Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Karolingsche Verhalen

by J. A. Alberdingk Thijm · Dutch · Gutenberg #39717 · 484,349 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Karolingsche Verhalen
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Karolingsche Verhalen

Author: J. A. Alberdingk Thijm


        
Release date: May 17, 2012 [eBook #39717]
                Most recently updated: April 3, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/39717

Credits: Produced by Annemie Arnst & Marc D'Hooghe


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KAROLINGSCHE VERHALEN ***

KAROLINGSCHE VERHALEN

Carel en Elegast--De vier Heemskinderen--Willem van Oranje
--Floris en Blancefloer

In nieuwer form overgebracht door

JOS A. ALBERDINGK THIJM

VIJFDE UITGAVE

ZUTPHEN--W.J. THIEME & CIE--MCMXLVIII



[Illustratie: Carel en Elegast]

VOORREDE VAN DE TWEEDE UITGAVE.


Van Kampens uitgave mijner Kaarlingen was sinds lang opgeruimd.
Onderscheidene leeraren aan onze "Hoogere Burgerscholen" namen het
exemplaar van mij te leen, dat ik voor een mogelijken herdruk bestemd
hield. Vele bezigheden hebben mij verhinderd vroeger den bundel gereed
te maken, dien ik den landgenoot hierbij aanbied. De kapitale misslag,
door Dr. J.C. Matthes begaan, met den plompen nadruk van het hollandsche
volksboek van 1600, verhaast thans mijne nieuwe uitgave, en moet haar in
de oogen van ieder die Hollandsch verstaat en eenig denkbeeld van smaak
en takt heeft, rechtvaardigen. Was er geen haast bij de verschijning,
dan ontzeide ik mij het genoegen niet aan dezen druk toe te voegen eene
nadere behandeling van de geschiedenis der kaarlingsche zage, voor zoo
ver die mijne vier verhalen bezielt. Maar daar is geen tijd voor. Ik
wensch, hoe eerder, hoe liever, ook bij dreigend gevaar van gelijke
natuur, maar van andere zijde, en hoe luider hoe beter te roepen: "Neen,
Heeren! dat wenschen wij niet: dat gij uw oordeel over alle
middeneeuwsche zaken op éene leest schoeyen zult; dat gij uw hè-s en
hà-s, uw oogen, vonkelend, en uw wangen, glimmend van welgevallen, zult
wijden aan de gebrekkelijkste voortbrengselen der XIIIe, XIVe en XVe
Eeuw! Wij zijn volstrekt zoo onervaren niet, ook zoo blind niet, noch
zoo dom om te gelooven, dat in de Middeleeuwen alle hout timmerhout was
en alle ambachtslieden groote kunstenaars waren. Wij walgen van de
onvoorwaardelijke bewondering, die dwaze ijveraars ten koste leggen aan
alles wat oud is, en wij gaan slechts van de éene zeeziekte in de
andere, als wij, onder uwe handen van daan komende, uit uwe
verzamelingen te-rugvluchtend in de frissche lucht en de altoos nieuwe
en jonge Natuur, aanlanden bij die andere kunstrechters, die meenen het
heel goed met de Middeleeuwen te maken, als ze maar braaf roepen over de
naïeviteit en den geest van vroomheid, die in de middeleeuwsche
scheppingen uitkomt. Wij begeeren, voor het oordeel over de XIIe Eeuw en
hare onsterfelijke _Grootheid_, noch de enthuziasten, die het axioma
verkondigen oud = schoon, noch de eklektici, die het grootsche der
middeleeuwsche volksopenbaringen voorbijzien en altijd roepen over het
naïeve (= het onnoozele) der oude artiesten en over de duurzaamheid der
verwen, naar hunne recepten bereid."

Het is nu twintig jaar geleden, dat ik de _Heemskinderen_ uitgaf.

Ik vlei mij--behalve in verknochtheid aan mijne hoofdbeginselen--nog in
andere opzichten eenige schreden voorwaards gedaan te hebben: maar
waarin mijn oordeel moog gewijzigd zijn,--niet in waardeering van het
meest populaire der nederlandsche heldendichten: ik zeg nederlandsche
heldendichten, zonder te willen onderzoeken, welk aandeel het
nederlandsche volk heeft in de schepping der zagen, welke de hoofddeelen
van de Historie der 4 Heemskinderen uitmaken: de historie behoort aan
Nederland reeds hierdoor, dat wij ze zoo lang en onvoorwaardelijk bemind
hebben. Niet wat ik, met minder of meer bewustheid schep, maar wat ik
bemin is het mijne. Er gaat van de dingen, die ik terecht en
rechtschapen liefheb, eene stem uit, die ons toefluistert: "U behoor ik:
kunt gij mij niet in al mijn omvang bezitten, beschikt een ander
stoffelijk en naar tijdelijke rechten over mij,--u behoor ik: want gij
neemt mij op in uwe ziel, gij voelt u aan mij verwant, wij zijn van
éenen adel: daar kan geen Koning iets aan veranderen." Zoo is het met de
_Heemskinderen_ in Nederland; en nog altijd wordt in mijne schatting die
groote geliefdheid van het gedicht door zijn schoonheid volkomen
gerechtvaardigd. Daar is hier meer dan naïeviteit, meer dan een
objektief te waardeeren godsdienstig gevoel: daar is hier grootheid,
verhevenheid, diepte, zinrijkheid. En daarom is het mij onduldbaar, dat
de Heer Matthes de schoone lijnen van dit kunstig gebeiteld
middeleeuwsch beeld in het schitterend lappenpak der _Renaissance_
verborgen voor ons opvoert en blijkt niet wijzer te zijn dan de
vereerders van dwaaslijk toegetakelde Heiligenbeelden. Niet
wijzer?--Veel dommer. Want dien eenvoudigen geloovigen is het om de
schoonheid van het al of niet gekleede beeld niet te doen, maar om de
heiligheid van hem of haar, die zij als zijn model vereeren.

Tot mijn leedwezen heb ik verzuimd, bij mijn bewerking der
_Heemskinderen,_ gebruik te maken van het fragment van den roman, dat
het eerst door mijn geachten vriend Dr. W. Bisschop is uitgegeven: want
ofschoon ik den inhoud van het XXIe Kap. in het nederl. volksboek deels
een vertragend _hors-d'oeuvre_, deels een smakeloze beschimping van den
Koning acht, die in strijd is met de oekonomie van het gedicht, heeft de
vergelijking van mijn text met Dr Bisschops, v. 6--21 mij geleerd, dat
ik op mijne 161e bladz. in den 2e reg. v.o. niet "schaâ", maar
_schande_, had moeten zeggen; terwijl ik, 3 regels lager, Ogier niet in
den mond had moeten leggen: "Nu wil ik zwijgen," maar: "Grave Roelant,
nu maakt gij u boos." Dat Dr Matthes de lezing van het volksboek
behouden heeft, is geen wonder: hij laat Ritsaert wel in het woud te
Bordeaux op Beyaert rijden en Roelant zijn toom in de hand nemen (bl.
138); terwijl Reinout-zelf een oogenblik later gezegd wordt Beyaert "met
sporen" te slaan en Roelant te achterhalen. Bij Dr Bisschop is er
natuurlijk geen sprake van, dat Ritsaert op Beyaert gezeten zoû hebben
(v. 62--66):

      "Die coene entie starke Roelant
      .... ghemoete saen Ritsaert;
      Biden togle hine aneprant."

Eenige stukken van den roman, die ik, in mijn eerste uitgave, onderdrukt
had, heb ik thans hersteld. Het XXIIe kapittel (bij mij) in dezen druk,
het XXIe, heeft de smaakvolle vertaler van den _Madelgijs_[1], de Heer
J.C.A. Hezenmans, mij daarvoor bijgezet.

Bij mijn bewerking van _Floris en Blancefloer_ had ik beschrijvingen,
die mij te lang en niet schilderachtig voorkwamen, redeneeringen, die
door geen vonkjen gevoel bezield werden, uitgeworpen. Enkele plaatsen
(waar het snoeimes wat te diep was doorgedrongen) heb ik hersteld.

Dr Jonckbloet heeft mij den belangrijken dienst bewezen de proeven van
_Carel en Elegast_ en _Floris en Blancefloer_ met mij na te zien, en mij
menige verbetering in de pen gegeven. Daarvoor betuig ik dien geachten
hoofdman der middel-ned. historiesch-litterarische beweging, mijn
hartelijken dank.

Hij en vooral Dr De Vries drongen er op aan, dat ik _Karolingische_ in
_Karolingsche_(met den hoofdklemtoon op _Ka_) veranderen zou: "die i",
zegt De Vries, "is stellig uit het Hoogd. overgenomen, evenals de dwaze
meervoudsuitgang _Karolingers, Merovingers, Saksers_, enz. _Karoling_
staat in vorming met _Jongeling, vreemdeling_ enz. gelijk. 't Is een
echt Nederlandsche vorm. Den uitgang _-isch_ kennen wij alleen bij
vreemde woorden en namen, als _Aziatisch, historisch, mythologisch enz_.
Maar van _zijdeling_ maken wij _zijdelingsch,_ van _Harling(en)_ en
_Vlissingen: Harlingsche, Vlissingsche._ Dus ook _Karolingsche.
Kaarlingsche_ zou, ja, eigenlijk beter zijn, maar niet verstaan worden,
omdat wij nu eenmaal aan _Karolingen_ gewend zijn. Mij dunkt, het wordt
tijd, dat wij ons van een ingeworteld germanisme ontdoen, alleen
ontstaan door 't lezen van Duitsche boeken over die onderwerpen."

Ik heb mij aan dat gezach onderworpen, ofschoon, zoo lang _koetsier_
geen _koetser_ wordt, en woorden als _vriendin, martelares_ enz. bestaan
blijven, zoo lang _aziatiesch_ zich handhaaft,--_karolingische_ mij zoo
geheel verwerpelijk niet voorkomt en eene romaansche accentuatie van
sommige woorden onzen nederlandschen stijl niet ontciert.

A.Th.

Amsterdam, 3 Juni 1873.


Deze vijfde uitgaaf werd ongewijzigd naar den derden druk gezet. Wij
meenden dat ook aan de spelling niets veranderd mocht worden.

De Uitgevers.


[1] Verschenen bij den uitgever C.L. v. Langenstein, Amsterdam, in
1861.




CAREL EN ELEGAST.

AAN Dr. V.H. DELECOURT. (1851.)




Eene schoone en tevens geheel ware geschiedenis kan ik u vertellen:
luistert met aandacht!

Op zekeren avond lag Carel in zijn eersten slaap tot Ingelheim op den
Rijn. De landen daar kwamen hem, den Keizer en Koning, alle in eigendom
toe.

Gij zult hier wonderen hooren en waarheid er bij. 't Volk, daar te
Ingelem, weet er nog wel van te spreken, wat den Koning overkwam. Hij
lag en sliep dan, en was voornemens, tot staving van zijn glorie, des
anderen daags met gekroonden hoofde hof te houden: maar in zijn slaap
kwam een heilige Engel tot hem en riep zijnen naam; zoo dat de Koning
ontwaakte, op de lieflijke stemme.

"Staat op, edele man!" zeide de Engel, "doet haastelijk uw kleederen
aan, wapent u, en gaat naar buiten, om te rooven en te stelen. God, de
Heere des Hemelrijks, beval mij--u dit, op verbeurte van lijf en eere,
te gelasten. Gaat gij deze nacht niet uit rooven, zoo zal u iets kwaads
overkomen; gij zult er om sterven en het leven verliezen, eer dit hof
nog scheiden zal. Zoo dan, wacht u daarvoor, en vaart uit stelen. Haast
u, verliest geen tijd, wapent u, neemt uw speer en uw schild, en stijgt
te paard."

De Koning hoorde dit, en het dacht hem vreemd wat dat roepen beduiden
moest; want hij zag niemant. Hij meende 't in zijn slaap gehoord te
hebben, en stoorde er zich verder niet aan. Maar de Engel, die van God
gezonden was, sprak nu tot den Koning: "Staat op, en vaart uit stelen!
God gelast mij het u te gebieden en zegt 't u van te voren aan. Luistert
gij niet, dan hebt gij uw leven verbeurd." Met deze woorden zweeg hij,
en de Koning riep als een die zeer bevreesd was: "Wee mij! wat heeft dit
wonder te beduiden? Is het een elfsgedrocht, een spooksel, dat mij kwelt
en deze vreemde zaak mededeelt? Ai, Heere des Hemels, wat reden zoû ik
hebben uit stelen te gaan? Ik ben zoo rijk, dat er niemant in heel het
aardrijk is, noch Koning noch Graaf, hoe rijk aan goederen, of hij moet
mij onderdanig zijn en dienst doen. Mijn land is zoo groot, dat het
nergends zijn weergade heeft. Al het grondgebied behoort mij toe: van
Keulen op den Rijn tot Rome; 't is alles des Keizers. Ik ben Heer, en
mijn gade is Vrouwe, van den Donau ten Oosten af, tot aan de wilde Zee
ten Westen. Bovendien bezit ik nog veel andere goederen: Gallicië en 't
land van Spanje, dat ik met eigen hand veroverd heb en waar ik de
Heidenen uit heb verdreven, zoo dat het land mij-alleen verbleef.[1] Wat
behoef ik dan te stelen, als of ik een arm man ware! Waarom zendt God
mij deze boodschap? Ongaarne brak ik zijn gebod, wiste ik, dat Hij 't
mij opleîde: maar-ik zoû niet licht kunnen gelooven, dat God, ter mijner
schande, mij zoû gunnen, dat ik begon te stelen."

Terwijl hij aldus in zijne gepeinzen heen- en weêrgevoerd, ginds en
derwaarts geslingerd werd, beving hem de slaap weêr een weinig, zoo dat
hij de oogen sloot. Toen sprak de Engel op nieuw: "Zult gij Gods gebod
in den wind slaan. Koning, zoo zijt gij verloren. Het zal u op uw leven
staan, Koning," vervolgde de Hemelbode: "Doet als de wijzen--vaart uit
stelen; wordt heden dief, dat is Gode welgevallig." Met deze toespraak
voer hij heen, en Carel zeide, een kruis makend, om het wonder, dat hij
gehoord had: "Ik wil Gods gebod en zijne woorden niet onvolbracht laten.
Ik zal een dief zijn--al is het schande; al zoude ik bij de keel
gehangen worden. En toch--ik had oneindig liever, dat God mij alles
ontnam wat ik van hem te leen houde, beide, burcht en land--mijn
riddersrusting uitgezonderd--dat ik mij met den schilde en met den spere
den kost moest winnen, als een die niets bezit en leeft op
avontuur:--dit, ja, dit zoû ik nog eerder willen, dan dus in het net te
zijn gevangen, en nu uit stelen te moeten gaan; zoo, zonder eenig
uitstel, bij de duistere nacht te moeten stelen of Gods gunst te
verbeuren! Moge Hij mij sterken, in die zwarigheid!...

"Ik wilde wel, dat ik zonder veel geruchts en opspraak uit het slot was,
al moest ik er zeven sterke steenen burchten op den Rijn om prijs geven!
Wat zal ik zeggen aan de Ridders en hooge Heeren, die hier liggen op het
slot? Hoe zal ik het hun verklaren, dat ik in deze donkre nacht alleen,
zonder dat iemant mij geweld deed, in een land ga ronddolen, dat mij
vreemd en onbekend is?"

Zoo sprekende maakte Carel, de Koning, zich gereed, en besloten zijnde
te gaan stelen, trok hij zijne kostelijke wapenrusting aan. Het was een
gebruik bij hem, dat men altoos zijne wapenen naast zijne legerstede
zett'e; ze waren de schoonste, die ooit iemand zag.

Toen hij dan gewapend was, ging hij door het paleis. Daar was geen slot,
noch deur zoo sterk, daar was geen poorte, die hem tegenhield, maar ze
waren geopend voor zijne schreden. Hij kon gaan, waar hij wilde. Niemand
zag hem--want allen lagen in vasten slaap, door de beschikking Gods, die
in alles hulpe verleende ter liefde van den Koning.

Zonder langer uitstel ging de Koning de slotbrug over, en sloop behendig
naar den stal, waar hij wist dat zijn paard en zadeltuig was. Toen hij
zijn hoog te prijzen ros gezadeld had, steeg hij er op.

Hij reed naar de poort en zag den wachter en den portier, die luttel
gisten, dat hun Heer met zijn schild zoo dicht in hunne nabijheid was.
Zij lagen, door Gods wil, in een vasten slaap gezonken. De Koning steeg
af en opende de poort, die gesloten was; hij leidde zijn ros zonder
gerucht noch geluid naar buiten.

Toen steeg Koning Carel weder te paard, en zeide: "God! zoo waarlijk als
gij in t' aardrijk kwaamt en zoon en vader werdt om Adams nakroost, al
wat hij in 't verderf gebracht had, te verlossen--zoo waarlijk gij u
aan het kruis liet slaan, toen u de Joden gevangen hadden--zoo waarlijk
zij u met een speer hebben gestoken, en u sloegen en, naar uw begeerte,
u de dood gaven, die gij, om onze nood, Heere, gaarne ontvingt, en
daarna de Hel hebt geopend: zoo waarlijk als dit heeft plaats gehad, en
gij, Heere, Lazarus, waar hij in zijne kluize lag, van der dood hebt
opgewekt, en van de steenen brood maaktet en van het water wijn--zoo
zeker moget gij ter dezer duistere nacht mij uw geleide geven en uwe
kracht aan mij openbaren. Genadig God en Vader, tot u keer ik mij, op u
verlaat ik mij geheel!"

Hij was in vele gedachten, waar hij het best heen zoû rijden, om het
stelen te beginnen. Hij reed een bosch in, dat niet verre daar van daan
stond; de maan scheen zeer helder, de sterren glansten aan den hemel;
het weêr was klaar en schoon. Dit waren de gepeinzen van den Koning: 'Ik
placht immer, voor alle dingen, de dieven waar ik ze ook vond te haten,
die den lieden met listen en lagen hun goed stelen en rooven: nu wordt
het tijd, dat ik ze prijze, die op avontuur leven. Zij weten wel, dat
zij lijf en goed verliezen, als men ze vangt; men hangt ze op, slaat hun
het hoofd af, of doet ze nog erger dood ondergaan. Hun gevaar is
dikwijls groot. Nimmer gebeurt het mij meer, in al mijn leven, dat ik
iemant om een weinig geld doe sterven.

'Ik heb Elegast om een kleine zaak, uit zijn land verdreven; ik denk,
dat hij, die om den buit, waarvan hij leeft, zijn leven vaak in de
waagschaal stelt, dikwijls in groote bekommering zit; want hij heeft
land noch leen noch anderen toeverlaat, dan wat hij door stelen kan
meester worden: daarvan moet hij zich onderhouden. Ik heb hem het land
ontnomen, daar hij Heer over was: beide burcht en land: dat mag mij nu
wel rouwen. Ik ben wreed daarin geweest: want hij had een goed getal
Ridders en Knapen in zijn dienst, die ik nu geheel onterfd heb van land
en goed. Nu volgen zij hem, alle, in armoede. Ik laat ze nergends rust.
Die ze huisvesting schonk--ik zoû hem beide burcht en leen doen
verbeuren. Hij heeft geen toevlucht; hij moet zich steeds onthouden in
bosschen en wildernissen, en weten te bejagen, waar zij, alle, van leven
moeten. En dit is toch waar, dat hij nooit een arme besteelt, die van
den arbeid leeft. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat hij hem in
vrede gebruiken; maar anders laat hij niemant met rust. Bisschoppen en
Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en Priesters--waar hij ze
betrappen kan, of waar zij in zijn weg komen, daar ontneemt hij hun
muildieren en paarden en stoot ze uit den zadel, dat ze ter aarde
storten. Met geweld neemt hij hun af, al wat ze meêgebracht hebben:
zilver, kleederen, en vercierselen. Zoo zorgt hij voor zijn onderhoud,
waar hij rijke lieden kan vinden. Hij ontdoet hen, op staande voet, van
hun klinkende munt--beide zilver en goud. Allerlei listen verzint hij;
niemant kan hem vangen, en toch heeft er zich menigeen toe beijverd. Ik
woû wel, dat ik, ter dezer nacht, zijn gezel mocht zijn. "Ai Heere God,
helpt mij daartoe!"'

Zoo sprekende toog de Koning verder, maar hoorde op eens hoe een ruiter
kwam aangereden, met een uitzicht als van iemant, die niet bekend wilde
zijn, met wapenen zwart als een kool. Zwart was de helm en het schild,
dat hem aan den hals hing. Zijn maliënkolder verdiende hoogen lof; zwart
was de wapenrok, dien hij er over droeg; zwart het paard dat hij bereed.
Langs een afgelegen pad, kwam hij dwars door het woud rijden. Toen hem
de Koning ontmoeten zoude, maakte deze een kruis, in het angstig
vermoeden, dat het de Duivel ware--om dat hij overal zoo zwart was. Hij
beval zich den machtigen God, en dacht bij zich-zelven: 'Overkomt mij
kwaad of goed: ik zal voor dezen te nacht het veld niet ruimen, maar het
avontuur wagen. Nochtans--ik weet het van te voren--'t is de Duivel en
niemant anders. Kwame hij van Gods wege--hij zoû zoo zwart niet zijn. 't
Is alles wat ik er aan zie, alles even zwart, paard en man.'

"Ik ducht, dat mij leed genaakt. Ik bid Gode te waken, dat deze mij geen
kwaad of oneer doe!" Toen de zwarte Ridder naderkwam, zag hij dat de
Koning hem te gemoet reed, en dacht bij zich-zelven: 'Dat is iemant,
die in dit bosch verdwaald is en van den weg geraakt. Ik kan hem dat wel
aanzien. Het zal hem zijn wapenen kosten; het zijn blijkbaar de beste,
die ik in zeven jaar gezien heb; van edelsteenen en goud stralen zij als
de dag. Waarom kwam hij in het woud? Nooit droeg een arme man zulke
wapenen nog zat op een paard zoo sterk en schoon van leden.'

Toen zij elkander voorbijkwamen, reden zij dóór zonder groeten. De eene
nam den andere op van top tot teen--maar anders deden zij niet. Toen de
ruiter van het zwarte paard nog eenige stappen méér gedaan had, hield
hij stil en dacht: 'Wie die andere toch wezen mag? Waarom rijdt hij dus
voorbij en vermijdt te spreken? ... Groeten deed hij mij niet, toen ik
hem tegenkwam; hij vroeg naar niets!... Ik houd het er voor, dat hij
iets kwaads beoogt: ware ik zeker, dat hij kwam als verspieder en mij of
de mijnen leed wilde bewerken bij den Koning, dien ik vrees, hij trok
van nacht niet ongehinderd heen. Wat nood zoû hem jagen hier in het
bosch en door het kreupelhout, zoo hij mij niet zocht?

'Bij God, die mij schiep! hij ontkomt mij niet dezen nacht, of ik zal
zijn kracht op de proef gesteld hebben. Ik wil hem spreken en kennen:
licht is hij iemant wien ik zijn paard en rusting kan afwinnen, en met
schande laten thuiskeeren. Hij is niet slim geweest met hier te komen.'

Met-een wierp hij zijn paard om, en volgde den Koning na. Toen hij hem
achterhaald had, riep hij luide:

"Staat, Ridder!--waartoe zijt gij uitgereden? Eer ge mij van hier
ontrijdt, wil ik weten wat gij hier zoekt, wat ge jaagt, wat ge begeert!
Al waart gij ook nog zoo fier, ook nog zoo karig op uw woorden: zeg het
mij--dan doet gij wel! Ik wil weten, wie gij zijt; waar gij, op dit uur,
heentrekt; en hoe uw vader heette. Ik mag u dat niet kwijtschelden."

--"Gij vraagt mij zoo vele dingen," antwoordde de Koning, "dat ik
omtrent geen u berichten wil. Liever zullen we vechten--dan dat ik mij
tot antwoord dwingen liet. 'k Hadde veel te lang geleefd, zoo ik mij
door iemant ter waereld zoû laten noodzaken tot iets, dat ik niet zeggen
zou, 't en ware 't mij vlijde. Laat er mij goed of kwaad van komen--wij
zullen dezen strijd tusschen ons beiden beslechten, en het kort maken!"

Het schild des Konings was bedekt; om het wapenteeken, dat er op stond,
voerde hij 'et niet ontbloot: want hij wilde niet bekend maken, dat hij
de Koning was.

Met dit onderhoud wendden zij dan hunne forsche en snelle kleppers om.

Beiden waren wél gewapend. Sterk waren beider speren. Zij renden, in een
open plaats van het woud, met zulk een felheid op elkander toe, dat de
paarden met de boven-achterbeenen bijna de aarde raakten. Dorstig naar
den strijd, grepen beiden naar het zwaard. Zij vochten zoó lang, dat men
een mijl in dien tijd had kunnen afleggen.

De zwarte was sterk en vlug. Zijne strijdslagen waren hevig. De Koning
vreesde, en meende, dat het de Duivel was. Hij sloeg den zwarte echter
op het schild (waar hij zich koen meê beschutt'e) dat het in stukken
vloog als een lindenblad.

De zwarte sloeg, op zijne beurt, den Koning.

De zwaarden gingen op en neder, op de helmen, op de maliën, dat er
menige losborst. Geen halsberg was zoo hecht, of het roode bloed vloeide
uit de huid door de maliën heen. Groot gedruisch was er van slagen en
wederslagen. De spaanders vlogen van de schilden. De helmen bogen hun op
het hoofd, vol schaarden en spleten--zoo scherp was de snede der
zwaarden.

'Wel is hij sterk op de wapens,' dacht de Koning; 'hij brengt me in
zulke nood, dat ik er het leven bij inschiet, tenzij God mij helpe. Zou
ik mijn naam bekend maken--eeuwig zoude ik het mij schamen; nooit meer
verwierve ik eere!'

Toen sloeg hij een zoo vreeslijken slag op den zwarte, tegenover hem,
dat hij hem bijna neervelde en aftuimelen deed van zijn ros.

Daar was kleine vrede tusschen hen. De zwarte sloeg op den Koning, en
bracht een slag aan den helm toe, dat hij inboog en het zwaard in twee
stukken vloog: zoo vreeslijk was de slag.

Op dit gezicht--dat zijn zwaard hem begeven had, riep de zwarte: "Foei,
dat ik ooit geboren ben! Waartoe dient mij het leven? Nooit had ik
geluk, noch zal het nimmer meer hebben. Waar zal ik mij meê verdedigen?
Ik schat mijn lijf geen twee peren meer: lediger hande sta ik vóór hem!"

Maar den Koning dacht het onedel te slaan op eenen die ongewapend voor
hem stond op het veld, met zijn zwaard in tweeën gebroken: 'Hij zoû niet
ongestraft blijven,' dacht hij, 'die slaat of deert, wie zich niet kan
verweeren.'

Dus hielden zij stil daar in het woud. Nog dachten zij telkens
weerzijds, wie ze toch wezen mochten.

"Bij den Heer, die mij schiep!" sprak Carel, de Koning: "tenzij ge mij
bekent hoe gij heet, en wie ge zijt, Heer Ridder--zoo hebt gij uw
laatste dagen beleefd. Maken wij een eind aan dezen strijd: mag ik met
eere doorgaan, den naam wetende van wien ik bevocht --ik zal u heen
laten rijden."

De zwarte sprak: "Ik ben bereid--mids gij begint, met mij kond te doen
van hetgeen gij hier te nacht kwaamt uitrichten en wiens leed gij
zoekt."

Toen zeide Carel, de edele: "Spreekt eerst tot mij--dan zal ik u zeggen,
wat ik hier zoek en jage; ik durf bij dag niet rijden. 't Is niet zonder
noodzaak, dat ge mij dus gewapend ziet. Ik zal er u de reden van
verklaren; mids ge mij uw naam noemt. Verlaat u daar veilig op."

--"Heer, ik heet Elegast!" antwoordde de ridder haastig; "'t is mij niet
ten beste vergaan. Het goed en land, dat ik vroeger bezat, heb ik bij
ongeval, als het menigeen gaat, verloren. Zoude ik u verhalen, hoe het
met mijne zaken aldus vergaan is: eer ik aan het eind ware, zoû het u
veel te lang vallen. Mijn geluk is zoo krank!"

Toen de Koning dit verstond, was hij blijder in zijn harte dan of al het
goed hem behoord hadde, dat over den Rijn wordt vervoerd: "Ridder,"
zeide hij, "gij hebt uw naam mij bekend gemaakt: zegt me nu, zoo 't u
gelieft, hoe gij in uw onderhoud voorziet. Bij al wat Gode waard is en
bij Hem-zelven het eerst--van mij staat u geen leed te wachten! en ook
ik, mids ge mij kond doet, zal het u van mijnen kant zeggen indien ge 't
mij vraagt, zonder strijd en zonder wrevel."--"Welnu dan, Heere,"
antwoordde Elegast, "ontvangt de getuigenis van wat ik u niet langer
verbergen wil: waar ik van leef moet ik stelen. Fijn dat ik ooit geboren
was! Sints ik het goed verloren had, daar ik van behoorde te leven, en
mij Koning Carel uit mijn land verdreven had, heb ik mij opgehouden (en
ik zal het u, al is het tot mijne schande, bekennen) in bosschen en
wildernissen. Daar mijne twaalf gezellen van leven, moet door de rijken
worden opgebracht. Maar dit is toch waar, dat ik geen arme, die van zijn
arbeid leeft, besteel. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat ik hem in
vrede gebruiken: maar buiten deze laat ik niemant met rust: Bisschoppen
en Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en rijke Priesters--kunnen hun
knapen niet helpen. Ik maak mij behendig meester van hun goed. Daar is
geen kist zoo vast, of als ik weet, dat ze goed bevat, neem ik het in
bezit en breng het onder mijn gezellen. Wat zoû ik er meer van zeggen?
Mijn listen zijn menigvuldig. Thands zijn mijne gezellen in het woud, en
ik voer op avonturen uit; ik heb er een bitter slécht gevonden: want ik
héb mijn zwaard verloren. Geen goed ter waereld koze ik er voor--kon ik
mijn zwaard in zijn geheel te-rug-bekomen! Daarenboven werden mij
meerder slagen toegebracht, dan ik ooit op éenen dag van éenen man had
door te staan.--Nu zegt mij, Ridder, hoe gij heet, en noemt mij den
gene, met wien gij in veete zijt. Is hij van zulke machte, dat gij de
nacht tot rijden moet kiezen? Kunt gij ze niet ten-onder-brengen, die u
haten? Gij zijt zoo goed ten wapene."

