Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313)
by H. B. Cotterill · Dutch · Gutenberg #40228 · 1,186,581 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313)
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313)
Author: H. B. Cotterill
Release date: July 14, 2012 [eBook #40228]
Most recently updated: October 23, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/40228
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ITALIË IN DE MIDDELEEUWEN: GEDURENDE DUIZEND JAAR (305-1313) ***
ITALIË IN DE MIDDELEEUWEN
Gedurende duizend jaar (305-1313)
Een kort historisch overzicht met hoofdstukken over belangrijke
gebeurtenissen en personen in verband met godsdienst, kunst en
litteratuur
Door H. B. COTTERILL M.A.
Bewerkt door Dr P. A. van der Laan
Met een voorrede van
Prof. Jhr Dr J. Six
Zutphen--W. J. Thieme & Cie
VOORREDE.
Niet als krijgslieden plachten de Nederlanders naar Italië te
trekken. Geen Gothen, geen Longobarden of Vandalen kwamen uit de lage
landen aan de zee. Aan de oorlogen van Guelfen en Ghibellijnen hebben
zij geen aandeel van beteekenis gehad. Wanneer de legende de Mariakerk
te Utrecht laat bouwen als boete voor een kerk te Milaan verwoest,
noemt zij een Duitschen Keizer als stichter, geen Nederlander.
Als pelgrims uit het heilige land kwamen zij de Brenner over naar
Venetië. Als Roomvaarders bezochten zij Italië voor hun zieleheil. De
"Anima", thans de Duitsche kerk te Rome, is een Nederlandsche
stichting.
Ook als kooplieden onderhielden zij goede betrekkingen. De Heeren van
Arkel hadden hun fortuin belegd in een bank te Genua. Het meesterwerk
van Hugo van der Goes werd door een Italiaansch koopman uit Brugge te
Florence gewijd. Een altaarstuk van Memling met soortgelijke bestemming
kwam slechts door zeeroof bij de Hanze terecht. Ook bezit Brugge van
oudsher een vroeg werk van Michelangelo. Mogen soms Nederlandsche
kunstenaars hun eigen aard verloochend hebben onder te sterken
Italiaanschen invloed, de van Eycken waarschijnlijk en velen na hen,
van Rogier van der Weijden tot Terborgh, hebben in het zuiden alleen
hun blik verruimd.
Dat is echter in later dagen dan waarvan Cotterill in dit boek
verhaalt. Onze gedachten gaan zoo zelden terug tot de tijden dat Karel
de Groote nu voor den Falkhof te Nijmegen zijn paarden zag weiden,
om dan weer te Rome als beschermer van het heilige Romeinsche rijk op
te treden of dat Frans van Assisi een innige vroomheid predikte, in
zijn land aanleiding tot nieuwe wonderen van kunst, in het noorden de
bron van die gemoedsstemming, waaruit de hervorming te voorschijn kwam.
Toch is het ook voor ons van belang in dit overzicht van duizend
jaren die smeltkroes der volkeren te aanschouwen door de oogen van
een man van kennis en smaak en zoo uit het ondergaande Romeinsche
rijk het nieuwe Italië te zien herboren worden, niet als een eenheid,
eer als een strijd van allen tegen allen, waaruit de republieken te
voorschijn kwamen, een vruchtbaren bodem voor kunst en wetenschap.
Wie Dante lezen wil en verstaan zal het niet berouwen in ons vlot
geschreven werk, in het begin vooral soms een wat zwaar te verteren
hoofdstuk doorworsteld te hebben, noodig voor een beter begrip van
wat volgt.
Goed gekozen afbeeldingen roepen de herinneringen op voor wie Italië
reeds bezocht, of helpen hen, die dat geluk nog misten aan eenig
aanschouwen.
J. Six.
Indien door het lezen van dit werk de studie van het gedicht, dat
het bewonderend nageslacht den eeretitel goddelijk heeft gegeven, in
breeder kring wordt ter hand genomen, zal ik mijn moeite ruimschoots
beloond achten.
Wat mij betreft,
poscia di dí in dí l'amo piu forte.
De Vertaler.
VOORREDE VAN DEN SCHRIJVER
Reeds ten tijde van Cicero en Varro", zegt Gibbon, "waren de Romeinsche
augures ervan overtuigd, dat de twaalf gieren, die Romulus had gezien,
de twaalf eeuwen voorstelden, die door het noodlot voor het bestaan
van zijn stad waren vastgesteld". Deze voorspelling, zoo lezen wij
bij de schrijvers van dien tijd, b.v. bij den dichter Claudianus,
vervulde den geest der menschen met somberen angst, toen de twaalfde
eeuw van Rome's bestaan ten einde spoedde en "zelfs het nageslacht moet
met eenige verbazing erkennen, dat de verklaring van een toevallige
of verdichte gebeurtenis inderdaad bevestigd is door den val van het
West-Romeinsche Keizerrijk." Het overgeleverde jaar van de stichting
van Rome is 753 v. Chr. en als wij nu aannemen, dat het Keizerrijk
eindigde met de inneming van de stad door den Vandaal Gaiserik en den
dood van Valentinianus III, den laatsten Keizer van de dynastie van
Theodosius den Groote, welke gebeurtenissen beide plaats vonden in 455
n. Chr., dan is de vervulling van de profetie werkelijk verrassend. En
ons geloof aan oude voorspellingen behoeft niet geschokt te worden,
indien wij ons gedrongen voelen den eindelijken val van het Keizerrijk
ongeveer éen en twintig jaren later te plaatsen, in welke periode niet
minder dan negen zoogenaamde Keizers het purper aanvaardden: ten eerste
de moordenaar van Valentinianus, daarna de beschermeling van den Koning
der West-Goten te Arles, dan vijf marionetten van den veldheer der
barbaren, Ricimer, vervolgens een weinig bekende ambtenaar van het hof,
gekozen door een voornaam Bourgondiër, en de negende, een zoon van een
Pannonisch soldaat uit Attila's leger, de "onschadelijke jongeling",
zooals Gibbon hem noemt, die de prachtig klinkende namen van Romulus
Augustus (uit medelijden of om hem te bespotten verkleind tot Momullus
Augustulus) had geërfd of aangenomen, en die in 476 door den barbaar
Odovacar werd onttroond en met beleedigende edelmoedigheid verlof
kreeg zich terug te trekken naar een ruime en weelderige gevangenis,
de villa, die Marius had laten bouwen en Lucullus had versierd, op
de hoogten, waarvan men een uitzicht heeft op de golven van Napels
en Baiae.
Dit jaar, 476, wordt algemeen aangenomen als de grens, die het einde
aangeeft van de geschiedenis van het oude Rome en het begin van de
Italiaansche geschiedenis. Toch zijn sommige schrijvers van meening,
dat het "Romeinsche Keizerrijk" onder de Keizers van het Oosten nog
voortduurde, ja zelfs nog ongeveer duizend jaar, tot de verovering
van Constantinopel door de Turken, in ieder geval nog meer dan
driehonderd jaar, totdat het in de macht geraakte van een vrouw,
die onmenschelijke ellendelinge, de vrome Irene. Deze gebeurtenis
gaf, volgens die schrijvers, den Romeinen het recht de keizerlijke
waardigheid door de pauselijke zalving te doen herleven in den persoon
van Karel den Groote. Dit herleefde Keizerrijk, dat bleef bestaan
tot den dood van Hendrik VII in 1313, toen elk werkelijk verband
met Italië verdween, of zelfs, volgens sommige, voortduurde totdat
Frans II in 1806 afstand deed van de regeering, was natuurlijk een
fictie; maar het geloof aan het zoogenaamde "Heilige Roomsche Rijk"
was een feit, dat op de middeleeuwsche geschiedenis van grooten
invloed is geweest en door den geschiedschrijver niet kan worden
geloochend. Maar welke bewijsgronden ook kunnen aangevoerd worden
om deze verschillende opvattingen te steunen, het is eenvoudiger
en het ligt meer in de rede aan te nemen, dat het oude Romeinsche
Keizerrijk, d.w.z. het uitgestrekte Imperium, waarvan Rome zelf de
metropolis was, indien het niet eindigde, toen Constantijn si fece
Greco en den keizerlijken zetel van Rome naar Byzantium bracht, of
toen de laatste Keizer uit de dynastie van Theodosius te Rome werd
vermoord, kort voor de aankomst van den Vandaal Gaiserik, toch te
gronde ging, toen in 476 de barbaar Odovacar den jeugdigen Keizer
Romulus Augustulus onttroonde en, zoo al niet den titel, dan toch de
bevoegheden van een Koning van Italië aanvaardde.
Derhalve kunnen wij aannemen, dat de geschiedenis van het
middeleeuwsche Italië begint met het jaar 476. Na dat jaar stond
Italië slechts tijdelijk en niet rechtstreeks in verband met het
Oostelijke Keizerrijk, dat sommigen het latere Romeinsche Keizerrijk
willen noemen, maar dat volgens mij, omdat "Constantinopolitaansch"
een lang woord is, beter "Byzantijnsch" genoemd kan worden, vooral
ook daar dit woord Oostersch genoeg klinkt, om een geschikte term te
zijn in kwesties over kunst en geschiedenis.
Het is waar, dat gedurende een zekere periode dit Byzantijnsche
Keizerrijk zijn heerschappij over Rome, dat door den Byzantijnschen
Keizer beschouwd werd als een provincie-stad van zijn Italiaansche
diocese, en over bijna het geheele schiereiland herstelde, en dat
het zijn souvereiniteit in eenige belangrijke Italiaansche steden
en landstreken eeuwen lang bewaarde, vooral in het Exarchaat en
de zuidelijke marina, zoodat zoo nu en dan de aanwezigheid van de
Byzantijnen in Italië ten zeerste onze aandacht zal vragen. Het is
ook waar, dat de Byzantijnsche Keizers aanspraak maakten op den
titel "Imperator Romanus" [1], en dikwijls als zoodanig werden
erkend. Bovendien moet men toegeven, dat de geschiedenis van het
zoogenaamde Oostelijke Keizerrijk in later tijd, met zijn Grieksche,
Syrische, Armenische, Macedonische, Latijnsche, Vlaamsche en Fransche
monarchen en dynastiën en met zijn rijke en weelderige uitloopers,
bekend als de "Keizerrijken" van Nicaea en Trebizonde, buitengewoon
schilderachtig en belangwekkend is.
Evenwel, daar ons onderwerp Italië en niet Byzantium is, zal het beter
zijn aan te nemen, dat het werkelijke Romeinsche Keizerrijk eindigde
met de onttroning van den laatsten opvolger van Augustus te Rome in
476 en na dat jaar onze aandacht voornamelijk tot Italië te bepalen,
terwijl wij slechts nu en dan een blik naar de andere zijde van de
Adriatische Zee zullen werpen.
Maar, ofschoon men kan zeggen, dat de geschiedenis van Italië in
de middeleeuwen met dat jaar begint, scheen het mij toch raadzaam
terug te gaan tot den tijd van Constantijn, om zekere religieuze,
staatkundige, artistieke en litteraire eigenaardigheden in haar
oorsprong na te speuren, als ook om in staat te zijn uitvoeriger
de invallen der barbaren te behandelen. Wanneer dit gebeurd is,
blijft de nog moeilijker taak over aan te toonen, hoe, te midden
van al die verschillende elementen en krachten, de nieuwe bezieling
begon te werken, die, na zoovele eeuwen, in onze dagen eindelijk
een Italiaansche natie deed ontstaan. Mijn onderwerp, dat zich
uitstrekt tot de eerste dageraad van de nieuwe kunst en litteratuur,
beslaat een tijdvak van duizend jaar en het zou een zeer vervelend
en nutteloos werk zijn, als ik trachtte mijn bladzijden te vullen
met een opsomming van de ontelbare personen, die in een zoo snelle
opvolging, in zoo ingewikkelde en vlug veranderende groepen, over
het steeds afwisselende tooneel van tien eeuwen voorbijtrekken. Zelfs
bij het uitvoerige en heldere verhaal van Gibbon moet de lezer, die
geen overvloed van tijd en zeldzame volharding bezit, er dikwijls aan
wanhopen zijn weg te vinden in het labyrint van barbaarsche invallen
en godsdiensttwisten of in het drama van het Keizerrijk, een drama,
dat zoo gecompliceerd is, dat bij meer dan een gelegenheid er niet
minder dan zes Keizers tegelijk op de planken verschijnen.
Met het oog op de beperkte ruimte en zulk een overweldigenden menigte
van bijzonderheden, moet hij, die iets beters wil geven dan een droge
opsomming van namen en gebeurtenissen, een methode vinden, die hem in
staat stelt in een samenhangend verhaal de belangrijke historische
feiten mede te deelen en die hem toch ook gelegenheid biedt andere
belangwekkende dingen op een minder stijve en statistiek-achtige
wijze te behandelen, en met vrije hand, om zoo te zeggen, de kale
historische omtrekken in te vullen.
De wijze, waarop ik te werk ben gegaan, is de volgende: aan elk van
de vijf deelen, waarin mijn onderwerp verdeeld is, heb ik een kort
overzicht van de staatkundige gebeurtenissen dier periode laten
voorafgaan. Deze overzichten zullen het den lezer mogelijk maken
den inhoud van die hoofdstukken te omlijsten (of misschien moet ik
zeggen, chronologisch te rangschikken), waarin ik met vrije hand
zekere belangrijke episodes en personen heb geschetst, terwijl ik
mij moeite heb gegeven, door aanhalingen en beschrijvingen de locale
kleur zooveel mogelijk tot haar recht te laten komen.
Aldus kon ik vermijden, dat mijn verhaal onderbroken werd door
verhandelingen over kunst en literatuur, en heb ik, wat over deze
onderwerpen mij belangrijk toescheen, verplaatst naar de bijgevoegde
hoofdstukken.
Een volledige lijst van de talrijke schrijvers over de geschiedenis,
kunst en literatuur van Italië in het tijdvak, dat hier behandeld
wordt, zou meer ruimte eischen, dan ik kan missen en indien ook
de titels van hun werken werden opgenoemd, zou een groot aantal
bladzijden noodig zijn. Ik zal dus slechts eenige oude en moderne
bekenden vermelden, aan wie ik bijzonderen dank verschuldigd ben.
Balzani (Cronache it. del Med. Evo); Boëthius (De Cons. Phil.); Bryce;
Cappelletti; Cassiodorus (en Jordanes; ook zijn brieven, uitgegeven
door Hodgkin); Compagni (Dino); Crowe en Cavalcaselle; Engel et Serrure
(Numismatique du Moyen Age); Eusebius; Ferrero; Gaspary (Scuola
Poet. Sicil.); Gibbon; Gregorovius (Gesch. Stadt Rom); Gregorius de
Groote; Hodgkin (Italy and her Invaders); T. G. Jackson (Romanesque
Architecture); Jordanes (Hist. Goth.); Kugler; Liber Pontificalis
(ed. Duchesne); Machiavelli (Istorie Fior.); Mothes (Baukunst
d. Mittelalters); Muratori; Paulus Diaconus (Hist. Lomb.); Priscus;
Ricci (vooral over Ravenna); Rivoira (Orig. dell' Arch. Lomb.);
Rotari (Editto); St. Augustinus (De Civ. Dei); Sismondi; Symonds;
Villani (Giov); Wroth (Brit. Mus. Catal. Goth. and Lomb. Coins);
Pasquale Villari (Invas. barbar. en L'Italia da Carlo Magno alla
Morte di Arrigo VII).
Misschien is het wel goed hier bij te voegen, dat ik mij er van bewust
ben, dat niemand over dergelijke onderwerpen als middeleeuwsche
architectuur een meening of opvatting kan verkondigen, zonder zich
aan een fucilata van verschillende kanten bloot te stellen.
INHOUD.
Eerste Deel.
Hoofdstuk Bladz.
Historisch Overzicht (305-476) 1
I. Waarom het Keizerrijk gevallen is 17
II. De Barbaren 23
III. Christendom en Heidendom 32
IV. Theodosius de Katholieke 49
V. Stilicho, Alarik en Placidia 65
VI. Attila de Hun 82
VII. Van Gaiserik tot Odovacar 93
Aanteekeningen bij Plaat 9 van de munten (van
Constantijn I tot Justinianus). 103
Tweede Deel.
Historisch overzicht (476-568) 109
I. Theoderik 143
II. De schrijvers 154
III. St. Benedictus 164
IV. Justinianus 171
Derde Deel.
Historisch overzicht (568-800) 183
I. Gregorius de Groote 222
II. Bouwkunst en Mozaïekwerk (300-800) 230
III. Venetië en andere steden 252
IV. Karel de Groote te Rome 260
Aanteekening over de Byzantijnsche keizers 273
Vierde Deel.
Historisch overzicht (800-1190) 276
I. De donkere eeuwen 340
II. De Noormannen 354
III. De opkomst der Republieken 368
IV. Romaansche Bouwkunst (800-1200) 390
Aanteekeningen over mozaïeken en beeldende kunst in
Zuid-Italië en Sicilië (1050-1200). 403
Aanteekeningen over Plaat 45 van de munten (van
Heraclius tot Hendrik VII) 407
Vijfde Deel.
Historisch overzicht (1190-1313) 410
Aanteekening over Dante en Hendrik VII 455
I. Godsdienstige stroomingen (c. 1200-1300) 458
II. De Republieken en "Signorie" tot 1320 471
III. Kunst (c. 1300-c. 1320) 486
Index 503
LIJST EN VERKLARINGEN DER ILLUSTRATIES.
Kaarten.
Bladz.
De vier praefecturae van het Romeinsche Keizerrijk ten
tijde van Constantijn I 1
Italië ten tijde van Odovacar 107
Zuid-West-Europa ten tijde van Theoderik 142
De heerschappij van de Longobarden 182
Het rijk van Karel den Groote 213
Italië ten tijde van Dante 454
Platen.
Plaat
1. Dante Titelplaat
Bronzen borstbeeld. Napels, Museo Nazionale. Het gezicht is misschien
genomen naar het Bargello-masker, dat, naar men zegt, na zijn dood
is gemaakt. In ieder geval is het een mooi stuk werk en geeft het in
overeenstemming met onze verwachting een zeer bevredigende voorstelling
van het uiterlijk van den dichter der Divina Commedia. Het herstelde
Bargello-fresco, dat oorspronkelijk misschien door Giotto is gemaakt,
geeft eerder den minnaar van Beatrice en den schrijver van de Vita
Nuova weer.
2. Slag bij de Saxa Rubra 8
Gedeelte van den Triumfboog van Constantijn, Rome. Het groteske en ruwe
relief in het midden, dat van 312 ongeveer dateert, stelt den slag van
de Saxa Rubra, bij den Pons Milvius voor, waar Maxentius verdronk. Zie
blz. 3 en 35. De reliefs daarboven, die veel fraaier zijn, dagteekenen
uit den tijd van Trajanus en de Antonini. Zie blz. 230. In een Stanza
van het Vaticaan is een beroemd fresco, dat hetzelfde voorstelt,
geteekend door Raffael en geschilderd door Giulio Romano.
3. Borstbeelden van Constantijn den Groote en Julianus 16
Uffizi, Florence, en Museum van het Capitool, Rome. Wat Constantijn's
krullen en opschik betreft, zie blz. 45 n. Of het borstbeeld van
Julianus echt is, wordt betwijfeld, daar de inscriptie middeleeuwsch
is.
4. S. Paolo fuori le mura, Rome 24
Gesticht in 388 door Theodosius en Valentinianus II. Zie blz. 52 en
onder Kerken in den Index. Afgebrand in 1823, behalve het koor en
de apsis. De reconstructie (1824-54) volgens het oude plan is zeer
indrukwekkend en het meer moderne karakter van sommige veranderingen
verhindert niet, dat het gebouw een van de meest grootsche nog
bestaande basilieken is.
5. S. Maria Maggiore, Rome 32
Zie Index onder Kerken.
6. Kansel, S. Ambrogio, Milaan 40
Met de zoogenaamde tombe van Stilicho. Daar hij te Ravenna (zie
blz. 70) gedood is, zal hij waarschijnlijk niet hier begraven zijn. De
sarcophaag dagteekent van 500 ongeveer. De oude Longobardische kansel
werd omstreeks 1100 verwijderd gedurende een herstelling, en later
in Romaanschen stijl weder opgericht, omstreeks 1200. Sommige van de
grillige reliefs dateeren misschien van 800, of zelfs van 500.
7. Mausoleum van Galla Placidia, Ravenna 48
Zie blz. 79, 231, 241. De sarcophaag in het midden is die van de
keizerin. Die aan den rechter- en aan de linkerkant (deze laatste
is onzichtbaar) zijn, naar men vooronderstelt, de tomben van haar
echtgenoot, Constantius III en haar zoon, Valentinianus III.
8. Paus Leo en Attila 56
Fresco, geschilderd door Raffael, in een van de Stanze van het
Vaticaan. Zie blz. 90. Raffael brengt het tooneel over naar de
nabijheid van Rome (Colosseum op den achtergrond) en geeft Leo I
de gelaatstrekken van Leo X (vgl. plaat 29). Wat het voorkomen van
Attila betreft, zie blz. 84. Opmerking verdient, dat de H. Petrus en
de H. Paulus alleen door de Hunnen gezien worden. In de St. Pieter,
boven het altaar van Leo I, is een theatraal relief van Algardi
(c. 1650), dat hetzelfde tooneel voorstelt.
9. Munten; van Constantijn I tot Justinianus (c. 306-565) 64
Zie aanteekeningen, blz. 103-05.
10. Doopvont van de orthodoxen, Ravenna 72
Zie blz. 80, 241. De koepel, evenals die van de S. Vitale, is
samengesteld uit buizen van terra-cotta. Zie blz. 237.
11. Mausoleum van Theoderik, Ravenna 80
Zie blz. 148-49.
12. S. Apollinare Nuovo, Ravenna 88
Zie beschrijvingen op blz. 151-53, 241.
13. S. Pietro in Ciel D'oro, Pavia 96
Zie onder Kerken in den Index. De kerk was oorspronkelijk (als zij nog
niet ouder was) Longobardisch, misschien gesticht door Agilulf, c. 604;
maar zij is in Romaanschen stijl herbouwd. Het grootste gedeelte van
het portaal dagteekent van 950 tot 1000. Voor de tombe van Boëthius
zie blz. 157 en voor die van den H. Augustinus zie de beschrijving
van plaat 52 (1). Koningen van Italië (zie verklaring van plaat 19)
werden soms gekroond te Pavia, de oude hoofdstad der Longobarden,
in de S. Pietro of anders in de S. Michele, die toen de kathedraal was.
14. Boëthius 104
Zie blz. 155-59. Het schilderij, een fantasie of misschien gemaakt
naar een oud portret, is een werk van Giovanni Santi, den vader van
Raffael. Het bevindt zich in de Barberini-galerij, te Rome.
15. Monasterio del Sacro Speco, Subiaco 112
Zie blz. 166. De kerk en het klooster, en ook de Abdij-kerk van Monte
Cassino en Collemaggio te Aquila (plaat 49) hebben naar men zegt,
zeer geleden door de geweldige aardbeving van den 13en Januari, 1915.
16. S. Vitale, Ravenna 120
Zie onder Kerken in den Index. Vgl. plaat 23.
17. Mozaïeken van Justinianus en Theodora, Ravenna 128
Zie blz. 179, 242.
18. S. Apollinare in Classe, Ravenna 136
Zie onder Kerken in den Index. Voor de mozaïeken, zie blz. 242
19. (I). De IJzeren Kroon 144
Deze kroon wordt bewaard in de schatkamer van de kathedraal te
Monza (zie blz. 226 n.). Met deze kroon werden, naar men zegt,
de Longobardische koningen gekroond, te Pavia, hun hoofdstad, of
te Milaan (b.v. Agilulf) of misschien te Monza. De Frankische en
Duitsche monarchen tot Hendrik II (1002), schijnen als koningen van
Italië gewoonlijk te Pavia, maar later ook te Milaan, gekroond te
zijn. De "Italiaansche" koning Berengarius II (c. 950) werd te Pavia
gekroond. Frederik Barbarossa, die met Milaan in oorlog was, werd te
Monza, of misschien te Pavia, welke stad zijn partij koos, c. 1155
gekroond. Sinds dien tijd is de IJzeren Kroon te Monza bewaard. Karel
V kroonde zichzelf met deze kroon te Bologna in 1530 en Napoleon
werd er in 1805 mede gekroond (te Milaan). In 1859 werd zij door
de Oostenrijkers medegenomen, maar in 1866 teruggegeven. Misschien
was het oorspronkelijk een eenvoudige ijzeren kroon of was alleen de
binnenste ring van ijzer (dien men op de plaat kan zien); volgens de
overlevering was deze ring gemaakt van een der spijkers van het Kruis,
die door Helena uit Jeruzalem waren gebracht (zie blz. 37, noot 3). Het
gouden, met juweelen bezette, uitwendige dagteekent misschien van
het jaar 1100 ongeveer. Het is een eenvoudiger en waarschijnlijk een
later werk dan de kroon, die er onder is afgebeeld. Muratori verwerpt
de legende van den spijker. Bonincontro, een kroniekschrijver van
Monza uit de veertiende eeuw, vermeldt de legende niet, ofschoon hij
over de ijzeren kroon spreekt en ons vertelt, dat ijzer een sterk en
koninklijk metaal is. Er waren, naar men meende, talrijke spijkers van
het Kruis (zie blz. 37). Het verhaal zal, wanneer het zijn oorsprong
er niet aan te danken heeft, toch zeer zeker bevestigd zijn door het
feit, dat Matteo Villani (c. 1350) deze kroon de Sda Corona noemde,
hetgeen verkeerdelijk werd uitgelegd als Sancta Corona, terwijl het
beteekent Seconda Corona; de eerste kroon was de zilveren te Aken en
de derde de gouden te Rome.
(II). De zoogenaamde Kroon van Karel den Groote 144
Deze prachtige kroon, versierd met een kruis en een boogvormigen
diadeem, wordt bewaard in de keizerlijke schatkamer te Weenen, (in
den "Hofburg"). Over den tijd, wanneer zij is gemaakt, bestaat groot
verschil van meening. Sommigen, zooals Bock, met wien ik het eens ben,
zijn overtuigd, dat de kroon zelf een vroeg Italiaansch werk is en
dat de diadeem met den naam Koenraad (Chuonradus) een bijvoegsel van
later tijd is. Wanneer dit zoo is, bestaat de mogelijkheid, dat dit
werkelijk de kroon is, die door Leo III gebruikt werd om Karel den
Groote te kronen. Maar sommige Duitschers, zooals v. Falke, die een
fraai geïllustreerde monografie over dit onderwerp heeft geschreven,
verzekeren, dat de beide deelen zonder twijfel in Duitschland zijn
gemaakt en zij houden vol, dat het geheel onmogelijk iets anders
kan zijn dan een werk uit de elfde eeuw en dus een keizerlijke
diadeem moet zijn, die bepaaldelijk (te Mainz?) vervaardigd is voor
de kroning van Koenraad II en zijn gemalin Gisela in het jaar 1027
(zie blz. 310). Er bestaat ook een verzameling van prachtige broches,
loovertjes, oorringen, halskettingen enz., die gevonden zijn bij
het graven in een straat te Mainz, niet zoo heel lang geleden;
deze voorwerpen lijken in bewerking zeer op de boogvormige kroon
en kunnen wel door Gisela bij de kroning gedragen zijn. Zij was een
zeer energieke en eerzuchtige vrouw. Door haar moeder stamde zij van
Karel den Groote af, en nadat zij tweemaal getrouwd was geweest,
trad zij in het huwelijk met Koenraad, toen deze nog slechts een
Graaf was. Zij rustte niet, voordat zij bereikt had, dat hij en zij
zelf met den keizerlijken diadeem te Rome gekroond waren, bij welke
gelegenheid er veel bloed werd vergoten door de twisten tusschen de
Duitschers en de Romeinen, zooals zoo dikwijls gebeurde, en ook door
den naijver tusschen de aartsbisschoppen van Ravenna en Milaan. De
boogvormige diadeem heeft, in parels, het opschrift: Chuonradus Dei
gratia Imperator Augustus. De kroon zelf bestaat uit edelgesteenten,
gouddraadwerk en parels; er zijn drie afbeeldingen in email op, die
het volgende voorstellen: (1) Christus, tusschen de twee aartsengelen,
als Koning der Koningen. (2) David als de Koning van den Manlijken
Moed. (3) Salomo, als de Koning der Rechtvaardigheid en Wijsheid. (4)
Hiskia, als de Koning der Vroomheid.
