Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)
by Jules Verne · Dutch · Gutenberg #38449 · 459,985 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)
Author: Jules Verne
Release date: December 31, 2011 [eBook #38449]
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/38449
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET STOOMHUIS: DE WAANZINNIGE DER NERBUDDA (2/2) ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
Wonderreizen.
JULES VERNE.
HET STOOMHUIS.
De Waanzinnige der Nerbudda.
Gevolgd door
DOKTER OX.
Rotterdam.--Jacs. G. Robbers.
HET STOOMHUIS: DE WAANZINNIGE DER NERBUDDA.
I.
DE KRAAL.
De dood van dien ongelukkige had een levendigen indruk op ons
gemaakt, en vooral de wijze waarop hij had plaats gegrepen. Maar de
beet van de zweepslang, een der vergiftigste van het schiereiland,
is onverbiddelijk. Alweder een slachtoffer bij de duizenden, die
jaarlijks door deze geduchte dieren in Indië gemaakt worden [1].
Men heeft,--zeker uit kortswijl,--beweerd, dat er vroeger op Martinique
geen slangen waren, en dat de Engelschen ze er hadden ingevoerd,
toen zij het eiland aan Frankrijk moesten teruggeven. De Franschen
behoefden van deze soort van wraakneming geen gebruik te maken, toen
zij hunne overwinningen van Indië hebben overgegeven. Het was onnoodig,
en de natuur heeft zich in dit opzicht werkelijk kwistig betoond.
Het lichaam van den Hindoe werd onder den invloed van het vergif
snel ontbonden, en men moest het dadelijk begraven. Zijne metgezellen
vervulden die treurige taak, en legden het in een kuil, die zoo diep
was, dat de roofdieren het niet konden opgraven.
Zoodra deze droevige plechtigheid was afgeloopen, noodigde Matthias van
Guitt ons uit hem naar de kraal te vergezellen, en deze uitnoodiging
werd gretig aangenomen.
Binnen een half uur hadden wij de vestiging van den leverancier
bereikt. Deze vestiging rechtvaardigde zeer goed den naam van
»kraal," die meer bijzonder in gebruik was bij de kolonisten van
Zuidelijk-Afrika.
Het was een uitgestrekte open ruimte in het dichtst van het
woud. Matthias van Guitt had haar ingericht met een volkomen kennis
van alles wat tot het vak behoorde. Zij was aan de vier zijden omgeven
door een rij hooge palissaden, met een opening, die wijd genoeg was
om toegang tot de wagens te verleenen. In het midden bevond zich een
lange hut van boomstammen en planken, die aan al de bewoners der kraal
tot woning diende. Zes kooien, in verschillende afdeelingen verdeeld,
ieder op vier wielen, waren rechthoekig gesteld aan het linker uiteinde
der omheinde ruimte. Het gebrul in die wagens verried dat er zich
gasten in bevonden. Rechts was een dozijn buffels, gevoed door de
vette weiden op de helling der bergen, in de open lucht afgeperkt. Dit
was de gewone bespanning der rollende menagerie. Zes voerlui, die de
wagens moesten besturen, tien Hindoes, speciaal geoefend in de jacht
op wilde dieren, voltooiden het personeel der kraal.
De voerlui waren slechts gehuurd, zoolang als de campagne duurde. Het
was hun taak de wagens naar de wildstreken te brengen, en ze vervolgens
terug te geleiden naar het naaste station van den spoorweg. Daar
werden dan de karren op rolwagens geplaatst, en konden zij over
Allahabad of Bombay, Calcutta bereiken.
De jagers, van het ras der Hindoes, behoorden tot de kategorie van
lieden van het vak, »chikaris" genaamd. Zij moeten de sporen der
wilde dieren opzoeken, ze opjagen en ze vangen.
Zoodanig was het personeel der kraal en op deze wijze woonden Matthias
van Guitt en zijne lieden er reeds sedert eenige maanden. Zij waren
er blootgesteld, niet alleen aan de aanvallen der wilde beesten,
maar ook aan de koortsen, die in het bijzonder Tarryani bezoeken. De
vochtigheid der nachten, de noodlottige uitwasemingen van den bodem,
de vochtige warmte onder het dichte geboomte, dat slechts onvolkomen
door de zonnewarmte doordrongen wordt, dit alles maakt van de onderste
streek der Himalaya een ongezond oord.
En toch waren de leverancier en zijne Hindoes zoo goed geacclimatiseerd
in deze streek, dat zij evenmin door de »malaria" werden aangedaan
als de tijgers of andere gewone bezoekers van Tarryani. Doch wij
voor ons zouden niet ongestraft eenigen tijd in de kraal hebben
kunnen verblijven, en dat was ook het plan niet van kapitein
Hod. Eenige nachten slechts zouden wij op de loer liggen en den
overigen tijd doorbrengen in het Stoomhuis, in die hoogere streken,
die de uitwasemingen der vlakte niet kunnen bereiken.
Wij waren dus in het kampement van Matthias van Guitt aangekomen. De
deur werd geopend om er ons toegang in te verleenen.
Matthias van Guitt scheen bijzonder door ons bezoek vereerd te zijn.
»En nu, mijne heeren, wensch ik u welkom in mijn kraal. De inrichting
beantwoordt aan al de vereischten van mijn vak. Werkelijk is het
slechts een groote hut, wat de jagers op het schiereiland een »houddi"
noemen."
Zoo sprekende had de leverancier de deuren van de hut voor ons geopend,
die door hem en zijne lieden gemeenschappelijk bewoond werd. Het was er
alles behalve weelderig ingericht. Een eerste kamer voor den meester,
een tweede voor de chikaris, een derde voor de voerlieden, en in elke
kamer geen ander meubel dan een veldbed; een vierde grootere zaal,
die tegelijk voor keuken en eetzaal diende. De woning van Matthias
van Guitt verkeerde nog, zooals men ziet, in zeer primitieven toestand
en verdiende met recht de benaming van houddi.
Na de woning van »de tweehandigen, tot de eerste groep der zoogdieren
behoorende," bezocht te hebben, werden we uitgenoodigd de woning der
viervoetige dieren nog iets nader in oogenschouw te nemen.
Dit was het merkwaardigste gedeelte van de geheele kraal. Het deed
eerder denken aan de inrichting eener reizende menagerie dan aan
de gerieflijke schikking van een zoölogischen tuin. Er ontbrak
inderdaad niets aan, dan het in waterverf geschilderd doek, boven
een kermistooneel opgehangen, en met harde kleuren een dierentemmer
voorstellende in een vleeschkleurig tricot en fluweelen jasje,
te midden van een woest opspringenden troep wilde beesten, die met
bebloeden muil, de klauwen uitsteken en zich krommen onder de zweep
van een Bidel of een Pezon! Ongelukkig bevond zich daar geen publiek
om de loge te bestormen.
Eenige schreden van daar bevonden zich de tamme buffels. Zij namen
rechts een gedeelte ter zijde van de kraal in, alwaar men hun dagelijks
hun rantsoen versch gras bracht. Onmogelijk kon men deze dieren in
de naburige weiden laten rondzwerven. Zooals Matthias van Guitt het
in sierlijke bewoordingen uitdrukte: »de gewoonte om de dieren vrij
te laten weiden, zooals dit in het Vereenigd-Koninkrijk geschiedt,
is onbestaanbaar met de gevaren, die de wouden der Himalaya opleveren."
De eigenlijke menagerie bestond uit zes kooien, die op vier wielen
stonden. Elke kooi, van voren met traliewerk voorzien, was in drie
afdeelingen verdeeld. Door middel van deuren, of liever schotten,
die van onderen naar boven konden bewogen worden, kon men de dieren,
naar gelang de behoefte van den dienst het medebracht, van de eene
afdeeling in de andere drijven. Die kooien bevatten toen zeven tijgers,
twee leeuwen, drie panters en twee luipaarden.
Matthias van Guitt deelde ons mede, dat zijn voorraad eerst dan
gereed zou zijn, als hij nog twee luipaarden, drie tijgers en een
leeuw gevangen had. Dan eerst zou hij het kampement verlaten, het
dichtstbij zijnde station van den spoorweg bereiken en de richting
naar Bombay inslaan.
De wilde dieren, die men gemakkelijk in hunne hokken kon gadeslaan,
waren prachtig, doch bijzonder woest. Zij waren nog te kort geleden
gevangen om reeds aan hun toestand van opsluiting gewoon te zijn. Dit
merkte men aan hun ontzettend gebrul, aan hun onophoudelijke heen
en weer beweging van het eene tusschenschot naar het ander, aan de
geweldige slagen, die zij met de pooten tusschen de op vele plaatsen
verbroken traliën den toeschouwers trachtten toe te brengen.
Toen wij voor de kooien kwamen, verdubbelde dit geweld nog, zonder
dat Matthias er zich iets om scheen te bekreunen.
»Arme dieren!" zei kapitein Hod.
»Arme dieren!" herhaalde Fox.
»Gelooft u dan dat ze meer te beklagen zijn, dan zij die ge
doodt?" vroeg de leverancier op tamelijk drogen toon.
»Minder te beklagen dan te berispen.... dat ze zich hebben laten
vangen!" antwoordde kapitein Hod.
Indien het waar is wat men beweert, dat de roofdieren in landen als
in Afrika, waar de herkauwers, die hun tot voedsel strekken, zeldzaam
zijn, somtijds lang moeten vasten, zoo is dit niet hetzelfde in de
gansche streek van Tarryani. Daar toch zijn bizons, buffels, zebus,
wilde zwijnen, antilopen in overvloed voorhanden, waarop leeuwen,
tijgers en panters onophoudelijk jacht maken. Daarenboven bieden hun
de geiten, de schapen, om niet te spreken van de »raiöts," die ze
hoeden, een gemakkelijke en zekere prooi aan. Zij kunnen dus in de
bosschen der Himalaya gemakkelijk hun honger voldoen. Daarom ook is
hunne wreedheid, die hen nooit verlaat, niet te verontschuldigen.
Het was voornamelijk met het vleesch van den bizon en den zebu waarmede
de leverancier de gasten zijner menagerie voedde en de zorg hen op
zekere dagen te proviandeeren was aan de chikaris opgedragen.
Men stelle zich niet voor, dat deze jacht zonder gevaren zoude
zijn. Het tegendeel is waar. Zelfs voor den tijger is de wilde
buffel een geducht dier, vooral als hij gewond is. Vele jagers
hebben hem met de horens den boom zien ontwortelen, waarop hij een
schuilplaats gezocht had. Ongetwijfeld beweert men wel, dat het oog
van den herkauwer inderdaad een vergrootende lens is, dat de grootte
der voorwerpen zich in zijne oogen verdriedubbelt en dat de mensch,
met dat reusachtige voorkomen, hem vrees inboezemt. Eveneens beweert
men, dat de vertikale stand van het menschelijk wezen, als hij loopt,
de wilde dieren verschrikt en het daarom beter is ze overeind te
trotseeren dan neergehurkt of in liggende houding.
Ik weet niet in hoever deze bijzonderheden waarheid bevatten, maar
zeker is het, dat de mensch, zelfs al richt hij zich in zijne gansche
lengte op, niet de minste uitwerking op den wilden buffel maakt en
dat, bijaldien hij ongewapend is of zijn wapen hem begeeft, hij zoo
goed als verloren is.
Hetzelfde kan gezegd worden van den Indischen bizon of bultos, met den
korten en vierkanten kop, de ranke, aan de basis afgeplatte horens,
den bultigen rug,--die zijne verwantschap toont met zijn Amerikaanschen
stamgenoot,--met de van den hoef tot aan de knie toe witte pooten en
die van den wortel van den staart tot aan de punt der snuit menigmaal
vier ellen meet. Ook hij, al is hij misschien minder woest, wordt,
bij troepen in het hooge gras der vlakte weidende, vreeselijk voor
iederen reiziger, die hem onvoorzichtig aanvalt.
Dit waren dus de herkauwers die meer bijzonder bestemd waren de
roofdieren van de menagerie van Guitt te voeden. Ook trachtten de
chikaris, teneinde zich zekerder meester van hen te maken, ze bij
voorkeur in vallen te vangen, waaruit zij ze dood of bijna dood te
voorschijn haalden.
Overigens gaf de leverancier, als een man die zijn vak verstond, zijnen
gasten slechts spaarzaam te eten. Eens per dag, te twaalf uur, werd
hun vier of vijf pond vleesch uitgedeeld en niets meer. En zelfs,--het
was toch zeker niet om den Zondag?--liet hij ze van Zaterdag tot
Maandag vasten. Een hongerige Zondag voor de arme dieren! Als zij
dan ook na acht en veertig uren hun bescheiden aandeel ontvingen,
was het een moeielijk in te houden woede, een ontzettend gehuil,
gepaard met geduchte sprongen, die de rollende kooien heen en weer
schudden en deden vreezen dat ze totaal vernield zouden worden.
Jawel, arme dieren! is men geneigd met kapitein Hod te herhalen. Doch
Matthias van Guitt handelde zoo niet zonder reden. Deze onthouding in
hun toestand van opsluiting bespaarde zijnen wilden dieren allerlei
huidaandoeningen en verhoogde den prijs op de markten van Europa.
Men kan zich intusschen gemakkelijk voorstellen, dat, terwijl
Matthias van Guitt ons zijne verzameling vertoonde, meer als
natuurkundige dan als dierenvertooner, hij zijn mond geen oogenblik
stil hield. Integendeel. Hij sprak, hij vertelde, hij schilderde,
en, daar de roofdieren van Tarryani het voornaamste onderwerp zijner
wijdloopige redeneeringen uitmaakten, hoorden wij hem niet zonder
belangstelling aan. Wij zouden de kraal dan ook niet verlaten,
dan nadat ons de diepste geheimen van de zoölogie der Himalaya
ontsluierd waren.
»Maar, mijnheer van Guitt," zeide Banks, »hoe is het gesteld met de
voordeelen van het vak, staan ze in verhouding tot de gevaren?"
»Mijnheer," antwoordde de leverancier, »de voordeelen waren vroeger
zeer aanzienlijk. Evenwel ben ik verplicht te erkennen, dat de wilde
dieren in daling verkeeren. U kunt er zelf over oordeelen door de
marktprijzen van de laatste koersnoteering. Onze voornaamste markt
is de zoölogische tuin van Antwerpen. Gevogelte, slangvormige dieren,
exemplaren van de familie der apen en hagedissen, vertegenwoordigers
van de roofdieren der twee werelden, daarheen verzend ik gewoonlijk
de opbrengst onzer avontuurlijke drijfjachten in de wouden van het
schiereiland. Hoe het zij, de smaak van het publiek schijnt zich
te wijzigen en de verkoopsprijzen zullen weldra minder bedragen
dan de inkoopsprijzen! Zoo werd onlangs een mannetjes-struisvogel
verkocht voor slechts elf honderd franken en het wijfje voor slechts
achthonderd. Een zwarte panter heeft slechts tegen zestien honderd
franken een kooper gevonden, een tijgerin van Java tegen twee duizend
vierhonderd, en een familie van leeuwen,--de vader, de moeder, een
oom, twee veelbelovende jonge leeuwtjes,--tegen zeven duizend franken
te zamen!"
»Dat is waarlijk voor niets!" antwoordde Banks.
»Wat de proboscidea betreft...." hernam Matthias van Guitt.
»Proboscidea?" zei kapitein Hod.
»We geven dien wetenschappelijken naam aan de dikhuiden, die door de
natuur met een snuit voorzien zijn."
»De olifanten dus!"
»Ja, olifanten, sedert het quaternaire tijdperk, mastodonten in de
voorhistorische tijden...."
»Ik dank u," antwoordde kapitein Hod.
»Wat dus de proboscidea aangaat," hernam Matthias van Guitt,
»men moet de vangst van die dieren opgeven, of men zou ze alleen
moeten vangen om hunne slagtanden, want het verbruik van het ivoor
is niet verminderd. Maar, sedert dramatische schrijvers, teneinde
raad, verzonnen hebben ze in hunne stukken op te voeren, voeren de
impressario's ze van stad tot stad en dezelfde olifant, het land met
den reizenden troep afloopende, voldoet aan de nieuwsgierigheid van
een geheel land. De olifanten zijn dan ook minder gezocht dan vroeger."
»Maar," vroeg ik, »levert u dan alleen aan de Europeesche menagerieën
die exemplaren van de Hindoesche dierenwereld?"
»U zult me toestaan," antwoordde Matthias van Guitt, »dat ik me ten
dezen opzichte, mijnheer, veroorloof, zonder nieuwsgierig te zijn,
u een eenvoudige vraag te doen."
Ik boog ten teeken van toestemming.
»Ge zijt Franschman, mijnheer," hernam de leverancier. »Dat merkt men
niet alleen aan uw accent, maar ook aan uw type, dat een aangenaam
mengsel is van het gallo-romeinsche en het keltische ras. Als
Franschman nu zult ge weinig neiging hebben tot het doen van verre
reizen en ongetwijfeld hebt ge een reis om de wereld niet gemaakt?"
Hier maakte Matthias van Guitt het gebaar van een der groote cirkels
van den aardbol.
»Ik heb dat genoegen nog niet gehad!" antwoordde ik.
»Ik moet u dus vragen, mijnheer," hernam de leverancier, »niet of ge
naar de Indiën gegaan zijt, want ge zijt er, maar of ge het Indisch
schiereiland in den grond kent?"
»Nog onvolkomen," antwoordde ik. »'k Heb Bombay, Calcutta, Bénarès,
Allahabad, de vallei van den Ganges reeds bezocht. 'k Heb hunne
monumenten gezien en bewonderd, 'k heb...."
»Welnu! wat geeft dat, mijnheer, wat geeft dat!" antwoordde Matthias
van Guitt, het hoofd afwendende, terwijl zijn hand, in koortsachtige
beweging, de grootste minachting uitdrukte.
Daarna gaf hij een levendige en aanschouwelijke voorstelling van
hetgeen in zijne herinnering opkwam en stroomden de woorden over
zijne lippen.
»Ja, wat geeft het als ge de menagerieën niet bezocht hebt van
die machtige rajahs, die de vereering bewaard hebben der prachtige
dieren waarop het heilige grondgebied van Indië met recht trotsch mag
zijn! Neem dan, mijnheer, den staf van den toerist weder op! Ga in
Guicowar den koning van Baroda hulde bewijzen! Zie zijne menagerieën,
die aan mij de meesten hunner gasten, leeuwen van Kattyawar, beren,
panters, tchitas, losschen, tijgers, verschuldigd zijn! Woon de viering
bij van het huwelijk zijner zestig duizend duiven, dat elk jaar met
de grootste staatsie word ingezegend. Bewonder zijne vijfhonderd
»boulbouls", nachtegalen van het schiereiland, wier opvoeding men
behartigt alsof ze de erfgenamen van den troon waren! Aanschouw
die olifanten, waarvan een, belast met de betrekking van beul,
de taak is opgedragen het hoofd van den veroordeelde op het blok te
verpletteren! Begeef u vervolgens naar het verblijf van den rajah van
Maïssour, den rijksten souverein van Azië! Treed het paleis binnen
waar de rhinocerossen, de olifanten, de tijgers en al de wilde beesten
van hoogen rang, die tot de dierenaristocratie van Indië behooren, bij
honderden geteld worden! En wanneer gij dat alles zult gezien hebben,
mijnheer, zult ge niet meer van onwetendheid kunnen beschuldigd worden
ten opzichte van de wonderen van dat onvergelijkelijke land!"
Ik had slechts te buigen voor de opmerkingen van Matthias van Guitt. De
hartstochtelijke wijze waarop hij de zaken voordroeg, liet niet toe
ze rijpelijk te bespreken.
Evenwel ondervroeg kapitein Hod hem meer rechtstreeks omtrent de
bijzondere fauna van deze streek van Tarryani.
»Eenige inlichtingen, als 't u blieft," vroeg hij hem, »betreffende de
roofdieren, die ik in dit gedeelte van Indië ben komen opzoeken. Hoewel
ik slechts een jager ben, zal ik u niet in de wielen rijden, mijnheer
van Guitt en zelfs wil ik u gaarne de hand reiken als ik u kan helpen
om de tijgers te vangen, die nog aan uwe verzameling ontbreken. Maar,
is eenmaal uw menagerie voltallig, dan zult ge 't mij niet euvel
duiden dat ik me voor mijn persoonlijk genoegen aan de vernieling
dezer dieren wijd!"
Matthias van Guitt nam de houding aan van iemand, die zich getroost
te ondergaan wat hij anders afkeurt, maar niet kan beletten. Hij
stemde overigens toe, dat Tarryani een aanzienlijk aantal boosaardige
dieren bevatte, die gewoonlijk weinig gevraagd worden op de markten
van Europa en waarvan de uitroeiïng hem geoorloofd toescheen.
»Dood de wilde zwijnen, 'k heb er vrede mee," antwoordde hij. »Hoewel
deze zwijnen, van de orde der dikhuidigen, geen vleeschetende dieren
zijn...."
»Vleeschetende dieren?" zei kapitein Hod.
»'k Meen daarmee dat zij plantetende dieren zijn; ze zijn zoo woest,
dat zij de jagers, die de stoutmoedigheid hebben ze aan te vallen,
aan het grootste gevaar blootstellen!"
»En de wolven?"
De wolven zijn talrijk door het gansche schiereiland verspreid
en zeer te duchten, als ze in troepen op een eenzame landhoeve
losstormen. Die dieren gelijken op den vaalrooden wolf van Polen en
ze zijn mij evenveel waard als de jakhalzen of de wilde honden. Ik
ontken trouwens de verwoestingen niet, die ze aanrichten, maar, daar
ze geen waarde hebben en niet waard zijn onder de hoogere klassen
der zoogdieren te worden opgenomen, laat ik u die ook, kapitein Hod."
»En de beren?" vroeg ik.
»De beren hebben veel goeds, mijnheer," antwoordde de leverancier,
toestemmend met het hoofd knikkende. »Al mogen de Indische beren
niet zoo gretig gezocht zijn als hunne stamgenooten onder andere
hemelstreken, zoo bezitten zij toch een zekere handelswaarde, die
hen aan de welwillende aandacht der kenners aanbeveelt. De smaak kan
verschillen tusschen de twee typen uit de valleien van Cashmir en
de heuvels van Raymahal. Doch, uitgenomen misschien in het tijdperk
van overwintering, zijn deze dieren genoegzaam onschadelijk en kunnen
zij het jagersinstinct van een echten jager, zooals kapitein Hod mij
toeschijnt, niet in verzoeking brengen."
De kapitein boog met een veelbeteekend air, te kennen gevende, dat
hij met of zonder toestemming van Matthias van Guitt, zelf in die
bijzondere quaesties zou beslissen.
»Daarbij komt," voegde de leverancier er bij, »dat ook deze beren
plantetende dieren zijn en niets dan kruiden eten en dus niets
gemeen hebben met de woeste soorten, waarop het schiereiland met
recht roem draagt."
»Rekent ge het luipaard onder deze wilde dieren?" vroeg kapitein Hod.
»Ongetwijfeld, mijnheer. Dit tot het kattengeslacht behoorende dier
is vlug, stoutmoedig, klimt in de boomen en is daardoor somtijds
geduchter dan de tijger...."
»Kom!" zei kapitein Hod.
»Mijnheer," antwoordde Matthias van Guitt op drogen toon, »als een
jager niet meer verzekerd is een schuilplaats in de boomen te vinden,
dan scheelt het niet veel of hij wordt op zijn beurt gejaagd!"
»En de panter?" vroeg kapitein Hod, die een einde aan dit gesprek
wilde maken.
»Prachtig, de panter," antwoordde Matthias van Guitt, »en u kunt
u overtuigen, mijne heeren, dat ik er heerlijke exemplaren van
heb! Verwonderlijke dieren, die door een zonderlinge tegenstrijdigheid,
een antilogie, om een minder gewoon woord te gebruiken, voor de jacht
kunnen afgericht worden! Ja, mijne heeren, vooral in Guicowar oefenen
de rajahs de panters in deze edele lichaamsoefening! Men vervoert ze
in een palankijn, de kop in een kap gehuld als een giervalk of een
krem! 't Zijn echte valken met vier pooten! Zoodra de jagers in de
verte een kudde antilopen zien, wordt den panter de kap afgenomen en
werpt hij zich op de vreesachtige dieren, wier vlugge beenen ze niet
aan hunne vreeselijke klauwen kunnen onttrekken. Ja, ja, mijnheer de
kapitein, ge zult panters in Tarryani vinden! Ge zult er meer vinden,
dan u misschien lief is, maar 'k voeg er de christelijke waarschuwing
bij, dat die niet tam gemaakt zijn!"
»'k Hoop het van harte," antwoordde kapitein Hod.
»Evenmin als de leeuwen, trouwens," voegde de leverancier er bij,
die dit antwoord niet goed kon verkroppen.
»De leeuwen!" zei kapitein Hod. »Wees zoo goed en vertel ons eens
wat van de leeuwen!"
»Welnu mijnheer," hernam Matthias van Guitt, »'k beschouw die gewaande
koningen van het dierenrijk als beneden hunne stamgenooten van het
oude Lybië. Hier dragen de mannetjes de manen niet, die de trots
uitmaken van den Afrikaanschen leeuw en 't zijn, naar 't mij voorkomt,
slechts jammerlijk geschoren Samsons! Ze zijn trouwens bijna geheel uit
Centraal-Indië verdwenen om een schuilplaats te zoeken in Kattyawar,
de woestijn van Theil, en in Tarryani. Deze ontaarde dieren, nu als
kluizenaars levende, kunnen in den omgang met hunne gelijken, de oude
geestkracht niet terug erlangen. Ik plaats ze dan ook niet op den
eersten rang onder de viervoetige dieren, want, dat verzeker ik u,
mijne heeren, den leeuw kan men ontsnappen, maar den tijger, nooit!"
»O! die tijgers!" riep kapitein Hod uit.
»Ja! die tijgers!" herhaalde Fox.
»Den tijger de kroon," antwoordde Matthias van Guitt, zich
opwindende. »Men spreekt van den koningstijger en niet van
den koningsleeuw, en dat is juist. Indië hoort hem geheel toe
en gaat in hem op! Is hij niet de eerste bewoner van den bodem
geweest? Heeft hij het recht niet, niet alleen de vertegenwoordigers
van het Anglo-Saksische ras, maar ook de zonen van het zonneras
als veroveraars te beschouwen? Is hij het echte kind niet van het
heilige land der Argavarta? Ook ziet men die prachtige dieren over
de gansche oppervlakte van het schiereiland verspreid en hebben zij
geen enkel distrikt hunner voorvaderen verlaten, van kaap Comorin af
tot de Himalaya-keten toe!"
En, nadat Matthias van Guitt met zijn arm in de richting van het
Zuiden een vooruitstekend voorgebergte had beschreven, wendde hij
hem naar het noorden om een heele reeks bergen af te teekenen.
»In den Sonderbund," hernam hij, »zijn zij thuis! Daar heerschen
zij als meesters, en wee hem die hun dit grondgebied zou willen
betwisten! In de Nilgheries zwerven ze in menigte rond, als wilde
katten,
»Si parva licet componere magnis!" [2]
»Ge zult daarom licht begrijpen, waarom deze prachtige, tot het
kattengeslacht behoorende dieren op al de markten van Europa zoo
sterk gevraagd zijn en den trots uitmaken der dierentemmers. Wat is
het voorwerp der grootste belangstelling in de openbare of bijzondere
menagerieën? De tijger! Wanneer siddert ge voor het leven van den
dierentemmer? Als hij in het hok van den tijger treedt? Welk dier
betalen de rajahs zijn gewicht aan goud voor de versiering hunner
koninklijke tuinen? De tijger! Welk dier wordt het duurste betaald
op de beurzen van Londen, Antwerpen en Hamburg? De tijger! Bij
welke jachten onderscheiden zich de Indische jagers, officieren
van het koninklijke leger of die van de inlandsche armée? Bij de
tijgerjachten! Weet ge, mijne heeren, welk genot de vorsten van
het onafhankelijk Indië hunnen gasten verschaffen? Men voert een
koninklijken tijger in een hok aan. Het hok wordt geplaatst te
midden van een uitgestrekte vlakte. De rajah, zijne genoodigden,
zijne officieren, zijne wachters, zijn gewapend met lansen, revolvers
en karabijnen en berijden meestal vurige solidungula [3]."
