Karl Marx en zijne voorgangers
by Jos. Loopuit · Dutch · Gutenberg #38975 · 685,651 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Karl Marx en zijne voorgangers
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Karl Marx en zijne voorgangers
Author: Jos. Loopuit
Release date: February 24, 2012 [eBook #38975]
Most recently updated: January 8, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/38975
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KARL MARX EN ZIJNE VOORGANGERS ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
KARL MARX EN ZIJNE VOORGANGERS
door JOS. LOOPUIT
Cohen Zonen, Amsterdam
VOORWOORD.
"Onwetendheid is de bron aller boosheid."
Spinoza.
Er is zeer zeker in onze dagen geen belangrijker verschijnsel in
de samenleving dan het socialisme. Het heeft zich met zulk eene
elementaire macht, van den aanvang der vorige eeuw af baan gebroken,
dat niemand, die eenig oog heeft voor het algemeen belang, zich aan
die macht kan onttrekken, die er al meer en sterker van is uitgegaan.
Iedereen die zijn tijd begrijpen en kennen wil, moet ook eene
kennismaking met de denkbeelden der socialisten en de volksbewegingen,
eene studie van de sociaal-demokratie en de arbeidersbeweging onzer
dagen, binnen den kring van zijn onderzoek betrekken. Het bestaan van
de sociaal-demokratie te loochenen valt niemand in onze dagen meer
in, en niet minder wordt algemeen erkend, dat het socialisme in het
algemeen en de theoriën van de sociaal-demokratie in het bijzonder,
niet van dien aard zijn, dat wij door ze te leeren kennen, ons weten,
ons denken en ons voelen er niet in groote mate door zouden kunnen
versterken.
In een tijd van gisting, overal om ons heen, is er te meer reden
om dit te doen, opdat wij weten wat anderen willen, die, zonder dat
wij onderricht zijn over hetgeen zij leeren en voorstaan, voor ons
niet te begrijpen zouden zijn. En wij moeten anderen begrijpen,
willen wij ons-zelven begrijpen. Het moet ons duidelijk zijn wat
anderen willen, willen wij ons een klaar denkbeeld kunnen vormen,
van wat wij-zelf willen.
En in het willen onzer dagen, neemt dat van de socialisten eene groote
plaats in. Wij begrijpen dat soms niet, wij zien hier alles aan voor
het werk van enkele personen, van enkele leiders, wanneer wij niet
leeren kennen, wat de werkelijke drijfkracht en de drijfveer hunner
handelingen is. Wij begrijpen de hartstochten en de handelingen niet,
zooals zij zich tegenwoordig openbaren in de arbeidersbewegingen van
alle landen rondom ons, en ook in ons eigen land, wanneer wij ons
niet op de hoogte stellen waaruit deze voortvloeien.
Zeker, aan "voorlichting" van de publieke opinie ontbreekt het
in onze dagen allesbehalve. Den tijd, dien Ferguson komen zag,
waarin "zelfs het denken tot een speciaal beroep zal worden",
is reeds lang bereikt. De groote massa in onze dagen, denkt over
groote vraagstukken, denkt over groote bewegingen en theorieën, in
den regel niet meer zelfstandig na, maar laat voor zich denken, door
dag- en weekbladschrijvers. Zij haalt hare wijsheid uit couranten,
die voor het meerendeel hen de dingen mededeelen onvolledig, partijdig
dikwijls en, wat niet het minst erg is, zonder de minste samenhang. Hoe
zoude dit ook anders kunnen? De menschen hebben, in onze dagen van
strijd-om-het-bestaan, van een zenuwachtig druk leven, waarin soms geen
minuut mag verloren gaan voor de persoonlijke stoffelijke belangen,
niet den tijd en ook niet de noodige gelegenheid, niet de kalmte en
niet het geduld, die er noodig zijn om zich eenigszins volledig op
de hoogte te stellen van de groote maatschappelijke vraagstukken die
het socialisme heden ten dage, aan onze beschouwing ter oplossing
heeft voorgelegd.
Ons dunkt het dan ook goed en eene voortreffelijke gedachte welke
den uitgevers van dit werk bezielde, toen zij meenden in een zoo kort
mogelijk bestek, een zoo volledig mogelijk overzicht te kunnen doen
geven, van datgene wat de groote denkers van het socialisme en de
groote grondvesters der sociaal-demokratische theorieën geleeraard
hebben en niet minder, in welk verband en in welke verhouding hunne
denkbeelden tot elkander stonden.
Wat de theorieën der sociaal-demokratie aangaat, en inzonderheid die
harer grootste theoreticus Karel Marx, is het zeker zéér belangrijk,
dat het publiek in staat wordt gesteld óók te leeren kennen, de
afkomst van diens theorie en diens leven- en wereldbeschouwing. Groote
denkers en schrijvers, maar vooràl groote stichters van eene school,
komen geestelijk uit anderen voort. Zij vormen in geestelijk opzicht
afstammingsvormen, uit andere hen voorafgegane geestelijke vormen,
die zich belichaamden in vroegere denkers en schrijvers.
Is dit zoo, en er is dunkt ons niet aan te twijfelen, dan behoeft men,
om een duidelijk beeld van de theorie voor zich te hebben, gelijk
zij ons wordt verklaard, ook te kennen, de wortels waaruit als 't
ware de stam is opgegroeid. Met andere woorden: men moet de stelsels
kennen, zij het dan ook in groote en algemeene trekken, waaruit zij
als theorieën zich hebben ontwikkeld. In de geheele wetenschap is dat
een systeem, dat door geen ernstig onderzoeker meer wordt ongebruikt
gelaten, waar het hem te doen is om een goed beeld van het terrein dat
hij moet overzien, te verkrijgen. Dit moet ook bij de wetenschap, die
het socialisme ons heeft verschaft, zoowel in de staathuishoudkunde, in
de philosophie als in de sociologie, de methode van ons onderzoek zijn.
En daarom zal in de volgende bladzijden het socialisme, zooals het
zich heeft doen kennen in en na de Fransche Revolutie van 1789,
worden behandeld. Zoo zullen de lezers ook kennis kunnen nemen van
de scholen der eerste groote denkers van het socialisme, in de eerste
helft van de negentiende eeuw.
En niet minder zullen zij worden in kennis gesteld, met de groote
philosophen uit dit tijdperk in Duitschland, omdat ook daaruit
de sappen zijn getrokken, die Karel Marx in zich heeft opgezogen,
ten einde daaruit zijne wereldbeschouwing te kunnen construeeren,
daarin bijgestaan door zijn talentvollen trouwen vriend Friedrich
Engels. Want het moet hier op den voorgrond worden geplaatst,
waar Marx genoemd wordt, kan dit bijna nooit anders geschieden,
zonder dat zijn vriend Engels er niet bij te pas komt. Waar wij den
laatsten dus niet altijd zullen noemen, daar, men vergete het niet,
geschiedt dit omdat Marx, Engels in-zich bevat; terwijl wij het aan
den laatste in zoo groote mate te danken hebben, dat wij den eerste
begrepen hebben. De grootste popularisator van Marx' denkbeelden en
de man, die dezen heeft uitgewerkt waar Marx ons alleen schema's heeft
kunnen geven, is ten allen tijde Friedrich Engels 't eerst geweest.
En wij zullen vervolgens ook nog, om een meer volledig beeld te
verkrijgen, de staatkundige stelsels doen kennen, waaruit Marx'
economie is voortgekomen en ten slotte de stelsels van anderen,
die eenerzijdsch met die van Marx parallel liepen, anderzijdsch eene
andere richting gingen dan de zijne.
Wij hopen hiermede te bereiken wat wij wenschen dat bereikt worde:
den lezer zelf in staat te stellen, zich een zelfstandig oordeel
te vormen over eene der belangrijkste, zoo niet het belangrijkste
verschijnsel van onzen tijd. Of wij daarin geslaagd zijn, wij weten
het niet, wij hopen het alleen maar.
Niemand kan beoordeelen, welken indruk zijn werk op anderen maakt; wel,
of hij naar zijn beste weten en kunnen getracht heeft het bereikbare
in dat opzicht na te jagen. En wat ons aangaat, gegeven het bestek
van dit werk, hebben wij al het mogelijke beproefd, om het resultaat
dat er mede bereikt moet worden, ook te doen bereiken.
De Schrijver.
INLEIDING.
De benamingen van socialist en sociaal-demokraat worden in onzen tijd
dikwerf gebruikt, in dezelfde beteekenis dikwerf ter onderscheiding van
elkander. Zoo zijn er een aantal personen die zich socialist noemen,
zonder daarom de leer en de consekwenties van de sociaal-demokratie te
aanvaarden; omgekeerd, spreken de vertegenwoordigers en de aanhangers,
van 't laatste dikwijls van het socialisme, hiermede bedoelende het
gansche stelsel van de gemeenschappelijk-making der productiemiddelen.
Van lieverlede evenwel, is men desondanks goed gaan begrijpen, wat
er onder die benamingen verstaan wordt en weet men ook, dat onder
sociaal-demokraten in het algemeen verstaan worden de aanhangers
van de theorieën van Marx, zoowel zij, die men met de benaming
"Marxist" bestempelt, als zij die niet geheel en al vasthouden aan
alle consekwenties van dien leer. De algemeen-naam "socialist" is meer
toepasselijk op hen, die, òf een sterker en krachtdadiger ingrijpen van
den Staat en de overheid wenschen in de maatschappelijke positie van
den arbeider: in de verhouding tusschen kapitaal en arbeid, of van die
groepen, die het doel in het algemeen wel willen--n. l. voorstanders
zijn van gemeenschappelijke maatschappelijke voortbrenging en
verdeeling der goederen,--maar in de middelen om daartoe te geraken,
van de sociaal-demokraten afwijken. Die meer door propaganda van de
idée van het socialisme in het algemeen, op het volk wenschen in te
werken, terwijl zij dezen geestelijken arbeid geheel voorop stellende,
praktische middelen in het tegenwoordige als van onwaarde of als
van uiterst geringe waarde voor het doel achten. Onder deze laatsten
kunnen dan ook wel de "anarchisten" worden gerekend, voor zoover zij
geen voorstanders zijn van de z. g. n. "propaganda door de daad."
Het woord socialisme dankt zijn ontstaan in de vorige eeuw
aan Pierre Leroux, een der scholieren van Saint-Simon en een
philosophisch socialist, die, gelijk hij zeide, dit woord smeedde
in de oppositie tegen het individualisme en daarmede eene politieke
organisatie bedoelde, waarin het individu opgeofferd zou worden aan
de gemeenschap. Dit begrip is dus, gelijk men ziet, zoo algemeen
mogelijk; want feitelijk van af het bestaan der georganiseerde staat
of gemeenschap, is steeds het individu, in meerdere of mindere mate,
opgeofferd aan het belang van de gemeenschap. Het geeft den feitelijken
inhoud van het woord dus, in 't geheel niet weêr.
Er is nog een andere verklaring van het woord die eveneens van
een franschen socialist van beteekenis stamt, en evenmin iets zegt
en deze is van P. J. Proudhon. Toen deze in 't jaar 1848 voor de
Rechtbank stond, vroeg hem de president: of hij niet een socialist
was? "Zeker! meneer de president," antwoordde Proudhon; "Nu"
vroeg deze hem, "wat is dan eigenlijk het socialisme?"--"Elke
poging tot verbetering van de maatschappij," antwoordde de
ondervraagde.--"Maar dan," zeide den president, "zijn wij tegenwoordig
allen socialisten!"--"Precies zoo denk ik er ook over," was het
wederwoord van Proudhon.
Hierbij sluit zich het bekende woord van den engelschen liberalen
Staatsman Sir William Harcourt aan, die voor jaren geleden in het
Engelsche Parlement uitriep: "Tegenwoordig zijn wij allen socialisten!"
Is het woord socialisme, gelijk wij reeds zeiden, zeer onbestemd en
vaag, en kan, gelijk men ziet, daar onder begrepen worden, al wat
maatschappelijke verbetering der minder-gegoeden in onze samenleving
in zich sluit, het begrip sociaal-demokratie heeft eene meer scherp
belijnde, zeer wel te omschrijven beteekenis. Het sluit in-zich, een
stelsel van maatschappelijke verandering, volgens bepaalde regelen,
volgens bepaalde wetten, zou men kunnen zeggen. Het heeft een
wetenschap ten grondslag, eene gesloten levens- en wereldbeschouwing.
In het algemeen genomen, is de grondslag van de sociaal-demokratie,
de erkenning dat geene duurzame en blijvende verbetering van de
maatschappelijke toestanden mogelijk is, zonder opheffing van het
privaat-bezit van de produktie-middelen der maatschappij, grond en
bodem, machines, fabrieken, middelen van vervoer en verkeer, kortom al
datgene waarmede tegenwoordig wordt voortgebracht. Dit beginsel is het
communisme, ongeacht of dit in praktijk gebracht zal worden door middel
van eene gecentraliseerden staat of streng demokratisch-ingerichte
gemeenschap, of dat de voortbrenging- en verdeelingswijze een meer
federatief karakter zal dragen, zooals het collectivisme dat bedoelt.
Het communisme is zéér oud. Afgescheiden van het
z. g. n. oorspronkelijke of oer-communisme, dat bij de oude
volksstammen bijna zonder uitzondering gevonden werd en waarvan Morgan
nog zeer sterk levende vormen gevonden heeft bij de Indianenstammen
in N. Amerika, en den gemeenschappelijken eigendom bij de Germanen,
waarvan von Maurer de overblijfselen in de "marken" enz. heeft
opgespoord, vinden wij bij de eerste christelijke sekten, die
ontstonden onder het Romeinsche Keizerrijk reeds het communisme in
den vorm van gezamenlijk verbruik van de genotmiddelen. Het was een
communisme der consumptie, niet een van voortbrenging.
In de Evangeliën, zijn dan ook tal van uitspraken te vinden, die op dit
communisme en de verachting van het persoonlijk bezit toespelen. De
communistische denkbeelden die in het Evangelie en in den Bijbel
worden gevonden, in verband met de komst van het "Duizendjarig Rijk",
hebben dan ook eeuwen op eeuwen achtereen een ontzaggelijken invloed
uitgeoefend op de ontwikkeling van vele sekten van communistische
christenen, welke meestal bloedig zijn onderdrukt of verdwenen zijn,
omdat de maatschappelijke praktijk zich niet met deze christelijke
theorie deed vereenigen.
Het klooster, in de vroege middeneeuwen ontstaan, is als eene poging
tot verwerkelijking van het christelijk-communistisch ideaal te
beschouwen. Niet minder de eerste van die groote bédel-orden, waarvan
de stichter, de heilige Franciskus van Assisi als eerste voorwaarde
leeraarde, de verachting voor al het aardsche, een leven zooals de
stichter der Christelijke godsdienst dit zelve zou hebben geleid.
Bij vele Kerkvaders der katholieke kerk vinden wij dan ook eene
veroordeeling van den privaat-eigendom. "De Rijke is een dief", zegt
de H. Bazelius.--"Het is noodzakelijk dat er eene soort gelijkheid
besta, waarin de een den ander van zijnen overvloed geeft. Het ware
beter als alle goederen gemeenzaam waren", zoo zegt de H. Johannes
Chrijsostemus. "De natuur heeft de gemeenschappelijkheid ingevoerd;
de wederrechtelijke inbezitname, het privaat-eigendom", zegt de
H. Ambrosius. "Naar recht en billijkheid moest alles aan allen
behooren. De ongerechtigheid is het die den privaten eigendom geschapen
heeft", zoo leerde de H. Clementius. Enz.
De moderne sociaal-demokratie heeft, historisch gesproken: twee
wortels. Beiden komen uit denzelfden bodem voort--de bestaande
maatschappelijke- en eigendomsorde. De eene dezer wortels--het
communistische utopisme--komt uit de hoogere klassen voort. De dragers
van dit utopisme waren den geestelijk aan den spits staanden in de
maatschappij. Zij hebben hunne maatschappelijke idealen neêrgelegd in
een of meer hunner werken. Middelijk of onmiddellijk stonden zij onder
den invloed van den griekschen wijsgeer Plato, den grooten scholier
van Socrates, die in zijn "Staatsideaal" eene samenleving teekent,
volgens een vast plan ingericht, en dat als zoodanig dan ook als de
eerste maatschappelijke "Utopie" kan worden gerekend.
Hem is als opsteller van een tweede staatsideaal, Thomas Morus
opgevolgd, die in 1516 "Utopia" schreef als staatsman in dienst van
Koning Hendrik VIII van Engeland.
In deze "Utopia", dat "geluksland" beteekent, ontwikkelt More,
door gesprekken die hij zelve voert met gefingeerde tegenstanders,
het stelsel eener volkomen communistische samenleving. "Alleen
het communisme is in staat de verschrikkelijke euvelen van de zich
ontwikkelende kapitalistische maatschappij uit den weg te ruimen",
zegt hij, al erkent hij daarbij tevens, dat de tijd er toe nog niet
gekomen was.
De andere wortel der sociaal-demokratie, is het
"gelijkheidscommunisme", hetwelk zijnen oorsprong vindt bij
de onderste klassen der maatschappij, aldus genoemd, omdat het
uitsluitend of voornamelijk steunde op den eisch van den "gelijkheid
der maatschappelijke goederen" en ruw als het was, eigenlijk zonder
preciesen vorm, ontsprong aan het religieus gevoel en overwegend
steunde op den Bijbel, voornamelijk op de reeds hier te voren
genoemde uitspraken en leeren van het Evangelie. Men vindt dit
Communisme in tal van bewegingen in de Middeleeuwen; zooals die der
Lollharden, de Begharden, de Waldenzen, de Hussiten, de Taborieten;
de Boheemsche en Moravische Broeders; vóór de groote beweging der
Hervorming van 1515 onder Luther, tot diep in die beweging toe, door
de Boerenoorlogen onder Thomas Münzer in Duitschland en de bewegingen
van de "Wederdoopers" in Munster heen.
Behalve deze sekten, waaronder er zijn, die gedurende langen tijd een
grooten invloed hebben uitgeoefend op den voorarbeid en het tot stand
komen der Hervorming, is het ook wel merkwaardig, dat wij reeds in
1235 bij een dichter van nog bekenden en grooten naam, communistische
gedachten zien uitgesproken.
In een gedicht: "Van de Wapene, Martijn," zegt Jacob van Maerlant:
"Martijn, die deutsce Loy vertelt;
Dat van onrechter gewelt,
Eigendom is comen.
En dan:
Twee worde in die werelt sijn:
Dats allene "Mijn" ende "Dijn",
Mochte men die verdriven;
Paijs ende vrede bleve fijn:
Het ware al vri, niemen eijgin
Manne metten wiven;
Het waer gemene tarwe ende wijn."
De religieus-Communistische sekten leefden nog tot in de zeventiende
eeuw voort. Zoo onder anderen ook in ons land nog onder de Labadisten,
eene sekte welke door een franschen predikant Jean de Labadie in het
leven geroepen, maar snel in het zand verloopen is.
Nevens Thomas Morus, als schrijver van eenen uitgewerkten
communistischen ideaalstaat, moet ook Campanella worden genoemd,
een monnik, die de "Civita Solis" of "Zonnestaat" geschreven heeft
in het jaar 1620.
In de eerste engelsche Revolutie vertoonden zich ook reeds genoegzame
sporen van communisme en socialisme in den meer modernen zin; al
wordt het geheel ook zeer sterk beheerscht door religieuze bijmengsels.
Zoo de beweging der "Levellers" of "gelijkmakers." Een der takken
dezer beweging, de sekte der "ware" Leveller, had in 1651/52
een boek uitgegeven getiteld: "De wet der vrijheid, als program
uiteengezet," of "de wederherstelling van het ware regeeringssysteem"
(The Law of Freedom in a platform of True Magistracy Restored), waarin
ontwikkeld wordt, wat koninklijke regeering en wat republikeinsche of
gemeentelijke regeering ("Commonwealth") te beteekenen heeft. Het
is "bescheidenlijk opgedragen aan Olivier Cromwell," zoo ook
"aan alle engelschen, die mijne broeders zijn, hetzij tot het
Kerkverband behooren of niet, en over hunne hoofden heen, aan alle
naties ter wereld." In dit boek ligt een gansch communistisch
stelsel uitgebeeld. Op het "koopen en verkoopen", worden daarin
de hoogste straffen gesteld; niemand mag "arbeid huren of zijnen
arbeid verhuren", en wie land- of de vruchten daarvan verkocht, was
des doods schuldig. Goud en zilver mag niet in munt worden omgezet,
alleen tot huisraad mag het worden versmolten.
Ook ontstonden in Engeland in de 17e eeuw de "Staatsromans,"
d. w. z. die litteratuur, waarin in romanvorm het plan eener
staatsinrichting werd neêrgelegd. Zoo de "Leviathan" door den
staatsrechtsleeraar Thomas Hobbes in 1651 geschreven, en den daarna
in 1656 verschenen "Oceana" van James Harrington. De eerste was
een utopie van den absolutistischen Staat, waarin voor alle standen
en geledingen der samenleving is gezorgd; de andere kan als zijnen
onmiddellijken tegenhanger gelden.
Kommunistische tendenzen zaten er ook in sterke mate, in de, in de
zeventiende eeuw opgekomen sekte der "Kwakers", waarvan John Bellers
(geb. 1654) als de voornaamste en meest practische kan worden
beschouwd.
Zoo ontstonden ook in de zeventiende en achttiende eeuw in Frankrijk,
de utopische staatsromans, in den vorm van reisbeschrijvingen. Zij
heetten o.a.: "La terre australe connue", waarvan Pierre Bayle
een zekeren Gabriel Toigni als auteur noemt, voorts het boek: "De
Reizen en Avonturen van Jacques Massé"; het boek van de Fontenelle:
"de Republiek der philosophen of de geschiedenis der Ajaoïer";
Restif's boek: "La decouverte australe ou lettres d'un singe"; het
boek van den abt Fénélon: "Telemach"; Ramsay's: "Les Voyages de Pyrus"
en Pechméja's boek: "Télèphe".
Hier moet ook nog worden melding gemaakt van den arbeid van Jean
Meslier, gemeenlijk het "Testament van Jean Meslier" genoemd, dat
in 1762 door Voltaire aan het publiek bekend werd en eene diepgaande
critiek van den schrijver,--een armen en verdrukten dorpspastoor die
bij zijn leven niet spreken dorst,--bevatte, zoowel op den godsdienst,
als op de geheele inrichting der maatschappij. Dit "Testament" welks
inhoud eerst later geheel bekend werd, daar Voltaire het slechts in
zooverre gaf als het dienst kon doen voor zijne propaganda tegen de
kerk, geeft de communistische gedachten weer over een gemeenschap,
gelijk de schrijver zich die gedacht heeft.
"Ik wilde", roept Meslier uit aan het slot ervan, "dat mijn stem
konde gehoord worden van het eene einde van het koninkrijk tot aan het
andere, neen, van het eene einde der wereld, tot aan het andere. Ik zoû
dan uit al mijne krachten schreeuwen: "Gij zijt dwazen o, menschen! gij
zijt dwazen, u zoo te laten knevelen en zoo blind te gelooven aan een
aantal domheden! Ik zal u uwe dwaasheden toonen en u uwe leiders als
bedriegers en menschenschenners laten zien"....
"Vereenigt u toch volk, vereenigt u proletariërs; vereenigt u zoo
gij het hart hebt om u te bevrijden van uwe onderdrukkers!"
In 1755 verscheen er een boek in het licht "Code la Nature" genaamd,
door een vrij onbekend man, een schoolmeester Morelly genaamd,
geschreven. Tevoren had hij reeds een roman geschreven "Nauvrage des
îles flottantes ou la Basiliade" ("Schipbreuk van het drijvend eiland
of de Basiliade") genaamd.
Aan den spits van zijn ontwerp tot inrichting van een samenleving
stelt hij drie grondstellingen, welke hij geheiligde grondpunten noemt,
die de sociale gelijkheid kunnen waarborgen.
1. Niets mag in privaat-eigendom zijn, dan wat elk tot werkelijk
gebruik voor zijne behoeften, genoegens of dagelijkschen arbeid
noodig heeft.
2. Elk burger is een publiek wezen, dat recht heeft op onderhoud en
op arbeid van wege de gemeenschap.
3. Elk burger is verplicht, naar zijne krachten, talenten en volgens
zijnen ouderdom, tot het publiek welzijn bij te dragen, naar die mate
zullen zijn openbare plichten worden geregeld.
Later nog, omstreeks de jaren van 1830, hebben onderscheidene
socialistische denkers en schrijvers, en onder hen Louis Blanc zich
dikwijls op deze stellingen van Morelly beroepen.
Tot de onmiddellijke volgelingen van Morelly, behoorde in de eerste
plaats: Gabriel Bonnot de Mably, in 1709 geboren en in 1785 gestorven.
In zijn boek, dat in 1768 uitkwam en getiteld is: "Doutes proposés
aux philosophes économistes sur l'ordre naturel et essentiel des
sociétés politiques" ("Twijfelingen voorgesteld aan de economische
wijsgeeren, nopens de natuurlijke en wezenlijke orde van de
politieke samenleving"), oefent hij eene diepgaande critiek uit op
de maatschappij in verband met de eigendomskwestie. Hij is vooral
hier in strijd met de "Physiokraten" waarmede hij tot op een zekere
hoogte kon samengaan,--dat de persoonlijke vrijheid zich niet laat
verbinden met den gemeenschappelijken eigendom, zooals dezen meenden.
Vervolgens Brissot de Warville, in 1743 geboren en den 31sten Mei 1793
onthoofd, als "Girondist", die in zijn "Recherches philosophiques"
("Wijsgeerige onderzoekingen") zeer vergaande conclusies trok, omtrent
de niet-noodzakelijkheid van den persoonlijken eigendom. Van dezen
stamt de stelling, later door Pierre Joseph Proudhon overgenomen:
"le propriété c'est le vol" ("eigendom is diefstal"), die men
meermalen--ten onrechte--eene zuiver sociaal-demokratische noemde.
En hiermede zijn wij genaderd tot het tijdstip der Fransche Revolutie
van 1789, dat reeds lang te voren, door de geestelijke propaganda
der "Verlichting" was voorbereid door de fransche wijsgeeren van de
18e eeuw.
Zij ontsluit een nieuwen tijd. Door haar is de burgerklasse tot
macht en invloed gekomen, na haar is de moderne kapitalistische
produktiewijze ontstaan en door haar zijn dus middelijk de voorwaarden
tot de sociaal-demokratie van Karel Marx geschapen.
Wij zullen in het nu volgend hoofdstuk nog nagaan, op welke wijze er
reeds in die Revolutie-zelve, gearbeid werd aan of gedacht werd over,
socialistische of communistische idealen.
EERSTE GEDEELTE.
HOOFDSTUK I.
DE FRANSCHE REVOLUTIE VAN 1789.
Toen de achttiende eeuw ten einde neigde, had de economische
ontwikkeling van Engeland die van Frankrijk reeds vrijwel
ingehaald niet alleen, maar was haar reeds boven het hoofd
gewassen. Maar in Engeland hadden reeds in 1648, en daarna in 1688
in de z. g. n. "glorious revolution" ("glorierijke omwenteling")
de burgerlijke klassen gezegevierd over den adel en het absolute
koningschap.