20. Theodelinda's Kip en Kuikens, Monza 152
Zie aanteekening op blz. 226. Misschien stellen zij het Longobardische
koninkrijk en zijn zeven provincies voor. Zij zijn van verguld
zilver. De koperen plaat, waarop zij staan, is modern.
21. (I) S. Maria in Cosmedin, Rome 160
Dicht bij den Tiber en den ronden Tempel, die vroeger de Tempel van
Vesta heette. Gebouwd c. 775. Niet groot, maar inwendig zeer mooi door
haar verhoudingen. De klokketoren (uit de achtste eeuw) is een goed
voorbeeld van een Romeinschen campanile. Zie den Index onder Campanile.
(II) De Phocas-zuil, Rome 160
Op het forum. Eeuwen lang was deze zuil bekend als "de naamlooze
zuil met begraven voetstuk". [2] Na de uitgraving, die met hulp van
Engelsch geld geschiedde, bleek uit de inscriptie, dat de zuil, die
uit een antiek gebouw genomen is, in 608 door den Exarch Smaragdus was
opgericht ter eere van den gehaten tyran Phocas, van Constantinopel,
wiens verguld standbeeld op den top stond.
22. S. Clemente, Rome 168
De boven-kerk. Zie onder Kerken in den Index.
23. S. Vitale, Ravenna 176
Zie onder Kerken in den Index. Vgl. plaat 16.
24. Mozaïeken in de S. Pudenziana en S. Prassede, Rome 184
Zie de beschrijving op blz. 239 en blz. 487. De twee heiligen waren
dochters van Pudens, die te Rome de gastheer van den Heiligen Petrus
was, en de eerstgenoemde kerk is, naar men vertelt, gebouwd op de
plaats van het huis, waar de apostel verblijf hield. Men ziet op
het onderste gedeelte van de plaat, dat Paus Paschalis (817-824),
die een model van zijn kerk in de hand draagt, een vierkanten nimbus
heeft, een aanduiding, dat hij nog in leven was, toen het mozaïek
werd gemaakt. Opmerking verdient ook de phoenix op den palmboom met
een stralen-nimbus.
25. S. Pietro, Toscanella 192
Zie blz. 249 en onder Kerken in den Index.
26. S. Maria Maggiore, Toscanella 200
Zie blz. 250 en onder Kerken in den Index.
27. Kathedraal en S. Fosca, Torcello 208
Zie blz. 251 en onder Kerken in den Index. Wat den marmeren zetel op
den voorgrond betreft ("de stoel van Attila") zie blz. 254 n. noot.
28. Kathedraal van Grado 216
Zie blz. 89 en 253. Grado en Aquileia, beide oude Italiaansche steden,
die in nauw verband staan met de geschiedenis van Italië, zijn meer
dan een eeuw geleden in de macht van Oostenrijk gekomen. In 568,
toen de Longobarden over de Venetiaansche Alpen kwamen, vluchtten
de burgers van Aquileia (dat na de verwoesting door Attila in 452
weder opgebouwd was) voor de tweede maal naar Grado. De Patriarch,
Paulinus, had alle reliquieën en schatten van de kerken van Aquileia
meegenomen, en zijn opvolger, Elias, verwierf den titel van Patriarch
van Grado. De Patriarch Elias (c. 578) bouwde de tegenwoordige
Kathedraal van Grado, zonder twijfel op de plaats van een oudere
kerk, terwijl hij als voorbeeld de basilieken van S. Apollinare
te Ravenna nam. De zuilen en de mozaïekvloer zijn blijkbaar van
de oude kerk (Byzantijnsch-Oost-Gotisch). Belangwekkend is de
kansel met merkwaardige reliëfs (Oost-Gotisch? Lombardisch ?) van
de evangelische dieren en een Venetiaanschen (Byzantijnschen)
troonhemel. Opmerking verdient de zilveren pala (schopvormig
schilderstuk) en de (dertiende-eeuwsche?) fresco's in de apsis. Aan
de kerk is een oud baptisterium gebouwd, dat steenen luiken heeft,
evenals te Torcello. De kerk is dikwijls hersteld en waarschijnlijk
zal men onder het pleister van het triforium wel mozaïeken of fresco's
kunnen vinden. In deze kerk wordt de oude middeleeuwsche liturgie
van het patriarchaat van Grado gezongen, de Cantus patriarchinus.
29. De schenking van Constantijn aan Silvester 224
In de Stanze van het Vaticaan. Geschilderd door Raffaello da Colle,
en waarschijnlijk ontworpen door Raffael. Silvester heeft de
gelaatstrekken van Clemens VII. Als toeschouwers zijn geschilderd
Raffael's vriend Castiglione en zijn leerling Giulio Romano. De
behandeling heeft plaats in de oude basiliek van St. Pieter.
30. S. Miniato, Florence 232
Zie blz. 399 en Index.
31. Tombe van Beatrice, moeder van Gravin Mathilda, Campo Santo,
Pisa 240
In de eerste plaats is deze graftombe merkwaardig in verband met
de beroemde Gravin Mathilde, wier moeder, Beatrice, de gemalin was
van Bonifacius, den Markies van Toskane (blz. 311, 315, 385; de
voorganger van Bonifacius was de Markies of Markgraaf, Ugo, die door
Dante il gran barone wordt genoemd en wiens graftombe wel bekend is
bij de bezoekers van de Florentijnsche abdij en wiens moeder, Willa,
de oprichtster is van de oorspronkelijke abdij). Bonifacius stierf
in 1052 en Beatrice, die met Godfried van Lotharingen was gehuwd,
werd gevangen genomen door Hendrik en met haar dochter Mathilde naar
Duitschland gevoerd; maar zij werden in 1056 in vrijheid gesteld en
Beatrice stierf, zoo op de tombe staat, eerst in 1076, een jaar voor
de gebeurtenis te Canossa; Mathilde volgde haar op. Sommigen nemen
aan, dat haar lichaam eerst in 1116 in deze oude (laat-Romeinsche)
sarcophaag werd geplaatst. De hexameter beteekent: "Ofschoon ik een
zondares was, heette ik toch Vrouwe Beatrix." Men verwacht tevergeefs,
dat de volgende woorden een pentameter zullen vormen, b.v. In tumulo
jaceo quae comitissa fui. Het beteekent: "In een tombe geplaatst lig
ik hier, die een gravin was". De pentameter is misschien bedorven door
een ongeletterden steenhouwer om een rijm te maken. Hij had het ook
moeten veranderen in "In tumulum missa" .... Wat betreft het verband
van dit relief met Niccolò, zie men blz. 497.
32. Ingang van het Baptisterium, Volterra 248
Het achtzijdige Baptisterium dagteekent oorspronkelijk misschien
uit de zevende eeuw. Het eenvoudig versierde portaal met zijn mooie
verhoudingen is een goed voorbeeld van Toskaansch-Romaansche bouworde,
onafhankelijk van den Pisaanschen stijl; ook de rijkere façades van de
kerken te Toscanella zijn goede voorbeelden daarvan (plaat 25 en 26).
33. Cappella Palatina, Palermo 256
"Kapel van het Paleis", gebouwd aan het koninklijk paleis van de
Noormannen te Palermo. Het is de stijl der Noormannen, waarbij men
den Saraceenschen invloed zeer goed kan herkennen. Gebouwd in 1130
ongeveer door Koning Roger. De muren, bogen en apsis zijn rijk versierd
met prachtige mozaïeken uit de Siciliaansche school der Noormannen
(zie blz. 402 en 403). Merkwaardig zijn de flauw gespitste bogen,
die (evenals te Monreale) eenigen Arabischen invloed vertoonen. Zie
plaat 43.
34. Roger van Sicilië, door Christus gekroond 264
Mozaïek in La Martorana, Palermo. Zie blz. 362 en 405.
35. Graftombe van Koning Roger 272
In de Kathedraal van Palermo. In de andere porfieren sarcophagen
zijn neergelegd Frederik II (plaat 47), zijn vader, Hendrik VI,
zijn moeder, de Keizerin Constantia (de dochter van Roger) en
in een oude Romeinsche sarcophaag ligt de gemalin van Frederik,
Constantia van Arragon. Ongeveer 1780 werden deze sarcophagen uit
een zijkapel gehaald, en, nadat zij waren geopend en onderzocht,
onder deze baldachini geplaatst.
36. Kathedraal te Palermo 280
Oorspronkelijk gebouwd door Aartsbisschop Offamilio (Walter of a Mill),
in de plaats van een oude kerk, die in een moskee was veranderd. De
zuid-zijde van de kathedraal en de oostzijde dateeren voornamelijk uit
1170-1200 en vertoonen vele merkwaardige aanwijzingen van Saraceenschen
invloed. (De gevel boven het prachtige portaal aan de zuid-zijde
is er in de vijftiende eeuw bijgevoegd en de minder fraaie koepel
dagteekent van 1800). De west-zijde is uit later tijd (c. 1350); zij
is door een boog, die de straat overspant, verbonden aan een grooten,
ouden klokketoren, waarvan het bovenste gedeelte hersteld is.
37. S. Marco, Venetië 288
Zie onder Kerken in den Index.
38. Baptisterium, Florence 296
Zie blz. 69.
39. Kathedraal te Ferrara 304
Dit is een goed voorbeeld van den overgang van de Romaansche tot de
Gotische bouworde. Het beneden-gedeelte dagteekent uit 1130 ongeveer,
en niet alleen de onderste arcade en de deuren, maar ook de voornaamste
eigenschappen van het geheele gebouw zijn Romaansch. Toch kan men een
Gotischen invloed zeer duidelijk aanwijzen en het geheel voldoet niet,
ofschoon het gebouw indrukwekkend is. Het vooruitspringende portaal
is er later bijgevoegd, en is gedeeltelijk Romaansch van stijl,
met leeuwen, en gedeeltelijk Venetiaansch-Gotisch.
40. Baptisterium, Kathedraal en Klokketoren te Pisa 312
Zie blz. 397-98 en onder Kerken in den Index.
41. Kathedraal S. Martino, Lucca 320
Zie blz. 249 en 398. Wat betreft het ruiterstandbeeld van den
H. Martinus, een werk van Guidetto, en de Afneming van het Kruis van
Pisani zie men blz. 495 en 499. De klokketoren is een mooi voorbeeld
van een Lombardischen campanile. Opmerking verdienen de uitgetande
Ghibellijnsche tinnen (merli). Zie plaat 64.
42. La Collegiata, S. Gimignano 328
Zie blz. 400. Vgl. ook plaat 54. De kerk is rijk versierd met fresco's
van Benozzo Gozzoli, een leerling van Fra Angelico, Ghirlandajo,
en anderen, en bevat een altaar, dat gewijd is aan S. Fina, de
beschermheilige van de stad, en gemaakt door Benedotto da Maiano.
43. Kathedraal van Monreale, bij Palermo 336
Gebouwd door Willem den Goede, c. 1175-89. De prachtige torens en
andere eigenaardigheden schijnen op den invloed van den bouwstijl der
Noordelijke, misschien Engelsche Noormannen te wijzen. Zie blz. 402. De
mooie lijnen van de flauw gespitste bogen geven wellicht een aanduiding
van Saraceenschen invloed. Schitterende mozaïeken bedekken de muren
en de apsis. Zie blz. 405-06.
44. Kathedraal te Cefalu 344
Wat de overeenkomst tusschen deze kerk en de St. Etienne te Caen
betreft, zie blz. 402 noot. Voor de prachtige mozaïeken zie blz. 405;
opmerking verdienen de anti-pauselijke kanteelen van den toren.
45. Munten. Van Heraclius tot Hendrik vii (c. 650-1313) 352
Zie aanteekeningen, blz. 407-09.
46. Castel del Monte 360
In Apulië, ongeveer 24 K.M. landwaarts van Trani, dat aan de kust van
de Adriatische zee ligt. Gebouwd door Frederik II en veel door hem
gebruikt om te jagen. Men vertelt, dat hij in dit kasteel zijn boek
over de valkenjacht heeft geschreven, waarvan het handschrift zich
in het Vaticaan bevindt. Hij stierf op een ander Apulisch kasteel,
van Fiorentino, dicht bij Lucera.
47. Graftombe van Frederik ii, Kathedraal te Palermo 368
Zie aanteekening bij plaat 35. Toen de sarcophaag werd geopend, vond
men het lijk van den Keizer, gewikkeld in Saraceensche gewaden; op
zijn hoofd was een kroon; zijn schepter en een zwaard lagen naast hem.
48. Karel van Anjou, Rome 376
In het Museum van het Capitool, (op een ongunstige plaats, wat de
belichting betreft.) Waarschijnlijk opgericht door de Romeinen na de
afschuwelijke terechtstelling van den jeugdigen Konradijn in 1268,
toen Karel, die hier gekleed ia in een Romeinsche toga, en schepter
en kroon draagt, herkozen werd als Senator van Rome. Het gezicht
is terugstootend door de ruwe en wreede trekken; de neus is "zeer
groot", zooals Gregorovius opmerkt, zeer terecht, want ook Dante,
die Karel van Anjou in het Anti-purgatorium (in plaats van de hel,
waar hij toch zeker had moeten zijn) ontmoet, maakt melding van
zijn maschio naso en noemt hem nasuto (Purgatorio VII, 113). Deze
gelaatstrekken kan Dante juist bij dit standbeeld hebben opgemerkt,
toen hij in 1300 en 1301 te Rome was; en misschien heeft ook Giovanni
Villani dit in Dante's gezelschap gezien, want hij beschrijft Karel
als iemand "met een wreed uiterlijk, een olijfkleurig gezicht en een
grooten neus". Zie blz 435 noot. Den grooten neus kan men ook zien
op de munten van Karel. Zie plaat 45, munt 10 (blz. 408), waar het
gezicht een sterke gelijkenis vertoont met dit standbeeld.
49. S. Maria di Collemaggio, Aquila 384
Aquila ligt in de Abruzzen. Deze kerk verdient onze aandacht in
verband met de geschiedenis van den ongelukkigen kluizenaar, Paus
Celestinus V, wiens graftombe men hier kan zien, en ook fresco's,
die zijn lotgevallen voorstellen en geschilderd zijn door een
leerling van Rubens. Zie blz. 440 noot. De architectuur is ook
zeer merkwaardig, daar het een voorbeeld is van den zuidelijken,
waarschijnlijk twaalfde-eeuwsche, Lombardisch-Romaanschen bouwstijl,
met prachtige roosvensters, maar met een voorgevel van ingelegd marmer,
die een duidelijke aanwijzing is van Saraceenschen invloed. De kerk
heeft erg geleden door de verschrikkelijke aardbeving van Januari,
1915. Men zegt, dat zij nu zeer gevaarlijk is en men is bezig haar
te steunen, om te voorkomen, dat zij instort.
50. (I). Bonifacius, die het jubileum van 1300 afkondigt 392
Een fragment van een fresco van Giotto, aan een pilaar van het
schip in de Basiliek van het Lateraan, te Rome. Het bewijst, dat
Giotto nog kort voor het jaar 1300 te Rome was. (Zie blz. 488). Het
bewijst ook, dat in dezen tijd Bonifacius de tweede kroon, die men
bij het standbeeld kan zien (en ook zichtbaar is bij de figuur in de
Grotte van de St. Pieter), niet had aangenomen. De oorspronkelijke
hoofdbedekking van den Paus (tiara) was een kegelvormige muts van
goudlaken, waarschijnlijk een navolging van de Phrygische kyrbasia,
of van de apices der Romeinsche priesters. De eerste kroon werd
misschien aangenomen door Bisschop Silvester op grond van de
schenking van Constantijn den Groote. (In de onechte "Donatie"
wordt het woord frigium, d. i. Phrygische muts, gebruikt). Waarom
Bonifacius de tweede kroon heeft aanvaard, weet men niet; maar ik
vermoed, dat het de souvereiniteit over Sicilië en Apulië waarnaar
hij streefde, (zie blz. 442) moest aanduiden. De derde kroon van den
"driedubbelen tyran", zooals Milton hem noemt, werd, naar men weet,
door Paus Urbanus V (die Avignon trachtte te verlaten) aangenomen;
waarom hij dit gedaan heeft, is onbekend.
(II) Het standbeeld van Bonifacius VIII 392
Vroeger versierde het den voorgevel, maar nu staat het in den Duomo
te Florence, waar het langs een grooten pilaar toornig schijnt te
kijken naar het portret van Dante, die geschilderd is te midden van
tooneelen uit de Inferno, waartoe hij zijn grooten vijand veroordeelde.
51. Tombe van Hendrik van Luxemburg 400
In den Campo Santo, te Pisa. Vervaardigd door een beeldhouwer van
Siena, c. 1315.
52. (I) Tombe van den H. Augustinus 408
In de S. Pietro in Ciel d'oro, te Pavia. Zie plaat 13 en blz. 204
en 248. Het lichaam werd gered uit de handen der Saracenen, en van
Sardinië door Liutprand, c. 723, meegenomen; het werd geplaatst
in de oude Longobardische kerk, die door Agilulf gebouwd is. De
tegenwoordige tombe, kwistig versierd met reliëfs en beeldjes, werd
ongeveer 1370 vervaardigd. Toen de kerk een tijdlang als pakhuis is
gebruikt (1844-75), werd de tombe naar de kathedraal gebracht en het
gebeente werd gelegd in een glazen kist.
(II) Tombe van den H. Dominicus 408
In de S. Domenico, Bologna. Vasari zegt; dat het een vroeg werk
(1231!) van Niccolò Pisano is, en voltooid door zijn leerling, Fra
Guglielmo; maar waarschijnlijk is het in zijn geheel uitgevoerd door
dien leerling, omstreeks 1267. Daar hij geen loon had ontvangen,
stal de broeder, naar men vertelt, een rib van den heilige. Een van
de engelen wordt gehouden voor een vroeg werk van Michelangelo.
53. Assisi 416
Klooster en boven-kerk (c. 1250) van de westzijde gezien. Het klooster
is geseculariseerd.
54. S. Gimignano 424
55. S. Zeno (Maggiore), Verona 432
Een prachtige Romaansche basiliek uit de elfde eeuw (het koor is van
1260 ongeveer). Het gebouw met den toren en de uitgetande tinnen (de
Ghibellijnsche merli) werd soms, naar men vertelt, door de Keizers
als verblijf gebruikt, wanneer zij Italië bezochten.
56. De Paleizen Loredan en Farsetti, Venetië. 440
Beide in Venetiaansch-Romaanschen stijl van ongeveer 1150 en
buitengewoon mooi door hun verhoudingen. Het Loredan (aan de
linkerzijde) noemt Ruskin het prachtigste van alle paleizen aan het
groote kanaal.
57. (1) Mozaïek in de S. Maria in Trastevere 448
Voor het bovenste gedeelte (ongeveer 1140) zie men blz. 488 en voor
het algemeen karakter van dergelijke mozaïeken blz. 239-40.
(2) La Navicella 448
In het voorportaal van de St. Pieter, te Rome. Geschilderd door Giotto,
of naar zijn ontwerp, misschien door Cavallini. Zie blz. 488. Het
bovenste gedeelte in het bijzonder heeft belangrijke veranderingen
ondergaan om het voor zijn tegenwoordige plaats in orde te maken. Het
was oorspronkelijk in het atrium van de oude basiliek.
58. Kansel in La Trinità della Cava, bij Salerno 456
Zoowel de kansel als de spiraal-zuil voor de Paaschkaars zijn zeer
fraaie voorbeelden van Zuid-Italiaansch "Cosmati" werk (c. 1250). Zie
blz. 489.
59. Cosmati-tombe in S. Maria sopra Minerva, Rome 464
Zie blz. 489.
60. S. Croce, Florence 472
Zie blz. 492-93.
61. De kansel van het Baptisterium, Pisa 480
Een werk van Niccolò Pisano. Zie blz. 496-99.
62. De kansel te Ravello 488
Zie blz. 498-99. Ravello ligt niet ver van Amalfi.
63. De kansel te Siena 496
Zie blz. 499.
64. Palazzo pubblico, Siena 498
Een van de mooiste Italiaansch-Gotische paleizen. Zie blz. 494. De
klokketoren, ongeveer 100 meter hoog, heet La Torre del Mangio en
werd c. 1330-40 gebouwd; het paleis zelf werd tusschen 1289 en 1305
opgericht. Siena werd Welfsch in 1270 (zie blz. 477); derhalve hebben
wij hier de vierkante Welfsche tinnen, welke men moet onderscheiden
van de uitgetande Ghibellijnsche tinnen (merli) op de platen 41 en
55. Bij den Florentijnschen Palazzo Vecchio heeft het hoofdgebouw
(c. 1300) de vierkante, en de toren (c. 1460) de uitgetande tinnen.
65. Kathedraal te Siena 500
Zie blz. 492.
ILLUSTRATIES IN DEN TEKST.
Bladz.
Kasteel van Theoderik te Verona (zegel) 150
Classe, Ravenna (Mozaïek) 152
Theoderik's paleis te Ravenna (Mozaïek) 152
Leo's Triclinium-mozaïek 216
Relief boven het portaal van de Kathedraal te Monza 227
Zuilen en kapiteelen in de S. Costanza fuori, Rome 233
Kapiteelen in de S. Vitale 238
Lombardisch werk in de basiliek van S. Abbondio, bij Como 249
Kapiteel in de S. Pietro, Toscanella 250
Kapiteel in de S. Ambrogio, Milaan 250
De oude basiliek van St. Pieter te Rome 261
Trappen van het Presbyterium en "Confessio" in de S. Giorgo te
Valabro 266
"Confessio" in het Oratorium van de catacombe van S. Alessandro,
te Rome 266
Munt van Michael Palaeologus 274
Hij knielt voor Christus en wordt gesteund door den Aartsengel
Michael. Op de keerzijde ziet men de Heilige Maagd, omgeven door de
muren van Constantinopel. Pachymerus, een geschiedschrijver uit dien
tijd, zegt, dat Michael Palaeologus valsche gouden munten liet slaan om
in de groote aanvraag te voorzien, en dat deze munten op de keerzijde
"een beeld van de stad" vertoonden.
Venetiaansche Munt van c. 860 374
Daar Venetië in dien tijd bijna onafhankelijk is, staat op deze munten
"God beware het Romeinsche Keizerrijk" en "God beware Venetië" in
plaats van den naam van den Keizer. Het gebouw is de "Karolingische
Tempel", die men dikwijls op munten van dit tijdperk vindt. Na 1100
worden alle aanduidingen over het Keizerrijk weggelaten, en na 1155
wordt op de grossi en matapans de naam van den Doge gezet. Giovanni
Dandolo liet het eerst gouden dukaten en zecchinen slaan, ongeveer
1285. Zie plaat 45, munt 14 (blz. 409).
Florentijnsche Munt van c. 1200 388
Zilveren grosso. Hetzelfde type werd gebruikt voor den gouden
florijn. Zie plaat 45, munt 16 (blz. 409).
Munt van de zonen van Ugolino, c. 1290 476
Ugolino was bailli in Sardinië, waar zijn zonen, Guelfo en Lotto deze
gouden munten lieten slaan met het wapen van de familie (Gherardesca).
Munt van Milaan, c. 1260 480
Type van den Milaneeschen gouden florijn, met S. Ambrosius en de twee
Milaneesche heiligen, Protasius en Gervasius. Waarschijnlijk heeft
een van den Torriani of Visconti dezen laten slaan.
EERSTE DEEL.
HISTORISCH OVERZICHT.
305-476.
In 305 deed Diocletianus afstand van de regeering en dwong Maximianus,
een Pannonisch soldaat, dien hij twintig jaar tevoren had gekozen
tot Keizerlijk collega (d. w. z. tot "Augustus") om hetzelfde te
doen. Daarna liet hij het Keizerrijk over aan Constantius Chlorus en
Galerius, die tot dusverre slechts "Caesars" d.w.z. troonopvolgers
waren geweest. Als nieuwe Caesars werden gekozen Severus en Maximinus.
Constantius had vroeger Helena, die misschien van Britsche afkomst
was getrouwd; bij haar had hij een zoon, den lateren Constantijn den
Groote. Toen hij tot Caesar werd gekozen (293) was hij gedwongen Helena
te verstooten en Theodora te huwen, de dochter van Keizer Maximianus;
en de jonge Constantijn, die zich waarschijnlijk beleedigd voelde, had
er de voorkeur aan gegeven in het verre Oosten als soldaat te dienen
in plaats van te blijven bij zijn vader, die het opperbevel voerde
in Gallië en Brittannië. Maar vijftien maanden na zijn verkiezing
als Keizer over het Westen stierf Constantius te York en zijn zoon
Constantijn, die haastig van Nicomedia (in Bithynië) was gekomen om
zich bij zijn vader te voegen op diens expeditie tegen de Caledoniers,
werd door het leger te York begroet als Augustus en Imperator.
Galerius had zich voorgesteld, dat hij bij den dood van Constantius
alleen keizer worden zou, maar toen Constantijn hem bericht zond van
zijn benoeming was hij verplicht zijn woede te verkroppen en morrend
stond hij hem den titel van Caesar toe, terwijl hij Severus bevorderde
tot de waardigheid van Augustus en hem de provincie Italië toekende.
Maar Maxentius, de zoon van den ouden Maximianus (die zich na zijn
abdicatie in onmachtigen wrok heeft teruggetrokken) verwekt nu een
opstand in Rome en Severus vlucht naar Ravenna, waar hij capituleert
en gedwongen wordt zelfmoord te plegen. De oude Maximianus bezoekt
Constantijn in Gallië om met hem te onderhandelen en neemt zijn dochter
Fausta mede, die Constantijn te Arles trouwt. Krachtens zijn vroegere
keizerlijke waardigheid bekleedt Maximianus daarna Constantijn met het
purper en bekrachtigt aldus zijn verkiezing door het leger. Dadelijk
dringt de Oostelijke Augustus, Galerius, toen hij den dood van Severus
had vernomen, Italië binnen, doch moet terugtrekken. Dan benoemt hij
Licinius als Augustus voor de Illyrische provincie. Daarna vraagt de
overgebleven "Caesar" Maximinus den keizertitel voor Egypte en Syrië,
die hem met tegenzin wordt toegekend, terwijl te Rome Maxentius
zichzelf tot Keizer van Italië proclameert en zijn vader, den oude
Maximianus, overhaalt wederom het purper aan te nemen. Derhalve
hebben wij niet minder dan zes Keizers tegelijk--een merkwaardig
verwarden toestand!