»Solidungula?" zei kapitein Hod.
»Hunne paarden, als ge de voorkeur geeft aan dit wel wat alledaagsche
woord. Doch deze solidungula, verschrikt door de nabijheid van den
tijger, den eigenaardigen reuk dien het dier afgeeft, zijne vurige
oogen, steigeren, en de berijders hebben al hun behendigheid noodig
om ze te bedwingen. Plotseling wordt de deur van het hok geopend. Het
monster springt te voorschijn, hij vliegt, hij werpt zich op de hier
en daar verspreide groepen, hij offert een menigte slachtoffers aan
zijn woede op. Moge het hem een enkele maal gelukken door den kring
van ijzer en vuur, die hem omvat, heen te breken, meestal bezwijkt
hij, een tegen honderd! Maar zijn dood is althans roemrijk en is
vooruit gewroken!"
»Bravo! mijnheer Matthias van Guitt," riep kapitein Hod uit, die
op zijn beurt vuurvatte! »Ja, dat moet een prachtig schouwspel
zijn. Ja! de tijger is de koning der dieren!"
»Een koningschap dat de omwentelingen tart!" voegde de leverancier
er bij.
»En gij moogt er gevangen hebben, mijnheer van Guitt," antwoordde
kapitein Hod, »ik heb er gedood en 'k hoop Tarryani niet te verlaten,
voordat de vijftigste onder mijne schoten gevallen is!"
»Kapitein," zei de leverancier, de wenkbrauwen fronsende, »'k heb
u de wilde zwijnen, de wolven, de beren, de buffels gelaten! Is dat
dan nog niet genoeg om uw jagerswoede te koelen?"
Ik merkte, dat onze vriend Hod zich met evenveel vuur als Matthias
van Guitt over die netelige vraag ging uitlaten.
Had de een meer tijgers gevangen dan de andere er gedood had, welk
een stof ter bespreking! Was het beter ze te vangen dan ze om te
brengen? Wie zou deze quaestie beslissen!
Beiden, de kapitein en de leverancier, begonnen reeds driftige woorden
met elkander te wisselen, en zelfs tegelijk te spreken zonder elkander
meer te begrijpen.
Banks kwam nu tusschenbeiden.
»De tijgers," zeide hij, »zijn de koningen der schepping, dat is
zeker, mijne heeren, maar 'k ben zoo vrij er bij te voegen dat het
zeer gevaarlijke koningen voor hunne onderdanen zijn. In 1862 als ik
me niet bedrieg, hebben deze lieve diertjes al de telegrafisten op het
eiland Sangor verslonden. Men verhaalt ook van een tijgerin, die in
drie jaren niet minder dan honderdachttien slachtoffers gemaakt heeft,
en van een ander, die in hetzelfde tijdsverloop honderdzevenentwintig
personen heeft omgebracht. Dat is te veel, zelfs voor koninginnen! Ja
zelfs zijn sedert de ontwapening der Sipayers, in een tijdvak van
drie jaren, twaalfduizend vijfhonderd vierenvijftig individus onder
den aanval van tijgers bezweken."
»Maar, mijnheer," antwoordde Matthias van Guitt, »u schijnt te
vergeten, dat deze dieren omophagen zijn."
»Omophagen?" zei kapitein Hod.
»Ja eters van rauw vleesch, en zelfs beweren de Hindoes dat, zoo
zij eens menschenvleesch geproefd hebben, ze geen ander vleesch
meer willen!"
»Welnu, mijnheer?..." zei Banks.
»Welnu, mijnheer?" antwoordde glimlachend Matthias van Guitt, »het
is hun aard! ... Zij moeten immers eten!"
II.
EEN KONINGIN VAN TARRYANI.
Deze opmerking van den leverancier eindigde ons bezoek aan de
kraal. Het was tijd om het Stoomhuis weder op te zoeken.
Om de waarheid te zeggen, scheidden kapitein Hod en Matthias van Guitt
niet als de twee beste vrienden van de wereld. De een toch wilde de
roofdieren van Tarryani ombrengen, terwijl de ander ze wilde vangen
en evenwel waren er genoeg om beiden tevreden te stellen.
Men kwam niettemin overeen, dat de bewoners van de kraal en het
sanitarium elkander druk zouden bezoeken. Men zou elkander waarschuwen
als er een mooie slag te slaan was. De chikaris van Matthias van Guitt,
goed op de hoogte van deze soort van tochten, bekend met de omwegen en
schuilhoeken van Tarryani, konden kapitein Hod veel diensten bewijzen,
door hem de sporen van dieren aan te wijzen. De leverancier stelde hen
welwillend ter zijne beschikking en meer bijzonder Kâlagani. Hoewel
deze Hindoe eerst onlangs in het personeel der kraal was opgenomen,
deed hij zich als zeer kundig kennen en kon men vast op hem rekenen.
Kapitein Hod van zijn kant beloofde, zooveel hem mogelijk was, bij
de vangst der wilde dieren, die nog aan den voorraad van Matthias
van Guitt ontbraken, zijn hulp te verleenen.
Alvorens de kraal te verlaten, bedankte Sir Edward Munro, die
waarschijnlijk geen plan had er drukke bezoeken te maken, nogmaals
Kâlagani, wiens tusschenkomst hem gered had. Hij zeide hem, dat hij
altijd welkom in het Stoomhuis zoude zijn.
De Hindoe boog zich koel. Welk gevoel van voldoening hem ook bezielde
den man, die hem het leven verschuldigd was, zoo te hooren spreken,
liet hij er niets van blijken.
Wij hadden gezorgd vóór het etensuur thuis te zijn. Men kan zich
voorstellen, dat Matthias van Guitt de stof tot het gesprek leverde.
»Sakkerloot! wat maakt die leverancier mooie gebaren!" herhaalde
kapitein Hod »Welk een woordenschat! Welke uitgezochte
uitdrukkingen! Maar als hij nu in de wilde beesten niet anders ziet
dan voorwerpen om te laten zien, dan bedriegt hij zich!"
De volgende dagen, 27, 28 en 29 Juni regende het zoo hard, dat de
jagers, hoe verzot op de jacht ze ook waren, het Stoomhuis niet konden
verlaten. Bij zulk vreeselijk weer zijn trouwens de sporen onmogelijk
te herkennen en verlaten de roofdieren, die evenmin van water houden
als de katten, niet gaarne hunne schuilplaatsen.
Den 30n Juli was het weer gunstiger en zag de lucht er beter
uit. Dinsdag maakten kapitein Hod, Fox, Goûmi en ik onze toebereidselen
om naar de kraal af te zakken.
In den loop van den morgen, kwamen eenige bergbewoners ons een bezoek
brengen. Zij hadden vernomen, dat een wonderbaarlijke pagode in het
Himalayagebergte verschenen was en werden nu door een levendig gevoel
van nieuwsgierigheid naar het Stoomhuis gedreven.
Het waren recht schoone menschen, van het ras op de grenzen van Thibet,
krijgshaftige inboorlingen, eerlijk en getrouw, op ruime schaal de
gastvrijheid beoefenende en zedelijk en lichamelijk verheven boven
de Hindoes der vlakte.
De gewaande pagode verbaasde hen wel is waar, maar de IJzeren Reus
maakte zulk een overweldigenden indruk op hen, dat zij zich in
aanbidding voor hem nederbogen. Hij bevond zich evenwel in rust. Wat
zouden de goede lieden opgekeken hebben, als zij gezien hadden, hoe
hij rook en vlammen uitspuwende, met vasten tred de ruwe hellingen
hunner bergen beklom!
Kolonel Munro bereidde dezen inboorlingen, waarvan eenigen gewoonlijk
het grondgebied van Népaul, op de Indo-Chineesche grens doorloopen,
een goede ontvangst. Het gesprek liep een oogenblik over dat gedeelte
der grenzen waar Nana Sahib een schuilplaats gezocht had, na de
nederlaag der Sipayers, toen hij over het geheele grondgebied van
Indië werd nagezeten.
Deze bergbewoners wisten eigenlijk niets meer dan 't geen wij
zelven wisten. Ook tot hen was het gerucht van den dood van den
nabob doorgedrongen en zij schenen hem niet te betwijfelen. Wat de
metgezellen betreft, die hem overleefd hadden, zij waren spoorloos
verdwenen. Misschien hadden zij een schuilplaats tot Thibet opgezocht,
maar het zou moeilijk geweest zijn hen daar te achterhalen.
Indien kolonel Munro, met zijn reis naar het noorden van het
schiereiland, werkelijk het plan gehad had alles op te helderen wat
van verre of dichtbij aan Nana Sahib herinnerde, was dit antwoord wel
geschikt er hem af te brengen. Evenwel bleef hij, na deze bergbewoners
gehoord te hebben, in gedachten verdiept en nam hij geen deel meer
aan de gesprekken.
Wat kapitein Hod aangaat, deze stelde hun eenige vragen, maar met
geheel andere beweegredenen. Zij meldden hem dat werkelijk door wilde
dieren, en meer bijzonder door tijgers, vreeselijke verwoestingen in
de onderste streek der Himalaya werden aangericht. Landhoeven en zelfs
geheele dorpen waren door de bewoners verlaten moeten worden. Reeds
waren verscheidene kudden geiten en schapen verslonden, en men telde
ook talrijke slachtoffers onder de inlanders. Niettegenstaande de
aanzienlijke premie, door het gouvernement uitgeloofd,--driehonderd
ropijen per tijgerkop,--scheen toch het aantal dezer dieren niet te
verminderen, en men vroeg zich af, of de mensch niet weldra verplicht
zou zijn plaats voor hen te maken.
De bergbewoners voegden er ook nog deze bijzonderheid bij: dat namelijk
de tijgers zich niet alleen tot in Tarryani terugtrokken. Overal waar
de vlakte hun hoog gras, jungles, struikgewas aanbood waarin zij op
de loer konden gaan liggen, ontmoette men ze in grooten getale.
»Kwaadaardige dieren!" zeiden zij.
Die brave menschen koesterden, en met recht, zooals men ziet, ten
opzichte der tijgers niet dezelfde denkbeelden als de leverancier
Matthias van Guitt en onze vriend kapitein Hod.
De bergbewoners gingen heen, zeer ingenomen met de ontvangst door
hen genoten en beloofden hun bezoek aan het Stoomhuis te herhalen.
Na hun vertrek waren wij weldra met onze toebereidselen gereed en
daalden wij, kapitein Hod, onze beide metgezellen en ik, goed gewapend,
op elke ontmoeting voorbereid, naar Tarryani af.
Op de open plek in het bosch, waar de val gesteld was, waaruit wij
Matthias van Guitt zoo gelukkig verlost hadden, deed deze zich,
niet zonder eenige plechtigheid aan ons voor.
Vijf of zes zijner lieden, waaronder Kâlagani, hielden zich bezig
met uit den val een tijger, die zich des nachts had laten vangen,
in een rollend hok te doen overgaan.
Werkelijk een prachtig dier, dat door kapitein Hod met wangunst
werd aangezien!
»Één minder in Tarryani!" mompelde hij met een zucht, die een weerklank
vond in de borst van Fox.
»Eén meer in de menagerie," antwoordde de leverancier. »Nog twee
tijgers, een leeuw, twee luipaarden en 'k zal vóór het einde der
campagne aan mijne verplichtingen kunnen voldoen. Gaat ge met mij
mede naar de kraal, mijne heeren?"
»We zeggen u dank," zei kapitein Hod, »maar van daag jagen we voor
eigen rekening."
»Kâlagani is ter uwe beschikking gereed, kapitein Hod", antwoordde
de leverancier. »Hij kent het bosch en kan u nuttig zijn."
»We nemen hem gaarne als gids aan."
»Nu, mijne heeren," voegde Matthias van Guitt er bij, »veel geluk! Maar
beloof me niet alles te dooden!"
»Wees gerust, we zullen u nog wat overlaten!" antwoordde kapitein Hod.
En Matthias van Guitt verdween, ons deftig groetende, onder de boomen,
het rollend hok na.
»Op marsch," zei kapitein Hod, »op marsch, mijne vrienden. Naar mijn
twee en veertigsten!"
»Naar mijn acht en dertigsten!" antwoordde Fox.
»Naar mijn eersten!" voegde ik er bij.
Maar de toon waarop ik deze woorden sprak deed den kapitein
glimlachen. Blijkbaar miste ik de noodige bezieling.
Hod had zich naar Kâlagani omgewend.
»Ken je Tarryani goed?" vroeg hij hem.
»'k Heb het twintigmaal doorkruist, nacht en dag, in alle richtingen,"
antwoordde de Hindoe.
»Heb je hooren zeggen, dat een tijger meer bijzonder gezien is in
den omtrek van de kraal?"
»Ja, maar die tijger is een tijgerin. Men heeft haar op twee mijlen
van hier gezien, boven in het bosch en sedert eenige dagen tracht
men zich van haar meester te maken. Wilt u dat...."
»Of we willen!" antwoordde kapitein Hod, zonder den Hindoe den tijd
te laten den zin te eindigen.
Wij hadden inderdaad niets beters te doen dan Kâlagani te volgen,
hetgeen dan ook gedaan werd.
Het is niet twijfelachtig dat de wilde dieren zeer talrijk zijn in
Tarryani en daar, gelijk elders, hebben zij niet minder dan twee
runderen per week noodig voor hun bijzonder gebruik! Ga eens na wat
dit »onderhoud" het geheele schiereiland kost!
Maar al zijn de tijgers er in menigte voorhanden, moet men zich daarom
niet voorstellen, dat zij zonder noodzaak het land doorloopen. Zoolang
de honger ze niet aandrijft, blijven ze in hunne schuilhoeken
verborgen en men zou zich vergissen als men denkt, dat men ze bij
elken voetstap ontmoet. Hoevele reizigers hebben niet de bosschen of
de jungles doorloopen, zonder er ooit een ontmoet te hebben! Is er
dus een jacht op touw, dan moet men beginnen met de gewone toegangen
dezer dieren op te sporen en vooral de beek of de bron ontdekken
waarin zij gewoonlijk hun dorst gaan lesschen.
En dit is dikwijls nog niet voldoende, men moet ze nog lokken. Men
doet dit vrij gemakkelijk door een stuk ossenvleesch, aan een paal
gebonden, op een open plek te brengen, omringd door boomen of rotsen,
die den jagers ter beschutting kunnen dienen. Op deze wijze gaat men
althans in het bosch te werk.
Op de vlakte gaat het anders toe en wordt de olifant de nuttigste
helper van den mensch bij de gevaarlijke drijfjachten. Doch deze
dieren moeten hiertoe volkomen afgericht zijn en toch in weerwil
hiervan worden zij soms door een paniek overvallen, hetgeen den
toestand der jagers, die op hun rug zitten, somtijds zeer gevaarlijk
maakt. Ook moet hier gezegd worden, dat de tijger niet aarzelt zich
op den olifant te werpen. De worsteling tusschen den mensch en hem
heeft dan plaats op den rug van het reusachtige dikhuidige dier,
dat zich driftig maakt en het is zeldzaam, dat zij niet ten voordeele
van het wilde dier beslist wordt.
Op die wijze evenwel hebben de groote jachten der rajahs en der rijke
sportsmen van Indië plaats, waardig om in de jaarboeken der jacht te
worden opgenomen.
Doch dit was de wijze niet waarop kapitein Hod wilde tewerkgaan. Te
voet ging hij de tijgers opzoeken, te voet was hij gewoon ze te
bestrijden.
Intusschen volgden wij Kâlagani, die flink doorstapte. Terughoudend
als een Hindoe, praatte hij weinig en bepaalde hij zich kort te
antwoorden op de vragen, die hem gedaan werden.
Een uur later, hielden wij halt bij een schuimende beek, welker boorden
de nog versche sporen van dieren vertoonden. Te midden eener kleine
open plek in het bosch was een paal opgericht waaraan een groot stuk
rundvleesch was vastgebonden.
Het lokaas was niet geheel gespaard gebleven. De jakhalzen,
de gauwdieven der Indische dierenwereld, altijd op eenige prooi
uit, al is de prooi niet voor hen bestemd, hadden er juist even van
geproefd. Een dozijn van die roofdieren ging bij onze nadering op de
vlucht en liet ons volle vrijheid.
»Kapitein," zei Kâlagani, »hier zullen we de tijgerin afwachten. U
ziet dat de plek gunstig is."
Werkelijk was het gemakkelijk zich in de boomen of achter de rotsen
te verschuilen, zoodanig, dat men zijn vuur op de alleenstaande paal
in het midden der open plek kon kruisen.
Dit werd dan ook onmiddellijk gedaan. Goûmi en ik hadden op denzelfden
tak plaatsgenomen. Kapitein Hod en Fox, beiden op de eerste vertakking
van twee groote groene eiken geplaatst, zaten recht tegenover elkander.
Kâlagani had zich half verscholen achter een hooge rots, die hij
ingeval van dreigend gevaar kon beklimmen.
Het dier zou dus van alle kanten bestookt worden en het moeielijk
kunnen ontloopen. Alle kansen waren dus tegen hem, alhoewel men
rekening met onvoorziene omstandigheden moest houden.
Wij hadden nu niets anders te doen dan te wachten.
De jakhalzen, hier en daar verspreid, deden altijd hun schor geblaf
in het naburig kreupelhout hooren, maar zij dorsten zich niet meer
aan het stuk vleesch te wagen.
Nauwelijks was er een uur verloopen, of dit geblaf eindigde
plotseling. Bijna op hetzelfde oogenblik, sprongen twee of drie
jakhalzen uit het kreupelhout voor den dag, doorkruisten de open plek
en verdwenen in het dichtst van het woud.
Een teeken van Kâlagani, die op het punt stond om de rots te beklimmen,
waarschuwde ons op te passen.
Inderdaad was geen andere oorzaak voor deze overhaaste vlucht der
jakhalzen te vinden dan de nadering van een wild dier,--de tijgerin
ongetwijfeld,--en elk oogenblik kon men verwachten haar op een of
ander punt der open plek in het bosch te zien verschijnen.
Onze wapenen waren gereed. De karabijnen van kapitein Hod en zijn
oppasser, reeds gericht naar de plek van het kreupelbosch waaruit de
jakhalzen ontvlucht waren, wachtten slechts op een vingerdruk om los
te branden.
Weldra meende ik de bovenste takken van het kreupelhout even te zien
bewegen. Op hetzelfde oogenblik deed zich een gekraak van droog hout
vernemen. Duidelijk hoorde men nu een dier, welk dan ook, naderen,
maar voorzichtig, zonder zich te haasten. Van de jagers, die, onder
dicht gebladerte verscholen, hem beloerden, kon hij blijkbaar niets
zien. Nochtans moest zijn instinct hem doen gevoelen, dat de plaats
niet veilig voor hem was. Zeer zeker zou, indien hij niet door den
honger ware gedrongen en het stuk vleesch hem door den reuk niet had
verlokt, zich niet verder gewaagd hebben.
Hij vertoonde zich evenwel, half door de takken van een struik
verborgen en bleef zich alleen nog uit een gevoel van wantrouwen
ophouden.
Het was wel degelijk een tijgerin, groot van stuk, met een prachtigen
kop en een lenig lichaam. Zij kwam langzaam langs den grond
voortglijdende, met de golvende beweging van een kruipend dier vooruit.
Algemeen kwam men daarin overeen, haar tot aan de paal te laten
naderen. Zij rook den grond, ze richtte zich op, kromde den rug als
een énorme kat, die niet van plan is een sprong te nemen.
Eensklaps barstten twee karabijnschoten los.
»Twee en veertig!" riep kapitein Hod.
»Acht en dertig!" riep Fox.
De kapitein en zijn oppasser hadden te gelijkertijd geschoten, en zoo
juist, dat de tijgerin, getroffen door een, zoo niet door twee kogels,
over den grond rolde.
Kâlagani was op het dier toegesneld en ook wij waren op den grond
gesprongen.
De tijgerin bewoog zich niet meer.
Doch wien kwam de eer toe haar doodelijk getroffen te hebben? Den
kapitein of Fox? Men kan zich voorstellen, dat dit een punt van
gewicht was!
Het dier werd geopend. Het hart was door twee kogels doorboord.
»Kom," zei kapitein Hod, niet zonder eenigen spijt, »ieder de helft!"
»De helft, kapitein!" antwoordde Fox op denzelfden toon.
En ik geloof, dat noch de een nog de ander gaarne het deel had
afgestaan, dat hem toekwam.
Dit was het merkwaardige schot, waarvan het beste resultaat was, dat
het dier zonder worsteling bezweken was en bijgevolg zonder gevaar
voor de aanvallers,--een resultaat, dat bij de jachten dezer soort
zelden voorkomt.
Fox en Goûmi bleven op het slagveld achter, om het dier van zijn
prachtige huid te ontdoen, terwijl Hod en ik naar het Stoomhuis
terugkeerden.
Het is mijn voornemen niet de voorvallen onzer tochten in Tarryani tot
in de minste bijzonderheden te vermelden, tenzij zij iets merkwaardigs
opleveren. Het zij genoeg al dadelijk te zeggen, dat kapitein Hod en
Fox zich niet te beklagen hadden.
Den 10n Juli, bij een jacht uit de houddi, namelijk uit de hut,
hadden zij opnieuw een gelukkige kans, zonder dat zij werkelijk gevaar
geloopen hadden. De houddi, trouwens, is zeer geschikt om de groote
roofdieren te belagen. Het is een soort van gecreneleerd fortje, welks
muren, door schietgaten doorboord, de oevers van een beek beheerschen,
waar de dieren gewoon zijn te gaan drinken. Gewoon aan het gezicht
dezer kleine gebouwen, hebben zij geen wantrouwen en stellen zij zich
rechtstreeks aan het moorddadig lood bloot. Maar ook daar als overal,
komt het er op aan hen doodelijk met het eerste schot te treffen,
of de worsteling wordt gevaarlijk, want de houddi behoedt den jager
niet altijd voor de geduchte sprongen dezer dieren, die gewond,
woedend zijn geworden.
Dit was het nu juist wat gebeurde, zooals men weldra zien zal.
Matthias van Guitt vergezelde ons. Misschien hoopte hij wel, dat een
licht gewonde tijger naar de kraal medegenomen zou kunnen worden,
waar hij dan de zorg op zich zou nemen hem te verzorgen en te genezen.
Nu had onze troep jagers dien dag met drie tijgers te doen, die
door de eerste losbranding niet weerhouden werden de muren van de
houddi te bespringen. De twee eerste werden, tot groot verdriet
van den leverancier, met een tweeden kogel gedood, toen zij over de
gecreneleerde omheining sprongen. Wat den derden betreft, hij nam een
sprong tot in het inwendige van het gebouwtje, den schouder gewond,
maar overigens niet doodelijk getroffen.
»Dien zullen we dan toch hebben!" riep Matthias van Guitt uit, die
zoo sprekende wel wat veel waagde, »we zullen hem levend hebben!...."
Nauwelijks had hij deze onvoorzichtige woorden gesproken, of het dier
stortte zich op hem, wierp hem omver en het ware gedaan geweest met
den leverancier, had een kogel van kapitein Hod den kop des tijgers
niet geraakt, die als door den bliksem getroffen neerzeeg.
Matthias van Guitt was weder snel op de been.
»Hé! kapitein," riep hij uit, in plaats van onzen vriend te bedanken,
»u hadt wel kunnen wachten!...."
»Wachten.... wat?...." antwoordde kapitein Hod, »totdat het dier je
de borst met zijn klauwen had opengereten?"
»Zoo'n krab is nog niet doodelijk!..."
»Goed!" antwoordde bedaard kapitein Hod. »Een andermaal zal ik
wachten!"
Wat er van zij, het dier was buiten staat in de menagerie der
kraal te figureeren en had alleen om zijn vel nog eenige waarde;
maar deze gelukkige tocht bracht het getal der door den kapitein en
zijn oppasser gedoode tijgers op twee en veertig en acht en dertig,
zonder de reeds vermelde halve tijgerin mede te rekenen.
Men denke nu niet dat deze groote jachten ons de kleine deden
vergeten. Daar zorgde »Monsieur" Parazard wel voor. Een groote
verscheidenheid van allerlei wild, zooals patrijzen, hazen,
antilopen, gemzen, trapganzen, dat in den omtrek van het Stoomhuis
rijk vertegenwoordigd was, prijkte op onze tafel.
Zelden gebeurde het dat Banks ons bij onze tochten in Tarryani
vergezelde. Mochten die tochten mij belang beginnen in te boezemen,
hem bevielen ze niet bijzonder. Voor hem hadden de hoogere streken
der Himalaya meer aantrekkelijkheid, vooral als kolonel Munro hem
wilde vergezellen.
Maar een of twee malen slechts hadden de wandelingen van den ingenieur
op deze wijze plaats. Hij had opgemerkt, dat Sir Edward Munro in den
laatsten tijd weer meer in zich zelven gekeerd en bezorgder geworden
was. Hij sprak minder, hield zich meer afgezonderd en had somtijds
drukke gesprekken met sergeant Mac Neil. Zouden zij met hun beiden
eenig nieuw plan beramen, dat ze wilden verbergen, zelfs voor Banks?
Den 13n Juli kwam Matthias van Guitt ons een bezoek brengen. Hij
was minder gelukkig geweest dan kapitein Hod en had zijn menagerie
met geen nieuwen gast kunnen verrijken. Geen tijgers, noch leeuwen,
noch luipaarden schenen geneigd te zijn zich te laten vangen. De
gedachte zich in het verre westen te laten tentoonstellen lachte
hun ongetwijfeld niet toe. Vandaar dat de leverancier een ergernis
gevoelde, die hij niet trachtte te ontveinzen.
Kâlagani en twee chikaris van het personeel vergezelden Matthias van
Guitt bij dit bezoek.
De vestiging van het sanitarium in die bekoorlijke streek behaagde
hem buitengemeen. Kolonel Munro noodigde hem te blijven eten. Hij
nam het gretig aan en beloofde onze tafel eer aan te doen.
Voor het diner wenschte Matthias van Guitt het Stoom-House te
bezoeken, waarvan de geriefelijke inrichting zoo oneindig verschilde
met de eenvoudigheid zijner kraal. De twee rollende huizen lokten
een kompliment van hem uit, maar ik moet bekennen, dat de IJzeren
Reus hem onverschillig liet. Een natuurkundige, zooals hij, moest wel
ongevoelig blijven voor dit meesterstuk van werktuigkunde. Hoe kon hij
de schepping van dit kunstmatige dier, hoe merkwaardig ook, goedkeuren.
»Denk geen kwaad van onzen olifant, mijnheer van Guitt!" zeide
Banks tot hem. »'t Is een machtig dier, en als het moest, zou hij
er volstrekt niet over in zitten om tegelijk met onze twee wagens,
al de hokken uwer rollende menagerie voort te trekken."
»Daarvoor heb ik mijn buffels," antwoordde de leverancier, »en ik
geef de voorkeur aan hun bedaarden en zekeren stap."
»De IJzeren Reus vreest noch de klauwen, noch de tanden der
tijgers!" riep kapitein Hod uit.
»Dat moge waar zijn, mijne heeren," antwoordde Matthias van Guitt,
»maar waarom zouden de wilde dieren hem aanvallen? Ze geven niet veel
om vleesch van plaatijzer!"
Mocht de natuurkundige zijn onverschilligheid voor onzen olifant niet
ontveinzen, zijne Hindoes en vooral Kâlagani hielden daarentegen
niet op hem met de oogen te verslinden. Men gevoelde, dat hunne
bewondering van het reusachtige dier gemengd was met een zekere dosis
bijgeloovigen eerbied.
Kâlagani scheen zelfs zeer verbaasd toen de ingenieur herhaalde, dat
de IJzeren Reus machtiger was dan de geheele bespanning der kraal. Dit
gaf kapitein Hod aanleiding, niet zonder eenige fierheid ons avontuur
met de drie »proboscidea" van prins Gourou Singh te vertellen.