De strijd der fransche burgerklasse richtte zich tegen alle bestaande
grondslagen der maatschappij en nergens is zoo van grond uit met het
oude opgeruimd, dan in Frankrijk in het Revolutietijdperk van 1789.
De fransche burgerij, die den strijd had te voeren tegen de absolute
monarchie en de gepriviligeerde klassen van den adel en de groote
geestelijkheid, had in dezen strijd het gansche volk achter zich. Maar
dit duurde niet lang; spoedig genoeg, en wel voornamelijk toen het
gold de vaststelling van ieders rechten, kwam de verdeeldheid van
meening aan het licht, die reeds in den strijd om het bestaan die de
Republiek had te voeren, van grooten invloed moest wezen.
Aan den eenen kant splitste de partij van den derden stand zich in
die der fabrikanten, groote grondbezitters en handelskapitalisten,
aan den anderen kant kwamen de arbeiders te staan en de kleine burgers.
Als vertegenwoordiger der laatste belangen, komt in het
revolutie-tijdperk vooral Jean Paul Marat op, die hoewel zelve geen
arbeider maar geneesheer, méér den proletarischen kant van de Revolutie
zag, dan vele anderen die met hem aan haren spits stonden.
Marat werd vroegtijdig vermoord, door Charlotte Cordaij. En op
aandringen van de Mirabeau, de edelman die in het voorspel tot de
Revolutie eene belangrijke rol had gespeeld, zou zelfs de burgerklasse
haren vrede hebben gesloten met de constitutioneele monarchie, wanneer
niet én Mirabeau vroegtijdig was overleden én de gebeurtenissen aan
den grenzen niet zóó geloopen waren, dat alles noodig was om den
inwendigen vrede te bewaren en dus aan de eischen der kleine burgerij
en der arbeiders toe te geven.
Maar na het tijdperk van den "Terreur", toen het gematigde deel der
bourgeoisie weder de bovenhand had gekregen, werd er hoe langer hoe
meer opgetreden tegen de communistische tendenzen, vooral tegen die
van de groepen der jakobijnen. Van de laatsten verdient in de eerste
plaats hier vermeld te worden
FRANÇOIS BOISSEL,
geboren te Joijeux in Vivarais in 1728, die in 1753 advokaat van het
parijsche Parlement werd, later naar het eiland St. Domingo ging, maar
in 1789 bij het uitbreken van de Revolutie, naar Frankrijk terugkeerde.
Hij trad in 1799 op, met een "Catechismus van het menschelijk
geslacht", waarin hij zeer koene conclusies trok uit de in 1789
geproklameerde "Rechten van den Mensch" en zijne ideën bloot gaf
omtrent eene hervorming van de maatschappij.
De voorwaarde om te komen tot eene maatschappij, waarin geen
eigenbelang zal heerschen, en den eigendom niet eene private zaak,
zag Boissel wel voornamelijk in eene sociale opvoeding. De kinderen
moesten derhalve door de gemeenschap worden opgevoed meende hij.
Als overgangsmaatregel stelt Boissel, en dit is voor hem als
fransch socialist van de 18e eeuw typisch, eene "progressieve
inkomstenbelasting" voor, die den rijken ten-slotte zóó belasten zal,
dat voor hen het privaat-bezit elke waarde verliest. Uit de opbrengst
zullen pensioenen moeten worden bestreden voor ouden en invaliden. Ook
sloeg Boissel het oprichten van staatsmagazijnen van agricole produkten
voor, en publieke werkinrichtingen voor werkeloozen van staatswege.
Na hem, komt hier in aanmerking als maatschappelijk hervormer,
Robespierre's vriend en volgeling
SAINT-JUST.
Deze, die in 1794 na Danton's val aan de regeering kwam, meende, dat
zoolang er nog armen en behoeftigen waren, de zaak van de vrijheid,
van de Republiek, in gevaar was. "Duldt in den Staat noch eene
ongelukkige, noch eene arme: alleen tot dien prijs zult gij eene ware
republiek kunnen in stand houden!" De economische gelijkstelling is
de levensvoorwaarde voor de republiek; de rijkdom der "aristokratie"
is voor de republiek evenzoo gevaarlijk als de ellende des volks. "Er
behooren noch rijken, noch armen te bestaan.... Daar waar er te groote
bezitters bestaan daar vindt men louter armen.... De rijkdom is een
infamie", enz., ziedaar zijn meeningen.
De ellende, die wel het naast, volgens Saint-Just, een gevaar oplevert
voor de republiek, moest in de eerste plaats dan ook uitgeroeid
worden. Dit was te vinden door zeer strenge agrarische wetten: "Ten
einde de zeden te hervormen en den nood te bevredigen, moest men
beginnen, met een ieder wat land te geven. Het bedeldom moet worden
tegengegaan door verdeeling van de nationale goederen onder de armen."
Voorál moest het volk zich op den landbouw kunnen toeleggen, daar
alleen een landbouwend volk een "deugdzaam" en een vrij volk kan wezen.
De mogelijkheid om de maatschappij gelukkig te maken, zag
Saint-Just, evenals zoovele hervormers uit het midden der 18e eeuw
dan ook gelegen in de wetgeving en die wel uitsluitend van uit een
streng gecentraliseerden Staat. Saint-Just viel echter spoedig met
Robespierre, wiens handlanger en vriend bij was, en hiermede ging
ook zijn plan te gronde.
Maar het eerst en het voornaamst werden communistische denkbeelden,
te midden van de Fransche Revolutie verkondigd door een man, die niet
aarzelde, zelfs niet onder het Schrikbewind, met zijn meeningen voor
den dag te komen. Die man was:
FRANÇOIS NOËL BABEUF,
of, gelijk hij zich-zelf gaarne noemde, met eene herinnering aan de
Romeinsche geschiedenis, Grachus Babeuf, werd in 1760 te Saint-Quentin
uit Calvinistische ouders geboren.
Op 16-jarigen leeftijd als schrijver bij een landmeter werkzaam, werd
hij daarna ambtenaar bij het kadaster in Roije (Picardië). In deze
positie leerde hij den slimmen nood waarin het landvolk zich bevond
van nabij kennen en het is wel daaraan te wijten, dat hij zich reeds
in 1887 onledig hield met de studie van de werken van Meslier, Morelly
en Mably, en met het vraagstuk van de afschaffing van den eigendom.
Na de bestorming der Bastille, waaraan hij deel had genomen, bekleedde
hij verschillende ambten in dienst van den Staat. In 1794 stichtte
hij het "Journal de la liberté de la presse", dat later in "Tribun du
peuple" werd omgedoopt. Na den val van Robespierre en zijnen aanval op
degenen welke dezen ten val hadden gebracht, de Thermidoristen, werd
hij, tezamen met een aantal eveneens radikale republikeinsch-gezinden,
in de gevangenis geworpen. Hier was het, dat Babeuf de gelegenheid
kreeg, om met hen van gedachten te wisselen, over het beginsel van
de gelijkheid en te onderzoeken of de gelijkheid, zooals die tot nog
toe was verstaan, wel eene grondstelling voor het maatschappelijk
leven kon heeten van genoegzame waarde, om het geluk en het leven
daarvoor te wagen. Zij werden tot twijfel daaraan gedreven, door de
gebeurtenissen van den laatsten tijd, en kwamen tot de slotsom, dat
het simpele politieke axioma van de gelijkheid alléén, geen ideaal
kon zijn waarmede de menschheid gelukkig te maken was. Zij trokken
uit de theorieën van Jean Jacques Rousseau, die in die dagen, wel
de bron waren van alle hervormers van voor en in 1789, de verdere
consekwenties en de conclusie, dat ook het onderscheid in bezit
moet worden weggenomen, wil de politieke gelijkheid geen chimère,
geen denkbeeldig iets blijken te zijn.
In October 1795 weder vrijgelaten, ging Babeuf dadelijk aan het
agiteeren voor zijne denkbeelden, die communistisch waren en de
natuurrechtelijke politieke gelijkheids-ideën van Rousseau ten
grondslag hadden. "De mensch is van nature goed" gelijk Rousseau
leerde; "deze goede en onbedorven mensch werd eigenlijk nog maar
vertegenwoordigd door die uit de onderste standen der samenleving,
die van de weelde en de verdorvenheid daarmede gepaard gaande, bevrijd
waren gebleven. Daarom moest door de toekenning van alle politieke
rechten het volk tot de regeering brengen," omdat, gelijk men in 1793
zeide: "le but de la société est le bonheur commun" (het doel van de
maatschappij is het gemeenschappelijk geluk.) Robespierre verklaarde:
"Nous voulons un ordre des choses, où toutes les passions basses
et cruelles soient enchainées, toutes les passions bienfaisantes
et généreuses éveillées par les lois.... Nous voulons substituer
dans notre pays, la morale à l'égoïsme, la probité à l'honneur, les
devoirs aux bienséances, le mépris du vice au mépris du malheur." (Wij
willen een orde van zaken, waarin alle lage en slechte hartstochten
zullen worden vastgelegd, alle edele en weldadige hartstochten
zullen worden opgewekt door de wetten... Wij willen in ons land de
moraal stellen in de plaats van de zelfzucht, de braafheid voor de
eer, de plichten voor de zeden, de smaad van de gebreken voor die
van het ongeluk). Babeuf wilde uitgaande van deze gedachten, als
grondstellingen voor een ideale maatschappij, de arbeidsplicht van
allen, wettelijke vaststelling van het getal arbeidsuren; leiding van
de produktie door eene, door het volk direkt gekozen opperste macht;
verdeeling van den noodzakelijken arbeid onder de burgers onderling;
afdoening van den onaangenamen arbeid door de burgers naar de rij
af; het recht van alle burgers op gezamenlijk genot, en diensvolgens
gezamenlijke verdeeling der gebruiksgoederen--welker voortbrenging,
door de algemeene deelname daaraan natuurlijk zeer zoude stijgen--onder
de individuen, naar de mate hunner behoeften.
Dit communistisch stelsel verkreeg eene hoogere wijding bij Babeuf,
dewijl hij het verdedigde, niet zoozeer met wetenschappelijke,
als wel met godsdienstig-bijbelsche uitspraken en stellingen. Het
communisme zou daarnaar een wil van God, de aardsche gelukzaligheid
en de voorbereiding zijn tot de hemelsche; en de eenige drijfveer
tot dat alles, zal de "deugd" zijn.
Maar daar deze phantazie niet zoo dadelijk te verwerkelijken was,
gelijk ook Babeuf wel begreep, zoo waren er een aantal maatregelen
noodig voor het tegenwoordige, opdat in de toekomst de menschheid
dit ideaal bereiken kon. In de eerste plaats dan moest er worden
ingesteld eene "groote nationale gemeenschap van goederen", waartoe
zullen moeten behooren alle staatseigendommen, al het vermogen van de
"vijanden der volkszaak" zoowel als alle goederen, welker aanbouw
door de eigenaren derzelven, niet werd uitgevoerd. Elke franschman
zal tot deze gemeenschap kunnen toetreden, doordien hij zijn vermogen
ten haren dienste stelt en haar zijne arbeidskracht aanbiedt. Dan zal
de gemeenschap de erfgename moeten zijn van elke private erfenis. De
medeleden arbeiden gezamenlijk en krijgen daarvoor voedingsmiddelen
in ruil, zooals eene "matige en sobere keuken, die plegen op te
leveren"; zoowel alles wat noodig is voor het leven. Wie met schulden
de gemeenschap bijtreedt, wordt van alle zijne verplichtingen ontheven.
Dit zijn in 't kort, de denkbeelden waarvoor Babeuf in 1795 de agitatie
in zijn "Tribun du peuple" ondernam; die hij predikte in stad en land
en daar hij een meester van het woord was in alle opzichten, zoowel
door zeggingskracht als door woordenkeus zijn gehoor wist mede te
sleepen, maakte zijne propaganda een geweldigen indruk. Vooral na den
val der Jacobijnen, richtte hij er al zijne krachten op, dezen weder
uit hunne verstrooidheid en tot hereeniging te brengen. Hij richtte
weder een dier geheime genootschappen op--in de dagen van de 1789
eene zoo geweldige kracht,--die hij het genootschap van de "Gelijken"
noemde. Daarnevens werden een aantal kleine "clubs" gesticht over
het geheele land; zoodat naar men meende in vrij korten tijd Babeuf
méér dan 17.000 aanhangers van zijne sociale theorieën om zich heen
had verzameld.
Alsnu trad de regeering handelend op. De poging die er zoude worden
gedaan om zich meester te maken van de macht in den staat, teneinde
eene andere sociale orde van zaken in te stellen, was namelijk
verraden geworden. In het begin van Mei 1796, werd Babeuf zelf in
hechtenis genomen, nadat zijne vrienden reeds eerder gevat waren
en terecht waren gesteld. De rechtbank veroordeelde hem wegens
samenzwering tegen den staat ter dood, welk vonnis hij heldhaftig
den 8ste prairial 1797, op de place de la Vendôme onderging met
zijn vriend Darthé. Van zijn medestanders waren er enkelen gevlucht,
anderen tot deportatie veroordeeld.
Dit was het einde van een man die in armoede geboren en in
armoede geleefd heeft, en meende, dat het aan den goeden wil van
een betrekkelijk klein aantal menschen lag, om de leuzen, die in
de Revolutie van 1789, eene zoo geweldigen dienst hadden gedaan,
tot werkelijkheid te maken. En hiermede hadden de socialistische
pogingen in de Fransche Revolutie geboren, en die welke ten doel
hadden deze hervorming tot eene radikale te doen zijn, voor goed
schipbreuk geleden.
De geheele Revolutie verliep verder in het Keizerrijk van Napoleon
Bonaparte, die van eersten Consul der Republiek, weldra Keizer
werd. En onder diens regeering had Frankrijk te veel oorlogen te
voeren en genoot te veel eene betrekkelijken voorspoed, dan dat er
aan de verwerkelijking der leuzen van 1789 kon worden gedacht.
Eerst in de periode van het herstel, die der "Restauratie", doken er
weder plannen op, die er op doelden eene grondige sociale vervorming
van de maatschappij, van eene kapitalistische in eene socialistische,
in het leven te roepen.
De moderne socialistische Utopisten, of gelijk men ze noemt de
"groote Utopisten" kwamen als nu ten tooneele. De aanvang van de
negentiende eeuw zag de socialistische denkers opstaan; zag den
graaf de Saint-Simon en Charles Fourier in Frankrijk en Robert Owen
in Engeland aan den arbeid gaan, ten einde het menschelijk ideaal,
de algemeene welvaart en de grootste som van menschelijk geluk,
te trachten tot werkelijkheid te maken.
HOOFDSTUK II.
DE SOCIALISTISCHE UTOPISTEN.
In alle kampen en verwarringen der Revolutie, als eenerzijds de
hartstochten den hoogsten graad hadden bereikt, anderzijds de
begeestering gloeide en zich in woorden en daden omzette, bleef er
evenwel iets, dat de menschen, in weerwil van al hun peinzen en hunne
inspanning niet begrijpen konden. De Revolutie had ontzaggelijke
menschenoffers gekost, maar met het guillotineeren van menschen,
bleef evenwel die toestand bestaan.
Die toestand, een economische toestand, was het kapitalisme, dat
juist door de revolutie in Frankrijk zich eerst recht ontplooien kon.
Het kapitalisme had uit alle inwendige, zoowel als buitenlandsche
verlegenheden der Republiek nut getrokken. Het had uit de confiscatie
der goederen, het had uit de assignatenzwendel, uit de instelling van
het wettelijk maximum, uit de rationeeringen, uit de veldtochten met
hunne wapen-, kleeding- en voedingsleveranties; uit het continentale
stelsel tegen Engeland; kortom, uit alle maatregelen, welke de
Constiuante, de Conventie en het "Comité voor publiek welzijn",
nam, door het Directoire het Consulaat en Keizerrijk heen zijn nut
getrokken en er baten voor zich weten uit te slaan.
De groote vermogens kwamen als paddestoelen uit den grond; de
speculatie- en handelsgeest greep meer dan ooit om zich heen
en alom maakte zich de kapitalistische geest meester van alle
private verhoudingen van de menschen onder-elkander. De theorieën
van Adam Smith, die het individualisme tot den grondleer van de
Staathuishoudkunde had verheven, kwamen van Engeland naar Frankrijk
over en vonden daar geheel spontaan, ook hunne verwerkelijking.
En onder het regime van Napoleon I was de oude orde van zaken weder
teruggekeerd. De begeestering voor de "gelijkheid der menschen"
verdween en na Napoleon's val kwam het "ancien regime" ("de oude
regeeringsorde") terug en alles scheen te gaan gelijken op de
toestanden van vóór 1789.
Dat de geest van onderzoek echter nog bestond, bewezen wel op
verrassende wijze twee mannen, die tegelijk, en onafhankelijk van
elkander, opstonden in Frankrijk. De eerste, die wij hier zullen doen
kennen, was de graaf de Saint-Simon.
CLAUDE HENRY DE ROUVRAIJ, graaf de Saint-Simon,
werd den 17en October 1760 geboren. Hij was een achterneef van den
groothertog en pair van dien naam, die in zijne kroniek van het
hof-leven onder Lodewijk XIV, eene der beroemdste memoire-werken
geleverd heeft uit die dagen.
Deze "voorvaderen" spelen dan ook in de Saint-Simon's leven geen
geringe rol. Inderdaad stamde het geslacht in rechten lijn af van
den lageren adel uit het graafschap Vermandois, waarvan onder de
regeering van Lodewijk XIII, een medelid tot den rang van hertog werd
verheven. Deze Vermandois nu, leidden hun geslacht af van Karel de
Groote. In den droom, vertelt de Saint-Simon ons, was hem eenmaal
Karel de Groote verschenen, om hem te profeteeren, dat hij éénmaal
als philosoof, het geslacht tot eene even groote eer zou wezen,
als dezen dit als Vorst geweest was.
Saint-Simon geloofde inderdaad dat hij, als 't ware gepredestineerd
was tot den rol van wereldbeheerschend philosoof. Zijne overspannen
phantazie en zijne overigens levendige verbeeldingskracht, deden
hem dingen gelooven, die zich in de werkelijkheid niet zoo hebben
toegedragen als hij-zelf ze ons mededeelt.
De Saint-Simon was een leerling van de groote d'Alembert, de man die
met Diderot en anderen medewerker was aan de beroemde Encyclopedie
der 18e eeuwsche materialistische wijsgeeren in Frankrijk, vóór
de groote Revolutie. Zijn jeugd verliep in onvaste bezigheden. Wij
vinden hem dan als officier in Frankrijk, dan als medestrijder van
Washington bij de vrijheidsoorlog van de staten van N.-Amerika tegen
Engeland; als diplomatiek agent op eigen gelegenheid in Nederland of
als raadgever van ministeries in Spanje en Mexiko, in welk laatste
land hij omvangrijke irrigatiewerken op touw zette.
In de Revolutie verloor de Saint-Simon, evenals zoovelen, zijn
gansche vermogen en aldus werd hij gedwongen te gaan werken voor
zijn levensonderhoud. Dit deed hij zóó, dat hij, door middel van den
koophandel, waarop hij zich toelegde, alras een nieuw vermogen had
weten bijeen te krijgen. Maar ook dit was weder spoedig door een groote
luxe en verkwisting verdwenen. De Saint-Simon zegt opzettelijk zich
aan zoo groote verkwisting te hebben overgegeven, teneinde daardoor
zijne kennis van het leven te vervolmaken en al het menschelijke,
zelfs het méér dan menschelijke, bij de plannen die hij had voor de
toekomst van het menschelijk geslacht, daarbij in oogenschouw te kunnen
blijven houden. Dat hij ook lang genoeg gelegenheid heeft gehad de
psychologie van de armoede te bestudeeren, en dat eveneens aan zijn
eigen lijf, hinderde hem dan ook geenszins. Het is dan ook uit deze
laatste periode zijns levens, dat zijn werkzaamheid als publicist,
als denker en als hervormer dagteekent.
Het uitgangspunt van de Saint-Simon's denken, was de erkenning
van het armzalige van al het bestaande, van de gansche materieele,
politieke en religieuze nood van zijnen tijd. Zijne critische blik,
kon zich niet laten verblinden, door den glansrijken pronk van de
weelde, die het nieuw-geschapen keizerrijk van Napoleon I ten toon
spreidde; hij zag zeer goed daarachter, de ellende van dat bloeiend
kapitalisme en zijn hart werd ten volle aangegrepen door der menschheid
ganschen jammer. Over het algemeen genomen, was de Saint-Simon een
Faustnatuur. Geniaal en vol van de hem verteerende weetgierigheid,
dreef hem dit alles rusteloos voort naar eene allesomvattende kennis
en tot een door niets in te toomen hartstocht, der menschheid gelukkig
te willen maken. Dat hij bij dit onbeperkt streven, meer dan eens
de reële feiten niet goed heeft kunnen zien, doet niets af aan dit
groote feit, dat hij dingen heeft gezien in een tijd, toen nog door
de geringe ontwikkeling van de kapitalistische maatschappij, geen
mensch heeft kunnen zien wat hij zag.
De Saint-Simon was 43 jaren oud, toen hij zijn eerste publieke
geschrift schreef, genaamd: "Lettres d'un habitant de Genève à
ses contemporains." ("Brieven van een inwoner van Genève aan zijne
tijdgenooten.") Het kwam uit in 1803, maar werd vergeten, totdat het in
1823 door zijne leerlingen aan deze vergetelheid ontrukt was geworden.
In deze "Brieven" toonde de Saint-Simon reeds zijn denkbeelden aan, van
der menschheid eene leiding te willen geven. Gelijk de maatschappij in
de middeneeuwen door de geestelijkheid was geleid, zoo moest dit ook nu
weder geschieden, thans door het denkend gedeelte van de samenleving.
De hier door de Saint-Simon gedachte heerschappij van den geest, moest
in waarheid die van het genie zijn. Deze genieën moesten onafhankelijk
zijn; geen posten van de regeering behoeven aan te nemen en daardoor
niet verplicht zijn "secondairement" te denken. Zij moesten zich
niet verlamd gevoelen, en met stoutheid zouden zij de wieken van
hunne geestelijke meerderheid kunnen uitspreiden en daardoor de
menschelijke maatschappij steeds ten zegen kunnen verstrekken. "Ruimte
voor de Archimedessen!" was zijn uitroep--"geen hulde meer aan
de Alexanders!" Met andere woorden: de tijd die aangebroken was
beteekende volgens hem, een ten troon stijgen van de wetenschap,
die de plaats innam van de studie van den oorlog.
Bij zijn plan tot organisatie van de maatschappij, verdeelde hij de
menschen in drie klassen. De eerste klasse was die van de vooruitgang;
zij was samengesteld uit de geleerden, de mannen van de kunst, en
allen, die liberale denkbeelden ten beste van de samenleving te geven
hadden. De tweede was die van het behoud, zij bestond uit de eigenaars
van den grond. De derde klasse was die van de gelijkheid. Zij bevatte
dat deel van de menschheid dat niets bezat, geen eigendom, ook niet
een geestelijk.
Tot de eerste klasse zeide hij: "Gij geleerden en kunstenaars, gij
hebt den scepter der publieke opinie in uwen hand, grijpt dien aan
met moed. Overwint slecht der inertie van uwen stand. Mathematici
maakt een aanvang!"
Tot de tweede klasse richtte zich de Saint-Simon met deze woorden:
"Aanvaardt mijn plan, doet het uit vrijen wil, want anders zoudt gij
er door de geleerden toe gedwongen kunnen worden en zou de geschiedenis
van 1789 zich voor u kunnen herhalen. Gij kunt de crisis nog beletten,
en taak van den overgangstoestand kunt gij helpen verlichten. Gij
kunt de "regulateurs" der beweging worden en op die wijze uwe plaatsen
blijven innemen!"
En tot de derde klasse eindelijk zeide hij: "Vrienden maakt dat de
rijken, die tot nu toe geen andere bezigheid gehad hebben dan u bevelen
te geven, gedwongen worden u onderwijs te geven. Wie kunnen u anders
voorthelpen dan de geleerden? Een geleerde is iemand die voorziet,
iemand die voorspelt.
"Bedenkt wel dat gij dáárom alleen, staat onder de heerschappij van
de klasse van de eigenaars,--die tien- en twintigmaal geringer in
aantal zijn dan gij--omdat de eigenaars u in verstand verre de meerdere
zijn. Zoekt met hen op gelijken trap van ontwikkeling te komen. Zoowel
geleerden, als kunstenaars moeten u daarbij ter hulpe komen. Door
mijn ontwerp heb ik getracht alle plannen ter uwer ontwikkeling tot
ééne straal te leiden. Helpt dus! Schrijft in zoo gij kunt. Bij de
keuze der benoemingen zal ik u helpen!"
Het plan beoogde eene algemeene organisatie der maatschappij, op deze
grondslagen: "de geestelijke macht in handen van de geleerden; de
wereldlijke macht in hadden der eigenaars; de macht om hén te benoemen,
die de taak zouden te vervullen hebben van leiders der menschheid te
zijn, in handen van een ieder. Het loon der regeerders moest bestaan
in de algemeene achting en de eerbied die men hen zou toedragen."
In deze "Brieven uit Genève" wilde de Saint-Simon dus aan de menschheid
eene nieuwe organisatie geven; een orde van zaken in de maatschappij,
steunende op het denkbeeld, dat de geheele menschheid één eenheid
was; dat er éénheid moest komen in het menschelijk arbeiden en dat
de geleerden en kunstenaars de mannen bij uitnemendheid waren, om
dat werken te leiden en te besturen.
De taak der vrouw was hierbij niet over het hoofd gezien en ook werd
deze nieuwe orde van zaken door de Saint-Simon, tot een soort nieuwen
godsdienst verheven.
In 1807, na een leven van ontbering te hebben geleden, schreef de
Saint-Simon zijn: "Introduction aux travaux scientifiques du XIX-me
Siècle." (Inleiding tot den wetenschappelijken arbeid der 19e eeuw). In
zekeren zin was dit boek een antwoord op een prijsvraag door Napoleon
Bonaparte uitgeschreven en aan het "Instituut" opgegeven onder het
opschrift: "geeft mij rekenschap van de vooruitgang der wetenschap
sedert 1789 en zegt mij, welke hare tegenwoordige toestand is en
welke de middelen zijn om haar vorderingen te doen maken."
De Saint-Simon past in zijn boek voor het eerst,--en dit is werkelijk
een vooruitgang der wetenschap geweest, al werd het niet officieel
erkend,--deze tweeledige methode toe: die der analyse en die der
synthese. Door analyse, klimt men van bijzondere feiten óp tot een
algemeen feit; door synthese daalt men van het algemeene tot de
bijzondere feiten af, zoo stelde hij vast.
De geleerden van de richting a priori waren voor hem die zoo als Bacon
van Verulam en Descartes. Vooral de laatste, die tot den menschheid
heeft durven zeggen, dat zij slechts gelooven moet die zaken welke haar
door de rede worden aangetoond en bevestigd zijn door de ervaring;
de man die het bijgeloof omverwierp en een volgens vaste methode te
werk gaanden twijfel onderwees.
De richting a posteriori was begonnen bij Locke en Newton in
Engeland. De een op het gebied van de kennis van de georganiseerde
wezens, de ander op dat van de brute lichamen, verkregen hunne
bewonderenswaardige resultaten door toepassing van de analyse.
