Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Zeemans-Woordeboek

by J. van Lennep · Dutch · Gutenberg #40417 · 745,762 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Zeemans-Woordeboek
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Zeemans-Woordeboek

Author: J. van Lennep


        
Release date: August 6, 2012 [eBook #40417]
                Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/40417

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
        Gutenberg (This book was produced from scanned images of
        public domain material from the Google Print project.)


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ZEEMANS-WOORDEBOEK ***

                          ZEEMANS-WOORDEBOEK,

                 BEHELZENDE EEN VERKLARING DER WOORDEN,
               BY DE SCHEEPVAART EN DEN HANDEL IN GEBRUIK
              EN EEN OPGAVE DER ALGEMEENE WETSBEPALINGEN,
                         DAARTOE BETREKKELIJK,
                 EN DER SPREEKWIJZEN, DAARAAN ONTLEEND.
                       EEN EN ANDER VOORZIEN MET
                 TAALKUNDIGE OPMERKINGEN EN AANHALINGEN
                     UIT ONDERSCHEIDENE SCHRIJVERS:
                            TE SAMEN GESTELD


                                  DOOR
                           MR. J. VAN LENNEP.


                               AMSTERDAM,
                           GEBROEDERS BINGER.
                                 1856.







DEN HEER AARNOUD VAN LENNEP.


WAARDE BROEDER!

Onderscheidene redenen dringen my, u dezen arbeid op te dragen. Gy
zijt de eerste geweest, aan wien ik mijn voornemen om dien tot stand
te brengen, heb medegedeeld: de eerste, die my, met uwen raad, met
uwe ondervinding, met uwe voorlichting, hebt bygestaan: gy hebt my de
werken aan de hand gedaan, meest geschikt om er gepaste bouwstoffen
uit te ontleenen.

Ik weet, dat u dit werkjen niet onwelkom wezen zal: in de eerste
plaats, om dat het u de loopbaan zal herinneren, waarin gy de
lentedagen uws levens hebt doorgebracht, en een vak aan 't welk u
gewis, ook al mocht gy 't verlaten hebben, nog de oude genegenheid
boeit; en ten anderen, om dat het komt van hem, wien gy steeds warme
vriendschap bleeft toedragen, en die van zijnen kant het steeds tot
een geluk rekende, zich te mogen noemen


Uw Broeder en Vriend

J. v. LENNEP.

Augustus 1856.







VOORREDE.


By elken Nederlander, immers by den zoodanige, die dezen naam niet
uit kracht eener wet, maar uit hoofde zijner afkomst voert, bestaat,
in meerdere of mindere mate, zekere ingenomenheid met het Zeewezen,
't zij, dat wy die reeds van kinds af inademen met den zeewind, die
over onze velden blaast, 't zij, dat wy haar oorsprong zoeken moeten
in de herinneringen van onzen ouden roem en vervlogen grootheid ter
zee, 't zij, dat hier die beide oorzaken, de fyzieke en de moreele,
te samen werken. Ook my waren, van zoo verre my heugt, zeegezichten,
zeetochtjens, verhalen van zeegevechten en zeeavonturen, welkom en
aangenaam. Ofschoon tot op een-en-twintigjarigen leeftijd een eenige
zoon, en dus niet voor de zeedienst bestemd, bleef niet-te-min my ten
allen tijde de neiging by voor al wat tot de zee betrekking had. De
omstandigheid, dat ik ten gevolge van een ambt, 't welk ik lange
jaren bekleedde, gehouden was, telken jare eenige dagen op zee--al was
het dan ook maar op een binnenzee--door te brengen, en dat my later
bezigheden van geheel anderen aart nu en dan naar Engeland riepen,
strekten om die neiging gedeeltelijk te voldoen en tevens om haar aan
te wakkeren: en meer dan eene episode uit mijn werken is haar oorsprong
verschuldigd aan de ondervinding, op dergelijke tochtjens verkregen.

Behalve voor 't zeewezen heb ik, mede reeds zeer vroeg, een zonderlinge
liefde gehad voor Woordeboeken [1]. Het feit moge eenige bevreemding
baren, het is niet-te-min volkomen waar, en ik was een knaap van nog
geen tien jaar, toen ik niet alleen talrijke Dictionnaires d'anecdotes
en Dictionnaires de la fable van buiten kende, maar ook het min
behagelijke woordeboek van Chomel, en een menigte artikelen van de
Encyclopédie gelezen had. Men kan alzoo begrijpen welk een byzonderen
smaak ik moest vinden in een werk, dat niet alleen tot de kategorie der
woordeboeken behoorde, maar bovendien het Zeewezen betrof, te weten
Winschotens Seeman. Ik was toen nog op dien gelukkigen leeftijd,
waarin men gelooft, dat al wat in boeken gedrukt staat, waar is,
even als alles wat groote menschen zeggen:--latere ondervinding nam
my op een en ander punt vele begoochelingen weg, en zoo begon ik van
lieverlede te bemerken, dat ook Winschoten, in zijn narichten, maar
vooral in zijn afleidingen, geen byzonder vertrouwen verdiende. Deze
ontdekking deed voor jaren by my de lust ontslaan, een verbeterde
uitgave van dat werk te bezorgen, waarin niet alleen de misslagen
van den schrijver hersteld, maar ook de talrijke ruimten zoo veel
mogelijk zouden aangevuld worden. Reeds lang ging ik van dit ontwerp
zwanger, toen my de verzameling van Spreekwoorden bekend werd, door
den Heer Sprenger van Eyk verklaard [2]. Een mijner vrienden, voormalig
zee-officier, aan wien ik dit werk ter lezing had verstrekt, deelde my
daaromtrent een tal van aanmerkingen mede, hoofdzakelijk strekkende
om te bewijzen, dat de geleerde schrijver zich over 't algemeen te
veel, of door zijn verbeelding of door verkeerde voorlichting, had
laten leiden, en zijn arbeid alzoo met even veel omzichtigheid diende
geraadpleegd te worden als die van Winschoten. De overtuiging hiervan
geleidde my tot een andere, namelijk van het nut om een "verbeterden
Winschoten" tevens te doen strekken tot een "betere handleiding voor
hen, die den oorsprong en de beteekenis willen leeren kennen van
spreekwijzen, aan het zeewezen ontleend." Zoo zette ik my nu aan het
verzamelen van bouwstoffen en aan het raadplegen van verschillende
schrijvers, wier arbeid my van dienst kon zijn;--maar jaar op jaar
weerhielden my verschillende omstandigheden om met ernst de handen
aan 't werk te slaan en uit den verspreiden voorraad mijn gebouw op
te timmeren. Gewis zal die vertraging niemand verwonderen. By elk
ander werk behoeft men alleen de luchtige schets van 't geheel op het
papier, des noods in 't hoofd, te hebben, en men kan met schrijven
een aanvang maken. Heeft men den kop, men komt van lieverlede ook
aan den staart. Maar een Woordeboek is hierin van alle andere werken
onderscheiden, dat het kop noch staart heeft, dat het als een cirkel
in 't rond loopt, dat de deelen in gestadige betrekking tot elkander
staan en dat men niet aan 't drukken, ja niet aan 't overschrijven,
gaan kan, voor dat het boek volledig is afgewerkt. Volledig!--een
Woordeboek heeft nog dit eigenaardige, dat het nimmer volledig kan
genoemd worden, en dat, ook in de beste, op de duizend woorden,
die er in staan, er doorgaands honderd gemist worden.

Ik was dan ook, toen ik nu drie jaar geleden aan 't drukken begon, ten
volle overtuigd, dat al mijn moeite en nasporingen my niet in staat
zouden stellen meer dan een zeer gebrekkig werk te leveren;--doch
ik begreep, dat my deze bedenking niet moest afschrikken. Waar het
volkomene onbereikbaar is, moet men zich met het mogelijke te vrede
stellen, en beter half-werk dan in 't geheel geen. Bovendien kan mijn
arbeid voor 't minst dit nut hebben, dat hy zaakkundigen, zoo wel
in 't vak van 't zeewezen als in dat der taal, aanleiding geeft tot
opmerkingen, tot aanvullingen, tot verbeteringen, waarvan, is het niet
in een tweede uitgave van dit--(zoo verre gaat mijn verwaandheid niet,
dat ik daarop rekenen zoû), dan althands in het--Algemeen Woordeboek,
dat onder handen is, gebruik zal kunnen gemaakt worden.

De omstandigheid, dat met het drukken van een boeksken, dat nog geen
achttien gewone vellen druks beslaat, byna drie jaren zijn verstreken,
moge strekken tot een bewijs, dat hiermede niet lichtvaardig is te
werk gegaan. Ik heb--om in deze voorrede van een Woordeboek over
't Zeewezen althands eene spreekwijze te bezigen, aan dat zeewezen
ontleend--ik heb niet bloot op mijn eigen kompas willen varen, en zoo
wel mijn handschrift, als de drukproeven zijn herhaaldelijk, sommige
door meer dan eenen zaakkundige, nagezien. En dat heen en weêr reizen
der proeven, én dat trekken van menigvuldige reviziën, én de daarover
gewisselde korrespondentie, heeft--moeilijkheden van anderen aart, by
woordeboeken meestal onvermijdelijk, niet medegerekend--het afdrukken
merkelijk vertraagd. Moge nu een weinig belangstelling in dien arbeid
het bewijs leveren der waarheid van hetgeen ik in de eerste regels
van dit voorbericht nederschreef.







VERKLARING DER GEBEZIGDE VERKORTINGEN.


    z. n.         zelfstandig naamwoord.
    b. n.         byvoegelijk naamwoord.
    voorn.        voornaamwoord.
    m.            mannelijk.
    v.            vrouwelijk.
    o.            onzijdig.
    mv.           meervoud.
    b. w.         bedrijvend werkwoord.
    o. w.         onzijdig werkwoord.
    w. w.         wederkeerig werkwoord.
    onp. w. w.    onpersoonlijk werkwoord.
    p.            persoonlijk.
    bw.           bywoord.
    voorz.        voorzetsel.
    t. w.         tusschenwerpsel.
    komm.         kommando.
    N.            Eenig onbepaald getal.


Voorts zijn de verklaarde woorden, wanneer zy in het artikel, dat
hen betreft, nogmaals voorkomen, aangeduid door de aanvangletter en
een streep. Zoo beduidt op Aak, A-- Aak, A--en Aken. Zoo op Blok --
B--s, Bloks, enz.







A.


Aak, z. n. -- Onder Aken verstond men oudtijds die lastschepen, welke
met wijnen van Keulen kwamen afdrijven, waarom zy ook doorgaands
Keulsche aken, en door sommigen, met eene in onze taal vrij gewone
voorvoeging, Haken werden genaamd. Deze schepen waren plat van bodem,
van onder breed uitgezet, hoog opgeboeid en boven smal toeloopende:
voor en achter met een breeden steven, in den vorm van een beitel,
waarom zy ook beitel-aken werden geheeten. De naam Aken werd echter
ook gegeven aan zoodanige langwerpige en laag op 't water liggende
vaartuigen, die achteraan dreven, om daarmede, met een breeden riem
of schepper, van en aan boord te roeien: thands echter verstaat men
door A-- meer byzonder een vaartuig, met zoomwerk opgeboeid.

Aal, z. n. -- Rivier- en Zeevisch.

Spreekwijze: Hy is een koopman in A--shuiden (hy doet geringe zaken.)

Aan, v. z. 1o. Op. naar. A-- boord (op het schip). A-- wal (op den
wal, te land). A-- den grond zitten (vast zitten op een bank of
droogte). A-- lij (op de lijzijde).

2o. By, naby. A-- zee gelegen (dicht by de zee).

3o. Tot, in handen van. Hy gaf last A-- het volk: -- hy gaf het bevel
A-- den eersten officier over.

4o. Stijf, dicht. Haal de schoot A--.

5o. Aan 't lijf. Trek uw uniform A--.

6o. Ten. A-- 't werk.--A-- den arbeid!--A-- 't sjouwen.

Aanbeeren, o. w. (veroud.) -- Alle zeilen byzetten en zijn best doen
om voort te komen.

Aanboorden, b. w. (veroud.) -- Aan Boord komen.

2o. Scheepstimmermans-uitdrukking, waarmede bedoeld wordt: het maken
der bovenste deelen aan de scheepszijden.

Aanbrassen, o. w. -- In den zin van Bybrassen. Stuurboord,
bakboord. A--.

Aandiepen, o. w. -- Al loodende naar land varen.

Aandoen, b. w. -- Een haven of kust A--, een haven of kust met een
vaartuig bezoeken, doorgaands alleen in 't voorbygaan, en zonder
oogmerk er lang te verblijven. Er binnen loopen, binnen vallen. Door
het verlies van onzen grooten mast, waren wy genoodzaakt, die haven
Aan te Doen.

Aandraaien, b. w. -- Een bindsel van lichte lijnen met een draaier
of spaanspil stijf draaien.

Aandrijven, o. w. -- 1o. Uit zee naar wal drijven. Het lijk van den
stuurman kwam heden morgen A--.

2o. Tegen iemand: Het schip kwam tegen ons A--. Zie Aanvaren.

Aangaan, o. w. -- Op of Aanhouden. Wy moeten recht op dat eiland A--.

Aangang maken, o. w. (veroud,) -- Voortzeilen, gang of vaart maken.

Aangeven, b. w. -- Verklaring doen van hetgeen men in-, uit- of
doorvoert. Men mag geene aan belasting onderworpen goederen binnen
brengen, zonder die Aan te Geven.

De wetsbepalingen omtrent het A-- zijn vervat in het XII Hoofdstuk der
Algemeene Wet van den 26 Augustus 1822 (Staatsbl. no. 38) art. 118-126.

Aangifte, z. n. -- Daad van aangeven, verklaring. Die schipper heeft
verzuimd, A-- te doen van zijn lading.--Hy is wegens gebrekkige A--
beboet.--Art. 120 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 schrijft voor wat
het biljet van A-- moet inhouden.

Aanhaken, o. en b. w. -- Met een haak of kram ergends aan vasthouden
of gehouden worden: aan boord haken, klampen.

Aanhalen, b. w. -- 1o. Stijf halen, strak maken. De schoot A--.

2o. In beslag nemen. De gandsche lading is ten gevolge eener verkeerde
aangifte Aangehaald geworden. Wanneer de ambtenaren goederen A--
zijn zy verplicht die naar het naaste kantoor op te brengen.

Aanhalen, o. w. -- Krachtiger worden. De wind Haalt Aan (het begint
harder te waaien).

Spreekwijze: Het haalt wat aan (het geeft vrij wat voordeel).

Aanhaling, z. n. -- In-beslag-neming. Een A-- doen van verboden,
van verkeerd aangegeven goederen.

Aanhangen, b. w. -- b. v. het Roer. Vastmaken, op zijn plaats brengen.

Aanhouden, o. w. -- Richten, sturen, op een plaats of streek. Wy
moeten, om de haven binnen te komen, op die lantaren A--.

Aanhouden, b. w. -- 1o. In beslag nemen, beletten verder te gaan. De
Engelschen Hielden, gedurende dien oorlog, alle schepen Aan, die hun
verdacht voorkwamen.--De ambtenaren hebben, op vermoeden van sluikery,
zijn goederen Aangehouden.

2o. t. w. Touw: het vast maken, als er genoeg uitgevierd is.

Aanklampen, b. w. -- Aanhaken, enteren. Zich aan een ander vaartuig
vasthechten, aan boord klampen.

Spreekwijze: Iemand A-- (iemand op eene, 't zij onvriendelijke, 't
zij althands lastige wijze aanspreken. Ook wel "iemand--doorgaands
tegen zijn zin--een arm geven").

Aanklamper, z. n. -- Hy die aanklampt.

Aanklamping, z. n. -- De daad van aanklampen.

Aankomen, o. w. -- Uit zee aan wal of in de haven komen. Er is gebrek
in 't land: 't is tijd dat de graanschepen A--.

Aankrammen, b. w. -- Met kramgarens hechten.

Aanleggen, o. w. -- Een hoofd of kaai aandoen, aan wal komen. Hier
is de kaai, waar wy moeten A--.

Spreekwijze: Ergends A-- (een herberg of kroeg in 't voorbygaan
bezoeken

Zoo: Willen wy hier eens A--. Hy is gewoon aan alle kapelletjens Aan
te Leggen.)

Aanleggen, o. w. -- Op- of naar een plaats:--Op een plaats
aanhouden. Hoe legt het aan? (welken koers moeten wy houden?) Tegen
iemand A-- (met den steven naar een ander schip gericht daarop
afzeilen.)


                  Wy leggen 't op de ree
    De zee van Reden, aan.

                                Huygens, Hofwijck.


Aanleggen, b. w. -- Omleggen. Het want A--.

Spreekwijze: Het te breed A-- (te veel verteering maken.)

Aanlegplaats, z. n. -- Plaats, bestemd of geschikt om aan te leggen. De
A-- der stoombooten.

Aanloeven, o. w. -- By- of oploeven: Met een ruimen wind zeilende
het schip dichter aan den wind doen komen.

Aanloop der zee, z. n. -- Het slaan van een zwaren golf.

Aanloopen, o. w. -- 't Zelfde als Aanvaren.

Aanlijken, b. w. -- Een lijk aan een zeil zetten.

Aanmaken, b. w. -- 1o. Aanzetten, aanhechten, vastmaken, aanslaan:
en meer in gebruik dan dit laatste.

2o. Maken. De Equipaadje was bezig met het A-- van matten.

3o. Handen reppen. Maak wat Aan!

Aannemen, b. w. -- Werven, in dienst nemen. Er is voor dien tocht
vrij wat volk Aangenomen.

Aannemend, b. n. Toenemend. A--e koelte (een wind, die toeneemt).

Aanneming, z. n. v. -- Werving, in-dienst-neming. Er heeft nog geen
A-- van volk plaats gehad.

Aanrakken, o. w. -- De Rakken aanhalen.

Aanranden, b. w. -- Met slechte inzichten overvallen, aanvallen. Wy
werden op die hoogte door roovers Aangerand.

Aanrijgen, b. w. -- Door een koord, draad of lijn verbinden. De
bonnet A--.

Aanslaan, b. w. -- 1o. Zie Aanmaken. Een zeil A-- (het hechten
of aankrammen, aan raas, gaffels of leiders met het lijk daarvoor
bestemd).

2o. Vatten, grijpen. Een vat A--: (er een strop om heen slaan).

Aanslibbing, z. n. v. -- of Aanspoeling. Land, dat op zee gewonnen
wordt.

Aanspoelen, o. w. -- Uit zee naar 't strand gedreven worden. Daar
kwamen vele kisten uit het verongelukte schip A--.

Aanspoeling, z. n. v. -- of Aanslibbing. Land, dat op de zee gewonnen
wordt.

Aanstampen, b. w. -- Vaststampen, stuwen, vast op elkander pakken.

Aanstellen, b. w. -- Een macht- of lastbrief geven. Hy is tot
bevelhebber der onderneming Aangesteld.

Aanstelling, z. n. v. -- 1o. Macht- of lastbrief. Hy heeft zijn A--
als Luitenant, als Tweede Stuurman ontfangen.

2o. De benoeming in dien lastbrief vervat.

Aanvaart, z. n. v. -- Landingsplaats. De plaatsen van Af- en A--
der stoombooten.

Aanvaren, o. en b. w. -- Tegen een schip op eenig voorwerp varende,
stooten. Hy is tegen de kaai Aangevaren. De stoomboot heeft hem
Aangevaren. De schade, door het A-- veroorzaakt, moet vergoed
worden. Zie Aanzeilen.

Aanvaring, z. n. v. -- De daad van het aanvaren.

Aanwenken, o. w. -- Het doen springen der lijfokkebras en het byvieren
der magermans en voorbramboelijn op het kommando van Wenk wat aan voor.

Aanzeilen, o. w. -- Koers houden. Oost of West A--. Hy kwam met geen
vyandelijke inzichten A--.

Aanzeilen, b. w. -- Tegen een ander schip zeilende stooten. In het
Kanaal loopt men dikwijls gevaar van A--. De schade, door het A--
veroorzaakt moet vergoed worden. Zie daarover het Wetb. v. Kooph. II
B. VI Tit. Art. 534-544.

Aanzeiling, z. n. v. -- De daad van Aanzeilen.

Aanzetklos, z. n. m. -- Klos aan 't vooreind van den aanzetstok,
die in 't kanon gestoken wordt.

Aanzetten, b. w. -- Instampen, stampen, een stuk geschut laden.

Aanzetter, z. n. m. -- Stok, aan het eene eind voorzien van een klos,
waarmede de kardoes en de kogel in het stuk geschoven en aangezet
wordt: by kleine stukken is het eene eind van den A-- soms voorzien
van een wisschersbol.

Aap, z. n. m. (veroud). -- Benaming van het bezaanstagzeil.

Aardewind, z. n. m. -- Zie Gangspil.

Abab, z. n. m. -- Benaming van een vrijen Turkschen matroos.

Abandonnement, z. n. m. -- Bastertwoord, dat de Wetgever heeft
verkozen te gebruiken, ofschoon hy daarvoor even gemakkelijk Afstand
of Verlating had kunnen zeggen. Zie Afstand.

Accijnsgoederen, z. n. o. mv. -- Goederen met accijns bezwaard. Zie
Alg. Wet van 26 Aug. 1822, art 3, art. 67-74, art. 78, 144-152.

Achter, bw. -- Door A-- wordt aangeduid wat zich op, of om, of achter
het A-- schip bevindt. Waar is de bootsman? Hy is A-- (op het A--
schip). Wy hebben N. diepgang A--. (De diepgang van het A-- schip
is N.).

Achter af, bw. -- In een verwijderde plaats. A-- brengen: (in de
provoost, in de gevangenis brengen).

Achterbaks, bw. -- Eigentlijk, Achter den Bak. A--houden (terug houden,
verborgen houden). Hy heeft zich A-- gehouden (hy heeft niet voor
den bak durven komen, hy heeft zich schuil gehouden). Doch zie Bak.

Achterdwarstouw, z. n. o. -- Touw, waarmede een schip achter door de
poorten heen kan vastgemaakt worden.

Achtereb, z. n. v. -- Het laatste gedeelte van de eb.

Achterhalen, b. w. -- Inhalen, bereiken. Wy zeilden te goed. Zy konden
ons niet A--.

Achterhiel, z. n. v. -- Hoek van den achtersteven met de kiel. Zie
Hiel.

Achterhoede, z. n. v. -- De Schepen van het derde smaldeel eener vloot,
wanneer de vloot in gewone orde opzeilt. Meer gebruikelijk plach by
ons te zijn Achtertocht. Zie ald.

Achterkasteel, z. n. o. of Schans. -- Achterste gedeelte van het
schip. Het wordt ook genomen voor dat des lichaams.

Achterkiel, z. n. v. -- Hoek van den achtersteven met de kiel, of
hieling van de kiel.

Achterlastig, b. n. -- Zie Stuurlastig.

Achterluik, z. n. o. -- Luik van het achterschip.

Achterlijk, z. n. o. -- Lijk, langs den opstaanden kant van een zeil
naar de zijde van het achterschip.

Achterom, bw. -- Achter het schip om. A-- komen (zich achter een
schip stellen om het te volgen). A-- loopen (zich, uit eerbied voor
een hooger officier, wiens schip men kruist, hem aan den kant van
zijn achtersteven voorbygaan).

Achterop, bw. -- Van achteren. Wy kwamen het schip A--. (Wy haalden
het in).

Achteronder, z. n. o. -- Achterruim. De ruimte, die achter in 't
onderschip is.

Achterpiek, z. n. v. of alleen Piek. -- Achterste schuinte van
het schip.

Spreekwijze: Zijn A-- scheeren voor "zich wegpakken."

Achterplecht, z. n. v. -- Zie Plecht.

Achterruim, z. n. o. -- Zie Achteronder.

Achterschip, z. n. o. -- Dat deel van het schip, 't welk van den
bezaansmast af tot aan het einde toe naar achteren staat. Zie Schip.

Achterslemphout, z. n. o. -- Verzameling van op elkander gestapelde
houten, benoodigd om den hoek te bewaren van den achtersteven met
de kiel.

Achterspant, z. n. v. Zie Spant.

Achtersteven, z. n. m. -- Zwaar en rechtstaand stuk hout, dat, aan
het uiteinde der kiel van een schip opgericht, het sluitstuk van zijn
romp uitmaakt.

Achtertocht, z n. m. of Achterhoede -- Het smaldeel eener vloot,
dat achter aan zeilt, en gewoonlijk door den derden Hoofd-officier
in rang wordt aangevoerd.

Achtertouw, z. n. o. -- Tros of kabeltouw, waarmede men achter aan den
wal gemeerd is of dat men voor verhalen gebruikt om het Achterschip
te bedwingen.

Achteruit, bw. -- Beteekent in de samenstelling, wat zich bevindt
aan de zijde van den achtersteven. Gy moet A--komen: (gy moet by den
Kapitein in de kajuit komen). A-- viktualieruim (het eerste magazijn,
dat zich achter den grooten mast bevindt).

Achteruitzeilen, o. w. -- Achterblijven, de schepen, waarby men
behoort, vooruitzeilen.

Spreekwijze: A-- (achter uit teeren, teruggang ondervinden).

Achtervinkenet, z. n. o. (veroud.) voor Kuildek.--Zie ald.

Achtervloed, z. n. m. of Navloed. -- Het laatste van den Vloed.

Achterwerk, z. n. o. -- Het snijwerk van den achtersteven.

Achterzeilen, z. n. o. mv. -- De zeilen, die tot den grooten en
bezaansmast behooren. De A-- en doen het schip oploeven, de voorzeilen
afvallen.

Adelborst, z. n. m. -- Kadet, eerste graad in de Zeedienst. Het
woord heeft dezelfde beteekenis als Edelknaap: om dat de Adelborsten
oorspronkelijk vrijwilligers van edelen huize waren.

Admiraal, Admiraliteit enz. -- Zie Amiraal, Amiraliteit, enz.

Adviesboot, fregat, jucht. -- Vaartuig, dat berichten of lastgevingen
overbrengt.

Afbakenen, b. w. -- Met merken of tonnen bezetten. Men heeft eindelijk
besloten, die ondiepte Af te Bakenen.

Afbetalen, b. w. -- Betalen en wegzenden. Het schip is opgelegd en
het scheepsvolk is Afbetaald.

Afblazen, b. w. -- De kanonnen A-- (ze met los kruit afschieten om
ze schoon te houden.

Afbrassen, o. w. -- Zie Volbrassen.

Spreekwijze: Hy brast af: (hy schuurt zijn piek).

Afbrengen, o. w. -- Vlot maken. Het schip zat op den bank en het
kostte niet weinig moeite, het er Af te Brengen.

Afbuien, o. w. -- Eindigen met Buien. Het weer Buit Af.

Afdanken, b. w. -- Uit de dienst zenden, naar huis zenden, ontslaan. Al
de manschappen worden Afgedankt.

Afdanking, z. n. v. -- De daad van afdanken. Nu de oorlog een einde
nam had er een algemeene A-- der troepen plaats.

Afdeeling, z. n. v. -- Zie Eskader, Smaldeel.

Afdrijven, o. w. -- Wordt van een vaartuig gezegd, dat door den stroom
wordt mede gevoerd. Met den stroom A--. Met de neer A--. Een schip
doen A--.

Afdwalen, o. w. -- Wordt van een schip gezegd, als het uit zijn koers
of van de vloot afraakt: -- en van een man, als hy vermist wordt. Hy
is Afgedwaald (hy is buiten boord geraakt.)

Afgaand, b. n. -- Vallend. Zie Tij.

Afgetakeld, b. n. -- 1o. Afgetuigd. Zie Aftakelen.

2o. Gehavend. (Dat schip ziet er deerlijk A-- uit).

Spreekwijze: Hy is zeer A-- (hy is mager geworden).

Afgieren, o. w. -- Als men voor anker ligt met een gier van plaats
veranderen.

Afgrond, z. n. m. -- Zie Diepte, Kolk, Maalstroom.

Afgronden, die geen loot kan peylen, noch beworpen, zegt Vondel. Lof
der Zeevaart.

Afhangen, b. w. -- 1o. Uit zijne scharnieren lichten. Het roer A--.

2o. Iemand van zijn wapenen enz. ontdoen. Hangt dien man Af (ontneemt
hem zijn zijdgeweer, enz.)

Afhouden, o. w. -- 1o. Zich ergends van verwijderd houden. Wy moeten
van die kust A-- anders vervallen wy op de zandgronden.--Hadden wy niet
nog in tijds Afgehouden, dan had die brik ons overzeild.--Van den wind
A-- (door de werking der zeilen of van het roer een slag in de rondte
doen) voor den wind A-- (de richting van den wind volgen, zoo dat men
hem den achtersteven toekeert). In eens A-- (wanneer de beweging met
snelheid geschiedt). Gaande weg A-- (wanneer zy langzamerhand plaats
heeft). Door een kontramarsch in elkanders kielwater A--.

2o. Plaats maken. De schepen die den stroom opvaren, moeten naar den
wal A-- om de stroom-afkomende te laten voorbygieren.

Afhouden, b. w. -- Verwijderen: het anker van den boeg A-- (ten einde
schuring te voorkomen). Als een touw, ketting of kabelaring om een
spil gewonden wordt, zijn er menschen, die de afgewonden part stijf
houden en terughalen, dat men A-- noemt.

Afkeuren, b. w. -- Ongeschikt, onbruikbaar verklaren. Dat schip werd
Afgekeurd (het werd geöordeeld, niet langer zee te kunnen bouwen:
het kreeg den bijl voor den kop.)

Afknijpen, b. w. -- t. w. de loef, wordt van uw schip gezegd, wanneer
het een ander de loef afwint.

Afkomen, o. w. (Op iemand). Dat schip Kwam op ons Af (naderde ons
schip.)

Afleggen, b. w. -- Zich verwijderen. Wy moeten van het land A--
(versta: het roer).

Afloopen, o. w. -- 1o. Van stapel loopen. Zie Stapel.

