De kleine vossen
by Harriet Beecher Stowe · Dutch · Gutenberg #39008 · 329,865 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De kleine vossen
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De kleine vossen
Author: Harriet Beecher Stowe
Release date: February 28, 2012 [eBook #39008]
Most recently updated: January 8, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/39008
Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLEINE VOSSEN ***
Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoot is |
| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |
| circumflex, met/zonder eind-n, met/zonder koppelteken. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
+----------------------------------------------------------------+
DE KLEINE VOSSEN.
Mevr. H. BEECHER STOWE
DE KLEINE VOSSEN
ZEVENDE DRUK
[drukkersmerk]
ZUTPHEN—W. J. THIEME & CIE.
INLEIDING.
INLEIDING.
„Wel, papa! wat denkt u van den winter in onze avondvoorlezingen te
behandelen?” vroeg Jenny mij.
„Ik denk er half en half over,” gaf ik haar ten antwoord, „eene reeks
van huiselijke preeken te houden over een heel zonderlingen tekst, dien
ik op den zolder in de kist met oude boeken, boven een preek heb zien
staan.”
„Alsjeblieft geen preeken, papa!—dat klinkt zoo vervelend; en met de
winteravonden hebben wij wel wat onderhoudends noodig.”
„Welnu,” zeide ik, „noem ze dan maar redevoeringen of voorlezingen of
verhandelingen of schetsen; ik zie zoo niet op de woorden.”
„Maar wat is dan die wonderlijke tekst, dien u in de boekenkist gevonden
hebt?”
„Er werd eens over gepreekt door den bet-overgrootvader van je moeder,
den welsprekenden en hooggeachten Simon Shutleworth, „bij de gelegenheid
van de treurige verdeeldheden onder de vromen in de stad West Dofield.”
De tekst staat in 't Hooglied, hoofdstuk II vers 15: „_Vangt gijlieden
ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven; want onze
wijngaarden hebben jonge druifjes._””
„Dat is al een heel kluchtige tekst, en ik kan niet begrijpen, wat u
daarvan zult maken.”
„Eenvoudig eenige voorlezingen over Kleine Vossen,” zeide ik, „waarmeê
ik die onbeduidende, weinig getelde, _kleine_ dingen bedoel, die aan ons
huiselijk geluk knagen en de reden zijn dat onze huiselijke kring niet
is wat hij wezen moet. Laat men mooie, goedingerichte prachtige huizen
bouwen; laat men de muren met keurige schilderijen, met kunstjuweeltjes
versieren; laten er tusschen die wanden menschen bij elkander wonen, die
door banden des bloeds en der liefde verbonden zijn en dezelfde belangen
hebben; stel u voor dat het allen goede en edele menschen zijn, en dat
er liefde en godsvrucht onder hen heerschen;—toch maken enkele van die
kleine vossen, waarover ik spreken wil, dat in zulk een veelbelovenden
wijngaard de helft van de trossen (zooals ik 't huiselijk geluk zou
noemen) niet rijp wordt. Wij zien dikwijls menschen samenwonen, die,
ten volle bereid, indien 't noodig is, voor elkander te sterven, toch
niet in staat zijn gelukkig met elkander te leven, althans die lang zoo
gelukkig niet zijn, als men uit hunne gunstige omstandigheden opmaken en
van hunne voortreffelijke karakters verwachten zou.
„'t Komt in 't algemeen daar van daan, dat wij aan onzen huiselijken
haard niet alleen het meest toegeven aan ons gevoel, maar ook in al
ons doen geheel ongedwongen zijn; de huiselijke kring is het négligé
des levens, onze achterkamer, ons kleedkabinetje, waar wij menig
dagelijksch, halfsleten pakje achterlaten, als wij naar buiten gaan,
om dáár vrij wat meer op ons doen en laten te letten. Vandaar is het
bekende spreekwoord ontstaan: „Niemand is een held in de oogen van zijn
kamerdienaar,” en van daar ook de gewone waarschuwing: „wenscht gij uw
vriend te behouden, ga dan niet met hem onder één dak wonen.””
„Dat is met andere woorden gezegd:” bracht mijne vrouw in het midden,
„wij zijn allen gebrekkig en onvolmaakt: hoe meer wij met iemand
in aanraking komen, des te meer gebreken merken wij in hem op. De
karakters, die de proef van den dagelijkschen omgang kunnen doorstaan,
zijn even zeldzaam als een klaveren-vier in een weide. Wie ons niet
hinderen en kwellen door werkelijke gebreken, zijn doorgaans zoo flauw
en zoo onbeduidend, dat ze ons vervelen. Iemand van een gelijkmatig,
krachtig, scherpgeteekend karakter, die zich in alles meester is en
niets overdrijft,—waarlijk, zóó iemand aan te treffen, is wel het
laatste dat ge in de wereld vinden zult.”
„Ik wilde maar zeggen,” hernam ik, „terwijl men zich in het huiselijk
leven geheel zoo voordoet als men werkelijk is, terwijl daarin weinig
van die slagboomen en sluiers zijn, waardoor de menschen in het openbare
leven verhinderd worden, elkanders gebreken te zien en op elkander te
hakken en te vitten—is het toch vreemd, dat men dit huiselijk leven
doorgaans met minder nadenken en overleg begint en voortzet, dan ieder
bij de meeste andere dingen, die hij ter hand neemt, noodig acht.
Niemand zal een stoomwerktuig gaan maken, zonder vooraf nauwkeurig
onderzocht te hebben, in welke verhouding de verschillende deelen tot
elkander moeten staan, en zonder zich eerst eens af te vragen, of hij
wel kennis en bekwaamheid en vermogen genoeg bezit, om het goed te doen.
Niemand wordt violist, zonder eerst eens te zien, of zijne vingers wel
lang en buigzaam genoeg zijn, om de accoorden te grijpen en mettertijd
wat beters voort te brengen, dan een akelig gezaag en gekras. Wat zouden
wij wel zeggen van iemand, die zonder zich in het minst om het stemmen
van de instrumenten te bekommeren, een heel orchest samenbracht, en
zich dan de haren uit het hoofd trok, om 't mislukken van zijn concert?
Het is de schuld van de instrumenten niet dat zij met elkander zulk
een schel geraas maken; zij kunnen ieder op zich zelf uitstekend en
onberispelijk zijn; maar let men niet op den aard van elk instrument
afzonderlijk, en voegt men ze dan toch bijeen, dan moet het concert wel
in de war loopen. Nog erger zou het zijn, als iemand zoo dom was dat hij
van een instrument iets verlangde, waarvoor het uit den aard der zaak
niet berekend is,—als hij van de flageolet een solo voor den contre-bas
verwachtte, en de bazuin hard viel, omdat zij niet zoo vlug en zoo rijk
aan toonen is, als de viool.
„En toch is menigeen niet dikwijls even dwaas bij 't opzetten van een
huishouding? Een jongeling en een meisje verbinden zich met elkander,
aangetrokken door zekere geestverwantschap, door eenige overeenstemming
van karakters waaruit wederkeerige toegenegenheid ontstaan is. Men
loopt er in den regel zeer los over heen om te onderzoeken, wie en
wat zij zijn.—Men denkt niet aan den wederkeerigen invloed dien de
beide karakters op elkander zullen oefenen—men beproeft en stemt
de instrumenten niet vooraf, die eene levenslange harmonie of eene
levenslange disharmonie zullen voortbrengen,—en na den korten tijd van
het engagement, waarin hunne onderlinge betrekking zoo verschillend
mogelijk gemaakt wordt van hetgeen zij later na hun huwelijk zal zijn,
meubeleeren deze twee een huis en gaan ze te zamen wonen. Tien tegen
een, dat de huiselijke haard terstond beschouwd wordt als een geschikt
toevluchtsoord voor wederzijdsche betrekkingen en vrienden die ook
al tot het huiselijk concert worden toegelaten, zonder eenigszins in
aanmerking te nemen wat naar alle waarschijnlijkheid de invloed van
het eene karakter op het andere zal zijn, en of al die instrumenten wel
harmonieeren zullen. Dan komen er kinderen, waarvan ieder een wezen, een
wil, een macht à-part in 't gezin is; en zoo ontstaat er, met de lagere
machten van dienstboden en onderhoorigen, een huishouden. Waarlijk,
't is geen wonder, als al deze toevallig bijeengebrachte instrumenten
tegelijk zich laten hooren, dat er nu en dan wel zoo veel disharmonie
als harmonie ontstaat. Want al harmonieeren de man en de vrouw,
misschien komen er wanklanken door schoonmoeder of schoonzuster, terwijl
bovendien met ieder kind, dat een scherpgeteekend karakter heeft, het
gevaar, dat het concert in de war loopt gedurig nog toeneemt. En toch,
al geven wij dit alles toe, toch is er niets op de wereld, dat ons
hooger en zuiverder geluk kan doen genieten, dan het huiselijk leven.
Evenwel, door veredeling en zorg zou het nog veel gelukkiger kunnen
worden. Wel kunt ge goede peren krijgen, eenvoudig door een pit in
den grond te stekken, al laat ge den boom die er uit voorkomt jaren
lang aan zijn lot over; maar fijner en lekkerder zijn ze toch, als de
tuinman den boom zorgvuldig heeft gekweekt en bemest en gesnoeid. Wilde
wijnstokken hebben wel eens overvloedig gedragen en heel lekkere druiven
voortgebracht; maar toen onze vriend Dr. Grant zich met der woon te Iona
neêrgezet had, wist hij door het bestudeeren van de wetten der natuur de
oude soorten zóó te veredelen, dat hij er geheel nieuwe en veel geuriger
uit trok. Zoo zou het ook ons gaan, wanneer al de kleine vossen, die
den wijnstok en den vijgenboom van ons huiselijk leven verderven,
verjaagd en gedood werden: wij zouden er veel heerlijker trossen en
vruchten van inoogsten.”
„Maar papa!” zei Jenny, „om tot de vossen te komen: zeg ons nu eens, wat
zij zijn.”
„Wel, zoo als de tekst zegt, het zijn _kleine_ vossen, de
lievelingsbeestjes van sommige menschen, kleine diertjes, waarvan men
geen kwaad vreest,—over het geheel beestjes, waarvan de menschen
denken, dat zij wezenlijk wel wat goeds kunnen doen, maar in allen
gevalle niet veel kwaads zullen uitrichten. En daar Noach de reine
dieren bij zeven paren in de ark bracht, zal ik mij ook maar tot het
heilige zevental bepalen. Ik noem mijn zeven kleine vossen:
1. VITACHTIGHEID.
2. PRIKKELBAARHEID.
3. TERUGHOUDING.
4. HOOFDIGHEID.
5. ONVERDRAAGZAAMHEID.
6. ONWELLEVENDHEID.
7. ONVOLDAANHEID.
„En hier hebt gij nu,” zeide ik, terwijl ik mijne preek in handen
nam, „wat ik over den eersten kleinen vos te zeggen heb.”
VITACHTIGHEID.
I.
VITACHTIGHEID.
Een alleraardigst diertje, dat vele menschen onverhinderd in hunne
huiselijke wijngaarden laten rondloopen, vast overtuigd, dat het den
groei der druiven bevordert en een uitstekend middel is om ze in orde te
houden.
Nu mag men veilig als een regel stellen, dat niemand het pleizierig
vindt, als een ander iets op hem te vitten heeft, maar dat iedereen zelf
gaarne vit als iets hem niet bevalt.
Lieve lezer of lezeres! is het niet een wezenlijk genot voor ons,
wanneer wij wat kunnen aanmerken op iemand die ons niet aanstaat, of op
iets, dat ons hindert?
Dit schijnt bij den eersten opslag een afwijking van den gewonen regel.
Over het algemeen gaat het zoo, dat hetgeen ons een genot is te doen,
ook voor onzen buurman, wien wij het aandoen, een genot is. Het is een
genot, te geven, en het is een genot, te ontvangen. Het is een genot, te
beminnen, en een genot bemind te worden; een genot, te bewonderen, en
een genot, bewonderd te worden. Het is evenzoo een genot, te hekelen,
maar, 't is _geen_ genot, gehekeld te worden. Integendeel, juist zij,
die door de prikkelbaarheid van hun humeur het meest tot hekelen geneigd
zijn, kunnen 't minst van allen verdragen dat ze gehekeld worden: zij
binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op
de schouders der menschen, maar zij willen die met hunne vingeren niet
verroeren.
Nu bestaat er in dit opzicht eene groote moeilijkheid. Er komen in het
leven dingen voor, die dringend verbetering noodig hebben; om ze te
verbeteren, dient er toch wel over gesproken te worden met hen, die het
aangaat. Dit opent een wijde deur tot vitterij voor anders welgezinde
menschen, en doet hen met een ruim geweten de schuld van alles wat hen
hindert op anderen verhalen. De vader en de moeder van een gezin zijn
vitters _ex officio_ en moeten al de klachten van ieder, die tot het
gezin behoort ontvangen; ja soms wordt de geheele huiselijke hemel door
den kouden mist van die klaagzucht verdonkerd. Zulke misten brengen aan
den wijngaard veel schade toe, en doen den honigdauw op menigen schoonen
tros vallen.
Orestes raakt verliefd op Hermione, omdat zij er zoo lief uitziet als
een maneschijntje, zoo etherisch als een zomerwolk. Hij brengt terstond
het gewone stelsel van aanbidding in praktijk, dat aan het huwelijk
altijd vooraf gaat; hij verzekert haar, dat zij te goed voor deze
wereld is, te teer en te schoon voor iets wat gewone menschenkinderen
doen,—dat zij slechts op rozen moest treden, in de wolken zweven,—dat
zij nooit een traan moest storten, nooit eenige vermoeienis kennen of
zich moest inspannen, maar in een heldere, etherische sfeer leven, die
harer alleen waardig is. Dat alles nu wordt haar in het oor gefluisterd
bij wandelingen of spelevaarten in den maneschijn, en zoo dikwijls
herhaald, dat men het haar niet kwalijk kan nemen, als zij eindelijk
begint te gelooven, dat er toch wel iets van aan moet wezen.
Nu volgt het huwelijk,—en het blijkt, dat Orestes 't heel precies met
zijn koffie neemt, dat hij erg uit zijn humeur is, als het eten niet
juist op het bepaalde uur klaar staat, en dat geen huiselijke schikking
hem bevalt, als ze niet juist overeenkomt met de gewoonten zijner
waardige moeder, die onlangs in den reuk van heiligheid stierf; ook hij
verlangt, dat zijn huis op ieder uur van den dag in de volmaakste orde
zal zijn. Toch stelt hij niet voor, een knappe huishoudster te nemen;
alles moet gedaan worden door een paar onbehouwen meiden, onder het
oppertoezicht van dat engelachtige wezen, dat slechts op rozen treden,
in wolken zweven en nimmer aardsche zorgen kennen moest! Orestes heeft
het dan ook nooit als een staaltje van den plicht eens echtgenoots
beschouwd, een klein ongerief met stilzwijgen te verdragen. Hij zou
gaarne zijn bloed voor Hermione vergieten,—ja hij heeft dit gedurende
't engagement, toen natuurlijk niemand dit van hem eischte en het ook
nergens voor zou gediend hebben, meer dan eens in zijne opgewondenheid
verzekerd! Maar op de idyllische kozerijen van toen, volgen er nu
gesprekken, zoo als deze b. v.:
„Lieve! die thee smaakt naar den rook; kan je Jansje dan niet leeren,
daar beter op te passen?”
„Lieve! ik heb er mijn best al toe gedaan, maar zij verkiest niet te
doen wat ik haar zeg.”
„Nu, ik zeg maar, als andere menschen goede thee kunnen drinken, dat wij
het ook wel kunnen.”
En later aan tafel:
„Beste! dat vleesch is weêr al te gaar; het is ook _altijd_ te gaar.”
„Niet altijd, lieve! Denk maar eens aan Maandag. Toen heb je zelf
gezegd, dat het net goed was.”
„Nu dan, _bijna_ altijd.”
„Och lieve! het kwam van daag, omdat ik vóór den middag visite gehad heb
en niet naar achteren kon om Bregje een pen op den neus te zetten, zoo
als ik gewoonlijk doe. Het is ook een geduchte last, met zoo'n meid te
moeten sukkelen.”
„Bij mijn moeder aan huis ging het toch altijd goed: 't kwam er niet op
aan, wat voor een meid zij had.”
En dan weêr:
„Beste! je moet er de meiden eens wat van zeggen dat zij zoo schandelijk
veel steenkolen verstoken. Ik heb er nooit van gehoord, dat er in zoo'n
klein huishouden als wij hebben, zoo veel door den schoorsteen ging;”
of: „Lieve! hoe is het in de wereld mogelijk, dat je Leentje de courant
laat scheuren?” of: „Lieve! 't zal maar het beste zijn, dat ik niet
meer t'huis kom eten, als er geen mogelijkheid op is, dat het eten op
zijn tijd klaar komt;” of: „Beste! je mag wel eens maken, dat mijn
halfhemdjes wat beter gestreken worden—ik kan ze zoo onmogelijk
voordoen;” of: „Lieve! je moet den kleinen Jan den spiegel in de
zijkamer niet zoo laten bevingeren;” „Lieve! je moet zorgen, dat de
kinderen niet meer op den zolder spelen;” of: „Beste! je moet aan Bregje
zeggen, dat zij de mat niet buiten laat hangen, als zij den voorgang
veegt,” en zoo voort. In één woord, „lieve” moet er voor zorgen, dat
alles boven en beneden, op zolder, in keuken en in kelder geregeld zijn
gang gaat, en zoo niet—dan moet er behoorlijk op gevit worden.
En toch, als Orestes haar, die hij eens zijn engel noemde in tranen
badende vindt, en zij hem zegt, dat hij haar niet meer zoo lief heeft
als vroeger—dan werpt hij die beschuldiging verre van zich af en
verklaart haar, dat hij haar meer dan ooit bemint, en misschien is
dit werkelijk het geval. Het eenige is, dat zij uit het rijk van
rozengeur en maneschijn in het werkelijk leven is overgegaan. Zoolang
zij beschouwd werd als een engel, als een ster, als een vogel, als
een avondwolk, viel er natuurlijk niets op haar te vitten; maar nu
die engel vennoot in de firma van een huishouden geworden is, zien de
zaken er heel anders uit. Als zij beiden nog in dezelfde omstandigheden
verkeerden, zou Orestes hetzelfde nog eens kunnen betuigen, maar
ongelukkig verkeeren zij nu nooit meer in dezelfde omstandigheden.
Orestes is zonder verder na te denken, gewoon al wat hem voor den
mond komt te zeggen. Vóór het huwelijk vereerde en aanbad hij zijn
toekomstige vrouw als een ideaal, dat in het land der droomen en der
poëzie zweefde, en hij deed zijn uiterste best, om haar ongeschikt
te maken voor het werkelijk leven, dat haar na het huwelijk wachtte.
Nog altijd geeft hij nu in zijn trouwen gedachteloos toe aan allerlei
indrukken, evenwel niet meer om te prijzen maar om te bedillen en te
veroordeelen. Juist dat gevoel voor schoonheid en bevalligheid, waardoor
hij haar vóór het huwelijk zoo zeer bewonderde, doet hem nu, als hij de
inrichting van het huishouden nagaat, dagelijks honderd verkeerdheden
zien en aan honderd gebreken ergernis nemen.
Tot nog toe stelde ik mijn teekening eene lieve, meêgaande vrouw
voor, die zich wel gegriefd gevoelt, maar niet boos wordt,—die,
zonder te klagen over verongelijking, zich in haar treurig lot zoo
goed mogelijk tracht te schikken. Ik heb dikwijls zulke ongelukkige,
beklagenswaardige, kwijnende vrouwen ontmoet: ze zagen er uit als
planten, die eerst in de drukkende warmte der broeikas opgekweekt en tot
bloeien gedwongen, nu op eens in de kou van de droge, stoffige huiskamer
overgebracht, verwelken en geel worden en het eene blad na het andere
laten uitvallen.
Maar deze schilderij heeft nog eene keerzijde:—als de vrouw beleedigd
en vertoornd, op haar beurt ook aan 't vitten gaat en met de scherpe
pijlen van haar vrouwelijk vernuft haren man in de voegen van zijn
wapenrusting zoekt te treffen, en zich op die wijze even onrechtvaardig
betoont en nog vrij wat schuldiger maakt.
Wel is het treurig, als twee menschen die vroeger innig nauw met
elkander verbonden waren en juist door hunne liefde, met elkanders
karakter ten volle bekend zijn, deze kennis eenig en alleen gebruiken om
elkander het leven te verbitteren,—wél is het treurig hen elkander het
hart te zien doorboren met zoo veel juistheid, als waartoe ze alleen
door vroegere vertrouwelijkheid en toegenegenheid in staat zijn, terwijl
iedere doodelijke wonde, die zij elkander toebrengen, hun zelven door
het hart gaat,—en dat alles om zulke ellendige beuzelingen, als
doorgaans 't begin van dit ontzettende drama zijn.
Wat zijn het toch meestal onbeduidende dingen, die aanleiding geven tot
een gekibbel, dat de grondslagen zelven der liefde ondermijnt, en alle
geluk verbant uit den huiselijken kring! Een stuk vleesch is niet gaar,
er wordt te veel olie verbrand, er wordt een courant verscheurd, er
worden te veel steenkolen of zeep gebruikt, er is een bord gebroken!...
en voor deze nietswaardige kleinigheden werpen zeer brave, zeer edele,
zeer godsdienstige menschen soms bij handen vol weg, wat de eenige
reden is waarom heele huizen gebouwd zijn en vuur gebrand wordt en al de
omslag is aangeschaft—_hun huiselijk geluk_. Neen! liever koude koffie,
slappe thee, aangebrand vleesch; liever ieder ongerief, ieder verlies,
dan een verlies van _liefde_; en niets doet de liefde zoo spoedig
kwijnen als onophoudelijk vitten.
Want wordt eens tusschen twee menschen, die innig met elkander verbonden
zijn, vitterij tot gewoonte, dan ontaardt zij met der tijd in een
slepende ziekte; zoodat de zachtste, de redelijkste terechtwijzing, ja
elke berisping, hoe zacht ook gedaan, den heftigsten toorn verwekt; en
wanneer deze ziekelijke toestand eens begonnen is, dan schijnt het bijna
onmogelijk dat de liefde nog genezing kan aanbrengen.
Een enkel voorbeeld. Orestes is op zekeren morgen best in zijn humeur en
zegt tot Hermione, terwijl hij een brief van haar in de hand houdt, op
een schertsenden toon, dat zij de staarten van haar _g_'s niet zoo lang
moet maken, maar meteen stuift Hermione op en antwoordt:
„Zeg mij maar eens wat je nog meer van mij verlangt. Misschien zou je
wel zoo goed willen zijn, bij gelegenheid eens een alphabetische lijst
te maken van alle dingen, die ik moet veranderen.”
„Lieve! je bent onredelijk.”
„Dat zie ik niet in. Ik woû wel dat er eens een einde kwam aan die
onophoudelijke aanmerkingen van mijn heer en meester.”
„Maar, beste! hoe kan je dat nu zoo erg opnemen?”
„Och, zwijg er maar over, lieve! Ik heb dat nu zoo dikwijls gehoord, dat
er 't bekoorlijke van de nieuwheid al lang af is.”
„Kom, Hermione! laten we niet kibbelen.”
„Maar, lieve! wie is er met kibbelen begonnen? Ik niet: ik vroeg je
alleen om een lijstje van mijn gebreken. Ik vertrouw, dat ik, als ik
negentig jaar oud word, nog wel eens aan je overdrevene eischen zal
voldoen. Waarschijnlijk is alles van morgen precies in orde zoodat
er niets op te zeggen valt, _en_ de koffie, _en_ het brood, _en_ het
rookvleesch, _en_ de meiden, _en_ de mat in het voorhuis, _en_ de
zolder, _en_ de benedenkamers; daarom moet ik nu zeker een lesje krijgen
over mijn gebrekkige opvoeding. Ik zal de staarten van mijn _g_'s
voortaan wat korter maken, maar dan verwacht ik ook, dat je een lijstje
maakt van alle andere kleinigheden, die nog verbetering vereischen.”
Orestes schuift zijn koffie weg en trommelt op de tafel.
„Als het mij vergund is, één kleine opmerking te maken, beste! dan zou
ik zeggen, dat het niet bijzonder fatsoenlijk is, op de tafel te
trommelen,” zegt zijn schoone wederhelft.
„Hermione! je bent in staat om iemand woedend te maken!” Met dat woord
vliegt Orestes verbitterd de kamer uit, en is stellig voornemens, dien
middag in een restauratie te gaan eten.
Orestes beschouwt zich als een miskend echtgenoot, en houdt het er
voor, dat er zoo'n tweede vrouw niet bestaat,—het onredelijkste
kwaadaardigste schepsel, dat hij ooit ontmoet heeft. Maar hij denkt
er niet aan, hoe alleen door zijn eigen onredelijke, onophoudelijke
vitzucht zijne vrouw zoo lichtgeraakt en driftig geworden is, dat zij de
zachtste berisping over de minst beduidende zaak niet kan verdragen. Wel
heeft hij geen schuld gehad aan de onaangenaamheden van dien morgen; wel
heeft hij niets onbehoorlijks gezegd, en is zij alleen onredelijk en
knorrig geweest; maar eigenlijk ligt toch de schuld aan hem zelven.
Toen Orestes na zijn huwelijk in zijn Hermione inderdaad slechts een
vogel, eene ster, een bloem vond, maar geen huishoudster, waarom
beschouwde hij de zaak toen niet uit het rechte oogpunt? Waarom
herinnerde hij zich niet al die mooie dingen, waarmede hij haar hoofd
een paar jaar lang volgepropt had en waarom eischte hij meer van haar
dan hij bedongen had? Kan een vogel een goede huishoudster zijn? Kan een
bloem het toezicht houden op Jansje en Leentje en voor haar onbesneden
ooren verhevene kunst en de diepste geheimen van een goede huishouding
ontsluieren?
Als zijn jeugdig vrouwtje—gelijk dit met de meeste meisjes het geval
is—haar rol als huishoudster nog moest leeren, ten koste van duizenden
teleurstellingen en duizenden onaangenaamheden, waarom maakte hij haar
dit dan niet zoo gemakkelijk mogelijk? Waarom herinnerde hij zich niet
hoe bewonderend hij vóór hun trouwen tegen haar opzag en hoe vroolijk
hij lachte om haar gulle bekentenis, dat ze zoo onbekwaam, zoo onhandig
in het huishouden was? Toen scheen dat alles bekoorlijkheid en poëzie,
wat nu na het huwelijk een schromelijke last blijkt te wezen.
Maar als een man bemerkt, dat hij een vrouw heeft, die nog weinig
van huishouden afweet, volgt dan hieruit, dat hij niet beter doen
kan, dan alle aanmerkingen op alles wat hem voorkomt, zonder vormen of
complimenten, haar naar het hoofd te werpen? Hij zou op zulk een toon
niet durven spreken tegen zijn schoenmaker, zijn slager, zijn bakker,
of hij zou er toch altijd eenige inleiding, een enkel verzachtend
woord bijvoegen. Toen Orestes nog niet getrouwd was, maakte hij nooit
aanmerking op het eten, dat hij in zijn restauratie kreeg, zonder zijn
woorden vooraf goed te overleggen, om het scherpe van zijn kritiek
wat te temperen. De wetten der samenleving vereischen, dat wij onze
aanmerkingen op hen, die wij buiten 's huis ontmoeten, eenigszins
matigen en den juisten tijd er voor uitkiezen. Maar op zijn eigen vrouw,
in zijn eigen huis mag ieder vitten zonder eenige complimenten of
verzachtende phrases. Dat kan de man ten minste, maar hij kan er zich
dan ook op voorbereiden, dat hij zijne vrouw binnen een paar jaren
geheel veranderd en zijn huis onuitstaanbaar zal vinden. Misschien
ondervindt hij ook, dat zulk een vitterij een spel is, even goed door
twee personen als door één te spelen, en dat een vrouw hare pijlen met
vrij wat meer juistheid en bedrevenheid kan afschieten dan een man.
