Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath

by Abraham Kuyper · Dutch · Gutenberg #37014 · 510,172 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath

Author: Abraham Kuyper


        
Release date: August 8, 2011 [eBook #37014]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/37014

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
        http://www.pgdp.net


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GOMER VOOR DEN SABBATH; MEDITATIËN OVER EN VOOR DE SABBATH ***




Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net





  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoot is  |
  | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing.      |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden:             |
  | e/ê, en 1/I bij Bijbelboekverwijzingen.                        |
  |                                                                |
  | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_.  |
  | Uitgespatieerde tekst is weergegeven als ~uitgespatieerd~.     |
  |                                                                |
  | In het boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt.     |
  | Deze dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven    |
  | als »aanhalingstekens«.                                        |
  |                                                                |
  | Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de         |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+




                        GOMER VOOR DEN SABBATH.


                               MEDITATIËN

                       OVER EN VOOR DEN SABBATH,


                                  DOOR

                             DR. A. KUYPER.


                               BOEKHANDEL
                                VOORHEEN
                           HÖVEKER & WORMSER.

                   AMSTERDAM.              PRETORIA.




               ZUID-HOLLANDSCHE BOEK- EN HANDELSDRUKKERIJ.




Op de _Dagen van goede Boodschap_ volgt hiermeê in gelijk formaat een
_Gomer voor den Sabbath_; onder een titel, die aan Exodus 16:16-24 is
ontleend.

Dit boekske mocht niet uitblijven.

De indruk mocht niet voortduren, alsof weer een verheffen van onze
Christelijke vierdagen boven den Sabbath ingang vond; en de schijn moest
wegvallen, als wierd met de behoefte, die ook op den Sabbath, in de ure
van stille afzondering, aan _meditatie_ bestaat, niet gerekend.

Vooral nu in onze dagen het geroep om Zondags_rust_ ook bij hen steeds
luider weerklinkt, die van Zondags_heiliging_ niet hooren willen, is het
eisch van het oogenblik, dat geen poging onaangewend blijve, om ook door
stille meditatie de _heiliging_ van den Rustdag te bevorderen.

Daarom gaan in dezen bundel aan de _Meditatiën_ voor elk der twee of
drie en vijftig Zondagen van het jaar, een zevental afzonderlijke
Meditatiën _over_ den Sabbath vooraf. _Meditatiën_, die niet de
Sabbathsquaestie bespreken, maar Gods kind tot geloofswerking ook ten
opzichte van den Sabbath uitlokken.

Wel ligt aan deze Meditatiën een doordacht gevoelen over den Sabbath
ten grondslag; maar dit gevoelen zelf wordt er niet in verdedigd noch
betoogd.

Liever dan in deze Meditatiën door zulk betoog Gods kind van zijn
stille Sabbathviering af te leiden, heb ik daarom zulk een betoog in
een afzonderlijk _Tractaat van den Sabbath_, te boek gesteld.

Een _Tractaat_, dat reeds ter perse ging en bijna afgedrukt gereed ligt,
om binnenkort, bij denzelfden uitgever als van dezen _Gomer voor den
Sabbath_, te verschijnen.

Tot beide geschriften drong mij de zielsbehoefte, om uit dank voor
wat God ook mij in zijn heerlijken Sabbath schonk, iets tot rijker en
inniger Sabbathsgenieting ook voor mijn broederen en zusteren bij te
dragen.

Ruste op dezen dubbelen arbeid _voor_ en _over_ den Sabbath de zegen van
Hem, _die Heere ook van den Sabbath is_.

                                                                KUYPER.

_Amsterdam_, 29 October 1889.




ZEVEN MEDITATIËN OVER DEN SABBATH.




I.

DE SABBATH VAN GOD GEGEVEN.

                                Daartoe ook gaf Ik hun mijne Sabbathen,
                              om een teeken te zijn tusschen Mij en
                              tusschen hen, opdat zij zouden weten,
                              dat Ik de Heere ben, die hen heilige.

                                                       Ezechiël 20:12.


Het eerste, dat ge naar 's Heeren wil in uw Sabbath eeren zult, is, _dat
Hij u uw Sabbathen geeft_.

Alle gedachte en alle inbeelding, alsof gij het zijn zoudt, die uw
Sabbath aan uw God gaaft, zult ge deswege voorbedachtelijk uit uw
overleggingen bannen. Van iets, dat gij den Heere ten goede, Hem ten
gevalle en ten believe doen zoudt, valt hier geen sprake. Elk denkbeeld
van een goed werk, waarmede ge Hem iets ten dienste doen zoudt, moet
geheel van u gezet. De Heere verkrijgt niets door uw Sabbath. Hij wordt
er door verrijkt noch grootgemaakt. Uw Sabbath brengt _aan u_ een zegen
van Godswege, niet omgekeerd, een zegen van uwentwege _aan uw God_.

Reeds op zichzelf is uw God nooit als iets behoevende, zoodat gij Hem
iets zoudt kunnen toebrengen. Zelfs als Hij aan Israel gelast, zijn
brandoffer te ontsteken, roept Hij het zijn volk toe, dat het Hem niet
om dien ram of dien var te doen is. Hij immers is een God, die den hemel
en de aarde schiep en zijn vee op duizend bergen heeft; en die, had Hij
lust aan een rund op uw stal, het u niet zeggen zou, maar u dat rund
zou ontnemen. Hoe zou Hij, de Algenoegzame in zichzelf, ook ooit van
menschenhanden gediend worden als iets behoevende? Hij, die u, gedurende
al de dagen uws levens, al uw tijd en al uw oogenblikken schenkt, hoe
zou Hij ooit een dag of een deel van een dag uit uw hand kunnen
ontvangen?

Veeleer sluit het denkbeeld van zijn Sabbath het tegendeel in. Voor
zooveel er toch in overdrachtelijken zin sprake kan zijn van iets, dat
gij voor uw God zoudt werken, doordien ge van Hem getuigt, of ijvert
voor zijn heiligen naam, of dien naam grootmaakt, komt juist immers die
Sabbath u in nog meer eigenlijken zin toeroepen, dat gij van alle werk
zoudt aflaten, opdat nu niet aan u, maar aan den Heere uw God de beurt
zou zijn, om in u te werken en de macht zijner werking in u te toonen.

De Sabbath kan dus niet sterker ontheiligd worden, dan door in uw
Sabbathsviering een oorkussen der werkheiligheid te zoeken; en een
iegelijk, die bij zichzelven ging meenen: »Wel schiet ik in veel tekort
en heb ik door mijn zonden den Heere vertoornd; maar dit heb ik dan
toch, dat ik zijn Sabbath tot in het stiptste toe heb geëerd,« die had
niet maar zijn loon weg, maar zou zonde op zonde gestapeld hebben.

Al zulk een Sabbath ware den Heere een gruwel.

       *       *       *       *       *

Neen, Hij, de Heere, is het, _die u uw Sabbath geeft_.

De vloek der zonde, die in den arbeid op den zondaar rust, is zoo
ontzettend!

Het is wel zoo, dat er arbeid ook buiten de zonde is; dat God zelf
werkt tot nu toe, en zijn Christus eveneens; zelfs schuilt er voor den
zondaar in den arbeid niet weinig reddende kracht. Voor wie geregeld
arbeidt is de verzoeking tot zonde zooveel geringer. Maar te moeten
arbeiden _in het zweet des aanschijns_ om ons _brood_ te eten, is ons
niet natuurlijk. Om der zonde wil overkwam het ons. En nu moge de
rijkgezegende in middelen, als hij dat leest, in zijn vergenoegdheid
lachen, en mogen die velen onder beide geslachten, die van hun geld
leven en zich in weelde baden en eigenlijk nooit iets uitvoeren, zich
daar vroolijk over maken; maar wee hun, als eens de dag der afrekening
komt, en ze dien vloek van den arbeid nooit dieper hebben verstaan!

Vraag u maar eens af, op wat wijs, zeg veilig 1000 van de 1400 millioen
menschenkinderen, die op deze aarde leven, hun dag in het zweet van hun
aanschijn doorbrengen. Hoe schamel ze leven; aan wat ongemak en gevaar
ze zich blootstellen; wat wezenlijke vermoeienis, als de dag weer om is,
op hun aangezicht geteekend staat. Denk slechts aan die millioenen, die
in de mijnen zwoegen; aan die andere millioenen, die op velden en bergen
arbeiden; aan die millioenen, wier leven opgaat in de fabriek. Hen
_drukt_ de arbeid. Hen put de arbeid uit. Hij verteert hun menschelijke
kracht. En het bangst is, dat ze arbeiden, niet om den lust hunner
ziel, maar omdat de honger hen dwingt en het brood voor eigen mond
en voor het gezin alleen tot dien prijs voor hen te bereiken is. Wat
ontrooft die arbeid aan dit overgroote deel van ons geslacht niet alle
weelde en lust des levens. Schier nooit ontspanning! Zoolang de dag
duurt, ingespannen arbeid. En dan voor al hun arbeid in het zweet huns
aangezichts nog vaak nauwlijks een harde legerstede en een hard stuk
brood. Levend buiten het gezin, zien ze de hunnen nauwlijks even des
morgens en even des avonds, en dan begint het jagen van het groote
raderwerk van den arbeid weer. Voort, voort en altoos voort, als onder
den zweep van den drijver. Tot de kracht verbruikt is, en ze niet meer
kunnen, en ze, als voor den arbeid waardeloos, schier een overlast op
aarde schijnen, en kwalijk verholen teleurstelling baren, als ze niet
vroeg genoeg zich heenspoeden naar het graf.

o, In die breede en onafzienbare kringen van ons menschelijk geslacht is
de vloek van den arbeid nog altoos zoo ontzettend!

       *       *       *       *       *

En zelfs, al rekent ge nu met hen niet uitsluitend, dan nog, hoe
vernedert het ons menschelijk bestaan niet, dat elken dag schier al
de tijd en al de moeite van bijna allen in de verzorging van het
dagelijksch leven opgaat. Want, ja, er zijn er enkelen, die het hooge
voorrecht genieten, dat zij in geestelijke dingen hun ambt en roeping
mogen hebben, of althans in de hoogere bezigheden van den menschelijken
geest hun tijd mogen slijten; maar zijn die allen saam meer dan twee of
drie op een dorp, meer dan een tweetal of drietal honderd in een zeer
groote stad? En al die anderen, zoo mannen als vrouwen, wat doen ze
anders, dan heel den dag bezig zijn in wat strekt om den mensch te doen
wonen, den mensch te kleeden, den mensch spijs en drank te bereiden?
Daarvoor zuchten de stoomwerktuigen en zwoegen de fabrieken. Daarvoor
leeft de nijverheid en bestaat alle handel. Daarvoor rept zich de
landbouw en spoedt zich de man van het ambacht. Daarvoor is alle bedrijf
en nering. En zelfs in uw persoonlijk en huislijk leven, wat machtig
deel van uw tijd gaat er niet af voor uw slaap, voor uw reiniging, voor
uw kleeding en voor uw voeding. Hoe zijn onze huismoeders en dochters
en dienstboden schier al den tijd in deze verzorging van het uitwendige
leven bezig. En als de man en vader zich op zijn kantoor of in zijn zaak
inbeeldt boven dit kleine en uitwendige verheven te zijn, hoe ook doet
hij dan toch feitelijk niet anders dan altoos zorgen, dat er worde
aangevoerd of voortgebracht, wat ons tot woning, kleeding en voedsel
zijn kan, of ook zorgen, dat er geld komt om brood voor zijn huis te
gewinnen!

Een bestaan, een betrekking, geld om te leven te hebben, is de altoos
werkende drang, die heel onze maatschappij in beweging zet, en nu, wat
is de drang naar een bestaan, naar een betrekking, of naar geld om te
leven anders, dan een oplossing voor het raadsel te zoeken, hoe men het
zweet van zijn aanschijn in brood voor zich en de zijnen zal omzetten?

En daarom nog eens: er ligt in den arbeid óok iets kostelijke, óok een
zegen; maar toch, de arbeid, gelijk die al deze eeuwen lang, en ook nu
nog op aarde door deze millioenen bij millioenen gearbeid wordt, wat is
hij anders, dan een doen opgaan van ons menschelijk aanzijn in de nooden
en zorgen des levens? En hoe onnoembaar klein is het procent wel van die
enkele gelukkigen, die een hooger genoegen zoeken kunnen, en reeds hier
op aarde in die hoogere heilgoederen van ons geslacht mogen opgaan!

       *       *       *       *       *

Daarom staat het er dan ook bij: »Zes dagen zult gij arbeiden en al uw
werk doen.« De Sabbath vernietigt het Woord Gods uit het Paradijs niet.

De harde arbeid, die loodzwaar op ons geslacht drukt en het _beneden_
den aard van ons menschelijk aanzijn neertrekt, blijft. De gevolgen der
zonde zijn niet opgeheven. Een engelenleven is ons op aarde niet gegund,
en een leven als in het Paradijs is ons hier voor altoos ontnomen. Dat
is er niet meer en keert op aarde niet weer.

Maar dit heeft God toch in zijn barmhartigheden gedaan, dat Hij u midden
in dien arbeid _zijn Sabbath_ schonk; dat Hij door _zijn Sabbath_ dat
jagen van den arbeid een oogenblik tot stilstand bracht; en dat Hij
in dien Sabbath u uit uw zelfvernedering optilde en ophief tot hooger
bezigheid.

Hij _geeft_ u zijn Sabbath; en in die gift spreekt ontferming. Het
schenken van zijn Sabbath is een daad van Goddelijke, een daad van
koninklijke genade.

De druk van den arbeid zou ons al te bang zijn geworden. Die zou ons de
keel hebben toegenepen.

En daarom schonk Hij ons dien dag van hemelsche ruste.

Hoor maar!

Daar klinkt het woord der verlossing: Dien dag zult ge _niet_ werken.

Op zijn Sabbath laat God ons _vrij_!




II.

DE SABBATH DOOR GOD VERORDEND.

                                Gij zult houden zijne inzettingen.

                                                           Deut. 4:40.


Aan uw Sabbath hangt de eere van Gods heilige souvereiniteit. Stel toch,
gij wildet overtollige goede werken doen, en twee, drie dagen telken
weke aan uw God wijden, en ge koost daartoe zelf de u schikkende dagen
uit, en gingt nu in de verbeelding leven, dat ge hiermeê God iets hadt
toegebracht, immers een Sauls oordeel zou over u komen, en de profeet
zou ook u toeroepen: »Gehoorzaamheid is beter dan offerande en opmerken
dan het vette der rammen.«

Eén Sabbathdag, in gehoorzaamheid aan de inzetting des Heeren geheiligd,
is beter dan tien dagen Hem gewijd in eigen willigheid.

En daarom, merk er op, dat uw Sabbath van God _verordend_ is; dat de
Rustdag door God zelf is _ingezet_; dat het een gebod is u opgelegd, en
niet een aanbieding, waarmeê gij voor uw God verschijnt.

De Sabbath is een _inzetting des Heeren_.

Nu weet ge, hoe Mozes in den naam des Heeren niets geduriger voor het
oor van Israel herhaalt, dan dat al deze heiligheden de _rechten_ en
_instellingen_ en _geboden_ des Heeren zijn.

En dat moest. Want in Israel zat juist dezelfde zonde, die ook gedurig
in uw hart sluipt, om wel, ja, God de eere te willen geven, mits het
geschieden kon naar eigen inzicht, uit eigen aandrift, naar den prikkel
van het eigen hart.

En wat Israel _niet_ wilde, en wat gij van nature ook niet wilt, dat
is dienen uit gehoorzaamheid; _omdat_ Hij het u geboden heeft; en
_omdat_ Hij het heeft ingezet.

Ge wilt dan wel veel voor uw God doen. o, Ge zoudt alles voor Hem
over hebben. Alleen maar, de Heere moet het niet van u in den weg van
gehoorzaamheid vorderen. Veeleer moet Hij het aan u overlaten, dat gij
het uit eigen aandrift doet. En dan zult ge al wat ge slechts vermoogt
aan uw God toewijden. In lust om God de eere te geven, zult ge met den
beste wedijveren. Alleen maar die éene eere, dat Hij als uw Souverein en
Koning zelf bepalen zal, wat ge voor Hem doen zult, die eere gunt ge Hem
niet.

       *       *       *       *       *

En dat is het nu juist, wat uw Sabbath u telkens weder prediken komt:
»God heeft mij ingezet. Van God ben ik verordend. En gij, o,
menschenkind! hebt u aan Gods ordinantie te onderwerpen.«

Niet alsof diezelfde prediking niet in heel de natuur en in heel het
Genadeverbond lag; maar haar sprake komt nergens zoo duidelijk als in uw
Sabbath uit.

Ongetwijfeld ook de jaarkringen heeft God geschapen en ze beheerschen uw
leven, en ge _moet_ zaaien, niet als gij er lust in hebt, maar als het
zaaitijd is; en ge _moet_ oogsten, niet wanneer het u in het gevlei
komt, maar als God het graan rijp heeft gemaakt. En zoo staat ge onder
ordinantiën Gods in heel uw natuurlijk leven. Want wel kunt ge den dag
tot den nacht maken en den nacht tot den dag. Maar straks wreekt dit
zich, en in de onfrischheid van uw bloed toornt de geschonden inzetting
van uw God.

Maar toch, deze prediking gaat te ongemerkt toe, en deze soort inzetting
is te moeilijk te ontgaan.

Doch met uw Sabbath is dit zoo niet.

Immers uw Sabbath kunt ge zonder wezenlijke storing als voor u niet
bestaande beschouwen. Dat ziet ge wel aan die duizenden bij duizenden,
die den Sabbath nooit houden. En zoo geldt het hier dus een inzetting,
waartoe de natuur niet vanzelf dringt, maar die alleen geëischt kan door
opzettelijke gehoorzaamheid.

Om den Sabbath te _kunnen_ houden, moet ge hem _willen_ houden.

Ge moet, om den Sabbath te eeren, u welbewust naar de ordinantie van uw
God schikken.

En ge houdt hem niet, of ge doet in die Sabbathsviering zelf hulde aan
Gods souvereiniteit.

Al wie met den Sabbath _niet_ rekent, zegt daarmeê, dat hij zich niet
stoort aan wat zijn God en Heere heeft ingezet.

Maar dan ook omgekeerd, al wie den Sabbath naar het gebod houdt, eert
hier den Gebieder van het gebod in, en buigt zich voor God als zijn
Koning.

       *       *       *       *       *

Dring dus wel in uw conscientie in, om te weten, of ook gij hierin recht
voor uw God staat, en of ge wel waarlijk uw Sabbath houdt uit
gehoorzaamheid omdat uw God het alzoo heeft _ingezet_.

Of ge dus niet rust, omdat ge moede van den arbeid zijt en uitspanning u
welkom is. Niet rust, omdat het den bloei van uw maatschappelijk leven
bevordert. Niet rust, omdat ge toch ook een dag voor uw gezin moet
hebben. En ook niet enkel rust, omdat er toch een dag voor uw kerkgaan
moet zijn. Neen, maar of ge uw Sabbath viert, omdat God het alzoo heeft
_ingezet_.

Want staat uw ziel er zoo metterdaad onder, dan is uw vieren van den
Sabbath op zichzelf reeds een ontsluiting van uw ziel, om het heil uws
God in te drinken, en verkrijgt ge dien rechten stand, waarin de Heere u
met genade voor genade wil zegenen.

Ge weet toch zelf, hoe niets zoozeer uw hart voor genade toesluit, als
die booze zucht, om uit eigen wil en eigen lust te handelen, uw raad
voor Gods bestel in de plaats te schuiven, en zelfs in uw vroomheid op
eigen gebaande paden te wandelen.

Zoo en niet anders is de mensch een heiden geworden. En dan kan
hij, gelijk te Athene, zelfs zoo overvroom zijn, dat hij een altaar
voor den onbekenden God bouwt; maar juist deze eigendunkelijkheid en
eigenwilligheid vermoordt alle ware godsvrucht in zijn binnenste, en het
eind is, dat God hem overgeeft om op zijn eigen paden te wandelen en ten
leste uit te doen komen bij Baäl Peor en de naaktlooperij, om van nog
gruwelijker zonden, gelijk Rom. 1 die opsomt, te zwijgen.

Komt dus de Sabbath dit diep zondige uwer eigenwilligheid en
eigendunkelijkheid in u knakken en wegsnoeien, dan is reeds daarmeê een
zegen aan uw ziel beschikt.

Dan toch zijt ge er toe gebracht, om niet zelf het in te zetten, maar
het uw God te laten inzetten, en daarmeê te erkennen, dat het recht om
het in te zetten aan Hem en niet aan u staat.

En nu keert die Sabbath telken zevenden dage weder, als om telken
zevenden dage weer deze onderzoeking voor uw conscientie te brengen,
of ge de _valsche_ vroomheid van Saul bedoelt, of wel die _echte_
vroomheid, die van de huldiging van Gods souvereiniteit uitgaat.

       *       *       *       *       *

God wil op zijn Sabbath _dienst_knechten en _dienst_maagden voor zich
zien, die weten, dat Hij de Heere is en daarom het souvereine recht
heeft, om zulk een dag in zijn heilig Huis te verordenen.

Niet lieden, die wanen Gods gelijken te zijn, en Hem nu uit goede
intentie van hun hart een dienst meenen te bewijzen, maar _onderdanen_
van den Koning der koningen, die doen naar zijn gebod en naar zijn
recht.

En wel openbaart Hij zich ook op den Sabbath rijker dan ooit als onze
Vader in de hemelen, die deze dienstknechten en dienstmaagden tot zijn
_kinderen_ aanneemt: maar allerminst om daarom het recht van beschikking
in zijn Vaderhuis zich door zijn kinderen uit handen te laten nemen.

Juist, omdat Hij onze Vader is, blijft Hij dus de eenig rechthebbende om
het in te zetten, gelijk Hij het van zijn kinderen hebben wil.

Ook bij zijn kinderen moet het Gods _dienst_ blijven; en nu is er
tweeërlei _dienst_. Een dienst om _loon_, en zoo dient de dienstknecht.
Maar ook een dienst uit _liefde_, en zoo dient het kind.

Het kind weet: »Als ikzelf het ga inzetten, heb ik geen Vader meer«; en
juist omdat in het bezit van zijn Vader al zijn glorie is, vraagt en
onderzoekt het kind naar de inzettingen van zijn Vader en volgt die uit
drang der liefde op.

Zelfs valt bij het kind elke gedachte om het anders te willen weg.

Immers dit weet Gods kind, dat het altoos slecht gaat, zoo het anders
gaat dan zijn Vader het heeft ingezet. En daarom heeft het lust aan Gods
inzetting en voelt zich door die inzettingen Gods tot zijn liefde
trekken.

Heel Psalm 119 past het kind van God ook op zijn Sabbath toe.




III.

DE SABBATH DOOR GOD GEHEILIGD.

                                Daarom zegende de Heere den Sabbathdag
                              en _heiligde denzelven_.

                                                          Exod. 20:11.


Zoo _gaf_ de Heere u den Sabbathdag uit ongehouden gunst, en zoo
_verordende_ Hij den Sabbathdag om _zijn_ wil over _uw_ goeddunken te
laten heerschen; maar óok gaf Hij aan die ordinantie een inhoud, en die
inhoud ligt daarin, dat God den Sabbathdag _heiligde_.

Beduidt dit, dat de Sabbathdag een _heiliger_ dag wordt dan de andere
dagen; dat er heiligheid aan den Sabbath als zoodanig kleeft; en dat
dus, zonder meer, deze dag op zichzelf reeds u van zonden afbrengt?

Ge weet beter.

Er mag gevraagd, of er éen dag is, waarop de zonde schrikkelijker
uitbreekt en meer in losbandigheid woedt. Juist de arbeid is op zichzelf
een machtig schild tegen de zonde, en zoodra met den Sabbath deze
bescherming wegvalt, voelt de zonde zich minder gehinderd. Ze heeft nu
tijd, nu speelruimte, en werpt te vuriger elken teugel af. Vraag het
maar aan de politierapporten, op welken der zeven dagen het straatrumoer
het hinderlijkst wordt. Vraag het maar aan onze kroegen en bierhuizen,
op wat dag ze de beste zaken maken. En ook, vraag het maar aan de stille
verborgenheid, op welken dag vele dienstboden en jonge mannen het meest
ontuchtig zondigen.

Neen, de Sabbath heeft _geen_ inklevende heiligheid. Veeleer zet ze,
zonder hooger bezieling, slechts de sluizen te breeder voor de zonde
open.

Ledigheid is des duivels oorkussen. En nooit meer dan juist op den
Sabbath is Satan op de been.

Naar dezen maatstaf gemeten zouden we dan ook voor de groote menigte
best doen met den Sabbath af te schaffen.

Want al doet de rust het lichaam goed, o, zooveel zielen lijden juist op
den Sabbathdag voor altoos schade.

       *       *       *       *       *

Neen, als er staat, dat God den Sabbathdag heiligde, beduidt dit heel
iets anders.

Dit »heiligen« wil zeggen, dat God den Sabbath tot een anderen dag maakt
dan de overige dagen; dat God den Sabbath _apart_ zet; dat Hij den
Sabbath _afzondert_ van de gewone dagen; en dat Hij op den Sabbath een
bizonder merk drukt. En wel dit merk, dat deze dag door Hem, in gansch
bizonderen zin, voor de eeuwigheid wordt opgeëischt.

Want het is wel waar: ge moet _elken_ dag voor uw God leven, en wee u,
zoo ge denken gingt: »Zondags voor God en in de week voor de wereld.«
Dan hadt ge het loon van uw Sabbath weg.

De eisch Gods, dat ge Hem dienen en Hem liefhebben zult met heel uw hart
en heel uw verstand, gaat _altoos_ door. Niet enkel op den Sabbath, maar
elken dag van uw leven.

Maar er is _tweeërlei_ dienen van uw God. Het eene _middellijk_ en het
andere _onmiddellijk_. Toen de opperlieden te Jeruzalem den bergsteen
aandroegen voor den bouw van Gods huis, dienden ze Hem _middellijk_;
want de vreeze Gods school toen in den ijver, de gehoorzaamheid en
volharding, waarmede ze steenen aandroegen. Maar toen na de voltooiing
van den tempel diezelfde werklieden in Gods huis met hun offerande
toetraden, dienden ze Hem in _onmiddellijken_ zin; want toen had wat ze
deden geen ander doel, dan om rechtstreeks hun God te verheerlijken.

En zoo nu staat het ook met u.

Ge leeft nog niet in den hemel, maar in de wereld. Allerlei overlegging
en bezigheid is u daar opgelegd. Ge moogt u daaraan niet onttrekken.
Het is uw »Goddelijk« beroep. Maar ging dat bezig zijn in de wereld nu
altoos door, dan zou die wereld u allengs assimileeren. De gedachte aan
God zou bij u wegsterven. Uw beroep zelf zou ophouden »Goddelijk« voor
uw besef te zijn. Alle _middellijke_ dienst van God put zichzelven uit.

Zooals ge uw kracht uit zoudt putten, zoo ge dag en nacht woudt
doorwerken, en daarom telkens _slapen_ moet om uw kracht te vernieuwen,
zoo ook moet ge, om in dien _middellijken_ dienst van God niet te
bezwijken, geregeld _rust nemen_, en in die rust komen tot
_onmiddellijken_ dienst van uw God.

God _middellijk_ te dienen is veel zwaarder. Want dat is een gestadig
worstelen tegen de wereld in, om onder en in haar bezigheid toch uw God
niet los te laten. Maar bij den onmiddellijken dienst van uw God houdt
die worsteling op, laat af, en gunt u tijd en gelegenheid, om u
ongestoord aan uw God te wijden.

En dat is het nu, dat God den zevenden dag _geheiligd_ heeft. Zooals Hij
in zekeren zin den nacht heeft _geheiligd_ voor de rust van den slaap,
zoo heeft Hij in veel hoogeren zin den Sabbath geheiligd voor de _rust
uwer ziel_.

