Verspreide Opstellen, I
by Jan Ligthart · Dutch · Gutenberg #38396 · 385,761 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Verspreide Opstellen, I
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Verspreide Opstellen, I
Author: Jan Ligthart
Release date: December 24, 2011 [eBook #38396]
Most recently updated: September 3, 2020
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/38396
Credits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VERSPREIDE OPSTELLEN, I ***
Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net
{~--- UTF-8 BOM ---~} +---------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
| hernummerd en verplaatst naar het eind van de alinea met de |
| verwijzing. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: |
| met of zonder accent, trema of koppelteken. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |
| ~uitgespatieerd~. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| Het tweede deel van 'Verspreide Opstellen' is als e-boek |
| no. 38397 beschikbaar is via Project Gutenberg: |
| https://www.gutenberg.org/ebooks/38397 |
| |
+---------------------------------------------------------------+
VERSPREIDE OPSTELLEN.
I.
VERSPREIDE OPSTELLEN
VAN
JAN LIGTHART.
I.
TWEEDE DRUK.
UITGEGEVEN VOOR HET LIGTHART-COMITÉ DOOR
J. B. WOLTERS' U.M.--GRONINGEN, DEN HAAG, 1917.
In deze serie zijn verschenen:
JAN LIGTHART, Verspreide Opstellen, I _2e dr._ f 0,70
JAN LIGTHART, Verspreide Opstellen, II - 0,70
JAN LIGTHART, In Zweden _2e dr._ - 0,95
en zullen in den loop van 1918 of 1919 verschijnen:
JAN LIGTHART, Over Opvoeding, I.
JAN LIGTHART, Over Opvoeding, II.
JAN LIGTHART, Jeugdherinneringen.
TER INLEIDING.
Op verzoek van den uitgever J. B. Wolters belastte Jan Ligthart zich in
het jaar 1899 met de redactie van een nieuw opvoedkundig weekblad. Dat
blad noemde hij School en Leven.
Dat was niet een toevallige titel, noch minder een mooie leuze. Voor
leuzen, mooie woorden, die niet staan voor een inhoud, een zaak, was
Ligthart zoo bang, zoo bang, en aan het toeval liet hij niet graag iets
over bij zijn werk. Wat hij deed, deed hij goed, tot in de uiterste
puntjes verzorgd. Een titel of een opschrift vond hij niet iets, dat
zijn aandacht onwaardig was.
Die naam drukte een beginsel uit. Ook dat is nog onvolkomen gezegd. Een
beginsel is een algemeene grondstelling, van waaruit gevolgtrekkingen
worden gemaakt, die dan gelden of gelden moeten voor een bijzonder
geval. En juist die manier van handelen had in Ligtharts oogen zoo
groote gevaren. Hij vreesde, dat het levende, het persoonlijke, het
eigen-aard-ige, d.i. dat, wat zijn eigen aard en natuur heeft in zijn
aard en natuur miskend zou worden door het te brengen onder algemeene
regels.
Die naam School en Leven was een openbaring van zijn wezen. Ik zeg niet
van zijn opvoedkundig denken. Want opvoedkunde was voor Ligthart niet
alleen product van denken: opvoeden was voor hem liefhebben, begrijpen,
meevoelen. Het was zich zelf opvoeden en zich zelf verloochenen, het
was géven. Geven in blijmoedigheid, in dankbare overgave.
Zoo vloeide al zijn opvoedkunde voort uit zijn opvoeden. Hij begon niet
te redeneeren, hij zette vooraf geen zwaarwichtige theorieën op. Hij
ving niet aan met een stelsel te ontwerpen, dat hij opgebouwd had op
grond van beschouwingen en overwegingen.
Neen, hij vond een taak voor zich, kinderen, die hij moest opvoeden, die
hij kennis moest bijbrengen, die hij moest helpen, hun slechte neigingen
te overwinnen. Hij begon maar met die taak, want opvoeden kan immers
geen uitstel lijden. Hij begon door zich aan het kind te geven. En al
werkende, leerde hij het kind in 't algemeen, het kind in het bizonder
kennen. Wat men zoo innig liefheeft, leert men spoedig kennen, verstaat
men dus. En zoo deelde hij, uit de schatten van zijn ervaring, lessen
uit, zoo trachtte hij ons het kind te leeren zien, als zijn eigen, snel
indringende blik het ontdekt had. Omdat hij zich gaf, was zijn opvoeden
zooals zijn leven, en zijn opvoedkunde was zooals zijn opvoeden, omdat
hij zoo door en door echt was en de klove tusschen zijn en uiting niet
kon verdragen.--Zoo werd de naam School en Leven een openbaring van
_Ligtharts_ wezen.
_De school._ Ligthart was met geheel zijn hart schoolmeester. Hij leefde
in en voor de school.
Wie hem bezocht, werd aldra uit zijn tuin meegenomen naar het
schoolgebouw, dat er naast lag. En hij toonde hem den schooltuin, de
schoolplaten, de nieuwe leermiddelen, de nieuwe modellen, die de
kinderen hadden gemaakt.
Hij heeft nooit iets anders willen zijn en worden, dan schoolmeester.
Voor hem zijn er--zoo werd na zijn dood opgemerkt--schoolmeesters
geweest, die ook beroemd werden en tot de verstandelijk oppersten van
ons land gerekend werden. Maar dan waren zij schoolmeester af geworden,
en werden dan bekend als staatsman, geleerde, of iets anders. Doch
Ligthart verstond het voor het eerst, tot het keurkorps onzer leidende
geesten gerekend te worden als _schoolmeester_.
Voor de school werkte hij. Hij begreep dat de menschelijke kracht klein,
de tijd van leven en arbeiden kort is, en dat men dus, om iets tot stand
te brengen, zijn krachten niet over een te groot gebied moest verdeelen,
maar op beperkte ruimte samentrekken. Toen hij mij na den derden
jaargang opnam in de redactie van School en Leven schreef hij mij: zoo
zullen we samen probeeren iets aan de opvoeding en in de school te
verbeteren, aan Hooger Macht overlatende de geheele maatschappij te
vervormen.
Ten opzichte der opvoeding en van het onderwijs stelde hij den
schoolman als allereerste eisch, dat die zorgen moest, dat de kinderen
in de school met opgewektheid in een vredige, vriendelijke atmosfeer
rustig en degelijk leerden werken.--Zeker, de onderwijzer mocht zijn
belangstelling wijder uitstrekken, zijn bemoeiingen uitbreiden, in de
breedte en de diepte, maar zijn eerste werk lag in de school!
_Het leven._ Daar zal Ligthart allereerst mee bedoeld hebben het
practische leven. Hij wilde een innig verband tusschen de school en
het leven. Welke taak heeft het leven voor ons? Die vraag moeten wij
beantwoorden, als wij gaan onderwijzen. Welke kennis, welke vaardigheden
zullen later van een kind geëischt worden? Geef het die in de school,
op de kortst mogelijke, op de duidelijkste wijze.
Raadpleeg dus de levenspractijk. Voer het kind de wereld in, en breng de
wereld bij het kind. Hoe rijk is onze omgeving aan stof voor onderwijs,
voor nadenken.[1]
[1] Zie omtrent de bijzondere wijze, waarop Ligthart dat heeft gedaan,
het tweede deel dezer uitgave: "In Zweden".
Hij wil geen schijnwetten, noch boekengeleerdheid. Hij wil kennis, die
een deel geworden is van ons zelf. Ons voedsel wordt omgezet in spier en
been en zenuw en bloed; zoo ook moet het geestelijk voedsel opgenomen
worden, een deel van ons zelf, dat wij er mee kunnen denken, voelen en
handelen.
* * * * *
Toch denkt Ligthart nog aan iets diepers en meer omvattends, wanneer hij
van leven spreekt. Men kan er geene nauwkeurige bepaling van geven. In
het woord sterft de werkelijkheid. Onze verstandelijke begrippen zijn al
ontoereikend, om het inwendige, onmiddellijk ons zelf bewuste zijn, te
omlijnen. En het woord, dat die begrippen dan aanduidt, wordt vaag en
hard tegelijk, het is nòch nauwkeurig, nòch wisselend met het leven mee.
Léven--dat is voor Ligthart beweging, wisseling en stage verglijding,
maar tevens kracht, werking. Het levende staat geen oogenblik stil: het
is elk volgend oogenblik iets anders, dan het was in het voorafgaand
moment. Het oefent invloed uit, doet iets van zich uitgaan, om op zijn
beurt ook wijzigenden invloed te ondergaan van wat het omringt. Leven is
een geheel: het is met ontelbare draden doorweven, die de verschillende
levensuitingen samenhouden, die ons voeren van de eene openbaring tot de
andere. Zet het mes in dat leven, om er een stuk uit te halen, teneinde
dit als afzonderlijk geheel te beschouwen, dan snijdt ge de vezels door,
waarmee dat deel vastzat aan het andere en krijgt ge iets, dat anders
is.
Het levende is het schoone, het boeiende, het bekoorlijke. Want het
heeft zijn frischheid en doelmatigheid, die niet alleen een lust voor de
stille beschouwing zijn, maar ook onze aandacht tot zich trekken, onze
sympathie wakker maken.
Tegenover dit leven staat de dood, die niet meer werkt, die geen hooger
ontwikkeling meer toelaat. Overal speurt Ligthart die tegenstelling.
Is een geloof niet dood, als het zich niet uit in daden van geloovende
en vertrouwende menschenliefde? Is het anders met den oudernaam, dien
gij U toeëigent, maar die U niet toekomt, wanneer er vaderzorg noch
moederliefde is? Welke winst weet uw paedagogiek U op te leveren, als
zij u alleen regels geeft, die ge werktuigelijk kunt toepassen, maar die
onrecht doen aan het kind, waarop ge uw regel toepast. Dood is uw naam,
dood uw paedagogiek.
Dood en leven, altijd blijvende tegenstelling. Het leven is er, om voor
het leven te strijden. Elk oogenblik dreigt ons het leven te ontzinken,
drijven we naar de stilstaande wateren des doods, waar rotting is en
afsterving.
Prediker en verkondiger van het leven is Ligthart geweest. Hij kon dat
zijn, omdat hij het zoo innig liefhad. De kleine levensvreugden zelfs
versmaadde hij niet, maar wist hij dankbaar te genieten: een gesprek met
een vriend, bij de warme kachel onder een kopje thee was hem een genot.
De natuur wist hem groot en gelukkig te stemmen De wijde heide, het
breede water, het ruischende bosch, het golvende korenveld; de hemel,
waar blauw brak door lichte wolk of een goud-rand een donkere wolk
omzoomde, dat alles kon hij genieten met een intense vreugde. Het spel
der golven, glijdend en wisselend, van tint veranderend, een bewogen
oneindigheid, boeide oog en mijmerenden geest. Het vlugge spel der nest
bouwende en voedsel zoekende vogels volgde hij, ook in zieke dagen, met
gespannen aandacht. Had de kunst niet eveneens diepe ontroeringen voor
hem? Hij leefde in een zin- en zangrijke uitdrukking, hij laafde zich,
als hij dorstig was naar verkwikking, aan Vondel en Huyghens, aan
Staring en Van Eeden. De menschenwereld, om wier zonde en slechtheid, om
wier leed en ellende zijn teere ziel schreide, beurtelings met felle
smart en neergebogen leed, had toch nog zooveel aantrekkelijks voor
hem. Hij genoot van kinderlach en kinderspel en kinderarbeid: kortom
kinderleven, dat is kindergroei. Hij kon ontroerd zijn over de weldadige
hulpvaardigheid van een arme hofjes-bewoonster, en dankbaar voor de
edele daad van een goed man. Het was een vreugd in zijn leven, als hij
vertellen kon van een onderwijzer, die zich aan zijn klas, een moeder,
die zich aan haar gezin, een predikant, die zich aan zijn gemeente
wijdde. Hij wist verborgen krachten, voor hem vreugden en schoonheden,
in anderen te ontdekken, en hij verblijdde zich, wanneer hij die zag
ontluiken en groeien, zich nauwelijks of niet bewust, dat ze ontloken
onder en door zijn lichtende liefde. Zijn tintelende geest, vol van
vonken-spattende humor, vonken, die lichtten, maar niet kwetsten--wist
ook overal het guitige te ontdekken, en anderen aan te wijzen.
Zoo had hij het leven, het volle leven in zijn verscheiden eenheid lief
met een groote, machtige liefde.
En toch was het leven hem niet gemakkelijk geweest. Het gaf hem mee een
zwak gestel, dat hem kwelde, van zijn jonge kinderjaren tot het uur van
zijn sterven. Een zwak hart, met al de benauwdheden en kwellingen, die
er mee kunnen samengaan, was zijn deel. Hij had een wonderbaar fijn
besnaard gemoed, zoodat hij onrecht, anderen aangedaan, als zijn eigen
leed voelde. Zijn hart bloedde van deernis met al de arme kinderen, die
onder dwaasheid, onverschilligheid en booze harteloosheid leden. Heel
zijn sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel kwam in opstand tegen het
onrecht, dat Frankrijk pleegde in zijn Dreyfuszaak, Engeland beging met
zijn concentratiekampen en dat Duitschland met België's behandeling
op zijn geweten laadde.--De dood ontnam hem een zijner liefsten: zijn
eenigst zoontje stierf, toen het kind negen jaar was. Ook spaarden de
menschen hem niet. Hij moest ervaren, dat zijn woorden verdraaid en zijn
edelste bedoelingen verdacht werden gemaakt. De vale nijd zat uit te
kijken, of hij niet iets vinden kon, dat hem aangetijgd kon worden, of
waarmee zijn werk beklad kon worden. In zich zelf eerlijke bekrompenheid
riep hem voor haar rechterstoel, woog hem en vond hem te licht. Maar de
grootste moeilijkheid gaf het leven Ligthart in zijn altoos doorgaande
worsteling om God. Hij had het absolute, het eenig vaste willen grijpen,
in deze voorbijgaande en zondige wereld. Boven de vergankelijke
vluchtigheid en de zich zelfzoekende eigenbaat der menschen, voelde
hij den Eeuwige, in zijn onveranderlijke trouw en Heiligheid. Hij
wilde Hem kennen, niet door een stelsel, een geloofs_leer_, maar door
geloofs_leven_. Hij wilde God in zijn leven ervaren en openbaren.
Hem ervaren en openbaren dan vooral, als "onspoeds felle slagen" hem
deerden. Dan wilde hij zijn lijden opvatten als een zegenende, wijl
louterende gerechtigheid. God moest voor hem zijn hoogste leven, het
Leven zelf zijn, waarin hij eigen leven veilig geborgen wist. De
aardsche openbaring van dat Leven wilde hij in Christus' gestalte
zien, wiens rood-gouden liefde hem alle aardsche liefde kleurloos
liet schijnen. Tegenover deze zielsneiging streed dan weer het scherpe
ontledend verstand, dat dit geloof redelijk wilde begrijpen, botste ook
de lichaamszwakte en de benauwdheid, die soms bijna tot smartelijke
vertwijfeling werd.
Neen waarlijk, aan moeite, aan levensleed ontbrak het Ligthart niet.
Toch was hij de bezielde profeet van het leven, omdat hij het liefhad
met een innige liefde, omdat hij er meer en meer in leerde zien, Gods
taak en Gods geschenk, ons opgelegd en toebedeeld.
* * * * *
_School en Leven._ Ligthart zou het zelf niet zoo uitgelegd hebben,
als men hem vroeg, waarom het zoo heette. Hij was een intuïtief, een
spontaan man, een aan de kunstenaars verwant gemoed. Niet uit het
beredeneerde overleg, maar uit de diepere onbewustheid ontsprongen zijn
gedachten, zijn opmerkingen. Zoo werden zijn woordspelingen plotseling
geboren als lichtflitsen. Zoo ontdekte hij ineens een beeld, een
gelijkenis, bracht een boekweitveld hem op een paedagogische gedachte,
kon een bezoek aan een ringoven hem een opvoedkundig artikel in de pen
geven. Een voorval dat hij beleefde, zette hem aan 't denken en zette
zich om tot een studie. Het leven treft hem en hij reageert er op met
zijn geheele zijn, met al zijn weten, ervaren en voelen,--hij antwoordt
op het leven met zijn leven.
* * * * *
Zoo zijn in de woorden, School en Leven, de grondtrekken gegeven van
Ligtharts paedagogiek.
Het blad had een ondertitel. Het was een blad _voor opvoeding en
onderwijs in school en huisgezin_. Ook in dezen titel kwam Ligtharts
neiging tot geheelen weer uit. Hij zag met vreugde de samenwerking van
school en huisgezin. Hij wilde geen scheiding. Maar het gezin moest
ook onderwijzen. Het kind moest dit niet alleen van de school, maar
ook in het huisgezin leeren. De moeder kan, onopzettelijk, de kinderen
rondleiden in de natuur, inleiden in de boeken, plaatjes met de kinderen
bezien, aldus de ontwakende belangstelling der kinderen bevredigend
en tegelijk hun weetlust opwekkend. En herhaaldelijk heeft Ligthart
voorbeelden, practische voorbeelden gegeven, hoe men in huis kan
onderwijzen. En de school is niet alleen een leerinstelling: zij
moet ook opvoeden, zij moet de karaktervorming van het kind niet
verwaarloozen. Trouwens, onderwijst men goed, dan voedt men ook op; wie
de krachten van het kind in het werk stelt, zóó, dat het met vreugde
arbeidt, onderwerpt de booze neigingen.
* * * * *
Ligthart heeft School en Leven geredigeerd tot zijn dood, al moest hij
de redactie ook overlaten, als uitlandigheid of ziekte hier toe noopten.
Maar dan werd het zooveel mogelijk in zijn geest en naar zijn
opvattingen geleid.
Hij was in dit blad de beminnelijke gastheer, nooit de starre betweter.
Wie lust had, kon het uitspreken, als hij 't goed meende--ook al
verschilde hij van den redacteur.
En hij zelf gaf zich ook in zijn blad, geheel en onvoorwaardelijk. Hij
was er als in een familiekring, zei hij zelf.
* * * * *
Hij wilde steeds zoo schrijven, dat de menschen hem lazen. Hij kwam tot
de lezers. Hij stelde zich voor, dat ze, moe van hun dagtaak, afgetobd
door werk, verzonken in zorg, gekweld door leed dikwijls, hun krant
openden. Dan moesten ze als 't ware aan 't lezen gebracht worden. Ze
moesten door den vorm geboeid, door den inhoud gelokt worden, om zoo,
ontheven aan zich zelf, in eens op te gaan in denken over 't kind.
Ligthart ging tot de lezers, om ze mee te nemen naar zijn eigen, lichte
hoogten; niet, om bij hen te blijven.
Omdat hij zoo sprak tot de lezers, zette hij ze aan 't werk. Hij
prikkelde hun denken, daarmee ook hun tegenspraak. En (als dat geen
vervelend betweterig geschrijf was, alleen een genoegen voor den man,
die het gaf, maar een last voor den redacteur en een ergernis voor den
lezer), dan gunde hij graag ruimte aan die tegenspraak, verduidelijkte
zijn meening, verklaarde zich nader en eindigde dikwijls met het
gemeenschappelijke in de overtuiging der verschillende auteurs aan te
wijzen.
Sommige zijner opstellen in School en Leven zijn bijeengebracht in de
twee bundels, Over Opvoeding, die nu reeds in vierden druk verschenen
zijn.
Maar nog altijd rustten in de verschillende jaargangen van School en
Leven stukken, die bewaard moesten blijven.
Van die stukken verschijnt hier thans een eerste bundel. Hij is, met
eenige zeer geringe medewerking van mijn zijde, bijeengelezen door
Mevrouw Ligthart, die er hier en daar een enkele noot aan heeft
toegevoegd. Voor het overige is de bundel, in afwisseling en
opeenvolging der stukken, zoo samengesteld als Mevrouw Ligthart
vermoedde, dat de auteur het zelf zou hebben gedaan.
Ligthart schreef in het laatst van zijn leven vereenvoudigde spelling.
De artikelen, in die spelling geschreven, hebben wij niet gewijzigd: al
moest daardoor deze bundel ook in twee spellingen verschijnen. Maar wij
wenschten niet te kort te doen aan de overtuiging van den auteur, die
welbewust de vereenvoudigde was gaan gebruiken, toen de regeering dwong,
deze spelling uit de school verwijderd te houden.
* * * * *
Deze uitgave, die niet veel minder copie bevat dan de bundels Over
Opvoeding, die f 2.50 kosten, is veel goedkooper. Mevrouw Ligthart
heeft gaarne de copie voor deze uitgave afgestaan, de uitgever heeft
alleen zijn oorspronkelijke kosten, geenerlei winst berekend, en deze
berekening, ondanks de sterk verhoogde papierprijzen, gestand gedaan.
Ten slotte had het Ligthart-comité de gelegenheid, om deze uitgave
geldelijk te steunen.
* * * * *
Deze bundel is de eerste, die met hulp van dat comité verschijnt. Het
werd spoedig na Ligtharts dood in Februari, opgericht, op aanstichting
der heeren De Jong en Eigenhuis, schoolhoofden te 's-Gravenhage. Tal van
mannen en vrouwen--uit de meest verscheidene kringen der gemeenschap
en van onderscheidene levensrichting--vereenigden zich, om gelden te
verzamelen, teneinde een goedkoope uitgave zijner geschriften mogelijk
te maken. Steun ondervond dit comité in ruime mate. Zoo kon deze bundel
verschijnen, die weldra gevolgd zal worden door het boeiende reisverhaal
In Zweden. Wij kunnen daarna nog doorgaan, al zou het ook een poos
moeten duren, voor wij ook de Jeugdherinneringen goedkooper verkrijgbaar
kunnen stellen.
Het ligt in de bedoeling, dat bij elk deel een korte inleiding van mijn
hand komt, om het in zijn aard te karakteriseeren, en één zijde van
Ligtharts rijke persoonlijkheid te belichten. Zij, die reeds nu meer en
vollediger omtrent den mensch ingelicht wenschen te worden, zullen hun
weetlust kunnen voldoen door de lezing van het gedenkboek: Jan Ligthart
herdacht, dat in October 1916 bij Ploegsma is verschenen. De uitgever
heeft het comité een aantal exemplaren afgestaan, en zoo is het in
verschillende leeszalen zeker te krijgen.
* * * * *
En zoo moge dan deze bundel de wereld ingaan en licht en zegen
verspreiden. De zon is onder voor onze oogen, maar nog is haar glans en
warmte op de aarde.
R. CASIMIR.
I. VROEGE TUCHT.
Een kind is Godlik van natuur. Aan 't eeuw'ge
Ontstegen brengt het in zijn ziele kennis
Van 't Godlike en ook herkennen mee.
Het Hoogste, Heerlikste is hem nabij.
Zich bang, bedrukt en klein te voelen, daarvoor
Is gelegenheid en tijd op aarde!
Eèr het al vroeg! Behoud het als een engel!
Vertrapt het ene van z'n schone bloemen--
Bestraf het--als men kindren straft--om moord;
Liet het zijn rozenstruik achtloos verdorsten,
De arme moeder van veel arme kindren,--
Weiger dan hem zijn koele waterdronk;
Heeft het vernield een nest van jonge vogels--
Laat op de harde vloer hem hongrig slapen,
Van Moeder, Vader, broertjes, zusjes ver--
Menigeen zal deze dichtregelen uit Schefer's "Laienbrevier", zo
innig-ernstig door Buist vertaald, met bizondere instemming gelezen
hebben. "Een kind is Godlik van natuur. Eér het al vroeg! Behoud
het als een engel!"--dat wil er bij velen graag in. Er zijn heel
wat volwassenen, die dwepen met de onschuld der kinderen. Tegenover
de onreinheid en ongerechtigheid der volwassenen stellen ze dan de
ongereptheid der jeugd. Volwassenen zijn berekenend, huichelachtig,
schijnheilig, en wat niet meer! De wereld heeft ze bedorven. Als
kinderen waren ze naïef, oprecht, openhartig, mededeelzaam, welwillend,
rein, zonder naijver, wangunst, zelfzucht. Maar de wereld, o die wereld.
Die heeft de zuivere vruchten aangestoken, die heeft ze met allerlei
leliks besmet. En nu is er weinig of niets meer van het oorspronkelik
reine over.
Deze beschouwing kan ik niet delen. Wanneer kinderen rein schijnen,
zonder de vele ondeugden, welke de volwassenen in zichzelf en hun
medemensen veroordelen, het is niet door wezenlike reinheid, maar door
onrijpheid. Hun reinheid moet nog blijken in de strijd des levens.
Bezaten ze wezenlik de deugden, welke kortzichtige dweperij hun
toeschrijft, en misten ze inderdaad de ondeugden, welke men niet in hen
ziet, dan zouden ze, al ontwikkelend, die deugden ook in steeds rijker
mate moeten tonen, aan die ondeugden bij voortduring vreemd blijven.
Maar het goede en het kwade is bij hen evenzeer aanwezig als bij de
ouderen, anders zou het nooit te voorschijn kunnen komen. In kiem is
het er voorhanden. En nu gaat het niet aan van een reiner natuur te
spreken, omdat de onreinheid nog niet is kunnen uitgroeien. Eerst als
het leven met al zijn verleidingen tot zinnelikheid, hebzucht, eerzucht,
heerszucht, wangunst, de ziel onaantastbaar heeft bevonden, eerst dan
kan men spreken van wezenlike onschuld en reinheid. Maar hoe velen zijn
er, die deze proef des levens doorstaan? Prijs niemand gelukkig vóór
zijn dood, zei de wijze Solon. Evenzeer kan men zeggen: Noem niemand
rein, eer hij het leven heeft doorgemaakt.
Het leven is enerzijds een toetssteen, die 't zuivere goud in zijn
volle zuiverheid doet uitkomen. Maar anderzijds, en nog véél meer, kan
men het een smeltkroes noemen, waarin het goud van al zijn onzuivere
bijmengselen bevrijd wordt. Door levensstrijd, door levensleed worden
we gelouterd. Hierbij blijkt, hoe weinig echts en reins en goddeliks in
ons is, ondanks de schone waan uit onze jongelingsjaren. We boeten heel
wat zelfwaardering--altemaal zelfoverschatting--in, wanneer we in de
omgang met de wereld ervaren, niet hoe slecht de wereld, maar hoe slecht
_wij zelf_ zijn. En gelukkig, als we tot dat inzicht komen. Dan is er
altans enige hoop, dat we door de ervaring, toenemend in zelfkennis,
gaandeweg verbeteren, en de wereld een weinigje beter verlaten dan we
er ingetreden zijn.
't Klinkt sommigen misschien ongerijmd, maar voor mij is de grijsheid
licht onschuldiger dan de jonkheid, onschuldiger in de zin van reiner.
De jeugd is onwetend, onwetend ook van haar eigen kwaad, maar ze moet
nog een heel reinigingsproces doormaken, aleer ze ook onschuldig mag
heten. Dan pas mag ze rein worden genoemd, als ze bestand is tegen de
verzoeking, als ze door zedelike zuiverheid onvatbaar is voor 't kwade,
hoewel haar menselike natuur zich in volle kracht ontplooid heeft. Maar
zijn er zo velen? Neen, niet de wereld _maakt_ ons slecht, maar de
wereld doet uitkomen, hoeveel slechts er in ons _aanwezig_ is. Door een
kind buiten de wereld te houden, bewaren we het niet in reinheid, maar
in onrijpheid. Geen zedelike grootheid zonder strijd. En daarom mag het
niet wezen: "_Behoud_ het als een engel!", maar moet het veeleer luiden:
"Indien mogelijk, _maak_ het tot een engel."