Een ongeloovig glimlachje speelde om de lippen van den leverancier,
maar hij wachtte zich wel het feit te betwisten.
Het diner liep in de beste orde af en vooral Matthias van Guitt
deed het alle eer aan. Het menu was uitmuntend en bestond uit de
voortbrengselen onzer laatste jachten; werkelijk mag men zeggen,
dat »Monsieur" Parazard zich zelven overtroffen had.
Ook de wijnkelder van het Stoomhuis bleek goed voorzien te zijn en
vooral schenen een paar glazen Franschen wijn onzen gast uitmuntend
te smaken, want elk slokje werd gevolgd door een eigenaardig gesmak
van de tong tegen het verhemelte.
Na den maaltijd, op het oogenblik van scheiden, kon men uit de
onzekerheid van zijn gang opmaken, dat de wijn hem niet alleen naar
het hoofd gestegen, maar ook naar zijne beenen gezakt was.
Bij het vallen van den avond, scheidde men als de beste vrienden van
de wereld, en dank zij zijne tochtgenooten, kwam Matthias van Guitt
zonder ongelukken in zijn kraal terug.
Evenwel had er den 16n Juli een voorval plaats, die de goede
verstandhouding tusschen den leverancier en kapitein Hod dreigde
te verstoren.
Op het oogenblik dat een tijger in een der wipvallen zou gevangen
worden, werd hij door den kapitein gedood. Maar, mocht deze al zijn
drie en veertigste zijn, hij was niet de achtste van den leverancier.
Nochtans werd na eenige wederzijdsche ophelderingen, waarbij het
vrij scherp toeging, de zaak in der minne geschikt, dank zij de
tusschenkomst van kolonel Munro, en kwamen zij overeen, dat kapitein
Hod de wilde dieren zou eerbiedigen, die »van plan waren" zich in de
vallen van Matthias van Guitt te laten vangen.
De volgende dagen was het afschuwelijk slecht weder. Men moest tegen
wil en dank in het Stoomhuis blijven. Wij verlangden naar het einde
van den regentijd, die niet lang meer kon duren, daar hij reeds voor
meer dan drie maanden begonnen was. Indien het programma van onze
reis gevolgd werd, zooals Banks het van te voren had vastgesteld,
bleven ons nog slechts zes weken verblijf in het sanitarium over.
Den 23n Juli kwamen eenige bergbewoners van de grenzen den kolonel
Munro een tweede bezoek brengen. Hun dorp, Souari genaamd, was
slechts vijf mijlen van ons kamp verwijderd, bijna aan de bovenste
grens van Tarryani.
Een van hen deelde ons mede, dat een tijgerin sedert eenige weken
vreeselijke verwoestingen in die streken aanrichtte. De kudden werden
vernield en men sprak er reeds van om Souari, onbewoonbaar geworden,
te verlaten. Er was geen zekerheid meer, noch voor de huisdieren, noch
voor de menschen. Allerlei middelen om het dier te belagen, vallen,
strikken, drijfjachten, niets had het wreede dier, dat reeds onder
de geduchtste roofdieren begon te tellen waarvan de oude bergbewoners
ooit hadden hooren spreken, kunnen verjagen of dooden.
Men kan zich voorstellen, dat dit verhaal zeer geschikt was om
kapitein Hod in koortsachtige spanning te brengen. Hij bood dadelijk
den bergbewoners aan hen naar het dorp van Souari te vergezellen,
volkomen bereid zijn ondervinding als jager en de zekerheid van
zijn blik ter beschikking van die goede menschen te stellen, die,
naar het mij toescheen, wel een weinig op dit aanbod rekenden.
»Ga je mee, Maucler?" vroeg kapitein Hod mij, op den toon van iemand,
die geen invloed op een eenmaal genomen besluit wenscht uit te oefenen.
»Wel zeker," antwoordde ik. »'k Zou niet gaarne zulk een merkwaardigen
tocht mankeeren!"
»Ook ik wilde je ditmaal vergezellen," zei de ingenieur.
»Dat is een heerlijk idée van je, Banks."
»Ja, Hod! 'k Wensch zeer je daar eens aan 't werk te zien."
»Mag ik niet van de partij zijn, kapitein?" vroeg Fox.
»O! die intrigant?" riep kapitein Hod uit. »Hij zou gaarne zijn halve
tijgerin willen aanvullen! Ja, Fox! ja! je kunt meegaan!"
Daar men nu dus voor een drie of vier dagen het Stoomhuis ging
verlaten, vroeg Banks den kolonel of ook hij ons niet naar het dorp
Souari zou vergezellen.
Sir Edward Munro bedankte hem, daar hij van plan was van onze
afwezigheid gebruik te maken om met Goûmi en den sergeant Mac Neil de
middelste streek of zone van de Himalaya, boven Tarryani te bezoeken.
Banks drong niet verder aan.
Er werd dus bepaald, dat wij denzelfden dag naar de kraal zouden
vertrekken, om van Matthias van Guitt eenigen zijner chikaris te
leenen, die ons nuttig zouden kunnen zijn.
Een uur later, tegen twaalf uren, waren wij aangekomen. De leverancier
werd op de hoogte onzer plannen gebracht. Toen hij de heldendaden
van die tijgerin vernam, kon hij zijne geheime voldoening niet
verbergen. Dat dier toch, zeide hij, was wel geschikt om bij de kenners
den roem der dieren van het schiereiland te verhoogen. Daarna stelde
hij drie zijner Hindoes ter onze beschikking zonder Kâlagani mede te
rekenen, die altijd gereed was zich in het gevaar te begeven.
Het werd evenwel goed afgesproken met kapitein Hod, dat, zoo onverhoopt
de tijgerin zich levend liet vangen, zij rechtens tot de menagerie
van Matthias van Guitt zou behooren. Welk een uitlokkend bericht,
dat, aan de traliën van het hok gehangen, in welsprekende cijfers
de heldendaden zou vermelden van »een der koninginnen van Tarryani,
die niet minder dan honderd acht en dertig personen van beide seksen
verslonden heeft!"
Onze kleine troep verliet de kraal tegen twee uren van den
namiddag. Voor vier uren, kwam hij, na schuins naar het oosten
bergopwaarts te zijn gegaan, zonder ongelukken te Souari aan.
De paniek was daar tot het hoogste geklommen. Dien zelfden morgen
was een ongelukkige Hindoesche vrouw, onverwacht bij een beek door
de tijgerin verrast, naar het bosch medegesleept.
Een der bergbewoners, een rijke Engelsche landeigenaar, nam ons
gastvrij in zijne woning op. Onze gastheer had meer dan een ander
zich over het geduchte dier te beklagen gehad en gaarne had hij zijn
huid met vele duizenden ropijen betaald.
»U moet weten, kapitein Hod," zeide hij, »dat eenige jaren geleden
een tijgerin in de centrale provinciën de bewoners van dertien dorpen
verplicht heeft op de vlucht te gaan, zoodat twee honderd vijftig
vierkante mijlen beste grond braak moesten blijven liggen!"
»Heb je alle mogelijke middelen beproefd om het dier te dooden?" vroeg
Banks.
»Alles, mijnheer de ingenieur, vallen, kuilen en zelfs lokazen met
strychnine toebereid! Niets heeft geholpen!"
»Mijn goede vriend," zei kapitein Hod, »ik verzeker niet, dat het
ons zal gelukken je te voldoen, maar we zullen ons best doen!"
Zoodra we ons te Souari eenigszins hadden ingericht, werd dien
zelfden dag een drijfjacht ondernomen. Een twintigtal bergbewoners,
die het grondgebied waarop we ons zouden bewegen, volkomen goed kenden,
voegden zich bij ons, bij onze lieden en bij de chikaris der kraal.
Hoe weinig jager Banks ook ware, scheen het mij toe, dat ook hij
onzen tocht met de meeste belangstelling zou medemaken.
Drie dagen achtereen, den 24n, 25n en 26n Juli, werd dit geheele
gedeelte der bergachtige streek doorzocht, zonder dat onze nasporingen
eenig resultaat hadden opgeleverd, geen ander immers dan dat twee
andere tijgers, waaraan men weinig dacht, door den kapitein werden
neergeveld.
»Vijf en veertig!" vergenoegde zich Hod te zeggen, zonder er anders
eenig gewicht aan te hechten.
Eindelijk, den 27n, deed de tijgerin door een nieuwe wandaad van zijn
tegenwoordigheid blijken. Een buffel, die onzen gastheer toebehoorde,
verdween uit een bij Souari gelegen weide en men vond er een kwart
mijl van het dorp niets meer dan de overblijfselen van terug. De
moord,--moord met voorbedachten rade, zou een rechtskundige gezegd
hebben,--had even voor het opkomen der zon plaats gehad, zoodat de
moordenaar onmogelijk ver af kon zijn.
Doch zou de bedrijver van de misdaad wel de tijgerin zijn, die men
tot nog toe tevergeefs had trachten op te sporen?
De Hindoes van Souari twijfelden er niet aan.
»'t Is mijn oom, niemand anders dan hij kan de dood bedreven
hebben!" zei een der bergbewoners tot ons.
»Mijn oom!" Zoo noemen de Hindoes in de meeste streken van het
schiereiland gewoonlijk den tijger. Zij gelooven namelijk, dat ieder
hunner voorouders voor eeuwig verblijf houdt in het lichaam van een
dezer leden van de familie van het kattengeslacht.
In dit geval zouden zij juister hebben kunnen zeggen: »'t Is mijn
tante!"
Onmiddellijk werd het besluit genomen het dier te gaan opzoeken,
zonder zelfs den nacht af te wachten, omdat hij zich 's nachts beter
aan de nasporingen zou kunnen onttrekken. Hij moest trouwens verzadigd
zijn en zou zijn leger niet voor twee of drie dagen verlaten.
Men ging op marsch. Van de plek waar de buffel door de tijgerin gedood
was, toonden bloedige sporen den weg aan, door haar ingeslagen. Deze
sporen voerden naar een klein kreupelbosch, dat reeds meermalen was
afgeloopen, zonder dat men er iets kon ontdekken. Men besloot dus dit
kreupelbosch te omringen, teneinde op die wijze een kring te vormen,
die niet door het dier zou kunnen overschreden worden, althans niet
zonder gezien te worden.
De bergbewoners verspreidden zich nu eerst, om zich langzamerhand naar
het midden terug te trekken, hun kring daarbij verkleinende. Kapitein
Hod, Kâlagani en ik bevonden zich aan een kant, Banks en Fox aan den
anderen, doch in voortdurende gemeenschap met de lieden van de kraal
en met die van het dorp. Elk punt van dezen omtrek was natuurlijk
gevaarlijk, daar de tijgerin op elk punt kon trachten hem te verbreken.
Het leed overigens geen twijfel of het dier bevond zich wel degelijk
in het kreupelbosch. Inderdaad werden de sporen, die er aan eenen
kant op uitliepen, aan den anderen kant niet teruggevonden. Dat daar
haar gewone schuilplaats was, was niet bewezen, want men had er haar
tevergeefs gezocht, doch op dit oogenblik was het algemeene vermoeden,
dat dit kreupelbosch haar werkelijk tot schuilplaats diende.
Het was toen acht uren 's morgens. Nadat alle voorzorgen genomen waren,
gingen we langzaam in stilte vooruit, den kring van insluiting allengs
vernauwende. Een half uur later, bevonden wij ons bij de eerste boomen.
Tot nog toe was er niets bijzonders voorgevallen, niets verkondigde de
tegenwoordigheid van het dier en wat mij aangaat, begon ik te gelooven,
dat al onze moeite tevergeefs was.
Op dit oogenblik was het niet meer mogelijk elkander te zien dan voor
hen, die in elkander's onmiddellijke nabijheid waren en evenwel was
het van belang den onderlingen samenhang niet te verliezen.
Men was dus vooraf overeengekomen, dat een geweerschot het oogenblik
zou aankondigen waarop de eerste van ons het bosch zou binnentreden.
Het teeken werd gegeven door kapitein Hod, die altijd vooraan was en
de zoom van het bosch werd overschreden. Mijn horloge raadplegende,
zag ik dat het toen acht uren vijf en dertig minuten was.
Een kwartier later, toen de kring zich vernauwd had, raakte men
elkander met de elbogen aan en hield men halt in het dichtste gedeelte
van het kreupelhout, zonder iets ontmoet te hebben.
Tot nog toe had niets de stilte gestoord dan het gekraak der droge
takken, die niettegenstaande al onze voorzorgen onder het gaan
verbroken werden.
Op dit oogenblik deed zich een gehuil hooren.
»Daar is het dier!" riep kapitein Hod uit, naar de opening van een
hol wijzende in een opeenhooping van rotsen, die door een groep hooge
boomen bekroond werd.
Kapitein Hod bedroog zich niet. Al was het niet het gewone leger der
tijgerin, was het althans daar dat zij de wijk genomen had toen zij
zich door een talrijke bende jagers vervolgd zag.
Wij allen, Hod, Banks, Fox, Kâlagani, verscheidene lieden der kraal,
wij waren de nauwe opening genaderd, waar de bloedige sporen eindigden.
»We moeten daarin doordringen," zei kapitein Hod.
»Een gevaarlijke onderneming!" deed Banks opmerken. »De eerste,
die binnentreedt, loopt gevaar ernstig verwond te worden..."
»Niets zal mij toch weerhouden naar binnen te gaan," zei Hod, zich
verzekerende, dat zijn karabijn gereed was vuur te geven.
»Na mij, kapitein!" antwoordde Fox, die zich naar de opening van het
hol bukte.
»Neen, Fox, neen!" riep Hod uit. »Dat gaat mij aan!"
»Och, kapitein!" antwoordde Fox zacht, op verwijtenden toon, »'k ben
er zes ten achteren!..."
Op zulk een oogenblik telden zij waarlijk het aantal tijgers, die
zij geschoten hadden!
»Geen van beiden zult ge daar binnen gaan!" riep Banks. »Neen! Nooit
zal ik toestaan..."
»Er zou misschien wel een middel zijn," zeide Kâlagani toen, den
ingenieur in de rede vallende.
»Welk?"
»Het dier door rook trachten te verdrijven," antwoordde de Hindoe. »We
zouden dan minder gevaar loopen en het gemakkelijker buiten kunnen
dooden."
»Kâlagani heeft gelijk," zeide Banks. »Komt, mijne vrienden, dood
hout, droog gras en gebladerte! Stopt de opening behoorlijk dicht! De
wind zal de vlammen en den rook naar binnen jagen. Het beest zal zich
moeten laten roosteren of trachten te ontvluchten!"
»Het zal zich willen redden," hernam de Hindoe.
»Goed!" antwoordde kapitein Hod. »We zullen het in het voorbijgaan
onze groeten overbrengen!"
In een oogwenk was een groote hoop brandbare zelfstandigheden, als
bladeren, droog gras, dood hout, waaraan in dit kreupelbosch geen
gebrek was, voor den ingang van het hol opgehoopt.
Niets had zich tot nog toe in het inwendige bewogen. Niets vertoonde
zich in den donkeren gang, die vrij diep moest zijn. Toch hadden
onze ooren ons niet kunnen bedriegen en was het gehuil stellig van
daar gekomen.
Nu werden al die droge zaken in brand gestoken en stond weldra alles in
vlam. Tegelijk ontwikkelde zich een scherpe, dichte rook, die door den
wind werd nedergeslagen en de lucht van binnen verstikkend moest maken.
Nu deed zich een tweede gebrul, woedender dan het eerste hooren. Het
dier gevoelde zich tot in zijn laatsten schuilhoek teruggedrongen en
om niet te stikken zou hij spoedig gedwongen worden zich naar buiten
te storten.
Wij wachtten hem af, tegen de zijdelingsche helling van de rots
geplaatst, gedekt door boomstammen, teneinde den schok van den eersten
sprong te vermijden.
Wat de kapitein betreft, deze had een andere plaats gekozen en, het
moet erkend worden, de gevaarlijkste. Deze bevond zich namelijk bij
den ingang van een opening in het kreupelhout, de eenige waardoor
de tijgerin kon ontvluchten. Hod zat met één knie op den grond,
teneinde zekerder van zijn schot te zijn, terwijl hij zijn karabijn
stevig tegen den schouder had aangedrukt; zijn geheele wezen had de
onbeweeglijkheid van een marmeren beeld aangenomen.
Er waren nauwlijks drie minuten verloopen sedert het oogenblik dat de
hoop hout in brand was gestoken, toen voor de derde maal een gehuil
of liever ditmaal een gereutel van verstikking aan de opening van
het hol weerklonk. In een oogwenk werden de brandbare voorwerpen
terzijde geworpen en verscheen er een énorm lichaam te midden van de
dwarrelende rookkolommen.
Het was de tijgerin.
»Vuur!" schreeuwde Banks.
Tien geweren brandden los, maar later konden wij ons verzekeren,
dat geen enkele kogel het dier getroffen had. Zijn verschijning was
te kort geweest. Hoe had men te midden van den rook, die het omgaf,
met eenige juistheid kunnen mikken?
Doch, als de tijgerin na haar eersten sprong, den grond had aangeraakt,
was dit slechts geweest om een steunpunt te zoeken voor een tweeden
nog verderen sprong, die haar in het kreupelhout zou brengen.
Kapitein Hod wachtte het dier met de grootste koelbloedigheid af en
als in de vlucht zond hij het een kogel na, die het slechts in het
dikke van den schouder raakte.
Snel als de bliksem, was de tijgerin op onzen metgezel toegesprongen,
had hem omver geworpen en was op het punt hem met een slag van zijn
ontzaglijke klauwen den schedel te verpletteren, toen Kâlagani met
een groot mes in de hand op hem toevloog.
De schreeuw, dien wij uitten, was nog niet verstomd of de moedige
Hindoe had het woeste dier bij de keel gepakt op het oogenblik dat
zijn rechterklauw op het hoofd van den kapitein zou nederkomen.
Het dier, door dien plotselingen aanval afgeleid, wierp den Hindoe
met een zijdelingsche beweging omver en viel woedend op hem aan.
Maar kapitein Hod was met één sprong op de been en het mes, dat
Kâlagani had laten vallen, oprapende, stak hij het met vaste hand
tot aan het heft in het hart van het dier.
De tijgerin rolde op den grond.
Niet langer dan vijf minuten had dit gansche ontzettende tooneel ons
in koortsachtige spanning gehouden.
Kapitein Hod lag nog steeds geknield toen wij bij hem kwamen. Kâlagani
had zich met bebloeden schouder zoo even opgericht.
»Bag mahryaga! Bag mahryaga!" schreeuwden de Hindoes,--'t geen
beteekende: de tijgerin is dood!
Ja, werkelijk dood! Welk een prachtig dier! Tien voet lang van den
snuit tot het uiteinde van den staart, grootte naar verhouding,
ontzaglijke pooten, gewapend met lange, scherpe klauwen.
Terwijl wij het roofdier bewonderden, overlaadden de Hindoes, die
zeer haatdragend van aard zijn, hem met scheldwoorden. Wat Kâlagani
aangaat, hij was kapitein Hod genaderd.
»Bedankt, kapitein!" zeide hij.
»Hoe! bedankt?" riep Hod uit. »Als iemand danken moet, dan ben ik het,
want zonder je hulp was het gedaan geweest met een der kapiteins van
het 1e eskadron der karabiniers van de koninklijke armée."
»Zonder u zou ik dood geweest zijn!" antwoordde de Hindoe koud.
»Wel, bij alle duivels! Heb je niet, met het mes in de hand je op
de tijgerin geworpen, op het oogenblik dat zij me den schedel zou
verpletteren!"
»U hebt haar gedood, kapitein, en dat is dus uw zes-en-veertigste!"
»Hoera! hoera!" riepen de Hindoes! »Hoera voor kapitein Hod!"
En inderdaad had de kapitein wel het recht de tijgerin op zijn rekening
te schrijven, maar hij betaalde Kâlagani met een stevigen handdruk.
»Kom mee naar het Stoomhuis," zei Banks tot Kâlagani. »Je schouder
is deerlijk gehavend, maar we zullen in onze reisapotheek wel iets
vinden om je wond te verzorgen."
Kâlagani boog ten teeken van goedkeuring en allen richtten we ons,
na afscheid genomen te hebben van de bergbewoners van Souari, die
hunne dankzeggingen niet spaarden, naar het sanitarium.
De chikaris verlieten ons om naar de kraal terug te keeren. Ook
ditmaal kwamen zij met ledige handen weder, en indien Matthias van
Guitt gerekend had op deze »koningin van Tarryani," moest hij rouw
voor haar dragen. Het is zeker, dat het onder deze omstandigheden
onmogelijk zou geweest zijn, haar levend te vangen.
Tegen twaalf uren, waren wij in het Stoomhuis terug. Daar had zich
iets onverwachts voorgedaan. Tot onze groote teleurstelling waren
kolonel Munro, sergeant Mac Neil en Goûmi vertrokken.
Een briefje, aan Banks gericht, meldde hem zich niet over hunne
afwezigheid te verontrusten, dat, Edward Munro, een verkenning naar
de grens van Népaul begeerende te maken, nog eenige twijfelachtige
omstandigheden wilde ophelderen betrekkelijk de metgezellen van Nana
Sahib en dat hij terug wilde zijn vóór het tijdperk waarop wij de
Himalaya moesten verlaten.
Bij het lezen van dit briefje, kwam het mij voor, dat aan Kâlagani
een teeken van bijna onwillekeurige teleurstelling ontsnapte.
Waarom die teleurstelling? Ik vergiste mij ongetwijfeld.
III.
NACHTELIJKE AANVAL.
Wij maakten ons zeer ongerust over het vertrek van den kolonel. Het
had blijkbaar betrekking op een verleden, dat wij voor altijd voorbij
hadden gewaand. Maar wat te doen? Het voetspoor van Sir Edward Munro
volgen? Wij wisten niet welken weg hij was ingeslagen en welk punt
van de Népaulsche grens hij zich voorstelde te bereiken. Wij konden
ons van den anderen kant niet ontveinzen dat, zoo hij zich niet aan
Banks had uitgelaten, dit was omdat hij de aanmerkingen van zijn
vriend vreesde, waaraan hij zich wilde onttrekken. Het speet Banks
zeer ons op dezen tocht gevolgd te zijn.
Men moest er dus in berusten en afwachten. Kolonel Munro zou zeker vóór
het einde van Augustus terug zijn, want die maand was de laatste,
die wij in het sanitarium zouden doorbrengen, alvorens door het
zuidwesten, den weg naar Bombay te kiezen.
Kâlagani werd zoo goed door Banks verzorgd, dat hij slechts
vierentwintig uren in het Stoomhuis bleef. Zijn wond was spoedig
genezen en hij verliet ons om zijn dienst in de kraal te gaan
hervatten.
Ook de maand Augustus begon onder hevige regenbuien,--een weer om
kikkers verkouden te maken,--zei kapitein Hod, maar toch zou het
minder regenachtig zijn dan in Juli en bijgevolg gunstiger voor onze
tochten in Tarryani.
Evenwel was de gemeenschap met de kraal zeer druk. Matthias van
Guitt was niet bijzonder in zijn schik. Ook hij rekende het kamp
in de eerste dagen van September op te breken. Nu ontbraken er nog
altijd een leeuw, twee tijgers en twee luipaarden aan zijn menagerie
en hij wist niet of hij zijn troep voltallig zou kunnen maken.
Om hem nog meer uit zijn humeur te maken kwamen inplaats van de
acteurs, die hij voor rekening zijner lastgevers wilde aannemen, zich
anderen aan zijn agentschap aanbieden, waarmede hij geen raad wist.
Zoo liet zich den 4n Augustus een prachtige beer in een zijner
vallen vangen.
Wij bevonden ons juist in de kraal, toen zijne chikaris hem in het
beweegbare hok een gevangene brachten van aanzienlijk lengte met een
zwarte vacht, scherpe klauwen, lange ooren met haren voorzien,--wat
eigenaardig is aan deze vertegenwoordigers van het geslacht der beren
in Indië.
»Wat heb ik aan zoo'n onnutten zooltreder!" riep de leverancier,
de schouders ophalende.
»Broeder Ballon! broeder Ballon!" riepen telkens de Hindoes.
Het schijnt wel, dat, zoo de Hindoes zich slechts de neven der tijgers,
zij zich de broeders der beren noemen.
Matthias van Guitt evenwel, ontving broeder Ballon, niettegenstaande
dezen graad van bloedverwantschap, met een gevoel van slecht verborgen
tegenzin. Beren te vangen, als hij tijgers noodig had, dat beviel
hem niet. Wat zou hij met dat lastige dier uitvoeren. Het leek hem
niets het te voeden zonder hoop zijne kosten vergoed te zien. De
Indische beer is weinig gevraagd op de markten van Europa en heeft
niet de handelswaarde van den grijzen Amerikaanschen beer, noch die
van den poolbeer. Daarom gaf dan ook Matthias van Guitt als een goed
koopman niets om een lastig dier, waarvan hij zich slechts moeilijk
zou kunnen ontdoen!
»Wilt u hem hebben?" vroeg hij kapitein Hod.
»En wat zou ik er mee doen?" vroeg de kapitein.
»U kunt er beefsteaks van maken," zei de leverancier, »indien ik
althans deze catachrese [4] mag gebruiken!"
»Mijnheer van Guitt," antwoordde Banks ernstig, »de catachrese is een
geschikt woord, wanneer het uit gebrek aan iedere andere uitdrukking
de gedachte behoorlijk wedergeeft.
»Zoo denk ik er ook over," hernam de leverancier.
»Welnu, Hod," zei Banks, »neemt ge of neemt ge niet den beer van
mijnheer van Guitt?"
»Welzeker niet!" antwoordde kapitein Hod. »Beren-beefsteak te eten,
wanneer de beer gedood is, laat ik nog daar, maar den beer te
dooden alleen met het doel om zijn beefsteak te eten, bezorgt me
geen eetlust!"
»Geeft dan den zooltreder de vrijheid," zeide Matthias van Guitt,
zich tot zijne chikaris wendende.
Men gehoorzaamde den leverancier. Het hok werd buiten de kraal
gebracht. Een der Hindoes opende de deur en broeder Ballon, die zeer
beschaamd scheen over zijn toestand, liet het zich geen tweemalen
zeggen. Hij verliet bedaard het hok, gaf een klein knikje met het
hoofd, dat men voor een bedankje kon houden en maakte zich onder een
geknor van voldoening uit de voeten.
»U hebt daar een goede daad verricht," zeide Banks. »Dat zal u geluk
aanbrengen, mijnheer van Guitt."
Banks had niet gedacht zoo juist gesproken te hebben. De dag van den
9n Augustus moest den leverancier beloonen, want hij schonk hem een
der wilde dieren, die hem nog ontbrak.
Ziehier onder welke omstandigheden:
Matthias van Guitt, kapitein Hod en ik, vergezeld van Fox, den
machinist Storr en Kâlagani, we doorkruisten, van zonsopgang af een
dicht kreupelbosch van cactus en mastikboomen, toen zich een half
gesmoord gehuil deed hooren.
Dadelijk hielden we onze geweren gereed om te vuren, alle zes goed
geplaatst, teneinde ons voor elken afzonderlijken aanval gedekt te
houden, en richtten we ons naar de verdachte plek.
Vijftig schreden verder liet de leverancier ons halt houden. Aan den
aard van het gebrul scheen hij herkend te hebben wat er van de zaak
was en, zich bijzonder tot kapitein Hod wendende, zeide hij:
»Vooral geen nutteloos schot."
Vervolgens eenige schreden vooruit makende, terwijl wij op een wenk
van hem achterbleven, riep hij uit:
»Een leeuw!"
En werkelijk deed een dier, dat aan het uiteinde van een sterk touw
was vastgemaakt, wanhopige pogingen om los te komen.
Het was wel degelijk een leeuw, een van de soort zonder manen,--die
zich door deze bijzonderheid van zijne stamgenooten van Afrika
onderscheidde,--maar overigens een werkelijke leeuw, de leeuw waarnaar
Matthias van Guitt zoo vurig gehaakt had.
Het woeste dier, dat aan een zijner voorpooten, omkneld door de
schuiflis van het touw, was opgehangen, deed vreeselijke rukken,
zonder dat het hem mocht gelukken zich los te wringen.
