Gutenberg · eo1.org

← catalogue

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3)

by Jules Verne · Dutch · Gutenberg #38668 · 468,001 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3)
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3)

Author: Jules Verne


        
Release date: February 2, 2012 [eBook #38668]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/38668

Credits: E-text prepared by Annemie Arnst, Anne Dreze, and Marc D'Hooghe (http://www.freeliterature.org) from page images generously made available by the Google Books Library Project (http://books.google.com) and Bibliothèque nationale de France (http://www.bnf.fr)


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT, TWEEDE DEEL (VAN 3) ***


E-text prepared by Annemie Arnst, Anne Dreze, and Marc D'Hooghe
(http://www.freeliterature.org) from page images generously made
available by the Google Books Library Project (http://books.google.com)
and Bibliothèque nationale de France (http://www.bnf.fr)



Note: Project Gutenberg also has an HTML version of this
      file which includes illustrations.
      See 38668-h.htm or 38668-h.zip:
      (https://www.gutenberg.org/cache/epub/38668/pg38668-images.html)
      or
      (https://www.gutenberg.org/files/38668/38668-h.zip)


      Images of the original text pages are available
      through the the Google Books Library Project. See
      http://books.google.com/books?id=0LorAAAAMAAJ&printsec=titlepage


      The illustrations used in this e-book are taken from the
      1868 French edition, Les Enfants du Capitaine Grant,
      published by J. Hetzel (Paris). The original images are
      available througn Bibliothèque nationale de France, See
      http://gallica.bnf.fr/ark:/12148/btv1b8600254s.r=.langEN


      Project Gutenberg has the other two volumes of this work.
      Volume I: see https://www.gutenberg.org/ebooks/38667
      Volume III: see https://www.gutenberg.org/ebooks/38669





DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT

Naar het fransch van

JULES VERNE


TWEEDE DEEL.

AUSTRALIË.







Leyden,
De Breuk & Smits.
1868.




I.

Terug aan boord.


De eerste oogenblikken waren aan de vreugde van het wederzien gewijd.
Lord Glenarvan wilde niet, dat de vruchtelooze afloop hunner nasporingen
de vreugde in het hart zijner vrienden zou verkoelen. Daarom waren zijn
eerste woorden: "Houdt moed, vrienden! houdt moed! Kapitein Grant is
niet bij ons; maar wij zijn zeker, dat wij hem redden zullen."

Niet minder dan zulk een stellige verzekering was er noodig om de dames
aan boord der _Duncan_ met nieuwe hoop te bezielen.

Lady Helena en Mary Grant toch hadden, terwijl het bootje het jagt
naderde, al de pijnlijke kwellingen der onzekerheid uitgestaan. Op de
kampanje staande trachtten zij te tellen, hoeveel personen aan boord
terugkwamen. Nu eens wanhoopte het meisje, dan verbeeldde zij zich weer
Harry Grant te zien. Haar hart klopte, zij kon niet spreken, ter
naauwernood kon zij op de beenen blijven. Lady Helena sloot haar in haar
armen. John Mangles stond zwijgende naast haar uit te zien; hoewel als
zeeman aan verzien gewoon, kon hij toch den kapitein niet ontdekken.

"Daar is hij! mijn vader komt!" sprak het meisje zachtjes.

Maar naarmate de sloep naderde, werd alle hoop de bodem ingeslagen. Toen
de reizigers nog een honderd vaâm van het schip af waren, hadden niet
alleen lady Helena en John Mangles, maar ook Mary zelve, die in tranen
zwom, alle hoop opgegeven. Het was hoog tijd, dat lord Glenarvan kwam en
zijn vertroostende woorden sprak.

Na de eerste omhelzingen werden lady Helena, Mary Grant en John Mangles
van de voornaamste voorvallen op den togt onderrigt; vooraf echter
maakte Glenarvan hen bekend met de nieuwe uitlegging, die de schrandere
Paganel aan het document had gegeven. Ook prees hij Robert, op wien Mary
met regt trotsch mogt zijn. Zijn moed, zijn zelfopoffering, de gevaren,
die hij getrotseerd had, alles werd door Glenarvan in het helderste
licht gesteld, zoodat de knaap niet zou geweten hebben, waar hij zich
moest verbergen, als hij niet een schuilplaats had gevonden in de armen
zijner zuster.

"Gij behoeft niet verlegen te zijn, Robert!" zeide John Mangles, "gij
hebt u als een waardig zoon van kapitein Grant gedragen!"

Hij omarmde den broeder van Mary, en drukte een kus op diens wangen, die
nog vochtig waren van de tranen van het meisje.

Slechts ter loops maken wij hier melding van het onthaal, dat den majoor
en den aardrijkskundige ten deel viel, en van de eervolle vermelding,
die van den edelmoedigen Thalcave werd gemaakt. Het speet lady Helena,
dat zij de hand van den wakkeren Indiaan niet kon drukken. Toen de
eerste vreugde wat voorbij was, zocht Mac Nabbs zijne hut op, waar hij
zich met vaste en bedaarde hand schoor. Paganel fladderde van den een
naar den ander als een bij, om het sap van loftuitingen en glimlachjes
te puren. Hij wilde de geheele bemanning der _Duncan_ omhelzen, en
bewerende, dat lady Helena er evengoed toe behoorde als Mary Grant,
begon hij bij dezen om bij Olbinett te eindigen.

De hofmeester meende zooveel beleefdheid niet beter te kunnen vergelden,
dan door aan te kondigen, dat het ontbijt gereed stond.

"Het ontbijt!" riep Paganel.

"Ja, mijnheer Paganel!" antwoordde Olbinett.

"Een echt ontbijt, op een echte tafel, met vork en mes en servet?"

"Wel zeker, mijnheer Paganel!"

"En zullen wij geen _charqui_, geen harde eijeren, geen sneden
struisvogelvleesch eten?"

"Wel, mijnheer!" antwoordde de hofmeester, eenigzins in zijn eer
gekrenkt.

"Ik heb u niet willen beleedigen, mijn vriend!" zeide de geleerde
glimlagchend; "maar, ziet ge, in geen maand hebben wij iets anders
gehad, en wij nuttigden het, niet op een tafel zittende, maar op den
grond liggende of op boomen huizende. Daarom kwam het ontbijt, dat gij
aankondigt, mij voor als een droom, een bedrog, een hersenschim!"

"Laten wij dan het bewijs leveren, dat het wezenlijk bestaat, mijnheer
Paganel!" sprak lady Helena, die haar lagchen niet kon bedwingen.

"Mag ik u mijn arm aanbieden?" vroeg de galante aardrijkskundige.

"Heeft Uw Edelheid geen orders te geven aangaande den koers van de
_Duncan_?" vroeg John Mangles.

"Na het ontbijt, waarde John! zullen wij gezamenlijk het programma voor
onzen nieuwen togt opmaken," antwoordde Glenarvan.

De passagiers van het jagt en de jeugdige kapitein gingen naar de
_longroom_. De machinist kreeg last om stoom op te houden, ten einde op
het eerste teeken te vertrekken. De majoor, die zich geschoren had, en
de reizigers namen, na zich wat opgeknapt te hebben, aan tafel plaats.

Men deed eer aan het ontbijt van Olbinett. Eenstemmig werd het
uitmuntend genoemd, zelfs beter dan de kostelijke maaltijden in de
Pampa. Paganel liet zich iederen schotel tweemaal geven, "uit
verstrooidheid" zooals hij zeide.

Dit ongelukkige woord deed lady Glenarvan vragen, of de beminnelijke
Franschman soms tot zijn gewone zonde vervallen was. De majoor en lord
Glenarvan zagen elkander glimlagchende aan. Paganel zelf barstte in een
schaterend gelach uit, en verpandde "zijn eer" dat hij, hoe lang de reis
ook nog duren mogt, niet meer verstrooid zou zijn; daarop gaf hij een
zeer aardig verslag van zijn wederwaardigheden en van zijn grondige
studiën over het werk van Camoëns.

"En toch," voegde hij er ten slotte bij, "is het ongeluk ergens goed
voor, en gevoel ik geen spijt over mijn dwaling."

"Hoe zoo, mijn vriend?" vroeg de majoor.

"Omdat ik nu niet alleen spaansch, maar ook portugeesch spreek. Ik ken
nu twee talen in plaats van ééne!"

"Daar had ik zoo waar niet aan gedacht," antwoordde Mac Nabbs. "Ik maak
u wel mijn compliment, Paganel!"

Allen juichten Paganel toe, die daarom het eten niet vergat, hij at en
praatte tegelijk. Vandaar, dat hij een bijzonderheid, die Glenarvan niet
ontgaan kon, niet opmerkte: de oplettendheid namelijk van John Mangles
voor zijn jeugdige tafelburin Mary Grant. Een bijna onmerkbare wenk van
lady Helena aan haar man deed dezen inzien, dat "er iets gaande" was!
Glenarvan zag de beide jongelieden met vriendelijk welgevallen aan en
rigtte het woord tot John Mangles, maar over een heel andere zaak.

"Vertel mij eens, John! hoe is het op uw reis gegaan?"

"Het kon niet beter," antwoordde de kapitein. "Alleen moet ik Uw
Edelheid zeggen, dat wij niet door de straat van Magellaan teruggekeerd
zijn.

"Wat!" riep Paganel, "zijt gij kaap Hoorn omgevaren, en dat zonder mij?"

"Hang u op!" zeide de majoor.

"Eigenbelangzoeker! wilt gij van mij erven, dat gij mij dien raad
geeft?" antwoordde de aardrijkskundige.

"Maar, waarde Paganel!" sprak Glenarvan, "wie de gaaf niet bezit van
overal te gelijk te zijn, kan niet de Pampa's doortrekken en te gelijk
kaap Hoorn omzeilen."

"Dat neemt niet weg, dat het mij spijt," antwoordde de geleerde.

Maar er werd niet verder over gesproken en men liet het bij dit
antwoord. John Mangles nam nu het woord weer op en verhaalde zijn reis.
Langs de amerikaansche kust varende, had hij op nieuw al de westelijke
eilandgroepen onderzocht, maar nergens een spoor van de _Britannia_
gevonden. Aan kaap Pilares, aan den ingang der straat gekomen, had hij
zich om den tegenwind zuidwaarts gewend; de _Duncan_ stevende voorbij de
Desolation-eilanden tot zeven en zestig graden zuiderbreedte, zeilde om
kaap Hoorn, digt onder Vuurland, en hield het, na de straat van Le Maire
doorgevaren te zijn, langs de kust van Patagonië. Daar werd hij op de
hoogte van kaap Corrientes door een vreeselijken storm beloopen,
denzelfden, die de reizigers zoo geteisterd had. Maar het jagt hield
zich goed, en sedert drie dagen voer John Mangles wat heen en weer, toen
de losbrandingen der karabijnen hem verwittigden, dat de met zooveel
ongeduld verwachte reizigers er waren. Zonder omtrent lady Glenarvan en
miss Grant onbillijk te zijn, mogt de kapitein der _Duncan_ haar den lof
voor haar zeldzame onverschrokkenheid niet onthouden. De storm joeg haar
geen schrik aan, en betoonden zij eenige vrees, dan was het alleen voor
haar vrienden, die toen op de vlakten der argentijnsche republiek
ronddoolden.

Hiermede besloot John Mangles zijn verhaal, waarna lord Glenarvan zijn
tevredenheid over zijn gedrag betuigde; zich vervolgens tot Mary Grant
rigtende, zeide hij:

"Lieve miss! ik hoor, dat kapitein John uw uitstekende hoedanigheden
prijst, en het doet mij groot genoegen, dat ik daaruit mag opmaken, dat
het u niet tegenstaat aan boord van zijn vaartuig!"

"Hoe zou dat anders kunnen wezen!" antwoordde Mary, lady Helena en
misschien ook den jongen kapitein aanziende.

"O, mijnheer John! mijn zuster houdt veel van u, en ik ook!" riep
Robert.

"Ik mag u ook heel graag lijden, beste jongen!" antwoordde John Mangles,
die een beetje van streek geraakte door het gezegde van Robert, dat Mary
Grant ook ligt had doen blozen.

Vervolgens het gesprek op een minder gevaarlijk punt brengende, voegde
hij er bij:

"Nu heb ik u de reis van de _Duncan_ verteld. Uwe Edelheid zal ons thans
zeker wel het een en ander van zijn togt door Amerika en van de daden
van onzen jeugdigen held willen mededeelen?"

Niets kon lady Helena en miss Grant aangenamer zijn. Lord Glenarvan
haastte zich dan ook om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Hij sloeg
geen enkel voorval op de geheele reis van den eenen oceaan naar den
anderen over. De Andesketen, de aardbeving, de verdwijning van Robert,
diens wegvoering door den condor, het geweerschot van Thalcave, het
voorval met de roode wolven, de zelfopoffering van den knaap, sergeant
Manuel, de overstrooming, de vlugt op den boom, de bliksem, de brand, de
kaaimans, de hoos, de nacht aan de kust van den Atlantischen oceaan, al
die vrolijke of ontzettende omstandigheden wekten beurtelings de
lachlust en den angst zijner hoorders op. Voor menig voorval dat hij
mededeelde, ontving Robert de liefkozingen zijner zuster en van lady
Helena. Nooit werd een knaap zoo innig of door opgewondener vriendinnen
omhelsd.

Toen lord Glenarvan zijn verhaal had geëindigd, voegde hij er nog bij:

"En nu willen wij aan het tegenwoordige denken, mijne vrienden! wat
voorbij is is voorbij, maar de toekomst behoort ons; laten wij tot
kapitein Harry Grant terugkeeren."

Het ontbijt was afgeloopen; al de gasten gingen in de hut van lady
Glenarvan, schaarden zich om een tafel vol kaarten en teekeningen, en
terstond begon het gesprek.

"Lieve Helena," zeide lord Glenarvan, "toen ik aan boord kwam, heb ik u
medegedeeld, dat, al kwamen de schipbreukelingen der _Britannia_ niet
met ons, wij toch meer dan ooit hopen mogten hen terug te vinden. Uit
onzen togt door Amerika is het ons stellig gebleken, dat het onheil noch
op de kusten der Stille Zuidzee, noch op die van den Atlantischen oceaan
heeft plaats gehad. Daaruit volgt natuurlijk, dat de uitlegging aan het
document gegeven, alsof Patagonië bedoeld werd, een dwaling is. Gelukkig
heeft onze vriend Paganel, door eene plotselinge ingeving bezield, de
dwaling ontdekt. Hij heeft aangetoond, dat wij een verkeerden weg
volgden, en het document zoo uitgelegd, dat er voor ons geen twijfel
meer overblijft. Ik bedoel het fransche document, en ik wil Paganel
verzoeken het hier uit te leggen, opdat niemand meer den geringsten
twijfel moge koesteren."

De geleerde, zoo tot spreken uitgenoodigd, was terstond gereed; hij
hield een overtuigende rede over de woorden _gonie_ en _indi_; het woord
Australië leidde hij door een strenge redeneering af van het woord
_austral_; hij bewees, dat kapitein Grant, de kust van Peru verlaten
hebbende om naar Europa terug te keeren, met een ontredderd schip zeer
gemakkelijk door de zuidelijke stroomen van de Stille Zuidzee tot de
australiscbe kust kon medegesleept zijn; kortom zijn vernuftige
vooronderstellingen, zijn schrandere gissingen verwierven de algemeene
goedkeuring, ook van John Mangles, die anders in dit opzigt moeijelijk
te overreden was en zich geenszins door zijn verbeeldingskracht liet
wegslepen.

Zoodra Paganel met zijn betoog klaar was, beval Glenarvan, dat de
_Duncan_ onmiddellijk koers zetten zou naar Australië.

Alvorens de steven naar het oosten gewend werd, verzocht de majoor
echter verlof om een enkele opmerking te maken.

"Spreek, Mac Nabbs!" antwoordde Glenarvan.

"Mijn doel," sprak de majoor, "is geenszins om de bewijzen van mijn
vriend Paganel te verzwakken, nog minder ze te wederleggen; ik vind ze
gegrond, schrander, al onze aandacht waardig, en met het volste regt
moeten zij den grondslag onzer aanstaande nasporingen uitmaken. Maar ik
verlang, dat zij nog eens rijpelijk onderzocht worden, opdat hun waarde
onbetwistbaar en onbetwist zij."

Niemand begreep, waar de voorzigtige Mac Nabbs heen wilde, en allen
hoorden hem met zekeren angst aan.

"Ga voort, majoor!" zeide Paganel. "Ik ben bereid om al uw vragen te
beantwoorden."

"Niets gemakkelijker dan dat," antwoordde de majoor. "Toen wij, nu vijf
maanden geleden, de drie documenten in de golf van Clyde onderzochten,
kwam hun verklaring ons duidelijk voor. Geen andere dan de westkust van
Patagonië kon het tooneel der schipbreuk zijn. Geen schijn van twijfel
zelfs kwam dienaangaande bij ons op!"

"Die opmerking is zeer juist," meende Glenarvan.

"Later," vervolgde de majoor, "toen Paganel in een vlaag van door God
beschikte verstrooidheid bij ons aan boord kwam, werden hem de
documenten voorgelegd, en keurde hij zonder voorbehoud onze nasporingen
op de amerikaansche kust goed."

"Dat is zoo," antwoordde de aardrijkskundige.

"En toch hebben wij ons vergist," zeide de majoor.

"Wij hebben ons vergist," herhaalde Paganel. "Maar om zich te vergissen,
Mac Nabbs! behoeft men slechts mensch te zijn, terwijl hij, die in zijn
dwaling volhardt, een gek is."

"Wacht een beetje, Paganel!" antwoordde de majoor, "word niet boos. Ik
wil niet zeggen, dat wij onze nasporingen in Amerika moeten
voortzetten."

"Wat verlangt gij dan?" vroeg Glenarvan.

"Alleen de bekentenis, en anders niet, dat Australië thans even zeker
het tooneel van de schipbreuk der _Brittannia_ schijnt te zijn, als
Amerika het eerst scheen."

"Dat bekennen wij gaarne," antwoordde Paganel.

"Dat zal ik in mijn oor knoopen," hernam de majoor, "en u tevens
aansporen om uw verbeeldingskracht een beetje te wantrouwen ten aanzien
van die opeenvolgende en met elkander strijdige gevolgtrekkingen. Wie
weet of na Australië niet een ander land ons dezelfde zekerheid zal
aanbrengen, en of het, als die nieuwe nasporingen weder vergeefsch zijn
geweest, niet "zeker" zal schijnen, dat zij ergens elders hervat moeten
worden."

Glenarvan en Paganel zagen elkander aan. De opmerkingen van den majoor
troffen hen door haar juistheid.

"Ik verlang dus," hervatte Mac Nabbs, "dat er nog een onderzoek zal
plaats hebben, voor wij op weg gaan naar Australië. Hier zijn de
documenten, daar liggen kaarten. Laten wij achtereenvolgens al de punten
onderzoeken, die de zeven en dertigste breedtegraad snijdt, en zien of
wij niet eenig ander land aantreffen, dat het document juist zou
aanwijzen."

"Niets is gemakkelijker en spoediger gedaan," antwoordde Paganel, "want
gelukkig is er juist geen overvloed van land op deze breedte."

"Laat eens zien," zeide de majoor, een engelsche wereldkaart naar de
projectie van Mercator uitspreidende.

De kaart werd voor lady Helena gelegd, en allen plaatsten zich zoo, dat
zij het betoog van Paganel konden volgen.

"Zooals ik u reeds vroeger zeide," begon de aardrijkskundige, "gaat de
zeven en dertigste breedtegraad over Zuid-Amerika en raakt dan de
eilanden van Tristan d'Acunha. Nu houd ik staande, dat geen enkel woord
van het document op deze eilanden betrekking kan hebben."

De documenten werden naauwkeurig onderzocht, en men moest toegeven, dat
Paganel gelijk had. Tristan d'Acunha werd dus met algemeene stemmen
verworpen.

"Verder," ging de aardrijkskundige voort. "Den Atlantischen oceaan
verlatende, gaan wij twee graden bezuiden de kaap de Goede Hoop en komen
in den Indischen oceaan. Slechts ééne eilandengroep ontmoeten wij,
Amsterdam. Passen wij hierop hetzelfde onderzoek toe als op Tristan
d'Acunha."

Na een naauwlettend onderzoek werden de eilanden Amsterdam op hun beurt
ter zijde gesteld. Geen enkel volledig of afgebroken fransch, engelsch
of duitsch woord kon op deze eilandengroep in den Indischen oceaan
betrekking hebben.

"Nu komen wij aan Australië," hernam Paganel. "De zeven en dertigste
breedtegraad loopt over dit vastland van kaap Bernouilli tot de
Twofold-baai. Gij zult met mij toestemmen, dat het engelsche woord
_stra_ en het fransche _austral_ zonder den tekst geweld aan te doen op
Australië slaan kunnen. De zaak is zoo duidelijk, dat ik er niet verder
over wil spreken."

Allen stemden in met het gevoelen van Paganel. Alle gronden van
waarschijnlijkheid waren voor die meening.

"Gaan wij verder," zeide de majoor.

"Met genoegen," antwoordde de aardrijkskundige, "de reis is gemakkelijk
genoeg. De Twofold-baai verlatende, steken wij den zeearm over, die zich
ten oosten van Australië bevindt en treffen Nieuw-Zeeland aan. Vooraf
echter herinner ik u, dat het woord _contin_ van het fransche document
onmogelijk iets anders kan beteekenen dan een "continent" (vast land).
Derhalve kan kapitein Grant geen schuilplaats op Nieuw-Zeeland gevonden
hebben, dat maar een eiland is. Hoe het ook zij, onderzoekt, vergelijkt,
zet de woorden om, en ziet of zij ook maar in de verte op dit laatste
gewest betrekking kunnen hebben."

"Volstrekt niet," antwoordde John Mangles, die de documenten en de kaart
aan een naauwkeurig onderzoek onderwierp.

"Neen," zeiden al de toehoorders van Paganel en de majoor zelf ook,
"neen, Nieuw-Zeeland kan niet bedoeld zijn."

"Op de ontzaggelijke ruimte, die dit groote eiland van de amerikaansche
kust scheidt," hervatte de aardrijkskundige, "snijdt de zeven en
dertigste breedtegraad slechts een woest en onbewoond eilandje."

"Dat heet?..." vroeg de majoor.

"Zie maar op de kaart. Het is Maria-Theresa, een naam, waarvan ik niet
het geringste spoor in de drie documenten vind."

"Geen enkel," bevestigde Glenarvan.

"Nu laat ik het aan u over, mijne vrienden! om te beslissen of niet alle
waarschijnlijkheden, om niet te zeggen de zekerheid voor het australisch
vastland pleit?"

"Ja! ja!" riepen al de passagiers en de kapitein der _Duncan_ tegelijk.

"Hebt gij genoeg levensmiddelen en kolen, John?" vroeg nu Glenarvan.

"Ja, Uwe Edelheid! ik heb mij te Talcahuano goed voorzien, en aan de
Kaapstad zullen wij gemakkelijk genoeg kolen kunnen innemen."

"Geef dan den koers...."

"Nog ééne opmerking," zeide de majoor zijn vriend in de rede vallende.

"En die is, Mac Nabbs?"

"Hoeveel kans van welslagen Australië ons ook aanbiedt, zou het toch
mijns bedunkens goed zijn een dag of twee bij de eilanden Tristan d'
Acunha en Amsterdam aan te leggen. Zij liggen op onzen weg en zullen ons
niet van den koers afbrengen. Dan zullen wij weten, of de _Britannia_ er
niet eenig spoor van haar schipbreuk heeft achtergelaten."

"Wat is die ongeloovige majoor toch vasthoudend!" riep Paganel.

"Ik ben er volstrekt niet op gesteld om terug te keeren, wanneer
Australië soms de verwachting, die wij er van koesteren, niet vervullen
mogt."

"Die voorzorg is dunkt mij niet kwaad," sprak Glenarvan.

"En ik zal u niet afraden om ze te nemen," antwoordde Paganel.
"Integendeel."

"Wend dan den steven naar Tristan d'Acunha, John!" zeide Glenarvan.

"Terstond, Uwe Edelheid!" gaf de kapitein ten antwoord, en hij ging naar
het dek, terwijl Robert en Mary Grant lord Glenarvan hun levendigen dank
betuigden.

Weldra verliet de _Duncan_ de amerikaansche kust en zich oostwaarts
rigtende kliefde haar steven snel de baren van den Atlantischen oceaan.




II.

Tristan d'Acunha.


Indien het jagt de evennachtslijn had gevolgd, zouden de honderd zes en
negentig graden, die Australië van Amerika of liever kaap Bernouilli van
kaap Corrientes scheiden, gelijk geweest zijn aan elf duizend zeven
honderd zestig geographische mijlen[1]. Maar op den zeven en dertigsten
breedtegraad komen die honderd zes en negentig graden, ten gevolge van
de gedaante des aardbols, overeen met slechts negen duizend vier honderd
tachtig zulke mijlen[2]. Van de amerikaansche kust tot Tristan d'Acunha
rekent men twee duizend één honderd mijlen[3], een afstand, dien John
Mangles in tien dagen hoopte af te leggen, indien de oostewinden de
vaart van het jagt niet belemmerden. Hij had alle reden tot
tevredenheid, want tegen den avond bedaarde de wind merkbaar, en nu kon
de _Duncan_ op een stille zee al haar uitmuntende hoedanigheden aan den
dag leggen.

Dienzelfden dag hadden de passagiers hunne scheepsgewoonten weder
aangenomen. Men zou niet gezegd hebben, dat zij in geen maand aan boord
waren geweest. Na het water van de Stille Zuidzee strekte zich dat van
den Atlantischen oceaan voor hun gezigt uit, en met slechts geringe
wijzigingen gelijken alle golven elkaar. Na hen zoo vreeselijk op de
proef te hebben gesteld, vereenigden zich thans de elementen om hen te
begunstigen. De oceaan was rustig, de wind in den goeden hoek, en al de
kracht der zeilen, die de westewinden deden zwellen, kwam de
onvermoeibare stoomkracht te hulp, die in den stoomketel was besloten.

Die snelle overtogt had dan ook zonder buitengewone voorvallen of
onheilen plaats. Vol vertrouwen stevende men naar de australische kust.
De waarschijnlijkheid werd tot zekerheid. Er werd over kapitein Grant
gesproken, alsof het jagt hem in een bepaalde haven aan boord ging
nemen. Zijn hut en de kooijen zijner beide reisgenooten werden reeds in
gereedheid gebragt. Mary Grant vond er behagen in ze eigenhandig in orde
te brengen en op te schikken. Olbinett had de zijne afgestaan en deelde
nu de hut van zijn vrouw. Deze hut grensde aan het beruchte N° 6, dat
aan boord van de _Scotia_ door Jacques Paganel was besproken.

De geleerde aardrijkskundige kwam er bijna niet uit. Hij werkte van den
vroegen morgen tot den laten avond aan een boek, getiteld: _Verhevene
indrukken van een aardrijkskundige in de argentijnsche Pampa_. Met
ontroerde stem hoorde men hem zijn sierlijke volzinnen opzeggen, voor
hij ze aan de witte bladzijden van zijn aanteekenboekje toevertrouwde,
en meer dan eens riep hij, ontrouw aan Clio, de muze der geschiedenis,
vol verrukking de goddelijke Calliope aan, die de heldendichters
bezielt.

Paganel maakte er ook volstrekt geen geheim van. Om zijnentwil verlieten
Apollo's kuische dochteren gaarne de toppen van den Parnassus of den
Helikon. Lady Helena maakte hem er haar opregt gemeend compliment over.
Ook de majoor wenschte hem geluk met die bezoeken der zanggodinnen.

"Maar wacht u vooral voor verstrooidheid, waarde Paganel!" voegde hij er
bij, "en mogt gij bij toeval lust krijgen om australisch te leeren, ga
het dan niet bestudeeren in een chineesche spraakkunst!"

Alles ging dus bij uitstek goed aan boord. Met belangstelling sloegen
lord en lady Glenarvan, John Mangles en Mary Grant gade. Zij vonden geen
reden om aanmerkingen te maken, en daar John zelf zweeg, was het ook
maar het best om zich onkundig te houden.

"Hoe zal kapitein Grant er over denken?" vroeg Glenarvan eens aan zijn
vrouw.

