De wijzen van het Oosten
by Cornelis Hille Ris Lambers · Dutch · Gutenberg #39177 · 679,405 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De wijzen van het Oosten
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De wijzen van het Oosten
Author: Cornelis Hille Ris Lambers
Release date: March 17, 2012 [eBook #39177]
Most recently updated: December 26, 2022
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/39177
Credits: the Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WIJZEN VAN HET OOSTEN ***
DE WIJZEN VAN HET OOSTEN.
Brahmanisme, Boeddhisme,
Chineesche Philosophie, Mazdeïsme
door Dr. C. Hille Ris Lambers.
Cohen Zonen, Amsterdam.
VOORREDE.
Twee dwalingen heerschen er nog altijd op het gebied van godsdienst
en wijsbegeerte.
De eerste is, dat men de wijsbegeerte vijandig stelt tegenover alles
wat naar godsdienst gelijkt en aan de denkbeelden en voorstellingen,
uit den godsdienst ontsproten, slechts een mythologische waarde
toekent.
De andere is, dat men een of anderen godsdienst, laten wij zeggen
den Christelijken godsdienst, als den eenig waren, door God zelf
geopenbaarden beschouwt en van uit dit standpunt met een meelijdende
glimlach op al de dwaze ideeën der heidenen neerziet.
Beide deze opvattingen zijn vrij algemeen. Doch voor de rechtbank der
wetenschap laten zij zich geen van beide handhaven. Wie werkelijk de
moeite neemt verschillende godsdiensten te onderzoeken moet ze wel
laten varen.
Als hij zich niet laat verbijsteren door alle wonderlijke godennamen
en zonderlinge gebruiken, maar tracht door te dringen tot het hart,
het wezen van eenigen godsdienst, zal hij van zijn tegenstelling
tusschen godsdienst en wijsbegeerte terugkomen. Hij zal inzien, dat
iedere godsdienst een antwoord tracht te geven op vragen als: Wie
ben ik, vanwaar kom ik, waar ga ik heen? Welken weg moet ik volgen
in 't leven? Wat is de wereld, die mij omringt? Dezelfde vragen
m. a. w. waarmede ook de wijsbegeerte zich bezig houdt. En hij zal,
althans in de godsdiensten der meer ontwikkelde volken, antwoorden
op deze vragen hooren, die wel degelijk verdienen ernstig te worden
overwogen. Het kan niet missen of zijn onderzoek zal hem leiden tot
de erkentenis dat er wijsgeerig nadenken is in den godsdienst, maar
ook dat er godsdienst moet zijn in den wijsgeer.
Zoo wordt hij dus verlost van het vooroordeel, dat godsdienst en
wijsbegeerte tegenover elkaar staan.
Maar--'t kan ook zijn dat een gansch ander vooroordeel in hem
woont. Dat hij, als Christen geloovige b.v. met zekere minachting
neerziet op al dien heidenschen afgodendienst, immers niets dan
duisternis. Ook dat vooroordeel zal voor zijn onderzoek bezwijken. Hij
zal--indien hij althans werkelijk iets in zich opneemt (er zijn ook
stompe hersenen, die lezen, doch niet verstaan), moèten erkennen dat
het goddelijk licht niet alleen geblonken heeft in Galilea, maar ook
in andere landen en onder andere volken. De ziel van denkers en wijzen
zal spreken tot zijne ziel en hem, misschien eerst verbijsteren doch
straks verkwikken. En, al moge hij, terecht, zijn eigen godsdienst het
hoogst blijven stellen, toch zal hij met dankbaarheid en waardeering
het licht begroeten, overal waar het schijnt.
't Zou mij niet verbazen, indien menig lezer van "de groote denkers",
aan het eind van dit deel genaderd, deze mijne opmerkingen volkomen
deelt. Me dunkt, dat kan bijna niet anders. Want èn het Brahmanisme,
èn 't Boeddhisme, en de oude wijsheid van China en van Perzië staan
hoog genoeg om vooroordeelen, als ik u daareven schetste, te doen
verdwijnen. Ieder van die godsdiensten toch brengt een eigenaardige
zijde van 't menschelijk denken en gevoelen op den voorgrond. Het
Brahmanisme spreekt ons "in teekenen en symbolen," van de ééne macht
die alles bezielt, van het ééne leven, dat in alle wezens woont en
opwaarts streeft tot volkomen loutering. Het Boeddhisme wijst ons op
de ellende, waaraan al wat bestaat onderworpen is, doch toont ons ook
het heilige pad, dat tot bevrijding van het lijden kan voeren. Beide
oude godsdiensten doen ons diep gevoelen, dat geen uiterlijke dingen
alleen in staat zijn den vrede des gemoeds te schenken.
Weder andere waarheden zijn het, die ons tegenklinken uit het
aloude China. We zetten ons aan de voeten van Confucius en die oude
wijze onderhoudt ons over ons gebrek aan eerbied: eerbied voor de
wetten des hemels, eerbied voor ouders en grijsaards en roept ons
toe dat er van onze beschaving niets kan komen, als geen trouw en
eerbied ons bezielt. Daarnaast doet Lao tsze ons op treffende wijze
gevoelen dat ook de oude Chineezen liefde en eenvoud kenden als de
grondslagen voor des menschen geluk. En mochten wij dan door die
liefdesprediking wat al te weekelijk en te zoetelijk worden gestemd,
dan gaan we met onze gedachten naar het oude Perzië en wij hooren
ons daar aanbevelen den heiligen strijd, den strijd tegen al 't booze
in de natuur, tegen al 't verdorvene in de menschenwereld, tegen al
't onreine in ons eigen leven. En straks, straks zitten wij peinzend
stil, en wij denken nog eens weer na, wat al die groote denkers van
zooveel eeuwen dachten. Wonderlijk, dat ieder der systemen zoo groote
aantrekkelijkheid heeft, dat ieder op zijn beurt ons wil voorkomen
als de ware wijsheid.
Wel groote denkers moeten 't geweest zijn, die deze godsdiensten
hebben gesticht, deze onsterfelijke gedachten hebben uitgesproken.
En--onwillekeurig plaatsen wij ons leven en streven eens in dat
licht der oudheid. Wij vragen ons af, wat wij nu eigenlijk weten van
's werelds bestuur en 's levens doel en vergelijken nog eens die
antwoorden, die de oudheid gaf..... Waarlijk, 't was niet te vergeefs
dat wij neerzaten aan de voeten der ouden, dat wij trachtten, de
soms in zoo wondere vormen gehulde, oostersche wijsheid op ons te
laten inwerken. Wij gevoelen dat zij ook ons nog licht en troost
kan schenken.
Zoo, mijne lezers, hoop ik dat gij gestemd zult zijn, als gij aan
't einde van dit werk zijt gekomen.
Gij vraagt misschien nog: hoe hebt gij, schrijver, deze uwe taak
opgevat? Mijn antwoord luidt, dat ik uit verschillende bronnen
heb geput, welke achter in dit werk dan ook worden vermeld. Wat
de Chineesche wijsbegeerte betreft is mijn arbeid grootendeels
eene vertaling van het, mijns inziens, voortreffelijke werk van den
Duitschen geleerde M. von Brandt [1], waarbij ik echter ten opzichte
van Lao tsze en diens leer mijn eigen weg ben gegaan.
Mijn hoofddoel was een aanschouwelijk beeld te geven van het
eigenaardige, dat ieder der straks genoemde godsdiensten kenmerkt,
ze begrijpelijk te maken, hun schoonheid en wijsheid te doen gevoelen,
ook voor menschen van een gansch ander ras, een gansch verschillenden
godsdienst en ver uiteenloopende beschaving. Van harte hoop ik daarin
niet al te ongelukkig te zijn geslaagd. [2]
Juli 1902.
Dr. C. HILLE RIS LAMBERS.
HOOFDSTUK I.
Het Brahmanisme, zijn oorsprong, karakter en eigenaardigheden.
Wanneer wij den loop eener rivier nagaan, zien we eerst een klein
beekje, dat van de bergen afdaalt. Langzamerhand verbreedt het zich
en wordt het tevens kalmer in zijn loop. Wateren van verschillende
kleur en oorsprong neemt het op, en--voor het de zee bereikt--splitst
zich de machtige stroom vaak in verschillende armen.
Iets dergelijks zien we, wanneer we nagaan den loop van verschillende
godsdiensten door de wereld. We denken bv. aan den godsdienst van
Israël. Eerst een klein beekje, dat door niets toonde dat het een
grootere toekomst had dan andere dergelijke beekjes. Langzamerhand
echter komt het aan 't licht dat het kleine beekje een groote rivier
zal worden: 't blijkt dat er in Israëls godsdienst iets ligt, waardoor
hij zich van andere godsdiensten kenmerkend onderscheidt. Straks
komt het almeer in een vaste bedding: oude wetten en verhalen worden
saamgevoegd en als heilig beschouwd, een priesterstand krijgt de
leiding in handen: deze wordt straks uitsluitend bevoegd om offers
te brengen en verschillende godsdienstige verrichtingen te leiden.
Godsdienstige denkbeelden, van elders ontleend, worden opgenomen
en zóó in 't kader ingevoegd dat zij een onbreekbaar geheel vormen:
evenals de zijrivieren met den grooten stroom. Zoo vormde zich uit den
oud-Israëlietischen de Joodsche godsdienst met zijn eigenaardigheden:
zijn op den voorgrond stellen van de éénheid Gods, zijn gehechtheid aan
de geheiligde wetten en gebruiken, zijn gewijde offers en ceremoniën.
Doch daarnaast vloeide straks een machtige zijstroom.
Onder het oude Israël had men de profeten, de verkondigers van vrijheid
en zelfstandigheid: de mannen die opkwamen voor de eischen van het
zedelijk en maatschappelijk leven als Gods grootste geboden. Ook hunne
geschriften waren door de Joodsche geleerden opgenomen onder de heilige
schriften, doch: hun denkbeelden vertegenwoordigden niet de heerschende
richting van het Jodendom. Straks echter zou Israëls grootste zoon ze
brengen op den voorgrond en ze verder ontwikkelen. Hij verdedigde ze,
in heeten strijd met de Joodsche schriftgeleerden, tegen wetsgezag
en priesterstand in--en uit zijn optreden werd een nieuwe godsdienst
geboren: een machtige zijarm van de groote rivier spoedde zich voort.
Waarom deze dingen herinnerd, waar we gaan spreken over een gansch
anderen godsdienst, uit een gansch ander land? Omdat we hier ongeveer
't zelfde zien gebeuren. Uit den oorspronkelijken godsdienst toch
der oude Indiërs heeft zich als een machtige stroom het Brahmanisme
ontwikkeld: een godsdienst waarin ook waren bijeengezameld gewijde
geschriften van vroeger en later tijd, de Veda's, waarin ook was
opgekomen een priesterstand vol gezag: de Brahmanen.
Een godsdienst vol voorschriften, wetten, en ceremoniën.
Doch in dien godsdienst was ook een nevenstroom: een zoeken van
het ware levensdoel, niet zoozeer in gewijde vormen en ceremonie's,
als wel in stille overpeinzing over het leven en in 't vrijmaken des
geestes van de banden der stof. Ook die nevenstroom behoorde tot den
erkenden, gewijden godsdienst. Maar straks zou die worden geleid in
een geheel nieuwe bedding. Het Boeddhisme trad met kracht in 't krijt
tegen de uitwendige godsvereering en vond zijn hoogste streven hierin,
dat het de menschen wilde losmaken uit de begoocheling der zinnen,
en dat niet door zelfkastijding en offers, maar door een gestreng
en eenvoudig liefdevol leven. Dat Boeddhisme staat min of meer in
dezelfde verhouding tot het Brahmanisme als het Christendom tot den
Israëlietischen godsdienst. Om het dus goed te verstaan dienen wij
eerst zijn vader: het Brahmanisme te kennen, een vader, tegen wien het
wel in verzet kwam, maar met wien het toch wezenlijke karaktertrekken
gemeen heeft.
Wat nu is Brahmanisme? De godsdienst, die staat onder de leiding der
Brahmanen, een afgesloten priesterstand van Indië. Aanhangers van het
Brahmanisme--een godsdienst, door 170 millioen Indiërs beleden--zijn
dus zij die zich in 't algemeen aan de leer en de voorschriften
der priesterschap houden en bij godsdienstige plechtigheden van
hare tusschenkomst gebruik maken. Men denke daarom niet dat de
geloovigen van dezen godsdienst in alles eens zijn: verre van dien. De
een--en dit verschil geldt vooral van het Brahmanisme, zooals het nu
bestaat--brengt zijn offers en vereering aan deze godheid, de ander
aan gene. En ook de wijze, waarop de verschillende goden worden
vereerd loopt ver uiteen. Toch: er is eenheid in de verscheidenheid.
Alle goden gelden, vooral voor den ontwikkelden Brahmaan, als
openbaringen van één alwezen, het Brahma, dat, zelf onnaspeurlijk
verheven en onbeschrijflijk, aan alle dingen ten grondslag ligt en
zich in alles openbaart; in de goden, maar ook in de menschen, ja,
zelfs in de dieren en planten. Schijnbaar dus een bont geschakeerd
tafereel van goden, een tooneel van bijgeloovigen afgodendienst,
toch voor de ingewijden gansch iets anders.
Al de ontelbare goden, al de groote krachten en werkingen der natuur:
de wind, de rivieren, de aardbevingen en pestilentiën, voor dezen zijn
ze slechts de openbaringen van de aldoordringende goddelijke kracht,
die in onnoemelijk veel vormen zich doet kennen.
De mensch zelf is slechts het aarden vat, dat de inwonende Godheid in
zich houdt (Brahma is het albezielend goddelijk leven "en die zijt
gij", klinkt een van de spreuken). Die inwonende godheid geeft aan
de menschheid hare gedachten en de uiting daarvan.
God is dus eigenlijk de natuur: zoodat als gij de natuur dient: 't
zij de bezielde of de onbezielde, gij eigenlijk God vereert en als gij
een beeld aanbidt gij het zinnebeeld of de openbaring der godheid eert.
Zoo is dus het Brahmanisme aan de eene zijde een verlichte
wijsbegeerte: zoo wordt het verstaan door zijn meest ontwikkelde
aanhangers, terwijl het toch onder zijn wijden mantel alle mogelijke
bekrompen godsvereering en bijgeloof kan dekken.
Om deze en andere eigenaardigheden van het Brahmanisme goed te
begrijpen is het echter wenschelijk, dat wij eerst ons trachten in
te denken hoe deze godsdienst is ontstaan.
We gaan met onzen geest terug tot lang vervlogen dagen, tot vele,
vele eeuwen voor Christus, toen de Ariërs--de gemeenschappelijke
voorvaderen van Indiërs en Perzen--als een herders- en landbouwvolk ten
noorden van het Himalaya gebergte woonden. Straks gingen zij, toen hun
aantal zich uitbreidde uiteen: sommigen trokken naar het westen (de
voorvaderen der Perzen), anderen naar het zuiden, door de passen van
Afghanistan naar Indië. Toch: een vergelijking van den oud-Indischen
en den oud-Perzischen godsdienst leert ons dat zij eenmaal één waren.
Evenals andere volken gevoelden ook de oude Indiërs dat er machten
boven hen stonden. Met vrees en vereering zagen zij op naar de lucht:
den blauwen hemel, de zon, de duisternis en andere natuurmachten,
van wie hun welzijn afhankelijk was. Overal in de natuur bemerkten zij
beweging en waar beweging was, daar was ook leven en macht. Waren zij
niet gedrongen de gunst te zoeken dier bovenaardsche machten? En--moest
niet onder die machten ééne de hoogste zijn? Vandaar dat zij van den
stralenden hemel spraken als van den vader des lichts (Dyaus. Pitar)
of ook in de alles doordringende lucht (Varuna) de tegenwoordigheid
speurden van een onzichtbaren getuige van al hun daden, bij dag en
bij nacht. Ook Agni, de god van het vuur, die belangrijke hulp van
den mensch: weldadig, maar ook verteerend, werd geëerd.
Een voorgeschreven vereering van deze en andere goden was er echter nog
niet. Men bracht hen hulde door lofliederen en gebeden, door geschenken
van voedsel en drank. En men gaf hun in zijn offers datgene wat men
zelf het meest op prijs stelde: rijst en boter en vooral het vroolijk
makende sap van de Somaplant (Sarcostema Viminalis) waaraan men voor
zijn eigen levenskracht zoo groote waarde toekende. Ieder bracht zelf
zijn offers en gebeden, naar zijn eigen gevoel hem dat ingaf.
Toch: men kende ook reeds in die oude dagen mannen van verlichting
en leiding (Rishi's), die het woord der goden hoorden en hun
goddelijke kennis (Veda) aan anderen overbrachten. Aan hen
worden de gezangen der Vedische boeken, de gewijde schriften van
het Brahmanisme, toegeschreven. In de meeste Veda's zijn drie
bestanddeelen, mantra's-liederen, brahmana's-verhandelingen,
sutra's-overleveringen. De mantra's vormen de oudste
gedeelten. Inderdaad verplaatsen ons sommige dezer liederen in die
lang vervlogen eeuwen en doen zij ons zien dat een diep religieus
gevoel in de harten dier oude Indiërs woonde.
Men hoore b.v. het volgende lied aan Varuna: [3]
De machtige Varuna, hoog daarboven, ziet omlaag,
Op deze werelden, zijn rijksgebied, als dicht nabij,
Als menschen steelsgewijs het kwade doen, hij weet het.
Waar iemand staat, of gaat, of zachtkens henensluipt,
In duistren schuilhoek toeft of in 't verborgen loert,
Varuna ziet het en speurt hun bewegen.
Als twee te zaam een heilloos plan beramen,
En wanen zich alleen en onbespied, een derde is daarbij:
De koning ziet het al. Ontelbaar in getale
Gaan zijn gezanten d'aarde rond, en duizend oogen,
Zij speuren na wat haar bewoners plegen.
Wat op de aard bestaat, wat in haar dampkring leeft,
Ja, al wat daar beneden is, des konings blik doorgrondt het,
Hij telt het knippen van des menschen oog.
En over 't gansch heelal werpt hij de teerling.
Niet minder treffend zijn vele andere hymnen, aan Agni den vuurgod, of
aan Indra, den god van den regen, in den Vedischen tijd veel vereerd,
gericht. Vooral worden Agni, de vuurgod, Indra, de god van den regen,
en Suriya, de zonnegod, te zamen genoemd als regeerende over de aarde,
den dampkring en het uitspansel daarboven.
Deze drie werden langzamerhand de hoofdgoden der oude Indiërs. Een
merkwaardig verschijnsel echter is, reeds een aandachtige lezing
van de boven aangehaalde hymne aan Varuna overtuigt ons daarvan, dat
ieder dier goden telkens weer als de hoogste, bijna als de eenige werd
geprezen. M. a. w. er lag reeds in den Vedischen godsdienst een zeker
zoeken naar ééne hoogere macht, boven al de anderen verheven. Eveneens
vinden wij het onsterfelijkheidsgeloof hier uitgesproken, doch niet het
latere geloof aan vele geboorten, die de mensch moet ondergaan voor hij
het hoogste bereikt: dat wil zeggen: met de Godheid vereenigd wordt.
Wij denken b.v. aan de volgende hymne, gericht tot Yama, den eersten
mensch, die stierf, en daardoor koning werd van het geestenrijk:
Den macht'gen koning, Yama, gave en eer gebracht,
Hij was de eerste toch die stierf en die den snellen stroom
Des doods braveerde, d'eerste, die den weg ten hemel ging
En and'ren welkom heette in 't oord der heerlijkheid.
Geen macht kan ons dit thuis, door u veroverd, nemen,
Wij komen koning, ieder die geboren is moet sterven
En treden op het pad, door u gebaand, waarop in lange rijen,
Geslachten reeds zijn voorgegaan, den weg
Ook onzer vaad'ren. O ziel des dooden, ga dan rustig heen,
Vrees niet dien weg, dien ouden weg te nemen,
Die tot den God u voert en tot uw zaal'ge vaad'ren,
Bij Hem in heerlijkheid! Vrees voor de honden niet,
Die met hun viertal oogen 't geestenrijk behoe'n,
Keer weer naar uw tehuis, o ziel! Uw zonden, uw verdriet
Laat g'achter op deez' aarde, en gij verkrijgt
Een heerlijke gestalt'--uw' oude vorm--verheerlijkt
En van alle vlek bevrijd.
Zien wij niet uit deze gedichten, dat verheven denkbeelden over dood
en leven het oude Indië reeds kenmerkten? Doch--wij willen bij dien
oud-Vedischen godsdienst niet langer stilstaan. 't Was ons enkel te
doen om den bodem te doen zien, waaruit het Brahmanisme opgroeide.
Brahmanisme wil eigenlijk zeggen, zooals we reeds vroeger opmerkten:
godsvereering onder de leiding der Brahmanen. Dus niet een geheel
nieuwe godsdienst, maar de oude, door een priesterstand in vaste
bedding geleid.
Priesters had men natuurlijk reeds in de oude Vedische periode. Ook
onderscheidde men toen reeds vier verschillende standen: de Brahmanen,
of priesters, de Kshatrya's (edelen of krijgslieden) de Vaisya's
(landbouwers) en de Sudra's (werklieden). Doch nu kwam er een
afgesloten priesterstand en werden de standen beschouwd als casten:
scherp afgescheiden groepen [4]. De priesters heetten voortgekomen te
zijn uit den mond, de krijgslieden uit borst en armen, de landbouwers
uit het lijf, de werklieden uit de voeten der godheid.
Zoo stonden dus de Brahmanen voorop, zij wisten koningen en volk
te leiden en op den geheelen godsdienst hun eigenaardig stempel
te drukken.
Het eerste wat zij deden was voorzeker de heilige boeken, de Veda's,
bijeen te verzamelen. Deze zijn vier in getal: de Rig Veda (liederen
Veda), de Sama Veda (offerzangen Veda), de Yayur-Veda (offerspreuken
Veda) en de Atharvan-Veda (tooverspreuken Veda). Deze boeken nu
behelzen bestanddeelen van verschillenden ouderdom en hebben ook nog
dit eigenaardige dat vele zangen en spreuken in meer dan een dier
verzamelingen voorkomen.
Zij vormden voortaan de heilige wetenschap (= Veda), die de priesters
hadden te bestudeeren en aan de schare bekend te maken. Aan hen werden
straks de Brahmana's, godgeleerde en ritueele verhandelingen, die
gewoonlijk een veel minder verheven geest ademen dan de oude Vedische
liederen, toegevoegd. Doch ook de Upanishads, meer bespiegelende,
stichtelijke werken, kregen straks hier een plaats.
Men ziet dat op dit gebied hetzelfde geschiedde wat ook elders onder
leiding eener macht verkrijgende priesterschap gebeurt: oude verhalen
en liederen worden te zamen gebracht, en door nieuw bijgevoegde
stukken, in bepaald priesterlijken geest wordt er een nieuwe stempel
op gedrukt: het geheel wordt vervolgens een wetboek, waarvan de
priesterschap de sleutel bezit. Men denke bv. aan de ontwikkeling van
Israëls godsdienst, waarbij precies hetzelfde gebeurde: Ezra en andere
priesters verzamelden oude wetten en overleveringen: brachten nieuwe
tot stand in hun geest--bij wier licht de oude moesten worden verklaard
en--gaven dat geheel als wetboek aan het volk. Echter niet zooals bij
Israël mochten in oud-Indië de leeken de wet bestudeeren, dat bleef de
taak der Brahmanen, zij alleen waren de mannen der heilige wetenschap.
In welke bedding nu trachtten die mannen der heilige wetenschap den
volksgodsdienst te leiden? Ik zeg: trachtten te leiden, want de geheele
leiding van een volksgodsdienst nemen kan geen enkele priesterschap,
konden ook de Brahmanen niet.
Allereerst werd de waarde van het offer door hen nog hooger
verheven. Reeds in den ouden tijd hadden de Indiërs het denkbeeld dat
het offer de krachten der bovenaardsche machten sterkte en daardoor
meewerkte om een goed wereldsch beloop te verzekeren. Langzamerhand
echter kwam het denkbeeld op dat het offer ook kan strekken om door de
gunst der versterkte goden een of ander aardsch doelwit te verkrijgen,
b.v. de geboorte van een zoon, ja, men ging zelfs zoover dat men
het offer ging beschouwen als een middel om bovenaardsche vermogens
deelachtig te worden.
Verder maakte men van de, vroeger eenvoudige, offers zeer
samengestelde offerplechtigheden. Daarbij werden bepaalde hymnen
en aanhalingen uit de Veda's gezongen en uitgesproken, en met
angstvallige nauwkeurigheid werd gewaakt voor ieder onderdeel van
het ritueel. Sommige offerplechtigheden strekten zich uit over weken,
ja over jaren: het waren ketenen, van welke iedere schalm nauwkeurig
in het gelid moest passen, zou het offer gunstige gevolgen hebben. De
godheid, waaraan men zijn gaven en gebeden wijdde, trad daarbij op
den achtergrond: doch het volbrengen van offerplechtigheden werd
beschouwd als een krachtig middel om hen, die er aan deelnamen,
macht te verleenen in deze en in de toekomende wereld.
Men ging zelfs zoover van het offer (Yajna) zelf voor te stellen als
een godheid.
Ja, in sommige plaatsen van de Brahmana's werd zelfs geleerd dat
de goden zelf sterfelijk waren, totdat zij door offers den dood
overwonnen. Ook de mensch kan door offeren van den dood worden bevrijd:
doch zijn lichamelijk leven moet hij geven als zoenoffer.
En die verzuimt te offeren moet telkens weer worden wedergeboren, moet
eindelooze levens doorloopen, om altijd weer zijn lichaam aan de goden
te offeren. Men hoore de volgende aanhaling uit Satapatha-Brahmana:
De goden leefden steeds in vreeze voor den dood,
Den machtigen Voleinder. Dus herhaalden
Zij nauwgezet hun offers telkens weer, tot zij onsterf'lijk waren.
Toen sprak de machtige Voleinder tot de goden:
Gij hebt uzelf onsterfelijk gemaakt, nu zal de mensch beproeven
Om ook zichzelf van mijne macht 't ontslaan.
Wat wordt mij daarvoor in den mensch vergoed?
De taal der goden luidde: Voortaan zal niet één
In 't eigen lichaam de onsterf'lijkheid bereiken.
Het sterf'lijk hulsel blijft uw eigendom, uw voedsel
Zal het zijn in eeuwigheid. Ja, ook die door godsdienst'ge daden,
D'onsterf'lijkheid verwerft, zijn lichaam zal hij eerst,
Aan u ten offer wijden, als uw prijs.
Wij zien in dit gedicht uitgedrukt de eigenaardige leer der zoogenaamde
zielsverhuizing, aan het Brahmanisme eigen. Wat is hare strekking? Wij
willen die met een enkel woord in het licht stellen.
Bij onze bespreking van den ouden Vedischen godsdienst: d. w. z. den
godsdienst, waarvan ons in de oudste gedeelten der Veda's de geest
is bewaard gebleven, zagen wij reeds dat er zeker streven opkwam om
één der vele goden tot oppergod te verheffen: men denke b.v. aan de
straks aangehaalde hymne, tot Varuna gericht. In den oud-Brahmaanschen
godsdienst nu kwam men daar omtrent tot klaarder besef. Men gevoelde
dat er een "Geest (atman)" was, boven de kennis der zinnen verheven,
die alle stoffelijk dingen bezielde en doorademde. Die zelfde geest,
die de gansche stoffelijke wereld bezielde was het ook die trilde in
de gedichten der zangers, die bezieling gaf bij godsdienstige kennis
en gebed. Boven alle persoonlijkheid was hij verheven, oneindig en
onbeperkt lag hij aan alle dingen ten grondslag en woonde hij in 't
gansch heelal. Ook in den mensch. Was hij niet de levensadem, die het
lichaam bezielde, woonde hij met zijn geheimzinnige tegenwoordigheid
niet in ieders geweten? Breidde hij zich niet uit in de gansche
oneindige ruimte? Daarom gaf men hem den naam: Brahma. Brahma
(onzijdig) is dus het wezen, dat aan alle dingen ten grondslag ligt:
en waarvan ook de mensch een deel is. Al de goden waren evenals de
menschen slechts openbaringen van die hoogste kracht.
