Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag
by Jonathan Swift · Dutch · Gutenberg #37442 · 313,942 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag
Author: Jonathan Swift
Translator: Albert Verwey
Release date: September 15, 2011 [eBook #37442]
Most recently updated: January 8, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/37442
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GULLIVER'S REIZEN NAAR LILLIPUT EN BROBDINGNAG ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
GULLIVER'S REIZEN
Naar
Lilliput en Brobdingnag,
Door
JONATHAN SWIFT.
Vertaald Door
Albert Verwey.
Met 23 afbeeldingen.
Uitgave van
Gebroeders E. & M. Cohen, Amsterdam
Heerengracht 326
DE REIS NAAR LILLIPUT.
EERSTE HOOFDSTUK.
De schrijver deelt het een en ander mede over zichzelf en zijn
familie.--Zijn eerste aanleiding tot op reis gaan.--Hij lijdt
schipbreuk en zwemt om zijn leven te redden.--Hij komt veilig
aan land in het rijk Lilliput.--Wordt gevangen genomen en het
land ingevoerd.
Mijn vader had een kleine bezitting in Nottinghamshire; ik was de derde
van vijf zoons. Hij zond mij naar de Emanuelschool in Cambridge, toen
ik veertien jaar was, waar ik drie jaar bleef, en me ijverig op mijn
studies toelegde; maar daar de kosten van mijn onderhoud, ofschoon ik
maar een heel kleine toelaag kreeg, te groot waren voor een beperkt
fortuin, werd ik in de leer gedaan bij den heer James Bates, een
voornaam geneesheer in Londen en bleef bij hem vier achtereenvolgende
jaren; en daar mijn vader mij nu en dan een sommetje geld zond,
gebruikte ik dat om de scheepvaart te leeren, en andere deelen van
de wiskunde, die van nut zijn voor hen, die zich voorstellen te gaan
reizen, zooals ik altijd geloofde, dat ik op den een of anderen tijd
nog wel eens zou doen. Toen ik den heer Bates verliet, ging ik naar
mijn vader in de provincie, waar ik, met behulp van hem, mijn oom Jan,
en een paar andere bloedverwanten, veertig pond bij elkaar kreeg,
en een belofte van dertig pond 's jaars om me te laten studeeren in
Leiden. Daar studeerde ik twee jaar en zeven maanden in de geneeskunde,
omdat ik wist dat ik daar nut van hebben kon op lange reizen.
Kort na mijn terugkomst van Leiden, werd ik, op aanbeveling van mijn
goeden meester, den heer Bates, dokter op de Swallow, gezagvoerder
kaptein Abraham Pannell; bij wien ik drie en half jaar bleef en in
dien tijd een reis of twee maakte naar de Levant en een paar andere
streken. Toen ik terugkwam, besloot ik, mij in Londen te vestigen;
waartoe de heer Bates mij aanspoorde; en door hem werd ik aanbevolen
bij verscheidene patiënten. Ik ging een deel van een klein huis in de
Old Jewry bewonen; en daar men mij den raad gaf te trouwen, huwde ik
Mrs Mary Burton, tweede dochter van Mr. Edmund Burton, winkelier in
gebreide goederen, in Newgate Street, die mij vierhonderd pond als
bruidschat aanbracht.
Maar daar mijn goede meester Bates twee jaar later stierf en ik weinig
vrienden had, begon mijn zaak te verloopen; óok omdat mijn geweten
mij niet toeliet de kwade praktijken van te veel van mijn vakbroeders
na te doen. Nadat ik daarom mijn vrouw en enkele van mijn kennissen
geraadpleegd had, besloot ik weer naar zee te gaan. Achtereenvolgens
was ik toen dokter op twee schepen, en maakte verscheidene reizen,
gedurende zes jaar, naar Oost- en West-Indië, waardoor mijn vermogen
een weinig toenam. Mijn vrije uren besteedde ik met het lezen van de
beste schrijvers, antieke en moderne, waarvan ik altijd een goede
hoeveelheid bij mij had; en, als ik aan land was, met het opmerken
van de gewoonten en neigingen van het volk en het leeren van hun taal;
waarin ik heel vlug was, omdat ik zoo'n sterk geheugen heb.
Toen de laatste van deze reizen niet erg gelukkig uitviel, kreeg ik
genoeg van de zee, en nam me voor thuis te blijven bij mijn vrouw en
mijn familie. Ik verhuisde van de Old Jewry naar Fetter Lane, en daar
vandaan naar Wapping, in de hoop patiënten onder de zeelui te krijgen;
maar het leverde niets op. Na drie jaar wachten of de zaken beter
zouden gaan, nam ik een voordeelig aanbod aan van Kaptein William
Prichard, schipper van de Antilope, die een reis ging maken naar de
Zuidzee. Wij gingen onder zeil, uit Bristol, den 4den Mei 1609, en in
't eerst was onze reis voorspoedig.
Het zou, om sommige redenen, niet gepast zijn, den lezer lastig te
vallen met bijzonderheden van onze lotgevallen in die zeeën; het
is voldoende als ik meedeel, dat wij, in onzen overtocht vandaar
naar Oost-Indië, door een hevigen storm noordwest van Van Diemens
Land gejaagd werden. Volgens onze waarneming bevonden wij ons op een
breedte van 30 graden 2 minuten zuidelijk. Twaalf van onze bemanning
waren doodgegaan door overmatigen arbeid en slecht voedsel; al de
anderen waren erg verzwakt. Op den 5den November, in die streken het
begin van den zomer, en terwijl het bar mistig weer was, bespeurde
het volk een rots binnen halve kabelslengte van het schip; maar de
wind was zoo zwaar, dat we regelrecht erop gejaagd werden en het
schip onmiddellijk stukstiet. Zes van de bemanning, waarvan ik een
was, lieten de boot in zee, en probeerden het schip en de rots kwijt
te raken. Wij roeiden, naar mijn berekening, omstreeks drie mijlen,
totdat we niet meer konden, want al aan boord waren op geweest van
't werken. Wij dreven daarom maar voort, op 't geluk van de golven;
en binnen nagenoeg een half uur lag de boot omgekanteld door een
plotselinge windvlaag uit het Noorden. Wat er werd van mijn makkers in
de boot, en van die zich op de rots redden, of van die in het schip
bleven, kan ik niet zeggen, maar ik onderstel, dat ze allemaal zijn
omgekomen. Ik, voor mij, zwom, waar de Fortuin me hebben wou, en liet
me door wind en vloed voortduwen. Dikwijls liet ik mijn beenen zakken,
en kon geen grond voelen; maar toen ik bijna dood-op was, en geen
kracht meer had om me op te houden, merkte ik dat ik mijn diepte had;
de storm was toen juist vrijwel gaan liggen. De strandhelling was zoo
flauw, dat ik bijna een uur liep eer ik op 't droge was, wat, naar
gissing, gebeurde omstreeks acht uur 's avonds. Ik liep toen nog bijna
een halve mijl vooruit, maar ontdekte nergens eenig spoor van huizen
of bewoners; tenminste, als ze er waren, was ik te zwak dan dat ik ze
kon zien. Ik was verschrikkelijk moê en daardoor, en door de hitte,
en door bijna een halve pint brandewijn, dien ik gedronken had eer ik
van het schip ging, voelde ik me heel geneigd gauw te gaan slapen. Ik
ging op het gras liggen, dat heel kort en zacht was, waar ik vaster
sliep dan ik me ooit in mijn leven herinner gedaan te hebben; en,
naar mijn berekening, meer dan negen uur; want toen ik wakker werd
was het juist dag. Ik trachtte op te staan, maar was niet in staat
me te bewegen; want, zooals ik lag, op mijn rug, vond ik mijn armen
en beenen stevig vastgemaakt aan weerszijden aan den grond, en mijn
haar, dat lang en dik was, net zoo. Ook voelde ik allerlei smalle
banden dwars over mijn lichaam, van mijn oksels tot mijn dijen. Ik
kon alleen naar de hoogte kijken: de zon begon warm te worden en het
licht deed mij zeer in mijn oogen. Ik hoorde een verward gesoes om me
heen, maar in de houding, waarin ik liggen moest, kon ik niets zien,
als de lucht. Na een poosje voelde ik iets levends op mijn linkerbeen
bewegen, dat zachtjes vooruit kwam over mijn borst, en zoo staande,
bijna tot de hoogte van mijn kin kwam; en toen ik mijn oogen zoover
ik kon neerboog, merkte ik dat het een menschelijk wezentje van nog
geen zes duim hoog was, met een pijl-en-boog in zijn handjes en een
pijlkoker op zijn rug. Tegelijkertijd voelde ik, dat tenminste nog
veertig, naar ik giste van dezelfde soort, dien eersten volgden. Ik
was in de uiterste verbazing, en schreeuwde zóó hard, dat ze allemaal
in doodsangst weer wegliepen; en eenige van hen werden, zooals mij
later gezegd werd, ernstig gekneusd door den val dien zij deden,
toen ze in eens van mijn zijden af op den grond sprongen.
Zij kwamen echter gauw weerom; en een van hen, die zich zóó ver
waagde, dat hij mijn heele gezicht zien kon, riep, zijn handen en
oogen opheffende bij wijze van verwondering, met een schrille, maar
duidelijke stem: Hekinah degul: de anderen herhaalden dezelfde woorden
verscheidene malen; maar ik wist toen niet wat zij beteekenden. Ik
lag al dien tijd, zooals de lezer wel gelooven zal, lang niet
gemakkelijk. Maar, al worstelende om los te komen, had ik, eindelijk,
het geluk de koorden te breken en de pinnen uit te wrikken, die mijn
linkerarm aan den grond hielden; want, door hem op te lichten naar mijn
gezicht toe, ontdekte ik op wat voor manier zij me gebonden hadden; en
tegelijkertijd maakte ik, met een hevigen ruk, die me erge pijn deed,
de koorden wat losser, die mijn haar aan de linkerzij bevestigden,
zoo dat ik juist zoowat in staat was mijn hoofd twee duim om te
draaien. Maar de wezentjes gingen nu de tweede maal aan den haal,
voordat ik ze pakken kon; waarop er een groot geschreeuw opging,
heel schril, en toen dat uit was, hoorde ik een van hen uitroepen:
Tolgo phonac, waarna ik in één oogenblik meer dan honderd pijlen
op mijn linkerhand voelde afgeschoten, die mij prikten als zooveel
naalden; en zag bovendien, dat zij nog een heele vlucht pijlen in de
lucht schoten, zooals wij met bommen doen in Europa, waarvan vele,
naar ik vermoed, want ik voelde er geen een van, op mijn lichaam
vielen, en sommige op mijn gezicht, waar ik dadelijk mijn linkerhand
over heen hield. Toen die pijlenregen over was, lag ik te kreunen
van pijn en boosheid; en toen, omdat ik weer probeerde los te komen,
kreeg ik nog een lading, grooter dan de eerste, en sommigen poogden,
met speren, mij in de zijden te steken; maar, gelukkig, had ik een
leeren wammes aan, waar ze niet doorheen konden. Het leek mij toen het
voorzichtigst mij stil te houden; en ik overlegde bij mijzelf daarmee
voort te gaan tot 's nachts, wanneer ik, nu mijn linkerhand al los was,
mij gemakkelijk zou kunnen vrijmaken. Wat de inwoners betrof, had ik
reden te gelooven, dat ik een portuur zou wezen voor de grootste legers
die zij tegen mij op de been konden brengen; als ze tenminste allen
van dezelfde grootte waren als de eene, dien ik gezien had. Maar het
lot had anders over mij beslist. Toen het volk zag dat ik stil was,
schoten zij geen pijlen meer af; maar aan het lawaai dat ik hoorde,
merkte ik dat hun aantal toenam: en ongeveer vier el van mij af,
vlak tegenover mijn rechteroor, hoorde ik, gedurende meer dan een
uur, een geklop als van timmervolk aan het werk; en zag, toen ik mijn
hoofd dien kant uitdraaide, zoover als de koorden en pinnen mij dat
toelieten, een stellage gebouwd, zoowat anderhalven voet van den grond,
waarop vier van de inboorlingen staan konden, met twee of drie ladders
om erop te gaan; van waaraf één, die een heer van gewicht scheen
te wezen, een lange rede tegen mij hield, waar ik geen syllabe van
verstond. Hier had ik nog moeten doen opmerken, dat die hoofdpersoon,
vóór hij zijn rede begon, driemaal uitriep: Langro dehul san; (deze
woorden en de vorige werden mij later herhaald en uitgelegd); waarop
onmiddellijk omstreeks vijftig van de inwoners de koorden doorsneden,
die de linkerzij van mijn hoofd vasthielden, en mij zoo de vrijheid
gaven het naar rechts te draaien en de gestalte en het voorkomen
te zien van den man, die spreken ging. Hij leek me van middelbaren
leeftijd, en grooter dan de andere drie die bij hem waren; waarvan
de een een page was, die zijn sleep ophield, en een beetje langer
leek dan mijn middelvinger; de twee anderen stonden aan weerszijden
van hem. Hij was uitstekend in de rol van een redenaar; en ik kon
nagaan sommige volzinnen met bedreigingen en andere met beloften,
medelijden en vriendelijkheid. Ik antwoordde in enkele woorden, maar
op de onderdanigste manier, terwijl ik mijn linkerhand en allebei mijn
oogen naar de zon ophief, alsof ik die tot getuige nam; en daar ik
nagenoeg dood van den honger was, want ik had geen stuk gegeten sinds
eenige uren voor ik van het schip ging, werd de natuur me zoo sterk,
dat ik niet laten kon mijn ongeduld te toonen (misschien een beetje
tegen de strenge regelen van welvoegelijkheid) door herhaaldelijk
mijn vinger aan mijn mond te brengen, om te kennen te geven, dat
ik eten noodig had. De Hurgo (want zoo noemen zij een groot heer,
zooals ik later vernam) begreep me volkomen. Hij ging van de stellage
af, en beval dat een aantal ladders tegen mijn zijden zouden gezet
worden, waar toen meer dan honderd van de inwoners boven-op klommen,
en naar mijn mond wandelden, allen beladen met manden vol vleesch,
dat aangevoerd en verzonden was op bevel van den koning, zoodra die
bericht omtrent mij ontvangen had. Ik merkte op, dat daar vleesch van
allerlei dieren was, maar kon ze niet door mijn smaak herkennen. Er
waren schouders, bouten en lendenstukken, gevormd als van schapen,
en uitstekend toebereid, maar kleiner dan leeuweriks-vleugels. Ik at
ze bij twee of drie in een mondvol, en nam drie brooden tegelijk,
elk zoowat van de grootte van een musketkogel. Zij voorzagen mij
zoo snel zij konden, en toonden duizend teekenen van verbazing
en ontzetting over mijn omvang en mijn eetlust. Toen gaf ik hun te
verstaan, dat ik drinken wou hebben. Aan mijn eten hadden zij gezien,
dat een kleine hoeveelheid niet genoeg voor me was; en, daar ze een
allervindingrijkst volk waren, heschen ze, met groote behendigheid,
een van hun grootste okshoofden op, rolden dat naar mijn hand en
sloegen er den boôm uit. Ik dronk het in één slok leeg, wat ook best
kon, want het hield geen halve pint, en het smaakte als een licht
Bourgondisch wijntje, maar veel lekkerder. Zij brachten me een tweede
okshoofd, dat ik net zoo uitdronk, en vroeg toen om meer; maar meer
hadden ze niet. Toen ik deze wonderen verricht had, schreeuwden zij
van pleizier, en dansten op mijn borst, en riepen verscheiden malen,
juist als zij in den beginne gedaan hadden, Hekinah degul. Zij
vroegen mij met teekens de twee okshoofden naar beneden te gooien,
maar vooraf waarschuwden zij het volk beneden uit den weg te gaan,
door te roepen Borach mivolah; en toen zij de vaten in de lucht zagen,
was er een algemeen geschreeuw van Hekinah degul. Ik moet zeggen,
dat ik dikwijls in de verzoeking kwam, terwijl zij zoo vooruit en
achteruit over mijn lichaam wandelden, veertig of vijftig, die het
eerst onder mijn bereik kwamen, op te grijpen en tegen den grond te
smijten. Maar de herinnering aan wat ik gevoeld had, wat waarschijnlijk
nog niet het ergste was wat ze doen konden, en ook mijn woord van
eer dat ik hun gegeven had--want als zoodanig beschouwde ik mijn
onderdanige gedragingen--dreven deze voornemens weg. Bovendien achtte
ik mij nu door de wetten der gastvrijheid verplicht aan dit volk, dat
mij met zooveel kosten en pracht onthaald had. Ondertusschen kon ik
mij in stilte niet genoeg verbazen over de stoutmoedigheid van deze
stervelingen in miniatuur, die het durfden wagen op mijn lichaam te
klimmen en er over heen te wandelen, terwijl een van mijn handen vrij
was, en niet al beefden bij het enkele zien van zoo'n monsterachtig
wezen, als ik toch voor hen moest zijn. Na eenigen tijd, toen zij
zagen dat ik niet meer om eten vroeg, verscheen vóór me een heer van
hoogen rang van wege Zijne Keizerlijke Majesteit. Zijne Excellentie
kwam, nadat hij eerst op den enkel van mijn rechterbeen geklommen was,
vooruit tot aan mijn gezicht, met zoowat een dozijn van zijn gevolg,
en terwijl hij zijn geloofsbrieven voor den dag haalde, voorzien
van het keizerlijk zegel, dat hij vlak bij mijn oogen hield, sprak
hij nagenoeg tien minuten zonder een blijk van boosheid, maar met
een soort van welbesloten vastberadenheid; daarbij wees hij telkens
vooruit, zooals ik later merkte, naar de hoofdstad, een halve mijl
daar vandaan, waarheen Zijne Majesteit in den raad besloten had dat ik
vervoerd zou worden. Ik antwoordde met een paar woorden, zoo maar wat,
en maakte een gebaar met de hand die los was, door daarmee eerst de
andere aan te raken (maar over het hoofd van Zijne Excellentie heen,
uit vrees dat ik hem of zijn gevolg bezeeren zou), en toen mijn eigen
hoofd en lichaam, om daarmede te kennen te geven, dat ik nu vrij wou
wezen. Het bleek dat hij me uitstekend begreep, want hij schudde zijn
hoofd afkeurend en hield zijn hand zoo, alsof hij wou uitdrukken,
dat ik als een gevangene moest vervoerd worden. Evenwel maakte hij
ook andere gebaren, om me te doen begrijpen, dat ik eten en drinken
genoeg zou krijgen en een heel goede behandeling. Toen dacht ik er nog
eens aan te beproeven mijn banden te breken; maar onder den indruk
van de pijn, die hun pijlen mijn gezicht en handen gedaan hadden,
die heelemaal stuk waren, en waar een heeleboel pijlen nog in staken,
en ook bemerkende, dat het aantal van mijn vijanden vermeerderde,
gaf ik door teekens te kennen, dat zij alles met mij doen mochten
wat zij wilden. Daarop vertrokken de Hurgo en zijn gevolg met veel
beleefdheid en opgeruimde gezichten. Spoedig daarna hoorde ik een
algemeen geschreeuw, met voortdurend herhalen van de woorden Peplom
selan; en ik voelde groote hoopen volk aan mijn linkerzijde de koorden
zooveel losmaken, dat ik in staat was mij naar rechts te draaien. Eerst
evenwel hadden zij mijn gezicht en mijn handen bestreken met een
soort van zalf, zeer aangenaam van geur, die, in een minuut of wat,
al de pijn van hun pijlen wegnam. Deze omstandigheden, samen met de
verfrissching die ik door hun eten en drinken, dat zeer voedzaam was,
ondergaan had, maakte mij geneigd een beetje te gaan slapen. Ik sliep
nagenoeg acht uur, zooals men mij later verzekerde; en dat was geen
wonder, want de geneesheeren hadden, op bevel van den Keizer, een
slaapdrank in de okshoofden wijn gemengd.
Het schijnt, dat onmiddellijk nadat ik op den grond slapende ontdekt
was, de Keizer door een bizonderen bode daar bericht van kreeg, en in
den raad besloot dat ik zou gebonden worden op de wijze, die ik verteld
heb (wat gedaan werd 's nachts, terwijl ik sliep); dat mij overvloed
van eten en drinken zou gezonden worden, en een werktuig gereed gemaakt
om mij te vervoeren naar de hoofdstad. Dit besluit zal misschien heel
baldadig en roekeloos lijken, en ik ben wel zeker dat geen vorst in
Europa het bij een soortgelijke gelegenheid zou navolgen. Toch was
het, naar mijn meening, bij uitstek voorzichtig zoowel als edelaardig,
want gesteld dat deze lieden getracht hadden mij in mijn slaap met hun
speren en pijlen te dooden, dan zou ik zeker door het eerste gevoel van
pijn ontwaakt zijn, wat mijn woede en kracht zóó had kunnen opwekken,
dat ik de koorden, waarmee ik gebonden was, gebroken en hun, die mij
niet weêrstaan konden, stellig geen genade geschonken had.
Deze lieden zijn zeer uitstekende wiskunstenaars, en hebben een groote
volkomenheid bereikt in het maken van werktuigen, daartoe opgewekt
en aangemoedigd door den Keizer, die een beroemd beschermheer van
wetenschappen is. Deze vorst heeft verscheiden werktuigen op wielen,
voor het vervoer van boomen en andere groote gewichten. Dikwijls bouwt
hij zijn grootste oorlogsschepen, waarvan sommige negen voet lang zijn,
in de bosschen waar het timmerhout groeit, en laat ze dan vervoeren
op die werktuigen, drie of vierhonderd el, naar zee. Vijfhonderd
timmerlieden en werktuigkundigen werden onmiddellijk aan het werk gezet
om het grootste werktuig dat zij hadden, in gereedheid te brengen. Dat
was een houten gestel, drie duim van den grond, zoowat zeven voet lang
en vier breed, dat zich voortbewoog op twee-en-twintig wielen. Het
geschreeuw, dat ik hoorde, ging op bij de aankomst van dit werktuig,
dat, naar het schijnt, vertrok vier uur na mijn landing. Het reed
tot waar ik lag, naast me. Maar de grootste moeielijkheid was nu
mij op te tillen en in dat voertuig te zetten. Tachtig palen, ieder
van een voet hoog, werden daartoe opgericht, en zeer sterke touwen,
van de dikte van pakgaren, met haken bevestigd aan een groot aantal
banden, die de werklieden om mijn hals, handen, lijf en beenen hadden
gewonden. Negenhonderd van de sterkste mannen werden gebruikt om die
touwen op te trekken, die met een groot aantal katrollen aan de palen
bevestigd waren; en zoo was ik in minder dan drie uur opgetild, in het
voertuig geheschen en daar vastgebonden. Dit werd me later allemaal
verteld; want gedurende die heele bewerking lag ik in een diepen
slaap, tengevolge van het drinken van den slaapdrank, die in mijn wijn
was. Vijftienhonderd van des Keizers grootste paarden, elk zoowat vier
en een halven duim hoog, werden gebruikt om mij naar de hoofdstad te
trekken, die, zooals ik al zei, een halve mijl verwijderd lag.
Omstreeks vier uur nadat wij onze reis begonnen waren, werd ik wakker
door een heel belachelijke gebeurtenis; terwijl het rijtuig nl. even
stilhield, omdat er iets aan in orde moest gebracht worden, hadden twee
of drie van de jonge inboorlingen de nieuwsgierigheid te willen zien
hoe ik eruit zag als ik sliep; zij klommen daartoe op het voertuig, en
toen ze heel zoetjes tot bij mijn gezicht waren gekomen, stak een van
hen, een officier van de garde, het scherpe eind van zijn handspeer
een goed end in mijn linker neusgat, wat mij een gevoel gaf of er
met een strootje in mijn neus gekriebeld werd, en me heel erg aan 't
niezen maakte; toen kropen zij onbemerkt weg, en het duurde drie weken,
eer ik wist hoe het kwam, dat ik zoo in eens wakker geworden was. Het
overige deel van dien dag maakten wij een langen marsch en hielden 's
nachts stil, met vijfhonderd man keurbenden aan weerszijden van mij,
de eene helft met toortsen en de andere met bogen en pijlen, gereed
om mij dood te schieten als ik mij bewegen dorst. Den volgenden dag,
met zonsopgang, zetten wij onzen tocht voort, en kwamen omstreeks den
middag tot op twee honderd el afstand van de stadspoorten. De Keizer
en zijn heele hof kwamen naar buiten om ons te ontmoeten, maar zijn
hoofdofficieren wilden in geen geval toestaan, dat Zijne Majesteit
zijn persoon in gevaar zou brengen door op mijn lichaam te klimmen.
Op de plaats waar het rijtuig stilhield stond een oude tempel, die
voor den grootsten in het heele koninkrijk gehouden werd, maar die,
daar hij voor eenige jaren door een onnatuurlijken moord bevlekt was,
door het volk, in zijn godsdienstijver, voor ontheiligd werd aangezien,
en daarom voor onheilig gebruik bestemd en van al zijn versierselen en
meubelen was ontdaan. In dit gebouw, was er bepaald, dat ik verblijf
zou houden. De groote poort, staande naar het noorden, was ongeveer
vier voet hoog en bijna twee voet breed, zoodat ik er lichtelijk door
kon kruipen. Aan weerszijden van de poort was een klein venster,
niet meer dan zes duim van den grond; door het linker brachten des
konings smeden een-en-negentig kettingen binnen, zooals in Europa
de dames aan hun horloges dragen en bijna even groot, die aan mijn
linkerbeen werden vastgemaakt met zes-en-dertig hangsloten. Tegenover
dien tempel, aan den anderen kant van den heerweg, op twintig voet
afstand, was een toren van minstens vijf voet hoog. Dien besteeg
de Keizer met de voornaamste heeren van het hof, om mij vandaar te
kunnen zien, zooals mij later verteld werd, want ik zag hem niet. Men
berekende dat meer dan honderdduizend inwoners uit de stad kwamen
met hetzelfde doel, en in weerwil van mijn bewakers, geloof ik,
dat er niet minder dan tienduizend achtereenvolgens geweest zijn,
die met behulp van ladders mijn lichaam bestegen. Maar spoedig werd
een proklamatie uitgevaardigd, waarbij dit op straffe des doods
verboden werd. Toen de werklieden ervan overtuigd waren dat het
mij onmogelijk was los te breken, sneden zij de koorden stuk, die
mij bonden; waarop ik opstond, zoo melankoliek als ik ooit in mijn
leven was geweest. Maar het geschreeuw en de verbazing van het volk,
toen het me opstaan en loopen zag, zijn niet te zeggen. De ketenen,
die mijn linkerbeen vasthielden, waren omstreeks twee el lang, en
lieten mij niet enkel vrij om achter- en vooruit in een halven cirkel
te wandelen, maar daar zij vier duim van de poort waren vastgemaakt,
ook om naar binnen te kruipen en lang-uit te liggen in den tempel.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De Keizer van Lilliput, vergezeld van verscheidene edelen, brengt
den schrijver in zijn gevangenis een bezoek.--Beschrijving van
des Keizers persoon en kleeding.--Geleerden aangesteld om den
schrijver hun taal te leeren.--Hij raakt in gunst door zijn
zachtmoedigheid.--Zijn zakken worden onderzocht en zijn zwaard
en pistolen hem afgenomen.
Toen ik mij weer op mijn voeten voelde staan, keek ik om me heen, en
ik moet zeggen, dat ik nooit een aangenamer vergezicht gezien had. Het
land in de rondte zag er uit als één eindelooze tuin, en de omheinde
velden, die gemiddeld veertig voet in 't vierkant waren, leken even
zooveel bloembedden. Deze velden werden afgewisseld door bosschen van
een halve roede, en de hoogste boomen er in waren, voor zooveel ik
kon berekenen, zeven voet hoog. Aan mijn linkerhand zag ik een stad,
die eruit zag als een geschilderde dekoratief-stad in een schouwburg.