Spreekwijze: Hoe zal dat A--? Dat Loopt goed Af. (Wat zal de uitslag
zijn? Die uitkomst is voorspoedig). Het A-- van een schip is namelijk
altijd een hachlijke zaak, aan het goed slagen waarvan vrij wat
gelegen is.

Het wel A-- van het scheepjen is van ouds her de dronk, aan een
vrouw toegebracht, die zich in gezegende omstandigheden bevindt. De
spreekwijze behoeft geen opheldering.

2o. Afzakken, zich met den wind verwijderen. Voor den wind A--.

Afloopen, b. w. -- De uitdrukking een schip A-- wordt wel gebezigd,
als het scheepvolk zich oproerig toont.

Aflossen, b. w. -- Verpozen, ontslaan en de plaats of taak innemen
van den ontslagene. De wacht A--.

Afnemen, o. w. -- Wordt de maan gezegd te doen, wanneer zy vol is
geweest en haar omtrek schijnbaar vermindert.

Afpassen, b. w. -- Gereed maken, bepalen. Een bestek A-- (een bestek
zetten).

Afraken, o. w. -- Zich verwijderen. Na een langen strijd Raakten de
beide schepen van elkander Af.--Wy moeten ons best doen, dat wy van
die kust A--.

Afreizen, o. w. -- Heenreizen, uitzeilen.

Afschaken, b. w. -- Bot geven, vieren. Een touw A-- (wanneer men
het vasthoudt, het vieren om het gemakkelijker door een blok te
laten glijden).

Afschepen, b. w. -- Met een schip wegzenden. Goederen naar Engeland
A--.

Spreekwijze: Iemand A-- (zich van iemand ontslaan, iemand met een
kluitjen in 't riet sturen).

Afscheper, z. n. m. -- Bevrachter.

Afslaan, b. w. -- 1o. Afweeren. 't Gelukte hun, des vyands eersten
aanval Af te Slaan.

2o. Strijken, wegnemen, bergen, het tegenovergestelde van ophijschen,
bijzetten. De zeilen A--.

Afslaan, o. w. -- Met geweld afraken. Hy is van zijn anker Afgeslagen.

Afslechten, b. w. -- Verdunnen, b. v. een stuk hout.

Afslechten, o. w. -- Bedaren. De zee slecht af (wordt stiller,
effener).

Afsluitingdeelen, z. n. o. mv. -- De deelen van een schip, die bestemd
zijn om het Af te sluiten en waterdicht te houden.

Afsnijden, b. w. -- Een schip: het in zijn koers hinderen, of beletten
dat het zich begeve waar het wil. Een schip van den wal A-- (zich
tusschen den wal en het schip plaatsen. Een schip den terugtocht A--
(zich zoo te plaatsen, dat het niet ontwijken kan). Een Afgesneden
schip. (Een schip, dat door de beweging des vyands zoodanig van de
vloot waar het toe behoort gescheiden is, dat het zich daarmede niet
kan hereenigen.)

Afstand, z. n. m. -- 1o. De betrekking, waarin zich eenig voorwerp tot
een ander bevindt ten opzichte van de plaats waar zy zijn. Op verren
A-- zijn. Dat schip ligt op een A-- van twee mijlen.--Op den bepaalden
A-- van zijn voorman blijven. Maans A--. De A-- der maan van de zon,
planeten en vaste sterren. Het observeeren der A--en dient tot het
vinden der lengte op zee en vereischt byzondere bekwaamheid.

Spreekwijze: Hy neemt een goeden A-- (hy is een goed waarnemer of
observateur).

2o. Of verlating. De daad van iets af te staan. Hy heeft A--
van dat schip gedaan aan de Assuradeurs ('twelk geschieden kan
behoudens de bepalingen voorkomende in het Wetb. van Kooph. Boek II,
Tit. IX. Afd. V. Art. 663-680.

Afsteken, o. w. -- Zich in een licht vaartuig verwijderen. Met de
sloep A--.

Afsteken, b. w. -- Afwinnen. Iemand de loef A--. Zie Loef.

Afstooten, b. w. -- Terugstooten.

Aftakelen, b. w. -- Onttuigen, aftuigen. Een schip A-- (van zijn
takelaadje ontdoen). Zie Afgetakeld.

Aftocht, z. n. m. -- Terugtocht, meestal zoodanig een die gedwongen
is. De vyandelijke vloot tot den A-- dwingen:--Den A-- slaan (door
trommelslag het sein tot den A-- geven).

Aftonnen, b. w. -- Een vaarwater geheel van Tonnen voorzien. Men
mocht die baai wel A--.

Aftuigen, b. w. w. -- De tuigaadje afnemen, onttuigen, onttakelen. Een
schip A-- (van zijn tuig ontdoen.)

Afvaart, z. n. v. -- Vertrek van een schip of boot. De A-- van den
beurtman. De Aan- en A-- der stoombooten.

Afvallen, o. w. -- 1o. Wordt van een schip gezegd, als het door
tegenwind omzwenkt. Het schip Valt Af. Over bakboord, over stuurboord
A--.

2o. Ter zijde af wegzeilen, en met of tegen dank niet zoo dicht als
doenlijk by-de-wind houden.

Afvieren, b. w. -- Een touw laten schieten. Lus van een touwgeer
afschrikken.

Afvalling, z. n. v. -- Hieling, achterdeel der kiel, het stuk dat
wegvalt by 't afloopen.

Afvaren, o. w. -- Van de legplaats vertrekken. De schuit Vaart Af. Het
uur van A-- heeft geslagen. Afgevaren breedte (de breedte waarvan
men is afgevaren).

Spreekwijze: 't Bestek zetten naar de afgevaren breedte (van een vast
punt uitgaan).

Afwaaien, onp. w. -- Onophoudelijk waaien. Het heeft in deze laatste
dagen al schoon wat Afgewaaid.

Spreekwijze: van den wal Afgewaaid (niet tot zijn oogmerk gekomen).

Afwenden, o. w. -- Als men by-de-wind zeilende in den wal ligt,
er over den anderen boeg uitzeilen.

Spreekwijze: Tegen de nacht van den wal afwenden (tijdig voorzorgen
nemen).

Afwerken, o. w. -- Tegen wind of stroom A--, d. i. zwaar naar binnen
komen, uit zee doorlaveeren, op een rivier door het uitbrengen van
trossen, ook, by stilte, doorboegseeren.

Afwerpen, b. w. -- 1o. Schielijk en onverwacht ergends van daan zeilen
(veroud.). Afgeworpen worden heeft by het enteren dezelfde beteekenis
als afgeslagen worden by een beleg.

Afwinnen, b. w. -- Van iemand winnen. Ik heb het hem in snelheid
Afgewonnen. Iemand de loef A--. Zie Loef.

Afwijken, o. w. -- 1o. Scheuren, gapen: worden b. v. planken gezegd
te doen, als de naden zich uitzetten.

2o. Zich verwijderen. De magneetnaald Wijkt Af. (Zy verwijdert zich
van het ware Noord.)

3o. Met een werpanker, dat men met een sloep of boot uitbrengt, het
schip verhalen; b. v. als men met een schip in de nabyheid van klippen,
banken als andersins geänkerd is en men kans heeft met zwaaien of
wat harden wind er op te raken, als men met stilte niet verzeilen
kan of er geen plaats is om onder zeil te komen en het schip elders
ten anker te brengen, dan geschiedt dit met behulp van een werp.

Afwijking, z. n. v. Deklinatie. -- Miswijzing van de kompassen.

Afzakken, b. w. -- Afdrijven b. v. een stroom. Het was een fraai
schouwspel, die vloot de rivier te zien A--.

Spreekwijze: Hy is Afgezakt (hy is zonder gerucht heengegaan).

Afzakkertjes, z. n. o. -- Dronk, dien men by 't heengaan, of om de
spijs te doen zakken, gebruikt.

Afzeilen, o. w. -- De haven verlaten. Er zijn met dien wind vele
schepen afgezeild.

Afzeilen, b. w. -- Dat schip kan veel wind A-- (veel wind verdragen).

Afzenden, b. w. -- Heenzenden, verwijderen. Een schip van de vloot
A--. Goederen A--.

Spreekwijze: De volle laag A--, d. i. al het geschut te gelijk afvuren
(al zijn kracht op eens aanwenden).

Afzender, z. n. m. -- Hy, die een lading, of goederen heeft Afgezonden.

Afzetten, o. w. -- Zich afstooten. Ook: voor 't stooten vrij houden. Wy
moesten van den wal A--; Zet Af! (komm.).

Akerkloot, z. n. m. -- (Veroud.) Eikelvormige kogel: heet nu
druivetros, en bestaat uit kleinere kogels, op een ronde schijf
opgehoopt en in zeildoek gebonden, waarvan het geheel den vorm heeft
van een aker of druivetros.


    Kardoezen, akerkloots, mammierings en kardeelen.

                                        Antonides, Ystroom.


Aletta, z. n. v. -- Windveringen of galeiwolf. Verlenging van het
boeghout op den achtersteven der Levantijnsche vaartuigen.

Allarm, z. n. o. -- 1o. Wapenkreet, van 't Ital. All'arme, "te
wapen." A-- blazen. Valsch, loos A--. Aan boord der Nederlandsche
oorlogschepen slaat de tamboer op zijn trom A--, waarop ieder naar de
hem aangewezen plaats in de geschuts- en gevechtsrolle gaat en zorgt,
dat alles op die plaats tot het gevecht gereed zij.

2o. Oploop, beweging, misbaar, by het ontstaan van onraad of
gevaar. Een geweldig A-- verwekken.

Allarmrol, z. n. v. -- Verdeeling van de Equipaadje in geval van
gevecht.

Alle zeilen byzetten, byhouden. -- Zie Byzetten, Zeil.

Alles tot een gevecht klaar maken. Een gedeelte der kooien afnemen
en naar de brassen brengen om tot verschansingen in te richten en
tevens tot dekking van de talrepen der wanten, de schotten tusschen de
vertrekken enz. wegnemen, alles uit den weg ruimen wat aan de vrije
beweging der strijdenden hinderlijk zoû kunnen, zijn, de pompen,
brandspuiten, grondschotproppen, stoppers, putsen, het slagverband
klaar maken, wapens uitdeelen en ieder op zijn aangewezen plaats.

Alles wel! 1o. Gewone begroeting, welke de schepelingen van twee
elkander praaiende vaartuigen elkander toevoegen, en die zoo wel een
vraag als een antwoord in zich sluit.

2o. Roep van de uitkijk voor op de bak, op de fokke- en marsenra by
het slaan der halfuursglazen. Wanneer er van het halfdek door den
wachthebbenden Officier gepraaid wordt: "wel uitkijker voor!" moet
deze, om te toonen dat hy niet slaapt, dit beantwoorden met A-- W--!

Alles wel aan boord. -- Gewone uitdrukking om te berichten, dat op een
vaartuig, 't welk zich op reis bevindt, noch ziekte noch belangrijke
avery hebben plaats gehad.

Almadie, z. n. v. of Kathurie. -- Soort van vaartuig, in Indiën en
op de kust van Guinea in gebruik. Het heeft een zeer fijnen romp, aan
beide einden in een punt uitloopende, en een vierkante verschansing.

Aming, z. n. v. (veroud.) -- Hoogte van 't schip boven 't water.

Amiraal, Ammiraal of Admiraal, (welke laatste schrijfwijze door
misbruik en navolging der Engelschen is ingeslopen, als zijnde
het woord afkomstig van Emir, dat Opperhoofd beduidt), z. n. m. --
Vlootvoogd. Vroeger had men by ons te lande:

Een A-- Generaal, welke waardigheid achtereenvolgends door de
Stadhouders van Holland is bekleed geworden.

Een Luitenant A-- Generaal, hoedanig de zeehelden Marten
Harpertz. Tromp, Michiel Adriaansz. de Ruyter, Kornelis Tromp,
achtereenvolgends zijn geweest.

Luitenant A--en en Vice-A--en van de onderscheidene Amiraliteiten,
door welke zy benoemd werden. Zie Amiraliteit.

Sints de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden, worden,
ingevolge de Grondwet, de Amiralen, even als alle andere Officieren,
door den Koning benoemd.

De benaming A-- wordt by onze schrijvers ook gebezigd om den
bevelvoerder van eenig afzonderlijk smaldeel aan te duiden. Zoo zeide
men b. v. De Kapitein A voerde als A-- den middeltocht aan, de Kapitein
B als Vice-A-- den voortocht en de Kapitein C, als Schout-by-Nacht,
den achtertocht.

Spreekwijze: De A-- heeft geschoten. (De gastheer heeft zijn glas
opgenomen en daardoor het sein gegeven.) Elken avond gaat aan boord
van het Amiraalschip het wachtschot; dan moeten licht, vuur en pijpen
uit, en de nachtwacht begint. Evenzoo luidt elken morgen het dagschot
en ieder moet de kooi uit. Ook in een gevecht geeft het Amiraalschip
het sein om te beginnen.

Amiraal, z. n. m. -- Zeildoeksche slagputs om water te hijschen by
't schoon schip maken.

Amiraalschap, z. n. v. (veroud.) -- Het verdrag, dat onder een vloot
schepen gemaakt werd, wie het opperbevel zal voeren, en naar welk
verdrag ieder zich in der tijd had te gedragen.

Amiraalschip, z. n. o -- Schip, dat den Amiraal aan boord heeft
of verwacht.

Amiraalsvlag, z. n. v. -- Vlag, welke de Amiraal laat waaien, en
waaraan men weten kan, op welk schip hy zijn verblijf houdt.

Amiraalzeilen, o. w. -- Hardzeilery met kleine vaartuigen, hoedanig
van ouds o. a. op den Aemstel plach te geschieden.

Amiraliteit, z. n. o. -- Kollegie, dat het opperbewind plach te
hebben over zeezaken. Onder de Republiek had men hier te lande vijf
zoodanige Kollegiën, t. w. de A-- van de Maas, van Texel, van Zeeland,
van Friesland en van het Noorder kwartier.

Ammunitie, z. n. v. -- Zie Krijgsvoorraad.

Amplitudo, z. n. v. -- De streek van den op- en ondergang der
hemellichamen, van het ware Oosten of Westen gerekend.

Anker, z. n. o. -- IJzeren werktuig met dubbelen weêrhaak, dat,
uitgeworpen wordende, zich in den bodem der zee vastklemt en het schip,
waaraan het is vastgehecht, belet weg te drijven. Als zware A--s heeft
men aan boord der schepen: het Daagsch A--: het Boeg A--, het Tui A--
en het Plecht A--, soms nog het Nood A--; als lichte A--s: het Stop-
en de Werp A--s.--Het A-- voor den boeg vieren (het gereed stellen als
men ankeren wil). Het A-- werpen, ten A-- komen, het A-- uitbrengen,
laten vallen (het in zee laten zakken). Het A-- gaat door, laat los
(het krast over den grond). Het A-- doen doordringen. (Het uitgeworpen
A-- al varende over den bodem van het water laten slepen, 't welk
geschiedt wanneer men, door snel stroomende rivieren varende, by het
ontmoeten van een ondiepte, onmiddelijk kan ten anker komen). Het A--
staat stagswijze (de ketting van het A-- staat evenwijdig met het
fokkestag). Het A-- katten, verkatten. (Een werp-A-- op een zwaar A--
zetten, om het doordreggen te beletten.) Het A-- kippen. (De bezorging
van 't A-- na 't katten: de hand van 't A-- over boord halen.) Het A--
lichten (uit het water ophalen). Het A-- is klaar (als het gezien is by
't ophalen en recht naar boven komt). Onklaar A-- (als het in het touw
of op andere wijze verward is. Hy is gezien! (het A-- is gezien by 't
uit het water komen.) Het A-- is recht op en neder! (wordt geroepen,
wanneer de ketting by 't ophalen recht op en neder staat). A-- is
voor (het is opgehaald en voor aan den boeg). Het A-- vrij houden (te
beletten, dat het tegen boeg of boord aanslaat). Het A-- t'huis halen
(het naar boord winden). Het A-- opkatten (het in den ring met het
katsblok onder den kroonbalk hijschen). Het A-- laten slippen (een boei
op het eind van het touw steken en dat de kluis doen uitloopen.) Het
A-- visschen (naar een verloren A-- zoeken en ophalen). Het A--
kappen (het touw kappen, waar het A-- aan vast zit). Het A-- is blind
(zonder boei, zoodat men niet zien kan waar het is).

Spreekwijzen: Hy is het A-- mijner hoop (hy is de man waar ik op
steun). Men weet dat het A-- het zinnebeeld is der hoop.

Van zijn neus een A-- maken (niet verder willen zien dan zijn neus
lang is).

Hy is zoo vet als een Spaansch A-- (hy is zoo mager als een hout).

Op een A-- te land komen (tegen alle verwachting te recht komen).

De kat op het A-- zetten (zijn koetjens op 't droog zetten--omdat
een gekat A-- dubbel zeker ligt). Ook wel: (een vast besluit nemen).

Het A-- lichten (vertrekken, zich verwijderen).

Ergends zijn A-- laten vallen (Ergends zijn intrek nemen).

Het A-- is doorgegaan (de grond is hem ontzonken).

Hy slacht de A--s, die altijd te water gaan en nooit leeren zwemmen
(hy komt nooit voort, hoe gunstig de gelegenheid ook zij).

Zijn A-- houdt niet (wordt van een klaplooper gezegd, die weggestuurd
wordt).

Hy moet zijn A-- kappen (hy moet overhaast de vlucht nemen).

Hy ligt voor zijn laatste A-- (het is slecht met hem gesteld).

Hy ligt voor twee A--s (hy heeft dubbele hulp).

Hy heeft klaar A-- (hy heeft vasten steun in zijn zaak).

Ankeraadje, z. n. v. -- Oude benaming voor het geld, dat men aan de
havenmeesters verschuldigd was voor het werpen van de ankers.

Ankerarmen, z. n. m., mv. -- Armen van het anker: de gedeelten,
welke van onderen, aan beide zijden van de schacht zich boogswijze
verheffen en aan hun uiteinde van een weêrhaak zijn voorzien.

Ankerbedding, z. n. v. -- De plaats waar het anker vastzit. Een
bekwame A--.

Ankerbladen, z. n. o., mv. -- De driehoekige bladen of lepels aan
het uiteinde der armen van het anker.

Ankerbrug, z. n. v. -- Uittimmering tegen den boeg, over welke de
hand van het anker wordt opgehaald.

Ankeren, o. w. -- Het anker laten vallen, ten anker komen.

Spreekwijze: Ergends geänkerd zijn (zich ergends bevinden, waar men
zich niet gemakkelijk van daan laat brengen).

Ankergrond, z. n. m. -- Grond, tot ankeren geschikt. Wy vonden hier
een goeden A--.


    De minste vlieten zijn bequaem tot ankergronden.

                                        Antonides, Ystroom.


Ankerhals, z. n. v. -- De plaats waar de ankerstok door de schacht
gaat, of omgekeerd.

Ankerhanden. Hetzelfde als Ankerbladen. Zie aldaar.

Ankerkip, z. n. v. -- Balk of stut waarover het kiptakel heen loopt.

Ankerkruis, z. n. o. -- Kruis van het anker en plaats waar de armen
van het anker zich met de schacht vereenigen.

Ankermoeren, z. n. o., mv. -- Zie Ankerneuten.

Ankerneuten, z. n. v., mv. -- Koppen of moeren. Verdikking van de
schacht, daar waar de stok door heen gaat.

Ankeroog, z. n. o. -- Oog van het anker; gat in de schacht, waar de
ring door heen gaat.

Ankerpeiling, z. n. v. -- Het bepalen door middel eener kruispeiling,
waar het anker ligt.

Ankerplaats, z. n. v. -- Plaats, waar een schip ten anker ligt. Wy
vonden hier een veilige A--.

Ankerpunt, z. n. v. -- Punt of bek van het ankerblad.

Ankerring, z. n. m. -- Ring boven het anker, door welken het kabeltouw
wordt heengestoken.

Ankerroering, z. n. v. -- Touw en zeildoek, ter bekleeding van den
ankerring, dienende om het stukscheuren van het touw te beletten.

Ankerschacht, Ankerstuk, Ankerroede, z. n. v. -- De ijzeren staaf,
die het lichaam van het anker vormt.

Ankerschoen, z. n. m. -- Een hout, dat onder de hand van een anker
gebracht wordt, by vervoer of verplaatsing.

Ankersmedery, z. n. v. -- Werkplaats, waar ankers vervaardigd worden.

Ankersmid, z. n. m. -- Werkbaas of werkman, die ankers smeedt.


    Het ankersmeden zich aenmeten de Tyrrhenen.

                                    Vondel, Lof der Zeevaert.


Ankersteek, z. n. m. -- Wijze van het touw op het anker te bevestigen.

Ankerstok, z. n. m. -- Stok, uit twee deelen zamengesteld, en die
achter by de neut van het anker gebezigd wordt om de armen beter in
den grond te doen vatten.

Spreekwijze: Hy is zoo vet als een A-- (zoo mager als een hout).

Ankerstokbouten, z. n. m., mv. -- Bouten, waardoor het verschuiven
van den ankerstok in de schacht belet wordt.

Ankerstokband, z. n. m. -- IJzeren band, dienende om de twee deelen
van den ankerstok te verbinden.

Ankertalie, z. n. v. veroud. (Zie Pentertalie, Kat).

Ankertouw, z. n. o. -- Kabel, waaraan het anker vastzit.

Ankervoering, z. n. v. -- IJzeren bekleedsel der ankerbrug, om deze
van beschadiging vrij te waren.

Antwoorden, o. w. -- Antwoord geven. Wanneer men een schip ontmoet,
hijscht men de vlag, en dan wordt dat schip, door zijn vlag te
vertoonen, gezegd te A--. In eigen spraak A-- (schieten op wie eerst
geschoten heeft).

Apostels-, z. n. m., mv. of Judas-ooren. -- Opstaande houten, die de
eerste verbreeding van den voorsteven uitmaken.

Appointé, z. n. m. -- In oorlogstijd werden soms twee kapiteins op
hetzelfde schip geplaatst; doch de een was kommandant, de andere werd
genaamd A--. Zoo noemde men ook wel een officier, die tot een andere
equipaadje behoorde.

Spreekwijze: Hy vaart als A-- (hy is een leêglooper, een dagdief).

Arbeid, z. n. m., Werk. -- Aan den A--! (komm.). Zie Zorren.

Arbeiden, o. w. (veroud.) -- Een schip wordt gezegd in zee te A--
als het veel slingert of rolt.

Archipel, z. n. m. -- Eilandszee. De Grieksche A--, de eilanden van
den Indischen A--.

Ark, z. n. v. -- Soort van keg, die in de nagels geslagen wordt.

Arm, z. n. m. -- Palm, klaauw, tak, slinker, nok, handvatsel:
uitstekend of uitspringend end, balk, staaf of bocht, voornamelijk
zoodanige, als dienen om iets aan te vatten of te hanteeren. De A--
van een knie, de A-- van een Anker (zie Ankerarm), enz.

Artikelbrieven, z. n. m., mv. (veroud.) -- Verzameling van reglementen
en ordonnantiën op het zeewezen.

As, z. n. v. -- Spil, waar eenig voorwerp om heen draait.

Assuradeur, Assurantie, Assureeren, enz. -- Zie Verzekeraar,
Verzekering, enz.

Astragaal, z. n. v. of Kamerband. -- Ring of band tot verzekering
van een stuk geschut.

Atlantische zee, z. n. v. -- Zie Oceaan.

Atlas, z. n. m. -- Gebruikelijke naam voor verzameling van
waereldkaarten. Een Zee-A-- (die alleen zeekaarten bevat). Een Hand-A--
(dien men gemakkelijk hanteeren kan). Een Zak-A-- (dien men by zich
steken kan).

Avary, avery of havery, van 't Ital. Avaria. -- Zeeschade, op wat wijze
ook te weeg gebracht. Volgens Art. 696 van het Wetb. van Kooph. worden
onder A-- begrepen alle buitengewone onkosten, ten dienste van
het schip en de goederen, gezamentlijk of afzonderlijk gemaakt;
alle schade, die aan het schip en de goederen overkomt gedurende de
tijdruimte by het II Boek, Tit. IX, afd. III deszelfden Wetb. ten
aanzien van het beginnen en eindigen des gevaars bepaald. Voorts stelt
Art. 698 twee soorten van A--, als A-- gros, die over het schip,
de vrachtpenningen en de lading wordt omgeslagen, en Eenvoudige
of Byzondere A--, die ten laste komt van het schip of van het goed
afzonderlijk, 't welk de schade geleden of de onkosten veroorzaakt
heeft. Wat verder tot dit onderwerp betrekking heeft wordt in het II
Boek, XI Tit. Afd. I en II van gezegd Wetb., Art. 696-740, behandeld.

Spreekwijze: daar is A-- (daar is schade geleden); doch daar-en-tegen:
daar zal A-- vallen (daar zal voordeel vallen), 't welk niet te
verwonderen is; naardien schippers by zulke gelegenheden doorgaands hun
rekening wel zoo weten op te maken, dat zy er niet by te kort komen.

Avegaar, z. n. m. -- Soort van boor, waar groote gaten mede geboord,
en die met twee handen moet omgedraaid worden.

Spreekwijze: Iemand met een A-- door den neus boren (iemand grovelijk
bedriegen).

Avontuur (op), bijw. -- Zonder bepaalde bestemming, op goed geluk. Op
A-- zeilen (zich op zee begeven, zonder bepaald te weten waar, of
welke vracht men bekomen zal).

Axiometer, z. n. m., of Verklikker. -- Een wijzer op een plaat,
die tegen het stuurrad geplaatst is, welke wijzer aanduidt hoe de
roerpen ligt, zoodat de roerganger den wachthebbenden Officier op
dat punt nimmer misleiden kan.

Azimuth, z. n. o. -- De streek, waarin zich een hemellichaam
bevindt van het Noorden naar het Zuiden. By de op- en ondergang
der hemellichamen is het A-- dier hemellichamen het komplement der
Amplitudo.







B.


Baai, z. n. v. -- Zeeboezem, inham van de zee in het land, doorgaands
van binnen breeder dan aan haar opening. De B-- van Napels enz.

Baaitjen, z. n. o. -- Verkleinwoord van baai (wollen stof),
oorspronkelijk gebezigd om het wollen buisjen, de gewone kleederdracht
der matrozen, aan te duiden, en, by toepassing, de gebruikelijke
benaming van alle bovenkleeding van 't zeevolk.

Spreekwijze: Op zijn B-- krijgen (slagen krijgen). Zy hebben op hun
B-- gehad (Zy hebben de nederlaag geleden).

Baaivanger, z. n. m. -- Oorspronkelijk een wolkvanger van Baai. (zie
Wolkvanger) en overdrachtelijk gebezigd voor den zeeman, die hem
aantrekt. Van daar, omdat de matrozen aan wal liefhebbers van zwieren
zijn, en het daarby ruw toegaat, een zwierbol: Hy is een rechte B--
(een doordraaier). Men placht ook den naam van B-- aan een hooggetuigd
schip te geven.

Baak, n. v., of Baken -- is elk teeken, dat aan Loods of Schipper
het vaarwater aanwijst. Het wordt ook voor kustlicht genomen. Zie ald.

Spreekwijzen: Een schip (of wrak) op strand, een B-- (of Baken) in
zee (de ramp of het ongeval, den eenen overkomen, is den anderen tot
waarschuwing): omdat een schip, dat gestrand is, of vastzit, bewijst,
dat te dier plaatse zich een ondiepte bevindt, en dus de Schippers,
die voorbyzeilen, waarschuwt af te houden. Zie Cats Zinnebeelden.


      Te louver, man te roer, te louver, lieve maet!
      Kijck, hoe het met schip van onzen buerman staet.
    Het sit daer op een sant, gegeesselt van de stroomen:
    En daer en is geen hulp, hoe fier de gasten bomen.
      Dus soo er nu een wint komt dringen nae de wal,
      't Is seker dat de kiel in stucken bersten sal.
    Ghy sie dan naerstigh toe en let op uwe saken,
    Een schip op 't droogh gestelt dat is een seker baken,
      En 't is naer mijn begrip geen onvoorsichtig man,
      Die op eens anders seyl de syne toomen kan.


De Baken komen uit (men kan geruster doorgaan) omdat, wanneer de baken
"uitkomen", of zich duidelijk vertoonen, het schip gerust zijn weg
vervolgen kan.

Als het tij (of de stroom) verloopt, moet men de Bakens verzetten
(by veranderde omstandigheden moeten andere maatregelen genomen
worden). Dit verzetten van bakens is daarom noodzakelijk, omdat de
verandering van het tij (de beweging van op- en afloopend water)
ten gevolge heeft, dat de bevaarbare stroom zich, door aanvoer van
zand of slijk, verplaatst, en, wat vroeger diepte was, nu ondiepte
wordt. Geestig wordt dit uitgedrukt door Cats:


    Sie, waer ik heden stae, daer speelden eens de baren.
    Daer quamen alle daegh de schepen ingevaren;
      Daer sag men menig hulck, die met syn vollen last
      Quam stuyven uit de zee, de vlaggen op de mast.
    Nu is hier enkel sant en niet dan drooge platen,
    Van slibber overgroeyt en van den vloet verlaten;
      Waer eertijds was de kolck is maer een enge sloot
      Men siet er niet één schip, men siet er niet één boot.


Vuur aan wal, altijd geen B-- (schijn bedriegt).

Baal, z. n. v. -- Zak, die overal is dichtgenaaid. Een B-- rijst,
een B-- koffy.

Baar, z. n. v. -- Zeebaar of golf, is eene dier oneffenheden of ruggen,
welke zich boven het woelende water vertoonen en door wind of stroom
gevormd worden. De wentelende B--en en Door de B--en overstelpt zijn.


    Wat toren is zoo hoog, van waar mijn oogh de baren
    Der zee kan overzien van al mijn wedervaren.


zegt Badeloch by Vondel.

Spreekwijze: Geen B-- (ook wel golf of zee) komt hem te hoog (of te na)
(niets kan hem schaden).

Hy meent dat hem geen Baren te hoog kunnen gaan (dat hy voor niemand te
wijken of te zwichten heeft). Zoo schrijft Hooft, "dat de Bondgenooten,
wanende, dat hun geene zee te hoog mogte gaan, zich onderwonden met een
nieuwe en ongelooflijke vermetelheid, een koningsgedeelte te vergen."