Beide methodes zegt de Saint-Simon, moeten worden vereenigd; het
was de fout van de denkers der 18e eeuw, dat zij hierbij dachten
aan strijd en aan tegenstelling. Zoowel het generaliseeren als het
particulariseeren, zij hebben verder te zamen recht van bestaan.
Na aldus de gansche wetenschap van de 18e eeuw te hebben getoetst
aan deze twee maatstaven, gaat de Saint-Simon zich in beschouwingen
verdiepen over den godsdienst. En dan krijgen wij eene krachtige
uiteenzetting van hem, dat de Kerk in de middeneeuwen dáárom zoo hoog
in aanzien stond, omdat werkelijk de geestelijken van toen beter en
intelligenter waren dan de leeken. Eerst toen die meerderheid van
verstand en gemoed ophield te bestaan, kwam er scheuring.
Volgens zijne inzichten, gaat de richting in het godsdienstige deze
kant uit: het godsdienstig Deïsme maakt plaats voor het Physicisme,
een godsdienst op natuurkennis gebouwd.
Wat de ethiek aangaat, meent de Saint-Simon, dat het negatief beginsel
van het Evangelie: "Doe niet aan anderen, wat gij niet wilt dat men
u doet", plaats moet maken voor een ander en een positief beginsel.
"De mensch moet werken!" Het denkbeeld van den arbeid in den breedsten
zin opgevat altijd. Maar een rentenier, iemand die niet persoonlijk het
werk bestuurt dat zijn eigendom produktief moet maken, is een wezen
dat de maatschappij tot last is. De zedeleer dient hierop steeds de
aandacht gevestigd te houden. De wetgever moge het vrije en volledige
gebruik van den eigendom toestaan, de moralist is genoodzaakt der
menschheid en der openbare meening te drijven in de richting der
erkenning, dat den nietsdoenden eigenaar, alle achting moet worden
onthouden.
In 't jaar 1813 schreef Saint-Simon twee groote manuscripten, zij zijn
het bij zijn leven gebleven, dewijl hij geen geld had om ze te laten
drukken. Eerst in 1858 zijn zij gedrukt geworden. Zij zijn getiteld:
"Mémoire sur la science de l'homme" en "Travail sur la gravitation
universelle" ("Memorie over de wetenschap van den mensch") en
("Studie over de algemeene zwaartekracht"). Het eerste is wederom
een poging om de Europeesche maatschappij te reorganiseeren. De
studie van den mensch moest allereerst uitgaan van de physiologie,
in de tweede plaats moesten de daden van het menschelijk geslacht
beantwoorden aan de wet der ontwikkeling. De physiologie is de eenige
positieve grondslag voor de kennis die de mensch noodig had. Volgens
de Saint-Simon, had de literatuur als zoodanig, als voortbrengend
middel van beschaving uitgediend; de kennis der natuur kon thans nog
alleen tot resultaten leiden.
De Saint-Simon's uitgangspunt was, dat de mensch van dezelfde natuur is
als de dieren en alleen door eene betere organisatie van het lichaam,
zich boven de dieren heeft weten te verheffen. De menschheid heeft
evenwel gezorgd, de dieren op lageren trap te houden en daarom storend
gewerkt op hunne ontwikkeling.
De Saint-Simon's betoog komt dan vervolgens hierop neer, dat het
geheele stelsel van onze kennis daarheen moet worden georganiseerd,
en gegrondvest moet worden op dit eene geloof: dat het geheel bestuurd
wordt door eene enkele vaste wet. Alle systemen van toepassing nu, alle
die van religie, van politiek, van moraal en van burgerlijk recht, zij
zullen in overeenstemming moeten worden gebracht met dit nieuwe stelsel
van kennis. De geheele maatschappij moest aldus worden geregeld, en
volgens hem was de tijd daarvan niet meer zoo ver af. Immers, politieke
en wetenschappelijke omwentelingen wisselen elkander beurtelings af.
In zijn tweede geschrift, vervaardigd onder den indruk van
gebeurtenissen van 1813, geeft hij o. m. een schoon overzicht van
de philosophie, in den vorm van een toespraak van Socrates aan
zijne leerlingen. En dan nogmaals, een overzicht van de waarde van
de Middeneeuwen voor de beschavingsgeschiedenis der menschheid. Hij
toont aan, hoe slecht de geschiedschrijving dit tijdperk begrijpt, door
het te beschouwen als dat van de "donkere eeuwen der barbaarschheid".
Verder uitwerkende het denkbeeld, dat zoowel de zedelijke als
de natuurwetenschappelijke, ja alle kennis berust op de wet der
zwaartekracht, moeten de geleerden zelven, als geestelijke macht bij
uitnemendheid, de leiding van de wereld op zich nemen. Het geleerdste
lichaam moest de priesterlijke functie vervullen en de nieuwe paus
van zulk eene nieuwe wereldorde, priester van positieve kennis, zal
het tijdperk van den oorlog sluiten, dat van den vrede inwijden en
de anarchie zal alsdan ophouden te bestaan.
In 1814 verscheen onder den titel van: "De la réorganisation
de la Société Européenne, par M. le Comte de Saint-Simon et par
M. A. Thierry, son élève." ("Over de hervorming van de europeesche
maatschappij door de graaf de Saint-Simon en A. Thierry, zijn
leerling"), het eerste eigenlijke maatschappelijk hervormings-werk.
De Saint-Simon stelde daarin voorop, dat de negentiende eeuw tot
taak had te organiseeren, gelijk de aan haar voorafgaande, de 18e,
tot taak had de critiek op de maatschappij te leveren.
In de eerste plaats moesten de Mogendheden naar betere regeeringsvormen
zoeken. Men vergete niet, dat de Saint-Simon dit schreef onder
den geest van algemeene reaktie in de politieke gebeurtenissen na
den val van Napoleon I. Dit betere moest zijn criterium vinden in
de voorwaarde, dat onder zulk een regeeringsvorm elke quaestie van
openbaar belang, achtereenvolgens a priori synthetisch en a posteriori
analytisch werd onderzocht en behandeld.
Dit was volgens hem alléén mogelijk--en ook verwezenlijkt in
het Engelsche parlementaire stelsel--waar voor het onderzoek a
posteriori afzonderlijke en goed onderscheiden politieke machten waren
gevestigd. Het Huis der Gemeenten ging alles na, uit het oogpunt der
locale belangen, onderzocht de zaken a posteriori, terwijl de Koning
daar te lande, het hooge standpunt vertegenwoordigde dat de zaken a
priori behandelde. En het Huis der pairs was werkzaam als "moderateur"
(middelaar) tusschen beiden. Daarbij waren dan maatregelen genomen
tegen het eventueele kwaad, dat de machtige koning het systeem
op zijn grondslagen kon doen wankelen, door de verdeeling van de
koninklijke uitvoerende autoriteit in twee deelen: den koning zelven
en de verantwoordelijke ministers. Zijn plan kwam ten slotte hierop
neêr, dat elke Europeesche staat een eigen parlement moest bezitten
en dat al die parlementen boven zich zouden hebben: een algemeen
Europeesch parlement. Dit zou zijn samengesteld uit twee Kamers, die
der Gemeenten en die van de Pairs. Ieder millioen menschen in Europa
dat lezen en schrijven kon, zou naar de Kamer der Gemeenten van dat
groot-Europeesch parlement, een koopman, een geleerde, een magistraat
en een administrateur benoemen. Van de berekening uitgaande, dat er in
Europa 60 millioen menschen waren, die lezen en schrijven verstonden,
zou men dus 240 leden hebben. Ieder lid van de Kamer zou voor 10 jaren
gekozen worden en ten minste 25,000 franken aan rente moeten zitten.
Nevens die vermogende mannen, het element van de stabiliteit, zouden er
uit de niet-vermogenden 20 leden bij worden gekozen, uit de bekwaamste
geleerden, kooplieden, magistraten en administrateurs, die door die
toelating eene dotatie van 25,000 franken aan grondeigendom zouden
verkrijgen.
De Pairs zouden door den Europeeschen koning worden benoemd uit
de allerrijksten van Europa; ieder Europeesch pair zou ten minste
500,000 francs aan rente moeten bezitten. Ook zouden hier nog 20
pairs bij kunnen toegelaten worden en gedoteerd, uit de mannen van
wetenschap, industrie, magistratuur en administratie te kiezen. Over
een Europeeschen koning, wiens instelling eveneens in het plan lag,
heeft de Saint-Simon zich niet verder uitgelaten.
Tot de bevoegdheden van het Europeesche parlement rekende de
Saint-Simon in de eerste plaats, twistpunten oplossen tusschen de
Mogendheden onderling. Verder het ondernemen en het leiden van groote
werken van openbaar nut voor de Europeesche maatschappij, bijv.:
het verbinden van den Rijn met den Donau en dat van den Rijn aan
de Oostzee, enz. Dan ook zou dit Parlement het openbaar onderwijs,
in zijn geheel, onder zijn beheer moeten nemen. Vervolgens, zou het
"een Wetboek van de zedeleer" moeten ontwerpen en invoeren, gesplitst
in voorschriften voor het algemeen en voor elke natie. Zulk een "code"
zou geheel Europa moeten worden ingeprent.
Na zich aldus te hebben bezig gehouden met het najagen van
hersenschimmen; immers in de dagen waarin hij "De la Réorganisation"
schreef was er in de verste verte niet te denken aan de algemeene
vereeniging van de Europeesche Staten, ging de Saint-Simon zijn
groote denkkrachten besteden aan de hervorming van den arbeid. In
Mei van 't jaar 1817, kwam het eerste deel uit van "L'Industrie"
("Over de nijverheid") onder het motto: "Tout par l'Industrie, tout
pour elle". ("Alles door de industrie, alles voor haar.") Daarin was
Augustin Thierry, den reeds genoemden leerling van de Saint-Simon aan
het woord, die daarin een krachtig betoog hield over de nuttigheid
van de industrieele klasse. In het oude Europa was de krijgsman in
eere, hij achtte zich krachtig, omdat de menschen voor hem leefden;
in het nieuwe Europa is de industrieel de hoofdpersoon, hij heeft
het bewustzijn van zijn sterkte, omdat alle menschen zijn belang
voorstaan en behartigen. Volgens de nieuwe beschouwing is thans die
natie de eerste van allen, die het nuttigst voor de anderen is. Het
geluk van een volk bestaat in maatschappelijke werkzaamheid: eerst
werken dan genieten. "Werkt voor allen, want allen werken voor u,"
dát is de leuze van den nieuwen tijd! En de groote strijd die nog
gevoerd moet worden, gaat thans tegen de onwetendheid en tegen allen
die door haar worden gevoed. De grondslag van de geheele politiek
moet worden: elke natie is eene industrieele maatschappij.
In het tweede deel van 't boek is de Saint-Simon zelf aan het
woord. De maatschappij is volgens hem niet anders dan de éénheid,
van de menschen die arbeiden. Deze gemeenschap kent slechts twee
vijanden: de anarchie en het despotisme. Gedreven door hun eigen
belang, moeten alle menschen ongestoord kunnen arbeiden. Maar er
zwerven rondom hen, en in de maatschappij, een aantal parasieten rond,
die niet arbeiden. De groote taak van elke regeering moet het zijn
den arbeid tegen die schadelijken te beschermen. Een verbond van de
industrie met de denkers moest vervolgens tot stand komen.
De Saint-Simon's gevolgtrekkingen in dat boek waren: "eerbied voor de
produktie en voor de producenten"; mannen van den arbeid moeten den
gang en de loop van den Staat regelen; het verderfelijke van oorlogen
en van monopoliën moesten de menschen inzien; eene verbetering van
de zedeleer was noodzakelijk, omdat aan den arbeid grooten eer
diende bewezen te worden; iedereen behoorde zich te beschouwen,
als behoorende tot het genootschap van arbeiders, De politiek is de
wetenschap der productie. Laat den arbeider dus fier den standaard
opheffen; industrie is gelijkbeteekenend met productie!
In het derde deel, dat ook nog in 1817 verscheen, werd de wending
die de maatschappelijke orde te gemoet moest gaan, tengevolge van
het optreden van de industrie, uit een hooger standpunt bezien. Het
tegenwoordig tijdstip was een overgangstijdperk, zoowel in zeden en
gewoonten als in denkwijze. Geen regime kan zich vestigen, wanneer
niet een daarmede in overeenstemming zijnd philosophisch stelsel
zich eerst baan gebroken had en in de gedachten der menschen zich
had vastgezet. En dan gaat de Saint-Simon in zijn boek verder de
theologische zijde van het Christendom bestrijden. Zooals hij zeide:
de "morale céleste," had te wijken voor de "morale terrestre";
hemel en hel moesten niet langer de menschelijke gedachten in beslag
nemen. Het rijk van de positieve ideën moest een aanvang nemen. Dit
alles moet evenwel zeer voorzichtig geschieden; men moet met geduld
te werk gaan; de bestaande kerken moeten niet worden met opheffing
bedreigd, van-zelf zou dit wel geschieden. Maar de priesters zouden
evenwel bij de wet gedwongen moeten worden, een examen af te leggen
in de positieve wetenschappen.
In het vierde deel, dat in 1818 uitkwam, zijn wij weder op praktisch
terrein. De maatschappelijke kwestie, zegt de Saint-Simon daarin, geldt
de kwestie van den eigendom. De eigendom moet geconstitueerd worden,
met het oog op het groote welzijn van de maatschappij, onder het
tweeledige gezichtspunt dat van den rijkdom en dat der vrijheid. Men
moet het eigendomsrecht inrichten en bepalen op een wijze, die
het gunstigst is voor het aangroeien van den rijkdom en voor het
vermeerderen van de vrijheid van den arbeid. Het eigendomsrecht moet in
zijn volle kracht blijven, maar de uitoefening van dat recht op deze of
gene wijze, moet worden bepaald door een wet. En de Saint-Simon maakt
in dit opzicht geen onderscheid tusschen de landbouw, het handels-
en het fabriekswezen. Bij het handels- of fabriekswezen is de man
die werkt en kapitalen opgenomen heeft, de meester dier kapitalen;
bij den landbouw blijft hij die het land verpacht, die dus niet zelf
aan het land werkt, de voorname rol vervullen. De oude kooplieden en
handwerkers, hebben door vrijkooping hunner gemeenten hunne rechten
moeten koopen; de rechten van de eigenaars van den grond echter steunen
op verovering, steunen op het recht van den sterksten. De Saint-Simon
wil aldus aan de landbouwende standen, de "agricole industrieelen"
dezelfde rechten geven tegenover de grondeigenaren, als de kooplieden
en nijverheidsmannen die reeds bezitten tegenover de lieden van het
kapitaal. De vastheid van invloed, die den grondeigendom heeft, moest
volgens hem, ophouden te bestaan. Bij de volle eerbiediging van den
grondeigendom als zoodanig, wil hij den grondeigenaren niet geheel
vrij laten in de uitoefening van deze hunne rechten; het individueele
eigendomsrecht kan volgens hem, slechts worden gewettigd door het
algemeene en het gemeenschappelijke nut dat er verkregen wordt, door
de uitoefening van dat recht. Het nut kan veranderen, al naar mate
de tijdomstandigheden veranderen.
Men schept daardoor eene klasse van landelijke industrieelen, die
opkomen voor hun grond, die mede betalen in de belasting, die dus
ook invloed uitoefenen op het parlement en die aldaar "de politieke
partij van den arbeid" kunnen helpen versterken.
Saint-Simon wilde de voorwaarden waaronder de eigenaars hunne
gronden kunnen laten verpachten goed zien vastgesteld en evenzoo
de bepalingen, waarbij de eigenaars verplicht kunnen worden bij te
dragen, in de verbetering van dien grond. Van groote waarde is ook
voor de Saint-Simon het nut van grondcrediet-banken.
Als dus zoodoende de landbouwkwestie zal kunnen worden gerangschikt
onder de categorie van industrieele zaken, dan zal de landbouw uit haar
staat van verval op te heffen zijn en een bloeiend leven kunnen gaan
leiden, evenals dit de industrie deed. Een zaak achtte de Saint-Simon
hard noodig, en dat was de meerdere verbreiding van de kennis der
economie. Onder die economie rekende hij vóóral die van Adam Smith
en J. B. Say. De economisten zijn volgens hem, en in bovenstaanden
zin opgevat, de beste bondgenooten van de arbeidende klassen.
In 1819 gaf de Saint-Simon een verhandeling over de politiek
uit, getiteld: "La Politique", of zooals de ondertitel luidde:
"Verhandelingen over de politiek, zooals zij aan de menschen der 19e
eeuw voegt, door eene vereeniging van letterkundigen." Dit geschrift
is bijna uitsluitend van polemischen aard en is vooral gericht
tegen de geringschattende wijze, waarop er destijds over den arbeid,
van machthebbende zijden werd gesproken. De eigenaars, de bezitters
werden toenmaals verklaard te zijn de eenige mannen van kennis en
geschikt om het land te besturen. Dit was de Saint-Simon te veel. Hij
riep alle produceerenden op, om eene nationale partij te vormen,
tegenover de door de van reaktionaire zijde samengeperste nationale
partij van uitsluitend mannen van grondbezit en groot-kapitaal. De
klasse der produceerenden riep hij toe, dat zij zich moest bemoeien
met de politiek "dat zij was die der bijen van de maatschappij en
dat zij verlost moesten worden--zichzelven moesten verlossen--van de
hommels." Hij ried hun aan, eene petitie tot den koning te richten,
met de bede: "Sire, wij zijn de bijen, verlos ons van de hommels!" Dan
zal het begrepen worden, dat de producenten de kracht van het land
zijn en dat het niets dan materialisme is, wanneer alleen de nationale
vertegenwoordiging berustte op de macht van den grondeigendom en het
aktieve element van den arbeid van elken invloed op den gang van zaken
bleef buiten gesloten. Het geschrift is dan ook in twee afdeelingen
gesplitst. Het eerste heet: "Le parti national ou industriel,
comparé au parti anti-national" ("De nationale of industrieele
partij, vergeleken bij de anti-nationale partij.") Het tweede:
"Sur la querelle des abeilles et des frelons, ou sur la situation
respective des producteurs et des consommateurs non-producteurs"
("Over de twisten der bijen en der hommels of bijzonderlijk over de
positie van de voortbrengers en de verteerders niet-voorbrengers.")
Omstreeks dezen tijd was het, dat de Saint-Simon de medewerking van
zijn leerling en "geadopteerden zoon," Augustin Thierry verloor. Zij
gingen uiteen omdat beider opvattingen bleken te zeer uiteen te
loopen. Thierry heeft later groote naam gemaakt als historicus, en
het is in deze hoedanigheid dat wij hem nog verderop met een enkel
woord ook zullen hebben te noemen. Hij is met zijn historische werken
tevens ook niet zonder eenige invloed op de ontwikkeling van Karl
Marx en diens geschiedsphilosophie geweest.
In plaats van Thierry trad nu als "leerling", d. w. z. als medewerker
van de Saint-Simon Auguste Comte op, eveneens een man die zich later
onafhankelijk van zijnen vroegeren meester, een beroemden naam gemaakt
heeft, door zijn positivistisch-philosophische denkbeelden. Ook was
de tijd dat de Saint-Simon "L'Industrie" uitgaf, blijkbaar voor dezen
een goeden tijd, althans in finantieel opzicht. Dit laatste echter
in zooverre, dat de uitgave van dit boek met milde hand werd gesteund
door bankiers als Perier, Lafitte enz., zoowel als door edellieden van
naam als de hertog de Broglie en de hertog de la Rochefoucauld, van
wien er later weder terugkrabbelden toen de Saint-Simon zijn "morale
terrestre" in plaats van de "morale céleste" gesteld wenschte te zien.
In den aanvang van 1820 verscheen "L'Organisateur", dat een positief
plan bevatte tot wijziging van het maatschappelijk bestuur en tot
samenstelling van het Parlement.
De Saint-Simon ging hierin wederom van het begrip uit, dat de 19e
eeuw de nieuwe stelsels moest organiseeren, gelijk de 18e critisch
is te werk gegaan. Hij geeft hier al dadelijk zijn standpunt
omtrent den arbeid in zijn geheel aan, door het bekende beeld,
dat onder den naam van "le Parabole" ("de gelijkenis") beroemd
is geworden. Hij zegt: "Gesteld dat op een nacht in Frankrijk
stierven: de 50 eerste natuurkundigen, de 50 eerste scheikundigen,
de 50 eerste physiologen, de 50 eerste mathematici, de 50 eerste
dichters, de 50 eerste schilders, de 50 eerste beeldhouwers, de 50
eerste musici, de 50 eerste letterkundigen, de 50 eerste mechanici,
de 50 eerste ingenieurs, de 50 eerste artilleristen, de 50 eerste
architecten, de 50 eerste doktoren, de 50 eerste wondheelers, de 50
eerste pharmaceuten, de 50 eerste zeevaartkundigen, de 50 eerste
uurwerkkundigen, de 50 eerste bankiers, de 200 eerste kooplieden,
de 100 eerste landbouwers, de 50 eerste bestuurders van hoog-ovens
en van metaalfabrieken, de 50 eerste wapenfabrikanten, de 50
eerste bestuurders van leerlooierijen, de 50 eerste metselaars,
de 50 eerste timmerlieden, de 50 eerste schrijnwerkers, de 50
eerste smeden, de 50 eerste slotenmakers; kortom, een cijfer van
drieduizend van de eerste mannen van wetenschap, techniek, kunst
en arbeid, zou Frankrijk in ééne nacht moeten verliezen. Dan zou,
volgens de Saint-Simon, Frankrijk als met één slag de ziel van zijn
leven verliezen, in rang beneden andere natiën dalen en eene geheele
nieuwe generatie zou er noodig zijn om het geleden verlies weder te
boven te komen. Maar als nu eens Frankrijk al die mannen behield,
doch op ééne nacht, zou het land evenzoo plotseling verliezen:
"Monsieur" (de broeder van den Koning), de hertog van Angoulème,
de hertog van Berrij, de hertog van Orleans, de hertog van Bourbon,
de hertogin van Angoulème, de hertogin van Berrij, de hertogin van
Orleans, de hertogin van Bourbon en mejonkvrouwe van Condé. Gesteld
dat daarnevens op ééne nacht aan Frankrijk, àl de groot-officieren
van den Kroon, àl de ministers van Staat, àl de Staatsraden, àl de
leden van de rekenkamer, àl de Maarschalken, àl de Kardinalen, àl de
Aartsbisschoppen, groot-vicarissen en kanunikken; àl de prefecten en
onder-prefecten, àl de beambten der ministeries; alle rechters en nog
bovendien de tienduizend rijkste inwoners het land zouden ontvallen,
het ongeluk zou zeker te bejammeren zijn, zegt de Saint-Simon, maar
het land zou geen noemenswaarde schade door deze verliezen lijden. Het
verlies zou zéér spoedig te vergoeden zijn!--En toch zegt hij, hebben
al deze menschen, wiens verlies den Staat niet, of zeer weinig voelen
zou, den grootsten invloed in onze maatschappij, toch hebben zij méér
te zeggen, dan de overgroote massa van producenten en nijveren."
"De armen moeten mild zijn voor de rijken; de onbekwamen hebben den
taak, den bekwamen te leiden en te regeeren. Het is zeker in Frankrijk
de omgekeerde wereld!"
"Het is alsof de maan de zon verlicht," zoo zegt hij vervolgens,
"wanneer men ziet, dat de mannen der oude orde, de mannen der
conjecturale wetenschappen, leiding meenen te kunnen geven aan
nieuwe dingen, aan nieuwe wenschen, aan eene nieuwe orde van zaken,
aan den bedrijvige, positieve vooruitgang." De leiding moet komen
aan de kundigsten en aan de bedrijvigsten en de regeerders moeten er
toezicht op houden, dat de arbeid ongestoord plaats kan vinden. De
arbeid is er, volgens de Saint-Simon, niet om de regeering, omgekeerd,
de regeering is er om den arbeid.
Er worde dus gevormd eene eerste Kamer, welke hij "Kamer van Inventie"
noemt. Zij zal bestaan uit drie secties. De eerste sectie zal bestaan
uit 200 ingenieurs, de tweede uit 50 dichters of literatoren, die
nieuwe denkbeelden hebben, de derde uit 25 schilders, 15 beeldhouwers
of architecten en uit 10 musici. Zij zal zich moeten bezig houden,
met het ontwerpen van werken van openbaar nut, ten doel hebbend
den rijkdom van Frankrijk te doen vermeerderen en het lot van zijn
inwoners te verbeteren. In de tweede plaats moet deze Kamer de openbare
instellingen organiseeren. De leden dezer Kamer hebben zitting voor
vijf jaren, zijn herkiesbaar en hebben eene persoonlijke toelage van
10,000 francs.
Dan worde er gevormd een tweede Kamer, die "Kamer van Onderzoek"
zal genaamd zijn. Zij zal eveneens bestaan uit 300 leden, waarvan
100 natuurkundigen, die zich bezig hebben te houden met de kennis
van de georganiseerde natuur, 100 physici, die zich met lichamelijk
onderzoek, zoowel van menschen, dieren en insecten bezig houden en
100 beoefenaren van de meetkunde. Deze Kamer zal al de ontwerpen van
de Eerste Kamer moeten onderzoeken en toetsen aan hunne kennis en
aan de ervaring. Zij moet de ontwerpen van wetten voor het onderwijs
maken en invoeren. Het onderwijs moet zooveel mogelijk pasklaar,
aan de praktische behoeften des volks, worden gemaakt en daarom
in drie trappen worden verdeeld. Er mag alleen, in geen der drie
soorten van onderwijs, sprake wezen van godsdienstig onderwijs. De
Saint-Simon meent dat, daar ieder vrij is in het uitoefenen van den
godsdienst dien hij verkiest, iedereen ook persoonlijk moet weten,
welke godsdienstige opleiding hij zijne kinderen moet laten geven. Ook
moet deze Kamer een geregeld toezicht houden op de openbare opvoeding.
De leden dezer Kamer genieten mede 10,000 francs per jaar persoonlijke
toelage, worden eveneens voor vijf jaren gekozen, en zijn eveneens
herkiesbaar.
Daarna komt de derde Kamer, waaronder de Saint-Simon zooveel als het
"Huis der gemeenten" in Engeland verstaat, en die hij "Kamer van
uitvoering" noemt. En in deze moet elke tak van den arbeid goed
en evenredig vertegenwoordigd zijn. De leden dezer Kamer genieten
géénerlei toelage, omdat zij vrij zijn door den arbeid dien zij
verrichten. Zij is belast, niet alleen met de uitvoering van de door
de beide eerste Kamers vastgestelde en aangenomen wetsontwerpen,
maar ook met het uitschrijven en het heffen van belastingen.
Het parlement zal eene nieuwe "Code civil" ("Burgerlijk wetboek") en
eene nieuwe "Code criminel" ("Wetboek van Strafrecht") vaststellen. Het
zal den eigendom op nieuwe grondslagen vestigen, gunstiger voor
de voortbrenging in de maatschappij; een stelsel van algemeene
verdediging, dat zoo weinig mogelijk een staande leger noodzakelijk
maakt en een stelsel van algemeene volksweerbaarheid ontwerpen. De
Saint-Simon verwacht, dat als alle staten rondom Frankrijk zich evenzoo
zullen hebben gereorganiseerd, oorlog niet zal voorkomen en dus alle
verdedigingsmiddelen overbodig zullen worden. Een schadeloosstelling
van twee milliard, zal worden toegestaan aan hen, die onder deze
nieuwe orde van zaken schade zullen lijden.
