Gutenberg · eo1.org

← catalogue

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3)

by Jules Verne · Dutch · Gutenberg #38667 · 459,585 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3)
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3)

Author: Jules Verne


        
Release date: February 2, 2012 [eBook #38667]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/38667

Credits: E-text prepared by Annemie Arnst, Anne Dreze, and Marc D'Hooghe (http://www.freeliterature.org) from page images generously made available by the Google Books Library Project (http://books.google.com) and Bibliothèque nationale de France (http://www.bnf.fr)


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT, EERSTE DEEL (VAN 3) ***


E-text prepared by Annemie Arnst, Anne Dreze, and Marc D'Hooghe
(http://www.freeliterature.org) from page images generously made available
by the Google Books Library Project (http://books.google.com) and
Bibliothèque nationale de France (http://www.bnf.fr)



Note: Project Gutenberg also has an HTML version of this
      file which includes illustrations.
      See 38667-h.htm or 38667-h.zip:
      (https://www.gutenberg.org/cache/epub/38667/pg38667-images.html)
      or
      (https://www.gutenberg.org/files/38667/38667-h.zip)


      Images of the original text pages are available
      through the the Google Books Library Project. See
      http://books.google.com/books?id=0LorAAAAMAAJ&printsec=titlepage


      The illustrations used in this e-book are taken from the
      1868 French edition, Les Enfants du Capitaine Grant,
      published by J. Hetzel (Paris). The original images are
      available througn Bibliothèque nationale de France, See
      http://gallica.bnf.fr/ark:/12148/btv1b8600254s.r=.langEN


      Project Gutenberg has the other two volumes of this work.
      Volume II: see https://www.gutenberg.org/ebooks/38668
      Volume III: see https://www.gutenberg.org/ebooks/38669





DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT

Naar het fransch van

JULES VERNE


EERSTE DEEL.

ZUID-AMERIKA.








Leyden,
De Breuk & Smits.
1868.




I

De balansvisch.


Op den 26sten Julij 1864, bij een sterken noord-oostewind, manoeuvreerde
een prachtig stoomjagt met volle kracht op de golven van het
Noorder-kanaal. De engelsche vlag wapperde van de gaffel van den
bezaansmast, op den top van den grooten mast vertoonde een blaauwe
standaard de letters E.G. met goud geborduurd en gedekt door een
hertogskroon. Dit jagt heette de _Duncan_ en was het eigendom van lord
Glenarvan, een der zestien schotsche pairs, die zitting hebben in het
Hoogerhuis, en het aanzienlijkste lid der "Royal Thames-Yacht-club," die
zoo beroemd is in het geheele vereenigde koningrijk.

Lord Edward Glenarvan was aan boord met zijn jonge echtgenoote, lady
Helena, en een zijner neven, den majoor Mac Nabbs.

De _Duncan_, die pas van stapel geloopen was, deed een proeftogt eenige
mijlen buiten de golf van de Clyde, en trachtte te Glasgow binnen te
loopen; reeds vertoonde het eiland Arran zich aan den gezigteinder, toen
de matroos, die op den uitkijk zat, berigtte, dat hij in het zog van het
jagt een verbazend grooten visch bemerkte. De kapitein, John Mangles,
liet terstond lord Edward van die ontmoeting kennis geven. Deze klom op
de kampanje met den majoor Mac Nabbs, en vroeg den kapitein, wat hij van
dat dier dacht.

"Ik geloof stellig, Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles, "dat het een
groote haai is."

"Een haai in deze wateren!" riep Glenarvan.

"Dat is zoo vreemd niet," hernam de kapitein; "die visch behoort tot een
haaisoort, die men in alle zeeën en op alle breedten aantreft. Het is de
"balansvisch,"[1] en ik zou mij zeer vergissen, als wij niet met een van
die fielten te doen hadden! Als Uwe Edelheid het toestaat en lady
Glenarvan er niets tegen heeft om een aardige vischvangst bij te wonen,
zullen wij weldra te weten komen, wat er van de zaak is."

"Wat denkt gij er van, Mac Nabbs!" zeide Lord Glenarvan tot den majoor,
"zijt gij er voor om de kans te wagen?"

"Zooals gij wilt," antwoordde de majoor heel bedaard.

"Bovendien," hernam John Mangles, "kan men die verschrikkelijke dieren
niet genoeg vervolgen. Laten wij van de gelegenheid gebruik maken, en
indien Uwe Edelheid het goedvindt, zal het tegelijk een treffend
schouwspel en een goede daad zijn."

"Ga Uw gang maar, John!" zeide lord Glenarvan.

Vervolgens liet hij lady Helena er kennis van geven, die bij hem op de
kampanje kwam, daar zij inderdaad zeer nieuwsgierig was naar die
treffende vangst.

De zee was effen; men kon gemakkelijk op haar oppervlakte de snelle
bewegingen van den haai volgen, die met verbazende kracht onderdook en
weder boven kwam. John Mangles gaf zijne bevelen. De matrozen wierpen
een sterk touw, voorzien van een haak met een dik stuk spek over de
verschansing aan stuurboordszijde. Hoewel de haai nog op een afstand van
vijftig engelsche ellen was, rook hij toch het hem aangeboden aas. Hij
naderde snel het jagt. Men zag, hoe hij met zijn vinnen, die aan het
uiteinde grijs, en van onderen zwart zijn, de golven geweldig beukte,
terwijl het aanhangsel aan zijn staart hem in een zuivere regte lijn
deed blijven. Naarmate bij digter bij kwam, schenen zijn groote,
uitpuilende oogen door begeerlijkheid ontvlamd, en als hij zich
omwendde, lieten zijn opengesperde kaken een vierdubbele rij tanden
zien. Zijn kop was breed en geleek een dubbelen hamer aan een steel.
John Mangles had zich niet vergist; het was wel degelijk de
verslindendste soort van het haaijengeslacht, de balansvisch der
Engelschen, de jodenvisch der Provencalen.

De passagiers en de matrozen der _Duncan_ volgden met de grootste
oplettendheid de bewegingen van den haai. Spoedig was de haak in het
bereik van het dier; het ging op den rug liggen om hem beter te kunnen
grijpen, en het verbazende lokaas verdween in zijn wijde keel. Terstond
maakte het nu zich zelf vast door hevig aan het touw te trekken, en de
matrozen heschen den monsterachtigen haai op door middel van een takel,
die aan het uiteinde der groote ra was vastgemaakt.

De haai worstelde hevig, toen hij zich buiten zijn natuurlijk element
zag rukken; maar men wist hem tot bedaren te brengen door een touw
voorzien van een lus aan zijn staart vast te maken, hetgeen zijn
bewegingen verlamde. Eenige oogenblikken later werd hij boven de
verschansing gehaald en op het dek van het jagt gesmeten. Terstond
naderde hem een der zeelieden met de noodige voorzigtigheid en hieuw met
een geduchten bijlslag den verbazenden staart van het dier af.

De vangst was afgeloopen; er was niets meer van het monster te vreezen;
de wraakzucht der zeelieden was bevredigd, maar hun nieuwsgierigheid
niet. Het is namelijk een gebruik op de schepen om zorgvuldig de maag
der haaijen te onderzoeken. De matrozen, die zijn alles behalve
kieskeurige vraatzucht kennen, rekenen op de een of andere verrassing,
en worden niet altijd in hun verwachting teleurgesteld.

Lady Glenarvan wilde dat bloedig onderzoek niet bijwonen en ging weder
in de bovenhut. De haai ademde nog; hij was tien voet lang en woog meer
dan zes honderd pond; die grootte en die zwaarte zijn volstrekt niet
buitengewoon; maar wordt de balansvisch al niet onder de reuzen zijner
soort gerekend, hij wordt toch onder de vreeselijkste geteld.

Weldra was de buik van den verbazenden visch zonder verdere
omstandigheden met bijlslagen geopend. De haak was tot in de maag
doorgedrongen, die men geheel ledig vond; het was duidelijk, dat het
dier reeds lang gevast had, en de teleurgestelde zeelieden wilden de
brokken reeds in zee werpen, toen de oplettendheid van den schipper door
een lomp voorwerp getrokken werd, dat stevig in de ingewanden vastzat.

"Hé! wat is dat?" riep hij.

"Dat," antwoordde een der matrozen, "dat is een rotsbrok, dat het dier
ingeslikt zal hebben om zich den buik te vullen."

"Neen," hernam een ander, "het is niets anders dan een stangkogel, dien
die haai in den buik heeft gekregen, maar nog niet heeft kunnen
verteren."

"Houdt den mond, domkoppen!" antwoordde Tom Austin, de eerste stuurman
van het jagt, "ziet ge dan niet, dat dit dier een groote zuiplap was, en
dat het om toch niets verloren te laten gaan niet alleen den wijn, maar
ook de flesch heeft gedronken?"

"Hoe!" riep lord Glenarvan, "heeft die haai een flesch in de maag?"

"Een echte flesch," antwoordde de schipper. "Maar men kan wel zien, dat
zij niet pas uit een kelder komt!"

"Haal ze er dan voorzigtig uit, Tom!" hernam lord Edward; "de flesschen,
die men in zee vindt, bevatten dikwijls belangrijke bescheiden."

"Denkt gij dat?" zeide de majoor Mac Nabbs.

"Ik geloof ten minste dat het soms gebeurt."

"O, ik spreek u volstrekt niet tegen," antwoordde de majoor, "misschien
bevat zij een geheim."

"Dat zullen wij spoedig te weten komen," zeide Glenarvan. "Hoe is het er
meê, Tom?"

"Daar is het," antwoordde de eerste stuurman, terwijl hij een onkenbaar
voorwerp liet zien, dat hij, niet zonder moeite, uit de maag van den
haai gehaald had.

"Goed," zeide Glenarvan. "Laat dat morsige ding wasschen en daarna in de
bovenhut brengen."

Tom gehoorzaamde, en die flesch, welke onder zulke zonderlinge
omstandigheden gevonden was, werd in de algemeene kamer op de tafel
gezet, rondom welke lord Glenarvan, de majoor Mac Nabbs, de kapitein
John Mangles en lady Helena plaats namen; want een vrouw is, zooals men
zegt, altijd een beetje nieuwsgierig.

Op zee is ieder voorval een gewigtige gebeurtenis; er heerschte een
oogenblik stilte; iedereen beschouwde het brooze voorwerp. Bevatte het
het geheim van de een of andere ramp, of alleen een onbeduidend berigt
door een werkeloozen zeeman aan de genade der golven toevertrouwd?

Men moest echter weten, waaraan men zich te houden had, en dus ging
Glenarvan zonder verder dralen tot het onderzoek der flesch over; hij
nam daarbij al de voorzorgen, die in zulke omstandigheden gebruikelijk
zijn; men zou gezegd hebben, dat hij een regtercommissaris was, die de
geringste bijzonderheden eener ernstige zaak nagaat; en Glenarvan had
gelijk, want het schijnbaar onbeduidendste kenteeken kan ons vaak op den
weg eener gewigtige ontdekking brengen.

Alvorens haar inwendig te onderzoeken, werd de flesch van buiten
bezigtigd. Zij had een naauwen hals, waaraan nog een stuk ijzerdraad
zat, dat reeds door de roest aangetast was; haar zeer dikke wanden, die
een drukking van verscheidene dampkringen konden uitstaan, verrieden
duidelijk, dat zij uit Champagne afkomstig was. Met die flesschen slaan
de wijngaardeniers uit Aï of Epernay de pooten van een stoel stuk,
zonder dat er een barstje aan te zien is. Ongehinderd had deze daarom de
gevaren eener lange omzwerving kunnen doorstaan.

"Een flesch van het huis Cliquot," zeide de majoor zeer bedaard.

En, daar hij een kenner was, berustte men zonder tegenspraak in zijn
verklaring.

"Waarde majoor!" antwoordde lady Helena, "wat die flesch is, komt er
weinig op aan, als wij niet weten, vanwaar zij komt."

"Dat zal wel blijken, lieve Helena!" zeide lord Edward, "en voorloopig
kunnen wij reeds verzekeren, dat zij van verre komt. Zie maar eens naar
die versteende stoffen, die haar bedekken, naar die zelfstandigheden,
die onder de werking van het zeewater om zoo te zeggen in delfstoffen
veranderd zijn! Deze flesch had reeds lang in den oceaan rondgedreven,
voor zij in den buik van den haai teregt kwam."

"Ik zou onmogelijk een andere meening kunnen koesteren," antwoordde de
majoor, "en deeze brooze vaas, door haar steenen omkleedsel beschermd,
heeft stellig een lange reis afgelegd."

"Maar vanwaar komt zij?" vroeg lady Glenarvan.

"Een oogenblikje, lieve Helena! een oogenblikje; met flesschen moet men
geduldig zijn. Ik zou mij zeer bedriegen, als deze niet zelve al onze
vragen beantwoordde."

En dit zeggende begon Glenarvan de harde stoffen te verwijderen, die den
hals beschermden; weldra kwam de kurk voor den dag, maar zeer beschadigd
door het zeewater.

"Dat is een leelijk geval," zeide lord Edward; "want, als er soms een
papier in is, zal het in een zeer slechten staat zijn."

"Dat is te vreezen," antwoordde de majoor.

"Ik voeg er nog bij," hernam Glenarvan, "dat deze slecht geslotene
flesch weldra moest zinken, en dat het gelukkig is, dat de haai ze
ingeslikt heeft om ze ons aan boord van de _Duncan_ te brengen."

"Zonder twijfel," antwoordde John Mangles; "en echter zou het beter
geweest zijn haar in volle zee op een bepaalde lengte en breedte op te
visschen. Dan kan men, door de stroomingen der lucht en der zee na te
gaan, den afgelegden weg berekenen; maar met een brievenbesteller zooals
deze, met die haaijen, die tegen wind en stroom ingaan, weet men niet
meer waaraan men zich houden moet."

"Wij zullen wel zien," antwoordde lord Edward.

Op dit oogenblik haalde hij er zeer behoedzaam de kurk af en verspreidde
zich een sterke zoutlucht door de hut.

"Welnu?" vroeg lady Helena met echt vrouwelijk ongeduld.

"Ja!" zeide Glenarvan, "ik heb mij niet bedrogen! er zijn papieren in!"

"Documenten! documenten!" riep lady Helena.

"Maar zij schijnen door het vocht verteerd te zijn," antwoordde
Glenarvan, "en het is onmogelijk om ze er uit te halen; want zij kleven
aan de wanden van de flesch."

"Sla haar stuk," zeide Mac Nabbs.

"Ik zou haar liever heel houden," antwoordde Glenarvan.

"Ik ook," antwoordde de majoor.

"Zonder twijfel," zeide lady Helena; "maar de inhoud ia kostbaarder dan
het omhulsel, en dus moeten wij dit aan genen opofferen."

"Als Uwe Edelheid den hals er maar afslaat," zeide John Mangles, "kan
het geschrift er uitgehaald worden zonder het te beschadigen."

"Beproef het! beproef het! lieve Edward!" riep lady Helena.

Er zat niets anders op, en hoe ongaarne ook besloot lord Glenarvan om
den hals der kostbare flesch te breken. De hamer kwam er bij te pas,
want het steenachtig bekleedsel was zoo hard geworden als graniet.
Weldra vielen de brokken op de tafel, en nu zag men verscheidene stukjes
papier, die aan elkander geplakt zaten. Glenarvan haalde ze er
voorzigtig uit, scheidde ze vaneen, en leide ze voor zich neder, terwijl
lady Helena, de majoor en de kapitein zich om hem verdrongen.


[1] De balansvisch wordt door de engelsche zeelieden aldus genoemd,
omdat zijn kop de gedaante van een balans, of liever van een dubbelen
hamer heeft. Om die reden is dit dier in Frankrijk bekend onder den naam
van hamervisch.




II.

De drie documenten.


Op die door het zeewater half vernielde stukjes papier waren nog maar
eenige woorden zigtbaar; de onleesbare overblijfselen van bijna geheel
uitgewischte regels. Lord Glenarvan beschouwde ze eenige minuten lang
zeer oplettend; hij draaide ze telkens om; hij hield ze tegen het licht;
hij onderzocht de geringste sporen van schrift, die de zee geëerbiedigd
had; vervolgens zag hij zijn vrienden aan, die hem met angstige blikken
aanstaarden.

"Het zijn," zeide hij "drie onderscheidene documenten, en waarschijnlijk
drie afschriften van hetzelfde document, in drie talen, het engelsch,
het fransch en het duitsch, overgezet. De weinige woorden, die
overgebleven zijn, laten mij dienaangaande geen twijfel over."

"Maar die woorden leveren toch zeker een verstaanbaren zin op?" vroeg
lady Glenarvan.

"Dat is moeijelijk te zeggen, lieve Helena! de woorden op deze
documenten zijn zeer onvolledig."

"Misschien vullen zij elkander aan," zeide de majoor.

"Dat moet zoo zijn," antwoordde John Mangles; "het is onmogelijk, dat
het zeewater die regels juist op dezelfde plaatsen zou vernield hebben,
en door die brokstukken bijeen te voegen, zullen wij eindelijk een
verstaanbaren zin krijgen."

"Dat zullen wij doen," zeide Lord Glenarvan; "maar wij moeten met
overleg te werk gaan. Eerst zullen wij het engelsche document nemen."

De volgorde der regels op dit document was deze.

           62            _Bri_         _gow_
_sink_                                 _stra_
      _aland_
  _skipp    Gr_

                  _that monit_       _of long_
_and_                              _ssistance_
       _lost_

"Dat geeft niet veel," zeide de majoor op een spijtigen toon.

"Dat kan wel zijn," antwoordde de kapitein; "maar het is toch goed
engelsch."

"Daar valt niet aan te twijfelen," zeide lord Glenarvan, "de woorden
_sink, aland, that, and, lost_ zijn onbeschadigd; _skipp_ vormt zeker
het woord _skipper_, en er is sprake van een mijnheer Gr...,
waarschijnlijk de kapitein van een vergaan schip.[1]

"Daarbij komen nog," zeide John Mangles, "de woorden _monit_ en
_ssistance_, wier beteekenis duidelijk is."

"Wel, dat is toch iets interessants," antwoordde lady Helena.

"Ongelukkig missen wij geheele regels," antwoordde de majoor. "Hoe
zullen wij nu den naam van het vergane schip, de plaats der schipbreuk
terugvinden...?"

"Wij zullen ze terugvinden," zeide lord Edward.

"Daar is geen twijfelen aan," antwoordde de majoor, die altijd een ieder
gelijk gaf; "maar hoe?"

"Door het eene document met het andere aan te vullen."

"Doet het dan," riep lady Helena.

Het tweede stukje papier, nog meer beschadigd dan het eerste, bevatte
slechts op zich zelven staande woorden, die op deze wijze geschikt
waren:

   7 _Juni_                      _Glas_


                                  _zwei     atrosen_


                                     _graus_


                                   _bringt ihnen_

"Dat is in het duitsch geschreven," zeide John Mangles, zoodra hij een
blik op dit papier had geslagen.

"En kent gij die taal, John?" vroeg Glenarvan.

"In den grond, Uwe Edelheid!"

"Welnu, zeg ons dan, wat die weinige woorden beteekenen."

De kapitein onderzocht het document zeer oplettend, en sprak:

"Vooreerst weten wij nu den dag, waarop het voorval plaats had, 7
_Junij_, en door dit cijfer in verband te brengen met de cijfers 62 op
het engelsche document, krijgen wij deze volledige dagteekening, 7
_Junij_ 1862."

"Zeer goed," riep lady Helena, "ga voort, John!"

"Op denzelfden regel," hernam de jonge kapitein, "vind ik het woord
_Glas_ dat, verbonden met het woord _gow_ op het eerste document,
_Glasgow_ geeft. Er is dus duidelijk sprake van een schip uit de haven
van Glasgow."

"Dat denk ik ook," antwoordde de majoor.

"De tweede regel van het document is geheel weg," hernam John Mangles.
"Maar op den derden tref ik twee belangrijke woorden aan: _zwei_, dat
_twee_ wil zeggen, en _atrosen_ of liever _matrosen_, dat _matrozen_
beteekent.

"Derhalve zou er sprake zijn van een kapitein en twee matrozen," zeide
lady Helena.

"Zeer waarschijnlijk," antwoordde lord Glenarvan.

"Ik moet Uwe Edelheid bekennen," hernam de kapitein, "dat het volgende
woord _graus_ mij verlegen maakt. Ik weet niet, hoe ik het moet
vertalen. Misschien zal het derde document het ophelderen. De twee
laatste woorden echter leveren geen bezwaar op. _Bringt ihnen_ beteekent
_brengt hun_, en als men ze verbindt met het engelsche woord, dat even
als deze op den zevenden regel van het eerste document staat, ik bedoel
het woord _assistance_, dan krijgen wij den geheelen zin: _brengt hun
hulp_."

"Ja! brengt hun hulp!" zeide lord Edward, "maar waar zijn die
ongelukkigen? Tot nog toe bezitten wij geene enkele aanwijzing van
plaats, en het tooneel van de ramp is geheel onbekend."

"Welligt zal het fransche document duidelijker zijn," zeide lady Helena.

"Laten wij nu dat stuk eens bezien," antwoordde Glenarvan, "en daar wij
allen die taal kennen, zullen onze nasporingen gemakkelijker zijn."

Het volgende is een naauwkeurige afdruk van het derde document

             _troi_   _ats_   _tannia_

                              _gonie_         _austral_

                                             _abor_
_contin_   _pr_                 _cruel indi_
          _jeté_                               _ongit_
_et_ 37° 11'               _lat_

"Daar zijn cijfers in," riep lady Helena. "Ziet toch eens, heeren! ziet
toch eens!..."

"Laten wij ordelijk te werk gaan," zeide lord Glenarvan, "en met het
begin beginnen. Veroorlooft mij, dat ik die verspreide en onvolledige
woorden één voor één naga. Ik zie vooreerst reeds aan de eerste letters,
dat er een driemaster bedoeld wordt, waarvan de naam ons door de
engelsche en fransche documenten geheel bekend is: de _Britannia_. Van
de beide volgende woorden _gonie_ en _austral_, heeft alleen het laatste
een beteekenis, die gij allen begrijpt."

"Dat is reeds een gewigtige omstandigheid," zeide John Mangles, "de
schipbreuk heeft plaats gehad op het zuidelijk halfrond."

"Dat is zeer onbepaald," zeide de majoor.

"Ik ga verder," hernam lord Edward. "Ha! het woord _abor_, de stam van
het werkwoord _aborder_ (aanlanden). Die ongelukkigen zijn ergens
aangeland. Maar waar? _Contin!_ Zou het op een vastland zijn?
_cruel_...."

"_Cruel!_" riep John Mangles; "maar dat is de verklaring van het
duitsche woord _graus_ ... _grausam_... _cruel!_ ... (wreed)."

"Verder! verder!" zeide Glenarvan, wiens belangstelling in
opgewondenheid overging, naarmate de zin dier onvolledige woorden
duidelijk begon te worden. "_Indi_..., zouden die matrozen naar _Indië_
geslagen zijn? Wat beteekent dat woord _ongit_? Ha! _longitude_?
(lengte). En dit is de breedte: 37°11'. Eindelijk krijgen wij dus een
juiste aanwijzing."

"Maar de lengte ontbreekt nog," zeide Mac Nabbs,

"Men kan niet alles hebben, waarde majoor!" antwoordde lord Edward, "en
een nauwkeurige breedte-graad is reeds iets. Dit fransche document is
stellig het volledigste van de drie. Het is duidelijk, dat elk op zich
zelf een letterlijke vertaling der andere was, want zij bevatten allen
het zelfde aantal regels. Nu moeten wij ze dus vereenigen, is ééne taal
overbrengen, en den waarschijnlijksten, den meest logischen en den
duidelijksten zin opsporen."

"Zult gij het in het fransch, het engelsch of het duitsch vertalen?"
vroeg de majoor.

"In het fransch," antwoordde Glenarvan, "omdat de meeste belangrijke
woorden ons in die taal bewaard zijn gebleven."

"Uwe Edelheid heeft gelijk," zeide John Mangles; "bovendien zijn wij
allen met die taal bekend."

"Dat is dus afgesproken. Ik zal dit document opschrijven door die
overblijfsels van woorden en de afgebrokene zinnen te vereenigen, met
behoud van de ruimten, die ze scheiden, en met aanvulling van die,
welker beteekenis niet twijfelachtig kan zijn; daarna zullen wij
vergelijken en oordeelen."

Terstond nam Glenarvan de pen op, en na weinige oogenblikken liet hij
aan zijn vrienden een papier zien, waarop de volgende regels stonden:


     7 _junij_ 1862          _driemaster Britannia_
_Glasgow_                        _gonie_  _zuidelijk_
  _gezonken.  Aan land                          twee matrozen_
    _kapitein Gr_                     _vastl  te bereik_
               _wreede Ind_         _gev     genomen_
                     _dit document_          _graden_
 _ngt  en 87°11' breed_        _geworpen. Brengt hun_
_hulp_,             _verloren_.

Op dit oogenblik kwam een matroos den kapitein berichten, dat de
_Duncan_ den ingang der golf van de Clyde invoer, en diens bevelen
vragen.

"Wat is het plan van Uwe Edelheid?" zeide John Mangles zich tot lord
Glenarvan rigtende.

"Zoo spoedig mogelijk Dumbarton te bereiken, John! Terwijl lady Helena
naar Malcolm-Castle terugkeert, zal ik naar Londen gaan en dit document
aan de Admiraliteit indienen."

John Mangles gaf de noodige bedelen, en de matroos bragt ze den eersten
stuurman over.

"Nu zullen wij onze nasporingen voortzetten, mijne vrienden!" sprak
Edward. "Wij zijn een groote ramp op het spoor. Eenige menschenlevens
hangen van onze schranderheid af. Laten wij dus al onze vermogens
inspannen om den sleutel van dit ongelukkige raadsel te vinden."

"Wij zijn gereed, lieve Edward!" antwoordde lady Helena.

"Vooreerst," hernam Glenarvan, "moeten wij in dit document drie zeer
verschillende dingen in het oog houden: 1° de dingen, die wij weten, 2°
die men kan gissen, 3° die wij niet weten. Wat weten wij? Wij weten, dat
den 7den Junij 1862 een driemaster, de _Britannia_ van Glasgow, gezonken
is, dat twee matrozen en de kapitein dit geschrift op een breedte van
37°11' in zee hebben geworpen, en dat zij om hulp vragen."

"Juist zoo," antwoordde de majoor.

"Wat kunnen wij gissen?" hernam Glenarvan. "Vooreerst, dat de schipbreuk
in de zuidelijke zeeën plaats heeft gehad, en nu wil ik terstond uwe
aandacht vestigen op het woord _gonie_. Wijst dit niet reeds den naam
van het land aan?"

"Patagonië!" riep lady Helena.

"Zonder twijfel."

"Maar wordt Patagonië door de 37ste parallel gesneden?" vroeg de majoor.

"Dat is gemakkelijk uit te maken," antwoordde John Mangles een kaart van
Zuid-Amerika voor den dag halende. "Het komt uit. Patagonië wordt door
die 37ste parallel aangeraakt. Zij doorsnijdt Araucanië, gaat over de
pampa's[2] in het noorden van Patagonië en loopt in den Atlantischen
Oceaan uit."

"Goed. Laten wij onze gissingen voortzetten. De twee matrozen en de
kapitein _land_ ... landen aan, waar? _vastl_ ... op het vastland, gij
hoort het, het is een vastland en geen eiland. Wat is er van hen
geworden? In die drie letters _gev_ ... merken wij de hand der
Voorzienigheid op; want zij geven ons kennis van hun lot. Die
ongelukkigen toch zijn _gevangenen_. Van wie? van _wreede Indianen_.
Zijt gij overtuigd? Komen nu de woorden niet van zelve als het ware op
de ledigstaande plaatsen? Wordt het document nu niet gaandeweg
duidelijk? Gaat er nu geen licht voor u op?"

Glenarvan was overtuigd van hetgene hij zeide; in zijn oogen blonk een
volkomen vertrouwen. Het vuur, dat hem bezielde, deelde zich aan zijn
hoorders mede. Allen riepen evenals hij: "Het is duidelijk!"