De Keizer was al van den toren afgeklommen en kwam te paard naar me
toe, wat hem bijna duur te staan was gekomen, want het dier, dat,
hoewel uitstekend gedresseerd, niet was afgericht op het zien van
een schepsel, dat wel een voor hem heenbewegende berg moest lijken,
steigerde achteruit; maar de vorst, die een uitmuntend ruiter is,
hield zich in 't zadel tot zijn gevolg kwam aanloopen en den teugel
greep, terwijl Zijne Majesteit afsteeg. Toen hij was afgestapt nam hij
me rondom op met groote verwondering, maar hij bleef op een afstand
van iets meer dan de lengte van mijn keten. Hij gaf zijn koks en
schenkers, die al gereed stonden, bevel mij voedsel en drank te
geven, dat zij vooruitreden in een soort wagentjes op wielen, tot
ik erbij kon. Ik nam die wagentjes en maakte ze al heel gauw leêg;
twintig waren gevuld met vleesch en tien met drank; elk van de eerste
hield twee of drie goede mondvollen in; en een hoeveelheid drank
van tien vaten, die in aarden kruikjes bewaard werd, ledigde ik in
een wagentje, en dronk dat in één slok uit; zoo deed ik met al den
drank. De Keizerin en de jonge prinsen en prinsessen van den bloede,
vergezeld door verscheiden dames, zaten op eenigen afstand in hun
draagstoelen, maar zoodra dat geval met het paard van den Keizer
gebeurde, stapten zij uit en kwamen naar hem toe. Deze Keizer is van
een voorkomen als ik nu zal gaan beschrijven. Hij is hooger, haast
een nagelbreedte, dan iemand van zijn hof, wat alleen al voldoende
is om allen die hem zien eerbied in te boezemen. Zijn trekken zijn
sterk en mannelijk, met een Oostenrijksche lip en een gewelfden neus;
zijn gelaatstint olijfachtig, zijn houding flink recht, zijn lichaam
en leden goed van evenredigheden, al zijn bewegingen bevallig, zijn
optreden vorstelijk. Hij was toen van middelbaren leeftijd, daar hij
acht-en-twintig en drie kwart jaar oud was, waarvan hij ongeveer zeven
voorspoedig geregeerd had, en haast altijd zegevierend. Om hem meer
op mijn gemak te bekijken, lag ik op mijn zij, zoodat mijn gezicht
evenwijdig aan het zijne was, en hij stond maar drie el van me af;
bovendien heb ik hem later meermalen in mijn hand gehad, zoodat
ik mij in mijn beschrijving niet vergissen kan. Zijn kleeding was
zeer eenvoudig en zonder versierselen, en hield het midden tusschen
de Aziatische en de Europeesche; maar op zijn hoofd had hij een
lichten helm van goud, getooid met juweelen, en een pluim op den
kam. Hij hield zijn bloot zwaard in de hand om zich te verdedigen
als ik los mocht breken; het was bijna drie duim lang, het gevest
en de scheê waren van goud met diamanten bepronkt. Zijn stem was
schel, maar zeer helder en verstaanbaar, en ik kon haar duidelijk
hooren als ik rechtop stond. De dames en hovelingen waren allen
allerprachtigst gekleed, zoodat de plaats waar zij stonden wel een
vrouwerok geleek, geborduurd met gouden en zilveren figuurwerk, op den
grond uitgespreid. Zijn Keizerlijke Majesteit sprak dikwijls tot mij
en ik gaf ook antwoord, maar geen van tweeën konden wij een syllabe
verstaan. Er waren verscheidene van hun priesters en rechtsgeleerden
(want daar hield ik ze voor naar hun kleeding) tegenwoordig, wien
bevolen werd mij aan te spreken, en ik sprak tot hen in al de talen,
waar ik maar het minste mondje van machtig was, namelijk Hoog- en
Laag-Duitsch, Latijn, Fransch, Spaansch, Italiaansch, en Lingua Franca,
maar alles zonder gevolg. Na twee uur ongeveer verwijderde zich het
hof, en ik bleef achter met een sterke wacht om de brutaalheid en
waarschijnlijk ook de kwaadwilligheid te verhinderen van het gepeupel,
dat ongeduldig drong om mij te zien van zoo nabij als het durfde,
en waarvan eenigen zelfs de onbeschaamheid hadden, terwijl ik op den
grond zat voor de deur van mijn huis, hun pijlen op mij af te schieten,
waarvan het niet veel scheelde of een had mijn linkeroog geraakt. Maar
de kolonel beval dat zes van de belhamels zouden gevat worden, en
oordeelde dat geen straf zoo geschikt was als hen gebonden in mijn
handen over te leveren, wat sommigen van zijn soldaten dan ook deden,
door hen met de achtereinden van hun speren tot binnen mijn bereik
te duwen. Ik nam ze allen in mijn rechterhand, stak er vijf in mijn
jaszak, en toen, tegen den zesde trok ik een gezicht of ik hem levend
wou opeten. De arme man schreeuwde verschrikkelijk, en de kolonel en
zijn officieren zaten er erg meê in, vooral toen ze mij mijn pennemes
zagen uithalen; maar ik hielp hen gauw uit de bangigheid, want terwijl
ik weer vriendelijk ging kijken, en dadelijk de koorden doorsneed,
waarmee hij gebonden was, zette ik hem zoetjes op den grond, en weg
was hij. Ik behandelde de rest net zoo, terwijl ik ze één voor één
uit mijn zak haalde, en ik merkte dat èn de soldaten èn het volk
hoogelijk waren ingenomen met dat blijk van mijn lankmoedigheid,
wat ook aan het hof erg in mijn voordeel werd voorgesteld.
Tegen den nacht geraakte ik met eenige moeite weer in mijn huis,
waar ik op den grond lag, en hield dat vol ongeveer veertien dagen,
in welken tijd de keizer bevolen had dat een bed voor mij gereed
moest zijn. Zeshonderd bedden van de gewone afmetingen werden in
voertuigen aangebracht en mijn huis binnengewerkt; honderd vijftig
van hun bedden aan elkaar genaaid vulden de lengte en breedte, en
de dikte was van vier bedden, wat evenwel nog maar tamelijk weinig
gaf tegen de hardheid van den vloer, die van effen steen was. Naar
dezelfde berekening voorzagen ze mij van lakens, dekens en spreien,
tamelijk voldoende voor iemand, als ik, die zoolang aan ontberingen
was gewoon geweest.
Toen het nieuws van mijn aankomst door het koninkrijk werd verspreid,
kwamen er ongelooflijke aantallen rijke, luie en nieuwsgierige
menschen om me te zien, zoodat de dorpen bijna leeg waren; en een
groote verwaarloozing van bedrijf en huishoudelijke zaken zou daarvan
het gevolg geweest zijn, als Zijne Keizerlijke Majesteit niet, door
verscheidene proklamaties en bevelschriften, in dien onhoudbaren
toestand had voorzien. Hij beval dat zij die mij al gezien hadden,
naar huis terug zouden keeren, en het niet wagen binnen vijftig
el van mijn huis te komen zonder vergunning van het hof; wat den
staats-secretarissen belangrijke voordeelen verzekerde.
Intusschen belegde de Keizer gedurig zijn raad, om te bespreken wat
er met mij gedaan zou worden; en mij werd later verzekerd door een
bizonderen vriend van mij, een persoon van hoogen rang, die geacht
werd in 't geheim te zijn zoo goed als de beste, dat het hof zich in
groote ongelegenheid bevond en niet wist wat het met me moest doen. Zij
vreesden dat ik zou losbreken; dat mijn onderhoud erg kostbaar zou
wezen, dat het een hongersnood zou veroorzaken. Nu eens besloten ze mij
te laten doodhongeren, of voor 't minst, mij met vergiftigde pijlen in
gezicht en handen te schieten, die mij gauw uit den weg zouden helpen,
maar dan weer bedachten zij dat de rotting van zoo'n groot lijk een
pest in de hoofdstad zou aansteken, en waarschijnlijk het geheele rijk
vergiftigen. Te midden van deze beraadslagingen kwamen verscheidene
officieren van het leger aan de deur van de groote raadskamer, en
toen twee van hen waren toegelaten, gaven die een verslag van mijn
boven beschreven manier van handelen met de zes misdadigers, dat
zoo'n gunstigen indruk maakte op Zijne Majesteit, en den geheelen
raad zoo gunstig voor mij stemde, dat een keizerlijke commissie
werd saamgesteld die al de dorpen negenhonderd el in omtrek rondom
de hoofdstad verplichten moest, iederen morgen zes ossen, veertig
schapen, en andere levensmiddelen voor mijn onderhoud te leveren;
gezamenlijk met een daaraan evenredige hoeveelheid brood en wijn en
andere dranken; wat alles naar behooren door Zijne Majesteit betaald
zou worden in schuldbrieven op zijn schatkist:--want deze vorst leeft
hoofdzakelijk van zijn eigen domeinen, en heft zelden, dan alleen bij
groote gelegenheden, eenige belasting van zijn onderdanen, die alleen
verplicht zijn hem in zijn oorlogen op eigen kosten te volgen. Er
werden ook zeshonderd personen tot mijn bedienden aangesteld, die
kost en loon kregen voor hun onderhoud, en voor wie tenten gebouwd
werden, heel geriefelijk aan weerszijden van mijn deur. Ook werd
bepaald dat driehonderd kleermakers mij een pak kleeren zouden
maken, naar lands-fatsoen; dat zes van Zijner Majesteits grootste
geleerden zouden worden benoemd om mij in hun taal te onderwijzen,
en ten laatste, dat des Keizers paarden, en die van den adel en de
gardetroepen, gedurig in mijn nabijheid zouden geoefend worden om aan
mij gewend te raken. Al die bevelen werden naar behooren uitgevoerd;
en in nagenoeg drie weken maakte ik groote vorderingen in 't leeren
van hun taal; gedurende welken tijd de Keizer mij herhaaldelijk met
zijn bezoeken vereerde en er behagen in vond mijn meesters te helpen
in hun onderricht. Wij begonnen al eenigszins samen te praten, en
de eerste woorden die ik leerde waren om mijn wensch uit te drukken,
dat hij mij mijn vrijheid mocht weergeven; dien ik elken dag op mijn
knieën herhaalde. Zijn antwoord was, zooals ik wel gevreesd had, dat
dit een zaak van tijd was, en dat hij er niet aan denken kon zonder
zijn raad te hooren, en dat ik eerst moest lumos kelmin pesso desmar
lon emposo, dat is: zweren met hem en zijn rijk vrede te houden. Dat
ik evenwel met alle goedheid zou behandeld worden. En hij raadde mij,
door geduld en een passend gedrag de goede gezindheid van hemzelf en
zijn onderdanen te verwerven. Hij vroeg of ik het niet kwalijk zou
nemen, als hij sommigen geschikten beambten last gaf mij te doorzoeken,
want 't zou kunnen zijn dat ik verscheidene wapenen bij mij droeg,
die stellig heel gevaarlijk moesten zijn, als ze overeenkwamen met den
omvang van zoo'n ontzaglijk persoon. Ik zeide dat aan Zijner Majesteits
wensch zou voldaan worden, want dat ik bereid was mij heelemaal uit te
kleeden en mijn zakken voor hem om te keeren. Ik bracht er dat uit,
half in gebaren, half in woorden. Hij antwoordde, dat ik volgens de
wetten van het rijk onderzocht moest worden door twee beambten; dat hij
wist dat dit niet gebeuren kon zonder mijn toestemming en hulp: dat
hij zoo een goeden dunk had van mijn edelmoedigheid en billijkheid,
dat hij hunne personen in mijn handen vertrouwde; dat al wat ze
mij afnamen, mij zou worden teruggegeven als ik het land verliet,
of betaald met den prijs, dien ik zelf ervoor vragen zou. Ik nam toen
de twee beambten in mijn handen, stak ze eerst in mijn jaszakken, en
daarna in iederen zak, dien ik aan me had, behalve in mijn twee kleine
zakjes in den band van mijn broek, en een ander geheim zakje, dat ik
liever niet wou laten doorsnuffelen, omdat ik er kleine benoodigdheden
in had, die voor niemand dan mezelf van belang waren. In een van mijn
broekband-zakjes was een zilveren horloge, in het andere een kleine
hoeveelheid goud in een beurs. Deze heeren, die pen, inkt en papier bij
zich hadden, maakten een nauwkeurigen inventaris van al wat zij zagen;
en toen ze klaar waren, vroegen zij mij hen op den grond te zetten,
opdat ze hem aan den Keizer konden overhandigen. Dien inventaris
vertaalde ik later in 't Engelsch; hij is woordelijk als volgt:
"Imprimis. In den rechter jaszak van den grooten man-berg, (want
zoo vertaal ik de woorden quinbus flestrin) vonden wij, na het
nauwkeurigste onderzoek, niets dan een groot stuk ruwe lap, groot
genoeg voor vloerkleed in Uwer Majesteits grootste statievertrek. In
den linkerzak zagen wij een zware zilveren kist, met een deksel van
hetzelfde metaal, dat wij niet in staat waren op te lichten. Wij
zeiden hem, die kist te openen, en een van ons bevond zich, toen hij
er in stapte, tot de knie in een soort van stof, waarvan een gedeelte,
dat ons in 't gezicht vloog, ons een keer of wat achter elkaar niezen
deed. In zijn rechter vestjeszak vonden we een ontzaglijken bundel
witte dunne stof, over elkaar gevouwen, van omstreeks den omvang
van drie mannen, met een sterken kabel saamgebonden, en beteekend
met zwarte figuren, waarvan wij onderdaniglijk vermoeden dat ze
geschriften zijn, iedere letter bijna half zoo groot als onze
handpalm. In den linkerzak was een soort werktuig, met een rug,
waarvan twintig lange palen uitstaken, gelijkende op de palissaden
voor Uwer Majesteits paleis; waarmee wij vermoeden dat de man-berg
zijn hoofd kamt; want wij hebben hem niet telkens geplaagd met vragen,
omdat wij het zoo moeielijk vonden ons door hem te doen verstaan. In
zijn grooten zak, aan den rechterkant van zijn midden-bedeksel (zoo
vertaalde ik het woord ranfu-lo, waarmee ze mijn broek bedoelden)
zagen we een hollen pijler, van ijzer, van de lengte ongeveer van een
man; en aan een zij van den pijler staken groote stukken ijzer uit,
in vreemde figuren gesneden, waarvan we niet wisten wat we ervan
moesten maken. In den linkerzak nog zoo'n werktuig. In den kleineren
zak, rechts, waren verscheidene ronde, platte stukken wit en rood
metaal van verschillende grootte; sommige witte, die wel zilver leken,
waren zoo groot en zwaar, dat mijn makker en ik ze nauwelijks konden
optillen. In den linkerzak waren twee onregelmatig gevormde pilaren:
staande op den bodem van zijn zak konden wij niet zonder moeite
den top ervan aanraken. Een ervan was dicht en leek uit één stuk;
maar boven aan den anderen scheen een wit rond voorwerp uit, van
zoowat tweemaal de grootte van ons hoofd. In elk van deze was een
ontzaglijke stalen plaat bevat, die wij hem bevalen ons te laten zien,
omdat wij vreesden dat het gevaarlijke werktuigen zijn zouden. Hij
nam ze uit hun scheden en vertelde ons, dat hij in zijn land gewoon
was, met de eene zijn baard te scheren en met de andere zijn vleesch
te snijden. Er waren twee zakken waar we niet in konden, die noemde
hij zijn broekband-zakjes; dit waren twee groote insnijdsels in den
top van zijn middenbekleedsel, maar dichtgesloten door de drukking van
zijn buik. Uit het rechter zakje hing een groote zilveren ketting, met,
aan het eind, een wonderlijk soort werktuig. We zeiden hem, dat wat aan
't eind van dien ketting was eruit te halen, en dit bleek een bol te
zijn, half van zilver en half van 't een of ander doorschijnend metaal;
want op de doorschijnende zij zagen we in de rondte een soort vreemde
figuren, en dachten, dat wij die konden aanraken; maar bevonden,
dat onze vingers werden tegengehouden door een soort doorschijnende
zelfstandigheid. Hij hield dit werktuig aan onze ooren, en dit maakte
een aanhoudend gedruisch als een watermolen: en wij gelooven dat het
òf een onbekend soort beest òf de god van den man-berg is; schoon we
meer het laatste geneigd zijn te gelooven, want hij verzekerde ons,
(als we hem wel verstonden, want hij drukte zich heel gebrekkig uit)
dat hij zelden iets deed zonder het te raadplegen. Hij noemde het
zijn orakel, en zei dat het den tijd voor elke daad van zijn leven
aanwees. Uit het linker zakje nam hij een net, bijna groot genoeg
voor een visscher, maar zoo ingericht, dat het open en dicht kon als
een beurs, en dat hij daar ook voor gebruikte: daarin vonden wij een
aantal zware stukken van geel metaal, die als ze wezenlijk goud zijn,
onmetelijk veel waard moeten wezen.
"Toen wij aldus, gehoorzaam aan de bevelen van Uwe Majesteit, al zijn
zakken hadden doorzocht, bespeurden wij om zijn middel een gordel,
gesneden uit de huid van een of ander ontzaglijk gedrocht, waar, aan
de linkerzijde, een zwaard van de lengte van vijf mannen in hing; en
rechts een zak of tasch in twee cellen verdeeld, waarvan ieder twee
of drie van Uwer Majesteits onderdanen kon inhouden. In een van die
cellen waren verscheiden ballen of kogels, van een verbazend zwaar
metaal, zoowat zoo groot als onze hoofden, en men moest een sterke
kerel zijn om het op te tillen, de andere cel bevatte een hoop zwarte
korrels, maar van geen grooten omvang of zwaarte, want wij konden
meer dan vijftig in onze handpalm houden. Dit is een nauwkeurige
inventaris van wat we vonden op het lichaam van den man-berg, die
ons behandelde met groote beleefdheid en met den eerbied, aan Uwer
Majesteits commissie verschuldigd.
"Geteekend en van ons zegel voorzien den vierden dag van de
negen-en-tachtigste maan van Uwer Majesteits heilrijke regeering.
"CLEFSEN FRELOCK, MARSI FRELOCK".
Toen deze inventaris den Keizer was voorgelezen, beval hij mij,
ofschoon in de minzaamste termen, die verschillende voorwerpen af te
geven. Eerst vroeg hij om mijn sabel, die ik voor den dag haalde met
scheê en al. Ondertusschen beval hij drieduizend man keurbenden (die
hem toen vergezelden), mij te omringen op een afstand, met hun pijlen
en bogen, gereed om af te schieten, maar ik lette daar niet op, want
mijn oogen waren alleen op den Keizer gevestigd. Hij beval mij toen
de sabel te trekken, die, ofschoon zij een beetje geroest was door
het zeewater, toch nog voor 't grootste deel geweldig schitterde. Ik
deed het en onmiddellijk gaven al de troepen een schreeuw evenzeer
van schrik als van verrassing, want de zon scheen helder en de
weerkaatsing verblindde hun oogen, toen ik de sabel heen en weer
wuifde in mijn hand. Zijne Majesteit, die een uiterst moedig vorst
was, was minder ontsteld dan ik verwachten kon; hij beval mij haar
weer in de schede te steken en zoo zacht ik kon haar op den grond
te werpen, tot ongeveer zes voet van 't eind van mijn keten. Het
volgende voorwerp dat hij vroeg was een van de holle ijzeren pilaren,
waarmee hij mijn zakpistool bedoelde. Ik haalde het uit en verklaarde
hem, op zijn verlangen, zoo goed ik kon, het gebruik ervan; daarna
laadde ik het alleen met kruit, dat, door de dichtheid van mijn
tasch, toevallig niet nat was geworden van 't zeewater (een ongemak,
waartegen alle voorzichtige zeevaarders zich met zorg voorzien), en
nadat ik eerst den Keizer gewaarschuwd had niet te schrikken, schoot
ik het af in de lucht. De ontsteltenis hierover was veel grooter
dan die bij het zien van mijn sabel. Honderden vielen neer alsof ze
waren doodgeslagen; en zelfs de Keizer, schoon hij zich goed hield,
kon toch de eerste oogenblikken niet tot zichzelf komen. Ik gaf mijn
beide pistolen op dezelfde wijs over als ik de sabel gedaan had, en
toen kruitzak en kogels; terwijl ik verzocht dat de eerste van het
vuur zou worden verwijderd gehouden, want dat hij van de kleinste vonk
zou vlam vatten en het keizerlijk paleis doen in de lucht vliegen. Ik
gaf ook mijn horloge af, dat de Keizer heel benieuwd was te zien,
en dat hij twee van zijn grootste garde-soldaten beval aan een paal
op hun schouders te dragen, zooals brouwersknechten in Engeland een
vat bier doen. Hij was verbaasd over het onophoudelijk lawaai dat het
maakte, en over de beweging van den minuutwijzer, dien hij gemakkelijk
onderscheiden kon; want hun gezicht is veel scherper dan het onze, en
vroeg de meeningen van zijn geleerden erover, die, zooals de lezer wel
gelooven zal zonder dat ik ze opnoem, erg verscheiden en vaag waren;
bovendien kon ik ze niet heel goed verstaan. Toen gaf ik mijn zilver-
en kopergeld af; mijn beurs met negen groote stukken goud en een paar
kleinere; mijn zak- en scheermes, mijn kam en zilveren snuifdoos,
mijn zakdoek, en mijn dagboek. Mijn sabel, pistolen en kruitzak
werden in karren naar de magazijnen van Zijne Majesteit gebracht;
maar de rest van mijn goederen werd mij teruggegeven.
Ik had, zooals ik vroeger deed opmerken, een geheim zakje, dat ze niet
vonden; daar had ik in: een bril (die ik soms gebruik, omdat ik zwakke
oogen heb), een zak-teleskoop, en verscheidene andere kleinigheden;
die ik, omdat zij voor den Keizer van geen belang waren, mij niet
verplicht rekende, aan te wijzen, en die ik ook vreesde dat verloren
of bedorven zouden worden als ik ze uit mijn handen gaf.
DERDE HOOFDSTUK.
De schrijver vermaakt den Keizer en den adel van beiderlei geslacht
op een zeer ongewone manier.--Beschrijving van de vermaken aan
het hof van Lilliput.--De schrijver verkrijgt zijn vrijheid op
zekere voorwaarden.
Mijn zachtzinnigheid en goed gedrag hadden zulk een goeden indruk
op den Keizer en zijn hof, ja ik mag wel zeggen op het leger en het
volk in het algemeen gemaakt, dat ik de hoop ging koesteren binnenkort
in vrijheid te worden gesteld. Ik deed al wat ik kon om die gunstige
gezindheid te doen toenemen. De inboorlingen begonnen langzamerhand
minder gevaar van mij te duchten. Soms ging ik op den grond liggen,
en liet vijf of zes van hen dansen op mijn hand; en eindelijk waagden
de jongens en meisjes het zelfs in mijn haar verstoppertje te gaan
spelen. Ik was nu ook al vrij ver in het verstaan en spreken van hun
taal. De Keizer kreeg het eens op een dag in den zin mij te vermaken
met een paar nationale spelen, waarin ze alle volken, die ik ken,
overtreffen door pracht en behendigheid. Geen spel vermaakte me zoo
als dat van de koorddansers, dat werd uitgevoerd op een dunnen witten
draad, ongeveer twee voet twaalf duim boven den grond gespannen. Als
de lezer geduld heeft zal ik daar een beetje over uitweiden.
Deze vermakelijkheid wordt alleen uitgevoerd door zulke personen,
als belust zijn op hofgunst en voorname betrekkingen. Ze worden
in die kunst geoefend van hun jeugd aan en zijn niet noodzakelijk
van adel of goede opvoeding. Als een groote betrekking openkomt,
door dood of ongenade (wat dikwijls gebeurt), verzoeken vijf of zes
kandidaten Zijne Majesteit en het hof te mogen vermaken met een dans
op de koord; en wie het hoogst springt zonder te vallen, krijgt de
betrekking. Heel dikwijls moeten zelfs de eerste ministers hun kunst
toonen, om den Keizer te overtuigen dat ze nog even knap als vroeger
zijn. Van Flimnap, den minister van financiën, is het bekend dat
hij een sprong maakt op de gespannen koord, van minstens een duim
hooger dan iemand anders in het heele rijk. Ik heb hem verscheidene
malen achter elkaar kopje-over zien doen op een bordje bevestigd
op een koord, niet dikker dan gewoon Engelsch pakgaren. Mijn vriend
Reldresal, eerste geheimschrijver, is, naar mijn meening, als ik niet
partijdig ben, de tweede na den minister van finantiën; de overige
grootwaardigheidsbekleeders zijn tamelijk wel van dezelfde kracht.
Deze vermakelijkheden loopen dikwijls niet af zonder noodlottige
ongevallen, waarvan heel wat voorbeelden verteld worden. Ik zelf heb
twee of drie kandidaten een arm of been zien breken, maar het grootst
is het gevaar, als den ministers zelf gelast wordt hun behendigheid
te toonen; want door hun angst om zichzelf en hun mededingers te
overtreffen, spannen zij zich zóó in, dat nauwelijks één onder hen
niet één keer en verscheidene twee of drie keer gevallen zijn. Men
verzekerde mij dat een jaar of twee voor mijn aankomst, Flimnap
ontwijfelbaar zijn nek zou hebben gebroken als niet een van de
keizerlijke kussens, dat toevallig op den grond lag, de kracht van
zijn val had verzwakt.
Er is nog een vermakelijkheid, die alleen vertoond wordt voor den
Keizer en de Keizerin, en den eersten minister, bij bijzondere
gelegenheden. De Keizer legt op een tafel drie fijne zijden draden
van zes duim lang; het eerste is blauw, het andere rood, het derde
groen. Deze draden zijn bestemd tot prijzen voor die personen, die de
Keizer lust heeft door een bijzonder gunstbewijs te onderscheiden. De
plechtigheid wordt volvoerd in Zijner Majesteits groote statiezaal,
waar de kandidaten een proef van hun behendigheid moeten afleggen
heel verschillend van de vorige, en eigenlijk zóó een, als ik nooit in
eenig ander land, van de oude of de nieuwe wereld, heb waargenomen. De
Keizer houdt een stok in zijn hand, met beide einden evenwijdig aan
den horizon, terwijl de kandidaten, één voor één aanloopende, soms
over den stok heenspringen, soms er onder door kruipen, achteruit
en vooruit, verscheiden malen, naar de stok vooruit of naar beneden
gehouden wordt. Soms houdt de Keizer een eind van den stok en de eerste
minister het andere; soms houdt de minister hem geheel alleen. Wie zijn
rol nu het vlugst speelt en het langst aan den gang kan blijven met
springen en kruipen, die wordt beloond met het blauw zijden lintje;
het roode is voor den volgende, en het groene voor den derde, en
allen dragen het als een gordel tweemaal om het middel gewonden;
ook ziet men in de buurt van het hof weinig personen van beteekenis,
die niet met een van die gordels zijn getooid.