Doch de schuld ligt niet altijd aan den man. Even dikwijls wordt een
liefhebbend geduldig, goedhartig echtgenoot gekweld en geplaagd en
bestookt door de vitterijen van een vrouw, die naar 't schijnt geen
grooter talent heeft dan de gave om bij den eersten oogopslag de zwakke
zijden van allerlei dingen te zien en aan te wijzen.
De edelaardigste, de welwillendste mannen zijn dikwijls door die
onophoudelijke vitterijen de knorrigste en ruwste echtgenooten geworden.
Verzekerd, dat toch niets wat zij doen goed gevonden wordt, zijn zij
geëindigd met niets te doen. Voldoen kunnen zij toch niet: waarom zouden
zij 't ooit weêr beproeven?
Ik heb een man gekend, die met een bedorven kindje in het huwelijk trad.
Er was geen eind aan haar grillen, haar eischen, haar pruilen. Eindelijk
had hij, om rust aan zijne zenuwen te geven, besloten, zich voor het
uiterlijke om haar niet meer te bekommeren; hij hoorde haar wenschen
met dezelfde onverschilligheid aan als haar klachten, en leefde voortaan
zoo veel mogelijk alsof zij niet bestond. Hij bezorgde in stilte wat
hij dacht dat zij noodig had, zonder zich de moeite te geven, op haar
verzoeken te letten of naar haar grieven te luisteren. Zijne vrouw
werd ziek, maar het hart van den echtgenoot was koud als een steen; er
bestond geen greintje sympathie meer om het te verwarmen. Zij stierf,
en nu ademde hij weêr vrij en had een gevoel, alsof hem een pak van het
hart genomen was. Hij trouwde met een vrouw, die niet mooi maar lief en
goedhartig was, die weinig eischte, zelden laakte, maar dan nog altijd
met tact, omzichtig, bedachtzaam; en de man, vroeger een onverschillig
echtgenoot werd de slaaf van haar wil. Hij was in hare handen als de
leem in de hand des pottebakkers; de minste aanmerking, die zij maakte,
juist omdat zij nooit scherp en nooit ondoordacht was, had meer invloed
op hem dan een vloed van woorden. Zoo verschillend is dezelfde mensch,
al naar gelang van de wijze, waarop hij behandeld wordt!
Ik heb tot nog toe alleen over de gevolgen gesproken, die vitzucht
tusschen man en vrouw voor henzelven heeft, maar nog treuriger zijn ze,
als zij kinderen hebben. Is vitzucht de kwaal, waaraan de hoofden van
het gezin lijden, dan tast ze al de leden aan. Niets ter wereld doet
kinderen zóó zeer, als onverstandige, onbedachtzame vitterij. Dikwijls
is een kind even gevoelig en prikkelbaar als een volwassene maar wezen
kan, en heeft bovendien nog al de gebreken aan zijn leeftijd eigen.
Niets aan hem is nog behoorlijk op orde; hij is in allerlei dingen nog
zwak en gebrekkig en iedereen acht zich volkomen gerechtigd, rechts en
links op hem te vitten, meestal met het gevolg, dat hem eigenlijk niets
meer kan schelen of dat hij een onverdragelijk humeur krijgt.
Een levendige, woelige jongen komt uit school, verlangend om aan zijne
moeder iets te vertellen, dat hij op zijn hart heeft, en het eerste, wat
hij van zijn vader hoort, is:
„Kijk, daar heb je de deur weêr open gelaten! Wanneer zal je dat toch
eens afleeren? En wat zit er een modder aan je schoenen! Hoe dikwijls
moet ik je toch zeggen, dat je je voeten moet vegen?”
„Daar heb je nu waarlijk je pet weêr op de canapé gegooid! Wanneer zal
je toch eens leeren, hem op te hangen?”
„Leg je lei daar niet neêr; dat is er de plaats niet voor.”
„Wat zijn je handen smerig! Wat heb je toch uitgevoerd?”
„Ga niet op dien stoel zitten; je breekt de veren maar met dat
wiebelen.”
„Mijn hemel! wat zit je haar slordig! Ga dadelijk naar boven en kam het
eens uit.”
„Heb je de knoopen weêr van je kiel afgetrokken? Mijn hemel, wat ben jij
ook een jongen!”
„Spreek toch zoo hard niet; je stem gaat mij door merg en been.”
„Zeg ereis, Piet! ben jij het geweest, die dat potje gebroken heeft?”
„Ik geloof zeker, Piet! dat jij zulke schaarden in mijn scheermes
gemaakt hebt.”
„Piet! ben jij aan mijn lessenaar geweest en heb jij die vellen papier
beklad?”
Nu is het de vraag, indien de volwassene leden van 't gezin een
dergelijke reeks van even gegronde aanmerkingen moesten hooren als de
ongelukkige Piet daar voor zijn deel krijgt, of deze niet evenzeer als
Piet uit hun humeur zouden raken?
Zeker wel: maar dat zijn volwassenen, en deze hebben rechten, die men
eerbiedigen moet. Men kan hun niet alles zeggen, wat men alzoo over hun
doen en laten denkt, of, als men het deed, zou er dan niet altijd leven
in huis zijn?
Meiden zijn in den regel niet veel meer dan volwassene kinderen, en
op deze is derhalve wat ik zeide evenzeer van toepassing. Eene ruwe,
onbeschaafde meid, die in een deftig huis komt dienen, heeft op allerlei
dingen te letten. Hier is een gaspijp, daar de buis van de waterleiding,
overal een omslag van allerlei dingen, die in een deftig huishouden
onmisbaar zijn, en waarmeê ze moet leeren omgaan. Let ze er niet op,
allerlei ongerief zal ontstaan, het geheele huis overstroomt, of met
een walgelijken stank vervuld worden. Het dekken van de tafel en het
bedienen der gasten geeft aanleiding tot honderd vergissingen, waarvan
er ééne genoeg is om 't heele gezin in een kwade luim te brengen. Het is
dan ook niet te verwonderen, dat er zooveel gelegenheid tot vitterij in
het huishouden is, en evenmin, dat Mevrouw en de meid vaak op denzelfden
voet met elkander staan als de kat en de hond, die tegen elkander blazen
en brommen. De vrouw des huizes is boos, kwaad, wanhopig, en met reden;
de meid evenzoo, en met even veel reden. Doch laat Mevrouw eens op een
drukkerij geplaatst en, na enkele vluchtige inlichtingen, gelast worden
een courant te zetten, dan is het waarschijnlijk, dat zij even onnoozel
en verlegen zou staan kijken als Kaatje in haar welingericht en prachtig
gemeubileerd huis.
Er zijn menschen, die voortdurend door de meidenplaag (zoo als zij het
noemen) worden geteisterd, even als de zee, waarvan de golven altijd in
beweging zijn. Letterlijk is hunne tafel tot een strik, en tot een val,
en tot een aanstoot voor hen geworden. Hun gas en hun water, hun vuur,
hunne meubelen, hunne ornamenten, zoodra ze in die onbedrevene, lompe
handen zijn, schijnen als zoo vele pijlen in de hand van Satan, die hij
dag en nacht op hunne gemoedsrust afschiet,—zoodat, al moge ook hun
huis in orde zijn, hun humeur en gemoed het zeker niet is.
Ik richt mij thans tot de gewetens van duizenden vrouwen, die, wat haar
wil en voornemen aangaat, onberispelijk mogen heeten. Zoo dikwijls zij
in de kerk komen, stijgen met elken psalm, met elk gebed hare zielen
tot God, tot hemelsche liefde en reinheid en rust omhoog; en zij zijn
nauwelijks weêr te huis of, zich ergerende aan haar eigen verkeerdheden,
moeten zij zich zelve wel verachten, dat ze zoo liefdeloos, zoo driftig,
zoo knorrig, onder alles zoo licht geraakt zijn: hoe komt het? ze zijn
fijne, gevoelige snaren, maar ze geven een wanklank, als een lompe hand
er gedurig op krast.
Spreek me niet van kloosterpijen en geeseling en onthouding! Ze zijn
waarlijk niet noodig. Laat een vrouw hare huiselijke beproevingen
als zulke kastijdingen beschouwen,—ze aannemen,—zich daarin
verheugen,—daaronder stil en geduldig zijn en een hart vol liefde
bewaren en het klooster kan haar niets meer leeren.
Als Kaatje 's avonds den sleutel van de kachelpijp den verkeerden kant
om heeft gedraaid (nadat het haar reeds meer dan honderd malen gewezen
is, hoe zij doen moet): en de heele familie hoestende en proestende
wakker wordt; als het gas in de kinderkamer door Trijntje uitgeblazen,
in plaats van uitgedraaid wordt, schoon zij telkens weêr heeft gehoord,
hoe gevaarlijk dit is,—als de borden, die 's middags op tafel komen
er smerig en streperig uitzien, al hebt ge haar weken aaneen in de
doodeenvoudige kunst van afwasschen en afdrogen geoefend,—als de vorken
en messen met ivoren hechten in heet vaatwater worden gelegd, al kent ze
er de gevolgen van en al is ze tot vervelens toe gewaarschuwd—als een
paar halfbeschaafde wezens boven en beneden, en door het geheele huis
telkens de belangrijkste dingen vergeten, juist op het oogenblik waarop
zij er om moesten denken,—dan is het ongelukkig met de vrouw des huizes
gesteld, zoo zij hare beproevingen niet in de daad en naar waarheid weet
te verdragen en te boven te komen. Het zijn niet alleen apostelen, die
een welbehagen kunnen hebben in nooden en benauwdheden; maar ook moeders
en huisvrouwen, die van den apostel willen leeren om te kunnen zeggen:
„Als ik zwak ben, dan ben ik machtig.”
De last drukt niet meer, als wij geleerd hebben, hoe wij dien dragen
moeten. Licht valt het dragen, als wij inzien, waar het goed voor is.
Maar zullen wij 't inzien, als er, in weerwil van de woeling der wereld,
rust en kalmte in den huiselijken kring heerschen, dan moeten wij ééne
gave zoeken, die, hoe ook door allerlei dweepers in miscrediet gebracht,
toch een eereplaats verdient onder de Christelijke deugden:—DE GAVE VAN
HET ZWIJGEN.
Geen woorden kunnen uitdrukken, geen tong kan vermelden, hoe groot de
waarde van het NIET SPREKEN is. „Spreken is van zilver, zwijgen is van
goud;” luidt een oud en kostelijk spreekwoord, en terecht zegt Salomo:
„Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en wie zijne
lippen toesluit verstandig.”
„Maar,” brengen vele stemmen daartegen in, „wat moet er van komen, als
wij niet spreken mogen? Moeten wij onze kinderen en onze dienstboden, en
elkander dan niet bestraffen? Moeten wij het kwaad maar stil zijn gang
laten gaan?”
Neen, verkeerdheden moeten gezien, verkeerdheden moeten aangewezen,
bestraft en verbeterd worden. Berisping en vermaning zijn plichten, die
de hoofden van 't huis jegens hun gezin en alle waarachtige vrienden
jegens elkander te vervullen hebben.
Maar goedgunstige lezer! laat ons eens rondzien in 't leven, laat ons 't
gedrag van anderen en ons eigen gedrag eens nagaan en vragen: „Heeft het
vitten op anderen wel altijd verbetering tot doel? Hoe dikwijls is het
tijdig en billijk, juist en weldoordacht? Hoe vaak wordt het op zulk
eene wijze gedaan, dat het eenige vrucht kan dragen?”
„Een wijs bestraffer bij een hoorend oor”, is een van die _zeldzame_
dingen, waarover Salomo spreekt—misschien wel het zeldzaamste, dat
er te vinden is. Hoe weinig waarlijk vrome menschen gaan van een
godsdienstig beginsel uit bij 't vervullen van dezen uiterst moeilijken
plicht! Wij maken aanmerking op een kachel die zoo trekt, dat alle
warmte in den schoorsteen gaat, en niet in de kamer komt. Dat is
geld verkwist, zeggen wij. Even noodeloos schijnt vaak kerkgaan,
gebed en gezang; zij kweeken en bevorderen de beste, de heiligste
gevoelens,—maar als deze zich niet verspreiden door den atmospheer
van het dagelijksch leven en de lucht van onze huiskamers verwarmen,
dan baten ook prediking, gebed en gezang al bitter weinig.
Wij hebben ons in den gebede neêrgebogen met de ootmoedige belijdenis,
dat wij even onhandig in de geestelijke dingen zijn, even ongeschikt
voor het hemelsch Jeruzalem, als Kaatje en Trijntje en de kleine
bedelares op onze stoep voor onze pronkkamers. Wij hebben de
struikelingen, waaraan wij ons iederen dag, ieder uur schuldig maken,
erkend en beleden; wij gevoelen dat de gedachte daaraan ons met smart
vervult, dat het juk onzer overtredingen ons zwaar op de schouders
drukt. Maar als wij uit de kerk terugkomen, stuiven wij dan niet tegen
onze dienstboden en kinderen op, omdat zij even onhandig en zorgeloos
in de aardsche dingen zijn, als wij in de hemelsche waren? Matigt de
gedachte aan het onuitputtelijke geduld van onzen Heer ons ongeduld
niet, als wij zeventig maal zeven malen iets gezegd hebben en onze
woorden in den wind geslagen zijn? Waarlijk, ik verdenk de oprechtheid
niet van uw godsvrucht, die gij in de kerk hebt opgedaan;—maar wat wij
noodig hebben is dit, dat wij haar in het dagelijksch leven in praktijk
brengen, en dat het er niet meê gaat zoo als met de kachels, die ik
straks noemde, waarvan al de warmte, voor de huiskamer geheel verloren
gaat en zich in het onmetelijke luchtruim daarboven verliest.
Van de wijze, waarop men moet berispen, geeft de Heilige Schrift ons
treffende voorbeelden. Als Paulus een kastijding heeft toe te dienen
aan strafbare Christenen, hoe uitnemend tempert hij haar door zijn
vriendelijkheid en zijn lof! welk een eervolle melding maakt hij
eerst van al het goede, dat in hen is! hoe stellig geeft hij hun de
verzekering van zijne gebeden en zijne liefde!—en als dan eindelijk de
pijl afgeschoten wordt, treft hij, juist omdat alles met zooveel zorg is
aangelegd, des te zekerder zijn doel.
Doch één is er geweest, grooter, heiliger, en beminnelijker dan Paulus,
die op aarde heeft omgewandeld met twaalf eenvoudige, onkundige,
bevooroordeelde mannen, zóó weinig leerzaam, dat zij zelfs nog op
zijn doodsdag twistten over een punt, dat hij hun meer dan eens
had verklaard, en zijne laatste levensure verbitterden door de oude
twistvraag, wie hunner de meeste zou zijn. Daar niets gebaat had,
bewees hij hun, als een dienstknecht voor hen nedergebogen, uit liefde
de geringste slavendienst en zeide: „Indien ik, de Heer en de Meester,
uwe voeten gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig elkanders voeten
te wasschen.”
Leerden echtgenooten, ouders, heeren en vrouwen meer in dezen geest
berispen, hunne berispingen zouden vrij wat meer uitwerking hebben, dan
nu vaak het geval is. Door middel van dien geest maakte Fénelon den
hooghartigen, lichtzinnigen, prikkelbaren en zelfzuchtigen hertog van
Bourgondië tot een edel mensch, nederig, minzaam, toegeeflijk voor
anderen, alleen jegens zich zelven gestreng. Hij had tot zinspreuk
gekozen: „Alleen de volmaaktheid kan de onvolmaaktheid verdragen.”
Maar, ook afgezien van dat berispen met bepaalde bedoelingen, hoe
dikwijls dient vitten nergens anders voor dan om lucht te geven aan
onze knorrigheid! De brandnetel steekt ons, en wij werpen dien met
beide handen op onzen buurman, wij branden ons aan 't vuur, en wie er
toevallig bij zijn, krijgen de kolen en de gloeiende asch, die wij van
ons afslingeren.
Zoo heeft men _nurkschheid_, een kouden motregen van hatelijke
opmerkingen; zoo heeft men _brommigheid_, een noord-westelijke storm,
die van geen bedaren weet; zoo heeft men _opvliegendheid_, een onweêr
met hagel en bliksem. Dat alles is vrij wat erger; het zijn werkelijke
_zonden_ voor ieder, die er aan toegeeft,—zonden, even groot en zwaar
als vele andere waarvoor men in een beschaafde maatschappij terugdeinst.
Al die verkeerdheden spruiten voor het grootste gedeelte alleen voort
uit de zucht om lucht te geven aan onze knorrigheid, die door slechte
spijsverteering of zenuw-overspanning ontstaat. Een dominé gaat met een
overladen maag naar de avondkerk, waar hij preêken moet, maar vindt er
niet meer dan een half dozijn toehoorders. Deze moeten 't nu voor de
anderen, die thuis zijn gebleven, ontgelden. „De kerk gaat te gronde; er
is geen belangstelling meer”—en zoo gaat het een uur lang voort; als de
benauwdheid op de maag wat bedaard is, zal de man ook bedaren.
Wij doen in één week vaak het werk, dat wij in zes moesten doen; wij
overspannen onze zenuwen en hersenen; is 't wel vreemd dat er weken
van gemelijkheid op volgen; waarin alles in huis verkeerd schijnt te
gaan? De meiden waren nooit zoo achteloos, de kindren nooit zoo woelig,
het huishouden was nooit zoo ongeregeld, het land nooit zoo slecht
geregeerd, de wereld nooit zoo goddeloos. Doch eigenlijk is het eenige
verschil tusschen de staat van zaken zooals die nu is en zooals die
verleden week was, dat wij onze zenuwen overspannen hebben en de wereld
nu door een donkeren bril bezien. Waarlijk, indien ooit, _nu_ moesten
wij den duivel der vitterij weêrstaan en hem het stilzwijgen opleggen,
totdat onze zenuwen wat bedaard zijn. Er komen tijden, waarop niemand
zich verstouten moest zijne naasten te beoordeelen, of zijne kinderen en
dienstboden te bestraffen, of zijne vrienden te berispen—tijden, waarop
wij zóó heftig zijn, dat wij geen snaar kunnen aanslaan, of wij doen het
te sterk. Dan is het geraden, te beproeven wat zwijgen vermag en, wat
nog beter dan zwijgen is, de toevlucht te nemen tot de macht van 't
gebed.
Doch als wij op den voorgrond stellen, dat wij _nooit_ mogen brommen,
_nooit_ bedillen, _nooit_ opstuiven, en het toch onze plicht is, anderen
hunne gebreken onder het oog te brengen, dan blijft de vraag over, _hoe_
dit dan geschieden moet. Als antwoord op die vraag heb ik iets van een
paar dames mede te deelen.
Mevrouw Streng is eene voortreffelijke vrouw, en zoo vast van
beginselen, dat men met eerbied tegen haar opziet. Hare begrippen
omtrent goed en kwaad zijn juist en helder; zij is mild voor de
armen, welwillend voor kranken en lijdenden, en innig godsdienstig.
Op alle kleinigheden, die in het leven eener vrouw voorkomen, is zij
onbegrijpelijk nauwgezet. Al wat zij doet, wordt juist zoo gedaan, als
het wezen moet. Zij is letterlijk getrouw aan al hare beloften, en met
alle dingen zoo stipt op den tijd, dat men het bij haar wel zonder klok
kan stellen.
Toch mist mevrouw Streng—niettegenstaande al deze voortreffelijke
hoedanigheden—de groote gave om 't haar huisgezin aangenaam te maken.
Zij lijdt aan de ongeneeselijkste soort van vitachtigheid,—zij is een
vitster uit beginsel. Zij heeft een zeer nauwkeurigen regel voor alle
dingen, zoowel voor den loop der dagelijksche gesprekken, als voor het
dekken van een tafel of het zoomen van een handdoek; en zij acht het
haar plicht, allen in haar huishouden aan dien regel te onderwerpen.
Zelden stuift zij in toorn op, zij is niet brommerig, maar zij regelt
haar huishouden met een onverbiddelijke strengheid, die iedere
verkeerdheid aanwijst, niets over het hoofd ziet en van geen
verschooning weet; zij wil in ieder gedeelte van haar gebied alles
volmaakt hebben; en de pijlen harer berisping worden zoo juist gemikt en
met zulk een kracht afgeschoten, dat zelfs de meest verharde ze voelt.
Al is zij dan ook weinig uit haar humeur en zelden of nooit driftig,
toch maakt zij al haar huisgenooten wanhopig door den bedaarden en
afgemeten toon van haar spreken. De meiden zijn bang voor haar, maar
beminnen haar niet. Haar echtgenoot—een beste man, die echter wat
slordig van aard is—wordt nu en dan wanhopig onder den zwaren last
harer vitterijen. Hare kinderen beschouwen haar als iemand, die op een
hoogen, ontoegankelijken bergtop van braafheid woont en altijd met
donkere oogen van die hoogte neêr ziet op alle ondeugende jongens en
meisjes. Zij kunnen maar niet begrijpen, hoe het komt, dat zulk een
brave mama kinderen kan hebben, die—al doen zij ook nog zoo hun best,
om goed op te passen—toch stellig iederen dag ondeugend zijn.
Het gebrek van mevrouw Streng is niet dat hare eischen te hoog zijn, en
evenmin, dat zij haar uiterste best doet, allen daaraan te onderwerpen,
maar dat zij daarbij den rechten weg niet inslaat. Berisping is, volgens
haar stelregel, het eenige middel om iemand van zijne gebreken te
genezen. Zij heeft nooit ingezien, dat het evenzeer haar plicht is te
prijzen als te laken, en dat de menschen meer nog tot het goede worden
aangespoord door hen te prijzen, als zij goed doen, dan door hen te
bestraffen, als zij kwaad doen.
Een geheel ander karakter dan mevrouw Streng heeft mevrouw Ligthart,
een allerliefst vrouwtje, in waarde ver beneden haar, maar vroolijk en
prettig, niet bijzonder vast van beginselen, en er altijd op uit, om al
wat onaangenaam is te vermijden en het levensgenot te verhoogen.
Mevrouw Ligthart wordt door haren echtgenoot, hare kinderen en hare
dienstboden aangebeden, eenvoudig omdat het in haren aard ligt aan
iedereen wat aangenaams te zeggen. Zij heeft er den slag van om elk voor
zich in te nemen, zonder dat zij 't zelve weet. Terwijl mevrouw Streng,
als de meid de tafel gedekt heeft, alles scherp naziet en eindelijk voor
den dag komt met een: „Jansje! heb je die vlek op dat zoutlepeltje niet
gezien? Ik kan niet begrijpen, hoe je zoo onattent kunt zijn!” zou
mevrouw Ligthart zeggen: „Wel, Jans! waar heb je toch geleerd, een tafel
zoo netjes te dekken? Alles ziet er keurig uit, behalve—ja, laat mij
eens zien—och, wrijf dat zoutlepeltje even wat af—dan is alles kant
en klaar.” De meiden en kinderen bij mevrouw Streng hooren nooit van
iets anders dan van hunne gebreken; deze worden hun altijd voor oogen
gehouden. De meiden bij mevrouw Ligthart hooren altijd van het goede,
dat zij verrichten. Zij prijst wat er in hen te prijzen valt, zegt hun,
dat zij dit en dat bijzonder naar haar zin doen, en spoort hen eindelijk
aan, op grond dat zij zooveel dingen goed doen, nog te verbeteren wat
hun ontbreekt. Haar man gevoelt, dat hij altijd hoog in hare achting
staat aangeschreven, en hare kinderen houden 't er voor, dat zij heel
lieve kinderen zijn, al heeft mama soms wel eens een kleine aanmerking
op hen te maken, en al zegt ze dan ook ronduit, wat haar niet bevalt.
De beide gezinnen bewijzen het, dat een alledaagsche vrouw, maar die
gaarne prijst en innemend is, vrij wat meer doen kan dan een zeer
waardige matrone, die naar de beginselen van recht en godsdienst
handelt, maar de menschelijke natuur tracht te verheffen door middel van
een hefboom, die er niet geschikt voor is.
Daarom vooral verbeteren wij, arme menschenkinderen onze gebreken en
misslagen niet, omdat wij denken, dat het toch niet mogelijk is. Wie
ging nooit onder eene zonde gebogen, waartegen hij niet streed, alleen
omdat hij den moed had verloren? en wie hervatte den moed niet, als hij
een vriend had, die hem zacht beoordeelde, het beste van hem vertrouwde,
zijne deugden in 't licht en zijne gebreken in de schaduw stelde?
Waarlijk, hetzelfde vleesch en bloed, dezelfde nooden en behoeften, als
wij hebben, zijn ook eigen aan al onze medemenschen, aan elke onhandige
dienstbode en aan ieder onachtzaam kind.
Laten wij ons dan allen voornemen:
vooreerst, de gave van het ZWIJGEN ons eigen te maken;
ten tweede, alle VITTERIJ, die niet verbetert, ZONDE te noemen; en, als
wij zelven gelukkig zijn, onze naasten nooit lastig te vallen door
telkens op hunne kleine verzuimen te wijzen;
ten derde, de gave en de deugd van den LOF aan te kweeken. Wij hebben
allen geleerd, dat het onze plicht is, God te prijzen, maar weinigen van
ons hebben er zeker ooit aan gedacht, dat het evenzeer onze plicht is,
de menschen te prijzen; en toch is het om dezelfde reden, als die ons
gebiedt Gods goedheid te verheerlijken ook onze plicht het goede in den
mensch te erkennen.
Wij moeten onze vrienden prijzen, hen, die ons 't naast zijn en 't
naast aan het hart liggen; wij moeten zoodanig op hunne deugden letten,
totdat hunne gebreken verdwijnen; en wanneer wij anderen 't hartelijkst
liefhebben en zij in ons oog 't beminnelijkst zijn, dan is het de rechte
tijd, met omzichtigheid te spreken over hetgeen nog verandering behoeft.
Ouders moeten de gelegenheid om hunne kinderen te prijzen, met evenveel
zorg opzoeken, als zij dit doen om te berispen: en heeren en vrouwen
behooren het goede in hunne dienstboden even nauwgezet te erkennen, als
zij het verkeerde in hen laken.
In de meeste gevallen—neem er de proef maar eens van,—komt men verder
met lof dan met berisping. Wacht totdat een onhandige dienstmaagd iets
goed doet, en geef haar daarvoor een prijsje, en gij zult een nieuw vuur
in haar oog zien glinsteren, en kunt er voor 't vervolg zeker van zijn,
dat zij ten minste dit ééne goed zal doen.
Als gij berispt, hetgeen zelden moet gebeuren, laat het dan onder vier
oogen zijn, met de meeste bedaardheid met tact en verstand. De gewoonte,
kinderen en dienstboden in het bijzijn van anderen te berispen, kan niet
te zeer afgekeurd worden. Halstarrigheid en eigengezindheid komen er uit
voort, terwijl eene berisping onder vier oogen misschien in dank zal
aangenomen worden.
Als een algemeenen regel stel ik: behandel kinderen in dit opzicht
eveneens, als of gij met volwassenen te doen hadt; zij zijn volwassenen
in miniatuur, en hebben er evenveel recht op, dat gij hun gevoel
eerbiedigt, als ieder onzer.
Eindelijk, laat ons allen een heiligen krans vlechten van 't geen er
goed en liefelijk is in ons leven, onzen kring, ons dagelijksch werk, en
't geen er goed en liefelijk is in onze vrienden, onze kinderen, onze
dienstboden, en dien dagelijks in handen nemen, totdat prijzen en
opbeuren voor ons gewoonte is. Dat doende, zullen wij één kleinen vos
gevangen en gedood hebben, die maar al te veel jonge druifjes verdorven
heeft.
PRIKKELBAARHEID.
II.
PRIKKELBAARHEID.
De kerstdag, die deed het mij; daar ben ik zeker van, en hoe 't zich
heeft toegedragen, zal ik u eens vertellen.
Gij moet dan weten, dat de viering van jaarlijksche feesten en
gedenkdagen altijd bij de familie Crowfield in eere gehouden is; maar
onder al de gedenkdagen van 't heele jaar wordt er geen zoo vroolijk
gevierd als kerstmis.