"Hij zal denken, dat John Mary waardig is, lieve Edward! en hij zal niet
bedrogen uitkomen."

Intusschen naderde het jagt snel de plaats zijner bestemming. Vijf
dagen, nadat zij kaap Corrientes uit het oog hadden verloren, den 16den
November, stak er een fiksche westewind op, hetgeen aan de schepen, die
Afrika's zuidspits omvaren, zeer goed te stade komt tegen de regelmatige
zuidoostewinden. De _Duncan_ zette alle zeilen bij, en voor haar
fokkezeil, haar groote bezaan, haar mars- en bramzeil, haar lij-,
steng- en stagzeilen, liep zij verbazend snel met bakboordshalzen.
Naauwelijks drong haar schroef in het water, dat haar steven doorkliefde,
en men zou gezegd hebben, dat zij met de snelvarende jagten van de
Royal-Thames-Club om den prijs dong.

's Anderendaags was de zee bedekt met een ontzaggelijke menigte zeegras,
als ware zij een digt met gras begroeide onmetelijke vijver. Zij geleek
op een krooszee, bedekt met al de overblijfselen van boomen en planten,
die uit de omliggende landen komen aandrijven. Luitenant Maury heeft
voornamelijk de aandacht der zeevarenden er op gevestigd. De _Duncan_
scheen over een onmetelijke weide te drijven, die Paganel teregt met de
Pampa's vergeleek, zoodat haar vaart min of meer werd vertraagd.

Vier en twintig uren later liet de uitkijk, bij het krieken van den dag,
de kreet: "land!" hooren.

"In welke rigting?" vroeg Tom Austin, die de wacht had.

"Onder den wind van ons," antwoordde de matroos.

Op dit geroep, dat altijd eenige aandoening veroorzaakt, stroomden allen
naar het dek van het jagt. Weldra kwam er een verrekijker uit de
kampanje, onmiddellijk gevolgd door Jacques Paganel.

De geleerde bragt zijn instrument in de aangewezen rigting, maar zag
niets, dat op land geleek.

"Kijk in de wolken," voegde John Mangles hem toe.

"Zoo waar," antwoordde Paganel, "dat heeft veel van een nog bijna
onzigtbare soort van piek."

"Dat is Tristan d'Acunha," hernam John Mangles.

"Dan moeten wij, als ik mij wel herinner, er tachtig mijlen van af
zijn," gaf de geleerde ten antwoord, "want de zeven duizend voet hooge
piek van Tristan is op dien afstand zigtbaar."

"Dat is ook zoo," antwoordde kapitein John.

Eenige uren later was de groep zeer hooge en zeer steile bergen
duidelijk aan den gezigteinder waar te nemen. De kegelvormige top van
Tristan stak zwart af bij den schitterenden grond des hemels, dien de
stralen der opgaande zon met allerlei kleuren tooiden. Weldra maakte het
voornaamste eiland zich los van de rotsmassa, als de top van een naar
het noordoosten hellenden driehoek.

Tristan d'Acunha ligt op 37°8' zuiderbreedte en 10°44' westerlengte van
Greenwich[4]. Achttien mijlen ten zuidwesten ligt het Ontoegankelijke,
en tien mijlen ten zuidoosten het Nachtegaals-eiland, die deze kleine
eenzame groep in dit gedeelte van den Atlantischen oceaan vormen. Tegen
den middag peilde men de twee voornaamste landteekens, die den zeelieden
tot herkenningspunten dienen, namelijk op een hoek van het
Ontoegankelijke eiland een rots, die zeer juist op een schip onder zeil
gelijkt en aan de noordpunt van het Nachtgaals-eiland twee eilandjes,
die wel iets hebben van een vervallen fortje.

Tegen drie ure liep de _Duncan_ de Falmouth-baai op Tristan d'Acunha
binnen, welke door de Bijstandspunt tegen de westewinden beschut wordt.

Daar lagen eenige walvischvaarders voor anker, die zich bezig hielden
met de vangst van robben en andere zeedieren, waarvan deze kusten
tallooze soorten opleveren.

John Mangles zocht een goeden ankergrond; want die opene reeden zijn
zeer gevaarlijk wegens de noordweste- en noordewinden, en op deze zelfde
plaats was in 1829 de engelsche brik _Julia_ met man en muis vergaan. De
_Duncan_ naderde de kust tot op een halve mijl en ging op een steengrond
op twintig vaâm water ten anker. Dadelijk begaven al de passagiers zich
in de groote boot en zetten voet aan land op een fijn en zwart zand, het
overschot der verweerde rotsen van het eiland.

De hoofdplaats der geheele groep van Tristan d'Acunha is niets meer dan
een dorpje, achterin de baai aan een zeer onstuimige beek gelegen. Het
bestond uit een vijftigtal vrij zindelijke en hoogst regelmatig gebouwde
huizen, dat het kenmerk der engelsche bouwkunst schijnt te zijn. Achter
dit onbeduidende plaatsje strekte zich een vlakte van vijftienhonderd
bunders uit, begrensd door een ontzaggelijke opeenhooping van lava; de
kegelvormige piek verhief zich nog zeven duizend voet hoog boven dit
vlak.

Lord Glenarvan werd door een gouverneur ontvangen, die onder de
Kaapkolonie staat. Onmiddellijk deed hij onderzoek naar Harry Grant en
de _Britannia_. Die namen waren geheel onbekend. De eilanden Tristan
d'Acunha liggen niet op den weg der schepen, en worden bijgevolg zelden
bezocht. Sedert de bekende schipbreuk der _Blendon-Hall_, die in 1821 op
de rotsen van het Ontoegankelijke eiland stootte, waren er slechts twee
schepen bij het voornaamste eiland gestrand, de _Primauguet_ in 1845 en
de amerikaansche driemaster _Philadelphia_ in 1857. De lijst der
zeerampen te Acunha bevatte slechts deze drie gevallen.

Glenarvan rekende volstrekt niet op naauwkeuriger inlichtingen en had
den gouverneur des eilands alleen ondervraagd om zijn geweten gerust te
stellen. Zelfs liet bij door de sloepen een togt om het eiland doen, dat
hoogstens zeventien mijlen omtrek heeft, Londen of Parijs zouden er niet
op kunnen staan, al was het nog driemaal grooter.

Gedurende dezen verkenningstogt deden de passagiers der _Duncan_ een
wandeling door het dorp en langs de kust. Tristan d'Acunha telt niet
meer dan honderd vijftig inwoners. Het zijn Engelschen en Amerikanen,
gehuwd met negerinnen en hottentotsche vrouwen van de Kaap, echte
monsters van leelijkheid. De kinderen uit die vreemdsoortige huwelijken
waren een zeer onaangenaam mengsel van de stugheid der Saxers en de
zwarte kleur der Afrikanen.

De reizigers, welke zich gelukkig achtten vasten grond onder hun voeten
te hebben, strekten hun wandeling langs den oever uit, waaraan de eenige
groote bebouwde vlakte des eilands grenst. Verderop bestaat de geheele
kust uit dorre en steile lavarotsen. Bij honderden kan men de groote
albatrossen en de domme vetganzen daar tellen.

Nadat zij die rotsen, welke haar ontstaan aan het vuur danken,
onderzocht hadden, keerden de bezoekers naar de vlakte terug; hier en
daar murmelden talrijke stroomende bronnen, door de eeuwige sneeuw van
den kegel gevoed; de bodem had een vrolijk voorkomen door de groene
struiken, waarop het oog bijna evenveel musschen als bloemen telde;
slechts een enkele boom, een soort van kaapschen kruisdoornstruik, wel
twintig voet hoog, en de "tusseh", een reusachtig rietgewas met
houtachtigen stengel staken boven het groene landschap uit; een veel
loten makende doornbeziestruik met stekelig zaad, stevige lomariën met
ineengegroeide vezels, eenige zeer langlevende struikvormige planten,
ancerinen, wier welriekende uitwasemingen de lucht met heerlijke geuren
doortrokken, mosplanten, wilde selderij en varens vormden een wel niet
talrijke maar weelderige flora. Het bleek terstond, dat een eeuwige
lente haar weldadigen invloed op dit bevoorregte eiland deed gevoelen.
Paganel beweerde met zijn gewone overdrijving, dat hier het vermaarde
Ogygia was, dat Fénélon had bezongen. Hij stelde lady Glenarvan voor een
grot te zoeken en de lieve Calypso na te volgen, en vroeg voor
zichzelven geen ander voorregt, dan "een der nimfen te zijn, die haar
bedienden."

Zoo keerden de wandelaars, al pratende en bewonderende, tegen het vallen
van den avond naar het jagt terug; kudden runderen en schapen weidden in
den omtrek van het dorp; de koren- en maïs-akkers en de tuinen met
moesgroenten, welke eerst voor veertig jaar ingevoerd waren, spreidden
hun natuurschatten tot op de straten der hoofdplaats ten toon.

Juist toen lord Glenarvan aan boord kwam, legden ook de sloepen der
_Duncan_ bij het jagt aan. In weinige uren waren zij het eiland
omgevaren. Geen spoor van de _Britannia_ hadden zij op haar togt
aangetroffen. Het eenige nut van die rondreis was dus, dat het eiland
Tristan geheel van de lijst der nasporingen geschrapt werd.

Bij gevolg kon de _Duncan_ thans die afrikaansche eilandengroep verlaten
en haar reis oostwaarts voortzetten. Zij vertrok echter niet dienzelfden
avond, want Glenarvan gaf zijn manschappen verlof om op de tallooze
robben jagt te maken, die onder den naam van zeekalven, zeeleeuwen,
zeebeeren en zeeolifanten de oevers der Falmouth-baai bezoeken. Voorheen
hielden de walvisschen zich gaarne in den omtrek der eilanden op; maar
zooveel walvischvaarders hadden ze vervolgd en geharpoeneerd, dat er
maar weinige overgebleven waren. De vinpootige zoogdieren daarentegen
waren er bij heele scharen bijeen. De matrozen van het jagt besloten dus
er 's nachts jagt op te maken en den volgenden dag te besteden met het
inzamelen van een goeden voorraad traan. Daarom werd het vertrek der
_Duncan_ twee dagen, tot den 20sten November uitgesteld.

Onder het avondeten deelde Paganel tot groot genoegen zijne hoorders het
een en ander betreffende de eilanden Tristan mede. Zoo vernamen zij, dat
die groep in 1506 door den Portugees Tristan d'Acunha, een der
reisgenooten van Albuquerque, ontdekt, meer dan een eeuw lang
veronachtzaamd bleef. Niet ten onregte werden zij voor broeinesten van
stormen gehouden, en stonden zij in geen beter reuk dan de Bermuda's.
Zij werden dus steeds vermeden, en tenzij de orkanen van den
Atlantischen oceaan er een schip heendreven, wierp geen enkel vaartuig
er uit eigen beweging het anker.

In 1697 liepen er drie hollandsche Oost-Indie-vaarders binnen, die er de
coördinaten van berekenden, terwijl de groote sterrekundige Halley hun
berekeningen in 1700 herzag. Van 1712 tot 1767 maakten eenige fransche
zeelieden er kennis mede, vooral La Pérouse, die ze ingevolge zijn
lastbrief op zijn beroemde reis van 1785 bezocht.

Die tot nog toe zoo schaars bezochte landen waren nog onbewoond, toen
een Amerikaan, Jonathan Lambert, in 1811 het waagde zich er neer te
zetten. Hij landde er met twee makkers in de maand Januarij en begon
moedig het werk van kolonist. De engelsche gouverneur van de kaap de
Goede Hoop vernomen hebbende, dat het hun goed ging, bood hun de
bescherming van Engeland aan. Jonathan Lambert nam dit aan, en heesch op
zijn hut de britsche vlag. Het scheen, alsof hij zijn volk, bestaande
uit een ouden Italiaan en een portugeeschen mulat, rustig zou regeeren,
toen hij eens bij een verkenning van de kusten van zijn rijk verdronk of
verdronken werd; dat weet men niet regt. Het jaar 1814 kwam. Napoleon
werd op St. Helena gevangen gezet, en om hem des te beter te bewaken,
legde Engeland bezetting op het eiland Ascension en ook op Tristan
d'Acunha. Het garnizoen van Tristan bestond uit een compagnie artillerie
van de Kaap en een afdeeling Hottentotten. Het bleef er tot in 1821,
toen het na den dood van den gevangene van St. Helena weder naar de Kaap
verlegd werd.

"Slechts één Europeaan," voegde Paganel erbij, "een korporaal, een
Schot...."

"Wat! een Schot!" zeide de majoor, die altijd bijzonder veel belang in
zijn landgenooten stelde.

"William Glass genoemd," ging Paganel voort, "bleef op het eiland met
zijn vrouw en twee Hottentotten. Weldra voegden zich twee Engelschen,
een matroos en een visscher op de Theems, gewezen dragonder in het
argentijnsche leger, bij den Schot, en eindelijk vond in 1821 ook een
der schipbreukelingen van de _Blendon-Hall_ met zijn jonge vrouw een
schuilplaats op het eiland Tristan. Zoo telde dus het eiland in 1821 zes
mannen en twee vrouwen. In 1829 bestond de bevolking uit zeven mannen,
zes vrouwen en veertien kinderen. In 1835 bereikte zij het cijfer van
veertig en nu is het verdriedubbeld."

"Zoo ontstaan de natiën," zeide Glenarvan.

"Ik voeg er nog bij," hervatte Paganel, "om de geschiedenis van Tristan
d'Acunha volledig te verhalen, dat dit eiland in mijn oog met evenveel
regt den naam van Robinsons-eiland verdient, als Juan Fernandez. Want
werden er op dit laatste achtereenvolgens twee matrozen achtergelaten,
weinig scheelde het of twee geleerden had ditzelfde lot op Tristan
d'Acunha getroffen. In 1793 verdwaalde een mijner landgenooten, de
natuurkundige Aubert Dupetit-Thouars, door zijn ijver om planten te
verzamelen vervoerd, en vond zijn schip eerst terug, toen de kapitein
het anker ligtte. In 1824 werd een uwer landgenooten, waarde Glenarvan!
de bekwame teekenaar August Earle, acht maanden lang op het eiland
achtergelaten. Zijn kapitein, vergetende dat hij aan land was, was onder
zeil gegaan naar de Kaap."

"Die mag met regt een verstrooid kapitein heeten," zeide de majoor. "Hij
was zeker van uw famielje, Paganel?"

"Als hij het niet was, majoor! verdiende hij het te zijn!"

Het antwoord van den aardrijkskundige maakte een einde aan dit gesprek.

Gedurende den nacht maakten de matrozen van de _Duncan_ een goede jagt:
een vijftigtal groote robben werden gedood. Eenmaal de jagt toegelaten
hebbende, kon Glenarvan hun nu het voordeel, dat zij opleverde, niet
onthouden. De volgende dag werd dus besteed om de traan te verzamelen en
de huiden dezer winstgevende dieren te bereiden. Het spreekt van zelf,
dat de passagiers van dit oponthoud gebruik maakten tot een nieuw togtje
over het eiland. Glenarvan en de majoor namen hun geweer mede om op het
wild van Acunha te jagen. Op deze wandeling kwam men tot aan den voet
van den berg over een grond bezaaid met verweerde overblijfselen van
slakken, poreuse en zware lava en andere vulkanische uitwerpselen. De
voet van den berg was omringd door een verwarde menigte waggelende
rotsblokken. Men kon zich onmogelijk vergissen in den aard van den
ontzaggelijken kegel, en de engelsche kapitein Carnichaël had goed
gezien, toen hij hem voor een uitgebranden vulkaan hield.

De jagers ontdekten eenige wilde zwijnen. Een werd door een kogel van
den majoor doodelijk getroffen. Glenarvan vergenoegde zich met
verscheidene koppels zwarte patrijzen te schieten, waarvan de scheepskok
een uitstekenden schotel moest opdisschen. Een menigte geiten vertoonde
zich op het hooge bergvlak. En de wilde katten, moedige, vermetele en
sterke dieren, de schrik der honden, vermenigvuldigden sterk en zouden
weldra zeer gevreesde verscheurende dieren worden.

Ten acht ure was een ieder weer aan boord, en des nachts verliet de
_Duncan_ het eiland Tristan d'Acunha om het nimmer weder te zien.


[1] 4900 uren gaans.

[2] 4000 uren gaans.

[3] 875 uren gaans.

[4] 13°4' westerlengte van Parijs. Het verschil tusschen beide
middagcirkels is 2°20'.




III.

Het eiland Amsterdam.


John Mangles was voornemens aan de kaap de Goede Hoop kolen in te nemen.
Daarom moest hij een weinig van den zeven en dertigsten breedtegraad
afwijken en twee graden noordelijker gaan. De _Duncan_ was nu beneden de
streek der passaatwinden en stevige westewinden begunstigden haar
vaart[1]. Geen volle zes dagen had ze noodig voor de dertien honderd
mijlen[2], die Tristan d'Acunha van Afrika's zuidpunt scheiden. Den
24sten November, 's namiddags ten drie ure, kreeg men den Tafelberg in
het oog, en iets later peilde John den Seinberg, die den ingang der baai
aanwijst. Hij liep ze tegen acht ure binnen, en wierp het anker in de
haven der Kaapstad.

Als lid der Maatschappij van aardrijkskunde kon het Paganel niet
onbekend zijn, dat het uiteinde van Afrika voor het eerst in 1486 gezien
werd door den portugeeschen admiraal Bartholomeus Diaz, en dat het tot
1497 duurde, voor de beroemde Vasco de Gama het omzeilde. Hoe zou het
Paganel onbekend hebben kunnen zijn, daar Camoëns in zijn _Lusiade_ den
roem van den grooten zeevaarder bezingt? Maar hij maakte hierbij een
aardige opmerking en wel deze: indien Diaz in 1486, zes jaren voor de
eerste reis van Christoffel Columbus, de kaap de Goede Hoop was
omgezeild, zou de ontdekking van Amerika welligt wie weet hoe lang
verschoven zijn. De weg om de Kaap toch was de kortste en natuurlijkste
om naar Oost-Indië te komen. En het doel van den grooten genueeschen
zeeman, toen hij westwaarts stevende, was immers geen ander dan de
reizen naar de Specerijlanden te verkorten! Derhalve zou, zoodra de Kaap
eens was omgezeild, zijn togt doelloos geweest zijn en zou hij hem
waarschijnlijk niet ondernomen hebben.

De Kaapstad, achter in de Kaapbaai gelegen, werd in 1652 door den
Hollander van Riebeek gesticht. Zij was de hoofdstad eener belangrijke
kolonie, die door de verdragen van 1815 bepaald engelsch werd. De
passagiers van de _Duncan_ maakten van dit oponthoud gebruik om haar te
bezoeken. Zij mogten niet meer dan twaalf uren aan hun wandeling
besteden; want kapitein John had maar één dag noodig om nieuwen voorraad
in te nemen, en hij wilde den 26sten, 's morgens vroeg, vertrekken.

Meer tijd was er ook niet noodig om de regelmatige ruiten van dat
schaakbord, dat Kaapstad heet, te doorkruisen, waarop dertig duizend
inwoners, blanken en zwarten, de rol van koningen, koninginnen, paarden,
pions, misschien ook van narren[3] spelen. Zoo drukte zich althans
Paganel uit. Wanneer men het kasteel, dat zich ten zuidoosten van de
stad verheft, het gouvernements-huis en tuin, de beurs, het museum en
het steenen kruis, dat Bartholomeus Diaz bij gelegenheid van zijn
ontdekking plantte, gezien, en een glas Pontai, het eerste gewas der
Constantia-wijnen, gedronken heeft, kan men niets beter doen dan
vertrekken. Zoo deden de reizigers dan ook den volgenden dag vroeg. De
_Duncan_ stak in zee onder haar stagfok, haar kluiver, haar voormarszeil
en haar marszeil, en eenige uren later stevende zij om die beruchte
Stormkaap heen, waaraan de optimistische koning van Portugal, Johan II,
zeer verkeerd den naam van Goede Hoop gaf.

Een afstand van twee duizend negen honderd mijlen[4] tusschen de Kaap en
het eiland Amsterdam af te leggen was bij een schoone zee en een fiksche
koelte het werk van een dag of tien. Gelukkiger dan de reizigers in de
Pampa's, hadden de zeevaarders niet over weer en wind te klagen. Lucht
en water, die op het vastland tegen hen hadden zaamgespannen, sloegen nu
de handen ineen om hen voort te drijven.

"O, de zee! de zee!" riep Paganel telkens. "Zij is bij uitnemendheid het
veld, waarop de menschelijke krachten zich kunnen oefenen, en het schip
is wel het ware voertuig der beschaving! Denkt maar na, mijne vrienden!
Was de aardbol maar één onmetelijk vastland, dan zouden wij er in de
19de eeuw nog het duizendste gedeelte niet van kennen! Zie maar wat er
in de binnenlanden der groote landstreken voorvalt; in de steppen van
Siberië, op de vlakten van Midden-Azië, op de prairiën van Amerika, op
de uitgestrekte gronden van Australië, in de bevrozen poolgewesten,
--naauwelijks durft de mensch zich er wagen, de stoutste deinst terug, de
moedigste bezwijkt! Verder gaan is onmogelijk. De middelen van vervoer
zijn ontoereikend. Hitte, ziekten, de wildheid der inboorlingen, ziedaar
evenveel onoverkomelijke hinderpalen. Een woestijn van twintig mijlen is
een grooter scheidsmuur tusschen de menschen dan een oceaan van vijf
honderd mijlen. De bewoners van over elkander liggende oevers zijn
buren; vreemden, als slechts een woud ze scheidt! Engeland grenst aan
Australië, terwijl Egypte b.v. millioenen uren van St. Petersburg
schijnt te liggen! De zee is thans gemakkelijker te bereizen dan de
kleinste Sahara, en aan haar hebben wij het te danken, zooals een
amerikaansch geleerde zeer juist gezegd heeft[5], dat er een algemeene
broederband om al de werelddeelen gelegd is."

Paganel sprak met vuur, en de majoor zelfs had op geen enkel woord van
dezen lofzang aan den oceaan een aanmerking te maken. Had men om Harry
Grant terug te vinden den zeven en dertigsten breedtegraad over land
moeten volgen, dan zou de onderneming niet op touw zijn gezet; maar de
zee was er om de moedige zoekers van het eene land naar het andere te
brengen, en den 6den December liet ze bij het eerste krieken van den dag
een nieuwen berg uit den schoot harer golven oprijzen.

Het was het eiland Amsterdam, op 37°47' breedte en 77°24'[6] lengte,
welks hooge kegel bij helder weder vijftig mijlen in het rond zigtbaar
is. Ten acht ure geleek zijn nog onbepaalde gedaante vrij naauwkeurig op
Teneriffe.

"En bij gevolg gelijkt het op Tristan d'Acunha," zeide Glenarvan.

"Een zeer juiste gevolgtrekking," antwoordde Paganel, "overeenkomstig
dit wis- en aardrijkskundig axioma, dat, wanneer twee eilanden elk aan
een derde gelijk zijn, zij ook onderling op elkander gelijken. Ik voeg
hier nog bij, dat het eiland Amsterdam even als Tristan d'Acunha rijk
aan robben en Robinsons is en geweest is."

"Zijn er dan overal Robinsons geweest?" vroeg lady Helena.

"Op mijn eer, mevrouw!" antwoordde Paganel, "ik ken weinig eilanden,
waar niets van dien aard is voorgevallen, en het toeval had reeds lang
te voren den roman van uw onsterfelijken landgenoot, Daniël de Foe,
uitgewerkt."

"Mag ik zoo vrij zijn u iets te vragen, mijnheer Paganel?" zeide Mary
Grant.

"Zooveel gij wilt, lieve miss! ik beloof u, dat ik er op antwoorden
zal."

"Welnu," hernam het meisje, "zou de gedachte van op een onbewoond eiland
achtergelaten te worden u veel vrees aanjagen?"

"Mij!" riep Paganel.

"Maak ons maar niet wijs, dat gij niets vuriger wenschen zoudt, mijn
vriend!" zeide de majoor.

"Dat beweer ik niet," antwoordde de aardrijkskundige; "maar ik zou het
toch niet zoo heel onaangenaam vinden. Ik zou een nieuw leven aanvangen.
Ik zou jagen, visschen, 's winters in een grot, 's zomers op een boom
wonen; ik zou pakhuizen voor mijn oogst aanleggen; met een woord, ik zou
mijn eiland koloniseeren."

"Gij alleen?"

"Ik alleen, als het moest. Maar is men wel ooit alleen in de wereld? Kan
men geen vrienden onder de dieren kiezen, een geitje, een praatzieken
papegaai, een aardigen aap temmen? En zendt het toeval u een medgezel,
zooals de getrouwe Vrijdag, wat is er dan meer noodig om gelukkig te
zijn? Twee vrienden op een rots, dat is eerst het ware geluk!
Vooronderstel de majoor en ik...."

"Hartelijk dank!" antwoordde de majoor. "Ik heb geen zin in de rol van
een Robinson en ik zou haar heel slecht spelen."

"Mijn waarde heer Paganel," sprak lady Helena, "uw verbeelding sleept u
weer mede op het gebied der droomen. Maar ik geloof, dat er een groot
verschil bestaat tusschen den droom en de werkelijkheid. Gij denkt
alleen aan denkbeeldige Robinsons, die voorzigtig op een met beleid
gekozen eiland worden geworpen, en die de natuur als bedorven kinderen
behandelt; gij beziet de zaken alleen van den schoonsten kant."

"Gelooft gij dan niet, mevrouw! dat men op een onbewoond eiland gelukkig
kan zijn?"

"Ik denk het niet. De mensch is voor de gezelligheid, niet voor de
eenzaamheid bestemd. Afzondering moet noodzakelijk tot wanhoop leiden.
Het is een zaak van tijd. Welligt zullen in het begin de eischen van het
stoffelijke leven, de zorgen voor het levensonderhoud den ongelukkige,
die pas uit de golven is gered, afleiding geven, de behoeften van het
oogenblik hem de gevaren, die hem in de toekomst wachten, uit het oog
doen verliezen! Maar daarna, als hij zich alleen gevoelt, ver van zijn
medemenschen, zonder hoop van ooit zijn land en wie hem dierbaar zijn
terug te zien, welke gedachten zullen dan niet bij hem oprijzen, wat zal
hij dan niet moeten lijden? Zijn eilandje is voor hem de geheele wereld.
Het geheele menschdom is hij, en wanneer de dood nadert, de dood, die in
zulk een verlatenheid zoo vreeselijk is, dan ligt hij daar als de
laatste mensch op den laatsten dag der wereld. Geloof mij, mijnheer
Paganel! het is beter die man niet te zijn!"

Paganel gaf zich, niet zonder tegenkanting, gewonnen door de bewijzen
van lady Helena, en het gesprek over het voor en tegen van de
eenzaamheid werd zoo voortgezet tot het oogenblik, waarop de _Duncan_
een mijl van de kust van het eiland Amsterdam het anker liet vallen.

Deze eenzame groep in den Indischen oceaan bestaat uit twee
afzonderlijke eilanden, die omstreeks drie en dertig mijlen van elkander
en juist onder den middagcirkel van Voor-Indië liggen; het noordelijke
heet Amsterdam of St. Pieter, het zuidelijke St. Paul; maar wij moeten
zeggen, dat aardrijkskundigen en zeevaarders ze vaak verward hebben.

Deze eilanden werden in de maand December van het jaar 1796 door den
Hollander Vlaming ontdekt, en vervolgens onderzocht door
d'Entrecasteaux, toen hij met de _Espérance_ en de _Recherche_ La
Péronse opspoorde.

Van deze reis dagteekent de verwarring der beide eilanden. De zeevaarder
Barrow, Beautemps-Beaupré in den atlas van d'Entrecasteaux, later
Horsburg, Pinkeston en andere aardrijkskundigen hebben telkens het
eiland St. Pieter voor het eiland St. Paul beschreven en omgekeerd. In
1859 wachtten de officieren van het oostenrijksche fregat de _Novara_ op
hun reis om de wereld zich wel die dwaling te begaan, en ook Paganel was
er zeer op gesteld ze te verhelpen.

