Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen
by J. Hendrik van Balen · Dutch · Gutenberg #36973 · 565,502 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen
Author: J. Hendrik van Balen
Illustrator: Charles Rochussen
Release date: August 4, 2011 [eBook #36973]
Most recently updated: January 8, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/36973
Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ONDER DE MOOREN: AVONTUURLIJKE REIZEN DOOR ALLE WERELDDEELEN ***
Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling en hoofdlettergebruik zijn |
| behouden: met/zonder afbreekstreepjes, gouverneur/Gouverneur, |
| kaïd/Kaïd, khalif/Khalif, sultan/Sultan. |
| |
| In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. |
| Uitgespatieerde tekst is weergegeven als ~uitgespatieerd~. |
| |
| Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
| e-boek op https://www.gutenberg.org |
| |
+----------------------------------------------------------------+
ONDER DE MOOREN.
[Illustratie: Toen Dries plotseling over de verschansing sprong.
Bladz. 7.]
AVONTUURLIJKE REIZEN
DOOR
ALLE WERELDDEELEN.
DOOR
J. HENDRIK VAN BALEN.
Met 12 Platen van Ch. Rochussen.
[Decoratieve illustratie]
Arnhem. Gebr. E. & M. COHEN. Nijmegen.
I.
EEN MAN OVER BOORD.
Het stoomschip, dat geregeld dienst doet tusschen Gibraltar en Tanger,
trof op zijn overtocht naar laatstgenoemde plaats, den 1n Mei 187*,
uitmuntend schoon weer. De zee was kalm en effen als een spiegel,
de wind gunstig,--kortom de korte reis was bijzonder aangenaam en
voorspoedig.
Zoo smal echter de Straat van Gibraltar is, zoo wijd is in ander opzicht
de klove, die de beide werelddeelen Europa en Afrika van elkaar scheidt.
Hier te Gibraltar, aan de uiterste punt van Spanje's zuidkust, draagt
alles nog het kenmerk der beschaving; doch binnen een paar uren stoomens
bevindt men zich op den noordelijksten uithoek van Afrika's kust, in
de Marokkaansche stad Tanger, in het hart van het barbarisme. Grooter
tegenstelling is niet denkbaar. Van het strand te Tanger kan men
Gibraltar zien; die twee werelddeelen, welke als het ware bestemd
schijnen te zijn om elkaar de broederhand te reiken, zijn nochtans
zoozeer van elkaar verwijderd gebleven, dat nog ten huidigen dage in
Marokko geen zweem van beschaving, geen sprankje van verdraagzaamheid
jegens Christenen, te vinden is.
De voorspoedige reis en het schoone weder hadden onmiskenbaar een
gunstigen invloed op de passagiers uitgeoefend. Allen bevonden zich op
het dek der stoomboot, de meesten in druk gesprek, enkelen turend naar
Europa's of Afrika's kusten. Allengs echter verdween Gibraltars trotsche
rots en kwam Afrika's kust helderder te voorschijn.
Twee jonge mannen, die zich in hun geheele voorkomen terstond deden
kennen als ware zonen van het noorden en die met hunne blonde haren en
blanke gelaatskleur in 't oogvallend afstaken bij de overige passagiers,
meest van zuidelijker afkomst, stonden achteloos tegen de verschansing
geleund en keken naar de opdagende kust, waar alles zich hoe langer hoe
duidelijker vertoonde.
Beiden waren, naar het scheen, van denzelfden leeftijd en verschilden
ook in kleeding weinig van elkander. Toch kon men den een wel aanzien,
dat hij van een hooger stand was dan de ander. Hij had eene slanke
gestalte en was eer schraal dan gezet te noemen; hij droeg een kort
afgesneden maar vollen bruinen baard en knevel en had een open, manlijk
gelaat. De schrandere blauwe oogen zagen van onder zijne wenkbrauwen
onderzoekend om zich heen; overigens droeg zijn gelaat den stempel van
vastberadenheid en wilskracht.
Zijn metgezel, ongeveer een hoofd kleiner dan hij, zag er forsch uit.
Zonder gezet te zijn was hij niet half zoo mager als zijn makker.
De breede schouders, de korte nek en de gespierde armen deden groote
lichaamskracht vermoeden. Hij was zeer blond van haar en baard, welken
laatste hij droeg à la Napoléon. In tegenstelling met zijn metgezel zag
hij er niet zoo kalm en bedaard uit, en zulks deed zich ook vermoeden
uit zijne driftige gebaren bij het gesprek. In zijn toon van spreken
tegen den rijzigen jonkman was eene beleefde vrijmoedigheid op te
merken, hoewel er duidelijk uit bleek, dat hij de mindere in
maatschappelijke positie was.
--Zoo is dit dan Afrika, wat we hier voor ons zien! vroeg hij; en is dit
nu het Moorenland, luitenant?
--Ja, Dries! dat is Marokko, antwoordde de ander; bevalt het je, dat we
eindelijk aan het doel onzer reis zijn?
--Zeker! gaf Dries ten antwoord. Zie, luitenant, ik vond het wel
aangenaam dat reizen door België, Frankrijk en Spanje, maar men vindt
daar overal toch nog iets, dat ons niet zoo geheel vreemd is. Men is
daar nog altijd in de beschaafde wereld en, om u de waarheid te zeggen,
watertand ik naar de onbeschaafde landstreken die we hier voor ons
hebben.
De andere glimlachte.--Gij hebt gelijk, Dries! zeide hij. Ook ik verlang
er naar dit geheimzinnige en barbaarsche werelddeel te betreden. Zooals
ik gelezen heb, moet de tegenstelling te groot zijn, om die niet
verbazend te vinden--en dat bij zoo korten afstand!
--Ja, wel verbazend, mompelde Dries. Maar zie eens, luitenant; wat zijn
die witte dingen daar voor ons uit; men zou zeggen dat het huizen zijn.
--Dat zijn het ook, het zijn de huizen van Tanger. De Moorsche woningen
zijn allen blinkend wit en vierkant van vorm.
--Komaan, zei Dries, dat lijkt mij! Het ziet er daar helder uit, en
als alles zoo proper is, zal het mij genoegen doen; want de Spaansche
onzindelijkheid ligt mij nog versch in het geheugen. Wat een vuile
rommel in die straten, in die logementen; en dan die slaapplaatsen en
bedden, brr! ik gril er van als ik er om denk, wat tal van slapelooze
nachten wij, in onze reisdekens gewikkeld, op den vloer liggende hebben
doorgebracht.
--Verblijd je maar niet met een doode musch, antwoordde de ander. Ik
geloof, dat het in Marokko niet veel beter zal zijn dan in Spanje.
Een van beide; de Spanjaarden hebben dat gebrek aan zindelijkheid
overgenomen van de Mooren, of deze laatsten van de Spanjaarden.
--Maar wat duivel! die huizen hebben geen ramen of vensters, riep Dries
eensklaps uit.
--Dat is ook zoo, antwoordde de luitenant. De Moorsche huizen hebben
geen vensters aan de buitenzijde. Slechts eene kleine lage deur is al
wat men er aan ziet.
--Een fraaie bouwstijl, zeide Dries, het gelijken wel reusachtige
blokken krijt. Ha, daar komen de Mooren al aan! Kijk, luitenant, daar op
het strand, een geheele bende; bà, wat leelijke kerels!
Inderdaad verscheen op het strand een troep havelooze kerels, die half
naakt waren. Daar waren donker bruine Arabieren met zwarte baarden,
taankleurige Mooren, en negers in de verschillende tinten van bruin tot
gitzwart. De geheele troep stond op het strand de aankomst der boot af
te wachten om als gids of pakkendrager een kleinigheid te verdienen.