En de Koning dacht bij zich-zelven:

'God heeft mijn bede verhoord; nu zal Hij mij verder bijstaan! Dit is de
man, dien ik liever dan iemant op aarde bij mij had, om deze nacht mee
rond te rijden. God heeft op de juiste tijd hem tot mij gevoerd. Nu, om
der nood wil, moet ik een leugen zeggen.' "Bij den Heer, die mij ten
leven riep!" sprak de Koning: "gij zult een goed geleide aan mij hebben,
Heer Elegast! standvastige vriendschap en vrede. Ik zal u mijn
levenswijs verklaren. Wat nut het een vriend iets te zwijgen? Ik heb zoo
veel goeds gestolen, dat, als ik met de helft gevangen werd, men mij
niet ontkomen liet, al gaf ik mijn eigen gewicht aan rood goud, tot
losgeld. De nood heeft mij er toe gedwongen; nood slist allen strijd."

--"Zegt mij nu, Ridder, wie zijt gij?"

--"Ik zal u, als gij het wilt en het u gerieven kan, mijnen naam
zeggen," sprak de Koning; "ik ben geheeten Adelbrecht; ik plege te
stelen--in kerken en in kluizen en ook in gestichten. Ik steel van
alles, ik laat niemant met rust--den rijke noch den arme. Ik let op hun
kermen niet. Daar is voor mij geen man ter waereld, van wien ik nog iets
te nemen weet, of ik ontzett'e hem veel liever van het zijne, dan ik hem
gave van het mijne. Zoo heb ik geleefd, en nu weer enge lagen gelegd om
een schat, dien ik in 't oog heb. Had ik een goeden helper er toe--eer
de morgen daagt zoû er mij zoo veel ter beschikking van staan als ik
begeeren zoû en mijn paard kon dragen. De schat is oneerlijk gewonnen.
God zoû het ons niet misduiden--hadden we er een deel van. De schat ligt
in een slot, waar het oord mij bekend is. Al hadden wij er vijf-honderd
pond van--'t zoû hem, wien hij toebehoort, in 't minst niet hinderen;
bovendien is hij op oneerlijke wijze verkregen. Ziet, Elegast, wat er u
van behaagt. Willen wij er moeite voor doen en deze nacht gezellen zijn?
Wat wij te zamen opdoen, van nu tot het dag wordt, dat zal ik deelen--en
gij zult kiezen. Die daar geen vrede mee heeft, is een dwaas."

Elegast zeide: "Waar ligt de schat, lieve vriend? Deelt mij dat mede.
Het mag op zoodanige plaats zijn, dat ik mee trek; maar ik wil het
weten, eer ik u een enkelen voetstap volg."

Daarop zeide Carel, de edele man: "Ik zal 't u dan zeggen. Het is de
Koning, die zoo groote schatten liggen heeft, dat het hem niet zóo veel
zoû kunnen deren of benadeelen, al hadden wij er onze paarden mee vol
geladen."

Toen de Koning aldus sprak, dat hij zich-zelven bestelen wilde, kon
Elegast zich niet bedwingen, en zeide: "Dat moge God verhoeden! Daar is
niemant, die er mij toe bewegen zoû, dat ik den Koning schade dede. Al
heeft hij mij door kwaden raad mijn land ontnomen en mij gebannen, ik
zal hem des niet-te-min mijn leven lang goed vriend zijn, zoo veel ik
vermag. Ik zal hem heden nacht niet schaden: want Hij is mijn rechte
Heer. Dede ik hem iets anders dan eere--ik zoû het mij voor God moeten
schamen; men zoû mij zoo iets niet moeten raden!"

Als de Koning dit hoorde, verblijdde hij zich in zijn harte, dat
Elegast, de roover, hem goed gunde en liefhad. Hij dacht bij
zich-zelven--'kon ik, met behoud mijner eere, thuiskomen, ik zoû hem zoo
veel goed geven, dat hij zonder stelen of rooven al zijn dagen leven
kon. Dat mag men wel van mijn gelooven!'

Na deze overweging vraagde hij aan Elegast--'of deze hem ergends anders
wilde heenleiden, daar zij die nacht te zamen buit mochten opdoen; hij
zoû daar van zijn kant, zoo Elegast hem meê woû laten gaan, gaarne zijn
kracht en behendigheid aan wijden. Elegast zeide: "Wat mij
betreft--gaarne: maar ik ben niet geheel zeker, of gij soms den spot
niet met mij drijft. Bij Eggheric van Egghermonde, die des Konings
zuster tot vrouw heeft, daar kunnen wij stelen, zonder ons te
bezondigen. 't Is schande en jammer, dat hij leeft. Menig heeft hij
verraden en in groot onheil gebracht. Zelfs den Koning, zijnen Heer, zoû
hij aan het leven en de eere staan--ging alles naar zijn wensch: dat kan
ik u getuigen. En echter heeft hij land en zand en menig ding--burcht en
leen--aan den Koning te danken. Al had hij geen andere toevlucht--het
zoû hem luttel schaden, dat wij van het zijne teerden. Daarheen --zoo ge
wilt--zullen wij optrekken." Toen overlegde de Koning bij zich-zelven,
dat het daar, gelijk het geschapen stond, goed stelen ware: hij was toch
wel zeker, dat al zoû hij bij zijne zuster in boeyen raken, zij hem
ongaarne zoû laten hangen. Eindelijk kwamen zij overeen daar
gezamendlijk heen te rijden, om Eggherics grooten schat te stelen. De
Koning vergat zijn rol geen oogenblik.

Zij kwamen huns weegs, op hunne paarden, door een veld gereden, daar zij
een ploeg vonden staan. De Koning steeg aanstonds af, en Elegast reed
vooruit op den weg, dien hij had aangewezen. De Koning nam het
ploegijzer in de hand, en dacht bij zich-zelven: 'Dit is goed voor ons
werk. Die in burchten naar schatten wil graven, behoort zich van alles
te voorzien, dat hem te pas kan komen.' Toen zat hij aanstonds weder op,
gaf zijn ros de sporen, en volgde Elegast na, die hem een weinig vooruit
was geraakt.

Luistert goed: nu zult ge wat wonders hooren!

Toen ze voor de burcht gekomen waren, de schoonste en beste die aan den
Rijn stond, sprak Elegast: "Hier zal het zijn. Ziet nu eens,
Adelbrecht," zeide hij, "wat dunkt u dat thands gedaan moet worden? Ik
zal handelen naar uwen raad. Het zoû mij toch leed doen, indien u eenig
ongeval overkwam en men zeide dan naderhand--'dat is alles te wijten aan
Elegast!'"

Op dit zeggen antwoordde de Koning aldus:

"Ik ben nooit in zaal noch hof van deze burcht geweest--zoo ver ik weet.
Het zoû mij kwalijk afgaan, er u thands den weg te wijzen. Alles moet op
u aankomen."

Elegast hernam: "'t Is mij ook wel--zoo gij een behendig dief zijt: dat
zal ik spoedig weten. Laat ons zonder verwijl een gat in den muur maken,
om door te kruipen." Dit werd weerzijds goedgevonden. Zij bonden hunne
vlugge paarden vast en slopen stil naar den muur. Elegast trok een
ijzer, waar hij den muur meê zoû stuk slaan. Toen haalde ook de Koning
het ploegijzer voor den dag. Elegast begon te lachen en vroeg: "waar hij
dat schoone stuk had doen vervaardigen"; "wist ik het huis van den
maker," zeide hij--"dan bestelde ik er hem óok zoo éen voor mij. Een
dusdanig zag ik tot zulke dingen, als het boren door een muur, nimmer
gebruiken."--"Dat kan wel zijn," sprak de Koning; "drie dagen zijn
verstreken sints ik om buit den Rijn kwam langsgereden; bij die
gelegenheid heb ik mijn ijzer in den loop moeten laten, het ontviel mij
op den weg. Men achtervolgde hij, en uit vrees voor schade en schande,
dorst ik niet te-rug-keeren. Zoo ben ik mijn ijzer kwijtgeraakt. Dit
andere raapte ik bij 't maanlicht op, waar ik het vond aan een
ploeg."--"Nu, 't is goed genoeg," zeide Elegast, "als wij er meê
binnenraken. Later bestelt gij u een ander."

Zij hielden op met spreken; het gat werd gemaakt: deze taak paste den
geoefenden leden van Elegast beter, dan dien van Koning Carel. Al was
hij groot en sterk--op zulken arbeid verstond hij zich niet.

Toen zij het gat in den muur geheel doorgeboord hadden, en zij er in
zouden gaan, zeide Elegast: "Nu zult gij hier buiten in ontvang nemen,
wat ik u brengen zal." Hij woû niet toelaten, dat de Koning ook
naarbinnen zoude gaan; zoo zeer vreesde hij voor eenig nadeel; hij hield
hem namelijk niet voor een behendigen dief. Nochtans wilde hij wel en
wee en heel zijn winst met hem deelen. Kortom --Carel bleef buiten, en
Elegast kroop naar binnen.

Elegast was in allerlei kunstgrepen ervaren, die hij op menige plaats te
werk had gesteld. Hij plukte een kruid uit een aarden vat dat daar juist
van pas bij de hand was, en nam het in den mond. Die zulk een kruid had,
verstond de hanen als zij kraayen en de honden als zij blaffen. Hij
hoorde dan op het zelfde oogenblik een hond en eenen haan zeggen in hun
Latijn 'dat de Koning daar buiten den hof stond.'

"Wat!" riep Elegast: "hoe kan dat zijn!--zoû de Koning daar buiten
zijn?--Ik ben bang, dat mij leed dreigt! Ik ben, 'k geloof' 'et zeker,
verraden--of een elfenspook misleidt mij."

Elegast ging te-rug naar de plaats waar hij den Koning verliet, en
verhaalde hem, wat hij--of hij moest zich geweldig bedrogen
hebben!--gehoord had zoowel van een haan als van een hond, die in hunne
taal verteld hadden, dat de Koning daar in de nabijheid was--alleen
wisten zij niet hoe dicht.

Toen zeide Carel, de edele man: "Wie heeft het u dan gezegd? --Wat zoû
de Koning hier uitrichten?--Zoudt gij een hoen gelooven of wat een hond
blaffen mag?--Zoo rust uw geloof op geenen vasten grond! 't Komt mij
voor, dat ge mij sprookjes verhaalt. Wat hebt ge noodig mij te
verontrusten? Uw geloof is gants zonder grond."

--"Nu luistert dan zelf!" zeide Elegast. En daarom stak hij den Koning
van het kruid in den mond, dat daar groeide, en zeide: "Nu kunt gij
hooren, wat ook ik gehoord heb." Opnieuw kraaide de haan zoo als hij te
voren deed, dat de Koning in de nabijheid was--maar dat hij niet wist
hoe dicht.'

"Gezelle," zeide Elegast, "ik moog den strop krijgen, als de Koning niet
in den omtrek is!"

--"Foei, gezel!" zeide Carel, "zijt gij vervaard? Ik dacht u koener.
Doet, wat wij afgesproken hebben: gaan wij voort--al wierden wij beiden
ook gevangen."--"'t Is wel," zeide Elegast, "ik zal voortgaan. Maar
laci, wat zult gij er bij winnen! Indien het gebeurde, dat men ons ving,
ik zoû 't wel zoo goed als gij ontspringen." Elegast eischt daarop zijn
kruid te-rug. De Koning zocht 'et op en neêr heen en weêr in zijn mond;
maar hij had het verloren; hij kon 'et niet vinden.

"Wat is er met mij gebeurd?" sprak hij; "mij dunkt, ik ben het kruid
kwijt, dat ik zooeven tusschen mijne tanden gesloten hield. Bij mijn
geloof! dat doet mij leed!" Daarop zeide Elegast lachende: "Zijt gij
iemant, die uit stelen gaat?--Hoe komt 'et dan toch, dat gij niet
telkens gevat wordt? Dat gij nog leeft en niet al lang dood zijt, is
waarlijk een groot wonder. Gezel," vervolgde hij, zonder omweten, "ik
heb uw kruid wechgepakt. Gij hebt geen haar verstand van stelen!"

De Koning dacht: "Dat is een waar woord!"

Daarmeê lieten zij het gesprek varen. Elegast beval zich aan God, dat
Hij hem behoeden mocht! hij was niet onbezorgd--maar kon geheime
kunsten, waarmee hij allen in slaap bracht, die op de burcht waren, en
al de sloten, klein en groot, opende, die men anders alleen opendeed met
sleutels; hij ging toen ter plaatse waar de schat lag, zonder dat iemant
hem zag of hoorde, en haalde en bracht zoo veel hem geviel.

Toen wilde Carel henenrijden--maar Elegast beval hem nog te toeven: hij
wilde om een zadel gaan, dat in de kamer stond, waar Eggheric en zijn
vrouw lagen--een zadel, het schoonste dat men ooit gezien had. De man
leeft niet, die u de heerlijkheid van het gantsche zadeltuig zoû kunnen
beschrijven; alleen aan den voorboog[2] is prijzensstof genoeg. Daar
hangen honderd schellen aan, die alle van rood goud zijn, en klinken als
Eggheric rijdt. "Gezel, doet wijs en wacht! Ik zal hem zijn zadel
stelen--al zoû ik bij de keel gehangen worden!"

[Illustratie: Ziet hier het zadel, waar ik U zoo even van verhaald heb.]

Dit beviel den Koning kwalijk. Hij had liever het gewin van het zadel
ontbeerd, dan dat Elegast weêr naar binnen ging. Toen Elegast bij het
zadel kwam, waar ik zoo even van sprak, en dat hij van daar wilde
wechnemen, gaven de schellen, die er aan hingen, zulk een klank, dat
Eggheric er door opsprong uit zijnen slaap en riep: "Wie is daar aan
mijn zadel?" Hij zoû zijn zwaard getrokken hebben, hadde de vrouwe 't
niet verhinderd, die een kruis maakte en hem vroeg "wat het was dat hem
zoo onrustig deed zijn? Of elven hem kwaad wilden doen?" Zij nam het
zwaard en de scheê en zeide: "Er kan niemant ter wereld binnen zijn
gekomen. 't Is iets anders dat u deert." Zij verzocht en bezwoer hem
haar te zeggen, 'wat toch de reden mocht zijn, dat hij, naar zij had
opgemerkt, in drie nachten niet geslapen had, noch in drie dagen
gegeten.' Aldus begon zij hem te ondervragen. Vrouwen-list is
menigvuldig--ze mogen jong of oud zijn. Zoo lang hield ze bij hem aan,
dat hij haar begon te verhalen, hoe hij 's Konings dood had gezworen, en
hoe zij, die uitgelezen waren om de daad te volbrengen, op het punt
stonden van te komen. Hij noemde haar met namen hoe ze heetten, wie ze
waren, die den Koning zouden treffen.

Dit alles hoorde Elegast, en hield 'et vast in zijn hart. Hij dacht bij
zich-zelven, hij zoû de wandaad, het verraderlijk stuk, aan het licht
brengen.

Zij, de vrouwe, antwoordde: "Mij ware 't véél liever dat men u ophing
bij de keel, dan ik gedoogen zoû, dat de Koning aldus zonder dat hij
gewaarschuwd werd zijn leven zoû verliezen." Op dat woord sloeg Eggheric
de vrouwe zoo driftig in het aangezicht, dat haar het bloed terstond
uitbrak uit neus en mond. Zij richtte zich op en stak het hoofd buiten
de legerstede. Elegast, die dit alles had gaâ-geslagen, kroop er
zachtkens heen. In zijn rechter handschoe ving hij 'et bloed op van de
vrouwe, om dat hij 't wilde laten zien aan wie 't den Koning als een
teeken brengen mocht, dat hij zich wachten zoû voor het gedreigde leed.
Toen zeide Elegast een gebed, waarmee hij Eggheric en de vrouwe deed
inslapen; vast sliepen zij in, met zoo veel goed geloof had hij zijn
woord gesproken. Toen ontstal Elegast hem het zadel en het zwaard, dat
hem lief was, en repte zich buiten burcht en hof weêr naar zijn paard en
tot den Koning, die zich zeer verontrustte, om het goed, dat Elegast
had aangebracht.

Had 'et naar zijn wensch gegaan, hij zoû er niet langer getoefd hebben:
zoo beangst was hij. Hij vroeg aan Elegast, "waar hij zoo lang gemard
had?"--"Ik kon er niet aan doen," was het antwoord. "Bij al wat door God
leeft, als nu mijn hart niet breekt van het leed, dat ik gevoel, zoo zal
het van geen rouwe noch leed ter waereld meer breken--daar ben ik reeds
te voren zeker van. Mijn hart heeft zoo groote droefheid. Gezel!" ging
hij voort, "ziet hier het zadel, waar ik u zoo even van verhaald heb.
Neemt het! ik ga--om Eggheric het hoofd af te slaan of hem met een dolk
te doorsteken, ginds waar hij ligt bij zijn vrouwe. Dat liet ik niet, om
al het goud, dat de waereld bevat. Ik kom spoedig te-rug."

Toen bezwoer de Koning hem plechtig, dat hij hem zeggen zoude om welke
reden hij zoo mismoedig was; "hij was er immers heelhuids afgekomen, en
bezat nu wel duizend pond goud; en nog bovendien het zadel, waar hij om
was gegaan."

"Ai mij! 't is iets geheel anders, dat mijn harte ontstelt en mijn
droeven zin verteert: Ik heb mijnen Heer verloren! Vroeger had ik
uitzicht tot mijn goed te-rug en mijne armoê te boven te komen. Ik
leefde in goede hoop, nu ben ik dat alles kwijt. Mijn Heer moet sterven,
morgen vroeg. Ik zal u zeggen hoe. Eggheric heeft zijn dood gezworen!"

Nu zag Carel in, dat God hem aangezegd had uit stelen te gaan, om hem
voor de dood te beschutten. Oodmoedig dankte hij des den Heer des
Hemels.

Toen sprak hij tot Elegast: "En hoe zult gij 't ontkomen? Als gij hem
doorstaakt met den dolk, waar hij te slapen ligt, zoû heel het hof in
opschudding raken; zoo gij althans niet meer dan goed geluk hadt, zoudt
gij 't ras met de dood bekocht en uw leven aan een einde geholpen
hebben. Zoudt gij u in dit gevaar werpen? Sterft de Koning--welnu, dan
is hij dood! Wat zoû men daar méér van zeggen? Van uw droefheid zoudt ge
wel genezen."

Dit zeide hij uit loosheid, deels om Elegast te beproeven, maar deels
ook met een ander doel: hij wilde gaarne daar van daan zijn; 't lange
vertoeven was hem onaangenaam.

"Bij al dat God leven liet!" riep Elegast fluks; "waart ge niet mijn
makker--het bleve dees nacht niet ongewroken, dat gij met uw woorden te
nà kwaamt den Koning Carel, mijnen Heer, die aller eere waardig is! Gij
God, die mij schiep! Ik zal mijn voornemen doorzetten en mijn verdriet
zal ik wreken aan die 's Konings dood heeft gezworen--eer ik deze burg
verlaat: 't moge mij goed of kwalijk vergaan."

De Koning dacht: "Deze is mijn vriend! al heb ik mij des weinig waard
gemaakt. Ik zal het goedmaken, indien ik het leven behoude. Hij zal al
zijn wederspoed te boven komen." "Gezelle!" zeide hij daarop: "Ik zal u
beter wijzen, hoe gij hem in het net zult brengen --dien Eggheric van
Egghermonde. Rijdt in den morgenstond tot den Koning, waar gij hem
vinden zult; verhaalt en verklaart hem dan de wandaad--het verraderlijk
opzet. Als hij uw woord hooren zal, zult ge met hem verzoend zijn, en uw
loon zal niet gering wezen:

"Al uw dagen, zoo lang God u spaart, zult gij, als waart gij des Konings
broeder, zonder iemants wederzeggen, aan zijn zijde rijden."

--"Neen," zegt Elegast, "wat mij weêrvare--voor den Koning kome ik niet.
De Koning is te zeer op mij verstoord, om dat ik hem eens twee zware
paarden-vrachten schats ontroofd heb. Ik kome bij dag noch bij nacht
onder zijne oogen. Al wat gij moogt aanvoeren, is verloren moeite."

--"Wil ik u zeggen wat gij doet," sprak Carel, de edele man, "rijdt wech
naar het woud, waar gij uw gezellen liet, en luistert nu: voert onzen
buit met u meê, tot morgen op den dag; dan deelen wij in veiligheid. Ik
zal bode der tijding zijn bij den Koning, waar ik hem weet: want werd
hij doodgeslagen--het zoû mij grieven."

Met deze woorden scheidden zij; Elegast keerde naar zijne makkers, waar
hij ze in het woud had achtergelaten, en Carel, de edele man, reed naar
Ingelhem in zijn kasteel. Alle vreugd was uit zijn hart geweken: want
hij, die hem, zoo het naar rechte ging, behoorde bij te staan, wilde hem
verraden!

De poort stond nog open en al zijne lieden lagen nog in den slaap. Hij
bond zijn paard vast op den stal, en ging naar zijne slaapkamer, eer 't
iemant hoorde of zag. Hij had zijne wapenen nauwelijks afgelegd, toen de
wachter op de hooge tinnen stond met zijn hoorn, en den dag blies, dien
men heerlijk te voorschijn zag komen. Daarop ontwaakte menig man, over
wien God den slaap had gezonden, toen de Koning uit stelen toog: hetgeen
tot goed geluk voor hem was uitgekomen.

Toen zond Carel, de Koning, éen zijner Kamerlingen om zijn geheimen
Raad. Hier zeide hij, in welken toestand hij zich bevond, "hem was ten
volle bekend, dat zijn dood was gezworen door Eggheric van Egghermonde,
die welhaast op zal dagen met al de macht des Lands om hem schandelijk
van het leven te berooven. Nu mochten zij hem goeden raad schaffen, dat
hij zijn eere mocht behouden, en zij daarenboven hunnen rechtmatigen
Heer!"

Toen zeide de Hertog van Bayvier[3]: "Laat hen komen--hier zullen zij
ons vinden. Menig zal het zijn leven kosten. Ik weet goeden raad te
schaffen. Daar zijn forsche fransche knechten hier; menig ridder en
strijdbare man, die uit Frankrijk en Baloys[4], met u herwaarts kwamen:
zij zullen zich alle wapenen en trekken in de hooge zaal, en gij-zelf,
Heer Koning, zult gewapend in den kring staan. Die u daar deren, het zal
hem kwalijk vergaan:--tot op zijn sporen zal hem het bloed neêrvloeyen:
en Eggheric het eerst!"

Deze raad dacht hem goed--en allen, die het met hem eens waren, wapenden
zich haastig; allen, klein en groot, al wat maar wapenen dragen kon. Zij
duchtten een zwaren aanval. Eggheric was zeer machtig, en al die de
Rijnoevers op en af beheerschten wilden hem hulp bieden.

Ter poorte stelde men sestig man, welgewapend en geharnast.

Toen Eggherics volk met groote scharen 's Konings hove binnentoog,
zett'e men de poorten wijd open en liet ze alle binnentrekken: maar toen
zij in den hof waren, trok men hun de kleederen uit en vond op hun lijf
blanke rustingen, scherpe dolken. De misdaad was blijkbaar. Men leidde
ze gevangen wech, naar mate dat zij kwamen, tot dat men ze alle gáder
had. Eggheric, die den geheelen aanslag beraamd had, reed binnen, met
den laatsten troep. Toen hij van zijn paard gestapt was en in de hofzaal
wilde gaan, sloot men geheel en al de poorten; men nam hem gevangen, zoo
als men de anderen gedaan had; men vond zijne leden beter gewapend dan
van een der aanwezigen. Toen leidde men hem binnen, voor den Koning,
zijnen Heere. Daar mocht hij wel beschaamd zijn! De Koning verweet hem
véél: hij wilde er niet naar luisteren; hij loochende al zijne misdaden
en zeide: "Heer Koning, beraadt u beter! Deedt gij mij, onverdiend,
schande--gij zoudt menigen goeden vriend verliezen. Noch zoudt ook gij,
noch geen uwer Baroenen de stoutheid hebben van mij te durven aantijgen,
dat ik u verried! Ware daar iemant, die des begeerte had--ik zoû 't hem
doen loochenen met den zwaarde of met de punt van mijn speer. Dat hij nu
vooruittrede, die daar lust in heeft!"

Dit hoorende, was de Koning in zijn hart verheugd. Hij zond om
Elegast--boden op boden--waar hij zich onthield in het woud; en zeide
hem aan: "dat hij haastig komen zoude, dat alle misdaad hem vergeven
was, indien hij den kamp besta tegen Eggheric. Rijk zal hij hem maken."
De boden toefden niet; zij volbrachten 's Konings last. Zij togen voort,
tot waar zij Elegast vonden. Zij zeiden alles, wat de Koning hun
opgedragen had, aan Elegast, die zich verheugde op die woorden. Toen hij
de tijding vernam, liet hij zijn paard zadelen met het zadel dat hij
Eggheric ontstolen had, en beval dat men hem zonder uitstel tot Carel
leiden zoude. Hij wilde Eggherics boosheid bekend maken en zwoer, "zoo
waar hij een Christen was, dat, indien God hem ééne bede kon inwilligen,
hij geen ander goed begeerde dan den kamp te mogen strijden voor zijn
rechtmatigen Heer en voor het behoud zijner eere." Met spoed reden zij
wech.

Elegast, de goede Ridder, kwam in des Konings zale: hoort nu hoe hij
sprak. Hij zeide: "God behoede deze burchtzaten--den Koning en wie ik
hier vinde!--maar Eggheric--hém groet ik niet! God, die zich om
onzentwille liet kruicigen, en die alles vermag, moge, met Maria, de
zoete Maagd, op dezen dag doen zien, dat men ter prooi van de winden
moet hangen--Eggheric van Egghermonde! Kon God ooit zondigen--zoo heeft
Hij zonde gedaan; dat Eggheric tot heden de galg ontkomen is;
want--mijns Heeren dood heeft hij gezworen, zonder dat hij daartoe uit
noodweer gedwongen was."

Toen Elegast dit gezegd had, zoû Eggheric het gaarne gewroken hebben:
maar hij had er de macht niet toe: menig die hem vroeger voorstond, liet
hem nu over aan zijn lot. De Koning antwoordde daarop: "Zijt welkom in
mijn hof! Nu bezweer ik u, bij al datgene, wat goede mannen hun plicht
achten, dat gij ons meldt en bekend maakt de wandaad en den moordaanslag
van Eggheric, die hier tegen u overstaat. Laat niet na, ter liefde van
wie het ook zij, de waarheid en enkel de waarheid te zeggen van de
toedracht der zaak."

--"Gaarne, Heer!" zeide Elegast; "ik mag het niet achterlaten. Ik ben er
vooraf wel zeker van, dat Eggheric uw dood gezworen heeft. Ik hoorde 't
hem zeggen, toen hij te bedde lag, en zijne vrouwe sloeg, wijl zij het
durfde wraken--dat haar het bloed uitbrak uit tanden, neus en mond. Zij
richtte zich op, en stak het hoofd buiten de legerstede. Ik was daar en
had het gadegeslagen, en kroop er zachtkens heen. In mijn rechter
handschoe ving ik het bloed op der vrouwe." Met toonde hij het den
Koning en allen, die het zien wilden. "Durf Eggheric dit loochenen--ik
doe hem onder ons-beiden de wandaad belijden vóór zonne-ondergang, of ik
zal mijn leven verliezen."

Hierop antwoordde Eggheric: "Die schande zal mij niet gebeuren, en 't
zoû ook niemant welkom zijn, dat ik mijn hals zoû wagen tegen een
verbannen dief. Beter zoû hij met boerenlummels kampen dan met mij."
Elegast antwoordde snel: "Wel zoo, ben ik geen hertog even als gij? Al
was ik een tijd verbannen en nam mij de Koning, omdat hij op mij
vertoornd was, mijn goed: verraad en moord heb ik niet gepleegd. Ik heb
den rijken lieden veel van hun goed genomen, uit nood en armoede. Maar
gij, die een moorder zijt, moogt kamp noch strijd ontzeggen aan wie ook,
die de schuld aan u wil tijgen."

Daarna andwoordde de Koning: "Bij mijn geloof, gij spreekt waarheid! Zoû
ik naar recht met hem leven, ik deed hem door éen mijner knechten
wechsleepen en hangen bij de keel."

Toen werd het ernst voor Eggheric tot het uiterste, en bij zich-zelven
dacht hij, naar 'et met hem geschapen stond: "Beter gevochten dan
gehangen!" In het hof was er niemant, die ter zijner gunste spreken
dorst. Dus werd het strijdgeding aanvaard.

Weinig tijds na de noen[5] deed de Koning zijnen Baroenen aanzeggen, dat
zij gewapend te velde moesten verschijnen. Het was zijn wil, dat de kamp
zoû plaats hebben. Hij beval het strijdperk gereed te maken en bad God,
dat hij den kamp beslissen zoû naar recht en rede. (En God verhoorde
zijn gebed.)