Baar, z. n. v. -- 't Fr. barre, in zijn verschillende beteekenissen
van: 1o. staaf; 2o. bank, rug in zee; 3o. dwarsbalk (in de wapenkunde).

Baar, z. n. m. -- Zoo wordt een nieuwling aan boord genoemd. 't
Woord schijnt van Maleischen oorsprong, in welke taal Baro
"vreemdeling, nieuw aangekomene" beteekent: Zoo heet het logement
voor nieuwaangekomenen: roema baro het kantoor der O. I. Kompagnie:
kantor-baro.

Baarhaven, z. n. v. -- Haven, die door een baar of bank wordt
afgesloten.

Baarsch, b. n. -- Onnoozel, dom: Een B--e streek (een domme streek).

Baartse, z. n. v. -- Een soort van oorlogschip, by onze voorouders in
gebruik. In den Gelderschen krijg werd in 1518 by die van Hoorn en de
omliggende dorpen, ter bevestiging der kust, een groote B-- gebouwd,
die zeer hoog getuigd was en boven alle andere schepen uitstak. Zy
kon met riemen geroeid worden, was licht in evenredigheid met haar
grootte en voerde veel zeil.--De Schutteryen van "de Voetboghe" en
van "de Handboghe" te Amsterdam moesten oudtijds, en ter vergelding
der hun in 1480 afgestane visschery in "'t gouden water" (de Binnen-
en Buiten Amstel zoo ver Stadsvrijheid strekte) onderhouden twee
bairdzen met hetgeen er toe behoorde ter dienste der stad. Zie den
giftbrief by Wagenaar, Amsterdam, VI D. II Boek, bylage A.

Baas, z. n. m. -- Meester, opperhoofd B-- van een werf; TimmermansB--.

Baggeren, b. w. -- Modder ophalen, modder visschen.

Baggernet, z. n. o. -- Net, waarmede gebaggerd wordt.

Baggerschuit, z. n. v. -- Schuit, waarmede gebaggerd wordt.

Bagijnbras, z. n. m. -- Bras van de Bagijnra: zie ald.

Bagijnra, z. n. v. -- De onderste Ra aan den bezaansmast. De naam van
Bagijn is vermoedelijk aan die Ra gegeven, omdat zy geen zeil draagt
en alleen dient om het bovenwerk in te houden. Zoo worden runderen,
die horenloos zijn, bagijnen genoemd.

Bagijnzeil, z. n. o. -- Zeil, dat tegenwoordig op vele nieuwe schepen
aan de Bagijnra gevoerd wordt.

Baidar, z. n. m. -- Met leder bekleede Schuit, by de Kamschadalen
in gebruik.

Bak, z. n. m.-- 1o. Het voorste bovendek, voor den fokkemast.

2o. Eetbak, schaftplaats, balie.

3o. Scheepsafdeeling. De Equipaadje is afgedeeld in B--ken, als
BootsmansB-- SchiemansB-- KonstapelsB-- MatrozenB--, volgends Bakrol.

Spreekwijze: Iets achterbaks houden. (iets in zijn kist houden)
verbergen, er niet mede voor den dag komen. De kist van den Baksmeester
staat achter de Bakskist: hy heeft de keus by de rantsoenverdeeling
en bergt het zijne in de kist: welk aandeel alzoo niet ter tafel
gebracht wordt, niet aan den Bak komt.

Zie Achterbaks, waar een andere verklaring van het woord voorkomt,
zonder dat ik beslissen wil, welke de ware zij.

Bakbeest, z. n. o. -- Bynaam, dien men aan de zware ankers geeft. Van
daar ook toegepast op elk lomp, onbehabbeld voorwerp.

Bakboord, z. n. o. -- De linkerzijde van 't schip, wanneer men van den
achtersteven ziet. Zy draagt den naam van B--, volgends sommigen, om
dat aan die zijde de Bak of Balie plach gezet te worden als men visch
of vleesch weekte of ververschte;--volgends anderen, omdat de Stuurman,
op kleine vaartuigen, wanneer hy aan het roer stond, zijn bak met eten
aan de linkerzijde zette, ten einde de rechterhand vrij te hebben om
het roer te regeeren; waarom dan ook de rechterzijde Stuurboord genoemd
wordt. Volgends een derde, en misschien de eenvoudigste verklaring,
zoude de oorsprong dezer benaming te zoeken zijn in den tijd der eerste
uitrustingen, toen de stuurlieden, onderofficieren en roergangers ter
rechterzijde in zeildoeksche hutten, en de matroozen ter linkerzijde,
in bakken afgedeeld, logeerden. B-- aanbrassen (De brassen aan B--
aanhalen) Aan B-- overgehaald zijn, liggen. Een eiland aan B--
laten. Niet over B-- gieren. B-- vieren! Aan B-- het roer! B-- wat
(hoû het roer een weinig naar B-- zijde) Haal op aan B-- (haal, roei,
beter, harder aan B--).

Spreekwijze: Iemand van B-- naar Stuurboord zenden: (iemand om een
beuzeling heen en weder sturen).

Bakboordsbrassen, z. n. m. mv. -- De touwen, die aan Bakboordzijde
bestemd zijn tot het omhalen der raas.

Bakboordshalzen, z. n. m. mv. -- De halzen aan Bakboord. B--
toe! (komm.)

Bakboordsquartier, z. n. o. -- Zie Bakboordswacht.

Bakboordswacht, z. n. v. -- of Bakboordsquartier. Die helft van de
manschap, welke aan Bakboord huist.

Baken, z. n. o. -- Zie Baak. In 't Fr. D. wordt bakon reeds als
lichtend teeken, en wel voor de Ster der Oostersche wijzen, gebruikt.

Bakenen, b. w. -- Met Bakens bezetten.

Bakening of Bebakening, z. n. v. -- Het zetten van Bakens.

Bakengeld, z. n. o. -- Geld, dat door de Zeevarenden betaald moet
worden tot goedmaking der kosten van afbakening.

Bakliggen, o. w. -- Tegenliggen, wordt van een schip gezegd, wanneer
zijn zeilen de werking van den wind van voren ondervinden.

Baksen, o. w. -- Een stuk van achteren omzetten, rechts of links
by het pointeeren. Zooveel mogelijk vooruit B-- (Het geschut zoo
schuins mogelijk op een vluchtend schip uit de geschutpoorten van
den voorsteven, op een vervolgend schip uit de achterpoorten, richten).

Baksgast, z. n. m. -- Ieder matroos noemt al wie met hem aan denzelfden
Bak schaft, zijn B--, in den zin van Baksmaat.

Baksjongen, z. n. m. -- Hy die het eten aanbrengt en den kok helpt:
Zie Baks-Zeuntjen.

Bakskist, z. n. v. -- Kist, waarin het rantsoen wordt bewaard en die
tot etenstafel dient. Niemand mag op de B-- gaan zitten.

Baksmaten, z. n. m. mv. -- Die aan denzelfden (etens-) Bak aanzitten.

Baksmeester, z. n. m. -- Die het oppertoezicht over den Bak heeft,
het rantsoen verdeelt en orde houdt aan den Bak. Hy alleen mag zitten
onder het schaften.

Bakspier, z. n. m. -- Een der stukken hout, die uitgevoerd worden
op de hoogte van den fokkemast en dienen tot het uitvoeren van de
buitenschoot van het onderlijzeil, of, wanneer men op een reede ligt,
tot het vastmaken en van boord vrij houden van sloepen.

Bakstag, z. n. v. -- Benaming der touwen, die den boegspriet, het
kluif- en het jaaghout zijdelings steunen, en op den Bak worden
vastgemaakt.

Bakstags, bw. -- Breed, ruim. Een B--wind hebben (ruimhouden,
ruimschoots zeilen.)

Bakstagswind, z. n. m. -- Een tamelijk harde wind, zoodat de Bakstag,
daar het zeil tegenkomt, stijf staat en niet labbert.

Bakstagskraag, z. n. m. -- Kraag of strop, waarmede de Bakstag op
den boegspriet bevestigd wordt.

Bakstent, z. n. v. -- Tent, die voor den fokkemast wordt opgeslagen.

Bakszeuntjen of Zeuntjen, z. n. m. -- Diegene die de schaftery haalt
en na het maal het scheepsgerij in den Bak moet schoonmaken. Ieder
doet dit op zijne beurt.

Bakzeilhalen, o. w. -- Het zeil verkeerd halen, waardoor het schip
terugdeinst. 't Is niet van Bak, maar van 't Eng. Back.

Spreekwijze: B-- inhalen (niet volharden by zijn opzet, achteruit
krabben.)

Balancella, z. n. v. -- Napelsche schuit met één mast voorzien, puntig
aan beide zijden uitloopende en ongeveer 18 à 20 riemen voerende.

Balans, z. n v. -- (veroud.) Benaming, die plach gegeven te worden aan
de verklaring, welke een schipper deed van de door hem aangebrachte
goederen.

Balanceerspanten, z. n. o. mv. -- Spanten, door het oplichten waarvan
men plach te berekenen of een schip in aanbouw behoorlijk in evenwicht
stond.

Balansrif, z. n. o. -- Schuinsch rif in het Bezaan- of Brikzeil.

Balie, z. n. v. -- Groote watertobbe. Voorheen plach men dagelijks
in de B-- den noodigen drank voor de manschap te gieten. KoelB--
(die het water bevat, bestemd om gedurende den strijd het geschut
af te koelen). LoodlijnB--, DeelB-- (waarin, na het looden, de natte
loodlijn wordt ingelegd).

Baliën, uitbaliën, o. w. -- Met een Balie water uit een open vaartuig
gieten.

Balk, z. n. m. -- Afgehouwen en vierkant gezaagde boom. Langste
B-- (de B--, die op de grootspanten rust, en waarvan de lengte de
hoofdbreedte van het schip bepaalt). B-- van de luizeplecht (die op
de hoogte van de bovenste battery 't naast aan den boegspriet gelegd
is.) B-- van de kampanje (de bovenste B-- van den achterspiegel,
die tot steun dient van de dekplanken der kampanje.) Halve B--,
halve Dek B-- (die tegenover den rand van een luik ligt.) Last B--
en (die tot steun van groote schepen dienen en er de koebrug van
uitmaken). Gelaschte B-- en (die wegens hun lengte uit meer dan een
stuk moeten worden samengesteld).

Balkhaak, z. n. m. -- Houvast, duivelsklaauw, kanthaak, trekhaak.

1o. Zware ijzeren staak, waarmede men balken toelegt.

2o. Groote ijzeren tang, waarmede men de stukken van een mast
verplaatst of op de hoogte brengt, waar zy wezen moeten.

Balkschaal, z. n. v. -- Zie Schaal.

Balkweger, z. n. m. -- Weger, waar een dekbalk op rust.

Balkwegering, z. n. v. -- Het inwendig langsscheeps verband tegen de
boorden van het schip, en waarop de Balken komen te liggen.

Ballast, z. n. m. -- Hierdoor verstaat men het zand, de steenen,
of andere ruwe waren, die onder in het ruim gebracht worden, om
het schip dieper in het water te doen zinken, ten einde het niet
te rank worde en geen nood hebbe van om te slaan. Met B-- varen, op
zijn B-- vertrekken (zonder lading vertrekken.) IJzerenB--, SteenB--,
Vliegende B-- (vaten met B-- gevuld, die men naar verkiezing naar deze
of gene zijde van 't schip, waar meerdere zwaarte vereischt wordt,
kan vervoeren). Op zijn B-- liggen (wordt van een schip gezegd,
dat nog geen andere lading bekomen heeft. De B-- schiet (valt van
de eene plaats naar de andere.) B-- verschieten (dien van plaats
doen verwisselen.) B-- is eigenlijk slechte, niets deugende last,
gelijk baldadig, slecht-dadig, en balsturig, slecht van bestuur.

Spreekwijze: Hy is een onnutte B-- (hy is een onnut meubel, een last
voor de waereld.)

Die B-- is uit den weg (dat bezwaar, dat verdriet, is opgeruimd.)

Ballasten, b. w. -- Met Ballast laden, Ballast innemen. Dat schip
is goed Geballast (De Ballast is genoegzaam voor de behoefte.) Onze
voorouders plachten, wanneer zy in de Levant zijde hadden geladen,
hun schepen met marmer te Ballasten, en van daar die ontzettende
hoeveelheid marmer, welke men, tot zelfs in geringe woningen, te
Amsterdam aantreft.

Spreekwijze; Hy is te zwaar Geballast (hy heeft te veel gegeten.)

Ballasting, z. n. v. -- 1o. Bewerking van Ballast.

2o. De daad van Ballasten.

3o. Ongelden, op het Ballasten gevallen.

Ballastkist, z. n. v. -- Afgescheiden schot of afgesloten vak in het
ruim, waar Ballast in geladen wordt. Op een stoomboot staat een B--
op 't bovendek en op rollen om haar recht te houden.

Ballastkleed, z. n. o. -- Geteerde stukken zeildoeks. Zie Presenning.

Ballastlichter, z. n. m. -- Schuit, waarmede de Ballast gelost wordt.

Ballastpoort, z. n. v. -- Poort of opening, waar de Ballast door
geladen wordt.

Ballastschieters, z. n. m. mv. -- Volk, dat zich met Ballasten
bezig houdt.

Ballastschuitjens, z. n. o. mv. -- Vierkante stukken ijzer, van 12,50,
25 of 50 Ned. Po. zwaarte, dienende tot het Ballasten van oorlogs-
of andere schepen, waar de noodige ruimte in bewaard moet worden.

Ballon, z. n. m. -- Pleizierboot te Siam, zeer verheven aan de beide
uiteinden.

Band, z. n. m. -- Hoepel, beugel. De B--en (de ijzeren hoepels om de
masten.) Zie BorgB--, RaB--, B--en in het ruim (houten of ijzeren
B--en, die over het zaadhout of over een oploop heen gezonken en
verder op de inhouten liggen. B-- in het voor- of achterschip. (Zie
Dekbanden.)

Spreekwijze: Door den B--. (gewoonlijk, doorloopend.)

Banden, b. w. -- Versterken. Een zeil B--, (er kruislingsche
stootlappen op zetten.)

Bank, z. n. m. -- Droogte, plaat, klip, blinde rots in zee. ZandB--,
KoraalB--, SchelpB--, IJsB--, De groote B--, (onderzeesche berg ten
O. van Nieuw-Foundland.) DoggersB--, (groote B-- tusschen Engeland,
Finland, en Jutland.)

Spreekwijze: Door den B--, moet zijn Door den Band. Zie Band.

Banken, o. w. -- Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het op een
Bank komt om te visschen.

Barbier, z. n. m. -- Naam, die oudtijds aan den Scheeps-Chirurgijn
gegeven werd.

Barge, z. n. v. -- of Berge. Soort van trekschuit, dienende tot vervoer
van personen en goederen en voor de binnenlandsche vaart bestemd. 't
Is oorspronkelijk hetzelfde als Bark. De B-- van Alkmaar op den Helder,
Kadetten B--, naam, dien het scheepsvolk wel eens geeft aan het logies
der Adelborsten.

Barghout of barrighout, z. n. o. -- Een gedeelte der buitenhuid tegen
de kimmen van het schip, tevens dienende tot verband, als het schip,
gelijk met een band of gordel, omringende. De rechte spelling van
't woord schijnt te wezen Berghout, als dienende die houten om 't
schip te bergen of te bewaren. Linieschepen hebben een BovenB-- ter
hoogte van het kuildek, en een OnderB-- ter hoogte van het tusschendek.

Bark, z. n. v. -- Met deze benaming wordt in 't byzonder zekere soort
van lichte Grieksche en Spaansche vaartuigen, in de Middellandsche
zee varende, bestempeld. De koopvaardyschepen, die den grooten- en
fokkemast barksgewijs getuigd hebben, en daarenboven nog een achtermast
met bezaan- en gaftopzeil zonder raas voeren, worden B--en genaamd. Ook
wordt B-- in poëzy veelal voor het min edele "schuit" gebezigd.


    Een lichte Barck van barstigh Bocken-leder.


zegt Vondel in zijn Lofsangh op de Scheepsvaart.

Barkas, z. n. v. -- De zwaarste sloep aan boord van een schip, tot
alle zwaar werk bestemd, als het lichten en uitbrengen van ankers,
enz. De B-- wordt met draaibassen gewapend.

Barkoen, z. n. m. -- Rondhout, windboom.

Barkschip, z. n. o. -- Schip met twee overkant getuigde masten,
terwijl de derde mast slechts een schoenerzeil voert.

Barlaventovloot, z. n. v. -- Benaming van een Eskader kleine Spaansche
vaartuigen.

Barnen, o. w. -- Branden, koken (van de Zee.)

Barning, z. n. v. -- Zie Branding.

Barometer, z. n. m. -- Weerglas, werktuig, dat de drukking van
den dampkring meet en waarop de aanwijzingen, overeenkomstig die
drukking veranderende, in verband met de weersveranderingen worden
waargenomen. Haarbuizige B--, (die minder dan een streep diameter
van binnen heeft. (De B-- staat op mooi weer, op regen.)

Barrighout, z. n. o. -- Zie Barghouten.

Barring, z. n. v. -- 1o. Waarloos rondhout. Verzameling van rondhouten,
ingescheept om de bestaande in geval van nood te vervangen.

2o. De plaats van het bovendek, gemeenlijk tusschen den grooten en
fokkemast, waar de waarlooze rondhouten geborgen worden.

Bas, z. n. v. -- Soort van klein geschut, oudtijds veel op de schepen
in gebruik. Zie Draaibas.

Batarde, z. n. v. -- (veroud.) 1o. Soort van galei, minder groot dan
de koninklijke.

2o. Soort van geschut.

Battery, z. n. v. -- Geschutlaag: wordt aan boord verstaan van al de
kanonnen, die aan bak- en stuurboordzijde op een en 't zelfde dek aan
de geschutpoorten liggen. Onder B--, eerste B-- (die het dichtst by de
waterlijn is), Tusschen deksB--, OnderdeksB-- (die op het tusschendek
ligt), Bovendeks B-- (die op het bovenste dek van een driedekker
rust.) De B-- is gesjord (vastgebonden tegen 't rollen.) De B-- staat
te boord (als de trompen buiten de geschutpoorten staan.) Gladdeks B--
(onoverdekte B--).

Bed, z. n. o. -- of Bedding 1o. De holte waar een rivier of beek
doorstroomt.

2o. De bodem der zee.


    De moegerende Son zoekt de avondlegersteê
    En gaêrt zich nieuwe kracht in 't koelend Bed der zee.

                                            Vr. K. W. Bilderdyk.


3o. Indruk, welken een schip achterlaat in den modder, waarin het
heeft vastgezeten.

4o. Helling, waar een schip op gebouwd wordt.

Bebakening, z. n. v. -- In officiëel gebruik, even als betonning. Ik
zoû 't eenvoudige Bakening verkiezen.

Bedaren, o. w. -- Kalm worden. De storm begint te B--.

Bedden, z. n. o. mv. -- of Beddingen. Sledebalken.

Bedding, z. n. v. -- Zie Bed. B-- noemde men voorheen ook een
verzameling van balken, met planken belegen en dienende om geschut
op te plaatsen, zoo als by de bombardeerkorvetten.--De mortierB--en.

Bedisselen, b. w. -- Hout met behulp van een Dissel effenen en
scherp maken.

Spreekwijze: Een zaak B-- [of Bedistelen als men gewoon is
verkeerdelijk te zeggen] (een zaak vereffenen, in orde brengen).


    De ouwe wijven die weten toch alle dingh te Bedisselen.

                                    L. Franssoons Grietjen Wouters.


Beeldwerk, z. n. o. -- of Tarmen. Snijwerk, cieraden aan den spiegel
van een vaartuig.

Beeting, z. n. v. -- Zie Beting.

Begeven, o. w. -- Losraken, stukgaan. Het B-- van een mast, huid,
plank.

Begeving, z. n. v. -- De daad van Begeven.

Begieten, b. w. -- Nat maken. De scheepszijden B--.

Begroeten, b. w. -- of Salueeren. Teekenen van beleefdheid, ontzach of
eerbied geven. Het B-- geschiedt op zee door middel van kanonschoten,
altijd in oneffen getal. De oorlogschepen, die door koopvaardyschepen
begroet worden, lossen gemeenlijk het derde van het aantal schoten,
die ter hunner eer gedaan worden. Een vloot, een vlag, een citadel
B--. Met scherp B-- heeft alleen ter eere van koningen plaats. Het
B-- geschiedt ook somtijds door het strijken van de vlag, en door
het laten vallen van het marszeil. Dat de Amiraal van Gent in 1671
goed vond het Engelsche koningsjacht de Merlijn niet op die wijs te
begroeten, gaf (onder meer) aanleiding tot oorlog met Engeland. De
zee begroet den wal, (de schepen B-- de forten.)

Behouden, b. n. -- 1o. Gelukkig, gunstig. B-- koers, breedte,
vaart. Een B-- aankomst (aankomst met het vaartuig waarmede men is
afgereisd). Iemand B-- reis wenschen (Voorspoedige reis).

2o. Gered, veilig. Het schip is vergaan; doch de manschap B-- aan
wal gebracht.

Spreekwijze: Een B-- man (die uit den nood, uit den brand is).

Behouden, b. w. -- achtereenvolgend houden, bewaren. Wy bleven
denzelfden wind gedurende veertien dagen B--. Het gelukte my, mijn
koers te B--.

Beitel, z. n. m. -- Timmermans gereedschap, dat van onderen scherp
en van boven ingericht is om er op te kloppen.

Spreekwijze: Kom voor den B--. (Kom voor den dag: toon, wie ge
zijt.) Een vaatjen op den B-- zetten (ten beste geven).

Beitelaak, z. n. v. -- Zie Aak.

Bekaaien, o. w. -- Beteekent: op de Kaai of op den wal bederven en
wordt byzonder gezegd van visch, die zoo lang aldaar gelegen heeft,
dat zy begint te sterven.

Spreekwijze: 't Is alles Bekaaid (bedorven).

Hy komt er Bekaaid af. (Hy heeft er schande meê behaald: omdat Bekaaide
visch als een slecht onthaal wordt aangemerkt, waar de huiswaard geen
eer mede inlegt.) Doch zie Bilderdijk Gesl. op Kade. Ook Witsen legt
het woord anders uit en beweerd, dat een stuk hout, hetwelk aan boord
nergends past of sluit, gezegd wordt Bekaaid uit te komen.

Bekaaier, z. n. m. -- B-- van den bezaan wordt de toppenant genoemd,
die aan de bezaansra vast zit.

Bekabbelen, b. w. -- Kabbelende schuren.


    En IJ- en Amstelstroom bekabbelen zijn gront.

                                        Sylvius, Amsterdam.


Bekbout, z. n. m. -- Bout, die met een bek of kromming eindigt.

Bekeuren, b. w. -- Wegens overtreding een boete of andere straf
aanzeggen.

Bekeuring, z. n. v. -- De daad van Bekeuren.

Bekleeden, b. w. -- Bedekken, bewoelen, verzorgen tegen schuring
of beschadiging of wrijving. Het buitenwerk van een schip B-- (het
met dunne planken bedekken, er enden touw om heen woelen of het met
leder benaaien.)

Bekleeding, z. n. v. -- Huid, bedekking.

Beknijpen, b. w. -- Een end touw beklemmen tot dat het op een klamp
belegd is: twee touwen, b. v. de stuurrepen, op elkander binden.

Belabberd, b. n. -- Of Labberlottig; wordt het weer gezegd te zijn,
wanneer de wind, in plaats van frisch door te waaien, slechts
labbert en met tusschenpozen waait: ('t is 't Maleisch Palabber,
vergadering--omdat daar by hen alles langzaam toegaat.)

Spreekwijze: Het ziet er B-- uit (ongunstig, onaangenaam uit).

Beladen, b. n. -- Zwaar geladen. Dat schip is te sterk B--. Die boot
is met te veel goederen B--.

Beleggen, b. w. -- Aanslaan, naaien, sjorren: ook wel een touw
aan een paal of ander voorwerp vastmaken. De schoot, de bras B--
(die vastzetten.)

Spreekwijze: Het was: Hou en beleg. (het was: houd het touw en maak
het ter dege vast: oneigenlijk "goede raad was duur, men had handen
vol werk".)

Daar is geen touw aan te B-- (Er is geen touw aan te vinden: overdr.:
Die kwant stuit niet veel: met hem is niet te geworden.)

Belegklampen, z. n. v. mv. -- Kruisklampen, bestaande uit een dwarshout
en twee halvermaanswijze daarop geplaatste stukken. Zoodanige klampen
worden tegen het binnenboord van een vaartuig gespijkerd en dienen
om er enden touw aan te bevestigen.

Beloop, z. n. o. -- Fatsoen van een schip en, meer bepaaldelijk,
de omloop van den achtersteven.

Beloopen, b. w. -- Bezeilen. B-- worden beteekent: "overvallen worden",
b. v. door een storm.

Bemallen, b. w. -- Zie Mallen.

Bemannen, b. w. -- 1o. Van manschap of volk voorzien.

2o. Van een loods voorzien. Het schip is Bemand (er is een loods
aan boord: omdat de loods, zoo lang hy dienst doet, als de Man by
uitnemendheid beschouwd kan worden.)

Bemanning, z. n. v. -- Het scheepsvolk, dat zich aan boord bevindt. Dat
schip had maar geringe B--. Zie Manschap, volk.

Bemasten, b. w. -- of Masten. Van Masten voorzien. Dat schip is nog
niet Bemast.

Benarren, b. w. -- Benaauwen. Wy zaten benard (op lager wal.)

Beneden, bw. -- Onder, omlaag, in het beneden gedeelte van het
schip. Zend het volk B--.

Benepen, b. n. -- (Veroud.) Werd een schip gezegd te zijn, als het niet
vlotten of niet over droogten geraken kon door schaarsheid van water.

Bengel, z. n. m. -- De klok op een koopvaardyschip. De B-- luidt om
te schaften. Zie Klok.

Spreekwijze: Een kwade B-- wordt van een lastigen knaap gezegd,
die ons met zijn bengelen of janken verveelt.

Benoorden, bw. -- 't zelfde als Noordwaart, ten Noorden. Wy praaiden
dat schip N mylen B-- de linie. De wind is B-- het oost.

Benoorden-om, bw. -- Om Engeland heen. Wanneer, in oorlogstijd, het
Kanaal onveilig was, zeilde men Engeland om, wat de reis aanmerkelijk
verlengde. Hiervan de Spreekwijze: Hy gaat B-- (hy is langzaam in
zijn doen, in zijn spreken, in zijn werken.)

Beoosten, bw. -- 't zelfde als Oostwaart, ten Oosten. Die eilanden
liggen B-- Java.

Bepalen, b. w. -- Naar een vaste berekening zich van iets
verzekeren. De juiste ligging eener plaats B--, den afgelegden
koers B--.

Bepekt, of Bepikt, b. n. -- Met pek besmeerd: Vondel bezigt in zijn
Lofsangh op de Scheepsvaart de uitdrukking Bepeckte Vlercken voor
"zeilen."

Bergen, b. w. -- 1o. Stuwen, pakken. Dit schip kan nog al wat B--
(nog al wat goederen inhouden).

2o. Oprollen en vastmaken (een zeil B--), het in het dichtst mogelijk
bestek ineen vouwen en op zijn ra met touwen vastbinden.

3o. Laten vallen: een vlag B--, die nederhalen en wegsluiten.

4o. Redden, bewaren: bepaaldelijk gespaarde personen of goederen. Het
schip is te gronde gegaan; doch men heeft de ekipaadje nog kunnen
B--. Hierover handelen art. 545 en volgg. Wetb. v. Kooph.

Berger, z. n. m. -- Hy, die gestrande goederen helpt Bergen.

Berghout, z. n. o. -- Zie Barghout.

Berging, z. n. v. -- Ruimte. Er is weinig B-- in dat schip.

Bergloon, z. n. o. -- Gelden, die uitbetaald worden, tot vergoeding der
moeite en kosten aan het Bergen van gestrande goederen besteed. Het
B-- wordt alleen toegestaan in de gevallen, by art. 562 Wetb. van
Kooph. vermeld. De B--en behooren in de eerste plaats onder de
bevoorrechte schulden, die op de opbrengst van verkochte zeeschepen
kunnen worden verhaald. Zie art. 343 Wetb. van Kooph. Vergel. voorts
art. 547, 548, 750, 757.

Berkhout, z. n. o. -- 't zelfde als Barghout. Zie ald.

Berkoen, z. n. m. -- 't zelfde als Barkoen. Zie ald.

Beschadigd, b. n. -- Zoo noemt men alles wat op de eene of andere wijze
schade geleden heeft en in minder goeden staat verkeert. Verkoop van
goederen, door 't zeewater B--.

Beschadigen, b. w. -- Schavielen, wrijven, schade aanbrengen.

Beschieten, b. w. -- 1o. Schotten zetten. Er waren zooveel passagiers
aan boord, dat men genoodzaakt was de kerk te B--.

2o. Met planken bekleeden. Die kajuit is geheel Beschoten.

3o. Met geschut bevechten.

Beschouwen, b. w. of met den deel hebben -- voor "zijn deel ontfangen"
is een uitdrukking, in gebruik op onze zeedorpen. By de terugkomst
van een visscherman heeft de reeder de helft van de netto-opbrengst,
en de andere helft wordt onder het volk verdeeld, zoodat elk zijn
aandeel Beschouwt, d. i. bekomt, naarmate hy vaart voor kwart, half,
drie kwart of volle man.

Beslaan, b. w. -- 1o. Bedekken, bekleeden. Een plank met ijzer B--.

2o. Al de zeilen zijn Beslagen.

3o. In beslag nemen. Zie Beslag.

Beslag, z. n. o. -- Verletting, op-onthoud. Dat schip werd in B--
genomen (de schipper werd belet weg te zeilen: of wel, hy werd
gedwongen zijn schip in dienst te stellen van de in beslag nemende
Mogendheid). Zie Embargo.