Het eiland St. Paul, ten zuiden van het eiland Amsterdam gelegen, is
slechts een onbewoond eilandje, bestaande uit een kegelvormigen berg,
die oudtijds een vulkaan moet geweest zijn. Het eiland Amsterdam
daarentegen, waarheen de sloep de passagiers van de _Duncan_ bragt,
heeft wel twaalf mijlen in omtrek. Het wordt door eenige vrijwillige
ballingen bewoond, die zich dat zoo treurige leven getroosten. Het zijn
de opzigters over de visscherij, die evenals het eiland een eigendom is
van een handelaar op Réunion, den heer Otovan. Die souverein, dien de
groote mogendheden van Europa nog niet erkend hebben, verschaft zich
daar een civiele lijst van vijf en zeventig tot tachtig duizend franken,
door het visschen, zouten en verzenden van een cheilodactylus, meer
algemeen bekend onder den naam van kabeljaauw.

Overigens was dit eiland Amsterdam bestemd om fransch te worden en te
blijven. Zoo behoorde het allereerst door het regt van eerste
inbezitneming aan den heer Camin, een kaper van St. Denis op Bourbon;
vervolgens werd het bij een of ander verdrag aan een Pool afgestaan, die
het door slaven liet bebouwen. Maar een Pool en een Franschman is
hetzelfde, en het poolsche eiland werd in handen van den heer Otovan
weder fransch.

Toen de _Duncan_ er aanlandde, den 6den December 1864, bestond de
bevolking uit drie hoofden, een Franschman en twee Mulatten, alle drie
bedienden van den koopman-eigenaar. Paganel had dus het genoegen een
landgenoot de hand te drukken in den persoon van den eerwaardigen, toen
zeer bejaarden heer Viot. Die "verstandige grijsaard" hield met veel
beleefdheid de eer van het eiland op. Het was voor hem een gelukkige
dag, nu hij zulke innemende vreemdelingen mogt ontvangen. St. Pieter
wordt slechts bezocht door robbenvangers en enkele walvischvaarders,
lieden, die over het geheel zeer ruw zijn en niet veel gewonnen hebben
door den omgang met de zeehonden.

De heer Viot stelde zijn onderdanen, de beide Mulatten, voor; zij
vormden de geheele levende bevolking van het eiland, met eenige wilde
zwijnen, die zich in het binnenland ophielden en vele duizenden domme
vetganzen. Het huisje, dat de drie eilanders bewoonden, stond aan het
uiteinde eener natuurlijke haven in het zuidwesten des eilands, gevormd
door de instorting van een gedeelte van den berg.

Lang voor de regering van Otovan I strekte het eiland St. Pieter tot
toevlugtsoord voor schipbreukelingen. Paganel maakte de belangstelling
zijner hoorders gaande door zijn eerste verhaal met deze woorden te
beginnen: _Geschiedenis van twee Schotten, die op het eiland Amsterdam
werden achtergelaten_.

Het was in 1827. Het engelsche schip _Palmira_ bemerkte onder het
voorbijvaren van het eiland, dat er een rookwolk omhoog steeg. De
kapitein naderde de kust en zag weldra twee mannen, die noodseinen
gaven. Hij zond de sloep aan land, die James Paine, een jongeling van
twee en twintig jaren, en Robert Proudfoot, oud acht en veertig jaar,
opnam. Die beide ongelukkigen waren onkenbaar. Sedert achttien maanden
bijna geheel van voedsel en zoet water verstoken, van schelpdieren
levende, met een slechten omgebogen spijker visschende, soms een jong
wild zwijn in den loop vangende, dikwijls drie dagen lang zonder eten
doorbrengende, als vestaalsche maagden wakende bij een vuur, dat zij met
hun laatste stuk zwam hadden aangelegd, het nooit latende uitgaan, het
op hun togten als een voorwerp van de hoogste waarde medenemende,
leidden zij een leven vol gebrek, ontbering en lijden. Paine en
Proudfoot waren door een schoener aan land gezet, die op de robbenvangst
was. Volgens de gewoonte der visschers moesten zij een maand lang een
voorraad huiden en traan opleggen, tot aan de terugkomst van den
schoener. De schoener verscheen niet weer. Vijf maanden later deed de
_Hope_, op haar reis naar Van Diemen het eiland aan; maar ten gevolge
van een onverklaarbare wreede luim weigerde de kapitein de twee Schotten
mede te nemen; hij zeilde weer weg zonder hun een beschuit of een
vuursteen te geven, en zekerlijk zouden de twee ongelukkigen weldra
bezweken zijn, indien de _Palmira_ hen niet aan boord had genomen, toen
ze in het gezigt van het eiland Amsterdam kwam.

Het tweede voorval, waarvan de geschiedenis van het eiland Amsterdam
melding maakt,--indien zulk een rots een geschiedenis hebben kan,
--betreft thans een Franschman, kapitein Péron. Dit voorval begint en
eindigt ook weer als dat van de twee Schotten: een vrijwillig verblijf
op het eiland, een schip, dat niet terugkomt, en een vreemd vaartuig,
dat de grillige winden naar die groep drijven, na een verlatenheid van
veertig maanden. Het verblijf van kapitein Péron werd echter gekenmerkt
door een bloedig drama, en levert treffende punten van overeenkomst op
met de verdichte voorvallen, die den held van Daniel de Foe bij zijn
terugkomst op zijn eiland wachtten.

Kapitein Péron had zich aan wal laten zetten met vier matrozen, twee
Engelschen en twee Franschen; vijftien maanden lang zou hij zich met de
jagt op zeeleeuwen bezig houden. De jagt was gelukkig; maar toen de
vijftien maanden om waren en het schip niet terug kwam, toen de
levensmiddelen langzamerhand op raakten, werden de betrekkingen tusschen
de beide volken gespannen. De twee Engelschen sloegen aan het muiten en
kapitein Péron zou door hen omgebragt zijn, als zijn landgenooten hem
niet hadden bijgestaan. Van dit oogenblik af leidden de beide partijen,
die elkaar dag en nacht in het oog hielden, altijd de wapens in de hand
hadden, nu eens overwinnaars, dan weer overwonnenen waren, een
vreeselijk leven vol ellende en angst. En zeker zouden zij elkander
eindelijk vernietigd hebben, als niet een engelsch schip die rampzaligen
verzoend had, tusschen welke een nietswaardige volkshaat op een rots in
den Indischen oceaan verdeeldheid veroorzaakte.

Zoo droegen die gebeurtenissen zich toe. Tweemaal werd zoo het eiland
Amsterdam het verblijf van verlaten matrozen, die de Voorzienigheid
tweemaal van ellende en dood redde. Maar na dien tijd was er geen schip
meer op die kust vergaan. Een schipbreuk zou het wrak op het strand
hebben geworpen; schipbreukelingen zouden de visscherijen van den heer
Viot bereikt hebben. Maar de grijsaard bewoonde het eiland reeds jaren
lang en nooit had hij gelegenheid gehad gastvrijheid te bewijzen aan
slagtoffers der zee. Van de _Britannia_ en van kapitein Grant wist hij
niets. Noch het eiland Amsterdam, noch het eilandje St. Paul, dat de
walvischvaarders en visschers dikwijls bezochten, was het tooneel dier
ramp geweest.

Dit antwoord verbaasde Glenarvan evenmin als het hem bedroefde. Op die
aanlegplaatsen zochten Glenarvan en zijn reisgenooten, waar kapitein
Grant niet was, niet waar hij wel was. Zij wilden alleen het bewijs
leveren, dat hij op die verschillende punten der parallel niet was,
anders niet. Het vertrek der _Duncan_ werd dus op den volgenden dag
bepaald.

Tot den avond bleven de passagiers op het eiland, dat een zeer
vriendelijk voorkomen heeft. Maar de wijdloopigste aller natuurkenners
zou geen kans gezien hebben om een deeltje in octavo te vullen met de
beschrijving van de aldaar te huis behoorende dieren en planten. De orde
der viervoetige dieren, der vogels, der visschen en der walvischaardige
dieren bevatte slechts eenige wilde zwijnen, stormvogels, sneeuwvogels,
albatrossen, baarzen en robben. Warme en ijzerhoudende bronnen
ontsprongen hier en daar uit de zwarte lava, en haar digte dampen
zweefden over den vulkanischen bodem. Eenige van die bronnen bezaten een
zeer hoogen warmtegraad. John Mangles dompelde er een thermometer van
Fahrenheit in, die honderd zes en zeventig graden aanwees. De visch, die
eenige schreden van daar in zee werd gevangen, was in vijf minuten gaar
in dat bijna kokend heete water. Paganel oordeelde het daarom ook
geraden zich er niet in te baden.

Tegen den avond nam Glenarvan na een stevige wandeling afscheid van den
vriendelijken heer Viot. Elk wenschte hem alle mogelijke geluk op zijn
eenzaam eilandje. De grijsaard op zijne beurt uitte de beste wenschen
voor het welslagen der onderneming, en de boot van de _Duncan_ bragt de
passagiers aan boord terug.


[1] De dertigste graad breedte schijnt de grens dezer winden te zijn.

[2] Omtrent 600 uren gaans.

[3] De woordspeling is hier niet te vertalen. Het fransche woord "fou"
beteekent in het schaakspel den "raadsheer," maar wil ook "nar" zeggen.
VERT.

[4] Twaalf honderd uren gaans.

[5] Luitenant Maury.

[6] 76°4' oosterlengte van Parijs.




IV.

De weddenschappen van Jacques Paganel en majoor Mac Nabbs.


Ten drie ure in den morgen van den 7den December had de _Duncan_ reeds
stoom op; de manschappen liepen in het spil; het anker kwam regt onder
het schip, verliet den zandgrond der kleine haven en werd naar den
ankerbalk opgeheschen; de schroef raakte in beweging en het jagt stak in
zee. Toen de passagiers ten acht ure op het dek kwamen, verdween het
eiland Amsterdam in de nevelen van den gezigteinder. Het was de laatste
pleisterplaats op den weg van de zeven en dertigste parallel, en niet
meer dan drie duizend mijlen[1] scheidden het van de australische kust.
Als de westewind nog een dag of twaalf aanhield en de zee gunstig bleef,
zou de _Duncan_ het doel harer reis bereiken.

Mary Grant en Robert zagen niet zonder aandoening die golven, welke de
_Britannia_ ongetwijfeld weinige dagen voor zij verging kliefde. Welligt
worstelde daar kapitein Grant met een reeds ontredderd schip en gedunde
bemanning tegen de vreeselijke orkanen der Indische zee, en werd hij met
onweerstaanbare kracht naar de kust gedreven. John Mangles wees het
meisje de stroomen, die op de zeekaart aangeteekend staan, en verklaarde
haar hun bestendige rigting. Zoo voert er o.a. een, de zijdelingsche
strooming van den Indischen oceaan, naar het vastland van Australië, en
haar werking doet zich van het westen naar het oosten niet minder in de
Stille Zuidzee voelen dan in den Atlantischen oceaan. Dus moest de
_Britannia_, masteloos en niet meer naar het roer luisterende, dat wil
zeggen weerloos tegen het geweld van water en wind, wel op de kust
loopen en er vergaan.

Hier deed zich echter een zwarigheid op. De laatste berigten van
kapitein Grant waren, volgens de _Mercantile and Shipping Gazette_, uit
Callao, van den 30sten Mei 1862. Hoe kon nu de _Britannia_ den 7den
Junij, acht dagen na het verlaten van de kust van Peru, in de Indische
zee zijn? Toen men Paganel hierover raadpleegde, gaf hij een zeer
aannemelijk antwoord, waarmede de ongeloovigsten genoegen hadden kunnen
nemen.

Het was in den avond van den 12den December, zes dagen na het vertrek
van het eiland Amsterdam. Lord en lady Glenarvan, Robert en Mary Grant,
kapitein John, Mac Nabbs en Paganel praatten op de kampanje. Als
gewoonlijk sprak men over de _Britannia_, want men dacht aan niets
anders. Nu werd juist de bovengenoemde zwarigheid toevallig geopperd,
waarvan het onmiddellijk gevolg was, dat de hoop, dien allen op dezen
weg gevestigd hadden, verminderde.

Bij deze onverwachte opmerking van Glenarvan zag Paganel driftig op.
Zonder een woord te spreken ging hij nu het document halen. Toen hij
terugkwam, vergenoegde hij zich met de schouders op te halen, als iemand
die zich schaamt, dat hij een oogenblik voor "zulk een beuzeling"
gestaan heeft.

"Dat is nu goed en wel, waarde vriend!" zeide Glenarvan, "maar geef ons
ten minste een antwoord."

"Neen!" antwoordde Paganel, "ik zal liever een vraag doen en wel aan
kapitein John."

"Spreek op, mijnheer Paganel!" zeide John Mangles.

"Kan een goed zeiler in een maand het gedeelte van de Stille Zuidzee
oversteken, dat tusschen Amerika en Australië ligt?"

"Ja, als hij in een etmaal twee honderd mijlen aflegt."

"Is dat buitengewoon snel?"

"Volstrekt niet. De zeilclippers bereiken dikwijls een nog aanzienlijker
snelheid."

"Welnu," hernam Paganel, "vooronderstel, in plaats van "7 Junij" op het
document te lezen, dat de zee een cijfer van die dagteekening heeft
uitgewischt en lees "17 Junij" of "27 Junij," en alles is opgehelderd."

"Inderdaad," sprak lady Helena, "van den 31sten Mei tot den 27sten
Junij...."

"Heeft kapitein Grant de Stille Zuidzee kunnen oversteken en in den
Indischen oceaan zijn!"

Dit besluit, dat Paganel daaruit opmaakte, werd met een levendig gevoel
van tevredenheid begroet.

"Nu is er, dank zij onzen vriend, alweer iets opgehelderd!" zeide
Glenarvan. "Wij behoeven dus eenvoudig Australië te bereiken en het
spoor van de _Britannia_ op de westkust te zoeken."

"Of op de oostkust," meende John Mangles.

"Ja waarlijk, gij hebt gelijk, John! Het document bevat niet de
geringste aanwijzing, dat de ramp veeleer op de west- dan op de oostkust
heeft plaatsgehad. Wij zullen derhalve onze nasporingen moeten
uitstrekken tot die beide punten, waar de zeven en dertigste parallel
Australië snijdt."

"Bestaat er dan eenige twijfel dienaangaande, mylord?" vroeg het meisje.

"O neen, miss!" haastte John Mangles zich te antwoorden, die deze vrees
van Mary Grant wenschte te verdrijven. "Zijn Lordschap zal wel willen
toestemmen dat, wanneer kapitein Grant op de oostkust van Australië aan
land was gekomen, hij bijna terstond hulp en bijstand zou gevonden
hebben. Die geheele kust is om zoo te zeggen engelsch en met kolonisten
bevolkt. De bemanning der _Britannia_ behoefde geen tien mijlen
landwaarts in te gaan om landgenooten te vinden."

"Juist zoo, kapitein John!" sprak Paganel. "Ik ben het met u eens. Op de
oostkust, in de Twofold-baai, in het stadje Eden, zou Harry Grant niet
alleen een toevlugtsoord in een engelsche kolonie gevonden hebben; maar
het zou hem ook niet aan vervoermiddelen ontbroken hebben om naar Europa
terug te keeren."

"Hebben dan," vroeg lady Helena, "de schipbreukelingen niet dezelfde
hulpmiddelen kunnen vinden in dat gedeelte van Australië, waarheen de
_Duncan_ ons brengt?"

"Neen, mevrouw!" antwoordde Paganel. "Die kust is onbewoond. Zij heeft
niet de minste gemeenschap met Melbourne of Adelaïde. Als de _Britannia_
op de riffen, die haar omzoomen, vergaan is, heeft het der bemanning
even goed aan hulp ontbroken, alsof ze verbrijzeld was op de
onherbergzame stranden van Afrika."

"Maar wat is er dan in die twee jaren van mijn vader geworden?" vroeg
Mary Grant.

"Lieve Mary!" antwoordde Paganel, "gij houdt u toch zeker overtuigd, dat
kapitein Grant na zijn schipbreuk de australische kust bereikt heeft?"

"Ja, mijnheer Paganel!" verzekerde het meisje.

"Welnu, wat kan er met kapitein Grant, eenmaal aan land zijnde, gebeurd
wezen? Hier is geen ruim veld voor gissingen. Zij bepalen zich tot een
drietal. Harry Grant en zijn makkers hebben òf de engelsche koloniën
bereikt, òf zij zijn in de handen der inboorlingen gevallen, òf
eindelijk ze zijn verdwaald in de onmetelijke woestenijen van
Australië."

Paganel zweeg, en trachtte in de oogen zijner toehoorders een
goedkeuring van zijn stelsel te lezen.

"Ga voort, Paganel!" zeide lord Glenarvan.

"Vooreerst dan," vervolgde hij, "verwerp ik de eerste gissing. Harry
Grant heeft de engelsche koloniën niet kunnen bereiken, want dan was
zijn redding zeker en zou hij reeds sedert lang bij zijn kinderen in
zijn goede stad Dundee geweest zijn."

"Arme vader!" jammerde Mary Grant, "nu is hij reeds twee jaren van ons
gescheiden!"

"Laat mijnheer Paganel toch uitspreken, zuster!" zeide Robert, "hij zal
ons zeggen...."

"Helaas, neen! mijn jongen! al wat ik stellig kan zeggen is, dat
kapitein Grant gevangen is bij de Australiërs of...."

"Maar die inboorlingen?" vroeg lady Glenarvan driftig, "zij zijn...?"

"Stel u gerust, mevrouw!" antwoordde de geleerde, die de bedoeling van
lady Helena vatte, "die inboorlingen zijn wild, verdierlijkt, op het
laagste standpunt van menschelijke ontwikkeling; maar hun zeden zijn
zacht, en niet bloeddorstig gelijk die hunner buren op Nieuw-Zeeland.
Wanneer zij de schipbreukelingen der _Britannia_ gevangen hebben
genomen, kunt gij mij op mijn woord gelooven, dat zij hun leven nooit
bedreigd hebben. Alle reizigers zijn het hierover eens, dat de
Australiërs een afkeer hebben van bloedvergieten en menigmaal hebben zij
in hen getrouwe bondgenooten gevonden om den aanval af te slaan van heel
wat wreeder benden gedeporteerden."

"Gij hoort, wat mijnheer Paganel zegt," hernam lady Helena zich tot Mary
Grant wendende. "Ingeval uw vader, en het document geeft aanleiding om
het te denken, in handen der inboorlingen is, zullen wij hem
terugvinden...."

"En wanneer hij in dat onmetelijke land verdwaald is?" sprak het meisje,
Paganel met haar blikken ondervragende.

"Ook dan," riep de aardrijkskundige vol vertrouwen uit, "zullen wij hem
terugvinden! Niet waar, vrienden?"

"Zonder twijfel," antwoordde Glenarvan, die een vrolijker wending aan
het gesprek wilde geven. "Ik geef niet toe, dat men verdwalen kan...."

"Ik ook niet," voegde Paganel er bij.

"Is Australië groot?" vroeg Robert.

"Australië, mijn jongen! is zoo wat zeven honderd vijf en zeventig
millioenen bunders groot, dat is vier vijfden van Europa."

"Zoo groot?" vroeg de majoor.

"Ja, Mac Nabbs! tot op een el na naauwkeurig. Gelooft gij nu, dat zulk
een land aanspraak heeft op de benaming van "vastland," die het document
er aan geeft?"

"Zeker, Paganel!"

"Ik voeg hier nog bij," ging de geleerde voort, "dat er weinig reizigers
bekend zijn, die in dat uitgestrekte land verdwaald zijn. Ik geloof
zelfs, dat Leichardt de eenige is, wiens lot onbekend is, en kort voor
mijn vertrek heb ik nog in de Maatschappij van aardrijkskunde gehoord,
dat Mac Intyre meende hem op het spoor te zijn."

"Is Australië niet in alle rigtingen doorkruist?" vroeg lady Glenarvan.

"Neen, mevrouw! daar scheelt heel wat aan!" antwoordde Paganel. "Dit
vastland is even weinig bekend als de binnenlanden van Afrika, en toch
niet uit gebrek aan ondernemende reizigers. Van 1606 tot 1862 hebben
zich meer dan vijftig, zoowel in het binnenland als aan de kusten, met
het onderzoek van Australië bezig gehouden."

"O, vijftig!" zeide de majoor met een twijfelende houding.

"Ja, Mac Nabbs! zooveel. Ik bedoel daarmede zoowel de zeelieden, die de
australische kusten onder al de gevaren eener onbekende zeevaart hebben
opgenomen, als de reizigers, die landwaarts ingetrokken zijn."

"Maar vijftig is toch wel wat veelgezegd," beweerde de majoor.

"Ik zal nog verder gaan, Mac Nabbs!" hernam de aardrijkskundige, dien
tegenspraak altijd driftig maakte.

"Ga verder, Paganel!"

"Als gij mij uitdaagt, zal ik u die vijftig namen zonder aarzelen
opnoemen."

"Ho! ho!" zeide de majoor heel bedaard. "Zoo zijn de geleerden! zij
twijfelen aan niets."

"Majoor!" zeide Paganel, "verwedt gij uw karabijn van Purdey Moore en
Dickson tegen mijn verrekijker van Secretan?"

"Waarom niet, Paganel! als gij daarop gesteld zijt?" antwoordde Mac
Nabbs.

"Goed, majoor!" riep de geleerde. "Met die karabijn zult gij geen ganzen
of vossen meer schieten, of ik moest ze u leenen, dat ik altijd met
genoegen zal doen!"

"Paganel!" antwoordde de majoor ernstig, "wanneer gij mijn verrekijker
noodig hebt, zal hij altijd te uwer beschikking zijn."

"Dan zal ik maar beginnen," sprak Paganel. "Dames en Heeren! gij zult
uitspraak doen. En gij, Robert! zult de punten tellen."

Lord en lady Glenarvan, Mary en Robert, de majoor en John Mangles, die
zich met die twist vermaakten, zetten zich er toe om naar den
aardrijkskundige te luisteren. Er was immers sprake van Australië,
waarheen de _Duncan_ stevende, en die geschiedenis kon nooit beter
gelegen komen. Paganel werd derhalve uitgenoodigd om zonder verwijl de
beloofde proeven van zijn sterk geheugen te geven.

"Mnemosyne!" riep hij uit, "godin van het geheugen, moeder der kuische
Muzen, wees met uw getrouwen en vurigen aanbidder! Voor twee honderd
acht en vijftig jaar, mijne vrienden! was Australië nog onbekend. Wel
giste men, dat er in het zuiden een groot vastland bestond; twee
kaarten, die in de bibliotheek van uw britsch museum bewaard worden,
waarde Glenarvan! en het jaartal 1550 dragen, vermelden een land ten
zuiden van Azië en noemen het het Groot Java der Portugeezen. Maar de
echtheid dier kaarten is niet voldoende bewezen. Ik kom dus tot de 17de
eeuw, tot 1606; in dat jaar ontdekte een spaansch zeeman, Quiros, een
land, dat hij Australia de Espiritu Santo noemde. Eenige schrijvers
hebben beweerd, dat het de groep der Nieuwe Hebriden was, en niet
Australië. Ik wil hierover thans niet uitweiden. Tel dien Quiros,
Robert! dan gaan wij tot een ander over."

"Een!" riep Robert.

"In hetzelfde jaar zette de onderbevelhebber der vloot van Quiros, Luiz
Vaz de Torres, meer zuidelijk de ontdekking van nieuwe landen voort.
Maar den Hollander Theodoor Hertogh komt de eer der groote ontdekking
toe. Hij landde op de westkust van Australië op 25° breedte, en gaf haar
naar zijn schip den naam van _Eendrachtsland_. Na hem neemt het aantal
zeevaarders toe. In 1618 ontdekt Zeachen op de noordkust _Arnhems-_ en
_Van Diemensland_. In 1619 vaart Jan Edels langs een deel der westkust
en geeft daaraan zijn eigen naam. In 1622 komt de Leeuwin tot de naar
haar genoemde kaap. In 1627 voltooijen Nuitz en de Witt, de een ten
westen, de andere ten zuiden, de ontdekkingen hunner voorgangers, en
worden door den vlootvoogd Carpentier gevolgd, die met zijn schepen in
den diepen inham doordringt, welke nog de golf van Carpentaria heet.
Eindelijk zeilt in 1642 de vermaarde Tasman om het eiland Van Diemen,
dat hij aan het vastland verbonden acht, en geeft het den naam van den
gouverneur-generaal te Batavia, een naam, dien de nakomelingschap met
volle regt in dien van _Tasmania_ veranderd heeft. Nu was het vastland
van Australië omgezeild; men wist dat de golven van den Indischen oceaan
en de Stille Zuidzee het geheel insloten, en in 1665 kreeg dit groote
zuidelijke eiland den naam van _Nieuw-Holland_, een naam, dien het niet
zou behouden, en dus juist op het tijdstip, dat de rol der hollandsche
zeelieden uitgespeeld was. Hoeveel hebben wij er nu?"

"Tien!" antwoordde Robert.

"Goed!" hernam Paganel, "ik zet een kruisje en ga tot de Engelschen
over. In 1686 kwam een opperhoofd der Boekaniers, een broeder van de
kust, een der beruchtste vrijbuiters op de zuidelijke zeeën, Williams
Dampier, na het uitstaan van tallooze lotgevallen, met genoegens en
ontberingen vermengd, met het schip de _Cygnet_ op de noordwestkust van
Nieuw-Holland op 16°50' breedte; hij kwam met de inboorlingen in
aanraking en gaf van hun zeden, hun armoede, hun verstandelijke
ontwikkeling een zeer volledige beschrijving. In 1699 kwam hij in
dezelfde baai terug, waar Hertogh aan land was gegaan, nu niet als
kaper, maar als bevelhebber van de _Roebuck_, een schip van de
koninklijke marine. Tot nog toe echter was de ontdekking van Australië
alleen belangrijk geweest als aardrijkskundig feit. Niemand dacht er aan
om het te koloniseeren, en in geen drie vierden eener eeuw, van 1699 tot
1770, werd het door een zeevaarder bezocht. Maar toen verscheen de
beroemdste zeeman der geheele aarde, kapitein Cook, en nu werd het
nieuwe vastland weldra geopend voor de landverhuizers uit Europa. Op
zijn drie beroemde reizen betrad James Cook den grond van Nieuw-Holland,
en wel het eerst den 31sten Maart 1770. Na gelukkig op Otaheite den
voorbijgang van Venus langs de zon waargenomen te hebben[2], drong Cook
met zijn scheepje de _Endeavour_ in het westelijk gedeelte der Stille
Zuidzee. Na Nieuw-Zeeland bezocht te hebben, kwam hij in een baai op de
westkust van Australië, die hij zoo rijk aan nieuwe planten vond, dat
hij haar den naam van Kruidenbaai gaf. Het is de tegenwoordige
Botany-Bay. Zijn betrekkingen met half verdierlijkte inboorlingen waren
van weinig belang. Hij stevende noordwaarts en op 16° breedte, bij kaap
Tribulation, stiet de _Endeavour_ op een koraalrif, acht uren van de
kust. Het gevaar van te zinken was zeer groot. Levensmiddelen en
kanonnen werden in zee geworpen; maar in den volgenden nacht maakte de
vloed het geligte vaartuig weer vlot. Dat het niet zonk, had het te
danken aan een stuk koraal, dat in het gat was geraakt en het lek
behoorlijk stopte. Cook kon dus met zijn vaartuig een kleine kreek
bereiken, waarin zich een rivier stortte, die de Endeavour genoemd werd.
Gedurende de drie maanden, welke de herstelling van hun bodem duurde,
trachtten de Engelschen nuttige betrekkingen met de inboorlingen aan te
knoopen; maar met weinig gevolg, zoodat zij weer in zee staken. De
_Endeavour_ bleef koers houden naar het noorden. Cook wilde weten of er
een straat bestond tusschen Nieuw-Guinea en Nieuw-Holland; na het
uitstaan van nieuwe gevaren, na twintigmaal zijn schip in de waagschaal
te hebben gesteld, ontdekte hij dat de zee in het zuidwesten open was.
De straat bestond en werd doorgevaren. Cook landde op een eilandje, en
in naam van Engeland bezit nemende van de lange kustlijn, die hij
bezocht had, gaf hij daaraan den echt britschen naam van
Nieuw-Zuid-Wales. Drie jaar later voerde de stoute zeeman het bevel over
de _Adventure_ en de _Resolution_; kapitein Furneaux ging met de
_Adventure_ de kusten van Van Diemensland opnemen, en kwam terug in de
meening, dat het met Nieuw-Holland zamenhing. Eerst in 1777, op zijn
derde reis, ankerde Cook met zijn schepen de _Resolution_ en de
_Discovery_ in de Adventure-baai op Van Diemensland, en vertrok van daar
om eenige maanden later op de Sandwich-eilanden te sterven."