De Koning sprak Elegast moed in, en zeide, "liep de strijd gelukkig af
en behield hij het leven, dan zoude hij hem zijne zuster ter vrouwe
schenken, die nu aan Eggheric, den belager des Konings, gehuwd was."

Men spande koorden op het veld, waar menig man gewapend post vatt'e,
kort voor verspertijd. Elegast reed het eerst in 't strijdperk, om dat
hij aanlegger was van den kamp. Hij steeg af; knielde in het gras ter
nader, bad, en zeide: "God! bij uw goedertierenheid kom ik u heden
vergiffenis smeeken voor al wat ik ter waereld jegens u misdreven heb.
Maar al te wel ken ik mijne misdaden, Genadige God, die alles vermoogt!
ai, wreekt op dezen dag mijne zonden niet aan mij! Bij uwe heilige vijf
wonden, die gij ontvingt om onze ongerechtigheden, nemet mij heden in
uwe hoede, zoodat ik niet sterve noch den kamp verlieze! Indien het mijn
zonden niet zijn, die mij verslaan zullen--dan, voorwaar, meen ik wel
behouden van hier te komen. Heilige God! van uwe barmhartigheid bid ik,
dat ge mij sterkt. En gij, Maria, Lieve Vrouwe! met rechte trouw wil ik
u dienen; nimmermeer word ik voortaan dief noch roover in wouden en
wildernissen--mag ik het leven hier afbrengen!"

Toen hij zijn gebed had gedaan, zegende hij al zijne leden, en met zijne
rechter hand zegende hij naar behooren zijn riddersrusting, en zegende
zijn paard, dat vóór hem stond, en smeekte van Gods genade, 'dat het
ros hem met eere dragen, en behouden uit den kamp te-rug-brengen mocht.'

Met die bede steeg hij in den zadel. (Nu zult gij hooren van een grooten
strijd!)

Elegast hing het schild ter linker zijde; hij nam de speer in de hand.
Ook Eggheric kwam, wel gewapend, met grooten strijdlust naar de
kampplaats gereden. Zijn hart was in gramschap ontstoken. Hij maakte
geen kruis noch sprak eenig Gebed tot God; hij gaf zijn paard heftig de
sporen en reed op Elegast in; en Elegast met zulke kracht op hém, dat
hij Eggheric door den lederen kolder heenstak, zoo dat hij neêrviel op
het veld, van het ros ter aarde. Eggheric sprong op en greep naar het
zwaard, dat hij uit de scheede trok, en riep: "Nu zal ik u beide dooden,
U, Elegast, en uw paard; tenzij gij aanstonds afstijgt op den grond--zoo
mag uw ros het leven behouden: het is zoo sterk en zoo groot--'t ware
jammer, zoo ik het neervelde: menig zoû 't beklagen! Kunt gij er dan al
zélf het leven niet afbrengen, zoo redt gij voor 't minst uw paard."

--"Waart ge niet te voet," riep Elegast driftig, "ik zoû dezen strijd
kort maken. Ik wil u te voet niet verslaan, ik wil eer aan u behalen--al
kwame er mij het ergste van. Stijg weder op: laat ons als Ridders
vechten. Al zoude ik blijven in den kamp, ik heb liever, dat men mij
prijze, dan dat ik van uw ongeval gebruik zoû maken om u te verslaan."

Koning Carel was het leed, dat Elegast zoo lange draalde, en zijn vijand
spaarde. Eggheric ving zijn paard aanstonds op, toen Elegast had
gesproken, en steeg in den zadel.

Toen begon daar een hevige kamp, die tot lang na vespertijd aanhield.
Nooit zag iemant ergens op èenen dag zoo feilen strijd. Vreeselijk waren
hun slagen. Hunne helmen brandden als vuur, van de vonken die er uit
vlogen. Zij waren, beide, Hertogen, die daar den strijd streden, want
zoo Elegast al de smaad overkwam, dat hem zijn land ontnomen werd, hij
bleef toch even goed een Hertog.

Toen zeide de Koning van het Frankenrijk: "God! zoo waarlijk gij hier
almachtig zijt, moget gij dezen kamp en dit lange gevecht ten einde
brengen, naar recht, en naar rede!"

Elegast had een zwaard, dat, voor ieder die in nood was, zijn volle
gewicht aan bewerkt rood goud zoû waard zijn geweest: de Koning had 'et
hem geschonken.

Elegast heeft het opgeheven, en sloeg, door de Hulpe onzes Heeren, en de
bede, die Koning Carel over Elegast deed, een zoo vreeslijken slag, dat
hij Eggheric het grootste deel van den schedel kloofde, en hem dood uit
den zadel deed storten.

Dit zag de Koning, en zeide: "Waarachtige God, Gij, die in den Hemel
zijt! met recht mag ik u loven, die mij zoo menige gunst betoont. Wijs
zijn zij, die u dienen. Gij kunt helpen en verzorgen die genade bij u
zoeken."

Nu wil ik aan deze geschiedenis een einde maken.

Men sleepte Eggheric voort en hing hem--en alle verraders tevens: daar
hielp noch losgeld, noch bede.

Elegast bleef in eere. Daar dankte hij God voor. De Koning gaf hem
Eggherics vrouw. Al hun leven waren zij te zamen.

Zoo moge God al onze zaken vóór onze dood ten goede brengen!

Nu zegt allen: Amen!


[1] De plaats hier omschreven (... van den Donau ten Oosten af, ...,
Gallicië en het land van Spanje...) houdt Dr. Jonckbloet voor
ingeschoven.

[2] La bâte de devant qui forme hourd avec garde-cuisses verticaux.
Viollet-le-Duc, _Dict. du Mob_., II, 372.

[3] Beieren.

[4] Valois.

[5] Het 9e uur na zonsopgang.




DE VIER HEEMSKINDEREN.


AAN HENDRIK CONSCIENCE. (1851.)




HIER BEGINT DE HISTORIE VAN DE VROME VIER HAYMIJNSKINDEREN.




HET EERSTE CAPITTEL.


In de oude geschiedenissen vinden wij beschreven, alzoo gij zult hooren,
hoe de Keizeren, en de Koningen en andere groote Heeren eene gewoonte
hadden, dat zij eens des jaars Feest hielden met groote triumphe en
vrolijkheid.

Deze zelfde gewoonte had de edele Koning van Vrankrijk, dat hij alle
jaren met groote glorie feest placht te houden binnen de stad van
Parijs. En daar wierden ontboden en genood alle de Edelste van de
waereld, van Vrankrijk en van alle Koninkrijken; en elk wierd daar
ontvangen na zijner waerde. Om nu te komen tot ons verhaal, zoo was
Koning Carel houdende een zeer rijkelijk Hof, na ouder gewoonte, ter
gedenkenisse, dat hij gekozen en gekroond was Koning van Vrankrijk; zoo
dat er gekomen waren, tot zijner eere en waerdigheid, en om zijne glorie
te vermeeren, de Edelste der uitgenomenste van het
Keizerrijk--Geestelijk en Waereldlijk.

Daar waren: onze aardsche Vader--de Paus van Rome, de Patriarch van
Jerusalem, de Cardinalen, Bisschoppen, Legaten en andere hooge
Kerkvoogden, en 12 gekroonde Koningen, 22 Hertogen, 33 Graven, 1000
Ridders, 5000 Schildknapen en Jonkers, welgeboren, vroom[1] ter wapen in
oorloge en tornooyen; daar waren vele schoone Vrouwen ende Jonkvrouwen,
alle van Adelijken geslachte, die zeer kostelijk en sierlijk toegereed
waren; en voords van anderen volke was daar eene menigte zonder getal:
want deze Feest was des Dinsdaags na Pinxter, in het schoonste en
geneuchlijkste van den jare.

En al wat men ter Feeste behoeven mocht, was daar overvloedig, meer dan
men kon denken; daar ontbrak niet wat tot vermaak en verkwikking konde
strekken. Elk was ter tafel gezeten na zijner waerde. Er tusschen twee
Ridders zat een schoone Jonkvrouwe: zoodat er vreugde lag op aller
aangezicht en blijdschap was aan den disch. En diende ter tafele menig
Edelman, en diende zeer naerstig met groote hoffelijkheid: dat er niet
ontbreken en zoude van spijze en drank.

Dus zat Koning Carel, Keizer van Rome, met zijner kroone, in
zegepralende fierheid; bezijden hem zat zijne Vrouwe de Keizerinne, en
in de zale zat tot een der tafelen Heere Haymijn, Grave van Ardennen, en
Aymerijn van Nerboen; daar was ook Heer Huyge van Ardennen, een zusters
zone van Haymijn, en was een schoon jonkman, met blonde haren, en zeer
wel ter sprake. Deze Heer Huyge stond op van de tafel daar hij zat, en
ging voor Koning Carels tafel, waar deze troonde, naast zijne
Keizerinne, in groote luister en glorie.

En als hij voor de tafel stond, heeft hij zich ter aarde gebogen, en
groette den Koning en zijner Vrouwe, en alle de Baroenen en Edelingen
die daar gezeten waren, en zeide tot Koning Carel met bitterzoete
woorden: "Heer Koning, u is wel kundig, dat hier thands mede in der zale
zijn mijn beide oomen: Grave Haymijn, een Ridder goed en stout; en de
tweede, Heer Aymerijn van Nerboen: zij hebben u trouwelijk gediend in
Turkije, als goede Capiteinen hunnen Heere schuldig zijn te dienen, en
hebben menig Heiden verslagen, en in menig doodsgevaar om uwent wille
geweest; dat zij willig en gaerne gedaan hebben. En echter, Edel Heer
Koning, wel zijt gij des bewust, dat gij hun nooit zoo veel gegeven
hebt, om zich een paar sporen er van te kunnen koopen. Dus, Edel Heer
Koning, hebben zij mij tot u gezonden, begeerende vriendelijk dat gij ze
begiften wilt, dat zij eerlijk hunnen staat mogen ophouden."

Als Koning Carel deze vrije woorden hadde gehoord, sprak hij tot Heer
Huygen op strengen toon, en zeide: "Gij eischtet te vergeefs voor
hen-lieden: want zij hebben 't zelve mij menig keer geëischt, en ik
hebbe hun nooit iet willen geven noch en zal hun noch niet geven: zij
doen daartoe dat zij mogen!"

En Heer Huyge, toen hij den Koning dit besluit hoorde uitspreken, werd
zeer ontzet van binnen en antwoordde met hovaerdige tale, zeggende:
"Heer Koning, en wilt gij mijn oomen niet begiften, die u zoo langen
tijd eerlijk en ridderlijk gediend hebben--men zal groote schande van u
spreken in andere Heeren-Hoven, en uw groote name en fame, die gij hebt,
zal daarin óndergaan en uitgedaan worden; en smaadheid wordt uw deel."
Pas had Koning Carel deze overmoedige woorden gehoord van Heer Huygen,
of hij werd zeer met toorne ontstoken, toog met haaste zijn zwaard uit,
en sloeg Heer Huyge, dat hij dood ter aarde viel voor Koning Carels
tafel, dat de vloer van der zale nat werd van zijnen bloede. En daar
wierd een groot gerucht en geschrei onder de Edelen en Jonkvrouwen
vernomen.


[1] _vroom_--moedig.




HET TWEEDE KAPITTEL.


     Hoe Heer Huygens dood gewroken wierd van beide zijn
     ooms en hun helpers, en hoe ze Koning Carel in den
     Rijksban deed.


Heer Huyge, aldus deerlijk verslagen zijnde, zoo verkeerde de
blijdschap, die daar was, in groote bittere rouwe. Haymijn van Ardennen
en Aymerijn van Nerboen, en alle Heer Huygens vrienden sprongen
verbolgen op, als brieschende leeuwen en wierpen de tafels om verre, dat
de gouden schotels en krystallen vaten onder de voet raakten. Bedroefd
en vergramd om de dood van hun neve, zeiden zij met woedende blikken:
"Wij willen den val van onzen neve wreken, dat men daaraf spreken zal,
zoo lang als de waereld staat--al zouden wij alle dood blijven!"

Haymijn wapende hem en zijn volk, en had tot zijn hulp 1000 Ridders,
uitgelezen van al zijn land. Koning Carel wapende hem met al zijn magen
en vrienden; hij had spoedig zijn batalië in orde gesteld en had
ontwonden zijn standaart, daar hij onder had 10000 mannen, wel gewapend
en van harnas voorzien. Daar kwamen van Lauwen[1] Koning Carel veel te
hulpe. Die van Rome en Milanen kwamen ook met eene geduchte macht van
volk, want zij stonden onder de grootdadige heerschappije van Koning
Carel; hij hadde tot zijner hulpe Vlamingen, Brabanders, Allemanniërs en
Vriezen, zoodat Koning Carel een strijdbaar leger op de been bracht uit
verscheidene oorden--meer dan ik schrijven kan.

Toen toog Koning Carel op, met heel deze menigte van mannen, om Haymijn
en zijne vrienden[2] te dooden en te verslaan, hun land te verbranden en
te niet te maken.

En Haymijn hadde in zijn hulpe, met al dat hij vergaderen mocht, 30000
mannen, onder welke vele groote Heeren, als Hertogen, Graven en Ridders,
edel van geboorte; en zij reden met ontwonden banieren ter poorte uit,
met luid geblaas van hoornen en trompetten. Daar was het geroep groot
'Nerboen! Nerboen!'

Als Haymijn met zijn volk kwamen, daar Koning Carel zijn krijgsmacht in
orde gezet had, zoo vielen de twee scharen met groote felheid samen uit,
zoo dat in 'et vergaderen menige spere gebroken, en menige Ridder van
den paerde ter aarde gedragen wierd.

Haymijn riep met luider stemme, en zeide: "Edele Baroenen en vrome
mannen! helpt mij wreken de dood van Heer Huygen, mijne neve; ik en
vrage daar niet na, of ik het met mijn eigen bloed bekoopen zal."
Aymerijn zeide: "Dat zal ik doen, mijn lijf en goed zal ik daarvoor op
het spel en in gevaar stellen."

Toen renden de Edelen op elkander aan, en vochten zoo lange, dat hun
zwaerden en geweer ontbrak; zoo dat zij ten laatste sloegen met den
appel van de zwaerden. En Haymijns volk weerden hen zeer vromelijk[3],
tot uitputtens toe, maar sloegen Koning Carel talrijke mannen af, en
velden ze met grooter kracht ter aarde: alzoo dat over beide zijden
groote slachting geschiedde van Ridders en knechten. Daar was menig man
bedekt met bloede, en hadde liever gerust, dan langer gevochten: men zag
daar de paerden, met twintig of dertig teffens, zonder Heer: want de
strijd was hevig en fel.

Die van Ardennen verweerden zich en vochten alle met eenen stouten moed,
alsof Haymijn hun vader ware geweest; zij streden tot dat het donkere
nacht werd, alzoo dat zij uit nood scheiden moesten. Koning Carel
verloor toen veel van de zijnen, want hij hadde op die tijd de meeste
schade, zoo dat hij verloren had van zijn volk, binnen dien dage,
duizend mans ofte meer, en aan Grave Haymijns zijde bleven maar weinige
mannen.

Nu moeste Haymijn wijken, overmids de donkere nacht. Heer Huygens dood
had menig Edelman 'et lijf gekost en schier alleen door den overmoed van
Koning Carel en Haymijn: menig schoon kasteel en sterke muur werd daarom
geveld en verbrand--om de dood van Heer Huygen.

Toen sprak Koning Carel met grammen moede: "Ik beloof 'et: God en zijne
kracht heeft ons te dezer nacht gescheiden--maar ik duld ze hier niet
langer: uit den lande wil ze ik verdrijven, en bannen ze met hun
vrienden uit mijn Rijk, en nemen hun al hunne goederen." Toen riep
Koning Carel zijn hoogste Baroenen en Raadsheeren te zame--zoo Koningen,
Hertogen, als Graven; en dede ze zitten ter vierschare, elk na zijner
waerde. Daar dingde Koning Carel, en maakten Maymijns geslachte balling
over al zijn Rijk. Dit gedaan wezende, vernam Haymijn en zijne vrienden
met hun helpers, dat zij door een vonnis der hooger vierschare het land
moesten ruimen, hetwelk zij met grooter haaste gedaan hebben.

Grave Haymijn hadde met hem 800 Ridders, die alle vrome en uitgelezen
mannen waren ter wapen; en zij namen ieder mede van hun goed dat zij
bergen mochten, want zij wisten wel, dat zij des Keizers en Konings
macht niet wederstaan en konden. De Koning nam het goed, dat zij gelaten
hadden, en begiftigde die 't hem beliefde. Dat was Grave Haymijns volk
verdrietelijk te lijden, want Haymijn en allen, die met hem verdreven
waren, moesten zich des daags onthouden in het dichtste der woestijnen.

Nu zult gij hooren van 's Graven Haymijns verder bedrijf. Des nachts
ging hij met zijn volk branden en rooven al dat hij buiten vaste mure
besloten wist of konde vinden; alzoo dat hij niet en spaarde Geestelijk
nog Waereldlijk, waar hij ze mocht berijden ofte begaan. Veel kloosteren
en kerken verwoestte hij, en sloeg veel geestelijke lieden--Monniken,
Priesters, Klerken, Nonnen--ook leeke-lieden, en roofde en vernielde tót
onder de muren van Parijs. Hij hadde bij hem zijns vaders broeder,
Madelgijs geheeten, een stout Ridder, was geleerd in de kunsten van
Nigromantie[4], daar hij groote schade meê dede. En het goud, dat zij
roofden in de kerken, dat sloegen zij den paerden onder de voeten. Deze
oorlog duurde zestien jaar.[5]



[1] _Lauiven_--Loan, in Picardië.

[2] _vrienden_--zoowel bevriende vreemden als bloedverwanten.

[3] _vromelijk_--dapper.

[4] _Nigromantie_--zwarte kunst, tooverij. (Verbasterd uit [Greek:
Nekromanteia])

[5] _Genoten_--het kollegie der XII _Pairs_, die met Karei te recht
zaten; zijn staf in den oorlog.





HET DERDE CAPITTEL


     Hoe Koning Carel Ambassaten zond tot Haymijn van
     Ardennen, om peis met hem te maken.


De oorlog aldus zeer lang durende, viel ten leste den Genoten van
Vrankrijk zwaar te voeren en verdrietelijk; want als Haymijn wilde,
moesten ze ten strijde. Zij gingen des te rade met malkander, en kwamen
over-een, dat zij den Koning bidden zouden dat hij vrede maakte met
Haymijn en zijn volk.

Als zij dus gezamendlijk besloten hadden, zijn ze gekomen daar zij
Koning Carel vonden, en hebben hem oodmoedig gegroet; en als zij hem
eere hadden gedaan, zeiden zij: "Heer Koning, u is bekend, hoe dat de
oorlog lang gestaan heeft tusschen u en Haymijn van Ardennen; wij bidden
u zeer, dat gij doch vrede met hem wilt maken, want 'et land daarvan
beschadigd en geschonden wordt." Koning Carel, deze woorden en begeerten
van zijn Heeren hoorende, was des niet gunstig gezind: nochtans bij
hem-zelven overwegende dat de Genoten alle hem baden, zoo stemde hij toe
in wat hun goed docht.

Daar bespraken de Genoten en stelden Koning Carel voor, dat hij
schrijven zoû een minnelijke groete en een brief aan Haymijn en zijn
magen, dat hij beteren wilde, wat hij tegen hem en zijn vrienden misdaan
had.

Hierop zond Koning Carel Ambassaten met een brief tot Haymijn die tot
Piërlepont lag, inhoudende dat hij hem Huyge, zijnen neve, den doode,
opwegen zoude met gouden negen werf, opdat hij daarmede zijnen peis
mocht krijgen. Als Haymijn dezen brief gelezen had, verachtte hij dien,
en zeide met toornigen moede tot de drie Ambassaten: "Zegt Carel den
Koning, dat ik de oorloge nog hadde liever te houden, dan ik zulken zoen
aanname over mijn neve!"

Deze drie Ambassaten zijn wederom gekeerd, en hebben deze woorden den
Koning gezeid. Toen zond ze Koning Carel wederom met eenen brief tot
Heymijn, inhoudende: 'ware het, dat hij hem de dood kwijtschold van zijn
neve, dat hij hem geven wilde zijn zuster, Vrouw Aye, tot gemalinne; en
al het goed, dat hij hem ofte zijn vrienden genomen had, dat zoude hij
hem vrij wedergeven, zoo dat zij 't van niemant te leen hielden, zij,
noch hun erfgenamen, die na hen komen zouden.'

Als Haymijn dezen brief overlezen hadde, dien hem Koning Carel had
gezonden, heeft hij de drie Ambassaten geheeten dat ze toeven zouden;
hij wilde hem met zijn vrienden beraden. Daarop, heeft Haymijn zijn
vrienden tot hem doen komen, als Aymerijn van Nerboen, Willem van
Orangiën, en menig Edel Baanderheer, en zeide e't gene, dat hem Koning
Carel bij zijnen brief geschreven en gemeld hadde, en bad hen alle, dat
zij hem wouden helpen raden wat hier best in gedaan ware en hun-allen
dochte.

Eenparig was hun uitspraak: 'wilde Koning Carel houden en doen hetgene
hij hun aangezegd en geschreven had--zij waren des goedwillig den zoen
aan te gaan.' Haymijn zond dan eenen brief aan Koning Carel door
Adelbert en Madelgijs, zijn verwanten, inhoudende: 'Ware 't dat hij hem
zijn zuster geven wilde tot vrouwe, en voords nakomen het tractaat,
alzoo hij hem bij brieven gemeld had--dat hij te vrede waar den peis aan
te gaan, en dien te onderhouden al zijn leven lang; met nog veel andere
woorden, die in den brief geschreven stonden. Madelgijs en Adelbert
kwamen dan naar Parijs, en gingen tot den Koning en deden hem
eerbiedenis. Dit gedaan zijnde, gaven zij hem den brief in der hand, en
zeiden "dat hij hun daarop een andwoord zoude doen hebben, want de peis
en mochte niet gemaakt, noch de dood van Heer Huygen, hunnen neve,
gezoend worden, 't en ware dat hij voldede den inhoud des briefs.'

En Koning Carel ontving den brief, en dede dien voor zijn magen en hooge
Baroenen lezen. Als zij den inhoud gehoord hadden, en wel staan de
meeninge van Haymijn en zijn magen, zoo waren zij alle blijde, en baden
den Koning, dat hij zijn woord getrouw bleve, en dan terstond het
andwoord aan Haymijn berichtte; hetwelk Koning Carel gaerne dede.

Daar werd ontboden voor den Koning--Adelbert en Madelgijs: en toen zij
voor den Koning stonden zeide hij tot hen, 'dat zij huiswaards keerden
en Haymijn zouden zeggen, dat hij kwame met zijn magen te Senlis, om
aldaar een vast tractaat van den zoene te maken,' "want ik wil geen
oorloge tegen hem voeren, en ik wil volkomen doen, hetgene dat de brief
bevat." Met dezer andwoorde zijn zij van den Koning gescheiden, en zijn
zoo lange gereisd tot dat ze kwamen in Piërlepont, en hebben Haymijn
weêromgezegd des Konings meeninge; en dat Haymijn en zijn magen komen
zouden tot Senlis, om aldaar peis te maken.

Als Haymijn en zijn magen verstaan hadden des Konings meeninge, zijn ze
blijde geweest, en hebben hen bereid naar Senlis te trekken, elk zoo hij
cierlijkst en heerlijkst mocht, met al hun macht.

En toen Koning Carel hoorde, dat Heymijn en zijn vrienden bij Senlis
kwamen, is hij hun te gemoet getogen met zijne magen en menig Edelman,
met Vrouwen en Jonkvrouwen, en dede zijn tente slaan in eene bloeyende
vlakte, daar men den peis maken zoude; en hij is Haymijn genaderd met
300 Ridders, die in wolle gekleed en barrevoets waren, en hij is voor
Haymijns voeten gevallen, zeggende: "Ik heb misdaan: ik bidde u, dat gij
mij vergeeft de dood van uwen neve, om Gods wille, die ter onzer liefde
onschuldelijk zijn kostbaar bloed voor ons aan den Cruice gestort heeft;
ik wil het aan u en uw magen vergoeden en u helpen wat ik mag!" Als
Haymijn deze woorden hadde gehoord, zoo werden zij in vriendschap
vereenigd.





HET VIERDE CAPITTEL.


     Hoe Haymijn trouwde met Koning Carels zuster, en bij
     haar won Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout; dat
     hij 't niet en wiste: en hoe zij ze heimelijk opvoedde.


Toen de peis gemaakt was, en men bruiloft zoude houden, werd de Bruid
ter kerke geleid; aan de eene zijde leidde ze de Bisschop, aan de andere
zijde ging Roelant[1].

Daar trouwde Haymijn haar met groote staatsie; en Koning Carel dede
Haymijns neve, den doode, negen werf opwegen met goud, en dat goud gaf
hij Haymijn wegens zijns neven dood. Als Haymijn het goud van den Koning
ontvangen had, dacht hij in zich-zelven, 'hoewel de Koning peis maakte
over zijn neve, hij zoû hem wel noodzaken den doodslag met mansbloed te
betalen.'

Intusschen kende Koning Carel--Haymijn en zijnen magen toe wat zij
zouden winnen op de Heidenen[2], dat ze 't vrij houden mochten, zonder
van iemant te leen te ontvangen. Als dit gedaan was en Haymijn met zijn
vrienden te vreden gesteld waren, ontvangen hebbende wat hun in den
zoene beloofd was, ging Haymijn tot Koning Carel, en bad hem vriendelijk
'of 't hem beliefde, dat de Koning bij hem ten Hove bleve en deelname
aan zijne bruiloft?' Maar Koning Carel zeide, 'dat hij des niet en
dede.' Nu wierp Haymijn zijnen haat op den Koning, nam zijne vrouw met
hem, en toog met haastigen en grammen moede van Koning Carel wech, naar
Piërlepont; en Koning Carel toog met zijn volk voort van Senlis, en tot
Parijs.

En als Haymijn met zijn vrouw en vrienden gekomen was te Piërlepont,
toen zeide hij tot zijne Heeren: "Ik zal Hof houden met al mijn vrienden
en magen, veertig dagen lang: laat Carel zich dan daarover belgen! en
wat zoen hij mij en mijn magen gedaan heeft, ik en houde dien van geener
waerde; noch ik en begeer geen vrede, want waar ik iemand van Carels
zijde, 't zij vrienden ofte vreemden, kan bereiken, zal ik dien krenken
waar ik mag aan lijf en goed!"

Als Haymijn deze woorden sprak, was daar menig Edelman bij, dien 't zeer
leed was: maar daar was niemant zoo koen, die er tegen dorst opkomen. En
Vrouw Aye viel het zoo hard, dat zij noch eten noch drinken konde.

Toen ging Haymijn zitten ter tafele met zijn vrienden en Heeren. Daar
werd elk naar zijn waerde eervol gediend; daar was groote blijdschap en
geneucht, zoo dat ieder zijn rouw vergat--maar Vrouwe Aye niet; zij was
zoo droevig; dat ze niet in de feestvreugde deelen kon.

Deze Feest duurde tot den avond toe; de Grave begiftigde elk naar zijne
waardigheid en verdienste. En dit gedaan zijnde, begaf de Grave zich ter
rust. En als hij in de slaapkamer was, trok hij zijn zwaerd in toorne,
en leîde zijn vinger op 't kruis van het zwaerd, zweerende, dat hij
dooden zoude al de kinderen die van Carels zuster kwamen, en slaan alle
Carels magen, daar hij 't mochte. Vrouw Aye, hoorende deze woorden, was
zeer droevig, maar zij gedroeg zich als of zij daarom niet en gaf en
ging bij haren man te bedde en bewees hem groote vriendschap.

Haymijn en was niet lange op het huis, en toog in de oorloge, daar hij
ze wist, naar zijn gewoonte. Vrouwe Aye was dragende, maar hield het
geheim, dat het niemant konde weten, behalve eene Jonkvrouwe, die zij
het te kennen gaf, en beval daarvan niet te spreken.

Toen zij haar tijd nabij zag, zoo ried haar de Jonkvrouw dat ze in een
klooster trekken zoude, en blijven daar tot dat zij bevallen ware van
kinde, en dat zij zeggen zoude, dat zij in pelgrimaadje wilde gaan.

Dit gedaan hebbende en in 't klooster wezende, zoo werd zij verblijd van
een jongen zone. Men deed dat kind doopen, en werd geheeten Ritsaert; de
gevaders waren Bisschop Tulpijn[3] en Grave Willem[4]; en het kind werd
heimelijk opgevoed, maar 't hadde brieven bij hem, dat het echtelijk
gewonnen was en van edeler geboorte. Men wist echter niet wien 't
toebehoorde: want de moeder vreesde Haymijn zeer, en kende zijne
wreedheid; zij duchtte, dat hij 't zoude dooden, ware 't, dat hij 't
vernam.

Inmiddels is Haymijn t'huis gekeerd en had gevochten op de Heidenen; hij
was eigenwillig uitgetogen, en door niemants bede noch bedwang. Op den
zelven dag als Hayman, kwam Vrouw Aye mede op het huis en hadde haar
kerkgang gedaan.

En later heeft zij nóg een zone gekregen, en dien droeg zij zeer in 't
verborgen en lag weder in 'et klooster, zoodat 'et niemant wiste; en dat
kind werd gedoopt en Writsaert genaamd en heimelijk opgevoed.

Daarna ontving zij den derden zone; hem werd gedaan als den anderen, en
Adelaert werd hij genaamd.

Toen is Haymijn weder in de oorloge getrokken, daar hij zeven jaar
bleef. Dies had Vrouwe Aye groote rouwe, want daar was tijdinge gekomen
dat Haymijn dood was.