Juist wilde Dries weder eenige opmerkingen maken, toen opeens een
angstkreet weerklonk gevolgd door een plomp in het water, en eensklaps
klonk uit wel twintig kelen tegelijk de kreet van: »een man over boord!"
Onze beide jongelui sprongen verschrikt op en keken naar den kant waar
alle passagiers over de verschansing naar het watervlak staarden, en
daar, reeds een heel eind achter de boot, zag men een man met de golven
worstelen. Van alle kanten klonken verschillende kreten om hulp; reeds
was de boot te water gelaten en wierpen eenige matrozen zich er in, toen
Dries haastig jas en hoed op den grond smijtend zich door de verschrikte
menigte op het dek, met zijne krachtige armen ruim baan maakte en over
de verschansing sprong.
Zijn metgezel, die eveneens eene beweging had gemaakt om te hulp te
snellen, bleef thans staan en sloeg met de meeste kalmte den zwemmer
gade, die met fiksche slagen de golven kliefde.
Intusschen was de drenkeling, een kapitein van het Fransche leger in
Algiers, door de vaart die de boot had, ofschoon men dadelijk stopte,
een heel eind achtergeraakt. Blijkbaar was hij geen geoefend zwemmer,
zoodat hij groote moeite had zich boven water te houden. Toen de
passagiers en de bemanning der boot van den schrik waren bekomen,
klonken verschillende aanmoedigende kreten den onverschrokken zwemmer
na. Deze weerde zich dapper en deed vermoeden, dat hij heden niet zijne
eerste proeve in de zwemkunst toonde. Regelmatig zwom hij voort zonder
noodelooze overspanning en vorderde zoo snel, dat hij reeds na weinige
minuten den Franschman was genaderd.
Een daverend gejuich weerklonk van de boot, en de bemanning der sloep
repte zich om spoedig den drenkeling en zijn redder te bereiken, die
binnen weinige oogenblikken behouden werden aan boord gebracht.
Redder en geredde werden bij hunne komst aan boord om het zeerst met
gelukwenschingen overladen, en terwijl de laatste zich naar beneden
spoedde om droge kleederen aan te trekken, liep Dries naar den
luitenant, zich lachende aan de vele handdrukken en loftuitingen der
omstanders onttrekkende.
--Goed zoo, Dries! zeide de luitenant, hem de hand drukkend, goed
gedaan!
--Och, antwoordde Dries, 't had niet veel te beteekenen; met een kalme
zee heeft zoo'n karweitje niet veel te beduiden. En bovendien, ik zag
dat u van plan was om in zee te springen en zoolang ik er nog ben,
behoeft u geen nat pak te halen.
--Ge zijt een rare snaak, antwoordde de luitenant, maar ga je nu
verkleeden; want straks moeten wij van boord en ge zoudt niet met een
nat pak aan wal kunnen gaan.
Juist toen Dries weder op het dek verscheen, kwam ook de Franschman
weer te voorschijn. Hij trad snel naar zijn redder toe en overlaadde
dien nogmaals met een stroom van dankbetuigingen, die door onzen held
met eene afwijzende beweging glimlachend werden beantwoord. Beiden
traden nu op den luitenant toe die hun halverwege tegemoet kwam, en na
de gebruikelijke voorstelling was ons drietal weldra in druk gesprek
gewikkeld.
--Gij gaat naar Marokko? vroeg de Franschman.
--Ja, mijnheer, antwoordde de luitenant. Ik voldoe daarmee aan een lang
gekoesterd verlangen. Dat land te zien was steeds een mijner vurigste
wenschen en thans ben ik, dank zij de erfenis mij door mijne tante
nagelaten, in staat aan dat verlangen te voldoen.
--Hebt gij reeds een bepaald doel voor uwe reis vastgesteld? vroeg de
kapitein.
--Ja, dat heb ik zeker, antwoordde de luitenant. Ik hoop, zoo er maar
eenige mogelijkheid toe bestaat, Fez te bezoeken.
--Fez, riep de Franschman uit met de hoogste verbazing. Wilt gij Fez
bezoeken? Maar, mijnheer, weet gij wat Fez, wat die hoofdstad van
Marokko is? Welnu, ik zal het u zeggen: Fez is de stad der
verschrikking!
--Komaan, zeide de luitenant dat zal wel erg overdreven zijn.
--Overdreven, hernam de Franschman. Ik zie wel, mijnheer! dat gij
Marokko noch Fez kent. Een officier van ons Regiment is er geweest, en
ofschoon de dappere kerel er heelhuids van is teruggekeerd, was hij toch
op weg om krankzinnig te worden. De verhalen, die hij ons deed van Fez,
deden ons denken aan Dahome[1]. Alles is daar even afschuwelijk. Geloof
mij, het is een onmogelijk plan!
[1] Het rijk Dahome, aan de Slavenkust (West-Afrika), ligt aan de Golf
van Benin. Het is bekend wegens de barbaarsche menschenoffers en
door zijn leger van vrouwelijke soldaten (Amazonen).
--Ba! antwoordde de luitenant, alles is mogelijk. Met een flink paard
onder zich, eene goede buks in de hand en goeden moed komt men ver.
--Maar ik zeg u, dat uw plan onmogelijk is te volbrengen, hernam de
Franschman. En hoe zoudt gij die reis willen doen en wat is wel uw doel?
Ik kan toch niet gelooven, dat louter nieuwsgierigheid uw drijfveer zou
zijn.
--Op uw eerste vraag kan ik antwoorden, dat wij met behulp van een
goeden gids en een paar kameelen met de drijvers den tocht hopen te
ondernemen.
--Wat! riep de Franschman uit, gij meent met uw beiden naar Fez te
kunnen reizen?
--Welja, waarom niet? vroeg de luitenant.
--Waarom niet? zeide de Franschman, omdat de afstand tusschen Tanger
en Fez zoo groot is, dat gij, met den meesten spoed reizende en
zonder buitengewone bezwaren op den weg te ontmoeten, dien niet binnen
minder dan een maand kunt afleggen. Op dien weg bedreigen u bij elken
voetstap gevaren in den vorm van roofzieke en moordlustige Arabieren
en waanzinnige heiligen. Bovendien loopt dien weg door het land der
Beni-Hassen, dat wil zeggen door het land van het bloeddorstigste en
roofgierigste gespuis van geheel Afrika, ware duivels, die niemand door
hun land laten trekken.
--Welnu, zeide de luitenant, de wenkbrauwen een weinig fronsende, ik heb
mij voorgenomen naar Fez te gaan en hoop dat ondanks al uwe bezwaren te
doen. Marokko te bezoeken en Fez niet te zien, zou hetzelfde zijn als
naar Frankrijk te gaan zonder Parijs te bezoeken. Neen, dat gaat niet
aan. Wat zeg jij er van, Dries?
--Wel, luitenant! antwoordde Dries, ik vind, dat wij het maar moesten
wagen; die niets waagt, wint niets. Waar u heen wil ga ik mee, dit is
zoo klaar als dat twee maal twee vier is. En bovendien, al heeten die
kerels Beni-Hassen, ze kunnen toch geen twee flinke Hollandsche borsten
als wij zijn zoo maar voetstoots van kant maken, zou ik zeggen.
--Gij ziet, zeide de luitenant, dat mijn brave metgezel het volkomen met
mij eens is. Laten wij er dus niet meer over spreken, ik wil Fez zien en
hoop door dat reisje veel kennis op te doen van land en volk, van het
klimaat en de natuurvoortbrengselen van Marokko, dat is mijn doel, en
hiermede is uwe tweede vraag beantwoord. Ik ben een groot minnaar van de
wetenschap en hoop mijne kennis op die manier eens flink te verrijken.