De paarden van het leger en die uit de keizerlijke stallen waren, nu
ze een tijdlang dagelijks langs mij waren geleid, niet schuw meer,
maar plachten tot vlak voor mijn voeten te komen, zonder schichtig
te worden. De ruiters lieten hen over mijn hand springen, die ik
plat op den grond hield; en een van de keizerlijke jagers, op een
grooten harddraver, nam mijn voet met schoen en al, wat eigenlijk een
ontzaglijke sprong was. Ik had het geluk den Keizer op een keer op een
heel buitengewone manier te vermaken. Ik verzocht hem bevel te geven
dat mij een aantal stokken van twee voet hoog, en de dikte van een
gewonen wandelstok, zouden gebracht worden; waarop Zijne Majesteit den
intendant van de bosschen beval maatregelen daarvoor te nemen; en den
volgenden morgen kwamen zes houthakkers aan met evenveel voertuigen,
elk getrokken door acht paarden. Ik nam negen van deze stokken, plantte
die fiksch in den grond in een vierkant van twee en een halven voet,
en nam toen vier andere stokken, die ik in een vlak, evenwijdig aan
elkaar, aan de hoeken vastbond, zoowat twee voet boven den grond;
toen bevestigde ik mijn zakdoek aan de negen stokken, die rechtop
stonden, en spande hem naar alle kanten uit, totdat hij zoo strak
was als een trommelvlies; en de vier evenwijdige stokken, die zoowat
vijf duim hooger waren dan de zakdoek, dienden aan elken kant als
leuning. Toen mijn werk af was, vroeg ik den Keizer een troep van zijn
beste paardevolk, vier-en-twintig in getal, op deze vlakte te laten
exerceeren. Zijne Majesteit keurde dat voorstel goed en ik nam ze op,
een voor een in mijn handen, gelaarsd en gespoord, met de bijbehoorende
officieren om ze te kommandeeren. Zoodra ze waren opgesteld verdeelden
zij zich in twee partijen, voerden spiegelgevechten uit, schoten stompe
pijlen af, trokken hunne zwaarden, vloden en vervolgden, vielen aan en
trokken terug, in 't kort openbaarden een militaire bedrevenheid zoo
groot als ik ze ooit had gezien. De evenwijdige stokken beveiligden
hen en hun paarden voor afvallen van de stellage; en de Keizer was er
zoo mee in zijn schik, dat hij verscheiden dagen de vermakelijkheid
opnieuw liet geven, en het hem eens zelfs behaagde erop te worden
getild en zelf het bevel te voeren; en met groote moeite overreedde
hij zelfs de Keizerin zich door mij in haar gesloten draagstoel binnen
twee el van de stellage te laten houden, vanwaar zij een goed gezicht
had op de heele uitvoering. Tot mijn geluk gebeurde er geen ongeluk
tijdens die spelen; alleen geviel het een keer, dat een vurig paard
van een van de kapiteins met zijn hoef een gat in mijn zakdoek sloeg,
en toen zijn voet erdoor gleed, met ruiter en al over den kop ging;
maar ik tilde ze onmiddellijk allebei op, en terwijl ik het gat
met een hand dicht hield, zette ik den troep met de andere eraf, op
dezelfde manier als ik ze erop getild had. Het paard dat gevallen was,
had zijn rechter schouder ontwricht, maar de ruiter had geen letsel;
en mijn zakdoek herstelde ik zoo goed als ik kon; evenwel wou ik zijn
sterkte niet meer beproeven in zulke gevaarlijke ondernemingen.
Zoowat twee of drie dagen vóór ik in vrijheid werd gesteld, terwijl
ik het hof met dit soort grappen vermaakte, kwam er een ijlbode Zijne
Majesteit mededeelen, dat eenige van zijn onderdanen, rijdende dicht
bij de plaats waar ik het eerst gevonden was, een groot zwart voorwerp
op den grond hadden zien liggen, dat er heel vreemd uitzag, met randen
rondom uitgestrekt, zoo groot als Zijner Majesteits slaapkamer en in
't midden opstijgende tot manshoogte; dat het geen levend wezen was,
zooals zij eerst gevreesd hadden, want dat het op het gras lag,
bewegingloos, en dat eenigen van hen er een keer of wat omheen
waren gewandeld; dat ze door op elkaars schouders te gaan staan,
op den top waren geklauterd, die vlak en effen was, en door erop
te stampen, bespeurd hadden dat het van binnen hol moest zijn; dat
zij onderdaniglijk meenden dat het iets zijn mocht dat den man-berg
behoorde; en dat, als het Zijne Majesteit behaagde, zij het met niet
meer dan vijf paarden naar de hoofdstad vervoeren zouden. Ik begreep
dadelijk wat zij bedoelden en was van harte blij met dit bericht. Het
schijnt, dat ik in 't eerst, toen ik pas na de schipbreuk de kust
bereikte, en vóór ik nog kwam aan de plaats waar ik slapen ging,
te verward was om te merken dat mijn hoed, dien ik met een koord om
mijn hoofd had vastgemaakt terwijl ik roeide, en die al den tijd dat
ik zwom erop gebleven was, afviel vlak nadat ik aan land kwam; zeker
doordat door een of ander toeval de koord brak; terwijl ik het niet
merkte, maar dacht dat ik mijn hoed op zee verloren had. Ik verzocht
zijne Keizerlijke Majesteit, wien ik uitlegde wat het voorwerp was en
waartoe ik het noodig had, orders te geven, zoodat het mij zoo gauw
mogelijk zou gebracht worden; en den volgenden dag kwamen de voerlui
er mee aan, maar niet in heel goeden toestand; zij hadden namelijk
twee gaten in den rand geboord, anderhalven duim van den kant af,
en in die twee gaten twee haken geslagen; die haken waren met een
lang touw aan het tuig bevestigd, en zoo was mijn hoed meer dan een
halve Engelsche mijl voortgesleept; maar daar de grond in dat land
bijzonder glad en effen is, had hij minder geleden dan ik verwachtte.
Twee dagen na die gebeurtenis kreeg de Keizer, die juist bevolen had
dat het deel van zijn leger dat in en bij de hoofdstad in kwartier
lag, zich gereed moest houden, een bijzonder vreemde aardigheid in 't
hoofd. Hij wenschte dat ik zou gaan staan als een Kolossus, met mijn
beenen zoover van elkaar als ik zonder hinder doen kon. Toen beval hij
zijn generaal, (die een oud ervaren aanvoerder en een groot beschermer
van mij was) de troepen op te stellen en in gesloten gelederen onder
mij door te laten trekken; het voetvolk in rangen van vier-en-twintig
en het paardevolk van zestig, met slaande trommen, vliegende vaandels
en gevelde lansen. Dit leger bestond uit drieduizend man voetvolk en
duizend paarden.
Ik had zooveel rekwesten en memories voor mijn vrijheid ingezonden,
dat Zijne Majesteit de zaak eindelijk ter sprake bracht, eerst in den
ministerraad, daarna in de voltallige raadsvergadering; waar niemand
er tegen was dan Skyresh Bolgolam, die zonder eenige aanleiding er
behagen in vond mijn doodsvijand te zijn; maar de heele raad haalde
het voorstel tegen zijn zin erdoor, en de Keizer bevestigde het. Die
minister was galbet, of admiraal van het rijk; hij genoot zeer het
vertrouwen van zijn meester, en was zeer ervaren in staatszaken, maar
van een zwartgallige en vinnige natuur. Op 't laatst echter liet hij
zich overhalen toe te geven; maar behield zich voor zelf de artikelen
en voorwaarden op te stellen, waarop ik zou worden vrijgesteld
en die ik bezweren moest. Deze artikelen werden mij gebracht door
Skyresh Bolgolam in persoon, vergezeld door twee onder-secretarissen
en verscheidene personen van rang. Nadat zij waren voorgelezen, werd
mij gevraagd of ik wou zweren ze na te komen; eerst naar de wijze van
mijn eigen land en daarna naar de bij hun wetten voorgeschrevene;
die daarin bestond dat men den rechtervoet in de linkerhand hield,
den middelvinger van de rechterhand op de kruin van het hoofd, en den
duim op de lel van het rechteroor plaatste. Omdat de lezer misschien
gaarne eenig denkbeeld wil krijgen van den stijl en de bijzondere
wijze van zich uit te drukken van dit volk, en ook misschien wel de
artikelen weten wil waarop ik mijn vrijheid terugkreeg, heb ik een
vertaling van het heele dokument gemaakt, zooveel mogelijk woordelijk,
die ik het publiek hierbij aanbied.
"Golbasto Momarem Evlame Gurdilo Shefin Mully Ully Gue, de zeer
machtige Keizer van Lilliput, de verrukking en de schrik van het
heelal, wiens gebied zich uitstrekt vijfduizend blustrugs (zoowat
twaalf mijl in omtrek) tot aan het einde van den aardbol; de vorst der
vorsten, grooter dan de zonen der menschen; wiens voeten neerdrukken
tot het middelpunt der aarde, wiens hoofd stoot tegen de zon, die het
hoofd schudt en de knieën knikken van koningen, de aangename als lente,
de heerlijke als zomer, de vruchtbare als herfst, de verschrikkelijke
als winter. Zijne verhevenste Majesteit stelt den man-berg, onlangs
in ons hemelsche rijk aangekomen, de volgende artikelen, voor welke
hij door een plechtigen eed zich verplichten zal te houden:
1e. "De man-berg zal niet vertrekken uit onze landen zonder onze,
van ons groot zegel voorziene, schriftelijke toestemming.
2e. "Hij zal het niet wagen in onze hoofdstad te komen, zonder ons
bepaald daartoe uitgedrukt bevel; wanneer de inwoners twee uur vooruit
zullen gewaarschuwd worden binnenshuis te blijven.
3e. "De gezegde man-berg zal zijn wandelingen beperken tot onze
voornaamste heerwegen, en niet gaan wandelen of neerliggen op een
weide of in een korenveld.
4e. "Wanneer hij op die wegen wandelt, zal hij de grootste zorg dragen
niet te stappen op de lichamen van eenige van onze beminde onderdanen,
hun paarden of voertuigen; noch eenige van onze bovengenoemde
onderdanen in zijn handen nemen zonder hunne toestemming.
5e. "Als een bericht buitengewonen spoed vereischt, zal de man-berg
verplicht zijn den bode en zijn paard in zijn zak zes dagreizen ver
te dragen, eens in iedere maand, en (zoo noodig) dien bode veilig in
onze keizerlijke tegenwoordigheid terug te brengen.
6e. "Hij zal onze bondgenoot zijn tegen onze vijanden op het eiland
Blefuscu, en zijn uiterste best doen om hun vloot te verwoesten,
die zich op dit oogenblik gereed maakt hier een inval te doen.
7e. "Dat gezegde man-berg, in zijn vrije uren, onze werklieden helpen
zal in het optillen van sommige groote steenen, voor het dekken van
den muur van het hoofdpark en andere van onze aanzienlijke gebouwen.
8e. "Dat gezegde man-berg, in twee maanden tijd, zal inleveren een
nauwkeurige opmeting van den omtrek van ons gebied, berekend naar
zijn eigen stappen langs de kust.
"Ten laatste: dat op zijn plechtigen eed al de bovengenoemde artikelen
te houden, gezegde man-berg een daaglijksch rantsoen zal hebben van
eet- en drinkwaren, als voldoende is voor het onderhoud van 1728 van
onze onderdanen, met vrijen toegang tot onze keizerlijke persoon, en
andere bewijzen van onze gunst. Gegeven in ons paleis te Belfaborac,
den twaalfden dag van de een-en-negentigste maan van onze regeering."
Ik bezwoer en onderteekende deze artikelen met groote opgeruimdheid
en tevredenheid, ofschoon eenige ervan niet zoo eervol waren
als ik kon gewenscht hebben, wat heelemaal te wijten was aan de
kwaadwilligheid van Skyresh Bolgolam, den groot-admiraal; waarop
mijn ketens onmiddellijk werden losgemaakt, en ik weer mijn volle
vrijheid had. De Keizer deed me de eer, in persoon bij de heele
plechtigheid tegenwoordig te zijn. Ik toonde hem mijn erkentelijkheid
door mij voorover te werpen aan Zijner Majesteits voeten; maar
hij gebood mij op te staan; en na menig aangenaam woord, dat ik,
om de beschuldiging van ijdelheid te ontgaan, niet herhalen zal,
zei hij, dat hij hoopte dat ik een nuttig dienaar zou blijken en
al de gunsten verdienen waarmee hij mij al begiftigd had of in de
toekomst begiftigen zou. De lezer heeft misschien gemerkt, dat, in
het laatste artikel waarop ik werd vrijgelaten, de Keizer mij een
hoeveelheid eten en drinken toestaat voldoende voor het onderhoud van
1728 Lilliputters. Eenigen tijd later vertelde mij een vriend aan
het hof, wien ik vroeg hoe zij juist zoo precies dát getal hadden
voorgesteld, dat Zijner Majesteits wiskunstenaars, nadat zij met
een kwadrant de hoogte van mijn lichaam genomen hadden en gevonden
dat het de hunne overtrof in de evenredigheid van twaalf tot een,
daaruit en uit de gelijkvormigheid van onze lichamen het besluit hadden
getrokken, dat het mijne tenminste 1728 van de hunne moest inhouden,
en dientengevolge evenveel vereischte als noodig was tot onderhoud
van dat aantal Lilliputters. Waardoor de lezer een denkbeeld krijgen
kan van de vernuftigheid van dat volk, zoowel als van het voorzichtige
en nauwkeurige overleg van hun grooten vorst.
VIERDE HOOFDSTUK.
Mildendo, de hoofdstad van Lilliput, beschreven tegelijk met het
paleis van den Keizer.--Een gesprek tusschen den schrijver en een
eersten secretaris, over de zaken van het rijk.--De aanbiedingen
van den schrijver om den Keizer in zijn oorlogen te helpen.
Het eerste verzoekschrift dat ik opstelde toen ik mijn vrijheid
verkregen had, behelsde het verzoek om verlof Mildendo te gaan
zien, de hoofdstad, hetwelk de Keizer mij gewillig toestond, maar
met bijzonderen last geen schade te doen aan de inwoners of hun
huizen. Het volk werd, bij proklamatie, met mijn plan om de stad
te bezoeken, in kennis gesteld. De muur, die haar omringt, is twee
en een halven voet hoog, en minstens elf duim breed, zoodat paard en
rijtuig veilig er op rond kunnen rijden; en op tien voet afstand is ze
geflankeerd door sterke torens. Ik stapte over de groote westerpoort,
en liep heel zoetjes in de dwarste door de twee hoofdstraten, met
niets dan mijn korte vest aan, uit vrees dat ik de daken en lijsten
van de huizen zou beschadigen met mijn jaspanden. Ik wandelde met
de uiterste voorzorg, om te voorkomen dat ik op den een of anderen
achterblijver trapte, schoon zeer strenge bevelen waren uitgevaardigd
dat ieder tot zijn eigen welzijn in huis moest blijven. De bovenste
vensters en de nokken van de huizen waren zoo vol met kijkers,
dat ik mij verbeeldde op geen van mijn reizen een plaats gezien te
hebben die zóo bevolkt was. De stad is precies vierkant, en iedere
zij van den muur is vijfhonderd voet lang. De twee hoofdstraten, die
er dwars doorgaan en haar in vier kwartieren deelen, zijn vijf voet
breed. De lanen en dwarsstraten die ik niet kon ingaan, maar alleen
in het voorbijgaan zag, zijn van twaalf tot achttien duim. De stad
kan vijfhonderdduizend zielen bevatten; de huizen hebben drie tot
vijf verdiepingen; de winkels en markten zijn goed voorzien.
Het keizerlijk paleis staat midden in de stad, waar de twee groote
straten saamkomen. Het is ingesloten door een muur van twee voet
hoog, die twintig voet van de gebouwen afstaat. Ik had verlof van
Zijne Majesteit om dien muur over te stappen; en daar de ruimte
tusschen muur en paleis zoo groot was, kon ik het op mijn gemak
van alle kanten bezien. Het buitenste paleis is een vierkant van
veertig voet en omsluit twee andere gebouwen; in het binnenste zijn
de keizerlijke vertrekken, die ik graag zien wou, maar moeielijk kon,
want de groote poorten van het eene vierkant in het andere waren
maar achttien duim hoog en zeven breed. Nu waren de gebouwen van
het buitenhof minstens vijf voet hoog, en het was onmogelijk voor
me er overheen te stappen zonder onnoemelijke schade aan het dak
te doen, schoon de muren sterk gebouwd waren van gehouwen steen,
en vier duim dik. Tegelijk wou de Keizer heel graag, dat ik de
pracht van zijn paleis zien zou; maar ik was niet in staat dat te
doen voor drie dagen daarna, die ik doorbracht met een paar van de
grootste boomen van het keizerlijk park om te snijden, met mijn mes,
een honderd el zoowat van de stad van daan. Van die boomen maakte
ik twee stoelen, elk zoowat drie voet hoog en sterk genoeg om mijn
gewicht te houden. Nadat het volk een tweeden keer een kennisgeving
ontvangen had, ging ik weer door de stad naar het paleis met mijn
twee stoelen in mijn handen. Toen ik aan den muur van het buitenhof
kwam ging ik op den eenen stoel staan met den anderen in mijn hand;
dien tilde ik over het dak en zette hem zachtjes op de plaats tusschen
het eerste en tweede hof, die acht voet breed was. Toen stapte ik heel
op mijn gemak van den eenen stoel op den anderen en trok den eersten
achter me op aan een stok met een haak. Op die manier kwam ik tot in
het binnenhof, en daar, languit op mijn zij liggende, hield ik mijn
gezicht tegen de vensters van de middenverdiepingen, die met opzet
waren opengelaten, en ontdekte zoo de prachtigste vertrekken, die men
zich kan voorstellen. Daar zag ik de Keizerin en de jonge prinses,
in hun verschillende vertrekken, met hun voornaamste bedienden om hen
heen. Het behaagde Hare Keizerlijke Majesteit mij allerminzaamst toe
te lachen, en mij door het venster haar hand te kussen te geven.
Maar ik zal den lezer niet vooruitloopen met meer beschrijvingen van
dit soort, omdat ik die bewaren moet voor een grooter werk, dat nu
al haast klaar is voor de pers, en dat een volledige beschrijving
van dit rijk zal inhouden, van zijn eerste opkomst, onder een lange
reeks van vorsten, met een afzonderlijk overzicht van zijn oorlogen en
staatkunde, wetten, geleerdheid en godsdienst; zijn planten en dieren,
zijn eigenaardige manieren en gebruiken, benevens andere zaken, zeer
nuttig en merkwaardig; terwijl het op 't oogenblik alleen mijn doel
is zulke gebeurtenissen en voorvallen te verhalen als het volk en
mijzelf overkwamen gedurende een verblijf van ongeveer negen maanden
in dat rijk.
Eens op een morgen, ongeveer twee weken nadat ik mijn vrijheid
herkregen had, kwam Reldresal, eerste geheimschrijver (zooals zij hem
noemen) aan mijn huis, alleen vergezeld door een bediende. Hij beval
dat zijn draagkoets hem op eenigen afstand wachten zou, en vroeg
mij hem een gehoor van een uur toe te staan, waarin ik gereedelijk
toestemde, in aanmerking nemende zijn rang en zijn persoonlijke
verdiensten, zoowel als de vele goede diensten, die hij mij tijdens
mijn sollicitaties aan het hof bewezen had. Ik bood aan te gaan liggen,
opdat hij wat dichter bij mijn oor zou kunnen spreken; maar hij wou
liever dat ik hem gedurende ons gesprek in de hand hield. Hij begon
met mij geluk te wenschen met mijn invrijheidstelling; zei dat hij
zich eenigszins er op beroemen mocht daartoe te hebben medegewerkt,
maar voegde er bij, dat ik nochtans, als niet de tegenwoordige staat
van zaken aan het hof geholpen had, haar misschien niet zoo gauw
zou hebben verkregen. "Want", zeide hij, "in hoe bloeienden toestand
wij voor een vreemde ook schijnen te verkeeren, wij lijden onder twee
smartelijke kwalen: een hevigen partijtwist binnenslands, en het gevaar
van een inval door een zeer machtigen vijand erbuiten. Wat de eerste
betreft moet gij weten dat sinds zeventig manen twee overhoop liggende
partijen in dit rijk geweest zijn, die zich noemden Tramecksan en
Slamecksan, naar de hooge en lage hakken van hun schoenen, waardoor
zij zich van elkander onderscheiden. Men beweert wel eens, dat de
hoog-hakken het meest in gunst zijn bij ons oude vorstenhuis; maar,
wat daar ook van aan zij, het is een feit dat Zijne Majesteit in
het staatsbestuur, en, zooals ge wel zult bemerkt hebben, in al de
posten, die de kroon te begeven heeft, alleen laag-hakken gebruikt;
en wat meer zegt, dat Zijner Majesteits keizerlijke hakken minstens
een drurr lager zijn dan van iemand aan 't hof (drurr is een maat van
zoowat een veertiende van een duim). De vijandelijkheden tusschen deze
twee partijen loopen zoo hoog, dat ze met elkaar eten, drinken, noch
praten willen. Wij schatten de Tramecksan, of hoog-hakken, grooter in
aantal dan wij; maar de macht is heelemaal in onze handen. Wij vreezen
dat Zijne Keizerlijke Hoogheid de Kroonprins, zich min of meer tot
de Hoog-hakken voelt aangetrokken; we kunnen tenminste duidelijk zien
dat een van zijn hakken hooger is dan de andere, wat maakt dat hij een
beetje mank loopt. Nu, te midden van deze huiselijke onrusten worden
wij bedreigd door een inval van het eiland Blefuscu, dat het andere
groote rijk van de wereld is, bijna zoo groot en machtig als dit van
Zijne Majesteit. Want, wat aangaat wat wij u hebben hooren beweren,
dat er andere koninkrijken en staten in de wereld zijn, bewoond door
menschelijke wezens zoo groot als gij zijt, daarover verkeeren onze
wijsgeeren zeer in twijfel, en gelooven liever dat gij van de maan
of een van de sterren gevallen zijt; omdat het zeker is dat honderd
stervelingen van uw omvang in korten tijd al het vee en de vruchten
van Zijner Majesteits landen zouden uitroeien; bovendien maakt onze
geschiedenis over zesduizend manen geen melding van eenige andere
streken dan de twee groote rijken Lilliput en Blefuscu; welke twee
machtige rijken, zooals ik u juist vertellen wou, sinds zes-en-dertig
manen in een uiterst hardnekkigen oorlog gewikkeld zijn. Die begon
door het volgende voorval: Het wordt door niemand tegengesproken dat de
oorspronkelijke manier om eieren open te breken, voor we ze eten, was
op de stompe punt; maar nadat de grootvader van onzen tegenwoordigen
Keizer, toen hij nog een jongen was, eens het ongeluk gehad heeft,
toen hij een ei ging eten en dat openbrak volgens de oude manier,
zich in den vinger te snijden, liet de Keizer, zijn vader, een
bevel afkondigen, waarbij al zijnen onderdanen met bedreiging van
strenge straffen bevolen werd hun eieren aan de spitse punt open te
breken. Het volk was over dit bevel zoo verbitterd, dat, zooals onze
geschiedenissen melden, tengevolge daarvan zes opstanden verwekt zijn,
waarin één Keizer zijn leven en een ander zijn kroon verloor. Deze
binnenlandsche onrusten werden gestadig aan 't gisten gehouden door
de vorsten van Blefuscu, en als ze gedempt waren zochten de ballingen
altijd in hun rijk een schuilplaats. Men heeft berekend dat elfduizend
menschen op verschillende tijden zich lieten dooden, eerder dan er in
toe te stemmen hun eieren te breken aan de spitse punt. Veel honderden
dikke boekdeelen zijn over dit strijdpunt uitgekomen; maar de boeken
van de stomppunters zijn sinds lang verboden, en de heele partij bij
de wet uitgesloten van het vervullen van staatsambten. Gedurende
den loop van deze twisten, protesteerden de Keizers van Blefuscu
herhaaldelijk door hun gezanten, ons beschuldigende een scheiding te
maken in den godsdienst, door te handelen tegen een grondstelling van
onzen grooten profeet Lustrog, in het vier-en-vijftigste hoofdstuk
van den Blundecral (dat is hun Alcoran). Dit wordt evenwel als een
verwringing van den tekst beschouwd, want de woorden zijn: dat alle
ware geloovers hun eieren zullen openbreken aan de punt, die daartoe
het geschiktst is. En welke punt daartoe het geschiktst is, lijkt,
naar mijn bescheiden meening, te zijn overgelaten aan ieders oordeel
en geweten, of hoogstens in de macht van de overheid gesteld om uit
te maken. Nu hebben de verbannen stomppunters zooveel invloed gekregen
aan het hof van den Keizer van Blefuscu, en zooveel geheimen bijstand
en aanmoediging van hun partij hier in 't land, dat een bloedige
oorlog tusschen de twee rijken al sinds zes-en-dertig manen met
afwisselenden voor- en tegenspoed wordt gevoerd; gedurende welken
tijd wij veertig kapitale schepen en een veel grooter aantal kleine
vaartuigen verloren hebben, gezamenlijk met dertigduizend van onze
beste zeelui en soldaten; en de schade door onze vijanden geleden wordt
iets grooter geschat dan de onze. Zij hebben nu echter een talrijke
vloot uitgerust en maken zich juist gereed om op ons af te komen;
en de Keizerlijke Majesteit, die het grootste vertrouwen stelt in uw
moed en kracht, heeft mij bevolen u dit overzicht van onzen toestand
voor te leggen."
Ik verzocht den secretaris mijne onderdanige groeten aan den Keizer
over te brengen en hem te doen weten, dat ik van meening was dat
het mij, als vreemdeling niet passen zou mij met partijtwisten in te
laten; maar dat ik gereed was mijn leven te wagen om zijn persoon en
rijk tegen alle indringers te verdedigen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
De schrijver voorkomt een inval, door een zeer bijzondere
krijgslist.--Hem wordt een hooger rang geschonken.--Gezanten komen
van den Keizer van Blefuscu om over den vrede te onderhandelen.