Laat niemand hierbij zijne archeologische ooren opsteken en ons
vertellen, dat volgens de berekeningen der chronologen de viering van
het kerstfeest een dwaasheid is,—dat het op de duchtigste gronden
vaststaat, dat de heuglijke gebeurtenis, die wij dan herdenken, niet op
den 25sten December plaats gehad heeft. Laat het waar zijn, maar wat
kan ons dat schelen? Als zulk eene buitengewone, heuglijke gebeurtenis
ooit op aarde voorgevallen is, dan is zij zeker 't herdenken wel waard.
't Is de _gebeurtenis_, die wij vieren, niet den _tijd_, waarop zij
voorviel. En indien alle Christenen gedurende achttien honderd jaren,
terwijl zij over duizend andere punten twistten en streden, goedgevonden
hebben, dezen eenen 25sten December aan de verkondiging van Gods
welbehagen in menschen toe te wijden, wie zou dit gebruik dan laten
varen en om een historisch bezwaar de heerlijke kerstdagen willen
missen?
In ons huis dan is Kerstmis altijd een hooge feestdag geweest, een dag,
die reeds den vorigen avond de oogen van ons klein volkje openhield,
daar de kinderen, maar met één oog dicht, gingen slapen, om toch de
eersten te zijn, die vader en moeder een gelukkigen kerstdag wenschten
en een kijkje van den wonderbaren kerstboom hadden.
Ditmaal vierde de geheele stoet van gehuwde broêrs en zusters, zoons en
dochters, met al de kinderen van de familie, een vroolijk feest rondom
een prachtigen kerstboom, die door mijne vrouw en Jenny en mij gemaakt
en versierd was: een werk, dat ons wel acht dagen had bezig gehouden.
Als het jonge volkje meent, dat deze boomen in één nacht en zonder
eenigen arbeid groeien, dan weet het er even weinig van als van de
meeste andere zegeningen, die, zonder dat zij er aan denken, op hunne
hoofdjes neêrdalen. Dat geklauter en geklim, dat loopen en draven, dat
vastbinden en weer losmaken, die schikkingen en verschikkingen, die
vlugheid en vaardigheid om nu hier, dan weer daar te zijn, waskaarsen
zonder tal en gouden loovertjes en andere blinkende voorwerpen aan
de takken te binden, mooie poppen in bevallige standen op te hangen,
de takken recht te houden onder den last van allerlei snuisterijen,
op 't gevaar af dat de waskaarsen onderste boven vallen,—van al die
werkzaamheden was ik, Christoffel, de ziel. Ik bekreunde mij niet
over mijne rhumatisme, ik bekommerde mij niet om mijn waardigheid:
men zag mijn kale kruin nu eens hier, dan weder daar, boven de dikke
sparretakken opduiken. Hier moest ik een goede plaats geven aan een
mooier aangekleed popje, daar een paar nieuwe schaatsen voor Tom aan een
stevigen tak ophangen, nu eens zakken met suikergoed vastbinden en dan
weer een wanhopigen strijd voeren met een weerspannige waskaars die maar
niet recht wou blijven staan. Zonder naar den raad van mijn vrouw te
luisteren, bleef ik dikwijls laat op, sprong vaak in het holle van den
nacht op eens weêr uit mijn bed om nog een kleine verandering te maken,
en was vóór dag en dauw weer bij de hand en met nog andere verbeteringen
bezig. Als die kerstboom een vesting geweest was, die ingenomen, of een
veldtocht, die beraamd en ontworpen had moeten worden, dan kon ik er
niet meer tijd en moeite aan besteed hebben. Mijn ijver overtrof dien
van de bedrijvige Jenny zelfs zoozeer, dat zij het niet kon begrijpen,
of 't moest wezen (zoo als ze met een onbeschaamd gezicht zei), dat
vader al hard op weg was om kindsch te worden.
Maar was die boom op kerstavond niet schitterend verlicht. Waren wij,
ik en mijn jongste kleinzoon, de kleine Tom, niet aan 't hoofd van
den prachtigen optocht met papieren sjako's op het hoofd? Was het
niet een verrukkellijk getrompet en getrommel, terwijl wij rondom onze
schitterenden kerstboom trokken, die met honderden roode en blauwe en
groene waskaarsen prijkte, en op den top een engel met groote gouden
vleugels droeg, waarvan het uitknippen en opplakken mij nachten aaneen
uit den slaap gehouden had? Ik had bergen van bezwaren met dien engel te
overwinnen gehad, en hem, nadat hij zijn linker vleugel verstuikt had,
een week lang als chirurgijn gediend; nog altijd was ik bang, dat die
vleugel weêr uit het lid zou raken op het gewichtig en zalig oogenblik,
dat onze kerstboom vertoond werd. Doch de schikgodinnen waren ons
gunstig; de engel hield zich goed, hij sloeg zijne vleugels zoo wijd
mogelijk uit, en de waskaarsen brandden allen helder en het kleine
volkje was zoo uitgelaten van vreugde, dat het mijne stoutste
verwachtingen ver overtrof; en daarop stoeiden en speelden en zongen
we, zoolang als de kleine oogjes konden openblijven; en zoo brachten
wij onze kerstmis door.
Ik heb nog verzuimd van het kerstmaal te spreken, die keur van spijzen,
waaraan wij zoo heerlijk smulden. Mijne vrouw stelde alle huishoudelijke
overleveringen ten opzichte van dit feest in de schaduw: de kalkoen en
de kuikens, de geleien en de sausen, de taartjes en de pudding, zie,
zijn ze niet geschreven in het Boek der Gedachtenissen, dat tot op dezen
dag bewaard gebleven is?
De feestdagen gingen vroolijk voorbij, en op den nieuwjaarsdag ging ik,
ouder en goeder gewoonte, bezoeken afleggen bij mijne kennissen, terwijl
mijn vrouw en dochter te huis bleven om de vrienden, die ons kwamen
bezoeken, op te wachten. Alles was vroolijk om ons heen, en allen
moesten toestemmen, dat wij nooit zoo'n plezierige week gehad hadden.
Maar een dag of acht later begon ik te merken, dat er een kink in den
kabel kwam. Ik moest een artikel schrijven voor een maandblad, maar het
vlotte niet: ik kon geen letter op het papier zetten. Mijn eten smaakte
mij niet zoo goed als anders, en ik had een duister gevoel, dat er iets
was, dat verkeerd ging. De rekening van mijn steenkolen kwam in, en ik
hield mij overtuigd, dat wij te veel verstookt hadden en dat ons fornuis
een groote zinkput was. Mijn kleinzoons en kleindochters kwamen bij ons
te visite, en ik vond, dat zij een leven maakten als een oordeel; ik
merkte dat zij zonder voeten te vegen binnen kwamen, en in eens viel het
mij in: ze krijgen eene verkeerde opvoeding, ze groeien zoo maar in 't
wild op. Desgelijks zag ik glazen en borden, waar hoekjes uit waren, en
maakte ik hatelijke opmerkingen over de lompheid van de meiden; van ons
glaswerk en porcelein zou wel geen stuk heel blijven. Toen ik een van
mijne papierladen opentrok, zag ik, dat Jenny's sajet uit het laadje,
dat ze gebruikt, bij mijne papieren geraakt was; Jenny begon slordig te
worden; buitendien, sajet is duur, en meisjes brengen nog al wat geld
zoek met het maken van prullen, waaraan niemand iets heeft. Daarenboven
had Grietje mijn pantoffels tot drie malen toe in de hangkast gezet, in
plaats van ze onder mijn schrijftafel te laten staan, waar ik ze noodig
had. Mijn vrouw moest de dingen meer nagaan; de meiden deden alles
verkeerd; 't was vreemd, dat zij 't niet zag.
Aan al die grieven gaf ik van tijd tot tijd lucht in korte, bittere
gezegden, even onbeschroomd, alsof ik nooit een artikel over „kleine
vossen” geschreven had, totdat mijne oogen eindelijk omtrent mijn waren
toestand open gingen.
't Was avond: ik had het vuur juist in den besten bouwstijl opgebouwd,
ik had mijne pantoffels aangetrokken en zat vrij verdrietig het nummer
van een hatelijk tijdschrift open te snijden.
Mijn vrouw kreeg de tang en verlegde even een blokje.
„Engel!” zeide ik, „ik wou wel dat je met je handen van het vuur
afbleef,—je maakt het altijd uit.”
„Ik woû het vuur maar wat meer lucht geven,” zei mijn vrouw.
„Als je telkens aan het vuur komt, dan moet het wel uitgaan.”
Als om dit gezegde te logenstraffen, schoot er een heldere vlam tusschen
de blokken te voorschijn en begon het vuur te branden en met vroolijk
geknap mij te sarren. Zoo er nu iets is, dat een heilige boos kan maken,
dan is het, op zulk een manier door zijn eigen vuur bespot te worden.
Het is een ondragelijke onbeschaamdheid. Ik stak mijne beenen knorrig
uit en raakte daarbij Fidel aan, die zoo geducht begon te blaffen dat
mijne zenuwen nog meer over stuur geraakten. Ik gaf hem nu een duchtigen
schop, opdat hij ten minste een reden tot blaffen zou hebben, en wierp
bij die gelegenheid het werkmandje van Jenny omver.
„Och, papa!”
„Ik woû, dat je met je mandje en kloenen naar de maan liept! 't Is er
hier zoo vol meê, dat men zich haast niet kan verroeren. 't Zijn maar
noodelooze dingen en duur ook.”
„Duur?” zeide Jenny, terwijl zij eene kleur van boosheid kreeg: want als
er iets is, waar Jenny zich op beroemt, dan is het op hare zuinigheid.
„Ja,” zeg ik, „duur,—want zij kosten tijd en geld. Terwijl er honderden
armen zijn, die kleêren noodig hebben, zitten de dames niets anders te
doen dan sajet te verknoeien aan allerlei prullen. Als zij voor de armen
wat maakten, dan kon het nog aangaan, maar allen zijn zij één pot nat:
er bestaat geen werkelijk Christendom in de wereld—niets dan verfijnde
zelfzucht en zinnelijkheid.”
„Lieve!” zei mijn vrouw, „je bent van avond zeker niet wel. Het is er
nog niet zoo erg meê gesteld, als je wel denkt: je bezuurt de kerstweek
nog.”
„Ik ben heel wel. Ik zou niet beter verlangen. Maar ik ben, hoop ik,
nog wel in staat om te zien wat er onder mijne oogen gebeurt; en dan
moet ik je zeggen, vrouw! dat het zoo niet langer kan blijven gaan. Er
moet meer op de kleintjes gelet worden. Daar heb je Grietje,—die meid
doet nooit wat er gezegd wordt. Je bent niet streng genoeg op haar,
vrouw! Zij maakt het vuur met het laatste nummer van de krant aan en zij
verkiest mijn pantoffels niet te zetten, waar zij behooren; en ik kan
mijn studeerkamer toch niet tot een magazijn maken voor Jenny en hare
mandjes en kloentjes en voor al die rommel.”
Juist op dit oogenblik hoorde ik Jenny iets in zich zelve mompelen. Zij
kon hare boosheid over mijn uitval tegen haar sajet nog niet verkroppen;
zij zat, met haar rug naar mij toe, druk door te werken, en zei heel
zacht, maar toch heel verstaanbaar:
„Als _ik_ zoo redeneerde, dan zou men vast zeggen dat ik _knorrig_ was.”
Ik hield mij alsof ik verstrooid van gedachten in het vuur zat te
kijken; maar Jenny's woorden hadden mij aan mij zelven ontdekt. Was
_dat_ het? Was het dan waarlijk zoo, dat het huis, de meiden, Jenny en
haar sajet, Fidel en mijn vrouw even als gewoonlijk waren, en dat het
eenige verschil aan mij, aan mijn knorrigheid lag? Hoe dikwijls had ik
Fidel naar dezelfde plaats gelokt, als waar hij lag, toen ik hem een
schop gaf! Hoe dikwijls had ik, beter gehumeurd dan nu, Jenny een
complimentje over haar net tapisseriewerk gemaakt en gezegd, dat ik het
wel aardig vond, die dameswerkmandjes zoo vertrouwelijk met mijne
papieren te zien omgaan. Ja, het was duidelijk. Niets was veranderd,
behalve alleen dat ik knorrig was.
_Knorrig._ Ik paste dat eenvoudige, ouderwetsche woord op mij zelven
toe, in plaats van te zeggen, dat ik uit mijn humeur of wat zenuwachtig
was, of eenige van die andere verzachtende uitdrukkingen te bezigen,
waarmede wij onze kleine zonden verbloemen. „Daar heb je 't nu al,
Christoffel!” zeide ik bij mij zelven, „je bent een letterkundige, met
een wat prikkelbaar zenuwgestel en een zwakke maag, en je hebt gegeten
alsof je achter den ploeg moest; je hebt je twee weken lang als een
jongen van zestien jaar aangesteld; je bent vroeg opgestaan en laat naar
bed gegaan; en het gevolg er van is, dat je, evenals een zieltje zonder
zorg, in veertien dagen het kapitaal levenskracht, dat veertien weken
had moeten duren, verbruikt hebt. Je kunt geen ijzer met handen breken,
Christoffel! Als de bron van vroolijkheid opgedroogd is, kan je niet
vroolijk wezen; de dingen kunnen er niet voor je uitzien, als toen je
nog in de kracht van je leven was. Als de vloed voorbij is, blijft er
niets over, dan onoogelijk en stinkend slijk, daar valt niet aan te
veranderen: maar jij, Christoffel! kunt je aandoeningen bedwingen—je
kunt weten wat je scheelt,—je kunt voorkomen, dat wat je te veel aan
kerstkoeken gegeten en te veel aan kerstvreugde genoten hebt, neêrkomt
op je vrouw, op Fidel en op Jenny, laat het wezen in den vorm van
venijnige zedepreeken en hatelijke opmerkingen, of in dien van een
duchtigen schop, zooals je aan het arme beest gegeven hebt.”
„Kom hier, Fidel, arme hond!” zei ik, terwijl ik mijn hand naar Fidel
uitstak, die in een hoek der kamer was gaan liggen en mij strak aankeek,
„kom hier, mijn beest! Was de baas knorrig? Kom hier maar. Wij moeten
vergeven en vergeten, oude jongen! niet waar?” En Fidel verrekte zijn
rug haast en verscheurde mijn hart door zijn onophoudelijk
kwispelstaarten.
„En wat jou betreft, poesje!” zeide ik tot Jenny, „ik ben je heel
dankbaar, dat je je gedachten zoo vrij uit gezegd hebt. Je moet mijn
scherpe aanmerkingen maar niet al te veel tellen, en je handwerkjes in
zoo veel laden van mijn schrijftafel leggen als je maar wilt.”
In een woord ik bracht de zaak met allen in orde—en verontschuldigde
mij zelfs bij mijn vrouw, die, tusschen twee haakjes, zoo menigen zomer
en zoo menigen winter met mij doorgebracht heeft, dat zij mij door en
door kent, en mijne knorrigheid dan ook even kalm had verdragen, alsof
ik een kind was geweest, dat een tand kreeg.
„Natuurlijk wist ik wel, Christoffel! wat er aan haperde; vermoei je
maar niet,” zeide zij, toen ik eene verontschuldiging begon, „wij kennen
elkander wel. Maar er is één ding dat je eens moet herinneren: dat je
preek al klaar moest zijn.”
„Welnu dan,” zeide ik, „even als andere beroemde schrijvers, zal ik van
mijne eigene gebreken gebruik maken, en over den tweeden kleinen huisvos
spreken, die
PRIKKELBAARHEID
heet.”
Prikkelbaarheid is meer dan eenige andere gemoedsstemming, een zonde des
vleesches. 't Is niet, zoo als nijd, wrok, wangunst, wraak, een gebrek,
dat wij ons even goed in een geest zonder lichaam kunnen voorstellen:
want inderdaad heeft niets meer van een _lichaams_kwaal dan dit. Er zijn
ongesteldheden, er zijn zenuwaandoeningen zóó hevig, dat we niet kunnen
begrijpen, hoe zelfs de geest van een engel, als hij in een lichaam
moest huizen, dat aan zulke kwalen lijdt, meer zou vermogen te doen dan
geduldig verdragen. Zenuwlijden is het, anders niet: en de aanvallen,
die het arme slachtoffer op anderen doet, zijn even goed een gevolg van
ongesteldheid, als het happen en bijten van een lijder aan watervrees.
Daarentegen zijn er anderen, die beminnend en bemind hun levenspad
bewandelen, overal welkom, hooggeroemd als voorbeelden van 't geen
de godsdienst vermag, en die met dat al om die reden toch weinig lof
verdienen. Hun geest woont in een lichaam, zoo kalm en bedaard, hun
gewaarwordingen zijn allen zoo frisch en krachtig en aangenaam, dat het
hun niet mogelijk valt, de wereld anders dan met een liefdevol oog en in
het vroolijkste licht te bezien. De kwade luim van anderen maakt hen
niet boos; overkropte bezigheden doen hunne zenuwen nooit aan; en hunne
gansche leven lang wandelen zij in den helderen zonneschijn van volkomen
lichamelijke gezondheid.
Zie Fidel eens. Hij is nooit zenuwachtig, nooit knorrig, hij bijt of
bromt nooit, maar terstond na de hevigste mishandeling kwispelt hij u
met zijn staart vergiffenis toe,—en dat alleen omdat de natuur zijn
hondenlijf zoo samengesteld heeft, dat het altijd harmonisch werkt. Was
ieder mensch met een maag en met zenuwen als de zijne bedeeld 't zou
ongetwijfeld beter en gelukkiger in de wereld toegaan. De man heeft
waarheid gesproken die eens de opmerking maakte, dat de grondslag van
alle intellectueele en moreele waarde, op een goed gezond lichaam moet
berusten.
Nu valt het, denk ik, wel niet te ontkennen, dat de vrede en het geluk
van den huiselijken kring meestal groot gevaar loopen, als een der
huisgenooten aan die prikkelbaarheid van zenuwen lijdt. Ieder zal,
wanneer hij over de zaak nadenkt, moeten erkennen dat zijne betrekking
in de maatschappij, het karakter zijner vrienden, zijne waardeering van
hunne deugden en gebreken, zijne wenschen en verwachtingen alle zeer
veel van den staat zijner zenuwen afhangen. Kunnen wij ons niet allen
herinneren, hoe 't ons wel eens gebeurd is, dat wij als miskende
schepselen, wier vrienden allen onredelijk waren, wier leven vol
beproevingen en tegenspoeden was, te bed gingen, en op een heerlijken
morgen wakker werden, toen al deze inbeeldingen verdwenen waren met de
nevelen van den nacht? Onze vrienden waren toch nog zoo kwaad niet; de
kleinigheden, die ons kwelden, schenen ons bij den helderen zonneschijn
belachelijk toe; en wij waren gelukkige menschen.
De levenswijsheid schrijft ons derhalve in dit opzicht twee dingen voor:
vooreerst, te zorgen, dat ons lichaam niet in zulk een prikkelbaarheid
komt, en, ten andere dezen toestand te kennen en te bedwingen, wanneer
wij dien niet kunnen afweren.
Natuurlijk is de eerste regel de beste en toch schijnt dit het minst van
allen erkend en begrepen te worden. Wij hebben tal van voorschriften
voor 't beheerschen van den tong en het karakter; 't is een
modderpoel,—zooals Bunyan naar waarheid gezegd heeft—waarin
karrevrachten van goedkoope raadgevingen geworpen zijn; maar hoe wij
gezond kunnen worden en blijven naar hoofd, maag en zenuwen, zoodat wij
nooit in verzoeking komen om knorrig of driftig te zijn, dat is een
onderwerp, waarover de geleerden, die godsdienstige en zedelijke
voorschriften geven, doorgaans maar los heenloopen.
Zonder mij nu in de physiologische termen te verdiepen, mag ik toch ten
aanzien van ons menschelijk wezen vaststellen, dat er een macht is,
waardoor wij leven, ons bewegen en zijn,—waardoor het hoofd denkt, de
maag het eten verteert, het bloed omloopt, en de verschillende deelen
van ons lichaam doen, wat ze doen moeten. Dit iets—noem het zenuwvocht,
zenuwgestel, levenskracht, hoe of gij ook wilt—kan echter niet
nauwkeurig omschreven worden. Het is bovendien duidelijk, dat de
menschen die kracht in zeer verschillende mate bezitten: enkele brengen
haar voort even als een stoommachine den stoom, en gebruiken haar
voortdurend, zonder dat zij uitgeput raakt; en anderen bezitten er
weinig van en verbruiken haar snel. Wij zeggen wel eens, dat deze of
gene spoedig op is. Van zulk een uitputting zijn de zuiver physieke
gevolgen zenuwachtigheid en prikkelbaarheid. Zoo iemand heeft zijne
zenuwkrachten uitgeput,—even als een jongen, die, wat een heele week
hem moet voeden, op Maandag al opeet, om dan tot den volgenden Maandag
te vasten; of wel, zoo iemand heeft de hoeveelheid zenuwkracht, voor
't geheele lichaam met al zijne deelen benoodigd, voor een enkel deel
geheel in beslag genomen en tot schade der overige deelen verbruikt. Zoo
gaat het dikwijls bij letterkundigen: 't overspannen hoofd verbruikt
voor zich al wat de andere lichaamsdeelen voor een gezonde werking
noodig hebben; de maag heeft geen kracht tot verteren; de afscheiding
der vochten gaat ongeregeld; en het gebrekkig geassimileerd voedsel,
opgenomen in iedere zenuw en vezel, voert met zich iets prikkelends en
scherps, dat een algemeene onrustigheid en onlust veroorzaakt. Zoo
brengt menigeen zijn geheele leven worstelend door, terwijl nauwelijks
een op de duizend dat volkomen evenwicht der deelen, die eigenaardige
harmonie van krachten kent, waaruit een gezonde toestand en als gevolg
van dezen, opgeruimdheid en welwillendheid ontstaat.
Wij, Amerikanen, zijn een zenuwachtig prikkelbaar volk. Vele kinderen,
in de hoogere standen waarschijnlijk de groote meerderheid, komen ter
wereld met zenuwkwalen en hersenontstekingen en maagziekten, die hen
ongeschikt maken voor eenige sterke of langdurige inspanning zonder dat
zij er hinder van hebben, zoodat zij te midden van al hun zwoegen
telkens moeten ophouden en uitzieken. Het leven hier in Amerika is zoo
gejaagd, gaat zoo snel, het klimaat is zoo prikkelend ten gevolge van de
plotselinge afwisselingen in de temperatuur, dat, wie aanleg heeft voor
zenuwongesteldheden, gedurig erger moet worden.
Wanneer men er dus geen gewetenszaak van maakt een deel van zijn
krachten voor huiselijk leven en voor huiselijk verbruik te
besparen—dan moet wel onder zulke omstandigheden de huiselijke kring
dikwijls niet meer voor ons wezen dan toevluchtsoord, als wij _op en af
zijn_.
Papa is na het haastig gebruik van 't ontbijt onophoudelijk in de weer,
en leeft den geheelen dag voor zijn zaak: hij wijdt daaraan alle
krachten van hoofd en hart, van lichaam en ziel toe, en komt dan afgemat
en uitgeput t'huis, zoodat hij het geschreeuw van den zuigeling niet kan
verdragen, en de pret en 't gestoei van de andere kinderen hem nog meer
uit zijn humeur brengen. De kleinen zeggen in hun ronde taal: „Papa is
knorrig.”
Mama gaat uit op partij, tot een twee uur in den nacht: zij zit daar in
een benauwde zaal, eet van allerlei, en is morgenochtend zoo zenuwachtig
dat niemand haar een strootje in den weg moet leggen.
Papa's, die dag op dag zóó hard werken, en mama's, die zóó avond op
avond uitgaan,—wat blijft er van hen over om den huiselijken haard op
te vroolijken en voor hunne kinderen te leven?
Wel zegt de man, dat hij 't niet helpen kan, want dat zijn zaken toch
voorgaan; maar waartoe dient het, tot zulk een prijs zijn geld op te
stapelen? Waarom niet liever wat minder geld verdiend en wat meer tijd
besteed aan 't huiselijk leven, tot vreugd van zijne vrouw en tot nut
van zijn kinderen? Waarom al zijn kracht tot op den laatsten droppel aan
wereldsche bemoeiingen verspild, en aan zijne innigst-geliefden niets
anders gegeven dan den bitteren droesem?
De meeste waarschuwingen, van den kansel en in de kerk tegen overdreven
zingenot ingebracht, hebben niets uitgewerkt, omdat zij verkeerd werden
aangelegd. Er is, bij voorbeeld, een kanonvuur geopend tegen het dansen,
en dat alles om redenen, die den toets volstrekt niet kunnen doorstaan.
't Is dwaasheid het dansen een zonde te noemen, omdat wij leven in een
vergankelijke wereld en ons voor de eeuwigheid moeten voorbereiden.
Als het dansen daarom zonde is, dan is ook knikkeren en stoeien met
kinderen, of veel van lekker eten houden en honderd andere dingen,
waartegen niemand ooit bezwaar heeft ingebracht, dan is dat ook zonde.
Maar als een dominé zei, dat alles zonde is, wat de kracht, voor de
vervulling onzer dagelijksche plichten benoodigd, verbruikt en ons
uitput en ontstemt juist dan en juist daar, wanneer en waar wij vooral
gezond en opgeruimd moesten zijn, dan zou hij iets zeggen dat geen
zijner hoorders zou kunnen ontkennen. Als hij er dan bijvoegde, dat
bals, die 's avonds ten tien ure beginnen en 's nachts te vier ure
afloopen, de kracht uitputten, de zenuwen verzwakken, en iemand geheel
ongeschikt maken voor de vervulling zijner huiselijke plichten, dat zou
alweêr iets zijn, dat zeer weinig menschen hem zouden betwisten. Als
hij verder beweerde, dat het verkeerd is bedorven lucht in te ademen
en de maag zóó met ongezonde lekkernijen op te vullen, dat men er dagen
achtereen gejaagd en knorrig van is, dan zou hij evenzeer iets in 't
midden brengen, dat door niemand zou geloochend worden, en de hoop mogen
voeden, dat zijn preek niet geheel zonder vrucht zou blijven.
Het beste middel ter beoordeeling, of eenig vermaak al of niet
geoorloofd is, bestaat hierin, dat wij er op letten, welken invloed het
daags daarna heeft op onze zenuwen en op ons humeur.
Elke uitspanning moet altijd,—zoo als het woord reeds
aanduidt,—ontspanning zijn; ze moet ons opfrisschen, vernieuwen, ons
lichaam of onzen geest bij beurten tot rust brengen en ons een vroolijke
opgewektheid geven, om het dagelijksch werk weêr op te vatten.
Geen krachtiger argument tegen alle prikkelende middelen,—onverschillig
of ze opwekkend dan of ze bedwelmend zijn,—dan de waarheid, dat ze
gelijk staan met een wissel, waarbij men te veel disponeert,—dan de
opmerking, dat ze in één uur de kracht uitputten, die voor geheele dagen
bestemd was.
Door te veel werk, te veel zorg, te veel uitspanning verbruikt iemand
al den gewonen wettigen interest van zijn zenuwgestel. Onvoorziens wordt
hij om 't een en ander aangesproken. Hij moet een moeilijke rekening
opmaken, een verhandeling of een preek stellen, en hij windt zich op met
een kop koffie, een sigaar, een extra glas; in één woord, hij handelt
juist als een doorbrenger, die eerst den interest van zijn geld heeft
verteerd en nu zijn kapitaal aanspreekt. Alle kracht, die hij op deze
wijze verkrijgt, gaat van zijn hartebloed af: hij borgt het van een
onbarmhartigen schuldeischer, die mettertijd niet rusten zal, eer hij
voor 't geleende hem 't pond vleesch uit het lijf heeft gesneden.