--O! sprak de Franschman met geestdrift, gij beoefent de wetenschap;
ook ik heb die lief. Gedurende een zesjarig verblijf in Algiers was ik
in de gelegenheid voornamelijk de Arabische bevolking te bestudeeren,
en ik verzeker u, dat het een interessant volkje is, schoon men, als men
dieper tracht door te dringen in hun karakter en zeden, veel opmerkt,
dat hemelsbreed verschilt met hetgeen zoovele schrijvers omtrent hen
hebben medegedeeld.
--Maar ik dwaal af van hetgeen ik u wilde verhalen. Ik heb mij hierheen
begeven ten einde meer eenheid en volledigheid te brengen in de
verzameling penneschetsen, die ik zoo langzamerhand omtrent dit
merkwaardige volk heb bijeengebracht.
--En nu, waarde heer, zoo besloot hij, het is voor mij een groot geluk,
een waar genoegen, met u en uw metgezel, mijn redder, te hebben kennis
gemaakt, en ik hoop dat gij aan uw stout reisplan niet al te spoedig
uitvoering zult geven, daar ik dan nog eenigen tijd uw aangenaam
gezelschap zal kunnen genieten. Gij ziet, waarde heeren! er is ook hier
alweer eigenbelang in het spel. Intusschen daar wij zijn aangekomen en
ik geloof dat ge even verlangend zult zijn om voet aan wal te zetten
als ik, zullen we dienen afscheid te nemen. Wanneer ik u echter,
in afwachting van de gelegenheid om mijne schuld aan u af te doen,
eenigszins aan mij mocht verplichten door u tot gids te strekken om een
goed onderkomen te Tanger te vinden, zal ik mij zeer gelukkig achten.
Ik ben reeds eenmaal hier geweest en bijgevolg geen vreemdeling meer in
Tanger.
Volgaarne werd dit aanbod aangenomen, en nadat de kapitein aan zijn
Arabischen bediende had last gegeven zorg te dragen voor zijne bagage
en die der Hollanders, wenkte hij den roeier van een der schuitjes, die
thans in menigte het schip omringden, en ons drietal stapte weldra aan
land.
Men volgde eene Moorsche straat, niet breeder dan een paar meter; links
en rechts waren hooge vuil-witte muren zonder een enkel venster. Op
sommige plaatsen waren die straten, of liever steegjes, overdekt. Overal
waren de straten even nauw, vuil-wit en somber; het was een ware doolhof
van gangen en stegen, somwijlen afgebroken door eene poort in Moorschen
stijl gebouwd.
Onze reizigers keken verwonderd rond, en die eerste indruk was verre van
aangenaam. De straten waren vuil; overal lagen doode honden of katten,
slechts hier en daar kwam men eenige menschen tegen, die er even vuil
en somber uitzagen als hunne omgeving. Zij droegen allen een lang wit
gewaad; een groote witte kap bedekte het hoofd en liet niets zichtbaar
dan het bruine gelaat met de sombere uitdrukking. Eene enkele maal
flikkerde onder den kap een paar vurige oogen onzen reizigers tegen,
maar de meesten deden alsof zij de vreemdelingen niet opmerkten. Statig
en stil bewogen die menschen zich voort, of zaten ineengehurkt hier en
daar tegen de witte muren aangedrukt.
Dries was de eerste, die aan zijne verwondering lucht gaf.
--Is dat Tanger, is dat eene stad, zijn dat Arabieren, riep hij uit.
Mijn God! luitenant, ik geloof dat we in eene monnikenstad zijn verzeild
geraakt. Die huizen zijn kloosters, en die menschen gelijken allen op
monniken. Hè, wat een akelige kerels! Ze zien er net uit alsof zij naar
eene begrafenis moeten. Men wordt hier huiverig.
--Ja waarlijk, antwoordde de luitenant, 't is hier akelig somber. De
eerste indruk van Tanger op mij is niet aangenaam.
--O, zeide de Franschman, daaraan wordt men weldra gewoon. De Arabieren
zijn niet levendig van aard. Die verschillende personen gaan allen
daarheen alsof zij bevreesd zijn gerucht te maken. Geen mensch ziet ons,
en toch zijn we vreemdelingen en nog wel Christenen. Verplaats u eens in
gedachte in eene stad van de beschaafde landen; daar zou men dadelijk
van alle kanten worden aangegaapt, nageloopen en uitgelachen, als
kleeding en voorkomen zoozeer verschilden met die der bewoners. Maar
schoon zij hier niets laten blijken, moet ge daarom niet denken dat ze
ons niet zien! Neen, als hunne oogen dolken waren, zouden we reeds lang
zijn gedood. En geloof vrij, dat elke Arabier, dien wij tegenkomen, in
stilte de hartelijkste verwenschingen tegen ons uitbraakt.
Op dit oogenblik ging hen eene vrouw voorbij. Zij was gesluierd, maar
aan haar vluggen tred kon men gemakkelijk zien dat zij nog jong was,
misschien ook wel schoon. Toen zij voorbijging, knikte Dries haar
lachend toe. Zij trok den sluier zoo mogelijk nog dichter om haar gelaat
en mompelde eenige woorden, terwijl zij toornig de vuist tegen ons
drietal schudde.
--Wat zegt zij? vroeg de luitenant aan den kapitein.
--O! antwoordde deze, zij roept u het welkom in Tanger toe, dat is hier
zoo het gebruik.
--Eene mooie verwelkoming, die met eene vuistbedreiging vergezeld gaat,
riep Dries uit.
Beide mannen lachten.
--Welnu, wilt ge dan weten wat zij zegt? hernam de kapitein. »Vervloekte
Christenen, onheil over u!"
Onze beide reizigers begonnen hartelijk te lachen.
--Komaan, zei Dries, dat is kort maar krachtig, en naar ik vertrouw ook
hartelijk gemeend.
--Mijneheeren! wij zijn waar wij wezen moeten, zeide de Franschman
thans. Ziehier uw logement. Volg mij maar, ik zal u introduceeren.
En onze vrienden verdwenen in het lage gebouw.
II.
LUITENANT FRANK EN ZIJN OPPASSER.
Voor ik verder ga met mijn verhaal, dien ik mijne lezers wel eerst een
weinig op de hoogte te stellen van de hoofdpersonen, die wij in het
vorige hoofdstuk ten tooneele hebben zien verschijnen.
Frank de Leeuw, de tweede zoon uit het huisgezin van eene met vele
kinderen gezegende Rotterdamsche familie, had reeds vroeg de wijde
wereld in moeten gaan, ten einde zich een fatsoenlijke positie in de
maatschappij te verwerven, die vader niet bij machte was hem te geven,
zooals hij gaarne had gewild. _Kampen_ was, als bij zoovele fatsoenlijke
maar niet met ruime middelen gezegende familiën, naar 's vaders oordeel
de beste plaats voor Frank, om zonder veel kosten een flink burger te
worden. Onze held vertrok dus naar het Instructie-bataljon. Begrijpende
dat hij vooruit _moest_, werkte Frank, hoewel zijn vak hem alles behalve
naar den zin was, met vlijt en volharding, en door zijne wilskracht
maakte hij zoo snelle vorderingen, dat hij reeds op drieëntwintigjarigen
leeftijd, na ongeveer zes jaren te hebben gediend, tot tweeden luitenant
werd bevorderd en Kampen verliet. Twee jaren daarna was hij reeds eerste
luitenant bij het Regiment Grenadiers en Jagers, te 's Gravenhage in
garnizoen.