De menschen zullen het een "utopie" noemen, zegt de Saint-Simon, zulk
een plan! Maar dit komt, volgens hem, omdat de menschen geen begrip
hebben van de geschiedenis; geen kennis hebbende van den loop der
beschaving spreken zij van "utopieën". Het is zeer te bejammeren, zegt
hij, dat de geschiedenis een tak is van de wetenschap der letteren,
en niet wordt beschouwd als een wetenschap op zich-zelve, wat zij is.
Intusschen, terwijl zich een aantal leerlingen om de Saint-Simon
geschaard hadden, verergerde zijne pecuniaire positie zeer. Hij
ging zijn zestigsten levensjaar in, kon zijne geschriften alleen
maar gedrukt krijgen, door zich telkens en telkens te vernederen
en openlijk vernederd te worden, en de geringe opbrengst ervan, was
niet in staat om hem in het leven te houden. Van teleurstelling en
van armoê werd hij wanhopig en op een morgen in de maand Maart 1823,
vonden zijne jongeren hem met een kogel in het hoofd liggen op zijn
kamer, evenwel niet doodelijk gewond. Hij herstelde weder, maar moest
een oog verliezen, terwijl zijn gezondheid van nu af zeer zwak en
wankel was geworden. Twee jaren leefde hij nu nog, en in dien tijd
zagen nog het licht: "Catéchisme des Industriels" en het beroemde boek
"Le Nouveau Christianisme" ("Het nieuwe Christendom.")
In de "Catéchisme" heeft de "science générale" waarover de Saint-Simon
het zoo vaak heeft, die hij met zooveel hopelooze inspanning verdedigt,
haar uitgangspunt in de "idee der Industrie." Wat de industrie is
naar haar wezen en welke gestalte zij in de geschiedenis van Frankrijk
heeft aangenomen, welke aanspraken zij kan doen gelden en welken som
van geluk in de samenleving zij heeft doen geboren worden, alle deze
vraagstukken liggen aan deze verhandeling ten grondslag. Hij begint
met de begrippen, industrieel en arbeider te ontleden. Een industrieel
is iemand, die der samenleving de middelen verschaft om in stand te
blijven en om de behoeften der menschen te bevredigen. De klasse van
menschen, die zulks doen, behooren den eersten rang in te nemen; zij
kan allen ontberen, niemand echter haar. Daar alles dóór de industrie
geschiedt, zoo geschiede ook alles vóór haar. Zij vormt de groote
massa van de natie, zij vormt het overwicht aan physieke kracht, zij
bezit de talenten en de intelligenties. Hoe was het nu mogelijk, dat
zij onderdrukt werd, door een kleiner en zwakker aantal? En hierop
antwoordt de Saint-Simon, door ons historisch uiteen te zetten,
de verhouding waarin de industrie tot de staatsmacht staat.
De Franken zijn, naar zijne voorstelling, als de krijgslieden van
Frankrijk te beschouwen, en tegelijkertijd als de bezitters van
grond en bodem; door hen werden de Galliërs onderworpen, die nòch
wapens, nòch vermogen hadden, en niets als hunne arbeidskracht
bezaten. Beide deelen van het Fransche volk kwamen alsnu, vijandig
tegenover elkander te staan; deze heerschend en slechts verteerend,
gene onderworpen en werkzaam. Nog bij de troonsbestijding van
Lodewijk XI waren deze klassen scherp gescheiden. Deze koning echter
verbond zich met de industrieelen, de laatsten kwamen daardoor
langzamerhand tot persoonlijke vrijheid en bezit van geld, terwijl
de militaire klasse der Franken, nog altijd aan haar bezit van den
grond vasthield. Hierdoor ontstond voor het eerst in Frankrijk de
tegenstelling in bezit, die van de eigenaren van geld en industrie en
die van den grond. Tot aan Lodewijk XIV toe vormden grondbezitters,
fabrikanten en handelslieden, drie afzonderlijke corporaties. Maar
onder deze laatste koning begon de industrie zich te ontplooien en
een element in zich te vormen, dat hare geheele gestalte begon te
vervormen. Uit de concurrentie en de behoefte van den afzet, vormde
zich de wereldhandel, die op hare beurt eene klasse van bankheeren
in het leven riep, die bemiddelaars der betalingen werden en in wiens
handen het eigenlijke voordeel terecht kwam; met hen begon de periode
van het credietwezen in de geschiedenis. Het crediet behoort, naar zijn
wezen, den grooten bankheeren en kooplieden toe; om hen te gebruiken,
leenen dezen den fabrikanten en den arbeidenden. Dezen breiden
daardoor hunne zaken uit en daarvandaan komt het, dat de eigenlijke
macht van het geld en alles wat daardoor geschiedt en mogelijk is,
in handen van den bankiers over is gegaan. Als nu de Staat geld
noodig had, boden zij het hem aan, maar onder zekere voorwaarden,
en hier vangt den tijd aan, waarin de geldwisselaars, de bezitters
van het crediet zelfs over de industrieelen konden zegevieren en
zich van den Staat meester konden maken. Op deze wijze was het ook
mogelijk, dat zich de industrieele wereld zelve splitste in twee
klassen, die van de eigenlijke industrieelen, zij die arbeiden, en
die van de slechts-bezittenden; de eersten onderworpen, de laatsten
heerschend. De oude tegenspraak ziet men hier van nieuw af aan opkomen:
zij die het diepst onderdrukt zijn, vormen de beste klasse van de
maatschappij. Zoo komt het resultaat dan te voorschijn, dat de natie,
het volk is industrieel; de regeering feodaal. Terwijl de bankiers van
alle landen, den gouvernementen het crediet van de industrie tegen
hoogen interest verkoopend en zich verheffend op de puinhoopen van
de ineengeslagen leenheerschappij, den toestand van onderworpenheid
van voren af aan zijn gaan bevestigen. Nevens hen verheft zich eene
eigenaardige klasse, die zich tusschen beide klassen in stelt; beiden
dienend, maar die den eene in haar ziel vijandig is, terwijl zij de
andere beheerschend, beiden in stand houdt. Dat is de klasse der
"Legistes", waaronder speciaal de advokaten behooren. Zij vormen
met de bankheeren tezamen, eene middelklasse en zijn de eigenlijke
"liberalen," die tegenover de "Industrieelen" staan. Men vergist zich
zéér, zegt de Saint-Simon, wanneer men beide voor identiek houdt;
integendeel is het liberalisme van eerstgenoemde klasse, niets als
een verkapt egoïsme en de leuze van hunne leiders tegenover het
gouvernement, komt op niets anders neer, dan op het "ôte-toi de là,
que je m'y mette!" ("Verwijder u van deze plaats, opdat ik mij er
neder kunne zetten!")
De ware grondzuilen van het eeuwigdurend welzijn der menschelijke
maatschappij, zijn de industrieelen. "Want," zoo roept hij uit,
"het is duidelijk, dat de industrieele heerschappij die is, welke
den menschen de grootste som van algemeene en individueele vrijheid
kan geven en dat zij alleen aan de moraal de grootste macht in de
samenleving kan verzekeren. Het is verder duidelijk, dat de samenleving
van-uit de feodale heerschappij naar die der industrieele, niet kan
worden overgeleid, door het bloote zakenleven van het bestuur; beiden
staan diametraal tegenover elkander. De eerste wil de grootst mogelijke
ongelijkheid onder de menschen, het laatste, het industrieele systeem,
is gebouwd op de grootst mogelijke gelijkheid van de menschen.
"Daarom moet het rijk van de industrie a priori gekend worden en
deze "catechismus," is het bewijs, dat de menschelijke geest zich
reeds tot die hoogte opgewerkt heeft. Wat is evenwel de kracht eens
gewonen ondernemers anders dan de eenheid? Daarom moet de goddelijke,
zoowel als de menschelijke moraal, den meest uitstekenden geesten aan
het werk stellen; het industrieele systeem in zijn onderdeelen bloot
leggen en de industrieelen zelven opeischen zich, ter verwerkelijking
kunnen roeping te vereenigen."
Dit is, in 't kort, de inhoud van de "Catéchisme des Industriels." De
Saint-Simon is de eerste, die naar de innerlijke wetten van de
samenleving en de wetten welke haar besturen en op hare vorming en
gestalte van invloed zijn, heeft opgespoord; die hare verschillende
gestalten heeft blootgelegd en onderzocht heeft, wáárdoor zij zich
tracht te vervolkomenen. Hij vond de klasse-tegenstellingen, in
primitieven vorm, tusschen bezit en niet-bezit; tusschen arbeid en
kapitaal en tusschen, wat hij nog noemde: "de strijd der standen."
De Saint-Simon's laatste werk, waaraan hij arbeidde toen zijne
krachten hem reeds voor een goed deel begeven hadden, is "Le Nouveau
Christianisme" geweest. Reeds in zijn "Système Industriel" predikt
hij deze moraal: "God zeide: Bemint u en helpt u onder elkander!";
hier begint hij de stelling te ontwikkelen, dat het waarachtig
goddelijke principe van de christelijke religie is: "de menschen
zullen elkander als broeders behandelen." God had zelf, wel-is-waar
de christelijke godsdienst gesticht, maar de later zich ontwikkelende
clerus is een misgeboorte der christelijke kerk; zij heeft den inhoud
van het goddelijke christendom, tot een menschelijke gemaakt. Het is
dus de taak van onzen tijd, om de godsdiensten weder terug te voeren
tot hunnen waren oorsprong; ze te zuiveren van elk egoïstisch en
tweeslachtig bijmengsel en om de menschheid op het nieuwe Christendom
voor te bereiden.
Hij klaagde den Paus en zijn kerk van ketterij aan; het onderwijs dat
de geestelijkheid den leeken geeft, is valsch en leidt, volgens hem,
van het ware Christendom af. Want in plaats van de levende moraal der
liefde te prediken, stelt de katholieke kerk het doode dogma aan den
spits en in plaats van de kennis te doen vermeerderen, zoekt zij de
leeken absoluut zich van haar afhankelijk te maken. Hij klaagde den
paus van haeresie aan en ook dat hij in zijn eigen Staat een bestuur
in stand houdt, die de moreele en physieke belangen van de behoeftige
klasse in den weg staat, en dan ook nog hiervan, dat de Paus en de
kardinalen, zoomede de geheele geestelijkheid geheel uit den tijd
zijn en tegenwoordig zeer gemist kunnen worden.
De protestantsche kerk critiseert hij eveneens. Hij erkent, dat
Luther met de Reformatie der beschaving een grooten dienst bewezen
heeft, maar in het andere gedeelte der Hervorming, dat der opbouw
van den godsdienst, heeft Luther zijnen navolgers nog veel te doen
overgelaten. De protestanten hebben dan ook eene moraal welke, bij
die zooals zij aan den tegenwoordigen stand der beschaving past,
verre ten achterstaat. De protestantsche cultus is bovendien "zonder
eenige bekoring, onschoon en koud", in plaats van de aanbidding van
het Hoogste te doen vieren met behulp van den kracht van den schilder,
den dichter en de macht van de muziek. Ook gelooft het protestantisme
aan een gebrekkig dogma. Luther gebood den Bijbel te lezen en niets
dan den Bijbel. Het lezen van den Bijbel heeft zeker groote voordeelen
gegeven, maar ook groote nadeelen. Het ware dogma heeft geen gebreken.
De Saint-Simon stelt nu als positief dogma op deze moraal: "in het
nieuwe Christendom zullen de menschen zich wederzijdsch als broeders
beschouwen." Deze godsdienst "zal de samenleving haar grootste doel,
de snelste verbetering van het lot der arme klassen tegemoet doen
voeren." De godsdienst is van nu af eene sociale godsdienst geworden;
haar uitgangspunt is de toestand van de menschelijke samenleving
"de terugvoering naar het aardsche geluk." Het woord van Christus:
"Mijn Rijk is niet van deze wereld!" werd niet begrepen. "Der religie
moet men hare zinrijke zijde teruggeven en den eeuwigen strijd tusschen
materie en kennis, tusschen lichaam en geest moet, in haar verzoend,
ons tegentreden."
Toen de Saint-Simon zijn "Nouveau Christianisme" voleindigd had,
hadden hem zijn laatste krachten reeds bijna begeven. Hij hield
zich toen bezig met de oprichting van het blad "Le Producteur,"
maar hijzelf zag de verschijning daarvan niet meer.
Toen hij zijn einde voelde naderen, riep hij de vertrouwden van zijne
gedachten voor zijn bed en zeide tot hen: "Gij gaat een tijd tegemoet,
waarin goed gecombineerde inspanningen tot een ongekend resultaat
moeten voeren; de vrucht is rijp, gij zult ze plukken." En zich tot
zijn meest geliefde scholier, Olinde Rodrigues, wendend, zeide hij:
"Vergeet niet, mijn zoon, dat men begeestering moet hebben, om
groote dingen tot stand te brengen! Mijn geheele werken laat zich
tezamen vatten in deze eene gedachte: alle menschen de verzekering
der meest vrije ontwikkeling te kunnen geven!" Na eenige minuten,
toen hij reeds met den dood streed, riep hij uit: "De toekomst is
aan ons!" Des morgens den 19en Mei 1825, ontsliep hij in de armen
van zijne leerlingen.
De Saint-Simonistische School telde aanvankelijk vele jonge mannen, die
later tot de eersten intellecten hebben behoord. Het eerst stond zij
onder de leiding van Bazard en Enfantin, waarvan later de anderen zich
afscheidden. Tot hen behoorden behalve de reeds genoemden A. Thierry
en Comte, Buchez, Pierre Leroux, Adolphe Blanqui, Michel Chevalier,
Ferdinand de Lesseps, Felicien David, Armand Carrel enz. Velen hunner
hebben De Saint-Simon's denkbeelden later of geheel, of halverwege
losgelaten.
Gelijk wij schreven, geheel onafhankelijk van De Saint-Simon leefde,
werkte en streed er in denzelfden tijd in Frankrijk een ander groot
denker en een genie van even grooten soort als hij, voor het geluk
van de menschheid.
Beiden leefden in één land, doch kenden elkander niet, hadden elkander
nooit gezien of gesproken en voor zoover bekend, stelden zij zich
ook niet tegenover elkander, althans niet in het openbaar.
Het tweede genie hier bedoeld was Fourier.
FRANÇOIS MARIE CHARLES FOURIER
werd den 7en Februari te Besançon geboren uit gegoede ouders. Zijn
vader was groothandelaar. De jonge Charles toonde reeds vroeg, een
groot gevoel van ingeboren rechtschapenheid. Hij was voor den handel
bestemd, maar hij kreeg reeds als knaap een zoo onoverwinnelijken
afkeer van den handel, dat die op zijn geheele leven den stempel heeft
afgedrukt. Hij leerde niet alleen den handel haten, maar ook verachten.
Hij zeide later zelf, dat men in den handel ophoudt het onderscheid
te leeren kennen, tusschen oprecht zijn en liegen. In katechismus en
op school, had men hem geleerd nooit te liegen, maar dan leidde men
hem in den winkel, om hem vroegtijdig in het edele handwerk van den
leugen, of in de kunst om te verkoopen zich te doen oefenen. Getroffen
door het bedrog en den zwendel van den handel, had hij meermalen
den koopers terzijde genomen, om hen te vertellen, hoe zij bedrogen
werden. Een van hen was zoo dankbaar hem te verraden, hetgeen hem van
zijn vader een pak slaag deed oploopen. En op een toon van verwijt,
zeiden zijn ouders dan ook meermalen "die jongen zal voor den handel
nooit deugen." Inderdaad, bij Fourier was dan ook een diepen afkeer
van den handel gerijpt en, negen jaren oud, zwoer hij den handel een
eeuwigen haat.
Fourier was jong op een bankierskantoor geplaatst in Lyon, maar hij
liep weg, verklarende nooit een koopman te willen worden. In 1790
kwam hij naar Rouen, alwaar hij een positie als reiziger bekwam,
als reiziger naar Parijs, hetgeen in dien tijd een post van groot
vertrouwen was. Hij kreeg daardoor de gelegenheid, zoowat alle groote
steden van Frankrijk, Duitschland, Nederland en België te bezoeken en
daardoor kon hij veel studiën maken, omtrent buitenlandsche toestanden.
Op al deze reizen bestudeerde Fourier het klimaat der verschillende
landen, de toestand van den bodem, de nijverheid, de bouworde van de
steden, de aanleg der straten en het karakter van de bewoners. Geen
architektuur was er in de door hem bezochte steden, die hij niet
kende. Alleen voor de talen had hij weinig zin, daarvandaan de
opmerking, door hem uitgedrukt in zijn hoofdwerk "De theorie van
de universeele eenheid", dat het eene der slimste gebreken van
het menschelijk geslacht was, de vele en verschillende talen te
hebben. Hij beschouwde ééne wereldtaal, waartoe hij het fransch als
de meest geëigende beschouwde, als eene der belangrijkste voorwaarden,
voor eene nieuwe, sociale orde van zaken.
In de Revolutieperiode verloor Fourier zijn vermogen. Maar ook met den
gang van zaken in de Revolutie kon hij zich geenszins vereenigen. Naar
zijne meening had het volk maar zeer weinig bij de Revolutie gewonnen,
daarentegen had die klasse, welke hij het meest onder allen haatte,
de handeldrijvende klasse, het meest daarbij gewonnen.
Niets kon dan ook Fourier meer in toorn brengen, bij de latere
ontwikkeling zijner denkbeelden, dan dat men hem op eene lijn stelde
met de "Jacobijnen" uit de Revolutie. "Neen en duizendmaal neen!" zoo
riep hij dan uit, "mijne theorieën hebben niets te maken met die van
deze lieden, noch iets met hunne omverwerpende denkbeelden!" ....
Wat hij evenwel gezien had, dat was dit: terwijl de menschen der
Revolutie bezig waren alles met bloedig geweld neêr te slaan, wat
naar hunne begrippen aan het geluk van het vaderland in den weg stond,
het kapitaal evenwel, in den schrilste tegenspraak bleef ageeren, met
de gepredikte grondstellingen. Hij zag hoe de schaggerhandel, hoe de
levensmiddelenwoeker, de zwendel met de leverantiën bloeiden, en hoe
de plotseling rijk geworden opkomelingen hunne orgieën vierden. En
niet minder waren hem de oogen opengegaan voor de ellende der massa,
die haar leven voor de Republiek zoo heldhaftig gegeven had. Al
deze waarnemingen, die hij vooral de gelegenheid had volkomen te
maken, door wat hij dag aan dag in kleineren kring om zich heen zag,
brachten dezen denker op de gedachte, dat de samenleving niet juist
georganiseerd moest wezen. En hij zon op middelen, eene maatschappelijk
plan te ontwerpen, dat aan alle deze euvelen een einde kon maken.
Fourier, die van nature reeds een tegenzin had in de studie van
politieke vraagstukken, werd in deze weerzin versterkt, door de
feiten om hem heen. Hij zag de politieke stelsels veranderen, maar
de maatschappelijke euvelen blijven. Dit deed bij hem de gedachte
ontstaan, dat er tusschen de sociale toestand van de maatschappij
en de politieke geen wezenlijk verband bestond; de eerste is even
willekeurig, als den laatste; maar samenhang tusschen beiden bestaat
er niet volgens hem.
Voor hem was het véél gewichtiger het uitgangspunt te vinden, van
waaruit alle beschaving en ontwikkeling ontsproot, en hij meende,
dat datgene wat een Newton voor de natuurlijke wereld had gedaan,
n. l. het ontdekken van de wetten der zwaartekracht, dat dit moest
geschieden voor de materieele wereld, en dat hij het was die dit had
te doen.
Dat hij, Fourier, deze wetten, die het uitgangspunt waren van een
geheel stelsel, hetwelk in staat was den menschheid het verloren
geluk te hergeven, had ontdekt was zuiver toeval, volgens hem. Andere
geleerden vóór hem hadden het ook kunnen doen, en een eigenaardige
beschouwing is het dan ook van hem, dat de 400,000 dikke boekdeelen,
welke er in den loop der tijden waren geschreven en die in Bibliotheken
opgestapeld lagen, van zéér twijfelachtige waarde voor de menschheid
en haar geluk waren.
In 1808 publiceerde Fourier nu ook zijn eerste en
principieel-wetenschappelijke werk: "La théorie des quatres mouvements
et des destinées generales." ("De leer van de vier bewegingen en der
algemeene bepalingen") genaamd.
De gedachtengang door Fourier daarin ontwikkeld, is de volgende. De
wereld bestaat uit drie eeuwige, ongeschapene en onverstoorbare
grondstellingen:
God, of den geest, actief en bewegend principe;
de materie, passief en bewogen principe;
de gerechtigheid of de mathematische wetten, regelend principe.
Analoog aan het wereld-al, bestaat ook den mensch uit drie principes,
namelijk:
de drijfveeren (passiones), aktief en bewegend principe;
het lichaam, passief en bewogen principe;
de intelligentie, neutraal en regelend principe.
God, welke de leider en bestierder is van het wereld-al, kan alleen
de éénheid en de harmonie ervan willen, anders zou hij met zichzelve
in tegenspraak komen. Daarom bestaat er een onafgebroken keten van
betrekkingen tusschen de drie rijken der natuur--dieren, planten,
mineralieën--en de menschen; tusschen den menschen en God, gelijk
tusschen den menschen en den aardbol en het gansche planeten- en
wereldsysteem. Terwijl God den menschen schiep, hen van drijfveeren
en hartstochten voorzag, wilde hij, dat de menschen daardoor gelukkig
zouden worden. Het is dus niet aan te nemen, dat deze drijfveeren
schadelijk zouden zijn, dat van deze hartstochten de eene of de
andere zoude moeten worden onderdrukt of onbevredigd behoeven te
blijven. Integendeel, eene bevrediging daarvan, schept veelmeer
de harmonie van den mensch met zich-zelf en met God. Wanneer wij
desniettegenstaande zoo dikwerf zien, dat deze hartstochten bij de
menschen, zich in eene schadelijke richting openbaren en werken,
dan bewijst dit niets tegen dezen, maar tegen de sociale organisatie
van de maatschappij, welke deze hartstochten op valsche wijze zoekt
werkzaam te doen zijn, of ze zoekt te onderdrukken.
Het zijn vijf bewegingen, welke de wereld voortbewegen en haar hare
bestemming doen naderen:
1. De normale beweging; wetten der aantrekking voor imponderabele
elementen, electriciteit, magnetisme, reuken.
2. De dierlijke of instinktmatige beweging; wetten der aantrekking
voor drijfveeren en instinkten van alle geschapen wezens hoe en
wanneer zij ook waren, zijn en zullen zijn.
3. De organische beweging: wetten der aantrekking voor de
eigenschappen der lichamen: vorm, kleur, smaak, reuk, enz.
4. De materieele beweging--reeds door de mathematici (Newton)
ontdekt--wetten der aantrekking en gravitatie der wereldlichamen
(Planeten en vaste sterren). De kometen zijn, volgens Fourier,
irregulaire lichamen die het wereldruim doortrekken.
5. De sociale beweging--het eigenlijke steunpunt van het geheel--
de wetten, welke de orde en de opeenvolging van de verschillende
sociale gestalten op alle wereldlichamen regelen.
Het middelpunt dezer sociale wetten is de mensch, die daardoor, in den
grond der zaak, tot het middelpunt van het geheel wordt en om wien, ten
slotte, zich alles draait. Wat zou, zoo vraagt Fourier, de wereld voor
een ander doel hebben, wanneer zij niet geschapen was voor de menschen?
De bestemming van den mensch is het geluk, dat in de ontwikkeling van
geheel zijnen aanleg, de bevrediging van al zijne hartstochten ligt. De
mensch behoort te genieten en nogeens te genieten, alles waartoe zijn
hart hem dringt. Deze bestemming was den mensch door God toegedacht.
Fourier legt op het akkerbouwbedrijf of de agricole associatie het
hoofdgewicht; hij ziet het zelfs voor de eigenlijke grondslag aan
van het menschelijk bestaan, die welke de meeste en de aangenaamste
afwisseling geeft. Maar ook de gansche huiselijke bezigheid, de
huishouding in hare uitgebreidste opvatting; handel en nijverheid;
opvoeding; de kunsten en de wetenschappen, zij allen moeten sociëtair
bedreven worden.
De arbeid is volgens Fourier, een noodzakelijkheid voor alle menschen
zonder onderscheid van leeftijd of geslacht, maar zij moet geene last,
maar een lust wezen. Zij moet in een woord gezegd: aantrekkelijk
zijn. En dit kan zij alleen wezen, wanneer ieder in die richting
drijven kan, waarheen zijne gaven en aanleg hem dringen, tot wat
hem dus het meeste genoegen kon schenken. Daarnevens moet de arbeid,
dikwijls afwisselen en moeten ten dien einde, de arbeidstijden slechts
kort zijn.
Ten einde de verschillende tegen elkander in dwarrelende elementen
te kunnen leiden, is het noodig, dat zich groepen vormen van
gelijkgezinden, voor bepaalde bezigheden. Elk van deze groepen, kan
slechts negen personen omvatten. Er vormen zich evenveel groepen,
als er ondersoorten van arbeid bij eene bepaalde produktietak
noodig zijn; de verschillende groepen vormen: eene serie. Daar
twee menschen niet in alles dezelfde smaak kunnen hebben en ook
niet de voor alles gelijke aandrift, worden dezelfde personen, die
zooeven tezamen gearbeid hebben in ééne groep, in tegenovergestelde
arbeidsgroepen, of serieën van andere produktietakken geplaatst. Niet
alleen dus, dat er voortdurend afwisseling is van arbeid, er is ook
eene voortdurende afwisseling in maatschappelijk verkeer bij dien
arbeid. Deze voortdurende afwisseling van arbeidsbeoefening en van
de personen die den arbeid beoefenen en de daaruit voortvloeiende,
dan weder aantrekkende, dan weder afstootende bewegingen, voldoen
volgens Fourier, aan de hoogste bevrediging, omdat juist daarbij
alle drijfkrachten in het spel komen. Maar zulk eene bevrediging
zou nog geen volkomene zijn, wanneer niet ook de voortbrenging van
den rijkdom door haar kon worden in stand gehouden. Daarom dacht
Fourier een stelsel uit, waarin den maatschappelijken arbeid, op den
grondslag van deze organisatie en samenwerking van alle drijfkrachten
en geaardheden, talenten en kundigheden, kon worden verricht. Het
was het systeem van de phalanstère.
Deze planmatig georganiseerde en geassocieerde bezigheid van honderden
van families, zal, naar Fourier verklaarde, in tegenstelling tot de
private en individueele voortbrenging en het private ondernemerschap
eene groote mate van besparing aan arbeidskracht, werktuigen en tijd
ten gevolge kunnen hebben eenerzijds; en door geschikt aangewende en
gecombineerde werkzaamheid van allen anderzijds, eene vermeerdering
van den rijkdom ten gevolge hebben, die in vergelijking met die van
thans verveertigvoudigd zou kunnen worden en zelfs den armsten zoû
veroorloven eene bevrediging van zijne behoeften, zóó rijkelijk als
heden ten dage den rijkste alleen, dit mogelijk was.
