Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
by M. W. F. Treub · Dutch · Gutenberg #40942 · 975,448 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Author: M. W. F. Treub
Release date: October 5, 2012 [eBook #40942]
Most recently updated: October 23, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/40942
Credits: Produced by André Engels, Harry Lamé and the Online
Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK OORLOGSTIJD HERINNERINGEN EN INDRUKKEN ***
+--------------------------------------------------------------------+
| Opmerkingen van de Bewerker: |
| |
| Gebruikte transcriptie: |
| In het originele werk schuingedrukte tekst wordt hier weergegeven |
| als _tekst_. |
| In het originele werk in kleinkapitalen gedrukte tekst wordt hier |
| weergegeven in KAPITALEN. |
| Superscript wordt aangegeven door ^{}, zoals in 1^{e} of 2^{den}. |
| |
| Afhankelijk van de gebruikte hard- en software en instellingen is |
| het mogelijk dat niet alle symbolen en tekens correct worden |
| weergegeven. |
| |
| Meer Opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze tekst. |
+--------------------------------------------------------------------+
OORLOGSTIJD
HERINNERINGEN EN INDRUKKEN
OORLOGSTIJD.
HERINNERINGEN EN INDRUKKEN
VAN
Mr. M. W. F. TREUB,
OUD-MINISTER VAN LANDBOUW, NIJVERHEID EN HANDEL,
OUD-MINISTER VAN FINANCIËN.
HAARLEM
H. D. TJEENK WILLINK
& ZOON.
AMSTERDAM
SCHELTEMA & HOLKEMA’S
BOEKHANDEL.
1916
EEN WOORD VOORAF.
Een woord vooraf. Niet over hetgeen dit boek geeft of bedoelt te geven.
Zoowel het een als het ander blijke uit zijn inhoud. Daarover is het
oordeel niet aan mij. Mijn woord vooraf betreft voornamelijk hetgeen het
boek niet geeft en niet bedoelt te geven. Zooals de titel reeds
aanwijst, heeft het een zeer persoonlijk karakter. Herinneringen en
indrukken kan men alleen hebben van hetgeen men zelf heeft meegemaakt of
van nabij gezien heeft. Veel van hetgeen buiten het economisch terrein
viel, zag ik niet of slechts uit de verte. Toch is dit niet de eenige
reden waarom ik hetgeen op militair gebied is voorgevallen, op enkele
uitzonderingen na, met stilzwijgen voorbijga. Daaronder is het een en
ander dat ik wèl van nabij zag. Ik zwijg daarover, omdat mij de tijd
voor eene bespreking van de organisatie van ons defensiewezen en van de
daarin te brengen verbeteringen niet gekomen schijnt, alsook omdat, als
die tijd wèl gekomen zijn zal, anderen daartoe meer bevoegd zijn dan ik.
Zooveel mogelijk heb ik mij bepaald tot den tijd, waarin ik de
regeeringszaken van nabij kon waarnemen en mij onthouden van het leveren
van critiek. De grenzen, die ik mijzelven aldus stelde, heb ik evenwel
op sommige punten moeten overschrijden.
Vooral in de eerste maanden van den oorlogstijd had ik het groote
voorrecht de waakzaamheid en zorgzaamheid van H. M. de Koningin voor het
Nederlandsche volk van nabij te kunnen waarnemen, en daardoor hoog te
leeren waardeeren.
Aan Hare Majesteit ben ik zeer erkentelijk voor de mij verleende
vergunning, mijn boek eerbiedig aan Haar te mogen opdragen.
_Eerbiedig opgedragen_
_aan_
_Hare Majesteit de Koningin_,
_aan onze begaafde Landsvorstin, die zich in moeilijke
dagen heeft doen kennen als een ware
Moeder des Vaderlands_.
INHOUD.
BLADZ.
EEN WOORD VOORAF VII
OPDRACHT AAN H. M. DE KONINGIN IX
INLEIDING 1
HOOFDSTUK I. HANDHAVING VAN ’S LANDS SOUVEREINITEIT EN NEUTRALITEIT.
§ 1. De mobilisatie en de staat van oorlog en van beleg 9
§ 2. De neutraliteit ter zee 18
§ 3. Interneering; luchtvaart 27
§ 4. Gevaarlijke bakerpraatjes 35
HOOFDSTUK II. DE LEVENSMIDDELENVOORZIENINGEN.
§ 1. Beperking van den uitvoer 39
§ 2. De levensmiddelenwet 76
§ 3. De broodvoorziening 91
HOOFDSTUK III. VOORKOMEN EN LENIGEN VAN NOOD.
§ 1. Het Koninklijk Nationaal Steuncomité 115
§ 2. Hulp aan vreemdelingen 145
§ 3. Voorkoming van werkloosheid; arbeidsbemiddeling 156
§ 4. De Werkloosheidsverzekering 171
HOOFDSTUK IV. GELD EN CREDIET IN DEN OORLOGSTIJD.
§ 1. De paniek en haar meest urgente bestrijdingsmaatregelen 188
§ 2. Het middenstandscrediet 218
§ 3. De Beurswet 241
§ 4. De aandrang tot een moratorium 258
HOOFDSTUK V. HET OP GANG HOUDEN DER BEDRIJVEN.
§ 1. Nijverheid; Kolenvoorziening 267
§ 2. Land- en tuinbouw 283
§ 3. Visscherij; Scheepvaart 299
§ 4. Handel 322
HOOFDSTUK VI. DE OORLOGSTOESTAND EN DE SCHATKIST.
§ 1. De Staatsleening 1914 351
§ 2. Verdere maatregelen op financieel gebied 374
NABETRACHTING 392
INLEIDING.
Al heeft Europa sedert den aanvang van de twintigste eeuw bijna
onafgebroken in het teeken van oorlogsgevaar gestaan, toch werd zelfs
nog in het midden van Juli 1914 door niemand vermoed, dat een strijd van
zulk een omvang, zulk een hardnekkigheid en zulk een duur over ons
werelddeel zou komen, als de werkelijkheid spoedig daarna te zien gaf.
Op een gebeurlijkheid van zoo diep wereldschokkende beteekenis was
niemand voorbereid; niet alleen niet de regeeringen der kleine staten,
doch ook de groote mogendheden niet, die thans aan den krijg deelnemen.
Zeker, in militair opzicht had men overal in meerdere of mindere mate op
de oorlogsmogelijkheid gerekend. In sommige landen, Duitschland vooraan,
was de voorbereiding zelfs tot een hoog peil opgevoerd; maar zelfs voor
Duitschland heeft de oorlogswerkelijkheid de voorstelling, welke men
zich van te voren daarvan gemaakt had, ver achter zich gelaten. En voor
de andere oorlogvoerenden geldt dit in nog heel wat hoogere mate. Men
denke, om slechts één voorbeeld te noemen, aan het verbruik en in
verband daarmede aan de productie van munitie. Dat verbruik en die
productie hebben afmetingen verkregen, waarvan vóór den oorlog zelfs de
vurigste militairist niet had kunnen droomen.
Ongetwijfeld heeft in de afgeloopen jaren vóór den oorlog de één den
toestand donkerder ingezien dan de ander. Dit geldt voor regeeringen en
regeeringspersonen zoo goed als voor ambtelooze burgers. Maar de
slachting, die nu reeds meer dan twee jaren aanhoudt, heeft ieder
overvallen; ook dit geldt voor regeeringen en regeeringspersonen zoo
goed als voor ambtelooze burgers. Daarop was niemand, daarop was men
nergens voorbereid. Natuurlijk waren in verband met de militaire
toebereidselen voor een eventueelen oorlog wel maatregelen van
financieelen aard overwogen en ten deele getroffen; ook was men zich wel
vaag bewust, dat belemmeringen in het internationale verkeer, welke als
gevolg van een uit te breken oorlog niet zouden achterwege blijven, de
verzorging der bevolking zoodanig zouden kunnen bemoeilijken, dat op
uitbreiding der regeeringstaak ter oplossing van zulke moeilijkheden
moest worden gerekend. Maar hoe het hiermede eigenlijk zou zijn gesteld,
als er eens oorlog zou komen, wist niemand en kon niemand weten;
daarvoor waren de omstandigheden, waaronder een mogelijke oorlog gevoerd
zou moeten worden, voor elk land, dat er in betrokken zou kunnen worden
of dat er den terugslag van zou kunnen ondervinden, te onzeker.
Men besefte wel algemeen, dat een oorlog tusschen Europeesche
mogendheden een beroering ook op economisch gebied zou teweegbrengen,
waarbij de regeeringen niet zouden kunnen stilzitten. Maar hoe het
ingrijpen der regeeringen zou moeten zijn, welke richting het zou moeten
nemen en welken omvang het zou moeten krijgen, dit alles was bij
voorbaat zelfs niet bij benadering te voorzien, omdat de factoren,
waarvan de aard en de mate van dat ingrijpen zouden afhangen, van te
voren geheel onzeker waren. De economische voorbereidingen voor den
oorlog, voor zoover zij gemaakt waren, zijn dan ook overal, toen de
krijg eenmaal losgebroken was, zóó ver ten achter gebleven bij de
eischen der werkelijkheid, dat zonder ernstige overdrijving te dien
aanzien van alle landen kan worden getuigd, dat zij _niet_ voorbereid
waren.
Toen de oorlog op eens in geheel Europa het economisch leven
ontwrichtte, hebben de bevolkingen der oorlogvoerende landen met vooraf
voor onmogelijk gehouden inschikkelijkheid in het onvermijdelijke berust
en zich ongelooflijk spoedig, zoo goed en zoo kwaad als het ging, aan
den oorlogstoestand aangepast. In de neutrale staten ging het niet
anders, al was daar de inschikkelijkheid niet altijd even groot.
Het onvermijdelijke, dat bij de bevolkingen den geest van onderwerping
aan- en berusting in het noodlot aankweekte, scherpte bij de
verantwoordelijke bestuurders den geest der doortastendheid. Zoo
ontstonden, zonder veel wikken en wegen, bijna steeds zonder voorafgaand
plan, allerlei economische regelingen, die meer aan den drang der
omstandigheden dan aan het vernuft van den eenen of anderen staatsman,
financier of koopman haar ontstaan danken.
Die hohe Fluth ist’s, die das schwere Schiff
Vom Strande hebt....
De toestanden hebben zich in den oorlogstijd ontwikkeld, zonder zich te
storen aan hetgeen economisten van de studeercel of uit het practisch
leven ervan voorspeld hadden.
Overal heeft men in Augustus 1914 gestaan voor een plotseling te
voorschijn getreden grooten onbekende, wiens karakter men als het ware
van dag tot dag had te bespieden, wiens eigenaardigheden van dag tot dag
bleken te veranderen of verkeerd te zijn ingezien, en wiens gedragingen
een ongekend groot gevaar opleverden, als men er niet in slaagde, zich
van zijn wezen en zijn doen en laten een zoo goed mogelijk beeld te
vormen en naar dat beeld zijn maatregelen van tegenweer tegen den
indringer te nemen en door te voeren.
Dit alles geldt natuurlijk voor de groote oorlogvoerende landen in de
eerste plaats, maar op kleiner schaal geldt het ook voor de neutraal
gebleven staten, met name voor ons land. Men stond voor een toestand die
niet was voorzien, die niet had kunnen zijn voorzien en waarin toch,
zonder dralen, zoo goed mogelijk voorzien moest worden. Onvoorbereid
werd men geplaatst voor ongekende moeilijkheden. Niet alleen, zelfs niet
in de eerste plaats, op militair gebied. Daar kon men ten minste zijn
eerste maatregelen nemen als vrucht van jarenlange studie en
voorbereiding. Op economisch en op financieel terrein stond de groote
onbekende plotseling, zonder waarschuwing voor ons, als een dreigend
gevaar, dat hoe dan ook bezworen moest worden. Zóó was het elders; zóó
was het ook hier.
Hoe daarop in andere landen werd gereageerd, kunnen anderen beter
beoordeelen dan ik, die gedurende den tijd, waarover ik mijn
herinneringen en indrukken opschrijf, evenals alle leden der Regeering,
als het ware binnen onze grenzen gevangen zat. Ik bepaal mij dus tot ons
eigen land. De zoo onverwachts over het land gekomen oorlogstoestand,
met het vooral in de eerste weken voortdurend dreigende gevaar van in de
worsteling der volken van Europa te worden meegesleurd, werkte op de
groote menigte zooals een plotseling opkomende vrees voor dreigend
brandgevaar pleegt te werken op het publiek in een schouwburg- of
concertzaal. Er ontstond een paniek, die zich op verschillende wijze
uitte. Het sterkste bewijs dat de bevolking op een reusachtige
worsteling als daar plotseling ging beginnen, nog minder voorbereid was
dan de Regeering. Men had in de laatste jaren al zoo dikwijls gelezen
van dreigende conflicten van ernstigen aard tusschen de groote
mogendheden, die telkens vóór het tot een uitbarsting kwam, langs
diplomatieken weg waren bijgelegd. Zóó zou het ook nu wel gaan. Wèl
begreep ieder, dat na den moord op den aartshertog van Oostenrijk en
zijn gemalin en na de uiterst kras gestelde nota, welke daarop door
Oostenrijk-Hongarije tot Servië werd gericht, een oorlog tusschen die
beide landen niet kon uitblijven. Maar voor de groote menigte was en
bleef het gevaar, dat daarin voor den algemeenen vrede in Europa
schuilde, een gesloten boek. En onder hen die meer inzicht in de
onderlinge betrekkingen der groote mogendheden hadden, bleef tot het
laatste oogenblik de hoop bestaan, dat het ook nu, evenals bij den
Balkanoorlog, gelukken zou, den strijd te localiseeren.
Ik herinner mij nog levendig een gesprek, dat ik, slechts enkele dagen
vóór het uitbreken van den oorlog, had met een oud-minister, die veel
van de wereld gezien heeft, die behoort tot onze flinkste staatslieden,
dien niemand een overdreven optimist zal noemen en wiens doorzicht wordt
erkend ook door zijne politieke tegenstanders. Pratende over den
onzekeren toestand en het oorlogsgevaar, vrijwel het eenige onderwerp
van gesprek uit die dagen, beweerde die staatsman met groote
stelligheid, dat hij de verschillende berichten goed had nagegaan en
daaruit de conclusie had getrokken, dat het met den dreigenden oorlog
wel zou losloopen. Servië zou een afstraffing krijgen van
Oostenrijk-Hongarije, die niet malsch zou wezen, maar de overige
mogendheden, Rusland incluis, zouden erkennen, dat zij verdiend was. De
verdere verwikkelingen zouden in de kabinetten der diplomatieke
vertegenwoordigers en der regeeringen, in wier opdracht deze hadden te
handelen, worden afgedaan. En ik herinner mij ook, dat ik, hoewel die
beschouwing mij wat optimistisch toescheen, toch niet met een gelijke
stelligheid een donkerder getinte meening daartegenover durfde stellen.
Toch zou zulk eene somberder beoordeeling van den toestand, als zij door
mij bij die gelegenheid was geuit, door de feiten binnen slechts enkele
dagen zijn bevestigd.
Deze herinnering wordt door mij niet naar voren gehaald omdat het
gesprek op zich zelf zoo bijzonder belangwekkend was. Herhaaldelijk zal
in die dagen door den één zijn gesproken in den geest van den bedoelden
bewindsman en door een ander een meer pessimistische meening daartegen
zijn overgesteld. Ik doe er alleen hierom licht op vallen, omdat het
een gesprek gold tusschen een lid van een vorige en een lid van de aan
het bewind zijnde Regeering, dus tusschen twee personen die--indien de
gebeurtenissen elkander niet met zulk een schrikwekkende snelheid hadden
opgevolgd--beter in staat zouden zijn geweest, zich een eenigszins op
feiten gegrond oordeel te vormen, dan het gros van het belangstellend
publiek.
De lucht was in Juli 1914 zeker al lang niet helder meer, maar toch trof
het uitbreken van den Europeeschen oorlog als een donderslag. Dat de
moord in Serajewo, welk een sensatie die gebeurtenis ook in geheel de
wereld moge hebben veroorzaakt, leiden zou tot een reuzenkrijg, waarin
alle groote mogendheden van Europa zouden worden betrokken, heeft wel
niemand aanstonds vermoed. En toen zóó plotseling het ongedachte, zoo
niet onmogelijk geachte, werkelijkheid was geworden, scheen alles uit
zijn voegen geslagen.
Land- en tuinbouwers wisten niet wat er van den afzet van hun producten
worden zou; dit was in die mate het geval dat warmoezeniers hun
tomatenstruiken uitrukten en op den mesthoop wierpen en kleine boertjes
hun kippen en varkens tegen elken prijs van de hand deden. Handelaars
vreesden aan hun wisselverbintenissen niet te kunnen voldoen en riepen
om strijd met een aantal kleine neringdoenden om een moratorium als
redmiddel uit den nood. Huismoeders zagen in haar verbeelding de dagen
vóór zich, waarop zij voor hare gezinnen niet de noodige etenswaar
zouden kunnen bekomen en bestormden de kruidenierswinkels. Huisvaders
met eenig vermogen vroegen hun saldi op bij de bankiers, in wie zij tot
dusver een onbeperkt vertrouwen hadden gehad, en zochten hun heil in het
bijeenschrapen en wegbergen van zooveel mogelijk klinkende munt. Kleine
spaarders bestormden de spaarbanken.
Zóó zag het er in grove trekken in die gedenkwaardige laatste dagen van
Juli en eerste weken van Augustus 1914 uit. Ieder trachtte uit den
maalstroom, dien hij zag aankomen, te redden wat te redden viel en zeer
velen raakten daarbij hun hoofd kwijt. Het hielp niet daarover te
toornen of den staf te breken; daarmede was de toestand niet te redden.
Maar evenmin mocht men de paniek ongestoord laten voortwoekeren. Het
bloote feit dat velen onder den indruk van den schok, die gansch
Europa deed trillen, zoo geheel anders handelden dan onder
normale omstandigheden, riep toestanden in het leven, die gestuit
moesten worden. Stilzitten ware van de zijde dergenen, die de
verantwoordelijkheid droegen en de zorg hadden voor het algemeen
belang,--hetgeen toen wilde zeggen: voor den zooveel mogelijk geregelden
voortgang van het maatschappelijk leven,--onduldbaar kortzichtig zoo
niet misdadig geweest.
Of men het wilde of niet; of men het theoretisch juist achtte of niet;
of het met algemeene staatkundige denkbeelden van de regeeringspersonen
strookte of niet,--dit alles deed niet ter zake. Waar de bevolking zich
onmondig gedroeg, moest de staat plotseling voogdijstaat zijn. De
omstandigheden waren machtiger dan het individueele denken en willen der
regeeringspersonen, machtiger dan hun theoretische inzichten, machtiger
dan hun staatkundige beginselen. Om rust en orde te herstellen en
vertrouwen te geven, moest worden ingegrepen. En er werd ingegrepen.
Opmerkelijk was het, hoe het publiek in zijn toestand van opgewondenheid
en van vrees voor hetgeen over het land zou kunnen beschoren worden, op
het ingrijpen der Regeering reageerde. Terwijl in normale tijden bijna
elke inmenging van overheidswege in het economisch leven tegenzin, zoo
geen weerstand wekt in breede kringen der bevolking, werd nu de
regeeringsinmenging algemeen als een weldaad begroet. Er was haast nog
meer kracht noodig om tegenstand te bieden aan den aandrang tot verder
ingrijpen dan strikt noodzakelijk en derhalve passend en toelaatbaar
was, dan voor het voorbereiden, doorvoeren en in toepassing brengen van
de maatregelen, welke genomen moesten worden. Personen en lichamen, die
in normale omstandigheden de overtuiging hadden gekoesterd en zeker
herhaaldelijk ten beste hadden gegeven, dat de staat zich met handel en
bedrijf niet heeft af te geven en op dit gebied verknoeit, al wat hij
aanraakt, kwamen als om strijd vragen, dat toch zou worden ingegrepen en
bezwoeren de Regeering, dat er allerlei onheilen waren te duchten, als
zij met haar maatregelen niet verder ging, dan zij deed. Die aandrang
kwam niet alleen van den kleinen man en van den middenstander. Kamers
van Koophandel, groothandelaars en grootindustrieelen sloten zich
daarbij aan. In de kabinetten van verschillende ministers, met name in
die van den tijdelijken voorzitter van den Ministerraad en van den
Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, zijn in Augustus 1914
personen om regeeringsinmenging komen vragen, die het van zichzelven
vroeger onmogelijk zouden hebben geacht, dat zij ooit zulk een stap
zouden doen, en zijn gesprekken gevoerd, die in normale tijden hen, die
ze voerden, de haren zouden hebben doen te berge rijzen.
Maar gelukkig waren er onder de mannen uit de zakenwereld ook personen,
die het hoofd koel wisten te houden, en die door hun raad en bijstand de
Regeering in die moeilijke dagen krachtig hebben gesteund en aan het
land onschatbare diensten hebben bewezen. Heeft het destijds de overheid
aan den eenen kant niet ontbroken aan zenuwachtige adviezen van
overspannen gemoederen; aan den anderen kant heeft zij het groote
voorrecht gehad, te kunnen steunen op ervaren lieden uit de financieele
wereld, zoowel als uit de kringen van den groothandel en het
grootbedrijf, wier voorlichting en medewerking voor haar van onschatbare
beteekenis was. Daarnaast hebben de leiders van de verschillende
schakeeringen in de arbeidersbeweging zich beijverd verstoringen van
rust en orde te verhoeden en hebben deze vertrouwensmannen van de
arbeidersbevolking bij de maatregelen, welke meer in het bijzonder de
arbeidende klasse raakten, de Regeering krachtig bijgestaan.
Dank zij dien veelzijdigen steun en die veelzijdige medewerking is het
mogelijk geweest, het economisch leven aan den gang te houden en vrij
spoedig in niet al te abnormale banen terug te leiden; dank zij dien
steun en die medewerking zijn geweldige en gevaarlijke schokken
vermeden. Onder den overstelpenden drang der omstandigheden heeft zich
in de eerste weken van den oorlogstoestand ook de hoogere eenheid van
het volk geopenbaard; met eerbied en erkentelijkheid denkt men er aan
terug.
In de spoedvergadering van de Tweede Kamer, welke op 3 Augustus 1914
werd gehouden, kwam die eenheid treffend tot uiting. Niemand van hen,
die het voorrecht gehad hebben, die historische bijeenkomst bij te
wonen, zal haar ooit vergeten. Er heerschte een plechtige ernst, welke
door ieder werd gevoeld en dien niemand kan beschrijven. Partijschap was
vergeten. Van de rechterzijde kwam bij monde van den heer de Savornin
Lohman het woord: „Laat ons bedenken, dat alles wat naar partijdigheid
zweemt thans ter zijde moet worden gesteld. In ons leger dienen niet
partijen maar Nederlanders.
„Laat ons ons scharen om den troon, indachtig dat H. M. de Koningin
persoonlijk gezworen heeft de onafhankelijkheid van het grondgebied des
Rijks met al haar vermogen te zullen verdedigen en bewaren en dat in
Haar mond deze eed geen ijdele klanken zijn geweest.”
Voor de sociaaldemocraten sprak de heer Troelstra. In verband met de pas
voltrokken mobilisatie vermaande hij zijne partijgenooten: „Indien er
eenige Regeering in Europa is, die onschuldig is aan de verschrikkelijke
misdaad, die thans over Europa is losgelaten, dan is het--wij mogen het
met trots zeggen--wel de Regeering van ons land.
„Om deze reden mogen mijn geestverwanten, die met mij het militairisme
afkeuren, dit bedenken: zij hebben hun afkeuring te richten tegen het
stelsel, dat wij bestrijden; zij hebben hun afkeuring niet te richten
tegen deze Regeering. Zij hebben hun plicht te doen als Nederlanders
voor het groote doel, waarvoor zij zijn opgeroepen.”
Daarop volgde de heer Bos, sprekende namens de geheele vrijzinnige
linkerzijde, met een korte en gevoelvolle rede, welke hij aldus sloot:
„Wij vertrouwen, dat met een koel hoofd, rustig te midden van den storm
der tijden, Regeering en volk zich zullen handhaven: door eendracht
sterk.”
Ieder was onder den indruk. Het meest nog, toen de heer Cort van der
Linden, die het geheim bezit in plechtige oogenblikken de juiste snaar
te treffen, aan het slot van zijn korte toespraak, gehouden terstond na
het ernstige openingswoord van den voorzitter, met kalme waardigheid
verklaarde: „Wij zijn gereed en besloten onze onzijdigheid en, moet het,
ons volksbestaan te handhaven met al onze krachten. Ons voegend naar
Gods wil wachten wij vastberaden en koelbloedig af, wat de toekomst
brengt.
„De Regeering rekent op de trouwe medewerking der Staten-Generaal. Zij
heeft het vaste vertrouwen dat deze, zich verheffend boven alles wat in
gewone omstandigheden verdeelt, bezield is met de gedachte aan de
eenheid en het behoud van ons dierbaar vaderland.”
Op dat beroep op de algemeene vaderlandsliefde volgde een oogenblik van
haast hoorbare stilte....
...... und jedem Einzelnen
Wächst das Gemüth im grossen Strom der Menge.
HOOFDSTUK I.
HANDHAVING VAN ’S LANDS SOUVEREINITEIT EN NEUTRALITEIT.
§ 1. _De mobilisatie en de staat van oorlog en van beleg._
Onder de betrekkelijk weinige regeeringsmaatregelen, welke geheel
spontaan, zonder aandrang van buiten, werden genomen, neemt het
mobilisatiebesluit zeker de eerste plaats in. Toen de onweerswolken aan
den internationalen politieken hemel in de laatste dagen van Juli 1914
zóó dreigend samenpakten, dat een uitbarsting onvermijdelijk scheen,
kwam de Ministerraad dagelijks bijeen en werd ook dagelijks hetzij bij
monde van den tijdelijken voorzitter van dien Raad of van een der
andere, bij eenig onderwerp meer in het bijzonder betrokken, ministers
overleg gepleegd met H. M. de Koningin, die, toen gevaar dreigde,
terstond Haar verblijf op het Loo had onderbroken en naar Den Haag was
gekomen. Maandag 27 Juli des ochtends vroeg kwam de Koningin in de
residentie. Denzelfden dag werd voor het eerst Ministerraad gehouden tot
het beramen van maatregelen met het oog op het dreigend oorlogsgevaar.
Het resultaat van dien eersten oorlogsministerraad was het gebruik maken
van de bevoegdheid door militie- en landweerwet aan de Kroon gegeven, om
bij oorlogsgevaar het ontslag van dienstplichtigen uit den dienst bij de
militie en bij de landweer en den overgang van militieplichtigen tot de
landweer te schorsen, in afwachting van wettelijke regelingen in dien
geest, waarvoor de ontwerpen te gelijk werden vastgesteld en naar den
Raad van State verzonden. Reeds denzelfden dag werden de voorstellen van
den Ministerraad tot die maatregelen door de Koningin bekrachtigd en
onderteekend en verschenen zij in het Staatsblad. Dat was het eerste
gelui.