Na een oogenblik sprak lord Edward aldus:

"Al die vooronderstellingen, mijne vrienden! schijnen mij zeer gegrond
toe; ik houd mij overtuigd, dat de ramp op de kusten van Patagonië heeft
plaats gehad. Ten overvloede zal ik te Glasgow nog onderzoek doen naar
de bestemming der _Britannia_, en dan kunnen wij zien, of zij die
wateren kan bezocht hebben."

"Wij behoeven zoover niet te gaan zoeken," antwoordde John Mangles. "Ik
heb hier een verzameling van de _Mercantile and Shipping Gazette_, die
ons wel juiste inlichtingen verschaffen zal."

"Laat zien! gaauw! gaauw!" zeide lady Glenarvan.

John Mangles nam een pak couranten van 1862 en begon het schielijk te
doorbladeren. Hij behoefde niet lang te zoeken, en las spoedig op een
toon van tevredenheid:

"30 Mei 1862. Peru. Van Callao in lading naar Glasgow, _Britannia_,
kapitein Grant."

"Grant!" riep lord Glenarvan, "die stoute Schot, die in de Stille
Zuidzee een Nieuw Schotland heeft willen stichten!"

"Ja!" antwoordde John Mangles, "dezelfde, die zich in 1861 te Glasgow op
de _Britannia_ heeft ingescheept, en van wien men nooit iets vernomen
heeft."

"Wij kunnen er niet meer aan twijfelen!" zeide Glenarvan. "Het is
stellig dezelfde. De _Britannia_ heeft den 30sten Mei Callao verlaten en
den 7den Junij, acht dagen na haar vertrek, is zij op de kusten van
Patagonië gebleven. Haar geheele verdere geschiedenis ligt in die
verminkte woorden, die onverklaarbaar schenen. Gij ziet, vrienden! dat
de woorden, die wij moesten raden, niet de minst belangrijke zijn. Wat
diegene betreft, die wij niet weten, het is er maar één, want alleen de
lengte ontbreekt nog."

"Die is onnoodig," antwoordde John Mangles, "daar het land bekend is, en
met de breedte alleen durf ik wel op mij nemen om regelregt naar het
tooneel van de schipbreuk te gaan."

"Dus weten wij alles?" vroeg lady Helena,

"Alles, lieve Helena en die tusschenruimten, welke de zee tusschen de
woorden van het document heeft gemaakt, zal ik zonder moeite aanvullen,
alsof kapitein Grant zelf mij opgaf, wat ik schrijven moet."

Terstond vatte lord Glenarvan de pen weder op en schreef zonder aarzelen
het volgende briefje:

_Op den_ 7den Junij 1862, _is de_ driemaster Britannia _van_ Glasgow _op
de kusten van Pata_gonië _op het_ zuidelijk _halfrond_ gezonken. Aan
land _gaande, zullen_ twee matrozen _en_ kapitein Gr_ant trachten het_
vastl_and_ te bereiken, _waar zij door_ wreede Ind_ianen_ gev_angen_
genomen _zullen worden. Zij hebben_ dit document _op_ ... graden lengte
en 37° 11' breed_te in zee_ geworpen. Brengt hun hulp, _of zij zijn_
verloren.

"Goed zoo, goed zoo! lieve Edward," riep lady Helena; "indien deze
ongelukkigen ooit hun vaderland terugzien zullen zij dat geluk aan u te
danken hebben."

"En zij zullen het terugzien," antwoordde Glenarvan. "Dit document is te
uitvoerig, te duidelijk, te zeker, dan dat Engeland zou kunnen aarzelen
om drie zijner kinderen te hulp te komen, die op een woeste kust
verlaten zijn. Wat het voor Franklin en zooveel anderen heeft gedaan,
zal het nu doen voor de schipbreukelingen der _Britannia_!"

"Maar die ongelukkigen hebben zonder twijfel een gezin, dat hun dood
beweent," hernam lady Helena. "Welligt heeft die arme kapitein Grant
vrouw en kinderen...."

"Gij hebt gelijk, lieve lady! en ik neem op mij om hen te verwittigen,
dat alle hoop nog niet verloren is. Laten wij nu, mijne vrienden! naar
de kampanje terug keeren, want wij zullen weldra de haven naderen."

De _Duncan_ stoomde inderdaad met volle kracht; zij gleed op dit
oogenblik langs de kust van het eiland Bute, en had de vallei Rothesay
aan stuurboord, met zijn lief stadje, dat in het vruchtbare dal
wegschuilt; daarop stoomde zij het naauwe vaarwater der golf in,
manoeuvreerde voor Greenock, en ankerde des avonds ten zes ure aan den
voet der basaltrots Dumbarton, op welker top zich het beroemde kasteel
van Wallace, den schotschen held verheft.

Daar stond een postrijtuig gereed om lady Helena met den majoor Mac
Nabbs naar Malcolm-Castle terug te brengen. Maar lord Glenarvan stapte,
na afscheid van zijn jonge gade genomen te hebben, te Glasgow in den
sneltrein.

Vóór zijn vertrek had hij aan een nog sneller bode een belangrijk berigt
toevertrouwd, en eenige minuten later bragt de electrische telegraaf aan
de _Times_ en de _Morning Chronicle_ de volgende advertentie:

"Om inlichtingen over het lot van den driemaster _Britannia_ van
Glasgow, kapitein Grant, vervoege men zich bij lord Glenarvan,
Malcolm-Castle, Luss, graafschap Dumbarton, Schotland."


[1] de woorden _sink, aland, that, and, lost_ betekenen: _zinken, aan
land, dit, en, verloren. Skipper_ is de naam die men in Engeland aan de
kapitein der koopvaardijschepen geeft. _Monition_ wil zeggen _document_,
en _assistance_ betekent _hulp_.

[2] Groote vlakten is Zuid-Amerika, waaronder vele met zout en salpeter.




III.

Malcolm-Castle.


Het kasteel Malcolm, een der dichterlijkste van de schotsche Hooglanden,
ligt nabij het dorp Luss, welks schoone vallei het beheerscht. De
heldere wateren van het meer Lomond bespoelen zijn granieten muren.
Sedert onheugelijke tijden behoorde het aan de familie Glenarvan, die in
het vaderland van Rob Roy en van Fergus Mac Gregor de gastvrije
gebruiken der oude helden van Walter Scott bleef beoefenen. In den tijd,
toen de groote maatschappelijke omwenteling in Schotland tot stand kwam,
werden eene menigte vassalen weggejaagd, die geen hooge pacht aan de
oude opperhoofden der clans konden betalen; sommigen stierven van
honger; eenigen werden visschers; anderen verlieten het land. Er
heerschte een algemeene wanhoop. Alleen de Glenarvans meenden, dat
zoowel de grooten als de geringen tot getrouwheid verpligt waren, en
bleven dus getrouw aan hun pachters. Niet één verliet het dak, waaronder
hij geboren was; niet één verliet het land, waarin zijn voorouders
rustten; allen bleven in de clan hunner heeren. Ook nu nog, in deze eeuw
van haat en tweedragt, telde de familie Glenarvan slechts Schotten op
het kasteel Malcolm zoowel als aan boord der _Duncan_; allen stamden af
van de vassalen van Mac Gregor, van Mac Farlane, van Mac Nabbs, van Mac
Naugthons, dat wil zeggen, dat zij afkomstig waren uit de graafschappen
Stirling en Dumbarton; dappere mannen, die met lijf en ziel aan hun heer
verknocht waren, en waarvan sommigen nog het gaelisch van het oude
Caledonië spraken.

Lord Glenarvan bezat verbazende rijkdommen en gebruikte ze om veel goed
te doen; zijn goedheid was nog grooter dan zijn mildheid; want had deze
natuurlijk hare grenzen, gene was onbeperkt. De heer van Luss, de
"laird" (heer) van Malcolm, vertegenwoordigde zijn graafschap in het
huis der lords, maar met zijn jacobitiesche denkbeelden. Hij bekommerde
zich weinig om de gunst van het huis van Hanover, en was daarom vrij
slecht gezien bij de engelsche staatslieden, vooral ook, omdat hij bleef
vasthouden aan de overleveringen zijner voorouders, en krachtig zich
verzette tegen de magtsaanmatigingen van "de mannen uit het Zuiden".

Lord Edward Glenarvan was daarom toch niet bij zijn tijd ten achteren,
hij had evenmin een bekrompen geest als een onontwikkeld verstand; maar
terwijl hij zijn graafschap wijd openzette voor den vooruitgang, bleef
bij door en door een Schot, en om den roem van Schotland ging hij met
zijn snelvarende jagten mededingen in de "matches" (wedstrijden) van de
Royal-Thames-Yacht-Club.

Edward Glenarvan was twee en dertig jaar; hij had een hooge gestalte,
min of meer strenge gelaatstrekken, een zeer zachten blik, kortom, over
zijn geheelen persoon lag het dichterlijk waas der Hooglanders. Men
wist, dat hij tot vermetelheid toe dapper, ondernemend, ridderlijk, een
Fergus der 19de eeuw, maar bovenal goed was, nog beter zelfs dan de
heilige Martijn; want hij zou zijn geheelen mantel aan de arme
Hooglanders gegeven hebben.

Lord Glenarvan was naauwelijks drie maanden gehuwd met miss Helena
Tuffnel, de dochter van den grooten reiziger William Tuffnel, een der
talrijke slagtoffers van de aardrijkskundige wetenschap en van den ijver
voor ontdekkingen.

Miss Helena was niet van adel, maar zij was eene schotsche vrouw,
hetgeen in de oogen van lord Glenarvan van meer waard was dan een edele
geboorte; de heer van Luss had dit bekoorlijke, moedige, liefhebbende
meisje tot levensgezellin gekozen. Hij ontmoette haar eens verlaten, een
wees, bijna zonder middelen, in het huis haars vaders te Kilpatrick. Hij
begreep, dat het arme meisje een wakkere vrouw zou zijn; hij huwde haar.
Miss Helena was twee en twintig jaar; zij was een blonde en hare oogen
waren zoo blaauw als het water der schotsche meren op een schoonen
lentemorgen. Haar liefde voor haar echtgenoot was nog sterker dan haar
dankbaarheid. Zij beminde hem, alsof zij de rijke erfgename en hij de
verlaten wees geweest was. Haar pachters en bedienden waren allen bereid
om hun leven op te offeren voor haar, die zij "Onze goede Vrouwe van
Luss" noemden.

Lord Glenarvan en lady Helena leefden gelukkig op Malcolm-Castle, te
midden der verhevene en woeste natuur der Hooglanden, wandelende in de
duistere lanen van kastanje- en moerbezieboomen, aan de oevers van het
meer, waar nog de "pibroche" (krijgsliederen) van den ouden tijd
weergalmden, in die onbebouwde bergengten, waarin de geschiedenis van
Schotland in eeuwenheugende puinhoopen geschreven is. Nu eens
verdwaalden zij in de berken- of lorkenbosschen, of op de uitgestrekte,
dorre heidevelden; dan weder beklommen zij de steile toppen van den Ben
Lomond, of reden door de verlatene omstreken, terwijl zij dat
dichterlijk gewest, thans nog "het vaderland van Rob Roy" genoemd, en al
die vermaarde plekjes, die Walter Scott zoo heerlijk bezongen heeft,
bestudeerden, begrepen en bewonderden. Wanneer des avonds of tegen den
nacht "de lantaarn van Mac Farlane" aan den gezigteinder ontstoken werd,
zwierven zij over den burgtrans, een oude cirkelvormige galerij, die een
snoer van schietgaten om het kasteel Malcolm slingerde; peinzend,
vergeten en als het ware alleen in de wereld, zittende op een
losgeraakten steen, te midden van het zwijgen der natuur, onder de
bleeke stralen der maan, bleven zij, terwijl de top der verduisterde
bergen langzamerhand in de schaduwen van den nacht gehuld werd,
verzonken in die reine geestverrukking en die hartelijke opgetogenheid,
waarvan het geheim op deze aarde alleen bekend is aan minnende harten.

Zoo bragten zij de eerste maanden van hun huwelijk door. Maar lord
Glenarvan vergat niet, dat zijn gade de dochter van een groot reiziger
was; hij zeide bij zich zelven, dat lady Helena dezelfde wenschen als
haar vader moest koesteren, en hij bedroog zich niet. De _Duncan_ werd
gebouwd; zij was bestemd om lord en lady Glenarvan naar de schoonste
landen der aarde over te brengen, over de golven van de Middellandsche
zee en naar de eilanden van den Archipel. Men kan wel begrijpen hoe
blijde lady Helena was, toen haar echtgenoot de _Duncan_ ter harer
beschikking stelde. Bestaat er wel een grooter geluk, dan zijn liefde
over te brengen naar de heerlijke streken van Griekenland, en de
wittebroodsweken te slijten op de tooverachtige kusten van het Oosten?

Lord Glenarvan was intusschen naar Londen vertrokken. Maar de redding
van ongelukkige schipbreukelingen was zijn doel; ook leide lady Helena
meer ongeduld dan droefheid over dit kortstondig afzijn aan den dag; den
volgenden morgen gaf een berigt van haar man hoop op een spoedige
terugkomst; des avonds vroeg hij in een brief om uitstel; de voorstellen
van lord Glenarvan stuitten op eenige moeijelijkheden; een dag later
kwam er een nieuwe brief, waarin lord Glenarvan niet ontveinsde, dat hij
ontevreden was over de Admiraliteit.

Nu begon lady Helena ongerust te worden. Des avonds was zij alleen in
haar kamer, toen de hofmeester van het kasteel, Master Halbert, haar
kwam berigten, dat een meisje en een knaap, die lord Glenarvan wilden
spreken, verzochten om toegelaten te worden.

"Zijn zij uit den omtrek?" vroeg lady Helena.

"Neen, mevrouw!" antwoordde de hofmeester, "want ik ken ze niet. Zij
zijn met den trein te Balloch gekomen, en vandaar tot Luss hebben zij
geloopen."

"Laat hen boven komen, Halbert!" zeide lady Glenarvan.

De hofmeester ging weg. Eenige oogenblikken later werden het meisje en
de knaap in de kamer van lady Helena gebragt. Zij waren broeder en
zuster,--en geleken elkander sprekend. De zuster was zestien jaar. Haar
lief maar eenigzins vermoeid voorkomen, haar oogen, die verrieden, dat
zij menigmaal had geweend, haar onderworpen maar moedige houding, haar
armoedige en toch zindelijke kleeding, maakten een gunstigen indruk. Zij
hield een twaalfjarigen knaap met een manhaftig voorkomen bij de hand,
die zijn zuster onder zijn bescherming scheen te nemen. En waarlijk! wie
het meisje mogt beleedigen zou met den knaap te doen hebben gekregen.

De zuster stond een weinig verlegen, toen zij in de tegenwoordigheid van
lady Glenarvan kwam. Deze haastte zich het woord op te vatten.

"Gij wenscht mij te spreken?" zeide zij, tevens het meisje met haar
blikken aanmoedigende.

"Neen!" antwoordde de knaap op een vasten toon, "u niet, maar lord
Glenarvan in persoon."

"Vergeef het hem, mevrouw!" zeide de zuster met een blik op haar
broeder.

"Lord Glenarvan is niet op het kasteel," hernam lady Helena; "maar ik
ben zijn vrouw, en als ik u helpen kan...."

"Zijt gij lady Glenarvan?" vroeg het meisje.

"Ja, miss!"

"De vrouw van lord Glenarvan van Malcolm-Castle, die in de _Times_ een
berigt aangaande de schipbreuk der _Britannia_ heeft geplaatst?"

"Ja, ja!" antwoordde lady Helena driftig, "en gij?..."

"Ik ben miss Grant, mevrouw! en dat is mijn broeder."

"Miss Grant, miss Grant!" riep lady Helena, terwijl zij het meisje naar
zich toe trok, hare handen vatte, en de gezonde wangen van den knaap
kuste.

"Wat weet gij van de schipbreuk mijns vaders, mevrouw?" hernam het
meisje. "Leeft hij nog? Zullen wij hem ooit terugzien? Spreek, ik smeek
het u!"

"Lief kind!" zeide lady Helena, "de Hemel beware mij, dat ik u in zulk
een omstandigheid een onberaden antwoord zou geven; ik wil u met geen
bedriegelijke hoop vleijen...."

"Spreek, mevrouw! spreek! ik ben sterk genoeg en kan alles hooren."

"Lief kind!" antwoordde lady Helena, "de hoop is zeer gering; maar met
de hulp van den almagtigen God is het mogelijk, dat gij uw vader eens
terug zult zien."

"Mijn God! mijn God!" riep miss Grant, die hare tranen niet kon
bedwingen, terwijl Robert de handen van lady Glenarvan met kussen
bedekte.

Toen de eerste vlaag dier droevige vreugde een weinig bedaard was,
stapelde het meisje tallooze vragen opeen; lady Helena vertelde haar de
geschiedenis van het document, hoe de _Britannia_ op de kusten van
Patagonië vergaan was, hoe na de schipbreuk de kapitein en twee
matrozen, de eenigen die de ramp overleefd hadden, het vaste land
bereikt hadden; eindelijk hoe zij de hulp hunner medemenschen inriepen
in dat document, dat in drie talen geschreven en aan de genade der
golven overgegeven was.

Gedurende dit verhaal wendde Robert Grant het oog niet van lady Helena
af; zijn leven hing aan hare lippen; zijn kinderlijke verbeelding
schetste hem de verschrikkelijke tooneelen, waarvan zijn vader welligt
het offer geweest was; hij zag hem op het dek der _Britannia_ staan; hij
volgde hem in den schoot der golven; hij klemde zich met hem aan de
rotsen op de kust; hijgende kroop hij over het zand buiten het bereik
der baren. Bij herhaling uitte hij eenige woorden gedurende het verhaal.

"O, vader! arme vader!" riep hij, terwijl hij zich digt aan zijn zuster
drong.

Miss Grant daarentegen luisterde met gevouwen handen toe, en sprak geen
woord, vóór het verhaal uit was. Toen zeide zij: "O, mevrouw! het
document, het document!"

"Ik heb het niet meer, lief kind!" antwoordde lady Helena.

"Hebt gij het niet meer?"

"Neen! Lord Glenarvan heeft het naar Londen mede moeten nemen om uws
vaders belang te bevorderen; maar ik heb u dezelfde inhoud woord voor
woord medegedeeld, en ook hoe het ons gelukt is den zin geheel terug te
vinden; onder die brokstukken van zinnen, welke de golven bijna
uitgewischt hadden, zijn eenige cijfers gespaard gebleven; ongelukkig de
lengte...."

"Dat is niets!" riep de knaap.

"O neen! jongeheer Robert!" antwoordde Helena, die om zijn
vastberadenheid moest glimlagchen. "Zooals gij ziet, miss Grant! zijn de
geringste bijzonderheden van dat document u nu even goed bekend als
mij."

"Ja, mevrouw!" antwoordde het meisje; "maar ik zou gaarne het schrift
mijns vaders gezien hebben."

"Welnu! lord Glenarvan komt welligt morgen terug. Van dit onwraakbaar
bewijs voorzien, heeft mijn man het aan de commissarissen der
Admiraliteit willen vertoonen, ten einde te bewerken, dat er
onmiddellijk een schip worde uitgezonden om kapitein Grant op te
sporen."

"Is het mogelijk, mevrouw! hebt gij dat voor ons gedaan?" riep het
meisje.

"Ja, lieve miss! en ik verwacht lord Glenarvan ieder oogenblik."

"Mevrouw!" sprak het meisje op een toon van ongeveinsde dankbaarheid en
godsvrucht, "de Hemel zegene lord Glenarvan en u!"

"Lief kind!" antwoordde lady Helena, "wij verdienen geen
dankbetuigingen; ieder ander zou in onze plaats hetzelfde gedaan hebben.
Mogt de hoop, die ik bij u opgewekt heb, verwezenlijkt worden! Tot de
terugkomst van lord Glenarvan blijft gij op het kasteel...."

"Mevrouw!" antwoordde het meisje, "ik zou vreezen misbruik te maken van
de toegenegenheid, die gij aan vreemden betoont...."

"Vreemden, lief kind! gij noch uw broeder zijt in dit huis
vreemdelingen, en ik verlang, dat lord Glenarvan bij zijn tehuiskomst
aan de kinderen van kapitein Grant zal mededeelen, wat men beproeven wil
om hun vader te redden."

Een zoo hartelijk aanbod mogt niet afgeslagen worden. Men kwam dus
overeen, dat miss Grant en haar broeder de terugkomst van lord Glenarvan
ten zijnent zouden afwachten.




IV.

Een voorstel van lady Glenarvan.


In den loop van dit gesprek had lady Helena geen woord gesproken van de
vrees, die in de brieven van lord Glenarvan doorschemerde, voor het
onthaal, dat zijn aanzoek gevonden had bij de commissarissen der
Admiraliteit. Evenmin maakte zij melding van de vermoedelijke
gevangenschap van kapitein Grant bij de Indianen van Zuid-Amerika.
Waartoe zou het ook dienen om die arme kinderen bedroefd te maken over
den toestand huns vaders en om de hoop te verminderen, die zij pas
hadden opgevat? Dat bragt toch geen verandering in den stand van zaken
te weeg. Lady Helena had er dus over gezwegen, en na al de vragen van
miss Grant beantwoord te hebben, ondervroeg zij deze op hare beurt over
haar leven en over haar toestand, nu zij de eenige beschermster haars
broeders op deze wereld scheen te zijn.

Het was een treffende en eenvoudige geschiedenis, waardoor de
belangstelling van lady Glenarvan in het meisje nog toenam.

Miss Mary en Robert Grant waren de eenige kinderen van den kapitein. De
geboorte van Robert had der echtgenoote van Harry Grant het leven
gekost, en gedurende zijn lange zeereizen liet hij zijn kinderen onder
de hoede eener goede oude nicht. Kapitein Grant was een stout zeeman,
grondig ervaren in zijn beroep, tegelijk een goed zeevaarder en een goed
handelaar, zoodat hij een dubbele geschiktheid bezat, die van zooveel
belang is voor de schippers der koopvaardijvloot. Hij bewoonde met zijn
gezin de stad Dundee, in het graafschap Perth, in Schotland. Kapitein
Grant was dus een landgenoot; zijn vader, een geestelijke bij de St.
Catharina-Kerk, had hem een goede opvoeding laten geven, denkende dat
dit niemand benadeelen kan, zelfs geen zeekapitein.

Op zijne eerste reizen over zee, aanvankelijk als eerste stuurman, later
als schipper, was hij zeer gelukkig in zijne zaken, en eenige jaren na
de geboorte van Robert Harry was hij in het bezit van een klein
vermogen.

Toen vatte hij een groot plan op, dat zijn naam in geheel Schotland
bekend maakte. Even als de Glenarvans en eenige aanzienlijke geslachten
uit de Laaglanden, had hij zich, zoo al niet feitelijk dan toch in de
gedachte, van het overheerschende Engeland gescheiden. De belangen van
zijn land konden in zijn oog niet die der Angelsaksers zijn, en om ze
zelfstandig te doen ontwikkelen besloot hij in Australië een groote
schotsche kolonie te stichten. Droomde hij van een toekomstige
onafhankelijkheid, waarvan de Vereenigde Staten het voorbeeld hadden
gegeven, een onafhankelijkheid, die Indië en de andere koloniën in
Australië niet missen kunnen ook eenmaal te verwerven? Misschien.
Welligt liet hij ook die stille hoop doorschemeren. Het is dus ligt te
begrijpen, dat het gouvernement weigerde de hand te leenen aan zijn
kolonisatie-plan; het legde kapitein Grant zelfs moeijelijkheden in den
weg, die in ieder ander land den ontwerper van verdriet zouden hebben
doen omkomen. Maar Harry liet zich niet ontmoedigen; hij deed een beroep
op de vaderlandsliefde zijner landgenoten, waagde zijn vermogen aan de
uitvoering van zijn plan, bouwde een schip, en door een uitgelezene
bemanning ondersteund, vertrok hij, na zijn kinderen aan de zorgen
zijner oude nicht te hebben toevertrouwd, om de groote eilanden der
Stille Zuidzee te onderzoeken. Dat geschiedde in 1861. Een jaar lang,
tot in Mei 1862, kreeg men berigten van hem; maar sedert zijn vertrek
van Callao, in de maand Junij, hoorde niemand meer spreken van de
_Britannia_, en de zeetijdingen zwegen over het lot van den kapitein.

In die omstandigheden stierf de oude nicht van Harry Grant en de beide
kinderen bleven alleen op deze wereld.

Mary Grant was toen veertien jaar; haar moedige ziel deinsde niet terug
voor het lot, dat haar te beurt viel, en zij wijdde zich geheel aan haar
nog jeugdigen broeder. Hij had opvoeding en onderwijs noodig. Door
zuinigheid, voorzigtigheid en schranderheid, door dag en nacht te
arbeiden, door hem alles te geven en zich zelve alles te onthouden,
voorzag de zuster in haars broeders opvoeding en vervulde zij moedig
haar moederlijke pligten.

Zoo leefden de beide kinderen te Dundee in dien treffenden toestand
eener met waardigheid aangenomen, maar dapper bestreden armoede. Mary
dacht alleen aan haar broeder, en droomde voor hem van de eene of andere
gelukkige toekomst. Voor haar was de _Britannia_ helaas voor altijd weg,
en haar vader dood, ja dood. Wij wagen het daarom niet haar aandoening
te schilderen, toen het berigt in de _Times_, dat haar toevallig in het
oog viel, haar plotseling uit haar wanhoop opwekte.

Zij aarzelde niet; haar besluit was onmiddellijk genomen. Al moest zij
ook vernemen, dat het lijk van kapitein Grant op een woeste kust of op
een ontredderd schip terug gevonden was, dan was dat toch nog beter dan
die onophoudelijke twijfel, die eeuwige kwelling der onzekerheid.

Zij zeide alles aan haar broeder; dienzelfden dag gingen de beide
kinderen op den trein van Perth, en des avonds kwamen zij te
Malcolm-Castle aan, waar voor Mary, na zooveel angst, eindelijk weer een
straal van hoop opging.

Mary Grant vertelde die droevige geschiedenis aan lady Glenarvan op een
eenvoudige wijze, en zonder te bedenken, dat zij in die lange jaren van
beproeving als een heldhaftig meisje zich had gedragen; maar lady Helena
dacht er in hare plaats aan, en bij herhaling drukte zij de beide
kinderen van kapitein Grant weenend in hare armen.

Het scheen, alsof Robert die geschiedenis voor de eerste maal vernam;
hij zette groote oogen op, toen hij zijn zuster zoo hoorde spreken; hij
begreep alles, wat zij gedaan, alles wat zij geleden had, en haar
omhelzende, riep hij eindelijk uit:

"Ach! moeder! lieve moeder!" zonder dat hij dien kreet, die uit den
grond van zijn hart kwam, kon bedwingen.

Gedurende dit gesprek was het geheel en al donker geworden. Lady Helena,
die wel kon begrijpen, dat de beide kinderen vermoeid zonden zijn, wilde
het onderhoud niet langer voortzetten. Mary Grant en Robert werden naar
hun kamers gebragt en sliepen in, droomende van een betere toekomst.

Na hun vertrek liet lady Helena den majoor roepen en deelde hem al het
gebeurde van dien avond mede.

"Een braaf meisje, die Mary Grant," zeide Mac Nabbs, toen hij het
verhaal zijner nicht had aangehoord.

"De Hemel geve, dat mijn man in zijn onderneming slage!" antwoordde lady
Helena, "anders zou de toestand dezer beide kinderen
allerverschrikkelijkst worden."

"Hij zal slagen," hervatte Mac Nabbs, "of de lords der Admiraliteit
zouden een hart moeten hebben harder dan portlandsche steen."

In weerwil van deze verzekering van den majoor bragt lady Helena den
nacht in de hevigste onrust door en kon geen oogenblik slapen.

Den volgenden morgen wandelden Mary Grant en haar broeder, die met het
krieken van den dag opgestaan waren, op het plein vóór het kasteel, toen
het geraas van een naderend rijtuig zich liet hooren. Het was lord
Glenarvan, die zoo snel als zijn paarden maar loopen konden, op
Malcolm-Castle terugkwam. Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen lady
Helena, door den majoor vergezeld, op het plein, en snelde haar man te
gemoet.

Deze scheen treurig, teleurgesteld, verstoord. Hij drukte zijn vrouw aan
zijn borst en zweeg.