Het Keizerrijk Blefuscu is een eiland, gelegen ten noord-oosten
van Lilliput, waarvan het alleen gescheiden is door een kanaal van
achthonderd el breed. Ik had het nog niet gezien, en na dit bericht van
voorgenomen inval vermeed ik mij aan die zij van de kust te vertoonen,
uit vrees bespeurd te worden door een of ander schip van den vijand,
die nog niet van mijn aanwezigheid verwittigd was, omdat gedurende den
oorlog alle verkeer tusschen de twee rijken op doodstraf verboden en
door onzen Keizer een embargo op alle schepen was gelegd. Ik deelde
Zijne Majesteit een plan mede dat ik gemaakt had, om met één slag de
heele vijandelijke vloot te vermeesteren, die, zooals onze voorposten
ons verzekerden, in de haven voor anker lag, klaar om met den eersten
gunstigen wind uit te zeilen. Ik raadpleegde de meest ervaren zeelui
over de diepte van het kanaal, dat ze dikwijls gepeild hadden; die
mij vertelden dat het in 't midden bij hoog water zeventig glumgluffs
diep was, wat zoowat zes voet Europeesche maat is; en voor 't overige
vijftig glumgluffs op zijn hoogst. Ik wandelde naar de noord-oostkust,
vlak tegenover Blefuscu, en achter een heuveltje liggende haalde ik
mijn kleinen zak-verrekijker uit en nam de vijandelijke vloot waar
voor anker, bestaande uit ongeveer vijftig oorlogsschepen en een
groot aantal transportschepen; toen ging ik terug naar mijn huis,
en gaf bevel (waarvoor ik volmacht had) mij een groote hoeveelheid
van het sterkste kabeltouw en ijzeren staven te leveren. Het kabeltouw
was ongeveer zoo dik als pakgaren, en de staven van de lengte en dikte
van een breinaald. Ik vlocht, om het sterker te maken, die touwen door
elkaar, en boog met hetzelfde doel drie ijzeren staven ineen, waarvan
ik de uiteinden tot een haak boog. Nadat ik zoo vijftig haken aan
evenveel kabels bevestigd had, ging ik terug naar de noord-oostkust,
en nadat ik mijn jas, schoenen en kousen uitgedaan had, wandelde
ik in zee, in mijn leeren wambuis, zoowat een half uur voor hoog
water. Ik waadde zoo gauw ik kon, en zwom in het midden nagenoeg
dertig el, tot ik grond voelde. Ik bereikte de vloot in minder dan
een half uur. De vijanden waren zoo verschrikt toen zij mij zagen,
dat zij uit hun schepen sprongen, en naar de kust zwommen, waar er
niet minder dan dertigduizend bij elkaar konden zijn; toen nam ik mijn
touwwerk, en een haak vastmakende aan het gat van elken voorsteven,
bond ik de koorden aan het uiteinde bij elkaar. Terwijl ik zoo bezig
was, schoot de vijand verscheiden duizenden pijlen af, waarvan vele
in mijn handen en gezicht bleven steken, en mij, behalve dat ze mij
bitter pijn deden, erg in mijn werk hinderden. Het meest vreesde ik
voor mijn oogen, die ik onfeilbaar zou verloren hebben, als ik niet
plotseling aan een hulpmiddel gedacht had. Ik had onder andere kleine
benoodigdheden, een bril in een geheim zakje, dat, zooals ik hiervoor
vertelde, door de keizerlijke nazoekers niet was opgemerkt. Dien
haalde ik voor den dag, en zette hem zoo vast ik kon op mijn neus,
en ging, zoo gewapend, stoutmoedig met mijn werk voort, in spijt van
de vijandelijke pijlen, waarvan menigeen tegen de glazen van mijn
bril aansloeg, maar zonder andere uitwerking dan dat mijn bril er een
klein beetje schuin van ging staan. Ik had nu al de haken aangehecht,
en begon, met den knoop in mijn hand, te trekken; maar geen schip
wou van zijn plaats, omdat ze allemaal te vast aan hun ankers lagen,
zoodat het ergste deel van mijn onderneming nog overbleef. Ik liet
daarom het touw los, en terwijl ik de haken aan de schepen vast liet,
sneed ik vastberaden met mijn mes de ankertouwen door, waarbij ik
ongeveer tweehonderd schoten in mijn gezicht en handen kreeg; toen
nam ik het bij elkaar geknoopte uiteinde van de touwen, waar mijn
haken aan vastgemaakt waren, en trok dood op mijn gemak vijftig van
des vijands grootste oorlogsschepen achter me aan.
De Blefuscudianen, die niet het minste begrip hadden van wat ik ging
doen, waren in 't eerst kapot van verbazing. Zij hadden mij de touwen
zien doorsnijden en dachten, dat het alleen maar mijn plan was de
schepen te laten afdrijven, of op elkaar loopen; maar toen zij de
heele vloot in goede orde zagen voortbewegen, en mij trekken aan
't eind, stieten zij zulk een kreet uit van smart en wanhoop, dat
het bijna onmogelijk is hem te beschrijven of te verbeelden. Toen
ik buiten gevaar was, hield ik een poos stil om de pijlen uit te
trekken, die in mijn handen en gezicht staken, en wreef er een beetje
van dezelfde zalf op, die mij bij mijn eerste aankomst gegeven was,
zooals ik vroeger verteld heb. Toen nam ik mijn bril af en nadat ik
een uur ongeveer gewacht had tot het tij een beetje verloopen was,
waadde ik met mijn buit door en bereikte veilig de Keizerlijke haven
van Lilliput.
De Keizer en zijn heele hof stonden aan het strand, in afwachting
van den uitslag van dit groote waagstuk. Zij zagen de schepen in een
breede halve maan voortbewegen, maar konden mij niet onderscheiden,
omdat ik tot de borst in het water was. Toen ik tot het midden van
het kanaal gekomen was, waren zij in nog grooter benauwdheid, omdat
ik onder water was tot mijn hals. De Keizer begon te gelooven dat
ik verdronken was, en dat de vijandelijke vloot met oorlogzuchtige
bedoelingen naderde; maar hij werd spoedig van zijn angst verlost;
want het kanaal, bij iederen stap dien ik deed, ondieper wordende,
kwam ik binnenkort dicht genoeg bij om mij verstaanbaar te maken en
riep, het uiteinde van het touw, waar de vloot aan was vastgemaakt,
omhoog houdende, met luide stem: Lang leve de zeer machtige Keizer
van Lilliput! Deze groote vorst ontving mij bij mijn landing met
alle mogelijke loftuitingen, en maakte mij op de plaats tot nardac,
wat het hoogste eerambt onder hen is.
Zijne Majesteit verlangde dat ik van een volgende gelegenheid gebruik
zou maken om ook de rest van de vijandelijke schepen in zijn havens
te sleepen. En zoo mateloos is de eerzucht van vorsten, dat hij niets
minder scheen in den zin te hebben dan het heele rijk Blefuscu in een
provincie te veranderen en het te doen besturen door een onderkoning,
de uitgeweken stomp-punters uit te roeien, en dat volk te noodzaken
hun eieren bij de spitse punt open te breken, en zoo de eenige vorst
van de heele wereld te zijn. Maar ik trachtte hem van dit plan af te
brengen, door allerlei argumenten, zoowel aan de politiek als aan
de rechtvaardigheid ontleend; ik verklaarde ronduit dat ik nooit
mij zou laten gebruiken als werktuig om een vrij en dapper volk in
slavernij te brengen. En toen de zaak in den raad besproken werd,
was het wijste deel van den ministerraad van mijne meening.
Deze open stoutmoedige verklaring van mij was zoo tegengesteld aan
de plannen en de politiek van Zijne Keizerlijke Majesteit, dat hij ze
mij nooit vergeven kon. Hij zinspeelde er bedektelijk op in den raad,
waar, zooals men mij zei, sommige van de wijsten, door hun stilzwijgen,
ten minste schenen mij gelijk te geven, maar anderen, die mijn geheime
vijanden waren, konden eenige uitdrukkingen niet weerhouden, die langs
een omweg tot mij over werden gebracht. En van dien tijd aan begon een
samenspanning van Zijne Majesteit met eenige van zijn ministers, met
kwaadaardig opzet tegen mij, die in minder dan twee maanden uitbrak en
bijna met mijn volkomen ondergang geëindigd was. Van zoo klein gewicht
zijn de grootste diensten, vorsten bewezen, als ze in de schaal gelegd
worden tegenover een weigering om hun hartstochten te bevredigen.
Ongeveer drie weken na deze heldendaad kwam er een plechtig gezantschap
aan van Blefuscu, met nederig verzoek om den vrede, die spoedig
geteekend werd op voor onzen Keizer zeer voordeelige voorwaarden,
waarmee ik den lezer niet zal lastig vallen. Er waren zes gezanten,
met een gevolg van ongeveer vijfhonderd personen, en hun inkomst was
zeer prachtig, zooals het de grootheid van hun meester en het gewicht
van hun zending paste. Toen de onderhandelingen waren afgeloopen,
waarbij ik hun menigen goeden dienst deed door den invloed, dien ik
nu had, of ten minste scheen te hebben, aan 't hof, brachten hunne
Excellenties, die in 't geheim onderricht waren hoezeer ik hun
vriend geweest was, mij een formeel bezoek. Zij begonnen met veel
komplimenten over mijn dapperheid en edelmoedigheid, noodigden mij in
naam van hun Keizer uit tot een bezoek aan zijn rijk, en vroegen of
zij eenige blijken zien mochten van mijn ontzaglijke kracht, waarvan
zij zooveel wonderen gehoord hadden, wat ik hun gereedelijk toestond,
maar met de bijzonderheden waarvan ik den lezer niet lastig zal vallen.
Toen ik hunne Excellenties eenigen tijd tot hun onuitsprekelijke
voldoening en verrassing had beziggehouden, verzocht ik hun mij de
eer te willen doen mijn onderdanigste groeten over te brengen aan
den Keizer hun meester, de roep van wiens deugden zoo ten rechte
de geheele wereld met bewondering vervuld had, en wiens vorstelijke
persoon ik besloten was mijne opwachting te maken voor ik terugkeerde
naar mijn eigen land. Dienovereenkomstig vroeg ik den eerstvolgenden
keer dat ik de eer had onzen Keizer te zien, zijn onbepaald verlof
om den Blefuscudiaanschen vorst mijn opwachting te gaan maken, dat
hij mij toestond, zooals ik duidelijk merkte, op eenigszins koude
manier; maar ik kon daar de reden niet van gissen, totdat mij iemand
een gerucht overbracht als zouden Flimnap en Bolgolam mijn onderhoud
met de gezanten hebben voorgesteld als een bewijs van verandering in
mijn gezindheid; waarvan ik zeker ben dat mijn hart volkomen vrij
was. Dit was de eerste keer dat ik eenigszins een voorstelling van
hoven en ministers begon te krijgen.
Hier moet ik doen opmerken dat de gezanten tot mij spraken door middel
van een tolk, daar de talen van de beide rijken evenveel verschilden
als twee talen in Europa, en iedere natie zich verheft op de oudheid,
schoonheid en gespierdheid van haar eigen taal, met een duidelijk
merkbare minachting voor die van haar naburen; onze Keizer evenwel had,
gebruik makende van het voordeel dat de vermeestering van hun vloten
hem gegeven had, hen verplicht hun geloofsbrieven over te leggen en
hun rede te houden in de taal der Lilliputters. En het moet gezegd
worden, dat door het drukke handels- en bedrijfsverkeer tusschen
de beide rijken, door het voortdurend opnemen van uitgewekenen, dat
weerkeerig bij hen is, en door de gewoonte in elk rijk, den jongen
adel en de rijke burgerzoons naar elkaar over te zenden, opdat ze hun
opvoeding voltooien door de wereld te zien, en menschen en zeden te
leeren verstaan, er weinig personen van beteekenis: òf handelaren òf
zeelui, in de zeeplaatsen zijn, die niet een gesprek kunnen voeren
in beide talen, zooals ik een paar weken later merkte, toen ik mijn
opwachting ging maken bij den Keizer van Blefuscu, wat, temidden
van groote rampen, veroorzaakt door de boosheid van mijn vijanden,
een gelukkig voorval bleek, zooals ik op de daartoe geschikte plaats
zal mededeelen.
De lezer zal zich herinneren, dat er, toen ik de artikelen teekende,
waar ik mijn vrijheid op herkreeg, sommige bij waren waar ik op tegen
had, omdat zij mij te vernederend voorkwamen; ook kon niets dan een
uiterste noodzakelijkheid mij er toe gebracht hebben ze te teekenen;
maar nu, daar ik een nardac van den hoogsten rang in het rijk was,
werden zulke diensten beneden mijn waardigheid gerekend, en ik doe
den Keizer slechts recht door te verklaren, dat hij er mij nooit ééns
aan herinnerd heeft.
ZESDE HOOFDSTUK.
Over de inwoners van Lilliput; hun wetenschappen, wetten en
gewoonten; de wijze van opvoeding hunner kinderen.--Des schrijvers
leefwijze in dat land.--Zijn rechtvaardiging van een edele dame.
Ofschoon ik van plan ben de beschrijving van dit rijk te bewaren voor
een afzonderlijk werk, zal ik den belangstellenden lezer toch graag,
voorloopig, eenige algemeene denkbeelden erover geven. Terwijl dan de
gewone lengte van de inboorlingen iets minder dan zes duim is, bestaat
er een juiste overeenkomst daarmee bij al de andere dieren, zoowel
als bij planten en boomen; de grootste paarden en ossen bij voorbeeld
zijn misschien vier en vijf duim hoog, de schapen anderhalven duim,
iets meer of iets minder; hun ganzen zoowat zoo groot als een musch,
en zoo de verschillende soorten, al kleiner, totdat men komt aan
de kleinste, die voor mijn oogen bijna onzichtbaar waren; maar de
natuur heeft de oogen van de Lilliputters bekwaam gemaakt tot het
zien van alles wat hun noodig te zien is; zij zien zeer scherp,
maar niet op grooten afstand. Zoo vond ik het heel aardig--om een
voorbeeld te geven van hun scherpte van gezicht voor voorwerpen die
dichtbij zijn--een kok waar te nemen als hij een leeuwrik plukte,
die niet zoo groot was als een gewone vlieg en een klein meisje,
dat een onzichtbaren draad door het oog van een onzichtbare naald
haalde. Hun grootste boomen zijn zoowat zeven voet hoog; ik bedoel
sommige uit het Keizerlijk park, waarvan ik de toppen maar effentjes
met mijn gesloten vuist bereiken kon. De overige plantengroei is naar
dezelfde verhouding; maar dat kan de lezer zich wel zelf verbeelden.
Ik zal hier maar weinig zeggen van den toestand der wetenschap,
die verscheidene eeuwen geleden, in al haar takken bij hen gebloeid
heeft; maar van hun wijze van schrijven vermeld ik als bijzonderheid,
dat die niet is van links naar rechts, zooals bij de Europeanen;
noch van rechts naar links als bij de Arabieren; noch van boven naar
beneden zooals bij de Chineezen; maar schuins van een hoek van het
papier naar den anderen, zooals die van de dames in Engeland.
Zij begraven hun dooden met het hoofd recht naar beneden, omdat zij
de meening zijn toegedaan, dat zij in elfduizend manen allen weer
zullen opstaan; in welken tijd de aarde (die ze zich als een plat
vlak voorstellen) zich juist onderste boven keert, zoodat ze bij hun
opstanding precies recht overend zullen staan. Hunne geleerden zien
de onzinnigheid van die leer in, maar de gewoonte wordt gevolgd,
ten believe van het gemeen.
Er zijn sommige zeer eigenaardige wetten en voorschriften in dit
rijk; en als ze niet zoo regelrecht tegenovergesteld waren aan die
van mijn eigen dierbaar vaderland, zou ik mij geneigd voelen het een
en ander tot hun rechtvaardiging aan te voeren. Men zou er alleen
van kunnen wenschen, dat ze ook goed uitgevoerd werden. De eerste,
waar ik van spreken wil, betreft de aanklagers. Alle misdaden tegen
den staat worden met de grootste gestrengheid gestraft, maar als de
beschuldigde voor de rechtbank zijn onschuld duidelijk weet te doen
uitkomen, wordt de aanklager onmiddellijk tot een onteerenden dood
veroordeeld, en uit zijn goederen en bezittingen wordt de onschuldig
beschuldigde vierdubbel schadeloos gesteld voor zijn tijdverlies,
voor het gevaar dat hij geloopen heeft, voor de ontberingen van
zijn gevangenschap en voor al de kosten die hij gemaakt heeft voor
de verdediging. En, als dat eigendom daartoe niet groot genoeg is,
wordt het ontbrekende door de Kroon aangevuld. De Keizer geeft hem
dan tevens een openlijk bewijs van zijn gunst, en zijn onschuld wordt
door de heele stad bekend gemaakt.
Zij achten bedrog een grooter misdaad te zijn dan diefstal, en plegen
het daarom zelden anders te straffen dan met den dood; want, beweren
zij, zorg en waakzaamheid, met een klein beetje gezond verstand, kunnen
iemands bezittingen van dieven vrijwaren, maar eerlijkheid heeft geen
beschutting tegen grootere slimheid; en, aangezien het noodzakelijk
is dat er een voortdurend verkeer bestaat van koopen en verkoopen,
en leveren op crediet, zou, als bedrog geoorloofd of geduld was,
of niet strafbaar bij de wet gesteld, de eerlijke handelaar altijd
gepierd worden en de schurk de winst maken. Ik herinner me dat ik eens
bij den Keizer een misdadiger voorsprak, die met een groote som geld,
die hij voor zijn meester in ontvangst had genomen, was op den loop
gegaan, en dat, toen ik, als verzachtende omstandigheid, zoo tegen
Zijn Majesteit opmerkte dat het alleen maar misbruik van vertrouwen
was, de Keizer het monsterachtig in mij vond de grootste verzwarende
omstandigheid voor een verzachtende te willen laten doorgaan; en,
werkelijk, ik kon weinig anders daarop antwoorden dan het gewone
gezegde, dat andere volken andere zeden hebben; want ik moet zeggen
dat ik diep beschaamd was.
Ofschoon wij gewoonlijk straf en belooning de twee scharnieren noemen,
waar alle bestuur op draait, heb ik die stelling toch bij geen enkel
volk in praktijk gebracht gezien, behalve bij dat van Lilliput. Al
wie daar afdoend bewijzen kan, dat hij de wetten van zijn land
zorgvuldig gehoorzaamd heeft, gedurende drie-en-zeventig manen, die
heeft aanspraak op zekere voorrechten, verschillend naar zijn stand
en rang in de maatschappij, met een daaraan evenredige som gelds, uit
een daartoe ingericht fonds; ook krijgt hij den titel van snilpall,
of wettige, die bij zijn naam gevoegd wordt, maar niet overgaat op
zijn nakomelingen. En deze lieden vonden het een verbazend groote
staathuishoudelijke fout in ons, dat wij het opvolgen van onze wetten
alleen door straffen afdwongen en niet door belooningen aanlokkelijk
maakten. Om die reden heeft het beeld van de gerechtigheid, dat in
hun gerechtshoven zit, en zes oogen heeft, twee van voren, twee van
achteren, en een aan iedere zijde, om alzijdige waakzaamheid uit te
drukken, in haar rechterhand een open tasch met goud, en een zwaard
in de scheede in haar linker, om te toonen dat zij meer tot beloonen
dan tot straffen geneigd is.
Bij het kiezen van personen voor alle ambten, letten zij meer op
goede zeden dan op groote bekwaamheden, want, daar regeeringen
noodig zijn voor de menschheid, gelooven zij dat de gewone mate van
menschelijke wijsheid voldoende is voor een of ander regeeringsambt;
en dat de Voorzienigheid nooit kan bedoeld hebben het bestuur van de
staatszaken tot een geheimenis te maken, alleen doorgrondelijk voor
zeldzame verheven geesten, zooals er zelden drie in een eeuw worden
geboren; maar waarheid, rechtvaardigheid, gematigdheid en dergelijke
deugden gelooven zij dat in het bezit van iedereen zijn kunnen,
en de beoefening van die deugden, gezamenlijk met ondervinding en
goede bedoelingen stelt elk mensch, meenen ze, in staat, zijn land te
dienen in betrekkingen, waar niet een bepaalde studie voor onmisbaar
is. Het gemis daarentegen van zedelijke deugden, vonden zij, kon zoo
weinig worden opgewogen door schitterende geestesgaven, dat nooit
eenige betrekking kon gewaagd worden in zoo gevaarlijke handen als
van zúlke personen, want zelfs de fouten, door onwetendheid begaan,
maar met deugdzame bedoeling, zouden nooit van zoo noodlottig gevolg
voor het algemeen welzijn wezen, als de practijken van een, die uit
lust tot kwaaddoen iets verderflijks deed, en dat verderflijke met
zijn groote bekwaamheden uitvoerde, voortzette en verdedigde.
Eveneens maakt het ongeloof aan een Goddelijke Voorzienigheid iemand
ongeschikt tot het bezetten van een staatsambt; want, daar de koningen
zich plaatsvervangers van de Voorzienigheid noemen, kan niets--naar de
meening van de Lilliputters--dwazer voor een Vorst zijn, dan in zijn
dienst menschen te gebruiken, die het gezag niet erkennen, waar hij
onder heerscht.
Ik wil, bij het verhaal van deze en de volgende wetten, wèl verstaan
hebben dat ik de oorspronkelijke instellingen bedoel, en niet de
zeer schandalige afwijkingen, waartoe dit volk door zijn ontaarde
menschennatuur vervallen is; want, wat betreft die schandelijke
gewoonten van groote ambten te krijgen door op koorden te dansen, of
lintjes van gunst en onderscheiding door over stokken te springen en
er onder door te kruipen, de lezer moet wel bedenken, dat die eerst
werden ingevoerd door den grootvader van den nu regeerenden Keizer, en
toenamen tot wat ze tegenwoordig zijn door de voortdurende verergering
van partij- en club-geest.
Ondankbaarheid wordt onder hen voor een halsmisdaad gehouden, zooals
we lezen, dat ook in andere landen het geval is geweest; want zij
redeneeren zoo, dat iemand, die zich slecht gedraagt tegenover zijn
weldoener, noodzakelijk een vijand van de overige menschheid, die
hem niet aan zich verplicht heeft, zijn moet, en dat zulk een man
niet geschikt is om te blijven leven.
Hun begrippen omtrent de plichten van ouders en kinderen verschillen
bijster van de onze. Zij zijn van meening, dat ouders de laatste
van alle menschen zijn, wien de opvoeding van hun eigen kind mag
worden toevertrouwd; en daarom hebben zij in iedere stad publieke
opvoedingsgestichten, waar alle ouders, behalve landbouwers en
arbeiders, verplicht zijn, hun kinderen van beiderlei geslacht heen te
zenden, om opgevoed en onderwezen te worden, zoodra ze den leeftijd
van twintig manen bereikt hebben, op welken tijd zij verondersteld
worden eenigszins handelbaar te zijn. Deze scholen zijn in verscheiden
soorten, voor de verschillende standen, en voor beiderlei geslacht. Zij
hebben bepaalde leeraren, ervaren in het opleiden van kinderen voor
zulk een betrekking, als den rang van hun ouders, zoowel als hun
eigen bekwaamheden en neigingen, het meest passend is. Ik zal eerst
iets zeggen van de mannelijke opvoedingsgestichten, en dan van de
vrouwelijke.
Aan de opvoedingsgestichten voor mannelijke kinderen van adellijke
of deftige geboorte, zijn ernstige en geleerde professoren en
verschillende andere leeraren aangesteld. Kleeding en voedsel der
kinderen zijn eenvoudig en sober. Zij worden opgevoed in de beginselen
van eer, rechtvaardigheid, moed, bescheidenheid, lankmoedigheid,
godsdienst en vaderlandsliefde; zij zijn altijd bezig met het een
of ander, behalve in den tijd van eten en slapen, die heel kort is,
en de twee uren van afleiding, die in lichaamsoefeningen bestaat. Zij
worden door mannelijke bedienden gekleed tot ze vier jaar oud zijn, en
zijn dan verplicht zich zelf te kleeden, al zijn ze nog zoo hoog van
rang en geboorte; de vrouwelijke bedienden, die, naar evenredigheid
met ónzen leeftijd, van vijftig jaar oud zijn, doen alleen het
laagste werk. Zij mogen nooit met de bedienden babbelen, maar gaan
gezamenlijk in kleine of groote groepen hun uitspanning houden, en
altijd vergezeld van een professor, of een van zijn onder-leeraren,
waardoor zij die vroege verderfelijke indrukken van dwaasheid en
ondeugd vermijden, waaraan onze kinderen zijn blootgesteld. Hun ouders
mogen hen tweemaal per jaar bezoeken; het bezoek duurt maar een uur;
het staat hun vrij het kind bij het komen en het gaan te kussen; maar
een professor die er altijd bij is, staat hun niet toe te fluisteren
of suikerwoordjes te gebruiken, of eenigerlei geschenk mee te brengen:
speelgoed, zoetegoed of dergelijke.
Het kostgeld van iedere familie voor de opvoeding en het onderhoud
van een kind, wordt, als het niet op tijd betaald is, door keizerlijke
beambten geïnd.
De opvoedingsgestichten voor kinderen van gewone burgers, kooplieden,
handelaars en fabrikanten, worden naar verhouding op dezelfde wijze
behandeld, alleen worden zij, die voor den handel of eenig vak bestemd
zijn, op hun elfde jaar in de leer gedaan; terwijl de kinderen van
personen van stand tot hun vijftiende jaar in het gesticht blijven,
wat overeenkomt met hun een-en-twintigste bij ons, maar de laatste
drie jaren wordt de afzondering gaandeweg minder.
In de vrouwelijke opvoedingsgestichten worden de jonge meisjes van
stand in veel opzichten juist als de jongens opgevoed, alleen worden
zij gekleed door vaste bedienden van hun eigen geslacht; maar altijd
in tegenwoordigheid van een professor of onder-leeraar, totdat zij
in staat zijn zichzelf te kleeden, wat op hun vijfde jaar is. En als
het ooit uitkomt, dat die bedienden het wagen de meisjes te vermaken
met vreeselijke of onzinnige vertelsels, of met de gebruikelijke
dwazigheden van kamermeisjes bij ons, dan worden zij driemaal in 't
openbaar rond de stad gegeeseld, krijgen een jaar gevangenisstraf, en
worden voor hun leven verbannen naar het meest verlaten gedeelte van
het rijk. Zoodoende schamen de jonge dames zich even erg lafaards en
dwazen te zijn als de mannen, en verachten alle lichaamsversieringen,
behalve ordentelijkheid en zindelijkheid; ook bespeurde ik geen
verschil in hun opvoeding, om het verschil van geslacht, alleen waren
de lichaamsoefeningen van de meisjes minder inspannend dan die van
de knapen, en leerden ze het een en ander van de huishouding meer,
en een hoeveelheid algemeene wetenschap minder; maar toch ook niet
heelemaal geen wetenschap, want hun stelregel is, dat de vrouw van
stand, daar ze toch niet altijd jong kan wezen, tenminste altijd
een redelijke en aangename gezellin moet kunnen zijn. Als de meisjes
twaalf jaar oud zijn, dat bij dit volk de huwbare leeftijd is, nemen
hun ouders of voogden hen thuis, met innige dankbaarheidsbetuigingen
aan de professoren en zelden zonder tranen van de jonge dame en haar
vriendinnen en kameraadjes.
In de opvoedingsgestichten voor meisjes van minderen stand, worden de
kinderen onderwezen in alle soorten van werk dat voor vrouwen geschikt
is, ook weer elk naar zijn toekomstige plaats in de maatschappij:
die bestemd zijn leerling te worden gaan eruit als ze zeven jaar oud
zijn; de overige blijven tot hun elfde.
De min-gefortuneerde familiën, die kinderen in deze gestichten hebben,
zijn verplicht, behalve hun jaarlijksche kostgeld, dat zoo laag
mogelijk is, den directeur van de inrichting een klein maandelijksch
deel van hun verdiensten af te staan tot een toekomstig inkomen voor
het kind; en daartoe worden alle ouders door de wet in hun uitgaven
beperkt. Want de Lilliputters achten niets onrechtvaardiger, dan dat
er menschen zijn, die kinderen ter wereld brengen, en den last van
hun onderhoud op de openbare kas schuiven. Personen van stand geven
vastigheid voor een zekere som voor ieder kind, naar hun vermogen; en
deze fondsen worden altijd zorgvuldig en met de meeste rechtvaardigheid
bestuurd.
De landbouwers, boeren en arbeiders houden hun kinderen thuis, daar
die niets anders zullen hebben te doen dan den grond te bewerken en te
bebouwen en hun opvoeding dus van weinig belang is voor het publiek;
maar hun ouden en gebrekkigen worden onderhouden in gasthuizen;
want bedelen is een beroep dat men in dat rijk niet kent.
