Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam
by H. G. Wells · Dutch · Gutenberg #36982 · 514,649 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam
Author: H. G. Wells
Translator: J. Kuylman
Release date: August 5, 2011 [eBook #36982]
Most recently updated: January 8, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/36982
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET VOEDSEL DER GODEN EN HOE HET OP AARDE KWAM ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
Wereld Bibliotheek
Onder leiding van L. Simons
H. G. WELLS
HET VOEDSEL DER GODEN
en hoe het op Aarde kwam
Uit het Engelsch door
J. Kuylman
Uitgegeven voor de
Mij. voor Goede en Goedkoope Lectuur door
G. Schreuders Amsterdam
BOEK I.
DE ONTDEKKING VAN HET VOEDSEL
HOOFDSTUK I.
DE ONTDEKKING VAN HET VOEDSEL.
I.
In het midden der negentiende eeuw begon in onze vreemde wereld voor
het eerst in grooten getale een klasse van menschen op te komen,
die voor het meerendeel aanleg hadden om oudachtig te worden,
en die genoemd worden en dit zeer terecht, hoewel zij zelf dezen
titel buitengewoon onaangenaam vinden--"Scientisten." Zij vinden
dit woord zóó onaangenaam, dat het in de kolommen van "de Natuur,"
hetwelk van het begin af hun uitsluitend en karakteristiek orgaan was,
even zorgvuldig vermeden wordt alsof het dat andere woord ware, dat
de basis van alle werkelijk-gemeene taal in dit land vormt. Doch het
Groote Publiek, en zijn Pers weten dit wel beter, en "Scientisten"
blijven zij, en als zij ook maar eenigszins algemeen bekend raken,
noemen wij hen "beroemde scientisten," en "eminente scheikundigen"
en "alom-bekende natuurkundigen" op zijn minst.
Voorzeker verdiende de heer Bensington zoowel als Professor Redwood
elk van deze termen ten volle, lang vóór zij de wondervolle ontdekking
deden waar dit verhaal over handelt. De heer Bensington was Lid van het
Koninklijk Genootschap, een voormalig Voorzitter van het Scheikundig
Genootschap, en Professor Redwood was Professor in de Physiologie
aan het College van de Londensche Universiteit in Bond-street en hij
was herhaaldelijk door de anti-vivisectionisten in geschriften grof
belasterd. En sedert hun prilste jeugd hadden zij levens geleid van
academische onderscheiding.
Zij zagen er natuurlijk heel onberoemd uit, zooals inderdaad alle
ware Scientisten. Er steekt meer persoonlijke distinctie in den
gladst-gemanierden acteur dan in het geheele Koninklijke Genootschap.
De heer Bensington was kort van postuur, en erg, erg kaalhoofdig,
en liep lichtelijk gebogen; hij droeg een gouden bril en linnen
schoenen die erg laag uitgesneden waren om zijn talrijke likdoorns,
en Professor Redwood had een doodgewoon voorkomen. Tot zij toevallig
het Godenvoedsel vonden (ik sta er beslist op het zoo te noemen),
leidden zij zulke eminente en obscure studie-levens, dat ik er den
lezer moeilijk iets van zou kunnen vertellen.
De heer Bensington verdiende zijn sporen (als wij tenminste een
dergelijke uitdrukking mogen bezigen met betrekking tot een heer met
uitgesneden linnen schoenen) met zijne schitterende onderzoekingen op
het gebied van de Meer Giftige Alkaloïden, en Professor Redwood werd
beroemd--dat herinner ik me eigenlijk niet recht meer, hoe hij beroemd
werd! Méér van hem weet ik niet dan dat hij erg beroemd was. Dergelijke
dingen groeien. Ik zou denken dat hij er gekomen was door een dik
werk over den Duur der Reactie-bewegingen, met talrijke platen van
sphygmographische opteekeningen (ik schrijf dit natuurlijk onderhevig
aan verbetering) en een bewonderenswaardige nieuwe terminologie.
Het groote publiek kreeg weinig of niets van deze beide heeren te
zien. Nu en dan, op plaatsen als het Koninklijk Instituut en de
Maatschappij van Wetenschappen, kreeg het eens iets te zien van
den heer Bensington, tenminste zijn blozende kaalheid en een stukje
van zijn kraag en jas, en hoorde fragmenten van een lezing of een
verhandeling, die hij zich verbeeldde goed verstaanbaar voor te
dragen. En ééns herinner ik me hem gehoord te hebben--'t was op een
middag in het grauwe verleden--toen het Britsche Genootschap te Dover
vergaderde, en ik inviel bij afdeeling C. of D. of een dergelijke
letter welke haar kwartier had opgeslagen in een herberg, en ik uit
louter nieuwsgierigheid twee ernstig-kijkende dames met bruinpapieren
pakjes gevolgd was door eene deur waarop "Billard" en "Potspel" te
lezen stond, een schandelijke duisternis in, die slechts gebroken
werd door een tooverlantaarn-lichtkring van Redwood's diagrammen.
Ik sloeg het inzetten en weder uithalen van de platen gade en luisterde
naar een stem (ik ben vergeten wat de stem zeide) die naar ik meen
de stem van Professor Redwood was, en er kwam een gesis uit de
lantaarn en nog een ander geluid dat mij daar vasthield, zuiver uit
nieuwsgierigheid, totdat de lichten plotseling opgedraaid werden. En
toen bemerkte ik dat dit geluid niets anders was dan het geluid van
het mummelen op krentenbroodjes en sandwiches en dergelijke dingen,
waarvoor de leden van het Genootschap hierheen gekomen waren om op
te eten onder bedekking van de duisternis der toover-lantaarn.
En ik herinner mij dat Redwood al maar doorpraatte zoolang de lichten
op waren, en stond aan te wijzen op de plaats waar zijn diagram op het
scherm zichtbaar behoorde geweest te zijn--en dit was het dan ook weder
zoodra het weer duister werd. Ik herinner mij hem bij die gelegenheid
als een doodgewonen donkeren man, die er een beetje zenuwachtig uitzag,
met een air als of hij met iets anders bezig was en doende wat hij
in die oogenblikken deed door een onverklaarbaar plichtsgevoel.
Ook Bensington heb ik eenmaal gehoord--in de dagen van ouds--op een
opvoedkundige samenkomst in Bloomsbury. Zooals de meeste eminente
Natuurkundigen en Botanici beschouwde Bensington zich ook als een
groote autoriteit in opvoedkunde,--al was ik zeker dat een middelmatige
klasse van een gemeenteschool hem binnen een half uur totaal van de
wijs zou gebracht hebben--en zoo ver als ik het mij nù nog herinneren
kan, stelde hij een verbetering van professor Armstrong's Heuristische
methode voor, waardoor, met drie of vierhonderd pond kosten aan
toestellen, met algeheele verwaarloozing van alle andere studievakken,
en de onverdeelde aandacht van een buitengewoon begaafd onderwijzer,
een middelmatig kind met een bizonderen vorm van stompzinnige
degelijkheid in den loop van tien of twaalf jaren bijna evenveel
chemie kon leeren als men kon halen uit een van die oppervlakkige
twee-kwartjes-boeken, die toen zoo algemeen gebruikt werden...
Ge ziet wel dat beiden doodgewone menschen waren, buiten hun
wetenschappelijke sfeer. En nog wel aan den onpractischen kant van het
gewone. En gij zult bevinden dat dit laatste het geval is, de geheele
wereld over, met "scientisten" als klasse. Wat er groots aan hen is,
is een kwelling voor hun medenatuurkundigen en een mysterie voor het
groote publiek; en wat niet groot is, is duidelijk genoeg.
Er bestaat inderdaad geen twijfel omtrent wat niet groot is, want
geen andere menschen-categorie heeft zulke in het oog vallende
kleinheden als zij. Zij leven in een erg begrensd wereldje zoover
het hun omgang met menschen betreft; hun navorschingen vergen een
oneindige aandacht, en een bijna kloosterachtige afzondering; en
wat er overblijft, is niet erg veel. Als men den een of anderen
eigenaardigen, blooden, misvormden, grijsharigen, opgeblazen
kleinen uitvinder van groote uitvindingen ziet, op belachelijke
wijze getooid met het breede lint van de een of andere ridderorde,
en receptie houdend voor zijne medemenschen; of den angst van "De
Natuur" leest, bij het "verwaarloozen der Wetenschap," als de engel
der geboortedag-eerelinten het Koninklijk Genootschap voorbijgaat;
of luistert naar den onvermoeiden mosplantkundige die een verhandeling
houdt over het werk van een ander onvermoeid mosplantkundige, komt men
tot de onvermijdelijke ervaring van de onveranderlijke menschelijke
kleinheid.
En toch is het rif der wetenschap, dat deze kleine "natuurkundigen"
bouwden en nòg bezig zijn te bouwen zoo wondervol, zoo gewichtig,
zoo vol geheimzinnige, nog half-gevormde beloften voor de groote
toekomst van den mensch! Zij schijnen zelf de dingen die zij doen
niet te beseffen! Zonder twijfel had de heer Bensington, toen hij
lang geleden dit beroep koos, toen hij zijn leven wijdde aan de
alkaloïden en hunne verwante samenstellingen, een vaag begrip van het
visioen--méér dan een vaag begrip waarschijnlijk. Want welke jonge man
zou zonder een inspiratie, voor zoo weinig glorie en positie als een
gewoon "natuurkundige" verwachten kan, zijn leven gegeven hebben aan
zulk werk? Neen zij moèten den roem er van gezien hebben, zij moeten
dit visioen gehad hebben, doch van zóó dichtbij, dat het hen verblind
heeft. De heerlijkheid ervan heeft hen verblind, (en dat is gelukkig),
zoodat zij voor het overige van hun leven de fakkel der kennis hoog
kunnen houden zonder berouw opdat wij kunnen zien.
En misschien wordt Redwood's afgetrokkenheid verklaard door het feit
dat hij (en daar bestaat nu geen twijfel meer aan) van zijne makkers
verschilde; en wel hièrin, dat er in zijn oogen nog iets van het
visioen schitterde.
II.
Ik noem het 't Voedsel der Goden, deze zelfstandigheid die de heer
Bensington en professor Redwood samen maakten; en in aanmerking nemend
wat het reeds gewrocht heeft, en alles wat het voorzeker nog zal doen,
is de naam beslist niet overdreven. En derhalve zal ik het zoo blijven
noemen mijn geheele verhaal door.
Doch mijnheer Bensington zou het evenmin zóó in koelen bloede hebben
durven noemen, als zijne kamers in Sloane-street te verlaten, gehuld
in koninklijk purper en met een lauwerkrans op. Deze benaming was niets
anders dan een eerste kreet van verbazing die hem ontsnapte. Hij noemde
het 't Voedsel der Goden, in zijn enthousiasme, en dit wel een uur
lang achter elkaar. Daarna kwam hij tot de conclusie dat het dwaas
was. Toen hij het eerst over de zaak nadacht, had hij als het ware
een uitzicht op enòrme mogelijkheden--eenvoudig enorme mogelijkheden,
doch na één blik van verbazing, sloot hij resoluut de oogen voor dit
verblindende uitzicht, zooals een conscientieus "natuurkundige" dit
behoort te doen. Hierna klonk "Het Voedsel der Goden" hem zóó snoeverig
toe, dat hij het bijna onbehoorlijk ging vinden. Hij was er verwonderd
over dat hij deze uitdrukking gebezigd had. Maar niettegenstaande dit,
was er tòch nog iets van dat helder-geziene oogenblik in hem blijven
hangen, en kwam telkens weder voor den dag...
"Waarachtig," zei hij, zich in de handen wrijvend en zenuwachtig
lachend, "het is van meer dan theoretisch belang."
"Bijvoorbeeld," deelde hij den professor in vertrouwen mede, zijn
gezicht dicht bij dat van den geleerde brengend en zachter sprekend,
"het zou misschien te verkóópen zijn, als het goed aangelegd werd."
"Precies als een voedingsstof," zei hij, een eindje wegloopend. "Of
ten minste als een voedingsbestanddeel. Natuurlijk aannemend dat
het smakelijk is. Iets wat we niet kunnen zeggen vóor we het bereid
hebben."
Hij wendde zich om op het haardkleed en bestudeerde aandachtig de
zorgvuldig afgewerkte spleetjes in zijn linnen schoenen.
"De naam?" zei hij, opkijkend, als antwoord op een vraag. "Wat mij
betreft hel ik over naar de goede oude klassieke zinspeling. Het--'t
maakt de wetenschap respectabel--geeft er een tikje ouderwetsche
waardigheid aan. Ik dacht zoo... Ik weet niet of je 't zot van me
zult vinden... een beetje verbeelding is nu en dan toch zeker wel
veroorloofd... Herakleophorbia. He? Het voedsel van een mogelijke
Hercules? Het zou best kùnnen, niet waar... Natuurlijk als jij denkt
dat het nièt...."
Redwood keek aandachtig in het vuur en opperde geen bezwaren.
"Geloof je dat die naam gaan zou?"
Redwood's hoofd bewoog zich ernstig.
"We konden het ook Titanophorbia noemen, zie je. Titanen-voedsel... of
lijkt het eerste je beter? Weet je zeker dat je het niet een beetje
tè...."
"Neen."
"Ha, daar ben ik blij om."
En aldus noemden zij het Herakleophorbia, zoolang hunne onderzoekingen
duurden; en in hun rapport,--het rapport dat nooit uitgegeven werd,
door de onverwachte gebeurtenissen die al hun schikkingen in de war
brachten,--wordt het ook voortdurend aldus genoemd. Er werden drie
verwante zelfstandigheden bereid voor ze dàt tot uitkomst kregen,
wat hunne berekeningen hun voorspeld hadden, en van deze drie
substantie's spraken zij als Herakleophorbia I, Herakleophorbia II
en Herakleophorbia III.
En--vasthoudend aan den oorspronkelijken naam dien Bensington het
gaf--noem ik hier Herakleophorbia IV het Voedsel der Goden.
III.
Het was een idee van den heer Bensington. Doch daar het hem aan de
hand gedaan werd door een van Professor Redwood's stukken in de
"Philosophische Verhandelingen," waaraan deze medewerkte, ging
hij dezen heer er behoorlijk over raadplegen vóor hij het verder
uitwerkte. Bovendien was het zoo goed een physiologisch als een
scheikundig onderzoek.
Professor Redwood was een van die mannen der wetenschap, die
verslaafd zijn aan diagrammen en kromme lijnen. Gij weet wel--als
ge tenminste ook maar eenigszins tot het soort lezers behoort waar
ik van houd--welk soort van wetenschappelijk artikel ik bedoel. Het
is een verhandeling waar ge geen touw aan kunt vastknoopen, en aan
het einde komen er vijf of zes lange opgevouwen figuren, die men
ontvouwen kan en eigenaardige zigzag-lijnen, overdreven bliksemflitsen,
of onverklaarbare kronkelende dingen doen zien, die "vlakke lijnen"
worden genoemd, getrokken op ordinaten en wortelend in abscissae--en
dergelijke dingen. Ge zit een heelen tijd te gissen, en eindigt met
een vaag vermoeden dat niet alleen gìj het niet begrijpt, maar dat de
schrijver zelf dit evenmin doet. Maar zonder gekheid, verscheidene
van deze mannen der wetenschap begrijpen hun eigen schrifturen heel
goed: het is eenvoudig een gebrek aan duidelijk uitdrukken dat deze
hinderpaal tusschen hen en ons opwerpt.
Ik voor mij geloof dat Redwood in rechte en kromme lijnen dacht. En
na zijn monumentaal werk over den Duur der Reactie-beweging (den
onwetenschappelijken lezer verzoek ik zich hier nog een beetje meer
in te werken, dan zal alles hem zoo helder zijn als klaarlichte dag)
begon Redwood voor den dag te komen met vlakke gebogen lijnen en
sphygmographeriën over Groei, en het was een van zijn stukken over
"de Groei," dat den heer Bensington op het denkbeeld bracht.
Redwood, moet ge weten, had allerlei groeiende dingen opgemeten, zooals
jonge katten, jonge honden, zonnebloemen, paddestoelen, boonstengels
en (tot zijn vrouw er een stokje voor stak) zijn eigen baby, en hij
toonde aan, dat de groei zich voortzette, niet gelijkmatig of zooals
hij het aanduidde:
[Afbeelding: Diagonale lijn omhoog.]
maar met plotselinge zetten en tusschenpoozen, ongeveer als volgt:
[Afbeelding: Getrapte lijn omhoog.]
en dat, voor zoover hij kon uitmaken, nièts regelmatig en staag
kòn doorgroeien; het leek alsof ieder levend wezen kracht moest
opgaren om te groeien, slechts voor eenigen tijd krachtig groeide,
en dan weder een zekeren tijd moest wachten vóor het met groeien
kon voortgaan. En in de bedekte en uitermate technische taal van
den werkelijk voorzichtigen "natuurkundige," opperde Redwood,
dat het groeiproces waarschijnlijk de aanwezigheid van de een of
andere substantie in het bloed noodzakelijk maakte, dat slechts
zeer langzaam gevormd werd, en dat als deze substantie door den
groei verbruikt was, zij slechts zeer langzaam weder aangevuld kon
worden, en het organisme onderwijl tijd moest gelaten worden. Hij
vergeleek zijn onbekende substantie bij olie in een machine. Een
groeiend dier had werkelijk veel gemeen met een machine, die zich een
zekeren afstand kon voortbewegen, en dan geölied moet worden voor
zij verder loopen kan. ("Doch waarom zou men de machine niet van
bùìten-af van olie voorzien?" zei de heer Bensington, toen hij het
stuk las). "En dit alles," zei Redwood met het heerlijke zenuwachtige
over-tusschenliggende-gedachten-heenspringen van zijn klasse, "zou
waarschijnlijk licht kunnen werpen op het mysterie van enkele der
niet-geleidende klieren." Alsof dìe er iets mee uit te staan hadden!
In een volgende verhandeling ging Redwood reeds verder. Hij gaf een
waar "Brock's Benefit" [1] van diagrammen--die precies leken op de
banen van vuurpijlen; en de clou ervan--voor zoover het eenige clou
bevatte--was, dat het bloed van jonge honden en katten, en het sap
van zonnebloemen en het sap van paddestoelen, als deze waren in wat
hij noemde "het groei-stadium," verschilde in de aanwezig-zijnde
proporties van zekere deelen van het bloed en sap, op de dagen dat
zij niet bijzonder sterk groeiden.
En toen Bensington, na de figuren op hun kant en onderstboven gehouden
te hebben, begon te zien wat dit verschil was, werd hij uitermate
verbaasd. Omdat, ziet ge, het verschil mogelijk veroorzaakt werd door
de aanwezigheid juist van diè substantie, welke hij kort te voren
getracht had te isoleeren bij zijn onderzoek van diè alkaloïden,
welke het zeerst het zenuwstelsel stimuleeren. Hij legde Redwood's
verhandeling op den gepatenteerden lessenaar, die ongemakkelijk
weg-draaide van zijn leunstoel, nam zijn gouden bril af, ademde erop,
en wreef hem zeer zorgvuldig af.
"Allemachtig!" zei de heer Bensington.
Toen hij zijn bril weder had opgezet, wendde hij zich weder naar den
lessenaar, die, zoodra zijn elboog er tegen stootte, een coquet gepiep
liet hooren, en de verhandeling met al haar figuren op den grond deed
belanden, verfrommeld en verspreid.
"Groote hemel!" zei mijnheer Bensington, zijn buik over den leunstoel
rekkend met een geduldige minachting voor de gewoonten van dit
gemakkelijk meubelstuk, en toen, bevindend dat de brochure nog buiten
zijn bereik lag, liet hij zich op de handen vallen, om de stukken
bijeen te garen. Op den grond viel het denkbeeld hem eigenlijk in,
het "'t Voedsel der Goden" te noemen...
Want ziet ge, als hij het bij het rechte eind had, en Redwood eveneens,
zou hij, door deze nieuwe substantie in te spuiten of door ander
voedsel te mengen de rustpoos geheel buiten rekening kunnen laten,
en in plaats dat de groei aldus ging:
[Afbeelding: Getrapte lijn omhoog.]
zou hij (als ge mij volgen kunt) aldùs gaan:
[Afbeelding: Diagonale lijn omhoog.]
IV.
Bensington deed den nacht na zijn gesprek met Redwood haast geen oog
dicht. Eens meende hij in den dommel te raken, doch dit was slechts
voor een oogenblik en toen droomde hij dat hij een diep gat in de
aarde gegraven had, en daarin tonnen vol Godenvoedsel wierp en de
aarde zette al meer en meer uit, en al de grenzen der verschillende
landen scheurden, en het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap was
als één man aan het werk, als één gróót kleermakersgilde, om den
equator ùit te leggen...
Het was natuurlijk een belachelijke droom, doch het toont veel
beter dan één der dingen, die hij zeide of deed als hij wakker en
op zijn hoede was, den staat van geestelijke opwinding aan, waarin
hij verkeerde. Anders zou ik er geen melding van gemaakt hebben,
daar ik over het algemeen het elkaar-droomen-vertellen volkomen
onbelangrijk vind.
Door een vreemde toevalligheid droomde Redwood dien nacht eveneens,
en wat hij droomde was het volgende:
[Afbeelding: Lijn recht omhoog.]
Het was een figuur dat vurig stond afgedrukt op een lange rol, die
zich tot in het oneindige verlengde. En hij (Redwood) stond op een
planeet voor een soort van zwart podium; en hij hield een lezing over
den nieuwen groei die nu mogelijk was, voor het Meer dan Koninklijk
Instituut van Oorspronkelijke Krachten,--krachten die tot dan toe,
zelfs bij den groei der rassen, keizerrijken, sterrenstelsels en
werelden steeds aldus gewerkt hadden:
[Afbeelding: Getrapte lijn omhoog.]
En in sommige gevallen zelfs zoo:
[Afbeelding: Lijn, eerste in stappen omhoog, dan curve naar beneden.]
En hij was bezig heel helder en vol overtuiging uit te leggen dat
deze langzame, achteruitgaande methoden weldra geheel uit de mode
zouden zijn door zijne ontdekking.
Belachelijk natuurlijk. Doch ook dit toont aan--
Dat elk van deze beide droomen moet beschouwd worden als ook maar
eenigermate meer beteekenisvol of profetisch dan ik categorisch gezegd
heb, zou ik geen oogenblik durven opperen.
HOOFDSTUK II.
DE PROEF-HOEVE.
I.
Bensington nam zich oorspronkelijk voor, met zijn goedje proeven
te nemen op jonge donderpadden, zoodra hij het werkelijk kon
produceeren. Dergelijke dingen worden altijd het eerst geprobeerd op
donderpadden; want daar zijn kikkers toch voor!--En zij kwamen overeen
dat hij en niet Redwood de proefnemingen zou doen, omdat Redwood's
laboratorium in beslag genomen werd door den projectiel-snelheidsmeter
en de dieren, die noodig waren voor een onderzoek naar de Dagelijksche
Afwijking in het aantal horenstooten per dag van den Jongen Stier,
een onderzoek dat kromme lijnen van abnormale en zeer verwarrende soort
opleverde, en de aanwezigheid van glazen bollen met donderpadjes erin
was bijzonder ongewenscht, zoolang bovengenoemd onderzoek juist in
vollen gang was.
Doch toen de heer Bensington zijn nicht Jane iets toevertrouwde van
wat hij in het hoofd had, sprak zij onmiddellijk haar veto uit over den
invoer van donderpadden of dergelijke wezens om op te experimenteeren,
in hun verdiepingwoning. Zij had niet het minste bezwaar dat hij
een der vertrekken van hun verdieping gebruikte voor dingen zooals
scheikunde waar geen ontploffingen bij te pas kwamen, en die geen
nadeelige gevolgen had wat haar zelve betrof; zij had geen bezwaar
dat hij een gas-fornuis en een gootsteen en een stof-vrije kast er op
nahield, die veilig bleven voor den wekelijkschen storm der schoonmaak
dien zij op andere plaatsen duchtig liet woeden. En daar zij lieden
gekend had die aan den drank verslaafd waren, beschouwde zij zijn haken
naar onderscheiding in geleerde genootschappen als een uitmuntende
plaatsvervanger voor den groveren vorm van verdorvenheid. Doch
massa's levende dingen, die zoo "kronkelerig" waren als ze leefden en
"stinkerig" als ze dood waren, dat kon en wilde ze niet dulden. Zij
zei, dat dergelijke dingen beslist ongezond moesten zijn, en dat
Bensington een man was die erg moest oppassen--en dat het onzin zou
zijn als hij wilde beweren dat dit niet zoo was.
En toen Bensington probeerde haar het enorme gewicht van deze mogelijke
ontdekking te doen zien, zeide ze dat 't allemaal goed en wel was,
maar dat, als zij hem toestond alles in huis akelig en ongezond te
maken (en daar kwam 't toch maar allemaal op neer), hij de eerste
zou zijn om zich te beklagen.
En mijnheer Bensington liep het vertrek op en neer, niet lettend op
zijn eksteroogen, en praatte langen tijd met veel gedecideerdheid, en
zelfs misnoegen in zijn stem, zonder het geringste effect. Hij opperde
dat niets de Bevordering der Wetenschap in den weg behoorde te staan
en zij zeide dat de Bevordering der Wetenschap allemaal heel goed en
wel was, maar dat een hoop donderpadden op een bovenverdieping háár te
machtig was; hij zei dat het in Duitschland een voldongen feit was,
dat een man met een idee als het zijne onmiddellijk twintig duizend
goed-ingerichte kubieke voet laboratorium tot zijn beschikking zou
krijgen, en zij zei dat ze blij was, en altijd blij was geweest, dat ze
geen Duitsche was; hij zei dat het hem voor altijd beroemd zou maken
en zij zei dat er veel meer kans bestond dat het hem ziek zou maken,
als hij een hoop donderpadden op een verdieping als de hunne hield; hij
zei dat hij baas in zijn eigen huis was, en zij zei dat zij dan maar
liever directrice van een school werd, dan te moeten zorgen voor een
hoop enge jonge kikkers; en toen verzocht hij haar niet zulken onzin
te praten en zij verzocht hem hetzelfde, en verzocht hem die ideeën
over kikkers te laten varen; en hij zei dat ze wel een beetje meer
respect voor zijn ideeën kon hebben, en zij zei dat zij dat niet kon
of wilde als er zoo'n "luchtje" aan was--en toen--niettegenstaande de
klassieke opmerkingen die Huxley over dit punt gemaakt heeft--verloor
hij alle geduld en zei een goddeloos woord. Niet zoo heel goddeloos,
maar toch plat genoeg. En toen was zij zeer beleedigd en hij moest
excuus vragen, en het vooruitzicht het Godenvoedsel ooit op hun
verdieping op kikkers te probeeren, verdween geheel in het excuus.
Derhalve moest Bensington er iets anders op zien te vinden om zijn
proefnemingen op het gebied van voeding, die noodig zouden zijn om
zijn ontdekking te demonstreeren, te kunnen uitvoeren, zoodra hij zijne
zelfstandigheid afgezonderd en bereid had. Eenige dagen lang bepeinsde
hij de mogelijkheid zijn kikkers bij den een of anderen vertrouwden
persoon in den kost te doen en toen richtte het toevallig-zien van
de uitdrukking in een courant zijne gedachten op een "Proef-Hoeve."
En kuikens. Direct toen hij er aan dacht, dacht hij eraan als aan een
hoenderfokkerij. Plotseling kreeg hij een visioen van reusachtig-sterk
groeiende kuikens. Hij zag voor zich een beeld van rennen, en hokken,
hokken die àl grooter en grooter werden, en rennen die in grootte hier
gelijken tred mede hielden. Kuikens zijn zoo gemakkelijk te naderen,
zoo gemakkelijk te voederen en waar te nemen, zóóveel droger om te
hanteeren en te meten, dat kikkers hem voor zijn doel nu erg wilde
en onhandelbare beesten toeleken. Hij kon maar niet begrijpen hoe
het kwam dat hij niet aan kuikens en wèl aan kikkers gedacht had van
het begin af. Onder meer, zou het hem al dat gezeur met nicht Jane
bespaard hebben. En toen hij het Redwood voorstelde, was deze het
volkomen met hem eens.