Die maatregelen hadden slechts een voorbereidend karakter. Financieele
offers van beteekenis brachten zij niet met zich en, mochten zij
overbodig gebleken zijn, dan zouden zij ook geen persoonlijke offers van
eenig aanbelang geëischt hebben. Zij wezen echter op het gespannen zijn
van den toestand en op de waakzaamheid der Regeering voor den afweer van
eventueele schending van grondgebied. Spoedig werden zij gevolgd door
een tweeden maatregel van wijdere strekking, maar die toch nog van
betrekkelijk weinig ingrijpenden aard was. Tusschen Maandag 27 en
Donderdag 30 Juli werd het oorlogsgevaar zooveel dreigender, dat op
laatstgenoemden dag door den Ministerraad aan de Koningin werd
voorgesteld, op grond van artikel 186 der Grondwet te verklaren: dat
oorlogsgevaar, in den zin waarin dat woord in ’s Lands wetten voorkomt,
aanwezig was; en dat gebruik gemaakt werd van de bevoegdheid aan de
Kroon bij de landweerwet gegeven, om in tijden van oorlog,
oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de landweer
in haar geheel of bepaalde landweerafdeelingen of landweerkorpsen
onder de wapenen te roepen. Krachtens die bevoegdheid werden bij
Koninklijk besluit van dien dag de tot de landweer behoorenden,
die deel uitmaken van de landweer-grenswacht, de landweer-kustwacht
en de landweer-bewakingsdetachementen onder de wapenen geroepen. De
Koninklijke verklaring dat oorlogsgevaar aanwezig was, verscheen op 31
Juli in de Staatscourant.
Het besluit tot oproeping der grenswacht was het resultaat van een
uitvoerige beraadslaging in den Ministerraad. Niet aan de
wenschelijkheid van den door den Minister van Oorlog voorgestelden
maatregel betreffende de grensbewaking werd getwijfeld. Daarover bestond
aanstonds eenstemmigheid. Men vroeg zich echter af, of het niet noodig
was reeds terstond den definitieven stap te doen en het geheele leger te
mobiliseeren. Na het voor en tegen te hebben gewikt en gewogen, besloot
men den loop van zaken althans nog één dag aan te zien, daar, behalve in
Servië en in Oostenrijk-Hongarije, nog in geen enkel land tot
mobilisatie was overgegaan en nog met de mogelijkheid mocht worden
gerekend, dat op het laatste oogenblik de zaken een gunstige wending
zouden nemen. Het mobilisatiebesluit zou, al duurde het onder de
wapenen zijn van alle dienstplichtigen nog zoo kort, zooals de Minister
van Oorlog mededeelde, te staan komen op een uitgaaf van omstreeks ƒ 12
millioen. Zulk een uitgaaf achtte de Regeering alleen bij dringende
noodzakelijkheid verantwoord.
In dezelfde vergadering werden echter de Ministers van Oorlog en van
Marine gemachtigd, behoudens Koninklijke goedkeuring, de noodige
voorbereidende maatregelen te treffen en werd een vér strekkend besluit
genomen, waardoor de mobilisatie ook in ander opzicht werd ingeleid. Op
grond van art. 50 der Spoorwegwet werd besloten aan de Koningin te
vragen, dat de Minister van Oorlog zou worden gemachtigd het gebruik der
spoorwegen voor ’s Rijks dienst te vorderen. Die machtiging werd
denzelfden dag verleend, maar nog niet bekend gemaakt.
Vrijdagochtend (31 Juli) waren de berichten zóó onrustbarend dat, na
nieuw beraad, besloten werd tot de mobilisatie, het onder de wapenen
roepen van alle militie- en landweerplichtigen, over te gaan en tot het
nemen van de verschillende maatregelen, welke met de mobilisatie in
onafscheidelijk verband stonden, daaronder het gebruik maken door den
Minister van Oorlog van de machtiging tot vordering der spoorwegen, hem
den vorigen dag door de Kroon verleend. Het mobilisatiebesluit was het
rechtstreeksch gevolg van de telegrafische berichten omtrent den uiterst
gespannen toestand tusschen Rusland en Duitschland. In de Staatscourant
van 31 Juli verschenen de kennisgevingen van de Ministers van Oorlog en
van Marine, dat bij Koninklijk besluit van dienzelfden dag: 1º was
bevolen de niet in werkelijken dienst zijnde dienstplichtigen van het
leger, de landweer en de zeemacht van alle lichtingen _onverwijld_ onder
de wapenen te roepen, waarvoor als datum van opkomst de eerste Augustus
was aangegeven; en 2º. de Minister van Oorlog gemachtigd was, het
gebruik van alle spoorwegen te vorderen, voor zooveel hem dat gebruik
voor ’s Rijks dienst in het belang van de verdediging van het land
noodig voorkwam.
Ik behoef wel niet te zeggen, dat alle leden van de Regeering gevoelden,
welk een verantwoordelijkheid zij met die besluiten op zich namen,
besluiten, die niet alleen aan ’s Rijks schatkist op millioenen te staan
kwamen, maar die bovendien zeer diep ingrepen in het leven der
dienstplichtigen en een schromelijke belemmering zouden teweegbrengen in
het verkeer. Die verantwoordelijkheid was te grooter, omdat op het
oogenblik dat Nederland tot mobilisatie overging, met uitzondering van
Servië en Oostenrijk-Hongarije, welke landen sedert 28 Juli met elkander
in oorlog waren, nog geen enkel land dien maatregel officieel genomen
had, ook al waren er, met name in Rusland en Duitschland, reeds groote
troepenbewegingen gaande. Bij het nemen dezer zoo gewichtige beslissing
gaf den doorslag de overweging, dat indien men talmde en de grens eens
werd geschonden, vóórdat men tot afweer, voor zoover de krachten
reikten, gereed zou staan, de verantwoordelijkheid voor het niet doen
nog veel grooter zou zijn, dan die voor een daad, waarvan wel denkbaar,
maar hoogst onwaarschijnlijk was, dat zij overbodig zou blijken, doch
die door het enkele feit, dat zij plaats greep, zoowel naar binnen als
naar buiten getuigenis aflegde van den ernstigen wil der Regeering, met
de kracht waarover men beschikte, elke schending van Neerlands
grondgebied te weren. Het verdere verloop der omstandigheden heeft den
maatregel maar al te zeer gewettigd. De mobilisatie kwam geen dag te
vroeg, maar ook geen dag te laat.
De wijze waarop zij van stapel liep, ligt nog versch in ieders geheugen.
Zij was in één woord onberispelijk. Binnen drie à vier dagen was zij
geheel voltooid en zij ging in haar werk, alsof er een jaarlijksche
generale repetitie aan was voorafgegaan. De praestatie welke daarmede
door onze legerautoriteiten werd geleverd, maakte een onverdeeld
gunstigen indruk en zij heeft zeker niet nagelaten, ook bij onze
machtige naburen eerbied af te dwingen voor hetgeen hier met beperkte
middelen werd bereikt en voor het zoo volledig in orde zijn der
voorbereiding en der organisatie van het onverwijld op voet van oorlog
brengen van de geheele weermacht. Wat er ook aan onze legerorganisatie
moge ontbreken, het onderdeel daarvan dat de mobilisatie voorbereid en
uitgewerkt had, bleek puik te zijn.
Op denzelfden dag dat het mobilisatiebesluit in de Staatscourant
verscheen, werd de luitenant-generaal C. J. Snijders benoemd tot
Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht. Ik herinner mij niet meer of de
toekenning van den rang van „Generaal” aanstonds bij het besluit tot
benoeming van den Opperbevelhebber plaats vond of eenige dagen later
geschiedde. Dat is trouwens van ondergeschikte beteekenis. Voordat tot
die benoeming kon worden overgegaan, waren zaken van heel wat grooter
belang te regelen. Toen eenmaal vaststond, dat een Opperbevelhebber zou
worden benoemd, was men het over de keuze van den persoon vrijwel
terstond eens. De voordracht van den Minister van Oorlog daaromtrent gaf
nauwelijks tot eenige gedachtenwisseling aanleiding. Anders echter stond
het met de regeling van de positie, welke de Opperbevelhebber tegenover
de Regeering en inzonderheid ook tegenover de Ministers van Oorlog en
van Marine zou innemen. Het gold hier een even delicate als moeilijke
kwestie. Wordt eenmaal een Opperbevelhebber benoemd, dan moet het
legerbestuur in engeren zin geheel in zijn hand berusten en voor zijn
verantwoordelijkheid zijn. Hij mag geen gevaar loopen, dat hij bij de
opstelling of de verplaatsing van troepen inmenging zal behoeven te
dulden van het Departement van Oorlog. Ieder gevoelt de
noodzakelijkheid, dat als er met het leger gehandeld, d. w. z.
gestreden, moet worden, de leiding in één hand zij. Alleen bij zulk een
regeling is er waarborg, dat er snel en naar één leidende gedachte zal
kunnen worden opgetreden. Alleen dan is ook mogelijk, dat de
verantwoordelijkheid voor het gebruik dat van het leger wordt gemaakt en
voor de behandeling welke het daarbij ondergaat, niet wordt verdeeld en
verwaterd. Maar aan den anderen kant blijft ook in tijd van oorlog het
voorschrift van de Grondwet van kracht, dat de Koning onschendbaar is en
de ministers (tegenover de Staten-Generaal) verantwoordelijk zijn. Het
was dus niet mogelijk, de instructie van den Opperbevelhebber op te
trekken op den grondslag, dat hij eene positie zou bekleeden, waardoor
de ministerieele verantwoordelijkheid voor zijne handelingen zou worden
uitgeschakeld.
Aangezien de instructie van den Opperbevelhebber geen publiek stuk is,
mag ik niet mededeelen op welke wijze het probleem, dat hier op te
lossen viel, als resultaat van overleggingen met de Koningin en met den
heer Snijders en van besprekingen in den Ministerraad, een oplossing
vond. Ik moet er mij toe bepalen, als mijn oordeel uit te spreken, dat
de oplossing die gevonden werd, een gelukkige heeten mag. Dit neemt niet
weg, dat het enkele feit van het bestaan van een opperbevelhebberschap
voor een Minister van Oorlog moeilijkheden schept, die niet door
papieren regelingen kunnen worden overwonnen, maar alleen door tact en
wederzijdsch streven naar goede verstandhouding.
Heel wat minder hoofdbreken dan de regeling der verhouding tusschen den
Opperbevelhebber en de Regeering kostte de bepaling van zijn salaris.
Er mocht mede worden gerekend en er werd mede gerekend dat de
aanstelling tot Opperbevelhebber voor den militair die daartoe werd
uitverkoren, een onderscheiding was van de allerhoogste orde. Maar het
was niettemin duidelijk dat het opperbevelhebberschap niet als een
zuiver eereambt mocht worden aangemerkt en behandeld. Indien ons land,
onverhoopt, in den oorlog zou worden betrokken--en men mocht in het
begin van Augustus 1914 nauwlijks verwachten dat die ramp aan ons land
zou voorbijtrekken--zou op den leider van leger en vloot een zóó
buitengemeen zware verantwoordelijkheid rusten, zouden aan hem zóó hooge
eischen worden gesteld, dat het groote vertrouwen in zijn kunde en
krijgsbeleid ook in het bedrag zijner bezoldiging althans eenigszins tot
uitdrukking moest komen. Aan dezen eisch kon slechts in zeer beperkte
mate worden voldaan, daar de salarissen ook van de hoogste
staatsambtenaren in Nederland nu eenmaal niet in verhouding staan tot de
eischen, welke hun mogen en moeten worden gesteld, noch tot de
verantwoordelijkheid, die zij hebben te dragen. Doch zelfs in het licht
van deze overweging bezien, was het bedrag waarop het salaris van den
Opperbevelhebber werd bepaald, aan den bescheiden kant.
In het nauwste verband met de mobilisatie en de verschillende daaraan
aansluitende maatregelen ter verdediging van het vaderland stonden de
later bij de wet bekrachtigde Koninklijke besluiten tot het in staat van
oorlog of van beleg verklaren van enkele gedeelten des Rijks. Het eerst
werd, bij Koninklijk besluit van 5 Augustus, de staat van oorlog
afgekondigd over het gebied behoorende tot verschillende stellingen en
tot de Nieuwe Hollandsche Waterlinie en over het grondgebied rondom
enkele verdedigingswerken. Deze eerste verklaring in staat van oorlog
geschiedde voornamelijk, ten einde in de gedeelten van het Rijk, waarop
zij betrekking had, de artikelen 15 en 16 van de wet van 23 Mei 1899
(Stbl. no. 128) houdende bepalingen ter uitvoering van art. 187 der
Grondwet, toepasselijk te maken. Die artikelen regelen de bevoegdheid
van het militair gezag om in de in staat van oorlog verklaarde
landsgedeelten tegen schadeloosstelling te doen wegruimen, wat aan de
behoorlijke verdediging in den weg staat, en in gebruik te nemen, wat
voor den militairen dienst noodzakelijk is.
Heel spoedig volgde, in verband met den strijd die in België werd
gestreden en met de daaruit voortspruitende noodzakelijkheid vooral in
de Zuidelijke provincies zich op alle mogelijke eventualiteiten voor te
bereiden, bij Koninklijk besluit van 10 Augustus de staat van oorlog
voor de provincies Limburg, Noordbrabant en Zeeland en voor het gedeelte
van Gelderland bezuiden de Waal. Bij latere Koninklijke besluiten, die
telkens ingevolge art 5 der zooeven genoemde wet werden bekrachtigd,
werd de staat van oorlog nog over enkele andere landsgedeelten
uitgebreid.
De staat van beleg werd bij Koninklijk besluit van 29 Augustus
afgekondigd voor een aantal grensgemeenten in Zeeuwsch-Vlaanderen,
Noordbrabant en Limburg. Spoedig daarna, bij Koninklijk besluit van 8
September, werden de grensgemeenten langs de geheele land- en zeegrens
en daarmede ook de riviermondingen in staat van beleg verklaard. Later
werd de grensstrook, waar de staat van beleg geldt, nog eenigszins
verbreed.
Het verschil tusschen den staat van beleg en den staat van oorlog
bestaat hierin, dat de staat van beleg een verscherpte staat van oorlog
is. Bij den staat van oorlog gaat het gezag wel grootendeels van de
burgerlijke overheid op de militaire autoriteit over, maar moet toch
door deze autoriteit met de burgerlijke overheid nog overleg worden
gepleegd. Bij den staat van oorlog blijven ook het grondwettelijk recht
van vereeniging en vergadering evenals de vrijheid van drukpers en het
geheim van post en telegraaf ongerept. De staat van beleg gaat
aanmerkelijk verder. De burgerlijke besturen en de daarbij in dienst
zijnde ambtenaren zijn in de in staat van beleg verklaarde
landsgedeelten verplicht te gehoorzamen aan de bevelen van het militaire
gezag. Openbare vergaderingen worden daar, met uitzondering van openbare
godsdienstoefeningen, alleen gehouden met vergunning van de militaire
overheid. Dit gezag kan in de in staat van beleg verklaarde
landsgedeelten beperkende bepalingen vaststellen omtrent het drukken,
uitgeven, verspreiden, aanplakken of in den handel brengen van
geschriften of teekeningen, of dit geheel verbieden. Het krijgt er de
beschikking over de posterij, den telegraaf- en den telephoondienst en
is bevoegd alle stukken, aan die diensten of aan eenige andere
instelling van vervoer toevertrouwd, te openen. Het is bevoegd personen,
wier aanwezigheid voor de rust of de algemeene veiligheid gevaarlijk
wordt geacht, uit het in staat van beleg verklaarde gebied te
verwijderen en omgekeerd aan niet-militairen, die voor de verdediging
nuttig werkzaam kunnen zijn, het verlaten van het in staat van beleg
verklaarde grondgebied te verbieden. Het heeft nog andere bevoegdheden,
die ik niet alle behoef op te sommen. Uit het medegedeelde blijkt wel,
dat het militaire gezag, behoudens de door de Kroon gegeven instructiën,
in landsgedeelten die in staat van beleg zijn verklaard, oppermachtig
is.
De bijna grenzenlooze macht, waarover het militaire gezag beschikt in de
streken waar de staat van beleg geldt, moest de Regeering er wel toe
brengen, den staat van beleg alleen daar af te kondigen, waar dit ter
handhaving van de verschillende in het belang der veiligheid van den
staat gegeven voorschriften strikt noodzakelijk was. Aandrang tot
verdere uitbreiding werd dan ook meer dan eenmaal door den Ministerraad
afgewezen. Het zou wel gewenscht geweest zijn, dat bijv. eenige
kooplieden in onze handelssteden wat meer onder contrôle hadden gestaan
dan onder normale omstandigheden het geval is, maar een maatregel
waardoor, om dit te bereiken, in steden als Amsterdam en Rotterdam het
briefgeheim zoowel als de vrijheid van vereeniging en vergadering en de
vrijheid van drukpers zouden zijn opgeheven, zou toch buiten verhouding
zijn geweest tot het kwaad, dat hij moest keeren. Die maatregel werd dan
ook terecht niet genomen, al is hij meer dan eenmaal ter sprake gekomen.
Bij de vaststelling der landsgedeelten, welke in staat van oorlog of van
beleg werden verklaard, golden natuurlijk in de eerste plaats
overwegingen van zuiver militairen aard. Die overwegingen werden echter
ten aanzien van verschillende plaatsen door andere aangevuld. Sommige
gemeenten werden in staat van beleg verklaard ter wille van het
tegengaan van ontvluchting van geïnterneerden; andere om wederzijdsche
bespionneering van oorlogvoerenden door agenten van den vijand met beter
gevolg te kunnen beletten. Bij het in staat van beleg verklaren van een
zoom langs de grenzen sprak ook de noodzakelijkheid eener ernstige
bestrijding van den smokkelhandel, inzonderheid van de ontduiking der
uitvoerverboden, een krachtig woord mede. Het stond niet zoo aanstonds
vast, dat de staat van oorlog en de staat van beleg mede tot dit doel
mochten worden gebezigd; daarover is dan ook in den Ministerraad meer
dan eenmaal van gedachten gewisseld. Voor mij is het niet twijfelachtig
geweest, dat deze middelen ter handhaving van de veiligheid wel degelijk
ook gebezigd mochten worden om het illusoir maken van uitvoerverboden te
voorkomen, al ontken ik niet, dat men bij de vaststelling van art. 187
der Grondwet en van de wet op den staat van oorlog en van beleg, welke
ter uitvoering van dat grondwetsartikel werd gemaakt, meer in het
bijzonder aan rechtstreeksch gevaar door vijandelijke invallen heeft
gedacht. Men moet er toch van uitgaan, dat de uitvoerverboden ten doel
hadden en hebben krijgsbenoodigdheden, levensmiddelen en grondstoffen
binnen ’s lands grenzen te houden, voor zoover zij geheel of ten deele
voor de verdediging van het land of voor de voeding, kleeding of
huisvesting van de bevolking in het land behooren te blijven of zonder
gevaar van weder-uitvoer moeten kunnen worden ingevoerd. Over de
uitvoerverboden zelve en de overwegingen, welke bij het stellen daarvan
hebben gegolden, spreek ik in het volgende hoofdstuk.
Wanneer echter vaststaat, dat zij--zooals te gelegener plaatse nader zal
worden aangetoond--geen ander doel hebben dan zooeven werd aangegeven,
is het toch wel duidelijk dat het overtreden daarvan niet alleen
indirect maar ook rechtstreeks de veiligheid van den staat in gevaar kan
brengen. Aan smokkelarij volledig den kop indrukken, is onder zoo
abnormale toestanden als waaronder men sedert het uitbreken van den
oorlog leeft, minder dan ooit te denken. De prijsverschillen aan deze en
aan gene zijde van de grens waren en zijn ten aanzien van een aantal
artikelen zóó buitensporig groot, dat de verleiding om daarvan te
profiteeren niet alleen in het klein voor een aantal grensbewoners, maar
ook in het groot voor helaas maar al te veel kooplieden te sterk is
geweest. Indien nu de Regeering er niet voor zorgt, dat kwaad binnen zoo
eng mogelijke grenzen te beperken, krijgt het afmetingen, welke gevaren
van verschillenden aard kunnen in het leven roepen. Wordt er gesmokkeld
met het over de grenzen voeren van ten uitvoer verboden
krijgsbenoodigdheden of grondstoffen daarvoor, dan ligt het gevaar dat
dit voor de veiligheid hebben kan, voor de hand. Maar ook het uitvoeren
van levensmiddelen kan die veiligheid ernstig schaden; men behoeft dit
thans wel niet in den breede te betoogen, nu, ondanks de
uitvoerverboden, de prijzen van sommige levensmiddelen tijdelijk
zoozeer zijn gestegen, dat zij voor bescheiden beurzen onbereikbaar zijn
geworden. Betreft het uitvoerverbod goederen, die hier niet worden
voortgebracht en moeten worden ingevoerd en die van elders alleen kunnen
worden verkregen, indien aan een der belligerente partijen door den
importeur gegarandeerd wordt, dat hetgeen zij naar Nederland doorlaat,
uitsluitend voor binnenlandsch verbruik is bestemd en zal worden
gebezigd, dan brengt de goede trouw mede, dat de Regeering, welke van
zulke garanties niet onkundig is, er naar vermogen toe medewerkt, om te
voorkomen, dat zij worden geschonden en door de mogendheid, aan welke
zij werden gegeven, als niet ernstig bedoeld zouden kunnen worden
aangemerkt. Langs dezen weg kan het ontduiken van uitvoerverboden,
wanneer het overschrijdt wat men het onvermijdelijk minimum zou kunnen
noemen, ook gevaarlijk worden voor ’s lands neutraliteit. Afkondiging
van den staat van oorlog of van beleg, mede als middel om de smokkelarij
binnen de perken van dat onvermijdelijk minimum te houden, was dan ook,
naar mijne stellige overtuiging, geheel in overeenstemming met het
desbetreffende artikel van de Grondwet en de ter uitvoering daarvan
afgekondigde wet.
Ter loops merk ik op, dat de officieele kennisgeving, in een onbewaakt
oogenblik door het legerbestuur gedaan, als zou het ontduiken van
uitvoerverboden wel verkeerd zijn, maar met de handhaving der
neutraliteit niet te maken hebben, in elk opzicht beter achterwege ware
gebleven. De opvatting waarvan het legerbestuur in die kennisgeving
blijk gaf, was niet alleen niet zeer gelukkig; de legerautoriteit begaf
zich, afgezien van de innerlijke waarde harer meening, door daarvan
openlijk kond te doen, bovendien op een terrein, dat niet des
legerbestuurs is.
§ 2. _De neutraliteit ter zee._
De tot nog toe besproken maatregelen hadden in de eerste plaats de
verdediging tegen gevaren, welke van de landzijde konden dreigen, op het
oog. Het spreekt echter wel van zelf, dat ook aan de verdediging van de
kust en aan het tegengaan van mogelijke gevaren, die van de zeezijde
zouden kunnen rijzen, terstond de noodige aandacht werd geschonken.
Een der eerste maatregelen daartoe was het afsluiten van de doorgangen
tusschen de eilanden boven de Zuiderzee door mijnversperringen, het
dooven van de voor de verdediging aan de zeezijde ongewenschte
kustlichten en het leggen van oorlogsbetonning ook op de Schelde. Bij
dit laatste diende er rekening mede te worden gehouden, dat volgens het
tractaat van 1839, in verband met de akte van het Weenercongres van
1814, de vrije vaart op deze rivier voor handelsschepen openblijven
moest. Er werd dan ook een vaargeul opengelaten. Aangezien uit den aard
der zaak alleen Nederlandsche loodsen met de ligging der Nederlandsche
mijnen werden bekend gemaakt, had deze verdedigingsmaatregel ten
gevolge, dat de vaart op de Schelde gedurende den oorlogstijd, voor
zoover het Nederlandsch gebied betreft, niet langer met Belgische
loodsen mogelijk was. De maatregel gaf spoedig aanleiding tot een
betreurenswaardig ongeval. Den 7den Augustus 1914 liep een Noorsch schip
in de Schelde op een Nederlandsche mijn. Aangezien er een Nederlandsche
loods aan boord was, toen het ongeval geschiedde, erkende onze Regeering
terstond hare aansprakelijkheid en gaf zij aan Noorwegen haar leedwezen
over het gebeurde te kennen. De toegebrachte schade werd aan de Noorsche
reederij vergoed. Dit ongeval noopte de loodsen en schippers, voortaan
bij de vaart op de Schelde met meer omzichtigheid te werk te gaan. Zij
wisten nu, dat de Nederlandsche mijnen, zooals een onzer
marine-officieren het uitdrukte, niet met stopverf waren gevuld.
Een tweede maatregel op maritiem gebied, waartoe op voorstel van den
Minister van Marine reeds op 30 Juli werd besloten, was de wijziging van
het Koninklijk besluit van 30 October 1909, bepalende dat--behoudens
enkele met name genoemde uitzonderingen--het aan oorlogsschepen van
vreemde mogendheden toegestaan is, zich van uit zee in de Nederlandsche
territoriale wateren en het daarbinnen gelegen Nederlandsch watergebied
te begeven, mits zulks geschiede, om, langs den kortsten weg en met
inachtneming van eenige in het Koninklijk besluit gestelde
voorschriften, de meest nabij de zee gelegen reede of haven te bereiken,
ten einde aldaar te ankeren en mits hun aantal, met inbegrip der reeds
binnen het Nederlandsche rechtsgebied onder dezelfde vlag aanwezige
oorlogsschepen, niet meer dan drie bedraagt.
De Minister van Marine zag in de handhaving dezer voor vreemde
oorlogsschepen vrijgevige bepaling een bron van allerlei moeilijkheden.
Niet alleen zou zij, indien er werkelijk gevaar van de zeezijde dreigde,
aan een oorlogvoerende mogendheid, die ons land in den krijg wilde
betrekken, gelegenheid geven vóór de oorlogsverklaring twee of drie vol
bewapende oorlogsschepen over enkele onzer havens te verdeelen of in één
haven te concentreeren, maar zij zou ook, bij verblijf van
oorlogsschepen van één der oorlogvoerende partijen binnen Nederlandsch
grondgebied, zeer gemakkelijk aanleiding hebben kunnen geven tot
conflict met de tegenpartij.
Bij Koninklijk besluit van 30 Juli 1914, dus eenige dagen vóórdat ook
Engeland besloten had aan den oorlog deel te nemen, op een oogenblik
waarop de krijg zelfs nog tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië was
beperkt, werd het Koninklijk besluit van 1909 tijdelijk buiten werking
gesteld en in plaats daarvan bepaald, dat het aan oorlogsschepen of
daarmede gelijkgestelde vaartuigen van vreemde mogendheden niet
geoorloofd is, zich van uit zee in de Nederlandsche territoriale wateren
en het daarbinnen gelegen Nederlandsche watergebied te begeven of zich
daarin op te houden. Op dezen regel werden slechts enkele uitzonderingen
gesteld, waarvan de belangrijkste is die voor oorlogsschepen van vreemde
mogendheden in geval van nood, zeegevaar of averij.