Beslagbindsel, z. n. o. -- Bindsel, waarmede men zeilen Beslaat.

Beslagen, b. w. -- met ijzer bekleed.

Beslaglijnen, z. n. v. mv. -- Touwen of Lijnen, waarmede men de bezaan-
en stagzeilen Beslaat.

Beslagseizings, z. n. v. mv. -- Gevlochten enden touw, tot vasthechting
der zeilen aan de raas.

Besloten, b. n. -- Dicht. Een B-- reê (waaruit men de volle zee niet
zien kan.

Besmeeren, b. w. -- Insmeeren, met smeer bestrijken.

Besneden, b. n. -- Gevormd. Een fijn B-- schip (een schip dat een
fijne Snede heeft).

Bestek, z. n. o. -- 1o. Berekening van de plaats, waar een schip zich
bevindt, welke dagelijks wordt opgemaakt overeenkomstig de opmeting
van den weg, dien het heeft afgelegd en den koers, dien het gehouden
heeft. Met het B-- voor- of achteruit zijn, zijn B-- vooruit loopen,
achter zijn B-- zeilen, (na gedane waarnemingen ontdekken dat de
gegiste plaats van het schip meer of min verwijderd is van de plaats,
waar het zich werkelijk bevindt). Die Loods, die Stuurman heeft zich
in zijn B-- vergist. Gegist B--: bevonden B--: verbeterd B--: B--
opmaken: B-- zetten.

2o. In schrift opgemaakte berekening van al de deelen, waaruit een
schip zal moeten bestaan en van de aan te wenden kosten.

Bestemd, dw. -- wordt gebezigd, om het doel te kennen te geven. Dat
schip is naar Java B-- (het moet naar Java). Die goederen zijn tot
geschenken B--.

Bestemming of Bestemmingsplaats, z. n. v. -- Plaats, waarheen iets
Bestemd was. Dat schip heeft zijn B-- bekomen.

Bestevenen, b. w. -- Den steven ergends heen wenden, waar men met
goeden wind en groote zee kan heenzeilen, zonder van richting te
veranderen.

Spreekwijze: Men bezeilt niet altijd wat men Bestevend had (men bekomt
niet altijd wat men verlangd had).

Bestier, z. n. o. -- Zie Scheepsbestier.

Betakelen, b. w. -- Een touw aan het einde omwinden, om het rafelen
te beletten.

Betanen, b. w. -- Tanen, met Taan bestrijken.

Beting, z. n. v. of Betings mv. -- Naam van twee sterke staanders,
door een zwaren balk verbonden, of soort van galg, voor den fokkemast
geplaatst en dienende om 't ankertouw of ketting aan vast te leggen. 't
Woord beteekent aflating, van het oude beeten (afdalen).

Betingsbalk, z. n. v. -- Dikke zware dwarsbalk. Zie Beting.

Betingsbout, z. n. m. -- Een der zware ijzeren bouten, die in de
Beting geslagen worden, om het daarom gelegde touw tegen het afslippen
te bewaren.

Betingskop, z. n. m. -- De enden van de stijlen, waar zy boven den
Betingsbalk uitsteken; ook wel Monnik of Speen genaamd.

Betingleggen, o. w. -- De ketting of het touw om den Betingsbalk
Leggen.

Betingsknie, z. n. v. -- De Knie, die den Betingsstijlen steun verleent
en tegen omslaan bewaart.

Betingsslag, z. n. m. -- De Slag, dien de ketting of het touw over
de Beting neemt.

Betingsspenen, z. n. v. mv. -- Zie Betingskop.

Betingsspoor, z. n. o. -- Een stuk of stukken houts, waarop het
vierkant ondereinde der Betingsstijlen is ingelaten.

Betingsstopper, z. n. m. -- De eerste Stopper, dien men achter de
Beting op de ketting zet om het uitloopen te beletten.

Beetingsstut, z n. o. -- De recht opstaande Stut, waaraan de
Betingsbalk is verbonden, en die boven den Balk uitsteekt; hy dient
om het zwaar touw daarom te leggen.

Betingsstijl, z. n. m. -- Zie Beting.

Betonnen, b. w. -- Met tonnen bezetten, afbakenen. Het B-- van dat
vaarwater heeft vrij wat gekost.

Beugel, z. n. m. -- Band, hoepel. De B-- van het kompas (koperen
ring, waar het kompas aan twee zijden in bevestigd is en zich vrij
in beweegt.

Spreekwijze: Dat kan niet door den B-- (dat kan er niet door).

Iemand door den B-- jagen (iemand door den mostert slepen, door naauwe
en moeilijke plaatsen heenslepen).

Beugelarm, z. n. m. -- Bevestiging van den Beugel aan het hout.

Beugtijd, z. n. v. -- De tijd van November tot February, wanneer
de visschers onzer zeedorpen ter schelvisch en kabeljauwvangst
uitgaan. Zie Overloopers, Schrobtijd.

Beuling, z. n. v. -- Ronde lijst, tusschen het rahout en de zetgang.

Beun, z. n. v. -- of Bun, is de plaats in het schip waar de visch
levendig gehouden wordt, welke daarvan B--visch genoemd wordt.

Beurtman, z. n. m. -- Eigenlijk de schipper, die op zijn Beurt tusschen
twee plaatsen varen moet; doch overdrachtelijk voor het schip zelf
genomen. De B-- op Zwol is afgevaren. De B-- ligt aan den steiger.

Beurtschip, z. n. o. -- Hetzelfde als Beurtman. Zie ald.

Beurtschipper, z. n. m. -- Schipper van een Beurtschip.

Beurs, z. n. v. -- Openbare plaats, waar kooplieden, makelaars,
reeders, enz. te samen komen om hun zaken te doen. Ter B-- komen:
Ik heb hem op de B-- gesproken.

Spreekwijze: Hy mag er gerust mede aan de B-- komen (hy mag er gerust
mede in 't openbaar, in 't gezelschap van menschen, komen).

Beursvaatjen, z. n. o. -- Benaming van een vaatjen met buskruit,
dat van boven met een lederen Beurs of zak wordt toegebonden, opdat
er geen vonken in zouden vallen.

Bevaarbaar, b. n. -- Waar gevaren kan worden. Die rivier is twee
mijlen van haar monding niet langer B--.

Bevaren, b. w. -- Al varende of zeilende over een water gaan. De zee
B-- (over zee gaan). Hy is een water ingezeild, dat voorheen door
niemand was B--.


    Quam nu een visscher, die voor viermaelhondert jaeren
    Heeft met zijn kleine boot het eenzaam Y bevaeren.

                                            Antonides, Ystroom.


Bevaren, b. n. -- Die gewoon is te varen. B-- volk. Een B-- matroos
(die zijn roergang verstaat).

Bevrachten, b. w. -- Laden. Het woord B-- wordt echter niet gebezigd
voor de daad der inlading zelve, maar voor het zorgen voor de
Bevrachting. Het is de koopman, die het schip Bevracht, maar het
zijn waagdragers, of sjouwerlieden, die het vol laden.--Een schip,
door de Handelmaatschappy, voor byzondere rekening Bevracht.

Bevrachter, z. n. m. -- Hy, die een schip bevracht, of huurt
om te Bevrachten--in tegenstelling van Vervrachter. Zijn
verplichtingen worden omschreven in het Wetb. van Kooph. Deel
II. Tit. V. Afd. II. art. 464-498.

Bevrachting, z. n. v. -- De daad van Bevrachten. De overeenkomst van
B-- wordt genaamd Cherte-party. Zie ald. De bepalingen aangaande de
B-- zijn te vinden in het Wetb. van Kooph. Deel II. Tit. V. Afd. I
art. 453-463 en Afd. III. art. 499-506.

Bevrijden, b. w. -- Vrij maken. Een schip B-- (van water, of van
den vyand).

Bewaking, z. n. v. -- Maatregel, die somtijds omtrent binnenkomende
schepen genomen wordt, wanneer men vreest, dat zy hun lading
geheel of gedeeltelijk in 't geheim en zonder aangifte zullen
lossen. Zie de bepalingen daaromtrent in de Alg. Wet van 26
Aug. 1822. Hoofdst. XV. art 153-156.

Bewateren, b. w. -- met water vullen. De pomp B--.

Beweerd, bw. -- Door kwaad weer verhinderd een plaats te verlaten. De
schepen lagen daar B--.

Beweging, z. n. v. -- Zie Manoeuvre.

Bewesten, bw. -- 't Zelfde als westwaart, ten westen. Wy werden B--
de Kaap van een storm overvallen.

Bewimpelen, b. w. -- Met wimpels voorzien. By feestelijke gelegenheden
worden masten en stengen Bewimpeld.

Spreekwijze: Zijn opzet B-- (met bedriegelijken schijn omkleeden,)
Ergends onbewimpeld voor uitkomen. (De waarheid naakt en zonder
tooisel voordragen).

Geen koopvaarder mag een wimpel voeren: by ontmoeting van verdachte
schepen hijscht hy somtijds den wimpel om zich voor te doen als een
oorlogs- of transportschip.

Bewindhebber, z. n. m. -- Naam, die vroeger gegeven werd aan hem,
die zitting had in het besturend lichaam der Oost- of West-Indische
maatschappy.

Bewoelen, b. w. -- Vast en aan alle kanten omwinden: 't geen
voornamelijk met touw, werk, enz. geschiedt.

Bewoeling, z. n. v. -- De daad van Bewoelen.

Bezaan, z. n. v. -- 1o. Het achterste zeil van een klein vaartuig. De
B-- op haar gat zetten (de schoot der B-- sterk aanhalen).

2o. of Bezaanzeil. Het achterste gaffelzeil aan boord van een
driemastschip.

3o. Groote B-- die met schoon weer gebruikt wordt en van licht zeildoek
vervaardigd is.

Bezaanmast, z. n. m. -- De achterste Mast op een driemastschip.

Bezaansmars, z. n. v. -- Zie Mars.

Bezaansdempgordingen, z. n. v. mv. -- Touwen, waarmede de Bezaan
wordt weggenomen en de kracht van den wind uit het zeil genomen.

Bezaanspispotten, z n. v. mv. -- De brassen van de bezaansra, nu door
een gaffel vervangen.

Bezaansroede, z. n. v. -- of Gaffel. (veroud.) Ra van den Bezaansmast,
die thands niet meer in gebruik is.

Bezaansrusten, z. n. v. -- Zie Rusten.

Bezeild, b. n. w. -- Wordt van den wind gezegd, wanneer deze voordeelig
is voor den koers. Zie Wind.

Bezeildheid, z. n. v. -- Vaart, gang, in goeden zin genomen. Dit schip
wint in het in B-- van de meeste anderen (zet meer vaart). Het heeft
zijn B-- verloren of terug bekomen.

Bezeilen, b. w. -- Bevaren, koershouden zonder te wenden. Wy moeten
die haven zien te B-- (al zeilende bereiken).

Spreekwijze. Hy heeft het Bezeild (hy is de zwarigheid te boven).

Men kan geen haven met hem B-- (men kan met hem niet te recht komen).

Men kan niet altijd zijn koers B-- (het loopt wel eens tegen).

Bezem, z. n. m. -- gebruikelijk in de

Spreekwijze: den B-- in den mast voeren (de zee schoon vegen).


    Toen 't Oosten, ziende allengs den schat van Hollant groeien,
    Verraderlijk bestont haar scheepvaart te besnoeien,
        Beslaet in Pomeren en Pruissen, Zont en Belt,
        De korenvloot van 't Y, en rooft ze met gewelt,
    Dorst Amsterdam (hoe klein 't zich toonde voor twee eeuwen)
    Zich met meer koggen, dan gantsch Hollant met de Zeeuwen
        Te samen rukte, in zee begeven, en het strant
        Des roovers plonderen, hun vlotten in den brant
    Vernielen, en gekeert met zege, en trots gewroken,
    Heeft op het hoog toppet den bezem uitgestoken
        Als die de ruime zee, van schuimers lang geplaeght,
        Nu zagh door haren moet geveiligt en gevaegt.

                                                 Antonides Ystroom.


Bezet, bw. -- Vast, ingewikkeld, verhinderd. De vloot zat in 't ijs
B--: op de kust B-- zijn: op lager wal B-- zijn.

Bezuiden, bw. -- 't Zelfde als zuidwaarts, ten zuiden. Dat schip lag
B-- het eiland.

Bieden, b. w. -- Vertoonen, toekeeren. Wy oordeelden gepast, den vyand
de breedzijde te B-- (om hem te beschieten namelijk). De kapitein
deed het fregat de breede zijde B-- aan het fort.

Biezetouw, z. n. o. -- Touw van biezen gemaakt, en in de Middellandsche
zee wel gebruikelijk.

Bil, z. n. v. -- Ronding van het achterschip.

Billen, z. n. v. mv. -- De uitpuilende deelen van het achterschip.

Binden, b. w. -- Vastmaken met touw of andere wringbare
zelfstandigheid.

Spreekwijze: Aan een plaats Gebonden zijn (er niet vandaan kunnen).

Bindgaren, z. n. o. -- Bindtouw. Zie Garen, Touw.

Bindsel, z. n. o. -- De uitkomst van het Binden. Een B-- leggen. Zijn
voor B--. Plat B--. B-- van een ankersteel. KruisB--. NokB-- enz.

Binnen, vz. -- 1o. wordt dikwijls als bw. gebruikt, en de plaats,
waar iets binnengekomen is, daarby stilzwijgend verstaan. De schepen
zijn B-- (zy zijn de haven binnengekomen). Haal den Loods B--
(binnen scheepsboord).

Spreekwijze: Hy is B-- (hy is uit den brand, hy heeft zich gedekt). De
uitdrukking wordt meest gebezigd van een speler of spekulant, die,
hoe de kans ook loope, de door hem uitgezette gelden terug heeft en
nooit meer verliezen kan.

2o. Voor "B-- bereik van": de schepen zijn B-- Schot.

Binnenachtersteven, z. n. m. -- Beplanking, die van Binnen aangebracht
is en tot steun dient van den achtersteven.

Binnengaets, bw. -- Binnen de monding van een zeegat of stroom.


                              Die wel ervaren maets
    En Tritons van het meir ons sturen binnen gaets.

                                                Vondel.


Binnengeschutgang, z. n. v. -- Naam, op geschutdekken, aan de
tusschenwegers gegeven.

Binnenhaven, z. n. v. -- Haven in een meir, baai of rivier. Rotterdam
en Dordrecht zijn B--s.

Binnenkiel, z. n. v. -- of Plaat op de kiel: het deel, dat, tot
versterking der lasschen van de kiel enz. op de kiel komt te liggen
en zich voor en achter onder de slemphouten verliest.

Binnenkomen, b. w. -- Uit zee in de haven komen. Binnengekomen:
de vrouw Maria, uit Riga.

Binnenlandsch, b. n. w. -- Wat zich binnen de grenzen van het Rijk
bepaalt. Hy drijft alleen B--en handel. Dit schip is alleen voor de
B--e vaart gebouwd.

Binnenlek, z. n. v. -- Naam, door de visschers gegeven aan het gedeelte
der zee tusschen het strand en de Breêveertien.

Binnenloods, z. n. m. -- Loods, die zijn ambacht uitoefent op de
binnenwateren.

Binnenloodsen, b. w. -- of Inloodsen. Zie Loodsen.

Binnenloopen, b. w. -- Inzeilen. B-- wordt meestal gezegd, wanneer
het uit nood geschied.

Binnenrahout, z. n. o. -- of Striem. Gang, wegers, langs den bovenkant
der poorten tegen het potdeksel van het opperdek gelegd, en over de
geheele lengte van het schip doorgaande.

Binnensteven, z. n. m. -- De binnenkant van den Steven. Zie Steven.

Binnenvaart, z. n. m. -- De vaart op de stroomen en wateren van
het Rijk.

Binnenvoorsteven, z. n. m. -- Het verlengde van de binnenkiel,
loopende van het slemphout tegen den voorsteven op.

Binnenwegering, z. n. v. -- Een langsscheeps-verband, loopende tegen
de spanten van den voor- naar den achtersteven.

Binnenzeilen, b. w. -- Uit zee binnenkomen.

Bit, z. n. o. -- Vooreinde. De scherpte van het schip, ook snit of
snede genaamd. Zie ald.

Bitstuk, z. n. o. -- Zie Loefhouder.

Bitterenden of Hondenenden, z. n. o. mv. -- Enden van kabels. Deze,
als niet vast ineen gedraaid, worden afgekapt en tot schiemansgaren
gebezigd.

Blaasbalg, z. n. m. -- Vulling van hout, die onder de slooiknieën
wordt aangebracht om de ruimte aan te vullen tusschen de benedenste
dikte dier slooiknieën en de buitenhuid, en daardoor te beletten,
dat de zee er te veel kracht op oefene.

Blaauw inzetten, b. w. -- (veroud). IJzer in het schip zetten of slaan.

Blaauwschuit, z. n. v. -- Oude, echt Hollandsche benaming voor
scheurbuik. Zie ald.

Bladstil, bw. -- Geen windtjen.

Blafteren, o. w. -- (veroud.) Een schip werd gezegd te B-- als het
met den neus in den wind stond en de zeilen los lagen of sloegen.

Blad, z. n. o. -- Plaat, platte bekleeding. Een ijzeren B--. B-- van
een riem (het platte en breede end van een riem). B-- van een anker
(Zie Ankerblad.)

Blaken of Blakeren, b. w. -- Wordt men gezegd een schip te doen,
wanneer men het buiten om met brandend riet zengt, om het hout van
den worm te bevrijden.

Blakeren, -- Zie Blaken. B-- is meer in gebruik.

Blank, b. n. w. -- Zie Zeil.

Blakhol, z. n. o. -- 't Eng. black hole, een donkere kerker aan boord.

Blazen, b. w. -- (veroud.) Een schip B-- noemde men, wanneer het op
zij gehaald was om te kalfaten en vervolgends dicht gestopt, er met
blaasbalgen wind in persen om te zien of het dicht was.

Blekhel, z. n. o. -- Zie Hel.

Blikken, o. w. -- of Blikvuren. Met vuren seinen om by matig of donker
weer van andere schepen ontdekt te worden.

Bliksem, z. n. m. -- Elektrisch lichtverschijnsel in den dampkring.

Blikvuur, z. n. o. -- Seinvuur. Zie Blikken.

Blikvuren, o. w. -- Zie Blikken.

Blind, z. n. o. -- (veroud.) Het zeil, dat of onder of boven aan
den Boegspriet en zijn steng plach te zitten: het eerste of onderste
droeg den naam van: het groote B--: het tweede of bovenste dat van:
het kleine B-- De oorsprong dier benaming wordt daarin gezocht,
dat de B-- de maats in het uitkijken zeer belemmerde, even als men
"een blinde muur" zegt, van een muur, waar geen gat of venster in is.

Blind, b. n. w. -- Zie Klippen, Ra, Steng, enz B--e Ra (die onder
den boegspriet hangt.)

Blinden, z. n. v. mv. -- Luiken.

Blink, z. n. m. 1o. -- Lichte plek aan een bewolkten hemel: ook het
licht, dat een streep wolken of dampen by 't opstijgen tusschen zich
en den gezichteinder laat.

2o. Wit, onbegroeid duin.


    Geen duin noch witte Blinck, noch Pharos kan voorwaer
    D'aenstaende zwarichheit, den noot, het leet, 't gevaer
    Van 't varen overzien.


Bloedvlag, z. n. v. -- of roode vlag.

1o. Vlag, waarmede het sein tot den strijd gegeven wordt. De roover
hijscht, die om te doen kennen, dat hy geen genade geeft als men zich
verweert. De zeeroover ontdekte zich door de B-- te hijschen.


                              De bloetvlag uitgesteken
    Geeft aen den vloteling weêrzijts het oorlogsteeken.

                                            Antonides, Ystroom.


2o. Vlag, die by de uitvoering van een vonnis wordt geheschen.

Blok, z. n. o. -- In 't algemeen een klompvormig stuk houts: op
schepen wordt het meer byzonder gebruikt voor: katrol en beteekent
dan zoodanig Blok, 't welk van eene of meer keepen is doorsneden,
binnen welke eene of meer schijven van pokhout of gegoten ijzer
vastzitten, die zich vrij bewegen om houten of ijzeren, door het
lichaam van het blok heen loopende spillen. Van zoodanige katrollen in
't mv. sprekende, zegt men niet: de Blokken, maar de Bloks.--Enkel B--
(dat maar een schijf heeft). Dubbel B-- (dat er twee nevens elkander
heeft). GeinB--, JijnB-- (groot B-- dat er onderscheidene nevens
elkander heeft). Drieschijfs B-- Drieschijfs GeinB-- Dubbele B--s
voor geschuttalies. VioolB--s (die uit twee nevens elkander geplaatste
B--s bestaan elk met maar eene schijf). MarsschootsB--s (die uit twee
boven elkander geplaatste B--s bestaan) KatB-- (dat drie schijven
heeft.) Plat B-- (waarvan het lichaam plat is: als dit het geval is
met de B--s aan de hoofden der masten, en met de hanger B--s voor
de marse-draai-reep). KinnebaksB--s (waarvan de zijde opengesneden
is om het touw te laten doorloopen, zoodat men niet noodig heeft,
om dit door een opening in de keep te brengen). Schoot B--s (die men
voor de schoot van het Blindzeil plach te gebruiken). Spoelvormige
B--s (die den vorm van een schietspoel hebben. Op den top van
de bezaan gehecht, dienen zy om de bagijns-toppenants te doen
doorloopen). WartelB--s, DraaiB--s (die, in groot aantal en vertikaal
geplaatst, horizontaal kunnen draaien, als de B--s voor de buik-
en dempgordings. VoetB--s (die alleen dienen om een gespannen touw
een andere richting te doen nemen). LeiB--s (die geplaatst zijn om
een touw zijn richting te doen bewaren). Buikgording- en geitouwB--s
(die onder of op de nok van een ra geplaatst, dienen tot doortocht
der gordings of schooten en geitouwen van een bovenzeil). KardeelB--s
(die in 't midden van een ra zijn geplaatst voor de kardeelen der
onderraas en de draaireepen der marsen). ToppenantsB--s (waar de
toppenants door moeten). StengelwindreepB--s (die men bezigt om een
mars op te brengen). StagB--s (die aan het einde der stags geplaatst
zijn). GordingB--, DraaireepB--, GeitouwB--, TalieB-- enz. TopreepB--s
(dienende om een schip dat by 't kalefateren op zijde ligt, weder op
te heffen). DrilB--s (zware en lange B--s, waarmede men de schepen
in of uit de dokken trekt). KielB--s, (dienende om de masten op een
schip te brengen). StraatB--. HaakB-- enz. (waarvan de strop met een
zweep, een haak enz. voorzien is). Men heeft Twee-, drie-, vier-,
tot achtschijfsB--s.

Spreekwijze: Het schijfjen in 't B--jen (de zaak is in orde).

Blokhout, z. n. o. -- Hout, waar Bloks van gezaagd worden.

Blokkenet, z. n. o. -- Net, dat in 't kabelgat hangt tot berging van
de kleine Bloks.

Blokschijf, z. n. v. -- Schijf, die in het Blok zit.

Blokstrop, z. n. m. -- End touw, dat men om een Blok splitst om het
ergends aan te bevestigen.

Blokwangen, z. n. v. mv. -- De zijden van een Blok.

Blijven, o. w. -- Vergaan. Er zijn vrij wat schepen Gebleven in
dezen storm.

Bocht, z. n. v. -- 1o. Rondte, kronkeling. Het touwwerk in B--en
doen opschieten.

2o. De ronde kant van eenig voorwerp.

3o. Inham, kreek, inwaarts gebogen reede. De B-- van Guinea, de B--
van Frankrijk.

4o. Plaats op de rivieren, waar de schuiten worden binnengehaald om
veilig te liggen tegen ijsgang of overstrooming en om de vaart niet
te belemmeren. Hy heeft zijn schuit uit de B-- gehaald.

5o. of TouwB-- die, welke men voor de Beting heeft, als men ten
anker komt.

6o. Ontuig, drek. Ik kan die B-- niet drinken.

Spreekwijze: Een B-- achter den arm houden--'twelk een noodzakelijke
voorzorg is by het vieren--(gepaste voorzorg nemen).

Een ander aan de B-- springen (een bekwamer man by het B-- vieren
zetten).

Bochtsteek, z. n. m. -- of Engelsche Kink. Een soort van Steek,
gebruikelijk by het vastmaken van Bloks.

Bodem, z. n. m. -- 1o. Grond, vloer. De B-- van de zee; de B-- van
het schip.

2o. By toepassing het schip zelf. Zy hadden vijf B--s verloren (voor
vijf schepen) 's Lands B-- (het schip).


    Wy zijn by een gescheept, en ons gemeene waren
    Die moeten over zee op eenen bodem varen.

                        Cats. Samenspr. van Ziel en Lichaam.


Bodemery, z. n. v. -- Overeenkomst tusschen een geldschieter en
een geldopnemer, waarby een som gelds wordt opgeschoten, met beding
van premie en onder verband van schip of goed, of van beiden, met
dat gevolg, dat, indien het verbondene geheel of gedeeltelijk door
toevallen op zee vergaat of vermindert, de geldschieter zijn recht op
de opgeschotene penningen en op de premie verliest, voor zoo verre dit
een en ander niet op hetgeen overblijft kan worden verhaald; terwijl,
wanneer het verbondene behouden ter plaatse zijner bestemming aankomt,
de hoofdsom benevens de premie betaald moet worden.

De bepalingen omtrent B-- zijn te vinden in het Wetb. van Kooph. Boek
II. Tit. VIII. art. 569-591.

Bodemerybrief, z. n. m. -- Akte eener overeenkomst van Bodemery. Zie
daarover art. 273 Wetb. van Kooph.

Bodemstuk, z. n. o. -- 1o. Zool van een rolpaard.

2o. (veroud.) Benaming van het achterste der drie deelen, waaruit
vroeger een stuk geschut bestond.

Bodemstukken, z. n. o. mv. -- of Fundatiebalken: de zware balken,
waarop het geraamte van een stoomwerktuig gesteld wordt.

Boeg, z. n. m. -- 1o. De buiging of borst van het schip: alzoo het
voorste gedeelte van 't schip, 't Beteekent "kromming" even als boog
en buiging. Een vette, ronde, holle B--. Een magere, scherpe B--. Met
den B-- in den wal liggen.

2o. Boord. Over beide B--en. Van B-- veranderen, (over een anderen B--
gaan liggen (wenden)). B-- tegen B-- loopen.

3o. 't Voorste van de kuil, onder den bak, waar de kombuis zich
bevindt, en 't welk is afgescheiden van den ziekeB--.

Spreekwijze: Iemand dwars voor den B-- komen (iemand in zijn gang
stuiten, tegenhouden).

Op één B-- zeilen (eene streek houden).

Het op een anderen B-- wenden (van koers veranderen, iets op een
andere wijze doen dan te voren).

Het moet over dien B-- gaan, of gewend worden (die streek moeten wy
houden, op dien voet moet het beproefd worden).

Het over alle B--en wenden (alle middelen by de hand nemen).

Wy krijgen al het geld op een B-- (gelijktijdig, niet by gedeelten).

Een mensch met een breeden B-- (een deftig mensch).


    Dan scheen zy met een breeden boeg
    Het vlot voor uit te trekken.

                            Bilderdijk. Elius.


Boeganker, z. n. o. -- Een der vier of vijf ankers aan boord.

Boegband, z. n. m. -- Voornaam, binnen-scheepsverband in den Boeg,
dienende tot steun der dekken.

Boegen, o. w. -- (veroud.) Varen, zeilen.


    Nu boegt hy, waar de zon de Cingalezen roost.

                                        J. de Marre.


Boeghouten, z. n. o. mv. -- Die lengten van het Barghout, die niet
gebogen worden.

Boegkruisen, o. w. -- Het water met den Boeg kruisen, alzoo
Laveeren. Zie ald.

Boeglegger, z. n. m. -- (veroud.) De schipper of het schip, dat het
eerst na den beurtman op een gezet uur varen moet.

Boegmal, z. n. m. -- De Mal of vorm van den Boeg.

Boegpomp, z. n. v. -- Pomp om zout water te slaan, gebruikt by 't
schoon schip maken.

Boegseerboot, z. n. v. -- Boot, die tot Boegseeren dient of uitgezet
wordt.

Boegseeren, b. w. -- Met behulp van sloepen van plaats doen
veranderen. De sloepen zijn aan het B--. (zy trekken een schip aan
touwen achter zich). De schepen kunnen die haven niet binnenkomen
dan met behulp van sloepen, die hen B--.

Spreekwijze: Hy is er binnen Geboegseerd (hy is er schuins (half
dronken) binnen gekomen).

Boegseertros, z. n. v. -- Tros, waar de sloepen by 't Boegseeren aan
gespannen zijn.

Boegslag, z. n. m. -- Wending van den Boeg, gang. Zie Slagboeg.

Spreekwijze: Met een B-- (met een slingerslag, met een gelukjen.)

Boegspriet, z. n. m. -- Spriet of lange mastboom, die voor op den
Boeg uitsteekt en waarvan de bestemming is de zeilen verder buiten
boord te kunnen brengen: ook dient hy tot voornamen steun van het
tuig: waarom hy ook wel "sleutel van het tuig" wordt geheeten. Met
den B-- over het hek liggen (wordt gezegd van een schip, welks B--
niet verder dan het dubbel zijner lengte van den achtersteven eens
anderen vaartuigs verwijderd is). Met zijn B-- in het want van een
ander schip onklaar raken.

Boegsprietbanden, z. n. m. mv. -- IJzeren Banden, die om den koning
en de schalen van den Boegspriet heensluiten.

Boegsprietkam, z. n. m. -- Klampen, dienende om het verschuiven der
kragen van de fokkestags te beletten.

Boegsprietkussen, z. n. o. -- of spoor van den Boegspriet. Zie
Boegsprietspoor.

Boegsprietspoor, z. n. o. -- of Oven, z. n. m. -- Twee staande stukken
houts, waar het ondereinde van den Boegspriet op rust.