Wat nu moet het levensdoel zijn van den mensch?
Om, van al het stoffelijke bevrijd, van alle smet gereinigd geheel,
in dit Brahma, in die wereldziel, te verzinken. Hoe echter moet dit
doel worden bereikt? Wij zagen reeds dat de offers daartoe een werkzaam
middel werden geacht. Doch, nevens de offers, in sommige kringen zelfs
met terzijdestelling daarvan, hechtte men in dezen groote waarde aan
zelfkastijding en aan bespiegelend inkeeren tot zichzelf: want komen
tot zichzelf, tot zijn diepste wezen, is komen tot Brahma.
Doch: een enkel menschelijk leven is daarvoor niet genoeg: vele levens
moet men doorloopen, telkens weer moet men na een overgangstijdperk
in hemel of hel, naar gelang van zijn vroeger leven, opnieuw worden
geboren, altijd op hoogeren trap van zelfverloochening en bespiegeling
gerakend, zal men eindelijk geheel in de wereldziel verzinken. En
wee die toegeeft aan booze lusten en geen zelfverloochening kent:
eindeloos zijn zijne wedergeboorten: hij kan zelfs genoodzaakt zijn
niet als mensch, maar als dier of plant weer te keeren.
Wie echter als Brahmaan ter wereld komt, in die geheiligde caste
het levenslicht aanschouwt, hij heeft reeds een goed deel van den
moeilijken levensgang afgelegd. Hoe moet hij komen tot volkomen
verlossing?
Die weg wordt in het wetboek van Manoe zorgvuldig aangewezen. Eerst,
zoo luidt het hier, is hij een leerling der Brahmanen, met het
gewijde koord en den gordel bekleed. Een hechte band vereenigt hem
met zijn leermeester, door wien hij in de heil'ge boeken onderwezen
wordt. Straks is zijn leertijd volbracht en viert hij, bij 't brengen
van zijn eerste offer, het feest zijner wedergeboorte.
De leerling wordt nu huisvader. Zoo betaalt hij in deze twee eerste
levensstadiën de schuld, waarmede hij geboren werd: die aan de Rishis
("heilige" zangers) wier liederen hij leerde om ze aan volgende
geslachten over te leveren, aan de voorvaderen, door nakomelingschap
te verwekken om hen offers te brengen, aan de goden, aan wie hij zijn
eigen offers wijdt. Heeft hij deze schulden betaald, dan kan hij het
huishoudelijk bestier aan zijn zoon, die nu zelf huisvader geworden is,
overdragen en zich terugtrekken uit het wereldsch gewoel om geheel
voor godsdienstige overpeinzingen te leven. Boven het offeren is
hij dan verheven: door het beschouwend leven komt hij straks tot
volkomen verlossing. Doch slechts dan is hij zoover gevorderd, dat
geen nieuwe wedergeboorte hem meer wacht, indien hij ook in zijn
laatste oogenblikken niet meer over de wereldsche dingen, ook maar
voor een oogenblik, zijn gedachten laat gaan.
En uit deze leer over de verlossing, waarin aan het ascetische leven
feitelijk een hoogere waarde wordt toegekend dan aan het offeren, en
uit die van het Brahma, het ware wezen, dat onpersoonlijk is en aan
alle dingen ten grondslag ligt, kunnen wij zien welken eigenaardigen
weg het Indische denken in het Brahmanisme opging. Het onbewuste wordt
hier boven het bewuste, het onpersoonlijke boven het persoonlijke
gesteld. Voorwaar een groote tegenstelling met de Westersche
godsdienstige ontwikkeling in het Christendom, waarin God geldt als
de zelfbewuste, liefhebbende macht, de Vader, en waarin niet opgaan
in het albeginsel, maar streven naar volmaking, naar steeds grootere
ontwikkeling der persoonlijkheid, als doelwit wordt gesteld.
M. a. w.: het Brahmanisme is een pantheïstische: (God = de Alziel),
het Christendom een theïstische (God = de Albestuurder) godsdienst. [5]
Het Brahmanisme een pantheïstische godsdienst. Dat schijnt voor
den oppervlakkigen beschouwer vreemd, want hij bemerkt dat er vele
goden zijn, aan wie men zijne vereering brengt: men zegt zelfs dat
er 33 millioen goden of goddelijke wezens door dezen godsdienst
worden erkend. M. a. w.: het Brahmanisme gelijkt veel meer op een
veelgodendom, dan op de erkenning van één beginsel, dat aan alle
dingen ten grondslag ligt.
Gaan wij echter na de philosophische stroomingen of scholen, die
zich in het Brahmanisme hebben ontwikkeld, waaronder de Vedanta en de
Sankhya-philosophie de voornaamste zijn, dan valt dit ééne, dat zich
in alles openbaart, helder in het oog. De zaak is feitelijk deze:
de Brahmanen hadden te doen met een volksgodsdienst, die een groot
aantal goden erkende. De minder ontwikkelden eensklaps opvoeren
tot de hoogte der wijsgeerige bespiegeling ging niet aan: het volk
was daarvoor niet rijp. Een anderen weg moest dus bewandeld en kon
ook worden betreden. Al de goden waren in 't oog van den verlichten
Brahmaan openbaringen van het eene Alwezen, of liever zinnebeelden,
aanwijzingen van die goddelijke macht. Welnu, zoo konden zij hunne
vereering blijven behouden: wie hen diende bracht toch ten slotte
zijne vereering aan de groote Macht, die zich in alles openbaart. Wie
Vishnoe bij voorkeur dient, eert in hem de onderhoudende kracht: een
der zijden van het Alwezen. Wie voor Rama en Krishna, twee volksgoden
bij uitnemendheid, zich buigt, hij eert de goddelijke vleeschwordingen
van den grooten God Vishnoe. Wie voor Siva gestrenge boetedoeningen
verricht, hij erkent immers de macht die het leven afbreekt, doch
ook telkens weer vernieuwt? Is niet ook Siva ten slotte uit Brahma
voortgevloeid?
Zoo heeft dus het wijsgeerig denken beslag gelegd op den ouden
volksgodsdienst, en de schare moge blijven staan bij de verschillende
goden zonder den symbolischen zin te verstaan, toch: door wie dieper
doordringt, m. a. w. door de meer ontwikkelden onder de Indiërs,
wordt in toenemende mate verstaan dat het opgaan in het alleven
de eigenlijke zin is van het gansche wonderbare tooverpaleis, door
dezen godsdienst opgebouwd, met wijsgeerig bestek, op de grondslagen
van den alouden volksgodsdienst. Wie dus het Brahmanisme goed wil
verstaan moet zich niet te veel ergeren aan den afgodischen schors,
maar doordringen tot den innerlijken kern. Als hij dat doet, zal hij
zien, dat er tusschen het schijnbare veelgodendom en de wijsbegeerte
der Brahmanen niet zulk een klove bestaat, maar dat tot de schare
wordt gesproken in gelijkenissen, doch tot de ingewijden vrijuit,
dat voor de eersten de hoogste waarheid verborgen blijft in het
mythologisch kleed, maar dat zij voor de anderen soms helder schijnt.
Om een en ander in 't licht te stellen willen wij èn bij de
Brahmaansche godenleer èn bij de Brahmaansche wijsbegeerte nog
uitvoeriger stilstaan.
HOOFDSTUK II.
Brahmaansche godenleer en levensbeschouwing.
Brahma, zoo heet het in de eerste: het volstrekte en oneindige, bracht,
door Maya (den schijn) beheerscht, Brahma voort. Deze manlijke god
Brahma (wel te onderscheiden dus van het onpersoonlijke, Brahma)
staat aan het hoofd der schepping. Hij is de Schepper, uit wien
alle leven is. Doch naast hem staan als de twee andere goden der
Indische Trimurti (drieëenheid) Vishnoe de onderhouder, en Siva, de
verwoester. In deze drie personen openbaart zich alzoo de godheid. De
Oud-Indische dichter Kalidasa drukt het aldus uit:
In deze drie personen wordt d'ééne God gezien,
Een ieder van hen is de eerste en de laatste
In rang, niet één alleen,
't Zij Brahma, Vishnoe, Siva, ieder van hen zij
De eerste, tweede, derde, in de goddelijke rij.
In de grotten van Elephanta bij Bombay wordt het heilige drietal
voorgesteld als drie majestueuse hoofden, die uit één lichaam zich
verheffen. Ook is de driehoek een zinnebeeld hunner eenheid en
gelijkwaardigheid.
Van deze drie goden nu wordt Brahma het minst vereerd. Feitelijk
is hij meer een wijsgeerig beeld, ontstaan uit het streven om een
uitgangspunt te vinden voor het geheele stelsel, dan een godheid,
die zich werkelijk bekommert om de werking der wereldmachine, die
door zijn wil in beweging is gebracht. Zijn invloed is te verwijderd,
zijn werkzaamheid is te weinig omschreven, om indruk te maken op de
verbeelding der schare, daarom heeft hij ook slechts weinige tempels
en worden daarentegen in het nieuwere Brahmanisme de beide andere
hoofdgoden vooral gediend.
De orthodoxe Hindoes toch zijn hoofdzakelijk verdeeld in vereerders van
Vishnoe en Siva, twee secten, die elkaar weinig waardeeren. Vishnoe
is een zeer belangrijke, veel omvattende godheid. Hij is de opperste
onderhouder aller dingen en zijn vrouw Laksmi is de godin van overvloed
en vruchtbaarheid. Vishnoe in zijn hoogste openbaring wordt afgebeeld
als neerzittend in zalige rust: trouwens rust: geen werkzaamheid is,
in overeenstemming met den geheelen geest der Indiërs, het eigenaardige
der hoogste goden. Doch in tegenstelling met den verheven Brahma,
kan Vishnoe worden gewekt door de ernstige gebeden en offergaven
der menschen of der lagere goden, ja, hij kan er toe gebracht worden
om in de wereld af te dalen en--op kritieke oogenblikken--de dingen
terecht te brengen.
Die neerdalingen zijn de beroemde vleeschwordingen (avatara's) van den
god, waarin hij groote daden heeft gedaan en machtige wonderen heeft
verricht. Zijn beroemdste vleeschwordingen zijn Rama en Krishna. Rama
is een beroemd, met een stralenkrans omgeven oorlogsman: de held
van het Ramayana, dat beroemde Indische heldendicht. Krishna is een
halfgod, wiens dienst in sommige deelen van Indië in hooge eere is,
hij wordt uit verschillende oogpunten in de Indische godsdienstige
litteratuur beschouwd en is de held van het tweede beroemde Indische
heldendicht, het Mahabharata.
Deze leer der goddelijke vleeschwording is een van de belangrijkste
leerstukken van het nieuwere Brahmanisme: zij brengt verband in
verschillende deelen van den godsdienst, de hoogere met de lagere
vereenigend, de goden uit den hemel naar omlaag voerend om zich met
de aardsche aangelegenheden in te laten.
Wilde men zich rekenschap geven van de wonderbare daden van eenig
beroemd held: de verklaring was, dat de groote god Vishnoe zich in
zijne gestalte had geopenbaard: zoo verscheen de god, tot verhooging
van zijn eer, telkens als mensch onder de menschen. Doch: ook van
de lichamen van dieren nam Vishnoe soms bezit; nu eens ontmoeten
wij hem als leeuw, dan weer als beer, als visch of als schildpad;
wat bij die andere vleeschwordingen al heel slecht schijnt te
passen. Eerst hoort gij dat de goddelijke geest een schitterend
krijgsman of een wonderdoend heilige bezielde, en gij stemt toe,
dat deze opvatting redelijk is en geenszins onwaardig. Hoort gij nu
echter dat dezelfde god is overgegaan in een visch of een schildpad,
en onder dien vorm wordt vereerd: dan vindt gij dit een onredelijk,
ongerijmd geloof. Doch: vergeet dan niet dat de pantheïstische
denkwijze: de Eéne, die zich overal openbaart, de grondslag is van
al deze vleeschwordingen en dat de goddelijke geest immers evenzeer
woont in een insect als in den grootsten koning!
Bovendien de Brahmanen hadden goede redenen om de tegenwoordigheid van
Vishnoe in sommige dierengestalten te erkennen. Men denke aan het feit,
dat het Brahmanisme in zich opnam--en nog steeds voortgaat in zich
op te nemen--bekeerlingen van de talrijke niet-Hindoesche stammen,
die daar wonen op de heuvelen en in de bosschen van Indië.
Dat waren de oorspronkelijke inwoners met hun ruwe vereering van
allerlei voorwerpen en dieren, die hun belangrijk voorkwamen. Om nu
deze heidenen in de Hindoesche gemeenschap in te voegen, kende men geen
beter middel, dan om onder de vele goden ook de door hen vereerden:
doch gelouterd en verheven, op te nemen. Dit doel nu werd bereikt
door hun voorwerpen van vereering, eenvoudig als vleeschwordingen
van Vishnoe te behouden.
Zoo ging het voorheen, en gaat het ook thans nog. Zekere stam van
wilde bergbewoners vereerde den beer. Nu is de beer een van Vishnoe's
vleeschwordingen. Toen nu de bergbewoners in den Hindoeschen godsdienst
werden ingewijd, lag het voor de hand dat Vishnoe in dit dier werd
ontdekt: de nieuwe geloovigen hadden enkel te verstaan, dat zij
vroeger reeds onbewust den grooten God hadden gediend. Zeer spoedig
ging hun overgang in zijn werk: toch, zonder dat wij daarbij kunnen
denken aan opzettelijke misleiding. Neen, de Brahmanen erkenden dat
het voorwerp hunner vereering zekere wonderbare, vrees-aanjagende
eigenschappen bezat: dat het te recht werd vereerd: zij zagen echter
verder en hooger dan die uitwendige vereering en legden uit dat
al deze eigenaardigheden een goddelijke macht aantoonden en dus de
tegenwoordigheid van de godheid in een nieuwe gedaante beteekenden. Zoo
zouden zij ook--verder gevraagd--zeggen dat de god zelf slechts een
zichtbare en overtuigende openbaring was van de verborgen goddelijke
kracht, die alle dingen bezielt. Zoo zouden ook alle groote mannen en
heiligen beschouwd worden als vermommingen of gestalten, door Vishnoe
aangenomen om een belangrijke rol te spelen op het wereldtooneel.
Daareven gewaagden wij van Vishnoe's vleeschwordingen, Krishna en
Rama, waarnaast nog vele anderen te noemen zouden zijn. Toen eens
zeker Mohammedaan oproer maakte tegen het Engelsch gezag en daarbij
een aanvankelijk succes had, zeide een Indisch edelman, 's mans
dappere daden vermeldend, dat hij een vleeschwording van Krishna
moest zijn. Zoo gewagen immers ook Homerus' gedichten van goden, die
in de gedaante van aardsche krijgslieden, meevochten in den strijd,
en de overleveringen van alle volken zijn vol van wonderbare gedaanten,
die verschijnen, om hun trouwe dienaars te redden of te verdedigen.
Wat Krishna betreft, er zijn minstens tien vleeschwordingen van hem
bekend, onder welke hij bepaald in sommige beroemde tempels wordt
gediend; Jaggernauth is eene daarvan. Zijn toegewijde vereerders
wijden hem hun ziel, hun lichaam en hun goed, doch ik vrees dat zijn
voorbeeld van vroolijke en verliefde godheid dikwijls tot losbandige
praktijken bij zijn vereerders leidt.
Siva vertegenwoordigt een geheel ander beginsel dan Vishnoe. Is deze de
onderhouder, Siva is de verwoester en opbouwer tevens der verschillende
levensvormen. De gansche kringloop der bezielde schepping, de eeuwige
afwisseling van geboorte en dood in de gansche natuur, ziedaar zijn
regeering. Niet door vleeschwording openbaart hij zich, zooals Vishnoe,
maar de groote natuurlijke verschijnselen, die het leven opbouwen
en ontbinden, doen zijn wezen aan de menschheid kennen. Hij brengt
leven en dood; de plagen en ziekten, die duizenden wegsleepen, zijn
het teeken zijner werking.
De natuur schept duizende levensvormen en vernietigt ze weer,
zonder zich te bekommeren om de verwoesting die zij aanricht. Op
geheimzinnige, onberekenbare wijze brengt zij voort en verwoest zij. 't
Is Siva, die deze werking uitoefent en altijd weer millioenen wezens
wegvaagt om ze door nieuwe te vervangen. Die gevreesde macht nu gunstig
te stemmen is het hoofddoel van Siva's vereerders; weinigen begeeren
iets van zijn macht te erlangen. In Siva's naam worden de strengste
onthouding en de wreedste versterving toegepast: zelfverminking door
ijzeren haken, trotseeren van pijn en honger, 't voortdurend aannemen
van moeilijke houdingen, vasten en eenzame overpeinzing behooren tot
zijn vereering. Door deze praktijken kan zelfs een Sudra, [6] indien
hij volhardt, wonderbare krachten verkrijgen en de goden dwingen
hem te gehoorzamen. De meeste broederschappen van Indische devoten
en fakirs (rondzwervende heiligen), die soms alle kleedij versmaden
en geheel Indië rondgaan, behooren tot Siva's volgelingen. In zijn
tempel worden tallooze offerdieren geslacht, ofschoon men onderstelt
dat zelfs menschenoffers hem nog onbewogen laten. Hoe dit eigenaardig
beeld is ontstaan? Niet onwaarschijnlijk zijn, bij de invoering van het
Brahmanisme, de welwillende, heldhaftige goden der onontwikkelde volken
in Vishnoe opgegaan en als zijn vleeschwordingen beschouwd, terwijl hun
ruwe en wreede ceremoniën, hun vreeselijke verschijningen en demonen
bij Siva zijn thuisgebracht of bij de goden aan hem onderworpen.
Bezien wij deze drieëenheid, deze drie goden met hun vleeschwordingen,
openbaringen en zinnebeelden van populaire zijde, dan vormen zij een
bontgekleurd veelgodendom. Bezien wij ze, minder oppervlakkig, met
het oog van den meer ontwikkelden Indiër, dan zien wij ze als beelden
van wat de schepping te zien geeft, de weldadige en vernietigende
invloeden, de kracht, die alles doordringt, de eeuwige wisseling van
leven en dood, dag en nacht.
Een Brahmaan, dien gij zoudt willen wijzen op het mythologische
karakter van al die goden zou u antwoorden, dat hij zich zeer
wel bewust is dat de godheden slechts de uitwendige figuren,
beelden of aanwijzingen zijn van de onbegrijpelijke macht, die den
achtergrond aller dingen vormt. Hij zou u zeggen dat deze mythologie de
eenvoudigste vorm is, waarin het pantheïstische beginsel der goddelijke
alomtegenwoordigheid aan het volk kan worden duidelijk gemaakt en dat
de gewone vereering werkelijk gebracht wordt aan openbaringen van de
godheid, die zich tot in alle krachten en vormen onthult.
Niet anders is het met de gebeden en offers, den goden gebracht. Men
zal u verklaren de goden te dienen, omdat dit goed en nuttig is. En
inderdaad is dit ook dikwerf het doel. Doch: er is toch feitelijk
ook hier nog iets anders. Diep in het hart van den Hindoe leeft de
gedachte dat de ziel door verschillende stadiën van leven, als dier
en als mensch, moet worden gelouterd, totdat zij eindelijk--van
alle begeerte en eigenwilligheid bevrijd--zich vereenigen kan met
het hoogste alwezen. Bevrijding--dat is terugkeer in den oneindigen
geest--ziedaar het hoogste goed voor den Indischen vrome en wijze,
en daartoe werken ook offers en gebeden mede.
Dit nu blijkt ook, als wij het oog vestigen op de Indische bespiegeling
over wereld en leven, zooals wij die vinden in de Vedanta en in de
Sankhya school. Er zijn trouwens nog vier andere erkende philosophische
scholen onder de Hindoe's, doch deze zijn de voornaamste, waarom
wij, in verband met het kader van dit werk, de andere stilzwijgend
voorbijgaan. Deze philosophische bespiegelingen vinden wij in de
Upanishads, gewijde boeken, die de verborgen leer der Veda's heeten
te verkondigen. Wanneer wij ons nu voorstellen dat het hier alleen
te doen is om de waarheid te doorvorschen, zooals bij de Westersche
wijsbegeerte, dan vergissen wij ons zeer. Neen, het eigenlijke doel
is om--door kennis van geest en stof, wereld en leven--te komen tot
bevrijding, tot verlossing van de eindelooze wedergeboorten.
De Vedanta leert dat de uitwendige wereld ontstaan is doordat Maya
(= illusie) Brahma (den eeuwigen absoluten geest) overschaduwde.
Het geestelijke in den mensch is feitelijk niet slechts een deel
van Brahma, maar Brahma zelf. De werkelijkheid der wereld is slechts
schijn, en het ware doel van den menschelijken geest moet zijn, om,
langs den weg van talrijke oefeningen en bespiegelingen, bevrijd van
het lichaam, de wereld en de gevolgen ook zijner daden, in Brahma
te verzinken.
De Sankhya-philosophie is minder pantheïstisch dan wel dualistisch
getint. Immers zij leert: van den beginne zijn er twee wezens:
Prakriti, het vrouwelijk beginsel, de natuur of, om het in Westersche
taal uit te drukken de oerstof, de oorspronkelijke stof en Purusha:
de geest, manlijk voorgesteld. Daarmee wordt echter niet bedoeld één
eeuwige algeest of iets dergelijks, maar de geest, wonende in ieder
wezen. Ieder levend wezen berust op de vereeniging van Prakriti en
Purusha. Het doel is nu: den geest vrij te maken van de stof. Naar zijn
wezen is hij dit feitelijk reeds: doch hij moet verlost worden van
Prakriti's gemeenschap en wèl door waarachtig inzicht in zichzelf en
de aan hem tegenovergestelde natuur. Overpeinzing en ascese bewijzen
daarbij belangrijke diensten. Wie met het Boeddhisme en zijn leer
op de hoogte is en weet dat ook daar verlossing van alle begeerte
het einddoel is, zal erkennen dat wij hier met verwante gedachten te
doen hebben.
Het kan ons voorts niet verwonderen, gelet op het eigenaardige
pantheïstisch beginsel, dat het geheele Indische denken beheerscht,
dat de Vedanta als de bij uitstek rechtzinnige school geldt, zij immers
is het meest naar den eigenaardig Brahmaanschen grondslag opgebouwd.
Zoo wordt dan èn de Brahmaansche godenleer èn de Brahmaansche
wijsbegeerte door denzelfden geest bezield. In beiden klinkt het
u tegen dat het uitwendige leven van weinig waarde is: slechts
een schouwtooneel tot opvoeding en onderhouding van den geest. De
uiterlijke wereld is slechts Maya (illusie, droom). Die zelfde
geest nu komt ons ook weer tegen in de oud-Indische heldendichten,
die waarschijnlijk niet door Brahmanen zijn gedicht, maar uit den
kring der Kshatrya's (krijgslieden, edelen) zijn voortgekomen, en die
voor een goed deel tot de vroegste tijden van het Brahmanisme worden
teruggebracht. Deze gedichten--de Ramayana, waarin de lotgevallen van
Rama, en de Mahabharata, waarin die van Krishna worden bezongen--beiden
vleeschwordingen van den god Vishnoe--brengen ons in een wonderwereld
van sprookjes. Een atmosfeer, voor ons westerlingen, vreemd in den
eersten oogopslag, maar die ons straks toch gemeenzamer wordt, als
wij gaan gevoelen dat in die zonderlinge lotgevallen der oud-Indische
helden en heldinnen zich een geest uitspreekt, dien wij zonen van
het westen, in menig opzicht kunnen deelen. Is toch niet aan onze
levensopvatting vaak eigen een besef van 's levens droeve raadselen,
dat ons drijft tot medelijden? Bewonderen wij niet vaak de schoonheid
en de kunst, toch gevoelende dat zij zijn als een droombeeld, dat
wij niet kunnen bereiken?
Welnu: die zelfde geest woont ook in de oude Indische poëzie. Haar
geheimzinnigheid is die van het alleven. Zij ziet in de natuur niet
de vijandin van de ziel--zooals de middeneeuwsche Katholieke poëzie,
die het leven en de natuur ten slotte den rug toekeert--maar zij ziet
de gansche zichtbare natuur als den droom van de algemeene wereldziel,
van die ziel, die alleen werkelijk bestaat. En de droomer heeft genot
in de beelden die hem voorbijgaan, doch een weemoedig genot, want
hij voelt dat zij voorbijgaan. De Indische poëzie ziet het gewone
leven met een mengeling van verheven gevoel en medelijden aan, zij
weet, dat op de jeugd de ouderdom, op het genot de moeheid, op de
liefde de smart van het verlies, op het leven de dood volgt. Wat nu
te doen? Hopen op verandering in deze noodwendigheden gaat niet aan:
maar de ziel moet gebracht worden tot zulk een staat van geestelijke
belangeloosheid, dat zij niet langer bedroefd is over de wisseling
en de onvolmaaktheid van alle onstoffelijke aardsche dingen.
Die geest--dien wij straks in volle ontwikkeling zullen zien bij het
Boeddhisme--doordringt ook de oud-Indische poëzie. Een enkele proeve
moge volstaan.
We willen u herinneren aan de geschiedenis van Valmiki, den man, van
wien de Indiërs onderstellen, dat hij het Ramayana dichtte. Valmiki,
zoo lezen wij in dit heldendicht, was een heilig kluizenaar, die
een leven van stille overpeinzing leidde in de eenzaamheid van het
woud. Het onderwerp zijner overpeinzing is het leed der wereld. De god
Brahma vertelt hem op zekeren dag de geschiedenis van Rama. Indien een
dichter, zoo peinst Valmiki, deze geschiedenis van een volmaakt leven
eens in diep gevoelde verzen kon bezingen, dat zou de menschen brengen
tot een beter, edeler leven. Doch hij, Valmiki, is geen dichter. Hoe
zal hij iemand vinden, voor deze taak berekend? Valmiki moet daarover
telkens weer nadenken. Op zekeren morgen staat hij aan den oever van
een helder water nabij zijn hut, waar hij gewoon is de wasschingen
te verrichten, die tot de godsdienstige plichten van den Brahmaan
behooren. En zie--tegenover hem zijn twee reigers. Zij slaan vroolijk
met hun vleugels, vol onschuldige vreugde over 't leven. Eensklaps valt
een der vogels, door een pijl getroffen, neer, en het zuivere water van
de plas wordt roodgekleurd. Valmiki is zoo vol medelijden en droefheid,
dat als een smartkreet uit zijn ziel wordt geperst: een dichtregel over
den dood van den onschuldigen vogel en de wreedheid van den jager. Er
is een wonderbare maat en een aandoenlijke muziek in zijn woorden,
hij moet ze nog eens en nog eens herhalen. Verwonderd wat toch over
hem gekomen is keert Valmiki terug naar zijn hut. Onderweg ontmoet hij
Brahma die hem vraagt of hij een dichter heeft gevonden, waardig om
de geschiedenis van den volmaakten mensch Rama te vertellen? Valmiki
wil antwoorden dat hij er geen gevonden heeft. Doch instede van dit
antwoord komt hem de klacht over den dood van den reiger over de
lippen, en hij schaamt zich tegenover Brahma: de God zal denken,
dat Valmiki hem bespot. Doch glimlachend spreekt Brahma.
"Gelukkige Valmiki! Om uw medelijden met den reiger hebt gij ontvangen
de genade van Sarasvati, de godin der poëzie. Ga, en zing voor de
ooren der wereld het leven van den heiligen Rama."
Valmiki is het type van den heiligen, vromen kluizenaar, zooals hij
in die heldendichten voorkomt. Doch er komen ook andere kluizenaars
in voor, menschen, die door wreede zelfkastijding en boetedoening
tooverkrachten zoeken te verwerven. Deze worden geschilderd als
gevaarlijke personen, die men moet ontzien. En waar zij in een verhaal
optreden, komt er altijd een of ander onheil.