Deze regeling ten aanzien van vreemde oorlogsschepen en daarmede
gelijkgestelde vaartuigen gedurende den oorlogstijd werd met eenige
aanvullingen opgenomen in de neutraliteitsverklaring van denzelfden dag
in verband met den oorlog tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië, en
later herhaald in de volgende neutraliteitsverklaringen in verband met
de uitbreiding, welke de oorlog onderging.
Tot dezen veiligheidsmaatregel was Nederland volkenrechtelijk ten volle
bevoegd. Wel paste het Koninklijk besluit van 30 October 1909 bij art.
15 van het verdrag van 18 October 1907, als resultaat van de Tweede
Vredesconferentie gesloten, nopens de rechten en verplichtingen der
onzijdige mogendheden in geval van zeeoorlog, maar dat verdragsartikel
geldt, volgens zijn eigen bewoordingen, alleen „bij gebreke van andere
bijzondere bepalingen der wetgeving van de onzijdige Mogendheid”.
De bijzondere bepaling, welke Nederland veiligheidshalve ten aanzien van
vreemde oorlogsschepen bij het Koninklijk besluit van 30 Juli 1914
maakte, heeft een uitstekende preventieve werking gehad. Zij kon echter
alleen doel treffen, als zij met gestrengheid werd gehandhaafd. Voor de
oorlogvoerenden is zij bij enkele gelegenheden minder aangenaam geweest.
Zoo voor de Duitsche duikboot, die, om snel haar doel te bereiken, te
dicht onder de kust voer en daardoor in onze territoriale wateren
terecht kwam. Zij raakte binnen ons gebied, bij Terschelling, in de
zandbanken verward en strandde op 4 November 1915. Op grond der genoemde
bepaling werd zij met haar bemanning geïnterneerd, aangezien zij niet
tengevolge van bekomen averij onze territoriale wateren was
binnengeloopen, maar eerst na in ongeschonden toestand daar gekomen te
zijn, in het ongereede was geraakt. Deze interneering heeft tot eene
wisseling van nota’s tusschen de Duitsche en de Nederlandsche Regeering
aanleiding gegeven, waarbij van onze zijde het goed recht daarvan werd
staande gehouden, ondanks de daartegen aangevoerde bezwaren. Nederland
bleef daarbij geheel binnen de perken van zijn recht en liet zich door
de betoogen van zijn machtigen nabuur niet van zijn rechtsstandpunt
afdringen.
Het noodlot heeft trouwens gewild, dat eenigen tijd na de
Duitsche, een Engelsche duikboot op overeenkomstige wijze onze
neutraliteitsproclamatie schond en uit dien hoofde geïnterneerd werd. In
Januari 1916 strandde een Britsche onderzeeboot binnen onze territoriale
wateren in het Friesche gat tusschen Ameland en Schiermonnikoog. Daar
het stranden van de boot hier evenmin als bij den Duitschen onderzeeër
aan het bekomen van averij, vóór zij in die wateren was gekomen,
kon worden toegeschreven, werd zij op gelijke wijze als deze
behandeld. Er deed zich hierbij nog een incident voor, waarbij onze
neutraliteitsbepalingen door een vaartuig van de Engelsche marine ten
tweeden male werden geschonden. Toen de duikboot vastliep, bevonden zich
Britsche torpedojagers, buiten de territoriale wateren kruisende, in de
nabijheid. Door een dier vaartuigen werd, toen het ongeval was
opgemerkt, een motorsloep uitgezonden om de schipbreukelingen te helpen.
Die sloep nam 10 der opvarenden van de duikboot mede. De overige twaalf,
waaronder de commandant, werden door de reddingboot van Schiermonnikoog
aan land gebracht. Deze werden, evenals met hun Duitsche lotgenooten was
geschied, geïnterneerd; de boot zelf werd, nadat zij vlot was gebracht,
opgelegd op dezelfde wijze als met den Duitschen onderzeeër was
geschied. Onze Regeering protesteerde bij de Britsche tegen het feit,
dat een motorsloep van de Britsche marine zich in de territoriale
wateren had begeven en daar een deel der opvarenden van de gestrande
duikboot had afgehaald. Aangezien de reddingsboot van Schiermonnikoog
reeds ter plaatse was en de redding van de geheele bemanning verzekerd
was, konden voor die handelwijze geen overwegingen van menschelijkheid
worden aangevoerd. De Regeering voegde aan haar protest toe, dat slechts
ten gevolge van de omstandigheid, dat de reddingboot geen militaire
autoriteiten aan boord had, de motorsloep weder met de door haar
afgehaalde leden der bemanning van de duikboot het Nederlandsche gebied
had kunnen verlaten.
De bepaling der neutraliteitsproclamatie, welke tot de interneering der
beide duikbooten en hare bemanningen heeft geleid, gaf aanleiding tot
een vraag, waarover zoowel met de Duitsche als met de Britsche regeering
nota’s werden gewisseld. Dat die bepaling ook toepasselijk is op
koopvaardijschepen die tijdelijk tot hulpkruiser zijn ingericht, was
niet twijfelachtig. Zulke hulpkruisers zijn zeker met oorlogsschepen
gelijk te stellen. Moeilijker echter was de beslissing ten aanzien van
koopvaardijschepen, die, zooals het heet, alleen ter verdediging, en wel
speciaal tegen duikbooten, een tweetal kanonnen op den achtersteven
hebben. Engeland heeft zulk een defensieve bewapening zijner
handelsschepen in overweging genomen en voor een deel in toepassing
gebracht. Moesten zulke defensief bewapende handelsschepen, een
Nederlandsche haven binnenloopend, met oorlogsschepen worden
gelijkgesteld en op dien grond worden vastgehouden, tenzij hun
binnenloopen gevolg was van bekomen averij? Het antwoord op deze vraag
werd vooral door deze overweging beheerscht, dat al staat een aldus
bewapend handelsvaartuig niet met een hulpkruiser gelijk, het
onderscheid tusschen offensieve en defensieve bewapening wel op het
papier maar niet in werkelijkheid is vol te houden. Het is toch meer dan
waarschijnlijk, dat zulk een defensief bewapend vaartuig, als het een
vijandelijke duikboot in zijne nabijheid ziet, zich zal houden aan den
regel: „la meilleure façon de se défendre, c’est d’attaquer.” Het is
intusschen alleen tot een uitwisseling van nota’s over deze soort
vaartuigen gekomen, waarbij het door Nederland ingenomen standpunt
tegenover de belligerenten, in de eerste plaats tegenover Engeland werd
uiteengezet en volgehouden. Vaartuigen als de hier bedoelde hebben
Nederlandsche havens niet aangedaan.
Op het stuk van vreemde oorlogsschepen bevat de
neutraliteitsproclamatie, die ook door het Nederlandsch-Indische
Gouvernement voor onze bezittingen aldaar werd afgekondigd, enkele
bepalingen, welke in Indië met zijn uitgebreid territoriaal watergebied
veel moeilijker te handhaven waren dan hier te lande, doch waaraan
niettemin streng de hand gehouden worden moest en streng de hand
gehouden werd, zoo dikwijls pogingen tot inbreuk daarop met reden konden
worden vermoed. Ik doel hiermede in de eerste plaats op de bepaling, dat
het verboden is binnen het rechtsgebied van den Staat, zonder
voorafgaande machtiging der bevoegde autoriteiten ter plaatse, aan
oorlogsschepen of daarmede gelijkgestelde vaartuigen van een
oorlogvoerende mogendheid herstellingen aan te brengen en levensmiddelen
of brandstoffen te verstrekken. Het Nederlandsch-Indische Gouvernement
heeft vooral in den eersten tijd van den oorlog, toen enkele Duitsche
kruisers hun beroemd geworden tochten over den Oceaan deden, meer dan
eenmaal maatregelen moeten nemen om te voorkomen, dat aan zulke kruisers
in Nederlandsch-Indische territoriale wateren kolen werden verstrekt.
In verband met die dolende zeeridders moest ook, zoowel in West- als in
Oost-Indië, de hand worden gehouden aan de uitzonderingsbepaling van de
neutraliteitsproclamatie ten gunste van oorlogsschepen of daarmede
gelijkgestelde vaartuigen van een oorlogvoerende, welke binnen het
rechtsgebied van de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen een
haven of reede aandoen, uitsluitend met het doel om hun voorraad
levensmiddelen of brandstof aan te vullen. Practisch was deze bepaling
vooral van gewicht ten aanzien van het innemen van brandstof. Volgens de
bepalingen der proclamatie, zich aansluitende bij het verdrag nopens de
rechten en verplichtingen der onzijdige mogendheden in geval van
zeeoorlog, mogen vreemde oorlogsschepen daartoe in geen geval langer dan
24 uren in de haven of op de reede blijven, en mogen hun niet meer
brandstoffen worden verstrekt dan noodig is om, met inbegrip van den nog
aan boord aanwezigen voorraad, de naaste haven van hun eigen land te
bereiken. Hoe groot die officieel toegestane hoeveelheid wel was voor
een in een Oost- of West-Indische haven binnenloopend schip als bijv.
de „Leipzig” of de „Emden” viel niet zoo heel gemakkelijk te bepalen. De
oplossing van deze moeilijkheid moest echter uit den aard der zaak aan
de autoriteiten ter plaatse worden overgelaten.
Een tweede moeilijkheid deed zich hierbij nog voor, welke echter
gelukkig van theoretischen aard is gebleven. Volgens de
neutraliteitsproclamatie mag een zelfde vreemd oorlogsschip niet wederom
van brandstof worden voorzien dan nadat ten minste drie maanden sedert
een vorige aanvulling binnen het rechtsgebied van den staat zijn
verstreken. De vraag deed zich nu voor, wat zou moeten geschieden met
een kruiser, waarvan bekend was, dat hij in open zee strooptochten was
blijven maken zonder naar het eigen land terug te keeren, indien hij na
een tusschenpoos van drie maanden opnieuw kolen zou willen laden. Naar
de letter der proclamatie zou dit toegestaan zijn; naar den geest
evenwel niet. Immers de hoofdbepaling omtrent het kolenladen houdt in,
dat niet meer brandstof zal worden verstrekt dan noodig is om de naaste
haven van het eigen land te bereiken. Door aan een schip, dat niet naar
huis terugkeert doch in open zee kaapvaart blijft uitoefenen, en zijn
kolenvoorraad aanvult uit veroverde schepen of in havens van andere
neutrale landen, om de drie maanden kolen te verstrekken, zou niet
worden voldaan aan de bedoeling der uitzonderingsbepaling, er toe
strekkende een oorlogsschip, uit menschelijkheidsoverwegingen,
gelegenheid te geven naar huis terug te keeren, maar zouden
onwillekeurig aan een der strijdvoerenden, tegen de bedoeling der
kolenbepaling in, handlangersdiensten worden bewezen. Zooals reeds werd
opgemerkt, bleef ook deze kwestie intusschen alleen van academische
beteekenis.
* * * * *
Hier te lande moest al heel spoedig aan enkelen onzer eigen landgenooten
worden ingescherpt, dat ook zij zich aan de neutraliteitsbepalingen
hadden te onderwerpen en het land niet door daarmede strijdige
handelingen in oorlogsgevaar mochten brengen. Art. 13 der
neutraliteitsproclamatie verbiedt, binnen het rechtsgebied van den Staat
ten behoeve van een oorlogvoerende natie vaartuigen, voor militaire
doeleinden bestemd, uit te rusten, te bewapenen of te bemannen of
zoodanige vaartuigen aan een belligerent toe te voeren of te
verschaffen. In de allereerste weken van den oorlog nu kwam aan de
Regeering een poging ter oore, die in vrij vergevorderden staat van
uitvoering bleek te zijn, om ten behoeve van het Duitsche Rijk een
aantal stoomtrawlers en sleepbooten aan te koopen. Het was niet
twijfelachtig dat, indien die koop was doorgegaan, de bedoelde schepen
voor oorlogsdoeleinden zouden zijn gebezigd. Onverwijld werden de
noodige maatregelen genomen om de Nederlandsche tusschenpersonen, die
zich tot deze transactie hadden geleend, op het ongeoorloofde van hun
medewerking te wijzen; dientengevolge kon worden belet, dat de
uitvoering der reeds begonnen poging werd voltooid.
Als tegenhanger van dit geval vermeld ik hier, dat ook tegen overtreding
van een ander artikel der neutraliteitsproclamatie eenige malen moest
worden opgekomen. Het door mij bedoelde artikel behelst het verbod om
binnen het rechtsgebied van den Staat ten behoeve der oorlogvoerenden
strijderskorpsen te vormen of aanwervingsbureaux te openen.
Deze bepaling werd van practisch belang, eenigen tijd nadat Antwerpen
was gevallen en België zoo goed als geheel in handen van Duitschland was
gekomen. Niet alleen bleek toen, dat verschillende hierheen gevluchte
Belgische jonge mannen zich individueel en uit vrije beweging bij het in
Noord-Frankrijk strijdende Belgische leger gingen vervoegen, wat geheel
geoorloofd was; maar ook dat door meer of minder openlijk optredende
wervingsbureaux pogingen werden in het werk gesteld, om hunne
indiensttreding te bevorderen en hen groepsgewijze naar Engeland te
vervoeren. Zoo vaak van zulke pogingen iets bleek, werden zij, krachtens
de neutraliteitsproclamatie, in haar geboorte gesmoord.
* * * * *
De verovering van België en vooral de val van Antwerpen gaf ook
practische beteekenis aan het artikel der neutraliteitsproclamatie, dat
het vervoer van convooien van munitie of levensmiddelen over
Nederlandsch territoir verbiedt. De vrije doorvoer van koopmansgoederen
tusschen België en Duitschland of omgekeerd, over onze water- en
landwegen, gelijk die vóór den oorlog bestond, bleef natuurlijk
ongehinderd voortduren. Echter ontstond in en door den nieuw geschapen
toestand gevaar, dat onze waterwegen zouden worden gebruikt om munitie
en andere legerbenoodigdheden van Duitschland naar Antwerpen te
vervoeren, of dat door oorlogsdaden verkregen zaken van daar uit over
ons land naar Duitschland zouden worden gebracht. Aan de Duitsche
regeering werd uit dien hoofde medegedeeld, dat hoewel de door
verschillende tractaten en inzonderheid door de Rijnvaart-akte
gewaarborgde vrije doorvoer door ons land tusschen Duitschland en België
ongerept zou blijven, deze ten aanzien van krijgsbuit of van
oorlogsbenoodigdheden niet kon worden toegestaan, aangezien dit ons in
conflict zou brengen met onzen onzijdigheidsplicht. De noodige
maatregelen werden getroffen om, door samenwerking tusschen daartoe
aangewezen ambtenaren van Buitenlandsche Zaken met de douane-ambtenaren
en de leger-autoriteiten aan de grens, ervoor te zorgen dat aan dit
neutraliteitsverbod de hand zou worden gehouden. Voor zoover ik mij
herinner, behoefde geen enkele maal tegen eene poging tot overtreding
daarvan te worden opgekomen.
Had deze zaak betrekking op de Rijnvaart, de vaart op de Schelde gaf
aanleiding tot een gedachtenwisseling, reeds voordat Antwerpen in de
macht van Duitschland was gekomen. Zij betrof een vijftigtal Duitsche en
Oostenrijksche handelsschepen, die bij den aanvang van den oorlog in de
haven van Antwerpen lagen en als gevolg van den strijd in de macht van
de Belgische regeering waren gekomen. In het begin van September 1914
werd mededeeling ontvangen dat de Britsche regeering voornemens was, die
schepen met eene niet-militaire bemanning over de Schelde naar Engeland
te voeren. Zij beriep zich ter rechtvaardiging van dit voornemen op het
tractaat van Londen van 19 April 1839, dat de vrije vaart over de
Schelde waarborgt. Onze Regeering maakte daartegen bezwaar. Zij wees het
beroep van Engeland op het verdrag van 1839 af, aangezien het hier
schepen gold, die door een oorlogsdaad in handen van de Belgische
regeering waren gekomen en die, als zij met een Britsche bemanning over
de Schelde zouden worden vervoerd, niet met een handelsoogmerk de
Schelde zouden bevaren. Het tractaat van 1839 beperkt, in verband met
art. 109 van de akte van het Weener congres van 9 Juni 1815, de vrije
vaart op de Wester-Schelde uitdrukkelijk „tot de vaart met opzigt tot
den koophandel” en was dus op dit geval niet van toepassing. Het gold
hier schepen, waarvan de rechtstoestand onzeker was, maar waarvan
vaststond dat zij zonder oorlogsdaad niet ter beschikking van de
Belgische noch van de Engelsche regeering zouden hebben gestaan. Hoewel
het artikel der neutraliteitsproclamatie, behelzende dat prijsgemaakte
schepen, behalve wegens onzeewaardigheid, slechte gesteldheid der zee of
gebrek aan brandstof of aan levensmiddelen, niet in het rechtsgebied van
den Staat mogen worden binnengebracht, hier niet letterlijk van
toepassing was, was het toch noodig, ter handhaving onzer onzijdigheid,
in dit geval naar analogie van dat neutraliteitsvoorschrift te handelen.
In dien zin werd dan ook aan Engeland geantwoord. Indien deze schepen de
grenzen zouden overschrijden en op het Nederlandsch gedeelte van de
Schelde zouden komen, zouden zij worden geïnterneerd tot aan het einde
van den oorlog en dan worden teruggegeven aan dengene, die alsdan zou
blijken daarop recht te hebben.
Na deze verklaring van onze zijde heeft Engeland aan zijn voornemen te
dezen aanzien geen gevolg gegeven. De houding ten aanzien van die
schepen tegenover Engeland aangenomen, bracht van zelf mede, dat toen
Antwerpen was gevallen en in handen van Duitschland was gekomen, de
bewuste schepen evenmin op de Schelde konden worden toegelaten. Zij
waren toch door een oorlogsdaad weder onder andere oorlogvoerende
heerschappij gekomen. Toen dan ook enkele dier schepen later niettemin
in ons land kwamen, werden zij tot aan het eind van den oorlog in
bewaring gesteld. Aan wie zij dan zullen worden afgegeven, is thans nog
niet aan de orde.
§3. _Interneering; luchtvaart._
Onder de neutraliteitsbepalingen is er één, welker toepassing op het
publiek zeer grooten indruk heeft gemaakt en die aan de militaire
autoriteiten, vooral in de eerste weken van October 1914, de handen vol
werk heeft gegeven. De bepaling namelijk dat troepen of militairen,
behoorende tot of bestemd voor de oorlogvoerenden, komende binnen het
gebied van den Staat te land, onmiddellijk worden ontwapend en tot het
einde van den oorlog worden geïnterneerd. Toen zij, eveneens als
uitvloeisel van het algemeen erkende volkenrecht (Tractaten van 1907
als gevolg van de Tweede Haagsche Vredesconferentie) werd opgenomen,
werd niet vermoed, dat er op zóó groote schaal van zou moeten worden
gebruik gemaakt. De snelle verovering van Antwerpen deed een deel van
het Belgische leger alsmede van de ter hulp gekomen Engelsche troepen
den 10^{den} October 1914 over onze grenzen in Staatsvlaanderen de wijk
nemen. Hun aantal steeg weldra tot omstreeks 30.000. Het spreekt van
zelf, dat het ontwapenen en onder dak brengen van een zóó groot aantal
soldaten heel wat voeten in de aarde had, te meer omdat zoowel de
militaire als de burgerlijke autoriteiten in diezelfde dagen overstelpt
waren met werk in verband met den stroom van Belgen die, wegens de
belegering van Antwerpen, over onze grenzen een goed heenkomen zochten.
Op die vluchtelingen kom ik hieronder in hoofdstuk III § 2 terug.
De interneering van de over onze grenzen gekomen Belgische en Engelsche
legerafdeelingen gaf wel practische maar geen volkenrechtelijke
moeilijkheden. Dat deze militairen geïnterneerd moesten worden, was niet
aan den minsten twijfel onderhevig. Niet altijd evenwel lag de zaak
juridiek zoo eenvoudig. Opdat onderdanen van een oorlogvoerende
mogendheid bij het overschrijden der grenzen in de termen vallen van te
worden ontwapend en geïnterneerd, moeten zij in de eerste plaats
behooren tot of bestemd zijn voor den militairen dienst en in de tweede
plaats binnen het gebied van den staat „komen”, d. w. z. uit vrijen wil
de grenzen overschrijden en niet tegen hun wil of door omstandigheden
onafhankelijk van hun wil binnen het rechtsgebied van den staat worden
gebracht.
De eerste dezer voorwaarden voor de interneering is niet aanwezig bij
deserteurs noch bij gevluchte krijgsgevangenen. Beide categorieën van
personen hebben wel behoord tot de krijgsmacht van een oorlogvoerende
mogendheid, maar behooren daartoe niet meer op het oogenblik dat zij de
grenzen overschrijden. Het tractaat van 1907 betreffende de rechten en
verplichtingen van onzijdige mogendheden en personen ingeval van oorlog
te land, bepaalt trouwens uitdrukkelijk dat ontvluchte krijgsgevangenen
worden vrijgelaten. Het is intusschen niet altijd even gemakkelijk na te
gaan of over de grenzen komende militairen tot een van de beide
genoemde categorieën behooren. Bij ontsnapte krijgsgevangenen zullen de
omstandigheden in den regel wel van dien aard zijn, dat zonder veel
moeite is vast te stellen of men hunne verklaringen vertrouwen kan en
zal dus de beslissing dat zij buiten de interneeringsbepalingen vallen,
wel zoo goed als altijd vrij gemakkelijk zijn te nemen.
Met deserteurs staat de zaak ietwat anders. Daar is groote
voorzichtigheid geboden. Men kan niet zonder meer iederen militair van
een der oorlogvoerenden, die de grenzen overkomt onder het beweren dat
hij deserteur is, vrij laten rondloopen. Dit zou volkenrechtelijk
onjuist zijn en voor het land gevaarlijk kunnen worden. Men behoeft
daarvoor slechts te denken aan den omvang dien de spionnagediensten der
oorlogvoerenden in dezen krijg hebben gekregen. De opvatting die in
militaire kringen schijnt te heerschen, dat zoolang een militair zijne
distinctieven als zoodanig draagt, hij beschouwd moet worden nog tot den
troep te behooren en dus moet worden geïnterneerd, als hij over de
grenzen komt, acht ik even weinig houdbaar, als het aanmerken en
behandelen als deserteur van iederen vreemden militair, die voorgeeft
dit te zijn. Het is toch zeer wel mogelijk dat een vreemde soldaat, wien
het inderdaad er om te doen is, desertie te plegen, aan dit voornemen
alleen gevolg kan geven, indien hij er zich zorgvuldig van onthoudt
zijne militaire distinctieven af te leggen, zoolang hij de grenzen niet
gepasseerd is. Bovendien ligt niet voor iederen deserteur een pakje
burgerkleederen aan de grens gereed. Deze mij onhoudbaar toeschijnende
opvatting heeft voorts een bedenkelijken kant ook voor het land zelf,
speciaal in verband met het steeds aanwezige spionnagegevaar. Zij leidt
er namelijk zoo licht toe, iederen vreemden militair, die vóór het
overschrijden van de grens zijn militaire uniform voor een burgerpak
heeft weten te verwisselen, zonder meer als deserteur aan te merken. Dat
zulk eene conclusie aan militaire spionnen maar al te gelegen zou komen,
behoeft wel geen betoog. Er zit dan ook niet anders op, dan elk geval op
zich zelf te beoordeelen en van een zoo nauwkeurig mogelijk onderzoek te
doen afhangen of men werkelijk met een geval van desertie heeft te
maken. Bij twijfel blijve men aan den voorzichtigen kant, dat is hier de
interneering.
Heel anders ligt de zaak, als bij het einde van den oorlog de
interneering wordt opgeheven. Geïnterneerden mogen vóór het einde van
den oorlog het land niet verlaten. Dit brengt echter niet mede, dat men
verplicht zou zijn, hen na den krijg tegen hun wil uit te leveren aan de
mogendheid tot welker krijgsmacht zij behoorden. Dit zou ten aanzien van
deserteurs of van militairen die vreezen dat zij, in hun land
teruggekeerd, als deserteurs zullen worden aangemerkt, onmenschelijk
zijn. Wie eenmaal geïnterneerd is, blijft geïnterneerd tot aan het einde
van den oorlog. Of hij gedurende zijne interneering door den
oorlogvoerende tot wiens leger hij behoort, tot eenige straf wordt
veroordeeld of van den militairen stand wordt vervallen verklaard, is
voor den Staat die hem interneerde, onverschillig. De regeering van den
interneerenden Staat heeft met hem alleen te maken afgaande op den
toestand, waarin zij hem vond, toen hij geïnterneerd werd. Het eenige
gevaar dat de interneerende Staat daarbij loopen kan, is van
financieelen aard en zinkt als zoodanig weg tegenover de andere
financieele lasten, die de oorlogstoestand oplegt. De Staat kan namelijk
de verplegingskosten niet terugeischen van die militairen, van wie door
den oorlogvoerende tot wiens leger zij hebben behoord, wordt bewezen,
dat zij als deserteurs over de grenzen zijn gekomen. Houdt de oorlog op,
dan krijgt ieder oorlogvoerende zijne soldaten terug, met dit voorbehoud
dat ieder hunner, die maar eenigszins aannemelijk maakt, dat hij gevaar
loopt als deserteur te worden behandeld of dat hij zal worden gestraft
voor een feit, waarvoor geen uitlevering kan worden gevraagd, indien hij
dit verkiest, hier kan blijven. Men zal in zulke gevallen ook de
vreemdelingenwet, die hier toch al niet met overgroote gestrengheid
wordt toegepast, uit menschelijkheidsoverwegingen zeer mild moeten
uitvoeren. Maar zoolang de oorlog duurt, hecht het Departement van
Oorlog aan beweringen van eenmaal geïnterneerden, dat zij deserteur
zijn, terecht niet al te veel. Het zou anders een te gemakkelijk middel
zijn, om zich aan de interneering te onttrekken en zich weer bij het
strijdende leger te voegen.
Het tegen den wil of door omstandigheden buiten den wil van de
betrokkenen binnen het gebied van den Staat worden gebracht, heeft zich
eenige malen ten aanzien van militairen behoorende tot de
oorlogvoerenden voorgedaan en heeft in die gevallen er terecht toe
geleid, dat die militairen niet werden geïnterneerd. In het begin van
den oorlog is dit gebeurd met Duitsche en Belgische krijgers, die in de
nabijheid van de Nederlandsch-Belgische grens gewond en bewusteloos op
het slagveld werden gevonden en door de zorgen van het Roode Kruis of
van particuliere verplegers naar een Nederlandsch hospitaal in de
nabijheid werden vervoerd. Zulke gewonde soldaten werden na hun herstel
geheel vrijgelaten in hun beweging. Hetzelfde geschiedde met de matrozen
van de eveneens in het begin van den oorlog getorpedeerde Engelsche
kruisers Aboukir, Cressy en Hogue, die door Nederlandsche
handelsvaartuigen in volle zee werden opgepikt en hier te lande werden
gebracht. Ook zij werden terecht niet geïnterneerd. Het zeeoorlogsrecht
geeft geen voorschrift omtrent hetgeen in het geval dezer
schipbreukelingen had te geschieden, maar de algemeene beginselen der
onzijdigheid wezen hier in de richting der vrijlating. Na den slag van
het Skagerak profiteerden eenige Duitsche matrozen van deze humane
toepassing der interneeringsregelen. Toch moesten hierover vóór dien
tijd nog eenige nota’s met de Duitsche regeering worden gewisseld.
