De Ellendigen (Deel 2 van 5)
by Victor Hugo · Dutch · Gutenberg #37663 · 604,873 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De Ellendigen (Deel 2 van 5)
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De Ellendigen (Deel 2 van 5)
Author: Victor Hugo
Release date: October 7, 2011 [eBook #37663]
Most recently updated: January 8, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/37663
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 2 VAN 5) ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
DE ELLENDIGEN
Naar het Fransch
Van
VICTOR HUGO.
Opnieuw bewerkt.
Tweede deel.
Arnhem en Nijmegen,
Gebrs. E. & M. Cohen.
BOEK I.
WATERLOO.
EERSTE HOOFDSTUK.
WAT ER OP DEN WEG VAN NIVELLES GEVONDEN WORDT.
Op een schoonen Mei-morgen van het vorige jaar (1861) kwam een
voetreiziger, hij die deze geschiedenis verhaalt, van Nivelles
en ging naar La Hulpe. Hij wandelde tusschen twee rijen boomen,
over een breeden straatweg, die zich over heuvelen kronkelt,
welke achtereenvolgens den weg doen rijzen en dalen, en als
ontzaglijke golven vormen. Hij was reeds voorbij Lillois en
Bois-Seigneur-Isaac. In het westen zag hij den met leien gedekten
kerktoren van Braine-l'Alleud, die den vorm van een omgekeerde vaas
heeft. Achter hem lag, op een hoogte, een bosch, en op den hoek van een
dwarsweg, naast een vermolmden kruispaal met het opschrift: Ancienne
barrière No. 4, lag een herberg, op welker voorgevel geschreven stond:
Au quatre vents. Echabeau, café de particulier.
Een kwartier voorbij deze herberg, kwam hij in een klein dal, waarvan
het water door een boog onder den weg loopt. De groep van afzonderlijk
staande, maar zeer lommerrijke boomen, welke aan de eene zijde van
den straatweg het dak vullen, strekken zich aan de andere zijde,
over weiden, bevallig maar ordeloos naar Braine-l'Alleud uit. Dáár,
ter rechterzijde, aan den kant van den weg, stond een herberg, voor
welke men een wagen met vier wielen, een grooten bundel hop-staken,
een ploeg, een hoop dorre struiken bij een groene haag, kalk, die in
een kuil rookte, en een ladder tegen een oude schuur kon zien. Een
jonge deern was bezig een veld te wieden, waar een groot geel biljet,
waarschijnlijk de aankondiging van de een of andere kermis-vertooning,
in den wind fladderde. Om den hoek der herberg liep, bezijden een
waterplas, waarin een troep eenden zwommen, een slecht geplaveid pad
door het kreupelhout. De wandelaar sloeg dit pad in.
Na een honderd schreden te hebben gedaan en langs een muur uit de 15de
eeuw te zijn gekomen, die in een spitse laag van overdwars gelegde
steenen uitliep, bevond hij zich voor een groote gewelfde poort in
den strengen bouwstijl van Lodewijk XIV. Een statige voorgevel verhief
zich boven deze poort, en was door rechthoekige muren daar genoegzaam
mede verbonden. Op de weide voor de poort lagen drie eggen, door welke
allerlei Mei-bloemen haar hoofden uitstaken. De poort was gesloten
met twee vermolmde vleugeldeuren, waarop zich een oude verroeste
klopper bevond.
De zon scheen heerlijk; de takken der boomen huiverden zoo, als zij
in Mei plegen te doen, welke huivering eer door de nestjes, die ze
bevatten, dan door den wind schijnt te worden veroorzaakt. Een moedig
vogeltje, dat waarschijnlijk verliefd was, zat in een grooten boom
vroolijk te kwinkeleeren.
De wandelaar bukte en zag, in een steen ter linkerzijde onder aan het
rechter voetstuk der poort, een vrij groote ronde holte, die door
een bolvormig lichaam scheen voortgebracht te zijn. Juist openden
zich de slagdeuren en een boerin kwam naar buiten.
Zij zag den wandelaar en merkte waarnaar hij keek.
"Een Fransche kogel heeft dat gedaan," zeide zij.
En zij voegde er bij:
"Wat ge dáár, iets hooger, in de deur bij dien spijker ziet, is het gat
van een grooten musketkogel. Hij heeft het hout echter niet doorboord."
"Hoe heet deze plaats?" vroeg de wandelaar.
"Hougomont," zei de boerin.
De wandelaar richtte zich op. Hij deed eenige schreden en keek over
de heggen. Hij zag in de verte door het geboomte een hoogte en op
die hoogte iets, dat in de verte een leeuw geleek.
Hij was op het slagveld van Waterloo.
TWEEDE HOOFDSTUK.
HOUGOMONT.
Hougomont was een noodlottig oord; het begin van de hindernis,
de eerste tegenstand, dien de groote houthakker van Europa, welke
Napoleon heette, te Waterloo ontmoette; de eerste knoest onder den
slag der bijl.
't Was een kasteel; 't is nu niet meer dan een hoeve. Voor den
oudheidkenner is Hougomont Hugomons. Dit slot werd gebouwd door Hugo,
heer van Somerel, denzelfde die het zesde kapelaanschap der abdij
van Villers stichtte.
De wandelaar opende de poort, ging onder het gewelf langs een oude
kales en kwam op het voorplein. Het eerst wat hem op dat grasperk in
't oog viel, was een poort uit de zestiende eeuw, waarvan slechts de
boog nog stond, daar alles rondom haar in puin was gevallen. Bouwvallen
vertoonen meestal iets monumentaals. Dicht bij den boog is in den
muur een andere deur met sluitsteenen uit den tijd van Hendrik IV,
door welke men de boomen van een boomgaard zag. Naast deze deur zag
men een mestput, schoppen en spaden, eenige karren, een oude put met
zijn hardsteenen rand en ijzeren katrol, een dartelend veulen, een
kalkoen met uitgespreiden staart, een kapel met een klokkentorentje,
een bloeiende pereboom tegen den muur der kapel geleid: dit was de
plaats, welker verovering eens Napoleon's droom was. Zoo hij dit
plekje gronds had kunnen nemen, zou 't hem misschien de overwinning
der wereld hebben bezorgd. Hoenders wroetten den grond om. Men hoort
een gegrom; 't is een groote hond, die de tanden toont en er de
Engelschen vervangt.
De Engelschen hebben zich hier bewonderenswaardig gehouden. Gedurende
zeven uren boden hier de vier garde-compagnieën van Cooke het hoofd
aan de woede van een leger.
De plattegrond van Hougomont met zijn gebouwen en aanhoorigheden,
vertoont op de kaart een onregelmatigen rechthoek, waarvan één
der hoeken is ingedrukt. Aan dien hoek bevindt zich de zuidelijke
poort, die door den muur wordt beschermd, welke haar geheel
bestrijkt. Hougomont heeft twee poorten: de zuidpoort, die van
het kasteel; de noordpoort, die der hoeve. Napoleon zond tegen
Hougomont zijn broeder Jérôme; de divisiën Guilleminot, Foy en
Bachelu stieten er het hoofd, schier het geheele korps van Reille
werd er tegen aangevoerd, zonder te slagen; de kogels van Kellermann
waren machteloos tegen dit heldhaftig stuk muur. De brigade Bauduin
was niet sterk genoeg, Hougomont ten noorden te overweldigen, en de
brigade Soye kon het slechts ten zuiden bestoken, maar niet nemen.
De gebouwen der hoeve begrenzen de plaats ten zuiden. Een stuk van
de noordpoort, die door de Franschen werd opengebroken, hangt nog
aan den muur. 't Zijn vier planken op twee dwarshouten gespijkerd,
die de verwoestingen van den aanval nog doen zien.
De noordpoort, door de Franschen bestormd, en waarin een stuk is gezet
om het aan den muur hangend paneel te vervangen, is aan 't einde van
het grasveld; zij is vierkant in een muur aangebracht, die onder van
hardsteen, boven van baksteen is en het plein ten noorden afsluit. 't
Is een gewone wagenpoort, zooals alle hoeven hebben; twee breede
slagdeuren van ruwe planken: daarbuiten weiden. Om het bezit van deze
poort werd woedend gestreden. Lang heeft men op de stijlen der poort
allerlei sporen van bloedige handen gezien. Dáár sneuvelde Bauduin.
De verwoesting van het gevecht heerscht nog op deze plaats, het
vreeselijke is er zichtbaar; de verwarring van het krijgsgewoel
heeft er zich versteend; 't leeft, 't sterft, 't is niet ouder dan
gisteren. De muren bezwijken, de steenen vallen, de bressen gapen,
de openingen zijn wonden, de gebogen en sidderende boomen schijnen
te willen vluchten.
Deze plaats was in 1815 meer bebouwd dan thans. Gebouwen, die sinds
afgebroken zijn, vormden er uitspringende hoeken, stompe en rechte.
De Engelschen hadden er zich gebarricadeerd, de Franschen drongen
er binnen, maar konden er zich niet staande houden. Ter zijde
van de kapel verheft zich een vleugel van het kasteel, het eenig
overblijfsel van het slot Hougomont, maar geheel vervallen, men
zou kunnen zeggen opengebroken. Het kasteel diende tot vesting,
de kapel tot blokhuis. Men vernielde er elkander. De Franschen, van
alle zijden aan het geweervuur blootgesteld, van achter de muren,
boven van de zolders, onder uit de kelders, uit al de vensters, uit
al de luchtgaten, uit al de scheuren der muren, brachten takkebossen
aan en staken 't gebouw en de menschen in brand; het schrootvuur werd
met houtvuur beantwoord.
Men ontdekt in dezen verwoesten vleugel door de getraliede vensters,
de naakte muren van vertrekken; de Engelsche garden lagen in die
kamers in hinderlaag; de wenteltrap, van beneden tot aan het dak
gescheurd, gelijkt het inwendige eener gebroken schelp. De trap
heeft twee verdiepingen; de Engelschen, op de trap belegerd en op de
bovenste treden saamgedrongen, hadden de onderste treden vernield. 't
Zijn breede blauwe zerken, met onkruid omgroeid. Een tiental treden
zitten nog aan den muur vast; in de eerste is de figuur van een
drietand gesneden. Deze ontoegankelijke treden zijn nog stevig in
haar sponningen. Al het overige gelijkt een kinnebakken, waaruit de
tanden zijn getrokken. Er staan twee oude boomen; de eene is dood;
de andere, aan den voet gekwetst, loopt nog in April uit. Sinds 1816
heeft hij zijn loten door de trap heen geschoten.
In de kapel heeft men elkander vernietigd. Het inwendige, nu rustig,
is zonderling. Sedert het bloedbad heeft men er geen mis gedaan. Het
altaar van ruw hout is echter gebleven en staat tegen een naakten
steenen muur. Deze kapel bestaat uit vier, met kalk gewitte muren;
een deur tegenover het altaar, twee kleine boogvensters, boven de
deur een groot houten kruisbeeld, boven het kruisbeeld een vierkant
luchtgat met een bos hooi dicht gestopt, in een hoek op den grond
een oud gebroken vensterraam. Bij het altaar is een houten beeld
van St. Anna, uit de vijftiende eeuw, vastgespijkerd; het hoofd van
het kind Jezus is door een kogel afgeschoten. De Franschen, die een
oogenblik van de kapel meester waren, doch er uit verdreven werden,
staken haar in brand. De vlammen hebben dezen bouwval gevuld; hij
is een oven geweest; de deur, de vloer is verbrand, maar de houten
Christus is niet verbrand. Het vuur heeft zijn voeten verzengd, welker
verkoolde stompen men nog ziet, maar daarbij bleef het. De lieden van
het oord zeggen, dat 't een mirakel is. Het onthoofde kind Jezus is
zoo gelukkig niet geweest als de Christus.
De muren zijn bedekt met opschriften. Aan de voeten van Christus leest
men den naam: Henquinez. Voorts deze: Conde de Rio Maïor. Marques
y Marquesa de Almagro (Habana). Er zijn Fransche namen met
uitroepingsteekens, blijken van toorn. De muur is in 1849 opnieuw
gewit. De volken beleedigden er elkander op.
Aan de deur dezer kapel werd een lijk gevonden met een bijl in de
hand. Dit lijk was van den tweeden luitenant Legros.
Ter linkerzijde, als men de kapel verlaat, ziet men een put. Op dit
voorplein zijn er twee. Men vraagt, waarom aan dezen geen emmer en
katrol zijn? Wijl men er geen water meer put. Waarom put men er geen
water? Wijl hij vol doodsbeenderen en geraamten is.
De laatste die uit dezen put water heeft gehaald, heette Willem van
Kylsom: een boer, die Hougomont bewoonde en er tuinier was. Den 18
Juni 1815 nam zijn gezin de vlucht en verschool zich in de bosschen.
Het woud, dat de abdij van Villers omgeeft, diende verscheidene
dagen en nachten al den ongelukkigen bewoners dezer buurt tot
schuilplaats. Nog heden wijzen enkele duidelijke sporen, als oude
afgebrande boomstammen, de plaats aan, waar deze ongelukkigen in het
dichtste hout sidderend bivouakkeerden.
Willem van Kylsom woonde te Hougomont "om het kasteel te bewaken" en
verschool zich in een kelder. De Engelschen ontdekten hem daar. Men
trok hem uit zijn schuilhoek, en door sabelslagen deden de krijgslieden
zich door dezen beangsten man bedienen. Zij hadden dorst; Willem
bracht hun water, 't welk hij uit dezen put haalde. Velen deden daar
hun laatsten dronk. Maar deze put, waarvan zoovele drinkers in den
dood gingen, moest insgelijks sterven.
Na het gevecht haastte men zich, de lijken te begraven. De dood
vervolgt op zijn wijze de overwinning en zendt de pest achter den roem
aan. De typhus is een aanhangsel van den triumf. De put was diep, men
maakte er een graf van. Men wierp er driehonderd dooden in. Misschien
met te veel overhaasting. Waren allen wel dood? de legende zegt van
neen. Het schijnt, dat men in den nacht, die op deze begrafenis volgde,
flauwe jammerende stemmen uit dezen put hoorde opstijgen.
De put staat afgezonderd op 't midden van het plein. Drie muren,
half hardsteen en half baksteen, en samengevoegd als de bladen van een
tochtscherm, hadden eenigszins 't voorkomen van een torentje en omgeven
den put aan drie zijden. De vierde zijde is open. Aan die zijde putte
men het water. In den achtermuur bevindt zich een ruw gat, misschien
door een kanonkogel veroorzaakt. Dit torentje had een zoldering,
waarvan slechts de balken zijn overgebleven. Het ijzerwerk der schoring
van den rechtermuur vormt een kruis. Men blikt naar beneden, en 't oog
verliest zich in een diepen baksteenen koker vol dikke duisternis. De
put is omgeven door onkruid, waarin het onderste der muren verdwijnt.
Voor dezen put ligt niet de blauwe hardsteen, tot drempel dienende,
dien men gewoonlijk bij alle putten in België vindt. In plaats ervan
is er een balk, waaraan vijf of zes knoestige, vermolmde stukken
hout, die groote beenderen gelijken. Er is noch emmer, noch keten,
noch katrol meer; maar de gootsteen is er nog, die diende om 't water
uit te gooien. Hier vergaart zich het regenwater, en een vogel uit
de naburige bosschen komt nu en dan drinken en vliegt weder weg.
Een huis in dezen bouwval, het huis van den pachter, is nog bewoond. De
deur van dit huis komt op de plaats uit. Behalve een fraaie gothieke
sleutelplaat is op deze deur een ijzeren handvatsel in den vorm
van een gekromd klaverblad. Op het oogenblik dat de Hanoversche
luitenant Wilda dat handvatsel greep om in de hoeve te vluchten,
hieuw een Fransch sapeur hem met zijn bijl de hand af.
De grootvader van het gezin, dat thans het huis bewoont, was de oude
tuinman van Kylsom, die nu sinds lang is overleden. Een vrouw met
grijs haar zeide ons: "Daar was ik. Ik was drie jaar oud toen dit
gebeurde. Mijn oudere zuster was bang en weende. Men voerde ons naar
de bosschen. Mijn moeder droeg mij in haar armen. Men legde zich met
het oor op den grond om te luisteren. Ik bootste het kanongebulder
na en riep bom bom."
Zooals gezegd is, voerde een deur links op de plaats naar den
boomgaard.
Deze boomgaard is verschrikkelijk.
Hij bestaat uit drie deelen, men zou haast kunnen zeggen uit drie
bedrijven. Het eerste gedeelte is een tuin, het tweede is de eigenlijke
boomgaard, het derde is een bosch. Deze drie gedeelten zijn gezamenlijk
omgeven, aan de zijde van den ingang, door de gebouwen van het kasteel
en der hoeve, ter linkerzijde, door een haag, ter rechterzijde door
een muur, van achter insgelijks door een muur. De muur rechts is
van tichelsteenen, de achtermuur is van hardsteen. Eerst komt men
in den tuin. Hij loopt naar beneden, is beplant met besseboomen,
en vol onkruid en wilde planten; hij wordt begrensd door een terras
van hardsteen met dubbel uitspringende balustrade. 't Was vroeger een
slottuin in den Franschen stijl, welke dien van Le Nôtre voorafging;
thans niets dan bouwvallen en distelen. De pilasters dragen ballen,
die veel van steenen kogels hebben. Men telt nog drie-en-veertig
pilasters op hun vierkante voetstukken; de overige liggen in het
gras. Schier alle zijn door het geweervuur beschadigd. Een enkele
geknotte kolom staat als een gebroken been op het voetstuk.
In dezen tuin, lager gelegen dan de boomgaard, was het, dat zes
voltigeurs van het 1e regiment binnendrongen, zoodat zij er niet
weer uit konden. Gevangen gehouden en bestookt als beren in een kuil
aanvaardden zij den strijd tegen twee compagnieën Hanoveranen, waarvan
een compagnie met buksen was gewapend. De Hanoveranen stonden achter
deze pilasters en schoten uit de hoogte. De voltigeurs, zes tegen
tweehonderd, beantwoordden moedig van beneden het vuur, zij hadden
geen andere bedekking dan de besseboomen en sneuvelden in minder dan
een kwartier.
Eenige treden opgaande, komt men uit den tuin in den eigenlijken
boomgaard. Hier, binnen de ruimte van weinige ellen oppervlakte,
vielen vijftienhonderd man in minder dan een uur tijds. De muur
schijnt opnieuw voor het gevecht gereed te zijn. De acht-en-dertig
schietgaten, die door de Engelschen op ongelijke hoogten er in
zijn gemaakt, zijn er nog. Voor het zestiende liggen twee Engelsche
grafzerken van graniet. Alleen in den zuidermuur zijn schietgaten;
de hoofdaanval had van dien kant plaats. Deze muur is van buiten
achter een hooge levende haag verborgen. De Franschen naderden, in
de meening dat zij niets dan een haag voor zich hadden, drongen er
door en vonden den muur, een hinderpaal en hinderlaag; de Engelsche
garde er achter; de acht-en-dertig schietgaten braakten te gelijker
tijd hun vuur, een stortregen van kogels en schroot; de brigade-Soye
werd er vernield. Zóó begon de slag van Waterloo.
De boomgaard werd echter genomen. De Franschen hadden geen ladders,
maar klauterden met hun nagels tegen den muur op. Onder de boomen vocht
men man tegen man. Al het gras werd met bloed bevochtigd. Een bataljon
Nassauers van zevenhonderd man werd er vernield. Aan de buitenzijde is
de muur, waartegen de twee batterijen van Kellermann werden gericht,
als geheel afgeknaagd.
Deze boomgaard is even gevoelig voor de maand Mei als ieder andere. Hij
heeft zijn goudenregen en madeliefjes; het gras is er hoog, karpaarden
weiden er, tusschen de boomen zijn koorden gespannen, waarop linnen te
drogen hangt en die den voorbijganger het hoofd doen buigen, terwijl
de voet in een molshoop zinkt. In 't midden van 't gras ziet men een
ontwortelden groenenden boomstam liggen. De majoor Blackman heeft
zich hiertegen gelegd om te sterven. Onder een naburigen grooten
boom viel de Duitsche generaal Duplat, die tot een Fransche familie
behoorde, welke bij de herroeping van het Edict van Nantes het land
verliet. Daarnaast staat een oude, ziekelijke appelboom, die met een
verband van stroo en klei omzwachteld is. Schier al de appelboomen
sterven van ouderdom. Geen is er, die niet een kogel of een grenaat
heeft ontvangen. Een menigte doode boomen staan nog als geraamten in
dezen boomgaard. De raven vliegen in de takken; van binnen bloeien
viooltjes.
Bauduin dood, Foy gekwetst, de brand, de verwoesting, het moorden,
een beek van vreeslijk ondereengemengd Engelsch, Duitsch en Fransch
bloed, een put vol lijken, het regiment Nassauers en dat van Brunswijk
vernield, Duplat gesneuveld, Blockmann gesneuveld, de Engelsche garde
verminkt, twintig Fransche bataljons van de veertig van Reillés corps
gedecimeerd; alleen in dit vervallen slot van Hougomont drie duizend
man nedergesabeld, doorstoken, doodgeschoten en verbrand;--en dit
alles, opdat thans een boer tot een reiziger kan zeggen: "Mijnheer,
geef mij drie francs en, zoo ge wilt, zal ik u de zaak van Waterloo
uitleggen."
DERDE HOOFDSTUK.
DE 18 JUNI 1815.
Laat ons terugtreden; dit is een recht van den verhaler, en verplaatsen
wij ons in het jaar 1815, zelfs een weinig vóór het tijdperk, waarin
het in het eerste gedeelte van dit werk verhaalde plaats had.
Zoo het in den nacht van 17 op 18 Juni 1815 niet geregend had, zou
Europa's toekomst geheel anders zijn geweest. Eenige droppels water min
of meer hebben Napoleon doen vallen. De Voorzienigheid heeft slechts
een weinig regen noodig gehad om van Waterloo het einde van Austerlitz
te maken; en een wolk, die in een met het seizoen strijdende richting
in de lucht dreef, was voldoende om een wereld te doen instorten.
De slag van Waterloo kon eerst om half twaalf beginnen, waardoor
Blücher tijd had aan te komen. Waarom niet eer? Wijl de bodem van den
regen doorweekt was. Men moest wachten tot hij een weinig opgedroogd
was om met de artillerie te kunnen manoeuvreeren.
Napoleon was artillerie-officier en bleef dit altijd eenigszins. Al
zijn slagplannen zijn voor het geschut ingericht. De artillerie op een
bepaald punt te vereenigen, was de sleutel zijner overwinningen. Hij
ging met de krijgskunst van den vijandelijken generaal als met een
citadel te werk, en schoot er bres in. Hij verplette het zwakke punt
met schroot; hij knoopte en ontknoopte de veldslagen met het kanon. In
zijn genie lag iets van den kanonnier. Carré's overhoop te werpen,
regimenten te verpletteren en uiteen te jagen, hierin lag alles voor
hem: slaan, en altijd slaan, en deze taak droeg hij den kogel op. Een
vreeselijke methode, welke, gepaard aan het genie, gedurende vijftien
jaren dezen somberen kampvechter des oorlogs onoverwinbaar maakte.
Den 18 Juni 1815 rekende hij te meer op de artillerie, wijl het getal
in zijn voordeel was. Wellington had slechts honderd negen-en-vijftig
vuurmonden; Napoleon had er tweehonderd veertig.
Gesteld dat de grond droog ware geweest, dat de artillerie zich had
kunnen bewegen, de slag zou te zes uren zijn begonnen, en te twee
uren, dat is drie uur vóór de Pruisische tusschenkomst, geëindigd en
gewonnen zijn geweest.
In hoeverre is het verlies van dezen veldslag de schuld van Napoleon
geweest? Is de schipbreuk aan den stuurman te wijten? Paarde zich
aan de blijkbare afneming van Napoleon's lichaamskrachten destijds
een verzwakking van geestkracht? Hadden de twintig jaren oorlogs
evenzeer het zwaard als de scheede versleten, evenzeer de ziel als
het lichaam? Deed zich de veteraan ongelukkiglijk reeds gevoelen in
den veldheer? Met één woord, was dit genie verduisterd, zooals vele
voorname geschiedschrijvers beweerd hebben? Bracht hij zich in woede,
om zich zelven zijn verzwakking te verhelen? Begon hij te wankelen
door den wind van een ongunstig lot? Werd hij--wat voor een veldheer
hoogst noodlottig is--ongevoelig voor het gevaar? Is er bij deze
soort van groote materieële mannen, welke de reuzen der handeling
kunnen genoemd worden, een leeftijd, waarin hun genie kortzichtig
wordt? De ouderdom heeft geen vat op de genieën van het ideale;
de Dante's en Michel Angelo's nemen in den ouderdom toe; nemen
de Hannibal's en Bonaparte's er door af? Had Napoleon den rechten
zin der overwinning verloren? Kon hij de klip niet meer erkennen,
den valstrik niet meer gissen, den instortenden rand des afgronds
niet meer onderscheiden? Ontbrak hem het voorgevoel van groote
handelingen? Hij die eertijds al de wegen van den triomf kende, en van
zijn schitterenden zegewagen ze met oppermachtigen vinger aanwees, was
hij nu in zulk een heillooze geestverwarring, dat hij zijn opgewekte
legioenen in den afgrond voerde? Was hij, zes-en-veertig jaar oud,
door een heerschenden waanzin aangegrepen? Was deze reusachtige leider
van het lot niets meer dan een dolle moordenaar?
Wij gelooven het niet.
Zijn plan van den veldslag was, naar aller getuigenis, een
meesterstuk. Recht tegen het centrum der linie van de geallieerden
rukken, een opening in den vijand maken, hem in tweeën snijden,
de Britsche helft op Hal werpen, en de Pruisische op Tongeren,
van Wellington en Blücher twee stompen maken, Mont Saint-Jean nemen,
Brussel bemachtigen, de Duitschers in den Rijn, de Engelschen in de zee
werpen; dit alles lag in Napoleon's doel van dezen veldslag. Vervolgens
zou men zien.
't Spreekt vanzelf dat het geenszins ons oogmerk is, hier de
geschiedenis van Waterloo te schrijven; een der ontwikkelingstooneelen
van het drama, dat wij verhalen, knoopt zich aan dezen veldslag
vast, maar de geschiedenis is ons eigenlijk onderwerp niet;
deze geschiedenis is buitendien uitmuntend beschreven, uit het
eene gezichtspunt door Napoleon, uit het andere gezichtspunt door
Charras. Wij laten beide geschiedschrijvers de zaak uitmaken; wij
zijn slechts een verwijderd getuige, een wandelaar op de vlakte,
een navorscher op dezen met menschenvleesch gemesten grond, die
misschien schijn voor waarheid houdt; wij hebben het recht niet,
ons in naam der wetenschap tegen een geheel van feiten te verzetten,
waarin echter gewisselijk veel zinsbegoocheling ligt; wij bezitten
noch militaire praktijk noch krijgskunde genoeg om gezag aan een
stelsel te kunnen geven; maar onzes inziens zijn de beide veldheeren
te Waterloo door een aaneenschakeling van toevalligheden beheerscht
geworden; en wat het lot betreft, dezen geheimzinnigen beschuldigde,
wij oordeelen als het volk, dat een naïef rechter is.
VIERDE HOOFDSTUK.
A.