M. a. w. de dichters van deze verheven poëzie--in dit opzicht tolken
van de volksmeening--gevoelden reeds--wat Boeddha later beslist
zou uitspreken, dat door vasten en zelfkastijding magische krachten
verkrijgen, zooals de Brahmanen dat aanprijzen, de weg tot verlichting
en verheffing der ziel niet kon zijn. Merkwaardig komt dit uit in de
legende van Rajah Visvamitra.
Deze is een rijk en machtig heerscher. Zijn vreedzame voorspoed
begint hem te vervelen en met een groot leger gaat hij op avonturen
uit. Hij ondervindt niet veel. Ieder is zoo bevreesd voor hem dat hij
geen enkele twist met iemand krijgt. En overal vraagt hij of men wel
iemand der levenden kent, zoo machtig als Visvamitra. Overal luidt het
antwoord ontkennend: noch op de aarde, noch in Swarga (het verblijf
boven de aarde) bestaat zulk een machtig wezen. Op zekeren dag echter
ontmoeten zij een vromen bedelaar, en Visvamitra, als godsdienstig
vorst, geeft hem rijke giften. Daarna volgt de gewone vraag: "Kent
gij iemand, zoo heerlijk en zoo machtig als Visvamitra?" Het antwoord
luidt: "Waarlijk, gij zijt een heerlijk en machtig vorst. Doch ik ken
één mensch bij wien uwe heerlijkheid is als rook tegenover de sterke
rots: die man is de priester Vasistha."
"En, wie is die Vasistha, wiens macht grooter is dan de mijne?"
"Een eenzaam kluizenaar, die leeft in de diepten van het woud. Zijn
kleeding is van boombast, hij leeft van wortels en bessen: toch,
zijn macht is grooter dan die van alle rajahs in de wereld."
Visvamitra's nieuwsgierigheid is opgewekt: hij besluit den
merkwaardigen kluizenaar een bezoek te brengen. Met zijn leger gaat
hij het woud in en ten slotte ontdekt men het eenzame verblijf van
Vasistha. De rajah wordt zeer vriendelijk ontvangen, zij spreken over
geestelijke onderwerpen en Visvamitra, zeer gesticht en opgewekt,
wil heengaan. Doch ongelukkig voor beide partijen, krijgt Vasistha
den inval om den koning en zijn leger op een feest te vragen.
Eerst weigert de rajah, beleefd dankend, de uitnoodiging. De vorst
kan niet begrijpen hoe een kluizenaar, die van wortels en bessen
leeft, midden in de wildernis een feest kan aanrichten voor een
leger. Vasistha verzekert echter dat dit voor hem niet moeilijk is. En
zie, in minder dan geen tijd is er op het gras een feestmaal--een
vegetarisch wel te verstaan--uitgespreid: geroosterd koren, suikergoed,
gebak, verfrischt door rivieren van gestremde melk. De soldaten
waren uiterst voldaan en vielen met vreugdekreten op het feestmaal
aan. Doch de eetlust van den rajah is bedorven: hij kan in zijn afgunst
niet begrijpen hoe Vasistha in een oogenblik zoo'n feest aanricht:
zou werkelijk, zooals die bedelaar zeide, die kluizenaar grooter
macht hebben dan hij? Ten slotte verklaart Vasistha zich bereid hem
de zaak uit te leggen. Mahadeva heeft hem, als belooning voor zijn
zelfkastijdingen, de wonderkoe Sabala gegeven. Hij behoeft deze koe
slechts te melken om te verkrijgen wat hij begeert.
Nu neemt de bitterheid van Visvamitra nog meer toe. "Het is niet
passend"--zoo oordeelt hij "dat een heilig kluizenaar, die een leven
van boete leidt, een schepsel bezit, dat hem in zware verzoeking
brengt om zijn geloften van vasten en afsterving van het aardsche te
verbreken. Daarom Vasistha, voor uw zieleheil is het beter dat gij
mij die wonderbare Sabala schenkt."
"Volstrekt niet," antwoordt Vasistha, "Sabala geeft mij de zuivere
boter, die ik voor het offervuur moet gebruiken, hoe zou ik die anders
verkrijgen in deze wildernis."
"Ik wil in die offerboter trachten te voorzien," sprak
rajah Visvamitra. "Het is een duidelijke verkwisting van de
tooverkracht der onbevlekte Sabala om die voor zoo'n kleinigheid te
gebruiken. Bovendien: ik ben de meester van deze landstreek en dus ook
de rechtmatige eigenaar van het vee." Doch: Vasistha wijst alle listen
en onderhandelingen af. Op het laatst beveelt de rajah de soldaten om
Sabala mee te nemen: doch Vasistha melkt gauw de wonderkoe en verkrijgt
een leger, tweemaal zoo groot als dat van Visvamitra. Moedeloos en
neerslachtig keert deze naar zijn stad en paleis terug.
Hier roept hij alle wijze mannen en Brahmanen tot zich en vraagt
hun hoe hij Vasistha's trots zal breken en de wonderkoe in zijn
bezit krijgen.
De Brahmanen antwoorden: "Aardsche wapens, o rajah, helpen u tegen
Vasistha niet. Om hem te overwinnen moet ge hem bestrijden met zijn
eigen wapens. Zijn kracht ligt in de verdiensten, die hij zich door
zijn vroomheid en zelfverloochening verwierf. Kunt gij op diezelfde
wijze u verdiensten verwerven? Zoo niet: geef dan alle hoop op om
Sabala te verkrijgen."
Rajah Visvamitra gevoelt dat het leven geen vreugde meer voor hem
heeft, zoolang hij Sabala niet bezit. Hij legt zijn koninklijk gewaad
af, verlaat zijn paleis en stad en begeeft zich naar de wildernis om
daar door een gestreng leven, der wereld afgestorven, zich krachten
als die van Vasistha te verwerven. Het zou mij te ver voeren u te
verhalen welke kwellingen de rajah al niet voor zichzelf uitdacht,
of hoeveel moed en volharding hij toonde wanneer, tot straf voor een
oogenblik van vergeten zijner geloften--al de verdiensten die hij
door zijn zelfverloochening zich verwierf, wederom verloren gingen. De
goden, zoo schildert ons het verhaal, bevreesd voor het slecht gebruik
dat de kluizenaars maken zouden van hun door boetedoening verkregen
macht, beproeven steeds hen in hun plannen te dwarsboomen of door
kleine geschenken hen om te koopen opdat de som der verdiensten
niet te groot en te gevaarlijk zou worden. Zoo werd ook Visvamitra
beproefd door de goden, doch, hoe ook misleid en ter neer geworpen,
altijd keert hij met nieuwen ijver tot zijn plan weder! En, in 't eind
triumfeert hij. Hij heeft zich zooveel verdiensten verworven dat geen
gunst hem kan worden geweigerd. Indra zelf komt vriend'lijk vragen
wat hij begeert. Wij verwachten dat hij de vernedering van Vasistha
en het bezit van de koe zal verlangen: doch neen, alle toorn tegen
Vasistha, alle begeerte naar Sabala is verdwenen: hij herinnert
zich niet eens dat beiden bestaan. Het eenige wat hij vraagt is:
geestelijke vrijheid en verlossing van alle aardsche begeerten.
Klinkt het in dit zonderling en toch aantrekkelijk verhaal ons niet
duidelijk tegen: De ware wijze is, die geen begeerten meer kent, en
wiens ziel is gekomen tot rust en bestendigheid? Wordt ons hier niet
geleerd dat het ware doel niet is om door zelfkastijding tooverkrachten
te verkrijgen, maar om te komen tot bevrijding en verlichting?
We naderen hier den geest van 't Boeddhisme, we staan hier op den
bodem, waarop dit zich ontwikkeld heeft. Nog duidelijker komt dit uit
in de geschiedenis van rajah Yayati, die wij in het Mahabharata vinden.
Rajah Yayati heeft het ongeluk om tot vrouw te nemen de dochter van
een Brahmaan, die met wonderbare tooverkrachten is toegerust. De rajah
heeft ongenoegen met zijn vrouw, en de Brahmaan, zijn schoonvader,
weet hem door zijn tooverkracht met een ontijdigen ouderdom te
straffen. Zoo is hij in den bloei der jeugd in een bevend, waggelend
grijsaard veranderd, die den Brahmaan smeekt om toch enkele jaren
van levenskracht, opdat hij afscheid moge nemen van de vreugden van
dat leven, dat hij zoo gemakkelijk had opgevat, toen hij niet begreep
dat hij het zoo spoedig zou verliezen.
De Brahmaan staat toe dat Yayati zijn ouderdom zal verwisselen
tegen de gelukkige jeugd van een ander, doch voor weinige jaren
slechts. Zijn die voorbij, dan moet hij wederom zijn straf des
ouderdoms ondergaan. Na vele jaren van vermoeiend rondzwerven weet
rajah Yayati den jongsten zijner zonen te overreden om den last van
den vroegtijdigen ouderdom op zich te nemen en aan zijn vader diens
eigen jeugd over te doen. De rajah wil nu, in den korten tijd hem
gelaten, ten volle genieten van alle aardsche vreugde.
Hij beproeft allereerst de weelde, die den mensch streelt en de
genietingen der zinnen, dan het avontuurlijk leven van den jager,
vervolgens de vreugde, die wijsbegeerte en poëzie aan verstand en hart
schenken. Doch het resultaat is altijd hetzelfde. Hij ondervindt dat
deze vreugden des levens eigenlijk niet wezenlijk bestaan, maar alleen
als voorwerp onzer begeerte aantrekkelijk schijnen. Dan keert hij terug
tot zijn zoon, wien hij teruggeeft zijn jeugd en zijn vatbaarheid om
te genieten en zelf neemt hij zijn straf wederom op. En zijn slotsom
is de volgende:
"Ik heb bevonden, dat het voorwerp, dat men begeert nooit de begeerte
bevredigt, het voedt slechts de vlam, evenals de gereinigde boter
het offervuur.
"Al de rijst, al het koren, al het vee, alle schatten, alle
beminnelijkste vrouwen die de aarde bevat, zij kunnen nooit des
menschen begeerte voldoen; daarom is het eenige de begeerte zelf te
dooden en uit te werpen.
"Ik voor mij wil die verterende dorst der begeerte van mij
afzetten. Neem dus, mijn zoon, uwe jeugd weder, ik zal mijn woning
nemen in het woud, waar de gazellen verblijf houden en wil mijn hart
richten op de beschouwing der eeuwige dingen."
Zoo werd rajah Yayati een kluizenaar. Doch ook nu is zijn geestelijke
oefening nog onvolledig. Hij volbrengt zware boetedoeningen en
verkrijgt daardoor het voorrecht om in dit stoffelijk lichaam reeds
naar Swarga (het verblijf der goden) te mogen opstijgen. Op zekeren dag
echter geeft de rajah hoog op van zijn verwonderlijke boetedoeningen
tegenover Indra, den god van het uitspansel. Doch deze bluf berooft hem
van de verdiensten, die hij zich had verworven en waardoor hij alleen
in Swarga kon wonen. Aldus moet hij naar beneden dalen; hij blijft nu
tusschen de hemelsche en aardsche sfeer en wordt daar volmaakt. Want
nu leert hij dat het belangrijkste feit is, niet wààr iemand is,
doch wàt hij is. "Noch hier, noch in Swarga noch op de aarde, noch
in de hel Naraka woon ik, de zetel van mijn wezen is in mij zelven."
"Pijn heb ik niet in mijn macht doch leed te gevoelen over mijn
pijn kan ik vermijden. Beter dan in Swarga te zijn is zijne ziel in
lijdzaamheid te bezitten." En als de rajah zoo spreekt klinken er
triumfkreten om hem heen. Hij heeft de volmaking bereikt en Swarga is
nu zijn tehuis. Doch rajah Yayati heeft geen ongeduldige begeerten naar
zijn hemelsch verblijf. Langzaam stijgt hij omhoog, bijna onwillig,
en nog eens herhaalt hij: "Beter dan Swarga is zijne ziel te bezitten
in lijdzaamheid."
We komen hier, herhaal ik, als op den drempel van het Boeddhisme. Daar
verzekert ons de verlichte (Boeddha) dat de mensch niet om den hemel te
beërven, noch om de goden te behagen, maar om tot den grooten vrede,
tot de rust van Nirvana te komen alle begeerten en hartstochten moet
afsterven. Komt ook niet in de ziel van Yayati datzelfde denkbeeld
tot rijpheid?
Van het Brahmanisme zouden wij hier afscheid kunnen nemen. Wij
hebben de moeder gevolgd tot op het oogenblik waarop de dochter
(het Boeddhisme) zal worden geboren, die straks het ouderlijk huis
zal verlaten.
Toch, al is het ons vooral om dat Boeddhisme te doen, wij kunnen van
het oude Brahmanisme hier nog geen afscheid nemen. Niet, omdat wij
bij al zijn latere lotgevallen en wisselingen willen stilstaan; dat
zou ons veel te ver voeren. Maar wel, omdat wij nog willen beschouwen
het streven der Brahmo Samaj, die trachten hun godsdienst van alle
bijvoegselen te ontdoen en tot zijn oorspronkelijke zuiverheid terug
te brengen. Ons volgend hoofdstuk zal daaraan gewijd zijn.
HOOFDSTUK III.
Gezuiverd Brahmanisme in den nieuweren tijd (de Brahmo-samaj.)
Reeds in het vorige hoofdstuk wezen wij op het eigenaardig karakter van
het Brahmanisme, dat, bij allen schijn van veelgodendom, toch zoekt
naar de éénheid in de veelheid. Wij zagen dat dit reeds in overoude
dagen den Indischen godsdienst kenmerkte, brengen wij ons maar eens
te binnen de hymne aan Varuna, die wij daar straks [7] aanhaalden. Er
waren echter kringen en tijdperken, waarin dat vergeten werd, doch
dan kwam er bijna altijd weer reactie ten gunste van de vereering van
één eenig wezen. Zoo had men bijvoorbeeld in de 12e, 13e, 15e en 16e
eeuw verschillende Vaishnava hervormers, die Vishnoe predikten als
den éénigen, den hoogsten god. Toch konden deze hervormers, vooral
door hun leer der avatara's, der vleeschwordingen van Vishnoe, er
niet in slagen het bijgeloof te boven te komen. Als Vishnoe nu eens
vleesch werd in een held, dan weer in een groot leeraar of in een
dier, ten einde zijn schepselen te verlossen, dan mochten er in deze
leer inderdaad verheven gedachten opgesloten liggen, toch moest zij
leiden tot telkens hernieuwden afgodsdienst.
In de 16e eeuw was er nog een andere, monotheïstisch gekleurde
hervorming, die der Kabir panti, welke onder den invloed stond van
het Mohammedanisme en trachtte Mohammedanen en Hindoe's door het
gemeenschappelijk geloof in éénen God te vereenigen. Doch ook deze
bereikte haar doel niet: groote strijd tusschen de Muzelmannen en de
aanhangers van het nieuwe geloof was het einde.
De beweging, waarvan wij thans iets willen meedeelen, was van anderen
aard. Zij ging en gaat niet om buiten den invloed van het Christendom:
geboren is zij uit het verlangen naar een reiner geloof, bij de
meer beschaafden in Indië gewekt door de aanraking met de Engelsche
overheerschers.
Rammohun Roy, die in het jaar 1774 in het stadje Radhanagar geboren
werd, kunnen wij noemen als den stichter der Brahmo-samaj. Zijn vader
was een Brahmaan van hooge caste, die hem een geleerde opvoeding
gaf. Zoo kwam het dat de zoon reeds op jeugdigen leeftijd de Perzische
en Arabische literatuur, den Koran incluis, bestudeerde. Toch verloor
hij daarbij ook zijn Indische studiën niet uit het oog. Weldra begreep
hij dat in de oud-Indische godsdienstige boeken, bepaaldelijk in de
Bhagavata Purana, waaruit zijn vader hem gewend had iederen morgen
een hoofdstuk te lezen, veel fabelachtigs voorkwam. Wat hem echter
sterk aantrok waren de Upanishads, de bespiegelingen der oude wijzen
over de Veda's.
De jongeling gaf zijn vrije gevoelens openlijk te kennen in een
geschrift over de afgoderij, dat hij op 16-jarigen leeftijd uitgaf
en dat hem den haat van al zijn familiebetrekkingen op den hals
haalde. Ja, om de vijandschap, die tegen hem ontstaan was moest hij
zelfs zijns vaders huis voor een tijd verlaten.
Hij zwierf nu in verschillende streken rond, in Benares bestudeerde
hij het Mohammedanisme, in Tibet had hij veel besprekingen met
Boeddhisten. Geen zorg en moeite was hem te groot om de waarheid te
leeren kennen. Hij las het O. T. in het Hebreeuwsch, den Koran in
't Arabisch, de Veda's in het Sanskriet, de boeken der Boeddhisten
(Tripitaka) in het Pali. Hij ging ook zelfs Grieksch leeren ten einde
het N. T. goed te leeren.
In 1796 keerde hij weer naar huis terug, de vrede met zijn familie werd
gesloten en meer dan ooit gaf hij zich nu aan zijn Sanskrietstudiën
over. Doch: tegelijk leerde hij met even grooten ijver het Engelsch
en zocht van de Europeesche maatschappij te leeren. Na den dood zijns
vaders in 1803 begon hij de dwalingen van het Brahmanisme met kracht
te bestrijden. Hij trad in Engelsch-Indischen staatsdienst en maakte
zich daarin bemind bij diegenen, over wie hij gesteld was. Ook bij deze
praktische werkzaamheden verwaarloosde hij echter zijn godsdienstige
studiën niet. Een meer nauwgezet onderzoek van de Veda's leidde
hem tot de denkwijze, dat de oude godsdienst der voorvaderen geen
afgodendienst was geweest, maar vereering van den éénigen God. Ten
einde dit in het licht te stellen gaf hij verschillende gedeelten
van de Veda's, vooral van de Upanishad's in het licht.
Ook bewoog hij zich op praktisch gebied: hij toonde aan dat nergens
in de Veda's werd voorgeschreven of goedgekeurd dat, zooals in Indië
gebruikelijk was, de weduwe zich verbrandt op het lijk van haar
echtgenoot. De beweging, die hij tegen dit weduwenoffer (Sati) in
't leven riep, heeft er toegeleid, dat de Sati in 1829 door de wet
in Britsch-Indië werd afgeschaft.
't Viel hem echter niet gemakkelijk als hervormer op te treden,
de lieden van zijn eigen caste en kring wendden zich van hem af,
tegenstanders vielen hem aan. Hij week dus naar Calcutta uit, en daar
had hij onder de Hindoe's en onder de Jaina's [8] grooten invloed. Zijn
doel was om zijn landgenooten tot de ware monotheïstische leer van
Veda's en Upanishad's terug te brengen.
Hier in Calcutta werd daartoe een vereeniging gesticht, "de
geestelijke vereeniging" geheeten. De leden waren echter niet bestand
tegen de voortdurende vijandschap, waarmede zij te strijden hadden:
èn--langzamerhand vielen zij af. Alleen de stichter bleef over, doch
deze, geenszins ontmoedigd, verdubbelde zijn pogen. Ook kwam hij
tot meerdere waardeering van het Christendom. De lessen van Jezus
trokken hem zóó aan, dat hij in 1820 een werkje uitgaf, getiteld:
"De voorschriften van Jezus, den gids tot vrede en geluk." Hij vond
de leer van het Christendom meer in overeenstemming met de zedelijke
beginselen dan die van andere godsdiensten. Evenwel, het orthodoxe
Christendom met zijn dogma's van drie-eenheid en godheid van Jezus
stond hem tegen, en hij wist zelfs een zendeling, zekeren Adam,
van zijn orthodox geloof te bekeeren tot zijn eigen opvatting.
Rammohun Roy was van oordeel dat de ééne God der waarheid zich overal
openbaart. Wat er heiligs en goeds is in de Veda's, de geschriften der
Christenen, den Koran, het Zend Avesta: het is alles aan goddelijke
openbaring te danken. Wat overeenkomt met het natuurlijk en gezond
oordeel van het verstand en met het gevoel van het menschelijk hart,
dat is waar. De eenige vader wil dat wij allen liefhebben, zoo sprak
hij, onverschillig hun land, caste, kleur of geloof. Men ziet, het was
een vrijzinnig geloof. Maar was het toch tevens niet echt-Brahmaansch,
in alle openbaringsvormen te herkennen den geest van den Al-Eene?
Rammohun Roy deed wat hij kon om zijn denkbeelden te
verspreiden. Iederen Zaterdagavond hielden hij of zijn vrienden
godsdienstige samenkomsten. De dienst was daarbij in vier deelen
verdeeld: reciteeren uit de Veda's, voorlezen uit de Upanishad's,
een godsdienstige toespraak, het zingen van godsdienstige liederen.
Ten slotte kon de eerste "Theïstische [9] Hindoekerk" worden gesticht
in 1830. Hare leden noemden zich Brahmo Samaj (vereeniging van "die
in God gelooven"). Een nieuwe secte wilde hij daarmede niet stichten:
wel voorbereiden dat Hindoe's, Christenen en Mohammedanen zich in
den dienst van den Eéne zouden ontmoeten.
Jammer dat zijn levensdraad zoo spoedig werd afgesneden: hij stierf
namelijk reeds in 1833, en wel te Bristol in Engeland, waar hij
een belangrijke politieke opdracht had te vervullen. Hij stierf als
Brahmaan, zijn bediende omwikkelde zijn lijk met het gewijde koord;
bij al zijn strijd was toch gebleven de innige gehechtheid aan het
oude geloof.
Gelijk men zich voorstellen kan was zijn dood een zware slag voor
de nieuwe beweging. Zij vond echter weldra een uitnemend leider
terug in Debendra-nath. Deze heeft eigenlijk de nieuwe gemeente
georganiseerd, van welke hij sedert 1841 deel uitmaakte. Hij stelde
een beginselverklaring der Brahmo Samaj op. Ieder lid is verplicht:
"Zich van afgoderij te onthouden, geen geschapen voorbeeld te
aanbidden, maar door de liefde van God en door het doen van de
werken, die Gode aangenaam zijn, te vereeren: den grooten God, den
Schepper, Onderhouder en Vernietiger, de oorzaak aller ontwikkeling,
den Ongedeelde, den Eéne, zooals er geen tweede is, een heilig leven
te leiden en vergeving te zoeken door de zonde vaarwel te zeggen."
Ook werd een liturgie, uit gebeden, aanroepingen, liederen en
overdenkingen bestaande, saamgesteld.
Langzamerhand breidde nu de nieuwe stichting zich uit onder de
voortreffelijke leiding van Pandit Ram Chandra Vidija-bag-ish, den
leeraar der nieuwe gemeente, totdat zij in 1847 bijna achthonderd
leden telde.
Er kwamen echter moeilijke dagen. Verschil rees omtrent de Veda's:
waren zij werkelijk boeken van goddelijk, onfeilbaar gezag--òf waren
ook zij vol van dwalingen? Ten slotte werd vastgesteld, dat noch
Veda's, noch Upanishad's als onfeilbare gidsen zouden gelden. Alleen
wat met het zuivere theïstische geloof overeenstemde moest worden
aanvaard, en dit geloof rustte op twee grondslagen: de natuur en het
inwendig licht.
Intusschen verspreidden de "in God geloovigen" zich ook door
andere steden en streken van Indië en gaf Debendra-nath nieuwe
kracht en vastheid aan de beweging door de uitgave van zijn werk:
Brahma Dharma (de theïstische godsdienst), waarin voorkwamen: de
vier grondbeginselen van het Indisch Theïsme, de straks aangehaalde
verklaring en goedgekeurde aanhalingen uit de Veda's, de Upanishad's
en latere Hindoe werken.
Die vier grondbeginselen zijn de volgende:
I In den beginne, voor dit heelal bestond, was het ééne hoogste
wezen. Hij heeft het gansch heelal geschapen.
II Hij is eeuwig, verstandig, oneindig, vol van zegeningen,
zelfgenoegzaam, zonder vorm, eenig, zoodat er geen tweede is als Hij,
al doordringend, al besturend, al beschermend, alwetend, almachtig
en onbewegelijk, volmaakt en zonder vergelijking.
III Alleen door hem te dienen, kan het geluk worden verzekerd in deze
en in de volgende wereld.
IV Liefde tot Hem en het volbrengen van de werken, die Hij lief heeft,
vormen zijne vereering.
Wie met deze beginselen instemming betuigde kon lid worden van de
Calcutta Brahmo Samaj. Wie meer volledig wilde worden ingewijd moest
de zeven, straks genoemde, verklaringen afleggen.
Het voornaamste der nieuwe leer was voorts het volgende: "Het inwendig
licht en het boek der natuur vormen den oorspronkelijken grondslag van
het Brahmaansch geloof, doch de godsdienstige waarheid wordt dankbaar
aanvaard, zoowel uit ieder gedeelte der oude Hindoesche geschriften als
uit andere gewijde boeken. God is de hemelsche Vader, een persoonlijk
wezen met zedelijke eigenschappen. Die God is nimmer vleesch geworden,
doch Hij draagt zorg voor het heil Zijner schepselen. Tot Hem te bidden
is niet vergeefs. Berouw is de eenige weg tot verzoening, vergeving
en verlossing. De mensch is bestemd om ook op godsdienstig gebied
zich steeds meer te volmaken. Goede werken, barmhartigheid, kennis
verwerven, bespiegeling en vereering zijn de eenige godsdienstige
plechtigheden: boetedoeningen en pelgrimstochten zijn zonder nut. Het
eenige offer is zichzelf Gode te wijden, de eenige pelgrimstocht is
het gezelschap der goeden te zoeken, de eenige ware tempel is het
reine hart. Onderscheiding van casten is er niet."
Zoo was het programma, naar men ziet, doortastend genoeg. Toch bleef
men in de praktijk aan zeer veel van den ouden godsdienst hangen, en
sommigen, daaronder de invloedrijke leeraar Narain Bose stelden ook
op den voorgrond dat het doel niet moest zijn den ouden godsdienst
af te breken maar dezen te volmaken.
Anderen, die sedert 1858 hun geestelijken leidsman vonden in Keshab
Chandar Sen, oordeelden anders. Zij wilden vooral breken met alles
in de oude, vastgewortelde maatschappelijke instellingen, wat met
hun geestelijken godsdienst niet overeenkwam. Men beseft hoe moeilijk
deze taak was, hoeveel stille en openlijke vijandschap er op dezen weg
viel te bestrijden, hoeveel misverstand uit den weg te ruimen. Toch,
Keshab Chandar Sen, toen 20 jaar oud, deinsde er niet voor terug.
Zijn levensweg was anders geweest dan die van zijn voorganger Rammohun
Roy. Eerst opgevoed in een omgeving van Hindoesch bijgeloof, ontving
hij later in Calcutta een Engelsche opvoeding. Voor de Europeesche
wetenschap bezweek het oude geloof. Doch zonder godsdienstig geloof
kon eene natuur als hij niet leven. Hij zocht naar betere kennis
van God. Op zekeren dag kreeg hij eenige preeken van Narain Bose in
handen en tot zijn verwondering bemerkte hij dat er in Calcutta reeds
een Theïstische kerk bestond. Aanstonds sloot hij zich daarbij aan.
Weldra nam hij in de broederschap een belangrijke plaats in. Eerst
werkte hij onder leiding van Debendra-nath ongeveer vijf jaar lang,
maar een persoonlijkheid als de zijne moest wel op den voorgrond
treden.
Keshab Chandar Sen was met de tot nu toe ingevoerde hervormingen
niet tevreden. Hij wilde alles wat op casten-verschil wees
afgeschaft zien. Als een begin op dien weg bepleitte hij dat
allen, die de godsdienstoefeningen der nieuwe kring leidden,
het gewijde hemd, waardoor de hoogere casten zich onderscheidden,
zouden afleggen. Debendra-nath wilde het zelf wel afdoen, maar zoo'n
verplichting anderen niet opleggen.