Redwood zei overtuigd te zijn dat experimenteele physiologen een
grooten misslag begingen met proeven te doen op noodeloos-kleine
dieren. Het stond precies gelijk met experimenteeren in de scheikunde
met een onvoldoende hoeveelheid materiaal; fouten in opmerking en
behandeling worden onevenredig groot. Het was, juist in dezen tijd,
van buitengewoon groot gewicht, dat de wetenschappelijke mannen
hun recht lieten gelden op groot materiaal. Dat was dan ook de reden
waarom hij zijn tegenwoordige experimenten aan het Bond-street College
verrichtte op jonge stieren, niettegenstaande zekere mate van ongerief
voor de studenten, en professoren die in andere vakken college gaven,
door de lichtzinnigheid en het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel
van deze dieren in de corridors nu en dan. Doch de kromme lijnen,
die hij kreeg, waren buitengewoon belangwekkend en zouden, zoo ze
uitkwamen, zijn keuze ten volle rechtvaardigen. Wat hemzelf betrof,
zoo de wetenschap niet zoo stiefmoederlijk bedeeld ware geweest in
dit land, zou hij nooit, als het niet hoefde, experimenteeren op iets
kleiners dan een walvisch. Maar een Publiek Vivarium, van voldoende
grootte om dit mogelijk te maken, was, vreesde hij, op dit oogenblik
in dit land tenminste, een Utopistische eisch. In Duitschland--enz.
Daar Redwood's jonge stieren zijn dagelijksche zorg vereischten, kwam
het kiezen en uitrusten der Proef-Hoeve grootendeels op Bensington
neer. Ook werd overeengekomen dat alle kosten zouden bestreden worden
door Bensington, tot zij voldoende van buitenaf gesteund werden om het
experiment voort te zetten. Derhalve wisselde hij zijn werk in het
laboratorium op zijn verdieping af met de jacht naar een pachthoeve
langs de spoorweglijnen, die van London naar het zuiden loopen,
en zijn glurende bril, zijn vriendelijke kaalhoofdigheid, en zijn
opengewerkte linnen schoenen, vervulden de eigenaars van tallooze
onverhuurbare eigendommen met ijdele hoop. En hij adverteerde in
verscheidene dagbladen en in "de Natuur," om een verantwoordelijk paar
(gehuwd) dat nauwgezet en handig was, en gewoon met hoenders om te
gaan, om het algeheele beheer van een Proef-hoeve van een grooten
bunder op zich te nemen.
Hij vond de plaats die hij noodig had te Hickleybrow, dicht bij Urshot
in Kent. Het was een eigenaardige, afgelegen plek, in een vallei,
omzoomd door pijnbosschen, die des avonds donker en ongastvrij
waren. Een hooge heuvel sneed het af van den zonsondergang en een
grillige put met een uit elkaar hangend afdak deed het gebouw kleiner
lijken dan het was. Tegen het kleine huis klommen geen klimplanten
op, er waren verscheidene ruiten gebroken, en de wagenschuur wierp
zelfs in den middag een donkere schaduw. Het lag op anderhalven mijl
van het laatste huis van het dorp en de eenzaamheid ervan werd op
twijfelachtige wijze vervroolijkt door een rondwandelende familie
van echo's.
De plaats leek Bensington bijzonder geschikt voor wetenschappelijk
onderzoek. Hij liep het erf rond, hokken en rennen teekenend met
een zwaaienden arm, en bevond dat de keuken zonder veel verandering
te behoeven te ondergaan een aantal broedtoestellen en kunstmoeders
kon bergen.
Hij nam de plaats onmiddellijk; en op den terugweg naar Londen stapte
hij uit te Dunton Green, en engageerde een geschikt paar dat op zijn
advertenties geschreven had, en nog dien zelfden avond slaagde hij
erin een voldoende hoeveelheid Herakleophorbia I te isoleeren om deze
schikkingen meer dan te rechtvaardigen.
Het geschikte paar, dat onder Bensington de eerste aalmoezeniers op
aarde van het Voedsel der Goden zou zijn, was niet alleen zeer merkbaar
op jaren, maar ook buitengewoon vuil. Bensington merkte dit laatste
niet op, omdat niets het algemeene opmerkingsvermogen zoozeer afstompt
als een leven van experimenteele wetenschap. Zij heetten menheer en
juffrouw Skinner, en de heer Bensington interviewde hen in een klein
vertrek mat hermetisch gesloten vensters, een verweerden spiegel
boven den schoorsteenmantel en een paar kwijnende calceolaria's.
Juffrouw Skinner was een heel klein oud vrouwtje, zonder muts, met
vuil-wit haar dat erg plakkerig was weggekamd van een gezicht dat
oorspronkelijk al bestond uit, en nu, door het verlies van tanden
en kin, en het rimpelen van wat er verder was, eindigde met bijna
uitsluitend te zijn--neus. Zij was gekleed in lei-kleurige kleedij
(voor zoover haar japon tenminste nog kleur had), die op een plaats
gelapt was met een strook rood flanel. Zij liet hem binnen en praatte
zeer bedachtzaam tegen hem, en gluurde naar hem om en over haar neus,
terwijl ze hem in vertrouwen mededeelde dat Skinner eenige wijziging
in zijn toilet aan het aanbrengen was. Zij bezat één tand, die haar
uitspraak in den weg stond, en zij hield haar lange gerimpelde
handen zenuwachtig saamgeperst. Zij vertelde den heer Bensington
dat zij al jaren met hoenders had omgegaan, en alles wist omtrent
broedmachines; ja, zij zelven hadden eens een hoenderpark gedreven,
en het was eindelijk alléén failliet gegaan door gebrek aan leerlingen.
"Ziet u," zeide juffrouw Skinner, "de leerlingen, die brenge de
cente in."
Meneer Skinner bleek bij zijne verschijning te zijn een man met
een groot breed gezicht, die lispelde en zóó erg scheel zag, dat
hij over uw hoofd heenkeek; hij had opengesneden pantoffels aan,
die Bensington dadelijk voor hem innamen, en hij zat erg schaars in
zijn knoopen. Hij hield met één hand zijn jas en hemd bij elkaar, en
trok, met den wijsvinger van de andere, modellen op het zwart-met-goud
tafelkleed, terwijl zijn eene oog dat hiernaar niet keek, Bensington's
zwaard van Damocles (om het zoo maar eens uit te drukken), gadesloeg
met een eenigszins droevige los-van-de-wereld-zijnde uitdrukking:
"U wilt dethe boerderij niet drijven om de winst. Neen, meneer. 't
Komt alleth op 't zelfde neer, mijnheer. Proeven! Net thoo!"
Hij zeide dat ze dadelijk naar de boerderij konden vertrekken. Hij
deed niets te Dunton Green dan een beetje kleermaken. "'t Ith niet
zoo'n voordeelige plaatsth als ik dacht, en wat ik daar maak, ith
haastht niet de moeite waard," zeide hij, "thoodat, als 't u beter
thchikt, wij dadelijk..."
En binnen een week waren meneer en juffrouw Skinner op de boerderij
geïnstalleerd, en de karwei-timmerman van Hickleybrow wisselde de
taak van kippehokken-timmeren en rennen-maken af met een systematisch
gesprek over den heer Bensington.
"Ik heb hem nog niet veel gethien," zeide de heer Skinner. "Maar
voorzoover als ik uit hem wijth heb kunnen worden, lijkt hij mij een
stomme ouwe dwaath."
"Ik dacht wel dat er een van z'n vijf op den loop was," zei de
timmerman van Hickleybrow.
"Hij denkt, dat ie wat weet van hoenderth," zeide de heer
Skinner. "Heerem'ntijd! Als je 'm hoorde, zou je denken dat niemand
wat van hoenderth wisht dan hij."
"'IJ ziet er zelf uit as een 'en," zeide de timmerman van Hickleybrow;
"misschien door z'n bril."
De heer Skinner kwam wat dichter bij den timmerman van Hickleybrow
staan, en sprak vertrouwelijk met hem, en het eene treurige oog
keek naar het verwijderde dorp, en het andere schitterde en keek
kwaadaardig. "Moete èlke dag gemete worde,--iedere kip, thegt ie. Om
te thien of the goed groeie. Nou theg,--he? Iedere kip, thowerachtig,
iedere dag."
En de heer Skinner stak zijn hand op om er achter te lachen op een
beschaafde, en aanstekelijke manier, en haalde de schouders erg hoog
op--en alleen zijn andere oog deelde niet in den lach. Toen, eraan
twijfelend of de timmerman het fijne van de zaak wel gesnapt had,
herhaalde hij met een doordringend gefluister: "gemète!"
"'IJ is nog erger dan onze ouwe baas; verdompeld as 't niet waar is,"
zei de timmerman van Hickleybrow.
II.
Experimenteeren is het langzaamste werk ter wereld; (de rapporten
erover in de "Philosophische Verhandelingen" zijn misschien nòg
vervelender) en het leek den heer Bensington erg lang toe, vóór
zijn eerste droom van enorme mogelijkheden vervangen werd door een
kruimpje verwerkelijking. Hij had de Proef-Hoeve in October gekocht,
en het was al Mei voor het eerste succès begon te dagen. In dien
tijd moesten Herakleophorbia I, II en III geprobeerd worden, en
mislukten; er ontstond last met de ratten op de boerderij en óók met
de Skinners. De eenige manier om Skinner ertoe te krijgen te doen
wat hem gezegd werd, was hem te dreigen met ontslag. Dan placht hij
met zijn vlakke hand over zijn ongeschoren kin te wrijven--hij was
steeds op de meest wonderbaarlijke manier ongeschoren en toch had
hij nooit een baard--en naar den heer Bensington te kijken met één
oog, en over hem heen met het andere en te zeggen: "O, natuurlijk,
meneer--als 't u ernst ith...!"
Doch eindelijk brak de dageraad aan. En zijn heraut was een brief in
het lange spichtige handschrift van den heer Skinner.
"Het nieuwe Broeisel is uit," schreef de heer Skinner, "en ik kan niet
zeggen dat ze me bijzonder bevallen. Groeien erg spichtig op--heelemaal
niet zooals dat andere toom was, vóór u uw laatste orders gaf. De
anderen, vóór de kat ze te pakke kreeg, waren flinke, tierige kuikens,
maar deze groeie als distels. Nooit zoo iets gezien. Ze pikken zóó
hard, dat ik onmogelijk de juiste maat van ze kan geven. 't Zijn ware
Reuzen en eten net zooveel. We zulle heel gauw weer graan noodig hebbe
want nooit heb je kuikens zóó zien ete'. Grooter dan Bantams. Als
ze zoo dóor gaan, zullen ze, al zijn ze ook spichtig, gauw groot
genoeg zijn voor een tentoonstelling. Plymouth Rocks zijn er niks
bij. Gisteren avond ben ik erg geschrokken, omdat ik dacht dat de kat
achter ze zat, en toen ik uit het raam keek zou ik er op hebben kunnen
zweren dat ik 'em onder het ijzerdraad door in het hok zag kruipen. De
kuikens waren allemaal wakker, maar ik kon geen kat ontdekken. Daarom
gaf ik ze maar wat koren, en sloot alles goed toe. Wees zoo goed me
te melden of ik met het voer moet doorgaan zooals u gezegd heb. Het
voeder dat u mengde is bijna allemaal op en ikzelf meng liever niets
meer, na het ongeluk met de pudding. Met onze vriendelijke groeten,
en ons in uwe gunst aanbevelend verblijf ik,
Hoogachtend,
Alfred Newton Skinner.
De toespeling aan het einde sloeg op een melkpudding waar op de een
of andere onverklaarbare wijze wat Herakleophorbia II in geraakt was,
met pijnlijken en bijna noodlottigen afloop voor de Skinners.
Doch de heer Bensington, die tusschen de regels doorlas, zag in den
weligen groei de bereiking van zijn lang gezocht doel. Den volgenden
morgen stapte hij uit te Urshot en in de tasch in zijn hand droeg
hij, goed verzegeld, in drie bussen, een voorraad Voedsel der Goden,
voldoende voor alle kuikens in Kent.
Het was een heldere, mooie morgen, laat in Mei en zijne likdoorns waren
zooveel beter, dat hij besloot door Hickleybrow naar zijn boerderij
te wandelen. Het was goed drie en een halve mijl, door het park en
het dorp, en dan langs de valleien van de Hickleybrowsche afgesloten
jachtgronden. De boomen waren allen als met een waas van groene
loovertjes bedekt, de heggen waren vol kamille en paaschbloemen, en
de bosschen vol blauwe hyacinthen en roode orchideeën; en overal was
gerucht van vogels, grijze lijsters, merels, roodborstjes, vinken en
vele andere soorten en in een warmer hoekje van het park ontvouwde
zich wat brem, en renden en sprongen vaalroode herten rond.
Deze dingen deden Bensington terugdenken aan het vroegere en
nu vergeten genot dat hij in het leven vond; voor zijne oogen
werd de belofte zijner ontdekking levend en vreugdevol, en het
scheen hem werkelijk toe dat hij den gelukkigsten dag zijns levens
bereikt had. En toen hij in den door de zon verlichten ren bij het
zandheuveltje onder de schaduw der pijnboomen de kuikens zag die van
het voedsel dat hij voor hen gemengd had, hadden gegeten, reusachtig
en onbeholpen, nù al grooter dan menige kip die getrouwd en gezet is,
en nog steeds groeiend, nog in hun eersten zachten gelen dos (licht
getint met bruin over den rug), toen begreep hij ten volle dat zijn
gelukkigste dag was aangebroken.
Op aandrang van meneer Skinner ging hij den ren binnen, doch nadat hij
een of tweemaal door de spleten in zijn schoenen gepikt was, kwam hij
er maar weer uit, en sloeg deze monsters gade door het traliewerk. Hij
bracht het hoofd heel dicht erbij, en volgde al hunne bewegingen,
alsof hij nooit tevoren een kuiken gezien had.
"Je kunt er haath niet inkomme hoe ze d'er zulle uitzien as ze volwasse
benne," zei de heer Skinner.
"Groot als een paard," zei de heer Bensington.
"Thal niet veel thchelen," zei Skinner.
"Verscheiden menschen zouden hun maal kunnen doen van één
vleugel!" zeide de heer Bensington. "Zij zouden aan stukken te snijden
zijn als rundvleesch."
"The thullen anderth wel niet doorgaan met tho hard te groeien,"
zeide Skinner.
"Niet?" zei de heer Bensington.
"Nee," zei de heer Skinner. "Ik ken dit thoort. Thij beginne geil,
maar the thcheijen er gauw mee uit!"
Er volgde een oogenblik stilte.
"'t Ith nikth anderth dan de behandeling, die 't em doet," zeide de
heer Skinner bescheiden.
De heer Bensington wendde plotseling zijn bril naar hem toe.
"We fokten ze haatht net tho groot op onthe eigen sthtee," zeide
meneer Skinner, zijn goede oog vroom ten hemel slaand, en een beetje
loskomend; "ik en m'n vrouw."
Bensington deed zijne gewone ronde over het erf, doch keerde spoedig
naar den ren terug. Het was werkelijk meer dan hij had durven hopen. De
gang der wetenschap is zoo kronkelig en zoo langzaam; na de duidelijke
beloften en vóór de verwerkelijking komt, zijn dikwijls jaren en
jaren van ingewikkeld gescharrel noodig en hier--hier droeg het
Voedsel der Goden reeds vrucht na weinig meer dan één proefjaar! Het
leek hem alles tè mooi--tè mooi. De uitgestelde verwachting die het
dagelijksch voedsel is der wetenschappelijke verbeelding, zou nu niet
langer zijn deel zijn!
Zoo leek het hem tenminste toèn. Hij kwam telkens weder naar den ren
en staarde verbaasd naar zijn wondere kuikens.
"Laat ik eens kijken," zeide hij. "Ze zijn nu tien dagen oud. En ik
zou denken dat ze, vergeleken bij een gewoon kuiken, ongeveer zes of
zeven maal zoo groot zijn..."
"'t Wordt tijd dat we opthlag van loon vrage," zeide Skinner tot
zijne vrouw. "Hij ith tho lekker ath wat, dat we die kuikes in de
tweede ren tho ver gekrege hebbe,--zoo lekker ath wat."
Hij boog zich vertrouwelijk naar haar over.
"'IJ denkt dat 't dat goedje van 'em ith," zeide hij achter zijn hand,
en deed een onderdrukt gelach hooren in zijn keelholte...
De heer Bensington was wèl een gelukkig man dien dag. Hij was niet
in de stemming om te vallen over kleinigheden in het beheer. Het
heldere daglicht deed weliswaar de groeiende slordigheid en vuilheid
der Skinners duidelijker dan ooit zien, doch zijn aanmerkingen waren
zeer zacht. De schotten van verscheidene hokken waren in staat van
verval, doch hij scheen den uitleg van Skinner zeer geldig te vinden,
toen deze hem in vertrouwen mededeelde, "dat 't 'n hond of een foth
of ietsth dergelijkth wath dat 't dee."
Bensington wees hem er op, dat de broedmachine niet schoongemaakt was.
"Dat is ie ook niet, meneer," zei juffrouw Skinner met over elkaar
geslagen armen, en zedig glimlachend achter haar neus. "'t Is as of
we geen tijd gehad hebbe, om 'em schoon te make sints we hier zijn..."
Hij ging naar boven om naar de rattenholen te zien, waarvoor Skinner
een val wilde hebben--zeer zeker waren ze enorm groot--en ontdekte
dat het vertrek, waarin het Voedsel der Goden vermengd werd met meel
en zemelen, in schandelijke wanorde verkeerde. De Skinners behoorden
tot het slag van lieden, die gebarsten schotels, oude bussen, en
flesschen van ingemaakte augurken en mosterdpotjes nog wel ergens
voor weten te gebruiken, en het vertrek was er mee bezaaid. In een
hoek lag een groote hoop appels, die Skinner bijeengegaard had, te
rotten en aan een spijker aan het afloopend gedeelte der zoldering
hingen verscheidene konijnenvellen, waarop hij zijne vaardigheid als
bontwerker wilde beproeven. ("The kunne mìjn niet veel meer leere
van bont en tho," zeide Skinner).
De heer Bensington haalde weliswaar critisch den neus op voor
deze wanorde, doch hij maakte geen noodeloos kabaal, en zelfs
toen hij een wesp zich vond te goed doen in een medicijnpot, half
vol Herakleophorbia IV, merkte hij eenvoudig kalm op, dat ze zijn
substantie liever moesten afsluiten voor de vocht, dan het zóó aan
de lucht bloot te stellen.
En hij wendde zich af, om op te merken, wat hem al eenigen tijd in het
hoofd gezeten had: "ik geloof, Skinner--dat ik maar een van de kuikens
zal slachten,--eenvoudig om een exemplaar te hebben. Ik denk dat we
't vanmiddag nog kunnen slachten, dan neem ik 't mee naar Londen."
Hij deed alsof hij in een anderen medicijnpot keek en nam toen zijn
bril af om die schoon te wrijven.
"Ik zou graag," zeide hij, "ik zou erg graag een reliquie--een
aandenken juist van dìt broedsel en speciaal op dèzen dag--hebben."
"Tusschen twee haakjes," zei hij, "je geeft die kuikens toch geen
vleesch?"
"O, nee, meneer," zei Skinner, "dàt kan ik je verthekere, meneer,
dat we nog tè veel afwete van hoenderthfokke, van welken aard dan ook,
om thóó ietsth te doen."
"Dus je weet zeker dat je geen restantjes van je middageten werpt
in--ik meende de beenderen van een konijn te zien liggen in den
versten hoek van de ren--"
Doch toen zij ze eens bekeken, bevonden zij dat het de grootere
beenderen van een kat waren, erg goed schoongepikt, en al erg droog.
III.
"Dàt is geen kuiken," zei Bensington's nicht Jane. "Denk je dat ik
geen kuiken ken," zei Bensington's nicht Jane heftig. "'t Is véél
te groot voor een kuiken, en bovendien, je kunt héél goed zien, dat
't geen kuiken is. Het lijkt meer op een trapgans dan op een kuiken."
"Ik moet zeggen," zei Redwood, aarzelend, Bensington noode toestaand
hem in het dispuut te betrekken, "ik moet bekennen, dat, de bewijzen
in aanmerking genomen--"
"O, als u dát doet," zei nicht Jane, "in plaats van uw oogen te
gebruiken als een verstandig man--"
"Nee maar, heusch, juffrouw Bensington--!"
"Och, loop heen!" zei nicht Jane. "Jullie mannen zijn allemaal
't zelfde."
"De bewijzen in aanmerking nemend, valt dit dier toch zeker onder dit
soort--ongetwijfeld is het abnormaal, en overvoed, maar tòch--vooral
daar het gekomen is uit het ei van een normale kip--geloof ik toch,
juffrouw Bensington, te moeten toegeven, dat dit, voor zoover men
het ièts kon noemen, een kuiken is."
"Dus u denkt dat dit een kuiken is?" zei nicht Jane.
"Ik gelóóf dat dit een kuiken is," zei de heer Redwood.
"Wat een onzin!" zei Bensington's nicht Jane, en "och," (dit gericht
tegen Redwood's hoofd) "jullie met je onzin," en toen keerde zij zich
plotseling om, ging de kamer uit en sloeg de deur achter zich dicht.
"En 't is een heele opluchting, ook voor mij, het te zien, Bensington,"
zei Redwood, toen de nagalm van het dichtslaan der deur weggestorven
was. "Al moet ik zeggen dat 't erg groot is."
Zonder dat Bensington hem hiertoe behoefde uit te nooden, ging hij
in den lagen leunstoel bij het vuur zitten en bekende dingen bedreven
te hebben, die zelfs voor een leek ongepast zouden zijn geweest.
"Je zult het wel wat overhaast van me vinden, Bensington," zei hij,
"maar de quaestie is, dat ik een klein beetje--niet erg veel--maar
toch, een beetje--in de flesch van baby gedaan heb, nu zoowat een
week geleden!"
"Maar als nu--!" riep Bensington uit.
"Jawel, dat weet ik," zeide Redwood, en keek naar het reuzenkuiken
op den schotel op tafel.
"'t Is gelukkig goed afgeloopen," en hij zocht in zijn zak naar
zijne cigaretten.
Bij stukjes en beetjes gaf hij de bijzonderheden:
"Arme kleine kerel, kwam maar niet vooruit in gewicht... vreeselijk
ongerust. Winkles, een vent van niks... vroegere leerling van me... deê
niks... m'n vrouw, onbeperkt vertrouwen in Winkles... Je weet wel,
een man met een optreden als een rots... overdonderend... Niets geen
vertrouwen in mìj, natuurlijk... Gaf Winkles les... mocht nauwelijks
in de kinderkamer komen... moest toch ìets gedaan worden... sloop
naar binnen toen de zuster zat te ontbijten... en kreeg de flesch
in handen."
"Maar dan zal het aan 't groeien gaan," zei de heer Bensington.
"Het gróéit al. Zevenentwintig ons verleden week... Nu moet je Winkles
'es hooren. "Ligt alleen aan de behandeling," zei hij.
"Wel allemachtig! precies 't zelfde zei Skinner!"
Redwood keek nog eens naar het kuiken. "'t Moeilijke van de zaak is,
om het aan den gang te houden. Ze vertrouwen mij niet meer alleen
in de kinderkamer, omdat ik probeerde een groei-lijn van Georgina
Phyllis te krijgen--en hoe moet ik em nu een tweede dosis geven--"
"Is 't noodig?"
"Hij schreit al twee dagen--hoe dan ook, met zijn gewone voedsel kàn
hij niet doorgaan. Moet nu méér hebben."
"Zeg 't aan Winkles."
"Winkles kan naar den duivel loopen!" zei Redwood.
"Je kondt Winkles in den arm nemen, en hem poeders geven om aan het
kind te geven--"
"Ja, daar zal wel niets anders op zitten," zeide Redwood, zijn kin
op zijn vuist latend rusten en in het vuur kijkend.
Bensington stond een oogenblik het dons op de borst van het kuiken glad
te strijken. "'t Zullen reusachtig groote hoenders worden," zei hij.
"Dàt zullen ze," zei Redwood nog steeds in den gloed starend.
"Zoo groot als paarden," zei Bensington.
"Gróóter," zei Redwood. "Wat ik je zeg, hoor!"
Bensington wendde zich van het exemplaar af.
"Redwood," zei hij, "deze hoenders zullen fureur maken."
Redwood knikte tegen het vuur.
"En waarachtig!" zei Bensington plotseling naderbij tredend met
schitterende brilleglazen, "je kleine jongen óók!"
"Daar denk ik net aan," zei Redwood.
Hij liet zich achterover in zijn stoel vallen, zuchtte, wierp de
nog-niet-opgerookte cigarette in het vuur, en stak zijn handen diep
in zijne broekzakken. "Daar dacht ik juist over. Dit Herakleophorbia
zal raar goedje worden om mee om te gaan. Denk toch es hoe hard dat
kuiken gegroeid moet zijn--"
"Een kleine jongen, die zóó hard groeit," zei de heer Bensington
langzaam, en keek naar het kuiken terwijl hij het zeide.
"Zeg!" zei Bensington, "wat een kerel zal dàt worden."
"Ik zal hem steeds kleiner wordende doses geven," zei Redwood. "Of
liever gezegd, Winkles zal dit doen."
"'t Experiment is tè sterk."
"Jawel."
"Maar toch, weet je, moet ik zeggen--...Te een of andere tijd zal de
een of andere baby 't tòch moeten slikken."
"O, zeker, we zullen er beslist proeven mee nemen op de een of
andere baby.--"
"Precies," zei Bensington, kwam op het haardkleed staan en zette zijn
bril af om hem schoon te maken.
"Ik geloof niet, Redwood, dat, vóór ik deze kuikens zag, ik begòn
te beseffen--ook maar iets--van de mogelijkheid die er lag in wat
wij gemaakt hadden. En zelfs nu begint het pas tot mij door te
dringen... de mogelijke gevolgen..."
En zelfs op dat oogenblik had Bensington nog geen vaag besef van de
mijn, die dat lontje zou doen springen.
IV.
Dit gebeurde in het begin van Juni. Gedurende een paar weken was
Bensington verhinderd de Proef-Hoeve te bezoeken door een ernstige,
doch zuiver denkbeeldige catarrh, en Redwood bracht er slechts een
noodzakelijk overhaast bezoek aan. Hij kwam terug, als vader nog
bezorgder kijkend dan vóór hij ging. Alles bij elkaar genomen, was
het nu zeven weken dat de groei staag en ononderbroken voortging...
En toen begonnen de wespen hun loopbaan.
Het was achter in Juni, en bijna een week vóór de kippen uit
Hickleybrow ontsnapten, dat de eerste der groote wespen gedood
werd. Het bericht ervan verscheen in verscheidene bladen, maar ik
weet niet of het nieuws den heer Bensington bereikte, en nog veel
minder of hij het in verband bracht met het gebrek aan orde dat in
alles op de Proef-Hoeve heerschte.
Er bestaat nu niet meer den geringsten twijfel aan, dat, terwijl
de heer Skinner de kuikens van den heer Bensington opfokte met
Herakleophorbia IV, een aantal wespen èven werkzaam--en misschien nòg
werkzamer--bezig waren hoeveelheden van hetzelfde deeg te vervoeren
naar hun vroege zomer-broedsels op de heuvelen achter de naburige
pijnbosschen. En het is boven allen twijfel verheven, dat deze vroege
broedsels precies evenveel baat vonden bij deze substantie als de
kippen van den heer Bensington. Een wesp bereikt uitteraard vroeger
den rijpen leeftijd dan een kip--en inderdaad waren van al de wezens
die--door de gulle achteloosheid der Skinners--deelden in de geneugten
waarmede de heer Bensington zijne kippen overlaadde--de wespen de
eersten, die in de wereld op den voorgrond begonnen te treden.