       *       *       *       *       *

De _ruste_ hoort dus wel terdege bij uw Sabbath. Ze maakt er het
uiterlijk kenmerk van uit. Ze is er niet af te scheiden.

De Sabbath moet telken weke een breking in uw leven brengen. Altoos
dienst van God, heel de week door. Maar die zes dagen van den arbeid
kunt ge dien dienst slechts _middellijk_ verrichten, en daarom komt dan
de Sabbathdag, die uw heelen dag voor den _onmiddellijken_ dienst van uw
God vrijlaat.

De _tijd_ is een vreeselijke tiran. Hij jaagt en zweept voort en is als
een drijver, die niet ophoudt. Maar zoo is de eeuwigheid niet. In dat
eeuwige leven, waarin uw eigenlijk leven is, heerscht rust en kalmte en
stille duur.

En daarom breekt God nu door dien Sabbath die vernielende macht van den
tijd, en neemt een zevende deel van uw tijd eruit, om met dat zevende
deel tegen den tijd en voor de eeuwigheid te worstelen.

Dit lag reeds in de Schepping.

In zes dagen schiep God den hemel en de aarde, en op den zevenden dag
rustte Hij met een Sabbath, die nog altoos doorgaat. En omdat Hij u
naar zijn beeld schiep, heeft Hij ook in u als mensch dien trek, die
behoefte, dien drang gelegd, om na zes dagen van arbeid een heilige
_pauze_ te laten intreden, een Goddelijk _Selah_. Dan houdt de drijver
op. Dat jagen en voortzweepen neemt een einde. En er komt over zijn
menschenkinderen _rust_.

       *       *       *       *       *

Ge gaat dus tegen die heiliging van den Sabbath in, zoo ge die breking
van de dagen niet in acht neemt.

Veeleer moet er uw toeleg op uitgaan om heel dien Sabbathdag anders te
maken dan andere dagen.

Zoo is het goed, dat ge u anders kleedt, en op uw Sabbath uw
Zondagskleed aantrekt. Het is goed, dat heel uw huis een ander karakter
toont. Zoo ge kunt, dat ge uit uw huiskamer naar de sierlijke kamer
verhuist. Kortom, dat ook in het uitwendige het sterke onderscheid
tusschen den Sabbath en de overige dagen in het oog springe.

Er ligt leering en onderwijzing ook in die uitwendige symboliek.

Maar de hoofdzaak is en blijft toch, dat ge van den _middellijken_
dienst van God tot zijn _onmiddellijken_ dienst voortschrijdt.

Uw anders »Goddelijk« beroep is op den Sabbath »ongoddelijk«.

De wereld moet op den Sabbath uit uw overlegging en uit uw bezigheid
weg. Aan haar zuiging moet ge onttrokken. Aan haar macht moet ge dien
dag de gehoorzaamheid opzeggen. Op den Sabbath heeft de wereld geen
enkelen eisch op u. Het is de dag des Heeren in dien zin, dat ge op dien
dag uw God niet in de wereld, maar in afzondering van die wereld te
dienen hebt.

Kleingeestigheid en formalisme heeft hierbij niets te zeggen. Dat is
Farizeïsme, alsof het God te doen zou zijn om te zien, wie het nu 't
verst bracht in de uitrekening van wat op aarde wel ongedaan kan
blijven.

Tegen dat Farizeïsme waakt God reeds in zijn schepping. Want de koe moet
op Zondag toch gemolken. Als het koud is, wordt er toch vuur ontstoken.
Uw maag prikkelt u op den Sabbath evengoed als de andere dagen. De
ziekte wordt op Sabbath niet gestuit. De donkerheid valt 's Zondags
evengoed als 's Maandags in, en roept om licht.

Daar zit het ook niet in.

Neen, het hangt aan uw zin en neiging.

Wat is uw zin en neiging? Om, blij temoê, dat ge u tot Gods
_onmiddellijken_ dienst moogt keeren, te laten wat maar eenigszins
laatbaar is? of wel om nog allerlei op Sabbath te doen, wat ge
uitrekent, dat er nog wel door kan?

Wiens dit laatste streven is, die _ontheiligt_ Gods Sabbath, ook al doet
hij bijna niets. En in wien die eerste zin is, die heiligt Gods Sabbath,
ook al drijft de nood hem tot allerlei bezigheid.

En dat mag niet verzwakt.

De Sabbath moet een dag _der ruste_, der ruste van de wereld zijn, om nu
met heel uw ziel, en al uw verstand, en al uw kracht tot den
rechtstreekschen dienst van uw God te komen.

Maar ook in _die ruste_ zelve moet uw hart en uw ziel spreken.

Ge moet _willen_ rusten, niet omdat uw moêheid u naar rust doet
verlangen, maar omdat God zijn Sabbath _geheiligd_ heeft.




IV.

DE SABBATH DOOR GOD GEZEGEND.

                                En God heeft den zevenden dag gezegend.

                                                             Gen. 2:3.


Als er staat, dat God den zevenden dag _gezegend_ heeft, moet ge weten,
waarin die zegen bestaat.

Die zegen kan natuurlijk niet daarin liggen, dat op de overige dagen
van de week alle zegen des Heeren ons ontzegd zou zijn. Elken morgen en
elken avond roepen we Hem aan om zegen op onze bete broods en om zegen
op onzen arbeid, en het geloof leeft in de blijde zekerheid, dat de
Heere onze God ons dezen zegen niet onthoudt.

En omgekeerd derft de Sabbath een zegen, die op de overige dagen ons
deel kan zijn; want wie op den Sabbath handel drijft of zaken doet,
beseft uitnemend wel in zijn conscientie, dat juist om den Sabbath
_geen_ zegen op zulk een nering te wachten is.

Geld op den Sabbath gewonnen, is zóo geronnen, en gedijt nooit.

De Sabbathszegen moet dus een geheel ander karakter dragen en met den
aard van den Sabbath saamhangen.

Wat is een _zegen_?

_Zegen_ staat tegenover _vloek_, en dat God den Sabbath zegende, beduidt
dus allereerst, dat God de Heere den vloek, dien Hij voor de overige
dagen onzes levens op dit aardrijk heeft gelegd, op den Sabbath stuit en
vervangt door zegen.

En ook al is nu die vloek, die op het aardrijk rust, door genade
getemperd, en al zijn wij er door de heugenis van het voorgeslacht en
door ons eigen leven aan gewend geraakt, toch _is_ die vloek er en
drukt.

Hoe nader men bij God leeft, hoe sterker men dan ook dien druk, die op
het aardsche leven rust, gevoelt. De profeten en apostelen hebben steeds
onder den indruk van dien druk geschreven en gesproken. En als Paulus
betuigt, dat heel de schepping zucht en als in barensnood is tot nu toe,
toont _hij_ zeer sterk te beseffen, wat de man der wereld nauwlijks
gewaar wordt.

Dien vloek, dien druk nu ervaart Gods kind niet het meest daarin, dat
het hem tegenloopt of dat hij smaadheid lijdt; integendeel, dàt kan
hem goed doen; maar wat hem drukt, is, dat dit aardsche leven van God
afleidt, en dat er iets tusschen hem en Gods zaligen hemel is
ingeschoven.

       *       *       *       *       *

Welnu, in dien zin dan verstaat Gods kind het, dat God de Heere den
Sabbathdag heeft gezegend, d. w. z. dat God de Heere dezen dag der ruste
tusschen de tweemaal drie heeft ingeschoven, om op dien éenen dag dien
druk, die benauwdheid, dat bange van hem te weren; om de gordijn weg te
schuiven, die hem in het leven der wereld en des daags gedurig van zijn
God scheidt.

Zooals de overige dagen, zoo hij niet waakt en bidt en strijdt, hem
onverbiddelijk van zijn God aftrekken, zoo leidt deze heerlijke Sabbath,
tenzij hij opzettelijk tegenworstele, hem naar zijn God op. _Dit_ is dus
de zegen van den Sabbath, dat de pelgrim naar betere gewesten op de
overige dagen met zijn geloof _tegen den stroom oproeit_, maar op den
Sabbathdag _den stroom meê heeft_.

De dagen der week staan aan Gods Koninkrijk, maar de Sabbath aan de
zaken der wereld in den weg. En omgekeerd, de dagen der week schikken
zich voor het bedrijf der wereld, maar de Sabbath schikt zich voor een
leven in de voorhoven onzes Gods.

Men kan die voorhoven daarom ook wel in de dagen der week betreden, en
ook op den Sabbath drijft de wereld haar zaken wel; maar toch altoos met
dit onderscheid, dat op de dagen der week de wereld, en op den Sabbath
de dienstknecht des Heeren in zijn element is.

       *       *       *       *       *

Toch ligt er nog meer in.

Immers als God zegent, wil dat zeggen, dat er een woord zijner kracht
ten goede uit zijn mond uitgaat, en dat de kracht van dat woord haar
doel bereikt en ten goede werkt.

Door eens en voor altijd zegen tot zijn Sabbath te spreken, heeft God de
Heere dus een heilige kracht te werk gesteld, die zeer bizonderlijk op
den Sabbath heilbrengend naar zijn kinderen uitgaat.

Zoo biedt u deze _zegen_ van den Sabbath een heerlijke belofte, een
Goddelijk crediet, waarop ge staat kunt maken. En deze belofte houdt in,
dat er op al wat ge des Zondags doet om te wassen in godzaligheid of het
rijk des Heeren te bevorderen, een gedijen door u mag worden ingewacht,
nog sterker dan op andere dagen.

Niet alsof dit in den dag kleefde, of aan dezen dag hing; maar omdat God
vrijmachtig is, om deze bizondere werking van zijn zegen ook aan zekeren
tijd te verbinden.

En zoo leert ook de ervaring ons, hoe de diepte en de ernst van het
gebed, hoe de innigheid der heilige meditatie, hoe de rijkdom van
den dienst des Woords en der Sacramenten, hoe zelfs het werk der
barmhartigheid en der milddadigheid aan den Sabbath een rijken geur
ontleent.

Op den Sabbathdag wordt het meeste zaad voor het Koninkrijk des Heeren
uitgestrooid. Op den Sabbath wordt deze akker het mildst begoten. Op den
Sabbath kiemt het gestrooide zaad het weligst uit.

De zegen Gods, dien Hij aan zijn Sabbath schenkt, is dus geen uitwendige
zegen voor het goed der wereld, maar een inwendige zegen voor het goed
des hemels.

Op den akker des Koninkrijks druppelen de wolken ook in de week wel,
maar op den Sabbath komt de plasregen.

       *       *       *       *       *

Zoekt ge dien zegen?

Zoekt ge dien elken Sabbath? En merkt ge bij het klimmen uwer jaren, dat
die Sabbathszegen steeds milder uw deel wordt?

Want dit voelt ge toch, _ruste_ op zichzelf maakt den Sabbath nog niet,
tenzij met het schuiven van het gordijn voor het tooneel der wereld
tegelijk het gordijn, dat voor Gods Koninkrijk hing, worde weggeschoven.

Ruste naar den kant der wereld, maar juist in en door die ruste te
voller en te rijker ritselen van het leven in het Koninkrijk Gods.

Geen _ledig_, waar de wereld uit is; maar een _ruste_, waar de hemelen
in nederdalen.

Stilstand van winste voor uw schatkist op aarde; maar winste volop voor
uw schat, die in de hemelen is.

En nu gaat dit wel niet even werktuigelijk als bij den arbeid der
wereld, dat ge aan oud en jong, aan man en vrouw, van uur tot uur hun
taak kunt voorschrijven. Integendeel, het werktuigelijke doodt den geest
en zou ook den gloed van uw Sabbath dempen.

Maar al kunt ge voor uw Sabbath niet van uur tot uur een lijst van uw
taak opmaken, ge weet daarom toch zeer wel, waar ge op den Sabbath met
uw hart, met uw ziel, met uw zinnen en uw overleggingen zijt.

Ge weet zeer goed, waar de twaalf uren van dien dag aan weggaan, en wat,
als de Sabbath ten einde spoedt, het besef van uw winste is.

Want dan zult ge den eenen Sabbath uitkomen met het rijk gevoel, dat ge
als _met versche olie overgoten zijt_, maar ook den anderen Sabbath
uitsluipen met de aanklacht in uw conscientie, dat ge dien heerlijken
dag verkwist en verspeeld hebt.

       *       *       *       *       *

Hoeveel nu uw geest op den Sabbath reeds _dragen kan_, moet ge zelf
beoordeelen.

Er zijn er onder Gods kinderen, dien het genot bracht, dat ze den
ganschen Sabbathdag eenzaam en met hun God gemeenzaam waren. Maar zoover
zijn de meesten niet. Voor de meesten ware dit te veel. Die gloed ware
voor hun oog te sterk. Daar zouden zij zich star op turen, en in het
eind willoos staan zonder iets meer te zien.

Ook in de dagen der week kan niet een ieder evenveel arbeids in de
wereld dragen. Voor een ieder geldt zijn eigen maat. En ook de Heere
weet, hoever onze geestelijke draagkracht voor den Sabbath reeds gekomen
is.

Ge moogt daarom ook nooit uw maat aan uw kind opleggen. Gij moet meer
dragen dan uw lieveling, en ge zoudt het geestelijk leven van uw kind
neerdrukken, zoo ge op den Sabbath van uw kind vergdet, wat ge vergen
moogt en moet van uzelf.

Maat zij er dus; maar uw volle maat worde dan ook uitgeleverd, en
daarbij de regel in acht genomen, dat die maat dijen moet bij het
klimmen uwer jaren.

Er moet op den Sabbath gezocht naar de gemeenschap der heiligen en den
zegen des Woords en der Sacramenten. Er moet op den Sabbath welgedaan en
nood gelenigd en in smart getroost. Er moet op den Sabbath op de knieën
geleefd. Er moet op den Sabbath rekening met uw ziel gehouden. Er moet
op den Sabbath nagedacht over uw verleden en over uw toekomst, over uw
eeuwige toekomst bovenal. En onder dat alles moet op den Sabbath van
binnen gestreden en overwonnen, tot Satan terugwijke, en de tente van 's
Heeren verborgenheid zich voor uw ziel kan openen.

En in die tente moet ge op den Sabbath ingaan.




V.

DE SABBATH DOOR GOD GEKEURD.

                                _Mijne_ Sabbathen.

                                                         Ezech. 20:12.


Ook over uw viering van den Sabbath gaat een oordeel. Juist omdat hij
niet door u uitgedacht, maar door God ingesteld, geheiligd en gezegend
is, staat ge tegenover dien Sabbath van uw God in een verplichting. En
zoo ontstaat de vraag, _wie uw Sabbath keurt_.

En dan leert de ervaring, dat er voor den vrome een bizondere verleiding
in ligt, om zich tot keurder van den Sabbath bij zijn broeder op te
werpen.

Over niets veroorloven de broeders zich zoo licht een opmerking, een
oordeel en zelfs een vonnis, als over de wijze waarop een ander den
Sabbath houdt.

Onverklaarbaar is dit niet.

Immers de Sabbathsviering is een sterk onderscheidend merkteeken,
waardoor Gods volk van de wereld is afgescheiden. Het is een zaak, die
onder ieders gezicht en bereik valt. En ook, men kan iemands wijze van
den Sabbath te vieren, afkeuren, zonder hem in zijn karakter te kwetsen.

Vooral bij dit gebod bestaat er dus noodzakelijkheid voor elk onzer, om
toe te zien; er ligt in dit gebod een prikkel tot allerlei aanmerking;
en een aanklacht van overtreding van dit gebod is wel ernstig, maar
kwetst toch den burgerlijken persoon niet.

Zeg dus ook niet, dat het beter ware, zoo dit oordeel der broederen
zweeg. Integendeel, meer dan éen, die nog geen vreeze Gods in zijn hart
had, om den Sabbath om Gods wil te houden, is begonnen met het uit
vreeze voor de broeders te doen, en is zoo op weg gekomen, om een
Sabbathsvierder om Gods wil te worden.

Alleen maar, op de vraag: »Wie keurt uw Sabbath?« moogt ge nooit
antwoorden: »Mijn broeder.«

Uw eenige Keurmeester bij uw Sabbathsviering is de Heere HEERE!

Hij heeft gezegd: »Het zijn _mijn_ Sabbathen.«

       *       *       *       *       *

Ook treedt de kerk wel op, om in inzake de Sabbathsviering te oordeelen,
en zeer zeker ligt dit op haar weg.

De kerk is ongetwijfeld geroepen om niet alleen _op_ den Sabbath, maar
ook _den Sabbath_ te prediken. Ze moet tot Sabbathsviering opwekken. Ze
moet aan de Sabbathsviering leiding en stuur geven. De Sabbath is haar
kerkelijk terrein.

Zelfs moet ze verder gaan, en bij _slordige_ Sabbathsviering vermanen,
bij _overtreding_ waarschuwen en ten laatste bij in het oogloopende
_schending_ van den Sabbath zelfs met haar discipline optreden en den
Sabbathsschender weren van het Heilig Avondmaal.

Slechts zie ze daarbij wel toe, dat ze den naam van _schending_ niet
geve aan wat slechts verschil van Christelijk inzicht, of ook
onopzettelijke overtreding is.

Sabbathsschennis onderstelt altoos kwaad opzet; de bedoeling, om het
heilige te verachten; en heeft haar wortel in vijandschap tegen God.

Hier dient dus omzichtelijk en met bedachtzaamheid te werk gegaan.

Er zij onderscheid des oordeels.

Zijn er Christenbroeders, die met den kerkeraad verschillen in opvatting
van den Sabbath en in ernst verklaren, voor hun conscientie iets wel op
den Sabbath geoorloofd te achten, wat een kerkeraad voor ongeoorloofd
houdt, dan mag er van vermaning en waarschuwing, maar nooit van censuur
sprake zijn.

Censuur komt eerst tepas, waar booze toeleg of verregaande vergetenheid
van God in het spel is.

Ook de kerk keurt uw Sabbath niet.

De Keurmeester van uw Sabbath is en blijft de Heere.

       *       *       *       *       *

Wil dit nu zeggen, dat ge dus op den Sabbath u noch aan uw broeder, noch
aan uw kerk te storen hebt?

Dat zij verre.

Reeds de liefde eischt, dat ge ook in het stuk van den Sabbath uw
broeder niet ergert, en de eerbied voor de dragers van het kerkelijk
ambt stelt het u ten plicht, u, zooveel uw conscientie toelaat, naar hun
oordeel te schikken.

Paulus zag niet het minste kwaad in het eten van offervleesch; maar »als
het mijn broeder ergert,« sprak hij, »dan zal ik geen vleesch meer eten
in der eeuwigheid.«

Slechts tegen éen ding moet ge op uw hoede zijn: Ge moogt ook bij uw
Sabbath nooit eenig mensch als keurmeester in de plaats van God laten
treden, maar zijt verplicht om zelfs tegenover uw liefsten broeder het
recht van uw God in dit heilig stuk te handhaven.

Vraagt dus uw broeder u, om na te laten wat gij deedt, en stemt hij toe,
dat niet hij, maar zijn en uw God te dezen Rechter is, ga dan voor hem
uit den weg.

Maar stelt hij zich met macht tegen u over, en matigt hij zich het recht
aan, om voor u te willen uitmaken, wat wel en wat niet geoorloofd is,
wijk dan geen uur met onderwerping, maar weersta hem. Want door dan te
zwichten, zoudt ge zijn conscientie toeschroeien, en zelf aan de eere
van uw God tekort doen.

       *       *       *       *       *

Alles hangt hier aan het standpunt, dat ge inneemt. Omdat het _'s
Heeren_ Sabbathen zijn, kan en mag _Hij_ alleen uwe Sabbathen keuren, en
zijt ge _Hem_ en Hem _alleen_ van uw Sabbathen rekenschap schuldig.

Desaangaande nu onderwijst Hij u door zijn Woord en Geest; onderwijst
Hij u door het voorgeslacht; onderwijst Hij u door uw kerk; en
onderwijst Hij u door uw broeder; en gij hebt op al deze roepstemmen en
aanwijzingen van uw God acht te slaan.

Maar als nu uw kerk en uw broeder gesproken hebben, blijft de rekenschap
toch altoos tusschen u en uw God.

Alles wat ook op den Sabbath _uit het geloof_ is, doet u vrij uitgaan;
al wat _niet uit het geloof_ is, is en blijft ook op het stuk van den
Sabbath zonde.

Laat ge dus iets uit vreeze voor menschen, en uit beduchtheid voor hun
oordeel, en omdat zij zich als keurmeesters opwerpen, dan laat ge dit
niet uit het geloof, en is het u zonde.

En dan alleen, als ge op uw Sabbath rust, en in die ruste heiliglijk
bezig zijt, _omdat uw God het zoo wil_ en opdat ge _zijn_ vrede moogt
indrinken, is uw Sabbathsviering uit het geloof en is er in dezen deele
geen zonde in u.

       *       *       *       *       *

Wie anders te werk gaat, is een _dienstknecht_ en heeft »een geest der
dienstbaarheid ontvangen wederom tot vreeze.«

Dan zijt ge nog onder de wet en kent het zoet der genade niet.

Ja, erger nog, dan bezwijkt ge straks onder de geboden en inzettingen
van menschen, en torst een juk, dat ook uw vaderen niet hebben kunnen
dragen.

En zoo is Gods kind niet.

Een kind van God staat in de vrijheid, waarmeê Christus hem heeft
vrijgemaakt; en die vrijheid komt hierin uit, dat hij geen anderen heer
noch meester kent, dan den Heere.

Met Hem en met Hem alleen heeft hij te doen, en dus ook alleen naar
_Zijn_ wil vraagt hij.

En zeg nu niet, dat dit den Sabbath zal doen verslappen.

Want al ware dit zoo, dan nog tienmaal liever een slapper Sabbath,
waarbij de vreeze Gods u vervult, dan een strenger Sabbath, waarbij ge
uw God niet aanziet, maar eeniglijk vraagt naar het oordeel der
menschen.

Maar bovendien, dit verwijt is zonder grond.

Een kind van God is teeder en nauw in de conscientie. En als slechts
eenmaal de vreeze en eerbiedenis voor den Heere onzen God op uw
Sabbathsviering in gaat werken, dan weegt ze u van week tot week
ernstiger op het hart, wordt u een zaak des gebeds en des worstelens, en
eindigt met heel uw leven te beheerschen.

Uiterlijke vormendienst heeft toch voor ons geen waarde. De Heere vraagt
niet, dat ge een vromen Sabbath _nabootsen_, maar dat ge _Hem_, den
Heere, uw Sabbath houden zult.

En eerst zoo ge daaraan toekomt, erlangt uw Sabbathsviering geestelijke
beteekenis, en brengt ze een zegen voor uw huis en uw hart.




VI.

DE SABBATH DOOR GOD VERZOEND.

                                Die de weldadigheid bewaart aan vele
                              duizenden, die de ongerechtigheid, en
                              overtreding, en zonde vergeeft.

                                                             Ex. 34:7.


Wees vooral tegen éen ding op uw hoede, en beeld u nooit in, dat ge wel
onder de negen overige geboden voor uw God bezwijkt, maar dat ge het
vierde gebod van zijn Sabbath wel houden kunt.

Het vierde gebod is een gebod uit Gods wet, zoo goed als elk ander, en
ook van dit gebod geldt het, dat er »niemand is, die goed doet«, dat »ze
allen gezondigd hebben«, en dus allen »de heerlijkheid Gods derven«.

Zoolang dus ook dit gebod als een wet tegenover u staat, moet ge ook
voor dit gebod vallen; kunt ge het niet houden; kunt ge het nooit anders
dan overtreden; wierd ook door dit gebod uw zonde ontdekt en uw schuld
vermeerderd; en hebt ge ook van dit gebod te belijden, dat het u
oordeelt en verdoemt, tenzij ge uw toevlucht neemt tot de Fontein, die
er tegen de zonde geopend is voor het huis van Israel.

Vat dit diep op.

Het gebod, vooral dit gebod, komt tot u, in het Werkverbond, als middel,
om door de volbrenging van dit gebod loon der zaligheid te ontvangen.

En dit loon nu ontgaat u niet alleen, maar ook door dat gebod komt niets
dan schuld en verdoemenis over u. En omdat dit nu gemeenlijk wel bij het
gebod tegen den diefstal, doodslag, echtbreuk, het valsch getuigenis
enz. gevoeld wordt, maar niet gevoeld wordt bij het gebod van den
Sabbath, willen we al Gods kinderen gebeden hebben, dat ze toch ook
op dit gebied de waarheid der Heilige Schrift toepassen, en het mogen
inzien en beseffen, hoe ook voor dit gebod elk hunner bezwijkt. Hoe ze
reeds in dit éene gebod heel Gods heilige wet geschonden hebben. Alzoo
Sabbathsschenders in den kwaadsten zin zijn, en reeds door de
overtreding van dit éene gebod in hun schuld voor God bezwijken.

Want natuurlijk, ook dit gebod moet in zijn geestelijke diepte gevat
worden, en een iegelijk, die in de _besteding_ van zijn tijd en in de
_breking_ van zijn tijd, en in zijn leven voor het _eeuwige_, en in den
_dienst_ van zijn God ook maar iets ooit tekortschoot, ligt reeds daarom
door dit vierde gebod geoordeeld, en komt onder dit oordeel niet uit,
dan door de verzoening, die in Christus Jezus is.

Ook uit dit gebod komt, als gebod, niets dan de _kennisse onzer
ellende_.

       *       *       *       *       *

Maar deze verzoening Gods over uw Sabbath strekt nog verder.

Want neem nu aan, dat ge werkelijk tot het inzicht kwaamt, hoe heel uw
verdorde natuur ook tegen dit gebod ingaat; hoe ge met uw boos hart
nooit anders deedt dan dit gebod in zijn wortel schenden en overtreden;
en dat ge voor uw zonde en schuld, ook van dit gebod, vergeving bij uw
Heiland vondt, in welken toestand kwaamt ge dan nu?

Natuurlijk, dan schoof ook voor u dit gebod uit het Werkverbond in het
Genadeverbond over.

Alle verdienstelijkheid ging ook van dit gebod voor u af, en nooit
beelddet ge u in, dat ge, door dit gebod, zoo goed zoo kwaad het ging,
te onderhouden, alsnog iets, hoe gering ook, aan uw zaligheid kondt
toebrengen.

Neen, het wierd nu ook bij u omgekeerd, _uw God, die zelf door zijn
genade u ook in dit gebod wandelen deed_.

»_Ik_ zal maken, dat ge in mijne inzettingen wandelt.«

En dat hebt ge ervaren. Als gij nu aan zijn Sabbath meêdoet, heeft God,
die barmhartig is, u in zijn Sabbath ingeleid. Hij heeft u, die er niet
aan wilde, het oog voor het schoon van zijn Sabbath geopend. Diezelfde
Sabbath, die u van nature afstiet, is u door zijn genade bekoorlijk
geworden. Ge kreegt er lust aan. Hij wierd u op het hart gebonden. En
eindelijk kwam het er toe, dat ge, ja, waarlijk in het spoor van zijn
Sabbath met uw hart en met uw leven en met heel uw huis ingingt.

Dat deedt niet gij, maar dat werkte God door zijn genade in u.

En het einde van den Sabbathdag was dan ook, niet dat gij voor uw God
roemdet, maar dat ge in dankzegging voor zijn Sabbath neerknieldet, en
roemdet in de genade van uw God.

       *       *       *       *       *

Maar bij die dankzegging bleef het niet.

Immers zelfaanklacht en zelfbeschuldiging bleef ook bij den Sabbath u
achtervolgen.

Wat toch hadt gij gedaan?

Uw God schonk u een dubbele genadegave. Vooreerst doordien Hij den
Sabbath ook voor u inzette. En ten tweede, dat Hij den lust en den wil
in uw hart schonk, om er naar te leven.

Maar omdat uw hart niet recht voor uw God stond, hebt gij in den Sabbath
toch weer uw zonde gemengd; toch weer Gods gave bevlekt met uw twist; en
de sneeuw, die blank uit zijn hemel was neergedaald, bemorst met de
onreinheid van uw hart.