"Welnu, Edward! Edward!" riep lady Helena.

"Welnu, lieve Helena!" antwoordde lord Glenarvan, "die menschen hebben
geen hart!"

"Hebben zij dan geweigerd?..."

"Ja! zij hebben mij een schip geweigerd! zij hebben gesproken van de
millioenen, die met het opsporen van Franklin verspild zijn! zij hebben
gezegd, dat die ongelukkigen reeds sedert meer dan twee jaren aan zich
zelven overgelaten zijn en dat er dus weinig kans was om hen terug te
vinden! Zij hebben beweerd, dat zij, bij de Indianen gevangen zijnde,
stellig naar het binnenland gesleept zijn; dat men geheel Patagonië niet
kon doorzoeken om drie mannen--drie Schotten!--terug te vinden! dat die
nasporingen vergeefsch en gevaarlijk zijn, en meer slagtoffers kosten
dan redden zouden! kortom, zij hebben al de schijngronden opgegeven van
lieden, die iets weigeren willen. Zij herinnerden zich de plannen van
den kapitein, en de arme Grant is reddeloos verloren!"

"Mijn vader! mijn arme vader!" riep Mary Grant, voor lord Glenarvan op
de knieën vallende.

"Uw vader! hoe, miss!..." zeide hij, zeer verwonderd zijnde dit meisje
voor zich te zien knielen.

"Ja, Edward! miss Mary en haar broeder," antwoordde nu lady Helena, "de
beide kinderen van kapitein Grant, die de Admiraliteit veroordeeld heeft
om weezen te blijven!"

"Ach! miss! als ik geweten had, dat gij hier waart!..." hernam lord
Glenarvan, terwijl hij het meisje hielp opstaan.

Verder zeide hij niets meer! Een pijnlijke stilte, door snikken
afgebroken, heerschte op het plein; niemand sprak een woord, noch lord
Glenarvan, noch lady Helena, noch de majoor, noch de bedienden van het
kasteel, die zwijgende om hun meesters geschaard stonden. Maar door hun
houding protesteerden al die Schotten tegen het gedrag van het engelsche
gouvernement.

Na eenige oogenblikken vatte de majoor het woord op en sprak, zich tot
lord Glenarvan wendende:

"Alzoo hebt gij geen hoop meer?"

"Niet de geringste."

"Welnu!" riep de jonge Robert, "ik zal die lieden gaan opzoeken en ...
dan zullen wij zien...."

Robert voltooide zijn bedreiging niet, want zijn zuster hield hem tegen;
maar zijn gebalde vuist gaf geen zeer vredelievende plannen te kennen.

"Neen, Robert!" zeide Mary Grant, "neen! wij willen liever die brave
heeren bedanken voor hetgene zij voor ons gedaan hebben; wij zullen ons
levenslang erkentelijk jegens hen betoonen, en nu willen wij beiden
vertrekken."

"Mary!" riep lady Helena.

"Miss! waar wilt gij heen gaan?" zeide lord Glenarvan.

"Ik ga een voetval voor de koningin doen," antwoordde het meisje, "en
dan zullen wij zien of zij doof zal zijn voor de smeekingen van twee
kinderen, die om het leven huns vaders vragen."

Lord Glenarvan schudde het hoofd; niet omdat hij aan het hart Harer
Genadige Majesteit twijfelde, maar hij wist, dat Mary Grant nooit tot
haar zou kunnen doordringen. De smeekelingen komen maar al te zelden tot
de trappen van den troon, en het schijnt, dat men op de deur der
koninklijke paleizen geschreven heeft, wat de Engelschen op het stuurrad
hunner schepen zetten:

"_Passengers are requested not to speak to the man at the wheel_."[1]

Lady Helena had de bedoeling van haar man gevat: zij wist, dat het
meisje een nuttelooze poging zou doen; zij zag, hoe die beide kinderen
voortaan een allerellendigst leven zouden leiden. Nu vatte zij een
groote en verhevene gedachte op.

"Mary Grant!" riep zij, "wacht, mijn kind! en hoor, wat ik u zeggen
wil."

Het meisje, dat haar broeder bij de hand hield en zich gereed maakte om
te vertrekken, bleef nu staan.

Nu naderde lady Helena met betraande oogen, maar met een vaste stem en
levendige trekken, haar man en zeide:

"Edward! Toen kapitein Grant dezen brief schreef en in zee wierp,
vertrouwde hij hem aan de zorg van God zelven toe. God heeft hem in onze
handen doen komen! zonder twijfel heeft God ons de redding dier
ongelukkigen willen opdragen."

"Wat bedoelt gij daarmede, Helena?" vroeg lord Glenarvan.

Een diepe stilte heerschte in den geheelen kring.

"Ik bedoel," hernam lady Helena, "dat men zich gelukkig moet achten, als
men het huwelijksleven met een goede daad mag beginnen. Welnu! om mij
genoegen te doen hebt gij, lieve man! het plan tot een pleizierreisje
ontworpen! Maar kan er een wezenlijker, nuttiger vermaak zijn dan
ongelukkigen te redden, die door hun land verlaten worden?"

"Helena!" riep lord Glenarvan.

"Ja, gij begrijpt mij, Edward! De _Duncan_ is een goed en stevig schip!
het kan de zuidelijke zeeën bevaren! het kan een reis om de wereld doen,
en zal het doen, als het noodig is! Laten wij vertrekken, Edward! Laten
wij kapitein Grant gaan opzoeken!"

Die moedige taal hoorende had lord Glenarvan de armen naar zijn jeugdige
gade uitgebreid; zij glimlachte, hij drukte haar aan zijn hart, terwijl
Mary en Robert hare handen kusten.

En gedurende dit aandoenlijk tooneel klonk uit den mond der bewogen en
opgetogen bedienden van het kasteel deze kreet van ongeveinsde
dankbaarheid:

"Hoera voor de edelvrouwe van Luss! hoera! driewerf hoera voor lord en
lady Glenarvan!"


[1] Den passagiers wordt verzocht om niet met den stuurman te spreken.




V.

Het vertrek van de Duncan.


Lady Helena bezat, zooals wij reeds gezegd hebben, een sterke en
edelmoedige ziel. Wat zij daar deed, was er een onwederlegbaar bewijs
van. Lord Glenarvan was te regt trotsch op die edele vrouw, die in staat
was om hem te begrijpen en te volgen. De gedachte om kapitein Grant te
hulp te snellen was reeds bij hem opgekomen, toen te Londen zijn
aanvraag van de hand gewezen werd; dat hij lady Helena niet voorgekomen
was, kwam daar vandaan, dat hij zich niet kon gewennen aan de gedachte
om van haar te scheiden. Maar nu lady Helena zelve vroeg om te
vertrekken, hield alle aarzeling op; de bedienden van het kasteel hadden
dat voorstel met hun gejuich begroet; het kwam er op aan om broeders,
Schotten evenals zij, te redden, en lord Glenarvan stemde van harte in
met het hoera, dat ter eere der vrouwe van Luss werd aangeheven.

Nu eenmaal tot het vertrek besloten was, was er geen uur meer te
verliezen. Dienzelfden dag zond lord Glenarvan aan John Mangles bevel om
met de _Duncan_ naar Glasgow te gaan en alles in gereedheid te brengen
voor een reis door de zuidelijke zeeën, die wel een reis om de aarde
worden kon. Bij het doen van haar voorstel had lady Helena niet te veel
gezegd van de hoedanigheden der _Duncan_; zeer sterk gebouwd en zeer
snelvarend kon zij gerust een langen zeetogt ondernemen.

Het was een stoomjagt van het schoonste model; het mat twee honderd en
tien ton, en de eerste schepen, die in de Nieuwe Wereld aankwamen, die
van Columbus, Vespucius, Pinson en Magellaan waren veel kleiner[1].

De _Duncan_ had twee masten, een fokkemast met fok, schoonerfok,
voormarszeil en klein bramzeil; een grooten mast met groote bezaan en
vlieger; daarenboven een stormfok, een buitenkluiver, een voorstagzeil
en stagzeilen. Zij voerde genoeg zeil, en kon als een gewone clipper van
den wind gebruik maken; maar boven alles rekende zij op de mechanische
kracht in haar binnenste. Haar machine van honderd zestig
paardenkrachten en naar een nieuw stelsel vervaardigd, bezat
verhittingstoestellen, die meer spankracht aan den stoom gaven; zij was
van hooge drukking en bragt een dubbele schroef in beweging. Als de
_Duncan_ onder vollen stoom was, overtrof haar snelheid alle tot nu toe
bekende snelheden. Op haar proeftogtjes in de golf van de Clyde had zij
volgens de patent-log[2] zeventien mijlen in het uur afgelegd[3]. Haar
inrigting veroorloofde haar dus om te vertrekken en een reis om de aarde
te doen. John Mangles behoefde dus alleen voor de inwendige inrigting te
zorgen.

Zijn eerste werk was om de bergplaatsen te vergrooten, ten einde zooveel
kolen mede te nemen als maar mogelijk was; want het is moeijelijk om
onderweg nieuwen voorraad van brandstof in te nemen. Dezelfde voorzorg
werd voor de bottelarij genomen, en John Mangles nam voor twee jaar
levensmiddelen aan boord; hij had geen gebrek aan geld, ja zelfs genoeg
om een draaibas te koopen, die op de voorplecht van het jagt geplaatst
werd; men wist niet wat er gebeuren kon, en het is altijd goed op een
afstand van vier mijlen een achtponder te kunnen toezenden.

En John Mangles had er verstand van; al kommandeerde hij maar een
pleizierjagt, hij werd toch onder de beste schippers van Glasgow
gerekend; hij was dertig jaar en had eenigzins harde trekken, maar die
toch moed en goedheid uitdrukten. Hij was op het kasteel geboren, door
de familie Glenarvan groot gebragt en tot een uitmuntend zeeman
opgegroeid; menigmaal gaf John Mangles op zijn lange zeereizen blijken
van bekwaamheid, geestkracht en koelbloedigheid. Toen lord Glenarvan hem
het bevel over de _Duncan_ aanbood, nam hij dit gaarne aan; want hij
beminde den heer van Malcolm-Castle als een vriend, en had tot nu toe te
vergeefs naar een gelegenheid gezocht om hem van dienst te zijn.

De eerste stuurman, Tom Austin, was een oud zeeman, die alle vertrouwen
verdiende; de bemanning der _Duncan_ bestond uit vijf en twintig koppen
met inbegrip van den kapitein en den eersten stuurman; allen behoorden
in het graafschap Dumbarton te huis; allen, beproefde matrozen, waren
zonen van pachters der familie, en vormden aan boord een ware clan van
dappere mannen, bij wie zelfs de vaderlandsche "piperbag"[4] niet gemist
werd. Lord Glenarvan had in hen een troep flinke gasten, die smaak
vonden in hun beroep, verknocht, moedig en bekwaam waren in het
hanteeren der wapens zoowel als in het bestuur van een schip, en die
genegen waren om hem op de gevaarlijkste togten te volgen. Toen de
bemanning der _Duncan_ het deel der reis vernam, konden pij hun blijde
ontroering niet bedwingen, en de echo's der rotsen, van Dumbarton
weerkaatsten hun opgewonden hoera.

Te midden van de werkzaamheden van het laden en proviandeeren van het
schip vergat John Mangles niet om de vertrekken van lord en lady
Glenarvan voor een lange zeereis in te rigten. Hij moest ook de hutten
der kinderen van kapitein Grant in orde brengen; want lady Helena had
aan Mary het verlof niet kunnen weigeren om haar aan boord der _Duncan_
te volgen.

Wat haar broeder aangaat, deze zou zich veeleer in het ruim van het jagt
verborgen hebben dan niet mede te gaan; al had hij als scheepsjongen
dienst moeten doen, zooals Nelson en Franklin, dan zou hij zich nog op
de _Duncan_ ingescheept hebben. Hoe zou men zulk een knaap iets hebben
kunnen weigeren? Men beproefde het dan ook niet eens. Zelfs moest men er
in bewilligen om hem "niet mede te nemen" als passagier; want hij wilde
dienen als scheepsjongen, ligt matroos of matroos. John Mangles kreeg
last om hem het zeemansberoep te leeren.

"Goed!" zeide Robert, "en spaar de zweep niet, als ik niet goed oppas!"

"Wees maar gerust, mijn jongen!" antwoordde Glenarvan met een ernstig
gelaat, zonder er echter bij te voegen, dat het gebruik der kat met
negen staarten[5] aan boord der _Duncan_ verboden en ook geheel
noodeloos was.

Om de rol der passagiers vol te maken, moet alleen nog de majoor Mac
Nabbs genoemd worden. De majoor was vijftig jaar oud, had een kalm en
regelmatig gelaat, ging waarheen een bevel hem riep, en had een
uitmuntend en volmaakt karakter, altijd bescheiden, stilzwijgend,
vredelievend en zachtzinnig; hij was het altijd met een ieder en over
alles eens, hij sprak niets tegen, twistte niet, werd niet boos; hij
beklom even bedaard de helling van een tusschenwal, waarin bres was
geschoten, als de trap naar zijn slaapkamer; niets ter wereld deed hem
ontroeren, hij ging nooit uit den weg, zelfs niet voor een kanonskogel,
en zonder twijfel zal hij sterven zonder ooit gelegenheid te hebben
gehad om boos te worden. Die man bezat in den hoogsten graad niet maar
alleen den gewonen moed der slagvelden, die physieke dapperheid, welke
alleen het gevolg der spierkracht is, maar iets beters, zedelijken moed,
dat wil zeggen zielskracht. Het eenige gebrek, dat hij had, indien het
een gebrek is, was dat hij door merg en been een Schot was, een volbloed
Caledoniër, die stijfhoofdig vast bleef houden aan de oude gewoonten van
zijn land. Daarom had hij ook nooit Engeland willen dienen, en zijn
majoorsrang had hij verworven in het 42ste regiment der
Highland-Black-Watch, de zwarte garde, welker compagniën alleen uit
schotsche edellieden bestonden. In hoedanigheid van neef der Glenarvans
bewoonde Mac Nabbs het kasteel Malcolm, en in hoedanigheid van majoor
vond hij het heel natuurlijk om als passagier met de _Duncan_ mede te
gaan.

Deze waren de personen aan boord van dat jagt, dat door onvoorziene
omstandigheden geroepen werd om een der verbazendste reizen der nieuwere
tijden te ondernemen. Sedert het te Glasgow aan de aanlegplaats der
stoombooten lag, had het de algemeene nieuwsgierigheid gaande gemaakt;
dagelijks werd het door een talrijke menigte bezocht; men stelde in
niets anders belang, men sprak van niets anders, tot groote spijt der
andere kapiteins in de haven, onder anderen van kapitein Burton der
_Scotia_, een prachtige boot, die digt bij de _Duncan_ lag en naar
Calcutta bestemd was. Om haar grootte had de _Scotia_ regt om de
_Duncan_ als een eenvoudig adviesjagt te beschouwen! En toch werd alleen
het jagt van lord Glenarvan met een belangstelling beschouwd, die nog
bij den dag toenam.

Inmiddels naderde het oogenblik van vertrek met rassche schreden; John
Mangles had zijn bekwaamheid en vlugheid getoond; een maand na haar
proeftogten op de golf van de Clyde kon de _Duncan_ geladen,
geproviandeerd en opgetuigd zee kiezen. Het vertrek werd op den 25sten
Augustus bepaald, waardoor het jagt tegen het begin der lente in de
zuidelijke breedten aldaar kon aankomen.

Zoodra het plan van lord Glenarvan bekend werd, had het niet ontbroken
aan bedenkingen over de vermoeijenissen en gevaren der reis; maar hij
stoorde zich er niet aan, en maakte zich gereed om Malcolm-Castle te
verlaten. Bovendien waren er onder de bedillers velen, die hem
opregtelijk bewonderden. Ook verklaarde de openbare meening zich ronduit
voor den schotschen lord, en alle dagbladen, met uitzondering der
"regerings-organen", gispten eenparig het gedrag van de commissarissen
der Admiraliteit in deze zaak. Maar lord Glenarvan was even ongevoelig
voor blaam als voor lof: hij deed zijn pligt, en bekommerde zich weinig
om het overige.

Den 24sten Augustus verlieten Glenarvan, lady Helena, de majoor Mac
Nabbs, Mary en Robert Grant, Olbinett, de hofmeester van het jagt en
zijn vrouw, jufvrouw Olbinett, die in dienst was van lady Glenarvan,
Malcolm-Castle, na een roerend afscheid van de huisbedienden te hebben
genomen. Eenige uren later waren zij aan boord. De inwoners van Glasgow
begroetten met ingenomenheid en bewondering lady Helena, de jonge en
moedige vrouw, die vrijwillig afstand deed van de rustige genoegens van
een weelderig leven en de schipbreukelingen te hulp snelde.

De vertrekken van lord Glenarvan en zijn vrouw besloegen het geheele
achterschip der _Duncan_; zij bestonden uit twee slaapkamers, een salon
en twee kleedkamers; eindelijk was er een algemeene kamer, omringd door
zes hutten, waarvan vijf bewoond werden door Mary en Robert Grant,
Olbinett en zijn vrouw, en den majoor Mac Nabbs. De hutten van John
Mangles en Tom Austin kwamen op het dek uit. De bemanning was
tusschendeks gehuisvest, en zeer op haar gemak; want het jagt had geen
andere lading dan de kolen, de levensmiddelen en de wapenen. Het had dus
John Mangles niet aan plaats ontbroken voor de inwendige inrigting, en
hij had er een goed gebruik van gemaakt.

De _Duncan_ zou in den nacht van den 24sten op den 25sten Augustus
vertrekken; want des morgens ten drie ure begon de eb. Maar vooraf waren
de inwoners van Glasgow getuigen van een aandoenlijke plegtigheid. Des
avonds ten acht ure verlieten lord Glenarvan en zijn gasten, de geheele
bemanning van de stokers af tot den kapitein toe, allen die deel zouden
nemen aan de menschlievende onderneming, het jagt en gingen naar
Sint-Mungo, de oude hoofdkerk van Glasgow. Die oude kerk, welke
ongeschonden was gebleven bij de verwoestingen door de hervorming
aangerigt, en die zoo heerlijk door Walter Scott is beschreven, ontving
onder haar zware gewelven de passagiers en de matrozen der _Duncan_. Een
ontelbare menigte volgde hen. In het groote middelschip, dat door zijn
menigte graftomben wel een kerkhof gelijkt, smeekte de eerwaarde Morton
den zegen des Hemels af en beval hij den togt in de hoede der
Voorzienigheid aan. Een oogenblik hoorde men de stem van Mary Grant in
het oude kerkgebouw. Het meisje bad voor hare weldoeners en stortte voor
Gods aangezigt de zachte tranen der dankbaarheid. Vervolgens ging de
menigte diep bewogen uiteen.

Ten elf ure was ieder aan boord. John Mangles en de bemanning hielden
zich met de laatste toebereidselen bezig.

Te middernacht werden de vuren ontstoken; de kapitein gaf last om sterk
te stoken, en weldra vermengden de zwarte rookwolken zich met den
nachtelijken nevel. De zeilen der _Duncan_ waren zorgvuldig onder het
doek geborgen, dat ze tegen het vuil der kolen moest beschermen; want de
wind woei uit het zuid-westen en kon de vaart van het schip niet
begunstigen.

Ten twee ure begon de _Duncan_ te beven onder de schudding der
stoomketels; de luchtdigtheidsmeter wees een drukking van vier
dampkringen aan; de oververhitte stoom ontsnapte fluitend door de
veiligheidskleppen; de zee was stil; het was reeds genoeg dag om het
naauwe vaarwater der Clyde te onderscheiden tusschen de staken en
"biggings"[6]; de kustlichten verbleekten allengs voor de rijzende zon.
Niets verhinderde meer het vertrek.

John Mangles liet lord Glenarvan waarschuwen, die terstond op het dek
kwam.

Weldra kwam de eb opzetten; de _Duncan_ liet een schel gefluit hooren,
gooide de meertouwen los, en maakte zich vrij van de omliggende
vaartuigen; de schroef kwam in beweging en stuurde het jagt in het
vaarwater der rivier. John had geen loods aan boord genomen; hij kende
al de gevaarlijke punten der Clyde, en geen loods zou zijn schip beter
bestuurd hebben. Het jagt luisterde naar zijn wenken; met de regterhand
gaf hij bevelen aan de machine, met de linker, aan het roer, alles stil
en bedaard. Weldra werden de laatste fabrieken aan den oever door
villa's vervangen, die hier en daar op de heuvels langs de rivier
verrezen, en het gedruisch der stad stierf in de verte weg.

Een uur later stoomde de _Duncan_ tusschen de rotsen van Dumbarton door;
twee uren later was zij in de ruime golf der Clyde; des morgens ten zes
ure voer zij langs de zoutputten van Cantyre, verliet het Noorderkanaal
en kwam in volle zee.


[1] De vierde reis van Christophorus Columbus werd met vier schepen
volbragt. Het grootste, het admiraalschip, waarop Columbus zich bevond,
mat 70 ton; het kleinste maar 60. Het waren echte kustvaarders.

[2] De patent-log is een werktuig, dat door middel van wijzers, die op
een in graden verdeelden cirkel draaijen, de snelheid van het vaartuig
aanwijst.

[3] Zeventien mijlen of knoopen. Daar de zeemijl 1852 nederlandsche
ellen lang is, zijn 17 mijlen gelijk aan 7 7/10 mijlen of bijna 8 mijlen
van 4000 ned. ellen.

[4] De doedelzakspeler, die nog bij de regimenten Hooglanders bestaat.

[5] Een zweep, bestaande uit negen lederen riemen, die zeer in zwang was
op de engelsche vloot.

[6] Kleine steenhoopen, die het vaarwater der Clyde aanwijzen.




VI.

De passagier van de hut numero 6.


Gedurende den eersten dag der reis stond er nog al deining, en de wind
wakkerde tegen den avond aan; de _Duncan_ slingerde vreeselijk; de dames
kwamen dan ook niet op de kampanje; zij bleven in haar hutten te bed
liggen, en deden er wel aan.

Maar des anderen daags keerde de wind; kapitein John zette de fok, de
bezaan en het voormarszeil bij, waardoor op de _Duncan_, die nu vaster
lag, het slingeren en stampen minder merkbaar werd. Lady Helena en Mary
Grant konden nu reeds bij het krieken van den dag lord Glenarvan, den
majoor en den kapitein op het dek opzoeken. De opgaande zon leverde een
prachtig gezigt op. De fakkel van den dag, gelijk aan een op de manier
van Ruolz vergulde metalen schijf, verrees uit den oceaan als uit een
onmetelijk galvanisch bad. De _Duncan_ scheen zich in het midden van een
heerlijken stralengloed te bevinden, en men zou waarlijk gezegd hebben,
dat haar zeilen opzwollen onder de werking der zonnestralen.

In de diepste stilte zagen de passagiers van het jagt deze verschijning
van het flonkerende hemelligchaam aan.

"Welk een heerlijk schouwspel!" zeide eindelijk Helena. "Het voorspelt
een schoonen dag. Ik hoop, dat de wind gunstig blijven en de vaart der
_Duncan_ niet vertragen zal."

"Wij kunnen geen beteren wenschen, lieve Helena!" antwoordde lord
Glenarvan, "en wij hebben geen reden om over dit begin onzer reis te
klagen."

"Zal de togt lang duren, lieve Edward?"

"Dat zal kapitein John ons wel kunnen zeggen," sprak lord Glenarvan.
"Vorderen wij goed? Zijt gij tevreden over uw schip, John?"

"Zeer tevreden, Uwe Edelheid!" antwoordde John; "het is een uitmuntend
vaartuig, en het doet een zeeman goed het onder zijn voeten te voelen.
Nooit waren de romp en de machine van eenig vaartuig beter met elkaar in
verband; gij ziet ook, hoe effen het zog van het jagt is en hoe
gemakkelijk het de golven klieft. Wij vorderen zeventien mijlen in een
uur! Als deze snelheid zoo blijft, passeeren wij binnen tien dagen de
linie, en zullen wij, eer wij vijf weken verder zijn, kaap Hoorn
omgezeild hebben."

"Hoort gij het, Mary! eer wij vijf weken verder zijn!" hernam lady
Helena.

"Ja, mevrouw!" antwoordde het meisje, "ik hoor het, en mijn hart heeft
geklopt bij dat gezegde van den kapitein."

"Kunt gij nog al tegen de zee, miss Mary?" vroeg lord Glenarvan.

"Vrij wel, mylord! ik heb er niet veel hinder van. Overigens zal ik er
spoedig aan gewennen."

"En de jonge Robert?"

"O! Robert!" antwoordde John Mangles, "als hij niet bij de machine is,
dan zit hij op den kloot van den mast. Dat is eerst een jongen, die om
geen zeeziekte geeft. Ziet maar eens!"

Op een gebaar van den kapitein wendden allen de oogen naar den
fokkemast, en zagen daar Robert hangen aan de toppenanten van het klein
voorboven bramzeil, wel honderd voet boven het dek. Mary kon een angstig
gebaar niet weerhouden.

"O! wees maar gerust, miss!" zeide John Mangles, "ik sta voor hem in en
beloof u kapitein Grant spoedig een wakkeren knaap te zullen
voorstellen; want wij zullen den waardigen kapitein terugvinden!"

"Dat geve de Hemel, mijnheer John!" antwoordde het meisje.

"Lief kind!" hernam lord Glenarvan, "ik merk in dit alles den vinger
Gods op, en dat moet ons goede hoop geven. Wij gaan niet, wij worden
gezonden. Wij zoeken niet, wij worden geleid. En sla dan eens even het
oog op al die moedige mannen in dienst van zulk eene schoone zaak. Wij
zullen niet alleen in onze onderneming slagen, maar haar zelfs zonder
moeite volbrengen. Ik heb lady Helena een pleizierreisje beloofd, en ik
zou mij zeer bedriegen, als ik mijn woord niet hield."

"Gij zijt een allerbeste man, Edward!" zeide lady Glenarvan.

"Volstrekt niet; maar ik heb de allerbeste bemanning op het allerbeste
schip. Bewondert gij onze _Duncan_ ook niet, miss Mary?"

"Zeker, mylord!" antwoordde het meisje, "ik bewonder haar, en wel als
een deskundige."

"Zoo, inderdaad!"

"Als een klein kind speelde ik op de schepen mijns vaders, hij had mij
voor de zeedienst moeten opleiden, en in geval van nood zou ik misschien
niet verlegen staan om een rif in te steken of een seising te draaijen."

"Wat gij zegt, miss!" riep John Mangles.

"Nu gij zoo spreekt," hernam lord Glenarvan, "zult gij wel bevriend
worden met kapitein John; want hij kan maar niet toegeven, dat er een
schooner beroep is dan dat van zeeman, zelfs niet voor een vrouw! Is het
niet waar, John?"

"Zonder twijfel, Uwe Edelheid!" antwoordde de jonge kapitein, "en toch
beken ik, dat miss Grant beter op haar plaats is op de kampanje dan in
den mast om de zeilen te bergen; maar ik ben niettemin zeer gevleid door
haar gezegde."

"En vooral wanneer zij de _Duncan_ bewondert," hervatte Glenarvan.

"Die het ten volle verdient," antwoordde John.

"Gij zijt zoo trotsch op uw jagt," zeide lady Helena, "dat ik waarlijk
lust krijg om het eens tot het onderste scheepsruim toe te bezigtigen en
te zien, hoe onze wakkere matrozen tusschendeks gehuisvest zijn."

"Heel goed," antwoordde John; "zij zijn daar als het ware te huis."

"En zij zijn inderdaad te huis, lieve Helena!" antwoordde lord
Glenarvan. "Dit jagt is een gedeelte van ons oud Caledonië! Het is een
losgerukt stuk van het graafschap Dumbarton, dat door een bijzondere
gunst blijft drijven, zoodat wij ons land niet verlaten hebben! De
_Duncan_ is het kasteel Malcolm, en de oceaan is het meer Lomond."

"Als dat zoo is, lieve Edward! houd dan de eer van uw kasteel op,"
antwoordde lady Helena.

"Ik ben tot uw dienst, mevrouw!" zeide Glenarvan; "maar sta mij toe, dat
ik vooraf Olbinett ga waarschuwen."