Het was een boschwachter, Godfrey genaamd, op het buiten van
luitenant-kolonel Rupert Hick, bij Maidstone, die het eerste dezer
monsters ontmoette en het geluk had het te dooden. Hij liep tot aan
zijne knieën in de brem, dwars over een open veld in de beukenbosschen,
die verscheidenheid brengen in het park van luitenant-kolonel Hick,
en hij droeg zijn geweer--gelukkig voor hem een dubbelloops--over
zijn schouder, toen hij het ding het eerst in het oog kreeg. Het kwam,
zegt hij, met het licht mee, zoodat hij het niet duidelijk kon zien,
en terwijl het op hem afkwam, liet het een gesnor hooren "als een
automobiel." Hij geeft toe dat hij bang werd. Het was blijkbaar zoo
groot als, of nog grooter dan een kerkuil, en voor zijn geoefend oog
moet de vlucht en in het bijzonder het nevelige gedwarrel der vleugels
iets onheilspellend on-vogelachtigs geleken hebben. Bij het instinct
van zelfverdediging, stel ik mij voor, kwam langdurige gewoonte,
toen, zooals hij zegt, hij "het schot er aftrok."
Het vreemde van het geval had waarschijnlijk invloed op zijn mikken;
het grootste gedeelte van zijn schot hagel miste tenminste, en het
ding viel slechts een oogenblik neer met een nijdig "Wzzzz," dat
het onmiddellijk kenmerkte als een wesp. Toen vloog het weder op,
terwijl alle strepen tegen het licht glansden. Hij zegt dat het op
hem af kwam. Hoe dan ook, hij ledigde zijn tweeden loop op nog geen
twintig pas, en wierp zijn geweer weg, liep een paar pas ver weg,
en bukte zich toen om het uit den weg te gaan.
Hij is er zeker van dat het hem op nog geen meter afstands
voorbijsnorde, tegen den grond sloeg, weder opvloog, nogmaals neerviel,
op misschien dertig meter afstand, en toen op zij rolde, met een zich
krommend lichaam, terwijl de angel om zich heen stiet, in en uit, in
zijn laatsten doodstrijd. Hij schoot er beide loopen nogmaals op af,
vóor hij er zich dichtbij waagde.
Toen hij aan het meten ging, bevond hij dat het een vlucht van
zevenentwintig en een halven duim had, en de angel was drie duim
lang. De buik was hem schoon van het lijf weggeschoten, maar hij
schatte de lengte van het ding van kop tot angel op achttien duim--wat
ongeveer uitkomt. Zijn facetten-oogen waren zoo groot als guldens.
Dat is de eerste authentieke verschijning van deze reuzen-wespen. Den
dag daarna scheelde het heel weinig of een fietsrijder, die met
opgetrokken beenen den heuvel tusschen Sevenoaks en Tonbridge kwam
afdalen, reed over een tweede dezer reuzen, die dwars over den weg
kroop. Zijn voorbijkomen scheen het dier te verschrikken, en het vloog
òp met een gedruisch als een zaagmolen. Zijn fiets hotste over den
weg in de ontroering van het oogenblik, en toen hij in staat was òm
te kijken, zweefde de wesp heen, hoog over de bosschen, in de richting
van Westerham.
Na een tijdje onvast voortgereden te hebben, remde hij, stapte af--hij
beefde zoo hevig, dat hij over zijn fiets viel terwijl hij het deed--en
ging aan den kant van den weg zitten om bij te komen. Hij was van plan
geweest naar Ashford te trappen, doch kwam niet verder dan Tonbridge
dien dag...
Merkwaardig genoeg zijn er de eerstvolgende drie dagen geen berichten
van groote wespen, die gezien werden. De weerberichten van die
dagen raadplegend, bevind ik dat de lucht bedekt was, en het door
plaatselijke buien te koud was om veel uit te vliegen, wat misschien
deze tusschenruimte verklaart. Op den vierden dag was de hemel weder
blauw, en scheen de zon prachtig en braken er zooveel wespen los,
als de wereld voorzeker te voren nooit gezien had.
Het is onmogelijk te raden hoeveel groote wespen er dien dag te
voorschijn kwamen. Er zijn minstens vijftig gevallen van hunne
verschijning vermeld. Er viel één slachtoffer, een kruidenier, die
een van deze monsters in een suikervat ontdekte en het onbezonnen
aanviel met een spa, toen het opvloog. Hij sloeg het neêr voor een
oogenblik, en het stak hem door zijn laars toen hij het een tweeden
slag toebracht, en het lichaam van het dier in tweeën sneed. Hij was
het eerste van hun tweeën dood...
De meest dramatische van die vijftig verschijningen was wel die van de
wesp die het Britsch Museum bezocht, tegen den middag, en die uit het
blauwe luchtruim neerschoot op een der tallooze duiven die op het plein
vóór dat gebouw gevoederd worden, en ermee naar de kroonlijst vloog
om zijn slachtoffer op zijn gemak te verslinden. Daarna kroop zij een
tijdlang over het dak van het museum, kwam door een vallicht den koepel
der leeszaal binnen, gonsde hier eenigen tijd in rond--er ontstond een
paniek onder de lezers--vond eindelijk een raam en verdween plotseling
in stilte weder uit de menschelijke waarnemingssfeer.
Het meerendeel der andere berichten behelsde niets anders dan dat
ze langs, of neergekomen waren. Een picnic werd te Aldington Heuvel
uiteengejaagd en alle lekkernijen en de jam verorberd, en een jonge
hond werd gedood en aan stukken gescheurd dicht bij Whitstable,
voor de oogen van zijn meesteres...
De straten weerklonken dien avond van den roep over de wespen,
de plakkaten der nieuwsbladen wijdden zich in de vetste letters
uitsluitend aan de "Reusachtige Wespen in Kent!" Opgewonden
hoofdredacteurs en redacteuren holden wenteltrappen op en af en
brulden allerlei over "wespen." En Professor Redwood, die uit zijn
college in Bondstreet kwam, opgewonden door een warm dispuut met
zijn comité over den prijs van jonge stieren, kocht een avondblad,
opende het, verschoot van kleur, dacht geen oogenblik langer aan zijn
jonge stieren en zijn comité, en reed zoo hard het paard maar loopen
wilde in een bakje naar Bensington's kamers.
V.
De verdieping werd in beslag genomen, leek het hem toe--met
buitensluiting van alle andere voelende dingen--door meneer Skinner
en zijn stem, zoo ge tenminste een van beiden een voelend iets
kunt noemen!
De stem was héél hoog, baggerend in de angsttonen.
"We kunne onmogelijk blijve, meneer, we thijn d'r gebleve in de
hoop dat 't beter thou worden, en 't wordt hoe langer hoe erger,
meneer. 't Thijn niet alleen de wethpen, meneer--d'r thijn groote
oorwormen, meneer, thóó groot, meneer." (Hij stak zijn geheele hand en
nog ongeveer drie duim vette, smerige pols uit). "M'n vrouw krijgt er
haatht een beroerte van angtht van, meneer. En de brandnetelth bij de
kippenloopen, meneer, diè groeie ook al, meneer, en het kanariekruid,
meneer, dat we bij de thinkput thaaiden, meneer--dat sthak z'n ranke
door het raam 'th nachts, meneer, en greep m'n vrouw bijna bij d'r
beene, meneer. Dat komt door dat voeder van u, meneer. Overal waar we
wat gemortht hebbe, meneer, ith alles wèliger an 't groeie gegaan,
meneer, dan ik dacht dat mogelijk wath. 't Ith onmogelijk, meneer,
om nog 'n maand te blijve, meneer. We thoue d'r niet levend van daan
komme, meneer. Al stheke de wespen onth niet, dan thulle we gethmoord
worde door de thlingerplant, meneer. Je kunt je d'r geen denkbeeld
van make, meneer--alth je thelf niet komt kijke, meneer--"
Hij richtte zijn verheven oog naar de kroonlijst boven Redwood's
hoofd. "Wie thal thegge, meneer, of de ratte 't ook al niet te pakke
hebbe, meneer! En daar ben ik 't bangthste voor, meneer. Tot nog toe
heb ik geen groote rat gethien, meneer, maar wie thal 't thegge,
meneer? We thijn dage lang in de war geweetht van thchrik toen we
die oorwurme thage--alth kreefte, meneer--twee, meneer--en dan dat
kanariekruid; en tho gauw toen ik de wethpen hoorde, meneer, thnapte ik
't. Ik wachtte geen oogenblik langer, dan om 'n knoop antethette die
'k verlore had, en toen ben ik maar gauw hierheengekomme. En nou ben ik
half buite methelf van angst over m'n vrouw, meneer. Dat kanariekruid
kruipt over de heele plaatth alth een thlang, meneer--terwijl je d'r
naar kijk, meneer! en dan die oorwurme, die hoe langer hoe grooter
worde, en de wepthe--ze heeft thelfths geen thakjethblauw [2],
meneer,--alth d'r wat overkwam, meneer!"
"Maar de kippen," zeide de heer Bensington; "hoe gaat het met de
kippen?"
"We hebbe the tot githtere gevoederd, 't ith waar," zei de heer
Skinner, "maar vanmorge dòrthte' we niet meer, meneer. 't Lawaai dat de
wethpe' maakte'--vreethelijk, meneer. The vloge net uit--dothijne. Tho
groot ath kippe. Ik theg tege d'r "naai me eve 'n paar knoope'
aan," theg ik, "want ik kon toch thò niet naar Londen," theg ik,
"en dan ga ik naar meneer Benthington," zeg ik, "om 'em alleth te
vertelle. En jij blijf in dethe kamer tot ik terugkom," theg ik,
"en hou de rame' tho dicht alth je maar kan," theg ik."
"Als jelui niet zoo vervloekt slordig waart geweest"--begon Redwood.
"O, theg dàt niet, meneer!" zeide Skinner. "Noù niet meneer, nou
dat ik tho in angthst thit over m'n vrouw, meneer! Athjeblìéft,
meneer. Ik kan nou nikth tegenthegge. Waarachtig, meneer, 't gaat
niet! Ik moet al maar an die ratte denke--wie weet of the m'n vrouw
al niet beet hebbe, terwijl ik hier ben?"
"En heb je dan niet één enkele opmeting van al die heerlijke
groei-lijnen!" zeide Redwood.
"'k Ben te veel in de war geweetht, meneer," zeide meneer
Skinner. "Alth je witht, wat wij doorgethtaan hebbe--ik en m'n
vrouw. We withte niet wat er van te denke, meneer. Doordat die kippe
tho groeiden, en de oorwurme, en het kanarie-kruid..."
"Ja, ja, dat heb je nou allemaal al verteld," zeide Redwood. "Maar
wat moeten we aanvangen, Bensington?"
"Wát moeten wij aanvange?" vroeg meneer Skinner.
"Jij zult natuurlijk terug moeten naar je vrouw," zeide Redwood. "Je
kunt haar daar niet alleen laten den geheelen nacht."
"Maar alléén ga 'k nièt, meneer, al ware d'r 'n dothijn juffrouwen
Thkinner. 't Ith meneer Benthington --"
"Onzin," zeide Redwood, "'s Avonds zijn d'r geen wespen, en de
oorwurmen gaan je wel uit den weg--"
"Maar de ratten dan?"
"Er zìjn geen ratten," zeide Redwood.
VI.
De heer Skinner had zich zijn voornaamste punt van bezorgdheid kunnen
besparen. Juffrouw Skinner bleef zelfs niet tot den avond.
Tegen elf uur begon het kanariekruid, dat den geheelen morgen ijverig
werkzaam geweest was, over het raam heen te klimmen, en dit sterk
te verduisteren, en hoe donkerder het werd, hoe duidelijker het
juffrouw Skinner werd, dat haar toestand heel spoedig onhoudbaar
zou zijn. En ook, dat 't was alsof zij eeuwen doorleefd had sedert
Skinner heenging. Zij gluurde een tijdje uit het duister wordende raam,
door de steeds verder reikende ranken, ging toen zeer behoedzaam de
slaapkamerdeur open doen en luisterde... Alles scheen rustig, en aldus
haar rokken bij elkaar houdend, holde zij de slaapkamer binnen en nadat
zij eerst onder het bed had gekeken en de deur op slot gedraaid had,
begon zij met de stelselmatige vlugheid van een vrouw van ondervinding
aan het pakken om te vertrekken. Het bed was nog niet opgemaakt en de
vloer der kamer was bezaaid met stukken der kruipplant die Skinner
den vorigen avond afgehàkt had om het venster te kunnen sluiten,
doch aan deze wanorde stoorde zij zich niet. Zij pakte alles in
een fatsoenlijk laken. Zij pakte haar geheele eigen garderobe in en
een velveteen jas die Skinner droeg als hij er eens héél netjes wou
uitzien, en zij pakte een pot augurken in, die nog niet aangebroken
was, en tot zoover was haar pakken volkomen in orde. Doch zij pakte
ook in twéé van de hermetisch-gesloten bussen met Herakleophorbia IV,
die de heer Bensington bij zijn laatste bezoek had medegebracht. (Zij
was wel eerlijk, 't goeie mensch,--maar zij was toch ook grootmoeder en
haar hart bloedde als zij zulk een heerlijk groeimiddel zag verspillen
op een troep van die verwenschte kuikens.)
En toen ze al deze dingen ingepakt had, zette zij haar hoed op,
deed haar schort af, bond een nieuwen schoenveter om haar parapluie
en na langen tijd aan de deur en het venster geluisterd te hebben,
opende zij de deur en trad naar buiten om de gevaarlijke buitenwereld
in te gaan. Zij hield de parapluie onder den arm en zij omklemde het
pak met twee beenige handen, die niet los zouden laten. Het was haar
beste zondagsche hoed en de twee klaprozen die hunne hoofden opstaken
midden uit de pracht van lint en kraal, schenen bezield met denzelfden
huiverigen moed, die haarzelf vervulde.
De lijnen om haar neuswortel trokken rimpels van vastberadenheid. Nu
had zij er genoeg van! Heelemaal alleen daar te zitten! Als Skinner zin
had kon die daar terugkomen, maar zij moest er niks meer van hebben.
Zij ging de vóórdeur uit, niet omdat zij naar Hickleybrow wilde
gaan (haar doel was Cheasing Eyebright, waar haar getrouwde dochter
woonde), maar omdat zij door de achterdeur er niet meer uit kon door
de slingerplant, die zoo woest aan het groeien gegaan was, nadat zij
de bus met voeder dicht bij de wortels bij ongeluk omgegooid had. Zij
luisterde een poosje, en sloot de voordeur zeer behoedzaam achter
zich dicht.
Bij den hoek van het huis bleef zij staan en nam poolshoogte.
Een lang litteeken van zand op de helling van den heuvel achter het
pijnbosch, duidde op de nabijheid van het Reuzen-wespen-nest, en dit
litteeken sloeg zij aandachtig gade. Het uitvliegen en terugkomen
van 's morgens was gedaan, toevallig was er geen enkele wesp in
het zicht, en behalve een geluid dat weinig meer hoorbaar was dan
een stoom-houtzaag in volle werking tusschen de denneboomen zoude
geweest zijn, was alles stil. Wat de oorwormen aangaat, zij zag
er geen enkele. Weliswaar zag ze onder in de kool iets bewegen,
doch dat kon evengoed een kat zijn die op vogels loerde. Zij keek
hier een tijdje naar. Zij verwijderde zich enkele schreden van den
hoek, kreeg den ren met de reuzen-kuikens in het zicht en bleef
weder staan. "Ach!" zeide zij, en schudde langzaam het hoofd toen
zij ze zag. Zij waren nù ongeveer zoo groot als een casuaris, doch
natuurlijk veel breeder van lijf--heelemaal veel grooter. Het waren
allen hennen, vijf stuks, nu dat de twee jonge hanen elkaar gedood
hadden. Ze aarzelde een oogenblik toen zij ze in zulke neerslachtige
houdingen zag staan. "Arme sukkels!" zeide zij, en legde haar pak neer;
"ze 'ebbe' geen water. En ze 'ebbe' in vierentwintig uur geen ete'
gehad! En dan met zoo'n eetlust!" Zij bracht een magere vinger aan
hare lippen en ging met zichzelve te rade.
En toen deed deze slordige vrouw wat mij tenminste werkelijk een
heldhaftige, barmhartige daad toelijkt. Zij liet haar buidel en
parapluie midden op het klinkerpad liggen, ging naar den put en
putte niet minder dan drie emmers water voor den ledigen drinkbak der
kuikens, en toen, terwijl zij zich daar allemaal om verdrongen, deed
zij stilletjes de deur van den ren open. Daarna werd zij bijzonder
actief, nam haar pak weder op, klom over de heg achter in den tuin,
stak dwars de welige weiden (om het wespennest te vermijden) over en
beklom moeizaam het kronkelende pad naar Cheasing Eyebright.
Al hijgend ging het tegen den heuvel op, en onder het gaan bleef zij
telkens even staan, om uit te rusten, op adem te komen en nog eens om
te kijken naar het kleine huis naast het pijnbosch daar beneden. En
toen zij eindelijk bijna den top van den heuvel bereikt had, zag zij
in de verte drie wespen van elkaar verwijderd vliegen, en log naar
het westen afdalen, en dat maakte haar beenen een boel vlugger.
Zij had nu weldra het open terrein achter zich gelaten, en kwam aan
de met hooge bermen afgezette laan (die haar een veiliger plaats
toeleek) en zoo over Hickleybrow Coombe naar de heuvels. En daar
aan den voet der heuvels, waar een dikke boom haar een schuilplaats
aanbood, rustte zij een oogenblik uit op een hek.
Toen weder vastberaden voorwaarts...
Gij ziet haar al, hoop ik, met haar witten bundel, zelf een soort
van op-de-achterste-pooten-loopende mier, zich voortreppend langs
het kleine witte pad-lint dwars over de hellingen der heuvels, in de
felle zon van den zomernamiddag. Zij sukkelde voort, haar vastberaden,
onvermoeibaren neus achterna, en de papavers op haar hoed trilden
zonder ophouden, en haar elastieken schoenen werden al witter en
witter door het mulle zand. Flip-flap, flip-flap petterden haar
schoenen door de stille hitte van den dag, en voortdurend trachtte
haar parapluie ondeugend weg te glijden van onder den elleboog die
'm vasthield. De mond-rimpel onder haar neus was nu saamgetrokken tot
de uiterste vastberadenheid, en telkens beval zij haar parapluie weder
naar boven te komen of gaf een nijdigen ruk aan haar bundel. En soms
mompelden hare lippen gedeelten van een wel-te-wachten twistgesprek
tusschen haarzelf en Skinner.
En, mijlen ver weg, groeiden een torenspits en een bosch ongemerkt
op uit het ijle blauw, zoodat het vreedzame uithoekje waar Cheasing
Eyebright veilig verborgen lag voor het gedruisch der wereld,
steeds duidelijker zichtbaar werd, zich zeer weinig bekommerend om
het Herakleophorbia dat verborgen lag in dien witten bundel, die zoo
volhardend op de kalme rust van het plaatsje toesukkelde.
VII.
Zoover als ik kan nagaan, kwamen de kuikens in Hickleybrow 's middags
tegen drie uur. Hun komst schijnt heel wat levendigheid meegebracht
te hebben, hoewel er toevallig niemand op straat was om ze te zien
aankomen. Het geweldige gekrijsch van den kleinen Skelmersdale schijnt
de eerste aanduiding te zijn geweest dat er iets niet in den haak
was. Juffrouw Durgon van het postkantoor stond als gewoonlijk voor
het raam, en zag de kip, die het ongelukkige kind beetgepakt had,
met groote passen de straat afrennen met haar slachtoffer, dicht
op de hielen gezeten door twee anderen. Ge kent wel die waggelende
groote passen van het geïmproviseerde athletische kuiken van heden ten
dage! Gij kent wel het vinnige vasthouden van de hongerige kip! Er
zat bloed van Plymouth Rocks in deze kippen, heb ik hooren zeggen,
en zelfs zonder Herakleophorbia, is dit een mager, hardloopend ras.
Het is mogelijk dat juffrouw Durgon niet zoo heel erg verrast
was. Niettegenstaande het aandringen van den heer Bensington op
geheimhouding, liep er toch reeds sinds eenige weken in het dorp een
gerucht rond omtrent het groote kuiken, dat Skinner aan het opfokken
was. "Goeie hemel!" riep zij uit, "net wat ik dacht."
Zij schijnt zich met groote tegenwoordigheid van geest gedragen te
hebben. Zij greep den verzegelden zak met brieven, die lag te wachten
om door te gaan naar Urshot, op, en rende hiermede onmiddellijk de deur
uit. Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen de heer Skelmersdale, een
gieter krampachtig bij de tuit houdend, en erg bleek. En het spreekt
vanzelf, dat binnen een minimum van tijd iedereen in het dorp naar
de deur of het venster holde.
Het schouwspel dat juffrouw Durgon aanbood, den weg afhollend, met de
geheele correspondentie van dien dag in de hand, bracht het kuiken,
dat in bezit was van den jongenheer Skelmersdale, tot nadenken. Het
bleef één oogenblik besluiteloos staan, en wendde zich toen naar het
open hek van de plaats van Fulcher. Dit oogenblik was noodlottig. Het
tweede kuiken kwam gezwind aanloopen, kreeg het kind te pakken door een
goedgerichte pik, en vloog over den muur in den tuin van den dominé.
"Charawk, chawk, chawk, chawk, chawk, chawk!" riep de achterste hen,
netjes geraakt door den gieter van den heer Skelmersdale, en fladderde
in wilde haast over het landhuis van mevrouw Glue, en zoo op het
terrein van den dokter, terwijl de overige van die Gargantuaansche
vogels dwars over het grasveld der pastorie het kuiken achtervolgden,
dat op dàt oogenblik in bezit was van het kind.
"Goeie hemel!" riep de hulpprediker uit (zooals enkelen beweren, zei
hij iets veel manlijkers) en liep toe, zijn crocket-hamer zwaaiend
en schreeuwend om de jacht te keeren.
"Halt, schurk!" riep de hulpprediker, alsof reuzen-kippen doodgewone
dingen waren.
En toen, bevindende dat hij het met geen mogelijkheid kon tegenhouden,
wierp hij zijn hamer met alle macht het dier achterna, en in een
sierlijken boog vloog hij rakelings langs het hoofd van jongenheer
Skelmersdale en door de glazen lantaarn van de broeikas. Krak! De
nieuwe broeikas! De prachtige nieuwe broeikas van de domineesche!
De kip schrok er van. Iederéén zou er van geschrokken zijn. Zij liet
haar slachtoffer vallen in een Portugeeschen laurierstruik, (waaruit
het een oogenblik later te voorschijn gehaald werd, gehavend doch
heelshuids, op zijn minder fijne kleêren na), sprong fladderend naar
het dak van Fulcher's stal, zakte met den poot door een zwakke plaats
in de pannen, en daalde, om het zoo maar eens uit te drukken, uit de
oneindige ruimte, in de contemplatieve rust van den heer Bumps, de
lamme, die--en het is nu boven allen twijfel verheven door de bewijzen
die voorhanden zijn--bij deze speciale gelegenheid in zijn leven,
de geheele lengte van zijn tuin afliep, en zoo naar binnen zonder
eenige hulp, de deur achter zich grendelde en toen zich onmiddellijk
weder overgaf aan Christelijke berusting en algeheele afhankelijkheid
van zijn vrouw...
De overige kuikens werden tegengehouden door andere crocketspelers, en
gingen door den moestuin van den predikant het veld van den dokter in,
waar de vijfde zich ook bij hen voegde, mistroostig klokkend na een
mislukte poging om over de komkommerkassen te loopen in den tuin van
meneer Witherspoon. Ze schijnen daar bij elkaar gestaan te hebben,
zooals kippen dat doen kunnen, en een beetje gekrabd en peinzend
geklokt te hebben, en toen pikte er een naar een bijenkorf van den
dokter en wierp hem omver, en hierop gingen ze aan den haal met een
zotten, hortenden, onregelmatigen gang, dwars de velden door in de
richting van Urshot, en de straat te Hickleybrow zag ze niet weder. Bij
Urshot schijnen ze werkelijk aan hun vraatzucht geëvenredigd voedsel
gevonden te hebben in een veld koolrapen, en pikten hier een tijd
met smaak aan, tot hun roem hen achterhaalde.
De voornaamste onmiddellijke reactie op dezen verbazingwekkenden inval
van reuzen-hoenders op den menschelijken geest was het plotseling
ontwaken van een eigenaardige onweerstaanbare neiging om te schreeuwen
en hard te draven en met allerlei dingen te gooien, en in een bijzonder
korten tijd was nagenoeg de geheele beschikbare mannelijke bevolking
van Hickleybrow en verscheidene dames, er op uit met een merkwaardige
verzameling van ratelende en klapperende dingen in de hand--om het
verdrijven der reuzenkippen aan te vangen. Ze dreven ze Urshot binnen,
waar een Landelijk Feest gehouden werd, en Urshot beschouwde ze als
de kroon op een gelukkigen dag. Men begon op ze te schieten dicht bij
Findon Beeches, doch in het begin slechts met een vogelroer. Natuurlijk
kunnen vogels van deze grootte een onbeperkte hoeveelheid kleine hagel
in zich opnemen zonder eenige nadeelige gevolgen. Zij raakten dicht
bij Sevenoaks van elkaar en bij Tonbridge liep er een, al klokkend,
een tijdlang buitengewoon opgewonden, naast den namiddagboot-express,
en een eindje er voor uit,--tot groote verbazing van alle passagiers.
En tegen half vijf werden er twee zeer handig gevangen door een
circuseigenaar te Tunbridge Wells, die ze in een kooi, welke leegstond
door den dood van een tot weduwe geworden drommedaris, lokte, door
koekjes en brood te strooien...
VIII.
Toen de ongelukkige Skinner dien avond te Urshot uit den Zuid-Ooster
trein stapte, was het bijna schemer. De trein was laat--doch niet
buitensporig laat--wat meneer Skinner dan ook tegen den stationschef
opmerkte. Misschien zag hij het oog van den chef veelbeteekenend
schitteren. Na een zeer korte aarzeling en met een vertrouwelijk
handgebaar naar den kant van zijn mond vroeg hij of er dien dag ook
"iets" gebeurd was.
"Wat bedòel je?" zei de chef, een man met een harde nadrukkelijke stem.
"Met die wethpen en dat tuig."
"We hebbe niet veel tijd gehad om aan wespe te denke," zei de chef
vriendelijk. "We zijn veels te druk geweest met je pesterige kippen,"
en hij deelde hem mede wat er met de kuikens gebeurd was.
"Je hebt toch nikth ge'oord van juffrouw Thkinner?" vroeg Skinner,
tusschen dien stortvloed van kernachtige woorden en aanmerkingen
door...
"Ben je nou heelemaal!" zeide de chef--alsof zelfs hij de grens trok
op het gebied van dingen-weten.
"Dan moet 'k er toch eth naar gaan onderthoeke," zeide meneer Skinner,
zich zijdelings verwijderend buiten schot voor de algemeene opmerkingen
over de verantwoordelijkheid, die iemand op zich nam door kippen te
zwaar te voeden, waarmede de chef besloot...
Toen hij Urshot doorkwam werd hij aangeroepen door een kalkbrander
uit de groeven in de buurt van Hankey, die hem vroeg of hij naar zijn
kippen zocht.
"Je hebt bijgeval toch niksth gehoord van m'n vrouw?" vroeg hij.
De kalkbrander--wàt hij precies zeide gaat ons niet aan--gaf te kennen
dat hij méér belang stelde in kippen....
Het was reeds donker--zoo donker als een nacht in de maand Juni
in Engeland tenminste zijn kan--toen Skinner--of zijn hoofd liever
gezegd--om de deur van "de Vroolijke Drijvers" kwam kijken, en zeide:
"Ello! je 'ebt toch nikth ge'oord van die gesthchiedenith met mijn
kippe, hè?"
"Zoo!" zeide Fulcher. "Nou, een gedeelte van die geschiedenis is
door het dak van mijn stal komen zakken, en één hoofdstuk heeft
een gat gestooten in de broeibak van de domineesche--neem me niet
kwalijk--Broeikàst."
Skinner trad binnen. "Ik wil een troothtertje hebbe," zei hij "warme
jenever met water, athjeblieft," en iedereen begon hem te vertellen
omtrent de kuikens.
"Goeie god!" zeide Skinner. "Je 'ebt toch nikth ge'oord van juffrouw
Thkinner?" vroeg hij toen het even stil was.
"Nee, dat niet!" zeide Witherspoon. "An haar hebbe we niet
gedacht. Trouwens an jou evenmin, hoor."
"Ben je vandaag dan niet thuis geweest?" vroeg Fulcher, over zijn
bierpul heen.