"Hij was een groot man," zeide Glenarvan.

"De beroemdste zeeman, die ooit geleefd heeft. Banks, zijn reisgenoot,
bragt het engelsche gouvernement op de gedachte om een strafkolonie aan
de Botany-Bay te vestigen. Zeelieden van allerlei natiën volgen hem. In
den laatsten brief, dien men van La Pérouse ontving, geschreven in de
Botany-Bay en gedagteekend van den 7den Februari 1787, geeft de
ongelukkige zeeman kennis van zijn voornemen om de golf van Carpentaria
en de geheele kust van Nieuw-Holland tot aan Van Diemensland te
bezoeken. Hij vertrekt en keert niet meer terug. In 1788 legde kapitein
Philipp te Port-Jackson de eerste engelsche kolonie aan. In 1792 zeilt
d'Entrecasteaux, op zijn togt ter opsporing van La Pérouse, langs de
west- en zuidkust van Nieuw-Holland, en ontdekt onderweg onbekende
eilanden. In 1795 en 1797 zetten twee jongelieden, Flinders en Bass, in
een boot van acht voet lang, moedig het onderzoek der zuidkust voort, en
in 1797 vaart Bass door de naar hem genoemde straat tusschen Van
Diemensland en Nieuw-Holland. In datzelfde jaar vond Vlaming, de
ontdekker van het eiland Amsterdam, op de oostkust de Zwanenrivier, waar
zwarte zwanen van de schoonste soort zich verlustigden. Wat Flinders
aangaat, deze hervatte in 1801 zijne belangrijke onderzoekingen, en trof
op 138°58' lengte en 35°40' breedte in de Encounter-baai de _Géographe_
en de _Naturaliste_ aan, twee fransche schepen onder bevel van de
kapiteins Baudin en Hamelin."

"Zoo! kapitein Baudin?" zeide de majoor.

"Ja! waarom vraagt gij dat zoo?" vroeg Paganel.

"O! niets. Ga voort, waarde Paganel!"

"Ik ga voort met bij de namen dier zeevaarders dien van kapitein King te
voegen, die van 1817 tot 1822 het onderzoek der keerkringskusten van
Nieuw-Holland voltooide."

"Dat maakt vier en twintig namen," zeide Robert.

"Goed," antwoordde Paganel, "de helft der karabijn van den majoor is
reeds mijn. Nu de zeelieden afgehandeld zijn, ga ik tot de reizigers
over."

"Zeer goed, mijnheer Paganel!" sprak lady Helena; "ik moet zeggen, dat
gij een verbazend geheugen hebt."

"Hetgeen zeer vreemd is," voegde Glenarvan er bij, "in iemand die
zoo...."

"Verstrooid is," haastte Paganel zich te zeggen. "O, ik heb alleen een
geheugen voor jaartallen en feiten. Dat is alles."

"Vier en twintig," herhaalde Robert.

"De vijf en twintigste is luitenant Daws. Het was in 1789, een jaar na
de grondlegging der kolonie te Port-Jackson. Wel had men het nieuwe
vastland omgevaren, maar niemand kon zeggen, wat het bevatte. Een lange
bergreeks, die evenwijdig met de oostkust loopt, scheen den toegang tot
het binnenland geheel te versperren. Na een togt van negen dagen moest
luitenant Daws het opgeven en naar Port-Jackson terugkeeren. In
hetzelfde jaar poogde kapitein Tench te vergeefs die hooge keten over te
trekken. Die mislukte pogingen schrikten gedurende drie jaren de
reizigers af om die moeijelijke taak te hervatten. In 1792 echter leed
kolonel Paterson, een moedig afrikaansch reiziger, in dezelfde
onderneming schipbreuk. In het volgende jaar kwam een eenvoudig
kwartiermeester der engelsche marine, de moedige Hawkins, twintig mijlen
verder dan het punt, dat zijn voorgangers niet hadden kunnen
overschrijden. In een tijdsverloop van achttien jaren kan ik slechts
twee namen opnoemen, die van den beroemden zeeman Base en van den heer
Bareiller, een ingenieur uit de kolonie, die niet gelukkiger waren dan
hun voorgangers, en zoo kom ik tot het jaar 1813, toen er eindelijk ten
westen van Sydney een doortogt ontdekt werd. De gouverneur Macquarie
waagde zich er in (1815), en aan gene zijde der Blaauwe bergen werd de
stad Bathurst gesticht. Van dit oogenblik af verrijkten Throsby in 1819,
Oxley, die een afstand van driehonderd mijlen aflegde, Howel en Hume,
wier uitgangspunt de Twofold-baai was, waar de zeven en dertigste
parallel over heen loopt, en kapitein Sturt, die in 1829 en 1830 den
loop der Darling en der Murray onderzocht, de aardrijkskunde met nieuwe
feiten en bragten het hunne toe aan de ontwikkeling der koloniën."

"Zes en dertig!" riep Robert.

"Heel goed! ik vorder!" antwoordde Paganel. "Terloops noem ik nog Eyre
en Leichardt, die in 1840 en 1841 een gedeelte des lands bereisden;
Sturt, in 1845; de gebroeders Gregory en Helpman in 1846 in
West-Australië; Kennedy in 1847 aan de Victoria-rivier en in 1848 in
Noord-Australië; Gregory in 1852; Austin in 1854; de Gregory's van
1855-58 in het noordwesten van het vastland; Babbage, van het
Torrens-tot het Eyre-meer, en zoo kom ik eindelijk tot een in de
australische jaarboeken met roem bekenden reiziger, tot Stuart, die vol
moed tot driemaal toe een reis over het vastland deed. Zijn eerste togt
naar de binnenlanden had in 1860 plaats. Wanneer gij het verlangt, zal
ik u later vertellen, hoe Australië viermaal van het zuiden naar het
noorden werd bereisd. Voor ditmaal wil ik die lange naamlijst besluiten
en van 1860-62 voeg ik, bij de namen van zooveel stoute baanbrekers der
wetenschap, nog die van de gebroeders Dempster, van Clarckson en Harper,
van Berke en Wills, van Neilson, Walker, Landsborough, Mackinlay,
Howit...."

"Zes en vijftig!" riep Robert.

"Goed, majoor!" hervatte Paganel, "ik zal u goede maat geven, want ik
heb nog niet gesproken van Duperrey, Bougainville, Fitz Roy, Wickson,
Stokes...."

"Genoeg! zeide de majoor, die van al die namen duizelde.

"Van Péron, Quoy," ging Paganel voort met de vaart van een sneltrein,
"Bennett, Cuningham, Nutchell, Tiers...."

"Genade!"

"Van Dixon, Strelesky, Reid, Wilkes, Mitchell...."

"Houd op, Paganel!" zeide Glenarvan, die schudde van lagchen, "dood den
ongelukkigen Mac Nabbs niet. Wees edelmoedig! hij verklaart zich
overwonnen."

"En zijn karabijn?" vroeg de aardrijkskundige met een zegevierend
lachje.

"Behoort u, Paganel!" antwoordde de majoor, "en het spijt mij genoeg.
Maar uw geheugen is sterk genoeg om een geheel tuighuis te winnen."

"Het is zeker onmogelijk Australië beter te kennen," zeide lady Helena;
"de geringste naam noch het onbeduidendste feit...."

"O, het onbeduidendste feit!" zeide de majoor hoofdschuddende.

"Wat blieft u, Mac Nabbs!" riep Paganel.

"Ik wil zeggen, dat u welligt niet alles, wat met de ontdekking van
Australië in verband staat, bekend is."

"Het mogt wat!" zeide Paganel op fieren toon.

"En krijg ik mijn karabijn terug, als ik u iets opnoem, wat gij niet
weet?" vroeg Mac Nabbs.

"Terstond, majoor!"

"Is de koop gesloten?"

"De koop is gesloten!"

"Goed. Weet gij wel, Paganel! waarom Australië niet aan Frankrijk
behoort?"

"Wel, mij dunkt...."

"Of althans welke reden de Engelschen daarvoor opgeven?"

"Neen, majoor!" antwoordde Paganel met een droevig gezigt.

"Alleen omdat kapitein Baudin, die toch geen lafaard was, in 1802 zoo
schrikte van het gekwaak der australische kikvorschen, dat hij zoo gaauw
hij kon het anker ligtte en vlugtte om niet weer terug te komen."

"Wat!" riep de geleerde, "zegt men dat in Engeland? dat is een lage
aardigheid!"

"Heel laag, dat geef ik toe," antwoordde de majoor, "maar zij is in het
Vereenigde Koningrijk historisch geworden."

"Het is een schandaal!" riep de vaderlandslievende aardrijkskundige. "En
vertelt men dat in vollen ernst?"

"Ik moet het ronduit bekennen, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan,
terwijl allen proestten van lagchen.

"Maar was die bijzonderheid u onbekend?"

"Geheel en al. Maar ik teeken verzet aan! Bovendien, de Engelschen
noemen ons "kikvorscheneters!" Doorgaans is men niet bang voor hetgeen
men eet."

"Het wordt toch gezegd, Paganel!" antwoordde de majoor met een zedig
lachje.

En zoo bleef die bekende karabijn van Purdey Moore en Dickson een
eigendom van majoor Mac Nabbs.


[1] 1300 uren gaans.

[2] De voorbijgang der planeet Venus langs de zonneschijf moest in 1769
plaats hebben. Dit vrij zeldzame verschijnsel had een voor de
sterrekunde zeer groot belang; het moest dienen om nauwkeurig den
afstand te berekenen, die de aarde van de zon scheidt.




V.

Onstuimig weer op den Indischen oceaan.


Twee dagen na dit gesprek deelde John Mangles, die ten 12 ure het bestek
had opgemaakt, mede, dat de _Duncan_ op 113°87' lengte was. De
passagiers raadpleegden de kaart en zagen tot hunne groote blijdschap
dat ze naauwelijks vijf graden van Bernouilli af waren. Tusschen deze
kaap en den hoek van Entrecasteaux beschrijft de australische kust een
boog, dien de zeven en dertigste parallel onderspant. Als de _Duncan_ nu
koers had gezet naar den evenaar, zou zij spoedig kaap Chatham bereikt
hebben, die honderd twintig mijlen ten noorden van haar bleef; zij
bevond zich thans in dat gedeelte der Indische zee, dat door het
vastland van Australië beschut wordt. Derhalve mogt men de hoop
koesteren, dat binnen vier dagen kaap Bernouilli aan den gezigteinder
zou opduiken.

Tot nog toe had de westewind de vaart van het jagt begunstigd; maar
sedert eenige dagen toonde hij een neiging om te minderen; langzamerhand
ging hij tot windstilte over, tot hij den 18den December eindelijk
geheel ging liggen, en de zeilen slap neerhingen. Zonder haar sterke
schroef zou de _Duncan_ door de windstilte op dezelfde plaats van den
oceaan bewegingloos zijn blijven liggen.

Deze toestand van den dampkring kon, wie weet hoe lang, aanhouden. 's
Avonds sprak Glenarvan daarover met John Mangles. De jeugdige kapitein,
die de kolenhokker duchtig zag minderen, scheen zeer teleurgesteld door
die windstilte. Hij had alle zeilen bijgezet, zijn lij- en stagzeilen
aangeslagen om van het geringste zuchtje voordeel hebben; maar, naar het
zeggen der matrozen, was er geen hoedvol wind.

"En toch moeten wij niet al te sterk klagen," zeide Glenarvan; "geen
wind is beter dan tegenwind."

"Uwe Edelheid heeft gelijk," antwoordde John Mangles; "maar juist die
windstilten hebben doorgaans verandering van weer ten gevolge. Daarom
ben ik er ook bang voor; wij bevinden ons op de grens der moussons[1],
die van October tot April uit het noordoosten waaijen, en als wij ze
maar een beetje tegenkrijgen, zal onze vaart daardoor zeer vertraagd
worden."

"Wat zullen wij er aan doen, John? als die tegenspoed ons overviel,
zouden wij ons er aan moeten onderwerpen. Het zou in allen gevallen maar
een oponthoud zijn."

"Althans wanneer er geen storm bijkwam."

"Zijt gij beducht voor slecht weer?" vroeg Glenarvan, den hemel
onderzoekende, die toch van den gezigteinder tot aan het toppunt geheel
onbewolkt scheen.

"Ja," antwoordde de kapitein, "Uwe Edelheid wil ik het wel zeggen, maar
ik zou lady Glenarvan of miss Grant geen schrik willen aanjagen."

"Daar doet gij zeer wijs aan. Wat is er gaande?"

"Er zijn stellige voorteekens van ruw weder. Vertrouw niet op het
voorkomen der lucht, mylord! niets is bedriegelijker. Sedert twee dagen
daalt de barometer op een verontrustende manier; thans staat hij op drie
en zeventig duim[2]; het is een waarschuwing, die ik niet in den wind
mag slaan. Vooral ben ik zeer bevreesd voor de woede der zuidelijke
zeeën, waarmede ik reeds eens kennis heb gemaakt. De dampen, die boven
de onmetelijke ijsvelden der Zuidpool verdigt worden, brengen een
ontzettend geweldigen luchtstroom te weeg. Daaruit ontstaat een
worsteling tusschen de poolwinden en die van den evenaar, die het
aanzijn geeft aan de cyclonen, de tornado's en die talrijke
verscheidenheden van stormen, een worsteling, waarin een schip het
voordeel niet aan zijn zijde heeft."

"John!" antwoordde Glenarvan, "de _Duncan_ is een stevig schip, zijn
kapitein een bekwaam zeeman. Wanneer de storm komt, zullen wij ons
behoorlijk verdedigen."

Toen John Mangles zijn vrees openbaarde, handelde hij in overeenstemming
met zijn zeemans-instinct. Hij is een bekwaam "weerkenner," zoo noemen
de Engelschen dengenen, die acht geeft op het weder. De aanhoudende
daling van den barometer deed hem op zijn schip alle noodige voorzorgen
nemen. Hij verwachtte een hevigen storm, al was er nog niets aan de
lucht te zien, maar zijn onfeilbaar instrument kon hem niet bedriegen;
de luchtstroomen komen van de plaatsen, waar de kwikzuil hoog staat,
naar die waar zij daalt; hoe digter die plaatsen bij elkander liggen,
hoe spoediger het evenwigt in de luchtlagen hersteld wordt en hoe
grooter de snelheid van den wind is.

Den geheelen nacht bleef John op het dek. Tegen elf ure betrok de lucht
in het zuiden. John liet al zijn volk boven komen en zijn kleine zeilen
strijken; hij liet alleen zijn fokkezeil, zijn groote bezaan, zijn
marszeil en zijn kluiver staan. Tegen middernacht wakkerde de wind aan.
Het woei een gereefde marszeilskoelte, dat wil zeggen, de luchtdeeltjes
werden met een snelheid van zes en dertig voet in de seconde
voortgestuwd; het gekraak der masten, het slaan van het loopend want,
het helder geraas, dat de killende zeilen maakten, het stenen der
binnenste beschotten, verwittigden de passagiers van hetgeen zij nog
niet wisten. Paganel, Glenarvan, de majoor, Robert, verschenen op het
dek, de een om de handen uit de mouw te steken, de ander uit
nieuwsgierigheid. Aan den hemel, dien zij kort te voren helder en met
sterren bezaaid hadden gezien, dreven thans donkere wolken, van elkander
gescheiden door gevlekte strepen als de huid van een luipaard.

"De orkaan?" vroeg Glenarvan bedaard aan John Mangles.

"Nog niet, maar ophanden," antwoordde de kapitein.

Nu gaf hij bevel om het onderste rif van het marszeil in te nemen. De
matrozen klommen langs de weeflijnen op en niet zonder moeite
verminderden zij de oppervlakte van het zeil door de rifseisings er
omheen te draaijen op de gestreken ra. John Mangles wilde zooveel zeil
mogelijk blijven voeren om het jagt te steunen en het stampen te
verminderen.

Na het nemen van die voorzorgen gaf bij aan Austin en den schipper de
noodige bevelen om den aanval van den orkaan af te weren, die weldra zou
losbarsten. De krabbers van de sloepen en de sjortouwen van het waarloos
rondhout werden verdubbeld, de zijtalies van het kanon versterkt, het
want en de pardoens aangehaald, de luikgaten digtgespijkerd. Als een
officier op de kruin van een bres, week John niet van de loefzijde, en
op de kampanje staande poogde hij dien stormachtigen hemel zijn geheimen
af te persen.

Op dit oogenblik was de barometer tot zeventig duim gedaald, hetgeen
zelden plaats heeft en het stormglas[3] wees storm aan.

Het was één uur na middernacht. Vreeselijk in haar hut geslingerd,
waagden lady Helena en miss Grant het om op het dek te komen. De wind
had nu een snelheid van vier en tachtig voet in de seconde. Hij floot
met ontzettend geweld door het staande want. Die metalen snaren, gelijk
aan die van een instrument, klonken alsof een reusachtige strijkstok ze
snel deed trillen; de blokken sloegen tegen elkander, de touwen liepen
met schel geluid over de takels; de zeilen klapperden zoo hevig, alsof
er een kanon werd afgevuurd; ontzettende golven liepen reeds op het jagt
aan, dat als een ijsvogel op haar schuimenden rug danste.

Zoodra kapitein John de dames bespeurde, ging hij snel naar haar toe en
verzocht haar weer in de kampanje te gaan; eenige zware golven stonden
reeds op het dek, dat ieder oogenblik schoongeveegd kon worden. Het
geweld der elementen was nu zoo hevig, dat lady Helena den jongen
kapitein naauwelijks verstond.

"Er is toch geen gevaar?" kon zij hem echter nog vragen, toen het weer
voor een oogenblik wat bedaarde.

"Volstrekt niet, mevrouw!" antwoordde John Mangles, "maar gij kunt
evenmin als miss Mary op het dek blijven."

Lady Glenarvan en miss Grant verzetten zich niet tegen een bevel, dat op
een verzoek geleek, en traden juist onder de kampanje, toen een golf,
die boven het hek aan den achtersteven brak, de ruiten der kap deed
schudden. Thans verdubbelde het geweld van den wind; de masten bogen
onder de spanning der zeilen, en het jagt scheen op de golven te dansen.

"Geit het fokkezeil!" riep John Mangles; "strijkt het marszeil en de
kluivers!"

De matrozen snelden naar hun post in het want; de vallen werden
opgestoken, de geitouwen aangehaald en de kluivers gestreken met een
geraas, dat het rumoer van den wind overstemde, en de _Duncan_, wier
schoorsteen ontzaggelijke wolken zwarten rook uitbraakte, sloeg de zee
onregelmatig met de bladen harer schroef, die slechts somtijds onder
water waren.

Met een mengsel van bewondering en schrik sloegen Glenarvan, de majoor,
Paganel en Robert die worsteling der _Duncan_ met de golven gade; zij
klemden zich stevig vast aan de leuning der verschansing zonder een
enkel woord te kunnen wisselen, en staarden naar de troepen stormvogels,
die droevige boden der stormen, die in de losgelaten winden
ronddartelden.

Daar deed zich op eens een oorverdoovend gefluit boven het rumoer van
den storm hooren. De stoom ontsnapte met geweld, niet uit de af
blaaspijp, maar uit de kleppen van den stoomketel; het alarmfluitje
klonk met ongewone kracht; het jagt viel op zij en Wilson, die aan het
rad stond, werd door een onvoorzienen slag van de roerpen omvergeworpen.
De _Duncan_ lag dwars tusschen zeeën en luisterde niet meer naar stuur.

"Wat gebeurt daar?" riep John Mangles het bruggetje haastig oploopende.

"Het schip valt op zij!" antwoordde Tom Austin.

"Is het roer ontredderd?"

"Naar de machine! naar de machine!" klonk de stem van den machinist.

John ijlde naar de machine en gleed langs de ladder af; de kamer was vol
damp; de zuigers zaten onbewegelijk in de cilinders; de hefboomen
bragten de beweging niet tot de liggende as over. Nu sloot de machinist,
ziende dat alle pogingen vergeefsch waren en voor zijn stoomketels
vreezende, den toevoer af en liet de stoom ontsnappen.

"Wat is er toch gaande?" vroeg de kapitein.

"De schroef is gebroken of zit vast, en werkt niet meer," antwoordde de
machinist.

"Wat? is het onmogelijk haar los te krijgen?"

"Onmogelijk."

Er was nu geen tijd om dit ongeval te herstellen, het feit stond vast;
de schroef kon niet werken, en de stoom, die geen dienst meer deed, was
door de kleppen ontsnapt. John moest dus tot de zeilen zijn toevlugt
nemen, en een bondgenoot zoeken in denzelfden wind, die zijn
gevaarlijkste vijand geworden was.

Hij ging weer naar boven en deelde in een paar woorden het voorgevallene
aan lord Glenarvan mede; waarna bij er op aandrong, dat deze met de
andere passagiers in de kampanje zou gaan. Glenarvan wilde op het dek
blijven.

"Neen, Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles met vaste stem, "ik moet
hier alleen met het scheepsvolk blijven. Ga naar binnen! Het schip kan
overzij geworpen worden en de golven zouden u zonder genade meenemen."

"Maar wij kunnen van dienst wezen...."

"Ga heen, mylord! ga heen! gij moet! er zijn omstandigheden, waarin ik
meester ben aan boord! Ga heen, ik wil het!"

Wel moest de toestand bedenkelijk zijn, anders zou John Mangles niet op
zulk een toon van gezag spreken. Glenarvan begreep, dat het zijn pligt
was het voorbeeld van gehoorzaamheid te geven. Hij verliet dus het dek,
door zijn drie reisgenooten gevolgd, en vervoegde zich bij de beide
dames, die vol angst den afloop dier worsteling met de elementen
afwachtten.

"Een krachtig man, die wakkere John!" zeide Glenarvan, toen hij de hut
binnentrad.

"Ja," antwoordde Paganel, "hij heeft mij doen denken aan dien
hoogbootsman van uw grooten Shakespeare, die in het stuk "de storm" den
koning, dien hij aan boord heeft, toeroept:

"Van hier! Stilte! Naar uwe hutten! Kunt gij dien elementen het zwijgen
niet opleggen, Zwijgt gij dan! Gaat uit den weg, zeg ik u!"

Intusschen had John Mangles geen seconde verzuimd om zijn schip uit den
neteligen toestand te redden, waarin het door het vastraken van de
schroef verkeerde. Hij besloot bij te leggen, om zoo weinig mogelijk van
zijn weg af te wijken; het kwam er dus op aan zeil te behouden en schuin
te brassen, om dwars van den storm te liggen. Het marszeil werd
digtgeslagen en het roer aan lij gelegd.

Het jagt, dat een uitstekend zeebouwer was, gehoorzaamde als een vlug
ros, dat de sporen voelt, en bood de zijde aan de hooge golven. Zou dat
weinige zeil sterk genoeg zijn? Het was wel van het beste Dundee-doek
gemaakt; maar welk weefsel is tegen zulk een geweld bestand?

Dat bijleggen had het voordeel, dat het jagt zijn stevigste gedeelten
aan de golven aanbood en dat het zijn oorspronkelijken koers behield.
Toch was die beweging niet zonder gevaar, want het schip kon in die
onmetelijke golfdalen reddeloos verloren gaan. Maar John Mangles had
geen keus, en hij besloot te blijven bijleggen, zoolang masten en zeilen
niet naar beneden kwamen. Het scheepsvolk was bij de hand en gereed om
te gaan, waar zijn tegenwoordigheid noodig mogt zijn. John hield zich
aan het want vast en wendde het oog niet van de verbolgen zee af.

In dezen toestand verliep verder de nacht. Men hoopte, dat de storm met
het aanbreken van den dag verminderen zou. IJdele hoop! 's Morgens tegen
acht ure woei het nog meer dan een storm en ging de wind, met een
snelheid van honderd acht voeten in de seconde tot een orkaan over.

John zeide niets, maar hij beefde voor zijn schip en degenen, die er op
waren. De _Duncan_ viel vreeselijk op zij; de berkoenen kraakten, en
soms raakte de fokkezeilspieren de kruin der golven. Een oogenblik dacht
de bemanning niet anders of het jagt zou niet meer overeind rijzen.
Reeds stonden de matrozen met de bijl in de hand gereed om het want van
den grooten mast los te hakken, toen de zeilen uit de lijken waaiden en
als reusachtige albatrossen wegvlogen.

De _Duncan_ rees weer overeind; maar zonder steun op de golven, zonder
stuur, werd zij zoo vreeselijk geslingerd, dat de masten tot in hun
spoorgat dreigden te breken. Zulk een vreeselijke deining kon ze niet
lang uithouden, ze stampte tot in het bovenschip toe, en weldra zouden
de uitgeweken buitenhuid, de opengesprongen naden, een vrijen toegang
aan de golven verleenen.

Nog een middel schoot er voor John Mangles over: een stormfok aan te
slaan en het voor den wind te houden. Na een arbeid van verscheidene
uren, die twintigmaal vernield werd, eer hij voltooid was, gelukte het
hem. Eerst 's namiddags ten drie ure kon de stormfok op de fokkestag
geheschen en aan de kracht van den wind blootgesteld worden.

Met dit stukje doek liet de _Duncan_ zich nu voortzweepen en liep zij
met onberekenbare snelheid voor den wind. De storm dreef haar thans naar
het noordoosten. Het was zaak de grootst mogelijke snelheid te behouden;
want daarvan alleen was redding te wachten. Soms was zij de golven
vooruit, die haar droegen, sneed ze met haar spitsen voorsteven, dook
onder als een ontzaggelijk walvischaardig dier en liet het geheele dek
van voren naar achteren schoonvegen. Dan weer was haar snelheid aan die
der golven gelijk, het roer werkeloos, en gierde ze zoo, dat het te
vreezen stond, dat ze omgeworpen zou worden. Eindelijk gebeurde het ook
wel, dat de golven, door den orkaan voortgezweept, sneller liepen dan
het schip; dan sloegen ze over den spiegelboog en veegden het dek met
onweerstaanbare kracht van achteren naar voren schoon.

In dien benaauwden toestand, tusschen hoop en radeloosheid geslingerd,
verliepen de dag van den 15den December en de volgende nacht. John
Mangles week geen oogenblik van zijn post; hij nuttigde niets; hij werd
door den angst gefolterd, dien zijn strak gelaat niet wilde verraden, en
onvermoeid trachtte zijn blik door de nevelen, die in het noorden
zamenpakten, heen te dringen.

En wel mogt hij vreezen. De _Duncan_ uit haar koers gedreven, stormde in
ontembare vaart naar de australische kust. Alleen uit instinct gevoelde
John Mangles ook, dat hij met de snelheid van den bliksem werd
voortgejaagd. Ieder oogenblik duchtte hij op een klip te stooten, waarop
het jagt in duizend brokken zou verbrijzeld zijn. Hij berekende, dat de
kust geen twaalf mijlen lijwaarts kon verwijderd zijn. En het land is de
schipbreuk, de ondergang van een vaartuig. Honderdmaal verkieslijker nog
is de onmetelijke Oceaan, tegen wiens woede een schip zich ten minste
verdedigen kan, al is het ook door mede te gaan. Maar werpt de storm het
op de kust, dan is het verloren.

John Mangles ging lord Glenarvan opzoeken en sprak met hem onder vier
oogen: hij legde hem het gevaar van hun toestand onbewimpeld bloot, dien
hij met de koelbloedigheid van een zeeman, die op alles voorbereid is,
onder de oogen zag, en besloot met te zeggen, dat hij misschien de
_Duncan_ op het strand zou moeten zetten.

"Om degenen, die aan boord zijn, te redden, als het mogelijk is,
mylord!"

"Ga uw gang, John!" antwoordde Glenarvan.

"En lady Helena? miss Grant?"

"Ik zal ze eerst in het laatste oogenblik er van verwittigen, wanneer
alle hoop vervlogen is van zee te houwen. Gij zult mij waarschuwen."

"Ik zal u waarschuwen, mylord!"