Maar, zooals het gewoonlijk gaat met hen, die geen werkkring naar hun
zin hebben, zoo ging het ook met Frank. Hij dweepte in het geheel niet
met het militaire leven en was daarentegen een hartstochtelijk minnaar
van wetenschappelijk onderzoek. Zijne voorliefde voor de kennis van
vreemde landen en volken, alsmede van de natuurlijke historie, was
het die hem steeds bezig hield op zijn kamer, terwijl zijne kameraden
hun tijd zoek maakten in het koffiehuis of dergelijke plaatsen. Op de
kaarten volgde hij trouw den weg der koene reizigers en benijdde hun
vaak het genot hun leven aan de wetenschap te kunnen wijden en door
eigen oogen te aanschouwen wat hij slechts uit de boeken kon vernemen.
Hij kon zelfs den zeeman, die onbezorgd overal heengaat, zijne vrijheid
misgunnen, hoewel diens leven waarlijk niet benijdenswaardig is, en
menigmalen kwam de wensch in hem op verweg heen te trekken naar die
weinig beschaafde volken, die toch nog zoo vaak van zich doen spreken,
al is het dan ook door hunne barbaarschheid.
Onverwacht zag Frank zich tot zijne onuitsprekelijke blijdschap in
staat gesteld aan zijn zoolang gekoesterden wensch te voldoen. Eene
rijke tante, wier oogappel de jonge officier altijd was geweest,
overleed plotseling en maakte haar neef tot eenig erfgenaam van haar
niet onbelangrijk vermogen. Toen was het besluit van onzen luitenant ook
dadelijk genomen. Hij vroeg en verkreeg, hoewel men ongaarne den flinken
officier zijn korps zag verlaten, zijn eervol ontslag. Gedachtig aan de
moeite, die zijne ouders hadden om in een fatsoenlijken stand te kunnen
leven, ondanks hun onvermoeide inspanning, verzekerde hij zijnen vader
een vast jaarlijksch inkomen uit de helft van zijne renten, daar hij aan
het overige bij zijne eenvoudige levenswijs genoeg had, en besloot naar
Marokko te gaan, een land, dat in vroeger eeuwen wegens de beschaving
zijner bewoners zoo hoog stond aangeschreven en thans zoo diep vervallen
is van zijne vroegere grootheid.
Toen Frank's oppasser vernam, dat zijn heer op zijn verzoek ontslag uit
den dienst had bekomen, zette hij een verwonderd gezicht, en zijne
verbazing nam nog toe, toen deze hem zijn voornemen mededeelde om
Marokko te bezoeken.
Het eerste woord dat hij, na van zijn verbazing bekomen te zijn, sprak,
was het op spijtigen toon geuite: »Wel verduiveld!"
--Waarom zegt ge dat? vroeg Frank.
--Wanneer denkt u te vertrekken, luitenant?
--Wanneer? gaf deze ten antwoord; laat eens zien, we hebben nu 20
Januari, wel, ik denk ongeveer in het laatst van Februari of het begin
van Maart. Maar waarom vraagt ge dit, Dries?
Nog antwoordde Dries niet.
--Kunt ge niet eerst over een jaar vertrekken, luitenant? vroeg hij
eindelijk.
--Maar nog eens, Dries, met welk doel doet ge mij toch al die vragen?
--Waarom, luitenant, wel omdat ik ongeveer over een jaar mijn paspoort
krijg.
--Nu, wat zou dat dan? vroeg Frank.
--Dat zou zooveel, luitenant, dat ik dan met u kon meegaan, antwoordde
Dries.
Frank was aangenaam verrast.
--Meent ge dat waarlijk, Dries? vroeg hij. Zoudt ge waarlijk met mij
meewillen?
--Natuurlijk, antwoordde Dries; wat ik zeg meen ik altijd, luitenant!
--Maar weet je wel, hernam Frank, dat zoo'n reis niet zonder gevaar is.
Het is geen reisje door ons land of naar Parijs. Weet je wel, dat men
kans heeft er niet heelhuids af te komen, ja er het leven bij in te
schieten.
--Ba! antwoordde Dries; men kan overal sterven. Wat dat betreft,
luitenant, maak u over mij niet ongerust. Juist daarom zou ik met u mee
willen. Ge zoudt dan ten minste niet alleen zijn onder dat gespuis, en
twee kunnen en weten altijd meer dan één. 't Is maar dat jaar, ziet u,
dat jaar dat ik nog dienen moet.
En de brave borst krabde zich in verlegenheid het hoofd.
--Welnu! zeide Frank opeens, als je mee wilt, neem ik het volgaarne aan.
Bekommer je niet over dat jaar, ik zal een plaatsvervanger voor je
stellen.
Dries sprong wel drie voet hoog en wierp van louter pret zijne
politiemuts tegen het plafond. Hij schudde de hem toegestoken hand en
werd vuurrood van vreugde.
Men stond den luitenant bereidwillig zijn verzoek toe, en op denzelfden
dag dat hij zijn eervol ontslag kreeg, ontving ook Dries zijn paspoort.
Als er iets was, dat luitenant Frank genoegen had kunnen doen, dan
was het die toewijding. Dries toch was geen gewoon oppasser. Hij was
voor Frank geen vreemde. Hun vriendschap dagteekende reeds van hunne
kindsheid. Dries was de eenige zoon van behoeftige ouders; zijn vader en
moeder hadden steeds een kommervol lot gehad en de moeder van Dries was
de min geweest van Frank; want toen dokter de Leeuw's echtgenoote te
zwak bleek om haar geliefd kind te kunnen zoogen, had de dokter spoedig
omgezien naar eene gezonde min en die gevonden in de moeder van Dries,
die hij juist eenige weken te voren onder zijne patiënten had gekregen.
Van zijne kindsheid af had Frank zich aan zijne min als aan eene tweede
moeder gehecht; de knapen waren te zamen opgegroeid en hadden eene
hartelijke vriendschap voor elkaar opgevat.
Toen Frank luitenant werd in de Hofstad, was Dries als milicien bij het
Regiment ingedeeld, en reeds den tweeden dag na zijne indiensttreding
zocht hij zijn vroegeren speelmakker op, verkreeg, bij het naar huis
gaan van de miliciens der vorige lichting, de plaats van oppasser bij
Frank, en liet zich spoedig daarna als vrijwilliger bij het leger
aannemen.
Ofschoon in maatschappelijke positie verre van elkaar verwijderd, bleef
de vriendschap van de beide jonge mannen even hartelijk en begrepen ze
te goed hunne verhouding tegenover elkaar om daar niet naar te handelen.
Hoewel dus voor iederen oningewijde hun ongedwongen omgang verborgen
bleef, behandelde Frank zijnen speelmakker bijna als zijns gelijke en
vormde van hem een voor zijn stand flink ontwikkeld persoon. Zijne
vreugde over het besluit van Dries laat zich dus gemakkelijk verklaren.
Een vriend vol toewijding als deze, een makker als Dries, was niet te
verwerpen bij een verblijf in een onbeschaafd land, waar ieder, die den
naam van Christen draagt, als een indringer en vijand wordt beschouwd.
Zooals Frank had gezegd, vertrok men op een der laatste dagen van de
maand Februari 187*, den weg nemende over België, Frankrijk en Spanje,
naar Gibraltar, de grijze vesting, de rots-sterkte der Engelschen, die
de sleutel tot de Middellandsche Zee is, alwaar men den 24en April
aankwam.