"As een van je verwenschte vogels d'r gepikt heeft," begon Witherspoon,
en liet de gansche onuitgesproken verschrikking zijner woorden aan
hun hulpelooze verbeelding over...
Het leek de vergadering op dat oogenblik interessant toe, als besluit
van een gebeurtenis-vollen dag, om Skinner te vergezellen, en te
zien of er iets gebeurd wàs met juffrouw Skinner. Je weet nooit wat
meevallertjes je kunt hebben als er ongelukken op de baan zijn. Doch
Skinner, die bij de toonbank stond en zijn warme jenever met water
dronk, met één oog dwalend over de dingen achter het buffet en het
andere gericht op het onbegrensde, miste het psychologische van
dit moment.
"D'r ith vandaag toch niksth an de hand geweetht met een van die
groote wepthen?" vroeg hij, met een bestudeerde losheid van manier.
"Veels te druk geweest met je kippe," zei Fulcher.
"Ik vertrouw dat the nou toch al wel binne thulle thijn, hè?" zei
Skinner.
"Wat--de kippe?"
"Ik dacht an de wepthe," zei Skinner.
En toen, met een omzichtigheid die wantrouwen zou gewekt hebben in
een kind van een week oud, en den klemtoon leggend op het meerendeel
der woorden die hij zeide, vroeg hij, "níémand 'ééft toch ge'óórd van
andere groote dingen, wel? Groote 'onde' of katte' of thóó ietsth? Ik
thou thegge dat as d'r groote kippe en wepthe' thijn, dat--"
Hij lachte met een uitstekend nagebootst air alsof hij zoo maar
wat zei.
Doch er kwam een peinzende uitdrukking op de gezichten der
Hickleybrowers. Fulcher was de eerste die aan hun aller, steeds
helderder wordende gedachte den concreten woorden-vorm gaf.
"'n Kat, die past bij die kippe'--" zei Fulcher.
"Net zoo!" zei Witherspoon, "'n Kat die past bij diè kippe'."
"Dat zou 'n tijger zijn," zei Fulcher.
"Nog erger dan 'n tijger," zei Witherspoon.
Toen Skinner eindelijk het eenzame voetpad volgde over het glooiende
veld dat Hickleybrow scheidde van de sombere vallei, die overschaduwd
werd door pijnboomen, in welker donkere schaduw de reusachtige
kanarie-kruid-kruipplant in stilte zijn strijd uitvocht met de
Proef-Hoeve, volgde hij het alléén.
Zeer duidelijk zag men hem rijzen tegen de lucht--want zoover volgde
de publieke belangstelling hem--en weder afdalen in den nacht, in
een duisternis waaruit hij nooit weder zal te voorschijn komen. Hij
verdween--in één groot mysterie. Tot op dezen dag weet niemand wat
er met hem gebeurde, nadat hij de helling over was.
Toen later de beide Fulchers en Witherspoon, aangevuurd door hun
eigen verbeelding, den heuvel beklommen, en naar hem uitstaarden,
had de nacht hem geheel verzwolgen.
De drie mannen stonden dicht bij elkaar. Er kwam geen enkel geluid
tot hen vanuit de duisternis van het bosch, dat de Hoeve aan hunne
oogen onttrok.
"'t Zal wel in orde zijn," zeide de jonge Fulcher, een lang stilzwijgen
verbrekend.
"Ik zie geen lichten," zei Witherspoon.
"'t Is dampig," zei de oudste van de Fulchers.
Zij bleven een oogenblik in gedachten verzonken staan.
"Hij zou wel teruggekomme zijn as d'r iets niet in den haak was." zei
de jonge Fulcher, en dit leek zóó voor de hand liggend en afdoend,
dat een oogenblik later de oude Fulcher zei "kom," en zij alle drie
naar huis en te bed gingen--ik moet toegeven, wel wat nadenkend...
Een herder, die buiten was in de buurt van Huckster's boerderij,
hoorde een gejank in den nacht, dat hij dacht van vossen afkomstig
te zijn, en den volgenden morgen was een van zijn lammeren gedood,
halverwege naar Hickleybrow gesleept en gedeeltelijk verslonden...
Het onverklaarbare van het geval is, dat er geen onbetwistbare
overblijfselen van Skinner gevonden werden!
Verscheidene weken daarna, werd er tusschen de verkoolde ruïnen
der Proef-Hoeve iets ontdekt, dat een menschelijk schouderblad kon
geweest zijn, maar het ook evengoed nièt kon geweest zijn, en in een
ander gedeelte der ruïnen een lang been, erg afgekloven, en eveneens
van twijfelachtige herkomst. Dicht bij den opstap van het hek, op de
helling naar Eyebright, werd een glazen oog gevonden, en verscheidene
lieden ontdekten naar aanleiding hiervan, dat Skinner veel van zijn
persoonlijke bekoring te danken had aan dit artikel. Het staarde
de wereld aan met hetzelfde air van los zijn van al het aardsche,
dezelfde strenge zwaarmoedigheid, die de redders waren geweest van
zijn gelaat, dat anders wereldsch had kunnen lijken.
En om de ruïnen bracht een ijverig onderzoek de metalen ringen en
verkoolde omtrekken van twee linnen knoopen, en drie onaangetaste
beenen knoopen aan het licht, en een van die metalen soort die gebruikt
worden voor de minder in het oog vallende naden der menschelijke
kleedij. Deze overblijfselen zijn door personen, die het weten
konden, beschouwd als zonder eenigen verderen twijfel, wijzend
op een verslonden en verstrooiden Skinner, doch terwille van mijn
eigen overtuiging, en zijn zeer sterk aangeboren slordigen aard in
aanmerking nemend, moet ik zeggen dat ik voor mij liever wat minder
knoopen en wat meer beenderen had wenschen te zien.
Na het vinden van het glazen oog is het natuurlijk zeer moeilijk de
eerste meening te weerleggen en deze heeft dan ook allen schijn van
waarheid, doch als het werkelijk het oog van den heer Skinner is,--en
zelfs juffrouw Skinner wist nooit zeker of zijn onbeweeglijk oog van
glas was--dan moet het een of ander het veranderd hebben van zacht
bruin tot helder en geprononceerd blauw. Dat schouder-blad is een
zeer twijfelachtig bewijsstuk, en ik zou het wel eens willen leggen
naast de afgeknaagde schouderbladen van enkele van de meer gewone
huisdieren, vóor ik toegeef dat het aan een mensch toebehoorde.
En waar waren Skinner's schoenen dan wel, bijvoorbeeld?
Verdorven en vreemd als de vraatzucht van een rat moge zijn, is het
dan nog aan te nemen dat dezelfde wezens een lam half-opgegeten
zouden laten liggen, en Skinner oppeuzelen met haar, beenderen,
tanden en laarzen?
Ik heb zooveel mogelijk lieden ondervraagd die Skinner zeer persoonlijk
gekend hadden, en als één man zijn zij het er over eens, dat zij
zich niet konden voorstellen dat ièts, wat dan ook, Skinner zou
opeten. Hij behoorde tot het soort van menschen,--zooals een ex-zeeman
die in een woning van den heer W. W. Jacobs te Dunton Green woonde,
mij vertelde, met een voorzichtige gewichtigheid in zijn optreden,
niet ongewoon in die streken--die tòch eenmaal "naar de haaien gaan,"
en wat betreft die verscheurende dieren, dat Skinner in staat was
"om een vuur het licht uit te blazen."
Hij beschouwde Skinner even veilig op een ronddrijvende balk als
overal elders. De ex-zeeman voegde erbij dat hij niks van Skinner zou
zeggen, hoor, maar feiten waren feiten, en dat hij, wat hem betreft,
nog maar liever de bak in ging dan zijn kleeren bij Skinner te laten
maken. Deze opmerkingen stellen Skinner voorzeker niet in een erg
appetijtelijk daglicht.
Om volkomen eerlijk spel met den lezer te spelen, moet ik voor
mij verklaren, niet te gelooven dat hij ooit naar de Proef-Hoeve
terugkeerde. Ik geloof dat hij lang en aarzelend bleef rondzwerven
in de velden om Hickleybrow, en dat hij eindelijk, toen dat gejank
begon, den kortsten weg nam om uit zijne verlegenheid te geraken,
en zoo het onbekende in.
En in het onbekende, hetzij van deze wereld of van het hiernamaals,
is hij hardnekkig en zonder eenigen twijfel gebleven tot op den
huidigen dag...
HOOFDSTUK III.
DE REUZEN-RATTEN.
I.
Twee nachten na het verdwijnen van den heer Skinner, reed de dokter
van Podbourne nog laat in zijn tilbury in de buurt van Hankey. Hij was
den geheelen nacht bezig geweest een onaanzienlijken jongen burger
onze vreemde wereld in te helpen, en nadat zijn taak volbracht was,
reed hij slaperig naar huis.
Het was ongeveer twee uur in den morgen en de afgaande maan kwam op. De
zomernacht was kil geworden, en er hing een lage bleeke mist, die
de dingen onduidelijk zichtbaar maakte. Hij was geheel alleen--want
zijn koetsier lag ziek te bed--en er was aan weerszijden van den
weg niets te zien dan een erg-mysterieus-uitziende heg, die voor het
gele licht zijner lantarens heentrok, en er was niets te hooren dan
het getrappel van zijn paard en de scherpe echo's die door de heg
weerkaatst werden. Zijn paard was even betrouwenswaardig als hijzelf
en het is dan ook niet te verwonderen dat hij dommelde...
Gij kent dat afwisselende indutten en met schrik wakker worden wel,
dat knikkebollen van het hoofd, het knikken op het rhytmisch geluid
der wielen, nu eens met de kin op de borst en dan het plotseling
weder opschrikken.
"Klep, klep, klep."
"Wat was dat?"
Het leek den dokter toe alsof hij een zacht, schril gejank vlak
bij zich hoorde. Een oogenblik lang was hij klaar wakker. Hij zeide
een paar onverdiende verwijtingen tegen zijn paard en keek om zich
heen. Hij trachtte zichzelven gerust te stellen. 't Zou 't verwijderde
geblaf van een vos wel zijn,--of misschien een jong konijn dat door
een fret gepakt was.
"Rikke-tikke-e-tik-tik-tik...."
"Wat was dat dan toch?"
Hij voelde dat zijn verbeelding hem parten begon te spelen. Hij
schurkte es met de schouders en jeude zijn paard aan. Hij luisterde,
doch hoorde niets meer.
"Of zou het niets geweest zijn?"
Hij had een vaag idee dat er even iets naar hem gegluurd had over de
heg, een rare, groote kop. Met ronde ooren! Hij tuurde ingespannen,
maar zag niets.
"Onzin," zei hij.
Hij ging rechtop zitten met de overtuiging dat hij de nachtmerrie
gehad had, gaf zijn paard een heel zacht tikje met de zweep,
sprak het toe en tuurde weer over de heg. Het helle licht van zijn
lantaarn, samen met den mist, maakte de dingen schimmig, en hij kon
niets onderscheiden. Het kwam toen plotseling in hem op, zegt hij,
dat daar niets kòn zijn, want als er iets geweest was, zou zijn paard
wel schichtig geworden zijn. Doch hoe hij zichzelf ook trachtte gerust
te stellen, bleven zijn zinnen toch zenuwachtig waakzaam.
Toen hoorde hij heel duidelijk een zacht gepetter van voeten achter
zich aan, op den weg.
Hij wilde zijn ooren niet gelooven. Hij kon niet omkijken, want de
weg nam daar juist een scherpen draai. Hij legde de zweep over zijn
paard en keek nogmaals op zijde. En toen zag hij heel duidelijk,
waar een straal van zijn lantaarn over een laag eindje heg heengleed,
den gekromden rug van--het een of ander groot dier, hij kon niet
bepalen wat het was, dat met snelle, schokkende sprongen voortliep.
Hij zegt dat hij dacht aan de oude heksen-verhalen--het beest leek
zoo absoluut niet op eenig ander dier dat hij kende, en hij vatte
de teugels steviger beet uit vrees voor den angst van zijn paard. En
man van opvoeding als hij was, geeft hij toch toe, dat hij zichzelven
afvroeg of dit iets was dat zijn paard niet kon zien.
Voor hem uit, en steeds dichterbij komend zag hij tegen de
opkomende maan, de silhouet van het kleine gehucht Hankey. Dit was
geruststellend, al zag hij ook geen enkel licht en hij klapte met de
zweep en zei nog eens wat tegen zijn paard, en toen schoten plotseling
als een bliksemstraal de ratten op hem toe!
Hij kwam een hek voorbij, en terwijl hij dit deed, sprong de voorste
rat erover op den weg. Het ding besprong hem van uit het duister,
en was nu zeer duidelijk te zien, het scherpe, felle, rond-oorige
gezicht, het lange lichaam dat nòg langer leek door de bewegingen
die het maakte; en wat hem vooral trof waren de roode, van vliezen
voorziene voorpooten van het dier. Wat het nog vreeselijker moet
gemaakt hebben, was, dat hij geen vaag idee had of het beest, hetwelk
hem aanviel, wel een áárdsch beest was. Hij herkende het niet als een
rat, doordat het zoo groot was. Zijn paard sprong opzij toen het wezen
naast hem op den weg neerkwam. Het smalle laantje was plotseling vol
gerucht door het klappen van de zweep en den schreeuw dien de dokter
gaf. Alles ging plotseling snel.
"Rrr-klr-pats--."
Het schijnt dat de dokter opstond en zijn paard aanvuurde, en er uit
alle macht op los sloeg. De rat deinsde terug en sprong opzij onder
zijn slag--wat den dokter geruststelde omtrent het aardsche van het
dier--bij het schijnsel der lantaarn was de voor, die de zweep in het
haar gehaald had, duidelijk zichtbaar--en hij sloeg telkens weder,
onbewust dat er aan de andere zijde een tweede vervolger staag
veld won.
Hij vierde de teugels, keek om, en zag de derde rat, hem
achtervolgend...
Het paard sprong vooruit. De tilbury sprong hoogop bij een
kruisspoor. Een krankzinnig oogenblik lang leek alles hem met rukken
en sprongen te gaan...
Het was puur geluk dat het paard nog in Hankey kwam te vallen, en
niet vóór zij aan de huizen kwamen of ze achter zich gelaten hadden.
Niemand weet hoè het paard kwam te vallen, of het struikelde, of dat de
rat van de andere zijde het werkelijk een van die kervende beten van
boven naar beneden gaf met haar tanden (die zij aanbrengen en kracht
bijzetten met hun volle zwaarte); en de dokter werd niet gewaar dat hij
zelf gebeten was, vóór hij in het huis van den metselaar was, en nog
veel minder had hij gemerkt wannéér de beet was toegebracht--hoewel
hij gebeten was en erg ook--een lange snede, als de snee van een
dubbelen tomahawk, die twee evenwijdigloopende reepen vleesch van
zijn linker schouder gerukt had.
Hij stond op een gegeven oogenblik rechtop in zijn tilbury en het
volgende was hij op den grond gesprongen, met een erg verstuikten
enkel, hoewel hij dit toen niet bemerkte, en sloeg woest naar een derde
rat, die direct op hem kwam aanvliegen. Hij kan zich den sprong dien
hij gedaan moet hebben boven over het rad, toen de tilbury kantelde,
haast niet meer herinneren, zoo snel en verward werd hij bestormd
door indrukken.
Ik voor mij geloof dat het paard steigerde toen de rat het in den
strot beet, opzij viel en de heele geschiedenis meesleepte; en dat
de dokter als het ware instinctmatig er uit sprong. Toen de tilbury
viel, sprong het oliereservoir van de lantaarn, en smakte plotseling
een hellen gloed van brandende olie en witten vlammengloed temidden
van den strijd.
Dit was het eerste wat de metselaar zag.
Hij had het geratel van de naderende tilbury gehoord en--hoewel de
dokter zich hier niets van herinnert --het wilde geschreeuw dat de
dokter deed hooren. Hij was haastig uit bed gekomen, en terwijl hij
dit deed, hoorde hij den vreeselijken smak, en zag dien gloed buiten
opschieten door het half-opgehaalde gordijn. "'t Was nog helderder dan
de dag," zegt hij. Hij bleef met het gordijnkoord in de hand staan
en staarde met open mond het venster uit naar den welbekenden weg,
die een verandering had ondergaan als in een nachtmerrie. De donkere
gestalte van den dokter met zijn om zich heen slaande zweep rees en
daalde tegen de vlam. Hij zag het paard staan, half verborgen door
den gloed, met een rat aan zijn keel. In de duisternis, die tegen
den kerkhofmuur opstond, schitterden de oogen van een tweede monster
kwaadaardig. Een derde--niets meer dan één brok vreeselijke duisternis
met rood-gloeiende oogen en vleeschkleurige handen--klemde zich onvast
aan den rand van den muur, waar het tegen opgesprongen was bij het
oplaaien van den uit-elkaar-springende lantaarn.
Ge kent wel den scherpen snuit van een rat, met die twee scherpe
tanden en de meedoogenlooze oogen. Ongeveer zes maal vergroot en
nog meer vergroot door duisternis en verbazing en de plotseling
opschietende schimmen van een grilligen gloed, moet dit alles iets
vreeselijks geweest zijn om aan te zien voor den metselaar--die nog
meer dan half sliep.
Toen had de dokter de gelegenheid, die het oplaaien der vlam hem een
oogenblik aanbood, te baat genomen, en verdween uit het gezicht van
den metselaar, en stond beneden op de deur te rameien met den knop
van zijn zweep....
De metselaar wilde hem niet binnenlaten vóór hij licht aangestoken had.
Er zijn lieden die dat in den man gelaakt hebben, maar ik aarzel
om mij aan hun zijde te scharen, tot ik mijn eigen moed beter heb
leeren kennen.
De dokter gilde en hamerde op de deur...
De metselaar zegt dat hij huilde van angst toen de deur eindelijk
openging.
"Grendel," zei de dokter, "grendel"--hij kon niet zeggen "grendel de
deur." Hij probeerde te helpen maar kon niet. De metselaar grendelde
de deur en de dokter moest eerst een poosje op den stoel naast de
klok zitten voor hij den trap kon opkomen...
"Ik weet niet wàt 't zijn!" herhaalde hij verscheidene malen. "Ik
weet niet wat het zijn,"--en zijn stem ging de hoogte in, telkens
als hij aan "zijn" kwam.
De metselaar wilde hem whiskey geven, doch de dokter wilde niet alleen
gelaten worden met niets dan een flakkerend licht.
Het duurde geruimen tijd voor de metselaar hem ertoe kon bewegen naar
boven te gaan...
En toen het vuur uit was, kwamen de reuzenratten terug, sleepten
het doode paard dwars het kerkhof over naar het veld waar het puin
neergeworpen werd en aten ervan tot de dageraad aanbrak, en zelfs
toèn durfde nog niemand hen storen.
II.
Redwood liep den volgenden morgen tegen elf uur bij Bensington aan,
met de "tweede edities" van drie avondbladen in de hand.
Bensington, die in moedeloos gepeins verzonken zat boven de vergeten
bladzijden van den meest afleidenden roman, dien de boekhandelaar
op den Bromptonweg voor hem had kunnen vinden, keek op. "Iets
nieuws?" vroeg hij.
"Twee menschen gestoken bij Chatham."
"Zij moesten ons dat nest laten uitrooken. 't Is hun eigen schuld."
"Zeker is 't hun eigen schuld," zei Redwood.
"Heb je ook iets gehoord--omtrent den aankoop van de boerderij?"
"De huizen-makelaar," zei Redwood, "is een wezen met een grooten
mond en gemaakt van ondoordringbaar hout. Het wezen geeft voor, dat
er een ander zin in het huis heeft--dat is zoo z'n vaste taktiek,
snap je--en wil maar niet begrijpen dat er haast bij is. "Maar dit
is een kwestie van leven of dood," zeide ik, "begrijpt u dat dan
niet?" Het wezen sloot zijn oogen half en zeide: "waarom is u dan
niet genegen die overige tweehonderd pond er bij te geven?"
"Ik moet zeggen dat ik liever in een wereld van reuzenwespen leef,
dan dat steenen-metselende brok stomheid zijn zin te geven. Ik--"
Hij zweeg even, voelend dat een dergelijke zin licht bedorven kon
worden door zijn samenhang.
"'t Is te veel om te durven hopen," zei Bensington, "dat er een van
die wespen--"
"De wesp heeft niet meer idee van algemeen nut dan een--dan een
makelaar in huizen," zei Redwood.
Hij praatte nog een poosje door over huizen-makelaars en advocaten
en dergelijke menschen, op de onrechtvaardige, onredelijke manier die
zoovele lieden aannemen als ze over deze zaken-factotums aan het praten
raken--(van al de zotte dingen in deze zotte wereld, lijkt het mij
't zotst van alles, dat, terwijl wij eer, moed, bekwaamheid van een
doctor of een krijgsman verwachten als iets dat vanzelf spreekt, wij
procureurs of makelaars in huizen niet alleen vergunnen, maar zelfs
van hen verwachten, een schraperige, vettige, in-den-weg-staande,
afzetterige stomheid ten toon te spreiden--enz.)--en ging toen,
erg opgelucht, naar het venster en keek wat naar het verkeer in
Sloane-street.
Bensington had den roman op het tafeltje gelegd dat zijn electrischen
standaard droeg. Hij bracht de vingers van zijne beide handen zeer
voorzichtig tegen elkaar en keek er naar. "Redwood," zei hij, "wordt
er veel over òns gepraat?"
"Niet zooveel als ik dacht."
"Maar veroordeelen ze ons heelemaal niet?"
"Nee, heelemaal niet. Maar daarentegen bevorderen ze ook heelemaal
niet wat ik aangetoond heb dat moèt gedaan worden. Ik heb naar de
"Times" geschreven, moet je weten, en heb alles uitgelegd--"
"Wij lezen de "Daily Chronicle"," zei Bensington.
"En de "Times" heeft een lang hoofdartikel over het onderwerp--een
erg goed doorwerkt, goed geschreven hoofdartikel met drie stukken
"Times"-Latijn--status quo is er een van--en het laat zich lezen als de
stem van Iemand die zijn naam niet noemt, van grooten invloed en die
lijdt aan Influenza-Hoofdpijn en die door vellen en vellen viltpapier
heenpraat zonder er baat bij te vinden. Als je tusschen de regels
dóór leest, merk je tamelijk duidelijk dat de "Times" het noodeloos
vindt er doekjes om te winden, en dat er iets (natuurlijk wordt er
niet gezegd wàt) moet gedaan worden en dat wel onmiddellijk. Anders
steeds meer ongewenschte gevolgen, "Times"-Engelsch, snap je, voor
nòg méér wespen en steken. Een door en door diplomatisch artikel!"
"En onder de hand verspreidt zich deze Grootheid al meer en meer op
allerlei leelijke manieren."
"Precies."
"Ik wou wel eens weten of Skinner gelijk had omtrent die groote
ratten--"
"Kom! Dàt zou tè erg zijn," zei Redwood.
Hij kwam naast Bensington's stoel staan.
"Tusschen twee haakjes," zei hij, terwijl hij zijn stem iets liet
dalen, "hoe vat zìj--?"
Hij wees naar de gesloten deur.
"Nicht Jane? Zij weet er nog niets van. Brengt ons er niet mee in
verband, en wil de artikelen niet lezen. "Reuzenwespen!" zegt ze,
"ik zou nog net zoo lief, als die kranten te lezen."
"Dat is heel gelukkig," zei Redwood.
"Ik hoop toch niet, dat--mevrouw Redwood--?"
"Nee," zeide Redwood, "'t wordt net gevoed--ze tobt verschrikkelijk
over het kind. 't Gaat àl maar door, moet je weten."
"'t Groeien?"
"Ja. Is in tien dagen een-en-veertig ons aangekomen. Weegt nu
bijna tachtig pond. En nog maar zes maanden! Natuurlijk een beetje
onrustbarend."
"Is ie goed in orde?"
"Puik. Zijn kindermeid vertrekt omdat hij zoo van zich af trapt. En
natuurlijk is hij overal totaal uitgegroeid. We hebben alles
nieuw voor hem moeten laten maken, kleeren en al 't overige. Van de
kinderwagen--'n licht ding--brak een rad, en het ventje moest naar huis
gebracht worden op de handkar van den melkboer. Ja. Een heele menigte
er achteraan... En we hebben Georgina Phyllis in zijn bed moeten laten
slapen en hem in het bed van Georgina Phyllis. Zijn moeder--natuurlijk
wat geschrokken. Eerst vol trots en geneigd Winkles te prijzen. Nu niet
meer. Voelt dat zoo iets niet gezond kàn zijn. Begrijp je natuurlijk."
"Ik dacht dat je hem kleinere doses zou geven."
"Heb 't geprobeerd."
"Werkte 't niet?"
"Gegil. In gewone gevallen is het geschreeuw van een kind al luid en
hinderlijk; 't is goed voor de soort dàt dit zoo is,--maar sints hij
gevoed wordt met Herakleophorbia--"
"Hm"--zei Bensington, met meer gelatenheid naar zijn vingers kijkend
dan tot nu toe het geval was geweest.
"'t Ligt voor de hand dat de zaak moèt uitkomen. De menschen zullen
van dit kind hooren, het in verband brengen met onze kippen en 't
andere spul, en m'n vrouw zal de heele zaak te weten komen... Ik heb
geen vaag idee hoe ze 't zal opvatten."
"'t Is stellig moeilijk," zei Bensington, "om eenig plan te maken----"
Hij zette zijn bril af, en veegde hem zorgvuldig schoon.
"'t Is alweer een voorbeeld van wat er voortdurend geschiedt. Wij--als
ik het tenminste zoo eens mag uitdrukken--wij, mannen der
wetenschap--wij werken natuurlijk altijd om een theoretisch resultaat
te bereiken--'n zuiver theoretisch resultaat. Doch, zonder dat
wij het zelf willen--brengen wij soms krachten in werking--nìèuwe
krachten. Wij mógen die niet beheerschen--en niemand anders kàn
het. Feitelijk hebben wij de quaestie niet langer in onze macht,
Redwood. Wij verschaffen het materiaal--"
"En zij" zei Redwood, zich naar het raam wendend, "ondervinden de
gevolgen."
"Voor zoover het die plaag in Kent betreft, zal ik mij er niet verder
moeilijk over maken."
"Als ze het òns tenminste niet moeilijk gaan maken."
"Precies. En als ze willen komen aanzeuren met procureurs en
beunhazen in de rechten en wettelijke belemmeringen en allerlei
wichtige bezwaren van het nonsensicale soort, tot ze een aantal
nieuwe soorten reuzen-ongedierten in de wereld geschopt hebben--De
zaken zijn altijd in de war geweest, Redwood."
Redwood trok een kromme ineengestrengelde lijn in de lucht.
"En het belang dat wij bij de zaak hebben, zetelt feitelijk op dit
oogenblik alleen bij jouw jongen."
Redwood wendde zich om, kwam naderbij en keek zijn medewerker
scherp aan.
"Wat is jouw idee omtrent hem, Bensington? Jij kunt de zaak
onbevooroordeelder bekijken dan ik. Wat moet ik met hem aanvangen??"
"Doorgaan met hem te voeden."
"Met Herakleophorbia?"
"Met Herakleophorbia."
"En dan groeit hij dóór."
"Hij zal opgroeien, voor zoover ik het kan berekenen naar de kippen
en wespen, tot een lengte van ongeveer vijf en dertig voet--met alles
daaraan geëvenredigd--"
"En wat zal hij dan aanvangen?"
"Dat," zei Bensington, "maakt de geheele quaestie juist zoo
interessant."
"Maar goeie hemel, kerel, denk es aan zijn kleêren! En als hij
volwassen is," zei Redwood, "zal hij een eenzame Gulliver zijn temidden
van een Lilliputter-wereld."
De oogen van den heer Bensington keken veelbeteekenend over zijn bril.
"Waarom eenzaam?" zeide hij, en herhaalde nog somberder: "waarom
eenzaam?"
"Maar je wilt toch niet zeggen--?"
"Ik zeide," zei de heer Bensington, met de zelfvoldoening van iemand
die een goed beteekenisvol iets gezegd heeft, "waarom eenzaam."