Wie zich een juiste voorstelling van den slag van Waterloo wil
maken, behoeft in gedachten slechts een groote A op den grond te
trekken. Het linkerbeen der A is de weg van Nivelles, het rechterbeen
de weg van Genappe, de koppelstreep der A is de holleweg van Ohain
naar Braine-l'Alleud. De top der A is Mont-Saint-Jean; daar is
Wellington; de beneden-linkerpunt is Hougomont; daar is Reille
met Jerôme Bonaparte; de beneden-rechterpunt is Belle-Alliance;
daar is Napoleon. Even onder het punt, waar de koppelstreep der A
het rechterbeen raakt en doorsnijdt is la Haie-Sainte. In 't midden
van deze koppelstreep is het eigenlijke punt, waar de slag beslist
werd. Hier heeft men den leeuw geplaatst, het onwillekeurig zinnebeeld
van den verheven heldenmoed der Keizerlijke garde. De driehoek, gevormd
door het toppunt der A, de twee beenen en de koppelstreep is de vlakte
van Mont-Saint-Jean. De geheele slag gold den strijd om deze vlakte.
De vleugels van beide legers breidden zich rechts en links uit langs
de wegen van Genappe en Nivelles; d'Erlon stond tegenover Picton;
Reille tegenover Hill.
Achter het toppunt der A, achter de vlakte van Mont-Saint-Jean is
het bosch van Soignes.
Men stelle zich de vlakte zelve voor als een uitgestrekt golvend
terrein; de eene hoogte beheerscht de andere, en al deze golvingen
loopen opwaarts naar Mont-Saint-Jean, waar zij bij het bosch eindigen.
Op een slagveld zijn twee vijandelijke legers als twee worstelaars. Zij
omvatten elkander en de een poogt den ander te doen vallen. Men
klampt zich vast aan alles; een haag is een steunpunt; de hoek van
een muur is een borstwering; zoo een regiment niet eenig steunpunt
heeft, wijkt het; een holte op de vlakte, een glooiing van den grond,
een dwarsloopend pad, een holleweg kunnen den hiel van den kolossus
tegenhouden, dien men een leger noemt, en hem beletten achteruit
te gaan. Die het veld verlaat is geslagen. Daaruit ontstaat voor
den verantwoordelijken bevelhebber de noodzakelijkheid, dat hij het
kleinste kreupelboschje onderzoeke en de geringste oneffenheid kenne.
De beide generaals hadden de vlakte van Mont-Saint-Jean, thans vlakte
van Waterloo genoemd, nauwkeurig bestudeerd. Reeds het vorige jaar
had Wellington met vooruitziende schranderheid haar in oogenschouw
genomen als het mogelijke veld van een grooten slag. Wellington had
den 18 Juni op dit terrein en voor dit tweegevecht de goede zijde,
Napoleon de slechte. Het Engelsche leger stond boven, het Fransche
leger beneden.
't Zou overbodig zijn hier Napoleon te schetsen, te paard, met den
kijker in de hand, in den vroegen ochtend van den 18 Juni 1815, op
de hoogte van Rossomme staande. Voor hij is aangeduid, heeft ieder
hem in 't oog. Dit kalm gelaat onder den kleinen steek der school van
Brienne, deze groene uniform, welker witte omslag de ster verbergt, de
overjas die de epauletten bedekt, de strik van het roode lint onder het
vest, de zeemlederen broek, het witte paard met zijn purperfluweelen
schabrak, waarop in de hoeken gekroonde N's en arenden, de rijlaarzen
over zijden kousen, de zilveren sporen, de degen van Marengo,--deze
geheele gestalte van den laatsten Cesar staat voor aller verbeelding,
door de eenen toegejuicht, door anderen veroordeeld.
Deze gestalte stond lang in vollen glans; dit was ten gevolge van
zekere verduistering, die aan legenden eigen is, en die de waarheid
steeds min of meer omsluiert. Thans echter heeft de geschiedenis hier
haar licht aangebracht.
Dat licht der geschiedenis is onmeedoogend; het heeft dit zonderlinge
en goddelijke, dat het, hoewel het licht is, en juist omdat het licht
is, vaak duisternis brengt, waar men helderheid zag; van denzelfden
mensch maakt het twee verschillende schijngestalten, waarvan de eene
de andere bestrijdt en terechtstelt--de duisternis van den despoot
in worsteling met den glans van den veldheer. Hieruit volgt een
juister maatstaf voor de waardeering des volks. Het verwoeste Babylon
verlaagt Alexander; het geketende Rome verlaagt Cesar; het vernielde
Jeruzalem verlaagt Titus. De dwingelandij volgt den dwingeland. 't
Is een ramp voor een mensch, een duisternis achter te laten die zijn
gestalte heeft.
VIJFDE HOOFDSTUK.
HET "DUISTERE IETS" DER VELDSLAGEN.
Ieder weet, welk aanzien de veldslag in den beginne had; een verward,
onzeker, weifelend, voor beide legers dreigend begin; evenwel meer
nog voor de Engelschen, dan voor de Franschen.
Het had den geheelen nacht geregend; de regen had den bodem doorweekt;
in de holten der vlakte was het water als in kuipen vergaard; op
sommige plaatsen stond het tot aan de assen der treinwagens; van de
buikriemen der paarden droop het slijk; zoo het graan en de rogge, die
door al de voertuigen ter aarde geworpen waren, de poelen niet gevuld
en eenige vastheid onder de wielen gevormd had, zou iedere beweging,
voornamelijk in de richting van Papelotte, onmogelijk zijn geweest.
Het gevecht begon laat; Napoleon, zooals wij gezegd hebben, had de
gewoonte, de geheele artillerie als een pistool in zijn hand te houden,
om 't nu op dit, dan op dat punt van den veldslag te richten, en hij
had willen wachten totdat de bespannen batterijen ongehinderd konden
rijden en galoppeeren; daarvoor moest de zon te voorschijn komen en den
grond drogen. Maar de zon kwam niet te voorschijn. 't Was niet meer
de ontmoeting van Austerlitz. Toen het eerste kanonschot gelost was,
zag de Engelsche generaal Colville op zijn horloge en overtuigde zich,
dat het vijf minuten over half twaalf was.
Het gevecht werd met woede, met grooter woede wellicht dan de keizer
wenschte, door den linkervleugel der Franschen tegen Hougomont
begonnen. Te zelfder tijd viel Napoleon het centrum aan door de
brigade Quiot tegen La Haie-Sainte te werpen, terwijl Ney met den
rechtervleugel der Franschen den linkervleugel der Engelschen aanviel,
die op Papelotte steunde.
De aanval tegen Hougomont was eenigermate geveinsd, hij had ten doel,
er Wellington te lokken en hem links te doen buigen. Dit plan zou
gelukt zijn, zoo de vier compagnieën der Engelsche garde en de moedige
Belgen der divisie Perponcher niet krachtig de positie behouden hadden,
zoodat Wellington, in plaats van er zijn troepen opeen te hoopen,
zich kon bepalen tot er ter versterking vier andere compagnieën der
garde en een bataljon Brunswijkers te zenden.
De aanval van den rechtervleugel der Franschen tegen Papelotte diende
eigenlijk om den linkervleugel der Engelschen omver te werpen, den
weg naar Brussel af te snijden, den Pruisen, die komen konden, den
doortocht te beletten, Mont-Saint-Jean te bemachtigen. Wellington tot
Hougomont, van daar tot Braine-l'Alleud en verder tot Hal terug te
drijven; niets was eenvoudiger. Eenige toevalligheden daargelaten,
gelukte deze aanval. Papelotte werd genomen; la Haie-Sainte werd
bemachtigd.
Hier verdient het volgende opmerking: Bij de Engelsche infanterie,
voornamelijk bij de brigade van Kempt, waren veel rekruten. Tegenover
onze geduchte infanteristen waren deze jonge soldaten dapper en van
veel nut. Bovenal deden zij uitmuntenden dienst als tirailleurs; als
tirailleur is de soldaat eenigszins aan zich zelven overgelaten, en
wordt om zoo te zeggen zijn eigen generaal; deze rekruten vertoonden
iets van het Fransche vernuft en van hun levendigheid. Deze jeugdige
infanterie bezat vuur. Dit mishaagde Wellington.
Na de bemachtiging van la Haie-Sainte was de veldslag weifelend.
In dezen dag, van 's middags af tot vier uur toe, ligt een duister
tusschenvak; het midden van den slag is schier niet te onderscheiden
en deelt in de donkerheid van het strijdgewoel. Maar er ontstaat
een schemering. In dezen nevel bespeurt men groote golvingen,
een duizelende gezichtsbegoocheling, het toenmalige, thans schier
onbekende krijgstuig, kolbaks, schitterende, vliegende sabeltasschen,
over de borst gekruist lederwerk, patroontasschen met grenaten,
huzaren-dolmans, roode, geplooide laarzen, zware schako's met
vangsnoeren, de bijna zwarte Brunswijksche infanterie onder de roode
Engelsche infanterie gemengd, de Engelsche soldaten met witte winksen,
in plaats van epauletten, de lichte Hanoversche ruiterij met lederen
hoogen helm, waaraan koperen stormbanden en roode pluimen, de Schotten
met bloote knieën en geruite plaids, de groote witte slobkousen
onzer grenadiers; dit alles zijn schetsen, maar geen krijgskundige
aanwijzingen; iets voor Salvator Rosa, maar niet voor Gribeauval.
In elken veldslag is steeds iets wolkerigs gemengd. Quid obscurum, quid
divinum. Ieder geschiedschrijver geeft aan dergelijk krijgsgewoel min
of meer de gestalte welke hem behaagt. De schok der gewapende drommen
geeft een terugwerking, die de generaals, niettegenstaande alle zorg,
onmogelijk nauwkeurig kunnen berekenen; in het gevecht grijpt het
plan van den eenen veldheer in dat van den anderen, en het een wordt
door het ander gewijzigd. De linie van bataille buigt en kronkelt als
een draad, de beken bloeds stroomen her- en derwaarts; de fronten der
legers golven, de terugtrekkende of uitvallende regimenten vormen kapen
of inhammen, al deze klippen bewegen zich gestadig de eene voor de
andere; waar de infanterie was, komt de artillerie; waar de artillerie
was, komt de cavalerie aangesneld; de bataljons zijn rookwolken. Er
was iets: zoek, en 't is verdwenen, de open ruimten verplaatsen zich,
de donkere golvingen naderen of wijken; als door een grafwind worden
deze heillooze drommen voortgestuwd, teruggedrongen, uitgezet, en
verdreven. Wat is een gevecht? Een trilling. De onbeweeglijkheid van
een wiskunstig plan rekent bij minuten, niet bij dagen. Een veldslag
kan alleen een bij uitstek groot schilder malen, die al wat de wereld
bevat in zijn penseel heeft; Rembrandt is daartoe beter dan Van der
Meulen. Van der Meulen, die des middags nauwkeurig is, liegt te drie
uren. De meetkunde bedriegt: alleen de orkaan is waar. Dit geeft aan
Folard het recht Polybius tegen te spreken. Voegen wij hierbij dat
er altijd een zeker oogenblik is, dat de veldslag in afzonderlijke
gevechten ontaardt en zich in ontelbare kleine feiten splitst,
die, om Napoleon's eigen woorden te gebruiken, "veeleer tot de
geschiedenis der regimenten, dan tot die van het leger behooren." In
zoodanig geval heeft de geschiedschrijver onbetwistbaar het recht tot
samendringen. Hij kan slechts de hoofdomtrekken van den strijd geven,
en geen verhaler, hoe nauwgezet ook, kan nauwkeurig den vorm van die
vreeselijke wolk bepalen, welke een veldslag wordt genoemd. Dit is
ten aanzien van alle groote gewapende schokken waar, en vooral op
Waterloo van toepassing.
Des namiddags evenwel, op een zeker oogenblik, werd de veldslag
duidelijker.
ZESDE HOOFDSTUK.
DES NAMIDDAGS TE VIER UREN.
Tegen vier uren was de toestand van het Engelsche leger hachelijk. De
prins van Oranje commandeerde het centrum, Hill den rechtervleugel,
Picton den linkervleugel. Vol vuur en onverschrokken riep de prins
van Oranje den Hollanders-Belgen toe: "Nassau! Brunswijk! nimmer
terug!" Hill, die verzwakt was, had zich tegen Wellington
geleund. Picton was gesneuveld. In hetzelfde oogenblik, dat de
Engelschen den Franschen het vaandel van het 105e linie-regiment
ontnamen, hadden de Franschen den Engelschen generaal Picton met
een kogel door 't hoofd gedood. Wellington had in den slag twee
steunpunten, Hougomont en la Haie-Sainte; Hougomont verdedigde
zich nog, maar stond in brand; La Haie-Sainte was genomen. Van
het Duitsche bataljon, dat haar verdedigde, waren nog slechts twee
en veertig man over; op vijf na waren al de officieren gesneuveld
of gevangen genomen. In die schuur hadden drie duizend strijders
elkander verdelgd. Een sergeant der Engelsche garde, de eerste bokser
van Engeland, dien zijn krijgsmakkers onkwetsbaar beschouwden, werd
er door een kleinen Franschen tamboer gedood. Baring was verdreven,
Alten was nedergesabeld. Verscheidene vaandels waren verloren, daarbij
een van de divisie-Alten, en een van het bataljon Lunenburg, dat door
een prins van het geslacht van Tweebruggen gedragen was. De grijze
Schotten bestonden niet meer; de zware dragonders van Ponsonby waren
neergehouwen. Deze dappere cavalerie had gebogen voor de lanciers van
Bro en de kurassiers van Travers; van de twaalfhonderd paarden waren
zeshonderd overgebleven; van de drie luitenant-kolonels lagen twee
ter aarde, Hamilton gekwetst, Mater gesneuveld. Ponsonby was gevallen,
van zeven lanssteken doorboord. Gordon was dood, Marsh was dood. Twee
divisiën, de vijfde en de zesde, waren vernield.
Nu Hougomont aangegrepen en la Haie-Sainte genomen was, bleef er nog
slechts een knoop door te hakken, het centrum. Deze hield nog altijd
vast. Wellington versterkte het. Hij riep er Hill, die te Merbe-Braine
stond, en Chassé, die te Braine-l'Alleud was.
Het centrum van het Engelsche leger, eenigszins hol, zeer dicht
ineengedrongen, had een sterke stelling. Het bezette de vlakte van
Mont-Saint-Jean, had achter zich het dorp en voor zich de toen tamelijk
steile glooiing. Het steunde tegen dat hechte steenen huis, 't welk te
dien tijde een domein van Nivelles was en bij den viersprong staat,
waar beide wegen elkander kruisen. 't Is een gebouw uit de zestiende
eeuw, en zoo sterk, dat de kanonskogels er op afstuitten, zonder het
te beschadigen. Hier en daar hadden de Engelschen in de doornhagen,
die de vlakte omgeven, schietgaten gesneden, tusschen de takken den
mond van een kanon geplaatst, en van het kreupelhout verschansingen
gemaakt. Hun artillerie lag achter het struikgewas in hinderlaag. Dit
verraderlijk werk, schoon door den oorlog gewettigd, die krijgslisten
toelaat, was zoo goed uitgevoerd, dat Haxo die des ochtends te negen
uren door den keizer werd gelast de vijandelijke batterijen te gaan
verkennen, er niets van gezien had, en terugkwam met het bericht
aan Napoleon, dat er geen andere hinderpalen bestonden dan de twee
barricaden, die de wegen van Nivelles en Genappe versperden.
't Was in den tijd, dat het graan hoog staat; aan den zoom der vlakte
lag een bataljon der brigade Kempt, het 95e, met buksen gewapend,
in het hooge koren.
Aldus beveiligd en gerugsteund, had het centrum van het
Engelsch-Hollandsche leger een goede stelling.
Het gevaar voor deze stelling was het bosch van Soignes, dat destijds
aan het slagveld grensde en door de vijvers van Groenendael en
Boitsfort doorsneden was. Een leger kon er niet in terugtrekken, zonder
zich geheel op te lossen; de regimenten zouden onvermijdelijk uiteen
zijn geraakt. De artillerie zou in de moerassen blijven steken. Volgens
de meening van verscheidene deskundigen, die evenwel door anderen
bestreden wordt, zou een terugtocht een algemeene vlucht zijn geworden.
Wellington voegde bij dit centrum een brigade van Chassé, die van
den rechtervleugel was genomen, en een brigade van Wincke, van den
linkervleugel, bovendien de divisie Clinton. Aan zijn Engelschen,
aan de regimenten van Halkett, aan de brigade van Mitchell, aan de
garde van Martland, gaf hij tot borstwering en steun de infanterie van
Brunswijk, het contingent van Nassau, de Hanoveranen van Kielmansegge
en de Duitschers van Ompteda. Hiermede had hij zes en twintig bataljons
te zijner beschikking. De rechtervleugel werd, zooals Charras zegt,
achter het centrum geschoven. Een groote batterij was, ter plaatse
waar thans het zoogenaamde "museum van Waterloo" is, achter aardzakken
gemaskeerd. Wellington had buitendien in een laagte de dragonders der
garde van Somerset, sterk veertienhonderd paarden. 't Was de andere
helft der zoo terecht beroemde Engelsche cavalerie. Toen Ponsonby
vernietigd was, bleef nog Somerset over.
De batterij, die, voltooid, schier een schans zou zijn geweest, stond
achter een zeer lagen tuinmuur, die in de haast met aardzakken en
een breed aarden voetstuk was bekleed. Dat werk was niet voltooid,
men had den tijd niet gehad het te palissadeeren.
Wellington, bekommerd, doch koelbloedig, zat te paard en bleef
den geheelen dag in dezelfde houding, een weinig vóór den ouden
molen van Mont-Saint-Jean, die nog bestaat, onder een olm, dien
later een Engelsch wandaal voor tweehonderd francs kocht, deed
afzagen en medenam. Wellington was daar een koelbloedig held. Het
regende kogels. Zijn adjudant Gordon viel aan zijn zijde. Lord Hill
vroeg, terwijl hij hem op een springende bom wees:--Mylord, welke
instructiën en bevelen laat gij ons, zoo ge mocht vallen?--"Te doen
gelijk ik," antwoordde Wellington. Tot Clinton zeide hij lakonisch:
"Hier blijven tot den laatsten man."--De dag nam blijkbaar een
slecht einde. Wellington riep zijn oude wapenbroeders van Talavera,
Vittoria en Salamanca toe: "Boys (jongens)! hoe kan men aan wijken
denken? denkt aan Oud-Engeland!"
Tegen vier uren maakte de Engelsche linie een achterwaartsche
beweging. Eensklaps zag men op de hoogte niets meer dan de artillerie
en de tirailleurs, het overige was verdwenen; de door de Fransche
houwitsers en kogels verjaagde regimenten trokken af naar de laagte,
waardoor thans nog het voetpad naar Mont-Saint-Jean loopt; er ontstond
een achterwaartsche beweging, het Engelsche legerfront week, Wellington
trok terug.--Het begin van den aftocht! riep Napoleon.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
NAPOLEON IN GOEDE LUIM.
De keizer, hoewel ziek en te paard door een plaatselijk lijden gekweld,
was nooit in een betere luim dan dien dag geweest. Sedert den morgen
glimlachte hij, de ondoorgrondelijke. Den 18 Juni 1815 schitterde
deze diepe ziel, achter marmer verscholen, als in den blinde. De man,
die te Austerlitz somber was geweest, was vroolijk bij Waterloo. De
gewichtigste toestanden hebben dergelijke tegenstrijdigheden. Onze
vreugd is als een schaduw. De volmaakte glimlach behoort slechts
aan God.
Ridet Cæsar, Pompeius flebit, zeiden de soldaten van het legioen
Fulminatrix. Pompejus mocht ditmaal niet weenen, maar zeker is het
dat Cesar lachte.
Toen hij den vorigen nacht ten één ure, te paard, in storm en regen,
met Bertrand, de hoogten in den omtrek verkende, en tevreden de lange
linie der Engelsche bivouakvuren zag, welke den geheelen horizon,
van Frischemont tot Braine l'Alleud, verlichtten, scheen het hem,
dat het noodlot, door hem op een bepaalden dag op het slagveld van
Waterloo gedaagd, stipt aan zijn bevelen gehoorzaamde; hij had zijn
paard stil doen staan en eenige oogenblikken bewegingloos naar de
bliksemstralen gezien en naar den donder gehoord; en men heeft dezen
fatalist in de duisternis deze geheimzinnige woorden hooren zeggen:
"Wij zijn het eens." Napoleon bedroog zich. Zij waren 't niet eens.
Hij had zich geen minuut slaaps gegund; al de oogenblikken van dien
nacht waren voor hem door een vreugde gekenmerkt. Hij was langs
de geheele linie der zware garde gereden en had hier en daar stil
gehouden, om de schildwachten toe te spreken. Ten half drie ure had
hij bij het bosch van Hougomont den stap eener marcheerende kolonne
gehoord; hij meende een oogenblik, dat Wellington terugtrok. Hij
had aan Bertrand gezegd: "'t is de Engelsche achterhoede, die zich
in beweging stelt om het veld te ruimen. Ik zal de zes duizend
Engelschen gevangen nemen, die te Ostende zijn aangekomen." Hij
sprak met opgeruimdheid; hij had dat vuur wedergevonden, 't welk
hem den 1en Maart bij zijn landing bezielde, toen hij in de golf
Juan den grootmaarschalk op den verrukten boer wees, en uitriep:
"Nu, Bertrand, ziedaar reeds versterking!" In den nacht van den 17 op
den 18 Juni schertste hij over Wellington.--"Deze kleine Engelschman
heeft een les noodig," zeide Napoleon. De regen nam toe; het donderde,
terwijl de keizer sprak.
Des morgens ten half vier had hij een illusie verloren; de officieren
ter verkenning uitgezonden hadden hem bericht dat de vijand geen
beweging maakte. Niets verroerde zich; geen enkel bivouakvuur was
uitgedoofd. Het Engelsche leger sliep. Diepe stilte heerschte op
de aarde; slechts in den hemel was gerucht. Te vier uren hadden de
veldontdekkers hem een boer gebracht; deze boer had een brigade
Engelsche ruiterij tot gids gediend, waarschijnlijk de brigade
Vivian, die het dorp Ohain aan den uitersten linkervleugel ging
bezetten. Te vijf uren hadden twee Belgische deserteurs hem gemeld,
dat zij hun regiment verlaten hadden, en dat het Engelsche leger den
slag afwachtte.--"Des te beter," had Napoleon geroepen. "Ik werp ze
liever overhoop, dan ze achteruit te drijven."
Des morgens was hij op den kant van den weg van Plancenoit in het
slijk afgestegen, had zich uit de hoeve van Rossomme een keukentafel
en een boerenstoel doen brengen, was gaan zitten, met een bos stroo
als tapijt, en had op de tafel de kaart van het slagveld uitgespreid,
daarbij tot Soult zeggende: "Een fraai schaakbord!"
Ten gevolge van den regen des nachts had de toevoer van levensmiddelen,
die in de drassige wegen waren blijven steken, des morgens niet
kunnen aankomen; de soldaat had niet geslapen, was doornat, en zonder
ontbijt, 't geen Napoleon evenwel niet belet had blijmoedig tot Ney
te zeggen: "Wij hebben negentig kansen van de honderd." Te acht uren
had men 's keizers ontbijt gebracht. Hij had verscheidene generaals
genoodigd. Onder het ontbijt had men verhaald, dat Wellington den
vorigen dag te Brussel op het bal bij de hertogin van Somerset was
geweest, en Soult, de ruwe krijgsman met zijn aartsbisschopsgezicht,
had gezegd: "het bal is vandaag." De keizer had met Ney geschertst,
die zeide: "Wellington zal zoo dom niet zijn Uwe Majesteit te
wachten." Zoo was overigens zijn gewoonte. "Hij schertste gaarne," zegt
Fleury de Chaboulon. "De grond van zijn karakter was een vroolijke
opgewektheid," zegt Gourgaud. "Hij vloeide over van kwinkslagen,
die eer zonderling dan geestig waren," zegt Benjamin Constant. Deze
vroolijkheid van een reus verdient, dat men er bij stilsta. Hij
noemde zijn grenadiers "grombaarden;" hij kneep hen in de ooren, trok
hen aan den knevel. "De keizer heeft altijd grappen met ons," zeide
een hunner. Op den geheimzinnigen overtocht van Elba naar Frankrijk
ontmoette, den 27 Februari in volle zee, de Fransche oorlogsbrik de
Zephir de brik l'Inconstant, waarop Napoleon verborgen was, en vroeg
aan den Inconstant berichten nopens Napoleon. De keizer, die op dat
oogenblik nog de rood-en-witte kokarde met beien bezaaid, op zijn
hoed had, welke kokarde hij op het eiland Elba had aangenomen, had
glimlachend de spreektrompet genomen en zelf geantwoord: "de keizer
bevindt zich wel." Die dus weet te schertsen, is gemeenzaam met de
gebeurtenissen. Napoleon had, gedurende het ontbijt van Waterloo,
bij herhaling zulke opwellingen van vroolijkheid. Na het ontbijt had
hij een kwartieruurs nagedacht; vervolgens hadden twee generaals met
een pen in de hand en een blad papier op de knieën op een bos stroo
plaats genomen; en de keizer had hun de slagorde gedicteerd.
Te negen uren, toen het Fransche leger, geëcheloneerd en in vijf
kolonnen in beweging gesteld, zich ontwikkeld had, de divisiën in twee
liniën, de artillerie tusschen de brigades, met de muziek aan 't hoofd,
met slaande trommen, met schetterende trompetten, als een machtige,
uitgestrekte, vroolijke zee van helmen, sabels en bajonetten, had de
keizer, tot twee maal toe bewogen uitgeroepen: heerlijk! heerlijk!
Van negen tot half elf ure had het geheele leger--'t geen schier
ongelooflijk schijnt--positie genomen en zich in zes liniën geschaard,
die, om 's keizers uitdrukking te bezigen, "de figuur van zes V's"
vormden.
Weinige oogenblikken nadat het front in slagorde was gesteld, en te
midden der diepe stilte van het begin des storms, die het gevecht
voorafgaat, had de keizer,--toen hij de drie batterijen twaalfponders
zag voorbijrijden, welke op zijn bevel van de drie korpsen van Erlon,
van Reille en van Lobau waren genomen en bestemd waren om 't gevecht
te beginnen door Mont-Saint-Jean aan te vallen, waar de wegen van
Nivelles en Genappe zich kruisen,--Haxo op den schouder geklopt en
gezegd: "Dat zijn vierentwintig schoone meisjes, generaal!"
Zeker van den uitslag, had hij de kompagnie sapeurs van het eerste
korps bij 't voorbijtrekken met een glimlach aangemoedigd; die
kompagnie was bestemd om zich in Mont-Saint-Jean te versterken,
zoodra het dorp genomen zou zijn. Deze opgeruimdheid was slechts
door een woord van trotsch medelijden afgebroken geworden: toen
hij aan zijn linkerhand, ter plaatse waar thans een groot graf is,
de bewonderenswaardige grijze Schotten met hunne heerlijke paarden
opeengedrongen zag, zeide hij: "Dit is jammer."
Vervolgens was hij te paard gestegen, tot voor Rossomme gereden,
waar hij een kleine grashoogte ter rechterzijde van den weg van
Genappe naar Brussel tot observatorium koos, zijnde dit zijn tweede
standpunt gedurende den slag. Zijn derde standpunt, dat van zeven uren
's avonds, tusschen la Belle Alliance en la Haie-Sainte, is ontzaglijk;
't is een tamelijk hooge terp, die nog aanwezig is, en waarachter
de garde zich in een helling der vlakte had samengetrokken. Om dien
heuvel keilden de kanonskogels op de steenen van den straatweg tot
bij Napoleon. Evenals te Brienne had hij boven zijn hoofd het gefluit
van kanons- en geweerkogels. Men heeft, nagenoeg ter plaatse waar
zijn paard stond, stukken van kogels, van sabelklingen en ander
wapentuig gevonden. Scabrâ rubigine. Voor eenige jaren heeft men er
een nog geladen zestigpondskogel opgegraven, welks laadpijp stijf
aan den kogel was afgebroken. 't Was op dit laatste standpunt, dat
de keizer tot zijn gids Lacoste, een vijandigen, beangsten boer, die
aan den zadel van een huzaar was gebonden en zich telken reize bij
het springen van een bom omkeerde en zich achter Napoleon trachtte te
verbergen, zeide:--"Domoor, 't is schande. Gij zult u in den rug laten
dooden." Hij, die deze regels schrijft, heeft zelf in de mulle glooiing
van deze hoogte, bij 't omwroeten van 't zand, de overblijfselen van
den hals eener bom gevonden, half verteerd door de roest van zes en
veertig jaren, en stukken oud ijzer, die als vliertakjes tusschen
zijn vingers braken.