De hofmeester van het jagt was bij uitstek voor zijn betrekking
geschikt, en zulk een man van gewigt, dat hij, hoewel een Schot,
verdiend zou hebben een Franschman te zijn; overigens iemand die zijn
post met ijver en overleg vervulde. Hij wachtte de bevelen van zijn heer
af.

"Olbinett! wij gaan vóór het ontbijt een wandeling doen," zeide
Glenarvan, alsof er sprake was van een uitstapje naar Tarbet of het meer
Katrine. "Ik hoop, dat de tafel gereed zal zijn, als wij terugkomen."

Olbinett maakte een deftige buiging.

"Gaat gij mede, majoor?" vroeg lady Helena.

"Als gij het beveelt," antwoordde Mac Nabbs.

"O!" zeide lord Glenarvan, "de majoor is verdiept in het rooken van zijn
sigaar; stoor hem daarin niet, want ik zeg u, hij is een stout rooker,
miss Mary! Hij rookt altijd, zelfs als hij slaapt."

De majoor maakte een toestemmende beweging, en lord Glenarvan en zijn
gasten gingen naar het tusschendek.

Toen Mac Nabbs alleen gebleven was, praatte hij ouder gewoonte in zich
zelven, maar zonder zich ooit tegen te spreken, terwijl hij zich in nog
digter rookwolken hulde; hij bleef stokstijf staan en keek op het
achterschip naar het zog van het jagt. Na zoo eenige minuten uitgezien
te hebben, keerde hij zich om en zag nu een ander persoon voor zich
staan. Als iets zijne verbazing had kunnen opwekken, dan zou de majoor
zeker over deze ontmoeting verwonderd geweest zijn; want die passagier
was hem geheel onbekend.

Die groote, dorre en magere man was misschien veertig jaren oud; hij
geleek op een langen spijker met een grooten kop; zijn hoofd was breed
en forsch, zijn voorhoofd hoog en schrander, zijn kin spits, zijn mond
groot, zijn neus sterk gebogen. Zijne oogen waren verborgen achter een
verbazend grooten ronden bril en zijn blik scheen die onvastheid te
hebben, welke aan de nachtzienden[1] eigen is. Verstand en opgeruimdheid
stonden op zijn gelaat te lezen; hij had geenszins dat terugstootend
voorkomen van die deftige personen, die uit beginsel nooit lagchen, en
die hun onbeduidendheid onder een ernstig masker verbergen. Verre van
daar. De zorgeloosheid en de beminnelijke eenvoudigheid van dien
onbekende bewezen duidelijk, dat hij gewoon was menschen en zaken van
den besten kant te bezien. Maar eer hij nog gesproken had, gevoelde men,
dat hij een prater en vooral zeer afgetrokken was, zooals degenen, die
het voorwerp niet zien, dat zij beschouwen, en die de woorden niet
verstaan, die zij hooren. Hij droeg een reispet, sterke gele laarsjes en
lederen slopkousen, verder een kastanjebruine fluweelen broek en een
jasje van dezelfde stof, waarvan de ontelbare zakken opgepropt vol
schenen te zijn met aanteekenboekjes, zakboekjes, schrijfboekjes,
brievetasschen en duizend andere voorwerpen, die even lastig als
nutteloos waren, zonder nog te spreken van een kijker, dien hij aan een
riem droeg.

De rusteloosheid van dien onbekende stak sterk af bij de kalmte van den
majoor; hij liep om Mac Nabbs heen en zag hem vragend aan, zonder dat
deze moeite deed om te weten te komen van waar hij kwam, waar hij heen
ging, waarom hij aan boord van de _Duncan_ was.

Toen die raadselachtige persoon zag, dat al zijn pogingen verijdeld
werden door de onverschilligheid van den majoor, nam hij zijn kijker,
die wel vier voet lang was, en onbewegelijk, met de beenen wijd van
elkander gaande staan, zoodat hij wel een wegwijzer op den grooten weg
geleek, rigtte hij het werktuig op de lijn, waar lucht en water
ineenliepen; na zoo vijf minuten gekeken te hebben, liet hij den kijker
zakken en hem op het dek nederzettende, ging hij er op leunen, alsof het
een wandelstok was; maar dadelijk schoof de kijker toe, en de nieuwe
passagier, die zoo plotseling zijn steunpunt kwijt raakte, viel bijna
zoo lang als hij was aan den voet van den bezaansmast.

Ieder ander in de plaats van den majoor zou althans geglimlacht hebben.
Maar de majoor vertrok geen spier van zijn gelaat. Nu kwam de onbekende
op eens tot een besluit.

"Hofmeester!" riep hij met een tongval, die duidelijk den vreemdeling
verried.

Hij wachtte; maar te vergeefs: er verscheen niemand.

"Hofmeester!" riep hij nog eens, maar nu wat luider.

Olbinett, die zich naar de keuken onder de voorplecht begaf, ging juist
voorbij. Men kan denken, hoe verwonderd hij was, toen hij zich zoo
hoorde aanspreken door dien langen man, dien hij niet kende!

"Wat is dat voor iemand?" zeide hij bij zich zelven. "Een vriend van
lord Glenarvan? Dat is onmogelijk."

Hij klom toch op de kampanje en naderde den vreemdeling.

"Zijt gij de hofmeester?" vroeg deze hem.

"Ja, mijnheer!" antwoordde Olbinett; "maar ik heb de eer niet...."

"Ik ben de passagier uit de hut numero 6."

"Numero 6?" herhaalde de hofmeester.

"Zeker. En gij heet?..."

"Olbinett."

"Welnu, Olbinett! mijn vriend!" antwoordde de passagier uit de hut
numero 6, "ik moet om mijn ontbijt denken, en wat gaauw ook. In geen zes
en dertig uren heb ik iets gegeten, of liever, ik heb zes en dertig uren
achtereen geslapen, hetgeen wel te vergeven is aan iemand, die zonder op
te houden van Parijs naar Glasgow gereisd is. Wees zoo goed mij te
zeggen, hoe laat men hier ontbijt."

"Ten negen ure," antwoordde Olbinett werktuigelijk.

De vreemdeling wilde op zijn horlogie zien, maar daarmede ging heel wat
tijd weg, daar hij het eerst in zijn negenden zak vond.

"Goed," zeide hij. "Het is nog geen acht ure. Kom aan, Olbinett! geef
mij dan intusschen een beschuit en een glas Xeres-wijn; want ik sterf
van den honger."

Olbinett begreep er niets van; bovendien praatte de onbekende maar
onophoudelijk door en sprong met buitengemeene radheid van het eene
onderwerp op het andere.

"En waar is de kapitein?" vroeg hij. "Is de kapitein nog niet bij de
hand! En de eerste stuurman? wat doet de eerste stuurman? Slaapt hij ook
nog? Het is mooi weer en de wind gelukkig goed, en het schip gaat van
zelf...."

Terwijl hij zoo sprak, verscheen John Mangles aan den trap van de
kampanje.

"Daar is de kapitein," zeide Olbinett.

"Het doet mij groot genoegen kennis met u te mogen maken, kapitein
Burton!" riep de onbekende.

Als er ooit iemand verwonderd stond te kijken, dan was het zeker John
Mangles, niet minder, omdat hij zich "kapitein Burton" hoorde noemen,
dan omdat hij dien vreemdeling op zijn schip zag.

De ander babbelde maar voort.

"Veroorloof mij uwe hand te drukken," zeide hij. "Dat ik het eergisteren
avond niet gedaan heb, komt, omdat ik op het oogenblik van het vertrek
niemand wilde hinderen. Maar nu, kapitein! ben ik waarlijk blij kennis
met u te maken."

John Mangles zette groote oogen op, en zag nu eens Olbinett en dan weder
den onbekende aan.

"Nu is de voorstelling afgeloopen, waarde kapitein!" hernam hij, en zijn
wij oude vrienden. Laten wij nu zamen wat praten, en zeg mij eens of gij
in uw schik zijt met de _Scotia_?"

"Wat bedoelt gij met de _Scotia_?" zeide John Mangles eindelijk.

"Wel de _Scotia_, waarop wij thans zijn, een goed vaartuig, welks
voortreffelijkheid men niet minder roemt dan het karakter van zijn
gezagvoerder, den braven kapitein Burton. Zijt gij misschien verwant aan
den grooten afrikaanschen reiziger van dien naam, een moedig man. Als
dat zoo is, maak ik u mijn compliment!"

"Mijnheer!" hernam John Mangles, "ik ben evenmin een bloedverwant van
den reiziger Burton, als ik kapitein Burton zelf ben."

"Zoo!" zeide de onbekende, "spreek ik dan op dit oogenblik met den
eersten stuurman der _Scotia_, den heer Burdness?"

"De heer Burdness," antwoordde John Mangles, die de waarheid begon te
vermoeden, en niet wist of hij met een gek of met een losbol te doen
had. Hij wilde juist een kort en bondig antwoord geven, toen lord
Glenarvan, zijn vrouw en miss Grant weder op het dek kwamen. Zoodra de
vreemdeling hen bemerkte, riep hij uit:

"Ha! passagiers! dames! Dat treft goed. Ik hoop, dat gij mij zult
voorstellen, mijnheer Burdness!"

En met de grootste ongedwongenheid nader tredende, zonder de
tusschenkomst van John Mangles af te wachten, sprak hij miss Grant aan
als "mevrouw", lady Helena als "miss" en noemde hij lord Glenarvan
"mijnheer."

"Lord Glenarvan," zeide John Mangles.

"Mylord!" hernam nu de onbekende, "vergeef mij, dat ik mij zelven zoo
voorstel; maar op zee kan men alle vormen zoo niet in acht nemen; ik
hoop, dat wij spoedig kennis zullen maken, en dat door het bijzijn dezer
dames de reis met de _Scotia_ evenzeer verkort als veraangenaamd zal
worden."

Lady Helena en miss Grant wisten niet, wat zij zeggen moesten. Zij
begrepen niets van de tegenwoordigheid van dien indringer op de kampanje
der _Duncan_.

"Met wien heb ik de eer te spreken, mijnheer?" vroeg eindelijk lord
Glenarvan.

"Met Jacques-Eliacin-François-Marie Paganel, secretaris van het
aardrijkskundig genootschap te Parijs, correspondeerend lid der
genootschappen te Berlijn, Bombay, Darmstadt, Leipzig, Londen,
Petersburg en New-York, honorair lid van het koninklijk instituut voor
de land- en volkenkunde van Oost-Indië, die, na twintig jaren
doorgebragt te hebben met de aardrijkskunde in zijn studeerkamer te
beoefenen, nu tot de strijdende wetenschap overgaat en zich naar Indië
begeeft om verband te brengen in den arbeid der groote reizigers."




[1] Het nachtzien is een bijzondere inrigting van het oog, waardoor men
de voorwerpen in het duister ziet.




VII.

Waar Jacques Paganel van daan komt en waar hij heen gaat.


De secretaris van het aardrijkskundig genootschap was zeker een
beminnelijk man, want hij zeide dat alles met veel zwier. Lord Glenarvan
wist nu ook zeer goed, met wien hij sprak; de naam en de verdienste van
Jacques Paganel waren hem volkomen bekend; zijn aardrijkskundige werken,
zijn verslagen over de jongste ontdekkingen, zijn briefwisseling met de
geheele wereld, maakten hem tot een van de beroemdste geleerden van
Frankrijk. Glenarvan stak dan ook zeer hartelijk zijn hand toe aan zijn
onverwachten gast.

"Nu de voorstelling afgeloopen is," voegde hij er bij, "wilt gij mij
zeker wel veroorlooven u een vraag te doen, mijnheer Paganel?"

"Wel twintig, mylord!" antwoordde Jacques Paganel; "het zal mij altijd
een groot genoegen zijn om met u te spreken."

"Eergisteren avond zijt gij aan boord van dit schip gekomen?"

"Ja, mylord! eergisteren avond ten acht ure. Bij het verlaten van den
caledonischen spoorweg ben ik in een huurrijtuig gestapt, en uit het
rijtuig op de _Scotia_, waarop ik uit Parijs de hut numero 6 voor mij
besproken had. Het was donker. Ik zag niemand aan boord. Vermoeid van
een reis van dertig uren, en wetende, dat het beste middel om niet
zeeziek te worden is om terstond naar bed te gaan en zijn kooi gedurende
de eerste dagen der reis niet te verlaten, ben ik onmiddellijk gaan
liggen en heb, gij moogt het vrij gelooven, zes en dertig uren achtereen
heerlijk geslapen."

De toehoorders van Jacques Paganel wisten nu, wat zij van zijn
tegenwoordigheid aan boord denken moesten; de fransche reiziger was bij
vergissing op het schip gekomen, terwijl de bemanning de plegtigheid in
de Sint-Mungo kerk bijwoonde. Alles was nu opgehelderd; maar wat zou de
geleerde aardrijkskundige wel zeggen, wanneer hij den naam en de
bestemming van het vaartuig, waarop hij zich bevond, vernam?

"Dan hebt gij Calcutta tot het uitgangspunt uwer reizen gekozen,
mijnheer Paganel?" vroeg Glenarvan.

"Ja, mylord! Indië te zien is levenslang mijn vurigste wensch geweest.
Eindelijk zal mijn schoonste droom verwezenlijkt worden in het vaderland
der olifanten en der Thuggs[1]."

"Dan zal het u zeker niet onverschillig zijn, mijnheer Paganel! of gij
een ander land bezoekt?"

"In het geheel niet, mylord! het zou mij zelfs hoogst onaangenaam zijn;
want ik heb brieven van aanbeveling voor lord Sommerset, den
gouverneur-generaal van engelsch Indië, en een zending van het
aardrijkskundig genootschap, die ik gaarne zou vervullen."

"Zoo! hebt gij een zending?"

"Ja! Ik moet een nuttige en belangrijke reis ondernemen, waarvan mijn
geleerde vriend en ambtgenoot, de heer Vivien de Saint-Martin, het plan
heeft ontworpen. Ik moet namelijk het spoor volgen der gebroeders
Schlagintweit, van kolonel Waugh, van Webb, van Hodgson, van de
zendelingen Huc en Gabet, van Moorcroft, van Jules Remy, en van zooveel
andere vermaarde reizigers. Ik hoop te slagen in hetgeen den zendeling
Krick in 1846 helaas mislukt is, met een woord, den loop van den
Yarou-Dzangbo-Tchou op te sporen, die Thibet over een lengte van 270
uren gaans, langs den noordelijken voet van het Himmelaya-gebergte,
bespoelt, en te onderzoeken of deze rivier zich niet in het noordoosten
van Assam met de Bramapoetra vereenigt. De gouden medaille, mylord! is
uitgeloofd voor den reiziger, wien het mag gelukken om een der
gewigtigste vraagstukken van de aardrijkskunde van Oost-Indië op te
lossen."

Paganel was vol vuur. Hij sprak met de grootste geestdrift. Hij liet
zich mededragen op de snelle wieken der verbeelding. Het zou even
onmogelijk geweest zijn om hem te stuiten als men dit den Rijn te
Schaffhausen doen kan.

"Mijnheer Jacques Paganel!" zeide lord Glenarvan na een oogenblik
stilte, "dat is zeker een schoone reis en waarvoor de wetenschap u zeer
dankbaar zal zijn; maar ik wil u niet langer in de dwaling laten, en
voorloopig althans moet gij afzien van het genoegen om Indië te
bezoeken."

"Er van afzien! En waarom?"

"Omdat gij den rug toekeert aan dat schiereiland."

"Hoe! kapitein Burton...."

"Ik ben kapitein Burton niet," antwoordde John Mangles.

"Maar de _Scotia_?"

"Dit schip is de _Scotia_ niet!"

Het is onmogelijk om de verbazing van Paganel te beschrijven. Hij zag
beurtelings lord Glenarvan, die even ernstig bleef, lady Helena en miss
Grant, wier trekken medelijden en leedwezen uitdrukten, John Mangles,
die glimlachte, en den majoor, die zich niet verroerde, aan; daarna riep
hij, de schouders ophalende en zijn bril van het voorhoofd voor zijn
oogen plaatsende: "Welk een scherts!"

Maar nu viel zijn oog op het stuurrad, waarop dit opschrift stond:

DUNCAN GLASGOW

"De _Duncan_! de _Duncan_!" riep hij wanhopend uit.

Daarop tuimelde hij den trap van de kampanje af en stormde zijn hut
binnen.

Zoodra de arme geleerde verdwenen was, kon niemand aan boord, uitgenomen
de majoor, zich langer goed houden, en zelfs de matrozen schaterden van
lagchen. Zich in den spoorweg vergissen! Dat kan! Den trein van Edinburg
voor dien van Dumbarton aanzien! Dat kan er ook nog door! Maar zich te
vergissen in het schip en naar Chili te zeilen, wanneer men naar Indië
gaan wil, dat is wel een bewijs van verregaande verstrooidheid.

"Zoo iets verwondert mij echter volstrekt niet in Jacques Paganel,"
zeide Glenarvan, "hij is bekend voor zulke ongelukken. Eens heeft hij
een beroemde kaart van Amerika uitgegeven, waar hij Japan op geplaatst
heeft. Dat neemt echter niet weg, dat hij een groot geleerde en een der
beste aardrijkskundigen van Frankrijk is."

"Maar wat moeten wij met dien armen man aanvangen?" vroeg lady Helena.
"Wij kunnen hem toch niet medenemen naar Patagonië."

"Waarom niet?" antwoordde Mac Nabbs heel deftig, "wij zijn niet
verantwoordelijk voor zijn verstrooidheid. Vooronderstel dat hij op een
spoortrein zat, zou hij dien laten stilstaan?"

"Neen! maar hij zou aan het eerste station afstappen," hernam lady
Helena.

"Welnu," zeide Glenarvan, "dat kan hij des verkiezende doen in de eerste
haven, die wij aandoen."

Juist kwam Paganel verdrietig en beschaamd op de kampanje terug, na zich
verzekerd te hebben, dat zijn goed aan boord was. Onophoudelijk
herhaalde hij die ongelukkige woorden: de _Duncan_! de _Duncan_! Het
scheen, dat hij geen andere meer kon vinden. Hij liep heen en weer,
onderzocht de tuigaadje van het jagt, en ondervroeg den zwijgenden
gezigteinder der volle zee. Eindelijk kwam hij bij lord Glenarvan terug
en zeide: "En die _Duncan_ gaat?..."

"Naar Amerika, mijnheer Paganel!"

"En meer bepaald?..."

"Naar Concepcion."

"Naar Chili! Naar Chili!" riep de ongelukkige aardrijkskundige. "En mijn
zending naar Oost-Indië! Maar wat zal de heer de Quatrefages, de
president der hoofd-commissie, wel zeggen! En de heer d'Avezac! En de
heer Cortambert! En de heer Vivien de Saint-Martin! Zal ik ooit weder de
vergaderingen van het genootschap durven bijwonen!"

"Komaan, mijnheer Paganel!" antwoordde Glenarvan, "wanhoop maar niet.
Alles kan nog te regt komen, en gij zult een betrekkelijk onbeteekenend
oponthoud ondervonden hebben. De Yarou-Dzangbo-Tchou zal in het gebergte
van Thibet wel op u blijven wachten. Wij loopen weldra te Madera binnen,
en daar zult gij wel een schip vinden, dat u naar Europa terugbrengt."

"Ik dank u, mylord! ik zal mij wel moeten onderwerpen. Maar men mag
zeggen, dat het een vreemd geval is, en ik ben de eenige, wien ooit zoo
iets overkomt. En mijn hut, die aan boord der _Scotia_ besteld is."

"O, ik raad u om voorloopig niet meer aan de _Scotia_ te denken."

"Maar," zeide Paganel, nadat hij het vaartuig op nieuw bezien had, "is
de _Duncan_ geen pleizierjagt?"

"Ja, mijnheer!" antwoordde John Mangles, "en zij is het eigendom van
Zijn Edelheid lord Glenarvan."

"Die u verzoekt om een ruim gebruik van zijn gastvrijheid te maken,"
zeide Glenarvan.

"Duizendmaal dank, mylord!" antwoordde Paganel; "ik ben waarlijk
getroffen door uw heuschheid; maar veroorloof mij een kleine opmerking:
Indië is een schoon land; het levert voor de reizigers vreemde
bijzonderheden op; deze dames zijn er zeker onbekend mede.... Welnu! de
stuurman behoeft maar even het rad om te draaijen, en het jagt de
_Duncan_ zou even gemakkelijk naar Calcutta als naar Concepcion
stevenen; en daar het toch maar een pleizierreisje is...."

Het hoofdschudden, waarmede het voorstel van Paganel ontvangen werd,
liet hem niet toe om voort te gaan. Hij bleef eensklaps steken.

"Mijnheer Paganel!" zeide nu lady Helena, "ware het slechts een
pleizierreisje, dan zou ik u antwoorden: Wij gaan gezamenlijk naar de
Oost, en lord Glenarvan zou het stellig goed vinden. Maar de _Duncan_
gaat schipbreukelingen opzoeken, die op de kusten van Patagonië geworpen
zijn, en kan zulk een menschlievende bestemming niet veranderen...."

Weldra was de fransche reiziger met de geheele zaak bekend; hij vernam,
niet zonder aandoening, de zonderlinge wijze, waarop de documenten
gevonden waren, de geschiedenis van kapitein Grant en het edelmoedige
voorstel van lady Helena.

"Sta mij toe, mevrouw!" zeide hij, "om uw gedrag bij deze gelegenheid te
bewonderen, en wel zonder eenig voorbehoud. Laat uw jagt zijn weg
vervolgen; het zou mij spijten, als het om mijnentwil een dag verloor."

"Wilt gij ons dan helpen bij onze nasporingen?" vroeg lady Helena.

"Dat is onmogelijk, mevrouw! ik moet mijn zending volbrengen. Ik zal in
de eerste haven de beste aan land gaan...."

"Te Madera dus," zeide John Mangles.

"Te Madera, het zij zoo. Daar ben ik maar honderd tachtig mijlen van
Lissabon af, en zal er scheepsgelegenheid afwachten."

"Welnu, mijnheer Paganel!" zeide Glenarvan, "uw wensch zal vervuld
worden, en ik voor mij ben verheugd, dat ik u voor eenige dagen een
verblijf hier aan boord mag aanbieden. Als gij u maar niet te sterk in
ons gezelschap verveelt!"

"O, mylord!" riep de geleerde, "ik mag nog blijde zijn, dat ik mij op
zulk een aangename wijze vergist heb! Niettemin is het een zeer
belagchelijke toestand, als men op reis gaat naar Indië en men naar
Amerika onder zeil is!"

In weerwil van die droevige opmerking schikte Paganel zich in een
oponthoud, dat hij toch niet kon voorkomen. Hij toonde zich beminnelijk,
vrolijk en zelfs verstrooid; hij betooverde de dames door zijn
opgeruimdheid, en de dag was nog niet ten einde of hij was met allen
bevriend; op zijn verzoek werd het bekende document aan hem medegedeeld.
Hij overwoog het lang en zorgvuldig, en tot in de geringste
bijzonderheden. Het kwam hem ook voor, dat er geen andere verklaring
mogelijk was. Mary Grant en haar broeder boezemden hem de levendigste
belangstelling in. Hij sprak hun goeden moed in. De eigenaardige wijze,
waarop hij de gebeurtenissen beschouwde, en de ontwijfelbare goede
uitslag, dien hij de _Duncan_ voorspelde, deden het meisje onwillekeurig
glimlagchen. En had zijn zending het niet belet, dan zou hij deel
genomen hebben aan het opsporen van kapitein Grant!

Maar toen hij hoorde, dat lady Helena een dochter was van William
Tuffnel, kwam er geen einde aan zijn uitroepen van bewondering. Hij had
haar vader gekend. Wat was hij een stout geleerde! Wat al brieven hadden
zij gewisseld, toen William Tuffnel correspondeerend lid van het
genootschap was! Hij en niemand anders had hem aan den heer Malte-Brun
voorgesteld! Hoe toevallig en hoe genoegelijk, dat hij met de dochter
van William Tuffnel mogt reizen!

Ten slotte vroeg hij aan Helena verlof om haar te omhelzen.

Lady Glenarvan stond het toe, hoewel het misschien een beetje
"onbetamelijk" was.


[1] De leden eener indische secte, die ter eere der Godheid de menschen
wurgen en tot hun eigen voordeel ze plunderen.




VIII.

Een braaf man meer aan boord van de Duncan.


Intusschen liep het jagt, door den noordewind voortgedreven, snel naar
de linie. Den 30sten Augustus kreeg men de groep van Madera in het
gezigt. Getrouw aan zijn belofte bood Glenarvan zijn nieuwen gast aan om
binnen te loopen en hem aan wal te zetten.

"Waarde lord!" antwoordde Paganel, "ik wil eens rondborstig met u
spreken. Waart gij, vóór mijn komst aan boord, voornemens om Madera aan
te doen?"

"Neen!" zeide Glenarvan.

"Welnu! vergun mij dan, dat ik mijn voordeel doe met de gevolgen mijner
ongelukkige verstrooidheid. Het eiland Madera is reeds te bekend. Het
levert niets belangrijks meer voor een aardrijkskundige op. Men heeft
over die groep reeds al het mogelijke gezegd en geschreven, bovendien is
de druiventeelt deerlijk in verval. Verbeeld u, er zijn geen wijngaarden
meer op Madera! De wijnoogst, die in 1813 twee en twintig duizend
pijpen[1] opleverde, is in 1845 gedaald tot twee duizend zes honderd
negen en zestig. Tegenwoordig is de opbrengst slechts vijf honderd! Het
is een droevig schouwspel. Als gij er dus niets tegen hebt om de
Kanarische eilanden aan te doen!..."

"Och neen!" antwoordde Glenarvan. "Dat is niet uit onzen weg."

"Ik weet het, waarde lord! Op de Kanarische eilanden, ziet gij, zijn
drie groepen te onderzoeken, gezwegen nog van de piek van Teneriffe, die
ik altijd gehoopt heb te zien. De gelegenheid doet zich nu op. Ik maak
er gebruik van, en in afwachting van een schip, dat mij naar Europa
terugbrengt, zal ik dien vermaarden berg beklimmen."

"Zooals gij wilt, geachte Paganel!" antwoordde lord Glenarvan, die niet
nalaten kon even te glimlagchen.

En hij had regt om te glimlagchen.

De Kanarische eilanden liggen niet ver van Madera. Slechts twee honderd
vijftig mijlen[2] liggen tusschen de beide groepen, en die afstand
beteekende niet veel voor zulk een goed zeiler als de _Duncan_.

Den 31sten Augustus, des namiddags ten twee ure, wandelden John Mangles
en Paganel op de kampanje. De Franschman bestormde zijn makker met
vragen over Chili; eensklaps viel de kapitein hem in de rede, en zeide,
terwijl hij in het zuiden een stip aan den gezigteinder aanwees:
"Mijnheer Paganel?"

"Waarde kapitein!" antwoordde de geleerde.

"Zie eens dezen kant uit. Bespeurt gij niets?..."

"Niets."

"Gij ziet een verkeerden kant uit. Gij moet niet naar den gezigteinder
zien, maar daarboven, in de wolken."

"In de wolken? Of ik al zoek...."

"Zie maar langs de buitenste punt van den boegspriet."

"Ik zie niets."

"Omdat gij niet zien wilt. In allen gevalle, gij begrijpt mij, en hoewel
wij er nog veertig mijlen van af zijn, is de piek van Teneriffe
duidelijk zigtbaar boven den gezigteinder."

Of nu Paganel zien wilde of niet, moest hij het toch eenige uren later
wel toegeven, als hij zich ten minste niet voor blind wilde uitgeven.

"Ziet gij ze eindelijk?" vroeg hem John Mangles.

"Ja, ja! heel goed!" antwoordde Paganel. "En is dat nu," voegde hij er
op een toon van minachting bij, "is dat nu die beroemde piek van
Teneriffe!"

"Dezelfde."

"Zij schijnt niet heel hoog te zijn."

"En toch is zij elf duizend voet boven den spiegel der zee verheven."

"Dan is de Mont-Blanc toch hooger."

"Dat kan wel zijn; maar als het op klimmen aankomt, zult gij haar
misschien hoog genoeg vinden."