"Bedoel je dat we nog meer van dergelijke kinderen zouden kunnen
grootbrengen--?"
"Neen, ik bedoel niets meer dan wat ik vroeg."
Redwood begon de kamer op en neer te loopen.
"Natuurlijk," zeide hij, "dat zou kunnen.--Maar toch! Wat zou het
einde ervan zijn?"
Bensington schepte blijkbaar behagen in zijn eigen hooge
gedachtenvlucht.
"Wat mij het meeste belangstelling inboezemt, Redwood, is de gedachte
dat zijn brein daar hoog in de lucht, als mijn redeneering tenminste
juist is, óók vijfendertig voet of zoo verheven zal zijn boven ons
niveau... Wat is er?"
Redwood stond voor het venster en keek verbaasd naar een plakkaat op
een wagen van een courantenbureau, die de straat kwam afratelen.
"Wat is er aan de hand?" herhaalde Bensington, opstaand.
Redwood slaakte een luiden kreet.
"Wat is er dan toch?" zei Bensington.
"Haal even een courant," zei Redwood, naar de deur gaand.
"Waarom?"
"Haal een courant.--Ik heb 't niet heelemaal--Reusachtige ratten--!"
"Ratten?"
"Ja, ratten. Skinner had bij slot van rekening toch gelijk!"
"Wat bedoel je?"
"Hoe kan ik dat zeggen vóór ik een krant heb? Groote Ratten. Goeie
God. Als ze hem maar niet opgegeten hebben!"
Hij keek rond naar zijn hoed en besloot dan maar zonder hoed te gaan.
Terwijl hij den trap afrende, twee treden tegelijk, kon hij op straat
het geweldige gebrul der Hooligan-couranten-verkoopers hooren, dat
nu eens nader kwam, en zich dan weder verwijderde. De kerels sloegen
er een aardig slaatje uit.
"Vraiselijke gebeurtenis in Kent--vraiselijke gebeurtenis in
Kent. Dokter ............ opgevreten door ratte. Vraiselijke
gebeurtenis--ratte,--opgevreite door reusachtige ratte--"
III.
Cossar, de welbekende civiel-ingenieur, vond hen beiden staan in
de groote deur der bovenwoningen, terwijl Redwood de nog vochtige,
rose courant op armslengte hield en Bensington op de teenen stond,
over zijn arm heen lezend. Cossar was een groote man met magere
onbehouwen ledematen, die toevallig op geschikte hoeken van zijn
lichaam geplaatst waren en een gezicht als een houtsnee, die in
begin-stadium reeds onafgewerkt was gelaten, al tè weinig belovend
om ze te voltooien. Zijn neus was vierkant gelaten en zijn onderkaak
stak verder uit dan de bovenkaak. Hij ademde hoorbaar. Weinig lieden
vonden hem knap. Zijn haar was volkomen tangentiaal en zijn stem,
die hij niet te veel deed hooren, was hoog en meestal klonk er een
bitter protest in door. Hij droeg bij alle gelegenheden een grijs
linnen jacket-costuum en een zijden hoed. Hij peilde een onmetelijken
zak met een groote roode hand, betaalde zijn koetsier en kwam hijgend
en resoluut den trap op, een exemplaar van de rose courant in het
midden vastklemmend als een bliksemstraal van Jupiter.
"Skinner?" zei Bensington, niet lettend op Cossar's nadering.
"Staat niks over hem in," zei Redwood. "Is beslist
opgegeten. Allebei. 't Is te vreeselijk!... Hallo, Cossar!"
"Is dat dat goedje van jullie?" vroeg Cossar, met de courant
wuivend. "Waarom maak je er geen eind aan?" vroeg hij.
"De plaats koopen?" riep hij uit. "Wat een onzin! Brand 'em tegen
den grond. Ik wist wel dat lui als jelui d'r 'n rommel van zoudt
maken. Wat je moet aanvangen? Wel--wat ik je zeg."
"Jij? Doen? Natuurlijk de straat opgaan naar den
wapenhandelaar. Waaròm? Om geweren. Ja--er is maar één winkel. Haal
acht geweren! Met getrokken loop. Geen olifant-roeren--nee! Te
groot. Geen infanteriegeweren ook--te klein. Zeg dat 't is
om 'n stier dood te schieten. Zeg dat ze zijn om buffels te
schieten! Zie je? Hè? Ratten? Nee! Hoe kunnen ze dàt begrijpen,
voor den duivel?... Acht? Omdat we er acht nóódig hebben. Zorg voor
een hoop ammunitie. Koop geen geweren zonder ammunitie--nee! Neem 't
heele zaakje mee in een vigelante naar--waarheen ook weer? Urshot? Dan
moet je Charing-Cross station hebben. Er gaat een trein om--enfin,
de eerste de beste trein na tweeën. Denk je dat je 't doen
kunt? Goed zoo. Vergunning? Haal er acht aan een postkantoor,
natuurlijk. Vergunning voor 't dragen van geweren, snap je. Geen
jachtakte. Waarom? Omdat 't ratten zijn, man."
"Jij--Bensington! Heb je 'n telephoon? Ja. Ik zal vijf van m'n
mannetjes uit Ealing opbellen. Waarom vijf? Omdat dat 't juiste
getal is.--Waar ga jij heen, Redwood? Een hoed zoeken! Onzin. Hier
heb je den mijne. Geweren heb je noodig, man--geen hoeden. Heb je
geld? Genoeg? Goed zoo. Vooruit dan maar. Waar is die telephoon,
Bensington?"
Bensington keerde zich gehoorzaam om en ging voor. Cossar gebruikte de
telephoon en belde af. "Dan heb je die wespen nog," zei hij. "Daar
zijn zwavel en salpeter goed voor. Natuurlijk. Gips. Jij bent
scheikundige. Waar kan ik zwavel bij de ton krijgen in zakken die
niet te groot zijn. Waarvoor? Wel, m'n goeie god!--om dat nest uit
te rooken, natuurlijk! Moet toch zwavel zijn, niet waar? Jij bent
scheikundige. Zwavel het beste, he?"
"Ja, ik gelóóf wel dat zwavel 't beste is."
"Niets beters? Goed, dat is jouw werk. Zie zooveel zwavel te krijgen
als je kunt--en salpeter om het te doen branden. Sturen? Charing
Cross. Dàdelijk. Zorg ervoor dat ze 't doen ook. Loop zèlf mee. Nog
iets?"
Hij dacht een oogenblik na.
"Portland cement--alle cement is goed--nest blokkeeren--gaten, snap
je? Dàt zal ìk wel halen."
"Hoeveel?"
"Hoeveel wat?"
"Zwavel."
"Ton. Begrepen?"
Bensington kneep zijn bril wat vaster met een hand die beefde van
vastberadenheid. "In orde," zei hij, zeer kortaf.
"Geld in je zak?" vroeg Cossar. "Loop naar den duivel met
cheques. Gereed geld betalen. Natuurlijk. Waar is je bank? Goed. Stap
onder weg uit en haal veertig pond--bankbiljetten en goud."
Weer even nadenken. "Als we dit zaakje aan de ambtenaren
overlaten dan gaat heel Kent aan flarden," zei Cossar. "Is er nog
iets--? Neen. Hìèr!"
Hij stak een enorme hand op naar een vigelante die gretig aan-hotste
om hem te bedienen. "Rijtuig, meneer?" zei de aapjes-man. "Nog
al vanzelf," zeide Cossar en Bensington, nog steeds zonder hoed,
pagaaide den trap af, en maakte zich gereed in te stappen.
"Ik vind," zei hij, met zijn hand op het zeil der vigelante, en met
een schichtigen blik naar de vensters zijner verdieping, "ik geloof
dat ik het eerst nog even aan nicht Jeanne ga vertellen.--"
"Meer tijd om te vertellen als je terugkomt," zei Cossar, hem erin
duwend met een enorme hand die zijn rug ongeveer besloeg... "Knappe
kerels," merkte Cossar op, "maar geen zier initiatief. Jawel, nicht
Jeanne. Ik ken 'er. Snert, al die nichten Jeanne!--'t land is er
mee verpest. Ik wed dat 't me den geheelen nacht zal bezighouden
om ervoor te zorgen dat ze doen wat ze aldoor geweten hebben dat ze
moèsten doen. Ik wou wel es weten of 't dat napluizen of nicht Jeanne
of iets anders is, dat ze zoo maakt?"
Hij liet dit ondoorgrondelijke probleem voor wat het was, staarde
een poosje in gedachten op zijn horloge en bevond dat er nog juist
tijd genoeg zou zijn om een restaurant binnen te vallen en koffie te
drinken vóór hij op het portland-cement uitging en het naar Charing
Cross vervoerde. De trein vertrok om vijf minuten over drieën, en hij
kwam te Charing-Cross aan om kwart vóór drie, en vond daar Bensington
buiten het station in heet dispuut met twee politie-agenten en zijn
wagenvoerder buiten het station en Redwood in het goederenbureau, in
een technische moeilijkheid gewikkeld omtrent zijne ammunitie. Iedereen
gaf voor, niets te weten of geen macht te hebben, op de manier waarvan
de beambten op de Zuid-Ooster-lijn zooveel houden als ze zien, dat
ge haast hebt.
"Jammer dat ze al die beambten niet kunnen neerschieten en een nieuw
stel nemen," merkte Cossar zuchtend op. Doch de tijd was te kort om
lang te redekavelen en deshalve schoof hij al deze kleinere hinderpalen
op zij, en dook uit de een of andere obscure schuilplaats een wezen op,
dat de station-chef kan geweest zijn--maar het ook even goed niet kan
geweest zijn--liep heen en weer, hem stevig vasthoudend, gaf orders
in zijn naam, en was het station uit met alles en iedereen veilig aan
boord, vóór die beambte den vollen omvang begreep van de inbreuk die er
gemaakt was op den meest heiligen gang van zaken en voorschriften. "Wie
wàs dat?" vroeg de hooge beambte, den arm betastend, dien Cossar beet
had gehad, en glimlachend met gefronste wenkbrauwen.
"Hoe of wat dan ook meneer," zei een kruier, "maar 't was een
meneer. 'IJ en allemaal die bij 'em waren, reisden eerste klas."
"Nu, we hebben hèm en zijn goedje aardig vlug de baan uitgestuurd--wie
hij dan ook was", zeide de hooge beambte, zijn arm wrijvend met iets
dat naar voldoening zweemde.
En terwijl hij langzaam terugwandelde, knipoogend in het daglicht
waaraan hij zoo weinig gewoon was, naar die deftige plaats van
afzondering waarin de hoogere beambten te Charing Cross hun toevlucht
zoeken tegen den overlast van het plebs, liep hij nog steeds te
glimlachen om zijn ongewone energie. Het geval gaf hem een zeer veel
voldoening gevenden blik op zijn eigen handigheid, niettegenstaande
zijn stijven arm. Hij wenschte dat enkelen van die verwenschte critici,
die in een gemakkelijken stoel het bestuur der spoorwegen liggen af
te kammen, hem eens hadden kunnen zien.
Tegen vijven had die niet genoeg te bewonderen Cossar zonder eenigen
schijn van overhaasting, al zijn materiaal voor zijn strijd tegen
deze losgebroken Grootheid Urshot reeds uit, en was hij op weg naar
Hickleybrow. Twee vaten petroleum en een vracht droge rijzen had
hij in Urshot gekocht; een meer dan voldoend aantal zakken zwavel,
acht geweren voor groot wild en ammunitie, drie lichte achterladers,
met fijne-hagel-patronen voor de wespen, een bijl, twee kapmessen,
een houweel en drie spaden, twee streng touw, wat flesschen bier,
soda en whiskey, een gros pakjes rattenkruid en koude proviand voor
drie dagen, waren uit Londen mee gekomen. Dit alles had hij op zeer
zakelijke manier in een kolenlorrie en een hooiwagen vooruit gezonden;
behalve de geweren en de ammunitie, die geborgen werden onder de bank
van het wagentje uit den Rooden Leeuw, dat bestemd was om Redwood en
de keurbende van vijf man die op Cossar's bevel uit Ealing gekomen was,
te vervoeren.
Cossar leidde al deze werkzaamheden met een air, alsof het de meest
doodgewone zaak ter wereld was; hoewel er in Urshot een ware paniek
heerschte over de ratten, en alle wagenbestuurders moesten extra
betaald worden. Alle winkels in het plaatsje waren gesloten, en men
zag bijna niemand op straat, en als hij op een deur klopte, ging
niet de deur, maar het raam open. Hij scheen het zaken-drijven vanuit
open vensters een volkomen gewettigd en voor de hand liggend iets te
vinden. Eindelijk kregen hij en Bensington den sjees uit den Rooden
Leeuw, en gingen op weg met net karretje, om zich bij de bagage te
voegen die reeds een eind vooruit was. Dit deden zij een eindje voorbij
de kruiswegen, en kwamen zoodoende het eerst te Hickleybrow aan.
Bensington, met een geweer tusschen de knieën, naast Cossar zittend
in de sjees, voelde een reeds lang in zich groeiende verbazing tot
rijpheid komen. Al wat zij nu deden, was, zooals Cossar volhield,
zonder twijfel het meest voor de hand liggende om te doen, maar--! In
Engeland doet men zelden wat voor de hand ligt. Hij keek van de voeten
van zijn buurman, naar de forsch gespierde handen op de teugels. Cossar
had blijkbaar nooit gemend, en reed maar recht uit recht aan over het
midden van den weg, volgens een zonder twijfel voor de hand liggende,
doch zeer zeker ongewone eigen methode.
"Waarom doen wij toch niet allemaal wat voor de hand ligt? dacht
Bensington. Wat 'n goeie wereld zou 't dan worden als iedereen dat
deed! Waarom doe ik bijvoorbeeld zoo'n massa dingen niet, terwijl ik
weet dat 't goed zou zijn ze te doen--dingen die ik graag doen zou! Is
iederéén dan zóó, of ligt 't alleen aan mij!" Hij verzonk in sombere
overpeinzingen over den wil. Hij dacht na over de ingewikkelde,
ingeroeste beuzelachtigheden van het dagelijksch leven, en in
tegenstelling hiermede, over de eenvoudige en voor de hand liggende
dingen die men behoorde te doen, de aangename en mooie daden, die
eigenaardige invloeden ons nooit veroorloven te volbrengen. Nicht
Jeanne? Hij bemerkte dat nicht Jeanne op de een of andere listige en
moeilijk-na-te-gane manier een belangrijke factor in deze quaestie
was. Waarom moeten wij, bij slot van rekening, eten, drinken, slapen,
ongetrouwd blijven, híerheen gaan, dáár nièt heen gaan, en dit alles
uit consideratie voor nicht Jeanne?
Zij werd symbolisch zonder op te houden ondoorgrondelijk te zijn!...
Een overstap, en een pad dwars door de velden trokken zijn aandacht
en deden hem denken aan dien vroolijken helderen dag, nog zoo kort
geleden wat tijd betrof, terwijl de emoties ervan reeds zoo ver achter
hem lagen, toen hij van Urshot naar de Proef-Hoeve liep om naar de
reuzen-kuikens te gaan kijken...
Het lot speelt met ons.
"Tchek, tchek," zeide Cossar, "sta op."
Het was een zeer warme middag, er was geen zuchtje en het stof lag
dik op de wegen. Menschen waren er niet veel te zien, doch de herten
achter de omheining van het park graasden vreedzaam.
Zij zagen een paar van de groote wespen een kruisbessenstruik
leegplunderen even buiten Hickleybrow, en er kroop er een op en neer
voor het kleine kruideniers-winkeltje in de dorpstraat, trachtend
ergens een ingang te vinden. De kruidenier was nog zichtbaar binnen,
met een oud vogelroer in de hand en de pogingen van het dier
aandachtig volgend. De koetsier van het karretje hield stil voor
"de Vroolijke Koejongens," en deelde Redwood mede, dat zijn deel van
de overeenkomst hiermede afliep. Hierbij sloten zich een oogenblik
later ook de voerlieden van den hooiwagen en de kolenlorrie aan. Zij
hielden deze bewering niet alleen staande, doch weigerden pertinent
om de paarden verder mee te laten gaan.
"Die groote ratten zijn dol op paarden", herhaalde de kolentremmer
telkens.
Cossar keek het getwist een oogenblik aan.
"Haal de spullen uit het wagentje", zeide hij, en een van zijne mannen,
een lange, blonde, smerige werktuigkundige, gehoorzaamde.
"Geef me dat jachtgeweer es an", zeide Cossar.
Hij ging tusschen de voerlui staan. "Wij verlangen niet van jelui
dat je rijden zult," zeide hij.
"En nu kun je verder zeggen wat je wilt," gaf hij toe--"maar wij
moeten die paarden hebben."
Zij begonnen over en weer te praten, maar hij ging voort: "Als jelui
het hart hebt om een hand naar ons uit te steken, schiet ik je uit
zelfverdediging in je beenen. Maar de paarden gaan mee verder."--Hij
beschouwde de zaak hiermede als afgedaan.
"Klim op dien wagen, Flack," zei hij tot een breedgeschouderden,
taaien, kleinen man. "Boon, jij neemt den kolenwagen."
Twee wagenvoerders begonnen tegen Redwood te tieren.
"Jelui hebt je plicht gedaan jegens jelui werkgevers", zeide
Redwood. "Jelui blijven in dit dorp tot wij terugkomen. Niemand zal
je de schuld geven, als ze zien dat wij geweren hebben. Wij willen
niets onrechtvaardigs of gewelddadigs doen, maar de quaestie is
dringend. Ik betaal als er iets met de paarden gebeurt, dus stel je
op dat punt maar gerust."
"Goed zoo," zeide Cossar, die zelden beloften deed.
Zij lieten de sjees achter, en de mannen, die menden, gingen
te voet. Over elken schouder bungelde een geweer. Het was een
allervreemdste kleine expeditie voor een Engelschen landweg. Het
geleek meer op een Yankee-troep, die bezig was westwaarts te trekken
in de goede oude dagen der Indianen.
Zij volgden den weg, totdat zij op den top van den heuvel, bij den
overstap, de Proef-Hoeve in het zicht kregen.
Zij vonden boven op den heuvel een klein troepje mannen met een
geweer--de beide Fulchers waren er onder anderen ook bij--en een man,
een vreemde uit Maidstone, stond een paar pas vóór de anderen en nam
het terrein op door een tooneelkijker.
Deze mannen wendden zich om en keken verbaasd naar Redwood's troep.
"Iets nieuws?" zeide Cossar.
"De wespen vliegen af en an," zei de oude Fulcher.
"Kan niet zien of ze wat meebrengen."
"Het kanariekruid is nou al tusschen de pijnboomen," zeide de man
met den tooneelkijker. "Van morgen was het daar nog niet. Je kunt
het zien groeien terwijl je er naar staat te kijken."
Hij haalde een zakdoek uit zijn zak en wreef de glazen van den
tooneelkijker doodbedaard zorgvuldig af.
"Jelui gaan zeker naar beneden, he?" waagde Skelmersdale te zeggen.
"Ga je mee?" vroeg Cossar.
Skelmersdale scheen te aarzelen.
"Duurt den geheelen nacht."
Skelmersdale besloot, als dat zoo was, maar liever niet mee te gaan.
"Ook ratten op de vlakte?" vroeg Cossar.
"D'r zat er een tusschen de dennen van morgen. Ik vertrouw dat ie op
konijnen uit was."
Cossar sjokte weer voort om de anderen in te halen. Bensington,
die van onder zijn hand naar de Proef-Hoeve tuurde, kreeg voor het
eerst eenigermate een denkbeeld van de kracht van het voedsel. Zijn
eerste indruk was, dat het huis kleiner was dan hij gedacht had--véél
kleiner zelfs; zijn tweede indruk was, dat de geheele plantengroei
tusschen het huis en het pijnbosch ontzettend groot was geworden. Het
dak boven den put keek nog maar even uit van tusschen acht voet hooge
graspluimen en het kanariekruid had zich om den schoorsteen geslingerd
en gesticuleerde met stijve ranken in de lucht. Zijn bloemen waren
helder-gele vlekken, die wel een mijl ver duidelijk zichtbaar waren
als afzonderlijke, gele, spikkels.
Een groote, groene kabel had zich dwars door het ijzergaas van
den looper der reuzen-kuikens gewrongen en had zijn bladerstelen
geslingerd om twee aan den buitenkant staande pijnboomen. Bijna half
zoo hoog was ook het boschje brandnetels, dat om de karreschuur was
opgeschoten. De geheele aanblik deed, hoe meer zij naderden, denken
aan een aanval van dwergen op een poppenhuis dat in een vergeten
hoekje van den een of ander grooten tuin is blijven staan.
Zij zagen dat de wespen voortdurend ijverig af en aan vlogen. Een zwerm
zwarte gedaanten vloog door elkaar in de lucht boven de verweerde
heuvelhelling achter het pijnbosch en telkens schoot een van deze
gedaanten op in de lucht, met ongelooflijke snelheid, en zweefde heen
naar een verwijderd doel. Hun gegons was reeds hoorbaar op meer dan
een halve mijl van de Proef-Hoeve.
Eenmaal kwam een geel-gestreept monster hun kant uit schieten, zweefde
een tijdlang vóór hen, naar hen kijkend met zijn groote facettenoogen,
doch op een mislukt schot uit Cossar's jachtgeweer, vloog het weder
heen. Rechts in een hoek van het veld, kropen er verscheidene over
eenige afgekloven beenderen, die waarschijnlijk de overblijfselen
waren van het lam dat de ratten hierheen gesleept hadden van Huxter's
boerderij. De paarden begonnen onrustig te worden, toen zij deze wezens
naderden. Geen van het gezelschap was een goed menner, en zij moesten
ieder paard bij den teugel leiden en het aanmoedigen met hun stem.
Zij zagen geen enkel spoor van de ratten, toen zij het huis naderden,
en alles scheen volmaakt rustig, behalve het nu eens duidelijker,
dan weer minder duidelijk aanzwellende whoozzzzzzZZZ, whoooooozoo--oe
uit het wespen-nest.
Zij leidden de paarden het erf op en een van Cossar's mannen
die de deur zag openstaan--het geheele middengedeelte ervan was
weggeknaagd--ging naar binnen. Niemand miste hem den eersten tijd,
daar de anderen bezig waren met de vaten petroleum, en zij bemerkten
eerst dat hij niet bij hen was, toen zij het knallen van zijn geweer
en het fluiten van zijn kogel hoorden. "Pang, pang," allebei de
loopen, en zijn eerste kogel ging, schijnt het, door het vat zwavel,
rukte er een duig aan den anderen kant uit, en vervulde de lucht met
geel poeder. Redwood had zijn geweer in de hand gehouden en trok
het schot er af op iets grijs' dat hem voorbij rende. Hij zag nog
even het breede achtergedeelte, den langen schubachtigen staart en
lange zolen der achterpooten van een rat, en ledigde zijn tweeden
loop. Hij zag Bensington neervallen op het oogenblik, dat het beest
om den hoek verdween.
Toen was iedereen een tijdlang druk in de weer met een geweer. Drie
minuten lang waren levens geen cent meer waard op de Proef-Hoeve, en
het knallen der geweren vervulde de lucht. Redwood in zijn opwinding
niet op Bensington lettend, achtervolgde het dier, en werd omver
gegooid door een massa puin, kalk, cement en splinters van vermolmde
latten, die recht op hem af kwam stuiven, nadat een kogel juist
tegenover hem door den muur was komen vliegen.
Hij vond zich zelf op den grond zitten met bebloede handen en lippen
en groote stilte hing drukkend over alles om hem heen.
Toen merkte hij een geestlooze stem vanuit het huis op:
"Gee--whizz!"
"Hallo!" zei Redwood.
"Hallo daar!" antwoordde de stem.
En toen: "hebben jellui 'em?"
Een besef van de plichten der vriendschap ontwaakte in Redwood. "Is
meneer Bensington gewond?" vroeg hij.
De man binnen verstond hem niet goed. "'t Is jullie schuld zèker niet,
dat ik nog leef" zeide de stem.
Het werd Redwood steeds duidelijker, dat 't niet anders kon, of hij
had Bensington neergeschoten. Hij dacht niet langer aan de schrammen
in zijn gezicht, stond op en vond Bensington op den grond zitten,
zijn schouder wrijvend.
Bensington keek hem over zijn bril aan. "We hebben 'em smeer gegeven,
Redwood", zeide hij en toen: "hij probeerde over me heen te springen,
en gooide me omver. Maar ik gaf 'm allebei de loopen, en goeie hemel,
m'n schouder is murw."
Er verscheen een man in de deur van het huis. "Eéns raakte ik 'm in
zijn borst en eens in z'n zij," zeide hij.
"Waar zijn de wagens?" zeide Cossar, te voorschijn komend uit een
warbos van reusachtige kanariekruid-bladen.
Het bleek tot Redwood's verbazing, ten eerste, dat er niemand
doodgeschoten was, en ten tweede dat de trollen en de wagen wel een
vijftig pas verplaatst waren, en nu met ineengeloopen wielen in den
verwoesten moestuin van Skinner stonden.
De paarden hadden opgehouden met slaan en steigeren. Een eind
verder lag het gebarsten vat zwavel op het pad met een wolk van
stof er boven. Hij vestigde Cossar's aandacht hierop en ging er
naar toe. "Heeft een van jullie die rat ook gezien?" brulde Cossar,
hem volgend. "Ik raakte hem éénmaal tusschen z'n ribben, en éénmaal
recht in zijn facie toen hij op me afkwam."
Terwijl zij nog bezig waren om de in elkaar gewerkte raderen te
trekken, voegden juist twee mannen zich bij hen.
"Ik heb die rat neergelegd," zeide een van hen.
"Hebben ze 'em?" vroeg Cossar.
"Jim Bates heeft 'm gevonden, achter de heg. Ik raakte 'm net toen
hij om den hoek kwam...."
"Pats, achter zijn schouder......"
Toen de zaken weder een beetje op orde waren, ging Redwood eens kijken
naar het kolossale, wanstaltige lijk. Het dier lag op zijn zijde,
met lichtelijk gekromd lijf. Zijn knaagtanden, die uitstaken over
de onderkaak, gaven aan zijn gezicht een uitdrukking van zwakheid
bij al zijn grootte en vraatzucht. Het leek niet in 't minst woest of
vrees-aanjagend. De klauwen der voorpooten deden denken aan vermagerde
handen. Behalve een klein rond gaatje met een geschroeiden rand er
om heen aan weerszijden van den hals, was het dier volkomen ongedeerd.
Hij bleef hierover eenigen tijd staan peinzen.
"Dan moeten er twéé ratten geweest zijn," zeide hij eindelijk,
zich afwendend.
"Ja, en die, die iedereen geraakt heeft,--is ontsnapt."
"Ik weet anders zeker dat mijn schot......"
Een kanariekruid-rank, die op de geheimzinnige manier van alle
kruipplanten naar een houvast zocht, boog zich allervriendelijkst
naar zijn hals, en deed hem haastig ter zijde gaan.
"Whoe-z-z-z-z-z-z-Z-Z-Z", klonk het uit het wespennest, een eind
verder, "whoe-oe-zoe-oe."
IV.
Dit geval deed het gezelschap op zijn hoede zijn, hoewel het er niet
buitengewoon ontdaan over was.
Zij brachten hun provisie in het huis, dat blijkbaar ondersteboven
gehaald was door de ratten, nadat juffrouw Skinner het verlaten had, en
vier van de mannen brachten de twee paarden naar Hickleybrow terug. Zij
sleepten de doode rat door de heg, zóó dat zij van uit de vensters
van het huis goed te zien was, en bemerkten toevallig een kolonie
reuzen-oorwormen in de greppel. Deze dieren gingen haastig uit elkaar,
doch Cossar stak zijn ontzettende ledematen uit en slaagde er in,
er verscheidene te dooden met zijn laarzen en geweer-kolf. Vervolgens
hakten twee der mannen verscheidene hoofd-stammen van het kanarie-kruid
door--dit waren reusachtige cylinders van een paar voet in doorsnede,
die uitkwamen bij den zinkput achter het huis; en terwijl Cossar het
huis voor den nacht in orde bracht, liepen Bensington, Redwood en een
der bijstand-verleenende electriciens behoedzaam om de kippenrennen
heen, zoekend naar de rattenholen.