Dit gaf wrijving tusschen de behoudende en de vooruitstrevende
elementen. Trouwens, dit niet alleen, achtereenvolgens kwamen nog
tal van hervormingen aan de orde, waarop Keshab Chandar Sen en de
zijnen aandrongen. Zoo bijvoorbeeld een verandering in de Sraddha,
of den dienst der gestorven voorvaderen, welks ritus niet met de ware
Brahmaleer omtrent een toekomstig leven overeenkwam. Dan, wijziging van
het ceremonieel bij geboorte, naamgeving en lijkverbranding. Verder,
een meer gepaste inwijding voor hen, die tot de gemeente toetraden.
Ook wilde men de vrouwen opvoeden en verheffen. Zij werden aangemoedigd
om toe te treden, velen deden dit en woonden dan den dienst bij achter
gordijnen of in een afzonderlijk vertrek.
Dan stelde men aan de orde, hervorming van het huwelijk. Men wilde
afgeschaft zien de kinderhuwelijken, zoo nauw saamgeweven met
Indische zeden, maar tot zooveel misbruik en ellende voerend, ook
wilde men dat de veelwijverij zou worden opgeheven en dat de weduwen
vrijheid zouden hebben te hertrouwen. Ook wilde men tal van dwaze
en overtollige ceremoniën bij het huwelijk afschaffen. Dit ongeveer
waren de bedoelingen der meer vooruitstrevenden.
Toch, ook de meer behoudenden, gingen in veel mede. Narain Bose
was de eerste om in zijn eigen familie het opnieuw huwen van een
weduwe toe te laten, waarvoor men hem in zijn geboortedorp haast
steenigde. Debendra-nath gaf het voorbeeld door voor grooten eenvoud
te zorgen bij het huwelijk van zijn tweede dochter, dat op 26 Juli
1861, in tegenwoordigheid van tweehonderd geloofsgenooten, plechtig,
zonder overdreven feestvertoon, werd voltrokken. Dit was de eerste
huwelijkswijding volgens den ritus der Brahmo Samaj.
Keshab Chandar Sen ging echter nog verder. Hij voltrok in 1864
een huwelijk tusschen twee personen van verschillende caste: wat
Debendra-nath zeer mishaagde.
Chandar Sen voelde zich onder de Brahmo Samaj niet recht thuis: hij
zag nog te veel van den ouden castengeest en van het oude bijgeloof
en gevoelde de noodzakelijkheid om den bijl te leggen aan den wortel
van den ouden stam. 't Eind was dat er een scheuring ontstond tusschen
vooruitstrevenden en meer behoudenden. De eersten scheidden zich af
en stichtten in November 1866 een nieuwe vereeniging: de Brahmo Samaj
van Indië geheeten.
Haar doel was, zooals Chandar Sen in zijn openingsrede op 11 November
verklaarde, alle Brahma-vereerders in één lichaam te vereenigen en
een organisatie over geheel Indië te verkrijgen. In 1869 opende deze
nieuwe gemeente haar bedehuis.
Haar optreden kenmerkte zich door groote godsdienstige bezieling.
Haar programma luidt aldus:
God is de eerste oorzaak van het heelal. Door Zijn wil schiep Hij
alle voorwerpen uit niets en onderhoudt Hij deze bij voortduring. Hij
is Geest, geen stof. Hij is volmaakt, oneindig, almachtig, vol van
genade en heiligheid. Hij is onze Vader, Beschermer, Meester, Koning
en Verlosser.
De ziel is onsterfelijk. De dood is slechts de oplossing van het
lichaam. Er is geen nieuwe geboorte na den dood: het toekomstig
leven is een voortzetting en ontwikkeling van het tegenwoordig
leven. De menschen die nu leven zijn de embryo's van de menschen,
die zijn zullen.
De ware (heilige) schriften zijn tweeërlei: het boekdeel der natuur en
de natuurlijke denkbeelden, in den geest ingeplant. De wijsheid, macht
en genade van den Schepper staan in het gansche heelal beschreven. Alle
denkbeelden over onsterfelijkheid en zedelijkheid zijn oorspronkelijke
overtuigingen, in des menschen zijn gegrond.
God wordt nimmer mensch door een menschelijk lichaam aan te nemen. Zijn
goddelijkheid woont in ieder mensch en openbaart zich in sommigen met
groote kracht. Mozes, Jezus Christus, Mohammed, Nanak, Cartanya en
andere groote leeraren verschenen op bepaalde tijden en brachten vele
heilsgoederen aan de wereld. Zij mogen aanspraak maken op algemeene
dankbaarheid en liefde.
De Brahma godsdienst is verschillend van alle andere godsdienststelsels
der wereld, toch maakt hij het wezen van allen uit. Hij is niet
vijandig tegen andere gelooven. Wat daarin waars is, aanvaardt hij. Hij
is gegrond op het wezen des menschen en is daarom eeuwig en algemeen,
noch ook beperkt tot leeftijd of landstreek.
Alle menschen behooren tot ééne broederschap. De Brahma godsdienst
kent geen onderscheid van hooge en lage caste. Het doel van dezen
godsdienst is allen tot één huisgezin te vereenigen.
Er zijn vierderlei plichten: 1. plichten tegenover God, zooals:
geloof in Hem, liefde, vereering en aanbidding. 2. plichten tegenover
onszelf, zooals: bewaring van ons lichamelijk welzijn, verkrijging van
kennis, heiliging der ziel. 3. plichten tegenover anderen, zooals:
waarachtigheid, rechtvaardigheid, dankbaarheid, het bevorderen van
het welzijn van alle menschen. 4. plichten tegenover dieren en lagere
schepselen, zooals vriendelijke behandeling.
Iedere zondaar moet de gevolgen van zijn eigen zonden dragen, vroeg
of laat, in dit of in een volgend leven.
De mensch moet naar heiligheid streven door vereering van God,
onderdrukking der hartstochten, berouw, de natuur en goede boeken
te onderzoeken, goed gezelschap te zoeken en in de eenzaamheid te
overpeinzen. Deze dingen zullen, door de werking van Gods genade, tot
verlossing leiden. Verlossing is bevrijding der ziel van den wortel
van het bederf en haar voortdurend groeien in heiligheid. Dit groeien
duurt tot in eeuwigheid, en de ziel wordt meer en meer goddelijk
en gelukkig in Hem, die de bron is van oneindige heiligheid en
vreugde. Het nabijzijn van God is de hemel der Indische Theïsten.
Naar men ziet zijn hier verscheiden denkbeelden aan het Christendom
ontleend. Ook de godsdienstoefeningen hebben gewoonlijk op Zondag
plaats. Zij zijn ongeveer aldus ingericht: eerst een lied, dan
een aanroeping van God door den leeraar, door een ander lied
gevolgd. Vervolgens vereering van God, gezongen door de geheele
gemeente, voortgezet door den voorzanger alleen. Dan eenige minuten
van stille overpeinzing en gemeenschap met God. Vervolgens wordt,
door de geheele gemeente, staande, het volgende gebed gesproken:
"Leid ons, o God, van onwaarheid tot waarheid, van duisternis
tot licht, van dood tot onsterfelijkheid. O, Vader der waarheid,
openbaar u toch aan ons. Gij zijt genadig, bescherm ons steeds in
uwe grenzenlooze goedheid. Vrede! Vrede!" Dan volgt een gebed voor
de gansche wereld, door den voorganger alleen, gevolgd door een ander
lied en door het zeggen van teksten uit Hindoesche en andere gewijde
schriften. Eindelijk een preek, gevolgd door gebed, zegen en lied.
Jammer genoeg ontstond er in deze vereeniging in 1878 weer een nieuwe
scheuring. De uitgetredenen stichtten zich een eigen bedehuis. Doch op
al de bijzondere lotgevallen der verschillende Indische Theïstische
groepen in te gaan zou ons te ver voeren. Wij merken alleen nog op,
dat er reeds in 1883 over Engelsch Indië 170 gemeenten bestonden, de
een wat meer behoudend, de ander wat meer kritisch staande tegenover
de Hindoesche overlevering, maar toch allen getuigenis afleggend
van nieuwen levensgloed. Onder de hoofdleiders moeten wij nog noemen
Mozoomdar, die eenige jaren geleden op het parlement der godsdiensten
in Chicago zoo meesleepend wist te getuigen.
Van harte hopen wij dat deze verlichte Indiërs hun vaderland van
bijgeloof mogen zuiveren en dat zij de vele schatten, in de gewijde
boeken van hun volk verborgen, in ruime mate ook tot de westerlingen
mogen helpen brengen. Want, de tempel der toekomst zal worden
saamgevoegd uit vele kostelijke steenen, aangebracht uit vele landen.
HOOFDSTUK IV.
Het Boeddhisme.
I. Het leven van Boeddha tot aan zijn openlijk optreden.
In ons overzicht van het Brahmanisme hebben wij gezien hoe er in
het oude Indië, hoe langer hoe meer, gevoeld werd niet alleen door
verlichte priesters, maar ook door leeken, dat niet in offers en
uitwendige vereering der goden, doch in het streven naar verlossing
van alle begeerten, naar onderdrukking van alle hartstocht het ware
levensdoel kan bestaan. Niet door het streven naar bovennatuurlijke
krachten, niet door boetedoeningen om eenig aardsch voordeel te
verkrijgen, maar door, tot zichzelf inkeerende, de ongenoegzaamheid
van al het aardsche in te zien en dan ook van alle begeerte afstand
te doen, komt men tot het hoogste heil. Dat werd gevoeld door vele
eenzame vromen in het stille woud, maar lag ook op den bodem van
de ziel van het Indische volk; het Boeddhisme zou het straks doen
doordringen tot een wijden kring.
Een wijden kring: de godsdienst van den Indische wijze wordt thans nog
beleden door ongeveer een derde der geheele menschheid. Uit zijn oude
bakermat, Voor-Indië, is het voor het grootste gedeelte later weer
door het Brahmanisme verdrongen. Doch in tal van andere landen heeft
het zich zeer uitgebreid. Wij noemen onder de voornaamste landen,
waar deze godsdienst heerscht: Ceylon, Birma, Siam, Annam, Tibet,
China en Japan.
Doch, al wordt in al deze landen Boeddha in eere gehouden, er is een
groot verschil. Het Boeddhisme van Ceylon en Birma is in vele opzichten
gansch iets anders dan dat van Tibet. 't Is er mee als met het
vrijzinnig-Protestantsch en het Roomsch-Catholiek Christendom. Beiden
willen Jezus eeren, doch de eersten beschouwen den stichter van hun
godsdienst als mensch en vinden in 't naleven zijner levensbeginselen
de hoofdzaak. De anderen erkennen hem als een Godheid, die door
plechtig ceremonieel nog meer wordt gediend dan door overpeinzing en
betrachting zijner leer. Zoo is het ook met het Boeddhisme. Komt ge
in Birma, dan hoort ge weinig van Boeddha als godheid, maar wordt de
beteekenis van zijn strijd en overwinning als mensch diep gevoeld. En
in een leven van eenvoud en liefde voor al wat leeft, drukt men de
voetstappen des Meesters. Doch in Tibet heeft Boeddha goddelijke eer,
ja een plaatsvervanger op aarde, voor wien men zich als voor Rome's
Paus nederbuigt. Daar worden tal van formulier-gebeden voor hem
opgezegd, tal van geheimzinnige plechtigheden voor hem verricht. De
eeredienst is er oneindig luisterrijker en samengestelder dan in de
zuidelijke landen als Birma en Ceylon. En in China en Japan is het
Boeddhisme met andere godsdiensten als ineengevloeid en heeft daarbij
een deel van zijn oorspronkelijk karakter ingeboet.
Doch, dezen godsdienst in al zijn ontwikkelingen en zijwegen te volgen
ligt niet op onzen weg. 't Is ons voornamelijk te doen om den geest
van den wijze, dien Edwin Arnold niet zonder reden het licht van Azië
noemde, te leeren kennen.
Dat nu is, ofschoon er genoeg over het Boeddhisme geschreven is en
geschreven wordt, niet zoo gemakkelijk als het schijnt. Allereerst is
er quaestie over de persoon van den Boeddha. Was hij een historisch
persoon, of berust zijn gansche levensgeschiedenis, zooals die
uit vroegere en latere Boeddhistische geschriften wordt gekend,
op verdichting? Er zijn geleerden, die dit beweerd hebben. De
Fransche geleerde Sénart [10] tracht de gansche, in zoo menig opzicht
aantrekkelijke legende van den Boeddha tot een zonnemythe te herleiden,
en brengt op vernuftige wijze alle bijzonderheden daarvan met deze
opvatting in verband.
Doch: waarschijnlijk is deze opvatting alles behalve. Ten eerste
omdat gewoonlijk een groote godsdienstige beweging haar oorsprong
vindt in een krachtige persoonlijkheid, ten tweede, omdat er toch
veel waarschijnlijks en natuurlijks achter het phantastische der
levensbeschrijving verborgen ligt. En in de derde plaats vooral
omdat inderdaad de oudste Boeddhistische boeken, die wij bezitten,
wellicht niet veel langer dan een eeuw na den dood van den stichter
van dezen godsdienst zijn opgesteld.
Om nu echter in de Boeddha-legende overal waarheid en verdichting
te scheiden--ziedaar een taak, die boven onze krachten ligt. 't Is
er mede als met de levensgeschiedenis van Jezus in de Evangeliën,
die ons wel in hoofdzaak het leven van den Meester doen kennen,
maar ons toch ook vaak in aanraking brengen, niet met wat de Meester
dacht, maar met wat zijn volgelingen gevoelden. Doch: is ook dat niet
een sleutel der kennis voor wie een godsdienst wil leeren kennen? We
kunnen daarom niet beter doen, ten einde in den geest van den stichter
en zijn godsdienst u in te wijden, dan in de eerste plaats een blik
te werpen op de levensgeschiedenis van den Verlichte, zooals zijn
volgelingen in oude dagen ons die verhaalden. We zullen daarbij zien
dat er dikwijls een eigenaardige overeenkomst is, tusschen wat ons
van Jezus en van dezen Indischen wijze wordt verhaald.
Boeddha werd geboren in Kapilavastu: de stad van Kapila, ongeveer
550 jaar voor Christus. Lang hebben de geleerden getwijfeld of
dit wel een werkelijke stad is geweest: doch in 1893 vond men,
in de jungle's van den Taraï, het machtige woud aan den voet van de
Himalaya, overblijfselen van een stad, onder slingerplanten en boomen
verborgen. En daarin een zuil, opgericht door koning Açoka--den grooten
beschermer van het Boeddhisme--ongeveer 257 voor onze jaartelling,
een zuil, die het opschrift behelsde:
"Koning Piyadasi (Açoka) de beminde der goden, bracht hier, toen
hij twintig jaar (als koning) gezalfd was, zijne vereering en sprak:
Hier is Boeddha (de verlichte), Sakya-Muni, geboren." En hij zorgde
dat een steenen zuil werd opgericht met de verklaring er op: "Hier
is de eerbiedwaardige geboren."
Boeddha, of liever Siddhartha (de eerste naam is feitelijk een
eeretitel) de verlichte: werd uit aanzienlijke ouders geboren. Het
geslacht der Sakya's was om zijn ouden adel en zijn rijkdom beide
beroemd. Latere legenden hebben Boeddha zelfs tot een koningszoon
gemaakt.
De moeder van Siddhartha, Maya, bracht haar zoon ter wereld en stierf
weinige dagen daarna, zoodat de andere echtgenoote van Siddhartha's
vader hem verder opvoedde. In Kapilavastu bracht hij alzoo zijn jeugd
door, daar dwaalde hij rond in de schaduwrijke tuinen van zijns
vaders paleis. Reeds vroeg trad hij in het huwelijk met eene door
lichaamsschoon en liefderijk karakter uitmuntende bloedverwante,
gewoonlijk Yaçodhara geheeten, die hem een zoon schonk, met name
Rahula. Dat zijn de bijzonderheden die over zijn jeugd vrijwel
vaststaan. Ware hij niet werkelijk gehuwd geweest, dan zou een
latere legende--in aanmerking genomen dat de ongehuwde staat voor
de Boeddhistische monniken verplichtend is--dit nooit aangaande hem
hebben verdicht.
De legende weet echter veel meer te verhalen. Zij spreekt van een
wonderbaren droom, dien Maya voor de geboorte van haar beroemden zoon
had: een witte olifant, meer lichtend dan zon en maan, naderde haren
schoot. De drie werelden (aarde, hemel en hel) zag zij verlicht door
een groot licht, schijnende in de duisternis, en duizende geesten
zongen haar lof. Ook werd aan haar echtgenoot bekend gemaakt dat de
toekomstige Boeddha op aarde zou komen in Maya's schoot. De verlichte
was zichtbaar in de moederschoot en toen hij ter wereld kwam zongen
hemelsche geesten zijn lof. Na vijf dagen werd hem een naam gegeven en
werd hij in den tempel gebracht. Asita--een heilige kluizenaar--die
de acht magische vermogens had verworven en daardoor in den geest
kon zien wat in de hemelen gebeurt, wordt daar onderricht dat een
machtige Boeddha is geboren. Als hij daarna het goddelijk geestesoog
laat wijden over de wereld ziet hij het kind in het paleis, glanzend
van zuivere daden, door al de werelden vereerd.
Asita gaat naar het paleis. Hij neemt het kind in zijn armen en
weent. "Waarom deze tranen, heilige man?" "Ik ween," is het antwoord,
"omdat deze de groote Boeddha zal zijn en ik daarvan geen getuige
meer kan wezen."
Merkwaardig is echter het volgende verhaal, dat ons als in
allegorischen vorm doet lezen in het zieleleven van den toekomstigen
wereldverlosser.
Waarzeggers door den koning geraadpleegd, verklaarden:
De jongeling zal zonder twijfel òf een koning der koningen of een
groote Boeddha worden. Als hij bestemd is een groote Boeddha te
worden, dan zullen vier voorteekenen zijn zending duidelijk maken. Hij
zal zien:
1. Een oud man.
2. Een kranke.
3. Een lijk.
4. Een heiligen kluizenaar.
Indien hij deze vier voorteekens van een avatara [11] niet ziet,
zal hij slechts een aardsche heerscher zijn.
De koning Suddhodana, die droomen van wereldsche grootheid over zijn
zoon in 't hart koesterde, werd door die laatste verzekering van
de waarzeggers heel wat gerustgesteld. Hij dacht bij zichzelf: Het
zal gemakkelijk genoeg zijn om deze vier voorteekenen van den prins
verre te houden. Hij gaf dus bevel dat er drie prachtige paleizen, de
schoonste op aarde: het voorjaars-, het zomer- en het winterpaleis,
zouden worden gebouwd. Zij wedijverden in glans met Vaijayanta,
het onsterfelijk paleis van Indra zelf.
Kostelijke paviljoenen werden overal opgetrokken, met prachtige
voorportalen en gepolijste deuren. Torentjes en kanteelen verhieven
zich in de lucht. Door sierlijke vensters viel het licht in de
prachtige vertrekken. Galerijen, balustraden en fijn traliewerk waren
in overvloed aanwezig. Duizend klokjes klonken op ieder dak. In
één woord: een beeld als van de paleizen in Chineeschen stijl,
die naar het schijnt in oud-Indië werden gebouwd. Even prachtig
waren de tuinen, waar in koele meren de heerlijkste kraanvogels
en zwanen zich verlustigden, en waar de schoonste boomen geur en
schaduw verspreidden. De lucht was vervuld met de geur van tube-rozen
en jasmijnen.
Rondom de paleizen van Kapilavastu waren voorts sterke wallen om
alle ouden van dagen, kranken en kluizenaars te weren en om den prins
daarbinnen te houden.
Nog een betere en machtiger bewaking werd te werk gesteld. Toen de
prins den leeftijd had bereikt om in het huwelijk te treden werd zijn
paleis met schoone vrouwen bevolkt. Doch, een schok trof den koning.
Dit geschiedde als volgt. De koning had een park aangelegd, nog
schooner dan de tuin van het zomerhuis. Een ziener had hem verhaald,
dat, indien hij den prins er toe krijgen kon om dezen tuin te bezien,
deze daar voor altijd met zijn vrouwen zou willen blijven. Geen taak
scheen gemakkelijker, en op zekeren dag zou de prins er met zijn wagen
heenrijden. Groote voorzorgen waren genomen om alle oude menschen, alle
kranken, alle lijken ver uit zijn gezicht te houden. Een heel leger
soldaten was er voor opgeroepen, met vlaggen was de stad versierd. De
weg, waarlangs de prins kwam, was met bloemen bestrooid en met vazen
vol welriekende planten versierd. Prachtige guirlandes en sierlijke
klokjes waren overal opgehangen. Doch zie! toen de prins uitreed zag
hij eensklaps, bijna onder de wielen van zijn wagen, tusschen de in
zijde gekleede edelen en de krijgslieden met schilden en speren een
ongewoon schouwspel. Het was een oud man, afgeleefd en verlamd. Zijn
aderen en peezen waren zoo gezwollen, dat ze te zien waren, zijn
tanden klapperden, het gelaat vol rimpels, het hoofd bijna kaal en
de weinige haren spierwit. Zoo strompelde hij voort, bijna dubbel
gebogen, leunend op een stok.
"Wat is dit, wagenmenner?" riep de prins. "Een man wiens bloed
is opgedroogd en wiens spieren aan zijn lichaam als vastgekleefd
zijn. Zijn hoofd is wit, zijn tanden slaan tegen elkaar, nauwelijks
kan hij zich bewegen, zelfs niet met behulp van een stok."
"Prins" zeide de wagenmenner "dit is de ouderdom. Zijn zinnen zijn
afgestompt, het lijden heeft zijn geest verstoord, veracht is hij
door zijn naburen. Niet in staat om zichzelf te helpen heeft men hem
in dit woud aan zijn lot overgelaten."
"Is dit," vroeg de prins "een eigenaardigheid van zijn familie of is
dit de wet der wereld. Zeg mij dat spoedig."
"Prins" zeide de wagenbestuurder, "dit is noch een wet van die
familie, noch van dit koninkrijk alleen. In ieder wezen wordt de
jeugd overwonnen door den ouderdom. Uw eigen vader en moeder zullen
in ouderdom eindigen: ook al uw bloedverwanten. Daar is geen andere
weg voor de menschheid."
"Dan is de jeugd blind en onwetend," zeide de prins, "en ziet de
toekomst niet. Als dit lichaam het verblijf zal worden van den
ouderdom, wat heb ik dan aan het vermaak en zijne bedwelming? Laat
den wagen keeren en breng mij terug naar mijn paleis."
Ontsteltenis was in de harten van alle hovelingen over deze onaangename
gebeurtenis, en het ergste was, dat niemand de ongelukkige oorzaak
er van straffen kon. De oude man was nergens te vinden. De koning
was buiten zichzelf van droefheid. Soldaten werden uit verwijderde
districten gesommeerd en vier mijlen in het rond werd een cordon
getrokken om de andere voorteekenen van den prins verwijderd te
houden. Langzamerhand echter kwam de koning een weinig tot rust. "Als
mijn zoon den tuin des geluks ziet, zal hij nimmer een kluizenaar
worden," had de koning gezegd, doch een belachelijk voorval had
zijn plan verstoord. Nogmaals zou het echter worden beproefd en de
voorzorgen werden ditmaal verdubbeld.
Was de prins de eerste maal door de oostpoort uit het zomerpaleis
gegaan, nu ging hij de zuidpoort uit.
Doch een andere onverwachte gebeurtenis viel er thans voor. Toen
de prins in zijn wagen uitreed zag hij plotseling vlak bij zich
een kranke, uitgemergeld, door brandende koorts gekweld. Alleen,
zonder dat iemand voor hem zorgde, ging hij voort, strompelend,
met moeite ademhalend.
"Wagenmenner," zeide de prins, "wat heeft deze man, zoo geel en
weerzinwekkend van uiterlijk, zoo stomp van zinnen, zoo verdord van
leden. Zijn maag hindert hem, met vuil is hij bedekt. Nauwelijks kan
hij adem halen."
"Prins," hernam de ander, "dit is ziekte. Deze ongelukkige man is
door een ernstige krankheid aangetast. Kracht en lust hebben hem
verlaten. Hij is zonder vriend, zonder hoop, zonder land, zonder
toevlucht. De vreeze des doods is voor zijne oogen."
"Indien de gezondheid van den mensch," zoo sprak Boeddha, "slechts
het spel is van een droom, en de vrees voor toekomstig leed zulk een
gestalte kan teweegbrengen, hoe kunnen dan wijze menschen, die gezien
hebben wat het leven werkelijk is, toegeven aan de ijdele genietingen
des levens? Keer terug dienaar, en breng mij naar mijn paleis." De
vertoornde koning, hoorende wat er geschied was, gaf bevel dat men
den zieken man zou gevangen nemen en straffen, doch, in weerwil van
een prijs op zijn hoofd en van zoeken overal kon men hem niet vinden.
Een plaats uit de "Lalita Vistara" [12] geeft deze oplossing: de
kranke was inderdaad een der geesten uit "het zuivere verblijf"
(de hemel van Brahma) die deze gedaante had aangenomen. Die geesten
van het "zuiver verblijf" zijn eigenlijk de Boeddha's, die vóór den
verlichte hebben geleefd: de Boeddha's van het verleden alzoo. [13]
Ook verhaalt een der zuidelijke geschriften dat de wagenmenner onder
inspiratie sprak, wat inderdaad voor het verhaal zeer goed past,
de gesprekken van een koetsier zijn niet altijd zoo verheven.
Het scheen dat een of andere booze invloed koning Suddodhana
beheerschte, want, onbewogen door het mislukken van zijn plan deed
hij een derde poging om den prins naar dien tuin van het geluk te
brengen. Ditmaal ging de weg door de westpoort. Grooter voorzorgen
dan ooit te voren werden er thans genomen. De keten van wachten werd
tot op twaalf mijlen van het zomerpaleis uitgezet. Maar wederom
hielden de Boeddha's der tien horizons den prins tegen. Eensklaps
was daar een verschijning van een lijkstatie. Een (spook)lichaam,
naar de gewoonte met modder besmeerd, en met een doek bedekt, werd
op een baar weggevoerd. (Spook)vrouwen huilden en (spook)muzikanten
maakten treurmuziek op trommel en fluit. Zonder twijfel zongen ook
spook-Brahmanen hymnen om het onsterfelijk deel naar de woning der
vaderen te begeleiden.
"Wat is dit," zeide de prins. "Waarom slaan zich deze vrouwen op de
borst en trekken zij zich de haren uit? Waarom bedekken deze goede
menschen hun gelaat met het stof der aarde? En die vreemde gestalte
op de draagbaar, waarom is zij zoo stijf?
"Prins," zeide de ander, "dit is de dood. Die gestalte, bleek en
verstijfd, kan nooit meer gaan en zich bewegen. Zijn bewoner is gegaan
naar de onbekende verblijven van Yama. [14] Zijn vader, zijn moeder,
zijn kind, zijn vrouw, allen roepen om hem, doch hij kan niet hooren."
Boeddha werd droef te moede.
"Wee u jeugd, die het spel is voor den ouderdom! Wee u gezondheid, die
de prooi wordt van vele krankheden! Wee u leven, dat als een ademtocht
henengaat! Wee u ijd'le vermaken, die de menschheid bederven. Doch wat
de vijf skandha's [15] betreft, daar zal geen ouderdom, ziekte of dood
zijn. Ga terug naar de stad. Ik moet de bevrijding tot stand brengen."
Een vierde maal werd de prins door zijn vader verzocht den tuin des
geluks te zien. Ditmaal was de keten der wachten zestien mijlen
ver in den omtrek opgesteld. Door de noorderpoort reed de prins
uit. Eensklaps zag men op den weg een man, kalm en vriendelijk van
uiterlijk, met een okergele monnikskap.
"Wie is deze," vroeg de prins, "zoo vriendelijk en vredig van
uiterlijk? Hij staart alsof zijn geest ergens anders vertoeft, en een
schaal heeft hij in de hand." "Prins, dit is het nieuwe leven," sprak
de wagenmenner. "Deze man is een van diegenen, die op den eeuwigen
Brahma hun gedachten vestigen. (Brahmacharin). Hij zoekt de goddelijke
stem en het goddelijk inzicht. De aalmoezenschaal van den heiligen
bedelaar (bhikshu) draagt hij in de hand. Zijn geest is kalm omdat de
groote bekoringen van het lager leven hem niet langer kunnen kwellen."