* * * * *
Ik zou deze waan van kinderlike onschuld niet met zoveel nadruk
bestrijden, als hij niet zo veelvuldig werd aangetroffen en tot zoveel
misvatting en ontgocheling leidde. Daardoor toch zijn vele ouders
onnadenkend, zelfs onvoorzichtig en roekeloos in de opvoeding van hun
hele kleintjes, die lieve onschuldige wezentjes, terwijl ze onbillik
zijn tegenover de ouderen. Ze menen heus, dat die lieve onschuldige
wezentjes lief en onschuldig _zijn_ en dat ze ook heel best zo kunnen
blijven. En wanneer dan die liefheid en onschuld verdwijnen en de
kinderen ondeugend en nog erger worden, nemen ze dat die kinderen
kwalijk. Dan trekken ze gauw aan 't werk, om de verloren liefheid en
onschuld in hun kroost te herwinnen--met straf.
Zo wil ook de dichter van "Vroege Tucht":
Vertrapt het ene van z'n schone bloemen,
Bestraf het--als men kindren straft--om moord;
Liet het zijn rozenstruik achtloos verdorsten,
De arme moeder van veel arme kindren,
Weiger dan hem zijn koele waterdronk;
Heeft het vernield een nest van jonge vogels,
Laat op de harde vloer hem hongrig slapen,
Van Moeder, Vader, broertjes, zusjes, ver...
Zie nu toch eens aan. Eerst hebben we de kortzichtigheid begaan,
het kind een engel te achten, en nu het ons hierin teleurstelt, nu
er gewoon-menselike fouten voor den dag komen--onnadenkendheid,
onmeedogendheid, hardheid--nu moet het kind op dezelfde wijze behandeld
worden als waarop hij anderen behandeld heeft, opdat toch maar vooral
de engel in hem gehandhaafd blijve, met andere woorden, opdat de
volwassenen om hem heen in hun engelenwaan kunnen blijven voortdromen.
Wat heb ik het dikwijls gezien, dat ouders, ontnuchterd in hun dom
gedroom, boos werden op de gevallen engeltjes en hun teleurstelling met
straffen wreekten op de kleine, onwetende schavuiten. Dan werden die
onnozele zondaars voor hun vergrijpen bij de arm gegrepen, door elkaar
geschud, geslagen, de kamer uitgestuurd, van voorrechten beroofd of op
andere wijze gekastijd, alleen omdat ze geen engeltjes hadden kunnen
blijven, wat ze in de wieg zo plechtig beloofd hadden. Vroeger--zo
heette het dan--waren ze toch zo lief. En nu--
De drift der ouders was onbillik, maar begrijpelik. De mensen hadden
zichzelf niet tot volmaaktheid kunnen brengen, nu wilden ze tenminste
hun kinderen, die zo lief volmaakt _waren_, ook volmaakt _houden_. En
laten we aannemen, dat ze zulks niet wilden uit eigen gemakzucht, maar
uitsluitend in het belang der kinderen. Maar dom was het, en jegens de
kinderen schandelik onbillik, dat is niet tegen te spreken. Ze hadden
de fouten moeten voorzien, ze hadden de overtredingen moeten voorkomen,
ze hadden, wetende wat er te wachten was, daarop hun opvoeding
moeten inrichten. Ze hadden door nu en dan een enkel woord, door een
doeltreffend verhaaltje, maar bovenal door hun voorbeeld, door hun
omgang met de kleintjes, de gebreken reeds moeten bestrijden, aleer
deze zich openbaarden, de deugden moeten aankweken, die in de omgang
met mensen, dieren, planten en dingen, zo gauw gevaar lopen in de zeer
zelfzuchtige kinderhartjes, zelfzuchtig n'en déplaise die engelennatuur.
Ze hadden de invloed van hun rijper zedelikheid moeten doen gelden
en inwerken bij die onschuldige, ach neen onrijpe en dus onzedelike
beginnertjes in 't mensbestaan. En dat hadden ze al vroeg moeten doen,
al heel vroeg, zoodat de kindertjes _geleerd_ hadden--versta me wel:
_geleerd_--bloemen te ontzien, dorstige rozenstruiken te begieten en
vogelnestjes te sparen, en liever alles te verzorgen dan te vernielen.
Dan waren die harde straffen onnodig geweest.
* * * * *
Nu--worden de kinderen gestraft voor de achteloosheid en domheid der
ouders. En, dit maakt de zaak nog erger, met die straffen begaan de
ouders een twede fout. Als ze, straffende, de kinderen nog maar in 't
rechte spoor brachten. Maar ze brengen hen nog verder van 't pad. 't
Kind heeft gezondigd jegens bloemen, struiken, vogels. Nu begaan de
ouders dezelfde zonde jegens de kinderen. Jij hebt die bloem vertrapt,
nu zal ik 't jou doen. Jij hebt die struik dorst laten lijden, nu zal ik
jou naar water laten smachten. Jij hebt de jonge vogels hun slaaphoekje
verstoord, nu zal ik jou op de harde grond laten overnachten. Dan zul je
wel voelen, wat voor ellende je die arme wezentjes hebt aangedaan, en
voortaan zachter gestemd zijn en teerder handelen.
Dat lijkt er veel op, of men de duivelen wil verdrijven door Beëlzebub,
de overste der duivelen. Dat is het kwaad met het kwaad bestrijden. Ik
weet wel, dat het niet hetzelfde is, daar het kind hard was uit lust
of gevoelloosheid, terwijl de opvoeders hard waren uit plicht en juist
uit zorg voor hun kroost, dat er alzo een groot onderscheid was in de
bedoeling der daden en daardoor ook in de geest dier daden, maar het
feit is toch, dat men het kind hetzelfde _aandoet_, wat men in hem
veroordeelt.
De opvoedkundige redenering, waarop deze houding gegrond is, heeft
een kern van waarheid. Door ervaring moet een kind leren, hoe pijnlik
sommige dingen zijn, opdat hij er zich voor wachte jegens anderen. Maar
er is verschil tussen ervaring en ervaring. Het wezenlike kenmerk van
ervaring is het onontkoombare, het leven doet het u aan en niemand kan
er u dan voor behoeden. Ervaring brengt de gevolgen van uw daden. Gij
gaat door 't leven, en wat ge al gaande opdoet, dat is uw ervaring. 't
Is uw reactie op 't leven, 't is de reactie van 't leven op u. Maar de
gedragingen van zulke straffende opvoeders hebben niet het noodlottige
en daarmee de donkere ernst van de levenskastijding. Ze hebben iets
zeer opzetteliks, iets kunstmatigs en dus onnatuurliks en vaak zeer
onrechtvaardigs. De ervaring, die ze 't kind doen ondergaan, staat tot
wezenlike ervaring, als een kunstplant tegenover de natuur. En dit voelt
het kind ook wel, al maakt het zich dit onderscheid niet bewust. Het
voelt wel, dat het van al deze bestraffingen zeer wel verschoond had
kunnen blijven, als vader of moeder ze zich niet tot een paedagogiese
plicht hadden gerekend. Juist het opzettelike, gewilde, plichtmatige
ontneemt aan deze komedie-ervaring haar opvoedend karakter. Vaak ziet
men dan ook, dat het kind zijn oude zonden voortzet, doch er goed op
past, dat de ouders er niets van merken. Het vreest de straffende hand
en ontvlucht die. Dat kan het de echte ervaring nooit. Die ontvlucht
niemand, ook het kind niet. Een kind, dat zich eenmaal aan de
brandnetels geprikt heeft, is voortaan wel voorzichtiger. Maar hoe
dikwijls wordt een kunstmatige straf ontdoken of zelfs getrotseerd?
Daar komt nog iets bij. Niet ieder wordt door harde ervaring vertederd.
Ervaring kan een opwekking van meegevoel worden, maar 't kan ook
omgekeerd uitlopen. Door de ervaring kan men verhard worden. En door de
ervaring kan men ook tot de overtuiging komen, dat een toestand lang zo
treurig en meelijwaardig niet is, als wij eerst hadden gedacht. Een
teergevoelig, rijk kind, dat met medelijdend hartje naar sommige arme
kinderen ziet, zou misschien dat medelijden gans verliezen, als het
eens volkomen met die arme kinderen meeleefde. Wellicht zou het dan die
armoede nog niet zo'n erge ellende vinden, ja, de onbekommerdheid van
een woonwagenbestaan aantrekkeliker achten dan de weeldebekommernissen
van het paleisleven.
Zodat ik maar zeggen wil: dat we in de opvoeding wel ervaringswijsheid
moeten helpen aanbrengen, maar dat we ons wachten moeten voor een
averechtse toepassing van dit goede beginsel. En zulk een averechtse
toepassing acht ik aanwezig in de voorbeelden van onze dichter en
overal, waar men daarnaar handelt.
* * * * *
In het onderhavige geval haperde het bij 't kind aan tederheid. Welnu,
wat ligt dan meer voor de hand, dan dat men het kind tot tederheid
opvoedt, dat men tedere stemmingen en gezindheden in hem wekt, dat men
hem het goeddoende en koesterende van de tederheid bij ervaring lere
kennen. Hem daartoe met dorstlijden, harde slaapvloeren en andere
kwellingen een denkbeeld te geven van tederheid in 't algemeen en
bizonderlijk van de tederheid zijner opvoeders, dit lijkt mij wel wat
zonderlinge manier. De opvoeders moeten tonen te bezitten, wat ze hun
kinderen willen aanbrengen, zij moeten in rijke mate hebben, wat ze bij
hun kroost uit zwakke kiemen wensen te ontwikkelen. En daartoe moeten ze
hier een voorbeeld geven van tederheid, zowel in de behandeling van hun
kroost als in de zorg voor alle andere levende wezens, die hen omringen.
En ik mag er wel bijvoegen: ook in de zorg voor alle voorwerpen. Want
wie met stoelen kan smijten en boeken kan verwaarloozen, mist een
sentiment van zorg, dat zich straks ook kan doen gevoelen in de omgang
met natuurgenoten.
Bij sommige kinderen is de tederheid zo groot, dat ze eer getemperd dan
gesterkt moet worden. Maar daar gaat het nu niet om. 't Gaat om de
minder gevoelige natuurtjes. En nu is de vraag: hoe zullen we in deze
de tederheid wekken of versterken. Naar mijn mening, door tederheid te
geven, tederheid, niet als een slappe, sentimentele, ziekelike
overgevoeligheid, maar als een zachte, zorgende, verkwikkende, sterkende
kracht.
Deze laatste onderscheiding mag nog wel even in 't licht worden gesteld.
Er zijn mensen, die bij al zulke woorden als tederheid, zachtheid,
liefde, denken aan iets zwaks, iets zoeteliks, iets kwijnends, iets
ziekeliks. Maar ze denken glad mis. Wie de juiste betekenis van deze
woorden wil leren kennen, moet zien, hoe b.v. de zusters van 't Roode
Kruis het slagveld rondgaan, de gewonden opnemen, verdragen, laven,
wassen, verbinden, hoe ze met troostende stem, met sterkende blik, met
zalvende hand even vaardig als voorzichtig hun reddingswerk verrichten
te midden van een afgrijselike ellende, waarin de sentimentaliteit
zou flauw vallen. Wie tederheid, zachtheid, liefde wil zien, moet de
middernachtzendelingen volgen in hun gevaarvolle toewijding, waar ze
zich te midden der ruwste zedeloosheid wagen, om door een enkel zacht
waarschuwend woord, een enkele liefdevolle aanraking, de verdoolden
voor een dreigend en reeds dicht naderend bezwijken te behoeden. Wie
tederheid, zachtheid, liefde wil zien, moet op Zaterdagavond met
een vrouwelike heilsoldaat, de kroegen ingaan, om bij jeneverdamp
tabaksrook, onder gevloek en gezwets, een Strijdkreet te verkoopen, een
Heilskreet te slaken. Wat is het toch, dat sommige mensen zo schamper
over tederheid en liefde doet spreken? Willen ze misschien zelf niet,
wanneer ze in ellende zitten, met zulk een tederheid en liefde bejegend
worden? 't Is voor hen te hopen, dat ze er nooit smekend naar uit hoeven
te zien. Maar indien 't zover mocht komen, dan zullen ze tot hun
blijdschap ervaren, dat die gesmade tederheid een _kracht_ is, een
heilbrengende, een heilwerkende kracht, die vaak meer inspanning en
zelfverlochening vergt, dan die zo hooggeroemde hardheid, waar deze
eigenlik liefdeloze genadeloosheid is.
Nu, zulk een tederheid wordt alleen aangekweekt _door_ tederheid. Ouders
en opvoeders behoeven niet bang te zijn, dat er in de opvoeding van hun
kroost geen hardheid zal werken. Ik beloof u, voor die hardheid zullen
vrienden en vreemden wel zorgen. Daar zijn de mensen, ook de heel jonge,
gul genoeg mee. Maar een vertedering des harten, die dit hart rijp
maakt voor _kracht_volle toewijding, kan alleen bewerkt worden door de
tederheid als een heilrijke kracht te doen ervaren. Waag het daar veilig
op. Dit is ook vroege tucht, maar tucht in de heerlike betekenis van
_op_trekking.
GEDULD.
Door nobele drift tot het goede gedrongen,
Van edelen ijver voor 't ware vervuld
Wordt toch slechts de lofzang der zege gezongen,
Wanneer ge u omgordt met geloof en geduld.
II. IN BLARICUM.
We wandelden langs een bloeiend boekweitveld en zeiden: "Wat geeft dat
gewas toch een mooien akker!"
De glanzende purperen stengels waren zoo duidelijk zichtbaar, en daar
tusschen in het heldere zand. Geen enkel onkruidje. Geen enkel.
En wat was dat gemakkelijk voor den boer. Hij had geen omkijken naar
zijn land. De boekweit hield zeker zelf alle indringers buiten zijn
gebied. En nu golfde het zachte groen met de geurende witte bloesems
heel rustigjes heen en weer, overzoemd en doorgonsd door tal van
zwevende bijtjes.
We zetten ons op een heirand vlak bij 't boekweitveld neer en genoten
van al die fijnheid en reinheid. We keken door het woud van stengels
heen en namen ons voor, later, later, later, als we ons zoo stil buiten
konden vestigen, in zoo'n heiige streek, een stukje van ons landbezit
met boekweit te beplanten. Dat gaf geur en kleur, gegons en gezoem,
eindelijk misschien nog een voedzamen disch. En alles zoo gemakkelijk.
Je zaait de boekweit maar, en--hebt er geen omkijken meer aan.
Doch zie, we wandelden een eind verder, en wat zagen we daar? Ook
een boekweitveld, maar tusschen de ranke stengels door kroop overal
een grassoort--'t leek tenminste wel gras--die hier en daar zelfs de
boekweit verdrongen had, zoodat er midden tusschen 't waaiend gehalm
open plekken lagen, zelfs gróóte open plekken, bedekt met platliggend
gras. "Kweek" noemden ze het.
Was het boekweitveld dan tóch toegankelijk voor onkruid? Lag het
niet alleen open voor indringers, maar liet het er zich zelfs door
_ver_dringen? En daarginds dan?
Och, 't geheim werd spoedig ontsluierd. Daar op die eerste akker was in
't voorjaar onafgebroken en voorzichtig gewied. Ook dáár had het "kweek"
zich willen vestigen, maar 't was door een rustig volhardende hand dag
aan dag teruggedrongen, uitgetrokken en verwijderd. 't Geheim van het
zuivere veld zat enkel in 't wieden, in het tijdig, voorzichtig en
volhardend wieden.
Ik ken een huisgezin, waar de kinderen zoo heel gewoon gehoorzaam en
ordelijk en vriendelijk zijn. De menschen zeggen, dat die kinderen zoo'n
lieven aanleg mee ter wereld hebben gebracht. 't Kan waar zijn, maar zou
het ook een klein beetje kunnen komen, doordat een rustige hand tijdig
in die hartjes gewied had?
III. EEN PAAR KLACHTEN.
I.
Maar beste Marie, nu moet ik toch zeggen, dat je je ongerust maakt voor
niets. Je klaagt me, dat je jongen, je vijfjarige, absoluut geen plezier
heeft om met zijn bouwdoos te spelen, als hij de monumenten van de
bouwplaten moet optrekken, en dat hij altijd maar vrij bouwen wil, naar
zijn eigen idee.
Dat vind je niet goed. Die bouwdozen zijn juist zo paedagogies
ingericht. Bij het volgen der modellen leert een kind die modellen
begrijpen, het krijgt gevoel voor constructie, het vindt bij de grotere
bouwwerken veel van de kleinere op nieuw gebruikt, en bovenal--het kind
leert gehoorzamen, leert een taak afmaken, leert zich concentreren.
Je hebt vaak gehoord, hoe goed het is, dat een kind zich oefent in
aandachts-concentratie, en hier heeft het een kostelike oefening. Maar
daar wil nu ongelukkig jouw jongen niets van weten.
Ik kan begrijpen, dat je een beetje hierover aan het tobben bent.
Jonge moeders, die haar taak ernstig opvatten, zijn meestal zeer
beginselvast in haar opvoedingspractijk. En daarbij volgen ze
vooral graag de paedagogiese principes, die met heel gewichtige,
degelike, bindende wetenschappelikheid haar worden voorgehouden.
Aandachts-concentratie--juist, daar moet het dartele, speelzieke,
verandergrage kind toe gebracht worden. En dat moet geschieden door
een spel, nu ja, maar door een _opvoedkundig_ spel, een spel, dat door
ernstige paedagogen is uitgedacht, beginseltrouw in elkaar gezet, en
volgens die beginselen door fabrikanten aan de markt gebracht. En daar
ga je nu je jongen met bouwdozen aan 't bepaedagogen. Maar hij bedankt
ervoor.
Dat is voor een ernstig willende moeder geen prettige ervaring. Doch--je
maakt je ongerust voor niets. Ik wil van die bouwdozen geen kwaad
zeggen. En wanneer kinderen die platen kunnen leren verstaan en naar
die platen werken, is dat voor die kinderen zeker een aanbeveling. Hun
belangstelling, hun nauwkeurigheid, hun volharding zijn prijzenswaarde
deugden. Het rustig waarnemen en navolgen kan in hen een zin voor
wetenschappelikheid ontwikkelen. Dat is alles waar. Doch hierom is 't
nog niet waar, dat jouw jongen, die van dat nabouwen niets weten wil,
daarom minderwaardig zou zijn of daardoor in zijn ontwikkeling
achterblijven.
Er was eens een kleine jongen--ik heb hem heel goed gekend--die ook
geen plezier had in het opzetten naar de voorgetekende modellen. Maar
diezelfde jongen kon tijden lang met domineersteenen spelen, die
niet voor hem gemaakt waren. Dan zette hij ze achter elkaar in een
slingerende rij en probeerde, hoe groot de slingers wel konden zijn,
wanneer toch alle stenen moesten omvallen als de achterste een tikje
had gekregen. Dat was een voortdurend proberen, een telkens uitmeten en
weer verschuiven en weer beproeven. En daarbij was het kind bezig met
een belangstelling, een nauwgezetheid, een volharding, die niet
onderdeden voor die van echte bouwers naar model.
En dan kon diezelfde kleine jongen ook zo leuk van Vaders dominésteenen
torens bouwen, torens met de stenen twee aan twee op elkaar, of drie
aan drie, of vier aan vier, of vijf aan vijf, en dan probeerde hij, bij
welke toren hij de meeste stenen uit het verband kon wegnemen, zonder
dat de toren instortte. Opmerkenswaard was de belangstelling, waarmee
hij telkens weer de proeven herhaalde en op steeds andere en kleiner
bizonderheden lette.
Soms maakte de "bouwmeester-naar-eigen-lust" ook torens, die niet
evenwijdig naar boven gingen, maar piramidaal, en dan was zijn opgave:
de toren zoo in te richten, dat de inwendige ruimte boven met één
deksteen gesloten kon worden. Maar dan moest de toren een put
verbeelden. En een ander keer maakte hij vestingen, dorpen, en wat niet
al meer.
Al deze bouwwerken waren niet zo mooi als die der reusachtige bouwdozen,
doch waren ze er minder om? En hadden ze minder vormende waarde voor de
kleine bouwer? En getuigden ze bij dit ventje van geringer verstandelike
en zedelike gaven?
* * * * *
Je moet je niet zo gauw bezorgd maken, wanneer een kind in zulke
gevallen liever zijn eigen zin volgt dan te gehoorzamen aan het
voorschrift. In de school _moeten_ we hem een bepaalde leerstof en
bepaalde vaardigheden aanbrengen, daar _moeten_ we hem dus leiden of
dwingen. Maar dat is toch niet het geval bij zijn spel in de huiskamer?
Daar heeft geen wet of maatschappelike eis iets in te brengen. Daar kan
men uitsluitend met het belang van het kind rekening houden. En dit
belang wordt in den regel het best behartigd, als men het kind laat
leven in zijn eigen wereldje, naar zijn eigen lusten, naar zijn eigen
phantasieën. Daar gaat hij met zijn hele hart in op, en daar heb je dus
de beste voorwaarde tot een krachtige ontwikkeling van al zijn gaven.
Natuurlik wordt hiermee niet bepleit, dat een kind maar liefst ieder
ogenblik wat anders moet doen, dat hij de moeilikheden, ook die van zijn
spel, maar mag laten liggen. Doch juist worden die moeilikheden het
krachtigst aangegrepen, wanneer het kind er met zijn volle lust op
lostrekt. En die volle lust is het eerst te verwachten, waar het spel
een schepping van het kind zelf is.
Er is verschil tussen kinderen en kinderen, net zo goed als tussen
mensen en mensen. Om nu maar eens bij ons vak te blijven--jij bent toch
ook onderwijzeres geweest--je hebt onderwijzers, die een bizondere
aanleg hebben voor methodenstudie. Let wel, ik zeg niet studie van
metho_de_, maar van metho_den_. Studie van metho_de_ maakt ieder ernstig
werker. Ook die kleine dominé-speler op zijn eigen houtje zocht naar
methode, volgde methode bij zijn spel. Maar studie van metho_den_,
tien, twintig, dertig methoden, maaksels van anderer brein, te
ontleden, te vergelijken, voor zulk een arbeid moet je geschapen zijn.
Alsook voor het punctueel na-methoden van hetgeen een ander ons heeft
voorgemethodet. Is er in de schoolwereld niet heel veel bouwen naar
model? De methode geeft steentje voor steentje, met de aanwijzing hoe ze
gelegd moeten worden, en de bouwer pakt ze aan en legt ze neer, dikwijls
zonder dat hij het hele gebouw in zijn hoofdlijnen en zijn constructieve
samenhang overziet.
Dit bouwen naar model is volstrekt niet afkeurenswaardig. Integendeel,
beter te werken naar een goed model, dan naar een grillige lust. Maar de
onderwijzers, die liever wat vrij zijn in hun bewegingen, zijn daarom
evenmin te veroordelen. Ze hebben in zich een scheppingsdrang, ze zien
en maken nieuwe paden, ze leven niet in het model, maar de stof leeft
in hen, en vormt zich daar tot nieuwe gestalten, ze geven het aanzijn
aan een eigen methode, en ook die volgen ze niet slaafs, jaar in jaar
uit, maar daar brengen ze telkens weer wat verandering in naar de
opgedane ervaringen, naar de verhelderde inzichten, en zo genieten ze
onafgebroken en telkens opnieuw van het telkens herhaalde, omdat dit
telkens weer nieuw voor hen wordt. Nu stel ik me voor, dat jouw jongen,
als hij onderwijzer mocht worden, tot de laatste soort zou behoren. Zou
hij daar ongelukkiger om zijn? Of ondegeliker?
Neen, klaag niet, dat je jongen de modellen van zijn bouwdoos stil laat
liggen. Dat behoeft nog volstrekt geen kwaad teken te zijn. Maar klaag,
als hij bij zijn eigen bouwerij niet volhardt, als hij zich door de
minste tegenspoed laat terneerslaan, als hij van het een naar het
ander gaat en zich nooit in zijn spel verliest, als hij even snel zich
losmaakt als hij zich hechtte, als hij zich eigenlik helemaal niet
hecht, als hij--maar 't beeld is onjuist--gelijk een vlinder van bloem
tot bloem zweeft--ik zeg, 't beeld is onjuist, want een vlinder volhardt
in 't honingzoeken en móét dus van bloem tot bloem zweven, ja, klaag
niet, als hij de vrijheid van eigen wil, maar als hij de vrijheid van
eigen niet-willen begeert. Klaag dan, of, nog liever, klaag dan niet,
maar _leer_ je jongen zich te bepalen, bij zijn spel, zich te verliezen
in zijn genot. Léér hem volharden. Of dit mogelik is?
* * * * *
Hoe weinig wordt dit echter op de juiste manier geprobeerd. 't Gaat
meestal met kommando's, standjes, verwijten. Men maakt zijn jongen dan
't volharden tot een onaangename plicht, en vergeet, dat men 't kind
juist het noodzakelike en het vreugdevolle van de volharding moet leren
kennen. Men laat dan het kind vol tegenzin tobben aan een voor hem
moeilike, te moeilike taak, en vergeet alweer, dat een klein beetje hulp
te gelijk de moeilikheid en de tegenzin overwint.
Het is over 't algemeen niet goed, dat we ons te veel met het spel of
het werk der kinderen bemoeien. Als ze met hun volle hart bezig zijn,
laat ze dan maar scharrelen. Doch heel iets anders is het, als we hen
moeten _leren_, bezig te zijn. Dan moet de volwassene, wanneer de
kleine zijn moed of lust dreigt te verliezen, op het juiste ogenblik
ingrijpen en met zijn meerdere kracht en zelfbeheersing de zwakke
beginner wat zekerheid en stabiliteit geven. Daardoor helpt hij hem over
het dode punt heen, voorkomt het opgeven, het wegzinken, bevordert het
voortgaan en opklimmen.
Sommige moeders hebben er zo verbazend aardig de slag van, om midden in
hun bezigheden hun werkende kleinen een handje te helpen. Je hebt ook
onderwijzers, die dat zo leuk kunnen. 't Lijkt, of ze met de kinderen
meeleven, of ze in hun hartjes kunnen lezen. Ze voelen als instinctief,
waar en wanneer een steuntje nodig is, en brengen dat op 't goede
moment aan. En zodra ze dan de kleine zoekers en worstelaars over de
moeilikheden hebben heengebracht, laten ze hen weer met frisse moed
verder gaan.
Dit is de goede manier, om kinderen te leren volhouden. Zodra de lust of
de kracht dreigen te gaan falen, speel je, werk je een poosje mee. Dan
zwellen de slappe zeilen weer aanstonds en vaart het scheepje lustig
verder. Kleine kinderen, en ook grotere, hebben wel eens een gangmaker
nodig. En zijn het alleen kinderen, die zo nu en dan wat hulp van
buitenaf behoeven?
Je ziet dus, dat je niet bezorgd hoeft te wezen over het gemis aan
nabootsings- en nabouwingslust bij je jongen, mits hij in zijn vrije
bouwerijen maar volharding betoont. En mocht hem hierbij die volharding
ontbreken, dan weet je, hoe jij hem daarin te oefenen hebt. Niet door
standjes en verwijten, zelfs niet door preken en zedelessen, maar door
hem _aan jouw hand_ te leren volharden. Ik voel er altijd heel veel
voor, dat de meerdere braafheid en wijsheid en kracht der ouderen
verbeterend, verlichtend, versterkend werken op de jongeren, door
_mede_strijden, _mede_zoeken, _mede_werken, in één woord, door
mede_leven_. En die algemene regel zou ik ook in dit geval toegepast
willen zien.
Niet, dat ik daarvan alle heil verwacht en afdoende verbetering.
_Afdoende_ verbetering zien we niet zo dikwijls in ons leven, zelfs niet
bij de bestrijding van onze _eigen_ euvelen. Maar indien er door
opzettelike opvoeding, door ingrijpen van volwassenen iets zal worden
bereikt, dan is het m. i. nodig, dat die volwassenen zich één voelen,
één maken met de jongeren en ze zo meevoeren.
Aan Moeders hand. En ook aan Vaders hand.
