn zelf: Ik had hem lang geleden thuis eenmaal
geproefd, toen het doopmaal van een mijner zusjes gevierd werd, en nu
stond daar een hoog vol glas voor mij, waarin tallooze kleine paarlen
dansten.
De wijn smaakte mij buitengewoon goed. Dat prikkelen op de tong, dat
vuur, dat zoete zonder flauw te zijn, alles droeg bij, om mij hem lekker
te doen vinden. Mijn dikke buurman had er niet minder smaak in dan ik en
't scheen hem zooveel pleizier te doen, dat de wijn mij zoo beviel, dat
hij mij 't eene glas na 't andere inschonk. Weldra gloeiden mijn wangen
en het werd mij zoo raar voor de oogen; doch ik lette daarop niet, tot
ik eindelijk zoo wonderlijk zat te kijken, dat Marie mij angstig aanzag
en zeide:
„Ben je niet wel, Margot? Wat scheelt je?”
„Ik ben zoo wonderlijk! Alles draait mij voor de oogen,” antwoordde ik
en greep Marie's hand om mij vast te houden.
„Heb je champagne gedronken? Dat is koppig goed! Pas op!” zeide Marie.
„Ja, drie of vier glazen. Mijnheer Martini heeft mij aldoor maar
ingeschonken,” fluisterde ik en hield de oogen toe, om wat tot mijzelf
te komen; want ik wist werkelijk niet waar ik was.
„Hoe kon je dat ook doen? Je hadt al wijn gedronken,” zeide Marie en
schonk mij een groot glas water in dat ik snel leegdronk. Dat hielp
gelukkig, en nu wachtte ik mij wel, nog een enkelen druppel van dien
verraderlijken wijn te drinken, hoe mijn buurman mij ook noodigde en
toeknikte. Hij kon, zooals 't mij toescheen, geducht veel verdragen,
zonder er duizelig van te worden, zooals ik, arme nieuweling, dat
geworden was; want zijn glas was onophoudelijk vol en even spoedig weer
leeg. Ik was recht blij, toen men van tafel opstond om naar den tuin te
gaan, waar de koffie zou gepresenteerd worden. De frissche lucht bracht
mijn verward hoofd weer geheel en al in orde, en alweder rijker aan
ondervinding wandelde ik met Marie den tuin rond. Aan Tante Betsy, die
spoedig bij ons kwam, biechtte ik eerlijk al de domme streken, die ik op
dit eerste diner begaan had en die mij nooit uit het geheugen zullen
gewischt worden, al word ik ook honderd jaar oud.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Onder ons.
Elken Maandag kreeg Tante bezoek van eenige kennissen, die thee
bij haar dronken en zich met praten, voorlezen of ook wel eens met
kaartspel vermaakten. Mij werd op die avonden de post opgedragen, om
thee te schenken en den kleinen kring te bedienen, daar Tante niet graag
de meid in de kamer zag. Dat was mij, nadat ik de eerste moeilijkheden
had overwonnen, zeer aangenaam: want huiselijke bezigheden vond ik
heel prettig: ik ontging daardoor het best de verlegenheid, om onder
die oudere heeren en dames fatsoenlijk stil te moeten zitten of ook
wel soms aan hun gesprekken deel te nemen, waarvoor ik nog veel te
weinig algemeene kennis en beschaving bezat. Ik kon immers evengoed
toeluisteren en had tevens wat te doen. Maar in den beginne waren er
natuurlijk verscheidene dingen, die ik eerst moest leeren.
Zoo vulde ik de kopjes altijd hoog tot aan den rand, wat Tante mij reeds
den eersten morgen verboden had; doch dat ik maar niet scheen te kunnen
onthouden. Het kwam mij altijd voor, als zouden de menschen denken, dat
ik 't hun niet gunde, wanneer ik zoo weinig in de kopjes schonk. Verder
liep ik met den trekpot de kamer rond, om terstond de kopjes op de
plaats waar ze stonden, te vullen; totdat Tante mij zacht terugtrok en
mij de kopjes aan de schenktafel bracht, om ze daar weder vol te
schenken.
Wanneer dan de een of andere gast bedankte, hield ik 't voor mijn
plicht zoolang bij hem aan te dringen, tot ik mijn thee of mijn banket
aan den man gebracht had. Tante verbood mij dat. „Dat opdringen,” zeide
zij, „mogen de menschen op uw dorp hartelijk vinden, tot den goeden
toon behoort het echter niet, al is het dan ook juist geen kwaad.
Ook moet je wel opletten, dat je de gasten altijd aan hun linkerhand
iets presenteert en nooit aan hun rechterzijde; anders hebben zij de
rechterhand niet vrij om 't gepresenteerde aan te nemen.”
Vooral was Tante er zeer op gesteld, dat ik alles wat ik deed stil en
zonder veel gedruisch ten uitvoer bracht, „opdat de gasten,” zeide zij,
„het knarsen der raderen, waardoor de huishouding loopt, niet bemerken.
Ik ten minste vind het altijd onpleizierig, wanneer ik iemand een bezoek
breng en ik zie, hoeveel stoornis mijn tegenwoordigheid veroorzaakt.
Dan wordt er gerend en geroepen, deuren en kasten worden open- en
toegeworpen, en dat alles om mij misschien een stukje taart op een
bordje te presenteeren of de thee klaar te zetten. Maak nooit zooveel
leven om niets, kindlief, in 't lichamelijke, zoomin als in 't
geestelijke.”
Daar op die Maandagen slechts oude heeren en dames kwamen, kon ik mijn
lust voldoen, om zoo voorkomend en attent te zijn, als mij maar mogelijk
was. Waren er jongere personen, vooral jonge heeren, dan bedwong Tante
mij meermalen in mijn dienstvaardigheid, als die, volgens haar,
menigmaal te ver ging. 't Was voor mij iets nieuws, dat men overdreven
dienstvaardig kon zijn; Tante wist het echter beter dan ik. Waren er
bejaarde dames, dan liet ze mij stil mijn gang gaan. Vooral voor die,
welke ik 't liefst mocht lijden, kende mijn dienstijver geen grenzen.
Haar van sjaal of mantel te ontlasten, een gemakkelijken stoel te geven,
voetbankjes of stoven aan te dragen, voor een ruggekussentje te zorgen,
voor haar de steken van haar breiwerk te tellen of ze op te rapen als ze
gevallen waren, naalden in te steken, garen of zijde te winden, fruit te
schillen, kortom, haar op alle mogelijke wijzen te bedienen, was mijn
lust en mijn leven. Mijn oog was dan gedurig in de weer, om ook slechts
den minsten wensch te raden. Haar vriendelijk bedanken was mij een
voldoende belooning.
Ten opzichte van de oude heeren was ik natuurlijk beschroomder; toch
deed ik ook voor hen mijn best, om hun gemakkelijke stoelen te geven,
alles wat op den grond viel op te rapen, fijngedrukt schrift voor te
lezen, brillenglazen af te vegen, of soms rustig en vriendelijk toe te
luisteren bij een vervelende vertelling, waarvoor men geen enkelen
oplettenden toehoorder kon vinden.
Veelal, wanneer er op deze prettige avondjes niet gespeeld werd, las de
een of andere van 't gezelschap een mooi boek voor. 't Liefst hoorde ik
Tante Betsy lezen, die niet alleen een mooie stem had, maar ook op elk
woord zoo den juisten klemtoon wist te leggen, dat ik toen eerst goed
begreep welk een schoon talent het is, als men goed kan voorlezen.
Trouwens voorlezen viel mij meermalen ten deel, en opdat ook ik mij in
die kunst zou oefenen, nam Tante dikwijls de moeite om iets met mij te
lezen. In den beginne durfde ik bij zulk een begaafde lezeres nauwelijks
mijn lippen openen; doch zij wist mij vriendelijk aan te moedigen, liet
mij dikwerf regel voor regel naspreken, denzelfden volzin drie- of
viermalen nazeggen, totdat ik den rechten toon gevat had, en dat alles
met zooveel geduld en volharding, dat ik die niet genoeg roemen kan. Zij
had dan ook de voldoening, dat ik langzamerhand eene zeer goede
voorlezeres werd.
Maar wanneer Tante voorlas mocht ik nooit met de handen over elkander
zitten. Altijd moest ik mij met een of ander vrouwelijk handwerk
bezighouden.
„Als jonge meisjes niet wat doen, weten zij geen raad met haar handen en
zitten dikwijls in de alleronbehagelijkste houding.” De mijne, al zeg ik
't zelf, liet vrijwat te wenschen over; mijn rug zocht onophoudelijk de
leuning van mijn stoel, waarschijnlijk omdat ik zoo'n lange slungel was
en mijn ruggegraat daarom een steun verlangde.
„Kijk, ik ben oud, en zit veel rechter dan jij, jonge meid,” zeide Tante
Betsy menigwerf tegen mij. En inderdaad, wat zij zeide, was waar; want
zij zat altijd zoo recht als een kaars, zonder dit te doen, alsof zij
een boonenstaak had ingeslikt.
„'t Is maar gewoonte, kind,” placht zij te zeggen als ik haar daarover
bewonderde. „Wie krom zit, groeit krom. Het boompje, dat jong goed
geleid wordt, geeft bij 't opwassen een flinken, statigen stam. Jong
geleerd, oud gedaan. Wie b. v. zooals mijn lieve Margot, reeds op
zestienjarigen leeftijd zijn voeten zoover vooruitsteekt, met de handen
zulke vechtende bewegingen maakt en overluid in zichzelf spreekt, die
zal op zijn zestigste jaar zich nog even dwaas aanstellen.”
En dan schoof Tante een voetbank onder mijn schommelende, trappelende
voeten. Had ik voor mijn tien vingers ook maar zulk een steunpunt gehad
en die eenvoudig en rustig, zooals 't behoort, in mijn schoot laten
liggen, dan zou 't zeker heel goed geweest zijn; maar dat was voor mij
een al te zware taak.
„Je moet het echter leeren, meidlief,” zei Tante. „Onder 't gesprek
behoort een jong meisje haar vingers stil te houden en niet verlegen aan
haar japon of mantel te plukken; dat staat vreeselijk onbeholpen.
Wanneer je eens wist hoe zulk een beweeglijkheid anderen hindert, dan
zou je er meer aan denken om daartegen te waken.”
„O, Tante, 't is mij zoo moeilijk aan al die dingen te denken,” klaagde
ik soms moedeloos.
„Kom, kom, dat leert men wel, en dan kan men later niet anders,”
hervatte Tante. „Ik verzeker je, dat je 't vroeger zult leeren dan je
wel denkt, kindlief. Ik zie dat je er moeite toe doet, en al knor ik ook
dikwijls, ik ben toch zeer tevreden over je. Slechts geduld, kindlief,
en alles zal wel terecht komen.”
Dit was de eerste keer, dat Tante mij te dien aanzien prees. Hoe
gelukkig maakte mij die lof, en hoe werd ik er door bemoedigd!
Tante ging nu naar haar boekenkast en kreeg „Onze Buurt” voor mij, om
daarin te lezen, terwijl zij haar middagdutje deed. Spoedig beviel mij
dit boek zóó, dat Tante mij moest roepen om thee te zetten. Ik schrikte;
want zoodanig was ik in de lectuur verdiept geweest, dat ik mijn werk
geheel vergeten had.
„Eerst de plicht en dan de uitspanning,” zeide Tante vriendelijk. En zij
had gelijk: ik had eerst voor de thee moeten zorgen en dan gaan lezen.
ZESDE HOOFDSTUK.
In gezelschap.
Tante ontving niet alleen dikwerf gasten, maar ging zelve ook dikwijls
uit, en daar zij mij altijd meenam, maakten die gezellige avondjes, die
wij bij anderen doorbrachten, het mij in den beginne angstig genoeg en
gaven mijn goede Tante vrijwat aanleiding om zich over mij te ergeren.
Vooral één avond is mij onvergetelijk gebleven, die zoo rijk aan
gebeurtenissen was, dat ik ze u vertellen moet, daar hij in zijn
gevolgen invloed op mijn leven had, zonder dat ik het toenmaals
vermoeden kon.
Wij waren op een soirée bij den President der rechtbank, den Heer Van
Doren. Als gewoonlijk stond ik naast mijne vriendin Marie, die mij hier
als overal een redster in den nood was; want ik kende in 't geheele
talrijke gezelschap geen enkel persoon. Met tamelijke verveling keek ik
de zaal rond en monsterde de élegante menigte. Eensklaps echter kwam er
een glans van vreugde op mijn gelaat.
„Kijk eens, Marie, daar staat warempel Dokter Huisman uit Arnhem. Die
heeft Papa nog eerst onlangs een bezoek gebracht. Ik moet hem goeden dag
gaan zeggen. Wat zal hij verwonderd zijn, mij hier te zien!” en ik wees
met den vinger naar een grooten blonden heer, die midden onder andere
gasten stond.
Snel wilde ik van Marie wegijlen en op Dokter Huisman toeloopen, toen
mijne vriendin haastig haar arm op den mijnen legde.
„Blijf hier, Margot,” riep zij zacht, terwijl zij mij terugtrok.
„Vooreerst, wijs toch om 's Hemels wil niet naar iemand. Dat is
vreeselijk onfatsoenlijk, en dan moet ik je zeggen, dat het in 't geheel
niet welvoeglijk is om Dokter Huisman thans aan te spreken, terwijl hij
midden onder andere heeren staat. Om tot hem te komen, zoudt gij er
doorheen moeten dringen.”
„Ach! dat is waar; daaraan had ik niet gedacht,” zeide ik verlegen.
„Daarenboven,” ging Marie voort, „kent ge dien heer zoo van nabij, dat
gij hem het eerst begroeten wilt? Hij is zeker een goed vriend van je
familie.”
„Neen, ik heb hem slechts eens bij ons aan huis gezien; hij kwam bij
Papa voor zaken en bleef dien achtermiddag bij ons,” antwoordde ik min
of meer verlegen. „Maar daar ik hier de menschen zoo weinig ken, vond ik
het zoo prettig, dat ik met hem over Brondaal kon spreken; daarom voel
ik mij veel meer naar hem heengetrokken dan naar de andere heeren, die
noch Papa noch iemand thuis kennen.”
„Hoor eens, Margot, als je hem niet nader kent, wacht dan tot hij je
aanspreekt,” zeide Marie. „Dat behoort zoo. Want al boezemt hij je ook
nog zooveel belangstelling in omdat hij je familie kent, schijnt gij hem
niet erg te interesseeren; anders zou hij je wel aangesproken hebben.”
Hoezeer ik Marie ook gelijk moest geven speet het mij toch geweldig dat
ik door den jongenheer, in wien ik zulk een levendig belang stelde, in
't geheel niet werd opgemerkt. Doch spoedig was mijn knorrigheid over;
want het heerengesprek was uit en de blonde dokter wachtte geen
oogenblik om regelrecht op mij af te komen.
„Hé, juffrouw Zuidhof!” riep hij vroolijk uit. „Vind ik u hier? Een
aardige verrassing! Eerst nu zie ik u, anders had ik mij reeds gehaast
u vroeger mijn compliment te maken. Hoe gaat het u?”
Ik had het wel gedacht! Hij was er ook over in zijn schik, dat hij eene
bekende onder al die vreemden zag; en dat had hij mij niet vroeger
kunnen zeggen, daar hij mij nu eerst opgemerkt had. Gij begrijpt,
hoe prettig ik dat vond, en vroolijk praatte ik nu met hem over al
mijn dierbaren te huis, en Dr. Huisman scheen in alles wat ik hem
voorbabbelde zooveel belang te stellen, dat ik mijn geheele omgeving
vergat en hem openhartig terstond allerlei dingen vertelde. Nadat we een
tijdlang zoo met elkander gepraat hadden, zag ik Tante Betsy eensklaps
dicht bij mij en het scheen mij toe, als zag zij mij onderzoekend en
verrast aan. Ik begreep, dat het haar genoegen zou doen, Dokter Huisman
te leeren kennen, en zoo stond ik snel op en zeide, dat ik mijn Tante
wilde roepen. De dokter volgde mij op den voet en verzocht mij dat
ik hem liever bij Tante zou brengen, opdat hij zich aan haar mocht
voorstellen. Daarbij glimlachte hij zoo zonderling, dat ik vreesde weer
iets doms uitgevoerd te hebben en hoog blozend voor hem uit tot bij
Tante Betsy ijlde, aan wie ik met een paar woorden mijn bekende
voorstelde.
Tante begroette den dokter wel is waar op de vriendelijke manier, waarop
zij voor alle menschen zoo engelachtig goed was; ik vond echter dat zij
hem vrij koel en afgemeten ontving. Dat hinderde mij geducht! Doch hoe
was ik verwonderd, toen Tante, nadat de dokter zich verwijderd had, met
een tamelijk onvriendelijk gezicht mij wenkte om haar naar een donker
vensterkozijn te volgen, waar men ons niet kon opmerken.
„Je spraakt daar al vrij vertrouwelijk met dien jongen heer!” zeide zij.
„Is die dokter Huisman bij u zulk een vertrouwd vriend des huizes? Daar
wist ik niets van.”
„Een vriend des huizes? Dat nu juist niet,” antwoordde ik eenigermate
bedremmeld. „Ik was echter zoo blij dat ik hem zag, omdat ik hier
genoegzaam geen mensch ken.”
„En in je blijdschap heb je geheel vergeten wat een jong meisje past,
kindlief!” zeide Tante zacht.
„Ik, Tante?” riep ik verschrikt uit; want daarvan had ik in 't geheel
geen vermoeden.
„Ja, jij,” antwoordde Tante. „In de drukte van je gesprek heb je niet
opgemerkt, hoeveel verwonderde blikken zich op je vestigden; want je
praatte zoo luid met dien jongen man, dat allen, die er omheen stonden,
verstaan konden wat je zeide. Dan lachte je tusschenbeide ook zoo hard,
sperde den mond zoo wijd open en leunde met den rug in je stoel,
dat ik mij over je schaamde. En 't ergste van alles nog was, dat je
tusschenbeide met den jongen heer fluisterde, alsof gij de intiemste
vrienden waart. Hoe kwam dat toch? Je bent anders zoo schuchter en
bedeesd.”
„Ach, Tante, ik vertelde hem eenige mijner domme streken, en die mochten
anderen toch niet hooren; ik bemerkte ook niet, dat andere gasten naar
ons gesprek luisterden,” zeide ik.
„En heb je hem die verteld? Dat is al heel vertrouwelijk jegens zulk een
vreemden heer. Ken je hem dan zoo goed, om te weten, dat hij in zijn
hart niet den spot drijft met die vertrouwelijkheid?”
„O, dat zal hij niet doen, lieve Tante,” riep ik blozend uit. „Hij
stelde zulk een groot belang in alles wat ik hem van mijn familie en
mijn dorp verhaalde, en dat zou hij toch niet gedaan hebben, als hij zoo
slecht was.”
„Natuurlijk scheen dit u zoo toe; want hij kon toch zoo onbeleefd niet
zijn om weg te loopen, als een jonge dame haar hart voor hem
uitstortte,” zei Tante Betsy glimlachend.
„Ach, Tante!” zeide ik, terwijl mij 't huilen nader stond dan 't lachen.