Glenarvan keerde terug naar de dames, die, al kenden zij den geheelen
omvang van het gevaar niet, toch wel gevoelden, dat het dreigend was.
Zij legden grooten moed aan den dag, althans niet minder dan haar
reisgenooten. Paganel had het druk met thans zeer ongelegen komende
theoriën over de rigting der luchtstroomingen, en hield voor Robert, die
naar hem luisterde, belangrijke vergelijkingen tusschen de tornado's, de
cyclonen en de regtlijnige stormen. Wat den majoor betreft, deze wachtte
met al de bedaardheid van een Muzelman het einde af.

Tegen elf ure scheen de orkaan wat te bedaren; de vochtige nevelen
verdeelden zich en bij een kortstondigen lichtstraal kon John zes mijlen
te lijwaart een lage kust zien, waarop hij regt aanhield. Monsterachtige
golven braken op een ontzettende hoogte, van wel vijftig voeten en meer.
John begreep, dat zij daar een steunpunt vonden, anders konden zij zoo
hoog niet op elkander stapelen.

"Daar zijn zandbanken," zeide bij tot Austin.

"Dat geloof ik ook," antwoordde de stuurman.

"Wij zijn in Gods hand," hernam John; "wanneer Hij de _Duncan_ geen
toegankelijke doorvaart opent en ze er zelf niet invoert, zijn wij
verloren."

"Het is juist vloed, kapitein! welligt zullen wij over die banken heen
kunnen komen."

"Maar zie toch eens, Austin! hoe groot de woede der golven is! Welk
schip zou daartegen bestand zijn! Laten wij God om zijn bijstand
smeeken, mijn vriend!"

Intusschen liep de _Duncan_ onder haar stormfok met ontzettende vaart op
de kust aan. Weldra was ze nog maar twee mijlen van den buitenrand der
baai. Toch meende John aan gene zijde van dien schuimenden rand een
bedaarder bekken te ontwaren. Daar zou de _Duncan_ betrekkelijk veilig
geweest zijn. Maar hoe daar te komen?

John liet zijn passagiers op het dek komen; hij wilde niet, dat zij, nu
de schipbreuk ophanden was, in de kampanje opgesloten zouden blijven.
Glenarvan en zijne reisgenooten lieten het oog over de verbolgen zee
gaan. Mary Grant verbleekte.

"John!" fluisterde Glenarvan den jeugdigen kapitein in, "ik zal pogen
mijn vrouw te redden of met haar omkomen. Zorg gij voor miss Grant."

"Ja, Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles, terwijl hij de hand van den
lord aan zijn vochtige oogen bragt.

De _Duncan_ was nog maar eenige kabellengten van den voet der banken af.
Daar het juist vloed was, zou de zee ongetwijfeld genoeg water onder de
kiel van het jagt hebben gelaten om het over die gevaarlijke ondiepte
heen te tillen. Maar de hemelhooge golven, het zoo beurtelings
opligtende en wegvloeijende, zouden het onfeilbaar met het achtereind op
den grond doen stooten. Bestond er dan geen middel om de beweging dier
baren te verminderen, het over elkander glijden harer vloeibare deeltjes
gemakkelijk te maken, in een woord om die onstuimige zee te doen
bedaren?

Daar viel John Mangles nog een laatste gedachte in.

"De traan!" riep hij; "kinderen! giet traan! giet traan!"

Al het scheepsvolk begreep terstond wat hij wilde. Hij wilde een middel
beproeven, dat soms slaagt; de woede der golven bedaart, als men ze met
een laag olie bedekt; die laag drijft boven en vernietigt den schok van
het water, dat ze glad maakt. Het middel werkt onmiddellijk, maar kort;
zoodra een schip die kunstmatige zee achter zich heeft, verdubbelt haar
woede, en ongelukkig het vaartuig, dat het volgen wil![4].

De vaten met den voorraad robbentraan werden door de matrozen, wier
krachten het gevaar verhonderdvoudigde, op de voorplecht geheschen; daar
werden zij met bijlen stukgeslagen en aan stuur- en bakboord boven de
verschansing opgehangen.

"Houdt ze goed vast!" riep John Mangles, die het gunstige oogenblik
afwachtte.

In twintig seconden was het jagt aan den ingang van het vaarwater, dat
door een brullenden voorvloed werd versperd. Nu was het tijd om te
handelen.

"Een, twee, drie! in Gods naam!" riep de jeugdige kapitein.

De vaten werden omgekanteld, en stroomen traan vloeiden er uit.
Oogenblikkelijk maakte de olielaag de schuimende oppervlakte der zee om
zoo te zeggen effen. De _Duncan_ vloog over het stille water, en was
weldra in een rustig bekken, aan gene zijde der geduchte banken, terwijl
de oceaan, van zijn boeijen ontslagen, achter haar met onbeschrijfelijke
woede raasde.


[1] Winden, die met buitengewone hevigheid in den Indischen oceaan
heerschen. Hun rigting is niet bestendig; zij wisselt af met de
jaargetijden, en de zomermoussons zijn in het algemeen aan de
wintermoussons tegengesteld.

[2] De gewone hoogte der kwikkolom is 76 duim.

[3] Glazen met een scheikundig mengsel gevuld, welks voorkomen verandert
volgens de rigting van den wind en de elektrieke spankracht van den
dampkring. De beste worden vervaardigd door Negretti en Zambra, optische
instrumentmakers der britsche marine.

[4] Daarom verbieden de reglementen den kapiteins het gebruik van dit
wanhopige middel, wanneer een ander vaartuig hen onmiddellijk volgt.




VI.

Kaap Bernouilli.


Het eerste werk van John Mangles was zijn schip stevig voor twee ankers
te leggen. Hij ankerde op vijf vademen water. De grond was goed en
bestond uit hard keizand, waarin het anker goed vasthield. Derhalve
behoefde hij niet te vreezen, dat het schip doordrijven of bij laag
water op het strand raken zou. Na zooveel uren achtereen in dreigende
gevaren verkeerd te hebben, lag de _Duncan_ thans in een soort van
kreek, die door een hooge cirkelvormige landspits tegen de zeewinden
beschut was.

Lord Glenarvan had den jeugdigen kapitein de hand gedrukt met de
woorden: "John! ik dank u!"

En John gevoelde zich rijkelijk door die eenvoudige woorden beloond.
Glenarvan hield het geheim van den angst, dien hij uitgestaan had, in
zijn boezem besloten, en lady Helena noch miss Grant, zelfs Robert niet,
gisten aan welke vreeselijke gevaren zij ontkomen waren.

Een zeer gewigtige zaak moest nog opgehelderd worden. Op welk punt van
de kust had die ontzettende storm de _Duncan_ geworpen? Waar zou ze weer
op den regten weg komen? Hoever ten zuidwesten lag kaap Bernouilli wel
van hen af? Dat waren de eerste vragen, die John Mangles gedaan werden.
Deze nam terstond hoogte, en teekende zijn waarnemingen op de
scheepskaart aan.

Daaruit bleek, dat de _Duncan_ niet heel veel uit haar koers was
geslagen: naauwelijks twee graden. Zij lag op 136°12' lengte en 35°7'
breedte, bij kaap Onheil, een der landpunten van Zuid-Australië, drie
honderd mijlen van kaap Bernouilli af.

Kaap Onheil, een onheilspellende naam! ligt tegenover kaap Borda, door
een voorgebergte van het Kangoeroe-eiland gevormd. Tusschen die twee
kapen ligt de ingang der Investigator-straat, die naar twee vrij diepe
golven voert, waarvan de noordelijke de Spencer-golf, de zuidelijke de
golf van St. Vincent heet. Op de oostkust dezer laatste is de haven van
Adelaïde gegraven, de hoofdplaats der provincie Zuid-Australië. Deze
stad, in 1836 gesticht, telt veertig duizend inwoners, en levert
tamelijk voldoende hulpmiddelen op. Maar zij houdt zich meer bezig met
het bebouwen van den vruchtbaren bodem, het aankweeken van druiven en
oranje-appelen, en met landbouw ondernemingen dan met groote fabrieken.
Haar bevolking telt minder fabriekanten dan landbouwers, en heeft weinig
op met handelszaken of ambachten en kunsten.

Kon de _Duncan_ haar averij hier herstellen? Dit moest uitgemaakt
worden. John Mangles wilde weten hoe de zaken stonden. Hij liet onder
den achtersteven van het jagt duiken; de duikers berigtten hem, dat een
der bladen van de schroef omgebogen was en tegen den achtersteven
aanzat: daaruit vloeide voort, dat zij onmogelijk kon omdraaijen. Die
averij werd zoo belangrijk geoordeeld, dat het herstel werktuigen zou
vorderen, die te Adelaïde niet te vinden zouden zijn.

Na rijp overleg namen Glenarvan en kapitein John het volgende besluit:
de _Duncan_ zou de australiscbe kust langs zeilen en tevens de
_Britannia_ opsporen; zij zou bij kaap Bernouilli aanleggen, waar men de
laatste inlichtingen zou inwinnen, en van daar zuidwaarts tot Melbourne
stevenen, waar de geledene schade gemakkelijk hersteld kon worden.
Zoodra de schroef weer in orde was, zou de _Duncan_ op de oostkust gaan
kruisen om haar nasporingen te eindigen.

Dit voorstel werd goedgekeurd. John Mangles besloot van den eersten
gunstigen wind gebruik te maken om onder zeil te gaan. Deze liet zich
niet lang wachten. Tegen den avond was de orkaan geheel bedaard. Een
vaarbare zuidweste-wind verving hem. De noodige maatregelen werden
genomen om zee te kunnen bouwen. Nieuwe zeilen werden aangeslagen. 's
Morgens ten vier ure liepen de matrozen in het spil. Weldra stond het
anker loodregt, het slipte, en onder haar fokkezeil, haar marszeil, haar
bramzeil, haar kluivers, haar groote bezaan en haar driehoekzeil, zeilde
de _Duncan_ met stuurboordshalzen scherp bij den wind langs de
australiscbe kust.

Twee uren later verloor men kaap Onheil uit het oog, en bevond men zich
dwars voor de Investigator-straat. 's Avonds zeilden ze om kaap Borda,
en stevende men op eenige kabelslengten afstand voorbij het
Kangoeroe-eiland. Dit is het grootste der australiscbe eilandjes en
dient tot schuilplaats voor de ontvlugte gedeporteerden. Het had een
uitlokkend voorkomen; onmetelijke grastapijten bedekten de vlotgebergten
langs de kusten. Evenals ten tijde der ontdekking, in 1802, zag men
tallooze kudden kangoeroes door de bosschen en over de vlakten huppelen.
's Anderendaags, terwijl de _Duncan_ in den wind opwerkte, werden de
sloepen aan land gezonden met last om den kustzoom te onderzoeken. Van
zes en dertig tot acht en dertig graden breedte wilde Glenarvan geen
punt ondoorzocht laten.

Den 18den December liep het jagt, dat als ware het een clipper met volle
zeilen bij den wind voer, zeer digt langs den oever der Encounter-baai.
Daar kwam in 1828 de reiziger Sturt, nadat hij de Murray, de grootste
rivier van Zuid-Australië ontdekt had, aan. Het waren niet meer de
lagchende oevers van het Kangoeroe-eiland, maar dorre heuvels, die van
tijd tot tijd de eentoonigheid van een vlakke en ingekorven kust
afbraken, hier en daar een graauwe steile rots, of voorgebergten van
zand, kortom al de naaktheid van een poolland.

Op dien togt hadden de booten een moeijelijk werk. De zeelieden klaagden
er echter niet over. Meestal werden zij door Glenarvan, diens
onafscheidelijken Paganel en den jongen Robert vergezeld. Met eigene
oogen wilden zij eenig overblijfsel van de _Britannia_ opzoeken. Maar
dat naauwlettend onderzoek bragt niets van de schipbreuk aan het licht.
De australische oevers vertelden dienaangaande evenmin iets als
Patagonië. Intusschen mogt men niet alle hoop opgeven, zoolang het
juiste punt, dat het document aangaf, niet bereikt was. Dat men zoo
handelde, was alleen uit overmaat van voorzigtigheid, en om niets aan
het toeval over te laten. 's Nachts braste de _Duncan_ op, om zooveel
mogelijk op dezelfde plaats te blijven, en overdag werd de kust
zorgvuldig onderzocht.

Zoo kwam men den 20sten December voor kaap Bernouilli, het uiteinde der
Lacépède-baai, zonder het geringste overblijfsel van het wrak gevonden
te hebben. Maar die vergeefsche nasporingen bewezen niets tegen den
kapitein der _Britannia_. Want in de twee jaren, die na de ramp waren
verloopen, kon het niet anders of de zee moest het overschot van den
driemaster verstrooid, vernield en van de klip gescheurd hebben. Ook
moesten de inboorlingen, die de schipbreuken ruiken gelijk een gier een
lijk ruikt, het geringste overschot opgezameld hebben. En Harry Grant en
zijn beide lotgenooten, gevangen genomen op het oogenblik, dat de golven
hen op de kust wierpen, waren ongetwijfeld tot diep in het binnenland
meegesleept.

Maar dan verviel ook een van de schrandere gissingen van Jacques
Paganel. Zoo lang er sprake was van het argentijnsche gebied, kon de
aardrijkskundige met volle regt beweren, dat de cijfers van het document
betrekking hadden, niet op het tooneel van de schipbreuk maar op de
plaats der gevangenschap. De groote stroomen der Pampa, hun talrijke
zijtakken immers waren daar om het kostbare document naar zee te voeren.
Hier integendeel, in dit gedeelte van Australië, zijn maar weinig
stroomen, die de zeven en dertigste parallel snijden; bovendien vloeijen
de Rio-Colorado, de Rio-Negro door woeste, onbewoonbare en onbewoonde
kusten naar zee, terwijl de hoofdrivieren van Australië, de Murray, de
Yarra, de Torrens, de Darling, òf in elkander, òf in den Oceaan vallen
met monden, die druk bezochte reeden en havens geworden zijn, die een
levendige scheepvaart drijven. Hoe onwaarschijnlijk was het dus niet,
dat een brooze flesch met den stroom zulke druk bevaren rivieren had
kunnen afdrijven en den Indischen oceaan bereiken?

Die onmogelijkheid kon aan geen schrandere koppen ontgaan. De stelling
van Paganel, die in Patagonië, in de argentijnsche provinciën
aannemelijk was, zou dus in Australië onhoudbaar geweest zijn. Paganel
gaf dit toe in een gesprek, dat hierover door majoor Mac Nabbs werd
aangeknoopt. Het werd stellig zeker, dat de graden in het document
vermeld, alleen betrekking hadden op de plaats der schipbreuk, en dat
bij gevolg de flesch in zee geworpen was ter plaatse, waar de
_Britannia_ verging, op de westkust van Australië.

En toch sloot, zooals Glenarvan teregt opmerkte, deze laatste uitlegging
de gissing niet uit, dat kapitein Grant gevangen was. En liet deze het
ook niet in zijn document doorschemeren in deze belangrijke woorden:
"_waar zij gevangenen zullen zijn van wreede inboorlingen?_" Maar er
bestond geen enkele reden meer om de gevangenen liever op de zeven en
dertigste parallel dan op een andere te zoeken.

Nadat deze vraag lang besproken en ten laatste aldus opgelost was, kwam
men tot het volgende besluit: indien er bij kaap Bernouilli geen spoor
van de _Britannia_ te vinden was, zat er voor lord Glenarvan niets
anders op, dan naar Europa terug te keeren. Zijn nasporingen zouden
vruchteloos geweest zijn; maar hij had zijn pligt moedig en naauwgezet
betracht.

Niettemin werden de passagiers van het jagt er zeer door bedroefd, en
Mary en Robert Grant sloegen tot wanhoop over. Toen zij met lord en lady
Glenarvan, John Mangles, Mac Nabbs en Paganel aan land gingen, zeiden de
beide kinderen van den kapitein tot elkander, dat de vraag of hun vader
gered zou worden, thans onherroepelijk beslist zou worden.
Onherroepelijk mag men wel zeggen; want Paganel had in een vroeger
gesprek onwederlegbaar bewezen, dat de schipbreukelingen reeds sedert
lang in het vaderland terug zouden geweest zijn, indien hun vaartuig op
de klippen der oostkust was vergaan.

"Houd moed! houd moed! houd altijd moed!" herhaalde lady Helena telkens
aan het meisje, dat in het bootje, waarmede zij aan land gingen, naast
haar zat. "Gods hand zal ons niet loslaten!"

"Ja, miss Mary!" sprak kapitein John, "wanneer de mensch alle
menschelijke hulpmiddelen heeft uitgeput, komt de Hemel tusschen beiden
en opent hem, door een onvoorzien voorval, nieuwe wegen."

"God verhoore uw wensch, mijnheer John!" antwoordde Mary Grant.

De oever was nog maar een kabellengte ver; de kaap, die twee mijlen ver
in zee vooruitstak, liep hier in vrij zachte hellingen uit. Het bootje
voer een kleine door de natuur gevormde kreek binnen, tusschen nog
aangroeijende koraalbanken, die na verloop van tijd een gordel van
riffen op de zuidkust van Australië zullen vormen. Zooals zij daar
lagen, waren zij reeds in staat om de kiel van een schip te vernielen,
en de _Britannia_ kon daar ligt met man en muis zijn vergaan.

Zonder moeite landden de passagiers van de _Duncan_ op een geheel woeste
kust. Steile vlotgebergten vormden een kustlijn ter hoogte van zestig
tot tachtig voet. Het zou bezwaarlijk gegaan zijn om zonder ladders of
haken die natuurlijke gordijn te beklauteren. Gelukkig ontdekte John
Mangles zeer van pas een bres, die een halve mijl zuidelijker door een
gedeeltelijke instorting der steilte teweeg gebragt was. Gedurende de
hevige voor- en najaarsstormen beukte de zee ongetwijfeld dien wal van
brossen tufsteen, en veroorzaakte zoo den val der hoogere gedeelten van
het vaste gesteente.

Glenarvan en zijn reisgenooten drongen in de loopgraaf, en kwamen langs
een vrij steile helling op den top der rots. Als een jonge kat klauterde
Robert tegen een bijna loodregten rotswand op, en kwam zoo het eerst op
den hoogsten kam, tot groot verdriet van Paganel, die zich schaamde,
omdat zijn groote beenen van veertig jaar overwonnen werden door kleine
van twaalf. Toch was hij den bedaarden majoor, die zich volstrekt niet
haastte, ver vooruit.

Zoodra het gezelschap bijeen was, onderzocht men de vlakte, die zich
voor hun oog uitbreidde. Het was een uitgestrekte, onbebouwde streek,
met struikgewas en kreupelhout, een onvruchtbaar gewest, dat Glenarvan
vergeleek met de dalen der lage landen van Schotland en Paganel met de
onvruchtbare heidevelden van Bretagne. Maar, scheen die streek al langs
de kust onbewoond, in de verte bleek de tegenwoordigheid van den mensch,
niet van den wilde, maar van den arbeider, uit eenige gebouwen met een
goed voorkomen.

"Een molen!" riep Robert.

En inderdaad, drie mijlen voor hen uit draaiden de wieken van een molen.

"Ja, het is een molen," sprak Paganel, die zijn kostelijken verrekijker
op het aangewezen voorwerp gerigt had. "Het is een klein, even nederig
als nuttig gedenkteeken, welks gezigt mijn oog verrukt."

"Het lijkt haast een kerktoren," zeide lady Helena.

"Ja, mevrouw! en maalt de een het brood voor het ligchaam, de andere
maalt het brood voor de ziel. Uit dit oogpunt bezien, gelijken zij ook
op elkander."

"Voort, naar den molen!" antwoordde Glenarvan. Men ging op weg. Na een
half uur loopens zag de grond, door de hand des menschen bewerkt, er
geheel anders uit, de overgang van het onvruchtbare land tot het
bebouwde veld was plotseling. In plaats van kreupelhout omringden groene
hagen een pas ontgonnen stuk gronds; eenige runderen en een half dozijn
paarden graasden in de weiden, die omsloten waren door prachtige
acacia's, welke uit de groote boomkweekerijen van het Kangoeroe-eiland
gehaald waren. Allengs vertoonden zich akkers met graan bedekt, eenige
roeden gronds met gele korenaren bezaaid, eenige hooischelven, als
groote bijenkorven overeind gezet, boomgaarden met een frissche
omheining, een schoone tuin, Horatius waardig, waarin het aangename met
het nuttige vermengd was, vervolgens lootsen en behoorlijk ingerigte
woningen voor de dienstboden en ten laatste een eenvoudig en geriefelijk
huis, waarboven de aardige molen met zijn spitse kap uitstak, die door
de vlugtige schaduw zijner groote wieken werd geliefkoosd.

Op het geblaf van vier groote honden, die de komst der vreemdelingen
meldden, trad thans een man van een vijftig jaar met een vriendelijk
voorkomen uit het hoofdgebouw. Vijf flinke en sterke jongens, zijn
zoons, volgden hem met hun moeder, een groote en stevige vrouw.
Vergissing was hier niet mogelijk: die man, door zijn wakker gezin
omringd, in het midden van dien nog nieuwen aanleg, in dit bijna
maagdelijk gewest, was het volmaakte beeld van den ierschen kolonist,
die om de armoede in zijn land te ontgaan fortuin en geluk aan gene
zijde der zee is gaan zoeken.

Glenarvan en de zijnen hadden zich nog niet voorgesteld, zij hadden nog
geen tijd gehad om hun naam en betrekking op te geven, toen zij reeds
met deze hartelijke woorden begroet werden:

"Vreemdelingen! weest welkom in het huis van Paddy O'Moore."

"Zijt gij een Ier?" vroeg Glenarvan, de hand drukkende, die de kolonist
hem toestak.

"Ik ben het geweest," antwoordde Paddy O'Moore; "thans ben ik een
Australiër. Komt binnen, wie gij ook moogt zijn, heeren! en beschouwt
dit huis als het uwe."

Die gulle uitnoodiging werd natuurlijk zonder pligtplegingen aangenomen.
Lady Helena en Mary Grant volgden mistress O'Moore naar binnen, terwijl
de zoons van den kolonist de bezoekers van hun wapens ontlastten.

Een luchtige en heldere zaal besloeg de benedenverdieping van het huis,
dat van sterke op elkander gestapelde balken gebouwd was. Eenige houten
banken aan de met heldere kleuren beschilderde wanden vastgespijkerd,
een tiental schabellen, twee eikenhouten kisten, waarop wit aardewerk en
blinkende tinnen kannen pronkten, een breede en lange tafel, waaraan
twintig gasten met gemak konden zitten, maakten het huisraad uit, dat
volkomen overeenstemde met het stevige gebouw en de sterke bewoners.

Het middageten stond op tafel. De soepkom dampte tusschen het
ossengebraad en den schapenbout, omringd door groote schotels olijven,
druiven en oranje-appelen; het noodige was voorhanden en het overtollige
werd niet gemist. De gastheer en zijn vrouw noodigden zoo dringend, de
tafel zag er zoo uitlokkend uit, was zoo groot en zoo rijkelijk
voorzien, dat het onbetamelijk zou geweest zijn niet aan te zitten.
Reeds kwamen de knechts, de gelijken van hun baas, deelnemen aan den
maaltijd. Paddy O'Moore wees den vreemdelingen met de hand de eereplaats
aan.

"Ik wachtte u," zeide hij op een eenvoudigen toon tot lord Glenarvan.

"Gij?" antwoordde deze zeer verrast.

"Ik wacht altijd degenen, die komen," antwoordde de Ier.

Vervolgens deed hij op ernstigen toon, terwijl zijn gezin en de
dienstboden eerbiedig staan bleven, het katholieke gebed vóór den eten.
Lady Helena was diep geroerd door zulk een volmaakten eenvoud van zeden,
en een blik van haar man gaf haar te kennen, dat hij het evenzeer
bewonderde als zij.

Men deed de tafel eer aan. Het gesprek werd overal zeer levendig.
Tusschen een Schot en een Ier is de kennis spoedig gemaakt. De Clyde[1],
die maar eenige voeten breed is, delft een dieper gracht tusschen
Schotland en Engeland, dan het twintig uren breede Noorder-kanaal, dat
het oude Caledonië van het groene Erin scheidt. O'Moore vertelde zijn
geschiedenis. Het was die van al de landverhuizers, welke het gebrek uit
hun land jaagt. Velen komen in verre streken fortuin zoeken, die slechts
misrekeningen en rampen vinden. Zij beschuldigen het lot, maar vergeten
de schuld te geven aan hun onverstand, hun traagheid en hun ondeugden.
Wie matig en moedig, spaarzaam en braaf is, dien gaat het goed.

Zoo ook met Paddy O'Moore. Hij verliet Dundalk, waar hij van honger
stierf, trok met zijn gezin naar Australië, versmaadde het werk van den
goudgraver voor de minder onzekere vermoeijenissen van den landman, kwam
te Adelaïde aan wal, en begon twee maanden later zijn ontginning, die
thans zulke heerlijke vruchten afwierp.

Het geheele gebied van Zuid-Australië is in stukken verdeeld, die elk
tachtig acres [2] groot zijn. Die verschillende stukken worden door de
regeering aan de kolonisten afgestaan, en op ieder stuk kan een vlijtig
landman in zijn onderhoud voorzien en een zuiver bedrag van tachtig pond
sterling[3] uit zijn overwinst besparen.

Dat wist Paddy O'Moore. Zijn kennis van den landbouw kwam hem zeer te
stade. Hij leefde, hij spaarde, hij kreeg nieuwe stukken uit de
overwinst van het eerste. Het ging goed met zijn gezin en zijn
onderneming. De Iersche boer werd grondeigenaar, en hoewel hij er nog
geen twee jaar was, bezat hij reeds vijf honderd acres grond, die door
zijn zorgen vruchtbaar gemaakt waren, en vijf honderd stuks vee. Hij was
zijn eigen meester, na de slaaf der Europeërs geweest te zijn, en zoo
onafhankelijk als men slechts in het meest vrije land der wereld kan
zijn.

Zijn gasten beantwoordden dit verhaal van den Ierschen landverhuizer met
opregte en welgemeende gelukwenschingen. Paddy O'Moore wachtte zeker,
toen zijn verhaal uit was, dat zijn openhartigheid met gelijke
vertrouwelijkheid beantwoord zou worden, maar hij lokte ze niet uit. Hij
was een van die bescheidene menschen, die zeggen: Nu weet gij, wie ik
ben, maar ik vraag u niet, wie gij zijt. Glenarvan had er ook
regtstreeksch belang bij om over de _Duncan_, over zijn tegenwoordigheid
aan kaap Bernouilli, en over de nasporingen, die hij met stalen
volharding voortzette, te spreken. Maar als iemand, die regt op zijn
doel afgaat, ondervroeg hij eerst Paddy O'Moore betreffende de
schipbreuk der _Britannia_.

Het antwoord van den Ier was niet gunstig. Hij had nooit van dat schip
hooren spreken. Sedert twee jaren was er geen schip op de kust vergaan,
noch boven noch beneden de kaap. Die ramp nu was eerst vóór twee jaren
gebeurd. Hij kon dus op de stelligste wijze verzekeren, dat de
schipbreukelingen niet op dit gedeelte der westkust geworpen waren.

"En nu, mylord!" voegde hij er bij, "zou ik wel willen weten welk belang
gij er bij hebt om mij die vraag te doen?"

Nu vertelde Glenarvan den kolonist de geheele geschiedenis van het
document, de reis van het jagt, de pogingen reeds aangewend om kapitein
Grant terug te vinden; hij verzweeg niet, dat zijn vurigste hoop
vernietigd werd door zulke stellige verzekeringen, en dat hij wanhoopte,
ooit de schipbreukelingen der _Britannia_ terug te vinden.

Zulk een gezegde moest een smartelijken indruk teweegbrengen op de
hoorders van Glenarvan. Robert en Mary luisterden in tranen zwemmende
toe, Paganel vond geen woord om hen te troosten en hun moed in te
boezemen. John Mangles leed onuitsprekelijk. Reeds maakte de wanhoop
zich meester van de ziel dier wakkere mannen, welke de _Duncan_ te
vergeefs naar die verre stranden gevoerd had, toen deze woorden klonken:

"Mylord! loof en dank God! Wanneer kapitein Grant nog leeft, leeft hij
hier in Australië!"


[1] De rivier, die Schotland van Engeland scheidt.

[2] Een acre is 40 vierkante roeden ruim.