Ik vind er altijd zo iets aandoenliks in, wanneer ik op Zondagnamiddag
vaders en moeders met hun kinderen van de wandeling zie thuis komen, en
de kleinen hangen half aan vaders of moeders hand. Toen het gezinnetje
uitging, waren de kinderen nog fris, liepen ze los en speelden onderweg.
Maar nu de wandeling achter de rug is, zijn de kleintjes moe. Ze
beginnen te drentelen, lopen steeds langzamer, slepen zich voort. Ze
mogen echter niet achterblijven, ze moeten mee, ook zij moeten naar
huis. Nu neemt Vader zo'n klein, warm handje in zijn grote hand, en zie,
het kind loopt aanstonds gemakkeliker. Desnoods draagt hij het moede
kind zelfs een eindje. Maar dan zet hij het weer neer, houdt het bij
de hand, en verlicht zo de laatste loodjes, die 't zwaarst wegen. Aan
Vaders hand komt het kind over de moeilikheden heen en veilig thuis.
Waarom zou die hand echter alleen mogen aangeboden worden bij
lichamelike vermoeidheid? Er is toch ook vaak een tekort aan geestelike
en aan zedelike kracht? Ook hier kan Vaders en Moeders hand worden
uitgestoken. En aangegrepen.
Je kent de plaat, waarop een drenkeling een rots (de rots der eeuwen)
heeft beklommen en nu de hand reddend uitsteekt naar een andere
drenkeling, die nog worstelt in de schuimende golven. "Helpt elkaar!"
staat er onder. 't Is de plicht van de geredde christen, op de rots der
eeuwen gered uit de branding van de zee der wereld, om nu ook andere
strijders te helpen. Helpt elkaar!
Wanneer deze plicht geldt voor volwassenen onder elkander, hoeveel te
meer geldt hij dan in de verhouding van opvoeder tot kind. Helpt elkaar.
Maar helpt dan ook, helpt dan toch in de eerste plaats het kind. Niet,
als 't _niet_ nodig is. Ook niet, _meer_ dan nodig is. Maar toch wel,
_zoveel_ als nodig is.
Hoe menigeen is op de weg bezweken, die, als hij een poosje aan Vaders
hand had mogen gaan, wellicht veilig was thuisgekomen.
Nooit is de invloed van de opvoeder groter, dan wanneer hij zich met
zijn volle persoonlikheid aan de jongeren en de zwakkeren geeft.
Denk hier eens aan, ook bij de simpele kwestie, of je jongen zijn
gebouwen afmaakt of in de steek laat. En lees dan eens Romeinen 15 vers
1.
II.
En nu heb je nog een twede klacht, een klacht van geheel andere aard. Je
kleine vent heeft er plezier in, "vieze woordjes" te zeggen. Dit vind je
nu wel niet zo _verschrikkelik_ erg, maar het hindert je toch. Jij en
je man hebt beide een natuurlike afkeer van al wat in woord of daad een
beetje onvoegzaam is, en daar komt je enige jongen nu en zegt woorden,
die jullie nooit gebruikt, en zegt ze met opzet, met plezier, wetende
dat hij daarmee iets onbehoorliks doet. Hoe komt het kind er aan!
Op die laatste verzuchting ligt het antwoord gereed. Natuurlik heeft hij
't van andere kinderen geleerd. Hoe zou hij er anders aan komen? Al ben
je nog zo kieskeurig op de speelkameraadjes, voor de kennismaking met
dit kwaad bewaar je je kinderen niet. Het komt voor onder de jeugd van
alle standen, volstrekt niet uitsluitend en misschien zelfs niet in de
ergste mate bij het plebs, het komt voor onder de bevolking van wel
iedere school, onder jongens en meisjes, en je zoudt je kinderen een
goeverneur moeten geven, nooit ze uit spelen of logeren laten gaan,
wilde je ze voor de aanraking met dit kwaad behoeden. En dus is er niets
aan te doen?
Dat beweer ik niet. Al hebben de ouders hier niet rechtstreeks schuld
in zoverre ze hun kinderen niet met een plezier-hebben in onbehoorlike
taal zijn voorgegaan--wat ook voorkomt--toch hebben ze schuld. Zij
hadden het kwaad kunnen voorkomen. Niet de kennismaking, maar de
besmetting er mee. En dat hadden ze kunnen doen, door hun kinderen
tijdig ongevoelig, immuun te maken voor dit euvel. Dit was, naar mijn
innige overtuiging mogelik, en dus was dit plicht geweest.
En hoe dan?
Zie eens, je jongen heeft _plezier_ in 't zeggen van die verboden
woordjes. Dit plezier is onnatuurlik, en toch ook natuurlik.
Onnatuurlik--want wat voor heerlikheid is er aan? Dat een kind graag
lekkere dingen lust, dat het graag fijne geuren ruikt, dat het graag
mooie dingen ziet, dat het graag allerlei aangename, strelende zinnelike
ervaringen opdoet, dit alles is natuurlik. Niemand zal uit bloot
zinnelike neiging walgelike spijzen eten, vieze stanken opsnuiven,
vuile dingen bekijken. Alle gezonde, normale individuen hebben een
instinctmatige afkeer van hetgeen in een of ander opzicht walgelik is.
Zo is er ook een natuurlike afkeer van het zeggen van vuiligheden.
En toch is dat plezier van je jongen ook natuurlik. Hij weet, dat hij
die dingen niet zeggen mag. Hij weet, dat het verboden waar is. Hij
weet, dat de fatsoenlike wereld voor zekere terreinen gordijntjes hangt.
En nu is het zijn plezier, die gordijntjes even weg te schuiven en er
achter te kijken, even het verbodene in contact te brengen met het
geoorloofde. En dit genot is heel nátuurlik.
Zeg eens tegen een kind, en zelfs tegen een mens, dat hij ergens niet
naar moet kijken. Honderd tegen een, dat hij dan juist wél kijkt. Niet
uit lust tot ongehoorzaamheid, maar als een noodwendige reactie op uw
zeggen. Door dat verbod is in sterke mate zijn belangstelling, zijn
nieuwsgierigheid opgewekt, en, eer hij 't zelf weet, kijkt hij. Huygens
zegt in Hofwyck, in dit ook opvoedkundig zo rijke gedicht:
Verbiet het quaed te doen, 't is daerom dat men 't doet,
En dreigen werdt bevell.
Kan het krachtiger en kernachtiger gezegd? Dreigen wordt bevelen. Ze
móéten, omdat ze niet mogen. Doch nu maakt men zich er te gemakkelik
af, als men dit bloot aan een zondige zucht tot ongehoorzaamheid
toeschrijft. Hier werkt ook de waarheid, en geen zondige waarheid, dat
de belangstelling door het verborgene en dus ook door het verbodene
wordt opgewekt. Heel het wetenschappelik streven vloeit hieruit voort.
Leg alles open en bloot, er viel niet te onderzoeken, er zouden geen
Noordpoolontdekkers wezen. Het onbekende, het ongedane prikkelt tot
onderzoek, tot beproeven, en in die gevoeligheid voor zulke prikkeling
werkt de springader van onze ontwikkeling. Ontsluieren is onze lust,
sterker nog, ontsluieren is onze taak. We moeten zien het ongeziene,
maken het ongemaakte. En zo is dit wegschuiven van gordijntjes, dit
zeggen van verboden dingen, dit overtreden van getrokken grenzen,
dit gaan op gesloten terrein volstrekt niet enkel een uiting van
ongehoorzaamheid. Trek naar het verbodene wordt gewekt door de
aantrekkelikheid van het afgeslotene. En deze aantrekkelikheid is
op zichzelf geen verkeerd verschijnsel.
* * * * *
Ik wil hier nog even op doorgaan.
Niet alle _over_treding is over_treding_.
Overtraden we nooit de totnogtoe gevoelde en geëerbiedigde grenzen,
dan kwamen we nooit verder. Maar zulk een overtreding moet in de goede
richting zijn. Een overtreding is een deugd, als ze ons, over een hogere
breedtecirkel heen, een graad verder voert naar de pool der waarheid.
Een overtreding is een kwaad, als ze ons, over de zedelike verbodslinie
heen, een stap dichter voert naar de poel der zonde. Niet in het
overtreden zit het kwaad, maar in het overtreden van de _te recht_
gestelde grenzen. En nu is de fout in menige opvoeding, dat men _ten
onrechte_ grenzen stelt en daardoor overtredingen uitlokt, die zonde
zijn. Ja, het komt voor, dat men het kind tot overtredingen noodzaakt
door het opleggen van onredelike en onzedelike geboden. Men moet
God meer gehoorzamen dan de mensen. Ook het kind. Waar het ouderlik
gebod in strijd komt met Gods bevelen--denk eens aan moeders, die
haar dochter de verkeerde weg op drijven--daar móét een kind, dat zijn
verantwoordelikheid gevoelt, het eerste overtreden. Er zijn ook verboden
geboden.
Het gaat dus niet aan, de overtreding van een gebod zo maar zonder meer
een misstap te noemen en de lust tot overtreden uitsluitend aan een
ingeboren neiging tot ongehoorzaamheid toe te schrijven. Willen we in
deze bij de opvoeding onzer kinderen zoveel mogelik klaarheid hebben,
dan moeten we niet alleen zorgen, dat onze geboden redelik zijn, maar
ook, dat de kinderen, indien enigszins mogelik, er de redelikheid
van voelen. Door een erkende redelikheid hebben de geboden zedelike
autoriteit. En hierin bezitten ze een waarlik bedwingende kracht,
waartegen elk verzet ongehoorzaamheid mag en moet heten. De _lust_ tot
_verkeerde_ overtreding bestrijden we echter het best, door een afkeer
te wekken van de zaak, waarvan we 't kind weerhouden willen. Dan wordt
het kind niet door het verbod, maar door het verbodene zelf tegen
gehouden. We moeten het verbodene afkeerwekkend en daardoor in zichzelf
verbodskrachtig maken.
Dit laatste wordt door vele ouders gevoeld en in de practijk
herhaaldelik toegepast. Wil de moeder, dat het kind van iets afblijft,
dan zegt ze: "Niet aankomen, 't is vies." Door deze waarschuwing,
hetzij ze leugen of waarheid bevat, laat een kind zich weerhouden om 't
verbodene aan te raken. Niet het verbod van de moeder, maar de viesheid
van het verbodene houdt het kind binnen de grenzen. Zo boezemen sommige
moeders hun kleintjes vrees voor dit of dat voorwerp in, door te zeggen,
dat "het bijt".
Ik wil deze leugens niet in bescherming nemen, maar in het principe zit
iets goeds. Maak het kind afkerig van het verbodene en het zal niet tot
overtreden worden uitgelokt, het zal er juist van terug gehouden worden.
Inzicht in de zedelikheid van een verbod is op zichzelf niet voldoende.
Op een verstandelike overtuiging valt nooit zo te rekenen als op een
diepgevoelde afkeer. Verstandskrachten zijn sterker in 't redeneren dan
in 't leven. Zuiver redenerende gaat menigeen ten verderve, omdat de
gevoelskrachten hem in de steek laten. Maar zuiver gevoelende blijft
menigeen, ondanks een zwakke logica, op 't rechte pad. 't Hart heeft
zijn levende logica.
We moeten dus:
ten eerste geen verbodsbepalingen stellen, waar dit onnodig of zelfs
verkeerd is; hierdoor toch zouden we het kind tot overtreden kunnen
verleiden of dwingen en dus de ongehoorzaamheid zelf hebben veroorzaakt;
en
ten andere moeten we een overtreding, waar deze verkeerd is en voorkomen
moet worden, bestrijden--minder door het simpele verbod en zelfs het
gemotiveerde verbod, als wel door een afkeer van het verbodene. De kunst
der opvoeding bestaat dan in het wekken van zin en tegenzin, van liefde
en afkeer. Waar deze gevoelens zuiver werken, kan de opvoeder zijn kind
loslaten.
Natuurlik brengt niemand het zo ver, niet eens bij zichzelf. We moeten
in ons zelf nog voortdurend de rechte zin ontwikkelen. Maar dat
verplicht ons te meer, 't bij onze kinderen toch vooral daarin te
zoeken. We moeten zorgen, dat het verbod als een levende haat in hen
werkt en niet als een ongemotiveerde dwang hen prikkelt tot overtreding.
En nooit, nooit mogen we ons ouderlik gezag misbruiken--en 't komt meer
voor dan men denkt--tot het opleggen van onredelike en onzedelike
plichten, want ook de kinderen hebben een geweten, een heilig geweten,
en ook voor hen geldt het woord, dat we andermaal aan Huygens ontlenen:
"Maar 't Wereldsche gesagh en gaet niet aen de wortel
Van 't heilighe Gewiss,"
ook niet als het "Wereldsche gesagh" het ouderlik gezag is.
* * * * *
En wat heeft dit alles nu te maken met je jongen en zijn vermaak in
"vieze woordjes"?
Dit, dat hij nooit zulk een vermaak zou hebben, als hij daarbij niet
over gestelde grenzen ging, die in hun rechtmatigheid door hem _niet_
worden erkend; dat hij in géén geval zo'n vermaak zou hebben, als hij
waarlik afkeer voelde van het verboden gebied. En dat de schuld dus bij
zijn ouders ligt, die hem in dit opzicht verkeerd hebben opgevoed.
Nu hoef je onder deze beschuldiging niet zó diep gebukt te gaan. Je zegt
zelf, dat je het kwaad niet zo verschrikkelik vindt. En daar heb je
m. i. gelijk aan. Eigenlik is het geen kwaad, maar een onhebbelikheid.
Ik voel er geen zedelike fout in, maar iets onsmakeliks, onkies,
onopgevoeds. Als er iets kwaads in schuilt, dan zit dit eer in de
ongehoorzaamheid jegens de ouders, dan in het zeggen der onbehoorlike
dingen zelf. Heel wat volwassenen gaan in deze onsmakelike liefhebberij
zelfs hun kinderen voor, zonder dat die mensen dáárom onzedelik zouden
zijn of mogen heten. 't Is een kwestie van smaak.
Huygens--je ziet wel, dat ik de laatste tijd weer veel met hem
omga--deze waarlik vrome en wijze, deze zeer kundige, ontwikkelde en
fijne man, geeft ons honderden staaltjes, dat in zijn tijd oorbare
scherts was, 't geen we nu vuile en hoogst ongepast aardigheden noemen.
De zin- en woordspelingen op 't gebied van 't physieke leven zijn bij
hem legio. Wanneer niemand minder dan Tesselschade zijn gast is,
beklaagt hij zich, dat dit mooie weeuwtje ... doch ik wil zijn _tans_
onvoegzame woorden hier niet herhalen. Voldoende zij de verzekering,
dat ze naar onze huidige smaak alle perken te buiten gaan, maar dat
niettemin Tesselschade er in rijm op antwoordde, en niet alleen
Tesselschade, ook menige andere dame werd vergast op dergelike
aardigheden, en daaronder dames van de hoogste stand. In hoffelike taal
drong de dichter door op voor ons zeer stellig verboden gebied. En dit
zou Huygens zeker niet zo openlik gedaan hebben, als hij gemeend had
hiermee iets onzedeliks te bedrijven. Of hij hiermee Bijbels was? Paulus
zegt in Ephese 4 vers 29: "Geen vuile rede ga uit uwen mond, maar zoo er
eenige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien,
die ze hooren." Doch wellicht noemde Huygens dit geen vuile rede. Op
dezelfde dag, dat hij zulke verzen schreef, stortte hij zijn ziel uit in
de godsdienstigste gedichten ter verheerliking Gods.
Hoe het zij, er is een essentieel verschil tussen het debiteren van
sommige schuine aardigheden en het bedrijven van onzedelikheid. Maar--op
dit verschil mogen wij ons niet beroepen, wanneer door onze nalatigheid
onze kinderen zich woorden veroorloven, die wij _op die wijze gebruikt_,
beslist veroordelen. Het is onze plicht, zulk een gebruik te voorkomen,
en onze schuld, als wij hiervoor niet hebben gezorgd. En hoe hadden we
dit gebruik dan moeten voorkomen? Door de kinderen van jongs af juist
die woorden _in volkomen reinheid en onbevangenheid_ te laten gebruiken.
Die _woorden_ zijn niet slecht, 't _gebruik_ ervan evenmin, maar de
_wijze_ waarop ze gebruikt worden, die is in dergelike gevallen slecht.
En zulk een _slechte wijze_ voorkomt men het best, door een _goed
gebruik_ reeds van te voren aan te wennen.
Bij een goede verhouding tussen moeder en kind is er zo'n echte, zo'n
onbeperkte, zo'n volkomen intimiteit. De kleintjes geven zich met hun
naakte lichaampjes zo geheel aan moeder, en al de functies van hun
groeiend lijfje, moeder kent ze, moeder is van niets vies, moeder regelt
ze zelfs. Zou er ook maar één kind zijn, dat zich voor moeder schaamt,
dat in de physieke uitingen van zijn lichaam iets onbehoorliks vindt,
of dat uit zich zelf zou lachen om woorden, die hij op de meest gewone
manier dageliks van moeder gehoord had, gedurende zijn kinderjaren? Al
wat bij 't physieke leven behoort, 't is een kind absoluut niet vreemd
of onvoegzaam, van zijn geboorte af is hij er aan gewend, en dus kan de
taal van dit physieke leven hem evenmin vreemd of onvoegzaam zijn, en ze
behoeft dit ook nooit te worden.
Echter, wat bij moeder en vader heel gewoon is, en gepast, behoeft
daarom nog niet in de buitenwereld te worden gebracht. Vreemden hebben
daarmee niets te maken. En langzamerhand leert het kind in woord en daad
tegenover vreemden en in tegenwoordigheid van vreemden een reserve in
acht nemen, die in de kleine familiekring nog niet nodig is. Moeder
leert hem, dat dit een eis van kiesheid is. De lichaamsdelen en hun
functies zijn op zichzelf volstrekt niet onbetamelik. God heeft de mens
aldus geschapen, en zoals God hem gemaakt heeft, is het goed. Maar om
velerlei redenen, die een moeder haar kinderen best kan uitleggen, is
het raadzaam over sommige lichaamsdelen en lichaamswerkingen niet met
vreemden te spreken. 't Is ook absoluut niet nodig. En--dit kunnen we
er gerust bijvoegen--een aldus opgevoed kind zal er uit zich zelf ook
nooit toe komen. Het denkt er niet aan. Het denkt aan zijn spelen, zijn
uitgangen, zijn lekkernijen, later aan zijn lessen, maar niet aan de
physieke functies van zijn lichaam, zo min als het b.v. aan de nagel
van zijn grote teen denkt en hierover gaat spreken, tenzij die nagel
toevallig pijn mocht doen.
Hoe gewoner een kind dit terrein heeft leren beschouwen en bespreken,
hoe onvatbaarder het zal wezen voor het vermaak-scheppen in vieze
woordjes. Wanneer andere kinderen hem daarmee aan boord komen, begrijpt
hij eenvoudig de aardigheid er niet van. Wat is er voor aardigs aan, die
dingen te zeggen? Hij mág ze zeggen. Maar hij vindt er niets plezierigs
in. Ook niets onplezierigs. Je lacht toch ook niet, als je over je ogen
of je oren spreekt, of over je eten en drinken?
Op deze wijze wordt een kind bewaard voor de besmetting met dit kwaad.
De natuurlike en reine opvoeding heeft er hem immuun voor gemaakt. En
mocht het er mee in aanraking komen, dan zal het--tenzij 't hem al te
onverschillig laat--zijn moeder de gehoorde praatjes wel meedelen. En
dan heeft deze alle gelegenheid, haar eigen afkeer van zulk soort
aardigheden in de kinderen over te brengen. Voor de aantrekkelikheid
ervan behoeft ze niet te vrezen, die bestaat voor haar kinderen niet.
Maar 't is ook goed, dat deze voelen, hoe min het is, woorden, die men
uit kiesheid voor vreemden verzwijgt, te gaan zeggen uit plezier.
* * * * *
Doch nu vraag je, hoe je je jongen dit kwaad weer moet afleren. Niet met
klappen, niet met standjes, zelfs niet met ernstige onderhouding, maar
allereerst door de door hem met verboden bijbedoeling gebruikte woorden
openlik zelf te gebruiken, doch dan natuurlik als de zaak er aanleiding
toe geeft. Zodra vader en moeder gewoonweg, zakelik over de dingen
spreken, welke de kleine vent alleen stilletjes durft zeggen, is er van
dit stilletjes zeggen al gauw alle aardigheid af. Met het wegvallen der
grenzen verdwijnt het plezier om er over heen te sluipen. En een
nuchter-zakelike bespreking is de dood voor alle verdachte
interessantheid.
Ten slotte wil ik je nog iets zeggen. Ik ken kinderen, die van jongsaf
_alle_ uitingen van het physieke leven als iets volkomen normaals in
reine zin hebben leren kennen, en bij deze kinderen heb ik nooit een
spoor van het genoemde kwaad opgemerkt. Hun nuchterheid in dezen sloot
volstrekt geen idealisme uit, maar bevroor als een kille vorst alle
verdachte grappen. Geen verontwaardiging, maar gevoelloosheid verlamde
het plezier van schoolkameraadjes in ongepaste woordjes. Zulk een
gevoelloosheid is reinheid. Wapen daar je jongen mee.
IV. OVER STRAFFEN.
Ik geloof niet in de opvoedende kracht van door menschen opgelegde
straffen. Tegen de Natuur, tegen het Lot, tegen God, kunnen we niet
zeggen: "Blijf van mijn lijf af, bemoei je met je eigen zaken," want we
_zijn_ hun zaken. We zijn "producten der Natuur", "speelballen van 't
Lot", "kinderen Gods", al naar we 't opvatten, en zeker niemand meent
in ernst, dat hij de baas is over de in- en omstandigheden, die zijn
leven beheerschen. We onderwerpen ons aan de Oppermacht van den eenig
Machtige, en willen zelfs aannemen, dat Zijn handelen rechtvaardig is,
ook al kunnen we deze rechtvaardigheid niet altijd _zien_.
Maar tegen de ons straffende _menschen_ verzetten we ons altijd, 't zij
feitelijk, 't zij, waar moed en kracht falen, alleen innerlijk. Met
onwil en wrevel en toorn worden we jegens hen vervuld en een "fiat
voluntas" kan ons nooit met volkomen overgave jegens de straffenden
mensch over de lippen, misschien wel mede omdat we gevoelen, hoe hij,
niet bekend met _al_ de motieven onzer daden, onmogelijk rechtvaardig
kan zijn. Raadpleeg ik mijn eigen leven--en daarin hebben we meestal ons
beste paedagogiekboek--dan hebben de straffen mij _nooit_ gebracht tot
afkeer van het kwaad, maar wel tot kortstondigen en soms zelfs
langdurigen afkeer van den straffer.
Toch kunnen we de straffen niet missen, maar dan dienen ze een anderen
naam te dragen, in overeenstemming met hun dienst. In elke kleinere of
grootere samenleving heb je de ongebonden naturen, die zich niet naar de
eischen van het geheel of de rechten van hun gelijken willen schikken,
en tegenover hun aanmatiging moeten we ons zelf en de maatschappij
beschermen door _dwangmaatregelen_. Wil je niet, dan zal ik je dwingen.
Deze dwangmaatregelen hebben echter geen opvoedend, wel een regelend,
een formeerend, een fatsoeneerend, een dresseerend karakter. Het
individu wordt er door gekneed tot een bepaalden vorm, gedresseerd tot
een bepaald handelen, en daardoor wordt hij wel bruikbaarder en dus
practisch beter, maar niet moreel beter. Zoo min als we de moraliteit
kunnen prijzen van een machinerad, dat precies in de tanden van een
ander rad grijpt en zoo medewerkt tot een onberispelijk loopen van de
heele machine, zoo min kunnen we zedelijkheid eeren in de onder pressie
van dwangmaatregelen geproduceerde braafheid.
Er is geen zedelijkheid zonder vrijheid.
Wie dus zijn kinderen--of menschen!--wil opvoeden, d. i. wil
doen ontwikkelen tot zedelijke karakters, gunne hun een zoo groot
mogelijke vrijheid en onthoude zich zoo veel mogelijk van straffen.
De kracht, waarmee hij hen leidt, ga uit van zijn eigen reine en rijpe
persoonlijkheid, en van de ook in den kinderleeftijd reeds tot wijsheid
voerende Ervaring.
Het klinkt mij als een idiootheid, wanneer ik hoor: "Je hebt de bessen
van het boompje geplukt, nu mag je voor je straf een week niet in den
tuin." Het had zin, wanneer men zei: "Je _kunt_ dus blijkbaar nog niet
_zonder toezicht_ in den tuin." In zoo heel veel gevallen kan men aan
kinderen (en volwassenen!) zelf de keuze laten, of ze zekere vrijheid
voor hun verantwoording durven nemen, ja of neen. En in plaats van hun
allerlei vrijheden te ontzeggen, moedige men hen juist aan, vrijheden,
_en daarmede verplichtingen_, voor hun rekening te nemen.
EEN ONBEVOEGDE.
"Ik kan 't niet vinden met dat kind,"
Zegt hij, "en 'k laat het dus maar staan."
Wat zoudt ge zeggen, waarde vrind,
Als zoo met u eens werd gedaan?
Zoo streng straft gij der kindren schuld,
En ge eischt nog zelf zooveel geduld.
V. VAN BUITEN? OF VAN BINNEN?
Een kleine jongen loopt met zijn hoofdje tegen de tafel. 't Is een
geweldige bons en 't arme kind schreeuwt het uit van de pijn. Moeder
vangt haar kermend ventje in de armen, kust zijn tranen weg, troost hem
met zoete woorden, smeert wat zalf op het gezwollen voorhoofd en haalt
wat lekkernijen uit de kast, om haar lieveling na die pijnlike botsing
wat strelende afleiding te bezorgen. Dit is alles van Moeder natuurlik,
verklaarbaar en goed. Geen moeder behoeft anders te doen. Maar--nu gaat
ze met haar jongen naar de tafel en zegt: "Stoute tafel! Geef de tafel
maar een klap." En dit is schromelik verkeerd. Al zal de tafel van die
klap niet bederven, zoveel te erger haar eigen kind, dat nu al vroeg
in de valse waan wordt gebracht, dat de oorzaken van zijn pijnlike
ervaringen buiten hem liggen, terwijl ze _in_ hem zitten. Een waan, die
menig mensenleven bederft, waar hij alle zedelike loutering onmogelik
maakt.
VI. ZEG MAAR JA.
I.
"Meester, daar is iemand om u te spreken."
De meester gaat naar de schoolgang en ziet daar een man staan met een
jongen van een jaar of tien. Die jongen is een van zijn leerlingen en
die man is zeker de vader.
"Wat blieft u?" vraagt de meester met een nog al vriendelik gezicht.
"Meester, ik wou u vragen, of Piet eens een dag vrij mocht hebben, om
met me te gaan vissen."
Nu betrekt het gelaat van de meester.
"Een dag vrij? Om te gaan vissen? Neen, dat kan ik onmogelik toestaan."
Doch nu betrekt er ook een ander gelaat. Piet staat naast zijn vader,
netjes met zijn petje in de hand en de ogen blij verwachtend naar de
meester opgericht. Nu de meester echter spreekt van onmogelik toestaan,
beginnen zijn lipjes wat te trillen en komt er iets zenuwachtigs in zijn
ogen.
"Want ziet u," gaat de meester voort, "als hij een dag wegblijft, mist
hij weer zoveel, dat de andere kinderen dan natuurlik hebben, en als hij
dan terugkomt, begrijpt hij niet, wat we dán weer behandelen."
"Maar Meester, hij blijft nooit thuis."
"Ja, dat is ook maar goed ook, want hij is toch al niet van de vlugste,
en als hij thuis bleef zou hij zeker nog meer achter raken en niet
verhoogd worden."