In weerwil van de aanbeveling van den leverancier was de eerste
beweging van den kapitein, vuur te geven.
»Schiet niet, kapitein!" riep Matthias van Guitt. »'k Bezweer u,
schiet niet!"
»Maar...."
»Neen, neen! zeg ik u! Die leeuw is in een mijner strikken gevangen
en hij hoort mij toe!"
't Was inderdaad een strik, een zoogenaamde galgstrik, tegelijk zeer
eenvoudig en zeer vernuftig.
Aan een sterken en buigzamen tak is een stevig touw bevestigd. Deze
tak wordt naar den grond toe gebogen, totdat het van een schuiflis
voorziene benedeneinde van het touw in de inkeping van een stevig in
den grond geheiden paal kan geslagen worden. Op deze paal nu plaatst
men een lokaas, zoodanig, dat ieder dier dat het wil aanraken, met
den kop of een zijner pooten in de lis gevangen wordt. Doch nauwelijks
heeft het dit gedaan of het lokaas, hoe zacht de aanraking ook geweest
zij, schuift het touw uit de inkeping los, de tak richt zich weder
op, het dier medesleurende, terwijl op hetzelfde oogenblik een zwaar
cilindervormig stuk hout, langs het touw naar beneden glijdende, op
de lis valt, haar vaster aandrukt en belet dat zij onder de pogingen
van den gehangene losgaat.
Deze soort van strik wordt dikwijls in de bosschen van Indië gespannen
en de roofdieren laten er zich veel meer in vangen, dan men geneigd
zou zijn te gelooven.
Het meest gebeurt het, dat het dier om den hals gepakt en bijna
onmiddellijk geworgd wordt, terwijl zijn kop half door den zwaren
houten cilinder verpletterd wordt. Maar de leeuw, die onder onze
oogen hing te spartelen, was slechts bij zijn poot gevangen en was
dus levend, springlevendig en waardig zich onder de gasten van den
leverancier te vertoonen.
Matthias van Guitt was verrukt over het avontuur en zond Kâlagani
naar de kraal, met de order het beweegbare hok onder het geleide van
een voerman te gaan halen. Inmiddels konden wij het dier, welks woede
door onze tegenwoordigheid verdubbelde, op ons gemak gadeslaan.
Ook de leverancier verloor hem niet uit het oog. Hij draaide om den
boom heen, daarbij evenwel zorgdragende zich buiten het bereik der
klauwen van het woedende dier te houden.
Een half uur later kwam het hok aan, door twee buffels getrokken. Men
liet er den gehangene, niet zonder eenige moeite in neder, waarna
wij den weg naar de kraal insloegen.
»Ik begon werkelijk te wanhopen," zeide Matthias van Guitt tot
ons. »De leeuwen maken geen belangrijk cijfer uit onder de nemorale
dieren van Indië...."
»Némorale?" zei kapitein Hod.
Ja, de dieren, die de bosschen bewonen, en 'k wensch mijzelven geluk
dit roofdier te hebben kunnen vangen, dat mijne menagerie eer zal
aandoen!"
Trouwens had Matthias van Guitt van dezen dag af aan, geen reden meer
zich over zijn tegenspoed te beklagen.
Den 11n Augustus werden twee luipaarden tegelijk in den tijgerval
gevangen, waaruit wij den leverancier verlost hadden.
Het waren twee tchitas, gelijk aan dien, die zoo stoutmoedig den
IJzeren Reus in de vlakten van Rohilkhande had aangetast en waarvan
wij ons niet hadden kunnen meester maken.
Er ontbraken nog slechts twee tijgers aan den voorraad van Matthias
van Guitt.
Het was de 15e Augustus. Kolonel Munro was nog niet weder te voorschijn
gekomen en ook hadden wij niet de minste tijding van hem gehoord. Banks
maakte zich meer ongerust dan hij het wilde doen voorkomen. Hij
ondervroeg Kâlagani, die de Népaulsche grens kende, naar de gevaren,
die Sir Edward Munro kon loopen in die onafhankelijke landstreken. De
Hindoe verzekerde hem, dat er geen enkele partijganger van Nana Sahib
op de grenzen van Thibet overbleef. Nochtans scheen het hem te spijten,
dat de kolonel hem niet tot gids gekozen had. In een land welks minste
voetpaden hem bekend waren, zouden zijne diensten hem zeer nuttig
geweest zijn. Doch nu was er niet aan te denken hem op te zoeken.
Intusschen zetten kapitein Hod en Fox meer bijzonder hunne tochten in
Tarryani voort. Met behulp van de chikaris der kraal gelukte het hem
niet zonder groot gevaar nog drie tijgers van gemiddelde grootte te
dooden. Twee van die roofdieren werden op rekening van den kapitein,
de derde op die van den oppasser geschreven.
»Acht en veertig!" zeide Hod, die gaarne, alvorens de Himalaya te
verlaten, het ronde cijfer van vijftig had willen bereiken.
»Negen en dertig!" had Fox gezegd, zonder een geduchten panter te
rekenen, die onder zijn schot gevallen was.
Den 20n Augustus liet de voorlaatste der tijgers, door Matthias van
Guitt benoodigd, zich in een der kuilen vangen, waaraan zij tot nog
toe, hetzij uit instinct, hetzij bij toeval ontkomen waren. Zooals
meestal gebeurt, verwondde zich het dier in zijn val, ofschoon de wond
volstrekt niet ernstig was. Eenige dagen van rust zouden voldoende zijn
om zijne genezing te verzekeren en op het tijdstip dat de levering
voor rekening van Hagenbeck van Hamburg moest plaats hebben, zou er
niets meer van blijken.
Het gebruik dezer kuilen wordt door de deskundigen als een barbaarsche
methode beschouwd. Als het slechts te doen is om de dieren te dooden,
zijn natuurlijk alle middelen goed, maar als men ze levend wil vangen,
is de dood maar al te dikwijls het gevolg van hun val, vooral als ze
in de vijftien tot twintig voeten diepe kuilen vallen, die bestemd
zijn voor de vangst van olifanten. Op tien kan men er nauwlijks
een vinden, die niet doodelijk verwond wordt. In Mysore, waar dit
systeem vooral in zwang was, zooals de leverancier ons mededeelde,
begint men er van af te zien.
Er ontbrak nu nog slechts één tijger aan de menagerie der kraal en
Matthias van Guitt wenschte meer dan ooit hem goed en wel in zijn bezit
te hebben, want hij had groote haast om naar Bombay te vertrekken.
Weldra zou hij zich ook van dezen tijger meester maken, maar tegen
welken prijs! Dit dient eenigszins breedvoerig vermeld te worden,
want het dier werd duur,--te duur,--betaald.
Door de bijzondere zorg van kapitein Hod zou in den nacht van den
26n Augustus een tocht georganiseerd worden. Het was te voorzien,
dat de jacht onder gunstige omstandigheden zou plaats hebben, een
heldere lucht, een kalme atmosfeer en een afnemende maan. Bij groote
duisternis, verlaten de roofdieren minder gaarne hun leger, terwijl
een halve duisternis ze er toe uitnoodigt. Juist nu zou de meniscus
of bolronde schijf der maan,--een woord van Matthias van Guitt,--na
middernacht nog eenig schijnsel geven.
Kapitein Hod en ik, Fox en Storr, die er mede smaak in begon te
krijgen, wij vormden de kern dezer expeditie, waarbij zich de
leverancier, Kâlagani en eenigen zijner Hindoes zouden voegen.
Toen dus de maaltijd was afgeloopen, verlieten wij, na afscheid genomen
te hebben van Banks, die voor de uitnoodiging om ons te vergezellen
bedankt had, het Stoomhuis tegen zeven uren des 's avonds en te acht
uur kwamen wij zonder eenige bijzondere ontmoeting aan de kraal aan.
Matthias van Guitt had juist gesoupeerd. Hij ontving ons met zijn
gewone komplimenten. Men raadpleegde met elkander en dadelijk werd
het plan van de jacht ontworpen.
Men zou op de loer gaan liggen aan den oever van een stroom, op den
bodem van een dier bergkloven, die men »nallah" noemt, op twee mijlen
van de kraal verwijderd, op een plek, die vrij geregeld 's nachts
door een paar tijgers bezocht werd. Er was daar vooraf geen lokaas
geplaatst, daar dit naar het zeggen der Hindoes onnoodig was. Een
drijfjacht, die onlangs in dit gedeelte van Tarryani gehouden was,
bewees dat de behoefte om hun dorst te lesschen voldoende was om de
tijgers, op den bodem dezer nallah te lokken. Men wist ook, dat het
gemakkelijk zoude zijn er zich met voordeel te plaatsen.
Wij zouden de kraal niet vóór middernacht verlaten en daar het nog
pas zeven uur was, moesten wij dus zonder ons te veel te vervelen
het oogenblik van vertrek afwachten.
»Mijne heeren," zei Matthias van Guitt, »mijn woning staat geheel
ter uwe beschikking. Ik raad u aan om te doen zooals ik en zoolang
naar bed te gaan. We zullen zeer vroeg op moeten staan en eenige uren
slaap zullen ons des te beter voor den strijd voorbereiden."
»Heb je lust om te gaan slapen, Maucler?" vroeg mij de kapitein.
»Neen," antwoordde ik, »en 'k wacht liever al wandelende den tijd af,
dan gedwongen te zijn midden in mijn slaap op te staan."
»Zooals u wilt, mijne heeren," antwoordde de leverancier. »Wat
mij aangaat, 'k voel reeds het krampachtige knippen der oogleden,
dat door de behoefte tot slapen wordt teweeggebracht. Ge ziet het,
'k begin me al uit te rekken!"
En Matthias van Guitt lichtte de armen in de hoogte, wierp het hoofd
en den tronk door een onwillekeurige uitrekking der buikspieren naar
achteren en liet een veel beteekenend gegeeuw hooren.
Toen hij zich dus op zijn gemak uitgerekt had, bracht hij ons zijn
laatsten afscheidsgroet, trad in zijn kooi en sliep ongetwijfeld
weldra in.
»En wat gaan wij nu uitvoeren?" vroeg ik.
»Laten we gaan wandelen, Maucler," antwoordde mij kapitein Hod,
»Laten we in de kraal gaan wandelen. 't Is een prachtige nacht en
'k zal frisscher zijn als het tijd is te vertrekken, dan wanneer 'k
een uur of wat sliep. De slaap moge bovendien onze beste vriend zijn,
dikwijls is 't een vriend, die op zich laat wachten."
Zoo schreden wij dan langzaam door de kraal, nu eens in gedachten
verdiept, dan weder druk pratende. Storr »dien zijn beste vriend niet
gewoon was te laten wachten," lag aan den voet van een boom en sliep
reeds. Ook de chikaris en de voerlieden zaten in hun hoek neergehurkt,
zoodat niemand binnen de omheining nog wakker was.
Dit was trouwens ook niet noodig, daar de kraal, door stevige
palissaden omgeven, volkomen gesloten was.
Kâlagani overtuigde zich zelf, dat de deur zorgvuldig gesloten was;
vervolgens begaf hij zich, na ons in het voorbijgaan goeden avond
gewenscht te hebben, naar de algemeene woning voor hem en zijne
metgezellen.
Kapitein Hod en ik waren nu geheel alleen.
Niet alleen de lieden van van Guitt, maar ook de huisdieren en de
wilde dieren sliepen, deze in hunne hokken, gene in groepen onder
de groote boomen, aan het uiteinde der kraal, uitgestrekt. Volkomen
stilte, zoowel van binnen als van buiten.
Het eerst bracht onze wandeling ons bij de plek door de buffels
ingenomen. Deze prachtige herkauwers, zoo zacht en gehoorzaam,
waren zelfs niet eens gekluisterd. Gewoon onder het gebladerte van
reusachtige ahornboomen te rusten, zagen we ze daar rustig uitgestrekt,
met de pooten onder zich gevouwen terwijl een langzame en luide
ademhaling uit die enorme massa's voortkomende, tot ons oor doordrong.
Zij ontwaakten niet eens bij onze nadering. Een van hen slechts
lichtte een oogenblik zijn grooten kop op, wierp den aan de dieren
van dit geslacht eigenaardigen onzekeren blik op ons en was weldra
weder in de slapende massa verloren.
»Zie tot welk een staat van tamheid deze dieren gebracht zijn,"
zei ik tot den kapitein.
»Ja," antwoordde Hod, »en toch zijn deze buffels vreeselijke dieren,
als ze in 't wild leven. Maar zij bezitten wel kracht, doch geen
levendigheid en wat vermogen hunne horens tegen het gebit der leeuwen
of de klauwen der tijgers? Ongetwijfeld ligt het voordeel aan de
zijde der roofdieren."
Al pratende waren wij bij de hokken teruggekomen. Ook daar doodsche
stilte. Tijgers, leeuwen, panters, luipaarden, sliepen allen in hunne
afzonderlijke afdeelingen. Matthias van Guitt vereenigde ze slechts
als ze door eenige weken gevangenschap tam geworden waren en hij had
gelijk. Zeer zeker toch zouden deze woeste dieren in de eerste dagen
hunner opsluiting elkander verslonden hebben.
De drie leeuwen, volkomen onbeweeglijk, lagen in een halven cirkel
gebogen als groote katten. Men zag niets van hun kop, die als verloren
was in een dikken mof van zwart bont, en ook zij sliepen den slaap
des rechtvaardigen.
In de hokken der tijgers was de slaap zoo vast niet. Vurige oogen
schitterden in het duister. Van tijd tot tijd werd er een groote poot
uitgestoken, welks klauwen de ijzeren staven omklemden. Het was een
slaap van roofdieren, die hun leed verkropten.
»Ze hebben benauwde droomen en ik begrijp het!" zei de medelijdende
kapitein.
Ook de drie panters werden ongetwijfeld door eenige wroeging, of
althans eenig berouw bezield. Op dit uur immers, zouden zij vrij van
alle banden door de bosschen gezworven, of de weiden doorloopen hebben,
naar levend vee zoekende.
Wat de vier luipaarden aangaat, geen nachtmerrie stoorde hun slaap. Zij
waren in diepe rust. Twee van die tot het kattengeslacht behoorende
dieren, het mannetje en het wijfje, bewoonden dezelfde slaapkamer en
bevonden zich daar even goed als in hun hol.
Een enkele afsluiting was nog ledig,--die welke moest bezet worden
door den zesden en onneembaren tijger, op welks vangst Matthias van
Guitt alleen nog maar wachtte om Tarryani te verlaten.
Onze wandeling duurde nagenoeg een uur. Na de kraal van binnen te zijn
rondgewandeld, zetten we ons neder aan den voet van een enorme mimosa.
Ook in het geheele woud heerschte een diepe stilte. De wind, die bij
het vallen van den avond nog door het gebladerte ruischte, was gaan
liggen. Geen blad bewoog zich. Beneden aan de oppervlakte der aarde,
zoowel als in de hooge luchtstreken, waar de halve maan haren loop
volbracht, overal was het even kalm.
Kapitein Hod en ik, bij elkander gezeten, ook wij zwegen. Geen
slaap maakte zich evenwel van hem meester. Het was eerder die meer
geestelijke dan lichamelijke afgetrokkenheid, onder welker invloed
men gedurende de volkomen rust in de natuur verkeert. Men denkt,
maar men kleedt zijne gedachte niet in. Men droomt als iemand zou
droomen, die niet slaapt, terwijl de blik, die door de oogleden nog
niet overschaduwd wordt, zich in fantastische droombeelden verliest.
Toch was er een bijzonderheid, die den kapitein verwonderde en, zacht
sprekende, zooals men het bijna onbewust doet, als alles om ons heen
zwijgt, zeide hij tot mij:
»Maucler, een dergelijke stilte verrast me! De wilde dieren brullen
gewoonlijk in het duister en des nachts is er leven in het bosch. Uit
gebrek van tijgers of panters zijn het jakhalzen, die zich nooit
stilhouden. Deze kraal, met levende wezens opgevuld, moest ze bij
honderden aantrekken en toch hooren we niets, niet het minste gekraak
van dood hout, niet het minste gehuil in de wildernis. Als Matthias
van Guitt wakker was, zou hij stellig niet minder verrast zijn dan
ik en met de een of andere zonderlinge uitdrukking zijn verbazing te
kennen geven."
»Je aanmerking komt me juist voor, waarde Hod," antwoordde ik, »en
'k weet waarlijk niet waaraan de afwezigheid van die nachtelijke
zwervers moet toegeschreven worden. Maar we mogen wel oppassen of
anders vallen we temidden van die kalmte ook in slaap!"
»Wakker blijven, wakker blijven!" antwoordde kapitein Hod, zich
uitrekkende. »'t Is nu haast tijd om te vertrekken."
En we sleepten het gesprek voort in door lange tusschenpoozen
afgebroken zinnen.
Hoe lang die droomende toestand duurde, zou ik niet hebben kunnen
zeggen, maar eensklaps werden wij uit onze slaperigheid gewekt door
een dof geruisch, dat ons beiden tegelijk deed opspringen.
Al spoedig bleek het dat het geruisch voortkwam uit het hok der
wilde dieren.
Leeuwen, tijgers, panters, luipaarden, straks nog zoo vreedzaam, deden
nu een toornachtig gebrom hooren. Overeind in hunne hokken, met kleine
schreden heen en weer loopende, snoven zij met kracht eenige lucht van
buiten op en richtten zich op tegen de ijzeren stangen hunner hokken.
»Wat scheelt ze toch?" vroeg ik.
»'k Weet het niet," antwoordde kapitein Hod, »maar ik vrees, dat ze
de nabijheid geroken hebben van..."
Eensklaps barstte een vreeselijk gebrul om de omheining van de
kraal los.
»Tijgers!" riep kapitein Hod uit, naar het slaapvertrek van Matthias
van Guitt snellende.
Maar, zoo geweldig was het gebrul geweest, dat het gansche personeel
der kraal reeds op de been was en de leverancier met al zijn bedienden
naar buiten kwam stuiven.
»Een aanval!" riep hij uit.
»'k Geloof het ook," antwoordde Hod.
»Wacht! We zullen zien!..."
»En zonder den volzin te eindigen, greep Matthias van Guitt een ladder
en plaatste ze overeind tegen de palissade. In een oogenblik had hij
er den hoogsten sport van bereikt.
»Tien tijgers en een dozijn panters!" schreeuwde hij.
»Dat kan ernstig genoeg worden," antwoordde Kapitein Hod. »Wij wilden
ze gaan jagen en zij komen jacht op ons maken!"
»De geweren! de geweren!" riep de leverancier.
En allen waren op zijn bevel binnen twintig seconden gereed om vuur
te geven.
Deze aanvallen van een bende wilde dieren zijn in Indië geenszins
zeldzaam. Hoe dikwijls zijn niet de bewoners der door de tijgers
bezochte streken en meer bijzonder die der Sunderbunds, in hunne
woningen belegerd geworden! Een dergelijke gebeurtenis behoort niet
tot de zeldzaamheden en maar al te vaak blijft het voordeel aan
de aanvallers!
Intusschen had zich bij het gehuil van buiten, het gebrul van binnen
gevoegd! De kraal beantwoordde het bosch. Men kon elkander binnen de
omheining niet meer verstaan.
»Naar de palissaden!" schreeuwde Matthias van Guitt, die zich meer
door gebaren dan door de stem deed begrijpen.
En allen snelden naar de omheining.
Op dit oogenblik deden de buffels, ten prooi aan den hevigsten schrik,
wanhopige pogingen om de plek waar ze opgesloten waren met geweld te
verlaten. De voerlieden beproefden te vergeefs ze te bedwingen.
Plotseling werd de deur, waarvan de houten boom zeker slecht bevestigd
was, met geweld opengebroken en stormde een bende wilde dieren de
kraal binnen.
Evenwel had Kâlagani die deur met de grootste zorg gesloten, zooals
hij elken avond deed!
»Naar de hut! Naar de hut!" schreeuwde Matthias van Guitt, naar het
huis snellende, dat alleen nog een schuilplaats kan aanbieden.
Maar hadden we den tijd er nog te komen?
Reeds waren twee chikaris, door de tijgers bereikt, op den grond
geworpen. De anderen, die de hut niet meer konden bereiken, liepen
door de kraal en zochten een schuilplaats waar ze haar vinden konden.
De leverancier, Storr en zes Hindoes waren reeds in het huis, waarvan
de deur gesloten werd op het oogenblik dat twee panters er zich in
wilden werpen.
Kâlagani, Fox en de anderen, hadden zich langs de boomen tot in de
eerste takken opgeheschen.
Kapitein Hod en ik hadden noch den tijd, noch de mogelijkheid gehad
zich bij Matthias van Guitt te voegen.
»Maucler! Maucler!" schreeuwde kapitein Hod, wiens rechterarm door
den slag van een klauw verscheurd was.
Een énorme tijger had mij met een slag van zijn staart ter aarde
geworpen. Ik richtte mij weder op juist op het oogenblik dat het dier
weder op mij toekwam en ik snelde naar kapitein Hod om hem ter hulp
te komen.
Een enkele schuilplaats bleef ons toen nog over: het was de ledige
afdeeling van het zesde hok. In een ommezien hadden we er ons
in geworpen en stelde de onmiddellijk gesloten deur ons voor het
oogenblik buiten het bereik der woedende dieren, die zich huilende
tegen de ijzeren stangen wierpen.
Zoo groot was de verbittering dier razende beesten, gevoegd bij de
woede der in de naaste afdeelingen gevangen tijgers, dat het hok,
op de wielen waggelde en op het punt was om te slaan.
Doch gelukkig verlieten de tijgers het weldra om zich op een zekerder
prooi te werpen.
Welk een tooneel, waarvan geen enkele bijzonderheid voor ons verloren
ging, daar wij het tusschen de stangen onzer afdeeling gadesloegen!
»'t Is de omgekeerde wereld!" riep kapitein Hod, die zich zat te
verbijten. »Zij buiten en wij binnen!"
»En je wond?" vroeg ik.
»Dat's niets!"
Vijf of zes geweren brandden op dit oogenblik los. Zij kwamen uit de
hut van Matthias van Guitt, die hardnekkig door twee tijgers en drie
panters belegerd werd.
Een van die dieren viel doodelijk getroffen door een ontplofbaren
kogel, waarschijnlijk uit de karabijn van Storr.
Wat de anderen aangaat, zij hadden zich dadelijk op de groep der
buffels geworpen en deze ongelukkige herkauwers zouden zich weldra
zonder verdediging tegen zulke tegenstanders bevinden.
Fox, Kâlagani en de Hindoes, die, om sneller in de boomen te klimmen,
hunne wapens hadden moeten wegwerpen, konden hen niet ter hulp komen.
Kapitein Hod evenwel gaf tusschen de stangen van ons hok door
vuur. Alhoewel zijn rechterarm, half verlamd door zijn wond, hem niet
toeliet met zijn gewone juistheid te schieten, had hij toch het geluk
zijn negen en veertigsten tijger te vellen.
Op dit oogenblik vlogen de buffels, razend van angst en schrik, loeiend
door de omheining. Tevergeefs beproefden zij den tijgers het hoofd te
bieden, die door geduchte sprongen aan hunne horens ontsnapten. Een
van hen, met een panter op den rug, die hem met zijn klauwen den nek
verscheurde, snelde, voor de deur aangekomen, naar buiten.
Vijf of zes anderen, door de wilde dieren achtervolgd, joegen hen na
en verdwenen.
Enkele tijgers vervolgden hen, maar de buffels, die de kraal niet
hadden kunnen verlaten, lagen met opengereten buik, op den grond.
Intusschen werden er nog andere geweerschoten door de vensters van
het houten huis gelost. Van onzen kant, deden wij, kapitein Hod en ik,
ons best toen een nieuw gevaar ons kwam bedreigen.
De dieren, in de hokken opgesloten, razend door de hardnekkige
worsteling, den reuk van het bloed, het gehuil hunner natuurgenooten,
trachtten zich met onstuimig geweld te bevrijden. Zou het hun gelukken
de traliën te verbreken? We moesten het werkelijk vreezen.
Inderdaad werd een der hokken omvergeworpen. Ik geloofde een oogenblik,
dat onze vrees zich bewaarheid had en ze werkelijk ontvlucht waren,
maar gelukkig was het niet zoo en konden zelfs de vluchtelingen niet
meer zien wat er buiten voorviel, omdat het hok met de getraliede
zijde op den grond was nedergekomen.
»Er zijn er bepaald te veel!" mompelde kapitein Hod, terwijl hij zijn
karabijn opnieuw laadde.
Op dit oogenblik nam een tijger een vervaarlijken sprong en met behulp
zijner klauwen gelukte het hem zich aan den ondersten tak van een boom
vast te klemmen, waarop twee chikaris een schuilplaats gezocht hadden.
Een dier ongelukkigen, bij de keel gepakt, beproefde te vergeefs
weerstand te bieden en werd op den grond geworpen.
Een panter betwistte den tijger dit reeds van het leven beroofde
lichaam, welks beenderen te midden van een plas bloed kraakten.
»Maar schiet dan toch, in Godsnaam!" schreeuwde kapitein Hod, alsof
hij zich door Matthias van Guitt en zijne metgezellen had kunnen
doen hooren.
Wat ons betreft, het was ons onmogelijk nu tusschenbeiden te
komen! Onze voorraad patronen was uitgeput en we konden ons slechts
bepalen tot de rol van onmachtige toeschouwers der worsteling! Maar
zie, daar gelukt het een tijger, in het naast ons gelegen vak, die
trachtte zijn traliën te verbreken, door het geven van een hevigen
schok, het evenwicht van het hok te verstoren. Het wankelde even en
viel bijna onmiddellijk omver.
Licht gekneusd door den val, hadden wij ons op de knieën opgericht. De
wanden hadden weerstand geboden, maar wij konden niets meer zien van
hetgeen buiten voorviel.
Mochten wij niets meer zien, wij hoorden althans! Welk een akelig
gehuil binnen de omheining der kraal! Welk een reuk van bloed
bezwangerde den dampkring! Het scheen dat de worsteling een heviger
karakter had aangenomen. Wat was er toch voorgevallen? Waren de
gevangenen der andere hokken ontsnapt? Vielen zij het houten verblijf
van Matthias van Guitt aan? Wierpen de tijgers en panters zich op de
boomen om de Hindoes er uit te rukken?
»En geen kans te zien om uit die doos te komen!" riep kapitein Hod
woedend uit.
Een kwartier ongeveer,--een kwartier waarvan wij de eindelooze minuten
telden, verliep in dezen toestand.
Toen nam het geraas der worsteling allengs af. Het gehuil
verzwakte. De sprongen der tijgers in de afdeelingen van ons hok
werden zeldzamer. Zou de moord een einde genomen hebben?
Eensklaps hoorde ik dat de deur der kraal met geweld gesloten
werd. Daarna riep Kâlagani ons met luide stem. Bij zijn stem voegde
zich die van Fox, herhalende:
»Kapitein! kapitein!"
»Hier!" antwoordde Hod.
Hij werd gehoord en bijna dadelijk daarop voelde ik dat het hok werd
opgelicht. Een oogenblik later waren wij vrij.
»Fox! Storr!" riep de kapitein, wiens eerste gedachte aan zijne
metgezellen gewijd was.
»Present!" antwoordden de machinist en de oppasser.
Zij waren wonderdadig behouden gebleven en zelfs niet eens gewond. Ook
Matthias van Guitt en Kâlagani waren ongedeerd. Twee tijgers en een
panter lagen levenloos op den grond uitgestrekt. De anderen hadden de
kraal verlaten, waarvan Kâlagani de deur gesloten had. Wij bevonden
ons allen in veiligheid.
Het was geen van de wilde dieren der menagerie gelukt onder de
worsteling te ontsnappen en zelfs telde de leverancier een gevangene
meer. Het was een jonge tijger, zittende in het kleine rollende
hok, dat over hem heen was gevallen en waaronder hij als in een val
gevangen was.
De voorraad van Matthias van Guitt was dus eindelijk voltallig; maar
het kostte hem duur! Vijf zijner buffels waren gedood, de anderen
hadden de vlucht genomen en drie Hindoes, vreeselijk verminkt,
zwommen in hun bloed op den bodem der kraal.