De golvende vlakte, waar Napoleon en Wellington elkander ontmoetten,
zijn thans niet meer, gelijk men weet, zooals zij den 18 Juni
1815 waren. Door van dien doodsakker de aarde af te nemen, die tot
oprichting van een gedenkteeken moest dienen, heeft men hem zijn
eigenlijke gedaante ontnomen, en de ontstemde geschiedenis kan
er zich niet meer vinden. Om dat veld te verheerlijken heeft men
het misvormd. Toen Wellington twee jaren later Waterloo wederzag,
riep hij: "Men heeft mijn slagveld veranderd." Waar thans de groote
aarden-piramide met den leeuw staat, was een hoogte, die met een
bruikbaren afweg naar Nivelles liep, doch naar den kant van Genappe
zeer steil was. De hoogte dezer steilte kan thans nog afgemeten worden
naar de hoogte van de twee grafheuvelen, waarlangs de weg van Genappe
naar Brussel loopt, links het Engelsche graf, rechts het Duitsche. Er
is geen Fransch graf. De geheele vlakte is voor Frankrijk een graf. Ten
gevolge der duizenden en duizenden karren gronds, die voor den honderd
vijftig voet hoogen en een halve mijl in omvang grooten heuvel zijn
gebezigd, is het bergplat van Mont-Saint-Jean thans langs een zachte
helling genaakbaar; op den dag van den veldslag was het, voornamelijk
aan de zijde van la Haie-Sainte, ruw en steil. De glooiing was daar
zoo steil, dat de Engelsche artillerie de hoeve, in de diepte van het
dal gelegen, en die het middelpunt van den slag was, niet onder zich
konde zien. De regen had op den 18 Juni 1815 dezen weg nog uitgehold,
het slijk bemoeielijkte de beklimming, zoodat men bij het klauteren
er inzonk. Langs den top van het bergplat liep een diepte, die van
verre niet kon gezien worden.
Wij zullen zeggen wat deze diepte was, Braine-l'Alleud is evenals
Ohain een Belgisch dorp. Deze beide dorpen zijn tusschen de krommingen
van het terrein verborgen en verbonden door een weg van omstreeks
anderhalf uur, die over een golvende vlakte loopt en dikwerf als een
vore de heuvels doorsnijdt, zoodat hij op vele plaatsen een hollen
weg vormt. In 1815, evenals thans, doorsneed deze weg den top van het
bergplat Mont-Saint-Jean tusschen de twee groote wegen van Genappe
en Nivelles; thans is hij gelijk met de vlakte, maar toen was 't een
holle weg. Men heeft de glooiingen ter weerszijden tot materieel voor
het monument gebruikt. Deze weg was en is nog bijna langs zijn geheele
uitgestrektheid een doorsnijding, die soms twaalf voet diep is en
welks steile kanten, vooral des winters, bij stortregens, hier en daar
instortten. Er gebeurden dan soms ongelukken. Bij 't binnenkomen van
Braine-l'Alleud was de weg zoo smal, dat een voorbijganger er door een
kar verplet werd, 't geen een steenen kruis bij het kerkhof aanduidt,
waarop de naam van den gedoode: Monsieur Bernard Debrye, marchand à
Bruxelles, en de dagteekening van het ongeluk, fevrier 1637 [1] te
lezen staan. Op het plat van Mont-Saint-Jean was deze weg zoo diep dat
een boer, Mathieu Nicaise, er bedolven werd onder de instorting van den
kant, zooals een ander steenen kruis aanduidt, welks top tengevolge
der ontginningen is verloren gegaan, doch waarvan het omgeworpen
voetstuk nog te zien is op het gras van de helling ter linkerzijde
van den weg tusschen la Haie-Sainte en de hoeve van Mont-Saint-Jean.
Op den dag van den veldslag was deze holle weg, die door niets werd
aangeduid, en langs den top van Mont-Saint-Jean liep, een groeve
boven aan de steilte, een in den grond verborgen poel, onzichtbaar,
en daardoor verschrikkelijk.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE KEIZER DOET DEN GIDS LACOSTE EEN VRAAG.
Napoleon was dus in den morgen van den slag bij Waterloo tevreden.
Hij had er reden toe; het door hem ontworpen plan, zooals wij gezegd
hebben, was inderdaad bewonderenswaardig.
De slag was begonnen; zijn zeer verschillende afwisselingen,--de
verdediging van Hougomont, de hardnekkige weerstand van la
Haie-Sainte, de dood van Bauduin, Foy buiten gevecht gesteld, de
onverwachte muur waartegen zich de brigade Soye gebroken had, de
noodlottige onbezonnenheid van Guilleminot, die noch springbussen
noch kruitzakken had; het in de modder zinken der batterijen, de
vijftien stukken zonder escorte, die door Uxbridge in een hollen weg
werden geworpen, de geringe uitwerking der bommen die in de Engelsche
liniën vielen, zich in den door den regen doorweekten grond boorden,
en slechts uitbarstingen van slijk veroorzaakten, zoodat het schroot in
modderspatten veranderde; de vruchteloosheid van Piré's demonstratie
tegen Braine-l'Alleud; vijftien escadrons cavalerie schier geheel
vernietigd; de slecht bestookte Engelsche rechter vleugel, de zwakke
aanval van den linker; het zonderling misverstand van Ney die, in
plaats van ze te echelonneeren, de vier divisiën van het eerste corps
opeenhoopte, zoodat massa's van zevenentwintig gelederen, en fronten
van tweehonderd man op deze wijze aan het schroot waren overgeleverd;
de verschrikkelijke openingen, welke de kanonkogels in deze drommen
maakten; de aanvalskolonnen gescheiden, de schuinsche vernielende
batterij, die plotseling tegen hun flank werd geopend; Bourgeois,
Donzelot en Durutte in nood, Quiot teruggedreven, de luitenant Vieux,
deze herkules uit de polytechnische school, gekwetst, juist toen hij
met bijlslagen, onder het verdelgend vuur der Engelsche barricade,
die de kromming van den weg van Genappe naar Brussel versperde, de
poort van la Haie-Sainte openbrak; de divisie Marcognet tusschen de
infanterie en cavalerie ingesloten, door Best en Pake met het geweer
op de borst in 't koren gefusilleerd en door Ponsonby nedergesabeld;
zijn batterij van zeven stukken vernageld; de prins van Saksen Weimar,
die, niettegenstaande den graaf van Erlon, Frischemont en Smohain
bezet en in zijn macht hield; het vaandel van het 105e en van het
45e regiment genomen; een zwarte Pruisische huzaar aangehouden door
de veldontdekkers der vliegende colonne van driehonderd jagers,
die tusschen Wavre en Plancenoit kruisten; de verontrustende
zaken, welke deze gevangene meldde; het uitblijven van Grouchy; de
vijftienhonderd man, die in minder dan een uur in den boomgaard van
Hougomont gedood werden; de achttienhonderd man, die in nog korter
tijd om la Haie-Sainte vielen,--al deze stormachtige tusschentooneelen,
die evenals de rookwolken van den slag voorbij Napoleon vlogen, hadden
nauwelijks zijn blik verontrust, of de zekerheid der overwinning op het
keizerlijk gelaat betrokken. Napoleon was gewoon den oorlog strak in
de oogen te zien; hij beschouwde niet angstvallig de bijzonderheden
naar getallen; de getallen raakten hem weinig, zoo zij slechts
tot algemeene uitkomst hadden--de overwinning; hij bekommerde er
zich niet om, zoo het begin in de war liep, hij die zich meester en
bezitter van het einde geloofde; hij wist te wachten, in den waan,
dat omtrent den uitslag geen kwestie kon zijn, hij behandelde het
noodlot als zijnsgelijke. Hij scheen tot het noodlot te zeggen:
gij durft niet anders.
Half licht en half schaduw, gevoelde Napoleon zich begunstigd door
het goede, en geduld door het kwade. Hij had of meende te hebben eene
verstandhouding, men zou schier kunnen zeggen een deelgenootschap, met
de gebeurtenissen, welke met de onkwetsbaarheid der ouden overeenkwam.
Wanneer men evenwel de Beresina, Leipzig en Fontainebleau achter zich
heeft, zou men Waterloo hebben moeten mistrouwen. Een geheimzinnig
fronsen der wenkbrauwen was in den hemel kenbaar.
Toen Wellington terugtrok, beefde Napoleon van vreugde. Eensklaps zag
hij het plateau van Mont-Saint-Jean ontruimen, en het front van het
Engelsche leger verdwijnen. Het trok zich weder bijeen, maar verdween
uit het gezicht. De keizer richtte zich in zijn stijgbeugels op. De
bliksem der overwinning schoot uit zijn oogen.
Wellington, tegen het bosch van Soignes gedrongen en van daar
verdreven, was de eindelijke uitroeiing van Engeland door Frankrijk,
't was de wraak over Crecy, Poitiers, Malplaquet en Ramillies. De
man van Marengo wischte Azincourt uit.
De keizer, over deze vreeselijke ontknooping peinzend, richtte ten
laatsten male zijn kijker over alle punten van het slagveld. Zijn
garde, met het geweer aan den voet achter hem staande, keek van
omlaag tot hem op met een soort van godsdienstigen eerbied. Hij
dacht; hij beschouwde de hellingen, merkte de steilten op, onderzocht
met zijn blik de boomengroepen, de roggevelden, de voetpaden, hij
scheen ieder kreupelboschje te tellen. Hij staarde met strakken
blik op de Engelsche barricaden der beide groote wegen, twee breede
dammen van opeengestapelde boomen, de eerste op den weg van Genappe
boven la Haie-Sainte, met twee kanonnen gewapend, de eenige van het
Engelsche leger, die den bodem van het slagveld konden bestrijken; en
de andere op den weg van Nivelles, waar de Hollandsche bajonetten der
brigade-Chassé glinsterden. Bij deze barricade bespeurde hij de oude
met kalk gewitte kapel van St. Nikolaas op den hoek van den dwarsweg
naar Braine l'Alleud. Hij boog zich en sprak halfluid tot den gids
Lacoste. De gids schudde ontkennend het hoofd, waarschijnlijk met
een verraderlijk doel. De keizer richtte zich op en dacht na.
Wellington was teruggetrokken.
Er bleef slechts over dezen aftocht door eene verplettering te
voltooien.
Napoleon wendde zich eensklaps om en zond een renbode naar Parijs,
om er te berichten dat de slag gewonnen was.
Napoleon was een dier genieën, welke bliksems schieten.
Hij had zijn bliksemstraal thans gevonden.
Aan de kurassiers van Milhaud gaf hij bevel het plateau van
Mont-Saint-Jean te bemachtigen.
NEGENDE HOOFDSTUK.
HET ONVERWACHTE.
Zij waren drie duizend vijfhonderd man sterk. Hun front strekte
zich een kwartier ver uit. 't Waren mannen als reuzen, op kolossale
paarden. 't Waren zes-en-twintig escadrons; en achter zich hadden
zij, om hen te ondersteunen, de divisie van Lefèbvre Desnouettes,
de keurbende van zeshonderd gendarmes, de jagers der garde, sterk
elfhonderd zeven-en-negentig man, en de lanciers der garde, sterk
achthonderd tachtig lansen. Zij droegen den helm zonder paardenstaart
en een kuras van geslagen ijzer, pistolen in de holsters en een langen
rechten pallas. Des ochtends had het geheele leger hen bewonderd,
toen zij, te negen uren, onder trompetgeschal en 't spelen der
muziekkorpsen van Veillons au salut de l'Empire, in dichte colonnes,
met een hunner batterijen in de flank en een andere in hun centrum,
aanrukten, en zich in twee gelederen op den weg tusschen Genappe en
Frischemont schaarden en plaats namen in de tweede slaglinie, zoo
schrander door Napoleon samengesteld, daar ze aan haar linkereinde
de kurassiers van Kellerman en aan haar rechtereinde de kurassiers
van Milhaud, om zoo te spreken, als twee ijzeren vleugels had.
De adjudant Bernard bracht hun 's keizers bevel. Ney trok den degen
en stelde zich aan de spits. De ontzaggelijke escadrons geraakten
in beweging.
Nu zag men een grootsch schouwspel.
Deze gansche cavalerie daalde, met opgeheven sabels, vliegende vaandels
en schallende trompetten, in colonnes van een divisie, gelijktijdig
en als één man, met de juistheid van een ijzeren stormram die een bres
maakt, van de hoogte van Belle-Alliance, drong in de geduchte diepte,
waar reeds zoo velen gevallen waren, verdween er in den kruitdamp,
en weder uit die duisternis komende, verscheen zij opnieuw aan de
andere zijde van het dal, steeds dicht inééngedrongen, en rende in
vollen draf, te midden der schrootwolken, die boven haar losbarstten,
tegen de vreeselijke slijkerige helling van den top van Mont-Saint-Jean
op. Ernstig, dreigend, onwrikbaar stegen zij; in de tusschenpoozen van
het geweer- en kanonvuur hoorde men het geweldig hoefgetrappel. Daar
er twee divisiën waren, vormden zij twee colonnes; de divisie Wathier
ter rechter-, de divisie Delord ter linkerzijde. In de verte zou men
gemeend hebben, twee reusachtige ijzeren slangen te zien, die zich
naar den top der hoogte kronkelden. Zij trokken als een wonder midden
door den slag.
Niets dergelijks was gezien sedert de inneming der groote redoute aan
de Moskowa door de zware cavalerie; Murat ontbrak er, maar Ney bevond
er zich weder. Het scheen, dat deze massa een monster ware geworden en
slechts één ziel had. Ieder escadron golfde en verhief zich als de ring
van een polyp. Men zag hen door de reten van een dichten rooksluier. 't
Was een baaierd van helmen, kreten, sabels, woeste paardensprongen,
kanongebulder en trompetgeschal, een geregelde, vreeselijke verwarring,
en daarboven de kurassen als de schubben op de hydra.
Deze verhalen schijnen tot een anderen tijd te behooren. Iets,
dat hieraan gelijkt, komt in de oude heldendichten voor, die
van manpaarden, de oude centauren gewagen, van deze titans met
menschengelaat en paardenborst, die in galop den Olympus beklommen;
vreeselijk, onkwetsbaar, verheven, goden en dieren tegelijk!
Grillige overeenkomst van getallen: zes-en-twintig bataljons wachtten
deze zes-en-twintig escadrons af. Achter den top der hoogte, in
de schaduw der bedekte batterij, wachtte de Engelsche infanterie,
bestaande uit dertien carré's, ieder carré van twee bataljons,
en in twee liniën, de eerste van zes, de tweede van zeven carré's,
met aangelegde geweren op 't geen komen zou, rustig, zwijgend en
bewegingloos. Zij zag de kurassiers niet, de kurassiers konden
haar niet zien. Zij hoorde 't gedreun van opstijgende menschen. Zij
hoorde den nog sterker donder van drie duizend paarden, den dravenden
hoefslag, het ritselen der kurassen, het kletteren der sabels en
iets als een woeste windvlaag. Een vreeselijke stilte ontstond, toen
verscheen eensklaps een lange reeks opgeheven armen met zwaaiende
sabels op de heuvelvlakte, en helmen, en trompetten en standaarden,
en drie duizend hoofden met grijze knevels, uitroepende: leve de
keizer! Al deze cavalerie bereikte de hoogte. 't Was als 't begin
van een aardbeving.
Maar eensklaps, o ramp! aan de linkerzijde der Engelschen, aan onze
rechterzijde, begon de voorste rij der colonne kurassiers onder
vreeselijk getier te steigeren. Op het hoogste punt der kruin
bespeurden de kurassiers, die van teugellooze woede brandden, om
zich in de carré's en op de kanonnen te storten, tusschen zich en de
Engelschen een groeve, een diepte. 't Was de holle weg van Ohain!
't Was een ontzettend oogenblik. De afgrond lag dáár twee vademen diep,
tusschen zijn weerzijdsche glooiing, stijf voor de hoeven der paarden;
het tweede gelid drong het eerste er in, en het derde het tweede;
de paarden steigerden, wierpen zich achteruit, vielen op den rug met
de vier pooten in de lucht, verpletterden en wierpen hun ruiters af;
't was onmogelijk terug te gaan; de geheele colonne was slechts één
werptuig, en de ingespannen kracht om de Engelschen te verpletteren,
verplette de Franschen; de ontzettende laagte kon eerst overgetrokken
worden toen ze gevuld was; ruiters en paarden stortten er hals over
kop in, vermorzelden elkander en vormden in dezen kolk slechts één
vleeschklomp; toen deze kuil vol levende menschen was, vertrad men ze,
en de rest ging er over. Schier een derde der brigade Dubois stortte
in dien afgrond.
Hier begon het verlies van den veldslag.
Een plaatselijke overlevering, die blijkbaar overdrijft, zegt, dat
twee duizend paarden en vijftienhonderd menschen in den hollen weg
van Ohain begraven werden. Onder dit cijfer zijn waarschijnlijk al
de andere lijken begrepen, welke den dag na het gevecht in den poel
geworpen werden.
Vóór dat Napoleon deze charge der kurassiers van Milhaud beval, had hij
het terrein opgenomen, maar den hollen weg niet kunnen zien, die op
het plateau van den heuvel zelfs geen streep vertoonde. Evenwel door
de kleine witte kapel, op den hoek van den weg van Nivelles oplettend
gemaakt, had hij den gids Lacoste omtrent eene mogelijke hindernis,
die hier zou kunnen bestaan, ondervraagd. De gids had ontkennend
geantwoord. Men zou dus bijna kunnen zeggen, dat dit hoofdschudden
van een boer het ongeluk van Napoleon veroorzaakt heeft.
Nog andere noodlottige omstandigheden moesten zich hierbij voegen.
Was het mogelijk, dat Napoleon dezen slag won? Wij antwoorden:
neen! Waarom? Uithoofde van Wellington? Uithoofde van
Blücher? neen. Uithoofde van God.
Dat Bonaparte te Waterloo overwinnaar zou zijn, lag niet meer in
de wet der negentiende eeuw. Er bereidde zich een andere reeks van
gebeurtenissen voor, waarin voor Napoleon geen plaats was. De kwade
wil der gebeurtenissen had zich reeds sinds lang geopenbaard.
't Was tijd dat deze sterke man viel.
Het overmatig gewicht van dezen man op het menschelijk lot,
verstoorde het evenwicht. Dit enkel individu woog meer dan de geheele
massa. Wanneer de geheele menschelijke levenskracht zich in een enkel
hoofd samentrok, wanneer de wereld aan het genie van één mensch
overgelaten was, zou het doodelijk voor de beschaving zijn, zoo
zulks lang duurde. Het oogenblik was gekomen, dat de onverzettelijke
hoogste rechtvaardigheid tusschenbeide kwam. 't Is mogelijk, dat
de beginselen en oorzaken, die op regelmatige wijze het evenwicht
in de zedelijke, zoowel als in de stoffelijke wereld teweegbrengen,
zich beklaagden. Het rookend bloed, stapels van lijken, schreiende
moeders zijn vreeselijke beschuldigers. Wanneer de aarde aan eenig
overwicht lijdt, is er een geheimzinnig gerucht in de duisternis,
dat door den afgrond gehoord wordt.
Napoleon was bij het oneindige aangeklaagd, en zijn val was besloten.
Hij hinderde God.
Waterloo is geen veldslag; 't is een omkeering van 't gelaat der
wereld.
TIENDE HOOFDSTUK.
HET BERGVLAK VAN MONT-SAINT-JEAN.
Ter zelfder tijde als de holle weg had ook de batterij zich vertoond.
Zestig kanonnen en de dertien carré's verpletterden de kurassiers om
zoo te spreken uit de dichtste nabijheid. De onverschrokken generaal
Delord maakte voor de Engelsche batterij den militairen groet.
De gansche vliegende artillerie der Engelschen had zich in galop
in de carré's begeven. De kurrassiers hadden zelfs den tijd niet,
een oogenblik in den adem te schieten. De ramp in den hollen weg
had hen gedecimeerd, maar niet ontmoedigd. 't Waren mannen die, bij
vermindering van getal, in moed toenamen. Alleen de colonne Wathier
had door de ramp geleden; de colonne Delord, welke Ney links had doen
zwenken, alsof hij een hinderlaag vermoedde, was ongedeerd aangekomen.
De kurassiers wierpen zich op de Engelsche carré's. Spoorslags, met
lossen teugel, de sabel tusschen de tanden, de pistolen in de vuist
vielen zij aan.
In de veldslagen zijn oogenblikken, die de ziel des menschen zoodanig
verharden, dat zij in den soldaat slechts een beeld en in het vleesch
slechts steen ziet. De Engelsche bataljons, schoon op zulk een woedende
wijze aangevallen, hielden onbewegelijk stand.
't Was een vreeselijk moment.
Alle fronten der Engelsche carré's werden tegelijkertijd
aangevallen. Een woest geweld woedde tegen hen. De koele infanterie
bleef pal en onverwrikt. Het eerste gelid ontving met gebogen knie de
kurassiers op de bajonetten, het tweede gelid schoot op hen; achter
het tweede gelid laadden de kanonniers hun stukken; het front van
het carré opende zich, liet een uitbarsting van schroot door en sloot
zich weder. De kurassiers beantwoordden dit door zich op de carré's
te werpen. De zware paarden steigerden, braken door de gelederen,
sprongen over de bajonetten en vielen als gevaarten in 't midden dier
vier levende muren. De kogels maakten openingen in de kurassiers, de
kurassiers maakten bressen in de carré's. Geheele rijen menschen werden
vermorzeld onder de paarden. De bajonetten doorboorden de buiken dezer
centauren. Hierdoor ontstonden de afzichtelijkste wonden, welke men
misschien nimmer elders gezien heeft. De door deze verwoede cavalerie
verminkte carré's, trokken zich samen, zonder te wankelen. Hun schroot
was onuitputtelijk en woedde onder de aanvallers. Het gezicht van
dat gevecht was gruwelijk. De carré's waren geen bataljons meer,
't waren kraters; de kurassiers waren geen cavalerie meer, 't was
een orkaan. Ieder carré was een vulkaan, door een wolk bestormd;
de lava streed tegen den bliksem.
De uiterste rechtercarré die het meest van alle was blootgesteld, werd
bij den eersten schok schier geheel vernield. Het bestond uit het 75e
regiment hooglanders. De doedelzakspeler, in 't midden van het carré
op een trom gezeten, in diepe onoplettendheid, zijn droefgeestige
oogen neergeslagen, die vol van de herinnering aan zijn wouden en
meren waren, speelde met de pibroch onder den arm de liederen van
zijn bergen, terwijl men rondom hem elkander vernielde. Deze Schotten
stierven, terwijl ze aan Ben Lothian dachten, evenals de Grieken met
de gedachte aan Argos stierven. De pallas van een kurassier hieuw den
arm af die den pibroch vasthield, en deed de muziek zwijgen door den
muzikant te dooden.
De kurassiers, die betrekkelijk weinig talrijk waren, zijnde door
de ramp in den hollen weg zeer verminderd, hadden hier schier het
geheele Engelsche leger tegen zich; zij vermenigvuldigden zich echter
daar ieder man voor tien gold. Intusschen weken eenige Hanoveraansche
bataljons. Wellington zag dit en dacht aan zijn cavalerie. Zoo Napoleon
in ditzelfde oogenblik aan zijn infanterie had gedacht, zou hij den
slag gewonnen hebben. Dit verzuim was zijn groote, noodlottige misslag.
Eensklaps voelden de aanvallende kurassiers zich aangevallen. De
Engelsche cavalerie was hun in den rug. Vóór hen stonden de carré's,
achter hen Somerset; Somerset, dat wil zeggen de veertienhonderd
dragonders der garde. Somerset had aan zijn rechterzijde Dornberg
met de Duitsche lichte ruiterij en aan zijn linkerzijde Trip met de
Belgische karabiniers; de kurassiers, in den flank en in het front
van voren en van achteren aangevallen door de infanterie en cavalerie,
moesten aan alle zijden het hoofd bieden. Wat kon 't hun schelen--zij
waren een wervelwind. De dapperheid was onbeschrijfelijk.
Buitendien hadden zij achter zich de immer donderende batterij. Alleen
op deze wijze was 't mogelijk, dat deze mannen in den rug gekwetst
werden. Een hunner kurassen, bij 't linker schouderblad door een kogel
doorboord, bevindt zich bij de verzameling in 't museum van Waterloo.
Voor zulke Franschen werden niets minder dan zulke Engelschen
vereischt.
't Was geen gevecht meer, 't was een schaduw, een razernij,
een duizelende dwarreling van zielen en moed, een orkaan
van bliksemende zwaarden. In een oogenblik waren van de
veertienhonderd garde-dragonders slechts achthonderd over; Fuller,
hun luitenant-kononel, sneuvelde. Ney ijlde met de lanciers en de
jagers van Lefèbvre Desnouettes toe. De vlakte van Mont-Saint-Jean
werd genomen, hernomen, en weder genomen. De kurassiers verlieten de
cavalerie, om naar de infanterie terug te keeren, of liever, deze
gansche ontzaglijke massa's grepen en hielden elkander zonder dat
de een den ander losliet. De carré's stonden immer pal. Zij werden
twaalf keeren bestormd. Vier paarden werden onder Ney gedood. De
helft der kurassiers bleef op de vlakte. Deze strijd duurde twee uren.
Het Engelsche leger was er geweldig door geschokt. Er is geen twijfel,
of de kurassiers, zoo zij niet bij den eersten aanval door de ramp in
den hollen weg verzwakt waren geworden, zouden het centrum over hoop
geworpen en de overwinning beslist hebben. Deze buitengewone cavalerie
verstomde Clinton, die Talavera en Badajoz had gezien. Wellington,
die voor drie vierde gedeelte overwonnen was, bewonderde als een held,
en zeide halfluid: splendid! (prachtig).
De kurassiers vernietigden zeven carré's van de dertien, namen
of vernagelden zestig kanonstukken, en veroverden op de Engelsche
regimenten zes vaandels, welke drie kurassiers en drie jagers der
garde den keizer bij de hoeve van la Belle Alliance brachten.
Wellingtons toestand was verergerd. Deze buitengewone veldslag was als
een tweegevecht tusschen twee verwoede gekwetsten, die wederzijds,
steeds strijdend en weerstand biedend, al hun bloed verliezen. Wie
van beiden zal het eerst vallen?
De worsteling op het bergplat werd voortgezet.
Tot hoe ver de kurassiers zijn geweest, weet niemand te zeggen. Zeker
is het, dat den dag na het gevecht een kurassier en zijn paard,
beiden dood, tusschen het houtwerk der weegbrug voor de voertuigen
te Mont-Saint-Jean werden gevonden, dat is ter plaatse waar de
vier straatwegen van Nivelles, Genappe, la Hulpe en Brussel elkander
kruisen. Deze ruiter was door de Engelsche gelederen heen gebroken. Een
der mannen, die dit lijk wegvoerden, woont nog te Mont-Saint-Jean. Hij
heet Dehaze, en was destijds achttien jaar oud.
Wellington voelde zich wankelen. De krisis was nabij.
