Gutenberg · eo1.org

← catalogue

De Drie Musketiers dl. I en II

by Alexandre Dumas · Dutch · Gutenberg #40169 · 1,421,341 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of De Drie Musketiers dl. I en II
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: De Drie Musketiers dl. I en II

Author: Alexandre Dumas


        
Release date: July 8, 2012 [eBook #40169]
                Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/40169

Credits: E-text prepared by Branko Collin and the Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE DRIE MUSKETIERS DL. I EN II ***

   +----------------------------------------------------------------+
   |                                                                |
   | Opmerkingen van de bewerker:                                   |
   |                                                                |
   | De in het origineel cursief gedrukte tekst is weergegeven als  |
   | _cursief_.                                                     |
   |                                                                |
   | Een inhoudsopgave en verdere opmerkingen van de bewerker zijn  |
   | aan het einde van dit bestand toegevoegd.                      |
   |                                                                |
   +----------------------------------------------------------------+





DE DRIE MUSKETIERS.

I.


DE DRIE MUSKETIERS.

DOOR

ALEXANDER DUMAS.

Opnieuw bewerkt naar het Fransch.

Blankwaardt
en
Schoonhoven

Rijswijk
(Z.-H.)







Druk: H. Veenman, Wageningen




VOORREDE,

     waaruit blijkt, dat ondanks hun namen, die in OS en IS eindigen, de
     helden der geschiedenis, welke wij de eer zullen hebben onzen
     lezers te verhalen, volstrekt niet van Griekschen oorsprong zijn.


_Ongeveer een jaar geleden, in de Koninklijke Bibliotheek eenige
nazoekingen doende voor mijn geschiedenis van Lodewijk XIV, kwamen mij
toevallig de_ Gedenkschriften van den Heer d’Artagnan _in handen, welk
werk--zooals de meeste van dien tijd, toen de schrijvers, wilden zij aan
de waarheid getrouw blijven, voor een langer of korter verblijf in de
Bastille te vreezen hadden--te_ Amsterdam _bij Pierre Rouge gedrukt was.
De titel bekoorde mij; ik nam daarom het boek mede naar huis; wel te
verstaan, na hiertoe het verlof van den bewaker verkregen te hebben; en
ik doorbladerde het gretig.--Het is mijn voornemen niet, dit merkwaardig
werk in deze bladen te ontwikkelen, en ik bepaal mij dus alleen,
diegenen mijner lezers er naar te verwijzen, welke geschiedkundige
tafereelen op hun waarde schatten. Dezen zullen er verschillende,
meesterlijk geschetste portretten in aantreffen, en, hoezeer die
omtrekken zich vaak op deuren van kazernen en muren van kroegen
vertoonen, zijn zij even goed gelijkend, als in de geschiedenis van den
heer Anquetil de portretten van Lodewijk XIII, van Anna van Oostenrijk,
van Richelieu, van Mazarin en van de meeste hofpersonages van dat
tijdvak te herkennen zijn. Maar men weet, dat niet altijd datgene, wat
den geest des dichters ontvlamt, op het grootste gedeelte der lezers
eenigen indruk maakt. Derhalve, hoezeer vol bewondering voor de
bijzonderheden, van welke wij spraken, die anderen ongetwijfeld ook
zullen bewonderen, is datgene, wat ons thans het meest bezighoudt, iets
waarop zeker niemand voor ons zijn aandacht heeft gevestigd.--D’Artagnan
verhaalt, dat, toen hij voor het eerst den heer de Tréville, kapitein
der musketiers des konings bezocht, hij in zijn voorkamer drie
jongelieden ontmoette, die bij het vermaard korps stonden, waarin hij
verzocht te worden ingelijfd; zij heetten_: Athos, Porthos _en_
Aramis.--_Wij bekennen, dat deze drie vreemde namen onze
nieuwsgierigheid wekten; wij vermeenden die slechts voor bijnamen te
mogen houden, onder welke d’Artagnan misschien zeer voorname personages
heeft willen aanduiden; althans, indien zij, die deze geleende namen
droegen, die niet zelven hadden aangenomen op een oogenblik, dat zij,
tengevolge eener gril, uit ontevredenheid of gebrek aan een toereikend
vermogen, het eenvoudige musketiersbuis aannamen._

_Wij gunden ons van dat oogenblik geen rust meer, totdat wij eindelijk
in de werken van dien tijd eenig spoor dier zeldzame, onze
nieuwsgierigheid zoo prikkelende namen vonden. Alleen de cataloog der
boeken, dien wij doorbladerden, om dat doel te bereiken, zou een lijvig
boekdeel beslaan; iets wel is waar zeer leerzaams, doch zeker niet
vermakelijk voor de meesten onzer lezers. Wij bepalen ons dus te zeggen,
dat, toen wij geheel ontmoedigd over onze vruchtelooze nasporingen, er
van wilden afzien, wij eindelijk, door den goeden raad van onzen
beroemden en geleerden vriend Paulin Paris voorgelicht, een handschrift
in_ folio _vonden, onder nummer 4772 of 4773--nauwkeurig herinneren wij
ons dat niet meer--dat tot titel had:_

Gedenkschriften van den graaf de la Fère, nopens eenige gebeurtenissen,
die in Frankrijk tegen het einde der regeering van Lodewijk XIII en het
begin der regeering van Lodewijk XIV voorgevallen zijn.--_Men verbeelde
zich onze blijdschap, toen wij dat handschrift, onze laatste hoop,
doorzochten en op de twintigste bladzijde den naam van Athos, op de
zeven en twintigste den naam van Porthos, en op de een en dertigste dien
van Aramis vonden._

_De ontdekking van een geheel onbekend handschrift in dezen tijd, nu de
geschiedkunde tot een zoo hoogen trap van volmaaktheid is gebracht,
scheen ons een mirakuleuze vondst. Ook haastten wij ons de vergunning te
vragen, het in druk uit te geven, met het doel ons den een of anderen
dag, met het werk van een ander, aan de akademie van letterkunde voor te
stellen, indien, hetgeen zeer waarschijnlijk is, met ons eigen werk de
Fransche Akademie voor ons gesloten bleef._

_Dat verlof, wij moeten het bekennen, werd ons goedgunstig verleend, en
hiervan maken wij gewag, om de kwalijkgezinden openlijk te
logenstraffen, die voorgeven, dat wij onder een Gouvernement leven, dat
ten aanzien van letterkundigen niet zeer welgezind zou zijn._

_Van dit belangrijke Manuscript bieden wij thans onzen lezers het eerste
gedeelte aan, het den titel gevende, die er aan toekomt, terwijl wij ons
verbinden, ingeval dit gedeelte--waaraan wij niet twijfelen--de
verdiende bijval te beurt valt, onmiddellijk het tweede uit te geven.
Intusschen verzoeken wij onzen lezers, dewijl de peet een tweede vader
is, ons er van te beschuldigen, en niet den graaf de la Fère, indien zij
vermaak of verveling ondervinden. Dit overeengekomen zijnde, gaan wij
tot onze geschiedenis over._




EERSTE DEEL.




HOOFDSTUK I.

De drie geschenken van mijnheer d’Artagnan den vader.


Op den eersten Maandag der maand April 1625 scheen de kleine stad
_Meung_, waar de schrijver van den _Roman de la Rose_ het eerste
levenslicht aanschouwde, in volkomen opstand, en wel derwijze, alsof de
_Hugenooten_ er zooals te _La Rochelle_ huis hielden. Een aantal
burgers, die hun vrouwen de hoofdstraat vluchtend zagen over ijlen,
terwijl de kinderen voor de deuren schreeuwden, haastten zich hun
pantser aan te doen en trachtten aan hun tamelijk vreesachtige houding
door een vuurroer of een spies iets meer ontzagwekkends te geven. Zij
richtten hun schreden naar de herberg _de Trouwe Molenaar_, voor welke
een hoe langer hoe dichter wordende, onstuimige, nieuwsgierige volkshoop
zich verdrong. In dien tijd waren plotselinge schrikken aan de orde van
den dag, en er verliepen maar weinige dagen, zonder dat de een of andere
stad in haar archieven een voorval van dien aard had aan te teekenen.
Immers, de edelen voerden toen krijg onderling, de koning tegen den
kardinaal, en de Spanjaarden tegen den koning. Vervolgens waren er nog,
behalve deze onbekende verholene of openbare strijdvoerders, dieven,
bedelaars, Hugenooten, wolven en lakeien, die tegen geheel de wereld
krijg voerden. De burgers wapenden zich altijd tegen de dieven, tegen de
wolven en tegen de lakeien; ook vaak tegen den adel en de Hugenooten,
bijwijlen zelfs tegen den koning; doch nooit tegen den kardinaal of
tegen den Spanjaard. Het gevolg dezer aangenomen gewoonte was, dat op
gezegden eersten Maandag der maand April 1625, de burgers eenige
opschudding vernemende, zonder nochtans den gelen of rooden standaard of
de kleuren van den hertog de Richelieu te zien, in allerijl naar de
herberg _de Trouwe Molenaar_ stormden.

Daar gekomen konden allen de oorzaak van dat rumoer zien en
onderscheiden. Een jongeling.... doch schetsen wij vooraf vluchtig zijn
portret: Verbeeld u Don Quichotte zonder pantser of dijharnas; Don
Quichotte in een wollen buis, welks vroeger blauwe kleur nu was
overgegaan tot een onbegrijpelijke wijnmoerstint met hemelsblauwen
gloed. Zijn langwerpig bruin gelaat en zijn vooruitstekende
wangbeenderen duidden slimheid aan, terwijl de uitstekende kaakbeenderen
het onfeilbaar teeken van zijn Gaskonjischen oorsprong waren, dien men
in hem herkend zou hebben, zelfs bij gemis aan de Baskische muts, welk
rond en plat hoofddeksel, versierd met iets naar een pluim gelijkende,
onze jongeling op het hoofd had; zijn blik was vrij en geestig, zijn
gebogen neus welgevormd; te groot voor een knaap, te klein voor een
volwassen jongeling, zou een min geoefend oog hem voor een op reis
zijnden pachterszoon hebben aangezien, zonder den langen degen, die aan
een lederen bandelier hangende, tegen de beenen van den eigenaar
slingerde, wanneer deze te voet ging, en het ruwe haar van zijn hit
wreef, als hij te paard zat. Want onze jongeling bezat een paard, en wel
een zoo merkwaardig, dat het door iedereen werd opgemerkt. Het was een
Bearneesche hit, twaalf of veertien jaar oud, geelkleurig van huid, met
uitgevallen staart; maar daarentegen voorzien van harde pootgezwellen.
Het beestje liet den kop lager dan de knieën hangen, ’t geen het gebruik
van den springteugel onnoodig maakte, doch legde echter nog vlug acht
uren daags af. Ongelukkig waren de deugden van het paard zoo diep onder
zijn zonderlinge huid en onbehouwen gestalte verborgen, dat, in dien
tijd, toen iedereen kennis van paarden had, de verschijning van gezegden
hit te _Meung_, waar hij ongeveer een kwartier geleden door de poort van
_Beaugency_ was binnengekomen, een indruk deed ontstaan, welks
ongunstigheid op den ruiter neerkwam. En dit was den jongen d’Artagnan
(dus heette die Don Quichotte op dat evenbeeld van _Rossinante_) te
smartelijker, daar hij niet blind was voor het belachelijk figuur,
hetwelk hij op dien hit maakte, hoe goed ruiter ook overigens zijnde.
Hij had dan ook een diepen zucht geslaakt bij het aannemen van het
geschenk, dat zijn vader, de oude heer d’Artagnan, hem er van deed, daar
het hem niet onbekend was, dat zoodanige knol niet veel meer dan een
twintigtal franken zou waard zijn. Het is waar dat de woorden, die het
geschenk vergezelden, onbetaalbaar waren.

„Mijn zoon!” had de Gaskonjische edelman in die echt Bearneesche
basterdtaal gezegd, van welke Hendrik IV zich nimmer heeft kunnen
ontdoen: „Mijn zoon! dat paard is in de stallen uws vaders geboren, het
zal nu bijkans dertien jaar geleden zijn; al dien tijd is het hier
geweest, hetgeen voor u een reden moet zijn, het goed te behandelen.
Verkoop het nooit, laat het vreedzaam en in eere van ouderdom sterven,
en indien gij met het dier te velde trekt, spaar het dan, zooals gij een
ouden dienaar zoudt sparen. Aan het hof,” vervolgde de oude heer
d’Artagnan, „indien gij althans de eer geniet daar te verschijnen; een
eer trouwens, op welke uw oude adel u recht geeft, verdedig daar
waardiglijk uw naam van edelman--door uw voorouders gedurende meer dan
vijfhonderd jaren met roem gedragen--zoowel voor u, als voor de uwen.
Onder de uwen versta ik uw bloedverwanten en uw vrienden; onderwerp u
alleen aan den kardinaal en aan den koning. Het is door moed, versta mij
wel, alleen door moed, dat een edelman tegenwoordig fortuin kan maken.
Wie slechts een seconde beeft, laat misschien de gelegenheid ontglippen,
die hem de fortuin juist in dat korte oogenblik aanbood. Gij zijt jong,
en gij _moet_, en wel om twee redenen, moedig zijn: de eerste, omdat gij
een Gaskonjer, en de tweede, dewijl gij mijn zoon zijt. Laat geen
gelegenheid om uit te munten voorbijgaan, maar zoek avonturen. Ik heb u
geleerd den degen te behandelen; gij hebt ijzeren, onwrikbare beenen,
een stalen vuist; vecht dus bij elke gelegenheid; te meer, daar de
tweegevechten verboden zijn, en gij bijgevolg dubbel moedig moet zijn,
om tot vechten over te gaan. Ik kan u niets meer geven, mijn zoon! dan
vijftien kronen, mijn paard en de raadgevingen, die gij gehoord hebt. Uw
moeder zal hierbij het voorschrift van zekeren balsem voegen, dien zij
van een heidin ontvangen heeft, en die een wonderdadige geneeskracht
heeft ter heling van elke wond, welke het hart niet heeft gekwetst. Doe
met dit alles uw voordeel en leef lang en gelukkig.--Nog slechts één
woord heb ik hierbij te voegen, het betreft een voorbeeld, dat ik u
stellen wil: niet mij zelven, want ik ben nooit aan het hof geweest, ik
heb slechts de godsdienst-oorlogen als vrijwilliger medegemaakt; maar ik
bedoel den heer de Tréville, vroeger mijn gebuur, en die het geluk heeft
genoten, nog kind zijnde, met onzen koning Lodewijk XIII (dien God
behoede) te spelen. Somtijds ontaardden hun spelen in vechtpartijen en
de koning was niet altijd de sterkste. De klappen, die hij opliep, deden
bij hem voor den heer de Tréville veel achting en vriendschap ontstaan.
Later vocht de heer de Tréville vijf malen tegen anderen, bij den
eersten keer, dat hij te _Parijs_ kwam; sedert den dood van wijlen den
koning, tot aan de meerderjarigheid van zijn opvolger, vocht hij zeven
malen, zonder daarbij oorlogen en belegeringen te rekenen; en sedert die
meerderjarigheid, tot op heden, misschien honderd malen! En daarom is
hij ook thans, in weerwil der ordonnantiën en besluiten, kapitein der
musketiers, dat is te zeggen, de bevelvoerder van een legioen _Cesars_,
die de koning hoogschat, en die door Zijne Eminentie den kardinaal
gevreesd worden, door hem, die voor zeer weinig bevreesd is, zooals
iedereen weet. Daarenboven heeft de heer de Tréville een jaarlijksch
inkomen van tien duizend kronen; hij is dus een zeer groot heer.--Hij is
begonnen, zooals gij; ga hem met dezen brief bezoeken en richt u naar
hem, ten einde naar zijn voorbeeld te handelen.”--En na deze woorden
gordde de oude heer zijn zoon zijn eigen degen om, omhelsde en kuste hem
teederlijk op beide wangen en gaf hem zijn zegen.

Het vertrek zijns vaders verlatend, begaf de jongeling zich tot zijn
moeder, die hem wachtte met het geneeskrachtige voorschrift, waarvan de
raadgevingen, die wij mededeelden, een tamelijk veelvuldig gebruik
noodzakelijk maakten. Dit afscheid was van langen duur en teederder dan
het vorige; niet omdat de heer d’Artagnan zijn zoon, zijn eenig kind,
niet beminde, maar omdat de heer d’Artagnan een man was, en het voor een
man onwaardig achtte, zich door zijn aandoeningen te laten vervoeren,
terwijl mevrouw d’Artagnan een vrouw, en wat meer zegt, moeder was. Zij
stortte heete tranen, en, zeggen wij het tot lof van den jongen
d’Artagnan, ondanks de pogingen, die hij aanwendde om kordaat te
blijven, zooals het een toekomstigen musketier betaamde, had de natuur
de overhand, en hij stortte een vloed van tranen, van welke het hem
nauwelijks gelukte de helft te bedwingen.

Nog dienzelfden dag ging de jongeling op reis, voorzien van de drie
vaderlijke geschenken, welke, zooals wij zeiden, in vijftien kronen, het
paard en den brief voor den heer de Tréville bestonden; zooals men wel
kan denken, waren de raadgevingen op den koop toe gegeven. Met een
dergelijk _vade mecum_ was d’Artagnan, zoowel zedelijk als lichamelijk,
een volmaakte nabootsing van den held van _Cervantes_, met wien wij hem
zoo eigenaardig vergeleken, toen onze plicht als geschiedschrijver ons
dwong zijn afbeeldsel te schetsen. Don Quichotte zag windmolens voor
reuzen aan, en schapen voor een leger; d’Artagnan beschouwde elken
grimlach als een beleediging, en elken blik als een uitdaging. Hiervan
was het gevolg, dat hij, van _Tarbes_ tot aan _Meung_, steeds de vuisten
gebald hield, en hij, door elkander gerekend, tienmaal op een dag de
hand aan het gevest van zijn degen sloeg; intusschen kwam de vuist op
niet een enkel bakhuis neer, en de degen verliet zijn scheede niet. Dit
kon die ongelukkige, gele hit, die op de gezichten van een aantal
voorbijgangers een grimlach deed ontluiken, niet helpen, maar omdat op
diens rug een duchtig lange degen kletterde, en boven dien degen een
meer wreedaardig dan trotsch oog blonk, onderdrukten de voorbijgangers
hun lachlust, of, wanneer de lachlust hun de voorzichtigheid uit het oog
deed verliezen, trachtten zij echter slechts van een kant te lachen,
zooals de maskers der ouden--d’Artagnan bleef dus majestueus en
ongedeerd in zijn lichtgeraaktheid tot aan de rampzalige stad _Meung_.
Want daar, op het oogenblik dat hij voor de deur van de herberg _de
Trouwe Molenaar_ afsteeg, zonder dat iemand, kastelein, knecht of
staljongen hem bij het afstijgen de behulpzame hand kwam bieden,
bespeurde d’Artagnan voor een half openstaand venster der benedenkamer
een edelman van een fraaie gestalte en deftige houding, maar met een
eenigszins barsch gezicht, in gesprek met twee personen, welke naar hem
met buitengewone beleefdheid schenen te luisteren. D’Artagnan geloofde
natuurlijk, volgens zijn gewoonte, dat hij het onderwerp des gespreks
was en luisterde. Nu had d’Artagnan zich slechts ten halve vergist: Over
hem werd niet gesproken, maar wel over zijn paard, van hetwelk de
edelman aan zijn hoorders al de hoedanigheden opsomde, en daar, zooals
ik zeide, die hoorders uiterst beleefd jegens den verhaler schenen,
barstten zij elk oogenblik in een luid gelach uit. En dewijl reeds een
flauwe glimlach voldoende was, om den toorn des jongelings op te wekken,
kan men begrijpen, welke uitwerking dit hard, onophoudelijk lachen op
hem had.

Intusschen wilde d’Artagnan eerst het gelaat van dien onbeschofte, die
hem bespotte, eens opnemen. Hij wierp een trotschen blik op den
vreemdeling en ontwaarde in hem een man van veertig tot vijf en veertig
jaar, met zwarte, doordringende oogen, bleeke kleur, sterk geteekenden
neus en zwarten, fraaien knevel; hij had een violetkleurig buis en broek
aan, met rijgsnoeren van dezelfde kleur, zonder ander versiersel dan de
gewone spleten, door welke het hemd uitkwam. Die broek en dat buis,
hoewel nieuw, schenen gekreukt te zijn, gelijk kleederen, die een
geruimen tijd in een valies zijn gepakt geweest. D’Artagnan bezag dit
alles met de snelheid van een opmerker, en waarschijnlijk met een
innerlijk gevoel, hetwelk hem zeide, dat die man op zijn toekomstig
leven een grooten invloed zou uitoefenen. En terwijl d’Artagnan zijn
blik op den edelman met het violetkleurig buis vestigde, gaf deze op dat
oogenblik een zeer wijsgeerige en diepzinnige verklaring over den
Bearneeschen hit, die door zijn toehoorders met een luid geschater werd
beantwoord; ook op zijn gelaat kon men duidelijk, tegen zijn gewoonte,
een bleeken glimlach zien zweven, indien men het zoo kan uitdrukken.
Geen twijfel meer, d’Artagnan was werkelijk beleedigd; hiervan volkomen
overtuigd, drukte hij zijn muts diep over de oogen, en de hoofsche
manieren trachtende na te bootsen, die hij nu en dan in _Gaskonje_ bij
op reis zijnde edellieden had opgemerkt, sloeg hij de hand aan de greep
van zijn degen, terwijl hij de andere op zijn heup liet rusten.
Ongelukkiglijk werd hij, hoe meer hij naderde, door woede verblind, en
in plaats van de deftige en fiere toespraak, die hij had voorbereid, om
zijn uitdaging uit te drukken, vond hij niets anders op zijn lippen dan
een persoonlijke onbeschoftheid, die hij met een woedend gebaar deed
vergezeld gaan.

„Wel, mijnheer!” riep hij, „mijnheer! die zich achter dat vensterluik
verschuilt! ja, gij! zeg mij toch eens, waarom gij zóó lacht, en wij
zullen samen lachen!”--De edelman wendde langzaam zijn oogen van het
paard af en sloeg die op den ruiter, alsof hij eenigen tijd noodig had
om te begrijpen, dat tot hem die zonderlinge woorden gericht werden.
Vervolgens, toen hem niet de minste twijfel overbleef, fronste hij een
weinig zijn wenkbrauwen; en na een tamelijk lang zwijgen, antwoordde hij
op een onbeschrijfelijk spottenden en beleedigenden toon:

„Ik spreek niet tot u, mijnheer.”--„Maar ik spreek tot u! ik!” riep de
jongeling buiten zich zelven door dat mengsel van onbeschaamdheid en
goede manieren, van welvoegelijkheid en minachting.--De onbekende
beschouwde hem nog een oogenblik met een fijnen glimlach, verwijderde
zich van het venster en kwam langzaam uit de herberg, om op twee
schreden afstand van d’Artagnan voor het paard te gaan staan. Zijn
geruste houding, zijn spottend gelaat, verdubbelden den lachlust van
hen, met wie hij in gesprek was, maar die voor het venster bleven
staan.--D’Artagnan, hem ziende naderen, trok zijn degen een voet uit de
scheede.--„Dat paard is onweersprekelijk, of liever is in zijn jeugd van
een goud-gele kleur geweest,” hernam de vreemdeling, zijn aangevangene
beschouwingen voortzettende en zich tot zijn gezelschap aan het venster
wendende, zonder den schijn te hebben in het minst de gramschap van
d’Artagnan te bemerken, die zich echter oprichtte. „Dat is een, in de
plantenkunde zeer bekende, maar tot hiertoe bij paarden zeer zeldzame
kleur.”--„Die met het paard den draak steekt, zal zich hiervan jegens
den meester wel onthouden!” riep de toekomstige navolger van Tréville in
woede ontstoken.--„Ik lach niet dikwijls, mijnheer!” zeide de onbekende,
„zooals gij het kunt zien aan de uitdrukking van mijn gelaat; maar ik
wilde toch gaarne het voorrecht, te lachen wanneer mij zulks behaagt,
behouden.”--„En ik,” riep d’Artagnan, „wil niet, dat men lacht, wanneer
mij zulks mishaagt.”--„Waarlijk, mijnheer!” vervolgde de vreemdeling,
met de grootste bedaardheid, „wel, hierin hebt gij gelijk.” En zich op
de hielen omdraaiende, maakte hij zich gereed, de herberg door de groote
deur binnen te gaan, vóór welke d’Artagnan, toen hij aankwam, een
gezadeld paard had zien staan. Maar d’Artagnan’s aard was niet, om zoo
gemakkelijk iemand los te laten, die de onbeschoftheid had gehad, den
spot met hem te drijven. Hij trok zijn degen geheel uit de scheede en
volgde hem, uitroepende: „Keerom! keerom toch mijnheer de spotvogel!
opdat ik u niet van achter treffe.”--„Mij treffen!” zeide de andere,
wederom op zijn hielen een draai makende en den jongeling met even veel
verwondering als verachting beschouwende.--„Och, ga! mijn lieve jongen!
gij zijt gek!”--En toen binnensmonds, alsof hij zich zelven toesprak:
„Hoe jammer! wat een vondst voor Zijne Majesteit, die overal dapperen
zoekt, om er zijn musketiers van te maken.”

Nauwelijks had hij deze woorden gezegd, of d’Artagnan deed een zoo
hevigen uitval, dat, bijaldien de edelman niet haastig ware
achteruitgesprongen, hij waarschijnlijk voor het laatst geschertst zou
hebben.--De onbekende, toen bemerkende dat dit wat meer was dan scherts,
trok zijn degen, groette zijn aanvaller en stelde zich in tegenweer.
Maar tegelijkertijd vielen zijn beide hoorders, vergezeld van den
kastelein, op d’Artagnan aan en overlaadden hem met een hagelbui van
stok-, schop- en tangslagen. Dit maakte een zoo plotselingen en volkomen
ommekeer in den aanval, dat de vijand van d’Artagnan, terwijl deze
laatste zich omwendde, om zich tegen die hagelbui van slagen te
verweren, met denzelfden ernst zijn degen opstak en, van deelnemer in
het gevecht, aanschouwer werd; een rol, waarvan hij zich met zijn gewone
koelheid kweet, terwijl hij echter binnensmonds prevelde: „De duivel
hale die Gaskonjers!--Zet hem op zijn oranjekleurig paard en laat hem
loopen.”--„Niet alvorens u het leven te hebben ontnomen, lafaard!” riep
d’Artagnan, terwijl hij, zoo goed hij kon, en zonder een schrede
achteruit te wijken, zich tegen zijn drie vijanden verweerde, die hem
plat sloegen.--„Wederom een _Gaskonjische bluf_,” mompelde de edelman.
„Op mijn woord, die Gaskonjers zijn onverbeterlijk! Zet den dans dan
maar voort, indien hij het verkiest. Moede geworden, zal hij wel zeggen,
dat hij er genoeg van heeft.”

Maar de vreemdeling kende den koppigen aard nog niet van hem, met wien
hij te doen had; d’Artagnan was de man niet, om zich ooit over te geven.
Het gevecht bleef nog eenige seconden aanhouden; maar eindelijk liet
d’Artagnan, wiens krachten waren uitgeput, zijn degen, door een stok in
twee stukken geslagen, uit zijn hand vallen. Een andere slag, die op
zijn hoofd neerkwam, wierp hem tegelijkertijd, geheel bebloed en bijna
bewusteloos, ter aarde. Het was op dat oogenblik, dat men van alle
kanten op het tooneel des gevechts kwam toesnellen. De kastelein, voor
schandaal bevreesd, droeg, geholpen door zijn knechts, den gekwetste in
de keuken, waar men hem eenige hulp bewees.--Wat den edelman betreft,
deze had wederom zijn plaats voor het venster ingenomen en beschouwde
met ontevredenheid de bijeengeschoolde menigte, welke, daar zij zich
niet verwijderde, hem geweldig scheen te hinderen.