"O! welk nut zou er in steken om haar te beklimmen na Von Humboldt en
Beauplan? Een groot genie, die Von Humboldt! Hij heeft dezen berg
bestegen; hij heeft er een beschrijving van gegeven, die niets te
wenschen overlaat; hij heeft zijn vijf gordels onderzocht: den gordel
der wijnstokken, den gordel der laurierboomen, den gordel der
pijnboomen, den gordel der alpenkruiden, en eindelijk den gordel der
onvruchtbaarheid. Hij heeft den voet gezet op het bovenste puntje der
bergspits, waar niet eens ruimte genoeg was om te gaan zitten. Van den
top des bergs omvatte zijn blik een ruimte, gelijk aan het vierde
gedeelte van Spanje. Vervolgens heeft hij den vulkaan tot in zijn
binnenste doorzocht en den bodem van den uitgebranden krater betreden.
Nu vraag ik maar, wat er na dien grooten man voor mij nog te doen is?"

"Gij hebt gelijk," antwoordde John Mangles, "de nalezing is zeer
schraal. Het is jammer; want gij zult u deerlijk vervelen, als gij in de
haven van Teneriffe op een schip moet wachten. Gij moet niet op
verstrooijing rekenen."

"Behalve op mijn eigen verstrooidheid," zeide Paganel lagchende. "Maar,
waarde Mangles! leveren de Kaap-Verdische eilanden geen belangrijke
ankerplaatsen op?"

"Wel zeker. Niets is gemakkelijker dan te Villa da Praïa een schip te
vinden."

"Om nog niet eens te spreken van een ander voordeel, dat ook niet te
versmaden is," antwoordde Paganel, "namelijk, dat de Kaap-Verdische
eilanden digt bij den Senegal liggen, waar ik landgenooten zal
aantreffen. Ik weet wel, dat men die groep niet zeer belangrijk, woest
en ongezond noemt; maar in het oog van den aardrijkskundige is alles
wetenswaardig. Zien is ook een wetenschap. Er zijn menschen, die niet
kunnen zien, en die met evenveel verstand als een schaaldier rondreizen.
Maar gij moogt vrij gelooven, dat ik niet tot die soort behoor."

"Gij kunt doen, zooals gij verkiest, mijnheer Paganel!" antwoordde John
Mangles; "ik ben zeker, dat de aardrijkskunde veel winnen zal bij uw
verblijf op de Kaap-Verdische eilanden. Wij moeten er toch binnenloopen
om kolen in te nemen. Uw ontscheping zal ons dus geen oponthoud
veroorzaken."

Nu gaf de kapitein de noodige bevelen om bewesten de Kanarische eilanden
te varen; de beroemde piek liet men aan bakboordszijde liggen, en haar
snellen loop voortzettende sneed de _Duncan_ den 2den September, des
morgens ten vijf ure, den kreeftskeerkring. Nu begon het weder te
veranderen. Het was de vochtige en drukkende lucht van den regentijd,
"le tempo das aguas", zooals de Spanjaarden zeggen; een jaargetijde, dat
wel lastig is voor de reizigers, maar zeer welkom voor de bewoners der
afrikaansche eilanden, die geen boomen en bij gevolg ook gebrek aan
water hebben. De holle zee verhinderde de passagiers om op het dek te
komen; maar de gesprekken in de algemeene kamer waren er niet minder
levendig om.

Den 3den September begon Paganel zijn goed bijeen te zoeken; want zijn
ontscheping was op til. De _Duncan_ manoeuvreerde tusschen de
Kaap-Verdische eilanden; zij voer voorbij het Zout-eiland, een waren
zandheuvel, onvruchtbaar en verlaten; na groote koraalbanken voorbij
gestevend te zijn, had zij het eiland San Jago dwars van zich af, dat
van het noorden naar het zuiden doorsneden wordt door een keten
basaltbergen, die in twee hooge toppen uitloopen. Vervolgens liep John
Mangles de baai van Villa-Praïa in, en ankerde weldra voor de stad op
acht vademen diepte. Het was een verschrikkelijk weer en de branding was
zeer hevig, hoewel de baai tegen den zeewind beschut was. Het
stortregende, zoodat men ter naauwernood de stad zien kon, die op een
rijzende vlakte gebouwd is, die tegen drie honderd voet hooge
vulkanische voorbergen leunt. Het eiland leverde door die dikke gordijn
van regen heen een akelig gezigt op.

Lady Helena kon haar plan om de stad te bezoeken niet volvoeren; het
innemen van de kolen had met de grootste moeite plaats. De passagiers
der _Duncan_ moesten dus onder de kampanje blijven, terwijl lucht en zee
haar water in een onuitsprekelijke verwarring met elkaar vermengden. Het
weder was natuurlijk het eenige onderwerp der gesprekken aan boord.
Ieder zeide er het zijne van, behalve de majoor, die met volkomene
onverschilligheid zelfs een algemeenen zondvloed zou bijgewoond hebben.
Paganel liep het hoofd schuddende heen en weer.

"Het wordt er om gedaan, geloof ik," zeide hij.

"Het is zeker" antwoordde Glenarvan, "dat de elementen zich tegen ons
verklaren."

"Ik zal er mij toch niet aan storen."

"Gij kunt toch niet in zulk een regenbui aan land gaan," zeide lady
Helena.

"Voor mij is het niets, mevrouw! Ik ben alleen bang voor mijn bagage en
mijn instrumenten. Alles zal bedorven worden."

"Er is alleen maar gevaar bij het ontschepen," hernam Glenarvan. "Eens
te Villa-Praïa zijnde, kunt gij wel onder dak komen. De zindelijkheid
laat zeker wel wat te wenschen over en het gezelschap van apen en
zwijnen is juist niet bijzonder aangenaam. Maar een reiziger moet daar
niet op zien. Bovendien moogt gij verwachten, dat gij binnen zeven of
acht maanden wel een schip zult vinden, dat u naar Europa brengt."

"Zeven of acht maanden!" riep Paganel.

"Op zijn allerminst. De Kaap-Verdische eilanden worden in den regentijd
niet druk door schepen bezocht. Maar gij zult uw tijd nuttig kunnen
besteden. Deze archipel is nog weinig bekend. Er is nog niet veel gedaan
aan de plaatsbeschrijving, aan het onderzoek van het klimaat en de
bewoners en aan de hoogtemeting."

"Gij zult den loop der stroomen kunnen nagaan," zeide lady Helena.

"Er zijn geen stroomen, mevrouw!" antwoordde Paganel.

"Van de rivieren dan!"

"Die zijn er evenmin."

"Van de beken dan?"

"Die zijn er ook niet."

"Goed!" sprak de majoor, "dan kunt gij de wouden doorkruisen."

"Om bosschen te maken, moeten er boomen zijn; maar die zijn er niet."

"Een mooi land!" riep de majoor.

"Troost u, waarde Paganel!" zeide nu Glenarvan, "de bergen blijven toch
nog over."

"O! die zijn maar laag en leveren niets belangrijks op, mylord! En
bovendien, dat werk is reeds verrigt."

"Reeds verrigt!" zeide Glenarvan.

"Ja! zoo gaat het mij meestal. Stond ik op de Kanarische eilanden voor
het werk van Von Humboldt, hier heb ik een anderen voorganger gehad, den
geoloog Charles Sainte-Claire-Deville!"

"Maar dat is onmogelijk!"

"En toch is het zoo," antwoordde Paganel op een verdrietigen toon. "Deze
geleerde was aan boord der oorlogskorvet _la Décidée_, toen zij de
Kaap-Verdische eilanden aandeed; hij heeft den belangrijksten top der
geheele groep, den vulkaan van het eiland Fogo, bezocht. Wat blijft er
nu voor mij over?"

"Maar dat is toch wat te zeggen," antwoordde lady Helena. "Wat zult gij
nu doen, mijnheer Paganel?"

Paganel zweeg eenige oogenblikken stil.

"Gij hadt zeker beter gedaan met te Madera aan land te gaan, al is er
geen wijn meer!" hernam Glenarvan.

De geleerde secretaris van het aardrijkskundig genootschap zeide hier
niets op.

"Ik zou maar wachten," zeide de majoor op een toon, alsof hij wilde
zeggen: "ik zou niet wachten."

"Waarde Glenarvan!" hernam nu Paganel, "waar denkt gij nu binnen te
loopen?"

"O, eerst te Concepcion"

"Drommels! dat is een heel eind uit de buurt van Indië."

"Wel neen! zoodra gij voorbij kaap Hoorn zijt, komt gij er hoe langer
hoe digter bij."

"Dat zou nog te bezien staan."

"Bovendien," hernam Glenarvan met een ernstig gezigt, "als men naar
Indië gaat, komt het er niet op aan of het Oost- of West-Indië is."

"Nu nog mooijer."

"Zonder nog te rekenen, dat de bewoners der pampa's van Patagonië even
goed Indianen zijn als de inboorlingen van Pendsjaub."

"Drommels, mylord!" riep Paganel, "zulk een redeneering zou nooit in mij
opgekomen zijn!"

"En dan, waarde Paganel! men kan de gouden medaille overal verdienen; er
is overal wat te doen, wat te zoeken, wat te ontdekken, op de
Cordillera's zoowel als in het gebergte van Thibet."

"Maar de loop van den Yarou-Dzangbo-Tchou?"

"Wel, neem de Rio Colorado in zijn plaats! Dat is een weinig bekende
rivier, die op de kaart wel wat al te willekeurig door de
aardrijkskundigen wordt aangewezen."

"Ik weet het, waarde lord! er is een fout in van verscheidene graden. O!
ik twijfel niet of het aardrijkskundig genootschap zou mij, als ik er om
gevraagd had, even gaarne naar Patagonië als naar Indië gezonden hebben.
Maar daaraan heb ik niet gedacht!"

"Het gevolg van uw gewone verstrooidheid."

"Kom, mijnheer Paganel! ga maar met ons mede!" zeide lady Helena op een
vleijenden toon.

"En mijn zending dan, mevrouw!"

"Ik waarschuw u, dat wij door de straat van Magellaan zullen varen,"
hernam Glenarvan.

"Mylord! gij zijt een verzoeker."

"Ik voeg er bij, dat wij Hongerhaven zullen bezoeken."

"Hongerhaven!" riep de Franschman, die aan alle kanten bestormd werd,
"die haven, welke zoo beroemd is in de jaarboeken der aardrijkskunde!"

"Bedenk ook eens, mijnheer Paganel!" hervatte lady Helena, "dat gij het
regt zult hebben om bij deze onderneming den naam van Frankrijk te paren
aan dien van Schotland!"

"Ja, zonder twijfel!"

"Een aardrijkskundige kan ons van dienst zijn op onzen togt, en is er
iets schooners, dan de wetenschap dienstbaar te maken aan de
menschlievendheid?"

"Goed gezegd, mevrouw!"

"Geloof mij. Laat het toeval of liever de Voorzienigheid begaan. Doe
gelijk wij. Zij heeft ons dit document toegezonden; wij zijn vertrokken.
Zij werpt u op de _Duncan_, verlaat ze niet meer."

"Mag ik u eens iets zeggen, mijne vrienden?" hernam nu Paganel, "gij
hebt grooten lust om mij hier te houden!"

"En gij om hier te blijven, Paganel!" antwoordde Glenarvan.

"Juist geraden!" riep de geleerde aardrijkskundige; "maar ik vreesde
onbescheiden te zijn!"


[1] Een pijp is gelijk aan vijftig vaten.

[2] Omtrent negentig uren.




IX.

De straat van Magellaan.


Er heerschte een algemeene vreugde aan boord, toen men het besluit van
Paganel vernam. De jonge Robert vloog hem met een veelzeggende
levendigheid om den hals. Het scheelde weinig, of de waardige secretaris
was achterover gevallen. "Een ruwe knaap," zeide hij, "ik zal hem
aardrijkskunde leeren."

Daar John Mangles op zich nam om een zeeman, Glenarvan om een moedig
man, de majoor om een koelbloedigen jongen, Helena om een goed en
edelmoedig mensch, Mary Grant om een dankbaren kweekeling van zulke
meesters van hem te maken, kon het niet anders of hij moest eenmaal een
volmaakt "gentleman" worden.

De _Duncan_ had spoedig den noodigen voorraad kolen aan boord, waarna
zij die treurige streken verliet, den koers westwaarts naar de kust van
Brazilië rigtte, en den 7den September, na met een frissche koelte uit
het noorden de linie gepasseerd te zijn, in het zuidelijk halfrond kwam.

De reis ging dus tot nog toe zeer goed; iedereen had goeden moed. Op
dezen togt ter opsporing van kapitein Grant scheen de kans op een goeden
uitslag dagelijks grooter te worden. De kapitein koesterde wel het
meeste vertrouwen. Maar zijn vertrouwen vloeide vooral voort uit zijn
hartewensch om miss Mary gelukkig en getroost te zien. Hij had een
bijzondere belangstelling voor dat meisje opgevat, en verborg dat gevoel
zoo goed, dat behalve Mary Grant en hij zelf, iedereen aan boord van de
_Duncan_ het bemerkte.

De geleerde aardrijkskundige was waarschijnlijk de gelukkigste mensch op
het zuidelijk halfrond; hij bragt den geheel en dag door met de kaarten
te bestudeeren, die hij op de tafel in de algemeene kamer uitspreidde,
waaruit dagelijks geschil ontstond met Olbinett, die de tafel niet kon
dekken. Maar Paganel had al de bewoners der kampanje op zijn hand,
behalve den majoor, die zeer onverschillig was voor aardrijkskundige
vraagstukken, vooral tegen etenstijd. Ook had hij een heelen hoop zeer
geschonden boeken in de koffers van den eersten stuurman gevonden, en
daaronder eenige spaansche werken, hetgeen hem op den inval bragt om de
taal van Cervantes, welke niemand aan boord magtig was, te gaan leeren.
Dat zou zijn nasporingen op de chilische kust gemakkelijk maken. Wegens
zijn aanleg voor het leeren van talen, twijfelde hij geenszins of hij
zou die nieuwe taal vloeijend kunnen spreken bij zijn komst te
Concepcion. Hij leerde dan ook met veel ijver, en onophoudelijk hoorde
men hem allerlei onzamenhangende lettergrepen mompelen.

In zijn uren van uitspanning verzuimde hij niet om den jongen Robert
praktisch te onderrigten, en vertelde hij hem de geschiedenis van die
kusten, welke de _Duncan_ zoo snel naderde.

Het was den 10den September, en men bevond zich toen op 5°37' breedte en
31°15' lengte. Op dien dag vernam Glenarvan iets, dat zelfs geleerder
menschen misschien niet weten. Paganel vertelde de geschiedenis van
Amerika, en om op de groote zeevaarders te komen, wier spoor het jagt nu
volgde, begon hij bij Christophorus Columbus; hij eindigde met te
zeggen, dat de beroemde Genuees gestorven was, zonder te weten, dat hij
een nieuwe wereld ontdekt had.

Niemand zijner hoorders wilde dit gelooven. Paganel bleef het echter
volhouden.

"Niets is zekerder," voegde hij er bij. "Ik wil den roem van Columbus
niet verminderen; maar het feit is bewezen. Tegen het einde der
vijftiende eeuw hield slechts ééne gedachte alle geleerden bezig: de
gemeenschap met Azië gemakkelijker te maken, en het Oosten te zoeken
langs westelijke wegen; in een woord, om langs den kortsten weg naar
"het land der specerijen" te gaan. Columbus beproefde het. Hij deed vier
reizen; hij deed Amerika aan op de kusten van Cumana, Honduras,
Mosquitos, Nicaragua, Veragua, Costa-Rica en Panama, zag dat alles aan
voor Japan en China, en stierf zonder kennis te dragen van het groote
vastland, dat niet eens zijn naam zou dragen!"

"Ik wil u wel gelooven, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan; "maar gij
zult mij toch zeker mijn verwondering niet ten kwade duiden, evenmin als
mijn verlangen om te weten, welke zeevaarders dan wel de waarheid
aangaande de ontdekkingen van Columbus aan den dag hebben gebragt."

"Zijne opvolgers: Ojeda, die hem reeds op zijne reizen vergezeld had,
zoowel als Vincentius Pinzon, Vespucius, Mendoza, Bastidas, Cabral,
Solis, Balboa. Deze zeevaarders zeilden langs de oostkust van Amerika;
zij bepaalden haar zuidelijke grenzen en werden, nu reeds drie honderd
zestig jaar geleden, door dezelfde strooming medegevoerd, die ons
voortdrijft! Ziet, mijne vrienden! wij zijn de linie gepasseerd op
dezelfde plaats, waar Pinzon haar in het laatst der vijftiende eeuw
passeerde, en wij naderen den achtsten graad zuiderbreedte, waaronder
hij de braziliaansche kust aantrof. Een jaar later kwam de Portugees
Cabral tot aan de haven Seguro. Vespucius ging later op zijn derden togt
in 1502 nog verder zuidwaarts. In 1508 verbonden zich Vincentius Pinzon
en Solis om de kusten van Amerika te onderzoeken, en in 1514 ontdekte
Solis den mond der Rio de la Plata, waar hij door de inboorlingen
verslonden werd, zoodat aan Magellaan de eer te beurt viel van de aarde
rond te reizen. Die groote zeevaarder vertrok in 1519 met vijf
vaartuigen, volgde de kusten van Patagonië, ontdekte de haven Désiré, de
haven San-Julian, waar hij een geruimen tijd bleef liggen, vond op twee
en vijftig graden breedte de straat der Elf duizend Maagden, die naar
hem zou genoemd worden, en kwam den 28sten November 1520 in de Stille
Zuidzee. O! welk een blijdschap moest hij gevoelen, en welke ontroering
zal zijn hart hebben doen kloppen, toen hij aan den gezigteinder een
nieuwe zee zag fonkelen onder de stralen der zon!"

"Ja, mijnheer Paganel!" riep Robert Grant uit, die opgetogen was van
geestdrift door de woorden van den aardrijkskundige, "daar zou ik gaarne
bij geweest zijn!"

"Ik ook, mijn jongen! en ik zou zulk een gelegenheid niet hebben laten
ontglippen, als de hemel mij drie honderd jaar vroeger had laten geboren
worden!"

"Dat zou jammer voor ons geweest zijn, mijnheer Paganel!" antwoordde
lady Helena; "want dan zoudt gij ons nu op de kampanje der _Duncan_ die
geschiedenis niet vertellen."

"Een ander zou het in mijne plaats gedaan hebben, mevrouw! en hij zou er
bijgevoegd hebben, dat de kennismaking met de westkust te danken is aan
de gebroeders Pizarro. Deze stoutmoedige gelukzoekers waren groote
stedenstichters. Cusco, Quito, Lima, Santiago, Villarica, Valparaiso en
Concepcion, waar de _Duncan_ ons heenbrengt, zijn hun werk. Te dien
tijde sloten de ontdekkingen van Pizarro zich aan bij die van Magellaan,
en de geheele amerikaansche kust kwam op de kaarten voor, tot groot
genoegen van de geleerden der oude wereld."

"En ik," zeide Robert, "zou nog niet tevreden geweest zijn."

"Waarom niet?" vroeg Mary, terwijl zij haar broeder aanzag, die
opgewonden werd bij het verhaal van die groote ontdekkingen.

"Ja, jongenlief! waarom niet?" vroeg lord Glenarvan met een bemoedigend
glimlachje.

"Omdat ik had willen weten, wat er aan gene zijde der straat van
Magellaan lag."

"Bravo, vriendje!" antwoordde Paganel, "en ik had ook willen weten of
het vastland tot aan de pool liep, dan wel of er een opene zee bestond,
zooals Drake, een uwer landgenooten, mylord! vooronderstelde. Het is dus
stellig zeker, dat als Robert Grant en Jacques Paganel in de zeventiende
eeuw geleefd hadden, zij zich met Schouten en Lemaire ingescheept zouden
hebben, twee Nederlanders, die zeer begeerig waren om de oplossing van
dat aardrijkskundig raadsel te vinden."

"Waren het geleerden?" vroeg lady Helena.

"Neen! maar stoute handelaars, die zich weinig bekommerden om de
wetenschappelijke zijde der ontdekkingen. Er bestond toen in Holland een
Oost-Indische Compagnie, die alleen het regt had om door de straat van
Magellaan handel te drijven. Daar nu te dien tijde geen andere doortogt
bekend was om langs de wegen van het westen naar Azië te komen, was de
alleenhandel het gevolg van dat voorregt. Menige handelaren wilden
daarom dat monopolie nutteloos maken door een andere straat te
ontdekken, en daaronder behoorde een zekere Isaac Lemaire, een schrander
en bekwaam man. Hij rustte met eenige burgers van Hoorn twee schepen uit
onder bevel van zijn neef, Jacob Lemaire, en van Schouten, een goed
zeeman, te Hoorn geboren. Die stoute zeereizigers zeilden in de maand
Junij van het jaar 1615 uit, bijna een eeuw na Magellaan; zij ontdekten
de straat van Lemaire, tusschen het Vuurland en het Stateneiland, en den
12den Februarij 1616 zeilden zij om kaap Hoorn, die met meer regt dan
haar zuster, de kaap de Goede Hoop, den naam van Stormkaap verdiend zou
hebben."[1]

"Ja zeker, daar had ik wel bij willen zijn!" riep Robert.

"En gij zoudt uit de bron der levendigste aandoeningen geput hebben,
mijn jongen!" hernam Paganel, die hoe langer hoe opgewondener werd.
"Bestaat er wel een echter genoegen, een wezenlijker vermaak dan dat van
den zeevaarder, die zijne ontdekkingen op de scheepskaart aanteekent?
Hij ziet de landen allengs onder zijn oog ontstaan, eiland na eiland,
voorgebergte na voorgebergte, ja, om zoo te zeggen uit den schoot der
golven oprijzen! Eerst zijn de grenslijnen onduidelijk, afgebroken,
onzamenhangend! Hier een eenzame kaap, daar een afgelegen baai, verder
een golf, die zich in de ruimte verliest. Langzamerhand worden de
ontdekkingen volledig, de lijnen sluiten aan elkander, de punten op de
kaart maken plaats voor een streep; de baaijen dringen boogvormig in
bepaalde kusten, de kapen rusten op vaste oevers; eindelijk ontvouwt
zich het nieuwe vastland met zijn meren, rivieren en stroomen, zijn
bergen, dalen en vlakten, zijn dorpen, steden en hoofdsteden, in al zijn
schitterende pracht op de globe! Ach, mijne vrienden! een landontdekker
is waarlijk een uitvinder! Hij gevoelt al diens aandoeningen en
verrassingen! Maar nu is die mijn bijna uitgeput! Men heeft ten aanzien
van vastlanden of nieuwe werelden alles gezien, alles onderzocht, alles
uitgevonden, en wij, die zoo achteraan komen in de wetenschap der
aardrijkskunde, wij hebben niets meer te doen!"

"Gij vergist u, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan.

"En wat dan?"

"Wat wij doen!"

Intusschen vorderde de _Duncan_ goed op den weg der Vespuciussen en
Magellaans. Op den 15den September passeerde zij den steenbokskeerkring,
en werd de steven naar den ingang der beroemde straat gerigt;
verscheidene malen bemerkte men de lage kusten van Patagonië, maar als
een lijn, die ter naauwernood aan den gezigteinder zigtbaar was; men
schatte den afstand op meer dan tien mijlen, en de sterke kijker van
Paganel gaf hem slechts een onduidelijk beeld van die amerikaansche
oevers.

Den 25sten September was de _Duncan_ op de hoogte der straat van
Magellaan. Zij stevende haar onbeschroomd in; de stoomschepen, die naar
de Stille Zuidzee gaan, geven meestal de voorkeur aan dezen weg, die
slechts drie honderd zes en zeventig mijlen[2] lang is; de de grootste
schepen vinden overal diep water, zelfs op de ondiepten aan de oevers,
een uitmuntenden ankergrond, talrijke waterplaatsen, vischrijke
rivieren, een overvloed van wild in de bosschen, op twintig plaatsen
veilige en gemakkelijke havens, kortom duizend hulpmiddelen, die men te
vergeefs zoekt in de straat van Lemaire en bij de verschrikkelijke
rotsen van kaap Hoorn, waar onafgebroken orkanen en stormen heerschen.

Gedurende de eerste uren van den togt, dat is te zeggen over een lengte
van zestig a tachtig mijlen, tot aan kaap Gregorius, zijn de kusten laag
en zandig. Jacques Paganel wilde geen enkel gezigtspunt of bijzonderheid
van de straat over het hoofd zien; de togt zou ter naauwernood zes en
dertig uren duren, en dat bewegelijk panorama van de beide oevers was
wel de moeite waard, die de geleerde nam, om het bij het heldere licht
der zuiderzon te bewonderen. Geen inwoner was op de noordelijke kust te
zien; alleen doolden eenige ellendige Vuurlanders op de kale rotsen van
het Vuurland.

Paganel had dus het verdriet van geen Patagoniërs te zien. Dit speet hem
zeer, tot groot vermaak zijner reisgenooten.

"Een Patagonië zonder Patagoniërs is geen Patagonië meer," zeide hij.

"Geduld, waarde aardrijkskundige!" antwoordde hem Glenarvan, "wij zullen
Patagoniërs zien."

"Ik ben er niet zeker van."

"Maar zij bestaan toch," zeide lady Helena.

"Ik betwijfel het zeer, mevrouw! ook zie ik er niet."

"Die naam Patagoniërs, die in het spaansch "grootvoeten" beteekent, zal
toch wel niet aan denkbeeldige wezens gegeven zijn."

"O! de naam doet er niets toe," antwoordde Paganel, die in zijn meening
bleef volharden om het gesprek aan den gang te houden, "bovendien weet
men om de waarheid te zeggen niet eens hoe zij heeten."

"Nu nog mooijer!" riep Glenarvan. "Wist gij dat, majoor?"

"Neen!" antwoordde Mac Nabbs, "en ik zou er geen schots pond voor geven
om het te weten."

"En toch zult gij het hooren, onverschillige majoor!" hernam Paganel.
"Heeft Magellaan de inboorlingen dezer streken Patagoniërs genoemd, de
Vuurlanders noemen hen Tiremenen, de Chiliërs Cancalhues, de kolonisten
van de Carmen Tehuelches, de Araucaniërs Huiliches; Bougainville geeft
hun den naam van Chaouha, Falkner dien van Tehuelhets! Zich zelven geven
zij den algemeenen naam van Inaken! Nu vraag ik u, hoe men daaruit wijs
kan worden, en of een volk, dat zooveel namen heeft, bestaan kan!"

"Daar valt niets tegen in te brengen!" antwoordde lady Helena.

"Toegegeven!" hernam Glenarvan; "maar onze vriend Paganel zal toch, meen
ik, bekennen, dat zoo er al twijfel bestaat over den naam der
Patagoniërs, men het althans over hun lengte wel eens is!"

"Nooit zal ik zoo iets bekennen," antwoordde Paganel.

"Zij zijn groot," zeide Glenarvan.

"Ik weet het niet."

"Klein dan?" vroeg lady Helena.

"Dat kan niemand zeggen."

"Middelmatig dan?" zeide Mac Nabbs om alles in orde te brengen.

"Ik weet het evenmin."

"Dat gaat toch te ver!" riep Glenarvan "De reizigers, die hen gezien
hebben...."

"De reizigers, die hen gezien hebben," antwoordde de aardrijkskundige,
"zijn het volstrekt niet eens. Magellaan zeide, dat zijn hoofd
naauwelijks tot hun gordel reikte."

"Welnu!"

"Ja maar Drake beweert, dat de Engelschen grooter zijn dan de grootste
Patagoniër!"

"O! Engelschen! dat is mogelijk" antwoordde de majoor op een toon van
minachting; "maar als het Schotten waren."

"Cavendish verzekert, dat zij groot en sterk zijn," hernam Paganel.
"Hawkins maakt er reuzen van. Lemaire en Schouten geven hun een lengte
van elf voet."

"Goed! dat zijn geloofwaardige lieden," zeide Glenarvan.

"Ja! even geloofwaardig als Wood, Narborough en Falkner, die bevonden
hebben, dat zij van eene middelmatige gestalte zijn. Wel is waar
verzekeren Byron, la Giraudais, Bougainville, Wallis en Carteret, dat de
Patagoniërs zes voet en zes duim lang zijn; maar de geleerde d'Orbigny,
die deze streken het best kent, geeft hun een gemiddelde lengte van vijf
voet en vier duim."

"Maar," zeide lady Helena, "wat is nu de waarheid te midden van zooveel
tegenstrijdigheden?"