De kurassiers waren niet geslaagd, in zooverre 't hun niet gelukt was
het centrum te breken. Nu beide partijen het bergvlak bezet hadden,
was niemand er uitsluitend meester van, terwijl het grootste gedeelte
in allen geval in 't bezit der Engelschen was gebleven. Wellington
had het dorp en het hoogste deel der vlakte; Ney had slechts den top
en de glooiing. Van weerszijden scheen men in dien noodlottigen bodem
vastgeworteld te zijn.
De verzwakking der Engelschen scheen echter onherstelbaar. Het
verlies van dat leger was ontzettend. Aan den linkervleugel vroeg
Kempt versterking.--"Ik heb ze niet," antwoordde Wellington; "dat
hij bezwijke!"--Schier in dezelfde minuut vroeg Ney--een zonderlinge
samenloop, die de uitputting der beide legers schetst--infanterie
aan Napoleon, en Napoleon riep: "Infanterie! Van waar zou ik ze
halen? Meent hij dat ik ze kan maken?"
Het Engelsche leger had evenwel het meest geleden. De verwoede
aanvallen dezer geweldige escadrons met ijzeren kurassen en stalen
harnassen hadden de infanterie vermorzeld. Eenige mannen om een
vaandel duidden de plaats van een regiment aan; sommige bataljons
werden nog slechts door een kapitein of luitenant gecommandeerd;
de divisie-Alten, die reeds bij la Haie-Sainte zoo geducht geleden
had, was schier geheel vernietigd; de moedige Belgen der brigade Van
Kluze lagen in het koren langs den weg van Nivelles gezaaid; er was
schier niets over van de Hollandsche grenadiers, die in 1811 in onze
gelederen Wellington in Spanje bevochten, en in 1815 weder met de
Engelschen vereenigd Napoleon bestreden. Het verlies aan officieren
was aanzienlijk. Lord Uxbridge, die den volgenden dag zijn been
liet begraven, had de knie verbrijzeld. Waren in dezen strijd der
kurassiers aan de zijde der Franschen Delord, l'Héritier, Colbert,
Dnop, Travers en Blancard buiten gevecht gesteld, aan de zijde der
Engelschen waren Alten en Barne gekwetst, Delancey, Van Meeren,
Ompteda gesneuveld, de staf van Wellington gedecimeerd, en Engeland
had het slechtste deel in deze bloedige schaal. Het 2e regiment der
garde te voet had vijf luitenant-kolonels, vier kapiteins en drie
vaandrigs verloren; het eerste bataljon van het 30e regiment infanterie
had vier-en-twintig officieren en honderd twaalf soldaten verloren,
van het 79e Bergschotten waren vier-en-twintig officieren gekwetst,
achttien officieren en vierhonderd vijftig soldaten gesneuveld. Het
geheel Hanoversche huzarenregiment van Cumberland, met zijn kolonel
Hacke aan 't hoofd, had vóór het gevecht den teugel gewend en
vluchtte door het bosch van Soignes, het bericht der nederlaag tot
Brussel verspreidende. De kolonel werd later gevonnist en afgezet. De
artillerietrein, de voortreinen, de bagagewagens, de ziekenwagens vol
gekwetsten namen, toen zij de Franschen zagen veld winnen en het bosch
naderen, daarin de vlucht. Van Vert-Coucou tot Groenendaal, langs
een uitgestrektheid van bijna twee uren in de richting van Brussel,
was er een ongelooflijk gedrang van vluchtelingen, zooals nog levende
getuigen heugt. De schrik was zoo groot, dat hij den prins van Condé
te Mechelen en Lodewijk XVIII te Gend bereikte. Uitgezonderd de zwakke
reserve, die achter de ambulance, in de hoeve van Mont-Saint-Jean,
was geëchelonneerd, en de brigaden Vivian en Vandeleur, die aan den
linkervleugel stonden, had Wellington geen cavalerie meer. Een
aantal batterijen waren gedemonteerd. Deze feiten zijn door
Siborne erkend; en Pringle, die de ramp overdrijft, zegt zelfs,
dat het Engelsch-Hollandsch leger tot vier-en-dertig duizend man
was ingekrompen. De "ijzeren hertog" bleef kalm, maar zijn lippen
waren verbleekt. De Oostenrijksche commissaris Vincent, de Spaansche
commissaris Alava, die bij den Engelschen staf den veldslag bijwoonden,
hielden den hertog voor verloren. Te vijf uren zag Wellington op zijn
horloge, en men hoorde hem deze sombere woorden mompelen: "Blücher,
of de nacht!"
't Was omstreeks dit oogenblik, dat een verwijderde lijn van bajonetten
op de hoogten, in de richting van Frischemont schitterde.
Hier begint het keerpunt van dit reusachtige drama.
ELFDE HOOFDSTUK.
EEN SLECHTE GIDS VOOR NAPOLEON, EEN GOEDE GIDS VOOR BULOW.
Men kent de grievende teleurstelling van Napoleon; hij verwachtte
Grouchy, en Blücher kwam; de dood in plaats van het leven.
Het lot heeft zulke wendingen; men verwacht de wereldheerschappij,
en vindt Sint-Helena. Indien de kleine herder, die Bulow, den
onderbevelhebber van Blücher, tot gids diende, hem had geraden
het bosch uit te trekken boven Frischemont in plaats van beneden
Plancenoit, de negentiende eeuw zou wellicht een geheel ander voorkomen
hebben, Napoleon had dan den slag van Waterloo gewonnen. Immers langs
iederen anderen weg dan dien beneden Plancenoit, zou het Pruisische
leger aan een laagte zijn gekomen, die voor de artillerie onbruikbaar
was, en Bulow zou niet zijn aangekomen. En langer dan een uur, de
Pruisische generaal Muffling verklaart dit, zou Wellington zich niet
meer hebben kunnen staande houden; "de slag ware verloren geweest."
Men ziet, 't was hoog tijd dat Bulow kwam. Hij had trouwens veel
oponthoud gehad. Met het krieken van den dag had hij Dion-le-Mont
verlaten, waar hij gebivouakkeerd had. Maar de wegen waren onbruikbaar
en zijn divisiën bleven in de modder steken. De kanonnen zonken er
tot aan de assen in. Bovendien had men de Dyle over de smalle brug
van Wavre moeten passeeren; de straat die naar de brug voerde was door
de Franschen in brand gestoken; de kruitwagens en de artillerietrein
konden niet tusschen twee rijen brandende huizen gaan en moesten
wachten tot de brand gebluscht was. Het was middag eer de voorhoede
van Bulow Chapelle-Saint-Lambert had kunnen bereiken.
Zoo het gevecht twee uren eerder was begonnen, was het te vier uren
geëindigd geweest, en Blücher zou in den door Napoleon gewonnen slag
zijn gevallen. Zoo onmetelijk zijn de toevalligheden, in betrekking
tot het oneindige, dat ons begrip te boven gaat.
Tegen den middag had de Keizer voor het eerst met zijn kijker iets
aan den verren horizont bespeurd, dat zijn aandacht trok. Hij had
gezegd:--Ik zie ginds een wolk, die mij troepen toeschijnt. Daarop
had hij aan den hertog van Dalmatie gevraagd: Soult, wat ziet gij
naar den kant van Chapelle-Saint-Lambert?--De maarschalk, na zijn
kijker te hebben gericht, had geantwoord:--Vier of vijf duizend man,
Sire. Zeker Grouchy.--Maar in den nevel bleef alles onduidelijk. Al de
kijkers van den generalen staf hadden de door den Keizer aangewezen
"wolk" bestudeerd. Sommigen hadden gezegd: 't Zijn colonnes, die
halt houden. De meesten hadden gezegd: 't Zijn boomen, 't Was waar,
dat de wolk zich niet bewoog. De Keizer had ter verkenning van dat
duistere punt de divisie lichte cavalerie van Domon afgezonden.
Inderdaad, Bulow had zich niet bewogen. Zijn voorhoede was zeer zwak
en kon niets uitrichten. Hij moest het hoofdleger wachten en had
bevel zich te vereenigen vóór in slagorde op te rukken; doch toen,
te vijf uren Blücher het gevaar van Wellington zag, gaf hij Bulow
bevel aan te vallen en sprak dit merkwaardig woord: "Wij moeten het
Engelsche leger lucht geven."
Weldra ontwikkelden zich de divisiën Losthin, Hiller, Hacke en Ryssel
tegenover het corps van Lobau, de cavalerie van prins Willem van
Pruisen rukte uit het bosch van Parijs; Plancenoit stond in vlammen
en de Pruisische kogels begonnen tot in de gelederen der garde te
regenen, die achter Napoleon in reserve stond.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
DE GARDE.
Men kent het overige, de vernielende aanval van een derde leger, de
veldslag verplaatst, zes en tachtig eensklaps donderende vuurmonden,
Pirch I met Bulow verschenen, de cavalerie van Zieten door Blücher
in persoon aangevoerd, de Franschen achteruitgedrongen, Marcognet
van de hoogte van Ohain gedreven, Durutte uit Papelotte verjaagd,
Lobau in den flank gegrepen, een nieuwe veldslag, waardoor bij
het aanbreken van den nacht onze verzwakte en uitgeputte regimenten
overvallen werden, de geheele Engelsche linie haar aanvallende houding
hernemende en vooruit gedrongen, de reusachtige opening in het Fransche
leger gemaakt, het Engelsche en Pruisische schroot elkander helpende,
verdelging in het front, onheil in den flank, de garde, die zich bij
deze vreeselijke verwoesting in slagorde schaart.
Dewijl zij gevoelde, dat zij moest sterven, riep zij: leve de
Keizer! De geschiedenis heeft niets treffender aan te wijzen dan
dezen in gejuich uitbarstenden doodssnik.
De lucht was den geheelen dag bewolkt geweest. Eensklaps, en op
ditzelfde oogenblik, 't was acht uren 's avonds, scheidden zich de
wolken aan den gezichteinder en het donker somber rood der ondergaande
zon scheen door de olmen van den weg van Nivelles. Te Austerlitz had
men haar zien opgaan.
Ieder bataljon der garde werd, bij deze laatste worsteling, door een
generaal gecommandeerd. Daar waren Friant, Michel, Roguet, Harlet,
Mallet, Poret de Morvan. Toen de hooge berenmutsen van de garde met
de adelaarsplaat, in stipte orde, in gelederen geschaard, bedaard in
den nevel van het gevecht verschenen, gevoelde de vijand eerbied voor
Frankrijk; men waande twintig overwinningen met uitgespreide vleugelen
het slagveld te zien betreden, en zij, die verwinnaars waren, achtten
zich verwonnen en deinsden achteruit; maar Wellington riep: "Staat,
garden, en mikt juist!" Het roode regiment der Engelsche garde,
dat achter de hagen lag, richtte zich op, een hageljacht van kogels
doorschoot het driekleurig vaandel, dat om onze arenden fladderde;
allen drongen voorwaarts, en het laatste bloedbad begon. De keizerlijke
garde voelde in de schaduw, dat het leger 't welk haar omgaf, week en
het uitgestrekte gedreun van den aftocht; zij hoorde het "vlucht! redt
u!" dat het "leve de Keizer!" vervangen had; en met de vlucht achter
zich, ging zij steeds voorwaarts, meer en meer vermorzeld en bij elke
schrede die zij deed meer stervende. Er waren geen weifelenden noch
versaagden. De soldaat van dezen troep was evenzeer een held als de
generaal. Geen man onttrok zich aan dezen verheven zelfmoord.
Ney, wanhopig, groot in al de verhevenheid van zijn wijding aan den
dood, stelde zich aan al de slagen van dien storm bloot. Zijn vijfde
paard werd onder hem gedood. Met zweet bedekt, met vlammende oogen,
met schuim op de lippen, met losgeknoopte uniform, een epaulet half
door de sabel van een horseguard doorgehouwen, zijn ordester van
den adelaar door een kogel geschonden, bloedig, beslijkt, heerlijk,
met den stomp van een degen in de hand, riep hij: "Ziet hoe een
maarschalk van Frankrijk op het slagveld sneuvelt!" Maar te vergeefs;
hij sneuvelde niet. Hij was wild en verontwaardigd. Hij beet Drouet
d'Erlon de vraag toe: "Zijt gij bang u te laten dooden?" Te midden van
al dat geschut, 't welk een handvol menschen verpletterde, riep hij:
"Is er dan niets voor mij! O, hoe wenschte ik, dat al die Engelsche
kogels mij doorboorden!" Ongelukkige, gij werdt behouden, om door
Fransche kogels te sterven!
DERTIENDE HOOFDSTUK.
DE CATASTROPHE.
De vlucht en de verwarring achter de garde was vreeselijk.
Het leger trok zich eensklaps van alle zijden terug van Hougomont, van
la Haie-Sainte, van Papelotte, van Plancenoit. De kreet: Verraad! werd
gevolgd door den kreet: Vlucht! redt u! Een zich oplossend leger
gelijkt aan een ijsgang. Alles buigt, berst, kraakt, drijft, zinkt,
stoot en verdringt zich. 't Is een reusachtige ontbinding. Ney leent
een paard, springt er op en plaatst zich, zonder hoed, zonder das,
zonder degen, dwars op den weg naar Brussel, Engelschen en Franschen
evenzeer tegenhoudende. Hij tracht het leger tot staan te brengen, hij
roept, scheldt, houdt de vluchtenden vast. Alles stormt hem voorbij. De
soldaten ontwijken hem, roepende: "leve de maarschalk Ney!" Twee
regimenten van Durutte ijlen verschrikt heen en weder, teruggejaagd
door de sabel der uhlanen en het geweervuur der brigades van Kempt,
van Best, van Pack en van Ryland; de ergste worsteling is de vlucht;
vrienden dooden elkander om te vlieden; escadrons en bataljons storten
tegen een en spatten wijd en zijd uit elkander, als schuim van den
veldslag. Lobau wordt aan het eene, Reille aan het andere eind door
den stroom medegesleept. Te vergeefs maakt Napoleon muren van hetgeen
hem van de garde overblijft, te vergeefs verspilt hij de escadrons
onder zijn bevel tot een laatste inspanning. Quiot wijkt voor Vivian,
Kellerman voor Vandeleur, Lobau voor Bulow, Morand voor Pirch, Domon
en Subervic voor prins Willem van Pruisen. Guyot, die de escadrons
des Keizers tot den aanval heeft gevoerd, valt onder de paarden
der Engelsche dragonders. Napoleon galoppeert langs de vluchtenden,
spreekt hun toe, spoort hen aan, dreigt, smeekt. Maar al de monden,
die des morgens, "Leve de Keizer" riepen, gapen hem aan; nauwelijks
kent men hem. De versch aangekomen Pruisische cavalerie stormt toe,
vliegt, sabelt, houwt, doodt, verdelgt. De voorspannen steigeren, de
kanonnen wijken, de treinsoldaten spannen de paarden van de kruitwagens
om er op te vluchten, omgeworpen legerwagens met de vier wielen in
de lucht versperren den weg en geven gelegenheid ter slachting. Men
verplettert, vertreedt, gaat over dooden en levenden. De armen zijn
als verlamd. Een ontzinde menigte vult de wegen, de paden, de bruggen,
de dalen, de heuvelen, de valleien, de bosschen, waar deze veertig
duizend menschen elkander verdringen en belemmeren. Geschreeuw,
wanhoop; ransels en geweren in 't koren geworpen; met den degen
zich een doortocht gebaand; geen krijgsmakkers, geen officieren,
geen generaals meer; een onbeschrijfelijke ontzetting. Zieten op zijn
gemak Frankrijk neersabelende. Leeuwen in herten herschapen. Zoodanig
was deze vlucht.
Te Genappe beproefde men te keeren, front te maken, zich te
verzamelen. Lobau vereenigde driehonderd man. Men barricadeerde
den ingang van het dorp; maar bij het eerste schot van het Pruisisch
schroot vluchtte alles weder, en Lobau werd krijgsgevangen gemaakt. Men
ziet nog heden de indruksels van dat eerste schot aan den gevel van een
oud vervallen baksteenen huis, ter rechterzijde van den weg, eenige
minuten vóór men Genappe binnenkomt. De Pruisen stormden in Genappe,
woedend gewis, zoo gemakkelijk overwonnen te hebben. De vervolging
was gruwelijk. Blücher beval alles neder te houwen. Roguet had het
afgrijselijk voorbeeld gegeven door ieder Fransch grenadier met den
dood te bedreigen die hem een Pruisisch krijgsgevangen bracht. Blücher
overtrof Roguet. De generaal der jonge garde, Duhesme, die tegen
de deur van een herberg te Genappe stond, gaf zijn degen aan een
zwarten huzaar, die den degen nam en zijn gevangene doodde. De
overwinning werd door de vermoording der verwonnenen voltooid. Laten
wij straffen, wijl wij de geschiedenis zijn: de oude Blücher bevlekte
zijn eer. Deze wreedheid bracht de ramp tot het uiterste. De wanhopige
vlucht ging door Genappe, door Quatre-Bras, door Sombreffe, door
Frasnes, door Thuin, door Charleroi, en kwam eerst aan de grenzen
tot staan. Helaas! en wie was 't, die zoo vluchtte? het groote leger.
Is deze verbijstering, deze schrik, deze instorting van de
grootste dapperheid die ooit de geschiedenis verbaasd heeft, zonder
oorzaak? Neen. De schaduw eener machtige hand ligt op Waterloo. 't Is
de dag van het noodlot. Eene bovenmenschelijke macht heeft dien dag
bereid. Vandaar de schrik op aller gelaat; vandaar dat zooveel groote
harten hun degens overgaven. Zij, die Europa overwonnen hadden, zonken
verpletterd neder, hadden niets meer te zeggen of te doen, en gevoelden
in de schaduw iets vreeselijks tegenwoordig. Hoc erat in fatis. Die dag
veranderde het uitzicht van het menschelijk geslacht. Waterloo is het
keerpunt der negentiende eeuw. De verdwijning van den grooten man was
noodzakelijk voor de verschijning der groote eeuw. Een oppermachtig
wezen heeft zich hiermede belast. De paniek der helden is hierdoor
verklaarbaar. In den slag van Waterloo vertoont zich meer dan een wolk,
er vertoont zich een hemelverschijnsel. God is daar geweest.
In 't vallen van den avond vatten Bernard en Bertrand op een veld bij
Genappe een somber peinzend man bij zijn overjas, die door den stroom
der vlucht medegesleept, van zijn paard was gestegen, den teugel in
zijn arm had genomen en met verwilderden blik alleen naar Waterloo
terugging. 't Was Napoleon, die nog beproefde voorwaarts te gaan--de
groote slaapwandelaar van dien verstoorden droom!
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
HET LAATSTE CARRÉ.
Eenige carré's der garde, onbewegelijk in de woelige vlucht als rotsen
in het bruisend water, hielden stand tot den nacht. De nacht kwam,
en met hem de dood; zij verwachtten die dubbele duisternis en lieten
zich er onverschrokken door omvangen. Ieder regiment, van de andere
gescheiden en niet meer aan 't leger verbonden, dat aan alle zijden
gebroken was, sneefde voor eigen rekening. Zij hadden voor deze
laatste heldendaad post gevat, eenige op de hoogten van Rossomme,
andere op de vlakte van Mont-Saint-Jean. Daar, verlaten, overwonnen,
hadden deze sombere carré's nog een vreeselijken doodsstrijd. Ulm,
Wagram, Jena, Friedland stierven in hen.
In de schemering, tegen negen uur 's avonds, bleef er op de vlakte
van Mont-Saint-Jean slechts één over. In deze heillooze vallei, aan
den voet dezer door de kurassiers bestegen helling, die thans door
Engelsche drommen was overstroomd, had dit carré het kruisvuur
der overwinnende vijandelijke artillerie, een vreeselijken,
dichten schroot- en kogelregen uit te staan. Het werd door een
weinig bekend officier, met name Cambronne, gecommandeerd. Bij elke
losbranding verminderde het carré en schoot terug. Het beantwoordde
het schrootvuur met geweervuur, terwijl het zijn vier muren steeds
dichter bijeentrok. In de verte bleven de vluchtenden, buiten adem,
even staan, om in de duisternis naar dit somber, steeds zwakker
wordend geknetter te hooren.
Toen dit legioen slechts een handvol meer was, toen hun vaandel was
weggeschoten, toen hun kogels verschoten en hun geweren slechts
knuppels meer waren, en de hoop lijken grooter was dan de groep
levenden, ontstond bij de overwinnaars die deze verhevene stervenden
omgaven een soort van heilige ontzetting, en de Engelsche artillerie
verpoosde en zweeg. 't Was een soort van rust. Deze strijders waren
omgeven door een gewemel van spookgedaanten, schimmen van mannen te
paard, donkere omtrekken van kanonnen, door wier wielen en affuiten
men den helderen hemel zag; het reusachtig doodshoofd, 't welk de
helden altijd door den kruitdamp op den achtergrond van den slag
zien, naderde en staarde hen aan. Zij konden in de schemering hooren,
dat men de stukken laadde; de brandende lonten, die als tijgeroogen
in den nacht glinsterden, vormden een kring om hun hoofden; al de
lontstokken der Engelsche batterijen naderden de kanonnen; toen riep
een Engelsch generaal--volgens sommigen Colville, volgens anderen
Maitland--in dit uiterste oogenblik, aangedaan: Dappere Franschen,
geeft u over!--Cambronne antwoordde: Merde!
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
CAMBRONNE.
Voor den overdreven kieschkeurigen Franschen lezer mag het schoonste
woord, 't welk een Franschman wellicht ooit gesproken heeft, niet
herhaald worden. 't Is verboden het verhevene in de geschiedenis
te vermelden.
Voor onze rekening en gevaar overtreden wij dit verbod.
Er was dus onder deze reuzen een titan, Cambronne.
Zulk een woord te zeggen en dan te sterven, wat is er grootscher! want
te willen sterven is sterven, en 't is de schuld van dezen man niet,
dat hij het schrootvuur overleefd heeft.
De man die den slag bij Waterloo heeft gewonnen is niet de vluchtende
Napoleon; 't is niet Wellington, die te vier uren terugtrekt, te
vijf uren wanhopend is; 't is niet Blücher, die niet gestreden heeft;
de man die den slag bij Waterloo heeft gewonnen is Cambronne.
Door zulk een woord den donder neer te slaan die u doodt, dit is
overwinnen.
Dit den rampspoed te antwoorden, dit aan het noodlot te zeggen, dit
voetstuk aan den toekomstigen leeuw te geven, dit antwoord toegeworpen
aan den nachtregen, den verraderlijken muur van Hougomont, den hollen
weg van Ohain, de vertraging van Grouchy, de komst van Blücher;
in het graf ironisch te zijn, zoo te handelen dat men zal staande
blijven, na gevallen te zijn, in twee lettergrepen de Europeesche
coalitie te beschimpen, den koningen dit door de Cesars reeds gekende
present aan te bieden, van het laagste woord het verhevenste te
maken, Waterloo met een vastenavond-scherts te besluiten, Leonidas
met Rabelais aan te vullen, deze overwinning in een uiterste woord,
dat niet genoemd mag worden, samen te vatten, terrein te verliezen
en de geschiedenis te behouden, na zulk een bloedbad de lachers aan
zijn zijde te hebben--dit is verheven--ontzaggelijk.
't Is den bliksem hoonen. 't Bereikt de verhevenheid van Eschylus.
Het woord van Cambronne heeft de uitwerking van een breuk: het breekt
de verachting; het breekt den trots. Wie heeft overwonnen? is
't Wellington? Neen. Zonder Blücher was hij verloren. Is 't
Blücher? Neen. Zoo Wellington niet was begonnen, had Blücher niet
kunnen eindigen. Deze Cambronne, die eerst in het laatste uur
verschijnt, deze onbekende soldaat, dit oneindig kleine van den
oorlog, gevoelt dat er een logen in een rampspoed is--dubbel grievend;
en op 't oogenblik dat hij er door in woede is, biedt men hem deze
bespotting--het leven! Waarom zou hij zich inhouden? Zij zijn dáár,
al de koningen van Europa, de gelukkige veldheeren, de donderende
Jupiters; zij hebben honderd duizend zegevierende soldaten; en achter
de honderd duizend een millioen; hun kanonnen gapen, hun lonten
vlammen; zij hebben de keizerlijke garde en de groote armee onder den
voet; zij hebben Napoleon verpletterd, alleen Cambronne blijft over;
niemand is er om te protesteeren dan deze nietige aardworm. Hij
zal protesteeren. En hij zoekt een woord, evenals men een wapen
zoekt. Gal komt bij hem op, en die gal is het woord. Tegenover
deze ontzaggelijke en toch middelmatige zegepraal, tegenover deze
overwinning zonder overwinnaars, richt zich deze wanhopige op; hij
lijdt er het verschrikkelijke, maar betuigt er het nietige van; hij
doet meer dan ze te bespuwen; en onder de bezwijking van getal, kracht
en stof, vindt hij in de ziel een uitdrukking: verwerping. Wij herhalen
't, dit te zeggen, dit te doen, dit te vinden is overwinnaar zijn.
De geest der groote dagen kwam in dien onbekenden man op dit noodlottig
oogenblik. Cambronne vindt het woord voor Waterloo gelijk Rouget de
l'Isle de Marseillaise vindt, door ingeving van boven. Een straal van
den hemelstorm schiet door deze mannen; zij huiveren, en de een zingt
den zwanenzang, de ander spreekt het verheven woord. Dit woord van
reusachtige verachting werpt Cambronne, niet enkel in naam van het
keizerrijk, Europa toe, 't zou weinig zijn; hij werpt het, in naam
der revolutie, het verleden toe. Men hoort hem en herkent in Cambronne
de ziel der oude reuzen. 't Is alsof Danton spreekt, of Kleber brult.
Op het woord van Cambronne antwoordt de Engelsche stem: vuur! de
batterijen vlamden, de heuvel beefde, al deze metalen monden braakten
een laatste vreeselijk vuur; een geweldige rookwolk, flauw door de
opgaande maan beschenen, golfde daarheen, en toen de damp verdween
was er niets meer. Het vreeselijk overschot was vernietigd; de garde
was dood. De vier muren van de levende schans lagen ter aarde; met
moeite onderscheidde men hier en daar een trilling onder de lijken;
alzoo sneefden de Fransche legioenen, grooter dan de Romeinsche,
te Mont-Saint-Jean op de met regen en bloed gedrenkte aarde, in het
donkere koren, ter plaatse waar thans Jozef, de postiljon van Nivelles,
te vier uren des morgens, fluitend en vroolijk zijn paard zweepende,
voorbij rijdt.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
QUOT LIBRAS IN DUCE?
De slag bij Waterloo is een raadsel. Hij is even duister voor hen die
hem gewonnen, als voor hen die hem verloren hebben. Voor Napoleon is
't een paniek [2]; Blücher ziet er niets dan vuur; Wellington begrijpt
er niets van. Zie de rapporten. De berichten zijn onduidelijk, de
verklaringen zijn verward. Dezen stamelen, genen stotteren. Jomini
verdeelt den slag bij Waterloo in vier momenten; Muffling in drie
tooneelen; Charras, schoon hij eenige punten anders opvat dan wij,
heeft alleen met zijn fieren blik de karakteristieke omtrekken van
deze worsteling van 't menschelijk genie met de beschikking des
Hemels begrepen. Al de overige geschiedschrijvers zijn in zekere
verbijstering en zij tasten in deze verbijstering rond. Inderdaad een
bedwelmende gebeurtenis, de instorting der militaire monarchie, die,
tot ontzetting der koningen, alle koninkrijken heeft medegesleept,
de val van het geweld, de nederlaag van den oorlog.
De menschen hebben tot deze gebeurtenis, welke het merk der
bovenmenschelijke noodzakelijkheid draagt, niets toegebracht.