Ter wijlen dat zij de rouwe dreef, kwam Haymijn th'uis, op zijn gewapend
paard, zijn schild aan den hals, zijn baniere ontploken. Als de Vrouw
hoorde dat Haymijn kwam, ging zij hem tegen met een vrolijk aangezichte,
en nam hem in haar armen, en kuste hem vriendelijk, en heette hem
wellekom. En als Haymijn zijn vrouwe zag, was hij, hoe gewond ook,
blijde in zijn gemoed, en steeg van den paerde, en ging met haar in de
zale.

En Vrouw Aye droeg Reinout, die zij mede heimelijk opvoedde. Aldus had
Haymijn vier kinderen dat hij 't niet en wist; de jongste van de Vier
was groot en sterk boven al de andere, gelijk een valk boven den
sperwer.

Te dezer tijd had Koning Carel een zone, geheeten Lodewijk. Deze zone en
Reinout waren van éenen ouderdom, en éener grootte; maar toen zij
vijftien jaar oud waren, ontwies Reinout Lodewijk een voet.

Deze Lodewijk werd naar huis ontboden, om oorzaken die ik thands
verklaren zal; hier wil ik van Reinout zwijgen en schrijven van Koning
Carel.


[1] _Roeland_:'s Konings neef, zijn beroemdste Paladijn.

[2] _Heidenen_: Sarrazijnen, Saxers en Lombardiërs.

[3] _Bisschop Tulpijn_: mede een van Carels Pairs of Genoten, die den
Rijksraad uitmaakten.

[4] _Willem_: Willem van Oranje, in de Legende de H. Willem van Gellone.




HET VIJFDE CAPITTEL


     Hoe Koning Carel zijn zone Lodewijk woû doen kroonen
     Koning van Vrankrijk, en hoe Bisschop Tulpijn des niet
     wilde toelaten, 't en ware, dat de Grave Haymijn mede
     ten Hove kwame; en hoe om den Grave gezonden werd; en
     hoe den Grave Haymijn van zijn vrouw gezeid werd, dat
     hij vier Kinderen hadde--'t welk hem zeer
     verwonderde--en hoe hij hem bereidde ze Ridder te
     slaan.


Het is gebeurd, dat 'et ging tegen Pinxteren, en dat Koning Carel Hof
hield als hij gewoon was, en had ontboden alle de Edelste, Geestelijke
en Waereldlijk; als den Paus, de Patriarchen, Bisschoppen, Koningen,
Hertogen, Graven en in zonderheid de Twaalf Genoten. En als zij bij hem
in de burchtzaal waren gekomen, zoo heeft Koning Carel eene stilte doen
gebieden, en is opgestaan, zeggende: "Gij, Edele Vorsten en Baroenen, u
is kennelijk, dat ik zeer oud van dage worde--alzoo dat ik voortaan de
wapenen niet wel gebruiken kan; noch de groote heerschappije daar ik in
ben, niet berechten, overmids de zware lasten daaraan verbonden. Daarom
wil en begeer ik, dat gij toestemt en helpt volbrengen, dat ik mijn zone
Lodewijk overgeve mijn kroone en land, en dat gij hem kroonet en zettet
als machtig Koning: want hij is een vroom jongeling."

Toen sprak Bisschop Tulpijn en alle de Heeren, en zeiden: "Heer Koning,
het is waar: maar voor heden wederzeg ik uwen wensch: want al is
Lodewijk jong en schoon, en tot redelijken leeftijd--'t en kan nochtans
niet geschieden, want uw Hof is niet volmaakt."

Toen sprak Koning Carel met haastige moede: "Wie is hier ontbrekende! Ik
hebbe hier binnen mijnen Hove de vermaardste, Geestelijk en Waereldlijk,
van heel Christenrijk!"

Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heere Koning, ik zegge u voorwaar, hier
ontbreekt een der aanzienlijkste, edelste mannen van der waereld; van
den hoogsten geslachte; een vrij heerschend man: want hij houdt zijn
goed van niemand ter leen. Hij werd van u gebannen vijftien jaren en zes
weken: 't was daarom, dat hij menige--overmoedige krijgstocht tegen uw
volk deed, met hevige feiten van wapenen: hij sloeg al dood (en roofde
en brandde in uw land) wat geestelijk of waereldlijk was; en het goud
daar men Gode mede diende op den autaar daar besloeg hij zijn paerden de
voeten mede."

En als Bisschop Tulpijn zijn woorden geëindigd had, sprak Koning Carel:
"Dat is Haymijn: hij heeft mij dikwijls groot verdriet gedaan; ook enne
en weet ik, dat hij met schendige hand de doornekroone onzes Heeren
geroofd heeft, die hem op zijn gezegend hoofd gedrukt was, ook stal hij
de nagelen daar onze Heer aan het Cruis mede genageld was; ik weet
voorwaar, dat hij mij den dood gezworen heeft, en al dat van mij gekomen
is. Ik zegge u en beloof 'et God, kende ik iemant van mijn vrienden,
magen, of Heeren, die Haymijn eenige hulp of bijstand deden, ik zoû ze
doen sterven. Maar wist ik een bode zoo stout, ik zoû hem zenden om
Haymijn. Ik bidde van uw liefde, Bisschop Tulpijn, wilt mij hierin raden
wat best is; gij weet toch hoe het met mij staat."

Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heer Koning, de beste raad, dien ik weet,
is, dat gij uw feest en Hof doet verlengen veertien dagen, en zendt
terstond om Haymijn een bode met een brief, inhoudende, dat gij hem
zweert vrede en vast geleide, op St. Dionysius' lichaam, en stelt tot
borge twaalf mannen, de beste van Uw Rijk. Valt het wat zwaar en
verdrietig, 't is nochtans met eere gedaan."

Als nu Koning Carel dezen raad van Bisschop Tulpijn gehoord had, dacht
die hem goed, en zeî hij tot den Bisschop: "Waar zoude ik iemant vinden
zoo koen, die de boodschap durft aanvaarden?"

Toen deed Bisschop Tulpijn voor den Koning komen den stouten Roelant,
Willem van Orangiën[1], Bertram, en Bernaert. Als zij voor den Koning
stonden, vraagde hun de Bisschop 'of zij de boodschap aannemen wilden?'
't Welk zij gaerne deden. Men gaf hun elk een treflijk paerd met
kostelijke tuigen van goud en zijde.

Deze vier Heeren bereidden zich tot vertrekken, en zaten op hunne
paerden, die hun Koning Carel gegeven had, en goed waren. Als zij nu te
paerd zaten, met een cierlijk golvenden mantel, en met olijftakken in de
hand, zoo reden deze vier Heeren met blijden moed en vrolijker herte,
zonder eenig toeven, zoo langen tijd, dat zij kwamen in Haymijns land,
en zagen Piërlepont, waar Haymijn weder Hof hield met al zijn vrienden:
daar waren twee-en-dertig vrome Ridders.

En Haymijn had, te dezen feesten, acht-honderd mannen binnen zijn
kasteel, die altijd gewapend waren en voorzien van harnassen: de
uitgelezene van zijn volk bewaakten het kasteel van Haymijn, tegen
verraad en oploop.

Na de maaltijd stond Vrouwe Aye voor een venster van de zale; zij hield
den middenspijl omvangen, en zag ginds in het dal deze vier Ridders
komen aanrijden. "Den voorste," zeide zij, "herken ik wel: dat is mijn
Heer, de Grave Roelant; en waarlijk is de andere niet de Grave Willem
van Orangiën? de derde schijnt Bertram, de stoute en roemrijke Ridder;
de vierde is Heer Bernaert. Mij dunkt zij komen herwaards; bij God die
mij ten leven riep! ik vreeze, dat zij in hunnen dood rijden. In dit
oogenblik wilde ik wel, dat zij waren honderd mijlen ver.--Zij moeten
iets gewichtigs te boodschappen hebben."

Toen riep zij den poortier tot zich: "Ga haastelijk, en met Gods hulpe,"
zei zij, "en neem deze vier hoofdbanden, en geef den beste aan mijn Heer
Roelant, en zeg hem, dat zijn moei hem die zond, die hier Vrouwe is; doe
de paerden wèl verzorgen, en leid de Ridders in de zaal; zij komen voor
den overmoedigsten man der waereld."

Op die tijd zat Haymijn, de oude, onder zijne Baroenen; ieder had op
zijn schoot een zwaerd met scherpe snede. Haymijn droeg een schoonen en
kostelijken blioud[2] van groene zijde, vercierd met edelgesteente. Hij
hield de beenen gekruist over elkaar, leunde met de elbogen op de
knieën, en zat daar, of hij Heer over gantsch Christenrijk ware; hij
hield het Hof ook dus in bedwang, dat er niemant en was, geen zoo rijke
Landsvorst, die spreken durfde, 't en ware met zijn toestemmen.

De vier Ridders dan zijn te gader gekomen in de zale, en bij het
binnentreden groetten zij Haymijn heuschelijk, en even zoo de Ridders,
Vrouwen en Jonkvrouwen die zij daar vonden. Maar daar was niemant zoo
stout in de zale, die zeggen dorst: "Weest wellekom!" Daarna bogen de
vier Heeren weder op hunne knieën voor Haymijn; die zich niet
verwaerdigde op hen af te zien. Toen zeide Graaf Roelant met zoete
woorden: "Wij komen als boden, u gezonden door Koning Carel, die u
noodigt, dat gij tot hem komt en kroont zijn zone Lodewijk. Hij kent
niemant zoo edel en aanzienlijk als u, die hem de kroone spannen moge;
hij heeft daarom zijn hof doen verlengen veertig dagen en veertig
nachten. Hij zweert u vrede bij de twaalf beste borgen van
Christenrijk."

Haymijn hoorde wel het gesprokene--maar andwoordde niet. Als hij zijne
vijanden, in zijn eigen land, daar vóór zich zag, ontging hem al zijn
verwe, en zat hij bleek en sprakeloos. Hadde hij ze, met behoud zijner
eere, mogen nêerslaan--ze zouden hem niet ontkomen zijn.

Andermaal zeide Roelant: "Spréékt tot ons, Heer Haymijn! dat bidden wij
u op genade, en zegt ons of gij het u welgevallig laat zijn Lodewijk te
kroonen.--Een dief of gevonnisten moordenaar, zoudt ge, ondanks zijne
veroordeeling, toch andwoord geven!"

Haymijn en andwoordde niet. Toen zagen de Ridders elkander ernstig aan.
Vrouw Aye, de schoone vrouw, die heusch was en edel, stond nu op, en nam
eene gouden schale en goot ze vol van den besten wijn, en zeide:
"Drinkt, Heer Roelant, dezen frisschen, koelen wijn; ik wil heden uw
schenker wezen en ook mijns Heeren Willems!"

Toen gaf zij, uit de gouden schale, te drinken al dezen Ridders, en
heetten ze welkom. Dit vergramde den Grave Haymijn zeer.

Toen zeide Vrouw Aye tot hem: "Spreekt, Edel Heere! en, om uw eigen eer,
wilt mijnen magen en den uwen andwoord geven: ze zijn de besten van
Christenrijk. Dat gij zoo lange zwijgt--is dorperheid...." En eer zij
het woord voleindigd hadde, verhief Haymijn, in toorne ontstoken, de
hand en sloeg haar, dat ze ter aarde viel, en niet meer en hoorde en
zag. En niemant had durven roepen: "Laat af!" noch er een woord tusschen
spreken--schoon haar het roode bloed ten monde en ter neuze was
uitgebroken.

En hierbij stonden de vier ridders--Grave Roelant en Bertram de
krijgsman, Heer Willem, en Bernaert, en vloekten hunne zwaerden, en
zeiden "het was des Duivels bestier, dat zij daar ongewapend
binnenkwamen." En zij hieven de schoone vrouw op van den grond. Zoo
gaerne zoude de Gravinne een eind aan deze groote veete maken, en
haastig riep zij: "Gij Heeren! ik en hebbe geen nood!" De heusche
Vrouwe, de zachtmoedige, wischte zich het bloed af, en ging met een
vrolijk aangezicht tot Haymijn en kuste hem aan zijnen mond, en omhelsde
hem minnelijk, en zeide: "Spreekt, Edel Heere, welbeminde! en geef dezen
antwoord!"

En Haymijns gramschap was gekoeld, en hij sprak tot haar: "Wat heb ik te
zeggen, beminde vrouwe? Voorwaar, dit getuig ik u: ik ben de
ongelukkigste man, die ooit ziele ontving of leven; en gij de
ongelukkigste vrouw ter waereld."--"Waarom, mijn welbeminde?" zeide zij.

"Ik zal het u zeggen, Vrouw Gravinnen!" reide Haymijn. "Meer dan twintig
jaren heb ik u gehad, en God verleende mij nooit de gratie, dat ik een
kind aan u hadde gewonnen, dat nu ter wapene goed zoude zijn en mijn
land na mijn dood bezitten mocht. Nu zal mijn goed voor mijnen
doodvijand blijven: want ik weet wel, dat hij 'et mijn magen ontweldigen
zal. En nu willen zij dat ik hem de kroon zal spannen! dat zeggen zij
mij aan! Maar ik haat hem nog meer dan den vader, en dien ik van
hunnentwege meester kon worden, dien zoude ik verslaan: en werd ik van
hen gegrepen--God weet, dat zij ook mij zonder uitstel zouden dooden.
Dies is mijn herte ontrust, en heeft een afschuw van die krooning;...
liever offerde ik alles op, dan dat mijn goed hun blijven zoû."

Toen antwoordde de Gravinne: "Grave," zegt ze, "ware 't, dat gij
kinderen hadt, luttel of vele--zoudt gij ze dooden?"--"Voorwaar," zegt
hij, "ik zweer u bij mijn trouw, dat ik ze allen zoû grootbrengen en
behoeden, gelijk een vader schuldig is te doen--zijn lieven kroost, dat
hij voor al de waereld bemint!"--"Zoo waren het dan verloren eeden, die
gij zwoert, voor vele jaren; waarbij gij verzekerdet, dat gij dooden
zoudt alle de kinderen, die wij zouden hebben!"--"Woorden, hetzij door
dwang of in verbolgenheid gesproken," zeide Haymijn, "hebben geen
waerde. Hadde ik kinderen, zoo kon ik gelukkig wezen: maar neen ik--God
betere 't!"

--"Zweer mij bij uw Ridderschap," sprak de edele Vrouwe, "dat gij uw
kinderen vreedzaam bejegenen zult--wilde 't geval, dat gij er vondt."

Haymijn verbaasde dit: "Vrouwe!" zeide hij, "dat wil ik gaerne doen;
maar gij onderstelt iets, dat ik kwalijk kan aannemen--want ik weet
niet, dat mij ooit kinders geschonken zijn."

Toen nam de Edelvrouwe den Grave Haymijn bij de hand en zeide: "Gaat met
mij--gij zult ze zien!"

Haymijn, verblijdde zich innig bij die woorden; hij stond op, en ging
met haar. En toen hij de vier Gezanten voorbijging, groette hij elk bij
name, en heette ze welkom. Hij zeide, 'hij zoû dra te-rugkomen in de
zale: maar hij moeste gaan zien zijn Kinderen--daar hem zeer naar
verlangde.'

Daarop leidde hem de Vrouwe voor eene steenen kamer, waar de Kinderen
waren. Haymijn bleef een weinig voor de deur staan, eer hij binnenging.

Terwijl hij voor de kamer stond en de jongelingen die er in zaten, hier
niets af wisten, zeide Reinout, met een overmoedigen zin, daar hij zeer
stout en onvervaerd was: "Ondank moet hebben die hier Hofmeester is en
Drossaart, en dient ter tafele van eten en drinken!... want wat
gerechten dat hij hier brengt, ze hebben alle eerst op andere tafels
geweest, en de schotels zijn er half ledig afgenomen; ook hebben wij
noch krijgen geenen wijn die goed is.... Ik zegge voorwaar! had ik hier
den Bottelier en Schenker, ik zoû ze slaan dat ze er nimmermeer van
opstonden!"

Daarop andwoordde Adelaert en zeide: "Broeder, ik bid u, dat gij die
tale staakt."--"Wij zeggen hetgeen ons gelieft...." andwoordde Reinout
trotsch. "Gij weet wel," sprak Adelaert, "dat onze moeder ons bevolen
heeft, dat wij stille wezen zouden. Wij weten wie onze moeder is; maar
wie onze vader is, weten wij niet, want onze moeder wil het ons niet
zeggen; zij vreest Heere Haymijn, en ik zegge u voorwaar, sloegt gij
Haymijns Drossaart, Bottelier en Schenker--hij is zoo wreed en
hoogmoedig van zinnen, hij zoû u de hardste dood doen sterven: gewapend
volk heeft hij altijd op der zale en in den hof."

Als Reinout deze woorden van zijn broeder hoorde, sprak hij met
toornigen moede: "Zoude hij mij doen dooden--Haymijn--die ellendige? des
zoude de Duivel hem richten. Ik en geve om zijn gewapende lieden niet
een kaf;... ik zoû ze mijn vuisten doen voelen, dat ze neêrduizelden--en
dien Haymijn het eerst!"

Deze woorden hoorde de stoute Haymijn, daar hij voor de deure stond, en
zijn herte werd verblijd, en hij zeide tot zijne vrouwe: "Voorwaar ik
zegge u, dat Kind is het mijne, dat hoor ik aan zijn fiere taal!"

--"En van de anderen twijfelt gij?"

Toen sprak Haymijn: "Ik wil beproeven hunnen moed of ze vroom zijn van
herten."

Daarop heeft hij met zijnen voet op de deur gestooten met zulke kracht,
dat zij uit de harren brak, en viel neder op den vloer der kamer.
Reinout sprong driftig op, en met dat Haymijn binnenkwam, wierp hij hem
over een bank, dat hij ter aarde viel, zeggende tot Haymijn: "Wat doet
gij hier, oude! ik zegge u voorwaar, wij hebben gegeten: waar gij hier
eer gekomen, gij mocht van den afval van onzen disch genomen hebben."

Toen kwamen de andere broeders toeloopen. Als dat Haymijn zag, vervaerde
hij hem, daar hij ter aarde lag, en Reinout bij hem overeinde stond met
een dreigend aangezichte. Toen riep Haymijn haastelijk en zeide: "Edel
jonkman, en wil mij niet slaan--ik ben dijn Vader; van dezen avond zal
ik dy Ridder maken." Toen sprak Reinout: "Zijt gij onze Vader?----zoo
ware mij leed, dat ik had geslagen."

Het eerste kuste Haymijn--Writsaert aan zijnen mond, daarna Adelaert en
Ritsaert; en als hij Reinout kuste drukte hij Reinouts aangezicht hard
aan e't zijne, zoodat Reinouts lippen bloedden.

"Wat doet ge!" sprak deze; "waart gij mijn vader niet, zoo zoude 't u
euvel bekomen, dat ge mij kwetstet."

Toen sprak Haymijn: "Lieve zone, des ben ik blijde, dat gij der eere
waerd zijt Ridder te worden."--"Edel Heere," zeide Vrouw Aye; "wat zij
behoeven van Ridderlijke wapenen, dat heb ik doen maken cierlijk en
sterk--zoo moget gij rijden met de Kinderen tot mijnen broeder ten
Hove."

[1] _Willem van Orangiën_: deze Paladijn, uit het Huis van Narbonne, en
Bisschop Tulpijn, die over den Doop van Ritsaert stonden, dienden dus
toch den Koning. Verg. boven: "Vrouwe Aye was dragende, maar hield het
geheim, dat het niemand konde weten, behalve eene Jonkvrouwe....

[2] _blioud_: cierlijk opperkleed, met of zonder mouwen. Zie Viollet le
Duc, op het woord _Bliaut_ (Dict. du mob., III, I, 38--60).




HET ZESDE CAPITTEL.


     Hoe de Grave Haymijn zijn Kinderen Ridders maakte, en
     hoe hij Reinout 'et Ros Beyaert toonde, en deed hem dat
     berijden, dat vele Heeren aanzagen.


Als Haymijn met vrouw Aye in de zaal waren te-rug-gekomen, deed hij
spreiden een groot laken van fluweel, en liet zijn Kinderen vóór hem
komen. Ritsaert kwam eerst. Men bracht hem twee gulden sporen, die zeer
kostelijk waren; die spande men aan zijn voeten. En Haymijn gordde hem
't zwaerd, en deed hem knielen en sloeg hem in den hals, zeggende: "Ziet
op, Ritsaert, weest kloek en vroom, en helpt het bloed Christi wreken,
dat hij voor ons aan het Cruis gestort heeft. Ik hebbe voortijds vele
ongerechte daden bedreven--dat berouwt mij zeer; wees gij altoos een
vroom Ridder, heusch[1] in woorden en Werken. Ik en geve u erf noch
land; gij zult het zelver winnen, met uw welsnijdend zwaerd, op Heidenen
en Turken. Ik zal u het zwaerd geven, dat mijn vader mij gegeven heeft.
Op 't goed, dat ik bezit, durft geen Leenheer aanspraak maken: ik heb
t' met den zwaerde gewonnen op de Turken, Gods vijanden; en wat ook gij
daarop moogt winnen, moge u God in vrijen eigendom laten: maar eer gij
op de Heidenen vaart, moet gij met mij ten Hove."

Toen liet Haymijn--Adelaert komen; hij bracht een zwaerd in de hand,
zijn sporen waren gespannen, die kostelijk en goed waren: Haymijn gordde
hem 't zwaerd en sloeg hem in den hals, zeggende: "Peinst op God, dien
men in den hals sloeg, en hoe hij dat minnelijk verdroeg van de Joden
ter onzer verlossing! Ik zeg u voorwaar, daar behoort veel toe om
Ridderschap eerlijk te dragen. Ik geve u tijdlijk goed, noch borg, noch
kasteel. Wint ze met uw vromigheid op de Heidenen en Turken, maar gij
moet ook ten Hove met mij, eer gij vaart op de Heidenen."

Daarna maakte Haymijn--Writsaert Ridder, en zeide hem 'tgene hij den
anderen Kinderen gezeid had.

Dat gedaan zijnde, liet hij Reinout komen, die stout en van hoogen moede
was; zijn sporen waren hem gespannen. Hij was zoo lang, toen hem Haymijn
in den hals zoude slaan, dat hij op een bank moeste klimmen. Toen zeide
Haymijn: "Reinout! staat op goed Ridder en hebt den moed van een
Espetijn[2]: want hij draagt karbonkelen in zijn hoorn, de zege verbeurt
hij nimmer. Reinout, ik geve-u-alleen Piërlepont, Montagu en
Valencijn[3], maar gij en zult niet laten op de Turken en Heidenen te
vechten."

Toen bracht men daar vier schoone rossen die goed waren, bekoorlijk voor
het oog. 't Beste van de vier gaf men Reinout, daar hij op zoude rijden
ten Hove; want het was een voet hooger dan de andere drie. Toen Reinout
dat ros zag, dacht 'et hem te klein, hij verhief zijne vuist en sloeg
'et ros daarmede tusschen zijne ooren, dat 't dood vóór hem viel. Hij
zeide: "Vader, dit is een kleine gifte: dit ros is veel te krank en
tenger." Toen de Edelvrouwe Aye dit zag, was zij zeer verwonderd van
Reinouts kracht, en zeide: "Gij zoudt ze alle doodslaan, die men u
voorbracht."

[Illustration: De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is
dood, ziet daar ligt hij.]

Maar Haymijn zeide verstoord: "Zwijgt, Vrouwe, van deze woorden; laat
Reinout, mijn Kind, zijn kracht toonen! Ik zegge u voorwaar, ik woude
dat men hem er honderd voorbracht, en dat hij ze alle dood sloeg." Toen
bracht men hem er een uit den stal, dat hooger was dan de andere, en hij
sloeg ook dat met de vuist ter neder; daarna bracht men hem een derde,
dat uitermate groot was en grover dan de anderen; daar sprong Reinout
op, en sprong het de lendenen aan stukken, dat 'et stierf.

Als Haymijn dat zag, was hij verblijd van herte en zeide: "Zone,
bedroeft u niet! Ik weet u een Ros, dat heet Beyaert, en heeft de kracht
van tien rossen; in een sterken toren is het opgesloten, niemant durft
er bij komen, om zijn groote kwaadheid. Deze Beyaert is van een
dromedaris gekomen; het is zoo snel van loopen, dat als een sperwer, met
nieuwe veêren, uit zijn wijkplaats af kwam vliegen, hij die op Beyaert
zat, indien hij 't reiken mocht, hij zoû den sperwer zijn vleuglen
kunnen korten, in de vlucht."

Toen Reinout zijnen vader dit Ros hoorde prijzen, zeide hij al lachende:
"Vader, dat eerst zoû mijn paerd zijn!"

Toen sprak Haymijn tot Reinout: "Doet uw wapenen aan; dat rade ik u,
want het is van vreeslijken aard en laat hem niemant genaken, en heeft
een sterk gebit, want hij bijt steen, gelijk andere rossen hooi."

--"Wat!" sprak Reinout, "zal ik mij wapenen tegen een paerd? 't ware
groote schande voor allen die 't hoorden of zagen." En Haymijn sprak:
"Ik rade u, dat gij u wapent, want het Ros is groot, fel en sterk." Als
Reinout die woorden hoorde van zijnen vader, zoo wapende hij zich met
zijn harnas, als of hij ten strijde zoude gaan, en nam in zijn hand
eenen stok van vademslengte, en ging in den toren daar het Ros was.

Hem volgden veel Ridders en Jonkvrouwen, om te zien hoe 't Reinout
vergaan zoude; zijn vader en moeder volgden insgelijks. Vele Ridders en
Jonkvrouwen lagen over den ringmuur, want zij hadden groote begeerte te
zien wat avonture dat er geschieden zoude. Toen gebood Haymijn, 'dat men
den stal ontsloot,' en zeide tot Reinout: "Zone, beheerscht en temt het
Ros, en ik zal het u geven."

Met dat Haymijn die woorden tot Reinout sprak, ontsloot men de
staldeure. Toen zag Reinout het Ros voor hem staan; en het Ros sloeg
Reinout met één der achterhoeven voor het hoofd, dat hij als dood ter
aarde viel, en lange lag eer hij bijkwam.

Vrouw Aye, dat ziende, liep haastig toe en wrong haar handen, zeggende:
"Och, mijn kind is dood!"

Toen zeide Haymijn: "Zone, beheersch het Ros: ik gunne 't niemant beter
dan dy."

De Edelvrouwe Aye riep zeer jammerlijk: "Och, hij is dood, ziet, daar
ligt hij!" Haymijn zeide: "Zwijgt Vrouwe, hij is van mijnen bloede, en
ik hem gewonnen hebbe; twijfelt niet, hij zal genezen."

Ondertusschen verkwam Reinout en schaamde zich daar hij lag: hij heeft
zijn stok verheven, en meende Beyaert daarmede neder te slaan, doch
Beyaert sloeg hem dien uit de hand, en nam Reinout in zijn muil, bij
zijn maliejak, dat het scheurde, en wierp Reinout voor zich in de
kribbe. Reinout sloeg Beyaert met de vuist, en Beyaert wierp Reinout op
de aarde. Hadde 't Reinout zonder schande mogen doen, hij ware uit den
toren geloopen. Toen nam Reinout Beyaert bij den hals, het paerd
omklemde hem met de voorpooten; toen sloeg hij 't Ros met vuisten; aldus
wrocht en vocht hij lang tegen Beyaert; nu boven-, dan onderliggende,
dwong hij het paerd een breidel in den mond, en sprong er op met twee
scherpe sporen. Toen zett'e men de deuren wijd open, en de lieden vlogen
van schrik over elkaar in den eersten loop, bij de sprongen van Beyaert.

Als Reinout en Beyaert kwamen op 'et ruime veld, gaf hij hem de sporen
en den toom, en zat er op of hij er uit gewassen geweest ware. En
Beyaert was sterk, groot en snel, en droeg Reinout door twee wijde
grachten, met eenen sprong van veertig voeten wijdte. Aldus reed Reinout
een langen tijd wech en weder, tot het paerd moê wierd; Beyaert was
sterk bezweet en bloedde van de spoorslagen die hem Reinout gegeven had.
Toen trad Reinout van den Rosse, en veegde 't van zijn bloed en zweet.
Vrouwen en Jonkvrouwen kwamen van den muur om Beyaert te bezien.

Toen sprak Reinout, de koene ridder: "Voor dit Ros gaf ik al mijn
goed!" Beyaert stond voor hem en beefde, en leidde zijn voeten te zamen
en neeg voor Reinout neder, en was zoo tam, dat er een kind op kon gaan
spelen zonder gevaar. Het was geheel zwart, maar vóór was 't wit, en
breed over de heupen. Reinout deed maken een goeden zadel, met zijden
schutbladen[4], die zeer kostelijk waren.


[1] _heusch-, hoofsch-, hoveschheid_ is het tegenovergestelde van
_dorperheid,_ en beteekent al wat edel en goed is in den aard, of in de
form.

[2] _Espetijn (erspentijn, serpent?)_: draak.

[3] _Montagu_ en _Valencijn (Valenciennes)_. In sommige bronnen: heet
dit laatste _Valkensteyn._

[4] _Schutbladen_: zie de noot 2 Carel en Elegast.




HET ZEVENDE CAPITTEL.


     Hoe dat de Grave Haymijn met deze Kinderen ten Hove
     kwam, en ontvangen werd van Koning Carel, en hoe
     Lodewijk, Koning Carels Zone, gekroond was Koning van
     Vrankrijk, en heette zijnen Drossaart[1] en Kok, dat men
     Haymijns Kinders niet te eten en gave, en hoe hij alle
     zijn Heeren begifte, zonder Haymijns Kinderen; dien gaf
     hij niet.