„'t Is mijn schuld niet, dat je deze kleine strafpredikatie moet
aanhooren, opdat je voortaan voorzichtiger wordt,” ging mijn
onverbiddelijke Tante voort. „Wie weet, of je vriend niet op ditzelfde
oogenblik bezig is aan een anderen jongen man te vertellen, welk een
dwaas kind juffrouw Zuidhof is, en hoe beiden zich ten uwen koste
vroolijk maken.”
„Ach! lieve Tante! zeg dat toch niet!” smeekte ik haar, terwijl de
tranen mij langs de wangen rolden.
„Nu, we zullen er het beste van hopen; troost je dus maar,” hernam
Tante, terwijl zij 't haar uit mijn gloeiend gezicht streek. „Doch ik
moet je waarschuwen om voortaan voorzichtiger en verstandiger te zijn,
en niet zoo aan je gevoelens den vrijen loop te laten. Pas nu op; maak
door een ingetogen, fatsoenlijk gedrag weer goed, wat gij in de oogen
van zoovelen misdaan hebt en bovenal zet een kalm, vriendelijk gelaat:
want het is niet raadzaam om door zijn gelaatstrekken zijn gevoelens en
de bewegingen van zijn hart te verraden; vooral in gezelschap. Daar komt
Marie; zij zal je beter kunnen troosten dan ik.”
Tante wendde zich nu naar eene oude dame, met wie zij een gesprek
aanknoopte, en liet ons alleen om vertrouwelijk met elkander te spreken.
Gelukkig verborg nog steeds het donker vensterkozijn ons; want ik moest
mijn bezwaren in 't hart van mijn goede Marie uitstorten. Zij troostte
mij en stelde mij gerust.
„Je gedrag is in 't oog gevallen,” zeide zij, „ik kan het niet
ontkennen, en ik had je er zoo gaarne opmerkzaam op gemaakt, dat je
gesprek met dokter Huisman lang genoeg geduurd had. Maar je scheen
het zoo druk te hebben, dat je niet om mij dacht, hoe ik ook om je
heendraaide; en ongeroepen kon ik mij in je gesprek niet mengen, daar ik
je vriend niet kende.”
„Ach! noem hem zoo niet,” smeekte ik. „Wie weet of hij dien naam niet
geheel en al onwaardig is en zich over mij vermaakt.”
„Dat denk ik nu juist niet,” antwoordde Marie. „Daartoe ziet hij er mij
veel te ernstig en te vriendelijk uit, en al lacht hij misschien ook in
zichzelf een beetje over 't meisje, dat in haar eenvoud nog niet weet
hoe zij zich gedragen moet, ik ben er zeker van, dat hij zich niet ten
uwen koste zal vermaken.”
„Denk je dat werkelijk, Marie?” riep ik in verrukking uit. „Tante had er
mij zoo bang voor gemaakt.”
„Ik zou mij al zeer in hem moeten vergissen, als hij het deed,” hervatte
Marie.
„Maar al die menschen, voor wie ik mij zoo gecompromitteerd heb! Ik durf
niet meer uit mijn schuilhoek komen!”
„Kom, dat is ook zoo erg niet als je denkt,” zeide Marie. „Het
ergste, wat ik gehoord heb, was dat men lachte en je voor heel jong
en kinderlijk hield, en dit is toch over 't geheel geen groot gebrek.
Daarenboven is men nu de geheele historie alweer vergeten. Kom dus
gerust maar weer te voorschijn; want langer mogen we hier niet staan.
Zie, daar komt juffrouw Van der Velden; zij is altijd vriendelijk jegens
mij en ik heb haar nog niet gesproken. Nu, tot straks! Wees goedsmoeds
en zet niet langer zoo'n armezondaarsgezicht!”
Vreesachtig mengde ik mij weer onder de overige gasten en zette
mij neder in een kamer naast het salon, waarin men juist begon te
musiceeren. Men presenteerde ijs, waarvan ik zeer veel hield, en zoo
verdreef ik mij een poos lang den tijd, terwijl ik naar de muziek
luisterde en mij 't ijs goed liet smaken. Daarbij sloeg ik mijn omgeving
gade, of er misschien niet nog iemand was, die tegen de regelen der
welvoeglijkheid zondigde, opdat ik toch niet alleen als zoo onhebbelijk
mocht bekend staan. Maar helaas! rondom mij was alles zoo welvoeglijk en
ernstig: men praatte wel, maar om de muziek slechts fluisterend—allen
gedroegen zich zoo, dat ik mij zuchtend van hen afwendde.
Daar viel mijn blik op een heer, die dicht bij mij stond. Jong scheen
hij niet en toch zag hij er in 't oogvallend angstig en verlegen uit.
Blijkbaar was hij geheel onbekend in dezen kring en had in 't geheel den
tact niet om zijn schuchterheid te verbergen, zoodat ik een hartelijke
sympathie voor hem gevoelde.
Eindelijk zweeg de muziek en 't gezelschap bewoog zich weer door
elkander; maar mijn vreemdeling bleef daar alleen staan. Ook ik bleef
stil op mijn stoel zitten; want ik was geducht uit mijn humeur.
Eindelijk stond ik op om mijn ijsschoteltje ergens neer te zetten en zag
daarbij, dat mijn vreemde man het zijne nog in de hand had en er
klaarblijkelijk vreeselijk verlegen mee was, daar hij niet wist, wat hij
er mee zou beginnen.
„Ach,” dacht ik, „die arme schelm is ook nog tusschen mal en dwaas,
evengoed als ik,” en daar ik hem voorbij moest, ontlastte ik hem met een
vriendelijk woord van zijn schoteltje en verloste hem daardoor uit zijn
verlegenheid.
Verrast keek de heer op en zag mij zonder een woord te spreken aan;
daarop scheen hij zich te bezinnen en maakte een buiging voor mij, die
tamelijk stijf uitviel. Vervolgens stond hij weer even stil op zijn
plaats en ging ook weer zitten, daar de muziek opnieuw begon.
Ik had eerst gedacht dat de vreemdeling, in wien ik zooveel belang
stelde, niet jong meer was; toen ik hem evenwel wat meer van nabij zag,
bemerkte ik dat ik mij vergist had, en dat zijn onbeholpen gedrag de
oorzaak van die vergissing was. Zoodra ik nu weer zat, nam ik hem nog
eens goed op; eensklaps keek hij mij met zijn donkere, zwaarmoedige
oogen strak en zwijgend een lange poos aan.
Eenigszins gepijnigd door dat aanstaren bepaalde ik mijn aandacht op
mijn handschoenen, waarvan een knoopje was losgesprongen. Toen ik echter
weer even opkeek was 't mij, alsof ik dat gelaat vroeger meer gezien
had. Ik kon den jongen man echter (zooals men 't noemt) maar niet
thuisbrengen, en dat kwelde mij. Natuurlijk keek ik hem daarbij weer
aan; doch hoezeer verschrikte ik, toen ik bemerkte, dat zijn blik nog
altijd op mij rustte. Dat was toch recht lastig! Wat had die vreemde man
aan mij te kijken? Ik voelde dat ik een kleur kreeg; rusteloos draaide
ik mij op mijn stoel heen en weer, en besloot vast, om van plaats te
veranderen, zoodra het zangstuk gedaan was. 't Scheen echter dat er geen
eind aan kwam, en terwijl ik nu tamelijk schuw en verschrikt mijne oogen
voor de blikken van den zonderlingen man neersloeg, gebeurde er weer
iets, dat hem opnieuw verlegen maakte.
Hij hield namelijk, zooals alle heeren, zijn hoed onder den arm, maar
zóó links, dat ik al bang geweest was, dat hij hem zou laten vallen. En
inderdaad! Plats, daar lag de ongelukkige hoed eindelijk, en wel vlak
voor mijn voeten. De vreemde was nu in de hoogste verlegenheid en waagde
het nauwelijks er de hand naar uit te strekken. Onwillekeurig bukte ik
snel, greep naar den hoed en reikte dien, natuurlijk nogmaals hoog
kleurend, aan den eigenaar, die hem met een stijve buiging uit mijn hand
ontving. Doch hierbij verloor hij nu zijn handschoen, dien hij in de
hand hield, en eer hij nog zijn stijven rug gebogen had, gaf ik hem ook
dit verloren kleedingstuk terug.
Wederom maakte hij met doodelijke verlegenheid een buiging, en nu stond
hij daar vlak voor mij, zonder te weten of hij zou spreken of zijn
stomme rol verder voortspelen. Om hem en mijzelve uit onzen pijnlijken
toestand te verlossen, nam ik een album in de hand, dat vlak bij mij
opengeslagen lag, en deed alsof ik mij in de beschouwing der platen
ernstig verdiepte.
't Zij de fraaie gravures de opmerkzaamheid van den jongen heer trokken,
of dat hij meende mij eenige oplettendheid te moeten bewijzen—hoe 't
zij, met uitgerekten hals en wijdgeopende oogen keek hij naar het album
dat ik doorbladerde, doch bleef op zulk een eerbiedigen afstand, dat ik
mij nauwelijks van lachen kon onthouden over het dwaze figuur dat hij
maakte. Om zijn vervelend meekijken te beletten, reikte ik hem 't eene
blad na 't andere toe, opdat hij dat kon bezien, zonder het mij lastig
te maken. 't Scheen, dat deze nieuwe attentie den dam zijner
verlegenheid doorbrak.
„Mejuffrouw!” zeide hij stotterend en zacht, terwijl hij zich naast mij
neerzette. „Ik dank u, o, ik dank u!” Daarop vroeg hij mij of ik veel
van de beeldende kunst hield. Ik antwoordde bevestigend, maar bekende
tevens, dat ik er weinig verstand van had. Toen begon hij mij zoo zacht,
dat zijn stem de muziek niet hinderde, over de meesters te praten, wier
werken zich in dat album bevonden: Koekkoek, Schotel, Ten Kate, ook
van Duitsche en Italiaansche meesters. Eerst was ik wel wat angstig en
herinnerde ik mij, hoe Tante mij verboden had om met andere heeren te
spreken dan met degenen, die mij waren voorgesteld; maar spoedig vergat
ik mijn angst voor de levendige belangstelling, die zijn woorden in mij
verwekten. Hij was blijkbaar een groot kunstkenner, en wist niet alleen
van de werken der meesters, maar ook van hun leven op een zeer aangename
wijs wat te zeggen.
Thans echter zweeg de muziek weder en werd het levendig rondom ons. Ik
begon mij weer te beangstigen, dat ik met den wonderlijken vreemdeling
zoo alleen in een hoekje zat; hij scheen het echter niet te bemerken,
maar ging bedaard met spreken voort. Eindelijk zag ik Marie's blauwe
japon in de nabijheid; snel opstaande, zeide ik eensklaps:
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Ik geloof dat mijne vriendin mij
zoekt.”
Reeds kwam Marie naar mij toe. Zij was zeer verwonderd, dat zij mij zoo
vertrouwelijk met den vreemdeling zag spreken, maakte een lichte buiging
voor hem en zeide:
„Ha, baron! Zien wij u ook eens hier! Wel, dat is goed.”
Ik fluisterde Marie snel in 't oor, mij aan den jongen baron voor te
stellen, daar zij hem kende. Zij keek mij verbaasd aan; want zij dacht
natuurlijk dat de man, met wien ik in zulk een vertrouwelijk gesprek
gewikkeld was geweest, dat zelf reeds gedaan had; ze wendde zich echter
vriendelijk tot ons en zeide:
„Lieve Margot, veroorloof mij dat ik je een vriend van mijn broeder
voorstel, mijnheer den Baron Van der Land. En dit, mijnheer de Baron,
is mijn lieve vriendin, Mejuffrouw Margot Zuidhof.”
Toen Marie zich bij ons gevoegd had, werd Baron Van der Land
weer even onbeholpen en stijf als straks; 't geen bleek uit
de weinige afgebroken woorden, die hij uitstiet als: „Veel
genoegen—juffrouw—allervriendelijkst,” die hem met veel moeite van
de lippen rolden.
Om aan zijn verlegenheid een einde te maken, bogen we voor hem en
begaven ons naar een anderen kant van de kamer. Daar ik echter met
innig medelijden bemerkte, hoe treurig de jonge baron ons nastaarde,
was 't mijn schuld niet, dat mijn goed hart mij aandreef hem nog een
heel vriendelijken blik toe te werpen.
„Lieve hemel! Wat doe je toch, Margot? Wat bega je toch een dwaasheden
van avond!” riep Marie uit, toen ze mijn groet bemerkte. „Eerst zoo
vertrouwelijk met Dr. Huisman, en nu reeds één hart en één ziel met den
menschenschuwen Baron Van der Land? Nu doet het mij inderdaad leed, dat
ik je daar straks gestoord heb in het interessant tête à tête, waarin je
met den zonderlingen jonkman gewikkeld waart. Voortaan behoef je me niet
meer wijs te maken, dat je bloo bent. Een meisje, dat Baron Van der Land
aan het praten kan krijgen, is de medaille van verdienste waard.”
„Zwijg toch met dien belachelijken onzin, en laat mij je vertellen, hoe
dat alles in zijn werk is gegaan,” riep ik uit en verhaalde haar nu, hoe
de vork in den steel zat.
„Gelukkig dat het de verlegen baron is,” gaf zij ten antwoord. „Ieder
ander heer zou je oplettendheid geheel anders hebben uitgelegd. Wat ik
je echter raad, bespaar je gedienstigheid voor oudere lieden; jonge
heeren ontvangen niet gaarne ongevraagd diensten van jonge dames. Dat is
nu eenmaal zoo en niet anders. Maar op den jongen baron hebben je zwarte
oogen een sterken indruk gemaakt; want zie slechts, daar staat hij weer
als een zoutpilaar aan de deur en kijkt smachtend naar onzen kant.”
Marie had gelijk. Hij stond daar en keek ons met zijn groote oogen zoo
zonderling aan, dat mij de kleur weer in 't gezicht sloeg en ik mij
angstig aan Marie's arm klemde; waarbij ik haar smeekte, dat zij mij
niet weer verlaten zou, daar ik anders vreesde nog meer dwaasheden te
zullen begaan.
Toen we naar huis gingen, fluisterde Marie mij schalks in 't oor:
„Geluk met je verovering! Slaap lekker, Margot.”
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De gevolgen van mijn dwaasheid.
Den volgenden morgen kwam Marie reeds vroeg bij mij om te vernemen
hoe mijn avonturen van den vorigen avond mij bekomen waren. Zij hield
mij op zulk een vroolijke manier voor den gek en was zoo uitgelaten
en schalksch, dat haar vroolijkheid spoedig aanstekelijk voor mij was
en wij beiden om 't hardst om mijn verovering lachten. Waarschijnlijk
gedroegen wij ons geducht kinderachtig; want Tante, die anders gaarne
met ons schertste, deelde ditmaal niet in onze vroolijkheid. Ik had haar
den vorigen avond, eer wij naar bed gingen, in ons vertrouwelijk groen
kamertje alles eerlijk opgebiecht en ofschoon zij mij waarschuwde, om
voortaan niet meer dergelijke onbezonnenheden te begaan, moest zij toch
hartelijk over de geheele ontmoeting lachen: eindelijk was zij ernstig
en nadenkend geworden en sprak ze niet meer van de zaak.
„Hoort eens, kinderen,” zeide zij nu, terwijl wij zaten te babbelen en
te lachen. „Uw gedrag bevalt mij in 't geheel niet. Wel heeft de baron
zich belachelijk aangesteld; maar het is volstrekt geen teeken van een
goed hart, alleen oog te hebben voor de komische zijde van het voorval.
't Kan immers zijn dat de menschenschuwe man, werkelijk innig getroffen
is door de vriendelijkheid van zulk een jong meisje? Alleen en verlaten
in een gezelschap te staan is hard, en verdient medelijden, geen
spotternij.”
„Maar, lieve Mevrouw,” zeide Marie. „We lachen niet om het linksche
gedrag van den baron, maar om Margots naïf gedrag en 't geen daarmee
in verband staat. En wat het alleen staan van den baron aangaat, dat
is geheel en al zijn eigen schuld. Waarom zondert hij zich ook zoo van
anderen af? Hij heeft alles wat hij wenscht, en waardoor hij zichzelf
en anderen gelukkig zou kunnen maken; rijkdom, een geëerden naam, een
onafhankelijken staat, een gezond lichaam, en toch leeft hij als een
kluizenaar, ziet nooit iemand bij zich en legt evenmin ooit bezoeken af.
Den een of ander op zijn landgoed te noodigen, dat is nog nooit in zijn
brein opgerezen; en neemt hij soms eens het besluit om uit zijn kluis te
voorschijn te komen, dan ziet hij er zoo schuw en ongelukkig uit, dat
niemand zich aan hem waagt. Zelfs zijn beste vrienden kunnen niets met
hem aanvangen, zooals Eduard zelf zegt. Er is nu eenmaal niets aan hem
te doen; hij is een zonderling.”
„Toch is hij te beklagen,” zeide Tante zacht; „want, ondanks zijn
aardsche goederen, ontbreekt het hem aan 't ware geluk. Hij weet het
leven niet te genieten door voor zich en anderen nuttig te zijn, en
zulke menschen wekken altijd mijn medelijden op.”
„Nu, lieve Tante,” zeide ik, „we zullen niet meer om hem lachen. Ik
erken dat het kinderachtig van mij was. Hij heeft mij gisteravond
werkelijk goed onderhouden en ik heb van hem geleerd. Jammer, dat het
zulk een innerlijk beschaafd mensch aan uiterlijke vormen ontbreekt.”
Juist op dit oogenblik kwam de meid zeggen, dat Dr. Huisman ons een
bezoek kwam brengen. Bij dien naam kreeg ik weer een kleur als bloed.
Des te meer verraste het mij, dat Tante zeide:
„Nu, daar ben ik zeer verheugd over. Laat den dokter binnenkomen.”
Vriendelijk werd hij door haar ontvangen. Hij begroette haar, Marie en
mij zoo ongedwongen en vriendelijk, dat ik minder schroomvallig werd;
want ik begreep er uit, dat hij mijn gedrag niet bespottelijk had
gevonden. Ik mengde mij dus in 't gesprek, om, als 't mogelijk ware, te
verbeteren wat ik den vorigen avond verkeerd gedaan had. Tante had er
den slag van, zulke dingen ter sprake te brengen waarover ik meepraten
kon, en zijn bezoek was inderdaad zoo aangenaam, dat ik, toen hij
wegging, geheel en al over mijzelf tevreden was.
„Nu, Margot,” zeide Tante. „Ik geloof dat die dokter Huisman beter is,
dan ik gisteravond vermoedde.”
„Zeker, Tante, dat heb ik u wel terstond gezegd. Doch waarom denkt u
vandaag beter over hem dan gisteren.”
„Omdat hij zich anders zeker niet zou hebben gehaast ons met een bezoek
te vereeren. Ware hij onverschillig geweest of had hij den spot met je
gedreven, dan zou hij niet gekomen zijn. Zijn bezoek van heden echter
toont mij, dat hij je kinderlijke vertrouwelijkheid als een verstandig
man heeft beoordeeld, en dat bevalt mij in hem. Hij is een beschaafd
man, die fijn gevoelt, en zulke menschen zie ik gaarne bij mij.”
Dat oordeel van Tante verheugde mij; want het stelde mij gerust over
mijn gedrag van den vorigen avond. De dokter had mij niet uitgelachen,
dat was de hoofdzaak, en de andere lieden hadden wel wat anders te doen
gehad, dan over mij, arm kind, dat nog tusschen mal en dwaas was, lang
te denken en met mijn domheden den spot te drijven.