Boegsprietsprong, z. n. m. -- De hoek, dien de Boegspriet met de
waterlijn maakt.

Boegsprietstijlen, z. n. m. mv. -- De Stijlen, die tot stut van den
oven of het spoor van den Boegspriet dienen.

Boegsprietviolen, z. n. m. mv. -- of Vioolstukken. Platte stukken
houts, tegen het vooreinde van den Boegspriet aangebracht.

Boegsprietwoeling, z. n. v. -- Najing of Sjorring. Touw, waarmede de
Boegspriet omwoeld of verbonden is aan dat gedeelte onder de scheg,
't welk den naam draagt van Woelingknie.

Boegstag, z. n. o. -- Touwwerk, dienende om den Boegspriet zijdelings
te steunen.

Boegtouw, z. n. o. -- Wanneer een schip gemeerd ligt met een anker
vóór en achter, wordt aan het voortouw de naam van B-- gegeven.

Boei, z. n. m. -- Drijvend stuk hout of kurk, takkebos of ledige ton,
in den regel een ovaal waterdicht vat, met groote hoepels beslagen,
en dienende om de gevaarlijke plaatsen, klippen, wrakken, enz. of
de plaats, waar een anker gezonken is, aan te wijzen. Houten B--,
Kurken B--, AnkerB--, TonneB--. Klare B--, (die gereed gehouden wordt
om in 't water geworpen te worden op het oogenblik dat het anker
zinkt). ReddingB-- drijvend lichaam van kurk, wasdoek enz., dat men
aan een man, die in 't water valt, toewerpt, opdat hy het aangrijpe
en er zich mede boven houde tot dat een sloep hem hulp brengt.

Spreekwijze: Hy heeft een kop als een B-- (een hersenloozen kop).

Boeien, z. n. m. mv. -- De ijzers, waarin een matroos wegens misdrijf
gesloten wordt. Iemand in de B-- sluiten.

Boeien, b. w. -- of Opboeien. Het scheepsboord met planken hooger
maken. Zie Geboeid, Opboeien.

Boeier, z. n. m. -- Klein lastschip, dat voor en achter is Opgeboeid,
van waar het zijn naam heeft. Het komt in vele deelen met een Smak
overeen. De Hollandsche jachten zijn onder dien naam beroemd.

Spreekwijze: Een B-- is een zeeknoeier:--om dat een B-- minder
geschikt is om zee te bevaren; maar daarentegen zeer bekwaam voor
de binnenvaart.

Boeiketting, z. n. v. -- Ketting, die een Tonneboei aan zijn anker
verbindt.

Boeiklamp, z. n. v. -- Plank, die op de naden van een schip gespijkerd
wordt, om het binnendringen van het water tegen te gaan.

Boeireep, z. n. v. -- Touw, dat den Boei met het anker verbindt. Zie
Reep.

Boeireepknoop, z. n. m. -- Knoop, waarmede de Boeireep op het anker
bevestigd wordt.

Boeisel, z. n. o. -- Planken, waarmede een schip wordt opgeboeid.

Boeitang, z. n. v. -- Tang, waarmede planken als aan elkander
vastgeboeid worden.

Boekanier, z. n. m. -- Naam, die vroeger door Z. Amerikaansche
zeeroovers gedragen werd.

Boekhouder, z. n. m. -- Naam, door de visschers onzer zeedorpen aan
den reeder gegeven, als zijnde hy het uitvoerend bewind in alle zaken,
de vangst betreffende.

Boelijn, z. n. v. -- Lijn, dienende om het loeflijk der vierkante
zeilen meer aan den wind te halen als men by-de-wind zeilt. Men
zegt in 't mv. niet Boelijnen maar Boelijns.--LoefB-- (die aan de
windzijde staat). LyB-- (die onder den wind is). Vaste B--s (die zoo
stijf staan als zy kunnen). Haal uit de B--s! (komm.). Met de B--s
uitgehaald zeilen (scherp by-de-wind zeilen). Zie Magerman.

Boelijnspruiten, z. n. v. mv. -- of Leuvers. Touwen, die in den vorm
van een hanepoot het loeflijk van de zeilen met de Boelijn verbinden.

Boeri, z. n. v. -- Soort van riviervrachtschip in Bengalen.

Boeten, b. w. -- Verbeteren, gelijk Boete "betering" beteekent. Netten
B-- (de gescheurde mazen herstellen).

Boevenet, z. n. o. -- Vroeger heette B-- een net, van traliewerk
gemaakt, dat over de opening van een schip geplaatst werd en bestemd
om af te weeren hen die opkwamen om te enteren of met andere slechte
voornemens; thands is het een bynaam voor het Enternet, 't welk by
nacht rondom het boord van een brik of ander laag vaartuig tegen het
overrompelen geheschen wordt.

Boezem, z. n. m. -- Zie Waterboezem, Zeeboezem.

Boezeroen, z. n. o. -- Soort van korte zeemanskiel.

Bogen, z. n. m. mv. -- Ronde houtjens, waarin zich gaatjens bevinden,
door welke men het touwwerk kan laten gaan.

Bohei of Boha, z. n. o. -- Geschreeuw. B-- maken (geweld
maken). Geen B-- aan boord! (geen rumoer, geen geschreeuw!) Dit
woord is oorspronkelijk maleisch. Wanneer men, met de sloep over den
modderbank voor Batavia varende, vastraakt, moeten de roeiers er uit
om te sleepen: 't welk uithoofde der menigvuldige kaaimans, die zich
aldaar bevinden, niet weinig gevaarlijk is. Wanneer nu de Javanen,
die op den modderbank visschen, een sloep zien vastzitten, roepen
zy aan de Ekipaadje toe: bohaya; 't welk in 't maleisch "Kaaiman"
beteekent, ten einde men hun de sloep doe sleepen en zy er wat aan
verdienen. Uit dat herhaald en luid geschreeuw der Javanen is ontstaan,
dat de matrozen een schreeuwer, rumoermaker een B--maker noemen.

Bok, z. n. m. -- 1o. Vaartuig, waar men schuiten of pramen, die aan
den grond zitten, mede boven water haalt: hetwelk niet kan geschieden,
zonder dat het vooreind meer en meer naar het water zakt en den kop
buigt als een bok, die stooten wil.

2o. Twee aan de boveneinden verbonden rondhouten, barkoenen,
windboomen, waaraan een blok hangt, en wier onderste einden ter
wederszijden op het dek rusten: dienende tot het lichten van masten
of andere zware lichamen.

3o. Of Zagersbok. Werktuig, ten gelijken einde dienende, doch bestaande
uit drie stutten of pooten, die in een driehoek uitstaan en zich in
den top piramidaalvormig vereenigen.

Bokkebeenen, z. n. o. mv. -- In den top vereenigde en vorksgewijze
opgerichte spieren of staken, met katrollen voorzien en dienende om
masten uit te lichten of op te zetten, of om, by den aanbouw van een
schip, de stukken op hun plaats te brengen.

Bokshoorn, z. n. m. -- of Boksoor. Hieronder verstond men vroeger een
ijzeren haak, die ter wederzijden van de rampaarden werd vastgehecht
om de touwen daaraan te beleggen. Hy had zijn naam van zijn gedaante,
daar de pen van dit werktuig achterover lag, even als de hoorn van een
bok. Tegenwoordig zijn de B--s van voren rondgebogen ijzeren bouten
in het boord der schepen, aan welke bouten de Broekings der stukken
gebonden worden om het inspringen te beletten. Zie Hoornen.

Boksoor, z. n. o. -- Zie Bokshoorn.

Bolkvanger, z. n. m. -- Bolk, of bolg beteekende oudtijds bui: een B--
was dus een kleed, dat tegen buien beschutte. Vondel noemt, in zijn Lof
der Zeevaart, de matrozen 't Bolckvangerdragend gilt. Zie Baaivanger,
Wolkvanger. In 't zelfde gedicht noemt Vondel het:


    Een draght, die sterven zal wanneer de schipvaert sterft.


Bollen, b. w. -- Korten, inkorten. De bezaan B-- (het zeil van de
bezaan minderen of minder ter windvang stellen).

Bolster, z. n. v. -- (veroud.) Klos, of kussen, waar de boegspriet
op rust. Zie Boegsprietkussen.

Bolwerken, b. w. -- (veroud.) Men noemde Een schip in zee B--
(de goederen op last in een schip verleggen).

Bom, z. n. v. -- Kogel, met brandbare en tot ontploffing bestemde
bestanddeelen gevuld.

Spreekwijze: De B-- is losgebarsten (de zaak is uitgekomen).

Als een B-- ergends invallen (als een onwelkome gast ergends
verschijnen).

Bom, z. n. v. -- Visschuit.

Bombalon, z. n. m. -- Zeetrompet, by de negers in gebruik.

Bombarde, z. n. v. -- Bombardeergaljoot, z. n. v. -- Bombardeerschip,
z. n. o. -- Vaartuig, dat voor den grooten mast een paar mortieren
voert, bestemd om een havenmond te verdedigen, een ontscheping te
beschermen of een stad van de zeezijde te Bombardeeren.

Bombardeeren, b. w. -- Met Bommen beschieten.

Bombardement, z. n. o. -- Het beschieten met Bommen. Het B-- van
Koppenhagen, van Algiers.

Bonnet, z. n. v. -- Lyzeil, broodwinder. Strook zeil, die aan de
zeilen kan geregen worden om ze te verbreeden of te verlengen. De B--
aanrijgen, de B-- ontrijgen, afdoen.

Boog, z. n. m. -- 1o. Straal, kromming. Zie Boeg. Ook strook,
neêrbocht.

2o. (Veroud.) Lang hout, daar men het spil mede omdraait.

Booi, z. n. m. -- 't Eng. Boy, jongen.

Spreekwijze: B-- is kaptein (de knecht is baas).

Boom, z. n. m. -- 1o. Lange stok of spier, die op de binnenvaart
gebezigd wordt om de vaartuigen voort te duwen, en die zijn naam
daarvan ontleent, dat hy van een geheelen boom gemaakt wordt.

2o. Spaak van een spil.

3o. Spier, dienende tot het uithalen van eenig zeil. Briksboom,
kottersboom.

4o. Sluitboom, balk, waar de havens of het vaarwater mede afgesloten
worden. Met den avond wordt de B-- gesloten.

5o. Huisjen, waar de Beämbten zitten, die op het openen of sluiten
van den B-- of op de in- en uitgaande goederen te letten hebben.

Boomdirk, z. n. v. -- Boomreep. Het touw, dat het achtereinde van
den Boom steunt.

Boomen, o. w. -- Met een Boom voortduwen.


    Hy boomde met een vlot langs d'oevers.

                        Vondel. Lof der Zeevaert.


Boomgeld, z. n. o. -- Geld, dat aan den Boom voor 't ontsluiten
betaald wordt. Zie Havengeld, Sluisgeld.

Boomklerk, z. n. m. -- Koopmansbediende, die voor zijn kantoor de
verklaringen voor de In- en Uitgaande Rechten der binnen- of aan den
Boom komende schepen doet.

Boomschoot, z. n. v. -- Het touw of de takel, waarmede de Boom
bedwongen wordt.

Boomstag, z. n. v. -- Boventouw, Loefstag, Knoopspar. Touw op groote
vaartuigen, even als de Boomschors op kleinere, tot beteugeling
dienende van den Boom. Zie Bulletouw.

Boomtouw, z. n. o. -- Touw, dat door de gaten van de Boomen (spaken)
van het gangspil wordt rondgeschoven om ze te verbinden, en zoo te
beletten dat ze er niet uitvliegen, wanneer, door 't breken van den
pal, het spil rondvliegt.

Boon, z. n. v. -- (veroud.) Platbodemd schuitjen; van waar het
spreekwoord dat in Spieghels Byspraex-Almanak voorkomt:


    Bonen by de kant, Houdt het schip midden waters.


Boor, z. n. m. -- Houten werktuig, met een ijzeren, van onder scherpe
halve buis voorzien, welke, op een vast lichaam geplaatst en snel
omgedraaid, daarin ronde gaten maakt.

Boord, z. n. m. -- Rand of zijde. De B--en van den Aemstel. Als
ScheepsB-- genomen is het o. Met het B-- tegen den wal liggen. --
Het B-- wordt echter meestal genomen voor het schip zelf. Aan B--
komen. Naar B-- gaan. Het B-- verlaten. Iemand aan B-- nemen, of
onthalen. Van B-- gaan. Over B-- vallen of, beter nog, over B--
dwalen (in 't water vallen). Iemand aan B-- leggen (by iemand aan
boord komen).


    Zy leggen ons aan boord, die welervaren maets.

                                    Vondel. Lof der Zeevaert.

    Hier gelt bulderen, noch stampen,
      Noch geen borstweer van een mijl;
    Rustigh boort aan boort te klampen
      Is der Batavieren stijl.

                        Vondel. Scheepskroon.


Spreekwijze: Aan hooger B-- zijn (van toestand verbeterd zijn) uit
het Fr. ontleend is, waar de capitaine de frégate tot capitaine de
haut-bord (van een linieschip) bevorderd werd.

Zich aan hooger B-- houden (zich houden met hen, van wie men het
meeste voordeel verwacht).

Iemand aan B-- klampen (zich aan iemand vastklampen, iemand op 't
lijf vallen).

Iemand aan B-- komen (iemand toespreken, lastig vallen).

Iemand met een voorstel aan B-- komen (iemand een min welkom of
althands onverwacht voorstel doen).

Het B-- kwijt raken (zijn middel van bestaan verliezen).

Een man over B--, een eter te minder (een verlies lijden, waar men
minder om geeft en even luchtig over denkt als sommige kapiteins over
hun matrozen).

Daar is veel over B-- (daar is veel verloren, of in de war.) (Zie
Overstuur).

Achter de puttings over B-- raken (Zie Puttings).

Boorder, z. n. m. -- of Scheepboorder: de man, die met het boren
belast is.

Boos, b. n. en bw. -- Wordt van den wind, van het weer enz. gezegd,
als het ongunstig is. Wy hebben B-- weer op reis gehad. Wy hebben
het B-- te verantwoorden gehad. Het heeft B-- gewaaid.

Boot, z. n. v. -- Grootste roeivaartuig op een koopvaarder, dat
by gelegenheid dient om ankers op te winden of uit te brengen,
watervaten in te nemen enz. Groote B-- (Zie Barkas): deze wordt meest
op koopvaardyvaartuigen gebezigd.

Spreekwijze: Eerst in de B-- keur van riemen (wie eerst komt, die
eerst maalt: of wie er 't spoedigst by is, mag kiezen).

Iemand in zijn B-- krijgen (iemand in zijn belang of tot zijn denkwijze
overhalen).

Van de B-- komt men in de schuit (men komt van kwaad tot erger, of van
't kleine tot het groote).

De HuwelijksB-- of 't HuwelijksB--jen (is een gewone samenstelling voor
't Huwelijk).

Bootklampen, z. n. v. mv. -- De mikken, waarin de Boot op het dek
staat.

Bootkrabbers, z. n. m. mv. -- 1o. Touwen, met een haak en een kous
voorzien, en bestemd om Booten aan een vaartuig vast te maken.

2o. Touwen, waarmede de Boot op het dek is vastgesjord.

Bootschoen, z. n. m. -- Plaat, die buiten boord wordt gehangen, en
tegen welke de Boot rust als zy tegen het schip uit het water wordt
geheven, om gebreeuwd, geteerd enz. te worden.

Bootsgezel, z. n. m. -- 't Zelfde als Varensgezel of Matroos: omdat
die met het roeien in de Boot belast is.


    Kees quam uyt zee en vocht in kerk en in kapel.
    Kees was eerst bootsgezel, nu is 't een boos gezel.

                                                    Jan Vos.


Bootsleper, z. n. m. of -- Vanglijn. Het touw, waarmede de Boot aan
het schip bevestigd is en achteraan gesleept wordt.

Bootsman, z. n. m. -- Ook wel Hoogbootsman genoemd: toeziener en
aanvoerder der Bootsmansgasten en wien het toezicht is opgedragen op
zeil en treil van den grooten mast. By de manoeuvres blijft hy op het
dek en wordt alzoo onder de dek-officieren geteld. Op koopvaardyschepen
is hy de aanvoerder der bemanning en hoogste onderofficier.

Bootsmansgasten, z. n. m. mv. -- De matrozen, die onder den Bootsman
staan en met hem aan denzelfden bak eten.

Bootsmansmaat, z. n. m. -- De onderofficier, die op den Bootsman in
rang volgt, en met het toezicht over het achterschip is belast.

Bootsmansstoel, z. n. m. -- Een plank, die tegen den mast hangt,
en waarop een matroos zit, als hy werk aldaar te verrichten heeft.

Bootsvolk, z. n. o. -- De Bootsgezellen in 't algemeen: oudtijds meer
bepaaldelijk de bemanning eener Boot.

Bordig, b. n. -- (veroud.) Plat, als een Bord. B--e zeilen (platstaande
zeilen).

Bording, z. n. v. -- Benaming van zeker Pruissisch vaartuig.

Bordgeld, z. n. o. -- Soort van verval, dat uit de beschouwing (de
opbrengst) der vischvangst voortspruit.

Boren. b. w. -- Een gat, een opening maken door middel van een
Boor.--'t Wordt echter ook gebruikt van openingen, door kogels
gemaakt. Een schip in den grond B-- (zoodanig beschieten dat het lek
wordt en te gronde gaat).

Borg, b. n. -- of Loos, wordt alles genoemd, wat niet dadelijk
gebruikt wordt, maar, in geval van nood, dient om iets dat onklaar is
te vervangen, en dan als 't ware Borg blijft, dat er geen ongerief
ontstaan zal. B--schoot, B--touwen (schoot, touwen, die, nevens de
andere, die, gespannen staan of dienst doen, los hangen).

Borrel, z. n. m. -- Letterlijk, een belletjen, dat uit den grond komt
opborrelen; doch by toepassing, een glas geestrijk vocht.

Borst, z. n. v. -- Wordt somtijds, by toepassing, voor het voorste
gedeelte van het schip, of den boeg, genomen.

Bos, z. n. v. -- Bus of Buis. Hout, waar op kleine vaartuigen het
gat in komt tot waterloozing, of uitwatering op den overloop en verder.

Bosbank. -- Zie Potdeksel, Schanddek, Dolboorden.

Bossenwerk, z. n. o. -- Gepluisd touw, dat gepikt is, en waarmede
een oud schip geblakerd wordt.

Bot, z. n. v. -- Vooreind, 't Fr. bout. Het touw heeft geen B--. Het
touw heeft niet B--s genoeg. Men moet het touw B-- geven. B-- vieren,
(laten schieten).


    Ja, vier uw zeilen bot, bedien u van de winden.


zegt Bilderdijk, in zijn Ziekte der geleerden; doch min juist; want
wanneer men de zeilen B-- viert, gaat de wind er uit.

Spreekwijze: Zijn lusten B-- vieren (er aan toegeven).

Bos, z. n. v. -- Vierkant stuk metaal, in de schijf van een blok
ingesloten, en waardoor de pen gaat waarop het draait.

Boterland, z. n. o. -- Land, dat men waant te zien, doch 't welk alleen
uit een gezichtsbegoocheling ontstaat, en als wegsmelt by 't naderen.

Botloef of Botteloef, z. n. m. -- De balk, waar de fokkehals op
vaart. Zie Loef.

Botstouwgat, z. n. o. -- Oude benaming van het gat, waar het ankertouw
doorloopt.

Bottelary, z. n. v. -- Plaats of vertrek, waar de Bottelier zijn
spijs bewaart en uitdeelt.

Bottelier, z. n. m. -- Eigenlijk iemand, die gesteld is, om de bottels
of flesschen te bewaren; doch, aan boord, de man, die in 't algemeen
het toevoorzicht heeft over de eetwaren, om ze aan den kok uit te
leveren, en die ook het brood, boter, kaas enz., alsmede den drank
aan de manschap ronddeelt.

Spreekwijze: Als de kok en de B-- kijven, dan weet men, waar de
boter blijft, (als twee schelmen, die gewoonlijk het eens zijn,
twist krijgen, dan komen hun boevestukken aan 't licht).

Botteliersmaat, z. n. m. -- of Onderbottelier. Behulp van den
Bottelier.

Botteloef. Zie Botloef. B--krabbers, B--Schenkel of Strontstagen
(touwen, die bestemd zijn om den B-- te steunen).

Botter, z. n. m. -- Een vaartuig met één mast en aan zijn ronden,
Botten boeg, zijn naam ontleenende; doch van achteren als een schokker
gebouwd.

Bout, z. n. m. -- IJzeren of koperen staaf, tot verbindingsmiddel
dienende. Stompe B--en (die geen punt hebben, als alle
spantbouten.) Blinde B--en (die van welke, na het indrijven, alleen het
einde, waartegen geslagen is, zichtbaar blijft. De B--en verschillen
hierin van de spijkers, dat zy overal even dik zijn en niet verdunnend
toeloopen. Zy worden gewoonlijk van rood koper of ijzer gemaakt:
de ijzeren van rood- of achtkant staafijzer. Zie SpantB--, NaaiB--,
KoppelB-- enz. enz.

Boutdrevel, z. n. m. -- Bout, waarmede andere Bouten uit hun plaats
gedreven worden.

Boutjens, z. n. o. mv. -- (veroud.) Vierkante lappen zeil, die tegen
de lijken aangezet worden, waar het zeil om de aangeslagen touwen
sterkte noodig heeft.

Bouts, z. n. o. mv. -- (veroud.) Touwen, gebruikt om het want te
voorzien als 't verbroken is. 't Woord is 't Fr. bouts (enden).

Boutkogels, z. n. m. mv. -- of Kneppelkogel: twee kogels, door een
Bout verbonden.

Bouw, z. n. m. -- 1o. Maaksel. Dat schip is van zwaren B--.

2o. Konstruktie, scheepsbouw. Zie Scheepsbouw.

Bouwen, b. w. -- 1o. Vervaardigen, timmeren. Een schip B--.

2o. Bebouwen, beploegen. Zoo, by toepassing, Zee B-- (de zee bevaren,
omdat men die als 't ware met het schip beploegt). Antonides noemt
in zijn Ystroom Amsterdam:


    De grootste zeevorstin, die alle watren bout.

    Hier bout de zeeraadt om de vrye zee te bouwen.

                                                Jan Vos.


Bouwlood, z. n. o. -- Zie Lood.

Boven, byw. -- 1o. De masten met betrekking tot hen, die zich op
het dek, en het dek met betrekking tot hen, die zich onder in 't
schip bevinden. Een jongen naar B-- zenden (in den mast). Roep den
Luitenant eens B-- (op het dek).

2o. De oppervlakte der zee. De man was gezonken: gelukkig kwam hy
nog even B--, zoo dat men hem grijpen kon.


    Waarom koomje boven drijven
      Jonghe bliecken, kleyne vis?
    Ghy mocht beter onder blijven,
      Daer u eyghen wooningh is.

                        Cats. Emblem.


Boven (te) zijn. Een hoek, klip, punt T-- B-- zeilen (die bovenwind
te loefwaarts omzeilen).

Spreekwijze: Hy is dien klip T-- B-- (hy is dat gevaar ontkomen).

Bovenbarghout, z. n. o. -- Zie Barghout.

Bovenblind, z. n. o. -- (veroud.) Het zeil, dat vroeger gevoerd werd
boven de Blinde ra.

Bovendek, z. n. o. -- Het bovenste Dek op een schip.

Bovenhalen, b. w. -- (veroud.) Te boven zeilen.

Bovenkajuit, z. n. v. -- De kajuit, welke de geheele breedte van het
achterschip beslaat en tusschen de kampanje en het bovendek begrepen
is. Op de koopvaardyschepen, die geen kampanje hebben, is somtijds
achterop een groote hut getimmerd, die de B-- wordt genoemd.

Bovenkruiszeil, z. n. o. -- of Grietjen, welke laatste naam de meest
gebruikelijke is: het zeil, dat tusschen de Grietjensra en Kruisra
hangt. Zie Grietjen.

Bovenlijk, z. n. o. -- of Ralijk, Het touw, dat aan de bovenzijde van
een zeil is vastgehecht en het door banden aan de ra verbindt. Zie
Lijk.

Bovenrabanden, z. n. m. mv. -- Enden touw, dienende om de bovenhoeken
der zeilen aan de Raas vast te binden. Zie Nokbindsels.

Bovenschip, z. n. o. -- Huizing of Doodwerk: het gedeelte van het
schip, dat zich boven water bevindt.

Bovenspil, z. n. o. -- Het spil, dat op het dek staat, ter
onderscheiding van het Onderspil. Zie Spil.

Boventuig, z. n. o. -- Tuig der Bovenmasten.

Spreekwijze: Zijn B-- is in de war (hy is niet wel by 't hoofd).

Bovenzeilen, z. n. o. mv. -- Zie Zeil.

Braadspit, z. n. o. -- Rolspil, verdraagbaar windas op de
koopvaardyschepen.

Brabbelen, b. w. -- Opborrelen, koken. De zee begint te B--.

Brak, b, n. -- Ondrinkbaar. B-- water, (zoet water, met zout water
of andere bestanddeelen vermengd).


    Reeds lang zagh ik myn naam en grootheit aengebeên,
    Eer nog uw brakke poel van visschers wert betreên.


Zegt de Seine tegen 't Y in Antonides. Ystroom.

Bram, z. n. v. -- of Bramzeil, z. n. o. -- Het zeil boven het
marszeil: vroeger het hoogste zeil op een mast, dat men by stil weer
opzette. "Daer by compt nog, dat men de schepen maekt mars boven mars,
bramseyl boven bramseyl, alles streckende alleen om syraet en oppronck,
ende nyet tot bequaemheyt, jae streckende tot groote onbequaemheyt,
alsoo hierdoor de schepen soo rank worden gemaeckt, dat het onderste
geschut nyet en kan gebruyckt worden daer mede het meeste, jae alle
het gewelt moet gedaen worden." Memorie ende Aenwysinge hoe dat
Lants schepen best souden dienen gebout om den vyant den meeste
afbreuck te doen. Men voert heden niet alleen B--zeilen, maar ook
BovenB--zeilen. De B--zeilen worden gevoerd tusschen de B--raas en de
Marseraas. Zy worden onderscheiden in 1o. Voor B--zeil, dat aan den
fokkemast, 2o. Groot B--zeil, dat aan den grooten mast, 3o. Grietjen,
dat aan den kruismast gevoerd wordt.

Spreekwijze: Hy voert B-- boven B-- (hy maakt veel uiterlijke
vertooning).

Hy is een rechte B-- (hy is een windmaker, een bluffert).

Bramsteng, z. n. v. -- De mast van het Bramzeil, en alzoo verlenging
van de steng.

Bramzaling, z. n. v. -- De mars van de steng.

Bramzeil, z. n. o. -- Zie Bram.

Bramzeilskoelte, z. n. v. -- Een matig windtjen, waarby de schepen
Bramzeil kunnen voeren.

Bramzijgertjen, z. n. o. -- of Brandezijgertjen: naam, dien de
visscherslieden geven aan de fosforieke dampen, die nu en dan uit
zee opstijgen en samensmelten, en waarin de visscher, ze door zijn
verbeelding vergrootende, gestalten des duivels meent te zien.

Brandaris, z. n. m. -- 1o. Groote lantaren, hangende onder de mars
van het Amiraalschip.

2o. Vuurtoren. De B-- van ter Schelling. Zie Kustlicht.

Branden, b. w. -- Een schip met brandend riet zengen om den worm
te verdrijven.

Branden, o. w. -- Wordt de zee gezegd te doen, wanneer zy schuimende
over droogten en klippen heenrolt.

Brandrol, z. n. o. -- Lijst van hen, die, aan boord, tegen Brand
moeten waken.

Brander, z. n. m. -- Een vaartuig, toegerust met buskruit en andere
ontvlambare stoffen, 't welk op de vyandelijke bodems wordt afgezonden
om die in brand te steken of te vernielen.

Spreekwijze: Een B-- aan boord krijgen (in groot gevaar verkeeren).

Het is een B-! hou af (laat u niet met hem in).

Brandhaken, z. n. m. mv. -- Haken, waarmede men Branders afweert.

Branding, z. n. v. -- of Barning. Het op- en nedergaan der woelende
golven, waar zy tegen het strand of de banken breken, en daardoor
het landen bemoeilijken.

Spreekwijze: Hy geraakt in de B-- (in verlegenheid). B-- in
lij! (dadelijk wenden, 't gevaar ontwijken!)

Brandstof, z. n. v. -- Al wat tot verwarming of verbranding dient.

Brandijzer, z. n. o. -- Haardijzer, of Wolfsklaauw: IJzer, waarmede
men aan de buitenhuid van een schip, by 't Branden, haar fatsoen geeft.

Bras, z. n. m. -- Men geeft dien naam aan twee touwen, die, elk
aan een der beide uiteinden eener ra gehecht, dienen om deze om de
masten, waar zy aan hangen, te doen draaien, ten einde aan de zeilen
zoodanige richting te geven als de omstandigheden vorderen. Groote
B--sen (der groote raas). FokkeB--, MarseB--, BramB-- enz. LoefB--
(die aan de windzijde is) LyB-- (die aan de tegenovergestelde)
Stuurboords of BakboordsB-- (die rechts of links is. Looze B-- (die
uit voorzorg nevens een anderen gesteld wordt). Een B-- aanhalen,
vastmaken, beleggen. Den LoefB-- stijf aanhalen.

Spreekwijze: Hy heeft er den B-- aan (Hy wil er niet meer aan
doen;--omdat als men de zeilen zoo na mogelijk by-de-wind gezet
heeft en de B--sen dus "aanstaan"; men, te dien opzichte althands,
het mogelijke verricht heeft).

De B--sen vastzetten (In de richting blijven).

Een wilde B-- (Een wildzang: omdat een B--, die los is, in 't wilde
hangt, en heen en weêr wappert).

Brasklamp, z. n. m. -- Zie Stootschaal.

Brasschenkels, z. n. m. -- Enden touw, die aan den kop van den mast
hangen en waaraan het blok is gesplitst, door 't welk Brassen loopen.

Brassen, o. w. -- Zie Aanbrassen, Opbrassen, Breedtuigen.