Zij maakten een wijden boog om de reuzen-brandnetels heen, want dit
reusachtig onkruid bedreigde hen met giftige doornen van ruim een
duim lang.
Vervolgens kwamen zij aan gene zijde van het afgeknaagde, onttakelde
hek, en stonden plotseling voor het meest westelijk-gelegen reusachtige
ratten-hol--, een kwalijk-riekende diepte,--dat hen op éen rij deed
gaan staan.
"Ik hoop dat zij te voorschijn zullen komen", zeide Redwood met een
blik naar het afdak van den put.
"En als ze er eens niet uitkomen," zei Bensington.
"Dat zullen ze wel," zei Redwood.
Zij bleven in gedachten verzonken staan.
"We zullen op de een of andere manier vuur moeten aanmaken àls we er
in gaan," zeide Redwood.
Zij gingen een klein paadje van wit zand op, door het dennenbosch,
en hielden een oogenblik later stand in het gezicht der wespen-holen.
De zon ging nu onder, en de wespen kwamen allen naar huis; hun vleugels
vormden in het gouden licht snel-ronddraaiende stralen-kransen om hen
heen. De drie mannen keken behoedzaam toe van onder de boomen--zij
waagden het niet tot aan den rànd van het bosch te gaan--en zagen
deze kolossale insecten neerkomen, een beetje rondkruipen, de holen
binnengaan en verdwijnen.
"Binnen een paar uur zijn ze kalm," zei Redwood... "'t Is net of je
weer een jongen bent."
"We kunnen deze holen niet misloopen," zei Bensington, "al is de
nacht ook donker. Tusschen twee haakjes--hoe moet het met 't licht"--
"Volle maan," zei de electricien. "Heb 't opgezocht."
Zij gingen terug en raadpleegden Cossar.
Hij zeide, dat 't "voor de hand lag", dat ze voor 't schemer de zwavel,
salpeter en gips 't bosch doorbrachten en derhalve ontlaadden zij de
wagens en droegen de zakken op hun rug.
Na het noodige geschreeuw der voorafgaande orders werd er geen woord
meer gesproken, en toen het gezoem uit het wespen-nest verstierf,
was er bijna geen ander geluid te hooren dan het gedruisch van
voetstappen, de zware ademhaling van beladen mannen en het neerwerpen
der zakken. Om beurten hielp ieder een handje behalve Bensington
die hier klaarblijkelijk ongeschikt voor was. Hij vatte post in de
slaapkamer der Skinners met een geweer, om het lijk der doode rat te
bewaken en de andere droegen om beurten zakken en rustten dan weder,
en hielden twee aan twee de wacht bij de ratten-holen achter het
brandnetel-boschje. De zaadbolletjes der netels waren rijp, en telkens
werd hun waken verlevendigd door het opengaan van een dezer bolletjes,
wat precies klonk als het knallen van een pistool, en de zaadkorrels,
zoo groot als hertenloopers, vlogen overal om hen heen.
Bensington zat voor zijn venster in een harden paardenharen leunstoel,
waarover een smoezelige anti-macasser lag, die gedurende vele jaren
een tikje van maatschappelijke distinctie gegeven had aan de huiskamer
der Skinners.
Zijn geweer, waaraan hij zoo weinig gewoon was, rustte op het kozijn,
en zijn bril keek nu eens naar de duistere gestalte der doode rat
in het steeds-meer-dalende schemerduister, dan weer om zich heen,
in vreemde overpeinzingen. Er was een flauwe stank van petroleum,
want een van de vaten lekte, en deze lucht vermengde zich met een
minder onaangenamen geur, die opsteeg uit den afgehakten en vertreden
stengel van het kanariekruid.
Als hij het hoofd omwendde herinnerde een mengeling van vage
huiselijke geuren, van bier, kaas, rotte appels en oude laarzen
als leidmotieven, hem sterk aan de verdwenen Skinners. Hij keek een
tijdje lang rond in het duistere vertrek. Het meubilair was zeer in
wanorde gebracht--misschien wel door de een of andere nieuwsgierige
rat--doch een jas aan een pen, tegen de deur, een scheermes en enkele
vuile strookjes papier, en een stukje zeep dat tot een hoornachtigen
dobbelsteen geworden was doordat het sedert jaren niet meer gebruikt
werd, dit alles rook naar Skinner's marquante persoonlijkheid.
De gedachte kwam in Bensington's brein op, dat hoogstwaarschijnlijk
het monster, dat daar nu in het halfduister lag, Skinner gedood en
opgegeten had, tenminste gedeeltelijk, iets waarvan hij den geheelen
omvang nog niet overdacht had.
Waar toch een er-onschuldig-uitziende ontdekking op chemisch gebied
al niet toe leiden kon!
Hier zat hij nu, in zijn eenvoudige, oude Engeland, en toch aan
alle zijden belaagd door gevaren, geheel alleen met een geweer
in een halfduister, bouwvallig huis, ver van elk gemak, met zijn
schouder deerlijk gekneusd door het stooten van een geweer, en--bij
alle heiligen!
Hij begreep nu eerst ten volle hoezeer de gewone orde van zaken van
het Heelal voor hem veranderd was. Hij was weggegaan naar de plaats
van dit verbazingwekkende avontuur, zonder er zelfs met één woord
van te reppen tegen zijn nicht Jeanne!
Wat moest zij wel van hem denken?
Hij trachtte zich dit voor te stellen, doch het gelukte hem niet. Hij
had het vreemde gevoel, dat hij en zij nu voor altijd gescheiden
waren, en elkander nooit weer zouden zien. Hij gevoelde, dat hij een
verbazenden stap gedaan had, en een wereld van nieuwe onmetelijke
dingen had betreden. Wat voor monsters konden die steeds duisterder
wordende schaduwen niet verbergen?... De toppen der reuzen-netels
staken donker en scherp af tegen het bleeke groen en amber van de lucht
in het westen. Alles was heel stil--heel, heel stil. Hij verwonderde
zich waarom hij de anderen niet kon hooren daar ginds om den hoek
van het huis. De schaduw in het karrehuis was nu één zwarte diepte.
Pang... pang... pang.
Een keten van echoos en een schreeuw.
Toen lange stilte.
Goddank! daar kwamen Redwood en Cossar opdoemen uit de onhoorbare
duisternis, en Redwood riep "Bensington!"
"Bensington! We hebben wéér 'n rat! Cossar heeft een tweede rat
neergelegd!"
V.
Toen de expeditie zich voldoende ververscht had, was de nacht
gedaald. De sterren schenen zoo helder als zij maar konden, en een
steeds grooter wordende bleekheid in de richting van Hankey kondigde
de maan aan. Nog steeds werd er wacht gehouden bij de rattenholen,
doch de wakers hadden van plaats verwisseld en hadden post gevat
op de heuvelhelling boven de holen, voelend dat dit een veiliger
punt was om te vuren. Zij hurkten daar in de overvloedig vallende
dauw, en bestreden de vochtigheid met whiskey. De anderen bleven in
huis en de drie leiders bespraken met de mannen het werk dat hun
gedurende den nacht voor de borst stond. Tegen middernacht ging
de maan op, en zoodra zij boven de duinen uitkwam, begaven allen,
behalve de schildwachten bij de rattenholen, zich op weg, achter
elkaar loopend, in den ganzenpas, en aangevoerd door Cossar, naar
het wespennest. Voor zoover het 't wespennest betrof, was hun taak
buitengewoon licht--verbàzend licht. Behalve dat 't langer duurde,
had het niet veel meer voeten in de aarde dan het eerste het beste
gewone wespennest. Zeker, er was eenig gevaar bij--levensgevaar nog
wel, doch dit stak zelfs het hóófd niet buiten het hol. Zij propten
er de zwavel en salpeter in, stopten de holen zorgvuldig dicht en
staken hunne lonten aan.
Toen wendde het geheele gezelschap, behalve Cossar, zich als één man
om en rende dwars door de lange schaduwen der pijnboomen, en ziende
dat Cossar stand gehouden had, kwamen zij een honderd meter verder
tot staan, dicht op elkaar gedrongen, knus dicht bij een greppel,
die een schuilplaats aanbood. Een paar minuten lang was de zwarte en
witte maannacht zwaar van een gesmoord gegons, dat aanzwol tot een
gebrul, tot een diepen breeden klank, zijn hoogtepunt bereikte en
toen weder verstierf; en toen--het was haast niet te gelooven--was
de nacht weder stil.
"Bij den hemel!" zei Bensington, bijna fluisterend, "hij heeft
't klaargespeeld."
Allen stonden in spanning. De heuvelhelling boven het donkere
naald-kantwerk van de schaduwen der pijnboomen was helder als het
daglicht en kleurloos als sneeuw. Het verstijvende cement in de holen
glom zoo waar. Cossar's losse gestalte kwam op hen toe.
"Klaar hoor"--zei Cossar.
"Pang--pang!"
Een schot van dicht bij het huis en toen--stilte.
"Wat is dàt?" zei Bensington.
"Een van de ratten zal z'n kop naar buiten gestoken hebben," opperde
een van de mannen.
"Tusschen twee haakjes, we hebben onze geweren ginds gelaten,"
zei Redwood.
"Bij de zakken."
Iedereen begon weer den kant van den heuvel uit te loopen.
"Dat moeten de ratten zijn," zei Bensington.
"Ligt voor de hand," zei Cossar, op zijn nagels bijtend.
"Pang!"
"Hallo?" zei één van de mannen.
Toen klonken er plotseling een roep, twee schoten, een luiden
schreeuw die bijna een gil was, drie snel op elkaar volgende schoten
en het geluid van hout dat versplinterde. Al deze geluiden waren zeer
duidelijk en zeer klein in de onmetelijke stilte van den nacht. Toen
eenige minuten lang niets dan een zacht, gedempt verward geluid uit
de richting der rattenholen, en toen weder een woeste gil... allen
liepen om 't hardst naar de geweren... Weer twee schoten.
Bensington holde met het geweer in de hand door het pijnbosch achter
een aantal voor hem uithollende ruggen aan. Het is eigenaardig dat de
gedachte, die op dat oogenblik den boventoon voerde in zijn brein,
de wensch was, dat nicht Jeanne hem nu eens kon zien. Zijn bolle
opengewerkte schoenen sloegen uit in wilde groote passen en zijn
gezicht was vertrokken tot een voortdurende grijns, omdat dit zijn
neus deed rimpelen en zijn bril op zijn plaats hield. Ook hield hij
den loop van zijn geweer recht voor zich uit, terwijl hij daar door
het plekken-werpende maanlicht holde. De man die weggeloopen was,
kwam hen in vollen ren tegen--hij had zijn geweer laten vallen.
"Hallo," zei Cossar, en ving hem op in zijn armen. "Wat heeft dit
te beduiden?"
"Ze kwamen er allemaal samen uit," zei de man.
"De ratten?"
"Ja, zes waren 't er."
"Waar is Flack?"
"Die ligt ginds."
"Wat zegt ie?" hijgde Bensington, die kwam aanloopen zonder dat iemand
op hem lette.
"Ligt Flack ginds?"
"Hij viel."
"Ze kwamen er een voor een uit."
"Wat?"
"Deden een uitval. Ik loste m'n beide loopen."
"En heb je Flack daar alleen achtergelaten?"
"Zij zaten ons op 't lijf."
"Vooruit," zei Cossar. "Jij gaat met ons mee. Waar is Flack? Breng
ons er heen."
Het geheele gezelschap ging op weg. Verdere bijzonderheden omtrent
het gevecht ontvielen den man die weggeloopen was. De anderen,
behalve Cossar die voorop ging, verdrongen zich om hem.
"Waar zijn ze nou?"
"Misschien al weer in hun holen. Ik smeerde 'n 'm. Ze renden op ons
in om bij hun holen te kommen."
"Wat bedoel je? Waren jelui dan achter ze gekomen?"
"Wij gingen naar hun hol. Zagen ze d'r uit kommen, en probeerden
ze den pas af te snijden. Ze kropen d'r uit--net als konijnen. Wij
holden naar beneden, en brandden los. Zij liepen wild in 't rond na ons
eerste schot, en toen kwamen ze plotseling op ons af. Op ons àf, hoor!"
"Hoeveel?"
"Zes of zeven."
Cossar ging vóór naar den rand van het pijnbosch en hield stil.
"Bedoel je dat ze Flack gepakt hebben?" vroeg iemand.
"'k Zag wel dat er een op 'em afkwam."
"Schoot je niet?"
"Hoe kon ik dat nou?"
"Heeft iedereen geladen?" zei Cossar over zijn schouder. Van alle
kanten werd toestemmend geantwoord.
"Maar Flack--" zei er een.
"Je wilt toch niet zeggen dat Flack--" begon een tweede.
"Er is geen tijd te verliezen," zei Cossar en riep luid
"Flack!" terwijl hij vóórging. De geheele gewapende macht ging op
de rattenholen toe, de man die weggeloopen was een beetje in de
achterhoede. Zij gingen voorwaarts door allerlei soorten welig,
overdreven-groot onkruid en liepen om het lichaam van de tweede
gedoode rat heen. Zij waren uitgespreid tot een lijn, waarbij elke
man dicht bij zijn buurman liep; allen liepen met hun geweer recht
voor zich uit en gluurden om zich heen in het heldere maanlicht, of
ze niet een ineengedoken, onheilspellende gestalte zagen. Zij vonden
zeer spoedig het geweer van den man die weggeloopen was.
"Flack!" riep Cossar. "Flack!"
"Hij liep voorbij de netels en viel toen," zei de man die weggeloopen
was.
"Waar?"
"Daar ginds."
"Waar viel hij?"
Hij aarzelde en leidde hen een tijdlang door de donkere schaduwen en
keerde toen om.
"Zoowat daar, geloof ik."
"Zoo, maar nu is hij er toch niet meer."
"Maar zijn geweer dan--?"
"Bliksems nog an toe!" vloekte Cossar, "maar waar is dan alles
gebleven?" Hij deed een schrede in de richting der donkere schaduwen op
de heuvelhelling die de rattenholen verborg en bleef staan kijken. Toen
stootte hij nogmaals een vloek uit, "àls ze hem naar binnen gesleept
hebben--!"
En aldus bleven zij een tijdlang dralen, elkaar hunne gedachtetjes
toewerpend. Bensington's brilleglazen schoten stralen uit als
diamanten, als hij van den een naar den ander keek. De gezichten der
mannen veranderden van koude helderheid tot geheimzinnige duisternis,
naarmate zij zich van of naar de maan keerden. Iedereen sprak,
doch geen van allen maakten zij een zin af. Toen besloot Cossar,
met zijn korte manier van optreden, wat hij doen moest. Hij gooide
zijn ledematen hierheen en daarheen en gooide er bevelen uit als
ballen. Het lag voor de hand, dat hij lampen noodig had. Iedereen
behalve Cossar liep heen in de richting van het huis.
"Ga je in de holen?" vroeg Redwood.
"Ligt voor de hand," zei Cossar.
Hij maakte het hun nog eens duidelijk dat de lantaarns van de kar en
de trolley gehaald moesten worden.
Toen Bensington dit ten volle begreep, ging hij op weg, het pad bij
den put af. Hij keek over zijn schouder en zag de reusachtige gestalte
van Cossar op den voorgrond staan, alsof hij in gedachten verzonken
naar de holen stond te kijken. Op dit gezicht bleef Bensington een
oogenblik staan en wendde zich half om. "Zij lieten Cossar daar maar
alleen staan--!"
Natuurlijk, Cossar was wel in staat voor zichzelven te
zorgen. Plotseling zag Bensington iets dat hem een ademloos
"Hier!" deed uitschreeuwen. In een oogwenk hadden drie ratten zich
uit den donkeren warbos van slingerplanten losgemaakt en kwamen op
Cossar toeschieten. Drie seconden lang stond Cossar daar, zonder hen
op te merken, en toen werd hij plotseling het actiefste wezen ter
wereld. Hij schoot niet. Klaarblijkelijk had hij geen tijd om te
mikken, of dacht hij niet aan mikken; Bensington zag dat hij zich
bukte om een hem bespringende rat te ontgaan, en gaf het dier toen
een slag achter zijn kop met de kolf van zijn geweer. Het monster
sprong in de hoogte en viel over zijn kop duikelend op den grond.
Cossar's gedaante verdween uit het gezicht tusschen het rietachtige
gras, en toen kwam hij weder te voorschijn, op een van de andere
ratten inrennend en zijn geweer boven zijn hoofd zwaaiend. Een
zwakke kreet trof Bensington's oor, en toen zag hij de twee overige
ratten in verschillende richtingen wegloopen en Cossar hen achterna
in de richting der holen. Het geheele voorval was in nevelachtige
schaduwen gehuld; alle drie vechtende monsters werden nog grooter
en onwerkelijker gemaakt door de bedriegelijke helderheid van het
licht. Nu eens was Cossar kolossaal, dan weder onzichtbaar. De ratten
schoten voor zijn oog heen met plotselinge onverwachte sprongen, of
renden met zulk een snelle beweging der pooten, dat zij op raderen
leken te gaan. Het geheele voorval was afgespeeld in een halve
minuut. Niemand anders dan Bensington zag het. Hij kon de andere
achter zich hooren nog steeds op weg naar het huis. Hij schreeuwde
iets onsamenhangends en liep toen terug naar Cossar, terwijl de
ratten verdwenen.
Hij bereikte hem buiten de holen. In het maanlicht duidde het spelen
der schaduwen, die over Cossar's gezicht gleden, kalmte aan. "Hallo,"
zei Cossar, "al terug? Waar zijn de Iantaarns? Ze zijn nu allemaal
weer in hun holen. Eén heb ik z'n nek gebroken toen ie langs me heen
kwam... Zie je? daar!" En hij wees naar het dier met een mageren
vinger.
Bensington was te verbaasd om iets te zeggen... Het leek een ontzettend
langen tijd vóór de Iantaarns kwamen. Eindelijk verschenen zij,
eerst één helder, onbeweeglijk oog, voorafgegaan door een heen en
weer bewegenden gelen gloed, en toen, nu en dan even verdwijnend en
dan weder tevoorschijn komend, nòg twee. Daar achter kwamen kleine
gestalten aan met zachte stemmen, en toen enorme schaduwen. Deze
groep vormde als het ware één plek brand in het reusachtige droomland
van maneschijn.
"Flack," zeiden de stemmen. "Flack."
Een verklarende zin kwam tot Cossar en Bensington over. "Heeft zichzelf
in het dakkamertje opgesloten."
Cossar wekte van oogenblik tot oogenblik méér verbazing. Hij haalde
groote handen-vol ruw katoen voor den dag, en propte die in zijne
ooren.--Bensington vroeg zich verwonderd af waarvoor dit diende. Toen
laadde hij zijn geweer met een kwart lading kruit. Wie anders dan
Cossar kon aan zoo iets gedacht hebben. De illusie van het wonderland
bereikte zijn hoogtepunt, toen Cossar's twee breede vlakken schoenzool
in het middelste hol verdwenen.
Cossar kroop op handen en voeten met twee geweren die aan weerszijden
achter hem aan sleepten aan een touw, dat vastgemaakt was onder zijn
kin, en zijn meest vertrouwde helper, een kleine donkere man met een
ernstig gezicht, zou hem in de holen volgen, achter hem aan kruipen,
en een lantaarn boven zijn hoofd houden. Alles was met even veel
verstand voorbereid en was éven voor de hand liggend en in orde, als
de droom van een krankzinnige. Het bleek dat het katoen was om het
effect van het geweerschot tegen te gaan; ook de helper had wat in
zijn ooren. Natuurlijk! Zoo lang de ratten voor Cossar uitvluchtten,
was er geen gevaar, en zoodra zij stand hielden, zou hij hun oogen
zien en daar tusschen vuren. En daar zij door den koker van het hol
moesten komen, kòn Cossar ze bijna niet missen. Cossar verklaarde,
dat het de meest voor de hand liggende manier was, misschien een
beetje vervelend, maar absoluut zeker. Toen de helper zich bukte om
naar binnen te kruipen, zag Bensington dat het eind van een kluwen
bindtouw aan het jaspand van den man was vastgebonden. Hiermede moest
hij het touw naar binnen trekken om zoo noodig de lichamen der ratten
naar buiten te sleepen.
Bensington bemerkte dat het voorwerp hetwelk hij in de hand hield,
Cossar's zijden hoed was.
Hoe was die daar gekomen?...
In ieder geval was het een soort souvenir. Bij elk van de aangrenzende
holen stond een klein groepje met een lantaarn op den grond, die het
hol verlichtte, en een man lag voor elk hol geknield te mikken op de
ronde, ledige diepte, wachtend dat er iets zoude uitkomen.
Eindelooze spanning.
Toen hoorden zij Cossar's eerste schot, als een ontploffing in
een mijn...
Elk's zenuwen en spieren spanden zich, en pang! pang! pang! de ratten
hadden geprobeerd weg te komen, en twee waren neergeveld. Toen rukte
de man die het kluwen bindtouw vasthield aan de lijn.
"Hij heeft er daar binnen een neergelegd," zei Bensington, "en hij
heeft het touw noodig."
Hij zag toe hoe het touw het hol inkroop, en het leek wel alsof
er een slangachtig leven in gevaren was--want de duisternis maakte
het bindgaren onzichtbaar. Eindelijk kroop het niet langer voort,
en gebeurde er een heelen tijd niets. Toen kroop er, wat Bensington
het vreemdste monster van alles toeleek, langzaam uit het hol en
ontpopte zich als de kleine werktuigkundige, die er achterwaarts
uitkroop. Achter hem aan en diepe voren ploegend, stak Cossar zijn
voeten naar buiten en toen volgde zijn door den lantaarn verlichten
rug...
Slechts nog één rat was er nu in leven, en deze arme, ten doode
opgeschreven sukkel zat ineengedoken in den versten schuilhoek,
tot Cossar en de lantaarn weder in het gat verdween en het doodde,
en eindelijk deed Cossar, die menschelijke fret, de ronde door al de
holen om zich te vergewissen, dat er niet méér waren.
"We hebben ze," zei hij tot zijn van eerbied bijna stomme
gezelschap. "En als ik niet zoo'n stuipekop geweest was, dan zou
ik me tot op m'n middel uitgekleed hebben. Ligt voor de hand, niet
waar. Voel m'n mouwen es, Bensington! Kletsnat van 't zweet. Maar je
kunt niet an alles tegelijk denken. Alleen een halve flesch whiskey
kan me 'n kou van 't lijf houden."
VI.
Er waren oogenblikken in dezen wondervollen nacht waarin het Bensington
toescheen, dat hij voorbestemd was voor een leven van fantastische
avonturen. Dit was voornamelijk wel een uur lang het geval nadat
hij een flink glas whiskey gedronken had. "'k Ga niet terug naar
Sloanestreet," deelde hij den langen, blonden, groezeligen monteur
in vertrouwen mede.
"Niet?"
"Waarachtig niet," zei Bensington, somber het hoofd schuddend.
De inspanning die het sleepen van de zeven doode ratten naar den
brandstapel bij het brandnetelboschje van hem vereischte, deed hem
baden in zweet, en Cossar wees op de voor de hand liggende physieke
reactie van whiskey om hem te behoeden voor de anders onvermijdelijke
kou.
Ze hielden een soort van roovers-souper in de oude met tegels bevloerde
keuken, terwijl de rij doode ratten tegen de kippeloopen buiten lag in
het maanlicht en na ongeveer een half uur slaap, wekte Cossar hen allen
weder om het werk, dat nog gedaan moest worden, te verrichten. "'t
Ligt voor de hand dat we de plaats met den grond gelijk moeten maken,"
zei hij. "Geen rommel, en geen schandaal. Snap je?" Hij haalde hen
over tot zijn idee om de verwoesting volkomen te maken. Zij sloegen en
versplinterden ieder stukje hout in huis; zij legden paden van gehakt
hout overal waar de ontzaglijke plantengroei opschoot; zij maakten
een brandstapel voor de rattenlijken, en overgoten ze met petroleum.
Bensington werkte als een polderjongen, die weet wat hem te doen
staat. Hij bereikte zijn toppunt van vroolijkheid en energie tegen twee
uur. Als hij in het verwoestingswerk een bijl zwaaide, ontvluchtte
zelfs de dapperste zijn nabijheid. Daarna kalmeerde hij een beetje
door het tijdelijk verlies van zijn bril, die de anderen eindelijk
vonden in den zijzak van zijn jas. Mannen liepen af en aan--vuile,
nijvere mannen. Cossar bewoog zich tusschen hen als een god.
Bensington dronk diep van die vreugde, die men vindt in elkaars
gezelschap, die zegevierende legers en stoere expedities leeren
kennen,--doch nooit zij, die het leven van eerzaam burger in steden
leiden. Nadat Cossar hem zijn bijl had afgenomen, en hem aan het
hout-dragen gezet had, liep Bensington af en aan, zeggend dat ze
allemaal "goeie kerels" waren. Hij werkte dóór, nog lang nadat hij
vermoeidheid begon te voelen.
Eindelijk was alles in gereedheid en werd er begonnen met het
openbreken der petroleum-vaten. De maan, nu beroofd van haar toch
reeds niet talrijk nachtelijk gevolg van sterren, scheen hoog boven
den dageraad.
"Verbrand alles," zei Cossar, af en aan loopend--"verbrand den grond
en alles wat er op staat of groeit."
Bensington kreeg hem in 't oog; Cossar zag er nu zeer mager en
vreesaanjagend uit in het eerste bleeke aanlichten van den dageraad,
voorbijhollend met vooruitstekende onderkaak, en een walmend zwam in
de hand.
"Vooruit, kom mee!" zei iemand, aan Bensington's arm trekkend.
De stille dageraad--er zongen daar geen vogels--was plotseling vervuld
met een rumoerig geknapper; een klein, dof rood vlammetje lekte om
de basis van den brandstapel, werd blauw toen het den grond raakte,
en begon van blad tot blad tegen den stam van een reuzennetel op te
klimmen. Een zangerig geluid vermengde zich met het geknapper...
Zij grepen haastig hunne geweren uit den hoek van de woonkamer der
Skinners, en toen holden allen weg. Cossar kwam achter hen aan met
zware reuzenpassen...
Nu stonden allen te kijken naar de Proef-Hoeve.
Langzamerhand vatte alles vlam; de rook en de vlammen stortten naar
buiten als een menigte in een paniek, uit deuren en vensters en uit
duizend spleten en reten van het dak. Cossar wist wel hoe hij een
vuurtje moest stoken! Een groote rookkolom waaruit bloedroode tongen
en uitschietende vuurstralen te voorschijn kwamen, schoot op ten
hemel. Het was alsof er een ontzaglijke reus plotseling opstond, zich
uitrekte en op eens zijn reuzenarmen over den hemel uitspreidde. Het
dompelde hen weder in het duister en verbleekte geheel den gloed
der zon die er achter opging. Geheel Hickleybrow bemerkte spoedig
den ontzaglijken rookkolom, en kwam aangeloopen naar den heuveltop,
in allerlei vormen van déshabillé om hen te zien terugkeeren. Achter
hen, als een fantastische fungus [3] zwaaide en vervormde zich deze
rookkolom, al hooger en hooger de lucht in--en deed de heuvelen
laag lijken en alle andere voorwerpen klein, en op den voorgrond,
aangevoerd door Cossar volgden de stichters van dezen brand, het pad,
acht kleine donkere gestalten die moe, met het geweer op schouder,
de weide doorkwamen.
Toen Bensington omkeek, kwam er in zijn moede brein een welbekend
gezegde op, en bleef daar hangen. Wat was het ook? "Ge hebt vandaag
ontstoken--? Ge hebt vandaag ontstoken?--"
Toen herinnerde hij zich Latimer's woorden: "wij hebben heden een
licht ontstoken in Engeland, dat niemand ooit weder blusschen kan--"
Wàt 'n man was die Cossar! Hij bewonderde zijn rug een tijdje en was
er trotsch op, dien hoed vastgehouden te hebben. Trotsch! Hoewel
hij een beroemd navorscher was en Cossar slechts aan toegepaste
wetenschap deed.