In de Fouriersche "phalanstère" blijft het onderscheid in bezit
voortbestaan. Fourier achtte dit zelfs noodzakelijk voor de harmonie,
die volgens hem juist uit eene geschikte en verstandige combinatie
van tegenstellingen voort kan komen. Zijn socialisme was dat
van verwijdering en van harmonie; van elkander dáárom bekampende
tegenstellingen, omdat zij niet onderling verbonden en dus niet tot
eenheid kunnen komen.
Daarom wendde hij zich steeds tot de grooten en aanzienlijken en niet
tot de geringen, tot de arbeiders of tot het volk. Alleen de eersten
waren in staat zijn plan te doen verwezenlijken.
In de "phalanstère" zou volgens Fourier kapitaal, arbeid en talent
zóó worden beloond, dat aan den arbeid vijf-twaalfde, aan het kapitaal
vier-twaalfde en aan het talent drie-twaalfde van de arbeidsopbrengst
ten goede komt. De beide geslachten zullen volkomen op gelijken voet
worden behandeld. Immers zij werken, vergenoegen en beminnen zich,
met- en onder elkander. Ook de opvoeding van de kinderen behoort
gemeenschappelijk te geschieden; de kinderen zijn het derde neutrale
geslacht en aan hunne opvoeding wijdt Charles Fourier in zijne werken,
groote en breede ruimte. Met grondige diepte en met een wonderbaarlijk
onderscheidingsvermogen, heeft hij steeds over de opvoeding geschreven
en geen pedagoog zal nog heden ten dage deze bladzijden, niet dan
met genoegen lezen.
Wat de verhouding van de geslachten tot elkander aangaat, deze is
door Fourier van een zeer ruim standpunt bekeken. De critiek, dien hij
uitoefent op het tegenwoordig huwelijk, zoowel op zijnen vorm als op
zijne uitwassen, behoort tot het scherpste wat daarover ooit is gezegd.
Onder de nieuwe levensverhoudingen, gelijk Fourier ze ons die
schilderde, genieten de menschen niet alleen het volle geluk, zij
kunnen zelfs bij hunne, zooveel betere, gezondere en natuurlijker
levensverhoudingen een hoogeren ouderdom bereiken. Fourier spreekt
van het bereiken van een leeftijd van 144 jaren, als doorsneê-leeftijd.
Het gansche heelal, is volgens Fourier, die zich hierbij op Schelling
beroept "het spiegelbeeld van de menschelijke ziel." De wereld is ter
wille van de menschen geschapen; na zijn dood wandelt den mensch van
planeet tot planeet, tot een steeds hoogere volkomenheid.
Elke planeet wordt geboren en heeft, gelijk den mensch, hare
kindschheid en hare ouderdom, op- en neêrgaande ontwikkeling, en
dood. Ook de menschheid sterft, en wel, na een totaal-levensduur
van 80,000 jaren, die zich afwikkelen in vier phazen. De phaze der
kindschheid, in welke laatste periode wij ons bevinden, duurt: 35,000
jaar en die van den nedergang eveneens: 35,000 jaren. Dan volgt de
phaze van de ouderdomszwakte, weder met 5000 jaren, waarna de dood
der menschheid en die der aarde intreden. In de tijdruimte van 80,000
jaren beleeft de menschheid 32 ontwikkelingsperioden--wij bevinden
ons in de vijfde, die der civilisatie--en in deze verschillende
perioden, zijn er verschillende hérscheppingen, door welke de dieren-
en plantenwereld en ook het klimaat, in overeenstemming met de hoogere
ontwikkeling der menschen, zich tot hoogere volkomenheid ontvouwen
zal. Met de achtste periode, die van de harmonie, vangt de dageraad
van het geluk aan. Dan wordt de noordpoolkroon (couronne boréale)
geboren, die dan gelijk de zon, niet alleen licht, maar ook warmte
verspreidt en daarmede zullen tal van nieuwe scheppingen ingeleid
worden. De werkingen daarvan zullen zijn, dat Petersburg zoowel als
Ochotsk een klimaat zullen verkrijgen, gelijk Cadix en Constantinopel;
dat het klimaat van de Siberische ijskusten, dat van Marseille en
van den golf van Genua verkrijgt en dat eene vruchtbaarheid van deze
noordelijke deelen der aarde aanvangt, die zal kunnen wedijveren met
die van deze tropische gewesten. Gelijktijdig zal door de inwerking
van dit fluïdum en door de verandering der klimaten, de zee zich
veranderen en haar water een anderen smaak verkrijgen. De bestaande,
thans den mensch nog vijandige en schadelijke zeemonsters als de
haai enz., zullen verdwijnen en door andere schepsels, als anti-haai,
anti-walvisch vervangen worden, die den menschen vriendelijk gezind
zullen worden en zich door hen zullen laten gebruiken tot het leiden
van hunne schepen enz. Evenzoo op het land. Alle wilde dieren, leeuwen,
tijgers, luipaarden, wolven enz., alle giftige reptielen en vergiftige
schadelijke planten zullen verdwijnen en plaats maken voor nieuwe,
der menschheid nuttige gewassen.
Zoodra den ganschen aardbodem met phalanstères overdekt is, zal zij
twee millioen derzelven en vier milliard menschen aanwijzen. Dan
zal Constantinopel hoofdstad zijn van de wereld en zal de door alle
phalanstères gekozen "Omniarch", als heerscher der wereld, aldaar
zijn zetel innemen.
Met het getal van vier milliard, is volgens Fourier, het maximum
bereikt dat het bevolkingscijfer bereiken kan; want wanneer ook de
menschen zich aanvankelijk sterk vermeerderen, de vruchtbaarheid
van het geslacht zal verminderen, naar mate nevens de mannen, ook
de vrouwen sterker zullen worden, hunne geestelijke en lichamelijke
ontwikkeling en opulente levenswijze toenemen zal. Fourier gelooft,
reeds voor onze samenleving de opmerking gemaakt te hebben,
dat vrouwen van groote lichaamskracht en lichaamsgestalte en onder
gunstige materieele verhoudingen levend, minder kinderen krijgen dan
die van een zwakkelijke en geringe constitutie. De eersten zijn zelfs
dikwerf onvruchtbaar.
Dezelfde veranderingen als op aarde, voltrekken zich ook op alle
overige planeten. Geheele nieuwe planeetsystemen zullen zich nog
moeten vormen, ten einde in de sterrenwereld denzelfde harmonie, het
opperste klavier (clavier majeure) te kunnen vestigen, zooals deze
harmonie op aarde gevestigd is in het klavier van de menschelijke ziel,
dat 810 karaktereigenschappen aanwijst.
Fourier rekent bij dit alles met bepaalde mathematische verhoudingen;
alle levensuitingen en levenschijnselen laten zich in bepaalde
mathematische getalverhoudingen uitdrukken. Fourier staat hierbij
geheel op den bodem van Pytagoras (540-500 vóór Chr.), die
gelijk bekend is, eene philosophie van de getallenleer voor alle
verschijnselen, leerde.
In 1829 verscheen Fourier's tweede werk: "Le nouveau monde industriel
et sociétaire". ("De nieuwe industrieele en sociétaire wereld.") Dit
boek bestaat uit één deel en is van alle werken van Fourier wel het
duidelijkst en helderst geschreven. Het kan, om de beknoptheid waarin
zijne denkbeelden erin vervat zijn, als de quintessens van Fourier's
denkbeelden als hervormer, worden beschouwd. Zeven jaren later gaf
hij nogmaals een groot werk in het licht, dat "Valsche industrie"
genaamd was, maar dit boek bevat geen nieuwe denkbeelden en is van
beslist minder waarde, dan zijn "Nouveau monde" en zijn "Théorie des
quatres mouvements" dat zijn.
In 1848 hebben de scholieren van Fourier zijn gezamenlijke werken
uitgegeven, onder den titel: "L'harmonie Universelle et le Phalanstère"
("De algemeene harmonie en de phalanstère"), waarin Fourier zelf
aan het woord is, omtrent zijne plannen en de ontdekkingen zijner
wetenschap.
Hij zegt, dat nadat bij hem eenmaal den twijfel was geweken, dat de
toestand van ontbering, die overal heerschte, van nood en gebrek, het
overal-heerschend-bedrog, het handelsmonopolie en de slavenhandel,
een door God gewilde toestand was, dat hij toen tot de conclusie
kwam, dat deze gansche toestand er eene van overgang was voor de
menschheid; een toestand van verandering in de sociale orde van
zaken. En hij maakte 't zich tot een regel van zijn onderzoek:
de absolute twijfel, en de absolute vermijding van de tot dusverre
betreden wegen. Hij vroeg: wat kan er twijfelachtiger bestaan, dan
deze onvolkomene beschaving?--Wanneer er aan haar ook drie periodes
voorafgegaan waren, die van wildheid, patriarchaat en barbarisme, moet
dan daaruit worden opgemaakt dat zij de laatste is, alleen omdat zij
de vierde is? Kan er niet een vijfde, zesde of zevende sociale orde
komen, die wel-is-waar ons nog niet bekend kan zijn, maar dit alleen,
omdat tot nog toe niemand zich de moeite gegeven heeft van haar te
ontdekken! Men moet dus de noodzakelijkheid, de voortreffelijkheid,
zoowel als de voortduring van deze maatschappij, altijd en altijd
in twijfel blijven trekken. Dit hebben de philosophen nooit gedaan,
omdat zij, zoo zegt Fourier, dit nooit gewaagd hebben, dewijl dan de
nietswaardigheid van al hunne werken voor de menschheid meteen zou
aan het licht gekomen zijn!
In de eerste plaats hield Fourier zich bezig met de landelijke
associatie (association agricole) en bij het nadenken over haar,
geraakte hij tot de theorie der bepalingen. De oplossing van
dit vraagstuk, leidt volgens hem, tot die van alle politieke
vraagstukken. "De philosophen hielden de akkerbouw-associatie voor
eene even zoo groote onmogelijkheid, als de afschaffing der slavernij,
omdat zulk eene associatie tot nog toe niet bestond. Ziende, dat bij
de dorpsbewoners elk gezin op eigen gelegenheid arbeidt, konden zij
zich geen middel denken om hen te vereenigen. En toch zouden er reeds
talrijke verbeteringen kunnen ontstaan, wanneer men de bewoners van elk
vlek, kon vereenigen tot gemeenschappelijke bezigheid, naar verhouding
van hun kapitaal en hunnen arbeid. Aldus zouden 2-300 families, met
ongelijk vermogen, een streek kunnen cultiveeren. Men kan nauwelijks
20, 30, 40 individuen tot gemeenschappelijke bezigheid verbinden,
hoe zoude men het honderden kunnen doen, zegt men. En toch zouden er
voor zulk een associatie op zijn minst genomen 800 personen noodig
zijn. Ik versta hieronder, verklaart Fourier verder, eene samenwerking
bij welke de medeleden door wedijver, eigenliefde en andere middelen,
aan den arbeid gehecht zouden kunnen worden gemaakt.
"Eene zoodanige organisatie komt ons belachelijk voor en toch is zij
mogelijk. Eene agrarische associatie, gelijk ik mij die voorstel en
die wel duizend personen kan omvatten, levert zulke enorme voordeelen
op, dat zij in vergelijking met de tegenwoordige toestanden, aan een
toestand van zorgeloosheid gelijk zou zijn."
De sterkste prikkel voor den landman, zoo gaat Fourier voort,
is de winst. Wanneer de verbondenen maar eenmaal zullen zien,
dat sociëtair-georganiseerden arbeid, hen vijf zesmaal meer winst
oplevert, dan hunne geïsoleerde bedrijven van vroeger dit deden,
zullen zij wel ál hunne onderlinge jalouzieën ter zijde zetten en
tot de associatie toetreden.
"Dan zullen zich de associaties over regionen uitbreiden. Want overal
hebben de menschen den trek naar genot en naar rijkdommen."
Het eerste wat Fourier daarna ontdekte, was de aantrekking der
hartstochten. "Ik zag in dat de voortschrijdende serieën, aan de
hartstochten der beide geslachten, de verschillende leeftijden
en klassen de volle ontwikkeling zouden kunnen geven; dat in de
nieuwe orde, men zooveel te meer kracht en vermogen zoude erlangen,
naar mate men meer hartstochten heeft, en ik concludeerde daaruit:
dat als God zooveel invloed gegeven heeft aan de aantrekking der
hartstochten en zoo weinig invloed aan de rede, hunnen vijand, dat
dit zeker geschiedde, om ons tot organisatie der voortschrijdende
serieën te voeren, welke in elk opzicht de aantrekking bevredigen."
"In de schaduwen van de voorhanden zijnde sociale wetgeving," zoo zegt
hij voorts, "ziet men niet in, dat de ellende der volkeren aanwast,
juist met de sociale vooruitgang. Wij zien reeds die gevaarlijke
werking uit den invloed van den handelsgeest, die daarheen leidt,
de heete luchtstreek te bevolken met zwarte slaven, die men ontrukt
aan hun geboorteland en het gematigde klimaat met witte slaven, die
men in industrieele bagnoos drijft, gelijk men dit heden ten dage
in Engeland doet, iets dat gewis wel in andere landen navolging zal
vinden. Is er zelfs eene gerechtvaardigde zijde aan een toestand,
waarin de vooruitgang van de industrie, zelfs niet eens aan den armen
den behoorlijken arbeid kan garandeeren?"
"Het verbond is de basis van elke economie, wij vinden de kiemen
daarvan verstrooid in het geheele sociale mechanisme, van-af de
machtige Oost-Indische Compagnie, tot aan de arme vereenigingen der
voor een bedrijf vereenigde dorpsbewoners toe.... Wij hebben overal,
zoowel in het kleine als in het groote deze kiemen voor ons welzijn
bij de hand; het zijn ruwe diamanten, welke door de wetenschap
geslepen moeten worden. Het problema is, deze kiemen der associatie,
die in alle takken van menschelijken arbeid terug te vinden zijn,
tot één mechanisme te verbinden, hen tot eene algemeene éénheid te
doen worden."
Wat de sociale beweging aangaat, zoo ziet men elke belanghebbende
klasse, de andere het booze toewenschen; overal is het persoonlijke
belang in tegenspraak met het algemeene belang. De geheele
schrikkelijkheid van een dusdanige toestand, ziet men recht en
duidelijk in, wanneer men ze eerst goed leert begrijpen; wanneer men
de sociëtaire organisatie leert kennen, waarin de belangen een geheel
andere richting uitgaan, wanneer ieder voor het algemeen belang werkt,
juist omdat dit het meest parallel loopt met zijn persoonlijk belang.
"De vrijheid is illusoir wanneer zij niet algemeen is. Waar de vrije
ontwikkeling van de hartstochten tot een zeer kleine minderheid beperkt
is, daar heerscht er slechts onderdrukking. Om de massa eene volkomene
ontvouwing en de bevrediging harer hartstochten te verzekeren, is
eene sociale organisatie noodig, die aan drie voorwaarden te voldoen
heeft. Men moet: 1e een regime der industrieele attractie zoeken,
ontdekken en organiseeren; 2e aan ieder moeten gewaarborgd kunnen
worden de zeven natuurlijke rechten, die ook de wilde bezit; en 3e,
de belangen des volks moet men verbinden met die van de grooten. Want
het volk zal op den grooten afgunstig zijn en hen haten, zoolang het
niet gradueel een aandeel heeft aan hun welzijn. Slechts onder deze
drie voorwaarden, kan men het volk een minimum aan voedingsmiddelen,
bekleeding, woning en hoofdzakelijk, ook aan het vergenoegen
verzekeren, want zonder er een aangename zijde aan te verbinden,
zal ook de nieuwe toestand voor de menschen niet voldoende zijn."
Er is, volgens Fourier, geen voor altijd samengestelde vrijheid
mogelijk die niet in-zich bevat dat minimum. "Geen minimum zonder
industrieele attractie; geen industrieele attractie in den stuksgewijs
verrichten arbeid", waarmede hij bedoelt, in den arbeid gelijk hij
verricht wordt in de privaat-ondernemingen.
De aantrekking tot den arbeid, kan slechts daar aanwezig zijn, waar die
arbeid aangenaam en lucratief is. De verdeeling heeft plaats, volgens
de drie industrieele eigenschappen: arbeid, kapitaal en talent. Het
bevolkingsaantal van een phalanstère mag niet grooter wezen dan van
1800 tot 2000 personen, omdat in dat getal naar Fourier's berekening,
de verschillende hartstochten en karaktereigenschappen ten volle en
doelmatig vereenigd zijn. De economie der hulpmiddelen verkrijgt men,
uit een zoo doelmatig mogelijk tezamenwerken van allen, met elkander
werkenden, omdat allen belang hebben bij de besparing van materialen,
van tijd en van arbeidskrachten.
Zoo zal men in een phalanstère van 400 families, niet 400 keukenvuren
voor 400 private huisgezinnen noodig hebben, maar zullen vier of
vijf groote keukenvuren voldoende zijn. De bewoners zullen in vier
of vijf klassen, naar hunnen stand en naar hun vermogen ingedeeld
kunnen worden, en aldus één gemeenschappelijk paleis kunnen bewonen.
Een phalanstère, die zich bijv. met de wijn- of olieproduktie bezig
houdt, zal slechts een enkele werkruimte noodig hebben, in plaats
van de velen, die thans in een wijn- of olieverbouwende streek bestaan.
De juiste behandeling van den wijn, is den kleinen bezitter onmogelijk,
noch kan hij voor de behoorlijke ligging zorg dragen, noch voor de
verkoeling die noodig is. In eene phalanstère zal de wijn, tengevolge
van de deugdelijke bewaring en verzorging reeds na één jaar, vijfmaal
meer waard zijn. Bovendien kan de phalanstère steeds het produkt
verbeteren, door de kostenbesparing; betere zaden, betere planten
aan te schaffen. Zij kan de beste bodem uitzoeken en de doelmatigste
machines, gebouwen, stallen en bergruimten hebben.
Eene der schitterendste kanten van het sociètaire systeem van den
arbeid, is wel deze, dat daarbij de waarheid in handel en wandel
kunnen worden ingevoerd. "Terwijl de associatie, de coöperatieve,
solidaire en zeer vereenvoudigde, op waarachtigheid en waarborgen
berustende concurrentie, in plaats van de individueele, onsoliede en
door leugenachtigheid opgevreten, willekeurige concurrentie onzer
beschaving stelt, zal zij maar een twintigste van de handen en de
kapitalen daarvoor noodig hebben. Men zal zoodoende den tegenwoordigen
handel als parasietisch kunnen onderdrukken. Men zal door de
phalanstère, in plaats van honderden concurreerende en tegen-elkander
intrigueerende kooplieden en winkeliers, met hunne marktplaatsen en
winkels slechts één groot Warenmagazijn en naar verhouding zeer weinig
personen noodig hebben, dewijl alle koopen en verkoopen naar buiten,
door de phalanstères onder-elkander afgesloten worden.--
"Zoodra mannen, vrouwen en kinderen, de laatsten van af den
leeftijd van drie jaren werkzaam zijn uit aantrekking; wanneer
hartstocht, geschiktheid, wedijver, het verbeterde mechanisme van den
arbeid, éénvormigheid in het doel der handelingen, vrijer verkeer,
verbeteringen van het klimaat, hoogere kracht en langeren levensduur
der menschen, tezamen werken, zullen de arbeidsmiddelen en -krachten
onberekenbaar zich vermeerderen, en het produkt kwantitatief en
kwalitatief zich, daaraan geëvenredigd veredelen en vermeerderen.
"Het meest wel zal het lot van de kinderen in deze
sociétaire organisatie, zich verbeteren. In de slecht geleide
privaat-ondernemingen vinden de kinderen, in de hutten en de
arbeidsplaatsen, schuren en ellendige woningen nòch de verzorging,
nòch de beoordeeling, nòch de aandrift die zij zoo noodig hebben
om zich te kunnen ontwikkelen. Daarbij sterven zij bij massa's in
ongenoemde woningen, door slechte levenswijzen, of worden zij met
kwalen behept. In den sociètairen toestand, zal de sterfte buitengewoon
verminderen; het kinderaantal zal, zoowel lichamelijk als geestelijk,
op ongekende wijze toenemen. Dreigende overbevolking, zal alleen door
de sociètaire organisatie kunnen worden geneutraliseerd.
"De beschaving bevindt zich tegenover alle deze vraagstukken in
een vicieuzen cirkel en dit erkent men allerwege. Men is er perplex
van dat in de beschaving, de armoede de overvloed voorbrengt. Onzen
toestand brengt ons niet het geluk, maar zij levert het niet-geluk op,
de excessen der industrie voeren tot de grootste euvelen, zij brengen
ons van Scylla in Charybdes. En waarom? Omdat wij zonder leiddraad,
omdat wij zonder gids, ronddolen in een labyrinth. Dat ziet men aan
alles. Wij moeten een wegwijzer in het maatschappelijk leven hebben,
eene nieuwe wetenschap en die is volgens Fourier, die van de serieën
der aandriften. Men zegt dat de menschen van heden niet slechter zijn,
dan die van vroeger. Maar een halve eeuw terug, kon men nog voor weinig
geld stoffen van goeden kleur en goede kwaliteit koopen voor weinig
geld. Men kon nog onvervalschte levensmiddelen krijgen, tegenwoordig
heerscht in alles bedrog en vervalsching. De landman-zelf is een
vervalscher moeten worden, gelijk het den koopman reeds lang voor
hem was; melk, olie, wijn, brandewijn, suiker, meel, koffie, alles
is vervalscht. De arme menigte kan geen natuurlijke levensmiddelen
meer bekomen, men verkoopt overal vergiften.
"De handel is schrikwekkend toegenomen en in dezelfde mate het bedrog,
den zwendel en de opzuiging van kapitalen.
"Ten allen tijden en overal, zal de aantrekking der hartstochten, tot
drie doeleinden trachten te komen. Tot de luxe of tot bevrediging der
vijf zinnen; tot groepvormingen en serieën van groepen of bonden van
toeneiging; tot het mechanisme der aandriften, der karakters en der
instinkten; en door alle deze drie, tot universeele gelijkvormigheid.
"Alle groepen zoeken eene serie of een ontwikkelingstrap te vormen,
verschillend in paring en soort. Deze serieën van groepen, zijn
aldus het tweede doel van de aantrekking, terwijl zij zich voor
alle funkties der zinnen en der ziel vormen. Het derde doel, is
het mechanisme van de aandriften of de serieën van de aandriften of
de serieën van groepen. Het is het streven van de vijf zinnelijke
aandriften. 1. Smaak, 2. gevoel, 3. reuk, 4. gewicht, 5. gehoor met de
vier affektieve: 6. vriendschap, 7. eerzucht, 8. liefde, 9. ouderschap,
in overeenstemming te komen. Deze overeenstemming voltrekt zich door
bemiddeling der drie weinig bekende en veel miskende aandriften;
10. de aandrift door intrigue, naar vereeniging van gelijkstrevenden;
11. de aandrift naar afwisseling, naar contrasten; 12. de aandrift tot
beijvering, tot begeestering en tot het streven naar vervolkomening."
Deze twaalf tezamenwerkende aandriften of hartstochten, bevatten
volgens Fourier, de harmonie van de aandriften.... "Tegenwoordig is
de mensch in oorlog met zich-zelven. Zijne aandriften werken tegen
elkander-in. De eerzucht werkt tegen de liefde, het ouderschap
tegen de vriendschap in; en aldus bevinden zich vele aandriften
in disharmonie. Ons doel moet het zijn, een vrijwillig in-elkander
grijpend mechanisme van aandriften te scheppen, zonder een derzelve te
onderdrukken. Dit kan geschieden, door dat ieder individu, terwijl hij
zijn persoonlijk belang beoogt, daarmede tegelijkertijd het algemeen
belang dient.
"De kunst om te associeeren bestaat hierin, een phalanx van serieën van
aandriften, met elkander in volle overeenstemming te kunnen brengen
en te doen ontwikkelen, die volkomen vrij alleen door aantrekking
voortbewogen wordt en toegepast kan worden op de zeven voornoemde
industrieele functies: huishouding, akkerbouw, industrie, handel en
verkeer, onderwijs, wetenschappen en schoone kunsten.
"Een serie der aandriften is een verbinding van verschillende, op en
neder gaande volgreeksen van verbonden groepen. Zij zijn vereenigd
door overeenstemming in smaak voor een of andere bezigheid, zooals
het verbouwen van een zekere vrucht, in welke voor elken tak van
arbeid, zich hierbij een speciale groep vormt. Wanneer eene serie
bijv. hyacinthen of aardappelen verbouwt, moet zij even zoovele groepen
vormen, als er soorten van hyacinthen of soorten van aardappelen in
cultuur gebracht moeten worden. Elke groep vormt zich uit de leden van
de serie, die voor eene bepaalde soort, neiging aan den dag leggen. Er
zijn minstens 40-50 serieën noodig, om eenigermate te voorzien in de
behoeften aan de noodige afwisseling en neutraliseering. De serieën
benuttigen de verscheidenheid van karakters, smaken en instinkten;
van de vermogens, aanspraken en van de trappen van ontwikkeling. Elke
serie is tezamengesteld uit contrasteerende ongelijkheden, zij behoeft
evenzoovele tegenstellingen of antipathiën, als zij overeenstemmingen
of sympathieën noodig heeft. Gelijk in de muziek, waarin men een
akkoord verkrijgt doordien men evenzoovele noten uit laat vallen,
als men aan den anderen kant er aan toevoegt en de contrasten der
tonen één akkoord leveren, zoo levert de vereeniging van de serieën
der groepen, voor de sociale harmonie hetzelfde effect op. Zij brengt
beweging, waarheid, gerechtigheid, direkte en indirekte overeenstemming
en eenheid in den vorm.
"De verschillende groepen moeten zich tegen elkander-in bewegen. Dat
is mogelijk, doordat de groepen slechts gradueel van elkander
verschillende bezigheden verrichten, bijv. niet verschillende soorten
van ooft, maar verschillende soorten van een soort verbouwen. Verder
moeten de arbeidszittingen kort zijn en niet langer dan twee uren
duren. Een groep van zeven arbeiders is voldoende, zij is volkomen,
als zij er negen telt. Dan verdeelt zij zich onwillekeurig weder in
ondergroepen, in de beide vleugels en een centrum. Vier en twintig
groepen is het laagste getal voor eene serie.
"De mensch", zegt Fourier "is uit instinkt een vijand van dwang en van
gelijkheid, hij streeft in elk opzicht gestadig naar verandering. In
de beschaving van thans wordt instinktmatig overal het valsche
bereikt. Steeds wordt het valsche aan het ware voorgetrokken en
het steunpunt van ons tegenwoordig systeem is eene valsche groep,
die welke zich tot het kleinste getal laat terugbrengen: tot de echt.