Breêboeg, z. n. m. -- (veroud.) Schip met een breeden Boeg.

Breed, bw. -- Zijlings, van ter zijde. B-- liggen (De zijde bieden,
't zij aan een ander schip, 't zij aan den wind).

Breede wimpel. -- Zie Wimpel.

Breedte, z. n. o. -- of Poolshoogte. Noorder- ZuiderBreedte.

Breedte der kiel, z. n. v. -- De afstand tusschen de zijvlakken in
het midden der kiel.

Breedtuigen, bw. -- Of Vierkant Brassen: De zeilen zoodanig uitzetten,
dat zy zich in 't vierkant aan den wind blootstellen.

Breêfok, z. n. v. -- Een groot zeil van licht doek, dat, op kleine
vaartuigen, gebezigd wordt om voor-de-wind te zeilen.

Breêgang, z. n. m. -- Dat gedeelte van de buitenhuid by linieschepen,
't welk tusschen het bovenbarghout en onderbarghout begrepen is.

Breekbeitel, z. n. m. -- of Steekbeitel. Een werktuig, bestaande uit
een plat, smal en gekromd ijzer, aan een staaf gehecht, en waarmede
het werk, dat vernieuwd moet worden, uit de naden der planken gekrabt
wordt.

Breekstoppers, z. n. m. mv. -- of Springstoppers. Halfsleten Stoppers,
die by harden wind op het ankertouw worden gezet, om het geweld van
den eersten schok te breken, als het schip voor zijn anker opdraait.

Breekwater, z. n. o. -- Waterkeering: Een hoofd, waar de golven op
breken en de sloepen dus veilig achter kunnen liggen.

Breekijzer, z. n. o. -- Schietbeitel of Fermoirbeitel. Soort van
grooten Beitel, dienende om keepen te maken.

Breeuwen, b. w. -- Kalefaten: De reten, naden, spleten en voegen met
werk dicht stoppen.

Breeuwer, z. n. m. -- Die met het Breeuwen of kalfaten belast is.

Breeuwhamer, z n. m. -- Zie Hamer.

Breeuwstoel, z. n. m. -- Een plank, die buiten boord hangt, en waar
de Breeuwer op zit als hy zijn werk verricht.

Breeuwijzer, z. n. o. -- Zie IJzer.

Breken, o. w. -- Wordt van de golven gezegd, als zy tegen klippen
of rotsen stuiten en uit elkander spatten. De zee, de golven B--
op die rots.

Breker, z. n. m. -- voor Golf. De B--s slaan over de hooge rotsen
heen.--Een B-- aan boord krijgen. (Een golf, die boven het boord
Breekt en op het schip stort).

Bridsen, b. w. -- of Laarzen. Iemand met een eind touw op de
natgemaakte broek kastijden.

Brieven van schadeverhaling, z. n. m. mv. -- Brieven, waarby door den
Soeverein het recht gegeven werd, om den vyand afbreuk te doen op zee.

Bries, z. n. v. -- Koelte, wind. Het waait een stijve B-- (Er waait
een frissche wind).

Briesjen, z. n. o. -- Een klein windtjen. Dat B-- was juist genoeg
om ons in de haven te brengen.

Brigantijn, z. n. m. -- Italiaansch vaartuig, oorspronkelijk een
roofvaartuig, gelijk de naam (Briganten-schip) aanduidt; doch later
voor alle kleine onoverdekte vaartuigen genomen.

Brik, z. n. v. -- Met Brigantijn verward; doch verkeerdelijk. B--
is van 't Fr. barrique, "last" en beduidt dus oorspronkelijk
Lastschip. Thands geeft men dien naam aan een groot vaartuig met twee
vierkant getuigde masten. Groote B--, B-- van 18 stukken. AdviesB--,
B-- van 8 stukken.--SchoenerB--, KanonneerB--, OorlogsB--,
KoopvaardyB--, KorvetB--, B-- met barkstuig.

Brikzeil, z. n. o. -- Voornaam zeil, 't welk de Brikken en andere
vaartuigen achter den grooten mast aan een gaffel en boom voeren.

Bril, z. n. m. -- (veroud.) Uitgesneden hout op den overloop, ter
plaatse alwaar de kolderstok droog of in den draaiklos staat: Ook
wel de klos zelf.

Britsen, b. w. -- Zie Laarzen.

Broek, z. n. v. -- of Twil. 1o. Stuk hout, dat de vrangen van een schip
kruist, wanneer deze uit twee tegen elkander gestelde stukken bestaan.

2o. of Broeking. Zeildoeksche bekleeding.

Broeking, z. n. v. -- 1o. Een zwaar touw, dienende om het terugloopen
van een stuk geschut te voorkomen.

2o. Zware takel, met een katrol aan het einde, en in het midden
vastgehecht aan den achtersteven van een op de werf liggend schip, en
dienende om dit by 't van stapel loopen naar 't water te doen glijden.

3o. Zeildoeksche bekleeding tegen inwatering van buiten. B-- van den
mast, van het roer, enz.

4o. Zeildoeksche zoom, die tegen den vlaggestok aankomt, om de vlag
te versterken.

Broekstuk, z. n. o. -- 1o. Dat gedeelte van een kanon, dat zich achter
de tappen bevindt. Zie Bodemstuk.

2o. 't zelfde als Broek: zie ald.

Broodkamer, z. n. v. -- Waar het scheepsbrood (de beschuit) wordt
bewaard.

Broodwinder, z. n. m. -- Vinnetjen, achtergaffelzeil. Zeil, dat achter
de bezaan wordt geheschen.

Bruischen, o. w. -- Geraas, dat de golven maken, wanneer zy door wind
of storm bewogen worden.

Bugalet, z. n. o. -- Klein tweemast-vaartuig, dat op de kusten van
Finisterre de dienst van lichter en transportschip doet. Het heeft
een fok en een groot vierkant zeil, daarboven een marszeil en voert
een of twee kluivers.

Bui, z. n. v. -- Vlaag, slecht weer. Een regenB--, een hagelB--,
een stormB--.

Spreekwijze: Een kwade B-- hebben, (Norsch, gemelijk, driftig zijn).

Een goede B-- hebben, (Opgeruimd vriendelijk zijn).

Buiig, b. n. -- Ongestadig, regenachtig, winderig. 't Is B-- weer.

Spreekwijze: B-- weer, klein zeil, (In onzekere zaken moet men niet
te veel wagen).

Buik, z. n. v. -- Ronding. De B-- van een zeil (de bolvormige gedaante,
welke het aanneemt, wanneer het door den wind is opgezet: ook de
ophooping van een vastgemaakt zeil op het midden der ra. De B-- van een
schip (de ronding van een schip). Op zijn B-- zeilen (op zij zeilen).

Buikdenning, z. n. v. -- Zie Weger.

Buikgording, z. n. v. -- Gording of touw, op een derde van het lijk
vastgemaakt en dit aan de ra verbindende.

Buikseizings, z. n. v. mv. -- Breede en platte touwen, die een
dichtgerold zeil tegen de ra vastklemmen.

Buikstukken, z. n. o. mv. -- Naam, die op sommige plaatsen aan de
vrangen gegeven wordt. Zie Vrang. Meer algemeen echter noemt men B--
of Oplangers die verlengstukken, welke by den aanbouw van een schip
op de uiteinden der halve vrangen geplaatst worden. Zy onderscheiden
zich in Onder en BovenB--

Buikweger, z. n. m. -- Zie Weger.

Buis, z. n. v. -- 1o. Geleibuis, koker.

2o. Kleedingstuk: rok zonder panden. Een duffelsch B--. Een matrozen
B--.

3o. Vaartuig, dat meer in 't byzonder gebezigd wordt tot de
haringvangst. Zie Haringbuis.

Buisch, b. n. -- Dampig, nat, en donker. B-- weer.

Buisharing, z. n. m. -- Haring, die met buizen gevangen wordt.

Buislichter, z. n. m. -- Groote lantaarn op het hek boven de kampanje.

Buisman, z. n. m. -- Zeeman, die op een Buis ter haring vaart.

Buit, z. n. m. -- Roof, op den vyand behaald.

Spreekwijze: Of B-- of slagen.

Buiten, bw. -- Naar buiten: in zee. De schepen zijn naar B--
gezeild. Zij zijn B-- de haven gebracht.

Buiten gaats, bw. -- In volle zee: het zeegat uit. De schepen zijn
B-- G--.

Buitenkluiver, z. n. m. -- Driekant zeil, waarvan de eene zijde langs
den leier gaat, die van den kop der fokkesteng naar het kluishout
loopt. Zie Kluiver.

Buitenloods, z. n. m. -- of Kustloods. Loods, die de schepen over de
buitenwateren brengt. Zie Loods.

Buitensteiger, z. n. o. -- Steiger, die aan zee of aan de haven ligt.

Buitenvertuining, z. n. v. -- Gedeelte der buitenhuid, tusschen het
potdeksel en den uitgang van het rahout.

Bulkhoofden, z. n. o. -- (veroud.) Schotten, welke men dwarsscheeps
in het hol zette, op dat de ingeladen waren òf de ballast niet
verschieten zouden.

Bulletouw, z. n o. -- Los end touw, van een haak voorzien, en
dienende om tijdelijk de fokkehals op den kraanbalk te bevestigen,
ook om den bezaans-brik-kotterboom, by het overslaan van het zeil,
tegen den schok te behoeden.

Bultzak, z. n. m. -- Bed van kaf, door de zeevisschers gebruikt.

Bun, z. n. v. -- Zie Beun.

Bunschuit, z. n. v. -- Schuit, waarmede de zeevisch levend vervoerd
wordt.

Burghaak, z. n. m. -- Soort van Stuik. Zie ald.

Bus, z. n. v. -- 't Zelfde als Bos, Buis, Koker; doch meer
bepaaldelijk:

1o. Een blikken doos, dienende tot bewaring van licht aan bederf
onderhevige waren, of proviand, by lange zeereizen.

2o. De oude benaming van alle soort van schietgeweer en soms ook

3o. Het schietgeweer zelf.

Bushuis, z. n. o. -- (veroud.) Zeemagazijn, Arsenaal.

Buskruit, z. n. o. -- of alleen Kruit of Buspoeder. Licht ontvlambaar
mengsel van houtskool, salpeter en zwavel, en aldus genoemd naar zijn
voormalige bestemming, om door zijn ontploffing den kogel door een
bus voor hem uit te drijven.

Spreekwijze: Hy vliegt op als B-- (hy is licht in drift ontstoken).

Busschieter, z. n. m. -- (veroud.) Iemand die met een Bus
schiet. Voorheen aan boord dezelfde als de Konstabelsmaat.

By, bw. -- B-- laten komen (meer daarheen zeilen, waar de wind van
daan komt).

By-de-wind, bw. -- Wordt gezegd, wanneer de raas gebrast en de zeilen
uitgezet zijn en met de kiel een scherpe hoek maken. Dicht B--,
scherp B-- zeilen (wanneer die hoek zoo scherp mogelijk is). B--
brassen, opheven, opsteken. Zie Brassen, enz.

Bydraaien, o. w. -- 1o. Onder den wind draaien, met een marszeil vol
en een tegen, ten einde het schip langzaam te doen voortgaan.

2o. Gedwongen naderen: Wy noodzaakten hem by te draaien. Dat schip
wilde het klaringsvaartuig ontzeilen; maar een schot met los kruit
bracht hem tot andere gedachten en deed hem B--.

3o. In 't gevecht B-- is: zich overgeven.

Spreekwijze: Hy draait by (hy drijft zijn opzet niet door, volhardt
niet in zijn meening, geeft het op.)

Voor de nacht B--, om den wal niet te na te komen (tijdige voorzorg
nemen).

Byhalen, b. w. -- of Byzetten. 1o. De zeilen bybrengen en ter windvang
stellen.

2o. Losjens overschilderen. Een sloep buiten om te laten gaan, ten
einde de kale plekken met teer of verf te laten B--. Binnen boord
der oorlogschepen is het gebruikelijk, des Saturdags aan boord de
kale plekken te laten B--, om 's Zondags mooi te zijn.

Byhaven, z. n. v. -- Zie Haven.

Byhouden, b. w. -- Op dezelfde hoogte blijven. Dat schip is een luie
zeiler: het kon de vloot niet B--. Ook 2o. Naderen. Een schip doen B--
(het doen naderen).

Bijl, z. n. m. -- Timmermansgereedschap, bestemd om er mede te
houwen en te kappen; doch ook aan boord bovendien in gebruik, zoo
als wapentuig. (Zie Enterbijl), als om, in geval van nood, en wanneer
spoed vereischt wordt, kabels, stengen of masten mede door of om te
hakken. Zie Kappen.

Den Bijl voor den kop krijgen (afgekeurd worden). Zie Afkeuren.

Spreekwijze: Hy hakt er met een breeden of groven B-- in (hy maakt
veel verteering: ook wel: hy snijdt geweldig op).

Den B-- voor den kop geven (afkeuren).

Bijl, z. n. m. of Bijltjen, z. n. o. -- Bynaam, waarmede de timmerman
aan boord door het volk wordt geroepen of aangesproken. Het Bijltjens
oproer (bekende oploop der Kattenburgers, die voornamelijk uit
scheepstimmerlieden bestonden).

Bylander, z. n. m. -- Platboomd vaartuig, voornamelijk voor de
vrachtvaart bestemd en byna als een snaauw getuigd.

By laten komen, b. w. -- 't Schip aan den wind laten komen.

Bijlbrief, z. n. m. -- Zoo werd, naar het oude recht, de akte genoemd,
waarby hy, die een schip kocht, en de kooppenningen niet geheel kon
voldoen, het schip voor het overige verbond.

Byleggen, o. w. -- Onder klein zeil met dichtgereefde zeilen en
aangebraste raas het schip zoo dicht mogelijk aan den wind houden,
om het tuig van het schip met stormweer niet te vermoeien; daar anders
het tuig van boven neder, of het schip uit elkander, zoû werken.

Van top en takel B-- (met aangebraste raas B--). Men gaat B-- (wanneer
men het, voor-de-wind zeilende, met achteroverstaande zeeën niet meer
houden kan, of dat men het in-de-wind heeft). Voor het groote zeil
B--. Onder groot-stagzeil B--. By blijven liggen.

Bylegger, z. n. m. -- 1o. Schip, dat bylegt. Het is een goede B--
(het kan goed Byleggen).

2o. Schip, naar elders bestemd, met hetwelk men uit zee binnen valt
uit nood of om te overwinteren: of ook een schip, dat geen bepaalde
bestemming heeft en waarmede men een zeehaven aandoet om nader last
te ontfangen. De bepalingen omtrent de B--s vindt men in de Alg. wet,
van 26 Aug. 1822, vierde Hoofdst. art. 25-29.

Spreekwijze: Hy is een B-- (hy draait by. (Zie Bydraaien) ook: hy
speelt op zien komen).

2o. Tegenwind, die belet zeil te voeren.

Bystaan, o. w. -- Wordt van de zeilen gezegd, als zy op hun plaats
geheschen en gespannen zijn. Dat schip heeft geen enkel zeil B--.

Bysteken, b. w. -- Het schip met den kop aan den wind laten komen om
by te draaien of by te gaan liggen.

Bijt, z. n. v. -- Wak, opengehakte plaats in het ijs.

Spreekwijze: Als een eend in de B-- vallen (ergends by ongeluk
inraken).

Bijten (in of uit), b. w. -- Een schip, dat buiten of binnen de haven
in 't ijs bezet is, door het hakken van bijten of sloppen in 't ijs,
weder brengen waar het wezen moet.

Byvieren, b. w. -- Laten schieten. Zie Vieren.

Byvoet, z. n. m. -- (veroud.) of Smeerrak; touwrak tot onderra.

Byzaadhout, z. n. o. -- Stukken hout, aan den voet van den grooten
mast, evenwijdig met het Zaadhout geplaatst, en dienende tot steun
voor het spoor van den grooten mast.

Byzeilen, z. n. v. mv. -- Hulpzeilen.

Byzetten, b. w. -- Uitspannen. Een zeil B-- (het op zijn plaats
brengen en spannen) alle zeilen B--.

Spreekwijze: Alle zeilen B-- (spoed maken).


    De zeeman zet gerust dan alle zeilen by
    En troost zich met de gonst der winden en 't getij.

                                                    Vondel.







C.


Zoek de woorden met Ca, Co en Cu gespeld op Ka, Ko, Ku.


Chebek, z. n. m. -- Soort van vaartuig, in de Middellandsche zee in
gebruik, even als een feloek met latijnzeilen getuigd.

Cherteparty, z. n. v. -- of vrachtbrief. Akte van overeenkomst tusschen
den vervrachter en de bevrachters opgemaakt, en waarin vermeld worden:
de naam en de grootte van het schip: de naam van schipper, vervrachter
en inlader: de plaats en de tijd, tot lading on lossing bepaald:
of het schip geheel of gedeeltelijk vervracht wordt: eindelijk, de
bedongen schadeloosstelling ter zake van vertraging. Zie art. 454,
455 Wetb. v. Kooph.

Cirkel, z. n. m. -- Kring, koers, omtrek, door een kromme lijn
beschreven, wier punten alle even verre van het middelpunt verwijderd
zijn.

Cingelgrond, z. n. m. -- Bodem of grond van de zee, die noch zand
noch slijk bevat, zoo als die onder den Engelschen wal by de Cingels.







D.


Daagsch anker, z. n. o. -- Het Anker, dat het meest gebruikt
wordt. Schepen uit het Noorder kwartier, of liever, in Texel en te
Amsterdam uitgerust, hebben het aan Bakboord varen, terwijl het uit
de havens bezuiden de Maas aan Stuurboord vaart.

Daagsch Touw, z. n. o. -- Het zware Touw, dat met het Daagsch Anker
gebruikt wordt. Zie Legger en Volger.

Dag, z. n. m. -- 1o. Tijdverloop tusschen zons op- en ondergang. Het
heeft den gandschen D-- geregend: eerst met het opkomen der maan is
de lucht opgeklaard.

2o. Etmaal. Men berekent de hoeveelheid van ingescheepte levensmiddelen
by D--en. Er is nog voor tien D--en water. Er is niet meer dan voor
vijf D--en proviand. Zie verder Ligdagen, Waschdagen enz.

Dag, z. n. v. -- Wordt genomen voor het end touw, waarmede
de scheepsprovoost de misdadigers plach te kastijden. Volgends
Bilderdijk zoû 't woord verbasterd zijn van tak, en verwant aan takel,
dus werkelijk de beteekenis hebben van Touw: waarom hy er ook in zijn
Geslachtlijst het o. gesl. aan geeft. Intusschen is 't hetzelfde woord
als degen en 't werd in 't Fransch ook dague de prévôt genaamd. Men
weet dat Dag of Dagge ook ponjaart beteekent. Zie Dag. Wellicht is
de oorsprong der benaming van Dag, zoowel aan dit endtjen touw als
aan den dolk gegeven, aan die zelfde beschimpende toespraak ontleend,
waaraan die oude strijdkolven, welke men Goeden dags heette, hun naam
verschuldigd zijn. De enden touw, waarmede de strafoefening geschiedt,
heeten Handdagen. De krijgsraad heeft hem veroordeeld om met Handdagen
te worden afgestraft.

Dagboek, z. n. o. -- Zie Dagregister.

Dagen, o. w. -- Dag, worden, licht worden. Het begint te D-- (de
schemering breekt door).

Dagge, z. n. v. -- (veroud.) Entertouw voor de matrozen.

Dagregister, z. n. o. -- of Journaal. Register, hetwelk de schipper
verplicht is te houden en waarin hy dag aan dag moet opteekenen: "de
gesteldheid van weer en wind: hoeveel het schip in zijn koers gevorderd
of teruggegaan is: op welke lengte en breedte het zich bevindt: welke
onheilen en uit wat oorzaak die aan schip en lading zijn overkomen:
de gesteldheid, waarin hetgeen door ongeval, door kappen, snijden en
kerven, verloren is gegaan, zich bevond: welke koersen hy gehouden
heeft en waarom hy daarvan heeft moeten afwijken; de besluiten
in den scheepsraad genomen: de afdanking van scheepsofficieren of
scheepsgezellen en de redenen daarvan: al wat schip en lading betreft
en tot het doen van rekening of verantwoording, of tot het instellen
of afweeren van eenige vordering, aanleiding zoû kunnen geven." Zie
Wetb. v. Kooph. art. 358.

Dagseinen, z. n. o. -- Zie Sein.

Dagwaak slaan (de) of de Reveille slaan. -- De manschap door
trommelslag opwekken. De D-- wordt in de Dagwacht geslagen.

Dagwacht, z. n. v. -- Wacht aan boord, die van 's morgens 4 tot 8
uur duurt.

Daling, z. n. o. of Pompdal. -- Een koker of buis, die van boven
tot beneden langs de pomp loopt en door welke men het peilijzer laat
afzakken, om de hoogte van het water by de pomp te meten.

Dam, z. n. m. -- 1o. Stuk houts, dat ergends in gezet wordt om iets
te stutten en naderhand weêr weggenomen wordt.

2o. Stuk lands, dat dwars door een water gelegd wordt om het te
stuiten. 't Is in zijn oorsprong 't zelfde als Toom. Hiervan

Damlooper, z. n. m. -- Klein Noordhollandsch vaartuig, geschikt om
over dijken, dammen en overtoomen gehaald te worden.

Dammen, b. w. -- Met een Dam sluiten.


    Geweld van ketenen en krammen,
    Noch palen om de zee te dammen,
      Noch zeekasteelen op de strand,
      Vol solferblakend ingewand,
    Zijn machtig om den Leeuw te temmen.

                    Oudaen. De Leeuw bevredigt.


Damp, z. n. m. -- Alle wasem, doch in 't byzonder de rook door het
geschut veroorzaakt.

Davids, z. n. m. mv. -- IJzeren standers aan de zijden van het
achterschip, dienende om er lichte vaartuigen aan te hangen.

Deelen, z. n. o. mv. -- Gezaagde en alzoo gedeelde stukken hout. Deelen
van een balk zijn alzoo Planken. Zie ald.

Deelbalie, z. n. v. -- Zie Loodlijnbalie.

Deining, z. n. v. -- Golvende beweging die, na het ophouden van den
wind, die haar veroorzaakt heeft, het zeewater blijft beroeren. Er
staat D--. De D-- is zeer zwaar, de D-- gaat hoog.

Deinzen, o. w. -- Afloopen, teruggaan. Het D-- der golven (het stooten
der golven omtrent de banken of rotsen) ook Tegenzee, Terugzee,
Weêrzee genoemd. Zie ald. Het D-- van het schip (het teruggaan van
het schip in de wending, als de wind vlak van voren komt en 't schip
niet doordraait).

Spreekwijze: Wanneer het schip Deinst legt men het roer verkeerd aan
boord--draait men het op de andere zijde--(als het niet gelukken wil
wendt men het uiterste middel aan).

Deinzig, b. n. -- Dampig, nevelachtig. Een D--e lucht.

Dek, z. n. o. -- Scheepsvloer, eenigzins gewelfd, en uit deelen
samengesteld, die aan weerszijden op de balken rusten. Ook de
verschillende verdiepingen van het vaartuig. Het getal der D--s
wijzigt de benaming van het schip. Zoo heeft men een Tweedek, (een
schip met twee D--s): een Driedekker, (een met drie batteryen). By
koopvaardyschepen heeft men gewoonlijk twee D--s. Het aantal
D--s by oorlogschepen is verschillend. By linieschepen zijn er
ten minsten vier, als, van boven naar beneden tellende: 1o. Het
OpperD-- of BovenD-- ('t halfdek van de kajuit tot den grooten mast,
de loopplanken, den Bak); 2o. het KuilD--; 3o. het TusschenD--, die
elk een battery voeren, de zwaarste onder; 4o. de Koebrug. By gewone
oorlogsfregatten en kuilkorvetten heeft men gewoonlijk een OpperD--
(dat boven is), een KuilD-- en een TusschenD--. Op korvetten met
gestreken D--s heeft men in stede van het gewone Opperd-- vooruit een
kort D-- tot even achter den fokkemast en achteruit een kort D-- tot
even voor den bezaansmast. Het eerste wordt de Bak, het laatste de
Kampanje genoemd. In dit geval wordt het KuilD-- OpperD--. Brikken
hebben een OpperD--, somtijds een kleine Kampanje, en verder een
TusschenD--. De kampanje wordt echter in scheepstaal niet tot de D--s
gerekend. De kapitein was niet op het D--: hy stond op de kampanje. De
helft van het KoebrugD-- wordt HalfD-- geheeten: -- Gebroken D--
(D--, dat op zijn lengte is afgebroken). NegerD-- of SlaveD-- (D--
waar zich op slavenhaalders de negers bevinden). GladD-- gestrekenD--
(een D--, dat onafgebroken doorloopt).

Spreekwijze: Dat is een Driedekker (een groot, zwaarlijvig
vrouwspersoon). De stortzeeën maken GladD-- (slaan alles van 't
D-- af).

Dekbalken, z. n. m. mv. -- Balken, die het Dek onderschragen, en
tevens het dwarsscheepsverband uitmaken.

Dekbalkknieën. z. n. v. mv. -- Knieën, waarop de Dekbalken rusten. Zie
Knie.

Dekbanden, z. n. m. mv. -- Banden van het voor- en achterschip,
mede dienende tot bevestiging van het dek.

Dekdeelen, z. n. o. mv. -- Planken van het Dek. Zie Deelen.

Dekglas, z. n. o. -- Glazen schijf van ongemeene dikte, hoedanige men
in de Deks- of patrijspoorten plaatst om licht te geven in de lagere
gedeelten van het schip. Schroefdekglazen. Leivormige Dekglazen.

Deklinatie, z. n. v. mv. -- De boog aan de hemelsfeer, dien de
hoeksgewijze afstand van een der hemellichten aan den equator
beschrijft. D-- van 't kompas of miswijzing. De afwijking van het
ware Noord.

Dekofficier, z. n. m. -- De hoogste onderofficieren, als schipper,
bootsman, schieman, worden D--en genoemd, omdat zy by de manoeuvre
op het Dek blijven.

Dekplaat, z. n. v. -- Stuk eikenhout, dat de koppen der Beting dekt.

Deksel, z. n. o. -- Wat tot bedekking van iets dient en er tevens
een deel van uitmaakt. Zie Potdeksel.

Dekstoppers, z. n. m. mv. -- Stoppers, die op verschillende punten
van het Dek aan ringen zijn vastgemaakt en zich alzoo voor de hand
bevinden.

Dekstrijken, o. w. -- De planken in het Dek leggen, het Dek bevloeren.

Dekworp, z. n. o. -- Het bovenste worp, waar het Dek op rust.

Dekzeegt, z, n. v. -- De projektie van de lijn, volgends welke de
bovenkanten der balken tegen de binnenoppervlakte der inhouten sluiten,
op het vlak, dat door het midden van kiel en stevens gaat. Zie Zeegt.

Dempgording, z. n. v. -- Het Touw, op het staande lijk van de zeilen
opgestoken, op de hoogte van de boelijns, dat het lijk langs de
ra haalt om het zeil te dempen of er den wind uit te nemen om het
gemakkelijker te beslaan.

Dennen, z. n. v. mv. -- (veroud.) Het dek op een klein vaartuig,
b. v. op een Binnenvaarder, wordt meermalen aldus genoemd, naar het
hout, waarvan het vervaardigd is.

Denning, z. n. v. -- Verouderde benaming voor "vloer."

Derde hand, z. n. v. -- Eigenaardige benaming van een takel, of liever
van een verbinding van touwen, loopende door katrollen en geëigend
tot het oplichten van zware lichamen.

Derde waak, z. n. m. -- Vroeger gaf men dezen naam aan de jongste
officieren op de schepen der O. I. Maatschappy.

Deukel, z. n. m. of

Deutel, z. n. m. -- of Slag. Pennetjen, hoedanige in de enden der
houten nagels, die doorgeslagen zijn, gevoegd worden en met hun
puntjens blijven uitsteken.

Deutelen, b. w. -- Deutels inslaan.

Deutelijzer, z. n. o. -- of Plugijzer. IJzer, waarmede men gaten in
de nagels slaat.

Dicht aan-de-wind of scherp by-de-wind. byw. -- Zoo naby aan den wind
als de zeilen maar kunnen vatten.

Spreekwijze: Niet al te D-- a. d. W-- houden, (het onderste niet uit
de kan willen).

Dichtspijkeren, b. w. -- Met Spijkers Dichtmaken.

Spreekwijze: Spijker de kist dicht. Wordt gezegd, wanneer een zaak
is afgedaan en er niets meer aan te doen of te verhelpen valt. In
dit gezegde wordt echter onder kist "doodkist" verstaan.

Diep, z. n. o. -- 1o. Diepte; doch in 't byzonder waar van de zee
gesproken wordt. In 't peilloos D-- der golven.

2. De zee zelve. Hy is in 't D-- verzonken.


    Siet hier een versche beeck die met de soute baren
      Can spelen in het diep, oock sonder eens te paren.

                                            Cats. Zinnebeelden.


Diep, b. n. -- Geeft de hoogte van een gespannen zeil te kennen. Dat
zeil is niet D-- genoeg. Dat marszeil is ... N ellen D--.

Diepen, o. w. -- Al peilende naar land varen. Zie Aandiepen.

Spreekwijze: Het Diept noch droogt niet, (het geeft noch neemt,
men vordert er niet mede).

Diepgaan, o. w. -- In 't water zakken. Dat schip gaat ... N ellen
Diep, het zinkt ... N ellen in 't water. Dat schip Gaat Diep genoeg
(het gedeelte, dat beneden de waterlijn zinkt, is naar zijn grootte
en vorm evenredig aan den last, dien het dragen moet om veilig en
met goed gevolg te varen). Dieper gaan (wanneer een nieuwe last in
't schip geladen wordt, en dit daardoor dieper zinkt.)

Spreekwijze: Een Diepgaand schip (iemand, die veel verkwist en veel
noodig heeft:--omdat Diepgaande schepen veel werks vereischen).