"Zulk een leven begeer ik," zeide de prins, "de lusten van den mensch
zijn het zeewater gelijk, zij maken den dorst erger in plaats van
haar te lesschen. Ik wil het goddelijk inzicht bereiken en den mensch
onsterfelijkheid [16] schenken."
De koning was buiten zichzelf. Bij iedere poort van het zomerpaleis
werden vijfhonderd zwaargewapende Sakya's geplaatst. Ketens van
schildwachten omgaven de opgehoogde en versterkte wallen. Een phalanx
lieftallige vrouwen, met lansen gewapend, was om het bed van den prins
geposteerd om hem te bewaken. Alles wat de zinnen kon streelen, zoo
beval de koning, moest bij voortduring aan den prins worden geboden.
"Laat de vrouwen van de zenana (harem) geen oogenblik hun zang en
spel en vroolijkheid staken. Dat zij schitteren van zijde en fonkelen
van edelgesteenten."
Maha Prajapati, de tante, die na den dood van koningin Maya Boeddha
had opgevoed, had het opzicht over deze lieftallige jonge vrouwen en
spoorde ze aan om den prins in een "gouden kooi" in te sluiten.
Zoo werd Boeddha in verzoeking gebracht. Doch, deden de bewoners
van Kamaloça (de oorden der lust) hun best, die van Brahmaloça (de
oorden van den zuiveren geest) lieten, schoon ongezien, toch ook hun
invloed gevoelen.
Eens toch, toen de prins rustte op een zijden rustbed en vier of vijf
bruingekleurde grootoogige Indische meisjes voor hem lieflijk zongen,
namen zijn oogen eensklaps een vreemden glans aan. Wel zag hij nog
al de schoone guirlandes en het prachtig traliewerk van de zaal, doch
't werd dof voor zijn oog. Muziek en stemmen zooals hij nooit te voren
had gehoord, kwamen nu tot hem als uit de verte. O. a. hoorde hij de
volgende verzen:
"Machtige steun der menschheid, wandel op het pad van de Rishi's [17]
van ouds. Ga heen uit deze stad!
"Geef op deze troostelooze wereld, als gij de onschatbare kennis der
Jina's [18] hebt verworven, en een volmaakte Boeddha zijt geworden,
aan allen den doop van het koninkrijk der gerechtigheid.
"Gij, die eens uw voeten, uw handen, uw kostbaar lichaam opofferdet,
die vaarwel zeidet alle rijkdommen der wereld, [19] gij, wiens leven
zuiver is, red het vleesch van zijne ellenden!
"Wees geduldig als gij smadelijk wordt bejegend, o overwinnaar van
u zelf! Heer van allen, die op twee voeten gaan, ga voort volgens uw
zending. Verwin het kwaad en zijn leger.
"Licht der wereld, in vroegere levens hebt gij gezegd: Voor
de werelden, aan dood en ziekte ter prooi, zal ik een toevlucht
zijn! Leeuw der menschen, heer van hen, die op twee voeten loopen,
de tijd voor uw zending is gekomen. Verkrijg onsterfelijke waardigheid
onder den gewijden Bo-boom [20] en geef Amrita [21] aan allen.
"Toen gij een koning waart en een onbescheiden onderdaan sprak tot u:
"Geef mij deze landen en steden", toen waart gij verheugd en niet
bedroefd.
"Toen gij een deugdzaam Rishi waart en een wreed koning in woede
uwe leden afhieuw, toen vlood in uw doodsangst melk uit uw voeten
en handen.
"Toen gij als Rishi Syama op een berg woonde, en een koning u
doorboorde met vergiftige pijlen, hebt gij toen dien koning niet
vergeven?
"Toen gij de koning der antilopen waart, hebt gij toen niet uw vijand,
den jager, voor een waterstroom beveiligd?
"Toen gij een olifant waart en een jager doorboorde u, hebt gij hem
niet vergeven en beloond met uwe prachtige slagtanden?
"Toen gij een berin waart, hebt gij een man gered uit een stroom,
door sneeuw hooggezwollen. Gij voeddet hem met wortels en vruchten
tot hij sterk werd en, toen hij heenging en menschen meebracht om u
te dooden, gij vergaaft hem.
"Eens toen gij het witte paard [22] waart, gingt gij, uit medelijden
met het lijden der menschen, door den hemel naar de plaats der booze
geesten, opdat gij hun geluk zoudt verzekeren.
"Vervolgingen zonder tal, smaad en herhaalde gevangenis, dood en
moord: gij hebt het alles gedragen met liefde en geduld, vergevende
die 't u aandeden.
"Menschen zonder koning kiezen u tot den hunne. Leid hen in den weg van
Brahma en de tien deugden, opdat, indien zij hun metgezellen verlaten,
zij allen mogen gaan naar Brahma's verblijf."
Door deze verzen, zegt het verhaal, werd de prins vermaand. En
terwijl de Jina's deze liederen zongen, trachtten schoone vrouwen,
met bloemen en reukwerk, juweelen en rijke kleeding hem te brengen
tot aardsche liefde.
Doch de geesten van het zuiver verblijf ontwerpen nog een nieuw
plan om hun oogmerken uit te voeren. Zij zorgen dat de prins deze
verleidelijke vrouwen, deze aanlokselen van Mara den verzoeker en
Kama, den god der liefde ziet in een nieuw licht. Zij bewegen door
onmerkbaren invloed den prins om de vertrekken der vrouwen te gaan
bezien als de Jina's ze in een vasten slaap hebben gebracht.
Alles is in wanorde, de kleederen der vrouwen, heur haar, haar
sieraden. Sommigen liggen in onbevallige houding op haar rustbedden,
of hebben een akelig uiterlijk, anderen hoesten of lachen onnoozel
in hare droomen of ijlen.
Ook misvormingen en vlekken, die de vrouwelijke list zorgvuldig
verborg, vallen nu, bij de tooverkunst der geesten, in het oog. De
eene heeft een miskleurigen hals, de andere een slecht gevormd been,
de derde een lompen vetten arm. Glimlachen zijn grijnzen, betoovering
is terugstooting geworden. Plomp liggen zij neer, tusschen al haar
versiersels, luiten en tamboerijnen.
Waarlijk, zeide de prins vol afkeer, ik ben op een kerkhof. 't Wordt
hem wee om 't harte: nu is de tijd gekomen, om den grooten weg te
gaan en van al 't aardsche zich los te maken.
Doch hem wacht een zware strijd, een, die echter zijne beslissing
verhaast. Als hij in den tuin is, waarin hem het vierde gezicht (de
monnik) is ten deel gevallen, wordt hem geboodschapt dat zijn geliefde
gade hem een zoon heeft geschonken. Hij zegt "Rahula is mij geboren,
een nieuwe keten is gesmeed." Hij gevoelt, hoe moeilijk het nu zal zijn
de banden te breken, die hem binden aan de zijnen en aan de wereld, die
hem omringt en treurig keert hij naar huis terug. Doch vreugde is er
in het hart van de dorpsbewoners over de geboorte van den eersteling,
den kleinzoon van hun rajah. Onder hun triumfgezang keert Boeddha in
Kapilavastu terug. Als een zijner nichten van vorstelijken bloede
hem op zijn wagen, in pracht en heerlijkheid, de stad ziet naderen
geeft zij haar gemoed lucht in de woorden: "Zalig de vader, zalig de
moeder, zalig de vrouw van zulk een zoon en echtgenoot." De jonge man
hoort haar woord met aandoening: "wel mag zij zeggen," zoo spreekt
hij bij zichzelven, "dat er zaligheid in 't moederhart is, als zij
ziet op het inwendig leven van haar zoon, wel ook is er zaligheid in
't hart van den vader en van de echtgenoote. Maar vanwaar komt de ware
vrede voor het hart?" En in zijn dankbaarheid, dat zij zulke gedachten
bij hem heeft opgewekt, geeft hij haar zijn paarlsnoer, als het loon
voor haar goede leer. Evenwel, zij droomt van aardsche liefde, die
meent zij, door haar is opgewekt in zijn hart. Doch de Boeddha geeft
zichzelf op de vraag naar den waren vrede een gansch ander antwoord:
"Als het vuur van de lust is gedoofd, als het vuur van den haat en
van de verblinding is gebluscht, als ook hoogmoed, dwaling en alle
zonde en hartstocht is gedoofd, dan vindt het harte ware rust."
Zoo komt het besluit van den Boeddha tot zijn voltooiing. Vóór hij
zijn geliefde vrouw en al het zijne verlaat, wil hij zijn kind nog
zien. Daar sluimert de lieve moeder, het bed met bloemen bestrooid,
de hand over het hoofd van haar kindje uitgestrekt. Hoe gaarne had
hij zijn zoon een oogenblik in de armen genomen, doch dan zou ook
de teederminnende echtgenoote ontwaken, en hoe dan zijn besluit te
volvoeren? Aarzelend gaat hij heen, na een laatsten liefdevollen blik
op de slapenden te hebben geworpen: als hij een verlichte (Boeddha)
zal geworden zijn, dan wil hij terugkeeren en zijnen zoon wederzien.
Daar buiten wacht zijn wagenmenner Channa met het eed'le ros Kanthaka
en voort gaat het in den duisteren nacht, totdat hij, aan de grenzen
van zijn rijksgebied, dienaar en paard terugzendt om zich bij de
monniken aan te sluiten en daar in zelfkastijding den waren vrede
te zoeken.
Spreekt de waarheid in deze verdichtingen niet tot ons aller
hart? Voelen wij niet mede voor den eed'le wijze, die doorzag de
vergankelijkheid van al het aardsche en die dorstte naar hooger
leven? Spreekt tot ons niet die strijd der ziele om een teergeliefde
vrouw en eenig kind te verlaten voor een toekomst, uit een aardsch
oogpunt zoo weinig aantrekkelijk?
Doch, de strijd is niet ten einde. Mara, de vorst der duisternis,
laat hem geenszins met rust en toovert hem voor den geest, dat
hem binnen een week een wereldrijk over alle landen der wereld
zal worden geschonken als hij zijn onderneming opgeeft. Doch neen,
de verzoeking vindt geen ingang, 't is niet te doen om een aardsch
rijk. Hij versmaadt de koningskroon. Zijn vrouwen, zijn paleis,
zijn schatten, alles verlaat hij om in de wildernis te peinzen over
de goddelijke dingen.
Doch, Mara laat slechts af voor een tijd: vroeg of laat zal er wel
een booze gedachte opkomen in 't hart van den vromen strijder; dan zal
hij hem beheerschen. En, als een schaduw volgt hij den wijze. Boeddha
dan sluit zich aan bij een groep van kluizenaars, die in de holen
van een berghelling nabij Rajagriha leven. Niet al te ver van de stad
verwijderd, leven zij toch in de eenzaamheid van het woud. Alara en
later Udraka, Brahmaansche leeraars, worden thans zijne leermeesters,
met wie hij vele gesprekken voert. Door een voortgezette overpeinzing,
waarbij men zich van al 't aardsche tracht te scheiden, zoo zelfs dat
men ten slotte aan niets bepaalds denkt, poogt hij zichzelf te brengen
tot het eeuwige, tot de rust, boven alles verheven. Evenwel, zijn
peinzen geeft hem den vrede niet. Daarom verlaat hij de kluizenaars
om zich geheel alleen in de eenzaamheid van het woud aan strenge
zelfkastijding en boetedoening over te geven.
Daar zit hij terneder in de diepten van het woud van Uruvela. De tong
drukt hij tegen het verhemelte, met geweld de gedachten vasthoudend, in
zelfkwelling wachtend op het oogenblik dat de bovenaardsche verlichting
over hem komen zal. Doch zij komt niet. Hij worstelt om steeds meer
van al 't aardsche los te komen, den adem houdt hij in, van voedsel
onthoudt hij zich. Met bewondering zien vijf andere asceten tot hem
op. Bij zoo strenge zelfkastijding moet hij het licht wel deelachtig
worden, straks zullen zij hem volgen op den weg der verlossing. Zijn
lichaam is door pijn en smart geknakt, tot een schaduw van een mensch
is hij geworden, doch het doel wordt niet bereikt. Eindelijk valt
hij flauw en uitgeput neder, de leerlingen meenen dat hij dood is,
doch hij komt weer bij.
Thans echter geeft hij zijn zelfkastijding op en gaat naar het meest
nabijzijnde dorp om voedsel tot zich te nemen. Dat is te veel voor zijn
leerlingen, in hun oog is hij gevallen van het voetstuk der heiligheid
en zij, zij laten hem alleen, juist nu zijn wankelend geloof zooveel
behoefte had aan de trouwe steun en vereering der zijnen.
Boeddha wandelt voort, tot aan de oevers van de rivier Nairanjara. Daar
brengt hem de dochter van een landman zijn morgenmaaltijd, een schotel
melk. Onder de schaduw van een Bo-boom (ficus religiosus) zet hij zich
ter neer. De lange uren van den dag gaan in overpeinzing voorbij. Noch
het wijsgeerig denken, noch de strenge boetedoeningen hebben hem vrede
gebracht. Wat heeft hem alles gebaat? Mara toovert hem voor oogen
de zoete vreugde van huiselijkheid en liefde, van rijkdom en macht:
van alles waarvan hij afscheid nam. Hoe gemakkelijk kon hij dat alles
weer bereiken, hoe hartelijk zou hij thuis worden ontvangen. Doch,
moest dan al zijn inspanning verloren moeite zijn? Was er geen vasten
grond om op te bouwen? Zoo streed hij een moeilijken strijd, door de
overlevering gehuld in het phantastisch kleed van een heirleger booze
geesten, dat op hem aanviel, terwijl hemel en aarde in beweging waren.
Doch, de strijd bracht de overwinning. Onder den boom der verlichting
kwam hij in steeds reinere aanschouwing. Al het zinlijke verzonk;
een gevoel van alles doordringende wetenschap kwam over hem: in een
alles doorschouwend geestelijk zien bespeurde hij de kronkelwegen,
die de geesten in hun zielsverhuizing bewandelen; hij zag de bron
van het lijden en den weg, die tot vernietiging van het lijden voerde.
Nog zeven dagen vertoeft hij onder den heiligen boom; peinzend
over 's levens raadselen, waarvan hij nu de oplossing heeft
gevonden. En, als hij dan eind'lijk opstaat is alles hem volkomen
klaar geworden. Eindelooze levens zijn het, die hij zelf reeds
doorloopen heeft, en die ieder mensch doorloopt; in ieder volgend
leven maaiend, wat hij in vroegere levens heeft gezaaid; totdat hij
eindelijk, van alle begeerte gereinigd, van allen dorst bevrijd,
ingaat tot den grooten vrede. Werelden zag hij, eind'loos in getal,
allen beheerscht door eene macht, die wel doet: wie haar gehoorzaamt,
wreekt: wie haar gebod miskent. Altijd weer in ieder leven het leed,
als de onontkoombare schaduw van 't leven zelf, waaraan men eerst
ontkomt, indien alle lust is verdoofd, alle begoocheling der zinnen is
weggenomen en men komt tot Nirvana, 't allerhoogste heil, dat tijd noch
wisseling kent. In te zien dat men niets moet wenschen of begeeren, dat
de dorst (Trishna) de bron is van alle lijden, dat is de verlossing. En
van zijn lippen vloeit het, door 't gansch heelal verstaan:
Menige existentie heb ik doorloopen.
Al zoekende, doch vruchteloos,
Naar den bewerker van den greep. [23]
Smartlijk toch is herhaalde wedergeboorte,
Veroorzaker van den greep, nu zijt gij ontdekt!
Geen huis zult gij meer bouwen,
Al uw ribben zijn gebroken,
De dekkende spits heeft losgelaten.
De geest is los geworden,
De gulzigheid heeft een einde genomen. [24]
Zoover nu was de Boeddha gevorderd; aanstonds kon hij bereiken den
grooten vrede; alle hartstocht, alle begeerte, alle dorst naar genot
was in hem overwonnen. Waarom thans niet het Nirvana in te gaan?
Met die vraag kwam nu andermaal de vorst der duisternis tot hem. "Nu,
Tathagata (volkomene) is de tijd voor u gekomen." Doch de verhevene,
antwoordde: "Gij booze, ik zal niet ingaan tot den Grooten Vrede,
voor ik mij monniken tot leerlingen heb gewonnen, die de ware leer
verkondigen, en nonnen die haar verbreiden. Eerst moet de weg des
heils verbreid worden onder alle volken en hun worden bekend gemaakt."
Ziedaar, wat voor den vromen Boeddhist een bron is van vreugde en
dankbaarheid. Boeddha had, toen hij de verlichte was geworden,
aanstonds in het Nirvana kunnen ingaan, toch, uit liefde tot de
menschen blijft hij leven te midden van het lijden van het aardsch
bestaan.
Doch, zou zijn prediking worden verstaan? In den geest van den
verhevene steeg, toen hij in de eenzaamheid vertoefde, deze gedachte
op: de diepe waarheid die zoo moeilijk is te zien en te verstaan,
heb ik erkend; de vredebrengende, de verhevene, die alle denken
te boven gaat, de beteekenisvolle, die alleen de wijze in zich kan
opnemen. Door aardsche beweegredenen wordt de menschheid gedreven,
daarin vindt zij haar grondslag en haar lust. Voor die menschheid zal
zwaar zijn om te verstaan de wet van oorzaak en werkingen, het tot
rust komen van iederen levensvorm, het losworden van al het aardsche,
het uitdooven der begeerte, het ophouden van het verlangen, het einde,
het Nirvana. Als ik nu de leer verkondig en men mij niet verstaat,
dan brengt het mij slechts uitputting en moeite. [25]
En, den verhevene kwam telkens voor den geest de volgende spreuk:
Waarom der wereld openbaren, wat 'k in zwaren strijd verwierf?
De waarheid blijft voor die begeeren en haten toch verborgenheid,
Want zij is diep, geheimnisvol, voor groven zin bedekt,
Wien aardsch bedenken 't zielelicht verduistert kan haar niet
aanschouwen.
En het hart van den verhevene was geneigd in rust te volharden en
de leer niet te prediken. Doch Brahma Sahampati (de hoogste God)
zag de gedachten des heiligen en sprak tot zichzelf: "Ondergaan,
ja ondergaan zal de wereld, als het hart des volkomenen geneigd is
in rust te volharden en de leer niet te prediken."
Toen verliet Brahma den hoogen heuvel, zoo snel als een man zijn
arm kromt en stond voor den verhevene. Brahma ontblootte zijn
eenen schouder [26], boog de rechterknie ter aarde en sprak tot den
verhevene aldus:
"Moge de Verhevene, Heer, de leer prediken, moge de Volkomene de leer
prediken. Er zijn wezens, die rein zijn van het stof der aarde, doch,
indien zij de prediking der leer niet hooren, gaan zij te gronde,
zij zullen belijders der leer worden."
En, vervolgt hij:
Tot nu toe heerschten, in het land van Magadha,
Onreine zeden, zond'ger menschen leer.
Gij wijz', ontsluit de poort der eeuwigheid.
Doe hooren, wat gij, zondelooz', erkent,
Wie staat daar boven op der rotsen kruin,
Zijn blik gaat verder dan het oog der schaar,
Zoo stijg, o wijz', omhoog, daar waar
Der waarheid tempel rijst hoog boven 't aardsch gewemel,
En gij, die boven 't lijden zijt verheven,
Zie daar omlaag, de menschheid, door geboort' en ouderdom gekweld,
Sta op, o strijdb're held, ga overwinnend
De wereld door, gids zonder vlek of feil,
Verhef uw stem, o heer, want velen zullen hooren.
Die bede wordt tot driemaal herhaald, als Boeddha zijn twijfel
uitspreekt, of het verkondigen der waarheid niet vruchteloos zal
zijn. Eindelijk geeft Boeddha toe; hij ziet met zijn oog des lichts
de wereld, hij aanschouwt daar wezens, wier zielen rein zijn en wier
zielen niet rein zijn van het stof der wereld, wezens scherp en stomp
van zinnen, edelen en onedelen, goede en slechte hoorders van zijn
woorden, velen, die in vrees leven voor het toekomstig leven en voor
de zonden. En dan spreekt hij tot Brahma:
"Geopend zij voor allen, de poort der eeuwigheid,
Wie ooren heeft, hij hoore en geloove 't woord,
Ik dacht, aan eigen leed, daarom heb ik, o Brahma,
Het eed'le woord nog niet der wereld meegedeeld."
Zoo zag dan Brahma, dat de verhevene zijn bede zou vervullen en het
woord prediken. Toen boog hij zich voor den verhevene, ging eerbiedig
rondom hem en verdween.
Zoo schetst ons de legende, hoe de verlichte tot het vast besluit
kwam om aan de wereld den weg des heils te verkondigen.
II. Boeddha als prediker van den weg des heils.
Hoe Boeddha dit deed, willen wij thans zien. Volgens de legende ging
hij allereerst naar het woud van Benares, het wildpark Isipatana,
waar de vijf asceten zich ophielden, die eens zijne leerlingen waren,
doch zich van hem afkeerden, toen hij, na strenge vasten, weer
gewoon voedsel ging gebruiken. [27] Uit de verte zien de monniken
den verhevene naderen. "Vrienden", zoo zeggen zij tegen elkaar,
"daar komt de asceet Gautama, die in overvloed leeft, en zijn heilig
streven heeft opgegeven. Eerbied willen wij hem niet bewijzen, wij
zullen niet voor hem opstaan, hem niet zijn almoezenschaal en zijn
opperkleed afnemen, maar wij willen hem een plaats inruimen, als hij
wil kan hij gaan zitten." [28]
Doch toen de verhevene naderbij kwam, konden de monniken toch niet
bij dit besluit blijven; zij gingen den verhevene tegemoet, de een
ontlastte hem van aalmoezenschaal en opperkleed, de ander maakte
een plaats voor hem gereed, een derde gaf hem water om de voeten te
wasschen en een bankje om de voeten op neer te zetten. De verhevene
zette zich neer op de voor hem bestemde plaats en wiesch zijne voeten.
Als zij dan vervolgens hun twijfel te kennen gaven hoe Gautama,
nadat hij door strengheid en zelfkastijding de volle heerlijkheid
van het weten en zien van het heilige niet kon bereiken, nu de
bovenmenschelijke volkomenheid, de volle heerlijkheid van weten
en erkennen van het heilige zou bereikt hebben bij een leven van
overvloed, antwoordt de verhevene als volgt:
"De Tathagata, [29] o monniken, leeft niet in overvloed, hij heeft
zijn streven niet opgegeven en zich tot den overvloed gekeerd. De
Tathagata, monniken, is de heilige, hoogste Boeddha. Doet uwe ooren
open, o monniken, de verlossing van den dood is gevonden, ik onderwijs
u, ik predik de leer. Als gij overeenkomstig mijn onderwijzing wandelt,
zal u binnen een kleinen tijd ten deel vallen de hoogste voleindiging
van een heilig streven: dat waarom edele jongelingen hun huis verlaten,
om zonder huis te leven; nog in dit leven zult gij de waarheid zelve
erkennen en haar zien van aangezicht tot aangezicht."
En, als de verhevene deze redenen nog een paar malen heeft herhaald,
dan vraagt hij aan de monniken: "Erkent gij niet, o monniken, dat ik
vroeger nooit zoo tot u gesproken heb?" "Dat hebt gij niet, heer." Na
antwoord en wederantwoord leert dan de verlichte aldus:
"Twee wegen zijn er, o monniken, waarvan verre moet blijven, die een
geestelijk leven wil leiden. Welke beide wegen zijn dat? De eene
weg is een leven van genietingen, overgegeven aan lust en genot,
dat is min, onedel, ongeestelijk, onwaardig, nietsbeteekenend. De
andere weg is een leven van zelfpijniging, dat is droevig, onwaardig,
nietsbeteekenend. Van beide deze wegen, o monniken, is de voleindigde
ver; hij heeft den weg van het midden leeren kennen, den weg, die
het oog opent en den geest opent, die tot rust, tot inzicht, tot
verlichting, tot Nirvana [30] leidt. En welke, o monniken, is deze
weg van het midden, dien de Tathagata heeft erkend, die, welke het oog
opent en den geest opent, die tot rust, tot inzicht, tot verlichting,
tot Nirvana voert? Het is het heilige achtvoudige pad, dat wil
zeggen: goed inzien, (vrij van wangeloof); goed bedoelen, (verheven,
den ernstigen man waardig); goed spreken, (vriendelijk, openhartig,
waar); goed handelen, (vreedzaam, eerlijk zijn); goed leven, (zonder
een levend wezen te deren); goed streven, (door zichzelf in tucht te
houden); goed gedenken, (waakzaamheid des geestes); goed bespiegelen,
(zich verdiepen in de mysteriën des levens). Dit, o monniken, is
de weg van het midden, dien de voleindigde heeft erkend, die het
oog en den geest opent, die tot rust, tot inzicht, tot verlichting,
tot Nirvana voert."
Wat nu is het dat tot het betreden van dit achtvoudig pad moet
dringen? De verlichte wijst zijn vroegere leerlingen op vier heilige
waarheden: het lijden, de oorzaak van het lijden, de opheffing van
het lijden, de weg tot de opheffing van het lijden.
"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van het lijden: geboorte is
lijden, ouderdom is lijden, dood is lijden, met wat men niet liefheeft
vereenigd te zijn is lijden, van wat men liefheeft gescheiden te zijn
is lijden, niet verkrijgen wat men begeert is lijden: in één woord,
de vijfvoudige [31] gehechtheid is lijden.
"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van het ontstaan des lijdens:
de dorst [32] is het, die van wedergeboorte tot wedergeboorte voert,
namelijk de dorst naar lust, naar worden, naar ontstaan [33],
naar macht.
"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van de opheffing van het
lijden: dien dorst opheffen door geheele vernietiging der begeerte;
hem varen laten, zich van hem ontdoen, zich van hem losmaken, hem
geen plaats geven.
"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van den weg tot opheffing
van het lijden: het is het heilige achtvoudige pad; d. i. goed inzien
(enz.)
"Zoolang ik, o monniken, van deze vier heilige waarheden deze ware
erkentenis niet had, zoolang wist ik ook dat ik nog niet in deze wereld
en in die der goden, benevens in de wereld van Brahma en die van Mara,
onder alle wezens, onder asceten en Brahmanen, onder goden en menschen,
de hoogste verlichting bereikt had. Doch nu heb ik die verlichting
gevonden èn: onverliesbaar is de verlossing van mijn geest, dit is
mijn laatste geboorte, voor mij komen er geen nieuwe geboorten meer."
Ziehier de bekende prediking van Benares. Al moge zij wellicht
niet letterlijk weergeven wat de Meester zelf heeft gesproken, toch
vinden wij hier de grondlijnen van het oorspronkelijk Boeddhisme. De
verlossing van het lijden te bereiken door alle begeerte af te sterven,
zoodat men geen wedergeboorte meer noodig heeft, ziedaar het hoofdpunt,
waar het op aankomt. Zoolang de mensch lusten en begeerten voedt,
zoolang werkt zijn leven voort, en moet telkens een nieuwe geboorte
plaats hebben. Alle lust, alle begeerte uitdooven is het hoogste
streven, dan wordt men boven alle lijden verheven en gaat tot
Nirvana in.
Het praktische staat dus op den voorgrond. Het leven, zoo erkent de
verlichte, is noodzakelijk vol van lijden; geboorte, ziekte, dood, het
beteekent alles lijden. Hoe moet de mensch daarvan verlost worden? Door
boven alle begeerte verheven te worden, en alzoo aan het leven, dat
lijden is, te ontkomen. Want, juist de dorst, de begeerte doemt den
mensch om telkens weer geboren te worden tot nieuw lijden. Is hij van
alle begeerte bevrijd, dan behoeft hij niet meer te worden geboren:
hij komt tot Nirvana. Tot vernietiging? Neen, doch tot een zijn,
boven al 't aardsche verheven. Doch, wij komen hierop nog nader terug,
wij willen eerst den verlichte nog volgen op zijn verderen loopbaan.