Wellington en Blücher Waterloo te ontnemen, is dit Engeland en
Duitschland iets ontnemen? Neen. Noch het roemrijk Engeland, noch
het doorluchtig Duitschland zijn in het probleem van Waterloo
betrokken. Den hemel zij dank, de volken zijn groot buiten de
sombere toevallen des degens. Noch Duitschland, noch Engeland, noch
Frankrijk worden door een scheede besloten. In dit tijdperk, waarin
Waterloo slechts een wapengekletter is, heeft Duitschland Goethe boven
Blücher, Engeland Byron boven Wellington. Onze eeuw verheft zich op
de ontwikkeling van den geest, en Engeland en Duitschland prijken in
heerlijken glans op dit veld. Zij zijn majestueus, wijl zij denken. De
vooruitgang der beschaving is mede hun werk, deze ontstaat uit hen en
niet door het toeval. De grootheid welke zij in de negentiende eeuw
hebben, heeft Waterloo niet tot oorsprong. Slechts barbaarsche volken
breiden zich plotseling na een overwinning uit. 't Is de vluchtige
zwelling der rivier na een stortvloed. De beschaafde volken, vooral
in den tijd dien wij beleven, stijgen of dalen niet door het geluk of
het ongeluk van een veldheer. Hun soortelijk gewicht in 't menschelijk
geslacht ontstaat uit iets meer dan uit een veldslag. Hun eer, hun
waardigheid, hun verlichting, hun genie zijn, Goddank, geen nummers,
welke de helden en veroveraars, deze hazardspelers, in de loterij
der veldslagen kunnen nemen. Vaak is een verloren veldslag, gewonnen
vooruitgang. Hoe minder roem, hoe meer vrijheid. De trom zwijgt,
de rede neemt het woord. 't Is het spel "die wint verliest." Laat
ons dus van weerszijden met kalmte over Waterloo spreken. Geven wij
het toeval wat het toeval toekomt, en aan God wat God toekomt. Wat
is Waterloo? Een overwinning? Neen. Een lot uit de loterij.
Een lot door Europa gewonnen; door Frankrijk betaald.
't Was nauwelijks der moeite waard, hiervoor een leeuw te
plaatsen. Waterloo is overigens de vreemdste ontmoeting, die in de
geschiedenis voorkomt. Napoleon en Wellington. 't Zijn geen vijanden,
't zijn tegenstrijdigheden. God, die tegenstellingen bemint,
heeft nooit opmerkelijker contrast en buitengewoner samentreffing
geschapen. Aan de eene zijde nauwkeurigheid, bedachtzaamheid,
wiskundige berekening, voorzichtigheid, verzekerde aftocht, bespaarde
reserven, een volhardende koelbloedigheid, een onwrikbare methode,
een krijgskunst die zich het terrein ten nutte maakt, een tactiek die
de bataljons in evenwicht houdt, een bloedbad met de lijn afgemeten,
de oorlog met het horloge in de hand, geregeld, niets aan het toeval
overgelaten, de oude klassieke moed, de volstrekte juistheid; aan
de andere zijde onwillekeurige ingeving en voorgevoel, de militaire
zonderlingheid, het bovenmenschelijk instinct, de vlammende blik,
iets onbekends, dat als de arend nederschiet en als de bliksem treft;
een wonderbaarlijke kunst bij een verachtende onstuimigheid, al de
verborgenheden eener diepe ziel, het verbond met het noodlot; de
stroom, de vlakte, het bosch, de heuvel, opgeroepen en eenigerwijs
gedwongen tot gehoorzaamheid, de despoot, zelfs zoover gaande van
het slagveld te tyranniseeren; het geloof aan een goed gesternte
gepaard aan de krijgswetenschap, haar uitbreidende, maar zonder
regel. Wellington was de Barême van den oorlog, Napoleon de Michel
Angelo, en ditmaal werd het genie door de berekening verwonnen.
Aan beide zijden wachtte men iemand. De nauwkeurige rekenaar
slaagde. Napoleon verwachtte Grouchy; deze kwam niet. Wellington
verwachtte Blücher: deze kwam.
Wellington is de klassieke oorlog, die revanche neemt. Bonaparte
had, bij zijn opkomst, dien oorlog in Italië gevonden en trotsch
geslagen. De oude uil was voor den jongen gier gevlucht. De oude
krijgskunst was niet alleen verpletterd, maar te schande gemaakt. Wie
was deze zesentwintigjarige korsikaan, wat beteekende deze schitterende
onbekende, die alles tegen, niets vóór zich had, zonder levensmiddelen,
zonder ammunitie, zonder geschut, zonder schoenen, schier zonder
wapens, zich met een handvol soldaten tegenover legerdrommen op
het verbonden Europa wierp en ongerijmd, tegen alle regels, schier
onmogelijke overwinningen behaalde? Wat was deze nieuweling in den
oorlog, die de stoutheid van een bovenaardsch wezen had? De militaire
hoogeschool deed hem in den ban, daar hij haar ontvluchtte. Hierdoor
ontstond een onverzoenlijke vijandschap van het oude Cesarisme tegen
het nieuwe, van de nauwkeurige sabel tegen het vlammende zwaard, en
van het schaakspel tegen het genie. Den 18 Juni had deze vijandschap
het laatste woord, en schreef, onder Lodi, Montebello, Montenotte,
Mantua, Marengo, Arcola: "Waterloo." Zege der middelmatigheid, die
de meerderheid behaagt. Het noodlot nam genoegen met deze ironie. Bij
zijn ondergang vond Napoleon een jongen Suwarow voor zich.
Om Suwarow te hebben was er inderdaad niet meer noodig dan Wellington's
haar grijs te maken.
Waterloo is een veldslag van den eersten rang, door een veldheer van
den tweeden rang gewonnen.
Wat men in den veldslag bij Waterloo moet bewonderen is Engeland,
de Engelsche standvastigheid, de Engelsche vastberadenheid, het
Engelsch bloed; wat Engeland er het heerlijkst heeft gehad, is, als
ik 't zeggen mag, zich zelf. 't Is niet zijn veldheer, 't is zijn
leger. Zonderling ondankbaar, verklaart Wellington, in een brief aan
lord Bathurst, dat zijn leger, 't welk den 18 Juni 1815 gestreden
heeft, een "afschuwelijk leger" was. Wat zegt hiervan de donkere
ontzaggelijke hoop beenderen onder de voren van Waterloo begraven?
Engeland is tegenover Wellington te nederig geweest. Wellington zoo
groot te maken is Engeland verkleinen. Wellington is slechts een gewoon
held. De grijze Schotten, de horseguards, de regimenten van Maitland
en Mitchell, de infanterie van Pack en van Kempt, de cavalerie van
Ponsonby en van Somerset, de Hooglanders die onder het schroot op
de pibroch spelen, de bataljons van Rylandt, de jonge recruten,
die nauwelijks het geweer wisten te hanteeren, en de oude benden
van Esslingen en van Rivoli het hoofd boden,--ziedaar wat grootsch
is. Wellington was volhardend, en dit was zijn eenige verdienste;
wij willen er niets op afdingen, maar de minste zijner voetknechten
en ruiters was even standvastig als hij. De iron-soldier (ijzeren
soldaat) is evenveel waard als de iron-duke (ijzeren hertog). Onze
geheele vereering is voor den Engelschen soldaat, het Engelsche leger,
het Engelsche volk. Zoo er een zegeteeken moet zijn, komt het Engeland
toe. De kolom van Waterloo zou juister zijn, zoo zij in plaats van
de gestalte eens mans, het beeld eens volks in de wolken verhief.
Maar het groote Engeland zal zich vertoornen over hetgeen wij
hier zeggen. Het heeft nog, na zijn 1688 en ons 1789, zijn feodale
hersenschim. Het gelooft aan de erfelijkheid en de hierarchie. Dit
volk, dat door geen ander in macht en roem wordt overtroffen, acht
zich als natie, niet als volk. Als volk onderwerpt het zich gewillig
en neemt een lord tot hoofd aan. Als workman (arbeider) laat het
zich verachten; als soldaat laat het zich stokslagen geven. Men weet,
dat een sergeant, die naar 't schijnt, in den slag van Inkermann het
leger gered heeft, door lord Raglan niet kon vermeld worden, wijl
de Engelsche militaire hierarchie niet veroorlooft in een rapport
melding te maken van een held beneden den rang van officier.
Wat ons bovenal treft in een ontmoeting als die van Waterloo, is
de wonderbare behendigheid van het toeval. De nachtregen, de muur
van Hougomont, de holle weg van Ohain, Grouchy doof voor het kanon,
Napoleon door den gids bedrogen, Bulow door den gids terechtgewezen,
al deze omstandigheden zijn wonderbaar bestuurd.
In 't algemeen moet gezegd worden, dat Waterloo veeleer een bloedbad
dan een veldslag was. Waterloo heeft van alle geregelde veldslagen
het kleinste front bij een zoo groot getal strijders. Napoleon drie
kwartier; Wellington een half uur; twee en zeventig duizend strijders
aan elke zijde. Uit deze gedrongenheid ontstond het bloedbad. Men heeft
deze berekening en deze verhouding gevonden: Verlies aan troepen:
te Austerlitz, Franschen, veertien percent; Russen, dertig percent;
Oostenrijkers, vierenveertig percent. Te Wagram, Franschen, dertien
percent, Oostenrijkers veertien percent. Aan de Moskowa, Franschen,
zevenendertig, Russen vierenveertig percent. Te Bautzen, Franschen,
dertien percent, Russen en Pruisen, veertien. Te Waterloo, Franschen,
zesenvijftig percent, Gealliëerden eenendertig. Gezamenlijk voor
Waterloo eenenveertig percent. Honderd vierenveertig duizend strijders;
zestigduizend dooden.
Het veld van Waterloo heeft thans de kalmte, welke aan de aarde,
als de rustige voedster van den mensch, behoort, en het gelijkt op
alle vlakten.
Des nachts evenwel stijgt er als een tooverachtige nevel op, en zoo
een reiziger er wandelt, er rondziet, er luistert, zoo hij mijmert
als Virgilius op de noodlottige vlakte van Philippes, verschijnt
het vreeselijke schouwspel voor zijn geest. De ontzettende 18 Juni
herleeft; het valsche heuvel-monument wijkt, de leeuw, hoe dan ook,
verdwijnt, het wezenlijke slagveld is er weder, infanterie-gelederen
golven over de vlakte; in woesten galop vliegt de ruiterij langs
den horizon; de verschrikte mijmeraar ziet het flikkeren der sabels,
het schitteren der bajonetten, het vlammen der bommen, en verneemt
het vreeselijke gebulder der elkander kruisende donders; hij hoort
als een gereutel in de diepte van een graf, het flauw gerucht van
het spookbeeld des veldslags; deze schimmen zijn de grenadiers;
deze flikkeringen zijn de kurassiers; dit geraamte is Napoleon;
dit geraamte is Wellington; dat alles is niet meer, en dringt en
strijdt nog; de holle wegen worden purper, en de boomen rillen; er is
zelfs woede in de wolken, en in de duisternis verschijnen op al deze
woeste hoogten, Mont-Saint-Jean, Hougomont, Frischemont, Papelotte,
Plancenoit, onduidelijk zwermen van schimmen, die elkander verdelgen.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
MOET MEN WATERLOO GOEDVINDEN?
Er bestaat een zeer achtenswaardige vrijzinnige school, die Waterloo
niet haat. Wij behooren er niet toe. Voor ons is Waterloo slechts
de vervalschte dagteekening der vrijheid. Dat een arend als dien wij
kennen uit zulk een ei voortkomt, is stellig onverwacht.
Waterloo is, zoo men zich op het hoogste gezichtspunt der kwestie
plaatst, een bedeelde anti-revolutionnaire overwinning. 't Is Europa
tegen Frankrijk, 't is Petersburg, Berlijn en Weenen tegen Parijs,
't is het status-quo tegen het initiatief, 't is de 14 Juli 1789 door
den 20 Maart 1815 aangevallen: 't is de wapenkreet der monarchieën
tegen het onbedwingbaar Fransch oproer. Dit groote volk te dempen,
dat sinds 26 jaar vuur en vlam verspreidde, was de bedoeling. Vandaar
het verbond der Brunswijkers, Nassauers, Romanoffs, Hohenzollerns,
Habsburgen met de Bourbons. Waterloo draagt het "bij de gratie Gods"
aan 't hoofd. Het is waar, dat, wijl het Keizerrijk despotiek was
geweest, het koningschap, tengevolge der natuurlijke terugwerking,
gedwongen was liberaal te wezen, en dat een constitutioneele
orde zeer tegen den zin en tot grooten spijt der overwinnaars uit
Waterloo is voortgekomen. 't Is omdat de revolutie werkelijk niet
verwonnen kan worden en als een noodwendig gevolg der omstandigheden
steeds weder verschijnt, vóór Waterloo, in Bonaparte als hij de oude
tronen omverwerpt, na Waterloo, in Lodewijk XVIII als hij het Charter
verleent en er zich aan onderwerpt. Bonaparte plaatst een postiljon
op den troon van Napels en een sergeant op den troon van Zweden;
hij bezigt de ongelijkheid om de gelijkheid te bewijzen; Lodewijk
XVIII onderteekent te Saint-Ouen de verklaring der rechten van den
mensch. Wilt ge u rekenschap geven van wat revolutie is, noem haar
"vooruitgang"; wilt ge u rekenschap geven van wat vooruitgang is,
noem hem "morgen." "Morgen" verricht onweerstaanbaar zijn werk,
en begint reeds heden. Op zonderlinge wijze bereikt het altijd zijn
doel. Het gebruikt Wellington om van Foy, die slechts een soldaat
was, een redenaar te maken. Foy valt te Hougomont en herrijst op de
tribune. Zoo handelt de vooruitgang. Er zijn geen slechte werktuigen
voor dezen arbeider! Onbekommerd bezigt hij voor zijn goddelijk werk
den man die over de Alpen stapt, en den goeden zwakken grijsaard. Hij
bedient zich van den podagrist evenzeer als van den overwinnaar; van
den overwinnaar naar buiten, van den podagrist naar binnen. Waterloo
heeft een einde gemaakt aan het omstorten der tronen van Europa
door het zwaard, doch heeft geen ander gevolg gehad dan het werk der
revolutie aan de andere zijde te doen voortzetten. De heerschappij
van het zwaard was ten einde; de beurt was nu aan de denkers. De eeuw,
welke Waterloo wilde tegenhouden, is er over heengegaan en heeft haar
weg vervolgd. Deze treurige overwinning is door de vrijheid verworven.
Wat ten slotte en onwedersprekelijk te Waterloo zegevierde, wat achter
Wellington glimlachte, wat hem al de maarschalksstaven van Europa,
daarbij zoo men zegt den maarschalksstaf van Frankrijk bezorgde, wat
vroolijk den grond, nog vol beenderen, tot een heuvel deed opkruien
om er den leeuw op te richten, wat zegepralend op dat voetstuk den
datum "18 Juni 1815" heeft geschreven, wat Blücher aanmoedigde om de
vluchtelingen neer te sabelen, wat van den top van Mont-Saint-Jean zich
naar Frankrijk als naar een prooi boog, was de contra-revolutie. 't
Was de tegenomwenteling, die het schandelijk woord: "Verbrokkeling"
mompelde. Te Parijs gekomen, heeft zij den krater van nabij gezien,
en voelde dat deze asch haar de voeten verbrandde, en zij bedacht
zich. Zij vergenoegde zich met het stamelen van een charter.
Laat ons in Waterloo niets zien dan 't geen in Waterloo is. Van
vrijheid uit goeden wil, niets. De contra-revolutie was onwillekeurig
liberaal, evenals door een hiermede overeenkomend verschijnsel Napoleon
onwillekeurig revolutionnair was. Den 18 Juni 1815 werd de Robespierre
te paard uit den zadel gelicht.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
UITBREIDING VAN HET "GODDELIJK RECHT."
Einde van het dictatorschap. Het geheele stelsel van Europa stortte in.
Het Keizerrijk verzonk in een schaduw, welke die der stervende
Romeinsche wereld geleek. Men zag weder een afgrond als ten tijde der
barbaren. Maar de barbaarschheid van 1815, welke men bij haar korten
naam van contra-revolutie moet noemen, had weinig adem, was spoedig
uitgeput en bleef steken. Het Keizerrijk, wij moeten het zeggen, werd
beweend, en beweend door de oogen van helden. Zoo de roem bestaat
in het zwaard tot schepter gemaakt, was het Keizerrijk de roem zelf
geweest. Het had op aarde al het licht verspreid, dat de dwingelandij
geven kan; een somber licht. Wat meer is, een duister licht. Bij het
ware daglicht vergeleken is het nacht. Deze verdwijning van den nacht,
had de uitwerking eener eclips.
Lodewijk XVIII kwam te Parijs terug. De rondedansen van den 8
Juli wischten de geestdrift van den 20 Maart uit. De Korsikaan
werd de tegenstelling van den Béarner. De vlag van den koepel der
Tuilerieën werd wit. De verbanning zat op den troon. De withouten
tafel van Hartwell nam plaats vóór den gelelieden armstoel van
Lodewijk XIV. Men sprak van Bouvines en Fontenoy als van gisteren,
Austerlitz was verouderd. Het altaar en de troon waren in hartelijke
broederschap. Een der onbetwistbaarste vormen van geluk voor de
maatschappij in de negentiende eeuw vestigde zich in Frankrijk en
op het vasteland. Europa nam de witte kokarde aan. Trestaillon was
beroemd. Het devies non pluribus impar verscheen weder in de steenen
stralen, die op den voorgevel der kazerne van de kade Orsay een zon
vormden. Waar een Keizerlijke garde was geweest, was een rood huis. De
boog van het Carousel, overladen met kwalijk verdragen overwinningen,
als vreemd temidden dezer nieuwigheden, misschien eenigszins beschaamd
door Marengo en Arcola, trok zich uit de verlegenheid met het beeld
van den hertog van Angoulême. Het Magdalena kerkhof, een ontzettende
algemeene grafplaats van 93, werd met marmer en jaspis overdekt;
het gebeente van Lodewijk XVI en van Maria Antoinette bevond zich in
dit stof. In de slotgracht van Vincennes verrees een halve zuil, ter
herinnering dat de hertog van Enghien in dezelfde maand was gestorven
als Napoleon gekroond werd. Paus Pius VII, die deze kroning had
gewijd, zoo dicht bij dezen dood, zegende den val even bedaard als
hij de verheffing had gezegend. Te Schönbrunn was een kleine schim
van vier jaren, men was een oproerling zoo men hem koning van Rome
noemde. En al deze dingen zijn geschied, en deze koningen hebben hun
tronen hernomen, en de meester van Europa is in een kooi gezet, en
het oude regeeringstelsel is herleefd, en al de duisternis en al het
licht der aarde zijn van plaats veranderd, wijl op den achtermiddag
van een zomerdag een herder in een bosch tot een Pruis zeide: ga
hierheen en niet daarheen!
Dat 1815 was een soort van treurigen April. De oude ongezonde en
giftige werkelijkheid nam een nieuw voorkomen aan. De logen vereenigde
zich met 1789, het "goddelijk recht" vermomde zich onder een charter,
fictiën werden constitutioneel, vooroordeelen, bijgeloovigheden
en nevengedachten, met art. 14 in het hart, vernisten zich met het
liberalisme. Verandering van vel bij de slang.
De mensch was door Napoleon tevens verheven en vernederd. Het ideaal
had, onder deze regeering van de schitterende stof, den zonderlingen
naam van ideologie ontvangen. Een groote onvoorzichtigheid van een
groot man, om met de toekomst te spotten. De volken evenwel, dat
kanonnenvleesch, 't welk den kanonnier zoo lief had, zochten hem
met de oogen. Waar is hij? Wat doet hij? Napoleon is dood, zeide
een voorbijganger tot een invalide van Marengo en Waterloo.--"Hij
dood!" riep de soldaat, "dan kent gij hem niet!" De geesten
mistrouwden dien neergevelden man. Na Waterloo was de achtergrond
van Europa duister. Eene ontzaggelijke plaats bleef lang ledig door
de verdwijning van Napoleon.
De koningen plaatsten zich in dat ledige. Het oude Europa
maakte zich dit ten nutte om zich te hervormen. Er was een
Heilig-Verbond. Belle-Alliance, had het noodlottig veld van Waterloo
reeds vooraf gezegd.
In de tegenwoordigheid en tegenover het oude herschapen Europa
werden de lijnen van een nieuw Frankrijk getrokken. De toekomst,
door den Keizer bespot, deed zijn intrede. Zij had op het voorhoofd
deze ster, "Vrijheid." De vurige oogen der jonge geslachten richtten
zich op haar. Zonderling, men was tegelijkertijd door deze toekomst,
Vrijheid, en dat verleden, Napoleon, bekoord. De nederlaag had
den verwonneling grooter gemaakt. De gevallen Bonaparte scheen
hooger dan de staande Napoleon. Zij, die gezegevierd hadden, waren
beangst. Engeland deed hem door Hudson Lowe bewaken, en Frankrijk hem
door Montchenu bespieden. Het kruisen zijner armen wekte de bekommering
der tronen. Alexander noemde hem: mijn slapeloosheid. Deze angst
ontstond door de hoeveelheid revolutie, die in hem was. Dit verklaart
en verschoont het Bonapartistische liberalisme. Dit spookbeeld deed de
oude wereld beven. De koningen zaten niet op hun gemak op hun tronen,
met de rots van St. Helena aan den horizon.
Terwijl Napoleon te Longwood zieltoogde, verteerden de op het veld van
Waterloo gevallen zestig duizend menschen rustig, en iets van hunne
rust breidde zich over de wereld uit. Het Weener Congres maakte er
de tractaten van 1815 van, en dit noemde Europa de restauratie.
Dit is nu Waterloo!
Maar wat doet het aan 't oneindige? deze orkaan, deze wolk, deze oorlog
en vervolgens deze vrede, deze schim, verduisterde ook geen oogenblik
het oneindig oog voor 't welk de worm, die van de eene grasspriet op
de andere kruipt, even belangrijk is als de arend die van torenspits
tot torenspits naar de Notre-Dame vliegt.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
HET SLAGVELD DES NACHTS.
Wij moeten nog eenmaal naar het noodlottig slagveld terugkeeren.
't Was den 18 Juni 1815 volle maan. Deze helderheid begunstigde de
wreede vervolging van Blücher, verried het spoor der vluchtenden,
leverde deze rampzalige massa aan de verwoede Pruisische cavalerie
over, en was in 't moorden behulpzaam. Bij dergelijke rampspoeden
toont de nacht zich dikwijls zoo welwillend.
Na het laatste kanonschot, bleef de vlakte van Mont-Saint-Jean
verlaten.
De Engelschen betrokken het kamp der Franschen; in het bed van den
overwonneling te slapen is de gewone bekrachtiging der overwinning. Zij
richtten hun bivouakken op aan gene zijde van Rossomme. De Pruisen
stormden voorwaarts om de vluchtelingen te vervolgen. Wellington
ging naar het dorp Waterloo, om zijn rapport aan lord Bathurst op
te stellen.
Zoo ooit het sic vos non vobis van toepassing was, is 't onbetwistbaar
op dat dorp Waterloo. Waterloo heeft niets gedaan en bleef een half
uur van 't slagveld. Mont-Saint-Jean werd gebombardeerd, Hougomont
werd verbrand, Papelotte werd verbrand, Plancenoit werd verbrand,
la Haie-Sainte werd stormenderhand ingenomen, la Belle-Alliance zag
de omhelzing der twee overwinnaars; men kent nauwelijks deze namen,
en Waterloo, dat niets tot den slag heeft toegebracht, heeft er al
de eer van.
Wij behooren niet tot dezulken die den oorlog vleien; wanneer de
gelegenheid zich voordoet, zeggen wij hem de waarheid. De oorlog
heeft afgrijselijke schoonheden, welke wij niet verheeld hebben;
hij heeft ook, wij erkennen het gaarne, zijn afzichtelijkheden. Een
der treffendste is de spoedige ontkleeding en berooving der dooden na
de overwinning. De morgenstond, die op een veldslag volgt, beschijnt
steeds naakte lijken.
Wie doet dat? Wie bezoedelt aldus de overwinning? Wie is die
afschuwelijke, vlugge hand, die in den zak der overwinning sluipt? Wie
zijn de gauwdieven, die achter den roem hun slag waarnemen? Eenige
philosofen, Voltaire onder anderen, beweren, dat het juist dezulken
zijn, die den roem verworven hebben. 't Zijn dezelfden, zeggen zij,
geen anderen; zij die staan, plunderen degenen die liggen. De held van
den dag is de vampier van den nacht. Men heeft toch in allen geval wel
het recht, om het lijk dat ons werk is, een weinig te plunderen. Wij
gelooven dit echter niet. 't Komt ons onmogelijk voor, dat dezelfde
hand die lauweren heeft geplukt, de schoenen van een doode kan stelen.
Zeker is het, dat na de overwinnaars gewoonlijk de dieven komen. Maar
beschuldigen wij den soldaat, vooral den soldaat van den tegenwoordigen
tijd niet.
Ieder leger heeft een tros, en dezen moet men
beschuldigen. Vleermuisachtige wezens, half roovers, half knechts, alle
soort van gespuis, 't welk uit de duisternis geboren wordt, die men
oorlog noemt; uniform dragenden, die niet vechten; geveinsde zieken;
verminkten; cantine-houders, die soms met hun vrouwen op karretjes
sluikswijze medetrekken en stelen wat zij verkoopen; bedelaars, die
zich als gidsen bij de officieren aanbieden; trosboeven; stroopers--dit
alles sleepten eertijds--wij spreken niet van den tegenwoordigen
tijd--de marcheerende legers mede, en dit werd op eigenaardige wijze
de "nakomers" (traînards) genoemd. Geen leger, geen natie was voor
deze wezens verantwoordelijk; zij spraken Italiaansch en volgden de
Duitschers; zij spraken Fransch en volgden de Engelschen. Door een
dezer ellendelingen, een Spaansch "nakomer" die Fransch sprak, werd de
markies Fervacques, die, door zijn Picardisch koeterwaalsch misleid,
hem voor een der onzen hield, verraderlijk vermoord en uitgeplunderd,
op het slagveld zelf in den nacht, die op de overwinning van Cérisolles
volgde. Uit het stroopen ontstond de strooper. De verfoeielijke
grondstelling: "Van den vijand leven" bracht dezen kanker voort, die
slechts een strenge krijgstucht genezen kon. Er zijn bedriegelijke
beroemdheden; men weet niet altijd, waarom zekere, schoon overigens
groote, generaals zoo populair zijn geweest. Turenne werd door zijn
soldaten aangebeden, wijl hij de plundering veroorloofde; het vergunde
kwaad maakt een deel der goedheid uit; Turenne was zoo goed, dat hij
den Palz te vuur en te zwaard liet verwoesten. In het gevolg des legers
vond men meer of minder stroopers, naar gelang de bevelhebber min of
meer streng was. Hoche en Marcheau hadden geen "nakomers;" Wellington,
wij laten hem gaarne deze gerechtigheid wedervaren, had er weinig.
Men plunderde evenwel in den nacht van den 18 op den 19 Juni de
dooden. Wellington was streng; hij beval ieder die op heeter daad
betrapt werd dood te schieten; maar de roof is hardnekkig. De stroopers
dreven in den eenen hoek van het slagveld hun spel, terwijl men hen
in den anderen doodschoot.
De maan scheen akelig op de vlakte.