Op die korte reis, vol afwisselingen, had Frank het gezelschap van
zijn bediende en vriend recht leeren waardeeren. Steeds het eerst aan
het werk en het laatst ter ruste, was zijn geheel streven om zijnen
luitenant, dien hij nog steeds ouder gewoonte zoo bleef noemen, voor
elke onaangenaamheid te bewaren en hem zoo min mogelijk tot last te
zijn, iets wat de brave borst zich menigmaal verbeeldde. Zijne zorg
strekte zich zelfs zoover uit, dat meermalen gedurende de reis door
Spanje, als men in de eene of andere verdachte streek moest overnachten
in bouwvallige smerige herbergen, Frank, als hij des nachts toevallig
ontwaakte, zijn getrouwen Dries, met zijn matras, in plaats van op zijne
legerstede, voor de deur van het vertrek vond liggen, met revolver
en sabel naast zich. Want Dries stelde in de Spanjaarden geheel geen
vertrouwen. Met elken postiljon en elken herbergier, die niet beleefd
genoeg was, had hij twist en gaf steeds als zijne meening te kennen, dat
in Spanje geen enkel fatsoenlijk, eerlijk gezicht te vinden was, maar
enkel galgentronies te zien waren.
Na een verblijf van eene week te Gibraltar verliet men dat uiterste punt
van Europa, om binnen eenige uren den voet op Afrika's bodem te zetten.
III.
TANGER, DE MOORSCHE STAD.--DE ZEGEN VAN DEN HEILIGE.
Het was nog vroeg op den dag (den eersten dag na hunne aankomst), dat
kapitein Daumas onze vrienden kwam uitnoodigen Tanger te gaan bezien.
Dit aanbod werd met vreugde aangenomen en ons drietal doorkruiste weldra
de tallooze straten, die een waar doolhof vormen en waarin het, zonder
den kapitein, onzen vrienden onmogelijk zou geweest zijn den weg te
vinden.
De stad zag er heden bij eene vroolijken zonneschijn niet zoo somber
uit als gisteren, doch met dat al was het er nog doodsch genoeg om het
groote verschil op te merken, dat er tusschen Europeesche en Moorsche
steden bestaat. Na tal van smalle smerige straten te zijn doorgegaan,
hier links-, daar rechtsom slaande, nu een eind bijna in volslagen
duisternis door een overdekte straat gaande, dan weder in het volle
licht, dat verblindend weerkaatste op de witte muren, kwam men eindelijk
op een plein.
Hier was meer leven en beweging dan ergens elders. Het was een
rechthoekig pleintje, omgeven van talrijke kleine winkels, tusschen
welke hier en daar eenige grootere gebouwen, die zich te midden daarvan
als paleizen vertoonden. Het waren de gebouwen van de vertegenwoordigers
der verschillende vreemde naties. De kleine Moorsche bazaars leverden
vooral een vreemd gezicht op. Verbeeld u een soort van alkoof, waarvan
de ingang verminderd is tot eene kleine opening, als 't ware een venster
zonder ruiten; daarbinnen zit de koopman, meestal een Moor met langen
baard. Vóór, achter en terzijde van hem bevinden zich zijne koopwaren
opgestapeld of op rekken geplaatst. Doodstil, onbeweeglijk zittende,
brengt hij zijn dag door, onophoudelijk een soort van rozenkrans
tusschen de vingers latende doorglijden en gebeden prevelende. Hier en
daar stond een kooper met de armen op het muurkozijn geleund, en het
hoofd door de opening gestoken.
Wat de bevolking betreft, zag men hier allerlei natiën bijeen. Hier
den Europeaan in zijne sombere kleeding, daar den Jood of Moor,
prachtig uitgedost in veelkleurige kleeding; Arabische sjouwerlieden en
bedelaars, negers en mulatten; den Koerier van den Sultan en den Beduïn
met zijn kameel, kortom, het was hier meer dan der moeite waard eens
rond te zien. Om de fontein, die aan de eene zijde van dit plein stond,
was het onophoudelijk een dringen, stooten en vloeken van allerlei
waterdragers, die met lederen zakken en kruiken zich hier van water
kwamen voorzien. Op een ander gedeelte van het plein zat een tiental
gesluierde vrouwen, die brood verkochten.
--Welnu! zeide kapitein Daumas, wat zegt ge van Tanger?
--Ik moet bekennen, zeide de luitenant, dat alles mij ten hoogste
verbaast.
--Nietwaar, hernam de kapitein, dat wist ik wel. Ja, 't is eene vreemde
omgeving en eene zonderlinge bevolking. En welk eene schilderachtige
afwisseling in alles. Vergelijk onze steden daarbij, en ge zult zien
wat zij er bij verliezen. Ziet bijvoorbeeld daar die Arabieren. Ziet ge
ooit zulke figuren in ons beschaafd Europa? Ik wil niet eens spreken
van de schilderachtige en toch eenvoudige kleederdracht! Die lange,
witte mantels, hoe verschillend die ook omgehangen mogen worden, open
of gesloten, los of vastgesnoerd, altijd hangen zij in even pittoreske
plooien neder. De over het hoofd getrokken kap doet u raden naar den
leeftijd; want denk niet dat ge het uit de gelaatstrekken kunt opmaken;
ge zoudt u deerlijk vergissen. Uit de witte kap komt niets anders te
voorschijn dan het stroeve hout- of bronskleurig gelaat met de vlammende
oogen. En het lange gewaad laat niets zien dan de bloote voeten en
handen. Maar beschouw die houding, hoe fier, hoe vol majesteit en hoe
ongedwongen. De voetstap is vast en veerkrachtig, maar niet dansend.
Kortom, de geheele houding teekent den vrijen mensch, vrij naar de
natuur en naar de wet.
--Ja, ge hebt gelijk, antwoordde de luitenant, nooit zag ik iets dat
hiermede te vergelijken is.
--Hoe verschillend, vervolgde de kapitein, is nu de Arabier van de
Moor. Zie daar ginds de groep van Mooren, rijke leegloopers, die daar
een praatje met elkaar houden. Welk een pracht spreidt dat volk ten
toon. Zie dien grooten mousselinen tulband; dien kaftan, kersen- of
rozenkleurig, lang, tot bijna op de voeten hangend en bovenal dien kaïk,
die lange strook van witte zijde met doorschijnende strepen, die, rondom
den tulband geslingerd, los en zwierig in talrijke kronkelingen langs
den rug tot de voeten daalt. Welk eene oogverblindende pracht bij dit
volk. En ook onder hen ziet men van die flinke schoone gestalten. Zie
bijvoorbeeld dien jongen Moor daar, die hierheen komt. Wat rijzige
gevulde fraaie vorm, welke prachtige oogen! Hij zou opgang maken onder
de schoone vrouwen van Parijs.
--Inderdaad, zei de luitenant, 't is een knappe jongen, en als de
vrouwen ook zoo zijn, zou men waarlijk in verzoeking komen er hier een
te zoeken.
--O! wat dat betreft, zeide de kapitein, wees gerust; vrouwen zult ge
niet met ontbloot aangezicht zien, of het moesten Jodinnen zijn.
--Maar zijn zij inderdaad zoo gestreng om ons niet een blik op haar
schoon gelaat te gunnen? vroeg de luitenant.
--O! waarde vriend, zeide de kapitein, eer zoudt ge een muzelman kunnen
bewegen u in zijne moskee te laten binnentreden, dan eene Arabische of
Moorsche schoone ook maar een tipje van haar sluier op te lichten. Maar
ziedaar, gij zult het zien, daar komt eene schoone, let goed op wat zij
doen zal.