De vijf vroegere metgezellen waren dan de eersten, die zich
bekeerden. Zij vragen hem om als zijn leerlingen te worden
opgenomen. "Komt hier, o monniken," luidt dan zijn woord [34], "wèl
verkondigd is de leer, wandelt in heiligheid om aan alle lijden een
einde te maken." Zoo vormde dan Boeddha zijne gemeente. Een nieuwe
rede over de onbestendigheid en de onwezenlijkheid van al het aardsche
bewerkt dan dat de ziel dier vijf jongeren den toestand van zondelooze
heiligheid bereikt. "In dien tijd", zoo zegt een oud bericht, "waren
er zes heiligen in de wereld: Boeddha zelf en deze vijf jongeren."
Straks echter breidt zich de gemeente uit, al spoedig sluiten zich tal
van asceten, kluizenaars in de wouden van Uruvela, bij hem aan. Ook
koning Bimbisara trekt, als Boeddha straks zijn hoofdstad Rajagriha
genaakt, met een groot gevolg den verlichte te gemoet. Hij treedt als
leek [35] tot de geestverwanten van den verhevene toe en blijft zijn
leven lang een zijner trouwste beschermers.
Ook werden toen Sariputta en Mogallana, die beiden later geëerd
werden als de twee voornaamste leerlingen, voor de gemeente van den
Verlichte gewonnen. Beide jongelingen waren van Brahmaansche afkomst,
en erkenden zekeren Sanjaya, een bedelmonnik, als hun geestelijk
hoofd. Innig was hun vriendschapsverbond, zij hadden elkaar beloofd,
dat diegene van hen, die het eerst de verlossing van den dood bereikte,
het den ander aanstonds zou meedeelen.
Op zekeren dag zag Sariputta een van Boeddha's leerlingen, Assaji
geheeten, bezig om in de straten van Rajagriha aalmoezen in te
zamelen, rustig en waardig, den blik naar den grond gericht. Toen
hij hem zag dacht hij: "Dat is een van de monniken, die heilig
zijn in de wereld. Ik zal tot hem gaan en hem vragen: "Vriend, in
wiens naam hebt gij de wereld vaarwel gezegd? Wie is uw meester en
wiens leer erkent gij?"" Doch Sariputta bedacht: "'t Is nu niet de
rechte tijd om het dezen monnik te vragen. Hij gaat langs de huizen
en verzamelt aalmoezen. Ik zal hem achterna gaan, gelijk men iemand
volgt van wien men iets begeert." Toen echter de eerwaardige Assaji
te Rajagriha aalmoezen had ingezameld, nam hij de ontvangen gaven en
keerde terug. Na de gebruikelijke begroetingen sprak Sariputta tot
den eerwaardigen Assaji: "Uw gelaat, o vriend, staat helder, uw kleur
is frisch en klaar. In wiens naam hebt gij de wereld vaarwel gezegd
en wie is uw meester? En wiens leer erkent gij?" "Mijn meester is,"
luidde het antwoord, "de groote Samana [36] uit het huis van Sakya,
die de wereld is ontvloden. In naam van hem, den verhevene, heb
ik de wereld verlaten. De verhevene is mijn meester en zijne leer
erken ik. En wat zegt uw meester vriend, en wat leert hij?" "Ik ben
nog een nieuweling vriend, nog niet lang heb ik de wereld verlaten,
ik ben eerst sinds kort tot deze leer en deze orde gekomen. Niet in
haar volle uitgebreidheid kan ik u de leer verkondigen, maar haar
korten zin kan ik u zeggen." Toen sprak Sariputta, de bedelmonnik,
tot den eerwaardigen Assaji: "Zoo zij het vriend, zeg mij weinig
of veel, maar spreek mij van den zin (der leer), daarnaar alleen
verlang ik, wat wil ik mij veel om de letter bekommeren?" Toen sprak
de eerwaardige Assaji tot Sariputta dit woord der leer: "De wezens,
die uit ééne oorzaak vlieten, hun oorsprong leert de voleindigde en
het einde dat zij nemen: dat is de leer van den grooten Samana." [37]
Toen Sariputta deze woorden hoorde ging hem het licht der waarheid
op, hij begreep dat "alles wat aan ontstaan zijn aanzijn dankt,
ook moet vergaan." Daarom zeide hij tot Assaji: "Al was de les ook
niets anders dan dit, zoo hebt gij toch de plaats bereikt, waar geen
lijden meer is. Wat in tallooze wereldtijdperken niet is gezien,
thans is het tot ons gekomen."
Dan gaat Sariputta tot Mogallana, zijn vriend. "Uw gelaat, o vriend,
zegt Mogallana, is helder, uw kleur is frisch en klaar. Hebt gij de
verlossing van den dood gevonden?" Het antwoord luidt toestemmend,
hij verhaalt van zijne ontmoeting met Assaji, en ook aan Mogallana
gaat het licht der waarheid op, het reine, wolkelooze. Te vergeefs
tracht hun meester Sanjaya hen tegen te houden. Met groote scharen van
asceten gaan zij naar het bosch, waar Boeddha woont: Sanjaya komt een
stroom bloed uit den mond. Boeddha ziet de beide jongelingen naderen
en verkondigt aan zijne omgeving, dat zij de edelsten en besten
onder zijne jongeren zullen zijn. Beiden ontvangen van Boeddha zelf
de wijding.
Zoo traden velen toe; doch er was ook tegenstand. Hetzelfde oude
verhaal, waaruit wij deze geschiedenis ontleenden, [38] deelt ons
mede hoe het volk murmureerde: de asceet Gautama, zeiden zij, is
gekomen om kinderloosheid, om weduwschap, om ondergang der familie
te brengen. Zij waren bevreesd voor de toekomst, als zoovelen der
edelste jongelingen tot den verlichte gingen. Geen wonder: waar moest
het heen, indien de gelofte van kuischheid zoo algemeen werd, met de
toekomst des volks? De Brahmanen vorderden die kuischheid alleen van
de jeugd en den ouderdom, maar deze ontrukte aan het maatschappelijk
leven de mannen, die een gelukkig gezin zouden kunnen stichten.
Doch, de verlichte liet zich door deze bezwaren niet van zijn doel
afvoeren. Al schold men hem en de zijnen met de woorden:
De groote monnik komt getogen naar Magadha's bergstad heen.
De Sanjaya's [39] bekeert hij allen, wanneer bekeert hij wel
zichzelf?
Zij antwoorden:
De helden, de voleindigden, bekeeren door hun waarachtig woord,
Wie zal smaden, den Verlichte, die bekeert door der waarheid macht?
In ieder geval, het Boeddhisme wist zich glansrijk te handhaven en
nam hand over hand toe.
Boeddha's bloedverwanten waren niet onbekend gebleven met zijne
lotwisselingen en zijn vader, Suddodhana, noodigde hem uit om zijn
geboortestad te bezoeken, opdat hij zijn ouden vader nog eens zou
zien, voor deze stierf. De verlichte ging dus op weg en nam zijn
verblijf in een boschje buiten de stad. Daar kwamen zijn vader, zijn
ooms en anderen hem opzoeken: doch deze laatsten waren niet bizonder
ingenomen met hun bedelenden stadgenoot: zij namen daarom ook geen
levensmiddelen voor hem mede, al was dit anders de gewoonte tegenover
heilige kluizenaars.
Den volgenden dag ging Gautama, door zijn leerlingen vergezeld, met
zijn schaal rond om zijn voedsel te bedelen. Eerst wilde hij bij de
stadspoort gekomen, regelrecht naar het paleis van den rajah gaan; doch
hij besloot zich aan den gewonen regel te houden, volgens welke een
bedelaar van huis tot huis gaat. Men begrijpt dat de rajah al spoedig
vernam dat zijn zoon bedelend door de straten ging: iets wat hem lang
niet aanstond. Hij haastte zich dezen te gemoet te gaan en sprak:
"Waarom, meester, doet gij ons schande aan door te bedelen om uw
voedsel? Meent gij dat wij zoovele bedelaars niet kunnen voeden?" "O,
groote rajah," was het antwoord, "dit is de gewoonte van ons
allen." "Doch," luidde het wederantwoord, "wij stammen af van een
beroemd geslacht van krijgslieden en niet één van hen heeft ooit zijn
brood gebedeld."
"Gij en uw familie," hernam Gautama, "moogt u beroemen van koningen
af te stammen, mijn geslacht is dat der profeten [40] van ouds en zij
hebben altijd van aalmoezen geleefd, die zij bijeen bedelden. Doch,
mijn vader, indien een mensch een verborgen schat heeft gevonden, is
het zijn eerste plicht om aan zijn vader de kostbaarste juweelen aan
te bieden." Overeenkomstig dit woord richtte hij zich in de volgende
verzen tot zijn vader: [41]
Sta op, vertoef toch niet,
Betracht het rechte, ware leven,
Die deugd beoefent, hij vindt rust.
In dit en in een volgend zijn.
Volg niet het kwaad!
Die deugd beoefent, hij vindt rust
In dit en in een volgend zijn.
Suddhodana antwoordde niet, doch nam de schaal van zijn zoon over
en leidde dezen het huis binnen, waar de familieleden hem hulde
brachten. Doch Yaçodhara kwam niet. "Indien ik," zoo sprak zij,
"eenige waarde heb in zijn oog, dan zal hij zelf komen en kan ik hem
beter hier begroeten."
Gautama bemerkte haar afwezigheid, en, gevolgd door twee zijner
leerlingen ging hij naar de plaats, waar zij zich bevond, nadat hij
hun eerst had gezegd, dat zij haar niet zouden tegenhouden, indien
zij trachtte hem te omhelzen, hoewel anders geen lid der orde een
vrouw mocht aanraken of door haar aangeraakt mocht worden.
Daar zag zij hem binnentreden, den eens zoo geliefden echtgenoot,
nu een monnik, in 't geel gekleed met gladgeschoren hoofd en
aangezicht. Zij wist wel dat hij er zoo zou uitzien, doch zij kon zich
toch niet inhouden. Zij viel op den grond neer, greep zijne voeten
en barstte in tranen uit. Toen herinnerde zij zich de onoverkomelijke
kloof tusschen hen beiden, stond op en plaatste zich naast hem.
De rajah sprak haar aan; hij deelde Gautama mede dat zij hem altijd
was blijven liefhebben. Alle weelde, die hij zich had ontzegd, had
zij zichzelve ook onthouden, slechts één maaltijd nam zij iederen
dag, en zij sliep niet in een bed, maar op een mat, uitgespreid
op de vloer. Boeddha schijnt toen niet veel te hebben geantwoord,
alleen vermelden ons de bronnen dat hij een Jataka-geschiedenis
[42] verhaalde over haar deugd in een vroeger bestaan. Zij werd
een ernstig onderzoekster der nieuwe leer, en toen Boeddha later,
eigenlijk tegen zijn zin, doch door de omstandigheden gedwongen,
een orde van nonnen instelde, was zijn verlaten vrouw een der eerste
leden dezer orde. Ook zijn zoon, Rahula, en zijn broeder, Nanda,
werden als monniken in de orde opgenomen.
Overigens vinden wij over dezen tijd van Boeddha's leven,
het veertigtal jaren tusschen den aanvang zijner prediking en
het einde zijner loopbaan, wel eenige gesprekken of uitspraken,
maar geen geregeld verhaal. Toch, een beeld van de wijze waarop de
verlichte leefde en werkte, kunnen wij ons daaruit wel vormen. Hoe
dan hebben wij ons het leven van den Meester en zijn leerlingen
voor te stellen? Allereerst staat vast dat voor hen, zoo goed als
voor andere asceten, het jaar in twee afwisselende tijdperken was
verdeeld; de regentijd, waarin men zich rustig in zijn verblijf hield,
de zoogenaamde "was"tijd, waarin meer bepaald de leerlingen zelf werden
onderricht in de moeilijkste deelen der leer, en het overige deel des
jaars, waarin de verlichte en zijne leerlingen leerend en predikend het
land doortrokken. Die verdeeling des jaars was door de natuur zelve
aangewezen en onvermijdelijk; trouwens indien men in den regentijd
had willen rondtrekken had men dat niet kunnen doen zonder tallooze
planten en kleine dieren onwillekeurig te dooden: geheel in strijd
met de leer van den verlichte, die ook het kleinste leven heilig houdt.
In dien regentijd was de verlichte door tal van jongeren omgeven, en
de aanzienlijken des lands beijverden zich om voor hem en de zijnen
te zorgen. Later ging men wederom uiteen en Boeddha en zijn jongeren
reisden langs de groote wegen, soms door vrienden geherbergd, maar
gewoonlijk rustend en overnachtend onder de boomen des wouds. Vorsten
en aanzienlijken waren echter vaak de dakloozen ter wille: zoo
vernemen wij dat koning Bimbisara, van wiens bekeering wij reeds gewag
maakten, een zijner bosschen of parken, het Veluvana (bamboeswoud)
ter beschikking stelde van den verlichte, en dat de groote koopman
Anathapindika, hem het nog beroemder Jetavana-park schonk: een park,
dat naar luid der legende, door dezen koopman voor zooveel goud was
gekocht, dat het den bodem van het gansche terrein kon bedekken.
Sommige schrijvers stellen zich voor dat ook toen reeds de monniken
in Vihara's, kloosters, woonden. Doch, om verschillende redenen
is dit niet waarschijnlijk te achten; de propaganda vereischte
juist personen zonder vast tehuis en oude berichten teekenen ons de
"monniken van Sakya" als levende onder de boomen des velds; de boomen,
waar immers ook voorheen de "Rishi's," de oude zieners, geacht werden
hun openbaringen te ontvangen. Ook uitspraken van Megasthenes, een
gezant van koning Seleucus Nicator van Syrië (302-298 v. Christus)
spreken van Boeddha's volgelingen als van personen, die, noch in de
steden wonen, noch een dak hebben boven hun hoofd, maar die gekleed
zijn in boombast, met noten zich voeden en water drinken uit de
hand. Ook wordt in datzelfde bericht van hen gezegd "dat zij geen
huwelijk kennen, noch kinderen verwekken."
Dus, gansch iets anders dan leven in Vihara's. En ofschoon nu dat
getuigenis betrekking heeft op een tijd, lang na Boeddha's dood,
mogen wij het er toch voor houden, dat het in de dagen van den
verlichte niet anders was. Hij toch zeide tot zijn volgelingen,
"Een groote plicht rust op u, te werken voor het heil van menschen
en geesten. Laten wij uiteengaan, ieder in verschillende richting,
geen twee op hetzelfde pad. Ga en predik Dharma [43]."
In "de twaalf voorschriften", een noordelijke bron, m. a. w. ontleend
aan een heilige schrift der noordelijke Boeddhisten, wordt aan de
"bedelaarstroep" zooals Boeddha zijn volgelingen noemde, uitdrukkelijk
verboden om een ander dak te hebben dan een boom. Hun eenige zitplaats
mag de moeder aarde zijn. Hun kleeren lompen van de mesthoop of het
kerkhof. De boom, die den bedelaar beschut, moet liefst op een kerkhof
staan. Niet tweemaal mag hij slapen onder denzelfden boom.
Nu is het wel zeker, dat deze "twaalf voorschriften" een strengere
ascese vertegenwoordigen dan het oorspronkelijk Boeddhisme, doch,
de voorstelling dat Boeddha en zijn volgelingen overal in sierlijke
"vihara's" waren gehuisvest is toch zeker niet juist. Mij komt het
voor dat zij een zwervend leven leidden, in grooten eenvoud, doch
niet zoo, dat zij zich aan alle maatschappelijk verkeer onttrokken,
dat immers noodig was om hun leer tot allen te brengen.
Zoo lezen wij b.v. van aanzienlijken, die den verhevene ter maaltijd
noodden, van Brahmanen-leerlingen, die in een twistgesprek met den
beroemden leeraar hun sporen trachtten te verdienen, van tegenstanders,
die hem strikvragen deden. Daarbij worden zij dan natuurlijk dikwerf
overwonnen, en menigmaal lezen wij dan hoe zij den verlichte en zijn
leerlingen het verzoek doen: moge de heer, de verhevene, morgen bij
mij met zijn leerlingen het middagmaal komen gebruiken. Boeddha geeft
door zwijgen zijn toestemming te kennen. Is dan den volgenden dag de
maaltijd gereed, zoo zendt de gastheer een bode met het verzoek: "het
is tijd, heer, de maaltijd is bereid." Daarop neemt dan Boeddha zijn
aalmoezenschaal en opperkleed en gaat met de zijnen ter maaltijd. De
gastheer en zijn familie bedienen zelf hun gasten. Is de maaltijd
geëindigd, dan worden de handen gewasschen, de gastheer neemt met
de zijnen aan Boeddha's zijde plaats en deze richt tot hen een woord
van vermaning en leering.
Had men op een dag geen uitnoodiging, dan onderneemt Boeddha zijn
bedelgang door stad of dorp, nadat eerst de vroege morgenuren in
geestelijke oefeningen of in het verkeer met de leerlingen zijn
doorgebracht. Zwijgend ging dan de man, wiens naam door gansch Indië
werd genoemd, voor wien koningen bogen, met zijn schaal rond, met
neergeslagen blik, zonder te spreken afwachtend of men hem eenige
spijze zou geven. Was die rondgang afgeloopen, dan noodde de middag
tot rust in de koelte van het woud, totdat de avond aanbrak en hij weer
onder de menschen optrad, vriend en vijand leerend en onderrichtend.
Zoo gingen de dagen van den verlichte, wiens zwervend leven en
aanraking met allerlei personen ons telkens aan Jezus doet denken,
vredig voorbij. Hoe was nu echter het leven van den meester met
zijn vertrouwden, de leerlingen, die hem vergezelden? Waarschijnlijk
heerschte er in dien intiemen kring een rustige toon: een stemming van
kalme goedheid en stille vreugde, die aan der wereld ontvlodenen paste.
In dien kring waren voorts de gewone grenzen der maatschappij
vrijwel weggewischt. Wie geluisterd had naar het woord (een
vaststaande formule), "Kom, o monnik, wèl verkondigd is de leer,
wandel in heiligheid, om aan alle lijden een einde te maken," dat de
Boeddha tot diegenen richtte, aan wie hij zijne leer had verkondigd,
wie dus het gele kleed en de tonsuur [44] had aangenomen, alle
familiebetrekkingen had opgegeven, op geen bezit meer aanspraak
maakte en strenge kuischheid in acht nam: hij maakte deel uit van
een gewijden kring, waarin het casten-onderscheid was opgeheven.
Evenals, zeide de verlichte, rivieren hun naam verliezen, als zij
opgenomen worden in den grooten oceaan, zoo verliezen ook adelijken
en Brahmanen, Vaisya's en Sudra's hun oude namen, wanneer zij voor de
leer van den Voleindigde hun huis verlaten. Den ouden naam en het oude
geslacht hebben zij dan achtergelaten, voortaan heeten zij slechts
"asceten, die den zoon van Sakya aanhangen [45]."
Merkwaardig is in dit opzicht ook het gesprek, dat Boeddha voerde
met koning Ajatasattu. Deze vroeg welk loon ten deel viel aan hem,
die zijn huis verliet om een geestelijk leven te leiden. In den loop
van dat gesprek zeide de Verlichte: "Indien een slaaf of dienaar
des konings het gele gewaad aantrekt en als monnik in gedachten,
woorden en werken onberispelijk leeft, zoudt gij dan zeggen: laat
deze man weder mijn slaaf en dienaar zijn, die vóór mij opstaat en
nà mij ter ruste gaat, die op zich neemt wat ik hem gebied, die voor
mijn genoegen leeft, wat mij aangenaam is spreekt en naar mijn gelaat
ziet?" Toen antwoordde de koning:
"Neen, Heer, ik zou mij voor hem buigen, voor hem opstaan, hem
uitnoodigen plaats te nemen en hem aanbieden wat hij aan kleeding,
spijze, beschutting en medicijnen noodig kon hebben; ik zou hem
beschermen en bewaken, gelijk het behoort."
Zoo maakte dus het geestelijk gewaad allen gelijk. Toch waren het
meest de aanzienlijken, die zich onder Boeddha's jongeren lieten
opnemen; telkens wordt in de oude teksten gesproken van "de zonen
van edele geslachten," die hun huis verlaten om zonder tehuis
rond te zwerven. Onder Boeddha's leerlingen waren jonge Brahmanen
als Sariputta, Mogallana, Kaccana, adellijken als Ananda, Rahula,
Amuruddha, zonen van groote kooplieden en aanzienlijke beambten,
in een woord meest personen, die een zorgvuldige opvoeding hadden
ontvangen. Dit kan ons niet verwonderen als wij in aanmerking
nemen dat ook in onze dagen in 't algemeen een beschouwing van het
leven als lijden en kwelling veel meer aantrekkelijks heeft voor de
aanzienlijken dan voor de eenvoudigen, die ondanks al hun ontbering
in den grond der zaak toch geneigd zijn en blijven het leven als een
heilgoed te beschouwen.
Voor de geringen des volks, de gestaalden in 's levens strijd was de
verkondiging van het smartelijke van alle bestaan niet te vatten en
was de leer van oorzaak en gevolg niet te begrijpen.
Toch, indien zij wilden toetreden, zij waren welkom. En, enkelen lieten
zich opnemen in den kring. In de "Theragatha", (spreuken der oudsten),
worden aan den "oudste" Sunita deze woorden in den mond gelegd:
"Uit een onaanzienlijk geslacht ben ik voortgekomen, ik was arm en
behoeftig. Nederig was het werk, mij opgelegd, de verwelkte bloemen
opruimen (uit tempels en paleizen). Ik was door de menschen veracht,
werd voor gering aangezien en gescholden. Deemoedig betuigde ik aan
velen mijn eerbied.
"Daar aanschouwde ik Boeddha met zijn monniken, zooals hij daar
heenging, de held, in de voorname stad van Magadha, mijn last wierp
ik af om eerbiedig voor hem te buigen. Uit erbarmen voor mij bleef
hij staan, hij, de hoogste onder de mannen. Toen boog ik mij tot
aan de voeten des meesters, trad aan zijn zijde en verzocht hem,
den hoogste onder alle wezens, mij als monnik aan te nemen. Toen
sprak de genaderijke meester, de erbarmer over de gansche wereld:
"Kom tot mij, monnik," dat was de wijding, die ik ontving. (Sunita
vertelt dan verder, hoe hij zich in het woud terugtrok en daar, in
peinzen verzonken, de hoogste verlichting bereikte, zoodat de goden
kwamen en hem vereerden.)
"Toen zag mij de meester, terwijl de goden mij omgaven en hij sprak
deze woorden: "Door heiligen gloed en door kuischen wandel, door
intooming en zelfbedwang, daardoor wordt men tot Brahmaan, dat is
het hoogste Brahmanendom.""
M. a. w., geen caste stond als zoodanig nader bij het hoogste heil
dan een andere: de verlichting kon aan allen ten deel vallen, kon ook
verkregen worden door den geringste des volks. Evenals Paulus zeide:
"in Christus is geen Jood noch Griek, geen slaaf noch vrije," zoo
ook kon Boeddha zeggen: "in den kring der monniken is geen Sudra of
Vaisya, geen Kshatrya of Brahmaan." Was daarom het Boeddhisme een soort
democratische beweging? Wie dat meent, vergeet dat de ware volgelingen
monniken waren, die de maatschappij de maatschappij lieten en wie
het alleen te doen was om het hoogste heil te verwerven. Niet om de
verdrukten los te maken uit de ketenen van het castewezen, maar om rijk
en arm den weg te banen tot het hoogste heil, daarom was het bovenal
te doen [46]. Doch, die dat hoogste heil gevonden hadden: zij vormden
inderdaad een kring, waarin de oude grenzen waren weggewischt, al
stonden ook hier, gelijk onvermijdelijk is, sommigen op den voorgrond.
Daareven noemden wij reeds Sariputta en Mogallana, die beiden reeds
in den aanvang van Boeddha's werkzaamheid werden gewonnen door zijn
prediking en die hem trouw volgden tot aan hun dood, welke kort voor
dien des Meesters intrad. Maar vooral ook moeten wij noemen Boeddha's
neef Ananda, tot wien de verhevene zijn laatste woorden sprak, den
discipel, dien hij boven allen liefhad. Deze Ananda was het ook, die
voor Boeddha's persoon en voor zijn levensonderhoud dagelijks waakte.
Een gansch andere rol heeft vervuld Devadatta, Ananda's broeder. Dit is
de Judas van het Boeddhisme, die den Meester naar het leven stond. 't
Schijnt dat deze leerling, door eerzucht gedreven, in plaats van den
reeds vergrijsden meester zelf de leiding der gemeente in handen
wilde hebben. Hij beproefde op allerlei wijze den verhevene uit
den weg te ruimen. Doch vruchteloos; wonderen bewaren het leven des
heiligen. Uitgezonden moordenaars worden, als zij Boeddha naderen,
met vrees en beving geslagen; vriendelijk spreekt hij hen toe en
zij bekeeren zich tot het geloof. Als een rotsblok Boeddha dreigt
te verpletteren vangen twee bergspitsen het op: zoodat slechts zijn
voet wordt gewond. Als een wilde olifant door een nauwe straat op den
verlichte wordt losgelaten blijft hij, getroffen door de tooverkracht
van dien "vriendelijken denker" eensklaps staan en wijkt terug.
Heeft Devadatta werkelijk den verhevene naar 't leven
gestaan? Onwaarschijnlijk is 't niet, al bestaat de mogelijkheid
dat men Devadatta, die hierin van den meester afweek, dat hij veel
strengere ascetische eischen wilde stellen, ten onrechte dergelijke
moordplannen heeft toegeschreven.
Wat die strengere ascese betreft, hij verlangde dat een monnik altijd
in het woud zijn verblijf zou houden, terwijl Boeddha gaarne in
de nabijheid van steden en dorpen vertoefde. Ook wilde hij dat een
monnik slechts leven zou van wat hij op zijn rondgang verzamelde en
geen uitnoodiging ter maaltijd van vrome leeken zou aannemen. Zijn
gewaad, meende hij verder, mocht slechts uit opgeraapte lompen zijn
samengenaaid, enz. Een tijdlang had dit streven eenig succes, doch
straks leed het geheel en al schipbreuk. Eene legende verhaalt zelfs,
dat Devadatta levend door de hel werd verslonden. Wij zagen boven
reeds [47] dat volgens de "twaalf voorschriften" inderdaad eischen,
als die welke Devadatta verlangde, aan Boeddha's volgelingen werden
gesteld en de vraag komt bij ons op: Ligt er toch misschien in
Devadatta iets van het oorspronkelijke Boeddhisme dat men later
heeft trachten weg te werken en als ondermijning van het gezag des
Meesters te doen beschouwen? Eén ding schijnt mij wel waarschijnlijk,
namelijk, dat wij ons de eerste volgelingen van den Verlichte niet
moeten voorstellen als rustig levend in hun viharas', [48] maar wel
als zwervers, schamel gekleed, al kunnen wij niet aannemen, dat hun
gewaad uit opgeraapte lompen moest gemaakt zijn, en evenmin dat zij
niet ter maaltijd mochten gaan.
Voor deze opvatting pleit vooral het feit, dat zij, ook nog in de
dagen van koning Açoka, die ongeveer tweehonderd jaar na Boeddha's dood
leefde, niet als zwijgende monniken in kloosters leefden, maar onder
boomen, en er hun eer in stelden om zooveel mogelijk de onbekeerden
door hun woord tot bekeering te brengen.
De onbekeerden tot bekeering te brengen, dat geschiedde ook in de
dagen van den verlichte zelf. Doch niet allen traden toe tot den kring
der jongeren met zijn gestrenge eischen van kuischheid, armoede en
gehoorzaamheid. Wij zagen dat er ook waren die, als koning Bimbisara
[49] hun toevlucht namen bij Boeddha, Dharma, Sangha (de Verlichte, de
Leer, de Gemeente), zonder hun maatschappelijk leven en hun huiselijk
bestaan te veranderen. Zij werden de weldoeners en verzorgers der
monniken; ook zij, als zij wandelden in eenvoud en in onderdrukking
van aardsche hartstochten en begeerten, konden een stap nader komen tot
het Nirvana, het hoogste heil. Zij waren voor de Boeddhisten wat Maria
en Martha, wat een Nicodemus en Jozef van Arimathea waren voor Jezus
en de zijnen. Ook waren zij van den aanvang af onmisbaar; hoe konden
der wereld ontvloden monniken leven zonder arbeid, indien geen vrome
vrienden en vriendinnen hen verzorgden van de nooddruft des levens?