Dat de Staat behoort te zorgen niet alleen voor de behoorlijke
verpleging maar ook voor de behoorlijke bewaking der geïnterneerden (het
laatste voorzoover dezen niet op parool vrijheid van beweging binnen ’s
lands grenzen is gegeven) spreekt evenzeer van zelf, als dat het
schenden van het gegeven parool verregaand onbehoorlijk is en gestraft
wordt met strenge bewaking, als men de woordbrekers weer te pakken kan
krijgen.
* * * * *
In verband met de interneering zijn ook vragen gerezen ten aanzien van
luchtschepen en vliegeniers. Wat de luchtschepen betreft, is de
moeilijkheid tot nog toe van theoretischen aard gebleven; ten aanzien
van de vliegeniers daarentegen heeft zij zich ook practisch voorgedaan.
De neutraliteitsproclamatie houdt daaromtrent niets in. De Regeering
heeft echter bij Koninklijk besluit van 3 Augustus 1914, het
overschrijden van de landsgrenzen aan vreemde luchtvaarders voor den
duur van den oorlogstoestand verboden en terstond aan de oorlogvoerenden
doen weten, dat zij het varen van vreemde luchtschepen en het vliegen
van vreemde vliegeniers boven ons grondgebied als schending onzer
souvereiniteit en neutraliteit beschouwt. De volkenrechtelijke kwestie
welke achter deze zaak verscholen ligt, laat ik rusten; zij
heeft--gegeven het principieele standpunt dat Nederland, zonder protest
van één der oorlogvoerenden ten aanzien der luchtschepen en vliegeniers
van oorlogvoerenden, heeft ingenomen--geen beteekenis. Daarvan uitgaande
zijn boven het Nederlandsch gebied varende vreemde luchtschepen of
vliegende aëroplanen door onze militairen terecht beschoten. Heeft die
beschieting--gelijk een enkele maal bij een vliegtuig is
voorgekomen--het effect, dat de vliegenier of het luchtschip genoodzaakt
wordt binnen Nederlandsch gebied te landen, dan is er geen twijfel aan,
dat de inzittenden vallen onder de interneeringsbepalingen. Zij behooren
tot de militaire macht van een der oorlogvoerenden, zij zijn boven (wat,
gegeven de principieele opvatting waarvan ik zoo even sprak, gelijk
staat met „binnen”) het gebied van den staat gekomen en zij zijn
neergeschoten, omdat dit het eenige middel was, om hen te ontwapenen en
te interneeren.
Het standpunt onzer Regeering in zake de luchtvaart van belligerenten
heeft nog aanleiding gegeven tot een wisseling van nota’s met de
Duitsche regeering ter zake van het Duitsche luchtschip, dat op 1
Februari 1916 over ons grondgebied voer, door de kustwacht uit dien
hoofde werd beschoten en later met de geheele bemanning in de Noordzee
verongelukte. De Duitsche regeering verweet ons naar aanleiding van dit
voorval, dat de Nederlandsche militaire autoriteiten, door blijkbaar
zonder voorafgaande waarschuwing te vuren op een luchtschip, dat geacht
kon worden door overmacht boven het Nederlandsch grondgebied te zijn
gekomen, in strijd met het volkenrecht en de wetten der menschelijkheid
hadden gehandeld.
Naar aanleiding van dat ongegronde verwijt schrijft de Minister van
Buitenlandsche Zaken in het in Juli 1916 verschenen Oranjeboek:
„Ondergeteekende heeft dit schrijven met een Nota-Verbale d.d. 18 Maart
beantwoord, waarin nogmaals uitvoerig de zienswijze der Regeering te
dezer zake werd uiteengezet. Overigens werd aangetoond dat het
luchtschip, dat geen enkel teeken had gegeven van averij te hebben of te
willen landen, herhaaldelijk was gewaarschuwd zich boven neutraal gebied
te bevinden, en dat de militaire autoriteiten de wetten der
menschelijkheid hadden in acht genomen zoover als dit met haar plicht,
de onschendbaarheid van het territoir te doen eerbiedigen, slechts
eenigszins was overeen te brengen”.
Eenigszins moeilijker ligt de zaak, wanneer het luchtschip of het
vliegtuig niet wordt neergeschoten maar door eenigerlei averij gedwongen
wordt binnen het gebied van den Staat te landen. Men is dan aanvankelijk
geneigd analogie te zoeken met de neutraliteitsbepaling betreffende
oorlogsschepen, welke wegens averij een Nederlandsche haven binnenloopen
en die na herstel weder mogen vertrekken. Toch brengt eenig nadenken
spoedig tot het inzicht, dat de zaak hier zóó geheel anders ligt, dat
van analogische toepassing dier bepaling geen sprake zijn kan. Het
vreemde oorlogsschip, dat wegens averij een onzer havens binnenloopt,
schendt op geen enkel oogenblik onze neutraliteit. Het vreemde
luchtschip of vliegtuig daarentegen kan alleen dan wegens averij
gedwongen worden hier te dalen, als het in strijd met de Nederlandsche
souvereiniteit en neutraliteit, welke het had te eerbiedigen, reeds
boven ons territoir voer of vloog. Het enkele feit dat het hier wegens
averij landen moet, bewijst dus reeds dat het de Nederlandsche
souvereiniteit had geschonden, vóór het averij kreeg en tot neerstrijken
werd gedwongen. Mocht het weer voorkomen, dat Duitsche luchtschepen,
gaande naar Engeland of daarvan terugkomende, over ons land varen, en
mocht bij zulk een gelegenheid een dezer schepen wegens averij binnen
onze grenzen moeten dalen, dan zou het buiten twijfel zijn, dat het tot
na den oorlog zou moeten worden opgeborgen en dat de inzittenden
behoorden te worden geïnterneerd. Met luchtschepen heeft zich deze
kwestie nog niet practisch voorgedaan; daarentegen wèl met een Duitsch
watervliegtuig dat, tengevolge van averij ten Noorden van
Schiermonnikoog in zee was neergedaald en naar de kust van dit eiland
was gedreven en daar geland. De bemanning daarvan werd geïnterneerd,
ondanks protest van de Duitsche regeering.
Naast de hier genoemde theoretische gronden voor de gedragslijn, welke
de Regeering zich in deze kwestie heeft gesteld, is er nog een bij
uitnemendheid practische militaire overweging, welke in dezelfde
richting wijst en die tevens het principieele standpunt steunt, dat
Nederland bij het Koninklijk besluit van 3 Augustus 1914 ten aanzien
van de luchtvaart van oorlogvoerenden heeft ingenomen. Het enkele feit
van het varen of vliegen boven het Nederlandsche gebied stelt den
luchtvaarder of den vliegenier in staat, waarnemingen te doen
omtrent- en opnemingen te doen van Nederlandsche verdedigingswerken en
kan dus onze veiligheid in gevaar brengen.
Deze laatste overweging schraagt ook het standpunt, dat Nederland
tegenover Duitschland heeft ingenomen ten aanzien van luchtschepen,
waarvan terecht of ten onrechte wordt beweerd, dat zij bij vergissing,
tengevolge van de weersgesteldheid, boven ons land zijn terecht gekomen.
Zoodra de bestuurder van een oorlogvoerend luchtschip zulk een
vergissing bemerkt, is hij verplicht langs den kortsten weg zich buiten
het Nederlandsche rechtsgebied te begeven. Hij mag zich dan niet bevoegd
achten langs den kortsten weg naar zijn eigen land terug te keeren,
wanneer die niet tevens de kortste is om buiten ons gebied te komen.
Terecht heeft onze Regeering dit standpunt tegenover Duitschland met
beslistheid volgehouden. Elke afwijking daarvan zou de deur wagenwijd
openzetten voor niet te controleeren en niet te achterhalen schendingen
van ons rechtsgebied door oorlogvoerende luchtvaarders.
* * * * *
In verband met de luchtvaart heeft de Regeering nog voor een
moeilijkheid gestaan, die wel niet rechtstreeks met het belang van
Nederland had te maken, maar waarbij zij zich de vraag had voor te
leggen, of de voorschriften der onzijdigheid wel met de eischen der
menschelijkheid waren overeen te brengen. De neutraliteit brengt mede,
dat het verspreiden van berichten over de waarneming, van Nederlandsch
grondgebied uit, omtrent bewegingen van oorlogvoerende strijdkrachten,
zooveel mogelijk worde tegengegaan. Om aan dezen eisch der onzijdigheid
te voldoen worden berichten van nieuwsagenten omtrent bewegingen van
belligerente oorlogsschepen gedurende 6 uren opgehouden. Deze maatregel
wordt ook toegepast ten aanzien van waargenomen bewegingen van vreemde
vliegeniers en vreemde luchtschepen. Voor zoover betreft Duitsche
luchtschepen, die naar Engeland koersten, gaf dit in sommige kringen
aanleiding tot ontstemming, voortspruitende uit de omstandigheid, dat de
Duitsche luchtraids, voor zoover zij menschenlevens kosten, in
hoofdzaak weerlooze burgers treffen en dus tot de meest inhumane
oorlogsverrichtingen behooren van den thans woedenden krijg, waarin de
vindingrijkheid op het gebied der verdelging van elkanders leven en
gezondheid over het algemeen toch reeds een met alle menschelijkheid
spottende hoogte heeft bereikt. Toch kon en mocht men, zonder schending
van de neutraliteit ten aanzien van de Duitsche luchtschepen, van den
gestelden regel niet afwijken. Het zou trouwens niet aangaan, dat
neutrale staten hunne onzijdigheidsmaatregelen deden afhangen van de
mate van weerzin, welke door bepaalde oorlogshandelingen der
belligerenten bij hen werd gewekt. Elk objectief kenmerk van
beoordeeling zou dan ontbreken en men zou door gevoelsoverwegingen al
heel spoedig in zeer gevaarlijk vaarwater worden gevoerd. Natuurlijk
stond de zaak geheel anders, wanneer het een luchtschip betrof, dat de
onzijdigheid van het Nederlandsche territoir niet had geëerbiedigd en
zijn weg ten deele over ons gebied had genomen. In dat geval bleef
bekendmaking daarvan aan den tegenstander, langs telegrafischen weg,
zonder de minste vertraging vrij. De neutraliteit werd dan niet
geschonden door de berichtgeving, maar was geschonden door den
luchtschipper omtrent wien bericht gegeven werd.
§ 4. _Gevaarlijke bakerpraatjes._
Tot slot van dit hoofdstuk vermeld ik nog een tweetal bakerpraatjes,
waarvan vooral het eerste aan het land veel kwaad heeft gedaan en aan de
Regeering veel last en onaangenaamheid bezorgd heeft.
Toen het Duitsche leger, om snel in Noord-Frankrijk te komen, de
neutraliteit van België schond en zich een weg baande door het land van
onze Zuidelijke naburen, dook al heel spoedig het gerucht op, dat
Nederland zou hebben toegelaten, dat bij dien opmarsch Duitsche troepen
ook over Nederlandsch grondgebied trokken. Vooral in Frankrijk werd dit
verhaal als waarheid aanvaard en werd het ondanks officieele tegenspraak
met hardnekkigheid staande gehouden. In de „_Illustration_” verscheen
zelfs een kaartje, aanduidende hoe het Duitsche leger door België was
getrokken; de richtingen werden daarop door pijltjes aangegeven; een
dier pijltjes wees den weg van Duitschland naar België over het
zuidelijk deel van Nederlandsch Limburg. Hoewel hier bij de Regeering
genoegzaam bekend was, dat het heele verhaal uit de lucht was gegrepen
en dat de Duitsche legeraanvoerders niet slechts bevel hadden ontvangen
de Nederlandsche grens zorgvuldig te ontzien, maar dat bevel ook met de
grootste nauwgezetheid hadden opgevolgd, wierp het praatje een zóó
valsch en te gelijk zóó gevaarlijk licht op ons land en zijne Regeering,
dat het noodig was de onjuistheid daarvan zóó voldongen vast te stellen,
dat het niet alleen hier te lande maar ook bij de geallieerden zou
worden erkend voor wat het was: een kwaadaardig kletspraatje. Er had
daartoe een speciaal onderzoek door de militaire overheid plaats,
waaromtrent uitvoerige mededeelingen zijn opgenomen in het Oranjeboek,
dat in October 1915 door het Ministerie van Buitenlandsche Zaken werd
uitgegeven. Zooals van te voren vaststond bij ieder, die op de hoogte
was van de werkelijke toedracht, bewees dat onderzoek op een wijze, die
zelfs voor den meest kwaaddenkende overtuigend zijn moest, dat de
Nederlandsche grens door het Duitsche leger op geen enkel punt was
geschonden.
Ter rechtvaardiging van het ontstaan en van de verspreiding van het
praatje, als zou Nederland handlangersdiensten aan het Duitsche leger
hebben bewezen, valt dan ook niets hoegenaamd aan te voeren; het kan
integendeel niet genoeg worden betreurd en gelaakt, dat zulk een
sprookje zonder eenigen grond ontstaan en verspreid worden kon en dat
zij die zich daaraan schuldig maakten, niet beseften, welke ernstige
gevolgen het wekken van een valschen schijn bij een der oorlogvoerende
partijen omtrent Nederlands houding ten aanzien van den vijand, voor ons
land had kunnen hebben en welk een verantwoordelijkheid zij door hun
grondelooze en grenzelooze kwaaddenkendheid en lichtgeloovigheid
tegenover Nederland op zich namen. Voor zoover er onder onze eigen
landgenooten zijn, die aan de verspreiding van het gerucht mede schuld
hebben, is hun bedrijf in zoo hooge mate ergerlijk, dat er geen woorden
voor zijn te vinden om het naar waarde te brandmerken.
Voor buitenlanders kon althans nog ter verontschuldiging dienen, dat de
Duitsche heerbaan op enkele punten, zooals bij Vaals en bij Kerkrade,
zóó rakelings langs de Nederlandsche grens loopt, dat men van
Nederlandsch grondgebied uit aan militairen, die op dien weg
voorbijtrekken de hand kan reiken; dat het nieuwe grijze uniform onzer
infanteristen zooveel gelijkenis vertoont met het Duitsche uniform voor
dit wapen, dat vergissing omtrent de nationaliteit van een
voorbijtrekkenden troep voor een buitenlander mogelijk is en, last not
least, dat men in de oorlogvoerende landen, vooral in het begin van den
oorlog, begrijpelijkerwijze, te gelijk zóó zenuwachtig en zóó
wantrouwend was, dat elk praatje omtrent heulen met den tegenstander,
zoodra het omtrent een neutralen staat eenmaal was gelanceerd, er een
bij uitstek gunstigen voedings- en verspreidingsbodem vond. Voor
Nederlanders die de verspreiding van het even valsche als gevaarlijke en
kwaadaardige gerucht mede op hun geweten hebben, is niet de minste
verontschuldiging aan te voeren.
Zelfs nadat zonneklaar en onomstootelijk was vastgesteld, dat van
schending van de Nederlandsche grens door het Duitsche leger op geen
enkel punt en op geen enkel oogenblik sprake is geweest, heeft het
praatje niet opgehouden aan Nederland schade te doen. De buitenlandsche
regeeringen hebben het ten slotte wel op de juiste waarde, dat wil hier
zeggen: onwaarde, geschat en verdere verspreiding ervan, naar vermogen,
tegengegaan. Maar daarmede was het kwaad niet gestuit. Zulke praatjes
blijven nawerken onder allerlei kringen van de bevolking, en daarbij
geldt helaas niet dat de waarheid de leugen wel achterhaalt. Wanneer
Nederland en zijne Regeering bij het Fransche volk sympathie hebben
verspeeld en zelfs bij maar al te velen onzer Gallische broeders in een
kwaad blaadje zijn gekomen, heeft het valsche gerucht omtrent het
oogluikend toelaten van schending onzer grenzen door Duitsche troepen
daartoe meer dan iets anders bijgedragen. De franschgezinden onder de
Nederlanders die aan de verspreiding daarvan mede schuld hebben, hebben
eer van hun werk; zij hebben meer bijgedragen tot het kweeken van
verwijdering tusschen Franschen en Nederlanders dan alle pro-duitsche
propagandisten bij elkaar.
Van hetzelfde allooi, maar gelukkig van veel minder practische
beteekenis, was het later uitgebroed sprookje, dat er een geheim verdrag
tusschen Nederland en Duitschland in verband met den oorlog zou zijn
gesloten. Dit verhaal is op zich zelf niet minder kwaadaardig en niet
minder gevaarlijk; men kan voor niemand eenige verontschuldiging vinden,
die aan het ontstaan of de verspreiding ervan heeft meegedaan. Hoewel
het zijn ronde begon op een oogenblik toen de gemoederen reeds wat waren
gekalmeerd en niet meer zoo ontvankelijk waren voor elk sensatiebericht,
hoe onwaar en hoe onwaarschijnlijk het ook zijn mocht, heeft het toch
nog zooveel stof opgeworpen, dat het de eer kreeg in de vergaderingen
van de beide Kamers der Staten-Generaal te worden besproken. Het kón
daar met de meeste beslistheid van regeeringswege worden tegengesproken
en het werd met de meeste beslistheid tegengesproken; het eerst in een
interruptie van den heer Cort van der Linden, zoodra er in de Kamer van
werd gerept.
Zooals ik reeds opmerkte, is het in zijn gevolgen minder ernstig geweest
dan dat van de beweerde toelating van schending onzer grenzen door
Duitsche troepen; maar dat zij, die aan het ontstaan en de verspreiding
van de verdrag-legende schuldig zijn, daarmede minder kwaad brouwden dan
met het andere sprookje werd gesticht, kan men niet eens te hunner
verontschuldiging aanvoeren. Het is te danken aan omstandigheden
onafhankelijk van hun wil. Ware het ontstaan op een oogenblik van even
groote algemeene opgewondenheid, als in Augustus 1914 heerschte, of ware
het door de Fransche pers even gretig opgenomen en verspreid als zijn
leugenbroeder uit die dagen, dan zou het in zijn uitwerking aan dezen
niets hebben toegegeven. De duim waaruit het is gezogen, verdiende ten
overstaan van Neerlands volk te worden verbrijzeld.
HOOFDSTUK II.
DE LEVENSMIDDELENVOORZIENINGEN.
§ 1. _Beperking van den uitvoer._
De oorlogstoestand heeft op bij uitstek voelbare wijze aan ieder
duidelijk gemaakt, welk een beteekenis het ongestoord interlocaal en
internationaal verkeer voor het economische leven in de moderne
maatschappij heeft. Toen in de eerste weken van Augustus 1914 het
verkeer hokte, stonden alle economische vragen op eens onder een gansch
ander licht, dan in normale omstandigheden en verlangden zij een gansch
andere oplossing. Door de spoorwegvordering stond het goederenverkeer te
land in die weken vrijwel stil; het scheepvaartverkeer was lam gelegd,
niet alleen door de onzekerheid omtrent het lot dat aan ons land zou
worden beschoren, maar ook door de onbekende gevaren waaraan de oorlog
ter zee de scheepvaart, inzonderheid op de Noordzee, zou kunnen
blootstellen. De binnenschipperij miste als terugslag van den stilstand
in de groote scheepvaart en in het goederenvervoer op de spoorwegen
voeding en werk. Daarbij kwam dat er gegronde vrees heerschte voor
kolengebrek, zoo niet voor kolennood. Tot overmaat van ramp ontwrichtten
de maatregelen, die door de oorlogvoerenden, in de eerste plaats door
Engeland als feitelijk beheerscher der zee werden genomen, het
internationaal verkeer geheel en al. Dit een en ander legde aan de
Regeering, inzonderheid aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en
Handel den plicht op, vóór alles er voor te zorgen, dat geen gebrek aan
de noodige levensmiddelen zou ontstaan. Daarbij had zij het hoofd koel
te houden en moest zij zich niet laten meesleepen, tot het nemen van
goed bedoelde maar in hun gevolgen bedenkelijke maatregelen, waarop
zoowel in als buiten de Staten-Generaal werd aangedrongen.
Toen in de gedenkwaardige vergadering van de Tweede Kamer van 3 Augustus
1914 door den heer Troelstra werd opgemerkt, dat het niet voldoende zou
zijn, waren beschikbaar te stellen tegen een maximalen prijs en dat er
meer noodig was voor „de doodeenvoudige politiek dat er in Nederland
geen honger zal worden geleden”, gaf ik daarop ten antwoord:
„Op het oogenblik toe te zeggen de indiening van een wetsontwerp,
waarbij aan de bevolking, die dat noodig heeft, om niet door den Staat
levensmiddelen zouden worden verstrekt, acht ik niet noodig en niet
gewenscht. Niet gewenscht om een tweetal redenen. Vooreerst omdat de
staat dat wel zal kunnen decreteeren op papier, maar het buitengemeen
moeilijk zijn zou, dat onmiddellijk tot uitvoering te brengen, en verder
omdat daarmede wat den kleinhandel aangaat, het economisch verkeer, naar
ik vrees, nog meer zal worden geschokt dan op het oogenblik reeds het
geval is.
„Hierover toch behoeven wij wel niet te twijfelen; wanneer er een wet
was, waarbij onder zekere voorwaarden,--wij kunnen zeer goed begrijpen,
in deze kritieke tijden, dat men de voorwaarden, die men stellen zou,
toch niet streng zou kunnen toepassen--aan de bevolking die het noodig
had, om niet levenswaren werden ter beschikking gesteld, dan zou niet
alleen het verkeer--dat nu reeds wat den internationalen handel en het
kredietwezen betreft, zeer verstoord is--maar ook de kleinhandel op zeer
bedenkelijke wijze verstoord worden.
„Vandaar dat ik, waar ik sta voor de verantwoordelijkheid om zoo goed
mogelijk in deze tijden, voor zoover het van den Staat kan geschieden,
leiding te geven aan ons economisch leven, dergelijken maatregel niet
durf voorstellen”.
In de Eerste Kamer werd door den heer Polak een overeenkomstige aandrang
geoefend, als de heer Troelstra aan de overzijde van het Binnenhof had
geuit. In antwoord daarop verwees ik dien afgevaardigde naar hetgeen ik
even te voren aan zijn partijgenoot had tegemoet gevoerd. Aan mijn
afweer van het denkbeeld tot het beschikbaar stellen van levensmiddelen
van regeeringswege voegde ik echter in één adem toe, dat, als de
toestanden nog erger werden, de Regeering niet zou aarzelen, verder
reikende voorstellen te doen, dan zij reeds gedaan had en waarmede ook
de heer Troelstra zijn instemming had betuigd. De eerste maatregel die
kon strekken om gebrek aan levensmiddelen te voorkomen, was intusschen
van anderen oorsprong en had aanvankelijk een ander hoofddoel.
Bij de wet van 3 Augustus 1914 (Stbl. no. 344) werd bepaald, dat in
geval van oorlog of oorlogsgevaar bij algemeenen maatregel van bestuur
de uitvoer van bepaalde goederen, geheel of gedeeltelijk, hetzij voor
het geheele land, hetzij voor een bepaald deel daarvan tijdelijk kan
worden verboden. Dit was geen nieuwigheid, het was een verruimde en
verbeterde editie van een oude en verouderde wet. In verband met den
Fransch-Duitschen oorlog was reeds bij een wet van 24 Juli 1870,
bepaald, dat de uit- en de doorvoer van paarden, hooi, stroo, haver,
steenkolen en cokes door de Kroon tijdelijk, geheel of gedeeltelijk
konden worden verboden. Reeds geruimen tijd vóór het uitbreken van den
thans woedenden krijg was het duidelijk geworden, dat die sedert 1870 in
stand gebleven wet niet ver genoeg ging. Onder het ministerie Heemskerk
werd, bij Koninklijke boodschap van 24 Mei 1913, een wetsontwerp
ingediend tot verruiming van de wet van 1870. Die verruiming betrof
verschillende soorten van levensmiddelen.
Hoewel ook dat ontwerp door militaire overwegingen was ingegeven, had
het toch mede ten doel bescherming van den voorraad van verschillende
artikelen, „welke onmisbaar zijn voor de dagelijksche behoeften van de
bevolking”. In Februari 1914, nog vóór het ontwerp in de afdeelingen van
de Tweede Kamer was behandeld, werd het onder het nieuw opgetreden
ministerie in zoover gewijzigd, dat het niet langer de mogelijkheid ook
van verbod van doorvoer inhield. Zulk een verbod zou, zoo werd in de
toelichting der wijziging betoogd, weinig doeltreffend kunnen zijn en
bij toepassing in strijd komen met internationale tractaten, waarbij
vrijheid van doorvoer door ons land werd gewaarborgd, inzonderheid met
de Rijnvaartakte. Het Voorloopig Verslag over het onderzoek van het
ontwerp in de afdeelingen der Tweede Kamer verscheen 30 April 1914.
In het licht der ervaring, die de oorlog ons gebracht heeft, is het de
moeite waard een der hoofdbezwaren in herinnering te brengen, welke in
de afdeelingen van de Tweede Kamer tegen het ontwerp werden ingebracht.
„Zonder eenigen twijfel zullen--zoo voerden verschillende leden aan--in
geval van oorlog of oorlogsgevaar in onze omgeving, groote hoeveelheden
proviand naar onze havens stroomen, om van daaruit met flinke winsten
aan de oorlogvoerende partijen te kunnen worden verkocht.” Koopmansgeest
ontbreekt ook in de Kamer niet. Er werd niet eens gedacht aan de
mogelijkheid, dat één der oorlogvoerenden dien stroom van proviand,
dien men reeds in zijn verbeelding zag en waarvan men de winst,
die ermede zou zijn te maken, bij voorbaat reeds met welgevallen
opsnoof, wel eens zou kunnen afdammen. Trouwens bij de weerlegging
van dit argument in de Memorie van Antwoord, voor welke ook ik een
deel der verantwoordelijkheid draag, werd van die mogelijkheid evenmin
gerept. Het argument werd wel weersproken, maar niet op den grond, die
thans in de eerste plaats naar voren zou worden gebracht.
De ironie van het oorlogsnoodlot heeft zich ten aanzien van de
uitvoerverboden niet bepaald tot het den draak steken met die ééne
verwachting van oorlogswinsten. Ook in een ander opzicht heeft het met
goede bedoelingen en plechtige verzekeringen gejongleerd.