Werkelijk kwam onze vrienden eene oude Moorsche vrouw te gemoet, die
gebogen en strompelend voortsukkelde. Op het oogenblik dat zij het
gezelschap voorbij moest, trok zij den sluier, die haar gelaat tot aan
de oogen bedekte, omhoog, zoodat nu haar geheele gelaat bedekt was, en
zich met het aangezicht bovendien naar den muur wendende maakte zij een
gebaar vol minachting.
Dries begon hartelijk te lachen.--Wees gerust, oudje, zeide hij, ik zal
u mijn hart niet schenken, noch door u mijn hoofd op hol laten brengen.
Ik kan best begrijpen waarom zij zich zoo sluiert en zich van ons
afwendt, zij is bevreesd dat wij hare heerlijke tronie zullen zien. Wel,
wel! wat een inbeelding voor zoo'n oude heks.
De beide officieren lachten hartelijk en men vervolgde de wandeling
weder.
Men was thans genaderd tot aan het einde van het plein, dat door eene
straat van het strand af recht doorsneden wordt. In die straat vertoonde
zich mede veel volk. Een troep van vijf mannen, groote gespierde kerels
in donkere kapmantels gehuld, kwam juist de straat uit en ging het
plein op. Luitenant Frank, die hen het eerste opmerkte, bleef staan om
hen na te zien. De donkere mantel was versierd met zijden kwasten van
verschillende kleur. Naast den bloedrooden tulband stak de loop van een
zeer lang geweer boven den schouder uit. Enkele hadden op het donkere
gelaat gele figuren getatoueerd. Fluisterend met elkaar sprekend gingen
zij op tamelijken afstand ons gezelschap voorbij; doch niet zonder een
stouten, uittartenden blik, die van gloeienden haat getuigde, op hen
geworpen te hebben.
--Ba! wat gemeene gezichten, zeide Dries, echte galgentronies!
--'t Is goed dat zij u niet kunnen verstaan, zeide de kapitein; zij
zouden er geen bezwaar in zien u hier op klaarlichten dag een kogel door
het hoofd te jagen.
--Wat! riep Dries; zouden ze dat durven en zou dat ongestraft kunnen
gebeuren?
--Zeker, antwoordde de kapitein. Luister, vriend! als ge deze knapen
ooit mocht ontmoeten, waar of hoe ook, ga dan voor hen uit den weg, want
ik verzeker u, ze zouden u met het grootste genoegen naar de andere
wereld zenden als ge hen slechts leelijk aankeek, want die kerels zijn
de Piraten van het Rif, de bloeddorstigste zeeroovers, de grootste de
gemeenste bandieten, die de bergen langs de kust bewonen. Zij zijn voor
niets en voor niemand bevreesd; met de overheid lachen zij; de soldaten
van den Sultan en de oorlogschepen der Europeanen bespotten zij van uit
hunne bergen. Elk schip, dat daar strandt, is reddeloos verloren. De
lading wordt buitgemaakt; de equipage gedood. Ziedaar de oorzaak, dat
men van vele op deze kust vergane schepen nooit iets verneemt. Hun
eenige wet is hun geweer, en hij die in hunne woonplaatsen den voet
zet zonder de bescherming van een invloedrijken heilige of Sheik, is
verloren. Men spreekt hier over de streek waar zij wonen, als over een
verschrikkelijk, ontoegankelijk, geheimzinnig land.
--En dat volk, die roovers loopen hier vrij rond; zij durven zich hier
op den dag vertoonen, riep de luitenant.
De kapitein haalde de schouders op.--Wat wilt ge, antwoordde hij. Wie
zal hen iets doen. Zie ze gaan, loerend rondblikkend; bij het minste wat
hun verdacht voorkwam, zouden zij met het geweer in de hand spreken.
Neen, men vreest dit canaille te veel om hen te bemoeilijken; volk en
overheid vreezen hen en heulen met hen.--Maar kom, laten we zien, wat de
oorzaak is van dien volksoploop daar; er schijnt iets bijzonders te zien
te zijn. En zijne vrienden medetroonende, begaf de kapitein zich haastig
naar de straat waar een groote hoop volk zich had verzameld en waar men
allerlei afschuwelijke kreten hoorde.
--Ha, dat dacht ik wel! riep de kapitein uit, toen men de groep was
genaderd; 't is een heilige, die zijne kunsten vertoont. Ziet, hebt ge
ooit iets walgelijkers gezien dan dezen heilige?
En zeker was het een afschuwelijk schouwspel. In het midden van dien
volkshoop stonden twee menschen, als men hun dien naam mag geven.
De een, een man op jaren, was mager. Zijn taankleurig gelaat met de
ingevallen wangen deed den scherpen, puntigen, krommen neus meer
vooruitsteken; de diep in de kassen gezonken oogen straalden van een
woest vuur. Hij hield in de rechterhand een smerigen stok met een
even vuilen witten lap er aan. De ander, wel twee hoofden kleiner dan
zijn makker, die eene verbazende lengte had, was opgeblazen dik. Zijn
geheele gelaat was met eene lijkkleur overdekt, als van iemand die eene
vreeslijke ziekte heeft. De groote oogen rolden woest door het hoofd
en lieten tusschenbeide alleen het wit zien. Hij danste met allerlei
verdraaiingen van het bovenlijf op eene eentonige wijs. Hoe langer hoe
walgelijker werden de bewegingen van dien kerel; de oogen puilden weldra
uit hunne kassen en het lichaam schudde en schokte van stuipachtige
trekkingen. Zijn metgezel met de vlag hield, stampende met den stok
en zich met de andere hand op de borst slaande, de maat met het
afschuwelijke gezang, dat uit een dof gedreun bestond, afgewisseld door
helsche geluiden en zuchten en met jammerlijke kreten, als van iemand
die in den vreeslijksten angst verkeert. Twee even afzichtelijke kerels,
de een met eene fluit, de ander met een oude trom, begeleidden dit
concert, dat in waarheid eene vertooning uit de andere wereld scheen.
En om die groep verdrongen zich de sjouwerlieden, de straatslijpers en
ander gespuis, zich een weg banend met stompen en trappen, om het vuile
witte doek of de smerige handen dier heiligen te kussen. Eenigen stopten
hun wat geld in de handen. Als bewijs van zijne bijzondere tevredenheid
over de ontvangen gift, gaf de reus een paar zijner aanbidders een
gevoeligen nekslag met de beenige harde vuist, en spuwde een ander,
wiens gift grooter was dan van een der overigen, in het gelaat. De aldus
begunstigden liepen haastig heen, juichend over de onderscheiding hun
van den heiligen man te beurt gevallen. De twee kerels met de fluit en
de trom gingen nu huis aan huis, onder hunne aanhoudende helsche muziek,
de giften inzamelen, en daar de troep verder ging om elders zijne
vertooningen voort te zetten, liepen onze vrienden ook door.
[Illustratie: En zeker was het een afschuwelijk schouwspel. Bladz. 20.]
--Mijn God! zeide de luitenant, wat afschuwelijke kerels, ba, wat
ellendelingen; ik ben zoo vol walging van die schavuiten, dat ik, als ik
er nog langer naar gezien had, onpasselijk zou zijn geworden. Neen,
kapitein, na dit staaltje van Marokkaansche heiligheid houd ik het nog
liever met uwe onheilige zeeschuimers van daar straks, hoe vreeslijk
terugstootend en gemeen die er ook uitzien; het past ten minste bij hun
afschuwelijk handwerk. Een roover heeft zelden een gunstig gelaat. Maar
deze kerels, ba, ik walg van hen.