De Grave Haymijn met zijn Kinderen bereidden zich om ten Hove te varen,
en wapenden hen of zij zouden ten strijde gaan, en voorzagen zich van al
wat van noode was; menig mensche verwonderde hem, dat Heyman en zijn
Kinderen met zijn volk zoo gewapend gingen, want man-en-paerden waren
voorzien van eene volledige uitrusting.

Daar reed mede de Graaf Roelant, Willem, Bernaert en Bertram, en reden
ten Hove. Zij reden zoo lange, dat zij tot Senlis kwamen, en van daar
kwamen zij te Parijs[2].

Reinout en zijn broeders zaten op Beyaert, de aarde beefde, en 't vuur
sprong uit de steenen, daar Reinout en zijn broeders over reden; en zij
hadden banieren ontwonden, en droegen ze cierlijk ten toon. Aldus
genaakten zij ten Hove.

Toen Koning Carel vernam, dat Haymijn Parijs naderde, en dat zijn volk
gewapend was, zoo zond hij hem een bode, die zeide: 'dat hem Koning
Carel bade, dat hij zich met zijn volk ontwapende'; hetwelk Haymijn
alzoo gedaan heeft.

Koning Carel bereidde zich met zijn volk om Haymijn te gemoet te
trekken, en vriendelijk te ontvangen. Dit wekte Lodewijks misnoegen, en
hij zeide tot zijnen vader: "Zult gij nu tegentrekken den gene, die u
haat en die u doodvijand is?"--"Zwijgt zone!" zeide Koning Carel; "ik
wil dat men dien twist gezoend beschouwe. Bereidt u zonder toeven; gij
moet medevaren, en zien uwe neven, en groeten ze minnelijk."

Koning Carel bad alle zijne Edele Baroenen, Vrouwen en Jonkvrouwen, dat
ze met hem togen tot Haymijn, om hem eervol te ontvangen. Zij
andwoordden den Koning, dat zij 't gaerne deden. Dus gingen zij, met den
Koning, Haymijn te gemoet, heerlijk opgezeten en in prachtigen dos, en
zoo cierlijk als ieder konde, beide van Heeren en Vrouwen.

Toen Haymijn bij Koning Carel kwam, zoo ontving hem de Koning
blijdelijk, en heette hem welkom met zijn Kinders en al zijn volk. Des
dankte Haymijn den Koning met zoete woorden; maar Lodewijk sprak noch
Haymijn noch zijnen Kinderen toe; hij zweeg stille. Dit was het eerste
in dertig jaren, dat de Koning--Haymijn ongewapend had gezien. Roelant
bad den Koning, dat hij Haymijn naar zijn staat ontvinge, en hij bad
Lodewijk mede; waar Lodewijk trotschelijk op andwoordde: 'hij en had met
Haymijn en zijn Kinderen niets gemeens.'

En de Baroenen en Jonkvrouwen zeiden tot melkander, 'dit is de Ridder
Reinout, Haymans zone; het is een der mannelijkste en schoonste
jongelingen die in Christenrijk zijn.' En dit hoorde Lodewijk en het
verstoorde hem zeer; want hij placht de schoonste te wezen. Maar naast
hem, was Reinout eenen voet langer, had moediger opslag, was schooner
van huid, en zat op het beste Ros, dat in de waereld was.

Hoort, hoe dwaselijk dat Lodewijk sprak: "Waar," zeide hij, "hoorde men
ooit, dat Haymijn kinderen had? van waar zijn zij gekomen? heeft hij ze
gehuurd? Ik zal beproeven, in korten tijd of Reinout mijn neve is of
niet."

Lodewijk reed nu tot Reinout en groette hem, zeggende: "Neve! God groete
u goeden dag!" Reinout zeide: "Neve, des moet u God loonen!" En als zij
malkanderen gegroet hadden, zeide Lodewijk tot Reinout: "Neve, geeft mij
dit Ros, daar gij op zit; ik zal u danken."--"Voorwaar!" zeide Reinout:
"zoude ik dit Ros aan iemand geven, ik gave 't û. Gaerne wil ik u dienen
met mijn lijf--maar dit paerd en verlaat mij niet meer! 't Is mij zuur
genoeg gevallen eer ik 'et beheerschte, en nog en mag hij geen ander
Ridder dan mij en mijne broeders dragen." Als Lodewijk dit hoorde was
hij toornig, en zeide: "Hij is van grooten geslachte; hij is gewoon
landen in leen en te gifte te ontvangen ... maar ik zegge uw" vervolgde
hij overluid, "als ik zitte in mijn Majesteit, en gekroond zal zijn, en
ik élk begiftigen zal--zoo zal ik u niet geven!"

Reinout wendde smadend het hoofd af: "Geef uw giften, dien 't u lust; ik
heb ze niet van doen: mijn vader heeft goed genoeg!"

Na dit gesprek gingen zij in een lustigen boomgaard, waar Koning Carel
zich met spel en zang placht te vermaken. Daar was alles wat tot
uitspanning dienen kon: men schaakte, men schermde; men speelde met
kegels, met werpschijven, en dobbelsteenen; daar zaten Vrouwen en
Jonkvrouwen onder het geboomte, met wie de Ridderen in minnelijk
onderhoud waren; elk verloor den tijd eer hij 'et wist.

Als het maaltijd was, en men zoude gaan eten, beval Lodewijk, dat men
Haymijns kinderen geen eten voorzettede. Deze woorden hoorde menig
Edelman. Men gaf water tot handwasschinge, zoo als betaamde. Toen werd
de Paus en Patriarch, daarna de Koning en Koninginne, elk na zijner
waerde ter tafel gesteld; Haymijns kinderen zett'e men in een hoek, daar
de honden meest liggen--zoodat ze hun dikwijls hinderlijk waren. Een
ieder werd gediend van spijs en drank--maar Haymijns kinderen gaf men
niet.

Zij zagen malkander aan, inwendig verstoord. Op eens stond Reinout op en
zwoer, 'dat hij eten halen zoude, wien 't lief of leed ware!' en liep
met vlammend oog ter zale uit, in de keuken, en stiet de deur met den
voet dat ze opensprong, en nam zeven schotelen met spijs. De Kok dit
ziende, wilde ze Reinout ontnemen, en zeide: "Laat staan, in Duivels
name!" Reinouts gramschap brak los; hij stiet den Kok met den voet, dat
hij in 't vuur viel. De Kok hield Reinout nochtans bij zijne kleederen,
en wilde hem niet laten gaan. Toen hief Reinout zijn vuist, en sloeg den
Kok daarmede op het hoofd, dat hij duizelend ter aarde viel. Reinout
liep met de spijze daar zijn broeders zaten, en zeide: "Broeders! hier
is genoeg van alles."

Toen kwam er klachte voor den Koning, dat zijn Kok doodgeslagen was; hij
vraagde, 'wie 't gedaan hadde?' Zij zeiden 'Haymijns zone, Reinout.'
Toen zeide Koning Carel: "Dat hij den Kok dood sloeg, is geen wonder;
daar die zelve wel zag, dat zij niet te eten en hadden. Waarom hun niets
gebracht? hier eet zoo menig man! God bezware de ziel van den Kok: maar
sints hij daartegen was, dat Reinout de spijze nam, heeft hij zijn
rechte loon. Deze jongelingen zijn mijn magen: ik en wil ze niet
verdrijven, en trekken vreemde lieden hun voor. 't Komt mij op een kok
niet aan; wil ik er éen, mij komen er tien. Wat er meê misdaan zij--het
blijve zoo!" Als zij, die over Reinout klaagden, dit hoorden van den
Koning, zwegen zij en gingen heen.

Toen kwam de Bakker, en gaf Reinout van alles genoeg. Toen kwam de
Wijnschenker, en zeide tot Reinout: "Heer, wilt gij van den wijn, ik zal
hem u geven!" aldus diende men Haymijns Kinderen met eere; maar het
stoorde Lodewijk zeer. Hierop kwam de Drossaart binnen, die stond over
de gerechten, glimlachte en zeide tot Reinout: "Jonkman, gij hebt
misdaan, bestond de Kok mij in den bloede of in vriendschap--ik zegge u
voorwaar, ik zoude hem wreeken; het zoude u kwalijk bekomen." Reinout
zag neer op den Drossaart en zeide: "Gij zijt zwak: gij dreigt zonder
misdoen; sloegt gij mij--uw doodsuur lag daaraan."

Toen werd de Drossaart gram, en zeide: "Dat worde beproefd, al zijt gij
nog zoo stout!" En hij greep een stok en sloeg naar Reinout. Reinout
schoot op, schutt'e den slag op zijn arm, verhief zijn vuist, en sloeg
den Drossaart, dat hij dood ter aarde viel. Toen stiet hij het doode
lichaam met den voet, dat het een stuk weegs in de zaal vloog.

Koning Carel zag dit, van waar hij zat, en zeide: "Ik zie wel, dat hij,
die daar overdaad doet toornig is." Lodewijk sprak: "Heer vader! ik
beroep mij op u; gij zijt Heer van den lande: straft gij dit niet, het
zal u tot oneer zijn." Toen kwamen daar klachten tot den Koning, wijl
het zelfs nu den Drossaart had moeten gelden: nochtans gebood de Koning
weder, dat 'er niemant zoo koen ware, die Reinout misdede: en daar was
niemant, die zich tegen Reinout dorst verzetten.

Men liet komen de dichters en speellieden, om te zingen en te spelen en
allen te verheugen, die daar aan tafel zaten.

Als men zoude gaan slapen, beval Lodewijk zijnen Kamerling, dat men elk
voorzage van bedden; maar Haymijns kinderen niet: "dezen mocht men een
bank wijzen, daar zij op slapen zouden"; en de Kamerling deed alzoo.

Reinout, dit ziende, zeide tot zijn broeders: "Ik zeg u, dat wij hier
nog t' avond de beste bedden zullen hebben." Toen de Heeren en knechten
alle te ruste lagen, naam Reinout in zijn handen een krijgstok van
ijzeren maliën, en sloeg daarmede zoo heftig de gasten die te bedde
waren, dat zij niet wisten hoe spoedig maar wech te komen; zoo dat zij
vielen over malkanderen, het kind over den vader, den vriend over den
vriend, wie 'et eerste naar buiten kon geraken was er 't beste aan
toe--zoodat Reinout welhaast ledig vond dertig bedden, en leidde zijn
broeders op het beste bed, dat hij in den Hove vond.

Zij, die van hun bed verdreven waren, sommigen half gekleed, sommigen
bijna naakt, klaagden den Koning hoe zij gevaren waren en wie 't hun
gedaan hadde, en baden hem dat hij 't straffen zoude. Als de Koning dit
hoorde, zeide hij met wrevel: "Gij doet kwalijk, dat gij alle klaagt
over dien éenen man; ik wijs in deze zaak geen recht." Als zij dit
hoorden trokken zij af, en lagen waar zij konden.

Reinout en zijn broeders sliepen met vrijer herte tot de morgen heerlijk
aanbrak. Toen stonden zij op en kleedden hen; en als zij gekleed waren,
gingen zij tot 's Konings zale, en de Koning kwam hun te gemoet met
menig Edelman, en wilde gaan tot zijn zone Lodewijk.

De Koning was omgeven van dertig Bisschoppen, zes gekroonde Koningen, en
twaalf Hertogen; hij ging tot Lodewijk; en Haymijns kinderen voegden
zich bij hen.

Toen Koning Carel tot Lodewijks slaapkamer kwam, zeide hij: "Zone, staat
op, 't is tijd, want u zal heden groote eere geschieden!" Met-een
richtte zich Lodewijk op, en zeide: "Zijt welkom, Heer vader! en gij
Heeren al-te-gaêr." En Koning Carel zeide tot zijn zoon, met een bleek
gelaat: "Zone! ik zal u nog heden mijn kroone geven, en maken u Heer
over heel Christenrijk." Lodewijk sprak: "Heer vader! het zij ter goeder
tijd!"

De Grave Haymijn hielp Lodewijk kleeden, en Tulpijn, de Aartsbisschop,
insgelijks; daarenboven bediende hem menig edele man, want twee Koningen
regen hem zijne mouwen vast.

Koning Carel droeg Grave Haymijn op, dat hij zijn Kinderen vraagde, of
zij eenig ambt bedienen wilde, elk naar zijn vermogen ofte verlangen,
opdat zij daarvoor dank en eere bewezen den Koning zeer hooglijk. Toen
heette Carel, dat men Reinout maakte Bottelier, en Adelaert--Drossaart,
Ritsaert, dat hij den Koning diende, Witsaert de Bisschoppen.

Als de te kroonen Koning Lodewijk gereed was, leidde men hem in de
kerke, Witsaert ging voor hem, met Adelaert, als Markgraven[3], opdat
hem niemant en mochte genaken; bezijden ging Reinout, die was een voet
langer dan Lodewijk, Ritsaert ging achter hem; aldus leidde men Lodewijk
ter kerke.

Deze Vier Gebroeders droegen een groen zijden hemd, dien men Lodewijk
boven zijn hoofd hield, opdat hem de wind niet en deerde.

Als Lodewijk in de kerke kwam, leidde men hem in 'et choor, dat cierlijk
getooid was; de Koning ging bij hem, en de Heeren gingen alle staan naar
hun waerde. Haymijn stond daar met zijne Kinderen bij Koning Carel.

Men vind beschreven in de Chronijk van Vrankrijk, dat niemant gerechte
Koning van Frankrijk mag worden, of hij moet een echt kind zijn, en men
mag misse zingen over zijn lichaam, en het wijden ter eere Gods.

Ook moet men hebben, tot eene zalige krooninge, balsem, kaerse, en
vuur: want ontbrak dit, men mocht hem geen Koning maken. Lodewijk werd
geleid van Ste Mariaas autaar; Bisschop Tulpijn zong de Misse, en de
Patriarch van Jerusalem diende als Diaken ter misse.

Als 't zoo verre kwam, dat men offeren zoude, offerde Lodewijk een
bezant[4] van goude, ter eere Gods; toen offerde Reinout twee bezanten;
toen dacht Lodewijk in zich-zelven, dat zijn gift te klein was, en
offerde twee bezanten; toen offerde Reinout er drie.

Als dit Haymijn zag, zeide hij tot zijne zone: "Ter goeder tijd werd gij
geboren; ik wenschte dat ik mijn goed verkocht hadde in bezanten, en
hier gebracht, en dat gij ze offeren kost!" Toen zag Lodewijk op den
autaar; daar kwam geen balsem noch kaerse voor hem; toen bad Carel met
vuriger herte, dat zijn zone hebben zoude wat een Koning toebehoort. En
ziet, de schijne van twee Duiven bracht daar balsem, kaers en vuur.

Toen deed men hem groote eer en hulde, en men consacreerde op zijn
lichaam; en als de Misse zoo verre was, dat men 'Pater noster' zong,
bracht men een kostelijke kroone; daar stonden drie robijnen aan, groot
en schoon van stuk, en ontallijke andere steenen.

Nu werd ze hem op 't hoofd gezet: en toen hij de kroone op 'et hoofd
had, was hij in zich-zelven opgeblazen van hovaerdije. Hij raakte
beurtelings al de Edelen aan, die daar waren, ten teeken hunner
onderdanigheid. In den oogenblik, dat men hem de kroone spande, verhief
zich daar speelgeluid van trompetten en bazuinen, velerlei instrumenten,
zoo dat er nooit heerlijker Feeste eens Konings gezien was. Een bloot
zwaerd zonder scheede werd hem op zijde gegord, tot een teeken, dat hij
t' recht t' allen tijde beschermen zoude en rechtvaerdig vonnis zoû
spreken.

Als Lodewijk gekroond was, voerde men hem ten paleize: aan zijne éene
zijde ging de Paus, en aan de andere zijde de Patriarch van Jerusalem,
en daarna kwam Koning Carel met de twaalf Genoten van Vrankrijk, daarna
groote menigte van Bisschoppen; achter deze volgde de Grave Haymijn met
zijne Ridders. Een heerlijke staatsie! en iegelijk ging manierlijk en
hoofsch in den sleep, tot dat men ten paleize kwam.

Haymijns Kinderen, Reinout en zijn broeders, waren vooruit ten Hove
gegaan, om hunne ambten te aanvaerden. Als Lodewijk en de Heeren ten
Hove gekomen waren, ging men ter tafel zitten, naar rang en geboorte.
Haymijn zat meê aan Konings Carels tafel. Zijne Kinderen waren trouw in
de bediening van hun ambt: Ritsaert diende den Koning; Writsaert twee
Bisschoppen; Adelaert was werkzaam in de zale; Reinout kweet zich met
zoo veel ijver, dat men van zijnen dienste wist te zeggen: "dat alle
ding daar overvloedig was, van spijze en drank." Na de maaltijd ging men
dansen en spelen, en daar was groote vreugde: want daar waren ten Hove
vele edele Jonkvrouwen, die zeer schoon en aanminnig waren. Men schonk
er den wijn overvloedig in gouden en zilveren vaten. Daar waren
speellieden en menigerhande spel; elk toonde zijn konste zoo hij best
mochte; in goeder geneuchte was ieder der feestgenoten; zoodat niemant
de tijd verdroot.

Het gastmaal gedaan zijnde, vertrok Koning Carel met zijn Heeren en
Vorsten.

Lodewijk, de jonge Koning, dede roepen overluid: "Dat zij, die giften of
leenen ontvangen wilden, hem volgden--hij zoude elk na zijnen staat
mildelijk beschenken."

Lodewijk ging in een schoonen boomgaard en als hij nederzat op een
bloeyend veld, dat er bereid was, dede hij de Heeren voor hem komen, en
gaf hun schoone giften, na dat hem dachte dat ze waerdig waren, of na
dat hij ze liefhad, en zij aan hem verdienen zouden. Daar en was niemant
of hij ontving eenige gifte, hoe nederig dat ze van geboorte waren;
luttel of veel: alleen des Graven Haymijns kinderen gaf hij niet.

Toen Haymijns Kinderen dat zagen: dat het al begiftigd was in den Hove,
zonder zij alleen--en dat Lodewijk hun zoo kwalijk gezind was, gingen
zij tot hunnen vader en klaagden hem hoe zij gevaren waren. En Grave
Haymijn de klachte van zijn Kinderen gehoord hebbende, wierd toornig, en
ging haastelijk tot Koning Carel, daar hij in zijn kamer op 't bedde
lag. Als hij bij den Koning kwam, groette hij hem eerbiedig; en als hij
hem gegroet had, zeide hij: "Heere Koning! Lodewijk, uw zone, heeft
gegeven allen den Heeren, die zijn Hof volgen, schoone leenen en giften;
en zij zijn alle begift, zonder mijne Kinderen alleen; dien wil hij
niets geven; nochtans hebben zij hem gevolgd en hulde bewezen, meer dan
de anderen, die in zijnen Hove waren. Ik en weet niet, dat mijne Kinders
hem iets misdaan hebben."

Als Koning Carel deze woorden van Haymijn hoorde, had hij deernis met
hem, en zeide: "Haalt mij uwe Kinderen; ik wil ze niet verstooten of
geminacht hebben; ik zal ze zelver begiften en geven hun gaven zoo
eervol als eenigen Heeren in mijn Rijk." Haymijn ging nu tot zijne
Kinderen en bracht ze voor den Koning.

En als ze voor des Konings bedde kwamen, vielen zij op hun kniën en
groetten Koning Carel; hij heette ze wellekom, zeggende tot hen-lieden:
"Ik wil u begaven en schoone giften doen. Ritsaert, gij zijt de oudste
van uw broederen--het is mij gezegd, dat gij de eerstgeborene zijt: ik
zal u geven schat en gave: ik make u in Spangiën Markgraaf; dat zult gij
van mij ontvangen uw leven lang. Adelaert, ik make u Markgrave in
Poelgiën[5]; dat rijke land zult gij bedienen uw leven lang. Writsaert,
derde broeder! ik geve u 't beste leen tusschen Parijs en Leuven: het is
schoon goed; gij moogt uwen staat daar eerlijk meê ophouden." Toen zeide
hij tot Reinout: "Gij moet mede wél begift zijn; u geve ik het land van
Artezië, Angrico[6] en Blois."

Als deze Vier Gebroeders aldus hooglijk begift waren van den Edelen
Koning Carel, zoo vielen zij op hun kniën voor Konings Carels bedde, en
kusten zijn voeten, dankten hem zeer, en ontvingen blijdelijk het leen.

Als zij het leen ontvangen hadden, namen zij oorlof aan den Koning, en
gingen in den boomgaard. En Lodewijk werd geboodschapt, dat Haymijns
kinderen van den Koning begift waren: des hadde hij groote nijd.

Toen Haymijn en zijn Kinderen kwamen in den boomgaard, sprak Haymijn
tot Lodewijk in schimpende zegepraal: "Dank hebt, Heer Koning, van uw
giften!" Lodewijk antwoordde: "Ik heb wel gehoord, hoe dat mijn Vader uw
Kinderen schoone giften gegeven heeft; maar voorwaar ik en zal 'et niet
toelaten, want het is wel het tweede deel van mijn rijk; ik zal 'et hun
binnen kort weder nemen!"

Na deze woorden, trad Lodewijk voort en zeide: "Ik moet zien, of mijn
Heeren kracht hebben, en waerd zijn om wapenen te dragen. Hier ligt een
steen in den boomgaard: ik vermete mij, dat ik de sterkste ben, die nu
ter waereld leeft, en niemant is van zoo hoogen geslachte als ik ben."

Zijne Heeren deze woorden hoorende, zwegen alle stille. En hij zeide nog
eens de zelfde woorden. Nu kon Haymijn zijn vermetelheid niet langer
verdragen, en zeide tot Lodewijk: "Zijdy sterk en edel--'t zal zich-zelf
openbaren! Wat wilt gij u beroemen! Ik weet een jongeling van twintig
jaar--wilde hij zijn kracht doen, hij wierp den steen zoo verre als
gij." Koning Lodewijk werd gram op het hooren van deze woorden, en
sprak: "Gij, oude dwaas! God moge u bezoeken! Ik zeg u voorwaar, liet ik
't niet om mijn eigen eer--ik zoû u met vuisten slaan, dat gij 't nimmer
vergat!... Laat ze hier komen uw Kinderen, en proeven hun macht met den
steen!"

Lodewijk toog zijnen mantel uit met drift, smeet hem neder, nam den
steen op, en wierp dien twintig voetstappen verre. Daar stond menig
Edelman bij, die 't aanzag: toen wierpen de beste en sterkste van heel
Vrankrijk: maar daar was niemand zoo sterk en machtig of Lodewijk
ontwierp hem een voet[7]; daar was niemant of zij gaven Lodewijk den
prijs.

Als Lodewijk aldus den prijs van den steenworp hadde boven allen, zoo
zeide hij tot Haymijn met hoogmoedige tale: "Wat zegdy nu, gij stugge
grijskop? Waarom haalt gij nu niet uwen zone Reinout? gij zegt, hij
zoude mij den steen ontwerpen! Die u recht deed--hij zoû u trekken bij
den baard, dat u de oogen verkeerden in het hoofd. Waarom haalt gij nu
Reinout, uw zone niet? waar wacht gij op! Uwe woorden zullen u
beschamen, om dat gij uw zone geprezen hebt boven alle de Heeren van het
land." Deze honende tale verwarmde Haymijns bloed: "Ik zegge u, Koning
Lodewijk!" sprak hij, "gij zijt niet zoo koen, dat gij uw hand zoudt
slaan aan mijnen baard: want nimmer trokt gij uw hand en arm weder tót
u."--"Grijze dief!" zeide Koning Lodewijk, "loopt henen tot uw zone
Reinout, en doet wat gij gezegd hebt! laat hem den steen om het verst
met mij werpen."

Toen Haymijn van Lodewijk aldus smadelijk toegesproken werd, barstten
hem de tranen uit de oogen. En hij kwam in den boomgaard bij zijne
kinderen, die er zaten met Vrouwen en Jonkvrouwen, en blijde waren. Toen
Reinout zijn vader bedroefd zag en dat de tranen hem over de wangen
liepen, liet hij aanstonds zijne vreugde, kwam tot zijn vader, en zeide:
"Vader! wat is u misdaan?--ik zal 't wreken, als zoû ik lijf en goed
verliezen."

Haymijn, de Grave, andwoordde zijn zone Reinout met doffe stem: "Ik
stond in den boomgaard bij Lodewijk, en daar begon hij vermetelijk te
spreken, en zwetste, dat niemant zijns gelijk en was in kracht,
schoonheid en edele geboorte, en des beroemde hij zich ten tweeden male.
Ten leste mocht ik dit niet meer verdragen, en zeide tot hem, 'dat er
nóg een was van twintig jaren, die, wilde hij zijn kracht doen, den
steen zoo ver zoude werpen als hij. Toen deed hij zijn mantel in arren
moede af, en ontwierp de genen, die er waren, een voet. Daarop sprak hij
mij smaadlijk toe, en schold mij 'grijzen dief: is 't, dat gij dit niet
wreekt, en den steen om het verste werpt met hem---ik zal het besterven.
Dies bid ik u, zone, doet mijn wensch, en laat mij geen leugenaar
blijven."

--"Vader," andwoordde Reinout: "dat ware niet behoorlijk. Lodewijk is
onze Koning; de trotsche woorden, die hij sprak, en zijn hovaerdige
daden komen toch uit zijne jonkheid voort: en wat hij misdoet, zijner
jonkheid wege, dat betert ons zijn vader."

"Zal ik dan een leugenaar blijven?" riep Haymijn met hartstochtelijke
droefheid; "mij waar liever, dat ik storve! Ik zeg u, zone! wilt gij den
steen werpen, ik zal u Beyaert in eigendom geven."

Ten laatste werd Reinout geschokt en vertederd door het lijden zijns
vaders: "Welnu," riep hij, met ontwaakte drift: "Vader! ik zal met hem
in wedstrijd gaan, en hem den steen verwerpen, al ware hij de Duivel!"

Met deze woorden sprong Reinout op, en ging met zijn vader waar Lodewijk
was. Zijne broeders volgden hem en menig Edelman met Vrouwen ende
Jonkvrouwen, om het werpen van den steen te zien.

En Haymijn met zijne Kinderen kwamen ter plaatse daar de steen lag.
Reinout nam den steen op, en wierp hem een halven voetstap verder dan
Lodewijk. Deze werd toornig toen hij met eigen oogen gezien had van
Reinout, wat geen der andere Edelen had bestaan; hij liet Reinout zijn
worp overdoen--en zag nu dat Haymijns zone den steen verder wierp dan
hij!

Haymijn zeide tot Reinout: "Zone, ik bid u, denkt om uwe eer." Lodewijk
wierp zijn mantel in grammen moede daarheen, zett'e zijn kroon van het
hoofd, en beval, dat men hem den steen brengen zoude; 't welk terstond
gedaan werd: hij nam het zeer euvel, dat Reinout hem den steen ontworpen
had.

Lodewijk nam toen den steen en wierp verder dan Reinout.

Reinout nam den steen en wierp dien nog verder dan Lodewijk.

En Lodewijk nam den steen nog éen maal--en konde hem zoo ver niet werpen
als Reinout; hoewel hij zulke kracht deed, dat hem het bloed te neuze en
monde uitsprong.

Haymijn zag naar Reinout--dat hij zijn krachten aan den steen zoude
toonen.

Toen deed Reinout zijn mantel af en bad Ritsaert dat hij hem den steen
langde: hetwelk hij dede. Als Haymijn, de oude, zijnen jongsten zone den
steen zag aanbrengen, stond hij op, en lachte.

En Reinout nam den steen, en wierp hem met zulke kracht, dat hij den
steen wierp drie voetstappen verder dan hij te voren gedaan had, hetgeen
menig Edelman verwonderde. En Haymijn strekte de handen uit en riep:
"Wees gezegend, mijn Kind Reinout!"

En alle die daar waren, jong en oud, Vrouwen en Jonkvrouwen, gaven
Reinout den prijs.

En Lodewijk stond daar met grooten nijd in het harte en zeide: "Dwazen,
die ge zijt! dwazen, die een huurling--die om geld gehuurd is (deze hier
geve hem al uit voor zijn zoon!)--dus lofprijst! Een grove dorper zij
soms zoo sterk als een Edeling--des is hij nog geen prijzens waerd."

Hiermede keerde zich Lodewijk om, en ging van daar. En Haymijn zeide tot
Reinout: "Mijn zone, nu is Beyaert uw eigen."--Toen lachte Reinout en
zeide: "Vader, ik dank u innig, dezer gifte!"--"Zegt mij, zone!" sprak
Haymijn toen, "hoe kost gij uw kracht nog zoo inhouden? Hadt gij ze ten
volle getoond--ge hadt Lodewijk dan steen nog een voetstap méér
ontworpen."

En Lodewijk hoorde deze woorden, en schaamde zich dieper; en spoedde
zich voort, met rouw en bitterheid in 't harte.

Toen kwam hem in 't gemoet Guweloen, Heredriet, Macharis, en Fouke; dat
waren trouweloze Ridders en Lodewijks naaste raadslieden; den Koning
groetende, vraagden zij hem wie meester was gebleven aan den steen?
Lodewijk zweeg, en andwoordde niet. Toen zeide Macharis: "Ik zie wel wat
u deert: Reinout heeft u leed gedaan; maar ik weet goed raad voor u.
Wilt gij uwe eere herwinnen, zóo dat elk u prijzen zal--gaat dan in den
boomgaard, neemt Haymijn in uw armen, dat 't al de Edelen zien, Vrouwen
en Jonkvrouwen; en zegt met loosheid en luider stemme: 'God en zijne
Lieve Moeder zij dank, Haymijn! die u verleend heeft zulken schoonen en
moedigen zoon, dat hij alle Edelingen te boven gaat in schoonheid en
kracht; als hij wel betoond heeft aan den steen.' Als gij dit gedaan
hebt, zal elk u prijzen en tot uwe eere spreken; dan zult gij zeggen tot
Adelaert, dat hij u volge in een kamer der burcht; als gij hem daar bij
u hebt, zult gij tot hem zeggen, dat hij met u schaken zal. Wil hij het
niet doen, zoo zegt, dat hij zich beroemd heeft het beter te kunnen dan
gij. En wil hij dan daartegen opkomen--zoo zult gij zeggen, dat drie van
ons het gehoord hebben; en is 't van noode--wij zullen er nog wel meer
toe krijgen, die het zelfde zullen zeggen. En dan zult gij maken eene
over-een-komst, dat hij, die op den andere wint vijf spelen na elkaêr,
zal hebben gewonnen des anderen hoofd, en dat dit niet te verdingen zal
zijn met eenig goed. Zoo haast gij de vijf spelen op Adelaert gewonnen
hebt, zoo zult gij hem 'et hoofd afslaan en niet laten verdingen[8]. En
aldus moogt gij dan van de schande, die u gedaan is, baat ontvangen, en
dan zal, daardoor, niemand meer zoo vermetel zijn, die iets tegen u zal
durven doen."