't Was voor Marie een heele triomf, dat zij zich in de gelaatstrekken
van mijn vriend niet vergist had. En zoo namen wij opgeruimd afscheid
van elkander, toen Marie naar huis ging.
Denzelfden dag moest ik eenige boodschappen voor Tante doen, en ik
maakte mij na den eten gereed om uit te gaan, toen ik door 't bezoek van
eenige jonge meisjes werd opgehouden. Tante was bij eene oude vriendin
thee gaan drinken en ik was dus verplicht de honneurs waar te nemen. 't
Was daardoor al tamelijk laat geworden, eer ik de deur uit kon komen,
dus ook laat, eer ik mijn boodschappen verricht had. Toen ik naar huis
ging was het gaslicht der stadslantaarns en in de winkels al opgestoken.
Dat was voor mij wat nieuws. Bij dag had ik die fraaie winkels dikwijls
genoeg gezien; maar hoe geheel anders, hoeveel schitterender zagen zij
er nu bij dat heldere gaslicht uit! Was 't wonder, dat ik, eenvoudig
dorpskind, bij al die pracht er niet over nadacht dat het al laat werd
en hier en daar bij een winkel bleef staan, om de uitgestalde
fraaiigheden te bewonderen?
Vooral de plaatwinkels trokken mijn aandacht. In een daarvan zag ik in
't voorbijgaan enkele van de platen, die ik den dag te voren met baron
Van der Land beschouwd had en wier groote waarde hij mij had leeren
kennen. Bijna onwillekeurig trad ik voor de spiegelruit en beschouwde
die kunstwerken nogmaals, evenzeer als de rijke verzameling van
gravures, die daarnaast hingen of voor de glazen lagen. Geheel en al in
mijn kunstgenot verdiept, bemerkte ik niet, hoe een jong heer mij al
sedert geruimen tijd opnam, vóór hij mij op een zeer in 't oogvallende
manier nadertrad en mij onder den hoed keek. Verschrikt wendde ik mij
van hem af, in de hoop dat hij zich zou verwijderen: ik wist echter
niet, dat mijn vertoeven voor de spiegelruit van den winkel, en dat in
den avond, zeer ongepast was voor een jong meisje, en dat daarom die
jonge heer zich deze brutale vrijheid veroorloofde. Het duurde niet lang
of hij sprak mij op een zeer laffe manier aan, en dat verschrikte mij
geducht. Ik sprong snel van de stoep af en ging met verhaaste schreden
de straat door, om dat jonge mensch te ontvluchten; doch ik bemerkte,
dat hij mij vlak op de hielen volgde en hoorde maar al te goed de
onbehoorlijke woorden, die hij mij toevoegde. Ik had nog een heel eind
af te leggen voor ik thuis was, en door mijn haast en verwarring liep ik
verkeerd en wist weldra geen weg of steg meer. Dat ik slechts bij een
stalhouder had in te loopen en daar een vigilante had te nemen om mij
naar huis te brengen, kwam mij door den angst niet in de gedachte; ik
hoorde maar altijd mijn lastigen vervolger achter mij en stormde
vooruit; want ik was bang, dat hij mij zou beetpakken, daar hij hoe
langer hoe dichter achter mij aankwam.
Het angstzweet parelde mij op 't voorhoofd en de tranen stonden mij
in de oogen. Juist was ik van plan een winkel binnen te gaan en daar
bescherming en hulp te zoeken, toen ik een bekend gezicht op mij zag
afkomen. 't Was dat van baron Van der Land, mijn nieuwen kennis van den
vorigen avond. Ik liep hem met vreugd te gemoet, greep zijn hand zooals
een kind zou gedaan hebben en riep hem smeekend toe: „O, mijnheer de
Baron, bescherm mij als 't u belieft, en wees zoo goed mij huiswaarts
te geleiden, want ik ben verdwaald!”
De baron keek mij verwonderd aan; want ik beefde over mijn geheele lijf
van angst en opgewondenheid; terstond echter bood hij mij den arm en
zeide, terwijl hij een strengen blik op mijn vervolger wierp:
„Met genoegen, lieve juffrouw. Maak u verder maar niet ongerust; ik zal
u wel beschermen.”
Thans eerst kwam 't mij in de gedachte, hoe zonderling mijn gedrag
tegenover den baron was; doch hij kon van mij geen kwaad denken, daar
hij wel zag in welk een radeloozen toestand ik mij bevonden had toen ik
hem om bescherming verzocht, en natuurlijk vertelde ik hem nu in alle
bijzonderheden, hoe ik in die moeilijkheid geraakt was. De edele jonge
man gaf mij onverholen te kennen, hoe 't hem verheugde dat hij mij
van dienst kon zijn. Hij was zoo hartelijk en eerbiedig jegens mij
en herhaalde mij hoe gelukkig hij zich gevoelde, dewijl ik zooveel
vertrouwen in hem gesteld had, dat ik weer vroolijk en gerust werd en
den goeden baron als een kind innig dankbaar aankeek, toen wij eindelijk
ons huis bereikt hadden. Hij zag mij daarbij zoo verwonderlijk ernstig
met zijne donkere, zwaarmoedige oogen aan, dat ik niet recht wist wat ik
er van denken moest; ik had hem echter als een zonderling leeren kennen
en dacht er niet verder over na. Bij 't afscheidnemen gaf hij mij de
hand en drukte die zoo hartelijk, als ik het van dien stijven,
onbeholpen man nooit zou verwacht hebben.
„En ge zult mij wel willen veroorloven morgen naar uw welstand te komen
vernemen, juffrouw Zuidhof?” vroeg hij op uiterst beleefden toon.
„'t Zal mij hoogst vereeren, mijnheer de Baron,” antwoordde ik, en wipte
in huis, terstond naar Tante Betsy ijlende, aan wie ik, recht vergenoegd
over den afloop, mijn avontuur en 't aanstaand bezoek van den baron
mededeelde.
Tante beknorde mij braaf over mijn onvoorzichtigheid en verbood mij
streng in 't vervolg weer lang voor een winkel te staan kijken, 't geen
overdag voor een meisje al heel weinig past, maar 's avonds bepaald
onfatsoenlijk is. Verder beval zij mij, om, wanneer 't weer mocht
gebeuren dat ik door de duisternis overvallen werd, terstond een
vigilante te nemen, om mij naar huis te laten brengen. Mijn ontmoeting
met den baron scheen haar ook al weinig te bevallen; kortom, ik gevoelde
wel, dat ik alweer heel dom geweest was en ging ontevreden op mijzelf
aan mijn naaiwerk.
Den volgenden morgen verscheen het verwachte bezoek werkelijk, en liet
de baron Van der Land zich aandienen. Tante Betsy ontving hem op haar
beschaafde, vriendelijke manier. Toch vond ik haar meer teruggetrokken
dan anders, en daar de baron, misschien wel hierdoor, ook uiterst
verlegen en stijf was, liep het bezoek al heel koel af. Ik had inderdaad
hartelijk medelijden met den armen schuwen jonkman, en deed wat in mijn
vermogen was, om door vriendelijke tegemoetkoming en kinderlijke
ongekunsteldheid zijn toestand gemakkelijker te maken.
Ik was blij dat hij spoedig vertrok; want Tante Betsy was onbegrijpelijk
koel en stroef. Dat kon ik niet overeenbrengen met het liefdevolle
oordeel, door haar den vorigen dag over den baron uitgesproken. Ik zeide
haar dat onbewimpeld.
„Dat heb ik gedaan,” antwoordde zij ernstig, „als tegenwicht voor de
al te groote vriendelijkheid van mijn nichtje. Ik moet je verzoeken,
kindlief, bij al je ongekunstelde hartelijkheid, waarmede je den baron
in zijn verlegenheid poogt voort te helpen, toch wat meer ingetogen te
zijn. Je weet niet of zulk een gedrag wel zoo beoordeeld wordt als gij
't in je onschuld denkt. Een andere uitlegging zou je toch zeker zeer
kwetsen.”
„Een andere uitlegging, Tante?” vroeg ik verwonderd. „En waarvoor zou
men mijn vriendelijkheid dan kunnen houden?”
„Voor behaagzucht, coquetterie, kindlief,” hernam Tante, terwijl zij hoe
langer hoe ernstiger werd.
„Maar, Tante! Hoe komt u dat in de gedachten!” riep ik uit. „Behaagzucht
is toch waarlijk mijn zwak niet. Wat heb ik toch misdaan, dat hij zoo
iets van mij zou kunnen denken! O, als hij dat deed, zou 't al heel
slecht van hem zijn!”
„Ik hoop en geloof dat wij zoo iets van baron Van der Land niet te
vreezen hebben,” antwoordde Tante vriendelijk. „Toch moet gij je van hem
terugtrekken, kindlief; want al moge hij je ook niet voor coquet houden,
hij kon zich toch wel eens verbeelden, dat je levendiger belang in hem
stelt, dan ik vermoed dat het geval bij je is.”
„Maar, lieve Tante, hoe kunt gij nu zoo iets zeggen!” riep ik uit,
terwijl ik tot achter de ooren rood werd. „Gij meent, dat hij zou kunnen
denken, dat ik.... o, Tante!”
Dit denkbeeld vond ik zoo grappig, dat ik, ondanks Tantes ernstig
gezicht, in een hartelijk gelach uitbarstte. Ik op den baron verliefd!
Ik een dartel, jong, onbeschaafd dorpskind! En hij, die ernstige,
voorname, stijve baron, die mij, hoe jong hij ook ware, als een oud
heer, iemand voor wien ik eerbied moest koesteren, voorkwam en aan wien
ik mij als een onergdenkend kind had toevertrouwd! Iets zonderlingers
kon wel niet uitgedacht worden; Tante had dan toch vreemde invallen!
Toen ons gesprek deze vroolijke wending genomen had, want ook Tante
moest bij die gedachte glimlachen, was 't mij weer lichter om 't hart
geworden en ging ik zingend en opgeruimd als gewoonlijk aan mijn
bezigheden. Des namiddags kwam Marie mij een bezoek brengen, en ik
snelde vol verrukking mijn lieve vriendin te gemoet.
„Nu, dat is heerlijk, dat je eens komt,” riep ik uit. „Maar wat scheelt
er aan? je kijkt zoo vreemd!” voegde ik er terstond bij; terwijl ik haar
uitvorschend in de blauwe oogen zag, die mij nu eens zoo guitig, dan
weer zoo ernstig aankeken.
„Ik weet zelf niet, of ik moet weenen dan of ik moet lachen, Margot,”
antwoordde Marie, die, tegen haar gewoonte, erg opgewonden was. „Doch
eerst moet je me zeggen, welke domme streken je nu weer begaan hebt. Heb
je bijgeval den baron Van der Land gisteren ook gesproken?”
„Baron Van der Land? Welzeker. Gisteren en van daag,” zeide ik blozend;
want ik begreep niet, wat Marie met haar vraag bedoelde. „Ik brand van
verlangen, om je alles te vertellen.”
„O, dan laat het zich verklaren,” hervatte Marie nadenkend. „Maar voor
u, lieve Margot, is 't een alleronaangenaamste historie.”
„Maar wat is er dan van die onaangename historie, Marie?” riep ik
ongeduldig uit. „Spreek toch duidelijk. Wat is er toch gebeurd?”
„Ga mee naar je Tante; die moet de zaak te gelijk met u vernemen,”
antwoordde Marie, mij voorgaande naar Tantes kamer.
„Wat is er gebeurd, kinderen?” vroeg Tante, toen wij binnentraden.
„Marie is een sphinx geworden, die in raadsels spreekt, Tante!” riep
ik lachend uit. „Misschien verstaat gij wat zij wil; voor mij, arm
boerenkind, is haar taal te hoog.”
„Ach, mevrouw!” riep Marie half lachend, half weenend uit. „Dat is een
fraaie historie! Wat moeten we nu beginnen?”
„Wat is een fraaie historie?” vroeg Tante. „Je bent opgewonden, Marie.
Ik heb je nooit zoo gezien. Wat heeft je zoo uit je gewone
gemoedsstemming gebracht?”
„Toch niet misschien weer onze goede baron?” vroeg ik luid lachend.
„Ja, ja, lach maar, ondeugend nest!” zeide Marie. „Hij is het juist!”
„De baron? Wat heeft die arme man nu alweer misdaan?” vroeg Tante Betsy,
insgelijks schertsend.
„Och, lieve hemel! Niets minder, dan dat hij..., 't woord moet er
uit.... dan dat hij Margot wil trouwen!” riep Marie uit.
„Trouwen!...” riepen Tante en ik te gelijk uit, en ik begon 't weer uit
te schateren van lachen, evenals dezen morgen bij 't zotte denkbeeld dat
de baron op mij verliefd zou zijn.
„Foei, Marie! kom toch met zulk een onzin niet voor den dag en praat
verstandig,” zeide ik. „Wat je daar zegt, kan niet ernstig gemeend
zijn.”
„En toch is het ernst, Margot, je kunt mij gelooven,” hernam Marie.
„Waarom zou ik anders zoo opgewonden zijn, als 't niet om die fatale
historie was?”
„Maar Marie. Hoe kan 't een mensch met gezonde hersens in de gedachten
komen, om mij, dom schepsel, te willen trouwen?” ging ik vroolijk voort.
„Bedenk eens, ik trouwen! En dan nog wel met een baron!”
Nu kwam ook mijn lieve Marie de zaak zoo grappig voor, dat wij beiden
kinderlijk uitgelaten lachten. In mijn vroolijke luim sloeg ik den arm
om Tante Betsy's hals en keek haar vroolijk in de lieve, zachte oogen,
waarin ik ook vroolijkheid dacht te zullen vinden. Maar de blik, die
mij uit deze oogen aanstaarde, was ernstig en peinzend. Met een licht
hoofdschudden zag ze ons aan.
„Ik begrijp je niet, kinderen,” zeide zij zacht, maar verwijtend. „Reeds
gisteren heeft mij je vroolijkheid over dien braven man gehinderd, en nu
lacht ge weer over hem. Margot, vergeet je dan, wat ik je van morgen
gezegd heb? Had ik dan inderdaad zoo geheel en al ongelijk, toen ik je
zeide dat je vriendelijke voorkomendheid anders kon worden uitgelegd? U
schijnt het denkbeeld heel belachelijk; maar zou dat ook het geval zijn
met hem, dien ge tot dien stap gebracht hebt?”
Deze woorden van Tante waren voor mij een bitter verwijt. Beschaamd
verborg ik mijn gelaat aan haar borst. Eenigen tijd liet zij me zoo
liggen; toen lichtte ze mijn hoofd op en keek mij ernstig en liefderijk
aan.
„Zie je nu wel, kindlief,” zeide zij zacht en vriendelijk, „dat ik geen
ongelijk had, toen ik meende dat de baron meer gevoel had, dan zijn
stijve, wonderlijke figuur en zijn onhandige manieren deden vermoeden?
Het is zoo hard alleen en verlaten door deze wereld te gaan. En mag men
er dan om lachen, wanneer zulk een man iemand meent gevonden te hebben,
die hem liefheeft onder een menigte menschen, die hem onverschillig, ja,
onvriendelijk bejegenen? Is het belachelijk, omdat de arme man daarin
gedwaald heeft, en dat hij dus zijn leven eenzaam en vreugdeloos moet
voortzetten?”
Terwijl Tante Betsy sprak, was mijn lachlust geheel en al verdwenen en
had plaats gemaakt voor een ernstig zelfverwijt, dat mij de tranen in de
oogen bracht.
„Ach, lieve hemel! Tante!” riep ik uit. „Daaraan had ik niet gedacht.
Het was slecht, heel slecht van mij.”
Nu kwam het ernstige, treurige beeld van den baron mij voor de oogen, en
ik kreeg innig medelijden met den armen man. Gaarne had ik hem willen
helpen—doch hoe kon ik dat? Hem te huwen, daaraan toch kon niemand
ernstig denken, ik ten minste niet.
„Ach, lieve Tante!” riep ik schreiend uit. „Het doet mij zooveel leed,
en toch kan ik er niets aan doen. Dat ik ook zoo onbezonnen moest zijn!
Maar wie had dat kunnen denken?”
Tante zweeg en stoorde mij niet in mijn gedachten. Eindelijk zeide
Marie:
„Neen, dat kan ik niet langer bedaard aanzien! Wel was ik voornemens
de zaak niet zoo te vertellen, als zij is; doch thans moet ik 't wel
doen, dat zie ik nu duidelijk in. Gij hadt gelijk, mevrouw, om ons
kinderachtig lachen te berispen; want kinderachtig was het: dat moet ik
bekennen. Doch de zaak is niet zoo ernstig, als gij haar beschouwt. Laat
mij u eerst alles vertellen.”
„Ga je gang, kindlief,” zei Tante.
Marie begon:
„Toen ik een uur of wat geleden van een bezoek thuiskwam, zag ik
den baron voor mij de trap opgaan en in de kamer van mijn broeder
verdwijnen. Hij had mij niet gezien, wat mij zeer aangenaam was. Ik vond
echter, dat hij er zeer opgewonden uitzag en met een ongewone haast de
trappen opstormde. Ik dacht niet verder aan den zonderling, maar hield
mij bezig met eenigen huiselijken arbeid, toen eenigen tijd daarna mijn
broer met een vroolijk gelaat de kamer binnentrad.
„Raad eens, Marie,” zeide hij met een guitigen glimlach, „wie daar bij
mij geweest is?”
„Je vriend, baron Van der Land,” antwoordde ik. „Dat is niet moeilijk te
raden.”
„Doch raad nu eens waarover hij mij kwam spreken, mijn verstandig
zusje,” ging hij lachend voort.
„Wat gaan mij de zaken van je vrienden aan,” zeide ik. „Laat mij
daarover met rust.”
„Zeg dat niet zoo gauw,” hernam hij. „Ze gaan je zeer goed aan. Of is
't je onverschillig, als ze je aardig zwartoogje van een vriendin
betreffen?”
„Hoe zou 't bezoek van dien zonderling Margot aangaan?” vroeg ik. „Maar
dat is niet mogelijk. Wat wil hij dan, lieve Eduard! O, vertel 't mij
toch!”
„Je vroolijke, aardige Margot was het voorwerp van ons gesprek,” hernam
hij.
„En wat wil de baron dan van haar?” vroeg ik.
„Niets meer of minder dan met haar trouwen,” antwoordde Eduard droogweg.
„Ik behoef u niet te zeggen, dat mijn verbazing niet geringer was dan
daar straks de uwe. Toen ik een weinig van de verrassing bekomen was,
deelde Eduard mij het wonderlijke gesprek mede, dat hij met den baron
gehad had en dat ik wil beproeven u zoo trouw mogelijk terug te geven.
„Eduard!” had de baron geroepen, toen mijn broeder zijn zeldzamen gast
vriendelijk begroet had. „Ik heb je een vriendschapsdienst te
verzoeken.”
„Tot je orders,” antwoordde Eduard. „Wat is er? Ge zijt toch niet
voornemens om te duelleeren?”
„Dat nu juist niet; maar iets bijna even gewichtigs. Ik wil trouwen,”
antwoordde de baron ernstig.
„Trouwen! voortreffelijk! En wie is dan de uitverkorene van je hart? En
welke rol moet ik daarbij vervullen? 't Zal toch, hoop ik, geen treurige
rol zijn?” riep Eduard uit.