--Ja, 't is gespuis, antwoordde de kapitein, en bovendien is dit volk
gevaarlijk. De heiligen van Marokko toch, zijn allen krankzinnig of
houden zich zoo. Dit is een onmisbaar vereischte om het beroep uit te
oefenen. En om hunne heiligheid is hun alles geoorloofd. Ik herinner
me een geval, dat met onze consul, den heer Sourdeau, is gebeurd.
Deze kreeg op zekeren dag van zoo'n heilige een duchtigen slag met
een knuppel in den nek. Doch thans, dank zij de bemoeiingen der
verschillende consuls, zijn de heiligen jegens de vreemdelingen wat
gedweeër geworden.
--Ik zou al die heiligen maar in een gekkenhuis opsluiten, zeide Dries,
dan konden zij zich vermaken door elkander nekslagen toe te brengen en
op elkaar te spuwen.
De kapitein lachte.--Ongelukkig denken de Marokkanen er anders over,
zeide hij; doch laten wij voortgaan naar de wandelplaats.
--De wandelplaats? vroeg de luitenant, heeft Tanger eene wandelplaats?
--Wel zeker, zeide de kapitein, en daar wij aan het einde der straat
zijn, kan ik ze u laten zien. Ziedaar die geheele strook, het strand,
van hier tot aan kaap Malabar, dit is de wandelplaats van Tanger. Tegen
den avond vindt ge hier al de bewoners van Tanger bijeen. De Europeanen
met familie en bedienden, de reizigers die Tanger bezoeken, de
verschillende consuls, Mooren, Arabieren, heiligen, soldaten, enz.
--En nu, zeide de kapitein, wanneer gij lust hebt de wandeling nog
verder uit te strekken, zullen we de marktplaats gaan bezoeken.
--Gaarne, antwoordde de luitenant.
Men ging de straat weder in, den vorigen weg terug en door een paar
Moorsche poorten gegaan zijnde, bevond men zich opeens buiten de stad.
Op het oogenblik, dat men dicht bij de marktplaats, Soc-di-Barra
genaamd, genaderd was, kwam ons gezelschap een troep gillende en
huilende straatjongens en leegloopers tegen. Die troep begaf zich naar
de stad. Toen de bende straatjongens voorbij was, ontwaarde men in het
midden van den volkshoop een neger en een mulat, beiden op ezels gezeten
en omringd door een troep Arabieren, met stokken gewapend. Het waren
soldaten, die buiten de stad een paar dieven hadden gevangen. Zij hadden
te zamen op de markt eene geit gestolen en er zich een heel eind mede
uit de voeten gemaakt, toen de diefstal werd ontdekt en de twee
ongelukkigen werden ingehaald. De arme drommels waren voor het grootste
gedeelte naakt en hunne aangezichten waren vertrokken van angst; het
zweet en het stof maakten hunne huidkleur grauw. De soldaten hieven
tusschenbeide de stokken op en striemden de naakte ruggen dier twee
ongelukkigen, dat het afgrijslijk was om te zien. Het bloed liep hun
langs de donkere huid en bij elken slag weerklonk een koor van gegil en
gebrul uit de bende volks.
--Afgrijslijk, afschuwelijk, riep de luitenant uit, en dat volk vindt
daar vermaak in?
--O, 't is slechts een voorproefje van hunne straf, zeide de kapitein;
zij hebben gestolen. Men gaat hun de hand afhakken.
--Wat, riep de luitenant, de hand afhakken voor een diefstal van zoo
weinig beteekenis?
--Ja, antwoordde de kapitein, op die wijze straft men hier te lande.
Alle kleine misdrijven straft men met eene barbaarsche wreedheid. Let
eens op hoeveel gij er zult ontmoeten in dit land, die aan één of de
beide oogen blind zijn. En dit is niet de blindheid, zooals wij ze
kennen, maar eene blindheid veroorzaakt door het uitsteken der oogen. O!
ik verzeker u, 't is afschuwelijk, wanneer ge daarvan praten wilt, die
donkere, fiere, dikwijls eerwaardige gezichten met ledige oogholten. Het
is een aanblik, die zeer doet.
De luitenant en Dries rilden.
Men was intusschen de marktplaats Soc-di-Barra genaderd. Het was een
uitgestrekt terrein op de glooiing van een heuvel, rijzend en dalend,
hier een eind vlak, daar vol putten. Halverwegen de helling werd men
vier witte muren gewaar. Het was het graf van een heilige. Hoogerop lag
het kerkhof. Aan den voet op het vlakke gedeelte zat een troep Arabische
vrouwen, allerhande groenten en fruit te koop hebbende, die vóór haar
lagen tentoongesteld. Het terrein rondom het graf van den heilige was
ingenomen door een troep kameelen en kameeldrijvers, die onder de
schaduw der enkele vijgen- of aloëboomen, die hier en daar verspreid
stonden, rustig lagen of neergehurkt zaten te droomen. Het liep reeds
tegen den avond. De hemel, rood van de ondergaande zon, kleurde alles
in gouden gloed. Die rosse stralen verlichtten de tenten der Arabieren
op het hooge gedeelte der helling, verlichtten de Arabieren, die, in
hunne witte mantels gehuld, onbeweeglijk als beelden op het kerkhof
stonden, en gaven aan het geheel zoo'n echt Oosterschen glans, zoo'n
schilderachtig effect, dat onze vrienden opgetogen van bewondering
bleven staan. Bovendien heerschte hier niet die vervelende drukte van
onze marktplaatsen. Stilte en rust lagen over alles uitgespreid; 't was
alsof men eene schoone schilderij voor zich zag.
De kapitein was de eerste, die de stilte afbrak.
--Komaan, vrienden! zeide hij; laten we hier niet blijven staan, er valt
voor ons nog veel te zien; voorwaarts, opdat de nacht ons niet
overvalle.
--'t Is ook zoo schoon, sprak luitenant Frank, kijk, kapitein! dit
tafereel verzoent mij weder met al het onaangename, dat ik vandaag heb
gezien.
--Ik geloof het gaarne, antwoordde de kapitein, gij zegt dat zeer
terecht. Enkele schoone verheven tafereelen binden den reiziger aan
de overigens onbeschaafde landen. En 't is goed, dat alles bij zijne
schaduw- ook zijne lichtzijde heeft, anders zou er thans, voorwaar! niet
zooveel bekendheid bestaan omtrent vreemde landen, volken en toestanden.
Maar komaan! laten we eens zien wat daar voorvalt.
Dit zeggende, begaf de kapitein zich naar eene plek, waar een troep
volks rondom een ouden Arabier geschaard stond. Hij vertelde. Het was
een knappe kerel, met donkere gelaatskleur, heldere fonkelende oogen
en langen grijzen baard. Hij had een wit kleed aan, om het hoofd
saamgebonden met een kemelsharen koord. Twee muzikanten begeleidden
hem, op eene zachte klagende manier, met eene fluit en eene trom. Hij
begon, zooals altijd, met een gebed, en daarna volgde het verhaal. Zijne
heldere stem, gepaard aan eene langzame, duidelijke voordracht, deed hem
op verren afstand verstaan. Zijne bewegingen waren vol vuur en leven,
en gaven zoo duidelijk de verschillende voorvallen weer, dat onze
Hollanders, hoewel de taal niet verstaande, nochtans gevoelden en
begrepen wat hij sprak.