En dat deedt ge niet alleen in zoover ge toch zijn Sabbath _niet_
hieldt, of ook _vormelijk_ hieldt, zonder geestelijken inhoud, maar
zelfs daardoor, dat, bij hetgeen ge deedt, om zijn Sabbath te houden, de
overleggingen en bewegingen uws harten zich onzuiverlijk in u bewogen.

Op de _intentie_ van het hart komt het bij al Gods geboden aan.

En, o, hoe vaak komt het niet voor, dat ge dan, ja, den Sabbath hieldt;
maar omdat anderen u waarnamen; omdat ge een voorbeeld voor anderen
moest zijn; omdat ge prijssteldet op uw vromen naam; ja, zelfs met de
bijgedachte, om door een vromen Sabbath veel onvrooms in uw leven goed
te maken.

En is nu al zulke overlegging en heimelijke bedoeling niet gevloekt van
den Heere der heirscharen?

Wil Hij niet, dat ge _Hem_, _Hem alleen_, uw Sabbath houden zult, en is
niet al wat ook in uw Sabbath op iets anders dan Gods eere gericht is,
eene zonde die u aanklaagt, wijl het _niet_ ontspruit uit het geloof?

Welnu, daarom zijn de beste Sabbathsvierders en die den Sabbath het
nauwst en het teederst waarnemen, juist degenen, die de scherpste
aanklacht over hun Sabbathsviering in hun conscientie ervaren, en den
sterksten drang gevoelen, om als de Sabbath weer uit is, de verzoening
van hun God over het verzondigen van hun Sabbath in te roepen.

       *       *       *       *       *

Maar zij ervaren het dan ook, dat hun God, die hun den Sabbath en hun
lust in zijn Sabbath schonk, ook die zonde van hun Sabbath hun _gaarne
vergeeft_.

En zoo drinken ze dan telkens en telkens weer het zoet der verzoening
ook van hun zonde in zake den Sabbath in, en juist door die verzoening
brengt de Heere er hen toe, dat ze Hem ook in zijn Sabbath gaan vreezen.

Zoo werkt Hij wonderbaar.

Eerst geeft Hij ons den Sabbath als een uitwendig gebod, dat onze natuur
er tegen ingaat. Dan brengt hij ons den Sabbath toe als een spiegel om
onze ellende te kennen. Ontwaakt er iets van die kennisse in ons, dan
wordt zijn Sabbath ons een tuchtmeester tot Christus. En komt het
eenmaal zoover, dat we ook voor dit gebod gevallen, en over dit gebod
in Christus ons verzoend weten, dan brengt Hij ons dienzelfden Sabbath
nogmaals toe, nu in het Genadeverbond, als een regel des levens, waarin
Hijzelf ons doet wandelen.

Dan is van Hem onze Sabbath en van Hem de lust, die in onze ziele voor
den Sabbath opwaakt. En dan leven we in dezen zijn Sabbath in, maar zeer
gebrekkig; onze schuld mengende in zijn kostelijke gave; en als weer de
Sabbath om is, dan dankt Gods kind voor wat hij ontving, en bidt om
vergeving voor wat hij aan zonde uit zijn eigen hart in den Sabbath
mengde.

Zoo wordt hij teeder voor zijn God.

Tot de Heere ook die gestadige belijdenis van ingemengde zonde gebruikt
als middel, om hem nog dieper in zijn Sabbath in te leiden.

En zoo gaat het voort en voort. _Hij_ altoos de genadige God, die ook
voor den Sabbath genade op genade stapelt, en ons zijn kostelijke gave
toebrengt en in het hart indraagt; en _Gods kind_ de schuldenaar, die
met zijn eigen natuur het al verderft, maar door zijn God verzoend
wordt, door zijn God sierlijk bewerkt wordt, en dank zij die Goddelijke
inwerking, steeds rijker en voller in het schoon en het zoet van Gods
Sabbath geniet.




VII.

DE SABBATH VAN GOD VEREEUWIGD.

                                Er blijft dan eene ruste over voor het
                              volk Gods.

                                                            Hebr. 4:9.


Toch kan uw Sabbath op aarde nog nimmer de volle ontplooiing van uw
Sabbath voor het aangezichte uws Gods zijn.

De Sabbath op aarde is en blijft een _compromis_.

Er staan twee zekere en strijdige belangen tegenover elkander:
eenerzijds roept, eischt en nijpt de wereld met haar leven _in den
tijd_; en aan den anderen kant lokt, roept en trekt het Paradijs
daarboven met zijn leven _in de eeuwigheid_.

Die beide liggen op den bodem van uw hart dooreengestrengeld. Ge zijt
een menschenkind _in den tijd_ en een kind Gods _in het_ _eeuwige_.
Vandaar die bange worsteling, die dooreenstrengeling van belangen, die
mengeling van het aardsche en Goddelijke in uw wezen.

En nu is uw Sabbath op aarde een dam, dien God opwierp, opdat de stroom
der wereld u niet vervolgen zou; het is een Jakobsladder, die God u
voorzette, om op te klimmen naar boven; het is een inschuiven in den
tijd van een dag, die aan het merk van den tijd ontkomen is, en het
stempel van het eeuwige draagt.

Maar toch, daarmeê is aan het kermen van uw ziel nog geen volle
bevrediging gegeven. Ge proeft daarmeê wel iets van den Sabbath en
geniet er een voorsmaak van; maar toch, de ware, de eigenlijke Sabbath
brengt het u nog niet.

Dan toch zou de Sabbath hermetisch van de wereld moeten zijn afgesloten.
Ook zoudt ge, als de Sabbath inging, uw zondig hart aan de poorte moeten
kunnen achterlaten. En ook, dan zou er na den Sabbath geen week in de
wereld meer volgen moeten, maar het, _eens Sabbath, altoos Sabbath_
moeten zijn, om nimmermeer uit de tente van uw God te scheiden.

       *       *       *       *       *

Daarom komt de Heilige Schrift dan ook tot u, en zegt u in naam des
Heeren aan, dat er nog een heel andere, dat er ook een eeuwige Sabbath
is, en dat, welke ruste ge ook op den Sabbath hierbeneden moogt smaken,
er altoos nog een heel andere ruste overblijft voor het volk van God.

Dit is het, wat boven deze meditatie staat, dat God u den Sabbath niet
alleen _schonk_ en dien _instelde_, _heiligde_ en _zegende_, en nog
altoos _keurt_ en _verzoent_, maar dat Hij ook nog dit laatste doet, dat
Hij u den Sabbath _vereeuwigt_.

De Sabbath is geen plagen, alsof God de Heere u telken zevenden dage
even smaken liet, hoe goed en zoet het in zijn tente is; maar om dan
weer ijlings voor al dit schoon en heerlijk een gordijn te laten vallen,
opdat na het genoten licht de duisternisse te duisterder om u zou zijn.

Neen, in uw Sabbath ligt een _profetie_; de heerlijke profetie van een
eeuwig leven, waarin dáarom geen breking van dagen en oogenblikken zal
bestaan, omdat het al éen Sabbath, een Sabbath zonder storing, een
Sabbath zonder einde, en bovenal een Sabbath zonder zonde zal zijn.

Zoo ziet ge, hoe het, van trap tot trap, uit het lage en ijdele dezer
wereld naar boven gaat.

Eerst kwijnt ge op den bodem der zonde en zijt ge nog geheel in het
leven der wereld bevangen. Van een eeuwigheid wilt ge niet hooren; uw
tijd is uw.

Dan scheidt God, die genadig is, u van die in zonde kwijnende wereld
af, en doet u hooger opgaan tot dat betere hoogland, waar slechts zij
verkeeren, die met de wereld geen vrede meer hebben, en dorsten naar
iets, dat bestendig is en beklijft.

Hieruit ontstaat die tweedeeling in uw leven, die u tusschen de polen
van den tijd en de eeuwigheid inplaatst, en nu brengt God u zijn
aardschen Sabbath, om u in dien Sabbath een spiegel en voorsmaak van een
_nog hoogeren_ Sabbath reeds hier op aarde te doen bezitten.

Daarna voert Hij nóg hooger op, en doet u in dien Sabbath ingaan met een
veranderd hart, om op dien Sabbath uw ziel op te heffen tot Hem, die in
de hemelen is, en u op uw Sabbath te doen verkeeren in Gods tente.

Maar toch, ook zoo moet ge nog altoos weer in het leven der wereld
terug; uw zondig hart nog met u meêsleepen; en gedurig weer de smart
kennen van het gemis, als de Sabbath weer uit is en de drukte der wereld
weer aan uw deur komt kloppen.

Tot eens uw einde daar is, en uw barmhartige Vader in de hemelen nu
tweeërlei doet; _ten eerste_, dat Hij u losmaakt van de wereld en het
lichaam der zonde, zoodat de wereld niets meer op u te pretendeeren
heeft, en uw zondig hart niets giftigs meer in Gods kostelijke gave
kan mengen; en _ten andere_, dat Hij u alsnu niet door opheffing uwer
ziel in de gedachte, maar door optrekking van heel uw persoon in de
werkelijkheid, overzet in dat land, waar geen klok ooit getikt heeft,
en niets te beluisteren valt dan het zalig ruischen van den stroom der
eeuwigheid.

       *       *       *       *       *

En dan komt uw _eeuwige_ Sabbath. Nog altoos diezelfde Sabbath, dien ge
soms op aarde genoot; maar nu uit den tijd losgewikkeld, en door Gods
wondere ontferming voor u _vereeuwigd_.

Een Sabbath, niet daarin schitterend, dat ge in _dolce far niente_,
d. i. in een zalig nietsdoen uzelven verliest.

Immers dat zou ook op aarde geen Sabbath geweest zijn.

Neen, maar een eeuwige Sabbath, die dit heeft, dat hij de _wereld_
volkomen buiten-, den _hemel_ geheel insluit, en nooit meer door een dag
in den tijd, in die wereld en in de zonde zal worden afgebroken.

En in dien eeuwigen Sabbath zal het dan zijn, niet een _enkele maal_ in
»de vergadering der geloovigen« verkeeren, maar _altoos_ met al Gods
uitverkorenen saam zijn.

In dien eeuwigen Sabbath zal het wezen, niet een _even_ opgaan naar Gods
tempel, maar _eeuwiglijk_ in dien tempel daarboven verwijlen, waar het
Lam zelf de kaars en onze God onze Zon zal zijn.

In dien eeuwigen Sabbath zal het wezen, niet een verdeelen van uw
Sabbathsruste tusschen uw ziel en uw gezin, maar eeuwiglijk in het
groote Vaderhuis genieten met de volle harmonie uws harten.

Ja, in dien eeuwigen Sabbath zal het zijn, niet voor enkele oogenblikken
uw hart opheffen tot den Heere uw God, en een enkel oogenblik in zalige
meditatie tot zijn zielsinnige gemeenschap doordringen; maar voor
_altoos_ en in de rijkste _volheid_ het zoet van Gods verborgen omgang
en van zijn zalige nabijheid indrinken met al de zuigkracht van heel uw
geestelijk bestaan.

       *       *       *       *       *

En dat toeft, dat beidt nu wel; maar eens komt het voor Gods lieve
uitverkorenen gewisselijk.

Er blijft een ruste over voor het volk van God.

We zullen in dat Kanaän ingaan.

Ja, meer nog.

Deze eeuwige Sabbath is niet slechts in den aardschen Sabbath
geprofeteerd, maar wordt, zooals de Catechismus het zoo schoon en waar
zegt, _reeds in dit leven aangevangen_.

Niet door iets, dat wij doen.

Niet door uw ruste van aardschen arbeid, of uw ingaan in geestelijken
arbeid.

Neen, dien Sabbath reeds hier op aarde doen aanvangen, dat doet uw God
en uw Vader voor u en in u.

En dien drinkt ge in en ervaart ge dan, als gij _viert_ van uw booze
werken en het Volzalige en Eeuwige Wezen door den Heiligen Geest _werken
laat in u_!




MEDITATIËN VOOR ELKEN SABBATH IN HET JAAR.




EERSTE ZONDAG.

GEDENK VAN HOEDANIGE EEUW IK BEN!

                                Gedenk van hoedanige eeuw ik ben;
                              waarom zoudt Gij aller menschen kinderen
                              tevergeefs geschapen hebben?

                                                            Ps. 89:48.


God de Heere leeft in een twist met den nietigen mensch.

Dat hebben _wij_ gemaakt. Dat is door _onze_ zonde zoo gekomen. Dien
twist hebben _wij_ in de onvermengde, storelooze zaligheid van het
Eeuwige Wezen ingedragen. En nu _worstelt_ Hij met ons. »Bij den
verkeerde, o mijn God! betoont Gij U een worstelaar!«

Nu is er in dat worstelen van den Heere onzen God met ons een
onbeschrijflijk nederbuigende goedertierenheid.

Hij kon ons op staanden voet verdoen van voor zijn aangezicht, dat we
geen hinder meer voor Hem waren en ophielden twist te werpen in zijn
eeuwigen vrede. Zijn almacht ontzegt Hem daartoe het vermogen niet. Zijn
majesteit zou er voldoening in vinden.

Maar omdat Hij een genadig God is, doet Hij dat niet. En nu gaat Hij
met ons worstelen. Met ons worstelen in onze conscientie. Met ons
worstelen in de overleggingen van ons binnenste. Wij willen ons ophouden
en Hij wil dat we het voor Hem opgeven zullen. Hij rust niet en kan
niet rusten, eer Hij zoo diep en zoo lang en zoo schriklijk met ons
geworsteld heeft, tot we eindelijk niet meer kunnen, en het Hem gewonnen
geven, en erkennen: »Heere God! Gij zijt rechtvaardig en ik deed nooit
iets anders dan mijn weg voor U verderven.«

o, Dat kost wat, eer het daartoe komt, vooral voor vrome, burgerlijk
brave menschen. Bij dronkaards, bij roekelooze lieden, als ze tot staan
komen, gaat dat vanzelf. Maar als men levenslang vroom en onberispelijk
voor der menschen oog heeft gewandeld, en door de menschen lief is
gevonden, o, dan is dat bijna onmogelijk. Niet om het te _zeggen_, maar
om het te _meenen_, en wezenlijk als een verworpeling voor zijn God te
liggen.

       *       *       *       *       *

Daarom heeft de Heere met zijn Jakobs en zijn Jobs en zijn Davids dan
ook zooveel banger en ontzettender te worstelen.

Bij hen kon het niet bij zulk een worstelen in de conscientie blijven,
want bij zulke karakters misleidt de vrome natuur.

En dan wordt het een hartaangrijpend worstelen in uw bestaan, in uw
levenslot, in wat u lief is, en tot in uw bloed. En dan krijgt Satan,
als bij Job, den vrijbrief, om niets te sparen, tot zelfs het eigen
vleesch niet.

o, Dan stormt het zoo schriklijk om het hoofd en door het hart, en giert
de huilende wervelwind in de snaren van ons fijnste innerlijk wezen.

Dan is alles benauwing en banden des doods om ons.

Dan zijn we tot voor de koperen deuren gedrongen.

o, God! wat krimpt uw arm menschenkind dan onder uw sterke hand weg!

       *       *       *       *       *

Maar dan, onder dat bloeden en wegkrimpen van het hart, komt er in Gods
kind iets op, dat, o, zoo eenvoudig schijnt, en toch zoo nameloos
moeilijk te leeren valt; want dan overvalt ons het bang besef, dat die
tegen ons worstelt _niet onzes gelijke is_.

De Heere _niet onzes gelijke_, het is zoo, we beleden dat ook vroeger
wel, maar toch bleef het bij al ons tegen worstelen, alsof _onze_
persoon en _de Heere God_ wel aan elkaar gewaagd waren. Alsof we
eigenlijk toch _wel_ tegen God opkonden. Alsof een mensch, als hij maar
wilde, _wel_ tegen God bestand was. Ja, alsof hij het van God den Heere
ten slotte nog wel _winnen_ kon.

Altoos die diep satanische trek van onze zonde: Gij zult als God, d. i.
_aan God gelijk_ wezen.

Het demonische: _Eritis secutis Deus_[1]. De gruwelijke hoovaardij van
ons boosaardig hart.

[1] Gij zult als God wezen.

En dat nu gaat er dan in die worsteling door genade uit en ten leste
belijden we dan onze schrikkelijke minderheid, en komt onze ziele er
voor uit: »o, God! Gij zijt een almachtig God! Waarom worstelt Gij ten
bloede met mij, nietigen mensch?«

Zoo riep Job het in zijn berooving en zijn rouwe en zijn smarte uit:
»o, God! wat is de mensch, dat Gij met hem worstelt en op hem aanlegt?«
en zoo klaagde David: »Heere! gedenk mijner _van hoedanige eeuw ik
ben_!«

En de Heere, die barmhartig en zeer ontfermende is, liet het, opdat we
in deze verbrijzeling niet bezwijken zouden, ons door zijn Heiligen
Geest betuigen, dat »Hij weet, wat maaksel we zijn, _gedachtig zijnde
dat wij stof zijn_« (Ps. 103:14). Hij had het vanouds reeds betuigd:
»Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, _dewijl
hij ook vleesch is_.« Van Israel staat geschreven: »Hij dacht er aan,
_dat zij vleesch waren_, een wind, die henengaat en niet wederkeert«
(Ps. 78:39). En bij Jesaja schonk Hij zijn kinderen het woord van
zalige vertroosting: »Ik zal niet eeuwiglijk twisten, en Ik zal niet
altoosdurend verbolgen zijn, _want uw geest zou voor mijn aangezicht
overstelpt worden_, en de zielen, die Ik gemaakt heb!« (57:16.)

       *       *       *       *       *

En dan heeft God de Heere ons op het punt, waar Hij ons hebben wil, want
dan is in den angst van de worsteling de gevloekte hoovaardij van het
»Gode gelijk te wezen« overwonnen.

Dan willen we _de minste_ voor God zijn. Dan houdt op de verheffing van
den hoogen mensch, en krijgen we lust aan kleinheid en geringheid en
nietigheid.

Zoolang de booze heldenmoed van den duivel nog in ons blies, was het:
»Wees sterk en houd het tegen Hem uit!«; maar nu is het: hoe kleiner
hoe liever. »Zie, Heere! dat ik stof en assche ben.« Of misschien onze
nietigheid en geringheid den Almachtige tot aflaten van zijn worsteling
mocht bewegen!

Eerst was het: Ja, hoe sterker, hoe beter, om tegen God op te kunnen.
Door _zijn_ worstelen tot _tegen_worstelen geprikkeld. Maar nu wierd het
een pleiten op de grootmoedigheid en op het erbarmen des Almachtigen:
»Heere! waarom worstelt Gij met zulk een nieteling? Zie mijn kleinheid
aan en heb ontferming!

»Een held worstelt niet met een hulpeloos kind! Gij, sterke Held! laat
af te worstelen met wat stof en assche is.

»Gedenk van hoedanige eeuw ik ben! Gij, eeuwige Worstelaar! wat ben ik,
verdwijnend en verkwijnend wezen, om met U te worstelen?

»Ik kan niet meer. Als Gij slaat, zal ik mij weerloos laten slaan door
uw sterke hand.

»o, God! het is uwe eere als God om U te erbarmen.

»Ik ben een worm voor U en geen man!«

       *       *       *       *       *

En neen, dan is er geen morren in dien toon. Dan is het geen vermetel
verwijt, alsof de Heere zich vergreep aan een ellendige en vergeten
had een weerlooze genadig te zijn; maar een zich vastklemmen van het
gebroken hart, dat niet meer kan, _aan Gods eeuwige deugden_.

Weg, weg zou ik zijn als in den Heere mijn God die eeuwige deugden niet
waren. Als Hij _niet_ groot van moed en _niet_ groot van ontferming was.

Maar dat _is_ Hij. Ja, waarlijk, de Heere is grootmoedig en zeer
barmhartig.

En die deugden grijpt het geloof aan. En daar pleit de worstelaar in
zijn smeekingen op.

Zoolang hij het tegen God uit wilde houden, was hij volkomen machteloos
tegenover den Heere. Een weerloos lam, dat waande het tegen den sterken
Leeuw te zullen volhouden.

Maar nu slaat dat om. Nu het verbrijzeld kind niet meer tegenworstelt;
en geen hand meer opheft; en geheel lijdelijk zich laat kastijden; en nu
eeniglijk op de deugden van Gods grootmoedigheid en lankmoedigheid gaat
pleiten, _nu is hij opeens sterk_ tegenover dienzelfden sterken God
geworden.

Het smeeken om genade ontwapent den sterksten held.

Daar kan ook God niet tegen in.

Een worstelaar tegen den verkeerde, is Hij, de Ontfermer over stof en
assche en over den worm, die in het stof wegkrimpt.

En diezelfde Majesteit, die in den bangen avond nog toornde in
verbolgenheid, blinkt in goddelijk mededoogen bij het aanbreken van den
morgenstond.

Doordien we vleesch zijn en bekenden vleesch te zijn, gedacht Hij, wat
maaksel we zijn, en heeft zijn vertroostend aangezicht ons verkwikt.




TWEEDE ZONDAG.

»EEN STOFJE AAN DE WEEGSCHAAL.«

                                Ziet, de volken zijn geacht als een
                              druppel aan den emmer en als een stofje
                              aan de weegschaal; ziet, Hij werpt de
                              eilanden henen als dun stof.

                                                           Jes. 40:15.


Bij een apotheker vindt ge een weegschaal onder een stolp om gif, en bij
een juwelier een weegschaal onder glas om diamantgruis te wegen. Bij
gif en goud luistert het ontzettend nauw. Wat roest aan het mes van de
balans, zou het juiste wicht vervalschen.

Maar als Jesaja, de profeet des Heeren, van een stofje aan de weegschaal
spreekt, dan denkt hij aan zoo haarfijne balans in de verte niet. Reeds
om de afdoende reden, dat zulke weegschalen toen nog ganschelijk
onbekend waren; maar ook om wat er van _den emmer_ bij staat.

Een stofje aan de weegschaal, is het eene beeld; het andere, daarmeê
evenwijdig loopend, het beeld van »den droppel aan den emmer«.

Van een kunstweegwerktuig is dus geen sprake. Dan ware niet de druppel
_aan den emmer_, maar de spet aan de kristallijnen bokaal er naast
gesteld.

Nu daarentegen verplaatst _de emmer_ u in het _gewone_ leven, en is ook
de weegschaal in _ordinairen_ zin, zooals de winkelier die bezigt, in
het oog te vatten.

En wat is nu op zulk een grovere weegschaal _een enkel stofje_? Wie
vergt, dat de winkelier eerst elk stofje van schaal en koord afvege, eer
hij het gewicht in de schaal zet? Zulk een stofje is _niets_ en _minder_
dan niets, en nog onder het toewegen laat zich ongemerkt stofje na
stofje op waar en gewicht, op koord en schaal, op balans en evenaar
neder.

En zie, in dat beeld komt nu de Majesteit des Heeren HEEREN u uw
volstrekte _nietigheid_ aanzeggen.

Eerst waart ge met een bloem vergeleken, die verwelkt, en met het gras,
dat verdort. Toen wierd tegenover dat verdorrend gras de majesteit en
hoogheid geteekend van Hem, die al de wateren in zijn vuist meet, van de
hemelen met de spanne zijner vingeren de maat nam, die al de bergen der
aarde in zijn weegschaal, ja, al het onmetelijk stof der aarde in zijn
drieling had gewogen. En daartegenover komt gij nu staan, niet eens meer
als een bloem, die verwelkt, en op verre na geen gras meer, dat verdort;
neen, maar als een enkel stofje aan de weegschaal, en als een drop aan
den boordevollen emmer.

Ja, meer nog, sterker nog.

De profeet zegt niet, dat _éen menschenkind_ bij God als een stofje aan
de weegschaal is, maar dat _heel een volk_ bij Hem als zulk een stofje
geacht is. Ja, dat de machtige eilanden der zee, met al hun volk, als
»dun stof« zijn uitgestrooid op de wateren.

       *       *       *       *       *

Heel uw volk bij God éen stofje aan de weegschaal, en gij in dat volk
nog geen millioenste deeltje van dat éene stofje bij God. Als een
stofdeeltje, dat niet alleen niet meê_weegt_, maar ook niet meê_telt_.
Want de druppel hangt aan den emmer, om er straks af te leken en het
stofje vliegt op de weegschaal, om er straks te worden afgeblazen.

Het _is_ niets, het _weegt_ niets, het _telt_ voor niets.

En dat minder dan niets, dat zijt gij, o kind des menschen, voor uw God!

En waarom moet dat onbeduidende, dat nietsbeteekenende, dat verdwijnende
van uw persoon voor uw God nu zoo aangrijpend scherp geteekend?

Och, waarom anders, dan omdat elk mensch in inbeelding des harten
omwandelt, als ware hij de zon, en dat de maan en de sterren zich voor
hem neerbogen, ja, als bestond zelfs God de Heere enkel om hem; om hem
in den nood te hulpe te komen, en een hemel te verzekeren na zijn dood.

De oude droom van Jozef; maar nu niet in wondere profetie, neen, maar
uit de booze hoovaardij des harten. _Ik_, _ik_ en altoos _ik_. Die Dagon
van het _ik_ in ons eigen binnenste. Onze Diana der Efeziërs, waarvoor
heel de wereld haar wierook heeft te branden. En dus beter temoê,
naarmate er meer lof en eere voor ons opstijgt.

Dit nu is _de leugen_. De Vader der leugen heeft het ons ingefluisterd.
Zoo is de Majesteit des Heeren voor ons verkleind en ver naar den
horizont van ons leven weggedrongen; maar hoog en breed is de majesteit
van ons eigen ik opgericht. Zooals Asaf het in Psalm 73 teekent: »De
hoovaardij omringt den mensch als een keten, zijn tong wandelt op de
aarde, en hij gaat de inbeeldingen des harten te boven.«

Hoor het in onze eeuw maar, hoe _de mensch_ al meer het éen en alles
wordt. »Ik geloof in den mensch« allengs het _credo_ van ons geslacht
begint te worden. Ja, zóo hoog de glans van het _menschelijke_ gaat
blinken, dat de luister van het _Goddelijke_ er bij taant.

Dit nu is niet een omgehangen gewaad; maar het is een kwaad, dat uit uw
eigen hart opklimt.

Ge wandelt in de leugen. De wezenlijkheid, de werkelijkheid, de waarheid
ziet ge niet meer. Alle verhoudingen zijn voor uw zielsbesef vervalscht
geworden.

En zooals gezichtsbedrog het kind doet denken, dat hij minstens tweemaal
zoo groot als de zon is, zoo ook waant het nietig kind des stofs zich
schier grooter dan zijn God te zijn.

Tot de _waarheid_ hem aangrijpt en de glans van de Majesteit des Heeren
over zijn ziel opgaat.

En dan wordt het: Dat Eeuwig Wezen onmetelijk en onbeschrijflijk in zijn
heerlijkheden, en ik een stofje op de schaal.

       *       *       *       *       *

Pas dit nu toe op uw leven, en ge loopt recht of ge waggelt als een
dwaas, al naar gelang ge bij al uw denken en overleggen in uzelven
opzwelt tot een Dagon, of weer, ook in uw eigen schatting, een stofje
aan de weegschaal voor uw God zijt.

Staat ge nog in uw _leugenbeeld_, dan hebt ge allerlei pretentiën, dan
zijt ge prikkelbaar en lichtgeraakt, veeleischend en alles begeerend,
ontevreden en gestadig in gemor.

Maar komt _de waarheid_ en weet ge weer een drop aan den emmer en een
stofje aan de weegschaal te zijn, dan is opeens die overgevoeligheid
weg; de rietstaf uwer hoogheid geknakt; stille, nederige zin komt over u
en ook bij een minder deel wordt uw vreugdevolle tevredenheid rijk in
die goedertierenheid des Heeren, die u nog zóoveel schonk.

Wat minder met uzelf en wat meer met uw God in uw zin en ziel vervuld,
zijt ge dan als de bloem, die zich laat bedauwen, en niet langer als de
doornstruik, die prikt en afstoot.