"Deze groep is valsch door de beperking van het getal, valsch door
het ontbreken van de vrijheid, valsch door het uitelkandergaan en
de splitsing van de smaken. Reeds dadelijk zijn deze verschillen
voelbaar. Nà den eersten dag van het huwelijk, verschilt men bijv. al
over de gerechten, over de bezoeken, over de uitgaven, de conversatie
en over honderd andere dingen meer. Welnu, als de beschaafden van
onzen tijd, in de oorspronkelijkste hunner groepeering niet kunnen
harmonieeren, dan kunnen zij het nog veel minder met het geheel der
groepeeringen in de samenleving."
In de phalanstère van Fourier, is men niet zonder eenige regeering. De
leiders van de serieën en groepen worden officieren genaamd en hebben
militaire graden. Zij hebben den titel van hoofdlieden, luitenants,
vaandeljonkers; er zijn geheele staven in de phalanstère en ten
opzichte van deze waardigheden is er geen verschil tusschen man en
vrouw. De medeleden van de serieën en groepen, verkiezen tot hunnen
leiders diegenen onder hen, die zich in hunnen kring het meest
verdienstelijk gemaakt hebben en daardoor het meest de sympathie
hebben van de anderen.
Fourier is verder van oordeel, dat de menschen, met zeer weinig
uitzonderingen, reeds vrij spoedig hunne vreugde zullen hebben aan
schoone harmonieën van kleuren, aan prachtige en schoone feesten,
standbeelden en gebouwen. En naar alle deze richtingen heen, kan
alleen door de phalanstère het schoonste gewrocht kunnen worden.
Zien wij nu nog voorts hoe, volgens Fourier een onbemiddelde en een
rijke in zulk eene phalanstère hunnen dag doorbrengen. Wij kiezen
daartoe den maand Juni. Des morgens 3 1/2 uur is het opstaan en
aankleeden; 4 uur "séance" in een groep voor de verzorging der
dieren in de stallingen; 5 uur arbeid in een groep van tuiniers;
7 uur ontbijt; 7 1/2 zitting van maaiers; 9 1/2 uur zitting van
groentekweekers. Om 11 uur, tweede zitting in de stallingen; 1 uur
middagtafel; 2 uur boscharbeid; 4 uur arbeid in een werkplaats; 8 uur
beurs; 8 1/2 uur avondeten; 9 uur conversaties en 10 uur slapen-gaan.
De beurs van de phalanstère houdt zich niet bezig met schaggerhandel
in papieren of levensmiddelen, maar met den zorg voor den volgenden
dag. Dan weêr vormen zich nieuwe groepen en serieën. Ook worden
later als de phalanstère in volle werkzaamheid is, het getal der
rustpoozen en maaltijden verhoogd tot op vijf, en worden ook de
zittingen korter. Den korten slaaptijd, verklaart Fourier hiermede,
dat de menschen die in harmonie arbeiden, tengevolge van hun veel
aangenamer levenswijze, veel minder slaap noodig zullen hebben,
dan de beschaafden van tegenwoordig.
Maatstaf van verdeeling van de opbrengst van het produkt in de
phalanstère is: ten 1e de direkte werking, die zij voor de banden der
eenvormigheid van de phalanx in het spel van het sociale mechanisme
heeft; ten 2e de waarde die zij heeft voor de uit-de-wegruiming
van tegenstrijdige hindernissen en ten 3e de omgekeerde verhouding
waarin zij staat tot de sterkte der aantrekking, die zij opwekt. Naar
deze wijze groepeeren zich de verschillende bezigheden, welker
klassificeering en ordening de medeleden der phalanx-zelve te bepalen
hebben. Een overeenstemming is zooveel te gemakkelijker, daar elk
medelid in een gansche menigte van serieën en in een nog grooter
aantal groepen werkzaam is. De gunst die het medelid eener serie
of groep in de bevoordeeling van dividend zou kunnen verkrijgen,
zou hen tot schade zijn in eene andere groep of serie. Zijn eigen
belang dwingt hem dus tot de grootst mogelijke objektiviteit. Ook
is hij erbij geïnteresseerd, dat de harmonie niet gestoord worde,
omdat dit dan tot schade zou wezen van het geheel en zonder twijfel
ook tot dat van hemzelf. Van deze gezichtspunten uit beoordeeld,
geschiedt ook de verdeeling van het inkomen over kapitaal, arbeid en
talent. Fourier geeft hiermede volgende voorbeelden:
"Alippus is een rijke aktieënbezitter, die tot nu toe, ín de
beschaving, voor de uitleening van zijn kapitaal op goederen, 3 à
4 procent maakte. In de phalanstère heeft hij kans 12 à 15 procent
te maken. Hij is zéér voor een rechtvaardige verdeeling, maar zijn
hebzucht kan hem ertoe verleiden, als kapitalist de helft van het
overschot, als dividend voor zich op te eischen. Maar hij komt dan
dadelijk tot het inzicht, dat de beide andere talrijke klassen, welke
arbeid en talent aan de zaak gaven, daarmede zéér ontevreden zouden
zijn en waarschijnlijk binnen weinig jaren zou de phalanstère opgelost
en de schade dan nog veel grooter zijn. Dus vergenoegt hij zich met
eene regeling, die aan zijn kapitaal 4/12, den arbeid 5/12 en het
talent 3/12 toewijst. Hij heeft, naar deze maatstaf, nog driemaal meer
inkomen dan de beschaving hem gaf; hij leeft in de phalanstère veel
goedkooper, hij ziet bovendien de beide andere klassen bevredigd en het
bestaan der maatschappij daardoor verzekerd. Zijne hebzucht wordt in
evenwicht gehouden door twee tegenwichten. Hij heeft de overtuiging,
dat in het algemeen belang tevens zijn eigenbelang opgesloten ligt
en dat in de vooruitgang van de industrieele aantrekking, voor hem
een bron van grooter rijkdom opgesloten ligt. Een tweede voorbeeld:
"Johannes heeft nòch kapitaal, nòch aktieën. Hij is als beschaafde
er dus zéér voor, dat den arbeid, op kosten van het kapitaal en het
talent het leeuwenaandeel bekomt en rekent dus 7/12 voor den arbeid,
3/12 voor het kapitaal, en 2/12 voor het talent. Maar Johannes, als lid
van de phalanstère, denkt er anders over. Als medelid van een groep,
juist dikwijls door het talent dat hij ten toon spreidt de eerste,
komt hij nu tot juiste waardeering van het talent. Bovendien begrijpt
hij, als praktisch burger, welke beteekenis het kapitaal heeft,
welke voordeelen den arbeid eruit kan trekken, hoevele voordeelen
er uit geboren worden voor de serie en de groepen, en vervolgens,
dat zijne kinderen het vooruitzicht hebben met kapitaal te worden
bedeeld. Hij zelve kan door toeneming zijner kennis tot hooger
waardigheid klimmen, ook besparingen maken. En ten slotte zal hij
gevoelen, dat tot een juist evenwicht in de maatschappij, hier den
arbeid iets of wat naar den achtergrond heeft te treden, tegenover
het kapitaal en het talent. Een derde voorbeeld:
"Philintus is medelid van 36 serieën. In twaalf daarvan munt hij
uit, door groote geschiktheid en talent; in twaalf anderen is hij
middelmatig en in de twaalf laatsten, is hij een nieuweling. Als
nu bij het einde van het jaar zijne rekening opgemaakt wordt, zou
hij, in aanmerking genomen de talenten welke hij ontwikkelde in
twaalf serieën, zéér geneigd zijn, deze bijzonder hoog te willen
aanslaan. Maar verstandig als hij is, zal hij moeten inzien, dat
hiermede nòch zijn belang, nòch dat van de phalanstère kan gediend
zijn. Niet alleen staan tegenover de 12 serieën, waarin hij zich door
talent onderscheidde, 24 anderen waarin hij slechts een middelmatig
arbeider bleek, maar ook van die 12 serieën waarin hij uitmunt,
behooren slechts vier tot de eerste klasse, de hoogst beloonde,
die van de noodzakelijkheden; vier anderen in de tweede, en de vier
laatsten in de derde klasse. Hieruit dus, volgt voor hem van-zelf,
dat de eenzijdige maatstaf van de bevoorrechting van het talent hier
geenszins in toepassing kan worden gebracht. Maar daarbij komt nog
iets. Daar de belangen van alle medeleden in de dozijnen van serieën
en honderden van groepen persoonlijk van elkander verschillen; in eene
serie of groep, van twee of van meerdere weder harmonieeren, dezen
wederom in alle andere serieën en groepen in belang van elkander
uiteenloopen, is een intriguenspel ten gunste van enkele serieën
of groepen onmogelijk. In deze honderden, door elkander loopende en
elkander kruisende belangen, waarbij geen individu alleen iets vermag
en geen andere verbinding van gelijke belangen mogelijk is, moet ten
slotte wel het algemeen belang, en dus tegelijk het belang van allen,
op zich-zelve reeds zegevieren.
"Het regime van de serieën der aandriften, is de gewilde gerechtigheid,
die de voorhanden zijnde ondeugd, de zucht naar goud, omzet in den
dorst naar gerechtigheid."
De geheele verdeelingswet formuleert Fourier aldus: "De individueele
hebzucht moet door het collectief belang van elke serie en dat
der geheele phalanstère, als toebehoorende aan eene menigte van
serieën geabsorbeerd worden." En deze wet wordt bereikt, door de
direkte verhouding van het getal der frequente serieën, in omgekeerde
verhouding tot den duur van den arbeid; in de serieën op-zich-zelf. Met
andere woorden, tot hoe meer serieën het individu behoort en hoe
korter dientengevolge de enkele arbeidszittingen worden, zooveel te
lichter zal de neutraliseerende gerechtigheid in de verdeeling van
de arbeidsopbrengst zich voordoen. Met het getal der verschillende
belangen van de enkelingen, groeien ook de mogelijkheid van de meest
rechtvaardige verzoening en de eenvormigheid van het geheel aan.
De hebzucht werkt aldus ten slotte verzoenend in de harmonie. Maar
tegenover haar staat nog een tweede impuls van verzoening: de
edelmoedigheid. Bijvoorbeeld. Het komt er op aan een bedrag van 216
francs te verdeelen, zegt Fourier, onder negen medeleden eener groep,
waarbij het dan toevallig uitkomt, dat de rijksten en welhebbendsten
onder de negen groepsgenooten, tengevolge hunner verrichtingen het
meest uitgekeerd krijgen. Hierop verklaren dan de beide eersten,
dat zij hun kapitaalinkomen in aanmerking genomen, en ook om het
genoegen dat hen den arbeid gedaan heeft, zich met het minimum
zullen vergenoegen, hetgeen vier franken bedraagt. Dientengevolge
blijven en 52 franken over, om onder de overigen te verdeelen. Maar
het voorbeeld van de beide eersten volgen de anderen na, alleen deze
laten, met het oog op hun geringer vermogen, van het hen toekomende
maar de helft vallen, waardoor dus verder nog 20 franken te verdeelen
overblijven. De 72 franken worden nu onder vijf armere sociètaires
verdeeld, zoodat die 24, 18, 12, 9 en 9 franken krijgen.
Wanneer nu hieruit ook voortspruit, dat de rijkste sociètaires slechts
het geringst mogelijk arbeidsaandeel ontvangen--en het grootste
deel van hun inkomen trekken al naar de mate van hun kapitaal--dan
resulteert daaruit, dat hun aandeel in de algemeene opbrengst, in
omgekeerde verhouding staat tot den afstand waarin de kapitalen tot
elkander staan; want voor arbeid en talent bedoelen zij slechts het
kleinste aandeel in beslag te nemen. Daarentegen staat hun aandeel
in de algemeene opbrengst, met betrekking tot het kapitaalaandeel,
in directe verhouding tot de massa der kapitalen. Er komen hier,
evenals in de physieke wereld, twee tegen elkander inwerkende krachten
in aanmerking: de centripetale, welke hier de hebzucht is, en de
centrifugale, die hier de edelmoedigheid vertegenwoordigt.
Ook aan het bevolkingsvraagstuk, heeft Fourier een behoorlijken
aandacht gewijd. Juist in zijnen tijd n.l. kwam het boek van
Thomas Robert Malthus "Over de bevolkingsleer" uit, en werd veel
besproken. Malthus stelde de theorie op, dat de menschheid de tendenz
heeft zich in eene geometrische progressiereeks, dus in de reeks: 1,
2, 4, 8, 16, 32 enz., te vermeerderen; daarentegen vermeerderen de
voedingsmiddelen zich maar in eene arithmetischen reeks: 1, 2, 3, 4, 5,
6, 7, 8 enz. Uit deze, met elkander in tegenspraak zijnde tendenzen,
zou volgens Malthus, binnen vijf-en-twintig jaren--die voldoende zijn
om de verdubbeling van het aantal menschen voort te brengen--de aarde
zoo òverbevolkt zijn, dat de menschheid te gronde zal moeten gaan,
door gebrek aan levensmiddelen.
Fourier nu pakt het vraagstuk van zijne andere zijde aan. Hij huldigt
de grondstelling: stijgende produktiekrachten geven een stijging van
produkt, beiden staan tot elkander in onmiskenbare verhouding. Maar
zegt hij, "vergeefsch zullen de beschaafden naar middelen moeten
omzien, om eene vier- ja, honderdvoudige vermeerdering te bereiken,
die er noodig is, wanneer de menschen veroordeeld moeten blijven zich
te vermeerderen onder den tegenwoordigen socialen toestand, die,
tengevolge van oneconomische toepassing, der maatschappij dwingt,
gestadig het drie- of viervoud van het produkt op te koopen, om het
door de gewoonte bestendigde levensonderhoud der verschillende klassen,
mogelijk te maken."
Ten allen tijde in de beschaving was de bevolkingstoename, in
verhouding tot de voedingsmiddelen, een der klippen waarop de
politiek is gestrand. De Ouden kenden tegen de overbevolking geen
andere middelen dan uitzetting, kinderdooding en wurging van de
overtollige slaven.
"In sociètaire toestand", zegt Fourier, "werpt de natuur tegenover
de excessieve vermeerdering van de bevolking, vier werkzame dammen
op. 1e. De grootere kracht en de lichamelijke ontwikkeling der
vrouwen; 2e. de ruimere levenswijze; 3e. de phanegoramische zeden
en 4e. de gelijkmatige lichamelijke oefening van alle krachten. Wat
de grootere lichamelijke ontwikkeling aangaat, dat zien wij bij de
vrouwen in onze steden; op elke vier vrouwen die onvruchtbaar zijn,
komen drie robuste, terwijl daarentegen de zwakkere vrouwen ook de
vruchtbaarste zijn. Men zal zeggen, dat de vrouwen ten platten meest
robust en tóch ook vruchtbaar zijn. Dit is juist, zegt Fourier,
maar een bewijs te meer, dat alle vier middelen moeten worden
gecombineerd en met elkander verknocht moeten worden gemaakt. De
vrouwen op het platte land zijn vruchtbaar, omdat zij matig leven
en een grove, hoofdzakelijk vegetabiele voeding tot zich nemen. De
vrouwen uit de steden, leven meest weelderiger en geraffineerder,
en daarvandaan hare grootere onvruchtbaarheid. Verbindt men nu in de
harmonie, de lichamelijke krachtsontwikkeling der vrouwen met luxueuser
levenswijze en voeding, dan zal men daardoor twee werkzame middelen,
die de vruchtbaarheid tegenwerken met elkander verbonden hebben."
In de harmonie zullen de menschen dan ook later als tegenwoordig
hunne geslachtsrijpheid erlangen, omdat de niet-onderbroken en steeds
afwisselende lichamelijke oefeningen, alle ledematen in werking doen
komen en langeren tijd de levenskrachten opslurpen zullen. Zij zullen
aldus het oogenblik verlengen, waarop tengevolge van de ontbrekende
absorptie het overschot der sappen, onverwacht, de puberteit vóór het
door de natuurgewilde tijdstip, teweeg zoû brengen. Evenzoo zullen de
gelijkmatige gymnastische oefeningen bij de vrouwen, de vruchtbaarheid
tegengaan, en wel in die mate, dat eene vrouw, welke zwangerschap
wenschte, zich omgekeerd, door onthouding van lichamelijke oefeningen
en grootere industrieele inspanning, op dezen toestand zal moeten
voorbereiden. De ál te groote lichamelijke rust van de tegenwoordige
stedebewoonsters is het wel in hoofdzaak, welke de geslachtsdrift en
het zwanger worden doen stijgen. Een tegenwicht is er, in den regel,
niet aanwezig.
Fourier verklaart, dat de tegenwoordige beschaving, ongeschikt is
om het bevolkingsvraagstuk op te lossen. Hij toont dat aan, door op
Ierland te wijzen, welks bevolking in dezelfde mate verarmt, als het
in aantal afneemt; terwijl het aantal van de onder de ploeg genomen
acres land en het hoofdcijfer van de veekudden, steeds stijgen. De
roof aan grond en bodem begunstigt de kunstmatige ontwikkeling van
de industrie en het verkeerswezen en zoo, zegt Fourier dan ook, dat
de beschaving de "armoede uit overvloed" voortbrengt en dat dit "elk
euvel, elke ondeugd, welke de periode van het barbarisme slechts op
eenvoudige wijze gekend hebben, tot een tweezijdige maakt. Zij gaat
aan haar cercle vicieux, aan hare inwendige tegenspraken ten gronde."
Gelijk het menschelijk lichaam, zoo bezitten de maatschappijen
hunne vier, door bepaalde karaktereigenschappen zich kenmerkende
leeftijden, welke elkander opvolgen. Men kan nòch de opkomst, nòch
de nedergang van eene samenleving bepalen, zoolang men niet de zeer
verschillende karaktereigenschappen weet aan te duiden, welke eene
bepaalde samenleving bezit.
Onze natuurwetenschapsleeraren zijn, wanneer er sprake is van de
onderscheiding bij vrij nuttelooze planten, zeer scrupuleus. Waarom,
vraagt Fourier, zijn onze politici en economisten niet ook zoo,
waar het samenlevingen te beoordeelen geldt? Waarom volgen zij hier
niet de natuurwetenschappelijke methode, bij het onderscheiden hunner
kenmerkende eigenschappen?
Volgens Fourier, zijn de vier phazen der civilisatie en elk harer
kenmerkende eigenschappen, de volgende:
OPSTIJGENDE LINIE.
1. Phaze: Kindschheid.
Eenvoudige kiem Monogamie.
Samengestelde kiem Patriarchale of adellijke feodaliteit.
Steunpunt der periode Burgerlijke rechten der vrouw.
Tegenwicht Federatie der groote vazallen.
Toon of stemming Ridderlijke illusies.
2. Phaze: Jeugd.
Eenvoudige kiem Stedelijke privilegies.
Samengestelde kiem Zorg voor wetenschappen en kunsten.
Steunpunt der periode Bevrijding van den arbeid.
Tegenwicht Vertegenwoordigend stelsel.
Toon of stemming Illusies der vrijheid.
MIDDAGSPHAZE.
Kiem Zeevaartkunst, experimenteele chemie.
Karaktereigenaardigheden Ontgoochelingen, Staatsleeningen.
NEDERDALENDE LINIE.
3. Phaze: Mannelijkheid.
Eenvoudige kiem Handelsgeest, Fiskalisme.
Samengestelde kiem Maatschappijen op aandelen.
Steunpunt der periode Monopolie en Zeeheerschappij.
Tegenwicht Handelsanarchie.
Toon of stemming Economische illusies
4. Phaze: Ouderdomszwakte.
Eenvoudige kiem Banken van leening.
Samengestelde kiem Ondernemenden van een bepaald aantal.
Steunpunt der periode Industrieele feodaliteit.
Tegenwicht Heerschappij van monopolisten.
Toon of stemming Illusies over associatie.
Fourier merkt bij dit tableau op, dat hij die karaktereigenschappen,
welke aan alle vier phazen eigen zijn, niet heeft op den voorgrond
gesteld, maar slechts die, welke den eene of de andere phaze
karakteriseeren en die, welke met den eene of met de andere phaze
vermengd zijn. Zoo is de tweede phaze, waar in de Atheners leefden,
eene onvolkomene, eene bastaardachtige periode, die nog merkteekenen
van het barbarisme draagt en waaraan het steunpunt van de tweede phaze,
de bevrijding van den arbeid ontbrak. In Engeland en Frankrijk,
bevindt de civilisatie zich in de nederdalende lijn van de derde
phaze en neigt sterk naar de vierde, welker beide kiemen zij reeds
bezit. Deze toestand wordt door een zich sterk voelbaar makende
stagnatie aangetoond; het genie voelt zich vermoeid van zijne
onvruchtbaarheid en als een gevangene, het pijnigt zich tevergeefsch
af, om eene nieuwe gedachte voort te brengen. De fiskalische geest
aarzelt evenwel niet, de middelen te ontdekken om de vierde phaze te
organiseeren, die wel-is-waar een vooruitgang, maar geen vooruitgang
ten goede is. Er moet een tusschen-phaze geschapen worden, die de
civilisatie, in een garantietoestand overbrengen moet.
"Maatschappijen zoo goed als individuen gaan ten gronde," zegt Fourier,
"wanneer zij zich aan den woekeraars overgeven en het is een feit
van onze eeuw, van leening naar leening te hollen."
Fourier begeeft zich hiermede in een critiek der staatsleeningen. Opdat
een Staat door de geldmachten beheerscht, economisch en finantieel kan
worden uitgebuit en uitgeplunderd, moet men hem tot het sluiten van
leeningen verleiden. Maar met élke nieuwe leening wordt hem den strik
vaster om den hals gedraaid, evenals dit met den privaten persoon het
geval is. De staatsmacht, zegt Fourier, wordt zoodoende ten slotte een
werktuig in de handen der groote finantieele machten, die méér dan de
ministers den gang van zaken beheerschen en leiden; wetten decreteeren,
oorlogen voeren of verhinderen, al naar hun belang dat medebrengt. En
opdat de Staatsmachine naar wensch ga, de regeering ten allen tijde
door de contrôle hare afhankelijke positie bewust zij; opdat verder de
nodige bronnen van inkomsten in den vorm van belastingen van allerlei
aard tot rente-betaling en schulddelging aanwezig zullen zijn, heeft
men het vertegenwoordigend stelsel noodig, door middel waarvan de
hooge persoonaadjes, die de touwtjes der finantieën in handen hebben,
den hun nog ontbrekenden invloed op de gansche wetgeving en het
staatsbestuur erlangen, en den Staat tevens tot hunne melkkoe maken.
Onder de permanente euvelen van zijnen tijd, rekende Fourier de
heerschappij van de philosophen, die niet willen dat het volk tot
de erkenning zal komen van zijn oorspronkelijk recht en het recht
zal eischen, dat het bezit op een bestaansminimum, wat het alleen
maar gegarandeerd kan worden, onder het stelsel van de industrieele
aantrekking.
De maatschappij is overvuld van armen, hare gebreken laten zich
samenvatten in 12 hoofdpunten: 1e Eene minderheid, de heerschende,
bewapent slaven, die eene meerderheid, ongewapende slaven, in
toom hoopt. 2e Gebrek aan solidariteit der menigte en daardoor een
ongedwongen egoïsme. 3e Dubbelzinnigheid aller handelingen in de
samenleving en hare sociale elementen. 4e Inwendige strijd van de
menschen onderling. 5e Het onverstand tot principe verheven. 6e In
de politiek wordt de uitzondering als grondslag van den regel. 7e
Het hardnekkigste en taaiste genie wordt kleinmoedig gemaakt. 8e
Ongedwongen begeestering voor het slechte. 9e voortdurende verergering,
terwijl men gelooft verbetering aan te brengen. 10e Alzijdig ongeluk
voor de groote massa. 11e Het ontbreken van een wetenschappelijke
oppositie tegen de heerschende theorie. 12e Verslechtering der
klimaten. Het laatste door de verminking van de wouden en de daaruit
voortkomende uitdroging van de bronnen, hetgeen volgens Fourier,
noodzakelijk tegen het einde der eeuw, tot excessen van het klimaat
zal moeten leiden.
"De handel," zegt Fourier verder, "is het zwakke punt der civilisatie,
het punt waarbij men haar moet aantasten. In het geheim wordt de
handel, zoowel door de regeeringen, als door de volkeren gehaat. De
rechtschapen bezitter begrijpt niet eens de middelen, waardoor deze
agioteuren zich weten te verrijken. De economisten evenwel, slingeren
hunne anathema's naar de hoofden van allen, die deze grootaardigheid
van den handel verdacht willen maken. Welke schoone phrazes zijn er
niet tot mode geworden, ter hàrer verheerlijking?"
Fourier, die er van hield alles te ordenen en te klassificeeren,
doet zulks ook ten opzichte van het bankroet. De ware aard van het
bankroet te leeren kennen, hiertoe deden de philosophen, volgens hem,
al even weinig moeite, als zij dit deden, tot het leeren kennen van
de waren aard van den handel en van den woeker.
Napoleon I had gelijk, toen hij zeide, dat men het eigenlijke wezen van
den handel niet kent. Napoleon was bang geworden, door de ervaring die
hij opgedaan had, dat elke schade die men den handel toebracht, door
deze weder afgewenteld werd op de lagere en arbeidende klassen. Zoodra
de handel bedreigd wordt, trekt hij de kapitalen terug, zaait hij
wantrouwen, belemmert hij de circulatie. De handel is als den egel,
die men nergens aanvatten kan, zonder dat men zich zelf steekt.
Fourier meende dat er een overgangsstand moet worden geschapen, die
de civilisatie in den kortst mogelijken tijd kon leiden naar een
hoogere ontwikkelings-phaze en die hij overal, naar wij zagen die
der harmonie noemt. Een stelsel dat in de eerste plaats den handel
van zijnen troon moet stooten.
Hij stelt voor, dat de regeering zich van de banken, zoowel als
van den handel meester maakt. Dit kan geschieden langs tweeërlei
wegen. Een bruske en een zacht dwingende; een concurreerende en een
ondergravende. Ook zijn beide methoden te vereenigen.
Hij veronderstelt dat er een koning bestond van het vaste en niets
ontziende karakter van een Mahmud II (Sultan van 1808 tot 1839),
die aan dwangmaatregelen in dezen de voorkeur geeft. Deze zal de
geheele arme klasse, welke niets bezit, vereenigen en staatshoeven
organiseeren. Men kan rekenen, dat het aantal van hen die geheel
zonder middelen zijn, ongeveer een tiende van de bevolking bedraagt
en op elke vierhonderd familiën veertig arme familieën wonen. Elke 200
personen vormen dan een staatshoeve, die hare noodzakelijke gebouwen,
stallen, vee, grond, werktuigen enz. bevat. Dit aantal is groot
genoeg, om een doelmatig en niet kostbaar bestuur, afwisselenden
arbeid en een lucratieve opbrengst te verzekeren. Deze staatshoeven
moeten zich dan aansluiten bij de industrie, het instituut van het
gefixeerde ondernemerschap van private personen, die van jaar tot jaar
toegelaten zullen worden, onder voorwaarde, dat zij van jaar tot jaar
progressief stijgende retributieën aan den Staat hebben te betalen. Een
maatregel, zegt Fourier, die twee werkingen hebben zal. Ten eerste:
den Staat hooge inkomsten te bezorgen, ten tweede: den onbemiddelden
het ondernemerschap onmogelijk te maken of hen zal dwingen, het op
te geven. De aldus vrijkomende bevolking wordt daardoor naar de
staatshoeven gedrongen; de inkomende belastingen moeten evenwel,
nevens tot de dekking der staatsuitgaven, aangewend worden tot
delging der staatsschulden. Fourier stelt voorop, dat deze inkomsten
ten slotte zeer hoog zullen worden en een belangrijk deel van de
ondernemerswinst absorbeeren zullen, zoodat het private-ondernemerschap
alsdan onmogelijk zal worden en er een toestand zal worden geschapen
gelijk die noodig is, om tot de phaze van de "harmonie" te komen,
welk Fourier beschouwt de hoogste vervolkomening en de vervolmaking
van het menschelijke leven op aarde te zijn.