„Door eenige leden--zoo zegt het Voorloopig Verslag--werd als een
bezwaar aangevoerd, dat de bepaling zou kunnen worden misbruikt om, door
een tijdelijk verbod van uitvoer, invloed te oefenen op de prijzen
binnenslands.” De onderteekenaars van de Memorie van Antwoord (gelukkig
voor hem behoorde de heer Posthuma daar niet bij; ongelukkig voor mij,
ik wèl) beantwoordden die opmerking aldus: „Er is, naar het voorkomt,
geen aanleiding de Regeering ervan te verdenken, dat zij de wet zal
misbruiken om, door een tijdelijk verbod van uitvoer, invloed te oefenen
op de prijzen binnenslands. Het behoeft geen nader betoog, dat
maatregelen met zoodanige strekking geheel zouden indruischen tegen de
uitdrukkelijk uitgesproken bedoeling van het wetsontwerp.”
En toch is de wet daarvoor gebruikt, zonder dat iemand er een
principieel bezwaar tegen heeft gemaakt. Er is wel strijd over dat
gebruik geweest, maar die strijd liep over de mate waarin en de wijze
waarop de wet voor dat doel werd toegepast. De een wilde meer, de ander
minder; maar niemand heeft „hands off” geroepen. Natuurlijk had dat
gebruik geen speculatieve bedoelingen, maar het bewustzijn, dat daarmede
als ongewenscht neveneffect tevens speculatie in levensmiddelen en
andere waren werd bevorderd, heeft niet weerhouden uitvoerverboden te
stellen en gedeeltelijke afwijkingen daarvan te regelen, met het
uitgesproken doel daarmede op de prijsvorming binnenslands in te werken.
Waarlijk, oorlogstijd doordringt regeeringen zoowel als particulieren
van de waarschuwing: „Ne dis pas: fontaine, je ne boirai pas de ton
eau!”
De Memorie van Antwoord betreffende het wetsontwerp werd ingediend, toen
de oorlogswolken reeds zeer dreigende waren, namelijk 27 Juli 1914: het
Eindverslag werd uitgebracht op 1 Augustus. Tusschen dien dag en den dag
waarop de wet in het Staatsblad verscheen, onderging het ontwerp nog
eenige wijzigingen; de eerste daarvan had ten doel, ook het verbod van
uitvoer van goud (hierop kom ik in hoofdstuk IV terug[1]) wettelijk te
regelen. In verband ook met deze nieuwe verruiming bleek het ten slotte
gewenscht, alle aanduiding van speciale goederen uit de wet te lichten
en de mogelijkheid van het uitvaardigen van uitvoerverboden algemeen te
maken voor de „bepaalde goederen”, welke telkens bij algemeenen
maatregel van bestuur zullen worden aangewezen.
[1] Zie bl. 193.
Reeds vóór de wet van 3 Augustus in werking trad, was bij Koninklijk
besluit van 1 Augustus, op grond van de wet van 1870, de uitvoer van
paarden, hooi, stroo, steenkolen en cokes verboden. Spoedig na den 3den
Augustus 1914 volgden uitvoerverboden van een aantal etenswaren. In de
eerste weken werden die uitvoerverboden, zoo niet uitsluitend dan toch
in de eerste plaats, ingegeven door motieven, ontleend aan het belang
van leger en vloot en aan de noodzakelijkheid der geregelde
approviandeering van stellingen en versterkte plaatsen. Heel spoedig
echter veranderde dit en kwam het overwicht bij de uitvoering der wet op
de uitvoerverboden bij het Departement van Landbouw, Nijverheid en
Handel,--het departement, dat in het algemeen de zorg heeft voor de
economische belangen des lands en dat in den oorlogstijd de moeilijke
en, vooral bij den langen duur van den toestand, hoogst ondankbare taak
heeft te vervullen, het economisch leven onder de door den oorlog
geschapen buitengewone omstandigheden zoo goed mogelijk aan den gang te
houden.
Had men dit vooruit kunnen voorzien, men zou de uitvoering dezer wet,
althans voor zoover het betreft uitvoerverboden, die niet met een
militair oogmerk worden uitgevaardigd, niet in de eerste plaats in
handen van het Departement van Oorlog hebben gelegd, dat uit den aard
der zaak in oorlogstijd toch reeds de handen vol werk heeft. Bij de
beoordeeling van het nu en dan te lang uitgebleven zijn van economische
uitvoerverboden, nadat de wenschelijkheid daarvan was uitgemaakt, houde
men er rekening mede, dat die verboden, behalve den Raad van State, niet
alleen het Departement van Landbouw, maar ook de Ministeries van
Buitenlandsche Zaken en van Financiën moesten passeeren, voordat daaraan
door de zorg van het Departement van Oorlog de laatste hand kon worden
gelegd. Als men bij vervolg van tijd weer in de noodzakelijkheid mocht
komen, de wet op de uitvoerverboden toe te passen, zal men zeker niet
verzuimen, die fout uit de regeling te schakelen. In de eerste
oorlogsweken was de druk der omstandigheden groot genoeg, om een
uitvoerverbod, dat noodig bleek, al de genoemde autoriteiten in één of
twee dagen te doen passeeren. Maar onder zóó hooge spanning werkt men op
den duur niet; ook niet in de bureaux onzer ministeriëele departementen.
Bij het stellen van uitvoerverboden werd natuurlijk rekening gehouden
met de vriendschappelijke betrekkingen waarin Nederland als onzijdige
natie met alle oorlogvoerenden staat; maar daarbij moest toch de
binnenlandsche behoefte aan bepaalde goederen, inzonderheid aan
levensmiddelen, den doorslag geven, ook al kon men zich niet verhelen
dat de uitvoerpolitiek, welke de Regeering door den binnenlandschen
toestand werd opgelegd, in haar gevolgen de centrale mogendheden over
het algemeen meer trof dan de geallieerden. Als voorbeeld uit den
eersten oorlogstijd breng ik in herinnering hetgeen met de rijst
geschiedde.
Bij den aanvang van den oorlog was hier een zeer groote hoeveelheid
rijst aanwezig. Zóó groot, dat die voorraad, onder normale
omstandigheden, voor de behoeften der bevolking gedurende eenige jaren
voldoende zou zijn geweest. Maar de omstandigheden waren juist niet
normaal. Omdat moest gerekend worden met den zeer beperkten voorraad
broodkoren, waarvoor rijst als surrogaat zou moeten in de plaats komen,
indien het niet gelukte tarwe in voldoende hoeveelheid en met genoegzame
regelmatigheid van overzee aan te voeren, mocht de Regeering, met name
de Minister van Landbouw, het oog niet sluiten voor het feit, dat de
rijst in ongekende hoeveelheden in Rijnschepen naar Duitschland werd
verladen. De voorraad, die in het begin van Augustus 1914 de
respectabele hoeveelheid van 200 millioen K.G. bedroeg, was drie weken
later reeds tot 150 millioen K.G. geslonken. De rijstuitvoer was in
Augustus 1914 grooter dan in normale omstandigheden in een half jaar.
Toen dientengevolge gevaar dreigde dat de rijstreserve spoedig zou zijn
uitgeput, mocht ik niet aarzelen en aarzelde ik niet, maatregelen te
nemen, opdat de grens voor uitvoer van rijst onverbiddelijk zou worden
gesloten, al was het duidelijk dat zulk een maatregel zoowel in
Duitschland als bij de Nederlandsche rijstpellers en rijsthandelaren
ontstemming moest wekken. De rijstuitvoer werd 3 September 1914 verboden
en is sedertdien verboden gebleven.
Bij de suiker kon de wet op de uitvoerverboden op geheel andere wijze
dienst doen. Er wordt hier ongeveer tweemaal zooveel ruwe suiker
geproduceerd als voor het binnenlandsche verbruik van geraffineerd
noodig is. Er moest echter voor gezorgd worden, dat in verband met de
bij uitstek hooge prijzen, welke voor suiker in Engeland werden besteed,
niet zooveel van het binnenlandsche product daarheen zou worden
verscheept, dat voor de binnenlandsche consumptie niet voldoende hier
zou blijven. Ware er nu niets meer te overwegen geweest, dan zou de
beslissing hier, al stond de zaak niet precies zóó als bij de rijst,
toch vrij eenvoudig zijn geweest. Er kwam echter nog een gansch ander
element in het geding. „Het blijkt,--zoo zeide ik in de vergadering van
de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914--dat er onder deze omstandigheden
een zeer groote strijd van belangen is tusschen de ruwsuikerfabrikanten
en de raffinadeurs. Wanneer men toeliet, gelijk men dat vooral in
sommige landbouwstreken gaarne zien zou, dat de ruwsuiker vrij mocht
worden uitgevoerd, wat zou daarvan dan het gevolg zijn? Dat de
overgroote hoeveelheid ruwsuiker naar Engeland zou gaan, omdat daar zeer
hooge prijzen voor ruwe suiker worden besteed. Maar als men dat deed,
zouden onze eigen raffinadeurs geen voldoende grondstof hebben; zij
zouden te weinig krijgen en wat zij kregen, zouden zij duur moeten
betalen en de bevolking zou ten slotte hooge prijzen moeten besteden.”
Bovendien zou een te groote uitvoer van ruwe suiker geleid hebben tot
gebrek aan werk voor onze Nederlandsche suikerraffinaderijen, hetgeen
vermeerdering van het aantal werkloozen zou hebben ten gevolge gehad.
Ook deze overweging deed zich in de eerste oorlogsmaanden, toen moest
worden gevreesd voor- en gerekend met een zeer groot werkloozencijfer,
krachtig gelden. Als resultaat van een en ander werd toen door mij aan
belanghebbenden medegedeeld, dat het uitvoerverbod op ruwe zoowel als op
geraffineerde suiker, dat den 7den Augustus was uitgevaardigd,
gehandhaafd zou worden, zoolang belanghebbenden niet een gezamenlijk
advies zouden hebben uitgebracht over het gedeelte van de Nederlandsche
suikerproductie, dat hier zou moeten blijven voor het verbruik binnen de
grenzen en over het aandeel, dat het geraffineerd en het ruw zouden
kunnen hebben in het voor uitvoer beschikbare restant.
Aangezien de bietenoogst weldra zou moeten worden binnengehaald en de
suikercampagne dus spoedig voor de deur stond, waren de verschillende
groepen van belanghebbenden wel verplicht het met elkander eens te
worden. Het duurde dan ook niet lang, of zij brachten een
gemeenschappelijk advies uit. Daarbij werd eerst nog wel gepoogd „des
Pudels Kern”, de verhouding van het ruw en het geraffineerd in het deel
van het product, dat uitgevoerd zou mogen worden, niet aan te raken.
Maar toen ik den heeren duidelijk maakte, dat ik juist omtrent dit punt
hun voorlichting noodig had, en dat een advies, dat dit onaangeroerd
liet, voor de Regeering geen waarde zou hebben, werden zij het ten
slotte toch ook daarover eens. Dat enkelen daarbij het hart bloedde,
omdat zij gehoopt hadden een grooter deel van de in totaal te verwachten
oorlogswinst voor hun groep te kunnen bemachtigen, zal ik niet
tegenspreken.
Bepaald werd toen, in overeenstemming met het door belanghebbenden
uitgebrachte advies, dat 40 pct. van de geheele productie in het land
zou moeten blijven en dat het voor uitvoer overblijvende zoodanig zou
worden verdeeld, dat van den geheelen voorraad ten hoogste 18% als ruw
zou mogen worden uitgevoerd, zoodat voor den uitvoer van geraffineerd
ruim 40% van het geheele product restte. De raffinaderijen konden dus
rekenen op ruim 80% van de Nederlandsche ruwe suiker als grondstof voor
hun bedrijf, namelijk 40% voor het binnenlandsche verbruik en ruim 40%
voor den uitvoer naar het buitenland. Deze rekening gaat slechts ten
naastenbij op, omdat een deel van de ruwe suiker, welke niet als
zoodanig werd uitgevoerd, toch de raffinaderijen niet bereikte. Enkele
suikerfabrieken zijn namelijk ingericht op het zoogenaamd wit afdraaien
van ruwe suiker, waardoor een product wordt verkregen, dat er minder
fraai uitziet dan de geraffineerde suiker, maar dat deze toch kan
vervangen vooral voor banketbakkers, fabrikanten van suikerwaren,
van gecondenseerde melk en dergelijke. Bepaald werd, om de regeling
niet aanstonds op losse schroeven te zetten, dat alleen die
ruwsuikerfabrieken wit zouden mogen afdraaien, die het ook in de vorige
campagne hadden gedaan, en dat wel tot maximaal dezelfde hoeveelheid. Op
grond van de in de volgende paragraaf te behandelen levensmiddelenwet
werd voorts voor 1e kwaliteit witte suiker de groothandelsprijs gesteld
op ƒ 48.50 per 100 K.G., de kleinhandelsprijs op 55 centen per K.G. Daar
de suikerfabrieken en de suikerraffinaderijen wegens den suikeraccijns
onder voortdurend toezicht van het Departement van Financiën staan, had
men hierin tevens een afdoende controle tegen pogingen tot ontduiking
der regeling. Uit de verschillende groepen van belanghebbenden werd een
commissie benoemd, die bij de maatregelen ter uitvoering van de
getroffen regeling van advies zou dienen en bij het toezicht op die
uitvoering behulpzaam zijn.
Ik heb de suikerregeling eenigszins uitvoerig behandeld, omdat zij tot
voorbeeld heeft gestrekt voor analoge regelingen, die elkander ten
aanzien van een toenemend aantal producten van tuinbouw, landbouw en
veeteelt hebben opgevolgd. Bij die andere regelingen had men wel is waar
niet te rekenen met een conflict van belangen als tusschen de
ruwsuikerfabrikanten en de raffinadeurs. Maar de moeilijkheden waren
daar toch niet minder. Ten aanzien van de meeste dier producten had men
al aanstonds veel grooter moeilijkheden bij de controle, omdat zij, als
accijnsvrij, niet onder een zoo streng fiscaal toezicht staan als de
suiker. Bovendien ontbrak het ook daar niet aan belangenconflicten. Bij
vele tuinbouwproducten is door het instituut der coöperatieve
groentenveilingen althans het conflict tusschen den groothandelaar en
den verbouwer grootendeels uitgeschakeld; bij de landbouwproducten is de
coöperatie in den verkoop nog niet zoo algemeen. Zelfs buiten de
coöperatieve organisatie van de boterbereiding en den boterafzet staan
nog een aantal boterproducenten, speciaal in de westelijke provinciën;
de eieren-veilingen bestrijken nog lang niet den heelen eierenvoorraad,
en bij de kaas is de groothandel nog grootendeels in handen van
kooplieden met andere belangen dan die der kaasproduceerende boeren.
Daarbij komt, dat overal tusschen den groothandel en den verbruiker nog
verschillende groepen van tusschenhandelaars in staan. Het streven heeft
van den aanvang af voorgezeten, bij de beperking en regeling van den
uitvoer van producten, waarvan het land meer voortbrengt dan het voor
eigen behoefte noodig heeft, in de verhouding tusschen de verschillende
groepen van belanghebbenden zoo min mogelijk stoornis te brengen. Het
spreekt intusschen wel van zelf, dat dit niet overal even gemakkelijk
was door te voeren en ook dat bij zulke regelingen, welke steeds
producten betroffen, waarmede oorlogswinsten waren te behalen, niet op
een goudschaaltje kon worden afgewogen of elke groep van belanghebbenden
daarbij wel haar evenredig deel kreeg van de gezamenlijke oorlogswinst,
die er mede was te verdienen.
Zoo is het zeer wel mogelijk, dat de regeling, welke in 1914 ten aanzien
van de suiker is getroffen, voor de raffinadeurs naar verhouding
voordeeliger is geweest dan voor de ruwsuikerfabrikanten. Deze laatsten
hebben echter in de campagne 1914/15 ook oorlogswinsten gemaakt, en die
winsten zouden nog grooter zijn geweest, indien niet een invoerverbod
van de Engelsche regeering, dat den 26sten October 1914 werd
uitgevaardigd, speciaal den uitvoer naar Engeland van suiker, die op
betere condities daarheen was verkocht, zoolang dat verbod duurde,
grootendeels onmogelijk had gemaakt.
Voor mij zou de omstandigheid dat de raffinadeurs bij de regeling van
1914 wat meer zijde hadden gesponnen dan de ruwsuikerfabrikanten geen
reden zijn geweest, van de hoofdtrekken dier regeling voor 1915 af te
wijken, al zou ik aan de eenmaal gestelde verdeeling van het voor
uitvoer beschikbare deel van den oogst tusschen ruw en geraffineerd niet
krampachtig hebben vastgehouden, indien de ervaring had getoond, dat
eenige wijziging daarin ter wille van eene meer gelijkmatige
oorlogswinstverdeeling ware aan te brengen geweest, zonder het
hoofddoel der geheele regeling te na te komen. Dit hoofddoel was,
zooals zooeven werd in herinnering gebracht, tweeledig: zorg voor
behoud van een voldoende hoeveelheid suiker voor het binnenlandsch
verbruik en voorkoming van werkloosheid onder de arbeiders in de
suikerraffinaderijen.
Door mijn opvolger van het Departement van Landbouw werd, in verband met
den minder goeden bietenoogst in 1915, het percentage van de suiker der
campagne 1915/16 dat niet zou mogen worden uitgevoerd, bepaald op 50.
Ten aanzien van de overblijvende helft werd echter door hem een
cardinale verandering gebracht in de regeling van 1914. Hij liet
namelijk geheel vrij of die helft als ruw of als geraffineerd het land
zou verlaten, er op rekenende dat dan de raffinadeurs van de
ruwsuikerfabrikanten toch wel zooveel van den voorraad zouden afkoopen
als zij voor hun bedrijf noodig hadden. Ook het wit afdraaien van ruwe
suiker werd geheel vrijgelaten. Ik heb van den aanvang af betwijfeld, of
die verandering ook een verbetering was en ik ben door de resultaten van
de regeling voor 1915/16 in mijn twijfel bevestigd. Bij de afwijking van
het bepaalde voor 1914/15 werd mijns inziens te veel rekening gehouden
met de overweging, dat de ruwsuikerfabrikanten het vorig jaar niet hun
evenredig deel in de behaalde oorlogswinst hadden genoten en de
billijkheid meebracht nu eens hen „top dog” te maken, en te weinig er op
gelet, dat men bij het betrachten van die verdeelende gerechtigheid
gevaar liep, de verbruikers en de arbeiders in de suikerraffinaderijen
het kind van de rekening te laten worden.
In normale tijden bemoeit de Regeering zich in het geheel niet met de
verhouding waarin bedrijfswinsten tusschen de verschillende
ondernemingen of groepen van ondernemingen in een handels- of
nijverheidstak worden verdeeld. Waar in oorlogstijd de overheid door
haar ingrijpen in het bedrijf onvermijdelijk ook aan die verhouding
raakt, is het haar plicht daaraan niet meer te tornen dan strikt
noodzakelijk is. Zij wachte zich er evenwel voor, de bijzaak tot
hoofdzaak te maken en bij haar maatregelen er van uit te gaan, dat
iedere groep van belanghebbenden, welke zonder het uitvoerverbod een
zekere oorlogswinst zou kunnen maken, een zooveel mogelijk evenredig
deel daarvan behoort te worden gelaten. Kan dit nevendoel worden bereikt
zonder aan het hoofddoel tekort te doen, dan des te beter; maar een
minister die ter wille van de nastreving van dat bijoogmerk zijn
maatregelen anders neemt, dan hij ter bereiking van het hoofddoel op
zich zelf zou hebben gedaan, komt daarmede op een verkeerden en zeer
gevaarlijken weg.
Ik sta hierbij stil, omdat mij meer dan eenmaal is gebleken, dat men
zich niet genoegzaam rekenschap geeft van den eenigen, maar dan ook
afdoenden, rechtvaardigingsgrond van economische uitvoerverboden in
oorlogstijd. Zulke verboden belemmeren onvermijdelijk den handel in
bepaalde voedingsmiddelen, zoo zij dien niet tijdelijk geheel
stopzetten, en doen daardoor aan de producenten van- en de handelaars in
die waren oorlogswinsten derven, welke door hen anders zouden kunnen
zijn genoten. Herhaaldelijk nu kan men de beschouwing hooren, dat de
Regeering er mede rekening moet houden, door haar uitvoerverboden een
bepaalde groep van producenten of van handelaars niet onevenredig veel
in het maken van oorlogswinst te kortwieken. Zoo herinner ik mij een
opmerking uit tuinbouwkringen, dat het toch niet zou aangaan den uitvoer
van kool in zoodanige mate te verbieden, dat grootere stijging van den
binnenlandschen prijs dan noodig is ter goedmaking van de verhooging der
productiekosten, zou worden voorkomen. Bij die wijze van optreden der
Regeering zou--zoo redeneerde men--een klein deel van het land (hier de
zoogenaamde „Streek” in Noord-Holland) zoo goed als den ganschen last
dragen van de voorziening der bevolking met deze in normale tijden
binnen ieders bereik liggende groente.
Indien ik mij in de eerste oorlogsweken door zulk een overweging had
laten leiden, zou--om slechts één voorbeeld te noemen--onze rijstreserve
over de grenzen zijn verdwenen. De druk van het absolute uitvoerverbod
van rijst, m. a. w. het vernietigen van verwachtingen op verder nog te
maken oorlogswinst, kwam geheel neer op een nog heel wat kleinere groep
van rijstpellers en rijsthandelaars.
Niet minder dan door de zooeven bedoelde beschouwing, werd ik getroffen
door een betoog van een bekend landbouwkundige in een overigens zeer
verdienstelijke en verdiende verdediging van het beleid van Minister
Posthuma, die door het publiek hoogst onbillijk wordt beoordeeld, omdat
men de moeilijkheden van de taak, waarvoor hij is gesteld, niet kent, of
die moeilijkheden onderschat, voor zoover men er begrip van heeft. In
het bedoelde betoog, dat in Juni jl. in een onzer groote dagbladen als
hoofdartikel werd opgenomen, wordt er de nadruk op gelegd: dat de
maatregelen van het Ministerie van Landbouw betreffende de beperking van
den uitvoer van landbouw- en veeteeltproducten den boeren reeds op een
derving van oorlogswinst te staan komen, die op meer dan ƒ 70 millioen
werd berekend; dat men wel behoort te overwegen, hoe land- en tuinbouw,
ondanks de binnenlandsche prijsstijging hunner producten, derhalve reeds
een veel grootere bijdrage in de lasten van den oorlogstoestand leveren,
dan welke andere groep van producenten of handelaars ook, en dat men dus
bescheiden zijn moet in zijn verlangen naar nog verdere beperking van
den uitvoer hunner artikelen, waardoor de winstderving voor die breede
groepen der bevolking nog grooter worden zou.
Waren dergelijke uitingen niet meer en niet anders dan verklaarbare
opvattingen uit de kringen van belanghebbenden, dan zou men er zich niet
over behoeven warm te maken. Zóó onschuldig zijn zij echter niet. In de
stukken, welke dezen zomer van het Ministerie van Landbouw uitgingen,
komen uitingen voor, die doen vreezen dat men aan de afdeeling
Landbouw, de afdeeling van het Departement, welke zich met de
levensmiddelenvoorziening in het bijzonder heeft bezig te houden, ook in
dien gedachtengang is gekomen. Dat nu is voor de bevolking niet zonder
gevaar.
Maatregelen, waardoor in oorlogstijd de prijs van bepaalde
voedingsartikelen belet wordt buitensporig hoog boven het normale te
stijgen, missen hun rechtsgrond, wanneer zij niet door het algemeen
belang der bevolking worden geboden. Maar gebiedt dit eenmaal het nemen
daarvan, dan hebben bepaalde categorieën, van producenten of van
handelaars, die daardoor worden verhinderd van zulke buitensporig hooge
prijzen en van nog hoogere prijzen over de grenzen vrijelijk profijt te
trekken, geen recht van beklag. In het maken van oorlogswinst ligt op
zich zelf niets onbehoorlijks, maar niemand heeft recht, dat hem de kans
op een oorlogswinst zou worden gelaten, die alleen kan worden
binnengehaald, als de overheid ter wille van de trekkers daarvan nalaat
of beperkt, wat zij anders in het belang der volksvoeding zou hebben
gedaan.
De mogelijkheid van het maken van oorlogswinsten door bepaalde groepen
van de bevolking is een gevolg van de hoogst abnormale toestanden, door
den oorlog op economisch gebied te voorschijn geroepen. Daartoe behoort
zoowel de noodzakelijkheid, dat de Regeering landbouw en industrie helpt
bij den aanvoer van grond- en hulpstoffen, als dat zij hen in hun
afzetgebied beperkt door, met of zonder uitzonderingen, de grens te
sluiten voor dat deel hunner producten, waaraan hier gebrek is of zonder
die beperking zou ontstaan. Waar en voor zoover eenerzijds zulk een
regeeringsinmenging voor aanvoer van grond- of hulpstoffen en anderzijds
zulk een beperking van het afzetgebied noodig zijn, behooren ook zij tot
de omstandigheden, die de mate bepalen, waarin verschillende groepen van
producenten van den oorlogstoestand profiteeren of daaronder lijden.
Wanneer, om bij den landbouw te blijven, van de boeren wordt gezegd, dat
zij hun oorlogswinst aan de Regeering hebben te danken, is dat
overdreven en daardoor onjuist. Bij die voorstelling wordt aan één
factor in de buitengewone omstandigheden een beteekenis gegeven, als
bepaalde hij die omstandigheden, in stede van er een product en door
wisselwerking een schakel van te zijn. Maar wanneer daartegenover wordt
gezegd, dat men bij die voorstelling de zaken op den kop zet, is dat nog
minder juist. Oorlogswinsten, die hadden kunnen zijn gemaakt, indien de
Regeering niet verplicht was geweest ter wille van de volksvoeding den
afzet naar buiten te beperken, zijn oorlogswinsten, die onder de
omstandigheden, welke de oorlog in het leven riep, juist niet te maken
zijn; immers dezelfde oorzaak, die de buitengewone winstkans schept,
schept tegelijkertijd den breidel, welke daaraan wordt gelegd. Zonder
den oorlog zou de Regeering inderdaad den uitvoer van allerlei
levensmiddelen vrij hebben gelaten, maar zonder den oorlog zouden de
prijzen buitenslands daarvan niet zoodanig zijn gestegen, dat abnormale
winsten met den uitvoer dier producten zouden zijn te maken geweest,
welke te gelijk gevaar voor schaarschte en gebrek binnenslands deden
ontstaan. Zonder oorlog zou er inderdaad geen reden zijn voor begrenzing
van oorlogswinsten door uitvoerverboden, maar zonder oorlog zouden er nu
eenmaal geen oorlogswinsten zijn. Om hazepeper te maken heeft men een
haas noodig.