En hier zal het den nieuwsgierigen lezer misschien vermaken iets te
hooren van mijn huishouding en mijn levenswijze in dat land, waar ik
negen maanden en dertien dagen geweest ben. Daar mijn hoofd van nature
staat naar knutselen, en het hier bovendien wel noodzakelijk was, had
ik me een tamelijk makkelijke stoel en tafel gemaakt, van de grootste
boomen van 't Keizerlijk park. Tweehonderd naaisters waren aangesteld
om overtrekken en lakens voor mijn bed en tafel te naaien, allemaal
van de sterkste en grofste soort goed die er te krijgen was, dat ze,
nochtans, genoodzaakt waren verscheiden keeren over elkaar te vouwen,
want het dikste was een paar soorten fijner dan mousseline. Hun linnen
is meestal drie duim breed, en een stuk is drie voet. De naaisters
namen mij de maat, terwijl ik op den grond lag, een staande bij mijn
nek, en een andere bij mijn bovenbeen, met een sterk touw, waarvan ze
de uiteinden vasthielden, terwijl een derde de lengte mat van het touw
met een lineaal van een duim lang. Toen maten zij mijn rechter duim,
en hadden meer niet noodig, want door een wiskundige berekening, dat
tweemaal om den duim is eenmaal om den pols, en zoo door tot nek en
middel, en met behulp van mijn oude hemd, dat ik als model voor hen
uitspreidde op den grond, hadden zij precies mijn maat. Driehonderd
kleermakers waren op dezelfde manier aan 't werk om mij kleeren te
maken; maar zij hadden een ander hulpmiddel om mij de maat te nemen. Ik
knielde neer, en zij zetten een ladder van den grond tot mijn nek;
een van hen klom daartegen op, en liet een schietlood vallen, van mijn
halsboord tot den vloer, wat juist de lengte van mijn jas aangaf, maar
mijn middel en armen mat ik zelf. Toen mijn kleeren gemaakt waren, wat
in mijn huis gebeurde (want de grootste van hun huizen zouden niet in
staat zijn geweest ze te bevatten) zagen ze eruit als het lapjeswerk,
dat de dames in Engeland werken, behalve dat ze van één kleur waren.
Ik had driehonderd koks, om mijn eten te bereiden, in kleine,
geriefelijke hutjes om mijn huis heen, waar ze woonden met hun families
en mij elk twee schotels klaarmaakten. Ik nam twintig knechts in mijn
hand, en zette ze op tafel; honderd anderen stonden onder op den grond,
een afdeeling met schotels spijs, een andere met vaten wijn en andere
dranken, op hun schouders geheschen; de knechts op tafel trokken dat
alles, naarmate ik noodig had, heel vernuftig omhoog, met koorden,
op de manier, waarop wij in Europa een aker uit een put ophalen. Een
schotel van hun spijs was een goede mondvol, en een vat van hun
drank een redelijke slok. Hun lamsvleesch is minder dan het onze,
maar hun ossenvleesch is uitstekend. Ik heb éen lende gehad, die ik
genoodzaakt was in drie happen op te eten; maar dat is zeldzaam. Mijn
bedienden waren verbaasd mij die te zien eten met been en al, zooals
wij bij ons het een leeuwriksboutje doen. Hun ganzen en kalkoenen at
ik gemeenlijk in een hap, en ik moet bekennen dat ze veel beter zijn
dan de onze. Van hun kleine gevogelte kon ik twintig of dertig op de
punt van mijn mes nemen.
Eens wenschte Zijne Keizerlijke Majesteit, ingelicht omtrent mijn
manier van leven, gezamenlijk met zijn gevolg, en de prinsen en
prinsessen van den bloede, het geluk te mogen hebben,--zooals het hem
wel behaagde dat te noemen,--met mij te tafelen. Zij kwamen dan ook, en
ik zette hen op hofstoelen, op mijn tafel, vlak tegenover me, met hun
wacht om hen heen. Flimnap, de Minister van Financiën, stond daar ook
bij met zijn witten staf; en ik zag wel dat hij dikwijls met een zuur
gezicht naar me keek, maar deed of ik dat niet merkte en at meer dan
gewoonlijk ter eere van mijn dierbaar geboorteland, en tot overgroote
verbazing van het hof. Ik heb mijn eigen redenen om te meenen, dat dit
bezoek van Zijne Majesteit Flimnap een goede gelegenheid gaf mij kwaad
te doen bij zijn meester. Die minister was altijd in 't geheim mijn
vijand geweest, schoon hij mij voor 't uiterlijk minzamer behandelde,
dan met zijn galachtige natuur overeenkwam. Hij stelde den Keizer
den slechten toestand voor van zijn schatkist; dat hij genoodzaakt
was geld op te nemen tegen hoogen interest; dat wisselbrieven niet
anders konden circuleeren dan tegen negen percent beneden pari; dat
ik, kortom, Zijne Majesteit meer dan anderhalf millioen sprugs (hun
grootste gouden munt, zoowat zoo groot als een lovertje) gekost had,
en dat het, over 't geheel, raadzaam voor den Keizer zijn zou bij de
eerste gelegenheid de beste van mij te worden verlost.
Hier acht ik mij verplicht den goeden naam te verdedigen van een
uitmuntende dame, die om mijnentwil onschuldig te lijden had. De
minister van financiën kreeg het in zijn hoofd jaloersch te worden op
zijn vrouw, waarvan kwaadaardige tongen hem verteld hadden dat hare
genade een hevige genegenheid voor mij had opgevat; en een tijdlang
liepen er praatjes door het hof van dat ze eens in 't geheim in
mijn woning geweest was. Ik verklaar plechtig dat dit een lage,
gemeene leugen is, die geen enkelen grond heeft, dan dat het hare
genade behaagde mij te behandelen met alle onschuldige blijken van
vriendschappelijke familiariteit. Ik geef toe dat ze dikwijls bij mij
aankwam, maar dat was altijd in 't openbaar, en nooit zonder nog wel
drie anderen in haar koets, gewoonlijk haar zusters en dochtertje
en de een of andere bizondere kennis; maar dat deden verscheiden
hofdames. En nu nog roep ik mijn bedienden tot getuigen, of ze ooit een
koets voor mijn deur zagen, zonder te weten wie erin waren. Bij zulke
gelegenheden was mijn gewoonte, als een bediende mij gewaarschuwd had,
onmiddellijk naar de deur te gaan, en, nadat ik mijn gasten gegroet
had, de koets met twee paarden heel zorgvuldig in mijn handen te nemen
(want als er zes paarden waren spande de postiljon er vier af), en
ze op de tafel te plaatsen, waar ik een lossen rand omheen had gezet,
van vijf duim hoog, ter voorkoming van ongelukken. En dikwijls heb ik
vier koetsen met span en al op mijn tafel gehad, allen vol gezelschap,
terwijl ik in mijn stoel zat met mijn gezicht voorover naar hen toe;
en terwijl ik bezig was met éen partij, reden de koetsiers de andere
zoetjes over de tafel rond. Menigen namiddag heb ik heel aangenaam met
bezoek krijgen en praten doorgebracht. Maar ik tart den minister van
financiën, of zijn twee berichtgevers (ik zal ze noemen, en laat ze
zien hoe ze zich eruit redden), Clustril en Drunlo, te bewijzen dat
ooit iemand bij me kwam incognito, behalve de secretaris Reldresal,
die kwam, door bizonderen last van Zijne Keizerlijke Majesteit, zooals
ik hiervoor verteld heb. Ik zou niet zoolang hebben uitgeweid over
deze bizonderheden, als het niet een zaak was, waarin de goede naam
van een groote dame zoo van nabij betrokken is, om nog niet eens te
spreken van den mijne; schoon ik toen de eer genoot nardac te zijn,
wat de minister van financiën niet is; want de heele wereld weet
dat hij maar een glumglum is, éen graad lager in rang, zooals een
markies éen graad lager is dan een hertog; al is 't waar dat hij het
recht van voorgang op mij had, van wege zijn ambt. Door deze valsche
beschuldigingen, die mij later door een toeval, dat het niet de moeite
waard is te vermelden, ter ooren kwam, keek Flimnap, de minister van
financiën, gedurende eenigen tijd zijn vrouw leelijk en mij leelijker
aan; en ofschoon hij ten laatste ontgoocheld en met haar verzoend werd,
verloor ik daar zijn gunst niet minder om, en zag mijn invloed snel
afnemen ook bij den Keizer, die inderdaad te zeer beheerscht werd
door dien gunsteling.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De schrijver vlucht, nadat hij gehoord heeft van een plan om
hem van hoogverraad aan te klagen, naar Blefuscu.--Hoe hij daar
ontvangen werd.
Voor ik voortga met te vertellen hoe ik dit rijk verlaten heb, zal
het niet onaardig zijn den lezer iets te zeggen van een hofintrige
tegen mij, die zich sinds twee maanden om mij heen had gevormd.
Ik was, tot toen toe, mijn heele leven onbekend met hoven geweest,
waar ik door mijn lage geboorte niet paste. Wel had ik genoeg gelezen
en gehoord van de humeurs van vorsten en ministers; maar nooit had
ik verwacht, die zoo verschrikkelijk aan 't werk te zullen zien in
zoo'n verwijderde landstreek, waar ik gemeend had dat naar heel andere
regels geregeerd werd dan in Europa.
Toen ik juist alles gereed maakte om mijn opwachting te gaan maken bij
den Keizer van Blefuscu, kwam een heer van rang van het hof, (wien ik
eens, toen hij bij den Keizer in de uiterste ongenade gevallen was,
van dienst was geweest) 's nachts in 't diepste geheim aan mijn huis,
in een gesloten draagstoel, en vroeg zonder zijn naam te zeggen, verlof
om binnen te komen. De dragers werden weggestuurd; ik stak den stoel
met Zijn Edelheid erin in mijn jaszak, en nadat ik een vertrouwden
dienaar last had gegeven te zeggen dat ik onwel was gaan slapen,
sloot ik de deur van mijn huis, zette den stoel op tafel, zooals ik
gewoon was, en ging ervoor zitten. Na de gebruikelijke begroetingen,
toen ik zag dat Zijn Edelheids gezicht groote bezorgdheid teekende
en de reden daarvan vroeg, verzocht hij mij met geduld te luisteren
naar een zaak die onmiddellijk betrof mijn eer en mijn leven. Hij zei
daarop ongeveer het volgende, want ik hield er aanteekening van zoodra
hij weg was: "Gij moet weten", zeide hij, "dat nu onlangs verscheidene
malen geheime raad over u is belegd; en eerst twee dagen geleden heeft
Zijne Majesteit een vast besluit genomen. Het zal u bekend zijn, dat
Skyresh Bolgolam (galbet, of opper-admiraal) bijna van uw aankomst af
uw doodsvijand is geweest. Zijn oorspronkelijke redenen daartoe weet
ik niet, maar zijn woede is erg toegenomen sinds uw groote onderneming
tegen Blefuscu, waardoor zijn roem als admiraal verduisterd werd. Deze
heer, in overleg met Flimnap, den minister van financiën, waarvan
het bekend is dat hij u haat vanwege die geruchten over zijn vrouw,
Limtoc, den generaal, Lalcon, den kamerheer en Palmuff, den minister
van Justitie, heeft een aanklacht tegen u opgesteld, wegens verraad
en andere halsmisdaden."
Deze voorrede maakte mij zoo ongeduldig, daar ik overtuigd was van
mijn onschuld en mijn verdiensten, dat ik hem wou in de rede vallen,
maar hij verzocht mij bedaard te zijn, en ging voort als volgt:
"Uit dankbaarheid voor de diensten, die gij mij bewezen hebt,
verschafte ik mij inlichtingen over den heelen loop der zaak, en een
afschrift van de punten van beschuldiging, waardoor ik, om uwentwil,
mijn hoofd op 't spel zette.
Punten van Beschuldiging tegen Quinbus Flestrin, den Man-berg.
"1e. Dat de genoemde Quinbus Flestrin, toen hij de keizerlijke vloot
van Blefuscu in de haven gebracht had, en daarna bevel kreeg van Zijne
Keizerlijke Majesteit al de andere schepen van het genoemde rijk van
Blefuscu te vermeesteren, en dat rijk tot een provincie te maken,
die voortaan door een onderkoning zou worden bestuurd, en te dooden
en uit te roeien niet enkel de uitgeweken stomp-punters, maar ook
een iegelijk in dat rijk, die niet onmiddellijk de stomp-puntersche
ketterij zou afzweren; dat hij, de voornoemde Flestrin, toen, als
een valsch verrader van Zijne goedgunstige, verheven, Keizerlijke
Majesteit verzocht van dien dienst verschoond te worden, bewerende
ongeneigd te zijn de gewetens te dwingen, of de vrijheid en het leven
te verwoesten van een onschuldig volk.
"2e. Dat, toen zekere gezanten kwamen van het hof van Blefuscu, om den
vrede af te smeeken van Zijne Majesteit, hij, de meergenoemde Flestrin,
als een valsch verrader, bovengenoemde gezanten hielp, schadeloos
stelde, troostte en vermaakte, ofschoon hij wist, dat ze dienaars
waren van een vorst, die eerst onlangs in open vijandschap leefde met
zijne Keizerlijke Majesteit en in open oorlog was met Zijne Majesteit.
"3e. Dat de meergenoemde Quinbus Flestrin, in strijd met de plichten
van een trouw onderdaan, zich nu gereedmaakt een reis te doen naar
het hof en rijk van Blefuscu, waartoe hij alleen voor den vorm verlof
heeft ontvangen van Zijne Keizerlijke Majesteit, en onder beschutting
van dat verlof, valschelijk en verraderlijk bedoelt de genoemde reis
te doen, en daardoor te helpen te troosten en schadeloos te stellen
den Keizer van Blefuscu, pas onlangs een vijand, in open oorlog met
Zijne Keizerlijke Majesteit, vorengenoemd."
"Er zijn nog een paar andere punten; maar deze, waarvan ik u een
uittreksel voorgelezen heb, zijn de belangrijkste.
"In de menigvuldige debatten over deze beschuldiging gehouden,
moet ik bekennen, dat Zijne Majesteit menig blijk gaf van zijne
groote zachtaardigheid; herhaaldelijk wijzende op de diensten, die
gij hem bewezen hebt, en trachtende uw misdaden te vergoêlijken. De
minister van finantiën en de admiraal drongen er op aan, dat gij op de
pijnlijkste en meest onteerende manier ter dood zoudt worden gebracht,
door uw huis 's nachts in brand te steken, terwijl de generaal met
twintigduizend man, gewapend met vergiftigde pijlen er omheen zou
staan, om u in 't gezicht en de handen te schieten. Eenige van uw
bedienden zouden geheime orders krijgen, om een giftig sap op uw handen
te sprenkelen, waardoor ge uw vleesch in stukken zoudt scheuren en in
de hevigste martelingen sterven. De generaal liet zich óók tot die
meening overhalen, zoodat er geruimen tijd een meerderheid tegen u
was; maar Zijne Majesteit, die besloten had, zoo mogelijk, uw leven
te sparen, kreeg eindelijk den kamerheer op zijn zij.
"Reldresal, den eersten geheimschrijver, die zich altijd uw waren
vriend bewees, werd door den Keizer bevolen zijn meening hierover uit
te spreken, wat hij dienvolgens deed; en daarmede de goede gedachten,
die gij van hem hebt, rechtvaardigde. Hij gaf toe, dat uw misdaden
groot waren, maar dat er nog gelegenheid voor genade overbleef, die
de meest prijzenswaardige deugd in een vorst is, en waarvoor Zijne
Majesteit zoo ten rechte wordt geroemd. Hij zei, dat de vriendschap
tusschen u en hem aan de wereld zóo wel bekend was, dat de zeer geachte
raad hem misschien voor partijdig zou houden; maar dat hij toch,
gehoorzaam aan het bevel, dat hem gegeven was, vrij uit zijn gevoelens
zou uitspreken. Dat, indien het Zijne Majesteit, in aanmerking nemende
uw diensten, en gehoor gevende aan zijn eigen behoefte tot genadig
zijn, behagen mocht uw leven te sparen, en alleen te bevelen, dat uw
oogen zouden worden uitgestoken, hij onderdaniglijk geloofde, dat,
door dit middel, aan de gerechtigheid eenigszins voldaan zou zijn,
en de geheele wereld de lankmoedigheid van den Keizer zou toejuichen,
zoowel als de billijke en edelmoedige handelwijze van hen, die de eer
hebben zijn raadslieden te zijn. Dat het verlies van uw oogen geen
vermindering van uw lichaamskracht zou veroorzaken, waardoor gij zijne
majesteit nog van veel nut zoudt kunnen zijn; dat blindheid den moed
verhoogt, omdat ze de gevaren onzichtbaar maakt; dat de vrees, die ge
voor uw oogen hadt, uw grootste belemmering was bij het overbrengen van
de vijandelijke vloot; en het voldoende voor u zijn zou te zien door de
oogen van de ministers, daar toch de grootste vorsten niet anders doen.
"Dit voorstel werd door den heelen raad met de grootste afkeuring
ontvangen. Bolgolam, de admiraal, kon zich niet inhouden, maar zei,
woedend opvliegend, dat hij zich verbaasde erover, dat de secretaris
het wagen dorst als zijn meening te uiten, dat het leven van een
verrader moest behouden worden, dat de diensten, die gij bewezen hadt,
juist, zooals men altijd in het staatsrecht begrepen had, uw misdaden
te ernstiger maakten; dat dezelfde kracht, die u in staat stelde de
vijandelijke vloot hierheen te brengen, bij het minste ongenoegen,
u van dienst zou zijn om haar weer terug te brengen; dat hij goede
redenen had om aan te nemen, dat gij in uw hart een stomp-punter waart,
en daar verraad in het hart begint, voor het uitkomt in open daden,
beschuldigde hij u dáarom van verraad, en drong dáarom aan op uw dood.
"De minister van financiën was van dezelfde meening. Hij toonde aan,
hoe Zijner Majesteits schatkist was uitgeput door de kosten van uw
onderhoud, dat spoedig ondragelijk worden zou; dat het voorstel van
den secretaris, om uw oogen uit te steken, zoo weinig een middel
tegen dit kwaad was, dat het er waarschijnlijk door zou toenemen,
zooals duidelijk blijkt uit de gewoonte sommige soorten vogels blind
te maken, waarna zij meer eten en gauw vet worden; dat Zijne Gezalfde
Majesteit en de raad, die uw rechters zijn, in hun harten volkomen
overtuigd waren van uw misdaad, wat een voldoende reden was om u ter
dood te veroordeelen, zonder de vormelijke bewijzen, geëischt door
de letter van de wet.
"Maar het behaagde Zijne Keizerlijke Majesteit, die sterk tegen het
zoo streng mogelijk straffen gekant was, genadiglijk te doen opmerken,
dat daar de raad het verlies van uw oogen een te lichte bestraffing
vond, er altijd later nog een andere aan kon toegevoegd worden. En
uw vriend de Secretaris, onderdaniglijk verzoekende nog eens gehoord
te worden, zeide, in antwoord op wat de minister van finantiën hem
had tegengeworpen, betreffende de groote kosten, die Zijne Majesteit
maken moest voor uw onderhoud, dat Zijne Excellentie, die de volle
beschikking had over de keizerlijke inkomsten, makkelijk tegen dat
kwaad zou kunnen voorzien, door gaandeweg uw toelagen te verminderen,
waardoor ge, bij gebrek aan voedsel, niet waar? zwak en flauw zoudt
worden, en uw eetlust verliezen, en, dientengevolge, op- en wegteren
in een paar maanden. Dat had meteen het voordeel in, dat de stank
van uw lijk niet zoo gevaarlijk zou wezen; en onmiddellijk na uw
dood, zouden vijf of zesduizend van Zijner Majesteits onderdanen,
in twee of drie dagen, uw vleesch van de beenderen kunnen snijden,
en het wegvoeren in karvrachten, begraven in verschillende deelen van
't land, om besmetting te voorkomen, terwijl dan uw geraamte als een
bewonderenswaardig gedenkteeken over zou blijven voor het nageslacht.
"Zoo werd, door de groote vriendschap van den Secretaris, de heele
zaak geschikt. Er werd bepaald dat het plan om u gaandeweg dood te
hongeren, strikt geheim zou worden gehouden, maar het vonnis om uw
oogen uit te steken werd in de boeken opgenomen; terwijl niemand tegen
was dan Bolgolam, de admiraal, die als een kreatuur van de keizerin,
voortdurend door hare Majesteit werd aangespoord om op uw dood aan
te dringen.
"Binnen drie dagen zal uw vriend de secretaris bevel krijgen naar
uw huis te gaan en u de punten van beschuldiging voor te lezen en
u de groote lankmoedigheid en goedgunstigheid van Zijne Majesteit
en den raad te doen opmerken, waardoor gij alleen tot verlies van uw
oogen zijt veroordeeld, wat Zijne Majesteit niet twijfelt of gij zult
het dankbaar en onderdanig willen ondergaan; en twintig van Zijner
Majesteits doktoren zullen tegenwoordig zijn, ten einde te zorgen,
dat de bewerking goed wordt uitgevoerd, door zeer scherppuntige pijlen
in uw oogballen te schieten, terwijl gij op den grond ligt.
"Ik laat aan uwe eigen voorzichtigheid over wat maatregelen gij nemen
wilt, en om achterdocht te vermijden, moet ik nu dadelijk terugkeeren,
even heimelijk als ik gekomen ben."
Zijne edelheid ging; en ik bleef alleen, met een gemoed vol twijfel
en verontrustheid.
Het was een gebruik, door dezen vorst en zijn ministers ingevoerd--heel
verschillend, naar men verzekerd heeft, van vroegere gebruiken--dat,
nadat het hof een of andere wreede straf had uitgesproken, om te
voldoen hetzij aan den toorn des Keizers, hetzij aan de boosaardigheid
van een gunsteling, de Keizer in de raadsvergadering een rede hield,
waarin hij sprak van zijn groote teerheid en lankmoedigheid,
als eigenschappen, waarom hij door de heele wereld bekend was
en werd geroemd. Deze rede werd onmiddellijk door het heele rijk
openbaar gemaakt; en er was niets dat het volk zoo bang maakte,
als die lofspraken op Zijner Majesteits barmhartigheid, omdat men
had opgemerkt, dat hoe breeder die loftuitingen werden uitgemeten,
en hoe nadrukkelijker voorgedragen, hoe onmenschelijker de straf was
en hoe onschuldiger de lijdende partij. En wat mij betreft, ik moet
bekennen, ik die nooit voor hoveling bestemd was, door geboorte
zoo min als door opvoeding, ik kon zoo slecht over die hofzaken
oordeelen, dat ik de lankmoedigheid en genadigheid van dit vonnis
maar niet ontdekken kon, en het, misschien geheel ten onrechte,
eerder streng vond dan licht. Een paar oogenblikken dacht ik er
aan de aanklacht af te wachten; want ofschoon ik de feiten in de
verschillende punten genoemd, niet loochenen kon, hoopte ik toch dat
zij ietwat gunstiger zouden kunnen worden voorgesteld. Maar, daar ik
vroeger heel wat staats-processen gelezen had, waarvan ik altijd had
opgemerkt, dat ze eindigden zooals den rechters het best uitkwam,
dorst ik op zoo'n gevaarlijk voornemen niet aan, nu mijn zaak zoo
kritiek stond, en ik zulke machtige vijanden tegenover me had. Ik
dacht er sterk over weerstand te bieden; want zoolang ik vrij was,
kon de heele macht van dit rijk mij nauwlijks onder krijgen, en ik
zou makkelijk de hoofdstad tot flenters kunnen steenigen; maar ik
wierp dat denkbeeld met afschuw van me, toen ik dacht aan den eed,
dien ik den Keizer gedaan had, aan de gunsten die hij mij bewezen
had en aan den titel van Nardac, waarmee hij mij had vereerd. Ook had
ik nog niet zoo gauw de hovelingen-dankbaarheid geleerd, die mij zou
overreed hebben dat de tegenwoordige wreedheden van Zijne Majesteit
mij onthieven van alle vroegere verplichtingen.
Eindelijk nam ik een besluit, waarop mij waarschijnlijk een streng
oordeel te wachten staat, en niet onrechtvaardiglijk, want ik moet
toegeven dat ik het behoud van mijn oogen en daardoor mijn vrijheid,
heb te danken aan mijn groote onnadenkendheid en mijn gebrek aan
ervaring, omdat, als ik toen was bekend geweest met den aard van
vorsten en ministers, zooals ik die sinds toen aan verscheidene andere
hoven heb waargenomen, als ook met hunne gebruikelijke manieren van
behandeling van misdadigers, die minder dan ik misdreven hebben,--dan
zou ik met groote bereidwilligheid en opgewektheid zulk eene lichte
straf hebben ondergaan. Maar in de overdrevenheid van mijn haastige
jeugd, maakte ik gebruik van de gelegenheid, die mij open stond door
het verlof van den Keizer om mijn opwachting te gaan maken aan den
Keizer van Blefuscu, zond, voor de drie dagen om waren, een brief aan
mijn vriend den Secretaris, waarin ik mijn besluit te kennen gaf om
dien ochtend naar Blefuscu op reis te gaan, ingevolge het mij vergunde
verlof, en ging zonder te wachten op een antwoord naar die zij van het
eiland, waar onze vloot lag. Ik nam daar een groot oorlogsschip, bond
een touw aan den boeg, en toen ik de ankers gelicht had, kleedde ik me
uit, legde al mijn kleeren (saam met mijn deken, die ik onder mijn arm
had meegebracht) in het schip, en het achter me aantrekkende, bereikte
ik, nu wadende, dan zwemmende, de keizerlijke haven van Blefuscu,
waar het volk mij lang had verwacht. Zij gaven mij twee gidsen om me
naar de hoofdstad te leiden, die ook Blefuscu heet. Ik hield hen in
mijn handen tot dat ik binnen tweehonderd el van de poort kwam en zei
hun mijn aankomst te melden aan een van de secretarissen en hem te
doen weten dat ik daar de bevelen wachtte van Zijne Majesteit. Binnen
een uur zoowat kreeg ik antwoord, dat Zijne Majesteit, vergezelschapt
door het vorstelijk gezin en de groot-officieren van zijn huis, naar
buiten kwam om mij te ontvangen. Ik ging hun honderd el te gemoet. De
Keizer en zijn trein sprongen van hun paarden en de Keizerin en
haar dames stapten uit haar koetsen; en ik bemerkte niet dat ze ook
maar eenigszins bang of bezorgd waren. Ik lag op den grond om Zijne
Majesteit en de Keizerin de handen te kussen. Ik zeide Zijne Majesteit,
dat ik, ingevolge mijn belofte, gekomen was, en met verlof van den
Keizer, mijn meester, om de eer te hebben een zoo machtigen vorst te
zien, en hem de diensten aan te bieden die in mijn macht waren en
niet strijdig met mijn plicht tegenover mijn eigen vorst; maar van
mijn ongenade sprak ik geen woord, omdat ik tot dat oogenblik geen
officieele kennisgeving er van gehad had en mij zelf beschouwen moest
als heelemaal onbekend met zoo'n soort plan; ook zag ik geen reden
waarom ik den Keizer het geheim zou openbaren, terwijl ik buiten zijn
bereik was; maar daarin bleek mij spoedig dat ik me had vergist.
Ik zal den lezer niet lastig vallen met een uitvoerig verslag van de
ontvangst aan dit hof, een ontvangst, waardig de edelmoedigheid van
een zoo grooten vorst; noch met het verhaal van de moeielijkheid,
waarin ik mij bevond door het gemis van een huis en bed, zoodat ik
genoodzaakt was te slapen op den grond, in mijn deken gerold.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De schrijver krijgt, door een gelukkig toeval, de middelen om
Blefuscu te verlaten, en keert na eenige moeilijkheden, veilig
naar zijn vaderland terug.