IV.
HET AFSCHEID VAN MATTHIAS VAN GUITT.
Gedurende het overige van den nacht deed zich niets bijzonders meer
voor, noch binnen, noch buiten de omheining. De deur werd ditmaal
stevig bevestigd. Hoe had zij geopend kunnen worden op het oogenblik
dat de bende wilde dieren de pâlissaden bestormde? Dit was inderdaad
iets onverklaarbaars, daar Kâlagani zelf haar met de zware dwarsboomen
gesloten had.
De wond van kapitein Hod veroorzaakte hem veel pijn, hoewel het
slechts een ontvelling was. Maar het scheelde weinig of hij had het
gebruik van den rechterarm verloren.
Wat mij betreft, ik voelde niets meer van den hevigen slag met den
staart, die mij ter aarde had geworpen.
Wij besloten dus met het krieken van den dag naar het Stoomhuis terug
te keeren.
Wat Matthias van Guitt aangaat, behalve zijn oprecht gemeend verdriet
over het verlies van drie zijner lieden, maakte hij zich overigens
volstrekt niet ongerust over zijn toestand, alhoewel het verlies zijner
buffels op het oogenblik van zijn vertrek hem in groote verlegenheid
moest brengen.
»Dat zijn de kansen van het vak," zeide hij, »en 'k had een soort
van voorgevoel, dat me iets dergelijks zou overkomen."
Daarna bezorgde hij de begrafenis der drie Hindoes, wier overblijfselen
in een hoek ter aarde werden besteld, en wel diep genoeg om niet door
de wilde dieren opgegraven te kunnen worden.
Intusschen verlichtte de dageraad weldra het benedenste gedeelte van
Tarryani en na hartelijke handdrukken gewisseld te hebben, namen wij
afscheid van Matthias van Guitt.
Om ons, althans op onzen tocht door het bosch niet onvergezeld te
laten gaan, drong de leverancier er op aan Kâlagani en twee zijner
Hindoes ter onze beschikking te stellen. Zijn aanbod werd aangenomen
en te zes uur verlieten wij de kraal.
Geen enkel ongelukkig toeval kenmerkte onzen terugkeer. Van tijgers
en panters was geen spoor meer te vinden. De volkomen verzadigde
roofdieren hadden ongetwijfeld hunne schuilhoeken opgezocht en het
was nu de tijd niet ze daar op te gaan sporen.
Wat de uit de kraal ontsnapte buffels betreft, ze waren of gedood en
lagen in het hooge gras, of wel, verdwaald in de dichte wouden van
Tarryani, mocht men er niet op rekenen, dat hun instinct hen naar
de kraal zou terugvoeren. Zij moesten dus beschouwd worden voor den
leverancier verloren te zijn.
Aan den zoom van het bosch, verlieten Kâlagani en de twee Hindoes
ons. Een uur later kondigden Phann en Black door hun geblaf onze
terugkomst aan het Stoomhuis aan.
Ik deed Banks het verhaal onzer avonturen. Hij wenschte ons hartelijk
geluk er zoo goed te zijn afgekomen. Maar al te vaak kon niemand der
aangevallenen bij dergelijke gevechten de heldendaden der aanvallers
verhalen!
Wat kapitein Hod betreft, hij moest tegen wil en dank zijn arm in een
draagband houden, maar overigens vond de ingenieur, die eigenlijk
de dokter der expeditie was, de wond volstrekt niet ernstig en hij
verzekerde, dat hij er over eenige dagen niet den minsten last meer
van zou hebben.
In zijn binnenste was kapitein Hod zeer uit zijn humeur, dat hij
zich een wond had laten toebrengen, zonder haar te hebben kunnen
wreken. Maar toch had hij een tijger gevoegd bij de acht-en-veertig
die op zijn actief stonden aangeteekend.
Den volgenden dag, 27 Augustus, op den namiddag, deed zich een
krachtig, maar vroolijk hondengeblaf hooren.
Het waren kolonel Munro, Mac Neil en Goûmi, die in het sanitarium
waren teruggekeerd. Hunne terugkomst was een ware verlichting voor
ons. Had Sir Edward Munro zijn tocht tot een goed einde geleid? wij
wisten het nog niet. Hij kwam gezond terug en dat was het voornaamste.
Dadelijk liep Banks hem te gemoet, drukte hem de hand en ondervroeg
hem met de oogen.
»Niets!" vergenoegde kolonel Munro zich met een eenvoudige beweging
van het hoofd te antwoorden.
Dit woord beteekende niet alleen dat zijne nasporingen op de grenzen
van Népaul niet het minste resultaat hadden opgeleverd, maar ook dat
alle gesprekken over dit onderwerp nutteloos waren. Hij scheen er mede
te kennen willen geven, dat het niet noodig was er over te spreken.
Mac Neil en Goûmi, die Banks dien avond ondervroeg, lieten zich
wat meer uit. Zij deelden hem mede, dat kolonel Munro inderdaad dat
gedeelte van Hindostan had willen terug zien, waar Nana Sahib vóór
zijn wederverschijning in het presidentschap Bombay zich verscholen
had. Zich verzekeren wat er van de metgezellen van den nabob geworden
was, onderzoeken of op dit punt van de Indo-Chineesche grens geen
sporen meer van hen overig waren, trachten te vernemen of in plaats
van Nana Sahib, zijn broeder Balao Rao zich niet in dat land, dat nog
niet onder Engelsche heerschappij stond, verborgen hield, ziehier
het doel dat Sir Edward Munro zich voor oogen had gesteld. Nu was
het resultaat zijner nasporingen, dat de opstandelingen ongetwijfeld
het land verlaten hadden. Van hun kamp, waar de gewaande begrafenis,
bestemd om aan den dood van Nana Sahib geloof te doen slaan, was
gevierd geworden, was geen spoor meer overig. Van Balao Kae niet de
minste tijding, noch ook van zijne metgezellen iets, dat aanleiding
kon geven hun spoor te zoeken. Nu de nabob in de bergpassen van
Sautpourra den dood gevonden had en de zijnen zeer waarschijnlijk aan
gene zijde der grenzen van het schiereiland verspreid waren, bleef er
voor den handhaver van het recht niets meer te doen over. Er stond
ons dus niets anders te doen dan de grens der Himalaya te verlaten
en eerst zuidelijk te gaan, om eindelijk onzen voorgestelden reisweg
van Calcutta naar Bombay te vervolgen.
Het vertrek werd dus bepaald en tot over acht dagen, den 3n September,
vastgesteld. Wij behoorden aan kapitein Hod den noodigen tijd te
laten ter volkomen genezing zijner wond. Van den anderen kant had
kolonel Munro, die zichtbaar vermoeid was van den lastigen tocht
langs ongebaande wegen, eenige dagen rust noodig.
Gedurende dien tijd zou Banks beginnen met het maken zijner
toebereidselen. Het in order brengen van onzen trein om in de
vlakte af te dalen en den weg op te zoeken van de Himalaya naar het
presidentschap van Bombay, zou ons wel een geheele week bezig houden.
Wij begonnen met te bepalen, dat het reisplan nogmaals gewijzigd
zou worden, in dien zin dat de groote steden van het noord-oosten,
Mirat, Delhi, Agra, Gwalior, Jansie en anderen, waar de opstand
van 1857 maar al te veel onheilen had nagelaten, zouden vermeden
worden. Met de laatste opstandelingen van het oproer moest alles
verdwijnen wat de herinnering er van in het geheugen van kolonel Munro
kon terugroepen. Onze rollende woningen zouden dus door de provinciën
gaan, zonder zich in de voornaamste steden op te houden, doch het
land was de moeite waard bezocht te worden al was het alleen om zijne
natuurlijke schoonheden. Het onmetelijk koninkrijk Scindia geeft aan
geen ander land der wereld in dit opzicht iets toe. Onze IJzeren Reus
zou dus de schilderachtigste punten van het schiereiland bezoeken.
De moesson was geëindigd met het regenseizoen, dat niet langer duurt
dan de maand Augustus. De eerste dagen van September beloofden een
aangename temperatuur, die dit tweede gedeelte minder moeielijk
moest maken.
Gedurende de tweede week van ons verblijf in het sanitarium moesten
Fox en Goûmi dagelijks in de behoefte der keuken voorzien. Vergezeld
van de beide honden, doorliepen zij deze middelste streek der Himalaya,
waar het wemelt van patrijzen, faisanten en trapganzen. Dit gevogelte,
dat bewaard werd in de ijskamer van het Stoomhuis, moest later op
weg een uitmuntend wild verschaffen.
Nog twee- of driemaal bracht men een bezoek aan de kraal. Daar
hield ook Matthias van Guitt in eigen persoon zich bezig met de
toebereidselen voor zijn vertrek naar Bombay, terwijl hij zijne
tegenspoeden opnam als een philosoof, die zich verheft boven de kleine
of groote kwellingen van ons bestaan.
Men weet, dat de menagerie door het vangen van den tienden tijger,
die zooveel gekost had, voltallig was. Matthias van Guitt had dus nog
slechts te zorgen, dat zijne buffelbespanningen in order waren. Geen
der herkauwers, die gedurende den aanval ontvlucht waren, waren
in de kraal teruggekeerd. Zeer waarschijnlijk waren zij, door het
bosch verspreid, een gewelddadigen dood gestorven. Hij moest ze dus
vervangen,--hetgeen in deze omstandigheden tamelijk moeielijk was. Met
dit doel had de leverancier Kâlagani naar de naburige landhoeven en
gehuchten gezonden en hij wachtte met ongeduld op zijn terugkomst.
Deze laatste week van ons verblijf in het sanitarium ging zonder
bijzondere voorvallen voorbij. De wond van kapitein Hod genas
langzamerhand. Hij dacht er half over om nog eens op expeditie
uit te gaan, maar op aandringen van kolonel Munro moest hij het
opgeven. Waarom zich bloot te stellen nu zijn hand niet zoo vast
was? Mocht hij op het overige gedeelte der reis een wild dier
ontmoeten, dan was hij immers in de gelegenheid revanche te nemen.
»Daarbij komt, kapitein," deed Banks hem opmerken, »dat ge nog in leven
zijt, en negen-en-veertig tijgers door uwe hand gedood zijn, zonder
de gewonden te rekenen. De weegschaal hangt dus in uw voordeel over!"
»Ja, negen en veertig!" antwoordde kapitein Hod met een zucht, »maar
'k had zoo gaarne het vijftigtal willen vol maken!"
Het ging hem blijkbaar ter harte.
De 2e September brak aan en wij zouden den volgenden dag vertrekken,
toen Goûmi op den morgen van dien dag ons het bezoek van den
leverancier aankondigde.
En werkelijk vervoegde zich Matthias van Guitt, vergezeld van Kâlagani
aan het Stoomhuis. Ongetwijfeld wilde hij op het oogenblik van zijn
vertrek, ons volgens de regelen der étiquette vaarwel komen zeggen.
Kolonel Munro ontving hem zeer hartelijk. Matthias van Guitt verviel
zooals gewoonlijk in een reeks van breedsprakige volzinnen, maar
het scheen mij toe dat er achter zijne komplimenten een bijbedoeling
school, waarmede hij aarzelde voor den dag te komen.
En toevallig roerde Banks de rechte snaar aan, toen hij Matthias
van Guitt vroeg of hij het geluk gehad had zijne bespanningen te
vernieuwen.
»Neen, mijnheer Banks," antwoordde de leverancier, »Kâlagani heeft te
vergeefs de dorpen afgeloopen en hoewel hij van mijn volmacht voorzien
was, heeft hij zich geen enkel span van die nuttige herkauwers kunnen
verschaffen. Ik ben dus tot mijn spijt verplicht te bekennen, dat,
om mijne menagerie naar het dichtstbijzijnde station te verzenden,
de beweegkracht mij ten eenenmale ontbreekt. De verspreiding mijner
buffels tengevolge van den plotselingen nachtelijken aanval van den 25n
op den 26n Augustus, brengt mij dus in een zekere verlegenheid... Mijne
hokken, met hunne vierbeenige gasten zijn zwaar... en..."
»En op welke wijze zult u ze dan naar 't station brengen?" vroeg
de ingenieur.
»'k Weet het waarlijk niet," antwoordde Matthias van Guitt. »Ik
zoek... ik overweeg... ik aarzel... en intusschen... is het uur
van vertrek aangebroken en moet ik den 20n September, dat is binnen
achttien dagen mijne bestelling te Bombay afleveren..."
»Over achttien dagen!" antwoordde Banks, »maar dan hebt u geen uur
te verliezen!"
»'k Weet het, mijnheer de ingenieur. Daarom ken ik slechts een middel,
een enkel!..."
»En dat is?"
»Dat is, zonder hem in het minst lastig te willen vallen, een zeer
onbescheiden vraag... zeer zeker, tot den kolonel te richten..."
»Spreek vrij uit, mijnheer van Guitt," zei kolonel Munro, »en als ik
u kan verplichten, geloof me dat ik het met pleizier zal doen."
Matthias van Guitt boog, en zijn rechterhand aan de lippen brengende,
geraakte het bovenste gedeelte van zijn lichaam in een zachte beweging,
terwijl zijn geheele houding die was van een mensch, die zich door
onverwachte goedheden bezwaard gevoelt.
Om kort te gaan, de ingenieur vroeg of het met het oog op het
trekvermogen van den IJzeren Reus, niet mogelijk zijn zou, zijne
rollende hokken achter aan onzen trein te spannen en ze op sleeptouw
te nemen tot Etawah, het naaste station van den spoorweg van Delhi
naar Allahabad.
Het was een afstand van ongeveer drie honderd vijftig kilometers,
op een vrij goeden weg.
»Zou 't mogelijk zijn mijnheer van Guitt te voldoen?" vroeg de kolonel
den ingenieur.
»'k Zie er niet de minste zwarigheid in," antwoordde Banks, »en de
IJzeren Reus zal zelfs niet eens iets van den meerderen last merken."
»Toegestaan dus, mijnheer van Guitt," zei kolonel Munro. »We zullen
uw gansche materieel naar Etawah overbrengen. Onder buren moet men
elkander helpen, zelfs in de Himalaya."
»Kolonel," antwoordde Matthias van Guitt, »ik kende uw goedheid, en,
om de waarheid te zeggen had ik, om mij uit mijne netelige positie
te redden, wel een weinig op uw dienstvaardigheid gerekend!"
»U hadt gelijk," antwoordde kolonel Munro.
Nadat dus alles overwogen en bepaald was, maakte Matthias van Guitt
zich gereed om naar de kraal terug te keeren, teneinde een gedeelte
van zijn personeel, dat nu overbodig werd, te ontslaan. Hij dacht
niet meer dan vier chikaris bij zich te houden, die noodig waren de
hokken te onderhouden.
»Tot morgen dus," zei kolonel Munro.
»Tot morgen, mijne heeren," antwoordde Matthias van Guitt. »'k Zal
in de kraal de aankomst van uw IJzeren Reus afwachten!"
En de leverancier, zeer gelukkig met den goeden uitslag van zijn
bezoek aan het Stoomhuis, ging heen, niet zonder zijn afscheid
genomen te hebben op de manier van een acteur, die geheel volgens de
overleveringen der moderne komedie, tusschen de schermen treedt.
Kâlagani had een langdurigen blik op kolonel Munro geworpen, wiens reis
naar de Népaulsche grens hem veel belang scheen te hebben ingeboezemd,
en volgde den leverancier.
Onze laatste toebereidselen waren gereed. Het materieel was op
zijn plaats gebracht. Van het Stoomhuis-sanitarium, was niets meer
overgebleven. De twee wagens wachtten nog slechts op onzen IJzeren
Reus. Eerst moest de olifant ze naar de vlakte doen afdalen, daarna
naar de kraal gaan om de hokken te gaan halen en ze terug te brengen
ten einde den trein te vormen. Dan eerst zou hij zich rechtstreeks
door de vlakte van Rohilkhande begeven.
Den volgenden dag, den 2n September, te zeven uur 's morgens, was de
IJzeren Reus gereed om de taak te hervatten, die hij tot nog toe met
zooveel ijver en zorg vervuld had. Doch op dit oogenblik had er tot
verbazing van allen een zeer onverwacht voorval plaats.
De vuurhaard van den stoomketel, in den schoot van het dier bevat,
was met brandstof opgevuld, die door Kâlouth werd ontstoken, waarna
hij op de gedachte kwam de rookkast te openen,--aan welker wand de
buizen bevestigd zijn, bestemd om de producten der verbranding door
den stoomketel te leiden,--teneinde zich te overtuigen dat niets het
trekken belette.
Maar nauwelijks had hij de deuren dezer kast geopend, of hij trok zich
snel terug en een twintigtal smalle riemen werden met een zonderling
gefluit naar buiten geworpen.
Banks, Storr en ik, wij keken zonder iets van dit vreemde verschijnsel
te begrijpen.
»Wel! Kâlouth, wat is dat toch?" vroeg Banks.
»Een slangenregen, mijnheer!" riep de stoker.
En inderdaad waren deze riemen slangen, die de buizen van den
stoomketel tot woning gekozen hadden, zeker om er beter te slapen. De
eerste vlammen van den vuurhaard hadden ze juist bereikt en eenige
van die kruipende dieren, reeds verbrand, waren op den grond gevallen;
als Kâlouth de rookkast niet bij toeval geopend had, zouden ze allen
in een oogenblik gebraden geweest zijn.
»Wat!" riep kapitein Hod uit, die kwam toesnellen, »heeft onze IJzeren
Reus een nest met slangen in zijn ingewanden?"
»Ja, waarlijk! en van de gevaarlijkste, 't zijn »whip snakes"
of zweepslangen, »goulabis," zwarte cobras, bril-najas, tot de
vergiftigste soorten behoorende.
En op hetzelfde oogenblik stak een prachtige tijger-python
of reuzenslang, van de familie der boa's, zijn spitsen kop uit
de bovenste opening van den schoorsteen, dat is te zeggen uit het
bovenste uiteinde van den snuit des olifants, die zich te midden der
eerste rookkolommen ontrolde.
De slangen, die levend uit de buizen gekomen waren, hadden zich snel
en vlug tusschen het struikgewas verspreid, voordat wij tijd hadden
ze te dooden.
Maar de python kon zoo gemakkelijk niet uit den ijzeren cilinder
ontsnappen. Ook haastte zich kapitein Hod zijn karabijn te gaan halen,
waarmede hij op hem aanlegde en den kop van het dier verbrijzelde.
Goûmi klom toen op den IJzeren Reus, heesch zich tot de bovenste
opening van den tromp en met behulp van Kâlouth en Storr gelukte het
hem er het énorme dier uit te trekken.
Niets prachtiger dan deze boa, met zijn blauwachtig groen vel,
versierd met regelmatig geplaatste ringen en die uit een tijgervel
schenen gesneden te zijn. Zijne lengte bedroeg niet minder dan vijf
meters bij een dikte als die van den arm.
Het was dus een prachtexemplaar uit de Indische slangenwereld en zou
een voortreffelijk figuur gemaakt hebben in de menagerie van Matthias
van Guitt, in aanmerking genomen den naam van tijger-python, dien
men hem geeft. Evenwel moet ik bekennen, dat kapitein Hod hem niet
onder de door hem gevelde tijgers meetelde.
Na aldus de machine van dit ongedierte bevrijd te hebben, sloot
Kâlouth de rookkast, begon het vuur van den vuurhaard, door den
tochtwind aangewakkerd, goed te branden, de stoomketel deed weldra
zijn dof gebrom hooren en drie kwartier later wees de manometer een
voldoenden stoomdruk aan. Wij konden dus nu vertrekken.
De twee wagens werden aan elkander gespannen en de IJzeren Reus stelde
zich aan het hoofd van den trein.
Nog een laatsten blik geworpen op het bewonderenswaardige panorama, dat
zich in het Zuiden ontrolde, voor het laatst het oog gewend naar die
trotsche keten welker profiel als kantwerk tegen den helderen blauwen
hemel in het Noorden afstak, een laatsten groet aan den Dawalaghiri,
die met zijn top het geheele grondgebied van Noordelijk-Indië
beheerschte en daarna gaf de stoomfluit het sein tot vertrek.
De daling langs den bochtigen weg ging zonder de minste
moeielijkheid. De atmosfeerische remtoestel hield op de al te steile
hellingen de wielen onweerstaanbaar terug. Een uur later hield onze
trein aan de onderste grens van Tarryani, aan den rand der vlakte stil.
De IJzeren Reus werd toen losgemaakt en onder geleide van Banks,
den machinist en den stoker ging hij langzaam een der breede wegen
van het bosch op.
Twee uren later liet zijn gebriesch zich hooren en kwam hij uit het
dichte geboomte te voorschijn, de zes hokken der menagerie achter
zich aan sleepende.
Zoodra Matthias van Guitt was aangekomen, hernieuwde hij zijne
dankzeggingen aan kolonel Munro. De hokken, voorafgegaan door een
rijtuig met den leverancier en zijne lieden, werden aan onzen trein
gespannen,--een wezenlijk konvooi, samengesteld uit acht wagens.
Nadat Banks wederom een signaal gegeven had en de stoomfluit zich
op nieuw had laten hooren, stelde zich de IJzeren Reus in beweging
en ging majestueus voorwaarts op den prachtigen weg, die naar het
Zuiden afdaalde. Het Stoomhuis en de hokken van Matthias van Guitt,
met wilde dieren beladen, schenen voor hem niet zwaarder te zijn dan
een eenvoudige verhuiswagen.
»Welnu, wat dunkt u er van, mijnheer de leverancier?" vroeg kapitein
Hod.
»Me dunkt, kapitein," antwoordde niet geheel ten onrechte Matthias
van Guitt, »dat die olifant nog buitengewoner zou zijn, als hij van
vleesch en beenderen was!"
Deze weg was niet die, welke ons naar den voet der Himalaya had
gebracht. Hij liep schuin naar het zuidwesten naar Philibit, een
klein stadje, dat honderdvijftig kilometers gelegen was van het punt
waarvan we vertrokken waren.
Deze afstand werd rustig, met matige snelheid, zonder eenige
onaangename ontmoeting afgelegd.
Matthias van Guitt zat dagelijks mede aan de tafel van het Stoomhuis,
waar zijn gezonde eetlust de keuken van »mijnheer" Parazard alle
eer aandeed.
Ter voorziening van de keuken moesten dan ook weldra de gewone
spijsbezorgers weder in functie treden, zoodat ook kapitein Hod,
nu goed van zijn wond genezen,--het schot op den python had het
bewezen,--zijn jachtgeweer weder ter hand moest nemen.
Daarenboven moesten niet alleen het geheele personeel, maar ook de
talrijke gasten der menagerie gevoed worden. Deze taak was den chikaris
opgedragen. Deze bekwame Hindoes, onder het bestuur van Kâlagani,
die zelf een handige schutter was, zorgden steeds voor een goeden
voorraad bison- en antilopevleesch. Die Kâlagani was werkelijk een
bijzonder mensch. Ofschoon hij gewoonlijk stil en afgetrokken was,
behandelde kolonel Munro hem zeer vriendschappelijk, daar hij niet
tot de menschen behoorde, die licht een bewezen dienst vergeten.
Den 10n September ging de trein om Philibit henen, zonder er zich op
te houden, maar men kon niet voorkomen, dat een groot aantal Hindoes
hem een bezoek kwamen brengen.
Zeer zeker konden de wilde dieren van Matthias van Guitt, hoe
merkwaardig overigens ook, de vergelijking met den IJzeren Reus niet
doorstaan. Men keek ze zelfs niet aan door de traliën hunner hokken
en al de bewondering was den mechanischen olifant voorbehouden.
De trein zette zijn tocht over de uitgestrekte vlakte van Noord-Indië
voort, eenige mijlen ten westen van Bareille, een der voornaamste
steden van Rohilkhande. Nu eens bewoog hij zich te midden van bosschen,
bewoond door een wereld van vogels, wier schitterend gevederte
Matthias van Guitt ons deed bewonderen, dan weder over vlakten, door
kreupelbosschen van doornachtige acacia's, van twee tot drie meters
hoog, door de Engelschen »wait-a-bit-bush" genoemd. Daar werden in
groote menigte wilde zwijnen aangetroffen, verzot op de geelachtige
bes, die deze struiken voortbrengen. Eenigen dezer dieren werden niet
zonder gevaar gedood, want het zijn werkelijk wilde en gevaarlijke
dieren. Bij verschillende gelegenheden hadden kapitein Hod en Kâlagani
gelegenheid een koelbloedigheid en behendigheid aan den dag te leggen,
die er twee buitengewone jagers van maakten.
Tusschen Philibit en het station Etawah moest de trein een gedeelte
van den boven-Ganges passeeren en even daarna, een zijner belangrijke
bijstroomen, den Kali-Nadi.
Het geheele rollende materieel der menagerie werd losgemaakt en het
Stoomhuis, in een drijvend toestel herschapen, werd gemakkelijk op
de oppervlakte van den stroom van den eenen oever naar den anderen
overgebracht.
Met den trein van Matthias van Guitt ging dit niet zoo gemakkelijk. Men
moest hiertoe een pont gebruiken, waarmede de hokken over de
beide stroomen een voor een werden overgezet. Er ging met dezen
overtocht wel eenige tijd verloren, maar toch had hij zonder groote
moeielijkheden plaats. De leverancier had reeds ondervinding van
dergelijke overtochten opgedaan, daar zijne onderhoorigen op hun reis
naar de Himalaya reeds verscheidene stroomen hadden moeten passeeren.
Kortom, zonder ter vermelding waardige voorvallen, hadden wij den
17n September den spoorweg van Delhi naar Allahabad, geen honderd
schreden van het station Etawah verwijderd, bereikt.
Daar zou ons konvooi zich in twee gedeelten splitsen, die niet bestemd
waren weder samen te komen.
Het eerste moest zijn reis naar het Zuiden door het uitgestrekte
koninkrijk Scindia voortzetten, teneinde de Vindhyas en het
presidentschap Bombay te bereiken.
Het tweede, geplaatst op de rolwagens van den spoorweg, nam zijn reis
naar Allahabad en vandaar per spoorweg van Bombay, naar de kust der
Indische Zee.
Men hield dus halt en richtte het kamp voor den nacht in. Den volgenden
morgen, met den dageraad, onderwijl de leverancier den weg naar het
zuidoosten zou inslaan, zouden wij, dezen weg rechthoekig snijdende,
nagenoeg de zeven-en-zeventigste meridiaan volgen.
Doch, terwijl hij ons verliet, moest Matthias van Guitt ook scheiden
van het gedeelte van zijn personeel, dat hij nu niet meer kon
gebruiken. Uitgezonderd twee Hindoes, die noodig waren voor den
dienst der hokken op een reis die slechts twee of drie dagen zou
duren, had hij niemand noodig. In de haven van Bombay aangekomen,
waar een schip, zeilree voor Europa, hem wachtte, zou de overscheping
van zijn koopwaar door de gewone bevrachters der haven plaatshebben.
Dientengevolge werden eenigen zijner chikaris weder vrij en in het
bijzonder Kâlagani.
Men weet hoe en waarom wij ons werkelijk aan dien Hindoe gehecht
hadden, sedert de diensten, die hij kolonel Munro en kapitein Hod
had bewezen.
Toen Matthias van Guitt zijne onderhoorigen ontslagen had, meende Banks
op te merken, dat Kâlagani niet recht wist wat te beginnen en vroeg
hij hem daarom of het hem zou aanstaan ons tot Bombay te vergezellen.
Na een oogenblik nagedacht te hebben, nam Kâlagani het aanbod van den
ingenieur aan, waarna kolonel Munro hem zijn genoegen te kennen gaf
hem bij deze gelegenheid zijne diensten wel te willen verleenen. De
Hindoe zou dus nu deel van het personeel van het Stoomhuis uitmaken
en kon door zijne bekendheid met dit geheele gedeelte van Indië ons
zeer nuttig zijn.
Den volgenden dag was het kamp opgebroken en bestond er geen enkele
reden meer waarom wij onzen halt zouden verlengen. De IJzeren Reus
bevond zich onder de noodige drukking. Banks gaf Storr order zich
gereed te houden.