"De waarheid, mevrouw!" antwoordde Paganel, "is, dat de Patagoniërs
korte beenen en een groot bovenlijf hebben. Men kan dus zijn gevoelen op
een grappige wijze uitdrukken door te zeggen, dat die menschen zes voet
lang zijn, als zij zitten, en maar vijf, wanneer zij staan."

"Bravo! goed gezegd! mijn waarde geleerde!" antwoordde Glenarvan.

"Tenzij zij niet bestaan," hernam Paganel; "hetgeen een einde aan het
verschil zou maken. Maar ten besluite, mijne Vrienden! voeg ik er deze
troostrijke opmerking bij, dat de straat van Magellaan prachtig is, ook
zonder Patagoniërs!"

Op hetzelfde oogenblik voer de _Duncan_ om het schiereiland Brunswijk,
tusschen twee prachtige panorama's. Zeventig mijlen voorbij kaap
Gregorius zag men aan stuurboordszijde het verbeterhuis van Punta Arena.
De Chilische vlag en de kerktoren vertoonden zich even tusschen de
boomen. Verderop liep de straat tusschen ontzagwekkende granietmassa's;
de bergen verscholen hun voet in de ontzaggelijke wouden, en verhieven
hun met eeuwige sneeuw bedekte kruinen tot in de wolken; ten zuidwesten
rees de berg Tarn tot een hoogte van zes duizend vijfhonderd voet op; de
avond viel, voorafgegaan door een lange schemering; het licht verdween
onmerkbaar met zachte schakeeringen; schitterende sterrebeelden werden
aan den hemel zigtbaar en het Zuiderkruis wees den zeevaarders de
rigting der zuidpool. Bij die verlichting door het schijnsel der
sterren, die de vuurtorens op de kusten der beschaafde landen vervangen,
zette het jagt, in weerwil van den nacht, zijn reis moedig voort, zonder
het anker te werpen in een der menigvuldige baaijen op den oever;
dikwijls raakte de top der ra de takken van de beuken der
zuidpoolgewesten aan, die over de golven uitstaken; dikwijls ook bragt
de schroef beweging in het water der groote rivieren, door de ganzen,
eenden, snippen en talingen en de andere gevederde waterbewoners wakker
te maken. Weldra vertoonden zich puinhoopen en eenige ingestorte
gebouwen, waaraan de nacht een grootsch voorkomen gaf. Het waren de
treurige overblijfselen eener verlatene kolonie, wier naam eeuwig verzet
zal aanteekenen tegen de vruchtbaarheid dezer kusten en den rijkdom aan
wild dier wouden. De _Duncan_ liep voorbij Hongerhaven.

Hier had de Spanjaard Sarmiento zich in 1581 met vier honderd
uitgewekenen neergezet; hij stichtte er de stad San-Felipe; een
verschrikkelijke koude teisterde de kolonie, de hongersnood doodde
degenen, die de winter had gespaard, en in 1587 vond de kaper Cavendish
den laatste dier vier honderd ongelukkigen, die van honger stierf op de
puinhoopen eener stad, die wel zes eeuwen oud scheen en toch maar zes
jaren bestaan had.

De _Duncan_ stevende voorbij die woeste oevers; bij zonsopgang bevond
zij zich in het midden der naauwe kanalen, tusschen wouden van beuken,
esschen en berken, waarboven groene koepels, heuveltjes met weelderige
hulst begroeid en scherpe rotspunten uitstaken, waaronder de obelisk van
Buckland zich tot een aanzienlijke hoogte verhief. Men voer voorbij den
ingang der St.-Nicolaasbaai, vroeger door Bougainville de baai der
Franschen genoemd; in de verte dartelden kudden groote robben en
walvisschen, althans naar de waterstralen te oordeelen, die op een
afstand van vier mijlen zigtbaar waren. Eindelijk voer men om kaap
Froward, die nog geheel bedekt was met het ijs van den vorigen winter.
Aan de overzijde der straat verhief zich op Vuurland de berg Sarmiento
ter hoogte van zes duizend voet, een verbazende opeenhooping van rotsen
door stapels wolken gescheiden, die als het ware een archipel van in de
lucht drijvende eilandjes vormden.

Het eigenlijke vastland van Amerika eindigt bij kaap Froward; want kaap
Hoorn is slechts een afgezonderde rots in zee op zes en vijftig graden
breedte.

Voorbij dit punt wordt de straat ingeklemd tusschen het schiereiland
Brunswijk en het Desolations-eiland, dat zich in de lengte tusschen
duizend eilandjes uitstrekt, als een ontzaggelijke walvisch, die op
strandkeitjes is aangespoeld. Welk een verschil tusschen dit
verbrokkelde uiteinde van Amerika, en de sierlijke en nette punten van
Afrika, Australië of Indië! Door welke onbekende overstrooming zou toch
wel dat ontzaggelijke voorgebergte zoo tusschen twee zeeën geklemd en
tot stof vergruisd zijn?

Nu volgde op de vruchtbare oevers een naakte kuststrook, met een woest
voorkomen, ingevreten door de duizenden stroompjes van dezen verwarden
doolhof. Zonder zich te vergissen noch te aarzelen volgde de _Duncan_ de
grillige kronkelingen, terwijl zij de door de rotsen gescheurde nevels
met haar rookwolken vermengde. Zonder haar vaart te vertragen stoomde
zij voorbij eenige spaansche factorijen, die op deze verlatene oevers
waren opgerigt. Bij kaap Tamar werd de straat breeder; het jagt had nu
de noodige ruimte om de steile kust der Narborough eilanden om te varen,
en naderde den zuidelijken oever. Zes en dertig uren eindelijk nadat het
de straat was ingestoomd, ontdekte men de rots van kaap Pilares op de
uiterste punt van Desolations-eiland. Een onmetelijke, opene, fonkelende
zee breidde zich voor den steven uit, en terwijl Jacques Paganel haar
met een gebaar van geestdrift begroette, voelde hij zich even aangedaan
als Ferdinand Magellaan zelf was, toen de _Trinitad_[3] zich boog onder
de koelte van de Stille Zuidzee.


[1] De onverschrokken reizigers moesten hun onderneming duur boeten. Op
Java komende, werd hun door den gouverneur-generaal aangezegd, dat zij
tegen het octrooi, aan de Oost-Indische maatschappij verleend, gezondigd
hadden, en hij hen als zeeroovers moest beschouwen en hun schepen
verbeurd verklaren. De V.

[2] 130 uren.

[3] Het schip, waarop Magellaan zich bevond.




X.

De zeven en dertigste parallel.


Acht dagen na het omvaren van kaap Pilares, stoomde de _Duncan_ de baai
van Talcahuano binnen, een prachtige inham van twaalf mijlen lang en
negen breed. Het was heerlijk weder. Van November tot Maart ziet men in
deze streek geen wolkje aan de lucht, en waait er onafgebroken een
zuidewind langs deze, door de keten der Andes beschutte kust. Op bevel
van Edward Glenarvan had John Mangles het digt onder den Chiloë-archipel
en de tallooze brokstukken van het amerikaansche vastland gehouden. Het
een of ander strandgoed, gebroken sparren, een door menschenhanden
bewerkt stuk hout kon voor de _Duncan_ een spoor van de schipbreuk zijn,
maar er was niets te zien, en het jagt zijn weg vervolgende ankerde in
de haven van Talcahuano, twee en veertig dagen nadat het de mistige
wateren der Clyde had verlaten.

Terstond liet Glenarvan zijn sloep in zee brengen, en door Paganel
gevolgd stapte hij aan den voet van het paalwerk aan land. Van de
gelegenheid gebruik makende wilde de geleerde aardrijkskundige zich van
de spaansche taal bedienen; maar tot zijn groote verbazing kon hij zich
niet door de inboorlingen doen verstaan.

"Ik heb den klemtoon nog niet," zeide hij.

"Kom, ga mede naar het tolkantoor," antwoordde lord Glenarvan.

Door middel van eenige engelsche woorden vereenigd met de gebarentaal
vertelde men hun daar, dat de britsche consul te Concepcion woonde. Het
was een rit van een uur. Glenarvan vond gemakkelijk twee vlugge paarden
en spoedig waren Paganel en hij binnen de muren dier groote stad, die
haar ontstaan had te danken aan den ondernemenden geest van Valdivia,
den wakkeren medgezel der Pizarro's.

Hoezeer was haar oude luister getaand! Dikwijls door de inboorlingen
geplunderd, in 1819 in den asch gelegd en verwoest, zoodat de muren nog
zwart waren van den rook, reeds door Talcahuano overvleugeld, telde zij
naauwelijks acht duizend zielen. De straten veranderden in weilanden
onder de trage schreden der inwoners. Geen handel werd er meer gedreven,
de nijverheid bestond niet meer, het doen van zaken was onmogelijk
geworden. De luit klonk op ieder balkon; smachtende liederen drongen
door de tralievensters, en Concepcion, die oude stad van mannen, was een
dorp van vrouwen en kinderen geworden.

Glenarvan had weinig lust om de oorzaken van dat verval op te sporen,
hoewel Jacques Paganel het gesprek op dit onderwerp bragt, en zonder een
oogenblik te verzuimen begaf hij zich naar de woning van den heer J.R.
Bentock, consul van Hare Britsche Majesteit. Deze ontving hem zeer
beleefd en na de geschiedenis van kapitein Grant vernomen te hebben, nam
hij op zich om langs de geheele kust onderzoek te doen.

De vraag of de driemaster _Britannia_ langs de kusten van Chili of
Araucanië naar de zeven en dertigste parallel was gestevend, werd
ontkennend beantwoord.

Noch deze consul noch die der andere natiën had eenig berigt betreffende
een voorval van dien aard ontvangen. Glenarvan gaf den moed niet op. Hij
kwam te Talcahuano terug, en tijd, moeite noch geld ontziende, zond hij
agenten langs de kust uit. Die nasporingen waren te vergeefsch. Het
naauwkeurigst onderzoek bij de kustbewoners in het werk gesteld leverde
geen uitkomst op. Men moest hieruit besluiten, dat er geen spoor van de
schipbreuk der _Britannia_ was overgebleven.

Nu gaf Glenarvan zijn reisgenooten kennis van den ongelukkigen uitslag
zijner pogingen. Mary Grant en haar broeder konden hun droefheid niet
verbergen. Het was nu zes dagen na de aankomst der _Duncan_ te
Talcahuano. De passagiers waren in de bovenhut bijeen. Lady Helena
troostte, niet met woorden,--want wat zou zij hebben kunnen
zeggen?--maar door haar liefkozingen de beide kinderen van den kapitein.
Jacques Paganel had het document weder in handen genomen, en beschouwde
het zoo oplettend, alsof hij er nieuwe geheimen aan had willen
ontrukken. Dit duurde reeds een uur lang, toen Glenarvan hem aansprak.

"Paganel! ik doe een beroep op uwe schranderheid. Hebben wij een
verkeerde uitlegging aan dit document gegeven? Is de zin dezer woorden
niet logisch?"

Paganel gaf geen antwoord. Hij dacht na.

"Vergissen wij ons in het vermoedelijk tooneel der ramp?" hernam
Glenarvan. "Moet zelfs de onoplettendste hier geen Patagonië lezen?"

Paganel bleef nog altijd zwijgen.

"Eindelijk," zeide Glenarvan, "pleit het woord _Indiaan_ ook niet voor
ons gevoelen?"

"Wel zeker!" antwoordde Mac Nabbs.

"En is het dan niet duidelijk, dat de sohipbreukelingen, toen zij deze
regelen schreven, verwachtten gevangenen te worden door de Indianen?"

"Wacht even, waarde lord!" antwoordde Paganel eindelijk; "al zijn uwe
andere gevolgtrekkingen juist, deze laatste is dunkt mij niet
aannemelijk."

"Wat bedoelt gij daarmede?" vroeg lady Helena, terwijl allen hun blikken
op den aardrijkskundige rigtten.

"Ik wil zeggen," antwoordde Paganel met bijzonderen nadruk, "dat
kapitein Grant _thans gevangen is bij de Indianen_, en wat meer is, het
document laat niet toe om daaraan te twijfelen."

"Verklaar u, mijnheer!" zeide miss Grant.

"Niets is gemakkelijker, lieve Mary! lees maar op het document _zijn
gevangen_ in plaats van _zullen gevangen zijn_, en alles is duidelijk."

"Maar dat is onmogelijk!" riep lord Edward.

"Onmogelijk! En waarom, mijn edele vriend?" vroeg Paganel glimlagchend.

"Omdat de flesch in zee moet geworpen zijn, toen het schip tegen de
rotsen verbrijzeld werd. Daaruit volgt noodzakelijk, dat de graden
lengte en breedte betrekking hebben op de plaats der schipbreuk."

"Daar is niet het minste bewijs voor," antwoordde Paganel met drift, "en
ik zie niet in, waarom de schipbreukelingen, nadat de Indianen hen tot
in het binnenland hadden gesleept, geen poging zouden aangewend hebben
om door middel van deze flesch de plaats hunner gevangenschap te doen
kennen."

"Heel eenvoudig, waarde Paganel! omdat er, als men een flesch in zee wil
werpen, toch een zee moet zijn!"

"Of, als er geen zee is," gaf Paganel ten antwoord, "rivieren, die er in
uitloopen!"

Dit onverwachte en toch zeer aannemelijke antwoord deed allen van
verbazing zwijgen. Het vuur, dat in de oogen zijner toehoorders
schitterde, bewees Paganel, dat allen zich aan een nieuwe hoop
vastklemden. Lady Helena verbrak het eerst de stilte.

"Welk een gedachte!" riep zij uit.

"En welk een goede gedachte!" voegde de aardrijkskundige er droogweg
bij.

"Uw gevoelen is dus?..." vroeg Glenarvan.

"Mijn gevoelen is, dat wij de zeven en dertigste parallel moeten
opzoeken ter plaatse, waar zij de amerikaansche kust snijdt, en haar,
zonder ook maar een halven graad af te wijken, moeten volgen tot het
punt, waar zij den Atlantischen Oceaan raakt. Misschien vinden wij in
haar rigting de schipbreukelingen der _Britannia_."

"De kans is gering!" meende de majoor.

"Zoo gering als zij is," hernam Paganel, "mogen wij haar toch niet
verzuimen. Misschien heb ik gelijk, dat deze flesch door den stroom
eener rivier van dit vastland naar zee is gedreven, en dan kan het niet
missen, of wij moeten de gevangenen op het spoor komen. Beziet de kaart
van het land maar, vrienden! en ik zal het u overtuigend bewijzen!"

Dit zeggende, ontrolde Paganel op de tafel een kaart van Chili en der
argentijnsche republiek.

"Let op," zeide hij, "en volgt mij op die wandeling over het
amerikaansche vastland. Wij zullen het smalle kustland Chili
overstappen, de Cordillera's de los Andes overklimmen en in de Pampa's
afdalen. Hebben die streken gebrek aan stroomen, rivieren of beken?
Neen! Dit is de Rio Negro, dat de Rio Colorado, dat haar bijrivieren,
die door de zeven en dertigste parallel worden gesneden en allen hebben
kunnen dienen tot vervoer van het document. In het midden van een stam,
in de handen van in dorpen wonende Indianen, aan den oever dezer weinig
bekende rivieren, in de engten der Sierra's, wachten misschien degenen,
die ik het regt heb onze vrienden te noemen, op de tusschenkomst van
God! Moeten wij hun hoop verijdelen? Is het niet ons aller plan om door
die streken de regte lijn te volgen, die ik thans met den vinger op de
kaart aanwijs, en indien ik mij tegen alle verwachting bedrieg, dan
blijft het immers toch onze pligt om de zeven en dertigste parallel ten
einde toe te volgen, en, wanneer het noodig is met haar om de aarde te
reizen om de schipbreukelingen terug te vinden!"

Deze woorden, met een edelmoedige drift uitgesproken, bragten een diepe
aandoening te weeg onder de hoorders van Paganel. Allen stonden op en
gaven hem de hand.

"Ja! vader is dààr," riep Robert, die de kaart met zijn blikken
verslond.

"En waar hij is," antwoordde lord Edward, "zullen wij hem weten terug te
vinden, mijn kind! De uitlegging van onzen vriend Paganel is juist, en
wij moeten zonder aarzelen den weg volgen, dien hij ons voorschrijft. Of
kapitein Grant is in handen van talrijke Indianen, of hij is gevangen
bij een zwakken stam. In het laatste geval bevrijden wij hem. In het
andere gaan wij, na zijn toestand onderzocht te hebben, weder naar de
oostkust aan boord van de _Duncan_, varen naar Buenos-Ayres, en daar zal
een afdeeling soldaten onder aanvoering van den majoor Mac Nabbs wel al
de Indianen in de argentijnsche republiek teregt zetten!"

"Goed, goed! Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles, "en ik voeg er nog
bij, dat die togt over het amerikaansche vastland zonder gevaar kan
volbragt worden."

"Zonder gevaar en zonder vermoeijenis," hernam Paganel. "Hoevelen hebben
hem reeds volbragt, die op verre na zoo goed niet uitgerust waren als
wij, en wier moed niet werd staande gehouden door de grootheid der
onderneming! Is een zekere Basilio Villarmo niet in 1782 van Carmen naar
de Cordillera's gegaan? Heeft in 1806 een Chiliaan, de alcade (regter)
der provincie Concepcion, don Luiz de la Cruz, uit Antuco niet diezelfde
zeven en dertigste parallel gevolgd, en is hij, de Andes overgetrokken
zijnde, niet te Buenos-Ayres aangekomen, na een reis van zeven en
veertig dagen? Hebben eindelijk de kolonel Garcia, de heer Alcide
d'Orbigny en mijn geëerde ambtgenoot, doctor Martin de Moussy, dit land
niet in alle rigtingen doorkruist en voor de wetenschap gedaan, wat wij
uit menschlievendheid gaan doen?"

"Mijnheer! mijnheer!" zeide Mary Grant, wier stem door aandoening
verstikt werd, "hoe zullen wij ooit een opoffering vergelden, die u aan
zooveel gevaren blootstelt?"

"Gevaren!" riep Paganel. "Wie heeft het woord gevaar uitgesproken?"

"Ik althans niet!" antwoordde Robert Grant met een fonkelend oog en een
vasten blik.

"Gevaren!" hernam Paganel, "bestaan er wel gevaren? Bovendien, wat is de
heele zaak? Een reis van ter naauwernood drie honderd vijftig uren, daar
wij in een regte lijn zullen gaan; een reis, die volbragt zal worden
onder dezelfde breedte als die van Spanje, Sicilië en Griekenland op het
andere halfrond en bijgevolg onder een luchtstreek, die ten naastenbij
dezelfde is; een reis, die hoogstens een maand zal duren! Het is een
wandeling!"

"Mijnheer Paganel!" vroeg nu lady Helena, "denkt gij dan, dat het leven
der schipbreukelingen gespaard zal zijn, wanneer zij in de magt der
Indianen gevallen zijn?"

"Wel zeker denk ik dat, mevrouw! Die Indianen zijn geen menscheneters!
Verre van daar. Een mijner landgenooten, de heer Guinnard, dien ik in
het genootschap voor de aardrijkskunde heb leeren kennen, is drie jaren
lang gevangen geweest bij de Indianen der pampa's. Hij heeft geleden,
hij is zeer slecht behandeld, maar toch heeft hij die beproeving
doorgestaan. Een Europeaan is een nuttig wezen in die streken; de
Indianen kennen zijne waarde, en verplegen hem als een kostbaar dier."

"Wij moeten dus niet langer aarzelen," zeide Glenarvan, "wij moeten
vertrekken en wel zonder uitstel. Welken weg moeten wij nemen?"

"Een gemakkelijken en aangenamen weg," antwoordde Paganel. "Wat bergen
in het begin, dan een zachte glooijing op de oostelijke helling der
Andes, en eindelijk een effene, grasrijke, zandige vlakte, een ware
tuin."

"Laat mij de kaart eens zien," zeide de majoor.

"Hier is zij, waarde Mac Nabbs! Ons uitgangspunt is de zeven en
dertigste parellel op de chilische kust tusschen kaap Rumena en de baai
van Carnero. Na de hoofdstad van Araucanië bezocht te hebben, trekken
wij door den bergpas van Antuco over de Cordillera's en laten den
vulkaan ten zuiden van ons liggen; daarna dalen wij de zachte hellingen
der bergen af, trekken de Neuquem en de Rio Colorado over, en bereiken
zoo de pampa's, het Zoutmeer, de rivier Guamini en de sierra (gebergte)
Tapalquem. Daar zijn de grenzen der provincie Buenos-Ayres. Wij trekken
ze over, beklimmen de sierra Tandil, en zetten onze nasporingen voort
tot aan kaap Medano, aan de kusten van den Atlantischen Oceaan."

Terwijl hij sprak en het plan van de onderneming ontvouwde, nam Paganel
niet eens de moeite om naar de kaart, die voor hem lag, te zien. Hij had
het ook niet noodig. Grondig bekend met de werken van Frésier, Molina,
Humboldt, Miers en d'Orbigny, en met een ijzervast geheugen begaafd,
vergiste noch verwonderde hij zich ooit. Na die aardrijkskundige
naamlijst opgenoemd te hebben, voegde hij er bij:

"Gij ziet het, mijne vrienden! het is een regte weg. In dertig dagen
hebben wij hem afgelegd, en wij zullen nog vóór de _Duncan_ op de
oostkust zijn, als de tegenwind haar vaart maar een weinig belemmert."

"Dan moet de _Duncan_ tusschen kaap Corrientes en kaap St.-Antonius
blijven kruisen?" zeide John Mangles.

"Juist."

"En waar zult gij de noodige personen voor zulk een onderneming vandaan
halen?" vroeg lord Edward.

"Niets gemakkelijker dan dat. Het is ons alleen te doen om onderzoek te
doen naar den toestand van kapitein Grant en niet om geweerschoten met
de Indianen te wisselen. Ik geloof, dat lord Glenarvan, ons natuurlijk
opperhoofd, de majoor, die zijn plaats aan niemand zal willen afstaan,
uw dienaar, Jacques Paganel...."

"En ik!" riep de jonge Grant.

"Robert! Robert!" zeide Mary.

"En waarom niet?" antwoordde Paganel. "De jeugd wordt door reizen
gevormd. Wij met ons vieren dus en drie man van de _Duncan_...."

"Denkt Uwe Edelheid niet aan mij?" zeide John Mangles zich tot zijn heer
wendende.

"Waarde John!" antwoordde Glenarvan, "wij laten de dames aan boord, dat
is te zeggen het liefste, wat wij op aarde hebben! Wie zou voor haar
waken, als de verknochte kapitein der _Duncan_ het niet deed?"

"Mogen wij u dan niet vergezellen?" vroeg lady Helena met tranen in de
oogen.

"Lieve Helena!" antwoordde Glenarvan, "wij moeten met buitengewonen
spoed reizen; onze scheiding zal van korten duur zijn, en...."

"Ja, mijn vriend! ik begrijp u," antwoordde lady Helena; "ga dan en moge
uw onderneming met een gewenschten uitslag bekroond worden!"

"Bovendien is het geen reis," zeide Paganel.

"Niet? wat is het dan?" vroeg lady Helena.

"Een doortogt, anders niet. Wij zullen doortrekken, ziedaar alles,
gelijk de brave man op aarde, zooveel goed doende als in onze magt
staat. _Transire benefaciendo_, is onze leus."

Dit gezegde van Paganel maakte een einde aan de redetwist, als men een
gesprek zoo mag noemen, waarin allen van dezelfde meening waren.
Dienzelfden dag nog maakte men een begin met de toebereidselen. Men
besloot den togt geheim te houden om de Indianen niet wakker te maken.

Het vertrek werd op den 14den October bepaald. Toen het er op aankwam om
de matrozen te kiezen, die bestemd waren om mede te gaan, boden allen
hun diensten aan, en Glenarvan was alleen verlegen in de keus. Hij
besloot dus zijn toevlugt te nemen tot het lot om zulken wakkeren mannen
geen verdriet aan te doen. Zoo gebeurde het ook, en de eerste stuurman,
Tom Austin, Wilson, een stevige klant, en Mulrady, die Tom Sayers[1]
zelven wel tot een bokspartij had durven uitdagen, hadden geene reden om
over het lot te klagen.

Lord Edward had een buitengewonen spoed met zijn toebereidselen gemaakt.
Hij wilde op den bepaalden dag gereed zijn, en was het ook. John Mangles
wedijverde met hem om kolen in te nemen, ten einde oogenblikkelijk zee
te kunnen kiezen. Hij wilde nog vóór de reizigers de argentijnsche kust
bereiken. Daaruit ontstond een ware wedstrijd tusschen Glenarvan en den
jongen kapitein, die voor allen voordeelig was.

Inderdaad was op den 14den October op het bepaalde uur alles gereed.
Toen het oogenblik van het vertrek gekomen was, kwamen al de passagiers
van het jagt in de algemeene kamer bijeen. De _Duncan_ was gereed om uit
te loopen en de armen van haar schroef bragten reeds het heldere water
van Talcahuano in een golvende beweging. Glenarvan, Paganel, Mac Nabbs,
Robert Grant, Tom Austin, Wilson en Mulrady, met karabijnen en revolvers
Colt gewapend, maakten zich gereed om van boord te gaan. Gidsen en
muilezels wachtten hen aan het staketsel.

"Het is tijd!" zeide lord Edward eindelijk.

"Ga dan, mijn vriend!" antwoordde lady Helena, die haar aandoening
trachtte te bedwingen.

Lord Glenarvan drukte haar aan zijn hart, terwijl Robert Mary Grant
omhelsde.

"En nu, waarde reisgenooten!" zeide Jacques Paganel, "nog een handdruk
waaraan wij genoeg hebben tot aan de kusten van den Atlantischen
Oceaan!"

Het was wel wat veel gevraagd, maar de omarmingen, die nu volgden, waren
vurig genoeg om de wenschen van den waardigen geleerde te vervullen.

Men begaf zich weder naar het dek, en de zeven reizigers verlieten de
_Duncan_. Weldra bereikten zij de kaai, die het jagt al manoeuvreerende
op een halve kabellengte naderde.

Op de kampanje staande, riep lady Helena nog eens: "Mijne vrienden! God
sta u bij!"

"En Hij zal ons bijstaan, mevrouw!" antwoordde Jacques Paganel; "want,
gij moogt het vrij gelooven, wij zullen ons zelven helpen."

"Vooruit!" riep John Mangles den machinist toe.

"Voorwaarts!" antwoordde lord Glenarvan.

En op hetzelfde oogenblik dat de reizigers, hun rijdier den teugel
vierende, zich langs den oever verwijderden, stoomde de _Duncan_ onder
de werking harer schroef, met volle kracht den oceaan op.


[1] een vermaard londensch bokser.




XI.

Togt door Chili.


De inlanders, die lord Glenarvan had bijeengebragt, bestonden uit drie
mannen en een kind. De aanvoerder der muilezeldrijvers was een
Engelschman, die zich reeds vóór twintig jaar in dit land had gevestigd.
Hij maakte een beroep van het verhuren van muilezels aan de reizigers,
die hij over de verschillende wegen der Cordillera's geleidde.
Vervolgens bezorgde hij hun een "baqueano," een argentijnschen gids, die
met den weg door de pampa's goed bekend was. Deze Engelschman had in het
gezelschap van muilezels en Indianen zijn moedertaal nog niet geheel
verleerd, en kon nog met de reizigers spreken. Dit was voor Glenarvan
een groot gemak, daar hij nu zijn verlangen kon te kennen geven en zijn
bevelen doen uitvoeren. Hij meende die gelegenheid niet te mogen laten
voorbijgaan, vooral omdat Jacques Paganel zich nog niet verstaanbaar kon
uitdrukken.

Die aanvoerder der muilezeldrijvers, die "catapaz," zooals hij in de
landtaal genoemd wordt, had twee inlanders te voet en een twaalfjarig
kind medegenomen. De inlanders waakten voor de muilezels, die de bagage
droegen, en het kind geleidde de "madrina," een kleine merrie, die met
belletjes en een klokje behangen, vooruit ging en door tien muilezels
gevolgd werd. Zeven hunner waren voor de reizigers, een voor den
catapaz; de beide andere droegen de levensmiddelen en eenige stokken
stof, die dienen moesten om de medewerking van de kaziken (hoofden der
vrije volksstammen in Amerika) der vlakte te verwerven. De inlanders
gingen als naar gewoonte te voet. Deze togt door Zuid-Amerika scheen dus
ten opzigte van de veiligheid en den spoed niets te wenschen over te
zullen laten.