De vader zwijgt een ogenblik. Hij is een bescheiden man en de meester
heeft natuurlik gelijk. Als Piet een dag niet op school komt, leert hij
die dag niet, en dan leren de andere kinderen wel, en dan raakt Piet dus
achter. Daar is niets tegen in te brengen. Die goeie man denkt, dat
leren hetzelfde is als b.v. aardappelen poten: als je ze in den grond
steekt, zitten ze en blijven ze zitten. Hij heeft er helemaal geen idee
van, dat de leeraardappeltjes, die wij poten, weer net zo vrolik _uit_
de grond springen als wij ze er in hebben gestopt, en dat je ze er wel
tienmaal in moet stoppen, eer ze eindelik voor goed blijven zitten. En
hij kan de meester dus onmogelik tegenspreken.
Toch--hij voelt het warme handje van zijn jongen, die naast hem staat,
in zijn hand--toch kan hij 't verzoek nog niet opgeven. Hij had thuis
tegen Piet gezegd, dat hij net zo lang vragen zou, tot de meester ja
zei, en in die zekerheid was Piet blij met hem naar school gegaan. En
dan, hij had er zelf ook zo'n plezier in. Hij had maar zo zelden een
dag vrij, en 't kon nu dus net zo mooi. Als de meester maar een beetje
toeschietelik wou zijn.
"Kom, Meester, zou hij dan dat werk niet kunnen inhalen? Misschien kan
ik hem thuis een beetje helpen. Ik weet wel niet veel, maar..."
Doch eer de man uitgesproken had, zegt Meester: "Neen, beste man, dat
gaat niet. En bovendien, waar zou dat naar toe moeten, vandaag de een
verlof en morgen de ander, want natuurlik, als ik het de een toesta,
kan ik het de ander niet weigeren. En er gaat toch al zoveel van het
onderwijs verloren. Je moest eigenlik zelf wijzer wezen en die dingen
niet vragen. De kinderen hebben maar één jeugd, en één schooltijd, en
die mogen ze wel goed gebruiken. Als ze eenmaal van school af zijn, is
't uit met hun leren. Laat ze dus nu hun tijd maar nuttig besteden. Voor
uitgangen hebben ze de vacanties."
"Ja Meester, u hebt wel gelijk, maar in de vacantie ben ik daarom niet
vrij."
"Ja, dat is nu wel jammer, maar daar kan ik niets aan doen. School is
school, en uitgaan is uitgaan. Dat zijn twee afzonderlike dingen."
Deze laatste woorden zegt de anders niet onvriendelike meester wat
korzelig, zodat vader en zoon begrijpen, dat alle verder aandringen
vruchteloos zou zijn en maar tot onaangenaamheden leiden. Ze keren zich
dus langzaam om. "Als het dan niet kan, in vredesnaam, dan kan het
niet," zegt de man, en dan tot zijn jongen: "Dan moet je morgen maar
gewoon naar school gaan."
"Zeker," zegt de meester, met goedmoedige stem, "dat is heus het beste
voor hem."
En vader en zoon gaan weg, zwijgend, met lome schreden, en vooral de
kleine met een geheel terneergeslagen gezicht.
* * * * *
O, die braafheid! En die degelikheid! En die paedagogiese
beginselvastheid! Ik wou, dat ze die meester met zijn dierbare zorg
voor de geestelike ontwikkeling van die arme jongen een vol jaar in de
"Paedagogische Bibliotheek" opsloten. Dan kon hij zijn hart ophalen aan
opvoedkundige ernst.
Een dag met je vader uit vissen! Maar wist die paedagoog nu niet, hoe
dat voor een jongen een zaligheid is, waarbij zo goed als niets haalt?
Een dag, een vólle dag, en dan een schooldag, uit vissen--met je vader!
't Is zo uit de duffe, stoffige, roezemoesige stad- en schoolwereld
verplaatst worden in de frisse, zuivere, rustige natuur, en daar vrij
rondzwerven--met je vader!
Ik herinner me nog zo goed, wat zo'n dag voor mij was. 's Avonds te
voren hadden we de hengels al in orde gemaakt en de snoeren nagekeken
met de simmen en de haken. En dan hadden we voor vijf centen wormen
gekocht en die verdeeld over eenige wormenbakjes, met wat aarde er in.
En dan had Moeder een grote hoeveelheid boterhammen gesneden met "wat
er op", en die had ze tegen 't uitdrogen tussen borden en onder stenen
deksels geborgen. En dan hadden we alles netjes en ordelik bij elkaar
gelegd, om het de volgende morgen gereed te vinden, en waren vroeg gaan
slapen. Slapen vóór 't donker was, dat ging moeilik, en we woelden dan
ook nog al wat heen en weer. Maar eindelik kwam de slaap toch en sliepen
we vast door, totdat Moeder ons, omstreeks half vier, met zachte stem
wakker riep. Ze had ons eigenlik wel willen laten slapen, we sliepen zo
lekker, en ze gunde ons die rust zo graag. Maar ze gunde ons ook 't
genot, en dus: "Toe jongen, vader is al klaar." En dan sprongen we er
uit, kleedden en wiesen ons slaapdronken, aten onze boterham, dronken
een glas melk, pakten ons boeltje bijeen, gaven Moeder een zoen en
stapten met Vader de deur uit, waarna Moeder ons nog nakeek totdat we
groetende de hoek omsloegen.
Wij mochten de hengels dragen. En nu ging het in de kille morgenlucht,
straat in straat uit, door het in ochtendschemer nog rustende Amsterdam,
naar de Willemspoort. Even daarbuiten was de Haarlemmerweg langs de
Haarlemmervaart, en hier lag de trekschuit klaar. We sprongen er op,
als oude bekenden, legden onze hele bagage van hengels, wormenbakken,
visnetten en proviandzakken op 't dek, en liepen dan eens naar beneden,
of het in de kajuit nog al gezellig was. Nee hoor, 't was boven 't
leukste, en we bleven dan ook boven, al mocht straks, onder 't varen,
het morgenwindje wat koel om de oren blazen.
Hoe heerlik, de zon te zien opgaan, zo'n grote gouden schijf, oprijzend
uit de nevelen over de vochtig groene weiden. En al die boerderijen,
telkens weer een andere. En de boerenwagens, rijdende naar de stad.
En dan weer eens aanleggen, om goederen of mensen te laden. En dan dat
lekkere frisse gekabbel en geklots van het water. En het wuiven van het
slanke riet, langs de kanten. Hier en daar zag je er een hengel uit
steken, en als je er dan voorbij voer, zag je een opening in 't riet
en daar in 't gras zat een visser, helemaal in z'n eentje. "Morgen!"
riepen wij hem toe. "Geeft het wat?"--"Niks gedaan, hoor! Ze bijten
vandaag niet."--Maar wij gingen verder. Van die drukke trekvaart moesten
we niets hebben. We gingen naar Halfweg, en daar had je uitgestrekte
plassen. Dat was ons viswater. Daar zaten ze. Mooie baars en snoek. En
die zouen wel bijten.
Door Sloterdijk heen en dan nog eens zo'n vaart, een nog langere.
Hè, wat was de zon al warm. Lekker zo in de koele morgen. Wil je wel
geloven, dat ze langzamerhand al begon te steken? Maar je kon 't best
uithouden. En naar beneden ging je in geen geval. Daar was niets te
zien. En hier--wat ruim en hoog en mooi!
Eindelik waren we in Halfweg. In een klein herbergje gebruikten we een
kop warme thee, zo'n klein, gezellig herbergje, met biezen stoelen om
oude, verveloze tafeltjes, en waarvan de boerin als een oude kennis
met je sprak. En dan naar buiten, naar 't water. Snoeren afgewonden,
vastgebonden, hengelstukken in elkaar gedraaid, aas aangeslagen, en gauw
eens even ingelegd, om te zien, of de sim verschoven moest worden. Dan
een rustig schilderachtig hoekje opgezocht, en je daar een poosje
verstopt tussen 't riet.
O, hoe heerlik is 't hier. Zacht golft het riet. Vóór je glinstert de
watervlakte in levende rimpeltjes. En daarop danst of eigenlik trilt de
dobber, het gladde, rode kopje met de doorgestoken pen. Die stijve pen
heeft zo iets eigenwijzigs, iets eigengerechtigs, iets pedants. Een
ietsje maar. Maar toch genoeg, om een komiese indruk te maken te midden
van deze harmonie van ruisend riet en rimpelend water.
Wanneer je op de grond zit, met je oog dicht bij het water, wat is
dan die glinsterende vlakte groot. Telkens verdwijnt de dobber uit je
gezicht, niet doordat hij er niet meer wezen zou, o neen, dat pedante
pennetje blijft aldoor even eigenwijzig boven het rode kopje uitsteken,
of die hele goud-glinsterende kabbeling voor zijn plezier zoo schittert
en trilt. Maar, wegdoezelend onder het zachte suizen en ruisen,
raak je gauw in dromen verloren, en dan zie je niets meer dan een
dooreenmengeling van groen en donker met gouden tipjes, waarin het
pedante pennetje volkomen verdwijnt.
"Jongen, je hebt beet!" roept daar plotseling een stem achter je. Je
trekt snel op, en boven 't donkere water schittert een zilveren vis,
spartelend door de lucht. Hè, je hart klopt in je keel. 't Ging ook zo
onverwacht. "Je moet niet zitten suffen," zegt de goedmoedige visser
nog. "Anders vang je niet."
Je moet niet zitten suffen. En toch, na een poosje, daar is het weer.
Is het de buitenlucht, die je zo soezerig maakt? Of dat stralende
hemelblauw? Of ben je misschien te vroeg opgestaan voor zo'n kleine
jongen? Langzamerhand komt het weer over je. Alles om je heen zingt
met zachte, suizende stem. En boven dat stille natuurzingen uit hoor
je telkens heldere klanken van vogels, van rietvinken. En dan strooien
de leeuweriken, hoog uit het hemelblauw, naar alle kanten hun smeltend
getierelier, hun zangerige serpentines, die de lucht vervullen als
hoorbare zonneschijn. Daar komt het weer. Je drijft weer weg in
vergetelheid. Het pennetje, het stijve, pedante pennetje, schiet naar
beneden, als een eigengerechtige paedagoog, die door meester Duivel
plotseling in de hel wordt getrokken. Maar je ziet het niet, je bent
weggezonken in de vrede van een heerlike harmonie, totdat een ruk aan
je hengel je wakker schrikt uit je dromerijen en je snel ophaalt met al
weer een goud-gevinde vis aan het eind van je snoer.
Vader is intussen aan 't rondvissen van de plas. Echte vissers zitten
nooit. Die lopen aanhoudend verder. Ze wachten de vis niet af, maar
zoeken ze op, telkens hun verleidelik aas trillend inleggend in al weer
een nieuw plekje krozig water. En zo is Vader een heel eind van ons
af geraakt. Dat geeft ons een gevoel van eenzaamheid, dat ten laatste
wat neerdrukkend werkt. Daarom staan we op, winden het snoer om de
hengelroe, en gaan op stap, vijf, tien, vijftien minuten ver, totdat we
weer bij Vader zijn en daarmee een behagelik gevoel van veiligheid en
stille gezelligheid herkrijgen.
De ganse dag gaat het zo door, totdat de namiddagzon naar huis wenkt.
Eerst wordt hier buiten, op een vlotje, de gevangen vis schoongemaakt,
van schubben en ingewanden en vinnen ontdaan, daarna in een netje met
gras gepakt, en nu, naar de schuit, jongens! Daar heb je het jagertje,
vooruit! Op het dek liggen we uit te rusten van de vermoeiende dag,
slapende komen we in Amsterdam. Daar maakt Vader ons zachtjes wakker,
en aan zijn hand slepen we ons door het eindeloze stratennet voort.
Thuis de vis in een emmer fris water uitspoelen. Morgen zal Moeder ze
bakken. Of misschien vanavond nog? Eer de pan op 't vuur staat, liggen
wij al onder de wol en soezen te midden van buitenlucht en zonneschijn
en ruisend riet en glinsterend water. Uit een diepe slaap worden we de
volgende morgen verkwikt wakker en gaan naar school, om de verloren
schade in te halen.
* * * * *
Hebt ge wel opgemerkt, waarde lezer, dat ik in die herinnering aan een
dag uit vissen vanzelf uit de verleden tijd in de tegenwoordige tijd ben
overgegaan? Daar zou mijn vroegere taalmeester zeker een dikke blauwe
streep doorheen gehaald hebben. Dat mochten we niet doen. Als we in de
verleden tijd begonnen waren, moesten wij daar ook in blijven, al dwong
de levendigheid van het gebeurde ons ook nog zo tot een voorstelling in
het heden. Maar de artikelen voor Sch. en L. gaan niet eerst door de
handen van een blauwgepotlode taalmeester en zo verschijnen ze onder uw
ogen met al de ongerechtigheden van de onverbeterde en onverbeterbare
schrijver.
Eén ding wil ik echter wel zeggen, dat ik n.l. nooit die sprong uit de
voorbijgegane tijd naar de huidige zou hebben gemaakt, als ik nu nog een
dag uit mijn vroeger _schoolleven_ had moeten beschrijven, in zoverre,
dat leven een _leerleven_ was onder de leiding van de meester, want--ik
zou eenvoudig niet in de verleden tijd begonnen zijn, ik zou _helemaal_
niet begonnen zijn, om de afdoende reden, dat ik me uit dat leerleven
niets meer herinneren kan. Wel weet ik nog van de streken en
ondeugendheden, die we in en om de school uithaalden, maar--is het niet
leerzaam?--van het echte leerleven, waarom we dan toch jaren achtereen
dag aan dag naar school gingen, weet ik zo goed als niets meer af. Ik
zou geen schooldag kunnen beschrijven.
En wel een dag uit vissen? En dat, hoewel die slechts bij hoge
uitzondering voorkwam, terwijl de schooldagen regel waren?
Zo is het. En hieruit ziet men, hoe dat leerleven buiten het hart der
kinderen omgaat. Die kleine jeugdmensjes leiden dan ook eigenlik twee
leventjes: één echt kinderleven, en een ander schijn leerleven; het
eerste natuurlik, het twede kunstmatig; het eerste van binnen uit
gegroeid en beheerst, het andere van buiten af opgedrongen en bedwongen;
het eerste met hun volle hart, het andere met hun verplichte
gehoorzaamheid. Is het wonder, dat ze zich in later jaren weinig of
niets meer van dat laatste herinneren, terwijl het eerste tot in hoge
grijsheid toe levendig voor den geest staat? Waar er geen innerlik
contact is tussen het nodig geoordeelde leerleven--óók, o geliefde
broeders van de christelike en katholieke scholen, tussen het nodig
geoordeelde godsdienstige leerleven--en het waarachtige leven des
harten, het groeiende gevoelsleven, daar dragen de kinderen het eerste
als een kleed, dat ze straks uittrekken en vergeten. Neen, nog minder.
Daar is het leerleven hun een stuk pakpapier, waarin ze een deel van hun
gevoels- en geluksleven moesten inwikkelen en dat ze straks achteloos
laten vallen en wegwaaien, wanneer dat gevoels- en geluksleven
onbelemmerd mag uitgroeien. Dan zwerven de oude schooldagen als
verfrommelde krantenpapieren over de straat, terwijl de oude
geluks-uurtjes als kostbare schatten der jonkheid worden meegedragen met
dankbare liefde.
Daarom, paedagogen, als een jongen een dag uit vissen wil gaan met zijn
vader, zet dan geen gewichtig paedagogen-gezicht en weiger het die
jongen en zijn vader niet, maar zeg ja, en zeg dat met je volle hart,
innig overtuigd, dat die jongen daar voor zijn leven meer aan heeft, dan
aan het onmisbare stukje leerstof, dat hij nu uit uw methodiese gang
moet derven. Vrees niet, dat hij achter zal raken. Het leren gaat zo
ontzettend langzaam, dat de andere kinderen in die éne dag onmogelik
zo ver vooruit komen, dat hij 't niet zou kunnen inhalen. Gun het kind
zijn dag van vreugde, ook wanneer hij een ondeugende bengel is, die
't eigenlik niet verdiend heeft. Ja, sta het hem dan vooral toe. Een
weigering verbetert hem _nooit_. Een inwilliging misschien. Laat genade
voor recht gelden en ge zult eens zien, wat heerlike uitwerking dat vaak
heeft.
En wanneer ge het vissen een onedel en wreed vermaak vindt, dat ge zelf
niet meer zoudt kunnen smaken, zeg dan toch ja. En dat nog wel zonder
door een preek het genot van de jongen voor die dag te bederven.
Met een preek bekeert ge de jongen en zijn vader niet. En een dag
natuurgenot, zij het vissende, is ook een preek van overtuigende
welsprekendheid. Dat weet ik uit mijn jeugd, waaruit ik tal van andere
preken glad vergeten ben. Vooral een dag natuurgenot--met je Vader.
II.
Waarom heb ik die geschiedenis van het vissen zo in den brede verteld?
Kan ik dan niet volstaan met eenvoudig te zeggen, dat en waarom het zo
goed is, de jongens eens een dag vrij te geven? Zeker, maar ik moest
doen uitkomen, doen vóélen, wat zo'n vrije dag voor een jongen betekent,
opdat de onderwijzers, voor zo ver ze 't nodig hadden, tot instemming
werden gebracht. Er zijn er nog zo veel, die bij de almacht der
school zweren. En nu is het wel goed, dat we geloof hebben in de
noodzakelikheid van onze arbeid, in de onmisbaarheid van onze taak,
maar dat mag niet gaan leiden tot overschatting. Wie hiervan genezen
wil worden, moet zich eens heel krachtig zijn eigen vroeger schoolleven
indenken. Dan zal hem blijken, hoe dat als een grote eenvormigheid in de
verte ligt, waaruit best een dagje en wel een weekje gemist kon worden.
Vooral onze bij millimeters ineengelegde methoden voeren ons tot de
overschatting van het détail, alsof met het overslaan van één schakel
het hele verband ineens verbroken was. Neen, het verstand der kinderen
groeit niet door onze methodiese kleinigheden. De kinderen verkeren
korter of langer tijd in een stuk nieuwe leerstof, gaandeweg wordt
dat hun eigendom, en soms, ineens, wordt het hun bewust. Dan breekt
de nieuwe kennis door. Leren gaat langzaam, veel langzamer dan wij
gewoonlik denken. Wilt ge eens echt ervaren, hóé langzaam? Herinner u
dan maar even, dat het rechte inzicht in vermenigvuldigen u pas duidelik
werd, toen ge deze kunst zelf aan 't onderwijzen was. Hebt ge zo iets
nooit ondervonden? Toch meende uw onderwijzer vroeger heel zeker, dat ge
de zaak volkomen begreept. Dat komt: hij zat toen in zijn eigen denken
verdiept in plaats van in dat van zijn leerlingen. En dat zal met ons
nu ook wel eens het geval wezen. Wanneer we de hersenwerkzaamheid onzer
leerlingen konden meemaken, wie weet, met wat een geduld we aanstonds
onze tred vertraagden, en hoe gans onbekommerd we de jongens een dag uit
vissen stuurden, zo niet een week.
Maar nu heb ik nog iets anders. Bij voorbaat moeten de onderwijzers--ik
bedoel de niet-schoolhoofden--me echter beloven, dat ze niet kwaad
zullen worden. Want wat ik zeggen ga, is geheel in hun voordeel. Maar,
sommigen zijn zo gauw op hun zelfstandige teentjes getrapt, dat een
bovenmeester--zo heet de verguisde nog hier in de residentie--uiterst
voorzichtig moet wezen, dat hij zelfs in zijn goedaardige vlagen de
vrienden niet beledigt en tegen zich in 't harnas jaagt.
Weet ge, wat ik zeggen wou? Dat ook die bovenmeesters maar ja moeten
zeggen, wanneer een onderwijzer eens een dagje uit vissen wil gaan, nu
wel niet met zijn vader, maar met zijn jongen. Uit vissen, of op een
andere wijze uit genieten. Want voor een onderwijzer kan het toch ook
zo'n verrukkelik ding wezen, eens een dag buiten te dwalen, terwijl
de hele wereld school heeft. Ik weet natuurlik niet, of anderen net
zulke boosaardige égoisten zijn, als ik, maar ik geniet het meest van
een vrije dag, als anderen lekker in school zitten. Dan is het geen
officiëele vacantie, en toch ben je vrij. Dan ziet de wereld er heel
anders uit. Dan kijk je al in de stad de straten en mensen, ook vooral
de straatventers en de winkels, met heel andere ogen aan dan gewoonlik.
Dan smul je zo gemeen in het geroezemoes, wanneer je toevallig een
school voorbijkomt, waarin de kinderen hardop leren of de meester luid
aan 't oreren is. Dan heb je net een gevoel van een vogel. Je bent vrij
te midden van een gebonden wereld. En als je dan naar buiten gaat, o
naar _buiten_, naar dat voor een stadsmens zo zalige buiten, dan geniet
je dubbel, neen honderdvoud. Dan drink je het groen van de weiden in,
of je zo ineens met een naar stilte en schoonheid dorstende ziel uit de
dufheid der methodiek verplaatst bent naar de frisheid der natuur. Dan
geniet je op één dag voor een jaar. Maar 't moet een weekse dag zijn,
geen zondag, en geen algemeen vrije dag. Een extratje, zoals wij
menschen malkaar te weinig gunnen en bezorgen.
Heb ik nu de zelfstandige onderwijzers kwaad gemaakt? Of zijn ze zo
zelfstandig nog niet, dat ze nog wel zo'n dagje uit bovenmeesterlike
hand willen ontvangen?
* * * * *
Wat is de wereld toch hatelik. Daar sist iemand me onder 't schrijven
toe, dat ik niet zo kinderachtig moet zijn. Grote mensen zijn veel
te degelik, vooral volwassen opvoeders, om op die wijze behandeld en
besproken te worden. En verbeeldt zo'n bovenmeester zich soms, dat hij
iets meer is, een halve godheid bij voorbeeld, die de arme, sjofele
klasse-onderwijzer met een vrij dagje genadiglik verblijden kan?
Neen, hatelike sisser, dat verbeeldt zo'n bovenmeester zich niet.
Daarvoor is de man nog zelf veel te blij, als hij er zo eens tussen
uit mag trekken. Als hij zo eens alle zorgen zijner ambulante
nietsdoenerigheid van zijn schouders mag laten glijden en één dagje
rentenier zijn in de wije, vrije wereld. Maar waarom moest gij nu mijn
goedmoedige stemming eensklaps verstoren met uw kwaadstokende sisserij?
Eén ding is gelukkig. Die stem kwam niet van buiten af, maar van binnen
uit. En daardoor kan ik hem aanstonds in zijn ware aard onderscheiden.
Hij is de stem van mijn eigen verleden.
Er was een tijd, dat ik inderdaad met een hooghartig veroordelend
"kinderachtig" tal van gewoon menselike gevoelens en verhoudingen
smalend verwierp. Wanneer toen een onderwijzer mij een dagje vrij vroeg,
gingen we samen aan 't redeneren, aan 't onderzoeken, of de aangegeven
reden wel een dag verlof wettigde, en dan analyseerde ik 't geval net
zo fijn, dat hij tot de erkenning gedwongen werd (altans naar mijn
mening), dat hier geen reden tot verlof bestond, maar.... dan was er
voor hem de aardigheid ook al lang af. Zo'n redeneerziekte maakt
iedereen in zijn leven door, als je zo tussen de twintig en dertig bent.
Dan meen je, dat alles verstandelik te regelen is, doch loopt intussen
groot gevaar alle gevoelens des harten te vermoorden en in jezelf een
koude, verstandelike eigengerechtigheid te ontwikkelen, waarmee je ten
slotte de omgeving verkilt.
Ouder geworden, begin je te begrijpen, dat er in de mens nog andere
factoren werken dan logiese krachten, en dat een plichtsbetrachting
overeenkomstig de voorschriften der principes wel eens inferieur
kan wezen aan een gewoon plichtsleven, dat met blijde en ijverige
opgewektheid zijn dagtaak verricht, doch óók wel eens voor een keer van
die dagelikse plichten ontslagen wil zijn, zij het ook dat gestrenge,
beginselvaste braafheid hier een steekje aan los vindt. Alles is niet
te beredeneren. Er zijn onberedeneerbare dwaasheden, (dwaas in het oog
ónzer wijsheid), die op slot van rekening rijker en vruchtbaarder zijn
in levensvreugd en ook in levensdeugd, dan scherpzinnig beredeneerde
verstandelikheden.
In onze tijd van strijd, ook van strijd in de onderwijswereld tussen
klasse-onderwijzers en schoolhoofden, lopen we zo groot gevaar, die
andere factoren uit het oog te verliezen, het persoonlike en echt
menselike in de verhouding te doden, en ons te beknellen in de banden
van reglements-artikelen, véél meer dan nodig is. Zeker, ik zie de
gevaren niet voorbij van een eenhoofdig bewind, dat zo licht tot
misbruik van macht kan leiden, maar laten we toch ook de ogen wijd open
houden voor het kwaad, dat ons bedreigt van een reglementen-regering,
die in uniformiteit haar heil vindt en in een contrôle van vormelikheden
haar sterkte. Daarmee zijn we ten slotte allemaal achterop. Niets toch
zo onrechtvaardig als een wet, die met geen individuele verschillen
rekening houdt; niets zo genadeloos als een reglement, dat geen hart
heeft; niets zo vrijheid dodend als een regeling, die in naam der
algemene vrijheid, elke persoonlike vrijheid aan banden legt.
Mensen zijn kinderen, net zoo goed als kinderen mensen zijn. We
behandelen de kinderen dikwijls te kinderachtig, vergetende dat er een
zelfstandigheid in hen rijpt, en de volwassenen soms te mensachtig,
vergetende dat er altijd nog een kind in hen is blijven leven. En geen
mens zo voornaam, zo invloedrijk, zo verstandig en zo zedelik, of hij
komt nog wel in omstandigheden, dat hij bij zijn stille wensen of
uitgesproken verzoeken om een extratje heel kinderlik in zijn hart
denkt: Toe, zeg maar ja.
* * * * *
Ik sprak daar over bindende wetten en dacht toen aan het
verenigingsleven en aan centralisatie in gemeentelik-en rijksbewind.
Over beide wil ik nog even doorgaan.
Het moet iedereen wel getroffen hebben, hoe de vakvereniging, ook die
der onderwijzers, de persoonlike vrijheid van haar leden aan banden
legt. Wie zich aan de genomen besluiten niet wenst te houden, wordt als
lid geschrapt. Niet ten onrechte heeft men b.v. de Soc.-dem. arb. partij
een politieke Katholieke kerk genoemd, waarin de leken niets hebben in
te brengen, maar de paus of de pausen de leiding voeren en gehoorzaamd
moeten worden. Daarbij vergat men echter, ten eerste, dat die leiders
_gekozen_ worden en dus de partij door haar leiders zichzelf bestuurt,
en ten twede (als ik mij niet vergis), dat ook de macht in de Kath. kerk
oorspronkelik uit de democratie is voortgekomen, zoals nu b.v. ook
de kerkelike kiesverenigingen in de Protest. kerk, dus verenigingen
van leken, van leden, de ouderlingen, de diakenen, toezieners en ten
slotte door hen ook de predikanten en de synode kiezen. En dan vergeet
men ook dat er niemand lid van een partij of een vereniging of een
kerkgenootschap behoeft te blijven. De dwang in die verenigingen kan
men dus billiken, omdat hij van onder af is opgekomen en niemand langer
binden kan dan deze zelf verkiest. Het is een dwang, waaraan men zich
vrijwillig onderwerpt, indien men al niet zelf heeft meegewerkt om hem
in te voeren.
Anders is het echter gesteld met de Staatsdwang. Men kan niet als lid
van de Staat bedanken, tenzij men lust heeft de wildernis in te trekken.