Er bleef nog slechts over afscheid van onzen vriend den leverancier
te nemen. Dat was van onze zijde een zeer eenvoudige zaak, maar van
de zijne was het natuurlijk meer theatraal.
De dankzeggingen van Matthias van Guitt voor den dienst, hem
door kolonel Munro bewezen, waren natuurlijk zeer overdreven. Hij
»speelde" dit laatste bedrijf meesterlijk en was volmaakt in het
groote afscheidstooneel.
Door een beweging van de spieren van den voorarm, bracht hij zijn
rechterhand in pronatie, op die wijze dat de palm der hand naar den
grond gekeerd was. Dit moest beteekenen, dat hij hier beneden nooit
zou vergeten wat hij kolonel Munro schuldig was en dat, indien
de dankbaarheid uit deze wereld verbannen was, zij een laatste
schuilplaats in zijn hart zou vinden.
Daarna bracht hij zijn hand door een omgekeerde beweging in supinatie,
dat wil zeggen, hij keerde de palm om en richtte haar naar boven,
hetgeen beteekende dat zijne gevoelens zelfs daar boven niet bij
hem zouden uitgedoofd worden en dat een gansche eeuwigheid van
dankbaarheid, de verplichtingen, die hij had aangegaan, nooit zou
kunnen afdoen.
Kolonel Munro dankte Matthias van Guitt op eenigszins eenvoudiger
manier en eenige minuten later, was de leverancier van de huizen van
Hamburg en Londen uit onze oogen verdwenen.
V.
DE OVERTOCHT VAN DE BETWA.
Ziehier onze juiste positie, berekend van het punt van vertrek, van
het punt van halt en van het punt van aankomst, op den 18n September.
1o. Van Calcutta, dertien honderd kilometers;
2o. Van het sanitarium der Himalaya, drie honderd tachtig kilometers;
3o. Van Bombay zestien honderd kilometers.
Wat den afstand aangaat, hadden wij de helft van onzen reisweg nog
niet afgelegd; maar de zeven weken mederekenende, die het Stoomhuis in
het Himalayagebergte had doorgebracht, was meer dan de helft van den
tijd, die aan deze reis moest besteed worden, verloopen. Wij hadden
den 6n Maart Calcutta verlaten en binnen twee maanden, rekenden wij,
zonder tegenspoed, de westkust van Hindostan bereikt te hebben.
Onze reisweg zou trouwens in zekere mate verkort worden. Het besluit
om de groote steden, die in den opstand van 1857 verwikkeld waren
geweest, te vermijden, verplichtte ons meer rechtstreeks naar het
zuiden af te zakken. Door de prachtige provinciën van het koninkrijk
Scindia liepen schoone rijwegen en de IJzeren Reus zou geen enkelen
hinderpaal ontmoeten, althans tot aan de bergen van het centrum. Er was
dus alle hoop, dat de reis gemakkelijk en veilig zou worden afgelegd.
Daarenboven zou de tegenwoordigheid van Kâlagani, die onder het
personeel van het Stoomhuis was opgenomen, de reis nog gemakkelijker
maken. Deze Hindoe toch was verwonderlijk goed met dit geheele gedeelte
van het schiereiland bekend, waarvan Banks zich reeds dienzelfden dag
kon verzekeren. Na het ontbijt, onder het middagslaapje van kolonel
Munro en kapitein Hod, vroeg Banks hem in welke hoedanigheid hij zoo
dikwijls deze provinciën bezocht had.
»'k Maakte deel uit," antwoordde Kâlagani, »van een dier talrijke
karavanen van Banjaris, die, hetzij voor rekening van het gouvernement,
hetzij voor die van partikulieren, door middel van ossen graan
vervoeren. Als zoodanig ben ik twintigmaal door de streken van
Centraal- en Noord-Indië getrokken."
»Trekken deze karavanen nog door dit gedeelte van het
schiereiland?" vroeg de ingenieur.
»Ja, mijnheer," antwoordde Kâlagani, »'t zou me zeer verwonderen,
als we in dezen tijd van 't jaar geen troep Banjaris ontmoeten op
marsch naar het noorden."
»Welnu, Kâlagani," hernam Banks, »je bekendheid met deze streken zal
ons zeer nuttig zijn. Inplaats van de groote steden van het koninkrijk
Scindia te doorreizen, zullen wij door het open veld gaan en gij zult
onze gids zijn."
»Gaarne, mijnheer," antwoordde de Hindoe op den koelen toon, die hem
eigen was en waaraan ik mij nog niet had kunnen gewennen.
Daarna voegde hij er bij:
»Wilt u, dat ik u in 't breede de richting aanwijs, die we moeten
nemen?"
»Als 't u blieft."
Dit zeggende spreidde Banks een kaart met groote punten van dit
gedeelte van Indië op de tafel uit, teneinde de juistheid der
inlichtingen van Kâlagani na te gaan.
»Niets eenvoudigers," hernam de Hindoe. »In bijna rechte lijn zullen
we gaan van den spoorweg van Delhi naar den spoorweg van Bombay, die te
Allahabad samenloopen. Van het station Etawah, dat we op de grenzen van
Bundelkund verlaten hebben, zal er slechts één belangrijke stroom zijn
over te trekken, de Jumna, en van deze grens naar de Vindhyasbergen,
nog een water, de Betwa. In het geval zelfs dat deze twee rivieren
tengevolge der vele regens in het regenseizoen mochten overloopen,
zal toch immers de drijvende trein geen moeite hebben om van den
eenen oever naar den anderen over te steken?"
»Dat zal geen ernstige moeielijkheid geven," antwoordde de ingenieur,
»en wanneer we nu eenmaal aan de Vindhyas zijn aangekomen..."
»Dan zullen we iets naar het zuidoosten moeten afwijken, om een
toegankelijken bergpas te kiezen. Ook daar zal geen hinderpaal onzen
marsch vertragen. Ik ken een passage met zachte hellingen. Dat is de
Sirgourpas, die bij voorkeur door rijtuigen genomen wordt."
»Zou overal waar paarden kunnen gaan," zei ik, »onze IJzeren Reus
niet kunnen passeeren?"
»Zeker kan hij dat," antwoordde Banks, »maar, aan de andere zijde van
de Sirgourpas, is het land zeer bergachtig. Zouden wij de Vindhyas
niet kunnen aandoen, door onzen weg door Bhôpal te nemen?"
»Daar zijn de steden talrijk," antwoordde Kâlagani, »'t zal
moeielijk zijn ze te vermijden en de Sipayers hebben zich in den
onafhankelijkheidsoorlog daar bijzonder onderscheiden."
Ik was wel een weinig verwonderd over die benaming van
»onafhankelijkheidsoorlog," die Kâlagani aan den opstand van 1857
gaf. Doch men moest niet vergeten, dat het een Hindoe en geen
Engelschman was, die sprak. Uit niets bleek overigens, dat Kâlagani
deel aan den opstand genomen had, of althans had hij nooit iets gezegd
waaruit het was op te maken.
»Goed," hernam Banks, »we zullen de steden van Bhôpal ten westen
laten liggen en als ge er zeker van zijt, dat de Sirgourpas ons
toegang tot een begaanbaren weg verleent..."
»Een weg, dien ik dikwijls begaan heb, mijnheer en die, na om het meer
Puturia te zijn heengegaan, veertig mijlen van daar op den spoorweg
uitloopt van Bombay naar Allahabad, bij Jubbulpore."
»Inderdaad," antwoordde Banks, die op de kaart de door den Hindoe
gegeven aanwijzingen volgde; »en van dit punt af?..."
»De groote weg wendt zich naar het zuidwesten en loopt om zoo te
zeggen langs den spoorweg naar Bombay."
»Begrepen," antwoordde Banks. »'k Zie geen enkele ernstige reden
waarom we de Vindhyas niet zouden doortrekken en deze reisweg komt
ons goed te pas. Bij de diensten, die ge ons reeds bewezen hebt,
Kâlagani, voegt ge er nog een bij, dien we nooit zullen vergeten."
Kâlagani boog en wilde heengaan, toen hij, zich bedenkende, op den
ingenieur toetrad.
»Wilde je me iets vragen?" zei Banks.
»Ja, mijnheer," antwoordde de Hindoe. »Mag ik u vragen waarom u
er zoo bijzonder op gesteld zijt de voorname steden van Bundelkund
te ontwijken?"
Banks keek mij aan. Er bestond geen enkele reden om aan Kâlagani iets
omtrent Sir Edward Munro te verbergen en de Hindoe werd op de hoogte
van den toestand des kolonels gebracht.
Kâlagani luisterde zeer oplettend naar hetgeen de ingenieur hem
mededeelde. Daarna zeide hij op een toon, die eenige verwondering
verried:
»Kolonel Munro," zeide hij, »heeft niets meer te vreezen van Nana
Sahib, althans in deze provincies."
»Noch in deze provincies, noch ergens anders," antwoordde
Banks. »Waarom zegt ge, »in deze provincies?""
»Omdat, als de nabob werkelijk eenige maanden geleden in het
presidentschap Bombay is weder verschenen, zooals men beweerd heeft,"
zei Kâlagani, »de nasporingen zijn schuilplaats niet aan den dag
hebben kunnen brengen, en het is zeer waarschijnlijk, dat hij opnieuw
de Indo-Chineesche grens overschreden heeft."
Uit dit antwoord scheen te blijken, dat Kâlagani niet wist wat in het
Sautpourragebergte was voorgevallen en ook niet dat, in de maand Mei
ll., Nana Sahib door de soldaten van de koninklijke armée bij den
pâl van Tandit was gedood geworden.
»'k Zie, Kâlagani," zei daarop Banks, »dat het nieuws uit Indië niet
gemakkelijk tot de bosschen van de Himalaya doordringt!"
De Hindoe keek ons strak aan, zonder te antwoorden, als iemand,
die niet begrijpt.
»Ja," hernam Banks, »je schijnt niet te weten, dat Nana Sahib dood is."
»Is Nana Sahib dood?" riep Kâlagani uit.
»Ongetwijfeld," antwoordde Banks, »en het gouvernement heeft doen
weten onder welke omstandigheden hij gedood is."
»Gedood?" zei Kâlagani, het hoofd schuddende. »Waar zou Nana Sahib
dan gedood zijn?"
»Bij den pâl van Tandit, in de Sautpourrabergen."
»En wanneer?..."
»Reeds bijna vier maanden geleden," antwoordde de ingenieur, »den
25n Mei ll."
Kâlagani, wiens blik mij op dit oogenblik zonderling toescheen,
had zich de armen gekruist en stond zwijgend daar.
»Heb je redenen," vroeg ik hem, »om niet aan den dood van Nana Sahib
te gelooven?"
»Geene, mijne heeren," vergenoegde zich Kâlagani te antwoorden. »'k
Geloof wat u me zegt."
Een oogenblik later, waren Banks en ik alleen en de ingenieur voegde
er niet zonder reden bij:
»'t Is met alle Hindoes hetzelfde liedje! Het opperhoofd der
opgestane Sipayers is de held der legende geworden. Nooit zullen die
bijgeloovigen gelooven, dat hij gedood is, omdat ze 'm niet hebben
zien ophangen!"
»'t Is met hen," antwoordde ik, »als met de oude »grognards" van het
Keizerrijk, die twintig jaren na zijn dood, volhielden dat Napoleon
nog altijd leefde!"
Sedert den overtocht van den Boven-Ganges, door het Stoomhuis voor
veertien dagen volbracht, legde een vruchtbaar land zijne prachtige
wegen voor den IJzeren Reus open. Het was Doâb, begrepen in den
hoek, gevormd door den Ganges en de Jumna, vóór hunne vereeniging
bij Allahabad. Alluviale vlakten, twintig eeuwen voor de christelijke
jaartelling door de Brahmanen ontgonnen, een nog zeer onvolkomen wijze
van akkerbouw bij de boeren, grootsche werken van kanalisatie door
Engelsche ingenieurs, velden met katoenboomen, die meer bijzonder
in dezen bodem gedijen, het zuchten der katoenpersen, die bij elk
dorp in werking zijn, het gezang der werklieden, die ze in beweging
brengen, dat zijn de indrukken, die mij van dit Doâb, waar de eerste
christenkerk gesticht werd, zijn bijgebleven.
De reis werd onder de beste omstandigheden voortgezet. Het
landschap wisselde af, men zou kunnen zeggen, naar de luim onzer
fantasie. De woning verplaatste zich, zonder eenige vermoeienis,
alleen voor het genot onzer oogen. Was dat dus niet, zooals Banks
beweerd had, het laatste woord van den vooruitgang in de kunst der
plaatsverandering? Ossenwagens, rijtuigen door paarden of muilezels
getrokken, spoorwegwaggons, wat zijt gij allen, vergeleken met onze
rollende huizen!
Den 19n September hield het Stoomhuis stil op den linkeroever van de
Jumna. Deze belangrijke stroom bakent in het centrale gedeelte van
het schiereiland, het land der Rajahs eigenlijk gezegd of Rajasthan,
af van Hindostan, dat meer uitsluitend het land der Hindoes is.
Een eerste was begon de wateren van de Jumna te doen rijzen. De
stroom was sneller geworden, maar al was daardoor onze overtocht een
weinig minder gemakkelijk, een beletsel was dit toch niet. Banks
nam eenige voorzorgen. Men moest een geschikter punt vinden om te
landen. Men vond het en een half uur later besteeg het Stoomhuis
den tegengestelden oever van den stroom. Voor de spoorwegtreinen
zijn met groote kosten gebouwde bruggen noodig en zulk een brug is
dan ook over de Jumna bij de sterkte van Selimgarh, in de nabijheid
van Delhi gespannen. De stroomen nu boden onzen IJzeren Reus en de
twee wagens, die hij voorttrok, een weg aan zoo gemakkelijk als de
schoonste macadamwegen van het schiereiland.
Aan de andere zijde van de Jumna telt het grondgebied van Rajasthan een
zeker aantal van die steden, welke de voorzorg van den ingenieur gaarne
van zijn reisweg wilde verwijderd houden. Links was het Gwalior, aan
den oever van de rivier Sawunrika, gevestigd op haar basaltrots, met
haar trotsche moskee Musjid, haar paleis Pâl, haar zonderlinge poort
der Olifanten, haar beroemde sterkte, haar Vihara van bouddhistischen
oorsprong; een oude stad, waarmede de moderne stad Lashkar, een paar
kilometers verder gebouwd, nu sterk concurreert. Daar, binnen in dat
Gibraltar van Indië, had de Rani van Jansi, de toegenegen gezellin van
Nana Sahib heldhaftig tot het laatste oogenblik gestreden. Men weet,
dat zij in de ontmoeting met twee escadrons huzaren van het 8e der
koninklijke armee, eigenhandig gedood werd door kolonel Munro, die met
een bataillon van zijn regiment aan het gevecht had deelgenomen. Van
dien dag af aan, men weet het ook, dateerde die onverzoenbare haat
van Nana Sahib, naar welks voldoening de nabob tot zijn laatsten
snik was blijven haken! Ja! het was beter, dat Sir Edward Munro zijne
herinneringen voor de poorten van Gwalior niet ging verlevendigen!
Voorbij Gwalior, ten westen van onzen nieuwen reisweg, was het Antri
en haar uitgestrekte vlakte, vanwaar hier en daar talrijke bergen
met hunne spitse toppen ten hemel reiken, als zoovele eilandjes van
een archipel. Het was Duttiah, dat nog geen vijf eeuwen bestaan telt
en waarvan men de sierlijke huizen, de centrale sterkte, de tempels
met hunne verschillende torens, het verlaten paleis van Birsing-Deo,
het arsenaal van Tôpe-Kana bewondert,--'twelk alles te zamen de
hoofdstad vormt van het koninkrijk Duttiah, afgezonderd liggende in den
noordelijken hoek van Bundelkund en dat zich onder de bescherming van
Engeland gesteld heeft. Evenals Gwalior, hadden ook Antri en Duttiah
een ernstig aandeel genomen aan de oproerige beweging van 1857.
Het was eindelijk Jansi, dat wij den 22n September op een afstand
van minder dan veertig kilometers passeerden. Deze stad is het
belangrijkste militaire station van Bundelkund en vooral bij het
mindere volk is de oproerige geest aldaar levendig gebleven. Jansi
is een betrekkelijk moderne stad en drijft een belangrijken handel in
inlandsche moesselines en blauwe katoenen stoffen. Er bevindt zich geen
monument van oudere dagteekening dan hare stichting, die slechts van
de zeventiende eeuw dateert. Evenwel is het belangrijk haar citadel
te bezoeken, welker buitenmuren de Engelsche projectielen niet hebben
kunnen verwoesten, alsmede haar begraafplaats der rajahs, die een
buitengewoon schilderachtig gezicht aanbiedt. Daar was de voornaamste
vesting der opgestane Sipayers van centraal Indië. Daar verwekte de
stoutmoedige Rani het eerste oproer, dat weldra geheel Bundelkund in
vuur en vlam zou zetten. Daar zou Sir Hugh Rose een slag leveren, die
niet minder dan zes dagen duurde en waarin hij vijftien percent van
zijn macht verloor. Daar moesten, niettegenstaande hunne verbittering,
Tantia Topi, Balao Rao, broeder van Nana Sahib, de Rani zelve, alhoewel
ondersteund door een garnizoen van twaalf duizend Sipayers en geholpen
door een leger van twintig duizend, voor de voortreffelijkheid der
Engelsche wapenen bukken. Daar, zooals Mac Neil het ons verhaald
had, had kolonel Munro zijn sergeant het leven gered door hem den
laatsten druppel water te gunnen, die hun overbleef. Ja! Jansi,
meer dan eenige andere dier steden vol noodlottige herinneringen,
moest buiten den reisweg gelaten worden waarvan de beste vrienden
van den kolonel de rustpunten gekozen hadden!
Den volgenden dag, 23 September, zou een ontmoeting, die ons gedurende
eenige uren ophield, een der vroeger door Kâlagani gemaakte opmerkingen
rechtvaardigen.
Het was elf uren 's morgens. Na het ontbijt hadden wij ons allen
nedergezet om de gewone siesta te houden, sommigen onder de veranda,
anderen in het salon van het Stoomhuis. De IJzeren Reus bewoog zich
tegen negen à tien kilometers per uur. Een prachtige weg, beschaduwd
door schoone boomen, slingerde zich schilderachtig tusschen velden
met katoenboomen en granen. Het weder was fraai en een schitterende
zon bescheen alles met hare koesterende stralen. Men moet erkennen
dat een besproeiing van dien grooten weg niet te versmaden zou geweest
zijn, want het fijne, witte stof, dat de wind voor onzen trein opwoei,
maakte het ons somtijds vrij lastig.
Doch het was nog geheel iets anders toen in een uitgestrektheid van
twee of drie mijlen, de dampkring ons met zulke dichte stofwolken
vervuld scheen, dat een hevige simoun geen dikkere wolken in de
Lybische woestijn had kunnen opwaaien.
»'k Begrijp niet hoe dat verschijnsel kan ontstaan," zei Banks,
»omdat er zulk een licht windje waait."
»Kâlagani zal ons dat verklaren," antwoordde kolonel Munro.
Men riep den Hindoe, die naar de veranda trad, den weg langs keek en
zonder aarzelen zeide:
»'t Is een lange karavaan, die naar het noorden trekt," zeide hij,
»en, zooals ik u reeds mededeelde, mijnheer Banks, is het zeer
waarschijnlijk een karavaan van Banjaris."
»Welnu, Kâlagani," zei Banks, »je zult er zeker nog wel eenige oude
bekenden onder aantreffen?"
»Zeer mogelijk, mijnheer," antwoordde de Hindoe, »omdat ik lang onder
die zwervende stammen geleefd heb."
»Ben je dus nu van plan ons te verlaten om je bij hen te voegen?" vroeg
kapitein Hod.
»Volstrekt niet," antwoordde Kâlagani.
De Hindoe had zich niet vergist. Een half uur later was de IJzeren
Reus, hoe onweerstaanbaar overigens, wel gedwongen op te houden voor
een muur van herkauwende dieren.
Maar hij had zich over deze vertraging niet te beklagen. Het
schouwspel, dat zich aan onze blikken voordeed, was de moeite waard
gadegeslagen te worden.
Een kudde van minstens vier of vijf duizend ossen versperde den weg
naar het zuiden, verscheidene kilometers ver. Zooals Kâlagani gezegd
had, behoorde dit konvooi rundvee aan een karavaan Banjaris.
»De Banjaris," vertelde ons Banks, »zijn de wezenlijke Zingaris van
Hindostan. Het is meer een volk dan een stam, zonder vaste woonplaats,
des zomers onder tenten, des winters in hutten levende. Het zijn de
lastdragers van het schiereiland en 'k heb ze gedurende den opstand
van 1857 aan 't werk gezien. Door een soort van zwijgende overeenkomst
tusschen de oorlogvoerende partijen, liet men hunne konvooien de door
den opstand geteisterde provincies door trekken. Zij waren inderdaad de
voorraadbezorgers van het land en ze voorzagen zoowel het koninklijke
leger als dat der inboorlingen van voedsel. Moest men ze volstrekt
ergens in Indië 't huis brengen, dan zou het in Rapoutana zijn en
meer bijzonder misschien in het koninkrijk Milwar. Maar, daar ze
voorbij ons heen gaan defileeren, mijn waarde Maucler, recommandeer
ik je deze Banjaris eens goed op te nemen."
Onze trein had zich voorzichtig aan een der kanten van den grooten
weg geschaard. Hij zou tegen dezen stroom van horenvee, waarvoor de
wilde dieren zelve niet aarzelen zich uit de voeten te maken, niet
hebben kunnen opwerken.
Zooals Banks mij had aanbevolen, sloeg ik den langen stoet met aandacht
gade, maar vooraf moet ik op het eenigszins zonderlinge feit wijzen,
dat het Stoomhuis bij deze gelegenheid de gewone uitwerking niet scheen
teweeg te brengen. De IJzeren Reus, anders zoo gewoon de algemeene
bewondering te wekken, trok nu nauwlijks de aandacht van deze Banjaris,
die ongetwijfeld gewoon waren zich over niets te verwonderen.
Mannen en vrouwen van dit Boheemsche ras waren bewonderenswaardig;--de
eerste, groot, krachtig gebouwd, met fijne trekken, een adelaarsneus,
gekrulde haren, bronskleurig, gekleed met het lange onderkleed en
den tulband op het hoofd, gewapend met de lans, het schild en den
grooten degen;--de vrouwen, rijzig van gedaante, evenredig van vormen,
fier als de mannen van hun klan, het bovenlijf gevat in een keurslijf,
het beneden gedeelte des lichaams gehuld in de plooien van een wijden
rok, en het geheel, van het hoofd tot de voeten gewikkeld in een
sierlijken mantel, juweelen in de ooren, een snoer van parelen om
den hals, braceletten om de armen, ringen aan de enkels van goud,
ivoor of schelpen.
Bij deze mannen, vrouwen, grijsaards, kinderen liepen met bedaarden
stap duizenden ossen, zonder zadel of halster, terwijl zij de roode
eikels aan hunne koppen schudden of de belletjes om den nek deden
weerklinken, daarenboven op den rug een dubbelen zak dragende, die
het koren of andere graansoorten bevat.
Het was een gansche stam, vertrokken als karavaan, onder het bestuur
van een bij meerderheid van stemmen verkozen opperhoofd, den »naik,"
wiens macht gedurende den tijd van zijn mandaat onbegrensd is. Aan
hem is de taak opgedragen het konvooi te besturen, de uren van rust
te bepalen, en voor de inrichting van het kamp zorg te dragen.
Vooraan ging een énorme stier, met fieren tred, behangen met
schitterende stoffen, versierd met een tros schelletjes en andere
sieraden van schelpen. Ik vroeg Banks of hij mij kon zeggen welke
taak dat prachtige dier had te vervullen.
»Kâlagani zou het ons met zekerheid kunnen zeggen," antwoordde de
ingenieur. »Waar is hij toch?"
Kâlagani werd geroepen, maar hij kwam niet te voorschijn. Men zocht
hem overal, doch hij was niet meer in het Stoomhuis.
»Hij is zeker oude kennissen gaan opzoeken," zei kolonel Munro,
»maar voordat we vertrekken, zal hij wel weder bij ons zijn."
Niets natuurlijkers en werkelijk was er ook niets verontrustends in
de kortstondige afwezigheid van den Hindoe, maar toch kon ik mij niet
van eenige bezorgdheid onthouden.
»Welnu," zei Banks, »als ik me niet vergis, dan is die stier in de
karavanen der Banjaris de vertegenwoordiger hunner godheid. Waar hij
heen gaat, volgt men hem. Wanneer hij ophoudt, kampeert men, maar
't zou me niet verwonderen, dat hij in 't geheim aan de ingeving van
den naik gehoorzaamt. Om kort te gaan, in hem is de geheele godsdienst
dezer zwervende stammen saamgevat."
Twee volle uren hield het voorbijtrekken van den onafzienbaren stoet
aan. Ik zocht Kâlagani in de achterhoede, toen hij eensklaps voor
ons stond, vergezeld van een Hindoe, die niet tot den Banjari-type
behoorde. Het was ongetwijfeld een van die inlanders, die zich
tijdelijk in dienst der karavanen stellen, zooals ook Kâlagani het
meermalen gedaan had. Beiden praatten koel, als met half gesloten
lippen. Van wien en waarover spraken zij? Waarschijnlijk over het land,
dat de reizende stam doorkruist had,--het land, dat ook wij onder de
leiding van onzen nieuwen gids zouden bezoeken.
De inlander, die in de achterhoede der karavaan gebleven was,
hield, het Stoomhuis voorbijgaande, een oogenblik op. Hij bekeek met
belangstelling den trein, voorafgegaan door zijn kunstmatigen olifant
en naar het mij voorkwam, nam hij meer in 't bijzonder kolonel Munro
op, maar hij sprak geen woord tot ons. Daarna groette hij Kâlagani,
voegde zich bij den stoet en was weldra in een wolk van stof verdwenen.
Toen Kâlagani bij ons was teruggekomen, richtte hij zich tot kolonel
Munro, zonder af te wachten totdat hij ondervraagd werd en zeide
alleen:
»Een mijner vroegere kameraden, die sedert twee maanden in dienst
van de karavaan staat."
Dit was alles. Kâlagani hernam zijn plaats in onzen trein en weldra
rolde het Stoomhuis wederom over den weg, doorwoeld door de breede
sporen van de hoeven dier duizenden ossen.
Den volgenden dag, den 24n September, hield de trein op om den nacht
door te brengen op vijf of zes kilometers ten oosten van Ourtcha, aan
den linker oever van de Betwa, een van de voornaamste takken der Jumna.
Van Ourtcha valt tegenwoordig niets meer te zeggen. Het is de oude
hoofdstad van Bundelkund en een stad, die in de eerste helft der
zeventiende eeuw bloeide. Maar de Mongolen aan den eenen kant,
de Maharatten van den anderen, brachten haar geduchte slagen toe,
waarvan zij zich nooit herstelde. En nu, is een der groote steden
van Centraal-Indië slechts een gehucht, dat eenige honderden boeren
tot een ellendige schuilplaats verstrekt.
Ik zeide, dat wij aan den oever der Betwa ons kamp hadden
opgeslagen. Het is juister te zeggen, dat de trein stil hield op
zekeren afstand van haar linkeroever. Want deze belangrijke stroom,
sterk wassende, trad toen buiten zijn bedding en overstroomde zijn
oevers. Vandaar misschien eenige moeielijkheden om onzen overtocht te
bewerkstelligen. Daar de duisternis evenwel reeds te groot was, kon
Banks geen raad geven en moesten wij onze plannen tot den volgenden
dag uitstellen.
Bij gevolg zochten we dus allen, dadelijk na de gewone avondsiesta,
onze vertrekken op en legden ons ter ruste.