„Ik bemin juffrouw Margot Zuidhof,” antwoordde de baron, „en daar zij de
vriendin uwer zuster is, verzoek ik je, haar voor mij ten huwelijk te
vragen!”
„Hoe! Heeft die aardige kleine Margot het hart van den menschenhater
getroffen!” riep Eduard verbaasd uit. „Nu, dat is drommels aardig! Maar
hoe komt ge daartoe? Hoe is dat toch in zijn werk gegaan?”
„Omdat ik gemerkt heb, dat zij mij liefheeft,” zeide de baron kort en
droog.
„Wat men al niet beleeft!” riep Eduard lachend uit. „Je bent een
toovenaar. Maar weet je ook zeker, dat ze u bemint? Heeft ze 't je dan
gezegd?”
„Niet in woorden; doch meer dan dat, door haar blikken en handelingen,”
hernam de baron.
„Dus heeft de kleine Margot de coquette met je gespeeld. Wel drommels,
dat had ik van dat frissche mosroosje niet gedacht!” riep Eduard
vroolijk uit; want hij bemerkte wel, dat alles hier niet geheel en al
was zooals 't behoorde en dat de wonderlijke baron meer vermoed had te
zien, dan er werkelijk gebeurd kan zijn.
„Van coquetterie kan hier geen sprake zijn,” zeide de baron beleedigd.
„Het jonge meisje heeft, zonder dat zij 't vermoedde, getoond, dat ik
haar niet onverschillig ben, en daarom wensch ik het roosje te plukken,
dat zich voor mij in al zijn liefelijkheid ontsluit.”
„Je wordt poëtisch, vriend,” riep Eduard uit. „Dus uit ridderlijke
opoffering verheft ge het meisje tot je gemalin! Hebt gij haar ook zoo
lief, als je vermoedt dat zij u heeft?”
„Eduard,” hernam de baron, „ge weet, hoe mijn familie er op aandringt
dat ik mij in 't huwelijk zal begeven. Ze heeft mij reeds allerlei
voorstellen gedaan, mij de rijkste en aanzienlijkste meisjes
aangeprezen; maar geen van allen bevallen ze mij; ik kan dat trotsche
vrouwvolk niet uitstaan. Lachen en spotten ze niet allen over mijn
stijf, ernstig voorkomen? houden ze mij niet allen voor den gek? toonen
ze niet duidelijk, dat ze mij niet lijden mogen, en zouden ze mij niet
allen hare hand alleen daarom willen geven, dewijl ik rijk en van ouden
adel ben? Voor zulk een huwelijk bedank ik hartelijk. Daarom had ik
reeds besloten om niet te trouwen. Doch Margot Zuidhof heeft mij tot
andere gedachten gebracht. Zij is het eerste vrouwelijke wezen, dat mij
achting en vertrouwen getoond heeft, in plaats van mij te bespotten; dat
heb ik duidelijk in haar oogen gelezen en daarom wil ik haar huwen.”
„Je mededeeling verbaast mij,” hernam Eduard, nadenkend geworden. „Maar
nog eens: wat zegt je hart van dit besluit? Is het slechts medelijden
met het bevallige kind, dat je aanzet om haar je hand te schenken?”
„Ik leid een zeer eenzaam leven, vriend,” antwoordde de baron. „De
liefde van zulk een jong, lief wezen kan mij niet onverschillig doen
blijven, en wat er aan mijn liefde ontbreekt, zal wel komen, als ze eens
mijn vrouw is.”
„Maar, vriendlief! Bedenk toch! Zulk een jong kind!” waarschuwde Eduard
hem, terwijl hij 't hoofd schudde. „Ze is ter nauwernood zestien jaren.”
„Jeugd is geen gebrek,” antwoordde de baron.
„Maar zij is van burgerlijke afkomst en uw familie van ouden adel. Wat
zullen uwe bloedverwanten zeggen?”
„Dat gaat mij niet aan,” hernam de baron. „Ik ben mijn eigen meester en
aan niemand rekenschap verschuldigd. Zeg mij eenvoudig, of je in mijn
naam 't aanzoek doen wilt. Mij ontbreekt het ten eenenmale daartoe aan
tact.”
„Met genoegen. Doch wijt het mij niet, wanneer 't antwoord anders
uitvalt, dan je verwacht,” hervatte Eduard, terwijl hij den baron de
hand reikte.
„Wees daarover niet bekommerd, en wees verzekerd, dat, hoe de zaak ook
afloopt, ik je steeds dankbaar zal zijn.”
„Met deze woorden was de baron heengegaan, en Eduard terstond bij mij
gekomen, om mij het nieuws mede te deelen, en mij in den arm te nemen,
om voor hem het aanzoek te doen. Nu weet je de geheele geschiedenis en
ik geloof dat je lieve Tante de zaak niet meer uit zulk een tragisch
oogpunt beschouwt als daar straks. Want daar Margots hart niet in zulk
een hopeloozen toestand verkeert als de goede baron denkt, en dit,
zooals hij duidelijk heeft te kennen gegeven, de groote reden van zijn
aanzoek is, valt de geheele zaak van zelf in duigen, en we behoeven er
ons niet over te verontrusten dat een weigering 't hart van den baron
zal breken.”
„Zoo licht zie ik de zaak niet in, lieve Marie,” antwoordde Tante, nog
steeds ernstig, toen Marie zweeg. „'t Moge nu wel niet uit liefde tot
Margot zijn, dat de baron haar hand vraagt; 't staat echter niet aan ons
te beoordeelen, in hoeverre zijn hart daarbij werkelijk in het spel is.
Ik moet je zeggen, dat het mij in hem bevalt, dat hij zonder eenige
nevenbedoeling een eenvoudig meisje kiest, en het doet mij innig leed,
dat hij zich nu weer tot zijn vroegere eenzaamheid veroordeeld ziet.”
„Maar zijn ijdelheid heeft toch waarlijk deze kleine les wel verdiend,
Mevrouw!” hervatte Marie. „Hij moet zich al voor zeer belangwekkend
houden, om te denken dat zulk een knap meisje als onze lieve Margot zoo
maar in eens tot over de ooren op hem verliefd zou zijn geworden, en dat
alleen omdat zij hem eenige vriendelijkheden bewezen heeft.”
„Ik heb je nog niet kunnen verhalen, onder welke omstandigheden ik
gisteren den baron ontmoet heb, Marie; en die ontmoeting heeft hem zeker
in zijn meening versterkt,” zeide ik beschaamd en vertelde haar het
avontuur van den vorigen avond.
„Dat alles geeft hem toch volstrekt geen recht, om het er voor te houden
dat je verliefd op hem bent,” antwoordde Marie. „Hij mag er ten hoogste
uit opmaken dat je hem hoogacht en vertrouwt. En daarom kan 't
volstrekt geen kwaad, dat mijnheer de baron bij deze gelegenheid eens
ondervindt, dat er nog jonge meisjes in de wereld zijn, die niet zoo
hoog met rijkdom en adelstand loopen, om daarvoor een liefde te
huichelen, die zij niet bezitten.”
„Het zal den armen man nog stijver en schuwer maken dan hij nu reeds
is,” hervatte ik. „Neen, neen, Marie, je oordeelt te hard, en ondanks
alles, wat je hem ten laste legt, doet het mij geducht leed.”
„Welnu, trouw hem dan, schatje!” zeide Marie. „Misschien verricht je een
goed werk en maakt een bruikbaar mensch van hem.”
„Neen, dat kan ik niet doen, hoeveel medelijden ik ook met hem heb,”
antwoordde ik. „Daarenboven vraagt hij mij alleen, omdat hij meent dat
ik hem bemin; ik zou hem dus bedriegen als ik zijn aanzoek aannam. Maar
ik wensch van harte, dat hij spoedig een andere vindt, die hem kan
schenken, wat ik hem niet kan aanbieden.”
„Dat willen we hopen, Margot,” zeide Tante vriendelijk, en kuste mij op
't voorhoofd. „En tevens, dat de zaak hiermede is afgedaan en geen
verdere gevolgen zal hebben. Doch trek uit deze ervaring de ernstige
les, dat een jong meisje tegenover heeren niet voorzichtig en ingetogen
genoeg kan zijn. Zoo menig meisje heeft den naam van coquet gekregen,
alleen doordien haar onbezonnenheid en levendigheid haar verleidden tot
woorden of handelingen, die tegen de eenmaal aangenomen regelen der
welvoeglijkheid indruischen. Dat de baron je, nu je hem weigert, niet
voor een coquette moge houden, wensch ik van harte; van een minder
ernstigen en soliden man dan hij is, zoudt ge nauwelijks een andere
verklaring van je gedrag kunnen verwachten.”
En zoo liep deze zaak af. Eduard nam de taak op zich, den baron mijn
weigering over te brengen. Hij deed dit zoo verschoonend mogelijk; maar
ondanks den tact, waarmede hij zijn vriend den staat van zaken
verklaarde, had die weigering toch ten gevolge, dat de schuchtere baron
zich weer gedurende langen tijd uit alle gezellige kringen verwijderd
hield.
Voor mij was dit voorval een les voor geheel mijn leven.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Eene logée.
Hoe langer ik in 't huis van Tante Betsy vertoefde, hoe meer ik er mij
op mijn gemak begon te gevoelen, en reeds sedert lang dacht ik niet meer
met dat smachtend verlangen, dat mij in den beginne zoozeer kwelde, aan
't lieve ouderlijke huis terug. Meer en meer erkende ik welke waarde
het voor mijn geheele vorming had, dat ik een gedeelte mijner jeugd
bij Tante Betsy doorbracht, en de liefdevolle manier, waarop zij mij
wist te leiden, deed mij vrij gemakkelijk duizenderlei gebreken en
onhebbelijkheden verbeteren, waarmede ik nog steeds te kampen had.
Het ontging mij niet dat Tantes voorhoofd tusschenbeide bewolkt was en
ik maakte mij ernstig ongerust, toen ik haar op zekeren morgen weenend
in haar fauteuil vond zitten. Er lag een brief voor haar op de tafel,
en toen ik op haar toeijlde en haar vroeg wat haar scheelde, gaf zij
mij vriendelijk een wenk om mij te verwijderen, waaraan ik natuurlijk
gehoorzaamde. Het duurde lang eer zij bij mij in de kamer kwam, en ik
hoorde haar verscheidene malen op haar kamer heen en weer loopen.
Eindelijk kwam zij beneden, kalm en rustig, ofschoon ernstig en
neerslachtig, ging naast mij zitten en zeide:
„Margot, ik wil je gedeeltelijk mededeelen, wat mij zoozeer neerdrukt.
Je bent een verstandig meisje en hebt mij lief; daarom kan ik gerust
mijn hart voor je uitstorten. Natuurlijk spreek je er tegen niemand over
dan tegen Marie en je lieve moeder, aan wie ik 't zelf zal mededeelen.”
„Daarvan kunt gij verzekerd zijn, lieve Tante,” antwoordde ik.
„Je weet, Margot,” begon zij, „dat ik sinds vier jaren weduwe ben,
nadat ik aan de zijde van mijn geliefden man onvergetelijke jaren van
huiselijk geluk gesmaakt heb. Toen God ons het eenige kind, dat Hij ons
geschonken had, weder ontnam, sloten wij ons te inniger aan elkander.
Daar was echter nog iets anders, wat ons leed veroorzaakte. De eenige
broeder van mijn echtgenoot, dien hij zeer liefhad, was eenige jaren
na den dood zijner eerste vrouw met een jong meisje gehuwd, voor wier
lichtzinnigheid en luimen men hem gewaarschuwd had. 't Scheen dat Adolf
met blindheid geslagen was; zelfs de zorg voor zijn elfjarig dochtertje
hield hem niet terug van den onberaden stap. Slechts al te spoedig zag
hij in hoe onverstandig hij had gehandeld. Gedurende de zeven jaren,
welke hij met deze tweede vrouw gehuwd is, heeft de krachtige man
zooveel verdriet gehad, dat hij wel een grijsaard gelijkt. Zwak en
toegevend van aard, laat hij haar alles toe, om maar den lieven
huiselijken vrede te bewaren. Dat nu Eugenie, de dochter, onder de
leiding van zulk eene moeder geen goede opvoeding heeft genoten, kunt
ge wel begrijpen; want de invloed van haar vader was te gering, om
zijn kind voor allen nadeeligen invloed van den kant harer stiefmoeder
te bewaren. Eugenie is opgegroeid als een talentvol meisje, schoon en
bevallig; doch ze mist alles wat het schoonste sieraad is der vrouw.
Reeds dikwerf heb ik mijn zwager aangeboden haar eenigen tijd bij mij te
nemen—de arme man kon er echter niet toe besluiten, de eenige vreugde
zijns levens van zich te laten gaan, en zoo bleven de zaken zooals zij
waren. Nu kreeg ik van morgen de tijding dat Adolf benoemd is bij een
buitenlandsche ambassade en noch vrouw noch dochter kan medenemen. Daar
hij Eugenie niet gaarne onder de hoede harer lichtzinnige stiefmoeder
wil laten, verzoekt hij mij vriendelijk zijne dochter, zoolang als hij
uitlandig zal zijn, in mijn huis op te nemen. Ik heb hem terstond
geantwoord dat ik daartoe bereid ben, en verwacht Eugenie dus heel
spoedig. Omdat nu deze verandering in ons huisgezin ook u betreft, moest
ik je een gedeelte van die treurige familiezaken mededeelen, waarvan ik
nog nooit een woord tegen iemand gerept heb. Ik vertrouw dat je geduld
zult hebben met de gebreken van Eugenie, waarvan de omgeving, waarin zij
geleefd heeft, de oorzaak is. Ook mijn taak zal niet gemakkelijk zijn.
En daarom willen we beiden met moed en liefde onze Eugenie verwachten.”
Zonder nog te antwoorden keek ik Tante aan. Ik begon mij hier zoo geheel
en al thuis te gevoelen, en zag er nu tegen op eene nieuwe huisgenoot,
en nog wel zulk eene, te ontvangen. Tante scheen mijne gedachten te
raden.
„Vrees niets, lief kind,” zeide zij. „Onze nieuwe huisgenoot zal u niet
benadeelen. Waar ze 't je te lastig mocht maken, zal ik je beschermen.
Vertrouw op mij en wees goedsmoeds.”
Eenige weken na dit gesprek kwam de verwachte nicht op zekeren namiddag
aan. Tante was naar 't station gereden om Eugenie te ontvangen, en ik
verwachtte beiden met de dampende koffie, waarmede ik de reizigster
dacht te zullen verkwikken. Daar kwam de vigilante voor, en door een
reet van 't gordijn zag ik naast Tante Betsy eene statige, slanke jonge
dame uit het rijtuig stappen, die met vluggen tred naar de huisdeur
ging; terwijl zij de zorg voor haar talrijke reisbenoodigdheden aan een
jong meisje overliet, dat zich daarmede tot aan de kin belaadde. Ik
snelde de aankomenden te gemoet en werd door Tante Betsy aan Eugenie als
haar lieve nichtje Margot voorgesteld.
„Zoo! Is dat de boerendeern, waarvan gij mij vroeger wel eens verhaald
hebt? Nog geheel en al tusschen mal en dwaas, naar 't mij voorkomt,”
zeide Eugenie, terwijl ze mij nauwelijks met een blik verwaardigde. Toch
reikte ze mij even de toppen harer vingers, die in fijne lichtgrijze
glacéhandschoenen staken; wendde zich tot Tante en zei op snibbigen
toon:
„'t Schijnt dat ge voornemens zijt, Tante, om een
jonge-juffrouwenkostschool te beginnen; daar ge de eene jonge dame na
de andere laat komen.”
„Ik hoop dat mijn Margot een lieve zuster voor je zal wezen, Eugenie,”
antwoordde Tante, zonder op de hatelijke opmerking van haar nichtje te
letten. Eugenie wendde zich lachend tot mij en zeide:
„Tot hiertoe heb ik 't best zonder een zuster kunnen stellen; maar ik
heb er niets tegen, dat we goede vriendinnen worden, cousientje.”
En, eer ik 't vermoedde, naderde zij mij snel en drukte mij een
hartelijken kus op den mond. Maar even snel wendde zij zich tot het
zwaarbeladen jonge meisje, dat juist in de kamer trad, en riep:
„Lizette, leg dien rommel maar eventjes op den grond neer en haal mij
een glas water. Ik stik van warmte en dorst.”
Eer nog Lizette 't haar bevolene had kunnen verrichten, wierp haar
meesteres zich op een stoel, strekte één voet uit en riep:
„Trek mij toch die afschuwelijke pelslaarzen van de voeten, waarmede ik
er uitzie als een Laplandsche, en geef mij mijn lichte pantoffels aan.”
Lizette deed wat haar bevolen was, knielde voor Eugenie neder, en deze
had er pleizier in de losgemaakte en versmade pelslaarzen over 't hoofd
harer kamenier in den tegenovergestelden hoek der kamer te slingeren.
Ik stond geheel en al verbluft. Wat een zonderling meisje was dit!
Trotsch en daarbij hartelijk, despotisch en tevens kinderlijk, en
bovenal zoo onbegrijpelijk op haar gemak en ongegeneerd, als woonde
ze reeds jaren bij Tante Betsy in huis. Deze scheen echter op 't
zonderlinge gedrag van de nieuwaangekomene geen acht te slaan; want toen
zij sjaal en hoed had afgedaan, zette zij zich gemakkelijk in 't hoekje
van haar sofa neder en zei opgeruimd:
„Nu, Margot; ik hoop dat je voor een lekker kopje koffie gezorgd hebt;
dat zal ons goed doen. Haast je, Eugenie; anders blijft er niets voor je
over.”
„Koffie! De Hemel beware mij! Die drink ik nooit,” antwoordde Eugenie;
terwijl ze haar bruinen krullebol schudde en een paar lichtblauwe,
keurig gevoerde pantoffels aan haar nette voetjes trok. „Koffie! Een
akelige drank, die iemands teint bederft en sproeten veroorzaakt.”
„Maar wat drink je dan in plaats van koffie, kindlief?” vroeg Tante.
„'s Morgens chocolaad, 's namiddags in 't geheel niets, of thee,”
antwoordde Eugenie; terwijl ze zich, zoo lui zij kon, in Tantes
gemakkelijken leunstoel uitstrekte en met de lichtblauwe voetjes op en
neer wipte.
Ik kreeg een kleur van verontwaardiging, toen ik 't moest aanzien, dat
Eugenie zich zoo maar onverschillig in den leunstoel neervlijde, waarop
ik 't niet zou gewaagd hebben te gaan zitten. Zoo iets echter behoefde
ik bij die jonge prinses niet te verwachten; haar scheen 't beste
nauwelijks goed genoeg. Tante liet haar ook rustig begaan en wendde zich
tot mij, met het verzoek wat thee voor Eugenie te zetten, daar een warme
drank haar goed zou doen. Toen deze er niets tegen inbracht, deed ik wat
Tante mij bevolen had.
Intusschen had het jonge meisje een borstel uit den zak gehaald en
poetste daarmede de lange nagels harer sierlijk witte handen, als ware
zij alleen in de kamer. Toen sprong ze van haar stoel op, krulde haar
kastanjebruine lokken voor den spiegel op, en ging daarop in de kamer en
in Tantes boudoir eens rond, om met een vluchtig oog de schilderijen,
boeken en sieraden te beschouwen.