Fourier stierf te Parijs den 10en Oktober 1837. Op zijn grafsteen staat
gebeiteld: "Hier liggen de overblijfselen van Charles Fourier. De
serie verdeelt de harmonieën. De attracties staan in verhouding tot
de bepalingen."
Tot Fourier's meest bekende en meest ijverige scholieren behoorden:
Victor Considérant, een voormalig genie-officier, die het hoofdwerk
der Fouriersche school: "Destinée sociale, exposition élémentaire
complète de la theorie sociétaire" vervaardigde.
Hij vestigde na veel moeite een phalanstère te Texas "La Reunion"
genaamd, die echter in 1869 te niet ging.
Ook andere pogingen tot het oprichten van dergelijke phalanstères,
n. l. in 1832, nog tijdens Fourier's leven, door Baudet-Dulary in
het leven geroepen en een in Citeaux bij Dijon, met de finantieele
hulp van den engelschman Arthur Young; ook een in Algerije, allen
mislukten eveneens na korter of langer tijd.
Tegelijkertijd met de Saint-Simon en ook met Fourier, werkte en
streed er in Engeland een man, die minder dan de twee eersten, in
geschriften zijn denkbeelden had uiteengezet, maar meer een man was
van de daad. Die man was Robert Owen.
ROBERT OWEN
werd den 14de Mei 1771 te Newtown, een landstadje in Montgomeryshire
(Wales) in Engeland, geboren, waar zijn vader winkelier
en posthuishouder was. Zijn moeder stamde uit een geachte
pachtersfamilie. Robert was de jongste van zeven kinderen.
Na in het stadje zijner inwoning de school te hebben doorloopen,
kwam hij bij een koopman in Stanford in de leer, een zekere Mac
Guffog, die zich-zelf in zaken er bovenòp had gewerkt. De jonge Owen
bleef hier vier jaren en benuttigde zijnen vrijen tijd met lezen en
studeeren. Elke minuut die hij van de zaken af kon nemen, wijdde
hij aan de studie der mathematiek, de natuurwetenschappen en der
geschiedenis. Ook hield hij zich met godsdienstige studiën niet onledig
en werd hij al spoedig een twijfelaar in theologische aangelegenheden.
In 't jaar 1795 ging Robert Owen naar Londen met aanbevelingen van
zijn patroon, die hem ongaarne van zich vertrekken zag. Hij vond hier
een betrekking voor 25 L. S. (300 gulden) jaarlijksch, voor een knaap
van 14 jaar, eene gunstige positie in die dagen. Vandaar ging hij in
betrekking in Manchester, eene positie die hem 15 L. St. per jaar méér
opleverde. Minder noch om het salaris, dan wel om eene andere reden,
nam hij de hem aangeboden nieuwe positie aan. De katoenindustrie had
in die dagen reuzenschreden gemaakt en hare hoofdzetel was Manchester.
Het was overigens een geweldigen tijd. Eene machtige sociale revolutie
voltrok zich in Engeland. Terwijl in Frankrijk de politieke revoluties
als het ware over elkander vielen, vond er in het geheim, zonder dat
het iemand zag of kon zien, een revolutie in de maatschappelijke
verhoudingen in Engeland plaats, die bewerkstelligd werd door den
stoom en de stoommachine. Watt had de stoommachine, Arkwright had
de spinmachine en Cartwright had de stoomweefstoel uitgevonden. De
kleinproductie ging haren ondergang tegemoet en de handspinmachine en
de handweefstoel, zij moesten het afleggen tegen den met stoom gedreven
industrie van de groote fabrieken. De in 't raam van de kleinproductie
passende verhoudingen, deugden niet meer. Een zee van ontketende
"vrije concurrentie"--het hoofdleerstuk der staathuishoudkunde van den
econoom Adam Smith--was nu de industrieele maatschappij geworden. De
golven sloegen al hooger en hooger, en wie niet met goed uitgeruste
schepen kwam, ging onder. De machinekrachten ontketenden den strijd
van "allen tegen allen", een eeuw vroeger door den philosoof en
staatsrechtsleeraar Thomas Hobbes zoozeer voorzien.
Niet alleen mannen, ook vrouwen en kinderen togen bij massa's naar die
groote fabrieken met hunne rookende schoorsteenen, hunne stampende en
ratelende machines. De groot-industrie begon haar hoogtijd te vieren
in Engeland, het eerste land dat daarvoor rijp was.
Robert Owen zag dat alles, maar hij zag ook tegelijkertijd, dat de
groot-industrie de produktie op geweldige manier deed toenemen. Hij
zag zoowel voor- als nadeelen van het nieuwe stelsel. En meer dan
iemand van zijnen tijd, heeft hij het ook begrepen. De jonge man
peinsde op middelen, zon op een stelsel om de voordeelen te behouden,
maar de nadeelen zooveel mogelijk te neutraliseeren.
Hij wilde aanstonds katoenfabrikant worden, want hij was inmiddels
in bijna alle geheimenissen van dat vak doorgedrongen. Maar toen hem
intusschen in 1789 een mechanikus met name Jones, dien hij had leeren
kennen, den voorslag deed, om met hem gezamenlijk een fabriek op te
richten, tot vervaardiging van nieuwe machines voor katoenfabrikatie,
greep hij dit denkbeeld aan en zeide zijne betrekking op. Hij werd
machinefabrikant met een kapitaal van 200 pd. sterling, dat hij
van zijn broeder in Londen had geleend. Jones evenwel betoonde zich
ongeschikt, en hij wilde ook geenerlei raad aannemen en in dat geval
hield Owen het voor geraden zijn deelhebberschap aan een kapitalist te
verkoopen en uit de zaak te treden, om tot zijn oorspronkelijk beroep
terug te keeren. Voor het ontvangen geld, richtte hij een gehuurd
fabrieksgebouw in, dat hij voor het grootste gedeelte aan anderen
onderverhuurde en stelde, in de hem overblijvende ruimte een paar
spinmachines op. De ervaringen die hij in zijn korten loopbaan als
machinefabrikant had opgedaan, kwamen hem nu voortreffelijk te stade
en in korten tijd had hij zich een goede cliëntèle verschaft. Alleen
het gebrek aan kapitaal, hinderde hem bij elken stap, dien hij wilde
doen. Tot dat men hem op zekeren dag mededeelde, dat een zekere
heer Drinkinwater, een rijke katoenfabrikant, wiens ouden chef hem
plotseling had verlaten, een nieuwen chef zocht. Owen nam een snel
besluit en bood zich aan. De heer Drinkinwater nam aanvankelijk den
nog geen twintigjarigen jongeling, die zich vermat aan het hoofd
te willen komen van eene der grootste katoenfabrieken van toenmaals
in Engeland, eens op. En met een blik waarin verbazing, zoowel als
geringschatting lag, zeide hij tot Owen: "U is mij te jong!"--"Voor
vier of vijf jaren was ik het wel," antwoordde de jonge Robert.--Nog
grooter verbazing bij den heer Drinkinwater; hij dacht voor het lapje
te worden gehouden. "Hoeveel malen per week bedrinkt u je wel?" vroeg
hij.--"Ik was nog nooit in mijn leven beschonken," antwoordde Owen
heel droog.--"Hoeveel salaris vraagt ge?" begon na een korte pauze
den fabrikant. "Driehonderd pond sterling!" was wederom het korte
antwoord van Owen. Het bleek dat zijn manier van antwoorden, den
grooten fabrikant zoozeer imponeerde, dat hij informaties inwon,
en het resultaat was dat Owen de betrekking kreeg.
Dit was in 't jaar 1791, toen de fransche Revolutie op haar hoogste
punt was gekomen. De jonge Owen had voor politieke kwesties een niet
zeer levendige belangstelling. Of de gebeurtenissen in Frankrijk een
grooten indruk op hem gemaakt hebben, is niet gebleken. Praktische
vragen, vraagstukken die in onmiddellijk verband stonden met het leven,
hadden evenwel zoo veel te meer steeds zijne groote belangstelling
bezig gehouden.
De heer Drinkinwater had geen reden om zijn besluit te betreuren. De
jonge Owen bracht weldra orde in het bedrijf en vervolkomende de
machinerie dermate, dat de fabriek binnen korten tijd, gelijk erkend
werd, het beste en fijnste spinwerk van Engeland leverde. Daarbij kwam,
dat de arbeiders goed werden betaald en humaan werden behandeld. Nadat
een jaar verstreken was, wilde de heer Drinkinwater dan ook van geen
veranderen meer weten; hij verhoogde ten dien einde dadelijk Owen's
salaris tot op 400 pd. st. en verplichtte zich, om, na het derde jaar
dat Owen in zijn dienst zou blijven op een salaris van 500 pd. st.,
hij hem als deelgenoot in de zaak zou opnemen.
Voor dat het contrakt tot stand kwam, verliet Owen de zaak, om eene,
naar hij later zelf toegaf, door hem verkeerd opgevatte handelwijze
des heeren Drinkinwater en richtte in Manchester eene eigene spinnerij
op, echter een voor zulk soort garens, die niet in de fabriek des
heeren Drinkinwater vervaardigd werden, ten einde dezen geen schade
te doen. De onderneming gelukte en Robert Owen werd wat men noemt een
"gemaakt man", door andere fabrikanten met jaloerschheid aangezien;
bewonderd als man van zaken en uitgekreten als een zonderling, omdat
hij absoluut geen vermaak vond in de gezellige omgang dier heeren,
die hun geld en hunnen tijd doodsloegen, terwijl hij zijnen vrijen
tijd doorbracht in litterarisch en philosophisch gezelschap; slechts
met menschen willende verkeeren, waarvan hij meende iets te kunnen
leeren. Hij stelde er meer een eer in, om te gaan met mannen als:
Coleridge, de dichter, Dalton, de scheikundige en Fulton, de uitvinder
van het eerste stoomschip, welke laatste hij vooral met beduidende
geldsommen steunde.
En als Owen wel eens in het gezelschap was van zijne collega's de
fabrikanten, dan had hij zulke verschrikkelijke plannen op te stellen
en ideën te verkondigen, dat het er den anderen koud van werd.
Deze denkbeelden echter liet daarom Owen niet varen, in tegendeel,
zij trokken hem juist aan. Wij zijn hier aangeland bij het keerpunt
in Robert Owen's leven, daar waar hij van een privaat-ondernemer,
een historische beteekenis krijgt als sociaal hervormer.
Tegen het einde der 18e eeuw kwam Owen, op een handelsreis zijnde,
te New-Lanark in Schotland aan. Daar leerde hij een zekere heer Dale
kennen, den eigenaar van een aantal fabrieksinrichtingen aldaar. De
kennis met den vader, leidde tot kennismaking met de dochter; de
kennismaking leidde tot liefde en Owen werd met den vriend, ook
den schoonzoon van den heer Dale en alras den medeeigenaar van de
fabrieken te New-Lanark. In 1800 nam hij de leiding van de gezamenlijke
fabrieken aldaar, bekend onder den naam van "New-Lanark Mills" over,
met inbegrip van alle daarbij behoorende établisementen.
De fabriek van den heer Dale was door hem en Richard Arkwright, de
beroemde uitvinder van de spinmachine, in 1784 opgericht geworden,
toen de katoenspinnerij in Schotland het eerst werd ingevoerd. De
voordeelen, die de waterkracht van de Clyde aanboden, had de keuze
bepaald van deze plaats, die overigens niets aantrekkelijks had. Het
land rond er om heen was onbebouwd; de inwoners dun gezaaid en zeer
ruw, bijna wild; de wegen zoo slecht dat zelfs de hartstochtelijkste
liefhebbers van natuurschoon het niet licht wagen dorsten tot deze
oorden aan de Clyde-watervallen, al te diep door te dringen. Men
moest "handen" hebben voor de fabriek, geen gemakkelijk iets, daar
de bevolking van de plaats geen bijzondere trek had in het werken
in gesloten ruimten. Kinderen voor den fabrieksarbeid waren er in 't
geheel niet te krijgen. Men moest zich dus wenden tot de "werkhuizen"
in het Engeland van die dagen, niet ten onrechte de "Bastilles van den
armen" genoemd, ten einde kinderkrachten te bekomen. En had zoodoende
500 kinderen bij elkander gekregen, meest uit Edinburgh, die in een
daarvoor gebouwd groot huis tezamen werden gebracht, om gekleed,
gevoed en opgevoed te worden.
Ter aanlokking van arbeiders uit andere oorden, bouwde men een dorp om
de fabriek en verhuurde de huizen tegen een lagen prijs. Maar de arbeid
was er zóó impopulair, dat men bijna geen arbeiders kon krijgen, anders
dan verworden menschen en werkeloozen; van alle middelen ontbloote
individuen; menschen die over het algemeen, zedelijk zeer laag en
voor den arbeid bijna onbruikbaar waren, kortom het uitschot van de
armen. En niet zoodra hadden dezen door eenigen tijd te arbeiden er
geheel den slag van gekregen of zij werden weerspannig en onhandelbaar.
Voor de kinderen was naar de toenmaals heerschende begrippen, vrij
goed gezorgd. De lokaliteit waar zij gehuisvest waren, was ruim,
de kamers vrij goed, de kost en de kleeding voldoende. Ook was er
voor voldoende geneeskundige hulp en verzorging, goed onderwijs en
behoorlijk toezicht zorg gedragen. De armenvoogden echter, verlangden
dat de kinderen reeds op 6-jarigen leeftijd zouden opgenomen worden. De
kinderen moesten dus van des morgens 6 tot des avonds 7 uur werken met
de grooten tezamen en daarna eerst, konde men hen onderwijs geven. De
gevolgen daarvan bleven niet uit; de kinderen liepen weg als zij
eenigszins daartoe in staat waren, om naar Glasgow en Edinburgh te
gaan en daar dan dikwijls hunnen ondergang te vinden. Maar alles was
hen liever dan 13 uren per dag te werken onder menschen, zooals het
arbeidspersoneel van den heer Dale was.
Owen spreekt den heer Dale vrij van schuld; niet zijn wil was het,
dat de kinderen reeds met hun zesde jaar aan de spinmachine moesten
staan, zegt hij, maar die van het Armentoezicht, dat tot elken prijs
natuurlijk, van de arme, verlaten, ongelukkige kinderen af wilde zijn.
En wat de toestanden aangaat, zegt hij: "als deze nu zoo waren bij
goede werkgevers als den heer Dale, kan men nagaan hoe het er moet
hebben uitgezien bij de slechten."
De toestand van de dorpelingen van New-Lanark was dan ook eene
hoogst ongunstige. Drankzucht, luiheid en armoede waren er heer en
meester. Stelen was er aan de orde van den dag en in 't bijzonder
scheen het een formeel recht te zijn, zich aan den eigendom van den
heer Dale te mogen vergrijpen. Ook heerschte er een godsdienstig
sekte-fanatisme van de allerergste soort. De eene groep van een
zeker soort geloovigen verketterde den andere, en dit werd er niet
beter op, doordien den heer Dale zelve partij koos voor eene der
vele secte-gelooven.
Nog een groot euvel was er, doordien de menschen van New-Lanark,
tengevolge van den grooten afstand van de marktplaatsen veel te dure
prijzen moesten betalen voor hunne levensmiddelen, hetgeen, naar te
begrijpen was onder hen een even groote bron van ontevredenheid, als
het voor den diefstal van andermans eigendom, een groote prikkel was.
Het geheel evenwel scheen, met al zijn euvelen en al zijn ellende een
terrein te zijn, alwaar iemand als Robert Owen zich op tehuis gevoelen
kon. Dadelijk overzag hij het geheel en besloot hij onmiddellijk de
zaak radikaal aan te pakken. Hij ondernam een grondige hervorming. De
enorme moeielijkheden die hij hierbij ondervond verhoogden zijnen
ijver slechts. Hij deed als een wetenschappelijk ontdekker, die hoe
moeielijker de taak, dien hij zich gekozen had werd, met te meer
lust aan de nieuwe studie ging, wetende zijn doel toch te zullen
bereiken. Hij verklaarde zijnen vrienden, dat hij zou inwijden een
geheel nieuw systeem, dat geheel gebaseerd zal zijn op gerechtigheid
en goedheid, dat hij zijn hoofdoogmerk zoû wijden aan de opvoeding
van de kinderen, en alle straffen zoû afschaffen en zou weten te
vervangen door moreele middelen. Men lachte hem uit; maar de lachers
werden hier wel zeer beschaamd gemaakt.
Owen toog aan den arbeid. "Onwetendheid," schrijft Owen's biograaf
Sargent, "immoraliteit, godsdienstige huichelarij, overmatige
arbeidstijd, verduurdering van levensmiddelen, en om op dit alles den
kroon te zetten, een hardnekkig vooroordeel dat men het tegen Owen
"den Engelschman," wiens spraak den schotschen hoog- en laaglanders
bijna niet verstonden, dat alles stond hem in den weg. Hierbij kwam
nog, dat de andere deelnemers hoofdzakelijk het oog hadden gevestigd
op de winsten, die er te maken vielen en alles van een zakenstandpunt
bekeken."
De arbeiders wantrouwden de geheele zaak eveneens. Zij immers waren
zoozeer gewend te worden geëxploiteerd, dat zij onmiddellijk achter
elke vernieuwing van de dingen, eene poging zagen, om meer uit hunne
arbeidskracht te halen. Geen wonder dus, dat er in de eerste twee jaren
slechts weinig was volbracht. "Er was geen middel," schrijft Owen zelf,
"dat er niet tegen mij werd gebruikt; en de vesting van vooroordeelen
en misbruiken die te veroveren was, en wier verovering ik mij vast
voorgenomen had, werd dan ook systematisch en op hardnekkige wijze
tegen mij verdedigd."
Owen was echter te verstandig om met geweld te werk te gaan.
Hij zag in, dat de noodzakelijkste veranderingen zeer talrijk waren
en niet in één handomdraaien gedaan waren te krijgen, temeer, daar
hij van geen enkele zijde op medewerking te rekenen had. De beambten
der fabriek zagen in hun patroon een phantast, die de zaak te gronde
zou richten met zijne plannen en zij verklaarden liever hunne plaatsen
aan de fabriek te zullen verlaten, dan zich te zullen leenen tot zulke
belachelijke dingen, als Owen die met de fabriek voorhad. Hij moest
zich dus voor alles een vasten bodem onder de voeten scheppen, waarop
hij het gebouw zijner wenschen moest vestigen. Maar dit niet alleen,
hij moest zich ook het noodige bouwmateriaal zelf verschaffen. Het
voornaamste was in dat opzicht, mannen te krijgen, die hem bij
zijnen arbeid ondersteunen konden en genoeg vertrouwen in zijn zaak
hadden. Dat was niet gemakkelijk, maar gegeven de uitmuntende takt
die Owen bezat om met menschen om te gaan, om uit ieder te halen wat
erin zat, was deze moeielijkheid geene onoverkomelijke. Hij vond dan
ook wel de noodige krachten.
En nu ging hij met onvermoeiden ijver aan den gang tot het volbrengen
van zijne tweeledige taak: verbetering van het lot der volwassenen
en de opvoeding der kinderen.
Het was vóór alles noodig, in de fabriek-zelf eene zekere orde
te herstellen, omdat het gebrek aan systeem en de wanorde die er
heerschten, werkelijk de fabriek met een bankroet bedreigden, zelfs
onder het oude regime. Repressie-maatregelen, daaraan dacht Owen
niet. Wat zou het hem baten, een paar dozijn "handen" in het tuchthuis
en enkelen aan den galg te brengen? Daarmede waren noch de fabriek,
noch de menschen zelf gebaat, noch hadden Owen's plannen, die hij
met de menschen voor had, daarbij maar eenigszins een voordeel gehad.
Owen geloofde niet aan wat men den "persoonlijken schuld" noemde,
daarvoor had hij een te diep inzicht in de omstandigheden, waaronder
die menschen van New-Lanark leefden en wat dezen van hen hadden
gemaakt. Owen zag dus van elk soort van bestraffing af. Hij zocht het
mistrouwen der werklieden op verstandsgronden te overwinnen, door
beleering hen de dingen te verklaren en door hen louter en steeds
op hun belang te wijzen, dat hen gebood eerlijk en arbeidzaam te
zijn. Ten einde de dieverijen op de fabriek tegen te gaan, trof hij
zeer vernuftige maatregelen, welke de ontdekking van de misdrijven
zeer verlichten en, als 't ware, het politietoezicht in de handen
der arbeiders zelven legde.
Het was Owen's doel geenszins een modelfabriek te stichten, hem was
de sociale zijde van de hervormingen veel meer aangelegen, dan aan
de mercantiele zijde van het vraagstuk. Maar het ging bij hem hierom,
een modelsamenleving op kleine schaal in te richten.
De fabriek was Owen slechts middel tot dat doel. Door haar zocht hij
zijn hervormingsplannen te verwezenlijken, die met de vooruitgang
in de praktijk van den dag, telkens grootere afmetingen begonnen aan
te nemen.
De inrichtingen van New-Lanark waren Owen's proefstation voor sociale
hervormingen. Door deze maatschappij-in-het-klein wilde hij der
maatschappij in het groot, een bewijs leveren van de juistheid en
de uitvoerbaarheid van zijne sociale hervormingsplannen. Door deze
wilde hij beproeven, praktisch de argumenten te weêrleggen van hen,
die zijn plannen misschien in theorie prachtig, maar in de praktijk
voor onuitvoerbaar verklaarden.
Het duurde niet lang of te New-Lanark was er zóóveel verbeterd, dat
de spotters en de lachers, althans niet meer zoo luide lachten en de
twijfelaars tot nadenken gestemd werden. Het stelen hield op, zonder
dat er één arbeider gerechtelijk vervolgd was geworden. En het optreden
en de manier-van-doen van de arbeiders, niet alleen binnen, maar
ook buiten de fabriek, was geheel anders geworden. Dronkenschap werd
steeds minder en dat, zonder dat men de drankwinkels in het dorp had
doen sluiten, wat men Owen aangeraden had. Owen was persoonlijk geen
vijand zoozeer van het alkoholgebruik als zoodanig, maar beschouwde het
drinken en wel, het zich bedrinken, in verband met de maatschappelijke
omstandigheden der arbeiders. Hij vroeg zich af, hoe het kwam, dat de
menschen zulk een misbruik maakten van den alkohol en kreeg allereerst
de overtuiging, dat dit voortsproot uit gebrek aan phijsiek voedsel,
dat den menschen dwong, kunstmatige prikkels tot zich te nemen.
Ten tweede ontbrak het den menschen aan een goed en behoorlijk
"tehuis," aan een behoorlijk en gezellig familieleven, waardoor zij
zich in de kroeg meer thuis gevoelden, dan in hunne eigene woning. Ten
derde kwam het, omdat de menschen geestelijk op een te laag standpunt
stonden en verwaarloosd waren. De meesten van zijn fabriekarbeiders
konden niet eens lezen! Het was dus geen wonder, dat zij geen
denkbeeld hadden van hooger levensgenot en van geestelijk leven,
eene der beproefdste middelen, om de menschen uit de kroeg te houden.
Owen ging planmatig te werk. Hij onderdrukte het "Trucksysteem,"
hetwelk, zooals overal in Groot-Brittanje, ook in New-Lanark in
zwang was, en de arbeiders waren aldus niet meer gedwongen hunne
levensmiddelen te koopen waar die duurder en slechter waren, dan
overal elders. In plaats daarvan stichtte Owen eene coöperatie,
de eerste die bestaan heeft en zeker niet de minst slechte. Hij
kocht waren van de allereerste kwaliteit in het groot en deed ze
aan de arbeiders die ze koopen wilden--gedwongen was men niet--tegen
den kostenden prijs van de hand. Alleen de kosten van beheer werden
hen in rekening gebracht. Het gevolg was, dat weldra alle arbeiders
deelnamen en dat de bevolking van New-Lanark binnen vrij korten tijd,
tot de bestgevoede en de bestgekleede van Engelands arbeidersbevolking
behoorde. Voor de ongehuwden werd een kost- of eethuis opgericht,
eveneens op coöperatieven grondslag, waarin voor hunne voeding en
hunne kleeding den meesten zorg werd gedragen.
Owen liet vervolgens de slechte woningen afbreken en liet er "Cottages"
bouwen van zijne eigene vinding en naar zijne eigene aanwijzingen,
met ruime lustige woon- en slaapkamers, een praktische keuken erbij
en tevens een stukje tuingrond eraan verbonden, om groenten, ooft en
bloemen te kweeken. Voor de kinderen werden bovendien speelplaatsen
opgericht. De nieuwe woningen, met de daarbij behoorende tuintjes
werden voor een lagen prijs verhuurd, zoodat niet meer dan de rente
van het kapitaal in rekening gebracht werd, die opgebracht moest
worden. Niet lang daarna verlieten alle arbeiders hunne ellendige
krotten, om de woningen van de fabriek binnen te trekken.
Een moeielijker werk leverde de geestelijke verheffing van de arbeiders
op. Hier moest tegelijkertijd, van twee kanten uit worden begonnen. Met
bloote opvoeding van de kinderen was men alleen niet klaar, ook de
reeds opgegroeide generatie mocht niet onverzorgd gelaten worden. Voor
de jeugd was een groote school opgericht die binnen korten tijd, onder
de persoonlijke leiding van Owen, tot een modelschool werd. Geschikte
leeraren en leeraressen werden gevormd en aan de school verbonden;
het slaan was streng verboden. De kinderen werden er onderwezen in
lezen en schrijven, in mathematiek, in geschiedenis, geographie en
meer praktische vakken.
Voor volwassenen werden aparte onderwijsklassen opgericht, leeszalen
en een bibliotheek gesticht en in weerwil dat voor de deelname aan
alle deze dingen geen dwang was ingevoerd, was de deelname weldra
zoo algemeen, dat na eenigen tijd New-Lanark, behalve den grijsaards
geen inwoner meer had, die niet ter dege kon lezen en schrijven. Het
intellektueele peil der bevolking rees dan ook zeer schielijk en kwam
zeker boven het doorsneêpeil van de fabrieksplaatsen, in het Engeland
dier dagen te staan.
In de fabriek werd de behandeling eveneens op veel humaner en
praktischer manier ingericht, dan dit voorheen het geval was. Straffen
waren principieel verboden. Goede loonen werden betaald en Owen wist
de menschen het snel duidelijk te maken dat, hoe beter zij arbeidden,
des te meer dan hunne loonen zouden stijgen, en dat dan ook zooveel
te meer zoude gezorgd kunnen worden, voor hunne moreele en materieele
verheffing. Hij maakte er voor de menschen geen geheim uit, dat ook
dan de eigenaren van de fabriek daar beter bij zouden varen. Maar door
te wijzen op hetgeen hij had gedaan, en op hetgeen hij voornemens was
daarenboven te doen, kon hij met een goed geweten verklaren, dat voor
hem de fabriek geen doel, maar een middel was, om tot de oplossing te
komen van het problema, de arbeid die tot dusver voor den arbeiders
een vloek geweest, voor hen in een zegen te doen veranderen.