Bezinksel van zulk eene overprikkeling,—anders niet,—is meestal
de gemelijkheid, die 't huiselijk geluk verstoort. Er zijn er, die
koffie drinken, en toch dagelijks bekennen, dat zij er zenuwachtig
van worden; er zijn er, die zich met tabak, anderen die zich met wijn
of sterken drank bedwelmen, en om eenige oogenblikken in de wereld te
schitteren, zichzelven en hun huisgenooten lange uren bezorgen, waarin
vriendelijkheid of innemendheid ver te zoeken is. Er zijn er die zich
Christenen noemen,—ellendige slaven, altijd in schuld bij de natuur,
altijd over meer beschikkende dan hun inkomen is, altijd hun kapitaal
van levenskracht opterende, omdat zij den zedelijken moed niet hebben
een onwaardige neiging te onderdrukken.
't Is hetzelfde geval met die tallooze inwilligingen aan de tong gedaan,
die van de maag meer vergen dan zij doen kan, en al de jammeren eener
indigestie veroorzaken. Voor iemand die aan hardnekkige verstoppingen
lijdt, is 't niet mogelijk zich als een goed Christen te gedragen;
maar een goed Christen moet aan geen hardnekkige verstoppingen lijden.
Verstandig zichzelven te beheerschen en aan dwaze inwilligingen geen
voet te geven dat is 't beste middel tegen alle verstoppingen. Menigeen
is een lijder en maakt ook de zijnen tot lijders, alleen omdat hij
altijd maar voortgaat met te gebruiken wat hij weet dat hem niet dient.
Maar de zucht, om te veel over onze krachten te disponeeren en ze bij
wijze van voorschot te gebruiken openbaart zich niet alleen in ons
dagelijksch bedrijf, in onze uitspanningen, of in de streeling van ons
gehemelte,—ze ontstaat ook door verleidingen, die vrij wat gevaarlijker
zijn, omdat ze met onze zedelijke godsdienstige vermogens in verband
staan. Er is ook op godsdienstig gebied een versnelde polsslag, een
overspanning, die ons onverbiddelijk naar den afgrond der gemelijkheid
voert. Zelfs Paulus werd in den derden hemel niet opgetrokken, of hij
voelde later den scherpen doorn in het vleesch, den engel des Satans,
die hem met vuisten sloeg.
Juist voor hen, die een meer dan gewoon godsdienstig gevoel bezitten, is
de verzoeking het grootst, om er in 't openbaar al te veel aan toe te
geven, zoodat na de overspanning ontspanning volgt en hun geen kracht
overblijft, om in het huiselijke leven anderen met een goed voorbeeld
voor te gaan.
Dominé X preekt van daag alsof hij een engel was; hij verliest zich
in de sferen eener hoogopgewondene godzaligheid, waar zijne hoorders
hem alleen uit de verte kunnen naoogen; hij verhaalt hun van den
overwinnaar, die de wereld overwint; van het onwrikbaar geloof, dat
geen lijden vreest; van dien vrede der liefde, door niets op aarde te
verbreken: en allen zien hem aan met stille opgetogenheid, en wenschen,
dat zij zich ook zoo konden verliezen!
Helaas! de overspanning, die hem zoo verheven doet spreken, die
hemelsche verrukking, is een dubbel en driedubbel voorschot, dat hij van
de natuur borgt,—en zijn vrouw, die onder zijn gehoor zit, denkt er bij
wat al donkere dagen van reactie haar voor de deur staan! Veertien dagen
lang is hij door een stormvlaag van wilde opgewondenheid voortgezweept,
waarbij hij twee, driemaal zooveel van zijn krachten vergde, als ze
geven konden, en telkens tot den prikkel van sterke koffie zijn
toevlucht nam. Hij heeft nacht op nacht zieken bezocht of stervenden
getroost en alle dagen menigte van vrome bezoekers te woord gestaan,
terwijl hij nog wel meende al sterker en sterker daaronder te worden,
omdat hij met iederen dag prikkelbaarder en meer opgewonden werd. Met
zijne hooggekleurde ingevallen wangen en zijn glinsterende oogen, ziet
hij er voor zijne hoorders uit als een geest, die gereed staat de wieken
uit te slaan om naar eene hoogere wereld te zweven; maar voor zijne arme
vrouw belooft dit alles heel wat anders. Haar instinkt als vrouw en als
moeder zegt haar, dat hij met beide handen zijn levenskapitaal aantast,
dat er een vreeselijke afrekening volgen moet en dat er vele, vele
donkere dagen zullen komen. Hij, die zoo roerend heeft gesproken over
den vrede eener ziel, die in God hare rust vindt, zal het geschreeuw
van zijn jongste kind of het ronddribbelen van zijn oudste niet kunnen
verdragen: hij, die zoo dierbaar preêkte van de volkomene overgave
des geloofs, zal zich doodsbenauwd maken voor de slagersrekening en
sidderen van angst, dat het tractement zeker op zal wezen, eer het
nieuw kwartaal nog verschenen is; en hij die op zoo treffende wijze het
zwijgen van Jezus onder den grievendsten smaad wist voor te stellen, hij
zal maar al te vaak een onbedacht woord aan zijn mond laten ontglippen.
De arme X zal dagen en weken achtereen ziek naar den geest en in 't
geheel niet in staat zijn, Christus op zulk een wijze te prediken, als
de meest afdoende van allen is: namelijk door zijn handel en wandel.
Maar hoe nu, moeten wij dan het werk des Heeren niet werken?
Ja zeker; doch het voornaamste werk des Heeren, waarvoor in de eerste
plaats moet gezorgd worden, is: een voorbeeld als Christus te geven.
Beter is het jaren achtereen gestadig en ijverig in stilte te werken,
zonder het aanwenden van eenigen prikkel, die het gestel overspant,
beter is het elken dag slechts zooveel kracht te verbruiken, als de
nacht door zijn rust weer herstelt, en het gesprokene op den kansel toe
te lichten door het gedrag in den huiselijken kring,—dan nu eens in
opgewondene overspanning en straks weer in doffe neerslachtigheid het
leven door te brengen.
Wat op de preekers van toepassing is, geldt evenzeer van de hoorders. 't
Vervullen van onze godsdienstplichten moet even als onze uitspanningen
beoordeeld worden naar den invloed, dien het heeft op ons leven.
Indien al te veel bidden, zingen en preeken ons vermoeid, zenuwachtig
en knorrig maakt, dan is het nagenoeg even verkeerd als al te veel
uitspanning.
Het zou wel te wenschen zijn, dat er dagelijks in iedere buurt een paar
stille en stichtelijke godsdienstige bijeenkomsten gehouden werden,
die 's morgens en 's avonds aller harten gedurende eenige plechtige
oogenblikken als tot één huisgezin vereenigden, en zonder opzien
te wekken de lamp des geloofs en der liefde, door haar gestadig te
voeden, brandende hielden. Dezen geest ademen enkele van dagelijksche
bidstonden, die, acht of tien jaren geleden in eenige steden van
Nieuw-Engeland begonnen, hun rustig karakter niet verloochend hebben;
deze geest heiligt ook de morgen- en avondgodsdienstoefeningen, tot
onze blijdschap bij de Episcopalen in gebruik. Al wat de godsdienst in
bestendige aanraking met het dagelijksche leven brengt, zoodat het een
recht gezond en blijmoedig leven wordt, begroeten wij als een bode van
een beteren dag. Niets is beter voor den welstand van ons lichaam dan
dagelijksch gebed. Daarin ligt het uitnemendste middel om de zenuwen tot
bedaren te brengen en de zorgen te doen vergeten. Mag ik niet hopen, dat
eerlang alle Christenen het daarmeê eens zullen zijn en dat alle buren
als één gezin zich rondom één altaar zullen vereenigen, om niet alleen
voor zich zelven, maar ook voor elkander te bidden?
De slotsom van onze geheele redeneering is dan:
Leg altijd wat weg, om uw te-huis er mee op te vroolijken, en bewaar
dat weggelegde even trouw als de priesters de toonbrooden in den tempel
bewaarden. Hoe hoog uw rang zij, hoe gewichtig en heilig het ambt door
u bekleed, gij wint niets met het verwaarloozen van uw huiselijke
plichten. Spaar u zelven zooveel dat gij in staat zijt, te dragen en te
verdragen, te geven en te vergeven, en levenslust en vroolijkheid te
verspreiden rondom den huiselijken haard.
Als de laatste profeet des Ouden Verbonds het werk van den voorlooper
van den Messias wil karakteriseeren, dan zegt hij:—wat denkt ge wel?
„Hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart
der kinderen tot de vaderen; opdat ik niet kome, en de aarde met den ban
sla!”
Maar al genoeg over 't geen men doen kon, om die ziekelijke
prikkelbaarheid te voorkomen. Dat ze toch nog voortdurend vele
slachtoffers maken zal, is toe te schrijven aan de volgende redenen:
Vooreerst: 't Gebruik van tabak, wijn, sterken drank en dergelijke
prikkelende middelen, van geslacht tot geslacht volgehouden, heeft het
hersen- en zenuwgestel in die mate aangetast, dat het lang zoo sterk
niet meer is als vroeger. Uitvoerig heeft Michelet dit onderwerp in een
zijner jongste werken behandeld; en wij hebben een opkomend geslacht te
verwachten, dat, met een bedorven zenuwgestel geboren, niet dan door
onophoudelijke en verstandige zorgen tegen ziekelijke prikkelbaarheid
kan bewaard blijven.
Er is een temperament, dat men het MELANCHOLISCHE noemt, aan veel
menschen, zelfs aan de edelste, aan de rijkstbegaafde eigen,—een
stoornis van 't evenwicht tusschen de zenuwkrachten, waaruit nu eens
hooge opgewektheid en dan weêr diepe neêrslachtigheid volgt,—eene
erfenis, rampzalig wie haar bezit, al gaat zij ook dikwijls met
groote talenten gepaard. Zelfs is zij nu en dan het treurige deel van
ongelukkigen, die geen talenten bezitten, en die derhalve hare lasten
en kwellingen te verduren hebben, zonder haar vergoeding te genieten.
Wie zulk een temperament bezitten, zijn blootgesteld aan vlagen van
neêrslachtigheid en wanhoop, van zenuwlijden en prikkelbaarheid, waarbij
ze de gansche wereld met een somber waas overtogen zien en zich een
geheel verkeerde voorstelling maken van zich zelven, van hunne vrienden,
van hunne levensomstandigheden en van alles, wat hun overkomt.
Voor hen, die daarmede behebt zijn, is het zeker 't allerverstandigste,
dat zij zich zelven en hun zwak leeren kennen, dat zij begrijpen, hoe
deze aanvallen van neêrslachtigheid en moedeloosheid even goed een
ziekteverschijnsel zijn als koorts of kiespijn,—en dat het aan deze
ziekte eigen is, het hoofd met valsche voorstellingen op te vullen,
waardoor zij in hun eigen oogen ellendige en hatelijke schepsels zijn,
waardoor hunne beste vrienden onrechtvaardig en onvriendelijk schijnen
en waardoor al wat er gebeurt er uitziet, alsof het geheel verkeerd is
en op het ontzettendste verderf uitloopt.
Als iemand maar weet, dat hij zulk een temperament heeft, en het
voor een ziekelijk verschijnsel erkent,—dan is hij de bezwaren en
kwellingen, die er aan verbonden zijn, reeds half te boven. Hij zal dan
in die uren van bitterheid niet wagen zoo te spreken en te handelen,
alsof alles waarheid was, wat hij denkt en gevoelt en ziet. Hij, wien
deze wijsheid ontbreekt, stort over zijn gezin en zijn vrienden de
wateren der bitterheid uit: hij kwetst door onbillijke beschuldigingen,
en vergalt het huwelijksleven der zijnen door inbeeldingen, die hij wel
voor waarheid houdt, maar die even valsch zijn als de visioenen van een
koortslijder.
Een verstandig man, die aan deze kwaal lijdt, maar weet wat hem scheelt,
zal zich stellig voornemen te zwijgen, om de sombre gedachten, die hem
pijnigen, niet onder woorden te brengen.
Een zeer ontwikkelde en aardige vrouw, die nu en dan aan zulke vlagen
leed, zei eens tegen mij: „Er zijn tijden, mijnheer, dat ik door den
duivel bezeten ben, maar dan wacht ik mij wel, een enkel woord te
spreken.” Zoo droeg deze verstandige vrouw haren last zwijgend met zich
om, en maakte daardoor op allen, die haar kenden, den indruk, dat zij
een opgeruimd, lief karakter had; en toch, als zij maar een tiende
gedeelte van 't geen in haar ziekelijke uren bij haar omging, had
uitgesproken, zou zij al haar kennissen van zich verwijderd en anderen
even ongelukkig gemaakt hebben, als zij zelve was. Door zelfkennis en
zelfbeheersching was ze nu gelijk aan een zonnestraal, die overal leven
en vroolijkheid wekt.
Dergelijke overwinningen zijn overwinningen van waarachtige heiligen.
Doch wanneer iemand, die aan deze zwaarmoedigheid lijdt, eens in de
verzoeking komt om haar zwaren last door 't gebruik van een of anderen
prikkel te verlichten dan is de strijd reddeloos verloren. Uit deze
soort van menschen, meer dan uit eenige andere, wordt het groote
heirleger van dronkaards en opiumschuivers gedurig aangevuld. De
Hypochondristen behooren, volgens de juiste beschrijving van een hunner,
Dr. Johnson, tot de ongelukkigen, voor wie wel _afschaffing_, maar nooit
_matigheid_ mogelijk is. Zij kunnen, zij willen niet matig zijn. Elke
prikkel, waarmeê zij hun zwaarmoedigheid zoeken te verdrijven, wekt
eene onverzadelijke begeerte naar meer, een brandenden hartstocht. Het
temperament neigt reeds uit zijn aard tot waanzinnigheid. De strengste,
zorgvuldigste en gelijkmatigste leefregel is noodig, om het binnen de
juiste palen te houden; maar het gebruik van prikkelende middelen
verergert het zoo zeer dat het tot razernij wordt.
Alle ouders behoorden bij de opvoeding hunner kinderen toe te zien, of
zich de teekenen van zulk een temperament bij hen vertoonen. Zij doen
zich reeds in de vroegste kindsheid voor; en er kan aan de physieke en
moreele opvoeding van een kind, dat overhelling heeft tot vlagen van
neêrslachtigheid, niet te veel moeite en zorg besteed worden.
't Is volstrekt noodig daarbij alle overprikkeling bij uitspanning,
studie of leefwijze ten strengste te vermijden. Een verstandige
opvoeding zal in menig opzicht de onvermijdelijke kwalen en kwellingen,
aan deze ongelukkige gestellen eigen, kunnen verzachten.
Maar er is nog een andere soort van menschen, die voor 't beheerschen
van hun luimen en humeuren alle wijsheid noodig hebben; ik bedoel die
talrijke klasse, wier ongelukkige omstandigheden 't onvermijdelijk
maken, dat zij zich altijd overspannen en overwerken, zoodat zij elken
avond uitgeput en doodaf zijn. Ik denk aan die slovers, dagelijks onder
een al te zwaren last gebukt: neen! uw stuurschheid, uw knorrigheid moge
meêwarige zielen bedroeven, toch vertoornt ze ons niet. Ik denk aan die
moeders, met een troep kleine kinderen altijd bij haar en om haar, met
een zuigeling die haar nacht noch dag rust gunt: aan die huisvaders die
met al hun tobben en zwoegen 't gebrek ter nauwernood buiten de deur
kunnen houden,—ja, aan allen denk ik, die sloven en slaven en boven hun
kracht onder de lasten des levens gebogen gaan.
Voor u heb ik maar tweeërlei raad, twee middelen om u van de
prikkelbaarheid te genezen, die 't gevolg van uw vermoeidheid is; leer
tegen de menschen te zwijgen en leer tegen God te spreken. Het hart
moet zich uiten of barsten,—maar laat het dan leeren bestendig en
vertrouwelijk gemeenschap oefenen met Een, die aan alle plaatsen
tegenwoordig is en medelijden heeft met al onze zwakheden. Geen beter,
geen ander middel is er tegen uw gemelijkheid en uw klaagzucht. Zoo en
zoo alleen kan er rust ontstaan na de onrust; en kunnen de snaren, die
door overspanning gesprongen zijn, opnieuw gespannen worden, om een
hemelsche harmonie voort te brengen.
TERUGHOUDING.
III.
TERUGHOUDING.
(Het volgende is een getrouw afschrift
van 't geen ik in de huiskamer aan mijn
vrouw en aan Jenny voorgelezen heb.)
Bij onze beschouwingen ligt nu een andere stoornis van ons huiselijk
geluk aan de beurt, nog moeilijker te overwinnen, dan een van de beide,
waarover ik reeds gesproken heb.
In het formulier der algemeene Schuldbelijdenis onzer Kerk spreken wij
twee dingen uit: „Wij hebben nagelaten, wat wij hadden moeten doen
en gedaan, wat wij hadden moeten nalaten.” Dit tweeledig artikel zegt
aangaande onze onvolmaaktheid alles, wat er van te zeggen is.
Juist hetgeen wij niet gedaan hebben, maar hadden moeten doen: juist
hetgeen wij niet gezegd hebben, maar hadden behooren te zeggen, is het
onderwerp, dat ik nu aan de orde gesteld heb.
Ik herinner mij uit mijn schooljaren, dat ik dikwijls zat te mijmeren
over 't geen ik in een oud „scheikundig handboek” gelezen had, dat
er namelijk in alle lichamen een zelfstandigheid voorhanden is, die
warmtestof heet, maar dat zij, zoolang ze in gebonden toestand verkeert
(gelijk bij sommige lichamen 't geval is), noch op onze zintuigen, noch
op een thermometer eenigen invloed heeft en eerst dan, wanneer dit
beletsel is weggenomen, het kwik doet rijzen en onze handen verwarmt. 't
Heugt me nog, hoe ik toen steeds met eerbied en bewondering nadacht over
het groote aantal blinde, doove en stomme krachten, welke de natuur op
deze wijze in voorraad heeft. Hoe zonderling kwam het mij voor, dat arme
huisgezinnen elken winter moesten huiveren en bibberen van kou, terwijl
er toch zooveel verborgen warmtestof in 't geheime magazijn der natuur
was weggesloten,—terwijl ze toch verscholen was in al wat zij
aanraakten en betastten.
In de geestelijke wereld bestaat er een verschijnsel, dat daarmeê geheel
overeenkomt. Er is een groote, levenwekkende, verwarmende macht, liefde
genaamd, die verborgen en onzichtbaar in ons hart bestaat, maar die geen
werkelijk leven, geen koesterend vermogen heeft, voordat zij zich naar
buiten openbaart.
Hebt gij ooit op een ruwen kouden dag even vóór een sneeuwstorm, in een
kamer zitten werken, die op den juisten graad, volgens een nauwkeurige
thermometer, verwarmd was? Gij bevriest niet, maar gij huivert, uw
vingers worden niet stijf van de koû, maar met dat al verlangt gij
toch, dat het warmer was. Gij kijkt naar de kachel, loopt er geheel
werktuigelijk heen, en rilt er van, nu gij merkt, dat er geen vonk meer
in is. Graag zoudt gij een doek of een mantel hebben; ge krimpt van kou
ineen; ge ziet op den thermometer, en 't hindert u dat ge niets geen
reden tot klagen hebt,—want ('t is om boos te worden) hij staat juist
zóó hoog, als alle goede boeken en goede dokters de gulden middenmaat,
de beste temperatuur voor onze gezondheid noemen, en toch, ontaarde!
toch blijft gij huiveren en hebt een gevoel, alsof bij 't gezicht van
een brandenden haard u de hemel zou opengaan.
Er zijn vrij wat menschen, wier gansche leven zulk een doorgaande
huivering is; ze zijn niet warm, al moesten ze, volgens alle regels,
warm zijn,—hun leven is koel en koud en kil,—zij zien nooit het
flikkeren van een brandenden haard.
Ik wil mijn meening duidelijk maken, door een bladzijde uit mijn eigen
ondervinding meê te deelen.
Ik was een en twintig jaar oud, toen ik speelgenoot was van mijn jongste
en liefste zuster Emilie. 't Heugt me nog, hoe ze er bij de inzegening
uitzag, bleek en toch opgewekt, op 't punt van te weenen en toch
overgelukkig, omhuld met lichte wolkjes van gaas en van krullen en van
al de mysteries, die met den bruidsmorgen voor altijd voorbijgaan.
Iedereen hield het voor een gelukkig huwelijk, want haar man was een
aangenaam mensch, flink, waardig, met beginselen zoo goed als goud
en zoo hecht als arduin.—Emilie was altijd zulk een prettig, lief
troetelkindje van de familie geweest, zoo dartel en opgewonden, gevoelig
en zenuwachtig, dat wij zulk een welwillenden, degelijken, bezadigden
echtgenoot juist voor haar geschikt rekenden. „'t Is inderdaad een
besturing van onzen Lieven Heer!” verzuchtten al de oude dames, terwijl
zij gedurende de huwelijks-inzegening, volgens het algemeen gebruik,
niets deden dan zachtjes snikken en de oogen afvegen.
Ik herinner mij nog de drukte van den dag,—het bonte gewoel van
witte handschoenen, van zoenen, van speelnoten en van toasten, van
koffersleutels die zoek en van nestels die gebroken waren, de tranen van
mijn lieve moeder en de onfatsoenlijke pret van Christoffel, die, al
had hij er om moeten sterven, toch maar geen akeligheid in die heele
vertooning kon zien en slechts wenschte dat hij er zelf ook zoo goed aan
toe was.
En zoo reed Emilie van ons weg om haar huwelijksreisje te doen, waarop
wij bijna dagelijks brieven van haar ontvingen, brieven net zoo als zij
zelve was, vol vroolijke, dartele krabbels, tintelende en mousseerende
van dwaasheid en dolheid, en altijd weêr aan het slot: hoe volmaakt en
hoe goed hij was, en hoe lief hij voor haar zorgde, en hoe gelukkig zij
was, enz., enz.
Daarop kwamen er brieven uit haar nieuwe woning. Hun huis was nog niet
gereed, maar terwijl het gebouwd werd woonden zij in bij zijn moeder,
die „zulk een goede, hartelijke vrouw” was, en bij zijne zusters, die
ook „zulke lieve meisjes” waren.
Doch na verloop van eenigen tijd kwam er verandering in haar brieven.
Zij werden korter; zij schenen ons de woorden als toe te tellen; en in
plaats van met luchtige scherts en jolige dwaasheden, waren ze opgevuld
met afgemeten lofredenen op haar huiselijk leven en haar familie-kring,
blijkbaar geschreven, om zich zelve wijs te maken, dat zij werkelijk
gelukkig was.
Johan was nu natuurlijk niet meer zoo dikwijls bij haar: hij had
zijn zaken die hem den heelen dag bezig hielden, en 's avonds was hij
doodmoê. Toch bleef hij altijd even lief en attent; wat had ze al reden
om dankbaar te wezen! Zijn moeder was waarlijk al heel goed voor haar
en deed alles, wat zij billijkerwijze kon verwachten, om haar genoegen
te doen,—natuurlijk dat zij haar 't gemis van mama niet geheel kon
vergoeden,—en Marie en Caroline waren ook heel lief—„voor haar doen”
schreef zij er bij, maar, zij schrapte dat weêr uit en zette er boven:
„heel lief, moet ik zeggen.” Zij waren de beste menschen, die er te
vinden waren—vrij wat beter dan zij was; en zij zou een heelen boel van
hen trachten te leeren.
„Die arme Emilie!” zeide ik toen reeds bij mij zelven, „ik vrees, dat
deze heele lieve menschen langzamerhand zullen maken, dat zij verkleumt
en bevriest.” En toen ik den daaropvolgenden zomer een reisje ging
doen, besloot ik, bij die gelegenheid, van hunne herhaalde uitnoodiging
gebruik te maken en een paar dagen bij hen te logeeren, om te zien hoe
de zaken stonden. Johan was onder de jongelui op de academie bekend als
wat droog en wat saai, maar door en door goed. Ik had zijn vriendschap
weten te winnen door een geregeld beleg van zijn hart, en was hem door
loopgraven genaderd, totdat ik, toen ik eindelijk de vesting veroverde,
er schatten in vond, die mijn moeite rijkelijk beloonden.
Het kostte me weinig moeite, het huis van mijnheer Evans te vinden; 't
was _het_ huis van het dorp—een echt Amerikaansch huis,—vierkant,
ruim, ouderwetsch, aan de helling van een heuvel gebouwd, in 't midden
van een groep zware, oude olmboomen, die er met hunne lange, altijd
wiegelende takken en bladen over heen hingen. Onder dat priëel stond op
een effen grasperk het groote witte huis, met neergelaten zonneschermen
en van weerskanten met keurig gestopte en geverfde schuttingen: het stak
tusschen de andere huizen uit als een echte Farizeër. 't Was een huis
om, bij wijze van model, met een étiquette er op, onder een stolp te
zetten, maar zooals meestal met die huizen bij ons het geval is, ge
zoudt op het eerste gezicht gedacht hebben, dat er geen levend schepsel
in was,—geen deur of raam stond er open, geen schijn of schaduw van
leven was er in te zien. Het eenige wat nog deed vermoeden dat er
menschen in woonden, was de dunne, blauwachtige rook, die uit den
keukenschoorsteen omhoog steeg.
Maar nu, die menschen zelven.
Zoo gij ooit in den winter uit logeeren gegaan zijt, is het u dan wel
niet eens overkomen, dat men u een ijskoude woonkamer tot slaapvertrek
gaf, die sinds onheuglijke tijden tot een koelmiddel voor logé's had
gediend,—een kamer, die nooit de warmte van het dagelijksch huizen of
van het dagelijksche zonnetje kent, maar het heele jaar door gesloten
blijft, met de luiken potdicht,—een kamer, die van geen ander vuur
weet, dan van het ceremoniëele, dat even vóórdat gij te bed gaat, wordt
aangelegd in een atmosfeer, waar gij uw adem kunt zien? Heugt het u nog,
hoe moeielijk het was, warm te worden in een bed, waarop toch niets aan
te merken viel, met heldere linnen lakens en sloopen, maar dat glad en
koud was als ijs? Eindelijk gelukte het, maar dat het gelukte, kwam
alleen van de warmte, die uw eigen lichaam van alle kanten liet
uitstralen.
Juist zoo is het met enkele families, waar gij, een bezoek aflegt. Er
valt evenmin iets op aan te merken, als op de versche beddelakens, maar
koud zijn zij, zóó koud, dat gij al uw levenswarmte noodig hebt, om hen
aan het praten te krijgen. Eerst, als ge pas gekomen zijt, denkt ge, dat
zij iets in uw nadeel gehoord hebben, of dat gij hun invitatie niet goed
begrepen hebt, of dat gij met den dag in de war zijt; doch neen, gij
bemerkt in den loop van 't gesprek, dat gij wél zijt uitgenoodigd, dat
gij wél verwacht werd, en dat zij voor u alles doen wat zij kunnen, en
u behandelen, zooals zij meenen, dat een logé moet behandeld worden.
Zijt gij nu hartelijk en vroolijk van aard, en gaat ge maar stilweg uw
gang, dan ontdooit gij langzamerhand een klein plekje om u heen in den
huiselijken kring en, op 't punt van vertrek begint gij waarlijk te
denken, dat het u wel bevallen zou nog wat te blijven, en vat het plan
op later eens terug te komen. 't Zijn aardige menschen; zij mogen u
graag lijden; eindelijk zijt gij u bij hen t'huis beginnen te voelen.
Drie maanden later gaat gij hun weer een bezoek brengen, maar ziet,
alles is er juist als van ouds bij uw eerste kennismaking. Het kleine
plekje, dat gij ontdooid hadt, is weêr dichtgevroren: van voren af aan
moet ge met ontdooien beginnen om op nieuw de verstijfde vrienden zoo
ver te brengen, dat zij in staat zijn tot het voeren van een ordentelijk
gesprek.
Reeds den eersten avond, toen ik met den ouden heer Evans en zijn
familie in de holle voorkamer zat, begreep ik klaar en duidelijk, hoe
Emilie's brieven zoo veranderd waren. Ik geloof waarlijk, dat onze
kamers den geur der dagelijksche conversatie, die er in gehouden wordt,
in zich opnemen; ik ken er ten minste, die zoo statig en deftig zijn,
dat zelfs het vroolijkste katje of de onbeschaamdste jachthond er van
verbijsterd raakt. Zoodra gij binnenkomt, voelt ge dat het niet mogelijk
is, daar anders dan uiterst fatsoenlijk te wezen, daar anders te zitten
dan stijf rechtop en over andere dingen te praten, dan over iets, dat
heel leerzaam en heel nuttig is.