Op dit gebied moet daarom de dwang zoveel mogelik beperkt worden en die
kans heeft men te minder, naarmate de centralisatie te groter wordt.
Om alleen bij ons lager onderwijs te blijven, in de grote steden zien
we het echte schoolleven, het echte uitleven van opvoedkundige en
onderwijskundige idealen, langzamerhand, steeds meer, onder de druk
komen van het algemene voorschrift. We weten, hoe dat in Frankrijk de
ontwikkeling van de school belemmert. Het is wellicht voor een minister
van onderwijs met zijn heirleger van ambtenaren heel gemakkelik, dat
voor heel Frankrijk hetzelfde leerplan, hetzelfde rooster geldt, waarbij
alle kinderen van een zelfde leerhoogte op hetzelfde uur op dezelfde
wijze aan dezelfde stof bezig zijn, maar voor die leerstof en die
leerwijze en die leerkinderen, _voor het leven en de bloei van het
onderwijs_, is het ten slotte verderfelik, de dood in de pot. En ook in
ons land dreigt het hier en daar die kant op te gaan. De voorvechters
van de republikeinse school mogen het mijnentwege winnen: als de
onderwijzers in 't algemeen zo hoog staan in _alle_ opzichten, dat ze
de dagelikse leiding der schoolhoofden kunnen missen, is dat een _te_
gelukkig verschijnsel, dan dat we er ons niet over zouden verheugen.
Ieder chef moet blij zijn, als hij tengevolge der betrekkelike
volkomenheid zijner ondergeschikten misbaar is geworden. Maar--laten die
voorvechters niet vergeten, dat er nog een veel ellendiger chef is dan
een ambulante bovenmeester: de domme, harteloze, starre, onbewegelike
administratie. Met een bovenmeester--hij is toch ook een mens--is nog te
spreken en ook hij staat onder de invloed van de geest des tijds, maar
wie met de administratie wil strijden, stikt in de duffe papierrommel.
Daartegen hield zelfs een Multatuli het niet uit. En die was taai.
Ik wil dus zeggen: laten we bij het onderwijs ons uiterste best doen,
om de persoonlike vrijheid zo ver mogelik door te zetten, zo hoog
mogelik te houden. En laten de leden van Rijks- en Gemeentetoezicht
ons daarbij helpen. Voor hen, ik voel en begrijp het best, is de
verleiding zo groot, om in de richting der centralisatie te sturen. Al
die verscheidenheid is zo moeilik te overzien en te contrôleren. Maar
toch--uit die verscheidenheid spreekt het leven. En omgekeerd, het
grote leven zelf met zijn eisen dwingt ons wel naar een zekere eenheid.
Doch 't is zo'n groot verschil, of die eenheid gegroeid is en steeds
vergroeien kan, of dat ze in elkaar is gezet als de spaken en velgen van
een wiel en door een ijzeren band onbewegelik bijeengehouden wordt.
Stel u eens voor, dat het leven der huisgezinnen, de inrichting der
maaltijden, de verhouding tussen ouders en kinderen minutieus door de
wet geregeld werd. Dat de bemoeizucht der tirannieke vrijheidsmannen
ook daar het leven tot een poppenkast maakte, waarvan de poppen
mochten dansen naar het trekken der wetsartikelen. Zou het huiselik
en maatschappelik leven niet alle bekoorlikheid voor u verliezen en ge
liever de wildernis intrekken dan in zulk een beschaving te verstenen
tot een stuk gietwerk?
Welnu, liever moet de school groeien in de richting van een ideaal
huisgezin dan in die van een leger.
* * * * *
Het is zo goed, als we onder alle verhoudingen de vrijheid hebben tot
een ja-zeggen. Ik bedoel: dat is in _zedelik_ opzicht zo goed. Wat
blijft er over van onze zedelike groei, wanneer we als machineraadjes
lopen _moeten_ naar het ingrijpen der tanden. Wat verdienste steekt
er in, overeenkomstig artikel zoveel van de wet iemands rechten niet te
krenken. Wettiese braafheid is geen braafheid. Gehoorzaamheid aan de wet
is iets zo geheel anders dan gehoorzaamheid aan een beginsel, dat niets
te eisen heeft dan--een beetje zelfverlochening, een beetje meegevoel,
een beetje welwillendheid; zo geheel anders dan gehoorzaamheid
aan de zedelike eis der liefde. En zullen we niet verstarren in
gereglementeerde braafheid, dan moeten we vrijheid hebben tot toestaan
en weigeren.
Maar--zegt de klasse-onderwijzer--als gij, bovenmeester, zo op die
vrijheid gesteld bent, wilt ge dan ons in wettelike afhankelikheid
houden? Geenszins. Hoe eer de zelfstandigheid der onderwijzers wettelik
geregeld is, hoe liever. Ik ben er geen greintje bang voor, wat zeg ik,
ik zou me er zelf sterker door voelen. Maar ook dán nog zal er veel
geregeld moeten worden bij onderlinge welwillendheid--zie slechts naar
de verhoudingen op de H. B. S. en de Gymnasia. Ook dán zal van het
menselike nog veel meer afhangen dan van het wettelike. En zo lang het
niet zo is....
Nu kom ik wellicht in botsing met sommige collega's-schoolhoofden. Maar
fiat, ik waag het er op.
Geef, zou ik willen zeggen, de onderwijzers een maximum van vrijheid in
hun klasse. Wanneer zij met hart en ziel werken en ze willen iets liever
anders dan gij, zeg dan ja. Het scheelt zo enorm veel, of iemand naar
zijn eigen zin en inzicht iets mag inrichten en uitvoeren. Dan is er
vaak zoveel meer ambitie. En, mijn hemel, denkt ge, dat over dertig jaar
die kinderen nog weten, of ze de vermenigvuldiging zus of zo geleerd
hebben?
Verdenk me niet van gebrek aan ernst, beschuldig me niet van
lichtvaardigheid, wanneer ik over geschillen van methodiek en zo
gemakkelik schijn heen te glippen. Doch, indien mogelik, erken met mij,
dat er in de persoonlike lust en liefde van de klasse-onderwijzer--_die
dan toch het onderwijs moet geven_--een véél belangrijker factor
in 't spel komt. Het hart van die man is ja wat meer waard dan de
voortreffelikste leergang en het nauwkeurigste leerplan. En zulk een
vrijheid van de klasse-onderwijzer sluit volstrekt niet de invloed van
het schoolhoofd buiten. Eer zou ik zeggen: integendeel.
Het spreekt van zelf, waar een ja-zeggen mogelik is, moet ook een
neen-zeggen kunnen voorkomen. De Genestet heeft gelukkig geprezen, wie
_neen_ durft zeggen. En hij had gelijk. Maar juist hij, die de macht en
de moed heeft om _neen_ te zeggen, hij bereikt zo verbazend veel met een
_ja_. Dat is toch niet het ja der slapheid, maar het ja der zelfbewuste
kracht, het ja van 't gelovend vertrouwen, en dit ja kan niet anders dan
sterkend werken.
VII. GROEIEN GAAT LANGZAAM.
En toch willen wij, dat het gauw gaat. En daarom trekken wij met onze
ongeduldige vingers het plantje omhoog, doch rukken daarmee de fijne
wortelvezels los, en 't plantje kwijnt. Of we plaatsen het in een
broeikas, en het wordt wel spoedig groot, doch ongeschikt voor den
kouden grond.
Groeien gaat langzaam. En wie dit niet gelooft, moet maar eens een paar
uur bij een plant gaan kijken. Dan zal hij zien, dat hij niets ziet. En
toch is de plant in die paar uren gegroeid.
Maar hij moet niet per ongeluk bij zijn _kind_ gaan kijken, want dan
wordt hij dadelijk zoo vreeselijk boos, omdat dit arme kind niet zoo
gauw groeien wil. Ik bedoel verstandelijk, en zedelijk. Lichamelijk, dat
is niet zoo erg. Maar verstandelijk!
Vader zit te zieden van drift, en dat simpel omdat zijn zoon die sommen
maar niet begrijpt. "Maar _begrijp_ je dat dan niet, ezel? Wat ben je
toch een stommerik!"
Ja, dat had de meester ook al gezegd, maar hierdoor was de jongen
volstrekt niet ineens een heel eind opgeschoten. Hij was dezelfde
stommerik gebleven, precies trouwens--als de meester en als vader zelf,
die na jaren van ervaring maar niet begrijpen konden, dat groeien
langzaam gaat, en dat dan nog de eene plant niet de ander is. In
kinderkennis zijn deze beide paedagogen nog maar een luttel beetje
gegroeid. En in zelfbeheersching nog minder.
Maar dit laatste is ook een moreel element, en in zedelijkheid groeit
een mensch nòg langzamer dan in verstandelijk inzicht. Het begrijpen
wil nog wel eens komen, langzaam aan, maar het kunnen _leven_ naar dit
juistere begrip, dat valt nog zwaar. Dat eischt dan ook dikwijls een
innerlijke _vernieuwing_ van het oude, een regeneratie. Dan moet er in
ons een nieuw mensch geboren worden.
Echter, al groeit een _mensch_ in zedelijkheid ook héél langzaam, daarom
heeft een _kind_ hiertoe nog niet de vrijheid. Dat zou ook wel schande
zijn. En volkomen gegrond is onze verontwaardiging, dat die deugniet
nòg al niet waarheidlievend is. We hebben het hem toch immers wel
honderdmaal gezegd? In ondeugendheid en vrijpostigheid, o ja, daar
groeit hij wonderlijk snel. Dat heb je van onkruid altijd. Maar in deugd
en zelfbedwang?
Lieve vrinden, laten we nu eens héél eerlijk zijn en zeggen: Hoe gaat
het met óns?
We zijn dertig, veertig, vijftig, zestig jaar geworden. We hebben het
onzen leerlingen, onzen kinderen, onzen vrienden vaak voorgehouden. We
zijn al bolleboozen in 't preeken--tegen anderen. Raadslieden van gezag.
En hoe staat het met óns?
Zijt ge inderdaad beter geworden? Niet wijzer, maar beter? Ge hebt
er uw tijd voor gehad. Kunt ge in uzelf een voorbeeld stellen aan uw
jongeren? Of zijt ge alleen zóó ver, dat ge ernstig het goede wilt, dat
ge met uw diepste hart het goede wáárlijk begeert, en dat ge dageliks
bidt om kracht om te vorderen, althans om staande te blijven?
Dan zijt ge al heel ver. Eigen zwakheid en slechtheid kennen, naar
verbetering oprecht verlangen, en bidden om kracht in den strijd--dat is
al een kostelijke levensvrucht. En hoop maar, dat, langzaam groeiende,
die vrucht ook voor uw kinderen rijpen mag.
Maar denk er aan, voor de levensrust van uzelf en de levensvreugd van uw
kinderen--en minderen--dat groeien, geestelijk groeien vooral, maar
uiterst langzaam gaat.
NAAR TIJD.
Hebt gij ooit graan gemaaid in groene lente?
Uw huis betrokken eer het was gebouwd?
Eischt gij van 't kapitaal de volle rente,
Nog eer gij 't in uw handel hebt betrouwd?
En wilt ge, dat uw _kind_ zich braaf, ervaren,
En wijs zal toonen? Hoed u voor den schijn:
Ook zeedlijkheid moet groeien met de jaren,
Laat hem den tijd, om vroolijk dwaas te zijn.
VIII. FREDERIK FRÖBEL.
I.
Hoe hij opvoeder werd en wat de kinderwereld hem openbaarde,
door Elise van Calcar, 2e druk. Met een voorrede van Dr. J. H.
Gunning Wzn., Districts-schoolopziener.--Amsterdam, H. Wierts
van Coehoorn. 1910.
Het is gewoonweg een schande, dat zulk een boek, dertig jaar geleden
geschreven en nog wel aan het Ned. Ond. Genootschap opgedragen, nu
pas herdrukt is. Nu pas. Ach, als het maar een handboek voor een of
ander examen was geweest! Dan hadden de lui het móeten kopen, lezen,
bestuderen--d. w. z. uit hun hoofd leren--en dan konden we nu al de 15e
druk aankondigen. Dan waren de denkbeelden, er in ontwikkeld, wel niet
dieper en vaster in de practijk doorgedrongen, want, gelijk men weet,
hebben examen en practijk weinig of niets met elkaar te maken, maar
dan was het boek toch in leven gebleven, had men het in onze tijd van
opvoedkundige belangstelling niet behoeven op te diepen, en had het
menig inderdaad belangstellende, die het nu niet kende, vaak gesterkt en
verkwikt. Het is een mooi boek. Het is een rijk boek. En men moest een
niet-officiëele opvoedkundige als Elise van Calcar zijn, om zulk een
boek te kunnen schrijven. Dit boek is niet voor de studie gemaakt. Dit
boek is uit het hart opgeweld, uit een hart vol liefde en bewondering,
en dat samenging met een hoofd vol kennis en inzicht.
Roerend zijn de eerste hoofdstukken. Fröbel als kind. Wist ge, dat hij
zo'n bitter droevige jeugd heeft gehad? Verwaarloosd en miskend door
zijn twede moeder, terzij geschoven door zijn vader. Een brave vader,
die echter, als predikant, zo zeer in de zorgen voor zijn gemeente en
van zijn studie opging, dat hij voor zijn kleine Frederik geen tijd had.
Men ziet dit meer. Maar het blijft een groot vergrijp jegens het kind.
President Roosevelt had wel gelijk, toen hij in zijn redevoeringen er op
aandrong, dat men zijn naastliggende plicht niet mocht verwaarlozen om
zich aan uitgebreider kring te wijden. Eerst kind en vrouw, dan stad en
staat. Maar gaat het zo?
Fröbel's vader had geen tijd voor zijn kind, zijn stiefmoeder begreep
het niet, en zo had de kleine Frederik een troosteloos droevige jeugd.
Gelukkig--voor het nageslacht. In een reine en edele ziel wordt uit
smart nooit verbittering, maar verbetering geboren. Zij zoekt anderen de
smart te besparen, waaronder ze zelf geleden heeft. En zo geloof ik, dat
heel wat kindervreugde in de latere "Kindergärten"--is opgebloeid uit de
donkere bodem van Fröbels kindersmart.
De bladzijden over Fr.'s kinderjaren kan men echter niet lezen zonder
een gevoel van wrevel jegens de ouders. Dat waren nu ontwikkelde, brave,
fatsoenlike, godsdienstige mensen, maar die niettemin hun kleine jongen
schandelik onrecht deden. Zulke ouders zijn er vele, ook nu nog. Daarom
is het zo goed, als ze eens op een afstand en bij een ander zien, hoe
schandelik onrechtvaardig en hard ze tegen hun kind zijn.
Toen Fr. een stiefbroertje had gekregen, "nam de nieuwgeborene de
aandacht en de zorgen der ouders zoo geheel in, dat zij in het eerst
den teruggang in Frederik's ontwikkeling niet ontwaarden--en toen die
zich zoo onmiskenbaar vertoonde, dat zij elk in het oog viel, werd
de schuwheid en droefgeestigheid van het teruggestooten kind, hem als
een schuld aangerekend. "Wat kon de oorzaak anders zijn van zijne
lusteloosheid en afgetrokkenheid dan jaloezie?"--Zoo redeneerde de
stiefmoeder--"hij gunde haar kind niets--de wangunst verteerde hem--dat
was een zeer leelike karaktertrek--zijn vader moest het niet door de
vingers zien--en hem bij zijn thuiskomst dat pruilen en droomen eens
met een goed pak slaag afleeren." De ondeugendste bedoelingen werden
aan zijne eenvoudigste daden toegedicht en dat met zulk een schijn
van waarheid, dat het bij den vader geen den minsten twijfel over de
strafbaarheid van het kind overliet. De thuiskomst des vaders werd van
nu aan de nadering van het gericht en den scherprechter, in plaats van
de vreugde des kinds. Harde woorden en zware straffen vervingen den
zonneschijn, die voorlang door dreigende wolken was verduisterd."
Is dit niet bedroevend en tegelijk ergerlik? Wat baatte die
ontwikkeling, die braafheid, dat fatsoen en die godsdienst, ja vooral,
wat baatte die godsdienst hier? Het arme kind merkte er niet veel van.
't Ware toch zo nodig geweest, dat de Luthersche theologant en zijn
vrome vrouw bij hun godsdienst wat meer--liefde, wijsheid, begrip van 't
kind, wat meer tedere zorg, wat meer toewijding, in één woord, wat meer
vruchten van _echte_ godsdienst hadden betoond.
"Met een diep geroerd gemoed nam Frederik zich gedurig voor recht vroom
en braaf te zullen worden, maar ondanks deze oprechte godsvruchtige
gemoedsaandoening contrastreerde zijn gedrag vaak zeer met zijn
voornemens. Viel hij weder in eenig kinderlijk vergrijp dan liet zijn
teeder geweten hem geen rust; hij kon geen oog sluiten van angst voor de
straffen der hel, die ongetwijfeld zijn deel moesten worden."
"Wat hem het meest deed struikelen was zijne rustelooze zucht tot
bezigheid en onderzoek--zijne begeerte om de dingen te leeren kennen.
En daar zijne moeder geen begrip had van de levenseischen van zijn
leeftijd, verzuimde zij hem van die voorwerpen te voorzien, die hem
gepaste bezigheid en oefening zouden verschaft hebben. Hij mocht nergens
aankomen. "Overal afblijven--den boel niet omhalen," was hare leuze."
"Stil zijn en nergens aankomen." Dit was echter even goed als hem alles
tot de begeerlijke verboden vrucht te maken. De lust om alle voorwerpen,
die hem omringden, van nabij te bezien en te betasten, werd zoo
ontzettend geprikkeld door dien gestadigen strijd van alles afnemen en
weer opbergen, zonder iets anders te verschaffen, dat hem bezigheid
geven kon, dat onze rustelooze natuurvorscher dagelijks voor de
verzoeking bezweek. Deze geheel onbestuurde lust om alles te leeren
kennen, open te maken en van zijne plaats te halen, stortte hem in alle
mogelijke kinderrampen en deed hem alles bederven, wat onder zijn bereik
kwam. "Geene straffen, geene bedreiging hoe zwaar ook, waren in staat
zijn ondoofbare aandrift tot werkdadig onderzoek te beteugelen. Wel
verre van te verstaan wat de eischen van dit werkzaam karakter en de
eischen van dezen leeftijd waren, zagen zijne ouders in deze
onweerstaanbare aandrift niets anders dan moedwil en boosheid."
Nu vraag ik nog eens: Wat baatte hier die godsdienst? Godsdienst moet
dan toch de naaste, dus ook het kind, leren liefhebben, leren begrijpen,
leren helpen. Men mag zeggen: die ouders wisten niet beter. Maar dat is
voor godsdienstige mensen geen excuus. Ze hadden beter móéten weten.
Hun liefde had hen moeten doen doordringen in het kind, had hen die
stille smart moeten doen meegevoelen, verstaan en wegnemen. Ik kan
het niet helpen, maar ik kan in al dat godsdienstig gedoe met zúlke
opvoedingspraktijken geen godsdienst zien. "Aan hun vruchten zult ge ze
kennen." En nu weet ik zeer wel, dat onze godsdienst, ons geloof vaak
niet sterk genoeg is, om de liefde en de wijsheid in volle kracht te
doen stralen, dat ook de godsdienstigste mensen nog zondigende stumperds
zijn, struikelend iederen dag, maar--hier was de _richting_ zo absoluut
verkeerd. Hier werd het kind meer afgestoten, teruggewezen, dan
aangetrokken, dan gezocht. Hier werd niets gevoeld van "Laat de kinderen
tot mij komen". Hier het lam in de woestijn niet gezocht, maar gezonden.
O, hoe heerlik is het, een kind te zien uitgroeien, zich te zien
ontplooien, en hoe weldadig werkt de zon der moederliefde dan op dat
in bewaakte vrijheid uitgroeiende wezentje. Dáár kan godsdienst zijn,
ook al worden er geen onbegrepen gebedjes gepreveld, geen onverstane
Bijbelteksten gelezen. Daar kan in Vader en Moeder de christelike liefde
werken, daar kan Christus' geest zegenend heersen, daar--ook al wordt
Zijn naam niet genoemd--kan Christus tegenwoordig zijn: "waar liefde
woont, daar woont Hij zelf." Maar in menige christelijke kring is
Christus ver te zoeken. Hier bij Fröbel ten minste...
"hoe weldadig de schooluren in Frederik's toestand inwerkten, zij gaven
hem toch de treurige ervaring, dat het elders beter was dan thuis. De
tegenstelling van zijn geluk in de school en van zijne aanhoudende
vervolging in huis, kwam tot een smartvol bewustzijn, en hij begon
heimelijk zijne broeders gelukkig te prijzen, die op eene andere plaats
werden opgevoed."
In die school had Frederik het goed. "Daar zij echter geenszins zijn
werk- en weetlust bevredigde of zijne ontwakende geesteskrachten,
voldoende inspanning gaf," zette hij op eigen gelegenheid steeds
zijne natuur- en werktuigkundige nasporingen voort, op al wat hij
maar machtig worden kon, proeven die ongelukkig nog altijd van een
ontledenden aard waren, en hem de geduchte straffen zijner stiefmoeder
en het ongenoegen van zijn vader op den hals haalden. De maatstaf, die
bij deze straffen werd gebruikt, was eene gewone, maar zeer verkeerde.
Zijne daden werden beoordeeld naar hare toevallige gevolgen, niet naar
hare gewisse beginselen. Zulke straffen zijn allernadeeligst voor het
kind, dat al het onrecht weegt, hem hierdoor aangedaan, en bij iedere
straf dus meer eerbied en vertrouwen verliest, meer wrok vergadert.
Konden echter de zwaarste straffen de behoefte aan werkzaamheid niet
in zijn hart dooven, zij misten haar noodlottig uitwerksel niet--"zij
leerden hem het geweld te ontduiken door de list--door achterhoudendheid
en eindelijk door onwaarheid." En zo bewerkte deze christelike
opvoeding, althans deze opvoeding van christelike mensen, van christelik
hetende mensen, dat ons oorspronkelik waarheidzoekend kind, opgeleid
werd tot de duivelskunsten van list en leugen. Voorwaar, aan de vruchten
zult ge ze kennen, ook de christelikheid der opvoeding.
Fröbel heeft zijn leven lang veel van "godsdienstige" mensen te lijden
gehad. Geen wonder. Voor hem was, van zijn schooljaren af, "het schoone
woord van Christus: _Tracht eerst naar het Koninkrijk van God en zijne
gerechtigheid, en alle dingen zullen u worden toegeworpen_, het
richtsnoer en het heil (zijns) levens," en er is zoo buitengewoon veel
"godsdienstigheid", die met dit woord geen ernst maakt, dat een man als
Fröbel voor zulke lippenbelijders wel een steen des aanstoots moest
zijn. Het beste middel, om hem te bestrijden, was dan maar hem te
belasteren, hem van goddeloosheid te beschuldigen. "De geestelijken (we
zijn nu onder de katholieken in Zwitserland) hadden nauwelijks de lucht
van het openen eener school of zij ruiden het domme landvolk op"--"de
geestelijkheid werkte de uitbreiding der zaak door alle denkbare en
ondenkbare praktijken tegen." En zo deden niet alleen de katholieken. En
zulke tegenstand kwam ook niet alleen van "gelovigen". Ook van andere
zijde. Maar dat maakt altijd een zoveel treuriger indruk, als in de
naam van den Heiland, van den Heiland ook der kinderen, met onheilige
middelen een edele zaak wordt bestreden, als de Heiland misbruikt
wordt, om het onheil der kinderen te handhaven. "Het is lichter"--riep
Fröbel menigmaal geërgerd uit--"dat een kemel ga door het oog van een
naald--dan dat de opvoeders ingaan in het Koninkrijk van God, want
niemand schendt de goddelijke wetten aanhoudender, koelbloediger en
vermeteler dan de opvoeder, die met het kind doet al wat hem goed dunkt,
zonder acht te slaan op de eischen van het nieuwe, jonge leven." Juist,
zo is het. En dit is een schande. Een schande voor allen. Maar de
grootste schande voor hen, die in de gevel van hun schoolgebouw zetten:
"Laat de kinderen tot Mij komen", en straks binnen dat schoolgebouw door
hun onkinderlik en liefdeloos drijven de kinderen tot list en leugen
brengen. De godsdienst heeft de hoogste aanspraken, maar daarom dragen
de godsdienstigen dan ook de hoogste verantwoordelikheid. Tegenover
Friedrich Fröbel hebben zij iets goed te maken.
Niet alleen zij. Toen de hertog van Sachsen-Meiningen Hilburghausen
zijn waardering toonde met Fröbel's denkbeelden, voelden de
"school-autoriteiten en vakmannen zich zeer gekrenkt. Wie was die
eigenwijze man met zijn revolutionair drijven, die den ouden kalmen
slakkengang wou wraken--die den zoet-vloeienden tredmolendraf in
verdenking zocht te brengen? Zijn grillen inwilligen zou zijn te
erkennen dat het volksonderwijs _niet alleszins voldoende_ was.
Een zeer geacht literator, maar een onverzettelijk conservatief,
die aan het hoofd stond van de zaken van het onderwijs, besloot in
zijn kleingeestigheid het Fröbelsche drijven voor goed den bodem
in te slaan en hij schaamde zich niet de onedelste middelen aan te
grijpen. Plotseling wordt het paedagogisch gezelschap (Fröbel en zijn
medewerkers) door de hatelijkste aanvallen bedreigd en door allerlei
openlijke beleedigingen verguisd. In alle bladen verschenen lange en
kwaadaardige artikelen tegen den avonturier van Kailhau, die het alleen
op de beurzen der lichtgeloovigen toelegde... de nood klom nu zoo hoog,
dat de positie te Kailhau bijna niet meer houdbaar scheen en hij door
de tegenkanting en vijandigheden van de zijde der onderwijzers en
schoolopzieners schier aan zichzelf begon te wanhopen."
Men ziet, van priester en leek kwam de tegenstand. En dat duurde zo
voort bijna de volle zeventig jaren van Fröbel's leven. Eerst op 't
laatst kwam er wat standvastige waardering. Doch toen stierf de man, die
een smartvolle jeugd, en een leven vol strijd en miskenning, gewroken
had met de liefdevolle leus te verkondigen en in praktijk te brengen:
"Laat ons voor de kinderen leven."
II.
Het eerste gedeelte van dit opstel was bijna niet anders dan een reeks
citaten, afgewisseld met uitingen van wrevel en verontwaardiging. De
citaten deden zien, hoezeer Fröbel reeds van zijn kinderjaren af had
geleden onder miskenning en verdachtmaking, en de uitingen van wrevel
waren niet anders dan de spontane reactie's van 't mensenhart bij het
zien van dergelike bejegening. We kúnnen het de mensheid niet vergeven,
dat ze edele, belangeloze naturen, gelijk Fröbel, het leven verbittert
en het streven schier onmogelik maakt. En te minder kunnen we dit,
waar de tegenwerking vaart onder de vlag van de hoogste goederen der
mensheid: godsdienst en geestesbeschaving. Aan deze beide kennen we
een andere roeping toe, dan de duisternis en de dood te dienen, en als
we dan bijwonen, hoe juist die machten licht en leven tegenhouden,
vervult ons dit met ergernis. Er is daarbij echter één troost: niet de
godsdienst, niet de geestesbeschaving verrichten dit droeve werk, maar
haar bekrompen vertegenwoordigers, die, versteend in formalisme, voor
de zoveelste maal de waarheid hebben gekruist en nu waken bij een ledig
graf, terwijl de waarheid, opgestaan, ginds al weer predikend rondgaat,
getuigend van haar onvernietigbaar leven. Voorzeker, mannen als Fröbel
worden niet door godsdienst en geestesbeschaving bestreden, beide
herleven in hen. En als de beeldspraak niet al te stout was, zou men
kunnen zeggen: het is altijd het omhulsel van de pop, dat aan de vlinder
het uitvliegen beletten wil. Maar de vlinder heeft zijn vleugels--én
zijn vruchtbaarheid!--en het leege hulsel blijft liggen als zielloze
stof. Wie kent nu nog de bestrijders, de tegenwerkers en lasteraars van
onze onvermoeide, innig godsdienstige kindervriend? Maar de naam Fröbel
kent heel de wereld.