Maxentius en zijn vader krijgen twist. De praetorianen verklaren zich
voor den jongste en Maximianus trekt terug naar Illyricum; vandaar
door Galerius verdreven gaat hij weer naar Arles in Zuid-Gallië en
staat het purper af aan zijn schoonzoon Constantijn. Maar terwijl
Constantijn op een expeditie is in het Rijnland, overvalt den ouden
man een onbedwingbare aandrift om de schatkist te Arles te bemachtigen
en een aantal soldaten over te halen hem nog eens tot Keizer uit te
roepen. Constantijn komt met zijn vloot opzetten, de Saône en de Rhône
af, en Maximianus vlucht naar Marseille in de hoop door de Romeinsche
vloot van zijn zoon Maxentius ontzet te worden; maar de burgers laten
hem in den steek en hij wordt door Constantijn ter dood gebracht,
terwijl Fausta haar natuurlijk gevoel opoffert aan haar huwelijksche
plichten en blijkbaar de terechtstelling van haar vader goedkeurt.
Galerius stierf kort daarna (311) in zijn paleis te Nicomedia,
door wurmen opgevreten, naar men zegt. Hij schijnt een trotsch, maar
flink en ondernemend karakter gehad te hebben, en zijn regeering werd
bekend door vele werken van algemeen nut b.v. de draineering van een
uitgestrekt moeras tusschen de Drave en den Donau.
Nu zijn er nog slechts vier keizers over: Maximinus in Azië en Egypte,
Licinius in Oost-Europa, Constantijn in het Westen, terwijl Maxentius
Italië en Noord-Afrika tyranniseert. Maar Italië en Noord-Afrika
waren te klein voor de eerzucht van Maxentius. Hij toont openlijk
zijn bedoeling om het gebied van Constantijn binnen te dringen,
wiens keizerlijke titels op zijn bevel worden uitgekrast en wiens
standbeelden hij smadelijk laat omverwerpen. Daarop marcheert
Constantijn, na de helft van zijn leger aan den Rijn gelaten te
hebben, met ongeveer 40.000 man zuidwaarts tegen 200.000 op, trekt
de Mont-Cenis over, neemt Susa, Turijn, Milaan en Verona, en met de
snelheid van een adelaar, zooals de groote Caesar zelf, is hij weldra
bij Rome, waar in den slag bij Saxa Rubra (de roode rotsen, bij den
Pons Milvius) Maxentius wordt verslagen en in den Tiber verdrinkt
(312).
In 313 bevestigde Constantijn's "Edict van Milaan" den zoogenaamden
"Kerkvrede" en de erkenning, ten minste in het westelijke Keizerrijk,
van het Christendom als een wettigen godsdienst--misschien als den
Staatsgodsdienst, ofschoon Constantijn zelf een heiden bleef, of
ongedoopt, tot kort voor zijn dood. In hetzelfde jaar begint Maximinus
(Nicomedia) een oorlog met Licinius (Byzantium en Illyricum), maar
wordt verslagen en vlucht naar Tarsus, waar hij sterft. Derhalve zijn
er nu slechts twee Keizers, Constantijn en Licinius, die gedurende
tien jaar (314-324) het Romeinsche Keizerrijk verdeeld houden. Zij
twisten en verzoenen zich en twisten dan weer. Constantijn neemt
Byzantium, en ofschoon hij op verzoek van zijn eigen zuster beloofd
had het leven van haar gemaal te sparen, liet hij kort daarna zijn
schoonbroeder Licinius ter dood brengen, nadat hij hem gedwongen had
voor zijn voeten te knielen en hem met beleedigend medelijden had
doen opstaan. Aldus werd de Romeinsche wereld ten slotte wederom voor
eenigen tijd onder één Keizer vereenigd.
In de volgende zes jaar bewerkt Constantijn het overbrengen van den
zetel der regeering van Rome naar Byzantium, dat hij van nieuwe muren
en publieke gebouwen voorziet. In 330 wordt het aan hem gewijd met
zijn nieuwen naam Constantinopolis. Het was in deze periode--een
jaar na de inneming van Byzantium en den moord op Licinius--dat
hij het beroemde Concilie te Nicaea in Bithynië bijeenriep, waar de
Niceensche geloofsbelijdenis werd vastgesteld en de leerstellingen van
Arius werden veroordeeld. (Constantinus werd, ofschoon legende en kunst
vertellen, dat hij door bisschop Silvester te Rome in 324 werd gedoopt,
pas op zijn sterfbed door een Ariaansch bisschop gedoopt.) Niet lang
nadat hij aldus den eersten steen had gelegd van de orthodoxie, liet
hij zijn oudsten zoon Crispus en zijn eigen vrouw Fausta (men denke
aan Hippolytus en Don Carlos!) en zijn neef, den jongen Licinius ter
dood brengen. Tegen het einde van zijn regeering leidt Constantijn
een veldtocht tegen de Goten, die nu de Scythische bewoners van
Midden-Europa, in dien tijd Sarmaten geheeten, over den Donau
beginnen te drijven. Hij verslaat de Goten in een grooten veldslag,
maar de Sarmaten (voorvaders van de Bulgaren) worden ten slotte ten
Zuiden van den Donau gedrongen en 300.000 krijgen land in Thracië,
Macedonië en Italië.
In 337 sterft Constantijn de Groote in zijn paleis bij Nicomedia
(Bithynië) en het Keizerrijk wordt verdeeld onder zijn drie zonen,
een en twintig, twintig en zeventien jaar oud, Constantinus II,
Constantius II en Constans. De eerste van deze (Keizer van Gallië,
Brittannië en Spanje) wordt gedood, toen hij Italië, de provincie
van zijn broeder Constans binnendrong; Constans wordt vermoord door
een usurpator, Magnentius.
Toen werd Constantinus, die een dozijn neven en ooms uit den weg had
laten ruimen, alleen Keizer. Hij valt Magnentius aan en verslaat hem
bij Mursa aan de Drave en jaagt hem voort van de eene plaats naar de
andere. Eindelijk wordt de usurpator ingehaald bij Lyon en stoot zich
in zijn zwaard.
Constantius, wiens hof (te Constantinopel en later te Milaan) wordt
geregeerd door ambtenaren van het paleis, vooral door een eunuch,
Eusebius, vermeerdert zijn familiemoorden door Gallus, zijn neef, uit
den weg te ruimen, die met zijn zuster Constantina, een menschelijke
furie, was gehuwd en dien hij als "Caesar" voor de provincie van het
verre Oosten had aangesteld.
De broeder van Gallus, de toekomstige Keizer Julianus (van wien nog
vele geschriften over zijn) vertelt ons de schandelijke geschiedenis
van deze tragische gebeurtenis. Ook hij was door Constantius gevangen
gezet en redde ternauwernood het leven door de gunst van de Keizerin,
de schoone en beminnelijke Eusebia. Hij werd verbannen naar Athene,
maar door den invloed van Eusebia teruggeroepen naar Milaan, trouwde
met Helena, een andere zuster van Constantius, en ontving den titel
van "Caesar" en het bestuur over het Westen. Hoe er twist ontstond,
hoe Julianus door zijn soldaten tot Augustus werd uitgeroepen, hoe
Constantius kwam aanstormen van het verre Oosten om den usurpator te
straffen, hoe hij bij Tarsus stierf, zal later uitvoeriger verteld
worden, wanneer het karakter en de regeering van den Afvalligen Keizer
zal worden behandeld.
Julianus regeerde slechts twintig maanden en was nog geen 32 jaar, toen
hij stierf. Hij bezweek aan een pijlwond in Perzië ten Oosten van den
Tigris, niet ver van de plaats waar nu Bagdad staat, toen zijn leger
(zooals vroeger in die streken het leger van de 10.000 Grieken) groot
gevaar liep vernietigd te worden. Het wordt meer door de staatsmans-
dan veldheerskunst van Jovianus gered, een officier van de Lijfgarde,
die (nadat Sallustius, de edele Prefect van de Oostelijke provincies,
voor de eer heeft bedankt) tot Keizer wordt uitgeroepen door de troepen
en een vernederenden vrede aanneemt van den Perzischen Koning Sapor,
wien hij vijf provincies en verscheidene steden afstaat. Nadat het
Keizerlijke leger vele manschappen in de rivieren en de woestijn van
Mesopotamië heeft verloren, bereikt het Antiochië, waar, zooals overal
op zijn terugtocht, groote verontwaardiging wordt opgewekt door den
afstand van de Oostelijke provincies. (Op de munten van Jovianus ziet
men hem met lauwerkransen, gevleugelde Victoriae en gevangenen aan
zijn voeten!)
Gedurende zijn verblijf van zes weken te Antiochië en zijn geforceerden
marsch door Klein-Azië naar Constantinopel verspreidt Jovianus
proclamaties, die verdraagzaamheid aanraden jegens het paganisme,
maar het Christendom herstellen en ook den "Kerkvrede", terwijl hij
tevens den ouden Athanasius wederom op den patriarchalen troon van
Alexandria plaatst--een poging tot pacificatie die hem enthusiaste
toejuichingen bezorgt van de katholieke hierarchie, maar weldra gevolgd
wordt door nog meer verbitterde, broedermoordende twisten tusschen
de Christelijke sekten. Te Tarsus wordt het lijk van keizer Julianus
verbrand. Vandaar trekt Jovianus verder met de Christelijke vaan
(het Labarum) aan het hoofd van zijn leger; maar voordat hij Nicaea
bereikt, sterft hij plotseling--vergiftigd, misschien door paddestoelen
of door den damp van houtskool of van een pas gepleisterde kamer.
In plaats van Jovianus wordt (nadat de prefect Sallustius nog eens
voor de eer bedankt had) Valentinianus gekozen, een flink officier van
Pannonische afkomst. Na zijn benoeming roept men van alle kanten dat
hij een collega moet kiezen. Hij belooft niets, maar een maand later,
na zijn aankomst te Constantinopel, vereert hij zijn broeder Valens,
die beschreven wordt als een zwakzinnige, dikke, gebrekkige man,
met den titel van Augustus. Derhalve wordt het Keizerrijk wederom
verdeeld (364); Valens wordt het Oosten toegewezen, van den Donau tot
Perzië; hij resideert voornamelijk te Antiochië; Valentinianus behoudt
Illyricum, Italië, Noord-Gallië en de andere westelijke provinciën
en kiest Milaan als zijn keizerlijke residentie.
In 365 en 366 heeft plaats de aanslag van Procopius, een bloedverwant
van Julianus en een heiden, die zich meester wil maken van het
Oostelijke Keizerrijk. Hij neemt Constantinopel, wordt door de troepen
in Thracië en aan den Donau erkend en zijn generaals onderwerpen
Bithynië. De bange Valens, die nu te Caesarea is, wil afstand doen,
maar zijn ministers staan het niet toe. De bejaarde Sallustius wordt
wederom tot prefect van het Oosten gekozen en Procopius vlucht,
nadat hij bij Thyatira verslagen is, naar de Phrygische bergen,
maar wordt verraden en onthoofd. De laffe en zwakke Valens wordt dus
hersteld op den troon van het Oostelijke Keizerrijk. Hij wijdt zijn
grootste werkkracht aan het vervolgen van "Athanasische Katholieken"
(hij was zelf een Ariaan, gedoopt door den Ariaanschen patriarch
van Constantinopel). De oude Athanasius vlucht, misschien voor den
vijfden keer, uit Alexandrië; maar het volk grijpt naar de wapenen
en hersteld zijn patriarch, die kort daarna sterft (373).
Valentinianus, lang en koninklijk van gestalte, verwierf eerst
eerbied en genegenheid en schijnt nuttige wetten te hebben gemaakt
(een van dezen beperkte de legaten aan de Kerk, die nu aan weelde
begon toe te geven). Hij schijnt ook in verscheidene steden Akademies
te hebben gesticht, zooals eeuwen geleden in Athene bestonden. Maar
hij regeerde nog niet lang of hij werd de slaaf van een onbedwingbare
wreedheid, die vele duizenden slachtoffers eischte, vooral in Rome en
Antiochië; de vonnissen waren meestal gebaseerd op beschuldiging van
tooverkunst. (Men zegt dat hij twee woeste berinnen hield, Innocentia
en Mica Aurea om de veroordeelden voor zijn oogen te verscheuren.) Zijn
cholerisch temperament was de onmiddellijke oorzaak van zijn dood,
want toen in 375 gezanten van de Quaden, een barbaarsche volkstam,
bij hem in zijn paleis te Trier kwamen, voer hij zoo heftig tegen
hen uit, dat hij een aderbreuk kreeg.
Valentinianus I werd opgevolgd door zijn zoon Gratianus dien hij als
kind van negen jaar tot Augustus had benoemd en die nu zestien jaar
telde. Maar een deel van het leger was op de hand van zijn half-broeder
Valentinianus, een baby van vier jaar, en Gratianus neemt hem goedig
als collega aan, onder regentschap van de moeder van het kind,
Justina; hij geeft hem de provincie Italië en wijst hem Milaan als
residentie aan.
Omstreeks dezen tijd had de zwakzinnige Oostelijke Keizer, Valens,
de oom van de jeugdige bestuurders van het Westen, een groote
menigte West-Goten, die over den Donau waren gedreven door de Hunnen,
toegestaan zich te vestigen in Moesië en Thracië. Deze West-Goten, door
een afschuwelijken hongersnood geteisterd en ellendig behandeld door de
keizerlijke ambtenaren, stonden op en begonnen het land te verwoesten;
Valens valt hen aan. Niet ver van Hadrianopolis wordt slag geleverd
en ongeveer 40.000 man worden neergehouwen, een ramp te vergelijken
met die van Cannae. Valens verdween in het felst van den strijd en is
nooit meer gezien. Het gerucht liep, dat een hut waarin hij met zijn
gevolg was gevlucht, door de Goten in brand was gestoken en dat allen
in de vlammen waren omgekomen. Gratianus (378) kiest nu tot Keizer van
het Oosten den generaal Theodosius, van Spaansche afkomst. Hij zelf,
een vriendelijke en sportlievende jongeling van negentien jaar, die
opgegroeid was onder den zachten invloed van den dichter Ausonius,
wekte de verachting van zijn soldaten op door zijn tijd te gebruiken
met jagen op zijn uitgestrekte jachterreinen in Gallië, in Scythisch
kostuum, omgeven door Scythische meisjes en gunstelingen. Weldra wordt
er een opstand in Brittannië verwekt door Maximus, een Romeinschen
balling, die een edelvrouw van Carnarvon had gehuwd. Met een groot
leger (later sprak men van de emigratie van een belangrijk deel der
Britsche natie, zegt Gibbon) valt hij Gratianus aan, die naar Lyon
vlucht, waar hij wordt gevangen genomen en gedood (383). Maximus
proclameert zichzelf tot Augustus. Gedurende vier jaar is hij de facto
Keizer van het Westen ten noorden van de Alpen en als zoodanig door
Theodosius erkend; maar weldra dringt hij Italië binnen, en verjaagt
Justina met haar zoon, Valentinianus II, nu een jongen van vijftien
jaar, van Milaan naar Aquileia, en van Aquileia naar Constantinopel.
Theodosius, de keizer van het Oosten, ontvangt de vluchtelingen,
en wordt verliefd op Galla, de zuster van den jongen keizer van
het Westen. Nadat hij haar getrouwd heeft, voert hij oorlog tegen
Maximus, dien hij verslaat en doodt, herstelt Valentinianus II op zijn
troon (388) en brengt drie jaren in Rome en Milaan door. Gedurende
dit verblijf te Milaan werd Theodosius, die als vurig katholiek
en verdelger van het Arianisme in de bijzondere gunst stond van
St. Ambrosius, naar men zegt door den aartsbisschop uit de kathedraal
van Milaan geweerd, totdat hij openlijk boete had gedaan voor het
bloedbad van de argelooze burgers van Thessalonica, dat hij bij een
oploop had geduld.
Ongeveer twee jaren later (392), niet lang na Theodosius' terugkeer
te Constantinopel, werd de jonge Valentinianus vermoord te Vienne
in Gallië, waarschijnlijk door een Frankisch generaal, Arbogast. Zoo
bleef Theodosius als eenige wettig keizer over. Arbogast trad op als
dictator en koos als keizer van het Westen een rhetor, Eugenius. Het
duurde twee jaren, voordat Theodosius tegen dezen tweeden usurpator
een veldtocht waagde, dien hij met groote inspanningen gevaar versloeg
bij den Frigidus (Koude rivier), bij Aquileia. Arbogast stortte zich
in zijn zwaard en Theodosius, bevrijd van alle mededingers was nu,
zoowel in werkelijkheid als in naam, de opperheerscher van het
Romeinsche Keizerrijk.
Maar zijn leven wordt bedreigd door waterzucht, veroorzaakt door zijn
weelderige levenswijs; hij benoemt dus twee opvolgers, den eerste in
het Oosten, den tweede in het Westen, roept den jongste, Honorius, een
jongen van tien jaar, naar Milaan (395) om den schepter over het Westen
uit zijn stervende handen te ontvangen en vertrouwt de voogdij over den
jongen toe aan den bevelhebber van zijn leger, Stilicho. Het Oostelijke
Rijk werd toegewezen aan Arcadius, een zwakken jongeling van achttien
jaar, kwaadaardig en hebzuchtig van karakter, en als zijn regent
werd door Theodosius gekozen de eerste minister van Staat, Rufinus,
een hatelijke Galliër van obscure afkomst. Deze verdeeling van het
Rijk blijft bestaan, met uitzondering van twee jaren na den dood van
Honorius. Voortaan zal dus Italië voornamelijk onze aandacht vragen.
Honorius, die achtentwintig jaar regeerde, stond intellectueel
zoo laag, werd beheerscht door zoo teugellooze hartstochten en
onnatuurlijke neigingen, dat men hem met recht van krankzinnigheid
kan verdenken. Toch vonden er gedurende zijn regeering gebeurtenissen
plaats, die hoogst belangrijk waren voor de toekomst van Italië.
De hoofdrol in het nu volgende drama speelt Stilicho, de reeds
genoemde Vandaal, eerst voogd en later schoonvader van Honorius,
in de litteratuur bekend als de held in de gedichten van Claudianus,
den laatste van de klassieke Latijnsche dichters. In 395 gelukt het
hem zijn mededinger Rufinus te laten vermoorden door Gotische soldaten
en gedurende ongeveer dertien jaar is hij inderdaad de heerscher over
beide Keizerrijken.
In 402, nadat hij Honorius, die in grooten angst Milaan had verlaten
bij het binnendringen van de West-Goten onder Alarik en de Vandalen
onder Radegast, had bevrijd, overreedde Stilicho hem om den zetel
van de regeering over te brengen naar Ravenna; die stad bleef voor
vele jaren de hoofdstad van Italië.
Stilicho verslaat Alarik bij Turijn en daarna bij Verona; ten slotte
(405) neemt hij Radegast gevangen en doodt hem; deze was met een
geweldig leger van Vandalen en andere barbaren uit Rhaetia gekomen
en belegerde Florence. Maar om deze indringers het hoofd te bieden
trekt Stilicho legioenen van den Rijn weg, waardoor hij in Gallië een
stortvloed van woeste Vandalen en andere Germaansche stammen binnen
laat, die zeventien provincies verwoesten. Ook aan Brittannië onttrekt
hij troepen en weldra komt de Romeinsche heerschappij hier tot een
einde, zoodat de Britten, aldus overgelaten aan de plunderingen van
de Picten en Scoten, de "Engelsche" zeeroovers te hulp roepen--welke
hulp ongeveer veertig jaar later kwam met Hengist en Horsa!
In 407, een van de laatste jaren van de Romeinsche occupatie, wordt
een gewoon soldaat, Constantijn, door de soldateska in Brittannië tot
de waardigheid van Keizer verheven en gedurende eenigen tijd joeg hij
Honorius schrik aan door zijn veroveringen uit te breiden over Gallië
en Spanje, van den muur van Antoninus tot de zuilen van Hercules.
De populariteit en de invloed van Stilicho lijdt door deze
gebeurtenissen. Hij wordt aangeklaagd van verraad en in 408 te
Ravenna, waar hij in een kerk gevlucht was, vermoord, misschien
op bevel van Honorius. De dood van Stilicho opent de sluizen voor
de West-Goten. Dertig duizend Goten, tot nog toe in dienst van
Stilicho en het Keizerrijk, voegen zich bij Alarik, die, nadat hij
de haven van Ostia heeft genomen, driemaal Rome heeft geblokkeerd
en door hongersnood tot afschuwelijke daden heeft gebracht, Rome
binnentrekt in 410--de eerste keer, dat de stad werd betreden door
een buitenlandschen vijand sinds de inneming door de Galliërs in
390 vóór Christus. Alarik bleef slechts drie of misschien zes dagen
in Rome, waar blijkbaar minder gemoord en geplunderd is, dan men had
verwacht. Daarna marcheerde hij Zuidwaarts, misschien met de bedoeling
Sicilië aan te vallen, maar stierf te Cosenza en werd, naar men zegt,
onder het water van de Busento begraven; de bedding werd eenigen tijd
verlegd om een graf en een monument te bouwen.
De terugtocht van de West-Goten uit Italië onder Athaulf (Adolf), de
stichting van hun rijk in Zuid-Gallië, en de merkwaardige lotgevallen
van de prinses Galla Placidia, die Alarik in Rome gevangen nam,
zullen in het vijfde hoofdstuk uitvoeriger beschreven worden.
In dit verband is het voldoende te zeggen dat deze dochter van Keizer
Theodosius den Groote naar Gallië werd gevoerd door Athaulf, die kort
na zijn huwelijk met haar stierf. Zij wordt door haar halfbroeder
Honorius vrijgekocht voor 600.000 maat koren en op haar terugkeer naar
Italië trouwt zij met Constantius, die den titel Augustus van Honorius
ontvangt, maar reeds in 421 sterft. Daarna geraakt zij in twist met
Honorius en loopt weg met haar zoon, die nauwelijks vier jaar oud is,
naar Constantinopel. Daar was nu Theodosius II, haar neef, Keizer. Hij
was Arcadius opgevolgd, toen hij een kind van zeven jaar was, en was
tot nog toe onder het regentschap van zijn zuster Pulcheria geweest,
die nog langen tijd, zelfs gedurende zijn geheele regeering (vooral
nadat zijn gemalin Eudocia zich naar Palestina had teruggetrokken)
in waarheid de heerscheres van het Oostelijk Rijk was, en na zijn
dood in 450 als Keizerin werd erkend, maar gedwongen werd of verlof
kreeg tot Keizerlijk gemaal een handigen oud-soldaat en senator,
Marcianus te nemen.
Doch om terug te keeren tot Placidia en haar zoontje: zij worden
vriendelijk opgenomen door Pulcheria en Theodosius en een paar maanden
later, na den dood van Honorius, wordt de titel "Augustus van het
Westen" gegeven aan den jongen Valentinianus, die nu ongeveer zes jaar
is, en onder regentschap van zijn moeder staat. Het geheele Romeinsche
Rijk bevindt zich nu feitelijk onder het bestuur van twee vrouwen,
van welke de eene (Placidia) ongeveer vijftien jaar (425-'40) en de
andere (Pulcheria) ongeveer veertig jaar de teugels van het bewind
in handen houdt.
De lange regeering van Valentinianus III (425-'55) is bekend door
twee zeer belangrijke invallen--van de Hunnen en van de Vandalen.
Aan zijn hof, of liever aan dat van zijn moeder Placidia, te Ravenna,
heeft de rivaliteit van twee aanzienlijke generaals, Aëtius en
Bonifacius, grooten invloed op den loop der gebeurtenissen.
Bonifacius, een trouwe steun van Placidia in de dagen van haar
ballingschap, had het bestuur over de provincie Afrika gekregen,
waar hij een groot vriend was geworden van St. Augustinus. Aëtius
had een usurpator, die door Theodosius te Ravenna overwonnen was,
gesteund en zelfs een groot leger van Hunnen opgeroepen om den opstand
kracht bij te zetten, doch hij was verstandig genoeg om de gunst van
Placidia te zoeken, wier voornaamste raadsman hij werd aan het hof te
Ravenna. Door de kuiperijen van Aëtius werd Bonifacius teruggeroepen
van zijn commando in Afrika; maar hij gehoorzaamde niet en men zegt
dat hij in een opwelling van verontwaardiging de Vandalen naar Afrika
riep. In 429 stak hun koning Gaiserik (Genserik) van Spanje over met
een groot leger en trots den wanhopigen tegenstand van Bonifacius,
die te laat berouw had van zijn dwaling (als hij die ooit heeft begaan)
verwoesten zij het gansche land en nemen Hippo na een lange belegering
in, gedurende welke St. Augustinus, die met Bonifacius in de belegerde
stad was, stierf. Bonifacius ontsnapt en keert terug naar Ravenna,
waar hij duelleert (of misschien een slag levert) met Aëtius en aan
zijn wonden sterft (432). Aëtius wordt daarna--volgens sommigen--door
Placidia tot rebel verklaard; hij vlucht naar zijn vrienden, de Hunnen,
en voert wederom een geweldig leger van deze barbaren naar Ravenna om
schrik aan te jagen. Onderwijl verwoesten Gaiserik en zijn Vandalen
Afrika te vuur en te zwaard. In 439 nemen zij Carthago en kort daarna
vallen zij Sicilië aan en plunderen het; Placidia wordt gedwongen een
verdrag te teekenen, waarbij zij hun de veroverde provincies afstaat en
zich aldus een tijdperk van vrede verzekert. In 450 sterft Placidia,
die sinds tien jaar van haar regentschap afstand had gedaan, te Rome,
ofschoon haar graftombe te Ravenna is.
De periode 450-452 is gedenkwaardig wegens den schrik, door Attila den
Hun, den geesel Gods veroorzaakt, die als een bliksemstraal neerschiet
op het Westelijke Rijk, maar verslagen wordt of ten minste beteugeld
door Aëtius en zijn bondgenooten, de West-Goten, in den grooten slag
bij Châlons--een slag, die over het lot van Europa besliste en verdient
vermeld te worden naast den slag bij Salamis, Himera of Tours. Toen
stort Attila zich, razend, op Italië en verovert vele steden, waaronder
Padua en Aquileia. (De vluchtelingen van deze en andere plaatsen
vestigen zich te Grado, op de lagunen en de lidi, waar Venetië later
verrijst). Aan den zuidelijken oever van den Lacus Benácus (Lago di
Garda) ontmoet Attila nu een gezantschap van Rome, aan welks hoofd
Paus Leo de Groote staat. Wat er gezegd is of wat er gebeurde om
zulk een wonder te veroorzaken, is onbekend, maar het staat vast,
dat na dit onderhoud de woeste Hunnenkoning met zijn leger wegtrok;
en kort daarna sterft hij plotseling--misschien aan haemorrhagie.
Valentinianus III had Aëtius zijn dochter beloofd, maar na Attila's
dood krijgt hij meer zelfvertrouwen en toen Aëtius te zeer op zijn
belofte aandrong, vermoordt hij hem in een vlaag van woede.