Inderdaad was de geheele familie uitermate leerzaam, zeer op beschaving
gesteld en wanhopig nuttig. Geen goed werk, geen liefdadige onderneming
kon in den omtrek op touw gezet worden, waarvan zij niet de ziel en
het leven was. De rechter Evans was de steun en de staf van het dorp.
Mevrouw Evans werd „in de poorten geprezen wegens al de werken” en
eigenschappen der deugdelijke huisvrouw, die Salomo beschrijft: „het
hart haars heeren vertrouwde op haar”. Toen ik hen dien eersten avond
ontmoette, zaten zij deftig en stijf, elk in zijn hoekje, ter weêrszijde
van den grooten, statigen schoorsteen, met den glimmenden koperen haard
tusschen zich in. Op den mantel prijkte aan ieder eind een tinnen
kandelaar en in 't midden een snuiterbakje. Mevrouw Evans paste hare
woorden nauwkeurig af, onuitputtelijk in die alledaagsche termen en
fatsoenlijke formules, waarmeê men gewoon is, zooals 't heet, de
conversatie met vreemden gaande te houden. Haar dochters spraken nu en
dan meê, maar nooit vóór haar beurt en nooit ongepast, stipt naar de
regelen der grammatica en rhetorica, zoodat het duidelijk te merken was
hoe beschaafd, hoe welopgevoed en hoe verstandig zij waren. Maar bij
dat alles werd ik zoo huiverig en kreeg ik zulk een vreemd gevoel van
benauwdheid, dat ik er over begon te denken, of ik niet langzamerhand
versteende en hier en daar al met een dunne laag van kristallisatie
bedekt werd.
Bij zulk een soort van onderhoud kan men, zonder eenig gevaar, zijn
gedachten laten afdwalen; en daar ik niet veel meer was dan een
instrument, dat nu en dan op den rechten tijd in den juisten toon moest
invallen, keek ik den ouden heer Evans aan, die daar zoo statig, zoo
stijf en zoo koud zat, en dacht bij mij zelven, of hij wel ooit een
jongen,—of mevrouw Evans wel ooit een meisje geweest was,—of ze ooit
met elkaar gevrijd hadden, en hoe hen dat was afgegaan.
Ik dacht om den haarlok van Emilie, dien ik in den schrijflessenaar van
Johan had zien liggen in de dagen toen hij verliefd op haar raakte,—om
die verliefde buien, waarop ik mijn deftigen en statigen vriend wel eens
had betrapt, als hij met Emilie in den maneschijn of op romantische
plekjes aan 't wandelen was—en ik (lastig genoeg!) hen tegen kwam—en
ik vroeg mij af, of de modellen van deftigheid, die daar voor mij zaten,
zich ooit door zulke menschelijke zwakheden hadden laten meeslepen.
Ik kon mij even goed voorstellen, dat de statige tang hare beenen
zou opnemen en de pook zou gaan zoenen, als dat immer of ooit deze
eerwaardige personen zich aan zulk een uitgelatenheid hadden schuldig
gemaakt. Maar hoe waren zij met elkander in kennis gekomen? en hoe was
het mogelijk, dat ze ooit getrouwd waren?
Ik keek naar Johan en meende, dat ik hem langzamerhand zag verstijven,
om het evenbeeld van zijn vader te worden. Hij was al een heel
eind op weg, voor zooverre iemand van vijf en twintig jaar op een
twee-en-zestiger lijken kan: even statig en recht, even stil, even
ingetrokken. Daarop keek ik naar Emilie: ook zij was veranderd—zij,
die wilde, vroolijke meid, die wij met al haar eigenaardigheden innig
liefhadden—dat vrije stukje levenspoëzie, vol kleine excepties, aan
geen regels te binden, maar alleen te bedekken onder den wijden mantel
der „dichterlijke vrijheden.” Zoo als zij daar nu tusschen de twee
dames Evans zat, meende ik een zekeren angst in haar levendige oogen te
zien,—een gedwongen toeleg, alsof zij probeerde, nu eens lief te zijn
op een geheel nieuwe manier. Zij was onrustig bij enkele grappen, die ik
uitkraamde, en keek angstig naar mama in den hoek; zij deed haar best om
te lachen en mij op te vroolijken; nu eens zag zij mij aan, alsof zij
een goed woord voor hen woû doen, en dan scheen ze met haar oogen tegen
hen te zeggen, dat ze 't mij niet kwalijk moesten nemen. Zoo als 't wel
meer bij zulke gelegenheden gaat voelde ik een goddeloozen trek, om
allen te ergeren. Ik had grooten lust, Emilie op mijn knie te nemen
of eens duchtig met haar te stoeien, Johan een stomp te geven op zijn
stijven rug, en aan een dier jonge dames Evans voor te stellen, een wals
te spelen, om dan, voor het aangezicht zelf en in tegenwoordigheid van
't eerwaardige paar in den hoek, als een wilde man rond te draaien: maar
„de klopgeesten” waren mij te sterk: ik dorst niet.
Ik dacht aan den argloozen, vrijen omgang van Emilie en Johan, toen ze
geëngageerd waren,—aan de kleine plagerijtjes, half uit verliefdheid,
half uit ondeugendheid, waarmee ze hem nu eens aanhaalde en dan weêr de
wet stelde. _Nu_ noemde zij hem „Evans,” met al de gemaaktheid van een
deftige matrone. Hadden zij haar die fraaie manieren tusschen man en
vrouw voorgepreekt? Denkelijk niet. Als ik toch afging op hetgeen ik nu
reeds voelde, was het duidelijk, dat ik zelf, eer ik in dit huishouden
veertien dagen gelogeerd had, al wat mij eigen was en van den hier
heerschenden toon afweek, geheel zou verloren hebben, even als de boomen
hun bladeren verliezen, na de eerste strenge vorst. Ik begon te merken,
dat ik langzamerhand stijf werd; mijn moed verkleumde. Ik wilde een
verhaaltje opdisschen, maar moest er vrij wat aan veranderen, omdat
ik aan de lucht rondom mij gevoelde, dat sommige gedeelten er van wat
te sterk gekleurd waren; en even als iemand, die op 't punt van te
bevriezen alles doet om zich lenig te houden, maar eindelijk overmand,
zijn bewustzijn voelt wegzinken, werd ik half mal in mijn hoofd en kreeg
een onweerstaanbaren lust, om iets zóó onfatsoenlijks of onzedelijks te
zeggen, dat zij met hen allen in eens van hun stoel sprongen. Schoon ik
nooit van profaneeren hield, hunkerde ik er letterlijk naar, om een plat
of gemeen woord te pas te brengen, dat plotseling eene verschrikkelijke
beroering zou maken in deze betooverde molenkolk,—in één woord, ik
was zoo bang, om zulk een dwaasheid te begaan, dat ik al vroeg opstond
en zei, zoo vrij te zullen zijn, om naar bed te gaan. Emilie sprong
aanstonds van haar stoel op—'t was alsof haar een pak van het hart
viel,—en bood mij aan, mijn blaker te halen en mij naar mijn kamer te
brengen.
Zoodra ze mij binnen de kille wanden van de logeerkamer gebracht had,
scheen zij op eens onttooverd te zijn. Zij zette den blaker neêr, liep
naar mij toe, viel mij om den hals, drukte haar hoofdje aan mijn borst,
en lachte en schreide en noemde mij haren goeden ouden jongen. Zij trok
mij aan mijn bakkebaarden, kneep mij in mijn oor, doorsnuffelde mijne
zakken, danste om mij heen, alsof ze dronken van pret was, bestormde mij
met eene menigte vragen, zonder op antwoord te wachten; in één woord, de
jolige geest van vroegeren tijd scheen eensklaps weder vaardig over haar
te worden, toen ik ging zitten en haar op mijn schoot nam.
„Het is mij weer zoo eigen, dat ik je hier zie Christoffel! Het is mij
nu net, of ik nog thuis ben. Hé, t'huis! dat was toch alles—en die
beste pa, die lieve ma! Er is nooit zulk een t'huis geweest!—iedereen
deed daar wat hij maar wou, niet waar Christoffel?—en wij hielden veel
van elkaâr, niet waar?”
„Emilie!” zei ik in eens, en wel wat voorbarig, „je bent hier niet
gelukkig!”
„Niet gelukkig!” zei ze, en schrikte er half van, „waarom denk je dat?
Och, je hebt het glad mis, ik heb al wat mij gelukkig kan maken. Ik zou
heel onredelijk en ondankbaar zijn, als ik het niet was. Ik verzeker je
dat ik gelukkig, heel gelukkig ben. Natuurlijk zijn zij hier niet, zoo
als zij bij ons t'huis waren. _Dat_ kon ik niet verwachten,—alle
menschen zijn niet eveneens,—maar toch, als je ziet, dat de menschen
zoo goed zijn, wel, dan is het immers natuurlijk, dankbaar te wezen en
je gelukkig te voelen. 't Is beter voor me, weet je, dat ik niet zoo
opgewonden ben: ik moet me wat bedaard leeren houden. Zij zijn hier
allen zoo goed voor me, zij zijn altijd bedaard,—zij doen nooit iets
verkeerds. O! ze zijn verwonderlijk knap en braaf en....”
„En pleizierig ook?” vroeg ik.
„Och, Christoffel! ik zal daar maar niet te veel van zeggen. Zij zijn
zeker niet zoo pleizierig in den omgang als bij ons t'huis; maar zij
zijn nooit boos, zij knorren nooit, zij zijn altijd in een goed humeur;
en wij moeten er niet te veel aan denken, dat wij leven om gelukkig te
zijn: wij moeten er meer aan denken om knap en braaf te wezen—is 't
niet zoo?”
„Dat spreekt als een boek, Emilie? maar met dat al schijnt Johan zoo
stijf als een stok en heeft de huiskamer hier veel weg van een
grafkelder. Je moet niet toelaten, dat zij een steen van hem maken.”
Haar gelaat betrok een beetje.
„Johan is hier heel anders,” antwoordde zij, „dan hij bij ons aan huis
was. Hij is heel anders opgevoed dan wij,—o heelemaal anders; en als
hij weer in zijn oude huis is, aan zijn oude werk, op zijn oude plaats
bij zijn vader, moeder en zusters, dan gaat hij ook den ouden weg weer
op. Hij houdt nog evenveel van mij als vroeger, maar hij toont dit niet
op dezelfde manier en ik moet leeren, begrijp je, daarin te berusten.
Hij is altijd druk bezig, hij zwoegt den geheelen dag, en altijd maar
voor mij; en mama zegt, dat het voor ons vrouwen al zeer onredelijk is,
van onze mannen eenig ander bewijs van liefde te verlangen, dan het
groote bewijs, dat ze den geheelen tijd voor ons werken. Zij knort
nooit op me, maar ik weet dat zij mij voor een bedorven kindje houdt,
en zij heeft mij dan ook bij zekere gelegenheid eens verteld, hoe zij
Johan opgevoed heeft. Zij had hem nooit verwend: zij liet hem, toen
hij nog maar zes maanden oud was, alleen slapen; zij had hem van den
eersten tijd af, nooit anders de borst gegeven dan op vaste tijden,
onverschillig hoe hard hij ook schreeuwde; nooit liet ze hem krom praten
en nog veel minder mocht iemand hem krom voorpraten, maar zij deed
haar uiterste best, dat hij meteen alle woorden precies en duidelijk
uitsprak; zij moedigde hem nooit aan zijn liefde door kussen of
liefkozingen te toonen, maar leerde hem, dat het eenige waaruit ze
zien zou, dat hij veel van haar hield, stipte gehoorzaamheid was. Ik
denk nog dikwijls om 't geen Johan mij verteld heeft, dat hij eens naar
haar toeliep en zijn armen om haar hals sloeg, toen hij zonder zijn
voeten te vegen binnengekomen was, maar dat zij zeer bedaard zijn armen
losgemaakt en gezegd had: „Johan! dit is niet de rechte manier, om te
toonen, dat je veel van mij houdt. Ik zou het veel liever gehad hebben,
dat je bedaard was binnengekomen en je voeten afgeveegd hadt, dan dat je
mij een zoen komt geven, als je vergeet te doen wat ik gezegd heb.””
„Die oude, stijve hark!” zeide ik op een heel oneerbiedigen toon, want
ik was toen nog maar drie-en-twintig.
„Hoor eens, Christoffel! ik wil geen woord meer met je spreken, als je
op zulk een toon begint te praten,” zeide Emilie en zette een lip, al
flikkerde er iets erg ondeugends in haar oogen. „Ik moet je toegeven,
dat zij die dingen wel wat al te ver trekt, maar ze is toch zoo goed. Ik
zei het maar, om Johan te verontschuldigen en je eens te vertellen, hoe
hij opgevoed is.”
„Die arme jongen!” zeide ik. „Nu weet ik, waarom hij zoo ongenaakbaar
en zoo gesloten is. Geen beter hart is er dan het zijne, dat hij daar
wegstopt in die vesting, met de valbrug hoog opgehaald en met diepe
grachten in de rondte.”
„Zij hebben allen een best hart,” zeide Emilie. „Zou je denken, dat zij
hem niet lief had? Eens, toen hij ziek was, heeft zij zeventien nachten
achtereen bij hem gewaakt, zonder uit de kleeren te komen; zij wou in
al dien tijd haast niets gebruiken: Jansje heeft het zelve mij verteld.
Zij houdt meer van hem dan van zich zelve. 't Is soms vreeselijk, zoo
gedurig gespannen als ze is over 't een of ander, dat hem raakt: alleen
uit _beginsel_ is zij zoo koud en bedaard.”
„Ik noem het een duivelsch beginsel!” zeide ik.
„Christoffel! je begint waarlijk wat al te grof te worden.”
„Ik sprak zóó in vollen ernst,” zeide ik. „Wie anders dan de Vader des
kwaads verzon ooit zulke streken, om wat waarachtig goed is te maken
tot iets dat ons tegenstaat, en het edelste in ons zóó achter slot en
grendel te houden, dat wij er voor 't grootste deel van ons leven niets
aan hebben? Wat nut sticht een vuur van brandende liefde als het niemand
verwarmt, en niets anders doet dan de ziel, waarin het besloten is, door
de hitte te verteren? Onderdrukte liefde raakt aan het kwijnen en werkt
op duizenderlei verkeerde wijzen. Die drie vrouwen, dunkt me, leven
hier met elkander als drie bevroren eilanden en weten even weinig van
elkanders inwendig leven af, alsof zij door eeuwige ijsbergen gescheiden
waren,—en dat alles omdat een vervloekt beginsel in het hart der moeder
haar er toe gebracht heeft, de natuur geweld aan te doen.”
„Ja,” hernam Emilie, „somtijds kan ik Jans beklagen; zij is zoo wat
van één jaren met mij: en zoo'n meisje als ik, denk ik natuurlijk,
of—ten minste ze kon net zoo wezen. Voor een dag of wat zag zij er zoo
betrokken en akelig uit, dat ik haar onwillekeurig vroeg: of zij niet
wel was? De tranen kwamen haar in de oogen; doch mama keek haar strak
aan en zei droog weg:
„„Jansje! wat scheelt er aan?”
„„Och, Ma! ik heb een vreeselijke hoofdpijn en al mijn leden doen mij
zeer.”
„Ik wou meteen opstaan, en iets voor haar klaar maken—gij weet, dat wij
bij ons aan huis van de leer zijn dat eene zieke moet opgepast worden;
maar mama zei nog altijd even droog:
„„Och, Jansje! je hebt waarschijnlijk kou gevat; ga naar de keuken, en
zet wat lindebloesem, en neem een voetbad en ga dadelijk naar bed;” en
Jansje ging gedwee heen.
„Ik had groote lust, om met haar te gaan en alles voor haar klaar te
maken; maar—'t is wonderlijk,—hier aan huis durf ik nooit iets voor
een ander doen, en mama keek mij aan, toen zij weg ging, en zei met een
veelbeteekenend knikje:
„„Zoo leef _ik_ er altijd meê; als een van de kinderen ziek is,
vertroetel ik ze nooit; dit is de beste manier om hen te leeren er niet
veel beweging van te maken.””
„Verschrikkelijk!” zeide ik.
„Ja, 't is verschrikkelijk,” zeide Emilie, diep adem halende, alsof het
haar goed deed, dat zij haar hart eens lucht kon geven, „'t is akelig
om te zien, hoe die menschen, die ik weet dat toch veel van elkander
houden, schoon ze onder één dak wonen, nooit een vriendelijk woord voor
elkander over hebben, nooit eens lief voor elkander zijn,—en zoodra er
een ziek is, even als of het een ziek beest was, die maar aan zijn lot
overlaten, om alles alleen te dragen. Maar dat moet anders worden: ik
moet en ik zal mij bij ze indringen. Ik zou bij Jansje willen gaan
zitten en haar aanhalen, haar hand vasthouden en haar hoofd betten; al
hinderde haar dat nog zoo en nog zoo in 't begin, want zij moet toch
leeren, hoe men een ziek mensch op een christelijke manier oppast. Ik
zal haar nu en dan een zoen geven, al neemt ze 't ook op als een kat,
die niet gewoon is gestreeld te worden; en al noemt ze mij honderdmaal
een malle meid—ik weet toch wel, dat zij 't op 't laatst pleizierig zal
vinden. Waar dient het toch voor, dat zij zoo vreeselijk teruggetrokken
en koud, en zoo zuinig met hun liefde zijn? Als een van hen eens
gevaarlijk ziek werd of hem iets overkwam, de anderen zouden alles voor
hem over hebben; kwam er een te sterven, ze zouden radeloos wezen: maar
't zou alles verkropt, alles stil weggelegd worden in dien diepen,
kouden smoorkuil; zij zouden er niet over kunnen spreken; zij zouden
elkander niet kunnen troosten; zij zijn niet in staat het hart voor
elkander uit te storten: zij _kunnen_ dit letterlijk niet.”
„Ja,” zeide ik, „'t gaat hun net als den fakirs, die hun arm zoo lang in
de hoogte houden, totdat hij geheel stijf en niet meer te bewegen is;
net als de ongelukkigen, die doof geboren, nu ook niets kunnen spreken,
omdat zij nooit hun spraakorganen leerden gebruiken. Zij zijn opgevoed
even als de kleine jongens in de middeleeuwen, die een stijf en stevig
harnas aankregen, dat alle jaren vergroot werd, totdat ze eindelijk
volwassen waren en zij er zoo precies in pasten alsof het hun om de
leden gegoten was. Wie zóó wordt opgevoed, blijft altijd een hark en zal
nimmer worden, wat hij had kunnen zijn.”
„Och, zeg dat niet, Christoffel! denk eens aan Johan; denk er eens aan,
hoe goed hij is.”
„Ik denk er aan, hoe goed hij is,” zei ik driftig, „maar ik denk er
ook aan, hoe weinigen dat weten. Ik geloof, dat hij—ook met het
teederste, trouwste, welwillendste hart, met het fijnste gevoel voor
vriendschap—bij de wereld voor een koud, trotsch, zelfzuchtig mensch
doorgaat. Als uw openhartig, levendig karakter de poorten niet
ontgrendeld en de deuren niet geopend had, zou hij nooit de liefde eener
vrouw gekend hebben; en nu is hij nog maar half ontdooid; hij dreigt
iederen dag weer tot ijs te worden.”
„Daar zal ik wel op passen. O, ik ken het gevaar, dat daarvoor
bestaat. Ik zal hem onder de menschen brengen. Ik zal ze wel weten te
veranderen! Zij beginnen meer en meer van me te houden, dat merk ik wel;
vooreerst, omdat ik de vrouw van Johan ben en alles wat van Johan is,
volmaakt is; en vervolgens....”
„Vervolgens omdat zij dag aan dag de ragfijne draden van hun koud
systeem van terughouding om je heen denken te weven, die, al vaster en
vaster en al strakker en strakker gespannen, je net zoo stijf en zoo
doodelijk zullen maken, als zij zelven zijn. Je doet mij denken aan onze
arme kleine eend: heugt je dat nog?”
„Wel zeker, dat arme beest! wat kon hij 't lang uithouden, en in de
rondte zwemmen, terwijl de vijver gedurig meer dicht vroor en het open
plekje, waar hij zich nog in bewegen kon, met den dag al kleiner en
kleiner werd, maar 't was zulk een moedig beest, dat....”
„Dat wij hem op zekeren morgen eindelijk in 't ijs vastgevroren vonden,
en dat hij voor altijd mank was.”
„O, maar ik zal niet vastvriezen”, zei ze lachende.
„Pas maar op, Emilie! gij zijt teergevoelig, meêgaande en niet sterk; 't
ligt geheel en al in je aard, om je naar anderen te voegen en alles voor
hen in te schikken.
Een enkel eendje, zoo als gij, hoe warm ook van bloed en hoe luchtig van
hart, kan toch de vorst uit den heelen vijver niet houden. Terwijl je
nog eenigen invloed hebt, moet je dien gebruiken, om Johan uit dezen
kring weg te rukken, weg naar eene andere plaats, waar je hem geheel
alleen voor je zelven bezit.”
„Och, er wordt immers een huis voor ons gebouwd, dat weet je wel; wij
zullen gauw een eigen huishouden hebben.”
„Waar? vlak bij, onder 't bereik van 't geschut dezer vesting, waar je
heele huishouding tot in de minste kleinigheden alle dagen met een
inspectie bedreigd wordt.”
„Maar mama mengt zich nooit ergens in, ze geeft nooit raad,—of ik moet
het haar vragen.”
„Dat kan best zijn, maar zij heeft toch invloed; ze leeft toch, ze kijkt
toch, zij is er toch; en zoo lang zij er is, en zoolang je huis onder
den rook van dit huis staat, zal de oude tooverkring je man weer
begoochelen—en je kinderen ook, als je ze krijgt; 't zal in de lucht
zitten,—'t zal je vastklemmen en overweldigen—'t zal je huis regeeren
en je kinderen opvoeden.”
„O neen, nooit nooit! Dat zou ik nooit willen! Als God mij ooit een kind
mocht geven, dan zal ik het niet op die nare manier groot brengen.”
„Dan, Emilie! zal de beste kracht van je leven, altijd door, stil en
onmerkbaar, maar niet minder zeker, afslijten omdat al je wenschen en
gevoelens onophoudelijk zullen aanschuren tegen den kouden onwrikbaren
molensteen van hunne overtuiging; het zal een gevecht op leven en dood
zijn met een bedaarden, onzichtbaren doordringenden geest, die zich
nooit in een eerlijk gevecht vertoont, de lucht verpest die je inademt
en je nacht noch dag rust laat. Allen hier aan huis hebben zooveel
goeds en edels en verstandigs—hun doel is zóó heilig hun invloed zóó
krachtig, hun braafheid zóó groot,—dat het je zijn zal, alsof hun wil
geheel overeenstemt met hetgeen je eigen geweten je zegt en ge niet
beter kunt doen, dan u geheel naar hen te plooien en u aan hen te
onderwerpen. Zij hebben een vaster wil, een vaster karakter, dan gij
hebt; altijd heen en weer geslingerd, nu eens om te doen wat zij willen,
en dan weer om je eigen zin te doen, zult gij nooit toonen wat je kunt:
't zal altijd tobben blijven en nooit tot een goed einde komen.”
„Och, Christoffel! waarom ontmoedig je me zoo?”
„Ik dien je versterkende middelen toe, Emilie! Ik toon je werkelijk
bestaand gevaar; ik maak je wakker, om het nog intijds te ontkomen.
Johan verdient veel geld: er bestaat geen reden, waarom je altijd hier
begraven zou blijven. Gebruik je invloed even als _zij_ doen,—iederen
dag, ieder uur, ieder oogenblik, om hem nu reeds aan de gedachte te
wennen, dat hij op een andere plaats met je zal gaan wonen. Laat hem
niet altijd de baas wezen en geef hem niet altijd gelijk; zwijg niet
en schik niet en plooi niet, om hem en je zelve wijs te maken, dat je
gelukkig bent; laat hem de dingen hier niet altijd van de mooiste zijde
bezien; verdraag het niet, dat hij iederen dag en ieder uur tot zijne
gewone koelheid en stugheid vervalt; en vooral verloochen je eigen
openhartig karakter niet; heb er achting voor en bewaar het. Zit met
hem te vrijen en te kibbelen; gebruik alle wapenen, die een vrouw maar
heeft, om hem te beletten, dat hij ooit of immer zich weer opsluit
in zijn vroeger kasteel Stuggenstein, waar je hem uit verlost hebt.
Protesteer tegen dat hatelijk artikel uit het wetboek van mama Evans,
dat tusschen man en vrouw de liefde van zelve spreekt, ook zonder dat ze
die dagelijks elkander behoeven te laten merken; breng alle gebonden
warmtestof in een kwaden naam; houdt vol, dat het niet genoeg is,
een man te hebben,—dat wat hij jaren geleden tegen je zei, nu niet
voldoende is,—dat de liefde elken levenszomer nieuwe bladeren moet
krijgen, even goed als de olmboomen, en nieuwe takken om al vaster en
grooter te worden, en nieuwe bloemen moet kweeken, om den stam te
versieren.”
„Maar ik heb wel eens hooren zeggen, dat er geen zekerder middel
bestaat, om iemands liefde te verliezen, dan te veel te eischen, en dat
zij allerminst door verwijtingen te winnen is.”
„Alles zoo waar als een evangelie, Emilie! Maar ik spreek niet van
verwijtingen of van onredelijk doordrijven of van booze humeuren,—je
zoudt niets van dit alles kunnen probeeren, zelfs al wou je, jij kleine
dreumes! Ik spreek nu van 't hoogste, 't edelste, 't heiligste wat
wij aan onze vrienden schuldig zijn: den plicht, om hen hun eigen
adel en deugd zuiver en onbevlekt te helpen bewaren. Onnadenkende,
onwillekeurige, onverstandige liefde en zelfopoffering, zooals veel
vrouwen aan man en kinderen bewijzen, strekt maar alleen, om hen, aan
wie ze betoond worden, te bezoedelen en te vernederen. Misschien wordt
een vrouw heilig door zelfopoffering, maar worden haar man en haar
kinderen het ook, als ze zonder iets van hun kant te doen, dit offer
maar klakkeloos aannemen? Ik heb eens gelezen: „wie voor een vrouw in
haar vlekkelooze reinheid neêrknielt, werpt er, terwijl hij zich buigt,
met zijn adem den eersten smet op.”
„Geldt dat niet van alle onverstandige liefde en zelfopoffering? Laten
wij, zonder er iets tegen in te brengen, toe dat zij die wij liefhebben,
koel en lastig en zelfzuchtig worden, dan hebben wij niet waarachtig
lief, dan zijn wij geen echte vrienden. Er is geen man ter wereld,
die iets beteekent, of hij bemerkt al spoedig het onderscheid, dat er
is tusschen hetgeen zijn vrouw uit belangstelling in zijn eer, zijn
vooruitgang op den weg ten leven, zijn eeuwig zieleheil, hem voorhoudt,
en een kinderachtig pruilen, waarbij ze alleen om zichzelve denkt.
't Zal je eigen schuld zijn, indien je man, omdat je niet doet wat je
doen kunt, weer tot dezelfde koelheid en afgemetenheid vervalt, als hem
reeds van zooveel genot en genoegen beroofd hebben. Zulk eene doode,
dorre manier van leven is even onchristelijk als onpleizierig; en als
Christin, die beloofd hebt heldhaftig onder de banier van Christus te
strijden, is het je plicht, op dien antichrist aan te vallen, al neemt
hij ook nog zoo den schijn aan van bijzondere vroomheid en deemoed. Denk
er aan, dat er in den kring der jongeren van Jezus even goed uiterlijke
teekenen van liefde waren, als het innerlijke leven daar krachtig was.