Lodewijk deze woorden hoorende van Macharis, dacht 'et hem goede raad,
en zeide: "Macharis, gij hebt wijs gesproken: want daar is niemant, die
't schaakbord beter verstaat dan ik."

Lodewijk deed gelijk hem de trouwloze geraden had. Hij stond voor een
venster en wenkte Adelaert met een handschoen. Als Adelaert (de
Drossaart) dit zag, dat hem de Koning wenkte, meende hij dat hij wilde
drinken. Adelaert ging in den wijnkelder en tapte van den besten wijn,
en schonk een gouden schale vol en bood ze den Koning Lodewijk,
zeggende: "Heer Koning, drinkt van dien wijn; het is de beste dien gij
van daag gedronken hebt." En Lodewijk fronste 't voorhoofd, en sloeg de
oogen neder en sprak niet.

Als Adelaert zag dat Lodewijk verstoord was, deed 'et hem leed, hij wist
niet wat te doen, en zeide: "Heer Koning, heeft u iemant te kort gedaan,
dat gij wreken wilt, zegt 'et mij?" Als Adelaert deze woorden tot den
Koning zeide, sloeg hem Lodewijk de schale uit de hand, dat ze tegen den
muur sprong.

Toen wilde Adelaert heengaan, als hij den jongen Koning zoo verbolgen
zag; maar Lodewijk sprak met verborgen woede: "Ik meende te hebben
vrienden en magen, die mij getrouwelijk in nood beschermen zouden: maar
mij dunkt het zijn hier alle mijn vijanden! 't Was Ritsaert, Adelaert en
Reinout geen eere genoeg, dat Reinout boven mij had den prijs van den
steen--maar gij, Adelaert, hebt u vermeten, dat gij zijt mijn meester
van den schaakspele; aldus verhieft gij u en vernederde mij. Is het
wonder, dat ik toornig ben?"

Adelaert keerde zich aanstonds weder tot Lodewijk en zeide: "Des neem ik
God tot getuige! dat ik nooit gedachte gehad heb die woorden te spreken:
en, ik zweer 'et bij 't gebeente van St Dionijs, ware er iemant die 't
mij staande wilde houden, ik dede 't hem loochenen in eenen strijd!"

--"Van dat wapenspel kan niets komen," zeide Lodewijk--"maar ik eisch,
dat ge mij volgt in een kamer--daar zullen wij een ander spel beginnen."
Toen nam Macharis Adelaert bij der hand, en gingen samen met Lodewijk in
de kamer; en als zij in de kamer kwamen, zoo was daar Guweloen. Toen
zeiden Macharis en Guweloen, dat Adelaert zich vermeten hadde beter te
kunnen schaken dan Lodewijk. Nog waren daar zeven Graven die des mede
oorkondden, en zeiden dat het waar was.

Adelaert werd daar in de kamer omringd van de Edelen, opdat hij hun niet
ontgaan zoude. Toen ging Adelaert tegen Lodewijk over zitten, en men
bracht een schaakspel, dat kostlijk en kunstrijk was van werk.

Lodewijk zeide tot Adelaert: "Alzóo zullen wij spelen: Wie het eerst
zijn weêrpartij vijf spelen achter-een afwint, zal hebben des anderen
hoofd."

Adelaert stond op: "Heer Koning!" zeide hij, "ik en speel om zoo
kostelijken pand niet; ook ware 't schande dat gij, Koning, uw hoofd
zett'et tegen 't mijne; maar wilt gij spelen om kasteelen of sloten--dat
doe ik gaerne!"

Lodewijk antwoordde: "Ik ben een Koning, en moet mijn woord houden: ik
zweer u bij mijner kroone, dat ik om geen ding ter waereld spele, dan om
uw hoofd en 'et mijne!"

Adelaert werd des droevig, en zeide met zoete woorden: "Wel dan in Gods
Name--moet het zoo zijn!" Toen zeide Guweloen in hem-zelven: "nu hebbe
ik mijn wil, want ware Lodewijk dood--ik droege nog eenmaal de kroon te
Parijs." Lodewijk had den eersten zet--om dat hij des daags Koning
gekroond was. Elk dede zijn beste. Lodewijk nam Adelaert een Ridder[9];
zij namen elkander een Oude[10]. Adelaert zei: "God ontferme zich
mijner! mijn ongeluk is groot."

De Koning won op Adelaert drie spelen ná elkander, en zeî op trotschen
toon: "Had uw broeder den prijs van den steen--hier blijf ik uw meerder:
in waarheid, ik voorzet 'et u--ik zal hier ter stede u 'et hoofd doen
afslaan." Adelaert zuchtte, sloeg de oogen neêr en zeide: "O Koning,
zoo gij mijn hoofd wonnet--en zoude ik 'et niet mogen verdingen?" De
Koning zeide: "Neen gij, Adelaert! al gaaft gij mij al uw goed daarvoor,
ik nam 't niet voor uw hoofd: dat zeg ik u bij mijn trouw!"

Nu sprak Adelaert in zich-zelven, en zeide: "O Heer! ik smeek u, om uw
bitter lijden en dood, dat gij mij de genade geeft, dat ik zonder
schande van mijn neve keeren mag." Zij zett'en hun spel uit alzoo 'et
hun goed dachte. "Ik schake u, en mat u met een Rots[11]," zeide
Adelaert, en nam hem een Ridder. De Koning werd toornig, als hij zag dat
hij het spel verliezen moest. Adelaert zeide: "Men moet van twee kwaden
het beste nemen: beginnen wij op nieuw, en trekt vóór, Heer Koning!"

Adelaert speelde scherpelijk, en matt'e den Koning met een Ridder. Met
de volgende spelen mocht de Koning zijne schade niet beteren. En
Adelaert won vijf spelen achter-een.

Als Adelaert had gewonnen, was hij vrolijk van herte en stond op,
zeggende tot den Koning: "Heer neve, nu weet gij, dat ik uw hoofd heb
gewonnen! maar ik begeere 't niet: alleen bid ik u, dat gij niet meer
speelt om zoo kostelijken pand. Ik zegge u, die dezen raad u gaf, hem
verdroot uw leven."

De Koning nam deze woorden zeer euvel, sloeg Adelaert het schaakbord in
't aangezicht, dat hem neus en mond bloedden en zeide: "Valsche dorper,
zegt gij dat tegen mij?" Adelaert was droevig, en had zich gaerne
verweerd, maar hij en had niet waarmede. Hij nam zijn mouwslip en hield
ze voor zijn neuze, en ging in den stal daar Beyaert stond.

Niet lang was hij daar geweest, of Reinout kwam daar binnen. Als hij
Adelaert bloeden zag, gloeiden zijn wangen van toorn, en zeide hij: "Wie
heeft u geslagen?"

Adelaert andwoordde: "Niemant!"--"Ik hoor u liegen, broeder! Gij zult
'et mij zeggen, of ik tref den eersten dien ik bereiken mag."
--"Broeder!" zeide Adelaert, "ik heb mij neus en mond te bloede
gestooten aan een balk; 't was hier in den stal."

Reinout zeide: "Broeder! 't en is zoo niet!" en toog zijn zwaerd.
Adelaert zag, dat Reinout hevig vergramd werd, hij viel hem aan de borst
en riep: "Om Gods wille betoom dy! Het was aldus: ik kwam in den stal,
om dat ik Beyaert zoude geven koorn en hooi; als ik er bij kwam, sloeg
'et mij onvoorziens voor mijnen mond, dat ik er aarde viel." Reinout dit
hoorende zeide bleek: "Adelaert! gij liegt! of heb ik Beyaert niet zóo
gewend, dat hij mijn broedei niet zal misdoen? Spreek! of ik vergrijp
mij aan u-zelven...." en hij vatte Adelaert bij den haire ende hief het
zwaard op.

Als Adelaert dit zag, wierd hij vervaerd, en riep: "Genade, edel
broeder, ik zal 't u zeggen, al zoû ik er om sterven--maar niet van uwe
hand! Heden, toen gij den prijs hadt van den steen, was Lodewijk
beschaamd en verstoord, en ging in de zale en wenkte mij; en als ik 't
zag, nam ik wijn mede, of de Koning had willen drinken. Toen ik daar
kwam vond ik Guweloen, Macharis en Heredriet; en toen ik den Koning
drinken bood, sloeg hij mij de schale uit der hand. Toen wilde ik gaan;
als ik gaan zoude, klaagde hij over ons en zeide, 'dat ik mij 't
schaakspel vermeten had beter te kunnen dan hij;' ik wendde mij toen
weer om, en zeide, dat ik onschuldig was, en wilde 't mij iemant staande
houden--ik dede 't hem loochenen in een perk! Toen nam mij Lodewijk bij
der hand, en leidde mij in een kamer; daar zeiden Macharis, Guweloen, en
Heredriet, dat zij mijn overmoedig woord gehoord hadden; en daar waren
zeven Graven, die 't mede zeiden. Daar ging Lodewijk tegen mij over
zitten, en ik moest een spel met hem beginnen. Daar werd gebracht een
schaakbord, en Lodewijk zwoer bij zijn Kroone, dat hij om geen ding
spelen en zoude, dan om de kans, dat wie van beiden den andere vijf
spelen achter-een zoû afwinnen, hebben zoude des anders hoofd. Ik won op
Lodewijk het eerst vijf spelen achter-een, en ik zeide, dat hij niet
meer spelen en moest om zoo dieren pand, en dat hij kwalijk dede, die 't
hem ried. Daarover werd Lodewijk toornig, en sloeg mij met het
schaakbord in 't aangezicht. Des was ik droevig, en ging van daar."

Reinout sloot de tanden op elkander, en zeide tot zijn broeder: "Zulke
dieren pand als 'et hoofd eens Konings wil ik hier achterlaten."


[1] _Drossaart_:(hier) huismeyer, spijsverzorger, scbotelschikker.

[2] Deze tocht van de Vier Heemskinderen naar Parijs wordt gewoonlijk
voorgesteld op den titel van het oude verhaal. 't Is jammer, dat Dr.
J.C. Matthes, alleen Reinout op Beyaert laat zitten: bl. 23.

[3] _Markgrave_ beteekent eigenlijk een Graaf, die grensbewaker is; hier
zoû het zijn--bewaker van den afstand tusschen Lodewijk en het volk.

[4] _bezant: een_ muntstuk.

[5] _Poelgiën_, Apulië.

[6] _Angrico_, Angers.

[7] _ontwierp hem een voet_: wierp een voet verder dan hij.

[8] _te verdingen_: af te kopen.

[9] _Ridder_: paard.

[10] _Oude_: raadsheer.

[11] _Rots_: kasteel.




HET ACHTSTE CAPITTEL.


     Hoe Reinout--Lodewijk het hoofd afsloeg, dat het bloed
     in Carels aangezicht sprong; en hoe Haymijn gevangen
     werd, en Koning Carel hem wilde doen hangen; en hoe
     Haymijn zijn Kinders afzweert, en belooft, dat hij ze
     Koning Carel gevangen zoû leveren.


Reinout en Adelaert gingen samen tot hunnen vader, en klaagden hem, hoe
Adelaert met Lodewijk gevaren was--van 't begin tot het einde. Toen
Haymijn dat hoorde, werd hij als verwoed, en beval dat elk zich wapende,
en men de paerden heimelijk uit der stad leidde; dat men 't in Hof niet
en vername. En Haymijn toog haastelijk met al zijn volk uit der stad.

Reinout heette Adelaert Beyaert te zadelen en naar buiten te leiden, en
als alles' gereed was, zeide Reinout: "'t Koste wat 'et wil--ik zal 'et
hoofd van Lodewijk, den Koning, hebben." Met deze woorden wapenden zich
Reinout en Adelaert, en togen hunne kleederen over het harnas en sloegen
een mantel om, en hielden in de hand een bloot zwaerd, dat zij
verborgen. Aldus gingen zij ten Hove.

Inmiddels waren Edelen en dienaren meest gekomen uit den boomgaard in
der zale, en Lodewijk stond voor zijn zetel, en gaf elk zijn leen.

Toen kwamen Reinout en Adelaert in de zale; en Koning Carel stond bij
Lodewijk; en ieder schikte zich, om Haymijns kinderen door te laten.
Toen Reinout en Adelaert bij Koning Carel kwamen, groetten ze hém
eerbiedig en minnelijk, en Lodewijk niet. En terstond greep
Reinout--Koning Lodewijk bij den hoofde en sloeg et af, en nam het hoofd
bij de hairen en wierp 'et tegen den muur, dat 'et bloed in Koning
Carels aangezicht sprong.

En zoodra de Koning den schrik van zijn zone zoo deerlijk voor zijne
oogen vermoord te zien, te boven was gekomen, sprong hij voorwaards en
riep in eenen strijd van droefheid en woede: "Op, gij, Edele Baroenen!
die mij nu lief hebt, helpt mij wreken de dood van mijn zone!" En het
geheele Hof was in roere, en alle de Baroenen en Ridders wapenden zich
haastelijk, velen waren Reinout nagevlogen, die het in de ontsteltenis
en verwarring ontkomen was. En met Adelaert ruimde hij de stad, en
reden naar hun vader, daar hij lag met 800 mannen wel voorzien van
wapenen, op een schoone vlakte.

Daar riepen zij met luide stemmen: "Vader, laat ons vliên!"--"Geef mij
Beyaert," zeide Reinout: "want ik heb Lodewijk 'et hoofd afgeslagen; het
vlieden is ons geen schande--want Carel is onze Koning!"--"Dat en zal
niet gebeuren!" riep Haymijn: "Ardennen en Nerboen en plegen niet te
vlieden of te wijken: Ik zal blijven op 'et veld, en verwachten wat mij
overkomen mag. Ik zal strijden tegen Koning Carel; en is 't dat iemant
vliedt, ik zal hem doen hangen bij de keel!"

Daar was elk strijdens reê; Reinout zat op Beyaert--vertrouwen en
blijdschap straalden uit zijn oog, want hij voelde, dat 'et Ros, hem
verstond en liefhad; zijn broeders zaten op andere schoone paerden, en
blaakten en blonken van moed, als mannen die zich verweeren wilden, en
hun vijand klein achtten.

Aldus reden zij den Koning tegen. En Reinout zag den Koning rijden naast
den gene, die den standaart hield: hij gaf Beyaert de sporen, en stak
den Koning met zulke kracht door schild en halsberg, dat hij van den
paerde viel.

Reinouts broeders reden meê in den hoop en deden wonderen met den
zwaerde; nochtans zouden zij reeds in den aanvang gebleven zijn, hadde
Haymijn hun vader hen niet ontzet, die met zijn volk kwam aandraven en
menigen vijand onder den voet reed.

Koning Carel, hersteld van zijn val, gebood, dat men Haymijns volk in
het heir omsluiten zoude. Als Haymijn dit zag, riep hij: "Hier mag
niemant vliên! elk weere hem vromelijk!" En Haymijn vocht zoo lang, dat
hem al zijn volk afgeslagen was, maar hij en zijn Kinderen zaten nog op
hunne paerden. Haymijns paerd werd doodgestoken, zoo dat hij vallen
moest.

Reinout meende, dat zijn broeders gevangen waren, want hij zag ze
nergens; toen stak hij Beyaert met sporen, en het sloeg en beet
vervaerlijk om zich rond, zoo dat 'et menig man om hals bracht. Aldus
doorbrak Reinout de scharen; hij vindt zijn broeders; de overmacht
dringt hen dérmate dat zij vlieden; de overgeblevenen van Haymijns heir
volgen hen; de rossen der broeders bleven dood, zoodat zij te voet
waren. Reinout beval hen op Beyaert te springen; en zij namen hun zadels
en leiden ze op 'et Ros, en sprongen daar op, en namen de vlucht, zoo
snel dat hen het heir niet volgen mocht. Als dat de Koning zag, was 't
hem zeer leed.

Nog stond Haymijn daar en vocht, en weerde hem vromelijk; daar was er
veel aan 's Konings zijde, die het jammerde en hem noode zoû zien
sterven. Eindelijk riep Bisschop Tulpijn hem toe en zeide: "Haymijn!
geeft u gevangen!" Haymijn sprak: "Dat zij zoo, Heer Bisschop, mids het,
met 's Konings wil, in uw geleide mag wezen." Terstond reed de Bisschop
tot den Koning en zeide: "Wil ik Haymijn vangen?" De Koning antwoordde:
"Indien men hem ving--ik dede hem ter dood brengen." Echter ving de
Bisschop Haymijn, en leidde hem in vaste hoede met zich. Als dit gedaan
was, zat de Koning ten richterstoel, bande Haymijns Kinderen uit heel
zijn Rijk, en zwoer, dat hij Haymijn zoû doen hangen en Vrouw Aye doen
verbranden, 'om dat zij den moordenaar van zijn zone Lodewijk gedragen
had'.

Koning Carel gebood Fouke van Parijs, dat hij Haymijn name en hem
terstond 'et hoofd afsloege. "Heer Koning," zeide Bisschop Tulpijn, "dat
waar groote dorperheid, dat men een gevangene dood zoude slaan: eer dit
geschiedde, ik zoude hem helpen met al mijn macht." Toen zeide Roelant:
"Zoo zoû ik mede!" Toen zeide Fouke: "Heer Koning, het waar euvel, zoudy
hem slaan: want hij is gevangen. Laat hem verdingen: hij heeft heden zoo
groote vromigheid[1] gedaan, dat het wonder waar te zeggen." Maar Koning
Carel andwoordde: "Ik zal hem doen hangen, en Vrouw Aye doen verbarnen;
't koste dat 't mag."

Toen zeide Roelant: "Heer Koning, dat ware groote schande, deed gij
Haymijn hangen en uw zuster barnen." Toen fronste de Koning het
voorhoofd: "Zet ook gij u tegen mij, Roelant?"--"Neen ik," zeide
Roelant: "maar uwe Heeren zouden het, om u-zelfs wil niet gedoogen, dat
men Haymijn ombrachte en uw zuster doodde; zij zouden daar liever alle
om sterven en des noods vechten tegen u." Als Fouke deze woorden
verstond, zeide hij tot den Koning, "hier is Bertram, mijn zone: ik heb
hem zeer lief; of hij iet tegen u misdede, zoude ik dat ontgelden? dat
ware immers schande. Al heeft de Grave Reinout en zijn broeders tegen u
misdaan, gij hebt hun schoone goederen gegeven, die ze levenslang gehad
zouden hebben: laat hun die verbeurd hebben: maar wat wilt gij vader en
moeder wijten?"

--"Wil Haymijn," hernam de Koning, "zijne Kinderen afzweren, ik zal hem
kwijtschelden." En toen ried Tulpijn aan Haymijn en zijner vrouwe, dat
zij 'et doen zouden. En Haymijn zwoer zijner Kinderen dood, bij het
hoofd van St Dionijs: 'Ware 't in zijn macht, hij zoude zijn Kinderen
den Koning geven, om naar zijnen wille met hen te doen.' Daarmede schonk
hem de Koning het leven. Toen riep Carel de twaalf Genoten voor zich, en
liet ze zweeren, 'waar dat zij Haymijns Kinderen vonden, dat zij ze den
Koning brengen zouden'; hetwelk zij alle beloofden. Hier wil ik zwijgen
van Haymijn, en verhalen van zijn Kinderen.


[1] _vromigheid: prouesse_.




HET NEGENDE CAPITTEL.


     Hoe Haymijns Kinderen tot Piërlepont en van daar in
     Spanje kwamen, daar zij geroepen werden bij den Koning
     Saforet die Heidensch was; en hoe hem Reinout strafte,
     om dat hij hem zijnen schat onthield, en valt op 's
     Konings Volk, die hun Koning wreken wilden.


Als Reinout met zijn broeders des Konings heir ontkomen waren, overmids
de snelheid Van Beyaert, reden zij met haaste, tot dat zij in 't kasteel
te Piërlepont kwamen. En als zij afstegen, vraagden de genen die daar
gebleven waren, 'hoe 't vergaan was met hen? en waar hun vader en moeder
waren?' Zij zeiden zij wisten niet of hun vader dood of gevangen was,
"want toen wij van hem scheidden, stond hij te voet en vocht."

Toen zij dat hoorden, die in de zale waren, bedreven zij groote rouw. Op
dat oogenblik kwam daar een Jonkvrouwe binnen, die zeer behaaglijk was,
en was een broedersdochter van Haymijn; deze vraagde den Heeren 'wat
hun te Hove overkomen was?' Reinout andwoordde somber: ''t was des
Duivels bestel, dat ze derwaart gingen,' "want wij hebben Koning Carels
zoon Lodewijk verslagen." Als de Jonkvrouw dit hoorde, was zij zeer
bedroefd, en treurde steeds inniger, dat haar neven zouden gebannen
blijven uit den lande. Ook om haren oom Haymijn had zij veel leeds, want
zij en dachte hem nimmermeer te zien, en bad onze Lieve Vrouwe, dat hij
spoedig t'huis keeren mocht en verdingen tegen Koning Carel.

De Heeren gingen ten disch en als de maaltijd gedaan was, begeerden zij
dat men hen voorzag van het gene dat zij behoeven zouden. Voor de nood
wilden zij een schat van goud en juweelen medenemen; en de Jonkvrouwe,
de meening van de Heeren verstaan hebbende, gebood den Dienaren, dat ze
doen zouden wat Haymijns Kinderen begeerden. Zij laadden een lastdier
met goud en juweelen, en maakten een pak, daar zij in deden wat van
noode wezen zoû: en als dat gereed was, berieden zich de Heeren
werwaards zij hunnen weg zouden nemen.

Toen kwamen zij over-een, dat zij trekken zouden in Spangiën tot Koning
Saforet; en namen oorlof aan allen, die op het slot waren. En allen
schreiden om hun wechreizen.

Haymijns kinderen reden dan, tot dat zij in Spangiën kwamen, daar zij
den Koning vonden, die hun bekend was; want hun vader had bij den Koning
verblijf gehouden zeven jaren. Toen de Koning deze Vier broeders zag
komen, kende hij ze aan hun wapenteekens, en zeide tot die bij hem
waren: "Die daar komen zijn Haymijns Kinderen: begeeren ze bij mij te
blijven, ik zal ze houden; hebben ze den aard van hun vader, zoo zullen
ze mijn vijanden spoedig verdreven hebben." Toen gaf de Koning bevel
dat men de valbrug nederliete.

De Ridders stegen dan van hunne paerden en gingen den Koning te gemoet.
Zij groetten den Koning met zoete woorden, en de Koning hun weder; en
hij vraagde hun 'wat zij begeerden.' Toen zeide Reinout: "Ik en mijn
broeders zouden u gaerne dienen, en verblijf hebben bij u."--"Wildy
gelooven aan onze leer en onze goden?" vroeg de Koning. "Dede ik dat,
Heer Koning," zeide Reinout, "zoo ware ik een dwaas. Ik geloove in God
Almachtig, die Hemel en aarde gemaakt heeft, en ons verloste met zijn
kostelijk bloed aan het hout des Cruices. Ik houde de Christen
Godsdienst; maar wil u gaerne dienen in den oorlog om soldije." Toen
zeide de Koning: "Bij Mahomet, koene Ridders, ik gunne 't u wel: ik en
zal u niets laten gebreken. Op het kasteel dat ginder staat, neemt daar
uw intrek; dat kasteel geef ik u in leen. Breng mij den schat, dien gij
bij u hebt; ik zal hem bewaren tot uwen beste; zoo 't u gelieft zal ik
hem u wedergeven, als gij van mij scheiden wilt. En wildy bij mij
blijven zoo lang ik leve, zoo vindy hier herberg." Reinout, deze woorden
van den Koning hoorende, was blijde. Zij gaven den Koning hunnen schat,
dat hij dien bewaren zoude; Reinout met zijn broeders reden op 't
kasteel, 'twelk sterk en schoon was; en vonden daar al dat ze behoefden.

Zoo waren zij met den Koning van Spangiën, genaamd Saforet, drie jaar,
en dienden hem in alle oorlogen. Inmiddels, dat zij den Koning dienden,
vergingen hun kleederen, zoo dat ze gebrek hadden, en niet meer geacht
noch geëerd en werden van des Konings volk. Nu bad Reinout den Koning,
dat men hem zijn goed gave. De Koning zeide, dat hij 't doen zoude, en
dat Reinout daarvoor terug had te komen; maar toen hij te-rug-kwam, gaf
men hem niet. Reinout, ziende dat hij misleid werd, ontstak in toorn en
zeide: "Ik beloof het voor God! geeft hij onze schat niet, ik zal hem
het zelfde doen, dat ik Lodewijk dede!" Adelaert zag Reinout onrustig
aan: "Broeder," zeide hij zacht, "sloegdy dezen Koning dood, zoo en
wisten wij niet, waar ons te onthouden."--"Wat is ons aan dit verblijf
gelegen!" zeide Reinout? "wij zijn ongelukkigen: hadden wij goud, het
zoude onder onze handen koper worden."

Reinout riep echter zijn knape en zeide: "Ga tot den Koning, en zeg hem,
dat hij ons kleede, of onzen schat geve: en doet hij het niet--het zal
hem te laat berouwen; versta de woorden wel, die de Koning zal zeggen."
De knape was geheeten Wendelijn, en dede dat hem zijn meester beval; en
als hij voor den Koning kwam, groette hij hem, en zeide: "Heer Koning,
mijn Heeren doen u bidden, dat gij ze beter kleeden wilt, ofte geven
hunne schat." De Koning hoorde den knape met ongeduld aan, en zeide:
"Zeg uw Heeren--inkomelingen en tafelschuimers als ze zijn!--dat ik ze
noode dulde.... zij doen als valsche Ridders en hebben hun neve
vermoord.... zoo zij méér geruchts maken dan mij lief is, dat ik ze zal
doen hangen!" Toen zeide de knape: "Heer, dat ware onrecht!" Toen wenkte
de Koning zijnen Drossaart, dat hij den knape zoude slaan. En de
Drossaart sloeg den knape, dat hem neus en lippen bloedden, schopte hem
met den voet, dat hij op de brandende haardstede viel, en sleurde hem
daarover voort, zoo dat de knape zeer mishandeld en mismaakt was, en
liep wech als hij best mocht, en kwam al bloedende tot zijn Heeren.

Reinout, zijn knaap in dien toestand ziende, vroeg ontzet: "Wie heeft dy
dus geslagen?" De knape zeide: "De Drossaart van den Koning." Reinout
hernam: "Waarom sloeg hij dy?" De knape zeide: "Ik en wete 't niet,
Heer!"--"Zeg het, knape," sprak Reinout, "sloeg hij dy om dat du onze
have[1] eischtet?"--"Ja hij, Heer! De Koning zeide, hij en gaf u niet
meer een penning."--"Zeide hij dat?" riep Reinout.--"Ja hij, Heere! en
hij zeide gij waart inkomelingen en tafelschuimers, en dedet als valsche
ridders, want gij had uwen neve vermoord; en hij wenkte zijnen Drossaart
dat hij mij zoude slaan, en sloeg mij voor mijne neus en mond, en stiet
mij in 'et vuur."

Reinout gloeide van gramschap en riep zijn broeder Ritsaert, en zeide:
"Ik beveel u en Writsaert--Beyaert aan; dat gij 't leidet uit den stal
en optuiget. Wapent moede heimelijk u-zelven en Adelaert, gij moet mét
mij: wij zullen onze zwaerden nemen, en over onze wapenen onze mantels
slaan. Wij gaan tot den Koning: ik zeg u in waarheid, ontzeit hij mij
ons goed, ik zal hem 'et zelve doen, dat ik Lodewijk dede: en nemen zijn
hoofd voor onzen schat, en voeren 'et mede, door en uit den lande."

--"Dat waar kwaad pand voor onzen schat," zeide Adelaert, "ik nam wat
beters!"--"Maar koel ik dan mijn moed en wreek ik mijn gekrenkte eere
daar niet mede!" riep Reinout. Zij gingen ten Hove; Ritsaert en
Writsaert maakten Beyaert gereed, en wapenden zich.

Na de etensstonde verscheen Reinout voor den Koning. Reinout en Adelaert
vielen op hun kniën, en groetten hem. De Koning zag ze aan, maar zweeg.
"Heer Koning!" zeide Reinout op fieren toon, "'t is wel drie jaar sints
wij u trouwelijk dienen, en in den krijg het leven voor u op 'et spel
hebben gezet: menig hebben wij verslagen, en gij schonkt ons nooit een
spoor aan onze voeten; al had ik goud in mijne hand, het werd koper eer
het daaruit kwam. Wij smeeken u dan, Heer Koning, voorziet in onze
nooddruft!" en hij toonde zijn bloedige armen en zijn kleederen, die
slecht waren. De Koning boog wrevelig het hoofd, en wilde op de Ridders
niet afzien. Reinout liepen, intusschen tranen van de wangen; de stem
stikte hem schier in de keel; hij zeide: "Heer Koning, wilt gij ons niet
kleeden--geeft onzen schat, dien wij u gaven toen wij 't eerst bij u
kwamen; wij zullen gaerne oorlof hebben, en ruimen uw land, en varen
daar 't God belieft. Ik zeg u, Heer Koning, ik en ben niet wel te vrede,
dat mijn knecht zoo geslagen is; die gene die hem sloeg, zal 't nog
berouwen!"