„Wel! hoe gaat het met dien dolleman?” hernam hij, op het gerucht der
opengaande deur zich omwendende tot den kastelein, die naar zijn
welstand kwam vragen.--„Uwe Excellentie is immers ongedeerd en wel?”
vroeg de kastelein.--„Ja, volkomen wel, waarde kastelein, maar ik vraag
u, hoe het met den jongeling gaat?”--„Hij is beter,” antwoordde de
kastelein, „hij was geheel buiten kennis geraakt.”--„Waarlijk?” hernam
de edelman....--„Maar alvorens buiten kennis te raken, heeft hij al zijn
krachten verzameld, om u te roepen en u uit te dagen....”--„Maar het is
dan de vleeschelijke duivel, die snaak?” riep de onbekende.--„Och neen,
Uwe Excellentie! het is de duivel niet,” zeide de waard, minachtend den
neus optrekkende, „want toen hij buiten kennis was, hebben wij zijn
zakken onderzocht; hij heeft niets anders in zijn pakje dan één hemd en
in zijn beurs slechts twaalf kronen, hetgeen hem niet belet heeft te
zeggen, toen hij in zwijm viel, dat indien hem iets dergelijks te
_Parijs_ ware overkomen, u dit dadelijk zou zijn opgebroken, hetgeen nu
slechts later zal gebeuren.”--„Dan,” zeide de onbekende koel weg, „is
het de een of ander vermomde prins van den bloede.”--„Ik zeg u dat, Uwe
Excellentie!” hernam de kastelein, „ten einde gij op uw hoede zoudt
zijn....”--„En heeft hij in zijn woede niemand genoemd?”--„Ja, hij sloeg
op zijn zak en zeide: Wij zullen zien, wat de heer de Tréville van die
behandeling, zijn gunsteling aangedaan, zeggen zal.”--„De heer de
Tréville?” zeide de onbekende, meer aandachtig wordende: „hij sloeg
op zijn zak, den naam van den heer de Tréville noemende? Laat eens
hooren, mijn goede kastelein! terwijl uw jongeling buiten kennis was,
zult gij zeker ook wel eens diens reiszak hebben nagezien. Wat
was er in?”--„Een brief voor den heer de Tréville, kapitein der
musketiers.”--„Inderdaad?”--„Zooals ik de eer heb u te zeggen,
Excellentie!”

De waard, met niet veel doorzicht begaafd, bespeurde de uitdrukking
niet, welke deze woorden aan de gelaatstrekken van den onbekende
mededeelden. Deze verliet het venster, tegen welks kozijn hij steeds met
den elleboog geleund stond, en als iemand die onrustig is, rimpelde zich
zijn voorhoofd.--„Duivelsch!” mompelde hij, „zou Tréville dien Gaskonjer
op mij hebben afgezonden? Hij is nog zeer jong! maar een degensteek is
daarom niet minder een degensteek, hoe jong hij ook zijn moge, die hem
toebrengt, en men hoedt zich minder voor een knaap dan voor een man; een
kleine hinderpaal is soms voldoende om een groot doel te doen
mislukken.”--En de onbekende verviel in een overpeinzing, die eenige
minuten bleef aanhouden.

„Luister eens, kastelein! kunt gij mij van dien razende niet ontslaan?
Ik wil zijn dood niet op mijn geweten hebben, en echter,” voegde hij er
bij met een uitdrukking van koele bedreiging, „echter hindert hij mij.
Waar is hij?”--„In de kamer mijner vrouw, op de eerste verdieping, waar
men hem verbindt.”--„Heeft hij kleederen en reiszak bij zich? Heeft hij
zijn buis nog aan?”--„Neen, dit alles is beneden in de keuken. Maar
dewijl die jonge gek u hindert....”--„Wel zeker, hij verwekt immers in
uw herberg een verwarring, die fatsoenlijke lieden niet kunnen
verdragen. Ga mijn rekening opmaken en roep mijn lakei.”--„Wat, gaat
mijnheer ons reeds verlaten?”--„Gij wist dit immers, daar ik u bevel heb
gegeven, mijn paard te zadelen. Heeft men mij niet gehoorzaamd?”--„Wel
zeker, en zooals Uwe Excellentie heeft kunnen zien, staat haar paard
geheel gereed voor de groote poort, om te vertrekken.”--„Dan is het
goed, doe nu wat ik u heb gelast.”--„Ai!” zeide de kastelein bij zich
zelven, „zou hij voor dien kleinen jongen bang zijn?”--Maar een
gebiedende blik van den onbekende deed hem zwijgen; en hij vertrok,
nederig buigende.

„Het is volstrekt noodzakelijk, dat _milady_[1] door dien knaap niet
wordt gezien,” ging de vreemdeling voort; „zij zal spoedig hier
voorbijkomen; zij had er reeds moeten zijn. Het zal waarschijnlijk het
best zijn, dat ik te paard stijg en haar tegemoet rijd. Indien ik maar
kon weten, wat die brief aan den heer Tréville behelst.”--En de
vreemdeling, aldus mompelend, begaf zich naar de keuken. Onderwijl was
de kastelein, die volstrekt niet vermoedde, dat het de tegenwoordigheid
des jongelings was, die den vreemdeling uit zijn herberg joeg, naar
boven bij zijn vrouw gegaan, en had d’Artagnan volkomen in het bezit
zijner geestvermogens gevonden. Toen, terwijl hij hem deed begrijpen,
dat de politie zijn twistzoeken met een edelman wel eens slecht zou
kunnen opnemen, want naar de meening van den kastelein kon de
vreemdeling niets anders dan een edelman zijn, noopte hij hem, ondanks
zijn zwakheid, op te staan en zijn weg te vervolgen.

     [1] Wij weten zeer goed, dat de benaming van „Milady” niet anders
     gebruikt wordt, dan wanneer die door den familienaam wordt gevolgd.
     Maar wij hebben dit zóó in dit manuscript gevonden, en durven het
     niet op ons nemen, hierin iets te veranderen.

D’Artagnan, ten halve buiten kennis, stond dan op zonder buis aan en
zijn hoofd met zwachtels bedekt, en door den kastelein voortgeduwd,
begon hij de trap af te klimmen; maar in de keuken gekomen, was het
eerste wat hij op straat ontwaarde zijn vijand, die gerust stond te
praten voor het portier van een onhebbelijke koets, bespannen met twee
zware Normandische paarden. De vrouw tot wie hij sprak, en wier hoofd
zich in het geopend venster van het portier vertoonde, was twintig of
twee en twintig jaar oud.--Wij hebben reeds gezegd, met welken
bliksemsnel onderzoekenden oogopslag d’Artagnan al de trekken van een
gelaat wist op te nemen, hij bemerkte dus dadelijk, dat de dame jong en
schoon was. En die schoonheid trof hem te meer, daar zij geheel vreemd
was aan een bewoner van zuidelijke streken, zooals d’Artagnan, die voor
het eerst zijn land verlaat. Zij was een blondine, met lange lokken, die
haar op de schouders vielen, groote, kwijnende blauwe oogen,
rooskleurige lippen en albastwitte handen, en hield een zeer levendig
gesprek met den vreemdeling.

„Dus Zijne Eminentie beveelt mij....?” vroeg de dame.--„Oogenblikkelijk
naar _Engeland_ terug te keeren, en het hem onmiddellijk te berichten,
wanneer de hertog _Londen_ mocht verlaten.”--„En de overige bevelen,
waarnaar ik zal moeten handelen?” vroeg de schoone reizigster.--„Zij
zijn in deze doos gesloten, die gij niet zult openen dan aan de
overzijde van het kanaal.”--„Zeer wèl, en gij, wat moet gij doen?”--„Ik?
ik keer naar _Parijs_ terug.”--„Zonder dien kleinen kwaden jongen te
kastijden?” vroeg de dame. De onbekende wilde antwoorden, maar op het
oogenblik, dat hij den mond opende, snelde d’Artagnan, die alles gehoord
had, de voordeur uit.--„Hier is de kleine, kwade jongen, die anderen
kastijdt,” riep hij, „en ik hoop, dat nu degene, dien hij zal kastijden,
hem niet zooals den eersten keer zal ontsnappen.”--„Hem niet zal
ontsnappen?” hernam de onbekende, de wenkbrauwen fronsende.--„Neen, want
ik veronderstel, dat gij in de tegenwoordigheid eener vrouw niet op de
vlucht zult durven gaan.”--„Bedenk!” riep _milady_ uit, den edelman de
hand aan zijn degen ziende slaan, „bedenk, dat de minste vertraging
alles kan doen mislukken.”--„Gij hebt gelijk!” riep de edelman; „vertrek
dus van uw kant, ik zal dit van den mijnen doen.”--En de dame met het
hoofd groetende, sprong hij in den zadel, terwijl de koetsier van het
rijtuig flink de zweep op de paarden legde. Beide personen verwijderden
zich nu in vollen galop, elk langs een der einden van de straat.

„Hei! uw vertering!” schreeuwde de kastelein, wiens beleefdheid voor
zijn reiziger in diepe verachting veranderde, toen hij hem zag
vertrekken zonder te betalen.--„Betaal dan uilskuiken!” riep de reiziger
tot zijn lakei, die den kastelein twee of drie zilverstukken voor de
voeten wierp en zijn meester achterna reed.--„O, lafaard! ellendeling!
O, valsche edelman!” riep d’Artagnan, den lakei op zijn beurt
nasnellende. Maar de gekwetste was nog te zwak, om een dergelijke
krachtinspanning vol te houden. Nauwelijks een tiental schreden afgelegd
hebbende, begonnen zijn ooren te suizen, een duizeling beving hem, en
een bloedige nevel belette hem te zien; en te midden der straat
neervallende, bleef hij roepen: „Lafaard! lafaard! lafaard!”--„Hij is
inderdaad zeer lafhartig,” mompelde de kastelein, d’Artagnan naderende,
en door deze vleitaal zich met den armen jongeling trachtende te
verzoenen, zooals de reiger uit de fabel met de slak.--„Ja, wel
lafhartig,” mompelde d’Artagnan, „maar zij! zij is zeer schoon!”--„Wie
zij?” vroeg de kastelein.--„_Milady_!” mompelde d’Artagnan, en hij
geraakte voor de tweede maal buiten kennis.--„Om het even,” zeide de
kastelein, „ik verlies er twee; maar deze blijft mij over, dien ik ten
minste zeker ben eenige dagen hier te houden. Dat zal mij dan nog elf
kronen doen winnen.”

Men herinnert zich, dat die kronen juist de som uitmaakten, welke in de
beurs van d’Artagnan overgebleven was. De kastelein had op elf dagen
ziekte van zijn gast gerekend, tegen een kroon daags, maar hij had
zonder zijn gast gerekend. Den volgenden dag, op klokslag van vijf uur,
stond d’Artagnan op, ging naar de keuken, vroeg, behalve nog eenige
bestanddeelen, van welke de lijst niet tot onze kennis gekomen is, wijn,
olie en rozemarijn, en met het voorschrift zijner moeder in de hand
bereidde hij een balsem, met welken hij zijn talrijke wonden zalfde;
zijn verband vernieuwde hij zelf, de hulp eens heelmeesters hiertoe niet
willende inroepen. Waarschijnlijk ten gevolge der geestkracht van den
balsem der heidin, en misschien ook wel een weinig uit hoofde van de
afwezigheid eens dokters, was d’Artagnan reeds dienzelfden avond goed
ter been, en den volgenden dag bijna genezen.... Maar op het oogenblik,
toen hij den rozemarijn, de olie en den wijn zou betalen,--het eenige,
wat de ruiter had gebruikt, daar hij streng gevast had, terwijl
integendeel het gele paard, althans naar des waards verzekering, drie
maal meer had gegeten dan men redelijkerwijs, zijn grootte in aanmerking
genomen, zou hebben kunnen veronderstellen,--vond d’Artagnan niets
anders in zijn zak dan zijn kaal, fluweelen beursje met de elf kronen,
die het bevatte; maar wat den brief voor den heer de Tréville betreft,
deze was verdwenen.... De jongeling begon dien brief met het grootste
geduld te zoeken, al zijn zakken meer dan twintig malen keerende en
weder omkeerende, zijn valies uitpakkende en weder inpakkende, zijn
beurs open en toe doende doch toen hij eindelijk de zekerheid had
verkregen, dat de brief niet te vinden was, verviel hij voor de derde
maal in een aanval van woede, welke hem bijna een vernieuwde uitgaaf
voor wijn en welriekende oliën zoude hebben gekost; want toen de
kastelein den jongen heethoofd in drift ontstoken zag, dreigende alles
in de herberg te zullen vernielen, indien zijn brief niet terechtkwam,
had hij zich reeds van een staak voorzien, terwijl zijn vrouw met een
bezemstok, en de knechts voorzien met dezelfde stokken, die den vorigen
dag hadden gediend, kwamen toesnellen.--„Mijn aanbevelingsbrief!” riep
d’Artagnan, „mijn aanbevelingsbrief! of _sangdieu_! ik rijg u allen aan
mijn degen als een ris ortolanen aan het spit.”

Ongelukkiglijk belette een zekere omstandigheid den jongeling zijn
bedreiging uit te voeren; want, zooals wij gezegd hebben, zijn degen was
bij het eerste gevecht in twee stukken gebroken, hetgeen hij geheel en
al had vergeten.... Zoo kwam het dat, toen d’Artagnan zijn zwaard wilde
trekken, hij zich eenvoudig gewapend zag met een acht of tien duim lang
stuk degen, wat de kastelein zorgvuldig weder in de scheede had
gestoken. Van het andere stuk des degens had hij zich behendig meester
gemaakt, om er zich een lardeerpriem uit te maken. Intusschen zou deze
teleurstelling waarschijnlijk onzen vurigen jongeling niet hebben
tegengehouden, indien de waard niet had overwogen, dat de eisch van zijn
gast volkomen billijk was.

„Maar waarlijk,” zeide hij, zijn staak latende vallen, „waar kan die
brief zijn!”--„Ja, waar is die brief?” riep d’Artagnan. „Vooreerst zeg
ik u, dat die brief voor den heer de Tréville is, en dat hij moet worden
teruggevonden, zoo niet dan zal hij dien wel terecht doen komen!”--Deze
bedreiging was voldoende, om den kastelein nog meer angst aan te jagen.
Immers na den koning en den kardinaal, was de heer de Tréville de man,
wiens naam misschien het meest in den mond was, niet alleen der
krijgslieden, maar zelfs der burgers.--Er was, wel is waar, nog zekere
vader Josef, maar diens naam werd slechts zeer zacht genoemd, zoo groot
was de vrees, welke die grijze eminentie (zoo noemde men den
vertrouweling des kardinaals) inboezemde.--Zijn staak ver van zich
werpende en zijn vrouw gebiedende evenzoo met haar bezem en zijn knechts
zulks met hun stokken te doen, gaf hij eerst het voorbeeld door ijverig
naar den verloren brief te zoeken.--„Bevatte de brief iets van waarde?”
vroeg de kastelein, na een oogenblik vruchteloos gezocht te
hebben.--„_Sandis_! dat geloof ik!” riep de Gaskonjer, die op dien brief
rekende, om zijn fortuin aan het hof te maken: „Hij bevatte mijn
fortuin.”--„Spaansche schuldbrieven?” vroeg de angstige
waard.--„Schuldbrieven op de bijzondere schatkist van Zijne Majesteit,”
antwoordde d’Artagnan, die door dezen aanbevelingsbrief er op rekende,
in dienst des konings te geraken, en daarom meende dat hij, zonder te
liegen, dit eenigszins twijfelachtig antwoord kon geven.

„Duivelsch!” riep de geheel en al wanhopige kastelein uit.

„Maar om het even,” ging d’Artagnan voort, met nationale
grootsprekendheid, „het doet er niet toe, het geld beteekent niets: de
brief was het voornaamste. Ik had liever duizend pistolen dan hem
verloren.”--Hij zou even veel gewaagd hebben met twintig duizend te
zeggen, maar hij werd nog door zekere jeugdige schaamte teruggehouden.

Er ging eensklaps een licht op in het verstand van den kastelein, die
zich naar den duivel wenschte, dat hij niets vond.--„Die brief is niet
verloren!” riep hij.--„Zoo!” zeide d’Artagnan.--„Neen, hij is u
ontnomen.”--„Ontnomen, en door wien?”--„Door den edelman van gisteren.
Hij is in de keuken geweest, waar uw buis lag; hij was er geheel alleen.
Ik zou durven wedden, dat hij het is, die hem gestolen heeft.”--„Gelooft
gij?” vroeg d’Artagnan, nog weinig overtuigd: want hij kende beter dan
iemand de belangrijkheid, die deze brief voor hem alleen had en zag
daarin niets wat de begeerlijkheid zou hebben kunnen opwekken. Want
inderdaad, niet één der knechts, niet één enkele der in de herberg
zijnde reizigers, zou iets gewonnen hebben door het bezit van dat
papier.

„Gij zegt,” hernam d’Artagnan, „dat gij vermoeden hebt op dien
onbeschoften edelman?”--„Ik zeg u, dat ik er zeker van ben,” ging de
kastelein voort; „toen ik hem berichtte, dat Uwe Excellentie de
gunsteling des heeren de Tréville waart, en gij zelfs een brief voor
dien voornamen edelman hadt, scheen hij zeer onrustig en vroeg mij, waar
die brief was; waarop hij haastig naar de keuken ging, waar hij wist dat
uw buis lag.”--„Dan is hij de dief,” antwoordde d’Artagnan. „Ik zal mijn
klacht bij den heer de Tréville inleveren, en deze zal zich bij den
koning beklagen.”--Daarop haalde hij, met een majestueuze houding, twee
kronen uit zijn beurs, gaf ze aan den kastelein, die hem, met den hoed
in de hand, tot aan de deur geleidde, waar hij op zijn geel paard steeg,
dat hem zonder verdere ontmoetingen tot voor de poort _St. Antoine_ te
_Parijs_ bracht, waar zijn eigenaar het voor drie kronen verkocht;
hetgeen vrij goed betaald was, aangezien d’Artagnan het gedurende den
laatsten rit zeer had afgereden. De paardenkooper, aan wien d’Artagnan
het voor genoemde negen franken afstond, ontveinsde het den jongeling
dan ook niet, dat hij dien buitengewoon hoogen prijs alleen gaf om de
zonderlinge kleur van het haar.

D’Artagnan trad dus te voet _Parijs_ binnen, zijn valiesje onder den arm
dragende, en niet eer rust nemende, voordat hij een kamer had gehuurd,
die overeenkwam met de geringheid zijner middelen. Die kamer was onder
de dakpannen, in de Doodgraversstraat, bij het Luxembourg. Zoodra hij
den godspenning had gegeven, nam d’Artagnan bezit van zijn verblijf, en
besteedde hij het overige van den dag met aan zijn buis en aan zijn
broek eenige franjes te naaien, die zijn moeder van een bijna nieuw
kleedingstuk van den ouden heer d’Artagnan losgetornd en hem in stilte
gegeven had; vervolgens ging hij naar de oudijzermarkt een nieuwe
degenkling koopen; daarop begaf hij zich naar het Louvre en vroeg den
eersten musketier, dien hij ontmoette, waar het hotel van den heer de
Tréville was gelegen. Men antwoordde hem, in de straat de Oude
Duiventil, hetgeen juist in de nabijheid was der kamer, die d’Artagnan
had gehuurd; een omstandigheid, welke hem een goed teeken voor den
gelukkigen uitslag zijner reis scheen; waarna hij zich, tevreden over de
wijze, waarop hij zich te _Meung_ had gedragen, zonder wroeging over het
verledene, vol vertrouwen in het tegenwoordige, en van hoop op de
toekomst, te bed begaf en den slaap des dapperen sliep.--Deze, nog
geheel landelijke slaap, bracht hem tot des ochtends negen uur, toen hij
opstond, om zich naar dien vermaarden heer Tréville te begeven, die,
volgens de vaderlijke schatting, de derde personage des koninkrijks was.




HOOFDSTUK II.

De antichambre des heeren de Tréville.


De heer de _Troisville_, zooals zijn geslacht zich nog in _Gaskonje_
noemde, of de Tréville, zooals hij zich eindelijk te _Parijs_ had
genoemd, was inderdaad op dezelfde wijze begonnen als d’Artagnan, dat is
te zeggen, zonder een duit geld in den zak, maar voorzien van dat
kapitaal van moed, geslepenheid en stijfhoofdigheid, door hetwelk het
ouderlijk erfdeel den armsten, geringsten Gaskonjischen edelman soms
meer geeft, dan de rijkste edelman uit _Périgord_ of _Berry_ in
klinkende specie ontvangt. Zijn onbeschrijfelijke moed, zijn nog
onbeschrijfelijker geluk, in een tijd dat de slagen als hagel
neervielen, hadden hem tot op de hoogste sport dier steile ladder
geheschen, die men hofgunst noemt, en van welke hij, vier sporten
tegelijk overschrijdende, het toppunt had bereikt.--Hij was des konings
vriend, die, zooals bekend is, de nagedachtenis van zijn vader, Hendrik
IV, zeer vereerde. De vader van den heer de Tréville had hem zóó
getrouwelijk gediend in zijn oorlogen tegen de Ligue, dat, bij gebreke
van klinkende munt,--iets, dat den Bearnees geheel zijn leven ontbrak,
hem, die steeds zijn schulden betaalde met het eenige, wat hij niet
noodig had te leenen: met geestigheid,--dat, bij gebreke van klinkende
munt, zeggen wij, hij hem na de inneming van _Parijs_, verlof had
gegeven tot zijn wapenschild te nemen een gouden leeuw op een rood veld,
met deze spreuk: _Fidelis et fortis_. Dit was zeer veel voor de eer,
maar weinig voor den lichamelijken welstand. Ook toen de beroemde
lotgenoot van den grooten Hendrik overleed, liet hij niets anders aan
mijnheer zijn zoon na dan zijn degen en die spreuk. Dank zij deze
dubbele gift en den vlekkeloozen naam, die hem vergezelde, werd de heer
de Tréville in het huis van den jongen prins toegelaten, waar hij zich
zoo goed van zijn degen bediende, en zoo getrouw aan zijn devies, dat
Lodewijk XIII, een der behendigste schermmeesters van zijn tijd, de
gewoonte had te zeggen, dat, had hij een vriend, die een tweegevecht zou
moeten aangaan, hij hem den raad zou geven, vooreerst hem zelven als
getuige te nemen en daarna Tréville, misschien wel dezen vóór hem.--Ook
had Lodewijk XIII een oprechte genegenheid voor Tréville: die
genegenheid was, wel is waar, koninklijk, en dus baatzuchtig, maar het
was in allen gevalle genegenheid; want in dien rampzaligen tijd trachtte
men vooral zich te omringen met menschen van den aard als Tréville.
Velen konden het woord _sterk_, dat het tweede gedeelte van zijn spreuk
uitmaakte, maar slechts weinige edellieden konden den bijnaam van
getrouw op zich toepassen, die bij hem voorafging. Tréville was een der
laatsten; hij bezat die zeldzame eigenschap, namelijk verstandig
gehoorzaam te zijn als de dog; hij was begaafd met een blinden moed, een
snellen blik en een behendige hand; het oog was hem slechts gegeven om
te zien, of de koning ook over den een of anderen ontevreden was, en de
hand om dien te treffen, bij voorbeeld een Besme, een Maurevers, een
Poltrot de Méré, een Vitry; kortom, tot hiertoe had aan Tréville slechts
de gelegenheid ontbroken; maar hij wachtte die en was vastbesloten ze
bij haar drie haren te grijpen, indien ze ooit onder het bereik zijner
hand kwam. Lodewijk XIII verhief dan ook de Tréville tot kapitein zijner
musketiers, die voor Lodewijk XIII, wat hun gehechtheid, of liever hun
dwepende verknochtheid betrof, dat waren, hetgeen de _vertrouwelingen_
voor Hendrik III en de Schotsche garde voor Lodewijk XI waren.

Van zijn kant had de kardinaal in dat geval niet voor den koning onder
gedaan. Toen hij de machtige keurbende had gezien, met welke Lodewijk
XIII zich omringde, wilde die tweede, of liever die eerste koning van
_Frankrijk_ ook een wacht om zich zien. Hij had dan ook zijn musketiers,
zooals Lodewijk XIII de zijne, en men kon zien, hoe die twee naijverige
machten voor hun dienst in al de provinciën van _Frankrijk_ en zelfs in
vreemde staten de beroemdste krijgslieden deden werven. Ook twistten
Richelieu en Lodewijk XIII dikwijls des avonds, onder het schaakspel,
over de verdiensten hunner dienaren. Elk roemde het fiere uiterlijk en
den moed der zijnen, en, luide zich tegen de tweegevechten en twisten
verheffende, hitsten zij hen in stilte tegen elkander op, en gevoelden
zij hevig verdriet of buitensporige vreugd over de nederlaag of over de
overwinning der hunnen. Althans zoo luidden de gedenkschriften van hem,
die bij eenige dezer nederlagen en bij vele dier overwinningen
tegenwoordig was.

Tréville kende het zwak zijns meesters; hieraan was de zoo langdurige en
onafgebroken gunst des konings toe te schrijven, die den naam niet had
een zeer getrouw vriend te zijn. Hij liet zijn musketiers voor den
kardinaal Armand du Plessis paradeeren op een zoo tergende wijze, dat de
grijze knevels van Zijne Eminentie van toorn opkrulden. Tréville
verstond den oorlog van dien tijd wonderlijk wel, in welken men, wanneer
men niet ten koste van zijn vijand leefde, zulks ten koste zijner
medeburgers deed: immers zijn krijgslieden vormden een bende
_geweldenaars_, die niet anders dan door hem tot hun plicht konden
gebracht worden. Losbandig, dronken, gehavend verspreidden zich de
musketiers des konings, of liever die van den heer de Tréville, in de
kroegen, op de wandelingen, in de openbare speelhuizen, groot geweld
makende, hun knevels opstrijkende en met hun degens kletterende, terwijl
zij er een wellust in vonden de lijfwacht des kardinaals, wanneer zij
eenigen er van op straat ontmoetten, tegen het lijf te loopen en dan
schertsende den degen te trekken; somwijlen verloren zij bij die
gelegenheid het leven, maar in dat geval waren zij zeker beweend en
gewroken te zullen worden; ook vaak hun vijanden het leven ontnemende,
waren zij verzekerd niet in de gevangenis te zullen beschimmelen; want
de heer de Tréville was steeds dáár, om hen terug te eischen. Ook werd
de heer de Tréville op allerlei wijzen door die lieden, welke hem
aanbaden, geprezen en bezongen, en hoezeer mannen van moord en doodslag,
stonden zij voor hem als scholieren voor den meester, bevend en het
minste bevel gehoorzamend; gereed in den dood te ijlen, om de minste
smet, die op hen mocht kleven, uit te wisschen.

De heer de Tréville had vooreerst van dien machtigen hefboom voor den
koning en van de vrienden des konings gebruik gemaakt, en vervolgens
voor zich zelven en zijn vrienden.--Trouwens, in geen enkel der
gedenkschriften dier tijden, die zoovele gedenkschriften hebben
nagelaten, ontwaart men, dat die eerzame edelman zelfs door zijn
vijanden is beschuldigd geworden--en hij had veel vijanden, zoowel onder
hen die de pen, als onder hen die den degen voerden--nergens ontwaart
men, zeggen wij, dat die waardige edelman beschuldigd is geworden, zich
voor de hulp, door zijn _Seïden_ verleend, te hebben laten betalen. Met
den zeldzaamsten aanleg voor intrigues, waardoor hij zich met de
grootste intriganten kon gelijk stellen, was hij echter eerlijk man
gebleven. En, wat meer zegt, ondanks de geweldige degenstooten, die de
ledematen verstijven, en de meest afmattende krijgsoefeningen, was hij
een der beminnelijkste losbollen, een der netste modepoppen, een der
geestigste zoete-woordjes-zeggers van zijn tijd geworden: men sprak van
de verliefde avonturen van de Tréville, zooals men twintig jaren te
voren van die van Bassompierre had gesproken, en dat beteekende nog al
iets. Alzoo was de kapitein der musketiers bewonderd, gevreesd en
bemind, hetgeen den hoogsten trap van menschelijk geluk daarstelt.

Lodewijk XIV verdoofde al de kleine sterren van zijn hof door zijn zich
wijd uitspreidenden stralenglans; maar zijn vader, een zon _pluribus
impar_[2], liet aan elk zijner gunstelingen zijn persoonlijken glans
behouden, en aan elk zijner hovelingen zijn eigen waarde. Behalve de
ochtendbezoeken bij den koning en den kardinaal, telde men toen te
_Parijs_ meer dan tweehonderd huizen, waar men dergelijke bezoeken, die
zeer in de mode waren, ontving, en onder deze waren die van de Tréville
de talrijkste.--De binnenplaats van zijn hotel, in de straat de Oude
Duiventil, geleek een legerkamp, zoodra het des zomers zes en des
winters acht uur had geslagen; vijftig tot zestig musketiers, die zich
daar schenen af te lossen, om steeds een ontzagwekkend getal te vormen,
wandelden er op en neer, steeds in volle krijgstoerusting en op alles
voorbereid. Langs een dier groote trappen, op welks grond onze
tegenwoordige beschaving een geheel huis zou bouwen, gingen de Parijsche
jagers naar een of anderen voordeeligen post, de landedellieden,
begeerig in dienst te treden, en de met allerlei kleuren opgesmukte
lakeien, die den heer de Tréville de boodschappen hunner meesters kwamen
brengen, op en af. In de voorkamer zaten de uitverkorenen, dat is te
zeggen, zij die genoodigd waren, op lange banken, die een halven cirkel
vormden. Van des morgens tot des avonds hoorde men dáár een onafgebroken
gemompel, terwijl de heer de Tréville in zijn aangrenzend kabinet
bezoeken ontving, klachten aanhoorde, bevelen gaf, en, evenals de koning
op zijn balkon van het Louvre, zich slechts voor het venster behoefde te
plaatsen, om zijn manschappen en hun wapens in oogenschouw te nemen.