Of zij die naam goed kent? Ach, 't is hier alweer het oude liedje.
Vlechtmatjes van onberispelike afwerking dreigen Fröbel's geest te
verstikken. Eén op, één neer, twee op, twee neer, steek maar toe en
rijg maar toe. En de oude Fröbel schudt droevig het grijze hoofd.
Priestergewaden en altaren moeten alweer voor godsdienst doorgaan,
belijdenissen voor zieleleven. Steek maar toe, en rijg maar toe, één
op, één neer, twee op, twee neer. De machine, de menselike machine, gaat
haar eentonige gang. We zouden de vlechtende vingertjes kunnen vervangen
door ijzeren staafjes, die zouden het "scheppingswerk" even goed doen,
neen beter. En dan zouden die metalen stangetjes nog niet beven bij hun
arbeid. Maar de kleine vingertjes? Zij kunnen trillen van inspanning,
van blijde verrukking, maar ook van vrees. Een gelukkig makende arbeid
is hun opgedragen. Maar wordt niet vaak de levering van een mooi
werkstuk van het kind geeist? En zwoegen ze dan niet als gehoorzame
slaafjes, opschrikkend bij elke vergissing? Dan is de kindertuin
een fabriek geworden en de opgroeiende zieleplantjes kleine
fabrieks-arbeiders, die maar liefst aan een grote staking zouden
deelnemen, om in een modderplasje te gaan fröbelen op hún manier met
kiezelsteentjes en drijvende plankjes. Fröbel's gedachten, ze zijn
_belichaamd_ in zijn speelgaven, ze worden zo licht, ze worden zo vaak
door zijn speelgaven _vermoord_. Dat is de tragedie van alle geestelik
streven hier op aarde. De geest kan zich slechts openbaren in een stof,
maar diezelfde stof wordt ook zijn graf. _Spricht_ die Seele, dann
spricht auch schon die _Seele_ nicht mehr. Geboorte is stervensbegin.
Het systeem, waarin de gedachten tot uitvoering komen, dreigt die
gedachten te ketenen, te verstrikken, te verstikken, neen, zál ze
ketenen, verstrikken en verstikken. En zo gaat ook de levende en
levenwekkende Fröbel in zijn eigen systeem ten onder.
* * * * *
Herhaaldelik waarschuwt Mevr. van Calcar er tegen, dat men toch niet de
betekenis van Fröbel moet afleiden uit het geestdodend fröbelen, dat men
veelvuldig op Fröbelscholen ziet. Het "werktuigelijk namaken" heeft met
Fröbels geest niets te maken. "Waar de kinderen niet zelf uitvinden en
nieuwe patronen afleiden uit de voorgaande, waar zij niet _zonder
voorbeelden_ vlechten en teekenen, daar wordt Fröbel's methode niet
aangewend, al waren er kasten vol speelgaven--en al stond zijn naam met
reuzenletters boven de deur." En Dr. Gunning, die het boek met een
"Voorrede" inleidt--en warm aanbeveelt!--schrijft: "wat wij van Fröbel
te leeren hebben, dat is niet in de eerste en voornaamste plaats het
zoogenaamde "fröbelen", of wat daarvoor doorgaat, matjesvlechten,
erwtenwerk en dergelijke, integendeel, dit alles moet aan grondige
kritiek worden onderworpen, en dan blijkt er veel bij te zijn, wat geen
stand houdt."
We zien hier, dat bij uitstek deskundigen, wie het waarlik niet aan
verering van Fröbel ontbreekt, _een_ fiasco erkennen. Maar tusschen
beider mening openbaart zich een belangrijk verschil. Mevr. van Calcar
zoekt een mislukken in de practijk uitsluitend bij de onkundige en
oppervlakkige navolging. Wie zich goed inwerkt in het systeem van
oefeningen en zich ernstig laat voorlichten door Fröbel's bedoelingen,
zal zien, "dat de hulpmiddelen van Fröbel _volledig zijn_ en alles
bevatten, wat de kleinkinderschool behoeft. Fröbel's oefeningen leveren,
als ze alle opgenomen en toegepast worden, een voldoende gymnastiek voor
alle leden en voor alle zintuigen." "De Methode ligt dan vóór ons als
een harmonisch geheel, als een volkomen organisme, waarin Fröbel's
grondideeën volkomen in heerschen," zij heeft het dan ook niet erg op
verbeteraars begrepen, "omdat (zij) van de _verbeteringen_ der Methode
nooit iets gezien (heeft), dat der moeite waard of zelfs maar heilzaam
en verkieslijk was." Zij staat "hier dicht aan de zijde van de beroemde
discipelin van Fröbel, Mevrouw von Marenholz, die overal waar zij
kindertuinen aangelegd en onderwijzeressen gevormd heeft, op een
nauwgezette studie en stipte naleving van Fröbels praktische
aanwijzingen heeft aangedrongen." En al "spreekt het ook (bij haar) van
zelf, dat er van geen slaafsche naäperij of werktuigelijke navolging
sprake mag zijn," toch--"bedenke men wel, om Fröbel te verbeteren, moet
men aan hem gelijk, zoo niet grooter zijn dan hij--en hij was zeer groot
in wijsheid en veelomvattende kennis van den mensch en van de gansche
natuur. Zijne Methode is de rijpe vrucht van veeljarige gedachten,
veelzijdige ervaring, vergelijking, proefneming met een groep van een
half dozijn geniale geleerden, die hun beste krachten jaren lang op
hetzelfde doel gericht hebben." En daarom durft zijn bewonderaarster
vragen: "Zoude het dus niet voorzichtiger zijn, ook ter wille van de
eenparigheid van het werk in ons land, dat wij ons nederig aan de
voeten van den menschkundigen leeraar neerzetten, dan wellicht door
een overhaasten misgreep zijn diepe wijsheid in het schoone plan te
verminken?" De vraagster heeft recht tot spreken: niet alleen heeft zij
zich geheel in Fröbel ingewerkt, ze heeft zijn Methode "van de kinderen
en met de kinderen practisch geleerd." Ze heeft alles met volle
toewijding aan de practijk getoetst, aan de practijk ontleend.
Niet aldus instemmend, zij het niet minder bewonderend, betuigt zich
Dr. Gunning. Deze schrijft--maar hierbij mag niet vergeten worden, dat
we intusschen 30 jaar verder zijn--onze Dr. Gunning schrijft dan: "Het
is zoo waar, wat Stanley Hall zegt in zijn artikel The ideal school on
the basis of Child Study: "we moeten elke praktische uitdrukking zijner
(d. i. van Fröbel's) denkbeelden van den grond af weder opbouwen.""
En van de Fröbelschool sprekend, verklaart dezelfde veelziende
schoolopziener: "daar wordt zijn leer althans met den mond beleden."
Uit beide aanhalingen blijkt, dat Dr. G. niet alleen met Mevr. v. C.
een averechtse practijk veroordeelt, maar zijn afkeuring, evenals die
van de Amerikaanse hoogleraar, ook Fröbel's eigen arbeid treft, "elke
practische uitdrukking zijner denkbeelden." Wanneer we deze immers op
nieuw "van den grond af moeten opbouwen", blijft er van het bestaande
zo "schoone en harmonische" gebouw weinig meer over. Maar toch, "wij
mogen geen syllabe van de kostelijke positieve philosophie van Fröbel,
dien diepzinnigsten van alle moderne paedagogische denkers, verloren
laten gaan," erkent Dr. G. met St. H., en een eindje verder belijdt
hij volmondig, "wat wij van Fröbel hebben moeten, dat is zijn geest,
zijn opvattingen, zijn kijk op de kinderen, zijn grondbeginselen van
opvoeding en onderwijs, in één woord: zijn paedagogiek. Wel verre dat
deze zou hebben uitgediend, begint zij eigenlijk pas eerst tot haar
recht te komen, dank zij de moderne Kinderstudie (Paedalogie), die slag
op slag Fröbel's denkbeelden komt bevestigen, maar geenszins Fröbel
overbodig maakt, omdat zij ons te veel laboratoriumproducten levert,
die eerst na duchtige paedagogische bewerking voor de school bruikbaar
gemaakt kunnen worden."
Alzo, in volle waardering van Fröbels opvoedkundige beginselen gaat de
oude wereld met de nieuwe, gaan wetenschap en ervaring, gaan vorsende
mannen en uitvoerende vrouwen hier hand aan hand. En de vragen dringen
naar voren: Welke zijn dan Fröbels beginselen? Hoe zijn die in hem
ontstaan? Waardoor zijn die door Fröbel zelf verkeerdelik toegepast?
En hoe moeten ze dan in practijk gebracht worden?
* * * * *
Al hebben wij, Nederlandse onderwijzers, het boek van Mevr. v. C. in
benepen domheid maar simpelweg genegeerd, vermoeid en versuft als we
waren door het klimmen langs leertrappen en dwalen door leergangen,
door het analyseeren van al maar meer methoden, totdat we van louter
methoderigheid niet meer wisten wat eigenlik methode was en hoe _in_
het kind de beste methode leefde en werkte; al hebben wij, Hollandse
paedagogen, dit vrouwenboek over de Bewaarschoolheilige maar links laten
liggen, verzekerd als we waren, dat we de juiste beginselen volgden
en ons nu slechts op vervolmaking van de theoretiese praktijk hadden
toe te leggen, totdat onze wijsgerige theorie de praktijk geheel had
doortrokken en bedorven; al hebben we dus geen nota genomen van dit boek
over het kind Friedrich Fröbel, dat zijn leven lang kind met de kinderen
is geweest en ook kind tegenover de volwassenen--het verbaast ons niet
dat het buitenland beslag heeft gelegd op dit Nederlandse werk en men
het de eer ener Duitse, ener Italiaanse vertaling waardig keurde.
Mevrouw van Calcar heeft het zich toch niet gemakkelik gemaakt en
de bizonderheden der levensbeschrijving weten te verenigen met de
openbaring en groei der opvoedkundige beginselen. Wie deze laatste weten
wil, hij hoeft ze niet te zoeken. Bijna het gehele boek door dwarrelen
ze om u heen, het heldere, warme, doch ook degelike en zaakrijke boek.
En welke zijn dan die beginselen?
Laten we een ogenblik naar Mevr. v. C. luisteren, dan zitten we er
aanstonds midden in:
"Fröbel's ervaring had hem geleerd, dat het met de opvoeding over
het algemeen nog hoogst gebrekkig gesteld was en dat slechts weinige
onderwijzers de kweekelingen _voor het leven vormden--dat de school
aan het kind den noodwendigen geestelijken teerkost, de noodzakelijke
reispenningen niet wist mee te geven op de levensreis_--ja, dat de
gewone schoolsleur de jonge lieden eer stompzinnig en oppervlakkig,
gedachteloos en werktuigelijk maakte dan de zielsvermogens te
ontwikkelen, de geestkracht te schragen en die klaarheid en zuiverheid
van inzichten en begrippen mede te deelen, die onmisbaar zijn om met
vrucht tot hoogere studiën over te gaan of zich met goed gevolg op eenig
beroep toe te leggen. Hij zag dat de oorzaak van het mislukken van zoo
menige opleiding, het niet slagen van jonge lieden, die oorspronkelijk
een goeden aanleg hadden, dikwijls alleen in de slechte methode van
werken en in het gehalte der hun geboden leerstof moest gezocht worden.
"Wat er dan ook in Fröbel's dagen van verbetering en vooruitgang in het
schoolwezen mocht geroemd worden door de vakmannen, die elkander om
strijd bewierookten, Fröbel bleef er bij, dat men nog altijd _in een
geheel verkeerd spoor was_ en op menig punt geheel averechts te werk
ging en dat men tot geen gewenschte uitkomst voor het volksonderwijs zou
komen, zoo men niet tot eene genetische ontwikkelingsmethode overging,
die met den innerlijken ontwikkelingsgang van het kinderleven gelijken
tred houden en er geheel aan beantwoorden zou. Hij merkte op, dat men
een zeer knap en afgericht en volgepropt scholier kan zijn en toch een
onbruikbaar mensch worden, daar al de geleerde kundigheden het karakter
niet vormen, den wil niet richten, en dat dit doel alleen door en
met _handelen_ te bereiken is. Tot handelen, tot voortbrengend, tot
scheppend handelen geeft de school geen gelegenheid. De leerling is te
passief, de meester te actief; het kind ontvangt, hij neemt op; hij
wordt een magazijn van wetenswaardige dingen, waaronder zijn eigen
_ik_ vaak diep bedolven ligt, met onbegrepen gaven en onontwikkelde
talenten.
"Tot hiertoe had men _scholieren_ gekweekt. Fröbel wilde _menschen_
vormen. _Niet de school_ moest men in de eerste plaats in het oog
houden, maar het _kind_ en zijn _levensbehoefte_.
Daarom antwoordde hij op de vraag: "Wat wilt, wat zoekt gij dan toch
eigenlijk?"
--"Juist het tegenovergestelde van wat tot hiertoe in het opvoedings-
en onderwijsvak geschiedt."
"Hij was overtuigd dat er slechts in den door hem ontdekten weg recht
kon gedaan worden aan de heerlijke gaven, waarmede de menschheid zoo
ruimschoots begiftigd is, maar die te vroeg verdrongen en verstompt en
doodgewerkt worden, onder het gewicht van al het aangeleerde, opgezegde,
nageklapte, dat als onverteerbaar geestesvoedsel is ingestompt."
"Deze zijne overtuiging door daadzaken te bevestigen en door de praktijk
te bekrachtigen, achtte hij zijn duurste plicht aan zijn vaderland en
aan de menschheid. Hij zag duidelijk in dat Pestalozzi, met al het
voortreffelijke van vele zijner denkbeelden in leerwijze en opvoeding,
de alles _herscheppende grondgedachten_ nog niet begreep of zich die
toeëigenen en verwerken kon."
"Hoewel hij hem als de grootste praktische opvoeder van zijn tijd
waardeerde, voelde hij toch dat er nog een zeer groote leemte in zijne
wijze van doen was, daar hij zijne middelen veel te willekeurig en naar
het toeval koos en ze te ruw aangreep, terwijl hij zich niet regelmatig
methodisch door de innerlijke wetten des levens en der ontwikkeling
beheerschen en voorlichten liet."
"De openbaring van alle leven is kracht, is beweging--_is de daad_!
_Van de daad, van het doen_ wilde Fröbel alle verdere menschelijke
ontwikkeling afleiden; _met handelen zag hij elk kind zijn eigen
opvoeding en zelfonderwijs beginnen en voortzetten--op de daadkracht
moeten wij dus ook alles gronden, daardoor alles laten opwassen_, omdat
elke daad oorspronkelijk onderrichtend, sterkend, scheppend,
voortbrengend is in zich zelf."
"Leven--handelen--kennen--moeten voor den mensch eigenlijk altijd een
samenstemmenden drieklank vormen voor zijn bestaan, maar allermeest in
de opvoeding."
* * * * *
Me dunkt, dit is duidelik genoeg. Toch wil ik nog een klein stukje
overschrijven. Men zal er, evenals in het voorgaande, een kritiek op
onze nog huidige kinderbehandeling, een aanwijzing voor een betere
opvoedingswijze in vinden. Het is ook nu nog: kinderen indrukken,
kinderen modelleren, kinderen wringen in een klaargemaakte vorm en
daarmee de oorspronkelikheid, het eigene doden. Maar wat zei Fröbel?
"Elk nieuw geslacht is een groote schat voor de menschheid, elk nieuw
kind een groote schat voor zijne familie. Het nieuwe kind en het nieuwe
geslacht verschijnen niet in ons midden als ledige vaten, die wij zoo
snel mogelijk met ons brouwsel hebben vol te gieten; het kind, elk
geslacht brengt ook een eigen licht mede; het zal veel van ons moeten
ontvangen, maar het heeft ook iets te geven. Het is op zich zelf een
fontein van krachten, die wij niet kennen, maar waarin wij gelooven en
die wij eerbiedigen moeten en plaats gunnen."
"Onderwijzers verwachten dikwijls alles en alles van de school, de
wetgevers en leiders alles en alles van het onderwijs. _Leeren_ is het
wachtwoord der eeuw, leeren en leeren en leeren--ja, mits niet enkel uit
de boeken, mits men bovenal het kind _leere te leven, hem gunne te
leven_."
"Wij leven maar voor zooveel wij _handelen_. Wij leven meer en dieper in
hetgeen wij _kunnen_ dan in hetgeen wij _kennen_--meer bij het _doen_
dan bij het _weten_ en het is de _veelweterij_, die met de _kunst van
te leven_ een fellen kamp heeft ondernomen--zoo zelfs dat aan velen de
heugenis van 's menschen oorspronkelijken rijkdom en aangeboren krachten
begint te ontgaan."
"Dat de mensch iets zou kunnen _maken_, zonder het _na te maken_, iets
zou mogen _zeggen_, zonder het _na te zeggen_, iets _denken_, zonder dat
anderen het hem _voorgedacht_ hebben--dat ligt buiten den gedachtenkring
van zeer vele mannen en vrouwen van het onderwijs, want in waarheid--de
beschaving is bezig _de oorspronkelijkheid uit te wisschen, de
individualiteit te vermoorden_. Wij moeten hooger over de waarde van den
mensch, de waarde van elk mensch leeren denken. Wat maakt den ontdekker
groot? Dat hij iets opgemerkt heeft, wat geen ander had opgemerkt. Wat
maakt den uitvinder beroemd? Dat hij gedacht en gedaan heeft, zooals
geen ander tot hiertoe gedacht en gedaan had. Hij heeft zijn eigen
zinnen durven en kunnen gebruiken, zijn eigen gedachte en vinding laten
werken buiten alle handboeken om. Hij is zich zelf geweest en zijn
innerlijk licht heeft een nieuwen straal op de menschheid geworpen."
"Wij zullen niet zoo zelden een uitvinder, een ontdekker, een geniaal
kunstenaar in ons midden zien opstaan, als wij de kinderen gelegenheid
geven om zich zelf te worden--om zelfstandig te handelen--zelf te
zoeken, zelf te vinden."
"Bedenkt het wel, o onderwijzers en onderwijzeressen, de kunsten en
wetenschappen zijn geboren voordat er scholen en hoogescholen waren. Het
is de mensch, die de school schiep--maar de school kan en mag den mensch
niet onderdrukken. Zij moet den mensch dienen, niet belemmeren--daarom
moet zij natuurlijk naar de levenseischen des kinds zijn ingericht. Is
zij dat? Fröbel voelde diep dat zij het nog lang niet was, dat zij het
echter worden kon en worden moet."
Het gaat bij Fröbel dus om het _doen_. Geen woorden, maar _daden_. Ook
niet kijken, maar _doen_. En dan nog niet eens nadoen, maar _zelf_-doen.
"De aanwezigheid van den heerlijksten tuin zal de oude bewaarschool nog
niet tot den Fröbelschen kindertuin maken. Het verschil daartusschen is
even groot als het verschil was tusschen Pestalozzi en Fröbel, dat is,
tusschen het _aanschouwelijk_ onderwijs en het _werkdadig_--tusschen
het _voordoen_ en het zelf _uitvinden_--_het laten namaken_ en _laten
ontdekken_."
Vooral deze laatste opmerking, dit onderscheid tussen Pestalozzi en
Fröbel, is kenschetsend voor het streven des laatsten. Niet in het zien
en bezien, zelfs niet in het tasten en betasten, ruiken en beruiken
moet de onderwijsmethode geleid worden, maar in het zelfstandig handelen
der kinderen. En hiermee kunnen we, in hoofdzaak, vrede hebben. Gaan we
na, hoe wij, volwassenen, leren, hoe wij geestelik groeien, dan is het
door _leven_, door de verplichting om met allerlei menschen en dingen
_om te gaan_, in allerlei verhoudingen _op te treden_. Ons innigste,
eigenste, zuiverste bezit, we danken het niet aan de woorden van
anderen, ook niet aan de voorbeelden, door anderen opzettelik of
onwillens gegeven, maar aan onze eigen _ervaring_, aan hetgeen we
_ondergaan_ hebben bij het _uitleven_ van onze persoonlikheid. En dit
_uit_leven, het was geen _na_leven, het was een ontplooiing van de
inwonende krachten, een ontspruiten en uitgroeien van de aanwezige
levenskiem. Wat van buiten kwam, was voornamelijk prikkeling tot het
opwekken dier krachten, en voedsel om de plant te doen groeien, maar dit
voedsel had alleen waarde in zooverre het werd aangenomen, opgenomen,
verwerkt. Niet wat aangebracht, zelfs niet wat ingebracht, maar wat
gegrepen en verwerkt werd, had betekenis voor ons. Het andere was maar
belemmering.
In hoofdzaak kunnen we dus met Fröbel meegaan. "Het kind moet _~werken~_
en de onderwijzer _toezien_." Of daarvan echter zulke schitterende
gevolgen verwacht mogen worden in vermeerdering van ontdekkers en
uitvinders, in nieuwe lichten voor de mensheid, zo, dat schier iedere
mens zijn eigen straal verhelderend in de wereld zendt, dit is een
andere vraag.
III.
We behoeven niet ver te zoeken, wanneer we de bron willen opsporen van
Fröbel's hoofdbeginsel in de opvoeding. Daartoe hebben we slechts zijn
jeugdervaringen te raadplegen. We weten het: "Overal afblijven--den boel
niet omhalen," was de leus zijner stiefmoeder. "Stil zijn en nergens
aankomen", haar wachtwoord. En wanneer hij op eigen gelegenheid "zijne
natuur- en werktuigkundige nasporingen voortzette, op al wat hij maar
machtig kon worden, proeven die ongelukkig nog altijd van ontledenden
aard waren", liep hij daarmee "geduchte straffen zijner stiefmoeder en
het ongenoegen van zijn vader" op. Hij had een onbedwingbare lust tot
_doen_, maar werd tot _nietsdoen_ gedoemd, tot _misdoen_ gedreven. De
domme paedagogiek van zijn ouders was oorzaak van een onzalige jeugd,
had oorzaak kunnen zijn van een zedelike mislukking, doch werd de
oorzaak van een heilzaam streven. Uit het kwade werd het goede geboren.
Biecht eens eerlik op, ouders, bij hoe velen uwer is nog, nú nog, de
leus: "overal afblijven--den boel niet omhalen," en hoevelen uwer
straffen hun kinderen nóg voor een noodlottig stukmaken door de naar
werkzaamheid zoekende vingertjes? Beoordeelt en kastijdt ook gij uw
kinderen niet vaak naar de onbedoelde gevolgen, in plaats dat gij ze
schat en zelfs prijst naar hun ernstig en eerlik onderzoekend pogen?
Wat mij, èn bij Fröbel's ouders en bij honderden van hunsgelijken steeds
bevreemdt, is het feit, dat al die volwassenen zo volkomen hun eigen
jeugd vergeten zijn. Of ze hebben 't goed gehad, en moesten in een
blijde jonkheid reden genoeg hebben, om ook hun kinderen te doen
genieten van die eerste levensvreugden. Of ze hebben 't slecht gehad
en moesten in een kommervolle jeugd aanleiding vinden, 't hun kinderen
beter te geven. Hebben zij zich, in 't laatste geval, die ouderlike
onrechtvaardigheden indertijd niet zo sterk aangetrokken, en menen ze
nu achteraf wellicht, dat die strenge bejegening wel heel goed voor
hun vorming was? 't Schijnt wel zo. Anders zouden er geen Fröbels
nodig zijn geweest. Van geslacht tot geslacht zouden de mensen eigen
kinderervaringen hebben omgezet in zuiverder opvoeding, en er zou geen
Friedrich Fröbel uitblinken als begrijpende en liefhebbende kindervriend
te midden van duizenden officiëele en niet-officiëele opvoeders.
Neen, niet alleen zijn kinderleed was oorzaak van zijn levensstreven.
Ook zijn gevoelig, zijn liefdezoekend en liefdegevend hart. Menig kind
ondergaat dezelfde jammeren, maar groeit er onverschillig en vrolik door
heen. De ontgroeningspraktijken worden niet alleen in het studentenleven
spoedig vergeten en straks op nieuwe slachtoffers genadeloos toegepast.
Ook de opvoeders, ook de ouders houden er vaak zo'n door de gewoonte
gewijde, neen, door liefde-arme onnadenkendheid gehandhaafde
ontgroeningskuur op na. En evenals onder de academiese jongelingschap,
het zijn de teergevoeligste harten, die het smartelikst lijden onder die
ruwheid en dwingelandij, maar die straks dan ook het vurigst ijveren
voor verbetering ten bate van wie na hen komen.
Fröbel's opvoedingsprincipe dankte hij aan zijn jeugdervaringen, zeker,
maar toch daarnevens aan iets anders--aan de in hem werkende liefde,
die zocht naar het heil der kinderen. Te Rudolfstadt sprak hij op een
onderwijzersvergadering: "Ik arbeid daarvoor, dat het Christendom
verwezenlijkt worde onder de menschen." Wie dús zijn levensarbeid opvat,
wordt--al bereikt hij natuurlik zijn doel niet--een zegen voor de
mensheid en de kinderwereld. Hij zoekt, en vindt.
* * * * *
Fröbel zocht en vond. En mij dunkt, we doen hem geen onrecht, als we van
hem getuigen, dat hij de _levende_ mens en dus ook het _levende_ kind
weer vond, weer terugvond. Dit klinkt wellicht zonderling. We behoeven
echter onze eigen tijd, onze eigen wereld maar te zien, om te begrijpen,
dat dit niet zo zonderling is.
Als we de opvoeding, of wat daarvoor doorgaat, in menige kring
raadplegen, blijkt het al gauw, dat men in de kinderen en ook in de
mensen geen levende wezens ziet. Ze zijn van klei, poppen van klei, met
een inwendig mechaniek. Die poppen kunnen gekneed worden naar onze zin,
dat mechaniek in werking gesteld naar onze lust. Poppen met een werktuig
er in--een soort automaten dus.
Het is verwonderlik, hoe onnozel vele opvoeders, ook vele onderwijzers
zijn in deze materie. Ze gevoelen in zichzelf, dat ze, ondanks allerlei
dwingende krachten van buiten af, iemand zijn, dat er iets eigens
in hen leeft. Als ze in hun handelen en spreken zich richten, zich
richten moeten naar de heersende machten, handhaven ze in hun denken
toch hun eigen geestelik leven. Ze koesteren een innerlik willen,
en scheppen, waar het gebied der werkelikheid hun ontzegd is, in
hun verbeeldingsleventje een eigen wereldje. Uiterlike slavernij kan
maskeren, maar niet dooden hun innerlik leven. Dat ervaart ieder voor
zichzelf. Maar niettemin, nauweliks treden deze menschen als leiders,
als opvoeders, als machthebbers tegenover anderen op, nog wel in het
belang dier anderen, of ze vergeten, miskennen altans eigen ervaringen
en doen precies, of hun kinderen, hun minderen géén eigen leven
hebben. Ze leggen het zwijgen op, dwingen tot stipte navolging van
voorschriften, noodzaken tot doen (liefst ook tot denken) op bevel,
en willen van de levende naturen gehoorzame werktuigen maken. Een
bedriegelike kwekerij van huichelaars.
Deze algemene, maar toch domme heersersmanie, schijnt voort te vloeien
uit een kortzichtige overschatting van eigen inzichten. Men merkt haar
in 't klein en in 't groot. Bij rechtzinnigen en vrijzinnigen. Bij
behouders en hervormers. Zij is het illiberale bij de liberalen,
zij veroorzaakt de onverdraagzaamheid der vrijdenkers. Ge moog
vrij-denken--op mijn manier. Wanneer ge u vrijwillig houdt aan uw
Bijbel, aan uw Kerk, zijt ge door mij reeds veroordeeld tot een domper.