Wat de overheid met het stellen van uitvoerverboden en het regelen van
vergunningen als uitzonderingen daarop doet, ligt op een terrein, waar
zij zich in normale omstandigheden behoort buiten te houden en zich
ook zorgvuldig buiten houdt. Het betreden daarvan is alleen
gerechtvaardigd door den zeer buitengewonen toestand, welken de
oorlog doet ontstaan; gaat de overheid daartoe, gedrongen door den
nood der omstandigheid, over, dan weet zij dat zij onvermijdelijk
bepaalde oorlogswinstverwachtingen den bodem moet inslaan, en met zoo
veler persoonlijke belangen in botsing komt, dat haar daad veel gelijkt
op het roeren in een wespennest. Men doet dit niet, dan wanneer en voor
zoover het strikt noodzakelijk is; maar als men er toe overgaat, houde
men zich aan het recept, dat, naar beweerd wordt, van Bismarck afkomstig
is: „Greif’ niemals in ein Wespennest; doch wenn du greifst, so greife
fest!”
* * * * *
Het zou mij te ver voeren en in een vervelende opsomming ontaarden,
indien ik poogde een volledig beeld te geven van de allengs door den
drang der omstandigheden toenemende lijst der uitvoerverboden in den
oorlogstijd en van de motieven, welke tot het stellen van elk dier
verboden leidden. Ik bepaal mij tot enkele van de meest belangrijke
voedingsartikelen. De overgroote meerderheid der andere uitvoerverboden
weken van dat van suiker in zoover af, dat de naaste aanleiding daartoe
niet gelegen was in abnormaal grooten uitvoer of gewettigde vrees
daarvoor naar Engeland, doch naar Duitschland. In de geheele
uitvoerpolitiek waartoe Nederland door de omstandigheden werd gedwongen,
doet zich de terugslag gevoelen van den economischen oorlog door de
geallieerden, met name door Groot-Brittannië, tegen de centrale
mogendheden, en wel in de eerste plaats tegen Duitschland, gevoerd.
De later daar zoo nijpend geworden schaarschte aan boter en vet, maakte
het spoedig raadzaam door het stellen van een verbod van uitvoer van
boter, met organisatie van een stelsel van uitvoerconsenten, op het
voetspoor van hetgeen ten aanzien van de suiker was geschied, te
voorkomen dat van dit nationale exportartikel zooveel zou worden
uitgevoerd, dat voor het binnenlandsch verbruik niet genoeg zou
overblijven. De regeling, welke voor den boteruitvoer werd getroffen,
kwam nog tot stand vóór ik van het Ministerie van Landbouw naar dat van
Financiën overging. Zij dagteekent van 29 October 1914. Door mijn
opvolger aan het Ministerie van Landbouw werd zij, als gevolg van
lessen der ervaring, eenige malen herzien. Bij dit zuivelproduct was
voor de regeling van den uitvoer van groote waarde, dat gebruik kon
worden gemaakt van de organen der Rijksbotercontrole, en niet een geheel
nieuwe en zelfstandige organisatie behoefde te worden in het leven
geroepen. Die organen konden hier op analoge wijze medewerken als de
ambtenaren der belastingen bij de regeling van den suikeruitvoer.
Hoofdzaak van de regeling was, dat alleen voor gecontroleerde en
daarmede gelijkgestelde boter uitvoerconsenten werden gegeven en dat die
alleen verstrekt werden aan bereiders, die een zeker percentage van hun
productie voor binnenlandsch gebruik beschikbaar stelden; bij den
aanvang werd dit op 30 pct. gesteld. Voorts werd bepaald, dat de
maximumprijs voor binnenlandsch verbruik van maand tot maand zou worden
vastgesteld. Deze regeling had ook dit bijkomend voordeel, dat de
vastkoppeling van het uitvoerconsent aan de botercontrole, waarborg gaf,
dat niet onder den naam van boter allerlei minderwaardig goed zou worden
uitgevoerd, waardoor de goede naam van de Hollandsche boter in het
buitenland ernstig zou zijn benadeeld. Bij andere artikelen, waarbij
zulk een waarborg niet kon worden gesteld, is helaas maar al te vaak
gebleken, dat gewetenlooze knoeiers zich niet ontzagen met voor het
buitenland bestemde waren de ergste en ergerlijkste vervalschingen te
plegen en daarmede aan den naam van ons land en aan het vertrouwen in
zijn fabrikanten en kooplieden groote schade te berokkenen.
De steun van eene de gansche binnenlandsche productie beheerschende
Rijkscontrôle ontbrak al aanstonds bij de kaas, met het gevolg dat hier
allerlei fraude werd gepleegd, die bij de boter onmogelijk was en dat
het Centraal Bureau voor den uitvoer van kaas, dat omstreeks half
November 1914 werd opgericht en bij mijn aftreden als Minister van
Landbouw in voorbereiding was, niet zoo goed voldoen kon en dan ook lang
niet zoo goed voldeed, als het uitvoerbureau voor boter. De consenten
werden volgens de kaasregeling alleen afgegeven aan exporteurs, die zich
verbonden een zekere hoeveelheid kaas, geschikt voor binnenlandsch
verbruik, in voorraad te houden. Voor deze kaas werd van maand tot maand
een maximum prijs vastgesteld. Veel is er van die regeling in de
practijk niet terecht gekomen; de controle op de in voorraad te houden
hoeveelheden bleek niet uitvoerbaar, en de regeling heeft niet belet,
dat kaas voor binnenlandsch verbruik steeds schaarscher werd en dat de
prijzen daarvan zoozeer stegen, dat dit zuivelproduct haast een
weelde-artikel werd.
Naast den uitvoer van boter en kaas trok ook de aardappeluitvoer heel
spoedig de aandacht der Regeering. Waar Nederland ook in normale tijden
aardappelen exporteert en van dit volksvoedsel bij uitnemendheid hier te
lande heel wat meer wordt verbouwd dan voor het binnenlandsche verbruik
en als grondstof voor onze aardappelmeelfabrieken noodig is, behoefde
afvloeiing van een deel van den voorraad, ook al steeg dat eenigszins
boven het normale exportcijfer, niet aanstonds te verontrusten. Die
uitvoer nam echter in het laatst van September en het begin van October
1914 zulke afmetingen aan, dat het mij noodig scheen in te grijpen,
niettegenstaande de door mij geraadpleegde land- en tuinbouwdeskundigen
mij verzekerden, dat er geen aanleiding was om voor gebrek te vreezen.
De uitvoer van aardappelen werd bij Koninklijk besluit van 15 October
1914 verboden. In de Eerste Economische Nota, de eenige die van mij als
Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel (toen reeds: ad interim)
uitging, wordt van dat verbod gezegd: „Hiervan is niet de bedoeling de
grenzen geheel voor den export te sluiten; door uitvoerpermissies te
geven, voor zoover dit in verband met de binnenlandsche behoefte kan
geschieden, zal er voor worden gezorgd, dat de hoeveelheid die
binnenslands kan worden gemist, ook thans zal kunnen worden uitgevoerd;
voorkomen zal echter worden, dat de prijs van dit belangrijke
volksvoedsel onevenredig stijgt, en dat het bedrijf der
aardappelmeelfabrieken zou kunnen verlamd worden”.
Ik heb geen oogenblik berouw van den maatregel gehad. Het uitvoerverbod
op aardappelen van October 1914 was niet voorbarig, hoewel
belanghebbenden in gemoede overtuigd waren, dat er nog geen reden was
hen in hun exportbedrijf te belemmeren en die overtuiging door de
deskundigen, die ik raadpleegde, werd gedeeld. Een minister, die in
zulke abnormale tijden de zorg heeft voor de levensmiddelenvoorziening
moet zich wachten voor het hechten van al te veel waarde zoowel aan
overdreven voorstellingen van de zijde van het verbruikende publiek
omtrent uitvoeren, welke men meent te hebben waargenomen en waarvan de
faam al wandelende zienderoogen groeit, als aan adviezen van
deskundigen, die onwillekeurig door het feit van hun deskundigheid te
veel beteekenis toekennen aan het belang van het bedrijf, dat zij
kennen, tegenover het algemeen belang der verbruikers van het product,
dat door dat bedrijf ter markt wordt gebracht.
De eerstbedoelde overdrijving bleek herhaaldelijk uit berichten omtrent
uitvoerkwantiteiten, die van niet ambtelijke zijde bij het Departement
van Landbouw inkwamen of in de pers werden opgenomen. In de vergadering
van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 gaf ik daarvan een voorbeeld,
dat later met een aantal andere zou zijn aan te vullen geweest.
„Men moet niet vergeten--zoo zeide ik--, dat, zonder dat de menschen
willens en wetens overdrijven, zij onwillekeurig wat zij meenen gezien
te hebben, ik zal niet zeggen _zien_ met een vergrootglas, maar met een
vergrootglas _weergeven_. Zoo is er aan mijn Departement een brief
ontvangen van iemand die volkomen te goeder trouw was, en die
mededeelde, dat het zóó erg was dat over Vaals op 17 Augustus niet
minder dan 1500 stuks vee waren uitgevoerd. Men heeft het precies
nagegaan, want aan de douane is opgedragen geregeld elken dag alles na
te gaan, en geregeld komen elken dag van alles wat over de grenzen is
gegaan, opgaven in. Wat bleek nu? Dat op 17 Augustus niet 1500, maar 87
stuks rundvee over Vaals waren uitgevoerd en op 17 en 18 Augustus 199
stuks te zamen. Ik zeg nog eens: die briefschrijver heeft niet willens
en wetens verkeerde cijfers medegedeeld, maar men is zenuwachtig en in
zijn zenuwachtigheid ziet men de zaken soms te donker in.”
Tegenover zulke overdrijvingen te goeder trouw van de zijde van het
zenuwachtige en voor gebrek beangste publiek staat nu de evenzeer te
goeder trouw zijnde overtuiging van velen der deskundigen, die de
Regeering raadpleegt, dat het belang der groep van de bevolking,
waarmede zij speciaal vertrouwd zijn, _het_ algemeene volksbelang is,
een overtuiging die leidt tot overdrijving van de schade, welke door een
belemmering van het bedrijf dier groep, waar de omstandigheden die
belemmering noodzakelijk maken, zal worden geleden. Volgens mijne
ervaring hebben inzonderheid landbouwdeskundigen vaak moeite zich met de
gedachte vertrouwd te maken, dat het algemeen belang niet altijd met dat
van den landbouw of van bepaalde landbouwersgroepen samenvalt.
Natuurlijk zou een bewindsman, die tusschen deze Scylla en Charybdis
heeft door te laveeren, heel spoedig vastloopen, indien hij meende het
zich gemakkelijk te kunnen maken, door van de uitingen van het publiek
geen kennis te nemen en van het hooren van deskundigen af te zien. De
beide klippen, waartusschen hij heeft door te zeilen, zouden daarmede
niet uit zijn vaarwater verdwijnen, maar het zou bovendien nog worden
verstopt door de zandbank der struisvogelpolitiek.
Hoe men, tusschen de beide uitersten doorsturende, het scheepje der
economische voorzieningen onder zoo abnormale omstandigheden als de
Europeesche oorlog heeft te weeg gebracht, in de nauwe vaargeul kan
houden, waar het geen gevaar heeft aan den grond te raken, is in het
algemeen niet aan te geven. Trouwens ook in elk speciaal geval is het
meer een zaak van intuïtie dan van het redeneerend verstand, hoe men het
roer houden moet. Ik heb alleen hierom een oogenblik de aandacht op de
door mij gesignaleerde moeilijkheid gevestigd, omdat ik den indruk niet
van mij kan afzetten, dat men aan het Departement van Landbouw allengs
wat veel op de adviezen van speciale vakdeskundigen heeft gesteund.
Dreigt men daardoor vast te loopen, dan komt men er zoo licht toe, het
roer wat schielijk om te gooien. Door zulke plotselinge
koersveranderingen bereikt men zijn doel misschien wel op een bepaald
oogenblik, doch berokkent men meer schade dan bij een meer vooruitziend
en voorzichtiger houden van het midden tusschen de naar verschillende
zijde trekkende producenten en verbruikers noodig zou zijn geweest.
Bovendien stelt men er een eenmaal angstig geworden publieke opinie niet
mede gerust; men wekt er veeleer den indruk mede van onvastheid in het
bestuur. Zoowel voor de verbruikers als om de speculatie in
voedingsmiddelen binnen de engst mogelijke grenzen te beperken en
bovenal om het vertrouwen in het regeeringsbeleid hoog te houden, is
vastheid van economische politiek onder zoo buitengewone omstandigheden
als de Europeesche oorlog in het leven riep, nog meer noodig dan anders.
Doch, revenons à nos moutons! Toen het uitvoerverbod van aardappelen was
gesteld, werden enkele deskundigen aangezocht om de Directie van den
Landbouw behulpzaam te zijn bij het opmaken der voorraden, bij het
zoeken in welke gemeenten die te vinden waren, bij het schiften der
soorten, die voor de consumptie wèl en die daarvoor niet geschikt waren,
bij het vaststellen van de soorten en hoeveelheden die nog uitgelaten
zouden kunnen worden en bij de verdeeling van den voorraad tusschen de
grossiers en winkeliers eenerzijds en de aardappelmeelfabrikanten aan
den anderen kant. Bij dit laatste moest bovendien nog rekening gehouden
worden met den strijd tusschen de coöperatieve en de zoogenaamd
„speculatieve” fabrieken, welke zich ook bij de verdeeling van de voor
haar gezamenlijk te reserveeren grondstof onverflauwd deed gelden. Dat
het bij een en ander van een leien dakje is gegaan, zou ik niet durven
beweren. Ook hier konden de deskundigen niet altijd blindelings gevolgd
worden, ook al waren hunne adviezen te goeder trouw.
Den 1en Maart 1915 werd door mijn opvolger aan het Departement van
Landbouw besloten, geen verdere consenten tot uitvoer van aardappelen
meer te geven; de uitzonderingen op het uitvoerverbod hielden daarmede
op. Den 1en April d. a. v. werd, op het voetspoor van de suiker, de
boter en de kaas, een Rijkscentraalbureau tot regeling van den uitvoer
van aardappelen opgericht. Dit bureau kreeg inzonderheid tot taak die
soorten uit te laten, welke door hare geringe duurzaamheid anders tot
bederf zouden kunnen overgaan. Half Juni 1915, toen de nieuwe
aardappeloogst begon, werd het uitvoerverbod van aardappelen tijdelijk
opgeheven. De uitvoer nam toen echter aanstonds zulk een omvang aan, dat
het verbod in het laatst van Juli moest worden hersteld. De groote
moeilijkheden, welke in 1916 zich ten aanzien der aardappelen hebben
voorgedaan, laat ik onbesproken. Toen zij zich voordeden, was ik niet
meer in de gelegenheid de regeeringszaken van de binnenzijde waar te
nemen.
Toen het aantal uitvoerverboden met regelingen van uitvoerconsenten in
het najaar van 1914 telkens toenam, deed zich allengs meer de behoefte
gevoelen aan meer algemeene feitenkennis omtrent de in het land
aanwezige voorraden levensmiddelen, dan waarover de Regeering beschikte.
Ten aanzien van enkele der meest belangrijke voedingsartikelen, zooals
tarwe, rogge en rijst, was men wel vrij goed op de hoogte, maar zelfs
daaromtrent was de feitenkennis zoo weinig volledig, dat in Augustus
1914 door de Regeering, in de eerste plaats door mijzelven, de fout kon
worden begaan van het uitvoerverbod voor rogge op te heffen, een fout
die wel na een week weer was hersteld, maar niet dan nadat betrekkelijk
groote hoeveelheden van dit zoo hoog noodige broodkoren de grens waren
overgegaan. Terecht heeft men mij daarvan een verwijt gemaakt; ik heb
mijzelf over die domheid genoeg geërgerd. Om haar te verklaren en tot op
zekere hoogte te verontschuldigen, zou ik interne zaken moeten
mededeelen, tot welker openbaarmaking ik noch vrijheid noch neiging
gevoel.
Op de wenschelijkheid een inventaris te doen opmaken van de in ons land
aanwezige levensbenoodigdheden werd door den heer Troelstra reeds
gewezen in de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914. Ik
antwoordde daarop in diezelfde vergadering: „Natuurlijk is de Regeering
daartoe bereid, maar op dit oogenblik zou ik toch niet gaarne zoo’n
inventaris laten maken. De heer Troelstra zal toch wel begrijpen, dat op
dit oogenblik aan mijn departement de werkkrachten zoo overvuld zijn met
het buitengewone werk, noodig om te zorgen voor de maatregelen, die
genomen worden in het belang der volksvoeding, dat het wezenlijk niet is
te vergen, dat men bovendien nog een deel van zijn tijd gaat besteden
aan het opmaken van een dergelijken schriftelijken inventaris. Maar ik
wil er dit wel bijvoegen, dat ik geloof, dat die inventaris
onvermijdelijk zou zijn misleidend, want men heeft natuurlijk wel
gegevens en men is bezig die aan te vullen, maar daarbij moet men
uitgaan van de gegevens, die men onder normale omstandigheden krachtens
de statistiek heeft. Welnu, het blijkt telkens, dat de normale gegevens
op het oogenblik niet meer juist zijn.”
Toen de eerste drukte aan het Departement van Landbouw wat begon te
luwen heb ik, op aandrang van het Kon. Nat. Steuncomité, dat--zooals uit
de volgende hoofdstukken blijken zal--veel heeft bijgedragen tot het
niet al te ongunstig verloop van zaken in de oorlogscrisis, bij het
scheiden van de markt, op een der laatste dagen dat ik als Minister a.
i. het Departement van Landbouw beheerde, de hulp van de Commissarissen
der Koningin ingeroepen, om door bemiddeling van de burgemeesters een
antwoord te krijgen, hoe het stond met de voorraden levensmiddelen en
wat was gedaan om wegstrooming daarvan naar buiten de gemeente te
voorkomen. Het resultaat van die enquête, dat uit den aard der zaak niet
terstond werd verkregen, heeft mij bevestigd in mijn weinig hoog
gespannen verwachting omtrent zulk een onderzoek. In de Tweede Nota
betreffende den Economischen Toestand maakte Minister Posthuma er
slechts met een korten volzin melding van. „In het algemeen leverde dit
onderzoek vrij bevredigende resultaten op. Toch bleek het, dat het
geraden was het noodige te doen, opdat enkele voorraden niet zouden
worden uitgeput.”
Om tot die slotsom te komen, was de enquête niet noodig geweest. Het
groote bezwaar van zulke spoedopnemingen is, dat men er zich niet op kan
verlaten. Men moet daarbij aan de burgemeesters allerlei vragen doen,
voor welker beantwoording zij de gegevens evenzeer missen als de
Regeering zelve en die zij slechts behoorlijk zouden kunnen
beantwoorden, als zij de beschikking hadden over personeel, dat voor
zulk een onderzoek geschoold is en dat dit na de noodige voorbereiding
en met de noodige omzichtigheid leiden en uitvoeren kan. Zooals de zaak
geschieden moest, kreeg men niet veel meer dan een verzameling
persoonlijke meeningen van burgemeesters, van welke het geraden was niet
dan een critisch gebruik te maken.
Voortdurend trachtte het Departement van Landbouw zich, ook na die
enquête, zoo goed mogelijk van den stand der verschillende
voedingsmiddelen op de hoogte te houden. Steeds was daarbij critiek op
de ontvangen gegevens uiterst geraden. Gold het artikelen, zooals rogge,
die de boeren liefst in het eigen bedrijf wilden gebruiken, dan hadden
die gegevens de neiging beneden de werkelijkheid te blijven; gold het
daarentegen artikelen, zooals aardappelen, waarvan een gedeelte over de
grens kon worden gelaten, dat absoluut en percentsgewijze hooger was,
naar gelang de voorraad meer overschreed hetgeen voor binnenlandsch
verbruik gereserveerd moest blijven, dan moest men rekenen met de
neiging de werkelijkheid te flatteeren. Men moet ook deze moeilijkheid
niet onderschatten bij het beoordeelen en veroordeelen van
tekortkomingen van het Departement van Landbouw in de vervulling van
zijn even moeilijke als buitengewone taak ten aanzien van de
levensmiddelenvoorziening.
Na de suiker, de boter, de kaas en de aardappelen kwamen het
varkensvleesch, de eieren en allerlei groenten aan de beurt. Daarbij
werd de regeling voor de suiker, telkens met de afwijkingen, welke de
aard van het product noodig of wenschelijk maakte, tot voorbeeld
genomen. Er werden percentages vastgesteld, die hier te lande moesten
blijven en Rijksbureaux opgericht ter regeling en controleering der
uitvoerconsenten.
Bij het stellen der uitvoerverboden en het regelen der uitvoerconsenten
werd dankbaar gebruik gemaakt van de adviezen der in hoofdstuk V nader
te bespreken subcommissie uit het Kon. Nat. Steuncomité, welke zich tot
taak gesteld had, mede te werken aan het weder op gang brengen van het
verkeer en de productie en daarmede de fourageering der bevolking te
verzekeren. Op initiatief van den heer Posthuma als 2en Voorzitter van
dat comité werd de fourageeringscommissie den 5en Januari 1915 omgezet
in de algemeen bekend geworden Commissie voor de voeding van mensch en
dier. Deze werd samengesteld uit: de voorzitters der hieronder te
bespreken roggecommissies en der provinciale bemiddelingsbureaux van het
Nederlandsch Landbouw-comité, den secretaris van den Nederlandschen
Tuinbouwraad, den voorzitter van den Middenstandsbond, de voorzitters
van de vereenigingen of bonden van bakkers, aardappelhandelaars en
slagers, de directeuren van de distributiebureaux van graan en meel en
van boter en kaas; de verbruikers waren er in vertegenwoordigd door den
voorzitter van den Nederlandschen Coöperatieven Bond. Vanwege het Kon.
Nat. Steuncomité werden aan de Commissie toegevoegd: de voorzitter van
de commissie van uitvoering, de algemeene secretaris en eenige
adjunct-secretarissen. De samenstelling van de Commissie was dus zeer
veelzijdig en gaf alle waarborgen van deskundigheid; echter was
tegenover de verschillende producenten en handelaars het
verbruikersbelang wel wat zwak vertegenwoordigd. De stem van den
voorzitter van den Nederlandschen Coöperatieven Bond kon tegen het
groote aantal stemmen van vertegenwoordigers van producenten- of
handelaarsbelangen niet opwegen. Het voorzitterschap werd opgedragen aan
den heer Mr. J. T. Linthorst Homan te Assen, lid van de Commissie van
uitvoering van het Kon. Nat. Steuncomité, en voorzitter van het
Nederlandsch Landbouwcomité, die van het begin van den oorlogstoestand
af met groote toewijding zijn krachten aan het land beschikbaar heeft
gesteld en nog stelt.
In zijne rede tot installatie der commissie wees de heer Posthuma er
op, dat de commissie het middelpunt zou vormen van de verschillende
provinciale en plaatselijke bureaux en commissies, welke verzorging van
onderdeelen van het voedingsvraagstuk ten doel hadden.
„Provinciaal plegen de bestaande roggecommissies en de
bemiddelingsbureaux voor den Nederlandschen Landbouw overleg met
elkander--zoo werd in die installatierede de te vervullen taak
omschreven--inzake alle vraagstukken de voeding van mensch en dier
betreffend. Van dit overleg wordt verwacht, dat wederzijds het beste
inzicht wordt verkregen òf in elkanders belang òf in hetgeen voor het
algemeen belang de meest juiste maatregel moet geacht worden te zijn.
Stilzwijgend wordt aangenomen, dat men provinciaal een uitvoerend comité
vormt, dat de beslissing neemt in die zaken, waarvoor de voorzitters van
de roggecommissie of het bemiddelingsbureau het niet noodig oordeelen de
leden hunner commissie op te roepen. Het is bepaald wenschelijk dat door
zoo’n provinciaal uitvoerend comité getracht wordt de medewerking te
verkrijgen van de plaatselijke organisatiën, waarvan de voorzitters der
landelijke organisatiën in de Commissie voor de voeding van mensch en
dier van het Kon. Nat. Steuncomité zijn opgenomen. Noodzakelijk is, dat
iedere provinciale commissie een adres heeft, waaraan alles de provincie
betreffende kan worden gezonden.
„Verwacht wordt, dat het op deze wijze voor de Regeering mogelijk zal
zijn, van het Kon. Nat. Steuncomité inlichtingen te verkrijgen, waarin
de verschillende belangen die de verschillende provinciën dikwijls
hebben, geheel tot uiting komen.
„De Regeering heeft het voornemen vele malen hetzij van het bureau,
hetzij van het bureau versterkt door voor een bepaalde vraag meer
aangewezen leden, advies te vragen en vertrouwt, dat bij vragen van
algemeenen aard of het landsbelang rakende, door het bureau dezer
commissie het advies der provinciale comités zal worden gevraagd.”
De Commissie voor de voeding van mensch en dier is bedoeld als een
commissie van advies en zij kon trouwens niet anders bedoeld zijn, daar
zij geen tijdelijk regeeringsinstituut is, maar een schepping en een
onderdeel van het Kon. Nat. Steuncomité dat, hoewel het met de
Regeering in zeer nauwe betrekking staat, toch een particuliere
vereeniging is, aan welke geen regeeringsdaden kunnen worden opgedragen.
Practisch heeft het zich echter zoodanig ontwikkeld, dat de commissie
niet slechts over de uitvoerconsenten advies geeft, maar feitelijk de
uitvoering der consentenregelingen onder verantwoordelijkheid van den
Minister van Landbouw in handen heeft. Uit den aard der zaak moet zij
daarbij steeds voeling houden met de Nederlandsche Overzee Trust
Maatschappij, waarover ik in hoofdstuk V spreek.
De Commissie voor de voeding van mensch en dier werd echter niet alleen
gesteld aan het hoofd der consentenafgiften, ook de leiding der
distributie van de levensmiddelen, waarover de Regeering de beschikking
kreeg, werd haar toevertrouwd. In de circulaire van 29 September 1915
aan de burgemeesters, waarin door den Minister van Landbouw de
hoofdtrekken van een nieuw plan van levensmiddelendistributie werden
uiteengezet, naar aanleiding van de hieronder nog eenigszins nader te
bespreken omzetting der Rijksbureaux voor distributie van verschillende
levensmiddelen in vereenigingen van belanghebbenden, welke onder een van
Regeeringswege georganiseerd toezicht werken, werd medegedeeld dat de
centrale leiding van die nieuw georganiseerde levensmiddelendistributie
was opgedragen aan „de Commissie voor de voeding van mensch en dier uit
het Kon. Nat. Steuncomité, door welke commissie een algemeen
administratiekantoor wordt ingesteld.
„De verstrekking van de in aanmerking komende levensmiddelen geschiedt
voor de onderscheidene gemeenten door tusschenkomst van dit
administratiekantoor. Hierdoor wordt het dubbele voordeel verkregen, dat
voor alle artikelen door de gemeenten slechts aan één adres behoeft
geschreven te worden en het administratiekantoor zich niet, als de thans
bestaande distributiebureaux, met een steeds grooter wordend getal
afnemers, doch enkel met de gemeenten in verbinding behoeft te stellen.”