Tegen middernacht sloop of liever kroop een man nabij den hollen
weg van Ohain. 't Was, naar alle waarschijnlijkheid, een derzulken,
welke wij zooeven geschetst hebben, noch Engelschman, noch Franschman,
noch boer, noch soldaat, veeleer een vampier dan een mensch, door
den reuk der lijken gelokt, voor wien diefstal overwinning was, en
gekomen om Waterloo te berooven. Hij was in een kiel gekleed, die iets
van een kapotjas had; onrustig en stoutmoedig ging hij voort, echter
telkens omziende. Wie was deze man? De nacht kende hem waarschijnlijk
beter dan de dag. Hij had geen ransel, maar blijkbaar groote zakken
onder zijn kapotjas. Van tijd tot tijd bleef hij staan, keek rondom
zich over de vlakte, als om te zien of hij ook werd opgemerkt, bukte
schielijk, verschoof iets zwijgends en onbewegelijks op den grond,
richtte zich weer op en ging verder. Zijn sluipende tred, zijn houding,
zijn haastige geheimzinnige beweging deden hem een dier avondspoken
gelijken, welke de bouwvallen bewonen, en waarvan de Normandische
legenden spreken.
Sommige vogels vertoonen des nachts dergelijke gedaanten in de
moerassen.
Een scherpe blik zou in die geheele schemering op eenigen
afstand, achter een vervallen huis, ter plaatse waar de weg van
Nivelles dien van Mont-Saint-Jean naar Braine-l'Alleud kruist,
een marketenterskarretje hebben bespeurd, met een kap van geteerd
twijgwerk, en bespannen met een hongerigen knol, die tusschen het
gebit brandnetels knabbelde, en in het karretje een soort van vrouw,
op kisten en pakken gezeten. Misschien bestond er wel betrekking
tusschen dit karretje en dien strooper.
't Was een heldere duisternis. Geen wolk was aan den hemel. Schoon
de aarde ook rood zij, de maan blijft wit. Zoo onverschillig is de
hemel in vele opzichten voor de aarde. Op de weiden wiegelden zich
in den avondwind de boomtakken, die de kogels gebroken, maar niet
afgeschoten hadden. Een koeltje, schier een ademtocht, bewoog de
struweelen. Het gras rilde, alsof er zielen uit opstegen.
In de verte hoorde men flauw het komen en gaan der patrouilles en
rondes van het Engelsche legerkamp.
Hougomont en la Haie Sainte brandden nog en vormden, het een in 't
westen, het ander in 't oosten, twee groote vlammen, waaraan zich,
als een snoer van losse robijnen, met twee karbonkels aan beide einden,
de rij der Engelsche wachtvuren sloot, die in een wijden halven kring
op de heuvelen in de verte verspreid waren.
Wij hebben den rampspoed in den hollen weg van Ohain verhaald. Het
hart beeft als men aan dezen gruwzamen dood van zoovele dapperen denkt.
Zoo er iets vreeselijks is, zoo er een werkelijkheid boven de
voorstelling gaat, is het dit: te leven, de zon te zien, in het
volle bezit van mannelijke kracht, gezond en vroolijk te zijn,
hartelijk te lachen, naar een roem te ijlen, dien men voor zich
ziet schitteren, zijn borst te voelen ademen, zijn hart te kloppen,
een redelijken wil te hebben, te spreken, te denken, te hopen, te
beminnen, een moeder, een gade, kinderen te hebben, het licht te zien,
en eensklaps, in den tijd van een kreet, in minder dan een minuut
in een afgrond te verzinken, te vallen, te rollen, te verpletteren,
verpletterd te worden, koornaren, bloemen, bladeren, takken te zien,
zonder zich aan iets te kunnen vasthouden, zijn sabel nutteloos,
mannen onder zich, paarden boven zich, vruchteloos worstelen, de
beenderen door 't spartelen van een paard in de duisternis gebroken,
de oogen uitgetrapt, te stikken, te wringen, te krijten, en te moeten
zeggen: zooeven leefde ik nog.
Waar dit vreeselijk ongeluk had plaats gehad, was alles nu stil. De
holle weg was tot aan den kant der glooiingen met paarden en menschen
gevuld. Een ijselijke toestand. Er waren geen glooiingen meer,
de lijken maakten de vlakte gelijk met den hollen weg, die als
een korenmaat tot aan den rand vol was. Een hoop dooden van boven,
een stroom bloeds beneden, aldus was deze weg in den avond van 18
Juni 1815. Het bloed stroomde tot op den straatweg van Nivelles en
vormde er een grooten plas vóór den hoop boomen, die den straatweg
versperde, op een plek welke men nog aanduidt. Men herinnere zich,
dat op het tegenovergestelde punt, naar den kant van Genappe, de ramp
der kurassiers had plaats gehad. De dikte van den hoop lijken was
geëvenredigd aan de diepte van den hollen weg. Omstreeks het midden,
ter plaatse waar hij vlakker werd en de divisie Delord was overgegaan,
was de hoop lijken dunner.
De nachtelijke zwerver, dien wij den lezer hebben aangewezen, ging
naar die zijde. Hij doorsnuffelde dit groote graf. Hij hield een
afgrijselijke revue over deze dooden. Hij waadde door het bloed.
Eensklaps stond hij stil.
Eenige schreden voor hem, in den hollen weg, op het punt waar de hoop
dooden eindigde, kwam uit dien stapel menschen en paarden een open
hand te voorschijn, die door de maan beschenen werd.
Aan een vinger van die hand zat iets dat glinsterde, een gouden ring.
De man bukte, bleef een oogenblik gebogen, en toen hij zich oprichtte
was aan de hand geen ring meer.
Hij richtte zich eigenlijk niet op, maar bleef in een schuwe, woeste
houding, met den rug naar de dooden gekeerd; hij boog het bovenlijf
omlaag en liet het op de vingers rusten, die op den grond steunden,
terwijl hij loerend het hoofd over den kant van den hollen weg stak. De
vier pooten van den jakhals passen voor sommige handelingen.
Toen hij een besluit had genomen, richtte hij zich overeind. Op
't zelfde oogenblik maakte hij schier een buiteling. Hij voelde,
dat men hem van achter vasthield.
Hij keerde zich om; 't was de open hand, die zich gesloten en den
slip van zijn kapotjas gegrepen had.
Een eerlijk man zou ontsteld zijn geweest. Deze lachte.
"O," zeide hij, "'t is slechts de doode. Ik heb liever met een spook
dan met een gendarm te doen."
Maar de hand verzwakte en liet los. Een inspanning duurt slechts kort
in het graf.
"Ha," hernam de strooper, "is deze doode levend? Laat ons zien."
Opnieuw bukte hij, woelde in den hoop, verwijderde wat hem hinderde,
greep de hand, omklemde den arm, maakte het hoofd vrij, trok aan
het lichaam, en eenige oogenblikken later sleepte hij in de schaduw
van den hollen weg een zielloos, althans bewusteloos, mensch. 't
Was een kurassier, een officier, zelfs een officier van voornamen
rang; een dikke gouden epaulet kwam uit zijn kuras te voorschijn;
de officier had geen helm meer. Een geweldige sabelhouw had zijn
gezicht gewond, waarop men enkel bloed zag. Overigens scheen geen
zijner leden gebroken te zijn; en door een gelukkig toeval, als wij
't zoo mogen noemen, hadden de dooden een boog boven hem gevormd,
die hem voor verplettering behoed had. Zijn oogen waren dicht.
Hij droeg op zijn kuras het zilveren kruis van het legioen van eer.
De strooper rukte dit kruis af, 't welk in een der holen verdween,
die hij onder zijn kapotjas had.
Daarna betastte hij 't horlogezakje van den officier, voelde een
horloge en nam het. Voorts onderzocht hij het vest, vond er een beurs
en stak ze in zijn zak.
Toen hij zoo ver was gekomen met de hulp, welke hij den stervende
bracht, opende de officier de oogen.
"Ik dank u," zeide hij flauw.
De levendigheid der bewegingen van den man, die hem hanteerde, de
frischheid van den nacht, de vrijelijk ingeademde lucht hadden hem
uit zijn verdooving gewekt.
De strooper antwoordde niet. Hij hief het hoofd op. Op de vlakte
hoorde men het gerucht van voetstappen, waarschijnlijk een naderende
patrouille.
De officier stamelde, met de stem eens zieltogenden:
"Wie heeft den slag gewonnen?"
"De Engelschen," antwoordde de strooper.
De officier hernam:
"Zoek in mijn zakken. Ge zult er een beurs en een horloge vinden. Neem
ze."
Dit was reeds geschied.
De strooper deed alsof hij ze zocht en zeide:
"Er is niets."
"Dan heeft men mij bestolen." hernam de officier, "'t spijt mij. 't
Zou voor u zijn geweest."
De voetstappen der patrouille werden steeds duidelijker.
"Men nadert," zei de strooper, de beweging makende van zich te
verwijderen.
De officier lichtte met moeite den arm op en hield hem tegen.
"Gij hebt mij 't leven gered. Wie zijt ge?"
De strooper antwoordde haastig en zacht:
"Ik behoorde evenals gij tot het Fransche leger. Ik moet u
verlaten. Zoo men mij vatte, zou men mij dood schieten. Ik heb u het
leven gered. Help nu u zelven."
"Welken rang hebt ge?"
"Sergeant."
"Hoe heet ge?"
"Thénardier."
"Ik zal dien naam niet vergeten," zei de officier. "En onthoud gij
den mijnen. Ik heet Pont-mercy."
BOEK II.
HET SCHIP DE ORION.
EERSTE HOOFDSTUK.
NOMMER 24601 WORDT NOMMER 9430.
Jean Valjean was weder gevat.
Men zal ons ten goede houden, dat wij haastig over smartelijke
bijzonderheden heenstappen. Wij zullen alleen twee berichtjes
overschrijven, die door de dagbladen werden gepubliceerd eenige
maanden na de verwonderlijke gebeurtenissen te M. sur M.
Deze berichten zijn vrij beknopt. Men herinnere zich, dat op dat
tijdstip nog geen Gazette des Tribunaux bestond.
Het eerste ontleenen wij aan de Drapeau blanc. Het draagt de
dagteekening van 25 Juli 1823.
"--Een arrondissement van Pas-de-Calais is het tooneel eener
ongewone gebeurtenis geweest. Een vreemdeling in het departement,
Madeleine genoemd, had sedert eenige jaren, door een nieuwe wijze
van bewerking, een oude plaatselijke industrie, de fabricage van git
en zwart glaswerk, uit het verval opgeheven. Hij had er zijn fortuin
door gemaakt, en, men mag zeggen, ook dat van het arrondissement. Uit
dankbaarheid voor zijn diensten had men hem tot maire benoemd. Nu heeft
de politie ontdekt, dat Madeleine niemand anders was dan een voormalige
galeislaaf, die zijn ban heeft verbroken, in 1796 wegens diefstal
veroordeeld was en Jean Valjean heette. Jean Valjean is opnieuw naar
het bagno gezonden. Het schijnt, dat hij vóór zijn inhechtenisneming
bij den heer Laffitte een som van meer dan een half millioen, welke
hij er geplaatst had, heeft teruggenomen, welke som hij overigens,
zoo men zegt, eerlijk met zijn handel verdiend heeft. Men heeft
niet kunnen ontdekken waar Jean Valjean deze som heeft verborgen,
toen hij in het bagno van Toulon terugkwam."
Het tweede meer uitvoerig bericht is ontleend aan het Journal de
Paris van dezelfde dagteekening:
"--Een voormalig ontslagen galeislaaf, met name Jean Valjean, is
onder zeer opmerkelijke omstandigheden voor het hof van assises van
Var verschenen. Dezen booswicht was 't gelukt, aan de waakzaamheid
der politie te ontsnappen; hij had zijn naam veranderd en was er in
geslaagd, zich in een onzer kleine steden in het noorden tot maire te
doen benoemen. Hij had in die stad een vrij aanzienlijk handelshuis
gevestigd. Maar ten laatste is hij ontmaskerd en in hechtenis genomen,
dank zij den onvermoeiden ijver van het openbaar ministerie. Hij
had tot bijzit een publieke vrouw, die op het oogenblik zijner
gevangenneming van schrik overleden is. Deze ellendeling, die de
kracht van een reus bezit, had middel gevonden te ontvluchten, maar
drie of vier dagen na zijn vlucht vatte de politie hem opnieuw te
Parijs, juist toen hij in een der kleine rijtuigen steeg, die van
de hoofdstad naar het dorp Montfermeil (Seine-et-Oise) rijden. Men
zegt, dat hij zich dezen tijd van drie of vier dagen vrijheid ten
nutte had gemaakt om een aanzienlijke som, welke hij bij een onzer
voornaamste bankiers had geplaatst, terug te nemen. Men schat deze som
op zes- of zevenhonderd duizend francs. Hij zou ze, volgens de akte
van beschuldiging, begraven hebben op eene hem alleen bekende plek,
en men heeft ze niet kunnen ontdekken, hoe het zij, de genoemde Jean
Valjean is voor het hof van assises van het departement du Var gevoerd,
als beschuldigd van diefstal op den openbaren weg, gewapenderhand
gepleegd, nu omstreeks acht jaar geleden, op een dier eerlijke knapen,
die, gelijk de patriarch van Ferney in onsterfelijke dichtregelen zegt:
"--de Savoie arrivent tous les ans
"Et dont la main légèrement essuie
"Ces longs canaux engorgés par la suie. [3]
"Deze bandiet heeft geweigerd zich te verdedigen. 't Is door het
bekwaam en welsprekend orgaan van het openbaar ministerie bewezen,
dat de dief medeplichtigen had en Jean Valjean tot een bende dieven
van 't zuiden behoorde. Bijgevolg is Jean Valjean schuldig verklaard
en tot de straffe des doods veroordeeld. De misdadiger had geweigerd
zich in cassatie te voorzien. De koning heeft, in zijn onuitputtelijke
goedertierenheid, zich verwaardigd zijn straf te verzachten en ze in
eeuwigdurenden dwangarbeid te veranderen. Jean Valjean is terstond
naar het bagno van Toulon overgebracht."
Men zal niet vergeten hebben, dat Jean Valjean te M. sur M. de
plichten van zijnen godsdienst trouw vervulde. Sommige dagbladen,
onder andere de Constitutionnel, stelden deze verzachting van straf
voor als het werk der priesterpartij.
Jean Valjean kreeg in het tuchthuis een ander nommer. Hij heette 9430.
Zeggen wij overigens, om er niet op terug te komen, dat met Madeleine
ook de bloei van M. sur M. verdween; al wat hij had voorzien in dien
bewusten radeloozen nacht verwezenlijkte zich; toen hij weg was,
was inderdaad de ziel weg. Na zijn val volgde te M. sur M. die
zelfzuchtige verdeeling van gevallen grootheid, die noodlottige
verbrokkeling van bloeiende zaken, welke dagelijks onopgemerkt in
de menschelijke maatschappij voorkomt, en waarvan de geschiedenis
alleen melding heeft gemaakt, toen zij na den dood van Alexander
plaats had. De onderbevelhebbers werpen zich tot koningen op; de
meesterknechts maken zich tot fabrikanten. Afgunstige mededinging
verhief zich. De groote werkplaatsen van Madeleine werden gesloten;
de gebouwen vervielen; de werklieden verstrooiden zich. Eenigen
verlieten het oord, anderen het beroep. Nu werd alles in 't klein,
in plaats van in 't groot, gedreven; voor 't eigen voordeel, in
plaats van voor 't algemeen welzijn. Er was geen middelpunt meer;
overal concurrentie en vijandigheid. De heer Madeleine had alles
beheerscht en bestierd. Nu hij was gevallen, haalde ieder wat hij
kon; de geest van strijd verving den geest van samenwerking; ruwheid
de hartelijkheid, onderlinge haat de welwillendheid des stichters
jegens een ieder; de door Madeleine geweven draden raakten verward en
braken; men vervalschte de fabrikaten, het fabrikaat werd slechter,
het vertrouwen hield op, het vertier nam af, het loon verminderde,
het werk werd gestaakt, de zaak ging op de flesch. Voor de armen
bleef niets meer. Alles verdween.
Zelfs de Staat bespeurde, dat ergens iets vernietigd moest zijn. Eer
vier jaren verloopen waren na het vonnis van het hof van assises,
dat de identiteit van Madeleine en van Jean Valjean uitsprak, waren
de vervolgingskosten ter inning der belastingen in het arrondissement
M. sur M. verdubbeld; in de maand Februari 1827 maakte de heer Villèle
deze opmerking in de Kamer.
TWEEDE HOOFDSTUK.
WAARIN MEN TWEE DICHTREGELS ZAL LEZEN, DIE MISSCHIEN VAN DEN DUIVEL
ZIJN.
Voor wij verder gaan is 't noodig, eenigszins omstandig een zonderling
feit te verhalen, 't welk te zelfder tijd te Montfermeil plaats had
en misschien niet zonder invloed was op zekere gissingen van het
openbaar ministerie.
In de omstreken van Montfermeil bestaat een zeer oud bijgeloof, te
vreemder en merkwaardiger, wijl een volksbijgeloof in de nabuurschap
van Parijs als een aloë in Siberië is. Wij behooren tot degenen die
achting voor zeldzame planten hebben. Het bijgeloof van Montfermeil
bestaat hierin: sinds onheugelijke tijden gelooft men, dat de duivel de
bosschen kiest om er zijn schatten te begraven. Oude vrouwen beweren
dat het niet zeldzaam is tegen den avond, in afgelegen hoeken van
het bosch, een zwarten man te ontmoeten, die het voorkomen van een
voerman of houthakker heeft, met klompen aan de voeten, gekleed in een
linnen broek en kiel, en herkenbaar aan twee groote hoorns, in plaats
van muts of hoed op het hoofd. Inderdaad, dit moet hem wel kenbaar
maken. Deze man is gewoonlijk bezig met een kuil te graven. Men kan
zich op drieërlei wijze bij zulk eene ontmoeting gedragen. Vooreerst,
door tot den man te gaan en hem aan te spreken. Dan ziet men dat de
man eenvoudig een boer is, dat hij zwart schijnt, omdat het avond is,
dat hij volstrekt geen kuil graaft, maar gras voor zijn koeien snijdt,
en dat zijn gewaande hoorns niets anders zijn dan een mestvork,
die hij op den rug draagt en wier tanden, op een afstand gezien,
uit zijn hoofd schijnen te komen. Men gaat naar huis en sterft binnen
een week. De tweede wijze is, hem gade te slaan, te wachten tot hij
zijn kuil gegraven, dien weder dicht gemaakt heeft en heen is gegaan:
dan haastig naar den kuil te loopen, dien te openen, en den "schat"
er uit te halen, dien de zwarte man er noodwendig heeft in gelegd. In
dat geval sterft men binnen een maand. Eindelijk de derde manier is,
den zwarten man niet toe te spreken, hem niet aan te zien en zoo snel
mogelijk weg te loopen. Men sterft dan binnen een jaar.
Aangezien alle drie manieren hare bezwaren hebben, wordt de tweede, die
ten minste eenige voordeelen biedt, onder anderen dat van--al is het
slechts gedurende een maand--een schat te bezitten, het meest gevolgd.
Naar men verzekert hebben stoutmoedige mannen zich dikwijls door de
kans laten verlokken, om de door den zwarten man gegraven kuilen weder
te openen en den duivel te bestelen. Het schijnt dat de uitkomst weinig
bevredigend is. Ten minste zoo men de overlevering mag gelooven,
en inzonderheid de beide raadselachtige versregels in barbaarsch
Latijn, omtrent deze zaak nagelaten door een Normandischen monnik,
die min of meer toovenaar was, Tryphon geheeten. Deze Tryphon is in
de abdij van St. Georges de Bocherville bij Rouaan begraven en op
zijn graf worden padden geboren.
Men doet dus groote inspanningen; deze kuilen zijn gewoonlijk zeer
diep; men zweet, delft, werkt den geheelen nacht, want dit geschiedt
's nachts; het hemd wordt nat, de kaars verbrandt, de spade wordt
bot, en wanneer men op den bodem van den kuil is gekomen, wanneer men
de hand op den "schat" legt, wat vindt men? wat is de schat van den
duivel? een stuiver, soms een kroonstuk; een steen, een geraamte, een
bloedend lijk, vaak een spook als een blad papier in een portefeuille
in vieren gevouwen, soms niets. Dit schijnen de versregels van Tryphon
den onbescheiden nieuwsgierigen aan te kondigen:
Fodit, et in fossa thesauros condit opaca,
As, nummos, lapides, cadaver, simulacra nihilque.
't Schijnt dat men er in onze dagen ook nu eens een kruithoorn met
kogels, dan weder een oud, smerig en gebrand spel speelkaarten vindt,
dat duidelijk den duivels heeft gediend. Tryphon spreekt van deze
beide dingen niet, wijl Tryphon in de twaalfde eeuw leefde en de
duivel niet zoo leep schijnt geweest te zijn het buskruit vóór Roger
Bacon en de speelkaarten vóór Karel VI uitgevonden te hebben.
Overigens is men zeker, dat, zoo men met deze kaarten speelt, men
alles verliest wat men bezit; en het buskruit in den hoorn heeft de
eigenschap, dat het u 't geweer in 't gezicht doet springen.
Korten tijd nu, na het aan 't openbaar ministerie geschenen had, dat
de ontslagen galeislaaf Jean Valjean, gedurende zijn korte vlucht van
weinige dagen, om Montfermeil had gezworven, merkte men in dit dorp op,
dat een zekere oude wegwerker, Boulatruelle geheeten, druk het bosch
bezocht. Men meende in het oord te weten, dat Boulatruelle in het
bagno was geweest; hij was eenigerwijs onder toezicht der politie, en
wijl hij nergens werk vond, gebruikte het bestuur hem tegen verminderd
loon als wegwerker aan den binnenweg van Gagny naar Lagny.
Deze Boulatruelle was een man, die door de lieden van het dorp schuins
werd aangezien; hij was al te onderdanig, te deemoedig, te gereed
om voor ieder de pet af te nemen, bevende en glimlachende tegen de
gendarmes, en stond, meende men, waarschijnlijk met dievenbenden in
betrekking, en in verdenking van zich 's avonds in 't kreupelhout in
hinderlaag te leggen.
Men meende 't volgende te hebben opgemerkt:
Sedert eenigen tijd verliet Boulatruelle vroegtijdig zijn arbeid bij
't bepuinen en in orde houden van den weg, om met zijn spade naar het
bosch te gaan. Men ontmoette hem tegen den avond op de eenzaamste
plaatsen, in het dichtste houtgewas, met het voorkomen alsof hij
iets zocht, en soms bezig kuilen te graven. De oude vrouwen die
voorbijgingen hielden hem aanvankelijk voor Beëlzebub, doch spoedig
herkenden zij Boulatruelle en waren hier weinig geruster om. Deze
ontmoetingen schenen Boulatruelle schrikkelijk te hinderen. 't Was
duidelijk, dat hij zich trachtte te verbergen en iets geheimzinnigs
uitvoerde.
Men zeide in het dorp:--Zekerlijk heeft de duivel zich
vertoond. Boulatruelle heeft hem gezien en zoekt. Hij is er wel
toe in staat om Lucifer zijn schat te ontkapen.--De Voltairianen
voegden er bij: Zal Boulatruelle den duivel beet hebben of de duivel
Boulatruelle?--De oude vrouwen kruisten zich ijverig.
Intusschen hielden de bezoeken van Boulatruelle in het bosch op, en hij
was weer geregeld aan zijn wegarbeid. Men sprak weer van iets anders.
Er waren echter eenige nieuwsgierigen gebleven, die meenden dat niet
de fabelachtige schatten der legende hierin betrokken waren, maar
een goede, degelijker en tastbaarder vond dan de bankbriefjes van den
duivel, en waarvan de wegwerker waarschijnlijk half en half het geheim
had ontdekt. De meest belangstellenden waren de schoolmeester en de
kroeghouder Thénardier, die gaarne de vriend van ieder wilde zijn en
't niet versmaad had met Boulatruelle te verkeeren.--Hij is wel op
de galeien geweest, zeide Thénardier, maar mijn hemel, men weet niet
wie daar is, of wie er nog komen zal!
Op zekeren avond betuigde de schoolmeester, dat de justitie vroeger
wel onderzocht zou hebben wat Boulatruelle in het bosch ging doen,
dat hij wel had moeten spreken, dat men hem desnoods op de pijnbank
zou hebben gebracht, en dat Boulatruelle bij voorbeeld de waterproef
niet zou hebben doorstaan.--Laten wij hem aan de wijnproef onderwerpen,
zei Thénardier.
Men maakte alles gereed en deed den ouden wegwerker
drinken. Boulatruelle dronk ontzaggelijk veel en sprak weinig. Hij
vereenigde, met wonderbare knapheid en in een meesterlijke
verhouding, den dorst van een zwelger met de stilzwijgendheid van
een rechter. Evenwel, door herhaalde aanvallen, en door de weinige
onduidelijke woorden welke hem ontsnapten samen te voegen en te
verbinden, meenden Thénardier en de schoolmeester het volgende begrepen
te hebben:
Boulatruelle zou op zekeren ochtend, dat hij zich bij het krieken
van den dag naar zijn werk begaf, verrast zijn geworden door in een
hoek van het bosch onder 't kreupelhout een schop en een houweel
te vinden, die daar zoo 't scheen verborgen waren. Hij had evenwel
gemeend, dat het waarschijnlijk de schop en het houweel van den ouden
Six-Fours, den waterdrager, waren, en hij had er niet verder over
gedacht. Maar des avonds van denzelfden dag zou hij, zelf onbemerkt,
daar hij achter een dikken boom verscholen stond, een man hebben
gezien, die zich van den weg naar het dichtst van het bosch begaf,
"en welke man volstrekt niet uit de omstreken was, maar dien hij,
Boulatruelle, zeer goed kende." Thénardier's vertaling hiervan was:
"Een makker uit het bagno." Boulatruelle had hardnekkig geweigerd den
naam te zeggen. Deze vreemde droeg een pakje, een vierkant voorwerp,
als een groote doos of klein kistje. Boulatruelle was verwonderd. 't
Was echter eerst na zeven of acht minuten, dat de gedachte bij hem
opkwam den man te volgen. Maar 't was te laat, de man was reeds in
het dichte houtgewas; het was donker geworden, en Boulatruelle had
hem niet kunnen vinden. Toen had hij besloten aan den kant van 't
bosch te wachten. 't Was lichte maan. Twee of drie uren later had
Boulatruelle zijn man uit het kreupelhout zien komen, die nu geen
kistje, maar een spade en een houweel droeg. Boulatruelle had den
man laten voorbijgaan, maar durfde hem niet aanspreken, omdat hij
bij zich zelven zeide, dat de andere driemaal sterker was dan hij, en
met een schop gewapend, zoodat hij hem waarschijnlijk zou doodslaan,
wanneer hij hem herkende en zich herkend zag. Een teedere opwelling
van twee oude makkers, die elkander wedervinden! Maar de spade en het
houweel waren voor Boulatruelle een lichtstraal geweest; hij was naar
het struikgewas van des ochtends geijld, doch had er noch spade noch
houweel meer gevonden. Daaruit had hij besloten, dat zijn man in het
bosch was gegaan om met het houweel een gat te graven, het koffertje
er in verborgen, en het gat met de spade dicht gemaakt had. Nu was
het koffertje te klein om een lijk te bevatten, het moest dus geld
bevatten. Tengevolge daarvan zijn navorschingen. Boulatruelle had
het geheele bosch onderzocht, doorsnuffeld, en overal waar de aarde
hem versch omgewoeld scheen, ze opgegraven. Vruchteloos.
Hij had niets gevonden. Niemand dacht er meer aan in
Montfermeil. Slechts eenige oude vrouwen zeiden: Wees verzekerd, dat
de wegwerker van Gagny al die moeite niet voor niets heeft gedaan;
de duivel is er bij in 't spel.