     [2] De schrijver doelt op de spreuk van Lodewijk XIV, die tot wapen
     had aangenomen een zon met dit devies: „_nec pluribus impar_”; d.
     i. voor zeer vele dingen ben ik genoegzaam; dit kenschetst geheel
     den trotschen aard van Lodewijk XIV en ook den meer zedigen aard
     van Lodewijk XIII, dien de schrijver tot spreuk schijnt te geven:
     „_pluribus impar_”; d. i. voor de meeste dingen ben ik niet
     berekend.

Op den dag, toen d’Artagnan zich dáár vertoonde, maakte het gezelschap,
vooral op een bewoner der provincie, die voor het eerst in de hoofdstad
komt, niet weinig indruk; het is waar, dat die buitenman een Gaskonjer
was, en dat toen de landgenooten van d’Artagnan den naam hadden niet erg
vatbaar voor blooheid te zijn: en waarlijk, zoodra men de zware, met
groote, vierkante spijkers beslagene deur door was gegaan, bevond men
zich te midden van een troep krijgslieden, die op de binnenplaats op en
neer wandelden, elkander toeriepen, met elkander twistten of zich
vermaakten. Om zich door dit als bruisende baren woelend gedrang een weg
te banen, moest men officier, voornaam heer, of schoone dame zijn. Het
was dan te midden van dat gedrang en dien bajert, dat onze jongeling met
een kloppend hart voorttrad, zijn langen degen met de eene hand tegen
zijn mager been, en met de andere zijn vilten hoed bij den rand
houdende, op zijn gelaat den flauwen, verlegen en boerschen glimlach
vertoonende van hem, die zijn verlegenheid tracht te verbergen. Zoodra
hij een groep voorbij was, schepte hij weder adem, hoewel hij begreep,
dat men zich omkeerde om hem na te zien; en voor het eerst van zijn
leven vond d’Artagnan, die tot hiertoe van zich zelven een vrij goed
denkbeeld had gekoesterd, zich belachelijk. Voor de trap gekomen, was
hij in nog grootere verlegenheid; er stonden namelijk op de eerste
treden een viertal musketiers, die zich met de volgende uitspanning
verlustigden, terwijl tien of twaalf hunner wapenbroeders in het portaal
hun beurt afwachtten, om aan het spel deel te nemen. Een hunner, eenige
treden hooger staande, belette, of trachtte althans, met den degen in de
vuist, de drie anderen het opklimmen van de trap te beletten. De degens
van deze drie kliefden als weerlichten de lucht. D’Artagnan hield die
klingen aanvankelijk voor schermdegens, welker punten waren verstompt,
maar hij bespeurde dra aan eenige schrammen, dat elks wapen integendeel
naar eisch was gescherpt en gepunt, en dat bij het toebrengen dier
schrammen, niet alleen de toeschouwers, maar ook de strijders een woest
gejuich aanhieven. Degene, die op dit oogenblik de trap verdedigde,
hield op verwonderlijke wijs de aanvallers tegen. Een drom van
toeschouwers omringde de strijders. De voorwaarden van dit spel waren:
hij, die geraakt werd, moest zich verwijderen, terwijl ten voordeele van
dengene, door wien hij was geraakt, zijn beurt om ter audiëntie te gaan
verloren was. In vijf minuten tijds werden er drie licht gekwetst; een
aan de hand, de andere aan de kin, de derde aan het oor; alle door den
verdediger van de trap, die zelve ongedeerd bleef, welke behendigheid,
volgens de bepaalde voorwaarden, hem drie audiëntie-beurten verschafte.
Deze uitspanning, inderdaad zoo moeilijk niet als zij verwonderlijk zijn
wilde, verbaasde niet weinig onzen jongen reiziger, die in zijn land,
waar trouwens de driften zoo spoedig ontvlammen, wat meer
voorbereidselen tot een tweegevecht had zien nemen, zoodat de
Gaskonjische bluf dezer vier strijders hem alles scheen te overtreffen,
wat hij tot hiertoe daarvan, zelfs in _Gaskonje_, had gezien of gehoord.
Hij waande zich in dat vermaarde reuzenland, werwaarts in lateren tijd
zich Gulliver begaf, en zooveel angst doorstond.

Intusschen bleef er voor d’Artagnan nog veel te zien en te ondervinden
over; hij moest nog het portaal over en de antichambre binnen. Op het
portaal vocht men niet; men sprak er over liefdes-histories, en in de
antichambre over hof-intrigues. Op het portaal bloosde d’Artagnan, in de
voorkamer beefde hij; zijn opgewekte en ijlende verbeelding, die hem in
_Gaskonje_ voor de jeugdige kameniers niet alleen, maar ook voor hun
mevrouwen gevaarlijk maakte, had nooit, zelfs niet in haar oogenblikken
van geestvervoering, de helft der liefdewonderen, noch het vierde
gedeelte der galante heldendaden gedroomd, welke de beroemdste namen en
de minst omsluierde bijzonderheden zoozeer deden uitkomen. En, werd op
het portaal zijn zedelijkheid gekwetst, niet minder werd in de voorkamer
zijn eerbied voor den kardinaal gekrenkt. Dáár hoorde d’Artagnan tot
zijn groote verbazing de staatkunde, welke _Europa_ deed beven, luide
gispen, zoowel als de bijzondere leefwijze van den kardinaal, van welke
poging ze te doorgronden, zoo vele voorname en machtige edellieden
geboet hadden; die groote, door den ouden heer d’Artagnan zoo hoog
geschatte man strekte hier ten spot aan de musketiers des heeren de
Tréville, en dezen schertsten met zijn kromme beenen en zijn hoogen rug;
enkelen zongen schimpliedjes op mevrouw d’Aiguillon, zijn minnares, en
mevrouw de Combalet, zijn nicht, en anderen smeedden plannen tegen de
pages en de lijfwacht van den hertog-kardinaal; welk een en ander
d’Artagnan voor de ongerijmdste dolligheid hield. Intusschen hoorde men
bijwijlen den naam des konings onder het geschimp op den kardinaal
uitkomen, doch dan was het, alsof een prop eensklaps, voor een poos, al
die spottende monden stopte; en men zag schroomvallig rond, den muur van
het kabinet des heeren de Tréville wantrouwende. Dra echter deed opnieuw
een toespeling het gesprek op Zijne Eminentie neerkomen; het gelach werd
dan oorverdoovend, terwijl alle handelingen van den kardinaal zooveel
mogelijk toegelicht werden.

„Op mijn woord, al die lieden staan op het punt geëmbastilleerd of
gehangen te worden,” dacht d’Artagnan „en ik zonder twijfel met hen;
want zoodra ik naar hen luister en hun gesprekken bijwoon, zal ik als
hun medeplichtige worden beschouwd. Wat zou mijn vader wel zeggen, hij,
die mij den eerbied voor den kardinaal zoo ernstig heeft aanbevolen,
indien hij wist in wat heidensch gezelschap ik ben?”--Het behoeft
trouwens niet gezegd te worden, dat d’Artagnan zich in het gesprek niet
durfde mengen; hij bepaalde zich dus er toe uit al zijn vermogen te
luisteren en alles gade te slaan, wat er rondom hem gebeurde, hiertoe
van zijn zintuigen met inspanning gebruik makende om vooral niets te
laten verloren gaan, zoodat, ondanks de vaderlijke vermaning, hij zich
door zijn geaardheid gedreven voelde en door zijn neigingen overgehaald,
om hetgeen er plaats had eer te roemen dan te laken. Ondertusschen,
volkomen onbekend aan de vele bezoekers van den heer de Tréville, die
hem voor het eerst daar zagen, kwam men hem dra vragen wat hij begeerde.
Op deze vraag noemde zich d’Artagnan met veel ootmoed, drukte op zijn
hoedanigheid van landgenoot en verzocht den kamerdienaar, die hem deze
vraag was komen doen, den heer de Tréville voor hem een oogenblik gehoor
te verzoeken, welke bede deze op aanmatigenden toon beloofde te zullen
overbrengen, wanneer tijd en gelegenheid zulks toelieten.

D’Artagnan, een weinig van zijn eerste verlegenheid hersteld, had nu den
tijd, eenigszins de gebruiken gade te slaan en de aangezichten der
aanwezenden te beschouwen. Het middelpunt van de luidruchtige groep was
een musketier van een zeer hooge gestalte, met trotsche gelaatstrekken,
en op een zoo zonderlinge wijze gekleed, dat hij de algemeene aandacht
trok. Hij droeg voor het oogenblik niet het uniformbuis, hetwelk in dien
minder vrijen doch meer onafhankelijken tijd niet volstrekt verplichtend
was, maar een hemelsblauw buis, min of meer kaal en verschoten, en op
dat gewaad een prachtigen bandelier met gouden borduursels, schitterende
als een kabbelende vliet bij zonneschijn. Een lange, karmozijnroode,
fluweelen mantel viel bevallig over zijn schouders, alleen van voren den
schitterenden bandelier bloot latende, waaraan een reusachtig rapier
hing.

Die musketier kwam juist van de wacht en klaagde over verkoudheid,
terwijl hij van tijd tot tijd kuchte. Ook had hij zich daarom met zijn
mantel bedekt, zooals hij aan de omstanders zeide. En terwijl hij met
opgeheven hoofd sprak en trotsch zijn knevels opstreek, werd zijn
geborduurde bandelier met niet weinig geestdrift bewonderd, en wel het
meest door d’Artagnan.

„Wat zal ik u zeggen,” riep de musketier, „het wordt de mode; het is een
dwaasheid, dat weet ik wel, maar het is niet anders. Buitendien,
men mag zich ook wel iets voor het geld der ouderlijke erfenis
aanschaffen.”--„O, Porthos!” riep een der omstanders, „tracht ons niet
te doen gelooven, dat gij dien bandelier van de ouderlijke gulheid hebt
verkregen: eerder van de gesluierde dame, met welke ik u voorgaanden
Zondag in den omtrek der poort _St. Honoré_ ontmoette.”--„Neen, ik
verzeker u op mijn eer en op mijn woord van edelman, ik heb hem in
persoon gekocht, en voor mijn eigen geld,” antwoordde degene, dien men
onder den naam Porthos aanduidde.--„Ja, zooals ik die nieuwe beurs heb
gekocht,” zeide een andere musketier, „met hetgeen mijn minnares in de
oude beurs had gedaan.”--„Neen waarlijk,” hernam Porthos, „en tot
bewijs, ik heb er twaalf pistolen voor betaald.”--De bewondering steeg
nog, hoezeer de twijfel bleef bestaan.--„Is het niet waar, Aramis?”
vroeg Porthos, zich tot een anderen musketier wendende.

Die musketier vormde een buitengewoon kontrast met dengene, die hem
ondervroeg, en hem bij den naam van Aramis toeriep. Het was een
jongeling van nauwelijks twee of drie en twintig jaar, met een
onschuldig en zachtmoedig gelaat, zwarte, kwijnende oogen en
rooskleurige, fluweelzachte wangen, als een perzik in den herfst; zijn
fijne knevel vormde op zijn bovenlip een volkomen rechte lijn; zijn
handen schenen zich niet te durven neerlaten, uit vrees dat hun aderen
mochten opzwellen, en bijwijlen kneep hij zich de ooren, om hen een
zachte, doorschijnende karmijnkleur te doen behouden. Gewoonlijk sprak
hij weinig en langzaam; dikwerf groette hij met een zachten glimlach,
terwijl hij zijn tanden liet zien, die zeer fraai waren en voor welke
hij groote zorg scheen te dragen, zooals voor het overige van geheel
zijn lichaam. Hij beantwoordde de vraag zijns vriends met een
hoofdknik.--Dit bevestigend teeken scheen al de twijfelingen ten aanzien
van den bandelier te hebben doen ophouden; men ging voort hem te
bewonderen, doch men sprak er niet meer over, en door een dier snelle
overgangen van denkbeelden veranderde het gesprek eensklaps van
onderwerp.

„Wat denkt gij van hetgeen de schildknaap van Chalais verhaalt?” vroeg
een ander musketier, zonder zich tot iemand in het bijzonder te richten,
maar integendeel deze vraag aan het geheele gezelschap doende.--„En wat
verhaalt hij?” vroeg Porthos op hoogen toon.--„Hij verhaalt, dat men
Rochefort, den vertrouweling des kardinaals, in het gewaad eens
kapucijners te _Brussel_ heeft gezien; die vervloekte Rochefort heeft
den heer de Laigues, als een ezel die hij is, fraai om den tuin
geleid.”--„Als een waren ezel! maar is de zaak waar?”--„Ik heb het van
Aramis gehoord,” antwoordde de musketier.--„Wel zoo!”--„Och! gij weet
het immers wel, Porthos!” zeide Aramis. „Ik heb het u immers gisteren
verteld, spreken wij er dus niet meer over.”--„Er niet meer over
spreken, ziedaar uw gevoelen,” hernam Porthos. „Er niet meer van te
spreken! Duivelsch! wat neemt gij spoedig zulk een besluit. Hoe! de
kardinaal laat een edelman bespieden, hem zijn brieven ontstelen door
een verrader, een gauwdief, een galgenaas; en met behulp van dien
verrader, en ten gevolge dezer brieven, Chalais den hals afsnijden,
onder het domme voorwendsel dat hij den koning het leven ontnemen en
_Monsieur_[3] met de koningin in het huwelijk wilde doen treden! Niemand
wist een woord van dat raadsel, en tot onzer aller verbazing deeldet gij
het ons gisteren mede, en nu, terwijl wij door die tijding geheel
terneergeslagen zijn, komt gij ons aanraden er niet meer van te
spreken.”--„Welnu, laat ons er dan over spreken, daar gij het begeert,”
hernam Aramis geduldig.--„Indien ik de schildknaap van den armen Chalais
ware,” riep Porthos, „dan zou ik dien Rochefort een leelijk oogenblik
doen doorbrengen!”--„En gij zoudt een leelijk kwartiertje met den rooden
hertog doorbrengen,” hernam Aramis geduldig.--„Ha! ha! de roode hertog!
bravo! bravo! de roode hertog!” antwoordde Porthos, in de handen
klappende en goedkeurend met het hoofd knikkende. „Roode hertog! een
allerliefste naam! Wees gerust, mijn waarde! die aardigheid zal opgang
maken. Wat heeft die Aramis toch een vernuft! En hoe ongelukkig, dat gij
uw roeping niet hebt kunnen volgen, mijn waarde! wat een lief abtje zou
er van u geworden zijn.”--„O! het is slechts een kort uitstel,”
antwoordde Aramis, „den een of anderen dag word ik het; gij weet wel,
Porthos! dat ik mij daarom in de godgeleerdheid blijf oefenen.”--„Hij
zal doen, zooals hij zegt,” hernam Porthos, „vroeg of laat gebeurt
het.”--„Vroeg,” zeide Aramis.--„Hij wacht slechts op iets anders, om
zijn voornemen te volvoeren en zijn priesterkleed weder aan te trekken,
dat nu achter zijn uniformrok hangt!” riep een ander musketier.--„En wat
is dat, waarop hij wacht?” vroeg een derde.--„Hij wacht, totdat de
koningin de kroon van _Frankrijk_ een erfgenaam zal geschonken
hebben.”--„Schertsen wij hierover niet, mijne heeren!” zeide Porthos;
„Goddank! de koningin is nog jong genoeg hiervoor.”--„Men zegt, dat de
heer de Buckingham in _Frankrijk_ is,” hernam Aramis met een schalkschen
lach, die aan deze zoo schijnbaar onnoozele woorden een tamelijk
schampere beteekenis gaf.

     [3] Dit was de titel van den oudsten broeder des Franschen konings.

„Aramis! mijn vriend! voor dezen keer gaat gij te ver,” viel Porthos hem
hierop in de rede, „en uw geestigheid overschrijdt reeds de grenzen;
indien de heer de Tréville u hoorde, zouden uw woorden u slecht
bekomen.”--„Wilt gij mij een les geven, Porthos!” riep Aramis, in wiens
oogen men iets als een bliksemschicht zag flikkeren.--„Mijn waarde! wees
musketier of abt, het een of ander; maar niet beiden gelijk,” hernam
Porthos. „Zie, Athos zeide het u nog, een paar dagen geleden, dat gij
van alle markten te huis zijt! O, vertoorn u niet, bid ik u, dat dient
tot niets; gij weet immers, wat tusschen ons is overeengekomen, tusschen
u, Athos en mij. En al bezoekt gij mevrouw d’Aiguillon en maakt haar het
hof, of mevrouw de Bois-Tracy, de nicht van mevrouw de Chevreuse, van
welke dame, zooals men zegt, gij de gunst in zoo hooge mate geniet,
daarom, mijn God! behoeft gij uw geluk niet te openbaren, men verlangt
uw geheimen niet te doorgronden; men kent uw bescheidenheid. Maar,
dewijl gij die deugd bezit, wat duivel, waarom beoefent gij die dan niet
ten aanzien Harer Majesteit. Iedereen mag zich, zoo hij wil, met den
koning en den kardinaal bezig houden; maar de koningin is heilig, en,
wanneer men van haar spreekt, dat het dan ten goede zij.”--„Porthos, gij
zijt verwaand als Narcissus. Ik waarschuw u,” antwoordde Aramis, „gij
weet, ik haat het zedenpreeken, behalve als Athos zulks doet. Wat u
betreft, mijn waarde! gij bezit een al te fraaien bandelier, om hierin
uit te munten. Ik zal abt worden, wanneer mij zulks bevalt, intusschen
ben ik musketier; en in deze hoedanigheid zeg ik, wat mij in den mond
komt, en thans behaagt het mij u te zeggen, dat gij mij
verveelt.”--„Aramis!”--„Porthos!”--„Hola! mijne heeren!” riepen de
omstanders.

„De heer de Tréville wacht den heer d’Artagnan.”--Dit kwam, het rumoer
afbrekende, de lakei berichten, die de deur opende. Op deze aankondiging
bewaarden allen het stilzwijgen, terwijl de deur open bleef, en te
midden dier algemeene stilte ging de Gaskonjer de antichambre in een
gedeelte van haar lengte door, en trad hij bij den kapitein der
musketiers binnen, zich van harte geluk wenschende zoo te stade deze
zonderlinge twistpartij verlaten te hebben.




HOOFDSTUK III.

De audiëntie.


De heer de Tréville was op dat oogenblik in een zeer kwade luim; echter
groette hij zeer beleefd den jongeling, die een zeer diepe buiging
maakte, en glimlachte hij, toen hij zich in den Bearneeschen tongval
hoorde aanspreken, die hem èn zijn jeugd èn zijn geboorteland
herinnerde; een tweevoudige herinnering, die altijd bij den mensch, in
welken leeftijd ook, een glimlach op het gelaat brengt. Maar bijna
tegelijkertijd de voorkamer naderende, en d’Artagnan een teeken met de
hand gevende, als om hem verlof te verzoeken met de anderen te eindigen
alvorens met hem te beginnen, riep hij tot driemalen, bij elken uitroep
de stem verheffende, zoodat hij al de tusschentonen doorliep van den
gebiedenden tot den vergramden: „Athos! Porthos! Aramis!”

De twee musketiers, met wie wij reeds hebben kennis gemaakt, en die op
de beide laatste dezer drie namen antwoordden, verlieten onmiddellijk
hierop de groep, waartoe zij behoorden, en traden het kabinet binnen,
welks deur achter hen toeviel, zoodra zij over den drempel waren. Hun
houding, hoewel niet volkomen gerust, wekte echter, door de even
waardige als onderworpen ongedwongenheid, de bewondering van d’Artagnan,
die in hen halve goden, en in hun opperhoofd een Olympischen Jupiter,
zijn bliksems zwaaiende, zag.

Toen beide musketiers de kamer waren binnengetreden, en de deur achter
hen was dichtgevallen, toen het gonzend gemompel in de antichambre,
hetwelk door de plaats gehad hebbende oproeping nog meer voedsel had
verkregen, opnieuw begonnen was, toen eindelijk de heer de Tréville drie
of vier malen zijn kabinet in de geheele lengte, in stilte en met
gefronste wenkbrauwen, had doorgewandeld, telkens voorbij Porthos en
Aramis gaande, die onbeweeglijk en stom als op de parade, en als
vastgeworteld stonden, bleef hij eensklaps voor hen staan en hen met
zijn vergramden blik van het hoofd tot de voeten metende, riep hij uit:
„Weet gij wel, wat mij de koning heeft gezegd, en dat niet later dan
gisteren avond, weet gij ’t, mijne heeren?”--„Neen,” antwoordden na een
oogenblik zwijgens beide musketiers; „neen, mijnheer, wij weten het
niet.”--„Maar wij hopen, dat gij ons de eer zult aandoen, het ons te
zeggen,” voegde Aramis er bij op den beminnelijksten toon en met de
bevalligste buiging, die hem mogelijk was.--„Hij heeft mij gezegd, dat
hij in het vervolg zijn musketiers onder de lijfwachten van den
kardinaal zal zoeken.”--„Onder de lijfwachten van den kardinaal, en
waarom dat?” vroeg Porthos driftig.--„Omdat hij wel ziet, dat zijn
krachtelooze wijn door een vermenging met goeden verbeterd moet worden.”

De twee musketiers werden rood tot in het wit hunner oogen. D’Artagnan
voelde zich zelven niet meer en had gaarne honderd voeten onder den
grond willen zijn.--„Ja, ja,” vervolgde de heer de Tréville, met meer en
meer hevigheid, „ja, en Zijne Majesteit heeft gelijk; want op mijn eer,
de musketiers maken een misselijk figuur aan het hof. De kardinaal
verhaalde gisteren, toen hij met den koning speelde, en met een zweem
van medelijden, die mij zeer mishaagde, dat die vervaarlijke musketiers,
die geweldmakers, en hij sprak dat woord op een schamperen toon uit, die
mij nog veel meer mishaagde; ‚die koppenhakkers,’ voegde hij er bij, mij
met zijn tijgerkattenoogen aanziende, ‚zaten eergisteren nog laat in den
nacht in de kroeg der straat Férou, terwijl--en het scheen alsof hij mij
in het gezicht uitlachte--‚een patrouille zijner lijfwacht genoodzaakt
werd die rustverstoorders aan te houden.’ _Parbleu_! daar moet ge iets
van weten! Musketiers aan te houden! Ge waart er bij, loochent het niet,
men heeft u herkend, de kardinaal heeft u genoemd. En het komt immers op
mij neer, het is immers mijn schuld; want ik ben het, die de keuze
mijner manschappen doe.--Spreek, Aramis, wat duivel! waarom vroegt gij
mij om den soldatenrok, terwijl u het priesterkleed zoo wel zou gepast
hebben. En gij, Porthos! hebt gij alleen een zoo schitterenden
bandelier, om er een degen van stroo aan te hangen. En Athos! Ik zie
Athos niet! Waar is hij?”

„Mijnheer!” antwoordde Aramis treurig, „hij is ziek, zeer ziek.”--„Ziek!
zeer ziek, zegt gij! en wat deert hem?”--„Men vreest, dat het de
kinderpokken zijn!” antwoordde Porthos, op zijn beurt een woord in het
gesprek willende mengen, „dat zeer jammer zou zijn, want zijn gezicht
zou er ongetwijfeld door geschonden worden.”--„De kinderpokken! dat is
wederom een fraaie geschiedenis, die gij mij verhaalt, Porthos! Op zijn
jaren de pokken te krijgen? Neen, neen, hij is zeker gekwetst, misschien
wel dood!.... O! als ik er zeker van was.... _Sangdieu_! mijne heeren
musketiers! ik duld niet, dat men die slechte huizen bezoekt, dat men
twist op straat maakt en in afgelegen hoeken den degen trekt. Kortom, ik
wil niet, dat men der lijfwacht van den kardinaal ten spot verstrekke;
want dat zijn brave lieden, rustige, knappe lieden, die zich wel wachten
aangehouden te worden, en die zich bovendien niet zouden laten
aanhouden, daarvan ben ik zeker.... Zij zouden liever op de plaats het
leven laten, dan één voetstap te wijken.... Op den loop gaan, zich uit
de voeten maken, vluchten.... dat doen alleen de musketiers des
konings!”

Porthos en Aramis beefden van woede. Zij zouden gaarne den heer de
Tréville geworgd hebben, indien zij niet in die woorden de groote
genegenheid hadden opgemerkt, die hem noopte ze aldus toe te spreken.
Zij stampvoetten op het tapijt, ze beten zich op de lippen, tot bloedens
toe, en omknelden uit al hun macht de gevesten hunner degens.

In de voorkamer had men, zooals wij gezegd hebben, hooren roepen: Athos!
Porthos! Aramis! en naar den toon der stem des heeren de Tréville te
oordeelen, begreep men, dat hij blakende van gramschap was. Tien
nieuwsgierige hoofden waren tegen het behangsel gedrukt en werden bleek
van woede; want de luisterende ooren voor de deur lieten geen woord,
geen lettergreep verloren gaan van hetgeen er binnen gezegd werd,
terwijl hun monden achtereenvolgens de beleedigende woorden des
kapiteins ten aanhoore der geheele antichambre herhaalden. In één
oogenblik was het geheele hotel, van de deur van het kabinet tot aan de
voordeur, in een geweldige gisting.

„Welzoo! laten de musketiers des konings zich door de lijfwachten van
den kardinaal gevangen nemen!” vervolgde de heer de Tréville, die even
woedend was in zijn kabinet als zijn krijgslieden daar buiten; en op
zijn woorden drukkend en elk, om zoo te spreken, als zoovele dolksteken
in de borst zijner hoorders stootende, ging hij voort: „Welzoo! nemen
zes lijfwachten van Zijne Eminentie zes musketiers van Zijne Majesteit
gevangen! _Morbleu_! ik heb mijn besluit genomen: Nog in dit uur begeef
ik mij naar het Louvre; ik neem mijn ontslag als kapitein des konings,
om een luitenantsplaats in dienst des kardinaals te verzoeken, en indien
hij ze mij weigert, word ik monnik.”

Op die woorden ging het gemompel in de antichambre tot een uitbarsting
over. Men hoorde niets anders dan gevloek en godslasteringen. De
_morbleu’s_, de _sangdieu’s_, de _duizend duivels_ en meer dergelijke
fraaie uitroepen vervulden de lucht.--D’Artagnan zag om naar een gordijn
of een behangsel, om zich daar achter te verbergen, en voelde in zich
een bovenmatigen lust om onder de tafel te kruipen.

„Welnu, kapitein!” riep Porthos, van kwaadheid stamelende, „ik zal u dan
maar de waarheid zeggen: Wij waren zes tegen zes, maar werden
verraderlijk overvallen, zoodat, alvorens wij den tijd hadden onze
degens te trekken, reeds twee onzer levenloos neerzonken; Athos, zwaar
gekwetst, was niet veel beter. Gij kent Athos, kapitein! welnu, hij
poogde tot twee malen toe zich op te richten, maar viel beide keeren
weder onmachtig neder. Intusschen hebben wij ons niet gewillig
overgegeven, neen, men heeft ons met geweld voortgesleept. Maar onderweg
gelukte het ons te ontvluchten. Wat Athos betreft, men meende dat hij
dood was en liet hem uit dien hoofde gerust op het slagveld liggen, daar
men oordeelde, dat het de moeite niet waard was hem mede te voeren. En
dat is nu de geheele historie! Wat duivel, kapitein, men wint niet alle
veldslagen. De groote Pompejus heeft dien van _Pharsalus_ wel verloren,
en koning Frans I, die, zooals ik heb hooren zeggen, zijn man onder de
oogen durfde zien, verloor wel dien van _Pavia_.”--„Daarbij heb ik de
eer u te verzekeren, dat ik een der aanvallers met zijn eigen degen heb
doorstoken,” zeide Aramis, „want de mijne brak bij den eersten stoot.
Met den degen of met een stuk er van, om het even, mijnheer!”--„Dat wist
ik niet,” hernam de heer de Tréville op zachter toon: „ik bemerk, dat de
kardinaal de zaak wat overdreven heeft.”--„Maar ik bid u, mijnheer,”
ging Aramis voort, die, ziende dat zijn kapitein bedaarde, tot een
verzoek durfde overgaan, „ik verzoek u, mijnheer! niet te zeggen, dat
Athos gekwetst is; hij zou wanhopig zijn, indien zulks ter oore van den
koning kwam, en dewijl de wond niet zonder gevaar is, daar de degen, na
den schouder te zijn doorgedrongen, de borst heeft geraakt, is het te
vreezen....” Op hetzelfde oogenblik werd het voorhangsel der deur
opgelicht, en een edel en trotsch gelaat, dat er vreeselijk bleek
uitzag, vertoonde zich onder de franjes.