De discipel, dien hij lief had, lag aan zijn borst; en de verrader zou
geen teeken gehad hebben, waarmee hij hem verried, indien Jezus niet
gewoon was geweest den jongeren bij 't komen en 't heengaan een kus te
geven.”
„Ik ben blij, dat ge mij dit alles gezegd hebt,” hernam Emilie, „omdat
ik mij nu eens zoo sterk gevoel. Vroeger dacht ik altijd, dat ik te
veel naar mijzelve toerekende, als ik van Johan meer blijken van liefde
verlangde; maar ik zie nu in, dat het voor hem zelven goed zou wezen.
Ja, alleen wat voor hem het beste is, wil ik van nu af zoeken.”
En zoo begon mijn kleine zus, nu zij 't er voor hield dat het om
zelfopoffering te doen was, vrij wat beter, dan de meeste vrouwen van
haar slag, te begrijpen, hoe ze zich moest gedragen. Zeg tegen zulke
vrouwtjes, dat, zich te laten gelden, een soort van martelaarschap is:
en zij zullen zich laten gelden.
Maar hoe welsprekend ik dien avond ook geredeneerd had, toch werd het
huis op dezelfde plaats als men van plan geweest was, gebouwd, en het
huishouden van Johan en Emilie bleef altijd onder de schaduw der olmen
van den ouden heer Evans, alsof ik er geen woord over gesproken had.
Emilie werd moeder van twee lieve jongens, en begon al magerder en
zwakker te worden, en hoe zwakker ze werd, des te meer was het noodig,
dat het bestuur over de huishouding en de zorg voor de kinderen op mama
en de zusters overgingen; die dat alles op hare arendsvleugelen droegen:
want wat kan er gedaan worden door een vrouw, die den meesten tijd
tusschen leven en dood zweeft?
Eindelijk zei ik ronduit aan Johan, dat de lucht en 't klimaat daar veel
te scherp waren voor haar, die hij, die zij allen zoo innig liefhadden;
eindelijk stemden zij in de verandering toe, waarvan zoo dikwerf
gesproken, waarop zoo dikwijls aangedrongen was, maar die de oude lui
altijd hadden tegengehouden.
Johan kocht een lief buitentje dicht bij ons huis; hij ging daar met
vrouw en kinderen wonen; en wat ik over een verandering van moreelen
dampkring voorspeld had, gebeurde. Binnen 't jaar hadden wij onze Emilie
van ouds weer terug, blozende, vroolijk, jolig, vol leven, vol lust en
vol kracht. Zij kon haar huishouden nu weer zelve besturen, zij was een
prettige speelkameraad voor haar jongens en speelde op haar aardige
manier den baas over Johan, die zich weêr door haar leiden liet, evenals
in de gelukkige dagen van hun engagement. De nachtmerrie was voorbij: en
Johan was niet minder dan wij over zijn vrijheid in zijn schik. Zoo als
Emilie zei: hij was omgekeerd als een blad op een boom.
En hier eindigt mijn verhaal.
En nu, wat leert men hieruit? Dit: dat men in het leven het eene
_uitdrukken_, het andere _onderdrukken_ moet. Liefde, vreugde, hoop,
geloof, medelijden, behooren tot de dingen, die wij moeten uitdrukken,
openbaren, aan den dag brengen; toorn, nijd, kwaadwilligheid, wraak,
liefdeloosheid, tot die dingen, die wij moeten onderdrukken, bedwingen,
_terughouden_.
Enkele, zeer godsdienstige en brave menschen vergissen zich, als zij die
_terughouding_ op beide soorten van gemoedsaandoeningen evenzeer
toepassen. Zij onderdrukken zoowel de gevoelens van liefde als van
haat: van medelijden als van nijd, maar vergeten daarbij een groote
wet, die evenzeer in de moreele als in de physieke wereld geldt: dat
onderdrukking doet verkwijnen en wegsterven. Maai twee- of driemaal 't
onkruid weg: al is 't nog zoo taai, 't zal sterven, omdat de sappen
der wortels geen lucht kunnen krijgen. Een kompres op het een of ander
lichaamsdeel gaat er den groei van tegen de chirurgijn weet dit en slaat
er een stevige zwachtel om; maar wat dunkt er u van, om, zoo als sommige
dames van mijn kennis doen, een stijf verband om de borst en de longen
te leggen, of de voet in de zwachtelen, zoo als bij de Chineezen
gewoonte is? Maar vooral wat dunkt u er van, als zij een verband slaan
om de edelste gemoedsaandoeningen en de _liefde_ in een lijkkleed
wikkelen?
Doch er zijn weêr anderen, en hun getal is legio—misschien behoort
gij, lieve lezer! en ik zelf er eenigszins toe,—die de instinctmatige
gewoonte van terughouding hebben bij alles wat het hoogste en edelste in
hen is, maar, zoodra het min edele en min waardige aandoeningen geldt,
dat instinct volstrekt niet gevoelen.
't Valt vrij wat gemakkelijker, onze vrienden in een oogenblik van toorn
uit te schelden, dan op innemende wijs hun te zeggen, hoezeer wij hen
liefhebben, eeren en achten. Gramschap en bitterheid vinden van zelf
wel woorden en gaan haar eigen gang; maar liefde is bedeesd, kijkt
schuchter het venster uit en draait aan de deurklink.
Hoeveel vrijmoediger spreken zelfs Christenen woorden van toorn,
verachting en veroordeeling uit dan woorden van teederheid en liefde!
„_Ik haat_” zegt men hardop en met kracht: „_Ik bemin_” niet dan met
eene weifelende stem en een blos op 't gelaat.
In toorn ontstoken spreken wij, al wordt er een liefhebbend hart door
gegriefd, krachtig, met nadruk, vrij uit; maar wij stamelen en blijven
in de woorden steken, wanneer ons beter ik ons dringt, onze schuld te
bekennen en vergeving te vragen. Zelfs wanneer ons hart door berouw
verbrijzeld is, dralen wij nog en geven wij geen lucht aan 't geen ons
het meeste benauwt en beklemt.
Hoeveel duizenden zijn er, die met hun rijkste schatten naar hart en
geest, als ellendige gierigaards leven! Omringd door betrekkingen, die
zij innig liefhebben, maar die, zoo ze dezen in hun spreken en doen
maar iets meer van die liefde toonden, veel gelukkiger, rijker, en
beter zouden wezen,—houden zij al dien rijkdom hunner genegenheid
maar achter slot; zij kunnen, zij willen er niets van uitdeelen.
Menschen, die elkander met hart en ziel liefhebben, achten, vereeren,
bijna aanbidden,—zulke menschen leiden een akelig, ijskoud leven met
elkander, en terwijl ze voor alle andere dingen de grootste attentie
hebben en de meeste zorg dragen, behandelen zij hun liefde als een ding
dat van zelf gaat, als een plant die verleden jaar uitgebloeid is en nu
knoppen noch bloesems kan voortbrengen.
Zijn er niet zoons en dochters, wier ouders alles voor hen over
hebben,—mannen en vrouwen, broeders en zusters, bij wie het materiaal
voor een gelukkig leven onder een doodelijk zwijgen verscholen
ligt,—die zich voor alles den tijd gunnen, behalve voor dit ééne: dat
ze op hun beurt de liefde, die hun bewezen wordt, beantwoorden?
Eens, denken zij, komt de tijd nog wel, dat zij gelegenheid zullen
hebben, om elkander 't leven te veraangenamen, om samen te wandelen en
samen te rusten, om elkander die verborgen schatten te ontdekken, die nu
ongebruikt blijven en die ze renteloos laten liggen.
Helaas! de tijd vliegt weg en de dood snelt aan; er blijft ons niets
anders over, dan de oude klacht van de Schrift te herhalen: „Het
geschiedde nu, als uw knecht hier en daar doende was, dat hij weg was.”
Geen bitterder tranen bij 't graf dan die er vloeien om 't geen niet
gezegd en niet gedaan werd, schoon 't had moeten gezegd en moeten gedaan
worden.
„Zij heeft nooit geweten hoe lief ik haar had.” „Hij heeft nooit
geweten, wat hij voor mij was.” „Ik was van voornemen geweest, hem nog
meer tot mijn vriend te maken.” „Nu eerst, nu hij dood is, gevoel ik,
wat ik in hem verlies!”—zulke uitdrukkingen zijn de vergiftige pijlen,
die de wreede dood van de deur van 't graf op ons afschiet.
Hoe veel meer genot konden wij van ons huwelijksleven, van onze
vriendschap hebben, als elke stille liefdeaandoening bloesems en
vruchten droeg en zich in daden openbaarde. Ik bedoel nu niet alleen
liefkozingen. Soms zijn ze wel de beste taal der liefde, maar soms ook
niet. Bij enkele gestellen, vooral bij uiterst fijne en teêrgevoelige,
wekken ze allicht door overmaat een soort van tegenzin op. Maar dan
blijven er toch nog woorden en blikken en kleine oplettendheden over,
waaraan onze liefde te merken zal wezen, en er is ter nauwernood één
gezin, dat niet nog gelukkiger zou zijn, als 't nog rijker aan die soort
van attenties was.
't Is een dwaasheid te denken, dat wie familie van elkander zijn,
natuurlijk veel van elkander houden, enkel en alleen omdat zij familie
zijn. Liefde moet onderhouden worden en kan, indien ze met oordeel
gekweekt wordt, even als een wilde vruchtboom door de zorg van een
tuinman, dubbel zoo veel vruchten dragen als anders: maar liefde kan ook
door veronachtzaming wegkwijnen en sterven, evenals de dubbele rozen,
in een schralen grond aan zich zelve overgelaten, weêr tot enkele
verloopen.
Twee oorzaken liggen er in onzen landaard, waardoor wij die gemakkelijke
manier en die vlugheid van ons uit te drukken missen, die ons bij de
Italianen en Franschen zoozeer bevalt: de vrees voor vleierij en eene
aangeboren bedeesdheid.
„Mijn hart brandde op mijn tong, om gisteren juffrouw Die-en-Die te
zeggen, hoe lief ik haar vond,” zegt juffrouw Zoo-en-Zoo.
„En waarom hebt gij 't haar dan niet gezegd?”
„Och, het zou den schijn van vleien gehad hebben, weet ge.”
Maar wat is vleierij?
Vleierij is _onoprechte_ lof, uit baatzucht gegeven, maar een vriend of
een vriendin met volle oprechtheid te zeggen, wat wij goed en lief in
hen vinden, dat is geen vleien.
Uit vrees voor vleierij gaan zulke akelig oprechte menschen met hen,
die zij liefhebben en bewonderen, dagelijks op die manier om, dat ze
wel denken moeten: we zijn hun geheel en al onverschillig. Ouders zijn
zoo bang door hun liefde en goedkeuring de kinderen trotsch en ijdel te
maken, dat een jongen er dikwijls moedeloos en wanhopig onder wordt, en
eindelijk eens toevalligerwijze aan de weet komt, dat zij trotsch op hem
en gek met hem zijn. Soms (er komen zulke tijden) als een vader rondweg
zei, dat hij zijn jongen liefhad, zou het dien jongen meer goed doen dan
de beste preek,—maar vader kan het niet zeggen,—zoo iets kan hij toch
niet laten merken!
De andere oorzaak onzer _terughouding_ noemde ik onze bedeesdheid.
Er zit ons een machteloosheid om ons uit te drukken in merg en been,
waartegen wij moeten strijden, die wij moeten uitdrijven. Maar wij
kunnen ons daarin oefenen, als wij maar inzien en gevoelen, hoe noodig
het is; wij kunnen het tot een christelijken plicht maken, niet alleen
lief te hebben, maar ook onze liefde te toonen,—niet alleen trouwe
vrienden te _wezen_ maar 't ook te doen _blijken_, dat wij het zijn.
Wij kunnen ons zelven dwingen, wat in onze harten opkomt en op onze
lippen zweeft, uit te spreken—en geen van die voorkomende, innemende
oplettendheden achterwege te laten, die wij wel begeeren, maar toch
schromen te bewijzen. Langzamerhand zal dit gemakkelijker gaan: een
woord van liefde zal een woord van liefde uitlokken,—een klein
dienstbetoon, een wederkeerige dienst ten gevolge hebben,—zoodat
eindelijk de harten in den huiselijken kring in plaats van te zweemen
naar bevroren, ijskoude eilandjes, vol warme lucht zullen zijn, en, in
de liefelijkste samenstemming met elkander vereenigd, eene ongestoorde
melodie van liefde zullen aanheffen.
HOOFDIGHEID.
IV.
HOOFDIGHEID.
Mijn kleine vossen zijn beestjes, die wel waard zijn wat nader bekeken
te worden; ik hoop maar, dat mijn bekoorlijke menagerie mijne lezers
niet vervelen zal, eer ik hun van alles het fijne heb laten zien.
Bedenkt, dat er zeven vossen zijn waarvan wij er nog maar drie
onderhanden hadden: ge dient dus nog heel wat geduld te hebben.
't Is nu onder ons uitgemaakt, dat de „kleine vossen” zooveel zijn als
de kleine boezemzonden van ons, welopgevoede, deugdelijke Christenen,
die immers hopen dat wij tegen stelen, doodslaan en alle andere grove
zonden in de Tien Geboden vermeld, niet eens meer eenige waarschuwing
noodig hebben. Die kleinen nu worden doorgaans als te onbeduidend
beschouwd, om er van den preêkstoel tegen te ijveren; zij schijnen zóó
beuzelachtig, dat de leeraars er niet eens om denken; zij zijn als die
kleine spinnetjes op de planten,—bijna te klein, om met het bloote oog
gezien te worden, en alleen te merken aan het verwelken en afvallen van
het eene blad na het andere, dat anders groen en frisch zou wezen.
Ik heb thans het oog op een anderen kleinen vos, die zeer veel toebrengt
tot het verwoesten der wijngaarden van huiselijk geluk,—ja, die meer
druiven heeft doen mislukken, dan iemand zou denken. 't Valt mij niet
gemakkelijk, zijn juisten naam te noemen. Bij de opsomming van mijn
zevental gaf ik hem den naam van _hoofdigheid_; anders,—'t was
misschien beter geweest,—_doordrijverij_.
Even als menig ander gebrek, ontstaat ook deze verkeerdheid uit
overdrijving van eene eigenschap, die hoogst noodig en lofwaardig is.
Vastheid van wil is het stevig graniet, waarop de grondslag van ons
leven rust. Zonder deze zou er niets tot stand komen: al onze plannen
zouden zeepbellen zijn en niets meer. Aan ieder goed uitgerust schepsel
moet een zekere mate van vasthoudendheid, een soort van wilsvolharding
eigen zijn; en, om den mensch tot het verkrijgen dier onmisbare
eigenschap in staat te stellen, heeft de Schepper hem een vermogen
verleend, dat hij met de dieren gemeen heeft. Het vermogen om vol te
houden is bij de dieren een blinde kracht, die alleen van spieren en
zenuwen afhangt, en bij het eene dier geheel anders werkt dan bij het
andere. De taaiheid waarmeê zich een bulhond vastklemt aan zijn prooi,
de koppigheid, waarmeê een muilezel zijn vier pooten schrap zet en
slagen en bedreigingen verduurd, doet ons duidelijk zien, wat die
eigenschap is, zoolang ze alleen dierlijk blijft, schoon diezelfde
eigenschap, aan den mensch verleend, de bron is van de heldhaftigste
lijdzaamheid, van de uitnemendste volharding, waardoor alle grootsche
en edele daden volbracht worden.
Het huiselijk gebrek, door ons bedoeld, ontstaat, wanneer deze
eigenschap in 't wilde opgroeit, wanneer de vastheid van wil bij
instinct handelt, en niet luistert naar rede of geweten,—'t is wat
wij in het dagelijksche leven noemen „stijf op zijn stuk staan.”
Dit _dierlijk_ instinct van „stijf op zijn stuk staan”, bedoel ik met
hoofdigheid of doordrijverij; en in het huiselijk leven sticht het des
te meer kwaad, daar 't als instinct werkt, zonder door 't verstand
bewaakt of door 't geweten veroordeeld te worden.
In dat aardige, fonkelnieuwe optrek ginds aan den voet van dien heuvel,
vindt gij een pas getrouwd paartje, te midden van de prettige drukte
die aan het opzetten van een jongelui's huishouden vast is, als 't uit
een ruime beurs toegaat en alles op gemak en genoegen is aangelegd. De
timmerman, de behanger, de kastenmaker wachten, wat mijnheer en mevrouw
nog te zeggen hebben; en deze hebben niets anders te doen, dan alles te
schikken en te bepalen, waar al hun keurige meubelen zullen geplaatst
worden. Onze Hero en Leander,—ik zal ze zóó maar noemen—zijn precies
in de punten, niet te lang, niet te kort, maar volgens alle vormen en
gebruiken geëngageerd geweest. Zij hebben elkander twee jaren lang
dagelijks een brief geschreven, die begon met: „Lieve beste” en eindigde
met „De uwe”, enz.; zij hebben elkander bloemen en ringen en haarlokken
present gegeven; elkanders miniatuurportretten op hun hart gedragen;
uren achtereen doorgebracht met over alle mogelijke dingen te spreken,
en ze zijn vast overtuigd, dat er nooit zulk een sympathie der zielen,
zulk een overeenstemming van gevoelens, zulk een hechte, verstandige,
stevige grondslag voor wederkeerige achting bestaan heeft, als bij hen
het geval is.
Nu is 't een zekere waarheid, dat er menschen zijn die volkomen
overeenstemmen en harmonieeren in de dingen des geestes,—die van
dezelfde boeken houden, dezelfde verzen aanhalen, dezelfde beginselen
voorstaan, dezelfde godsdienst belijden,—en die toch, wanneer zij het
eenvoudigste dagelijksche ding samen te doen hebben, ieder oogenblik aan
het kibbelen raken en met elkander in botsing komen, eenvoudig omdat er
voor iedereen, in zijn gewoonten en hebbelijkheden, in zijn sympathiën
en antipathiën duizenden kleinigheden zijn, waarmee de rede niets te
maken heeft, waarop de wetten der logica niet kunnen toegepast worden,
en die men al te kinderachtig rekent, om er den invloed der godsdienst
op te laten gelden,—duizenden kleinigheden waarover men het toch
eindelijk eens moet worden, zal men zamen rustig wonen en leven.
Onderstel eens, dat een blauwe meerkol aan een lijster het hof maakt
en 't jawoord krijgt en met haar huwt. Gedurende het engagement zullen
zij zeker wel allerlei minnekozerijen gehouden hebben over de zaligheid
van een vrij leven, over 't geluk om zich in de blauwe zomerlucht te
verliezen. Mijnheer Meerkol zal wel heel deemoedig in verrukking gekomen
zijn, als hij zijn leelijk gekras met de liefelijke zangen van juffrouw
Lijster vergeleek. Maar, eens met elkander vereenigd, beginnen zij over
„zaken” te praten. Hij is vast overtuigd, dat een gat in een hollen
boom de eenige geschikte plaats voor een nest is; zij weet zeker, dat
zij daar binnen de maand van de vocht en van rhumatiek zou sterven.
Zij heeft er nooit van gehoord, dat men ergens anders een huishouden
opzette, dan in een lief, klein nestje, opgehangen aan een zwiepende
populiertak; hij weet zeker, dat hij, eer de zomer voorbij was, aan
duizeligheid zou lijden door dat onophoudelijk zwaaien in zulk een
logies,—hij zou er zeeziek van worden,—hij mag er niet aan denken!
_Zij_ weet nu, dat hij haar niet lief heeft, want dan zou hij er nooit
aan gedacht hebben, haar in een oud vermolmd gat van een verrotten boom
op te sluiten; en _hij_ weet nu, dat zij niet van hem houdt, want dan
zou zij hem toch 't leven niet willen vergallen, door hem te laten
draaien en zwaaien, zooals geen ordentelijke vogel kan uitstaan. Beiden
staan stijf op hun stuk, en hoe zullen zij een van beiden overtuigd
worden, dat wat hem het beste dunkt, daarom nog niet het beste is? De
natuur weet daarop een middel, en daarom paren blauwe meerkollen niet
met lijsters: en van daar komt er geen gekibbel in de huishouding der
vogels.
Maar, mannen en vrouwen, even verschillend in hun smaak en in hun
gewoonten als blauwe meerkollen en lijsters, engageeren zich en trouwen
met elkander, en beginnen een nest te bouwen, _alias_ een huishouden op
te zetten, met even krasse en even onberedeneerde vooroordeelen, als de
partijdige ingenomenheid van juffrouw Lijster met een slingerend nest en
van mijnheer Meerkol met een vermolmden boom.
Onze Leander en Hero dan, die van daag hun optrek in orde brengen,
zullen mijn meening juist van pas toelichten. Beiden zijn tot nog toe
niet veel meer dan kinderen geweest,—beiden afgodisch vereerd in den
kring, waarin zij zijn groot gebracht, als toonbeelden van goeden
smaak;—natuurlijk hebben beiden het zeer eigenaardige van dien smaak
vrij wat verscherpt en veel daaraan toegegeven. Zij koesteren voor
elkander waarachtige, innige achting en liefde, die op den hechtsten
en heiligsten grond steunt: omdat er overeenstemming tusschen hen
bestaat in de hoogste aangelegenheden. Beiden zijn edel van hart
en diepgevoelig,—beiden uiterst beschaafd, schrander, kiesch van
smaak,—beiden waarachtig godsdienstig; en toch moet ik u zeggen, dat
het eerste jaar in de geschiedenis van hun huwelijksleven geen anderen
naam verdient, dan: _een jaar van gevechten_.
Ja, die beiden geliefden, zoo trouw, zoo innig verknocht, in menig
opzicht zoo voortreffelijk, kunnen zich in 't echtelijk leven niet met
elkander vereenigen, zonder dat er een opbruising volgt, even hevig als
bij 't vermengen van loogzout met een of ander zuur; en 't zal niet uit
te maken wezen, wat de meeste schuld daaraan heeft, het zuur of het
loogzout, omdat beide van de beste qualiteit zijn.
De reden daarvan is, dat beiden „stijf op hun stuk staan,” en dat er
geen twee menschelijke wezens te vinden zijn, die altijd en in alles
volkomen overeenstemmen. Beiden hebben een zeer bepaalden smaak en zijn
zeer beslist in hun keus. In de eenvoudigste dingen hebben beiden een
_gevoelen_, een bepaald gevoelen,—dat zij voor geen geld ter wereld
zouden opgeven. Er is geen wensch zoo gering, geen kleinigheid zoo
nietig, dat zij niet zouden weten, wat zij er van verlangden,—en daarin
kan noch redeneering noch vloed van lieve woordjes verandering brengen!
't Is een heerlijke morgen, stralende van licht en geluk: in haar
luchtig ochtendgewaad, met haar keurig sluitende laarsjes, klimt ze over
de kisten en koffers, die in de veranda uitgepakt zijn; en hij, zalig in
't bezit van zulk een lief vrouwtje, kan 't haast niet dulden, dat zij
die bevallige voetjes gebruikt, en zoekt allerlei voorwendsels, om haar
telkens over de kisten heen te tillen en in triomf naar haar nieuwe
woning te voeren.
De kleeden zijn gelegd, en nu zullen de meubelen ingedragen worden.
„Zet de piano maar voor het raam,” zegt mevrouw.
„Neen, niet voor het raam,” zegt mijnheer.
„Wel beste! 't spreekt immers van zelf, dat zij voor het raam moet
komen. Wat zou zij ergens anders leelijk staan. Ik heb de piano's nooit
anders dan voor de ramen zien staan.”
„Lieve! je wilt toch het mooie uitzicht, hier uit dit raam, niet
wegnemen door er een piano voor te zetten. De beste plaats is dáár, in
den hoek. Probeer het maar eens!”
„Lievert! mij dunkt, dat zij daar heel .... vreemd zou staan; 't zou de
heele kamer bederven.”
„En mij dunkt, beste! dat de kamer er juist van bederven zal, als we de
piano voor die vensterbank zetten. Denk eens, wat een prettig plaatsje
het wezen zal, om dáár te zitten.”
„Net alsof wij niet achter de piano konden zitten als wij dat verkozen,”
brengt mevrouw in 't midden.
„Maar toch, hoeveel ruimer en gezelliger ziet de kamer er uit, als je
meteen bij 't binnenkomen door het raam 't uitzicht op de kleine vallei
hebt en eventjes in de verte de spits van den dorpstoren ziet!”
„Maar ik kan er mij nooit meê vereenigen, dat de piano zoo in een hoek
gestopt wordt”, zegt Hero. „_Ik sta er op_, om haar voor het raam te
zetten. Zoo staat de piano van mama ook, en van tante Jans, en van
mevrouw Wilson: iedereen heeft zijn piano zoo staan.”
„Als je begint te spreken van er op te staan,” zegt Leander „dan kan ik
dat van mijn kant even goed doen.”
„Maar, schat! je weet toch wel, dat de huiskamer tot het departement van
de vrouw hoort.”
„Niet van een getrouwde vrouw, zou ik denken. Ik geloof, dat de
huiskamer even goed tot het departement van den man hoort, omdat hij er
een groot gedeelte van zijn tijd in zal doorbrengen.”
„Maar mij dunkt, dat je iets niet zoo moest doordrijven als je weet, dat
het mij displezier doet,” zegt mevrouw.
„En mij dunkt, dat _jij_ iets niet zoo moest doordrijven als je weet,
dat het mij displezier doet,” zegt mijnheer.
En nu beginnen Hero's wangen te gloeien en kookt het van binnen, en zegt
ze:
„Welnu, als je er dan op staat, dan moet de piano maar zoo gezet worden,
als je verkiest, maar dan zal ik er ook nooit met plezier op spelen!”
Zoo gaat ze de kamer uit en laat den overwinnaar alleen, die bitter
ongelukkig met zijn overwinning is.
Hij loopt haar achterna en vindt haar boven, troosteloos en weenende, op
een koffer zitten.
„Kom Hero! hoe kan je nu zoo kinderachtig zijn? Ik wil je je zin wel
geven.”
„Neen—het moet nu maar zoo blijven, als je verkiest. Ik had vergeten,
dat gehoorzamen de plicht van de vrouw is.”
„Gekheid, Hero! Wees toch verstandig. Laten we niet kibbelen, alsof we
kinderen waren.”
„Maar 't is toch zoo klaar als de dag, dat ik gelijk had.”
„Hoor eens, beste! ik kan onmogelijk toestemmen dat je gelijk hebt; maar
ik heb er niet op tegen, dat de piano naar je zin gezet wordt.”
„Ik kan maar niet begrijpen, Leander! dat je niet inziet, hoe leelijk de
piano in dien hoek zou staan. 't Zou mij hinderen, zoo dikwijls ik de
kamer binnen kwam en 't zou in dien hoek veel te donker zijn, om de
noten te zien.”
„En ik kan maar niet begrijpen, Hero! dat een vrouw van zooveel smaak
niet inziet, hoe leelijk de kamer er van wordt, als men dat raam bezet.
't Is het mooiste plekje van 't heele vertrek.”
Zoo blijven zij in denzelfden kring ronddraaiende, altijd op dezelfde
manier redeneerende, gedurig meer ontstemd en stekeliger, beide ten
volle bereid (zoo als zij zeggen) om in vredesnaam toe te geven, maar
ook beide met alle klem betoogende, dat toch hun gevoelen het beste is,
zoodat aan weêrskanten het dierlijk instinct van hoofdigheid gedurig
meer toeneemt en al gaande weg sterker wordt. In de hitte van dien
woordenstrijd vliegen er ondertusschen enkele schimpscheuten en
hatelijkheden, even als splinters van de lansen in een tournooi. Hij
zegt haar in zijn drift, dat zij zich maar slaafs aan de dwaasheden
van de groote wereld houdt, zonder eenig idée van orde en bevallige
schikking te hebben,—en zij op haar beurt verwijt hem, dat hij in alles
de baas wil wezen en zijn eigen hoofd volgt; en zoo duurt dit gevecht
den geheelen dag voort, nu en dan met tranen en kussen geschorst
door een korten wapenstilstand, die echter verraderlijk telkens weer
geschonden wordt door die ongelukkige woorden: „Lieve! met dat al moet
je toch toestemmen, dat _ik_ gelijk had,” hetgeen natuurlijk het sein
is, om het gevecht weer van voren af aan te beginnen.