Ge moet, zo niet mijn leer, dan toch mijn beginselen, mijn methode
onderschrijven. Aldus eist de vrijdenker. Hij zou, hadde hij de
oppermacht, zijn vrijdenkersideaal de wereld--opleggen. Zoals men het
kan bijwonen van anarchisten, die geen regering dulden dan--de hunne!
Weg met hen, die niet vrij willen wezen onder onze dwinglandij! In naam
der vrijheid--naar de guillotine! Elke kop af, die niet vrij kan
denken--als de onze!
Het is een wonderlike wereld. Kerkeliken en niet-kerkeliken geven in de
geschiedenis elkaar niets toe in heerszieke onverdraagzaamheid. En dit
bewijst voor mij de armoede aan geloof. Die geloven, haasten niet. Die
vertrouwen, dwingen niet. Doch men haast naar de macht. En dan dwingt
men tot volgen. Zo doet men in 't groot, en in 't klein. We kunnen
geen andere levensuiting verdragen, dan de onze. Maar--zo dwingen
we het leven naar de dood. Gelukkig geen volslagen dood. Een rijke
plantenwereld mag verharden tot steenkool, in die kool is zonne-energie
geweest, toen de plant nog leefde, en die zonnekracht is er in gebleven,
door alle eeuwen van duisternis of stilstand heen. En eenmaal is gekomen
of komt de mens tot dat versteende leven, roept de slapende krachten
wakker en daar ontstaat een nieuwe wereld uit de schijnbare vergane
oude. Een wonderwereld, stoom en elektriciteit leeft en schittert boven
de verstijfde en donkere koollagen in de diepte der aarde. Nieuw leven,
neen oud leven treedt verjongend op. Maar eerst moet de spade worden in
de grond gestoken, het houweel botsen tegen de zwarte rots.
Fröbel zag het licht in de duisternis, het leven in de verstening,
de zon in de nacht. Hij riep, gelovend in het leven, dat leven te
voorschijn. En naar de wetten van dat leven zou hij nu de ontwikkeling
leiden, de opvoeding inrichten.
* * * * *
Juister en mooier kan het zeker niet. Bestudeer het leven, ontdek de
wetten waarnaar het zich ontwikkelt en volg die. Zo doet men ook met de
onbezielde natuur--en een wondervolle cultuur van planten en dieren, een
sprookjesachtige wereld van werktuigen ontstaat onder ons oog, onder
onze leiding. En zo wil de socioloog ook doen met het samengestelde
organisme, dat maatschappij heet. Ook deze natuurverschijning vormt zich
en groeit uit naar heersende wetten, en wie dus de maatschappij in haar
ontwikkeling wil bevorderen, moet de wetten leren kennen om dan al zijn
maatregelen te nemen in overeenstemming met die wetten. Geen regeling
van natuurleven buiten en dus tegen de daarin werkende wetten om. We
moeten die wetten als 't ware in de hand werken, de natuur niet in haar
eigen leven en streven belemmeren.
De beschouwing schijnt juist en mooi. Er zijn echter enige moeilikheden
aan verbonden. Wie durft beweren, dat--laten we alleen bij Fröbel
blijven--al de tegenstand, de onverschilligheid, de laster, waarmee
hij te kampen had, _niet_ was naar heersende wetten in het leven der
mensheid, dus der natuur? Wanneer honderden en duizenden van Fröbel's
voorgangers en tijdgenoten de kinderen knelden in banden van conventie,
hen dom hielden met een papagaaienopvoeding, hen dwongen naar leugen en
list, was dit dan misschien een wijze van doen, geheel vreemd aan de
menselike natuur en liggende buiten haar wetten? Maar overeenkomstig
welke wetten was dit "verwaarlozen van de wetten der natuur" dan wel?
Men kan toch bezwaarlik spreken van een menselike willekeur buiten
echt-menselike invloeden, dus buiten natuurmachten om. Dat zou zo iets
wezen van een buitenissigheid, een stuk leven buiten het leven, een
stuk natuur buiten de natuur, dus een ondenkbaar ding. We spreken zo
gemakkelik van een opvoeding volgens de wetten der natuur, maar dan
schakelen we in onze beschouwing maar even gauw alle factoren uit, die
niet passen in _de_--ik bedoel _onze_ wetten der natuur, in de door ons
gewenste, door ons slechts geziene en erkende. En heel wetenschappelik
redenerende over _de_ natuurwetten, zitten we midden in ons eigen
willen. We maken een natuur naar onze wensen, werken volgens wetten die
in onze verbeelding een onaantastbare autoriteit hebben. En--we worden
teleurgesteld. Natuurlik. We hadden ons _niet_ aan de natuur gehouden.
Een mens is zo knap in het weggochelen van hetgeen niet in zijn
beschouwing past. Er zijn niet alleen in Zuid-Afrika struisvogels, die
hun kop verbergen om de dreigende gevaren niet te zien. We hebben aan
het onwelkome slechts den rug toe te wenden, en het bestaat niet voor
ons. Maar achter die rug blijft het niettemin leven en werken, ons
eenzijdig streven bestrijden. En nu behoeven we bij deze blindheid
voor het ons niet passende nog geenszins aan bewuste, opzettelike
zelfverblinding te denken. Zelfbedrog zou geen zelfbedrog wezen, als
we ons er van bewust waren. Maar de bekrompenheid van onze aanleg, de
beperktheid van onze geestelike blik, de eenzijdigheid van ons willen
veroorzaakt, dat we niet anders kunnen dan--falen. We hebben slechts
ónze kijk op de dingen en dat is de kijk van iemand, die niet buiten
zichzelf kan treden, die dus in al zijn beschouwingen blijven moet
binnen het enge cirkeltje van zijn eigen persoonlikheid. Daardoor zal
ons zien, ons denken, ons doen, daardoor zal al ons werk onvolkomen
zijn. Daardoor, wanende te slagen in strenge gehoorzaamheid aan de
natuurwetten, mislukken we door eigen kortzichtigheid, door het
verwaarloozen van enige factoren in het natuurgebeuren, die we bij
het opmaken van ons product eenvoudig niet hadden meegerekend.
* * * * *
Het schijnt mij toe, dat Fröbels reactie op de heersende
opvoedingswijze, dat zijn opvoeden door doen, door scheppend doen, niet
vrij was van een eenzijdigheid, die haar geen onbeperkt succes kon
waarborgen. Wanneer onze ontwikkeling alleen beheerst werd door hetgeen
we deden, en dan nog wel door hetgeen we deden met eigen beeldend
vermogen, zou het er met die ontwikkeling treurig uitzien. Fröbel mocht
zich verklaren tegen Pestalozzi's beginsel van aanschouwing, hij kon
toch niet blind zijn voor het feit, dat een overgroot deel van ons
geestelik bezit alleen door aanschouwen wordt verworven. En hij mocht
terecht de alleenheerschappij van het woord bestrijden, hoe zou hij heel
het rijke materiaal van de geschiedenis der mensheid, heel de wijsheid
van het voorgeslacht onder het bereik der leerlingen brengen zonder dat
gesmade woord? Een opvoeding, die met terzijdestelling van woord en
aanschouwing, alleen de scheppende daad als middel aanwendt, moet
noodzakelik tot geestelike armoede leiden, hoezeer dan ook door de
samentrekking der geestelike krachten op beperkt gebied karaktersterkte
mocht worden gewonnen. Woord, aanschouwing en daad moeten samengaan;
aanhoren, zien en nadoen zijn onmisbaar, zal het kind niet, wat het aan
intensiteit van karakter wint, moeten inboeten met een al te beperkte
geestelike horizon. Hiermee is natuurlik de superioriteit van het doen
niet gelochend, slechts zijn alleenheerschappij veroordeeld.
We kennen allen de mooie gelijkenis van "Een zaaier ging uit om te
zaaien". Zonder de woorden van Jezus, zonder het overbrengen dier
woorden door de evangelisten, hadden we haar nooit vernomen. En geen
mens, geen kind blijft buiten haar verlichtende en waarschuwende
invloed, als we navertellen, hoe een deel van het zaad op den weg viel
en door de vogelen des hemels werd opgegeten, hoe een ander deel op de
steenrots viel en daar verdorde, hoe weer een ander deel verstikt werd
door de doornen die er mee opwiesen, maar hoe ook een deel, in goede
aarde gevallen, honderdvoudige vrucht voortbracht. Hoe zouden we, zonder
het woord, ooit deze schone en ernstige gelijkenis hebben genoten en ter
harte kunnen nemen?
Nu is er een plaat, uitgegeven door Callenbach te Nijkerk, waarop de
inhoud van dit verhaal is veraanschouwelikt. In 't midden schrijdt
rustig en met ernstig gelaat een zaaier, zijn zaad uitstrooiend ter
zij van zijn pad, en om die hoofdfiguur heen zien we vier kleinere
voorstellingen, die het succes van zijn arbeid vertonen: links boven
pikken de vogels de korrels op van de weg, rechts boven verdroogt het
zaad op de kale steenen, links beneden zien we slechts hoog opgeschoten
doornen en distelen, rechts beneden slanke halmen met lange en volle
aren, overbuigend van zwaarte. Die plaat was in een kamer, waar les
gegeven werd in Bijbelsche geschiedenis, aan de wand gehecht, en toen
een der leerlingen de vier groepen zag, om de hoofdfiguur geschaard,
riep het kind opeens, spontaan: "Nu zal ik die geschiedenis nooit weer
vergeten, kijk, je _ziet_ het voor je, vogels, stenen, distels en aren,
en de zaaier in 't midden."
Dat is de waarde der aanschouwing. Zij maakt het woord aanstonds
helderder, sprekender. Aanschouwing is een _mededeeling_, niet minder
dan het woord, maar zij spreekt in vormen en in kleuren, in stede
van in klanken. Zij zegt iets tot de ogen, waar het woord zich tot
de oren richt. En waar de mens beide zintuigen heeft, en velen--de
visuelen--gemakkeliker en nauwkeuriger opnemen door het oog dan door
het oor--de auditiven--, zou het een schromelike miskenning van onze
organisatie en een onrechtvaardigheid jegens veler aanleg zijn,
wanneer de aanschouwing buiten opvoeding en onderwijs werd gehouden.
De plotselinge uiting van het kind bij de plaat is een opvoedkundige
les, die tegen heel wat theorieën opweegt: Laat de kinderen _zien_. Een
plaat, een voorwerp bij het woord, en dit woord krijgt aanstonds een
rijker inhoud. 't Neemt gestalte aan, glanst in kleuren, 't licht op uit
zijn nevelwereld.
Echter, hoezeer het kind mocht uitroepen, dat ze het gehoorde verhaal nu
niet meer vergeten zou, daarom was de gelijkenis van de grote Zaaier nu
nog niet tot haar hart en geweten doorgedrongen. Ook al wordt dit mooie
verhaal niet door de beslommeringen des levens, door de zonden des
harten verduisterd of verdreven, daarom is het nog geen waarheid, geen
diepgevoelde en volmondig erkende waarheid geworden. Ons kind zal in het
leven gaan, zal jonge vrouw, zal moeder worden, zal haar kinderen wijze
raad, onmisbare lessen geven, en ze zal _ervaren_, ja _ervaren_, dat
een deel van haar zaad de buit der vogelen wordt of wegteert op harde,
ontoegankelike bodem, verstikt tussen het onkruid. Nu weet ze pas, nu
door smartelike ervaring, wat die gelijkenis betekent, nu ze zelf
gezaaid heeft en zo ontmoedigende gevolgen ziet. Nu begrijpt ze de
droefheid van den Heer, die liefdevol zijn zaad des eeuwigen levens ook
uitstrooide in haar hart en het moest zien, ja hoopvol ontkiemen, maar
daarna spoedig in zijn groen verstikken door de distelen der onreine
begeerten, der lagere lusten. De woorden had ze vroeger gehoord, en ook
wel begrepen; de beelden had ze vroeger gezien, en ook onuitwisbaar in
haar geheugen bewaard; maar toch, eerst het zelf zaaien, het zelf zaaien
met kostbaar zaad, het zelf zaaien in de akkers van haar eigen gronden,
het zelf zaaien in de harten van haar eigen kinderen, haar zo geliefde
kinderen,--deze _daad_ met haar gevolgen deed het zaad van Jezus pas
goed doorschieten in haar eigen hart. Toen pas was de gelijkenis van de
zaaier voor haar leven en volle werkelikheid geworden. Een mens moet
horen, om te vernemen; zien, om beter te onthouden; maar doen, om ten
volle te verstaan.
Wat maken wij, wijze paedagogen, echter onderscheid tussen de leerwijze
van het woord, die der aanschouwing en die der daad, alsof alleen de
eerste op mededelen uit was en de beide andere niet. Is het wellicht
geen mededeling, wanneer de beelden het ons ziende zeggen, of als de
ervaring het ons levende leert? "Het leven zal het hem wel leren," zegt,
ten einde raad, de opvoeder ten opzichte van de weerspannig eigenwijze
pupil. Het leven. Zeker. Dit leert. Dit deelt mede. En in een taal, die
vaak hard is om te horen, maar die gehoord móét worden. 't Is alles
mededeling. God heeft ons iets te zeggen. Wij hebben te luisteren.
* * * * *
Natuurlik wist Fröbel dit ook wel. Zijn strijd tegen woord en
aanschouwing ging niet tegen die beide als zodanig. Hij wist wel, dat de
Natuur aanschouwd, dat de Geschiedenis gehoord moest worden. Maar ach,
zo vaak ontaardt de aanschouwing in een levenloos het oog richten naar
het ding, zo vaak het luisteren in een levenloos opvangen van klanken.
Niet het oog ziet, maar de ziel. En daartoe gebruikt ze het oor. Wat
doet echter de school? Wekt ze het leven der ziel? En laat ze haar
dorstend drinken van de rijke schepping, hongerend eten van de wijsheid?
En de kerk? Wekt ze het leven der ziel, zodat deze met den psalmist
uitroept: "Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzóó
schreeuwt mijne ziel tot u, o God"? School en Kerk, of juister gezegd,
wij mensen die haar al te slecht vertegenwoordigen, wij brengen zo vaak
de dood in plaats van het leven. Niet het woord heeft schuld. Waar dit
drager van leven is, overbrenger van geestelik leven, en dus zelf van
leven trilt, wekt het leven op, deelt het leven mee. Het woord is een
geestelike accumulator. Dat kán immers niet anders. Voortgebracht door
zielekracht, draagt het die de eeuwen en de wereldstreken door. Maar
als wij zulk een geestelike accumulator gans en al omwikkelen met de
niet-geleidende stoffen van gevoelloosheid en onbegrip, van sleur en
onverschilligheid, hoe kan de inwonende electriciteit dan naar buiten
uitslaan? Woorden zijn zaadkorrels, die een levenskiem inhouden. Maar
hoe kunnen de kiemen uitgroeien, als wij ze maar domweg rondstrooien op
ontoebereide grond? En daar zit de fout. Men speelt met zaadkorrels of
het zandkorrels waren. Bijna zou ik zeggen, als het niet al te onmogelik
klonk: men máákt er zandkorrels van en daaronder begraaft men de
geesten. Zoals de graanschepen en pakhuizen gevuld worden met stromen
gele korrels, zo vult men de hoofden der luisterende scharen. Met
scheppen en zakken, de laatste tijd zelfs met elevators en luchtkanalen
wordt het er in gevoerd. Niet om daar te ontkiemen, maar om er bewaard
te worden, en als de tijd daar is, weer even mechanies te worden
uitgevoerd. Niet het woord heeft schuld. Maar wij, die in perioden
van geestelike inzinking en versuffing, aan het zaad zijn bestemming
onthouden en er, als kleine kinderen, winkeltje mee spelen.
Natuurlik wist Fröbel dit alles. Hij, die gezien had hoe in de kinderen
een drift tot doen werkte, hij had natuurlik ook ervaren, hoe in die
kinderen een honger naar horen was. Zij willen voortbrengen, maar ook
luisteren. Nauweliks zet moeder zich neer en begint ze de toverwoorden:
"Er was eens", of de kleinen laten zelfs hun speelgoed, hun eigen
scheppingen liggen, om zich over te geven aan de scheppingen van
anderen. Een verhaaltje! Indien er iets in staat was, om een heele
theorie van uitsluitend "leren door doen" met één slag omver te werpen,
het is het simpele verhaaltje. Moeder de Gans lokt nog altijd de kleine
studenten sterker dan een gediplomeerd Handenarbeider. Maar goed
luisteren _is_ doen, zowel als doen menigmaal niets anders is dan
gedachteloos napraten met de vingers. Er is een actief luisteren en
een passief handelen. Er is een opvoedend aanhoren en een geestdodend
uitvoeren. De vraag is maar, hoe de stand der ziel is ten opzichte
van het gehoorde woord en de verrichte daad. En die stand der ziel
wordt bepaald door aanleg, door omstandigheden, doch ook door de
persoonlikheid van de opvoeder. Helaas, dat menig opvoeder bij de
vervulling van zijn taak te weinig bezield is, om met zijn woorden de
jonge zielen op te wekken, te voeden, te sterken, te prikkelen, te
bezielen, en dat daardoor de woorden de schuld hebben te dragen van een
euvel, dat alleen aan de gebruiker te wijten is. Een euvel, we merkten
het reeds op, dat ook de daad kan aankleven.
* * * * *
Wanneer mijn onderstelling juist is, dat Fröbel in zijn beschouwingen,
als natuurlike reactie, de grote betekenis van het woord wat veel
veronachtzaamd heeft, kan daaraan veler miskenning van zijn streven voor
een deel te wijten zijn. Voor een ander deel moet deze echter gezocht
worden in zijn verplichting, als practies paedagoog, om zijn denkbeelden
te belichamen in een systeem van oefeningen. Hij mocht dan al schrijven:
"Ik wacht het heil niet van _eene Methode_, maar van _eene idee_," hij
mocht onder allerlei anen en anerij de dodelikste afkeer hebben van de
Fröbel_ianen_, hij mocht waarschuwen tegen navolging, de mensheid is nu
eenmaal zo, dat ze ook van navolging leeft, dat niet ieder scheppings-
en organisatiegaven bezit, om een systeem te ontwikkelen, en dat het
inenten met een idee de grote meerderheid nog niet rijp maakt om
daarnaar te handelen. Ja, ja, men geeft u graag de juistheid en de
schoonheid van een idee toe, maar met een idee bakt men geen brood. Hoe
moet ik aan koren komen, hoe dit malen, hoe het meel kneden, hoe het
bakken? Wie tot uitvoeren van de idee geroepen is, staat met de handen
in 't haar, vraagt naar oefeningen, naar leiding, naar een systeem,
zodat hij aanstonds beginnen en geregeld voortgaan kan. De wijsgeer in
zijn studiecel, de schrijver achter zijn bureau, zij kunnen volstaan met
de verkondiging en bewijsvoering der ideeën, maar de man der practijk
moet de handen aan 't werk slaan. En dan is de eerste vraag: Wat moet ik
dóén? Met philosofeeren bereiken we Rome niet. Daartoe moeten we op weg.
Zou Fröbel succes hebben met zijn idee, dan móést hij dit wel in een
systeem verwerkeliken, en daarmee--het in een systeem ketenen.
Het spreekt zo vanzelf, dat al onze pogingen tot systematisering van een
"natuurlike" opvoeding, op iets kunstmatigs uitlopen. Het "natuurlike"
is een zo uiterst gecompliceerde en in zijn diepste wezen voor ons
ontoegankelike werking, dat wij haar niet nabootsen kunnen. Een
lichamelik, verstandelik, zedelik uit- en opgroeiend kind blijft
voor ons een wonder. We blijven onszélven een wonder. We constateren
eigenschappen, werkingen, ontwikkelingen, veranderingen in ons, maar
het wezen van dat alles blijft mysterie. Ondanks de invloed van door
ons aangewende middelen, naar onze mening heilzame middelen, openbaren
zich averechtse gevolgen; tegen alle verwachting in groeien, te midden
van boze invloeden, heerlike zielen uit. We kunnen in een "natuurlik"
systeem de gang der natuur slechts benaderen, maar lopen daarbij
aanhoudend gevaar van haar af te dwalen. En het is begrijpelik, dat de
hoogste wijsheid soms gevonden wordt in de onthouding, in het niets
opzetteliks doen, in het onbelemmerd laten uitgroeien, in volledige
vrijheid. Maar wie dan naar die wijsheid gaat leven, grijpt, zeer
inkonzekwent, toch telkens in. En dit is óók natuurlik.
Hoe vollediger en volmaakter een systeem van oefeningen is, hoe
onvolkomener het wordt. Dit klinkt wonderspreukig. Met de volmaking kan
toch niet van de volmaking worden afgeweken? En toch, het is zo. 't Gaat
er mee als met de denkgebouwen, de wijsgerige stelsels der philosofen.
Ze zitten zo prachtig in elkaar, dat ze geen vezeltje ongewisheid meer
hebben. Alle draden en cellen van het weefsel der schepping vinden er
hun verstandelike bewustwording en belijning in. Ja--zou De Genestet
zeggen--"'t lijkt wel of ge 't weet, net als onz' lieve Heer".
"Maar"--voegt de in geen mazen gevangen dichter er bij--"maar dit doet
juist mijn twijfel rijzen." Hoe vollediger iemand 't weet, hoe meer
hij ons in zijn weten binden wil en ons aldus dwingen, de wondervolle
schepping Gods te verruilen voor zijn denkprodukt. En hoe volmaakter
iemands systeem is, hoe meer hij ons daarnaar kneden wil, wanend dat
hij, hij, de groei van dit organisme met zijn middelen in de hand heeft.
De grootste denkers en organisators zijn, aldus de grootste tyrannen.
En dit is hun gevaar. Ze laten ons te weinig vrij. Ze stichten stelsels
en wereldrijken.--Maar--die weer uiteenvallen. Niet voor de eeuwigheid.
Alle bouwwerken van de mens bestaan slechts voor een tijdje. Voor de
eeuwigheid werkt alleen God. En geen groter gevaar voor onze waarlike
groei, dan wanneer we het eeuwigheidswerk belemmeren door een
onvolmaakte "volmaaktheid" van de tijd te willen handhaven.
Fröbel heeft dit niet gewild, het blijkt duidelik genoeg uit zijn
verzekering, dat hij het heil niet van een _Methode_ maar van een _Idee_
wachtte. Maar niettemin--hij kon zichzelf en zijn arbeid dit lot niet
besparen. Hij móést een systeem bouwen. En dus moest hij de voorwaarden
scheppen voor beide, het leven en het sterven van zijn willen.
* * * * *
Ik moet dit artikel eindigen, en mij daartoe dwingen, want de verleiding
is groot uit de zeer rijke stof, welke het aangekondigde werk ons biedt,
telkens nieuwe grepen te doen. We willen de uitspraken van dit boek
telkens beamen en tegenspreken, we willen de verkondigde waarheden
verbreiden, de eenzijdigheden en dwalingen aanvullen en bestrijden.
Het zet ons aan den arbeid. Dat bewijst--de macht van het woord in dit
pleidooi voor de daad. Dat bewijst ook--de vrijheidsliefde van onze
geest, die zich niet laat nascheppen door ons vernuft, zelfs niet door
het vernuft van een Fröbel. Maar het bewijst bovendien--de bizondere
betekenis van deze man. Bij het insluimeren van de menselike krachten is
hij een opwekker geweest. Bij het misvormen der waarheden een hervormer.
Dat ook hij niet de weg heeft aangelegd, waarlangs wij voortaan te gaan
hebben, mag hem niet als verwijt worden aangerekend. Veeleer moeten we
ons er door laten waarschuwen, dat ook wij dwalen kunnen, dat wij dwalen
zullen, dat wij zelfs op 't ogenblik dwalen, wanneer we zo precies de
weg wanen te weten. Es irrt der Mensch so lang' er lebt. Dit leert ons
bescheidenheid. Voor moedeloosheid vrezen we daarbij niet. Want in ons
leeft het geloof. En zo gaan we verder,
Als Columbus 't hoofd omhoog gericht,
Op 't gebruis der wentelende baren,
In 't geloof, dat ginds een wereld ligt.
Juli 1910.
IX. DOOD-EENVOUDIG.
I.
Opvoeden is toch zo uiterst eenvoudig.
* * * * *
We waren eens in een zomerpension, waar nog al veel "opvoedkundigen"
hun vacantie doorbrachten, een predikant, twee leraren, een paar
onderwijzers en onderwijzeressen. Aan tafel werd er dientengevolge vaak
gedebatteerd over opvoedkundige kwesties.
Nu was er bij het huis pas een nieuw paviljoen gebouwd. De werklieden
hadden, gelijk dat voorkomt, heel wat rommel laten liggen en zo was het
zand in de onmiddellijke omgeving vol met stukjes glas.
Menig logé had zich daar al aan geërgerd. Je kon niet op de grond gaan
zitten, of liep gevaar op een minder aangename manier met scherpe
glaskantjes in aanraking te komen. Vooral voor de vele kinderen der
logeergasten was dat hinderlik. Wanneer die kleintjes in 't zand
speelden, kregen ze vaak een schram.
"Werklui voelen toch absoluut geen verantwoordelikheid," zei een
mevrouw. "Als zij hun rommel maar kwijt zijn, vragen ze er niet naar of
een ander er last van heeft."
"Alleen werklieden?" vroeg iemand.
De dame hoorde 't niet en ging voort: "Nu wisten die mensen toch, dat
hier kinderen moesten spelen. Zou er nu niet één gedacht hebben: laten
we die glasscherven opruimen, anders krijgen die kinderen nog een
ongeluk?"
"Kun je denken! Als zij hun geld maar hebben, kon de rest hun niets
schelen. Zo zijn ze."
"Alleen _zij_?" vroeg weer dezelfde stem.
Er ontspon zich een gesprek over het aankweken van het
verantwoordelikheidsgevoel. Dat ging tenslotte heel diep. De Bijbel kwam
er bij en ook de kwestie van de vrije wil. Intussen bleef het zand vol
glasscherven en glasschilfers. Die stoorden zich niet aan deze
discussie.
De eigenaar van het pension had natuurlik ook al menige klacht gehoord,
maar hij noch zijn vrouw kon in deze drukke dagen tijd vinden, om dat
zand te zuiveren.
Nu was er een oude heer, die zijn paedagogiese studiën gemaakt had op
een grote houtwerf tussen houtloodsen met stapels vuren en grenen delen:
de man was houtkoper. Hij kon niet aan de discussie deelnemen--deed het
altans niet. Hij zat maar rustig te eten. Ongehuwd en kinderloos,
interesseerde hem het probleem waarschijnlik niet.
Maar na tafel liep hij in zijn eentje naar die zandplek: hij wilde
blijkbaar ook wel eens zien, wat er aan de hand was. Toen ging hij naar
de keuken, vroeg daar een bak, keerde er mee terug naar het zand, zette
de bak in 't zand, zichzelf erbij, en ging aan 't oprapen:
glasscherven.
Het eerst werd hij opgemerkt door de kinderen. Die keken zijn spelletje
aan en volgden het na. Ook zij raapten glasscherven op en wierpen het in
de bak. Ze vonden het leuk. Zonder waarschuwing van hem waren ze uit
zichzelf voorzichtig genoeg, zich niet te snijden.
Toen kwamen de volwassenen, de heren en dames. Die zagen het ook aan,
maar bleven daarbij. Tenminste aanvankelik. "Snij je niet, Marietje!"
riep een moeder. De oude heer lachte in zichzelf en dacht: "Nu snijdt
Marietje zich natuurlik, want Moeder heeft haar rust weggenomen." En 't
kwam ook net zo uit.