„Wat is alles vreeselijk ouderwetsch bij u, Tante!” riep zij daarop
lachend uit. „Die oude prullen heeft Mama al sedert lang naar den
uitdrager gestuurd. Alle twee jaren hebben wij een geheel nieuw
ameublement.”
Ik stond verbaasd over die opmerking! Deze schoone, solide, kostbare
meubelen noemde Eugenie oude prullen! Die meubelen, waartusschen ik
mij in de eerste dagen van mijn verblijf alhier ter nauwernood durfde
bewegen uit hoogschatting van die kostbare dingen, ouderwetsche prullen!
Dat was toch al te erg, en met een angstigen blik keek ik Tante aan, om
te hooren wat deze daarop zou antwoorden.
Zij bloosde even en beet zich op de lippen. Toen echter antwoordde zij
kalm:
„Aan deze oude meubelen zijn voor mij liefelijke herinneringen
verbonden, Eugenie. Zij zijn getuigen geweest van mijn schoonste dagen
en zijn met mij oud geworden. Ik zou er niet gaarne een enkel stuk van
missen of tegen een nieuw verruilen; want we zijn zoo langzamerhand aan
elkander gewoon geworden. Wie zich steeds in een nieuwe omgeving
beweegt, denkt niet gaarne terug aan vroegere dagen; hij heeft een
wereldsch, rusteloos gemoed, waarvoor slechts het nieuwe bekoorlijkheid
en waarde bezit.”
Met een zonderlingen blik zag Eugenie Tante aan, half glimlachend, half
ernstig.
„Wat hebt ge toch allerliefste ideeën, Tante,” zeide zij onbeschroomd.
„Die passen zoo precies bij die oude meubelen; want ze zijn even
eerwaardig en ouderwetsch. Maar gij hebt gelijk. Wat gij daar zeidet,
heb ik nog nooit zoo ingezien.”
„Je hebt waarschijnlijk nog zooveel niet begrepen, wat waar en goed is,
kind!” antwoordde Tante vriendelijk. „Ik hoop dat je dat nu zult
leeren.”
Eugenie ging zwijgend in haar stoel zitten; ze scheen een weinig op haar
teenen te zijn getrapt. Ik bracht haar een kopje thee.
„Ik lust geen thee; ik heb 't warm genoeg,” zeide zij knorrig en duwde
het kopje zoo hard weg, dat de thee over mijn japon vloog. Ik keerde mij
schielijk om; want ik ergerde mij over het wispelturige meisje. Tante
zeide echter zeer bepaald, maar kalm:
„Dit kopje zul je uitdrinken, Eugenie; want vooreerst is 't goed na de
reis, en ten tweede heeft Margot alleen te uwen gevalle thee gezet. Als
je vooraf hadt geweten, dat je ze niet gebruiken zoudt, dan hadt je
Margot de moeite moeten sparen om ze te zetten.”
Eugenie keek haar verbaasd aan en werd zoo rood als een kalkoensche
haan. Ze zat eenige oogenblikken als een bedorven kind in haar stoel en
bekeek haar witte nageltjes; toen richtte zij zich eensklaps op, trok
het kopje thee naar zich toe, deed er melk en suiker in, dronk het
vocht in één teug op en schoof mij 't ledige kopje toe. „Nog een,
Margot!” zei ze gebiedend. Ik schonk haar weder in, en nu dronk ze ook
dit weer even snel uit, mij 't leege kopje toeschuivende. „Nog een!”
riep zij.
Ik keek Tante vragend aan: want blijkbaar was Eugenie koppig en wilde
zij Tante boos maken. Deze antwoordde echter doodbedaard: „Neen, Margot,
schenk geen thee meer. 't Zou Eugenie kwaad doen.”
Mijn eigenzinnig nichtje zeide niets, maar bitter boos zat ze daar in
den leunstoel en trommelde zenuwachtig met haar blauwe pantoffels op het
tapijt. Eindelijk riep ze, terwijl ze 't hoofd achterover in den stoel
wierp:
„Zeg eens, Margot. Ben jij hier óók in 't verbeterhuis?”
„Maar, Eugenie!” riep ik bevend uit; verder was 't mij niet mogelijk,
één enkel woord te uiten.
Eugenie verwachtte ook geen antwoord, maar knipte met duim en vinger en
begon wat te neuriën. Tante stond op en ging zwijgend naar haar boudoir;
toen zij de deur achter zich toedeed, waren wij beiden alleen.
„Maar, lieve Eugenie; hoe kon je Tante zoo krenken?” vroeg ik met tranen
in de oogen over 't geen het meisje mijn goede Tante had aangedaan.
Eugenie neuriede voort en gaf mij geen antwoord.
„Je weet niet hoe goed Tante is, Eugenie,” hervatte ik. „Je moet
wezenlijk liever voor haar zijn; zij verdient je liefde en achting ten
volle. Je kent haar niet; maar ik ben al zoo lang hier, dat ik haar
hooge waarde weet te schatten. Zij meent het met iedereen zoo goed.”
Hier werd ik in de rede gevallen door een duchtig geeuwen. Eugenie hield
haar beide ooren dicht.
„Hemelsche goedheid! Je lijkt wel zoo'n vervelende schoolmamsel!” riep
zij uit.—„Och, och! Hoe zal ik, arme heidin, 't onder al die heiligen
uithouden!”
Daarbij zette ze zulk een komiek gezicht en keek mij zoo guitig aan, dat
ik mij op de lippen moest bijten om niet te lachen.
„Zeg eens, klein wijsneusje, hoe oud ben je toch wel, dat je je vermeet
om mij lessen te geven?” vroeg ze, terwijl ze mij met balletjes wierp,
die ze van haar broodje kneedde. „Ben je het domme vierendeeljaars al te
boven? Eigenlijk schijn je me toe nog tusschen mal en dwaas te zijn. Ben
je al veertien jaar en zeven weken?”
„O, ja, die heb ik gelukkig achter den rug, al is het dan ook nog niet
lang,” antwoordde ik glimlachend en wierp haar 't mij toegeworpen
broodballetje in 't gezicht.
„Maar hoe kun je je dan Margot laten noemen?” vroeg Eugenie. „Margot wil
eigenlijk zeggen Grietje, en dat is een boerennaam; zoo noemden ze je
zeker thuis op het boerendorp. Ik kan dien naam niet uitstaan en zal je
Margareta noemen of liever madeliefje[1]; dat is toch juist hetzelfde.”
[1] Marguérite is Margareta en madeliefje.
„Zeer veel eer voor een kind, dat nog tusschen mal en dwaas is,”
antwoordde ik bits; want ik gevoelde zeer goed, dat ze mij wat in de
hoogte stak.
„Nu, al ben je ook wat onnoozel, dom ben je waarlijk niet.”
„Niet zoo dom als ik er wel uitzie,” zeide ik lachend.
„En wie zegt dat je er dom uitziet?” riep Eugenie snel. „Ik niet; want
ik vind je nog al tamelijk knap.”
„Ja, ja, zoo'n knapheid van zestien jaren, als ieder meisje nog tenger
is en een frissche blozende kleur heeft,” antwoordde ik spottend.
„Laat twisten met u, wie er lust in heeft! Je bent een heks!” riep
Eugenie; terwijl ze me haar heele broodje op den rug wierp, dien ik haar
juist toekeerde.
„Ga toch niet zoo onbezonnen met het kostelijke eten om, Eugenie,” zeide
ik verwijtend, terwijl ik het broodje weer op tafel legde. „Tante kan
niet dulden dat men met brood speelt.”
„Nu, dan zal ik het maar laten,” riep Eugenie uit, terwijl ze deed alsof
ze heel verschrikt was. „Anders zou ik nog al het brood moeten opeten,
waarvan ik eerst kogels en figuren gedraaid heb; evenals ik daar straks
je afschuwelijke thee moest opdrinken, die me nog als vuur in de keel
brandt.”
„Omdat je daarbij zoo dom waart die in eens uit te drinken,” zeide ik,
terwijl ik het theegoed in elkander zette.
„Ik moet toch eens zien, of Tante weer lust heeft om mij op te eten,
zooals straks,” zeide Eugenie ondeugend en ging naar de deur van Tantes
kamer, en nog eer ik haar verschrikt kon terughouden, was de deur al
open en zij er achter verdwenen.
„Lieve Hemel! Is me dat een meisje!” riep ik uit, terwijl ik haar
angstig nastaarde; want nooit zou ik 't gewaagd hebben Tante te storen,
als zij naar haar kamer was gegaan. En zij durfde het te doen, nadat zij
haar boos gemaakt had! Ik luisterde oplettend of ik geen hevige
woordenwisseling zou vernemen; maar het duurde niet lang, of daar klonk
Eugenie's kinderlijk gelach, de deur ging open en arm in arm kwamen
Tante en nicht aan.
„Je behoeft je niet te verbeelden, dat jij de verzoening bewerkt hebt,
heilige Margareta,” zeide Eugenie; maar een vriendelijke blik van Tante
Betsy zeide mij, dat zulks wel het geval was. Nu, wat mij aangaat, het
verheugde mij dat ik Tante weer zoo vroolijk zag, wie er dan ook de
oorzaak van mocht wezen.
„Kom thans naar je kamer, kindlief,” zeide Tante; en zij bracht Eugenie
naar een klein vriendelijk kamertje, dat aan onze slaapkamer grensde.
Ik was al bang geweest, dat Tante mij met Eugenie in dezelfde kamer had
willen inkwartieren, 't geen mij veel leed zou gedaan hebben, omdat onze
slaapkamer mij zoo lief was geworden. Maar mijn ledikant met de witte
gordijnen stond nog op zijn oude plaats en er was dus geen quaestie van
verandering.
't Kamertje van Eugenie was, hoe eenvoudig ook, toch sierlijk ingericht
en maakte blijkbaar een aangenamen indruk op 't verwende kind; want ze
dartelde neuriënd van 't eene voorwerp naar 't andere.
[Illustratie]
„Maar dat landschap moet weg!” riep ze eensklaps uit; terwijl ze
voor een prachtige gravure naar Koekkoek bleef staan, die voor den
schoorsteen hing. „Hier komt mijn lieve papaatje te hangen; ofschoon
de slechte man eigenlijk niet verdient dat ik hem nog aanzie, sedert hij
mij zoo trouweloos verlaten en aan de wreede handen van een zekere Tante
Betsy heeft overgegeven. Gauw, Lizette! Uitgepakt! opdat ik mijn papa
eindelijk weer eens onder de oogen krijg; hij toch kent mij 't best van
allen en weet wel, dat ik zoo slecht niet ben als sommige menschen wel
denken.”
Dit zeggende rukte zij ongeduldig aan de touwen en papieren, waarin een
schilderij gepakt was, zooeven door Lizette uit een der vele koffers
genomen. Maar ondanks haar drift gelukte het haar toch niet het omhulsel
los te krijgen, totdat ik haar te hulp kwam.
„Je bent te driftig, Eugenie; zoo gaat het niet,” zeide ik; terwijl ik
den knoop voorzichtig trachtte los te maken.
„Ja, neem jij 't maar; ik doe alles zoo verkeerd,” riep zij uit; maar nu
stond zij ongeduldig naast mij, en liet mij ter nauwernood den tijd om
het schilderij te voorschijn te halen. Eindelijk was 't laatste stuk
papier er af, en met een luiden jubelkreet greep Eugenie 't beeld van
haar vader, omvatte het met beide armen, drukte het hartstochtelijk aan
haar borst en bedekte het met duizend kussen, waarbij haar de tranen
over de wangen rolden.
„Papaatje! Mijn eenig, lief Papaatje!” riep ze met bewogen stem uit. „Nu
heb ik u toch, al zijt ge ook ver van uwe arme, vroolijke Eugenie en al
wilt ge ook niets meer van haar weten, gij, stoute, stoute, lieve Papa!”
Het was werkelijk een aandoenlijk gezicht, het zonderlinge meisje 't
beeld van den waardigen man met zulk een kinderlijke teederheid te zien
liefkozen, en alle knorrigheid, door haar vreemd gedrag in mij pas
opgewekt, verdween bij den aanblik van dit tooneel. Ze had een goed,
liefdevol hart, dat toonde zij duidelijk; maar hoezeer was dat goud in
't ruwe erts verborgen! Zwijgend stond ik naast Tante Betsy, die evenals
ik getroffen naar haar stond te kijken, en in wier oog een traan blonk.
Zij trad op Eugenie toe, drukte haar aan haar hart en hield haar lang
zwijgend omarmd. Ook Eugenie was innig getroffen. Ze was er echter
't meisje niet naar, om lang aan een weemoedig gevoel toe te geven.
Eensklaps rukte zij zich van Tante los, schudde de verwarde lokken van
't voorhoofd, droogde de oogen af en riep weer ondeugend uit:
„'t Is waarlijk wat te zeggen! Daar heeft die stoute papa mij waarlijk
weer aan 't schreien gemaakt, en ik had gezworen niet meer aan hem te
denken, nadat ik hem met den trein had zien wegrijden. Gauw aan den
spijker met den zondaar, die mij zoo week gemaakt heeft.”
Dit zeggende klom ze op een stoel en hing het portret aan den spijker.
Toen knikte zij het guitig toe, kuste het nog eenmaal en sprong vlug van
den stoel af.
De avond ging om met uitpakken, schikken, vertellen en babbelen, en
Eugenie was zoo alleraardigst en mengde zoo het gevoelige met het
grappige, het geestige met het dwaze, dat men zich onweerstaanbaar tot
haar aangetrokken gevoelde. Toen we naar bed gingen, kuste ze mij
hartelijk. „Toch ben je een kleine heks!” zei ze, en huppelde zingend
haar kamenier achterna, die haar voorlichtte, en nog een heele poos
hoorden wij haar vroolijk babbelen en lachen.
Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, stond Tante reeds voor mijn bed.
„O, lange slaapster,” zeide zij vriendelijk. „Wat heb je lekkertjes
geslapen. Ofschoon 't reeds laat is, wilde ik je echter niet storen. Je
scheen heel aangenaam te droomen; want je lachte in je slaap als een
kind.”
„Ik heb van onze nieuwe huisgenoot gedroomd, Tante,” zeide ik, mij in
mijn bed oprichtend. „Ze voerde daar juist zoo'n dolle grap uit. Begrijp
eens, ze had onzen ouden poedel haar fijnen kanten kraag om den hals
gebonden en hem haar lichtblauwe pantoffeltjes aangetrokken. Ze wilde
hem juist nog een voile over den kop doen, dan zou het toilet der jonge
dame klaar zijn, zeide ze; toen ik ontwaakte. Hoe iemand toch zoo dwaas
kan droomen!”
„Nu, onze wonderlijke Eugenie zou wel in staat zijn om zoo iets te
doen,” antwoordde Tante lachend.
„Ik zal maar gauw opstaan; anders verrast ze me nog in mijn bed; zij is
misschien gewoon vroeg op te staan.”
„Wat dat aangaat, Margot,” antwoordde Tante, terwijl zij op den zijkant
van mijn legerstede ging zitten, „daarvoor behoeft ge u niet zoo erg te
haasten. Eugenie ligt nog even goed in de veeren als jij; ik ben zooeven
in haar kamer geweest. Ze sliep echter niet meer en lag met open oogen
in haar bed. Ze scheen gelezen te hebben en nog geen lust te hebben om
op te staan. Ze is geheel en al een verwend kind, dat slechts doet wat
haar belieft. In den eersten tijd wil ik haar maar rustig haar eigen
hoofdje laten volgen, hoe moeilijk mij dat ook zal vallen; ik reken op
haar gezond verstand en goed hart, die haar mettertijd wel op den goeden
weg zullen brengen. Uw voorbeeld, lieve Margot, zal mij in de opvoeding
van Eugenie ondersteunen; want in den omgang met u, goed meisje, zal zij
spoedig inzien, wie van u beiden op den rechten weg is om een bruikbaar
mensch te worden.”
„Mijn voorbeeld, Tante!” riep ik verwonderd uit. „Hoe kan ik,
onbeschaafd boerenkind, een voorbeeld voor de fijnbeschaafde Eugenie
zijn? Dat meent ge immers toch niet ernstig?”
„Ik meen het in vollen ernst, Margot,” hervatte Tante. „Gij zijt een
natuurlijk, eenvoudig meisje, dat wel nog weinig maatschappelijke
beschaving bezit en nog vele dingen moet leeren, eer je opvoeding
voltooid is; maar je bescheidenheid en je eenvoudigheid kunnen de
hooghartige Eugenie, ondanks al haar fijne beschaving en haar uiterlijke
élégance best toonen wat haar ontbreekt en wie van u beiden een grootere
innerlijke waarde bezit. Bij alle uiterlijke vormen mist Eugenie toch de
ware beschaving: ik bedoel de beschaving des harten en deze, hoop ik,
zal zij mettertijd bij ons erlangen. Het arme kind heeft tot hiertoe
weinig gelegenheid gehad om zich hierin te oefenen. God geve dat het er
nog niet te laat toe is en we aan het rijkbegaafde meisje kunnen
schenken wat haar nu nog ontbreekt.”
Liefdevol drukte Tante mij aan haar hart, terwijl ik zwijgend en vol
ootmoed mijn gloeiend gelaat aan haar borst verborg. O, ik was zoo
onuitsprekelijk gelukkig over de woorden van mijn lieve Tante! Wel had
zij mij reeds dikwijls door een woord van tevredenheid of een blik
getoond dat zij niet onvoldaan over mij was, en dat ik, ondanks mijn
menigvuldige dwaasheden, toch haar liefde en vertrouwen bezat; maar
zóóveel lof had ik nog niet uit haar mond vernomen. Ik zou er bijna
trotsch en ijdel door hebben kunnen worden; doch Tante kende mij genoeg,
om te weten dat haar woorden bij mij dat gevolg niet zouden hebben: want
ik gevoelde wel, hoe zij mij door haar lof slechts eenige meerdere
vastheid en zelfstandigheid tegenover Eugenie wilde schenken. Openhartig
bekende ik haar deze gedachte.
„Je bent een kleine schalk, Margot,” zeide zij opgeruimd. „Zoo geheel en
al heb je de zaak niet mis; ik zou inderdaad heel gaarne zien, dat je je
heel stevig in den zadel zette, om er in den strijd met Eugenie niet te
worden uitgelicht, hetgeen haar overmoedigheid zeer zou vermeerderen. Ik
hoop echter, dat het wel gaan zal; gisteren ten minste liet Eugenie zich
tegen mij eenige woorden ontvallen, die mij deden bemerken, dat je haar
grillen moedig het hoofd hebt geboden. Daarmede heb je reeds een goed
deel van het terrein veroverd, en dat deed mij een groot pleizier.”
Ik vertelde Tante nu in hoofdzaak 't gesprek, dat ik met Eugenie gehad
had.
„Ja, ja, men moet met dat meisje op zijn tellen passen,” hernam zij;
„want ziet men bij haar eens wat door de vingers, dan heeft men zijn
spel verloren. Houd je dus maar dapper. Ook voor u zal er uit den omgang
met haar veel goeds voortspruiten. Doch ga je nu kleeden; anders mocht
Eugenie je ten laatste nog en profond négligé verrassen.”
Met behulp van Tante was ik spoedig aangekleed, en had het genoegen dat
ze mij prees, daar ik nu alles wat tot het toilet behoort, netjes en
ordelijk verrichtte.