Het volgend jaar (455) wordt Valentinianus zelf, terwijl hij de
athletische spelen te Rome bijwoonde, door twee soldaten gedood, uit
wraak over den moord op Aëtius, of, misschien om een andere reden,
zooals wij zullen zien. Dus is de dynastie van Theodosius uitgeroeid
(want Pulcheria was twee jaar tevoren te Constantinopel gestorven)
en wij kunnen dit jaar 455, dat verwoesting en ellende over Rome
bracht, terecht beschouwen als het einde van het West- d.w.z. van het
oude-Romeinsche Rijk; want, ofschoon in de volgende een en twintig
jaren niet minder dan negen zoogenaamde Keizers verrezen en vielen
in Rome, zijn deze slechts schimmen in de groote processie van
Augusteïsche monarchen--poppen van barbaarsche vorsten of generaals.
De moord op Valentinianus was misschien een wraakneming, niet alleen
voor den dood van Aëtius, maar ook voor een beleediging, die de
Keizer de vrouw van een Romeinsch senator, Petronius Maximus had
aangedaan. Hoe dat ook zij, Maximus werd nu benoemd tot Keizer, en hij
tracht de jonge weduwe van den vermoorden Valentinianus te dwingen met
hem te trouwen, wat een zonderlinge methode schijnt om de beleediging,
zijn eigen vrouw aangedaan, te wreken. Maar Eudoxia, dochter van
den vroegeren Keizer Theodosius II, verontwaardigd over het voorstel
van den moordenaar van haar gemaal roept den Koning der Vandalen naar
Rome. Doch misschien had zij nauwelijks tijd om dat te doen--want haar
gemaal was gedood in het begin van 455 en in Juni waren Gaiserik en
zijn Vandalen bij den mond van den Tiber. Eenige dagen later trekken
zij Rome binnen, waar de nieuwe Keizer gesteenigd en gedood wordt bij
een oploop, toen hij trachtte uit de stad te vluchten; een Bourgondisch
soldaat eischte de eer van de eerste wond op. De plundering van Rome
zal later beschreven worden; hier is het voldoende er bij te voegen,
dat, toen Gaiserik naar Sicilië en Afrika terugkeerde, hij met den
ontzaglijken buit (waaronder de schatten van den tempel van Jeruzalem)
ook als gevangene de Keizerin meevoerde, die, naar men zegt, hem naar
Italië had geroepen, alsmede haar twee dochters, van welke er een
(Eudocia) met zijn zoon, de Vandalen-Koning Hunnerik trouwde.
Rome is gedurende eenige maanden verlamd door deze ramp. Ten slotte
nam de Koning der West-Goten, Theoderik II, wiens vader was gesneuveld
in den slag bij Châlons, het op zich in de vergadering te Arles van de
hoofden der Romeinen en Goten van Gallië, den aanvoerder van het leger
in Gallië, Avitus, geboortig uit Auvergne, als Keizer te kiezen. De
senaat en het volk van Italië, ofschoon onwillig, nemen hem aan en zijn
verkiezing wordt bekrachtigd door den Keizer van het Oosten, Marcianus.
Maar de regeering van Avitus duurde kort. Zijn voornaamste bevelhebber,
Ricimer, een barbaar--zijn moeder was een West-Gotische prinses en zijn
vader was van Sueefschen adel--brengt de Vandalen een verpletterende
nederlaag toe bij Corsica en na aldus populariteit verworven te hebben,
neemt hij de teugels van het bewind in handen en speelt in de volgende
zestien jaar de rol van Keizer-fabrikant. Eerst zet hij Avitus af, die
bij zijn poging tot ontvluchten te Placentia wordt gegrepen en een lot
ondergaat, dat later verscheidene andere grooten overkwam: hij wordt
gedwongen de tonsuur aan te nemen en er wordt een bisschop van hem
gemaakt! Na een interregnum kiest Ricimer tot Keizer Marjorianus, een
dapper en energiek soldaat; maar zijn vloot van 300 schepen wordt door
Gaiserik bij de kust van Spanje vernield--en op zijn terugkeer wordt
hij door soldaten van Ricimer gedood--of hij doet afstand en sterft.
Daarop volgt een andere pop, Libius Severus, gedurende wiens
regeering (461-65), Ricimer de leiding heeft. Maar wegens de groote
machtsuitbreiding van de Vandalen ter zee wordt Ricimer genoodzaakt,
na den dood van Severus en een interregnum van achttien maanden,
de hulp in te roepen van den Keizer van het Oosten, Leo I, "den
Thraciër", ook de marionet van een barbaarsch generaal, Aspar, die te
Constantinopel dezelfde rol speelt als Ricimer. Leo stelt Anthemius
voor, die door Ricimer wordt geaccepteerd en hij neemt Anthemius'
dochter tot gemalin (467). Een groote expeditie van meer dan 1000
schepen wordt nu door Leo en Anthemius uitgezonden om de Vandalen
te verpletteren, maar deze mislukt en Gaiserik wordt almachtig
in de Middellandsche Zee, bezet Sardinië en Sicilië en plundert
ongehinderd de kusten van Italië. Anthemius was al te populair
geworden. Ricimer verzamelt dus een geweldige macht, belegert en
plundert Rome, vermoordt zijn schoonvader en kiest tot Keizer een
Romeinsch edelman, Olybrius, die Placidia had getrouwd, de vroeger
vermelde dochter van Valentinianus. Een paar weken na den moord op
Anthemius sterft de Keizer-fabrikant aan haemorrhagie en twee maanden
later sterft Olybrius (472).
Na den dood van Ricimer neemt zijn neef Gundobald, een Bourgondisch
vorst, zijn plaats in en laat te Ravenna als Keizer een kapitein van
de Garde van het Keizerlijke Huis (Comes Domesticorum) uitroepen,
Glycerius. Maar de Keizerin Verina te Constantinopel, steeds geneigd
om zich overal in te mengen, trekt voordeel van de ziekte van haar
gemaal, Leo den Thraciër, en benoemt tot Keizer van het Westen een
van haar verwanten, Julius Nepos. Als deze in Italië komt, trekt
Gundobald zich terug naar Bourgondië en Glycerius, die uit Rome is
gevlucht, stemt erin toe als bisschop van Salona in Dalmatië gewijd
te worden; voor een onttroonden Keizer was het in deze tijden een
geluk, wanneer hij tonsuur of een bisschopswijding mocht kiezen in
plaats van het uitsnijden van zijn tong of het uitbranden van zijn
oogen door middel van een bekken roodgloeiend metaal (een procédé,
dat men in het Italiaansch abbacinamento noemt).
Maar nu breekt onder de Gotische troepen in Rome muiterij
uit. Aangevoerd door hun generaal, Orestes, trekken zij tegen Ravenna
op. Nepos vlucht en bereikt Salona, waar hij zijn vroegeren mededinger,
den ex-Keizer-Bisschop Glycerius ontmoet. Hier aanvaardt hij het
bestuur over Dalmatië en regeert nog jaren lang, door het hof van
Constantinopel als Keizer erkend.
Orestes, de derde van deze "Keizer-makers", was waarschijnlijk
een Romeinsch patriciër, ofschoon hij in Illyrië geboren was. Hij
had in het leger van Attila gediend en was door dezen als gezant
naar Constantinopel gezonden, misschien met Edeco, den vader van
Odovacar. Hij zelf was een Romein, gehuwd met een vrouw van Romeinschen
adel en daarom waagde hij waarschijnlijk, wat zelfs Ricimer niet
zou gewaagd hebben--hij proclameerde zijn eigen zoon tot Keizer. De
naam van den jongeling verbindt de namen van den eersten Koning en den
eersten Keizer van Rome. Hij is algemeen bekend als Romulus Augustulus,
ofschoon het kleineerende of geaffecteerde diminutief niet op zijn
munten voorkomt.
Men zou verwachten dat het Romeinsche bloed en de Romeinsche
sympathiën van den jongen Keizer en van Orestes zelf hun regeering
sterk zou maken. Maar juist dit feit schijnt hun val veroorzaakt te
hebben. Stilicho en de andere barbaren waren ten val gebracht door den
haat van de Romeinen, d.w.z. van de oorspronkelijke Italianen; Orestes
valt, omdat hij den eisch van zijn barbaarsche troepen, geweldig door
hun aantal en invloed, niet inwilligt. Hun eisch was dat een derde
van het land aan hen zou gegeven worden--dit beteekende, dat voortaan
een uitgestrekt deel van Italië door barbaren zou worden bewoond.
Hierop breekt muiterij uit onder aanvoering van Odovacar (Odoacer);
deze was een officier van de Herulische troepen en waarschijnlijk de
zoon van Edeco, die, zooals gezegd is, door Attila als gezant naar
het Byzantijnsche hof van Theodosius II was gezonden. Orestes vlucht
naar Ticinum (Pavia), dat genomen en geplunderd wordt. Hij ontsnapt
naar Placentia (Piacenza), maar wordt ingehaald en gedood.
Het leven van Augustulus, die een schuilplaats in Ravenna had gezocht,
wordt door Odovacar gespaard. Wat met hem gebeurde is reeds verhaald
in de voorrede en een meer volledige beschrijving van de plaats
waar hij als gevangene vertoefde, zal elders gevonden worden. Den
val van Augustulus in 476 kan men beschouwen als het einde van het
West-Romeinsche Keizerrijk, d.w.z. het oude Imperium Romanum.
HOOFDSTUK I.
WAAROM HET KEIZERRIJK GEVALLEN IS.
Het onderwerp van dit werk wordt in vijf deelen gesplitst. Het eerste
loopt tot den val van het West-Romeinsche Rijk tot het jaar 479 waarin
Romulus Augustulus onttroond werd en de titel Imperator Romanus, die
met eenige onderbreking en dikwijls zonder eenige wettige aanspraak
door ongeveer zeventig opvolgers van den grooten Augustus is gevoerd,
uit Italië verdween; de talrijke usurpatoren laten we hier buiten
beschouwing.
Maar wanneer wij spreken over den val van het West-Romeinsche
Rijk, moet in herinnering gebracht worden, dat in het jaar 467 het
Westersche Rijk, dat in den tijd van Constantijn de halve Romeinsche
wereld omvatte--n.l. de zes uitgestrekte "diocesen" Brittania,
de twee Galliae, Hispania, Italia en Noord-West-Afrika--niet
meer bestond. Brittannië was in de macht van de Picten, Scoten en
Angelsaksen, de vijftien provincies van Gallië waren verdeeld in
onafhankelijke koninkrijken van Franken, West-Goten, Bourgondiërs en
Alemannen, Spanje werd bestuurd door West-Goten en Sueven, Afrika,
Sicilië en Sardinië waren in de macht van den Vandaal Gaiserik. Toen
dus Odovacar Augustulus onttroonde bestond het Westersche Rijk slechts
uit Italië met de provincies Noricum en Rhaetia in het noorden; hierbij
mogen wij misschien voegen die streek van Dalmatië, aan de Oost-kust
van de Adriatische Zee, waarheen een verdreven Romeinsche Keizer,
Nepos, zich had teruggetrokken en waar hij in zijn klein imperium
in imperio gesteund werd door de regeerende macht te Constantinopel,
Keizerin Verina.
De onttroning van Augustulus mag dus beschouwd worden als de
vernietiging van den naam van datgene, dat in werkelijkheid niet meer
bestond--het machtige Keizerrijk, waar Rome het centrum van was en dat
in de dagen van Trajanus (c. 100) zich uitstrekte van de Kaspische
zee tot den Atlantischen oceaan, van de Libysche woestijn tot de
hooglanden van Caledonië en ook nog een groote provincie omvatte,
Dacië, aan de andere zijde van den Donau, ofschoon Augustus, een eeuw
vroeger, wijselijk die rivier als de noord-oostelijke grens van het
Imperium Romanum had aangenomen.
En van die kant kwamen de moeilijkheden. Trajanus' annexatie van Dacië
(de streek tusschen de Theiss en de Pruth) schiep een kunstmatige
grens van groote uitgestrektheid, die onverdedigbaar bleek tegen
de ontelbare horden van barbaren, voortdurend opgedrongen naar het
Westen en het Zuiden door nieuwe golven van vijandelijke volkeren
uit het verre Oosten. Keizer Aurelianus (c. 272) vond het noodig
die provincie aan de West-Goten over te geven op voorwaarde dat
zij den Donau niet zouden oversteken. Aldus kocht hij een precairen
wapenstilstand van ongeveer honderd jaar, onderbroken door ettelijke
veldtochten in den tijd van Constantijn, die eens de barbaren een
verpletterende nederlaag en een verlies van 100.000 man, naar men
zegt, toebracht. Omstreeks 370 werden deze Dacische West-Goten (zie
p. 7) door de naderende Hunnen over den Donau gedreven en kregen
toestemming zich in Thracië te vestigen; maar kort daarna stonden
zij op en versloegen het keizerlijke leger in een grooten slag bij
Hadrianopolis, in welken slag de Keizer, Valens, verdween.
Dit was het begin van die invallen der barbaren, die de onmiddellijke
oorzaak waren van den val van Rome en die zulk een belangrijke rol
spelen in de vroegste geschiedenis van middeleeuwsch Italië. In
een ander hoofdstuk zal over den oorsprong en het karakter van deze
noordelijke en oostelijke stammen gesproken worden. Hier zal gewezen
worden op zekere eigenaardigheden van het latere Romeinsche Keizerrijk,
welke zijn ontbinding schijnen verhaast te hebben.
Een wereldrijk, zooals de droom van Alexander was en zooals Rome
eenmaal scheen te zullen verwezenlijken, zal altijd een gebouw zijn,
veroordeeld om in te storten onder zijn eigen overweldigende massa. Het
is waar, dat de Romeinen, als wij Germanië uitzonderen, feitelijk
de heerschers der aarde waren--terrarum domini--gedurende ongeveer
vijf eeuwen, van de verwoesting van Carthago in 146 v. Chr. tot den
slag bij Hadrianopolis in 378 n. Chr.; maar hoe lang is het Colosseum
blijven staan na den val van Rome?
De droom van een permanente wereld-heerschappij kan misschien eens
verwerkelijkt worden in den vorm van een federatie van de groote
mogendheden en een parlement der Menschheid, maar vrijheid en
zelfbestuur gepaard met vrijwillige onderwerping aan een centrale
regeering in aangelegenheden van gemeenschappelijk belang moeten
ongetwijfeld de essentieele eigenschappen zijn van elk dergelijk
systeem; en die eigenschappen waren klaarblijkelijk afwezig in het
Romeinsche Keizerrijk. Het geheele stelsel, opgebouwd uit vele en
verschillende rassen, werd slechts bijeengehouden door het militaire
en administratieve gezag van een enkele stad en bestond voornamelijk
ten behoeve van die eene stad, in wier schatkamers voortdurend van alle
streken van de bekende wereld schattingen en belastingen en oorlogsbuit
stroomden. Hierheen voerden Rome's zegevierende generaals uit drie
wereldeelen hun ontelbare gevangenen om hun triumf op te luisteren
en de staatskas of de beurzen van hun overwinnaars te vullen met de
opbrengst van hun losprijs of verkoop als slaven; want het sociale
systeem van het Romeinsche Keizerrijk was voornamelijk gebouwd op
de gevaarlijke basis van slavernij [3]. Gibbon verzekert dat in
den tijd van Keizer Claudius de bevolking van het Keizerrijk steeg
tot ongeveer 120 millioen, van welke ongeveer zestig millioen slaven
waren; en tijdens de regeering van Diocletianus stamde, volgens Bryce,
twee derde van de geheele bevolking van het rijk van slaven af.
De buit en schattingen van vreemde landen en de aanvoer van
ontelbare slaven droeg meer en meer bij tot het verdwijnen van den
middenstand en terwijl de Romeinsche en provinciale ambtenaren, de
groot-grondbezitters, en zij, die de legers aanwierven, zich aldus
verrijkten, ontstond er een enorme massa van slaven op de uitgestrekte
landgoederen in Italië en een straatarm gepeupel in de stad, dat
steeds afhankelijker werd van de rijkere klasse, steeds hopeloozer
verstrikt in de klauwen van woekeraars, steeds heftiger begeerend
op te staan tegen hun onderdrukkers, die maar al te goed wisten hoe
zij hen rustig konden houden door rijkelijke brooduitdeelingen en
circus-spelen. Aan het hoofd van dit sociale systeem stond een monarch,
bekleed met bijna absolute macht, omringd door een dichte phalanx van
grondbezitters en ambtenaren, en in het bezit van een groot leger,
dat hem onmiddellijk ten dienste stond.
En de aard van dit leger bracht nog een ander gevaar voor het
Keizerrijk mee. In den tijd van de oude monarchie en de oude republiek
vormde de geheele manlijke bevolking den "exercitus" en bijna iedere
volwassen burger was soldaat. Ook later, toen bij Cannae werd gestreden
en Carthago werd verwoest, en ook in de dagen van Caesar, was het
leger uitsluitend gevormd uit Romeinsche burgers--van Rome zelf of
haar bondgenooten--uit burgers, die Italiaanschen grond bezaten
en bebouwden, die deel uitmaakten van de groote vergaderingen,
die wetten gaven aan de Romeinsche wereld en die van hun ploeg of
werkplaats konden worden geroepen om voor Rome te sterven of haar
leger ter overwinning te voeren.
Toen de grenzen van het rijk zich uitbreidden, werd het steeds
moeilijker recruten te vinden. Door Marius werd de heffe van het
Romeinsche volk en van de bondgenooten als huurlingen geworven;
door Marcus Aurelius werd het privilege om te dienen uitgebreid
tot de vrije bevolking van de gansche Romeinsche wereld; weldra
werden slaven toegelaten, en ten slotte barbaren en deze vormden
binnenkort het grootste gedeelte van de staande legers, die Rome
moest onderhouden, en op welke zij moest vertrouwen om haar gezag in
de afgelegen provincies van drie werelddeelen te handhaven.
Om deze groote legers soldij te betalen stegen voortdurend de
belastingen, totdat de druk bijna ondragelijk werd en het eenige
bedrijf van de regeering was geld af te persen.
Ten slotte, een van de voornaamste oorzaken, die bijdroeg tot de
ontbinding van het Keizerrijk, was de wonderbaarlijke groei en
eindelijke triomf van het Christendom, welks diep-wortelende en
levenskrachtige beginselen niet alleen het paganisme als erkenden
godsdienst omverwierpen, maar ook de grondvesten, waarop het gansche
sociale systeem, men zou kunnen zeggen, de geheele materieele en
intellectueele beschaving van de Romeinsche wereld gebouwd was. In zijn
omvangrijk werk "de Civitate Dei" gaf St. Augustinus zonder twijfel
de gevoelens van de Christenen weer, toen hij met ontzag sprak over
de plundering van Rome door Alarik als een uiting van Gods wraak op de
heidenen, die nog steeds op hun godenbeelden vertrouwden. En hij sprak
niet alleen met ontzag, doch bijna met verrukking; en inderdaad was,
zooals in de dagen van Noach, een zondvloed zeer gewenscht. Niet alleen
hingen zoowel de boeren als de hooggeboren senatoren hardnekkig aan
het oude bijgeloof en de oude vereering van i dei falsi e bugiardi nog
lang na Julianus den Afvallige en zelfs ten tijde van St. Benedictus,
maar het zedelijk en godsdienstig gevoel was gedaald, ondanks het
voorbeeld van menig edel karakter en de welgemeende, maar slecht
gerichte pogingen van het Stoïcisme, zelfs het Stoïcisme van Epictetus
en Marcus Aurelius, tot een peil, dat slechts kon verhoogd worden door
die nieuwe orde van zaken, die niet alleen door Joodsche profeten,
maar misschien zelfs door de Sibylle en Vergilius was voorspeld
(Ecloga IV. 5.) En ongetwijfeld verlangden velen, met Vergilius,
zelfs al voorzagen zij niet vaag de komst van een nieuwe eeuw, naar
een beteren toestand der dingen. Dit kan men duidelijk bemerken bij
Tacitus, die in zijn Germania met geestdrift de edele trekken in het
karakter der Germanen beschrijft en een voorgevoel schijnt te hebben
van den komenden val van het Imperium.
En hoe verschrikkelijk de rampen door de invallen over Italië gebracht,
ook waren, sommige van de barbaarsche indringers waren toch van edele
en krachtige afkomst en ofschoon zij waarschijnlijk op de toekomstige
Italianen niet zoo grooten invloed hebben gehad, als weleens is
aangenomen, daar zij meestal uit een aantal krijgers en ambtenaren
bestonden, klein in vergelijking van de inlandsche bevolking, brachten
zij toch nieuw bloed en nieuwe energie, en legden de grondvesten van
een nieuwe orde der dingen, de fundamenten van de sociale, artistieke,
intellectueele en religieuze beschaving van modern Europa, terwijl
het Oost-Romeinsche Rijk, ofschoon zijn bestaan nog ongeveer duizend
jaar duurde, steeds meer degenereerde en eindelijk een prooi van de
Turken werd.
Het is waar, dat, voor deze nieuwe orde der dingen van kracht werd,
Italië donkere tijden moest doormaken, in vergelijking van welke
de tijd van Hadrianus en de Antonini, zelfs de tijd van Juvenalis,
verlicht en humaan was; en het is waar, dat de strijd tusschen
de verschillende sekten van den nieuwen godsdienst in hevigheid en
venijnigheid alles van dien aard uit klassieke tijden overtrof en dat
de vervolgingen van Christenen door Christenen afschuwelijker bleken
dan het lijden van alle martelaren van Nero tot Diocletianus. Maar
misschien is het voor het bereiken van een hooger trap van evolutie
altijd noodzakelijk tijdelijk weder tot een lager af te dalen.
HOOFDSTUK II.
DE BARBAREN.
De indringers van Italië zijn vele geweest. In dit werk zullen wij,
naast minder belangrijke stammen, ontmoeten Goten, Hunnen, Vandalen,
Lombarden, Franken, Saracenen, Noormannen, Franschen, Spanjaarden en
bovendien de Byzantijnen van het Oost-Romeinsche rijk en de Germanen
van het Heilige Roomsche Rijk. In het eerste deel zullen wij ons
beperken tot de eerste drie van deze overweldigers en in dit hoofdstuk
zullen eenige inlichtingen over hen gegeven worden.
In de vroegste tijden werd Midden-Europa bezet door Arische stammen,
die waarschijnlijk van het oosten kwamen, uit het noorden van Indië
en uit landen aan de andere zijde van de Wolga en den Oeral. Ongeveer
1500 jaar v. chr. stroomden de Achaeërs van het noorden Griekenland
binnen. Zij werden gevolgd door de Doriërs, een ander Arisch volk uit
Midden-Europa en ongeveer drie eeuwen later vernemen wij dat geheel
Asia Minor overweldigd wordt door Kimmeriers, een volk van Oostersche
afkomst, die hun naam hebben gegeven aan de Krim en misschien tot
dezelfden stam behoorden als de Kelten of Galliërs, die Rome in 390
v. Chr. innamen en die reeds vroeg het noorden van Italië bezetten
(Gallia Cisalpina of Togata). Deze Kelten of Galliërs waren ook nauw
verwant aan de Kimbren, wier ontzaglijke horden Gallië en Spanje
in het begin van de tweede eeuw v. Chr. overstroomden en eindelijk
door Marius in den grooten slag bij Vercelli werden verslagen
(101 v. Chr.). Met de Kimbren waren de Teutonen verbonden, een
Germaansch volk, dat eveneens door Marius werd overwonnen bij Aquae
Sextiae (Aix) in Gallië. Het zuiden van Gallië werd toen Romeinsche
provincie (vandaar de naam Provence) en Julius Caesar onderwierp het
overige Gallië, dat te zamen met Brittannië een van de uitgestrekte
praefecturae vormde van het latere Romeinsche Keizerrijk.
Caesar versloeg ook de Germanen onder Ariovistus en joeg hem over
den Rijn; maar hij onthield zich wijselijk van een poging om Germanië
te veroveren en nam den Rijn als oostelijke grens van het Romeinsche
gebied aan. Drusus, de stiefzoon van Augustus, voerde oorlog in het
midden van Germanië en bereikte zelfs de Elbe; maar ongeveer achttien
jaar later (9 n. Chr.) werd een Romeinsch leger van drie legioenen
onder Varus vernietigd door de Germanen onder Arminius (Hermann,
leger-man) in den slag van het Teutoburgerwoud en ofschoon een andere
keizerlijke prins, Germanicus, erin slaagde het Romeinsche gezag te
herstellen door het grootste gedeelte van het gebied weer te veroveren,
werd hij teruggeroepen door de afgunst van zijn oom Tiberius, en er
werd geen verdere poging gewaagd om Germanië bij het keizerrijk in te
lijven. Behalve de tijdelijke annexatie van Dacië werd de politiek van
Augustus na de nederlaag van Varus voortgezet door zijn opvolgers en de
natuurlijke grenzen, de Rijn en de Donau, versterkt door uitstekende
vestingen [4], bleken een ondoordringbaar bolwerk te zijn gedurende
ongeveer 250 jaar,--totdat die noodlottige toestemming om den Donau
over te steken aan geweldige massa's van West-Goten werd gegeven,
welke leidde tot de ramp bij Hadrianopolis in 378.
Toen deze ramp vroeger werd vermeld (p. 7), hebben wij verteld dat
de Goten over den Donau werden gedreven door de naderende benden van
Hunnen. Nu zullen wij in het kort behandelen, wie die Goten waren,
hoe zij en de Vandalen en verscheidene andere volkeren, die zich
in Midden-Europa hadden gevestigd, zuidwaarts en westwaarts werden
gejaagd door de woeste horden van dit Tartaarsche ras, de Hunnen, en
tegen de grenzen van het Westelijke Keizerrijk gedrongen werden--een
verschuiving van zulk een omvang en met zoo ingrijpende gevolgen, dat
zij bekend is als "die Völkerwanderung". Daarna zullen wij nauwkeuriger
de drie groote barbaren-invallen in Italië beschouwen, die het gevolg
waren van deze verschuiving--den inval van de West-Goten onder Alarik,
van de Hunnen zelf onder Attila, en van Gaiserik en zijn Vandalen
(uit Afrika).
De Goten waren een Germaansche stam, die, naar men aanneemt, in
Midden-Europa is gekomen van Skandinavië [5], waar de naam Gotland
nog bestaat. Als dit zoo is, en als het waar is, dat ieder volk,
hetwelk een taal spreekt behoorende tot de groote Arische familie
oorspronkelijk kwam van de streken aan de andere zijde van de Kaspische
Zee, moet hieruit volgen dat de stamvaders van de Goten in oude
tijden hun weg gebaand hebben door Rusland naar Skandinavië. Maar,
hoe dat ook zij, ten tijde van de Antonini, wanneer wij het eerst
betrouwbare berichten over hen hooren, zijn zij in de streek van
de Vistula (Weichsel) en ongeveer zeventig jaar later (c. 250) zien
wij dat zij zijn verhuisd naar het land van de Borysthenes (Dnjepr)
en de noord-westkust van den Pontus Euxinus en dat zij zoo hinderlijk
zijn voor het Romeinsche Dacië, dat Keizer Decius een veldtocht tegen
hen onderneemt, en, tegelijk met zijn zoon, verslagen wordt.