Zulk een lang volgehouden kibbelarij is de moeder van een menigte
kleinere schermutselingen,—daar de boven genoemde splinters van
hatelijke opmerkingen en verwijten, die in het heetst van den strijd
overal rondvlogen, zich in 't vleesch vasthechten, daar ontsteking
veroorzaken en langzaam verzweren moeten. Schuilt er echter op den
bodem des harten en in rijken overvloed echte, ware liefde, dan gaat het
genot der verzoening 't verdriet van die kleine geschillen zóó veel te
boven dat ze geen van beiden recht inzien wat zij doen, en van verre
niet vermoeden dat zulk eene innige liefde, als zij voor elkander
gevoelen, door deze kibbelarijtjes, die toch eigenlijk niets te beduiden
hebben, ernstig kan bedreigd worden.
Doch de oorzaak van al die moeilijkheden, de verborgen, onbewaakte,
maar geweldige macht der eigenzinnigheid in kleinigheden maakt, dat
dergelijke tooneelen gedurig weer voorkomen. Bij voorbeeld, terwijl het
nu eens tusschen de buitjes door helder is, bezorgt Hero voor haar
Leander een „maaltijd van vrede en welbehagen”, en maakt een slaâtje
voor hem klaar—neen, maar een pronkjuweel van een slaatje. Ook Leander
is vroolijk en in zijn humeur; maar, na even van de sla geproefd te
hebben, schuift hij zijn bord op zij.
„Beste! smaakt de sla je niet?”
„Neen, lieve! ik eet nooit iets, waar slaolie in is.”
„Geen slaolie? Hoe gek! Ik heb nog nooit van sla zonder olie gehoord.”
En mevrouw ziet er alles behalve lief uit.
„Maar, lieve! zooals ik je zeg, ik gebruik ze nooit. Ik houd meer van
suiker en azijn over de sla.”
„Suiker en azijn! wel Leander! hoe is het mogelijk! Dat eten de boeren
immers? Je moet waarlijk nog eens probeeren, of de sla je niet smaakt,”
voegt ze er bij op een vleiende toon.
„Lieve! ik probeer _nooit_, of iets mij smaakt, dat ik nog nooit geproefd
heb. Ik houd me maar bij het oude.”
„Ik moet zeggen Leander dat ik dit alles behalve aardig van je vind.”
„En ik vind het niet aardig van je, dat je mij iets wilt opdringen, waar
ik niet van houd.”
„Maar je zoudt er wel van houden, als je 't maar eens woudt probeeren.
't Is er net mee als met olijven: ik heb wel eens gehoord, dat enkele
menschen daar vreeselijk tegen zijn, maar als zij die een keer of wat
gegeten hebben, worden zij er dol op.”
„Dan dunkt mij, dat zij al heel dwaas zijn met zoo veel moeite te doen,
daar er toch zeker eten genoeg is waar zij van houden.”
„Ik geloof toch niet, Leander! dat zoo iets beleefd of innemend is. Mij
dunkt, wij moeten ons best doen, om ons naar den smaak van onze vrienden
te schikken.”
„Welnu, schat! dan moet gij maar eens probeeren, of je niet van sla met
suiker en azijn houdt.”
„Maar dat vind ik zoo iets raars en onfatsoenlijks! Heb je ooit gehoord,
dat er sla met azijn en suiker aangemaakt, op een deftige tafel kwam?”
„De tafel van mijn moeder was toch, dunkt mij, deftig genoeg, en daar
heb ik de sla zoo leeren eten. Je bekreunt je voor een verstandige vrouw
veel te veel om de mode en wat de fatsoenlijke menschen er van zullen
zeggen.”
„Dat heb je me verleden week ook al gezegd, en ik geloof dat ik zoo iets
niet verdien, in 't geheel niet verdien,” antwoordt Hero met nadruk.
„Evenmin verdiende ik het verwijt, dat ik in alles de baas wil wezen en
altijd mijn zin doen.”
„Maar, beste Leander! nu zal je toch wel moeten erkennen, dat er wat van
aan is.”
„Dat zie ik nog niet in.”
„Je staat zoo stijf op je stuk, dat hemel noch aarde je verwrikken kan.”
„Sta ik dan meer op mijn stuk dan jij?”
„Wel zeker doe je dat,” zegt Hero.
„Dat heb je toch glad mis.”
Hero slaat hare oogen naar boven en reciteert met zekeren nadruk:
Mogen we eindelijk daarin slagen—
Wie verlangt en bidt het niet?—
Dat wij zóó ons zelven zagen,
Als ons ieder ander ziet.
„Juist,” zegt Leander. „Ik hoop, dat je gebed voor je zelve rijke
verhooring mag vinden, lieve!”
„Ik geloof, dat je er plezier in hebt, mij boos te maken,” zegt Hero.
„Maar, lievert; wat ben je toch dwaas en kinderachtig,” zegt hij weêr.
„Waarom kunnen wij elkaâr toch niet met vrede laten?”
„Jij bent begonnen.”
„Neen, schat! 'k vraag je wel excuus, _jij_.”
„Stellig niet. Leander! jij begon.”
Nu kan een gesprek van dien aard uren achtereen duren, zoolang de
respectieve partijen adem en kracht behouden, terwijl ze al stijver en
stijver op hun stuk staan, al weten zij heel goed, dat zij met iets, al
is het nog zoo weinig, toe te geven, er terstond een einde aan zouden
maken.
_Zij_ zou kunnen zeggen! „Welnu, beste: je zult de sla altijd zóó
hebben, als je ze 't liefst hebt,” en _hij_ zou kunnen zeggen: „Lieve!
als je 't graag hebt zal ik eens probeeren of ik van de sla, zooals jij
ze klaarmaakt, houd.” Zei Hero maar het eerste of Leander het tweede,
dan zou de ander van zelf toegeven. De een zou wel volgen, als de ander
het maar eerst wou doen; maar zooals het nu is, doen zij mij denken aan
een paar koeien, die ik eens in een weî heb zien staan met de horens
vlak tegen elkander, zoodat geen van beiden een duim breed vooruit of
achteruit kon. 't Is niets anders dan de dierlijke kracht van koppig
volhouden; met ons verstand of ons geweten of ons godsdienstig gevoel
heeft het niets uit te staan.
De geschilpunten, waarover op deze wijze door het jeugdige echtpaar
getwist werd, waren verwonderlijk vele: zoo, bij voorbeeld, of de mooie
gravure naar de schilderij van Turner in de huiskamer of in de zijkamer
hoorde,—of ze hun landschap zouden ophangen of dat het beter op den
ezel zou staan,—of de buste van Psyche op de marmeren tafel in de
vestibule moest gezet worden, dan wel of ze beter voldoen zou op de
boekenkast. Al deze punten werden met zulk een omhaal van woorden,
zulk een rijkdom van argumenten, zulk een kracht van taal besproken,
als iemand begrijpen kan, die weet, wat al redeneeringen een paar
eigenzinnige menschen over iedere kleinigheid kunnen te berde brengen.
Allerlei uit de klassieke oudheid, allerlei uit Kugler's „Handboek der
schilderkunst”, allerlei meeningen van levende meesters, werden er
bijgehaald, om niet eens te spreken van maatschappelijke, zedelijke en
godsdienstige quaesties: want er is geen ding ter wereld, dat niet op
de eene of andere wijze met alle andere dingen in verband staat.
Dr. Johnson heeft opgemerkt: „dagelijks komen er duizende kleine
geschillen voor, waarover 't verstand nooit beslissen kan: quaesties,
waarbij onderzoek te vergeefs en logika belachelijk is, gevallen, waarin
iets moet gedaan, maar waarover weinig kan gezegd worden.”
Met allen eerbied voor den grooten zedekundige moet ik opmerken, dat
hij door deze bewering toont, al zeer weinig begrip te hebben van de
eindelooze stof tot discours, die een paar zeer beschaafde maar zeer
hoofdige menschen in het kibbelen over huiselijke dingen vinden. 't
Mag bespottelijk wezen er de logica bij te halen, maar zulke menschen
als onze Leander en Hero kennen geen gevallen, waarin iets gedaan moet
worden zonder dat er ook veel over te zeggen valt. Met dat al verwoesten
en vernietigen deze ellendige en eindelooze kibbelarijen 't heerlijk
ideaal van trouw en teederheid, dat zij op grond hunner innige
overeenstemming en der waarachtige degelijkheid van hun karakter zich
met recht mochten voorstellen. Hun huiselijk leven is niet zoo gelukkig
als zij verwacht hadden: nu en dan bemerken zij met schrik, dat ze
somtijds niet lief voor elkander zijn; en toch, als Leander een week van
huis is en om Hero denkt, dan kan geene andere vrouw bij haar halen; en
voor Hero schijnt er geen eind aan den dag te komen en het huis geheel
uitgestorven te wezen, als hij weg is; beiden beschuldigen zich zelven
als zij aan hunne kleine kibbelarijen denken, maar geen van tweeën weet
te zeggen, hoe de kleine vos moet gevangen worden, die hun wijngaard
verderft.
Wij denken veel over ons zelven na, maar 't is vreemd, hoe weinig vrucht
dat draagt,—wij hooren zeer verstandige menschen over zich zelven en
anderen spreken, en zich verwonderen, dat het zóó met hen is, als het
is, maar—hoe vreemd!—toch brengen zij 't eene jaar na het andere
door, zonder te weten, hoe zij met zich zelven of met anderen moeten
omgaan, zal het beter worden:—ach, de levenswijsheid die ze bij de
behandeling van gaspijpen en waterleiding dagelijks toepassen, laat hen
in de steek, waar het de behandeling van hun eigen gemoed en van 't
karakter hunner vrienden geldt.
„Maar _ik_ zou zulke tooneelen niet met _mijn_ vrouw willen hebben,”
zegt Don Positivo. „_Ik_ zou zoo'n verstandige vrouw niet willen
trouwen; zoo een is altijd eigenwijs en lastig. _Ik_ zoek een vrouw, die
zacht en gedwee is, die al mijn ideeën van mij overneemt en zich geheel
naar mijn smaak voegt.” Don Positivo trouwt dan ook met een aardig glad
gezichtje, zoo schuchter en poezelig en zoetsappig, dat hij er vast op
aan kan, dat zij in 't geheel geen wil heeft. Zij is de maan aan zijn
hemel, die nooit zal schijnen, of 't licht moet van hem komen.
Als ik nu één raad schuldig ben aan mijne vrienden die graag hun eigen
zin hebben, dan moet ik hen waarschuwen: neemt nooit de proef met een
domme vrouw; want de koppigheid van een knappe en verstandige is nog
niets bij de koppigheid van een domme en een leeghoofd.
Laat Don Positivo met zoo'n vrouw maar eens trouwen. Zij wil de maan
hebben en houdt vol, dat hij haar niet lief heeft omdat ze die niet van
hem krijgt: te vergeefs zal hij zijn astronomische kennis te baat nemen,
en haar bewijzen, dat de maan zoo maar niet te grijpen is. Zij luistert
schijnbaar aandachtig, met haar hoofdje op zij, en nadat hij als Brugman
gepraat heeft begint ze van voren af aan, precies met dezelfde vraag en
precies op dezelfde manier.
Als zij wil, dat haar lieve Jantje van school wordt genomen, omdat de
meester voor zijn plezier de wetten van het Instituut niet veranderen
wil, betoogt Don Positivo haar in de keurigste en duidelijkste taal:
vooreerst de wenschelijkheid, dat een jongen zich al vroeg aan
zelfbeheersching en orde gewenne,—ten tweede, de onmogelijkheid dat een
onderwijzer uitzondering zou maken ten gevalle van hun lieveling,—en
eindelijk, de noodzakelijkheid dat de jongen wat begint te leeren. Zij
hoort hem van het begin tot het einde aan, en zegt dan: „Ja, van die
dingen heb ik geen verstand; ik woû alleen maar, dat Jantje van school
genomen werd.” En nu weent ze, en mokt ze, en dreigt ze, en ligt ze
heele nachten wakker, en heeft ze vreeselijke vlagen van hoofdpijn,—in
één woord, ze toont dat een vrouw zonder verstand en beschaving op hare
wijze een even geduchten tegenstand kan bieden, als de schranderste van
haar kunne.
Leander kan zijn Hero somtijds in een eerlijk gevecht met de wapenen
eener gezonde logica overwinnen, omdat zij een vrouw is, die naar rede
kan luisteren en in staat is de kracht zijner tegenbedenkingen te
gevoelen; en als hij zegeviert, streelt hem 't genot dat ze dubbel waard
was bestreden te worden, en schijnt hij zichzelven een held toe. Al is
ze hoofdig, ze is toch ook verstandig al heeft hij veel last van haar
eigenzinnigheid, hij vertrouwt toch altijd op haar gezond verstand; maar
ongelukkig de man, die een vrouw heeft, bij wie het dierlijk instinct
van volhouden alles, maar ontwikkeling en oordeel en verstand gelijk nul
is. Lastig, dikwijls heel lastig is het voor een man, met een vrouw
overhoop te liggen, die hij acht en bewondert; maar met een vrouw,
waarop hij tegen wil en dank met een zekere minachting neerziet....
dat wordt op den duur onuitstaanbaar.
Doch nu ontstaat de vraag: Wat dan te doen met al die kleine geschillen,
door Dr. Johnson bedoeld, waarover 't verstand nooit kan beslissen,
waarbij alle onderzoek te vergeefs en logica bespottelijk is;—die
gevallen, waarin iets moet gedaan, maar waarover weinig kan gezegd
worden?
Lees het werk van Mevrouw Ellis, getiteld: _De engelsche vrouwen_
en gij zult zien, hoe zij het vraagstuk oplost. De engelsche vrouwen
leeren daaruit, dat zonder eenige tegenspraak alles in 't huishouden
overeenkomstig de bevelen van den meester moet gaan, en dat de vrouw
maar één ding moet hopen, namelijk, of 't haar gegeven mocht worden,
altijd juist te weten, wat hij wil. „_L'état, c'est moi_,” is de les,
die ieder getrouwde Engelschman van Mevrouw Ellis leert, en uit de
voorstellingen in engelsche romans zouden wij haast moeten opmaken,
dat dit ontzagwekkende „goddelijke recht” op alle kleinigheden van het
huwelijksleven toegepast wordt.
Miss Edgeworth laat haren generaal Clarendon tegen zijn begaafde en
bevallige vrouw over zijn „bevelen” spreken; en trekt met zulk een
deftigheid aan de schel in de huiskamer, roept en ondervraagt de
sidderende dienstboden met zooveel majesteit, en behandelt alles zoo
vreeselijk militair, dat het waarlijk niet te verwonderen is, als de
arme Cecilia, doodsbenauwd voor zulk eenen krijgshaftigen echtgenoot,
zich aan een leugen schuldig maakt.
In den tijd van zijn engagement deelt hij op een hoogen toon aan haar
moeder mede, dat hij er nooit toe zou kunnen komen, een vrouw, die
vroeger een ander bemind had, tot _zijne_ vrouw te nemen; en daarom
verzwijgt de arme meid een langgeleden „schoolvrijerijtje,” dat tot de
ontzettendste en meest tragische tooneelen met haren heer en meester
aanleiding geeft, die op een goeden morgen in eens de gordijnen van haar
ledikant openrukt en haar een ouden minnebrief voorhoudt met de vraag,
die als een schorre donder haar van schrik doet verstijven: „Cecilia! is
dit _uw_ schrift?”
De nieuwe romanschrijfsters in Engeland stellen ons niet minder krachtig
voor, hoe vast ze aan het goddelijk recht van den man gelooven. B. v. ga
eens na, wat de hoofdinhoud is van zekeren veelgelezen roman: _Agatha's
echtgenoot_ genoemd. Een man trouwt met een beeldschoon meisje, dat veel
fortuin heeft. Vóór het huwelijk ontdekt hij, dat haar broeder, die
voogd over haar geweest is, al wat ze heeft, op een schandelijke wijze
bezwaard en verhypothekeerd heeft, zoodat dit alleen door de grootste
zuinigheid kan verholpen worden. Om nu aan haar boek de leerzame
strekking te geven, die zij bedoelt, laat de schrijfster haar held een
plechtige belofte afleggen, dat hij noch aan zijn vrouw, noch aan iemand
anders het bedrog zal ontdekken, waardoor zij arm geworden is.
Wij lezen dan verder hoe ontstemd de jonge vrouw er onder is, dat haar
man een zeer eenvoudig huis met haar betrekt, haar alle gemakken en
genoegens ontzegt, waaraan ze gewoon is, en altijd maar weigert, haar
eenige aannemelijke reden voor zijne handelwijze te geven. In plaats van
met blind geloof en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid tot hem op te zien
zonder navraag te doen naar zijn manier van handelen, en niet alleen
zonder bewijs, maar zelfs tegen alle waarschijnlijkheid in, hem te
houden voor het puik van alle mannen van eer en verstand, murmureert
deze goddelooze Agatha, en klaagt en denkt dat ze al heel slecht
behandeld wordt, ja, ze is nu en dan zóó bedorven, dat ze (al is het
dan ook zeer bescheiden) dit zelfs durft te zeggen;—waarbij haar man
de rol van een martelaar vervult en in stilte lijdt.—Zoo gaat het door
't heele boek voort: beiden vergaan van verdriet, totdat eindelijk de
waarheid aan het licht komt, de miskende echtgenoot den glorietroon
bestijgt en de boetvaardige vrouw in het stof aan zijne voeten ligt met
de bekentenis welk een verworpeling zij was, om hem ooit te kunnen
verdenken.
De schrijfster van _Jane Eijre_ beschrijft de verhouding tusschen More
en Shirley gedurende hun engagement nagenoeg met dezelfde woorden, alsof
er over het dresseeren van een paard wordt gesproken. Shirley is wat
lastig en stijfhoofdig, en More, haar minnaar en leermeester, geeft haar
_Le cheval dompté_ ten gebruike bij de Fransche les: een kiesche manier
om het plan, dat hij met haar voorheeft, in de hand te werken. Als ze
dan ook, na langdurig verzet, aan zijn wenschen eindelijk toegeeft,
spreekt hij haar aan alsof ze een leeuwin was.
„Getemd of niet, gedwee of woedend, gij zijt de mijne voor eeuwig!”
En zij antwoordt:
„Ik ben blij, dat ik mijn meester ken en aan hem gewend ben. Alleen zijn
stem zal ik volgen, alleen zijn hand zal mij leiden, alleen aan zijn
voet zal ik rusten.”
De begaafde schrijfster van „_Nathalie_” schildert den strijd van
een jong meisje, dat geëngageerd is met een man, die veel ouder dan
zij, en daarbij vreeselijk somber en heftig is,—een man van een
allerzonderlingst gedrag, maar toch zoo hartstochtelijk gesteld op
een blind vertrouwen, dat hij met een diepe, doffe stem u verzekert:
zoo een van zijn beste vrienden ook maar één oogenblik aan zijn eer
twijfelde,—zelfs al getuigden alle omstandigheden tegen hem,—dan was
het tusschen hen gedaan, voor eeuwig gedaan!
Nadat hij Nathalie geheel en al in zijn macht gebracht en een tijd
lang zeer op zijn gemak en met een zekere voldoening haar verlegenheid
en haar onrust gade geslagen heeft, ontvouwt hij haar eindelijk zijn
geheimzinnige plannen, door tegen een van haar minnaars, terwijl zij er
bij zit te zeggen, dat het zijn voornemen is, deze jonge dame te vragen,
of zij lust heeft zijn vrouw te worden. Gedurende 't engagement echter
gelukt het hem, haar kalmte te verstoren door zeer voorbarig te spreken
over 't goddelijk recht van den man, en als zij dan wat kriegelig wordt,
vindt hij 't, hoe lief hij haar ook heeft, maar beter hun engagement te
verbreken, omdat hij niet gelooft dat ze gelukkig met elkander zullen
zijn.
Het overige van den roman vertelt ons nu, wat zij beiden te tobben en te
strijden hebben, welk een zee van verdrietelijkheden hen overstelpt en
hoe hij met iederen dag koeler, trotscher en norscher wordt,—alles de
schuld, zooals 't voorgesteld wordt, van die ondeugende Mej. Nathalie;
die een heilige van hem had kunnen maken, als ze haar hoogste genot
maar daarin gesteld had, dat ze hem zijn zin gaf. Haar geweten klaagt
haar aan: het is alles haar schuld; eindelijk onder dien last bijkans
bezwijkende, besluit zij zich te verbeteren, gaat naar zijn kamer,
vindt hem alleen en werpt zich, hoe stug hij haar ook behandelt, voor
hem neer, laat al haar kinderachtigen hoogmoed varen en heeft maar één
verzoek: of ze als zijn meid hem mag oppassen. Maar ze wordt nu ook
beloond door zijn genadige verzekering dat ze, als ze dan zoo gaarne bij
hem wil blijven, _mag_ blijven als zijn vrouw: en de laatste volzin van
den roman stelt haar voor op de eenige plaats, zooals we hooren, waar
een vrouw wezenlijk gelukkig kan zijn, namelijk aan de voeten van haar
lieven man.
Dit is dan, zooals de beschaafdste vrouwen in Engeland meenen, de
oplossing van het huiselijk vraagstuk: indien wij ten minste geloof
mogen slaan aan de dames romanschrijfsters.
Men mag onderstellen, dat de Britsche leeuw aan zijn eigen huiselijken
haard, die daar in al zijne majesteit met zijn rug naar het vuur en zijn
handen onder zijn rokspanden staat, niet zulke onbehoorlijke discussies
te voeren heeft, daar zijn wederhelft geleerd heeft, zooals Miss Bronté
zegt, dat haar plaats aan de voeten van haar meester is, en het voor 't
grootste geluk houdt, een schilderij juist zóó te hangen en een piano
juist zóó te zetten, als hij het graag heeft.
Natuurlijk zal zoo iets door onze lieve republikeinsche vriendinnen met
een algemeenen kreet van afgrijzen worden aangehoord, en zullen zich
evenzeer alle heeren hier te lande daaraan ergeren, die,—dunkt mij
ten minste, tamelijk verlegen zouden zijn met zulk een volstrekte
opperheerschappij in huis.
De aard onzer instellingen begunstigt in geenen deele het uiterlijk
vertoon van gezag. Wel bestaat het noodige gezag onder ons, maar 't
bestaat in stilte en werkt zoo min mogelijk naar buiten.
Onze president[1] is niets meer dan een medeburger, en staat, wat zijn
persoon betreft, met alle andere burgers gelijk. Wij gehoorzamen hem,
omdat wij hem verkozen hebben, en omdat wij wenschelijk achten, dat er
in 't bestuur onzer aangelegenheden een hoogst beroep en een beslissende
stem is.
[1] Men bedenke dat de schrijfster in de Vereenigde Staten van Amerika
woonde.
Vert.
De plaats, door den Bijbel en het huwelijksformulier aan den man in het
huisgezin toegekend, is niet hooger. In alles, wat stoffelijke belangen,
de wettelijke rechten en plichten, den maatschappelijken rang en stand
van 't gezin betreft, is de man het hoofd; en een vrouw, die achting
heeft voor zich zelve, zal evenmin in twijfel staan in dit opzicht
eerbied en gehoorzaamheid te beloven, als een staatsbeambte zich aan den
president te onderwerpen. Maar omdat de president hooger in rang is dan
de secretaris, volgt daaruit evenmin dat in hunne onderlinge betrekking
de eene onvoorwaardelijk bevelen en de ander zich slaafs onderwerpen
moet, als dat de hooger geplaatste zich het recht zou mogen aanmatigen,
alle zaken en alle daden, welke dan ook, van den mindere te regelen.
Er is nog een groot gebied,—ook in 't huwelijksleven,—waarop ieders
persoonlijke vrijheid ongekrenkt moet blijven;—en die te schenden, die
op een toon van gezag te overheerschen—welk verstandig man ziet niet
in, dat hij, door zóó iets te willen, zich bespottelijk zou aanstellen?
Bij het apostolisch woord: „De man is het hoofd der vrouw, gelijk ook
Christus het hoofd der gemeente is”, mogen wij de in het oog vallende
punten van verschil niet vergeten, die er tusschen Christus en den man
bestaan. Zeker kent het aan den man niet de rechten toe, die alleen uit
almacht en alwetendheid voortvloeien, maar 't beteekent eenvoudig, dat
hij in 't huiselijk leven het hoofd en de beschermer is, evenals de
Zaligmaker dit is voor de gemeente. Het drukt niets anders uit, dan
wat een vaste natuurwet in onze maatschappij is, geldig onder alle
geslachten en alle rassen, en overal terug te vinden, waar ook maar
menschen wonen.
Dat sommige—anders zeer verstandige—vrouwen zich vaak onverstandig en
kinderachtig tegen deze waarheid verzetten, komt alleen, denk ik van de
dwaze overdrijving, waartoe ze aanleiding geeft. Even dwaas is het over
't woord „gehoorzaam” in het trouwformulier te pruttelen, als het voor
een officier zou zijn zich te verzetten tegen de krijgstucht, of voor
een ambtenaar, om de gelofte van getrouwheid aan de grondwet te
weigeren.
Laat van twee jongelieden, die tot denzelfden stand behooren en als
vrienden met elkander omgaan, de een overste en de ander luitenant
wezen. De luitenant zou even dwaas doen met zich in te beelden, dat hij
aan iemand, die zijn gelijke is, niet behoeft te gehoorzamen, als de
overste, met een meesterachtigen toon van gezag aan te nemen, wanneer
het geen dienstzaken geldt.
Eigenlijk is de geheele quaestie over 't meesterschap tusschen twee
rechtgeaarde, welopgevoede, Christelijke echtgenooten in onze
negentiende eeuw even dwaas.
Om in de behoeften en 't onderhoud der zijnen te voorzien en voor hun
goeden naam en hun welstand in de maatschappij te zorgen, is aan den man
een zekere macht verleend, maar hij heeft daarom nog niet het recht,
om in den huiselijken kring eigendunkelijk over de kleine gewoonten en
liefhebberijen der zijnen heerschappij te voeren. Even weinig als hij
't zou mogen doen, wanneer hij niet het hoofd des huizes was, even
weinig heeft hij nu een goddelijk recht om te eischen, dat alles naar
zijn zin zal worden ingericht, al is 't ook in strijd met hetgeen zijn
vrouw wenscht en verlangt. In duizende onverschillige dingen, die 't
fatsoen en de deftigheid van 't gezin niet raken, moet hij evenzeer
nu en dan zijn eigen zin en zijn eigen inzicht opgeven ter wille van
zijn vrouw, als zij verplicht is, zich in andere opzichten aan zijn
beslissing te onderwerpen. In de meeste gevallen staan man en vrouw
volkomen gelijk voor God, en zoo een van beiden, wie dan ook, aan
onredelijke eigenzinnigheid toegeeft, die begaat _zonde_.
't Is mijn vaste overtuiging, dat zulke boeken als ik straks met een
enkel woord heb besproken, een allernadeeligste uitwerking hebben, daar
zij aan den man een vrijbrief voor zelfzucht en stijfhoofdigheid geven
en bij de vrouw de onware gedachte doen post vatten, dat ze in alles
maar, tot in 't onredelijke toe, onderdanig moet zijn.
Is 't gelukkig voor een man in zijn vrouw iemand te vinden, die zijne
eigenliefde streelt en zijn zelfzuchtige grillen zwijgend verdraagt,—is
't gelukkig voor hem gevierd en gevleid en gevoed te worden in al zijn
gebreken en pruttelarijen, zoodat iedereen in den huiselijken kring
aanbiddend neêrknielt voor zijn wil? Is dit het ware middel, om een
rechtgeaard en Christelijk echtgenoot van hem te maken? Ik geloof zeker,
dat vele zoogenaamde goede vrouwen, indien haar echtgenooten slechte
Christenen zijn, er vrij wat schuld aan hebben.