„Herinner je je nog wel dien eersten morgen, Margot,” vroeg zij
schertsend. „Weet je nog wel, hoe er geen eind was aan op- en
aanmerkingen? Hoe je met bloote voeten het bed uitkwam en daar in je
hemd op den grond ging zitten? Hoe je je eerst zonder water wou
wasschen en daarna een geheelen zondvloed om je heen verwekte?”
„O, stil toch, Tante! Hoe zou ik dat ooit kunnen vergeten!” riep ik uit,
terwijl ik mijn hand op haar mond hield. „Toen dacht ik niet dat ik ooit
iets goeds zou kunnen doen; dat durf ik u thans eerlijk bekennen. Later
heb ik echter de hoop opgevat dat er uit mij, domme boerendeern, nog een
verstandig mensch kan worden.”
„Dat zal mettertijd wel gaan,” antwoordde Tante. „Ga nu echter eens
kijken, of Eugenie nog niet klaar is; anders moeten we zonder haar
ontbijten. Mijn maag heeft door 't lang slapen van mijn huisgenootjes
toch al lang genoeg gevast.”
Ik snelde naar Eugenie's kamer, om haar mee naar beneden te nemen. Doch
hoe stond ik te kijken, toen ik de jonge dame nog in haar bed vond,
juist op het punt om haar chocolaad te gebruiken, die Lizette haar
gebracht had.
„Zoo, goeden morgen, madeliefje!” riep zij mij vroolijk te gemoet, en
gebood haar kamenier, het ontbijt maar bij haar ledikant te zetten. „Wat
heb je hier toch een bocht van chocolaad in huis! 't Heeft veel weg van
gruttenbrij met wat suiker er in! Foei! is dat een kost! Mama moet mij
terstond wat van onze vanillechocolade zenden, hoor je, Lizette? Schrijf
het terstond op 't bestelbriefje. Maar, lieve Hemel! heilige Margareta!
Reeds van top tot teen gekleed!” riep ze toen uit, terwijl ze mij van 't
hoofd tot de voeten opnam. „Welke groote plannen heb je? Ga je straks op
reis, dat je al zoo vroeg gekleed en gereed zijt?”
„O, neen; dat doe ik altijd, Eugenie,” antwoordde ik bedaard. „Tante
ziet niet graag dat jonge meisjes in négligé loopen, zij noemt dit
verwend en achteloos.”
„Nu, dan zal zij er zich bij mij maar aan moeten gewennen,” antwoordde
Eugenie snibbig, en streek de fijne kanten lubben van haar nachtjak
glad. „Ik ben geen burgermeisje, dat dadelijk van 't bed de straat op
moet en laat mij in mijn dagelijksche gewoonten niet storen.”
„Gij moet het weten, nichtjelief,” antwoordde ik; terwijl ik de
schouders ophaalde. „Ik heb 't mij nu eenmaal tot plicht gesteld alles
te doen wat Tante gaarne heeft, en dat doe ik, ofschoon ik evengoed als
jij thuis gewoon was den geheelen morgen in négligé te loopen. Nu vind
ik 't juist heel pleizierig vroeg in de kleeren te zijn: men wint er
vrij wat tijd mee uit.”
„Ba! Tijd! Wat heb ik aan tijd?” riep Eugenie spottend uit. „De tijd
duurt mij toch al lang genoeg.”
„Nu, ik wou dat hij tweemaal zoolang duurde,” antwoordde ik. „Mij gaat
de tijd altoos veel te gauw om.”
„Je bent een zottin, madeliefje,” riep Eugenie knorrig uit. „Maar wat
doe je hier eigenlijk: kom je weer om me een sermoen te houden? 't
Begint er ten minste wel weer zoo wat naar te gelijken.”
„Ik ben met dat onderwerp niet begonnen, Eugenie,” zeide ik kortaf. „Ik
kwam je slechts aan 't ontbijt roepen. Daar je echter plan hebt om
alleen te ontbijten, heb ik hier niets meer te doen.”
Dit zeggende ging ik naar de deur om heen te gaan. Een schaterend gelach
deed mij onwillekeurig omkijken.
„Je bent een vinnig katje, madeliefje!” riep zij vroolijk uit. „Nu ga je
op hooge beenen naar onze veelgeliefde en hoogvereerde Tante, en brengt
haar in al zijn kleuren alles over, wat er tusschen ons is voorgevallen,
en hoe ik den verheven toorn der heilige Margareta heb opgewekt. En dan
gaat gij beiden, exempelen van deugd, over elkander zitten en weent
heete tranen over het bonte schaap, dat in de witgewolde kudde geslopen
is.”
„Praat toch zulk een onzin niet, Eugenie!” riep ik uit; terwijl ik mijns
ondanks moest lachen. Daar Tante echter op mij wachtte, snelde ik de
deur uit, en een pantoffeltje, dat het wonderlijke meisje mij nawierp,
vloog mij tegen den rug aan.
Tante schudde het hoofd, toen ik haar van dit morgenbezoek verhaalde en
wij gebruikten tamelijk stil en ernstig ons ontbijt. Doch we hadden nog
niet gedaan, toen de deur openging en Eugenie's bloeiend gezichtje naar
binnenkeek.
„Daar is zij toch!” riep ik met vroolijke verrassing. Ook Tante stond
op, om der binnenkomende de hand te reiken. Eugenie echter stapte deftig
naar ons toe en zeide zalvend: „Waar twee of drie vergaderd zijn in
mijnen Naam, daar ben ik midden onder hen!”
Ik verschrikte over deze profanie, als had ik zelf de zonde begaan;
Tante keek snel op, een donkere gloed kleurde haar gelaat en ze zag
Eugenie met een blik aan, zooals ik nog nooit van haar gezien had.
„Onbezonnen kind!” zeide zij streng. „Laat mij nooit weer zoo iets uit
je mond hooren! Lichtzinnigheid kan ik je vergeven; maar den spot te
drijven met wat heilig is, dat duld ik niet. Ik hoop dat je inziet, hoe
onverantwoordelijk je gehandeld hebt en 't je van harte spijt.”
Eugenie stond doodelijk verschrikt voor de toornige Tante en had haar
stoutmoedigheid geheel en al verloren. Wel herstelde zij zich spoedig
weder, doch de ernstige blik, dien Tante op haar wierp, deed elke
tegenspraak op haar lippen verstommen, en zonder een woord te spreken,
zetten wij ons ontbijt verder voort. Geen wonder dat Eugenie zich
daarbij in 't geheel niet op haar gemak gevoelde; ze stond dan ook heel
gauw op en liep in de kamer op en neer. Eindelijk deed ze de piano open
en liet haar vinger over de toetsen glijden, wel los en onsamenhangend,
maar toch zoo kunstvaardig, dat ik verbaasd naar haar luisterde.
„Speel ons eens iets voor, lieve,” zeide Tante Betsy vriendelijk; en
hartelijk verblijd, dat ze door deze welwillende toespraak uit den
neteligen toestand bevrijd werd, waarin zij zich bevond, ging Eugenie
voor de piano zitten en liet haar vingers snel over de toetsen gaan. Het
was inderdaad een genot haar te hooren spelen; want aanslag, vlugheid en
voordracht, alles was zoo prachtig, als ik 't maar zelden gehoord had.
Hierop begon zij te zingen en de heldere, zuivere sopraanstem en 't
onmiskenbare gevoel waarmede zij zong, verrukten mij nog meer. Ook
Tantes ernstig gelaat klaarde hoe langer hoe meer op; de muziek is de
beste bemiddelaarster, troosteres en helpster in zoo menige treurige
omstandigheid des levens en ook hier verdreef zij den onaangenamen
toestand, waarin de dwaasheid van Eugenie ons gebracht had; want toen
zij van de piano opstond, reikte Tante haar vriendelijk de hand en prees
haar muzikaal talent.
„Gij moet mijn leermeesters prijzen, niet mij, Tante!” antwoordde
Eugenie, die zich achteloos op de sofa geworpen had. „Ze hebben er mij
genoeg mee geplaagd, meer dan die beuzeling waard is.”
„Nu, dan moogt ge er hun wel dankbaar voor zijn,” hernam Tante. „Want
door de moeite, die zij zich gegeven hebben, zijt ge in 't bezit van een
schoon talent gekomen.”
Deze vermaning beantwoordde Eugenie op haar gewone beminnelijke manier:
ze geeuwde—en Tante ging met een lichten zucht de kamer uit.
Eenigen tijd later kwam ik met het notitieboekje van de meid uit
de keuken terug en droeg voorzichtig een menigte klein geld dat ik
ingewisseld had, op den omslag van 't boek. Neuriënd ging Eugenie mij
voorbij, en eer ik er op verdacht was, gaf zij een tik tegen den
onderkant van het boekje, zoodat het in de hoogte vloog en al de
kwartjes, dubbeltjes en centen door de kamer stoven. Als een dol kind
lachte zij over haar moedwilligen streek; terwijl ik mij verschrikt op
de knieën liet vallen om 't verspreide geld weer op te rapen.
Juist kwam Tante, die alles uit haar kabinetje gezien had, de kamer
binnen.
„Sta op, Margot,” zeide zij ernstig. „En jij, Eugenie! zoek het geld
weer bij elkaar.”
Deze wierp het hoofd trotsch in den nek, ging naar de deur en riep:
„Lizette!”
De kamenier kwam.
„Raap dat geld eens op, Lizette!” beval zij, en deze knielde reeds neder
om het bevel harer meesteres te gehoorzamen, toen Tante haar gebood:
„Sta op, Lizette, en ga heen.”
Toen nu de kamenier 't vertrek verlaten had, gelastte zij Eugenie kalm
maar heel ernstig, dat zij den trotschen rug zou buigen en zelf
verbeteren, wat ze in haar dwaasheid misdreven had.
Eugenie wist niet of ze haar ooren zou vertrouwen; maar de kalme ernst
van Tante imponeerde haar toch: zonder verdere tegenspraak begon ze het
moeilijke werk en kroop steunend en brommend over den grond; nauwelijks
echter had zij een handvol klein geld opgeraapt, of ze wierp het
knorrig weer over haar hoofd heen en zoo zou ze wel nooit gedaan hebben
gekregen, als ik mij niet eindelijk over haar erbarmd en haar geholpen
had.
„O, mijn voeten! mijn lendenen!” riep zij uit, toen we klaar waren. „Ik
ben als geradbraakt! 't Zal mijn dood zijn!”
Ik liet haar stil klagen en ging aan mijn huiselijken arbeid. Maar toen
ik weer in de kamer kwam vond ik haar niet meer, en omdat ik meende
dat ze zich aan 't kleeden was, ging ik naar haar kamer om te zien
of ik haar ook helpen kon. Hoe schrikte ik echter toen ik haar te bed
vond liggen. Toen ze mij zag, overlaadde zij mij met scheldwoorden en
klachten: ze werd hier als een galeiboef behandeld, 't zou echter haar
dood zijn, want ze gevoelde zich zoo ziek en zoo akelig!
Verschrikt snelde ik naar Tante Betsy, om haar den toestand van Eugenie
mede te deelen; deze begon echter over mijn bezorgdheid te lachen en
zeide bedaard:
„Laat haar maar stil liggen, Margot. Eugenie zal wel weer van zelf beter
worden. Maar niet naar haar toegaan, hoor! We moeten haar aan zichzelve
overlaten.”
Niet lang daarna kwam Marie om de nieuwaangekomene te begroeten. Daar
Eugenie nog maar niet voor den dag kwam, hadden we tijd in overvloed om
over haar te babbelen.
Juist wilde Marie vertrekken, toen 't onderwerp van ons gesprek
eensklaps in de deur der kamer verscheen. Zij was keurig gekleed en
trotsch en voornaam in manieren en houding. Ik stelde haar mijne
vriendin voor, zij ging echter op haar doode gemak op de sofa zitten,
verwaardigde Marie slechts met een genadig knikje en scheen verder
geen acht op haar te slaan. Kort daarop verwijderde Marie zich, zeer
gekrenkt over de behandeling van Eugenie; ik poogde onze logée bij
haar te verontschuldigen; doch mijn verzekering, dat zij buitengemeen
beminnelijk kon zijn, vond bij mijn beleedigde vriendin geen gehoor.
Ik zette mij stil aan den arbeid, terwijl mijn nicht weer zoo lui als ze
maar kon op de sofa zat. Eensklaps stoorde haar schaterende lach mij in
mijn bezigheid: ik keek verwonderd op. „Is ze altijd zoo blauw en
blond?” vroeg zij vroolijk.
„Wie meen je?”
„Wel uw Castor, mijn Pollux.”
„Ja, zij is evengoed altijd blond als ik zwart ben. Doch blauw draagt ze
veel; ik zie 't haar graag aanhebben. En hoe bevalt zij u, Eugenie?”
„Mij? O, heel goed! Er ontbreekt maar een doodshoofd en een Bijbel aan,
en de boetende Magdalena is klaar.”
Ik was boos. Mijne Marie, mijn afgodisch beminde, lieve vriendin zoo te
hoonen! 't Was afschuwelijk! Ik wilde juist eenige niet zeer
vriendelijke woorden tot antwoord geven, toen ik mij eensklaps door
Eugenie's armen omklemd voelde en haar schelmsch gezicht mij in de reeds
vochtige oogen blikte.
„Heel goed! Het onweer zal dadelijk losbreken!” riep zij uit en kuste
mij. „Slinger uw bliksems maar naar mijn berouwvol hoofd, machtige Zeus!
Ik verdien niet beter.”
Nu moest ik weer lachen, waar ik boos wilde zijn; 't was met dat meisje
niet uit te houden.
„Wat doe je daar eigenlijk?” vroeg Eugenie, en nam mij 't werk uit de
handen.
„Iets heel prozaïsch en huiselijks, zooals je ziet,” antwoordde ik. „Ik
maas kousen.”
„Maas je die? Om 's Hemels wil! waarom doe je dat? Dat doet immers geen
fatsoenlijk menschenkind zelf!”
„Waarom niet? ik wist niet dat er iets onfatsoenlijks in zulk een arbeid
stak,” antwoordde ik. „Tante zegt altijd: de beste weg, om zich van
anderen onafhankelijk te maken is, te zorgen dat men hen zoo weinig
mogelijk noodig heeft. Het is een van ouds beproefde weg.”
„Dat is zoo'n dwaze redeneering niet. Maak je nog meer zelf?
Bijvoorbeeld: je kleederen en ondergoed?”
„Het linnen en ander fijn waschgoed, natuurlijk. En Tante heeft mij
beloofd, dat ze mij ook 't knippen zal laten leeren, opdat ik later de
kleeren voor mama en de zusjes kan maken; want dat is op 't land dubbel
aangenaam.”
„En hoe vindt je den tijd tot al dat werk?” vroeg Eugenie. „Ik zou er
geen kans toe zien om zooveel te doen, al had de dag ook duizend uren.”
„Nu zie je eens, waartoe het goed is, dat men 's morgens bijtijds
opstaat en zich terstond aankleedt. Men kan echter geen halve dagen op
de sofa liggen, wanneer men ten minste klaar wil komen.”
„Je bent toch een heks!” riep Eugenie uit, en speelde kietebal met mijn
opgerolde kousen.
„Apropos, hoe gaat het met je, Eugenie?” vroeg ik nu deelnemend. „Ben je
weer geheel beter?”
„Dat moet je wel ten eenenmale onverschillig zijn, want je hebt er tot
nu toe niet naar gevraagd,” zeide zij scherp. „Ik kon wel dood en
begraven zijn, eer iemand zich om mij bekommerde.”
Ik had recht schik in dat antwoord en zag wel in, dat het beste middel
om haar te genezen was, geen notitie van haar kwalen te nemen, zooals
Tante mij geraden had. Wie weet hoe lang ze anders nog kermend en
steunend te bed ware gebleven!
Dien namiddag maakte Tante eenige bezoeken met ons, om haar tweede
pleegkind aan haar vrienden voor te stellen. Ach! welk een onderscheid
was er in Eugenie's verschijning bij haar eerste bezoek, in vergelijking
van het mijne, zooals dat vroeger geweest was! Onwillekeurig vergeleek
ik mij, onhandig, houterig meisje, met den blos der verlegenheid en
schaamte van angst en onbeholpenheid op de wangen, bij die beschaafde,
bevallige, élégante Eugenie. Hoe allerliefst kon ze zijn als zij slechts
wilde! En tegenover vreemden was zij altijd allerinnemendst; vandaar
dat ze ook spoedig aller harten won, en niemand vermoedde hoeveel
verdrietige oogenblikken dat nukkige kind ons in huis kon bezorgen.
Ook Marie werd eenigermate met Eugenie verzoend; wijl dien namiddag
de booze bui geheel en al overgedreven scheen te zijn, en ze weer zoo
vriendelijk en spraakzaam was als altijd. Geen grooter pret had ik, dan
bij een bezoek ten huize van Mevrouw Bredius. Amanda zweefde weer op
haar gewone geaffecteerde manier door de kamer en zette zich in haar
leunstoel, terwijl zij nu eens haar flacon, dan haar waaier of haar
zakdoek gebruikte; van mij nam zij natuurlijk in 't geheel geen notitie,
maar ook Eugenie behandelde zij zoodanig uit de hoogte, dat het mij bang
om 't hart werd.
Tot mijn verbazing scheen dit gedrag Eugenie in 't geheel niet te
hinderen. Ze keek Amanda een poos heel kalm en uitvorschend aan en ik
zag haar lippen van louter ondeugendheid en moedwil trillen. Zachtkens
liet zij zich ook in haar leunstoel neder, nog veel gemakkelijker dan
Amanda, trok snel een voetenbankje naar zich toe, dat de andere juist
naar zich wilde toehalen, bracht eveneens haar flacon en zakdoek in
beweging, en sprak nog matter en geaffecteerder dan haar tegenpartij. En
dat alles was zoo weinig gemaakt en scheen zoo geheel natuurlijk, dat ik
met verbazing de anders zoo ongedwongen Eugenie beschouwde.
Amanda begreep blijkbaar niet wat dat moest beteekenen; onwillekeurig
verhief zij zich wat uit haar gemakkelijke ligging, poogde een gesprek
aan te knoopen en was minder gemaakt. Eugenie echter liet zich niet
storen, gaf wel is waar antwoord, maar altijd op de aanwijzende manier
van Amanda, ja, zij richtte het woord veel meer tot mij dan tot de
élégante dochter des huizes. Toen echter Mevrouw Bredius zelf een
gesprek met haar aanknoopte, gedroeg zij zich zoo beminnelijk als haar
gewoonte was. En Eugenie hield deze houding bij al haar bezoeken vol,
totdat Amanda haar gemaaktheid in haar bijzijn liet varen en toen
nam ook Eugenie haar natuurlijken toon weder aan; zoodat die beide
zonderlinge meisjes langzamerhand recht goed met elkander overweg
konden.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Nog wat over de nieuwe huisgenoot.
Den volgenden morgen begaf ik mij tijdig naar Eugenie's slaapkamer om te
hooren hoe 't met haar ging, en thans ontving ze mij weer even ondeugend
als gewoonlijk, maar toch hartelijk en vriendelijk.