Marietje sneed zich.
"Dat had ik wel gedacht," zei de moeder, "'t is ook geen werk voor
kinderen. Kom maar hier, kind!" En Moeder trok met Marietje's bloedende
vinger af naar huis en de wastafel. Die moeder hield er _haar_
paedagogiek op na.
Een twede moeder deed anders. Die raapte een stukje glas op, dat dicht
bij haar lag en bracht het in de bak. En nu ze dat eenmaal gedáán had,
schitterden haar ook de andere scherven in de ogen. Ze bukte zich,
telkens en telkens weer, eindelik ging ze er maar bij zitten en
verzamelde een handvol, om die dan in de grote bak te werpen. Wat
rinkelde dat!
Zij werd "gelijk de kinderkens". Ze dacht niet aan haar positie, niet
aan haar stand, zelfs niet aan haar japon.
Ze dacht ook niet aan het zedelike van dit werk, ook niet aan
persoonlike of algemene verantwoordelikheid, zelfs niet aan de Bijbel en
de vrije wil.
Ze dacht aan niets.
Alleen vond ze het leuk, die blikkerende plekjes uit het zand op te
rapen, te verzamelen, en in de bak te werpen. Ze was een kind. Ze genoot
als een kind--van het dóén. En dan ook van het zien, hoe telkens weer
een plekje gezuiverd was.
Nu volgden geleidelik ook de heren en andere dames. Sommigen met een
excuus jegens zichzelf, dat ze "toch buiten waren", waarmee ze zeggen
wilden, dat ze hier niet zo héél angstvallig hun waardigheid hadden
op te houden. Maar ze volgden toch--onderwijzers, leraren, dominé,
en de vrouwen. En binnen korte tijd lag daar een compleet regiment
straatreinigers, jong en oud, jassen en japonnen. 't Was een prachtig
gezicht, al die kleurige figuren in 't zand, en alle in diverse
zoekhouding, en alle, met gespannen aandacht, verloren in een gewichtig
werk: het zoeken en oprapen van glasscherfjes.
Die namiddag werd het hele terrein gezuiverd.
Twee volle bakken gevaar waren verwijderd.
En allen hadden plezier gehad.
De kinderen vonden 't zelfs jammer, dat 't uit was.
Zó eenvoudig is paedagogiek.
* * * * *
Die oude, ongehuwde, kinderloze houtkoper gaf daar college.
II.
Het huis was omringd door een tuin. Buurmans huis ook. Tussen beide
tuinen liep een aardig, smal paadje, met beukenheggen wederzijds. Dat
was dus net een groen gangetje. En als je er van voren in ging, kwam je
achteraan weer in de tuin. Het was eigenlik een laantje, dat buiten de
voortuin om naar de achtertuin leidde. Een echt laantje voor kinderen,
om er door te hollen.
Kleine Bertha was hier gelogeerd, een meisje van vijf jaar, een lief,
teer, ietwat schuw kindje.
Ze stond voor 't laantje, keek er eens in. 't Zag er toch zo leuk uit.
Toen deed ze een paar stapjes naar voren, als een muisje naar een val,
en waagde zich, heel in haar eentje, tussen de groene wanden. 't Ging
goed. Nu op een drafje. En ze draafde, klein meisje, moedig door 't
laantje, als je dat lichte zweven _draven_ mag noemen, toen opeens over
de heg van buurman een mannenhoofd verscheen, boven op een stuk lijf.
Bertha bestierf het haast van schrik. Ze schokte stil en holde
onmiddellijk daarop terug.
Doodsbleek en met angstige oogjes kwam ze bij Oom en Tante, die in de
voortuin tee dronken.
"Wat scheelt er aan, kindje? Gunst, wat ziet dat kind wit!"
't Kwam er bevende uit. In dat laantje was plotseling een mannenhoofd
verschenen met grote ogen en een zwarte baard.
Oom begon luid te lachen. "Kom, kom, dat is buurman geweest. Ben je
daar bang voor! Maar meid, je hoeft voor buurman niet bang te wezen. Die
zal je niet opeten. Ga jij maar eens met Oom mee." En toen tegen zijn
vrouw, heel wijs, zeker en vriendelik: "'k Zal 't haar meteen afleren.
Ze zal wel aanstonds zien, dat die angst ongemotiveerd is... Geef jij
Oom maar een handje."
't Klonk waarlik aanmoedigend en zacht genoeg, maar Bertha liet Oom
staan en gaf hem geen handje.
"Kom meid, je hoeft heus niet bang te wezen. Buurman houdt heel veel van
kindertjes. Misschien is hij ook al lang weg. En Oom is toch bij je?"
Allemaal waar, maar Bertha was niet te bewegen. Ze kroop dicht bij Tante
en drong zich tegen haar aan.
Nu voelde Oom zich een beetje boos worden. Hij gaf Bertha drie heel
gegronde motieven op, er was wezenlik geen enkele reden voor bangheid,
geen enkele, bovendien was het klaarlichte dag. Er kwam wat kortheid in
zijn stem, toen hij zei: "Hoor eens, Bertha, dat is nu eigenlik maar
onzin. Er _is_ daar niemand. Ga jij nu met Oom mee."
Maar, al probeerde Oom zijn opkomende wrevel heel braaf en liefjes
binnen te houden, Bertha voelde die toch in iets ongeduldigs en
dringends van de stem, en het enige gevolg was, dat het kind nóg dichter
bij Tante aandrong en begon te schreien.
Oom werd nu openlik boos. 't Was dan ook ergerlik, dat niet alleen zijn
redenering, maar zelfs zijn hele beschermende persoonlikheid werd
teruggewezen door de kuren van een vijfjarig kind.
"Wil Tante eens met je meegaan?" vroeg een zachte stem.
Nu begonnen de traantjes ineens rijkelik te vloeien. Die tederheid brak
de huilbui door. En het kleine lijfje schokte van 't snikken.
"Is dat nu niet rechtaf onzinnig?" vroeg Oom aan zijn vrouw.
"Och, laat haar maar."
"Nu, jij moet het weten, maar ik vind het verkeerd. 't Is het kind
toegeven en zo stijf je haar in die ongegronde angst. Ik zou 't haar
maar liever ineens afleren, dan was ze er doorheen."
Tante zei niets meer. Ze wist, dat haar man het voortreffelik meende,
maar ze wist ook, dat een affect niet door redenering wordt overwonnen,
en altans niet als het nog in zijn volle kracht is. Hoe ze dat wist?
Bij zuiver moeder-instinkt. En ze liet het kindje stilletjes kalmeren.
Oom ging zitten, nam zijn boek weer op, en hervatte zijn lektuur: een
studie over...
* * * * *
Een poosje later, toen 't kindje gekalmeerd was, zei Tante zo, als
zonder erg: "Tante schrok ook altijd zo gauw, toen ze nog een klein
meisje was."
Bertha hoorde het, al reageerde ze nog niet door een vraag.
"En eens," ging Tante voort, "schrok ik toch zó erg..."
Even zwijgen.
"Ik liep in de keuken en daar hoorde ik ineens gerommel in de
schoorsteen. Bomderdebom, en er viel een groot ding uit."
"Wat was dat?" vroeg Bertha met grote oogjes.
"Ik liep hard weg, de gang door, de trap op, de kamer in, net met mijn
neus tegen de tafel."
Bertha begon te lachen. Tante zei het ook zo komiek.
"Ja, jij lacht, maar 't was heus erg, mijn neus begon te bloeden, zó..."
en Tante wees met de vingers, hoe de bloedstraaltjes gelopen hadden en
de droppeltjes waren gevallen.
""Kind, wat is er!" zei mijn moeder. "Gauw naar de keuken, om je af te
wassen." En Moeder nam me op den arm, de trap af, de keuken in en wies
me bij de kraan lekker schoon."
"En wat was er nu?" vroeg Bertha.
"Wat meen je?"
"In de schoorsteen."
"O, dat was ik al helemaal vergeten. Maar het was een steen. Die was
boven in de schoorsteen, op het dak, losgeraakt, en naar beneden
getuimeld."
"En lag die toen in de keuken?"
"Ja, die lag heel rustig op de grond. Maar mijn neus begon op te
zwellen, en die werd wel zó dik."
Weer lachte Bertha, maar Tante wees ook véél te groot.
"Jij hebt maar niets geen medelijden met je arme Tante en met haar dikke
neus.--Maar eens schrok ik weer erg. En weet je, wat ik toen deed? Toen
liep ik niet weg. Maar toen ging ik kijken."
"Hoe was dat dan?"
Nu vertelde Tante een geschiedenisje, dat wonderveel leek op wat er
straks met Bertha gebeurd was. Bertha zag in dat verhaaltje een ander
klein meisje in een laantje lopen, hoorde de vriendelike stem van een
andere buurman, en zag plotseling het gezicht van die buurman over de
heg kijken. Zij zag de man lachen, maar ze zag ook, hoe het kleine
meisje verschrikte en hard wegliep. En dat kleine meisje was haar tante,
dezelfde tante die nu bij haar zat.
Maar Tante was nu toch een dapper meisje. Want toen Moeder haar gezegd
had, dat ze niet bang hoefde te wezen, dat het buurman maar was, en dat
buurman haar geen kwaad wou doen, alleen maar vriendelik gedag zeggen,
toen ging het kleine tantetje terug naar het laantje, en zonder
Moeder--hoort kleine Bertha 't wel? _zonder_ Moeder, helemaal in haar
ééntje--en ze stapte het laantje in, en toen buurman over de heg keek,
zei ze: dág buurman!
Bertha luisterde aandachtig, ook naar 't slot van 't verhaal: "En toen
liep ik het hele laantje door, en aan de andere kant weer de tuin in en
zo terug naar Moeder, en toen ik bij Moeder kwam zei ik: Dág Moe! Daar
ben ik weer."
Maar behalve Bertha had er nog iemand geluisterd, iemand die schijnbaar
in een wetenschappelijke studie verdiept was over de invloed van de
psychie op het physiek, en die iemand dacht: nu ben ik toch
nieuwsgierig, of dat helpt. Hij bedoelde: dat vertelseltje.
En jawel, hoor! Na een poosje drentelde Bertha het laantje in. Aan de
ingang bleef ze staan, net als een vogeltje, en ze draaide het kopje
langzaam links en rechts. Toen keek ze naar Tante, of die op haar
lette. Maar Tante was niet zo dom, de oplevende durf te verzwakken met
aanmoedigende woordjes. Ze was wijs genoeg om het groeiproces, dat in
haar onmiddellike nabijheid viel waar te nemen, zich ongestoord te laten
voltrekken. Ze keek niet naar Bertha. Ze schonk _al_ haar aandacht aan
een haakwerk, dat evenwel niet zoveel aandacht vorderde, of een heel
klein beetje kon ongemerkt wel om dat vogeltje zweven.
Daar deed Bertha een stapje vooruit, nog eentje. O, heerlik
zelfvertrouwen! Nu verdween ze achter de heg...
Zou ze?
Oom en Tante keken elkaar aan. Oom glimlachte. Hij liet zijn boek
liggen. Hij dacht zeker: wat kunnen die vrouwen toch in haar eenvoud
wijs en in haar ongeleerdheid verstandig zijn!
Of hoopte hij in stilte, dat de onderneming niet slagen zou? Dat Bertha
tóch weer terug zou krabbelen?
Helaas, zo boosaardig zijn sommige mensen. Niet het welzijn van 't kind,
maar de triomf van hún zienswijze begeren ze. En met leedwezen zien ze
het kind winnen, als hun gewichtigheid het daarbij moet afleggen....
"Dág Tante! Daar ben ik weer!" juichte een fijn stemmetje. En Bertha
vloog Tante om de knieën.
Oom sloot zijn boek, en zei: "Wat is opvoeden toch verduiveld moeilik!"
"Vind-je?"
III.
Waarde Heer Redacteur!
U schijnt tegen een krachtig optreden te zijn. Dat meen ik altans
uit uw beide schetsjes te mogen afleiden. Met een zoet lijntje
kreeg uw houtkoper-pedagoog het hele pension aan 't werk en met
een zoet lijntje kreeg Tante haar nichtje door 't laantje.
Met alle waardering voor uw goede bedoeling vrees ik toch voor
verwekeliking der individuen en van ons hele geslacht, wanneer de
opvoeding in die toon wordt gezet.
Ik zal u ook eens een verhaaltje vertellen en, evenzeer als ik
dat van uw schetsjes vertrouw, zuivere afspiegeling van de
werkelikheid.
Weet dan allereerst, dat ik--als predikant--behoor tot het door
u niet immer hooggeschatte leger der min of meer officiële
pedagogen. Nader wens ik mijn betrekking niet aan te duiden.
Ook ik ben vader.
Welnu, ik heb een jongen van zes jaar. Wanneer ik met hem
alleen wandel, weet hij heel aardig te babbelen, maar nauweliks
ontmoeten we iemand, of het lijkt wel of zijn spraakorganen
bevriezen. Op alle vragen geeft hij eenvoudig geen antwoord,
tenzij een heel gebrekkig. Dan is zijn houding onbeleefd, bij 't
lompe af. Of de mensen hem vriendelik aanspreken of beslist op
een antwoord aandringen, hij blijft zwijgen. Alleen krijgt hij
een hoge kleur en wordt onrustig.
Ik wil u eerlik zeggen, dat deze houding mij meermalen in de
hoogste mate heeft geërgerd. Het kind _kan_ spreken, kan heel
goed zijn woord doen, dan _zal_ hij ook spreken. Zijn zwijgen
beschouw ik gewoon als malle kunsten, die hij af moet leren. En
ik vind het ook niet te pas komen, dat hij mij tegenover vreemden
een gek figuur laat maken door hardnekkig zijn mond te houden.
Nu heb ik hem dat onlangs kort en goed afgeleerd. Hij had me weer
in tegenwoordigheid van derden laten aanpraten tot grote ergernis
niet alleen van mij, maar ook van mijn vrouw. Toen heb ik hem
tuis een flink pak voor zijn broek gegeven. Ik verkoos niet
langer door mijn eigen kind niet gehoorzaamd te worden en achtte
het ook voor hem heilzaam om over die schuwheid of wat het wezen
mag te worden heen gebracht.
Begrijpelikerwijze heb ik dat niet met plezier gedaan.
Maar de beste voldoening was toch het succes bij de jongen.
Sinds de kleine kastijding--natuurlik heb ik het kind niet
afgeranseld--is hij veranderd. Wanneer we nu iemand op de
wandeling ontmoeten, geeft hij behoorlik en fatsoenlik antwoord.
't Gaat wel niet van harte, maar hij doet het toch. Ik eis geen
hele verhalen, maar wel, dat hij beleefd en zakelik antwoordt.
Ik wil u hierbij nog een confidentie doen. Ikzelf ben eigenlik
verlegen, zelfs wat schuw. Daar heb ik in mijn leven veel hinder
van gehad en 'k heb er nóg last van. Nu wil ik mijn jongen de
onaangename moeilikheden van zijn vader besparen.
U zult me verplichten met het opnemen van deze brief en het
daaraan onomwonden toevoegen van uw mening over de opvatting en
handelwijze van
Uw belangstellende lezer,
Dr. A.
* * * * *
U vraagt, waarde Heer, mijn onomwonden mening, welnu, ik zal ze naar uw
verlangen geven.
Laat ik dan allereerst zeggen, dat ik niet tegen een krachtig optreden
ben en daar ook nooit tegen geweest ben. Integendeel: alleen krachten
kunnen krachten bedwingen. Dit is in de physieke, dat is ook in de
zedelike wereld waar.
We moeten echter kracht niet gelijk achten aan hardheid.
Het is u toch niet onbekend, dat liefde, zachtheid, tederheid, geduld,
wijsheid vaak buitengewone kracht ontwikkelen en menig stug, onwillig
gemoed dwingen tot toegeven, tot buigen, dat door hardheid zich zou
hebben geconcentreerd tot één compacte wil van verzet.
Men kan ijs kapot hakken met bijlen. Dan verbrijzelt men de vorm.
Het kan ook smelten onder zonneschijn. Dan verdwijnt het in zijn wezen.
Al zijn zonnestralen niet gewoon en ook niet in staat, op iets los te
beuken--wie zal ontkennen, dat ze enorme kracht doen werken?
Heel de aarde leeft onder de dwang van zonnekracht.
Opvoeding zonder dwang acht ik ondenkbaar.
De vraag is slechts: welke dwang.
De dwang van physieke overmacht?
Die is alleen in staat de verzets_verschijnselen_ te bestrijden. Hij
tast het verzet niet in zijn hart aan. Uiterlik wordt gehoorzaamd met
innerlike onwil.
Deze dwang is mij niet compleet genoeg. Hij laat een groot, het
belangrijkste deel van het te beheersen gebied buiten zijn invloed.
Dan is pas de dwang volkomen, als hij de onwil heeft overwonnen, als hij
de wil heeft omgekeerd. Zo totaal, dat de gedwongene, ook in volmaakte
vrijheid, niet anders kan doen, dan hetgeen de opvoeder tot zijn heil
begeerde.
Wat u wil--vergeef mij, dominé, dat ik u dit zo ronduit zeg--dat is: de
kinderen met de hel grootbrengen. Pijn van vlammen of pijn van klappen,
het is al eender. Het is lichamelike pijn. En vrees voor klappen of
vrees voor vuur, ik zie geen verschil. Het is vrees voor pijn, die
in geen oorzakelik verband staat met het bedreven kwaad. Daar is een
wil--de wil van de goddelike of menselike opvoeder--die een straf
oplegt. Het kind begrijpt er niets van, voelt alleen de pijn, en weet,
d. w. z. verneemt, dat hem die voor zijn gedrag is aangedaan. Maar die
pijn tast zijn verkeerdheid niet in haar wezen aan, zoals b.v. vochtige
lucht ijzer aantast en dit als ijzer doet verdwijnen.
Daarom mag een opvoeder met deze dwang tot uiterlikheden niet voldaan
zijn. Verre van mij, iemand hard te vallen, wanneer hij in nood deze
dwang aanwendt. Doch berusten in een onvolkomenheid is iets anders dan
deze aan te prijzen.
Dan pas mogen we tevreden zijn met onze middelen, wanneer ze zedelike
kracht in de kinderen hebben ontwikkeld. Vreest ge daarbij voor
verwekeliking? Dat is een vrees, die Christus zou loslaten terwille van
Hercules.
* * * * *
Doch nu 't geval zelf.
Het onbeholpen zwijgen van uw kind ergerde u. Waar hij tegenover u best
kon spreken, verkoost ge dat hij het ook tegenover vreemden zou doen.
Vergeef me, maar ik zie hier iets tirannieks en iets doms in.
Vele ouders misbruiken hun oudermacht, door hun kinderen te betrekken in
de manieren der volwassenen. Dan moeten die kinderen iedereen een handje
geven, liefst nog een zoentje erbij--ofschoon dat wegens hygièniese
redenen de laatste tijd verboden en verdwenen is. De kinderen moeten
zeggen: "Dag Meneer! Dag Mevrouw!" Een enkel maal ook: "Hoe vaart u?"
En dan antwoorden op de vragen, die de vreemden met voorgewende
belangstelling tot hen believen te richten.
Men schijnt niet te begrijpen, dat kinderen in een heel andere wereld
leven dan de groten, dat ze zich niets om het welvaren dier groten
bekommeren en ook niet vermoeden, dat ze die groten enige belangstelling
inboezemen.
Ik vind dat dresseren der kleinen tot de beleefdheidsvormen der
volwassenen een overbodige en schadelike plagerij. Overbodig--omdat de
kinderen zolang ze kind zijn niet de rol der volwassenen behoeven te
spelen. En schadelik--omdat de kinderen zo in hun natuurlike uitgroei
worden belemmerd. Laat het kind kind blijven, dan behoeft men volstrekt
niet bevreesd te zijn, dat ze lomp, onbeleefd, ongemanierd zullen
worden. Wanneer de ouderen onder elkaar welwillend, beleefd, en
gemanierd zijn, bootsen de kinderen dat gaandeweg vanzelf na, en als de
tijd daar is, gedragen ze zich even fijn als de ouderen, maar nu met de
natuurlike gratie, die het ongedwongene en onbevangene kenmerkt en zo
bekoorlik maakt. Door vroegtijdige dressuur wordt veel kinderschoonheid
bedorven. Die kunstenmakerij is alleen gemakkelik voor ouders, die zich
minder druk maken over de innerlike cultuur der kleinen en deze maar
gauw met wat schijn maskeren. Overigens is ze een kwelling voor 't jonge
goed.
Hebt u wel eens gezien, op wat leuke manier kinderen met elkaar
kennismaken? Ze geven geen handjes, kijken malkaar even aan, en dan
begeeft de nieuweling zich aanstonds in het spel. Op z'n hoogst vraagt
hij: "Hoe heet je?" (Nooit: Hoe heet _u_.) Maar dat is alles. Ze leren
malkaar kennen in het gemeenschappelik spel, en trekken dan malkaar aan
of stoten malkaar af.
Verbazend aardig is het ook, te zien hoe kleintjes geheel uit zichzelf
naar volwassenen gaan, als ze die nodig hebben. "Meneer, wil u me even
op die schommel zetten?" Nooit heeft het kleine ding Meneer "een handje"
gegeven, maar ze weet hem best te vinden. "Meneer, weet u ook hoe laat
of 't is?" Deze vraag wordt door kinderen dikwijls tot wandelaars
gericht. Dan verzamelt zo'n klein meisje al haar vrijmoedigheid en loopt
regelrecht op de wandelaar af.
De houtkoper-pedagoog, die man van de glasscherven, bemoeide zich haast
nooit uit zichzelf met de kinderen, maar 't was eigenaardig hoe de
kinderen zich vaak tot hem richtten. Eens heb ik met grote oplettendheid
gadegeslagen, hoe een heel verlegen meisje van drie jaar hem opzocht.
Het kind kleurde als je maar uit de verte naar haar wees. Ze meed de
kringen der volwassenen. Maar op een dag ging ze vlak voor 't open
venster van zijn zitkamer staan en keek naar binnen. Dat was nu precies
een vogeltje. Het kopje draaide links en rechts, de heldere oogjes
tuurden. Toen legde ze steentjes op zijn kozijn. Telkens raapte ze
steentjes op en die legde ze daar neer. Het kindje had blijkbaar
opgemerkt, dat de man zich voor steentjes interesseerde--hij beoefende
wat geologie--en bezorgde hem nu materiaal.
Is dit nu niet wonderlik? Buiten de dwang der conventie-beleefdheid
openbaarde dit schuwe kindje een zo fijne en lieftallige belangstelling
voor de liefhebberij van die oude man, dat ze een verborgen opmerker
wel moest ontroeren als iets bizonder moois. En zulke schoonheid wordt
vernield, neen reeds vóór haar ontspruiten bevroren door de ijskoude
strengheid ener vormelike dressuur.
* * * * *
En dient uw jongen dan zijn schuwheid niet af te leren?
Ik wil aannemen, dat dit uw enig doel was en zich in de klappen niet
hoofdzakelik gekrenkte vadertrots lucht gaf. Het komt voor, dat
de houding van onze kinderen en leerlingen ons niet pijn doet om
hunnentwil, maar omdat ze onze ijdelheid kwetst. Doch ik wil u vrij
achten van deze algemene zonde en dan blijft alleen de vraag: Was dit
het middel, om uw doel te bereiken? Dit nu betwijfel ik niet slechts,
maar ik betwist het.
Ge weet wel uit uw eigen levenservaring, dat die verlegenheid niet uit
onwil voortkomt, maar uit onmacht. Ze is een uitvloeisel van de bepaalde
constructie uwer natuur. Het is een soort van gemoedsstremming, die
absoluut niet gelijk staat met bangheid, vrees of lafheid. Verlegen
naturen kunnen in 't gevaar onverschrokken moed tonen, behoeven niet
bang te zijn in duister of eenzaamheid, niet gevoelig voor pijn. Ze
zijn alleen niet aangelegd op het gezellig verkeer, voelen weinig
behoefte aan mensen, bevinden zich het rustigst en gelukkigst in de
afgeslotenheid. Dit is geen zedelike fout, waaromtrent we ons ernstig
bezorgd dienen te maken. Ook is het geen gevaar. Wellicht is de
vrijmoedigheid, die zich lichter in onbekende omstandigheden waagt, ja
wat gevaarliker. Alleen--is het soms wat lastig, zoals iedere stroefheid
wat lastig is. De verlegenheid kan iemand in de omgang belemmeren en
daardoor zijn maatschappelike vooruitgang wel eens tegenhouden, ofschoon
echte verdiensten ondanks dat waas van verlegenheid toch gauw genoeg
opgemerkt en waardeerd worden. De verlegenheid is dus een betrekkelik
onschuldige en ongevaarlike eigenschap, zich openbarend in stijfheid en
stramheid in de omgang.
Waar nu gemis aan gemoedslenigheid in 't spel is, moet alles aangewend
worden om het gemoedsleven en de daarmee samenhangende spraakzaamheid
zo vrij en ongedwongen mogelik te maken. Belemmeringen moeten worden
weggenomen. En nu geschiedt bij straf en dwang juist het tegendeel.
Daardoor wordt het gemoed in een bepaalde toestand geperst, waarin het
wel bepaalde gewenste uitingen kan voortbrengen, maar die aan zijn aard
niets ten gunste veranderen. Die uitingen zijn dan slechts surrogaat van
wat men begeert, gelijk het sissen van een kat, die men tot spinnen wil
noodzaken door het dier in de staart te knijpen. Dat is een spinnen waar
een mens bang van wordt.
Wie de gemoedsuitingen wil veranderen, moet de medewerking van dat
gemoed inroepen. Daartoe is nodig heel veel vrijheid, zodat het gemoed
zichzelf kan zijn. En daarbij een sfeer van sympathie, van waardering,
waarin aangeboren fijngevoeligheid niet schroomt, en zelfs uitgelokt
wordt zich bloot te geven. Die waardering moet niet bestaan in het
vleiend spreken van prijzende en aanmoedigende woordjes. Die zijn uit
den boze. Die bepalen de aandacht veel te veel bij de persoon zelf en
het is juist zaak de aandacht geheel en al van de persoon af te trekken.
Aan het onderwerp, aan het zakelik element moet alle aandacht gewijd
zijn. Verlegen naturen moeten zichzelf totaal vergeten en verliezen, om
zich juist dan geheel te geven.
Daarom is het verderfelik zulke naturen door merendeels onbescheiden en
onbeduidende vragen bij zichzelf te bepalen. Ik weet natuurlik niet, wat
aan uw ventje gevraagd is en onder welke omstandigheden, maar ik vrees
dat het veel te na hemzelf betrof. Wanneer hem gevraagd was: "Och, geef
me eens even je mesje," dan had hij--ondersteld dat hij er een rijk
was--dit zeker aanstonds uit de zak gehaald en gegeven. En wanneer
de vrager het dan niet had kunnen openen, zou hij, ondanks zijn
verlegenheid, stellig gezegd hebben: "Zo moet u doen" en het de man
even uit de handen hebben genomen.
Leid de aandacht van het kind af.
En gij bepaalt juist de aandacht bij het kind.
Win zijn belangstelling voor onpersoonlike realiteiten.
En gij exploiteert de niet eens bestaande belangstelling.
Kinderen zijn heus dikwels net vogeltjes.
Loop je ze na, dan vliegen ze weg.
En blijf je rustig zitten, dan komen ze vlak bij je. Op 't laatst pikken
ze de kruimels van je ontbijttafel. Die schuwe vogeltjes.
IV.
"Vader, mag ik vanmiddag fietsen?"
"Wel meid, dat hoef je mij niet te vragen."
"Nou, zeg u nou maar, mag ik?"
"Dat moet je immers zelf weten. Heb je je werk af?"
"Neen, nog niet."
"Dan zul je zelf wel weten, of je tijd hebt om te fietsen."
"Nou
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/38396