In dezen tijd bestond de Gotische natie uit Oost-Goten, West-Goten en
die Gepiden, [6] die later de streken van Dacië en Pannonië zullen
bezetten, wanneer deze zijn verlaten door de Goten, die verder
trekken. De West-Goten kwamen natuurlijk het eerst in botsing met
de Romeinen in Dacië. Na de nederlaag en den dood van Decius werd
een vastberaden aanval tegen deze West-Goten gedaan door Keizer
Claudius II, wiens "litera laureata" aan den Romeinsche Senaat
berichtte, dat hij 320.000 van hen had verslagen en 2000 van hun
schepen had vernield; hij ontving van den Senaat den titel Goticus;
maar toch vond zijn opvolger, Aurelianus het twee jaar later (272)
noodzakelijk de provincie aan de barbaren over te geven, die daar een
zeer merkwaardig rijk grondvestten--een complex van de drie groote
Gotische Koninkrijken. In het noorden (Hongarije) waren de Gepiden,
in het oosten (Moldavië en Bess-Arabië) de Oost-Goten, en in zuidelijk
Dacië (Roemenië) de West-Goten.
De Oost-Goten, die machtig werden en een soort van Pan-Gotische
suprematie uitoefenden onder hun beroemden Koning Hermanric, [7] bleven
lang heidenen, daar zij evenmin als de Gepiden in Noord-Dacië beïnvloed
werden door de Romeinsche beschaving; maar de West-Goten, die in nauwer
aanraking kwamen met de Romeinen, werden snel geromaniseerd en bekeerd
tot het Christendom--van dit feit zijn de bewijzen nog over, want de
tegenwoordige Roemeniërs zijn voor een groot gedeelte afstammelingen
van de West-Goten, die achterbleven in Dacië (c. 378), toen velen
van hen den Donau overtrokken, met Alarik Italië binnendrongen en
gedeeltelijk in Gallië aankwamen; en deze tegenwoordige Roemeniërs
hebben, trots alle Turksche onderdrukking, hoewel aan alle kanten
door Magyaren en Slaven ingesloten, tot heden veel van den Romeinschen
aard in hun taal, litteratuur, gewoonten en sympathiën bewaard.
Grooten invloed op deze West-Goten heeft de zendeling Ulfilas
(Vulfila)--de Apostel van de Goten--uitgeoefend. Hijzelf was van
Gotische afkomst, maar hij ontving een Grieksche en Romeinsche
opvoeding te Constantinopel en wijdde het overige van zijn leven (van
c. 335 tot 380) aan het bekeeren van zijn landgenooten en het vertalen
van den Bijbel in het Gotisch. Ongeveer 177 pagina's van een prachtig
vijftiende-eeuwsch handschrift van zijn vertaling kan men nog in Upsala
zien. Het is geschreven met zilveren en gouden letters op purperkleurig
perkament en bevat meer dan de helft van de Evangeliën. Andere Gotische
manuscripten geven vertalingen van de brieven van Paulus en het Oude
Testament, waarschijnlijk ook zijn werk. [8]
Voor deze vertaling gebruikte hij gedeeltelijk letters van eigen
vinding, deels Grieksche en Latijnsche, en deels Runen-schrift. Dit
schrift had reeds vele eeuwen bij de Goten bestaan, waarschijnlijk
ingevoerd in de Noordelijke landen door kooplieden van de Grieksche
koloniën aan den Pontus Euxinus, of door Phoenicische zeelieden,
of was misschien door de voorvaderen van deze Noordelijke Arische
volkeren van hun oorspronkelijke woonplaatsen uit het verre Oosten
hierheen gebracht.
Toen Ulfilas nog als jongeling zijn opvoeding genoot te Constantinopel,
was hij zonder twijfel onder den persoonlijken invloed gekomen
van Arius, wiens leerstellingen krachtig werden begunstigd door
Constantijn in de laatste jaren van zijn regeering. Vandaar, dat
door het onderwijs van den Apostel der Goten en andere zendelingen
alle barbaarsche volkeren van Midden-Europa, behalve de Franken
eerst bekeerd werden tot het Arianisme, en dat eerst veel later
het Katholicisme de overhand kreeg. Maar wat men moge denken van de
verdiensten van Ulfilas als Christelijk zendeling en verbreider van
de kennis van den Bijbel, men kan niet twijfelen over de waarde van
zijn werk, van litterair standpunt beschouwd.
Wij moeten nu van de Goten overgaan tot een andere natie, wellicht
ook van Germaanschen, maar waarschijnlijk van Slavischen oorsprong,
de Vandalen. Gedurende het bestaan van het groote Gotische rijk (van
c. 250 tot 400) schijnen zij in de bovenlanden van de Elbe en de Oder
geleefd te hebben, in welke streken hun afstammelingen (de Wenden)
en overblijfselen van hun taal (het Wendisch) misschien nog bestaan.
Bij de komst van de Hunnen (die, zooals wij hebben gezien geheel
midden-Europa in hevige beroering brachten, daar zij de Goten
dwongen het Romeinsche Rijk binnen te dringen en waarschijnlijk ook
de Angel-Saksen Brittannië te overvallen) schijnen de Vandalen te zijn
gevlucht naar het huidige Saksen en Silezië en met de Sueven (Zwaben),
Alanen en Bourgondiërs zich te hebben vereenigd met Alarik en zijn
West-Goten bij zijn eersten, niet gelukkigen inval in Italië. Hier
werd, bij Florence, de aanvoerder van dit vereenigd leger, Radegast,
gevangen genomen en gedood door den Romeinschen veldheer Stilicho
(405). Evenwel achtte Stilicho, zooals wij zagen, het noodzakelijk
de Romeinsche legioenen niet alleen van Brittannië, maar ook van
het Rijnland weg te halen, en de groote horden van heidensche [9]
Vandalen en hun bondgenooten, uit Italië verdreven, trokken den Rijn
over (406) en verwoestten (volgens Gibbon) het grootste gedeelte van
de zeventien provinciën van Gallië. Vele bloeiende steden werden
geplunderd, duizenden van Christenen in de Kerken vermoord, het
rijke en uitgestrekte land, ongeveer tot den Oceaan en de Pyreneën,
was overgeleverd aan de barbaren, die een verwarde massa voor zich
uit dreven, bisschoppen, senatoren, vrouwen, beladen met den buit
van hun eigen huizen en altaren.
Uit deze streken werden de Vandalen en de Sueven niet lang daarna
verdreven door de West-Goten, die, na Rome in 410 geplunderd te hebben,
naar het Zuiden van Gallië marcheerden en een groot Koninkrijk
stichtten, waarvan Arles en Toulouse de hoofdsteden werden. De
Vandalen [10] bleven een tijdlang in Spanje gevestigd, waarheen
zij gedreven waren (Vandalusia of Andalusia is een herinnering aan
hun verblijf), totdat de West-Goten hen over de Pyreneën volgden en
gedurende eenige jaren verontrustten (c. 412-420). Daarna schijnt
het dat zij gereorganiseerd zijn door den beroemden Gaiserik, die,
misschien uitgenoodigd door den Romeinschen veldheer Bonifacius, met
zijn geheele volk naar Afrika overstak. Vandaar, wellicht aangespoord
door Keizerin Eudoxia, zeilde Gaiserik, die een machtige vloot had
gebouwd, naar Zuid-Italië en plunderde Rome (455). Maar in een ander
hoofdstuk zal de geschiedenis van de Vandalen in Afrika en in Rome
uitvoerig behandeld worden.
Nu zullen wij over de Hunnen spreken, wie zij waren en vanwaar zij
kwamen. Hun invallen in Gallië en Italië onder Attila zullen later
beschreven worden. Hier zullen wij hun geschiedenis nagaan, van de
oudste tijden tot 445, toen Attila, de "Geesel Gods", het gezag in
handen kreeg.
Behalve de Basken en een paar andere bestanddeelen, de overblijfselen
der Saracenen-heerschappij en de Joden, bestaat de bevolking van
Europa uit twee groote families. Tot de Arische (of Indo-Germaansche)
behooren de Kelten, Grieken, Romeinen, Germanen en de Slavische
rassen. Tot de Toeraansche (of Mongoolsche) familie behooren de
Turken, Hongaren (Magyaren), Finnen, Bulgaren; deze laatsten zijn
Slavische Sarmaten of Scythen, die van de Mongolen afstamden en
volgens de beschrijving van den grooten geneesheer Hippocrates in
uiterlijk en gewoonten op de Hunnen geleken.
De volgende tabel geeft de afstamming van de Hunnen en hun verhouding
tot de andere volkeren aan:
TOERANEN of TARTAREN[12]
|
+-----------------+--------------------------+
| | |
MONGOLEN TURKEN FINSCHE (Lappen)
(later het rijk van | RAS Ugranen
den grooten Mogol) | |
+--------+-----------+ +--------+--------+
| | | | | |
HUNNEN AVAREN | | | |
(Oude Hongaren) | FINNEN BULGAREN MAGYAREN[11]
|
|
SELDSJOEKEN
en OTTOMAANSCHE
TURKEN.
Volgens oude Chineesche berichten waren de "Hiong-nu", de Hunnen,
een groot en woelig volk, dat in Midden-Azië reeds 2000 jaar vóór
onze jaartelling bestond. De groote Muur werd gebouwd om hen buiten
China te houden. Later, na vele ernstige botsingen, versloegen de
Chineezen hen (c. 90 n. Chr.) en velen van hen verhuisden naar het
Westen. Gedurende ongeveer driehonderd jaar leefden zij tusschen den
Oeral en de Wolga, waarschijnlijk tegengehouden door de Alanen van den
Don, een Turksch ras, waarover reeds gesproken is. Deze overwonnen
zij eindelijk en marcheerden met hen weder westwaarts. De schrik,
die de nadering van deze Aziatische woestelingen veroorzaakte, wordt
levendig weergegeven in de verhalen van Jordanes, die hen vergelijkt
met beesten, die op hun achterpooten loopen en met de leelijke,
houten beelden op bruggen. Volkeren, zegt hij, die zij in een eerlijk
gevecht nooit zouden overwonnen hebben, vluchtten uit afschuw. "Zij
zijn woester dan de woestheid zelf. Zij kruiden hun spijzen niet en
kooken evenmin, maar eten rauw vleesch, nadat zij er een tijd onder hun
zadel op gereden hebben; want zij zijn altijd te paard. Zij zijn klein,
vlug en sterk. Hun gezichten--ofschoon men nauwelijks van menschelijke
gezichten kan spreken--zijn vormlooze stukken vleesch, met twee zwarte,
fonkelende punten in plaats van oogen. Zij hebben bijna geen baard,
want zij krabben de gezichten van hun kinderen open met messen om hen
aan wonden te gewennen, voordat zij de moedermelk proeven en platten
hun neuzen af om hen tegenover den vijand des te verschrikkelijker te
maken. Zij leiden hun afstamming af van de booze geesten en de heksen
die door de Goten uit de bosschen zijn gedreven; zij zijn geboren om
de Goten te overweldigen. Diezelfde booze geesten wezen hun den weg
om de Goten aan te vallen; en dat geschiedde aldus. Eenige Hunnen,
die aan het jagen waren, ontmoetten een hert, dat omkeerde en hen
scheen uit te noodigen om te volgen. Dat deden zij en toen het hert,
vooruit gaande, hun gewezen had, hoe zij het Maeotische moeras (de zee
van Azof) moesten overtrekken, verdween het plotseling--een duidelijk
bewijs, dat het zeker een van de booze geesten was, die den Goten
vijandig waren."
De stoot van de ontelbare benden Hunnen was onweerstaanbaar. De oude
Koning Hermanrik werd gedood--of doodde zichzelf--en zijn krijgers
werden ingedeeld in het leger van de Hunnen. Daarna werd den Dnjestr
overgetrokken en werden de West-Goten aangevallen. Sommigen ontsnapten
Noordwaarts naar de Karpathen; anderen vluchtten naar het Zuiden, waar
zij zulk een paniek onder hun stamverwanten in Beneden-Dacië verwekten,
dat een geweldige menigte, misschien een millioen, waaronder 200.000
gewapenden onder hun aanvoerder of "rechter", Fritigern, troepsgewijze,
uitermate verschrikt, den Donau overstak. De Romeinen--d. i. de
militaire macht van het Oostelijke Keizerrijk--trachtten tevergeefs
den stroom te stuiten en daar zij het zelfs onmogelijk achtten hen
te tellen en te ontwapenen, stonden zij den West-Goten toe zich te
vestigen in Moesië en Thracië. Een vreeselijke hongersnood brak uit,
waarmee de Romeinsche ambtenaren hun voordeel deden. Zij kochten van
de hongerlijdende vluchtelingen niet alleen kostbare voorwerpen,
maar ook duizenden van slaven, voor verrot of walgelijk voedsel,
zooals vleesch van honden, reptielen en ziek vee. Wanhopig,
begonnen de West-Goten, ondanks de waarschuwingen van Fritigern,
het land te plunderen en weldra vond er een treffen plaats tusschen
de barbaren en de keizerlijke troepen, terwijl hun aanvoerders een
feestmaaltijd hielden--zooals in het Nibelungenlied de mannen van
Gunther en Attila beginnen te twisten--, hetgeen met een vreeselijke
ramp eindigde. Daarop volgt, zooals wij zagen, de groote slag bij
Hadrianopolis. De Keizer, Valens, verdwijnt en onder het Keizerlijk
leger wordt een geweldig bloedbad aangericht (378).
Doch om nu tot de Hunnen terug te keeren--zij schijnen in Noord-Dacië
gevonden te hebben, wat zij behoefden, want in de volgende vijftig
jaar ongeveer bleven zij daar, ofschoon zij echter misschien
verschillende volkeren van Germanië, de Saksen en de Franken hebben
geplunderd, geannexeerd of Noord- en Westwaarts hebben gedreven. Met
het Oost-Romeinsche Rijk onderhielden zij vriendschappelijke
betrekkingen. Hunsche soldaten vochten soms mede als bondgenooten
van de Keizerlijke legioenen en zij gebruikten de gelegenheid om
de Romeinsche wapenen te leeren kennen en in hun eigen leger in te
voeren, ook de tucht, de krijgstactiek en ongetwijfeld ook Romeinsche
officieren.
De plotselinge en dreigende uitbreiding van het rijk der Hunnen,
toen Attila, in 445, aan het hoofd kwam te staan, zal beschreven
worden in een volgend hoofdstuk, wanneer zijn inval in Gallië en
Italië ter sprake komt.
HOOFDSTUK III.
CHRISTENDOM EN HEIDENDOM.
De periode, die ons voornamelijk zal bezighouden in de twee volgende
hoofdstukken strekt zich uit van de officieele erkenning van het
Christendom door Constantijn--de zoogenaamde Kerkvrede--tot de
vernietiging van het heidendom in het Keizerrijk, die wij ongeveer op
het einde van de regeering van Theodosius I (395) of het begin van
de vijfde eeuw kunnen stellen; want dan is het paganisme verdwenen,
ofschoon er zelfs te Rome nog overblijfselen worden gevonden in de
dagen van Alarik en St. Augustinus en op meer afgelegen plaatsen
nog veel later, zooals te Cassino, waar St. Benedictus ongeveer 529
een tempel liet omverhalen, waarin het "bedrogen en slechtgezinde"
landvolk (zooals Dante hen noemt) nog offerde aan den zonnegod Apollo
of zulk een "daemon". Een doorloopend verslag van de historische
feiten van deze periode, van Constantinus tot Honorius, is al gegeven
in het Overzicht, zoodat het niet meer noodig is de gevolgen daarvan
te verklaren, wanneer wij trachten in het kort den merkwaardigen en
snellen groei van het Christendom tot zijn volledige overwinning op
het Heidendom te beschrijven.
Onder Nero (54), Domitianus (81), Decius (250) en andere Keizers, zelfs
onder Trajanus en Marcus Aurelius hadden de Christenen door vele en
afschuwelijke vervolgingen geleden. In 303, onder Diocletianus, had de
hevigste plaats gehad, door toedoen van den "Caesar" Galerius--vooral
in het Oosten, waar deze Galerius het bestuur had; maar zelfs in
Gallië en Brittannië waren afgrijselijke dingen gebeurd, want zelfs
de zachtzinnige Constantius Chlorus, de vader van Constantijn den
Groote was, ofschoon hij deed wat kon om het lijden van de vervolgden
te verzachten, gedwongen het hardvochtige Keizerlijke edict af te
kondigen en uit te voeren.
Wat Diocletianus betreft, hij schijnt meer zwak dan wreed te zijn
geweest. Blijkbaar heeft hij met grooten onwil aan den drang van
Galerius toegegeven. Zijn neigingen waren gericht op een philosophisch
en eenvoudig leven, als wij mogen oordeelen naar het feit, dat, toen
hij op het hoogtepunt van zijn macht (zooals Karel V) vrijwillig
afstand deed van de regeering en zich terugtrok op zijn villa bij
Salona in Dalmatië, zijn eenige eerzucht schijnt geweest te zijn
groenten te kweeken, die een eersten prijs verdienden. Toen hij door
den heerschzuchtigen Maximianus werd aangezet om het Keizerlijk purper
en den diadeem weer aan te nemen, antwoordde hij, naar men vertelt:
"Gij zoudt niet zoo spreken, als gij mijn prachtige boonen en koolen
hadt gezien". En toch is dit de man, wiens naam--zooals die van Nero
of Philips van Spanje--in ons gewoonlijk niets anders dan een gevoel
van afgrijzen verwekt.
De geschiedenis van Constantijn's verhouding tot het Christendom,
zooals die verteld wordt door zijn tijdgenoot, den Bisschop Eusebius
van Caesarea, den vader van de Kerkgeschiedenis, en zooals die weer
verhaald wordt door latere schrijvers, is zulk een weefsel van legende
en waarheid, dat het moeilijk is de feiten van verzinsels te scheiden.
Eerst een korte mededeeling over zijn moeder, Helena, St. Helena Van
Engeland, zooals zij dikwijls wordt genoemd. Zij deelt met St. Albanus,
volgens sommige schrijvers, de eer een van de inlandsche Heiligen
der vroeg-Engelsche Kerk te zijn, vóór de komst van heidensche
"Engelschen" en ongeveer drie eeuwen voor de komst van den jongeren
St. Augustinus. Sommige verzekeren ook dat zij haar doorluchtigen
zoon bekeerde en dat derhalve de roem van de vestiging van het
Christendom in het Keizerrijk oorspronkelijk een Engelsche vrouw
toekomt. Maar Eusebius, onze voornaamste berichtgever, vertelt ons,
dat zij zelf later bekeerd werd door Constantijn. Haar afkomst is
ook onzeker. Sommigen zeggen dat zij in Bithynië (in Klein-Azië)
was geboren, anderen, dat zij de dochter was van den legendarischen
Koning Coel ("de oude Koning Cole" van de balladen?) en geboren was
in zijn stad, Colchester; men heeft ook vermoed, dat Constantius,
toen hij in het leger van Maximianus diende in de jaren, die aan de
dramatische overweldiging van Brittannië door Carausius voorafgaan,
Helena te Colchester of te York (want ook die stad wordt als haar
geboorteplaats genoemd) ontmoet heeft. Maar als dit zoo was, zou
Helena c. 272 haar gemaal naar het Oostelijke Rijk gevolgd zijn; het
schijnt toch wel vast te staan dat Constantijn in dit jaar te Naissus,
in Moesië--en niet in Brittannië geboren is.
Voordat Constantius naar Brittannië terugkeerde (273), bekleed met de
macht van een "Caesar", was Helena reeds verstooten (p.1). Gedurende
de jaren van haar vernedering leefde zij waarschijnlijk in het Oosten,
evenals haar zoon Constantijn; maar toen hij tot opvolger door zijn
vader was benoemd en door zijn troepen tot Keizer was uitgeroepen (305)
in plaats van den zoon van haar hooggeboren mededingster Theodora,
moet zij wederom in aanzien zijn gekomen. Ongeveer 326, kort na
de stichting van Nieuw-Rome (Constantinopel) was zij in Jeruzalem,
waar zij volgens de overlevering het Heilige Graf ontdekte onder een
tempel van Venus, die door Hadrianus gebouwd was; en zij richtte (of
bewoog Constantijn dit te doen) op de plaats van den afgebroken tempel
een kerk op, die misschien gedeeltelijk nog bestaat en het oudste
voorbeeld [13] is van een belangrijk gebouw voor den Christelijken
godsdienst, na de Kerk van de Geboorte te Bethlehem. Bovendien zou
Helena op den Calvarie-berg het aldaar begraven Ware Kruis hebben
gevonden. De drie kruisen werden allen gevonden, naar men zegt, en
ook het oorspronkelijke opschrift; maar, omdat dit afzonderlijk lag,
moest men op een andere wijze ontdekken, aan welk van de drie kruisen
de Verlosser had geleden. Een stervende vrouw werd er bij gebracht
en herstelde door de aanraking van de ware reliquie. Ofschoon de
ontdekking van het Kruis als feit werd aangenomen, zoowel door de Kerk
van het Oosten als door die van het Westen, vermeldt de gelijktijdige
kerkelijke kroniekschrijver Eusebius het niet en evenmin staat het
in het dagboek van een Gallischen pelgrim, die zeven jaar na Helena's
bezoek, te Jeruzalem was.
De bekeering van Constantijn wordt door kerkelijke schrijvers dikwijls
toegeschreven aan een visioen van het Kruis [14], dat hij zag boven
de middagzon,--sommigen zeggen bij Andernach, anderen bij Verona of
elders--toen hij van het Rijnland naar Rome trok om Maxentius aan te
vallen. Eusebius verzekert, dat Constantijn hem met een plechtigen
eed verklaarde, dat dit visioen door hem en het geheele leger gezien
was, en vertelde hoe in den daaropvolgenden nacht Christus zelf hem
was verschenen en hem, terwijl Hij op een kruis wees, verzocht dat
op de schilden van zijn soldaten te griffen en als zijn veldteeken
te gebruiken. Aldus ontstond, naar men zegt, de beroemde standaard,
waaraan de raadselachtige naam van labarum werd gegeven. Het bestond
uit een zijden vlag, waarop de beeltenis van den keizer geborduurd
was; daarboven was een gouden kroon of kring, waarin het mystieke
monogram stond--een kruis en een soort haak, die misschien de twee
eerste letters van den naam Christus (de Grieksche letters Ch en R)
voorstellen.
Ongeveer drie jaar na den slag bij de Roode Rotsen, dicht bij Rome,
waar Maxentius bij zijn poging om over den Pons Milvius te vluchten
verdronk, richtte Constantijn een triomfboog op, die men nog te Rome
kan zien, waarop die slag zeer onartistiek gebeeldhouwd is. [15] Op
dezen boog is ook een inscriptie, die in eenigzins duistere woorden
de overwinning schijnt toe te schrijven aan de inspiratie van het
Goddelijke Wezen (Instinctu Divinitatis). Wanneer deze woorden er niet
later bijgevoegd zijn, schijnen zij de bewering te bevestigen, dat
hij zijn overwinning dankte aan de gunst van den God der Christenen,
die hem het kruis als zijn veldteeken had gegeven en hem door een
bovennatuurlijk visioen had verzekerd, dat hij met dat teeken zou
overwinnen. [16]
Maar het is moeilijk te zeggen of Constantijn in dezen tijd--of
zelfs wel ooit--oprecht de Christelijke leer als de eenige ware
heeft aangenomen en openlijk afgekondigd. Dat hij de eischen van de
Katholieke Orthodoxie niet heeft ingewilligd is zeker. Het verhaal
dat hij en zijn zoon Crispus gedoopt zijn door Bisschop Silvester
in de Lateraan-kerk voor hun veldtocht (in 323) tegen Licinius en
de inneming van Constantinopel--deze doop is het onderwerp van een
der fresco's van het Vatikaan--is niet geloofwaardig; het ontstond
zonder twijfel tegelijkertijd met het nog beroemder verhaal van
Constantijn's bekende gift aan Silvester, waarover men meer zal
hooren, als wij den tijd van Karel den Groote behandelen. Bovendien
schijnt het vast te staan dat hij op het einde van zijn leven Arius
zelf in het oog loopend begunstigde en dat hij den doop ontving op
zijn sterfbed, uit de handen van een Ariaansch prelaat, Eusebius
van Nicomedia, die verbannen was, toen het Concilie van Nicaea het
Arianisme veroordeelde, maar was teruggeroepen en door den Keizer
was gerehabiliteerd. Te midden van zoovele tegenstrijdige verhalen
is het onmogelijk de waarheid te vinden. Er wordt ook verteld dat
Constantijn zijn Christelijke onderdanen zeer gunstig gestemd was;
dat hij de kruisiging uit eerbied voor Christus afschafte; dat hij
kort na zijn overwinning op Maxentius het beroemde Edict van Milaan
uitvaardigde, waarbij de Christelijke leer als Staatsgodsdienst
werd erkend; dat hij ijverig deelnam aan de kerkelijke discussies
en zelfs preekte over de meest diepzinnige theologische onderwerpen
[17]; dat hij af liet kondigen, dat noch zijn persoon noch zijn
beeld ooit in tempels mocht worden vereerd; dat hij medailles,
schilderijen en munten (waarvan eenige over zijn) liet maken, die hem,
met den Christelijken standaard, in een devote en smeekende houding
voor symbolen van den Christelijken godsdienst, voorstellen; dat
hij menig heidensch Romeinsch senator beleedigde door te weigeren
aan een processie ter eere van Jupiter Capitolinus deel te nemen;
dat hij het Concilie bijeen riep, hetwelk onzen godsdienst omschreef;
dat ten slotte zijn standbeeld in Rome hem voorstelt met een kruis in
de hand, waaraan hij, volgens de inscriptie, zijn overwinningen dankte.
Aan den anderen kant wordt verzekerd dat hij, waarschijnlijk tot
op hoogen leeftijd, een ijverig vereerder was van den zonnegod--van
Apollo, of van Mithras [18]; dat men hem op munten met deze heidensche
goden ziet afgebeeld; dat hij de apotheosis van zijn vader Constantius
afkondigde en hem aldus onder de Olympische godheden plaatste;
dat hij heidensche elementen in het nieuwe godsdienstige systeem
bracht, daar hij den Dag des Heeren gelijk stelde met hetgeen hij
in zijn Edict noemt "den ouden en eerbiedwaardigen dag van de Zon"
en dat hij voor het Westersche Christendom het feest van Christus'
geboorte vaststelde op den tijd van de nieuwe geboorte van de zon,
dadelijk na den winter-zonnestilstand [19]. Eindelijk kan nog een
merkwaardig bewijs van zijn vreemde, onpartijdige onverschilligheid
worden aangehaald: op een hooge zuil (waarvan nog een gedeelte te
Constantinopel bestaat) was een bronzen beeld gezet, sommigen zeggen
een werk van Phidias zelf, dat van Athene was gehaald. Dit beeld,
dat Helios voorstelde met een stralenkrans (zooals de zonnegod van
Rhodus op de munten heeft) nam Constantijn aan als een beeltenis
van hem zelf in de dubbele hoedanigheid van zonnegod en Christus,
terwijl hij de oorspronkelijke zonnestralen misschien liet vervangen
door spijkers van het Kruis. [20]
Wij kunnen dergelijke daden misschien toeschrijven aan politieke
beweegredenen, of verdraagzaamheid, of een merkwaardige vereeniging
van ijver voor de uiterlijke vormen van paganisme en Christendom,
maar het is moeilijk te gelooven, dat Constantijn gedreven werd door
een meer edele leerstelling van beide eerediensten. Wij kunnen slechts
afschuw gevoelen voor een man, die te midden van al zijn godsdienstig
vertoon, na zijn politieke mededinger en diens familie gedood te
hebben, de terechtstelling van zijn eigen zoon en vrouw bewerkte
(zie p. 4) en dat nog wel op blijkbaar ongegronde beschuldigingen.