De kleine alledaagsche dingen, waarin man en vrouw 't niet eens zijn,
moeten natuurlijk geregeld worden, maar niets dwazer, niets verkeerder
voor de goede orde is er, dan die te regelen alleen door gezag. Al het
romantische, al het poëtische, al het schoone is voor altijd uit 't
huwelijk verdwenen, zoodra man en vrouw om het meesterschap beginnen te
strijden. Neen, er bestaat geen ander middel om moeielijkheden van dien
aard uit den weg ruimen, dan door van beide kanten daarin te handelen,
zoo als gezond verstand en godsdienst ons voorschrijven.
Met eenig nadenken zal ieder die gezetheid op kleinigheden uit het
toegeven aan 't instinct van eigenzinnigheden ontstaan, bij zich zelven
kunnen waarnemen en tot waakzame zelfbeheersching gedrongen worden.
Onder allen, die op beschaving en ontwikkeling hunner vermogens prijs
stellen, moest er niemand zijn, die niet de kunst bestudeerde, hoe
men op de aangenaamste wijze zijn gevoelen kan opgeven. Wat ons in
hoogere gezelschapskringen vooral aantrekt is de ongedwongenheid, de
gemakkelijkheid, waarmeê de een zich voegt naar den ander, diens vormen
overneemt en door denzelfden smaak als hij zich besturen laat.
In zulke kringen vindt ge geen stijve spoorwegen, die recht door alles
heen snijden en telkens piepen en knarsen, maar zacht vlietende,
kronkelende rivieren, die rustig en kalm hare richting veranderen,
naar dat iedere bocht van de bevallige oevers het meêbrengt. Wat het
bekoorlijke van beschaafde gezelschappen uitmaakt, kan even goed het
bekoorlijke van 't huiselijke leven verhoogen: maar dit is alleen
mogelijk indien ieder lid van 't gezin zich zelven nauwlettend bewaakt
en krachtig beheerscht.
Sommige menschen hebben in dit opzicht een zwaarder strijd te voeren
dan anderen. Ze zijn van nature stipt en nauwkeurig; ze hebben muurvaste
gewoonten: alles moet op de minuut af gebeuren; en de minste afwijking
van den dagelijkschen regel hindert en ontstemt hen.
Ongelukkig genoeg nu, ziet men het, tien tegen één, gebeuren, dat zulk
een soort van menschen smoorlijk verliefd raakt op personen van een
geheel tegenstrijdig karakter.
De man van de klok, die op stipte orde en regel gesteld is, laat zich
geheel inpakken door een zieltje zonder zorg, dat nooit den datum
weet, dat de courant verscheurt, den huissleutel laat slingeren, en
papillotten van quitantiën maakt;—of ook een keurig net meisje, wier
zaakjes even precies geschikt zijn als de cellen van een bijenkorf,
schenkt haar hart aan een wildzang, die haar heiligdom met modderige
laarzen binnen klotst, al haar kleine huisgoden omvergooit, als hij uit
jagen of visschen gaat, en maar niet kan begrijpen, dat zij daar boos om
wordt.
Hoe moet het met zulke echtparen gaan, als zij niets weten willen van
de minnelijke schikkingen die rede en verstand aan de hand doen,—als
ieder zijne eigenaardigheden met de kracht van eene onverzettelijke
hoofdigheid wapent en ze ten koste van den ander doordrijft?
Voor een man en vrouw, die zoo zeer in geaardheid verschillen, bestaat
de ware levenswijsheid hierin, dat zij in plaats van levenslang te
kibbelen en overhoop te liggen, hunne eigene wenschen en inzichten
wijzigen, hunne oogen afwenden van 't geen hun niet aanstaat, om ze te
richten op 't geen hun wel bevalt, en het vaste besluit nemen om, hoe
redelijk 't een of ander ook wezen mag, waarop zij gesteld en waaraan
ze gewoon zijn, alles liever ten offer te brengen, dan aanleiding te
geven tot huiselijke oneenigheid.
Vooral één manier van volhouden is verdrietig en lastig; ik bedoel die
hoofdigheid, waarmeê iemand, zoodra er maar de minste aanmerking op hem
gemaakt wordt, terstond gaat tegenspreken en iets opzoekt, om zich te
verdedigen.
Johan zegt tegen zijn vrouw, dat zij dien morgen een half uur te laat
met het ontbijt is,—en zij ontkent dit stijf en strak.
„Kijk dan maar op mijn horloge.”
„Je horloge loopt niet goed.”
„Ik heb het met de buitenklok gelijk gezet.”
„Dat is al een week geleden: je horloge loopt altijd vóór.”
„Neen, beste! dat heb je mis.”
„Dat heb ik niet. Heb ik je het niet zelf tegen mijnheer B. hooren
zeggen?”
„Lieve! dat is al een jaar geleden,—voordat ik het schoon had laten
maken.”
„Hoe kan je _dat_ nu zeggen, Johan? Het is nog maar een maand geleden!”
„Lieve! je hebt het mis.”
En zoo wordt de strijd voortgezet, terwijl ieder graag het laatste woord
wil hebben.
Die zucht om 't laatste woord te hebben heeft meer kwaad in de
huisgezinnen gesticht en meer Christenen onchristelijk gemaakt, dan de
heele zaak waard is. Duizend van die kleine oneenigheden zouden van zelf
doodbloeden, als beide partijen dit maar toelieten. Laat het waar zijn,
dat Johan zich vergist, als hij zegt, dat het ontbijt te laat klaar
is,—laat er grond wezen of niet voor honderd kleine aanmerkingen, die
wij op elkander maken,—maar zijn ze waard, dat wij er een discussie
over beginnen? Zijn ze zulke stekelige woorden waard, als er altijd uit
die discussies voortvloeien? Zijn ze waard, dat er vrede en liefde door
verloren gaan? Zijn ze waard dat ge er het eenige, ons nog op aarde
overgebleven ideaal,—een rustig gelukkig te huis—voor zoudt prijs
geven?
Liever gezwegen, al hebt ge 't grootste gelijk van de wereld, dan u
er aan gewaagd, dat ge uit uw humeur raakt, door er over te gaan
redeneeren.
Zulk een woordenstrijd, vóór en tegen, waarbij elke partij maar al te
gauw warm wordt, is nooit aangenaam in 't huiselijk leven en onder
na-betrekkingen nooit zonder gevaar. Doorgaans is 't alleen een bedekt
middel om hoofdigheid te believen, dat zelden een andere uitwerking
heeft, dan beide partijen nog veel onverzettelijker te maken, dan
vroeger.
Een kalme overweging van tegenovergestelde inzichten, een bedaarde
opgave van de gronden, die ieder voor zijn gevoelen heeft, kan nuttig
wezen; maar als warmte en hitte en eigendunk en de zucht om gelijk
te hebben zich in het gesprek mengen, dan zijn wellevendheid en
welgehumeurdheid er maar al te spoedig aan toe, om ons te verlaten.
* * * * *
Zoo ver had Christoffel 't met zijn verhandeling gebracht, toen hij een
oogenblik stil hield en naar een krachtig slot voor zijn rede zocht. Een
vers of wat viel hem daarbij in, waarin zóó juist al wat hij gezegd had
werd uitgedrukt, dat men 't hem wel ten goede zal houden, dat hij met
die verzen zijn lezing eindigde:
Helaas! hoe nietig klein een reden
Verwijderd soms een huwlijkspaar,
Dat onder 's werelds tegenheden
Onwrikbaar trouw bleef, van elkaar;
Wier liefde stormen en gevaren
Trotseerde, en nu.... daar 't zonlicht blinkt,
Gelijk een schip in 't hart der baren
Bij doodsche stilte,—op eens verzinkt.
Een enkel woord, een enkel teeken;
Een enkle blik verkeerd verstaan:
Een ademtocht—en 't is bezweken
Wat door geen stormen kon vergaan.
Na 't eerste woord volgt ras een tweede,
Dat d' eens gemaakte bres verwijdt:
Ach, straalde 't oog van liefde en vrede,
Bij 't mingekoos van vroeger tijd,—
Klonk toovrend toen in al hun spreken
De zachte toon der teerheid door,—
Voor altijd is die straal geweken,
En ging die liefdeklank te loor.
Een wolk, door storm uiteengereten,
Is beider hart gelijk,—een vliet,
Die boven langs de heuvelketen
In dartel spel haar watren schiet,
Alsof ze nimmer zouden scheiden;
Maar, eer zij neêrstort in de beemd,
Ze heinde en ver uiteen zal spreiden,
Voor eeuwig van elkaar vervreemd.
ONVERDRAAGZAAMHEID.
V.
ONVERDRAAGZAAMHEID.
„Waarover zult gij van avond in onze huiskerk preeken, Christoffel?”
„Ik zal een preek houden over _onverdraagzaamheid_,” gaf ik mijn vrouw
ten antwoord.
„Over onverdraagzaamheid in den godsdienst?”
„Neen, over onverdraagzaamheid in 't huisgezin en in de opvoeding onzer
kinderen,—een van de zeven doodzonden, waarvan ik er nu al vier heb
gepreêkt—een van „de kleine vossen””.
Men meent gewoonlijk, dat de onverdraagzaamheid, die er in dit leven
bestaat, uitsluitend op 't gebied van godsdienst gevonden wordt, terwijl
toch deze soort van onverdraagzaamheid niet dan een zeer klein onderdeel
is van de ingewortelde, harde, allesbeheerschende onverdraagzaamheid
onzer menschelijke natuur.
Geneeskundigen zijn even onverdraagzaam als godgeleerden. Zij hebben
nooit de macht gehad, om anderen wegens hunne medische gevoelens
op den brandstapel te brengen, maar 't heeft hun zeker aan den wil
niet ontbroken. Staatkundigen zijn onverdraagzaam. Wijsgeeren zijn
onverdraagzaam, inzonderheid zij, die zich veel op hunne vrijzinnige
gevoelens laten voorstaan. Schilders en beeldhouwers zijn
onverdraagzaam. En huisvaders en huismoeders zijn onverdraagzaam,
hatelijk en onverdraagzaam op alle artikelen van den catechismus,
dien zij voor hun huishouden hebben aangenomen.
Mevrouw Perfect preêkt in haar huiskapel tegen de ontaarding van de
tegenwoordige manier van huishouden, niet minder scherp dan Dominé
Houvast tegen den afval van het goede oude geloof uitvaart.
„Spreek mij niet van kussensloopen, die niet geregen worden,”
zegt Mevrouw Perfect; „het staat leelijk en slordig. Ik zou zoo'n
kussensloop evenmin in mijn huis willen hebben als ongedierte.”
„Maar,” brengt eene jonge huishoudster, die zich bewust is kussensloopen
met bandjes in huis te hebben, zeer bescheiden daartegen in, „zoudt ge
niet denken, mevrouw Perfect! dat men best buiten zulke ouderwetsche
gebruiken kan? Het is waarlijk niet noodig, er zoo veel werk van te
maken als men vroeger deed, met die breede zoom, die tusschenzetsels en
vetergaten,—alles precies af te passen en keurig te stikken. Ik zal
niet anders zeggen, of het staat heel netjes; maar als eene vrouw een
huis vol kleine kinderen en een schraal inkomen heeft, dan mag zij haar
heele leven wel met naaien doorbrengen, als zij alles zóó in de puntjes
wil hebben. Is het niet beter dat zij er wat losser over heen loopt, en
wat beweging in de open lucht neemt?”
„Spreek mij niet van lucht en beweging! Wat deed mijn grootmoeder? Wel,
zij deed al haar werk zelve en naaide grootvaders jabots met de fijnste
stiksteken, en ik verzeker u dat zij genoeg beweging had. De vrouwen van
den tegenwoordigen tijd zijn ellendige, ziekelijke, vertroetelde
schepsels.”
„Maar, beste mevrouw! denk eens aan juffrouw Sloof, hier over de deur,
met haar bleek gezicht en haar acht kleintjes.”
„Een slechte huishoudster,” zegt mevrouw Perfect. „Zoo ze maar, net als
ik, het geheele jaar door om vijf uur opstond, dan zou zij tijd genoeg
vinden om alles netjes te doen, en er beter aan toe zijn.”
„Maar, beste mevrouw! juffrouw Sloof is zoo tenger, zoo zenuwachtig.”
„Zenuwachtig! Allemaal gekheid! Ieder mensch is tegenwoordig
zenuwachtig. Zij kan 's morgens niet vroeg opstaan, omdat zij
zenuwachtig is. Zij kan niet netjes naaien, omdat zij zenuwachtig is.
Wel, ik zou zeker net zoo zenuwachtig geworden zijn, als ik mij ook zoo
vertroeteld en verwend had. Maar ik sta vroeg op, dan ga ik vóór 't
ontbijt een kwartier of een half uur omwandelen, en als ik t'huis kom,
ben ik er geheel van opgefrischt. Ik naai alles zelve en geef geen
stukje buiten de deur, en ik geloof toch dat mijn goed netjes genaaid
is. Ik maak altijd de onderkleêren van mijn man en van mijn kinderen,
en ik zeg u, dat ze gemaakt worden precies zoo als 't hoort,—en toch
weet ik overvloed van tijd te vinden voor wandelen, visites maken en
boodschappen. Een vaste wil en een goed overleg, daar komt het op aan.”
„Het is inderdaad verwonderlijk, mevrouw Perfect, dat ge zoo veel kunt
afdoen; maar zijt ge somtijds wel niet eens doodmoê?”
„Neen, niet dikwijls. Wel moet ik zeggen, dat ik in de week vóór
Kersttijd wezenlijk moê was, nadat ik op één dag achttien taarten en
tien koeken had klaar gemaakt en gebakken; maar ik gaf er niet aan toe.
Ik zei tegen mijn man, dat ik wel wat zou uitrusten, als wij een ritje
naar New-York deden, en dit gebeurde ook. Juffrouw Sloof, denk ik, zou
gezegd hebben, dat zij naar bed moest, en had zich een maand lang
vertroeteld.”
„Maar, beste mevrouw Perfect! als ze nu 's nachts geen oog dicht kan
doen van de schreeuwende kinderen...”
„Men hoeft geen schreeuwende kinderen te hebben; mijn kinderen
schreeuwden nooit; 't hangt er maar van af, hoe men de kinderen went. Ik
zou met mijn kinderen wel den heelen nacht hebben kunnen tobben, even
als juffrouw Sloof, maar daar paste ik wel op. Ik nam ze 's avonds om
tien uur op, gaf ze dan de borst en verdroogde ze nog eens; en dan waren
ze tot 's morgens stil. Geen van mijn kinderen heeft mij nog een
slapeloozen nacht bezorgd.”
„En als zij tanden kregen?”
„Ook niet. Ik wist daar een middeltje op. Ik stak het tandvleesch door,
net als een chirurgijn, en ik had er nooit moeite meê; 't hangt alles
maar van de behandeling af. Ik speende ze allen ook zelve; al dat tobben
met kinderen, die gespeend worden, is maar gekheid.”
„Mevrouw Perfect! gij zijt een geleerde huismoeder, maar 't is toch
onmogelijk ieder kind op die manier groot te brengen.”
„Maak me dat niet wijs: men moet ze maar dadelijk zoo wennen, als men
wil. Geloof me, ik heb het met mijn achttal wel ondervonden.”
„Maar dat ééne kind van juffrouw Sloof maakt meer leven dan al uwe acht
samen. Het schreeuwt zóó geweldig dat er alle nachten iemand meê over de
kamer moet loopen; de kindermeid kan het niet uithouden en de juffrouw
zelve wordt er ziek van.”
„Dat behoefde volstrekt niet; 't is niet anders dan 't gevolg van een
verkeerde behandeling. Denk eens, dat ik met mijn kinderen 's nachts
over de kamer had moeten loopen, dan zou ik nog al wat werk gehad
hebben; maar ik zet het op de rechte wijze in. Ik wilde, dat ze stil
zouden blijven liggen, en zij deden het; en als zij schreeuwden, stak ik
nooit een kaars aan en nam ik ze nooit op, maar nam er volstrekt geen
notitie van en dan vielen zij langzamerhand in slaap. Kinderen merken
gauw, of zij met hun schreeuwen wat gedaan krijgen of niet, kinderen
schreeuwen alleen maar uit kwaadheid; en als ik ze op geen andere manier
tot bedaren kon brengen, dan gaf ik ze een paar fiksche klappen, en zoo
merkten zij al spoedig, dat al hun geschreeuw hun niets hielp.”
„Maar, beste mevrouw, gij zijt een stevige, gezonde vrouw, en uw
kinderen waren het ook.”
„Nu, ik zou wel eens willen weten, of dat kind van juffrouw Sloof ook
niet gezond is? 't Is immers een flink kind, dat zoo ferm groeit, als ik
ooit een kind heb zien groeien. Dat kind scheelt niets anders, dan dat
het zijn nukken heeft en dat zijn moeder hem vertroetelt.”
Die mevrouw Perfect staat in de buurt, waar zij woont, bekend als het
model van een vrouw. Haar gebak is nooit testig; haar bont is altijd
vrij van de mot; hare kleeden verschieten nooit; haar inleggoed bederft
niet; de meiden doen er precies wat ze doen moeten; de kinderen maken
nooit een rommel in de kamer; en zijn ze aan de borst, dan schreeuwen ze
nooit, maar slapen den heelen nacht door,—en nooit van zijn leven heeft
mijnheer Perfect nog behoeven te zeggen: „Lieve, er is een knoop van
mijn overhemd.” Er komen nooit vliegen bij haar in de keuken, er liep
nog nooit een duizendpoot in den kelder en een spin heeft nooit den tijd
gehad om een web in een van haar kamers te maken. Alles bij haar aan
huis blinkt en glimt en glinstert van zindelijkheid,—in de fijnste
puntjes keurig en net,—en 't is mevrouw Perfect, die dat alles doet,
altijd in de weêr, altijd gekleed, altijd attent, overal bij de hand en
nooit vermoeid.
Terwijl nu mevrouw Perfect zoo uitmuntend haar huishouden bestuurt, is
zij bovendien lid van allerlei liefdadige comité's, maakt handwerkjes
voor bazaars en verlotingen, en al wat zij doet, doet zij keurig. Zij is
altijd even gedienstig, behulpzaam en welwillend, en de maatschappij
heeft alle reden om zich te verblijden dat zij er is.
Doch met dat al is mevrouw Perfect zoo onverdraagzaam als de inquisiteur
Torquemada. Zij volgt stijf en strak, evenals de locomotief, het
afgebakende spoor; haar oordeelvellingen en meeningen doorsnijden de
maatschappij in rechte lijnen met al het geweld van haar voorbeeld en
met al den stoom van haar geestkracht, en zij gaat voor ouden noch
jongen, voor zwakken noch zieken uit den weg. Zij kan en zij wil de
mogelijkheid niet begrijpen, dat er nog andere karakters dan het hare
zijn, en dat andere karakters een andere manier van leven en handelen
hebben.
Hoe goed en gedienstig zij mag wezen, is zij toch een schrikbeeld
voor haar arme, zwakke altijd tobbende buurvrouw aan den overkant,
die—behalve dat haar hoofd altijd kookt en haar lendenen haar altijd
zeer doen,—behalve dat zij 's nachts niet kan slapen en over dag
sloven en tobben moet,—bovendien overal en altijd gebukt gaat onder
de gedachte, dat mevrouw Perfect al haar tobberijen aan een verkeerde
manier van huishouden toeschrijft, en beweert, dat zij evenveel als zij
zou kunnen doen, zoo ze maar wilde. Daar zij zeer weinig zelfvertrouwen
of gevoel van eigenwaarde bezit is ze geheel radeloos en mistroostig,
als zij er om denkt; en zij denkt er den heelen dag om. Is het dan
wezenlijk _haar_ schuld, dat haar kleine 's nachts bijna niets slaapt en
aldoor schreeuwt, en dat geen van hare kinderen ooit kon opgevoed worden
volgens die vaste regels, waarvan zij hoort, dat zij in het huishouden
over de deur zoo gunstig werken? De gedachte aan mevrouw Perfect is
voor haar een spook en een kwelduivel; wat deze er wel van te zeggen
heeft—dat is voor haar de zwaarste last en de eerste tobberij.
Nu moet men weten, dat mevrouw Perfect afstamt van een forsch en
krachtig en langlevend geslacht: „met leden breed geschoft en zenuwen
van staal”. Geen schijn of schaduw van zenuwachtige aandoeningen is ooit
in haar familie bekend geweest, en ze oordeelt over de ongelukkige
juffrouw Sloof bijna even verstandig, als een forsche Cochinchina-kip
over een colibri. Zulke Cochinchina-kippen zijn sterk en nuttig en zulke
colibri's tenger en van weinig nut; maar laat ze elkander geen diëet
voorschrijven of elkanders huishouden regelen. Heeft niet de een
evenveel recht overeenkomstig zijn natuur te leven, als de ander?
Dit voorbijzien van 't geen een ander volgens zijn natuur noodig
heeft, is een der voornaamste oorzaken van huiselijk ongeluk. De beste
huishoudsters zijn zij, die haar huishouden op zulk een manier regelen,
dat allerlei karakters gelegenheid hebben, zich te ontwikkelen, zonder
op anderen inbreuk te maken.
Enkele vrouwen hebben er bijzonder slag van, om de karakters te
begrijpen en te leiden. Zij deelen aan iedereen een gevoel van vrijheid
en ongedwongenheid meê; zij weten elk zijn plaats aan te wijzen; en
ontdekken terstond, waar hij geschikt voor is; zij hebben van nature de
gelukkige wijsheid, niet meer van iemand te verlangen of te vragen, dan
hij geven kan. Te rechter tijd hebben zij voor elk wat wils: een been
voor den hond; graten voor de kat; hennepzaad voor kanarie; een boek of
tijdschrift voor een geleerden logé, die zich anders vervelen zou; een
vroolijk praatje voor de onbezorgde juffrouw Zeventien; breiwerk voor
grootmama; hengels, gieken en buskruit voor den jongen Wildzang, wiens
baard pas begint te groeien,—en nooit nemen zij 't kwalijk als de
kanarievogel het been van den hond niet smakelijk vindt, of als de hond
geen kanariezaad eet, of als juffrouw Zeventien het tijdschrift van den
ouden heer Zestig niet wil lezen, of de jonge Wildzang geen lust in
breien voelt, of als grootmama niets opheeft met pistolen en kruit.
Maar er worden ook andere vrouwen gevonden, die de grondslagen van het
huiselijk leven zoo klein en beperkt en benauwd maken, dat alleen zij
zelven en eenige weinigen, die precies zooals zij denken en doen, 't in
dat huis kunnen uithouden. Wie zal ons vertellen, hoeveel ellende
daaruit voorkomt?
Twee jongelui, uit zeer onderscheiden families afkomstig en op geheel
verschillende wijze opgevoed, trouwen met elkaar. Tegen een of twee
sympathieën, die hen tot elkander brachten, staat menig punt van
verschil over. 't Eerste wat hun te doen stond, moest zeker zijn
elkanders geaardheid te leeren kennen, en zich daarnaar te schikken,
omdat het zoo wezen _moet_; maar in plaats daarvan brengen de meesten
hun leven door met blindweg zich tegen een karakter aan te kanten, dat
van 't hunne verschilt en toch in menig opzicht even goed is, al kan 't
zich nu maar niet naar hen schikken.
Een meisje, dat in een geregeld, welvarend koopmansgezin groot gebracht
is, waar de vaders en de broeders den geheelen dag druk in de zaken
waren, raakt verliefd op een geleerde, die niets van zulke dingen
afweet, wiens lust en leven in zijne boeken en in zijn pen is. Zal zij
nu hem en zich zelven ophoudelijk plagen en kwellen, omdat hij geen man
van zaken is? Zal zij hem gedurig wijzen op 't voorbeeld van haar vader
en haar broeders, en hem voorhouden, hoe die in dit of dat geval zouden
gehandeld hebben, of zal zij 't voor den voet opnemen en eens voor al
denken: „Mijn man heeft wel geen kennis van zaken: dat is zijn _fort_
niet: maar hij is toch in andere vrij wat belangrijker dingen heel knap:
ik mag ook niet alles van hem verwachten; laat hem maar stil zijn gang
gaan en doen wat hij kan, en laat ik trachten te doen, wat hij niet doen
kan: en raken we soms ergens meê verlegen, omdat wij geen van beiden er
raad op weten,—dan maar voor den voet op en moed gehouden!”
Evenzoo kiest een man uit den schoot van een gezin, dat er gek meê is,
een van die teêre vertroetelde zangvogeltjes, die alleen maar geschapen
schijnen, om 't leven te veraangenamen. Past het hem, zoodra hij
getrouwd is, vergelijkingen te maken tusschen haar manier van huishouden
of haar kunde en bedrevenheid in de dingen van het dagelijksche leven,
en die van zijn moeder en zuster, die stevige en praktische vrouwen zijn
en zich van der jeugd af met niets anders hebben bezig gehouden dan met
huiselijke zaken? Zal hij zichzelven en haar onophoudelijk verdrietig
maken door ieder oogenblik weêr te zeggen, hoe zijn moeder gewoon
was 's morgens om vijf uur op te staan,—hoe trouw zij haar boekje
bijhield,—hoe stipt zij alles naging en voor alles zorgde,—hoe ze
nooit van regel en gewoonte afweek?
't Zou al zeer ongepast wezen. Als hij zulk eene bekwame huishoudster
verlangde, waarom maakte hij dan niet, dat hij er een kreeg? Er was toch
overvloed van meisjes, die verstand hadden van wasschen, en strijken,
van stijven, van koken, van al wat er in een huishouden voorkomt, beter
dan de kleine kanarie, waarop hij verliefd raakte, omdat hij door haar
veêren en haar zang, haar flikkerende oogen, haar aardige manieren en
haar guiterijtjes,—begoocheld werd. Nu hij zijn vogeltje gekregen
heeft, moet hij het ook als iets teêrs en kostbaars beschouwen, het
verzorgen en er op passen en net op zulk een manier behandelen, als zoo
iets broos en tengers behandeld dient te worden; en zoo doende zal hij
ondervinden, dat het nog lang de bekoorlijkheden behoudt, waardoor het
eens zijn hart gestolen heeft. Misschien, als hij zijn colibri trouw
verzorgt en er goed op past, ondervindt hij dan ook, dat ze, hoe zwak en
teer ze is, toch even goed als een faisant een nest kan bouwen en haar
eitjes uitbroedt en haar jongen groot brengt op colibri-manier; maar om
dit te kunnen doen, moet zij niet gestoord en verschrikt worden.
Doch de rampen van huiselijke onverdraagzaamheid nemen eerst recht een
begin, wanneer er kinderen komen. Even als ouders, uit verschillende
gezinnen gesproten, soms eigenaardigheden hebben, die zich niet met
elkander verdragen, zoo verschillen ook hun kinderen, èn met hen èn
onderling, in geaardheid.
De ouders houden hun pasgeboren eersteling voor iets, dat hun geheel
toebehoort en waarmeê zij dus kunnen doen, wat zij maar willen. Het
wezentje, pas op den stroom des tijds aangedreven, heeft misschien
eigenaardigheden in zich verborgen, vaster dan een der beide ouders
bezitten, doch met dat al wordt daaraan reeds terstond de loop
aangewezen, dien het te volgen heeft.
Johan is verzot op geleerdheid. Zijn eigen opvoeding is eenigszins
gebrekkig geweest, maar hij heeft besloten, dat zijn kinderen wonderen
van geleerdheid zullen worden. Zijn eerstgeborene is een meisje, die zoo
keurig als madame de Staël zal moeten schrijven, verwonderlijk knap en
volmaakt.
Hij overvoert haar van haar prille jeugd af met litteratuur en leest
haar een bloemlezing uit Milton voor, als zij nog pas acht jaar oud is,
en heimelijk verlangt om met haar poppegoed te spelen. Hij neemt de
eene gouvernante na de andere, zonder de kosten te ontzien, en als het
nu eindelijk blijkt, dat zijn dochter slechts een lief, verstandig,
huishoudelijk meisje is, dat veel van borduren houdt en meer aanleg
heeft voor koken en strijken dan voor poëzie en geleerdheid, dan is hij
teleurgesteld en behandelt haar koel; terwijl zij zich bitter ongelukkig
gevoelt over 't verdriet dat zij
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/39008