Nooit, tenzij bijzondere omstandigheden er ons toe noopten, lieten wij
's nachts het kamp bewaken. En waartoe ook? Kon men onze rollende
huizen wegnemen? Neen! Kon men onzen olifant stelen? Evenmin. Zijn
zwaarte alleen was reeds verdediging genoeg. Wat betreft de
mogelijkheid van een aanval der nachtelijke zwervers, die deze
provinciën onveilig maken, dit was zeer onwaarschijnlijk. En al werd
er geen wacht gehouden 's nachts, dan hadden wij toch onze honden
Phann en Black, die ons tijdig genoeg van elk verdacht bezoek zouden
verwittigd hebben.
En dit nu was juist hetgeen dezen nacht gebeurde. Tegen twee uren
's morgens, werden wij door luid geblaf gewekt. Ik stond dadelijk op
en vond ook mijne metgezellen reeds op de been.
»Wat is er toch?" vroeg kolonel Munro.
»De honden blaffen," antwoordde Banks, »en ze doen dat stellig niet
zonder reden."
»'t Zal een panter zijn, die in 't naburige kreupelbosch gehoest
heeft," zei kapitein Hod. » Spoedig naar beneden, den zoom van het
bosch doorzocht en uit voorzorg onze geweren medegenomen."
Sergeant Mac Neil, Kâlagani, Goûmi, allen bevonden zich reeds buiten
het kamp, pratende, overleggende en trachtende te weten te komen wat
er in het duister voorviel. Wij voegden ons bij hen.
»Welnu," zei kapitein Hod, »'t zijn zeker een paar dieren, die hun
dorst zijn komen lesschen?"
»Kâlagani denkt het niet," antwoordde Mac Neil.
»Wat denkt ge dan dat het is?" vroeg kolonel Munro den Hindoe.
»'k Weet het niet, kolonel Munro," antwoordde Kâlagani, »maar stellig
hebben we met geen tijgers, panters of zelfs jakhalzen te doen. 'k
Meen daar onder de boomen een verwarde massa te onderscheiden."
»We zullen 't gauw weten!" riep kapitein Hod, steeds denkende aan
den vijftigsten tijger, die hem nog ontbrak.
»Wacht Hod," zei Banks. »In Bundelkund is het altijd goed zich te
wachten voor nachtelijke zwervers."
»We zijn talrijk en goed gewapend!" antwoordde kapitein Hod. »'k Wil
er het mijne van weten!"
»Mij goed!" zei Banks.
De twee honden blaften altijd, maar zonder eenig bewijs te geven van
de boosheid, die de nabijheid van wilde dieren bij hen zou hebben
opgewekt.
»Munro," zei Banks toen, »blijf in het kamp met Mac Neil en de
anderen. In dien tijd gaan Hod, Maucler, Kâlagani en ik op verkenning
uit."
»Ga je mee?" riep kapitein Hod, die terzelfder tijd Fox wenkte om
hem te vergezellen.
Phann en Black, reeds onder het eerste geboomte, wezen den weg aan. Men
had ze slechts te volgen.
Nauwlijks waren wij onder de boomen, of het geluid van voetstappen
deed zich hooren. Duidelijk verkende een talrijke troep op den zoom
van het bosch ons kampement. Men zag ter loops eenige stille schaduwen,
die de vlucht door het kreupelbosch namen.
De twee honden, liepen, blaften en vlogen eenige schreden voor ons
uit heen en weder.
»Werda?" riep kapitein Hod.
Geen antwoord.
»Een van beiden, die lieden willen niet antwoorden," zei Banks,
»of zij verstaan geen Engelsch."
»Wel, dan verstaan ze zeker Hindoesch," antwoordde ik.
»Kâlagani," zei Banks, »roep eens in het Hindoesch, dat, als ze niet
antwoorden, we vuur geven."
Kâlagani gebruikte den eigenaardigen tongval van de inlanders van
Centraal-Indië en beval den zwervers te naderen.
Evenmin een antwoord als de eerste keer.
Nu barstte een geweerschot los. De ongeduldige kapitein Hod had op
goed geluk af geschoten op een schaduw, die zich tusschen de boomen
door uit de voeten maakte.
Een blijkbare opschudding werd door de losbranding der karabijn
teweeggebracht. Het was alsof een gansche troep individuen, van welke
soort dan ook, zich naar rechts en links verspreidde. Dit vermoeden
werd zekerheid, toen Phann en Black, die vooruit gevlogen waren,
bedaard terugkwamen en geen enkel blijk van ongerustheid meer gaven.
»Wie zij ook mogen zijn, roovers of landloopers," zei kapitein Hod,
»die lieden zijn al heel spoedig op den loop gegaan!"
»Dat schijnt zoo," antwoordde Banks, »en er blijft ons niets anders
over dan naar het Stoomhuis terug te keeren. Maar uit voorzorg,
zullen we wacht laten houden, totdat de dag aanbreekt."
Eenige oogenblikken later waren wij bij onze metgezellen
teruggekeerd. Mac Neil, Goûmi en Fox maakten toebereidselen om bij
beurten de wacht van het kamp op zich te nemen, terwijl wij ons weder
naar onze vertrekken begaven.
De nacht verliep zonder verdere stoornissen. Er was dus alle reden om
te denken, dat de bezoekers, het Stoomhuis zoo goed verdedigd ziende,
het hadden opgegeven hun bezoek te verlengen.
Terwijl den volgenden dag, den 25n September, de toebereidselen tot
het vertrek gemaakt werden, wilden wij, kolonel Munro, kapitein Hod,
Mac Neil, Kâlagani en ik, een laatste maal den zoom van het bosch
onderzoeken.
Evenwel was er geen spoor meer te vinden van de bende, die ons den
vorigen nacht verontrust had. Er bestond dus in elk geval niet de
minste noodzakelijkheid meer er ons mede bezig te houden.
Toen wij teruggekomen waren, nam Banks zijne beschikkingen om den
overtocht van de Betwa te bewerkstelligen. Deze rivier was ver buiten
hare oevers getreden en stuwde hare geelachtige wateren met dolle
vaart ver buiten haar bedding voort. De stroom was buitengewoon sterk
en de IJzeren Reus moest hem het hoofd bieden, teneinde niet te ver
stroomafwaarts medegevoerd te worden.
De ingenieur hield zich eerst bezig met het kiezen van de gunstigste
plaats om te ontschepen. De oogen met een verrekijker gewapend,
trachtte hij het punt te ontdekken waar de rechteroever het best zou
te bereiken zijn. De Betwa verbreedde zich in dit gedeelte van haren
loop tot ongeveer een mijl. Dit zou dus de verste afstand te water
zijn, dien de drijvende trein tot nog toe zou af te leggen hebben.
»Maar," vroeg ik, »hoe leggen de reizigers of de kooplieden het
aan, als ze bij een dergelijken was door stroomen als deze worden
opgehouden? Me dunkt dat ponten moeielijk dergelijke stroomingen
kunnen weerstaan."
»Welnu," antwoordde kapitein Hod, »niets eenvoudiger! Ze steken
niet over."
»Ja wel," antwoordde Banks, »ze gaan over als ze olifanten ter hunner
beschikking hebben."
»Wat! kunnen olifanten dan zwemmende zulke afstanden afleggen?"
»Wel zeker, en ziehier hoe men te werk gaat," antwoordde de
ingenieur. »Men plaatst al de bagage op den rug van deze....."
»Proboscidea!..." zei kapitein Hod, om met zijn vriend Matthias van
Guitt te spreken.
»En de mahouts dwingen ze zich in den stroom te begeven," hernam
Banks. »In 't eerst aarzelt het dier, gaat terug en doet een gebriesch
hooren; maar, weldra zijn besluit nemende, stapt hij in den stroom, zet
zich aan 't zwemmen en steekt flink de rivier over. 't Gebeurt evenwel,
dat er een wordt medegesleept en voor altijd verdwijnt, maar, als ze
door een behendigen mahout bestuurd worden, komt dit zelden voor."
»Nu, goed!" zei kapitein Hod, »al hebben we geen »olifanten," we
hebben er toch een....."
»En met dien eenen hopen we 't te volbrengen," antwoordde Banks. »Hij
is licht zoo goed als de Oructor Amphibolis van den Amerikaan Evan,
die in het jaar 1804, op het land rolde en dreef op het water? Iedereen
nam zijn plaats in den trein in, Kâlouth bij zijn vuurhaard, Storr
in zijn torentje, Banks bij hem, het ambt van stuurman waarnemende.
Men moest een vijftigtal voeten op den overstroomden oever afleggen,
alvorens den eigenlijken stroom te bereiken. Zachtjes stelde de
IJzeren Reus zich in beweging en begon te loopen. Zijn dikke pooten
werden nat, maar hij dreef nog niet. De overgang van het vasteland
op de vloeibare oppervlakte moest met voorzorg geschieden.
Eensklaps kwam het geluid van dezelfde nachtelijke opschudding tot
ons over.
Een honderdtal individus, gebaren makende en leelijke gezichten
trekkende, kwamen uit het bosch te voorschijn.
»Wel drommels! 't Waren apen!" riep kapitein Hod uit, hartelijk
lachende.
En inderdaad naderde een gansche troep van die vertegenwoordigers
van het apengeslacht in een dichte groep het Stoomhuis.
»Wat willen ze?" vroeg Mac Neil.
»Ons aanvallen, zeker!" antwoordde kapitein Hod, die zich altijd ter
verdediging gereed hield.
»Neen! Er is niets te vreezen," zei Kâlagani, die den tijd gehad had
de bende apen waar te nemen.
»Maar wat willen ze dan toch?" vroeg sergeant Mac Neil ten tweeden
male.
»De rivier in ons gezelschap oversteken en niets anders!" antwoordde
de Hindoe.
Kâlagani vergiste zich niet. Wij hadden niet te doen met gibbons met
lange behaarde armen, lastige en brutale dieren, noch met »leden der
aristocratische familie" die het paleis van Bénarès bewoont. Het waren
apen van de soort der Langours, de grootste van het schiereiland,
lenige vierhandige zoogdieren, zwart van vel, glad van gelaat,
omgeven met een witten ringbaard, die hun het voorkomen gaf van oude
mannen. Wat hunne vreemde houdingen en onnatuurlijke gebaren aangaat,
overtroffen zij zelfs Matthias van Guitt. Hun vel was als dat van het
Peruaansche stinkdier, grijs op den rug, wit aan den buik, terwijl
zij den staart opgericht droegen.
Ik vernam bij deze gelegenheid, dat die Langours door gansch Indië
als heilig beschouwd worden. Volgens een legende stammen zij af van
de krijgslieden van Rama, die het eiland Ceilon veroverden. Te Amber
bewonen zij een paleis, Zenanah, alwaar de toeristen vriendschappelijk
door hen ontvangen worden. Het is streng verboden ze te dooden en de
overtreding dezer wet heeft reeds aan verscheidene Engelsche officieren
het leven gekost.
Die apen, die vrij zacht van aard en gemakkelijk te temmen zijn, zijn
zeer gevaarlijk als men ze aanvalt, en zoo ze slechts gekwetst zijn,
doen zij, zooals Louis Rousselet terecht gezegd heeft, in woestheid
niet onder voor hyena's of panters.
Maar natuurlijk was er geen sprake van deze Langours aan te vallen
en kapitein Hod wendde dan ook zijn geweer af.
Had Kâlagani dan gelijk toen hij beweerde, dat die geheele troep den
fellen stroom niet dorst te trotseeren, en daarom van ons voertuig
wilde gebruik maken, om de Betwa te passeeren?
Het was mogelijk en wij zouden het spoedig zien.
De IJzeren Reus, die het water buiten den oever doorwaad had, was nu
in de bedding der rivier gekomen. Weldra dreef de geheele trein hem
na. Een kromming van den oever vormde op deze plek een stilstaand
water en in het eerst bleef het Stoomhuis genoegzaam onbewegelijk.
De troep apen was dichterbij gekomen, en plaste reeds in het ondiepe
water rond, dat de helling van den oever bedekte.
Hun houding was volstrekt niet vijandig en plotseling, daar kwamen
ze aan, mannetjes, wijfjes, ouden, jongen, allerlei kromme sprongen
makende, elkander bij de hand vattende, en eindelijk op den trein
springende, die hen scheen af te wachten.
Binnen weinige seconden waren er tien op den IJzeren Reus, dertig op
ieder der huizen, in 't geheel een honderdtal, vroolijk, gemeenzaam,
men zou haast zeggen praatachtig,--althans onder elkander,--en
ongetwijfeld in hun schik, zoo recht van pas een vaartuig ontmoet te
hebben, waarmede zij de reis konden vervolgen.
De IJzeren Reus stapte dadelijk in den stroom en, zich stroomopwaarts
wendende, zette hij zich er tegen in.
Een oogenblik was de gedachte bij Banks opgekomen of de trein
misschien niet te zwaar zou zijn met dien overlast van passagiers,
maar zijn vrees bleek gelukkig ongegrond. De apen hadden zich met de
grootste schranderheid over den geheelen trein verdeeld. Er waren er
op het kruis van den olifant, op het torentje, op den nek, tot aan
het uiteinde van zijn tromp en, vreemd genoeg, zij waren volstrekt
niet verschrikt door den stoom, die er zich met het bekende zuchtend
geluid aan ontwrong. Dan waren er verder op de ronde koepeldaken
onzer pagoden, deze neergehurkt, gene overeind op hunne pooten,
terwijl nog anderen, zelfs onder de veranda der balkons aan den staart
hingen. Maar het Stoomhuis dreef statig voort, dank zij de gelukkige
inrichting zijner luchtkasten, en er was niet het minste gevaar voor
het buitengewone overwicht te duchten.
Kapitein Hod en Fox stonden werkelijk verbaasd, vooral de oppasser. Hij
had gaarne dien grijnzenden en ongegeneerden troep met alle eerbewijzen
in het Stoomhuis ontvangen. Hij sprak tot die Langours, hij drukte hun
de hand, hij nam zijn hoed voor hen af en zou ze gaarne met suikergoed
overladen hebben, zoo »mijnheer" Parazard, geërgerd dat hij zich in
zulk gezelschap bevond, er geen schotje voor geschoten had.
Intusschen werkte de IJzeren Reus hard voort met zijn vier pooten, die
het water sloegen en dienst deden als groote pagaaien. Al afdrijvende,
volgde hij de schuinsche lijn, die ons naar de landingsplaats zou
brengen.
Een half uur later, had hij deze bereikt, maar nauwelijks was hij
aangeland of de geheele troep vierhandige clowns sprong op den oever
en was met talrijke kromme sprongen spoedig uit het gezicht verdwenen.
»Ze hadden wel dankje mogen zeggen!" riep Fox uit, ontevreden over
de lompheid van zijn vrienden.
Een luid gelach was het antwoord op de opmerking van den oppasser,
die niets meer verdiende.
VI.
HOD TEGEN BANKS.
De Betwa was overgetrokken. Reeds honderd kilometers waren wij van
het station van Etawah verwijderd.
Vier dagen gingen zonder bijzondere avonturen voorbij,--zelfs zonder
jachtavonturen, want wilde beesten waren niet talrijk in dit gedeelte
van Scindia.
»'k Vrees maar al te zeer," herhaalde kapitein Hod niet zonder groote
spijt, »dat ik te Bombay zal aankomen, zonder mijn vijftigsten gedood
te hebben!"
Kâlagani geleidde ons met bewonderenswaardige schranderheid door dit
minst bevolkte gedeelte van het grondgebied, welks topographie hij
zeer goed kende, en, den 29n September begon de trein de noordelijke
helling der Vindhyas te beklimmen, teneinde door den pas van Sirgour
de reis voort te zetten.
Tot zoover was onze tocht door Bundelkund zonder hindernis
volbracht. Dit land, evenwel, is een der meest verdachte van Indië. De
misdadigers zoeken er gaarne een schuilplaats, en landloopers worden er
in overvloed aangetroffen. Daar ook geven de Dacoits zich bij voorkeur
aan hun dubbel bedrijf van gifmengers en dieven over. Het is dus
voorzichtig, ernstig op zijn hoede te zijn, als men dit land bereist.
Het slechtste gedeelte nu van Bundelkund is juist deze bergachtige
streek der Vindhyas, waarin het Stoomhuis nu zou doordringen. De
afstand was niet groot,--honderd kilometer hoogstens,--tot
Jubbulpore, het dichtstbijzijnde station van den spoorweg van
Bombay naar Allahabad. Doch wij konden niet rekenen, zoo snel
en gemakkelijk vooruit te komen, als wij gedaan hadden door de
vlakte van Scindia. Vrij steile hellingen, half gebaande wegen,
een steenachtige bodem, plotselinge krommingen, zekere smalle
gedeelten van den weg, alles liep samen onze snelheid tot beneden het
gemiddelde te verminderen. Banks dacht niet meer te verkrijgen dan
vijftien tot twintig kilometers in de tien uren, die onze reisdagen
uitmaakten. Daarbij kwam, dat de toegangen tot de wegen en kampementen
dag en nacht met de uiterste zorg moesten bewaakt worden.
Kâlagani was de eerste geweest om ons dezen raad te geven. Nu waren
wij talrijk genoeg en daarbij goed gewapend. Onze kleine troep,
met zijn twee huizen en het torentje,--een echte kazemat, door den
IJzeren Reus op den rug gedragen, bood een zeker »weerstandsvermogen"
aan, om een uitdrukking naar de mode te gebruiken. Straatroovers,
Dacoits of andere, zelfs Thugs,--indien er in dit woeste gedeelte van
Bundelkund nog waren overgebleven,--zouden ongetwijfeld geaarzeld
hebben ons aan te vallen. Doch, het kan nooit kwaad voorzichtig te
zijn en het was beter dat wij op alle mogelijkheden gewapend waren.
Des morgens van dezen dag werd de Sirgourpas bereikt, waarin de
trein zonder veel moeite zich een weg baande. Enkele malen, bij het
bestijgen van steile hellingen, moest men den stoom versterken, maar
de IJzeren Reus ontwikkelde onder de hand van Storr onmiddellijk het
noodige vermogen, en beklom enkele hellingen van twaalf tot vijftien
centimeters per meter.
Ook behoefde men niet te vreezen zich in den weg te vergissen. Kâlagani
was volkomen bekend met de bochtige bergpassen der Vindhyas en meer
bijzonder met den Sirgourpas. Hij twijfelde dan ook nooit, zelfs
als verscheidene wegen op een kruisweg ergens tusschen hooge rotsen,
in diepe bergkloven, uitliepen, te midden van dichte bosschen, die
den blik tot twee of driehonderd schreden beperkten. Verliet hij
ons tusschenbeiden eens en ging hij nu eens alleen, dan vergezeld
door Banks, door mij of door een ander onzer metgezellen vooruit,
dan was dit om niet den weg, maar zijn begaanbaarheid te verkennen.
Inderdaad hadden de regens, gedurende het regenseizoen, dat nauwelijks
geëindigd was, de paden bedorven, den bodem omgewoeld,--omstandigheden
waarvan rekening moest gehouden worden, alvorens zich op wegen te
begeven, waarop de terugkeer hoogst moeielijk zou geweest zijn.
Ten opzichte alleen van ons vervoer, ging dus alles zoo goed
mogelijk. De regen had geheel opgehouden. De hemel, half door lichte
nevels bedekt, die de zonnestralen lieten doorschemeren, dreigde niet
met een van die donderbuien, waarvan men in het centrale gedeelte van
het schiereiland de vreeselijke hevigheid ducht. Ofschoon de hitte
niet hevig was, deed zij toch gedurende eenige uren van den dag vrij
sterk aan; maar, over het geheel bleef het een gemiddelde temperatuur,
zeer goed te verdragen voor reizigers, die zich in de schaduw aan
haren invloed konden onttrekken. Aan klein wild was geen gebrek en
onze jagers voorzagen in de behoefte der tafel, zonder zich ver van
het Stoomhuis te verwijderen.
Alleen kapitein Hod,--en ook Fox zeker,--betreurde misschien
de afwezigheid der wilde beesten, die in Tarryani zoo overvloedig
werden aangetroffen. Maar konden zij ook verwachten leeuwen, tijgers,
panters te ontmoeten in streken waar aan de voor hun voedsel benoodigde
herkauwende dieren gebrek was?
Doch, mochten deze roofdieren al aan de fauna der Vindhyas ontbreken,
zoo kwamen wij in de gelegenheid om op ruimer schaal kennis te maken
met de olifanten van Indië,--ik meen met de wilde olifanten, waarvan
wij tot nog toe slechts enkele exemplaren gezien hadden.
Den 30n September, tegen twaalf uren zagen wij voor den trein uit
een paar van die prachtige dieren. Bij onze nadering wierpen zij
zich ter zijde van den weg, teneinde de voor hen nieuwe equipage,
die hun zeker schrik aanjoeg, te laten voorbijgaan.
Waartoe ze zonder noodzaak uit loutere liefhebberij te dooden? Kapitein
Hod dacht er zelfs niet aan. Hij vergenoegde zich die heerlijke dieren
te bewonderen, die in volle vrijheid tusschen de bergen rondliepen,
waar beken, stroomen en weiden in al hunne behoeften voorzagen.
»Wat een schoone gelegenheid," zei hij, »voor onzen vriend van Guitt,
om ons een les in de zoölogie te geven!"
Men weet, dat Indië bij uitnemendheid het land der olifanten is. Deze
dikhuiden behooren allen tot een zelfde soort, die een weinig beneden
die der Afrikaansche olifanten staat,--zoowel zij die de verschillende
provincies van het schiereiland bewonen, als die waarvan men de sporen
in Birmanië, in het koninkrijk Siam en in al de streken ten oosten
van de golf van Bengalen kan vinden.
Hoe vangt men ze? Meestal in een »kiddah," een ruimte door palissaden
omgeven. Wil men een geheele kudde vangen, dan drijven de jagers,
ten getale van een drie à vierhonderd, aangevoerd door een »djawadar"
of inlandschen sergeant, ze langzamerhand in de kiddah, sluiten ze
er in op, scheiden ze met behulp van opzettelijk daartoe afgerichte
tamme olifanten van elkander af, kluisteren de achterpooten, en de
vangst is gemaakt.
Doch deze methode, die tijd en een zekere machtsontwikkeling vordert,
is meestal vruchteloos, als men zich van de groote mannetjes wil
meestermaken. Deze toch zijn meer bij de hand en schrander genoeg
om den kring der drijvers te verbreken en hunne gevangenneming in de
kiddah te vermijden. In dat geval worden tamgemaakte wijfjes belast
deze mannetjes gedurende eenige dagen te volgen. Zij dragen hunne
mahouts op den rug in donker gekleurde dekkleeden gehuld en, als de
olifanten, die niets merken, zich aan een gerusten slaap overgeven,
maakt men zich van hen meester, worden zij geketend en medegevoerd,
zonder zelfs den tijd gehad te hebben tot zich zelve te komen.
Zooals ik reeds vroeger gelegenheid had te zeggen, ving men de
olifanten in kuilen, op hun spoor gegraven, en een vijftiental voet
diep, maar in zijn val verwondde of doodde zich het dier en heeft
men daarom bijna algemeen dit barbaarsche middel opgegeven.
Eindelijk wordt in Bengalen en Népaul de lasso nog gebruikt. Dit is
een ware jacht, somtijds vol belangwekkende avonturen. Men gebruikt
daartoe goed afgerichte olifanten, die door drie mannen bereden
worden. Op hun nek zit een mahout, die ze bestuurt, op het kruis een
drijver, die ze met den hamer of met den haak aanport; op den rug,
de Hindoe, die belast is met het werpen van den lasso, voorzien van
een schuifknoop. Zoo uitgerust, vervolgen deze dikhuiden den wilden
olifant uren achtereen, somtijds door vlakten, door bosschen tot
groot nadeel somtijds van hen, die ze berijden en eindelijk als het
beest den lasso om den kop geslingerd is, valt hij plomp op den grond,
aan de jagers overgeleverd.
Op deze verschillende wijzen worden er jaarlijks in Indië een groot
aantal olifanten gevangen. Het is geen slechte speculatie. Een wijfje
wordt verkocht tegen zeven duizend franken, een mannetje tegen twintig
duizend en zelfs tegen vijftig duizend franken als hij van zuiver
bloed is.
Zijn ze nu werkelijk nuttig, die dieren, dat men ze tegen zulke hooge
prijzen betaalt? Ja, en als men ze maar behoorlijk voedt,--namelijk
zes à zeven honderd pond groen voeder in de achttien uren geeft,
dat is nagenoeg het gewicht, dat ze op een gewoon traject kunnen
dragen,--bewijzen ze werkelijk goede diensten, waaronder vervoer van
artillerie in bergachtige landen, of in de voor paarden ontoegankelijke
jungles, zwaar werk voor rekening der particulieren, die ze gebruiken,
als trekdieren. Deze machtige en zachte reuzen, gemakkelijk en
snel te dresseeren, tengevolge van een bijzonder instinct, dat ze
tot gehoorzaamheid aanzet, zijn in de verschillende provinciën van
Hindostan algemeen gezocht. Daar zij zich nu in tammen toestand niet
vermenigvuldigen, moet men onophoudelijk jacht op hen maken, om aan
de aanvraag van het schiereiland en van den vreemde te voldoen.
Ook vervolgt men ze, sluit men ze in, vangt men ze op de zooeven
vermelde wijzen. En toch schijnt hun getal, niettegenstaande hun
verbruik, niet te verminderen; nog altijd blijft er in de verschillende
streken van Indië een aanzienlijk getal ever.
Zelfs moet ik er bijvoegen dat er »te veel" overblijven, zooals men
weldra zien zal.
De twee olifanten hadden zich, zooals ik reeds zeide, terzijde van den
weg geschaard, teneinde onzen trein te laten passeeren, waarna zij hun
een oogenblik afgebroken marsch hervat hadden. Bijna dadelijk daarop
kwamen andere olifanten in de achterhoede te voorschijn en voegden
zich, hunne schreden versnellende, bij de twee, die wij voorbij gegaan
waren. Een kwartier later, kon men er een dozijn tellen. Zij hielden
het Stoomhuis in het oog, zij volgden ons, zich op een afstand van
hoogstens vijftig meters houdende. Zij schenen evenmin begeerig ons
in te halen, als ons te verlaten. Nu was dit hun gemakkelijk, omdat
de IJzeren Reus op de hellende wegen, die om de voornaamste toppen
der Vindhyas heen loopen, zijn gang niet kon versnellen.
Een olifant kan trouwens sneller loopen dan men wel denken zou,--en
wel met een snelheid, die, volgens Sanderson, een zeer bevoegde
beoordeelaar in deze zaak, somtijds vijf en twintig kilometers per
uur overtreft. Voor hen dus, die ons op dat oogenblik volgden, was
niets gemakkelijker dan of ons te bereiken, of ons vooruit te komen.
Doch dit scheen niet in hun plan te liggen,--op dit oogenblik
althans. Zeker wilden zij zich eerst in grooter getale vereenigen,
en werkelijk deden zij uit hun enorme keel zekere kreten hooren, als
een sein, dat door kreten van achterblijvers, denzelfden weg volgende,
beantwoord werd.
Tegen een uur na den middag werden wij door een troep van een dertigtal
olifanten achtervolgd. Het was een geduchte bende geworden. Niets
bewees, dat hun aantal niet nog zou aangroeien. Gewoonlijk bestaat
een troep van die dikhuiden uit dertig of veertig individus, die een
familie vormen van meer of minder naverwante leden, maar niet zelden
ontmoet men verzamelingen van een honderdtal dier dieren, iets wat
den reizigers wel eenige ongerustheid inboezemt.
Kolonel Munro, Banks, Hod, de sergeant, Kâlagani en ik, waren onder
de veranda van het tweede rijtuig gezeten en letten op 't geen achter
ons plaatsgreep.
»Hun aantal neemt steeds toe," zei Banks en zal ongetwijfeld aangroeien
met al de olifanten uit de geheele streek!"
»Maar," deed ik opmerken, »ze kunnen toch elkander niet zoo bijzonder
ver hooren."
»Dat is waar," antwoordde de ingenieur, »maar ze ruiken elkander en
ze hebben zulk een fijnen reuk, dat tamme olifanten de wilde zelfs
drie of vier mijlen ver weten te ontdekken."