„Athos,” riepen beide musketiers.--„Gij hebt mij ontboden, mijnheer!”
zeide Athos tot den heer de Tréville met een zwakke, hoewel geheel en al
kalme stem; „gij hebt naar mij gevraagd, zooals mijn wapenbroeders mij
hebben gezegd; ik haast mij dus aan uw oproeping te voldoen. Hier ben
ik, mijnheer! Wat is er van uw dienst?”--En op deze woorden trad de
musketier, in behoorlijke tenue, en als naar gewoonte nauw in zijn
kleeding geregen, met tamelijk vasten tred het kabinet binnen.

De heer de Tréville, diep bewogen door dit bewijs van moed, ijlde naar
hem toe.--„Ik was juist bezig aan die heeren te zeggen,” zeide hij, „dat
ik de musketiers verbied hun leven zonder noodzakelijkheid te wagen;
want de koning stelt dappere lieden op zeer hoogen prijs, en de koning
is verzekerd, dat zijn musketiers de dapperste lieden der wereld zijn.
Uw hand, Athos!”--En zonder te wachten, dat de pas binnengekomene uit
zich zelven dit bewijs van vriendschap beantwoordde, vatte de heer de
Tréville zijn rechterhand en drukte die uit al zijn macht, zonder te
bemerken dat Athos, hoe groot zijn zelfbeheersching ook was, een
smartelijke beweging maakte en nog bleeker werd, hetgeen bijna niet
mogelijk scheen.

De deur was open gebleven, zóó zeer had de komst van Athos, wiens wonde
ondanks de geheimhouding aan allen bekend was, opschudding veroorzaakt.
Een gejuich van tevredenheid smoorde de laatste woorden des kapiteins,
en twee of drie hoofden, door geestdrift vervoerd, verschenen in de
opengelaten deur. Zonder twijfel zou de heer de Tréville deze
veronachtzaming der voorschriften van de wellevendheid ernstig bestraft
hebben, indien hij niet eensklaps de hand van Athos in de zijne had
voelen ineenkrimpen, en de oogen op hem vestigende, ontwaarde hij, dat
hij op het punt was in onmacht te vallen. Onmiddellijk hierop viel
Athos, die al zijn krachten had verzameld om de smart te weerstaan, doch
eindelijk door haar overwonnen was, als dood op den grond neder.--„Een
geneesheer!” riep de heer de Tréville. „De mijne! die des konings, de
beste, dien gij vinden kunt! Spoedig een geneesheer, of _sangdieu_! mijn
moedige Athos sterft!”

Op het geschreeuw van den heer de Tréville stormden allen het kabinet
binnen, zonder dat hij er aan dacht de deur voor iemand te sluiten,
terwijl iedereen naar den gewonde ijlde. Maar al die bedrijvigheid zou
weinig gebaat hebben, indien de verlangde geneesheer niet juist in het
hotel tegenwoordig ware geweest; deze drong zich nu door het gedrang en
naderde den steeds in onmacht liggenden Athos. Maar daar al dat rumoer
en die beweging hem geweldig hinderden, verzocht hij vooreerst en wel
uitdrukkelijk, den musketier naar een aangrenzende kamer te vervoeren.
Dadelijk opende de heer de Tréville een deur en wees den weg aan Porthos
en Aramis, die hun vriend in hun armen wegdroegen. Achter deze groep
volgde de geneesheer, waarop de deur dicht viel.

Toen werd het kabinet van den heer de Tréville, deze gewoonlijk zoo
geëerbiedigde plaats, voor het oogenblik een aanhangsel der voorkamer.
Iedereen praatte, redeneerde, schreeuwde, vloekte en wenschte den
kardinaal en zijn lijfwachten naar alle duivels. Een oogenblik daarna
kwamen Porthos en Aramis terug; de heelmeester en de heer de Tréville
waren alleen bij den gewonde gebleven. Eindelijk kwam ook op zijn beurt
de heer de Tréville terug. De gewonde was tot zich zelven gekomen, en de
heelmeester verklaarde, dat de ongesteldheid des musketiers zijn
vrienden niet de minste bekommering moest wekken, daar zijn flauwte
eenvoudig door bloedverlies veroorzaakt was.

De heer de Tréville gaf nu een teeken met de hand, en allen verwijderden
zich, behalve d’Artagnan, die, niet vergetende dat hij ten gehoore was
toegelaten geworden, met Gaskonjische halsstarrigheid op dezelfde plaats
was blijven staan. Toen allen vertrokken waren en de heer de Tréville de
deur gesloten had, keerde hij zich om en bevond zich met den jongeling
alleen. Hetgeen was voorgevallen, had min of meer den draad zijner
denkbeelden afgebroken. Hij vroeg dus, wat de halsstarrige verzoeker
verlangde. D’Artagnan noemde zich, en de heer de Tréville, zich
eensklaps het tegenwoordige en het verledene herinnerende, wist nu
waarvan er sprake was.--„Vergeef mij,” zeide hij glimlachende, „vergeef
mij, waarde landgenoot! maar ik had u geheel en al vergeten. Gij weet,
een kapitein is niet anders dan een huisvader. Krijgslieden zijn groote
kinderen; maar dewijl ik volstrekt wil, dat de bevelen des konings en
vooral die van Zijne Eminentie den kardinaal stiptelijk worden
opgevolgd....”

D’Artagnan kon een glimlach niet bedwingen, en de heer de Tréville dien
glimlach bemerkende, oordeelde niet met een onnoozele te doen te hebben;
hij veranderde daarom van onderwerp en ging dadelijk tot de zaak
over.--„Ik was een groot vriend uws vaders,” zeide hij, „wat kan ik nu
voor zijn zoon doen? Haast u; mijn tijd behoort mij niet
toe.”--„Mijnheer!” antwoordde d’Artagnan, „toen ik _Tarbes_ verliet en
mij herwaarts begaf, stelde ik mij voor, uit hoofde dier vriendschap,
van welke gij de herinnering niet hebt verloren, u het musketiersbuis te
verzoeken; maar na al hetgeen ik sedert twee uren heb gezien, begrijp
ik, dat een dergelijke gunst voor mij te groot is, en vrees ik die
onwaardig te zullen zijn.”--„Het is inderdaad een gunst, jonkman!”
antwoordde de heer de Tréville; „maar zij kan voor u zoo onbereikbaar
niet zijn, als gij wel gelooft, of als gij schijnt te gelooven. Trouwens
een besluit van Zijne Majesteit heeft in dit geval voorzien, en ik moet
u met leedwezen te kennen geven, dat men niemand als musketier aanneemt,
zonder dat hij te voren eenige veldtochten met eere heeft medegemaakt,
eenig schitterend wapenfeit bedreven, of twee jaren heeft gediend bij
een ander minder begunstigd regiment dan het onze.”--D’Artagnan boog,
zonder iets te antwoorden. Hij was nog meer begeerig naar het
musketiersbuis, sedert hij zag, dat het zoo moeilijk te verkrijgen
was.--„Maar,” ging de Tréville voort, op zijn landgenoot een
doordringenden blik werpende, alsof hij in het diepste van zijn hart
wilde lezen; „maar uit achting voor uw vader, mijn ouden wapenbroeder!
zooals ik u heb gezegd, wil ik iets voor u doen, mijn jonge vriend! Onze
jonge Bearneesche edellieden zijn gewoonlijk niet rijk, en ik twijfel
zeer, of de zaken veel veranderd zijn sedert mijn vertrek uit de
provincie. Gij zult dus niet veel over hebben van het geld, dat gij hebt
medegebracht om van te leven.”

D’Artagnan hief het hoofd trotsch omhoog, alsof hij zeggen wilde, dat
hij niet kwam bedelen.--„Goed, jonkman! zeer goed,” hernam de Tréville,
„wij kennen die manieren; ik kwam te _Parijs_ met vier kronen in den
zak, en ik zou geduelleerd hebben met ieder, die mij had durven zeggen,
dat ik niet in staat was het Louvre te koopen.”--D’Artagnan stak nog
meer de borst vooruit; want door den verkoop van zijn paard was hij in
staat zijn loopbaan met vier kronen meer te beginnen, dan de heer de
Tréville de zijne begonnen was.--„Gij moet dan,” zeide hij, „zorgen, dat
gij datgene blijft behouden, wat gij hebt, hoe groot deze som ook wezen
moge; maar daarentegen behoort gij u ook te volmaken in al de
oefeningen, welke een edelman moet kennen. Ik zal nog heden aan den
directeur der koninklijke schermschool schrijven, en niet later dan
morgen zal hij u zonder de minste betaling aannemen; weiger die gunst
niet. De voornaamste en rijkste edellieden verzoeken er vaak om, zonder
ze te kunnen verwerven. Gij zult dáár het paardrijden, de schermkunst en
het dansen leeren; bovendien zult gij er goede kennissen maken, en van
tijd tot tijd moet gij mij een bezoek brengen om mij uw vorderingen mede
te deelen en mij te zeggen, waarin ik u van dienst kan zijn.”

D’Artagnan, hoe vreemd ook tot hiertoe aan de hofmanieren, bemerkte
echter de koelheid, waarmede hij ontvangen werd.--„Helaas, mijnheer!”
zeide hij, „ik bespeur eerst nu het verlies van den aanbevelingsbrief,
dien mijn vader mij voor u had medegegeven.”--„Inderdaad,” antwoordde de
heer de Tréville, „het verwondert mij, dat gij een zoo verre reis
ondernomen hebt, zonder van dat onontbeerlijk en voor ons Bearneezen
eenig reismiddel voorzien te zijn.”--„Ik had het, mijnheer! goddank! en
in behoorlijken vorm!” riep d’Artagnan uit; „maar men heeft het mij
verraderlijk ontroofd.”--En hij vertelde al het voorgevallen te _Meung_,
schilderde den onbekenden edelman af tot in de geringste bijzonderheden,
en met zooveel vuur, zooveel waarheid, dat de heer de Tréville er door
bekoord werd.

„Dat is al zeer zonderling,” zeide deze laatste peinzend, „gij hadt dus
luid over mij gesproken?”--„Welzeker, mijnheer! ik heb deze
onvoorzichtigheid begaan. Wat wilt gij, een naam als de uwe moest mij
onderweg tot schild verstrekken. Nu kunt gij denken, hoe dikwijls ik er
mij mede bedekt heb.”

Vleitaal was destijds zeer in de mode, en de heer de Tréville hield
van den wierook als een koning of een kardinaal. Hij moest dus
onwillekeurig en met zeker welgevallen glimlachen; maar deze
glimlach verdween spoedig, en uit zich zelven op het avontuur te
Meung terugkomende, vroeg hij verder: „Zeg mij eens, had die edelman
niet een klein litteeken op de wang?”--„Ja, zooals door een
voorbijsnorrenden kogel wordt veroorzaakt.”--„Had hij niet een fiere
gestalte?”--„Ja.”--„Groot?”--„Ja.”--„Bleek van gelaat en bruin van
haar?”--„Ja, ja! hij is het wel! Hoe! kent gij dien man, mijnheer? O,
als ik hem ooit ontmoet! en ik zal hem ontmoeten, dat beloof ik u, al
was het in de hel!”--„Hij wachtte op een vrouw?” vroeg de Tréville
verder.--„Hij is ten minste vertrokken, na een oogenblik met haar te
hebben gesproken, die hij verwachtte.”--„Kent gij het onderwerp niet van
hun gesprek?”--„Hij stelde haar een doos ter hand, haar tevens te kennen
gevende, dat die doos haar schriftelijke bevelen behelsde, en zij ze
niet eer dan te _Londen_ mocht openen.”--„Was die vrouw een
Engelsche?”--„Hij noemde haar _Milady_.”--„Hij is het,” mompelde de
Tréville, „hij is het! Ik dacht, dat hij nog te _Brussel_ was.”--„O,
mijnheer, indien gij dien man kent!” riep d’Artagnan, „noem hem dan, zeg
mij van waar hij is, en gij hebt mij geheel voldaan, zelfs ten aanzien
der belofte mij onder de musketiers te doen inlijven; want vóór alles
wil ik mij wreken.”--„Onthoud u dáárvan vooral, jongeling!” riep de
Tréville; „integendeel, wanneer gij hem ziet naderen langs den eenen
kant der straat, begeef u dan naar den anderen kant; stoot niet tegen
die rots, gij zoudt als glas verbrijzeld worden.”--„Dat zal niet
beletten, wanneer ik hem ooit ontmoet....”--„Zoek hem intusschen niet,
als ik u raden mag.”

Eensklaps hield de Tréville op, door een plotseling vermoeden getroffen.
De groote haat, welken de jongeling zoo luid tegen den man openbaarde,
die, hetgeen vrij onwaarschijnlijk was, hem den brief zijns vaders zou
hebben ontstolen, verborg deze haat niet het een of ander verraad? Was
die jongeling niet door Zijne Eminentie uitgezonden? Was hij niet
gekomen, om hem in een strik te doen loopen? Was die gewaande d’Artagnan
niet een zendeling des kardinaals, dien men poogde in zijn huis te doen
aannemen en bij hem te plaatsen, ten einde zijn vertrouwen te winnen en
hem daarna te doen vallen, zooals duizendmaal het geval geweest was?....
Hij beschouwde d’Artagnan voor den tweeden keer met nog meer scherpheid
dan den eersten keer en was maar tamelijk gerustgesteld door dat van
stoutmoedige geestigheid en geveinsde nederigheid getuigende
gelaat.--„Ik weet wel, dat hij een Gaskonjer is,” dacht hij, „maar hij
kan het evengoed voor den kardinaal als voor mij wezen. Laat zien, laat
ons hem eens beproeven.--Mijn vriend!” sprak hij op gerekten toon, „ik
wil tot u als tot den zoon van mijn ouden vriend spreken (ik beschouw
het gebeurde met den verloren brief als waarheid), ik wil, zeg ik, om de
koelheid, welke gij aanvankelijk in mijn ontvangst hebt opgemerkt, u de
geheimen onzer staatkunde openbaren. De koning en de kardinaal zijn de
beste vrienden der wereld; hun schijnbare oneenigheden dienen slechts,
om den onnoozelen een rad voor de oogen te draaien. Ik wil niet, dat een
landgenoot, een ridderlijk, braaf jongeling, die vooral moet worden
voortgeholpen, door al die veinzerij bedrogen wordt en als een lomperd
in den strik valt, waarin zoovelen zich verloren hebben.... Wees
indachtig, dat ik die beide alvermogende meesters geheel en al ben
toegedaan, en dat mijn ernstige bemoeiingen nooit anders ten doel zullen
hebben, dan den dienst des konings en dien van den kardinaal, een der
uitstekendste mannen die _Frankrijk_ heeft voortgebracht. Richt u daarom
hiernaar, en mocht gij, hetzij uit hoofde van familiebeweegredenen of
andere betrekkingen, of zelfs als het ware ingeschapen, den kardinaal
een zekere vijandschap toedragen, zooals men die bij onze edellieden
ziet, zeg mij dan vaarwel en laat ons scheiden. Ik zal u in alle
omstandigheden behulpzaam zijn, maar zonder u aan mijn persoon te
verbinden. Ik hoop, dat in alle geval mijn openhartigheid u tot mijn
vriend zal maken, want tot hiertoe zijt gij de eerste, met wien ik
gesproken heb zooals ik thans doe.”

De Tréville zeide bij zich zelven: „Indien de kardinaal op mij dien
loozen vos heeft afgezonden, zal hij zeker niet in gebreke zijn
gebleven, daar hij zeer goed weet in welke mate ik hem verfoei, hem te
zeggen, dat het beste middel om in mijn gunst te komen hierin bestaat,
mij van hem het ergste te verhalen; ook zal de slimme snaak, ondanks
mijn betuigingen, mij zeker ten antwoord geven, dat hij voor Zijne
Eminentie een onverwinnelijken afschuw heeft.”--Maar het was geheel
anders dan de heer de Tréville zich voorgesteld had. D’Artagnan
antwoordde met de grootste eenvoudigheid: „Mijnheer! ik ben te _Parijs_
gekomen met dezelfde bedoelingen. Mijn vader heeft mij aanbevolen, van
niemand dan van den koning, van den kardinaal en van u iets te
verdragen; want hij beschouwt u drieën als de eerste personen van
_Frankrijk_.”--D’Artagnan, zooals men ziet, voegde den heer de Tréville
bij de twee overigen; want hij begreep dat die toevoeging niet schaden
kon.--„Ik heb dus de grootste achting voor mijnheer den kardinaal,”
vervolgde hij, „en den diepsten eerbied voor zijn daden. Het is des te
beter voor mij, mijnheer! indien gij tot mij openhartig spreekt; want in
dat geval zult gij mij wel de eer aandoen, mij uit hoofde dezer
gelijkheid van denkwijze achting toe te dragen; maar indien gij eenig
wantrouwen mocht gekoesterd hebben, ’t geen trouwens zeer natuurlijk
zoude zijn, gevoel ik, dat ik mij benadeel door de waarheid te zeggen;
des te erger voor mij; intusschen zult gij mij uw achting niet
onthouden; dit is mij ter wereld het meest waard.”

De heer de Tréville was uiterst verwonderd. Zooveel scherpzinnigheid,
kortom, zooveel openhartigheid brachten hem in bewondering, maar
ontnamen hem echter niet al zijn wantrouwen; hoe meer die jongeling
boven andere jongelieden uitstak, des te meer was hij, ingeval hij zich
in hem bedrogen had, te vreezen.--„Gij zijt een braaf jongeling! maar
voor het oogenblik is het mij niet mogelijk iets meer te doen, dan
hetgeen ik u zooeven aanbood. Mijn deur zal voor u steeds open zijn.
Later, daar gij alle oogenblikken mij iets zult kunnen vragen, zult gij
waarschijnlijk datgene verkrijgen, wat gij verlangt.”--„Dat wil zeggen,
mijnheer! dat gij zult wachten, tot zoolang ik mij dit waardig zal
hebben gemaakt? Maar wees gerust,” voegde hij met Gaskonjische
gemeenzaamheid er bij: „gij zult niet lang wachten,” en hij groette, om
zich te verwijderen, alsof hij voortaan zich zelven met het overige, dat
hem betrof, wel zou belasten.

„Maar wacht toch,” zeide de heer de Tréville, hem tegenhoudende, „ik heb
u immers een brief voor den direkteur der koninklijke schermschool
beloofd. Zijt ge te trotsch om dien aan te nemen, mijn jonge
edelman?”--„Neen, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „en ik verzeker u, dat
het met dezen niet zal gaan als met den anderen. Ik zal hem zoo goed
weten te bewaren, dat hij zal komen waar hij behoort, dat bezweer ik u!
en wee hem, die het zou beproeven mij dien te ontnemen.”

De heer de Tréville glimlachte over deze grootspraak, en zijn jongen
landgenoot bij het venster latende, waar zij gestaan en met elkaar
gesproken hadden, zette hij zich aan een tafel en schreef den beloofden
aanbevelingsbrief. Onderwijl trommelde d’Artagnan, die niets anders te
doen had, een marsch op de vensterruiten en keek de musketiers na, die
achtereenvolgens vertrokken, terwijl hij hen zoo lang in het oog hield,
totdat zij om den hoek der straat verdwenen. De heer de Tréville, na den
brief geëindigd te hebben, verzegelde dien, en, opstaande, naderde hij
den jongeling, om hem dien ter hand te stellen; maar op hetzelfde
oogenblik, dat d’Artagnan de hand uitstrekte om hem aan te nemen, was de
heer de Tréville zeer verbaasd, hem een sprong te zien maken, rood van
kwaadheid te zien worden, en het kabinet uit te stormen, uitroepende:
„O, _sangdieu_! nu zal hij mij niet ontkomen.”--„En wie dat?” vroeg de
heer de Tréville.--„Hij, mijn dief!” antwoordde d’Artagnan. „Wacht
verrader!” en hij verdween.

„Duivelsche gek!” mompelde de Tréville. „Ten minste,” voegde hij er bij,
„als dat niet een slimme manier is, om zich uit de voeten te maken, nu
hij ziet, dat zijn poging mislukt is.”




HOOFDSTUK IV.

De schouder van Athos, de bandelier van Porthos, en de neusdoek van
Aramis.


Als woedend snelde d’Artagnan de voorkamer door en bereikte in drie
sprongen de trap, van welke hij de treden even snel wilde afspringen,
maar in zijn vaart stormde hij blindelings tegen een musketier aan, die
door een zijdeur het hotel verliet; zijn hoofd stiet zoo geweldig tegen
den schouder des musketiers, dat dezen een kreet, of liever een gebrul
ontglipte.--„Verschoon mij,” zeide d’Artagnan, die zijn loop trachtte te
hervatten, „verschoon mij, ik heb haast.”--Doch nauwelijks had hij den
voet op de eerste trede gezet, of een ijzersterke vuist greep hem bij
zijn sjerp en hield hem staande.--„Gij hebt haast!” riep de musketier,
wit als een lijkkleed, „en gij stoot mij onder dat voorwendsel; gij
zegt, verschoon mij! en gij meent, dat dit voldoende is? Geloof dat
niet, jonkman! Is het, omdat gij den heer de Tréville ons een weinig
hard hebt hooren toespreken, dat gij meent, dat men met ons kan
handelen, zooals hij ons toesprak? Waan dit niet, vriendje! gij! gij
zijt de heer de Tréville niet!”--„Ik verzeker u, ik heb het niet met
opzet gedaan,” antwoordde d’Artagnan, Athos herkennende, die, nadat hij
verbonden was, naar huis ging, „en dewijl ik het niet opzettelijk
deed, vraag ik u om verschooning. Ik meen nu, dat dit genoeg is. Ik
herhaal u intusschen, en misschien is dit voor het oogenblik te veel,
dat ik, op mijn woord van eer, haast heb en zeer veel haast. Laat mij
dus los, ik verzoek het u, en laat mij gaan, waar mijn zaken mij
roepen.”--„Mijnheer!” zeide Athos, hem los latende, „gij zijt niet
beleefd. Men ziet wel aan u, dat gij van verre komt.”--D’Artagnan was
reeds drie of vier treden afgegaan, doch op de aanmerking van Athos
bleef hij plotseling staan.--„_Morbleu_! mijnheer,” zeide hij,
„van hoe verre ik kom, gij zijt het niet, die mij een les in
wellevendheid zult geven, dat verzeker ik u.”--„Misschien,”
hernam Athos.--„O! als ik zooveel haast niet had,” riep d’Artagnan,
„en ik niet iemand op de hielen zat....”--„Mijnheer de haastige!
gij behoeft mij niet na te loopen, om mij te vinden, hoort
gij?”--„En waar, als het u belieft?”--„In den omtrek van het
Barrevoeter-Karmelieten-klooster.”--„Hoe laat?”--„Om twaalf uur.”--„Om
twaalf uur;--het is wel, ik zal er wezen.”--„Tracht mij niet te lang te
laten wachten, want kwartier na twaalven, hoort gij? zal ik het zijn,
die u zal naloopen en al naloopende u de ooren zal afsnijden.”--„Goed!”
riep hem d’Artagnan toe, „men zal er tien minuten voor twaalven zijn.”

Als door den duivel voortgejaagd, spoedde hij zich voort, altijd in de
hoop zijn onbekende te zullen achterhalen, wiens langzame tred hem nog
niet ver kon gebracht hebben. Maar voor de straatdeur stond Porthos, in
gesprek met een der wachtdoende soldaten. Tusschen beide praters was
niet meer ruimte dan ter doorlating van een persoon. D’Artagnan
oordeelde, dat deze ruimte voldoende voor hem was, en als een pijl uit
den boog wierp hij zich tusschen beiden. Maar d’Artagnan had niet op den
wind gerekend; immers juist toen hij zijn vaart nam, spreidde de wind
den grooten mantel van Porthos uit, zoodat d’Artagnan vlak tegen
denzelven inliep. Ongetwijfeld had Porthos reden dit belangrijk gedeelte
van zijn gewaad niet te laten glippen; want in plaats van den slip, dien
hij vasthield, los te laten, trok hij dien tot zich, zoodat d’Artagnan,
door een ronddraaiende beweging, ontstaan ten gevolge van het
halsstarrig vasthouden van Porthos, in het fluweel werd
gerold.--D’Artagnan, die den musketier hoorde vloeken, wilde van onder
den mantel, die hem verblindde, uitkomen, en trachtte in de plooien den
weg te vinden. Hij vreesde vooral de nieuwheid van den prachtigen
bandelier, dien wij kennen, beschadigd te hebben, want schroomvallig de
oogen openende, bevond hij zich met zijn neus tusschen de beide
schouders van Porthos, en wel juist op den bandelier. Helaas! zooals de
waarde der meeste dingen dezer wereld slechts schijnbaar is, zoo was het
ook met den bandelier, die van voren goud, maar van achter eenvoudig van
buffelleder was. Porthos, als een echt pronker, die geen geheel gouden
bandelier kan verkrijgen, had er althans een gedeeltelijk van goud. Men
begrijpt hieruit de noodzakelijkheid eener verkoudheid, en bijgevolg de
behoefte van een mantel.

„_Ventrebleu_!” riep Porthos, alle moeite doende zich van d’Artagnan te
ontslaan, die zich op zijn rug verwrong, „zijt gij dan razend, de
menschen zóó op het lijf te vallen!”--„Verschoon mij,” zeide d’Artagnan,
die van onder den schouder van den reus kwam, „ik heb haast, ik loop
iemand na, en....”--„Laat gij bij geval uw oogen te huis, wanneer gij
iemand naloopt?” vroeg Porthos.--„Neen!” antwoordde d’Artagnan
geraakt, „neen, en wel met mijn oogen zie ik iets, dat anderen niet
zien.”--Porthos begreep het of niet; maar hoe het ook zij, hij werd
driftig en riep: „Mijnheer! gij zult u laten afranselen, dat zeg
ik u, indien gij op die wijze met de musketiers in aanraking
komt.”--„Afranselen! mijnheer!” zeide d’Artagnan, „dat woord is niet
zeer kiesch.”--„Dat is de spreekwijze van iemand, die gewoon is zijn
vijanden onder de oogen te zien.”--„O, _pardieu_! ik weet wel, dat gij
de uwe den rug niet toekeert.”--En de jongeling, verheugd over zijn
tergende geestigheid, verwijderde zich, luid lachende.--Porthos
schuimbekte van woede en deed een beweging om d’Artagnan aan te
vallen.--„Later, later!” riep deze, „wanneer gij uw mantel zult hebben
afgelegd.”--„Dus te een uur, achter het Luxembourg.”--„Zeer goed, te een
uur,” antwoordde d’Artagnan, den hoek der straat omslaande.