Onder die leeken-vrienden waren ook vele vrouwen. Als een type
dezer vrome vriendinnen kunnen wij beschouwen de voortreffelijke
Visakha, wier beeld ons met zooveel liefde in de Boeddhistische
overleveringen wordt geteekend. Zij was een rijke burgervrouw in
Savatthi, de hoofdstad van het land Kosala: de moeder van bloeiende
kinderen, de grootmoeder van vele zonen. Algemeen geëerd werd zij
bij elken maaltijd, bij ieder feest genoodigd: haar werden steeds
het eerst de spijzen aangeboden, zij werd beschouwd als een gast,
die geluk aanbrengt.
In de Mahavagga vinden wij over haar het volgende verhaal, dat ons
een aanschouwelijk beeld geeft en ons tevens doet zien, dat ook
de Boeddhisten het woord verstonden: "het is zaliger te geven dan
te ontvangen."
Op zekeren dag dan neemt Boeddha zijn maaltijd in het huis van
Visakha. Na den maaltijd zet deze zich naast hem neer en zegt: "Acht
wenschen verzoek ik van den verhevene." "De voleindigden, Visakha",
luidt het antwoord, "zijn te verheven om iederen wensch te kunnen
vervullen." "Doch wel wat geoorloofd is, Heer, en wat niet misprezen
kan worden." "Zoo spreek, Visakha."
"Ik wensch, o heer, mijn leven lang de gemeente regengewaden te geven,
vreemde monniken voedsel te reiken, doorreizende monniken te spijzigen,
kranke broeders te eten te geven, ziekenverplegers te voeden, zieken
medicijnen te geven, dagelijks rijstebrij te verdeelen en aan de
nonnen badgewaden te schenken."
"Waarom vraagt gij, Visakha deze dingen aan den voleindigde?" Zij geeft
daarop rekenschap, waarom zij aan deze wenschen zooveel waarde hecht.
O. a. zegt zij. "Een monnik die uit den vreemde komt, kent de wegen
niet en loopt vermoeid rond om zijn aalmoezen in te zamelen. Heeft
hij nu echter genoten, wat ik voor deze vreemdelingen bestemmen wil,
dan kan hij eerst uitrusten en vervolgens, als hij uitgerust is,
aalmoezen inzamelen. Dit doel, o heer, heb ik in het oog en daarom
wil ik mijn leven lang de doortrekkende monniken voedsel geven.
"En wederom, heer, een doortrekkende monnik zal, als hij zelf zijn
voedsel moet zoeken, achterblijven van zijn gezelschap of, waar hij
rust wilde houden, zal hij moede door de straat gaan. Heeft hij echter
de spijzen genoten, die ik aan de doortrekkende monniken wil schenken,
dan zal hij niet achterblijven; waar hij rust wil houden zal hij op
tijd aankomen en uitgerust zal hij door de straten gaan."
Zoo legt zij vervolgens het doel van al hare acht wenschen uit en
de verlichte spreekt: "Edel, Visakha, edel handelt gij, dat gij,
naar dezen prijs trachtend, den voleindigde bidt om vervulling uwer
wenschen. Ik sta u, Visakha, uwe acht wenschen toe."
En dan prijst hij haar met de volgende woorden:
Die spijs en drank verleent, van eed'le blijdschap vol.
Des heil'gen leerling, rijk aan deugden,
Die zonder afgunst gaven schenkt om 't hemelsch loon,
Die smarten stilt, die vreugde steeds verspreidt,
Verkrijgt des hemels heerlijk lot.
Zij wandelt voort op 't pad des lichts, 't gepreez'ne.
Van smarten vrij geniet zij langen tijd,
Het heerlijk loon der goede daad in 't zalig hemelrijk.
In deze Visakha vonden wij een type van vrouwen die, zooals het in
het N. Testament zou heeten "den Heer dienden van hare goederen." [50]
Overigens moeten wij niet meenen dat Boeddha de vrouwen hoog stelde,
al is b.v. in het Boeddhistische Birma de praktijk beter dan de
theorie. Neen, eene van de leerstukken van het Boeddhisme is dat de
vrouw, voor zij tot het hoogste heil kan geraken, altijd weer eerst
als man in de wereld moet komen.
Toch werd de vrouw in oud-Indië geëerd. De afsluiting der vrouw van
het maatschappelijk leven, door latere zeden gewettigd, was ook in het
oude Indië niet zoo sterk. Integendeel, de vrouwen namen deel aan het
geestelijk leven van hun volk: de edelste dichters toonen ons dat het
oude Indië de waarde der vrouw gevoelde en haar bewonderde en eerde.
Boeddha echter vond de vrouwen een gevaar: in haar waren
verpersoonlijkt alle machten der verleiding, die den geest binden
aan deze wereld. "Ondoorgrondelijk" zoo leert de moraal van een
oude vertelling, "verborgen, als de weg van den visch in het water,
zoo is het wezen der vrouwen, der uitgeslapen rooverinnen, bij wie de
waarheid moeilijk is te vinden, voor wie de leugen is als de waarheid
en de waarheid als de leugen."
En wat dunkt u van het volgende gesprek van Boeddha en Ananda? De
laatste vraagt: "Hoe zullen wij ons tegenover eene vrouw
gedragen?" "Haar aanblik vermijden, Ananda". "Maar als wij haar toch
zien, wat moeten wij dan doen?" "Niet tot haar spreken, Ananda." "En
als wij toch tot haar spreken, wat dan?" "Dan moet gij over uzelven
waakzaam zijn, Ananda." Boeddha ging er dan ook slechts noode--na
herhaald aandringen zijner pleegmoeder [51]--toe over om vrouwen als
zijne leerlingen in de orde op te nemen, en gaf tegen Ananda te kennen,
dat het heilige leven en de heilige leer zonder vrouwen 1000 jaar,
met haar slechts 500 jaar zou kunnen bestaan.
Zoo was Boeddha's geest: en de nonnen stonden ook altijd
bij de monniken ten achter, zij werden geduld, veel meer ook
niet. Merkwaardig is het dat ook in den tegenwoordigen tijd tegenover
tallooze Boeddhistische monniken in Birma--ieder heeft daar zijn
klooster--slechts weinige nonnen worden gevonden. En wel, omdat
blijkbaar dat strenge en koude haar niet aantrekt. Een vrouw, zegt
de Boeddhist in Birma ook nog heden, begrijpt het zoo niet. 't Kan
ons niet verwonderen als wij bedenken dat er zoo weinig gemoedelijks
in dezen godsdienst is, hoe hoog hij overigens moge staan.
Hebben wij stilgestaan bij Boeddha's vrienden, wij vragen thans, met
welke vijanden had hij te strijden? Allereerst met de priesterlijke
Brahmanen, wier instellingen en positie in strijd waren met zijn
beginselen en die hij geenszins ontzag.
Openlijk sprak toch de Verlichte het uit, dat hij aan offers geen
waarde hechtte, ja, dat de deugd der Ahinsa (eerbied voor het leven)
het dooden van dieren verbood. Onomwonden kwam hij op tegen den waan
dat de Brahmaan als zoodanig nader zou staan bij het hoogste heil:
het achtvoudige pad, dat naar Nirvana leidde, stond voor iedereen open.
Niet minder verhief hij zich tegen het zweren bij schriftgeleerdheid,
tegen de meening als ware het genoeg de woorden van de Veda's in
het hoofd te hebben. "Wie," zeide Boeddha, "de liederen en spreuken
der oude wijzen nabidt en zich dan zelf een wijze dunkt, die is even
als een slaaf of gering mensch, die zich op de plaats stelt, waar de
koning tot zijn gevolg sprak, dezelfde woorden bezigt en zich nu ook
een koning dunkt." [52] De scholier gelooft wat de meester gelooft,
de meester wat hij van vroegere meesters ontvangen heeft.
We zien hierin hoe hij het autoriteitsgeloof verwierp. Hoe hij over
het offer dacht, daarvan hebben wij een merkwaardig verhaal, dat
aldus luidt:
Boeddha had eens een gesprek met een aanzienlijk Brahmaan, die hem
vroeg wat de eigenschappen waren van een goed offer. Als antwoord
verhaalt Boeddha dan de geschiedenis van een wijs en gelukkig koning
uit oude dagen, die, na vele overwinningen te hebben behaald en de
heele wereld te hebben veroverd, het besluit nam een groot offer aan
de goden te brengen. Hij liet zijn huispriester komen en vroeg dezen
hoe hij zijn voornemen het geschiktst zou volvoeren.
De priester vermaande hem, om vóór zijn offer te brengen eerst in
zijn rijk rust, welstand en veiligheid te doen wonen. Hij gaat dus
niet tot het offeren over, voor hij alle schade heeft hersteld. En
bij zijn offer verwoest men geen levens van bezielde wezens, geen
rund of schaap wordt geslacht. De dienaren des konings doen hun
werk bij het offer niet onder tranen en door dwang: vreezend voor
den stok der opzieners: ieder doet vrijwillig, wat zijn eigen hart
hem ingeeft. Melk, olie en honig worden aangebracht en zoo wordt het
offer des konings der godheid geboden.
Er is echter, zegt Boeddha, nog een hooger en gezegender offer, ook
gemakkelijk te brengen: als men gaven schenkt aan vrome monniken,
woonplaatsen verschaft aan Boeddha en zijn gemeente.
En nog hooger offer is het: als men met een geloovig hart bij Boeddha,
bij de leer en bij de gemeente (Boeddha, Dharma, Sangha) zijn toevlucht
neemt, als men geen wezen van het leven berooft, leugens en bedrog
verre van zich houdt.
Nog hooger offer is het, als men als monnik van vreugde en leed beide
afscheid neemt en in heilige rust peinzend zich verdiept.
Het hoogste offer dat een mensch kan brengen en tevens de grootste
zegen, die hij kan verwerven is echter: als hij de verlossing
bereikt en de zekerheid krijgt: ik zal niet weer tot deze wereld
terugkeeren. Dat is de hoogste voleindiging van alles wat offer heet.
De Brahmaan, die zelf een groot offer had willen brengen en honderde
dieren daarvoor in gereedheid hield, nam geloovig deze prediking aan
en sprak: "Ik neem mijn toevlucht bij Boeddha, bij de leer en bij
de gemeente." "De dieren", zoo sprak hij, "laat ik vrij, mogen zij
het groene gras genieten, koel water drinken, moge de frissche wind
hen omzweven."
Nam Boeddha het op tegen het brengen van offers, misprees hij den
castengeest en het gezagsgeloof, niet minder stond hij tegenover vele
asceten, die in eindelooze zelfkwelling en zelfkastijding den weg
des heils meenden te bereiken. Hij immers wist uit eigen smartelijke
ervaring dat zichzelf te kwellen vruchteloos was. Hem was het geworden
tot een heilige zekerheid, dat geen vasten de aardschgezinde gedachten
of hartstochten doet verdwijnen.
Neen, het werken aan opbouwing van zijn geestelijk leven, het trachten
naar kennis, dat is het, wat de overwinning geeft en de kracht tot
dezen goeden strijd vindt men in een leven, dat even ver verwijderd is
van weelde als van ontbering en zichzelf opgelegde smart. Zoo waren
de gedachten van Boeddha, die tegenover de ziekelijke afdwalingen
van het Indische ascetisme op den naam van gezonde opvattingen mogen
aanspraak maken.
Boeddha staat hier tegenover zijn tijdgenooten als de man van
praktijk en gezond verstand. Moeten wij dat echter zoo verstaan, dat
hij feitelijk alle geloof aan God en een hooger leven als bijgeloof
verwierp? Sommigen oordeelen zoo en geven ons van Boeddha een beeld
als van een godloochenaar of minstens een positivist uit langvervlogen
dagen. Feitelijk, zoo roepen zij ons toe, geloofde Boeddha aan geen
God en geen volgend leven. Zijn Nirvana, het einddoel, was eigenlijk
het ophouden van alle bestaan, zijn God was slechts de eeuwige wet
van oorzaak en gevolg, waarvan alleen 't Nirvana verlost.
Wij zullen wellicht later nog uitvoeriger op deze belangrijke punten
terug komen. Nu merken wij alvast op: 1e dat het Boeddhistische
geschrift, Brahmajala sutta geheeten, waarin vooral Boeddha als
een soort scepticus optreedt, door vele bevoegde beoordeelaars niet
gerekend wordt tot de geschriften van het oorspronkelijk Boeddhisme,
maar van de zoogenaamde Mahayana, (de groote overtocht) een latere
ontwikkeling (of verbastering?) van Boeddha's leer, en dat er een
sterk en welgegrond vermoeden bestaat, dat de invloed der Mahayana
bij meer geschriften, die een gelijken indruk van Boeddha ons geven,
is in het spel geweest.
2e. dat wij zeer eigenaardige episoden uit Boeddha's leven bezitten,
waarin een gansch andere geest doorstraalt, en waaruit wij de
conclusie trekken, dat Boeddha met dat komen tot de verlossing, dat
hij, zooals wij daareven zagen aanprijst als het hoogste offer, niet
bedoelt een verlost worden van het bestaan, maar het verheven zijn
boven het koortsachtige, rustelooze, dat het zoeken van het eigen ik
aan 't leven geeft, een zijn, dat zoo verheven is, dat ook Boeddha
zich aan geen beschrijving waagt, en dat hij het niet vergeleken
wil hebben met leven in den meer gewonen zin des woords. Willen wij
trouwens voor het woord Nirvana een Nederlandsch gewaad zoeken, dan
moeten wij bedenken dat het staat, geenszins tegenover leven, maar
tegenover dorst (trishna) tegenover het begeeren, dat altijd weer de
ziel verteert en onrustig maakt. En dan drukt het woord dat F. Ortt
[53] er voor geeft "de groote vrede", het best Boeddha's gedachten uit.
Doch laten wij tot bevestiging van onze opvatting Boeddha's getuigenis
zelve hooren. Boeddha dan verklaart zekeren asceet en philosoof
Makkhali Gosala voor den ergsten aller dwaalleeraars. [54]
Wat nu leerde deze? O. a. dat de mensch geen vrijen wil had. Hij zeide
namelijk: "Er is geen macht (om te handelen), er is geen kracht, de
mensch heeft geen invloed, alle wezens, alles wat ademt, al wat is,
al wat leeft is onmachtig, machteloos, krachteloos, door toeval,
door leiding, door natuur wordt het naar zijn doel gevoerd."
"Ieder wezen," leerde deze leeraar verder, "maakt een bepaald aantal
wedergeboorten door, aan wier slot zoowel de dwaas als de wijze het
einde des lijdens bereikt."
Had Boeddha zóó over diens leer kunnen spreken als hij zelf een verkapt
loochenaar van God en een hoogere wereld was geweest? Immers neen. En
wat dunkt u, lezer, van de volgende gelijkenis van den verhevene?
Eens, zoo sprak Boeddha, was daar een blind geboren man, die zeide:
"Ik kan niet gelooven in een wereld van verschijnselen. Kleuren
die helder of dof zijn bestaan niet. Daar is geen zon, geen maan,
geen sterren. Niemand heeft daarvan goede getuigenis." Zijn vrienden
beknorden hem, doch hij herhaalde dezelfde woorden.
In die dagen was daar een Rishi, die het "innerlijk gezicht" had,
hij ontdekte op de helling van de Himalaya vier kruiden, die de macht
hadden om den man, die blind geboren was te genezen. Hij zocht die
op, bereidde ze met zijn tanden en diende ze toe. Eensklaps riep
de blindgeborene: "Ik zie kleuren en verschijnselen. Ik zie schoone
boomen en bloemen. Ik zie de heldere zon. Niemand heeft ooit te voren
zoo iets aanschouwd."
Daarop kwam er een heilig man tot den blind geboorne en sprak tot hem:
"Gij zijt ijdel en trotsch en bijna even blind als voorheen. Gij
ziet de buitenzijde der dingen, niet de binnenzijde. Hij, wiens
bovennatuurlijke zintuigen zijn ontwaakt ziet de lazuren velden van
de Boeddha's van het verleden, hij hoort hemelsche geluiden op vijf
yogana's afstand. Ga naar een woestijn, of een woud, of een hol in
de bergen en overwin uw dorst naar aardsche dingen."
De blindgeboorne gehoorzaamde en de parabel eindigt met deze
uitlegging: "Boeddha is de oude Rishi, de vier kruiden zijn de vier
groote waarheden." [55] Hij brengt de menschen van het lager leven
af en opent de oogen der blinden.
Wij zien duidelijk hieruit, dat ook het mystieke--trouwens wij mogen
hier, gelet op wat de wetenschap in onze dagen leert over telepathie,
clairvoyance enz. en op wat getuigenissen uit alle eeuwen bevestigen,
van gezonde mystiek spreken--bij Boeddha geenszins ontbrak en dat het
doel dat hij zich met zijn leerlingen voorstelde geen ander was dan hen
van het aardsche los te maken en tot het hooger leven te brengen. In
dat denkbeeld worden wij bevestigd door de Samana Phala Sutta. [56]
Daar leert Boeddha ongeveer het volgende:
"De mensch heeft een lichaam, saamgesteld uit de vier elementen.
"Dit lichaam is de vrucht van de vereeniging van zijn vader en van zijn
moeder. Het wordt gevoed met rijst en meelpap en kan worden verminkt,
gekruisigd, vernietigd. In dit vergankelijk lichaam is des menschen
verstand geketend. De asceet, zichzelf dus opgesloten gevoelend,
richt zijn geest op het scheppen van een vrijer hulsel.
"In gedachten stelt hij zich voor een ander lichaam, geschapen naar het
beeld van dit stoffelijke, met een vorm, organen en leden. Dit lichaam
staat tot het stoffelijke als het zwaard tot de scheede, of als de
slang tot de mand waarin zij is opgesloten. De asceet dan, gereinigd
en volmaakt, begint bovennatuurlijke krachten te ontwikkelen. Hij vindt
zich in staat om door materieele hindernissen als muren en wallen heen
te dringen, hij kan zijn beeld zichtbaar maken op meerdere plaatsen
te gelijk, hij kan op het water wandelen zonder er in te zinken,
hij kan door de lucht vliegen als een grootvleugelige valk, ja, hij
kan deze wereld verlaten en die van Brahma zelf bereiken. Door deze
kracht van zijn wil verwerft hij zich nog een ander vermogen: evenals
de ivoordraaier een olifantstand bewerkt volgens zijn phantasie, zoo
kan ook hij door zijn gedachten beelden oproepen [57]. Hij verkrijgt
het vermogen om te hooren de geluiden der onzienlijke wereld even
duidelijk als die van de zienlijke wereld--ja nog duidelijker. Ook
is hij--door de macht van Manas [58]--in staat de meest geheime
gedachten van anderen te lezen en hun karakter te zien. Hij kan
zeggen: "Hier is een geest, door hartstocht bestuurd, daar is een
geest, die bevrijd is (van de hartstocht). Deze man heeft eed'le
doeleinden, die man heeft geen doel in het oog." Evenals een kind
zijn oorringen in het water ziet en zegt: "Dit zijn mijn oorringen",
zoo erkent de gereinigde asceet de waarheid. Voorts komt dan over
hem de gave van het "goddelijk gezicht" en hij omvat met zijn blik
al wat menschen doen op aarde en na hun dood en wanneer zij wederom
geboren zijn. Dan ontsluiert hij de geheimen van het heelal en waarom
de menschen ongelukkig zijn en hoe hun ongeluk kan ophouden."
Zien wij hierin niet, dat het geenszins aangaat Boeddha voor een
atheïstisch gekleurd vrijdenker te houden? [59] Men hoore ook het
volgende uit de Tevigga Sutta, een ander Cingaleesch werk.
Toen Boeddha te Manasakata vertoefde, in het mangowoud, kwamen tot
hem drie Brahmanen, in de Veda's wel onderwezen, om hem te raadplegen
over de vereeniging met den eeuwigen Brahma. Zij vragen hem of zij op
den rechten weg zijn om die vereeniging te bereiken. Boeddha antwoordt
niet rechtstreeks. Hij onderstelt een vreemd geval. Een man is verliefd
geworden op de allerschoonste vrouw van het land. Dag en nacht droomt
hij van haar, doch, nimmer heeft hij haar aanschouwd. Hij weet niet
of zij lang is of kort, of zij tot de Brahmanen of tot de Sudra's
behoort, of zij blank is of bruin, zelfs haar naam kent hij niet.
Dan vraagt hij de Brahmanen of dit verhaal over die vrouw een wijze of
een dwaze vertelling is. Zij erkennen dat het "zottepraat" is. Boeddha
past nu dezelfde redeneering op de Brahmanen zelf toe. En de Brahmanen,
onderwezen in de drie Veda's, moeten bekennen, dat zij Brahma nimmer
hebben gezien, niet weten of hij lang is of kort, noch iets wezenlijks
omtrent hem en dat alles wat zij zeggen over vereeniging met hem,
dwaze praat is. Zij gaan een trap op, waarin eene kromming is en weten
niet of zij een woning of een afgrond zullen bereiken. Zij staan op den
oever eener rivier en roepen den anderen oever op om tot hen te komen.
Was Boeddha de atheïstische leermeester, dien velen in hem zien,
dan had hij hier een schoone gelegenheid gehad om zijn inzichten te
doen kennen. De Brahmanen, had hij dan kunnen zeggen, weten niets van
Brahma, om de eenvoudige reden, dat zulk een wezen niet bestaat. Doch
juist dit doet Boeddha geenszins. Hij tracht te bewijzen dat de
Brahmanen daarom niets weten van Brahma, omdat deze zuiver geestelijk
is en zij zuiver stoffelijk zijn.
Vijf sluiers, zegt Boeddha, bedekken Brahma voor het sterfelijk
oog. Zij zijn:
1. De sluier van lust en begeerte.
2. De sluier van boosheid.
3. De sluier van luiheid en traagheid.
4. De sluier van trots en eigengerechtigheid.
5. De sluier van twijfelzucht.
Dan gaat Boeddha voort en vraagt:
"Bezit Brahma vrouwen en rijkdom?"
"Neen, Gautama" antwoordt Vasettha de Brahmaan.
"Is zijn geest vol van toorn, of vrij van toorn?"
"Vrij van toorn, Gautama."
"Vol van boosheid, of vrij van boosheid?"
"Vrij van boosheid, Gautama."
"Is zijn geest bedorven, of zuiver?"
"Zuiver, Gautama."
"Heeft hij zelfbeheersching, of niet?"
"Hij heeft die, Gautama."
Dan doet hij de Brahmanen vragen over henzelven:
"Zijn de Brahmanen, geleerd in de drie Veda's, zijn zij in het bezit
van rijkdom, of zijn zij dat niet?"
"Zij zijn het, Gautama."
"Dragen zij iemand een kwaad hart toe, of niet, Gautama?"
"Zij doen dat, Gautama."
"Zijn zij zuiver van hart of niet?"
"Zij zijn het niet, Gautama."
"Hebben zij heerschappij over zichzelf, of niet?"
"Zij hebben die niet, Gautama."
Deze antwoorden stellen, gelijk men begrijpt, in het licht, dat er geen
vereeniging kan bestaan tusschen zoo verschillende wezens als Brahma
en de Brahmanen. Brahma is vrij van alle verkeerdheid, zondeloos,
zichzelf meester, dus kan alleen hij, die zonder zonde is, hopen met
hem in overeenstemming te komen. Vasettha stelt vervolgens deze vraag:
"Mij is gezegd Gautama, dat de asceet Gautama den weg weet tot den
staat van vereeniging met Brahma?"
"Ik ken Brahma Vasettha", is Boeddha's antwoord, "ik ken de wereld
van Brahma, en den weg die er heenvoert."
Daarop vraagt de verootmoedigde, in de drie Veda's onderwezen Brahmaan,
aan Boeddha: hem den weg te wijzen tot den staat van vereeniging
met Brahma.
Boeddha geeft een uitvoerig antwoord: een scherpe tegenstelling makend
tusschen het hooge en het lage Brahmanendom, tusschen de "aan huizen
gehechte" en de "huislooze" Brahmanen. Die eersten, de huis-Brahmanen,
zijn ruw, zinlijk, gierig, onoprecht. Om winst beoefenen zij de zwarte
kunst, de waarzeggerij en bedrog. Zij weten bij koningen gehoor te
krijgen, broeden oorlogen uit, voorspellen overwinningen, offeren
levens op, berooven de armen. Als een tegenbeeld daarvan schildert hij
den kluizenaar, die alle wereldsche dingen heeft verzaakt en zuiver,
zichzelf meester, gelukkig is.
Om dit hooger leven aan de menschen te leeren wordt "van tijd tot tijd
een Tathagatha (voleindigde) in de wereld geboren, gezegend en waardig,
overvloeiende van kennis, een gids voor dwalende stervelingen. Hij ziet
aangezicht tot aangezicht het gansch heelal, de geesten-wereld van
Brahma en die van Mara, den verzoeker. Hij deelt aan anderen zijne
kennis mede. De eerste "huislooze" door hem onderricht doet zijn
geest een vierde der wereld doordringen met erbarming, sympathie en
gelijkmoedigheid, verreikend, groot, bovenmatig." [60]
"Waarlijk, dit is, o Vasettha, de weg tot den staat van vereeniging
met Brahma" en hij verkondigt dat "de Bhikshu of Boeddhistische
bedelmonnik, die vrij is van toorn, vrij van kwaadwilligheid,
zuiver van geest, meester over zichzelf, na zijn dood, als het
lichaam ontbonden is, met Brahma zal vereenigd worden." De Brahmanen
gevoelen dan de volle kracht van dit woord. Boeddha is in hun oog
geen afbreker, maar een behouder van het geloof. Hij houdt het
met den ouden geestelijken godsdienst tegenover alles mêesleepende
nieuwigheidsleeraars.
"Gij hebt overeind gezet, wat was ter neder geworpen" zeggen zij
tot hem.
Zoo zien wij hier Boeddha als diengene, die den geestelijken
godsdienst weer opricht, door de Brahmanen onder vormen verstikt,
evenals Jezus weer opvatte wat door Israëls profeten, die de eischen
des levens op den voorgrond stelden was geleerd, doch door de Joodsche
schriftgeleerdheid was nedergeworpen.
Doch hij deed nog meer, dat ons aan Jezus doet denken. Evenals deze
ons geteekend wordt vol liefde voor gevallenen en verworpenen zoo
hebben wij ook van het licht van Azië treffende verhalen, die in het
licht stellen zijn liefde ook voor ver verdoolden.
In de Chineesche Dhammapada lezen wij van een schoone zondares,
die van Boeddha had vernomen en die op weg ging om zijne prediking
te hooren. Op weg zag zij echter in een bron haar schoon gelaat en
zij was niet in staat om haar goede voornemen uit te voeren. Toen zij
terugkeerde, werd zij ingehaald door een andere courtisane, schooner
nog dan zij zelve, en zij reisden te zamen. Toen zij een oogenblik
rustten bij een andre bron, werd de vreemdelinge door slaap bevangen en
legde zij haar hoofd op den schoot van haar medereizigster. Eensklaps
werd het schoon gelaat wasbleek als een lijk, een walgelijk lokaas
voor afschuwelijke insecten. De vreemdelinge toch was de groote Boeddha
zelf, die deze gestalte had aangenomen om de arme Pundari te bekeeren.
"Daar is een schoonheid, die gelijkt op een fraaie kruik met
vuil gevuld: een schoonheid die aan oogen, neus, mond, lichaam
toebehoort. Het is die vrouwelijke schoonheid, welke leed brengt,
huisgezinnen verdeelt, kinderen doodt".