Diepgang z. n. m. of Dieptreding. -- De bepaling van het getal ellen,
welke het schip in het water zinkt. D-- voor, D-- achter, Gemiddelde
D--. Zie Stuurlast, Stuurlastigheid.

Diepgangsmeter, z. n. m. -- Werktuig, uitgedacht om de hoegrootheid
in ellen en palmen van Diepgangen aan voor- en achtersteven tot het
best bezeild doen zijn van een schip te bepalen.

Diepgangsmerken, z. n. o. mv. -- Schaal, in voeten en halve voeten
verdeeld en op de zijkanten van den voor- en van den achtersteven
afgebeeld, en dienende om den Diepgang van het schip te weten.

Dieplood, z. n. o. -- Peillood, of eenvoudig Lood, welk laatste meest
gebruikelijk is. Zie Lood.

Dieploodlijn, Dieploodworp. Zie Looding, Worp.

Diepte, z. n. v. -- 1o. Wordt somtijds voor de zee genomen. Zie Diep.


    Ontsiet de diepte niet, al is haer aensicht straf,

                                Vondel. Lofs. op de Scheepsv.


2o. De bepaling van de diepte. Wy ankerden op de D-- van zes vademen.

3o. Van een zeil. (de hoogte van een uitgesponnen zeil).

Dieptredend, z. n. v. -- 't zelfde als Diepgaand. Een D-- schip
(waarvan de romp diep in 't water zinkt. Zie Diepgaan, Diepgang).

Dieptreding, z. n. v. -- Zie Diepgang.

Dikte der kiel, z. n. v. -- De afstand tusschen de onder- en
bovenkanten der kiel.

Dinga, z. n. v. -- Kromgekield vaartuig, aan de Malabaarsche eilanden
in gebruik.

Dinguy, z. n. m. -- Vaartuig, op den Ganges in gebruik.

Dirk, z. n. v. -- Looper van den Gaffel, zeilbooms toppenant.

Dissel, z. n. m. -- Grootdissel, Klosdissel. Kromme bijl, dienende
om hout te effenen en scherp te maken. In de kruitkamer gebruikt men
een koperen D--.

Distinktievlag, z. n. v. -- Zie Vlag, Wimpel.

Doek, z. n. o. -- Voor zeildoek, en, by de dichters, ook voor het
zeil zelf genomen.


    De doeken hangen slap: men twijfelt of het waait.

                                    Vondel. Lof der Zeevaart.


Zie verder KarrelD--, zeilD--, vlaggeD--.

Doeken, b. w. -- (veroud.) Zeilen aanslaan; op kleine schepen.

Doemen, o. w. -- Zich vertoonen. Zie Opdoemen.

Doft, z. n. v. -- Roeibank. Het woord is Deensch, en beteekent een
ledigen grond, doch in 't byzonder een zitplank in een schuit.

Dogger, z. n. m. -- Eigenlijk zeehond (als zijnde D-- niet anders dan
"dog, hond"): van daar voor kabbeljauw genomen, en, by toepassing,
in gebruik gekomen als benaming voor een soort van vischschepen,
die naar den Doggersbank varen, om kabbeljauw te vangen. Een D--
voert een grooten mast in 't midden en een kleinen mast van achteren,
vierkant getuigd: voorts boegspriet en fok.

Dogschuit, z. n. v. -- Schuit, die by een Dogger behoort.

Dok, z. n. o. of havendok. -- Deze naam werd vroeger aan een besloten
plaats gegeven, waar schepen gemaakt werden: thands verstaat men er
een kom door, van sluizen voorzien en met kaaien omringd, die tot
een veilige ligplaats strekt. D-- van aanbouw. (Zie Droogdok).

Dokken, b. w. -- (veroud.) In een Dok het schip vast aan den grond
zetten.

Dokkig, b. n. -- Mistig, donker: D-- weer (betrokken lucht).

Dol, z. n. m. -- Pen of nagel, die in het boord van booten of
andere lichte vaartuigen geslagen wordt, om de riemen by 't roeien
te bedwingen.

Zoo zingt Hooft, op den duim van 't metalen beeldt des Hertogen
van Alva.


    Den Duim, die rechte wederhandt,
    Die eertijdt, van gansch Nederlandt,
    Zich kussen deed, terwijl hy 't schond,
    Heeft nu matroos in zijnen mond
    Oft wringt hem, wil hy, in een hol,
    En bruikt den dwinger voor een dol.


Spreekwijze: Het zijn maar oude D--len: "maar lorren": omdat versleten
D--len weinig waard zijn;--tenzij men hier aan "oude poppen" ['t
Eng. Doll] te denken hebbe.

Dolborden, z. n. o. mv. of Bosbank. -- Houten, aan weêrskanten eener
galei of sloep op de boorden geslagen en tusschen welke de riemen
zich bewegen.

Dolgat, z. n. o. -- Gat, waar de Dol wordt ingestoken of geslagen.

Spreekwijze: Had ik uw vinger in het D-- (kon ik u klemmen als een
dolpen beklemd wordt, ik zou u wel doen klappen).

Dommekracht, z. n. v. -- Soort van werktuig, met een getand rad en
zwengel voorzien en strekkende om zware lichamen op te tillen. Het
woord is eigenaardig van uitdrukking, als zijnde het werktuig zelf
onbewust van de uitwerking, welke het te weeg brengt.

Dompen, b. w. -- Het geschut met den tromp of 't vooreinde doen zakken
en achter oplichten, om lager te kunnen schieten zonder het stuk te
doen zinken. In een rechte lijn pointeeren, vluchten en D--.

Dompelen, b. w. -- Frequentatievum van Dompen, en alzoo:
"herhaaldelijk, by voortduring Dompen," meer byzonder: "in het water."


    Wanneer ik schielyk, op mijn onbedachte beê
    Wiert over hals en hooft gedompelt in de zee.

                                            Jan Vos.


Spreekwijze: Hy ligt er onder Gedompeld (hy is al dood en begraven).

Donderbus, z. n. v. -- Breed en zwaar handgeweer, in een mik draaiend,
en waarmede de marsen en barkassen gewapend worden.

Dood, b. w. -- Voor "dicht". D-- aanslaan (dicht aanslaan).

Doodeman, z n. m. -- Zie Snaauw.

Doodemans-oog, z. n. v. -- (veroud.) Eenige kleine touwtjens boven
aan den bezaan, die, meer tot cieraad dan tot nut strekkende, daarvan
hun naam ontleenen.

Doodloopen, b. w. -- Zie Doodzeilen.

Doodshoofd, z. n. o. of Stagkous. -- Houten, byna cirkelvormig blok,
in zijn omtrek met een sleuf voorzien, waar de stagstoppen doorloopen.

Doodstilte, z. n. v. -- Afwezigheid van alle wind, waardoor een stilte
heerscht als die des Doods.

Doodstroom, z. n. m. -- (veroud.) Afwezigheid van den stroom, waardoor
men niet vorderen kan: stroom tusschen volle en nieuwe maan, als
't water minst wast: ook tusschen eb en vloed. Zie Doodtij.

Spreekwijze: 't Is er D-- (er is geen handel, geen beweging, er valt
niets voor).

Doodtij, z. n. o. of Dood water. -- Het zwakste Tij.--Ook stil water,
stilstand tusschen eb en vloed.

Doodwater, z. n. o. -- (veroud.) Water achter den gang van 't schip.

Doodwerk, z. n. o. -- Zie Bovenschip.

Doopen, b. w. -- Met dezen naam bestempelt men een oud scheepsgebruik,
om de onbevaren maats, en die hun eersten tocht deden, op zekere
plaatsen, zoo om de Noord als om de West, met zeewater te begieten. Zy,
wien het niet lustte zich te laten begieten, kochten dit met geld
af. De jongens werden in een mand gezet, en hun tobben water over
het lichaam gegoten. Zelfs schepen, die nooit de door de zeelieden
uitgekozen Doopplaatsen waren voorbygezeild, waren aan het Dooprecht
onderworpen, en de schipper gehouden, by dat voorval, de maats met een
drinkpenning te vereeren. Verzuimde hy dit, dan stond het te vreezen,
dat de snuit stilzwijgend van het schip afgezaagd of eenig scheepsdeel
verduisterd werd.

Doorbreken, b. w. -- Doordringen, b. v. door een vyandelijke linie,
zoo dat men zijn schepen tusschen de vyandelijke vloot door laat
zeilen om zich onder-de-wind in linie te stellen en den vyand alzoo
tusschen twee vuren te brengen. Men tracht gemeenlijk de linie in
de achterhoede Door te Breken, die daardoor wordt afgesneden. Is
zulks gelukt, dan zoekt ieder schip zijn tegenparty. Het D-- van de
linie door de Engelschen deed de Hollanders den slag van Kamperduin,
de Franschen en Spanjaarts dien van Trafalgar verliezen.

Doordreggen, o. w. -- Wordt gezegd van een anker, dat niet vatten wil
en door het schip over den bodem gesleept wordt. Het anker Dregt over
den grond, Dregt Door, is driftig.

Doordrijven, o. w. -- 't Zelfde als Doordreggen. Zie ald.

Doorgaan, o. w. -- 't Zelfde als Doordreggen. Zie ald.

Doorgaande koelte, z. n. v. -- Stijve, gelijke koelte.

Doorgezakt, b. n. -- of Doorgezet, wordt een schip genoemd, dat een
kromte of katterug heeft. Zie Katterug.

Doorgezet, b. n. -- Zie Doorgezakt.

Doorkaaien, o. w. -- Zie Gijpen.

Doorklieven, b. w. -- Doorsnijden, doorvaren. Hy heeft lange jaren
de zee Doorkliefd (hy heeft lang gevaren).

Doorploegen, b. w. -- Doorklieven, aanhoudend beploegen. Zie Ploegen.


    Waerom sy of, en aen, nu uyt, en weder in,
    Door-ploeghden 't vochte veld met voorspoet en gewin.

                                Vondel. Lofs. op de Scheepsv.


Door laten staan, b. w. -- Niet zwichten, met volle zeilen
voortvaren. Hooft, Ned. Hist. blz. 53, gebruikt het oneigenlijk voor
"niet krenken."

Doorvoer, z. n. m. -- Zie omtrent den D-- van goederen de Alg. Wet
van 26 Aug. 1822, Tiende Hoofdst. art. 75-87.

Doorzetten, o. w. -- Een katterug krijgen. Zie Katterug.

Doorzetting, z. n. v. -- Zie Katterug.

Doove jut, z. n. v. -- Zie Jut.

Dop, z. n. m. -- Een ronde houten kring, voor de gaten gespijkerd, waar
de touwen door gevierd worden. D-- van de kompasroos, hol kegeltjen,
op het spil van de kompasroos geplaatst ter bevestiging van de naald.

Doppen, b. w. -- De schepen met een Dop of teeken merken, om te weten,
hoe veel last een schip zoû kunnen voeren, of hoeveel last een schip
groot is.

Dorpel, z. n. m. -- Zie Drempel.

Draad, z. n. m. -- 1o. Ineengedraaide of gevlochten vezels hennep,
ook getrokken ijzer of koper. Zie Garen.

2o. De richting, waarmede de vezelen door het hout loopen. Het hout
met, tegen den D-- kloven, wordt gezegd op gelijke wijze als "het
vleesch met of tegen den D-- snijden."

Spreekwijze: Er loopt een D-- door (het is niet richtig).--De oorsprong
van deze spreekwijze wordt op de volgende wijze verklaard. Toen
er in de laatste helft der achttiende eeuw oneenigheden bestonden
tusschen ons Gemeenebest en Engeland, en onze vloot langer in
Texel bleef liggen, dan met den toen zeer oorlogzuchtigen geest
van onze kooplieden strookte, werd 's Lands Regeering beschuldigd,
"dat onze schepen met Engelsche Touwen aan den wal vast lagen," met
andere woorden, dat men zich door Engelsch geld had laten omkoopen
om geen bevel tot uitzeilen te geven. Daar nu door het touwwerk der
Engelsche zeemacht een blaauwe draad tot onderscheidingsteeken loopt,
drukten de misnoegden hun kwaad vermoeden uit door deze beeldspraak:
"de schepen kunnen niet weg: zy liggen vast aan de kaai, en er loopt
een D-- door het Touw."

Draadshout, z. n. o. -- Wordt in den scheepsbouw zoodanig hout genoemd
dat meer in de lengte dan in de breedte gebezigd wordt.

Draadkogels, z. n. m. mv. of Boutkogels. -- Twee kogels, met een bout
verbonden: Men noemde ze vroeger kneppelkogels, ook kettingkogels,
als zy met een ketting aan elkander zaten.

Draaibas, z. n. v. -- of Steenstuk. Soort van klein kanon, op een
staander of mik draaiende, en waarmede somtijds de oorlogsvaartuigen
gewapend zijn.

Draaiblok, z. n. o. -- Blok met een leirol voorzien.

Draaien, o. w. -- Van richting veranderen. De wind Draait naar
't Oosten.

Draaier, z. n. m. -- 1o. Stuk hout, dienende om al draaiende kracht
uit te oefenen, en gebezigd by het inbinden of stroppen van blokken,
het aanzetten van bindsels enz.

2o. Zie Peiler.

Draaikolk, z. n. v. -- Maalstroom of Wieling. Hevig draaiende
waterstroom, waarin de schepen verzwolgen worden. De D-- by Messina.

Draaireep, z. n. v. -- Touwbeslag, waarvan het eene end is vastgemaakt
aan een op te heffen voorwerp, het andere aan een takel.

Draaispant, z. n. v. -- Spant, wier armen niet loodrecht op het
middellijnig ontwerp van een schip vallen.

Draagbalk, z. n. m. -- Zie Verbindingsklos.

Dracht, z. n. v. -- Van een schip gezegd, beteekent de grootte of
het gewicht dat het laden kan. De zeilen staan ter D-- (zy staan zoo,
dat zy alle dragen en wind vangen).

Dragen, o. w. -- Goed bystaan. De zeilen D-- (vatten wind).--Het
D--de houden (heen en weder zeilen op dezelfde hoogte). Wy hielden
het D--de om den wal niet te vroeg te naderen.

Dreg, Dregge, z. n. v. -- Ronde ijzeren bout, hebbende aan het
eene uiterste vijf binnenwaarts gebogen armen en aan het andere een
ring, waar een tros of kabel wordt doorgehaald. De D--gen zijn voor
kleine vaartuigen wat de ankers voor groote zijn; doch zy hebben
geen ankerstok.

Dreggen, o. w. -- 1o. Met een Dreg den bodem der zee bekrabben, om
de oesters, mosselen of schelpen los te maken, of de in zee gevallen
voorwerpen op te visschen.

2o. 't Zelfde als Doordreggen. Zie ald.

Dregtouw, z. n. o. -- Het Touw, waaraan de Dreg vast is.

Drempel of Dorpel. -- Dik en breed stuk houts, dat den onderkant van
een geschutpoort bedekt.

Drenkeling, z. n. -- Iemand die in het water verdronken is: by
toepassing iemand, die zoo verzopen aan boord komt, dat hy, naar allen
schijn, de reis niet voltrekken, maar onderweg sterven zal en in zee
begraven worden. Van een, die, beschonken zijnde, over boord valt,
zegt men wel: hy is geen D--; want hy is zoo vol jenever, dat er geen
zout water meer by kan loopen.

Dreum, z. n. o. -- Zie Drom.

Drevel, z. n. m. -- Houten pen of nagel, dienende om de beplanking
op den waterspiegel te bevestigen.

Driedekker, z. n. m. -- Schip met drie Deks. Zie Dek.

Driemast, Driemaster, z. n. m. -- Vaartuig met Drie Masten.

Drift, z. n. v. -- Het dwars afdrijven van het schip, door stroom,
slechtbezeildheid of anderszins.

Driftig, b. n. -- Al wat van zijn plaats begint te drijven, wordt
gezegd, D-- te worden. Zoo wordt een plank, zoo het ijs, D--. Een D--
schip is een schip, dat van zijn ankers laat of waarvan het anker
doordregt. Zie Doordreggen.


    't Driftigh eicken huis


is de eigenaardige naam, dien Vondel aan het schip geeft, in zijn
Lof der Zeevaart.

Dril, z. n. m. of Drilboor. -- ijzeren werktuig, waarmede gaten in
ijzer of andere metalen zelfstandigheden kunnen gedrild, gedraaid,
of geboord worden.

Drillen, b. w. -- 1o. Oorspronkelijk hetzelfde als "Trillen,"
heen en weder brengen, draaien; doch, by toepassing, "een vaartuig
voortwinden," omdat het touw, door het sterk aanhalen, gedurig staat
en Drilt.

2o. Opwinden: 't schip op de helling D--.

Drom, z. n. v. of Dreum. -- Wollen stof, waarvan de harpuiskwasten
vervaardigd worden.

Droog, z. n. o. -- Drooge plaats, waar geen zee op staat. Het
afloopende water liet de schuit op D--.

Spreekwijze: Zijn schaapjens (of scheepjens) op 't D-- hebben (in
behouden haven zijn, voor geen tegenspoed meer te vreezen hebben). Zie
Scheepjen.

Op D-- varen (zich verderven).

Dat schip houdt altijd D-- dek: er loopt geen zee overheen. (Het gaat
hem altijd voorspoedig).

Droogdok, z. n. o. of Dok van aanbouw. -- Soort van werf, waar de
schepen in gebouwd, hersteld en vlot gemaakt kunnen worden.

Droogen, o. w. -- Droog worden. Zie Diepen.

Druif, z. n. v. -- 1o. Knop, die aan het eind van boomen of bootshaken
vast zit, om tegen de borst te worden gehouden en het door de hand
glippen te beletten. Zie Hooft, Ned. Hist., bl. 304.

2o. Het bolvormige gedeelte, waar een kanon aan den kant van den
stortbodem uitloopt.

3o. Schroot, kleine kogels, op een ronden schijf gestapeld in den
vorm van een druiventros, en door zeildoek en lijn verbonden.

Druil, z. n. m. -- Een klein onderzeil, dat aan een mast op den
achtersteven van een klein vaartuig geheschen wordt om het beter aan
den wind te houden.

Spreekwijze: Iets met den D-- doen (iets langzaam doen).

Druilsra of Druilsroede, z. n. v. -- Hout of spriet, die waterpas
van den achtersteven uitsteekt en waaraan het onderlijk van den Druil
wordt uitgehaald.

Druipen, o, w. -- Het anker zoetjens laten afzakken tot voor den boeg.

Drukker, z. n. m. -- Een stut, waardoor de kraanbalk van onderen
gestut of gedrukt wordt.

Drukkingspunt, z. n. o. -- Punt, waar de drukking van den wind
op werkt.

Drijfbouten, z. n. m. mv. -- Nagels, waarmede de ijzeren banden om
de masten enz. worden vastgeklonken.

Drijfdok, z. n. o. -- of Drijvend Dok.

Drijfzeil, z. n. o. -- Zoo noemen sommige schrijvers een Zeil, dat
onder water uitgestrekt werd, wederzijds scherp vast aan zijn schoten,
om het schip by stilte voort te doen Drijven waar de vloed ging. 't
Verhaal klinkt echter als een sprookjen.

Drijfzand, z. n. o. -- Zand, dat door den stroom gedreven wordt.

Drijven, o. w. -- 1o. Zich met het water mede laten gaan, zorgende
door behulp van den wind of door brassen, eenigen stuur in het schip
te houden. Zoo wordt een schip gezegd te D-- met den vloed, met de eb,
op zijn ankers enz.


    Af drijvend onder zeyl, dat 's mackelixt van alle.

                                        Huyghens. Tryntje Cornelis.


2o. Zich ergends heen begeven. Op de kust D--: by een ander aan
boord D--.

3o. Van de wolken. Uit het zuiden D--, uit het noorden D--, breed,
ruim D--. De wolken D-- zuidoost.

Spreekwijze: Het maar laten D--. Op Gods genade D-- (de zaken maar
laten loopen zoo als het valt.) Iemand op zijn eigen wieken laten D--
(iemand aan zich zelven overlaten, zijn eigen hoofd laten volgen). Dat
schip kan zeilen noch D-- (het deugt nergens toe).

Hy Drijft op zijn last (hy heeft een akkoord met zijn schuldeischer
aangegaan, en houdt het, even als een ontheisterd schip, niet door
zijn tuig of takelaadje, maar door zijn last of lading--het geld van
anderen--nog Drijvende).

Drijven, b. w. -- De naden en reeten met werk vullen.

Dubbelblok, z. n. o. -- Blok, met twee nevens elkander geplaatste
schijven.

Dubbeling, z. n. v. -- Bekleeding of besmeering van een vaartuig met
de eene of andere stof, geschikt om het tegen bederf te bewaren.

Duikelaar, z. n. m. -- Zie Duiker.

Duiken, o. w. -- Zich onder water begeven. Zie dat schip eens D--
(den boeg onder water steeken by hooge zee).

Duiker, z. n. m. of Duikelaar. -- 1o. Iemand, die zich onder water
begeeft.

2o. Water-verlaat.

3o. Kleine spijker zonder kop, die alzoo in 't hout wegduikt.

Duikersklok, z. n. v. -- Werktuig, waarin men onder water mede gaat
en het een tijd lang kan uithouden, door de lucht, welke er van boven
wordt ingepompt. Het is aldus genoemd naar zijn oorspronkelijken vorm.

Duim, z. n. m. -- Breed en plat ijzer, regthoekig omgebogen, en
dienende om er de duimelingen in te hangen. De D--en van de roerhaken,
aldus naar de gelijkenis genoemd.

Duimelingen, z. n. v. mv. -- (veroud). De ijzers van de achterstevens,
waar de voorhaken in hangen.

Duin, z. n. o. of Blink. -- Heuvel van zand, en in 't byzonder van dat
zand, hetwelk door de zee wordt opgeworpen: gelijk dan ook Bilderdijk,
even waar als treffend, de D--en noemt:


    Het bolwerk, dat de zee zichzelf ten teugel wrocht.


Duizendbeen, z. n. o. -- (veroud.) Lange smalle kast, die, in
verscheidene gaten of keepen, ettelijke elkander volgende schijven
bevatte. De D--en werden vertikaal vastgemaakt, ieder aan elke zijde
van den mast van den boegspriet en van de woeling van dien mast:
en zy dienden om den doortocht te bevorderen van het afdalend want.

Duiveljagen, b. w. -- Een soort van stuwen, 'twelk daarin bestaat,
dat men zware steenen over de lading heenrolt. Ook het inperssen van
wolzakken in de schepen of het zoo genaamde Traven wordt met dien
naam bestempeld.

Spreekwijze: Leg my zoo niet te D-- (Plaag my zoo niet, val my niet
lastig).

Duivelsklaauw, z. n. v. -- Een soort van dubbelde haak, die over iets
heen komt en het met beide haken pakt.

Duivels toejager, z. n. m. -- 1o. Benaming van de bout, waarop de
ankerketting gestoken wordt in de kettingbek.

2o. Schimpnaam van ouds aan de zoodanigen gegeven, die voor de wervers
op een zieltjen uitgaan, en hun die in handen weten te spelen of toe
te jagen.

Dukdalf, z. n. v. -- Een zwaar paalhoofd, in het water geslagen,
en dienende om er schepen aan te beleggen. Volgends Winschoten
is het woord een verbastering van "Duk d'Alva" in welk geval het
zijn oorsprong daarin zou hebben, dat dit paalwerk even hard en
onverzettelijk zoude zijn als gemelde Hertog was. Bilderdijk houdt
het echter voor 't eenvoudige dok-dolf, d. i. paal of blok in een dok.

Durk of Dork, z. n. v. -- De plaats, waar het vuile water onder in het
schip inloopt, anders ook de Zoo genaamd. Zie Pompzoode. Waarschijnlijk
is het woord een samentrekking van de Hurk of De Urk, 'twelk een laag
vaartuig beteekent. Zie Hurk.


    O Dorck van alle quaed, o gote van ellende!

                            Joh. de Brune. Emblemata.


Dwaallicht, z. n. o. of Vreêvuur. -- In 't Eng. Jack with the lanthorn,
in de zuidelijke talen "het St. Elmus-vuur" genoemd, en waaronder
men zekere vlammende luchtverhevelingen verstaat, die, by duistere
nachten en stormweer langs de masttoppen en raas heen en weder dwalen.

Dwalen, o. w. -- Zwerven, verkeerd gaan. Een D--de naald. Zie
Naald. Buiten boord D-- wordt by wijze van eufemisme gezegd voor
"buiten boord raken."

Dwarlwind, Dwarrelwind, z. n. m. -- Wervelwind: gedurig draaiende wind.


    Een zeestorm op d' Oostzee, neêrstortende met vlaegen,
    Had in een dwarrelwint de Graenvloot omgeslagen.

                                                        Jan Vos.


Dwars, bw. -- Wordt gezegd van hetgeen zoodanig geplaatst is, dat
zijn lengte niet evenwijdig loopt met die van het schip. D-- stuwen;
-- D-- liggend vaatwerk; -- D-- voor den boeg komen (Met de zijde
voor den boeg van een ander schip komen. D-- vertuien (met een anker
voor- en achteruit, zoo dat het schip niet draaien kan. Dit geschiedt
b. v. als men zich voor een vyandelijke battery plaatst).

Dwarsdrijven, o. w. -- Dit zegt men van een schip, dat, niet naar
't roer luisterende, zijdelings wegdrijft.

Dwars in het vaarwater, bw. -- Wordt gezegd van een schip, dat dwars,
schuins tegen een ander aankomt.

Dwarsdrijver, z. n. m. -- Schip, dat niet naar 't roer luistert. Van
hier de

Spreekwijze: Hy is een D-- (hy hoort naar geen rede).

Dwars drijven (kwellen, hinderlijk zijn,) onheil verwekken:--omdat
het dwars aan komen van een schip zeer hinderlijk is, vooral wanneer
het met voordacht geschiedt.

Dwars liggen, o. w. -- t. w. van den stroom, van den wind, van de zee:
en dan beteekent het: aan stroom, wind of zee de breede zijde bieden.

Dwars van, bw. -- Op de hoogte van;--doch zoodanig, dat de zijde van
het vaartuig op een loodrechte lijn staat met het voorwerp waar men
D-- v-- is. D-- v-- de haven (op een loodrechte lijn met de monding
van de haven.)

Dwarsbalk, z. n. m. -- Dwarshout of Dwarsstuk: ieder hout, dat in
een getimmerte dwars geplaatst wordt.

Dwarshalen, b. w. -- t. w. een schip: Het zoodanig plaatsen, dat het
de zijde aan eenig bepaald voorwerp biedt.

Dwarsplaat, z. n. v. -- Plaat of zandbank, die Dwars voor de haven
ligt.

Dwarsscheeps, bw. -- In een Dwarsche lijn: De Amiraal lag D-- van ons.

Dwarsslede, z. n. v. -- Slede der scheepstimmerlieden, waarover een
vaartuig op het droog gehaald wordt.

Dwarsstroom, z. n. m. -- Stroom, die by het land heenloopt.

Dwarsstrooms, bw. -- Met de breede zijde in den stroom. Wy moeten
D-- ankeren.

Dwarstouw, z. n. o. -- Touw, dat overdwars en niet langsscheeps
wordt uitgevierd.

Dwarstij, z. n. o. -- Tij, dat zijlings invalt.

Dwarstijs, bw. -- Met de zijde tegen het Tij.

Dwarszalingen, z. n. v. mv. -- Dwars geplaatste zalingen.

Dwarszees liggen, o. w. -- Met de zijde van het schip tegen den
golfslag liggen.

Dwarszees zeilen, o. w. -- Tusschen de baren zeilen.

Dweil, z. n. v. -- Een hoop aaneengeregen en aan een langen stok
gespijkerde lappen, waarmede een schip wordt schoongemaakt, na
eerst met water te zijn afgespoeld. 't Is hetzelfde woord als dwaal
(handdoek).

Dweilstok, z. n. m. -- Stok, waaraan de Dweil wordt vastgemaakt.

Dijk, z. n. m. -- Zeeweering. ZeeD--, WierD--, RietD--.







E.


Eb of Ebbe, z. n. v. -- Het afloopen of vallen van het water, en alzoo
het tegenovergestelde van "Vloed". Daar gaat E-- (het water begint
te vallen). Een zware E-- (het afloopen heeft snel plaats). Halve E--
(wanneer de E-- in snelheid afneemt). VoorE--, achterE-- (het begin,
het laatste van de E--).

Spreekwijze: Gewoonlijk wordt E-- altijd voor tegenspoed, gelijk
Vloed voor voorspoed genomen, in gezegden als: Des Waerelds goed,
Is E-- en vloed.--Na hooge vloeden lage E--n.

Eeken, z. n. o. of Ekken. -- (veroud.) Achter of voor een E-- zitten
wordt gezegd, als een schip voor of achter vast zit.

Eendemossel, z. n. o. -- Schelpen, die zich aan den romp van een
ongekoperd vaartuig hechten.

Eereschoten, z. n. o. mv. -- Kanonschoten, ter begroeting of ter
viering eener heuchelijke gebeurtenis gelost.

Eerste officier aan boord, z. n. m. -- Officier, in rang op den
kapitein volgende, en aan wien het algemeen toezicht is opgedragen. Op
een linieschip volgt de E-- O-- op den Kapitein-Luitenant.

Eerste wacht, z. n. v. -- Wacht van 8 uur tot middernacht.

Eiland, z. n. o. -- Eivormig of rond land: t. w. dat rondom bepaald
is door de zee. SchierE-- dat met een strook aan 't vaste Land vast
is. E--en boven den wind. E--en onder den wind.

Einde, z. n. o. -- In zeemanstaal weinig gebruikelijk. Zie End.

Eisch (naar den) bw. -- Overeenkomstig de omstandigheden. Touw steken
N-- d-- E--, als het Eischt (het zooveel byvieren als dienstig is).

Eischen, o. w. -- Begeeren, verlangen, vorderen. Het touw
Eischt. (t. w. gevierd, gestoken te worden) Hy (het anker) Eischt
(houdt vast in den grond).

Ekken, z. n. o. -- Zie Eeken.