DERDE HOOFDSTUK.
ER MOET AAN DE KETEN VOORAF IETS GESCHIED ZIJN, OM MET ÉÉN HAMERSLAG
TE SPRINGEN.
Tegen het einde van October van hetzelfde jaar 1823 zagen de inwoners
van Toulon, tengevolge van hevig stormweder, en om eenige averij te
herstellen, het schip de Orion hun haven binnenloopen, welk schip
later te Brest tot exercitie-schip diende, maar toen tot het eskader
der Middellandsche zee behoorde.
Dit vaartuig, hoe ontredderd het was, want de zee had het deerlijk
geteisterd, verwekte opzien toen het ter reede kwam. Ik weet niet
meer welke vlag het voerde, die het een voorgeschreven saluut van elf
schoten bezorgde, welke door het schip schot voor schot beantwoord
werden: in 't geheel dus twee en twintig schoten. Men heeft berekend,
dat voor salvo's, koninklijke en militaire eerbewijzen, wisseling van
beleefd rumoer, etiquette-seinen, reede- en vestingsformaliteiten,
de dagelijksche begroeting van het op- en ondergaan der zon door de
vestingen en de oorlogsschepen, het openen en sluiten der havens
enz. enz. door de beschaafde wereld over de geheele aarde elke
vier-en-twintig uren honderd vijftig duizend nuttelooze kanonschoten
met los kruit worden gedaan. Tegen zes francs het schot berekend,
komt dit op negenhonderd duizend francs daags, driehonderd millioen 's
jaars, die in rook vergaan. Dit is slechts een staaltje. In denzelfden
tijd sterven er, wie weet hoeveel armen van honger.
Het jaar 1823 was, wat de restauratie het tijdvak van den "Spaanschen
oorlog" heeft genoemd.
Deze oorlog bevatte vele gebeurtenissen in één enkele, en een
menigte zonderlingheden. Een gewichtige familiezaak voor het huis
van Bourbon; de Fransche tak hielp en beschermde den Madridschen
tak, dat wil zeggen, hij deed zich als de oudere gelden; 't was een
schijnbare terugkeer tot onze nationale overleveringen, gepaard aan
de dienstbaarheid en onderwerping der noordsche kabinetten; de hertog
van Angoulême, door de liberale bladen "de held van Andujar genoemd,"
met een zegevierende houding, die eenigszins met zijn vreedzaam
voorkomen in tegenspraak was, het oude wezenlijke schrikbewind van het
heilige officie bedwingend, dat met het hersenschimmig schrikbewind
der liberalen handgemeen was; de sansculottes tot grooten schrik
der douairières onder den naam van descamisados herrijzend; het
koningschap zich tegen den vooruitgang, met den naam van anarchie
bestempeld, verzettend; de theorieën van 89 plotseling tot onder den
grond afgebroken; een Europeesche stilstand aan de Fransche idee,
die de wereld rondgaat, toegeroepen; aan de zijde van den zoon van
Frankrijk, als generalissimus, de prins van Carignan, later Karel
Albert, die in dezen kruistocht der koningen tegen de volken als
vrijwilliger met roode wollen grenadiers epauletten dienst neemt; de
soldaten van het Keizerrijk weder te veld gaande, maar na acht jaren
rust, verouderd, somber en met de witte kokarde; de driekleurige vlag
in den vreemde door een heldhaftig hoopje Franschen opgestoken, zooals
dertig jaren vroeger de witte vlag te Coblentz werd gedaan; de monniken
onder onze soldaten gemengd; de geest van vrijheid en nieuwheid door de
bajonetten tot rede gebracht; de beginselen met kanonschoten vastgezet;
Frankrijk door zijn wapenen vernietigende, wat het door zijn geest
had opgericht; overigens, de vijandelijke opperhoofden omgekocht, de
soldaten aarzelend, de steden belegerd door millioenen; geen militaire
gevaren en toch ontploffingen mogelijk, evenals in elke mijn, die
verrast en genomen wordt; weinig bloed vergoten, weinig eer verworven,
schande voor eenigen, glorie voor niemand; zoodanig was deze oorlog,
begonnen door vorsten, die afstamden van Lodewijk XIV, en geleid door
generaals, die afkwamen van Napoleon. Zij had het treurige lot, noch
den grooten oorlog, noch de groote politiek in herinnering te brengen.
Eenige wapenfeiten waren van beteekenis; de inneming van het Trocadero
o. a. was een schoone militaire daad; maar over 't algemeen geven
de trompetten van dien oorlog een gebarsten geluid, het geheel
was verdacht, de geschiedenis erkent Frankrijk's moeilijkheid in
de aanneming van den valschen triomf. Het bleek klaar, dat sommige
Spaansche officieren met den weerstand belast, te gemakkelijk toegaven,
het idée van omkooping plaatste zich naast de overwinning; het scheen,
dat men eerder de generaals dan de veldslagen had gewonnen, en de
overwinnende keerde beschaamd terug. Een treurige oorlog waarlijk,
waarin men Bank van Frankrijk lezen kon in de plooien der vlag!
Soldaten uit den oorlog van 1808, op wie Saragossa geweldig inéén was
gestort, fronsten de wenkbrauwen in 1823 bij de gemakkelijke opening
der citadellen, en begonnen Palafox te betreuren.
En nog een gezichtspunt is er, dat zeer in 't oog moet worden gevat:
deze oorlog, die den militairen geest neerdrukte, verontwaardigde
dien der democratie. Het was een poging tot onderwerping, tot
dienstbaarmaking. In dien veldtocht was het doel van den Franschen
soldaat, zoon der democratie, de overwinning van een juk voor
anderen. Afschuwelijke tegenstrijdigheid.
Frankrijk is er voor aangewezen, om den geest der volkeren op
te wekken, niet om dien te verstikken. Sedert 1792 zijn alle
revoluties van Europa de Fransche Revolutie; de vrijheid straalt
uit van Frankrijk. De vrijheid is daar de zon. Wie het niet ziet,
is blind! Napoleon heeft het gezegd.
De oorlog van 1823, aanslag op de edelmoedige Spaansche natie, was
dus tevens een aanslag op de Fransche Revolutie. En deze weg van
monsterachtig geweld werd door Frankrijk ingeslagen; door geweld;
want, buiten en behalve de bevrijdingsoorlogen, geschiedt alles
wat de legers doen door geweld. Het woord lijdelijke gehoorzaamheid
duidt het aan. Een leger is een vreemd meesterstuk van samenstel,
waarin de kracht en de macht het gevolg is eener enorm groote som
van onmachtige grootheden. Zoo laat zich de oorlog verklaren, door
de menschheid tegen de menschheid gevoerd, ondanks de menschelijkheid.
Wat de Bourbons betreft, hun was de oorlog van 1823 noodlottig. Zij
hielden hem voor een succes. Zij zagen niet, welk gevaar er in is
gelegen, een idée te laten dooden door een wachtwoord. Zij vergisten
zich in die mate, dat ze, onnoozel genoeg, in hun staatsinstelling als
krachtselement opnamen de onberekenbare verzwakking van een misdaad. De
geest van misleiding en verraad kwam in hun politiek. De kiem van 1830
ligt in 1823. De veldtocht van Spanje werd in hun raadsvergaderingen
een argument voor de Coup's de force en voor de avonturen van het
goddelijk recht. Frankrijk, dat el rey neto hersteld had in Spanje,
kon daar ook den absoluten koning herstellen. Zij vervielen in die
jammerlijke dwaling, dat ze de gehoorzaamheid van den soldaat voor
de toestemming der natie hielden. Dat vertrouwen is de ondergang der
tronen. Men mag evenmin inslapen in de schaduw van een leger als in
die van een giftappelboom.
Maar laten we tot de Orion terugkeeren.
Gedurende de operaties van het leger, aangevoerd door den
prins-generalissimus, kruiste een escader in de Middellandsche
Zee. We zeiden reeds dat de Orion bij dat escader hoorde en dat
het door verschillende zee-omstandigheden in de haven van Toulon
was teruggevoerd.
De aanwezigheid van een oorlogsschip in een haven heeft steeds zeker
iets, dat de menigte lokt en bezig houdt.
Het komt omdat het iets grootsch is, en de menigte het grootsche
bemint.
Een linieschip is een der heerlijkste samenwerkingen van het
menschelijk genie met de macht der natuur.
Een linieschip is samengesteld uit het zwaarste en het lichtste tevens,
wijl het tegelijkertijd met de drie vormen der stof te doen heeft,
met den vasten, vloeibaren en luchtvormigen, en met alle drie moet
worstelen. Het heeft elf ijzeren klauwen om het graniet op den bodem
der zee te grijpen, en meer vleugels en vliezen dan eenig insect,
om den wind in de wolken te vatten. Zijn adem komt uit zijn honderd
twintig kanonnen als uit groote klaroenen, en komt met den donder
overeen. De oceaan tracht het te doen verdwalen in de vreeselijke
gelijkheid zijner golven, maar het schip heeft zijn ziel, zijn kompas,
die het raad geeft en immer het noorden wijst. In donkere nachten
vervangen zijn lantaarns de sterren. Het heeft dus touw en doek tegen
den wind, hout tegen het water, ijzer, koper en lood tegen de rots,
licht tegen de duisternis, een wijzer tegen de onmetelijkheid.
Om zich een denkbeeld te maken van al de reusachtige verhoudingen, wier
geheel het linieschip vormt, behoeft men slechts een der overdekte
hellingen van zes verdiepingen van Brest of van Toulon binnen te
gaan. De daar in aanbouw zijnde schepen staan om zoo te zeggen onder
een stolp. Die reusachtige balk is een ra; deze groote, op den grond
liggende, schier onafzienbare kolom is de groote mast. Van zijn wortel
in de kiel tot aan zijn top in de wolken is hij zestig vademen lang,
en aan zijn basis drie voet in middellijn. De groote Engelsche mast
verheft zich tweehonderd zeventien voet boven de waterlinie. In
vroegeren tijd gebruikte de marine kabels, thans kettingen. De enkele
stapel kettingen op een schip van honderd stukken is vier voet hoog,
twintig voet lang, acht voet breed. En hoeveel hout is er noodig om
zulk een schip te maken? Drie duizend wissen, (vierkante ellen). 't
Is een drijvend woud.
En, men bedenke wel, wij spreken hier slechts van het oorlogsschip
van voor veertig jaren, van het gewone zeilschip; de stoom, toen in
haar geboorte, heeft sedert nieuwe mirakelen gevoegd bij dat wonder,
't welk een oorlogsschip heet. Op dit oogenblik, bij voorbeeld, is
het zeil- en stoomschip een wonderbare machine, voortgestuwd door
een zeilwerk van drie duizend vierkante ellen oppervlakte en een
stoomvermogen van twee duizend vijfhonderd paardekrachten.
Zonder van deze nieuwe wonderen te spreken, is zelfs het oude schip van
Christophorus Columbus en de Ruyter een der grootste kunstgewrochten
van den mensch. Zijn kracht is onuitsprekelijk als het oneindige,
het bewaart den wind in zijn zeilen, het beweegt zich met juistheid
in de ontzaggelijke verwarring der golven; het drijft en heerscht.
Evenwel komt een oogenblik, dat de rukwind deze zestig voet lange ra
als een stroohalm breekt, dat de storm dezen vierhonderd voet hoogen
mast als een riet buigt; dat dit anker 't welk tien duizend pond weegt,
in den muil der baren gekromd wordt als de vischangel in de kieuwen
van een snoek; dat deze monsterachtige kanonnen een jammerend maar
vruchteloos gebrul slaken, 't welk de orkaan in de lucht en den nacht
wegvoert; dat al deze macht, al deze majesteit in een hoogere macht
en majesteit verdwijnen.
Wanneer een ontzaggelijke kracht zich ontwikkelt om in een
ontzaggelijke zwakheid onder te gaan, trekt dit de aandacht des
menschen. Daardoor worden in de zeehavens de nieuwsgierigen, zonder
dat zij er zich zelven rekenschap van geven, tot deze wonderbare
werktuigen van den oorlog en de zeevaart gelokt.
Alzoo waren dagelijks van 's morgens tot 's avonds de kaden en de
havenhoofden van Toulon bedekt met een aantal nieuwsgierigen en
straatslijpers, om naar de Orion te kijken.
Sinds lang was de Orion een uitgediend schip. Op zijn vorige tochten
hadden zich dikke schelplagen aan zijn kiel gehecht, zoodat het
de helft van zijn snelheid had verloren; ten vorigen jare was
het op het droog gehaald om de schelpen er af te krabben, en toen
was het weder in zee gelaten. Maar deze afkrabbing had de bouten
der kiel beschadigd. Op de hoogte der Balearische eilanden had de
sluitrand sterk gewerkt en zich geopend, en dewijl destijds nog geen
ijzeren bekleedingen bestonden, was het schip lek geworden. Een dier
hevige evennachtsstormen had aan bakboordszijde het galjoen en een
geschutpoort ingeslagen, en de fokkemast beschadigd. Tengevolge dezer
averij was de Orion naar Toulon teruggekeerd.
Het schip lag bij het Arsenaal vertuid. Het was nog gewapend en men
was bezig het te herstellen. De romp was aan stuurboordzijde niet
beschadigd, maar, naar gewoonte, was de buitenhuid hier en daar
geopend om lucht in 't hol te laten.
Op zekeren ochtend waren de toeschouwers getuigen van een ontzettend
ongeluk.
De equipage was bezig met de zeilen te reven. De matroos, wien gelast
was het groote marszeil aan stuurboordzijde te vatten, verloor het
evenwicht. Men zag hem waggelen: de menigte op de kade van het arsenaal
verzameld slaakte een kreet, het hoofd sleepte het lichaam mede, de
man draaide om de ra met de handen naar den afgrond gekeerd; hij greep
in zijn val eerst met de eene, toen met de andere hand de ralijn en
bleef er aan hangen. De zee was tot een duizelingwekkende diepte onder
hem. De schok van zijn val had aan de ralijn een geweldig schommelende
beweging gegeven. De man slingerde aan dat touw heen en weder.
't Was ontzettend gevaarlijk hem te hulp te komen. Geen der matrozen,
allen kustvisschers, die eerst onlangs in dienst waren gekomen, durfde
het wagen. Intusschen werd de ongelukkige matroos vermoeid; men kon
zijn doodsangst wel niet op zijn gezicht zien, doch aan al zijn leden
bespeurde men uitputting. Zijn armen rekten zich vreeselijk. Iedere
poging, welke hij deed om zich op te werken, diende slechts om de
ralijn te meer te doen slingeren. Hij schreeuwde niet, ten einde geen
kracht te verliezen. Men verwachtte elk oogenblik niets anders dan
hem het touw te zien loslaten, en telkens draaiden zich de hoofden
om, ten einde hem niet te zien vallen. Er zijn oogenblikken, dat
een eind touw, een staak, een boomtak het leven zelf is, en 't is
vreeselijk om te zien, dat een levend wezen het loslaat en als een
rijpe vrucht neervalt.
Eensklaps zag men een man met de vlugheid van een kat in het want
klimmen. Deze man was in 't rood gekleed; hij was dus een galeislaaf;
hij had een groene muts op, dus een levenslang veroordeelde. Ter
hoogte der mars gekomen, wierp een windvlaag hem de muts af en deed
een geheel wit hoofd zien; hij was dus niet jong.
Inderdaad, een tuchteling, die met anderen uit het bagno op het schip
voor eenigen arbeid werd gebruikt, was dadelijk naar den officier van
de wacht geijld, en onder de verwarring en ontsteltenis der geheele
equipage, terwijl alle matrozen huiverden en terugtraden, had hij
den officier verlof gevraagd zijn leven te mogen wagen om den man te
redden. Op een toestemmend gebaar van den officier had hij met éénen
hamerslag de keten, waaraan zijn been was geboeid, stuk geslagen;
daarna greep hij een touw en had zich in 't want geslingerd. Niemand
had opgemerkt hoe gemakkelijk de keten stuk geslagen was. Eerst later
herinnerde men zich dit.
In een oogenblik was hij op de ra. Hij hield eenige seconden stil en
scheen ze met zijn blik te meten. Deze seconden, gedurende welke de
wind den matroos aan een draad schommelde, schenen eeuwen voor hen die
't aanschouwden. Eindelijk hief de tuchteling de oogen ten hemel en
deed een stap vooruit. De menigte ademde ruimer. Men zag hem over de ra
gaan. Toen hij aan 't eind was gekomen, bond hij een touw, dat hij had
medegebracht, er aan vast en liet het andere eind hangen; vervolgens
liet hij zich langs dit touw afglijden en in doodelijken angst zag
men nu, in plaats van één, twee menschen boven den afgrond hangen.
't Was als een spin, die zich op een vlieg werpt, maar hier bracht
de spin het leven en niet den dood. Duizenden oogen waren op deze
groep gericht. Geen kreet, geen woord, een gelijke siddering fronste
aller wenkbrauwen. Aller monden hielden den adem in, als vreesden zij
het minste tochtje te voegen bij den wind, die de beide rampzaligen
bengelde.
't Was intusschen den tuchteling gelukt tot den matroos te dalen,
't was ook tijd; een minuut langer en de uitgeputte, wanhopende man
zou zich in den afgrond hebben laten vallen; de tuchteling had hem
stevig aan het touw vastgebonden, waaraan hij zich met de eene hand
hield, terwijl hij met de andere zich opwerkte. Eindelijk zag men
hem weder op de ra klauteren en den matroos ophijschen; hij liet
hem hier een oogenblik rusten om hem zijn krachten te doen hernemen;
vervolgens nam hij hem in zijn armen en droeg hem over de ra tot aan
het ezelshoofd, en van daar in de mars, waar hij hem in de handen
zijner kameraden gaf. Op dit oogenblik brak een levendig gejuich uit,
oude galei-opzichters weenden, vrouwen vlogen elkander op de kade om
den hals; en men hoorde uit aller mond, met een soort van verteederde
woede den kreet: genade voor dien man!
Hij was intusschen terstond naar beneden geklommen, om zijn werk te
hervatten. Om er te spoediger te zijn, liet hij zich langs het want
glijden en liep over een benedenra. Aller oogen volgden hem. Een
oogenblik schrikte men; hetzij dat hij vermoeid was, hetzij dat hij
duizelde, men meende hem te zien aarzelen en waggelen. Eensklaps
slaakte de menigte een luiden kreet; de tuchteling was in zee gevallen.
Een gevaarlijke val. Het fregat de Algesiras lag naast de Orion
en de arme tuchteling was tusschen beide schepen gevallen. Het was
te vreezen, dat hij onder het eene of het andere zou drijven. Vier
mannen sprongen haastig in een sloep. De menigte moedigde hen aan;
opnieuw waren alle harten in angst. De man was niet weer boven
water gekomen. Hij was in de zee gevallen zonder een rimpel achter
te laten, als ware hij in een ton olie gevallen. Men peilde, men
dook. Vruchteloos. Men zocht tot den avond; men vond zelfs het
lichaam niet.
Den volgenden dag bevatte het dagblad van Toulon deze weinige
regelen:--"17 November 1823.--Gisteren is een tuchteling, die aan
boord van den Orion op corvée was, nadat hij een matroos uit een
doodsgevaar had gered, in zee gevallen en verdronken. Men heeft
zijn lijk niet kunnen wedervinden. Men vermoedt dat hij onder de
palen aan den kant van 't Arsenaal is geraakt. Deze man stond in
't gevangenisregister onder No. 9430 en heette Jean Valjean."
BOEK III.
VERVULLING VAN DE BELOFTE AAN DE STERVENDE GEDAAN.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE WATERTOESTAND TE MONTFERMEIL.
Montfermeil ligt tusschen Livry en Chelles op den zuidelijken zoom van
het hooge bergplat, dat de Ourque van de Marne scheidt. Tegenwoordig
is het een tamelijk groot dorp, dat het geheele jaar door met witte
villa's, en des Zondags met uitgedoste burgers versierd is. In
1823 zag men te Montfermeil noch zoovele witte huizen, noch zooveel
vergenoegde burgers: 't was niets dan een dorp in een bosch. Men vond
er wel hier en daar eenige lusthuizen der vorige eeuw, herkenbaar
aan hun grootsch voorkomen, hun ijzeren balkons en hooge vensters,
wier kleine glasruiten op de witte gesloten blinden allerlei soort
van groene kleur vertoonen. Montfermeil was evenwel een dorp. De
rentenierende ex-winkeliers en de minnaars van het landleven hadden
het nog niet ontdekt. 't Was een vreedzaam, bekoorlijk oord, waar
geen enkele weg langs liep; men leefde er goedkoop op landelijke
wijs, onbekrompen en gemakkelijk. Alleen het water was er schaarsch,
uithoofde der hooge ligging.
Het moest tamelijk ver gehaald worden. Het einde van het dorp aan de
zijde van Gagny putte zijn water uit de heerlijke vijvers, die daar
in het bosch zijn; het andere einde, dat de kerk omgeeft, en aan de
zijde van Chelles ligt, vond geen drinkbaar water dan aan een kleine
bron, halfweg Chelles, bijna een kwartier van Montfermeil.
't Was voor ieder gezin dus een moeielijk werk zich van 't benoodigde
water te voorzien. De groote huizen, de aristocratie, de kroeg
van Thénardier behoorde hier ook onder, betaalden een oordje voor
iederen emmer aan een ouden man, die hieruit een bestaan maakte,
en die met dit waterbedrijf ongeveer acht stuivers daags verdiende;
maar deze man werkte des zomers slechts tot zeven ure 's avonds,
en des winters tot vijf ure; zoodra het donker was geworden en de
vensterluiken gesloten waren, moest ieder die water wilde hebben het
zelf zien te krijgen of het zonder doen.
Dit was de schrik van het arme wezen, 't welk de lezer wel niet
vergeten zal hebben, de kleine Cosette.
Men herinnert zich, dat Cosette den Thénardier's op tweeërlei
wijze nuttig was: zij lieten zich door de moeder betalen en door
het kind bedienen. Toen de moeder geheel ophield te betalen--men
heeft de reden ervan in de vorige hoofdstukken gelezen--behielden de
Thénardier's evenwel Cosette. Zij verving voor hen een dienstbode. In
deze hoedanigheid nu, ging zij water halen wanneer men 't moest
hebben. Maar het kind, dat zeer bang was 's avonds naar de bron te
gaan, zorgde dat er steeds water in huis was.
Het Kerstfeest van 1823 was te Montfermeil bijzonder schitterend. Het
begin van den winter was zacht geweest, het had nog niet gevrozen of
gesneeuwd. Potsenmakers van Parijs hadden van den maire verlof gekregen
hun tenten in de groote straat van het dorp op te slaan, en een troep
reizende kooplieden had, met gelijke vergunning, hun kramen op het
kerkplein geplaatst, tot in de Bakkersteeg, waar, zooals men zich
misschien zal herinneren, de kroeg van Thénardier stond. Dit vulde
de herbergen en logementen, en gaf aan dit stille oord een woelig,
vroolijk leven. Wij moeten zelfs als trouw geschiedschrijver zeggen,
dat onder de merkwaardigheden die op het plein te zien waren, zich een
menagerie bevond, waarin leelijke, bonte hansworsten, wier herkomst
men niet kon gissen, in 1823 aan de boeren van Montfermeil een dier
ontzaggelijke Braziliaansche gieren vertoonden, welke ons koninklijk
museum eerst sedert 1845 bezit, en wier oogen een driekleurige
kokarde is. De natuurkundigen noemen, meen ik, dezen vogel Caracara
Polyborus, hij behoort tot de orde der apiciden en tot de familie
der gieren. Eenige oud-gedienden van Bonaparte, die nu hier leefden,
gingen dit dier met allen eerbied kijken. De vertooners van den vogel
verzekerden dat de driekleurige kokarde een éénig verschijnsel was,
en opzettelijk door den goeden God voor hun menagerie geschapen.
Dienzelfden Kerstavond zaten verscheidene mannen, voerlieden en
marskramers, in de gelagkamer der herberg van Thénardier om een
tafel met vier of vijf kaarsen te drinken. Deze kamer geleek op alle
herbergkamers; tafels, tinnen kannen, flesschen, drinkers en rookers;
weinig licht, veel leven. De datum van het jaar 1823 was er aangeduid
door de twee destijds bij de burgerklasse in de mode zijnde voorwerpen,
die op de tafel waren, namelijk een kaleidoskoop en een Engelsche lamp
van gewaterd blik. Vrouw Thénardier hield het oog op het avondeten,
dat voor een goed helder vuur brandde; Thénardier dronk met zijn
gasten en sprak over politiek.
Behalve de politieke gesprekken, welke den oorlog van Spanje en
den hertog van Angoulême tot hoofdonderwerp hadden, hoorde men
tusschenbeide onder het leven geheel plaatselijke zaken vermengd,
als b. v.:
--Naar den kant van Nanterre en Suresne is de wijnoogst zeer goed
geweest. Waar men op tien stukken rekende, heeft men er twaalf. 't
Heeft onder de pers veel nat geleverd.--Maar de druif kon niet rijp
zijn?--In die oorden behoeft de druif niet rijp te zijn: zoodra 't
lente is wordt de wijn zwaar.--'t Is dus een lichte wijn?--De wijn
is er nog lichter dan hier, men moet er onrijp oogsten.
Enz.--
Of 't was een molenaar die riep:
--Zijn wij verantwoordelijk voor 't geen in de zakken is? Wij
vinden er een handvol kleine korrels in, die wij den tijd niet
hebben er uit te zoeken en men wel onder den steen moet laten gaan;
't is onkruid; klaverzaad, korenbrand, wikke, hennepzaad, en een
menigte ander tuig, zonder het zand te rekenen dat in sommig koren,
vooral in het Bretonsche, overvloedig is. Ik houd er evenmin van,
Bretonsch koren te malen, als de houtzagers van balken met spijkers
er in te zagen. Ge kunt begrijpen hoeveel slecht stof dit alles
bij de opbrengst geeft. En dan klaagt men over het meel. Men heeft
ongelijk. Wij hebben geen schuld aan 't meel.
Tusschen twee vensters zat aan een tafel een maaier met een
landeigenaar over den prijs te knibbelen voor het maaien van een
weide in 't voorjaar, en zeide:
--'t Kan geen kwaad, dat het gras vochtig is. Des te beter snijdt
het. Om 't even; dat gras, uw gras is jong en nog moeielijk; 't is
te teer en buigt voor de zeis.
Enz.--
Cosette zat op het dwarshout der keukentafel, haar gewone plaats, bij
den schoorsteen; zij was in lompen, met de bloote voeten in klompen,
en breide bij het schijnsel van het vuur wollen kousen voor de kleine
Thénardiers. Een zeer jong katje speelde onder de stoelen. Men hoorde
twee frissche kinderstemmen in een belendend vertrek lachen en praten;
't waren Eponine en Azelma.
In den hoek van den haard hing een karwats aan een spijker.
Bij tusschenpoozen klonk het geschreeuw van een zeer jong kind,
dat ergens in huis was, boven het geraas in de herberg uit. 't Was
een jongentje, dat vrouw Thénardier in een der vorige winters had
gekregen--"zonder te weten waarom," zeide zij: "een gevolg van de
koude,"--en dat iets ouder dan drie jaar was. De moeder had dit
gezoogd, maar beminde het niet. Wanneer het aanhoudend geschreeuw
van den kleine te lastig werd, zeide Thénardier: Uw kleine schreit,
ga toch zien wat hij wil. --Och! antwoordde de moeder, het verveelt
mij.--En de kleine verlatene schreide verder in het donker.
TWEEDE HOOFDSTUK.
VOLTOOIING VAN TWEE PORTRETTEN.
Men heeft de Thénardier's in ons verhaal tot hiertoe van ter zijde
gezien; het oogenblik is gekomen om dit paar van alle kanten te
beschouwen.