„Wou je mijn morgentoilet eens bijwonen, Madeliefje?” vroeg ze. „Nu,
dan mag je ook een schoon hemd over mijn blanke schoudertjes gooien, en
niemand zal je die hooge gunst betwisten. Want ik zou er voor bedanken,
om evenals Lodewijk XIV een halfuur in mijn natuurkostuum te blijven
zitten. Je kent immers die mooie geschiedenis van Frankrijks grooten
koning wel, wien juist een zijner hovelingen 't hemd over 't hoofd zou
werpen, toen er een voornamere binnenkwam, die meer aanspraak op deze
eer had, en toen weer een voornamere; zoodat de koning maar niet
geholpen kon worden.”
„Die kwam er dan misschien nog met een verkoudheid af,” antwoordde
ik. „Erger was 't met Philips den derde van Spanje, op wiens haard
de vuuraanlegger van 't hof zulk een vreeselijke menigte hout had
gestapeld, dat de vorst bijna door de hitte stikte. 's Konings majesteit
verbood hem van zijn stoel op te staan, en de bedienden durfden niet in
't vertrek komen, omdat de etiquette dit niet veroorloofde. Juist kwam
de markies de Polat, en de koning beval hem 't vuur te verminderen doch
de markies verontschuldigde zich, omdat de etiquette dit werk aan den
hertog De Useda opdroeg. Nu was die juist niet thuis, en daardoor bleef
de koning een geruimen tijd bij 't blakerende vuur zitten, wat hem zoo
ziek maakte, dat hij een paar dagen later aan hevige koortsen stierf.”
„Wel, aardig Madeliefje” riep Eugenie uit. „Wie zou zulk een talent van
vertellen bij zoo'n nederig veldbloempje gezocht hebben!”
Intusschen bekeek ik 't schoone borduursel van Eugenie's lijfgoed.
„Wat is dat alles prachtig!” riep ik bewonderend uit.
„Vindt ge 't zoo mooi?” vroeg Eugenie verbaasd. „Zoek er maar voor u
uit, wat je wilt; mij is 't hetzelfde.”
„Maar dat heeft alles zooveel geld gekost, Eugenie. Hoe kun je daar
onverschillig voor zijn?”
„Ba! Geld!” riep zij uit, terwijl ze de schouders ophaalde.
„Wat kan mij geld schelen! Dat is maar een bijzaak, zegt Mama, en Papa
heeft geld genoeg.”
„Maar je kondt het toch beter gebruiken, dan 't zoo weg te gooien,
nichtjelief! Hoeveel vreugde kon je anderen verschaffen met een klein
gedeelte van 't geen je zoo maar verkwist!”
„Beter gebruiken? Wat meen je daarmee, kind?”
„Wel, je kondt er anderen gelukkig mee maken, die minder hebben.”
„Anderen? Wel, ik geef aan Lizette alles, wat ze maar hebben wil, en die
mij om een aalmoes vraagt, krijgt ook altijd wat van mij.”
„Laten wij daar nu maar over zwijgen, Eugenie. Je begrijpt toch niet wat
ik bedoel,” zeide ik. „Sta liever op; want ik heb geen tijd om lang te
wachten.”
Eugenie riep Lizette aan haar ledikant en stak haar den eenen voet na
den anderen toe, waaraan de kamenier eerst de fijne kousen en toen de
blauwe zijden pantoffeltjes deed. Toen maakte deze al de banden en
knoopen van 't nachtgewaad der jonge dame los, die dat alles toeliet
zonder een vinger uit te steken. Ik keek die kleedpartij vol verbazing
aan, maar zeide geen enkel woord: doch toen zij klaar was en Lizette
haar de fijne morgenjapon had aangedaan, die van boven tot onder met
witte zijde gevoerd was, verzocht ik haar glimlachend of ze nu ook eens
mijn morgentoilet kwam bijwonen, om revanche te nemen. Dit vond ze erg
aardig en beloofde het. Natuurlijk dacht ik niet dat ze het doen zou;
denkt eens hoe ik stond te kijken, toen ik haar reeds den volgenden
morgen bij mijn ontwaken aan mijn bed zag staan.
„Nu, je bent me een luilak!” riep ze zegepralend uit; terwijl ik haar
in stomme verbazing aanstaarde. „Neem liever eens een voorbeeld aan
Eugenie, dat brave meisje! die heeft al drie uren lang kousen zitten
stoppen!”
Werkelijk zag ik een heelen berg kousen bij haar liggen: een had ze over
den arm gestroopt en werkte er met een stopnaald en draad dapper in op
en neer. Ik merkte echter spoedig dat het alles maar gekheid was; ik
deed echter als had ik er geen erg in en keek haar verbaasd aan. Ze
begon luidkeels te lachen en ik accompagneerde haar; terwijl ik geen
woorden scheen te kunnen vinden om haar heldenmoed te bewonderen.
Eindelijk wierp zij den geheelen hoop kousen ter zijde en strekte zich
gemakkelijk op een leunstoel uit.
„Nu snel uit de veeren!” riep ik uit, trok mijn kousen aan en begon
spoedig aan mijn toilet.
„Doe je dat alles zelf, Madeliefje?” vroeg Eugenie met verbazing, toen
ze zag hoe snel ik banden en haken los- en vastdeed.
„Natuurlijk. Dat kan niemand mij gauw en goed genoeg doen,” antwoordde
ik. „Ik zou 't niet kunnen velen dat er zoo'n kamenier aan mijn lijf zat
en dat ik zou moeten wachten tot het haar gelegen kwam mij te bedienen.
Help u zelf! 't Is zoo aangenaam, als men zichzelf kan helpen en van
niemand behoeft af te hangen.”
„Ja, die Lizette is een vreeselijke domoor,” zei Eugenie peinzend. „Je
weet niet hoe ze me soms zeer doet door haar onhandigheid, en juist als
ik haar noodig heb, kan ze niet komen. Je bent er inderdaad beter aan
toe dan ik. Ik ben er jaloersch om.”
„Probeer het maar eens om je zelf te helpen, lieve Eugenie,” hernam ik,
terwijl ik den kam door mijn dik haar liet gaan. „Dan ben je van alle
ergernis verlost.”
„Ach! Ik kan dat niet doen! Mama zegt, dat het niet past zichzelf te
bedienen.”
„Hoor eens, weet je wat, Eugenie? Ik wil je helpen tot je 't kunt.”
„Nu, zooals je wilt. 't Zal je echter niet bevallen. Je zult zeker
wegloopen eer ik klaar ben; want natuurlijk zou ik je zoolang plagen,
tot het daartoe kwam,” antwoordde Eugenie op haar gewonen luchtigen
toon.
„Nu, dat wil ik er op wagen! Morgen vroeg kom ik, hoor!”
„Neen, neen, volstrekt niet. 't Is veel te ongemakkelijk voor je, en
daarenboven ben je me toch al veel te wijs!” riep zij uit en wierp zich
weer onachtzaam in den leunstoel. Ik liet haar echter stil begaan; want
het zou heel onverstandig zijn geweest, er op aan te dringen. Maar zie,
den volgenden morgen, toen Tante en ik de kamer binnentraden, zat
Eugenie reeds aan de ontbijttafel, en op onze uitroepen van verbazing,
zeide zij:
„Het verveelt me doodelijk, daarboven alleen chocolaad te drinken; ik
wil met u gezamenlijk ontbijten. En laat Madeliefje haar diensten maar
aan anderen presenteeren—ik heb ze niet noodig. Ik heb me van daag
geheel alleen gekleed; en ziet maar, of niet alles in orde is?”
Natuurlijk overlaadden we haar met loftuigingen; maar die kon ze niet
dulden, en met een komiek gezicht hield ze beide handen aan haar ooren.
Zulke kleine tooneelen herhaalden zich bijna dagelijks, en hoe boos
we ook dikwijls op het verwende meisje werden, even spoedig verzoende
haar hartelijkheid ons weer met haar. Er zat een uitmuntend hart in dat
wonderlijke schepsel, en als we ons geduld maar niet verloren, was er
in haar nog veel goeds op te wekken. Tante Betsy was er juist de rechte
persoon toe; dat gevoelde de lichtzinnige Eugenie zeer goed, en ze had
haar dan ook op haar manier spoedig even lief, als ik op de mijne. Ook
ik deelde weldra in haar volle genegenheid, en, ondanks alles wat ze me
van tijd tot tijd aandeed, hield ik toch veel van haar.
We hadden echter nog vrij wat te boven te komen, eer zij verstandiger
werd; ik vooral was steeds het mikpunt voor haar ondeugende streken; en
toch wist ze altijd alles weer goed te maken, als zij mij gekrenkt of
geërgerd had.
Op zekeren dag ging ik naar mijn werktafeltje aan 't venster en bracht
de slingerplanten, die daar voorstonden, een weinig in orde. Ik wilde,
zooals ik altijd deed, het portret van mijn lieve Marie een groet
brengen en lichtte de bladeren van den klimop een weinig op, om het
beter te zien. Maar hoezeer verschrikte ik, toen ik bemerkte hoe een
boosaardige hand het bedorven had! Een dikke, zwarte knevel ontsierde
de lippen van het aanvallig gezichtje der frissche blondine! 't Was
afschuwelijk, schandelijk, en toch moest ik lachen over 't malle
gezicht. Dat Eugenie mij die poets gebakken had, was buiten twijfel,
want ze had al zoo dikwijls met dat portret den spot gedreven. Ik vond
het zoo lief; maar zij zeide altijd, dat het er juist uitzag als 't
beeld van een jonkvrouw uit den riddertijd op den pijpekop van een
ambachtsman.
Ik nam het portret stil van den muur en legde het in de kast. Er
Eugenie over beknorren—dat kon ik niet; daartoe had ze me te pijnlijk
getroffen; maar mijn roodgeweende oogen en de ledige plaats boven mijn
werktafeltje zeiden haar genoeg, hoe 't mij aan 't hart ging. Ik vernam
weldra dat Tante haar over deze plagerij ernstig onderhouden had, en dit
was mij genoeg.
Doch hoezeer stond ik op zekeren morgen verwonderd, toen ik de ledige
plaats door een nieuw portret zag ingenomen, en wel een portret van
mijn lieve Marie, keurig in waterverf geschilderd en veel schooner dan
het bedorvene. De frissche kleuren en de bevallige trekken waren zoo
getrouw wedergegeven, dat ik in mijn verrukking het lieve beeld aan de
lippen drukte en buiten mijzelf was van vreugde. Wie had dat gedaan?
Eugenie.... maar dit was 't werk van een kunstenaar.... en al kon ze 't
zoo—wanneer zou ze dat gedaan hebben? En toch—'t was juist zoo iets
voor haar. Maar bekennen zou ze 't niet; mij wel voor den mal houden
als ik er haar naar vroeg.
Daar kwam juist het origineel van mijn vreugde, mijne goede, lieve
Marie. Juichend snelde ik haar te gemoet en vroeg haar, wie het portret
gemaakt had.
„Wel, wie anders dan Eugenie? Hoe kun je daar nog een enkel oogenblik
aan twijfelen?” antwoordde zij. „Ze is eenige keeren in 't geheim bij
mij geweest om het te schilderen. Dat oude portret is een monster, zeide
zij, en ik heb het nog leelijker gemaakt dan 't al was; anders zou ze
het toch nooit van den muur genomen hebben en ik had er mij aan blijven
ergeren.”
Dus was het toch Eugenie, die dat schoone portret had gemaakt. Ik durfde
er haar niet voor bedanken; want dan zou zij in staat zijn geweest, het
lieve gezichtje nogmaals een zwarten knevel te geven. Ik herinnerde
mij nu dat zij eenige voormiddagen alleen was uitgegaan om, zooals zij
zeide, boodschappen te doen. Welk een talent bezat dat meisje! Muziek,
schilderkunst, alles verstond ze voortreffelijk; doch niemand mocht
daarover spreken of haar daarom prijzen—al wat ze wist, al wat ze
kende, kwam op rekening van haar meesters, aan haar eigen talenten
hechtte ze hoegenaamd geen waarde.
Niets haalde mij meer plagerijen van Eugenie op den hals, dan mijn
eenvoudige, landelijke garderobe, die, ik moet het bekennen, geducht bij
haar weelderig en élégant toilet afstak. Mama's spreuk was altijd: „Net
en zindelijk!” en natuurlijk drong de nieuwste mode tamelijk laat in
ons verwijderd dorp door, waardoor ik er zeker wel wat erg antiek moet
hebben uitgezien, toen ik bij Tante kwam. Deze echter had reeds vrij
wat veranderingen in mijn toilet aangebracht, zoodat ik verwonderlijk
nieuwmodisch en prachtig gekleed meende te zijn, toen de élégante
Eugenie kwam en mij met haar garderobe geheel in de schaduw plaatste.
Niet, dat ik daar jaloersch over was; ik vond dat ieders kleeding voor
elk van ons het best paste. Ik ten minste zou in Eugenie's kleeren nog
veel stijver en houteriger zijn geweest, uit vrees dat er iets aan zou
komen.
Er was vooral één japon, die maar geen genade kon vinden in Eugenie's
oogen, en die 't voorwerp van hare onophoudelijke plagerijen was. Doch,
was 't patroon ook misschien wel wat bont, de stof was fijn en duur, en
daarom bleef ik het kleedje trouw dragen.
„Die japon riekt naar boter en kaas!” zei Eugenie, als zij mij er mee
zag. „Ga er toch in 's Hemels naam niet mee buiten de stad wandelen;
want je zult last van de koeien hebben, die 't patroon voor een
bebloemde wei zullen houden en op je afkomen, om op je te grazen.” Of
dan was 't weer: „Wel, grootmoedertje! Hoe oud is dat japonnetje wel?
Ben je er in der tijd in getrouwd?”—Of: „Heet je vrijer Kees of Teunis,
en is dat je bruidsjapon, als je met hem naar 't Raadhuis gaat om te
trouwen?”—Doch ik stoorde mij niet aan al die praatjes en bleef de
versmade japon dragen.
Op zekeren dag echter kon ik mijn kleedje nergens vinden; ik doorzocht
alle kasten, doch te vergeefs. Juist kwam Eugenie aan.
„Zoek je soms naar de japon van je grootmoeder, Madeliefje?” vroeg ze
mij. „Doe daar maar geen moeite meer voor, want die heeft Kaatje de
krantenvrouw aan. De arme ziel vroeg mij om een warm kleedingstuk voor
de kou en, zooals je wel weet, helpen mijn kleeren daar al bitter weinig
voor. Maar je boter- en kaasjapon is zoo lekker warm en zoo mollig; die
zou der arme vrouw goed doen, dacht ik, en daarom gaf ik ze haar. Je
bent er immers niet boos om?”
En zonder een antwoord af te wachten huppelde zij neuriënd weg, en ik
stond te kijken alsof ik het te Keulen had hooren donderen, en wist niet
of het scherts of ernst was. Als 't Eugenie niet geweest was, dan had ik
het voor een grapje gehouden; maar zij was er toe in staat om zoo iets
te doen, en waar anders zou mijn japon ook gebleven zijn? Dat was me
toch wat al te erg, zoo'n fijne, goede japon aan eene arme vrouw te
geven, die het zeker met een goedkooper stof best had kunnen stellen en
daarmee ongetwijfeld veel beter gediend zou zijn geweest! En dan—zoo
maar willekeurig over 't eigendom van anderen te beschikken! Verdrietig
ging ik naar mijn slaapkamer om mij aan te kleeden, daar ik wilde
uitgaan: daarna zou ik er Tante over spreken. Maar wat zag ik? Daar lag
op mijn bed een japon van een prachtige wollen stof en zoo fraai van
kleur, dat ik van verbazing als aan den grond stond genageld.
„Ik hoop maar, dat ze je past, Madeliefje,” riep Eugenie, die haar hoofd
door de deur stak. „De naaister zei, dat ze je maat wel kende.”
„Is die japon dan voor mij?” vroeg ik verwonderd, en hield het prachtige
kleedingstuk in de hoogte, dat met fluweel en kant rijk gegarneerd was.
„Mama had die stof tot een winterjapon voor mij bestemd,” antwoordde
Eugenie, terwijl ze de schouders ophaalde, „maar de kleur beviel mij
niet. Daar zij echter in alle gevallen mooier is dan die van je boter-
en kaasjapon, heb ik er een japon voor u van laten maken en gaf ik je
bruidskleed weg, alleen opdat ik er mij niet aan dood zou ergeren.
Je behoeft er mij niet voor te bedanken; want ik kon de kleur niet
uitstaan. Ik vind die zoo machtig eentonig en vervelend.”
Zoo wist dat wonderlijke meisje de zaken altijd te keeren en te wenden,
dat men niet boos op haar kon worden en haar evenmin kon bedanken.
Zij had haar eigen wil, dat was de hoofdzaak, en daarvoor moest alles
zwichten. Nog nooit in mijn leven had ik zulk een mooie japon gehad,
en verheugd snelde ik er mee naar Tante. Deze wenschte mij glimlachend
geluk en zeide, dat zij 't er nu maar bij zou laten, want zij had
Eugenie reeds braaf de les gelezen, omdat haar handelwijs, hoe men die
ook beschouwde, toch onrechtvaardig was. Intusschen oordeelde zij dat ik
geen slechten ruil gedaan had. Dat meende ik ook: met genoegen bekeek ik
mijzelf in Tantes grooten spiegel en vond, dat ik er wat goed mee
uitzag.
Ten gevolge van die japonnenhistorie deed ik Eugenie een vraag, die mij
al lang op de lippen gelegen had. Ik wenschte namelijk mijn rijke nicht
met mijn armen bekend te maken, die ik wekelijks bezocht.
„Hou je er van,” vroeg ik haar, „om aan de armen wel te doen?”
„Doe toch niet zulke onnoozele vragen, Madeliefje,” antwoordde Eugenie.
„De armen zijn zulke onverdragelijke menschen, dat ik ze niet kan
uitstaan. Als ze me dus in den weg komen, geef ik hun maar gauw wat; dan
ben ik van hen af.”
„Maar dat is niet zooals 't behoort, Eugenie,” hernam ik. „Bedenk
toch eens, hoe ongelukkig die armen er aan toe zijn, wien zelfs de
noodzakelijkste levensbehoeften ontbreken. Als wij.... Maar wat doe je
toch, wat moet dat beteekenen?” vroeg ik, toen ik zag dat zij een soort
van troon van stoelen bouwde en met een zwart zijden boezelaar naar mij
toekwam, dat zij mij om den hals wilde binden.
„Als 't u belieft, dominee; de preekstoel is al klaar. Zet uw preek daar
verder voort.” En met een plechtige buiging en een heel vroom gezicht
zette zij zich op een stoel tegenover den geïmproviseerden preekstoel
neer. Natuurlijk zweeg ik, en dat was juist wat zij wilde.
„Je bent zoo wijs als je lief bent!” zeide zij.
Dat was altijd haar gezegde, wanneer ik bij haar loszinnig gesnap mijn
ernstiger grondbeginselen niet kon onderdrukken, en daarmede werd ik
gewoonlijk afgescheept.
Evenzeer als Eugenie niets van mijn preek over de armoede wilde hooren,
even doof was zij tot hiertoe voor mijn verzoek gebleven, om mij naar
eenige arme huisgezinnen te vergezellen, aan wie ik gewoon was elke week
wat te brengen: nu eens geld, dan kleeren, dan wat eten, al naar wat ze
't meest behoefden. Ik kon er haar maar niet toe bewegen. „Het stinkt
zoo bij dat volk,” zeide zij. „'t Gaat me in de kleeren zitten en dat
krijg je er niet meer uit.” Natuurlijk drong ik er niet verder bij haar
op aan; doch toen ik op zekeren dag van een dier bezoeken terugkeerde,
kon ik het niet laten om te vertellen, hoezeer de nood en de ellende van
een huisgezin mij getroffen hadden, waarvan de moeder ziek was, de vader
op 't werk en de kinderen dus aan zichzelf waren overgelaten.