Maar noch in de straat, die hij was doorgeloopen, noch in die, welke
zijn blik thans overzag, ontwaarde hij iemand. Hoe langzaam de
vreemdeling ook ware voortgetreden, hij had veel wegs afgelegd, of
misschien was hij een of ander huis binnengegaan. D’Artagnan vroeg naar
hem aan al degenen, die hij ontmoette, vervolgde zijn weg tot aan de
overzetpont, keerde terug langs de straat _de Seine_ en _de la Croix
Rouge_, maar hij bespeurde niets, volstrekt niets. Intusschen was deze
tocht hem in zooverre nuttig, dat, hoe meer het zweet zijn voorhoofd
besproeide, zijn bloed meer en meer verkoelde. Hij begon toen over zijn
wedervaren na te denken; het was van velerlei aard en weinig goeds
voorspellend: Immers, nauwelijks te elf uur in den ochtend, had hij zich
reeds de ongenade van den heer de Tréville op den hals gehaald, daar
deze zeker zijn zonderlinge wijze van afscheid te nemen niet zeer
wellevend moest gevonden hebben. Bovendien had hij onder weg een paar
geduchte tweegevechten opgedaan, en wel met twee mannen, die elk voor
zich in staat waren drie d’Artagnans naar de andere wereld te zenden:
namelijk met twee musketiers, dat is te zeggen, met twee dier wezens,
voor welke hij zooveel achting koesterde, dat hij ze bij zich zelven
boven alle andere menschen stelde.--Zijn toestand was treurig. Zeker
door Athos te worden neergeveld, begrijpt men, dat de jongeling zich
niet veel om Porthos bekommerde. Nochtans, daar de hoop het laatste is,
wat in ’s menschen hart wordt uitgedoofd, koesterde hij eindelijk de
hoop in het leven te zullen blijven, wel te verstaan, na hevige wonden
in die beide tweegevechten ontvangen te hebben, en ingeval van
overleving deed hij zich voor de toekomst de navolgende vermaningen:

„Hoe heb ik toch zoo onbedachtzaam kunnen handelen en wat een domkop ben
ik! Dien dapperen, ongelukkigen Athos met mijn hoofd, als met een
stormram, juist tegen zijn gekwetsten schouder te loopen! Zeer
verwondert het mij, dat hij mij niet dadelijk heeft doorstoken; hij had
hiertoe het recht; immers de smart, die ik hem heb veroorzaakt, moet
vreeselijk zijn geweest. Wat Porthos betreft.... ha! op mijn woord, dat
is een vrij koddige geschiedenis!” En onwillekeurig begon de jongeling
te lachen, doch tevens keek hij bedachtzaam rond, of deze onverklaarbare
lachlust niet den een of anderen voorbijganger zou kunnen beleedigen.
„Wat Porthos betreft, dat is een vrij koddige historie, maar ik ben
desniettemin een ellendige dommerik. Mag men derwijze de lieden tegen
het lijf loopen, zonder te voren: maak plaats! te roepen? Neen!.... En
mag men hen onder hun mantel gaan bekijken, om te zien wat er niet is te
zien? Hij zou mij zeker hebben verschoond, en mij hebben laten loopen,
indien ik mij niet op die verbloemde, spottende wijze over dien
vervloekten bandelier had uitgelaten; waarachtig! mijn woorden waren
fraai verbloemd! O! vervloekte Gaskonjer, die ik ben! de lust tot
spotten zal mij nog bekruipen, al word ik gebraden. Welaan, d’Artagnan,
mijn vriend!” ging hij voort, zich toesprekende met al de
welwillendheid, welke hij meende zich zelven verschuldigd te zijn.
„Indien het u gelukt dit gevaar te ontkomen, wat niet waarschijnlijk is,
is het noodzakelijk voortaan de grootste beleefdheid in acht te nemen.
In het vervolg moet ge u doen bewonderen, als een voorbeeld zien
aanwijzen. Beleefd en voorkomend is niet lafhartig zijn. Welnu, heeft
ooit iemand er aan gedacht te zeggen, dat Aramis een lafaard is? Immers
volstrekt niet; derhalve van heden aan zal ik mij in alle opzichten aan
hem spiegelen.... Ha! daar is hij juist.”

D’Artagnan, onder deze alleenspraak zijn weg vervolgende, was op eenige
schreden van het hôtel d’Aiguillon genaderd, en daar voor zag hij
Aramis, in vroolijken kout met drie edellieden van ’s konings lijfwacht.
Ook Aramis had d’Artagnan bespeurd, doch wijl hij nog niet vergeten was,
dat het in de tegenwoordigheid van dien jongeling was, dat de heer de
Tréville zich des morgens zoo kwaad had gemaakt, en dewijl een getuige
dezer den musketiers gedane vermaningen hem in geenen deele aangenaam
was, nam hij den schijn aan hem niet te zien. D’Artagnan integendeel,
vervoerd door zijn vredelievende voornemens van wellevendheid, naderde
de vier jongelieden en maakte een diepe buiging, die hij liet vergezeld
gaan van een zoo bevallig mogelijken glimlach. Aramis knikte even met
het hoofd, doch glimlachte niet; terwijl alle vier onmiddellijk hun
gesprek staakten.

D’Artagnan was niet dom genoeg om niet te bemerken, dat hij te veel was;
maar de manieren der groote wereld waren hem nog te vreemd, om op
geschikte wijze uit dien neteligen toestand te geraken, waarin
gewoonlijk hij zich bevindt, die zich bij lieden voegt, welke hij
nauwelijks kent, en zich in een gesprek mengt, dat hem niet aangaat. Hij
peinsde dus op een geschikt middel om zich te verwijderen, toen hij
bemerkte, dat de zakdoek van Aramis op den grond lag en hij,
waarschijnlijk zonder opzet, er den voet op had gezet; dit voorval
scheen hem gunstig ter herstelling zijner onwelvoeglijkheid, hij boog
zich en met al de bevalligheid, welke hij kon ten toon spreiden, trok
hij den zakdoek van onder den voet des musketiers weg, welke pogingen
deze ook aanwendde om dien vast te houden, en zeide, hem dien
overhandigende: „Ik geloof, mijnheer! dat gij dezen zakdoek niet gaarne
zoudt willen verliezen.”

De zakdoek was werkelijk met prachtig borduursel omzoomd, en aan een der
hoeken met een kroon en een wapen gemerkt. Aramis werd bloedrood en
rukte, eer dan hij hem aannam, den zakdoek uit de handen van den
Gaskonjer.--„Ha! ha!” riep een der gardes uit, „durft gij nu nog zeggen,
achterhoudende Aramis! dat gij met mevrouw de Bois-Tracy in onmin zijt,
terwijl die bekoorlijke dame u zoo goedgunstig haar zakdoeken
leent.”--Aramis wierp op d’Artagnan een dier blikken, welke te verstaan
geven, dat men zich een onverzoenlijken vijand gemaakt heeft; vervolgens
zeide hij met zijn zachte stem: „Gij bedriegt u, mijne heeren! die
zakdoek behoort mij niet, en ik weet niet welke gril dien heer noopt hem
aan mij, liever dan aan een uwer te geven; om u te bewijzen dat hij mij
niet behoort: ziedaar den mijne in mijn zak.”--Bij deze woorden haalde
hij zijn eigen zakdoek te voorschijn, een zakdoek even fraai en ook van
fijn batist, hoewel die stof destijds zeer duur was; overigens was hij
zonder borduursel, zonder wapen en alleen gemerkt met het naamcijfer des
eigenaars.

D’Artagnan bleef het diepste stilzwijgen bewaren; hij begreep zijn
onhandigheid. Intusschen lieten de vrienden van Aramis zich door die
ontkenning niet overtuigen, en een hunner, met geveinsden ernst zich tot
den jeugdigen musketier wendende, zeide: „Indien het is, zooals gij
voorgeeft, dan zou ik genoodzaakt zijn, mijn waarde Aramis! van u dien
doek terug te eischen, want het moet u bekend zijn, dat Bois-Tracy een
mijner beste vrienden is; en ik wil niet, dat men de voorwerpen zijner
vrouw als zegeteekens ronddraagt.”--„Gij vraagt hem op een geheel
ongepaste wijze,” antwoordde Aramis, „en hoezeer de billijkheid uwer
vordering, wat de zaak zelve betreft, erkennende, moet ik echter
weigeren uit hoofde van den vorm, waarin die gedaan wordt.”--„Het is
waar,” waagde d’Artagnan hier bij te voegen, „dat ik den doek niet uit
den zak van den heer Aramis heb zien vallen. Hij stond er met den voet
op, en bijgevolg dacht ik, dat hij hem behoorde.”--„En gij hebt u
bedrogen, mijn waarde heer!” antwoordde Aramis koel en zeer weinig
gevoelig voor deze genoegdoening. Toen zich tot den edelman wendende,
die zich den vriend van Bois-Tracy had verklaard, vervolgde hij:
„Buitendien bedenk ik, waarde boezemvriend van de Bois-Tracy, dat ik
niet minder dan gij het zelf kunt zijn, zijn boezemvriend ben, zoodat de
zakdoek, wèl beschouwd, even goed uit uw zak als uit den mijne kan zijn
gevallen.”--„Neen, op mijn eer!” riep de garde van Zijne
Majesteit.--„Gij zweert op uw eer en ik op mijn woord; bijgevolg moet
noodzakelijk een van ons beiden liegen. Maar doen wij beter, Montaran!
deelen wij hem.”--„Den zakdoek?”--„Ja, dat is een heerlijk denkbeeld!”
riepen de beide andere gardes. „Salomons oordeel!”--„Waarachtig, Aramis!
gij zijt vol wijsheid.”--De jongelingen barstten in een luid gelach uit,
en zooals men wel kan denken, werd over dat geval niet verder gesproken.
Na weinige oogenblikken was het gesprek uitgeput, en de drie lijfwachten
en de musketier, na elkander vriendschappelijk de hand gedrukt te
hebben, vertrokken, de gardes langs den eenen en Aramis langs den
anderen kant.

„Het oogenblik is nu gekomen om mij met dien bevalligen heer te
verzoenen,” zeide d’Artagnan bij zich zelven, terwijl hij zich gedurende
het laatste gedeelte van het gesprek een weinig had verwijderd gehouden;
en met dat goede denkbeeld bezield Aramis naderende, die zich
verwijderde zonder verder eenige acht meer op hem te slaan, zeide hij:
„Mijnheer, ik hoop dat gij mij wel zult willen verschoonen.”--„Och,
mijnheer!” hernam Aramis, „veroorloof mij u te doen opmerken, dat gij in
deze omstandigheid niet hebt gehandeld zooals het een wellevend man
betaamt.”--„Wat, mijnheer! gij veronderstelt....?”--„Ik veronderstel,
mijnheer, dat gij niet gek zijt, en gij wel weet, ofschoon gij van
_Gaskonje_ komt, dat men niet zonder reden op zakdoeken trapt. Wat
duivel! _Parijs_ is niet met batist bestraat.”--„Mijnheer! gij doet niet
wel mij te willen vernederen,” zeide d’Artagnan, wiens aangeboren
twistzucht zich boven zijn vreedzame voornemens verhief. „Ik kom van
_Gaskonje_, dat is waar, en dewijl gij zulks weet, behoef ik u niet te
zeggen, dat de Gaskonjers niet zeer verdraagzaam zijn, zoodat, wanneer
zij eenmaal bekennen een dwaasheid te hebben begaan, zij reeds bij zich
zelven volkomen verzekerd zijn de helft meer te doen dan zij
moesten.”--„Mijnheer!” antwoordde Aramis, „wat ik u zeg is niet om twist
te zoeken. Goddank! ik ben geen vechtersbaas en slechts voorloopig
musketier, bijgevolg ga ik slechts dan tot een tweegevecht over, wanneer
ik er toe gedwongen word; maar trouwens steeds met grooten weerzin. Maar
deze zaak is ernstig, want de goede naam eener dame wordt door u
bedorven.”--„Door ons, wilt gij zeggen!” riep d’Artagnan.--„Waarom zijt
gij zoo onhandig geweest mij dien doek te geven?”--„Waarom zijt gij zoo
onhandig geweest hem te verliezen?”--„Ik heb het u gezegd en ik herhaal
het, mijnheer! dat die zakdoek niet uit mijn zak is gekomen.”--„Welnu,
dan liegt gij voor de tweede maal, mijnheer! want ik heb hem er zien
uitvallen.”--„Ha! gij slaat dien toon aan, mijnheer de Gaskonjer? maar
wacht, ik zal u leeren wellevend te zijn!”--„En ik zal u naar uw mis
doen terugkeeren, mijnheer de pastoor! trek uit uw degen, en als gij zoo
goed wilt zijn, oogenblikkelijk.”--„Nog niet, als het u belieft, mijn
lieve vriend! althans niet hier. Ziet gij niet, dat wij juist voor het
hôtel d’Aiguillon zijn, dat vol is met dienaren des kardinaals. Wie
verzekert mij, dat het Zijne Eminentie niet is, die u heeft belast hem
mijn hoofd te bezorgen; maar dewijl ik nog al tamelijk aan mijn hoofd
ben gehecht, aangezien het vrij goed op mijn schouders past, zal ik u
het leven ontnemen, maak u daar maar niet ongerust over, doch zonder
gerucht, op een besloten stille plek; dáár, waar gij bij niemand op uw
dood kunt roemen.”--„Gaarne, maar vertrouw hierop niet te veel, en neem
den zakdoek mede, of hij u toebehoort of niet, misschien zal hij u te
stade komen.”--„Mijnheer is Gaskonjer?” vroeg Aramis.--„Ja, maar
mijnheer schijnt uit voorzichtigheid de plaats des gevechts niet te
bepalen.”--„De voorzichtigheid, mijnheer! is een volkomen nuttelooze
deugd voor musketiers, dat weet ik zeer goed; maar dezelve is onmisbaar
voor een geestelijke, en dewijl ik slechts voorloopig musketier ben, wil
ik voorzichtig blijven. Te twee uur zal ik de eer hebben u in het hotel
des heeren de Tréville te wachten, dáár zal ik met u omtrent een
geschikte plaats overeenkomen.”

Beide jongelingen groetten elkander, en Aramis verwijderde zich langs de
straat, die naar het Luxembourg leidde, terwijl d’Artagnan, bemerkende
dat het te laat werd, den weg naar de Barrevoeter-Karmelieten inslaande,
bij zich zelven sprak: „Het is stellig, daar kom ik niet van terug; maar
indien ik sterf, zal ten minste een musketier mij den dood hebben
gegeven.”




HOOFDSTUK V.

De musketiers des konings en de lijfwacht van den kardinaal.


D’Artagnan kende niemand te _Parijs_. Hij begaf zich alzoo naar de met
Athos afgesproken plaats zonder getuigen, voornemens zich met die
tevreden te stellen, welke zijn wederpartij zou gekozen hebben.
Buitendien was zijn stellig besluit, den dapperen musketier een
betamelijke voldoening te geven, echter zonder zwakheid te toonen, daar
hij vreesde dat dit tweegevecht een even rampzalig gevolg zou hebben als
elke zaak van dien aard, wanneer een jong en sterk jongeling tegenover
een gewonden en verzwakten vijand staat: overwonnen, is de zegepraal van
dezen dubbel, en overwinnaar, zou men hem van overmacht en een
gemakkelijke moedvertooning beschuldigen.--Ten overvloede (of wij zouden
het karakter van onzen fortuinzoeker slecht moeten geschetst hebben)
heeft onze lezer reeds moeten bemerken, dat d’Artagnan niet onder de
gewone soort van menschen behoorde. En ofschoon bij zich zelven
verzekerd, dat zijn dood onvermijdelijk was, wilde hij zich niet
onderwerpen en zich zoo gedwee den dood overleveren, zooals een ander,
minder moedig en minder gematigd dan hij, in zijn plaats zou gedaan
hebben. Hij overwoog de verschillende geaardheden dergenen, waartegen
hij moest kampen, en begon een meer helder doorzicht in zijn zaak te
krijgen. Hij hoopte door middel eener edele genoegdoening, welke hij
zich voornam Athos te doen, dezen zich tot vriend te maken, daar
buitendien zijn voorname houding en zijn ernstig gelaat hem bijzonder
wèl bevielen. Porthos vleide hij zich, door middel van hetgeen hij van
den bandelier wist, in verlegenheid te brengen, voornemens zulks, zoo
hij niet sneuvelde, aan de geheele wereld te verhalen, welk verhaal, met
geestigheid voorgedragen, Porthos in een allerbelachelijkst daglicht
moest stellen. Eindelijk, wat den stillen Aramis betreft, voor dezen was
hij niet bevreesd, en in de veronderstelling dat hij met hem ook aan de
beurt zou komen, belastte hij zich hem goed en wel naar de andere wereld
te zenden, of ten minste hem derwijze in het aangezicht te treffen,
zooals Cesar had aangeraden het den soldaten van Pompejus te doen, dat
voor altijd zijn fraai gelaat, waarop hij zoo trotsch was, geschonden
zou zijn.

Daarenboven was d’Artagnan met onwrikbare standvastigheid bezield, voor
wat hem door zijn vader zoo ernstig op het hart was gedrukt, en die
voornamelijk hierin bestond: dat hij van niemand iets zou verdragen dan
van den koning, van den kardinaal en van den heer de Tréville. Hij vloog
veeleer dan hij liep naar het klooster der Barrevoeter-Karmelieten, een
gebouw zonder vensters en omringd door dorre weilanden, zeer geschikt
voor de tweegevechten dergenen, die den tijd niet hadden naar den Pré
aux Clercs te gaan, en die in dat geval de eerstgenoemde plek kozen.

Toen d’Artagnan de kleine, bijna niet in het oog vallende plek
ontwaarde, die zich aan den voet des kloosters uitstrekte, bevond Athos
zich reeds dáár sedert vijf minuten, ofschoon het juist twaalf uur
sloeg. Hij was dus even stipt als de _Samaritaansche_, en de
nauwgezetste waarnemer der voorschriften van het tweegevecht zou geen
aanmerkingen hebben kunnen maken.--Athos, die nog aan zijn wonde
vreeselijk leed, hoewel zij opnieuw door den wondheeler van den heer de
Tréville verbonden was, zat op een paal en wachtte zijn vijand met die
geruste en waardige houding, welke hem nooit verliet.--D’Artagnan
ziende, stond hij op en deed beleefd eenige schreden voorwaarts. Deze
van zijn kant naderde zijn tegenpartij met den hoed in de hand, dien hij
zoo laag afnam, dat de pluim over den grond sleepte.

„Mijnheer!” zeide Athos, „ik heb twee mijner vrienden doen verzoeken
mijn getuigen te zijn, maar die beide heeren zijn nog niet hier. Het
verwondert mij, dat zij zoo lang verwijlen, dat is hun gewoonte
niet.”--„Ik voor mij heb geen getuigen, mijnheer,” zeide d’Artagnan,
„want eerst sedert gisteren te _Parijs_ gekomen, heb ik nog met niemand
kennis gemaakt dan met den heer de Tréville, aan wien ik ben aanbevolen
geworden door mijn vader, die de eer heeft onder zijn vrienden geteld te
worden.”

Athos overwoog nog een oogenblik.--„Gij kent niemand hier dan den heer
de Tréville?” vroeg hij.--„Alleen hem, mijnheer!”--„Welzoo!” ging Athos
voort, gedeeltelijk tot zich zelven, gedeeltelijk tot d’Artagnan zich
richtende, „welzoo! maar als ik u het leven ontneem, zal ik wel een
kindervreter gelijken.”--„Het is zoo erg niet, mijnheer!” antwoordde
d’Artagnan met een groet, die niet van waardigheid was ontbloot: „zoo
erg niet, daar gij mij de eer aandoet den degen tegen mij te trekken,
terwijl gij gewond zijt op een wijze, die u niet weinig moet
hinderen.”--„Op mijn woord, de wond hindert mij zeer, en gij hebt mij
een duivelsche pijn veroorzaakt; ik kan het niet anders zeggen; maar ik
zal de linkerhand gebruiken, dat is mijn gewoonte in dergelijke
omstandigheden. Geloof daarom niet, dat ik u genade doe, ik gebruik den
degen even goed met beide handen; het zal u zelfs nadeelig zijn; want
een linksche maakt het hem, die hierop niet is voorbereid, vrij lastig.
Het doet mij dan ook leed, u niet eer van deze bijzonderheid te hebben
verwittigd.”--„Mijnheer!” antwoordde d’Artagnan, opnieuw groetende, „ik
ben u ten uiterste verplicht voor uw beleefdheid.”--„Gij maakt mij
beschaamd,” hernam Athos met edelen zwier, „ik bid u, spreken wij over
iets anders, als dit u niet onaangenaam is.--O, _sangbleu_! wat pijn
hebt gij mij gedaan, mijn schouder gloeit!”--„Indien gij mij wildet
veroorloven....” zeide d’Artagnan schroomvallig.--„Wat, mijnheer!”--„Ik
bezit een wonderdoenden balsem voor wonden; mijn moeder heeft mij dien
gegeven en op mij zelven heb ik hem reeds beproefd.”--„Welnu?”--„Welnu,
ik ben zeker, dat binnen drie dagen uw wonde door dien balsem zal
genezen zijn; en na verloop van drie dagen, wanneer die genezing
volkomen is, dan, mijnheer! zal het mij tot veel eer verstrekken tot uw
dienst te zijn.”--D’Artagnan sprak deze woorden met een eenvoudigheid
uit, die aan zijn beleefdheid eer deed, zonder echter iets van zijn moed
te ontnemen.

„_Pardieu_! mijnheer!” riep Athos, „dat voorstel behaagt mij, hoewel ik
het niet aanneem, maar omdat mij dit in u den edelman doet herkennen.
Het was op die wijze, dat de dappere ridders ten tijde van Karel den
Groote spraken en handelden, en ieder edelman moest ze zich ten
voorbeeld stellen. Ongelukkig leven wij niet in den tijd van den grooten
keizer; wij zijn tijdgenooten van den kardinaal, en na drie dagen, hoe
zorgvuldig men het geheim ook bewaard moge hebben, zal men weten, dat
wij een tweegevecht hadden bepaald, en zou men het derhalve beletten.
Maar wacht eens, zullen die straatslijpers nog niet gaan
verschijnen?”--„Indien gij haast hebt, mijnheer!” vroeg d’Artagnan even
eenvoudig als een oogenblik te voren, toen hij aan Athos voorstelde het
gevecht drie dagen uit te stellen; „indien gij haast hebt, mijnheer! en
gij verlangt dat aan de zaak zonder verwijl een einde wordt gemaakt,
wacht dan niet, bid ik u.”--„Wat gij daar zegt is wederom iets, dat mij
zeer behaagt,” zeide Athos, d’Artagnan vriendelijk groetende, „gij
bewijst hierdoor verstand en bijgevolg moed te bezitten, mijnheer! Ik
heb achting voor lieden van uw soort, en ik voorzie, dat, als wij
elkander het leven niet ontnemen, ik later veel genoegen in uw
gezelschap zal smaken. Wachten wij intusschen die heeren, ik heb al den
tijd, en het is een vereischte.... Ha! ziedaar reeds een hunner, geloof
ik.”--Het was waar, aan het einde der straat _Vaugirard_ begon men de
reusachtige gestalte van Porthos te onderkennen.

„Hoe!” riep d’Artagnan, „is een uwer getuigen de heer Porthos?”--„Ja,
bevalt u dat niet?”--„Wel zeker!”--„En ziedaar de tweede.”--D’Artagnan
wendde zich naar de zijde, welke Athos hem aanwees en hij herkende
Aramis.--„Hoe!” herhaalde hij met nog meer verbazing dan de eerste maal,
„is uw tweede getuige de heer Aramis?”--„Ongetwijfeld! weet gij dan
niet, dat men ons steeds in elkanders gezelschap ziet, en ons bij de
musketiers, bij de lijfwacht en in de stad, zoowel als aan het hof,
Athos, Porthos en Aramis, of de drie onafscheidelijken noemt? Maar
aangezien gij van _Dax_ of van _Pau_ komt....”--„Van _Tarbes_,” hernam
d’Artagnan.--„Is het u geoorloofd met deze bijzonderheid onbekend te
zijn,” zeide Athos.--„Op mijn woord,” hernam d’Artagnan, „men heeft u
den rechten naam gegeven, mijne heeren! en mijn ontmoeting, indien ze
ruchtbaar wordt, zal ten minste bewijzen, dat uw vriendschap voor
elkander op geen tegenstrijdigheden is gegrond.”

Onderwijl was Porthos genaderd en had Athos met de hand gegroet;
vervolgens zich naar d’Artagnan wendende, bleef hij vol verbazing
staan.--Wij zullen in het voorbijgaan zeggen, dat hij van bandelier
verwisseld was en zijn mantel had afgelegd.--„Hoe! wat beteekent
dat?”--„Ik duelleer met mijnheer,” zeide Athos, d’Artagnan met den
vinger aanwijzende en zijn vrienden met de hand groetende.--„Ik ook moet
met hem vechten,” zeide Porthos.--„Maar niet vóór een uur,” antwoordde
d’Artagnan.--„En ook ik heb een tweegevecht met mijnheer,” zeide Aramis
op zijn beurt, op het slagveld verschijnende.--„Maar niet vóór twee
uur,” zeide d’Artagnan even bedaard.--„Maar om welke reden vecht gij,
Athos?” vroeg Aramis.--„Inderdaad, ik weet het bijna zelf niet; hij
heeft mij den schouder bezeerd; en gij, Porthos?”--„Wel, ik vecht om te
vechten,” antwoordde Porthos blozende.--Athos, die alles opmerkte, zag
de lippen van den Gaskonjer zich tot een onmerkbaren glimlach
vertrekken.--„Wij zijn ’t oneens geweest over de wijze van zich te
kleeden,” zeide de jongeling.--„En gij, Aramis?” vroeg Athos.--„De reden
van mijn tweegevecht betreft de godgeleerdheid,” antwoordde Aramis,
terwijl hij d’Artagnan door een stillen wenk verzocht de oorzaak van het
duel geheim te houden.--Athos zag toen een tweeden glimlach op de lippen
van d’Artagnan verschijnen.--„Waarlijk!” riep Athos.--„Ja, het betreft
een stelling van den heiligen Augustinus, omtrent welke wij het niet
eens zijn,” zeide de Gaskonjer.--„Het is niet te betwisten, hij heeft
vernuft,” mompelde Athos.

„En nu, terwijl gij vereenigd zijt, mijne heeren! verzoek ik u, mijn
verontschuldigingen aan te hooren.”--Op het woord _verontschuldiging_
verdonkerde het voorhoofd van Athos, een trotsche glimlach zweefde op de
lippen van Porthos, en een weigerend gebaar was het antwoord van
Aramis.--„Gij begrijpt mij niet, mijne heeren!” hernam d’Artagnan, het
hoofd opheffende, van hetwelk een zonnestraal de fijne en toch scherpe
lijnen verguldde; „ik vraag u verschooning, ingeval ik buiten staat word
gesteld u alle drie mijn schuld te voldoen; want de heer Athos heeft het
eerst recht mij naar de andere wereld te zenden, hetgeen niet weinig de
waarde uwer schuldvordering, mijnheer Porthos! vermindert; en de uwe,
mijnheer Aramis! bijna tot niets brengt.... En thans, mijne heeren!
herhaal ik u mijn verzoek, mij te willen verschoonen, doch slechts
alleen om die reden; en nu verdedigt u.” Op die woorden en met de meest
ridderlijke houding, die men zich kan verbeelden, trok d’Artagnan den
degen. Het bloed was hem naar het hoofd gestegen, en op dit oogenblik
zou hij den degen getrokken hebben tegen al de musketiers des
koninkrijks, evenals hij het nu deed tegen Athos, Porthos en Aramis.

Het was kwart over twaalven; de zon had haar toppunt bereikt en de
plaats, welke gekozen was geworden voor het tweegevecht, was aan al haar
gloed blootgesteld.--„Het is zeer warm,” zeide Athos, op zijn beurt zijn
degen trekkende, „en ik kan mijn buis niet uitdoen; want zooeven nog
voelde ik mijn wonde bloeden, en ik vrees, mijnheer hinderlijk te zijn,
door hem bloed te vertoonen, dat hij niet heeft doen stroomen.”--„Dat is
waar, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „en of een ander, of ik, het heeft
doen stroomen, ik verzeker u, dat het mij steeds leed zal doen, het
bloed te zien van een moedigen edelman zooals gij; ik zal derhalve ook,
zonder mij van mijn kleeding te ontdoen, den strijd aangaan.”--„Spoed u
toch!” riep Porthos, „het zijn al genoeg complimenten; herinnert u, dat
wij onze beurt afwachten.”--„Spreek alleen voor u zelven, Porthos!” viel
Aramis hem in de rede, „wanneer gij dergelijke onbetamelijkheden zegt.
Voor mij, ik vind datgene, wat die heeren elkander toevoegen, zeer goed
en twee edellieden waardig.”--„Als gij gereed zijt, mijnheer!” zeide
Athos, zich in postuur stellende.--„Ik wachtte op uw bevelen,” zeide
d’Artagnan, het staal kruisende.

Maar nauwelijks hadden de twee klingen tegen elkander gekletterd, of een
afdeeling der lijfwacht Zijner Eminentie, aangevoerd door den heer de
Jussac, verscheen om den hoek van het klooster.--„De lijfwacht van den
kardinaal!” riepen gelijktijdig Porthos en Aramis. „Steekt op, mijne
heeren! Steekt op uw degens!”--Doch het was te laat. Beide strijders
waren in een houding gezien geworden, die omtrent hun bedoelingen geen
twijfel overliet.--„Halt!” riep Jussac, hen naderende, en zijn lieden
een teeken gevende hem te volgen. „Halt, musketiers! men vecht hier?
Neemt men op die wijze de edikten in acht?”--„Gij zijt zeer edelmoedig,
mijne heeren de gardes!” riep Athos wraaklustig; want Jussac was een der
aanvallers van twee dagen te voren geweest. „Indien wij u zagen vechten,
dan verzeker ik u, dat wij ons wel zouden wachten u zulks te beletten.
Laat ons dus begaan, en gij zult vermaak hebben, zonder dat het u eenige
moeite kost.”--„Mijne heeren!” riep Jussac, „ik moet u tot mijn groot
leedwezen verklaren, dat ik het onmogelijk kan toelaten. Onze plicht
gaat voor alles. Steekt dus uw degens op en volgt ons.”--„Mijnheer!”
zeide Aramis, Jussac nabootsende, „met groot vermaak zouden wij aan uw
vriendelijke uitnoodiging voldoen, indien zulks van ons afhing, maar
ongelukkig is dit niet mogelijk; de heer de Tréville heeft het ons
verboden. Ga dus uw weg, dat is het beste wat gij doen kunt.”