Driedagen na mijn aankomst, terwijl ik uit nieuwsgierigheid langs de
Noord-Oost-kust van het eiland wandelde, bemerkte ik, ongeveer een
mijl in zee, een voorwerp, dat er uitzag als een omgekeerde boot.--Ik
trok mijn schoenen en kousen uit, en bespeurde, toen ik, al wadende,
twee-, driehonderd el in zee geloopen was, dat het voorwerp door
den vloed dichter naar land kwam: toen zag ik duidelijk dat het
wezenlijk een boot was, die ik veronderstelde dat door een storm van
een of ander schip omgeslagen was; waarop ik onmiddellijk naar de
stad terugkeerde en Zijne Keizerlijke Majesteit verzocht mij twintig
van de grootste schepen te leenen, die hij na het verlies van zijn
vloot had overgehouden, en drieduizend matrozen, onder bevel van den
Vice-Admiraal. Deze vloot zeilde langs de kust, terwijl ik den kortsten
weg terugliep naar de plaats, waar ik de boot eerst had waargenomen. Ik
bevond dat het tij haar al dichterbij had gedreven. De matrozen waren
allemaal voorzien van touwwerk, dat ik vooraf, tot genoegzame sterkte,
in elkaar gedraaid had. Toen de schepen aankwamen kleedde ik me uit,
en waadde tot ik op honderd el afstand van de boot kwam, waarna ik
genoodzaakt was te zwemmen om bij haar te komen. De matrozen gooiden
me het eind van het touw toe, dat ik aan een gat in den boeg van de
boot vastmaakte, en het andere eind aan een oorlogsschip, maar ik vond
al mijn moeite vrij wel vruchteloos, want omdat ik geen grond voelde,
kon ik geen kracht zetten. In die omstandigheden schoot er niets over
dan er achteraan te zwemmen en de boot vooruit te duwen, zoo goed
en zoo kwaad ik kon, met één hand; en, daar het tij nog al meegaf,
kwam ik zoover vooruit dat ik mijn kin boven water kon houden en staan
blijven. Ik rustte twee, drie minuten, en gaf de boot toen nog een duw
of wat, totdat de zee niet hooger was dan mijn oksels, en toen zoo het
zwaarste werk gedaan was, nam ik mijn andere kabels, die in een van
de schepen gestouwd waren, en maakte ze eerst aan de boot, en toen
aan negen van de schepen vast; de matrozen sleepten nu en ik duwde,
vóor den wind, totdat we op veertig el afstands van de kust kwamen,
en, nadat ik gewacht had tot de zee afging, en de boot op het droge
lag, werkte ik haar, met behulp van tweeduizend man, met touwen en
werktuigen, op haar kiel, en bevond dat ze maar weinig beschadigd was.
Ik zal den lezer niet lastig vallen met het verhaal van de moeite die
het inhad, om met behulp van een paar roeispanen, die mij tien dagen
werk gekost hadden, mijn boot naar de haven van Blefuscu te krijgen,
waar een groote toeloop van volk ontstond bij mijn aankomst, en elk
vol verbazing was bij den aanblik van zulk een ontzaglijk vaartuig. Ik
zeide den Keizer, dat het geluk mij gediend had door mij deze boot
te zenden, die mij brengen kon naar een plaats, vanwaar ik terug
zou kunnen keeren naar mijn vaderland, en verzocht Zijne Majesteit
bevel te willen geven voor het aanvoeren van materialen om haar op te
tuigen, alsook zijn verlof om te vertrekken, wat hij mij na allerlei
vriendelijke tegenwerpingen, goedgunstig toestond.
Al dien tijd verwonderde ik mij zeer er over, dat ik niets hoorde
van een of ander bericht omtrent mij, van wege onzen Keizer, bij
het hof van Blefuscu. Maar later werd mij in vertrouwen meegedeeld,
dat Zijne Keizerlijke Majesteit, die volstrekt niet vermoedde, dat
ik het minste van zijn plannen afwist, zich overtuigd hield, dat ik
alleen naar Blefuscu gegaan was ingevolge mijn belofte, op grond van
het verlof dat hij mij gegeven had, wat aan het hof wel bekend was,
en zou terugkeeren, binnen een paar dagen, als die plechtigheid
was afgeloopen. Maar eindelijk werd hij ongerust over mijn lang
wegblijven, en nadat hij den Minister van Financiën en de overigen van
het kabaal geraadpleegd had, werd een heer van rang afgezonden met een
afschrift van de punten van beschuldiging tegen mij. Deze afgezant
had bevel den Vorst van Blefuscu de groote lankmoedigheid van zijn
meester onder het oog te brengen, die zich tevreden stelde met mij
geen grootere straf dan het verlies van mijn oogen te doen ondergaan;
en verder te doen weten, dat ik gevlucht was om te ontsnappen aan de
gerechtigheid, en dat ik, als ik niet binnen twee uur terugkeerde,
ontzet zou worden van mijn waardigheid van nardac en tot verrader
van het Rijk verklaard. De afgezant voegde er verder bij, dat zijn
meester verwachtte, dat zijn broeder van Blefuscu, ten einde de vrede
en vriendschap tusschen de beide Rijken bewaard mochten blijven,
mij aan handen en voeten gebonden terug zou zenden naar Lilliput,
om daar als een verrader te worden gestraft.
De Keizer van Blefuscu zond, nadat hij zich drie dagen beraden
had, een antwoord, bestaande uit een massa beleefdheden en
verontschuldigingen. Hij zeide, wat betrof mij gebonden over te
zenden, zijn broeder wist dat dat onmogelijk was, dat, ofschoon ik
hem beroofd had van zijn vloot, hij groote verplichtingen aan mij had
voor de vele goede diensten, die ik hem bewezen had bij het sluiten
van den vrede. Dat, evenwel, hunne Majesteiten beiden spoedig gerust
zouden kunnen wezen, want dat ik op de kust een ontzaglijk vaartuig
gevonden had, geschikt om zee te bouwen, dat hij bevel gegeven had,
met mijn hulp en onder mijn toezicht op te tuigen; en dat hij hoopte,
dat binnen weinige weken de beide Rijken zouden bevrijd zijn van zulk
een ondragelijken last.
Met dit antwoord keerde de gezant naar Lilliput terug en de Vorst
van Blefuscu vertelde mij alles wat er gebeurd was, waarbij hij
mij tegelijkertijd, maar onder strenge belofte van geheimhouding,
zijn genadige bescherming aanbood, als ik in zijn dienst wou blijven;
maar ofschoon ik geloofde dat hij het eerlijk met mij meende, was ik
vast besloten nooit meer eenig vertrouwen te stellen in vorsten of
ministers, zoolang ik er eenigszins buiten kan; zoodat ik hem, met
de verschuldigde erkentelijkheids-betuigingen voor zijn goedgunstige
bedoelingen, alleronderdaniglijkst verzocht daarvan verschoond te
mogen blijven. Ik zeide hem, dat, sinds de Fortuin, ze mocht dan goed
of kwaad zijn, een vaartuig op mijn weg geworpen had, ik besloten was
mij liever op den Oceaan te wagen, dan een aanleiding tot geschil te
zijn tusschen twee zulke machtige Vorsten. Ook vond de Keizer dat
eigenlijk in 't geheel niet onaangenaam en ik bemerkte bij toeval,
dat hij zelfs heel blij over mijn besluit was en zijn ministers
niet minder.
Deze overwegingen deden mij mijn vertrek nog verhaasten; waar het
hof, ongeduldig om me weg te hebben, zoo hard het kon, het zijne
toe deed. Vijfhonderd werklieden werden aangesteld om twee zeilen
voor mijn boot te maken, naar mijn aanwijzingen, door hun sterkste
linnen dertiendubbel op elkaar te stikken. Ik had druk werk om touwen
en kabels te maken, door tien, twintig en dertig van hun dikste en
sterkste in elkaar te draaien. Een groote steen, dien ik na lang zoeken
toevallig aan de zeekust vond, diende mij voor anker. Ik had de talk
van driehonderd koeien voor mijn boot en voor andere doeleinden. Ik
had ongelooflijke moeite met het omhakken van een stuk of wat van de
grootste boomen voor timmerhout, om riemen en masten van te maken,
waar ik evenwel trouw aan geholpen werd door Zijner Majesteits
scheepstimmerlieden, die mij van dienst waren, om ze glad te maken,
nadat ik het ruwe werk gedaan had.
Binnen ongeveer een maand, toen alles gereed was, zond ik om bevelen
van Zijne Majesteit, en berichtte dat ik mijn afscheid ging nemen. De
Keizer en de keizerlijke familie kwamen uit het paleis, ik knielde
met mijn gezicht op den grond om zijn hand te kussen, die hij mij
genadiglijk toereikte, wat ook gedaan werd door de Keizerin en de
jonge Prinsen van den bloede. Zijne Majesteit schonk mij vijftig
beurzen met tweehonderd sprugs elk, benevens zijn levensgroot portret
ten voete uit, dat ik onmiddellijk in mijn handschoen stopte, om het
niet te laten beschadigd worden. De ceremonies bij mijn vertrek waren
te talrijk om er den lezer hier mee lastig te vallen.
Ik laadde de boot met het vleesch van honderd ossen en driehonderd
schapen, met brood en kaas naar evenredigheid, en zooveel toebereide
levensmiddelen, als vierhonderd koks mij verschaffen konden. Ik nam met
mij zes levende koeien en twee stieren, en evenveel ooien en rammen,
met het voornemen ze in mijn vaderland in te voeren en het ras te doen
voorttelen. Om ze aan boord te voeden nam ik een goeden bundel hooi
en een zak graan mee. Ik had gaarne een der inboorlingen meegenomen,
maar dat was iets, dat de Keizer mij in geen geval wou toestaan,
en behalve dat hij mijn zakken zorgvuldig doorzoeken liet, moest ik
Zijne Majesteit mijn woord van eer verpanden, geen van zijne onderdanen
mee te voeren, zelfs niet met hun eigen toestemming of op hun verzoek.
Toen ik dus alles zoo goed ik kon had klaargemaakt, ging ik onder
zeil op den 24sten September 1701, om 6 uur 's morgens; en nadat ik
ongeveer vier mijlen noordwaarts gegaan was, daar de wind zuidoost was,
bespeurde ik om zes uur 's avonds een klein eiland, zoowat een halve
mijl naar het Noordwesten. Ik stuurde er op aan en wierp 't anker uit
nabij het eiland, dat wel onbewoond leek. Ik gebruikte toen eenige
ververschingen en ging naar kooi. Ik sliep goed, en naar ik vermoed
minstens zes uur, want de dag brak aan twee uur na mijn ontwaken. Het
was een heldere nacht, ik at mijn ontbijt voor de zon opkwam, en,
nadat ik het anker opgehaald had, stuurde ik, met gunstigen wind,
in dezelfde richting waar ik den vorigen dag gevaren had, waarbij
ik afging op mijn zakcompas. Mijn plan was, zoo mogelijk, een van
die eilanden te bereiken, die ik reden had te gelooven dat Noordoost
van Van Diemen's land lagen. Ik bespeurde dien dag niets, maar den
volgenden, omtrent drie uur 's middags, toen ik naar mijn berekening
vier en twintig mijlen van Blefuscu af was, merkte ik een schip dat
Zuid-Oost stuurde; mijn richting was vlak Oost. Ik riep het aan,
maar kon geen gehoor krijgen; maar ik merkte dat ik op haar won,
doordat de wind liggen ging. Ik zette alle zeilen bij en binnen een
half uur werd ik gezien, en van het schip werd een vlag geheschen en
een schot gelost. Het is moeielijk mijn vreugde uit te drukken bij de
onverwachte hoop mijn bemind vaderland weer te zien, en de dierbare
panden, die ik daar had achtergelaten. Het schip minderde zeil, ik kwam
het langs zij tusschen vijf en zes uur 's avonds, den 26sten September;
maar mijn hart sprong op in mijn lijf toen ik haar Engelsche kleuren
zag. Ik stak mijn koeien en schapen in mijn jaszakken en ging aan
boord met mijn heele kleine lading van levensmiddelen. Het vaartuig
was een Engelsche koopvaarder op de terugreis van Japan door de Noord-
en Zuidzeeën; de kapitein, Mr. John Biddel van Deptford, een zeer
beschaafd man en uitstekend zeeman. Wij waren nu onder de breedte
van 30 graden zuidelijk; er waren zoowat vijftig man aan boord; ik
ontmoette hier een ouden kameraad van me, een zekeren Peter Williams,
die den kapitein een goed idee van mij gaf. Deze heer behandelde mij
minzaam en vroeg mij hem te vertellen waar ik 't laatst vandaan kwam
en waar ik heen wou, wat ik in een paar woorden deed; maar hij vond
dat ik ijlde en dat de gevaren, die ik ondergaan had, mijn hoofd
van streek hadden gemaakt, waarop ik mijn zwarte koeien en schapen
uit mijn zak nam, die, na groote verbazing, hem overtuigden van mijn
goede trouw. Ik toonde hem toen het goud, dat de Keizer van Blefuscu
mij gegeven had, het levensgroote portret van Zijne Majesteit en een
paar andere bijzonderheden van dit land. Ik gaf hem twee zakken met
tweehonderd sprugs elk en beloofde hem als we in Engeland aankwamen,
een koe en een schaap present te doen.
Ik zal den lezer niet lastig vallen met een nauwkeurig verslag van
deze reis, die grootendeels zeer voorspoedig was. We bereikten de
Duyns den 13den April 1702. Ik had maar éen ongelukje, namelijk dat
de ratten aan boord een van mijn schapen weghaalden. Ik vond zijn
beenderen in een gat, met het vleesch kaal er afgekloven, de rest
van mijn vee bracht ik veilig aan land en liet het grazen in een
kolfveld te Steenwich, waar ze grif aanvielen op het gras dat daar
heel fijn was, wat ik eerst had gevreesd dat ze niet doen zouden;
ik zou ze onmogelijk op zoo'n lange reis hebben kunnen in 't leven
houden als de kapitein mij niet een beetje van zijn beste beschuit
gegeven had, dat fijn gewreven en in water geweekt hun gedurig voer
was. Den korten tijd, dien ik in Engeland doorbracht, maakte ik geen
onbelangrijke winst door mijn vee te laten kijken aan personen van
stand en aan anderen: en voor ik mijn tweede reis begon, verkocht ik
het voor zeshonderd pond. Bij mijn laatste wederkomst vond ik het
ras belangrijk toegenomen, voornamelijk de schapen, die, zooals ik
hoop, veel zullen bijbrengen tot verbetering van de wolmanufactuur,
door de fijnheid van de vliezen.
Ik bleef twee maanden bij mijn vrouw en huisgezin, want mijn
onverzadigbaar verlangen om vreemde landen te zien, liet me niet
langer met rust. Ik liet vijftienhonderd pond bij mijn vrouw achter
en zette haar in een goed huis te Redriff. Mijn overige bezitting nam
ik met me, deels in geld, deels in goederen, in de hoop mijn fortuin
te vermeerderen. Mijn oudste oom John had me een bezitting in land
nagelaten, bij Epping, van zoowat dertig pond 's jaars; en ik had een
lange pacht aan de Black Bull in Fetter Lane, die nog eens evenveel
opbracht, zoodat ik niet meer in gevaar was mijn gezin op de gemeente
te laten aankomen. Mijn zoon Johnny, die zoo heette naar zijn oom,
was op de gemeenteschool en een vlug kind. Mijn dochter Betty (die nu
goed getrouwd is en kinderen heeft) was toen aan haar naaiwerk. Ik nam
afscheid van mijn vrouw en jongen en meisje, met tranen van weerszijden
en ging aan boord van de Adventure, een koopvaarder van driehonderd
ton, met bestemming naar Surat, gezagvoerder kapitein John Nicholas,
van Liverpool; maar mijn verhaal van deze reis stel ik uit tot het
tweede deel van mijn reizen.
TWEEDE DEEL.
EEN REIS NAAR BROBDINGNAG.
EERSTE HOOFDSTUK.
Een hevige storm; de sloep wordt uitgezonden om water te halen; de
schrijver gaat mee om het land op te nemen; hij wordt op de kust
achtergelaten; gegrepen door een van de inboorlingen en naar een
boerenwoning gevoerd; zijn ontvangst daar, met de verschillende
dingen die hem daar overkwamen; een beschrijving van de inwoners.
Door de natuur en het noodlot tot een bezig en rusteloos leven
veroordeeld, verliet ik twee maanden na mijn wederkomst, opnieuw mijn
vaderland, en ging scheep in de Duyns, op den 20sten Juni 1702, in
de Adventure, gezagvoerder kapitein John Nicholas, van Corn-Wales,
met bestemming naar Surat. We hadden een zeer voordeeligen wind
tot we aan de Kaap de Goede Hoop kwamen, waar we ankerden om water
in te nemen, maar daar we een lek ontdekten, ontscheepten we onze
goederen en bleven er overwinteren; en doordat de kapitein een aanval
van jicht kreeg, konden wij de Kaap niet verlaten voor het eind van
Maart; wij gingen toen onder zeil en hadden een goede reis totdat we
de straat van Madagaskar doorgingen; maar toen wij ten Noorden van
dat eiland gekomen waren, en op ongeveer vijf graden zuiderbreedte,
begon de wind, die, zooals men heeft opgemerkt, in die zeeën van het
begin December tot het begin van Mei geregeld uit den hoek tusschen
het Noorden en Westen waait, heviger op te zetten en meer uit het
Westen dan gewoonlijk, en bleef zoo twintig dagen achter elkaar, in
welken tijd wij een beetje ten Oosten van de Molucca-eilanden werden
gedreven, en ongeveer drie graden ten Noorden van den Evenaar, naar
de waarnemingen die de kapitein deed op den 2den Mei, toen de wind
ophield en er een volledige kalmte intrad, waarover ik niet weinig
blij was. Maar, hij die goed ervaren was in de scheepvaart in die
zeeën, zeide ons, allen gereed te zijn voor een storm, die dan ook
den volgenden dag opkwam; want de zuidelijke wind, de Zuid-mousson
genaamd, begon te waaien en zwol spoedig aan tot een orkaan.
Tijdens dezen storm, die gevolgd werd door een zwaren wind W.Z.W.,
werden wij, naar mijn berekening, ongeveer vijfhonderd mijlen
oostwaarts gedreven, zoodat de oudste matroos aan boord niet zeggen kon
in welk deel van de wereld wij waren. Onze levensmiddelen hielden het
wel uit, ons schip was stevig en onze bemanning gezond, maar wij lagen
in den uitersten nood van water: wij oordeelden het best in dezelfde
richting voort te zeilen, liever dan ons meer Noordwaarts te wenden,
waardoor we in de noordwestelijke deelen van Noord-Tartarije en in
de IJszee zouden zijn verdwaald.
Den 16den Juni 1703 bespeurde een jongen in den topmast land. Den
17den kwamen we in 't onmiddellijk gezicht van een groot eiland of
vasteland (want we wisten niet welk van beide), ten Zuiden waarvan
een kleine punt of landengte in zee uitstak, en een kreek was, te
ondiep om een schip van meer dan 100 ton toe te laten. Wij wierpen
het anker uit binnen een mijl van deze kreek, en onze kapitein zond
een dozijn van zijne mannen, goed gewapend in de sloep, met vaten om
water in te halen, als zij dat vinden konden. Ik verzocht verlof met
hen te gaan, opdat ik het land zien mocht en kijken wat ontdekkingen
ik doen kon. Toen wij aan land kwamen zagen wij geen rivier of bron,
noch eenig teeken van inwoners. Ons volk liep daarom de kust op
om versch water te vinden dicht bij de zee, en ik wandelde alleen
zoowat een mijl naar den anderen kant, waar ik zag dat het land kaal
en rotsig was. Ik begon nu vermoeid te worden, en niets ziende dat
mijn belangstelling gaande hield, ging ik zachtjes aan terug naar
de kreek, waar ik, daar de zee vlak voor me open lag, ons volk al
weer in de boot zag en zoo hard mogelijk naar schip roeien. Ik wou ze
juist achterna roepen, ofschoon het toch weinig zou geholpen hebben,
toen ik een reusachtigen man-mensch gewaar werd, die hen zoo snel hij
kon achtervolgde in zee: hij waadde niet veel dieper dan zijn knieën
en nam ontzaglijke stappen, maar ons volk was hem een halve mijl
vooruit, en daar de zee daaromtrent vol scherppuntige rotsen was,
kon het monster de boot niet inhalen. Dit werd mij later verteld,
want ik dorst niet daar blijven om den afloop van dit avontuur te
zien, en liep zoo hard ik kon den weg terug waar ik vandaan kwam
en beklom toen een steilen heuvel, vanwaar ik het land eenigszins
overzien kon. Ik bevond dat het overal bebouwd was; maar wat mij in
't eerst verraste was de lengte van het gras, dat in die vakken,
die voor hooien bestemd schenen, meer dan twintig voet hoog stond.
Ik raakte op een heerweg, want daar hield ik het voor, ofschoon het
den inwoners alleen voor voetpad tusschen een korenveld diende. Hier
wandelde ik een poosje door, maar kon aan weerszijde bijna niets zien,
want daar het nu bijna oogsttijd was, stond het koren minstens veertig
voet hoog. Na een uur wandelens kwam ik aan het eind van dit veld, dat
omhaagd was met palen van minstens honderdtwintig voet, en de boomen
waren zoo hoog, dat ik ze niet schatten kon. Er was een overloop om
van het eene veld in het andere te komen. Die had vier treden en een
steen, dien men over moest stappen als men op de hoogte kwam. Het was
onmogelijk voor mij dien overloop te beklimmen, want iedere trede
was zes voet hoog, en de steen er op meer dan twintig. Ik trachtte
een opening in de heg te vinden, toen ik in het naaste veld een van
de inwoners naar den overloop zag toekomen, van dezelfde grootte als
die ik in zee onze boot had zien vervolgen. Hij leek zoo hoog als een
gewone kerktoren en nam stappen naar schatting van ongeveer tien el;
ik was in de uiterste vrees en ontsteltenis, en liep om me in het
graan te verschuilen, vanwaar ik hem, op den top van den overloop
staande, naar het veld rechts ernaast zag kijken, en ik hoorde hem
roepen met een stem heel wat luider dan een spreektrompet; maar dit
geluid was zoo hoog in de lucht, dat ik in het eerst dacht dat het
donderde; waarop zeven monsters van zijn soort naar hem toekwamen
met sikkels in hun handen, iedere sikkel zoowat van de grootte van
zes zeisen. Deze lieden waren niet zoo goed gekleed als de eerste,
wiens knechts of arbeiders zij leken; want, ingevolge een paar
woorden die hij hun zei, gingen ze het koren afmaaien in het veld,
waar ik in lag. Ik bleef zoo ver mogelijk van hen vandaan, maar kon
niet dan met de grootste moeite voortkomen, want de halmen stonden
soms niet meer dan een voet van elkaar af, zoodat ik nauwelijks mijn
lichaam er tusschen door kon wringen.
Ik slaagde er echter in vooruit te komen totdat ik kwam aan een deel
van het veld, waar het koren door regen en wind neergeslagen was. Hier
was het me onmogelijk een stap verder voort te gaan, want de halmen
waren zoo door elkaar gevlochten, dat ik er niet door kon kruipen en
de baard van de omgevallen aren was zoo hard en puntig, dat hij mij
door mijn kleeren heen in het vleesch stak. Tegelijkertijd hoorde ik
de maaiers niet meer dan honderd el achter me. Op van inspanning en
overweldigd door verdriet en wanhoop, ging ik in een vore liggen
en hoopte van harte, dat ik daar mijn dagen mocht eindigen. Ik
beklaagde mijn verlaten weduwe en vaderlooze kinderen. Ik betreurde
mijn eigen dwaasheid en grilligheid om een tweede reis te ondernemen,
in weerwil van den raad van al mijn vrienden en betrekkingen. Onder
deze vreeselijke aandoeningen kon ik niet nalaten te denken aan
Lilliput, waar de inwoners mij aanzagen voor het grootste wonder
dat ooit in de wereld verschenen was; waar ik in staat was geweest
een keizerlijke vloot met mijn hand te voeren, en al die daden te
bestaan die vermeld zullen worden in de geschiedboeken van dat rijk,
terwijl het nageslacht ze nauwelijks gelooven zal, schoon millioenen
er getuigenis van doen. Ik dacht bij mij zelf wat een vernedering het
voor me zijn zou, voor dit volk even onbeduidend te schijnen als een
enkele Lilliputter bij ons zou zijn, maar dit begreep ik, zou toch
nog de minste zijn van mijn rampen, want daar het is opgemerkt dat
menschelijke wezens wilder en wreeder zijn naarmate ze grooter zijn
van omvang, wat kon ik anders verwachten dan een hapje te zullen wezen
in den mond van den eersten van deze ontzaglijke barbaren, die mij
vangen mocht. Ongetwijfeld hebben de wijsgeeren gelijk als zij zeggen,
dat niets groot of klein is dan in vergelijking met iets anders. Het
lot zou de Lilliputters een land hebben kunnen laten vinden, waar de
menschen even klein waren ten opzichte van hen, als zij het waren
ten opzichte van mij. En wie weet of niet zelfs dit reusachtig ras
van stervelingen even zooveel in grootte overtroffen wordt in een of
ander deel van de wereld dat tot nu toe niet is ontdekt.
Ontsteld en ontdaan als ik was, kon ik niet nalaten met die bedenkingen
voort te gaan, toen een van de maaiers, door de plaats waar ik lag,
tot op tien el afstands voorbij te komen, mij vreezen deed dat ik
bij den eerstvolgenden stap zou worden doodgetrapt onder zijn voet
of in tweeën gesneden door zijn sikkel. En daarom, zoodra hij zich
weer bewegen ging, schreeuwde ik zoo hard als mijn angst alleen me
kon doen uithouden; waarop het monster-schepsel zijn stap inhield,
en nadat hij een poosje om zich heen gekeken had, eindigde met mij
te bespeuren, waar ik voor hem op den grond lag.
Hij bekeek mij eerst met de voorzichtigheid van iemand, die
probeert een klein gevaarlijk diertje zoo op te pakken, dat het hem
niet krabben of bijten kan, zooals ik zelf dikwijls een wezeltje in
Engeland gedaan heb. Ten laatste waagde hij het en vatte mij op, van
achteren om de middel, tusschen zijn voorvinger en duim en bracht me
tot binnen drie el van zijn oogen, om beter te kunnen waarnemen hoe
ik er precies uitzag. Ik raadde zijn bedoeling en had gelukkig zooveel
tegenwoordigheid van geest, dat ik besloot in 't minste niet tegen te
stribbelen, terwijl hij mij in de lucht hield, meer dan zestig voet
boven den grond, ofschoon hij mij vreeselijk in mijn zijde kneep,
uit angst dat ik hem door de vingers zou glippen. Al wat ik waagde
was mijn oogen naar de zon op te heffen, mijn handen samen te vouwen
in smeekende houding en eenige woorden te spreken, met een nederige en
zwaarmoedige uitdrukking, zooals dat mij in mijn toestand paste; want
ik vreesde ieder oogenblik dat hij mij tegen den grond zou smakken,
zoo als wij gewoonlijk doen met een klein griezelig insekt, dat we
willen doodmaken. Maar mijn goed gesternte beschikte dat hij scheen
behagen te scheppen in mijn stem en gebaren, en me begon te bekijken
als iets heel zonderlings, erg verbaasd mij gearticuleerde woorden
te hooren uitspreken, ofschoon hij die niet verstaan kon. In dien
tusschentijd kon ik niet nalaten te kreunen en tranen te storten,
en mijn hoofd naar mijn zijden te draaien, om hem zoo goed ik kon te
kennen te geven, hoe verschrikkelijk ik bezeerd werd door den druk
van zijn vinger en duim. Hij scheen mijn bedoeling te begrijpen, want
de panden van zijn jas oplichtende, stak hij mij zachtjes daarin en
liep dadelijk met mij naar zijn meester, die een gezeten boer was en
dezelfde, dien ik eerst in het veld gezien had.