In het jaar 325, dat tusschen deze beide bloedige daden van Constantijn
ligt, leidde hij het groote Concilie te Nicaea in Bithynie, om de
actueele kwesties te beslechten, die gerezen waren tusschen de
volgelingen van Arius, een priester van Alexandrië, en hen, die
met Athanasius aan het hoofd, den lateren bisschop van Alexandrië,
onder den naam van Katholieken er aanspraak op maakten de eenige,
algemeene Christelijke Kerk te vertegenwoordigen.
Constantijn nam het besluit van Nicaea--de veroordeeling van het
Arianisme--aan en onderteekende het. Maar deze ketterij had toch
gedurende vele jaren in Constantinopel en het grootste gedeelte van
het Oostelijk Rijk de overhand, daar zij zelfs door de Synode van
Jeruzalem werd aangenomen, en ook door de Goten en Vandalen in het
Westen en in Afrika; en, zooals wij reeds gezien hebben, Constantijn
zelf bleef maar een tijdelijk aanhanger van het Katholicisme en werd
ten slotte door een Ariaansch bisschop gedoopt.
Het geschilpunt te bespreken, dat de Arianen en de Katholieken zoo
ontvlamde en dat gedurende vijf eeuwen (tot de komst van de Franken)
zulk een bitteren en ellendigen strijd en schisma in de Kerk verwekte,
ligt buiten het bestek van dit werk. Men weet, dat het bestond in
de verschillende opvattingen van de natuur van Christus, met het
oog op Zijn identiteit met den Eersten Persoon van de Drieëenheid
en Zijn bestaan als de Logos sinds alle eeuwigheid, en dat de
Athanasische Leer het Katholieke geloof, in zijn geheelen omvang,
aanneemt. Bovendien was er een gematigde partij van semi-Arianen, die,
terwijl zij de homo-ousia (de wezensgelijkheid) van den Zoon en den
Vader verwierpen, de homoi-ousia (de gelijkvormigheid) aannamen--het
onderscheid tusschen beide termen kunnen wij aan theologen overlaten;
wij zullen slechts de juiste opmerking van Gibbon aanhalen, dat
"woorden, die het dichtst bij elkaar komen, dikwijls de grootste
tegenstelling aangeven". Misschien zullen de meesten van ons het ook
wel met hem eens zijn, wanneer hij zegt, dat, zoodra de Christenen
vrij waren geworden van externe vervolging [21], zij elkaar begonnen
te vervolgen, daar zij heftiger begeerden het wezen van hun Stichter
te onderzoeken dan Zijn wetten in praktijk te brengen.
De priester van Alexandrië, wiens leer in den tijd van ongeveer zes
jaar (319-325) in zulk een wijden kring was aangenomen door geesten,
die de leer van de Drie in Eén niet konden bevatten--dezelfde geesten,
die later bij den beeldenstorm de subtiele onderscheiding niet konden
begrijpen tusschen vereering van beelden en afgodendienst--werd
tengevolge van het Niceensche besluit geëxcommuniceerd en verbannen,
tegelijk met vele Ariaansche prelaten; en alle Ariaansche geschriften
werden veroordeeld om door het vuur te worden vernietigd.
Maar, gelijk wij hebben gezien, zoowel Arius als zijn volgelingen,
zooals Bisschop Eusebius van Nicomedia, werden weldra teruggeroepen
en in de laatste jaren van Constantijn schijnt hij aan het keizerlijk
hof bijzondere gunst genoten te hebben. In 336, het laatste jaar
van Constantijn's regeering, zou Arius toegelaten worden tot het
avondmaal in de Kathedraal van Constantinopel, maar op den voor die
plechtigheid vastgestelden dag stierf hij plotseling, een voorval,
dat zijn tegenstanders herinnerde aan het lot van Judas, maar misschien
door vergift was veroorzaakt.
Athanasius overleefde zijn grooten mededinger 37 jaar. Hij zag vier
keizers na Constantijn den troon van het Oosten bestijgen. Vier
keer werd hij uit Alexandrië verdreven door zijn godsdienstige
tegenstanders. Hij werd afgezet door Constantius en na zijn
herstelling door Constans werd hij weder afgezet door Julianus
en gerehabiliteerd door zijn beschermheer en bewonderaar Jovianus
[22], en toen misschien nog eens verbannen door Valens. Maar hij
overleefde al deze gevaren, éen of tweemaal misschien geholpen door
een wonderbaarlijke verdwijning en op bovennatuurlijke wijze gevoerd
naar de woestijnen van opper-Egypte, toen hij bijna werd gevangen
genomen. Hij stierf rustig, tachtig jaar oud, te Alexandrië, waar
hij gedurende 46 jaar met eenige onderbreking patriarch was geweest.
Deze twisten tusschen Trinitariers en Arianen mogen, zoo schijnt het,
met Italië in geenerlei betrekking staan, wij zullen toch weldra zien,
hoe zij leidden tot dat conflict tusschen de burgerlijke en kerkelijke
machten [23], tusschen keizers en pausen, hetwelk zulk een belangrijke
rol speelt in de geschiedenis van Italië; en voordat wij het onderwerp
loslaten, zal het nuttig zijn te verhalen hoe in het Westelijk Rijk
ten slotte het schisma is geheeld.
Wij hebben al gezien, dat de Goten en Vandalen en andere barbaren
bekeerd werden door Ariaansche zendelingen. De groote koninkrijken
van de West-Goten in Gallië en Spanje, van den Vandaal Gaiserik in
Afrika en van de Oost-Goten onder Theoderik in Italië waren alle
broeinesten van Ariaansche ketterij [24], tot de vernietiging van de
twee laatste rijken in 534 en 553. Ongeveer dertig jaar later verwerpt
de koninklijke erfgenaam van den troon der West-Goten het Arianisme,
staat tegen zijn vader op en wordt terechtgesteld. (Later werd hij
gecanoniseerd als St. Hermenegild.) Zijn broeder bestijgt den troon en
brengt het geheele volk er toe het Katholicisme te omhelzen. Daarna,
ongeveer 603, onder invloed van koningin Theodelinda, die zelf daartoe
was overgehaald door Paus Gregorius den Groote, werden de Lombarden,
die tot dusverre Arianen waren, orthodoxe Katholieken. Ondertusschen
zijn de West-Goten en andere bewoners van Gallië door de Franken
bekeerd tot het Trinitarische geloof en kort voor het aftreden van
Pepijn en Karel den Groote is het Arianisme in Italië uitgeroeid.
Maar, nadat wij nu eenigszins zijn afgedwaald om het einde van dezen
twist te bereiken--de heftigste van de velen [25], die den vrede van de
Kerk verstoord en haar bestaan in gevaar hebben gebracht--laten wij nu
terugkeeren tot ons onderwerp, den strijd tegen den gemeenschappelijken
vijand, het Heidendom, welks vernietiging lang voor de algeheele
verdwijning van het Arianisme bereikt is. [26]
Doch eerst een paar woorden over een vorm van paganisme, die misschien
een gevaarlijker, en zeker een sluwer vijand bleek te zijn dan het
grove bijgeloof van de menigte of de meesleepende pracht van het
heidensch ritueel.
Sommige van de diepzinniger leerstellingen van het Athanasische
Christendom, zooals die, welke betrekking hebben op de Drieëenheid
en den Logos, hebben een merkwaardige verwantschap met de leer van
oud-Grieksche philosophen--Pythagoras en Plato b.v.--hetzij, omdat
gelijke gedachtenvormen voortspruiten uit de diepere instinkten en
overtuigingen van de menschelijke natuur, hetzij, omdat de Christelijke
theologen vormen overnamen, die een duidelijke weergave waren van hun
Godsbegrip. De geboorteplaats van het Neoplatonisme was Alexandrië,
de stad van Athanasius en Arius. Een eeuw voor hen legde Plotinus
de grondslagen voor dit systeem van denken, dat door hem en zijn
beroemden leerling Porphyrius op een onderbouw van Platonische en
Pythagoreïsche beginselen was opgetrokken om een philosophische theorie
te vormen, die de Kerk vijandig was. Door hen en andere leeraren van
dezelfde school werd het Neoplatonisme naar Rome en Athene gebracht,
waar het snel wortel schoot en een ernstig gevaar werd voor het
Christendom. Theodosius verbrandde in het openbaar Porphyrius' bekende
verhandeling tegen den Christelijken Godsdienst; maar de verderfelijke
leer groeide voort, totdat in 529 Justinianus haar uitroeide door
de scholen van Grieksche philosophie op te heffen. Neoplatonisme,
zooals het door Plotinus wordt geleerd, ontleent, ofschoon hij
die verkeerd heeft begrepen [27], de fantastische beschrijving van
het menschelijke lichaam als de gevangenis van de ziel aan Plato's
Phaedo. De verachting en afschuw, die deze valsche Platonisten voelden
voor hetgeen St. Franciscus zoo hartelijk "broeder ezel" heeft genoemd,
hadden zonder twijfel, onder invloed van een op oostersche wijze
overprikkelden toestand, het krankzinnige Egyptische en Aziatische
ascetisme ten gevolge--een resultaat, veel verderfelijker dan eenig
ander, dat bereikt werd door de bittere vijandschap van hen, die,
zooals Julianus Apostata, openlijk het Christendom aanvielen of zelfs
van die latere Neoplatonisten, die een nieuw Evangelie verkondigden,
terwijl zij Pythagoras zelf als den Antichrist voorstelden.
Er is al vroeger verteld (p. 5), hoe Julianus op den troon kwam. Daar
zijn korte regeering van ongeveer achttien maanden belangrijk is
door zijn poging om het Heidendom te herstellen, zullen wij die in
het kort bespreken, terwijl wij de veel langer regeering van den
zwakken, onbetrouwbaren en onmenschelijken Constantius overslaan,
daar deze slechts weinig invloed had op den gang der gebeurtenissen,
behalve voor zooverre hij zijn vader's voorbeeld volgt in kerkelijke
aangelegenheden en zich voor het Arianisme verklaart, Athanasius
te Alexandrië vervolgt, en een anderen paus te Rome kiest, waardoor
hij den eerste van die Romeinsche opstanden verwekt, die later zoo
herhaaldelijk voorkomen.
Men zal zich herinneren, dat Julianus gevangen werd gezet en naar
Athene verbannen door zijn neef Constantius. Hier bracht hij zes
maanden door met philosophische studie, waarschijnlijk onder leiding
van Neoplatonisten [28]. Ofschoon hij reeds in 351 te Ephesus als
jongeling in het geheim was ingewijd in de mysteriën van de oude
Chthonische of Orphische leer, heeft Julianus waarschijnlijk eerst
te Athene, ongeveer 25 jaar oud, beslist het Christelijk geloof
afgezworen. Hierin was hij opgevoed door Eusebius, dien bekenden
bisschop, dien wij reeds ontmoet hebben aan het bed van den stervenden
Constantijn. Eusebius bezielde zijn jeugdigen leerling met zooveel
ijver, dat hij, naar men zegt, gewoon was de oefeningen te leiden in
de Kathedraal van Nicomedia.
Dramatische gebeurtenissen leidden tot zijn troonbestijging. Na zijn
terugroeping naar Milaan, zijn huwelijk met de zuster van Constantius
en zijn benoeming tot Caesar van de praefecturae van Gallië en
Brittannië--gebeurtenissen die hijzelf met humor vertelt, terwijl
hij zijn verlegenheid beschrijft bij de plotselinge metamorphose
[29]--ontwikkelt hij groote kracht en talent als veldheer. Hij
verslaat de Alemannen bij Straatsburg en stuurt hun koning naar
Constantius. Hij onderwerpt de Franken aan den beneden-Rijn, steekt
daarna de rivier over bij Mainz en verwoest het land der barbaren. Hij
bouwt zeven steden tusschen Mainz en de Noord-Zee weder op en vestigt
zich te Parijs, zijn residentie, "het dierbare Lutetia", dat toen
een versterkte plaats was op het Seine-eiland, met houten bruggen
verbonden aan den Campus Martius, het paleis, theater en de baden
(nu het Museum de Cluny) aan den zuidelijken oever van de rivier
(het tegenwoordige "Quartier Latin").
Plotseling, als een donderslag bij helderen hemel, komt een order
van Constantius (die door zijn hofbeambten--meest eunuchen--werd
getiranniseerd) dat het meerendeel van de Gallische legioenen dadelijk
naar Perzië moet marcheeren! De troepen belegeren terstond hun generaal
in zijn palatium onder luid geschreeuw van "Julianus Augustus", heffen
hem op een schild en roepen hem tot keizer uit. Hij protesteert;
maar het noodlottige woord is uitgesproken en de soldaten houden
vol. Derhalve zendt hij een bericht naar Constantius, die nu te
Antiochia is en vraagt nederig om bekrachtiging van den titel. Maar
Constantius, woedend, eischt onderwerping. Daarop vaardigt Julianus de
beroemde proclamatie uit, waarbij hij zijn lot aan de "onsterfelijke
goden" toevertrouwt, terwijl hij aldus den band met den Keizer en
het Christendom breekt, verzamelt een groot leger te Basel, zendt
troepen langs verschillende wegen naar Italië, rukt ondertusschen zelf
met 3000 man dwars door het Marciaansche (Zwarte) Woud, bereikt den
Donau, komt in elf dagen, op een flottille, die hij had bemachtigd,
te Sirmium en dringt Illyrië binnen.
Constantius rukt op van Antiochia, om den usurpator op te jagen, ut
venaticiam praedam; maar te Tarsus sterft hij aan een koortsaanval
en Julianus trekt Constantinopel binnen, waar het keizerlijk leger
zich vóór hem verklaart, ofschoon de eunuchen een tegen-candidaat
hadden gesteld. Hij gaat dadelijk aan het werk om het hof te redden
"uit de kaken van een veel-koppige Hydra", om zijn eigen uitdrukking
te gebruiken en jaagt een menigte satellieten, spionnen, aanklagers,
eunuchen en andere ministers van weelde en misdaad weg. Gedurende
de weinige maanden van zijn verblijf in de hoofdstad legt hij een
grooten ijver aan den dag om den ouden godsdienst te herstellen en,
terwijl hij een philosophische verdraagzaamheid afkondigt en soms
de andere godsdiensten begunstigt, is hij een heftige vijand [30]
van bijzondere aanspraken van het Christendom en bij uitstek streng
tegen Athanasius als den leider van hetgeen hij beschouwt als de meest
exclusieve en onverdraagzame van alle sekten. Hij beveelt den herbouw
en de heropening van alle heidensche tempels; hij roept alle verbannen
Ariaansche prelaten terug; hij vernietigt het labarum en het Kruis;
hij stelt de colleges van augures en flamines weer in, en is als
Pontifex Maximus voorzitter bij de heidensche ceremoniën; hij geeft
enorme sommen uit aan offers voor de heidensche goden, maar schrijft
tevens een brief aan het Joodsche volk, waarin hij hen verzekert
hun "Groote Godheid" te eerbiedigen en hen te willen beschermen
tegen de Galileërs "die den éénen waren God hebben verzaakt", hij
onderneemt het zelfs den Tempel op den berg Moriah te herbouwen,
met de bedoeling Salomo zelf te overtreffen, niet alleen door de
pracht van het bouwwerk, maar ook in het getal van de offerdieren
bij de inwijding--in Salomo's geval was dit 22.000 ossen en 120.000
schapen! Maar toen de grond uitgegraven werd om de nieuwe fundamenten
van den Tempel te leggen, zegt men, dat een geweldige ontploffing en
aardbeving zulk een schrik verwekten dat het werk werd opgegeven.
In hoeverre Julianus gesteund werd door het ware paganisme of
den tijdelijken afval van zijn onderdanen, is lastig na te gaan,
want het is even gevaarlijk de vleiende verhalen van zijn vriend
en aanbidder Libanius, den Griekschen redenaar en schrijver (den
leeraar van St. Basilius en St. Chrysostomus) te vertrouwen, als de
vijandige getuigenis van Gregorius van Nazianzus en andere kerkelijke
kroniekschrijvers. Men moet den geestdrift van Julianus voor den
ouden godendienst vooral toeschrijven aan zijn vurige liefde voor
oude kunst, litteratuur en philosophie en aan zijn afkeer om zich te
onderwerpen aan de aanmatigende dogmata van een priesterschap, dat de
wijsheid van Socrates en de kunst van Homerus met gelijke verachting
beschouwde. Maar--zoo zwak is de menschelijke natuur--hijzelf,
een leerling van Plato, een geleerde, een begaafd redenaar, een
uitstekend schrijver van beide klassieke talen, een voorbeeld van
gematigdheid en kuischheid [31], werd de prooi van het grofste en
belachelijkste bijgeloof. Hij werd vereerd, zooals hij geloofde,
door de intieme vriendschap en duidelijke aanwezigheid van de goden
zelf; hij raadpleegde hen door middel van voorspellingen en orakels
en herkende hun wil in de wonderen, en hun stem in de voorteekens.
Zijn enthusiasme voor de oude helden bracht Julianus er toe Alexander
den Groote na te volgen, zooals hij ook reeds beproefd had de daden
van Caesar in Gallië na te volgen [32]. Sinds den tijd van Keizer
Alexander Severus (c. 226) had Perzië onder haar koningen uit de
Sassaniden-dynastie den Romeinen steeds grooten last veroorzaakt. De
tegenwoordige monarch, Sapor (Shapur) II, was de negende van die
groote dynastie. Hij had reeds langer dan een halve eeuw geregeerd
[33] en bleef in leven tot het vierde jaar van Theodosius' regeering,
zoodat hij zes Keizers op den troon van het Oosten zag opvolgen. Hij
had Constantius en de keizerlijke troepen uit Mesopotamië verdreven
en dreigde hen uit Azië te jagen. De veldtocht van Julianus tegen
Sapor, waar uitgebreide toebereidselen voor waren gemaakt, eindigde,
zooals wij zagen, met zijn dood, en bijna met de vernietiging van
zijn leger. Hoe Jovianus er in slaagde het overschot te redden door
een roemloozen en ellendigen terugtocht, hoe hij gedurende zijn korte
regeering de luide toejuichingen verwierf van al zijn Christelijke
onderdanen door de herstelling van hun godsdienst, en de dankbaarheid
van de anti-Aranen door Athanasius weder op den patriarchalen troon
van Alexandrië te plaatsen, is vroeger verteld (p. 5).
Gedurende de regeering van Valentinianus en Valens, die
reeds verteld is in het Historisch overzicht, was wellicht de
belangrijkste gebeurtenis de bekeering van de West-Goten, of het
begin daarvan, door Ulfilas († 381), ofschoon de Trinitariërs
dit waarschijnlijk beschouwden als een Pyrrhus-overwinning van
het Christendom. Valentinianus schijnt verdraagzaam, of misschien
onverschillig geweest te zijn in doctrinaire aangelegenheden en eerbied
te hebben verworven wegens zijn manlijk en gematigd karakter. In
zijn latere jaren echter kreeg zijn cholerische aanleg de overhand en
veranderde hem in een woedenden tyran, wiens slachtoffers bij duizenden
werden terechtgesteld, beschuldigd van verraad en hekserij. [34]
De hysterische angst, verwekt door het geloof aan hekserij, had
ook op den zwakzinnigen Valens een dergelijke uitwerking. Van
de verst verwijderde deelen van Azië werden jong en oud gesleept
voor den rechterstoel van Antiochia, waar de keizer gewoon was te
resideeren. Zoo talrijk waren de gevangenen, dat de keizerlijke
troepen nauwelijks voldoende waren om hen te bewaken en in afgelegen
provinciën de vluchtelingen de bevolking in getal overtroffen.
Maar Valens bepaalde zich niet tot zulke wreedheden. Drie jaar na
zijn troonbestijging was hij gedoopt door den Ariaanschen Patriarch
van Constantinopel. De keizerlijke neophiet ontwikkelde zich weldra
tot een blinden ijveraar en een wreeden vervolger van "Athanasische
ketters" zooals hij hen noemde en het Oostelijke Rijk was weldra in
gisting en oproer. Dit duurde zoo lang, totdat Aartsbisschop Basilius
te Caesarea--eens de mede-student van Julianus te Athene, later
beroemd als kluizenaar en stichter van de eenige monniken-orde van de
Oostersche Kerk--den keizer trotseerde, zooals later St. Ambrosius
te Milaan Theodosius trotseerde en met hetzelfde gunstige gevolg;
want, naar men vertelt, geraakte Valens zoo onder den indruk, dat
hij bezwijmde in tegenwoordigheid van allen, toen hij van het altaar
werd teruggestooten, en dat hij boete deed voor zijn wreedheden door
Basilius een groot landgoed te schenken om daar een hospitaal te
stichten. Valens verdween, zooals reeds verhaald is, in den grooten
slag bij Hadrianopolis in 378.
In het Westen was Valentinianus opgevolgd door zijn zoon Gratianus,
(vgl. p. 7) een vriendelijken en sport-lievenden jongeling van 16 jaar,
die als collega zijn vierjarigen stief-broeder aannam, Valentinianus
II, terwijl hij het kind en zijn moeder Justina de praefectura Italië
toewees en de beide Galliae voor zich hield. Hij was nog een jonge man
van 24 jaar, toen hij door den usurpator Maximus te Lyon werd gedood
en had blijkbaar meer belangstelling in zijn herten- en berenparken
dan in Kettersche spitsvondigheden, zoodat tijdens zijn regeering van
acht jaar de Gallische Kerk vrij is gebleven van twisten, ofschoon
zij een werkzaam aandeel nam in het vernietigen van de heidensche
reliquieën. Te Rome bovendien schijnt Gratianus met Justina en haar
zoon veel bij te hebben gedragen tot het uitroeien van het paganisme,
want wij vernemen dat hij het oude college der Vestaalsche Maagden en
Augures heeft afgeschaft en de beelden der goden heeft vernietigd. [35]
Toen Valens verdwenen was, koos Gratianus tot Augustus van
het Oostelijk Rijk een dapperen soldaat van Spaansche afkomst,
Theodosius, die in het keizerlijk leger in Brittannië had gediend
en Hertog van Moesia was geworden. De vader van Theodosius was,
na schitterende veldtochten in Brittannië en Afrika, te Carthago
terechtgesteld, blijkbaar krachtens een beuzelachtige beschuldiging
van verraad. Wegens de ongenade en den dood van den ouden Theodosius
had de zoon zich teruggetrokken op zijn landgoed in Spanje, om zich,
zooals Xenophon of Cincinnatus, te wijden aan de verbetering van zijn
landerijen. Vandaar werd hij na vier maanden geroepen om de plaats
in te nemen, die door Valens' dood open was gevallen.
Gedurende zeventien jaar (378-395) was Theodosius eigenlijk de
heerscher, niet alleen in het Oosten, maar als beschermer van den
jongen Valentinianus en zijn moeder en als overwinnaar van Maximus
en Arbogast, ook in Italië en het verre Westen, ofschoon hij slechts
in het laatste jaar van zijn regeering onbetwist alleenheerscher
was. (Zie Historisch Overzicht p. 8).
In deze zeventien jaar (het onderwerp van het volgende hoofdstuk)
stierf het heidendom snel uit en ofschoon wij later nog eenige
merkwaardige overblijfselen ontmoeten, mogen wij toch aannemen dat op
het einde van Theodosius' regeering of het einde van de 4e eeuw, de
oude godsdienst in het Keizerrijk verdwenen was en de Trinitariaansche
of Athanasische Kerk--vooral de zoogenaamde Katholieke Kerk in
Italië--een waardige en invloedrijke positie tegenover de burgerlijke
macht had verworven.
HOOFDSTUK IV.
THEODOSIUS DE KATHOLIEKE.
De eerste plicht van den nieuwen Keizer in het Oosten was de nederlaag
van Hadrianopolis te wreken. Voordat hij van Thessalonica, waar hij
het Keizerlijk leger weer samengesteld had, tegen de West-Goten optrok,
onderging Theodosius den ritus van den doop en las het volgende edict
voor [36], in naam, naar men zegt, van de drie Keizers, Gratianus,
Valentinianus en hemzelf: "Het behaagt Ons, dat al onze onderdanen
den godsdienst, die den Romeinen door den H. Petrus geleerd is,
aanhangen. Volgens de leer van de Apostelen en de Evangeliën moeten
wij gelooven in de eene Godheid van den Vader, den Zoon en den Heiligen
Geest, gelijk van majesteit in de Heilige Drieëenheid. Wij willen dat
de aanhangers van deze leer Katholieke Christenen heeten en brandmerken
alle anderen met den schandelijken naam van ketters en verklaren
dat hun vergaderplaatsen niet langer den naam van Kerken zullen
dragen." Laten wij letten op de aanmatiging van de drie wereldlijke
heerschers van het Romeinsche Rijk, dat zij niet alleen het recht
hadden om de Christelijke leer op te dringen, maar ook om hun eigen
uitleg te geven aan de leerstellingen der Apostelen. Niet minder dan
15 strenge edicten van dien aard, gericht tegen de ketters, werden
door Theodosius uitgevaardigd en overtreding werd bedreigd met zware
straffen, soms met de doodstraf. Het ambt van Geloofs-Inquisiteur,
een terecht zoo verafschuwde naam, werd het eerst tijdens zijn
regeering ingesteld.
De veldtocht tegen de West-Goten, die een grooten slag vermeden,
eindigde in een verdrag, waarbij den barbaren toegestaan werd zich
ten zuiden van den Donau te vestigen als bondgenooten (foederati) van
het Keizerrijk, op voorwaarde dat zij, zoo noodig, een contingent van
40.000 man zouden opbrengen. Ongeveer twintig jaar later betreurde de
laatste van de Romeinsche dichters, Claudianus, het bestaan van dat
groote staande leger als een gevaar voor het Keizerrijk; en terecht,
want slechts zes jaar daarna namen deze West-Goten Rome in.
In het volgend jaar (383) werd Gratianus te Lyon gedood, waarheen
hij van Parijs was gevlucht--verraden door zijn eigen legioenen
en gevangen door de ruiterij van den overweldiger Maximus, die van
Brittannië een zoo groot getal volgelingen had overgevoerd, dat dit
feit later werd vermeld als "de verhuizing van een belangrijk deel
van de Britsche natie." In verband met deze exodus moet hier vermeld
worden de legende van St. Ursula, de prinses van Brittannië en haar
elf duizend Britsche maagden, die, naar men zegt, als pelgrim langs
den Rijn over de Alpen naar Rome zijn getrokken en op haar terugkeer
zijn vermoord door de Hunnen of Friezen bij Keulen, waar haar schedels
nog te zien zijn. Het lijkt niet onwaarschijnlijk, dat de oorsprong
van deze legende was het lot van een transport van Britsche vrouwen,
misschien onder leiding van een edelvrouwe, die bestemd waren als
echtgenooten voor een deel der honderd duizend volgelingen van Maximus,
die door ongunstigen wind den Rijn ingedreven en in handen gevallen
waren van Salische Franken of woeste Friezen, die ongeveer vier eeuwen
later den grooten Engelsche zendeling St. Bonifacius hebben gedood.