Staatsrechtelijk was het zeker niet onberispelijk, dat de leiding van de
distributie van verschillende etenswaren, welke Rijkseigendom waren
geworden, tusschen de gemeenten, die daaraan behoefte hadden, werd
opgedragen aan een niet-publiekrechtelijk georganiseerd centraal
distributiebureau. Deze fout werd trouwens spoedig hersteld door de
omzetting van het centraal distributiebureau van de Commissie voor de
voeding van mensch en dier in een Rijksbureau. Practisch was, afgezien
van de karakterverandering der afzonderlijke distributiebureaux voor de
verschillende levensmiddelen--waarover aanstonds,--het brengen van
onderling verband tusschen die uit den nood der tijden ontsproten
instellingen en het organiseeren daarvan onder een centraal hoofdbureau
zonder twijfel een verbetering. Dat de ervaring, welke met de
levensmiddelendistributie werd opgedaan, toch vaak zoo weinig
bemoedigend was, mag aan de in September 1915 tot stand gebrachte
reorganisatie niet worden geweten; die ervaring was verre van onverdeeld
gunstig, _ondanks_ de door die reorganisatie aangebrachte verbetering.
De hoofdmoeilijkheid waarmede men bij de Rijkslevensmiddelendistributie
heeft te kampen gehad, kon door centralisatie van den distributiedienst
hoogstens iets worden verminderd; ondervangen worden kon zij daardoor
niet. Zij was inhaerent aan de omstandigheid, dat de levensmiddelen, die
gedistribueerd moesten worden, Rijkseigendom waren geworden, d. w. z.
dat zij, vóór zij door tusschenkomst van den kleinhandel (en de slagers)
onder het bereik van de verbruikers werden gebracht, eerst, zij het ook
in tijd vaak slechts zeer kort, aan het handelsverkeer werden
onttrokken. Terwijl het lot zijner waren in normale tijden den
groothandelaar en den grossier onverschillig zijn kan, als zij hem maar
betaald worden, mocht het der Regeering, hier als groothandelaar of
grossier optredend, juist niet onverschillig zijn, wat er met het goed
gebeurde. Haar geheele optreden op dit gebied was alleen gerechtvaardigd
als middel om de goederen, waar het om ging, tegen billijken prijs aan
de verbruikers te brengen. De geheele organisatie moest er dus op
ingericht zijn, zoo goed mogelijk te waarborgen, dat dit doel ook zou
worden bereikt, m.a.w. dat de waren, welke onder de machtssfeer van het
Centrale Rijksdistributiebureau en zijne vertakkingen kwamen, die
machtssfeer eerst zouden kunnen verlaten op het oogenblik, dat zij in
handen gekomen waren van de verbruikers, voor wie zij bestemd waren. De
taak, waarvoor het distributiebureau stond, was het wegvloeien dier
goederen tusschen het beginpunt, de overgang in Rijkseigendom, en het
eindpunt, het in handen gekomen zijn van den verbruiker, te verhinderen.
Dat was daarom zoo moeilijk, omdat bij de distributie gebruik gemaakt
worden moest van de tusschenkomst van hen, die gewoon zijn deze rol in
het maatschappelijk leven, maar dan voor eigen rekening, te vervullen,
grossiers en winkeliers (en slagers). Den tusschenhandel voorbijgaan was
onmogelijk. Zoowel direct practische als algemeen sociale overwegingen
verzetten zich daartegen. Maar aangezien de prijzen, waarvoor de
regeeringswaren afgeleverd moesten worden, lager, in sommige gevallen
zeer aanzienlijk lager waren, dan die, welke de grossiers en winkeliers
konden bedingen voor waren van dezelfde kwaliteit, die op hun weg naar
het verbruikende publiek geen oogenblik het particuliere verkeer hadden
verlaten, was het bij uitstek moeilijk er voor te zorgen, dat de
regeeringskaas, de regeeringseieren, de regeeringsgroenten enz. op hun
weg naar den verbruiker niet afdwaalden en aan hun bestemming werden
onttrokken. De contrôle tot het tegengaan van dergelijke hoogst
hinderlijke verdwijningen was bij het eene product minder moeilijk dan
bij het andere. Geheel afdoende kon zij nergens zijn. Het enkele feit
dat zulke lekken telkens opnieuw aan het licht kwamen, was
teleurstellend voor de verbruikers, ontstemmend voor hen, die hun waren
beneden den handelsprijs hadden moeten afstaan, en ontmoedigend voor de
organen, welke tot taak hadden de distributie te verzorgen. Hinc illae
lacrimae!
Geheel had men het euvel, ook bij eene andere regeling, niet den kop
kunnen indrukken. Maar men had toch twee belangrijke factoren, die tot
vergrooting van het kwaad leidden, kunnen uitschakelen. Een daarvan
hangt ten nauwste samen met de verandering in rechtskarakter, welke men
bij de gevolgde regeling het te distribueeren goed deed ondergaan, vóór
het in distributie kwam. Op welke wijze men die verandering naar mijne
meening had kunnen ontgaan, kan ik eerst nader uiteenzetten, als ik in
de volgende paragraaf de hoofdtrekken van de levensmiddelenwet van 3
Augustus 1914 zal hebben besproken[2]. De andere factor ligt hierin, dat
de hoeveelheid der aan de distributie-organen ter beschikking gestelde
regeeringswaren niet afhankelijk was van den omvang der behoefte
daaraan, maar van den omvang van het exportbedrijf in de branche, welke
in die waren handel dreef. Hierdoor ontbrak elk innerlijk verband
tusschen aanbod en vraag in de Rijksdistributieorganisatie en was er nu
eens een relatief te veel dan weer een absoluut te kort, dat
desorganiseerend werken moest en desorganiseerend gewerkt heeft, ook al
heeft men, zooals bijv. bij de regeeringsvarkens, maatregelen genomen om
het nadeelig gevolg van het ontbreken van dat innerlijk verband zoo goed
mogelijk te neutraliseeren.
[2] Zie blz. 89-91.
Deze tweede factor in de moeilijkheden, welke bij de distributie der
regeeringswaren werden ondervonden, staat in den nauwsten samenhang met
een principieel verschil tusschen de beperking van den uitvoer en de
regeling der uitvoerconsenten bij de suiker en bij de andere producten
van tuinbouw, landbouw en veeteelt, welke in allengs versnellend tempo
volgden. Dat verschil bestaat hierin, dat ten aanzien van de suiker in
het algemeen werd bepaald, welk deel hier te lande moest blijven en welk
deel kon worden uitgevoerd en voorts in het algemeen een maximumprijs
voor de binnenslands blijvende suiker werd vastgesteld, terwijl
daarentegen de boteruitvoerregeling zoodanig werd ingericht, dat telkens
tegenover het uitvoerconsent een zekere hoeveelheid boter tegen een van
regeeringswege vastgestelden prijs voor de binnenlandsche consumptie aan
het Rijk moest worden afgestaan. In deze afwijking van de
suikeruitvoerregeling ligt de principieele fout. Zij werd reeds begaan
onder mijn bewind als Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel; mijne
critiek treft dus ook mijzelven. Hoe meer regelingen intusschen in den
geest van de boter- en kaasbureaux werden getroffen en hoe langer zij
werkten, des te sterker kwam de fout naar voren en des te duidelijker
moest het worden, dat het zaak was haar weg te nemen.
Door het vastkoppelen van de vorming van een voorraad voor binnenlandsch
verbruik aan de afgifte van consenten voor den uitvoer, ging die
voorraad met den omvang van den export op en neer en hield de aanvulling
of vernieuwing daarvan op, zoodra door maatregelen van onze eigen
Regeering of van die van het land, waarheen de uitvoer voornamelijk
ging, in dien uitvoer tijdelijk stilstand intrad. Een voorbeeld daarvan
geeft de Achtste Nota betreffende den Economischen Toestand:
„Het bleek noodzakelijk den geheelen uitvoer van kaas stop te zetten,
hetgeen geschiedde vanaf 24 October tot en met 7 December 1915. Het
gevolg daarvan was _natuurlijk_[3], dat gedurende dit tijdsverloop ook
geen zoogenaamde regeeringskaas meer beschikbaar werd gesteld”,--werd in
die Nota opgemerkt. Het wekt reeds eenige verwondering, dat men bij het
neerschrijven van die opmerking niet tevens inzag, dat men op den
verkeerden weg was en dat het noodig was de beschikbaarstelling van
regeeringsvarkens, regeeringskaas, regeeringseieren, regeeringsgroenten
enz. op andere wijze te regelen. Maar nog meer trof het mij, dat eenige
maanden later, in de Memorie van Toelichting bij het ontwerp tot
beschikbaarstelling van ƒ 20 millioen voor de volksvoeding, als iets dat
volkomen in den haak is, werd geschreven: „Het behoeft geen betoog, dat
in de periode welke wij thans ingaan of reeds zijn ingegaan, de uitvoer
van verschillende onzer producten belangrijk zal verminderen en
_daardoor, afgezien nog van de hoogere productiekosten, den producent de
voor het binnenlandsch verbruik opgeëischte waren duurder zullen moeten
worden betaald_[4];” en enkele regels verder: „voor die waren, waarvan
geen uitvoer en _dus_ geen (automatische) beschikbaarstelling door de
bekende vereenigingen plaats heeft, zal....” enz.
[3] De cursiveering komt van mij.
[4] De cursiveering komt van mij.
Die uitlatingen toch leggen den vinger op de principiëele fout van de
regeling (een fout, die--ik herhaal het--ook voor mijne rekening komt),
zonder dat uit de aanwijzing daarvan de conclusie wordt getrokken, dat
het dus noodig is verandering aan te brengen. Het deel van den geheelen
voorraad, dat voor binnenlandsch verbruik beschikbaar wordt gehouden,
moet niet afhangen van hetgeen ten uitvoer wordt aangeboden, maar het
deel van dien voorraad, dat ten uitvoer kan worden toegelaten, moet
afhangen van het deel, dat voor het binnenlandsch verbruik gereserveerd
moet blijven. Zoolang de uitvoer tamelijk geregeld zijn gang ging, had
de fout in het punt van uitgang der uitvoerregelingen geen practische
gevolgen van overwegende beteekenis. Maar zoodra kwam er niet stilstand
of vertraging daarin of die fout moest zich wreken. In stede van zich te
haasten, haar zoo goed mogelijk te herstellen, beriep men er zich op,
als op iets natuurlijks en leidde er zelfs de averechtsche conclusie uit
af, dat als er minder werd uitgevoerd, voor den voorraad die voor
binnenlandsch verbruik werd opgeëischt, _dus_ duurder zou moeten worden
betaald, boven en behalve hetgeen volkomen terecht moet worden vergoed
ter compensatie van hoogere productiekosten. Na hetgeen ik zooeven[5]
over het verband van oorlogswinst en uitvoerbeperking zeide, behoef ik
hier niet nog eens te betoogen, waarom ik die conclusie onjuist acht. De
bedoelde Memorie van Toelichting wijst er op, dat men aan de afdeeling
Landbouw van het Departement het spoor eenigszins bijster is geworden.
[5] Zie blz. 49-53.
Een ander principieel bezwaar, dat, zooals ik reeds aangaf, ook
practisch nadeelige gevolgen heeft, treft de regeling krachtens welke de
exporteurs van ten uitvoer verboden levensmiddelen hun uitvoerconsenten
als het ware moeten koopen voor een prijs, bestaande in het overdragen
aan het Rijk van een deel hunner waar beneden de marktwaarde, welk deel
door tusschenkomst van de distributiebureaux, later van de
distributievereenigingen en van het Rijks-Centraal Distributiebureau,
aan de burgemeesters, die zulke levensmiddelen aanvroegen, ter
beschikking wordt gesteld.
Onwettig zijn die regelingen niet, daar de exporteurs tegenover het
consent dat zij ontvangen, vrijwillig een bepaald deel van hun voorraad
tegen een bepaalden prijs afstaan. Maar die vrijwilligheid is slechts
zeer betrekkelijk; in werkelijkheid wordt het voor het binnenlandsch
verbruik beschikbaar gestelde deel afgedwongen, doordien het afstaan
daarvan voorwaarde is voor het verkrijgen van het uitvoerconsent, m. a.
w. voor de exporteurs voorwaarde is voor de uitoefening van hun bedrijf.
Het is reeds niet zonder bedenking, dat zulk een dwang wordt opgelegd
zonder dat de overheid, die daaraan in normale omstandigheden niet zou
denken, in den oorlogstoestand, _welke dien dwang volkomen wettigt_,
zich kan beroepen op een uitdrukkelijk daartoe verleende wettelijke
bevoegdheid. Misschien meer nog dan in gewone tijden is het in
oorlogstijd, als de Regeering telkens in het economisch leven gevoelig
ingrijpen moet, wenschelijk, zoo niet noodig, dat zij die den greep der
overheid gevoelen, niet kunnen twijfelen aan het goed recht daartoe en
dat geen voedsel wordt gegeven aan een, gelukkig geheel
ongerechtvaardigd, maar toch onder abnormale toestanden met abnormale
regeeringsinmenging zoo licht opkomend gevoel van te zijn overgegeven
aan willekeur, in stede van te moeten bukken voor de wet van het
inwendig oorlogsrecht.
Bij de regeling welke de beschikbaarstelling van voorraden voor
binnenlandsch verbruik vastkoppelde aan de afgifte van consenten voor
uitvoer, bleef wel de mogelijkheid open, gebruik te maken van de
bevoegdheid tot ingrijpen, aan de Regeering uitdrukkelijk gegeven bij de
wet tot het tegengaan van vasthouding en prijsopdrijving van waren,
welke ik in de volgende paragraaf bespreek, maar bij de toepassing der
geschetste consentenregeling werd er als het ware stilzwijgend van
uitgegaan, dat zoolang zij in stand gehouden werd, tot inbezitneming van
de aan haar onderworpen exportartikelen krachtens de levensmiddelenwet
niet zou worden overgegaan. Zóó vatten niet alleen belanghebbenden het
op, maar ook de Regeering kwam, blijkens haar handelingen, in die
gedachtensfeer. Dit is geen verwijt aan den Minister van Landbouw; het
niet gebruik maken van de bevoegdheden door de levensmiddelenwet
gegeven, was zoozeer saamgeweven met de gansche regeling der
uitvoerconsenten, dat het wèl hanteeren daarvan nauwlijks oirbaar zou
zijn geweest, zoolang de consentenregeling bestond en voor zoover zij
door belanghebbenden behoorlijk werd nageleefd. Echter pleit ook dit
haast onvermijdelijk gevolg wèl tegen de regeling zelve. Men had, zooals
ik in de volgende paragraaf nog nader denk te motiveeren, beter gedaan
zich aan de wettelijke bevoegdheden te houden dan, met de beste
bedoelingen en hier en daar ook langen tijd wel met gunstig gevolg, zich
te begeven op den gevaarlijken weg der extralegale, zoogenaamd
vrijwillige, maar inderdaad door den nood der omstandigheden afgedwongen
beschikbaarstellingen.
Hier heeft bovendien de eerste stap geleid tot een haast logisch
noodzakelijke consequentie, die principieel alweer iets verder van den
rechten weg af voerde en die practisch weinig voldaan heeft. Daarmede
doel ik op het tweede deel van de in September 1915 doorgevoerde
reorganisatie van de regeling der uitvoerconsenten. Zooeven wees ik er
reeds op, dat het eerste deel daarvan, namelijk het brengen van verband
tusschen de verschillende consenteninstituten, een verbetering was.
Ditzelfde kan m. i. niet worden getuigd van het andere deel dier
reorganisatie, namelijk de vervanging der Regeeringsbureaux op den
uitvoer van voedingsmiddelen door vereenigingen van belanghebbenden,
welke werkten onder toezicht van commissies, waarvan de leden door den
Minister van Landbouw werden benoemd. Waar bij de geheele regeling der
uitvoerconsenten allengs het privaatrechtelijk beginsel van het „do ut
des” meer op den voorgrond kwam, kon de uitvoering daarvan practisch
inderdaad beter worden toevertrouwd aan privaatrechtelijke vereenigingen
van belanghebbenden, dan aan krachtens hun oorsprong (tijdelijke)
staatsrechtelijke bureaux. Die vereenigingen van belanghebbenden konden
met de individueele exporteurs veel beter onderhandelen, zoowel over het
voor binnenlandsch verbruik beschikbaar te stellen quantum tegenover
elken uitvoer, als over den prijs, waarvoor de beschikbaar te stellen
hoeveelheden moesten worden afgestaan. Een nadeel was echter, dat door
haar den hoofdinvloed te geven op de uitvoering der regeling, het
groepsbelang der exporteurs van een bepaald voedingsmiddel veel te sterk
op den voorgrond kwam tegenover het algemeen belang van den consument.
Het boven[6] aangestipte bezwaar der onwillekeurige eenzijdigheid van
speciale vakdeskundigen, deed zich hier in sterk verhoogde mate gelden.
De door den Minister benoemde commissies van toezicht konden dat bezwaar
wel temperen en zij hebben het ook stellig wel getemperd; wegnemen
konden zij het niet. Daartoe lag het te veel in het wezen der geheele
uitvoerregeling.
[6] Zie bl. 55/6.
Het denkbeeld om in die commissies van toezicht een overwegende plaats
toe te kennen aan leden van de Tweede en de Eerste Kamer heeft heel wat
critiek ondervonden. Toch is het verklaarbaar genoeg, hoe het
Departement van Landbouw daartoe is gekomen, al wil ik aanstonds
toegeven, dat het geen gelukkig denkbeeld was en dat de ervaring, welke
er mede is opgedaan, niet gunstig kan worden genoemd. Er werden in de
Tweede Kamer zeer vaak klachten geuit, waaruit bleek, dat de klagende
volksvertegenwoordigers de moeilijkheden, welke de Regeering bij haar
noodgedrongen optreden op een haar zoo vreemd terrein ondervond, veel te
gering schatten. Het kan daarom geen verwondering wekken, dat dit bij
den heer Posthuma het denkbeeld deed rijpen, de volksvertegenwoordigers
nader bij de zaak te brengen en hen de moeilijkheden daarvan te doen
proeven. Er werd inderdaad mede bereikt, dat verschillende Kamerleden
meer inzicht in die moeilijkheden kregen, maar dit voordeel werd voor
een te hoogen prijs gekocht. Eenerzijds was het gevolg, dat de
voorzittende Kamerleden van de commissies van toezicht op den uitvoer
van land- en tuinbouwproducten zich eenigszins begonnen te gevoelen en
te gedragen als onder-ministertjes, die, zonder verantwoordelijk te
zijn, mochten meeregeeren; en anderzijds dat de werkelijke Minister, in
verband daarmede, de teugels van het bewind niet zoo vast in handen kon
houden, als juist in den abnormaal moeilijken oorlogstijd dubbel noodig
was. De verantwoordelijkheid raakte feitelijk eenigszins verdeeld,
hoewel zij staatsrechtelijk natuurlijk uitsluitend op den Minister bleef
rusten. Het eindresultaat was, dat toen tot overmaat van ramp de
Minister van Landbouw door ongesteldheid tijdelijk buiten gevecht
gesteld werd, de feitelijke en de grondwettelijke verantwoordelijkheid
zich nauwelijks meer dekten en er een practische veelhoofdigheid in het
bestuur der levensmiddelenvoorziening kwam, die den wagen geheel uit het
spoor bracht. De bevolking begon, niet geheel ten onrechte, beangst te
worden en de Minister van Binnenlandsche Zaken, optredende als feitelijk
interimair Minister van Landbouw, werd genoodzaakt tot forsch ingrijpen
om den wagen weer aan het rollen te brengen. Op een helaas voor de
bevolking wat zeer voelbare wijze werd zoodoende weer eens door de
ervaring bevestigd, dat gedeelde verantwoordelijkheid geen
verantwoordelijkheid is.
En niet slechts de verbruikers waren beangst en ontstemd, ook de boeren
waren ontevreden. De grondtoon van hun ontevredenheid was verbolgenheid
over het feit, dat zij niet zooveel oorlogswinst konden maken als zonder
beperking van den uitvoer het geval zou zijn geweest. In zoover was die
ontevredenheid menschelijk, maar onredelijk. Na hetgeen ik boven[7] over
oorlogswinst en beperking daarvan door uitvoerverboden schreef, behoef
ik dit oordeel hier niet opnieuw te staven. Ik zou daardoor slechts in
herhaling vervallen.
[7] Zie bl. 49-53.
Daarnaast hadden de boeren een andere grief, die alleszins reden van
bestaan had. Ik maakte er reeds melding van, hoe de uitvoerregeling bij
de kaas op mislukking uitliep. Met de andere voedingsartikelen, waarvoor
een analoge regeling was getroffen, ging het over het algemeen wel
beter, maar toch waren ook hier te veel lekken. En te dikwijls is het
voorgekomen, dat producten, die door de boeren tegen matigen prijs
moesten worden afgestaan om voor het overige van hun voorraad
uitvoerconsent te verkrijgen, in stede van hun bestemming te bereiken,
werden opgekocht door tusschenhandelaars, die toch gelegenheid zagen ze
met grove winst over de grenzen te krijgen of ze als vrij goed
binnenslands te verkoopen. Dat de boeren daartegen in opstand kwamen, is
niet slechts menschelijk, maar volkomen gerechtvaardigd tevens. De
oorlogstoestand heeft een aantal knoeiende beunhazen gekweekt, die door
allerhande practijken, welke nu eens lijnrecht tegen de wet
ingaan, dan weer langs de grens der strafbaarheid heenglijden, alle
maatregelen, welke in het belang der volksvoeding moeten worden
genomen, in de uitvoering bemoeilijken. Deze schadelijke parasieten,
die wel voornamelijk maar helaas niet uitsluitend onder de
gelegenheidshandelaars worden aangetroffen, zijn een ware nachtmerrie
voor de Regeering. Voor den Minister van Landbouw zijn zij wat de
smokkelaars zijn voor den Minister van Financiën. Voortdurend moet tegen
hen strijd worden gevoerd. Hun optreden heeft er meer dan iets anders
toe geleid, dat de regeeringsbureaux tot het afgeven van consenten,
werden vervangen door vereenigingen van belanghebbenden, werkende onder
contrôle van commissies van toezicht, en deel uitmakende van de over het
heele land vertakte organisatie der Rijks-levensmiddelendistributie. Die
verandering in de regeling is echter evenmin voldoende geweest om het
kwaad te keeren.
Niemand beelde zich in, dat men dit euvel geheel den kop zal kunnen
indrukken. Het is een voortdurende strijd, waarbij na elken nieuwen
maatregel de beunhaas en de smokkelaar nieuwe wegen vinden, om dien te
ontduiken. Dat het hen, die een deel van hun waar tegen betrekkelijk
lagen prijs moeten afstaan, grootelijks ontstemt, wanneer zij ontdekken,
dat anderen zich daarmede onrechtmatig verrijken, is volkomen
begrijpelijk; zij zouden sukkels zijn, indien het anders ware. _Die_
ontstemming kan men den boeren dan ook waarlijk niet kwalijk nemen. In
dit opzicht beginnen zij eerst ongelijk te krijgen, als zij wegens de
knoeierijen en ontduikingen, waartegen men wel den strijd kan en moet
aanbinden, maar die men niet geheel verhinderen kan, het geheele
ingrijpen der Regeering veroordeelen. Alleen dan zou hun conclusie te
dezen aanzien gerechtvaardigd zijn, indien de Regeering niet voortdurend
deed wat in haar vermogen is, om dat geknoei zooveel mogelijk tegen te
gaan, of indien zij daartegenover zóó machteloos stond, dat zij wel den
boeren een deel van hun kans op oorlogswinst wegnam, maar daarmede de
volksvoeding weinig of niet hielp. Ja, dan zou men zich aan de zijde der
pruttelende boeren moeten stellen. Een ingrijpen dat zijn doel niet
bereikt en alleen de boeren zou beletten zooveel winst te maken, als zij
anders zouden kunnen doen, zou inderdaad zich zelf veroordeelen.
Maar zoo erg is het gelukkig niet. Uit de bovenstaande bladzijden blijkt
voldoende, dat ik geen onverdeeld bewonderaar ben van de regeling der
uitvoerconsenten en de fouten daarvan niet wil verbloemen, maar al zou
het effect zonder die fouten grooter zijn geweest en al moet worden
erkend, dat er lekken zijn, welke men niet heeft weten te stoppen, toch
is die voorziening niet gelijk te stellen met water gieten in een
bodemloos vat. Verre van dien. Ondanks alles heeft zij zeer nuttig
gewerkt. In de eerste plaats mag dankbaar worden gewag gemaakt van
hetgeen geschied is met de beschikbaarstelling van regeeringsvarkens;
daardoor is het varkensvleesch op groote schaal gebleven binnen het
bereik ook van de kleinere beurzen. Daarnaast mogen ook de
regeeringsboter, de regeeringsgroenten en zeker ook de regeeringsvisch
worden genoemd, al heeft het met die groenten wel eens leelijk gehokt.
Niet op inkrimping en nog minder op ontijdige opheffing der beperkingen
van den uitvoer van levensmiddelen, waarvan het land meer voortbrengt
dan voor de eigen behoefte noodig is, moet voorloopig worden
aangestuurd. Niet wegwerpen van het in den oorlogstijd onmisbare, omdat
het gebreken heeft, maar rusteloos en gestadig zoeken naar- en
aanbrengen van verbetering daarin, principieel en practisch. Dat is wat
de buitengewone toestanden vragen; dat is ook wat de Regeering
onverpoosd nastreeft en wat zij beter zal bereiken, naar gelang zij 1º.
zich meer rekenschap geeft zoowel van de principieele beteekenis harer
daden, als van de onwillekeurige partijdigheid van belanghebbende
raadgevers en medewerkers, ook al zijn dezen volkomen te goeder trouw,
en 2º. bij de uitvoering harer maatregelen zelve de teugels vaster in
handen houdt.
Voor zoover ik in de voorafgaande bladzijden ook critiek liet hooren,
heb ik dat niet gedaan zonder schroom. Echter treft mijn critiek voor
een deel ook mijzelven. Maar wat mij vooral mijne aarzeling deed
overwinnen, was de overweging dat de levensmiddelenvoorziening van zoo
groot belang is en ook na het sluiten van den vrede nog eenigen tijd
blijven zal, dat andere overwegingen daarvoor moeten wijken.
Hieronder[8] zal nog nader blijken hoezeer mijn critiek een opbouwend
karakter heeft.
[8] Zie bl. 89-91.