Deze scherts maakte Jussac driftig.--„Wij zullen u dan aanvallen, indien
gij niet gehoorzaamt.”--„Zij zijn met hun vijven,” zeide Athos half
luid, „terwijl wij slechts met ons drieën zijn; wederom zullen wij
bezwijken en hier op de plaats blijven; want ik verklaar u, dat ik niet
overwonnen voor den kapitein wil verschijnen.”

Athos, Porthos en Aramis vereenigden zich, terwijl Jussac zijn soldaten
in slagorde schaarde.--Dit korte oogenblik was voldoende, om d’Artagnan
tot een besluit te brengen. Het was een dier voorvallen, welke het lot
eens menschen voor altijd beslissen; het betrof hier een keus tusschen
den koning en den kardinaal; en eenmaal die keuze gedaan, moest men er
in volharden. Te vechten, dat is: de wet ongehoorzaam te zijn, zijn
hoofd te wagen, zich eensklaps een minister tot vijand te maken, die
zelfs machtiger dan de koning was. Ziedaar het verschiet des jongelings,
en zeggen wij het tot zijn lof, hij aarzelde geen seconde. Derhalve zich
tot Athos en diens vrienden wendende, zeide hij:

„Mijne heeren! ik zal, als gij het mij veroorlooft, iets aan uw gezegde
verbeteren. Gij zeidet, dat gij niet meer dan met uw drieën waart, maar
het schijnt mij, dat wij met ons vieren zijn.”--„Maar gij behoort niet
tot de onzen.”--„Dat is waar,” antwoordde d’Artagnan, „het gewaad
ontbreekt mij, maar het hart bezit ik. Van harte ben ik musketier, dat
voel ik, mijne heeren! en dat spoort mij aan.”--„Verwijder u,
jongeling!” riep Jussac, die aan de gebaren en de uitdrukking van
d’Artagnan’s gelaat zeker diens oogmerk geraden had. „Gij kunt u
verwijderen, hierin nemen wij genoegen. Berg uw huid, maak u uit de
voeten!”

D’Artagnan verroerde zich niet.--„Waarachtig! gij zijt een beste
jongen!” zeide Athos, de hand van den jongeling drukkende.--„Spoed u! ga
tot een besluit over,” hernam Jussac.--„Welaan,” zeiden Porthos en
Aramis, „voeren wij iets uit!”--„Mijnheer is zeer edelmoedig,” zeide
Athos. Doch alle drie de jonkheid van d’Artagnan in overweging nemende,
vreesden zij voor zijn weinige ondervinding.--„Wij zouden slechts met
ons drieën zijn, waarvan een gekwetste, en bovendien een knaap,”
hernam Athos, „en echter zou men beweren, dat wij met ons vieren
waren.”--„Ja, maar te wijken!” riep Porthos.--„Dat niet,” hernam
Athos.--„Onmogelijk!” riep Aramis.--D’Artagnan begreep de reden hunner
besluiteloosheid.--„Mijne heeren! stelt mij slechts op de proef,” sprak
hij, „ik bezweer u, op mijn eer, mij niet te zullen verwijderen, al
worden wij overwonnen.”--„Hoe noemt men u, mijn dappere jonkman?” vroeg
Athos.--„D’Artagnan, mijnheer!”--„Welaan dan, Athos, Porthos, Aramis en
d’Artagnan! voorwaarts!” riep Athos.--„Welnu, heeren! zijt gij tot een
besluit gekomen?” riep Jussac voor de derde maal.--„Dat is reeds gedaan,
mijnheer!” antwoordde Athos.--„En wat is uw besluit?” vroeg
Jussac.--„Wij zullen de eer hebben ons te verdedigen,” antwoordde
Aramis, zijn hoed met de eene hand afnemende en met de andere den degen
trekkende.--„Ha! gij biedt weerstand?” riep Jussac.--„_Sangdieu_!
verwondert u zulks?”--En de negen strijders vielen elkander aan met een
woede, die intusschen niet blind was.

Athos had tot tegenpartij zekeren Cahussac, een gunsteling des
kardinaals; Porthos stond tegenover Biscarat en Aramis tegenover twee
vijanden. Wat d’Artagnan betreft, deze viel Jussac aan. Het hart van den
jeugdigen Gaskonjer sloeg, als wilde het zijn borst verbrijzelen.
Goddank! niet uit vrees, de minste zweem hiervan was bij hem niet
aanwezig, maar van ontembaren moed; hij vocht als een woedende tijger,
onophoudelijk rondom zijn vijand springende en de wijze van aanval en
verdediging, zoowel als zijn standpunt, gedurig veranderende.

Jussac was, zooals men destijds zeide, _verlekkerd_ op den degen en had
veel ondervinding er van; echter had hij alle moeite om zich tegen een
vijand te verdedigen, die vlug rondspringende, elk oogenblik van de
aangenomene regels afweek, naar alle zijden tegelijkertijd uitvallende,
terwijl hij zich verdedigde als iemand, die den grootsten eerbied voor
zijn lijf heeft.

Eindelijk maakte deze wijze van strijden Jussac ongeduldig. Woedend,
door dengenen in bedwang te worden gehouden, dien hij voor een knaap had
aangezien, geraakte hij in vuur en begon misslagen te begaan.
D’Artagnan, die bij gemis van praktijk echter veel theorie bezat,
verdubbelde zijn vlugheid.

Jussac, er een einde aan willende maken, bracht zijn tegenpartij, wijd
uitvallende, een geweldigen stoot toe, doch deze weerde dien behendig
af, waarop hij, toen Jussac zich weder oprichtte, als een slang onder
diens degen gleed en hem den zijne door het lichaam stiet. Jussac viel
als lood ter aarde.--D’Artagnan wierp een onrustigen en snellen blik op
het slagveld.

Aramis had reeds een zijner vijanden gedood, maar van den tweeden had
hij moeite de opvolgende stooten te weren. Echter bleef Aramis nog goed
staan en zich verdedigen.

Biscarat en Porthos hadden, tegelijk uitvallende, elkander geraakt; want
Porthos had een degenstoot door den arm en Biscarat door het dik van het
been. Maar dewijl geen der beide wonden gevaarlijk was, bleven zij hun
gevecht met nog meer verwoedheid voortzetten.

Athos, opnieuw door Cahussac gewond, werd blijkbaar nog bleeker, maar
hij week geen duimbreed; hij had slechts zijn degen in de andere hand
genomen en vocht nu met de linkerhand. D’Artagnan mocht, volgens de
destijds bestaande regels van het tweegevecht, een zijner vrienden te
hulp komen; terwijl hij zijn blik liet rond gaan om te zien, wie hunner
zijn hulp verlangde, trof hem een oogwenk van Athos, vol verhevene
uitdrukking. Athos zou liever het leven hebben verloren, dan hulp te
roepen; maar hij mocht zijn blik doen spreken en daardoor om bijstand
roepen.

D’Artagnan begreep hem, deed een verschrikkelijken sprong en viel
Cahussac ter zijde aan, uitroepende: „Verdedig u, mijnheer de garde! of
ik doorsteek u.”--Cahussac wendde zich om; het was tijd. Athos, alleen
tot hiertoe door zijn buitengewonen moed ondersteund, viel nu op een
knie neder.--„_Sangdieu_!” riep hij tot d’Artagnan, „doorsteek hem niet,
jongeling! ik bid u; ik heb nog een oude zaak met hem te vereffenen, zoo
haast ik genezen en wel zal zijn. Ontwapen hem slechts, ontwapen hem....
Zoo is het al wel! Best! opperbest!”

Deze uitroep werd Athos door den degen van Cahussac ontrukt, die op
twintig stappen afstands van hem neerviel. D’Artagnan en Cahussac
snelden gelijktijdig toe, de een om hem weder op te nemen, de ander om
er zich meester van te maken, maar d’Artagnan, veel vlugger zijnde, was
hem vóór en zette zijn voet op den degen. Cahussac begaf zich toen snel
tot een der door Aramis gevelde gardes, eigende zich diens zwaard toe en
wilde tot d’Artagnan terugkeeren; maar op zijn weg ontmoette hij Athos,
die, gedurende dat korte oogenblik verpoozing, hetwelk hem d’Artagnan
had verschaft, wederom adem schepte en nu, uit vrees dat d’Artagnan zijn
vijand zou dooden, het gevecht wilde hervatten. D’Artagnan begreep, dat
het Athos onaangenaam zou zijn, indien hij hem hierin voorkwam. Na
weinige oogenblikken viel Cahussac met doorstoken hals ter aarde.

Tegelijkertijd hield Aramis de punt van zijn degen op de borst van zijn
neergevelden vijand en dwong hem om lijfsgenade te vragen.

Nu bleven Porthos en Biscarat nog over. Porthos schertste onder het
strijden en vroeg Biscarat hoe laat het was, hem gelukwenschende met het
kapiteinschap van zijn broeder in het regiment van Navarra, maar zijn
scherts deed hem niets winnen. Biscarat was een dier ijzersterke mannen,
die, slechts dan wanneer zij niet meer leven, vallen.

Intusschen moest er een einde aan worden gemaakt. Een patrouille kon
verschijnen en al de strijders, gekwetst of niet, koningsgezinden of
kardinalisten, in hechtenis nemen. Athos, Aramis en d’Artagnan
omsingelden Biscarat en eischten, dat hij zich zou overgeven. Hoewel
alleen tegen allen, en het been door een degensteek doorboord, wilde
Biscarat volhouden; maar Jussac, die zich op den elleboog had opgericht,
beval hem zich over te geven. Biscarat was een Gaskonjer, zooals
d’Artagnan, hij hield zich doof en lachte, terwijl hij, al strijdende,
den tijd vond, de punt zijns degens naar een plek op den grond te
richten.

„Hier!” zeide hij, alsof hij een vers uit den bijbel las, „hier zal
Biscarat sterven, de eenige van al die om hem zijn.”--„Maar zij zijn met
hun vieren; vier tegen u alleen; eindig, ik beveel het u.”--„O, als gij
het beveelt, dan is het wat anders,” zeide Biscarat, „daar gij mijn
brigadier zijt, moet ik u gehoorzamen.”--En achteruit springende brak
hij zijn degen op de knie, ten einde niet verplicht te zijn hem over te
geven; Hij wierp de stukken over den kloostermuur, waarna hij, zijn
armen kruiselings over de borst slaande, een kardinalistisch liedje
begon te fluiten.

Moed wordt altijd zelfs in een vijand geëerbiedigd. De musketiers
groetten Biscarat met den degen, dien zij hierna opstaken. D’Artagnan
volgde hun voorbeeld, en toen, door Biscarat, de eenige die was staande
gebleven, geholpen, droeg hij Jussac, Cahussac en diengene van Aramis’
bestrijders, welke slechts gekwetst was, tot voor de poort van het
klooster. De vierde, zooals wij zeiden, was gesneuveld. Daarna luidden
zij de kloosterklok, en van de vijf degens er vier medenemende, begaven
zij zich, dronken van vreugd, naar het hotel van den heer de Tréville.

Arm in arm zag men hen, de geheele breedte der straat beslaande, elken
musketier, dien zij ontmoetten, aanspreken en met zich voeren, zoodat
het eindelijk een zegepralende optocht scheen. D’Artagnan’s hart was van
blijdschap vervuld, hij ging tusschen Athos en Porthos, hen teederlijk
den arm drukkende.

„Al ben ik nog geen musketier,” zeide hij tot zijn nieuwe vrienden, toen
zij de deur van het hotel de Tréville binnentraden, „ben ik ten minste
tot hun leerling aangenomen, niet waar?”




HOOFDSTUK VI.

Zijne Majesteit, koning Lodewijk XIII.


Deze gebeurtenis baarde veel opzien; de heer de Tréville beknorde
overluid en zeer streng zijn musketiers, maar prees hen in stilte; doch
dewijl er geen tijd was te verliezen, om aan Zijne Majesteit de zaak ter
kennisse te brengen, haastte de heer de Tréville zich naar het Louvre te
gaan. Het was reeds te laat, de koning was met den kardinaal alleen, en
men zeide den heer de Tréville, dat hij werkte en in dat oogenblik
niemand kon ontvangen. Des avonds begaf de heer de Tréville zich wederom
tot den koning, die zich met het spel bezig hield. Hij won, en dewijl
Zijne Majesteit tamelijk gierig was, was hij in een zeer goede luim;
nauwelijks zag de koning den heer de Tréville dan ook naderen, of hij
riep: „Nader, kapitein! nader, ik moet u beknorren; weet gij wel, dat
Zijne Eminentie zich bij mij over uw musketiers is komen beklagen, en
Zijne Eminentie was er zoo van aangedaan, dat haar heden avond een
ongesteldheid is overvallen. Maar inderdaad, het zijn geweldenaars,
galgenazen, uw musketiers!”--„Neen, Sire!” antwoordde de Tréville, die
al dadelijk bemerkte, welke wending de zaak nam; „neen, wel integendeel,
het zijn goede schepsels, zacht als lammeren, en slechts met één
begeerte bezield, hiervoor ben ik borg: namelijk, dat hun degen nooit
uit de scheede kome, dan voor den dienst Uwer Majesteit. Maar, wat zal
men er van zeggen, de lijfwacht van mijnheer den kardinaal zoekt gedurig
twist met hen, en om de eer van hun korps op te houden, zijn zij immers
verplicht zich te verdedigen.”--„Hoor den heer de Tréville eens, zou men
niet zeggen, dat hij van een geestelijke broederschap sprak,” zeide de
koning. „Inderdaad, waarde kapitein! ik heb lust, u uw kapiteinschap te
ontnemen, en daarmede mejonkvrouw de Chemerault te begiftigen, die ik
een abdij heb beloofd; maar geloof niet, dat ik zoo lichtgeloovig ben:
men noemt mij Lodewijk den Rechtvaardige, mijnheer de Tréville en fluks,
fluks zullen wij de zaak eens onderzoeken.”--„O, het is door het
vertrouwen op uw rechtvaardigheid, Sire! dat ik gerust en geduldig de
besluiten Uwer Majesteit zal afwachten.”--„Wacht, wacht maar even, ik
zal u niet lang doen wachten.”

En werkelijk, de kans keerde, en dewijl de koning begon te verliezen,
wat hij had gewonnen, was het hem niet onaangenaam een voorwendsel te
vinden, om het spel te staken. De koning stond derhalve eenige
oogenblikken daarna op, en in zijn zak het geld bergende, dat voor hem
lag, en grootendeels van zijn winst voortkwam, zeide hij: „La Vieuville!
neem mijn plaats in; ik moet den heer de Tréville over iets zeer
gewichtigs onderhouden.--Het is waar ook.... Ik had tachtig louis d’or
voor mij liggen. Zet dezelfde som in, opdat zij, die verliezen, niet te
klagen hebben; rechtvaardigheid is alles.”

Vervolgens zich tot den heer de Tréville wendende, en zich met hem naar
een der vensters begevende, ging hij voort: „En gij zegt, mijnheer, dat
het de lijfwacht van Zijne Eminentie is, die met uw musketiers twist
heeft gezocht?”--„Ja, Sire! zooals gewoonlijk.”--„En hoe is die twist
ontstaan? spreek! want gij weet, mijn waarde kapitein! dat een rechter
beide partijen moet hooren.”--„Och, mijn hemel! op de eenvoudigste en
natuurlijkste wijze: Drie mijner beste soldaten, die Uwe Majesteit bij
naam kent, en van welke zij meer dan eens de gehechtheid naar waarde
heeft geschat, en die ook, dit kan ik den koning verzekeren, zijn dienst
zeer ter harte nemen, drie mijner soldaten, zeg ik, de heeren Athos,
Porthos en Aramis, hadden een pleizierpartij voorgenomen met zekeren
jongen Gaskonjischen edelman, dien ik hun dienzelfden morgen had
aanbevolen. Men zoude zich, geloof ik, naar _St. Germain_ begeven,
terwijl men afspraak had gemaakt, elkander bij het klooster der
Barrevoeter-Karmelieten te ontmoeten; maar dáár werden zij overvallen
door de heeren Jussac, Cahussac, Biscarat en twee andere gardes, die
zeker op die plek, in zoo talrijk gezelschap, niet met het doel gekomen
waren, de edikten te handhaven.”--„Ha, ha!” riep de koning, „gij doet er
mij aan denken; ongetwijfeld kwamen zij dáár, om te vechten?”--„Ik
beschuldig hen niet, Sire! maar ik laat het aan het doorzicht Uwer
Majesteit over, om het oogmerk te bevroeden van vijf gewapende lieden,
die zich naar een plek begeven, zoo eenzaam, als de omstreken van het
Karmelieten-klooster zijn.”--„Ja, ja, de Tréville! gij hebt gelijk, gij
hebt gelijk!”--„Maar toen zij mijn musketiers ontmoetten, veranderden
zij van gedachte en vergaten hun bijzonderen haat voor dien, welken zij
dit korps toedragen; immers, het is Uwe Majesteit niet onbekend, dat de
musketiers, die den koning, en alleen den koning zóó verknocht zijn, de
natuurlijke vijanden zijn der lijfwacht van den kardinaal.”--„Ja,
Tréville! ja,” zeide de koning droefgeestig, „het is wel treurig, geloof
mij, in Frankrijk op die wijze twee partijen te zien, twee hoofden van
het koningschap; maar het zal een einde nemen, Tréville! het zal een
einde nemen. Gij zegt alzoo, dat de gardes twist met de musketiers
hebben gezocht?”--„Ik zeg, dat het waarschijnlijk is, dat de zaken zich
dus hebben toegedragen, maar ik wil er geen eed op doen, Sire. Gij weet,
hoe moeilijk het is, de waarheid te doorgronden, althans, wanneer men
niet begaafd is met het bewonderenswaardig talent, dat Lodewijk XIII den
naam van den _Rechtvaardigen_ heeft doen krijgen.”--„Gij hebt gelijk,
Tréville! maar zij waren niet alleen, uw musketiers, er was een knaap in
hun gezelschap?”--„Ja, Sire! ook een gekwetste, zoodat drie musketiers
des konings, waarbij een gekwetste en een jonge knaap, niet alleen het
hoofd hebben geboden aan vijf der verschrikkelijkste gardes van
Zijne Eminentie den kardinaal, maar er zelfs vier van hebben
neergeveld.”--„Inderdaad, dat is een overwinning!” riep de koning met
een gelaat blinkend van vreugd, „een volkomen overwinning!”--„Ja, Sire!
even volkomen als die bij de brug van Cé.”--„Vier personen, van welke er
een gekwetst en een ander een knaap was, zegt gij?”--„Nauwelijks een
knaap; en deze heeft zich zoo moedig gedragen bij die gelegenheid, dat
ik mij veroorloof hem Uwer Majesteit aan te bevelen.”--„Hoe heet
hij?”--„D’Artagnan, Sire! hij is de zoon van een mijner oudste vrienden,
de zoon van een man, die met den koning, uw vader, roemrijker
gedachtenis, als partijganger den oorlog heeft medegemaakt.”--„En gij
zegt, dat die jongeling zich zoo moedig heeft gedragen? Verhaal mij dat
eens, Tréville! gij weet, dat ik een liefhebber ben van krijgsverhalen
en gevechten.” En koning Lodewijk XIII streek trotsch zijn knevel op,
zijn hand op de heup latende rusten.

„Sire!” hernam Tréville, „zooals ik u zeide, is de heer d’Artagnan nog
slechts een knaap,--en daar hij de eer niet heeft onder de musketiers te
staan, was hij in burgerkleeding. De gardes van den kardinaal, zijn
groote jonkheid bemerkende, en daarbij ziende, dat hij niet tot het
korps behoorde, verzochten hem zich te verwijderen, alvorens zij zouden
aanvallen.”--„Gij ziet dus wel, Tréville! dat zij het zijn, die het
eerst hebben aangevallen.”--„Dat is ook zoo, Sire! er is hieraan niet
meer te twijfelen; zij bevalen hem zich te verwijderen; maar hij
antwoordde, dat hij, in zijn hart musketier, en vol gehechtheid aan den
koning zijnde, in het gezelschap der heeren musketiers zou
blijven.”--„Een moedig jongeling!” mompelde de koning.--„En werkelijk,
hij bleef, zoodat Uwe Majesteit in hem een zeer geduchten voorvechter
bezit. Want hij was het, die Jussac dien vreeselijken degenstoot
toebracht, welke den kardinaal zoo vertoornd heeft.”--„Is hij het, die
Jussac heeft gewond?” riep de koning, „die knaap? Neen, Tréville, dat is
niet mogelijk.”--„Het is, zooals ik de eer heb Uwe Majesteit te
zeggen.”--„Jussac, een der behendigste schermmeesters van mijn
rijk!”--„Hij heeft nu zijn meester gevonden.”--„Ik wil den jongeling
zien, Tréville! Ik wil hem zien, en indien men iets voor hem kan doen,
zal men het doen.”--„Wanneer zal het Uwe Majesteit gelegen komen hem te
ontvangen?”--„Morgen, om twaalf uur, Tréville!”--„Moet ik hem alleen
mede brengen?”--„Neen, stel ze mij alle vier gelijktijdig voor;
gehechtheid is zeldzaam, en men moet die beloonen.”--„Om twaalf uur
zullen wij in het Louvre zijn, Sire!”--„Ja, maar langs de kleine trap.
De kardinaal behoeft hiervan niets te weten.”--„Goed, Sire!”--„Gij
begrijpt, Tréville! een edikt blijft een edikt, en bij slot van rekening
zijn de tweegevechten verboden.”--„Maar deze ontmoeting, Sire! is geheel
en al van een gewoon tweegevecht verschillend; het was een gewelddadige
aanranding, en het bewijs hiervan is, dat er vijf gardes van den
kardinaal en slechts drie musketiers en de heer d’Artagnan op de plaats
tegenwoordig waren.”--„Dat is waar!” zeide de koning; „maar het doet er
niet toe, Tréville! kom toch maar langs de kleine trap.”

Tréville glimlachte; maar dewijl het reeds veel voor hem was, dat de
knaap tegen zijn meester was opgestaan, groette hij eerbiedig den koning
en nam, met verlof, afscheid van hem.

Nog dienzelfden avond werden de drie musketiers verwittigd, welke eer
hun zou te beurt vallen. Daar zij sinds lang den koning kenden, waren
zij hiermede niet bovenmatig verblijd. Doch d’Artagnan met zijn
Gaskonjische verbeeldingskracht zag hierin zijn toekomstige fortuin en
bracht den nacht door in gouden droomen. Reeds te acht uur was hij bij
Athos. D’Artagnan trof den musketier geheel gekleed aan en op het punt
om uit te gaan. Dewijl men niet vóór twaalf uur bij den koning behoefde
te wezen, had hij met Porthos en Aramis afgesproken een kaatspartij te
maken in zekere herberg in de nabijheid van het _Luxembourg_. Athos
noodde d’Artagnan uit hem te vergezellen, en hoezeer onbekend met dat
spel, hetwelk hij nooit had gespeeld, nam hij het voorstel aan, niet
wetende waarmede zijn tijd te besteden van negen uur, zooals het
nauwelijks was, tot des middags twaalf uur.

De beide musketiers waren reeds ter plaatse aanwezig en kaatsten
elkander den bal toe. Athos, die zeer sterk was in allerlei soort van
lichaamsoefeningen, ging met d’Artagnan tegenover hen staan en daagde
hen uit. Maar bij den eersten worp, dien hij deed, hoewel hij de
linkerhand gebruikte, voelde hij, dat zijn wond nog te versch was, om
zich een dergelijke uitspanning te veroorloven. D’Artagnan bleef dus
alleen en daar hij verklaarde niet handig genoeg te zijn om een
geregelde partij te maken, wierp men elkander slechts de ballen toe,
zonder de winnende punten aan te teekenen. Maar een der ballen, door de
krachtige vuist van Porthos geworpen, snorde zoo dicht voorbij het
aangezicht van d’Artagnan, dat deze bij zich zelven zeide, dat,
bijaldien de bal, in plaats van voorbij te vliegen, hem in het
aangezicht geraakt had, zijn audiëntie verloren zou zijn, aangezien het
volgens alle waarschijnlijkheid dan onmogelijk zou zijn geweest zich
voor den koning te vertoonen. En dewijl, volgens zijn Gaskonjische
verbeelding, van deze audiëntie geheel zijn toekomst afhing, groette hij
beleefd Porthos en Aramis, met de betuiging dat spel niet weder te
hervatten, alvorens hij zich zou hebben in staat gesteld hun het hoofd
te bieden; en daarop keerde hij achter de omheining terug, waar de
toeschouwers stonden.

Ongelukkig voor d’Artagnan bevond zich onder hen een der lijfwachten van
Zijne Eminentie, die, nog gloeiend van gramschap over de nederlaag daags
te voren door zijn wapenbroeders geleden, bij zich zelven had gezworen
van de eerste gelegenheid de beste gebruik te maken, hen te wreken. Hij
meende nu, dat deze gelegenheid dáár was, en zich tot zijn nevenman
richtende, zeide hij: „Het is niet te verwonderen, dat deze jongeling
voor een kogel bevreesd is; hij is ongetwijfeld een aankomend
musketier.”--D’Artagnan keerde zich om alsof een slang hem gebeten had,
en bezag met strakken blik den garde, die deze hoonende woorden had
uitgesproken.

„_Pardieu_!” hernam deze, tartend zijn knevel opstrijkende, „bezie mij
zooveel gij wilt, jonge heer! ik heb gezegd, wat ik gezegd heb.”--„En
dewijl hetgeen gij hebt gezegd te duidelijk is, om van uw woorden nadere
verklaring te vragen,” antwoordde d’Artagnan met gesmoorde stem,
„verzoek ik u mij te volgen.”--„En wanneer?” vroeg de garde op
denzelfden spottenden toon.--„Oogenblikkelijk als het u belieft.”--„Gij
weet zeker wie ik ben?”--„Ik, ik ken u volstrekt niet, en dat is mij
volkomen onverschillig.”--„Gij hebt ongelijk; want indien gij mijn naam
kendet, zoudt gij misschien minder haastig zijn.”--„Hoe is uw
naam?”--„Bernajoux, om u te dienen.”--„Welnu, mijnheer Bernajoux!” zeide
d’Artagnan bedaard, „ik zal u aan de deur wachten!”--„Goed, mijnheer! ik
volg u.”--„Haast u niet te veel, mijnheer! opdat men niet bemerke, dat
wij beiden tegelijk vertrekken; gij begrijpt, dat voor hetgeen wij
willen doen een te groot gezelschap hinderlijk zou zijn.”--„Het is wel,”
antwoordde de garde, verwonderd dat zijn naam niet meer uitwerking op
den jongeling had gemaakt.

Inderdaad, de naam van Bernajoux was aan geheel de wereld bekend, alleen
misschien aan d’Artagnan niet, want hij was een dergenen, die het meest
in de bijna dagelijksche geweldenarijen en vechterijen, welke noch de
koning, noch de kardinaal hadden kunnen onderdrukken, een voorname rol
speelde.... Porthos en Aramis waren te veel aan hun spel overgegeven, en
Athos beschouwde het met een te groote aandacht, om hun jeugdigen vriend
te zien vertrekken, die, zooals hij het aan de garde Zijner Eminentie
had gezegd, voor de deur wachtte. Een oogenblik daarna verwijderde deze
zich ook. Daar d’Artagnan geen tijd had te verliezen, uit hoofde van des
konings audiëntie, die te twaalf uur was bepaald, liet hij zijn blik
rondgaan, en bemerkende, dat de straat eenzaam was, zeide hij tot zijn
vijand: „Op mijn woord, mijnheer! gij zijt wel gelukkig, ofschoon gij
Bernajoux heet, dat gij slechts met een aankomenden musketier te doen
hebt; doch wees gerust, ik zal mijn best doen. Verdedig u.”--„Maar,”
zeide hij, dien d’Artagnan op deze wijze uitdaagde, „deze plaats schijnt
mij al zeer slecht gekozen, en ik meen, dat wij ons beter zouden
bevinden achter de abdij van _St. Germain_ of in de Pré aux
Clercs.”--„Wat gij zegt is zeer verstandig,” antwoordde d’Artagnan,
„ongelukkig heb ik weinig tijd, daar ik juist te twaalf uur een bezoek
moet afleggen. Dus verdedig u, mijnheer, verdedig u.”