Plotseling begon hij te huiveren en vreeselijk te geeuwen en wenschte,
dat hij warm ingestopt in zijn bed lag op zijn kleine bovenhuis,
dat uitzag op Sloanestreet. Aan nicht Jeanne te denken ging heelemaal
niet meer. Zijn beenen waren strengen katoen geworden, en zijn voeten
van lood. Hij verwonderde er zich over of er iemand in Hickleybrow
hun koffie zou kunnen verschaffen. Hij was gedurende drie en dertig
jaren nooit een heelen nacht opgebleven.
VII.
En terwijl deze acht avonturiers om de Proef-Hoeve ratten bevochten,
kampte, negen mijlen ver weg, in het dorp Cheasing Eyebright, een oude
juffrouw met een ontzettenden neus, met groote moeilijkheden bij het
licht van een flakkerende kaars. Zij had een tang om sardinenblikjes
open te breken in de eene knokkige hand, en in de andere hield zij
een bus Herakleophorbia, die zij zei te willen openen, of te sterven
in de poging. Zij spande zich onvermoeid in, terwijl door het uiterst
dunne beschot de stem van het kleine kind der Caddles klaagde. "'t Arme
schaap," zei juffrouw Skinner; en vervolgens, zich met haar eenigen
tand in de lip bijtend in een extase van vastbeslotenheid, zei zij:
"Hier d'r maar mee!"
En een oogenblik later, "jap!" en een nieuwe voorraad van het Voedsel
der Goden werd vrijgelaten om zijn reuzengroeikracht de wereld in
te slingeren.
HOOFDSTUK IV.
DE REUZEN-KINDEREN.
I.
Voor een tijd tenminste moet de zich steeds uitbreidende kring van
de nog achtergebleven gevolgen op de Proef-Hoeve buiten ons verder
verhaal blijven--bijvoorbeeld hoe nog een tijd lang een reuzengroei
in fungus en paddestoel, in gras en onkruid voortwoekerde in dat
wel verkoolde doch niet geheel uitgewischte centrum. Ook kunnen
wij niet uitweiden over de geschiedenis van die twee kwijnende
vrijsters, de twee overlevende hennen; hoeveel bekijks zij hadden
en hoeveel verbazing zij verwekten, en hoe zij hunne verdere jaren
doorbrachten in ei-looze beroemdheid. De lezer, die haakt naar verdere
bijzonderheden omtrent deze dingen, verwijs ik naar de nieuwsbladen
van dien tijd--naar de ruime, niet al te kieskeurige kolommen van
den modernen boekstavenden Engel. Wij zullen ons verder bezighouden
met den heer Bensington ten tijde van deze verontrustende dingen.
Hij was dan naar Londen teruggekeerd, en bemerkte dat hij plotseling
een zeer beroemd man was geworden. In één nacht was de geheele wereld
ten zijnen opzichte veranderd. Iedereen begreep hem. Het leek wel alsof
nicht Jeanne er alles van wist; de menschen op straat wisten er ook
alles van: de bladen eveneens alles en nòg méér. Zeer zeker was het
iets vreeselijks geweest nicht Jeanne onder de oogen te moeten komen,
doch toen het voorbij was, was het bij slot van rekening toch niet
zoo héél vreeselijk.
Zelfs háár macht over feiten had grenzen; het was duidelijk, dat
zij met zichzelve te rade was gegaan en het Voedsel aangenomen had
als iets dat in de natuur der dingen lag. Ze nam een houding van
snauwende plichtmatigheid aan. Het was duidelijk, dat zij er haar
goedkeuring geenszins aan hechtte, doch zij verbood niets. Het is
mogelijk dat Bensington's vlucht, zooals zij die moet hebben opgevat,
haar vermurwd heeft, en het ergste wat zij deed, was hem met bittere
volharding op te passen onder voorwendsel van een verkoudheid die de
goede man niet gevat had, en van zijne vermoeidheid die hij reeds
lang vergeten was, en hem een nieuw soort hygiënisch heel-wollen
"combination" stel ondergoed te koopen dat even veel neiging vertoonde
om gedeeltelijk binnenste buiten te keeren en gedeeltelijk niet, en
waar hij, als afgetrokken mensch even moeilijk kon inkomen, als in
gezelschapskringen. En nog een tijdlang, en voor zoover dit gemak
hem ledigen tijd liet, ging hij voort een aandeel te nemen in de
ontwikkeling van dit nieuwe element in de menschelijke geschiedenis,
het Voedsel der Goden.
De publieke opinie, die haar eigen, mysterieuze wetten van selectie
volgde, had hèm uitgekozen als den eenigen verantwoordelijken uitvinder
en bevorderaar van dit nieuwe wonder; zij wilde niets van Redwood
weten, en zonder protest stond het Cossar toe zijn natuurlijke neiging
te volgen en in een uiterst vruchtbare obscuriteit te verzinken. Vóór
hij bemerkte waar dit alles heen wilde, stond hij, om zoo te zeggen,
reeds stijf en ontleed op de schuttingen tentoongesteld. Zijn
kaalhoofdigheid, zijn eigenaardige roode kleur en zijn gouden bril
waren algemeen eigendom geworden. Vastberaden jonge mannen met groote,
er-duur-uitziende camera's en een air alsof zij er het volste recht toe
hadden, namen Bensington's verdieping in bezit gedurende korten, doch
zeer vruchtbaren tijd, lieten er plotseling helle lichten in schijnen,
die het huis nog dagen daarna met een dikken, ondragelijken stank
vervulden, en gingen dan weder heen om de bladzijden der periodieken te
vullen met hunne bewonderenswaardige kiekjes van den heer Bensington
ten voeten uit, en te huis zittend in op één na zijn beste jasje en
opengewerkte schoenen. Weer andere personen met resolute manieren,
van verschillende leeftijden en sexe, kwamen binnenvallen en verhaalden
hem allerlei dingen over Bom-Voedsel--het was Punch, die het goed het
eerst "Bom-Voedsel" noemde--en drukten later af wat zij gezegd hadden,
als zijn eigen origineele bijdrage in het interview. Het geval werd
Broadbeam, den populairen humorist, een ware bezetting. Hij rook weer
iets dat hij niet begrijpen kon, en tobde zich af in pogingen om het
geval door zijn moppen onbeduidend te doen schijnen. Men kon hem in
societeiten vinden, een grooten onbeholpen man, met de sporen van zijn
middernachtelijk werken bij een walmende olie-lamp op zijn ongezond
bleek gelaat afgedrukt, aan iedereen dien hij maar te pakken kon
krijgen, uitleggend: "Die wetenschappelijke mannetjes weet je, hebben
niet 't minste gevoel van Humor. Dat is 't. Deze wetenschap--vermoordt
het." Zijne grappen op Bensington werden kwaadwillige lasterschriften.
Een ondernemend agentschap in couranten-uitknipsels zond Bensington
een lang artikel over hemzelven, geknipt uit een schelling's
weekblad, genaamd "Een nieuwe Terreur," en bood hem aan honderd van
dezelfde artikelen te leveren voor een tientje; en twee buitengewoon
bekoorlijke jonge dames, die hem geheel onbekend waren, bezochten hem,
en bleven, tot de onzeggelijke verontwaardiging van nicht Jeanne,
thee bij hem drinken, en zonden hem later hun verjaarsalbums om zijn
handteekening in te zetten. Hij was er spoedig aan gewend zijn naam
in één adem genoemd te zien met de meest onsamenhangende ideeën in
de publieke pers, en in de revues artikelen te ontdekken, handelend
over Bom-Voedsel en hemzelven, en geschreven op de meest familiare
wijze door lieden, waarvan hij nooit gehoord had. En welke verkeerde
denkbeelden omtrent het aangename van beroemdheid hij ook moge gevoed
hebben in de dagen toen hij nog onbekend was, deze werden zeer spoedig
en voor altijd gebannen. In het begin--Broadbeam uitgenomen--was de
toon der publieke opinie vrij van alle vijandelijkheid. Het leek het
publiek niet anders dan een speelsgewijze geopperde mogelijkheid, dat
er nog meer Herakleophorbia zou kunnen ontsnappen. En het scheen het
publiek niet in te vallen, dat de groeiende kleine groep kinderen,
die nu gevoed werden met het voedsel, binnen korten tijd meer "òp"
zouden groeien dan de meesten van ons ooit groeien. Waar het publiek
het meest plezier in had, waren Caricaturen van eminente politici "na
een kuur van Bom-Voedsel," het gebruikmaken van de Bom-Voedsel-idee op
schuttingen, en zulke stichtelijke teekeningen als van de doode wespen
die aan het vuur ontsnapt waren en van de nog overblijvende kippen.
Verder dan dit keek het publiek liever niet, totdat er zeer
ijverige pogingen gedaan werden om aller oogen te vestigen op de meer
verwijderde gevolgen en zelfs toèn nog was de geestdrift om te handelen
nog maar betrekkelijk bij het publiek. "Er is altijd iets nieuws," zei
het publiek--een publiek dat zoo overvoerd was van nieuwigheden, dat
het zonder verbazing zoude aangehoord hebben, dat de aarde gespleten
was, zooals men een appel doorsnijdt, en dat zou gezegd hebben:
"'k Zou wel es willen weten wat "ze" hierna weer zullen beginnen."
Doch er waren er een paar die buiten het publiek stonden, en die
reeds verder zagen, en enkelen, schijnt het, werden angstig van wat
zij daar zagen. Daar hadt je bijvoorbeeld de jonge Caterham, neef van
den graaf van Penterstone, en een van de meestbelovende Engelsche
politici, die, op gevaar af voor een leuteraar gehouden te worden,
een lang artikel schreef in de "Negentiende Eeuw en Daarna," om de
algeheele onderdrukking van het Voedsel voor te stellen. En dan was
er nog--in sommige stemmingen--Bensington zelf.
"Ze schijnen niet te begrijpen--" zei hij tot Cossar.
"Nee, dat doen ze ook niet."
"En doen wij dat wel? Soms, als ik er aan denk wat het zeggen wil--dit
arme kind van Redwood--en, natuurlijk, joùw drie--misschien veertig
voet groot!... Mogen we, bij slot van rekening er wel mee doorgaan?"
"Er mee doorgaan!" riep Cossar uit, schokkend van plompe verbazing, en
met hooger stem dan ooit. "Natúúrlijk ga je d'r mee door! Waar denk je
wel voor gemaakt te zijn? Om rond te slenteren tusschen je maaltijden?"
"Ernstige gevolgen," gilde hij, "natúúrlijk! Enorm! Ligt voor de
hand--Ligt voor de hand. M'n goeie man, 't is de eenige kans die je
in je leven hebt op een ernstig gevolg! En nou wil je terug!" Een
oogenblik lang was hij sprakeloos van verontwaardiging. "'t Is
schànde!" zei hij eindelijk, en barstte nog eens nà los: "Schande!"
Doch Bensington werkte nu in zijn laboratorium met meer emotie dan
lust. Hij kon niet zeggen of hij ernstige gevolgen in zijn leven
wenschte of niet; hij was een man met een kalmen smaak. Het was een
wondere ontdekking, natuurlijk, zeer wonderbaarlijk--maar--Hij was
reeds eigenaar geworden van verscheidene hectaren verschroeiden, te
slechter-faam bekend staanden grond bij Hickleybrow, tegen een prijs
van bijna f 1000 per are, en soms was hij geneigd ook dit als zùlk
een ernstig gevolg van speculatieve chemie te beschouwen, als een
man zonder eerzucht maar kon wenschen. Meer dan voldoening gevend,
ja, veel meer dan voldoening gevend was de roem, dien hij bereikt
had.--Doch de gewoonte van navorschen zat hem in het bloed...
En soms, in sommige oogenblikken, zeldzaam voorkomende oogenblikken,
voornamelijk in het laboratorium, vond hij nu en dan nog iets anders
dan gewoonte en Cossar's argumenten om hem tot zijn werk aan te
zetten. In dezen kleinen gebrilden man, die, met zijn opengewerkte
schoenen om de pooten van zijn hooge kruk geslagen, zich hierop in
evenwicht hield, met de hand op het pincet zijner gewichtjes, placht
dan plotseling weder een lichtstraal van dat jeugd-visioen door te
breken, een momenteele visie van het eeuwig ontkiemen van het zaad
dat gezaaid was in zijn geest, en zag hij als het ware in de lucht,
achter de grotesque gedaanten en voorvallen van het heden, de komende
wereld van reuzen en al de machtige dingen die in de toekomst weggelegd
waren--vaag en schitterend, als een glanzend paleis dat plotseling
gezien wordt in een voorbijschietenden zonnestraal in de verte... En
een oogenblik later was het hem weer alsof die voorbijgaande glorie
zijn geest nooit beschenen had, en zag hij niets in de toekomst
dan sombere schaduwen, onmetelijke hellingen en donkere diepten,
onherbergzame wildernissen, koude, woeste en vreeselijke dingen.
II.
Temidden van de ingewikkelde en verwarde gebeurtenissen, de schokken
van de groote buitenwereld, die den heer Bensington zijn roem
bezorgden, trad een schitterende, en actieve figuur weldra op den
voorgrond--werd bijna, als het ware, een leider en heraut van deze
dingen, die Bensington als buiten de zaak omgaand toeleken. Dit was
dr. Winkles, die zelfbewuste jonge praktizeerende dokter, die reeds
in dit verhaal ten tooneele gevoerd is als het middel waardoor het
Redwood mogelijk werd het Voedsel zijnen zoon toe te dienen. Zelfs
vóor het algemeen uitbreken der gevolgen in Hickleybrow, was het
duidelijk, dat de geheimzinnige poeders die Redwood hem gegeven had,
de levendige belangstelling van dezen heer hadden opgewekt, en zoodra
de eerste wespen verschenen, bracht hij de dingen met elkaar in
verband. Hij behoorde tot het soort van dokters, die in manieren,
moraal, wijze van werken en voorkomen het best konden getypeerd
worden met het woord "opkomend." Hij was lang en blond, met een hard,
waakzaam, pedant, aluminium-kleurig oog, haar als aangemengde kalk,
regelmatige gelaatstrekken, met sterk ontwikkelde kaakspieren
en vierkanten gladgeschoren kin, recht van lijf en leden en met
flinken gang, vlug en zich op de hielen omdraaiend; hij droeg lange
gekleede jassen, zwart-zijden dassen en eenvoudige gouden manchet-
en boorden-knoopen en horloge-ketting, en zijn zijden hoeden hadden
een bijzonderen vorm en rand die hem er verstandiger en beter dan
iemand anders deden uitzien. Hij zag er even jong of oud uit als de
eerste de beste volwassene. En na dit eerste wondervolle uitbreken,
klampte hij zich aan Bensington en Redwood en het Voedsel der Goden
met zulk een overtuigend air van eigenaarschap vast, dat Bensington,
niettegenstaande het feit dat de pers het tegendeel verklaarde, soms
geneigd was hèm als den oorspronkelijken uitvinder van de geheele
zaak aan te zien.
"Deze kleine ongelukjes," zei Winkles, toen Bensington een toespeling
maakte op de gevaren van verdere ontsnappingen, "deze kleine ongelukjes
hebben niets te beteekenen. Niets. De ontdekking is alles. Behoorlijk
uitgewerkt, zorgvuldig behandeld, verstandig gecontroleerd, en we
hebben iets heel gewichtigs gevonden in dit voedsel van "òns"... Maar
we moeten er een oogje op houden... We moeten het niet weer laten
ontglippen, en--we moeten het er niet bij laten zitten."
En dit was hij voorzeker niet van plan te doen. Hij kwam nu bijna
elken dag bij Bensington. Als Bensington uit het raam keek, placht hij
de uiterst-correcte equipage Sloane-street te zien af komen draven,
en na een ongelooflijk korten tijd trad Winkles de kamer binnen met
lichten, veerkrachtigen tred, en vervulde haar met gerucht, haalde
het een of ander nieuwsblad uit den zak, voorzag Bensington van nieuws
en maakte opmerkingen.
"Nou," placht hij te zeggen, zich in de handen wrijvend, "en schieten
we op?" en bracht met deze woorden het gesprek erop.
"Zie je wel," zei hij bijvoorbeeld, "dat die Caterham over ons goedje
gesproken heeft op de Bijeenkomst van den Kerkelijken Bond?"
"Goeie hemel!" zei Bensington, "dat is 'n neef van den eersten
minister, hè?"
"Ja," zei Winkles, "een heel bekwame jonge man--werkelijk heel
bekwaam. Zijn hoofd staat hem heelemaal verkeerd, weet je, verwoed
reactionnair--maar op en top een handige vent, hoor. En 't schijnt
werkelijk alsof hij geld wil slaan uit ons goedje. Slaat een beslisten
toon aan. Praat over "ons" voorstel om het te gebruiken op de lagere
scholen--"
"Ons voorstel om het te gebruiken op de lagere scholen!"
"Ja, onlangs zei ik daar zoo iets over--zoo terloops--praatje
aan een Polytechnische. Probeerde 't duidelijk te maken, dat 't
goedje werkelijk veel goed kon doen. Niet in 't minst gevaarlijk,
niettegenstaande die kleine ongelukjes. Die kunnen onmogelijk weer
plaats hebben... Weet je, 't zóú werkelijk goed zijn voor--Maar nu
is hij er over aan 't praten gegaan."
"Wat heb je dan gezegd?"
"Och, enkele voor de hand liggende onbeduidende dingen. Maar zooals je
ziet--hij neemt het in vollen ernst op. Zegt dat er zonder dit ook al
geld genoeg verknoeid wordt aan de openbare scholen. Vertelt weer de
oude geschiedenissen over piano-lessen--weet je. Niemand, zegt hij,
wil de kinderen uit het volk verhinderen een opvoeding te genieten,
die overeenkomt met hun stand, maar door ze dergelijk voedsel te
geven, zou je hun besef van verhoudingen absoluut vernietigen. Heeft
't onderwerp nog verder uitgewerkt. Welk nut heeft het, zegt hij,
arme lieden zes en dertig voet lang te maken? Hij gelooft werkelijk,
zie je, dat ze zes en dertig voet lang zullen worden."
"Dat zouden ze ook," zei Bensington, "als je ze ons voedsel geregeld
gaf. Maar niemand heeft iets gezegd van--"
"Jawel, ik zei iets."
"Maar m'n beste Winkles--!"
"Ze zullen natuurlijk nòg Grooter worden," viel Winkles hem in de rede,
met een air van "'k weet er alles van," en verachtelijk over de onrijpe
ideeën van Bensington heenloopend. "Ontegenzeggelijk Grooter. Maar
luister eens naar wat hij zegt! Zal het hen gelúkkiger maken? Dat is
de quaestie. Zullen ze meer eerbied hebben voor de over hen gestelde
machten? Is het wel billijk tegenover de kinderen zelf?" Grappig hoe
bezorgd lui van zijn slag zijn voor de rechtvaardigheid--voor zoover
het schikkingen in de toekomst betreft. Zelfs heden ten dage, zegt hij,
bedragen de kosten van kleeding en voeding meer dan menig ouder voor
zijn kinderen kan betalen, en als dit nieuwe wordt toegelaten!--He?"
"Je ziet dat hij mijn terloops gegeven wenk tot een positief voorstel
maakt. En dan berekent hij verder hoeveel een broek zal kosten
voor een groeienden jongen van twintig voet ongeveer. Alsof hij
werkelijk geloofde--Honderd twintig gulden berekent hij, en dan is
nog alleen maar de naaktheid van den jongen bedekt. Grappige kerel,
die Caterham. Zoo concreet! En op den braven en hard-werkenden
belastingbetaler zal 't neerkomen, zegt hij. Hij zegt dat wij
rekenschap hebben te houden met de Rechten der Ouders. Hier staat het
allemaal. Twee kolommen. Ieder ouder heeft het recht zijne kinderen
groot te brengen naar zijn eigen lengte..."
"Dan komt de quaestie van de inrichting der scholen, kosten van
vergroote banken en lessenaars voor ons tòch al tè zwaar belaste
Rijksscholenbudget. En wat krijg je dan nòg?--een proletariaat van
hongerige reuzen. En hij eindigt met een heel ernstige passage; hij
zegt dat, zelfs al komt er niets van dat alle perken overschrijdende
voorstel--ik greep 't zoo maar uit de lucht, moet je weten en heelemaal
verkeerd uitgelegd bovendien--van die scholen, dat dan de quaestie daar
nog niet mee uit is. Dit is een eigenaardig voedsel, zóo eigenaardig,
dat het bijna kwaadaardig lijkt. Het is roekeloos rondgestrooid--zoo
zegt hij--en niets waarborgt, dat het niet nogmaals zal worden
rondgestrooid. Als men er eenmaal van genomen heeft, is het gif,
tenzij men er mee doorgaat. ("Dat is het ook," zei Bensington). En om
kort te gaan, hij stelt voor een "Nationaal Genootschap ter Behoud
van de Normale Verhoudingen der Dingen" op te richten. Zot, he? En
heel veel lui voelen er veel voor. Maar wat denken ze te doèn?"
Winkles haalde de schouders op en stak zijn handen uit. "Een
vereeniging vormen," zei hij, "en lawaai maken. Ze willen het onwettig
doen verklaren, dit Herakleophorbia te fabriceeren--of tenminste het
algemeen bekend maken van het bestaan ervan. Ik heb er een beetje
over geschreven naar dit en dat blad, om aan te toonen, dat Caterham's
begrip van de zaak schromelijk overdreven is--schròmelijk overdreven,
maar mijn geschrijf schijnt hem niet tegen te houden. Grappig, he, hoe
de menschen er zich tegen gaan kanten. En de Nationale Matigheids-Bond
heeft een afdeeling opgericht voor Matigheid in Groei."
"Hm," zei Bensington en streek zich over den neus.
"Na al wat er gebeurd is kan dat lawaai slecht uitblijven. Oppervlakkig
beschouwd is de quaestie werkelijk wat--onrustbarend."
Winkles liep een tijdje de kamer op en neer, aarzelde en vertrok.
Het was duidelijk, dat hij iets verborgen hield, iets dat op twee
manieren van belang voor hem was en dat hij nog niet wenschte te laten
zien. Op zekeren dag toen Redwood en Bensington samen op Bensington's
kamers zaten, liet hij even doorschemeren wat het was, dat hij in
reserve hield.
"Hoe staan de zaken?" zei hij, zich in de handen wrijvend.
"Wij zijn bezig een soort van rapport samen te stellen."
"Voor het Koninklijk Genootschap?"
"Juist."
"Hm," zei Winkles, heel gewichtig doend, en ging naar het
haardkleed. "Hm. Maar--De quaestie is maar, mag je dat wel doen?"
"Mogen we--wat?"
"Mag je dat wel publiek maken?"
"Wij leven niet meer in de middeleeuwen," zei Redwood.
"Dat weet ik wel."
"Zooals Cossar zegt, "kennis ruilen,"--dat is de ware wetenschappelijke
methode."
"In de meeste gevallen wel, ja. Maar--Dit is een exceptioneel geval."
"Wij zullen het Koninklijk Genootschap de geheele zaak behoorlijk
voorleggen," zei Redwood.
Winkles kwam bij een latere gelegenheid hier op terug.
"In veel opzichten is 't een merkwaardige uitvinding."
"Dat verandert niets aan de zaak," zei Redwood.
"Maar dit is een soort van wetenschap die heel licht aanleiding
kan geven tot ernstige misbruiken,--"tot ernstige gevaren,"--zooals
Caterham het uitdrukt."
Redwood zei niets.
"Zelfs achteloosheid, weet je--Als we een commissie van betrouwbare
lieden vormden om het vervaardigen van Bomvoedsel, Herakleophorbia
bedoel ik, te controleeren--zouden we kunnen--"
Hij zweeg, en Redwood, met een heimelijk onaangenaam gevoel, deed
alsof hij de vraag in Winkles' woorden niet opmerkte.
Buiten de vertrekken van Redwood en Bensington werd Winkles,
niettegenstaande de onvolledigheid van zijn kennis ervan, een leidend
autoriteit op het gebied van Bomvoedsel. Hij schreef brieven waarin hij
het gebruik ervan verdedigde; hij schreef korte stukjes en artikelen
waarin hij het nut ervan verklaarde; hij sprong op oogenblikken
dat het heelemaal niet te pas kwam op in de vergaderingen der
wetenschappelijke en medische genootschappen om erover te praten;
hij vereenzelvigde er zich mede. Hij gaf een pamflet uit, getiteld
"De waarheid omtrent Bomvoedsel," waarin hij het geheele voorval te
Hickleybrow nagenoeg tot niets reduceerde. Hij zei, dat het onzinnig
was te zeggen dat Bomvoedsel de menschen zeven en dertig voet lang zou
maken. Het "lag voor de hand," dat dit overdrijving was. Natuurlijk
zou het hen Grooter maken, maar meer niet...
In dat intieme kringetje van twee zag men maar al te duidelijk, dat
Winkles dolgraag wilde helpen bij het maken van Herakleophorbia, en
helpen bij het corrigeeren van de proeven van het een of ander artikel
dat voorbereid werd over dit onderwerp, ja alles te doen waaruit hij
de bizonderheden van het vervaardigen van Herakleophorbia kon te weten
komen. Voortdurend vertelde hij hen beiden, dat hij voelde, dat het
"een Groot Ding" was, en dat er enorme mogelijkheden in verscholen
lagen. Als ze maar eerst op de een of andere manier ongestoord hun
gang konden gaan. En eindelijk vroeg hij op zekeren dag ronduit,
of ze hem niet zeggen konden hoe het gemaakt werd.
"Ik heb nog es nagedacht over wat je zei," zeide Redwood.
"Nu, en?" zei Winkles, plotseling oplevend.
"Het is een soort van kennis die heel licht aanleiding zou kunnen
geven tot ernstige misbruiken." zei Redwood.
"Maar ik zie niet in waar dat op slaat," zei Winkles.
"'t Is tòch zoo," zei Redwood.
Winkles dacht er een paar dagen over na. Toen kwam hij bij Redwood
en zei dat hij er aan twijfelde of hij aan Redwood's kleinen jongen
wel langer poeders mocht geven, waarvan hij niets wist; het leek hem
toe erg veel te hebben van lichtvaardig verantwoordelijkheid op zich
te nemen. Dit stemde Redwood tot nadenken.
"Heb je gezien, dat de "Vereeniging tot Algeheele Onderdrukking van
Bomvoedsel" al verscheidene duizenden leden telt?" zei Winkles van
het onderwerp afstappend.
"Ze hebben een petitie op touw gezet," zei Winkles. "En de jonge
Caterham zal haar de Kamer voorleggen. 't Gaat meenens worden,
hoor. Zij zijn bezig plaatselijke comité's te vormen om invloed
te oefenen bij verkiezingen. Zij wenschen het vervaardigen en het
in voorraad hebben van Herakleophorbia zonder speciale vergunning,
strafbaar te stellen, en het toedienen van Bomvoedsel--zoo noemen
ze het--aan eenig persoon onder de eenentwintig, als landverraad
aan te merken, met gevangenisstraf zonder boete. Maar er zijn nog
andere vereenigingen weet je. De "Vereeniging tot Behoud van de Oude
Lichaamsgrootte" wil den heer Frederic Harrison in den raad zien
te krijgen, zeggen ze. Je weet dat hij er een verhandeling over
geschreven heeft; hij zegt dat het absoluut niet harmonieert met
die Openbaring van het Menschelijk Geslacht die gevonden wordt in de
leeringen van Comte. Dat het iets is, dat zelfs de achttiende eeuw in
hare ergste tijden niet zou hebben kúnnen voortbrengen. De gedachte
aan dit Voedsel is nooit in het hoofd van Comte opgekomen--wat wel
een bewijs is, dat het werkelijk uit den booze is. Niemand, zegt hij,
die Comte werkelijk heeft begrepen..."
"Maar je wilt toch niet zeggen--" zei Redwood, die van schrik over
zijn verachting voor Winkles heenraakte.
"Nou, ze zullen dat nu allemaal wel niet doen," zei Winkles. "Maar
de publieke opinie is nu eenmaal de publieke opinie, en stemmen zijn
stemmen. Iedereen kan wel zien dat jullie een lastig ding in de wereld
geschopt hebt. En het menschelijk instinct stelt zich onmiddellijk
tegenover dingen die de rust verstoren.