Thénardier was over de vijftig jaren; zijne vrouw had bijna haar
veertigste bereikt, dat het vijftigste der vrouw is, zoodat man en
vrouw in ouderdom tegen elkander opwogen.
Misschien hebben de lezers, sedert haar eerste verschijning, nog eenige
herinnering van deze groote, blonde, roode, vette, vleezige, vierkante,
zware en vlugge vrouw Thénardier behouden; zij had iets, wij hebben
't reeds gezegd, van het ras der wilde, kolossale vrouwmenschen,
die op de kermissen het hoofd krommen onder het gewicht der aan
heur haarvlechten gehangen keisteenen. Zij deed alles in het huis,
bedden opmaken, kamers schoonmaken, de wasch, de keuken, zij maakte
regen en zonneschijn en speelde bij gelegenheid voor den duivel. Zij
had geen andere dienstmeid dan Cosette; een muis in den dienst van
een olifant. Alles beefde voor den klank harer stem, vensterruiten,
huisraad en menschen. Haar breed met sproeten bedekt gezicht had het
aanzien van een schuimspaan. Zij had een baard. Zij was het ideaal
van een lastdrager in vrouwenkleeding. Zij vloekte als een matroos
en beroemde er zich op, een noot met een vuistslag te kunnen stuk
slaan. Zoo zij geen romans had gelezen, die soms op zonderlinge
wijze het nufje onder dit manwijf deden te voorschijn komen, zou
't niemand ooit in de gedachte zijn gekomen, haar voor een vrouw te
houden. Deze vrouw Thénardier was als het voortbrengsel der enting
van een juffertje op een vischwijf. Wanneer men haar hoorde spreken
zeide men: 't Is een gendarm; wanneer men haar zag drinken, zeide men:
't Is een voerman; wanneer men haar Cosette zag mishandelen, zeide men:
't Is de beul. Als zij sliep stak een tand uit haar mond.
Thénardier was een klein, mager, bleek, hoekig, knokig, tenger man,
met een ziekelijk gezicht, maar die volkomen gezond was; hiermede
begon zijn bedriegerij. Hij glimlachte gewoonlijk uit voorzorg,
en was schier jegens iedereen beleefd, zelfs jegens den bedelaar,
wien hij een aalmoes weigerde. Hij had het gezicht van een bunsing
en het voorkomen van een geletterde. Hij leek veel op de portretten
van den abt Delille. Hij stelde er een eer in, tegen voerlieden
te drinken. Niemand had hem dronken kunnen maken. Hij rookte uit
een groote pijp. Hij droeg een kiel, en onder zijn kiel een ouden
zwarten rok. Hij gaf zich gaarne den schijn van letterkundige en
materialist. Hij gebruikte gaarne eenige namen, om, wat hij ook zeide,
te staven; Voltaire, Raynal, Parny en, zonderling, St. Augustinus. Hij
verklaarde een "stelsel" te hebben. Overigens was hij een groote
afzetter. Een "filousophe." Zulke samenvoegingen bestaan. Men weet,
dat hij beweerde gediend te hebben; hij verhaalde met eenigen bluf,
dat toen hij bij Waterloo als sergeant bij 't 6e of 9e--'t doet er niet
toe--lichte infanterie stond, hij alleen tegen een escadron zwarte
huzaren "een gevaarlijk gewonden generaal" met zijn lichaam bedekt
en door het schrootvuur heen gered had. Vandaar voor zijn deur zijn
schitterend uithangbord, en de naam van zijn herberg "de sergeant
van Waterloo." Hij was liberaal, classiek en bonapartist. Hij had
voor het Champ d'asile ingeteekend. In het dorp zeide men, dat hij
voor priester had gestudeerd.
Wij gelooven, dat hij eenvoudig in Holland voor herbergier had
gestudeerd. Deze schurk der samengestelde orde was volgens alle
waarschijnlijkheid een Vlaming uit Rijssel in Vlaanderen, een
Franschman te Parijs, een Belg te Brussel, die met gemak schrijlings
op twee grenzen zat. Men kent zijn heldendaad te Waterloo. Men ziet,
dat hij ze een weinig overdreef. Vloed en ebbe, draaien en wenden,
avonturen waren de elementen van zijn leven; een gescheurd geweten
maakt een los leven; en Thénardier behoorde waarschijnlijk, in het
stormachtig tijdstip van 18 Juni 1815, aan die verscheidenheid van
stroopende marketenters, van welke wij gesproken hebben, die door
het land zwerven, aan dezen verkoopende, genen bestelende, en met
een geheel gezin, man, vrouw en kinderen, in een kreupel karretje de
marcheerende troepen volgende, met het instinct zich steeds bij het
overwinnend leger te houden. Na, dezen veldtocht had hij, zooals hij
zeide, iets overgespaard, en was te Montfermeil een herberg begonnen.
Zijn besparingen, die uit beurzen en horloges, gouden ringen en
zilveren kruisen bestonden en in de met lijken bezaaide voren waren
geoogst, maakten geen groot kapitaal uit en hadden den kroeghouder
geworden marketenter niet ver gebracht.
Thénardier had iets onbeschrijfelijk houterigs in zijn gebaar,
dat, bij een vloek, aan de kazerne, en, bij een kruis, aan het
seminarie herinnert. Hij sprak mooi en gaf zich gaarne den schijn van
geleerdheid. De schoolmeester had echter opgemerkt dat hij vaak "groote
bokken" schoot.--Hij wist uitmuntend de rekening der reizigers op te
maken, maar geoefende oogen vonden er veel spelfouten in. Thénardier
was een gluiper, een zwelger, een straatslijper en sluw. Hij verachtte
zijn dienstmeiden niet, waarom zijn vrouw er geen meer hield. Deze
reuzin was jaloersch, zij meende dat deze kleine magere, gele man
het voorwerp der algemeene begeerlijkheid moest zijn.
Thénardier, met zijn listig, berekenend karakter, was een schurk van
de gematigde soort. Deze soort is de ergste; daarmede vermengt zich
de huichelarij.
Thénardier was bij gelegenheid niet minder tot toorn in staat dan
zijne vrouw; maar deze aanvallen waren bij hem zeer zelden, en wijl
hij in zulke oogenblikken het geheele menschelijke geslacht te lijf
wilde, wijl in hem een diepe gloed van haat lag, wijl hij een dier
lieden was, die zich altijd willen wreken, die alles beschuldigen wat
hun voorbijgaat en wat op hen neerkomt, en steeds gereed zijn op den
eerste den beste, als een wettige grieve, het gezamenlijk bedrag hunner
teleurstellingen, bankroeten en rampen des levens te werpen,--wanneer
al deze zuurdeesem in hem gistte en in zijn mond en oogen brandde,
was hij vreeselijk. Wee hem, die dan onder zijne woede kwam!
Buiten zijn overige hoedanigheden was Thénardier oplettend en
scherpzinnig, naar gelegenheid stil of praatachtig, doch altijd met
groote schranderheid. Hij had iets in zijn blik van de zeelieden,
die gewoon zijn in den verrekijker te knipoogen. Thénardier was
een staatsman.
Ieder nieuweling die de kroeg binnentrad en vrouw Thénardier zag,
zeide: zij is de meester in huis. Vergissing. Zij was zelfs de
meesteres niet. De meester en de meesteres was de man. Zij handelde,
hij schiep. Hij bestierde alles met een soort van onzichtbare,
voortdurende magnetische werking. Een woord, soms een wenk was voor
hem voldoende, en de mastodonte gehoorzaamde. Thénardier was voor
vrouw Thénardier, zonder dat zij er zich van bewust was, een soort van
bijzonder en oppermachtig wezen. Zij bezat de deugden van haar soort;
wanneer ze over eenige zaak met "mijnheer Thénardier" in tegenspraak
was geweest--een overigens schier onmogelijke veronderstelling--zou
zij haar man nooit openlijk ongelijk geven, waarin 't ook wezen
mocht. Nooit zou zij, tegenover vreemden, de bij vrouwen zoo gewone
fout gepleegd hebben, den man, zooals men 't noemt, de kroon van 't
hoofd te nemen. Hoewel hun eensgezindheid slechts kwaad ten doel had,
was er toch eerbied in de onderwerping van vrouw Thénardier aan haar
man. Deze berg van gerucht en vleesch bewoog zich onder den pink van
dezen tengeren despoot. 't Was, van haar dwergachtige en bespottelijke
zijde beschouwd, deze groote algemeene zaak: de beheersching der stof
door den geest; want het leelijke heeft soms zijn reden van bestaan,
zelfs in de diepten van het eeuwig schoone. Er was in Thénardier
iets onbekends; vanhier het volstrekte gezag van dezen man op deze
vrouw. In sommige oogenblikken zag zij in hem een brandende kaars;
in andere voelde zij hem als een klauw.
Deze vrouw was een geducht schepsel, dat alleen haar kinderen beminde
en slechts haar man vreesde. Zij was moeder, wijl zij zoogdier
was. Haar moederschap bepaalde zich overigens slechts tot haar
dochters, en strekte, zooals men zien zal, zich niet tot de jongens
uit. Hij, de man, had slechts één gedachte--zich te verrijken.
't Gelukte hem niet. Aan dit groote talent ontbrak een geschikt
tooneel. Thénardier werd te Montfermeil arm, zoo 't mogelijk is
met niets arm te worden; in Zwitserland of in de Pyreneeën zou hij
millionair zijn geworden. Maar waar het lot den herbergier bindt,
moet hij grazen.
Men begrijpt dat het woord "herbergier" hier in beperkten zin is
gebezigd en zich niet over een geheele klasse uitstrekt.
In ditzelfde jaar 1823 had Thénardier ongeveer vijftienhonderd francs
dringende schulden, 't geen hem zeer bezorgd maakte.
Hoe halsstarrig de onrechtvaardigheid van het lot jegens hem was,
Thénardier behoorde tot die menschen, welke het best, het innigst
en op de nieuwste wijze datgene begrijpen, wat bij de barbaarsche
volken een deugd en bij de beschaafde volken een koopwaar is,
de gastvrijheid. Overigens was hij een uitmuntend jachtstrooper en
vermaard wegen de juistheid van zijn schot. Zijn koude kalme glimlach
was bijzonder gevaarlijk.
Zijn herbergiers-theorieën schoten soms als weerlichten uit hem. Hij
had grondregels van zijn beroep, welke hij in den geest zijner vrouw
prentte.--"De plicht van den herbergier," zeide hij haar eenmaal met
nadruk en zachte stem, "is aan ieder die komt gekookte spijs, rust,
licht, vuur, vuile bedlakens, vlooien en beleefdheid te verkoopen;
de reizigers op te houden, de schrale beurzen te ledigen en de
goedgevulde fatsoenlijk te verlichten, de reizende gezinnen huisvesting
te verleenen, den man te snijden, de vrouw te plukken en het kind af
te zetten; in rekening te brengen voor het open venster, het gesloten
venster, den hoek van den haard, den armstoel, den stoel, de bank,
het voetbankje, het veerebed, de matras en den bos stroo; te weten
hoeveel de schaduw den spiegel verslijt en hiervoor te rekenen, en,
bij de vijfmaalhonderd duizend duivels, den reiziger alles te doen
betalen, zelfs de vliegen die zijn hond eet!"
Deze man en vrouw waren de in den echt getreden list en de woede,
een leelijk en vreeselijk span.
Terwijl de man overlegde en berekende, dacht de vrouw niet aan de
afwezende schuldeischers, noch bekommerde zich om het gisteren of
morgen, maar leefde in haar toorn slechts voor 't oogenblik.
Zoodanig waren deze twee wezens. Cosette, die tusschen hen stond,
ondervond hun dubbele werking, als een schepsel, dat onder een
molensteen verpletterd en door een knijptang geknepen wordt. De
man en de vrouw hadden ieder een verschillende handelwijze; Cosette
werd met slagen gebeukt, dat kwam van de vrouw; zij ging blootvoets,
dat kwam van den man.
Cosette was nu boven, dan beneden, waschte, schuurde, boende, veegde,
liep, werkte, sloofde, droeg zware lasten en, hoe klein zij was,
deed het grove werk. Geen medelijden; een wreede meesteres, een
kwaadaardig meester. De kroeg van Thénardier was als een spinneweb,
waarin Cosette gevangen was en beefde. Het ideaal der verdrukking
was in deze treurige dienstbaarheid verwezenlijkt. 't Had iets van
een vlieg, in dienst van spinnen.
Lijdelijk zweeg het arme kind.
Wat heeft in zulke zielen plaats, die reeds van jongs af klein en
naakt onder vreemden zijn gekomen, wanneer zij God verlaten?
DERDE HOOFDSTUK.
DE MENSCHEN MOETEN WIJN, DE PAARDEN WATER HEBBEN.
Er waren vier nieuwe reizigers aangekomen.
Cosette was in treurige gedachten; want, hoewel eerst acht jaren oud,
had zij bereids zooveel geleden, dat zij even sombere mijmeringen
had als eene oude vrouw.
Haar ooglid was blond, tengevolge van een vuistslag, dien Thénardier
haar had gegeven, hetgeen vrouw Thénardier herhaaldelijk deed zeggen:
Hoe leelijk is zij met haar blauwe oog!
Cosette dacht er aan, dat het avond was, laat in den avond; dat zij
onverwacht de kannen en karaffen in de kamers der aangekomen reizigers
had moeten vullen en er geen water meer in 't vat was.
Het stelde haar toch eenigszins gerust, dat men ten huize van
Thénardier weinig water dronk. 't Ontbrak niet aan lieden, die dorst
hadden; maar 't was een dorst die zich liever met wijn dan met water
lescht. Wie een glas water tusschen al die glazen wijn had gevraagd,
zou al deze mannen een wilde hebben toegeschenen. Er was evenwel een
oogenblik, dat het kind beefde; vrouw Thénardier lichtte het deksel op
van een pot die op 't vuur stond, nam een glas en naderde haastig het
watervat. Zij draaide de kraan om; het kind had het hoofd opgericht
en volgde al haar bewegingen. Een dunne waterstraal vloeide uit de
kraan en vulde ten halve het glas.--Zie, er is geen water meer! zeide
zij en zweeg toen een oogenblik. Het kind hield haar adem in.
"Nu," hernam vrouw Thénardier, het halfvolle glas beziende, "'t zal
wel genoeg zijn."
Cosette hervatte haar arbeid, maar langer dan een kwartieruurs voelde
zij haar hart als een hamer in haar borst kloppen.
Zij telde de minuten, die aldus verliepen, en had wel gewenscht,
dat reeds de volgende morgen daar was.
Nu en dan zag een der drinkers naar de straat en riep:--'t Is zoo
donker als in een oven!--of:--Men moet een kat zijn om in dit uur
zonder lantaarn uit te gaan!--En Cosette rilde.
Eensklaps trad een der in de herberg logeerende kramers binnen,
en zeide met ruwe stem:
"Men heeft mijn paard geen water gegeven."
"O, zeker," zei vrouw Thénardier.
"Ik zeg u van neen, vrouw," hernam de koopman.
Cosette was van onder de tafel gekomen.
"Ja, gewis, mijnheer," zeide zij, "het paard heeft gedronken, het
heeft uit den emmer, den emmer leeg gedronken; ik zelve heb het te
drinken gegeven en er meê gepraat."
't Was niet waar, Cosette loog.
"Zie, zoo'n klein ding eens brutaal liegen," riep de koopman uit. "Ik
zeg u, dat het paard niet gedronken heeft, kleine deugniet. Het
snuift op bijzondere wijze als het niet gedronken heeft, ik weet het
heel juist."
Cosette hield vol en voegde er met een van angst bevende stem bij,
die men nauwelijks kon verstaan:
"En 't heeft zelfs zeer veel gedronken."
"Nu," hernam de koopman vergramd, "'t doet er niet toe; laat men mijn
paard te drinken geven en daarmede uit."
Cosette keerde onder de tafel terug.
"Ge hebt gelijk," zei vrouw Thénardier, "zoo het dier niet gedronken
heeft, moet het drinken."
En een blik om zich slaande:
"Nu, waar is ze?"
Zij bukte en ontdekte Cosette stijf aan 't andere einde der tafel,
schier onder de voeten der drinkers.
"Wilt ge komen?" riep vrouw Thénardier.
Cosette kwam uit den hoek, waarin zij zich verborgen had. Vrouw
Thénardier hernam:
"Welaan, ondeugend nest, geef het paard water."
"Maar er is geen water meer, madame," zei Cosette bedeesd.
Vrouw Thénardier deed de voordeur wagenwijd open en hernam:
"Nu, ga 't dan halen!"
Cosette boog het hoofd en nam een ledigen emmer, die in den hoek van
den schoorsteen stond.
Deze emmer was grooter dan zij zelve, en 't kind had er gemakkelijk
in kunnen zitten.
Vrouw Thénardier keerde naar het vuur terug en proefde met een houten
lepel 't geen in den pot was, daarbij brommende:
"Er is rijkelijk water in. Nu, daarom is 't niet slechter. Ik geloof
dat ik de uien wel had kunnen sparen."
Toen zocht zij in een lade, waarin klein geld, peper en sjalotten
waren, en zeide:
"Daar, juffer pad, breng als ge terugkomt een grof brood van den
bakker mede; hier hebt ge een vijftien-stuiversstuk."
Cosette had een zakje in haar voorschoot; zonder te spreken nam zij
het geld en stak het in dat zakje.
Toen bleef zij stijf staan, met den emmer in de hand, voor de open
deur. Zij scheen te wachten, tot men haar te hulp kwam.
"Ga toch!" riep vrouw Thénardier.
Cosette ging. De deur sloot zich achter haar.
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN POP KOMT OP HET TOONEEL.
De rij kramen strekte zich, zooals men zich herinnert, van de kerk tot
aan de herberg van Thénardier uit. Al deze kramen waren, in afwachting
der inwoners die naar de middernachtmis zouden gaan, met kaarsen in
papieren lantaarns verlicht, 't geen, zooals de schoolmeester van
Montfermeil zeide, die op dit oogenblik in de herberg van Thénardier
zat, een "tooverachtige uitwerking" deed. Daarentegen zag men geen
enkele ster aan den hemel.
De laatste dezer kramen, die juist tegenover Thénardier's deur stond,
was vol blinkende, rinkelende goederen, glaswaren en prachtige blikken
voorwerpen. Vooraan in de kraam had de koopman tegen een achtergrond
van witte servetten, een groote twee voet hooge pop geplaatst, in
rose krip gekleed, met gouden koornaren op 't hoofd, met echt haar
en porseleinen oogen. Den geheelen dag was dit wonder van verbazing
voor de jeugd uitgestald geweest, zonder dat te Montfermeil een
moeder was gevonden, rijk of scheutig genoeg om ze voor haar kind te
koopen. Eponine en Azelma hadden uren in haar beschouwing doorbracht,
en zelfs Cosette had, hoewel steelsgewijze, ze durven begluren.
Toen Cosette met haar emmer in de hand uitging, kon zij zich niet
weerhouden, hoe treurig en neerslachtig ze ook was, de oogen naar
deze wonderschoone pop, naar deze dame, zooals zij ze noemde, op te
slaan. Het arme kind was als versteend blijven staan. Zij had de pop
nog niet van nabij gezien. De geheele kraam scheen haar een paleis,
deze pop was geen pop, maar een verschijning. 't Was de vreugd, de
luister, de rijkdom, het geluk, die in een soort van denkbeeldigen
glans voor het kleine rampzalige wezen verschenen, dat zoo diep in
een vreeselijke koude ellende gedompeld was. Cosette mat, met de
onnoozele en treurige schranderheid der kindsheid, den afgrond die
haar van deze pop scheidde. Zij dacht dat men ten minste koningin of
prinses moest zijn om "zoo iets" te hebben. Zij aanschouwde dat fraaie
rosé kleed, dat glad gestreken haar, en dacht: Hoe gelukkig moet deze
pop zijn! Haar oogen konden zich van deze betooverende kraam niet
afwenden. Hoe meer zij staarde, hoe meer zij werd verbijsterd. Zij
meende den hemel te zien. Achter de groote stonden andere poppen,
die haar feeën en geniën schenen. De koopman, die in zijn kraam heen
en weder ging, kwam haar eenigszins als onze lieve Heer voor!
In haar verrukking vergat zij alles, zelfs de boodschap waarmede zij
belast was. Eensklaps riep de ruwe stem van vrouw Thénardier haar tot
de wezenlijkheid terug:--"Hoe, deern! Zijt ge nog niet weg! Wacht, ik
zal bij u komen! Ik vraag u, wat doet ge daar toch! klein monster, ga!"
Vrouw Thénardier had even op straat gezien, en Cosette in hare
verrukking opgemerkt.
Cosette ijlde met haar emmer heen, en liep zoo hard zij kon.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE KLEINE ALLEEN.
Dewijl de herberg van Thénardier in dat gedeelte van 't dorp stond,
dat bij de kerk is, moest Cosette het water uit de bron in het bosch
naar den kant van Chelles halen.
Zij sloeg geen blik meer naar de kramen.
Zoolang zij in de Bakkerssteeg en in de nabijheid der kerk was,
verlichtten de kaarsen in de kramen haar weg, maar spoedig verdween
het laatste licht der laatste kraam. Toen bevond het arme kind zich
in de duisternis. Zij begaf er zich in. Door de ontroering waarin zij
was, deelde zich haar onrust ook aan den emmer mede. Het gerucht dat
de krijschende hengel maakte, vergezelde haar in haar loop.
Hoe verder zij kwam, des te dikker werd de duisternis. Er was
niemand meer op de straat. Evenwel ontmoette zij een vrouw, die in 't
voorbijgaan het hoofd omkeerde, staan bleef en binnensmonds prevelde:
Waar mag dat kind toch heengaan? Is 't een jonge weerwolf?--Maar toen
de vrouw Cosette herkende, zeide zij:--'t Is de Leeuwerik.
Zoo doorkruiste Cosette den doolhof van kromme, eenzame
straten, waarin, aan den kant van Chelles, het dorp Montfermeil
uitloopt. Zoolang er huizen, of zelfs maar muren aan de zijden van
haar weg waren, ging zij tamelijk stoutmoedig voort. Nu en dan zag
zij het schijnsel van een licht door de reet van een vensterluik; 't
was licht en leven, er waren menschen en dat stelde haar gerust. Hoe
verder zij echter voortging, des te langzamer werd als werktuiglijk
haar tred. Voorbij den hoek van het laatste huis gekomen, bleef
Cosette staan. Voorbij de laatste kraam te gaan was moeielijk geweest;
verder dan het laatste huis te gaan werd onmogelijk. Zij zette den
emmer neder, sloeg haar hand in het haar en krabde langzaam 't hoofd,
een eigenaardige beweging van kinderen die ontsteld en besluiteloos
zijn. 't Was nu Montfermeil niet meer, 't was het open veld. Een
donkere, eenzame ruimte lag voor haar. Wanhopend aanschouwde zij deze
duisternis, waarin geen mensch was, waarin dieren, waarin misschien
spoken waren. Zij staarde angstvallig en hoorde dieren in het gras
loopen, zij zag duidelijk spoken zich in de boomen bewegen. Toen
greep zij weder den emmer; de angst gaf haar moed:--Ha! zeide zij,
ik zal haar zeggen dat er geen water meer was.--En onversaagd trad
zij Montfermeil weder binnen.
Nauwelijks was zij honderd schreden gegaan, toen zij weder stilhield
en haar hoofd krabde. Nu was het vrouw Thénardier die voor haar
verscheen; vrouw Thénardier vreeselijk met haar hyena'smond en
vlammenden toorn in de oogen. Het kind sloeg een erbarmelijken blik
voor en achter zich. Wat te doen? Wat zou van haar worden? Waarheen te
gaan? Voor zich het spookbeeld van vrouw Thénardier; achter zich al
de verschijningen van den nacht en het bosch. Voor vrouw Thénardier
deinsde zij achteruit. Zij sloeg weder den weg naar de bron in en
begon te loopen. Loopende verliet zij het dorp, en loopende trad zij
in het bosch, naar niets meer ziende, naar niets meer luisterende. Zij
hield niet eerder op met loopen dan toen de adem haar ontbrak; zij
ging echter langzamer voort, gejaagd en hijgend.
Onder 't gaan had zij grooten lust tot schreien.
De nachtelijke huivering van het bosch omgaf haar.
Zij dacht, zij zag niet meer. Dit kleine wezen stond tegenover den
onmetelijken nacht. Volslagen duisternis aan de eene zijde, een nietig
stofdeeltje aan de andere.
Van den zoom van 't bosch tot de bron was de afstand slechts zeven of
acht minuten. Cosette kende den weg, wijl zij dien meermalen over dag
had afgelegd! Zonderling, zij verdwaalde niet. Een soort van instinct
leidde haar. Echter sloeg zij de oogen noch rechts noch links, uit
vrees, iets in de takken en het struikgewas te zien. Eindelijk kwam
zij aan de bron.
't Was een natuurlijke kuip, door het water in den leemachtigen
bodem uitgehold, van omstreeks twee voet diep, omgeven van mos en
hoog gerimpeld gras, kraagjes van Hendrik IV genoemd, en geplaveid
met eenige groote steenen. Een stil kabbelend beekje stroomde er uit.
Cosette gunde zich den tijd niet om te ademen. Het was zeer donker,
maar Cosette was gewoon aan die fontein te komen. Met de linkerhand
zocht zij in de duisternis een over de bron gebogen jongen eik,
die haar gewoonlijk tot steunpunt diende, vond een tak, vatte dien,
bukte en dompelde den emmer in 't water. Zij was in zulk een hevige
overspanning, dat haar kracht verdrievoudigd was. Terwijl zij alzoo
voorover was gebogen, lette zij er niet op, dat iets uit het zakje
van haar voorschoot in de bron viel. Het vijftienstuiversstuk viel in
't water. Cosette zag noch hoorde het vallen. Zij haalde den emmer
schier vol op en zette hem op het gras.
Dit gedaan hebbende, gevoelde zij zich uitgeput van vermoeienis. Zij
had wel dadelijk willen terugkeeren; maar haar inspanning, om den
emmer te vullen, was zoo groot geweest, dat zij onmogelijk een voet
kon verzetten. Zij moest een oogenblik rusten. Zij liet zich op het
gras neer en bleef er gehurkt zitten.
Zij sloot de oogen en opende ze weder, zonder te weten waarom, doch
zij kon niet anders. Naast haar vormde het deinende water in den
emmer nog kringen, die als slangen van wit vuur geleken.
Boven haar hoofd was de hemel met groote, zwarte wolken bedekt, die
als rook voorbijdreven. Het treurig masker der duisternis scheen zich
eenigszins over dit kind te hangen.
Jupiter verschool zich achter de wolken.
Met ontstelden blik aanschouwde het kind deze groote ster, welke zij
niet kende en die haar vrees inboezemde. De planeet was inderdaad op
dat oogenblik zeer dicht aan den horizon en scheen door een dichten
nevel, die haar een vreeselijk rood gaf. De purperkleurige nevel
vergrootte de ster. Zij was als een lichtgevende wond. Een koude wind
blies over de vlakte. Het bosch was donker, zonder bladerengeritsel,
zonder de minste avondschemering. Dreigend verhieven zich de hooge
takken. Het kleine struikgewas floot over de open plekken. Het hooge
gras wemelde als alen onder den nachtwind. De braamstruiken geleken
uitgestoken armen met klauwen gewapend, om haar prooi te vatten. Dorre
heidestruiken, door den wind voortgedreven, vlogen voorbij en schenen
verschrikt voor iets te vluchten, dat naderde. Aan alle zijden was
't een somber verschiet.
De duisternis is duizelingwekkend. De mensch heeft licht noodig. Wie
zich in 't do
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/37663