»'t Is een wezenlijke verhuizing," zei toen kolonel Munro. »Zie
eens! Er is daar achter onzen trein een gansche kudde, in groepen
van tien tot twaalf olifanten van elkander gescheiden en die groepen
zullen spoedig aan de algemeene beweging deelnemen. We zullen ons
wat dienen te haasten, Banks."
»De IJzeren Reus doet wat hij kan, Munro," antwoordde de ingenieur. »We
hebben al vijf atmosfeeren drukking en de weg is zeer steil!"
»Maar waarom ons zoo gehaast?" riep kapitein Hod uit, die bij
dergelijke voorvallen altijd vroolijk werd. »Laat die lieve beestjes
ons vergezellen! 't Is een stoet, onzen trein waardig! Het land was
eenzaam en verlaten, dat kunnen we nu niet meer zeggen, want we worden
nu geëscorteerd als een rajah op reis!"
»We zullen ze hun zin wel moeten laten," antwoordde Banks, »want ik
zie niet in hoe we ze zouden kunnen beletten ons te volgen!"
»Maar wat vrees je eigenlijk toch?" vroeg kapitein Hod. »Je weet
toch wel, dat een kudde altijd minder geducht is dan een enkele
olifant! 't Zijn werkelijk lieve dieren!... Schapen, groote schapen,
voorzien van een tromp, anders niet!"
»Komaan! Hod windt zich op!" zei kolonel Munro. »'k Geef gaarne toe
dat, als de kudde maar op een respectabelen afstand blijft, we niets te
duchten hebben; maar als ze 't in den zin krijgt ons op dien smallen
weg voorbij te komen, zou er voor het Stoomhuis meer dan één nadeel
uit kunnen voortvloeien!"
»Zonder nog te rekenen," voegde ik er bij, »dat, als ze zich voor den
eersten keer tegenover onzen IJzeren Reus bevinden, 'k niet weet hoe
ze hem zullen ontvangen!"
»Ze zullen hem groeten, voor den drommel!" riep kapitein Hod uit. »Ze
zullen hem groeten zooals de olifanten van prins Gourou Singh hem
gegroet hebben!"
»Dat waren tamme olifanten," merkte sergeant Mac Neil terecht aan.
»Welnu," antwoordde kapitein Hod, »ook deze zullen tam worden,
of liever, ze zullen voor onzen reus verstomd staan van verbazing,
die spoedig in eerbied zal overgaan!"
Men ziet dat onze vriend niets van zijn enthusiasme verloren had
voor den kunstmatigen olifant, »dat meesterstuk van mechanisme,
voortgebracht door de hand van een Engelschen ingenieur!"
»Trouwens," voegde hij er bij, »deze proboscideën,--hij was werkelijk
op dat woord gesteld,--deze proboscideën zijn zeer schrander, ze
redeneeren, ze oordeelen, ze vergelijken, ze denken aaneengeschakeld
en geven bewijzen van een menschelijk verstand!"
»Dat is op zijn minst zeer overdreven," antwoordde Banks.
»Wat, overdreven!" riep kapitein Hod uit. »Hij, die zoo spreekt,
heeft niet in Indië gewoond! Laat men de schrandere dieren niet
allerlei huiswerk verrichten? Is er een met hen te vergelijken? Is de
olifant in het huis van zijn meester niet gereed tot het verrichten van
allerlei diensten? Weet je dan niet, Maucler, wat de schrijvers, die
hem het best gekend hebben, van hem zeggen? Volgens hen is de olifant
voorkomend voor hen die hij liefheeft, hij ontheft ze van hunne lasten,
hij gaat bloemen of vruchten voor hen plukken, hij zamelt aalmoezen in
voor de armen als de olifanten voor de beroemde pagode van Willenoor,
bij Pondicherie, hij betaalt in de bazars den suiker, de bananen of de
mango's, die hij voor eigen rekening koopt, hij beschermt in Sunderbund
de kudden en de woning van zijn meester tegen de wilde dieren, hij
pompt water uit de putten, hij past met meer zorg op de kinderen, die
men hem toevertrouwt, dan de beste kindermeid van gansch Engeland! En
menschelijk, dankbaar, want hij heeft een verbazend geheugen, vergeet
hij evenmin de weldaden als het onrecht, dat hem gedaan wordt! Ja,
mijne vrienden, die menschelijke reuzen,--'k zeg menschelijke reuzen,
zullen niet licht een onschadelijk insect verpletteren! Een mijner
vrienden,--en dat zijn trekken, die men niet licht vergeet,--zag dat
men een lievenheersbeestje op een steen zette en een tammen olifant
beval het te verpletteren! En wat deed de goede dikhuid? Hij lichtte,
telkens als hij over den steen heen ging, zijn poot op en noch bevelen,
noch slagen zouden hem er toe gebracht hebben hem op het insect te
plaatsen! In tegendeel, toen men hem beval het op te nemen en aan
te reiken, nam hij het met die soort van wonderhand, die hij aan de
punt van zijn snuit heeft, op en stelde het in vrijheid! Zeg nu nog
eens, Banks, dat de olifant niet goed, niet edelmoedig en niet boven
alle anderen dieren verheven is, zelfs boven den aap, zelfs boven
den hond en moeten we niet erkennen, dat de Hindoes gelijk hebben,
als zij hem bijna evenveel verstand toekennen als den mensch!"
Nadat hij met vuur deze woorden had uitgesproken, vond kapitein Hod
niets beters te doen dan zijn hoed af te nemen om de geduchte kudde,
die ons met afgemeten schreden volgde, te groeten.
»Goed gesproken, kapitein Hod!" antwoordde kolonel Munro
glimlachende. »De olifanten hebben in u een warmen verdediger!"
»En heb ik dan niet volkomen gelijk, kolonel?" vroeg kapitein Hod.
»'t Is mogelijk, dat kapitein Hod gelijk heeft," antwoordde Banks,
»maar ik hecht meer aan het oordeel van Sanderson, een olifantenjager
en een volleerde meester in alles wat hen betreft."
»En wat zegt die Sanderson dan toch?" riep de kapitein op vrij
minachtenden toon uit.
»Hij beweert, dat de olifant slechts een zeer middelmatig verstand
heeft en dat de verwonderlijkste zaken, die men die dieren ziet
volbrengen, slechts het resultaat zijn van een vrij slaafsche
gehoorzaamheid aan de bevelen, die hunne cornac's meer of minder in
't geheim hun geven!"
»Nu, die is mooi!" antwoordde kapitein Hod, die zich begon warm
te maken.
»Zoo doet hij ook opmerken," hernam Banks, »dat de Hindoes nooit den
olifant als een zinnebeeld van verstand, voor hun beeldhouwwerk of
hunne heilige teekeningen gekozen hebben en de voorkeur gaven aan
den vos, den raaf, en den aap!"
»'k Protesteer!" riep kapitein Hod uit, wiens arm de golvende beweging
van een tromp nabootste.
»Protesteer, kapitein, maar hoor me aan!" hernam Banks. »Sanderson
voegt er nog bij, dat, wat den olifant meer bijzonder onderscheidt,
de knobbel der gehoorzaamheid is, die een uitwas van belang op
zijn schedel moet vormen. Hij merkt ook aan, dat de olifant zich op
een zeer gemakkelijke manier laat vangen,--dat is het juiste woord,
zooals in kuilen met bladeren bedekt, en dat hij niet de minste moeite
doet om er uit te komen! Hij doet verder uitkomen, dat hij zich in
omheiningen laat drijven, waartoe met geen mogelijkheid andere wilde
dieren zouden te brengen zijn! Eindelijk is het volgens hem een feit,
dat de gevangen olifanten, wien het gelukte te ontkomen, zich met
een gemakkelijkheid laten hernemen, die hun schranderheid geen eer
aandoet! De ondervinding leert hun niet eens voorzichtig te zijn!"
»Arme dieren!" antwoordde kapitein Hod op komieken toon, »wat takelt
die ingenieur je toe!"
»Als een laatste bewijsgrond ten gunste van mijn stelling, moet ik er
nog bijvoegen," antwoordde Banks, »dat de olifanten niet zelden zeer
moeielijk zijn tam te maken, uit gebrek aan voldoende verstandelijke
vermogens en dikwijls is het zeer moeilijk ze te bedwingen, vooral
als ze jong zijn of tot de zwakke sekse behooren!"
»Dat is een overeenkomst te meer met de menschelijke
wezens!" antwoordde kapitein Hod. »Zijn de mannen niet veel
gemakkelijker te leiden dan de kinderen en de vrouwen?"
»Me dunkt, kapitein, dat we beiden al te zeer celibatair zijn om in
een dergelijke aangelegenheid juist te oordeelen!"
»Goed geantwoord!"
»Om er een eind aan te maken," voegde Banks er nog bij, »ik beweer,
dat men niet te veel moet vertrouwen op de al te zeer geroemde goedheid
van den olifant en dat het onmogelijk zou zijn een troep van die reuzen
weerstand te bieden, als de een of andere reden ze woedend maakte en
'k had wel zoo lief, dat zij, die ons op dit oogenblik vergezellen,
iets in het noorden te doen hadden, omdat wij zuidelijk gaan!"
»Zooveel te meer nog, Banks," antwoordde kolonel Munro, »omdat,
terwijl ge 't zamen zoo druk hadt, Hod en gij, hun aantal onrustbarend
is toegenomen!"
VII.
HONDERD TEGEN EEN.
Sir Edward Munro vergiste zich niet. Onze trein werd nu door een massa
van vijftig of zestig olifanten gevolgd. Zij liepen in dichte rijen
en reeds bevonden zich de eerste zoo dicht achter het Stoomhuis--op
een afstand van minder dan tien meters,--dat het mogelijk was ze
nauwkeurig waar te nemen.
Aan het hoofd liep toen een van de grootste uit de groep, ofschoon
zijn grootte, vertikaal tot aan den schouder gemeten, stellig niet
meer dan drie meters bedroeg. Zooals ik reeds zeide, is dit een
grootte beneden die van de Afrikaansche olifanten, waarvan eenige
vier meters bereiken. Zijne slagtanden ook, niet zoo lang als die
van zijn Afrikaanschen stamgenoot, waren niet langer dan een meter
vijftig aan de buitenste kromming, en veertig van de beenachtige spil
af, die tot basis dient. Op het eiland Ceilon ontmoet men een zeker
aantal dezer dieren zonder slagtanden, overigens een geducht wapen
waarvan zij zich met behendigheid bedienen, doch in Hindostan komen
deze »mucknas,"--zoo worden ze genoemd--zeer zelden voor.
Achter dezen olifant kwamen verscheidene wijfjes, die de eigenlijke
bestuursters der karavaan zijn. Ware het Stoomhuis er niet geweest,
dan zouden zij de voorhoede hebben uitgemaakt en ware dit mannetje
stellig achter in de rijen zijner metgezellen gebleven. Inderdaad
verstaan de mannetjes niets van de leiding der kudde. Zij hebben niet
voor hunne jongen te zorgen en kunnen niet weten wanneer het noodig
is halt te houden voor de behoeften dezer »zuigelingen" en ook niet
welk soort van kampementen ze noodig hebben. Het zijn dus zedelijk
de wijfjes, die de »slagtanden" in het huisgezin dragen en de groote
verhuizingen besturen.
Om nu de vraag te beantwoorden waarom die geheele troep nu zoo opbrak,
of de behoefte uitgeputte weilanden te verlaten, de noodzakelijkheid
den steek van zekere noodlottige vliegen te ontvluchten, of misschien
de lust onze vreemde equipage te volgen, ze door de bergengten der
Vindhyas dreef, zou moeielijk geweest zijn te beantwoorden. Het land
was tamelijk vlak en volgens hunne gewoonten reisden deze olifanten,
zoodra zij zich niet meer in boschachtige streken bevinden, op
klaarlichten dag. Zouden zij ophouden bij het aanbreken van den nacht,
zooals wij zelven verplicht waren het te doen? De tijd zou het leeren.
»Kapitein Hod," vroeg ik onzen vriend, »je ziet die achterhoede van
olifanten, die steeds in aantal toeneemt! Blijf je er bij, geen vrees
te hebben?....."
»Kom!" riep kapitein Hod. »Waarom zouden die beesten ons kwaad
willen? 't Zijn geen tijgers, niet waar, Fox?"
»En niet eens panters!" antwoordde de oppasser, die het natuurlijk
eens met zijn meester was.
Doch bij dit antwoord zag ik Kâlagani het hoofd schudden ten teeken
van afkeuring. Hij scheen de volkomen gerustheid der beide jagers
niet te deelen.
»Je schijnt niet gerust te zijn, Kâlagani," zei Banks tot hem, die
hem op hetzelfde oogenblik aankeek.
»Zou de gang van den trein niet een beetje te verhaasten
zijn?" vergenoegde de Hindoe zich te antwoorden.
»Dat zal niet gemakkelijk gaan," hernam Banks. »We kunnen 't evenwel
beproeven."
En Banks begaf zich van de achterveranda naar het torentje waar
Storr zich bevond. Bijna op hetzelfde oogenblik deed het gebriesch
van den IJzeren Reus zich sneller hooren en verhaastte zich de gang
van den trein.
Maar al had men den gang van den trein verdubbeld, zou er toch
geen verandering in den toestand der reizigers gekomen zijn. De
kudde olifanten zou eenvoudig hare schreden verhaast hebben. Dit
geschiedde ook werkelijk en de afstand tusschen haar en het Stoomhuis
bleef dezelfde.
Verscheidene uren gingen op deze wijze voorbij, zonder belangrijke
verandering. Na het diner hernamen wij onze zitplaatsen onder de
veranda van het tweede rijtuig.
Op dit oogenblik bood de weg van achteren een rechtlijnige richting
van minstens twee mijlen aan, en was de blik dus niet begrensd door
plotselinge bochten.
Tot onze ernstige ongerustheid zagen wij dat het aantal olifanten
sedert een uur al weer was toegenomen! Wij konden er nu minstens een
honderd tellen.
Deze dieren liepen toen in twee- of driedubbele gelederen, al naar de
breedte van den weg, in alle stilte, met gelijken pas, zou men zeggen,
deze met opgerichten tromp, gene met de slagtanden in de lucht. Het
was als het geklots der baren, die door groote grondgolven worden
opgelicht. Niets bruischte nog op, om de gelijkenis voort te zetten,
maar als een storm deze bewegelijke massa met woest geweld deed
uiteenspatten, zou het gevaar waaraan we bloot stonden, vreeselijk
zijn.
Intusschen begon de nacht langzamerhand te vallen,--een nacht waaraan
het licht van de maan en de glans der sterren zouden ontbreken, want
een soort van nevel hulde de hoogere hemelstreken in diepe duisternis.
Zooals Banks voorspeld had, zou men in zulk een donkeren nacht
onmogelijk op deze moeielijke wegen kunnen voortgaan, men zou wel
moeten stilhouden. De ingenieur besloot dus halt te houden, zoodra een
verwijding der vallei of een uitholling in een minder nauwe bergengte
de dreigende kudde zou toelaten ter zijde van den trein heen te gaan,
en haar verhuizing naar het zuiden voort te zetten.
Maar zou de kudde dit doen, en zou zij niet liever kampeeren op de
plek waar wij zelve zouden kampeeren?
Dat was de groote quaestie.
Het werd trouwens merkbaar, dat de olifanten met het vallen van
den nacht eenige vrees uitten, waarvan wij op den dag geen enkel
verschijnsel hadden waargenomen. Een soort van machtig maar dof geloei
ontsnapte aan hunne enorme longen. Op dit verontrustend leven volgde
een ander geluid van bijzonderen aard.
»Welk geluid is dat nu?" vroeg kolonel Munro.
»Dat is het geluid, dat deze dieren voortbrengen," antwoordde Kâlagani,
»als ze zich in tegenwoordigheid van een vijand bevinden."
»En dat zijn wij, 't kan niet anders zijn dan wij, die ze als zoodanig
beschouwen?" vroeg Banks.
»Ik vrees het!" antwoordde de Hindoe.
Het was alsof het in de verte donderde en het herinnerde aan het
geluid, dat men achter de schermen van een tooneel voortbrengt door een
stuk opgehangen ijzerblik in trilling te brengen. Terwijl de olifanten
het uiteinde hunner tromp op den grond wreven, ontlastten zij zich van
énorme hoeveelheden lucht, die zij door een langdurige opsnuiving in
hunne longen geborgen hadden. Dat was de oorzaak van dien machtigen
en diepen klank, die het hart toekneep als het gerommel van den donder.
Het was toen negen uren 's avonds.
Op deze plek diende een soort van kleine, bijna ronde vlakte, een
halve mijl in omtrek, tot uitgang van den weg, die naar het Puturia
meer geleidde, in welks nabijheid Kâlagani ons kamp meende op te
slaan. Maar dit meer bevond zich nog op een afstand van vijftien
kilometers, en wij moesten opgeven het voor den nacht te bereiken.
Banks liet nu halt houden. De IJzeren Reus bleef staan, maar men
spande hem niet uit. De vuren werden zelfs niet uitgedoofd en Storr
kreeg bevel zich altijd onder drukking te houden, teneinde den trein
op het eerste signaal te kunnen doen vertrekken. Men moest zich op
alle mogelijkheden voorbereid houden.
Kolonel Munro trok zich in zijn kamer terug. Wat Banks en kapitein
Hod aangaat, zij wilden liever niet naar bed gaan en ik verkoos bij
hen te blijven. Het geheele personeel was trouwens op de been. Doch
wat vermochten wij, als het den olifanten in den zin kwam zich op
het Stoomhuis te werpen?
Gedurende het eerste uur van ons waken hield een dof geruisch om het
kamp aan. Blijkbaar verspreidden de groote massa's zich over de kleine
vlakte. Zouden ze haar oversteken en hun weg naar het zuiden vervolgen?
»'t Blijft altijd mogelijk," zei Banks.
»'t Is zelfs waarschijnlijk," voegde kapitein Hod er bij, die er
altijd het beste van bleef denken.
Tegen omstreeks elf uren, nam het geraas allengs af en tien minuten
later, had het geheel opgehouden.
De nacht was toen volkomen stil. Het minste vreemde geluid zou ons
oor getroffen hebben. Men hoorde niets dan het doffe gerommel van
den IJzeren Reus in het donker. Men zag niets dan den vonkenregen,
die nu en dan uit zijn tromp ontsnapte.
»Welnu," zei kapitein Hod, »had ik geen gelijk? Zij zijn vertrokken,
die goede olifanten!"
»Goede reis!" antwoordde ik.
»Vertrokken!" antwoordde Banks, het hoofd schuddende. »Dat zullen we
gauw te weten komen!"
Daarna den machinist roepende, zeide hij:
»Storr, de lichten."
»Dadelijk, mijnheer Banks!"
Twintig seconden later sprongen twee electrische bundels stralen uit
de oogen van den IJzeren Reus, die door een zelfwerkend mechanisme
alle punten van den horizont in vollen gloed zette.
En tot hunne ontsteltenis zagen zij nu, dat de olifanten in een wijden
kring om het Stoomhuis gelegerd waren, onbeweeglijk, als ingeslapen,
slapende misschien. Het electrische vuur, dat hunne dichte massa's
onduidelijk verlichtte, scheen ze met een bovennatuurlijk leven
te bezielen. Door een eenvoudig gezichtsbedrog namen die monsters,
welke meer rechtstreeks door de schitterende stralen getroffen werden,
reusachtige afmetingen aan, waardig om met die van den IJzeren Reus
te wedijveren. Verschrikt vlogen ze op, alsof ze door een vurigen
prikkel waren gestoken geworden. Hun tromp stak naar voren uit,
hunne slagtanden richtten zich op. Men zou gezegd hebben, dat zij den
trein gingen bestormen. Een schor gebrom ontsnapte aan hun énormen
muil. Spoedig zelfs deelde zich deze plotselinge woede aan allen mede
en klonk een oorverdoovend concert ons kampement in het rond, alsof
honderd klaroenen tegelijk een wijdklinkend appél hadden aangeheven.
»Doof uit!" schreeuwde Banks.
De electrische stroom werd plotseling afgebroken en het getier hield
bijna onmiddellijk op.
»Ze zijn in een kring gelegerd," zei de ingenieur, »en zullen zich
daar morgen ochtend nog bevinden!"
Uit de gelaatstrekken van kapitein Hod meende ik op te maken, dat
zijn vertrouwen nu toch eenigszins aan het wankelen gebracht was.
Hoe te handelen? Kâlagani werd geraadpleegd en deze verborg zijne
ongerustheid niet.
Kon men er aan denken het kampement in het midden van dezen donkeren
nacht te verlaten? Dat was onmogelijk. Waartoe zou dat trouwens ook
gediend hebben? De troep olifanten zou ons zeker gevolgd hebben en
stellig waren de moeielijkheden grooter dan op den dag.
Men kwam dus overeen, dat men eerst met het krieken van den dag op weg
zou gaan. Men zou met de grootst mogelijke voorzichtigheid en snelheid
vooruitgaan, maar zonder den geduchten stoet vrees aan te jagen.
»En als nu die dieren ons hardnekkig blijven volgen?" vroeg ik.
»Dan zullen we beproeven een plek te bereiken waar het Stoomhuis zich
buiten hun bereik kan stellen," antwoordde Banks.
»Zullen we die plek vinden, voordat we de Vindhyas verlaten
hebben?" zei kapitein Hod.
»Er is er een," antwoordde de Hindoe.
»Welke?" vroeg Banks.
»Het Puturiameer."
»Hoe ver is dat nog?"
»Nog ongeveer negen mijlen."
»Maar de olifanten zwemmen," antwoordde Banks, »en misschien beter
dan één ander viervoetig dier! Men heeft er gezien, die meer dan een
halven dag lang op de oppervlakte van het water verbleven! Is het
daarom niet te vreezen, dat ze ons op het Puturiameer volgen en dat
het Stoomhuis daardoor nog meer in gevaar wordt gebracht?"
»'k Zie geen ander middel om ons aan hun aanval te onttrekken!" zei
de Hindoe.
»We zullen het dan beproeven!" antwoordde de ingenieur.
Het was werkelijk het eenige wat we doen konden. Misschien zouden de
olifanten het niet durven wagen, om in deze omstandigheden te zwemmen
en misschien ook konden we 't in snelheid van hen winnen!
Men verbeidde met ongeduld den dag, die dan ook eindelijk aanbrak. Men
had niet de minste vijandige beweging gedurende het overige van den
nacht bespeurd; maar bij het opgaan der zon was geen enkele olifant
van plaats veranderd en het Stoomhuis van alle kanten ingesloten.
Er had toen een algemeene opschudding op de plek van het
kamp plaats. Het was alsof de olifanten aan een wachtwoord
gehoorzaamden. Zij schudden hun snuit, wreven hunne slagtanden tegen
den grond, maakten hun toilet, door zich met water te besproeien,
haastten zich nog hier en daar eenige mondvollen gras tot zich te
nemen, waarmede de bodem dik bezet was en begaven zich eindelijk
dichter bij het Stoomhuis, zoo dicht zelfs, dat men ze uit de vensters
met pieken zou hebben kunnen verwonden.
Banks beval ons evenwel ten sterkste aan, ze niet te tergen. Het
kwam er vooral op aan geen voorwendsel tot een plotselingen aanval
van hunne zijde te geven.
Intusschen begonnen enkele olifanten onzen IJzeren Reus al meer en
meer op de hielen te zitten. Blijkbaar wilden zij te weten komen
wat dat énorme dier was, dat zich tot nog toe onbeweeglijk gehouden
had. Beschouwden zij het als een hunner stamgenooten? Vermoedden
zij, dat er een verwonderlijke macht in hem school? Den vorigen dag
hadden zij geen gelegenheid gehad hem aan 't werk te zien, omdat
hunne eerste rangen zich altijd op een zekeren afstand achter den
trein hadden gehouden.
Maar wat zouden zij doen als zij hem hoorden zuchten, als zijn tromp
wolken stoom uitwierp, als zij hem zijne dikke gelede pooten zagen
oplichten en weder neerzetten, voortloopen en de twee rollende wagens
achter zich aan sleepen?
Kolonel Munro, kapitein Hod, Kâlagani en ik hadden voor op den trein
plaatsgenomen. Sergeant Mac Neil en zijne metgezellen bleven achter.
Kâlouth stond voor den vuurhaard van zijn stoomketel, dien hij
met brandstof bleef voorzien, niettegenstaande de stoom reeds vijf
atmosfeeren drukking bereikt had.
Banks, in het torentje bij Storr, hield de hand aan den regulateur.
Het oogenblik van vertrek was daar. Op een wenk van Banks, liet de
machinist de stoomfluit haar doordringend schel geluid hooren.
De olifanten spitsten het oor; daarna, een weinig achteruitgaande,
lieten zij den weg eenige passen ver open.
De stoom werd in de cilinders gelaten, en met geweld baande hij zich
door den tromp een weg naar buiten, de wielen der machine brachten de
pooten van den IJzeren Reus en daardoor den geheelen trein in beweging.
Men zal mij wel willen gelooven als ik verzeker, dat er zich in het
eerst een levendige verbazing openbaarde bij de dieren, die elkander
in de eerste rangen verdrongen. De doorgang tusschen hen in verwijdde
zich en de weg scheen nu vrij genoeg om het Stoomhuis een snelheid
te doen aannemen, die gelijk kon gesteld worden met die van een paard
in den draf.
Maar onmiddellijk zette zich ook de geheele »proboscideaansche
massa,"--een uitdrukking van kapitein Hod,--zoowel voor als achter,
in beweging. De eerste groepen stelden zich aan het hoofd van den
stoet, de laatste volgden den trein. Allen schenen vastbesloten hen
niet te verlaten.
Terzelfder tijd werden wij aan de zijde van den weg, die hier breeder
was, door andere olifanten vergezeld, als ruiters aan de portieren van
een staatsiekoets. Mannetjes en wijfjes, alles liep door elkander. Er
waren er van allerlei grootte, van allerlei leeftijd, jongelingen
van vijfentwintig jaren, volwassenen van zestig, oude dikhuiden van
meer dan honderd jaren, zuigelingen bij hunne moeders, die met de
lippen aan hunne borsten en niet met hun tromp--zooals men het wel
eens geloofd heeft,--onder het loopen, zogen. De geheele troep hield
hierbij een zekere orde in acht, haastte zich niet meer dan noodig
was en regelde zijne schreden naar die van den IJzeren Reus.
»'k Heb er vrede mee, dat ze op ons die wijze tot aan het meer
vergezellen," zei kolonel Munro.
»Ja," antwoordde Kâlagani, »maar hoe zal 't gaan als de weg weder
smaller wordt?"
Daarin was het gevaar gelegen.
Niets bijzonders had er plaats in de drie uren, die besteed werden om
twaalf kilometers af te leggen van de vijftien, die de afstand bedroeg
van het kamp naar het Puturiameer. Twee of drie keeren slechts,
hadden zich eenige olifanten dwars op den weg gesteld, alsof het
hun plan was geweest hem te versperren, maar de IJzeren Reus liep
met zijn slagtanden in horizontale richting vooruit op hen toe,
spuwde hun zijn stoom in het gezicht en dwong hen te wijken om hem
den doorgang vrij te laten.
Ten tien ure 's morgens bleven nog vier à vijf kilometers over om
het meer te bereiken. Daar,--men hoopte het althans,--zouden wij
betrekkelijk in veiligheid zijn.
Het spreekt van zelf, dat, indien de houding van de énorme kudde niet
vijandiger werd vóór onze komst aan het meer, Banks dit westelijk liet
liggen, zonder er zich op te houden, teneinde den volgenden morgen uit
de streek der Vindhyas te komen. Van daar naar het station Jubbulpore
zou het dan nog slechts een quaestie van eenige uren zijn.
Ik voeg hier nog bij, dat het land niet alleen zeer woest,
maar volkomen verlaten was. Geen enkel dorp, geen enkele
landhoeve,--tengevolge van het gebrek aan weiden,--geen enkele
karavaan, zelfs geen reiziger. Sedert onze komst in dit bergachtige
gedeelte van Bundelkund, hadden wij geen levende ziel ontmoet.
Tegen elf uren begon de vallei, door het Stoomhuis gevolgd, tusschen
twee machtige zijgebergten der keten, zich te vernauwen en z
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/38449