Bernajoux was de man niet, om zich een dergelijk compliment te doen
herhalen. Onmiddellijk blonk dan ook zijn degen in zijn hand, en hij
deed een uitval, waarmede hij hoopte de groote jeugd zijns vijands vrees
aan te jagen. Maar d’Artagnan had den vorigen dag zijn proefstuk
volbracht, en door zijn zegepraal nog geheel opgewonden, terwijl zijn
toekomstig geluk hem het hoofd op hol bracht, was hij vast besloten geen
duimbreed te wijken; ook waren de uitvallen zoo hevig, dat beide
gevesten elkander raakten; en daar d’Artagnan onwrikbaar op zijn plaats
bleef, was het zijn tegenpartij, die een schrede achteruit deinsde.
Intusschen maakte d’Artagnan van het oogenblik gebruik, dat de degen van
Bernajoux, toen deze zich oprichtte, van de rechte lijn afweek, om
onmiddellijk weder een uitval te doen, tengevolge van welken hij den arm
van zijn tegenpartij doorstak; daarop trad d’Artagnan op zijn beurt een
schrede achteruit en hief zijn degen op, doch Bernajoux riep hem toe,
dat het niets was, en toen hij daarop een verwoeden uitval deed, stortte
hij zich zelven in den vijandelijken degen. Daar hij echter niet viel
noch zich overwonnen gaf, maar naar de zijde van het hotel des heeren de
la Trémouille, in wiens dienst een zijner aanverwanten was, achteruit
deinsde, en daar d’Artagnan volstrekt onbewust was van de gevaarlijkheid
der laatste wonde, welke hij hem had toegebracht, vervolgde deze hem
halsstarrig, en zoude hem waarschijnlijk door een derden stoot het leven
hebben ontnomen, indien niet twee vrienden van de garde, die hem eenige
woorden met d’Artagnan hadden hooren wisselen en hem daarop hadden zien
vertrekken, door het straatgerucht opmerkzaam gemaakt, dat tot in het
speelhuis doordrong, met uitgetrokken degen naar buiten waren gesneld en
den overwinnaar hadden aangevallen. Doch op hetzelfde oogenblik
vertoonden zich op hun beurt Athos, Porthos en Aramis, en dwongen de
twee gardes, die hun jongen vriend aanvielen, achteruit te gaan. Daarop
viel Bernajoux ter aarde, en dewijl de gardes twee tegen vier waren,
begonnen zij te roepen: „Te hulp! Te hulp! La Trémouille!”

Op dit geroep snelden allen, die het hotel van de la Trémouille
bewoonden, er uit, en drongen elkander tegen de vier wapenbroeders, die
van hun kant begonnen te roepen: „Te hulp, musketiers! te hulp!”--Dat
geroep werd gewoonlijk gehoord; want men kende de vijandigheid, welke de
musketiers Zijne Eminentie toedroegen, en juist uit hoofde van dien haat
voor den kardinaal was men hen genegen. Derhalve kozen de krijgslieden
der overige kompagnieën, die niet tot den rooden hertog behoorden,
zooals Aramis hem genoemd had, wanneer die soort van schermutselingen
plaats vonden, gewoonlijk partij voor de musketiers des konings.

Van drie gardes der kompagnie des heeren des Essarts, die daar langs
kwamen, snelden twee de vier strijdmakkers te hulp, terwijl de derde
naar het hotel Tréville liep, uitroepende: „Te hulp, musketiers! te
hulp!”

Als gewoonlijk was het huis van den heer de Tréville vol krijgslieden,
die zich haastten hun vrienden bijstand te verleenen; het gevecht werd
algemeen, doch de musketiers behielden de overhand. Des kardinaals
lijfwachten en de dienaren van den heer de la Trémouille trokken af naar
het hotel, waarvan zij de deuren tijdig genoeg sloten, om te beletten
dat hun vijand niet tevens met hen naar binnen drong. De gekwetste
Bernajoux was er reeds vroeger in gebracht, en, gelijk wij zeiden, in
deerniswaardigen toestand.

Er heerschte een buitengewone opgewondenheid onder de musketiers en hun
bondgenooten; reeds beraadslaagde men, ter bestraffing des euvelmoeds
der dienaren van den heer de la Trémouille, die de musketiers des
konings hadden aangevallen, of men zijn hotel niet in brand zou steken.
Dat voorstel was met evenveel geestdrift gedaan als aangenomen, toen het
gelukkig elf uur sloeg, wat aan d’Artagnan en zijn vrienden hun
audiëntie herinnerde; en daar zij spijt zouden hebben gevoeld, dat een
zoo fraaie vermakelijkheid in hun afwezigheid mocht plaats hebben,
slaagden zij in hun pogingen om de belhamels te doen bedaren. Men
vergenoegde zich met eenige straatsteenen tegen de deuren te werpen,
maar de deuren boden weerstand en men begon moede te worden; bovendien,
zij die als de aanvoerders van het bedrijf moesten worden aangezien,
hadden reeds een oogenblik geleden de groep verlaten en richtten nu hun
schreden naar het hotel des heeren de Tréville, die hen wachtte en het
bericht der nieuwe baldadigheid reeds ontvangen had.

„Spoedig naar het Louvre,” zeide hij, „naar het Louvre, zonder een
oogenblik te verliezen; zorgen wij den koning te spreken, alvorens hij
den kardinaal heeft gezien. Wij zullen hem het gebeurde als een gevolg
van het gisteren plaats gehad hebbende voorstellen, het zal dan voor één
zaak doorgaan.”

De heer de Tréville, vergezeld van de vier jongelieden, begaf zich naar
het Louvre; doch tot zijn groote verwondering berichtte men den kapitein
der musketiers, dat de koning zich naar het bosch van _St. Germain_ ter
hertenjacht had begeven. De Tréville liet zich dat nieuws tot tweemaal
toe herhalen, waarbij telkens zijn krijgslieden zijn gelaat zagen
verduisteren.--„Had Zijne Majesteit,” vroeg hij, „gisteren reeds het
voornemen ter jacht te gaan?”--„Neen, Uwe Excellentie!” antwoordde de
kamerdienaar, „heden morgen kwam de opperwachtmeester tijding brengen,
dat men des nachts een vijfjarig hert voor hem had opgejaagd.
Aanvankelijk weigerde hij er aan deel te nemen, maar eindelijk haalde
het voorbereid vermaak hem over en na het middagmaal is hij
vertrokken.”--„En heeft de koning den kardinaal gesproken?” vroeg de
heer de Tréville.--„Waarschijnlijk,” antwoordde de kamerdienaar: „want
dezen morgen heb ik de paarden voor het rijtuig van Zijne Eminentie
gezien. Ik vroeg werwaarts hij voornemens was te gaan, en men antwoordde
mij: naar _St. Germain_.”--„Men is ons vóór geweest, mijne heeren!”
zeide de heer de Tréville, „ik zal den koning van avond spreken en wat u
betreft, heeren! ik raad u, zulks niet te wagen.”

Die raad was te verstandig en werd bovendien door een man gegeven, die
al te wel den koning kende, om door de vier jongelieden niet te worden
gevolgd. De heer de Tréville verzocht hen dan naar huis terug te keeren,
in afwachting van nadere tijding van hem. In zijn hotel teruggekomen,
overtuigde zich de Tréville, dat hij zich de zaak aantrekken en het
eerst zijn klacht moest doen. Hij zond derhalve een zijner dienaren tot
den heer de la Trémouille met een brief, waarin hij hem verzocht den
lijfwacht des kardinaals zijn huis te doen ontruimen en zijn lieden te
bestraffen over hun euvelmoed, de musketiers des konings te hebben
aangevallen. Maar de heer de la Trémouille, reeds door zijn schildknaap,
den bloedverwant van Bernajoux, onderricht, liet hem antwoorden, dat de
heer de Tréville noch zijn musketiers reden hadden tot klagen, maar hij
integendeel, daar zijn lieden door de musketiers waren aangevallen
geworden, die daarenboven zijn hotel in brand hadden willen steken.--En
dewijl de twist dier edellieden van langen duur had kunnen zijn, daar
beiden meenden recht te hebben, ging de Tréville tot een maatregel over,
die ten doel had alles in der minne te schikken: namelijk dien, van den
heer de la Trémouille in persoon te gaan spreken. Diensvolgens begaf hij
zich onverwijld naar deszelfs hotel en liet zich aanmelden.

Beide edellieden groetten elkander vriendelijk; ofschoon er tusschen hen
geen vriendschap bestond, droegen zij elkander wederzijdsche achting
toe. Zij waren beiden dappere, achtenswaardige mannen, en dewijl de heer
de la Trémouille, die Protestantsch was en zelden den koning bezocht,
tot hoegenaamd geene partij behoorde, vertoonde hij meestal in zijn
maatschappelijke betrekkingen niet de minste partijdigheid. Nu echter
was zijn onthaal, hoezeer beleefd, koeler dan gewoonlijk.--„Mijnheer!”
zeide de heer de Tréville, „wij meenen beiden over elkander te klagen te
hebben; ik heb mij daarom in persoon tot u vervoegd, ten einde omtrent
die aangelegenheid elkander in te lichten.”--„Gaarne,” antwoordde de
heer de la Trémouille, „maar ik zeg u vooraf, dat ik zeer goed
onderricht ben en de schuld aan uw musketiers ligt.”--„Gij zijt een al
te rechtvaardig en verstandig man,” zeide de heer de Tréville, „om het
voorstel niet aan te nemen, dat ik u doen zal.”--„Laat hooren, mijnheer!
ik luister.”--„Hoe bevindt zich de heer Bernajoux, de bloedverwant van
uw schildknaap?”--„Wel, mijnheer! zeer slecht; want behalve den
degensteek in den arm, die trouwens niet gevaarlijk is, heeft hij nog
een tweeden ontvangen, die de long heeft gekwetst, zoodat de heelmeester
er niet veel goeds van zegt.”--„Maar heeft de gekwetste zijn bewustzijn
behouden?”--„Volkomen.”--„Kan hij spreken?”--„Moeilijk, maar hij spreekt
toch.”--„Welnu, mijnheer! begeven wij ons dan tot hem. Bezweren wij hem
in den naam Gods, voor wien hij misschien dra zal verschijnen, de
waarheid te zeggen. Laat hem rechter in zijn eigen zaak zijn, mijnheer!
en wat hij zegt zal ik gelooven.”

De heer de la Trémouille bleef een oogenblik nadenken, doch daar het
moeilijk was een redelijker voorstel te doen, nam hij het aan. Beiden
begaven zich diensvolgens in de kamer van den gekwetste. Deze, twee
voorname edellieden ziende binnenkomen om hem een bezoek te brengen,
trachtte zich in zijn bed op te richten; maar te zwak zijnde en uitgeput
door te groote inspanning, viel hij bewusteloos weer op zijn legerstede
neder. De heer de la Trémouille naderde hem en deed hem salmoniak
opsnuiven, hetgeen hem tot kennis terugbracht. Daarop verzocht de heer
de Tréville, vreezende dat men hem zou beschuldigen op den gekwetste
eenigen invloed te hebben uitgeoefend, den heer de la Trémouille, den
gekwetste in persoon te ondervragen. Hetgeen de heer de Tréville had
voorzien gebeurde. Tusschen leven en dood zwevende, had Bernajoux zelfs
niet een oogenblik de gedachte de waarheid te verzwijgen, en hij
verhaalde aan beide heeren oprecht de zaken, zooals zij waren
voorgevallen. Dit was alles, wat de heer de Tréville verlangde; hij
wenschte Bernajoux een spoedige beterschap, nam afscheid van den heer de
la Trémouille, keerde naar zijn hotel terug en deed dadelijk zijn vier
musketiers verwittigen, dat hij hen aan het middagmaal wachtte.

De heer de Tréville ontving zeer voornaam gezelschap, trouwens het
bestond alleen uit kwalijkgezinden jegens den kardinaal. Men begrijpt
dus, dat het gesprek gedurende het maal over de twee nederlagen liep,
welke de lijfwachten des kardinaals hadden ondergaan. En dewijl
d’Artagnan de held dier beide dagen was geweest, was hij het, die al de
gelukwenschen ontving, welke Athos, Porthos en Aramis hem niet alleen
als goede vrienden gunden, maar ook als mannen, die dikwijls genoeg ze
genoten hadden om er nu niet ijverzuchtig op te zijn. Tegen zes uur gaf
de heer de Tréville te kennen, dat hij zich verplicht achtte naar het
Louvre te gaan; maar dewijl het uur, waarop Zijne Majesteit de audiëntie
had bepaald, voorbij was, begaf hij zich met de vier jongelieden, in
plaats van den toegang langs de kleine trap te beproeven, in de
receptiezaal. De koning was van de jacht nog niet teruggekomen. Onze
jongelieden hadden nu ongeveer een half uur gewacht, vermengd onder de
menigte hovelingen, toen de deuren geopend werden en men den koning
aankondigde. Op deze mare ontroerde d’Artagnan tot in het merg zijner
beenderen. Het oogenblik, dat volgen zou, moest naar alle
waarschijnlijkheid zijn toekomstig lot beslissen. Hij vestigde dan ook
zijn oogen angstig op de deur, door welke de koning moest binnenkomen.
Lodewijk XIII verscheen het eerst; hij was nog in jachtgewaad, met stof
bedekt, hooge laarzen aan en een zweep in de hand houdende. Bij den
eersten blik, dien d’Artagnan op hem sloeg, begreep hij, dat de luim des
konings van stormachtigen aard was. Deze zielsgesteldheid van Zijne
Majesteit belette den hovelingen niet, zich op zijn weg in de
koninklijke voorzalen in rangorde te stellen. Het is nog beter met een
toornigen blik te worden beschouwd, dan in het geheel niet te worden
opgemerkt. De drie musketiers aarzelden dus niet en deden een schrede
voorwaarts, terwijl d’Artagnan integendeel zich achter hen verborgen
hield; doch hoewel de koning Athos, Porthos en Aramis persoonlijk kende,
ging hij hen voorbij zonder hen aan te zien, zonder hen toe te spreken
en alsof hij hen nooit gezien had. Wat den heer de Tréville betreft,
deze, toen des konings oogen zich op hem vestigden, verdroeg dien blik
met zooveel standvastigheid, dat het nu de koning was, die zijn gezicht
van hem afwendde, waarop Zijne Majesteit zich al grommende in zijn
vertrekken begaf.

„De zaken staan niet voordeelig,” zeide Athos glimlachende, „en vandaag
zullen wij nog niet tot ridders van ’s konings ridderorde worden
geslagen.”--„Wacht hier gedurende tien minuten,” zeide de heer de
Tréville, „en wanneer gij mij na verloop van dien tijd niet ziet
terugkomen, keert dan naar mijn hotel terug; want het is dan vruchteloos
mij langer te wachten.”

De vier jongelingen wachtten tien minuten, een kwartier, twintig
minuten; maar den heer de Tréville niet ziende terugkeeren, vertrokken
zij, zeer ongerust over hetgeen gebeuren zou. De heer de Tréville was
stoutmoedig het kabinet des konings binnengetreden en vond Zijne
Majesteit in een zeer slechte luim, zittende op een leuningstoel en op
zijn laarzen met den steel van zijn zweep slaande, hetgeen niet belette,
dat hij hem met de grootste koelbloedigheid naar den staat zijner
gezondheid vroeg.--„Slecht, zeer slecht, mijnheer!” antwoordde de
koning, „ik verveel mij.”--Dit was inderdaad de ergste ziekte van
Lodewijk XIII, die vaak den een of anderen zijner hovelingen tot zich
riep, hem bij een venster trok en dan zeide: „Mijnheer die en die, laten
wij ons samen vervelen.”

„Hoe, verveelt Uwe Majesteit zich?” vroeg de heer de Tréville. „Is zij
dan heden niet op de jacht geweest?”--„Een fraaie uitspanning, mijnheer!
Bij mijn ziel! alles verslimmert, en ik kan niet zeggen, of het wild
geen spoor meer volgt, of dat de honden hun neus hebben verloren. Wij
jagen een vijfjarig hert, wij vervolgen het gedurende zes uren, en toen
het bijna in onze macht was en St. Simon reeds den waldhoorn aan den
mond zette, om de overwinning te blazen, krak! daar veranderen eensklaps
al de honden hun loop en zetten een jong hert achterna. Gij zult zien,
dat ik van de lange jacht afzie, zooals ik van de valkenjacht heb
afgezien. Ach! ik ben een zeer ongelukkig koning, mijnheer de Tréville!
Ik had nog slechts een giervalk, maar hij is eergisteren
gestorven.”--„Waarlijk, Sire! ik besef uw wanhoop, want het ongeluk is
groot; maar gij hebt nog, verbeeld ik mij, een aantal valken, sperwers
en andere roofvogels.”--„Maar geen schepsel om ze te leeren; de
valkeniers verdwijnen; ik alleen ben er nog, die iets van de jachtkunst
versta. Na mij is het gedaan, en men zal in klemmen, in strikken en in
kuilen het wild gaan vangen. Indien mij maar de tijd overbleef, om
leerlingen te vormen. Maar jawel! de kardinaal zorgt wel, dat mij geen
oogenblik rust overblijft, onophoudelijk vermoeit hij mijn ooren, nu
over _Spanje_, dan weer over _Oostenrijk_ of _Engeland_. Ha! over den
kardinaal gesproken, mijnheer de Tréville, ik moet u mijn ontevredenheid
betuigen.”

De heer de Tréville was voorbereid op dezen uitval. Hij kende den koning
sinds lang en begreep, dat al die jeremiades slechts als inleiding
strekten, een soort van prikkel waren om zich zelven aan te hitsen, en
dat hij eindelijk het punt bereikt had, waarbij hij wilde
stilstaan.--„En waarin ben ik ongelukkig genoeg geweest Uwe Majesteit te
mishagen?” vroeg de heer de Tréville, de grootste verwondering
veinzende.--„Is het op die wijze, dat gij uw plicht vervult, mijnheer?”
ging de koning voort, zonder rechtstreeks de vraag van de Tréville te
beantwoorden; „is het, omdat ik u tot kapitein mijner musketiers heb
benoemd, dat deze een man vermoorden, een geheele wijk in oproer brengen
en _Parijs_ in brand willen steken, zonder dat gij mij hiervan een enkel
woord zegt? Maar trouwens,” vervolgde de koning, „ongetwijfeld haast ik
mij te veel, u te beschuldigen; waarschijnlijk zijn de rustverstoorders
in de gevangenis, en komt gij mij berichten, dat er recht is
gedaan.”--„Sire,” antwoordde de Tréville bedaard, „ik kom er u om
verzoeken.”--„En tegen wie?”--„Tegen de lasteraars,” antwoordde de heer
de Tréville.--„Ha, ziedaar wat nieuws!” hernam de koning. „Wilt gij mij
nu vertellen, dat uw drie onafscheidbare musketiers, Athos, Porthos en
Aramis, en uw Bearneesche kadet, niet als razenden den armen Bernajoux
hebben aangevallen, en hem dermate hebben mishandeld, dat hij
allerwaarschijnlijkst op dit oogenblik op sterven ligt? Wilt gij zeggen,
dat zij daarna het hotel van den hertog de la Trémouille niet hebben
belegerd, noch het in brand wilden steken? Dit zou, wel is waar, in tijd
van oorlog een niet zeer groote ramp zijn geweest, omdat het een
geuzennest is; maar in vredestijd strekt het tot een zeer slecht
voorbeeld. Zeg, wilt gij dit alles loochenen?”--„En wie heeft u die
fraaie historie verhaald, Sire?” vroeg de Tréville rustig.--„Wie mij die
fraaie historie verhaald heeft, mijnheer? en wie anders wilt gij, dat
het zij, dan hij, die waakt wanneer ik slaap, die arbeidt wanneer ik mij
vermaak, die, zoowel binnen als buiten het rijk, in _Frankrijk_ zoowel
als in geheel _Europa_, alles bestiert.”--„Uwe Majesteit bedoelt zeker
God,” zeide de heer de Tréville, „want ik ken niemand dan God, die zoo
hoog boven Uwe Majesteit verheven is.”--„Neen, mijnheer! ik bedoel den
steun des staats, mijn eenigen dienaar, mijn eenigen vriend, Zijne
Eminentie den kardinaal.”--„Zijne Eminentie is Zijne Heiligheid niet,
Sire!”--„Wat bedoelt gij hiermede, mijnheer?”--„Dat alleen de paus
onfeilbaar is, en dat deze onfeilbaarheid zich niet tot de kardinalen
uitstrekt.”--„Gij wilt zeggen, dat hij mij bedriegt, dat hij mij
verraadt? dus beschuldigt gij hem. Welaan, spreek! beken openhartig, dat
gij hem beschuldigt.”--„Neen, Sire, maar ik zeg, dat hij zich bedriegt,
dat hij niet wel is onderricht geworden; ik zeg, dat hij zich heeft
gehaast de musketiers Uwer Majesteit, voor wie hij onrechtvaardig is, te
beschuldigen, en dat hij het nieuws niet uit een goede bron heeft
geput.”--„Het nieuws is hem medegedeeld door den heer de la Trémouille,
door den hertog in persoon. Wat zegt gij daarvan?”--„Ik zou u kunnen
antwoorden, Sire! dat hij te veel belang heeft in de zaak, om een
onpartijdig getuige te kunnen zijn; maar verre van mij, Sire! ik ken den
hertog voor een rechtgeaard edelman, en ik wil mij aan zijn getuigenis
onderwerpen; maar op één voorwaarde, Sire!”--„Welke is die?”--„Dat Uwe
Majesteit hem doe ontbieden en hem ondervrage; maar Uwe Majesteit in
persoon, afzonderlijk, zonder getuigen, en dat ik Uwe Majesteit moge
zien onmiddellijk nadat zij den hertog gesproken zal hebben.”--„Het is
wèl,” antwoordde de koning, „en gij zult u onderwerpen aan de getuigenis
van den heer de la Trémouille?”--„Ja, Sire!”--„Gij zult zijn oordeel
aannemen?”--„Ongetwijfeld.”--„En de genoegdoening geven, die hij zal
eischen?”--„Volkomen.”

„La Chesnaye!” riep de koning, „la Chesnaye!”--En de vertrouwde
kamerdienaar van Lodewijk XIII, die steeds aan de deur bleef staan, trad
binnen.--„La Chesnaye!” zeide de koning, „dat men oogenblikkelijk den
heer de la Trémouille ontbiede; ik wil hem nog heden avond spreken.”

„Verzekert mij Uwe Majesteit, dat zij niemand anders zal spreken dan den
heer de la Trémouille en mij?”--„Niemand, op mijn woord van
edelman.”--„Dan tot morgen, Sire!”--„Tot morgen, mijnheer!”--„Hoe laat
behaagt het Uwe Majesteit?”--„Welk uur gij verkiest.”--„Maar door te
vroeg te komen, zou ik vreezen Uwe Majesteit in den slaap te
storen.”--„Mijn slaap storen! Slaap ik dan? Ik slaap niet meer,
mijnheer! ik droom wel eens, en dat is al.... Kom dus zoo vroeg gij
wilt; te zeven uur, maar wees op uw hoede, indien uw musketiers schuld
hebben.”--„Indien mijn musketiers schuldig zijn, Sire! zullen de
schuldigen in de handen Uwer Majesteit worden overgeleverd, die over hen
naar goedvinden zal beschikken.... Indien Uwe Majesteit meer mocht
verlangen, gelieve zij te bevelen, ik zal gehoorzamen.”--„Neen,
mijnheer! neen; het is niet zonder reden dat men mij Lodewijk den
Rechtvaardige heeft genoemd. Dus tot morgen, mijnheer!”--„God behoede
Uwe Majesteit!”

Hoe weinig de koning ook sliep, de heer de Tréville sliep nog minder;
hij had nog dienzelfden avond zijn drie musketiers en hun jongen vriend
doen verwittigen, dat zij den volgenden morgen, te half zeven, in het
hotel tegenwoordig moesten zijn.... Op dat uur nam hij hen mede, zonder
hun iets te verzekeren of te beloven, het niet verbergende, dat de gunst
des konings voor hen, zoowel als voor hem, van een toevalligheid afhing.
Aan de kleine trap gekomen, liet hij hen daar staan. Indien de koning
steeds op hen vertoornd mocht zijn, zouden zij, zonder gezien te zijn
geworden, zich verwijderen; indien de koning er genoegen in nam hen te
ontvangen, behoefde men hen slechts te laten roepen.... In de bijzondere
receptiezaal des konings gekomen, ontmoette de heer de Tréville la
Chesnaye, die hem mededeelde, dat men den vorigen avond den heer de la
Trémouille niet had te huis gevonden, dat hij te laat was teruggekomen,
om zich nog in het Louvre te kunnen vertoonen, maar dat hij op dat
oogenblik zich bij den koning bevond. Deze omstandigheid was den heer de
Tréville zeer aangenaam, die hierdoor verzekerd werd, dat geen vreemde
inblazingen tusschen de getuigenis des heeren de la Trémouille en de
zijne konden plaats hebben.

Nauwelijks waren er tien minuten verloopen, of de deur van het kabinet
des konings werd geopend, en de heer de Tréville zag den hertog de la
Trémouille hetzelve verlaten, hem naderen en hem zeggen: „Mijnheer de
Tréville! Zijne Majesteit heeft mij doen ontbieden, ten einde te weten,
hoe de zaken zich gisteren morgen in mijn hotel hebben toegedragen. Ik
heb de waarheid gezegd; namelijk, dat mijn lieden schuldig waren en ik
bereid was, u deswege verschooning te vragen. Dewijl ik u nu ontmoet,
verzoek ik u die te willen aannemen, en mij steeds als een uwer vrienden
te beschouwen.”--„Mijnheer de hertog!” zeide de heer de Tréville, „ik
had zooveel vertrouwen in uw edelaardigheid, dat ik geen anderen
verdediger dan u bij den koning zou begeerd hebben. Ik zie, dat ik mij
niet bedrogen heb, en het verheugt mij, dat er nog een man te vinden is,
van wien men kan zeggen, zonder zich te bedriegen, wat ik van u heb
gezegd.”--„Al wel, al wel!” riep de koning, die deze plichtplegingen
voor de deur had aangehoord; „zeg hem alleen nog, Tréville! dewijl hij
vermeent tot uw vrienden te behooren, dat ik ook een der zijnen zou
willen wezen; maar dat hij mij veronachtzaamt, zijnde het nu bijna drie
jaar geleden, dat ik hem het laatst heb gezien, en dat alleen door hem
te ontbieden. Zeg hem dat uit mijn naam, want het zijn van die zaken,
die een koning niet zeggen kan.”--„Ik dank u, Sire!” zeide de hertog;
„maar Uwe Majesteit zij verzekerd, dat het niet altijd diegenen zijn,
welke zij elk uur van den dag ziet, die haar het trouwste zijn.”--„Zoo,
gij hebt gehoord wat ik heb gezegd: des te beter,” zeide de koning, tot
aan de deur komende. „Ha! zijt gij daar, Tréville! waar zijn uw
musketiers? ik had u eergisteren gezegd ze mij voor te stellen, waarom
hebt ge het niet gedaan?”--„Zij zijn beneden, Sire! en met uw verlof zal
la Chesnaye hun gaan zeggen, boven te komen.”--„Goed, goed, dat zij
onmiddellijk komen; het is dra acht uur en om negen uur wacht ik bezoek.
Ga, mijnheer de hertog! maar keer vooral terug. Tréville, kom binnen.”

De hertog groette en vertrok. Op het oogenblik, dat hij de deur opende,
verschenen de drie musketiers en d’Artagnan, door la Chesnaye
voorafgegaan, boven aan de trap.--„Nadert, gij dapperen!” zeide de
koning, „ik moet u beknorren.”--De musketiers naderden al buigende;
d’Artagnan volgde hen.--„Hoe duivel! is het mogelijk,” ging de koning
voort, „met u vieren zeven gardes van Zijne Eminentie in twee dagen
tijds buiten gevecht te stellen!.... Dat is te erg, mijne heeren! Dat is
te erg.... Als dat zoo voortging, zou Zijne Eminentie genoodzaakt zijn,
zijn kompagnie binnen drie weken te hernieuwen, en ik, de edikten in al
hun strengheid te doen uitvoeren. Zoo eens bij toeval, daar wil ik niet
van spreken; maar zeven in drie dagen tijds, ik herhaal het, dat is te
erg.”--„Gij ziet dan ook, Sire, dat zij, vol berouw en leedwezen, Uwe
Majesteit om vergiffenis komen smeeken.”--„Vol berouw en leedwezen!
zoo,” zeide de koning, „ik vertrouw niet veel hun huichelachtige
gezichten; vooral niet dat van dien Gaskonjer, die daar achter staat....
Kom eens hier, mijnheer!”