Eugenie scheen ter nauwernood naar mijn verhaal te luisteren. Hoe
verrast was ik echter, toen ik eenige dagen later weer bij dat arme
gezin kwam en vernam, dat er een jonge dame geweest was, die veel geld
en andere dingen gegeven, ja, met het jongste kind een langen tijd op
haar schoot gezeten en 't eindelijk een gouden ketting om 't halsje
gedaan had, omdat zij het zoo'n lief knaapje vond. De ketting was die
van Eugenie en uit de beschrijving die men mij gaf, herkende ik haar.
Maar ik durfde haar niet te zeggen dat ik van haar bezoek afwist; reeds
bij een geringe toespeling fronste zij de wenkbrauwen, ik sprak er haar
dus niet meer over en verhaalde het, toen we alleen waren, aan Tante,
wie bij mijn vertelling de tranen in de oogen kwamen. „Een wonderlijk
en toch zoo beminnelijk kind!” zeide zij, en ze kreeg haar tweede
pleegdochter gaandeweg hoe langer hoe liever, die dan ook van dag tot
dag nieuwe voortreffelijke eigenschappen deed blijken.
En het bezoek bij dat arme huisgezin bleef niet het eenige van dien aard
dat Eugenie aflegde. Langzamerhand konden zich een groot aantal arme
lieden in haar gunst verheugen; maar we mochten niet vragen door wie
zij die arme menschen had leeren kennen, en evenmin kon ze het dulden,
dat ze in haar weldoen werd opgemerkt of nagegaan. Niet zonder reden
vreesden Tante Betsy en ik, dat het meisje in haar onervarenheid en
goedhartigheid menige dwaasheid zou begaan bij 't bedeelen harer armen,
en dit vermoeden werd ook spoedig bevestigd, doordien wij verscheidene
harer kostbaarheden misten. Maar daar was niets aan te doen, indien we
ten minste niet wilden, dat haar pas ontwaakt gevoel om wèl te doen
eensklaps zou worden uitgebluscht. Op zekeren dag echter gaf zij zelf
aanleiding om over hare handelwijze een woordje te spreken.
„Ik begrijp maar niet, Madeliefje, hoe jij aan al dat geld komt, om je
armen te verzorgen,” zeide zij, toen ze in diep gepeins van een harer
weldadigheidsbezoeken thuiskwam. „Ik ben door al mijn geven nu zelf zoo
kaal als een kerkmuis; maar al had ik ook nog tienmaal meer, dan zou
het nog niet toereikend zijn om in de behoeften van die menschen te
voorzien.”
„Ik geloof dat je de behoeften der armen uit een verkeerd oogpunt
beschouwt, lieve Eugenie,” zeide Tante, die daarbij tegenwoordig
was. „Van al hetgeen ons tot ons dagelijksch leven volstrekt noodig
toeschijnt, behoeven zij slechts een gering gedeelte. Wij zijn meer
verwend dan wij wel weten, en waren we in zulke eenvoudige huisgezinnen
opgegroeid, dan hadden we het honderdste deel niet noodig van alles,
wat we thans voor noodwendig houden. Daarom kunnen we ook met kleine
giften in arme huisgezinnen veel goed doen; want de behoeften zijn er
gemakkelijk te bevredigen.”
„Maar, Tante, dat ben ik volstrekt niet met u eens,” hervatte Eugenie
levendig. „Ik geef en blijf geven, tot ik zelf niets meer over heb;
doch 't is als een druppel op een gloeienden steen; altijd hebben
die menschen nog iets noodig. Zoo kom ik bijvoorbeeld een dag of wat
geleden bij den metselaarsknecht De Groot. Ik vond het gezin juist aan
't middagmaal. Daar zaten ze nu om de tafel en aten allen uit een en
denzelfden schotel. O, dat vond ik verschrikkelijk! En dan de vorken
waarmee zij aten! Oude, zwarte, halfgebroken, ijzeren dingen! Ik vroeg
hun waarom ze de tafel niet dekten en waarom niet ieder van zijn eigen
bord at; de arme menschen keken mij verlegen aan: begrijp eens, ze
hadden geen enkel tafellaken, geen servet en maar twee borden in 't
geheel; en dat waren er nog borden naar! Terstond ben ik met Lizette
naar een paar winkels gegaan en heb hun borden en schotels, drie
tafellakens met servetten en een half dozijn goede vorken gekocht, en
die heb ik hun gezonden. En zoo gaat het mij bijna overal; de arme
zielen hebben dikwerf gebrek aan 't allernoodigste, en hoe weinig kan
ik daarin te gemoet komen! Bij den armen sjouwerman Bronsveld vond ik
onlangs de vrouw te bed liggen; maar in plaats dat het arme mensch
een nachtjak aan had, had ze een ouden, verkleurden doek om den hals;
nachtgoed bezat ze in 't geheel niet. In plaats van een matras had ze
een bos stroo en hare kinderen lagen alle drie in 't zelfde bed. Ik heb
er terstond matrassen en beddegoed bezorgd en wat nachtgoed. Maar zulke
uitgaven hebben mij geheel geplunderd. En nu weet ik zelf geen raad.”
„Lief, goed kind,” zeide Tante Betsy, terwijl ze Eugenie's wangen
streelde. „Veroorloof mij, dat ik je in je verlegenheid te hulp kom.
Al wat je mij daar vertelt, pleit voor je goed hart; maar ik mag 't je
niet verhelen, dat je op een verkeerden weg bent. Wat ik je vooraf reeds
zeide, vind ik inderdaad bevestigd; je houdt dingen voor noodig, die de
geringe man niet als nooddruft beschouwt. Ik ben er vast van overtuigd,
dat de vrouw van Bronsveld het fijne nachtgoed naar den lombard brengt
en voor 't geld, dat zij daarvoor krijgt, noodiger zaken koopt, en dat
je tafellakens, servetten en mooie vorken bij De Groot òf in de kast
liggen òf denzelfden weg zijn opgegaan.”
„Maar, Tante! Waarom? Bedenk toch hoezeer die arme lieden er behoefte
aan hadden, en hoe blij ze zullen zijn, dat ze eens van een gedekte
tafel en met fatsoenlijke vorken van witte borden kunnen eten!” zeide
Eugenie verwonderd.
„Daarin juist bestaat je dwaling, lieve Eugenie,” hernam Tante
glimlachend. „Gij dacht, dat die menschen 't gemis van deze zaken erg
gevoeld hadden, omdat gij dat zoudt doen, als ge in hun plaats waart.
Maar zij zijn niet anders gewoon, hebben nooit in hun leven van ander
tafelgereedschap gegeten, en zullen zelfs niet weten wat ze met al die
borden, met die servetten en die tafellakens moeten uitvoeren. Ze hebben
het geld echter voor vrij wat anders noodig, dan voor fijn tafel- en
linnengoed. Met hun oude vorken eten ze heel smakelijk, als ze maar iets
te eten hebben, en je kunt het hun volstrekt niet kwalijk nemen, als ze
je mooi tafelgereedschap te gelde gemaakt hebben, om daarvoor iets te
koopen, dat ze met hun vorken in den mond kunnen brengen.”
Eugenie was in gepeins verzonken; want wat Tante gezegd had deed haar de
zaken uit een geheel ander oogpunt beschouwen. Half verlegen, maar toch
eindelijk weer in haar gewone plagerige luim, begon zij met zichzelf den
draak te steken en om haar eigen dwaasheid te lachen. Daarop verzocht
ze Tante Betsy op een kinderlijk lieve manier, haar bij de zorg voor
de armen met haar goeden raad te willen ondersteunen, opdat zij er
ten laatste niet toe mocht komen, om voor de vrouwen kanten mutsen
en voor de mannen gouden snuifdoozen te koopen, als noodzakelijke
levensbehoeften. Recht in haar schik met dit verzoek, beloofde Tante
haar heur raad en hulp, en zoo konden we in de zorg voor onze armen
gezamenlijk werken. Zelfs duurde het niet lang, of Eugenie hielp ons
kleeren voor de arme kinderen naaien, en met stille vreugde zagen we
zelfs eens een grove wollen kous in haar handen, waaraan ze ijverig zat
te breien en die bestemd was voor een armen sjouwerman. Lizette had haar
breien moeten leeren.
TIENDE HOOFDSTUK.
Verschillende moeders.
Had Eugenie in den eersten tijd van haar verblijf in ons huis
uitsluitend al onze gedachten vervuld, langzamerhand begon nu ons
levensbeekje weer zijn gewonen loop te hervatten. Eugenie's gedrag
verwekte hoe langer hoe minder stoornis en zij begon zich al wat meer
bezig te houden met de bemoeiingen, waarmede Tante Betsy en ik den tijd
besteedden. Aan de lessen, die ik ontving, nam ze geen deel; want daar
had ze al meer dan genoeg van, zooals zij zeide, en ik vond het heel
pleizierig, dat ik die op den ouden voet met Marie kon voortzetten.
Ook het voorlezen, waarmede Tante nog regelmatig met mij voortging,
verveelde Eugenie in den beginne doodelijk; en ik vond niets
onpleizieriger dan voor te lezen als zij er bij was, daar ze zich
volstrekt niet geneerde mij om mijn slechte uitspraak en den verkeerden
klemtoon, dien ik soms op de woorden legde, uit te lachen. Doch Tante
verbood haar dit spoedig, en een tijdlang ging ze de kamer uit als wij
begonnen te lezen. Op zekeren dag echter kwam ze juist op het leesuur
binnen en vroeg aan Tante, of zij 't vandaag eens doen mocht. Natuurlijk
stemde Tante toe. En nu hadt gij eens moeten hooren hoe prachtig zij
las. Haar stem was jeugdiger en dus frisscher dan die van Tante, en er
was bovendien zulk een klank en zulk een juistheid in hare voordracht,
dat we beiden in bewondering opgetogen waren.
Eensklaps scheen ze zin in 't voorlezen te hebben gekregen; want van nu
af aan nam ze geregeld deel aan onze leesuren. Ze las bij afwisseling
met Tante en mij, en hare plagerijen bij mijn lezen bepaalden zich nu
tot kleine aardigheden, die ik volgaarne verdroeg en waarom ik zelf
meelachte. Zoo was ze nu eenmaal. Wanneer men haar den goeden weg
gewezen had, moest men haar tijd tot nadenken laten, en dan kon men er
zeker van zijn, dat haar goed hart haar op den rechten weg bracht. Deze
gegronde overtuiging troostte Tante en ondersteunde haar bij al de zorg,
die Eugenie's gedrag haar veroorzaakte; en de goede vrouw was innig
dankbaar jegens God, dat Hij dit meisje onder haar hoede had geplaatst,
eer nog het weelderig opgeschoten onkruid al het goede zaad in haar hart
had verstikt.
Eugenie zelve gevoelde dit ook dagelijks meer en meer, en op de meest
ongekunstelde wijze sprak zij die gedachte zelf uit, altoos op haar
zonderlinge manier om de zaken uit te drukken.
„Tante,” vroeg zij eens, „wie van uw beide bakerkinderen veroorzaakt u
eigenlijk de meeste moeite? Madeliefje, die ongelikte jonge boerin, of
de ondeugende en lastige Eugenie? Beken het maar, het tweede bakerkind
is 't lastigst van de beiden. Maar wat kan zij het helpen, die zoo lang
in 't spinneweb verward is geweest, dat het weken duurde eer ze zag hoe
ze er uit kon geraken. Maar nu word ik ook zoo duf en oudbakken als
onze oude kat thuis, die op haar ouden dag geen muizen meer wil vangen;
waarschijnlijk wel, omdat Tante Betsy haar in 't oor heeft geblazen dat
dit zonde is. Foei, als Mama eens zag hoe ik daar aan een grove wollen
kous zit te breien, of de kleine kinderen met hunne vuile neuzen kus;
wat zou 't goede mensch van mij schrikken! Ze kocht mij zeker terstond
den kost in 't oude-vrouwenhuis, waar ze zou zeggen, dat mijn plaats
was!”
En dan begon ze op haar gewone vroolijke manier te lachen en draaide met
mij in de rondte, 't geen ik me maar moest laten welgevallen, of ik
wilde of niet.
Ondanks haar elegante uiterlijke beschaving, kwamen er toch bij Eugenie
allerlei dingen te voorschijn, die Tante Betsy berispte, en ik knoopte
hare aanmerkingen tot mijn eigen behartiging in 't oor. Zoo had b. v.
Eugenie er veel pret in, om uit het venster te kijken en allerlei
opmerkingen te maken over de voorbijgangers. Ik vond dat ook heel
prettig; en zoo lagen wij beiden eens met onze schouders ver uit het
geopende venster, om toch al wat er beneden op straat voorbijging goed
op te nemen. Maar spoedig kwam Tante er op aan en beknorde ons braaf
over ons ongepast gedrag; want het beviel haar niet, als jonge meisjes
niets beters weten te doen dan uit het venster te liggen kijken; en zoo
met het geheele bovenlijf in de lucht te hangen was geen teeken van
welvoeglijkheid.
Ik trok mijn hoofd dadelijk naar binnen; maar Eugenie lachte zooals
altijd, en zeide dat Tante bang was voor een bestorming van haar
kasteel, om de daarin gevangene schoonen te bevrijden; daarom wou ze ons
aan de oogen der wereld onttrekken. Ze deed echter wat Tante bevolen
had, en 't open venster zag ons van toen af slechts voor weinige
oogenblikken.
Een ander gebrek van Eugenie, dat ik echter minder met haar deelde, was
't gebruik van krachtige uitdrukkingen en ongepaste woorden. 't Was
inderdaad grappig om te hooren, hoe dat fijne dametje soms duchtig kon
razen en er wel eens soldatenwoorden uit dat fijne mondje vlogen.
„Ik ben nu eenmaal zoo'n halve jongen, wat kan ik het helpen!”
antwoordde zij op de terechtwijzingen van Tante daarover; toch hoorde
men dergelijke uitdrukkingen minder dan vroeger. Ook op 't ijdel
gebruik van Gods naam en zoogenaamde bastaardvloeken maakte Tante haar
opmerkzaam, en ze gaf zich werkelijk veel moeite om 't af te leeren;
ofschoon ze zei dat ze wel een slot op haar mond mocht leggen, omdat ze
hier geen mensch naar den zin kon spreken.
Verwende menschen zijn achteloos ten aanzien van 't geen zij anderen
verschuldigd zijn, en zoo ging 't ook Eugenie, wie 't geheel en al
onverschillig was, of anderen reden hadden oplettendheden van haar te
verwachten of niet.
„Laat mij toch met rust. Ik kan dat bezoekenafleggen niet uitstaan,”
antwoordde zij steeds op de herinnering van Tante, dat ze de een of
andere dame een bezoek schuldig was. „De menschen zijn mij ten eenenmale
onverschillig; ik kan 't niet uitstaan dat zij zich om mij bekommeren!”
Kwam zij er eindelijk toe om ergens een visite te maken, dan deed ze 't
met zooveel beminnelijkheid, dat ze alle menschen in verrukking bracht.
Tante was op zulke kleine maatschappelijke plichten zeer streng. „Wie
zich,” zeide zij, „in 't kleine gewent om de plichten jegens zijn
medemenschen in 't oog te houden, zal ook in grootere zaken zoo
handelen.”
Deze geringschatting van anderen was ook de oorzaak dat Eugenie dingen,
die aan anderen toebehoorden, niet ontzag en dit had reeds meermalen
onaangenaamheden veroorzaakt. Op een prachtige sjaal, die een dame haar
bij 't naar huisgaan opgedrongen had, maakte de hond een vlek, die er
slechts met groote moeite uit te krijgen was; een parapluie, die zij
geleend had, liet zij ergens staan en moest er natuurlijk een nieuwe
voor terugzenden; op het mooie album van Amanda liet ze olie vallen
en bemorste daardoor niet alleen eenige schoone teekeningen, maar ook
Tantes tafelkleed. Wel herstelde Eugenie de schade door nog schooner
teekeningen en een ander tafelkleed, maar 't gaf haar wat moeite en
kosten, en zij had dat alles kunnen sparen, als ze wat zorgvuldiger op
't eigendom van anderen gepast had. Even onachtzaam ging zij met de
boeken om, die men haar leende, en Tante zeide haar heel streng, dat
het haar niet verwonderen zou, wanneer niemand haar meer een boek wilde
toevertrouwen, daar ze er nooit een zonder ezelsooren of beduimelde
bladeren en vlekken teruggaf. „Het is een teeken van weinig opvoeding,
kindlief!” zoo eindigde Tante haar toespraak, waarnaar Eugenie met
weinig oplettendheid luisterde. Intusschen had ze in 't vervolg toch
meer attentie voor andere menschen en voor hun eigendom.
Niet, dat ze met haar eigen goed zorgvuldiger omging; 't kostte Tante
vrij wat moeite, om haar het verkeerde daarvan onder 't oog te brengen.
Te denken dat het spaarzaamheid was, haar goed te ontzien, was nog
nooit in haar opgekomen, en daar zij evenveel onachtzaamheid en
onervarenheid in 't gebruiken van haar geld aan den dag legde, deed het
Tante veel genoegen, toen Eugenie haar tot haar minister van financiën
benoemde. Onder zulk een leiding leerde zij spoedig haar geld beter
besteden; toch had ze altijd grooten lust, om meer uit te geven dan haar
inkomsten bedroegen.
„Ik moet een rijken man hebben,” zeide zij dikwijls, en 't scheen mij
toe, dat ze daarin geen ongelijk had.
„Maar als je nu eens een armen krijgt, hoe dan?”
„Dien neem ik niet. Misschien neem ik er wel in 't geheel geen,”
antwoordde zij op die vraag.
Eugenie's zorgeloosheid omtrent haar goed strekte zich ook uit tot
iets, waarvan ik 't volstrekt niet begrijpen kon, en wel tot haar
correspondentie. Ik bewaarde mijn brieven achter slot en 't was wel een
blijk van 't grootste vertrouwen, als ik iemand een blik in de brieven,
die ik ontving, veroorloofde. Eugenie daarentegen scheen geen waarde aan
de haren te hechten; zij slingerden dagen lang open en bloot over de
tafel en zij gebruikte ze menigmaal tot omslag voor alle mogelijke
dingen of bezigde ze voor papillotten.
Nu scheen er in deze brieven, zoowel in die, welke zij van hare mama,
als die ze van goede bekenden ontving, al heel weinig te staan, dat
eenige attentie waard was, en van haar vader kreeg ze hoogst zelden
tijding. Alleen zijn brieven sloot ze zorgvuldig in haar mappe, en na
de ontvangst daarvan was ze steeds voor een poos ernstiger en zachter
gestemd dan gewoonlijk. Ten opzichte van dit verschijnsel herinner ik
mij een tooneel, dat mij altijd onvergetelijk is gebleven en wel
getuigenis gaf van haar gevoel.
Met onbeschrijfelijk groot verlangen had ik op tijding van huis gewacht
en met luid gejubel ontving ik di
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/41239