Wanneer Maximus tevreden was geweest met zijn veroverd keizerrijk
van Brittannië, Gallië en Spanje, zou hij nu misschien bekend zijn
als een van de gelukkigste keizers van het Westen, want hij regeerde
over een groot rijk en bezat een machtig leger, voornamelijk gelicht
uit de krijgshaftige Germaansche stammen. Bovendien werd hij door
Theodosius erkend, die het verstandig vond zijn aanspraken op de
landen ten noorden en ten westen van Italië in te willigen. Toch
viel hij Italië aan, niet alleen gedreven door een onverzadelijke
eerzucht, maar ook door de hoop, of de zekerheid, dat de Katholieke
meerderheid onder de Italianen met vreugde zich zou losrukken van
de regeering van den jongen Valentinianus--of liever van zijn moeder
Justina, die sterk gehecht was aan de Ariaansche ketterij ondanks de
welsprekendheid en de wonderen van St. Ambrosius, den Bisschop van
Milaan. Nadat hij troepen had vooruitgestuurd onder voorwendsel die
aan Valentinianus te leenen, bezette de usurpator de Alpenpassen en
verscheen weldra voor Milaan met een groot leger.
Bij zijn nadering vluchtte Justina met haar zoon--nu vijftien jaar
oud--en liet St. Ambrosius [37] achter om den vijand het hoofd te
bieden. De vluchtelingen bereikten Aquileia, doch, omdat zij zich daar
niet veilig gevoelden, gingen zij te scheep, voeren om Griekenland
en bereikten na een moeilijke reis Thessalonica. Hier werden zij
bezocht en verwelkomd door Theodosius; maar de rijke hulpbronnen van
Maximus deden hem aarzelen dadelijk toe te geven aan de smeekbeden
van Justina. Doch weldra verdween deze aarzeling van Theodosius door
den invloed van de bekoorlijke dochter van Justina, de prinses Galla,
die reeds beroemd was om haar jeugdige schoonheid en nog beroemder
zou worden als moeder van Galla Placidia. Theodosius was weduwnaar en
besloot de jonge, bekoorlijke prinses te huwen; na de bruiloft brak
hij op met een leger, waarin sterke contingenten waren van West-Goten,
Hunnen en Oostersche volkeren.
Hij vond Maximus met zijn Gallische en Germaansche strijdkrachten
aan de overkant van de Sau en door een stoutmoedigen aanval wierp
zijn ruiterij, na de rivier te zijn overgezwommen, den vijand op de
vlucht. Maximus vluchtte naar Aquileia, de stad nabij de Adriatische
kust, die zoo beroemd is als het tooneel van zoovele botsingen, en bij
de aankomst van Theodosius, die van de Juliaansche Alpen neerstreek
als een adelaar op een gewonden haas, werd de usurpator van zijn
troon gesleept, ruw van zijn purper en keizerlijke sieraden beroofd,
en als een misdadiger naar de legerplaats en in de tegenwoordigheid
van Theodosius gebracht. De keizer vertoonde eenige neiging om den
tyran van het Westen te vergeven; maar die zwakke opwelling week voor
zijn gevoel van rechtvaardigheid en de herinnering aan Gratianus,
en hij gaf zijn slachtoffer aan de soldaten over, die hem wegsleepten
en dadelijk het hoofd van het lichaam scheidden.
Na deze overwinning bleef Theodosius gedurende meer dan twee jaren
(388-391) in Italië; hij was feitelijk de alleenheerscher over het
Westen en het Oosten, ofschoon hij de regeering van Valentinianus
en Justina erkende, die evenwel kort na haar terugkeer in Italië
stierf. Van Milaan uit bezochten de beide keizers in het voorjaar
389 Rome, waar zij een roemrijke inkomst hielden en naar men gelooft,
op de plaats van een door Constantijn gebouwde kerk, de fundamenten
legden van de S. Paolo fuori le mura [38], de grootste van de oude
basilieken te Rome, welke in 1823 is afgebrand.
In 390 vinden wij Theodosius weder in Milaan en toen had die
dramatische gebeurtenis plaats, welke wij verbinden aan de welbekende
basiliek van S. Ambrogio.
Ongeveer drie jaren te voren was er te Antiochia een oproer uitgebroken
tegen den katholieken eeredienst en de belastingen. Het gepeupel had de
standbeelden van den keizer en zijn zonen omvergeworpen en hoonend door
de straten gesleept. Verschrikkelijk was de wraak van Theodosius. De
stad werd vernederd en gestraft; een groot aantal gevangenen wachtte
pijniging en dood. Maar een smeekschrift werd naar Constantinopel
gestuurd en--deels door den invloed van St. Chrysostomus, die ons
een levendige beschrijving heeft gegeven van deze dagen en wiens
wondere welsprekendheid zijn wanhopige medeburgers steunde--werd
het bevel voor de executie uitgesteld tot het antwoord was gekomen;
en het antwoord was een algemeene vergiffenis.
Maar Theodosius vergat het oproer van Antiochia niet en toen in 390
in Thessalonica, het welvarende militaire centrum van Macedonië, een
tumult voorviel, waren de gevolgen veel ernstiger. De ongeregeldheden
waren veroorzaakt door de gevangenneming van een wagenmenner, die
bij het publiek zeer in de gunst stond. Er ontstond een botsing
tusschen de bevolking en het gezag; ambtenaren werden gedood en
hun lijken geschonden. Bij deze gelegenheid verwierp Theodosius
elk beroep op genade. Hij beraamde een laffe en onrechtvaardige
wraakneming. De inwoners van Thessalonica werden in den waan gebracht,
dat hij vergiffenis had geschonken, werden uit naam van den Keizer
uitgenoodigd voor de spelen in den Circus, waar zij door gewapenden
werden aangevallen en zonder onderscheid vermoord; 7000, andere zeggen
15000, kwamen om. Het misdadige van deze bijna ongeloofelijke wreedheid
wordt nog verzwaard door het feit dat Theodosius bijzonder was gesteld
op Thessalonica en haar bisschop, die hem daar, waarschijnlijk in de
tegenwoordigheid van vele van die burgers, had gedoopt.
St. Ambrosius is reeds genoemd; hij is bij velen bekend als de
geestelijke vader van den oudsten St. Augustinus, als de schrijver van
het Te Deum (misschien), van Latijnsche hymnen en als de uitvinder van
het Ambrosiaansche muzikale ritueel en dat systeem van beurtzangen,
waarop het gezang in de Anglikaansche Kerk is gebaseerd [39]. Maar
allen die Milaan kennen [40], denken, wanneer zij den naam van
St. Ambrosius hooren, aan de basiliek van S. Ambrogio en haar oude
deuren van cypressen-hout, ofschoon het, helaas, onzeker is of wij nog
ook maar de fragmenten bezitten van die deuren, die voor Theodosius
den Groote werden gesloten.
Ambrosius was de zoon van een Gallisch prefect van edele Romeinsche
afkomst. Hij was geboren te Trier in 340 en werd magistraat van
een district, dat Liguria en Milaan omvatte, in welke stad hij zoo
populair was, dat hij bij den dood van den bisschop (374) door de
geheele bevolking tot diens opvolger werd gekozen en tot zijn eigen
verbazing en die van de wereld plotseling van magistraat veranderd
werd in een aartsbisschop, voordat hij het sacrament van den doop
had ontvangen. En de keuze van het volk was wel gerechtvaardigd, want
er is in de annalen van de Middeleeuwsche Kerk geen persoon, die ons
sympathieker is. Het is waar, dat de meesten van ons de verhalen van
zijn droom ter zijde zullen leggen en ook van zijn ontdekking van
de heilige geraamten, die door hun wonderbare hulp hem beveiligden
tegen den toorn van Justina, zelfs al heeft men ons de beenderen van
Gervasius en Protasius in de crypte van S. Ambrogio laten zien. Maar
ieder zal ontroerd worden door zijn moed en edele drijfveeren. Door
zijn toedoen trad de Christelijke Kerk het eerst op om de zaak van
rechtvaardigheid en menschelijkheid te verdedigen tegen de door
de wet beschermde tyrannie van de burgerlijke macht. Zijn rustige,
uitdagende houding tegen Theodosius is een culminatie-punt van den
zuiver Christelijken invloed. Als de Kerk zulk een invloed tot haar
eenig ideaal had gekozen!
Bij verschillende gelegenheden had Ambrosius zijn moed reeds
getoond. Eens, toen Justina geëischt had, dat eenige Kerken te Milaan
aan de Arianen zouden worden afgestaan en haar Gotische soldaten
had gestuurd om een van die Kerken te bezetten, trad hij hen in den
weg en verschrikte hen zoo met zijn banbliksems, dat de regentes het
verstandiger vond haar eisch in te trekken.
Toen Ambrosius hoorde van het bloedbad te Thessalonica trok hij zich
eerst op het land terug en ontweek Theodosius. Maar begrijpend dat
langer zwijgen laf was, stuurde hij hem een schrijven, waarin hij,
ook uit naam van andere bisschoppen, zijn afschuw uitdrukte over de
wreedaardige daad en erbij voegde, dat zulk een bloedschuld tot gebeden
en boete dwong en hij geen altaar mocht naderen, en dat hijzelf door
een visioen gewaarschuwd was den dienst van het Avondmaal niet waar
te nemen in tegenwoordigheid van iemand, wiens handen waren bezoedeld
met het onschuldige bloed van duizenden [41].
Modern scepticisme ziet in dezen brief den oorsprong van een
schilderachtige fictie, n.l. de overlevering, dat de Keizer, toen hij
met zijn gevolg den ingang van de kathedraal naderde, de groote houten
deuren snel zag sluiten, of dat hij Ambrosius zelf vóór het portaal
vond om nog eens het Godshuis met banbliksems tegen bezoedeling te
beschermen [42]. Bovendien zegt de overlevering, dat, toen Rufinus,
de bekende minister van Theodosius, gestuurd was om te zeggen, dat zijn
meester de macht had om den ingang van de Kerk te forceeren, de Heilige
onversaagd antwoordde: "Dan zal hij over mijn lijk moeten gaan."
Hetzij wij deze dramatische geschiedenis moeten gelooven of niet, het
schijnt niet te betwijfelen, dat Theodosius, onder den indruk van den
moed van Ambrosius en waarschijnlijk ook door het bewustzijn van de
onmenschelijke daad, waartoe hij door zijn hartstocht was gedreven,
openlijk boete heeft gedaan in de kathedraal en als boeteling gekleed
zich op de knieën heeft geworpen en de woorden van den Psalmist heeft
herhaald: "Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw
woord." Wanneer wij aan dit tooneel denken en ons het edict herinneren,
dat Theodosius een paar jaar tevoren had uitgevaardigd, waarin hij
zich, alsof hij zoowel de wereldlijke als ook geestelijke heerscher
was, het recht aanmatigde het Romeinsche Keizerrijk een geloof voor
te schrijven en het wezen van de Drieëenheid te bepalen, worden wij er
ons van bewust dat een nieuwe en reeds invloedrijke macht is ontstaan,
die zich met ongeloofelijke snelheid heeft uitgebreid, sinds den
dag waarop Constantijn de zwakke en vervolgde Kerk het eerst steun
beloofde. En wanneer wij verder denken, aan Keizer Hendrik te Canossa,
of aan Frederik Barbarossa, geknield in het portaal van S. Marco te
Venetië, hoe levendig doet ons dat dan het verschil beseffen tusschen
de drijfveeren en idealen van St. Ambrosius en die van Hildebrand of
Paus Alexander!
In het volgend jaar (391) keerde Theodosius naar Constantinopel terug
en ging in triomf de Gouden Poort door, die in zijne afwezigheid was
opgericht om zijn overwinning over Maximus te herdenken. Deze poort
werd later in het bijzonder gebruikt voor den plechtigen intocht
van de Keizers. Zij bestaat nog en heeft eenige zeer fraaie zuilen;
maar zij is dichtgemetseld. Een overlevering handhaaft zich onder de
Turken, dat door deze poort eens een Christelijk overwinnaar zal komen!
In 392 vond men Valentinianus gewurgd in zijn slaapkamer te
Vienne. Deze daad was ongetwijfeld bedreven of beraamd door Arbogast,
een heidenschen Frank, die tot bevelhebber der Keizerlijke legioenen in
Gallië geklommen was en zulk een onbeschaamde houding had aangenomen,
dat de jonge Keizer een paar dagen voor zijn dood, een soldaat het
zwaard had ontrukt en met moeite was verhinderd den trouweloozen
bevelhebber te doorboren. Arbogast, die het niet waagde het purper
aan te nemen, proclameerde als Keizer van het Westen een rhetor,
Eugenius, zijn vroegeren secretaris.
Valentinianus' zuster, Galla, die Theodosius had gehuwd en zeer
liefhad, spoorde haar echtgenoot dringend aan den moord op haar
broeder te wreken. Maar Arbogast had een groot leger en in naam van
zijn keizerlijke pop had hij zich meester gemaakt van Rome en het
Westelijke Keizerrijk. Daarom was het noodzakelijk voor Theodosius
een grootere macht te verzamelen, voordat hij weder een veldtocht
naar Italië waagde. Doch eerst wilde de vrome Keizer den Hemel over
zijn tocht om raad vragen. Daar het Christendom de orakels van Dodona
en Delphi tot zwijgen had gebracht, raadpleegde hij een Egyptischen
monnik, die, naar men meende, de gave van mirakels en de wetenschap
van de toekomst bezat. Eutropius, een van de eunuchen-gunstelingen
van het hof te Constantinopel, scheepte zich voor Alexandrië in,
vanwaar hij den Nijl opzeilde tot de stad Lycopolis, in de afgelegen
provincie Thebaïs. In de buurt van die stad, op den top van een hoogen
berg had de heilige Johannes met eigen hand een nederige hut gebouwd,
waar hij meer dan vijftig jaar had gewoond, zonder de deur te openen,
zonder het gezicht van een vrouw te zien, zonder eenig voedsel, dat met
vuur of menschelijke kunst bereid was. Vijf dagen van de week bracht
hij in gebed en overpeinzing door, maar op Zaterdag en Zondag opende
hij een klein venster en gaf audientie aan de menigte smeekelingen,
die uit alle oorden van de Christelijke wereld toestroomden. Het
gezantschap van Theodosius naderde het venster met eerbiedige schreden,
stelde zijn vragen betreffende den uitslag van den burgeroorlog en
kwam weldra terug met een gunstig orakel, hetwelk den moed van den
Keizer aanwakkerde door de verzekering van een bloedige, doch stellige
overwinning. De vervulling van die voorspelling werd bevorderd door
alle middelen, die menschelijk beleid kon verschaffen.
Voordat deze toebereidselen waren geëindigd, werd Theodosius getroffen
door het verlies van zijn jonge en bekoorlijke vrouw, die stierf bij
de geboorte van haar eenig kind, Galla Placidia. Doch hij gaf zijn
plan niet op en den 6en September 394 ontmoetten de legers elkander
bij de rivier de Frigidus, niet ver van Aquileia. Twee dagen lang
woedde de slag. Tienduizend van de Gotische hulptroepen [43] van
Theodosius kwamen om bij de bestorming van de wallen van den vijand;
maar eindelijk, geholpen door een geweldigen storm uit het Noorden
en door de desertie van sommige Gallische troepen van Arbogast,
dreef het Oostelijke leger den vijand op de vlucht. Eugenius werd
gevangen genomen en onthoofd. Nadat Arbogast verscheidene dagen in
de bosschen had gezworven en de onmogelijkheid om te ontvluchten had
ingezien, stortte hij zich in zijn zwaard. Hoe Theodosius vier maanden
later te Milaan sterft, terwijl hij het Rijk aan zijn twee zonen,
Honorius en Arcadius nalaat, is reeds verhaald (p. 8). Men vertelt,
dat hij prachtige Circus-spelen had voorbereid om Honorius, die toen
ongeveer tien jaar oud was, openlijk te verwelkomen, dat hij zelfs
's morgens bij de uitvoering aanwezig was, maar 's middags niet langer
kon blijven en den volgenden nacht stierf.
Het karakter van Theodosius kan men, zoo lijkt het, gemakkelijk
uit deze daden leeren kennen; maar wij zijn er niet zeker van,
dat deze daden altijd nauwkeurig zijn overgeleverd en altijd door de
tijdgenooten onpartijdig zijn beschreven. Aan den eenen kant hebben wij
zijn vereerders, den Christelijken, Latijnschen dichter Prudentius en
de Katholieke of Trinitarische Vaders, b.v. Gregorius van Nazianzus (†
379), Hieronymus, Chrysostomus, Ambrosius en Augustinus, en aan den
anderen kant den belangrijksten kroniekschrijver van deze periode,
den heidenschen Zosimus, een partijdig en kwaadaardig schrijver,
die elke daad van deze regeering in een verkeerd licht stelt. Maar
zelfs Zosimus is zoo genadig toe te geven dat Theodosius een van de
grootsten van de Romeinsche vorsten was, en trots den afschuw, dien
wij gevoelen door het bloedbad te Thessalonica, niet ongelijk aan
de verbazing en afschuw, die de Christen-vervolgingen door Marcus
Aurelius bij ons opwekken, moeten wij toch in zijn karakter, naast
vreemd bijgeloof en woeste hartstocht, veel erkennen, dat edel en
bewonderenswaardig was. Het geeft echter meer voldoening feiten te
constateeren, dan te trachten karakters te analyseeren en drijfveeren
te verklaren. Daarom zullen wij hier nog slechts een paar feiten
bijvoegen, die samenhangen met de uitbreiding van het Christendom
tijdens zijn regeering en de eindelijke uitroeiïng van het paganisme.
Onder de ontelbare incidenten, die den geschiedschrijver van deze
periode ten dienste staan, is hetgeen gebeurd is met een standbeeld
van Victoria, dat Caesar van Tarentum meebracht en te Rome in het
senaatsgebouw oprichtte, bijzonder geschikt om de godsdienstige
bewegingen aan te geven; dit beeld was een groote figuur met
uitgespreide vleugels en een lauwerkrans in de uitgestrekte hand. Bij
het altaar, dat voor deze Victoria stond, legden de senatoren den eed
van trouw aan den staat af en daarop werd wijn en wierook geofferd voor
den aanvang der beraadslagingen in den Senaat. Het beeld en tevens het
altaar schijnen verwijderd te zijn door Constantius en misschien naar
Constantinopel gestuurd. Door Julianus is het altaar er weder geplaatst
en door Gratianus weder verwijderd, en weder opgesteld door Eugenius
(c. 393), die misschien een heiden was, of door Arbogast, die zeker
een heiden was, en nog eens verwijderd door Theodosius, kort voor
zijn dood, of door Honorius. Zoo kunnen wij gedurende ongeveer een
halve eeuw de afwisselende krijgskans van Christendom en Heidendom
nagaan. Vier keer werden er deputaties gezonden door de aanhangers van
den ouden godsdienst om van verschillende keizers weder de plaatsing
van het altaar te vragen. Een interessant verslag van een dezer
bezoeken aan het keizerlijk hof bestaat nog, geschreven door Symmachus,
een Romein van edele afkomst, zeer gezien om zijn welsprekendheid en
de ambten die hij had bekleed, pontifex, augur, proconsul van Afrika
en prefect van Rome. Dit gezantschap werd gezonden naar het hof van
Theodosius en Valentinianus te Milaan, en de rhetoriek van Symmachus
(die Rome in zijn redevoering tegenover de twee Keizers haar eigen
zaak liet verdedigen) werd overbluft door de welsprekendheid en het
sarcasme van St. Ambrosius, die, zooals wij uit zijn verslag zien,
de idee bespotte, dat de Romeinsche overwinningen te danken waren aan
de Olympische Goden en vroeg of Jupiter nog steeds sprak bij monde
van de ganzen die het capitool hadden gered.
Maar de overwinning van Ambrosius en het Christendom bij deze
gelegenheid vernietigde het Heidendom toch volstrekt niet. Hoe langzaam
en moeilijk het uitgeroeid is, blijkt duidelijk. Ondanks de strenge
wetten van Theodosius, die de misdaad van offeren en voorspellen uit de
ingewanden met doodstraf of verlies van goederen bedreigden, ondanks
de onbarmhartigste verwoesting en onteigening van tempels, werden de
heidensche ceremonies, zoo veranderd, dat de wet er geen vat op had,
toch jarenlang voortgezet, werden de heidensche priesterambten toch
door de edelste families bekleed en hield de vereering van den zonnegod
Mithras en de Magna Mater, Cybele, en andere vreemde godheden stand.
Er wordt verhaald, dat Theodosius, toen hij eens te Rome was,
plechtig aan den Senaat de vraag voorlegde, of Christus dan wel
Jupiter als God der Romeinen moest aangenomen worden, en dat bij
een regelmatige stemming Jupiter door een zeer groote meerderheid
veroordeeld werd. Maar zonder twijfel--als het verhaal waar is--had de
aanwezigheid van den Keizer invloed op dezen omkeer van geloof, want
het is een feit, dat de heidenen, niettegenstaande hun gelegenheid
genoeg gegeven werd, geen lust hadden in het martelaarschap; zij
onthielden zich van het ritueel, hetwelk zij zelf in de angstwekkende
tegenwoordigheid van hun Keizer hadden veroordeeld--of, hetgeen
waarschijnlijker is, zij verrichtten het in het geheim.
Laten wij nu zien hoe de tempels verdwenen en de Kerken
toenamen. Tijdens de regeering van Gratianus (c. 380) bestonden er
in Rome 424 tempels van de oude goden, terwijl er, volgens de Notita
Urbis, een beschrijving van Rome uit dien tijd, geen Christelijke
Kerk was, die onder de gebouwen van de stad verdiende genoemd te
worden. En ofschoon er zeker eenige Christelijke Kerken waren, en
sommige van niet geringe afmeting [44], geven deze woorden toch een
waar beeld van haar betrekkelijke onbeduidendheid.
Op het einde van de regeering van Theodosius is de toestand zeer
veranderd. Theodosius was een Spanjaard, en in Spanje was het
orthodoxe Christendom bijna zonder inspanning machtig geworden en
keek met gelijke minachting neer op de toenmalige onmacht en den
vroegeren roem van het paganisme. En wanneer wij vragen hoe het
mogelijk was, dat de Romeinen zelf zoo onbarmhartig de prachtige
monumenten van hun voorouders konden vernielen, kunnen wij een
voldoende verklaring vinden in de gevaarlijke aanmoediging, die
zulke herinneringen aan het heidensche Keizerrijk gaven en in de
mogelijkheid van een tweeden keizerlijken afvallige, maar vooral ook
in de angst en afschuw, waarmee de meeste Christenen van dezen tijd,
en ook van later tijd, de heidensche tempels beschouwden als plaatsen,
die door kwaadaardige demonen [45] werden bezocht en de beelden als
gevaarlijke fetischen. Inderdaad was het geloof in het werkelijke
bestaan van de oude goden sterker bij den gewonen Christen van den
vroegsten tijd, dan bij de heidenen zelf.
Deze verwoesting van de oude tempels en beelden, waartegen Libanius,
de geleerde meester van Chrysostomus, tevergeefs protesteerde in zijn
vurige rede Pro Templis, werd niet beperkt tot Rome. De vele monumenten
van klassieke oudheid [46], die Constantinopel versierden, waren
uit Griekenland en Rome gestolen. Dit was erg genoeg, maar bovendien
werden er ontelbare prachtige gebouwen en kunstwerken vernield door
monniken en andere fanatieken, die werden opgewekt en gesteund door de
edicten van Theodosius en door de gevolmachtigden, die hij naar verre
provinciën stuurde om zijn edicten uit te voeren. Het verwoestingswerk
[47] begon, naar het schijnt in Syrië, waar een zekere bisschop
Marcellus, na met geweldige inspanning den grooten tempel van Zeus
te Apamea afgebroken te hebben, vergezeld van een bende fanatieken
andere steden aanviel met hetzelfde doel, totdat hij door de woedende
inwoners werd gegrepen en levend verbrand. In Gallië leidde (c. 370)
de bisschop van Tours, de beroemde St. Martinus, aan wien ongeveer 160
Engelsche Kerken gewijd zijn, groote benden monniken en andere zeloten
van de eene plaats naar de andere, terwijl hij alle overblijfselen van
heidensche architectuur en kunst vernielde, niettegenstaande de oude
goden zich in vijandige demonen-gestalten vertoonden. In Alexandrië,
na een bloedig gevecht tusschen Heidenen en Christenen, plunderde de
patriarch, de bekende Theophilus, den reusachtigen tempel van Serapis,
die beschouwd werd als het voornaamste steunpunt van het Egyptische
paganisme, en verwoestte dezen--het is mogelijk dat één van de twee
Alexandrijnsche bibliotheken met het Serapeum vernietigd is [48].
Wanneer wij spreken over deze verre streken van het Keizerrijk, waar
de oude goden--Olympische, Oostersche en Noorsche--verdwenen voor den
nieuwen godsdienst, kunnen wij ook de oudste Christelijke Kerken in
Brittannië en Ierland vermelden. In Brittannië werd het Christendom
het eerst ingevoerd door de Romeinen, maar natuurlijk niet door de
pauselijke Roomsche Kerk. Van deze periode is zeer weinig bekend, en
wij moeten ons tevreden stellen, met de legende omtrent St. Albanus
en St. Helena, tenzij iemand de oude fabels van Jozef van Arimathea
ernstig wil opnemen. Maar het is zeker, dat reeds in zeer vroege tijden
groote monnikenorden bestonden in verschillende centra, waarvan Avalon
(het tegenwoordige Glastonbury in Somerset) en Bangor (aan de Dee)
de meest bekende zijn [49].
Niet lang nadat Stilicho de Romeinsche legioenen van Brittannië had
weggetrokken (c. 405), werd het Christendom bijna geheel uitgeroeid
door de Angelsaksen, en de Iersche Kerk werd voor ongeveer 150 jaar
van het Christendom afgesneden door een wig van woest paganisme. Wij
zullen laten zien hoe deze Angelsaksen bekeerd werden door den jongsten
St. Augustinus (c. 600), den zendeling die door Gregorius den Groote
gezonden was. De overblijfselen van de oude Britsche Kerk hielden
nog stand tegen de pauselijke suprematie, die door Augustinus werd
afgekondigd; en de overlevering beschuldigt den Heilige (ten onrechte,
naar wij hopen, daar Augustinus in 604 stierf) het afschuwelijke
bloedbad te hebben veroorzaakt van de monniken te Bangor, toen
de Britten verslagen werden door de Saksen bij Chester in 607. De
buitengewone zendings-ijver, zoowel van de oude Iersche als ook van
de jongere Angelsaksische Kerk, zal in latere jaren besproken worden,
wanneer wij de dagen van de Lombardische koningen en van Karel den
Groote bereiken.