D’Artagnan, die begreep, dat het kompliment aan zijn adres was, naderde,
aan zijn gelaatstrekken de wanhopigste uitdrukking gevende, die hem
mogelijk was.--„Wel, wel! wat zeidet gij toch, mijnheer de Tréville, dat
hij een knaap was? het is nog slechts een kind, niet meer dan een kind.
En is hij het, die aan Jussac dien geweldigen steek heeft
toegebracht?”--„En aan Bernajoux die twee andere fraaie
steken.”--„Inderdaad?”--„Zonder nog te rekenen, dat, indien hij mij niet
uit de handen van Biscarat had gered,” zeide Athos, „ik thans de eer
niet zou genieten Uwer Majesteit mijn zeer onderdanige groeten te
maken.”--„Maar inderdaad, die Bearnees is dan de duivel zelf, _ventre
saint gris_! mijnheer de Tréville! zooals mijn vader zou gezegd hebben,
op die wijze zal hij in niet weinig kleedingstukken gaten maken en
menigen degen breken. En de Gaskonjers zijn immers altijd arm, niet
waar?”--„Sire! ik moet zeggen, dat men nog geen goudmijnen in hun
gebergten heeft ontdekt, hoewel de hemel hun dit wonderwerk wel
verschuldigd is, als belooning voor de wijze, waarop zij de eischen van
den koning, uw vader, ondersteund hebben.”--„Dat wil zeggen, dat het de
Gaskonjers zijn, die mij zelven tot koning hebben gemaakt, dewijl ik de
zoon mijns vaders ben, niet waar Tréville? maar het zij zoo, ik zeg niet
neen. La Chesnaye! doorzoek eens al mijn zakken, of gij er een
veertigtal pistolen in kunt vinden; zoo ja, breng ze mij dan. En nu,
jongeling! verhaal mij nu eens met de hand op het hart, hoe zich een en
ander heeft toegedragen?”

D’Artagnan verhaalde het voorgevallene in alle kleuren: hoe hij, van
blijdschap Zijne Majesteit te zullen zien, niet kunnende slapen, zijn
vrienden drie uren voor de audiëntie een bezoek was gaan brengen; hoe
zij te zamen naar het kaatsspel waren gegaan, en hoe, tengevolge der
vrees, die hij had laten blijken, een bal in het aangezicht te krijgen,
hij door Bernajoux bespot was geworden, die deze scherts bijna met zijn
leven had geboet, en de heer de la Trémouille, wiens schuld het niet
was, met het verlies van zijn hotel.

„Het is wel zoo,” mompelde de koning, „ja, de hertog heeft mij volkomen
hetzelfde verhaald. Arme kardinaal! zeven mannen in twee dagen tijds en
nog wel zijn getrouwsten; maar hoort gij, heeren! het moet hierbij
blijven, hoort gij? het is al wel; gij hebt u een meer dan voldoende
genoegdoening verschaft voor het gebeurde in de straat _Férou_, gij moet
nu voldaan zijn.”--„Indien Uwe Majesteit het is,” zeide Tréville, „wij
zijn het.”--„Ja, ik ben het,” voegde de koning er bij, een handvol gouds
uit de handen van la Chesnaye nemende en ze in die van d’Artagnan
stellende. „Ziedaar,” zeide hij, „een bewijs mijner tevredenheid.”

In dien tijd waren de denkbeelden van trotschheid, welke in onze dagen
boven drijven, nog niet in de mode. Een edelman ontving uit ’s konings
eigen handen een geschenk in geld, en zulks was hem volstrekt niet tot
oneer. D’Artagnan borg dan ook de veertig pistolen in zijn zak zonder de
minste plichtplegingen; maar, integendeel, grootelijks Zijne Majesteit
er voor bedankende.--„Zoo! reeds half negen, verwijdert u nu; want,
zooals ik gezegd heb, ben ik te negen uur bezoek wachtende.... Ik dank u
voor uw trouw, heeren! En ik kan er op blijven rekenen, niet waar?”--„O,
Sire!” riepen eenparig de vier vrienden, „wij zouden voor Uwe Majesteit
ons in stukken doen hakken.”--„Goed, goed; maar blijft geheel, dat is
beter, gij kunt mij op die wijze nuttiger zijn. Tréville!” voegde de
koning er half luid bij, terwijl de anderen zich verwijderden, „dewijl
er bij uw musketiers geen plaats open is, en wij bovendien, om in dat
korps te worden aangenomen, bepaald hebben, dat men reeds in dienst moet
zijn geweest, moest gij dien jongeling in de kompagnie der gardes van
den heer des Essarts, uw schoonbroeder, inlijven. O, Tréville!
_pardieu_! ik kan mij van lachen niet onthouden, wanneer ik denk aan het
leelijke gezicht, dat de kardinaal zal zetten; hij zal woedend zijn,
maar dat is mij onverschillig, ik heb recht.”

En de koning groette met de hand den heer de Tréville, die vertrok en
zich bij zijn musketiers voegde, welke hij met d’Artagnan bezig vond
diens veertig pistolen onder elkander te verdeelen.... En de kardinaal,
zooals de koning had gezegd, was werkelijk zoo woedend, dat hij
gedurende acht dagen met den koning niet speelde, hetgeen den koning
echter niet belette hem het vriendelijkste gezicht ter wereld te
vertoonen, en telkens, wanneer hij hem ontmoette, met een vleiende,
belangstellende stem te vragen: „Wel, Uwe Eminentie! hoe gaat het met uw
armen Bernajoux; en met dien armen Jussac?”




HOOFDSTUK VII.

De huishouding der Musketiers.


Toen d’Artagnan buiten het Louvre was, en hij zijn vrienden raadpleegde,
op welke wijze hij van zijn aandeel in de veertig pistolen gebruik moest
maken, gaf Athos hem den raad, een goeden maaltijd in _den Mastappel_ te
bestellen, Porthos dien, van een lakei te nemen en Aramis, een
bekoorlijke minnares te zoeken. Men zat nog dienzelfden dag aan het
maal, terwijl de nieuwe lakei aan tafel bediende. Het maal was door
Athos besteld en de lakei door Porthos bezorgd. Deze was een Picardiër,
dien de prachtlievende musketier dienzelfden dag op de brug de la
Tournelle had aangetroffen, zich vermakende met in het water kringen te
spuwen. Porthos oordeelde, dat deze bezigheid het bewijs was eener
bedachtzame en oplettende zielsgesteldheid, en had hem daarom zonder
eenige verdere aanbeveling aangenomen. De voorname houding van den
edelman, in wiens dienst hij meende te komen, had Planchet (zoo heette
de Picardiër) overgehaald; maar hij was eenigszins teleurgesteld, toen
hij bemerkte, dat de plaats reeds was ingenomen door een anderen knecht,
genaamd Mousqueton, en toen Porthos hem had beduid, dat, hoezeer een
grooten staat voerende, deze echter geen twee dienaren vereischte en hij
in dienst van d’Artagnan moest gaan. Terwijl hij intusschen aan tafel
bediende en zijn meester een handvol goud uit den zak zag halen, om te
betalen, waande hij zijn fortuin gemaakt en dankte hij den hemel, in de
handen van zulk een Cresus gevallen te zijn; hij bleef in dat denkbeeld
tot na den afloop van het feestmaal, door welks overblijfselen hij zich
van een lange vasten herstelde. Maar toen hij des avonds het bed van
zijn meester opmaakte, verdwenen de luchtkasteelen van Planchet. De
woning, die slechts uit een voor- en een slaapkamer bestond, bevatte
niet meer dan één bed, en Planchet moest in de voorkamer op een deken
van het bed van d’Artagnan slapen, waarvan deze zich daarna niet meer
bediende. Athos had van zijn kant een knecht, Grimaud genaamd, dien hij
op een geheel bijzondere wijze tot zijn dienst gevormd had. Die waardige
edelman was zeer stilzwijgend; wij spreken wel te verstaan van Athos.
Sedert vijf of zes jaren, dat hij met zijn wapenbroeders, Porthos en
Aramis, in de grootste vriendschap had verkeerd, herinnerden zich dezen,
hem wel te hebben zien glimlachen, maar nooit hem te hebben hooren
lachen. Zijn woorden waren kort en nadrukkelijk, steeds datgene te
kennen gevende, wat zij moesten en niets meer; geen uitweidingen, geen
zinspelingen, geen bloemspraak; zijn gesprek was een daadzaak zonder de
minste inlassching. Hoewel Athos nauwelijks dertig jaren oud en zeer
schoon, zoowel naar ziel als lichaam was, kende niemand hem een
minnares. Nooit sprak hij over vrouwen. Maar hij belette niet, dat men
er in zijn tegenwoordigheid over sprak; ofschoon het gemakkelijk was te
zien, dat deze soort van gesprekken, waaraan hij niet dan met bittere
woorden en menschhatende beschouwingen deel nam, hem bijzonder
onaangenaam waren. Zijn afgetrokkenheid, zijn menschenhaat en zijn
sprakeloosheid maakten hem bijna tot een grijsaard, en om van zijn
gewoonten niet af te wijken, had hij Grimaud geleerd, op het zien van
een enkelen oogwenk, of eener stomme beweging der lippen, hem te
begrijpen; slechts in gewichtige omstandigheden richtte hij tot hem het
woord. Bijwijlen gebeurde het dan, dat Grimaud, die zijn heer als vuur
vreesde, maar nochtans hem veel genegenheid toedroeg en voor zijn genie
diepen eerbied koesterde, zich verbeeldende de bevelen zijns meesters
volkomen begrepen te hebben, spoed maakte om ze te volvoeren, doch dan
gewoonlijk juist het verkeerde volbracht. Athos trok dan de schouders op
en ranselde Grimaud. Alleen bij die gelegenheden ontvielen hem eenige
woorden.

Porthos, zooals men heeft kunnen opmerken, bezat een geheel anderen aard
dan Athos; niet alleen dat hij veel sprak, maar hij deed zulks zeer
luide; trouwens, hij stoorde er zich niet aan, men moet hem dit recht
laten wedervaren, of men naar hem luisterde of niet; hij sprak alleen
uit praatzucht en om het vermaak zich zelven te hooren. Hij sprak over
alles, behalve over wetenschappelijke zaken, voor welke hij een
aangeboren haat liet blijken, dien hij zeide den geleerden reeds sedert
zijn kindsheid toe te dragen. Van minder voorname houding dan Athos,
deed het gevoel dier minderheid hem vaak jegens dien edelman onbillijk
zijn en trachtte hij dezen door schitterende kleeding in de schaduw te
stellen. Doch in zijn eenvoudig musketiersgewaad, en alleen door de
wijze op welke hij het hoofd achterover wierp en den voet neerzette, nam
Athos vanzelf de plaats in, die hem toekwam, terwijl hij den pralenden
Porthos een trede deed dalen. Porthos troostte zich hierover, door de
voorzaal van Tréville’s hotel en de wachtkamer van het Louvre van zijn
liefdesgevallen te doen weergalmen, zaken waarover Athos nooit sprak. En
voor het oogenblik, na zoowel adellijke als burgerdames over de tong te
hebben laten gaan, sprak Porthos over niets minder dan van zekere
vreemde prinses, die hem ongeloofelijk veel liefde bewees. Het
spreekwoord zegt: zoo meester zoo knecht; gaan wij dus van den knecht
van Athos tot dien van Porthos, van Grimaud op Mousqueton over.

Mousqueton was een Normandiër, wiens vreedzame naam Bonifacius door zijn
meester in den veel meer welluidenden krijgsmansnaam van Mousqueton was
veranderd. De voorwaarde, die hem in dienst van Porthos had doen treden,
was: dat deze hem kleeding en huisvesting zou verschaffen en zulks met
de meeste pracht. Bovendien begeerde hij niets anders, dan twee uren
daags te zijner beschikking te behouden, om die toe te wijden aan zekere
nijverheid, wier opbrengst toereikend was ter bestrijding zijner overige
behoeften. Porthos had het akkoord aangegaan; een heerlijke zaak voor
hem. Hij liet voor Mousqueton uit zijn afgelegde kleedingstukken en
mantels buizen en broeken snijden, dank zij een zeer behendigen
kleermaker, die hem de kleedingstukken als nieuw terug bezorgde door ze
te keeren, en wiens vrouw verdacht werd, Porthos zijn aristocratische
gewoonten somwijlen te doen afleggen; zoo zag Mousqueton, achter zijn
meester voorttredende, er zeer goed uit.

Aramis, van wien wij meenen genoegzaam het karakter te hebben
beschreven, een karakter trouwens, dat wij, zooals dat zijner
wapenbroeders, in zijn ontwikkeling kunnen volgen, had een knecht, die
Bazijn werd genoemd. Uit hoofde der hoop zijns meester, om eenmaal tot
den geestelijken stand over te gaan, was hij altijd in het zwart
gekleed, zooals het den dienaar eens geestelijken betaamt. Hij was
geboortig uit Berry en vijf en dertig tot veertig jaar oud, van
zachtmoedigen, vreedzamen aard en mollig van lichaam; hij besteedde de
vrije oogenblikken, die hem zijn meester liet, met het lezen van
stichtelijke boeken; als het vereischt werd, maakte hij een maal voor
twee personen gereed, dat wel is waar uit weinig gerechten bestond, maar
overheerlijk was. Overigens was hij stom, blind, doof, kortom van een
beproefde trouw.

Thans, nu wij ten minste oppervlakkig zoowel meesters als knechts
kennen, kunnen wij tot de door elk hunner bewoond wordende vertrekken
overgaan. Athos woonde in de straat Férou, op een paar schreden afstands
van het Luxembourg. Zijn vertrekken bestonden uit twee kleine, van zeer
net huisraad voorziene kamers--van welke de eigenares, die nog jong en
inderdaad schoon was, vruchteloos hem verliefde lonken toewierp. Eenige
overblijfselen van vroegeren luister blonken hier en daar op de muren
van dat eenvoudig verblijf: bij voorbeeld een degen, rijk gedamasceerd,
die, naar het model te oordeelen, tot den tijd van Frans I opklom, en
waarvan de greep, die met edelsteenen was bezet, alleen op tweehonderd
pistolen kon worden geschat en dien Athos, zelfs in oogenblikken van
hoogen nood, nooit had willen beleenen of verkoopen; deze degen had lang
de begeerlijkheid van Porthos geprikkeld; hij zou tien jaren van zijn
leven hebben willen geven voor het bezit van dien degen.

Op zekeren tijd, dat hij een samenkomst met een hertogin had
afgesproken, trachtte hij dien zelfs van Athos ter leen te verkrijgen.
Athos, zonder één woord te spreken, ledigde zijn zakken, bracht al zijn
kostbaarheden bij elkander, beurzen, rijgsnoeren en gouden kettingen en
bood dit alles Porthos aan; „maar wat den degen betreft,” zeide hij,
„die is op zijn plaats vastgeklonken en verlaat die niet, dan wanneer de
eigenaar de woning verlaat.”

Behalve dien degen bezat hij nog een portret, een edelman uit den tijd
van Hendrik III voorstellende, prachtig gekleed en versierd met de orde
van den Heiligen Geest. Het gelaat van dat portret had wel eenige
gelijkenis met dat van Athos en bezat een soort van familietrek, die
genoegzaam aanduidde, dat die groote heer, ridder der koninklijke orden,
een zijner voorvaders was geweest. Eindelijk stond een kostbaar gouden
kistje, met hetzelfde wapen versierd, dat zich ook op den degen en het
portret bevond, midden op den schoorsteenmantel en stak niet weinig af
bij het overige huisraad. Athos droeg steeds den sleutel van dat kistje,
dat niets anders dan brieven en andere papieren bevatte, ongetwijfeld
minnebrieven en familiepapieren.

Porthos bewoonde zeer ruime vertrekken in een huis van een zeer prachtig
aanzien, in de straat _Vieux Colombier_. Telkens wanneer hij met eenige
vrienden zijn vensters voorbijging, voor een van welke Mousqueton steeds
in groote livrei te zien was, hief Porthos het hoofd op en met de hand
het huis aanwijzende, zeide hij: „_Ziedaar mijn woning!_” Maar nooit
vond men hem te huis, nooit verzocht hij iemand bij zich en niemand was
er, die zich een denkbeeld vormen kon van de werkelijke schatten, die
deze oogenschijnlijk prachtige woning bevatte.

Aramis bewoonde eenige kleine vertrekken, bestaande in een klein salon,
een eetzaal en een slaapkamer, welke laatste, evenals de overige, het
benedengedeelte van het huis besloeg en op een kleinen, frisschen,
groenen, lommerrijken en voor het oog der geburen ondoordringbaren tuin
uitkwam.

Wat d’Artagnan betreft, wij weten op wat wijze hij was gehuisvest en
hebben reeds met zijn lakei, meester Planchet, kennis gemaakt.

D’Artagnan, die zeer nieuwsgierig was, zooals trouwens allen, die den
geest van intrigue bezitten, stelde alle pogingen in het werk om er
achter te komen, wie toch eigenlijk Athos, Porthos en Aramis waren; want
onder deze oorlogsnamen verborg elk hunner zijn adellijken
geslachtsnaam, vooral Athos, die in al zijn handelingen den edelman
vertoonde. Hij wendde zich tot Porthos om een en ander nopens Athos en
Aramis te vernemen, en tot Aramis om Porthos te leeren kennen.
Ongelukkig wist Porthos omtrent het leven van zijn zwijgenden vriend
niets anders dan datgene, wat er van was uitgelekt. Men zeide, dat hij
zware rampen in zijn liefde had ondervonden en dat een vreeselijk
verraad voor altijd het leven van dien beminnelijken man had vergald.
Maar waarin dat verraad bestond, was voor de geheele wereld een geheim.
Behalve den waren naam van Porthos, dien de heer de Tréville alleen
kende, zoowel als dien zijner beide wapenbroeders, was zijn leven niet
moeilijk te doorgronden. IJdel en praatziek, kon men hem doorzien, alsof
hij van glas ware geweest. Men zou alleen in het onderzoek omtrent hem
op den dwaalweg gebracht kunnen zijn geworden, door aan al het goede
geloof te hechten, dat hij van zich zelven zeide. Wat Aramis betreft,
deze, hoewel den schijn aannemende volstrekt niets geheimzinnigs te
bezitten, was een jongeling, in allerhande geheimen doorkneed, zeer
weinig antwoordende op de vragen, die men hem omtrent anderen deed, en
die hem zelven betroffen ontwijkende.

Op zekeren dag, na hem langdurig over Porthos ondervraagd te hebben
en door hem het gerucht vernemende, dat van de goede vertrouwelijkheid
des musketiers met een prinses in omloop was, wilde nu ook
d’Artagnan een en ander van de verliefde avonturen van hem, dien hij
ondervroeg, weten.--„En gij, mijn waarde vriend!” zeide hij, „gij,
die over de baronessen, de gravinnen en de prinsessen der anderen
spreekt?”--„Vergeef mij,” viel Aramis hem in de rede, „hierover sprak
ik, omdat Porthos er zelf over spreekt, en hij al die fraaiigheden in
mijn tegenwoordigheid voor het publiek heeft uitgekraamd. Maar wees
verzekerd, mijn waarde heer d’Artagnan! dat, indien ik hiermede op een
andere wijze was bekend geraakt, of hij mij zulks had toevertrouwd,
niemand dat geheim strenger bewaard zou hebben dan ik.”--„Ik twijfel
hieraan niet,” hernam d’Artagnan; „maar in alle geval geloof ik, dat gij
zelf tamelijk gemeenzaam zijt met zeker geslachtswapen, waarvoor de
geborduurde zakdoek niet weinig grond geeft, en die mij de eer heeft
bezorgd, met u in kennis te raken.”

Nu werd Aramis niet meer boos, maar hij nam een zeer nederige houding
aan en antwoordde vriendelijk: „Mijn waarde! houd toch in het oog, dat
ik tot de kerk behoor en alle wereldsche zaken vlied. De zakdoek, dien
gij mij hebt zien ontvallen, was mij niet gegeven geworden, maar werd
door een mijner vrienden bij mij achtergelaten. Ik nam hem mede, opdat
daardoor de goede naam der dame, die hij bemint, niet verloren zou gaan.
Wat mij betreft, ik heb noch wil een minnares hebben en volg hierin het
zeer verstandig voorbeeld van Athos, die er evenmin eene heeft als
ik.”--„Maar wat duivel! gij zijt geen pastoor, maar een
musketier.”--„Musketier, voorloopig, mijn waarde! zooals de kardinaal
zegt; musketier, in afwachting van iets anders en tegen mijn wil, maar
geestelijke in mijn hart, geloof mij. Athos en Porthos hebben mij er toe
overgehaald, om mij eenige bezigheid te verschaffen; want ik had op het
oogenblik mijner priesterwijding een kleine onaangenaamheid met.... Maar
dat is voor u van volstrekt geen belang en ik ontneem u een kostbaren
tijd.”--„In het geheel niet, ik stel er integendeel zeer veel belang
in,” riep d’Artagnan, „en voor het oogenblik heb ik volstrekt niets te
doen.”--„Ja, maar ik moet mijn brevier gaan lezen,” antwoordde Aramis,
„vervolgens eenige dichtregelen schrijven voor mevrouw d’Aiguillon, die
mij die verzocht heeft, dan moet ik naar de straat St. Honoré, om voor
mevrouw de Chevreuse blanketsel te koopen; gij ziet dus wel, mijn waarde
vriend! dat, indien gij volstrekt geen haast hebt, ik integendeel het
zeer druk heb.”--En Aramis reikte zijn jongen makker vriendelijk de hand
en nam van hem afscheid.

Het was d’Artagnan niet mogelijk, welke moeite hij ook deed, iets naders
nopens zijn drie nieuwe vrienden te vernemen. Hij bepaalde er zich dus
voorloopig toe alles te gelooven, wat men hem over hun verleden
verhaalde, van de toekomst zekerder en vollediger mededeelingen
verwachtende. Intusschen beschouwde hij Athos als een Achilles, Porthos
als een Ajax en Aramis als een Jozef. Overigens was de leefwijze der
vier jongelieden van een vroolijken aard: Athos speelde, doch steeds met
verlies. Echter leende hij nooit van zijn vrienden één penning, hoewel
zijn beurs steeds voor hen geopend was; en wanneer hij op zijn woord had
gespeeld, ging hij altijd zijn schuldeischer des morgens te zes uur
wekken, om hem zijn schuld van den vorigen avond te voldoen. Porthos had
luimen: op de dagen, dat hij won, was hij onbeschoft en tevens mild;
wanneer hij verloor, zag men hem volstrekt niet gedurende eenige dagen,
waarna hij met een bleek en vrij lang gezicht, maar met geld in den zak,
wederom te voorschijn kwam. Aramis speelde nooit. Hij was voorwaar de
ongeschiktste musketier en de ongezelligste jongeling in gezelschap, die
er te vinden was. Hij had altijd iets te doen. Somwijlen gebeurde het,
dat, te midden van een gastmaal, wanneer allen, opgewonden door den
wijn, zich aan vroolijken kout overgaven en men nog een uur of drie aan
tafel dacht te blijven, Aramis op zijn horloge zag, met een bevalligen
glimlach van zijn plaats opstond en afscheid van het gezelschap nam, om,
zooals hij zeide, een samenkomst te gaan houden met een godgeleerde, ter
doorgronding van zekere geschilpunten. Een andermaal keerde hij naar
huis terug, om een thesis af te werken, aan zijn vrienden verzoekende
hem niet te storen. Dan glimlachte Athos met den bevalligen maar
droefgeestigen lach, die zoo wel met zijn gelaatstrekken overeenkwam,
terwijl Porthos zijn glas ledigde, zwerende dat Aramis nooit iets meer
dan een dorpspastoor zou zijn.

Planchet, de knecht van d’Artagnan, verdroeg de weelde goed; hij ontving
dagelijks anderhalve frank, en gedurende een maand kwam hij te huis
vroolijk als een vink en vol voorkomendheid jegens zijn meester. Toen de
wind des tegenspoeds begon te waaien over de huishouding der
Doodgraversstraat, dat is te zeggen, toen de veertig pistolen van koning
Lodewijk XIII zoo niet geheel, althans gedeeltelijk waren verteerd,
begon hij klachten aan te heffen, die Athos akelig, Porthos
onwelvoegelijk en Aramis dwaas vond. Athos gaf dus aan d’Artagnan den
raad den snaak weg te jagen; Porthos, dat men hem vooraf een dracht
slagen zou geven, en Aramis beweerde, dat een meester niets anders dan
het goede, dat men van hem zeide, behoefde af te wachten.

„Dat kunt gijlieden gemakkelijk zeggen,” zeide d’Artagnan. „Gij, Athos!
die stom voor Grimaud zijt, hem verbiedt te spreken en bijgevolg nooit
iets verkeerds van hem hoort; gij, Porthos! die een prachtig leven leidt
en een God voor uw knecht Mousqueton zijt, en eindelijk gij, Aramis!
die, steeds aan uw godgeleerde studiën overgegeven, een diepen eerbied
aan uw zachtaardigen en vromen dienaar Bazijn inboezemt. Maar ik, die
niets beteeken of eenige middelen heb, ik, die musketier noch lijfwacht
ben, wat moet ik doen, om Planchet genegenheid, vrees of eerbied in te
boezemen?”--„De zaak is teer,” antwoordden de drie vrienden; „het is een
huishoudelijke zaak en het is met de knechts als met de vrouwen, men
moet hen onmiddellijk op den voet stellen, waarop men wil dat zij
blijven zullen.... Overweeg daarom.”

D’Artagnan overwoog en besloot Planchet bij voorbaat een pak slaag te
geven, hetgeen werd uitgevoerd met de nauwgezetheid, welke d’Artagnan
gewoon was in alle dingen in acht te nemen. Toen, na hem duchtig te
hebben afgerost, verbood hij hem zijn dienst te verlaten zonder zijn
verlof; „want,” voegde hij er bij, „de toekomst moet mij geluk schenken,
ik wacht dan ook stellig betere tijden. Uw fortuin is dus gemaakt,
wanneer gij bij mij blijft, en ik ben een al te goed meester, om u uw
fortuin te doen ontgaan, door u verlof te geven om te vertrekken.”

Deze handelwijze boezemde den musketiers voor het doorzicht van
d’Artagnan veel eerbied in. Planchet was niet minder door bewondering
opgetogen en sprak niet meer van te vertrekken. De vier jongelingen
leefden samen; d’Artagnan, aan hoegenaamd geen gewoonten verslaafd,
dewijl hij uit de provincie te midden van een voor hem geheel nieuwe
wereld terechtkwam, maakte zich onmiddellijk de gewoonten zijner
vrienden eigen. Men stond des winters te acht en des zomers tegen zes
uur op, waarna men bij den heer de Tréville naar het wachtwoord ging
vernemen en zien hoe de zaken dáár stonden. D’Artagnan, ofschoon geen
musketier, nam den dienst echter met roerende nauwgezetheid waar; hij
was altijd op de wacht, omdat hij steeds dengenen zijner vrienden
gezelschap hield, wiens wachtbeurt het was. Men kende hem aan het hotel
der musketiers en allen beschouwden hem als een goed kameraad.

De heer de Tréville, die hem op het eerste gezicht naar waarde had
geschat en hem veel vriendschap toedroeg, hield niet op, hem den koning
aan te bevelen. Ook de drie musketiers betoonden van hun kant hun
jeugdigen makker veel genegenheid. Die vriendschap, welke deze vier
mannen vereenigde, en de behoefte elkander drie of viermaal daags te
zien en te spreken, dan nopens een tweegevecht, dan wegens zaken of
uitspanningen, deed hen elkander achterna loopen als de schaduw het
lichaam en men ontmoette steeds de onafscheidbaren, elkander zoekende,
tusschen het Luxembourg en het plein St. Sulpice, of van de straat Vieux
Colombier tot aan het Luxembourg.

Intusschen verwezenlijkten zich de beloften van den heer de Tréville. Op
zekeren dag beval de koning den ridder des Essarts, d’Artagnan als kadet
in zijn gardekompagnie in te lijven. D’Artagnan hulde zich al zuchtende
in die uniform, welke hij voor tien jaren zijns levens tegen den
musketiersrok zoude hebben willen verruilen. De heer de Tréville
beloofde hem echter die gunst na een tweejarigen leertijd, die trouwens
kon verkort worden, indien de gelegenheid zich aanbood, dat d’Artagnan
den koning een of anderen dienst bewijzen of een schitterende daad
verrichten kon. D’Artagnan verwijderde zich op die belofte en den
volgenden dag nam zijn dienst een aanvang. Toen was de beurt aan Athos,
Porthos en Aramis, om met d’Artagnan de wacht te betrekken, wanneer het
de beurt van dezen was: zoodat de kompagnie van den ridder des Essarts,
op den dag dat d’Artagnan werd ingelijfd, vier manschappe

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/40169