"Niemand schijnt te gelooven in Caterham's denkbeeld van menschen
van zeven en dertig voet lang, die geen kerk of vergaderlokaal
kunnen binnenkomen, of eenig andere maatschappelijke of menschelijke
inrichting. Maar toch zijn ze er niet zoo heel gerust op. Ze zien
wel dat dit iets is,--iets dat meer is dan een gewone ontdekking--"
"Dat zit er in iedere ontdekking," zei Redwood.
"Hoe dan ook, ze worden--schichtig. Caterham zeurt maar steeds over
wat er gebeuren kàn, als het weer losbreekt. Ik herhaal telkens en
telkens weer dat het dat niet zàl, en dat 't dat niet kàn. Maar--je
staat er voor!"
En hij liep een tijd lang lawaaiërig in de kamer op en neer, alsof
hij het onderwerp van het geheim weder wilde op de proppen brengen,
bedacht zich en ging heen.
De beide geleerden keken elkaar aan. Een tijdlang spraken alleen
hunne oogen.
"In het ergste geval," zei Redwood, met gemaakt-kalme stem, "zal ik
het Voedsel mijn kleinen Teddy eigenhandig toedienen."
III.
Slechts enkele dagen na dit gesprek, sloeg Redwood, zijn courant
open en zag, dat de Eerste Minister een "Koninklijke Commissie ter
onderzoek van Bom-Voedsel" had toegezegd. Dit deed hem, met de courant
in de hand, naar Bensington's kamer snellen.
"Ik geloof, dat Winkles de zaak aan het bederven is. Hij maakt
het Caterham gemakkelijk. Hij praat er al maar over en wat het nog
uitwerken zal, en jaagt de menschen vrees aan. Als hij zoo doorgaat,
geloof ik vast dat hij onze navorschingen onmogelijk zal maken. Zelfs
zoo als de zaken nu staan--met dit gedoe over mijn kleinen jongen--"
Bensington zei dat hij wenschte dat Winkles er mede ophield.
"Heb je wel opgemerkt, dat hij de gewoonte heeft aangenomen het
Bomvoedsel te noemen. Ik mag dien naam niet," zei Bensington, over
zijn bril heenkijkend.
"Maar 't drukt precies uit wat 't is--voor Winkles."
"Waarom blijft hij er zich toch zoo voor interesseeren. Hij is de
uitvinder toch niet!"
"Ja, ik begrijp 't ook niet," zeide Redwood. "Maar al is hij de
uitvinder niet, iedereen is toch mooi op weg te denken, dat hij
't wel is. Niet dat 't er véél op aankomt, hoor!"
"Maar als deze domme, belachelijke agitatie--eens--ernstig wordt,"
begon Bensington.
"Mijn kleine jongen kan er niet meer buiten," zei Redwood. "Ik zie
niet in wat me ànders te doen staat. In 't ergste geval--"
Een licht bonzend geluid duidde de komst van Winkles aan. Hij stond
plotseling midden in de kamer, zich in de handen wrijvend.
"Ik zag graag, dat je in 't vervolg aanklopte," zei Bensington,
kwaadaardig over de gouden randen van zijn bril kijkend.
Winkles putte zich uit in excuses. Toen wendde hij zich tot
Redwood. "Goed dat je hier bent," begon hij, "de quaestie is--"
"Heb je gelezen van die Koninklijke Commissie?" viel Redwood hem in
de rede.
"Ja," zei Winkles, van zijn stuk gebracht. "Ja."
"Wat is jouw opinie daarover?"
"Uitstekend iets," zei Winkles. "Moèt een eind maken aan al dit
lawaai. Licht laten schijnen over de geheele zaak. Caterham zijn
mond snoeren. Maar daarom ben ik niet hierheen gekomen, Redwood. De
quaestie is--"
"Ik moet zeggen, dat ik niet erg òp heb met die Koninklijke Commissie,"
zei Bensington.
"Ik kan je verzekeren, dat dàt zaakje in orde is, hoor. Ik kan je wel
zeggen--ik geloof niet dat 't een misbruik van vertrouwen is--dat ik
er hoogst waarschijnlijk zitting in zal nemen--"
"H'm," zei Redwood, in het vuur starend.
"Ik zal dat zaakje wel in orde brengen. Ik kan het in de eerste plaats
volkomen duidelijk maken, dat het goedje zeer wel in bedwang te houden
is, en ten tweede, dat er wel een wonder zou moeten gebeuren als die
quaestie te Hickleybrow nog eens voor zou vallen. Dat is wat ze noodig
hebben, een verzekering van iemand die het weten kan. Natuurlijk zou
ik met meer zelfvertrouwen kunnen spreken als ik wist--Maar dat zeg
ik maar zoo, hoor. En nu dat ik toch hier ben, wou ik je meteen wel
even raadplegen in een ander zaakje. Ahem. De quaestie is--nu--Ik
verkeer in een kleine moeilijkheid en jij kunt me daaruit helpen."
Redwood trok de wenkbrauwen op, en was heimelijk verheugd.
"De quaestie is--zeer confidentieel."
"Ga voort," zei Redwood. "Je kunt op me vertrouwen."
"Nu dan, onlangs is er een kind onder mijn behandeling gesteld--het
kind van--van een Verheven Personage."
Winkles kuchte.
"Nou, nou, je raakt mooi op weg," zei Redwood.
"Ik moet bekennen, dat het grootendeels te danken is aan jouw
poeders--en de reputatie van mijn succes met je kleine jongen--'t Is
waar, ik kan het niet verhelen, de publieke opinie is erg tegen het
gebruik ervan. En toch merk ik, dat onder de meer intellectueele--Je
moet niet te hard van stapel loopen met dergelijke dingen--langzaam
aan. En toch, in het geval van Hare Doorluchtig--ik bedoel dit nieuwe
patientje van mij. Feitelijk kwam het voorstel van haar vader, of ik
zou nooit--"
Het kwam Redwood voor dat hij niet goed wist, hoe zich te houden.
"Ik dacht dat je er aan twijfelde of het wel raadzaam was deze poeders
te gebruiken," zei Redwood.
"O, die twijfel was van voorbijgaanden aard."
"Je bent toch niet van plan er mee uit te scheiden--"
"Wat jouw kleine jongen betreft? Beslist niet!"
"Voor zoover ik er kijk op heb, zou ik 't tenminste als moord
beschouwen."
"Nee, en voor de wereld zou 't óók niet gaan er mee op te houden."
"Je zult de poeders hebben, hoor," zei Redwood.
"Je zoudt me zeker niet kunnen zeggen--"
"Nee, nee," zei Redwood. "Er bestaat geen recept. Vergeef mij
m'n openhartigheid, Winkles, maar probeer 't maar niet uit me te
krijgen. Ik zelf zal je de poeders maken."
"Misschien nog wèl zoo goed," zei Winkles, na Redwood een oogenblik
strak te hebben aangekeken--"misschien nog wèl zoo goed." En
vervolgens: "ik kan je verzekeren dat ik er absoluut niets tegen heb."
IV.
Toen Winkles weg was, kwam Bensington op het haardkleed staan en zag
op Redwood neer.
"Hare Doorluchtigheid!" merkte hij op.
"Hare Doorluchtigheid!" zei Redwood.
"Het is de prinses van Weser Dreiburg!"
"Niet verder dan een nicht in den derden graad."
"Redwood!" zei Bensington, "'t is natuurlijk gek dat ik 't zeg,
maar--geloof je dat Winkles 't begrijpt?"
"Wat?"
"Wàt het is dat wij gemaakt hebben."
"Zou hij werkelijk begrijpen," zei Bensington, zijn stem latende
dalen, en zijn blik op de deur gericht houdend, "dat in de Familie--de
Familie van zijn nieuwe patiente--"
"Ga door," zei Redwood.
"Die altijd een beetje onder--onder--"
"De middelbare lengte?"
"Juist. En zoo bijzonder tactvol onberoemd als hij is op elk mogelijk
gebied, gaat hij nu een koninklijk personage te voorschijn brengen--een
te langzaam groeiend koninklijk personage--van diè grootte. Weet je,
Redwood, ik ben er niet zeker van of er niet iets bijna--verraderlijks
in schuilt...."
Hij wendde zijn oogen van de deur naar Redwood.
Redwood maakte een gebaar--met gestrekten wijsvinger--in de richting
van het vuur. "Bij den hemel!" zei hij, "hij weet 't níét!"
"Die man," zei hij, "weet nièts. Dat was reeds zijn meest tergende
eigenschap als student. Letterlijk niets. Hij kwam door al zijn
examens, hij had al zijn feiten bij elkaar--en hij had evenveel
kennis als een draaiende boekenplank waarop de "Times Encyclopedie"
staat. En nù weet hij nog evenmin iets. Hij is Winkles en niet in
staat om werkelijk iets in zich op te nemen en te verwerken, wat
niet in onmiddellijk verband staat met zijn oppervlakkig, pedant
eigen-ik. Alle verbeeldingskracht ontbreekt hem en als een gevolg
daarvan, is hij ongeschikt voor kennis. Niemand kan zonder juist diè
ongeschiktheid, door zooveel examens komen, en zoo goed gekleed gaan,
en zooveel succes hebben als dokter. Dat is de geheele quaestie. En
niettegenstaande alles wat men hem verteld, en wat hij gehoord en
gezien heeft, heeft hij nòg geen vaag begrip van wat hij aan den gang
gebracht heeft. Hij heeft een goed zaakje aan de hand, dat hij opkweekt
met Bomvoedsel, en de een of ander heeft hem die koninklijke baby in
handen gespeeld. En het feit, dat Weser Dreiburg over eenigen tijd
zal staan voor het reuzen-probleem van een dertig en idem zooveel
voet lange prinses, is niet alleen niet in zijn hoofd opgekomen,
maar kòn het ook niet--kòn het ook niet."
"'t Zal een ontzettende herrie geven," zei Bensington.
"Ja, binnen een jaar of zoo al."
"Zoodra ze zien dat het kind al maar blijft dóórgroeien."
"Tenzij zij, zooals dat doorgaans in dergelijke kringen gedaan wordt,
't doodzwijgen."
"'t Is anders wel wat véél om stil te houden."
"Ja, nog al!"
"'t Zal me benieuwen wat ze zullen doen?"
"Zij dòèn nooit iets--Koninklijke tact."
"Maar ze moeten toch ièts doen."
"Misschien dat zij dat wel zullen doen."
"O, Heer, ja."
"Zij zullen haar achterbaks houden. Dat is meer gebeurd."
Redwood barstte in een onbedaarlijk gelach uit.
"Het overtollige koningskind--de niet te stuiten baby met het IJzeren
Masker!" zei hij.
"Ze zullen haar in den hoogsten toren van het oude kasteel Weser
Dreiburg moeten zetten, en gaten in de plafonds maken, naarmate zij
van verdieping tot verdieping groeit!"...
"Nu, ik verkeer in 't zelfde geval. En Cossar en zijn drie jongens
net zoo. En--nu ja."
"'n Ontzettende herrie zal dat geven," herhaalde Bensington, niet
mede lachend. "Ontzettend."
"Ik vertrouw dat je de quaestie goed overdacht hebt, Redwood. Maar
weet je zeker dat 't niet wijzer zoude zijn Winkles te waarschuwen,
jouw kleine jongen er langzamerhand zien af te brengen--en--ons te
vergenoegen met de Theoretische Overwinning die we behaald hebben?"
"Ik wou waaràchtig dat je eens een half uur doorbracht in mijn
kinderkamer als het Voedsel een beetje laat is," zei Redwood, met
een ongeduldigen klank in zijn stem, "dan zou je wel anders praten,
Bensington. Bovendien--stel je voor, Winkles waarschuwen!... Nee
hoor! De opkomende vloed van deze quaestie heeft ons onverhoeds
overvallen en of we bang zijn of niet--we zullen moèten zwemmen!"
"Ja, daar zal wel niet anders opzitten," zei Bensington, naar zijn
teenen starend. "Ja, we moeten zwemmen. En jouw jongen zal moeten
zwemmen en Cossar's jongens--hij heeft het aan alle drie gegeven. Niets
halfs in Cossar--alles of niets. En Haar Doorluchtigheid. En al het
verdere. Wij gaan voort met het Voedsel te maken."
"Cossar ook. Wij zijn pas in den dageraad van het begin, Redwood. Het
is duidelijk, dat er allerlei dingen volgen zullen. Monsterachtig
groote dingen. Maar ik kan me ze niet goed voorstellen,
Redwood. Behalve--"
Hij keek vorschend naar zijn nagels. Toen keek hij Redwood aan met
zachte oogen door zijn bril.
"Ik geloof half en half," waagde hij te zeggen, "dat Caterham gelijk
heeft. Soms. Het zal wèrkelijk de normale afmetingen der dingen
omverwerpen. Het zal in de plaats komen van--Ja, wat zal het niet
verplaatsen?"
"Wat het ook doet," zei Redwood, "mijn kleine jongen moet het Voedsel
hebben."
Zij hoorden iemand vlug tegen de trap optuimelen. Toen stak Cossar zijn
hoofd om de deur. "Hallo!" zei hij, toen hij hun gelaatsuitdrukking
zag en binnenkomend: "Wel?"
Zij vertelden hem de quaestie met de prinses.
"Moeilijk geval?" merkte hij op. "Geen quaestie van. Zij zal
groeien, jouw jongen zal groeien. Al de anderen waaraan je 't gaf,
zullen groeien. Alles. En hard ook. Waar steekt het moeilijke van de
zaak? Alles in orde, hoor. Een kind kan je dat zeggen.... Waar zit
de moeilijkheid?"
Zij trachtten hem dat duidelijk te maken.
"Er niet mee doorgaan!" gilde hij bijna. "Maar--! Jullie staat
machteloos. Daar ben jelui voor op de wereld. Daar is Winkles
voor. Alles in orde, hoor! Heb me dikwijls verwonderd waar Winkles
eigenlijk voor was. Nù ligt 't voor de hand. Herrie. Natúúrlijk. Dingen
in de war brengen? Zal àlles in de war brengen. En eindelijk zal het
àlle menschelijke aangelegenheden omverwerpen. Helder als de dag,
niet waar! Ze zullen probeeren 't tegen te houden, maar ze zijn er te
laat bij. Dat zijn ze meestal. Jullie gaat er mee door en verspreidt
er zoo veel van als je maar kunt. Dank God dat hij je ergens voor
gebruiken wil!"
"Maar de strijd die er uit volgen moet!" zei Bensington, "de
spanning! Ik weet niet of je je wel een denkbeeld gevormd hebt--"
"Jij behoorde de een of andere stronk groente geweest te zijn,
Bensington," zei Cossar--"dat moest je. Iets dat groeide op een
kunstrotsje in 'n tuin. Daar zit je nu, wonderbaarlijk geformeerd,
en jij denkt dat 't eenige waar je voor op aarde bent, is om hier
en daar wat om te hangen en je malen te gebruiken. Denk je dat deze
wereld gemaakt is voor ouwe wijven om wat in te luiwammissen? Maar
hoe dan ook, jelui staat er machteloos tegenover--je moèt er wel
mede doorgaan."
"Ik vertrouw 't ook," zei Redwood. "Langzaam."
"Neen!" zei Cossar, met een geweldigen kreet. "Neen! Maak er zooveel
van als je kunt en zoo vlug je maar kunt. Strooi het overall"
Hij werd geïnspireerd tot een vlaag van geestigheid. Hij parodieerde
een van Redwood's kromme lijnen met een breeden zwaai omhoog van
zijn arm. "Redwood!" zei hij, om zijn beweging duidelijker te maken,
"maak het Zoo!"
V.
Er schijnt een lengte-grens te zijn voor moedertrots, en deze werd
in mevrouw Redwood's geval bereikt, toen haar spruit de zesde
maand van zijn aardsch bestaan volbracht, zijn uiterst soliede
bassinet-kinderwagen in elkaar deed zakken, en thuis gebracht werd op
den melkwagen. De jonge Redwood woog te dien tijde vijf en negentig en
een half pond, mat acht en veertig duim in de lengte en kon ongeveer
zestig pond opbeuren. Hij werd naar de kinderkamer boven gedragen door
de keukenmeid en de werkmeid. Na deze gebeurtenis was ontdekking nog
slechts een quaestie van dagen. Op zekeren middag kwam Redwood uit
zijn laboratorium thuis en vond zijn ongelukkige vrouw verdiept in de
boeiende bladzijden van "Het Machtige Atoom," [4] en toen zij hem zag,
legde zij haar boek terzijde, liep driftig op hem toe en barstte in
tranen uit, terwijl zij tegen zijn schouder leunde.
"Zeg mij toch wat je aan hem gedaan hebt," klaagde zij. "Zeg me toch
wat je gedaan hebt."
Redwood vatte haar hand, en leidde haar naar de sofa, terwijl hij
nadacht hoe hij zich het best verdedigen kon.
"O, 't is niets, lieve," zei hij; "'t is niets hoor. Je bent alleen
wat overspannen. 't Komt door dien goedkoopen kinderwagen. Ik heb een
man, die altijd achter een ziekenstoel loopt, besteld om morgen hier
te komen met iets stevigers."
Mevrouw Redwood keek hem door haar tranen heen aan over de punt van
haar zakdoek.
"Een baby in een ziekenstoel?" snikte zij.
"Nu, waarom niet?"
"Dan is het net of hij kreupel is."
"Als een jonge reus, lieve, en je hoeft je heusch niet over hem
te schamen."
"Je hebt iets aan hem gedaan, Dandy," zei zij. "Ik kan het aan je
gezicht zien."
"Nu, in ieder geval heeft hij toch niet opgehouden te groeien,"
zei Redwood harteloos.
"Ik wist het wel," zei mevrouw Redwood en frommelde haar zakdoek tot
een bal in haar eene hand. Zij keek hem plotseling streng aan. "Wat
heb je aan ons kind gedaan?"
"Wat is er dan met hem?"
"Hij is zoo groot. 't Is een monster."
"Onzin. Hij is zoo recht van lijf en leden en zoo gladjes als je maar
wenschen kunt. Wat is er dan met hem?"
"Zie dan toch eens hoe groot hij is."
"O, dat is volkomen in orde. Kijk liever eens om je heen naar die
kleine, sukkelende kinderen van anderen. Hij is de flinkste baby--"
"Hij is tè flink," zei mevrouw Redwood.
"Dat gaat zoo niet door," zei Redwood geruststellend, "'t is zoo maar
een groeischeut."
Maar hij wist zeer goed, dat het wèl zou doorgaan. En dat deed het
dan ook. Toen deze baby een jaar oud was, waggelde hij heen en weer,
juist een duim onder de vijf voet lang, en woog honderd vijftien pond;
hij was inderdaad even groot als een cherubin in de Sint Pieters "in
Vaticano", en zijn speelsche greep naar het haar en de gelaatstrekken
der bezoekers werd het onderwerp van den dag in West-Kensington. Zij
hadden een invalide-stoel om hem naar boven en beneden te dragen
naar zijn kinderkamer, en zijn speciale ziekenzuster, een stevig
jong vrouwspersoon die juist haar proeftijd achter den rug had,
ging met hem wandelritten doen in een Panhard-ziekenstoel-auto van
8 paardekracht, in staat heuvels van een hoek van vijftien graden te
beklimmen, en speciaal gemaakt ten zijnen dienste. Het was in ieder
opzicht gelukkig dat Redwood bij zijn professorschap nog verstand
van dergelijke dingen had ook. Als men over den schok van de enorme
grootte van den kleinen Redwood heen was, zoo hebben wij lieden die
hem dagelijks langzaam Hyde-Park zagen rond-tuf-tuffen hooren zeggen,
was hij een wonder-vroolijke en lieve baby. Hij schreeuwde zelden en
behoefde niet gesust te worden. Doorgaans omklemde hij een grooten
ratel, en soms riep hij onder het voorbijgaan de omnibus-koetsiers
en de politie-agenten langs den weg buiten het hek toe met "Dadda"
en "Babba!" op een sociaaldemocratische manier.
"Daar gaat dat groote kind, dat met Bomvoedsel gevoed wordt," zei de
omnibus-koetsier dan.
"Ziet er gezond uit," zei de passagier, die naast hem op den bok zat.
"Opgevoed met de flesch," legde de koetsier dan uit. "Ze zeggen
dat er zoowat vier liter ingaat, en dat ie speciaal voor 'm gemaakt
moest worden."
"'Eel gezond kind, 'oe dan ook," besliste de passagier voorop.
Toen mevrouw Redwood tot het besef kwam, dat de groei onbepaald en
logisch voortging--en dit deed ze werkelijk voor de eerste maal
toen de motor-kinderwagen voor de deur reed--gaf ze toe aan een
wilde smart. Ze verklaarde, dat ze nooit weder in de kinderkamer
wilde komen, dat ze wenschte dat ze dood was, en dat haar kind dood
was, dat iedereen dood was, wenschte dat ze Redwood nooit getrouwd
had, dat ze niemand getrouwd had, en trok zich in haar eigen kamer
terug, waar zij gedurende drie dagen bijna uitsluitend van kippesoep
leefde. Toen Redwood kwam om haar tot andere gedachten te brengen,
gooide zij met de sofakussens, weende en bracht haar haar in wanorde.
"O, hij is zoo gezond als een visch," zei Redwood. "Waarachtig, hij
is er niet slechter aan toe omdat hij groot is. Je zoudt toch niet
willen, dat hij kleiner was dan de kinderen van anderen?"
"Ik wil dat hij nèt is als andere kinderen, niet kleiner en niet
grooter. Ik had gehoopt dat hij een aardig klein ventje zou worden,
net als Georgina Phyllis een aardig klein meisje is, en ik wilde hem
grootbrengen zoodat hij lief werd, en kijk nù eens"--en de stem van
de ongelukkige vrouw brak weder--"hij draagt schoenen van nummer vier
voor volwassenen, en wordt rondgereden door--boeboe!--Petroleum! Ik
kan hem nooit liefhebben," klaagde zij. "Hij is me tè groot! Ik kan
nooit een moeder voor hem zijn, zooals ik had willen zijn!"
Doch eindelijk kregen ze haar er toe naar de kinderkamer te gaan,
en daar zat Edward Monson Redwood ("Pantagruel" was pas later zijn
bijnaam) te schommelen in een speciaal versterkten hobbelstoel, en
glimlachte en zeide "yoe en wou." En het hart van mevrouw Redwood
ging weder uit naar haar kind, en zij nam hem in haar armen en weende.
"Ze hebben iets aan je gedaan," snikte zij, "en je zult al maar
doorgroeien, liefje, maar wat ik voor je kan doen om je fatsoenlijk
groot te brengen, dat zàl ik doen, wat je vader er ook van mag zeggen."
En Redwood, die geholpen had haar naar de deur te brengen, ging erg
verlucht de gang af.
("Hè, maar 't is een min zaakje een man te zijn--tegenover vrouwen
tenminste!")
VI.
Vóór er een jaar verstreken was, waren er, behalve Redwood's
pionier-voertuig, een heel aantal motor-kinderwagens te zien in het
westen van Londen. Men heeft mij verteld, dat er wel zeven waren; doch
een zeer nauwkeurig onderzoek wijst uit, dat er slechts zes waren in de
Hoofdstad te dien tijde. Het scheen dat het goedje verschillend werkte
op verschillende constituties. In het begin leende Herakleophorbia zich
niet tot inspuiten, en het is boven allen twijfel verheven dat er een
groot aantal menschelijke wezens niet in staat zijn deze stof in zich
op te nemen en op de normale wijze te verteren. Het werd bijvoorbeeld
gegeven aan den jongsten zoon van Winkles; doch hij schijnt even weinig
in staat geweest te zijn tot groeien, als,--zoo Redwood tenminste
gelijk had--, zijn vader tot kennis in zich opnemen. Weer anderen
werden er, volgens de "Vereeniging tot Algeheele Onderdrukking van
Bomvoedsel," op de een of andere onverklaarbare wijze door verdorven,
en stierven reeds in het begin aan kinderkwaaltjes. De jongens van
Cossar namen het in zich op met verbazingwekkende gulzigheid.
Natuurlijk komt iets als dit nooit in het leven van een mensch met
absolute eenvoudigheid van toepassing; groei, in het bijzonder,
is een ingewikkeld iets, en alle generalisaties moeten uit den aard
der zaak een weinig onnauwkeurig zijn. Doch de algemeene regel van
het Voedsel leek dèze te zijn: dat als het organisme het in zich kòn
opnemen op de een of andere manier, het dit in alle gevallen nagenoeg
even sterk stimuleerde. Het vermenigvuldigde het groeicijfer van zes
tot zeven malen, en daar bòven ging het niet, hoeveel van het Voedsel
ook verder genomen werd. Te groote hoeveelheden van Herakleophorbia,
toegediend boven het noodige minimum, leidden, zooals men bevond,
tot ziekelijke storingen in de spijsverteringsorganen, tot kanker en
gezwellen, beenverhardingen en dergelijke. En als de groei eenmaal
op groote schaal begonnen was, bleek het weldra dat men er slechts op
denzelfden voet mede kon doorgaan, en dat het onafgebroken toedienen
van kleine doses Herakleophorbia dringend noodig was.
Hield men er mede op, terwijl de groei nog in gang was, dan vertoonde
zich eerst een onbestemde rusteloosheid en benauwdheid, dan een
tijdperk van abnormaal veel eten,--zooals in het geval der jonge
ratten te Hankey--en dan kreeg het groeiende wezen een soort van
erge bloedarmoede, ging kwijnen en stierf. Planten leden op een
dergelijke wijze. Doch dit alles was alleen toepasselijk op het
groei-tijdperk. Zoodra de mannelijke staat bereikt was--in planten
openbaarde zich dit door de vorming van de eerste bloemknoppen--werd
de behoefte aan, en de lust naar Herakleophorbia minder, en zoodra
de plant of het dier volkomen volwassen was, hield alle behoefte aan
elken verderen toevoer van het Voedsel op. De plant of het dier was
dan als het ware geheel gevormd op de nieuwe basis. Het was zoo gehéél
hiernaar gevormd dat, zooals de distels van Hickleybrow en het gras aan
den duinkant reeds gedemonstreerd hadden, het zaad van dit dier of deze
plant reuzen-nakomelingschap voortbracht, even groot als de ouders.
En het duurde niet lang of de kleine Redwood, pionier van het nieuwe
geslacht, en het eerste kind van allen dat het voedsel at, begon in
de kinderkamer rond te kruipen, meubels te breken, te bijten als een
paard, te knijpen als een nijptang en reuzen-babytaal te stamelen
tegen zijn "paatje," en "maatje," en tegen zijn tamelijk onthutsten
en van ontzag vervulden vader, die dit kwaad in de wereld geschopt had.
Het kind was geboren met goede voornemens. "Padda zoet zijn, zoet
zijn," placht hij te zeggen, terwijl alles wat maar breekbaar was
voor hem uit vloog. "Padda" was zijn overzetting van Pantagruel, den
bijnaam dien Redwood hem gegeven had. En Cossar, zich niet storend aan
eenige Oude Oorkonden die hem zeer spoedig in moeilijkheden brachten,
ging, na een conflict met de plaatselijke bouw-verordening, op een
braakliggend stuk grond, dat grensde aan Redwood's huis, aan het
bouwen van een heerlijke, goed-verlichte speelkamer, schoollokaal
en kinderkamer voor hun vier jongens--zestig voet in het vierkant,
en veertig voet hoog.
Redwood vatte een ware passie op voor deze groote kinderkamer terwijl
hij en Cossar haar bouwden, en zijne belangstelling in kromme lijnen
ging aan het tanen, zooals hij nooit gedroomd had dat zij kòn tanen,
en maakte plaats voor belangstelling in de dringende behoeften
van zijn zoon. "Er zit heel wat in het behoorlijk in orde brengen
van een kinderkamer. Heel wat. De wanden, de dingen die er in zijn,
dit alles zal tot onzen nieuwen geest spreken, hier een beetje meer,
daar een beetje minder welsprekend, en hem al of niet duizenderlei
dingen leeren."
"Ligt voor de hand," zei Cossar, haastig naar zijn hoed grijpend.
Zij werkten eenstemmig samen, doch Redwood zorgde voor het grootste
gedeelte der opvoedkundige theorie die noodig was... Zij lieten de
wanden en het houtwerk verven met prettige, heldere kleuren; voor
het meerendeel voerde een, door een andere kleur wat warmer gemaakt,
wit den boventoon, doch er waren ook strepen heldere zuivere kleur
om de
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/36982