[3] _fl_ 960.




VII.

Ayrton.


Onbeschrijfelijk was de verbazing, door deze woorden gewekt. Glenarvan
was ijlings opgerezen en riep, terwijl hij zijn zitplaats op zijde
schoof: "wie spreekt daar?"

"Ik," antwoordde een der knechts van Paddy O'Moore, die aan het
lagereind der tafel zat.

"Gij, Ayrton!" zeide de kolonist, niet minder verbaasd dan Glenarvan.

"Ik!" herhaalde Ayrton, met aangedane doch vaste stem "ik, een Schot,
gelijk gij, mylord! ik, een van de schipbreukelingen der _Britannia_!"

Deze verklaring bragt een onbeschrijfelijke uitwerking teweeg. Mary
Grant, die bijna stierf half van ontroering, maar ditmaal ook half van
geluk, zonk in de armen van lady Helena. John Mangles, Robert, Paganel
stonden van hun plaats op en liepen naar den man, dien Paddy O'Moore
Ayrton genoemd had.

Het was iemand van vijf en veertig jaar, met een ruw uiterlijk en een
fonkelend oog, dat bijna verborgen werd door de zware wenkbraauwen. Zijn
kracht was zeker buitengemeen, ondanks de magerheid van zijn ligchaam.
Hij was grof gebouwd en sterk gespierd, en volgens een schotsche
uitdrukking verbeuzelde hij zijn tijd niet met zich vet te mesten. Een
middelmatige gestalte, breede schouders, een vaste gang, een gelaat,
waarop schranderheid en geestkracht te lezen stonden, ofschoon de
trekken grof waren, dit alles nam de aanwezigen gunstig voor hem in. De
belangstelling, die hij inboezemde, werd nog vergroot door de versche
sporen van uitgestaan lijden, die zijn gezigt vertoonde. Men zag dat hij
veel geleden had, ofschoon hij wel de man er naar scheen te wezen, die
lijden kon verdragen, trotseeren en overwinnen.

Glenarvan en zijn vrienden hadden dit bij den eersten oogopslag gevoeld.
De persoonlijkheid van Ayrton maakte onmiddellijk een sterken indruk.
Glenarvan, zich tot aller tolk makende, overstelpte hem met vragen, die
Ayrton beantwoordde. De ontmoeting van Glenarvan en Ayrton had bij
beiden, het was duidelijk, een wederzijdsche aandoening opgewekt.

Vandaar dat Glenarvan's eerste vragen zonder orde en als het ware
onwillekeurig van zijn lippen vloeiden.

"Zijt gij een van de schipbreukelingen der _Britannia_?" vroeg hij.

"Ja, mylord, de bootsman van kapitein Grant," antwoordde Ayrton.

"Met hem na de schipbreuk gered?"

"Neen, mylord! neen! Op dat verschrikkelijk oogenblik werd ik van hem
gescheiden, van het dek geslingerd, op de kust geworpen."

"Dus zijt gij niet een der beide matrozen, waarvan het document
spreekt?"

"Neen. Ik wist niets van het bestaan van dat document. De kapitein heeft
het in zee geworpen, toen ik niet meer aan boord was."

"Maar de kapitein, de kapitein!"

"Ik dacht, dat hij verdronken, verdwenen, met de geheele bemanning der
_Britannia_ te gronde gegaan was. Ik meende, dat ik alleen die ramp
overleefd had."

"Maar gij hebt gezegd, dat kapitein Grant in leven was!"

"Neen. Ik heb gezegd: indien de kapitein leeft...."

"Gij hebt er bijgevoegd: dan is hij hier op het vastland van Australië."

"Hij kan nergens anders zijn."

"Weet gij dan niet, waar hij is?"

"Neen, mylord ik zeg u nog eens, ik meende, dat hij in de golven
begraven of tegen de rotsen verbrijzeld was. Door u hoor ik eerst, dat
hij misschien nog leeft."

"Door mij? maar wat weet gij dan toch?" vroeg Glenarvan gejaagd.

"Niets anders dan dit: indien kapitein Grant in leven is, is hij in
Australië."

"Waar heeft de schipbreuk dan plaats gehad?" vroeg nu majoor Mac Nabbs.

Dit had de eerste vraag moeten zijn; maar in de verwarring door dit
voorval teweeggebragt, had Glenarvan, die vóór alles weten wilde, waar
kapitein Grant zich bevond, niet gevraagd naar de plaats, waar de
_Britannia_ vergaan was. Het gesprek, dat tot nu toe onbepaald en
onzamenhangend geweest was, van den hak op den tak sprong, de
onderwerpen vlugtig aanroerde zonder ze geheel te doorgronden, de feiten
dooreenhaspelde, de datums verschikte, nam nu een betere wending, en
weldra stonden al de bijzonderheden dezer duistere geschiedenis den
hoorders duidelijk voor den geest.

Op de vraag door Mac Nabbs gedaan, antwoordde Ayrton in dezer voege:

"Toen ik van de voorplecht werd geslingerd, waar ik den vliegenden
kluiver naar beneden haalde, liep de _Britannia_ op de australische kust
aan. Zij was er nog geen twee kabellengten van af. De schipbreuk heeft
dus op diezelfde plek plaats gehad."

"Op zeven en dertig graden breedte?" vroeg John Mangles.

"Op zeven en dertig graden," antwoordde Ayrton. "Op de westkust?"

"Wel neen! Op de oostkust," gaf de bootsman haastig ten antwoord.

"En wanneer?"

"In den nacht van den 27sten Junij 1862."

"Zoo is het! zoo is het!" riep Glenarvan.

"Dus ziet gij wel, mylord!" voegde Ayrton er bij, "dat ik met regt mogt
zeggen: indien kapitein Grant nog leeft, moet gij hem op het vastland
van Australië zoeken, en nergens anders."

"En wij zullen hem zoeken, en hem vinden, en hem redden, mijn vriend!"
riep Paganel. "Ach! kostbaar document!" voegde hij er hoogst naïf bij,
"men moet zeggen, dat gij in handen van heel slimme menschen gevallen
zijt."

Er was zeker niemand, die de vleijende woorden van Paganel verstond.
Glenarvan en lady Helena, Mary en Robert stonden om Ayrton heen. Allen
drukten hem de hand. Het scheen, alsof de tegenwoordigheid van dien man
een zeker onderpand was van de redding van Harry Grant. Was de matroos
aan de gevaren der schipbreuk ontkomen, waarom zou dan de kapitein niet
evengoed ongedeerd aan het onheil ontsnapt zijn? Ayrton herhaalde
telkens, dat kapitein Grant ongetwijfeld in leven was, evenals bij zelf.
Waar? dat kon hij niet zeggen, maar zeker op dit vastland. Op de duizend
vragen, waarmee hij bestormd werd, antwoordde hij met groote kennis van
zaken en beknoptheid. Terwijl hij sprak, hield miss Mary zijn hand in de
hare. Hij was een reisgenoot haars vaders, die matroos, een der
zeelieden van de _Britannia_! Hij had Harry Grant vergezeld, met hem de
zee bevaren, dezelfde gevaren getart! Mary kon haar oog van dat ruwe
gelaat niet afwenden, en weende van geluk.

Nog was het niemand in de gedachte gekomen om de waarheidsliefde en
identiteit van den bootsman te betwijfelen. De majoor en misschien ook
John Mangles, die niet zoo ligtgeloovig waren, waren de eenigen die zich
afvroegen, of de woorden van Ayrton wel volkomen vertrouwen verdienden.
Zijn onverwachte ontmoeting kon aanleiding geven tot twijfel, zooal niet
tot eenige achterdocht. Zeker had Ayrton overeenstemmende feiten en
datums en treffende bijzonderheden opgegeven. Maar hoe naauwkeurig de
omstandigheden ook zijn, zij maken nog geen zekerheid uit, en doorgaans,
de ondervinding leert het, verschuilt zich de leugen achter de opgave
van de geringste bijzonderheden. Mac Nabbs hield dus zijn meening voor
zich en liet zich voor noch tegen uit.

De twijfelingen van Mac Nabbs waren niet lang bestand tegen de woorden
van den zeeman, en hij hield hem inderdaad voor een reisgenoot van
kapitein Grant, toen hij gehoord had, hoe deze tot het jonge meisje over
haar vader sprak. Ayrton kende Mary en Robert opperbest. Hij had ze te
Glasgow gezien bij de afvaart der _Britannia_. Hij herinnerde hun, hoe
ze tegenwoordig waren geweest bij het afscheidsmaal, dat de kapitein
zijn vrienden aan boord had gegeven. De sherif, Mac Intyre, was er bij.
Men had Robert,--die toen pas tien jaar was,--toevertrouwd aan de zorg
van Dick Turner, den schipper, en hij was dezen ontloopen om in de
bramsalingen te klauteren.

"Dat is waar, dat is waar!" zeide Robert Grant.

En zoo haalde Ayrton duizend kleinigheden aan, schijnbaar zonder er
zooveel gewigt aan te hechten als John Mangles deed. En toen hij zweeg,
zeide Mary met haar zoete stem:

"Toe, mijnheer Ayrton! vertel ons nog wat van onzen armen vader!"

De bootsman deed zijn best om aan het verlangen van het meisje te
voldoen. Glenarvan wilde hem niet in de rede vallen, en toch verdrongen
wel twintig gewigtiger vragen zich in zijn hoofd; maar wijzende op de
blijde ontroering van Mary, legde lady Helena hem het zwijgen op.

Zoo pratende vertelde Ayrton de geschiedenis der _Britannia_ en haar
reis over de Stille Zuidzee. Mary Grant wist er reeds veel van, daar de
berigten van het schip tot de maand Mei van het jaar 1862 liepen. In dat
tijdverloop van een jaar deed Harry Grant de voornaamste eilanden van
Oceanië aan. Hij bezocht de Hebriden, Nieuw-Guinea, Nieuw-Zeeland,
Nieuw-Caledonië, vond dikwijls, dat anderen te regt of ten onregte
beweerden den grond in bezit te hebben genomen, en had te kampen met den
onwil der engelsche overheden; want zijn schip werd in de britsche
koloniën streng in het oog gehouden. Echter had hij een belangrijk punt
gevonden op de westkust van de Papoea-eilanden; hij oordeelde, dat het
daar gemakkelijk zou zijn een schotsche volkplanting te vestigen, die
stellig tot bloei zou geraken; een goede en rijk voorziene
ververschingsplaats toch op den weg naar de Molukken en de Philippijnen
moest de schepen lokken, vooral wanneer de doorgraving der landengte van
Suez de weg om de kaap de Goede Hoop in onbruik had doen geraken. Harry
Grant was een der Engelschen, die veel ophadden met het werk van den
heer de Lesseps, en die geen staatkundigen naijver bij een groot
wereldbelang in het spel bragten.

Na dit onderzoek der Papoea-eilanden ging de _Britannia_ te Callao
nieuwen voorraad innemen, en verliet die haven den 30sten Mei 1862, om
door den Indischen Oceaan en om de Kaap naar Europa terug te keeren.
Drie weken na zijn vertrek werd het schip door een geweldigen storm
ontredderd. Het werd op zijde geworpen. De masten moesten gekapt worden.
Er kwam een lek, dat men niet kon stoppen. De bemanning was weldra
geheel uitgeput. Men kon de pompen niet vrij houden. Acht dagen lang was
de _Britannia_ de speelbal der orkanen. Binnen kort stond er zes voet
water in het ruim. Ze verkeerde in zinkenden toestand. De booten waren
gedurende den storm weggeslagen. Men moest op het schip omkomen, toen
men, zooals Paganel juist gezien had, in den nacht van den 27sten Junij
de oostkust van Australië ontdekte. Weldra liep het schip op het strand.
Een hevige schok had er plaats. Ayrton werd op dat oogenblik door een
golf opgenomen, midden in de branding geslingerd, en verloor zijn
bewustzijn. Toen hij weer bijkwam, was hij in de handen der
inboorlingen, die hem naar het binnenland sleepten. Van nu af hoorde hij
niet meer van de _Britannia_ spreken, en dus vooronderstelde hij, niet
zonder grond, dat ze op de gevaarlijke riffen der Twofold-baai met man
en muis was vergaan.

Hier eindigde het verhaal betreffende kapitein Grant; meer dan eens
ontlokte het uitroepen van droefheid aan zijn hoorders. Zonder onbillijk
te zijn mogt de majoor niet aan de waarheid er van twijfelen. Maar na de
geschiedenis der _Britannia_ moest de eigene geschiedenis van Ayrton
voor het oogenblik nog belangrijker zijn.

Afgaande op het document twijfelde men niet, of Grant had met twee
zijner matrozen, evenzeer als Ayrton zelf, de schipbreuk overleefd. Uit
het lot van den een mogt men met grond tot dat van den ander besluiten.
Derhalve werd Ayrton uitgenoodigd zijn lotgevallen mede te deelen. Het
was een zeer eenvoudig en zeer kort verhaal.

De arme schipbreukeling, de gevangene van een inlandschen volksstam,
werd naar het binnenland gevoerd, dat de Darling besproeit, dat wil
zeggen tot vier honderd mijlen benoorden den zeven en dertigsten
breedtegraad. Daar leefde hij hoogst ellendig, omdat die stam het zelf
heel naar had; maar hij werd niet mishandeld. Die harde slavernij duurde
twee lange jaren. Maar hij gaf de hoop niet op om zijn vrijheid nog
eenmaal te herkrijgen. Hij loerde op de eerste gelegenheid de beste om
te ontsnappen, hoewel zijn vlugt hem aan tallooze gevaren moest
blootstellen.

In zekeren nacht, het was in de maand October 1864, verschalkte hij de
waakzaamheid van de inboorlingen en verdween in het digtst der
ontzaggelijke wouden. Een maand lang zwierf hij, het leven rekkende met
wortels, met eetbare varens, met gom der mimosa's, in die uitgestrekte
woestenijen rond, zich des daags naar de zon, des nachts naar de sterren
rigtende, en vaak aan wanhoop ter prooi: zoo trok hij door moerassen,
over bergen en rivieren, en doorkruiste dat onbewoonde gedeelte van het
vastland, waar slechts weinige reizigers zich gewaagd hebben. Stervend
en verhongerd kwam hij eindelijk aan de gastvrije woning van Paddy
O'Moore, waar hij tot loon voor zijn arbeid een onbekommerd leven vond.

"Prijst Ayrton mij," zeide de iersche kolonist, toen dit verhaal uit
was, "ik voor mij kan ook niets anders doen dan hem prijzen. Hij is een
wakker, braaf en goed man, een arbeider in den volsten zin des woords,
en als ze hem bevalt, zal de woning van Paddy O'Moore lang de zijne
wezen."

Ayrton dankte den Ier met een tamelijk norsch gebaar, en wachtte af of
men hem nog iets te vragen mogt hebben. Hij hield het er echter voor,
dat de billijke nieuwsgierigheid zijner hoorders nu wel bevredigd zou
zijn. Kon hij nog wel op iets antwoorden, wat niet reeds honderdmaal
gezegd was? Glenarvan was dan ook op het punt om de beraadslagingen te
openen over een nieuw plan, dat nu met behulp van de ontmoeting van
Ayrton en diens inlichtingen moest opgemaakt worden, toen de majoor den
matroos aldus aansprak:

"Gij waart bootsman aan boord der _Britannia_?"

"Ja," antwoordde Ayrton zonder aarzelen.

Maar begrijpende, dat een zeker gevoel van wantrouwen, een twijfel, hoe
gering ook, den majoor die vraag had ingegeven, voegde hij er bij:

"Ik heb mijn aanstelling nog uit de schipbreuk gered."

En terstond verliet hij de huishoudkamer om dit stuk te halen. Hij bleef
geen minuut weg. Maar Paddy O'Moore had toch tijd om te zeggen:

"Mylord! ik verzeker u, dat die Ayrton een brave kerel is; hij dient mij
nu twee maanden, maar ik heb niet het geringste op hem aan te merken. Ik
kende de geschiedenis zijner schipbreuk en zijner gevangenschap. Hij is
een opregt man en uw volle vertrouwen waardig."

Glenarvan wilde juist antwoorden, dat hij nooit aan de goede trouw van
Ayrton had getwijfeld, toen deze binnenkwam en zijn aanstelling in
behoorlijke orde overgaf. Het was een papier, geteekend door de reeders
van de _Britannia_ en door kapitein Grant, wiens hand Mary duidelijk
herkende. Het behelsde, dat: "Tom Ayrton, matroos van de eerste klasse,
als bootsman aangenomen was op den driemaster _Britannia_, van Glasgow."
Er bleef dus geen twijfel over, of Ayrton was degene, voor wien hij zich
uitgaf; want het was moeijelijk te gelooven, dat die aanstelling in zijn
handen zou zijn, wanneer ze hem niet toekwam.

"En nu," sprak Glenarvan, "vraag ik u allen om raad, en wensch ik
onmiddellijk te bespreken, wat ons te doen staat. Uw raad, Ayrton! zal
ons vooral aangenaam zijn, en ik verzoek u dringend ons dien niet te
onthouden."

Ayrton dacht eenige oogenblikken na en antwoordde toen het volgende:

"Ik dank u, mylord! voor het vertrouwen, dat gij in mij stelt, en ik
hoop het mij waardig te maken. Ik heb eenige kennis van dit land, van de
zeden der inboorlingen, en kan ik u van dienst wezen...."

"Wel zeker," verklaarde Glenarvan.

"Ik ben evenals gij van gevoelen," hernam Ayrton, "dat kapitein Grant en
zijn beide matrozen uit de schipbreuk gered zijn; maar daar zij de
engelsche bezittingen niet hebben bereikt, omdat zij niet meer voor den
dag zijn gekomen, twijfel ik niet of zij hebben hetzelfde lot ondergaan
als ik, en zijn gevangen bij een inlandschen volksstam."

"Gij haalt daar dezelfde bewijzen aan, die ik vroeger reeds opsomde,
Ayrton!" zeide Paganel; "de schipbreukelingen zijn zeker gevangen bij de
inboorlingen, zooals zij vreesden. Maar moeten wij denken, dat zij,
evenals gij benoorden den zeven en dertigsten graad gesleept zijn?"

"Dat is wel te denken, mijnheer!" antwoordde Ayrton; "de vijandelijke
stammen blijven niet lang in de nabijheid der aan de Engelschen
onderworpen streken."

"Dat zal onze nasporingen veel moeijelijker maken," zeide Glenarvan met
een teleurgesteld gezigt. "Hoe zullen wij in zoo'n uitgestrekt vastland
het spoor der gevangenen terugvinden?"

Een langdurig stilzwijgen volgde op die aanmerking. Lady Helena zag
beurtelings al haar reisgenooten vragend aan zonder antwoord te krijgen.
Tegen zijn gewoonte zweeg zelfs Paganel, dien zijn gewone schranderheid
in den steek liet. John Mangles liep met groote stappen de huishoudkamer
op en neer, alsof hij op het dek van zijn schip in verlegenheid zat.

"En gij, mijnheer Ayrton!" zeide nu lady Helena tot den matroos, "wat
zoudt gij doen?"

"Mevrouw!" antwoordde Ayrton tamelijk driftig, "ik zou weer aan boord
van de _Duncan_ gaan en regelregt naar het tooneel van de schipbreuk
stevenen. Daar zou ik naar bevind van zaken en naar de aanwijzingen
handelen, die het toeval welligt mogt verschaffen."

"Dat is goed," zeide Glenarvan; "maar wij dienen te wachten tot de
_Duncan_ hersteld is."

"Zoo! hebt gij averij gehad?" vroeg Ayrton.

"Ja," antwoordde John Mangles.

"Zware?"

"Neen! maar er zijn toch gereedschappen noodig, die wij niet aan boord
hebben. Een der schroefbladen zit vast, en dat kan alleen te Melbourne
verholpen worden."

"Maar kunt gij niet zeilen?" vroeg de bootsman.

"Jawel; maar als de wind wat tegen is, zou de _Duncan_ veel tijd noodig
hebben om de Twofold-baai te bereiken, en hoe het ook gaat, naar
Melbourne moet ze toch."

"Welnu! laat ze naar Melbourne gaan!" riep Paganel; "wij zullen zonder
haar wel aan de Twofold-baai komen."

"Maar hoe?"

"Wel, door Australië langs den zeven en dertigsten breedtegraad door te
trekken, zooals wij Amerika gedaan hebben."

"Maar de _Duncan_ dan?" hernam Ayrton met bijzonder veel nadruk.

"De _Duncan_ zal ons afhalen of wij zullen de _Duncan_ afhalen, naardat
het uitkomt. Vinden wij kapitein Grant op onzen togt terug, dan gaan wij
gezamenlijk naar Melbourne. Zetten wij daarentegen onze nasporingen tot
aan de kust voort, dan komt de _Duncan_ ons daar opzoeken. Wie heeft wat
tegen dat plan? De majoor misschien?"

"Neen," antwoordde Mac Nabbs, "als de reis door Australië ten minste
mogelijk is."

"Zoo goed mogelijk," antwoordde Paganel, "dat ik voornemens ben lady
Helena en miss Grant uit te noodigen om met ons te gaan."

"Meent gij dat inderdaad, Paganel?" vroeg Glenarvan.

"Wat anders, waarde lord? Het is een reis van drie honderd vijftig
mijlen[1], meer niet, en tegen twaalf mijlen daags zal ze pas een maand
duren, dat is te zeggen zoo veel tijd als noodig is voor de
herstellingen van de _Duncan_. Het zou wat anders zijn, als wij het
vastland van Australië op eene lagere breedte moesten doortrekken, als
wij het in zijn grootste breedte moesten doorreizen, als wij die
onmetelijke woestijnen moesten doorkruisen, waar gebrek aan water is,
waar een verstikkende warmte heerscht, kortom, wanneer we doen moesten,
wat de stoutste reizigers nog niet gewaagd hebben! Maar die zeven en
dertigste graad loopt over de provincie Victoria, een echt engelsch
land, met gebaande wegen, met spoorwegen, en bijna over die geheele
lengte bevolkt. Het is een reis, die men des verkiezende in een kales,
of liever nog op een kar doen kan. Het is een ridje van Londen naar
Edinburg. Anders niet."

"Maar de wilde dieren!" zeide Glenarvan, die alle mogelijke bezwaren
wilde opperen.

"Er zijn geen wilde dieren in Australië."

"Maar de wilden?"

"Er zijn op die breedte geen wilden, en in allen gevalle zijn ze niet
zoo wreed als de Nieuw-Zeelanders."

"Maar de gedeporteerden?"

"Er zijn geen gedeporteerden in de zuidelijke provinciën van Australië,
maar alleen in de oostelijke koloniën. De provincie Victoria heeft ze
niet alleen verjaagd, maar ook een wet gemaakt om de vrijgelaten
veroordeelden uit de andere provinciën van haar gebied uit te sluiten.
De regeering van Victoria heeft dit jaar zelfs de compagnie van het
Schiereiland gedreigd haar subsidie in te trekken, wanneer haar schepen
voortgingen kolen in te nemen in de havens van West-Australië, waar de
gedeporteerden toegelaten worden. Hoe! weet gij dat niet! en zijt gij
nog al een Engelschman!"

"Maar ik ben geen Engelschman," antwoordde Glenarvan.

"Wat mijnheer Paganel daar zegt is volkomen waar," zeide nu Paddy
O'Moore. "Niet alleen de provincie Victoria, maar ook Zuid-Australië,
Koninginneland, zelfs Tasmanië slaan de handen ineen om de
gedeporteerden niet binnen hun grenzen toe te laten. Sedert ik deze
hoeve bewoon, heb ik van geen enkelen gedeporteerde hooren spreken."

"En ik heb er nooit een ontmoet," voegde Ayrton er bij.

"Gij ziet, vrienden!" hernam Jacques Paganel, "zeer weinig wilden, geen
wilde dieren, geen gedeporteerden! Er zijn weinig streken in Europa,
waarvan men hetzelfde kan zeggen! Hoe is het, blijft het er bij?"

"Wat denkt gij er van, Helena?" vroeg Glenarvan.

"Wat wij allen denken, lieve Edward!" antwoordde lady Helena tot haar
reisgenooten gerigt, "op weg! op weg!"


[1] Omtrent 200 uren gaans.




VIII.

Het vertrek.


Lord Glenarvan was niet gewoon veel tijd te laten verloopen tusschen de
opvatting en de uitvoering van een plan. Zoodra het voorstel van Paganel
was aangenomen, gaf hij onmiddellijk de noodige bevelen om binnen den
kortst mogelijken tijd de toebereidselen tot de reis te maken. Er werd
bepaald, dat zij twee dagen later, den 22sten December, vertrekken
zouden.

Welke uitkomsten zou die togt door Australië opleveren? Nu de
aanwezigheid van Harry Grant eenmaal stellig vast stond, kon die
onderneming groote gevolgen hebben. Zij deed de som der voordeelige
kansen grooter worden. Wel vleide zich niemand den kapitein juist te
zullen vinden op die lijn van den zeven en dertigsten breedtegraad, die
men zonder afwijken volgen wilde; maar misschien zou men hem langs die
lijn op het spoor komen, en in allen gevalle leidde zij regelregt naar
het tooneel der schipbreuk. En dat was de hoofdzaak.

Wanneer nu Ayrton bovendien nog genegen was de reizigers te vergezellen,
hen tot gids te strekken door de wouden der provincie Victoria, hen tot
aan de oostkust te geleiden, dan was dit een kans te meer om wel te
slagen. Glenarvan gevoelde dit ook; er was hem veel aan gelegen om zich
van de medewerking van den reisgenoot van Harry Grant te verzekeren, en
terstond vroeg hij zijn gastheer, of deze goedvond, dat hij Ayrton
voorstelde hem te vergezellen.

Paddy O'Moore gaf zijn toestemming, hoewel het hem speet, dat hij zulk
een voortreffelijken knecht zou moeten missen.

"Hoe is het, Ayrton! wilt gij den togt ter opsporing van de
schipbreukelingen der _Britannia_ medemaken?"

Ayrton antwoordde niet terstond op die vraag; hij scheen zelfs eenige
oogenblikken te aarzelen, maar na een kort overleg zeide hij:

"Ja, mylord! ik zal met u gaan, en breng ik u al niet op het spoor van
kapitein Grant, dan zal ik u tenminste op de plaats brengen, waar zijn
schip verbrijzeld is."

"Ik dank u, Ayrton!" antwoordde Glenarvan.

"Maar ééne vraag nog, mylord!"

"Spreek op, vriend!"

"Waar zult gij de _Duncan_ terugvinden?"

"Te Melbourne, wanneer wij Australië niet van de eene kust tot de andere
doortrekken. Op de oostkust, wanneer wij ons onderzoek zoo ver
uitstrekken."

"En haar kapitein dan?..."

"Haar kapitein zal mijn bevelen in de haven van Melbourne afwachten."

"Goed, mylord!" zeide Ayrton, "gij kunt op mij rekenen."

"Ik reken op u, Ayrton!" antwoordde Glenarvan.

De passagiers van de _Duncan_ betuigden den bootsman der _Britannia_ hun
hartelijken dank. De kinderen van zijn kapitein waren onuitputtelijk in
hun liefkozingen. Allen waren blijde over zijn besluit, behalve de Ier,
die in hem een knap en getrouw werkman verloor! Maar Paddy begreep, welk
gewigt lord Glenarvan hechten moest aan het bijzijn van den bootsman, en
berustte er in. Glenarvan droeg hem op om de noodige middelen van
vervoer voor die reis door Australië bijeen te brengen, en toen die zaak
in orde en met Ayrton afgesproken was, waar zij elkander vinden zouden,
keerden de passagiers naar boord terug.

Allen waren vrolijk gestemd. Alles was veranderd. Alle aarzeling hield
op. Niet langer zouden de moedige spoorzoekers als blinden op die lijn
van den zeven en dertigsten breedtegraad voorttrekken. Geen twijfel meer
of Harry Grant had een schuilplaats op het vastland gevonden, en ieders
hart was vol van die tevredenheid, welke men gevoelt, wanneer het
vermoeden plaats maakt voor zekerheid.

Als de omstandigheden gunstig waren, kon de _Duncan_ binnen twee maanden
Harry Grant op de schotsche kust aan land zetten!