Liefderijk helpen, dienen en vertroosten valt u dan licht, omdat het
valsche beeld van uw eigen ik u niet langer in den weg staat.

Inschikken wordt u dan natuurlijk, vergeven een vanzelfheid,
zelfverloochening geen kunst meer, maar de aard van uw aanzijn en de
eigen natuur van uw bestaan.

Wie weet zelf _een stofje_ te zijn, kan _vreeze Gods_ in de ziel
omdragen. Alles trekt dan naar boven. Alles in hem smelt dan weg in
bewondering voor Hem, die alleen groot is. En terwijl hij God vreest,
kent hij geen vrees voor het kind des menschen meer. Immers ook zij zijn
dan stofjes en druppelen als hij is. En een stofje, wie zou dat vreezen!

       *       *       *       *       *

En dan komt juist in dat nietige van het stofje _het zoet der
zaligheid_.

Hoog zijn vermoeit en mat af, maar wie stil en nederig kan wezen, rust
met ongekende zaligheid in dat innerlijke van zijn wezen. Hij heeft
niets op te houden. Geen valschen schijn te maken. Hij wandelt in zijn
eenvoudigheid.

En als dan in dat nietig »stofje aan de weegschaal« genade gaat werken,
en in dien druppel aan den emmer zich de glans van het licht gaat
spiegelen, o, dan wordt het in de ziel heilige verrukking en zalige
aanbidding.

Op mij, nietig creatuur, onbeduidend schepseltje, op mij, die op de
weegschaal als een stofje neerzweef en als een druppel aan den emmer
gespet hang, op mij zag eeuwige Genade neer, naar mij heeft die
heerlijke Majesteit van het Eeuwige Wezen Goddelijk mededoogen
uitgestraald. Mij roept Hij met den naam van »kind van God«. Op mijn
lippen wil Hij het _Abba, lieve Vader!_ doen fluisteren. Voor mij
verordineerde Hij een eeuwige bestemming onder de gezaligden in het
eeuwige licht!

o, Mijn broeder, mijn zuster, dan begint de mond van lof en liefde over
te vloeien. Dan wordt het al aanbidding. Dan smelt heel uw ziel in
zalige verrukking.

Ja, wie zou dan al den lof des Heeren uitspreken! Wie naar waarde
eenigszins verhalen, wat Hij u, nietig stofje aan de weegschaal, u,
drupje aan den emmer, naar zijn grenzenlooze ontferming aan uw ziel
gedaan heeft!




DERDE ZONDAG.

»MIJNE ZIEL IS VOOR U ALS EEN DORSTIG LAND!«

                                Ik breide mijne handen uit tot U; mijne
                              ziel is voor U als een dorstig land.

                                                            Ps. 143:6.


Een dorstig land _weet_ niet, dat het dorst heeft. Eigenlijk _is_ het
dan ook niet dorstig. Het _heeft_ geen dorst. Wel heeft het gebrek aan
water, aan vocht, aan levenssap. Ook kan het alleen door water, dat er
op gesproeid wordt, weer groen gras doen uitspruiten. Maar zelf heeft
het hier geen kennis van. Het heeft geen bewustzijn.

Een akker is dood en kent zijn eigen plage niet.

Toch spreekt de Heilige Schrift gedurig van een »dorstig land«; niet
enkel overdrachtelijk om op onze ziel te doelen, maar ook in eigenlijken
zin, als ze spreekt van het veld, van een stuk land, van een akker.

Dit komt daarvandaan, dat de Heilige Schrift de natuur nooit van den
mensch afscheidt. Die natuur is er om den mensch; als Adam valt, gaat
de vloek ook over de natuur uit; al het schepsel zucht, verwachtende
de openbaring van de heerlijkheid der kinderen Gods; en eerst als de
heerlijkheid eens voor Gods kinderen ingaat, komt ook die natuur weer
van onder haar plage uit.

Dat er een akker ligt te verdorren uit gebrek aan vocht, is alzoo _om de
zonde_; en de mensch, die zijn zonde bekent, ziet nu op dien akker _als
om zijnentwil lijdende_ neder. Zoo leeft die mensch in het leven van
dien akker in; _voelt_ voor dien akker, wat die akker zelf niet voelen
kan; spreekt zoo uit, dat het land dorst, al weet het zelf van dorsten
niets af; en straks bidt nu die mensch, zoo hij wél bidt, om wegneming
van die plage ook voor dien akker. En als dan eindelijk de regen
nederdruppelt en de dorstige akker wordt mildelijk verzadigd, dan dankt
Gods kind ook voor dien akker, dat de Heere er de plage van wegnam.

In Israel, lees het maar bij Joël (1:9 v.v.), treurt de priester, als
het land treurt, met en voor dat land. En als de redding gekomen is,
juicht met den juichenden priester alle boom des velds voor het
aangezicht des Heeren HEEREN.

       *       *       *       *       *

Hierin nu is het beeld van den zondaar.

Zooals dat land dor en verwoest ligt, maar het niet weet, dat het dorst,
en dies om water van den hemel niet roepen kan, evenzoo is het met uw
ziel van nature.

Ook uw arme ziel ligt verschroeid en verdord. De bodem van uw gemoed is
verhard en verstijfd. Er spruit niets uit op. Het ligt al met den valen
tint des doods overtogen. IJl moge hier of ginds een enkel sprietje door
de kluit dringen, maar dor en geel en verzengd toont het zijn
machteloosheid.

Als een dorstig land ligt uw ziele in u. o, Als de wateren maar
nederstroomden, en het akkerveld uwer ziel de malsche dauwdruppen
opving, hoe zou alles ruischen van vreugde en frischheid en weelde!

Maar het was dor en bleef dor, en wat nog het bangste is, hoewel geheel
verdord, kent ge uw eigen dorheid niet en kunt ge niet zeggen: »Heere!
ik dorst!«

Dorst hebt ge niet!

Maar denk nu aan wat straks van het »dorstig land« gezegd is. Ook het
land, hoe dor en verzengd en verschroeid ook, heeft van zijn dorheid
geen kennisse. Maar de landman, die langs dien dorren akker heenwandelt,
_die weet het_, die voelt, dat het land dorstig is, en die bidt, dat de
Heere den dorst van het land wegneme en lessche.

En is ook dit niet uw beeld?

Of wandelde ook langs de zoomen van uw dorre ziel niet telkens die
hemelsche Landman, die den akker uwer ziel aanzag, en in innerlijke
ontferming haar dorheid gadesloeg, en die, waar gij nog geen dorst
kendet; voor u en in uw plaats dien dorst voelde? En gelooft ge niet,
dat deze barmhartige Hoogepriester toen ook voor den dorst van uw
dorstende ziele bad, nog lang eer gij ook maar vermoeden kondt, hoe uw
verdorde ziel in haar _on_gekenden dorst wegkwijnde?

       *       *       *       *       *

Maar hier houdt de gelijkenis dan ook op. Want wat bij het dorstige land
nooit kan, dat kan _bij u_, en _moet_ bij u.

De landman kan wel voelen, dat het land dorst, al weet het dat zelf
niet, maar hij kan nooit zijn gevoel van dorst aan dien akker meêdeelen.

En dat nu kan uw hemelsche Landman wel en dat doet Hij.

Hij komt door zijn Heiligen Geest in dat dorre hart, in die dorstende
ziel in, en geeft haar uit genade _besef_ van dorheid, _kennis_ van haar
dorren staat, en brengt ze er ten leste toe _dat ze zelve haar dorst
gaat bekennen_.

Daar wacht Hij niet op.

Hij is niet wreed, om als Hij een ziel als een dorstig land voor zich
ziet liggen, te toeven en te beiden, tot tijd en wijle ze zelve haar
dorst bekennen gaat, om ze eerst dáarna te bevredigen.

o, Als de Immanuel zóo met met ons handelde, dan kwam er nooit éen
enkele malsche drop op haar dorheid neder.

Neen, neen, Hij voorkomt haar.

Hij weet, dat ze uit zichzelve tot den einde toe even stom en onwetend
als een dorstig land blijven, en nooit om die droppelen der genade
roepen zou.

En daarom komt Hij in zijn genade niet eerst dan tot u, als gij bekennen
zoudt: »Ik verkwijn van dorst,« maar breidt Hij zich naar u uit, terwijl
gij meent _niet_ te dorsten, en bij uw gebroken waterbakken in
koortsachtige overprikkeling veeleer droomt, dat de volle waterstroomen
om u heen ruischen.

Ismael wist ook niet, dat de dorst zijn leven bedreigde. Hij wist niets.
Hij lag in heete koorts bedwelmd. Maar de Immanuel kwam tot Ismael, en
Hij wees Hagar de bron.

       *       *       *       *       *

Weg daarom met dat valsche zeggen, alsof in ons het besef van dorst zou
zijn, en alsof de Heere eerst op ons roepen uit de dorstige ziel, die
dorstige ziel verzadigen zou.

Heel omgekeerd spreekt de Heere hem, die zoover kwam, dat hij dorsten
kan, reeds zalig.

Want dat kennen van uw dorheid, dat besef van dorst is reeds genade. Dat
was niet uit u, maar kwam u toe van boven. o, Wie maar zoover is, dat
hij dorsten mag, die is er. Want als er maar een waarachtig dorsten mag
zijn, dit _wordt_ gelescht, zoo waarachtig als de Heere een Ontfermer
is.

Bedrieg u dus niet.

Zeg niet: Ik ben als in Psalm 42, en mijn ziel schreeuwt naar den
levenden God, gelijk een hert dorst naar de waterstroomen, maar de hemel
houdt zijn regen in.

Neen, zoo is het niet.

De man van Psalm 42 _is_ een geredde, juist omdat hij dorst kent; en nu
wordt zijn dorsten het echte bidden en smeeken, en op dat smeeken volgt
het toevloeien der volle stroomen gewisselijk, ook al beproeft de Heere
hem voor een tijd.

Waar het aan schort, is dat ge denkt: »Den dorst heb ik uit mijzelf, en
de Heere moet mij alleen het water geven!«

En zoo is het niet.

Diezelfde God, wiens de stroomen des levenden waters zijn, moet eerst en
vooraf den dorst naar dat levende water in u brengen en anders drinkt ge
uit dien levenden stroom nooit éen enkelen drop.

Het is, dat ge nog te hoog van uzelven denkt. Denkt: Dorsten kan ik zelf
nog wel. En daarom blijft én de echte dorst én de toevloeiing der
wateren bij u uit.

Och, dat ge ook dien valschen dorst, dien nagemaakten dorst niet langer
voor het echte dorsten woudt aanzien!

Heere! ik breide mijn handen naar U uit; mijn ziele ligt voor U als een
dorstig land, dat wel zeer dorre en verdord is, maar zijn eigen dorst
nog niet doorgrondt!




VIERDE ZONDAG.

»ZALIG ZIJN DE VREEDZAMEN!«

                                Zalig zijn de vreedzamen; want zij
                              zullen Gods kinderen genaamd worden.

                                                           Matth. 5:9.


De machtige, alles teboven gaande tegenstelling tusschen den hemel
daarboven en de aarde hierbeneden, is, dat er in den hemel éen psalm des
vredes ruischt, en dat op aarde de schrilste wanklanken tegen elkander
ingillen.

Vrede in den hemel bij onzen God, maar onvrede, twist, gemis aan
harmonie, saamwerking en overeenstemming hierbeneden.

Er is vrede op uw harp, zoolang de snaren elk op heur eigen toon
gespannen staan, en die harmonisch gespannen snaren door een vaardige
hand op evenredig maatgeluid getokkeld worden. Maar de vrede is van uw
harp weg, zoodra er ook maar een enkele snaar ontstemd is, of door een,
die valsch speelt, een valsche greep op uw snaren gedaan wordt.

En nu, als met die _harp_, zoo ook is het met uw _hart_.

Ook op dat hart des menschen spande God in de schepping allerlei snaren;
en Hij spande die snaren in zalige harmonie; en gaf aan elke snaar een
toon om te doen klinken, die met de tonen van andere snaren in zuivere
melodie ruischen kon.

Vrede en harmonie vervulde in de ure der schepping niet enkel den hemel,
maar ook de natuur.

Vrede en harmonie lag in Goddelijken glans over den hof van Eden
uitgegoten. Vrede en harmonie deed mensch en dier naar Goddelijke
ordinantiën saamleven. Vrede en harmonie was het _om_, vrede en schoone
harmonie _in_ den mensch. En, toen Eva aan Adam geschonken was, vrede en
harmonie eveneens tusschen mensch en mensch onderling.

En al week nu door de schrikkelijke verwoesting der zonde die vrede
en harmonie ook van deze aarde weg, eens keert ze in heilige zegepraal
weder; en dies meldt ons de profetie van een dag, waarop de wolf en het
lam saam zullen weiden, een kind zich met een adder zal vermaken en de
leeuw stroo zal eten gelijk het rund.

       *       *       *       *       *

Maar inmiddels is die heilige, Goddelijke vrede weg.

Wij _derven_ die schoone harmonie op elk terrein van het leven. En hoe
dicht de betere evenredigheden soms ook de volkomen zuiverheid van toon
weer nabij komen, toch vindt ge de diepe, volle harmonie nergens meer.

Zoolang ge een grove van gehoor zijt en onfijn van gevoel, moge u dat
niet deren; maar zóo kunt ge niet in gehoor verfijnd en in uw gevoel
verdiept zijn, of aanstonds beginnen de wanklanken u te hinderen, de
disharmonieën u te kwetsen, de onevenredigheden uw zielsrust te storen,
en hoe meer ge in het leven thuis raakt, hoe meer ge tot de droeve
ontdekking komt, hoezeer twist en tumult en nijd op den bodem van heel
ons menschelijk leven ligt.

Zoo is het in uw eigen persoon. Telkens de vrede verstoord tusschen ziel
en lichaam. Telkens de vrede weg tusschen de verschillende neigingen van
uw hart. Telkens de vrede bedreigd tusschen plicht en plicht, dien ge
volbrengen moet. Gedeeld, geperst, uiteengescheurd wordt keer op keer uw
menschelijk hart tot zelfs door de teederste liefde, die u innerlijk
bewegen mag.

En waar ge dan uit eigen sfeer uittreedt in het leven buiten u, altoos
weer vangt uw oor ook daar denzelfden wanklank op. Verschil van opiniën,
van inzichten, van overtuigingen, van beginselen. Uiteenloopende
belangen en neigingen, die diep in het bloed of in het verleden der
historie hun oorsprong hebben. Volken tegen volken, standen tegen
standen opstaande.

Op wetenschappelijk gebied de eene school, die aan de andere de
heerschappij betwist. En zelfs in de kerk van onzen Heere Jezus Christus
vrede, ja, in geesteloos lauwe dagen, maar zóo begon de adem des Geestes
weer niet in de doodsbeenderen te blazen, of strijd verving ook daar de
ruste; tot ten leste zelfs de naaste broeders en belijders met gespannen
trek om de lippen tegenover elkander stonden.

       *       *       *       *       *

En temidden van die wereld treedt nu Jezus op en roept: _Zalig zijn de
vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden!_

Wat wil dit woord?

Zegt het u, dat ge den strijd voor uw overtuiging zult prijsgeven, de
worsteling voor het u heilig beginsel zult laten varen? Wil het, dat een
kind van God met zekere goedbloedigheid alle water over Gods akker zal
laten loopen, en alles sussend, alles blusschend, elken morgen en elken
avond roepen zal: »_Vrede, vrede en geen gevaar_«?

Stellig niet.

Immers, het merkteeken van deze »vreedzamen« is, dat ze kinderen Gods
zullen genaamd worden, en is het dan de Heere zelf niet, die gezegd
heeft: »Ik zal vijandschap zetten«, en die in den Zoon roept: »Ik ben
niet om vrede te brengen in de wereld gekomen, maar het zwaard«?

Dus dat _kan_ niet gemeend zijn. Beginsel te missen en overtuiging
prijs te geven is karakterloos, en een kind Gods is niet iemand zonder
karakter, maar met een karakter, dat diep ingegraven is en nochtans
blinkt in harmonie.

De ervaring leert dan ook, dat zulk een blusschen van elk vonkje niets
baat. Het vuur smeult onder de asch toch voort. En, als het dan
eindelijk uitslaat, is de vernielende kracht zooveel te sterker.

Bovendien, ge moogt, ge zult dien weg der goedbloedigen niet betreden,
wanneer het gaat om de waarheid _Gods_ en niet om _uw_ waarheid. Ja, wee
u, zoo ge de wacht bij het heiligdom dier waarheid Gods niet betrekt.

Neen, vreedzaam in zulk een zin te zijn, dat ge daar_door_ en daar_om_
»Gods kind« zult genaamd worden, heeft heel iets anders in.

Er staat letterlijk: Zalig zijn ze, _die vrede maken_; wat onze
vertalers zeer terecht niet door _vredemakers_, maar door _vreedzamen_
vertaald hebben, omdat _vredemaker_ een veel te beperkt begrip is.

»Vredemaker« beduidt iemand, die, als twee ruzie of geschil hebben, een
poging waagt om zulk een geschil bij te leggen.

En zeker, ook dat is goed en nuttig. Ook dat hoort er toe; want gevloekt
zijn ze van den Heere Zebaôth, de duivelsche geesten, die er lust aan
hebben om het vuur van twist aan te blazen en te heller te doen
opvlammen. En waar ge twist bij _kunt_ leggen, is dit zeer zeker uw
roeping.

Maar toch die vreedzame zin, dien de Heere zalig spreekt, is nog heel
iets anders en iets veel diepers.

Bij de harp werkt snaar op snaar. En of al de zes snaren zuiver gestemd
zijn en éen snaar klinkt valsch, dan is er toch aan die harp geen
zuivere melodie te ontlokken.

En zoo ook is het onder ons kinderen der menschen. Een iegelijk van
ons is schuldig aan den onvrede en de disharmonie, die krijschend
door het leven der wereld gilt. Elkeen van ons draagt daartoe zijn
eigen ontstemdheid, zijn eigen valschen toon bij. Het is de zonde,
het _ik_ willen zijn van ons eigen hart, onze baatzucht, eerzucht,
geprikkeldheid, die, ineenvloeiend met de baatzucht en geprikkeldheid
van den ander, als met een stemme veler wateren dit wangeluid van
onvrede en disharmonie doet aanzwellen tot een machtigen stroom.

En dat blijft nu zoo, tot de Heilige Geest uw hart omzet, uw wil
ombuigt, uw zinnen omstemt, en er, dank zij de vrucht van die hemelsche
gave, een zin in u komt, gelijk de zin des Heeren uws Gods is, om _voor
zooveel u aangaat_, dien schriklijken wanklank met al Gods heiligen in
te zingen in hemelsche harmonie.

Vreedzaam is hij, die zich in zijn nieren niet prikkelen laat. Vreedzaam
is hij, die zijn driften in toom houdt. Vreedzaam is hij, die zich
speent aan booze, giftige woorden. Vreedzaam zijt ge, als ge liever
schade en ongelijk lijdt, dan een reeds zoo machtig aangezwollen stroom
van bitterheid en twist nog te verhoogen. Vreedzaam is, wie niet
achterklapt; den laster niet tot geleiddraad dient; het boos gerucht
begraaft insteê van opwekt; den een niet vleit en den ander niet
prikkelt.

De vreedzame heeft pijn van den onvrede om zich heen, en is er daarom op
uit, om den twist neer te leggen, wat onverzoend is te verzoenen, en,
met dooding van al den boozen prikkel, dien het kleine ikje zoo scherp
in de ziel van den broeder kan drijven, balsem te gieten in de wonde,
die schrijnt, en den storm der hartstochten, waar die opstak.

Welnu, wie dat _kan_, door _genade_ kan, die is zalig; want in deze
dingen te leven is zielsgenieting.

Zoo werkt de Heilige Geest, die God zelf is. En daarom zal, wie alzoo
met den Heiligen Geest medewerkt, _Gods kind_ genaamd worden; want in
Hem zijn de eeuwige harmonieën, en nooit een enkele harmonie zal van de
harp van uw hart de wereld inklinken en Gods heiligen verrukken, of ge
_ontvingt_ ze van uw God.




VIJFDE ZONDAG.

»ONTHOUD HET GOED AAN ZIJN MEESTER NIET!«

                                Onthoud het goed van zijne meesters
                              niet, als het in het vermogen uwer hand
                              is te doen.

                                                            Spr. 3:27.


De practijk onzer vaderen was streng; streng bovenal op het punt van
_eerlijkheid_. Een Hollandsch koopman stond in alle landen en op alle
markten als de belichaamde soliditeit bekend. En wat nering dreef of
zaken deed in onze aloude republiek, zon letterlijk, soms tot in het
kleingeestige toe, op stipte, strenge nauwgezetheid in levering van waar
en betaling van schulden.

Dat lag niet aan hen, alsof zij betere of andere menschen waren dan wij;
maar aan het Woord Gods, dat onder hen gepredikt was; aan de macht van
Gods ordinantiën, die onder hen was doorgedrongen; en aan het geloof,
dat wie op God ook in zijn handel zag, door dien God van hemel en aarde
ook in zijn handel zou worden gezegend.

Er staat in de Spreuken: »Vereer den Heere van uw goed en van de
eerstelingen aller uwer inkomsten, _en dan zullen uwe schuren vol zijn
van goed_.« Toepassing dus van het sterven om te leven ook op uw
bezitting. Wie houdt wat hij heeft, verarmt, en wie geeft van zijn
bezit, dien maakt God rijk.

En dat woord nu is aan onze vaderen waar gemaakt. Tengevolge van de
krachtige prediking van de Wet des Heeren was een diep besef van de
zonde der oneerlijkheid hun ingeprent. Uit dat besef ontkiemde een
stipt eerlijke handelsusantie. Die handelsusantie drukte haar stempel
van eerlijkheid op alle bedrijf en nering. En als soms uitzicht op
oneerlijke winste verlokte, ontried de hebzucht zelfs, om naar dat
lokaas de hand uit te steken. Immers ze stonden in de vaste overtuiging,
dat stipte eerlijkheid hun op den langen duur nog machtiger crediet en
daardoor nog milder winst in den schoot zou werpen. Hun stelregel was:
_Eerlijk duurt het langst_.

Wel waren er ook in die dagen uitzonderingen, en wierd vooral in den
hoogen groothandel soms schandelijk gespeeld; maar de manieren van het
volk leden daar niet onder. De volksgewoonte bleef solide en prompt.

       *       *       *       *       *

Thans, helaas, is dit anders geworden. De kracht van het Woord is er bij
ons volk geheel uit. Men drijft op den zacht kabbelenden stroom der
_beschaving_. En de uitkomst is, dat men van allen kant tegen bedrog,
fopperij en oplichting op zijn hoede moet zijn; dat er bijna geen waar
meer te vertrouwen is; dat in allen tak van handel leelijke praktijken
gewoonte zijn geworden; dat men op crediet instede van op kapitaal
teert; en dat schulden en faillieten een ornament des levens schijnen.

Daardoor is de volks_zede_ achteruitgegaan; de volks_usantie_ onder het
vroeger zedelijk peil gedaald; de volks_gewoonte_ slap en mat geworden;
en kan er, o, zooveel door, dat er niet door kan bij God, noch bij den
man, die voor God bij zijn conscientie leeft.

En zeg nu niet: »Zoo is het in de wereld, maar onder Gods kinderen
niet«; want dit zeggen rust op een hoogst bedenkelijke dwaling; op de
dwaling namelijk, alsof een kind van God niet aangestoken zou worden
door de kwade praktijken van zijn vakgenooten.

In elk vak van nering, waar ge in komt, bestaan usantiën; ge hebt
te handelen en te rekenen met personen, die bij die veelszins kwade
usantiën zijn opgegroeid; en als gij nu _tegen_ die usantie in wilt
gaan, krijgt ge heel de markt tegen u, maakt ge uw handel moeilijk en
lijdt ge natuurlijk schade.

In dien strijd bezwijken dan de meesten; en dan hebben ze _tweeërlei
geweten_, het eene voor het _particuliere_ leven en dan nog een
_handelsgeweten_ er bij. En overmits ook de orthodoxe prediking in onzen
tijd veel te eenzijdig in de mysteriën des geloofs blijft hangen, en van
een degelijke, diep ingaande, ontdekkende prediking van Gods Wet, in
haar toepassing op het leven, veelszins vervreemd is, bezwijkt dan ten
leste de beste, en doet, zij het ook op eenigen afstand, met die
onzuivere praktijken meê.

Dit nu is een kwaad. Een ongerechtigheid, die bestreden moet. En waar
Gods Woord de uitspraak tegen stelt, _dat ge het goed niet aan zijn
meester moogt onthouden_!

       *       *       *       *       *

Het sterkst tast dit zeggen het niet betalen van schuld aan.

Schuld is geld, waarover niet _gij_ heer zijt, maar waarover _een ander_
meester is. Het is van _hem_, niet van _u_. En op u rust van Godswege de
verplichting, om dat geld zoo spoedig mogelijk bij zijn meester thuis te
brengen.

Evenals ge een kind van een ander, dat verdwaald was, niet bij u zoudt
houden, maar ijlings naar zijn vader terugzenden, zoo ook moet ge met
schuldgeld doen. Schuld is een verdoold kind, dat niet bij u hoort en in
uw huis niet blijven mag, maar terug moet naar zijn eigen huis.

Vooral bij den arbeider zij dat gebod u heilig. Het loon van den
daglooner wil de Schrift, dat zelfs niet bij u _overnachten_ zal. Ja,
stipte, strikte betaling van het loon van den arbeider is een der
teederste en heiligste rechten van de mingegoeden, waar de Heere, wiens
oogen op alle plaatsen zijn, streng op let.

Evenzoo staat het met _de betaling van rekeningen_. Ook daarbij sloop
ongelooflijke slordigheid in. Voor sommigen is het laten staan van
rekeningen, soms tot twee en meer jaren, zelfs regel geworden. Zelfs
is er gehoord van een rijk man, die een prachtige kast vol zilverwerk
had aangekocht, en die er op roemde, dat al deze pracht was aangeschaft
door rente, die was uitgespaard door zijn laat betalen van rekeningen.
Dit nu is klinkklare roof. Gestolen geld. Rente, die aan den winkelier
toebehoorde, en dus aan zijn meester onthouden wierd. En wat de zaak nog
erger maakt: sluipt deze booze usantie eenmaal in, dan is de winkelier
ook slim, zondigt op zijn beurt, en kalkt de rekening dikker aan. En
aldus worden kooper en verkooper beiden bedriegers.

Ook bij het _leenen van geld_ sluipt er dan kwaad in. Eertijds zag men
op tegen leenen; want men wist: Geleend geld is eereschuld, en liever
droog brood, dan geleend geld niet op tijd terug te brengen aan zijn
meester. Maar ook hierover bestaan thans andere denkbeelden. Menschen,
die zich schamen zouden om u een gift te vragen, komen kwansuis
_leenen_. Leenen met belofte van terugbetaling in hoofdsom en rente. Zoo
heft men fier zijn hoofd op. Het is nauwlijks een gunst, die ge bewijst.
Louter een zaak van handel. Maar heel anders zijn daarbij soms de
overleggingen des harten. En als nu het geleende geld opgeteerd is, acht
meer dan éen, _dat geleend geld slapen mag_. Een kwaad, dat reeds zoover
inkroop, dat het regel is, bij leenen te denken: »Och, dat geld ben ik
toch kwijt!«

Dit nu wordt een vloek voor onze samenleving. Zoo wordt de maatschappij
van de ordinantiën Gods afgeschoven. Soliditeit raakt zoek. Het
vertrouwen vlucht naar de woestijn. En het eind is, dat alle zaken
achteruitgaan; onze waar op de markt geen prijs meer kan bedingen;
failliet aan de orde van den dag is; tal van personen wrak staan; en als
straf voor dit alles de zegen des Heeren wijkt, die eens ons volk had
rijk gemaakt.

       *       *       *       *       *

»_Onthoud het goed aan zijn meester niet!_« is voor dezen kanker het
eenig proefhoudend medicijn; mits ge begint met dezen gulden regel
allereerst _op den Heere zelven_ toe te passen.