Toen de boer (zooals ik uit hun praten opmaakte) zich door zijn knecht
had laten vertellen, wat die van mij wist, nam hij een stukje van
een klein strootje, zoowat zoo groot als een wandelstok en lichtte
daarmede de panden van mijn jas op, die hij naar 't scheen voor een
soort bedeksel hield, dat de natuur mij gegeven had. Hij blies mijn
haar uit mijn gezicht om dit beter te kunnen bekijken. Hij riep zijn
knechts bij zich en vroeg hen, zooals ik later leerde begrijpen,
of ze ooit in het veld een wezentje gezien hadden dat iets van mij
had? Toen zette hij mij zachtjes op den grond op handen en voeten,
maar ik sprong dadelijk op en wandelde langzaam achteruit en vooruit,
om dien lieden te toonen, dat ik niet van plan was weg te loopen. Ze
gingen allemaal in een kring om me heen zitten, om beter mijn
bewegingen te kunnen zien. Ik nam mijn hoed af en maakte een diepe
buiging voor den boer. Ik viel op mijn knieën en hief mijn handen en
oogen omhoog en sprak zoo luid ik kon verscheidene woorden; ik haalde
een beurs met goudgeld uit mijn zak en bood hem die nederig aan. Hij
nam haar aan op de palm van zijn hand, hield haar toen dicht bij zijn
oogen om te zien wat het was, en draaide haar daarna een keer of wat
om en om met de punt van een speld, (die hij van zijn mouw haalde),
maar hij kon er niet uit wijs worden. Ik wenkte hem daarom zijn hand op
den grond te leggen, nam toen de beurs er af, opende haar, en stortte
al het goud op zijn handpalm uit. Er waren zes Spaansche stukken,
elk van vier pistolen, behalve twintig of dertig kleinere munten. Ik
zag hem den top van zijn middelsten vinger vochtig maken, en eerst
een, en toen nog een van de grootste stukken er mee opnemen; maar hij
scheen heelemaal niet te begrijpen wat dat waren. Hij beduidde mij ze
weer in mijn beurs te doen en de beurs in mijn zak te steken, wat ik,
na ze hem nog een paar keer te hebben aangeboden, besloot te doen.
De boer begon nu overtuigd te worden dat ik een redelijk wezen zijn
moest. Hij sprak me herhaaldelijk toe, maar het geluid van zijn
stem verscheurde mijn ooren als dat van een watermolen; maar zijn
woorden klonken wel geartikuleerd. Ik antwoordde zoo hard ik kon in
verscheidene talen, en hij bracht zijn oor telkens tot op twee el van
me af, maar alles te vergeefs, want wij verstonden elkaar volstrekt
niet. Hij stuurde toen zijn knechts weer aan 't werk, en zijn zakdoek
uit zijn zak gehaald hebbende, deed hij dien dubbel en spreidde hem uit
op zijn linkerhand, die hij plat op den grond hield, met de palm naar
boven, en wenkte mij er op te stappen, wat ik gemakkelijk doen kon,
want ze was niet meer dan een voet dik. Ik achtte het het voordeeligst
te gehoorzamen en ging uit vrees voor vallen, languit op den zakdoek
liggen, waarvan hij de punten veiligheidshalve tot aan mijn hoofd om
me heen wikkelde en droeg me zoo ingepakt meê naar zijn huis. Daar
riep hij zijn vrouw en liet me aan haar zien, maar ze begon te gillen
en liep weg zooals de vrouwen in Engeland doen als ze een pad of een
spin zien. Maar toen ze een poosje mijn manieren gezien had en hoe
goed ik luisterde naar de gebaren van haar man, werd ze spoedig met
mij verzoend en ging langzamerhand erg veel van me houden.
Het was omstreeks twaalf uur op den middag en een dienstbode bracht
het eten binnen. Het bestond uit niets dan een stevig vleesch-gerecht
(naar den eenvoudigen stand van een landman) in een schotel van zoowat
vier en twintig voet doorsnede. De aanzittenden waren de boer en zijn
vrouw, drie kinderen en een oude grootmoeder. Toen zij zaten zette
de boer mij een eindje van zich af, op de tafel, die dertig voet
hoog was. Ik was doodsbang dat ik er af zou vallen en bleef zoo ver
mogelijk van den rand. De vrouw sneed een snippertje vleesch af en
kruimelde wat brood op een schoteltje en zette me dat vóor. Ik maakte
een diepe buiging voor haar, haalde mijn mes en vork uit en ging aan
't eten, waar ze verbazend veel schik in hadden. De meesteres liet de
meid een klein likeurkelkje halen, dat zoowat twee gallons inhield, en
vulde het met drank: ik tilde het vat met moeite met mijn twee handen
op en dronk met eerbiedige gebaren op mevrouws gezondheid, waarbij ik
de Engelsche woorden uitsprak zoo luid ik kon, wat het gezelschap zoo
hartelijk aan 't lachen maakte dat ik bijna doof werd van 't lawaai.
De drank smaakte als een lichte ciderwijn, en was niet
onaangenaam. Toen gaf de meester mij een wenk om bij den rand van
zijn bord te komen; maar terwijl ik over de tafel liep, voortdurend,
zooals de lezer wel begrijpt en verontschuldigen zal, in de grootste
verbazing, struikelde ik over een broodkorst en viel plat op mijn
gezicht, maar zonder me te bezeeren. Ik stond dadelijk op en toen ik
zag dat de goede liên nog bezorgd over me waren, nam ik mijn hoed
(dien ik als welgemanierd mensch onder mijn arm hield), en riep,
terwijl ik er mee boven mijn hoofd zwaaide, driemaal hoera! om te
toonen dat de val goed was afgeloopen. Maar terwijl ik naar mijn
meester (zooals ik hem in 't vervolg noemen zal) toekwam, pakte
zijn jongste zoon, een bengel van een jongen van vier jaar oud, die
naast hem zat, mij bij mijn beenen en hield mij zoo hoog in de lucht,
dat ik sidderde aan al mijn leden; maar zijn vader griste me van hem
af en gaf hem tegelijkertijd een klap om zijn ooren, die een heele
afdeeling Europeesche ruiterij tegen den grond zou hebben geslagen,
terwijl hij hem beval van tafel te gaan. Maar daar ik bevreesd was dat
de knaap een hekel aan mij krijgen zou, en mij te binnen bracht hoe
baldadig alle kinderen bij ons van natuur zijn tegenover musschen,
kleine katjes en jonge hondjes, viel ik op mijn knieën, en gaf,
naar den knaap wijzende, mijn meester zoo goed ik kon te verstaan,
dat ik om vergiffenis voor hem verzocht: de vader gaf toe en de knaap
mocht weer gaan zitten, waarop ik naar hem toeging en zijn hand kuste,
die mijn meester in de zijne nam en mij zachtjes deed aaien.
Midden onder het maal sprong de lievelingspoes van mijn meesteres op
haar schoot. Ik hoorde een gedruisch als van een dozijn kousenwevers
aan hunne weefgetouwen, en toen ik mijn hoofd omdraaide merkte ik dat
het het spinnen van dit dier was, dat driemaal grooter leek dan een os,
zooals ik opmaakte uit de grootte van haar kop en een klauw, dien ik
zag, terwijl haar meesteres haar eten gaf en aaide. Het woeste uitzicht
van dit gedrocht bracht me heelemaal van de wijs, schoon ik aan het
andere eind van de tafel stond, zoowat vijftig voet van haar af en mijn
meesteres haar vasthield, uit vrees dat ze een sprong zou doen en me
in haar klauwen grijpen. Maar daar was gelukkig geen gevaar voor, want
poes nam niet de minste notitie van me, zelfs niet toen mijn meester
me tot binnen drie el afstands van haar neerzette. En daar men mij
altijd gezegd heeft en ik dit op mijn reizen altijd bij ondervinding
had bewaarheid gezien, dat vluchten of zich bevreesd toonen voor een
wild dier, een zeker middel is om zich er door te laten aanvallen,
besloot ik in dit gevaarlijk oogenblik mij in 't geheel niet bezorgd
te toonen. Ik wandelde daarom stoutmoedig vijf- of zesmaal vlak voor
poes haar kop heen en weer en kwam tot op een halve el bij haar,
waarop zij zich terugtrok, alsof zij banger voor mij dan ik voor
haar was; minder bang was ik voor de honden, waarvan er drie of vier
in de kamer kwamen, zooals in boerenhuizen gebruikelijk is; waarvan
er één een bandhond was, zoowat van den omvang van vier olifanten,
en een hazewind ietwat hooger dan de bandhond, maar niet zoo zwaar.
Toen de maaltijd bijna gedaan was, kwam de kindermeid binnen met
een kind van een jaar oud in haar armen, dat me dadelijk in de gaten
kreeg en begon te blèren dat men het zou kunnen hooren van Amsterdam
tot Sloterdijk, op de gebruikelijke manier van kinderen, om me voor
speelgoed te hebben. De moeder nam me uit pure goedheid op en hield me
naar het kind toe, dat me dadelijk bij mijn middel greep en mijn hoofd
in zijn mond stak, waar ik zoo hard ging schreeuwen dat de dreumes er
van schrikte en mij vallen liet, zoodat ik onvermijdelijk mijn nek
zou hebben gebroken, als de moeder niet haar boezelaar onder me had
gehouden. De kindermeid gebruikte, om het kind zoet te houden, een
ratel, die niets anders was dan een soort hol vat vol groote steenen
en met een kabel om het middel vastgemaakt; maar het was alles te
vergeefs, zoodat ze als laatste redmiddel wel besluiten moest het
kind de borst te geven. Ik moet bekennen dat nooit een voorwerp mij
zoo walgde als haar monsterachtige borst, waarvan ik niet kan zeggen
waar ik ze mee vergelijken moet om den belangstellenden lezer een
denkbeeld te geven van haar omvang, gedaante en kleur.
Dit bracht me aan 't denken over het fijne vel van onze Engelsche
dames, die ons zoo mooi lijken, alleen omdat ze van onze eigen grootte
zijn, en hun gebreken alleen door een vergrootglas zijn te zien,
wanneer we bij ondervinding weten, dat het gladste en witste vel er
ruw en grof en akelig van kleur uitziet.
Ik herinner mij, dat, toen ik in Lilliput was, de gelaatskleur van
die miniatuur-menschjes mij de mooiste in de wereld leek; en in een
gesprek over dit onderwerp met een geleerde daar, die een vertrouwd
vriend van mij was, zei die mij dat mijn gezicht veel fijner en gladder
leek als hij het van den grond, dan als hij het van nabij zag, als ik
hem in mijn hand nam en er vlak voorhield, wat werkelijk, zei hij, in
't eerst een heel griezelig gezicht was. Hij zei dat hij groote gaten
in mijn huid kon waarnemen, dat de stompjes van mijn baard tienmaal
sterker waren dan de stekels van een wild zwijn en mijn gelaatskleur
bestond uit verschillende kleuren, volmaakt onaangenaam. Schoon ik
toch vrijheid vragen moet te betuigen, dat ik even blank ben als de
meeste van mijn mannelijke landgenooten, en door al mijn reizen maar
heel weinig verschroeid.
Daarentegen, sprekende van de dames aan het hof van dien Keizer,
placht hij wel te zeggen dat éen sproeten had, een andere een te
grooten mond, een derde een te breeden neus; dingen waar ik allemaal
niets van onderscheiden kon. Ik moet zeggen dat deze overwegingen
hinderlijk genoeg zijn; maar ik kon ze toch niet achterwege laten,
omdat de lezer anders denken zou dat die groote schepsels werkelijk
mismaakt waren, wat niet zoo is, want ik moet om billijk te zijn,
erkennen dat ze een knap soort volk zijn, en voornamelijk de trekken
van het gezicht van mijn meester, ofschoon hij maar een boer was,
zagen er als ik ze op hun hoogte van zestig voet zag zeer evenredig
gevormd uit.
Na den maaltijd ging mijn meester zien naar zijn arbeiders, en gaf zijn
vrouw, zooals ik uit zijn stem en gebaren kon opmaken, strikten last
om goed zorg voor mij te dragen. Ik was erg vermoeid en slaperig en
mijn meesteres, dat bemerkende, legde me op haar eigen bed en dekte
me toe met een schoonen witten zakdoek, maar grooter en grover dan
het schoenerzeil van een oorlogsschip.
Ik sliep ongeveer twee uur en droomde dat ik thuis was bij mijn vrouw
en kinderen, wat mijn verdriet nog deed toenemen toen ik wakker
werd en mij alleen, in een uitgestrekt vertrek van tusschen twee-
en driehonderd voet breed en meer dan tweehonderd hoog in een bed
van twintig ellen breedte liggen vond. Mijn meesteres was aan haar
huishouden gegaan en had mij opgesloten. Het bed was acht el boven
den vloer. Ik wenschte er af te komen, maar dorst niet roepen; en als
ik het gedaan had zou het te vergeefs geweest zijn, met een stem als
de mijne, op een zoo grooten afstand als van de kamer waar ik was
tot de keuken, waar de familie zich in ophield. Terwijl ik mij in
die omstandigheden bevond, kropen twee ratten tegen de gordijnen op,
en liepen snuffelende naar achteren en naar voren over het bed. Een
kwam bijna vlak bij mijn gezicht, waarop ik beangst opsprong en mijn
houwer trok om me te verdedigen. Deze afgrijselijke dieren hadden
de stoutmoedigheid mij aan weerszijden aan te vallen en een hield
zijn voorpooten aan mijn halsboord; maar ik had het geluk haar den
buik op te rijten, voor zij mij eenig kwaad kon doen. Zij viel voor
mijn voeten neer en de andere, het lot van haar makker ziende, nam
de vlucht, maar niet zonder een geduchte wond op haar rug, die ik
haar gaf terwijl zij wegliep en haar het bloed langs de zijden deed
druppelen. Na deze heldendaad wandelde ik zoetjes op en neer over het
bed, om weer op adem en op mijn verhaal te komen. De beesten waren
van de grootte van een grooten dog maar oneindig vlugger en woester,
zoodat, als ik voor ik slapen ging, mijn gordel had afgelegd, ik
onfeilbaar in stukken gescheurd en verslonden zou zijn. Ik mat den
staart van de doode rat en bevond dat hij twee el lang was, op een
duim na; maar ik walgde er een beetje van het lijk van het bed af te
sleepen, waar het maar al lag te bloeden; ik merkte dat er nog eenig
leven in was, maar met een fikschen houw over den nek, maakte ik het
heelemaal van kant. Spoedig daarop kwam mijn meesteres in de kamer,
die mij geheel bebloed ziende, toeschoot en mij in haar hand nam. Ik
wees haar naar de doode rat, glimlachende en nog andere teekens makende
om te toonen dat ik niet gewond was, waarop ze uitermate blij werd,
roepende de meid om de doode rat op te nemen met een tang en haar
uit het venster te gooien. Toen zette ze mij op tafel, waar ik haar
mijn houwer toonde heelemaal bebloed, en stak hem, nadat ik hem aan
mijn jaspanden had afgeveegd, weer in zijn schede.
Ik hoop dat de vriendelijke lezer mij het uitweiden over deze en
dergelijke bijzonderheden ten goede zal houden, die, hoe onbeteekenend
zij voor gewone geesten schijnen mogen, toch zeker een wijsgeer
zullen helpen zijn gedachten en verbeelding te verrijken, en er
gebruik van te maken ten welvaren van publiek zoowel als bijzonder
leven, wat mijn eenig doel was met het voorleggen van deze en andere
berichten van mijn reizen aan de wereld, waarin ik voornamelijk naar
waarheid gestreefd heb, zonder eenige versierselen van geleerdheid of
stijl voor te wenden. Maar het geheele tooneel van deze reis maakte
zoo een sterken indruk op mijn geest, en is zoo diep gegrift in mijn
geheugen, dat ik, haar op papier brengende, niet eene bijzonderheid van
beteekenis vergeten heb; evenwel heb ik bij een strenge herziening,
verscheidene gedeelten van minder gewicht weggeschrapt, die in mijn
eerste handschrift waren, uit vrees te worden veroordeeld als vervelend
en onbeteekenend, wat reizigers dikwijls, misschien niet ten onrechte,
beschuldigd worden te zijn.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Een beschrijving van het dochtertje van den boer.--De
schrijver naar een marktplaats gebracht en daarna naar de
hoofdstad.--Bizonderheden over zijn--reis.--
Mijn meesteres had een dochtertje van negen jaar oud, een voordeelig
kind voor haar leeftijd, heel vlug met de naald en handig in het
kleeden van haar pop. Haar moeder en zij brachten tegen den nacht
de poppewieg voor mij in orde; de wieg werd in een kleine la van
een kabinet gezet, en de la op een hangende plank geplaatst uit
vrees voor de ratten. Dit was mijn bed, al den tijd, dat ik bij
die menschen in huis bleef, schoon het langzamerhand meer naar mijn
gemak werd ingericht, naarmate ik hun taal begon te leeren, en mijn
behoeften bekend te maken. Dit jonge meisje was zoo handig, dat toen
ik een of twee keer mijn kleeren had uitgetrokken waar zij bij was,
ze mij aan en uit kon kleeden, maar ik deed haar die moeite nooit aan,
tenzij ze er op aandrong. Zij maakte zeven hemden en ander linnengoed
voor me, van het fijnste goed dat ze krijgen kon, dat toch nog grover
was dan zakkegoed, en die waschte ze geregeld zelf. Zij was ook mijn
schooljuffrouw, die me de taal leerde; als ik naar iets wees, zei zij
mij den naam er van in haar taal, zoodat ik in een dag of wat vragen
kon om wat ik hebben wou. Zij was een goed kind en niet grooter dan
veertig voet, wat klein is voor haar leeftijd. Zij gaf mij den naam van
Grildrig, dien de familie overnam en later het heele rijk. Het woord
beteekent wat de Latijnen Nanunculus, de Italianen Homunceletino en de
Engelschen mannikin noemen. Ik ben haar grootendeels verschuldigd dat
ik in dit land mijn leven behield; ik noemde haar mijn Glumdalclitch
of kindermeisje, en ik zou me schuldig maken aan groote ondankbaarheid
als ik deze eervolle vermelding naliet van haar zorg en genegenheid
voor mij, die ik van harte wensch dat het in mijn macht stond, te
beloonen zooals ze het verdient, in plaats van, zooals ik maar te
veel reden heb te vreezen, de onschuldige, maar ongelukkige bewerker
van haar schande te zijn.
Het begon nu bekend, en in de buurt erover gepraat te worden, dat mijn
meester een vreemd diertje in 't veld had gevonden, zoowat zoo groot
als een splacnuck, maar volmaakt gevormd als een menschelijk wezen,
dat het ook in al zijn bewegingen nabootste; en dat een eigen taaltje
scheen te spreken, al verscheidene woorden van hun taal geleerd had,
rechtop op zijn twee beenen liep, tam en aardig was, kwam wanneer het
geroepen werd, alles deed wat het gezegd werd, de fijnste ledematen van
de wereld had, en een complexie teerder dan een edelmansdochter van
drie jaar oud. Een andere boer, die dichtbij woonde, en een bizonder
vriend van mijn meester, kwam een bezoek brengen met het doel te
onderzoeken wat er waar was van dat verhaal. Ik werd onmiddellijk voor
den dag gehaald en op een tafel gezet, waar ik wandelde zooals men mij
beval, mijn houwer trok, weer opstak, een buiging maakte voor den gast,
hem in zijn eigen taal vroeg hoe hij het maakte, en hem zei dat hij
welkom was, zooals mijn kindermeisje mij dat had geleerd. Deze man,
die oud en bijziende was, zette zijn bril op om mij beter te zien,
waarop ik niet laten kon hartelijk te lachen, want zijn oogen leken
me wel volle manen, schijnende in een kamer met twee vensters. De
huisgenooten, die de oorzaak van mijn vroolijkheid ontdekten, hielden
mij in mijn lachen gezelschap, waarover de oude mal genoeg was boos
en uit zijn humeur te worden. Hij stond bekend voor een ergen vrek;
en hij kon dat, tot mijn ongeluk, best wezen, naar den vervloekten
raad dien hij mijn meester gaf, mij te laten kijken op een marktdag in
de naburige stad, die een half uur rijdens, ongeveer twee-en-twintig
mijlen, van ons af was. Ik vermoedde dat er eenig kwaad broeide,
toen ik mijn meester en zijn vriend met elkaar zag fluisteren,
terwijl zij soms naar mij wezen; en mijn vrees deed me gelooven dat
ik af en toe enkele van hun woorden verstaan kon. Maar den volgenden
morgen vertelde Glumdalclitch, mijn kleine oppaster, mij de heele
zaak, waarover ze haar moeder listig had uitgehoord. Het arme kind
legde mij aan haar borst, en viel aan 't schreien van verdriet en
schaamte. Zij was bang dat mij een ongeluk zou overkomen van gemeene
hardhandige menschen, die me misschien dood zouden knijpen of een
van mijn leden breken, als ze me in hun handen namen. Zij had ook
gemerkt hoe preutsch ik van nature was, hoe gesteld op mijn eer,
en wat een schande ik het vinden zou voor geld ten toon gesteld te
worden, als een publieke vertooning voor het minste volk. Zij zeide,
dat vader en moeder haar beloofd hadden, dat Grildrig van háar zou
hooren; maar nu merkte zij, dat ze haar net zoo zouden behandelen
als het vorige jaar, toen zij haar een lam beweerden te geven, en
het toch, zoodra het goed vet was, verkochten aan een slager. Wat
mij betreft, ik kan naar waarheid getuigen, dat ik minder bezorgd
was dan mijn verzorgstertje. Ik had een vast vertrouwen, dat me nooit
verliet, dat ik eens mijn vrijheid zou terugkrijgen; en wat aangaat de
schandelijkheid van te worden door het land gevoerd als een kijkspel,
ik bedacht dat ik een volslagen vreemdeling was in dat land, en dat
zulk een ongeluk mij nooit als een verwijt kon worden nagegeven, als
ik mocht terugkomen in Engeland, daar de koning van Groot-Brittannië
zelf, in mijn geval, hetzelfde lot had moeten ondergaan.
Mijn meester nam me dan, ingevolge den raad van zijn vriend, den
volgenden marktdag, in een doos met zich naar de naburige stad en
liet zijn dochtertje, mijn kleine verzorgster, op een kussen achter
hem opzitten. De doos was aan alle kanten dicht, met een kleine
deur voor mij om in en uit te gaan en een paar boor-gaatjes om
lucht in te laten. Het meisje was zoo zorgvol geweest er de sprei
van haar poppebedje in te doen, waarop ik liggen kon. Nochtans werd
ik op die reis verschrikkelijk geschokt en heen en weer gegooid,
ofschoon ze maar een half uur duurde: want het paard nam stappen van
zoo wat veertig voet, en draafde zoo hoog, dat de beweging gelijk
was aan het op- en neergaan van een schip in een hevigen storm,
maar veel veelvuldiger. Onze reis was iets verder dan van Londen
naar St. Albans. Mijn meester stapte af aan een herberg, waar hij
dikwijls kwam; en na een poosje met den herbergier overlegd, en
eenige noodzakelijke toebereidselen gemaakt te hebben, huurde hij den
grultrud, of omroeper, om door de stad bekend te maken, dat een vreemd
wezen te zien was, waar de Groene Arend uithing, niet zoo groot als
een splacnuck (een dier in dat land, fraai gevormd, ongeveer zes voet
lang) en in al zijn lichaamsdeelen een menschelijk wezen gelijkende;
het kon verscheidene woorden spreken en honderd aardige kunstjes doen.
Ik werd op een tafel gezet in het grootste vertrek van de herberg,
dat bijna driehonderd voet in 't vierkant mag zijn geweest. Mijn
kleine meesteres stond op een lagen stoel vlak bij de tafel, om
op me te passen en me te zeggen wat ik doen moest. Om gedrang te
vermijden wou mijn meester niet meer dan dertig personen tegelijk
binnenlaten. Ik stapte over de tafel heen en weer, zooals mij door
het dochtertje bevolen werd: zij stelde mij vragen, die ze wist dat
ik met mijn kennis van de taal kon beantwoorden, en ik antwoordde zoo
hard ik kon. Ik wendde mij verscheiden malen naar het gezelschap,
groette het beleefd, zei dat het welkom was, en gebruikte een paar
andere spreekwijzen, die ik had geleerd. Ik nam een vingerhoed,
gevuld met drank, dien Glumdalclitch mij voor beker gegeven had en
dronk hun gezondheid. Ik trok mijn houwer, en zwaaide hem, naar de
wijze van de schermers in Engeland. Mijn verzorgster gaf me een stuk
stroo, dat ik hanteerde als een piek, hebbende die kunst geleerd
in mijn jeugd. Ik werd dien dag vertoond aan twaalf partijen volk,
en was even dikwijls genoodzaakt dezelfde dwaasheden over te doen,
totdat ik halfdood was van uitputting en ergernis; want zij die mij
gezien hadden brachten zulke wondervolle verslagen uit, dat het volk
op het punt stond de deur open te breken om binnen te komen. Mijn
meester wou niet, in zijn eigen belang, dat iemand mij aanraakte dan
zijn dochtertje, en om ongelukken te voorkomen, waren banken rondom de
tafel gezet op zoo'n afstand, dat ik buiten ieders bereik was. Maar
een ondeugende schooljongen mikte een hazelnoot vlak op mijn hoofd,
die me bijna geraakt had; gelukkig bijna, want ze kwam met zooveel
kracht, dat ze onfeilbaar mijn hersens zou hebben stukgeslagen, want
ze was haast zoo groot als een kleine meloen; maar ik had de voldoening
den jeugdigen rekel flink afgerost en buiten de deur gezet te zien.
Mijn meester liet bekend maken dat hij mij den volgenden marktdag
weer vertoonen zou; en maakte meteen een geriefelijker voertuig voor
me klaar, wat ook wel noodig was; want ik was zoo uitgeput van mijn
reis heen en van het acht uur achter elkaar kunstjes maken, dat ik
nauwelijks op mijn beenen staan en geen woord spreken kon. Het duurde
ruim drie dagen voor ik weer op mijn verhaal was; en opdat ik ook
thuis toch maar vooral geen rust zou hebben, kwamen al de buren van
honderd mijl in de rondte, die van mij hoorden, mij bij mijn meester
aan huis zien. Het kunnen niet minder geweest zijn dan dertig personen,
met hun vrouwen en kinderen (want het land was zeer bevolkt); en mijn
meester vroeg telkens, als hij me thuis vertoonde, den prijs van een
volle kamer, al kwam er maar een enkele familie, zoodat ik gedurende
eenigen tijd geen dag van de week op mijn gemak was (behalve Woensdag,
dat hun rustdag is) ook al werd ik niet naar stad gebracht.
Mijn meester, merkende hoe winstgevend ik voor hem zijn kon,
besloot de belangrijkste steden van het koninkrijk met mij rond te
reizen. Hebbende daarom zich voorzien van al wat noodig is voor een
lange reis, en op zijn zaken thuis orde gesteld, nam hij afscheid van
zijn vrouw, en op den 17den Augustus 1703, zoowat twee maanden na mijn
aankomst, reisden wij af naar de hoofdstad, die bijna in het midden
van dat rijk gelegen is, en op ongeveer drieduizend mijlen afstand van
ons huis. Mijn meester had zijn dochtertje Glumdalclitch achter zich
te paard. Ze hield mij op haar schoot in een doos, die om haar middel
gebonden was. Het kind had die doos aan alle kanten gevoerd met het
zachtste goed dat zij krijgen kon, het van onderen goed opgevuld, haar
poppebedje erin gelegd, mij voorzien van linnen en andere behoeften,
en alles zoo geriefelijk mogelijk gemaakt. Wij hadden geen ander
gezelschap dan een knechtje, die achter ons reed met de bagage.
Het plan van mijn meester was mij in alle steden te laten zien,
waar we doorreisden, en vijftig of honderd mijl bezijden den weg
af te gaan naar ieder dorp of heerenhuis, waar hij verwachten kon
zaken te doen. Wij maakten makkelijke dagreizen van niet meer dan
honderdvijftig mijlen: want Glumdalclitch klaagde, om mij te sparen,
over vermoeidheid door het schokken van het paard. Zij nam me, op
mijn verlangen, dikwijls uit de doos, om me lucht te geven en me het
land te laten zien, maar hield me altijd aan een draadje vast. Wij
gingen vijf of zes rivieren over, heel wat breeder en dieper dan de
Nijl of de Ganges, en er was nauwelijks een riviertje zoo smal als
de Theems bij London Bridge. Onze reis duurde tien weken en in dien
tijd was ik vertoond in achttien groote steden, behalve in een groot
aantal dorpen en afzonderlijke huizen.