Toen John Mangles het voorstel ondersteunde om met de reizigers den togt
door Australië te ondernemen, vleide hij zich wel, dat hij ditmaal met
het gezelschap zou medegaan. Hij sprak er dan ook over met lord
Glenarvan. Hij bragt allerlei redenen te berde, zijn genegenheid voor
lady Helena, voor Zijne Edelheid, de dienst, die hij kon bewijzen als
opzigter over de karavaan, zijn nutteloosheid als kapitein aan boord van
de _Duncan_, kortom duizend geldige redenen, maar de beste verzweeg hij,
die Glenarvan echter gemakkelijk kon raden.

"Eene vraag nog, John!" zeide Glenarvan. "Stelt gij het volste
vertrouwen in uw eersten stuurman?"

"Het volste vertrouwen," antwoordde John Mangles. "Tom Austin is een
goed zeeman; hij zal de _Duncan_ naar de plaats harer bestemming
brengen, ze behoorlijk herstellen en op den bepaalden tijd terug zijn.
Tom is de slaaf van zijn pligt en van de tucht; nooit zal hij het op
zich nemen de uitvoering van een bevel te wijzigen of uit te stellen.
Uwe Edelheid kan dus op hem even goed rekenen als op mij."

"Dan blijft het er bij, John!" antwoordde Glenarvan, "gij zult ons
vergezellen; want," voegde hij er glimlagchend bij, "het zal goed zijn,
dat gij er bij zijt wanneer wij den vader van Mary Grant terugvinden."

"O, Uwe Edelheid!..." stotterde John Mangles.

Meer kon hij niet zeggen. Hij verbleekte even, en greep de hand, die
lord Glenarvan hem toereikte.

's Anderen daags keerde John Mangles met den timmerman en met matrozen,
die levensmiddelen droegen, naar de nederzetting van Paddy O'Moore
terug. Hij moest in overleg met den Ier de vervoermiddelen in gereedheid
brengen.

Het geheele gezin wachtte hem reeds om onder zijn leiding aan het werk
te gaan. Ayrton was er bij en was hun dikwijls behulpzaam met goeden
raad, dien zijn rijke ondervinding hem aan de hand deed.

Paddy en hij waren het eens, dat de reizigsters den weg in een
ossenwagen en de reizigers te paard moesten afleggen. Paddy kon de ossen
en den wagen verschaffen.

Het voertuig was een van die wagens, die twintig voet lang en met een
kap overdekt zijn en op vier lompe wielen rusten, zonder spaken, velgen
of ijzeren band, kortom eenvoudige houten schijven. Het voorstel, dat
zeer ver van het achterstel af zat, was op een kunstelooze wijze
daarmede verbonden, zoodat het voertuig geen korten draai nemen kon. Aan
den wagen was een dissel van vijf en dertig voet, langs welken drie paar
ossen geplaatst werden. Zoo geschikt trokken die dieren met den kop en
den hals door de dubbele zamenvoeging van een juk over hun nek en van
een halsband, die met een ijzeren spil aan het juk vastzat. Er was veel
behendigheid noodig om dat smalle, lange, slingerende en ligt omvallende
voertuig te besturen en om dat span met den prikkel voort te drijven.
Maar Ayrton was op de iersche hoeve in de leer geweest en Paddy stond
voor zijn bekwaamheid in. Hem werd dus de rol van voerman toebedeeld.

Niet op veeren rustende, bood het voertuig geen gemakken aan; maar men
moest het nemen zooals het was. John Mangles kon aan het ruwe zamenstel
niets veranderen; maar van binnen liet hij het zoo geriefelijk mogelijk
inrigten. Vooreerst verdeelde hij het door een houten beschot in twee
afdeelingen. De achterste werd bestemd om de levensmiddelen, de bagaadje
en de draagbare keuken van Olbinett op te nemen. De voorste zou
uitsluitend ten dienste van de reizigsters zijn. Onder de handen van den
timmerman veranderde die eerste afdeeling in een gemakkelijke kamer,
bedekt met een dik tapijt, en voorzien van een kaptafel en twee
afzonderlijke slaapplaatsen voor lady Helena en Mary Grant.
Desverkiesende kon dit voorvertrek met zware lederen gordijnen gesloten
en tegen de koelte van den nacht beschermd worden. Zoo noodig, konden de
mannen er bij zware regenbuijen ook een schuilplaats in vinden; maar in
den regel moest een tent hen beschutten, wanneer zij rust hielden. John
Mangles spande zich in om alle voorwerpen, die twee vrouwen noodig
hebben, in die beperkte ruimte bijeen te brengen, en het gelukte hem.
Lady Helena en Mary Grant behoefden in die rollende kamer de
gemakkelijke hutten der _Duncan_ niet te betreuren.

Met de reizigers ging alles veel gemakkelijker: zeven sterke paarden
waren bestemd voor lord Glenarvan, Paganel, Robert Grant, Mac Nabbs,
John Mangles, en de beide matrozen Wilson en Mulrady, die hun heer op
dezen nieuwen togt vergezelden. Ayrton kreeg natuurlijk zijn plaats op
den bok van de kar, en Olbinett, die volstrekt geen zin had in
paardrijden, zou het wel voor lief nemen om in den goederenwagen te
reizen.

Paarden en ossen graasden in de nabijheid der woning, en konden
gemakkelijk bijeengedreven worden, wanneer het tijd was om te
vertrekken.

Toen John Mangles de noodige beschikkingen gemaakt en den baas-timmerman
zijn bevelen gegeven had, keerde hij met de iersche famielje, die lord
Glenarvan een bezoek brengen wilde, naar boord terug. Ayrton had lust om
mee te gaan, en tegen vier ure waren John en zijn gezelschap op het dek
der _Duncan_.

Zij werden met open armen ontvangen. Glenarvan noodigde hen uit om bij
hem te blijven eten. Hij wilde niet voor hen onderdoen in beleefdheid,
en zijn gasten namen gaarne de vergelding voor hun australische
gastvrijheid in de _longroom_ van het jagt aan. Paddy O'Moore sloeg de
handen ineen van verbazing. De meubeleering der hutten, de behangsels,
de tapijten, al het houtwerk van ahorn- en palissanderhout maakte zijn
bewondering gaande. Ayrton daarentegen verwaardigde die dure
overtolligheden naauwelijks met een blik.

Maar de bootsman der _Britannia_ beschouwde daarentegen het jagt meer
met een zeemansoog; hij doorliep het van boven tot onder; hij onderzocht
de schroef, bezigtigde de machine, vroeg naar haar werkelijke kracht, en
hoeveel brandstof ze verbruikte; hij bezocht de kolenhokken, de kombuis,
en stelde vooral belang in den voorraad kruid, de wapenkamer, het kanon
op de voorplecht en deszelfs draagkracht. Glenarvan had met een
deskundige te doen; dat bleek hem genoeg uit de tot de kleinste
bijzonderheden afdalende vragen van Ayrton. Eindelijk besloot deze zijn
rondgang met het onderzoek van de masten en het tuig.

"Gij hebt daar een mooi schip, mylord!" zeide hij.

"Maar ook een goed schip," antwoordde Glenarvan.

"En wat is zijn inhoud?"

"Het meet twee honderd en tien ton."

"Vergis ik mij," voegde Ayrton er bij, "of loopt de _Duncan_ niet
gemakkelijk vijftien knoopen met volle kracht?"

"Zeg maar zeventien," sprak John Mangles, "dan zijt gij er beter
achter."

"Zeventien!" riep de bootsman; "maar dan is er geen enkel oorlogschip,
ik bedoel van de beste, die er zijn, dat er jagt op kan maken?"

"Niet een!" antwoordde John Mangles; "de _Duncan_ is een echte
snelzeiler, die door geen enkel vaartuig overtroffen kan worden."

"Ook niet onder zeil?" vroeg Ayrton.

"Ook niet onder zeil."

"Welnu, mylord! en gij, kapitein!" antwoordde Ayrton, "ontvangt de
complimenten van een zeeman, die weet wat een schip is."

"Goed, Ayrton!" antwoordde Glenarvan, "blijf dan bij ons aan boord, en
het zal alleen aan u staan of dit schip het uwe wordt."

"Ik zal er aan denken, mylord!" gaf de bootsman droogjes ten antwoord.

Olbinett kwam thans Zijne Edelheid verwittigen, dat de tafel gereed was.
Glenarvan en zijn gasten begaven zich naar de kampanje.

"Een knappe vent, die Ayrton!" zeide Paganel tot den majoor.

"Al te knap!" bromde Mac Nabbs, wien, om de waarheid te zeggen
schijnbaar zonder reden, het voorkomen en de manieren van den bootsman
niet aanstonden.

Onder het eten vertelde Ayrton belangrijke bijzonderheden van het
australische vastland, dat hij goed kende. Hij vroeg hoeveel matrozen
lord Glenarvan op zijn togt medenam. Toen hij hoorde, dat maar twee
hunner, Mulrady en Wilson, hem zouden vergezellen, scheen hij
verwonderd. Hij wilde Glenarvan bepraten om zijn geleide zamen te
stellen uit de beste manschappen van de _Duncan_. Hij drong er zelfs
sterk op aan, hetgeen in het voorbijgaan gezegd, allen achterdocht uit
het gemoed van den majoor moest verdrijven.

"Maar onze reis door Zuid-Australië is toch niet met gevaren verbonden?"
vroeg Glenarvan.

"Volstrekt niet," haastte Ayrton zich te antwoorden.

"Welnu, dan zullen wij zooveel manschappen als wij maar kunnen aan boord
laten. Er zijn matrozen noodig om de _Duncan_, als ze onder zeil is, te
bedienen, en om ze te herstellen. Vooral is het van belang, dat ze op
den bepaalden tijd, die haar later zal opgegeven worden, ter bestemder
plaatse is. Dus kan ik de bemanning niet verminderen."

Ayrton scheen genoegen te nemen met de opmerking van lord Glenarvan;
althans hij drong er niet verder op aan.

's Avonds scheidden Schotten en Ieren. Ayrton en het gezin van Paddy
O'Moore keerden naar hun woning terug. Paarden en wagen zouden den
volgenden dag gereed zijn. Het vertrek werd op 's morgens acht ure
bepaald.

Lady Helena en Mary Grant maakten nu haar laatste toebereidselen. Zij
waren kort en vooral minder kleingeestig dan die van Jacques Paganel.

De geleerde besteedde een gedeelte van den nacht om de glazen van zijn
kijker los te schroeven, schoon te maken, vast te schroeven en nog eens
vast te schroeven. Hij sliep dan ook den volgenden morgen nog, toen de
majoor hem bij het krieken van den dag met donderende stem wekte.

Reeds was de bagaadje door de zorg van John Mangles naar de hoeve
gebragt. Een sloep lag voor de reizigers gereed, die zich niet lieten
wachten. De jonge kapitein gaf zijn laatste bevelen aan Tom Austin. Hij
drukte hem vooral op het hart om te Melbourne op de bevelen van lord
Glenarvan te wachten, en ze naauwkeurig op te volgen, wat er ook de
inhoud van mogt zijn.

De oude zeeman antwoordde John Mangles, dat hij op hem rekenen kon. Uit
naam van de bemanning uitte hij de beste wenschen voor het welslagen der
onderneming. De boot stak af, en een donderend hoera! werd door de
matrozen aangeheven.

In tien minuten bereikte de sloep de kust; een kwartier later kwamen de
reizigers aan de iersche hoeve.

Alles was gereed. Lady Helena was zeer ingenomen met haar vertrekje. De
lompe wagen met zijn logge wielen en zware planken beviel haar
uitstekend. Het voorspan van drie paar ossen gaf hem een aartsvaderlijk
voorkomen, dat hem niet misstond. Met den prikkel in de hand wachtte
Ayrton op het bevel van zijn nieuwen meester.

"Drommels!" zeide Paganel, "dat is een uitstekend rijtuig, wel zoo goed
als al de post-wagens van de wereld. Ik ken geen betere manier om als
een kwakzalver rond te reizen. Een verplaatsbaar huis, dat voortrijdt en
stilstaat, waar gij wilt, wat kan men nog meer wenschen? Dat begrepen de
oude Sarmaten ook, en daarom reisden ze niet anders."

"Mijnheer Paganel!" zeide nu lady Helena, "ik hoop het genoegen te
hebben u in mijn salons te ontvangen."

"Maar mevrouw!" antwoordde de geleerde, "de eer zal aan mij zijn! Hebt
gij een dag bepaald?"

"Ik ben altijd voor mijn vrienden te spreken," antwoordde lady Helena
lagchend, "en gij zijt...."

"De verkleefdste van allen, mevrouw!" zeide Paganel heel hoffelijk.

Die uitwisseling van beleefdheden werd afgebroken door de komst van
zeven geheel getuigde paarden, welke een der zoons van Paddy bestuurde.
Lord Glenarvan regelde met den Ier den prijs van al die benoodigdheden,
en voegde daarbij een magt van dankbetuigingen, die den braven kolonist
even welkom waren als de guinjes.

Het sein tot het vertrek werd gegeven. Lady Helena en miss Grant
plaatsten zich in haar vertrek, Ayrton op den bok, Olbinett achter in
den wagen; Glenarvan, de majoor, Paganel, Robert, John Mangles, de beide
matrozen, allen met karabijnen en revolvers gewapend, wierpen zich op
hun paarden. Een "God zij met u!" riep Paddy O'Moore hun toe, en zijn
gezin herhaalde dien afscheidsgroet in koor. Ayrton liet een bijzonder
geluid hooren en dreef zijn span aan. De kar zette zich in beweging, de
planken kraakten, de assen knarsten in de naaf der wielen, en weldra
onttrok een kromming van de weg de gastvrije hoeve van de braven Ier aan
hun blik.




IX.

De provincie Victoria.


Het was de 23ste December 1864. Die Decembermaand, zoo droevig, zoo
naar, zoo vochtig op het noordelijk halfrond, mogt op dit vastland
veeleer Junij heeten. Sterrekundig gesproken was het reeds twee dagen
zomer; want den 2lsten had de zon den steenbokskeerkring bereikt, en
reeds prijkte zij eenige minuten korter boven den gezigteinder. Derhalve
moest die nieuwe reis van lord Glenarvan in het warmste jaargetijde en
onder de stralen eener bijna tropische zon plaats hebben.

Gezamenlijk dragen de engelsche bezittingen in dit gedeelte der Stille
Zuidzee den naam van Australasie. Zij bestaan uit Nieuw-Holland,
Tasmanië, Nieuw-Zeeland en eenige omliggende eilanden. Het vastland van
Australië is verdeeld in uitgestrekte koloniën, wier grootte en rijkdom
zeer uiteenloopen. Wie een blik slaat op de nieuwe kaarten, door de
Heeren Peterman of Preschoell ontworpen, wordt terstond getroffen door
de regelmatigheid dier afdeelingen. De Engelschen hebben de grenzen dier
groote provinciën met het meetsnoer afgepast. Zij hebben geen acht
geslagen op bergketenen, op den loop der rivieren, op de verscheidenheid
van het klimaat, noch op het verschil van ras. Die koloniën zijn
regthoekig begrensd en passen aan elkander als de stukken van een
ingelegd werk. In die schikking van regte lijnen en regte hoeken herkent
men het werk van den meetkundige, niet het werk van den
aardrijkskundige. Alleen de kusten met haar tallooze krommingen, haar
bogten, baaijen, kapen en kreeken, teekenen uit naam van de natuur
verzet aan door haar liefelijke onregelmatigheid.

Dat schaakbordachtige wekte altijd en teregt den spotlust van Jacques
Paganel op. Was Australië fransch geweest, dan zouden zeker de fransche
aardrijkskundigen hun voorliefde voor den winkelhaak en de trekpen niet
zoover gedreven hebben.

Het aantal koloniën op het groote eiland van Oceanië bedraagt thans zes:
Nieuw-Zuid-Wales, hoofdstad Sidney; Koninginne-land, hoofdstad Brisbane;
de provincie Victoria, hoofdstad Melbourne; Zuid-Australië, hoofdstad
Adelaïde; West-Australië, hoofdstad Perth, en Noord-Australië nog zonder
hoofdstad. Alleen de kusten zijn door de kolonisten bevolkt. Ter
naauwernood heeft een enkele stad van belang zich twee honderd mijlen
landwaarts in gewaagd. Het binnenland, dat wil zeggen een oppervlakte
gelijk aan twee derden van Europa, is nog bijna geheel onbekend.

Gelukkig loopt de zeven en dertigste breedtegraad niet over die
ontzaggelijke woestenijen, die ontoegankelijke streken der ellende, die
der wetenschap reeds talrijke offers gekost hebben. Glenarvan had ze
onmogelijk kunnen bereizen. Hij had alleen te doen met het zuidelijke
deel van Australië, bestaande uit een klein stuk der provincie Adelaïde,
uit de provincie Victoria in haar geheele breedte en eindelijk uit den
top van den omgekeerden driehoek, dien Nieuw-Zuid-Wales vormt.

De afstand van kaap Bernouilli tot aan de grens van Victoria bedraagt
ter naauwernood twee en zestig mijlen[1]. Dit waren twee dagreizen, meer
niet, en Ayrton rekende er op, dat hij tegen den avond van den volgenden
dag te Aspley, de westelijkste stad der provincie Victoria zou zijn.

Bij het begin eener reis verkeeren ruiters en paarden altijd in een
opgewekte stemming. Op den ijver der eersten viel niets aan te merken,
maar men oordeelde het raadzaam den stap der andere te matigen. Wie ver
wil gaan, moet zijn rijdier ontzien. Derhalve werd er besloten gemiddeld
niet meer dan vijf en twintig tot dertig mijlen per dag af te leggen.

Ook moest de stap der paarden geregeld worden naar den langzamen tred
der ossen, die als echte werktuigen in snelheid verliezen wat zij in
kracht winnen. De wagen met zijn reizigers en zijn levensmiddelen was de
kern der karavaan, de beweegbare sterkte. De ruiters mogten wel links en
regts op veldontdekking uitgaan, maar zich er niet ver van verwijderen.

Daar er geen bepaalde marschorde was aangenomen, kon elk binnen zekere
grenzen doen, wat hij wilde. De jagers mogten de vlakte doorkruisen, de
wellevenden met de bewoonsters van den wagen een praatje maken, de
wijsgeeren met elkander philosopheeren. Paganel, die al deze
verschillende hoedanigheden in zich vereenigde, moest soms overal wezen
en was het ook inderdaad.

De togt door de provincie Adelaïde leverde niets bijzonders op. Een rij
lage heuvels, rijk aan stof, een lange reeks onbebouwde gronden, waaruit
het hier te lande zoogenaamde "bush" bestaat, eenige weiden, hier en
daar met boschjes van een zoutachtigen struik met hoekige bladeren
bedekt, waarop het gevogelte zeer verlekkerd is, volgden elkander over
een ruimte van verscheidene mijlen op. Hier en daar vertoonden zich
eenige "pig's faces," schapen met een zwijnskop, een soort, die alleen
op Nieuw-Holland aangetroffen wordt, die tusschen de palen van de
telegraaflijn graasden, welke onlangs van Adelaïde tot aan de kust is
aangelegd.

Tot nog toe geleken die vlakten sprekend op de eentoonige streken van de
argentijnsche pampa's; dezelfde grasrijke effene bodem; dezelfde scherp
begrensde gezigteinder. Mac Nabbs beweerde, dat zij nog in dat land
waren; maar Paganel verzekerde, dat de landstreek spoedig veranderen
zou. In het vertrouwen op hem wachtte men op vreemde dingen.

Tegen drie ure reed de wagen door een onafzienbare boomlooze landstreek,
bekend onder den naam van "muskieten-vlakte." De geleerde had het
genoegen, dat het bleek, dat de aardrijkskundigen haar met volle regt
dien naam gegeven hadden. De reizigers en hun paarden leden veel door de
onophoudelijke beten dier lastige tweevleugelige insecten; het was
onmogelijk hen te ontwijken; gemakkelijker was het ze te bedwelmen door
de fleschjes ammoniak uit de reis-apotheek. Paganel wenschte van
ganscher harte die lastige bijtvliegen naar den duivel, die zijn lange
persoon met haar felle steken doorboorden.

Tegen den avond werd de vlakte opgevrolijkt door eenige groene
acacia-hagen; hier en daar vertoonden zich boschjes witte gomboomen;
ginds een versch wagenspoor, elders uit Europa afkomstige boomen,
olijfboomen, citroenboomen en groene eiken; eindelijk goed onderhouden
rasters. Ten acht ure bereikten de ossen, die door Ayrton aangezet hun
tred verhaastten, het station van Red-Gum.

De naam "station" wordt aan alle nederzettingen in het binnenland
gegeven, waar men zich met de veeteelt bezighoudt, den hoofdrijkdom van
Australië. Die veefokkers zijn de "squatters," dat is de lieden, die op
den grond gaan zitten,[2] hetgeen inderdaad de eerste houding is, welke
iedere kolonist, afgemat door zijn zwerftogten door die eindelooze
streken, aanneemt.

Red-Gumstation was een onbeduidende nederzetting. Maar Glenarvan vond er
de hartelijkste gastvrijheid. De reiziger kan er stellig op rekenen, dat
het hem onder het dak dier afgezonderde woningen aan niets zal
ontbreken, en in een australisch kolonist vindt men altijd een
vriendelijken gastheer.

's Anderendaags spande Ayrton reeds bij zonsopgang de ossen voor den
wagen. Dienzelfden avond nog wilde hij op de grenzen van Victoria komen.
Allengs werd de bodem oneffener. Een golvende reeks van kleine heuvelen
strekte zich onafzienbaar ver uit, geheel bestoven met scharlakenrood
zand. Het scheen alsof er een onmetelijk rood laken over de vlakte was
uitgespreid, welks plooijen door den adem des winds opwoeijen. Eenige
"malleys", soorten van witgevlokte dennen, met een regten en gladden
stam, breidden hun takken en donkergroene bladeren over vette weiden
uit, waarin vrolijke troepen springhazen zeer sterk vermenigvuldigden.
Verderop ontwaarde men uitgestrekte gronden met kreupelhout en jonge
gomboomen bezet; vervolgens weken de groepen uiteen, de alleenstaande
struiken werden boomen, en leverden het eerste staaltje op van de wouden
van Australië.

Intusschen veranderde het voorkomen des lands merkelijk, hoe nader zij
bij de grenzen van Victoria kwamen. De reizigers bespeurden, dat zij een
nieuwen bodem betraden. Onveranderlijk gingen zij in een regte lijn
voort, zonder dat eenige hinderpaal, meer of berg hen noodzaakte ze in
een kromme of gebrokene lijn te veranderen. Zij bragten steeds de eerste
stelling der meetkunst in praktijk, en volgden zonder afwijking den
kortsten weg van het eene punt tot het andere. Vermoeijenis en bezwaren
voelden zij niet. Hun marsch regelde zich naar den tragen gang der
ossen, en al vorderden die bedaarde dieren niet snel, zij stonden ten
minste ook niet stil.

Na een afstand van zestig mijlen op die wijze in twee dagen te hebben
afgelegd, bereikte de karavaan in den avond van den 23sten het kerspel
Aspley, de eerste stad der provincie Victoria, op honderd en een graad
lengte in het district Wimerra gelegen.

Ayrton stalde den wagen in Crown's Inn, een herberg die bij gebrek aan
beter pronkte met den naam van het _hotel de Kroon_. Het avondeten,
alleen bestaande uit schapenvleesch op allerlei wijzen toebereid, dampte
op de tafel.

Er werd veel gegeten, maar nog meer gepraat. Vol begeerte om onderrigt
te worden van al het vreemde, dat het vastland van Australië oplevert,
ondervroeg elk om strijd den aardrijkskundige. Paganel liet zich niet
lang noodigen, en vertelde het volgende van de provincie Victoria, ook
Gelukkig Australië genoemd.

"Een verkeerde benaming" zeide hij; "men had beter gedaan haar Rijk
Australië te noemen; want het gaat met de landen als met de menschen;
het geluk zit niet in den rijkdom. Door zijn goudmijnen is Australië de
prooi geworden van de verwoestende en woeste bende fortuinzoekers. Dat
zult gij zien, wanneer wij de goudstreken doortrekken."

"Is de kolonie Victoria niet eerst onlangs ontstaan?" vroeg lady Helena.

"Ja, mevrouw! ze telt nog geen dertig jaar. Den 6den Junij 1835, een
dingsdag...."

"'s Avonds ten kwart over zevenen," voegde de majoor er bij, die Paganel
gaarne in het vaarwater zat met diens juiste opgave der datums.

"Neen, tien minuten over zevenen," hernam de aardrijkskundige in ernst,
"stichtten Batman en Falckner een nederzetting te Port-Philip, aan de
baai, waaraan thans de groote stad Melbourne zich uitstrekt. Vijftien
jaren lang maakte de nieuwe kolonie een deel uit van Nieuw-Zuid-Wales,
en behoorde ze onder deszelfs hoofdstad Sidney. Maar in 1851 werd ze
onafhankelijk verklaard en nam ze den naam Victoria aan."

"En is zij sedert dien tijd sterk vooruitgegaan?" vroeg Glenarvan.

"Oordeel zelf, hooggeachte vriend!" antwoordde Paganel. "De laatste
statistiek levert de volgende cijfers op, en Mac Nabbs mag zeggen wat
hij wil, ik ken niets welsprekender dan de cijfers."

"Laat hooren!" zeide de majoor.

"Ik begin al. In 1836 had de kolonie Port-Philip twee honderd vier en
veertig inwoners. Thans telt de provincie Victoria er vijf honderd
vijftig duizend. Zeven millioen wijnstokken leveren jaarlijks honderd
een en twintig duizend gallons[3] wijn. Honderd drie duizend paarden
galoppeeren over haar vlakten, en zes honderd vijf en zeventig duizend
twee honderd twee en zeventig stuks hoornvee grazen op haar onmetelijke
weiden."

"Heeft ze ook niet een zeker aantal varkens?" vroeg Mac Nabbs.

"Ja, majoor! negen en zeventig duizend zes honderd vijf en twintig, met
uw welnemen."

"En hoeveel schapen, Paganel?"

"Zeven millioen honderd vijftien duizend negenhonderd drie en veertig,
Mac Nabbs!"

"Met inbegrip van het schaap, dat wij thans eten, Paganel?"

"Neen! daarenbuiten, want het is voor drie vierden op."

"Bravo! mijnheer Paganel!" riep lady Helena, hartelijk lagchende; "het
moet gezegd worden, dat gij bij zulke aardrijkskundige vragen goed
beslagen ten ijs komt, en mijn neef Mac Nabbs zal u, hoe hij zijn best
ook doet, nooit op een vergissing betrappen."

"Maar het is mijn vak, mevrouw! al die dingen te weten en ze u des noods
te leeren. Gij moogt mij dan ook vrij gelooven, wanneer ik u zeg, dat
ons in dit vreemde land wondere dingen wachten."

"Tot nog toe, echter...." antwoordde Mac Nabbs, die er genoegen in vond
den aardrijkskundige te plagen om hem eens goed aan het praten te
brengen.

"Maar wacht dan toch een beetje, ongeduldige majoor!" riep Paganel. "Pas
zet gij een voet op de grenzen, of gij klaagt reeds! Welnu, ik zeg u, ik
herhaal, ik houd vol, dat deze landstreek de zonderlingste van de
geheele aarde is. Haar vorming, haar natuur, haar voortbrengselen, haar
klimaat, ja haar aanstaande verdwijning hebben alle geleerden der wereld
verwonderd, verwonderen hen nog en zullen hen altijd verwonderen.
Verbeeldt u, vrienden! een vastland, welks kusten in plaats van het
binnenland het eerst als een reusachtige ring boven de golven zijn
opgerezen; dat misschien in het midden een half verdampte binnenzee
bevat; welks rivieren van dag tot dag armer aan water worden; waar geen
vochtigheid bestaat, evenmin in de lucht als in den grond; waar de
boomen jaarlijks hun schors verliezen in plaats van hun bladeren; waar
de bladeren hun randen en niet hun oppervlakte naar de zon wenden en
geen schaduw geven; waar het hout dikwijls onbrandbaar is; waar de
gehouwene steenen in den regen smelten; waar de bosschen laag en de
kruiden reusachtig hoog zijn; waar de dieren allervreemdst zijn; waar de
viervoetige dieren vogelbekken hebben, zooals het stekelzwijn en het
vogelbekdier, waarom de natuurkundigen verpligt geweest zijn voor hen
het nieuwe geslacht der _monotremata_ te scheppen; waar de kangoeroe op
zijn ongelijke pooten springt; waar de schapen zwijnskoppen hebben; waar
de vossen van den eenen boom op den anderen vliegen; waar de zwanen
zwart zijn; waar de ratten nesten maken; waar de prieel-vogel zijn
salons openzet voor de bezoeken zijner gevleugelde vrienden, waar de
vogels ons verbaasd doen staan door de verscheidenheid hunner zangen en
van hun aanleg, die alles te bovengaat, wat de stoutste
verbeeldingskracht zich kan voorstellen; waar de een tot klok dient, de
ander een postillonszweep doet klappen, de een den schaarslijper
nabootst, de ander de seconden aangeeft, gelijk de slinger van een
pendule, de een 's morgens lacht, wanneer de zon opgaat, en de ander 's
avonds weent, als ze ondergaat! O, land! zoo grillig en dwaas, als er
geen tweede te vinden is, o, allervreemdst en onnatuurlijk gevormd land!
wel mogt de geleerde plantenkenner Grimard van u zeggen: "zoo is dat
Australië een soort van bespotting der natuurwetten, of liever een
uitdaging, aan de geheele overige wereld gedaan!"