De Koning knarstandde en zeide: "Gij maakt uw klagen zeer groot: ik
zegge u, bij Mahomet! al stond gij hier tot in de eeuwigheid, ik en gave
u kleederen noch schat."

Toen schimpte daar de Markgrave: "Waarom zoude men uw schat geven, om
dat gij inkomelingen zijt? Het is onlangs, dat gij u schendig vergrepen
hebt. Gij sloegt uw ooms zone dood!--Maakt u des wech--men geeft u niet
een mijte!"

--"Wat!" zeide Reinout, "gij zult! of de Duivel zij uw richter!" Met die
woorden toog hij zijn zwaerd, en zeide: "Gij zult alle uwe
trouweloosheid duur bekoopen!" De Koning, die ziende, riep genade en
zeide: "Ik zal u kleederen en schat geven t' uwen wille!....--

"Neen!" sprak Reinout, "gij ontzeidet mij, toen ik u bad; heet ons
inkomelingen: ik zal 't u vergelden!" Reinout sloeg hem 'et hoofd af en
gaf 'et zijn broeder Adelaert, en zeide: "Aan ons paerd zullen wij het
binden, en namen 'et te pande voor onzen schat." Toen was er in 't Hof
groot gedruisch. De stad heet Aquitaniën: men sloeg de klok; al wat
geweer had wapende zich, om de dood van hunnen Koning te wreken. Maar
Reinout en zijn broeders hebben zich door de menigte geslagen, en zijn
gekomen bij Beyaert. En de Vier gebroeders zijn gezeten op Beyaert, en
'et heir hebben zij van verre gezien, dat op hem aankwam met groote
felheid.

Reyant, 's Konings broeder, had 'et beleid van het heir, en zag Reinout
te paerd gezeten--en Reynout hem. Reyant bad zijn volk, dat zij hem met
machte volgden, want 'et heir was groot. Reyant reed op Reinout aan, en
Reinout vierde Beyaert den toom, en stak Reyant door den schilde in den
buik, dat hij dood ter aarde viel en het ros in-éen-zakte. Nog liet hij
Beyaert loopen en zeide: "Beyaert, wil mij heden helpen!" Het Ros
verstond de woorden zijns meesters. Daar wrochten de Vier Ridders
wonderen met den zwaerde en bij hulpe van Beyaert. Het heir was groot,
zoo dat de Vier Haymijnskinderen tegelijk bevochten werden, hoewel dat
zij veel volks versloegen.

Op eens kwam daar een sterke Heiden aanrijden, en meende Reinout te
dooden, want hij sloeg Reinout op het gulden schild dat er een stuk af
sprong; wat zeer geprezen werd van die het zagen. Maar toen hij voorbij
Adelaert rijden zoû, verhief deze zijn zwaerd en sloeg hem 'et hoofd in
stukken, dat hij dood ter aarde viel. De Ridders sloegen vreeslijk om
zich rond, maar telkens kwamen hun nieuwe vijanden op de handen--en
hadde 't Beyaert niet gedaan, zij zouden gebléven zijn: maar Beyaert
sloeg en beet doodlijk op de manschap in: zoo dat 'et Ros zeer gevreesd
was. Dus vochten zij zoo lange, dat zij de scharen doorbraken. Zij waren
moê en met bloede overdekt, en Beyaert te meniger stede gewond. Dus
reden zij zoo verre, dat zij buiten vreeze waren van den heire. Zij
stegen af en wilden elkanders wonden verbinden. Maar inmiddels vervolgde
hen 'et heir en waren hen al spoedig nabij.

"Was ik een raad schuldig," zeide Adelaert, "en hadde 't Ros in mijn
bedwang--nu zoû ik liever den nood ontvlieden dan dûs te
sneven."--"Broeder!" sprak Reinout, de onvertsaagde, terstond: "dat kan
niet zijn!"

Daarop renden zij weêr met Beyaert op de scharen in, en vochten zoo
lang, dat men een mijl in dien tijd hadde afgelegd. Zóo vele dooden
vielen, dat men den heire den moed ontzinken zag. De sterke Ridders (de
goede!) braken nogmaals stoutmoedig door de omringende vijanden heen, en
konden nu rijden werwaards hun goeddacht. Hun helmen en schilden waren
zoodanig doorhouwen en vernield, dat er hun het derde deel niet van
overbleef.

"Nu weet ik niet, waar wij om een veilig verblijf hebben te gaan!" sprak
Adelaert. "Ik even min," zeide Reinout. "Dit weet ik uitermate goed,"
zeide Writsaert, "dat, bij mijn trouw! de waereld ons te klein is."

--"Broeder Reinout," zeide Ritsaert: "ik weet nog een goed en zeker
verblijf."--"Waar is 'et?" vroeg de stoute Ridder.--"Bij Ywein van
Dordone. Saforet, de felle krijger, was steeds zijn grootste vijand,
daar hij Yweins vader en beide zijn broeders doodsloeg, en in het beste
van Yweins land drie kasteelen met krijgsvolk bezet heeft. Zoo dan,"
ging Ritsaert voort, "zullen wij als koene Ridders hem welkom zijn, en
er een goed verblijf vinden."

"Zoo trekken wij derwaards!" zeide Reinout.

"Zoo laten wij gaan!" sprak Ritsaert.

Zij maakten zich op, en leîden binnen drie dagen zoo veel weegs af, dat
zij Iweins burcht in het oog kregen, die rijk en goed was.

In het kasteel van Vaucloen aan de Dordone woonde Koning Ywein. Ritsaert
zag de burcht het eerst, en riep: "Nu ben ik zonder zorge: ginds staat
Yweins slot."--"Welk is 'et?" zeide Reinout. --"Naast aan de rotsen; bij
dat woud: dat hooge kasteel--daarginds --met dien breeden ringmuur en
die wijde grachten: daarheen, daarheen gereden!"

--"Laat ons hier wat rusten," zei Adelaert; "want we zijn moê; en
elkanders wonden verbinden." Met-een stegen zij af, de goede Ridders;
legden de hoofden op hunne schilden en sliepen tot der ure, dat zij
elkanders wonden verbinden mochten. Velerlei was toen hun gesprek; zij
namen eenig voedsel, en reden toen met snelheid verder.

Zij spoedden zich onverpoosd voort.

Zij namen 'et hoofd van Saforet, staken het op een lans, boven de
wapprende banier, en Reinout bond er des Konings kroone bij. Zoo reden
zij tot voor Koning Yweins burcht. Ywein stond op de tinne, en werd de
Ridders gewaar. "Ik zie iets vreemds en wonderlijks daarbuiten," zeide
hij: "Vier Ridders, rank en kloek van leden, rijden daar gewapend
nader, en zitten op éen zelfde ros. Zij schijnen van edele leefwijs. Bij
God mijn Schepper! hoe groot en sterk is het ros!"

Toen liepen Ridders, Vrouwen en Jonkvrouwen, die op het huis waren, naar
de plaatse, waar de vreemde ruiters aan kwamen rijden --om hen te zien
en het Ros met de schoone gestalte.

Ywein, de Koning, trok derwaarts in het dal, en was verheugd, dat hij de
Ridders ten zijnent zag komen. Zij stegen voor den Koning af, gingen hem
te gemoet en groetten hem met vollen eerbied. Zij leiden hem het hoofd
voor, met de daarop gebonden kroone, en knielden oodmoedig voor hem
neder.

"Machtige Koning!" zeiden zij, "wij willen u trouwelijk dienen, nacht en
dag, en u uit ál ons vermogen helpen."

Toen zeide Ywein, de moedige Koning: "Gij zijt mij zeer wellekom ten
mijnent! Ik geve u verblijf, en brood en wijn."--"Dat loone u God!"
sprak Reinout: "ik wil uwe bevelen steeds gehoorzamen." --"Zoo 't u
gelieft," zeide Ywein, "wiste ik gaerne uwen name."--"Al-te-gader,"
zeide Reinout, "zullen wij onze namen u zeggen. Onze vader is Haymijn,
de roemrijke krijgsman; mijn oudste broeder heet Ritsaert, de andere
Adelaert, Writsaert heet de derde; en mij noemt men Reinout, een snel
ridder. Nu kent gij onze namen."


[1] _have_: goed.




HET TIENDE CAPITTEL.


     Hoe Reinout en zijn broeders, tot Koning Ywein gegaan
     met Saforets hoofd, daar hun verblijf hielden, en hoe
     Reinout van den Koning begiftigd werd, en zich
     versterkte tegen den grooten Koning Carel van
     Frankrijk.


Ywein onthaalde ze of hij hun vader geweest ware. Hij deed hun kleederen
maken, gedeeld in groen fluweel tegen rood scharlaat, en Reinout zorgde,
dat Beyaert wel voorzien werd. Ywein had hun ook meesters gegeven, ter
genezing hunner wonden met heelenden drank. Hij diende hen met vollen
wille aldus, dat Ridders en Ros in zeven weken gezond en van hunne
wonden genezen waren.

Toen deed de goede Koning Ywein hun schoone nieuwe schilden maken; hun
knijven en zwaerden vervegen[1]: hunne harnasplaten waren mede
vernieuwd. Zij kregen ook het volkomen paerdendek van éne stoffe,
prijkend met een passend wapenteeken. Spoedig waren zij, die Ywein in
den strijd zouden helpen, gereed; zij deden de wapens aan; hun Ros
Beyaert werd uitgeleid en in het veld gezadeld. Het was bekleed, en de
goede Ridders zaten moedig op.

Ywein vergaderde haastig in zijn eigen rijk een groot heir, trok daar
het land meê in naar de kasteden, die Saforet had doen maken, en waaruit
Ywein groote schade gedaan werd.

Zij vulden de grachten, braken de muren, en sloegen al dood wat zij
binnen de kasteelen vonden, behalve vrouwen en kinderen.

Toen togen zij aanstonds Saforets Koninkrijk binnen, legerden zich in
zijn land; roofden en brandden; en voerden er krijg weinig minder dan
drie jaren.

Ywein, de goede Koning, deed nu sloten bouwen waar hij wilde; en
heerschte op het vreemd gebied, of 't hem alles van zijn vader bij
erfschap gekomen ware.

De Vier Ridders streden fel, en Ywein was recht blijde, dat hunner
steeds de zege bleef, aan wat strijd zij ook deelnamen. Zij waren hem
dan ook van harte genegen en trouw; en hij begiftigde hen rijkelijk met
goud en edelsteenen. Vier jaren vertoefden daar de Ridders.

Intusschen kreeg op zekere tijd Carel, de Koning van Vrankrijk, daar
kennis van, door een verspieder, die toevallig de Heeren gezien had. Nu
zond Carel aanstonds een bode tot Ywein, en deed met een brief hem
aanzeggen, "dat hij, ter zijner liefde, hem de moordenaars van zijnen
zone Lodewijk zoû uitleveren."

Toen de bode in Gascongiën kwam, vroeg hij naar den Landskoning --en
spoedig bracht men hem voor Ywein.

"Koning!" zeide hij, "God behoede u! Vriendelijk laat u groeten Carel,
de Koning van Vrankrijk, en is 't u welgevallig, leest dan dezen brief."

De Koning aanvaerdde dien uit handen van den knaap, ontwond[2] hem en
las aanstonds Carels tijding, die hij er in geschreven vond: 'dat hij
hem de moordenaren zenden zoû, die in Vrankrijk zijn zone Lodewijk
hadden doodgeslagen.'

Toen Ywein deze boodschap verstond, werd hij droef in zijn gemoed, en
riep dadelijk te rade al zijne leenmannen, die in 't geheim vergaderden,
opdat het de Vier Ridders niet weten zouden.

"Gij Heeren!" sprak Ywein de Koning, "wat radet gij mij in deze zaak?
Carel, de dappere, eischt Haymijns Kinderen van Ardennen op: zend ik ze
den Koning niet--zoo haal ik zijn toorn over mij. Gij Heeren! wat raad
geeft gij mij in deze, dat ik mijne eere behoude? Van Reinout heb ik
toch groote diensten ontvangen en groote voordeden in der Heidenen
land."

Toen sprak Anceel van Ribemont, in den raad: "Wij hebben herhaaldelijk
voor waarheid gehoord, dat zij den Koning groote schande deden, en, in
zijn eigen zale, den Koning Lodewijk jammerlijk doodsloegen. Naar mijn
oordeel, zult gij ze, behoudens lijf en goed, uitleveren. Doet gij 't
ook niet--u zal kwaad geschieden; Carel zal in uw land komen, roof en
brand stichten, en, krijgt hij u in handen, u doen ophangen bij de
keel."

Hugo van Averne[3] sprak vervolgends: "Die raad zij afgewezen, Heer
Koning! Voorwaar, zult gij deze Ridders alzoo uitleveren, men zal u
verrader heeten: nog duizend jaar na dezen. Zij deden u zoo menigen
dienst--zoudt gij ze dús beloonen? Zoo menigen Heiden hebben zij
verslagen, zoo menigen uit den zadel doen storten! Adelaert is uw
vaandrager; een goed Ridder is Ritsaert; en Writsaert--uw huismeyer[4].
Verriedt gij ze--'t ware een wandaad."

[Illustratie: Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar
gewapend nader.]

Toen sprak Hertog Ysoreit: "Heer Hugo, gij hebt wél gezegd!" Daarop
sprak Reinier van Gascongiën, een Ridder fier en stout:
"Verloochendet gij deze Vier Heeren, gij zoudt onteerd zijn; o Koning!
En wildet gij ze ook, dat God verhoede! door verraad uitleveren, ze zijn
van zoo hoogen geslachte, ge zoudt overal geschandvlekt wezen: 't zij ge
kwaamt in Poelgiën, of in Toscanen, of in Calabren--daar is alom menig
Ridder, die 't zich aantrekken zoû. Gij zoudt den voet niet op Ceciliën
kunnen zetten zonder groote schade. Kwaam gij in Grieken of Hongarije,
in Engeland of in Normandiën, of in Vrankrijk--de hoogsten van het land
zouden u haten; ge kunt jegens hunne hooge magen geen veete volhouden.
Durft gij ze niet, ondanks Carel, herbergen, en wilt gij hunner magen
gramschap ontgaan, zoo laat hen aanstonds in een ander Koninkrijk
trekken, daar ze Carel niet te vreezen en hebben."

Mijn Heere Lambert nam het woord: "Heer Koning, zoo waar ik met eere
leven moge! mijn Ancelijn hoorde ik goeden raad geven en wijze woorden
spreken! Indien gij den Koning weigert en de Ridders wilt houden, hem
ten spijt--ik zeg u voorwaar! dat gij er dan zooveel bij winnen zult als
Jan van Lacwide, die weleer ook ter kwader ure strijd bestond jegens
Carel."

Pas had Lambert deze woorden gesproken, of Ysoreit trad naar voren en
zeide: "Die dezen raad gegeven heeft, hem ligt geen kaf[5] aan uw eer
gelegen. Want ik zeg u," sprak de hoofsche held, "een Koning mag tot geen
prijs verrader zijn. Gaaft ge Reinout en zijn broeders over aan wie ze
zoû doen folteren en dooden--dan hadt gij ze kwalijk overgegeven. Maar
volgt ge mijn raad, Heere--gij zult ze in Poelgiën of een ander land
laten trekken, daar zij ongedeerd mogen blijven."

Ywein besloot dezen raad te volgen, maar 't was hem zeer leed, dat hij
Reinout, den edelen Jonkheer, en zijn broeders toch zoû moeten zien
vertrekken: "zoo menige dienst van hen ontvangen te hebben, en niet te
kunnen helpen!... Maar de gramschap van Koning Carel zoû mij te zwaar
vallen."

Heer Hugo van Averne andwoordde oogenblikkelijk: "Heer Koning--ik had
'et u wel voorzeid, dat geen goed man den raad gehoor zoû leenen van
Anceel en Lambert, twee neven uit een huis, dat, zoo help mij Sint-Jan!
nooit goeden raad aanbracht: maar, Koning! wilt gij den glans uwer eer
bewaren--zoo geeft Jonkheere Reinout uwe dochter Clarisse, en geeft hem
de rots aan de Gironde[6]: hij zal er aanstonds een vaste burcht op
bouwen, en, bij den Heer van Paradijze! heeft Reinout het geluk kinderen
bij uw dochter te verwekken--dan is hij op het innigst aan u verbonden,
en hij is van zoo hoogen geslachte, dat ge door hem de veete teegen den
geweldigen Carel, Pippijns zoon van Vrankrijk, staande kunt houden."

--"Avernees, gij zegt wél," sprak Ywein: "het lacht mij vriendelijk aan,
dat Reinout, de koene krijger, bij mij in mijn land bleve."

De Koning ontbood Reinout en zijn broeders.

"Koning, wat gebiedt gij?" vroeg Reinout.

"Reinout," andwoordde Ywein, "Carel de Koning van Vrankrijk, heeft mij
met gezegelde brieven doen aanzeggen, dat ik, ter zijner liefde, u en uw
broeders gevangen in Vrankrijk zenden zal: maar," voegde hij er
aanstonds bij, "ik wil geen verrader zijn. Echter, ik moet het u bekend
maken, zijn gramschap zoû mij te zwaar vallen. Wilt gij nu, Reinout! in
Poelgiën of Calabren trekken, of naar genen kant van de Zuidzee[7]--ik
zal u nimmer aan uw lot overlaten; u steeds van schatten en goederen
voorzien.... Nu zegt mij--wilt ge handelen als de wijzen, en mijn
voorstel aanvaerden?"

--"Edel Heere," andwoordde Reinout, "het neemt, helaas! alles voor ons
een zorgelijken keer. Tegen Carel van Vrankrijk mogen wij ter waereld
niet strijden, noch in dit land, noch over zee. Maar.... aan de Gironde
staat een rots--wilt ge mij die geven: ik zal het mij, mijn leven lang,
waerd maken. Ik zal er een huis op doen bouwen, zoo sterk, dat ik Carel
en zijn magen geen stroohalm meer te vreezen had."

Ywein andwoordde: "Gaf ik u de rots, koene strijder! dan zoudt gij er
mijn gantsche land en al de steden van Gascongiën meê overheerschen."

--"Ik zoû 't niet doen, Heer! in waarheid niet! Ik geef er u mijn trouw
op: zoo waarlijk helpe mij Onze Vrouwe! Daar woont geen zoo hooge man in
dit land, of, misdoet hij u, hij zal mij ten vijand hebben, en hij zal
met zijn knechten geene nacht meer rustig slapen, noch 's morgens veilig
opstaan, noch eten, noch drinken. Mijn leven lang zal ik met mijn
broeders u dienen, of gij mijn vader waart. Reeds acht ik mij uw
zone--zoo zeer min ik uwe blonde dochter Clarisse, de schoonste
Jonkvrouwe van Christenrijk!"

Ywein sprak haastig, "hij zoû zich beraden," en riep zijne Heeren weder
bij-een. Des gevraagd zijnde, andwoordde Ysoreit uit aller naam: "Bij
mijn geloof, Heere! gij moet Reinout, den krijgsman, de vaste rotse
geven, en tevens uwe dochter Clarisse. Zoo zal men u eerlang wijd en
zijd over de grenzen ontzien, en gij zult u eere verwerven."

Ywein gaf toe: 'God helpe mij, dat ik aan Reinout mijne dochter geve, en
ik schenke hem de rots aan de Gironde!' Reinout werd door Ywein
geroepen.

"Edel Grave Reinout! wilt gij mij hou en trouw zijn, en al uw broederen
mede, zoo schenk ik u plechtig de rots aan de Gironde en de schoone
Clarisse, mijn blonde dochter, ter vrouwe. Bovendien geef ik u de helft
van mijn goed, dat gij u naar hartelust een sterk huis doet maken,
opdat, kwame Carel, de wijdvermaarde, daar vóór met heel zijn heir, hij
u in honderd jaren het minste leed niet doen konde!"

--"Dat loone u God, Heer!" zeide Reinout: "uwe dochter, de schoone,
roemwaardige Jonkvrouw, neem ik met blijdschap; en de rots neem ik er
bij."

Zoo gaf Ywein de Koning Reinoude in waarheid zijn dochter ter vrouwe.

Wat baatte 't of ik breed ophaalde van de bruiloft, die daar gehouden
werd! 't Ware tijdverlies. Daar was vermaak en blijdschap; 't was, met
éen woord, een groote, goede bruiloft.

Toen deed Reinout al de timmerlieden en metselaars uit het gantsche
land, al die goud wilden winnen, bij-een-komen, en een aanvang maken met
zijn kasteel op de rots aan de Gironde. Die den roep vernamen, en als
goede meesters aangenomen werden, kwamen op de rots, en begonnen
aanstonds het huis te vesten.

Ik lees, dat Reinout wel 1000 timmerliên en 700 metselaars bij-een-had.
Nu moesten de sterkten worden aangebracht: vaste muren; hooge tinnen;
twee paar muren gingen er om rond.

Nu riep Reinout door het landschap velen op om tot de rots te komen: hij
zoû ze verblijf geven en onderhouden hun leven lang. En de geroepenen,
vrouwen en mannen, kwamen naar de rots: zoo dat Reinout spoedig 1500
personen vergaderde, die allen eenigen arbeid verstonden. Deze kweekten
wijngaarden; geen werkten in akker, bosch of boomgaard; andere wonnen
koren en vele veldvruchten: spoedig was daar een uitermate schoone stede
gesticht.

En Reinout noodigde thands zijn schoonvader den Koning om bij hem te
komen; en toen Ywein op de rots kwam en alles gezien had, zeide hij:
"Reinout! voorwaar gij hebt een schoon huis gemaakt, en een sterk
kasteel. Welken naam gaaft gij 'et?"

--"'t Staat op een rotse van wit marmer," zeide Reinout, "daarvan is 't
Montalbaen [of Blankensteen] genoemd."

--"Blankensteen moge het heeten," zeide Ywein, "en geen vlek er op
kleven! Gij geeft het een goeden en gerechten naam."


[1] _vervegen_: op zwaardvegerswijze herstellen.

[2] _ontwond_: ontdeed van het zegelkoord.

[3] _Averne_: Auvergne.

[4] _huismeyer_: hofmeester.

[5] _geen kaf_: zooveel als niets.

[6] _Gironde_: mond van Dordogne en Garonne.

[7] _Zuidzee_: Middellandsche Zee.




HET ELFDE CAPITTEL.


     Hoe Koning Carel zag het nieuwe kasteel, dat gemaakt
     was op Rotsenland, als hij tot St. Jacob reisde, en
     dede vrage wie dat toebehoorde, en hoe zij zeiden
     "Reinout" en hoe hij dat kasteel belegde.


Het gebeurde dat Koning Carel in bedevaart reizen zoû na St. Jacob.
Roelant was bij hem; en gekomen zijnde in Yweins land, zag Koning Carel
het kasteel en dat het schoon en sterk was. "Neve," zeide hij tot
Roelant, "ziet dat kasteel! Wie mag 'et sints zoo korten tijd hebben
doen timmeren? in al Gascongiën en staat geen zoo sterk noch zoo
schoon."--"Wie 't gemaakt heeft is mij onbekend," zeide Roelant; "maar
zoo veel is zeker, dat het sterk, ja, ik zoû schier zeggen onwinlijk
is; want ziet eens, hoe hoog van muren en torens; en hoe wel gebouwd ter
verdediging: 't is in ieder geval een rijk man, die 't heeft doen
maken." Hiermede lieten Koning Carel Roeland het gesprek, en deden zich
over 't water zetten.

Toen kwamen zij in 't land, dat Ywein--Reinout met zijn dochter gegeven
had. Als zij óver waren, liet Koning Carel door Roelant vragen, 'wie dat
schoone kasteel had doen timmeren in zoo korten tijd?'

Roelant zag een akkerman aan den ploeg, en reed naar hem heen, en vraagt
hem, 'wien dat kasteel toebehoorde?'

De akkerman zeide: "Ik hoor van de lieden, dat het een Grave heeft doen
timmeren, die hem aldaar onthouden wil, tegen zijn vijanden: want zoo
men zeî heeft hij groote oorlog en twist tegen den Koning van Vrankrijk;
hij is uit zijn land verdreven."

--"Vriend, hoe heet die Grave?" zeide Roelant. Hij antwoordde: "Reinout.
Hij heeft nog drie schoone jongelingen tot broeders. Het kasteel heet
Montalbaen; ook heeft hij gesticht een schoone stad." Als Roelant van
den akkerman de waarheid wist van den kasteele, keerde hij tot Koning
Carel en zeide: "Dit kasteel heeft doen timmeren Reinout met zijn
broeders, en 'et heet Montalbaen: ook heeft hij, onder de schutse der
burcht, aangelegd een schoone stad."

--"Hoe?" zeide de Koning, "Haymijns kinderen? Gaat tot Reinout; zegt
hem, dat hij mij geve 't kasteel Montalbaen en de stede, en zich-zelven
met zijn broeders en al zijne poorters en onderzaten in mijne macht
stelle, dat ik ze naar Vrankrijk voere: zoo mag hij vrede hebben en
tegen mij verzoenen van zijn misdaad. Maar wil hij dit niet, dan zal hem
kwaad geschiên; ik zal met macht komen in zijn land, verbranden en
verderven al dat er is, en doen hem en zijn broeders hangen."

Als Roelant den Koning wel verstaan had, ging hij tot Montalbaen; en als
hij in den zale kwam, groette hij Reinout met zijn huisgezin minlijk en
zijn broeders even zoo. Daarop zeide hij tot Reinout: "Mij heeft tot u
gezonden Koning Carel van Vrankrijk, opdat gij met uw broeders en al uw
onderzaten u komt geven in zijn macht en tot zijnen wille; opdat gij hem
gevet Montalbaen, en valt hem te voet met uw leenmannen, en smeeket
genade: en hij zal ze u doen."

Als Reinout de boodschap van Koning Carel verstaan had, zeide hij tot
Roelant: "Ik zeg u, neve, ik en gaf den Koning den ellendigsten man niet
ten zoene, die in al mijn land is! Koning Carel belegere mij liever
zeven jaar eer ik er een pluim om gaf."--"Wilt gij u dan tegen Koning
Carel zetten?" zeide Roelant; "gij sloegt immers zijn zone
Lodewijk!"--"Daar vraag ik niet naar," zeide Reinout, "den grooten
manslag, dien men mij herinnert, kan ik niet vergeten. Het ga met mij
als het moge! Wil mij de Koning tegen hem laten verzoenen--ik wil hem
Montalbaen opgeven, en mijn land van hem te leen ontvangen en dienen hem
als een trouw vazal mijn leven lang ... Roelant-neve, wildy hem dit
zeggen?--Maar zijn gevangene wil ik niet zijn; en hij beginne niet met
mij te dreigen."

Roelant zeide: "Reinout, doet wel, en gaat in banden!" Reinout zeide:
"Neen ik: in zijne gevangenis koom ik niet; maar ik bid u, Roelant, doet
mijn boodschap aan den Koning."

Met die woorden keerde Roelant weder tot den Koning en heeft hem gezeid
Reinouts meeninge; en de Koning was verstoord, en zond Koning Ywein een
scherpen brief, dat hij toornig op hem was, om dat hij zijn doodvijanden
in zijn land herbergde en hun burg en goed gegeven had en groote eer
gedaan.'

Koning Carel volbracht met haaste zijne pelgrimaadje naar St Jacob, en
keerde weder in Vrankrijk. Toen vergaderde hij groot volk, en toog in
Reinouts land, en belegde Montalbaen zeer sterkelijk. En Reinout,
verwittigd van 's Konings aantocht, ontbood al zijn vrienden, om hem te
helpen.

Koning Carel lag in Reinouts land, verbrandde en verdierf al dat hij
kon, maar leed groote schade aan zijn volk. En Reinout handhaafde
Montalbaen krachtig tegen den Koning en zijn volk een gantsch jaar lang.
En als Koning Carel een jaar voor Montalbaen gelegen had, verdroot 'et
hem; want hij zag wel, hij mochte 't niet winnen: dus gaf hij zijn
Heeren oorlof t'huis te varen, en brak zijn heir op voor Reinouts
burcht; 't welk luttel tot zijn eere was.




HET TWAALFDE CAPITTEL.


     Hoe Reinout met zijn broeders voeren om hun moeder te
     zien als Pelgrims, en kwamen te Piërlepont, en hoe hen
     de vader vangen woude en brengen ze in Vrankrijk. En
     hoe Piërlepont van den Koning belegerd was, en hoe
     Reinouts drie broeders gevangen waren, en de Koning ze
     wilde doen hangen.


Reinout, in zijne burchtzaal gezeten, riep zijn broeder Adelaert,
zeggende: "Lieve broeder, gij zijt mijn raad en troost. 't Is nu al
zeven jaar, dat wij onze moeder niet meer gezien en hebben: mijn hert is
daardoor gedrukt: ik moet haar zien en hooren spreken, of ik stierf van
rouw."

--"Helaas, broeder," zeide Adelaert, "wat wilt gij ondernemen: gij weet
wel, dat onze vader en moeder in onze dood hebben gestemd. Komen wij
daar, wij zijn verloren." Toen zeide Reinout: "Broeder, dat en acht ik
niet een strooi: want de ouders hebben de kinderen lief! Het ga hoe 't
mag, ik moet mijne moeder zien."