Den 26sten October bereikten wij de hoofdstad, in hun taal Lorbrulgrud,
of Trots van het Heelal genoemd. Mijn meester nam zijn intrek in de
hoofdstraat van de stad, niet ver van het Koninklijk paleis, en hing
aanplakbiljetten buiten, in den gewonen vorm, waarop een nauwkeurige
beschrijving van mijn persoon en hoedanigheden. Hij huurde een groote
kamer tusschen drie- en vierhonderd voet breed. Hij schafte zich
een tafel aan van zestig voet in doorsnee, waarop ik mijn kunsten
vertoonen zou en omheinde haar in de rondte drie voet binnen den rand
en evenveel hoog om afvallen te voorkomen. Ik werd tienmaal per dag
vertoond, tot de verbazing en de voldoening van iedereen. Ik kon de
taal nu tamelijk wel spreken en verstond volkomen elk woord dat tegen
me gezegd werd. Ook had ik hun alphabet geleerd en kon hier en daar
probeeren een volzin te verklaren; want Glumdalclitch had mij toen we
nog thuis waren en in onze vrije uren op reis, onderwezen. Zij droeg
een klein boekje bij zich, niet veel grooter dan een Sanson's Atlas,
dat was een eenvoudige verhandeling ten gebruike van jonge meisjes,
bevattende een kort overzicht van hun godsdienst; daaruit leerde zij
mij de letters en legde mij de woorden uit.
DERDE HOOFDSTUK.
Er wordt van het hof gezonden om den schrijver.--De Koningin
koopt hem van zijn meester en stelt hem voor aan den koning.--Hij
houdt twistgesprekken met Zijner Majesteits geleerden.--Een
kamer aan 't hof wordt voor hem ingericht.--Hij staat in gunst
bij de Koningin.--Hij verdedigt de eer van zijn vaderland.--Zijn
vijandschap met den dwerg van de Koningin.
De aanhoudende veranderingen die ik iederen dag onderging,
veroorzaakten binnen weinige weken een belangrijke verandering in mijn
gezondheid: hoe meer mijn meester aan me verdiende, hoe begeeriger hij
werd. Ik had heelemaal mijn eetlust verloren, en was bijna afgevallen
tot een geraamte. De boer merkte het en overleggende bij zich zelf
dat ik gauw sterven zou, besloot hij nog zooveel uit me te halen als
hij kon. Terwijl hij zoo bij zichzelf overlegde en besloot, kwam een
slardral, of kamerdienaar van het hof, met bevel aan mijn meester
onmiddellijk daarheen te komen en mij te laten kijken aan de koningin
en haar dames. Eenige van de laatste waren me al komen zien en brachten
Haar Majesteit de vreemdste verhalen over van mijne schoonheid, mijn
manieren en mijn gezond verstand. Hare Majesteit en zij die bij haar
waren, toonden zich bovenmate over mijn voorkomen verrukt. Ik viel
op mijn knieën en verzocht om de eer haar vorstelijke voeten te mogen
kussen; maar deze bevallige vorstin hield, toen ik op tafel gezet was,
haar pink naar me toe, die ik omvatte met bei mijn armen en waarvan ik
den top met den diepsten eerbied aan mijn lippen bracht, en zij deed
mij een paar algemeene vragen over mijn land en mijn reizen, die ik
zoo duidelijk en zoo beknopt als ik kon beantwoordde. Zij vroeg of ik
wel aan het hof zou willen leven? Ik boog tot het vlak van de tafel en
antwoordde weder dat ik mijns meesters slaaf was, maar dat als ik over
mij zelf beschikken mocht, ik er trotsch op wezen zou mijn leven aan
Harer Majesteits dienst te wijden. Zij vroeg toen mijn meester of hij
geneigd was me tegen een goeden prijs te verkoopen. Hij, die vreesde
dat ik geen maand meer zou leven, was willig genoeg afstand van mij
te doen en vroeg duizend stukken goud, die hem onmiddellijk werden
toegestaan; elk stuk zoowat van de zwaarte van achthonderd moidores,
maar in aanmerking nemende de evenredigheid in alles tusschen dat
land en Europa en den hoogen prijs van het goud in dat rijk, was die
som nauwelijks zoo groot als duizend guineas bij ons. Ik zei toen
tot de Koningin, dat ik nog, daar ik Harer Majesteits onderdanigste
dienaar en vasal was, om de gunst verzoeken dorst dat Glumdalclitch
die mij altijd met zooveel zorg en zoo hartelijk had opgepast en daar
zoo goed voor berekend was, ook in haar dienst zou mogen overgaan,
en ook in het vervolg mijn onderwijzeres en oppaster zijn.
Hare Majesteit stond mijn verzoek toe, en verkreeg gemakkelijk
de toestemming van den boer, die heel blij was zijn dochter te
zien aangesteld aan het hof, en het arme kind zelf was niet in
staat haar vreugd te verbergen. Mijn gewezen meester ging weg,
mij vaarwel zeggende en mij toevoegende dat hij mij in een goeden
dienst achterliet, waar ik geen woord op antwoordde, makende alleen
een lichte buiging.
De Koningin bespeurde mijn koelheid, en vroeg mij, toen de boer uit
het vertrek was, de reden daarvan. Ik waagde het Hare Majesteit te
zeggen, dat ik aan mijn gewezen meester geen grooter verplichting had
dan daarvoor, dat hij mij arm, schadeloos schepsel, bij toeval in 't
veld gevonden, niet doodgetrapt had; een verplichting waar ruim tegen
opwoog de winst die hij gemaakt had door me in het halve koninkrijk
te laten kijken en de prijs waar hij me nu voor verkocht had; dat
het leven dat ik al dien tijd geleid had vermoeiend genoeg was om
een dier van tienmaal mijn kracht te dooden; dat mijn gezondheid erg
geschaad was door het voortdurend geploeter van ieder uur van den
dag het plebs te moeten pleizieren; en dat, als mijn meester niet
gedacht had dat mijn leven gevaar liep, Hare Majesteit mij niet zoo
goedkoop zou gekregen hebben. Maar daar ik nu buiten alle vrees voor
slechte behandeling was, onder de bescherming van een zoo groote en
goede vorstin, het sieraad der natuur, de lieveling van de wereld,
de verrukking van hare onderdanen, de phoenix der schepping, nu hoopte
ik dat de vrees van mijn gewezen meester zonder grond zou blijken te
zijn; want ik voelde mijn levensgeesten al weer wakker worden onder
den invloed van hare zeer verheven tegenwoordigheid.
Dit was het hoofdzakelijke van mijn rede, gebrekkig en aarzelend
uitgesproken. Het laatste deel was in den bij dit volk gebruikelijken
stijl, waar ik sommige volzinnen van leerde van Glumdalclitch,
terwijl ze mij naar het hof bracht.
De koningin, mijn gebrekkelijkheid in 't spreken goedgunstig
voorbijziende, was verrast over zooveel geest en verstand in een zoo
nietig schepseltje. Zij nam mij in haar eigen handen en liep met me
naar den Koning, die toen in zijn kabinet alleen was. Zijne Majesteit,
een vorst van grooten ernst en streng voorkomen, op 't eerste gezicht
mijn gestalte niet juist bemerkende, vroeg de Koningin eenigszins koel,
sinds hoe lang zij de gewoonte had dol te zijn op een splacnuck? want
daar hield hij mij voor naar het schijnt, terwijl ik op mijn buik
lag, op haar Majesteits rechterhand. Maar deze vorstin, een wonder
van geest en beminlijkheid, zette mij zachtjes op mijn voeten op de
schrijftafel en beval mij Zijne Majesteit zelf over me in te lichten,
wat ik in weinige woorden deed; en Glumdalclitch, die wachtte aan de
deur van het kabinet, en niet velen kon dat ik uit haar gezicht was,
bevestigde, toen haar vergund was binnen te komen, mijn verhaal van
al wat er gebeurd was sinds mijn aankomst in haar vaders huis.
De Koning, schoon hij zoo geleerd als iemand in zijn rijk was
en onderwezen in de wijsbegeerte en voornamelijk in de wiskunde,
hield het toch er voor, toen hij mijn figuur nauwkeurig bekeken
had en mij rechtop loopen zag, maar nog niet had hooren spreken,
dat ik een soort klokwerk was, (in het maken waarvan men in dat land
een groote volmaaktheid bereikt heeft) bedacht door een vindingrijk
kunstenaar. Maar toen hij mijn stem hoorde, en merkte dat wat ik sprak
geregeld en redelijk was, kon hij zijn verbazing niet verbergen. Hij
was volstrekt niet tevreden met het verhaal dat ik hem deed van hoe
ik in zijn rijk gekomen was, maar hield het voor een vertelseltje
bedacht door Glumdalclitch en haar vader, die mij een stel woorden
geleerd hadden, om me duurder te kunnen verkoopen. In die overtuiging
deed hij me een aantal vragen en kreeg telkens redelijke antwoorden,
alleen uitgesproken met een vreemden tongval en door mijn gebrekkige
kennis van de taal vervat in boersche volzinnen, die ik bij den boer
thuis had geleerd, en die in den beschaafden hofstijl niet zouden
hebben gepast.
Zijn Majesteit liet drie groote geleerden komen, die hun éénweeksche
wacht hadden, zooals gebruikelijk is in dat land. Deze heeren waren,
nadat zij een poosje mijn gedaante zorgvuldig en oplettend onderzocht
hadden, van verschillende meening over mij. Zij kwamen er in overeen
dat ik niet kon ontstaan zijn overeenkomstig de gewone natuurwetten,
omdat ik niet zoo was ingericht dat ik mijn leven kon beveiligen,
hetzij door snelheid, of het beklimmen van boomen, of het graven
van holen in den grond. Zij maakten op uit mijn tanden, die zij heel
nauwkeurig bekeken, dat ik een vleeschetend dier moest zijn; maar daar
de meeste viervoetige dieren mij de baas waren, en veldmuizen met nog
een paar andere mij in vlugheid de loef afstaken, konden zij zich niet
verbeelden hoe ik mij voeden zou, tenzij dan door te leven van slakken
en andere insekten, wat zij aanboden met allerlei geleerde argumenten
te bewijzen dat ik onmogelijk kon doen. Een van deze kunstvaardigen
scheen te meenen dat ik een embryo of misgeboorte zijn zou. Maar
die meening werd verworpen door de anderen, op grond dat mijn leden
volkomen gevormd waren, en dat ik verscheiden jaren geleefd had, zooals
duidelijk bleek aan mijn baard, waarvan zij de stompjes bespeurden door
een vergrootglas. Zij konden mij ook niet voor een dwerg houden, omdat
mijn kleinheid buiten alle vergelijking was; want de lievelings-dwerg
van de koningin, de kleinste, die ooit in dat koninkrijk bekend
was, was bijna dertig voet hoog. Na veel overleggingen besloten zij
eenparig dat ik niets was dan een relplum scalcath, wat vertaald
wordt lusus naturae, [1] eene bepaling, die uitnemend paste bij de
nieuwere wijsbegeerte in Europa, wier belijders, versmadende het
vroegere redmiddel van "verborgen oorzaken", waarmee de volgers
van Aristoteles te vergeefs beproefden hun onkunde te verbergen,
deze wonderlijke oplossing van alle moeielijkheden gevonden hebben,
tot onuitsprekelijke bevordering van de menschelijke wetenschap.
Na dit beslissend oordeel verzocht ik een paar woorden te mogen
spreken. Ik wendde mij tot den Koning en verzekerde Zijne Majesteit,
dat ik van een land kwam waar het krioelde van millioenen menschen, van
beiderlei geslacht en allen van mijn gestalte; waar de boomen en huizen
naar evenredigheid klein waren, waar ik, dientengevolge, even geschikt
was mij te verdedigen en voor mijn onderhoud te zorgen, als Zijner
Majesteits onderdanen hier; wat ik meende dat een voldoend antwoord
was op de beweringen van de heeren daar. Hierop antwoordden zij alleen
met een minachtenden glimlach en het zeggen dat de boer mij uitstekend
mijn lesje had voorgezeid. De Koning, die een veel beter begrip had,
liet zijn geleerden gaan en zond om den boer, die gelukkig nog niet
uit de stad was. Toen hij dien nu eerst afzonderlijk ondervraagd had
en daarna met mij en het dochtertje tegelijk, begon Zijne Majesteit
te meenen, dat wat wij hem vertelden mogelijk wel waar kon zijn. Hij
verzocht de Koningin bizondere zorg voor mij te dragen, en vond het
goed dat Glumdalclitch in haar betrekking van oppaster blijven zou,
omdat hij zag dat wij elkander zoo genegen waren. Een welingericht
vertrek aan het hof werd haar aangewezen, een soort van gouvernante
werd benoemd om zorg te dragen voor haar opvoeding, een hofdame om
haar te kleeden en twee andere bedienden voor het mindere werk; maar
de zorg voor mij werd heel en al aan haar alleen toevertrouwd. De
Koningin beval haar eigen meubelmaker een doos te vervaardigen, die
ik voor slaapkamer gebruiken zou, naar het model dat Glumdalclitch en
ik zouden vaststellen. Deze man was een zeer vindingrijk kunstenaar en
vervaardigde naar mijn aanwijzingen binnen drie weken een houten kamer,
van zestien voet in 't vierkant en twaalf hoog, met schuiframen, een
deur en twee kleine vertrekjes als een Londensch slaapvertrek. Het
dak dat het plafond vormde kon men oplichten en neerlaten aan twee
scharnieren en zoo werd mijn bed er in gezet, kant en klaar geleverd
door Harer Majesteits bekleeder, dat Glumdalclitch iederen dag eruit
nam om het te luchten, met haar eigen handen opmaakte, en 's avonds
weer van boven erin zette en het plafond boven me sloot. Een kunstig
werkman, beroemd om de kleine snuisterijen die hij maken kon, nam op
zich twee stoelen te leveren met ruggen en zittingen van een stof,
die veel op ivoor leek, en twee tafels en een kast voor mijn zaken. De
kamer was aan alle kanten bekleed, ook de vloer en de zoldering, om
ongelukken te voorkomen, die ontstaan konden uit de zorgeloosheid
van hen, die mij heen en weer droegen, en de kracht van een schok
te breken, als ik mee in een rijtuig ging. Ik vroeg om een slot op
mijn deur, om ratten en muizen te verhinderen binnen te komen. De
smid, na verscheidene vruchtelooze pogingen, maakte 't kleinste dat
daar ooit gezien is, want ik heb een grooter gekend aan de deur van
een heerenhuis in Engeland. Ik bewaarde den sleutel in mijn zak,
uit vrees dat Glumdalclitch hem verliezen zou. De Koningin gaf ook
bevel de fijnst mogelijke zijde te doen uitzoeken, om kleederen voor
me van te maken, niet veel dikker dan een Engelsche deken, en nog al
bezwarend, zoolang ik er niet aan gewend was. Zij waren naar de mode
van het rijk, en leken deels Perzisch, deels Chineesch, maar stonden
ernstig en waardig.
De Koningin werd zoo gesteld op mijn gezelschap dat ze niet meer
eten kon zonder me. Ik had een tafel staan op de tafel waar Hare
Majesteit aan at, vlak aan haar rechter elleboog, en een stoel waar
ik op zitten ging. Glumdalclitch stond op een bankje op den vloer
naast mijn tafel om te helpen en zorg voor me te dragen. Ik had een
volledig stel zilveren schalen en borden, en andere benoodigdheden,
die, vergeleken bij die van de Koningin, niet veel grooter waren
dan ik er wel eens gezien heb in een Londenschen speelgoedwinkel,
bij den inboedel van een poppehuis; mijn kleine oppaster droeg die
altijd in haar zak in een zilveren doos, en gaf ze me aan tafel als
ik ze noodig had, en maakte ze altijd zelf schoon. Er at niemand met
de Koningin dan de twee koninklijke prinsessen, de oudste van even
zestien en de jongste van dertien jaar en een maand. Hare Majesteit
placht een stukje vleesch op een van mijn borden te leggen, waarvan ik
sneed voor mij zelf, en haar grootste schik was mij zoo in miniatuur
te zien eten; want de Koningin, (die eigenlijk een zwakke maag had)
gebruikte in een mondvol zooveel als een dozijn Engelsche boeren
voor hun middagmaal zouden gebruiken; wat voor mij te dien tijde een
heel walgelijk gezicht was. Zij verbrijzelde een leeuwriksvleugel,
met been en al, tusschen haar tanden, al was hij negen maal zoo groot
als een volwassen kalkoen; en zij stak een stuk brood in haar mond,
dat tweemaal zoo groot was als twee brooden van twaalf stuivers. Zij
dronk uit een gouden kop, meer dan een okshoofd in een slok. Haar
messen waren tweemaal zoo lang als een zeis, die recht op haar heft
staat. De lepels, vorken en ander tafelgereedschap waren alle naar
dezelfde verhouding. Ik herinner me dat, toen Glumdalclitch me, voor de
aardigheid, naar eenige hoftafels droeg, waar tien of twaalf van die
reusachtige messen en vorken tegelijk in handen waren, ik dacht bij
me zelf, dat ik nooit van mijn leven zoo iets vreeselijks had gezien.
Het is de gewoonte, dat iederen Woensdag (die, zooals ik hiervoor
heb opgemerkt, hun rustdag is) de Koning en de Koningin, met de
koninklijke prinsen en prinsessen, gezamenlijk eten in de kamer
van Zijne Majesteit, bij wien ik zeer in de gunst was; en bij die
gelegenheden werden mijn tafeltje en stoeltje aan zijn linkerhand
gezet, vóor een van de zoutvaten. Deze vorst had er vermaak in met
mij te praten, en mij uit te hooren over de zeden, den godsdienst,
de wetten, het bestuur en de wetenschap van Europa; waarover ik
hem zoo goed ik kon inlichtte. Zijn verstand was zoo helder, en zijn
oordeel zoo juist, dat hij bij al wat ik zei zeer wijze overwegingen en
opmerkingen maakte. Maar ik moet toegeven, dat, nadat ik een beetje te
rijkelijk gepraat had over mijn dierbaar vaderland, over onzen handel
en onze oorlogen te land en ter zee, over onze godsdiensttwisten en
staatspartijen, de vooroordeelen van zijne opvoeding zoo sterk werden,
dat hij niet laten kon mij in zijn rechterhand te nemen, en terwijl hij
mij zachtjes streelde, met de andere, mij na een hartelijke lachbui
te vragen: Wat ik nu was, een Whig of een Tory? Toen, zich wendende
tot zijn eersten minister, die achter hem stond met een witten staf,
wel haast zoo groot als de hoofdmast van de Royal Sovereign, zei hij:
wat een verachtelijk poppenspel toch menschelijke grootheid was,
die kon worden nageaapt door zulke nietige insecten als ik; en toch,
zei hij, durf ik volhouden, dat deze schepseltjes hun titels hebben
en onderscheidingen; dat zij kleine nestjes en molshoopen bouwen,
die ze huizen en steden noemen; dat zij vertoon maken met kleeding en
rijtuigen; dat ze liefhebben, vechten, twisten, bedriegen en verraad
plegen! En zoo ging hij voort, terwijl mijn kleur ging en kwam van
verontwaardiging, om zóo ons edel vaderland, de meesteres van kunsten
en wapenen, den geesel van Frankrijk, de scheidsrechteres van Europa,
den zetel van deugd, vroomheid, eer en waarheid, den trots en den
naijver van de wereld, zóo minachtend te hooren bespreken.
Maar daar ik niet in omstandigheden was om wraak te nemen over
beleedigingen, begon ik er rijper over na te denken of ik wel
beleedigd wás. Want, nu ik mij verscheidene maanden eraan gewend had
dit volk te zien en ermee om te gaan, en zag dat elk voorwerp, waar
mijn oogen op vielen, van evenredige grootte was, begon de afschuw,
dien ik eerst had gevoeld voor hun omvang en voorkomen, zoo zeer te
slijten, dat, als ik op dat oogenblik een gezelschap van Engelsche
heeren en dames in hun Zondagspakjes en versierseltjes gezien had,
allen in hun dagelijksch bedrijf van hoffelijk loopen en buigen en
babbelen; ik zou om de waarheid te zeggen een onweerstaanbaren lust
gehad hebben zóo hard om hen te gaan lachen als de Koning en zijn
grooten om mij. Ook kon ik niet nalaten te glimlachen om mijzelf,
als de Koningin mij wel eens op haar hand voor een spiegel hield,
waardoor onze beide gestalten languit tegen elkaar zichtbaar werden,
want er kon niets belachelijker zijn dan de vergelijking; zoodat ik
mij werkelijk begon te verbeelden, dat ik verscheiden graden beneden
mijn oorspronkelijke grootte gekrompen was.
Er was niets dat mij zoo kwelde en boos maakte als de dwerg van de
Koningin; die, zelf het kleinste menschje dat ooit was geweest in
dat land, (want ik geloof wezenlijk dat hij nauwelijks dertig voet
hoog was) zoo onbeschaamd werd door een schepsel te zien dat nog
zoo'n stuk kleiner was, dat hij geregeld zijn best deed zich groot en
gewichtig voor te doen en luidruchtig heen en weer te zwaaien als hij
langs me kwam in de antichambre van de Koningin, terwijl ik op een of
andere tafel stond te praten met de heeren en dames van het hof; en
zelden verzuimde hij met een paar scherpe woorden te schimpen op mijn
kleinheid; waartegen ik mij alleen verdedigen kon door hem broeder te
noemen, hem uit te dagen met mij te worstelen, en meer zulke dingen
te zeggen, als onder hofbedienden gebruikelijk zijn. Eens, aan den
maaltijd, was dit kwaadaardige kleine monster zoo neetoorig over iets
dat ik tegen hem gezegd had, dat hij op de zitting van Harer Majesteits
stoel klom, en mij, terwijl ik zonder erg op mijn stoeltje zat, bij
het middel pakte, en in een groote zilveren kom met room vallen liet,
waarna hij zoo hard hij kon wegliep. Ik ging heelemaal kopje onder,
en als ik niet zoo'n goed zwemmer was geweest zou het slecht met
me zijn afgeloopen; want Glumdalclitch was op dat oogenblik juist
aan het andere eind van de kamer, en de Koningin zóo geschrokken,
dat ze de tegenwoordigheid van geest miste om me te helpen. Maar mijn
kleine oppaster vloog me te hulp en haalde me eruit nadat ik meer dan
een kan room had ingekregen. Ik werd te bed gebracht, maar gelukkig
zonder ander nadeel dan het verlies van een pak kleeren, dat heelemaal
bedorven was. De dwerg kreeg een flink pak met de zweep, en werd, tot
verdere straf, veroordeeld den schotel met room, waar hij me in had
gegooid, leeg te drinken; ook werd hij nooit meer in gunst hersteld;
want kort daarna schonk de Koningin hem aan een dame van aanzien;
zoodat ik hem niet weerom zag, tot mijn groote voldoening, want ik
kon niet zeggen tot wat voor uitersten zoo'n kwaadaardige dwerg zijn
wrok zou hebben voortgezet.
Daarvóór had hij me nog een gemeenen trek gespeeld, die de Koningin aan
't lachen maakte, ofschoon ze tegelijk erg boos was en hem onmiddellijk
zou hebben weggejaagd als ik niet zoo edelmoedig was geweest hem voor
te spreken. Hare Majesteit had een mergpijp op haar bord genomen,
en de pijp, toen ze het merg eruit had geklopt, weer rechtop in de
schaal gezet; de dwerg, die op de loer lag, totdat Glumdalclitch even
naar het buffet gegaan was, klom, toen hij zoo zijn kans schoon zag,
op den stoel waarop zij stond als ze aan tafel voor me zorgde, nam met
allebei zijn handen me op, kneep mijn beenen bij mekaar en duwde ze
zoo in de mergpijp tot boven mijn middel, waar ik een poosje in steken
bleef en een allerbelachelijkst figuur sloeg. Ik geloof dat het bijna
een minuut duurde voordat iemand wist wat er van me geworden was;
want ik vond het beneden me te schreeuwen. Maar, daar vorsten zelden
te warm eten gebruiken, waren mijn beenen niet verschroeid en zag
het er alleen bedroefd uit met mijn broek en kousen. De dwerg kreeg
op mijn verzoek niet anders dan een flink pak slaag.
Ik werd dikwijls door de Koningin geplaagd om mijn vreesachtigheid;
en zij placht mij te vragen of mijn landgenooten allemaal zulke
lafaards waren als ik zelf? Dit was het geval: Het koninkrijk is des
zomers verpest van vliegen; en die walgelijke insecten, waarvan elk
zoo groot is als een leeuwrik, lieten mij nauwelijks een oogenblik
rust als ik aan den maaltijd zat, met hun onophoudelijk gebrom en
gegons om mijn ooren heen. Soms gingen zij zitten op mijn eten, en
soms op mijn neus of voorhoofd, waar ze mij vinnig staken, en daarbij
allerhinderlijkst riekten; en ik kon gemakkelijk die lijmachtige stof
bemerken, die zooals de natuurbeschrijvers zeggen, die dieren in staat
stelt met hun voeten naar de hoogte tegen een zoldering te wandelen. Ik
had druk werk met mij tegen die afschuwelijke dieren te verdedigen,
en kon niet laten op te schrikken als zij op mijn gezicht kwamen.
De dwerg had nog al eens de gewoonte een aantal van die beesten te
vangen in zijn handholte, zooals de schooljongens bij ons doen, en ze
dan plotseling vlak onder mijn neus er uit te laten, ten einde mij te
verschrikken en de Koningin te vermaken. Mijn hulpmiddel daartegen was,
ze met mijn mes in stukken te snijden, terwijl ze om me heen vlogen,
waarin ik bewonderd werd om mijn handigheid.
Ik herinner me, dat op een morgen, toen Glumdalclitch mij in mijn doos
voor een venster gezet had, zooals zij meestal deed als het zonnig
weer was, om me frissche lucht te geven (want ik dorst niet wagen
de doos aan een nagel buiten het venster te laten hangen, zooals wij
met vogelkooitjes doen in Engeland), nadat ik een van mijn ramen had
opgeschoven en aan mijn tafel zat om een stukje koek voor mijn ontbijt
te gebruiken, meer dan twintig wespen door den reuk aangelokt, mijn
kamer kwamen invliegen, harder brommende dan het geblaas van zooveel
doedelzakken. Eenige grepen mijn koek en brachten die bij stukjes
weg; anderen vlogen om mijn hoofd en gezicht, mij doof makende met
hun geluid en doodsbang met hun angels. Ik had evenwel den moed op te
staan, mijn houwer te trekken en hen aan te vallen. Ik doodde er vier,
maar de rest vloog weg en ik sloot dadelijk het venster. Deze wezens
waren zoo groot als patrijzen; ik rukte hun angels uit die anderhalven
duim lang waren en zoo scherp als naalden. Ik bewaarde ze zorgvuldig
en nadat ik ze met andere merkwaardigheden in verschillende deelen
van Europa vertoond had, gaf ik er na mijn terugkomst in Engeland
drie aan Gresham College, en hield den vierden voor mijzelf.
VIERDE HOOFDSTUK.
Beschrijving van het land.--Voorstel tot verbetering van moderne
landkaarten.--Het koninklijk paleis en een beschrijving van de
hoofdstad.--Des schrijvers manier van reizen.--Beschrijving van
den voornaamsten tempel.
Ik ga nu den lezer een korte beschrijving geven van dit land,
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/37442