Het scheen als of er geen stuiten was aan den snellen stroom van woorden
van Paganel. De welsprekende secretaris der Maatschappij van
aardrijkskunde was zichzelven niet meer meester; hij redeneerde maar
voort onder het maken van hevige gebaren en zwaaide met zijn vork, tot
geen geringen angst zijner dischgenooten. Maar eindelijk werd hij
overstemd door een donderend bravo! en zweeg hij.

Na die opnoeming van de merkwaardigheden van Australië, dacht men er
niet aan om nog meer te vragen. De majoor echter kon niet nalaten heel
bedaard te zeggen:

"En is dat alles, Paganel?"

"Wel neen! dat is niet alles!" antwoordde de geleerde met nieuw vuur.

"Hoe?" vroeg Lady Helena, wier nieuwsgierigheid geprikkeld werd, "is er
in Australië nog meer vreemds?"

"Ja, mevrouw! zijn klimaat! Dat wint het in zonderlingheid nog van zijn
voortbrengselen."

"Welnu komaan!" riep men.

"Ik spreek niet van de voor de gezondheid zoo voordeelige hoedanigheden
van het vastland van Australië, waar de lucht zoo rijk is aan zuurstof
en zoo arm aan stikstof; er heerschen geen vochtige winden, omdat de
passaatwinden evenwijdig met de kusten waaijen, en de meeste ziekten
zijn er onbekend, van de typhus af tot de mazelen en de slepende ziekten
toe."

"Dat is toch geen gering voordeel," meende Glenarvan.

"Toegestemd, maar daarover spreek ik niet," antwoordde Paganel. "Het
klimaat heeft hier een eigenschap die ... ongeloofelijk is."

"Welke?" vroeg John Mangles.

"Gij zult mij niet willen gelooven."

"Jawel!" riepen de toehoorders, die in gespannen verwachting verkeerden.

"Welnu, het is...."

"Wat dan?"

"Het bevordert de zedelijkheid!"

"Bevordert het de zedelijkheid?"

"Ja!" antwoordde de geleerde op stelligen toon. "Ja, het bevordert de
zedelijkheid! Hier roesten de metalen niet en de menschen evenmin. De
zuivere en drooge lucht maakt hier alles spoedig wit, het linnen en de
ziel! De bijzondere eigenschappen van dit klimaat hadden de Engelschen
wel goed opgemerkt, toen zij besloten de misdadigers hierheen te
zenden."

"Maar is die invloed inderdaad merkbaar?" vroeg lady Glenarvan.

"Ja, mevrouw! op dieren en menschen."

"Schertst gij soms, mijnheer Paganel?"

"Ik scherts niet. Paarden en runderen zijn hier bijzonder gedwee. Gij
zult het zien."

"Het is niet mogelijk!"

"En toch is het zoo! En de misdadigers, die in deze levenwekkende en
gezonde lucht worden overgebragt, bekeeren zich binnen weinige jaren. De
philanthropen zijn met die uitwerking zeer goed bekend. In Australië
worden alle karakters beter."

"Maar, mijnheer Paganel!" zeide Lady Helena, "gij zijt reeds zoo goed,
wat zult gij dan op dit bevoorregte plekje wel worden?"

"Uitmuntend, mevrouw!" antwoordde Paganel, "heel eenvoudig uitmuntend!"


[1] 24 uren gaans.

[2] Van het engelsche werkwoord "to squat", gaan zitten.

[3] Een gallon = 4,54246 ned. kan.




X.

De Wimerra.


Den volgenden dag, 24 December, vertrokken zij bij het krieken van den
dag. De warmte was reeds drukkend, maar dragelijk, de weg bijna effen en
gunstig voor den stap der paarden. Het kleine gezelschap trok door een
dun kreupelbosch. Na een goede dagreis sloeg het zich neder aan den
oever van het Witte meer, welks water brak en ondrinkbaar is.

Jacques Paganel moest hier toch erkennen, dat dit meer evenmin wit is,
als de Zwarte zee zwart, de Roode zee rood, de Gele rivier geel en de
Blaauwe bergen blaauw zijn. Toch dreef hem zijn eigenliefde als
aardrijkskundige om lang te redetwisten; maar zijn bewijzen werden niet
aangenomen.

Olbinett maakte met zijn gewone stiptheid het avondeten gereed; spoedig
daarop vielen de reizigers, eenigen in den wagen, anderen onder de tent
in slaap, in weerwil van het akelig gehuil der "dingo's", de sjakals van
Australië.

Een heerlijke vlakte, geheel met goudsbloemen bezaaid, strekte zich aan
gene zijde van het Witte meer uit. Toen Glenarvan en zijn reisgenooten
den volgenden morgen ontwaakten, hadden zij zich gaarne verlustigd in
het prachtige schouwspel, dat zich aan hun oog vertoonde. Zij
vertrokken. Alleen in de verte verrieden eenige oneffenheden de rijzing
van den grond; zoo ver het oog reikte was alles gras en bloemen in hun
lentedos. De blaauwe weerschijn van het fijn gebladerde vlas smolt ineen
met het scharlakenrood van een hier te huis behoorenden beerenklaauw.
Talrijke verscheidenheden van eremophila's verlevendigden dit groen, en
de zout bevattende gronden verdwenen onder de ganzevoeten, de melde, de
bieten, dezen grijsgroen, die roodachtig van kleur, behoorende tot de
snel voortwoekerende familie der sodaplanten. Die planten zijn zeer
nuttig voor de nijverheid; want zij geven een uitmuntende soda door
verbranding en het uitwasschen der asch. Paganel, die onder de bloemen
een kruidkundige werd, gaf al die uiteenloopende voortbrengselen hun
eigen naam, en met zijn gewone voorliefde voor cijfers verzuimde hij
niet te zeggen, dat men tot nog toe in de flora van Australië vier
duizend twee honderd soorten van planten telde, in honderd twintig
familiën verdeeld.

Na een tiental mijlen snel afgelegd te hebben, reed de wagen tusschen
hooge boschjes acacia's, mimosa's en witte gomboomen, wier bloemen op
zoo verschillende wijzen geschikt zijn. Het plantenrijk toonde zich in
dit gewest der "spring plains"[1], niet ondankbaar jegens de dagvorstin,
en gaf haar in geuren en kleuren terug wat de zon in stralen gaf.

Het dierenrijk was kariger in zijne voortbrengselen. Eenige kasuarissen
sprongen in de vlakte rond, zonder dat het mogelijk was ze te naderen.
Toch was de majoor behendig genoeg een zeer vreemd dier te schieten, dat
weldra uitgestorven zal zijn. Het was een "jabiru", de reusachtige
kraanvogel der engelsche kolonisten. Die vogel was vijf voet hoog, en
zijn zwarte, breede, kegelvormige bek met zeer spitse punt, achttien
duim lang. De paarsche en purpere weerschijn van zijn kop stak sterk af
bij het glanzige groen van zijn hals, de schitterende witheid van zijn
krop en het heldere rood van zijn lange pooten. De natuur scheen ten
zijnen behoeve haar geheele palet met hoofdkleuren te hebben uitgeput.

Die vogel werd zeer bewonderd, en de majoor zou onverdeeld de eer van
den dag genoten hebben, als de jonge Robert niet eenige mijlen verder
een wanstaltig dier, half egel, half miereneter, een wezen, dat maar
half afgewerkt was, gelijk de dieren uit de eerste tijden der schepping,
ontmoet en geveld had. Een lange en kleverige tong hing uit zijn
tandeloozen bek, en ving de mieren, die zijn hoofdvoedsel uitmaken.

"Dat is een stekelzwijn," zeide Paganel, die aan dit monotrema terstond
zijn waren naam gaf. "Hebt gij ooit zulk een dier gezien?"

"Het is afschuwelijk," antwoordde Glenarvan.

"Afschuwelijk, maar vreemd," hernam Paganel; "bovendien behoort het
uitsluitend in Australië te huis en zou men het te vergeefs in ieder
ander werelddeel zoeken."

Natuurlijk wilde Paganel het afzigtelijke stekelzwijn medenemen en bij
de bagaadje stoppen. Maar Olbinett verzette zich met zooveel
verontwaardiging, dat de geleerde er van afzag om dit staaltje van de
monotremata te bewaren.

Dien dag kwamen de reizigers tot honderd een en veertig en een halven
graad lengte. Tot nog toe hadden zij maar weinig kolonisten en squatters
aangetroffen. Het land scheen onbewoond. Van inboorlingen was geen
schaduw te zien; want de wilde stammen zwerven meer noordelijk in de
onmetelijke woestijnen, die de bijrivieren van de Darling en de Murray
besproeijen.

Maar een zonderling schouwspel trok de aandacht van Glenarvan en zijn
gezelschap. Hij had het geluk een van die tallooze kudden te ontmoeten,
welke door ondernemende speculanten van de oostelijke bergen naar de
provinciën Victoria en Zuid-Australië gedreven worden.

's Namiddags omstreeks vier ure berigtte John Mangles, dat er drie
mijlen voor hen uit aan den gezigteinder een zware stofwolk opsteeg. Van
waar dat verschijnsel? Men was zeer verlegen om er een verklaring van te
geven. Paganel helde over tot de meening, dat het een luchtverheveling
kon zijn, en zijn werkzame verbeeldingskracht zocht er reeds een
natuurlijke oorzaak voor. Maar Ayrton sloot het wijde veld der
gissingen, waarop hij zich waagde, af met te zeggen, dat al dat stof
opgejaagd werd door een kudde op den weg.

De bootsman bedroog zich niet. De digte wolk kwam naderbij. Een heel
concert van geblaat, gehinnik en geloei steeg er uit op. Onder den vorm
van schreeuwen, fluiten en vloeken paarde zioh ook de menschelijke stem
aan die herderstoonen.

Een man kwam uit die luidruchtige wolk te voorschijn. Het was de
hoofdaanvoerder van dat viervoetige leger. Glenarvan ging hem te gemoet
en zonder verderen omslag knoopten zij een gesprek aan. De aanvoerder of
om hem zijn waren titel te geven, de veehoeder, was eigenaar van een
gedeelte der kudde. Hij heette Sam Machell, kwam inderdaad uit de
oostelijke provinciën en begaf zich naar de Portlandbaai.

Zijn kudde bestond uit twaalf duizend vijf en zeventig stuks, te weten
duizend runderen, elf duizend schapen en vijf en zeventig paarden. Al
die dieren, welke slechts vel en been waren, toen hij ze in de vlakten
der Blaauwe bergen kocht, zouden vet worden op de heerlijke weiden van
Zuid-Australië, waar zij met groote winst afgezet worden. Zoo zou Sam
Machell, twee pond per rund en een half pond per schaap winnende, een
voordeel hebben van negentig duizend gulden. Het was dus een goede zaak.
Maar wat al geduld, wat al inspanning was er niet noodig om die
weerbarstige kudde ter bestemder plaatse te brengen, wat al vermoeijenis
moest hij er niet voor uitstaan! De winst, welke dat zware beroep
oplevert, is zuur verdiend!

Sam Machell vertelde met weinige woorden zijn geschiedenis, terwijl de
kudde haar weg vervolgde tusschen de mimosa struiken. Lady Helena, Mary
Grant, de ruiters waren allen afgestegen en in de schaduw van een
grooten gomboom gezeten, luisterden zij naar het verhaal van den herder.

Sam Machell was al zeven maanden op weg; hij legde per dag tien mijlen
af en zijn lange reis moest nog drie maanden duren. Om hem in zijn
moeijelijke taak bij te staan had bij twintig honden en dertig menschen,
waaronder vijf zwarten, die zeer bedreven waren in het terugvinden van
het spoor der afgedwaalde dieren. Zes karren volgden het leger. De
drijvers met "stockwipps" gewapend, zweepen, waarvan de steel achttien
duim en de riem negen voet lang is, liepen tusschen de rijen door, om de
orde, die vaak gestoord werd, te handhaven, terwijl de ligte ruiterij
der honden op de vleugels draafde.

De reizigers bewonderden de tucht, die onder de kudde heerschte. De
verschillende diersoorten waren van elkander afgezonderd, want runderen
en wilde schapen verstaan elkander niet goed; de eersten willen nooit
grazen waar de anderen hun voor geweest zijn. Vandaar dat het noodig was
de runderen voorop te plaatsen, die in twee bataillons verdeeld,
vooruitgingen. Daarop volgden vijf regimenten schapen onder bevel van
twintig drijvers, en het peloton paarden maakte de achterhoede uit.

Sam Machell maakte zijn toehoorders opmerkzaam, dat de guides van het
leger geen honden of menschen, maar wel runderen, verstandige gidsen
waren, wier meerderheid hun natuurgenooten erkenden. Zij liepen in het
eerste gelid, spreidden veel deftigheid ten toon, namen uit instinct den
regten weg, en waren stellig overtuigd, dat zij regt hadden op een goede
behandeling. Zij werden dan ook ontzien; want de kudde gehoorzaamde hun
zonder tegenspraak. Vonden zij goed om niet op te houden, dan moest men
zich aan die gril onderwerpen, en te vergeefs zou men beproeven na een
halt weder op weg te gaan, als zij niet zelven het sein om te vertrekken
gaven.

Met nog eenige bijzonderheden, die de veehoeder er bijvoegde, was de
geschiedenis van dien togt volledig, die wel waard was door Xenophon
beschreven, ja aangevoerd te worden. Zoolang het leger door de vlakte
trok ging alles goed. Weinig last, weinig vermoeidheid. De beesten
graasden langs den weg, dronken uit de talrijke greppels in de weiden,
sliepen 's nachts, reisden over dag, en voegden zich gedwee bijeen op
het geblaf der honden. Maar in de groote bosschen van het vastland,
tusschen de lage mirte- en mimosa-struiken, namen de moeijelijkheden
toe. Pelotons, bataillons en regimenten liepen dooreen of dwaalden af,
en dan was er heel wat tijd noodig om ze weer bijeen te krijgen.
Verdwaalde er soms bij ongeluk een gids, dan moest hij, wat het ook
kosten mogt, terug gevonden worden, wilde men niet alles weg zien
loopen, en dan bragten de zwarten soms verscheidene dagen met die
moeijelijke nasporingen door. Vielen er zware regenbuijen, dan weigerden
de luije dieren verder te gaan, en bij hevige onweders maakte zich een
onbeschrijfelijke angst van de razende dieren meester.

Met inspanning van alle krachten en door onafgebrokene werkzaamheid mogt
de veehoeder toch zegevieren over die telkens terugkeerende
moeijelijkheden. Hij liep maar door, de eene mijl na de andere werd
afgelegd, vlakten, bosschen, bergen, alles geraakte eindelijk achter den
rug. Maar soms moest hij bij zooveel vereischten ook nog die
hoofdeigenschap voegen, die geduld heet, een onwankelbaar geduld, een
geduld, dat niet alleen de uren, niet alleen de dagen, maar geheele
weken niet konden uitputten, en dat was bij den overtogt der rivieren.
Daar werd de veehoeder voor een stroom opgehouden, niet omdat hij
onoverkomelijk was, maar omdat de dieren er niet over wilden; de
koppigheid van het vee was de eenige hinderpaal. Zoodra de runderen het
water opgesnoven hadden, keerden zij terug. De schapen liepen naar alle
kanten weg, liever dan zich te water te begeven. De nacht werd afgewacht
om de dieren naar de rivier te lokken, niets baatte. Met geweld wierp
men de rammen er in, de ooijen wilden hen niet volgen. Men beproefde de
kudde door dorst te dwingen en onthield haar onderscheidene dagen lang
het noodige water, het vee deed het zonder drinken en waagde zich niet.
De lammeren werden naar de overzijde gebragt, in de hoop, dat hun
moeders op hun geschreeuw zouden overkomen; de lammeren blaatten, maar
de moeders bewogen zich niet. Dat duurde soms een maand, en de veehoeder
wist niet meer, wat hij moest beginnen met zijn blatend, hinnikend en
loeijend leger. Daar stak op eens, zonder reden, uit een gril, men weet
niet waarom noch hoe, een afdeeling de rivier over, en nu had men weer
de handen vol om te beletten, dat de heele kudde zich in wanorde in het
water stortte. Er kwam verwarring in de gelederen, en vele dieren
verdronken in den snellen stroom.

Dat alles vertelde Sam Machell. Intusschen was een groot deel der kudde
in goede orde voorbij getrokken. Het was tijd, dat hij zich weder aan
het hoofd van zijn leger stelde om de beste weiden op te zoeken. Hij nam
dus afscheid van lord Glenarvan, besteeg een uitmuntend inlandsch paard,
dat een zijner knechts aan den teugel hield, en ontving van allen een
hartelijken handdruk tot afscheid. Weinige oogenblikken daarna was hij
in de stofwolk verdwenen.

De wagen hervatte zijn een oogenblik gestaakten togt in de
tegenovergestelde rigting, en hield eerst 's avonds aan den voet van den
berg Talbot stil.

Paganel maakte nu de gegronde opmerking, dat het de 25ste December was,
het Kersfeest, de groote feestdag in de engelsche huisgezinnen. Maar de
hofmeester had het niet vergeten, en een lekker maal, onder de tent
aangerigt, verschafte hem den welgemeenden lof der gasten. Om de
waarheid te zeggen had Olbinett zichzelven overtroffen. Uit zijn
voorraadkamer had hij een aantal europeesche spijzen gehaald, die men
zelden zal aantreffen in de woestijnen van Australië. Een rendierham,
eenige sneden pekelvleesch, gerookte zalm, een gerste- en haverkoek,
thee, zooveel men lustte, whisky in overvloed en eenige flesschen
portwijn vormden dit onverwachte maal. Men kon zich bijna verbeelden in
de groote eetzaal van het kasteel Malcolm, in het midden der Hooglanden,
in het hartje van Schotland te zijn.

Niets toch ontbrak aan dit feestmaal, van de gembersoep af tot de
minced-pies van het dessert toe. Paganel oordeelde echter goed te doen,
wanneer hij er de vruchten bijvoegde van een wilden oranjeboom, die aan
den voet der heuvelen groeide. Het was de "moccaly" der inboorlingen;
zijn vruchten zijn vrij smakeloos; maar zijn verpletterde pitten
verbranden den mond als cayennepeper. De aardrijkskundige at ze uit
liefde tot de wetenschap zoo overdadig, dat ze zijn gehemelte
verschroeiden, en hij de vragen, die de majoor over de eigenaardigheden
der australische bosschen tot hem rigtte, niet kon beantwoorden.

Den volgenden dag, 26 December, viel er niets voor, dat vermelding
verdient. Men trof de bronnen der Norton-kreek, en later de uitgedroogde
Mackensie-rivier aan. Het weder bleef zeer schoon, de warmte dragelijk;
de wind bleef zuid en verkoelde den dampkring, gelijk op het noordelijk
halfrond de noordewind zou gedaan hebben. Paganel deed dit zijn vriendje
Robert Grant opmerken.

"Een gelukkige omstandigheid," voegde hij er bij; "want de gemiddelde
warmte is grooter op het zuidelijk dan op het noordelijk halfrond."

"Hoe komt dat?" vroeg de knaap.

"Hoe dat komt?" antwoordde Paganel. "Hebt gij dan nooit gehoord, dat de
aarde 's winters digter bij de zon is?"

"Ja, mijnheer Paganel!"

"En dat de koude van den winter alleen een gevolg is van de schuine
rigting der zonnestralen?"

"Jawel."

"Welnu, mijn jongen! om diezelfde reden is het warmer op het zuidelijk
halfrond."

"Dat begrijp ik niet," antwoordde Robert, groote oogen opzettende.

"Denk maar eens na," hernam Paganel. "Wanneer het bij ons, in Europa,
winter is, welk jaargetijde heeft men dan hier in Australië, bij onze
tegenvoeters?"

"Zomer," zeide Robert.

"Welnu, omdat de aarde dan juist digter bij de zon is ... begrijpt gij?"

"Ik begrijp...."

"Daaruit volgt, dat de zomer in de zuidelijke streken door die nabijheid
warmer is dan de zomer der noordelijke landen."

"Dat is zoo, mijnheer Paganel!"

"Zegt men dus, dat de zon "in den winter" digter bij de aarde is, dan
geldt dit alleen voor ons, die het noordelijk gedeelte van den aardbol
bewonen."

"Daaraan had ik nooit gedacht," antwoordde Robert.

"Zorg dan maar, dat gij dat nooit vergeet, mijn jongen!"

Robert was dankbaar voor dit lesje in de wereldbeschrijving, en vernam
ten slotte nog, dat de gemiddelde warmte der provincie Victoria vier en
zeventig graden Fahrenheit bedroeg.

's Avonds sloeg het gezelschap zich vijf mijlen aan gene zijde van het
Lonsdale-meer neder, tusschen den berg Drummond ten noorden, en den berg
Dryden, wiens niet zeer hooge top in het zuiden den gezigteinder voor
een gedeelte bedekte.

Den volgenden morgen ten elf ure bereikte de wagen de oevers der
Wimerra, onder den honderd drie en veertigsten graad lengte.

De een halve mijl breede rivier stuwde haar helder water tusschen twee
hooge rijen gomboomen en acacia's voort. Eenige prachtige mirtplanten,
o.a. de "Metrosideros speciosa," verhieven hun lange en neerhangende
takken, versierd met roode bloemen, wel vijftien voet hoog. Duizend
vogels, wielewalen, vinken, duiven met goudkleurige vleugels, zonder nog
te spreken van de snaterende papegaaijen, fladderden in de groene takjes
rond. Beneden, op de oppervlakte des waters, zwommen een paar schuwe en
ongenaakbare zwarte zwanen. Die vreemde vogel der australische rivieren
verdween weldra op de kronkelende Wimerra, die met tallooze bogten die
liefelijke streek bespoelde.

Inmiddels had de wagen stilgehouden op een grastapijt, welks franjes
over het snelvlietende water hingen. Vlot noch brug was hier te zien. En
toch moest men er over. Ayrton was bezig een doorwaadbare plaats te
zoeken. Een kwartmijl stroomopwaarts dacht hij, dat de rivier minder
diep was, en op die plek besloot hij te beproeven of hij den anderen
oever bereiken kon. Een aantal peilingen gaven slechts vier voet water.
Zonder veel gevaar kon de wagen zich dus over die ondiepte wagen.

"Is er geen ander middel om de rivier over te trekken?" vroeg Glenarvan
den bootsman.

"Neen, mylord!" antwoordde Ayrton; "maar dien overtogt houd ik niet voor
gevaarlijk. Wij zullen er wel doorsukkelen."

"Moeten lady Glenarvan en miss Grant den wagen verlaten?"

"Volstrekt niet. Mijn ossen staan vast en ik zal wel zorgen, dat zij op
den regten weg blijven."

"Vooruit dan maar, Ayrton! ik vertrouw op u," antwoordde Glenarvan.

De ruiters omringden het lompe voertuig en allen gingen vol moed te
water. Gewoonlijk zijn de wagens, wanneer zij die doorwaadbare plaatsen
overtrekken, omringd met een gordel van ledige tonnen, die ze boven
water houdt. Maar hier miste men dien zwemgordel; men moest het dus
laten aankomen op de schranderheid der ossen, die de voorzigtige Ayrton
bestuurde. Op den bok gezeten mende deze het span, de majoor en de twee
matrozen kliefden den snellen stroom een eind weegs vooruit; Glenarvan
en John Mangles hielden zich links en regts van den wagen gereed om de
reizigsters bijstand te verleenen. Paganel en Robert sloten den trein.

Alles ging goed tot in het midden der Wimerra. Maar nu werd de gleuf
dieper en kwam het water tot boven de velgen. Van de ondiepte afgeraakt,
konden de ossen grond verliezen en het wankele rijtuig medeslepen.
Ayrton stelde moedig zijn leven bloot; hij sprong in het water, en zich
vastklemmende aan de horens der ossen, gelukte het hem ze op den regten
weg terug te brengen.

Thans had er een schok plaats, dien niemand had kunnen voorzien; een
gekraak liet zich horen; de wagen helde vreeselijk over; het water kwam
tot aan de voeten der reizigsters; de geheele toestel dreef af, hoezeer
Glenarvan en John Mangles zich aan de kap vastklemden om den wagen
overeind te houden. Het was een ontzettend oogenblik.

Zeer gelukkig bragt een forsche ruk aan het gareel het voertuig digter
bij den anderen oever. De bedding der rivier verschafte aan de ossen en
paarden een stijgenden weg, en spoedig waren menschen en dieren tot hun
groote vreugde hoewel doornat in veiligheid aan den overkant.

Het voorstel van den wagen echter was door den schok gebroken en het
paard van Glenarvan had de ijzers van zijn voorpooten verloren.

Dit ongemak moest ten spoedigste hersteld worden. De reizigers keken
elkaar zeer verlegen aan, toen Ayrton voorstelde naar het station van
Black-Point te gaan, dat twintig mijlen noordelijker lag, en er een
hoefsmid vandaan te halen.

"Ga, beste Ayrton! ga!" zeide Glenarvan. "Hoeveel tijd hebt gij noodig
voor de heen- en weerreis?"

"Misschien vijftien uren," antwoordde Ayrton, "maar meer niet."

"Vertrek dan, en wij zullen, tot gij terugkomt, aan den oever der
Wimerra uitrusten."

Eenige minuten later verdween de bootsman op het paard van Wilson achter
een digte gordijn van mimosa 's.


[1] Vlakten door talrijke bronnen besproeid.




XI.

Burke en Stuart.


Het overige van den dag werd met gesprekken en wandelingen doorgebragt.
Al pratende en bewonderende liepen de reizigers langs de oevers der
Wimerra. De aschgraauwe kraanvogels en de ibissen vlugtten met luid
geschreeuw bij hun aannadering. De prachtmees verschool zich in de hooge
takken van den wilden vijgenboom, de wielewalen, de zwartkeeltjes, de
kraaghoppen fladderden tusschen de trotsche stengels der leliën, de
ijsvogels staakten hun gewone vischvangst, terwijl de geheele
beschaafder familie der papegaaijen, de "blue-mountain" pronkende met de
zeven kleuren van den regenboog, de kleine "roschill" met zijn
scharlaken rood kopje en geele keel, en de "lori" met zijn rood en
blaauw gevederte, hun oorverdoovend gekakel op den top der bloeijende
gomboomen voortzetten.

Nu eens op het gras aan den oever van het murmelende water uitgestrekt,
dan weer rondslenterende tusschen de mimosa-struiken, bewonderden de
wandelaars tot het vallen van den avond toe die schoone natuur. De
nacht, die slechts door een kortstondige schemering voorafgegaan werd,
overviel hen een halve mijl van de legerplaats af. Bij hun terugtogt
rigtten zij zich niet naar de poolster, die op het zuidelijk halfrond
onzigtbaar is, maar naar het zuiderkruis, dat halverwege den
gezigteinder en het toppunt schitterde.

Olbinett had het avondeten onder de tent opgedischt. Allen zetten zich
aan tafel. De hoofdschotel was een zeker gebraad van papegaaijen, die
Wilson heel handig geschoten en de hofmeester lekker klaar gemaakt had.

Toen het avondeten afgeloopen was, zocht 

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/38668