_Zijns_ is al uw goed. Hij gaf het u slechts, om er over te
rentmeesteren, en er over te rentmeesteren onder beding, dat ge elk jaar
Hem en zijn armen een door Hem bestemd deel ervan zoudt afstaan.

Noem nu dat deel _eerstelingen_ of _tienden_, dat doet er niet toe.
Zooveel staat vast, dat een vast deel van uw vrije beschikking
onttrokken en door God _voor zijn dienst en zijn werk voorbehouden is_.

En indien er dan ook in de laatste jaren eenig meerder welvaren onder
ons Christenvolk waarneembaar is, dan hebt ge dit daar vooral aan te
danken, dat God de Heere door den loop der gebeurtenissen inzake kerk
en school een deel van zijn volk _dwong_, om veel milder en ruimer dan
eertijds dit _deel uit het goed_ niet langer voor eigen gebruik aan Hem
_te onthouden_.

Want _ontstelen aan God_ het deel, dat Hij zichzelven voorbehield, dat,
en niets anders is het, zoo ge uw eerstelingen en uw tienden niet
besteedt voor zijn dienst en zijn armen, maar aanwendt voor eigen genot
of geldbelegging.

Dat mag niet. Dat is zonde. Een kwaad, waarbij de gerechtige wrake Gods
niet achterblijft.

Immers de Heere hoort het geroep, als de dienst zijner kerk in armoê
kwijnt. Hij hoort het geroep, als uw scholen in verlegenheid tobben
moeten. Hij hoort het geroep, als de blinden en kranken hun hulp derven.
En Hij hoort ook het geroep van zijn armen, als de arme Lazarus omkomt
en de rijke man in overdaad tiert.

Dit deel van uw goed is het uwe niet. Het is _Godes_. De Heere is van
dit deel van uw goed _de Meester_.

En daarom wee u, als ge iets ook maar van dit deel van uw goed aan zijn
Goddelijken Meester onthoudt.




ZESDE ZONDAG.

»IK ZAL ZE LOUTEREN.«

                                En Ik zal dat derde deel in het vuur
                              brengen, en Ik zal het louteren, gelijk
                              men het zilver loutert.

                                                           Zach. 13:9.


In elken levenskring doet ge telkens weer de droeve ervaring op, dat
er zijn, die u _eerbied_ afdwingen, maar ook dat er zijn, die u
_minachting_ inboezemen.

Ge vindt dat onder alle standen, ge vindt dat bij man en vrouw, ge vindt
dit bij het kind zoowel als bij den grijsaard.

Aan de eene zij hebzucht, lafheid, hoogheid, laagheid van zin en
karakter, en aan den anderen kant zekeren adel van ziel, een liefde,
die zichzelve geeft, heilige geestdrift en veerkracht van karakter.

Bij den een denkt ge: »Ik wilde, dat ik in dien man, in die vrouw, in
dat kind iets kon overgieten uit mijn eigen hart.« En bij anderen, die
ge benijdt: »Ik wilde om wat liefs, dat in mij mocht blinken, wat als
sieraad blinkt in hen.«

Die scheiding bestaat eenmaal. Die grenslijn loopt door alle volk en
door elken kring. En in dien zin zijn er slechten en goeden; zijn er
eerbaren en eerloozen; zijn er menschen, die ge verfoeit, en menschen,
die ge bewondert. En al beslist dat nu volstrekt over hun eeuwig wel
of wee niet, en al kan het voorkomen, dat God een verachtelijk zondaar
bekeert, en dat een zeer rechtschapene van hart om den trots op zijn
eigen gerechtigheid zedelijk omkomt, toch doen we in het leven der
wereld allen de ervaring op, dat dit onderscheid tusschen boozen en
goeden wel terdege bestaat. En als we hulp van menschen noodig hebben,
of met menschen moeten omgaan, dan zoekt soort soort, en gezelt zich de
goede bij de goeden, en zoekt, wie slecht wil zijn, gezelschap onder de
slechten.

       *       *       *       *       *

Doch nu loopt er nog een andere grenslijn, ook van boozen en goeden,
maar dat niet voor óns oog, doch voor het oog van God den Heere.

Ook Hij zuivert en schift en toetst, en bij _zijn_ scheiden is _onze_
onderscheiding tusschen goed en boos nog niets dan kinderspel. Immers
ons misleidt de schijn, maar Hij ziet het hart aan. Wij oordeelen naar
het oogenblik, maar Hij kent de eeuwige uitkomst. Ons oog hecht zich aan
het werk, maar Hij ziet en kent van verre reeds het motief, de
innerlijke beweegreden van het hart.

Zoo kruist dan zijn oordeel ons oordeel. Soms loopen beide lijnen saam,
dat de Heere ons te ontdekken geeft, wie de zijnen zijn. Maar meestal
gaat onze kennisse zoo ver niet. En daarvandaan komt het dan, dat soms
het gezelschap van belijders ons tegenstaat en dat velen uit de kinderen
der wereld ons aantrekken. Want natuurlijk, wij kunnen niet anders
oordeelen dan naar wat we waarnemen, en waar nu in personen, die buiten
God leven, soms zooveel nobels schittert, en op personen, die in de
vreeze Gods staan, soms nog zooveel van het stof der aarde dof maakt
wat glinsteren moest, is het zoo onbegrijpelijk niet, dat ons oog door
hetgeen blinkt geboeid wordt, en zich aan het doffe en nog bestovene
niet hecht.

Wel wordt dit allengs beter bij hooger geestelijke ontwikkeling, als ons
geestelijk oog meer geoefend wordt en de liefde krachtiger instinct
erlangt. Maar toch geheel teboven komen kunnen we deze tegenstelling
nooit in dit leven.

En misschien is dit goed ook. Het zou ons, zoo we altoos juist zagen, te
zeer ons gevoel van waardeering voor het goede ook bij de kinderen der
wereld ontnemen, en te vergoelijkend doen heenzien over wat de kinderen
Gods nog vaak ontsiert.

       *       *       *       *       *

Bovendien het hoeft ook niet; want die de wanne schudt en eens zijn
dorschvloer doorzuiveren zal, is niet het kind van God, maar God zelf.

Wel zal dan het kind van God meê rechter zijn en meê oordeelen, maar in
geen anderen zin, dan dat hij alsdan uit de volle ziel onbewimpeld zijn
Amen zal uitspreken bij het oordeel Gods; Gods gerechtigheid in al zijn
oordeel lovend; zelfs al gold het zijn eigen ziel, of wat misschien nog
vreeselijker is in te denken, uw eigen man of vrouw, uw eigen vader of
uw eigen kind.

Al wat nu nog scheiding maakt tusschen _Gods_ oordeel en _ons_ oordeel
valt dan weg. De gedachte, die nu nog zoo dikwijls in ons hart oprijst:
»Hoe kan God zóo doen!« zal dan voor altoos wegvallen, en ons oordeel
nooit iets anders zijn kunnen dan een echo en weerklank op het
rechtvaardig oordeel Gods.

Maar intusschen werkt, onafhankelijk van onze instemming, nu reeds dit
oordeel Gods door.

Hij _onder_scheidt niet slechts, maar _scheidt_. Scheidt deel van deel
in elk volk en in elken levenskring; en, helaas, naar wat de Heilige
Schrift ons deswege openbaart, is het deel, dat ten kwade moet
afgescheiden, altoos _het grootst_, en het deel, dat ten goede wordt
afgescheiden, altoos _het kleinst_. De Heiland zelf riep het met
zielverscheurenden weemoed uit: »_Velen_ zijn geroepen, maar _weinigen_
uitverkoren!« »_Velen_ zijn er, die op den breeden weg wandelen; maar
nauw is de poort en eng de weg, die ten leven leidt, en _weinigen_ zijn
er, die dezelve vinden.« Uit duizenden bij duizenden werden er slechts
_acht_ zielen in de arke gered. Geen _vijf_ rechtvaardigen wierden in
Sodom gevonden. Bij Jesaja heet het, dat slechts een _tiende_ deel van
het volk overblijft; en bij Zacharia, waar een symbolisch getal bedoeld
is, een _derde_, dat wil zeggen, dat waar _drie_ de volheid uitdrukt,
de _twee derde_ de aanduiding zijn van het _grooter_ deel en het _éen
derde_ de benaming van het _kleiner_ deel.

       *       *       *       *       *

Toch wordt daarom aan het _kleiner_ deel, aan die _weinigen_, aan die
ten goede afgescheiden zijn, het oordeel niet gespaard.

God de Heere doet juist omgekeerd als wij. Als er onder onze kinderen
goede en booze zijn, dan leggen wij de kastijdende hand het meest aan de
booze aan, en zijn voor de goede het meest verschoonend.

Maar zoo doet God de Heere niet.

Voor zijn doen is de metaalgieter zinbeeld.

Als de metaalgieter in eenzelfden ertsklomp koper en goud, of lood en
zilver saamgemengd vindt, en hij scheidt het edel en het onedel metaal,
dan zet hij al de kracht van zijn _louteren_ niet op het lood, noch ook
op het koper, maar op het _zilver_ en het _goud_.

En zoo nu doet God de Heere ook.

Als ook Hij in het éene erts van ons menschelijk geslacht het edel en
het onedel metaal vermengd vindt, en hij scheidt die beiden af, dan
schijnt het soms, als had Hij met die _boozen_ gansch geen bemoeiing,
maar die _goeden_ loutert Hij, zooals de smelter het zilver in zijn
smeltkroes loutert, op het allernauwkeurigst, tot zevenmaal.

En dan lachen de boozen en pochen op hun voorspoed, en die kinderen Gods
in de smeltkroes weenen van weedom des harten. En zelfs Asaf verstaat
het niet, en was bijna uitgegleden, ziende den voorspoed der
goddeloozen.

Maar ook bij dien angst houdt de Heere zich niet op.

Hij gaat door, altoos door met het heilig louteringsproces, dat zijn
kinderen doorloopen moeten. En dan treft en wondt Hij den een in zijn
gekrenkte positie onder menschen; een ander in zijn kleinere gaven; een
derde in zijn welstand en gezondheid; een vierde in de mislukking van
wat hij ondernam; een vijfde in een kind, dat hem ontnomen wierd of,
schrikkelijker nog, in een kind, dat hem verdriet doet.

o, Dat louteren Gods kan soms zoo ontzettend diep gaan!

Maar, hoe dan ook zijn kinderen weenen, Hij gaat door. Zijn zilver
_moet_ zuiver worden. Het moet eens in den vollen glans van het heerlijk
metaal blinken. Zijn kinderen zijn kinderen, die niet liegen mogen. Er
moet uitkomen, wat Hij er in verscholen had.

En dat is niet hard; dat is niet onmeêdoogend. Veeleer is deze liefde
veel vuriger en hooger dan onze liefde.

Want immers het echte Goddelijk mededoogen is niet om te maken, dat ge
hier lacht om eens eeuwig te weenen, maar dat ge eeuwig lachen zult van
heiligen jubel, al is het ook, dat hier u het weenen niet kon gespaard
worden.

En dit staat vast, als eens het louteren ook bij ons een einde neemt, en
het zilver is gansch gezuiverd, dan zal dat gezuiverde zilver eens zelf
in die loutering roemen, en God danken, dat Hij, niettegenstaande zijn
tranen en gebeden bij die loutering, dat louteren toch heeft doorgezet.




ZEVENDE ZONDAG.

»HEBT UWE VIJANDEN LIEF.«

                                Maar ik zeg ulieden, die dit hoort:
                              Hebt uwe vijanden lief; doet wel
                              dengenen, die u haten.

                                                            Luk. 6:27.


Nog altoos schuilt de triomf van ons Christelijk levensideaal in dat
hoogste, waartoe de Liefde komen kan, in de liefde _voor onze vijanden_.

Waar ge bij liefde voor wie u liefhebben, en bij liefde voor wie in
jammer of ellende neerligt, nog iets in uw natuurlijk hart voelt,
waaruit die liefde vanzelf kan opspruiten, beseft ge daarentegen bij de
»liefde _voor uw vijand_« zoo kennelijk, dat _deze_ liefde van Boven is,
van den Vader der lichten, en alleen door den Heiligen Geest in de ziel
kan worden ingestort.

»Liefde voor zijn vijand« staat dan ook zoo ontzaglijk hoog, dat men,
om het Nieuwe Testament boven het Oude te verheffen, het meer dan eens
heeft voorgesteld, als leerde het Oude Testament: »Oog om oog en tand om
tand« en als had Jezus het eerst op aarde, »de liefde voor den vijand«
uitgeroepen, Hij, die in liefde voor zijn vijanden ons allen is
voorgegaan.

Toch is dit een dwaalbegrip. Het stond reeds in Spreuken 25:21 zoo
duidelijk geschreven: »Indien dengene, die u haat, hongert, geef hem
brood te eten, en, zoo hij dorstig is, geef hem water te drinken«;
terwijl met »Oog om oog en tand om tand« allerminst _persoonlijke_
wrake wordt vrijgelaten, maar enkel de regel _voor den rechter_ wordt
getrokken, waarnaar hij in stipte gerechtigheid zijn recht te spreken
heeft.

Hoe zou er ook verschil tusschen Oud en Nieuw Testament kunnen zijn?
Alsof het niet éen God en Vader was, die ons _beide_ schonk; éen Zoon,
die in _beide_ ons als de hoogste Profeet en Leeraar toespreekt; en éen
Heilige Geest, die _beide_ ingaf!

Slechts dit staat in het Oude Testament: »Heere! zou ik niet haten, _die
U haten_?« maar ook in het Nieuwe Testament wordt ons nergens het gebod
gegeven: »Hebt de vijanden van God, als zoodanig, lief.«

Het woord van Jezus, dat de wereld inging, luidt: »Hebt _uwe_ vijanden
lief,« d. w. z. die allen, die om persoonlijke reden _u_ ten vijand
zijn geworden, en tegen wie deswege de haat in uw hart het sterkst
opwoelt.

_Gods_ vijanden en _onze_ vijanden mogen hier dus nooit verward worden.
En slechts daarom mag ook tegen de vijanden Gods persoonlijk onze wrake
nooit uitgaan, omdat zoo vaak bleek, hoe wie nu nog een vijand Gods is,
straks Zijn uitverkorene kan zijn.

Heden Saulus, morgen Paulus.

En daarom verblijve, ook wat de vijanden Gods aangaat, de wrake aan den
Heere, en late onze ziel van wrake af.

       *       *       *       *       *

Maar anders staat het met uw _persoonlijke_ vijanden.

Bij hen toch moet ge niet enkel van wrake aflaten, zoolang ge u zoudt
kunnen vergissen; maar altoos, in volstrekten zin; ja, moet ge de wrake
in haar _tegendeel_ omkeeren, en uw vijand _liefhebben_.

En vraagt ge, in wat zin dat bedoeld is, dan eischt de Heilige Schrift
uiteraard niets tegennatuurlijks van u, en vraagt dus niet, dat ge uw
vijand _lief_ zult vinden; dat ge hem _beminnelijk_ in zijn woeden zult
keuren; en met zekere zoetsappigheid _onaandoenlijk_ zult zijn voor zijn
boos en bitter woord.

Neen, integendeel, de Schrift eischt, dat ge den bitteren beker, dien
hij u mengde, tot op de heffe toe zult uitdrinken; goed en terdege
proeven zult, hoe bitter en wrang zijn nijd en haat is; en dus in vollen
omvang weten zult, dat die man wezenlijk uw vijand is, en die vrouw u
haat.

Op het diepe, volle besef van die vijandschap dingt de Heere niets af.

Neen, neen, Hij stelt dien man en die vrouw voor u, zooals ze werkelijk
in het leven tegen u optreden. Hij spreekt van _uw vijand_, in al den
schrikkelijken, bangen zin van het woord.

En nu stelt Jezus u den eisch, den strengen, den onverbiddelijken eisch,
dat _dien_ man, _die_ vrouw _als zoodanig_, in qualiteit van uw vijand;
niet als ze straks ophielden het te zijn; maar nu, zooals ze daar
vijandig en in vijandschap tegen u overstaan, en dus als uw _vijand_ hen
zult _liefhebben_.

Zooals Hij aan het kruis hing, en in elke pees en in elke zenuw de
wringende, schrijnende doodssmart gevoelde, die zijn vijanden Hem
aandeden, en hun bittere woorden opving, en _toen_ ze liefhad en voor
hen bad, zoo wil de Heere, dat ook gij, wetende, gevoelende, ervarende,
dat _deze_ man of _die_ vrouw u ten vijand is, ze op datzelfde oogenblik
zult zegenen, voor ze zult bidden, en ze als uw _vijand_ zult
liefhebben.

       *       *       *       *       *

En denk nu niet, dat de Heere Jezus dat alleen van een hoog enkele
eischt, die, in vroomheid en godzaligheid bizonder ver voortgeschreden,
allengs tot een heiliger levenstoon gekomen is.

o, Neen, de Heere richt zich bij dat zeggen tot een _iegelijk_.

Hij spreekt algemeen: »Gij, hebt uw vijand lief, zegen ze die u
vervloeken, doe wel dengenen, die u haten, en bid voor degenen, die u
geweld aandoen en u vervolgen.«

Meer nog, nooit kunt ge het _Onze Vader_ bidden, of die gesteldheid der
ziele moet in u verwezenlijkt zijn. Want immers ook in dat _Onze Vader_
heet het: »En vergeef ons onze schulden, _gelijk wij vergeven onzen
schuldenaren_.«

En dit kan ook niet anders, want de _liefde voor onze vijanden_ wortelt
in heel uw Christelijke belijdenis.

Let maar op deze vier punten:

Als David voor Absalom vlucht en Simeï hem van de hoogte vloekt, willen
de zonen van Zeruja aan Simeï den kop voor de voeten leggen. Maar David
verstaat het anders, en zegt: »Wat heb ik met u te doen, o zonen Zeruja?
Want de Heere heeft tot hem gezegd: Vloek David. Wie zou dan zeggen:
Waarom hebt gij alzoo gedaan?« (2 Sam. 16:10.)

Hier ziet ge uit, hoe een kind van God in elken vijand een instrument
des Heeren heeft te zien; een mensch, die zonder zijn wil zich niet
roeren noch bewegen kan; en zonder wiens wil en bestel geen enkele
vijandschap ons overkomt.

Nu bijt _de hond_ wel in den steen; maar _gij_ weet, dat de oorzaak niet
bij dien steen, maar bij den werper ligt. En zoo dan ook hebt ge bij
alle persoonlijke bitterheid, die u treft, niet op uw vijand te zien,
die u hoont, maar op uw God, die dit hoonen noodig voor u acht, om u te
kastijden of te heiligen.

       *       *       *       *       *

Dat vooreerst, maar er zijn nog _drie_ andere stukken, waarop ge hier te
letten hebt.

Immers, wat uw vijand tot haat prikkelt, is niet anders dan de
vreeslijke macht der zonde. En die macht der zonde woont waarlijk niet
in hem alleen, maar in uw hart evenzeer. En als nu in zijn hart die
zonde zoo schriklijk uitbot, en bij u wierd ingehouden, wat is dat dan
anders dan een meerdere genade, die u verleend wierd; en wat zou die
meerdere genade dan anders in u verwekken dan deernis en mededoogen voor
dien minder bedeelde, die zooveel erger onder de macht der zonde lijdt,
en die, omdat hij in zijn haat _zelf_ niet kan bidden, geholpen moet
door _uw_ gebed?

En dan in de tweede plaats.

Is hier geen oorzaak ook voor zelfaanklacht? Of waar was ooit een
vijand, die ons haatte, dien wij door onze woorden, of daden, niet
geprikkeld hadden? De wederzijdsche verhoudingen in het leven zijn zoo
onuitsprekelijk kiesch en teeder en fijn. En, o, als nu liefde ons
gedreven had, hoeveel hadden we dan niet kunnen mijden en voorkomen,
waardoor het booze vuur in hem wierd aangeblazen insteê van het te
blusschen. En is dit dan niet een liefde, die we in geheel bizonderen
zin _aan onzen geprikkelden vijand_ schuldig zijn, dat we voor hem uit
den weg gaan, en zijn gevoeligheid niet gedurig opwekken?

En eindelijk:

Waartoe is deze uw vijand op uw weg geplaatst?

David riep van Simeï: »Misschien zal de Heere mij _goed_ vergelden voor
dezen zijn vloek.«

En is het niet alzoo, dat Gods bedoeling met dit loslaten van de
vijandschap tegen ons nooit kan zijn, om ook ons tot zonde te brengen,
maar altoos zijn moet een _geloofsbeproeving_, om nu te zien, hoe het in
uw binnenste staat, en om juist door die vijandschap de macht ten goede
in u te sterken, en u zoo door uw bittersten vijand een zegen te doen
brengen aan uw eigen hart?

Zonder strijd is er geen overwinning. En nu treedt die vijand tegen u
op, om u die kroon der schoonste victorie voor het zielsoog te doen
schitteren.

Wat kiest ge dan?

Zal het dan uw vijand gelukken moeten, om u te schaden aan de ziel en u
innerlijk te verwoesten?

En zoo niet, wat blijft u dan anders, dan te doen naar wat Jezus eischt;
dat wil zeggen: uw vijand lief te hebben, en juist daardoor hem ten
instrument te maken, om u te sieren met de schoonste kroon, waarin het
keurgesteente schittert?




ACHTSTE ZONDAG.

DE OORBLAZER.

                                De oorblazer scheidt den voornaamsten
                              vriend.

                                                        Spreuk. 16:28.


De eerste en ergste oorblazer is Satan in het Paradijs geweest.

Salomo zegt door den Heiligen Geest, dat »de oorblazer den voornaamsten
vriend van ons afscheidt,« en waar is dit schriklijker, waar meer tot in
den wortel geschied, dan juist toen Satan den mensch van zijn God
vervreemdde?

Satan is de aarts-oorblazer, en alle oorgeblaas, dat sinds het Paradijs
onder de menschen is uitgegaan en onder menschen verwijdering en
verbittering en vijandschap heeft teweeggebracht, is een vuur, dat uit
die Satanische vonk van het Paradijs is aangestoken.

Zóo is er geen oorblazer, of ge kunt zeker zijn, dat Satan achter hem
zit. Of om het nog scherper te zeggen: zal een oorblazer zijn onheilig
bedrijf naar eisch verrichten, dan moet hij eerst zelf in het oor zijn
geblazen door den Verleider.

Het is of in dat denkbeeld van »blazen«, in het oor »blazen«, nog iets
van den slangenaard nawerkt.

Ge treedt met elke zonde, maar vooral met deze zonde van den oorblazer,
zoo vanzelf op het demonische terrein over.

De oorblazer wil iets, heeft iets voor, zoekt een doel te bereiken. Hij
is op kwaad stichten, op verdeeldheid stichten, op verstoren van
vertrouwen en verkoelen van liefde uit.

Als de oorblazer bij u of in uw vertrek is geweest, is er behoefte aan
geestelijke ontsmetting.

       *       *       *       *       *

Wat is dan dit oorblazen, waar Gods Woord zoo scherp en gestreng tegen
ingaat? Wat is in deze zonde de angel en de giftklier?

Zie, toen God de Heere den mensch het oor heeft ingeplant, schonk
Hij hem daarmeê het vermogen, om én bij luid gesprek met velen in
uitgebreiden kring gemeenschap te hebben, óf ook om in enger kring met
een zeer enkele het zoet des vertrouwens en van de gemeenschap der ziele
te genieten.

Vandaar dat er een luid _spreken_, maar vandaar ook dat er een
_fluisteren_ is; en zal het wel zijn, dan is dat fluisteren iets
_heiligs_.

_Fluisteren_ beoogt heilige intimiteit.

Reeds moet men er u dicht om naderen, u aanraken, u tegen den schouder
leunen, en als met de lippen op uw oor drukken. En nu zegt dat
fluisteren, dat er iets is, dat anderen niet weten mogen; wat iets
geheimzinnigs tusschen u beiden is; en waardoor vanzelf de grond van
wederzijdsch vertrouwen wordt verondersteld.

Teederheid in het heilige brengt er u daarom vanzelf toe, om in
hoogheilige dingen niet te overluid, maar liefst zachter en stiller
te spreken; en zelfs in de saamvergadering der geloovigen zijn er
oogenblikken, dat een fluisterend spreken de schare zoo ontzettend
aangrijpt.

Is niet, o zooveel van ons eigen bidden en fluisteren van onzen
zielsnood in het oor van den Almachtige geweest; en wierd onze ziel
niet het diepst en het machtigst aangegrepen, als het in de stille
eenzaamheid bij het lezen van Gods Woord was, alsof de Heere zelf ons
die tintelende, levende woorden in het zielsoor fluisterde?

       *       *       *       *       *

Doch weet ook, gelijk de zonde steeds het heilige nabootst, is er naast
het terrein van liefde en vertrouwen en gebed geen terrein, waarop
zooveel gefluisterd wordt, als bij dieven en moordenaars.

Demonische nabootsing onder de ingeslopen inbrekers van diezelfde
fluistering, die op de ziekenkamer den kranke ontziet.

Zoo grijpt de zonde altoos naar het heiligste en misbruikt het, en op
die wijze nu wordt uit het heilige fluisteren des stillen vertrouwens
ook de booze, de giftige oorblazer geboren.

De oorblazer ziet, dat er ergens liefde en vertrouwen of een band van
aanhankelijkheid bestaat, en gaat er nu op uit om dien band door te
snijden.

En hierin ligt nu het giftige: om dat doel te bereiken kiest hij juist
den vorm van het zoet vertrouwen, en legt het door voorgewende,
gekunstelde en ingebeelde vertrouwelijkheid op de vernietiging van de
liefde in uw hart toe.

Vertrouwen is zoo iets heiligs, zoo iets teeders. Het kan niets velen.
En als gij nu zoet en rustig in zalig vertrouwen leeft, en er komt
opeens een stem, die u vraagt: »Maar zijt ge wel zeker, dat ge niet
bedrogen wordt?«--o, dan ligt er in die enkele vraag reeds zulk een
helsch magische kracht, dat er niets meer behoeft te gebeuren, of, zoo
die vraag maar blijft natrillen in uw oor, heeft uw vertrouwen reeds een
schok ontvangen.

En een geschokt vertrouwen, helaas, het is als een berst in de
porceleinen schaal: het wordt nooit weer wat het vroeger was.

En dat weet nu de oorblazer.

En met die giftige macht werkt hij op u.

Als een slang sluipt hij op u aan, en kronkelt zich om u, en als een,
die het nu eens zeer wel met u meent en u voor misleiding wil bewaren,
druppelt hij zijn helsche verzinsels in uw ziel.

En daar is niets, niets bestand tegen.

Veeleer hoe inniger de band is, dien hij aanrandt, hoe eerder en
zekerder hij zijn doel bereikt.

Hoe vaak is niet de teerste band op aarde, die, tusschen man en vrouw,
door een onheiligen oorblazer voor altoos uiteengereten!

o, De Heilige Geest sprak het zoo diep realistisch door Salomo voor heel
de kerk uit: De oorblazer _scheidt_; meer: hij scheidt den vriend; en
wat het ergst is: hij scheidt altoos den _voornaamsten_ vriend; het
beste wat uw hart op aarde onder menschen gevonden had.

       *       *       *       *       *

En toch, niet die volleerde oorblazer sticht het meeste kwaad. Zulke
felle, vinnige, opzettelijke oorblazers zijn er Goddank weinigen, en
waar zulke slangen betrapt worden, huist er in het hart van bijna ieder
Christenmensch zekere natuurlijke weerzin, als waarmeê het kind zijn
hand van de adder terugtrekt.

De volleerde oorblazer heeft meestal iets demonisch in zijn oog, dat hem
verraadt, en waardoor een reine van hart veilig voor hem is.

Maar, en hier steekt het veel grootere gevaar in, die enkele
uitgestudeerde oorblazers hebben achter zich een heel legioen van kleine
oorblazertjes en oorblazeressen, en dat wel van allerlei graad en soort.