Dat verheven en eenvoudige voorschriften en leerstellingen in den
loop der tijden op grove wijze belachelijk worden gemaakt, schijnt
aan onverbeterlijke neigingen in de menschelijke natuur te moeten
worden toegeschreven en wanneer ten opzichte van het Christendom
zulke gevolgen bijzonder pijnlijk en verwonderlijk zijn, moeten wij
trachten troost te vinden in de woorden--misschien van Gregorius
den Groote--corruptio optimi pessima of, zooals Shakespeare zegt:
"Als lelies verrotten, rieken zij veel onaangenamer dan onkruid." Het
ligt ver buiten ons doel de evolutie van den Middeleeuwschen godsdienst
[50] in Italië in bijzonderheden na te gaan, maar wij zullen trachten
eenige belangwekkende religieuze verschijnselen uit deze periode aan
te wijzen, die van grooten invloed zijn geweest op de Italiaansche
kunst en geschiedenis. Van deze merkwaardige verschijnselen kies ik er
twee uit, nl. de bijgeloovige vereering van "reliquieën" en de bijna
ongeloofelijke geestdrift, opgewekt door de asceten en anachoreten.
Eerbied voor reliquieën van hetgeen vroeger groot en schoon was,
is natuurlijk een bewonderenswaardig gevoel, geheel verschillend van
antiquarisch enthusiasme. Maar de middeleeuwsche vereering voor de
zgn. heilige reliquieën was gebaseerd op een bijgeloovig vertrouwen
in de wonderlijke eigenschappen van zulke reliquieën en sloot een
fetisch-aanbidding in, die even plomp was als de oude godsdienst [51].
Zonder twijfel bestonden er eenige echte reliquieën, maar de aanvraag
werd zoo belangrijk, dat ontelbare nieuwe ontdekkingen werden gedaan,
dikwijls (zooals wij bij St. Ambrosius reeds hebben opgemerkt) door
middel van droomen en visioenen; en de voorraad groeide daardoor
geweldig. Het Ware Kruis, door Helena op den Calvarieberg gevonden,
verschafte, naar men zeide, genoeg hout om een oorlogsschip
te bouwen--een feit dat leidde tot de legende van zijn zichzelf
vernieuwende krachten. Verbazingwekkende verhalen werden verspreid
van de mirakels door beenderen, haar, bloeddruppels en heilige olie
veroorzaakt. Alle steden verlangden de een of andere reliquie te
bezitten. Geen kerk werd gebouwd, voordat men een heilig voorwerp
[52] machtig was geworden.
Den oorsprong van de groote ascetische beweging moet men zoeken
in het verre Oosten, waar de Indische fakir en de Thibetaansche
monnik en andere dergelijke lusus naturae sinds onheuglijke tijden
schijnen bestaan te hebben; of misschien is het juister te zeggen,
dat de neiging tot dergelijke afwijkingen, welke latent schijnt in
het Oostersche karakter, zulke gevolgen voortbracht als de Joodsche
anachoreten, de Essaeërs en de Egyptische Therapeuten, die vele jaren
voor de Christelijke monnikenorden bestonden, en dat de beweging onder
de Christenen van Egypte en Syrië ten deele althans moet toegeschreven
worden aan het Neoplatonisme (vgl. p. 41).
Ongeveer in het jaar, waarin Constantijn het purper aannam (305),
trok een geestdriftig, geloovig jongeling in Egypte, bekend als
Antonius van de Thebaïs, zich in de woestijn terug. Zijn voorbeeld
werd weldra nagevolgd en vele duizenden fanatieken, die zichzelf
woestijn-menschen (heremieten) of afgescheidenen (anachoreten)
noemden, begonnen de zandige en rotsachtige wildernissen van het
Nijlland te bevolken, totdat hun aantal de bevolking van alle steden
van Egypte evenaarde. Het is onnoodig de bekende, afschuwelijke
krankzinnigheden van het anachoretisme te beschrijven en het is
overbodig zich te verwonderen over deze monsterachtige voortwoekering,
die zelfs het bestaan van de Christelijke religie bedreigde. Het
systeem van afzondering bleek op den duur onmogelijk. De cel
van elken welbekenden kluizenaar werd omringd door de hutten van
zijn vereerders; een "eenzame" van Gaza, Hilarion, had, naar men
verhaalt, een gevolg van drie duizend menschen; en weldra vond
een anachoreet, Pachomius, het meer in overeenstemming met de
voorschriften van het Evangelie ongeveer veertien honderd kameraden
("coenobiten", samenwoners) om zich te verzamelen, waarvan hij een
monniken-huishouding maakte, natuurlijk geen monniken-orde, zooals
Benedictus later stichtte. Kloosters verrezen nu in groote getale en
wel over de geheele Christelijke wereld, van de woestijnen van Syrië,
Egypte en Ethiopië [53] tot de wildernissen in Gallië en Brittannië,
waar het leven van eenzame afzondering moeilijk na te volgen was door
het klimaat, en een beschaafder vorm van ascetisme trad blijvend op.
Antonius had de vriendschap van Athanasius verworven, (die later zijn
leven beschreef) en ongeveer 340 stelde de Alexandrijnsche patriarch
aan den Paus in het Vaticaan eenige van Antonius' leerlingen voor. Het
vreemde en woeste uiterlijk van deze "Egyptenaren" wekte in Rome eerst
afschuw, toen verachting, daarna geestdriftige navolging. Senatoren en
edele matronen wedijverden met elkaar om hun schitterende paleizen en
villa's in kloosters te veranderen en de Kerk werd er zich weldra van
bewust dat zij deze nieuwe beweging moest erkennen en begunstigen. In
het Oosten was St. Basilius, die zelf vroeger kluizenaar was geweest,
een ijverig stichter van godsdienstige huizen; St. Martinus van
Tours, of misschien zijn beschermheer St. Hilarius van Poitiers was de
stichter van de oudste kloosters in Gallië; en in Brittannië waren in
de vijfde eeuw, zoo niet vroeger, groote kloosters te Avalon en Bangor.
Wij zijn ver van Italië afgedwaald; maar een duidelijke voorstelling
van de geweldige kracht van sommige dezer godsdienstige stroomingen
zal het ons misschien mogelijk maken onze piccioletta barca in juiste
richting te sturen.
HOOFDSTUK V.
STILICHO, ALARIK EN PLACIDIA.
395-450
Wij hebben gezien, dat Theodosius de Groote zijn rijk verdeelde
tusschen zijn twee zonen, Arcadius en Honorius, die 18 en 10 jaar oud
waren, en dat hij Rufinus en Stilicho als hun voogden aanstelde. De
eerste had in Constantinopel het bestuur over de keizerlijke financiën
en trad op als voogd van Arcadius, terwijl Stilicho de zorg had over
den jongen Honorius, magister utriusque militiae (commandant van de
ruiterij en het voetvolk) was en zijn hoofdkwartier te Rome had. De
haat, die het afpersen der belastingen opwekte aan den eenen kant,
en aan den anderen kant de voordeelen, die een populair aanvoerder
van de Keizerlijke troepen verwierf, hadden ten gevolge, dat de
strijd tusschen de twee regenten eindigde met den moord op Rufinus
door Stilicho's Gotische troepen.
In dit hoofdstuk zullen wij, na een paar bijzonderheden over Stilicho
en zijn merkwaardigen levensloop (394-408), eenige van de vele
schilderachtige incidenten vertellen, die samenhangen met den inval
van Alarik en de lotgevallen van Galla Placidia.
Men zal zich herinneren, dat groote massa's West-Goten toestemming
hadden gekregen zich te vestigen ten Zuiden van den Donau en wij
hebben meermalen vernomen, dat zij de keizerlijke troepen met
flinke contingenten steunden. De Gotische soldaat, die Rufinus in
tegenwoordigheid van den Keizer Arcadius vermoordde, had, toen hij zijn
slachtoffer neerstiet, uitgeroepen: "Met dit zwaard treft Stilicho
u!"--beteekenisvolle woorden, want het Gotische zwaard was het,
dat nu over het lot van het Keizerrijk zou beslissen. Weldra kregen
deze Gotische troepen, wier aanvoerder, Gainas, zeer verknocht was
aan Stilicho, in Constantinopel de macht in handen; maar ten slotte
werden zij, nadat, gedeeltelijk door toedoen van St. Chrysostomus, die
natuurlijk als patriarch deze onbeschaamde Ariaansche barbaren vijandig
gezind was, een oproer was uitgebroken, uit de stad gedreven. Gainas
werd gedood door de Hunnen, toen hij den Donau wilde oversteken,
maar zijn mannen voegden zich bij hun landgenooten, de West-Goten
van Thracië en Moesië.
Deze West-Goten begonnen nu erg lastig te worden. Gedurende de laatste
vijf jaar (sinds 395 ongeveer) regeerde Alarik over hen, van wien
wij reeds hebben gehoord in den slag bij den Frigidus, waar hij als
jonge man voor Theodosius streed tegen Arbogast. De sluwe Rufinus had
getracht de gevaarlijke horden van Alarik op te zetten tegen Stilicho
en het Westersche Rijk, om hen van de hoofdstad van het Oosten af te
houden. Stilicho, die zelf een Vandaal was, had hen tegen Rufinus
gebruikt; maar daarna had hij zich tegenover hen gesteld en Alarik
verslagen in den Peloponnesus, toen deze Griekenland binnendrong [54].
Geprikkeld door zulk een onverstandige behandeling, besloten de
West-Goten wederom Zuidwaarts te trekken en een inval te ondernemen
in Italië. Wat het eigenlijke plan van Alarik was, is onzeker. Hij
had, evenals later Odovacar en Theoderik, een bijgeloovigen eerbied
voor het Keizerrijk en waarschijnlijk kwam het plan om zich meester
te maken van het Keizerlijke gezag nooit bij hem op. Zijn voornaamste
taak was blijkbaar een nieuw land te zoeken voor de opgewonden benden,
die heftig om plundering en buit schreeuwden. Ook werd Alarik (als wij
een overlevering mogen gelooven, die de dichter Claudianus mededeelt)
naar Rome gedreven door een stem, die hem plechtig beloofde, dat hij
eens de Eeuwige Stad zou bereiken: "Penetrabis ad Urbem!" Maar eerst
vond hij nog eens zijn meester in Stilicho.
Na Alarik verslagen te hebben in Griekenland (396), had Stilicho
zich verder onderscheiden door een oproer in Afrika te dempen, dat
was opgewekt door een Moorsch opperhoofd, Gildo. Stilicho, ofschoon
een Vandaal, was gehuwd met een nicht en aangenomen dochter van den
grooten Theodosius, de Spaansche Serena, wier schoonheid en deugden
door Claudianus zijn bezongen. Ongeveer 399 werd hun dochter Maria
uitgehuwelijkt aan haar half-idioten neef, den Keizer Honorius,
en Stilicho werd aldus steeds machtiger.
Zijn schitterende verdediging van Italië tegen de West-Goten onder
Alarik en tegen de geweldige horden van Rhaetische barbaren onder
den woesten Wodan-vereerder Radegast, die hij bij Fiesole gevangen
nam en doodde, is reeds verhaald (p. 9). Hier zullen wij nog slechts
een paar gebeurtenissen mededeelen, die van hooger belang waren dan
oorlog en politiek.
Toen Stilicho en Honorius Rome in triomf binnentrokken (404) na de
nederlagen der Goten bij Turijn en Verona, werd er in het Colosseum
een groot gladiatorenspel gegeven--want zelfs nu nog, een eeuw na den
zoogenaamden Vrede van de Kerk, werden, ondanks het protest van edeler
naturen (zooals de dichter Prudentius), ondanks het gedeeltelijke
verbod van sommige Keizers, zulke wreedheden toch waanzinnig
toegejuicht in een stad, die zich het centrum van de Christelijke
wereld noemde, ofschoon zij in Constantinopel [55] waren afgeschaft
of nooit bekend waren geweest en Theodosius zelfs in 394 reeds zulke
onschuldige vermakelijkheden als de Olympische spelen had verboden.
Als wij den schrijver Theodoretus mogen gelooven, was dit het
laatste gladiatorenspel, dat in het Keizerrijk gehouden werd. Een
monnik van het Oosten had de geheele reis naar Rome gemaakt om
door een moedige daad te protesteeren tegen die ruwe vertooningen,
en onder de oogen van de vele duizenden van toeschouwers, die de
rijen van het Colosseum vulden, stormde hij de arena in en scheidde
de strijdenden. Met een gebrul van verontwaardiging eischte het
geheele amphitheater zijn dood--en hij zakt ineen, overweldigd door
een stortvloed van werptuigen. Zijn schitterende heldendaad had de
toeschouwers zoo diep ontroerd, dat hun woede plaats maakte voor
bewondering en eerbied; en Honorius vaardigde een proclamatie uit,
waarbij voor altijd deze gevechten van menschen tegen menschen werden
afgeschaft [56]. De monnik, Telemachus, is heilig verklaard, maar hij
heeft geen hem toekomende erkenning in de kunst of op andere wijze
ontvangen. Misschien is dit zoo, omdat de gebeurtenis niet volkomen
vast staat--ofschoon de geschiedenis van menigen populairen Heilige
minder betrouwbaar is--of anders omdat hij slechts stierf voor de
menschelijkheid, en niet voor een theologisch dogma.
De veldtochten van Stilicho zijn het onderwerp van Claudiamus'
"serviele muze", zooals Gibbon misschien ten onrechte zegt. Claudianus
schreef in het Grieksch (hij was in Alexandrië geboren) en in het
Latijn, maar behalve door een paar Grieksche epigrammen, is hij beroemd
door zijn Latijnsche gedichten, vooral om de keurige hexameters waarin
hij zijn Gotische Oorlog heeft geschreven, dien hij Getische Oorlog
noemt; want evenals de latere schrijvers Cassiodorus en Jordanes,
meende hij, dat de Goten dezelfde waren als de Getae (de Thraciërs of
Daciërs van den klassieken tijd). Claudianus' gedichten doen denken
aan de schitterende kleuren van de latere Venetiaansche schilders of
van Rubens. Hij is tot op zekere hoogte vrij van de gezwollenheid van
Lucanus, met wiens Pharsalia wij natuurlijk gaarne zijn Getische Oorlog
vergelijken en als wij bedenken, dat het Latijn niet de moedertaal
van Claudianus was, staan wij verbaasd over de wondere ongedwongenheid
en kracht van zijn stijl en de vlucht van zijn verbeelding, waardoor
hij soms Vergilius en Lucretius evenaart.
Een zeer belangwekkende episode in de veldtochten van Stilicho is het
ontzet van Florence, toen het door Radegast werd belegerd in 405,
want het is misschien de vroegste gewichtige gebeurtenis, (waarvan
wij ten minste een volledig verslag bezitten), die samenhangt met
middeleeuwsch Florence--als wij Florence van het jaar 405 reeds als
middeleeuwsch kunnen beschouwen.
Florence werd waarschijnlijk gesticht door de Etrusci van Faesulae
(Fiesole); overblijfselen van de geweldige Etruscische muren bestaan
nog. In klassieken tijd was het een Romeinsche militaire kolonie en
misschien later door Caesar uitgebreid en meer versterkt. Toen dit
in het begin van de vijfde eeuw plaats vond, schijnt het vierkant
geweest te zijn, zooals de meeste Romeinsche castra en bezat het een
citadel, forum, amphitheater en tempels--waarvan er éen gewijd was
aan de drie goden, Jupiter, Juno en Minerva en een andere aan Mars
[57], beschermgod van de stad; dit laatste gebouw was misschien
datgene, wat Dante later il bel San Giovanni noemt en wat nu de
Battisterio is. Daar deze belegering noch bij Machiavelli noch in
de gewone beschrijvingen van Florence staat, lijkt het wel dienstig
hier te vertellen, wat Gibbon zegt: "De belegering van Florence door
Radegast is een van de vroegste gebeurtenissen in de geschiedenis van
de beroemde republiek. De stad werd hevig beproefd en de wanhopige
burgers hielden slechts vol onder invloed van St. Ambrosius, die in een
droom (hij was ongeveer acht jaar tevoren gestorven) hun een spoedige
redding beloofde. Plotseling zagen zij van hun wallen de vaandels van
Stilicho, die weldra de barbaarsche belegeraars, die gelegerd waren
op den "drogen en steenachtigen rug" van Faesulae (zooals Orosius [58]
zegt), insloot. De methode om den vijand met sterke verschansingen te
omringen, die Stilicho twee keer tegen den Goten-koning had toegepast,
werd op grooter schaal herhaald, en de ingesloten menigte van menschen
en paarden werd langzamerhand, meer door den honger dan het zwaard,
vernietigd. Hulptroepen en levensmiddelen werden binnen de muren
van Florence gebracht en de uitgehongerde benden van Radegast werden
op hun beurt belegerd. De trotsche koning van zoovele krijgshaftige
stammen moest vertrouwen op de voorwaarden eener capitulatie of op de
genade van Stilicho. Maar de dood van den aanvoerder, die smadelijk
werd onthoofd, onteerde den triomf van Rome en het Christendom. De
uitgehongerde Germanen werden als slaven verkocht; Stilicho berichtte
den Senaat en den keizer zijn overwinning en ontving voor den tweeden
keer den roemrijken titel van Bevrijder van Italië."
De oorzaken van den val van Stilicho waren vele. Jaren geleden hadden
zijn vijanden de beschuldiging verspreid, dat hij na de nederlaag van
Alarik diens ontvluchting had begunstigd, zoowel in Griekenland als
in Italië en dat hij hem zelfs als stadhouder van Illyrië had willen
erkennen; en de beschuldiging was des te moeilijker te weerleggen, daar
hijzelf een barbaar van geboorte en derhalve verdacht en gehaat was bij
het Romeinsche gedeelte van het leger, en ook in Rome bij den hoogen
zoowel als bij den lagen stand. Ook Honorius begon hem te verdenken
en daar hij nogal kinderlijk was, luisterde hij des te eerder naar het
gerucht, dat de almachtige generaal zijn zoon Eucherius--die zich een
bloedverwant noemde van den grooten Theodosius--op den troon van het
Westen of van het Oosten wilde plaatsen [59]. Een andere beschuldiging
was gegrond op het onweerlegbare, doch misschien noodzakelijke, feit
dat Keizerlijke troepen uit Brittannië en Gallië waren weggehaald,
waardoor groote woeste horden den Rijn waren overgetrokken, en
te midden van de paniek een gevaarlijke "tyran", Constantinus,
in Brittannië opgestaan was en zich meester gemaakt had van Gallië
en Spanje.
Al deze beschuldigingen werden aangewakkerd door den mededinger
van Stilicho, een officier van de Keizerlijke garde, Olympius, die
een ernstige muiterij verwekte onder de troepen te Pavia. De stad
werd geplunderd, de vrienden van Stilicho vermoord en Honorius,
hoewel aanwezig, deed geen poging om hen te redden. Toen Stilicho,
die te Bologna was, dat vernam, trok hij haastig naar Ravenna en
zocht bescherming in een Kerk--waarschijnlijk de Kathedraal, de
Basilica Ursiana [60], waarvan de oude klokketoren nog over is. Een
troep soldaten--door Olympius, of misschien door Honorius zelf
gezonden--verscheen weldra aan de deur van de Kerk. De bisschop werd
door valsche beloften overgehaald Stilicho aan te sporen zich over te
geven. Maar nauwelijks had Stilicho den drempel overschreden, of hij
werd gevat; hij weerhield zijn vrienden, die hem wilden bevrijden en
boog zijn nek voor de zwaarden van zijn moordenaars. In de basilica
van S. Ambrogio in Milaan is een sarcophaag, die gedurende vele eeuwen
de tombe van Stilicho heette--maar moderne geleerden zeggen ons dat
zij uit de zesde eeuw is (zie plaat 6).
Na den dood van Stilicho vond er een moorddadige vervolging van
zijn aanhangers plaats. Zijn zoon Eucherius trachtte te ontsnappen,
maar werd gevangen genomen en gedood. Thermantia werd van haar man
gescheiden. Serena, als nicht van Honorius, kreeg genade, maar voor
korten tijd, zooals wij zullen zien. Claudianus schreef een tijdlang
erbarmelijke (misschien ironische) gedichten, die zijn vroegere
beleedigende politieke epigrammen herriepen. Wij hooren niets meer
van hem; zijn lot is onbekend.
Honorius bemerkte weldra, dat hij door den moord op Stilicho als
het ware zijn eigen rechterhand had afgehakt. Omringd door zijn
onbekwame en bange satellieten, sloot hij zich in Ravenna op, een
stad, die door haar moerassen en haven zoo dikwijls in de dagen
van barbaarsche invallen een veilige verdediging aan de landzijde
en een gemakkelijke ontsnapping naar de zee aanbood. Hier hield de
zwakzinnige en kwaadaardige jongeling, nu 23 jaar oud, zich bezig met
zijn hoenderhof, terwijl Alarik Rome belegerde. Toen de Koning der
West-Goten gezanten stuurde (de Paus was onder hen) om vrede voor te
stellen op de zeer redelijke voorwaarden, dat Noricum aan de West-Goten
zou worden afgestaan, verwierp hij dat met gemelijke minachting;
en toen het bericht kwam dat Rome door Alarik genomen was, zegt men,
dat hij heeft uitgeroepen: "Onmogelijk! Een oogenblik geleden heb ik
haar met eigen hand gevoerd"--want voor hem was het eenige Rome, dat
belangrijk was, een van zijn hennen, aan wie hij dien naam had gegeven.
Een tragische gebeurtenis, die plaats greep, toen Alarik Rome
de eerste maal belegerde, was de vermoording van Serena door de
Romeinen; zij was de weduwe van Stilicho, de nicht en schoonmoeder van
Honorius. Zij werd, evenals haar gemaal, beschuldigd Alarik begunstigd
te hebben. Sommigen schreven haar dood toe aan den invloed van haar
nicht, de steeds jeugdige Galla Placidia.
Toen Honorius de voorwaarden van Alarik verwierp en de belegering
van Rome [61] werd hernieuwd (409), werd het lijden van het volk
verschrikkelijk. De verhalen brengen ons de belegering van Jeruzalem
en Numantia in herinnering, zooals Josephus en Livius die vertellen
of de niet minder afschuwelijke feiten uit den Oost-Gotischen
oorlog, dien Procopius beschrijft. Mannen en vrouwen werden in het
geheim vermoord en verslonden; zelfs moeders doodden en aten haar
kinderen. Tot wanhoop gedreven dreigden de Romeinen een uitval te
doen en masse en hun belegeraars te overweldigen; maar toen Alarik
dit hoorde, lachte hij luid en riep uit: "Hoe dichter het koren,
des te gemakkelijk het maaien." En toen zij, de waarheid van zijn
sarcasme inziende, de voorwaarden van den overwinnaar verlangden te
weten, vroeg hij al het goud en zilver, al de roerende goederen van
waarde en alle vreemde slaven in de stad. "Wat wilt gij ons dan laten,
o Koning?" riepen de gezanten uit. "Uw leven", was het antwoord. Maar
Alarik's blaffen was erger dan zijn bijten. Hij nam een redelijker
brandschatting aan en een tijdlang was er nu wapenstilstand.
In de tusschenruimten, die er ontstonden door zijn drie belegeringen,
oefende Alarik geen geringen invloed uit op den politieken toestand
van Rome. Zijn geweldige oorlogsschatting had de plundering van oude
tempels en andere oude gebouwen ten gevolge, zoodat de haat van
de nog steeds talrijke heidenen [62] tegen de Christenen heviger
werd. Door deze godsdienstige veete, als ook door den strijd van
de Arianen tegen de Katholieken slaagde Alarik, die door het bezit
van de haven van Ostia de Romeinen geheel in zijn macht had, er in,
Attalus, den Prefect van Rome tot Keizer te laten kiezen. Onder wilde,
geestdriftige toejuichingen van het Romeinsche plebs mochten Gotische
troepen de stad binnengaan en den nieuwen Keizer naar het paleis op
den Palatinus geleiden. Geheel Italië, behalve Ravenna, en Bologna,
scheen zijn nieuwen vorst toe te juichen. Alarik vergezelde hem bijna
tot de poorten van Ravenna en Honorius bood zijn mededinger de helft
van het Westersche Rijk aan, hetgeen Attalus minachtend verwierp,
terwijl hij van zijn kant Honorius aanbood de rest van zijn leven
in ballingschap door te brengen op een afgelegen eiland. Maar de
omstandigheden veranderden; hulptroepen uit Afrika verschenen in
de haven van Ravenna, en Attalus viel plotseling in ongenade bij
Alarik, die hem op het plein van Rimini, voor het geheele leger, zijn
keizerlijke insignes afnam; deze zond hij naar Honorius en bood hem
wederom vredesvoorwaarden aan. Doch Honorius weigerde nog eens en de
Gotische koning keerde naar Rome terug, vast besloten de beleediging
met de plundering van de stad te wreken.
Maar toen Alarik en zijn West-Goten eindelijk Rome binnentraden (410),
bleef hij slechts enkele dagen in de stad en toonde veel meer genade
en lankmoedigheid dan men verwacht zou hebben. De Christelijke kerken,
zooals de oude Vatikaan-basiliek van S. Pietro en de schitterende,
kort geleden gebouwde basiliek van S. Paolo werden geëerbiedigd. Zonder
twijfel werd er veel gemoord en geplunderd en werden er vele burgers
tot slaaf gemaakt; maar de schade die deze barbaren aanrichtten aan de
gebouwen en kunstwerken was vergelijkenderwijze minder dan die, welke
de Fransche en Venetiaansche Kruisvaarders [63] te Konstantinopel in
1204 veroorzaakten, of in Rome zelf de Spaansche Katholieken en de
Duitsche Lutheranen van den Connétable van Bourbon in 1527.
De geschiedenis van den dood en begrafenis van Alarik is bekend--maar
waarom hij zoo plotseling van Rome wegtrok, met welke bedoeling
hij een vloot verzamelde, of hij een aanval tegen Sicilië of
Afrika beraamde, en waar hij woonplaatsen voor zijn Goten hoopte
te vinden, die hij nog steeds zocht en die zij eindelijk in Gallië
vonden--zijn vragen, die onmogelijk met eenige zekerheid kunnen
beantwoord worden. Welke ook zijn plannen waren, zij zijn verijdeld
door zijn plotselingen dood. Het woeste karakter der barbaren kwam
tot uiting bij de begrafenis van hun held. Een menigte gevangenen
werd gedwongen de bedding van den Busentinus, een kleine rivier bij
Consentia in Calabrië te verleggen. Het koninklijk graf, versierd met
den schitterenden buit van Rome, werd gebouwd in de oude bedding;
het water hernam weder zijn natuurlijken loop en de geheime plek,
waar het stoffelijk overschot van Alarik was neergelegd, werd voor
eeuwig verborgen door de onmenschelijke slachting van de gevangenen,
die gebruikt waren om het werk uit te voeren.
Athaulf of Adolf, de broeder van Alarik's gemalin, nam het
legercommando over. Omtrent de beweegredenen, die hem van
vijandelijkheden tegen Honorius en Italië weerhielden, wordt ons een
belangwekkende beschouwing gegeven door den vriend van St. Augustinus,
den geschiedschrijver Orosius, die op een bezoek bij St. Hieronymus
in Palestina een pelgrim ontmoette, een wapenbroeder van den
barbaren-hoofdman. Eerst was Athaulf van plan geweest zich tot Augustus
op te werpen en een "Gotia" (een Gotisch Keizerrijk) te stichten in de
plaats van de "Romania". Maar hij had de overtuiging gekregen dat de
Goten zoo wild en onhandelbaar waren, dat zij niet op een blijvende
staat konden hopen, tenzij een die gebaseerd was op en onderworpen
aan wetten van het Romeinsche Keizerrijk. Hij schijnt g
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/40228