En de eenige dwang, welke hij uitgeoefend had, was eene moreele,
n.l., de dwang van de publieke opinie.
Ten einde, om zoo te zeggen, een soort gerecht onder de arbeiders,
uit de arbeiders zelven te verkrijgen, voerde Owen den "Silent Monitor"
("stille vermaner") in. Hij liet voor elken arbeider vier borden maken,
van verschillende kleur: een wit, een blauw, een geel en een zwart. De
eerste was goed, de tweede tamelijk goed, de derde middelmatig en de
laatste onvoldoende. Al naar het werk van de week uitviel, liet Owen
een der vier borden naast den arbeider neerhangen, op den Maandag
waarop het werk aanving, zoodat dan elkeen kon oordeelen over eens
anders arbeid en gedrag. Deze borden hadden bovendien nog dit voor,
dat de arbeiders die hunnen plicht niet gedaan hadden, geen standjes
kregen, maar zelven zien konden hoe men over hun werk dacht. Owen
controleerde zelf deze borden steeds en zorgde voor de meest stipte
gerechtigheid bij hunne verdeeling.
Owen ging misschien hier wat schoolmeesterachtig te werk, maar
het was hem liever aldus te handelen, dan eene heerschappij van de
fabrieksopzichters langer te handhaven. Hij wilde den arbeiders dan
ook niet anders opvoeden dan met moreele middelen, als een werkelijk
pedagoog.
In New-Lanark, werd door Owen in 't jaar 1809 de eerste
kleine-kinderenbewaarplaats en kleine-kinderenschool opgericht die
er tot dusver bestond, en alle scholen van dit soort waren geschoeid
op de leest van Robert Owen's eerste stichting van dien aard.
In een rede door Owen in 1812 te Glasgow gehouden, ter eere van
zijnen vriend Lancaster, den beroemden schoolhervormer, zijn zijne
grondstellingen over opvoeding neergelegd.
Hij zeide daarin: "Wat is de oorzaak van de lichamelijke en geestelijke
verschillen, welke wij in 't algemeen onder de menschen waarnemen? Zijn
zij ons aangeboren, of ontstaan zij uit den bodem, waarop wij ter
wereld komen? Noch het een, noch het ander. Deze verschillen zijn
eenig en alleen: werkingen van verschillende omstandigheden en van
de opvoeding. De mensch wordt een ruwe en een gruwzame wilde, een
kannibaal--of een beschaafd en een goedaardig wezen, al naar mate van
de omstandigheden, waarin hij van zijne geboorte af is gekomen. Hieruit
volgt dus, dat het cardinale punt voor ons is, te overwegen of wij
deze omstandigheden beïnvloeden, of wij ze beheerschen kunnen; en
als dit zoo is, in welke mate wij dit kunnen doen.
"Stellen wij het geval eens, ten einde eene proef te nemen brachten
wij bijv. een aantal pasgeboren kinderen uit ons geboorteland naar
ver-afgelegen landen, leverden ze daar aan de inboorlingen over en
lieten ze daar achter. Zouden wij één oogenblik hebben te twijfelen
aan het resultaat? Neen! De kinderen zouden gezamenlijk, zonder
uitzondering, gelijk worden aan elke gewone inboorling en van die in
karakter niet verschillen.
"En zouden op gelijke manier, een zeker aantal van jongegeboren
kinderen tusschen het "gezelschap der vrienden" ("genootschap van
kwakers") eenerzijds en tusschen het verwaarloosde gedeelte van de
Londensche bevolking welke St. Giles bewoont anderzijds uitgeruild
worden, dan zouden de kinderen van de eersten, opgroeien en gelijk
worden aan die van de laatsten; vóórbestemd voor elk misdrijf,
waarentegen de kinderen der laatsten tot evenzoo matige, goede
zedelijke menschen opgroeien, gelijk de eersten dat zijn."
Dit waren, in 't kort, de grondprincipes van Owen; de beginselen van
zijn sociaal systeem, welke hij sedert 't jaar 1812, toen hij met zijne
agitatie begon, en in een gansche rij van brochures, voordrachten
voor het volk en in tal van memories aan staatslieden nederlegde:
"de mensch is het produkt der omstandigheden; ellende en misdaad,
zij zijn de gevolgen van de onnatuurlijke levensverhoudingen."--Het
moet alzoo onzen taak zijn, op de invoering van andere verhoudingen te
werken. En dit is in het belang van alle menschen, omdat alle menschen
zonder uitzondering, onder de bestaande omstandigheden te lijden
hebben. Elk mensch heeft een gelijk recht op welzijn, voorzoover dit de
vooruitgang van de beschaving en de stand der produktie mogelijk maken
en op de hoogst mogelijke graad van ontwikkeling, voorzoover dit zijn
lichamelijke en geestelijke eigenschappen mochten vereischen. Daarom
is het volgens Owen, eene maatschappelijke noodzakelijkheid, dat alle
kinderen een zoo goed mogelijke opvoeding verkregen, opdat de huidige
klassebevoorrechting in dit opzicht, ten minste niet meer heerschen,
en voor eene organisatie plaats maken zal, waarin elk lid van de
samenleving arbeiden kan voor de gemeenschap en deze hem wederkeerig,
een menschwaardig bestaan daarvoor in ruil waarborgen kan.
Robert Owen vergenoegde zich niet met de hervormingen aan zijn eigen
fabriek te New-Lanark, hij strekte zijne bemoeiingen ook uit over
geheel Engeland. Het was een boozen tijd voor Engeland. De Coalitie-wet
verbood den arbeider op elke manier, zich te vereenigen. De
omstandigheden waren evenwel té verschrikkelijk voor den arbeiders,
dan dat zij zich zoo maar konden nederleggen bij hetgeen er in 't land
gebeurde. De wetten dreven hun echter tot het plegen van daden van
geweld. Vooral de jaren van 1814-1824, kenmerkten zich door geweldigen
strijd. In 't laatste jaar werd toen de coalitie-wet eerst ingetrokken,
door het werken van het parlementslid Joseph Hume.
Robert Owen begreep, dat voor de kinderen althans iets moest worden
gedaan. In 1802 was er reeds een wet op de kinderarbeid in het
Parlement tot stand gekomen, maar deze wet werd of in het geheel
niet, of zeer slecht uitgevoerd. Owen riep ten dien einde in 1815
eene Meeting van de schotsche fabrikanten, te Glasgow bijeen, maar
ondervond van geen enkele zijde medewerking. Toen ging hij zelf aan
den arbeid en op reis, teneinde de noodige gegevens te verzamelen voor
zijn agitatie. Hij deed deze reis vergezeld van zijn zoon Robert Dale
Owen; ging naar Engeland en door Schotland.
Toen hij genoegzaam gegevens had, bezocht hij den minister Robert Peel,
bij wien hij aandrong op het indienen van een wetgeving op den arbeid
van jonge kinderen en volwassenen. Immers, het was hem gebleken, dat
er in die dagen, als regel en niet als uitzondering, door kinderen
van tien jaren doorgaans veertien uren per dag werd gewerkt, met
een oponthoud van een half uur per dag voor eten, dat niet buiten,
maar binnen de fabriek werd genuttigd.
Na eene onnoemelijke tegenwerking, kwam in 1819 de eerste Wet op den
Kinderarbeid tot stand, niet in die mate zooals zij door Owen werd
gewenscht, maar dan toch als eerste stap, in de door hem aangewezen
richting.
Van af 1813 tot 1816, publiceerde Owen zijn vier opstellen, getiteld:
"A New view of Society or Essays on the principle of the Formation
of the human Character and the Application of the Principle to
Practice". ("Nieuwe inzichten omtrent de samenleving, of studieën
over de vorming van het menschelijk karakter en de toepassing van
het beginsel in de praktijk").
In de aan de fabrikanten gerichte "Voorrede" tot deze uitgave zegt
Owen o.a.:
"Sedert de algemeene invoering van een levenloos mechanisme in de
Britsche manufaktuur, wordt den mensch, zeer weinige uitzonderingen
hier buiten beschouwing gelaten, als eene machine van lagere orde
behandeld; men heeft er veel meer zorgen aan besteed, de ruwmaterialen
van het hout en het ijzer, dan die van het lichaam en ziel van de
menschen te verbeteren. Wijdt aan deze kwestie eens de haar toekomende
aandacht, en gij zult zien dat de mensch, zelfs in zijn hoedanigheid
als werktuig tot de voortbrenging van den rijkdom, nog beduidend
beter kan worden gemaakt! Maar nog een veel belangrijker opmerking,
valt er in dat opzicht te maken. Benuttigt de middelen, die thans
genoeg voor iedereen duidelijk waarneembaar kunnen zijn en gij zult
daardoor, niet alleen deze levende werktuigen volkomener maken,
maar gij zult ook leeren, dat men ze zoo voortreffelijk kan maken,
dat ze niet alleen het tegenwoordige, maar ook die van 't geheele
verleden in alle opzichten overtreffen zullen!"
Owen had een vredelievend karakter en meende dat de belangen van
fabrikanten en arbeiders, langs den meest vredelievenden weg te
verzoenen waren. Dit belette hem evenwel niet in te zien, dat er
een groote klove tusschen hen gaapte; dat er een geweldige antagonie
bestond tusschen het kapitaal en den arbeid. Maar hij was overtuigd,
dat de vervulling van hetgeen hij meende dat de plichten waren van
de werkgevers ertoe zou leiden, dat er eene toenadering tot stand
zou kunnen komen, welke de hervorming van de maatschappij langs
vredelievenden weg, niet alleen niet in den weg stond maar ook in de
hand zoude werken.
Daardoor, dat hij praktisch deze plichten wist te formuleeren,
stond hij reeds verre boven zijne tijdgenooten; zooals hij ook
verre boven economen van zijnen tijd, als Robert Malthus stond, op
wien hij reeds toentertijd het inzicht vòòr had: 1e dat een zekere
mate van welstand, de onbepaalde voorwaarde is, voor een zedelijken
levenswandel; en 2e dat de ontwikkeling van de groot-produktie, aan
de beschaafde menschheid eene buitengewone mate van produktiviteit
kan verzekeren. Zoodat dus diens vrees geenszins behoefde te worden
bewaarheid, dat de productie eenmaal te kort zou kunnen komen te
schieten.
Zijn goede hart en zijn bijzonder praktische ervaring, deden hem
dan ook menig nieuw gezichtspunt aan de hand. Zijne theoretische
inzichten waren wel-is-waar, door die van den in zijn tijd levenden
liberalen apostel Jeremias Bentham sterk beïnvloed, maar zij waren
verder zelfstandig door hem uitgewerkt. "De mensch is," volgens Owen,
"uitgerust met een natuurlijk streven naar geluk, de regeering heeft
dus ten doel, ons, geregeerden en regeerenden gelukkig te maken. De
beste regeering is deze, welke in de praktijk de grootst mogelijke
som van geluk aan het grootste getal menschen weet te bezorgen,
waarbij allen, zoowel regeerders als onderdanen inbegrepen moeten zijn.
"Alle gecompliceerde en elkander tegensprekende motieven voor goede
verhoudingen, zijn op een enkel principe der handelingen terug
te voeren, hetwelk door zijne voorlichtende werkzaamheid, het oude
verdorven systeem overbodig maakt en ten slotte zich in alle deelen der
wereld zal oplossen. Dit principe is het geluk van het eigen-Ik, goed
begrepen, en gelijkvormig verwerkelijkt, hetgeen slechts kan worden
bereikt door eene verhouding, waarin het geluk van de menschheid
bevorderd wordt. Want iedere macht, welke het wereld-al beheerscht
en doordringt, heeft den menschen zoo gevormd, dat zij progressief,
van uit eene toestand van onwetendheid, tot eene van intelligentie
moeten opklimmen, welker grenzen de menschen niet bepalen kunnen;
zoodat zij bij dit voortschrijden eerst ontdekken moeten, dat hun
individueel geluk slechts door het groeien en het uitbreiden van het
geluk van allen hen omgevenden, groeien en toenemen kan."
Het is Owen's onomstootelijke overtuiging geweest, dat de wereld
alleen door deze erkenning kan worden verbeterd, dat slechts naar
die verhouding waarin het streven der menschen naar eigen geluk of de
liefde tot zich zelf geleid wordt, deugdzame en zegenrijke handelingen
overwogen kunnen worden. En zoowel karakter als opvoeding, berusten bij
den mensch op de erkenning van die waarheid. Owen was er van overtuigd,
dat de menschen tot nog toe eene valsche opvoeding hebben gehad;
valsch onderricht en valsch gevormd zijn geworden en dat daaruit,
alle menschelijke ellende is geboren geworden. Owen geloofde der
menschheid van deze waarheid te kunnen overtuigen, al had hij zelf,
eveneens een slechte en onware opvoeding gehad. Want hoezeer dat
laatste ook het geval is, toch maakt hij zich niettemin sterk, dat
het zijn meergevorderd inzicht was, dat hem der menschheid thans
aldus kon doen beleeren.
Owen's overtuiging was het, dat aan elke maatschappij een zeker
karakter kon worden gegeven, hetzij goed of kwaad, hetzij vernuftig
hetzij dom, en dat de middelen daartoe zoo goed als in handen waren,
van hen die invloed konden uitoefenen op den gang van zaken in de
wereld. Die middelen moesten echter nu worden aangewend. Het was
een feit, dat drie-vierde gedeelte van de gansche bevolking van
Groot-Brittanje en Ierland behoorde, tot die der arbeidenden. Men
liet het echter toe, dat het karakter van die menschen werd
gevormd zonder eenige leiding, onder omstandigheden, die hen
noodwendig moesten brengen tot een levensloop van ellende, ondeugd
en onzedelijkheid. Terwijl de hoogere klassen, wel-is-waar zeiden te
gelooven aan beginselen, maar eveneens deden, alsof die beginselen
niet bestonden. Zulk een toestand zou als zij lang voortduurde tot
den opstand moeten leiden, omdat het lijden van de bevolking en van
de arbeidende klassen van Groot-Brittanje en Ierland werkelijk èrger
is, dan de toenmaals zooveel besproken slavernij van de negers in
Amerika. Owen gebruikte het eerst benaming voor de fabrieksarbeiders
van "blanke slaven" en leverde het bewijs, dat zij met betrekking tot
gezondheid, voeding en kleeding er veeltijds slechter aan toe zijn,
dan de zwarte slaven.
De hoofdzaak was nu het allereerst te zorgen voor de jeugd; een zorg
die rustte op het denkbeeld dat de mensch zijn eigen karakter niet
vormt, maar dat dit voor hem gevormd wordt, door de omstandigheden
waardoor hij is omringd.
Het doel van het gouvernement is om regeerders en geregeerden gelukkig
te maken, daarom behoorde elke regeering zich te laten leiden door
het denkbeeld, dat het beter is misdaden te voorkomen, dan ze te
bestraffen. Alle aanleidingen die tot het misdrijf aanzetten, behooren
daarom door de regeering te worden weggenomen. Oorlog behoorde er aan
de kroegen te worden aangedaan. De rechten op gedistilleerd behoorden
te worden verhoogd; een stelsel van licentieën (vergunningen) in
sterke en in strenge mate dient er te worden toegepast. Elk loterij,
ook die van den Staat uitgaande, moet worden afgeschaft.
Het stelsel van de armenwetten dient grondig te worden herzien,
en er moet worden tegengegaan, dat den vlijtigen arbeid, voor
het onderhoud van luien en leegloopers heeft te zorgen. Dan moest
de geheele strafwetgeving herzien worden, en het beginsel van de
preventiviteit moest geheel worden doorgevoerd.
Een hervorming van de Staatskerk achtte Owen niet minder noodig. Owen
was n.l. langzamerhand, door de ervaring geleerd, een vijand van
de officieele godsdienst geworden, hetgeen ten slotte niet het minst
geleid heeft, tot zijn maatschappelijk isolement en zijne verwijdering,
ook van diegenen zijner tijdgenooten, welke hem in den aanvang,
geldelijk tot het ten-uitvoer leggen van zijne plannen in staat
hadden gesteld.
Owen vatte zijn betoog in de vier hier behandelde opstellen te zamen,
in de navolgende twee reeksen van wetten. De eene reeks zou moeten
bestaan in eene algemeene onderwijs-regeling voor het geheele land,
zoowel omvattend den geest van het onderwijs, als de voorziening
van de schoolgebouwen, de normaal-inrichtingen voor onderwijzers en
hunne gansche vorming op het oog hebbend. De tweede reeks, zou aan de
hervorming van den arbeid moeten zijn gewijd. Zij zou moeten worden
ingeleid door eene wettelijke enquête, naar de arbeidstoestanden in het
Vereenigd Koninkrijk, naar de verhoudingen tusschen kapitaal en arbeid
in hunnen ganschen omvang, ook wat aangaat de werkeloosheid. Owen hield
zich overtuigd, dat deze laatste geen maatschappelijk euvel zoozeer,
als wel een euvel der opvoeding was en dat daarin gelegen was een
reden tot armoede en niet in de z. g. n. "Wet van Malthus." Het was
z. i. niet de massa van menschen, die kwaad was voor de menschheid,
het waren de groote onwetendheid, de domheid en de verwaarloosde
opvoeding der menschen, die al het kwaad over de wereld gebracht
hadden. Ieder individu kon geleid worden, en wel in die richting,
dat hij veel meer produceert, dan dat hij verteert; daar er volgens
Owen's vaste overtuiging veel meer was of geschapen kon worden,
dan er noodig was om dadelijk te worden verteerd.
Inmiddels was Owen steeds voortgegaan, de inrichtingen van New-Lanark
te verbeteren en steeds volkomener te maken. De bezoekers stroomden
naar dat oord, om het "wonder van dien tijd" in oogenschouw te
nemen. Jaarlijks kwamen meer dan tweeduizend belangstellenden naar
New-Lanark, en de hooge wereld was niet het minst, onder dat aantal
vertegenwoordigd. De Koning van Saksen zond Owen een medaille, de
Koning van Pruissen schreef hem eigenhandig brieven. Groot-Vorst
Nicolaas van Rusland begaf zich in 1816, persoonlijk derwaarts en
verwijlde zelfs een paar dagen in Owen's huis. De Hertogen van het
Koninklijk huis van Engeland, toonden de grootste belangstelling in
de instellingen van New-Lanark en de Hertog van Kent, de vader van
Koningin Victoria, was zelf op vriendschappelijken voet met Robert
Owen er door gekomen.
Dit alles maakte Owen evenwel niet trotsch, of deed zijn
hervormingszucht omslaan in conservatisme, of in zucht om de grooten
der aarde wèlgevallig te zijn.--Juist, integendeel! Het is een bewijs
voor de groote naïviteit van Owen, voor het kinderlijk vertrouwen,
dat hij in de menschen stelde, dat hij deze blijken van belangstelling
aanzag voor aansporingen die men hem wilde geven, steeds verder voort
te gaan. Maar hij zou bittere ervaringen opdoen met dat vertrouwen.
Telkens en telkens kwam er oppositie van den kant der geldschieters,
hoofdzakelijk Kwakers, die méér winsten verlangden, of wel het meest
van alles, nu eens wenschten opgehouden te zien met die oneindige
hervormingen, welke Owen nooit moede was in te voeren, teneinde aldoor
maar te verbeteren en te verbeteren.
Maar erger werd deze oppositie, of liever zij verscherpte zich, door de
kwestie van het onderwijs. Owen had n. l. in zijn onderwijsinstituten
een neutraal onderwijs ingevoerd, van een soort, gelijk dat bij ons
nog gehuldigd wordt in de openbare school.
Hij nam een Christendom aan, dat boven geloofsverdeeldheid stond, een
universeel Christendom dus. Hij was de meening toegedaan, reeds in zijn
"New View of Society" uitgesproken, dat men, om de ongelegenheden te
vermijden die altijd moeten oprijzen, wanneer men een bepaald geloof op
school invoert, de kinderen slechts behoorde te leeren uit die boeken,
welke zoodanige voorschriften der christelijke godsdienst inprenten,
die gemeen zijn aan alle uitingen of secten van het christendom.
Dat was den kwakers, die een positief christendom voorstonden, zeker
niet naar den zin. Nog veel minder was het van hunne gading, dat Owen
de kinderen op school, onderricht liet geven in dansen, in muziek en
ze liet oefenen in militaire exercitieën. Owen gaf ter wille van zijn
drieduizend menschen, die in New-Lanark het zoo goed hadden, veel toe.
Maar telkens en telkens herhaalden zich de grieven van de zijde
der financiers. Men liet niet na Owen wetten te stellen, hem op de
vingers te tikken; ten slotte wilde men hem zoo bedillen, dat hem het
handelen feitelijk, daardoor tot eene onmogelijkheid werd. In 1822
nam Owen ontslag, verliet New-Lanark, na een bestuur van 25 jaren,
dat den grootsten zegen had aangebracht.
Owen zegt zelf, dat hij zijne benijdenswaardige positie in New-Lanark
alleen prijs gaf, om volkomen vrijheid te verkrijgen voor zijne
agitatie en om al zijne krachten te kunnen aanwenden, tot eene grondige
hervorming van de menschelijke maatschappij. In New-Lanark vergewiste
hij zich, door de, onder de ongunstigste omstandigheden op zich genomen
praktische toepassing, van de juistheid van zijne principes--onder
ongunstige omstandigheden, die voor een deel voortvloeiden uit de
natuurlijke oppositiegeest van de menschen, tegen een experiment
dat, bij al de instemming die het vond, toch er toe geëigend was
als het ware, om de onhoudbaarheid aan te toonen van, en het geloof
te schokken, in, de principes waarop de tegenwoordige wereld was
gebouwd. Sedert de verbreking van den band, die er tusschen hem en
New-Lanark bestond, vestigde Owen zich weer in Londen. Tusschen
de herfst van 1824 en den zomer van 1829, was Owen eenmaal in de
Vereenigde Staten, eenmaal in West-Indië en eenmaal in Mexiko. Drie
jaren te voren bezocht hij Frankrijk, Oostenrijk, Pruissen, Beijeren
en Saksen. Al deze reizen deed hij, als studiereizen en met dat eene
doel voor oogen: de voortdurende welvaart van het menschelijk geslacht
te kunnen grondvesten.
In 1825 stichtte Owen in Amerika de eerste kolonie op communistischen
grondslag. Hij noemde haar "New-Harmony". Owen had voor deze kolonie
30,000 acres land aangekocht van de sekte der Rappiten. De kolonie
bloeide een tijd lang, maar hoe langer hoe meer deze tot de praktijk
moest komen, zag Owen in, of liever het bleek, dat men kapitalistische
instellingen niet zoo maar tot Communistische kan maken, en dat
daartoe veel meer en veel andere dingen behoorden, dan de goeden wil,
het edel gemoed en de energie van een man, als hij was.
Na het in Mexiko nog eens beproefd te hebben, keerde Owen naar Engeland
terug. Voor zijn familie had hij intusschen gezorgd en hij zou zich
nu geheel aan de arbeidende klassen gaan wijden. Reybeaud vertelt,
dat Owen van 1826 tot 1837, duizend openbare redevoeringen gehouden,
vijfhonderd adressen heeft verzonden, tweeduizend tijdschrift-artikelen
geschreven heeft en driehonderd reizen gedaan heeft.
In 1829 deed Owen een diplomatieke poging, die gelukkig geslaagd mocht
heeten. Tusschen Engeland en de Vereenigde Staten waren n.l. kwesties
ontstaan, die tot een oorlog hadden kunnen leiden, en wel daarom
zoozeer de verhoudingen tusschen beide naties geprikkeld maakten,
omdat het in den grond van de zaak handelskwesties waren. Owen,
die bij den toenmaligen president van N. Amerika Jackson, zoowel als
bij den Staatssecretaris van Buren in hoog aanzien stond, gebruikte
zijne aanwezigheid in Amerika daartoe, om de verschilpunten met
de beide mannen grondig te bespreken. Het resultaat was, dat Owen
aan de Engelsche regeering kon melden, dat de Amerikaansche, de
bereidwilligheid tot een vredelievende oplossing van de kwesties toonde
en dat binnen weinige weken, een twist, die door de vakdiplomaten
behandeld, misschien tot een oorlog geleid zou hebben, door een
niet-diplomaat, op de beste wijze tot oplossing werd gebracht.
In 't jaar 1832 stichtte Owen dan zijne bekende ruilbank, die in
verbinding met de Coöperaties en de produktieve-associaties door
wederzijdsch crediet, den arbeiders in staat zoude stellen, zich
te emancipeeren van het kapitalistendom. Het plan mislukte, evenzoo
als 17 jaren later de ruilbank door Proudhon in Frankrijk gesticht,
met ongeveer dezelfde bedoelingen mislukte, omdat het crediet van
hen die niets hebben, ook niets waard is.
Tusschen 1836 en 1838, zag ook Owen's hoofdwerk "The New Moral World"
(De nieuwe moreele wereld) het licht, eerst als weekblad, later in
1844, als boek. Het bevatte zeven deelen en kan als samenvatting,
van datgene wat Owen wilde, worden beschouwd. Het is, naar zijn eigen
meening, zijn omvangrijkste werk geweest, waarin hij zijn diepste
gedachte heeft nedergelegd.
Het Eerste deel verzamelt de gegevens over de menschelijke natuur. Owen
geeft hier niets nieuws en wij kunnen dus volstaan met hetgeen
daaromtrent vroeger omstandig is medegedeeld. De mensch vormt nòch
zichzelven, nòch zijne meeningen, nòch zijne gevoelens; zij-allen
worden voor hen gevormd, door de omstandigheden, waarin hij is
geplaatst. Hiermede valt dus de leer te zamen, dat men het allereerst
moet aanvangen, die omstandigheden te begrijpen. Men moet niet
oordeelen of veroordeelen, maar men moet leeren begrijpen. Men moet de
natuur beluisteren en haar volgen, want de natuur is niet slecht. Ook
de mensch is niet van nature-uit verkeerd; de maatschappij waarin
hij verkeert vormt hem zooals hij is. De tegenwoordige beschaving
is op den slechten weg. Men moet het natuurlijk instinct volgen en
bevredigen. Het tegenstreven der natuur, het gedurig tegenwerken harer
bedoelingen, dááraan is het te danken, dat de menschelijke karakters
dien betreurenswaardigen trek verkregen hebben, waaraan zij lijden.
In plaats van het egoïsme der onwetendheid, moest er onder de
menschen gaan heerschen, de welwillendheid van het inzicht in de
werkelijkheid. De mensch is bestemd een sociaal wezen te zijn. De
verschillende onderscheidingen moeten wijken onder de menschen; de
religies zullen te-niet worden gedaan, de priesters overbodig worden
bevonden, de menschelijke trots verdwijnen en eene hérschepping van
den mensch zal er komen, zoo schoon als zij er nog nooit geweest
is. Owen meent, dat hij hetzelfde voor de menschheid op 't oog had,
als Gallileï gedaan had voor de natuurwetenschap, toen hij bewees,
dat de aarde om de zo
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/38975