Een togt over de keten der Andes is geenszins een gewone reis. Men kan
hem niet ondernemen zonder die sterke muilezels, waarvan het
argentijnsche ras het meest gezocht is. Die uitmuntende dieren hebben in
dat land een ontwikkeling verkregen, verre boven die van het
oorspronkelijke ras.

Zij zijn niet keurig op hun voedsel. Zij drinken maar eens per dag,
leggen gemakkelijk tien mijlen in acht uren af, en dragen zonder zich te
verzetten een last van veertien arroba's. (Een arroba is gelijk aan 11
1/2 nederl. pond).

Op den geheelen weg van den éénen Oceaan tot den anderen treft men geen
enkele herberg aan. Men eet gedroogd vleesch, rijst met spaansche peper,
en het wild, dat zich onderweg wel wil laten doodschieten. Men drinkt op
de bergen het water van de bergstroomen, in de vlakte dat der beken, met
eenige droppels rum er door, waarvan ieder eenigen voorraad bij zich
draagt in een ossehoren, "chiffle" genoemd. Vooral moet men waken tegen
het misbruik van geestrijke dranken, die schadelijk zijn in een land,
waarin het zenuwgestel van den mensch bijzonder overspannen is. Het
beddegoed bestaat alleen uit den inlandschen zadel, "recado" genoemd.
Die zadel is gemaakt van "pelions," schapenhuiden, die aan de eene zijde
gelooid en aan de andere met wol bekleed zijn, alles bijeengehouden door
breede en met borduursel overladen riemen. Heeft de reiziger zich in die
warme dekens gerold, dan trotseert hij ongestraft de vochtige nachten en
slaapt heerlijk.

Als iemand, die weet wat reizen is en zich naar de gebruiken der
verschillende landen weet te schikken, had Glenarvan voor zich en zijn
gezelschap de chilische kleederdragt aangenomen. Paganel en Robert, twee
kinderen,--een groot en een klein kind,--waren buiten zich zelven van
vreugde, toen zij hun hoofd door den nationalen "poncho" staken, een
groote wollen zak of mantel met een gat in het midden, en hun beenen in
lederen laarzen, gemaakt van den achterpoot van een jong paard. Hun rijk
getuigde muilezel leverde ook een schoon gezigt op, met het arabisch
gebit in den bek, met den langen teugel van gevlochten leder, die tot
zweep diende, met zijn hoofdstel, dat met metalen sieraden pronkte, en
met de "alforja's," dubbele linnen zakken van schitterende kleur, die
levensmiddelen voor één dag bevatten. Ten gevolge van zijn
verstrooidheid scheelde het weinig of Paganel kreeg drie of vier
schoppen van zijn voortreffelijk rijdier, toen hij er op wilde gaan
zitten. Toen hij eindelijk stevig in den zadel zat, met zijn
onafsoheidelijken kijker aan een riem bij zich en met de voeten in de
stijgbeugels, vertrouwde hij zich toe aan de schranderheid van zijn
dier, en had geen reden om daarover spijt te gevoelen. De jonge Robert
toonde reeds van den beginne af grooten aanleg om een uitmuntend ruiter
te worden.

De stoet zette zich in beweging. Het was prachtig weder, de lucht
volkomen helder, en de dampkring door den zeewind genoegzaam afgekoeld
in weerwil van de zonnehitte. De kleine troep volgde met snellen tred de
bogtige oevers der baai van Talcahuano, ten einde dertig mijlen
zuidelijker het uiteinde der parallel te bereiken. Dien eersten dag trok
men haastig tusschen het riet van voormalige uitgedroogde moerassen
heen, maar men sprak weinig. De afscheidsgroeten hadden een diepen
indruk achtergelaten in het gemoed der reizigers. Zij konden nog den
rook der _Duncan_ zien, die reeds bijna uit het gezigt was. Allen
zwegen, behalve Paganel; die leergierige aardrijkskundige deed zich
zelven vragen in het spaansch, en beantwoordde ze in dezelfde taal.

Ook de gids was vrij stil van aard, en zijn beroep had geen babbelaar
van hem gemaakt. Hij sprak naauwelijks tot de inlanders. Als menschen
van het vak verstonden dezen hun werk zeer goed. Als een muildier staan
bleef, zetten zij het aan met een keelgeluid, en als dit niet hielp met
een fermen steen, die met vaste hand geworpen zijn koppigheid wel
overwon. Raakte er een riem los of brak er een teugel, dan trok de
inlander zijn mantel uit, en wikkelde den kop van het dier er in, dat,
zoodra het ongemak hersteld was, terstond weder voortging.

De muilezeldrijvers zijn gewoon om ten acht ure na het ontbijt te
vertrekken en tot des namiddags ten vier ure door te rijden, waarna zij
hun nachtverblijf in gereedheid brengen. Edward Glenarvan hield zich aan
dit gebruik. Toen de gids het sein gaf om te rusten, kwamen de reizigers
juist aan de stad Arauco, liggende aan de zuidpunt der baai, zonder dat
zij van den schuimenden kant der zee afgeweken waren. Van hier zouden
zij een twintigtal mijlen westwaarts hebben moeten gaan tot aan de baai
Carnero, om er het uiteinde van den zeven en dertigsten graad te vinden.
Maar de agenten van Glenarvan hadden dit gedeelte der kust reeds
doorzocht, zonder eenig spoor van de schipbreuk aan te treffen. Een
nieuw onderzoek was dus onnoodig, en men besloot de stad Arauco tot
uitgangspunt te nemen. Van daar zou men in een zuivere regte lijn
oostwaarts opgaan.

Het kleine gezelschap trok de stad binnen om er den nacht door te
brengen, en sloeg zich op de binnenplaats eener herberg in de open lucht
neder, daar deze, wat de gemakkelijke inrigting betreft, nog in een
allerellendigsten toestand verkeerde.

Arauco is de hoofdstad van Araucanië, een staat, honderd vijftig mijlen
lang en dertig breed, bewoond door de Molouchen, die oudste zonen van
het chilische ras, door den dichter Ercilla bezongen. Het is een fier en
forsch ras, het eenige in de beide Amerika's, dat nooit door vreemden
overheerscht is. Heeft Arauco ook al vroeger aan de Spanjaarden behoord,
zoo onderwierpen de inwoners zich toch niet; zij verzetteden zich toen,
zooals zij zich nu nog verzetten tegen de ondernemingen van Chili, en
hun vrije vlag,--een witte ster op een azuren veld,--wappert nog van den
top van den versterkten heuvel, die de stad beschermt.

Terwijl het avondeten gereed werd gemaakt, gingen Glenarvan, Paganel en
de gids een wandeling doen tusschen de met riet gedekte huizen. Behalve
een kerk en de overblijfselen van een franciscaner klooster, leverde
Arauco niets bezienswaardigs op. Glenarvan trachtte eenige inlichtingen
te verkrijgen, maar te vergeefs. Paganel was wanhopend, omdat hij zich
niet door de inwoners kon doen verstaan; maar, daar dezen het
araucanisch spreken,--een bijzondere taal, die tot aan de straat van
Magellaan gesproken wordt,--had Paganel evenveel aan het spaansch als
aan het hebreeuwsch. Hij hield dus zijne oogen bezig in plaats van zijn
ooren, en vermaakte zich, als een echt geleerde, met de beschouwing van
de verschillende typen van het molouchsche ras, die hij ontmoette. De
mannen hadden een rijzige gestalte, een plat gezigt, een koperkleurige
huid, een baardelooze kin, een schuwen blik en een breed hoofd, dat met
lang zwart haar was bedekt. Zij schenen verzot op die bijzondere soort
van lediggang van krijgslieden, die in vredestijd niet weten, wat zij
doen zullen. Hunne vrouwen, die er ongelukkig en moedig uitzagen,
hielden zich bezig met het zware huiswerk, verzorgden de paarden,
maakten de wapens schoon, bebouwden het land, gingen voor haar heeren op
de jagt, en vonden toch nog tijd om die donkerblaauwe mantels te maken,
waaraan zij twee jaren besteden, en die minstens honderd dollars[1]
kosten.

Kortom, die Molouchen zijn een vrij onbeduidend volk, welks zeden nog
tamelijk ruw zijn. Zij hebben bijna alle menschelijke ondeugden en maar
ééne deugd, liefde voor de onafhankelijkheid.

"Echte Spartanen," herhaalde Paganel, toen hij na geëindigde wandeling
aan den avondmaaltijd deel kwam nemen.

De waardige geleerde overdreef, en men begreep hem nog minder, toen hij
er bijvoegde, dat, daar hij een Franschman was, zijn hart sterk klopte
bij zijn bezoek aan de stad Arauco. Toen de majoor hem naar de reden van
die onverwachte "hartklopping" vroeg, antwoordde hij, dat zijn
aandoening zeer natuurlijk was, omdat een zijner landgenooten voorheen
op den troon van Araucanië had gezeten. De majoor verzocht hem zoo goed
te zijn om den naam van dien vorst te noemen. Jacques Paganel noemde
trotsch den braven De Tonneins, een uitstekend man, vroeger procureur te
Périgueux, wiens baard wat al te zwaar was, en die ondergaan had, wat de
onttroonde koningen zoo gaarne "de ondankbaarheid hunner onderdanen"
noemen. Toen de majoor even glimlachte bij de gedachte, dat een gewezen
procureur van den troon was gejaagd, antwoordde Paganel zeer ernstig,
dat het voor een procureur misschien gemakkelijker was om een goed
koning te worden, dan voor een koning om een goed procureur te worden.
Op dat gezegde barstten allen in lagchen uit, en dronken eenige teugen
"chicha"[2] op de gezondheid van Orellie-Antoine I, ex-koning van
Araucanië. In hun mantels gewikkeld vielen de reizigers eenige minuten
daarna in een gerusten slaap.

Des anderen daags ten acht ure ging de kleine troep, met de merrie in de
voor- en de inlanders in de achterhoede, oostwaarts op weg naar de zeven
en dertigste parallel. Hij trok nu door het vruchtbare gebied van
Araucanië, rijk aan wijngaarden en kudden. Maar gaandeweg werd de streek
woester. Ter naauwernood trof men, mijlen van elkander verwijderd, een
hut van "rastreadores" aan, indiaansche paardentemmers, die in geheel
Amerika beroemd zijn. Soms ook een verlaten posthuis, dat tot
schuilplaats diende voor den zwervenden bewoner der vlakte. Op dezen dag
versperden twee rivieren, de Rio de Raque en de Rio de Tubal, den weg
voor de reizigers. Maar de gids ontdekte een doorwaadbare plaats, welke
hen aan de overzijde bragt. Aan den gezigteinder vertoonde zich de keten
der Andes, wier kruinen naar het noorden oprezen en wier pieken in
aantal toenamen. Het waren nog maar de onderste wervels van de
ontzaggelijke ruggegraat, waarop het geheele gebeente der Nieuwe Wereld
rust.

Des namiddags ten vier ure hield men, na een togt van vijf en dertig
mijlen, in het open veld stil onder een boschje van reusachtige
myrteboomen. De muilezels werden onttoomd, en gingen in vrijheid grazen
in het digte gras der weide. De knapzakken leverden de gewone
hoeveelheden vleesch en rijst. De schapenhuiden werden op den grond
gelegd en dienden tot dekens, de zadels tot kussens, en allen vonden op
deze zonderlinge bedden een verkwikkende rust, terwijl de inlanders en
de gids ieder op hun beurt de wacht hielden.

Daar het weder zoo gunstig bleef, daar alle reizigers, ook Robert, goed
gezond waren, daar eindelijk die reis onder zulke gelukkige voorteekens
begonnen werd, moest men er gebruik van maken en voortgaan, evenals een
speler "die op zijn dreef komt." Dat was aller gevoelen. Den volgenden
dag reisde men stevig door, trok zonder ongelukken de snelstroomende
Bell over, en toen zij zich des avonds aan de oevers der Rio Biobio, die
spaansch Chili van onafhankelijk Chili scheidt, legerden, kon Glenarvan
nogmaals berekenen, dat zij weder vijf en dertig mijlen hadden afgelegd.
Het land was niet veranderd. Het was nog altijd vruchtbaar en rijk aan
narcisleliën, boomvormige vioolplanten, japansche leliën der dalen,
gemeene doornappels en cactussen met goudgele bloemen. Eenige dieren,
onder anderen de katpardel, hielden zich schuil in de digte struiken.
Een reiger, een eenzame moerasuil, lijsters en zilverduikers, die voor
de klaauwen van den valk vlugtten, waren de eenige vertegenwoordigers
der vogelsoorten. Maar inboorlingen zag men weinig, ter naauwernood
eenige "guasso's", bastaardkinderen van Indianen en Europeanen, die
voortrenden op paarden, welken zij tot bloedens toe de reusachtige
sporen gaven, waarvan hun naakte voet voorzien was, en die als schaduwen
voorbij-ijlden. Men kon onderweg met niemand spreken, en dus ook geen
inlichtingen verkrijgen. Glenarvan schikte zich er in. Hij zeide bij
zich zelven, dat kapitein Grant, door Indianen gevangen genomen zijnde,
door hen over de Andes-keten moest medegesleept zijn.

In de pampa's, en niet aan deze zijde, konden derhalve de nasporingen
tot eenige uitkomst leiden. Er zat dus niets anders op dan geduld te
oefenen en snel en onafgebroken vooruit te gaan.

Den 17den vertrok men weder op het gewone uur en in dezelfde orde.
Robert kon zich met moeite bedwingen om de orde niet te verbreken; want
zijn ijver zette hem aan om de merrie voor te komen, tot groot verdriet
van zijn muildier. Er was zelfs een strenge terugroeping van lord
Glenarvan noodig om den knaap op zijn post in de marschlinie te houden.

Er kwam nu meer afwisseling in het voorkomen van het land; het rijzen
van den bodem was het voorteeken van de nabijheid van bergen; het aantal
riviertjes nam toe, en zij stroomden met veel gedruisch van de
hellingen. Paganel raadpleegde dikwijls zijn kaarten; wanneer een van
die beken er niet op voorkwam, hetgeen dikwijls gebeurde, kookte den
aardrijkskundige het bloed in de aderen, en was het grappig om te zien,
hoe driftig hij werd.

"Een beek, die geen naam heeft!" zeide hij, "het is alsof er geen
burgerlijke stand is! zij bestaat niet in het oog der aardrijkskundige
wet!"

Ook zag hij er geen bezwaar in om die onbenoemde riviertjes te doopen;
hij tekende ze aan op zijn kaart en overlaadde ze met de sierlijkste
benamingen in de spaansche taal.

"Welk een taal!" herhaalde hij, "welk een rijke en welluidende taal zij
is van metaal, en ik ben zeker, dat zij uit acht en zeventig deelen
koper en twee en twintig deelen tin bestaat, evenals klokspijs!"

"Maar maakt gij vorderingen?" antwoordde hem Glenarvan.

"Zeker! waarde lord! Als die klemtoon er maar niet was! Maar die
klemtoon! die klemtoon!"

In afwachting van beter, deed Paganel onderweg zijn best om zijn keel te
gewennen aan de moeijelijkheden der uitspraak, zonder daarom zijn
aardrijkskundige waarnemingen te verwaarloozen. Daarin was hij verbazend
sterk en zou hij niet ligt zijn meester vinden. Wanneer Edward Glenarvan
den gids over de een of andere bijzonderheid van het land ondervroeg,
antwoordde zijn geleerde reisgenoot altijd nog eer dan de gids, die hem
dan ook geheel verbluft aanstaarde.

Dienzelfden dag kwam men tegen twee ure aan een weg, die den tot nu toe
gevolgden sneed. Glenarvan vroeg natuurlijk naar den naam, en even
natuurlijk ook was het Paganel, die antwoordde:

"Het is de weg van Yumbel naar los Angeles."

Glenarvan zag den gids aan.

"Juist!" antwoordde deze.

Zich vervolgens naar den aardrijkskundige wendende, zeide hij:

"Gij hebt zeker dit land reeds doorreisd?"

"Dat zou ik denken!" antwoordde Paganel zeer ernstig.

"Op een muilezel?"

"Neen! in mijn armstoel."

De gids begreep er niets van, hij haalde althans de schouders op en
stelde zich weder aan het hoofd van den troep.

Des namiddags ten vijf ure hield hij stil in een diepe kloof, eenige
mijlen boven het stadje Loja.

Dien nacht bragten de reizigers door aan den voet der sierra's, de
voorloopers der groote Cordillera.


[1] Twee honderd vijftig gulden.

[2] Brandewijn van gegiste turksche tarwe.




XII.

Twaalf duizend voet boven den grond.


De togt door Chili had tot nog toe geen noemenswaardig bezwaar
opgeleverd. Maar nu kwamen de hindernissen en bezwaren, aan een togt
door het gebergte onvermijdelijk verbonden, allen tegelijk. Nu zou de
worsteling met den tegenstand der natuur eerst regt beginnen.

Vóór het vertrek moest een vraag van gewigt opgelost worden. Langs
welken pas kon men over de keten der Andes komen, zonder van den
aangenomen weg af te wijken? De gids, hierover ondervraagd zijnde,
antwoordde:

"Ik ken maar twee bruikbare wegen in dit gedeelte der Cordillera's."

"Den weg van Arica zonder twijfel," zeide Paganel, "die door Valdivia
Mendoza ontdekt is."

"Juist."

"En dien van Villarica, ten zuiden van den Nevado van dien naam."

"Juist."

"Die beide wegen, mijn vriend! hebben maar één gebrek, namelijk dat zij
voor ons te noordelijk of te zuidelijk zijn."

"Zoudt gij misschien een anderen pas willen voorstellen?" vroeg de
majoor.

"Ja!" antwoordde Paganel, "den pas van Antuco, op de helling van den
vulkaan gelegen op zeven en dertig graden dertig minuten, dat is maar
een halve graad bezijden onzen weg. Hij is slechts duizend vademen hoog
en door Zamudio de Cruz ontdekt."

"Goed!" zeide Glenarvan, "maar kent onze gids dien pas van Antuco?"

"Ja, mylord! ik heb hem bereisd, en zoo ik hem niet voorstelde, dan is
het alleen, omdat het op zijn hoogst een weg is voor het vee, die alleen
door de indiaansche herders van de oostelijke helling gebruikt wordt."

"Welnu, mijn vriend!" antwoordde Glenarvan, "waar de kudden merriën,
schapen en ossen der Pehuenchen over kunnen, kunnen wij ook over. En
daar wij op dien weg in de regte lijn blijven, stem ik voor den pas van
Antuco."

Het sein tot vertrek werd aanstonds gegeven, en men drong in het dal van
las Lajas, tusschen groote massa's gekristalliseerde kalk. Men steeg
langs een bijna onmerkbare helling. Tegen elf ure moest men de oevers
van een klein meer omrijden, een door de natuur gevormden vergaderbak en
het schilderachtig vereenigingspunt van al de riviertjes uit den omtrek;
zij vielen er murmelend in en vermengden hun rustig en kristalhelder
water. Boven het meer strekten zich groote "llano's" uit, hooge
grasvlakten, waarop de kudden der Indianen weidden. Vervolgens stiet men
op een moeras, dat zuid en noord liep, en dat men, geholpen door het
instinct der muilezels, gelukkig doorwaadde. Ten één ure, kwam men bij
het fort Ballenare, op een hooge rots gelegen, die het met zijn
vervallene wallen beheerschte. Men ging er voorbij. De hellingen werden
reeds steil en steenachtig, en de steentjes, die de hoef der muildieren
losmaakte, rolden onder hun pooten weg en vormden gedruisch makende
steenvallen. Tegen drie ure zag men weder andere schilderachtige
puinhoopen van een fort, dat bij den opstand van 1770 verwoest was.

"De bergen zijn zeker nog niet voldoende om de menschen te scheiden,"
zeide Paganel, "dat men ze nog versterkt heeft!"

Van dit punt af werd de weg moeijelijk, zelfs gevaarlijk, de hellingen
werden hoe langer hoe steiler, de bergwanden naderden elkander hoe
langer hoe meer, de afgronden werden verschrikkelijk diep. De muilezels
gingen voorzigtig voort met den neus op den grond om den weg te
beruiken. Men reed achter elkander. Bij een onverwachte kromming van het
pad verdween de merrie, en dan rigtte de kleine karavaan zich naar het
verwijderde geklingel van het klokje. Dikwijls gebeurde het ook door de
grillige kronkelingen van den weg, dat de reizigers in twee evenwijdige
lijnen voorttrokken, en dat de gids met de inlanders kon spreken,
terwijl een kloof, die naauwelijks twee vademen breed maar wel twee
honderd diep was, een onoverkomelijken afgrond tusschen hen vormde.

Het gras worstelde nog wel met de overheersching van den steen; maar de
strijd tusschen het delfstoffen- en het plantenrijk was reeds duidelijk
zigtbaar. De nabijheid van den vulkaan Antuco was reeds merkbaar aan
eenige strepen ijzerkleurige lava, bedekt met gele naaldvormige
kristallen. De opeengestapelde en overhellende rotsen bleven staan tegen
de wetten van het evenwigt in. Het was duidelijk, dat de aardbevingen
haar voorkomen ligt konden veranderen, en een enkele blik op die wankele
spitsen, die scheve koepels, die slecht bevestigde ronde bergtoppen, was
voldoende om het besluit te wettigen, dat voor die bergachtige streek
het uur nog niet geslagen was om onder haar eigene zwaarte te bezwijken.

In deze omstandigheden werd het moeijelijk om den weg te herkennen. De
bijna onafgebrokene schudding van het berggevaarte doet menigmaal het
spoor verdwijnen, en de herkenningsteekens blijven niet op dezelfde
plaats. De gids aarzelde dan ook; hij hield stil; hij zag in het rond;
hij onderzocht de gedaante der rotsen; hij zocht op den weeken steen
naar voetstappen van Indianen. Het was geheel onmogelijk om zich te
oriënteeren.

Lord Edward volgde zijn gids op den voet; hij begreep en gevoelde, dat
diens verlegenheid in dezelfde mate toenam als de moeijelijkheden van
den weg; hij durfde hem niets vragen en dacht, misschien niet zonder
grond, dat het met het instinct der muilezeldrijvers evenzoo gelegen is
als met dat der muilezels, en dat het beter is om daarop te vertrouwen.

Nog een uur lang dwaalde de gids om zoo te zeggen op goed geluk af rond,
maar kwam toch hoe langer hoe hooger op den berg. Eindelijk was hij
verpligt om te blijven staan. Men was op den bodem eener enge vallei;
van een dier naauwe engten, welke de Indianen "quebrada's" noemen. Een
loodregte muur van porfier sloot er den uitgang van. Na te vergeefs een
doortogt gezocht te hebben, steeg de gids af, sloeg de armen over
elkander en wachtte. Glenarvan kwam bij hem.

"Zijt gij verdwaald?" vroeg hij.

"Neen, mylord!" antwoordde de gids.

"Maar wij zijn toch niet in den pas van Antuco?"

"Wij zijn er wel in."

"Vergist gij u niet?"

"Ik vergis mij niet. Ziedaar de overblijfselen van een vuur, dat de
Indianen hebben aangelegd, en ziedaar de sporen door de kudden merriën
en schapen achtergelaten."

"Dan heeft men dezen weg toch begaan?"

"Ja! maar men zal hem niet meer begaan. De laatste aardbeving heeft hem
onbruikbaar gemaakt."

"Voor de muilezels," antwoordde de majoor; "maar niet voor de menschen."

"Dat moet gij weten," antwoordde de gids; "ik heb gedaan, wat ik kon. Ik
ben bereid om met mijn muilezels terug te keeren, als gij het verlangt,
en om de andere wegen der Cordillera op te zoeken."

"En dat zal een oponthoud zijn?..."

"Van minstens drie dagen."

Zonder een woord te spreken luisterde Glenarvan naar de gezegden van den
gids. Deze was ontegenzeggelijk getrouw aan de gemaakte afspraak. Zijn
muilezels konden niet verder. Toen echter het voorstel gedaan werd om
terug te keeren, wendde Glenarvan zich naar zijn medgezellen en sprak:

"Wilt gij trots alle gevaren verder gaan?"

"Wij willen u volgen!" antwoordde Tom Austin.

"En u zelfs voorgaan!" voegde Paganel er bij. "En wat is ook wel bezien
de geheele zaak? Niets anders dan het beklimmen eener bergketen, welker
andere helling onvergelijkelijk ligter af te dalen is! Als wij zoo ver
zijn, zullen wij de argentijnsche gidsen vinden, die ons den weg door de
pampa's zullen wijzen, en vlugge paarden, die gewoon zijn om door de
vlakte te rennen. Voorwaarts dus en zonder aarzelen!"

"Voorwaarts!" riepen de reisgenooten van Glenarvan.

"Gaat gij niet met ons mede?" vroeg deze aan den gids.

"Ik ben een muilezeldrijver," antwoordde deze.

"Zooals gij wilt."

"Wij kunnen hem wel missen," zeide Paganel; "aan gene zijde van dezen
muur zullen wij de paden van Antuco terugvinden, en ik maak mij sterk om
u even goed aan den voet van den berg te brengen, als de beste gids der
Cordillera's."

Glenarvan rekende dus af met den gids, en zond hem weg met de inlanders
en de muilezels. De wapenen, de werktuigen en eenige levensmiddelen
werden onder de zeven reizigers verdeeld. Met algemeene stemmen besloot
men de beklimming terstond te hervatten, en zoo noodig een gedeelte van
den nacht door te reizen. Ter linkerzijde van de helling kronkelde zich
een steil voetpad, dat de muildieren niet hadden kunnen beklimmen. De
bezwaren waren talrijk; maar na een paar vermoeijende uren en veel
omwegen, waren Glenarvan en zijne reisgenooten weder in den pas van
Antuco.

Nu bevonden zij zich in dat gedeelte der eigenlijke Andes, dat niet ver
ligt van de hoogste kam der Cordillera's; maar er was geen schijn noch
schaduw meer te vinden van een gebaand pad of een herkenbaren pas. De
geheele omtrek was tijdens de laatste aardbevingen het onderst boven
gekeerd, en men moest de bergruggen hoe langer hoe hooger bestijgen.
Paganel was zeer teleurgesteld, nu hij den weg niet vrij vond, en
rekende op zware vermoeijenissen, als zij den top der Andes moesten
beklimmen; want hun gemiddelde hoogte bedraagt van elf duizend tot
twaalf duizend zes honderd voeten. Het was zeer gelukkig, dat het weder
bedaard, de lucht helder en het jaargetijde gunstig was; maar in den
winter, van Mei tot October, zou zulk een beklimming onuitvoerbaar
geweest zijn; de snerpende koude doet de reizigers weldra omkomen, en
wie zij spaart, ontsnapt toch niet aan de hevigheid der "temporales" een
soort van orkanen, aan deze streken eigen, en die de afgronden der
Cordillera jaarlijks met lijken vullen.

Men klom den geheelen nacht door; men moest zich met de handen
vasthouden om de bijna ongenaakbare bergvlakte te beklauteren; men
sprong over breede en diepe kloven; in plaats van met touwen heesch men
elkander met de handen op, en de schouders dienden tot ladders; die
onversohrokkenen geleken op een troep paljassen, die zich aan al de
dwaasheden der icarische spelen overgaven. Duizendmaal hadden nu Mulrady
gelegenheid om zijn kracht, en Wilson, om zijn vlugheid ten toon te
spreiden. Die beide dappere Schotten overtroffen zich zelven; menigmaal
zou de kleine troep, zonder hun opoffering en hun moed, den togt hebben
moeten staken. Glenarvan verloor den jongen Robert niet uit het oog, die
door zijn jeugd en zijn levendigheid vaak tot onbezonnenheid oversloeg.
Paganel ging met echt fransche woede vooruit. Wat den majoor betreft,
deze bewoog zich slechts zooveel als noodig was, niet meer, maar ook
niet minder, en zijn stijgende beweging was zoo goed als onmerkbaar.
Bespeurde hij, dat hij reeds verscheidene uren achtereen aan het klimmen
was? dat is niet zeker. Misschien verbeeldde hij zich wel, dat hij
daalde.