Elkander, (in of uit) bw. -- wordt gezegd de betrekkelijke plaatsing
van twee vaste voorwerpen, die tot merken genomen worden om den koers
of afstand te bepalen, b. v. Als men den toren en den molen I-- of U--
E-- ziet, moet men wenden. Als men de vuurbaak en het fort I-- of U--
E-- krijgt, kan men afhouden. Wanneer men voor een schip over zeilt,
en men krijgt de masten daarvan U-- E--, dan is men er vrij van. Den
vuurtoren en 't kasteel een windboomslengte U-- E-- houdende, blijft
men in 't vaarwater.

Emballaadje, z. n. v. -- Ingepakte balen en zulke goederen. Zie
Fustaadje.

Embargo, z. n. o. -- Ital. woord: Verbod aan de koopvaardyschepen,
die zich in een haven of op een zee bevinden, om die zonder verlof
te verlaten: 't zij, dat de Regeering die in hare dienst wil nemen,
of dat hy die eener Natie, aan welke hy den oorlog verklaren gaat,
wil terug houden. Zie Beslag.

Emer, z. n. m. -- (veroud.) Vaartuig, van eem (water).

Emmer, z. n. m. of Eemer. -- Waterhaler, waterschepper. Zie
Bild. Gesll. op Eimer.--BrandE-- (lederen vat, dienende om brand
te blusschen). Zie Puts. KoelE-- (houten vat met ijzeren beslag,
waarmede gedurende het gevecht het water uit de koeltobbe geschept
wordt om het geschut koel te houden).

Emmerzeil, z. n. o. -- Soort van vierhoekig zeil, waarvan de ra op
een derde van hare lengte door den mast wordt opgehouden.

End, z. n. o. -- Voor "touw", en meer gebruikelijk dan einde of eind,
welk woord men nooit uit den mond eens zeemans hooren zal. E-- voor
E-- (wordt gezegd, wanneer kabels of loopende want ten einde toe
zijn uitgeloopen: hetgeen geschiedt om gemakkelijk te rijden). By
stormweer laat men de ankertouwen E-- voor E-- uitloopen.

Spreekwijze: Ik weet niet waar het E-- vast is (ik weet den rechten
grond der zaak niet). Hy heeft het aan 't rechte E-- (hy begrijpt de
zaak goed).

Enkhuizer, z. n. m. -- Herhaalde slag van een kabel om de beting. Een
E-- op het touw leggen.

Enterbijl, z. n. v. -- Bijl, met een scherpe punt aan den
tegenovergestelden kant van het scherp voorzien, en alzoo geschikt om,
by 't Enteren, zoo wel te houwen en te kappen, als, wanneer het Enteren
door Chaloupen geschiedt, door het in 't hout slaan van gemelde punt,
daarby op te stijgen.

Enterdreg, z. n. v. -- Dreg, die, in 't staande want van een vyandelijk
vaartuig geworpen, dient om de beide schepen tot elkander te halen
en alzoo by den vyand aan boord te komen.

Enteren, b. w. -- 1o. Het vyandelijke boord beklimmen. Het woord is
waarschijnlijk verbasterd van 't Lat. intrare (binnenkomen).

2o. Eenvoudig: "klimmen," In 't want E--. -- Enter op! (komm).

Enterluik, z. n. o. -- (veroud.) Een luik, voor in den bak of achter
in de kajuit gemaakt, om, in geval van nood, als de vyand meester
is van het bovenschip, daardoor op den overloop te komen en hem van
onderen te keer te gaan.

Enternet, z, n. o. -- Zie Vinkenet.

Entrepôt, (spreek uit Antrepoo) z. n. o. -- of Stapelplaats, beteekent
oorspronkelijk een plaats of haven, waar koopmansgoederen vrij worden
toegelaten, en alzoo een vrijplaats of vrijhaven. In onze taal heeft
dit bastertwoord een meer bepaalde beteekenis verkregen. Volgends
art. 88 der Algemeene Wet van den 26 Augustus 1822 over de heffing der
regten van In- Uit- en Doorvoer enz. (Staatsbl. no. 38) verstaat men
door E--s oplagen van goederen in daartoe aangewezen bergplaatsen en
is de strekking daarvan, den eigenaren of gekonsigneerden van niet
ten invoer verboden goederen, gedurende den tijd van twee jaren na
den dag der lossing, of somtijds langer, de gelegenheid te laten, die
goederen ten verblijve binnen 's Lands of ten doorvoer aan te geven,
tegen betaling der alsdan daartoe staande rechten. Zy onderscheiden
zich in Publieke E--s, òf algemeene bewaarplaatsen onder het opzicht
van het Bestuur en wederzijdsche sluiting zoo van wege dat Bestuur
als van wege den handel: Partikulier E--, zijnde een bewaarplaats
in een door den handel aangewezen en door het Bestuur goedgekeurd
pakhuis of magazijn, mede onder wederzijdsche sluiting: Fiktief E--
zijnde de oplage van goederen in des handelaars byzonder pakhuis of
bergplaats, onder zijn toezicht en buiten sluiting van de zijde des
Bestuurs. De wetsbepalingen, waarby het stelsel van E-- geregeld wordt,
zijn te vinden in het Elfde Hoofdstuk van gezegde Wet, art 88-107.

Entrepôtdok, z. n. o. -- Besloten Dok, waarin die schepen liggen,
welke hun goederen in het algemeen Entrepôt lossen.

Equipaadje, z. n. v. -- Bastertwoord voor: Bemanning, Manschap. Zie
ald. Het schip is door de E-- verlaten. De gandsche E-- is ziek
geweest.

Equipaadjemeester, z. n. m. -- Direkteur der bewegingen en
verrichtingen op eene der Rijks werven.

Esch, z. n. m. -- Het hout, dat op de Hollandsche schepen gezien werd,
en waar op de Leeuw rustte.

Eskader, z. n. m. -- Zie Smaldeel.

Etat-major, z. n. o. -- Staf van een oorlogschip, bestaande
uit den kapitein, de officieren--ook die van gezondheid en van
administratie--de adelborsten en scheepsklerken.

Etmaal, z. n. o. -- Vier-en-twintig uur. Wy waren geen E-- in zee of
kregen tegenwind.

Evennachtslijn, z. n. v. -- Zie Linie.

Expediteur, z. n. m. -- Iemand, die zich met het doen vervoeren
van koopmanschappen te land of te water bezig houdt. Zijn rechten
en verplichtingen zijn omschreven in het Wetb. van Kooph. II. B. V
Tit. II. Afl. art. 86-96 en in art. 118-119 der Alg. Wet van 26
Aug. 1822.

Ezelshoofd, z. n. o. -- Dik met ijzer beslagen half rond plat hout,
over den top van den mast gelegd; aan het vooreinde een gat, (hommer)
hebbende, waardoor de steng loopt. Onder aan dat hout hangen de bloks
om de stengen op te hijschen of te strijken. De marszeilraas rusten
op het E-- als zy gestreken zijn. Waarschijnlijk is aan dit blok de
naam van E-- gegeven, omdat het als een kop op den mast zit, en als
een Ezel tot het dragen van lasten bestemd is.







F.


Fajfena, z. n. v. -- Soort van kleine Japansche galei met twintig
riemen aan elke zijde.

Fajofsnee, z. n. v. -- Japansch speelvaartuig.

Faktory, z. n. v. -- Plaats of kantoor, waar de agenten (Faktors)
van een handelshuis zich buiten 's Lands ophouden. De naam van F--
wordt zelden anders gegeven, dan aan dergelijke instellingen, door
Europeanen in de O. Indiën gesticht.

Faktuur, z. n. v. -- Lijst van afgeleverde goederen.

Fatsen, z. n. v. mv. -- Onderbonnetten, ten opzichte tot de bovenste,
waar zy aan geregen worden.

Spreekwijze. Hy is op de F-- (hy is op de loop:)--omdat de F-- worden
aangezet om meer vaart te maken.

Feloek, z. n. v. -- Licht, lang en smal vaartuig, meest in gebruik
op de Middellandsche zee. De koraalvisschery geschiedt met F--en.

Figale, z. n. v. -- Oostindisch roeivaartuig.

Fitten, o. w. -- Scheepstimmermans-uitdrukking voor: "meten, hoe diep
de gaten zijn, welke men geboord heeft," waarschijnlijk 't zelfde als
't Eng. to fit.

Flambeeren, b. w. -- In gebruik by 't konvooieeren. Met een sein
berispen: aan een schip, door middel van een sein en een schot, bewijs
van ontevredenheid geven, dat het zich niet op zijn post bevindt,
of van gegeven bevelen afwijkt.

Flap, z. n. m. Of Tappen dekplaat. -- IJzeren halve band, die over de
Tappen van een stuk geschut door middel van de bekbout en de spijlbout
bevestigd wordt op het rolpaard.

Fluit, z. n. v. of Fluitschip. -- Een transportschip, dat op alle
zeeën vaart. De reden der benaming, welke Winschoten opgeeft, als
zoude het aldus heeten naar zijn lang en smal fatsoen, waardoor het
op een fluit geleek, schijnt er met de hairen bygehaald. Veeleer
komt het my voor, dat men het aldus noemde, omdat het groot van
inhoud was in vergelijking met andere schepen, even als een F--
(drinkglas) onder andere roemers.--Een linieschip, waaruit men de
onderste battery heeft weggenomen heet "geärmeerd en flûte."

Fluit, z. n. v. -- Metalen buis, aan het ene end uitloopende in een
bal met een gaatjen doorboord, welke de Onderofficieren bezigen om
er bevelen mede te herhalen, gelijk de trompetters of hoornblazers
by de landtroepen.

Fluitschip, z. n. o. -- Zie Fluit.

Fnee, z. n. v. -- Japansch transportschip.

Fok, z. n. v. -- Een driehoekig zeil op kleine vaartuigen, tusschen den
Fokkemast en den boegspriet geheschen: op groote schepen heet de F--
het onderste razeil van den Fokkemast. StormF-- zeil, dat by stormweer
aan het Fokkestag gevoerd wordt: BrêeF-- breed zeil van licht doek,
dat op kotters en schoeners wanneer men voor-de-wind zeilt aan een
lichte ra aan den top van den mast, of, zoo er meer dan een mast is,
van den Fokkemast gevoerd wordt om sneller te loopen.

Spreekwijze. De F-- opzetten (den bril opzetten), omdat deze
op den neus gezet wordt, die, als de boegspriet voor het schip,
even zoo voor het aangezicht uitsteekt; terwijl bovendien de bril
tot behulp der oogen dient, even als de F-- tot versterking der
achterzeilen.--Bilderdijk geeft in zijn Gesll. echter een andere
verklaring van dit spreekwoord.

Fokjen, z. n. o. -- Verzameling van draden, niet meer dan een vadem
lang en dienende om ruw en uit de hand iets te beslaan.

Fokkeboelijn, Fokkebras enz., Boelijn, Bras enz. aan den Fokkemast. Zie
ald.

Fokkehals, z. n. m. -- Hals van den Fok.

Spreekwijze. Hy trekt aan de F-- (hy krijgt stank voor dank):--omdat
de loos van de Fokkenhals onder 't galjoen hangt, en men aan de F--
trekkende, wel eens iets anders dan zeewater over 't lijf krijgt.

Fokkemast, z. n. m. -- De voorste Mast op een schip. Zie Mast.

Fregat, z. n. o. -- Oorlogsvaartuig met een dek, en meer dan twintig
en minder dan vijftig of zestig stukken voerende, die boven op het dek
en op de halfdeks verdeeld zijn. Licht F-- (korvet). Advies F--. Zoo
snel loopen als een F-- (snel zeilen).

Fregaton, z. n. m. -- Venetiaansch vaartuig, met een vierkanten
achtersteven, een bezaanmast, een grooten mast en een boegspriet
voerende, en tot aan de 10,000 quintalen kunnende laden.

Fret, z. n. m. Of Fretboor. -- Zie Drilboor.

Fustaadje, z. n. v. -- Allerlei Vaatwerk, in tegenstelling van
Pakkaadje, waarmede men kisten, enz. en Emballaadje, waarmede men
balen en dergelijke ingepakte goederen verstaat. Men voegt gemeenlijk
de woorden F-- en Emballaadje by elkander, o. a. in art. 209 en
210 der Alg. wet van 26 Aug. 1822, waarby boeten tegen den schipper
en stuurman bepaald zijn by het bevinden van een ander getal fust-
of pakgoederen dan overeenkomstig de gedane verklaring.







G.


Gaande houden, b. w. -- 1o. Op denzelfden boeg, als men tot nog toe
gezeild heeft, voortgaan.

2o. Aan wind of stroom een wederstand bieden, die met hun kracht gelijk
staat: Wy Hielden het beter tegen den stroom Gaande dan de Adraste.

3o. Gelijk, even hard zeilen. Wy Hielden het met alle schepen van
ons eskader Gaande, onder onze beide marszeilen.

4o. Niet van plaats veranderen, b. v. om een schip in te wachten.

Spreekwijze, 't G-- H--: het zooveel mogelijk uithouden.

Gaande raken; gaande zijn, o. w. -- Wordt van een schip gezegd,
als zijn anker aan 't glijden raakt. Ook van de goederen, die in een
storm komen overhoop te rollen, als b. v. De ballast Raakt Gaande.

Gaande weg, bw. -- Langzamerhand. G-- W-- afhouden. (Zie Afhouden.)

Gaandery, z. n. v. -- Zie Westergang.

Gaarboord, z. n. o. -- De naaste plank aan de kiel, met het aanzetten
waarvan men een aanvang maakt by den bouw van het boord, zoodat men
de deelen als 't ware samen gaêrt.

Gaard, -- Zie Geerd.

Gaffel, z. n. m. -- Spriet, aan welken, op boeiers en smakken, het
smakzeil wordt vastgemaakt. Op de grootere schepen is het de spriet,
die met een klaauw door de kraallijn aan den bezaansmast vast is,
en waaraan het bezaanzeil is uitgehaald en opgeheschen wordt. Het
draagt den naam van G--, omdat het aan het eene einde in een G--,
vork of klaauw, uitloopt, waarmede het om den mast sluit.

Gaffelval, -- Talie, waarmede de Gaffel geheschen wordt.

Gaffelzeil, -- De langsscheepsche zeilen, aan Gaffels geheschen heeten,
G--en: zoo zijn b. v. de bezaan-, de bark- en schooner zeilen, G--en.

Galeas, z. n. m. -- Groot Venetiaansch vaartuig, dat met behulp van
zeilen en riemen bestuurd werd.


    Veneedje, laat uw Galeassen
      Tot roem en eer, eeuw uit eeuw in,
    De Turxsche heêrschappy verrassen.

                            Antonides, Zeetriomf.


Galei, z. n. v. -- Lang, smal vaartuig, op de Middellandsche zee
in gebruik, zeilende met latijnzeilen, of wel door G-- slaven
of boeven geroeid. Lichte G-- (die naar den antieken vorm met
een scherpen voorsteven gebouwd is: Bastert- of gewone G--) die
van middelbare grootte is: HoofdG-- (de voornaamste G-- van een
Vorstendom). PatroonG-- (de tweede G-- van Frankrijk, Toskane en
Maltha en de derde G-- van die Zeestaten, welke nog bovendien een
Koninklijke en HoofdG-- bezitten. Koninklijke G-- (de voornaamste G--
van een onafhankelijke Mogendheid en de voornaamste G-- van den Paus.


      Doorluchte Waterkoningin
    Venetië, die uw Galeien
      Tot roem en eer eeu uit eeu in
    Haer vlugge wieken uit laet spreien.

                            Antonides, Ystroom.


Galeiroeiers, z. n. m. mv. -- Roeiers eener Galei, gewoonlijk slaven.

Galoëtte, z. n. v. -- Klein Malabaarsch vaartuig.

Galeiwolf, z. n. m. -- Zie Aletta.

Galery, z. n. v. -- Buitenbetimmering tegen de achtereinden der zijden
van het schip gemaakt en een afgesloten ruimte vormende. De G--en
dienen tot het bevatten van gemakken en tot cieraad van den spiegel,
dien zy verbreeden. By linieschepen heeft men soms twee G--en boven
elkander, by gewone schepen maar eene of geene.

Galg z. n. v. -- Houten stellingen, voor en achter in de kuil staande,
en dienende om waarlooze rondhouten op te bergen.

Galjas, z. n. m. -- Zie Galeas.

Galjoen, z. n. o. -- 1o. Naam, aan een soort van vrachtschepen
gegeven, die in den handel van Spanje op de West-Indiën en andere
volksplantingen gebezigd worden.

2o. Stelling met roosterwerk, geplaatst tusschen het voorschip en
het bovenste gedeelte van de scheg, en met leuningen voorzien.

3o. Oude benaming van de snuit of de snebbe der fregatten, pinassen
en andere zware schepen; het plach onder de straffen, op de schepen
gebruikelijk, te behooren, dat iemand op water en brood in 't G--
werd gesloten.

4o. Geheim gemak voor de matrozen.

Galjoot, z. n. v. -- Soort van vrachtschip van de grootte van een
hoeker. Barbarijsche G--: kleine galei, op de Barbarijsche kust in
gebruik. BombardeerG--, stevig gebouwd vaartuig, van een of twee
mortieren voorzien en zonder fokkemast, ten einde den boeg tot
bombardeeren vrij te houden.

Gallen, z. n. v. mv. -- Kleine holten, welke men somtijds in de
vuurmonden en in de kogels aantreft, en die, wanneer zy een bepaalde
maat te boven gaan, tot afkeuring daarvan leiden kunnen.

Gang, z. n. v. of Vaart. -- Snelheid, waarmede een schip kan vooruit
komen in evenredigheid met de kracht van den wind en de uitgezette
zeilen. Zoo zegt men: een goede G-- hebben, weinig G-- maken (goed,
weinig vooruitkomen).

Gang, z. n. v. of Slag. -- De weg dien een schip aflegt over denzelfden
kant, wanneer het laveert. Verscheiden G--en doen. Nog een G--etjen
en wy zijn er. G-- of slag maken, enz.

Gang, z. n. m. 1o. -- Voortloopende beplanking langs het boord. De G--
en de buitenhuid.--Zie Brug, Zetg-- en Geschutg--.

2o. Plank, waarmede men uit- en in het schip gaat.

Gang (gebroken). Zie Vertuining.

Gangboord, z. n. o. of Gangwaring. -- Het boord, daar men op koffen,
smakken en andere kleine vaartuigen langs gaat. Zie Waring.

Spreekwijze: Wat doe je in 't G--? (Hoe staat ge in den weg?)

Gangmeter, z. n. m. -- Werktuig of toestel, met behulp waarvan men
de vaart van een schip kan berekenen. Zie Log.

Gangspil, z. n. o. -- Kaapstander, aardewind, spil, windas. --
Geknotte min of meer dikke kegel, waarvan de evenwijdige grondslagen
in diameter weinig verschillen in grootte, en die vervaardigd is om op
zijn diametrale en vertikale as rond te draaien. Windboomen of spaken,
waarvan de enden gestoken worden in gaten, welke in den kop van het
G-- zijn uitgehold, en dienen om het in de rondte te doen draaien,
en de touwen, welke men om zijn schacht slaat, aan te halen. Zie Spil.

Ganzevleugel, z. n. m. -- Soort van schippersboom, dienende tot het
uitzetten van den schoothoorn van het zeil.

Garen, z. n. o. -- Zie Draad. Men onderscheidt kabelG--, schiemansG--,
touwslagersG--, (met al hetwelk een zware soort van G-- bedoeld
wordt); wit, ongeteerd G-- (zoo als het van den spinner komt); bruin
of geteerd G-- (dat met teer doortrokken is); merkG--, (waar een draad
van een andere kleur doorheen loopt); zeilG-- (dat tot het naaien der
zeilen dient); lijkG--, wantG--, (dat van de dikste soort is) trosG--
(van een mindere) en kardoesG-- (om kardoezen mede vast te maken).

Spreekwijze: Zyn eigen G-- rokken (niemand ergends dank voor weten,
zich zelven alles toeschrijven). Een warG-- (een twistzoeker).

Garenwinder, z. n. m. -- Stuk van een haspel, schiemans wuit.

Garnaal, z. n. m. -- Kleine zeevisch. Spreekwijze: Een hoofd als een
G-- (een klein hoofd).

Garnaatjens, z. n. o. mv. -- Algemeene benaming voor blokjens van
dun touwwerk.

Garneeren, b. w. -- Bekleeden, 't Fr. garnir. Een steng of ra G--
(er een schoot of plank op vast maken tot steun van een zwakke plaats).

Garneering of garniering, z. n. v. -- Bekleeding. G-- van 't ruim
(bekleeding van 't ruim, b. v. met bindrottings langs het boord,
om alzoo een glad boord te krijgen tot betere, vastere opstuwing
der lading).

Gassefat, z. n. o.-- Perzisch vaartuig.

Gat, z. n. o.-- 1o. Elke opening of doortocht, op een schip gemaakt:
SchootG-- (waar de schoot doorloopt). Soldaten G-- (opening in de
mars gelaten en waar de soldaten doorheen klimmen, wanneer zy by
een gevecht zich naar boven moeten begeven). Spy G-- (waar het water
doorloopt), enz.

2o. Het achterste gedeelte van het schip. Een schip op zijn G-- zetten
(het met zijn achtersteven op het droog zetten). Het schip ligt te
veel in zijn G-- (ligt achter te diep).

3o. Voor Zeegat: open vaarwater, waardoor men in elke zee kan
komen. Het Spanjaarts G--. Het Heer Jan de Witts G--. Binnen Gaats,
Buiten Gaats (binnen of buiten). Hy is al vroeg het G-- uitgegaan
(ter zee gaan varen).

Geboeid, b. n. -- Wordt van een schip gezegd, als het geen water genoeg
meer vindt om te drijven. Aan den grond G-- raken. Het G-- liggen.

Geborgen, b. n. -- 1o. Gered en opgeslagen. G-- goederen. (Zie
Goederen.)

2o. Vastgemaakt, weggenomen, gestreken. De zeilen zijn G--.

Gebrast, b. n. -- Wordt van een schip gezegd, wanneer zijn zeilen
goed bystaan. Zeil dat scherp G-- is (dat dicht by den wind staat).

Gebuikt, b. n. -- Het schip is G-- (te veel uitgebouwd van
zijboorden). De zeilen staan wel G-- (zijn ruim genoeg).

Gebust, b. n. -- Wordt een blok genoemd, wanneer het gat in de schijf,
waardoor de pen loopt, in metaal is gevat. De spygaten zijn met koper
G-- voor het inwateren.

Geer, z. n. m. -- Schuinte in een kleed, en van hier bepaaldelijk een
strook zeildoek, die aan de zeilen wordt toegevoegd om ze van onder
te verbreeden.

Geerd of Gaard, z. n. v. -- G--en zijn touwen, waarmede men den nok
van den gaffel dwingt.

Gei, z. n. v. -- Byspriet, is schier alleen in de samenstelling
gebruikelijk.

Geien, o. w. -- De geitouwen van een zeil ophalen.

Gein, z. n. o. -- Gy, Jy of Gijn. 1o. Talie van de grootste soort.

2o. Blok met twee of drie schijven, waardoor een looper is geschoren,
dienende om groote kracht mede uit te oefenen.

Geitouw, z. n. o. -- Algemeene naam voor elk touw, dat tot het inkorten
of gorden der zeilen gebezigd wordt.

Geitouwblok, z. n. o. -- Blok, waar een Geitouw doorloopt.

Gek, z. n. m. -- Werktuig, boven aan het eind van een houten pomp,
waarin de stok of het handvatsel, met hetwelk men den pompstok ophaalt,
wordt vastgehecht.

Geklucht, b. n. -- Wordt een mast genoemd, die uit onderscheiden op
elkander geplaatste stukken is samengesteld.

Gekstok, z. n. m. -- Stok of handvatsel van een bouten pomp.

Geleide, z. n. o. -- Zie Konvooi.


    Gelijck de kudden gaen by duizenden te weide,
    En groeien by het gras, zoo drijft nu 't zeegeleide
    Van 's lands Geleivloot al wat hongert naar gewin,
    Den mond van Tessel en den Vliestroom uit en in.

                                            Vondel, Zeemagazijn.


Geleivloot, z. n. v. -- Zie Geleide, Konvooi.

Gelijk, bw. -- 1o. In kommandoos gebruikelijk om te gelasten dat
een beweging gelijktijdig geschiede. G-- halen! G-- roeien! Haalt
G--. Roeit G--!

2o. Voor Gelijklastig. Dat schip ligt G--, ligt op een effen kuil
(als de diepgang voor en achter dezelfde is).

Gemeerd, b. n. -- Is het schip, achter en voor vastgemaakt aan een
kaai of dukdalven, of door een anker voor en achter.

Geraamte, z. n. o. -- Het G-- van een schip wordt de verzameling
genoemd der nog onbeplankte en onbekleedde hoofdbalken.

Gescheept, b. n. of Ingescheept. -- Wordt gezegd van de goederen die in
't schip gebracht zijn: ook van de menschen.

Spreekwijze: Met iemand G-- zijn (met iemand verlegen zijn, iemand
niet kwijt kunnen raken). Zoo zegt Hooft in zijn Geeraert van Velzen:


    Ik ben daer mee gescheept, daer ik mee over moet.


Geschoofd, b. n. -- By elkander gebracht, als in Schoven vereenigd
om de minste plaats in te nemen. G--e vaten. Die lichte vaartuigen
liggen G--.

Geschut, z. n. o. -- Oorlogstuig, waarmede geschoten wordt. Klein G--
(snaphanen, roers, musketten, enz.) Grof G-- (kanonnen, mortieren,
bomketels, enz.) Het G-- lossen.

Spreekwijze: Met grof G-- schieten (bulderen, razen, schelden).

Het G-- (of het schut) te boord halen (zich vaardig maken tot den
slag).

Geschutdek, z. n. o. -- Zie Dek.

Geschutgang, z. n. v. -- Dat gedeelte der buitenhuid, 't welk bepaald
is tusschen den onderkant van het rahout en den bovenkant van het
barghout.

Geschutleng, z. n. v. -- Touw met ijzeren oogen en haken voorzien,
en dienende om zware vrachten, als kanonnen enz. binnen boord te
halen. Zie Leng.

Geschutooren, z. n. o. mv. -- De handvatsels van een stuk Geschut.

Geschutpark, z. n. o. -- Bewaarplaats van het Geschut.

Geschutpoort, z. n. v. -- Vierkante opening in den wand van een
vaartuig gemaakt, ten einde den doortocht aan den tromp van een stuk
geschut te verleenen.

Geschutrol, z. n. v. -- Lijst, waarop ieders post by gelegenheid van
een zeegevecht staat opgeteekend.

Geslurpt, b. n. -- By "Touwen" of by "End" gevoegd beteekent: puntig
uitloopend. Een Touw wordt G-- om het gemakkelijker in een katrol te
werken. De strengen van het eind der ankertouwen worden G--, om op
een ander ankertouw gesplitst te kunnen worden.

Gesmoord, b. n. -- Wordt een schip genoemd, wanneer het, door een zware
zee zeilende, niet die snelheid kan aanwenden, welke het verkrijgen
zoû, wanneer de zee effen was. Tusschen de zeeën G-- liggen.

Gespat, b. n. Of uitgespat, -- wordt van de hoofdtouwen gezegd,
wanneer zy met den mast een meer open hoek maken dan gewoonlijk.

Gespekt, b. n. -- Wordt gezegd van een lap zeildoek, geheel doorregen
met stukjens kabelgaren. Zoodanige heet men dan Spekwatten en zy
dienen om daar gebonden te worden, waar schavieling of wrijving door
aanstooten wordt veroorzaakt.

Gestopt, b. n. -- 1o. Met Stoppers voorzien: Een G-- touw, of tuig
dat door middel van Stoppers wordt gespannen gehouden.

2o. Aangehouden. Dat schip is in Texel G--.

Gestrand, b. n. -- Aan wal geslagen of gespoeld. Een G-- schip (dat op
't strand zit) G--e goederen. Zie Goederen.

Gestreken, b. n. -- 1o. Met planken beschoten. Zie Dek.

2o. Neder gevierd. De zeilen G-- (nedergehaald).

Gestropt, b. n. -- Met een Strop belegd.

Getuigd, b. n. -- Wordt een schip genoemd, dat al zijn Tuig heeft. Hoog
G-- schip (dat veel bovenzeilen heeft.) Laag G-- schip, (dat zijn
tuigaadje lager heeft). G-- als een logger, brik, schoener.

Spreekwijze: Hy is G-- als een Portugeesch schip (hy ziet er slordig
uit).

Getij, z. n. o. -- Zie Tij.

Spreekwijze: Ieder vischt op zijn G-- (elk let op zijn byzonder
voordeel).

Geul, z. n. v. -- Naauwe vaart of waterloop.

Geus, z. n. m. of Geusjen. -- Een vlag, die van den boegspriet waait,
aldus genoemd naar de Watergeuzen, die namelijk aldaar hun standaart
heschen met de kleuren des Prinsen van Oranje, en er alzoo hun
verschijning mede aankondigden.

Geusjen, z. n. o. Zie Geus.

Geuzen, o. w. --- Men plach te zeggen: het begint te G-- voor:
"de wind begint voordeelig te worden." Zoo zeiden de Spanjaarts
ten tijde der omwenteling in de 16de eeuw: Onze Lieve Heer Geust;
(is den Geuzen gunstig).

Geuzestok, z. n. m. -- Stok op den boegspriet, waar de Geus van waait.

Gewaarborgd, b. n. -- Klaar, gereed. Tegen het oploeven, tegen het
afvallen G-- zijn, (op het loeven, het vallen passen, op zijn hoede
zijn).

Gezeegd, b. n. -- Gebogen, krom. Te sterk G--e barghouten.

Gezicht (in 't), bw. -- Zichtbaar, dat men 't zien kan. Een schip In
't G-. Wy leden schipbreuk in 't G-- van de haven.

Gezond, b. n. -- Van een schip gezegd beteekent: gaaf, zonder
letsel. Zie Ongezond.

Geswindpijpjen, z. n. o. -- Ontvlammingstoestel, in een penneschacht
geplaatst, in het zundgat gezet en aangestoken, ontsteekt het de
ladin

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/40417