Deze woorden voorzeker, door den Meester bij een andere gelegenheid
geuit, geven den zin weder van dit verhaal en drukken den geest des
Meesters uit.
Wij zagen reeds dat deze noch aan offers, noch aan zelfkastijding
waarde hechtte, daar dit de weg niet kon zijn om verlost te worden
van het lijden.
Daartegenover legde hij allen nadruk op het streven van den mensch
zelf. "Werk uws zelfs zaligheid" dat kan een spreuk wezen van Boeddha
evengoed als "In eigen hand ligt eigen lot." Een en ander leert hij
dan ook uitdrukkelijk, geen uitwendige ceremoniën kunnen baten, geen
geloof of gebed kan het doen, zelf moet de mensch den weg bewandelen
tot het heil. "Ook de Tathagatha's zijn enkel predikers, zelf moet
gij een poging doen." [61]
Nauw in verband met deze meer verhevene opvatting van het heil staat
zijne erkenning van de onafwendbare gevolgen die het kwaad heeft op
des menschen persoonlijkheid zelve: slechts onze tijd heeft hem hierin
geëvenaard. Wel leert Boeddha geen eeuwige straf: ook aan Devadatta,
den Judas van het Boeddhisme wordt vergiffenis geschonken, doch,
Boeddha kan de gevolgen van zijn booze daden niet wegnemen, deze
moeten langzamerhand worden opgeheven in de zuiveringsprocessen van
het hiernamaals. Boeddha kent niet de theorie dat een dwaze dweeper
op zijn sterfbed eensklaps de rijke liefde en de verheven kennis van
een engel zou deelachtig worden. In een volgend leven komt iemand
juist in zulk een toestand van geest en gemoed, als die waarin hij
voordezen verkeerde, anders is zijn persoonlijkheid verwoest. Dat
noemt men de wet der gerechtigheid (Karma).
Deze leer van Boeddha is grillig verdraaid door sommigen van zijn
volgelingen, doch zijn eigen woorden zijn snijdend klaar:
"Een fout, welke men bedreven heeft is als melk, die niet op ééns
zuur wordt. Langzaam en zachtkens, als vuur onder de asch zal zij
den dwaas verderven. Beide een goede en een slechte daad moeten rijp
worden en hunne onvermijdelijke vruchten voortbrengen. [62]"
Hoe Boeddha dit meent, heeft hij aangewezen in een schoone
gelijkenis. Daarin worden de gevolgen van het kwaad afgebeeld als
een ijzeren vesting der kwelling en de zonden als schoone vrouwen,
die den mensch naar dezen zijnen ondergang lokken.
Alles in dit verhaal doet bij den eersten aanblik denken aan een
tooversprookje uit de Duizend en Een Nacht (trouwens we zien dikwijls
diepe waarheden in zulk een poëtischen vorm gehuld door de Indiërs),
koel wuiven de palmen van een schoon eiland en in een heerlijk
paleis wordt de slechte zoon, die naar goud zoekt, door vrouwen
van bovenaardsche bekoorlijkheid bewaaierd. Hij heeft gesmaakt de
onwaardige genietingen van Kamaloça (de lagere wereld) en geniet
ze voor een tijd. Van eiland tot eiland gaat de reiziger voort,
ieder volgend eiland is schooner dan het vorige, maar ieder is weer
dichter bij de stad der boete, de stad met ijzeren muren. Doch: die
hem daarheen drijft is geen Ahriman, geen duivel: neen, de wet van
oorzaak en gevolg drijft hem voort. Evenwel: daar is geen duivel,
dien Boeddha niet kan verzachten, zelfs tot in de hel Avichi is er
geen schuilhoek, waar zijn groote liefde niet kan doordringen.
Elk, zoo laat Edwin Arnold [63], den Boeddha zeggen, en wij nemen
die woorden over omdat zij zoo goed zijn geest uitdrukken:
Elk heerscht in eigen kring, zoo mensch als God,
Want al wat leeft, daarboven, hier omlaag,
't Zij groot of klein, schept door zijn eigen dâan
Zijn lot, zijn lust, zijn plaag.
Wat was, bepaalt wat is of worden zal,
Het beet're, 't mind're, ontwikkeling, nieuw begin...
In blijde heem'len oogsten d'englen 't loon,
Van eed'le daden in;
In d'onderwereld dragen duiv'len 't pak
Van vroeger boos bedrijf. Het goede, 't kwaad,
't Wordt alles door den tijdstroom meegevoerd,
Niets blijft in d'eigen staat.
en zegt hij later van die wet der gerechtigheid, (Karma): [64]
Zoo dwingt haar wet ons tot gerechtigheid.
Niet één kan haar weerstaan. Volgt haar gedwee,
Liefde is haar innigst wezen en het doel,
Dat zij beoogt: Volmaking, Rust en Vrêe.
Liefde is haar innigst wezen. Zij was ook het innigst wezen van den
Boeddha. Al zien wij in zijn persoon niet dat gemoedsleven dat een
Jezus kenmerkt, toch vervult ons de gestalte van dien koningszoon, die
alle aardsche banden breekt om der menschheid het heil te prediken,
die vol is van medelijden, met diepen eerbied en wij kunnen ons
begrijpen dat zijn volgelingen zeiden dat hij was "God, geopenbaard
in de gestalte van barmhartigheid."
Wij kunnen ons niet voorstellen dat zijn beeld, ons zoo treffend
geteekend, slechts een mythe zou zijn: er moet een verheven karakter
zijn geweest om denkbeelden te verkondigen, die zoo ver waren verheven
boven zijn tijd.
Nooit verandert zijn verheven welwillendheid. Hij bekeert de
verdorvenste zondaars. Hij spreekt tot de dochters der zonde. Als
hij de aarde bezoekt is het licht tot in de diepste der hellen, hij
maakt duivelen en goede menschen beide gelukkig. Een dwaas beleedigt
hem. "Mijn zoon" antwoordt hij "beleediging tegen den hemel is als
speeksel, dat men tegen het uitspansel richt: het keert terug op wie
het uitwerpt."
"Een Tathagatha," zegt hij tot zijne leerlingen, "kan door slechte
daden en beleedigingen niet worden vertoornd: deze kunnen alleen zijn
barmhartigheid en liefde verdubbelen."
Bedenken wij nu daarbij dat het beginsel der vergelding (oog om oog,
tand om tand) de politiestok was voor de maatschappij van die dagen,
dat oorlog, plundering en wraak aan geheele kringen eigen waren als
dagelijksch bedrijf en broodwinning, hoe verheven klinken ons dan
tegen woorden als deze:
"Slechts door liefde bedwingen wij wrok. Door goed alleen overwinnen
wij kwaad. De heele wereld vreest geweld. Alle menschen beven in
tegenwoordigheid van den dood. Doe aan anderen wat gij wilt dat zij
u zouden doen. Dood niet. Veroorzaak geen dood.
"Zeg geen harde woorden tot uw buurman. Hij toch zal u antwoorden in
denzelfden toon.
"Zij die zeggen: "Ik ben verongelijkt en uitgetart, ik ben geslagen
en geplunderd" zullen nooit ophouden te haten.
"Wat de haat in de wereld kan doen ophouden is niet de haat, maar de
afwezigheid van haat.
"Als gij--evenals een trompet, die in den krijg is vertreden--geen
klagelijk geluid meer voortbrengt, dan hebt gij Nirvana bereikt.
"Stil zal ik misbruik verduren evenals de strijd-olifant de pijl van
den schutter ontvangt.
"De mensch, die ontwaakt is, gaat niet op wraak uit, maar vergeldt
met vriendelijkheid zelfs wie hem onrecht doet: evenals de sandelboom
zijn geur nog meedeelt aan de bijl van den houthakker, die hem velt."
Hebben deze schoone uitspraken vooral betrekking op het kwaad met
goed vergelden, de volgende die zich op verschillend gebied bewegen
zijn niet minder merkwaardig.
"De zwanen gaan op het pad der zon. Zij gaan door de lucht, dank zij
hun wonderbare macht. Zoo gaan de wijzen deze wereld uit, als zij
Mara en diens gezelschap hebben overwonnen.
"Niet door uitwendige daden is men een (waar) asceet (Samana).
"Niet de tonsuur maakt van den onopgevoeden mensch een Samana.
"Geen regenbui van goudstukken kan de lust ooit voldoen.
"Een mensch is geen Bhikshu alleen omdat hij aalmoezen vroeg, geen
Muni [65] omdat hij stilzwijgt. Niet door discipline en geloften,
niet door groote geestelijke kennis, niet door alleen te slapen,
niet door heilige inspiratie, kan ik die vrijheid verkrijgen, welke
geen wereldling kent. De ware Samana is hij, die alle kwaad ter rust
heeft gebracht. Indien een mensch in den strijd duizend maal duizend
man overwint en een ander overwint zichzelf, dan is de laatste de
grootste overwinnaar.
"Weinigen zijn er die aankomen aan de overzijde, de meesten loopen
langs den oever heen en weer.
"Laat de dwaas verlangen naar een waardelooze reputatie, naar voorrang
onder de Bhikshu's, naar heerschappij in de kloosters, naar vereering
door andere menschen.
"Een bovennatuurlijk persoon wordt niet gemakkelijk gevonden. Hij
wordt niet overal geboren. Het ras, waaronder zulk een wijze geboren
wordt, bloeit.
"Roep mij niet uit op den weg alsof ik de god Brahma was. [66]
Godsdienst is niets anders dan het vermogen om lief te hebben.
"Het huis van Brahma is waar kinderen gehoorzamen aan hun ouders.
"Schoonheid en rijkdom zijn als een mes, met honig besmeerd. Het kind
zuigt er aan en wondt zich. [67]"
Zoo vormen de woorden en daden van Boeddha een schoon geheel, zooals
hij leerde, zoo leefde hij. En zooals hij leefde, zoo stierf hij ook.
Achttien mijlen oostwaarts van Kapilavastu is thans een nederig dorp,
geheeten: Matha Kuär (de doode prins). Waarom die naam? Hwen Thsang,
de Chineesche pelgrim, die in de 4de eeuw Indië bezocht, kan het
ons vertellen. Daar was in zijne dagen een "doode prins" van marmer,
rustende onder een prachtig tempeldak (canopy), waarvan nog ruïnen
zijn overgebleven. Op de plaats van dien tempel stonden 477 jaar voor
Christus eenige boomen waaronder toen, in doodslaap verstijfd, de
"beste vriend der wereld" rustte, zooals de Indiërs hem noemden. Hooren
wij, wat een in hoofdzaak betrouwbaar verhaal ons van zijn dood meldt.
Boeddha gaat van Rajagriha, de hoofdstad van Magadha-land het noorden
in. Hij gaat den Ganges over, waar toen juist de toekomstige hoofdstad
van Indië, de koningstad Pataliputta werd gebouwd. Hij ziet in den
geest de toekomstige grootheid dier stad en voorspelt deze aan zijn
jongeren.
In het dorp Beluva nabij Vaisali wil hij zijn leerlingen laten heengaan
om daar in stille eenzaamheid den regentijd door te brengen. Doch daar
grijpt een smartelijke krankheid hem aan: den dood erkent hij als
nabij. Nu denkt hij aan zijne jongeren: hij wil Nirvana niet ingaan
voor hij tot hen gesproken heeft. Alzoo bedwingt hij zijne krankheid
en houdt het leven vast. Hij staat op, gaat uit het huis en zet zich
voor de deur op de plaats, die men hem bereid heeft. Ananda spreekt dan
tot hem: "Ik zie, Heer, dat de verhevene beter is en het hem minder
moeielijk valt. Mij, Heer, hadden de krachten verlaten, ik duizelde,
de gedachten vloden heen door de ziekte van den verhevene. Doch een
troost had ik, Heer, de verhevene zou niet in het Nirvana ingaan,
voor hij zijn wil omtrent de gemeente den jongeren verkondigd heeft."
"Wat begeert de gemeente der jongeren van mij, Ananda? Ik heb de leer
verkondigd en geen verschil gemaakt tusschen binnen en buiten. Hij
die zegt: "Ik wil heerschen over de gemeente" of "laat de gemeente
mij onderworpen zijn," hij moge Ananda, zijn wil verklaren in
de gemeente... De voleindigde evenwel zegt niet: "Ik wil over de
gemeente heerschen." Ik ben nu afgeleefd, bejaard, een oud man, die
zijn reis heeft volbracht. Tachtig jaar ben ik oud--Wees gij, Ananda,
uw eigen licht, uw eigen toevlucht. Zoek geen andere toevlucht. Wie
nu, Ananda, of na mijn verscheiden, zijn eigen licht zal zijn, zijn
eigen toevlucht en geen andere toevlucht zal zoeken, hij zal voortaan
mijn ware discipel zijn, die het rechte pad bewandelt."
Boeddha laat des avonds alle monniken, die nabij Vaisali wonen
samenroepen en wijst hen nog eenmaal op de kennis des heils, die
hij hun predikte, opdat zij daarnaar zouden wandelen en die zouden
vermeerderen en dan laat hij volgen: "Welaan monniken, ik zeg u,
al het aardsche is der vergankelijkheid onderworpen, worstelt zonder
ophouden. Over een kleinen tijd breekt het Nirvana van den voleindigde
aan, nu over drie maanden zal hij in het Nirvana ingaan."
En, ging hij voort:
"Mijn aanzijn rijpt voor 't eind, na is mijns levens doel. 'k Ga heen:
Gij blijft nog hier: het oord der toevlucht wacht, weest waakzaam
steeds, en heilig zij uw wandel. Bewaart met kloeken moed, o jong'ren,
uwen geest.
"Die zonder wank'len steeds het woord der waarheid volgen.
"Zij komen tot het doel, geboort, en dood voorbij."
Den volgenden dag doet Boeddha nog eenmaal zijn bedelgang door Vaisali:
ziet voor de laatste maal op de stad terug en begeeft zich met vele
jongeren op weg naar Kusinara, om daar het Nirvana in te gaan.
Te Pava--onderweg--overvalt hem de krankheid, die aan zijn leven
een einde zal maken.--Cunda--zoo verhaalt het oude bericht naïef
tusschen de afscheidsgesprekken van den verlichte door--Cunda, de zoon
van een goudsmid te Pava zette den verhevene zwijnenvleesch voor,
ten gevolge waarvan hij ziek werd. Moede ging de meester verder,
hij baadde zich in de rivier en dronk een weinig. Na eenige rust
kwam hij te Kusinara. Daar moest Ananda hem tusschen twee boomen een
rustplaats bereiden, waarop hij het moede hoofd nederlegde.
Het was niet de tijd dat de Salaboomen bloeiden, doch deze beide
waren van onder tot boven met bloesems bedekt.
Toen sprak de verhevene tot Ananda: "Geheel met bloemen bedekt,
hoewel het de bloeitijd niet is, zijn de beide tweelingsboomen:
hun bloesems vallen in menigte op het lichaam van den voleindigde:
hemelsche melodieën weerklinken in de lucht om hem te eeren.
"Doch den Voleindigde, Ananda, komt een andere eer toe, een andere
verheerlijking, prijs, vereering, eerbied. Ieder monnik Ananda, en
iedere non en iedere leek en leekenzuster, die in het groote en in het
kleine in de waarheid leeft en naar de wet leeft en ook in het kleine
naar de waarheid wandelt: zij zijn het die den voleindigde brengen
de hoogste eer, verheerlijking, prijs en vereering. Daarom, Ananda,
moet gij u oefenen en steeds bedenken: wij willen in het groote en
het kleine naar de waarheid leven, wij willen naar de wet leven en
ook in het kleine in de waarheid wandelen."
Weenend ging Ananda het nabijzijnde huis binnen en sprak: "Ik ben
van zonden nog niet vrij, ik heb het doel nog niet bereikt, en mijn
meester, die zich mijner erbarmde, zal in het Nirvana ingaan."
Toen zond Boeddha een der leerlingen tot hem: "Ga heen, leerling,
en spreek uit mijn naam tot Ananda: de Meester wil met u spreken,
Ananda." Toen ging Ananda tot den Meester, boog zich en nam aan
zijne zijde plaats. Boeddha echter sprak: "Niet alzoo, Ananda,
klaag niet, jammer niet. Heb ik u niet van te voren gezegd, Ananda,
dat men scheiden moet van alles wat men liefheeft en waarin men zich
verheugt? Hoe ware het mogelijk, Ananda, dat niet zou vergaan datgene
wat geboren, geworden, gemaakt, der vergankelijkheid onderworpen
is? Dat gaat toch niet. Gij echter Ananda, hebt langen tijd den
Voleindigde geëerd, in liefde en goedheid, met vreugde zonder
valschheid, zonder einde: in gedachten, woorden en werken. Gij hebt
goed gedaan Ananda, ga voort, weldra zult gij van zonden vrij zijn."
Toen de nacht aanbrak stroomden de edelen van Kusinara met vrouwen
en kinderen naar het bosch om voor het laatst den stervenden meester
hunne vereering te brengen.
Subhadra, een andersgezind asceet, die gekomen was om met hem te
spreken bekeerde zich tot hem als de laatste der geloovigen, die den
Meester zelven aanschouwden.
Kort voor zijn heengaan sprak Boeddha nog tot Ananda: "Wellicht,
Ananda, zult gij denken; het woord heeft zijn meester verloren, wij
hebben geen meester meer. Zoo moet gij niet denken, Ananda. De leer,
Ananda, en de orde, die ik u geleerd en verkondigd heb, dat is uw
meester, als ik ben heengegaan."
En tot de jongeren zeide hij: "Welaan, jongeren, ik zeg u: vergankelijk
is alles wat geworden is, worstelt zonder ophouden (om het heil te
verkrijgen). Toen ging zijn geest van extase tot extase, door alle
trappen der vervoering, daarop ging hij tot Nirvana in. De aarde
beefde, de donder rolde. En Brahma sprak:
"Eens leggen alle wezens af lichaamlijkheid, in alle werelden,
zooals nu Boeddha, de overwinnaar, de meester der wereld, de machtige
voleindigde, tot Nirvana is ingegaan."
De edelen van Kusinara kwamen en verbrandden voor de poorten der stad
het lichaam van Boeddha met alle eer, die aan de lijken van koningen
placht te geschieden.
Zoo wordt ons geschetst het levenseinde van den verhevene. We hebben
hem aan de hand der oude geschriften gevolgd op zijn levens weg. Wij
hebben leeren kennen den Boeddha der oude legende. Doch niet al
te moeilijk schijnt het om uit den Boeddha der legende den wijzen
Sakyazoon der historie te kennen. Als wij dat beproeven, dan komt
ons voor den geest een hooggeboren edele, die, met aardschen glans
en luister omringd, alles daarliet om een oplossing te zoeken van de
hoogste levensvragen. Een wijze, die alles wat het leven lieflijks
heeft, verzaakte om te zoeken naar wat voeren kon tot waren vrede. Niet
in zelfkastijding, noch in overdreven wereldschuwheid vond hij dien,
maar in het streven om bij een leven, evenver van zinnelijkheid als
van zelfpijniging, tot uitdooving van alle hartstocht, tot opgeven
van alle persoonlijke begeerte te komen.
Eén, die voorts het licht hem geschonken, niet voor zichzelf hield,
maar het zooveel in hem was aan anderen bracht, ja daaraan zijn
gansche leven wijdde en die voor hoog en laag, voor mensch en dier
de welwillendheid zelve was.
Eén, die diep besefte dat geen offers, geen boetedoeningen, geen
ceremoniën vrede brengen in de ziel, maar dat er slechts vrede en
licht te vinden is voor hen, die uit liefde zichzelf ten offer geven
en alle begeerte en hartstocht weten te overwinnen.
Geen wonder dat zijn persoon een onuitwischbaren indruk achterliet
en dat vrome vereering een stralenkrans wond om het hoofd van den
Sakyazoon.
III. Boeddha's onderwijs, Boeddhistische redenen en gelijkenissen.
Wij hebben in de vorige hoofdstukken het leven van den verlichte u
geschetst en daarbij op menige bladzijde, naar ik hoop, doen gevoelen,
welken geest hem bezielde. Toch willen wij op zijn onderwijs nog
meer in 't bizonder uwe aandacht vestigen: de leer was immers naar
zijn eigen woord tot Ananda, de Meester voor zijn volgelingen, als
hij was heengegaan?
Welnu, dat woord van den Meester is ons voor een goed deel overgeleverd
al kunnen wij niet overal beslissen, wat aan den Meester, wat aan
leerlingen te danken is.
Wat die leer betreft, krijgen wij den indruk, dat zij zich--in
onderscheiding van Jezus' leer b. v.--vaak meer tot het verstand
richtte dan tot het hart. 't Is meestal meer een klemmend betoog dan
een op het gevoel werkend beeld. Ja, er is in die betoogen zelfs iets
mathematisch, punt voor punt wordt uitvoerig en eentonig afgewerkt
en langzaam gaat het voort. Als een voorbeeld noem ik de volgende
rede over den gloed der zinnen: [68]
"Toen sprak de verhevene tot de jongeren: alles, jongeren, staat
in vlam. En wat is dit alles, jongeren, dat in vlam staat? Het oog,
leerlingen, staat in vlam, het erkennen van het zichtbare staat in
vlam, de aanraking met het zichtbare staat in vlam, het gevoel,
dat uit de aanraking met het zichtbare voortkomt, staat in vlam:
of het vreugde of leed is of geen vreugde of leed: ook dit staat in
vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der begeerte,
door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding is het
ontvlamd, door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, lijden,
kommer, vertwijfeling is het ontvlamd: Alzoo zeg ik.
"Het oor staat in vlam, het hoorbare staat in vlam, het kennen van
het hoorbare staat in vlam, de aanraking met het hoorbare staat in
vlam, het gevoel dat uit de beroering met het hoorbare voortkomt,
zij het vreugde, zij het leed, zij het geen vreugde en geen leed, ook
dit staat in vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der
begeerte, door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding,
door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, leed, kommer,
vertwijfeling is het ontvlamd: alzoo zeg ik.
"De reuk staat in vlammen (dan volgt weer dezelfde opsomming), de tong
staat in vlammen (wederom), het lichaam staat in vlammen (wederom),
de geest staat in vlammen (wederom)."
Dan gaat de rede voort: "Dit alzoo inziende (nl. de waarheid van het
verteerd worden van alles door den vuurgloed der vergankelijkheid)
wordt een wijze, edele hoorder des woords het oog moede, hij wordt
het zichtbare moede, hij wordt het kennen van het zichtbare moede,
hij wordt het gevoel moede, dat uit de aanraking met het zichtbare
ontstaat, zij het vreugde of leed, of geen vreugde of leed. Hij
wordt het oor moede (enz.), de reuk moede" (enz. enz.) (altijd weer
dezelfde zinnen).
En dan eindigt de rede: "Terwijl hij deze dingen moede wordt,
wordt hij vrij van begeerte, van begeerte vrij wordt hij verlost,
in den verloste is het inzicht: ik ben verlost, vernietigd is de
wedergeboorte, voleindigd de heiligheid, gedaan de plicht, geen
terugkeer is er meer tot deze wereld: alzoo is zijn inzicht."
Voor ons zou een dergelijke toespraak geen groote aantrekkelijkheid
hebben, doch voor de leerlingen van Boeddha, die aan een dergelijken
redeneertrant, ook van andere leeraars gewoon waren, was dat een
ander geval.
Voor de niet ingewijden sloeg de meester gewoonlijk een eenigszins
anderen toon aan, dan waren de redeneeringen niet zoo abstract. Zoo
wordt ons b.v. in de Mahavagga, hetzelfde werk, waaraan de juist
vermelde toespraak is ontleend, ook verhaald hoe de verhevene aan
"tachtigduizend dorpsoudsten" het woord predikte. "Hij erkende", heet
het daar, in zijn geest de gedachten der dorpsoudsten en predikte
hun het woord naar de orde, namelijk de prediking van het geven, de
prediking van de rechtschapenheid, de prediking van de hemelen, de
verderfelijkheid, ijdelheid, onreinheid der lusten, den zegen van het
vrijzijn van lust. Toen nu de verhevene erkende, dat hunne gedachten
goed, ontvankelijk, vrij van hindernissen waren, verheven en naar hem
toegewend, toen predikte hij hen, wat in 't bizonder de prediking der
Boeddha's is: het lijden, het ontstaan van het lijden, de opheffing
van het lijden, den weg tot opheffing des lijdens. Vervolgens wordt
dan geschetst hoe in die dorpsoudsten het oog der waarheid opengaat en
zij inzien dat "alles wat aan de wet van het ontstaan onderworpen is,
ook aan de wet van het vergaan onderworpen is."
M. a. w. hier wordt ons te zien gegeven, hoe Boeddha van het eenvoudige
opklimt tot de verborgenheden, tot het wezenlijke, het eigenaardige
zijner leer. Nu, al mogen wij ook allerminst vaststellen dat deze
leer alzoo is uitgesproken (die verzameling van 80.000 dorpsoudsten is
althans zeker een fictie) toch kunnen wij aannemen dat iets dergelijks
aan de leerwijze van den Verlichte is eigen geweest [69].
Soms ook vinden wij gesprekken, waarin Boeddha uit het dagelijksch
leven opklimt tot het geestelijke, en wel in dier voege, dat hij
zijn toehoorder door verschillende vragen langzaam brengt, waar hij
hem hebben wil: alzoo de methode van Socrates, die ook vooral door
vragen leerde.
Zoo b.v. een gesprek van den Meester met Sona, een zijner
leerlingen. Deze Sona had zichzelf tot de uiterste ascese gedwongen,
doch was ten slotte tot het inzicht gekomen dat zulk een streven geen
goede vruchten droeg. Hij liep nu gevaar tot het andere uiterste over
te slaan en terug te keeren tot een leven voor het genot.
Boeddha zegt dan tot hem: "Hoe is het Sona, waart gij vroeger, voor
gij uw huis verliet, met het snarenspel bekend?" "Ja, heer." "Wat
dunkt u dan Sona, als de snaren al te strak zijn gespannen, zal dan
de luit den rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn". "Dat
zal zij niet, Heer." "En wat dunkt u, als bij uwe luit de snaren al
te slap zijn gespannen, zal dan de luit den rechten toon geven en
voor bespelen geschikt zijn?" "Dat zal zij niet, Heer." "Hoe echter,
Sona, indien bij uwe luit de snaren niet te strak en ook niet te slap
gespannen zijn, als zij de juiste maat houden, zal dan de luit den
rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn?" "Ja, heer."
"Zoo ontaardt ook, Sona, de al te sterk gespannen kracht in overmaat,
en de al te veel overgelaten kracht in slapheid. Daarom Sona, voleindig
in uzelf het evenwicht uwer kracht en tracht te komen tot evenwicht
van uw geestelijk vermogen, houd dit doel in 't oog." [70]
Somtijds vinden wij ook in het onderricht van Boeddha meer uitgewerkte
gelijkenissen. Enkele daarvan willen wij U medededeelen, omdat zij
ons zoo goed den geest des meesters doen kennen. We merken hierbij
echter op, dat zeker niet al deze gelijkenissen van den Meester zelf
afkomstig zijn.
Van den verzoeker, die tracht de menschen den weg des heils te
doen bijster worden en van den verlosser, die hen op den rechten
weg terugvoert, wordt ons de volgende gelijkenis verhaald, die wij
kunnen noemen:
De ware en de verkeerde weg. [71]
"Wanneer, o jongeren, in het woud, op een berghelling, een groote
vallei met water is, waarbij een groote kudde wild leeft en er komt
een man die het wild plagen en ongelukkig maken wil, dan sluit
deze man den weg, [72] die goed, veilig en wel begaanbaar is af
en opent een verkeerden weg, een moeraspad. Dan zal, o jongeren,
die groote kudde wild schade lijden en verminderen. Wanneer er nu
echter, jongeren, een man komt, die tracht naar gedijen, welzijn en
heil voor deze groote kudde wild: dan maakt deze den goeden weg weer
open en vernielt het moeraspad. Dan zal, o jongeren, de groote kudde
wild voortaan gedijen, wassen en toenemen. Een gelijkenis, jongeren,
heb ik verteld, om u den zin bekend te maken. De zin nu is deze:
"De groote val
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/39177