Er zijn, o zooveel menschen, die er lust aan hebben, om altoos over uw
naaste personen te spreken, deels uit snap- en babbelzucht, maar meer
toch nog uit bemoeizucht; uit zucht om zich in eens anders zaken te
mengen, uit lust om te oordeelen; om interessant te zijn; om een duit
meê in de schaal te werpen; en als van achter de schermen in elken kring
en in elk huisgezin, waarin ze verkeeren, een soort van kleine rol
spelen.

Gaat dit nu ver, dan merkt ge er aanstonds het oorblazen in, en ge zijt
op uw hoede.

Maar meestal gaat dit niet zoo heel ver, en zoo wordt ge zorgeloos.

Die het doen, zijn van uw beste kennissen; overigens uiterst
beminnenswaardige personen; en wier gesprek, juist doordien er altoos
achterklap in loopt, zoo prikkelt en boeit.

En zoo is het eerste vonkje ongemerkt in het vlas neergezegen.

Reeds begint er iets bij u te smeulen.

Ge ziet op uw omgeving anders dan ge vroeger deedt.

Bij veel wat ge vroeger niet opmerktet, denkt ge nu: »Ja, daar dacht ik
nooit op; maar iets is er dan wel van aan!«

En zoo begint de lawine met het kleine sneeuwvlokje.

Eerst niets dan een sneeuwvlokje, en straks de lawine van uw
levensgeluk.

Want, drong de angel eenmaal in uw hart, dan gaat het vanzelf al dieper.

Straks streelt dat gebeuzel van den oorblazenden snapper u.

_Hij_ zag het in, _hij_ heeft u de oogen doen opengaan.

Niet lang meer, of ge spreekt met hem mede.

Tot eindelijk ook al uw fluisteren voor den oorblazer wordt en er van
een fluisteren des vertrouwens met de panden uwer liefde niet meer komt.

       *       *       *       *       *

Weet elk Christen, is elk kind van God er op bedacht, dat hij aan het
gevaar van deze zonde der oorblazing blootstaat?

Blootstaat aan het gevaar, om er zijn eigen levensgeluk door te zien
verwoesten?

Maar ook blootstaat aan het gevaar, om verwoestend in anderer
levensgeluk in te grijpen?

Is het oog er open voor, dat snap- en babbelzucht, en dat altoos
uitvezelen van allerlei persoonlijke dingen, en altoos snappen over
iemand achter zijn rug, wel duivelsch-verleidelijk is, maar in negen van
de tien gevallen zonde voor God?

o, Die kwade saamsprekingen, waaronder zeer stellig ook die bemoeizieke,
die alles over den hekel halende saamsprekingen behooren, waaruit
zooveel bitterheden geboren worden!

Dat spelen met anderer naam en karakter, zonder iets van den eisch der
liefde te verstaan!

Nu, de Heere leert ook daartegen zijn kinderen waken, bidden, strijden.

Maar persoonlijk dit te doen is niet genoeg.

In heel onzen kring moet zulk een kwaad bestreden, tot het uitgeroeid
zij.

En als er iemand tot u komt, en zich bij u neerzet, en zoo eens heel
vertrouwelijk heel uw omgeving door de zeef wil laten loopen, heb dan
toch den moed, om kloek, om dapper, om zonder aarzelen van u af te
spreken, en te zeggen, dat vertrouwen u een te heilige zaak is, om het
na zoo korte aanraking te gunnen.




NEGENDE ZONDAG.

»GOD IS MEERDER DAN ONS HART!«

                                Want indien ons hart ons veroordeelt,
                              God is meerder dan ons hart, en Hij kent
                              alle dingen.

                                                          1 Joh. 3:20.


Er is een innerlijk Getuige, die getuigt in uw binnenste, of ge goed
staat of kwaad.

Die Getuige getuigt reeds in een kind van twee, drie jaar; en misschien
zelfs vroeger reeds, zonder dat wij het merken.

Die Getuige keert telkens in u weder, zoo dikwijls er iets in u omging
of bij u opkwam, zoo dikwijls ge iets deedt of spraakt, of uit de
herinnering u tebinnenbracht, _wat slecht was_.

Die Getuige getuigt tegen u en laat u geen rust, als ge iets kwaads in
het zin hebt.

Die Getuige verscheurt u inwendig, zoo dikwijls ge iets doen dorst, dat
nog slechter was dan uw gewone doen.

En die Getuige kwelt u, zooals een worm knaagt, soms nog jaren na uw
zonde, altoos met hetzelfde stellige vonnis.

Let wel, het is niet een _getuigenis_, maar een _Getuige_; niet een
eigen wetenschap van u; of wat men thans zijn »geweten« noemt; maar
_de levende, heilige God zelf_, die u zóo schiep, dat Hij in u getuigen
_kon_; in u getuigen ook _na_ uw val in zonde; en dat buiten alle genade
om, soms zelfs in het hart van den verstoktsten booswicht.

Want weet wel, uw conscientie in u is geen apart vermogen, dat ge als
mensch bezit, om in uw eigen wijsheid goed en kwaad te onderscheiden;
maar het is het beluisteren van _een vonnis_ over uw daad, over uw
_gedachte_ en over uw _persoon_, dat, zonder dat iemand het hoort, in uw
binnenste u wordt toegefluisterd. Dat ge verneemt en moet _toestemmen_.
En dat juist door die _toestemming_ op dat oogenblik de uitspraak van uw
conscientie wordt.

Uw conscientie is niet iets aparts, dat God u inschiep, en dat ge als
een instrument in u omdraagt, om het te laten werken, als het u gevalt.

Integendeel, de uitspraak van uw conscientie komt dan juist, als het u
zeer óngelegen komt, en als gij ze om wat liefs zoudt willen bannen.

In uw conscientie is altoos de openbaring, dat _uw Rechter_ zich aan u
heeft bekend gemaakt; in uw binnenste u veroordeeld heeft; u dat oordeel
waarschuwend of bij vonnis heeft aangezegd; dat gij dit vonnis vernaamt;
zelf uw schuld niet kondt ontkennen; en daarom geoordeeld ligt voor God
en voor uzelf.

       *       *       *       *       *

Was nu uw innerlijk gehoor nog even fijn en zuiver als God het u in zijn
Paradijs inschiep, dan zoudt ge nu nog in staat zijn, om dit u
veroordeelend vonnis over uw daad, of dit waarschuwend vonnis over uw
verborgen gedachte, juist zoo te verstaan als God het velt.

Maar dit fijne gehoor _mist ge_. In een zondaar is dat gehoor _nooit_
meer zuiver. En als God, die innerlijke Getuige, rechterlijk over uw
ziel komt en vonnis slaat, is het al veel, zoo ge nog tamelijk wel de
_hoofdstrekking_ van zijn vonnis verstaat.

Toch is zelfs dit lang niet altoos het geval.

Ge zult een heelen dag doorleven, dat ge hoogstens éen of twee malen
gemerkt hebt: »De Rechter sprak weer in mijn binnenste.« Maar tegenover
die enkele oogenblikken zullen er honderd andere overstaan, waarbij ge
_niets_ van dien innerlijken Getuige hebt bespeurd.

Gaandeweg wordt dit er voor een zondaar zelfs niet beter op. Toen
hij een jong kind was, bloosde hij nog bij het minste kwaad. En dat
blozen was iets kostelijks; want dat blozen komt daar vandaan, dat de
innerlijke Getuige ons inwendig zoo sterk aangrijpt, dat de schok ervan
zich aan ons hart meêdeelt en uit ons hart het bloed naar het gelaat
opdrijft.

Maar op later leeftijd gebeurt dat zelden meer. De sterkte van het
innerlijk gehoor neemt af. De _gewoonte_ van zondigen maakt, dat we dien
Getuige meestal niet meer hooren; evenals ge het tikken van een klok,
die altoos in uw kamer staat, op het laatst niet meer opmerkt.

Zoo komt er verergering van het kwaad; verharding van het hart;
verstomping van de conscientie; en eindelijk komen er van die
schriklijke toestanden, waarvan de apostel zegt, dat het lijkt of de
conscientie met een brandijzer toegeschroeid is.

Dan getuigt de Getuige nog wel aldoor; want die getuigt in elk
menschenkind bij elke levensbeweging; maar de verharde en aan zonde
gewende zondaar _hoort_ het niet meer.

Ja, wat meer zegt, door het feitelijk bedrijven van zonde wordt op het
oogenblik, dat we zondigen, de stem van dien Getuige bijna geheel voor
ons gesmoord.

Schriklijke zondaars, die in ontzettende misdaden gevallen zijn, hebben
het meer dan eens betuigd, dat ze op het oogenblik zelf niet de minste
weet van hun zonde hadden, geheel gewetenloos en zonder hinder hun
misdaad bedreven, en dat daarna eerst, als de ontspanning op de
overspanning volgde, de stem van den innerlijken Getuige weer schriklijk
hoorbaar werd.

       *       *       *       *       *

Toch komt er in dezen toestand een gansch wondere omkeering, zoodra God
de Heilige Geest in de ziel dringt, haar tot zijn tempel kiest, en het
»Abba, Vader!« aan de diepte des gemoeds ontlokt.

Dan licht de Heilige Geest het cataract van het oog en spreekt het
_Effatha_ tot het doove en verstompte oor der ziel, en opeens begint
de geroepene met dusver ongekende kracht de stem van den innerlijken
Getuige weer te hooren.

Doch nu heel anders.

Nu niet meer over dit of dat, maar nu over heel uw persoon, heel uw
bestaan, heel uw aard en wezen; en wonderbaar komt ge tot de vreeselijke
overtuiging, dat ge niet maar zonde deedt, maar diep zondig en
verzondigd tot in den wortel van uw wezen zijt, en niets dan zonde doen
kunt; dán zelfs als ge dacht goed te doen.

Door _het Woord_ werkt de Geest dat. Die Heilige Geest, die aan den
innerlijken Getuige een uitwendigen Getuige toevoegde _in het Woord_ en
nu door dat dubbele getuigenis u omverwerpt.

Ja, erger nog.

Als de Heilige Geest, door het zielsoor te openen, u dan die
veroordeelende stem van den uitwendigen en inwendigen Getuige heeft doen
hooren, dan doet Hij u ook bekennen, dat er _achter_ hetgeen gij van uw
zonde begrijpt, nog heel een veld van dingen, en heel een afgrond van
diepten ligt, waarvan ge niets begrijpt. Als gij dan uitgehoord zijt en
niet meer hooren kunt, is die Rechter toch nog niet uitgesproken. Op
verre na niet. En als uw hart niet meer kan, dan kan God nog aldoor. En
ge merkt het: God is meerder dan mijn hart, en Hij kent alle dingen.

Er komt dan een inzicht in een _eeuwige_, een besef van een _oneindige_
schuld en doem.

En dan eerst komt het wegzinken, het innerlijk verbrijzeld worden.

o, God! wees mij, armen zondaar, genadig!

       *       *       *       *       *

Daarom brengt _het Woord_ u veel verder dan de _conscientie_; want
de uitwendige Getuige openbaart u een diepte van _eeuwigen dood_,
waaromtrent het getuigenis van den innerlijken Getuige _niet_ tot u
doordrong.

Maar toch, al komt het dan uit het Woord, de innerlijke Getuige geeft
er toch in elk gegeven geval voor u _het zegel_ aan. En wie zonder den
inwendigen Getuige alleen het uitwendig getuigenis neemt, wordt _niet_
geraakt.

En op dat _geraakt_ worden komt het toch aan. Want gij moet
neergeworpen; ge moet neergeslagen; de afgod van uw ik moet in u
verbrijzeld. _Dagon_ moet vallen. En die uitwerking heeft het uitwendig
getuigenis _zonder_ den innerlijken Getuige _nooit_.

Niet de innerlijke Getuige _zonder_ het Woord. Dat kan evenmin. Neen,
eerst als die twee saamstemmen, dan gaat de vonk in ons af, en wordt ons
hart in vlam gezet, en brandt onze hoogheid tot assche.

En dan blijkt diezelfde God meerder dan ons hart óok in genade.

Want wie zoo neergeworpen wierd, die heeft geen hope meer. Voor dien is
alles doem en oordeel, stikdonkere nacht en duisternis en al het roepen
van binnen is eeuwige dood!

Maar God is meerder dan dat enkel verdoemende hart. Hij is lankmoedig en
genadig en groot in ontfermingen. En als dan de uitwendige Getuige op
den Immanuel wijst, en de innerlijke Getuige predikt ons dien in zijn
dierbaarheid, dán, maar ook dan eerst, wordt de conscientie in ons
_goed_.

Goed, zooals de heilige apostel het bedoelde, toen hij schreef van het
_vragen om een goed geweten_, dat in ons roept _naar God_!




TIENDE ZONDAG.

»IN VREDE NEDERLIGGEN EN SLAPEN!«

                                Ik zal in vrede tezamen nederliggen en
                              slapen: want Gij, o Heere! alleen zult
                              mij doen zeker wonen.

                                                              Ps. 4:9.


Psalm éen en twee vormen een inleiding op heel het boek der Psalmen; en
de drie psalmen, die dan volgen, zijn _Morgen- en Avondliederen_.

Psalm éen heft dies aan met het: »_Welgelukzalig_ is de man, die niet
wandelt in den raad der goddeloozen,« en Psalm twee sluit eveneens met
een: »_Welgelukzalig_ zijn allen, die op Hem betrouwen.«

Zoo is alles in den Psalmbundel schoon geordend. Eigenlijk zijn het
vijf bundels in éen bundel, en zijn elk dezer bundels door een bijna
gelijkluidend refrein van elkaar gescheiden. Zoo maken de eerste 41
psalmen den eersten bundel uit, en eer ge dan met het: »_Het hert
schreeuwt naar de waterstroomen_,« aan den tweeden bundel toekomt, staat
er het refrein tusschenin: »_Geloofd zij de Heere, de God Israels, van
eeuwigheid en tot in eeuwigheid! Amen, ja, Amen!_« Dan loopt de tweede
bundel van Psalm 42 tot aan het lied van Asaf (Ps. 73), en ook dan staat
weer tusschen beide bundels het refrein: »_Geloofd zij de Heere God, de
God Israels, enz. Amen, ja, Amen!_«--met er bij: »De gebeden van David,
den zoon van Isaï, hebben een einde.« Van Asaf op Mozes gaat de derde
bundel, van Psalm 73-90, waar we aan het slot van Psalm 89 wederom
lezen: »_Geloofd zij de Heere in eeuwigheid, Amen, ja, Amen!_« Terwijl
eindelijk de 4e en 5e bundel gescheiden worden door geheel hetzelfde
refrein aan het slot van Psalm 106: »_Geloofd zij de Heere, de God
Israels, van eeuwigheid tot in eeuwigheid, en al het volk zegge: Amen,
Halleluja!_« Een lofverheffing, die zich aan het slot van heel het boek
der Psalmen tot al de schepping uitbreidt, als het in Psalm 150:6 heet:
»_Al wat adem heeft, love den Heere. Halleluja!_«

En naar even schoone orde nu bewegen zich ook de eerste psalmen, die op
de inleiding van de beide eerste psalmen volgen, _om den slaap_.

In Psalm 3:6 heet het: »_Ik lag neder en sliep_; ik ontwaakte, want de
Heere ondersteunde mij.« In Psalm 4:9: »_Ik zal nederliggen en slapen_,
want Gij, o, Heere! alleen zult mij zeker doen wonen.« In Psalm 5:4:
»_Des morgens, Heere! zult Gij mijne stem hooren, des morgens_ zal ik
mij tot U schikken en wacht houden.« En in Psalm 6:7: »Ik doe _mijn bed_
den ganschen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijne tranen.«

Avond- en morgengedachten alzoo!

Liederen voor wie zich te slapen legt, en liederen voor wie van zijn
bedstede verrijst.

En hetzij dat we slapen gaan, hetzij dat we uit den slaap opwaken,
altoos het hart en de gedachten des harten nabij den Heere, wiens alleen
de sterkte is.

       *       *       *       *       *

Voor een kind van God is de slaap iets wonderbaars. Als hij slapen gaat,
maakt God hem weg. Hij weet dan van zichzelven niet meer af. Hij sluit
de oogen, vergeet wat om hem is, en werpt zich al slapende in de armen
van zijn God, dien Wachter Israels, wiens oog nooit sluimert.

Zoo wacht de Heere elken avond zijn kind op, en spreidt hem zijn leger,
en bedwelmt hem, en waakt nu aan zijn sponde, terwijl hij weg is en van
niets af weet en slaapt.

Eerst knielt het kind dan voor zijn Vader, die in de hemelen is, neder.
Hij zoekt en vindt Hem bij die sponde, waarop hij zich zal neerleggen,
en als hij zijn God dan aanspreekt, dan is het, of hij tot Hem zegt:
»Zijt Gij daar weder, o, mijn goede, trouwe God! om mij in de armen
uwer trouw voor dezen nacht te besluiten?« En als het stil gebed dan
is uitgestort, en gedankt is voor al Gods trouwe op dien langen dag, en
vergeving is gevonden in het bloed des Lams voor al de zonden, die dien
dag bevlekt hebben, dan klimt het vertrouwen in de ziel weer op, en bij
het: _Amen, ja, Amen, Hallelujah!_ voelt hij zich door zijn God als
opgenomen, en op zijn sponde neergelegd. »Ik lag neder en sliep, want de
Heere ondersteunde mij!« is dan zijn zalige bevinding. En met God bij
zijn ziel en zijn ziele met zijn God vereenigd, sluimert hij zacht in de
ruste des slaaps.

Het is zoo, er zijn ook _onrustige_ nachten. David kende ook den
angstkreet: »Ik sliep, maar mijn hart waakte.« Hij wist ook van nachten,
dat de slaap van zijn oogen week, en de bitterste tranen zijn oog
bevochtigden.

Maar juist bij de schaduw dier bange en in angst doorworstelde nachten
komt het zoete en schoone der gewone nachten te heerlijker uit.

En immers de goede nachten, dat God de Heere achter zijn kind toesluit,
en hem dekt met de vleugelen zijner liefde, en hem zaliglijk met zijn
hoede omringt, ze zijn altoos nog tien tegen éen nacht in onrust
doorgebracht. En het einde _ook van al de nachten_, die we in ons korte
leven doorbrachten, is lof en eere en prijs voor dien Vader in de
hemelen, die ook in onze nachten, ook in onze sluimeringen, ook om onze
legerstede groot en heerlijk is!

       *       *       *       *       *

De slaap is zulk een diep mysterie; want _gij_ kunt niet slapen, tenzij
God de Heere u _doet_ slapen.

Neem er de proef slechts van. Ge kunt, ja, gaan nederliggen; ge kunt u
schikken tot den slaap; ge kunt met veel zelfbedwang en zelfbeheersching
uw leden stilhouden; maar uzelven den slaap _geven_ kunt ge _niet_. En
als het Gode niet belieft dezen engel der nachten over u te brengen, dan
waakt ge nóg, als het daglicht rijst, en al uw gewaande rust heeft u
afgemat instede van versterkt.

Het is zoo wonderbaar.

In uw slaap zijt ge een machtelooze. Soms gaat de slaap zoo diep, dat
men uw slaapvertrek zou kunnen leeghalen, zonder dat gij het bespeurdet.
En om in die machteloosheid van den slaap weg te zinken, zijt ge toch
weer onmachtig, tenzij God de Heere u de macht van uw dagbewustzijn
ontneemt.

_Machteloos_ wordt ge in den slaap, maar juist om in dien slaap met
_nieuwe kracht_ bekleed te worden. Een _sterven_ bij den dag, om elken
morgen in nieuwe kracht _op te staan_.

Zoolang gijzelf, bij vollen dag, uw lichaam hanteert, _kunt_ ge niet
anders dan het vermoeien, uitputten en in kracht doen dalen. En eerst
als ge uw lichaam door den slaap uit _uw_ hand in _Gods_ hand laat
overgaan, houdt die uitputting en afmatting op, en God de Heere neemt
uw lichaam in de hand zijner almogendheid, om het te verfrisschen, te
verkwikken, en weer voor een langen dag met levenswarmte en levenskracht
te bezielen.

In den nacht, als alles slaapt, is God de Heere in uw huis de machtige
Werker, die op al die bedsteden, in al die kribben, en tot in de wieg
toe als uw God en uw Schepper herschept, wat teloorging door het leven
des daags.

o, Wat merkt ge die wondere kracht van uw God niet soms bij uw kranken!

Dan was er dagenlang getobd en gebeden en geworsteld; en alle middel
aangewend, en alle medicijn beproefd. Maar niets baatte. Aldoor nam uw
kranke af. Tot het eindelijk God beliefde een stillen, diepen slaap over
het oog en over het bewustzijn van uw zieke te brengen. En hoe deed die
éene slaap dan niet wonderen! Duizendwerf meer dan alle medicijn, door
menschenhand bereid. Ja, hoe dagteekende niet veeltijds van dien éenen
diepen slaap de voortgang tot volkomen genezing!

       *       *       *       *       *

En zou die wondere slaap dan enkel voor uw lichaam zijn?

Maar ge weet immers beter.

Het kind, dat 's avonds voor zijn school niet meer werken kon zoo moe
als het was, kan 's morgens weer vlug en helder leeren. De denker, die
zich 's avonds moê had gepeinsd, kon na gezonden slaap in den morgen
weer met frissche kracht zijn denkarbeid opvatten. En sterker nog, als
ge in moeilijke levensomstandigheden des avonds met het matte hart geen
raad meer wist, hoe dikwijls heeft God de Heere u dan in den slaap dat
matte hart gesterkt, zóo gesterkt, dat ge 's morgens weer wilskracht
hadt om te besluiten en helderheid om de juiste keuze te doen!

En zou die innerlijke verfrissching ook niet tot uw ziel doorgaan?

o, We weten het wel, hetgeen de psalmist zegt: »_Hij geeft het zijnen
beminden als in den slaap_,« heeft in dat lied een andere beduidenis,
maar als ge inslaapt met de bede: »Geef mij heilige gedachten en wees
in den droom mijn lust!« dan mag dat naar de mystiek der Hernhutters
onjuist zijn uitgedrukt, maar _deze_ waarheid was er dan toch in, dat
ge ook voor den nacht iets van uw God _voor uw ziel_ dorst hopen.

En zou de Heere dan ook die zeven à acht uur van den slaap, als uw ziel
rust en al uw denken niets heeft in te brengen, en uw booze opwellingen
zwakker zijn, niet ook _met genade_ het hart van zijn kinderen sterken,
en geloofswerkingen bereiden voor den geloofsstrijd, die straks in den
morgen hen weer wacht?

       *       *       *       *       *

Haast zou het de vraag zijn, in welk deel van ons leven we het meest
voor de eeuwigheid worden voorbereid, _op den klaren dag_, als alles ons
aftrekt, en als onze geesteskrachten in de wereld uitloopen, of wel _in
den stillen nacht_, als niets ons afleidt, en al onze zielskrachten in
ons teruggetrokken zijn en in ons worden opgesloten.

Want dát is het eigenlijk: Gij ligt op uw legerstede en slaapt, maar dan
slaapt er nog iets anders in u, en _uw ziel_ rust in uw binnenste,
gelijk _gij_ op uw sponde rust.

Sommigen, dit ontkennen we niet, hebben ook ontmoetingen des Geestes bij
vollen, klaren dag; maar toch dit zijn zeldzaamheden. En hoe schoon, hoe
lieflijk is dan de gedachte niet, dat God de Heere elken nacht zijn
beminden opzoekt, om, als hun wezen in hun binnenste sluimert, dat
sluimerend wezen te overkomen met reinigende en sterkende genadegaven.

Dit althans merken Gods kinderen wel zeker, hoe God de Heere hen in dien
slaap voor de eeuwigheid bereidt.

In de morgenuren wordt veel minder gezondigd dan in de avonduren. Laat
hier maar de herinnering uit eens iegelijks leven getuigen.

's Morgens is er meer reinheid over u uitgegoten, in de avonduren kleeft
er te veel stof der wereld aan u.

Ook dit nog.

Uw slapen gaan is een voorbereiding, om eens den slaap des doods met
stil vertrouwen tegen te gaan; een prediking van de opstanding, die
komt.

Of gaat ook tot u niet soms een prediking uit, als uw God bij uw
inslapen u indachtig maakt: »Zoo omvang Ik u eens in mijn armen, als
_ge den slaap des grafs_ gaat sluimeren,« en straks bij uw ontwaken
tot uw ziel zegt: »Zoudt ge aan Mij dan ook _in uw doodsslaap_ u
niet toevertrouwen; zie, Ik, uw God, bracht u immers _terug_ in het
heerlijkst licht?«




ELFDE ZONDAG.

»DE BOKKEN VAN DE SCHAPEN.«

                                En voor Hem zullen al de volken
                              vergaderd worden, en Hij zal ze van
                              elkander scheiden, gelijk de herder
                              de schapen van de bokken scheidt.

                                                         Matth. 25:32.


Er komt een dag des oordeels.

Ons natuurlijk besef wil daar wel niet aan, en daarom stelt men zich dat
vaag en zwevend voor, alsof er eigenlijk _geen_ oordeelsdag komende was.
Maar al ons phantaseeren vermag niets tegen het stellige zeggen van den
Christus: »Alsdan zal de Zoon des menschen zitten op den troon zijner
heerlijkheid, en voor Hem zullen alle volken vergaderd worden, en Hij
zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken
scheidt.«

Zweef er dus niet omheen, zwerf er niet met uw gedachten van af, maar
bid veelmeer om een luisterend oor, als Jezus van dien dag des oordeels
spreekt. Alleen een _geestelijk_ oor kan het verstaan.

Ook hier wordt het beeld van den herder volgehouden, en al de geslachten
der menschenkinderen zijn voor dien van God bestelden Herder als éen
groote kudde. Maar die kudde is gemengd. Er zijn een gansch groote
menigte schapen, maar ook een gansch heir van bokken in die kudde.

Lees wat er staat. Jezus zegt niet: schapen en _rammen_, maar schapen en
_bokken_. En bokken zijn wat iedere jongen eronder verstaat, niet
rammen, maar geitebokken.

In ons land vat men dat zoo niet; maar in een land van bergen als waarin
én de Heere én zijn profeten omwandelden, vat ieder dat. Want in een
land van bergen komt men telkens groote kudden tegen, eenerzijds van
_schapen_ en anderzijds van _geiten_. Die grazen dan bij elkaar en
trekken saam uit, de heuvelen en bergen langs. Maar als de herder met
zijn dubbele kudde huiswaarts is gekeerd, dan gaat het niet in éen kooi,
maar moet voor de deur der kooi de kudde gesplitst worden, en gaan de
schapen door het eene hek binnen en de geiten door het andere.

En zoo nu, zegt de Heere, zal het eens ook in den dag des oordeels zijn.
Lang, eeuwenlang zullen de kinderen der menschen bij elkaar weiden en
met elkander op den weg zijn. Maar eens komt het einde. En dan trekt
alles huiswaarts. En bij de eeuwige woningen aangekomen, gaat het dan in
tweeën uiteen. De schapen rechts, de bokken links. En de eeuwigheid zal
ingaan.

       *       *       *       *       *

Waarop doelt dit onderscheid?

Stellig niet, althans niet enkel, op het verschil tusschen het
vrouwelijk en het manlijk geslacht. Zóo staan schapen en bokken niet
tegenover elkander.

Wie van een kudde schapen spreekt, bedoelt niet alleen de wijfjes, maar
de rammen er bij. Daarentegen wordt van het ander deel der kudde wel
terdege het manlijk soort, de bok, als aanduiding van het soort
gebezigd. En ongetwijfeld moet op die tegenstelling gelet.

Wie ooit zulk een kudde schapen met een kudde geiten en bokken onder
elkaar grazen zag, vat die tegenstelling dan ook met een oogwenk.

In die weidende schapen is stilheid, is zachtheid, is volgzaamheid, is
een toon van ernst. Langzaam bewegen ze zich voort of liggen rustig bij
de beke neder. En zulk een kudde van grazende of herkauwende schapen
geeft u het toonbeeld van rust en aanhankelijkheid en ernst in het
gemoed.