--"Ik weet goed raad," zeide Reinout tot zijne broeders: "wij zullen
gaan in 't bosch van Bordeas[1] en verwachten daar de Pelgrims, en
bidden hen dat zij ons kleêren geven voor de onzen; en zoo gaan wij
onbekend door 't land tot onze moeder!" Deze raad dachte den broeders
goed. Zij gingen uit het kasteel, dat het weinige wisten, en wachtten in
het bosch de Pelgrims. Toen zij een wijl in 't bosch geweest waren,
kwamen daar vier Pelgrims, die het Heilige Land bezocht hadden, en waren
uit Vrankrijk, en kenden Reinout wel. Zij hadden palmen in hunne handen.
En de broeders gingen hen tegen. "Weest gegroet, gij Pelgrims!" zeide
Reinout: "wij bidden u dat gij ons geven wilt uwe kleederen en schoenen
voor de onzen."

Maar de Pelgrims, dit hoorende, werden vervaerd en verstonden niet wat
Reinout zeide. Een hunner sprak: "Zoo zijt gij, Reinout, een roover
geworden? Hoe lang hebdy dit bedrijf bij de hand gehad? Ik zeg u: is 't,
dat ik in Frankrijk keere, ik zal 't den Koning klagen, dat gij een
roover zijt." Dit nam Reinout euvel op, toog zijn zwaerd en vatt'e den
Pelgrim bij den baard: hij zoû hem geslagen hebben --maar een ander
Pelgrim viel op zijn knieën en zeide: "Genade, Heer! ziet toe wat gij
aanvangt: wij zijn Gods Pelgrims, en zijn geweest te Jeruzalem. Als
waren onze kleederen nog wat beter--doet 'er meê dat gij wilt."

Toen zeide Reinout: "Pelgrim, gij zijt wijs; 't is een geluk voor uwen
broeder." De Pelgrims togen hun kleederen uit, en gaven ze Haymijns
Kinderen, die ze aantrokken.

Als zij de Pelgrimskleêren aan hadden, bezagen zij elkander hoe ze
stonden, en als ze gereed waren, gingen zij menige dagvaart, en deden
menigen moeden voetstap eer zij te Piërlepont kwamen.

Zij vonden het kasteel gesloten: zij klopten aan. De portier kwam en
vraagde, 'wat zij begeerden?' Reinout zeide: "Vriend, laat ons, vier
Pelgrims, ingaan; wij hebben tot menige stede geweest en in menig Land,
te Rome, tot St Andries in Schotland, te St Gilles in Provenciën: nu
hebben wij groote honger en dorst, dus bidden wij, om Gods wille! dat
gij ons inlaat."

Maar de portier zeide: "Al badt gij nog zoo lang, ik en zal 't niet
doen."--"Waarom?" zeide Reinout. "Dit zal ik u zeggen," was het
wederwoord: "ons kwam gisteren kwade mare uit Vrankrijk: dat onze Heeren
gevangen zouden zijn, Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout.... Maar
toch, vriend, ware uw baard zoo lang niet, ik zoû zeggen, dat gij waart
de stoute Reinout; ik zag nooit man hem beter gelijken!..."--"Om Gods
wille vriend!" zeide Reinout, "en om de liefde van Haymijns Kinderen!
laat ons in. Ik bidde dat hen God met eere laat leven! en heeft Koning
Carel ze gevangen, dat ze 't gelukkig ontgaan mogen; en zijn ze dood,
God wille zich hunner ziele ontfermen; zijn ze in storm of ongemak, dat
ze God van der dood behoeden wil!"

Als Reinout deze woorden zeide, bevielen ze den portier zoo wel, dat hij
antwoordde: "Ik zal u inlaten tot mijner Vrouwe, die u zal laven en
spijzigen ter liefde der Jonkheeren."--"Dat loon u God!" zeide Reinout.
Met-een ontdede de portier de poort, en zij traden in. Als zij binnen
waren, gingen zij in de zale, daar zij hun moeder het laatst hadden
gezien, en groetten ze, zeggende: "God geve u goeden dag!"

--"God loon u, Pelgrims!" zeide Vrouwe Aye. "Vróuwe!" sprak Reinout,
"wij hebben in menig land geweest, als tot Rome, St Jacob in Galiciën,
en menige andere stede; maar wij en hadden nooit zulke honger en dorst
als thands."

Toen zeide de Edelvrouw: "Pelgrims! weest zonder zorge; ik zal u eten en
drinken geven."

De Vrouwe dede de Pelgrims zitten aan een tafel en deed daarop brengen
spijs en drank: zoo dat de Heeren aten en dronken en zich verzadigen
mochten. De Vrouwe was in den kelder gegaan, en had getapt eene kanne
vol wijn, en bracht ze den Heeren aan de tafel.

Zij nam een gouden schaal en goot ze vol, en gaf ze Reinout. Reinout zag
haar aan, nam de schaal met bevende handen en dronk ze uit, en als hij
ze uit hadde, zeide hij: "Vrouwe, ik ben nog niet gelaafd; mij brandt
het van binnen ...och dat ik meer hadde van dien wijn!"

De Vrouwe nam de schale, en schonk ze weder vol en gaf ze hem, en zeide:
"Pelgrim, hoe smaakt u de wijn? gij drinkt hem met zooveel graagte--ik
duchte, dat hij u miskomen zal." Reinout andwoordde niets, nam de schaal
uit zijns moeders handen, en dronk ze nogmaals ledig. Als de Vrouwe dat
zag, zeide zij: "Mij verwondert van waar gij zijt gekomen, wijl gij,
Pelgrim, onzen sterken wijn zoo drinkt; zes Ridders en zouden zoo veel
wijn niet drinken, als gij alleen doet."

Reinout sprak: "God loon 't u, wat ik uit uw hand mag ontvangen: ...
reikt mij die schale nog éénmaal, geeft nog eens van dien wijn, wilt gij
dat ik u mijn leven lang danken zal!..."

De Vrouwe was verwonderd, maar schonk hem de schale weder vol en gaf ze
hem in de hand; als Reinout de schale in de hand had, dronk hij ze weder
uit. Toen kon de Vrouwe den Pelgrim van bevreemding niet meer aanzien.

Reinouts oogen straalden van een hellen gloed, terwijl hij zijne moeder
aanschouwde, wie hij zich niet bekend mocht maken. "Vrouwe!" zeide hij,
"ik wilde dat ik meer had van dien wijn!--want had ik nog een schale, ik
en ontzage Koning Carel mijnen oom geen stroohalm." Als Adelaert dezen
onvoorzichtigen uitroep hoorde, voer hij verschrikt op, en stiet Reinout
met zijn elleboog, dat hij ter aarde viel, en bewusteloos bleef liggen
van al den wijn, dien hij gedronken hadde. Maar Vrouw Aye hoorde eene
stemme in haar herte; zij nam Reinout in heur armen; en kuste hem menig
werf; men meende, dat ze van blijdschap dood gebleven zoude zijn op
haren Kinde: maar Adelaert nam ze in zijne armen, en voerde ze zachtkens
wech van Reinout.

Intusschen had een bespieder de woorden van Reinout gehoord, en zeide:
"Vrouw! doet Reinout vangen, en zendt hem Koning Carel, want gij hebt
'et gezworen; en wilt gij 't niet doen--zoo zal ik tot den Koning rijden
en zeggen hem, dat gij den moordenaar, uw zoon, in uw kasteel onthaalt."

Als dit de verrader zeide, ontstelde de Vrouwe hevig om die woorden en
zeide: "Valsche knecht! al dede Koning Carel, mijn broeder, ons zweeren
op 'et lichaam van St Dionijs, mijn hert en heeft niet toegestemd mijn
Kinderen kwaad te doen. Zoude ik om leven of om sterven mijn Kinders
begeven!"

Toen ging de verrader tot Haymijn in de vierschaar, en zeide: "Heer! uw
Kinderen zijn al-te-maal in de burcht, die Lodewijk doodsloegen; doet ze
vangen, en zendt ze Koning Carel. Wilt gij 'et niet doen, ik zal tot den
Koning trekken, en zeggen hem, dat ze zijn in uw kasteel: zoo zal hij
komen en vangen u en uw Kinderen, met Vrouwe Aye, en doen u bij uw
Kinderen hangen en Vrouwe Aye barnen." Haymijn, deze woorden hoorende,
werd toornig, greep met der haast een stok, en sloeg den verrader neder.
"Ziedaar voor uwe boodschap!" riep Haymijn verbolgen. Hij stond toen een
oogenblik in beraad, fronste het voorhoofd, en riep somber maar luide:
"Gij Edele Baroenen, wapent u spoedig, en helpt mij: want ik mijn
Kinderen vangen moet, en leveren hen uit aan mijnen gerechten Heere,
Koning Carel, wien ik het gezworen heb."

Toen wapenden zij hen alle; als zij gewapend waren, toog Haymijn met
veel volk naar de burcht. En Adelaert werd dit gewaar, en zeide: "God
en Maria, helpt mij! daar naakt ons groote zorg: ik zie mijn vader komen
over den binnenhof met menig gewapend man. Moeder," zeide hij, "geeft
ons raad! Weet gij ons geen raad te geven--wij zijn verloren; want
Reinout, die de stoutste van allen is, ligt in onmacht." Zij zeide:
"Helpt Reinout in gindsche kamer en verspert de ingang. Ik weet, helaas,
geen anderen raad!"

Zij deden dat hun de moeder zeide, en droegen Reinout in de kamer, en
leiden hem op een steen. Toen gingen de drie gebroeders met hun zwaerden
voor de kamer staan.

Ondertusschen kwam Haymijn, en beval, dat men de Kinderen vinge, want
hij woû ze tot den Koning zenden. "Terug, gij Heeren!" riep Adelaert:
"die éne schrede nader doet, vel ik met mijn zwaerd: gij vangt Haymijns
Kinderen nimmermeer!" Te gelijk werden de Heeren sterklijk
te-rug-geslagen; en wat de broeders met hun zwaerden raekten, dat bleef
dood, of zeer gekwetst.

Aldus werden ze bevochten drie dagen lang. Twee dagen behielden zij de
kamer vechtender hand, dat Reinout nog sliep, en daaraf niet en wiste;
maar als 'et was aan den derden dag, zoo kwam Reinout bij, en sprong op;
hij zag zijn broeders daar staan vechten, of zij zinneloos geweest
waren; matter en matter werden hunne armen; telkens flaauwer hunne
slagen.--Toen nam Reinout zijn zwaerd in de hand, drong naar voren, en
zeide: "Broeders! staat achterwaards, gij zijt moede, uw slagen worden
zwak."

Toen traden de broeders te-rug en Reinout ging staan midden in den
toegang, en riep: "God schende mij zoo ik iemant spare! al ware 't
Haymijn mijn vader, hij zal er de dood om sterven!" Hij wendde zich
werwaards hij 't meeste volk zag, en sloeg zoo vreeselijk, dat elk hem
vluchtte als den dood.

Toen Haymijn dit zag, zeide hij tot zijn volk: "Mijn Kinderen blijven
ongeschaad, want Reinout doet meer vromigheid alleen, dan gij-allen te
zamen; hij heeft 'et beste zwaerd dat men vinden mag; wat hij
geraakt--het blijft er ál dood."

Reinout woedde intusschen voort als een vertoornde leeuw, en Haymijn met
zijn volk werden gedwongen te wijken en te vlieden, ter vlucht wat ellek
loopen mocht. En Reinout volgde zijn vader met groote snelheid achter
na. Dit sneed den anderen broeders door 'et hert, en Adelaert volgde
Reinout. Reinout doorbrak de scharen met kracht tot dat hij zijn vader
vond; hij had zijn zwaerd geheven, en zoude zijn vader gedood hebben,
maar Adelaert weerhield den slag, roepende: "Broeder, wat wilt gij doen!
Sloegt gij onzen vader dood--die vreeselijke misdaad mochten wij
nimmermeer boeten, die schande nimmer verwinnen. Voor God waren wij
verloren, verstooten uit de hoven aller Edelen, en jegens Koning Carel
verworven wij nimmermeer zoen!"

--"Wat zegt gij?" riep Reinout, "is hij onze vader, die zijn Kinderen
vangen wil." Toen nam hij Haymijn, en leidde hem op een bank, bond hem
handen en voeten, en zetted' hem te paerd. Juist kwam daar een lijfknaap
aan: Reinout riep hem: "Vriend!" zeide hij, "neem dezen man en voer hem
haastelijk tot Koning Carel."

De knaap zeide: "Ik en doe 'et niet: dede ik 'et, het ware snood gedaan;
want hij is mijn gerechte Heer: doodt mij liever, eer ik 'et dede."
Reinout dreigde den knape, dat hij hem de rechter hand zoû afslaan,
indien hij zijn last niet volbracht. De knape gaf toe, wetende dat
Koning Carel hier goed recht zoû wijzen.

"Du doest wijs!" zeide Reinout; "vaar haastelijk, zeg Koning Carel, dat
ik hem dezen tot eene gifte zende, en dat hij hem doe, wat hij mij zoude
gedaan hebben."

De knape voer dag en nacht, en vloekte Reinout dikwijls onder wege. Ten
leste kwamen zij te Parijs; en als zij door de poorte reden, zeide de
portier: "Wie mag et zijn, zoo niet de Duivel, die dus misvormd op 't
paerd ligt?"

Zij voeren zoo lang tot voor Carels hof; de garsoen klopte hard aan de
poorte, zoo dat de portier kwam en ontdeed 'et winket[2], vragende den
knape 'vanwaar hij kwam of wat gevangene hij daar had?' De garsoen
zeide: "'t Is de Grave Haymijn van Ardennen." Toen de portier dit
hoorde, ontstelde hij, en zeide: "Heer Haymijn! wie was zoo stout dat
hij u dus binden dorst en zoo schandelijk hier henen zendt, tot 's
Konings hoon?" Haymijn zeide: "Mijn Kinderen hebben 'et mij gedaan;
ontdoe de poorte en laat mij doorrijden, dat ik 'et den Koning klage!"
De portier opende de poorte, en Haymijn voer door, tot hij kwam in 's
Konings burcht. Hij werd van 't paerd gedaan en terstond kwam aan den
Koning tijding, dat Haymijn was gekomen aan handen en voeten gebonden.
Toen ging Carel in de zale, daar hij Haymijn vond, en zeide tot hem:
"Zijt wellekom, Heer Haymijn!"--"Heer Koning!" zeide Haymijn; "ik bid u,
ontferm u mijner!"--"Wie heeft u dit gedaan?" vroeg de Koning. Haymijn
zeide: "Heer Koning! mijn Kinderen zijn gekomen op mijn kasteel; als ik
't vernam, deed ik mijn volk wapenen, meende ze te vangen en herwaards
te zenden: maar, Heere Koning, zij hebben mij 300 mannen afgeslagen...."

--"Ik zal zelf optrekken, en ze gevangen maken," zeide Koning Carel.

Hij gaf oogenblikkelijk last aan zijn Baroenen en volk dat ze zich
wapenen zouden; zoo Edel als onedel.

En als zij gewapend waren, togen zij tot den Koning. Als hij zijn volk
dus reede zag, zat hij op zijn paerd; en reed zoo lang tot dat hij kwam
te Piërlepont. Reinout stond op de tinnen, en zag Carel met een groot
heir daarbeneden, en dat hij 't kasteel belegerde. Hij zag, dat ze daar
tenten begonnen te slaan voor het kasteel.

Reinout ging tot zijne moeder en zeide: "Moeder, het oogenblik der zorge
is gekomen, Koning Carel heeft het kasteel beleid, en is 't dat hij ons
mag vangen, hij doet ons ter dood brengen. Moeder! en weet gij ons
geenen raad?"

Vrouw Aye zag haren zone Reinout smertelijk aan, maar sprak haastig:
"Hier, mijn Kind, neemt deze kleederen, vermomt u, en ik zal u een der
muurpoortjens uitlaten: zoo moogt gij uw leven bergen." Reinout dede als
hem zijn moeder beval, en nam oorlof aan zijn broeders, die zeer
mistroostig waren: want men dorst niet in getale door het poortjen gaan;
hetgeen de vlucht ook van éen enkele had doen mislukken. Dus was hun
scheiden uiterst pijnlijk, en Reinout was zeer bedroefd, dat hij zijn
broeders moest laten.

Zijn moeder en broeders bedreven groote rouwe na het afscheid, en baden
God voor hem.

"Eilaas!" zeide Vrouw Aye en Adelaert, "hoe zeer rouwt mij deze vaart!
nu zijt gij in mijn huis belegerd van den Koning; doch, lieve Kinderen,
doet mijn raad; hij zal u voordeelig zijn. Gaat, in wolle en barvoets,
tot den Koning; en valt hem te voet; uw verwanten zullen u helpen
bidden."

Zij deden dat hun moeder hun ried, en namen malkander bij der hand, en
gingen, wollen en barvoets, na den heire. Zoo haast men ze vernam,
wierden zij gevangen en voor den Koning gebracht: en als zij voor den
Koning kwamen, vielen ze op hunne kniën en baden hem oodmoedelijk, bij
de liefde Gods, dat hij hun genade doen wilde, en zeiden, "wat zij
gedaan hadden zouden zij beteren, zoo veel zij vermochten met ziel en
lijf, opdat zij ter zoene mochten komen."

Koning Carel gaf bevel, dat men ze binden zoude; hetwelk terstond gedaan
werd: want hunne handen en voeten werden 't zamen gebonden, zoo dat 'et
bloed den nagels uitsprong. En als Vrouw Aye dat zag, was haar wee te
moede, en zij viel voor des Konings Voeten op haar kniën en bad hem, met
heete tranen, dat hij haar gave heure Kinderen.

Koning Carel was onverbidbaar, maar zeide, 'dat hij ze houden zoû zoo
lange dat hij Reinout mede had, om ze te zamen de welverdiende straf te
doen ondergaan.' De Koning voer met zijn volk weder naar Parijs, en dede
de broeders zorgvuldig bewaken.


[1] _Bordeas_: Bordeaux.

[2] _winket_--deurtjen in eene poortdeure.




HET DERTIENDE CAPITTEL.


     Hoe Reinout bij Parijs kwam met Beyaert om zijn
     broeders te verlossen, en zond een bode aan Carel of
     men de zoene mocht treffen. En wat zoen hij den Koning
     dede bieden met den bode.


Met groote droefheid en onrust in het herte, was Reinout weêrgekomen te
Montalbaen; hij beklaagde zeer zijn lot, dat hij zoo van zijn broeders
had moeten scheiden. Hij had ook gehoord, dat Koning Carel ze gevangen
had, en zich voorgenomen ze ter dood te brengen. Het was al in rouwe om
de Heeren, al dat te Montalbaen was.

Reinout wapende zich en dede Beyaert bekleeden en zadelen, en zat op
het Ros. Hij vertrok van Montalbaen en reed naar Parijs, zeer beklagende
zijn ongeluk en zeggende in zich-zelven: 'wáar dat hij mijn broeders
brenge om ze te dooden, ik zal ze nemen, of zelf 'et leven laten!'

Als hij aldus peinzende voortreed, kwam daar een knecht loopen, die
sterk en snel was, en had een staf op zijn schouderen met ijzer
beslagen. Reinout zeide bij zich-zelf: 'Komt deze licht om mij te volgen
en bespieden? ik zoû noch arm, noch zwaerd, noch Beyaert, het goede Ros,
moeten hebben, zoo ik 'et niet aanstonds te weten kwame!'

Toen reed Reinout den knape tegen en sprak tot hem: "Volgst du in
euvelen moede, om mij hinderlijk te zijn? Spreek op! ik wil 'et weten!"
De man zeide: "Zoû ik u volgen met een inzicht ten kwade?--dat waar niet
welgedaan: want gij zijt mijn Heer, en ik ben uw knecht. Uw vader gaf
mij, op uw moeders kasteel, 400 pond vele jaren te rente; die mag ik
verbruiken." Reinout, van den bode dit hoorende, zeide tot hem: "Zeg mij
dijn name?" Hij zeide: "Ik ben geheeten Rignant van Napels." Toen zeide
Reinout: "Zoo moogst du een boodschap doen bij den Koning van Vrankrijk:
maar alvorens dijn boodschap te doen--begeer eenen borg tot zekerheid en
vast gelei, dat du moogst gaan end' komen ongeschend aan het leven. Dan,
doe dijne boodschap."

--"Ik wil 'et gaerne, Heer!" zeide Rignant; "het is wel recht: want ik
ben uw knape. En als ik mijn boodschap doe, en daar spreekt iemant in
mijn rede, voorwaar ik zeg u, ik sla hem met mijn staf, dat hij
nimmermeer op en stond."

Toen zeide Reinout tot den bode: "Zeg den Koning in het openbaar voor
zijne Baroenen, dat ik hem bidde dat hij mijn broeders spare; en zeg
hem, dat ik gaerne zijne genade inriepe, wollen en barvoets, en geve de
meeste zoene, die ooit voor man gegeven is. Ik wil Lodewijk negen werf
opwegen met goude, en geven het den armen, dat het kome te bate zijner
ziel. Ik wil maken een beeld van goud zoo groot als Lodewijk was, ter
zijner gedenkenis; en stichten een kerke tot eere van Onzer Vrouwe, en
voeden de Priesters met mijn eigen goed, dat men daar zinge alle dagen
de zeven getijden. Noch wil ik hem geven ... ja, ik geve hem Beyaert,
mijn goed Ros!... Ik wil mijn vrijheid ten offer brengen, en mijn
kasteel Montalbaen wil ik ontvangen van hem te leen. Dit alles zal ik
doen, wil mij de Koning laten verdingen mijn leven, en het leven mijner
broeders; want hij de Koning is. Ware 't ook, dat hij mij hier in 't
land niet zien mochte, ik en mijn broeders willen gaan over zee. En is
't, dat de Koning daarintusschen over zee komt, wij willen hem dienen
met ziel en lichaam, en dat zoo getrouwelijk, dat hij niemant in zijn
Hof ons gelijk vinden zal: want wij hem niet begeven zullen om leven
noch om dood.

"Maar is 't, dat de Koning niet stemt in mijn aanbod--zeg hem dan, dat
ik zal komen in 'et land en verbranden dat ik kan: ik zal sparen
klooster noch kerke, en nemen 'et goud en zilver, dat ik er in vinde en
betalen mijne Ridders en zoudeniers daarmede. En ik zal den Koning het
zelve doen, dat ik Lodewijk deed; want ik heb gehoord van hem, dat hij
des nachts gaat te mettene[1]: dan zal ik hem waarnemen, 't zij in de
kerke of elders, en slaan hem met mijnen zwaerde dood.... Zóo--zóo, zal
ik mij over den Koning wreken; of hij zal mijn broeders los laten en
peis geven."

Toen Reinout dit gezegd had, overpeinsde hij zijn opzet, en zeide
zuchtende: 'God behoede mij voor zulk een onheil, dat ik den Koning,
mijn oom, slaan zoude: ik heb hem zoo veel misdaan, dat ik 't niet meer
kan goedmaken.' Toen zeide hij tot den bode: "Doe mij deze boodschap
eerlijk en trouw, dat bid ik dy; en als du koomst in des konings zale,
zoo groet wel hoofdzakelijk de twaalf Genoten; in zonderheid Bisschop
Tulpijn, en zeg hun, dat ik mijn broeders beveel in hun geleide, opdat
zij, zoo de Koning ze ter dood wil brengen, hen beschermen. Dit zelve
bid ik ook al mijnen magen: dat zij voor 't minst er nog raad en daad
toe doen, en naar de strafplaats rijden: want blijft de Koning
onverzettelijk, en wil hij mijn broeders doen hangen--ik zal het
oogenblik waarnemen als zij onder de galge komen, en mijne kracht
proeven, en slaan dat ik mag: en het zal er dus toegaan, dat mijne
broeders daar niet sterven zullen!--Maar, ik zegge dy," vervolgde
Reinout, "eer du de boodschap doest, neem immer goeden borg en vast
geleide, dat du wel ontzien en ongeschend moogst gaan en keeren."

De bode zeide: "Heer Reinout, wees gerust: ik zal uwe boodschap doen:
het verga er mede als 'et mag." Met deze woorden nam de bode van Reinout
oorlof en liep met der haast naar Parijs in 's Konings zale.

En als hij daar kwam, zag hij den Koning komen uit de kamer: toen begon
de bode zich te schamen, dat hij voor zulken Heer zoude staan met een
staf, nochtans en woû hij ze niet uit der hand zetten. Ten laatste
besloot hij den staf onder zijn voeten te leggen, en viel voor den
Koning op zijn kniën, en dede hem grooten eerbied. Daarop stond hij op,
en zag stoutelijk naar den Koning heen, zeggende: "Edel Heer Koning, ik
brenge u eene goede boodschap!"

De Koning zeide: "Goede boodschap moet mij altijd welkom zijn: nu zegt
ons met wat boodschap gij beladen zijt."

De bode zeide tot den Koning: "Eer gij mijne boodschap hooren zult,
begeer ik van u de gunst van vaste vrede en goed gelei: dat ik wel
ontzien en ongeschend moog gaan en keeren: anders en zeg ik u mijn
boodschap niet; want, Heer Koning, zoude men oneer of schade beloopen,
zoo ware men dikwijls ongereed om menige boodschap te doen."

--"Gij zegt waar, bode!" andwoordde de Koning; "ik belove u vrede: en
zweer u dat niemant u misdoen en zal, of uw leven nemen; neemt er
Roelant tot een borge voor, die daar in den kring staat: hij is een der
sterkste van de waereld: des moogt gij zonder vreeze zijn."

De bode andwoordde den Koning: "Roelant moge hem niet belgen: ik name
liever een borge door wien ik zonder vreeze ware."

De Koning zeide: "Olivier! weest mede mijn borge: vriend, willen u deze
twee Edelen geleiden, gij zult gaan en keeren wel ontzien en ongeschend:
niemant ter waereld durft u tegengaan."

Toen zeide de bode: "Heer Koning, deze Heeren en mogen hen niet belgen,
ik had gaerne andere borgen."

Toen zeide de Koning: "Geleid dezen bode ten Bisschop Tulpijn: --ik
zegge u, bode, willen u deze drie Heeren geleiden in gaan en keeren, gij
moogt veilig zonder vreeze zijn."

De bode zeide tot den Koning: "Deze Heeren zijn goed, maar nog had ik
liever andere borgen, die mij beter genoegen zouden."

Dit wekte des Konings bevreemding, maar meer nog zijn ongeduld: "Wijst
hem Ogier!" zeide hij; "bode!" ging hij voort: "willen u deze geleiden,
zoo kan niemant u te lijve dan God-alleen."

De bode zeide: "Heer Koning, zij mogen mij niet genoegen, ik kenne
eenen, dien ik nog liever ten vaste borge hadde dan deze allen."

Toen de Koning den bode deze woorden hoorde spreken, werd hij gram en
zeide: "Bist du de Duivel, die ons hier alle durft trotseeren, en waagt
te zeggen, dat de beste borgen dy niet naar den zin zijn? Nog
éénmaal--en ten laatste!"

Toen zeide de bode vrijmoedig: "Heer Koning! geeft gij mij oorlof te
kiezen geleide--zoo en wilt u niet belgen; gij moet zeiver mijn borge
wezen!"

De Koning zeide: "God loone u, bode! dat gij mij eere doet: ik zal u in
gerechte hoede nemen en verweeren tegen allen en alles dat u schaden
mocht!" en dat zwoer hij bij zijner kroone.

"Heer Koning!" zeide de bode, "gij zijt Koning en moogt uw woord niet
herroepen: dus zal ik mijn boodschap doen. Wilt na mij hooren! Heer
Koning, dat God u lange spare! U groet één, de bedroefdste man die in de
waereld is; een Ridder, de beste, dien ooit de zon bescheen, en de
Edelste, die ooit van moeder leven ontving: Heer Koning, het is uw
zusters kind, Reinout. Vriendelijk doet hij bidden, of gij u tot genade
wilt verwaerdigen, en sparen zijn drie broeders, die gij gevangen houdt.
Is 'et, dat het u gelieven mag hem en zijn broeders, in genade aan te
nemen--hij wil gaerne beteren, wat hij en zijn broeders misdaan hebben:
zij willen u te voet vallen, wollen en barvoets, en geven de meeste zoen
die ooit over man gedaan is; hij wil Lodewijk negen werf opwegen met
goud, en wil u maken een beeld van goude zoo groot en schoon als
Lodewijk was, en geven het wegens Lodewijks dood. Hij wil doen maken ter
eer van Onzer Vrouwe een schoone kerke, en voeden de Priesters met zijn
eigen goed; hij zal houden de zeven getijden alle dagen, en elk
Priester alle dagen doen een misse; Montalbaen wil hij te leen
ontvangen, of u laten doen met dat kasteel dat u gelieft; in alle kerken
of kloosteren van Christenrijk zal hij een maand lang doen zingen alle
dagen eene dienst voor Lodewijks ziele, en Beyaert, dat goede Ros, zal
hij mede u geven: en is 't, dat gij hem in dezen lande niet zien of
gedoogen wilt, zoo zal hij trekken met zijn broeders over zee; en ware
't dat gij bij hem kwaamt, zij zouden u bijstaan en in geener nood
begeven. Zoo dan, Heer Koning! vermag 'et uw Edelheid--wilt hem en zijn
broeders genadig zijn!"

Toen zeide de Koning tot den bode: "Bericht mij Reinout iet meer?" Toen
zeide de bode: "Heer Koning, ja! hij zegt u aan: is 't, dat u dit niet
en genoegt, en gij de vrede tegen hem niet houden wilt--zoo zal hij
komen en uw land verbranden, rooven en verwoesten dorpen, kloosters,
kerken en al dat hij buiten muren berijden kan. Het goud, dat hij in de
kerken vindt, daar zal hij mede betalen, die hem dienen."

Toen zeide Koning Carel: "Bericht mij neve Reinout mij iet mee

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/39717