Tot besluit van deze paragraaf nog een enkel woord over de
regeeringsvisch. Regeeringsvisch is niet alleen natuurwetenschappelijk
iets anders dan regeeringsboter, regeeringsvarkens of
regeeringsgroenten. Hij wijkt daarvan ook af door een ietwat anderen
oorsprong als regeeringswaar. In het begin van de oorlogscrisis had het
allen schijn, dat het moeilijk zijn zou, voor de producenten der
visscherij het gewone afzetgebied te vinden. Het Kon. Nat. Steuncomité
trachtte toen niet zonder succes mosselen, welke anders grootendeels
worden uitgevoerd, met name naar België, hier te lande als volksvoedsel
ingang te doen vinden. Het richtte daartoe den 17den October 1914 een
circulaire aan de plaatselijke comités en riep ook de tusschenkomst van
de Commissarissen der Koningin in, om de medewerking der burgemeesters
te verkrijgen ter algemeene verspreiding van dat stuk. Daarin werden
zelfs recepten gegeven, hoe de mosselen op verschillende wijze bereid
kunnen worden. Tevens werd toen, op initiatief van het Comité, te Tholen
een Centraal Bureau opgericht voor de bevordering van den afzet van
Zeeuwsche mosselen. Door dat bureau werden mosselen tegen zeer lagen
prijs aangeboden. Weldra greep ook de Regeering in en werd een poging
gedaan om meer in het algemeen het verbruik van producten der visscherij
onder de bevolking van ons eigen land te bevorderen. In de Tweede Nota
betreffende den Economischen Toestand, welke van Januari 1915
dagteekent, wordt daarvan gezegd:
„Opgericht werd een Centraal Bureau voor den afzet van
visscherijproducten, dat onder leiding is gesteld van de
visscherijinspectie in samenwerking met de vertegenwoordigers der
visscherijorganisaties. Dit bureau, gevestigd te Amsterdam, stichtte
daar een vischbakkerij, waarin reeds groote hoeveelheden spiering
gebakken worden, welke aan het leger, aan vluchtelingen- en
interneeringskampen en ook aan de gemeente Amsterdam geleverd werden.
Deze laat het product in een aantal winkels verkoopen. Ook organiseerde
het bureau reeds den verkoop van versche spiering door venters, terwijl
het bovendien aan verschillende gemeentebesturen advies gaf over den
inkoop van visch van gemeentewege, of de inrichting van gemeentelijke
vischmarkten.”
In een latere Nota schrijft de Minister van Landbouw:
„Het Centraal Bureau voor den afzet van visscherijproducten zette in het
2e kwartaal van dit jaar (1915) met succes zijn werkzaamheden voort.
„Toen de spieringaanvoer minderde, werd voor de bakkerij ook eerst
Zuiderzeeharing en later vooral Noordzeevisch door bemiddeling van het
Centraal Bureau verkocht, hetzij doordat te Amsterdam en ’s Gravenhage
vanwege het bureau zelf in marktkramen en halletjes verkocht werd,
hetzij door levering aan gemeenten.
„Het aantal gemeentebesturen, dat door tusschenkomst van het bureau
visch betrok, was aan het einde van het kwartaal tot 49 gestegen.
„Tijdens de stagnatie van de trawlvisch-aanvoer door moeilijkheden ten
aanzien van de kolenvoorziening der stoomtrawlers en het mijnengevaar,
werd door het Centraal Bureau ook aal verkocht, hetgeen ten goede kwam
aan de visscherij in de Zuidhollandsche stroomen en benedenrivieren.”
Uit deze mededeelingen blijkt zonneklaar, dat de oorsprong van dit
centraal bureau heel anders is dan die van de andere distributiebureaux.
Terwijl deze laatste werden opgericht ter voorziening in de behoefte van
verbruikers, was het bij het vischbureau juist andersom gesteld. De
verbruikers profiteerden wel van het bureau, maar dit was een gelukkig
gevolg van het eigenlijke doel: hulpverleening aan de in moeilijkheden
geraakte visscherij. Indien het zoo gebleven was, zou ik van deze
aangelegenheid hier in het geheel niet hebben gesproken en de zaak
behandeld hebben in hoofdstuk V, waar ik de takken van ons volksbestaan
gedurende de oorlogscrisis bespreek.
In den loop van het jaar 1915 werden echter ten aanzien van de
visscherij, met uitzondering van enkele onderdeelen, met name de
mossel- en de oestervisscherij, de bordjes verhangen. Van noodlijdend
werd de visscherij, inzonderheid de trawl- en de haringvisscherij,
ongekend winstgevend door eene buitengewone toeneming van de
buitenlandsche (Duitsche) vraag. Zij kwam toen in een overeenkomstige
positie als de exporteurs van boter, kaas, varkensvleesch, groenten enz.
In verband daarmede werd in November 1915 een Zeevischvereeniging
opgericht, om een deel van de aangevoerde kleine trawlvisch en zekere
hoeveelheden haring ter beschikking te stellen voor binnenlandsch
verbruik. Met die verandering in den toestand kwam de regeeringsvisch in
hetzelfde schuitje met de regeeringsgroente. De afwijkende oorsprong
heeft echter op de distributie van die visch een gunstig gevolg gehad.
§ 2. _De levensmiddelenwet._
Zelfs al was de regeling der uitvoerverboden en -consenten zonder
gebreken geweest, dan zou zij toch niet voldoende geweest zijn. Om aan
de bevolking het verkrijgen der benoodigde levensmiddelen tegen niet te
hoog opgedreven prijzen te waarborgen, was meer noodig.
Zooals in de inleiding werd in herinnering gebracht, gaven de
huisvrouwen in het laatst van Juli en in de eerste dagen van Augustus
1914 uiting aan den schrik, die haar op het vernemen der berichten
omtrent het uitbreken van den oorlog om het hart sloeg, door de winkels
van eetbare waren te bestormen en voorraden van allerlei levensmiddelen
en huishoudelijke verbruiksartikelen in te slaan. Dit gaf aanleiding
dat sommige winkels werden uitverkocht en dat hier en daar fancy-prijzen
werden gevraagd, welke, in den schrik welke de bevolking bevangen had,
gereedelijk werden betaald door de koopsters, die daartoe in staat
waren. Deze uiting van oorlogspaniek was tegelijk zóó onverwacht en zóó
hevig, dat daartegen zonder verwijl moest worden opgekomen. Zij gaf aan
het kamerlid Schaper den 31en Juli 1914 aanleiding, aan de Regeering de
schriftelijke vraag te stellen, wat zij tot het tegengaan van
prijsopdrijving van levensbenoodigdheden dacht te doen. Die vraag werd
door _Het Volk_ in het nummer van Vrijdag-avond 31 Juli bekend gemaakt
en den volgenden ochtend overgenomen in de ochtend-edities van de groote
dagbladen. Daardoor nam ik er kennis van, nog voordat mij het officieele
bericht van den Voorzitter der Tweede Kamer daaromtrent bereikte. Ook
zonder dat die vraag gesteld was, zou men de prijsopdrijving niet
ongestoord haar gang hebben laten gaan; dit neemt intusschen niet weg,
dat het bloote doen der vraag reeds nuttig werkte. De Regeering had in
die dagen als het ware naar alle zijden tegelijk te zien en te voorzien.
Het was haar niet mogelijk alles wat er omging en voorziening
vereischte, zelve waar te nemen. Veel was er, dat zij hetzij uit de
dagbladen, hetzij uit vragen of mededeelingen van belanghebbenden of
belangstellenden vernemen moest. Door de vraag van den heer Schaper werd
haar aandacht bijtijds gevestigd op het gevaar, dat ten aanzien der
prijsopdrijving van levensmiddelen dreigde.
Het was aanstonds duidelijk dat de bestaande onteigeningswet niet
voldoende was om het opkomende gevaar te keeren en dat het langs den weg
van uitbreiding dier wet gekeerd worden moest. Zaterdag ochtend onder
het gaan naar het Ministerie overwoog ik de hoofdpunten van hetgeen hier
noodig was. Daar gekomen, zette ik die hoofdpunten op het papier als
schema voor een wetsontwerp met een korte Memorie van Toelichting. Aan
den chef der afdeeling Handel werd door mij opgedragen, ze in den
vereischten vorm te gieten en daaromtrent voor zooveel noodig de
Departementen van Binnenlandsche Zaken en van Justitie te raadplegen.
Persoonlijk besprak ik de zaak met den heer Cort van der Linden, van
wien het ontwerp, daar het een aanvulling van de onteigeningswet betrof,
formeel in de eerste plaats moest uitgaan. Naar aanleiding van
opmerkingen van de Departementen van Binnenlandsche Zaken en van
Justitie werd het stuk, dat tegen den middag in zijn eersten vorm gereed
was gekomen, voor zooveel noodig gewijzigd en aangevuld. Hoewel ’s
middags ook een belangrijke en vrij langdurige vergadering met personen
uit de financieele wereld moest worden gehouden, was het toch omstreeks
7 uur ’s avonds zoover, dat ik aan de Koningin een audiëntie kon
aanvragen om het ontwerp aan H. M. voor te leggen. De Koningin, die in
die dagen met allerlei spoedzaken door Hare verschillende
grondwettelijke raadslieden werd overstelpt, had den Voorzitter van den
Ministerraad doen weten, dat alle leden van het Kabinet konden verzoeken
in gehoor te worden ontvangen, zoo dikwijls zij dit voor dringende
aangelegenheden noodig oordeelden. Bovendien had H. M. er voor gezorgd,
dat voortdurend een der ambtenaren van Haar Kabinet ten Paleize aanwezig
was, om de verdere behandeling van urgente stukken zooveel mogelijk te
bespoedigen. Hoewel aan het ontwerp onophoudelijk was gewerkt, werd het
toch ongeveer negen uur ’s avonds, vóórdat ik het stuk in den vorm,
waarin het aan de Koningin kon worden voorgelegd, naar het Paleis kon
medenemen. Toen ik met een enkel woord de strekking van het ontwerp
uiteenzette, zeide de Koningin mij, dat Zij dienzelfden dag zeer was
getroffen door de bestorming van winkels, welke Zij zelve had opgemerkt
en dat Zij met genoegen zag, dat terstond een maatregel was voorbereid
om het hieruit te duchten gevaar te keeren. Hoewel hetgeen ten Paleize
binnenskamers tusschen de Koningin en een van Haar raadslieden wordt
besproken, geheim is en behoort te blijven, ben ik wel niet onbescheiden
en verklap ik geen staatsgeheim door te dezer zake een tipje van den
sluier, die om zulke besprekingen hangt, op te lichten. Hare Majesteit
gaf mij verlof het ontwerp uit Haar naam onverwijld naar den Raad van
State om advies te zenden en teekende voorloopig het exemplaar, dat ik
achterliet, boven op het stuk af, opdat de Directeur van Haar Kabinet
daaruit voorloopig reeds Haar instemming met het ontwerp zou zien. Zoo
werkte in die gedenkwaardige dagen ieder, de Koningin aan het hoofd,
mede om den gang van zaken te bespoedigen en werd over formaliteiten,
die vertraging teweegbrengen, heengestapt.
Intusschen was de Ministerraad van acht uur af bijeen ter behandeling
van verschillende dringende onderwerpen en waren in een afzonderlijke
kamer van het Ministerie van Justitie eenige ambtenaren van dat
Departement en van die van Landbouw en van Binnenlandsche Zaken
samengekomen, om het ontwerp nog nader onder handen te nemen, naar
aanleiding van de opmerkingen, welke de Raad van State mocht maken. Toen
ik in het gebouw van het Departement van Justitie, waar de Ministerraad
pleegt te vergaderen, gekomen was, ging ik eerst naar de kamer van den
Secretaris-Generaal. Daar vertelden mij de heeren, die er met het
zooeven aangewezen doel samengekomen waren, dat de Raad van State uiteen
was gegaan en den volgenden ochtend opnieuw zou vergaderen. Aangezien
het ontwerp van zeer urgenten aard was en, zoo eenigszins mogelijk,
behandeld moest worden in de vergadering van de Tweede Kamer, die
Maandag 3 Augustus bijeenkwam, kon ik die mededeeling niet eenvoudig
voor kennisgeving aannemen. Telefonisch kreeg ik er den hoofdcommies die
in het gebouw van den Raad van State achtergebleven was, toe, dat hij
den waarnemenden vice-voorzitter van den Raad (de heer Röell was kort te
voren overleden en een nieuwe vice-voorzitter was nog niet benoemd) zou
mededeelen, dat er een bij uitstek dringend ontwerp was ingekomen en dat
de Regeering het zeer op prijs zou stellen, als zij nog dienzelfden
avond of nacht het advies van den Raad daaromtrent zou kunnen ontvangen.
De waarnemende voorzitter bleek aanstonds bereid zijne medewerking te
verleenen. De leden van den Raad van State werden terstond voor een
spoedvergadering op denzelfden avond opgeroepen en des nachts omstreeks
half één of één uur kwam het advies in. De Ministers van Binnenlandsche
Zaken en van Justitie waren met mij in de vergaderzaal van den
Ministerraad gebleven ter behandeling van het ontwerp naar aanleiding
van het in aantocht zijnde advies. De zooeven genoemde ambtenaren hadden
het intusschen nog eens zorgvuldig van alle kanten bekeken, zoodat de
slotredactie, toen het advies van den Raad van State ingekomen was,
spoedig kon worden vastgesteld. Het ontwerp kon nu den volgenden ochtend
aan de Tweede Kamer worden aangeboden en zóó tijdig aan de leden van de
beide kamers worden rondgezonden, dat zij er nog vóór de vergadering op
Maandag den 3den Augustus van konden kennis nemen. Na formeel in de
afdeelingen te zijn onderzocht, werd het nog denzelfden dag met eenige
andere zeer urgente wetsontwerpen door beide Kamers der Staten-Generaal
aangenomen; des avonds verscheen het, door de Koningin bekrachtigd, in
het Staatsblad. Sneller levensloop, van het eerste stadium der
overweging van zijn inhoud tot zijn metamorphose als van kracht zijnde
wet toe, heeft wel nooit een wetsontwerp gehad.
De strekking kan ik het eenvoudigst duidelijk maken door het overnemen
van de Memorie van Toelichting.
De zeer buitengewone omstandigheden, waarin Nederland thans
verkeert, maken een ingrijpen van den wetgever ter voorkoming van
het gevaar van vasthouding en prijsopdrijving van levensmiddelen
grondstoffen van levensmiddelen, huishoudelijke artikelen en
brandstoffen, dringend noodzakelijk.
In de eerste plaats is reeds thans, nu de buitengewone toestand
slechts enkele dagen duurt, gebleken, dat onder de bevolking zich
een vrees verspreidt, dat binnenkort het moeilijk zal vallen
levensmiddelen of handelswaren naar gelang van de behoefte in te
koopen en dat dientengevolge hier en daar men tot buitengewone
inkoopen overgaat.
Die buitengewone inkoopen zouden niet alleen de prijzen in het
algemeen kunnen opdrijven en daardoor pogingen van speculanten om
prijsstijging in de hand te werken, kunnen bevorderen, maar ook
gevaar kunnen doen ontstaan, dat bij mogelijk in de toekomst
blijkend krap zijn van voorraden van sommige artikelen, er gebrek
voor sommigen naast overvloed voor anderen zou zijn.
De wettelijke maatregel welke wordt voorgesteld, wordt in hoofdzaak
als een preventieve bedoeld. Juist daarom zal hij gemakkelijk
doorvoerbaar moeten zijn.
De maatregel bestaat hierin, dat na artikel 76 van de
Onteigeningswet eenige bepalingen worden opgenomen, krachtens welke
na machtiging van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel
de burgemeesters bevoegd zullen zijn, in de gemeente aanwezige
levensmiddelen en grondstoffen van levensmiddelen alsmede
huishoudelijke artikelen en brandstoffen voor de gemeente in bezit
te nemen, en deze aan de gemeentenaren tegen redelijke prijzen ter
beschikking te stellen, terwijl de schadeloosstelling voor de in
bezit genomen artikelen zal worden geregeld in den geest van die
bij de vordering van paarden (zie artikel 27 van het Koninklijk
Besluit van 10 November 1892, _Staatsblad_ n^{o}. 253, laatstelijk
gewijzigd bij Koninklijk besluit van 16 December 1902, _Staatsblad_
n^{o}. 222).
De bedoelde machtiging van den Minister zal in het algemeen voor
het geheele land of, al dan niet op verzoek, voor bepaalde
gemeenten kunnen worden verleend.
De kern van deze korte toelichting ligt in de alinea, waarin wordt
gezegd dat de maatregel de bedoeling heeft preventief te werken. Bij
het overwegen van hetgeen tegen prijsopdrijving en speculatieve
vasthouding van waren te doen was, heb ik vooral gezocht naar een
middel, dat door zijn preventieve werking zoowel betrekkelijk
gemakkelijk hanteerbaar zou zijn, als afdoende zou wezen ter voorkoming
of afwering van het gevaar dat niet alleen werd geducht, maar het hoofd
reeds begon op te steken.
De beoogde preventieve werking mocht reeds worden verwacht van het
bloote feit, dat aan den Minister van Landbouw gedurende den oorlog bij
de wet de noodige macht werd verleend tot ingrijpen door tusschenkomst
van de burgemeesters, zoo dikwijls hij dit noodig oordeelde. Zij die
levensmiddelen en andere in de wet genoemde goederen met speculatieve
doeleinden wilden achterhouden of ongemotiveerd hooge prijzen daarvoor
vroegen, waren van het oogenblik dat de wet tot stand gekomen was,
gewaarschuwd, dat zij, indien hun bedrijf aan het licht kwam, gevaar
liepen hun voorraden onteigend te zien. Zij konden wel nagaan, dat hun
dan geen buitensporig hooge schadeloosstelling zou worden toegekend,
zoodat het niet vrijwillig zich onderwerpen aan den drang der wet tot
beschikbaarstelling hunner voorraden tegen redelijke prijzen, een
gevaarlijke speculatie zijn zou.
Toch zou de wet moeilijk zijn te hanteeren geweest, als telkens het
middel van inbezitneming door den burgemeester bij elke poging tot
vasthouding of tot prijsopdrijving van de bedoelde waren in toepassing
had moeten zijn gebracht. Van het eerste oogenblik dat de zaak door mij
werd overwogen, zocht ik dan ook naar een uitweg, waarlangs de
inbezitneming kon worden beperkt tot de gevallen, waarin medewerking van
de belanghebbenden, na eene algemeene of individueele waarschuwing,
achterwege bleef. Daartoe werd bepaald, dat indien hij, onder wien de
burgemeester in de wet genoemde waren in bezit wil nemen, onmiddellijk
ten genoege van het hoofd der gemeente aanbiedt, zelf op door dezen
goedgekeurde wijze die goederen ter beschikking te stellen tegen
prijzen, die niet te boven gaan de daarvoor door den Minister van
Landbouw bepaalde bedragen, de inbezitneming kan worden opgeschort.
Practisch gesproken kwam deze bepaling hierop neer, dat de winkeliers
en andere handelaars, die hunne voorraden levensmiddelen enz. verkochten
tegen niet hoogere prijzen dan door den Minister van Landbouw zouden
worden vastgesteld, geen gevaar liepen van inbezitneming hunner
voorraden. Op grond daarvan werden reeds vóórdat de wet was aangenomen,
op Zondag 2 Augustus, bij voorbaat prijslijsten voor de meest
belangrijke levensmiddelen en brandstoffen vastgesteld, voor het geval
het ontwerp onveranderd tot wet zou worden verheven. Opdat de
burgemeesters aanstonds, als de wet in werking zou zijn getreden, zouden
weten wat van hen werd verwacht, werd denzelfden dag door mijn
ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken en mij een gezamenlijke circulaire
tot hen gericht, waarin de strekking van het ontwerp (en dus eventueel
van de wet) werd uiteengezet en eenige wenken werden gegeven voor de
toepassing. De op 2 Augustus opgemaakte lijsten werden terstond na het
in werking treden der wet openlijk bekend gemaakt. Dat zij herhaaldelijk
moesten worden herzien, aangevuld en door nieuwe lijsten vervangen, is
zoo van zelf sprekend, dat het nauwelijks vermelding behoeft.
De zooeven bedoelde bepaling heeft, voornamelijk in de eerste maanden
van den oorlogstijd, de daarvan verwachte uitwerking niet gemist. Zij is
in de handen der burgemeesters, vooral van die der grootere steden, een
wapen geweest om verschillende regelingen op het gebied der
levensmiddelenvoorziening door te zetten, zonder dat het tot
inbezitneming en tot distributie van gemeentewege behoefde te komen. Bij
den langen duur van den oorlogstoestand gaf de toepassing der
levensmiddelenwet aanleiding tot telkens nieuwe vragen. Zoo bleek vrij
spoedig, dat niet volstaan kon worden met het stellen van een enkelen
maximum-prijs voor verschillende artikelen, maar dat onderscheiden moest
worden tusschen groothandels- en détailprijzen. Natuurlijk werd dit van
het begin af wel ingezien, maar men meende aanvankelijk met het stellen
van maximale détailprijzen te kunnen volstaan en aan de burgemeesters
het ingrijpen te kunnen overlaten, zoo dikwijls naar hun oordeel in
verband met die prijzen in hunne gemeente te hooge groothandelsprijzen
werden gevraagd.
In een der op 3 Augustus 1914 door mij tot de burgemeesters gerichte
circulaires werd hieromtrent gezegd: „Ik maak van deze gelegenheid
gebruik om er Uwe aandacht op te vestigen, dat deze lijst (die bij de
circulaire was gevoegd) _maximum_-prijzen bevat voor den verkoop in het
klein. Bij verkoop in het groot zou dus al het eischen van prijzen die
lager zijn dan de in de lijst vermelde, aanleiding kunnen geven tot
optreden Uwerzijds, wanneer de gevraagde prijzen sedert kort
aanmerkelijk zijn verhoogd.” Later zijn voor een aantal artikelen zoowel
maximale groothandels- als kleinhandelsprijzen vastgesteld. Het spreekt
wel van zelf, dat bij deze materie aan de overheid, aan den Minister
zoowel als aan de burgemeesters, de handen vaak wat verkeerd stonden. In
normale tijden kan en moet de overheid de regeling van verkoopprijzen
aan de belanghebbenden overlaten, die dit tot stand brengen, geleid in
de eerste plaats door vraag en aanbod en daarnaast ook door gewoonte en
ervaring, als resultaat van een aantal elkander doorkruisende factoren,
welke in het vrije verkeer bij de bepaling van détailprijzen hun invloed
mede doen gelden.
Toen de oorlogstoestand eenigen tijd had geduurd, werd het stellen van
maximum-prijzen nog moeilijker, omdat er allengs meer mede gerekend
moest worden, dat de productie- of de aanschaffingskosten der waren
boven het normale waren gestegen en het niet zoo heel eenvoudig was,
zonder eenerzijds onbillijkheden te begaan en zonder anderzijds de wet
illusoir te maken, in de te stellen maxima met de verhooging van
productie- of aanschaffingskosten in de juiste maat rekening te houden.
Dit een en ander heeft de prijszettingen verzwaard naar gelang de
oorlogstoestand langer aanhield.
Hoewel, gelijk zooeven werd opgemerkt, de wet zoodanig was ingericht,
dat het middel der inbezitneming in den regel als stok achter de deur
voldoende effect had om vrijwillige regelingen tusschen de burgemeesters
en de belanghebbenden tot stand te doen komen, waarbij de eerstgenoemden
meestal uit eigen beweging maar somtijds ook in opdracht van de
Regeering handelden, toch kon de inbezitneming zelve niet steeds worden
ontgaan. In den aanvang moest tot dezen maatregel eenige malen worden
overgegaan ten aanzien van tarwe en rogge; eerst geschiedde het
plaatselijk met voorraden tarwe, niet lang daarna op grooter schaal
zoowel ten aanzien van tarwe als van rogge. Die inbezitnemingen
geschiedden natuurlijk zonder aanzien des persoons van den eigenaar van
het in bezit te nemen goed. Het deed er derhalve ook niet toe of die
eigenaars Nederlanders dan wel vreemdelingen waren. Toch hebben enkele
Duitsche belanghebbenden, wier in Rotterdam liggende tarwevoorraden
onteigend werden, bij hunne regeering de stelling willen doen ingang
vinden, dat met die inbezitnemingen art. 7 van de Rijnvaartakte, dat de
vrije doorvaart op den Rijn waarborgt, zou zijn geschonden. Die bewering
gaat mank aan beide beenen, waarop zij zou moeten loopen.
In de eerste plaats werd niets in beslag genomen, dat als doorvoergoed
moest worden aangemerkt. Bedriegt mijne herinnering mij niet zeer, dan
betrof de kwestie enkele partijen tarwe, die in Rotterdam ter beurze
verkocht waren of verkocht zouden worden. Uit dit enkele feit blijkt
reeds dat, zoo die partijen al aan Duitschers behoorden of aan
Duitschers waren verkocht, zij, zelfs als uit de Duitsche woonplaats des
eigenaars of koopers zonder meer de bestemming voor vervoer naar
Duitschland had moeten worden afgeleid, bestemd waren voor uitvoer en
niet voor doorvoer. Het betrof hier goederen welke overeenkomstig de
geldende handelsusantiën in het vrije verkeer waren ingevoerd en die, na
hier daarin te zijn gekomen, de bestemming kregen naar elders te worden
uitgevoerd. Die bestemming nu konden de bedoelde partijen tarwe niet
bereiken, omdat uitvoer daarvan reeds van 1 Augustus 1914 af verboden
was. Dat een uitvoerverbod ook uitvoer over den Rijn treft en de
Rijnvaartakte niettemin geheel intact laat, is niet voor betwisting
vatbaar en is dan ook van Duitsche zijde niet betwist.
Maar gesteld eens, de feitelijke toestand ware anders en de in bezit
genomen tarwe wèl doorvoergoed geweest, dan nog zou die inbezitneming
aan de stipte uitvoering der Rijnvaartakte van de zijde der
Nederlandsche Regeering niets hebben tekort gedaan. Het feit dat dit
verdrag den vrijen doorvoer op den Rijn waarborgt, neemt niet weg, dat
ten doorvoer bestemde goederen, zoolang zij op het Nederlandsche
gedeelte van den Rijn varende zijn, zich bevinden op Nederlandsch
territoir en onderworpen zijn aan de Nederlandsche wetten. Daartoe
behoort ook de wet van 3 Augustus 1914 ter voorkoming van vasthouding en
prijsopdrijving van waren. Worden volgens die wet goederen onteigend,
dan geschiedt dit door den Staat krachtens zijn souvereiniteitsrecht op
eigen territoir, dat hij tegenover elk en een iegelijk kan doen gelden.
Het gevolg van zulk eene onteigening is, dat het goed overgaat in het
bezit van de overheid, welke de wet aanwijst en dat deze nu verder de
bestemming van het goed bepaalt. De onteigende partijen tarwe, die vóór
de inbezitneming aan Duitschers behoorden, verloren op het oogenblik der
inbezitneming de bestemming, welke die rechthebbenden daaraan hadden
gegeven. Aangenomen dus, hoewel het feitelijk niet aldus gesteld was,
dat die Duitsche rechthebbenden zonder met de geldende handelsusantiën
en met de wettelijke voorschriften voor doorvoergoed in strijd te zijn,
die waren voor doorvoer naar Duitschland hadden bestemd, was toch de
doorvoerbestemming verdwenen op het oogenblik dat de goederen bij de
inbezitneming overeenkomstig de wet door de Nederlandsche overheid, van
den nieuwen eigenaar, hier de Regeering, een andere bestemming kregen.
De inbezitneming d
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/40942