Maar heel anders is het met de kudde geiten en bokken.

Die springen en stoeien en spelen eindeloos. Ze steigeren op de
achterpooten, en hebben er lust in, om met de hoornen te stooten. En in
de vlugge, sierlijke wijs, waarop ze half steigerend den gehoornden kop
ombuigen, om in het neervallen den stoot toe te brengen, geven ze u het
toonbeeld van speelschheid, van trots en ijdelheid tegelijk.

Het is zoo, ook onder de schapen ziet men soms een verwoed stooten
tegen elkaar in, en soms kunnen ook de geiten en bokken vredig saam
neerliggen; maar als ge naar aard en karakter de twee uiteenhoudt, is
het verschil toch sprekend en in het oog loopend. In die eene kudde
stilheid, zachtmoedigheid en ernst. Die andere woelig, trotsch en
speelsch.

De tegenstelling is in de natuur zelve, o, zoo scherp en duidelijk
geteekend.

       *       *       *       *       *

En zoo zullen dan eens voor den Zoon des menschen, en op zijn woord, de
kinderen en geslachten der menschen uiteengaan.

Eenerzijds die allen, die, o, zoo speelsch en guitig het leven
doorsprongen. Die woelige, drukke, rustelooze menigte. Die altoos de
hoornen op den kop gereed hadden, om van zich af te stooten, en altoos
steigerden in hun ijdelheid en trots.

En anderzijds die anderen, onder wie ook dat stooten en woelen wel
voorkwam, maar als uitzondering, en die in den regel stil en ernstig
huns weegs gingen; en vrede op het gelaat vertoonden; en iets bleken te
beseffen van den ernst des levens. Lieden, die zich stooten _lieten_ en
zachtmoedig bleven. Voor zich uitgaande, gelijk schapen achter den
herder gaan.

En nu weet ik wel, dat zulk een spelende, steigerende, stootende bok
veel aardiger schijnt en ons natuurlijk gevoel meer toespreekt; en ook
wel, dat _een schaap_ te zijn, in het oor der wereld een klank van
verachting heeft. Zoo dom en zoo onnoozel, zoo sulachtig, dat men er
alles meê doen kan!

Maar ik weet ook, dat dit in Gods heilig Woord gansch anders uitkomt.

Daar heeten _de bokken_ die fiere, trotsche, speelsche koningen en
machtigen, die in onderdrukking lust hadden. »Al de bokken der aarde«,
zooals ze in Jesaja 14 heeten. Terwijl omgekeerd die Eéne, die Heilige,
die Immanuel, die Trooster onzer ziele, niet als een bok komt met
hoornen van macht, maar als »een _Lam_, dat de zonde der wereld
wegneemt«, en als »een _Schaap_, dat stom is voor dien, die het
scheert«.

Tegen de bokken staat de Heilige Geest in het Woord, om hun overmoed, om
hun kwaadheid, om hun speelschheid, altoos over; maar »schaap te zijn«
is naar de ingeving des Heiligen Geestes het hoogste. Schapen zijner
weide, schapen van den eenigen Herder, schapen, die de stem van den
goeden Herder kennen. En terwijl de bokken worden uitgeroeid, is het
voor de schapen zijner weide, dat die Herder zijn leven stelt. En de
Vader zelf strekt de hand zijner eeuwige ontferming uit en hoedt ze, en
niemand kan ze rukken, de wolf niet en Satan niet, uit de hand van den
Vader.

       *       *       *       *       *

En daarom daal toch een iegelijk in uw hart, in de diepte van uw wezen
in, en doorzoek en onderzoek, aan welke dier beide dierennaturen ge het
meest gelijk zijt. Aan den stootigen, speelschen, woeligen bok, of aan
het stille, zachtmoedige, rustige lam!

Niet naar uw temperament vraagt de Heere daarbij; niet naar uw inborst
en aanleg. De Heere, die te Kana wijn voor de bruiloft schonk,
veroordeelt de vreugde en vroolijkheid des harten niet. Humor vloeide
vaak van zijn eigen lippen. Er is een tijd _van weenen_, o, gewisselijk;
maar met nadruk stelt de Schrift er een tijd _om te lachen_ naast.

Neen, de vraag gaat veel dieper en dringt tot den wortel van uw wezen
door. En daar, in dien wortel, is een ieder een bok, een speelsche,
woelige, stootige bok van nature. Dat is der zonde aard en de speling
van het verderf in ons.

En zóo diep wortelt die booze aard in ons gemoed, dat niemand van nature
den vrede, den ernst, de zachtmoedigheid van het lam bezit, tenzij dan
dat het Lam van God tot hem zij gekomen en in zijn ziele geopenbaard
zij.

Alleen wie den beelde van den Zoon van God, d. i. _aan het Lam_, dat de
zonde der wereld droeg, gelijk wierd gemaakt, zoo niet in voleinding dan
toch in beginsel, is bij de kudde der schapen geteld en gaat achter den
goeden Herder aan.

De _schapen_ in den dag des oordeels zullen alleen zij zijn, die het
beeld van het _Lam Gods_ vertoonen, en al de anderen gaan als bokken
terzij.

Hoor het maar aan de uitkomst.

Tot die ter rechterzijde is het: »Ik, uw Jezus, ben naakt geweest en
hongerig in mijn armen, en voorzooveel gij mijn armen gekleed hebt en
gevoed, hebt ge Mij beschut voor de koude en voor den honger behoed!«

Tot de armen van den Heere Jezus en tot zijn hongerigen voelden ze zich
aangetrokken, en toch, ze dachten er niet bij: _Dat heb ik nu voor den
Heere Jezus gedaan._

Neen, stil, zonder vertoon, zonder inbeelding van hun goede werken zijn
ze het Lam Gods nagewandeld.

Maar daarom juist is hun stille ernst en hun teedere zachtmoedigheid ter
gedachtenisse voor God opgeklommen, en in den dag des oordeels, dan zal
't de Zoon des menschen toonen, dat Hij het zag en van elk schaap zijner
kudde weet.




TWAALFDE ZONDAG.

»DOOR ZIJNS ZELFS OFFERANDE.«

                                Om de zonde teniet te doen door zijns
                              zelfs offerande.

                                                        Hebr. 9:26_b_.


_Offerande_ is de diepste gedachte, waarop heel Gods schepping doelt.

Alle creatuur, dat God schiep, schiep Hij om zichzelfs wil. Om het zelf
te bezitten; om het geheel ten eigendom te hebben; om allen geur en
bloesem ervan te genieten; om er alle eer en glorie van in te drinken;
om uit dit creatuur, als uit zijner eigen handen werk, de echo te
beluisteren van zijn eigen stem, de warmte op te vangen van zijn
eigen Goddelijk leven; ja, om het in zoo volstrekten zin alleen voor
zichzelven, als God, te hebben, dat er niets in dat creatuur was, dat
niet verteerd wierd door zucht en dorst naar Hem.

Dit nu is de _offerande_.

Als de Heere tot u zegt: »Mij zult gij liefhebben met heel uw hart en
heel uw ziel en heel uw verstand en al uw krachten«, dan vergt uw God
van u niets minder, dan dat gij uzelven, met heel uw persoon en heel uw
wezen, op zijn altaar zult nederleggen, om door de vuurvonk des Heiligen
Geestes Hem tot een liefelijke reuke te worden verteerd.

Alle schepsel, dat niet in dien volsten zin, _een offerande_ voor zijn
God is, verkeert daardoor in een toestand van zonde. Hij rooft en
ontsteelt aan zijn God een deel der offerande, die Hem toekomt.

Al onze zonde, al onze boosheid schuilt juist daarin, dat onze wereld,
dat ons geslacht, dat ons land, dat onze stad of ons dorp, dat ons huis
of ons kind of onze eigen persoon weigert een offerande voor den Heere
onzen God te zijn.

Slechts in zooverre wijkt de zonde, als er door genade weer willigheid
tot offerande onder ons en in ons geboren wordt.

En dit zal eens de triomf van Gods glorie zijn, dat de doorluchte dag
wel toeft, maar nochtans gewisselijk komt, waarin God de Heere het rijk
zijner heerlijkheid hebben zal in een schare, die niemand tellen kan,
die van den eerste tot den laatste toe niets meer zullen willen noch
anders kunnen zijn, dan éene offerande Gode in heel hun wezen en
bestaan.

       *       *       *       *       *

De offerande van ram of var _verzinbeeldde_ dit wel, maar _was_ het
niet.

Hoe kon het ook?

Of als een man in Juda honderd schapen had, en hij offerde Gode éen
zijner rammen, was dat Gode zijn eere geven? Was het dan enkel die éene
ram, waarop God recht had, of was het niet al zijn bezitting, of niet
veel meer om hemzelf, om zijn hart, om zijn persoon? Ja, zelfs dien
éenen ram, had God hem dien gegeven, om tot asch verbrand te worden, of
niet veelmeer om voor hem te leven als zijn dier?

Dat kon dus niet anders dan _zinbeeld_ zijn. Of zou God dorsten naar
bokkenbloed? Zou de reuk van een verbranden var Hem welriekend zijn
geweest? Alsof niet alle dieren des velds zijns waren, het wild op
duizend bergen?

Maar hoe doelloos en volstrekt waardeloos het verbranden van var of ram
ook op zichzelf voor God was, als daad van gehoorzaamheid, als sprekend
zinbeeld, als afschaduwing van de éene, ware offerande, die er zijn
moest, maar door de zonde was weggenomen, ja, dan had dat outervuur
op Sion hoogheilige beteekenis. Dan sprak er in dat dier, welks bloed
vergoten wierd, een schriklijk oordeel over het leven der wereld. Dan
ging er in dat bloed, dat vergoten wierd, een machtige prediking tot
heel Israel uit. Dan lag er in het feit, dat God zulk een dierenoffer
zelf had willen instellen, een profetie, dat eens de ware offerande
terug zou keeren. Ja, dan blonk er in dat offerdier, dat in rook en walm
opging, genade voor genade over het arme kind van God, dat zelf een
offerande zijn moest, maar geen offerande meer zijn kon.

       *       *       *       *       *

En nu komt de Hoogepriester onzer belijdenis en spreekt: »Zie, Heere!
Ik kom om uwen wil te doen; slachtoffer en brandoffer hebt Gij niet
begeerd, maar Mij hebt Gij het oor doorboord!«

En wat nu verklaart Messias hiermeê anders, dan dat Hij weer _een
offerande Gode_ wil zijn? Wat anders, dan dat Hij Gode wou doen
toekomen, niet maar _iets_ van zijn schepsel, maar _heel_ zijn schepsel?
Dat Hij de ordinantie herstellen zal, die de zonde aan flarden reet?
En dat, waar God niets van zijn schepsel vraagt dan dit éene, dat het
Hem _een offerande_ zijn zal, en toch alle schepsel die offerande Gode
onthield, Hij, onze Messias, dit recht zijns Gods herstellen, het een en
al Hem weer toewijden, geheel en onverdeeld Hem, zijn God, toebehooren,
en alzoo _Gode een welriekende reuke_ zijn wil en zijn zal?

Dit is zijns _zelfs_ offerande. Niet in zinbeeld, maar in werkelijkheid.
Niet langer een var uit stal of kooi, maar _zichzelven_. Het schepsel
in eigen persoon en wezen, gelijk de Schepper het vroeg. Want wel kan
de Zoon naar zijn eeuwige Godheid nooit anders dan God zijn, maar zijn
menschelijke natuur was creatuurlijk. En die zei Hij zijn God toe; en
die legde Hij op het altaar des Heeren; die heeft Hij ter offerande Gode
en zijnen Vader gewijd.

Waar alles op aarde riep: »Hoe zal ik mijzelven handhaven, hoe zal
ik mijzelven bezitten en mijzelven toebehooren?«--en juist in dat
schijnbaar manmoedige woord het vermetelst de eere van zijn God
aanrandde, daar komt over de lippen van Messias het eerste zoete woord
voor God: »Zie: _Ik_ kom om uwen wil te doen, U en niet Mijzelven toe te
behooren. o, God, neem mijn _zelfs_offerande aan!«

       *       *       *       *       *

Er was dus _zelfs_offerande in Messias ook vóor en buiten Golgotha.
Reeds daarin, dat Hij de vleeschwording aan had gewild. Daarin, dat Hij,
vleesch geworden, Satans aanbod afsloeg en den diepen weg van bloed en
tranen koos.

Daarin ook, dat al zijn spijze was Gods wil te doen. Daarin niet het
minst, dat Hij Gods wil deed, waar niemand dien deed; en alzoo tegen den
prikkel der verleiding, die in aller anderer boos voorbeeld lag, in.

Maar toch, hierbij kon het niet blijven.

Hij had _onze_ natuur aangenomen; en deze onze natuur hadden wij onder
het oordeel des doods gebracht. Zoo kon er dan geen _zelfs_offerande
zijn, of de offerende moest tot in die natuur zelf doorgaan. Het
brandoffer, dat op Sion geheel verteerd wierd, wenkte als heilige
roeping. Zooals die var in den dood ging, zoo moest ook Hij tot in en
door de poorte des doods zijn zelfsofferande Gode toebrengen; en zooals
het bloed van dien var vergoten en geplengd wierd, zoo ook moest zijn
bloed vloeien en gesprengd worden op al zijn volk, zou de zelfsofferande
van Messias volkomen zijn.

En toch is Hij niet achterwaarts geweken, maar heeft uit liefde voor
zijn God en uit liefde voor Gods volk ook dat dal der schaduwen des
doods al de dagen zijns levens doorwandeld, en is, toen het einde van
zijn einde gekomen was, van die schaduwen des doods tot den dood zelf
ingegaan, en altoos roepende: »Zie, Ik kom om uwen wil te doen!« is Hij
door dien dood doorgedrongen tot achter het voorhangsel, in het heilige
der heiligen van zijn God!

Geen ander kon dat. Elk zondaar zou op dien weg neergestort en bezweken
zijn, nog eer de helft van den bitteren, bangen weg was voleind. Maar
Hem ondersteunde zijn vlekkelooze onnoozelheid; Hem droeg de verborgen
glorie zijner Godheid; Hem drong en lokte het eeuwig raadsbesluit. Zoo
worstelde Hij, en overwon, en de Heere rook den welriekenden reuk van
zijns zelfs offerande, en in die reuke der eeuwige liefde was het
welbehagen van zijn God.

       *       *       *       *       *

En is nu dit het mysterie, dat wij Hem, onzen Heiland, in deze
zelfsofferande volgen, en alzoo voor God bestaan?

Och, ware dit zoo, wiens hart zou hem niet aanklagen, wiens geloof niet
zijn oordeel zijn?

Neen, maar dit is het wondere geheim, dat Hij, onze Messias, dank zij
deze zelfsofferande en Goddelijke almacht, de liefde bezit, om op u te
werken, u te trekken, en u met koorden aan de hoornen van het altaar uws
Gods te binden.

Zoo maakt _Hij_ en niet gij uzelven ter offerande. En Hij doet dit, door
u in de gemeenschap zijns lichaams in te lijven. U in zichzelven voor
God te stellen. Dat de Heere u niet in uzelven, maar in _Hem_ aanziet.

Ja, meer nog.

Wat nu nog in Hem verborgen is, dat werkt de almacht zijner Goddelijke
liefde eens ook persoonlijk in u uit.

Nu reeds in aanvang en ten teeken en u tot troost, als er reeds hier in
en door u geofferd wordt, wat uw boos hart nog zoo gaarne aan uw God
ontstal.

Maar eens veel heerlijker nog, als uw Messias in uw sterven u afsnijdt
van uw eigen levenswortel, en u in hemelsche glorie op den wortel zijner
zelfsofferande zal doen bloeien.

En dan daarboven in zijn toekomst eens éen schare van priesters en
priesteressen Gode en den Vader, bij wie alle eigen zin en eigen liefde
wegviel, en door wie dag en nacht in zijn tempel slechts éene offerande
gebracht wordt, het offer van heel hun aanzijn, van al hun liefde, van
gansch hun bestaan.




DERTIENDE ZONDAG.

»ALS EEN LAM TER SLACHTING GELEID!«

                                Als dezelve geëischt werd, toen werd
                              Hij verdrukt: doch Hij deed zijnen mond
                              niet open: als een lam werd Hij ter
                              slachting geleid, en als een schaap,
                              dat stom is voor het aangezicht zijner
                              scheerders, alzoo deed Hij zijnen mond
                              niet open.

                                                            Jes. 53:7.


Er ligt in al Gods schepselen, ook in het dieren- en plantenrijk, een
heerlijke symboliek, waarvan de rijke beteekenis ons slechts een enkel
maal door de Schrift ontsluierd wordt.

Een symboliek in het tarwegraan, dat in de aarde valt en sterft, en in
den wijnstok, die in zijn ranken vrucht draagt. En zoo ook een symboliek
in de duive, die neerzijgt op haar vleugelen, en in het lam, dat wel
vroolijk blaat, als het ter weide wordt uitgeleid, maar stom is voor wie
het slacht of scheert.

Heilig is ons die symboliek, omdat ze kleeft aan de gestalte en de
verschijning van Hem, die ons met zijn bloed gekocht heeft. Hij dat
Tarwegraan, dat sterven moet om niet alleen te blijven; Hij die
Wijnstok, die al zijn ranken het levenssap toevoert; op hem die Duive
neergedaald, opdat Hij vervuld zou worden met den Heiligen Geest zonder
mate, en zoo bovenal, Hij, onze Jezus, dat Lam, dat ter slachting gaat,
het Lam, dat de zonden der wereld draagt, het Lam, dat stom is voor het
aangezicht zijner scheerders.

En zoo was het lijden van den Man van smarten.

Niet in dien letterlijken zin, alsof Hij al de uren zijns lijdens geen
woord zou gesproken hebben. Dat ondervond Judas anders in den hof, toen
de Heere hem door zijn booze ziel sneed met zijn schriklijk woord. Dat
is anders door Kajafas ervaren, toen de Heere hem profeteerde van den
Zoon des menschen, die op de wolken komen zou. Dat overkwam Pilatus heel
anders, toen Jezus hem de holheid en de leegheid toonde van zijn
sceptischen waarheidszin.

Neen, in dien zin was Jezus onder zijn lijden niet stom. Eer sprak Hij
betrekkelijk veel. Tot zelfs van zijn kruis zeven malen. Nog vlak eer
Hij sterven ging: »Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest.«

       *       *       *       *       *

Neen, de stemmeloosheid van het Lam ligt in het inhouden van den kreet
van verzet tegen het lijden.

Er ligt in den kreet, waarmeê het gevoelige schepsel tegen het lijden
inschreeuwt, een middel van verweer. Zoo schreit het kind in de wieg,
als het pijn heeft. Zoo gilt het kind op straat, als het leed ervaart.
Zoo is een gil van verzet op ieders lippen, als hij gewelddadig
aangerand of door schrik vervaard wordt. En zoo krijt en kreunt en gilt
en schreeuwt ook het dier, als het geslagen wordt of pijn voelt. En als
zich straks bij dien kreet het verzet van den weerstand voegt en het
getergde dier op zijn plager aanvalt, dan is dat geschreeuw en die woede
éen. Het is de zin, om niet te willen lijden, maar tegen pijn en leed in
te gaan.

En zonder nu staande te houden, dat een lam nooit kreunt en zich nooit
verzet, maakt toch het lam meer dan eenig dier op ons den indruk, van
zich hulpeloos en weerloos aan zijn leed over te geven. Heel dat dier
is er op geschapen. Weerloosheid is zijn uitdrukking. En vooral als het
sterven gaat, wekt het lam uw deernis op. Een lam te slachten vergt meer
overwinning van uw zelfgevoel dan het slachten van een var of os.

En in dien algemeenen zin nu moet ge ook die beeldspraak van het Lam in
zijn toepassing op Jezus verstaan. Hij verzet zich niet. Hij scheldt
niet weder, als men Hem scheldt. Als men Hem sart en lastert, bidt Hij
voor zijn vijanden. Den drinkbeker, dien Hem de Vader gegeven heeft,
drinkt Hij met volkomen zelfbeheersching, en dien willende drinken, tot
den laatsten druppel leeg.

       *       *       *       *       *

En dit nu is de diepe doorgronding van het mysterie des lijdens.

Er is ook lijden, dat bestemd is om onze veerkracht te prikkelen.
De doornen en distelen der aarde prikkelen Adam, om in het zweet
zijns aanschijns zijn brood te zoeken. De brullende leeuw, die op
den mensch toespringt, prikkelt zijn manlijke kracht, om te worstelen
om levensbehoud. De storm, die losbrak over de wateren, prikkelt den
zeeman, om met mannenmoed tegen den orkaan in te worstelen. Allerlei
ziekte en kwaal prikkelt 's menschen vindingrijkheid, om genezing te
ontlokken aan het kruid der aarde. Kortom, allerlei leed en gevaar, dat
ons bedreigt, is niet bestemd, om er ons onder te doen verkeeren als het
lam, maar om er met mannenmoed en menschelijke wilskracht den strijd
tegen op te nemen.

Maar dit is slechts de bast en niet de kern, niet het pit van het
mysterie des lijdens.

Ook buiten het lijden, dat ons door de natuur overkomt, is er een
lijden, dat van mensch op mensch loert, en in de menschelijke boosheid
het venijn, dat Satan naar ons spuwt, voelbaar maakt.

Er is bang verdriet, dat moet doorworsteld; wreede teleurstelling,
waaronder het menschenhart te zwoegen heeft; schriklijke weedom des
harten, waaronder de matte ziel heeft weg te zinken. En dan is er heel
dat heirleger van opzettelijke kwelling in laster, hoon en krenking;
straks in het spuwen op iemands gelaat, en voortgaande tot in het
aangrijpen van het lichaam, met allerlei geeseling en kwelling tot in
den dood, ja, in den dood des kruises. En als ware het nog niet genoeg,
dat alles nog verergerd door lastering en kruis saam te voegen, en den
armen mensch onschuldig te doemen, en als onschuldig gedoemde over te
leveren aan aller verachting en hoon!

Dat is het eigenlijke, dat het de ziel gansch ontroerende lijden. Een
lijden, dat ons prikkelt, maar in zijn prikkeling de ziel vergiftigt,
en u prikkelt niet tot mannenmoed en oefening van wilskracht, maar tot
weerwraak, bitterheid en haat.

En nu is hier de proef.

Oefent het lijden op u die prikkeling en laat ge die prikkeling
doorwerken, zoo brengt het u geheel ten onder.

Maar ook, weet ge die prikkeling van Satans venijn te weerstaan en,
weerloos als het lam, zulk lijden over u te laten komen, dan triomfeert
ge.

       *       *       *       *       *

Het allerdiepste pit van dit lijden nu heeft Jezus en Jezus alleen in al
zijn bitterheid gesmaakt.

Niet, omdat er niet wel menschen zijn, die men erger gemarteld heeft. o,
Tal van martelaren en martelaressen hebben veel schrikkelijker
barbaarschheden geleden. Vooral in Japan leden de Christenen zoo
ontzettend.

Maar merk er wel op, de bitterheid van dit lijden neemt toe, niet
zoozeer naar evenredigheid van de verscherpte marteling, maar naar
gelang van de zielskwelling. Het is het _onschuldig_ lijden, dat hier
het vlijmen verdiept. En hierom _kon_ alleen Jezus dit lijden peilen in
al zijn ontzettende diepte.

Wij lijden _nooit_ onschuldig. In aller zonde ligt onze eigen zonde
ingeweven. De boosheid, die tegen ons losbreekt, is onze eigen boosheid,
ons beloerend en belagend uit anderer hart. Het is de algemeene haat,
die uit de zonde opkomt, en waarin we allen verwikkeld zijn.

Maar hier was de reine, de heilige, de onzondige, de schuldelooze. Hij,
die aan niets deel had. In niet een enkele wortelvezel van de zonde met
de vezelen van zijn eigen hart verwikkeld lag. Hij, die geen haat ooit
anders dan tegen Satan gekend heeft. De vleeschgeworden Liefde zelve.

Hierin en hierin alleen moet de onvergelijkbre diepte van het lijden des
Heeren gezocht worden. Alle andere vergelijking voert niet tot het doel.
Alleen zóo staat zijn lijden _eenig_ onder alle lijden in al de
lijdenshistoriën der menschheid.

Zoo alleen is Hij _de_ Man van smarten. Man van smarten, omdat Hij en
Hij alleen waarlijk _de_ Knecht Gods was.

       *       *       *       *       *

En zie, de prikkel van zijn menschelijk besef, om tegen dit allerdiepste
lijden, met zijn goed recht, met zijn vlekkelooze conscientie, met al de
deugdelijkheid zijner zaak in te gaan, dien prikkel heeft Hij gebluscht,
heeft Hij afgestompt, heeft Hij gesmoord in zijn eigen ingewand.

Zoo is Hij het Lam Gods geworden.

Hij zag niet op den steen, maar op die dien steen wierp. Hij trok zijn
oog af van de zaag, en zag alleen op dien, wiens hand die zaag trok. Een
Judas, een Kajafas, een Pilatus, het waren Hem altegader instrumenten,
meer niet. Hij, van wien Hem dit nameloos lijden overkwam, was zijn
eigen Vader, zijn Vader in de hemelen. Neen, Pilatus! neen, Kajafas!
neen, Judas! gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, zoo u die niet van
boven gegeven ware!

Omdat God het wilde, dat Hij lijden zou, daarom _wilde_ Hij lijden.

Of het Hem geen worstelen gekost heeft, vraag dat aan de schaduw van
Gethsémané's olijven.

Die prikkel om er tegen in te gaan, en dat weten: God wil het! o, ze
streden zoo bang in zijn menschelijk hart.

Maar toen het weer volkomen klaar en zoo hemelsch helder voor Hem wierd:
_God wil dit lijden_, toen ook niet éen oogenblik aarzeling meer.

Ziet, toen ging Hij uit Gethsémané naar Golgotha, Hij, het Lam Gods, dat
de zonde der wereld wegdroeg.




VEERTIENDE ZONDAG.

»KOMT TOT DE BRUILOFT.«

                                Wederom zond hij andere dienstknechten
                              uit, zeggende: Zegt den genooden: Ziet,
                              ik heb mijn middagmaal bereid, mijne
                              ossen en de gemeste beesten zijn
                              geslacht, en alle dingen zijn gereed;
                              komt tot de bruiloft.

                                                          Matth. 22:4.


Reeds in de Spreuken heet het van de Opperste Wijsheid, dat ze haar
slachtvee geslacht heeft en haren wijn gemengd en haar tafel toegericht,
en dat ze haar boden heeft uitgezonden, die roepen: »Komt, eet van mijn
brood en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.«

En Hij, die zelf de Opperste Wijsheid was, vergeleek het Koninkrijk der
hemelen bij een koning, die een bruiloft bereidde en riep: »Ziet, ik heb
mijn middagmaal bereid, mijn ossen en de gemeste beesten zijn geslacht
en alle dingen zijn gereed,« en zijn dienstknechten uitzond, zeggende:
»Komt tot de bruiloft!«

De noodiging, de oproeping alzoo tot iets luisterrijks, iets dat
heerlijk genot belooft, en reeds om het genot den wensch zou doen
opkomen, om er bij te mogen zijn en meê te mogen aanzitten.

Eenerzijds: Wie ten leven wil ingaan, ga in door de enge poort, neme
zijn kruis op en verloochene zichzelven; maar ook anderzijds daarnaast
en daartegenover de vriendelijke schildering van een heugelijk
bruiloftsfeest, waartoe de Heere zijn geroepenen noodigt.

Nu zoudt ge zoo zeggen, als de roepstem uitgaat: »Neem uw kruis op en
volg Mij!« dan zal het meerendeel angstig terugschrikken; maar als het
heet: »Komt tot de bruiloft!« zal elk, die slechts komen kan, met
geestdrift zich vinden laten.

En toch, de Heere teekent het anders.

Neen, de geroepenen schrikken nog weg, als het heet: »Gaat in door de
enge poort!« maar haast nog volhardender is hun afslaan van de
noodiging, als het heet: »Komt tot de bruiloft!«

Ook naar die bruiloft van het Lam _wil_ de in zonde verzonken mensch
niet heen.