Des morgens ten vijf ure bewees de waarneming van den barometerstand,
dat de reizigers een hoogte van zeven duizend vijf honderd voeten
bereikt hadden. Zij waren nu op de voorliggende bergvlakken, de uiterste
grens van den boomgroei. Er huppelden eenige dieren rond, die een jager
gelukkig of rijk zouden gemaakt hebben; die vlugge dieren wisten het
wel, want zij vlugtten, zoodra zij van verre menschen zagen naderen. Het
was het lama, een kostbaar dier in het gebergte, dat het schaap, het
rund en het paard vervangt, en leeft, waar het muildier niet leven kan.
Het was de chinchilla, een zachtzinnig en vreesachtig knaagdiertje, rijk
aan bont, dat het midden houdt tusschen den haas en den springhaas, en
wien zijn achterpooten het voorkomen van een kangoeroe geven. Een
alleraardigst gezigt levert dit vlugge diertje op, wanneer het evenals
een eekhoorntje over de toppen der boomen loopt.

"Het is nog geen vogel," zeide Paganel; "maar het is toch geen
viervoetig dier meer."

En toch waren die dieren nog geenszins de laatste bewoners van het
gebergte. Ter hoogte van negen duizend voeten, op de grens der eeuwige
sneeuw, leefden nog onvergelijkelijk schoone herkaauwende dieren
gezellig bijeen: de alpaca met zijn lang en zijdeachtig haar, ook die
soort van geiten zonder horens, sierlijke en fiere dieren met fijne wol,
die de natuurkundigen vicunna's noemen. Maar men behoefde er niet aan te
denken om ze te naderen, ter naauwernood lieten ze zich even zien; ze
vloden ijlings weg en gleden zonder geraas over het schitterend witte
tapijt.

Op deze hoogte was het voorkomen der streek geheel veranderd. Groote en
glinsterende ijsblokken, hier en daar met een blaauwachtige tint,
verrezen aan alle kanten en weerkaatsten de eerste stralen der opgaande
zon. Nu werd de beklimming zeer gevaarvol. Men durfde geen voet meer
verzetten zonder den grond naauwkeurig te onderzoeken, ten einde de
kloven te ontdekken. Wilson had zich aan het hoofd van het gezelschap
gesteld, en onderzocht met den voet de oppervlakte der gletschers. Zijn
makkers drukten naauwkeurig zijn voetstappen en vermeden luide
gesprekken; want het geringste geraas, dat de luchtlagen in beweging
bragt, kon den val der sneeuwmassa's veroorzaken, die zeven a acht
honderd voet boven hun hoofd hingen.

Zij waren nu in het gewest der heesters gekomen, die, twee honderd
vijftig vademen hooger hun plaats moesten afstaan aan de grasgewassen en
de cactussen. Ter hoogte van elf duizend voet hielden ook deze planten
op den naakten bodem te bedekken, en ieder spoor van plantengroei
verdween. De reizigers hadden maar eens, ten acht ure, stil gehouden om
hun krachten door een korten maaltijd te herstellen, en met
bovenmenschelijken moed begonnen zij weder te klimmen, daarbij steeds
toenemende gevaren trotseerende. Zij moesten over scherpe rotspunten en
onpeilbare afgronden heen. Op vele plaatsen waren houten kruisen langs
den weg opgerigt, ter aanduiding van de plekken, waar talrijke
ongelukken plaats hadden gehad. Tegen twee ure bereikten zij een
onmetelijk bergvlak, zonder eenig spoor van plantengroei, een soort van
woestijn, die zich tusschen kale rotsen uitstrekte. De lucht was droog,
de hemel had een hard blaauwe kleur; op deze hoogten regent het nooit,
en de dampen worden alleen in sneeuw of in hagel opgelost. Hier en daar
boorden eenige porfier- of basaltspitsen door het witte lijklaken,
gelijk de beenderen van een geraamte, en van tijd tot tijd vielen
brokken kwarts of gneis, door den invloed der lucht verweerd, in gruis
met een zwak geraas, dat door de ijlheid van den dampkring bijna
onhoorbaar was.

Intusschen waren de krachten van den kleinen troep, hoe moedig ook,
geheel uitgeput. Toen lord Edward de uitputting zijner reisgenooten
bemerkte, speet het hem, dat hij zich zoover op den berg had gewaagd. De
kleine Robert verzette zich tegen de vermoeijenis, maar kon niet verder.

Ten drie ure bleef Glenarvan staan.

"Wij moeten rust nemen," zeide hij; want hij zag wel, dat niemand dit
voorstel zou doen.

"Rust nemen?" antwoordde Paganel, "maar wij hebben geen dak."

"Het moet toch, al was het alleen ter wille van Robert."

"Wel neen, mylord!" antwoordde de moedige knaap, "ik kan nog verder gaan
... houdt u niet o....""

"Wij zullen u dragen, mijn jongen!" antwoordde Paganel; "maar wij
moeten, wat het ook kosten moge, de oostelijke helling bereiken. Daar
zullen wij misschien een nachtverblijf in een hut vinden. Ik vraag nog
een togt van twee uren."

"Vindt gij dat allen goed?" vroeg Glenarvan.

"Ja!" antwoordden zijn reisgenooten.

Mulrady voegde er bij:

"Ik belast mij met het kind."

En men ging weder in een oostelijke rigting verder; de beklimming werd
nog gedurende twee vreeselijke uren voortgezet. Men klom maar altijd
door om de hoogste bergtoppen te bereiken. De verdunning der lucht
veroorzaakte die pijnlijke beklemdheid, bekend onder den naam van
"puna." Het bloed zijpelde uit het tandvleesch en de lippen ten gevolge
van het verbroken evenwicht der lucht, en misschien ook onder den
invloed der sneeuw, die op een aanzienlijke hoogte den dampkring, zooals
bewezen is, bederft. Door een versnelde inademing moest men het gebrek
aan digtheid vergoeden om den bloedsomloop gaande te houden, hetgeen
niet minder vermoeijend was dan de weerkaatsing der zonnestralen op de
sneeuwhoopen. Hoe sterk ook de wilskracht dier moedige mannen ware, toch
kwam het oogenblik, waarop de krachtigsten bezweken, en de duizeligheid,
die verschrikkelijke plaag op de bergen, vernietigde niet alleen hun
ligchaamskrachten, maar ook hun zedelijke kracht. Niet straffeloos kan
men tegen vermoeijenissen van dien aard worstelen. Weldra vielen zij
telkens, en degenen die vielen konden slechts verder gaan door op hun
knieën voort te kruipen.

De uitputting zou dus weldra een eind gemaakt hebben aan deze te lang
voortgezette beklimming, en Glenarvan overzag niet zonder schrik het
eindelooze sneeuwkleed, de koude, die het op dit noodlottige gewest deed
nederdalen, de schaduw, die naar die woeste toppen opsteeg, het gebrek
aan een nachtverblijf, toen de majoor hem tegenhield en op een kalmen
toon zeide: "Eene hut."




XIII.

De afdaling van de Cordillera.


Ieder ander dan Mac Nabbs zou honderdmaal voorbij, om, ja zelfs over die
hut gegaan zijn, zonder haar bestaan te vermoeden. Een verhevenheid van
het sneeuwtapijt onderscheidde haar naauwelijks van de omringende
rotsen. Eerst moest men de sneeuw wegruimen. Na een half uur
onafgebroken doorgewerkt te hebben, hadden Wilson en Mulrady eindelijk
den ingang der "casucha" vrij gemaakt, en het kleine gezelschap haastte
zich om er bezit van te nemen.

Die hut, door de Indianen gebouwd, was gemaakt van "adobes," een soort
van in de zon gebakken steenen; zij had de gedaante van een kubus van
twaalf voet lang, en verhief zich op den top van een basaltblok. Een
steenen trap voerde naar de deur, de eenige opening van het stulpje, en
hoe naauw zij ook ware, wisten de orkanen, de sneeuw of de hagel zich er
toch wel een weg door te banen, wanneer de storm in het gebergte was
losgelaten.

Tien menschen konden er gemakkelijk plaats in vinden, en waren haar
wanden al niet waterdigt genoeg in den regentijd, nu beschermden zij
althans eenigzins tegen de snerpende koude, die volgens den thermometer
tien graden onder nul bedroeg. Ook verschafte een soort van haard met
een pijp van zeer slecht zamengevoegde steenen gelegenheid om vuur aan
te leggen, en zich behoorlijk tegen de koude der buitenlucht te
beschermen.

"Dit verblijf is voldoende," zeide lord Edward, "al is het juist niet
gemakkelijk ingerigt. De Voorzienigheid heeft ons hierheen geleid, en
het eerste wat wij doen moeten, is Haar er voor te danken."

"Maar het is een paleis," antwoordde Paganel. "Er ontbreken slechts
schildwachten en hovelingen aan. Wij zijn hier bijzonder goed
gehuisvest."

"Vooral wanneer er een goed vuur aan den haard zal knetteren," zeide Tom
Austin; "want wij hebben niet alleen honger, maar zijn ook
verschrikkelijk koud, geloof ik, en wat mij aangaat, een flinke takkebos
zou mij meer opvrolijken dan een stuk wildbraad."

"Als dat zoo is, Tom!" antwoordde Paganel, "zullen wij ons best doen om
brandstoffen te vinden."

"Brandstoffen op den top der Cordillera's!" zeide Mulrady, terwijl hij
met een ongeloovig gezigt het hoofd schudde.

"Dat men een schoorsteen in deze hut gemaakt heeft," antwoordde de
majoor, "is waarschijnlijk, omdat men hier wel iets te branden vindt."

"Onze vriend Mac Nabbs heeft gelijk," zeide Glenarvan; "maakt alles voor
het avondeten gereed; ik zal houthakker zijn."

"Wilson en ik gaan met u mede," antwoordde Paganel.

"Als ik soms van dienst kan zijn?..." zeide Robert opstaande.

"Neen! rust maar uit, wakkere knaap!" antwoordde Glenarvan. "Gij zult
een man zijn op een leeftijd, waarop anderen nog maar kinderen zijn!"

Glenarvan, Paganel en Wilson verlieten de hut. Het was zes ure des
avonds. De koude was doordringend, ofschoon het doodstil was. De blaauwe
kleur der lucht werd reeds donker, en de laatste zonnestralen beschenen
nog maar even de hooge punten van de bergvlakken der Andes. Paganel, die
zijn barometer had mede genomen, raadpleegde hem, en zag, dat het kwik
op 49.5 duim staan bleef. De stand der kwikkolom kwam overeen met een
hoogte van elf duizend zeven honderd voet. Dit gedeelte der Cordillera's
was dus slechts negen honderd ellen lager dan de Mont-Blanc. Hadden deze
bergen dezelfde moeijelijkheden opgeleverd als die fransche reus, of
waren slechts de orkanen en wervelwinden tegen hen losgelaten, dan zou
geen enkele onzer reizigers de groote keten der Nieuwe Wereld
overgekomen zijn.

Op een porfierbergje gekomen, wendden Glenarvan en Paganel hun blikken
naar alle punten van den gezigteinder.

Zij bevonden zich nu op den top van de sneeuwvelden der Cordillera, en
overzagen een ruimte van vijftig vierkante mijlen. Ten oosten gingen de
hellingen in een zachte glooijing over, langs welke de inlanders zich
honderden vademen ver laten afglijden. Overlangsche strooken steenen en
zwerfblokken, die door het voortschuiven der gletschers verplaatst
waren, vormden in de verte onmetelijke strepen van kleiachtig puin.
Reeds werd het dal van de Colorado hoe langer hoe meer in de schaduw,
door de ondergaande zon veroorzaakt, gehuld; de verhevenheden van den
grond, de uitstekende punten, de naalden en spitsen, door haar stralen
beschenen, werden langzamerhand onzigtbaar, en allengs strekte de
duisternis zich over de geheele oostelijke helling der Andes uit. In het
westen bescheen het licht de voorbergen nog, die den loodregten wand der
westelijke zijden schragen. Het oog werd verblind, als het op de rotsen
en gletschers staarde, die zich baadden in de stralen van de zon. Ten
noorden golfde een rij van toppen, die onmerkbaar ineensmolten en als
het ware een lijn vormden, die door een bevende en onbedrevene hand was
getrokken. Het oog kon ze niet van elkander onderscheiden. Maar ten
zuiden werd het tooneel daarentegen prachtig, en bij het vallen der
duisternis nam het grootsche afmetingen aan. Wanneer men in het woeste
dal van de Torbido nederzag, kon men den Antuco overzien, wiens
ontzaggelijke krater zich twee mijlen verder opende. De vulkaan loeide
als een ontzaggelijk monster, gelijk aan de Leviathans van den voortijd,
en braakte vurige rookzuilen uit, vermengd met stroomen van roetachtige
vlammen. De geheele kring van omringende bergen scheen in brand te
staan; hagelbuijen van witgloeijende steenen, wolken van roodachtige
dampen, vuurpijlen van lava, vereenigden zich tot vonkelende schoven.
Een ontzaggelijke glans, die ieder oogenblik helderder werd, een
verblindende vlam, vervulde dien wijden omtrek met zijn sterken
weerschijn, terwijl de zon, langzamerhand van haar schemerlicht beroofd,
als een uitgedoofde ster in de schaduwen aan den gezigteinder verdween.

Paganel en Glenarvan zouden welligt lang verdiept zijn gebleven in de
beschouwing van die prachtige worsteling tusschen het vuur des hemels en
het vuur der aarde; de geimproviseerde houthakkers maakten plaats voor
de kunstenaars; maar Wilson, die minder met al dat schoon ophad, riep
hen tot de werkelijkheid terug. Hout was er wel niet, maar gelukkig
waren de rotsen met dun en droog korstmos bekleed; zij verzamelden een
aanzienlijken voorraad daarvan, alsmede van een zekere plant, "llaretta"
geheeten, welker wortel redelijk wel kon branden. Zoodra die kostelijke
brandstof in de hut was gebragt, wierp men ze op den haard. Het kostte
vrij wat moeite om het vuur aan te maken, maar nog meer om het aan te
houden. De zeer verdunde lucht leverde niet genoeg zuurstof meer aan de
vlam; althans de majoor gaf die reden op.

"Tot vergoeding," voegde hij er bij, "zal het water niet tot honderd
graden verwarmd behoeven te worden om te koken; wie hun koffij gaarne
zetten met water van honderd graden zullen het er buiten moeten doen;
want op deze hoogte kookt het water reeds onder de negentig graden."[1]

Mac Nabbs vergiste zich niet; toen men den thermometer, zoodra het water
kookte, in den ketel dompelde, wees hij slechts zeven en tachtig graden.
Met smaak dronk elk eenige teugen kokend heete koffij; maar het
gedroogde vleesch vond men wel wat ontoereikend, hetgeen Paganel
aanleiding gaf om de volgende even gegronde als nuttelooze opmerking te
maken.

"Drommels!" zeide hij, "ik moet bekennen, dat een stuk geroosterd
lamavleesch niet te versmaden zou zijn. Men zegt, dat dit dier het rund
en het schaap vervangt, en nu zou ik wel willen weten, of men daarmede
bedoelt als voedingsmiddel."

"Wat!" riep de majoor, "zijt gij niet tevreden met ons avondeten,
geleerde Paganel?..."

"Ik ben in de wolken, dappere majoor! maar toch houd ik vol, dat een
schotel wildbraad welkom zou zijn.

"Gij zijt een Sybariet," zeide Mac Nabbs.

"Dat spreek ik niet tegen, majoor! maar gij moogt zeggen wat gij wilt,
gij zoudt ook niet zuur kijken, als er een biefstuk vóór u stond!"

"Dat geloof ik ook niet!" antwoordde de majoor.

"En als men u verzocht om, in weerwil van de koude en de duisternis, op
den loer te gaan staan, zoudt gij dan zonder bedenken gaan?"

"Ongetwijfeld, en als gij het verlangt...."

De makkers van Mac Nabbs hadden niet eens tijd gehad om hem te bedanken
en zijn al te driftige voorkomendheid wat te beteugelen, toen zich in de
verte een gehuil deed hooren, dat lang aangehouden werd. Het waren geen
kreten van enkele dieren, maar van een geheele kudde, die met snelheid
naderde. Zou de Voorzienigheid soms, na eerst een nachtverblijf bezorgd
te hebben, ook nog in het avondeten willen voorzien? Die gedachte kwam
bij den aardrijkskundige op. Maar Glenarvan bragt zijn vreugde een
weinig tot bedaren door de opmerking, dat men op die hoogte geen
viervoetige dieren op de Cordillera aantreft.

"Waar komt dat geraas dan vandaan?" vroeg Tom Austin. "Hoort gij wel,
hoe nabij het komt?"

"Zou het een lawine zijn?" vroeg Mulrady.

"Dat is onmogelijk! Het is niets anders dan gehuil," antwoordde Paganel.

"Laten wij eens gaan zien!" zeide Glenarvan.

"En laten wij als jagers gaan zien!" voegde de majoor er bij, die zijn
karabijn reeds greep.

Allen stormden de hut uit. De duisternis van den nacht werd alleen
verminderd door het licht der sterren. De maan, die in het laatste
kwartier was, was nog niet op. De noordelijke en oostelijke toppen
verdwenen in de duisternis, en alleen het tooverachtig schaduwbeeld van
eenige zeer hooge rotsen kon het oog nog waarnemen. Het gehuil,--een
gehuil van ontstelde dieren,--werd hoe langer hoe sterker. Zij kwamen
van het donkere gedeelte der Cordillera's. Wat ging daar om? Plotseling
naderde een woedende lawine, maar een lawine van levende en van schrik
waanzinnige wezens. Het geheele bergvlak scheen te dreunen. Er kwamen
honderden, duizenden misschien van die dieren, welke in weerwil van de
ijlheid der lucht een oorverdoovend geraas maakten. Was het rood wild
uit de pampa's of eenvoudig een troep lama's en vicunna's? Glenarvan,
Mac Nabbs, Robert, Austin en de beide matrozen hadden naauwelijks den
tijd om zich ter aarde te werpen, terwijl die levende wervelwind eenige
voeten boven bun hoofd voorttrok. Paganel, die als nachtziende was
blijven staan om beter te zien, werd in een oogwenk omvergeworpen.

Tegelijk hoorde men een vuurwapen losbranden. De majoor had op de gis
geschoten. Het kwam hem voor, alsof er een dier digt bij hem nederviel,
terwijl de geheele troep door zijn onweerstaanbare vaart medegesleept en
nog veel sterker huilende, op de hellingen verdween, die door den
weerschijn van den vulkaan verlicht werden.

"Ha! ik heb hem!" zeide een stem,--die van Paganel.

"Wat hebt gij?" vroeg Glenarvan.

"Wel, mijn bril! Men mag zich gelukkig achten, als men in zulk een
verwarring alleen zijn bril verliest!"

"Gij zijt toch niet gekwetst?..."

"Neen! alleen heb ik een trap gehad. Maar van wien?"

"Hiervan," antwoordde de majoor, die het beest, dat hij geveld had,
voortsleepte.

Een ieder haastte zich om de hut weder te bereiken, en bij het schijnsel
van het vuur onderzocht men het "schot" van Mac Nabbs.

Het was een mooi dier, dat op een kleinen kameel zonder bult geleek; het
had een fijnen kop, een plat ligchaam, lange en tengere pooten, fijn,
geel haar, en witte vlekken onder aan den buik. Naauwelijks had Paganel
het gezien, of hij riep:

"Het is een guanacha!"

"Wat is een guanacha?" vroeg Glenarvan.

"Een dier, dat men eten kan," antwoordde Paganel.

"En smaakt het goed?"

"Dat geloof ik. Het is godenspijs. Ik wist wel, dat wij versch vleesch
voor ons avondeten zouden hebben. En welk vleesch! Maar wie zal het dier
slagten?"

"Dat zal ik wel doen," zeide Wilson.

"Goed, en ik zal het roosteren," antwoordde Paganel.

"Zijt gij dan een kok, mijnheer Paganel?" vroeg Robert.

"Dat zou ik haast denken, mijn jongen! ik ben immers een Franschman! In
een Franschman steekt altijd een kok!"

Vijf minuten later leide Paganel breede sneden wildbraad op de kolen van
den wortel der llaretta. Tien minuten daarna diende hij aan zijn
reisgenooten dat zeer smakelijk uitziende vleesch voor onder den naam
van "reepen van guanacha." Niemand liet zich lang noodigen, en allen
zetten er met graagte de tanden in.

Maar tot groote verbazing van den aardrijkskundige werd de eerste
mondvol ontvangen met een leelijk gezigt en een eenstemmig "ba!"

"Het is afschuwelijk!" zeide de een.

"Het is niet eetbaar!" riep de ander.

Hoezeer het hem ook speet, moest de arme geleerde toch bekennen, dat dit
geroosterd vleesch niet gebruikt kon worden, zelfs niet door
uitgehongerden. Men begon dan ook den draak met hem te steken, hetgeen
hij zich goedwillig liet aanleunen, en zijn "godenspijs" te beschimpen;
hij zelf echter zocht naar de oorzaak, waarom dat guanacha-vleesch, dat
werkelijk goed en zeer geacht is, onder zijne handen zoo afschuwelijk
was geworden, toen hem een onverwachte opmerking te binnen schoot.

"Ik ben er achter!" riep hij. "Voor den drommel! ik ben er achter! ik
heb het gevonden!"

"Was het vleesch misschien te veel aangestoken?" vroeg Mac Nabbs zeer
bedaard.

"Neen! onverdragelijke majoor! maar het was vleesch, dat te veel
geloopen had! Dat ik daaraan niet gedacht heb!"

"Wat bedoelt gij daarmede, mijnheer Paganel?" vroeg Tom Austin.

"Ik bedoel, dat de guanacha alleen dan goed is, wanneer hij in den slaap
gedood is; als men hem lang jaagt, als hij lang achtereen loopt, is zijn
vleesch niet eetbaar meer. Uit den smaak blijkt dus, dat dit dier, en
bij gevolg de geheele kudde, van verre kwam."

"Zijt gij daarvan zeker?" zeide Glenarvan.

"Ik ben er stellig zeker van."

"Maar welk voorval, welk natuurverschijnsel heeft die dieren zoo kunnen
verschrikken en hen opjagen op een uur, dat zij rustig in hun leger
moesten slapen?"

"Op die vraag, waarde Glenarvan!" zeide Paganel, "moet ik u het antwoord
schuldig blijven; en mij dunkt, dat wij niet beter kunnen doen, dan er
ons hoofd niet mede te breken en te gaan slapen. Ik kan de oogen niet
langer open houden. Keurt gij het ook niet goed, majoor?"

"Ja, Paganel! laten wij gaan slapen."

Hierop wikkelden allen zich in hun mantel, het vuur werd goed voorzien,
en spoedig ging er in alle toonen en in allerlei maat een geducht
gesnork op, waar tusschen de bas van den geleerden aardrijkskundige de
harmonie bewaarde.

Edward Glenarvan alleen sliep niet. Een heimelijke onrust hield hem in
een staat van vermoeijende slapeloosheid. Hij dacht onwillekeurig aan
die kudde, welke in ééne rigting voortvlugtte, aan haar onverklaarbaren
schrik. De guanacha's konden niet door rood wild vervolgd worden. Op
deze hoogte is het niet, en nog veel minder zijn er jagers. Welke angst
dreef hen dan naar de afgronden van den Antuco, en wat was er de oorzaak
van? Glenarvan had een voorgevoel van een naderend gevaar.

Onder den invloed eener halve slaperigheid werden zijn denkbeelden
echter langzamerhand gewijzigd, en de vrees maakte plaats voor hoop. Hij
zag, hoe hij des anderen daags in de vlakte der Andes zou zijn. Daar
zouden de nasporingen eerst regt beginnen, en was de goede uitslag
misschien niet ver af. Hij dacht aan kapitein Grant, aan diens beide
matrozen, die uit een harde slavernij verlost zouden worden. Die beelden
gingen snel in zijn geest voorbij, daar zij telkens verstrooid werden
door het geknetter van het vuur, door een vonk, die knappend omhoog
steeg, door een heldere vlam, die het gelaat zijner slapende makkers
verlichtte en een schaduw langs de wanden der hut deed gaan. Daarna
keerde zijn voorgevoel met meer kracht terug. Hij hoorde een onduidelijk
geraas daar buiten, dat hij op die eenzame toppen moeijelijk kon
verklaren.

Eens meende hij in de verte een dof en dreigend gerommel op te vangen,
gelijk aan het ratelen van een donder, die niet uit de lucht kwam. Dat
gerommel nu kon alleen veroorzaakt worden door een storm, die op de
zijden des bergs, eenige duizenden voeten onder zijn top woedde.
Glenarvan wilde het onderzoeken en verliet de hut.

De maan ging juist op. De dampkring was zuiver en stil. Geen wolkje was
er boven noch beneden te zien. Hier en daar slechts bewoog zich de
weerschijn der vlammen van den Antuco. Geen onweder, geen weerlicht was
er aan de lucht. In het toppunt schitterden duizenden sterren. En toch
duurde het gerommel maar altijd voort; het scheen te naderen en door de
keten der Andes voort te loopen. Glenarvan ging nog ongeruster naar
binnen, zich afvragende welk verband er bestond tusschen dat
onderaardsche gerommel en de vlugt der guanacha's. Was er een uitwerksel
en een oorzaak aanwezig? Hij zag op zijn horlogie, dat op twee uur
stond.

Daar hij echter niet zeker was, dat er een gevaar naakte, wekte hij zijn
makkers niet, die de vermoeidheid vast had doen inslapen, en hij verviel
zelf in eene loome dommeling, die verscheidene uren aanhield.

Eensklaps deed een geweldig geraas hem overeind vliegen. Het was een
oorverdoovend leven, te vergelijken met het hortend en stootend
gedruisch, dat ontelbare kruidwagens, die over een helder klinkend
plaveisel rijden, zouden maken. Plotseling gevoelde Glenarvan, dat de
grond onder hem wegzonk; hij zag de hut slingeren en splijten.

"Op! op!" riep hij uit.

Zijne makkers werden allen wakker, over elkander heen geworpen, en langs
een schrikwekkende schuinte medegesleept. De zon, die juist opging,
bescheen een akelig tooneel. De gedaante der bergen veranderde in een
oogwenk; de kegels werden afgeknot; de wankelende spitsen verdwenen,
alsof er onder haar een luik werd geopend. Ten gevolge van een aan de
Cordillera's eigen natuurverschijnsel[2], werd een geheele streek, ter
breedte van verscheidene mijlen, verplaatst en gleed zij naar de vlakte.

"Een aardbeving!" riep Paganel.

Hij vergiste zich niet. Het was een van die veelvuldige omkeeringen op
de bergachtige grens van Chili, en juist in dienzelfden omtrek, waarin
Copiapo tweemaal verwoest en Santiago in veertien jaren viermaal het
onderst boven gekeerd is. Dit gedeelte van den aardbol wordt door het
inwendige vuur ondermijnd, en de vulkanen van deze nog jonge bergketen
zijn slechts ontoereikende veiligheidskleppen voor de onderaardsche
dampen. Dat is de oorzaak dier onophoudelijke schokken, bekend onder den
naam van "temblores".

Het bergvlak, waaraan zeven mannen, verdoofd en verschrikt, hangende aan
bosjes korstmossen, zich vastklemden, gleed intusschen met de vaart van
een sneltrein, d.i. met een snelheid van vijftig mijlen in het uur. Het
was even onmogelijk om te roepen, als om een beweging te maken ten einde
te vlugten of zijn val te stuiten. Men zou elkander toch niet hebben
kunnen verstaan. Het inwendig gerommel, het geraas der lawinen, de schok
der graniet- en basaltmassa's, de ronddwarrelende sneeuw, zoo fijn als
stof, maakten de minste woordenwisseling onmogelijk. Nu eens zakte het
gesteente zonder horten of stooten; dan weder slingerende en stampende,
gelijk het dek van een schip in een holle zee, langs afgronden gaande,
waarin brokken van den berg nederstortten, of de eeuwenoude boomen
ontwortelende, maakte het met de naauwkeurigheid eener onmetelijke zeis
al de uitstekende punten der oostelijke helling effen en gelijk.

Men verbeelde zich de kracht eener massa

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/38667