De Heere zegt het duidelijk: ze weigeren allen. Ze weigeren op allerlei
grond, onder allerlei voorwendsel, soms zelfs boosaardig. De een gaat
tot zijn akker, de ander tot zijn koopmanschap, en een derde scheldt 's
Konings boden uit, beschimpt ze en staat hun naar het leven.

Maar hoe ook hun wijze van weigeren verschille, op het roepen, op het
herhaalde en dringende roepen, dat ze toch tot de bruiloft komen
mochten, _komt niemand_.

       *       *       *       *       *

Vanwaar dit verschijnsel?

Soms zegt men zoo wel: »Predik het Evangelie niet te streng, niet te
hard, stel het vriendelijk voor en poog te lokken!«

Welnu, dat geschiedt hier. Hier is niets hards, niet onvriendelijks,
maar alles uitlokkend en verleidelijk. Er is een vriendelijk nooden.
Er is een roepen naar een feestmaal. Er is een lokken naar een ure
van vreugde en heugelijk verblijden. En toch, hoe zacht en boeiend
en lieflijk ook de voorstelling zij, de lieden komen toch niet.

Als den jongeling gezegd wordt, hard gezegd wordt: »Ga heen en verkoop
al wat ge hebt,« gaat die jongeling op dat harde zeggen ten minste nog
_bedroefd_ heen. Maar hier, bij de noodiging tot de bruiloft, is zelfs
van die droefheid geen spoor te ontdekken. Men weigert, omdat men _wil_
weigeren. Uit opzet, uit moedwil, in vermetelheid van het hart.

Waaraan dit dan ligt?

Zie, het komen op zulk een bruiloft als waarvan Jezus spreekt, was een
hulde aan den Koning, in wiens naam de boden uitgingen, en juist die
hulde aan den Koning brengen, dát wilde men niet.

Of de Koning die hulde aan zijn kroon en majesteit ook al aanlokkelijk
en begeerlijk inkleedde, deed er niet toe. Als die bruiloft in glans
en eere schitterde, zou het 's Konings glorie verhoogen. Liep ze
daarentegen smadelijk af en bleef Hij alleen met de leege tafels, dan
zou zijn eere gekrenkt zijn; en overmits nu de genoodigden, in hun boos
hart, Hem zijn glorie misgunden, en zijn smaad een zielsgenot vonden,
daarom weigerden ze Hem het huldebetoon, en bleven ze weg, om Hem een
ure der schande te berokkenen.

Een bruiloft wilde men wel. Feestgenot bracht de zinnen in verrukking.
Maar zelfs dat feestgenot had zijn bekoring verloren, als er de eere van
den Koning meê verhoogd wierd.

En zoo ligt het antwoord klaar voor ons.

Dat op het roepen: »Komt tot de bruiloft!« de genoodigden weigeren te
komen, is niets dan vijandschap tegen God in hun hart.

Men stelle zich de zaak wel voor.

Als zulk een Oostersch vorst een huldigingsfeest in zijn hofstad vierde,
wierden er machtige maaltijden aangericht, waarbij soms tien à twintig
duizend personen aanzaten. Nog onlangs heeft Ruslands Czaar in Moskou
meer dan zestien duizend genoodigden aan open tafels gespijsd.

Daarvoor wierden de noodigingen verzonden aan de oversten der
koninklijke heirscharen, aan de regenten van steden en dorpen, aan de
vertegenwoordigers en de besturen van alle instellingen, inrichtingen en
genootschappen.

Heel het land moest op zulk een dag vertegenwoordigd zijn.

Maar dan moest men het voor zijn Vorst ook over hebben, om een tijdlang
uit zijn bezigheden te gaan, om de lange reis te maken, om saam op
te trekken naar de hoofdstad, en bovenal, dan moest er enthousiasme,
liefde, meêleven in het hart zijn, om zich in de glorie zijns Konings
te verheugen.

En _die_ genoodigden wilden nu niet komen. Ze _achtten_ de noodiging
niet (vs. 5), en hadden het er niet voor over, om hun akker en hun
koopmanschap er voor een korte poos aan te geven.

Ja, erger nog, sommigen wilden zelfs niet erkennen, konden het niet
velen en wilden het niet verdragen, dat 's Konings boden van hun Heer
spraken, als ware Hij ook hún Koning.

En vandaar die boosheid, dat aangrijpen der zendboden, dat schimpen en
ten leste die moord.

De Koning moest met zijn leege tafels voor spot blijven zitten. Dat was
hun toeleg. Dat het geheime leedvermaak, waarop ze zich voorbereidden.

En nu, het liep anders uit. Toen de genoodigde vertegenwoordigers en
hoofden weigerden, liet de Koning al het volk roepen uit zijn hofstad.
En die stroomden bij duizenden het feestterrein binnen. En zoo ging toch
de bruiloft door. En zaten toch de duizenden bij duizenden aan. En was
er toch voor den Koning eere, en schitterde zijn glorie in zijn
hofkring.

Maar dit lag aan hen niet. Dit was _tegen_ hun bedoelen. Zij hadden hun
Koning smaad voor eere toegedacht, en dáarom hadden ze geweigerd.

       *       *       *       *       *

Zoo komt uit wat in ons hart school.

Zoo ziet ge aan dit woord van Jezus, hoe bitter en diep de haat en
vijandschap tegen Gods eere zit ingeweven in het weefsel onzer zonde.

Neen, van nature gaat niemand ten hemel in.

Niemand door de enge poorte, maar ook niemand ter bruiloft op.

Of ge het hard, dan of ge het lieflijk voorstelt, ons boos hart laat
zich niet van de wijs brengen, maar weigert en slaat de verzenen tegen
de prikkelen, en wil wel het kwade, maar wil het goede en wat Gode
welgevallig is _niet_.

Omgezet, omgezet, omgezet moet eerst dat hart van binnen worden.

En anders, al beitelt ge ook het _Soli Deo gloria_ in den gevel uwer
woning uit, dan is dien Koning te _krenken_ u nog altoos liever van
nature, dan dat ge zijn glorie verhoogen zoudt.




VIJFTIENDE ZONDAG.

»GRIJP NAAR HET EEUWIGE LEVEN!«

                                Strijd den goeden strijd des geloofs,
                              grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk
                              gij ook geroepen zijt, en de goede
                              belijdenis beleden hebt voor vele
                              getuigen.

                                                          I Tim. 6:12.


»Grijp naar het eeuwige leven,« wordt niet den afgedoolde, maar den
wedergeborene toegeroepen.

»Gij, o, mensch Gods!« roept de heilige apostel uit, »vlied de aardsche,
jaag naar de hemelsche dingen; strijd den goeden strijd des geloofs; en
grijp naar het eeuwige leven!«

Een zondaar kan daar niet naar grijpen. Hem is de hand verlamd. Stram,
stijf, bewegingloos en tot alle beweging onbekwaam hangt ze hem neder.
En ook al kon hij de hand uitstrekken, hij zou dat heerlijke leven met
zijn booze hand veel liever wegslaan, dan dat hij er naar grijpen zou.

Ge grijpt naar wat uw oog boeit en uw lust prikkelt, en dat »eeuwige
leven«, neen, dat boeit, dat prikkelt den verdoolde niet. Kind der
wereld, heeft hij een heel ander leven, waar zijn oog en zijn ziel naar
uitgaat. Dáar grijpt hij elken morgen en elken avond naar. In dàt leven
is al het begeeren zijner ziel.

Maar de man, die bekeerd wierd, staat er, sinds hij bekeerd wierd,
anders bij.

Hem is de stramme hand en de stijve arm lenig geworden. Hem wierd uit
genade het geloof ingeplant. En nu is dit _geloof_ hem als de hand,
waarmeê genade voor genade moet aangenomen. Hij kan, hij moet grijpen.

En nu tot hém gaat daarom het apostolisch roepen uit: »Grijp, o, mensch
Gods! _grijp naar het eeuwige leven!_«

       *       *       *       *       *

De heilige apostel wil leven in Gods kinderen zien.

Het is schriklijk om te aanschouwen, zooals allerwegen ook bij de
kinderen Gods de handen slap hangen en de knieën traaglijk ineenknikken.

Dat de verachters van Gods gebod niet talen naar de heerlijkheden van de
genieting zijner gemeenschap, dat verstaat hij; maar dat Gods kinderen
soms zoo lusteloos, zoo levenloos, zoo doodsch, zoo zonder besef of
aandoening voor het eeuwige leven er bij kunnen staan, dat baart den
heiligen apostel kommer en bezorgdheid. En nu hij zelfs een man als
Timotheus op zulke slapheden betrapt, nu grijpt hij Timotheus aan, dien
treffelijken, dien godvruchtigen, maar, helaas, geestelijk te zeer
ingezonken man, en prikkelt hem met zijn woord, en jaagt hem op uit zijn
valsche ruste, en roept hem toe: Neen, Timotheus! niet in dat suffend
insluimeren uwer ziel is de verheerlijking van Gods heiligen naam;
veeleer moet er _gejaagd_, moet er _gestreden_, moet er _gegrepen_
worden. Niet loom en traag moet ge achter de gerechtigheid na komen
kruipen; neen, ge moet _jagen_ naar gerechtigheid, naar godzaligheid,
naar geloof, naar liefde, naar lijdzaamheid en naar zachtmoedigheid.
Niet een stil en rustig geweten moet u uw geloof zijn, maar éen
altoosdurende _strijd_. »Strijd den goeden strijd des geloofs.« En zoo
ook het eeuwige leven, dat moet ge niet maar inwachten als iets, dat, na
uw sterven, vanzelf u wel om Christus' wil zal toekomen, maar ge moet er
de hand des geloofs naar uitstrekken; ge moet er naar grijpen; grijpen,
alsof elke dag u te veel en te lang ware, die u nog van dat eeuwige, dat
heerlijke, dat volzalige leven scheidt.

       *       *       *       *       *

Zie het aan Gods bloemen af, wat dit grijpen naar het eeuwige leven is.

Ook de aard en de natuur der bloemen is van God uitgedacht en van Hem
geschapen, en voor ons, naar het Woord er ons in voorgaat, vol van
leering.

En wat ziet ge nu?

Maar immers, dat die bloem buiten het licht niets is en zelfs geen tint
of kleur heeft. En dat die bloem niets is buiten de koestering der zon,
want in de koude verschrompelt haar blad; en geen geur ademt ze u tegen.
Hulpeloozer, armer, naakter dan die schijnbaar zoo rijke, geurige bloem
is er niet. Neem de lucht en het licht en de warmte en den dauw weg, en
niets dan verdorring en verflensing blijft aan den stengel.

Niets uit zich, alles van buiten zich, is voor het leven van de bloem de
wet van Gods heerlijke schepping.

Maar juist nu omdat de bloem niets uit zichzelf is, zie eens, hoe ze
naar het licht en naar de warmte en naar de dauwdroppen als grijpt.

Soms dacht ge, dat die bloem onbeweeglijk was, omdat ze haar
levensvoedsel niet najaagt als de bij of vlinder.

En toch, neen, onbeweeglijk is ze niet.

Keer haar slechts om en zet haar ver van het licht en ver van de zon en
van den dauw af, en zie eens, hoe ze zich straks wenden gaat, om haar
knop en blad en spriet toch maar weer naar het licht en naar den dauw
uit te strekken.

o, Wandel maar in Gods schepping om, en ge ziet het immers allerwegen,
al die planten, al die bloemen, ze strekken zich uit en ze grijpen naar
het licht, ze grijpen naar de koestering der warmte, ze ontsluiten zich
om den dauw in te drinken.

In dat licht is voor de bloem het leven, en naar dat leven grijpt de
bloem met al de uitstrekking en de inspanning harer vezelen.

       *       *       *       *       *

Laat, als het grijpen van die bloem naar het licht, dan ook uw grijpen,
o, kinderen Gods! naar het eeuwige leven zijn!

Een plant, die verflenst ter aarde neerligt, als haar het zonlicht
beschijnt, is in kwaden staat; en de tuinman, die dit ziet, brengt
aanstonds water bij, om haar blad en haar wortel te besproeien, dat haar
stengel zich weer moge opbuigen, en haar bloemknop zich weer moge
opheffen in het licht.

En zoo is ook uw zielsgesteldheid voor uw God niet goed, als elken
morgen weer de goedertierenheid des Heeren nieuw over u is, en elken
middag weer de Zonne der gerechtigheid in de Kerke Gods opgaat, en gij,
met uw zaad, in die Kerke wel geplant staat, maar nochtans uw ziele niet
opheft tot den God der goden, en uw stengels over de aarde laat kruipen,
en uw bloesem voor die Zonne, die in Christus is, verbergt.

Dat grenst aan levenloosheid; dat nadert de verdorring en de verflensing
der ziele.

Zoo mag en moet een door God zelf geplante bloem in zijn heerlijken hof
niet wezen.

Opgericht moeten de stengelen van uw leven; de bloemknop uwer ziel moet
zich weer naar God toekeeren; als uitstrekken naar den Eeuwige moet zich
elk blad en elke vezel, die aan heel uw ziele is; en zoo moet heel uw
persoon en heel uw aanzijn éen grijpen naar dat eeuwige zijn, dat de
wereld u niet kan geven, maar dat, als met gouden stralen, elken morgen
en elken avond uitstroomt uit den Immanuel Gods als in een zee van
genade en majesteit en licht.

       *       *       *       *       *

Gegrepen moet naar dat eeuwige leven, niet als hadden we iets om het te
verwerven, maar juist omdat we niets, niets in onszelven zijn; en de
bloem onzer ziel _moet_ verdorren, zoodra we het licht van de Zonne
onzer gerechtigheid derven.

Zooals ge, wanneer de lucht weggaat, en het benauwd wordt, niet maar
zitten blijft en denkt: »Nu, straks zal er wel weer lucht komen,« maar
voelt, dat ge zonder lucht stikken moet, en daarom vanzelf opstaat, en
den hals uitstrekt zoo ver ge kunt, om buiten uit die heerlijke lucht
levenslucht in te drinken, zoo ook moet heel uw ziel snakken en grijpen
naar dien eeuwig Heerlijke, in wien al de lucht om te ademen en het
licht om te leven voor uw ziel is.

Het sterkst moet dat »grijpen naar het eeuwige leven« in uw gebed zijn.

Een opendoen van den mond der ziel, om weer licht en liefde en leven uit
den Immanuel in te drinken; om met uw ziel weer bij te komen. »Zend,
Heer! uw licht en waarheid neder, en breng mij zoo weder tot uw gewijde
tente!«

Maar toch bij dat eigenlijke gebed mag uw »grijpen naar het eeuwige
leven« niet staan blijven.

Veeleer moet dat »grijpen naar het eeuwige leven« iets biddends aan ál
uw doen, aan heel uw aanzijn, aan gansch uw persoonlijkheid geven.

»Bidden zonder ophouden,« zooals ge ook onophoudelijk en vanzelf weer
telkens lucht inademt, om de borst vrij en onbeklemd te voelen.

En zoo dan ook hier, een grijpen naar het eeuwige leven, met een dorsten
der ziel, dat werkt, ook als ge het zelf niet bespeurt.

Een bidden: »Kom, Heere Jezus!« en altoos Hem, den Eenige, van noode
hebben.

Niet meer buiten Hem kunnen!

En daarom met heel uw ziel een altoos grijpen naar die hoogere wereld,
waar Hij is, uit Wien alle zegen en alle genade tot u komt.




ZESTIENDE ZONDAG.

»IN HEILIGE SIERADIËN.«

                                Uw volk zal zeer gewillig zijn op
                              den dag uwer heirkracht, in heilige
                              sieradiën; uit de baarmoeder des
                              dageraads zal u de dauw uwer jeugd zijn.

                                                          Psalm 110:3.


's Heeren volk is een heirschare voor Immanuel; vergaderd en bestemd om
Immanuels strijden te strijden.

Hoor maar wat Jehova in Psalm 110 tot zijn Uitverkorene zegt: »Uw volk
zal zeer gewillig zijn op den dag uwer heirkracht; in heilige sieradiën
zal het als versch gesprenkelde dauw uit den schoot van den dageraad u
toekomen.«

Als de nacht voorbij is gegaan, dan wordt de oosterkim purper, en uit
dat morgenrood van den dageraad schieten de prachtige stralen den
dampkring in. En grijpt afscheiding in de atmosfeer plaats. En met dat
morgenrood worden duizenden en tienduizenden dauwdroppels op blad en
bloem gesprenkeld, glanzend en glorend in de schittering van het
morgenrood.

En zoo, zegt de Schrift, zal het ook voor Immanuel zijn, zoo dikwijls
Hij opstaat om den nacht van leugen en zonde, om het rijk en de macht
van Satan te bestrijden.

Ook dan zal voor hem aan de kim het morgenrood purperen, en uit dat
purper van den dageraad zal zijn volk, in menigte als de dauwdroppels
ontelbaar, Hem toevloeien, glanzend en glorend in het heilig sieraad,
dat uit dat purper op hen geworpen wordt.

Een beeldspraak, voor wie ze indenkt, van onvergelijkelijke schoonheid.

Eenerzijds die heerschappij van den nacht van leugen en ongerechtigheid.
Daartegenover opkomend de Zonne der gerechtigheid. En nu uit den
purpergloed, die hierdoor geboren wordt, komen als tienduizenden
dauwdroppen zoo ontelbaar en zoo schoon zijn geroepenen Hem tegen, en
vormen om Hem als een machtig, onafzienbaar heir, dat in schitterenden
dos zich opmaakt en aanbiedt, om onder Hem en met Hem en voor Hem op den
dag zijner heirkracht te strijden.

       *       *       *       *       *

Dien strijd strijdt Immanuel dag aan dag. Gisteren, heden, morgen.
Die strijd gaat altoos door. En elken morgen, dat de dageraad weer
aan de kimmen opgaat en de zon als een held haar stralen schiet, om
in het bestemde veld den vijand te bestoken, gaat ook het hemelsch
bazuingeschal van Gods engelen uit, om al zijn volk opnieuw ten strijde
te roepen, ze te roepen tot den strijd, die ook dien dag door Jezus weer
gestreden zal worden tegen het rijk van duisternis en zonde.

Trekt gij in dien strijd meê op? Voelt, weet, merkt ge, hoe in uw huis,
bij uw arbeid, in elke ontmoeting, bij elke verleiding, die heilige
strijd ook door u moet worden meêgestreden? En zijt ge in dien strijd
een krijgsknecht, die _willig_ optrekt? Immers, dát juist is een der
kenteekenen: »Uw volk zal _willig_ zijn op den dag uwer heirkracht.«

Het is geen heirleger, dat met de bajonet in den rug en het pistool op
de keel in den slag moeten worden gedreven. Maar zooals de troepen van
Gustaaf Wasa jubelend en God lovend ten strijde trokken, en Cromwells
legerschaar knielde, eer ze den strijd aanvingen, en psalmzingend tegen
den vijand optogen, zoo, en in nog veel hooger zin, is 's Heeren volk
een _willig_ volk, dat bezield, met geestdrift, en om eigen leven niet
denkend, moedig en willig het zwaard uit de scheede trekt, en zijn goed
en bloed veil heeft voor de banier van het Kruis.

»Gord, gord, o held!« roept dat leger zijn Veldheer dan toe, »het zwaard
aan uwe zijde, en rijd heerlijk op het zuivere Woord der waarheid!« en
als dat volk de banier van Jezus dan maar wuiven ziet, dan _is_ het niet
tegen te houden, dan _moet_ het meê den slag in, en _willig_ is het op
elken dag van zijn heirkracht. Een corps van heilige Levieten, om den
strijd des Heeren te strijden.

       *       *       *       *       *

Maar ook dit is niet genoeg.

Reeds op aarde geldt bij elk leger de wet, dat, als de koning zelf aan
het hoofd van zijn leger verschijnt, dat leger rijk en prachtig zal zijn
uitgedost. Dan komt het in geen kazerneplunje, maar in paradetenu,
gedost _in zijn sieradiën_.

En zoo nu wil de Heilige Geest in dezen psalm, dat ook het volk des
Heeren voor zijn Koning zal uittrekken. Niet maar onafzienbaar in
menigte, en willig ten strijde, maar ook _in heilige sieradiën_.

En nu, _sieradiën_, wie onder 's Heeren volk heeft die? Natuurlijk is
bij dat geestelijk volk ook het stel sieradiën _geestelijk_. Daarom
staat er bij: »_heilige_ sieradiën.«

Dus is het niet genoeg, dat ge het zwaard in de hand houdt, en u dekt
met het schild des geloofs, en uw hoofd voorzien hebt van den helm der
zaligheid; neen, bij dat alles moeten nog de _sieradiën_ komen, en er
ontbreekt iets aan de eere, die Christus van u vraagt, zoo _die heilige
sieradiën_ niet aan u schitteren.

Nu zijn _deze heilige sieradiën_ velerlei. Wat u sieren kan, is een
rijke gave des gebeds. Is stille, deemoedige nederigheid. Is kalme,
waarachtige ootmoed. Is zelfbedwang over alle korzelheid en kwaad
humeur. Is teedere nauwgezetheid der conscientie. Is macht van het woord
of zang, om den lof des Heeren te vertellen. Is dienende liefde. Is
teedere deernis met wie lijdt. Is zoekende ontferming over wat verloren
ging. Is de heilige kunst, om vrede te maken, waar vrede verstoord
wierd. Is, om niet meer te noemen, stille dulding van eigen leed, een
met geestdrift dragen van uw kruis, een roemen in de verdrukking.

Doch met wat naam ge den rijken overvloed van _heilige sieradiën_ ook
noemen wilt, ze zijn alle _geestelijk_. Glans door de opgaande Zonne der
gerechtigheid in u als dauwdrop afgespiegeld. Heilige sieradiën voor
Koning Jezus zijn nooit anders dan stralen uit _zijn_ genade, die _gij_
opvingt.

En nu komt in Psalm 110 de vraag aan u, _welke_ heilige sieradiën _u_
sieren, zoo dikwijls ge optrekt in den strijd uws Heeren op den dag
zijner heirkracht.

       *       *       *       *       *

En dan, helaas, wat ziet ge dan om u heen? Wat speurt ge dan telkens aan
uzelven?

Dit immers, dat we voor sieraad telkens assche in dien strijd
aanbrengen, en de wapenrusting, die de Heere ons toebetrouwt, eer
_ont_sieren door onze bezoedeling.

Dit, dat zelfs de heiligsten onder ons het al veel en wel vinden, zoo ze
althans optrekken, en zoo ze het zwaard voor Jezus kruisen, maar zich
dan ook allerlei geklag veroorlooven over hun kruis en allerlei gejammer
over de benauwdheden, die ze uitstaan.

Ja, om het kort te zeggen, dit, dat dit volk des Heeren al zeer
zelfvoldaan en tevreden is, indien het niet maar boeleert met den
vijand, en het schild des geloofs noch het zwaard des Woords wegwierp.

Maar dat Jezus om een volk _in heilige sieradiën_ vraagt, wie bekommert
er zich om? Wie denkt er aan?

Ja, er zijn enkelen, aan wie ge die sieradiën bespeurt, althans een
_enkel_ geestelijk sieraad.

Er zijn er, die _gaarne_ vergeven. Er zijn er, die stil en in heilige
blijdschap lijden. Er zijn er, die rijk zijn in ontferming en deernis.
Er zijn wondere bidders en bidsters. Er zijn zielen, die van liefde
overvloeien. Er zijn er, die machtig zijn in het vertellen van al den
lof des Heeren.

Maar hoe klein is hun aantal!

o, Laat dat aantal toch _meerder_ worden!

Laat wie éen sieraad heeft, bedenken, dat zijn Heere om een volk _in
heilige sieradiën_ vraagt.

Laat onder dat geestelijk versierde volk ook _uw_ naam gekend worden.

En bovenal, zoo ge »heilig sieraad« aan uw ziel moogt ontdekken, o, mijn
broeder, mijn zuster! verzondig dat sieraad niet, door u op dat sieraad,
als ware het door u zelf gewrocht, te verheffen.

Alle heilig sieraad is nooit anders dan glans, die afstraalt uit _Hem_!




ZEVENTIENDE ZONDAG.

»MET ONGEDEKTEN AANGEZICHTE.«

                                Doch zoo wanneer het tot den Heere zal
                              bekeerd zijn, zoo wordt het deksel
                              weggenomen.

                                                         II Cor. 3:16.


Het licht zelf kunnen we niet zien dan _door_ het licht. Als het licht
zich niet zelf openbaart, toont, tot u komt en in uw oogvlies dringt,
merkt gij niet eens noch weet, dat er licht is.

En daarop nu ziende, roept de Psalmist uit: »Heere! bij U is de fontein
des levens, _in uw licht zien wij het licht_;« wat kennelijk niet gezegd
is van het _stoffelijk_ licht der zon, maar van het _geestelijk licht_,
dat van God uitstraalt.

Prent u dit diep in.

Als God de Heere niet zoo barmhartig in nederbuigende goedheid was
geweest, om zich aan zijn creatuur te openbaren, zou het nietig schepsel
niet eenmaal merken noch weten, dat er een God was. En waar God de Heere
den mensch al van nature een besef van zijn heilig en Goddelijk bestaan
had ingeplant, daar is door de zonde dit besef derwijs verzwakt en
verflauwd, dat er den boozen zondaar weinig anders uit toekomt dan de
wetenschap, dat hij in de hand en in de macht van een vreeslijk Wezen
is, waar hij tegen mort, bitter tegen inworstelt en tegen vloekt, om
zijn macht te verfoeien.

o, Als God de Heere u met uw zondig wezen aan uzelven had overgelaten,
hoe duivelsch zou ook uw hart niet tegenover uw God staan!

Neen, zeg niet: Dan zou ik als een _heiden_ wezen; want ook over de
heidenwereld waakt nog een _algemeene_ genade, en velerlei is de
barmhartigheid, waarmeê onze God ook bij de heidenen nog het volle
doorbreken van de ongerechtigheid tegenhoudt.

Veel _erger dan een heiden_ zoudt ge er aan toe zijn.

Stikdonkere nacht en duisternis zou zich om u saampersen. En in die
duisternis zoudt ge zonder éen straal van vriendelijk, Goddelijk licht,
uzelven voelen als de prooi van een u onbekende macht, die u omklemd
hield; en zonder iets van uw God te weten, zoudt ge in bittere,
satanische vijandschap worstelen tegen uw God in.

       *       *       *       *       *

Daarom is zijn Openbaring zulk een heilschat. Zijn Woord zulk een
onuitsprekelijke rijkdom. Zijn spreken tot den zondaar zulk een daad van
nederbuigende ontferming.

Maar toch, zonder meer baatte dit nog niet.

Want Sinaï toont u, wat de uitstraling van het licht van 's Heeren
heerlijkheid voor een zondaar wordt, als God hem niets geeft dan dat
licht.

Dan kan het zwakke, schier blinde oog dien lichtglans niet verdragen.
Dan sluit zich het oog bij het instralen van dien lichtglans eerst recht
geheel en bijna hermetisch toe. Dan verschrikt u dat licht en ontzet u,
en komt u, als het volk bij Mozes, de bede op de lippen: »Och, dat de
Heere dien lichtglans van ons nam en voor ons aangezicht bedekte!«

Zoo diep ontvielen en ontzonken we aan onzen eersten luister. In
donkeren schemer nemen we nog zekere zwevende gestalte waar, maar als
het Goddelijk licht in al den glans zijner heiligheid en gerechtigheid
over ons opgaat, _dan zien we niets meer_, en heeft dit licht geen
_ontsluitende_, maar _toesluitende_ werking.

Dan voleindt juist dat licht onze volkomene zelfverblinding.

Ja, om ons voor die majesteit van het licht van 's Heeren gerechtigheid
te verbergen, omhullen we dan ons aangezicht nog en dekken ons oog toe,
opdat toch door het dunne en doorschijnende ooglid geen straal van 's
Heeren glans tot ons doordringe en het ne

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/37014