--Hij verhaalt van een krijgstocht, zeide de kapitein, let op hoe
duidelijk hij alles voordraagt. Zie, hoe hij den uittocht ten strijde
weergeeft met het gejubel van de stamgenooten, die den strijders geluk
toewenschen op hun tocht. Hoor, hoe hij den marsch teekent, hoe hij
verhaalt, waarmede de krijgers zich op den marsch bezighielden met
fantasia of lab-el-barode, dat verrukkelijke spel, dat elke beweging
van den strijd vertoont. Zie, alles geeft hij even duidelijk, even
bewonderenswaardig weer: het stil naderen om den vijand te overvallen,
het beraadslagen hoe den aanval te doen, het geweldige van den
onverhoedschen aanval, het verschrikkelijke van het gevecht, de
wanhopige woede van den vijand, die zijne bezittingen en zijn leven ten
duurste verdedigt, de overwinning, het verbranden van het vijandelijke
dorp, en eindelijk den triumftocht naar huis, waar men met gejuich wordt
ingehaald. Hoor, hoe zijne laatste woorden wegsterven in de onstuimige
bijvalsbetuigingen van het publiek.
--Ja, dat is onnavolgbaar, dat is verrukkelijk schoon, riep de luitenant
uit.
Intusschen was de kring van toehoorders uiteengegaan en onze luitenant
bood den verhaler een geldstuk aan, dat de Arabier met trotsche
waardigheid aannam.
Na eenige oogenblikken rondgekeken te hebben, nam ons gezelschap den
terugtocht naar de stad aan. In een der poorten, die men doorging stond
een heilige tegen den muur geleund om giften in te zamelen. Het was een
stevige kerel met een allergemeenst uitzicht. Met de oogen strak in de
lucht starend, scheen het alsof hij niets zag van hetgeen er nevens hem
omging. Slechts nu en dan, als iemand hem met eerbied naderde, stak hij
met een onverschillig gebaar de hand uit en nam de gift aan die men hem
gaf. Toen onze vrienden onder de poort waren gekomen, sloeg de heilige
de oogen op hen en zag hen onbeschaamd aan. De luitenant, dit voor het
zwijgende verzoek om een aalmoes aanziende, nam, aan eene opwelling van
edelmoedigheid gehoor gevende, een handvol floe's, een koperen munt ter
waarde van nog geen halven cent, en wierp ze den man in de hand. Dries
den kerel, wiens aanhoudend onbeschaamd aangapen hem vertoornde,
willende dwingen voor zich te zien, beantwoordde dat met eene even
minachtenden uitdagenden blik, toen de heilige op eens een stap
voorwaarts deed en Dries in het gelaat spoog.
Dat was te veel voor Dries. Als een woedend dier sprong hij op den
heilige toe, en hem met de linkerhand bij de keel grijpend, gaf hij hem
met de andere een vuistslag tusschen de oogen, die hem zeer alledaags
tegen den muur deed tuimelen. Doch bijna nog voor hij gevallen was,
sprong de schurk op en zijn knuppel opheffend, was hij gereed Dries een
wel gemikten slag toe te brengen, toen deze, den slag ziende aankomen,
snel bukte, den kerel bij de beenen greep en hem met een hevigen smak op
den grond wierp. In een oogwenk had hij hem nu zijnen knuppel afgenomen
en bleef in afwachting of de heilige soms een tweeden aanval zou wagen.
Verbaasd en verschrikt tevens waren de kapitein en de luitenant getuigen
geweest van dit tooneel. Het had zich zoo snel toegedragen, dat het
gebeurd was eer men nog goed de toedracht der zaak wist.
--Zie zoo, zeide Dries, die fielt zal vooreerst genoeg hebben van een
fatsoenlijk mensch in het aangezicht te spuwen. Zoo'n schobbejak! Kijk
luitenant, mijne handen jeuken om hem de hersens in te slaan.
De kapitein en de luitenant hadden al hunne overredingskracht noodig om
Dries tegen te houden, en deze was zelf zoo wijs den kerel den rug toe
te draaien en mede te gaan.
Maar toen men wilde voortgaan, verhief zich een dreigend gemompel uit
den volkshoop, die intusschen de poort had gevuld, en in een oogenblik
waren onze vrienden omsingeld door een troep havelooze vagebonden, die
de vuisten balden en woedende blikken op hen wierpen.
--Parbleu! mompelde de kapitein, dat ziet er gek uit; op mijn woord dat
canaille is tot alles in staat. Wij hebben hunnen heilige geslagen en
dat volk is duivels verzot op die gewaande gekken.
--Welnu, zeide de luitenant, wij moeten er toch door.
--Dat spreekt vanzelf, zei Dries; komaan, ik heb heel veel lust dat
canaille eens door elkaar te slaan.
De kapitein maakte eene beweging om voort te gaan, doch niemand
verroerde zich. In dien levenden muur was geen doorgang te vinden.
--Uit den weg, riep de kapitein, uit den weg, schurken! doch het hielp
niets.
--Ha! riep op eens de luitenant, Goddank we zijn gewapend, ik was het
haast vergeten. Neem aan, kapitein, spoedig neem aan! En hij duwde hem
eene geladen zesloopsrevolver in de hand, waarvan hij er twee bij zich
had.
Toen spanden onze twee vrienden den haan en, de revolvers opheffende,
richtten zij dien op den troep, terwijl Dries, zijne knots opheffend,
een stap voorwaarts deed.
--Terug, donderde de kapitein, terug! schooiers, of bij Allah ik zal je
doodschieten als honden.
Op het gezicht van die kleine maar vreeslijke wapens begonnen de
Marokkaansche straatslijpers bevreesd te worden, en daar de kleine troep
steeds nader schreed, deinsden de voorsten terug. Doch de achtersten uit
den hoop, de voorste rijen als een schild voor zich hebbend, drongen op.
Toen, bevreesd van de been te geraken, legden de luitenant en de
kapitein aan en gaven vuur. Dit deed uitwerking; een kerel werd in den
schouder getroffen, en een ander een stuk van het oor afgeschoten. Nu
werden ook de achtersten door vrees bevangen en de troep begon te
wijken.
Dit ziende en woedend over de ondergane beleediging en het oponthoud,
sprong Dries naar voren en met beide handen zijnen knuppel zwaaiend,
liet hij dien zoo gevoelig op de hoofden en schouders der Muzelmannen
neerkomen, dat de aftocht in eene razende vlucht overging, terwijl Dries
maar aanhoudend als een bezetene rondsprong en er op in sloeg.
Ondanks het gevaarlijke van hunnen toestand ter nauwernood verdwenen
was, konden de luitenant en de kapitein zich niet houden van het lachen
en proestten zij het uit, zich echter haastende den al te ijverigen
vervolger in te halen en met zich mede te nemen.
Men was nu spoedig in het logement aangeland, waar men nog bijna den
geheelen avond den vroolijken aanstekelijken lach van den Franschman
hoorde weerklinken, die zich telkens dien overgang van het gevaarlijke
tot het bespottelijke voor den geest riep en eindigde met te
zeggen:--Parbleu! beste vriend, wij hebben ten minste ons eerste
avontuur gehad. Maar weet ge wel, Dries, dat die Marokkanen u een
grooten dwaas vonden om zoo den zegen van den heilige te versmaden?
IV.
DE NIEUWE REISGENOOT.--SELAM, DE GIDS.
Na een verblijf van drie weken te Tanger, en die stad bezocht en
bezien te hebben tot in de afgelegenste wijken, na van verschillende
interessante voorvallen getuigen te zijn geweest, na eindelijk eene
inleidende studie tot de kennis van het land en de bewoners gemaakt te
hebben, begon luitenant Frank er zeer naar te verlangen de reis naar Fez
te beginnen, en ook Dries, die met Tanger geenszins ingenomen was en wel
het minst met hare heiligen, had reeds herhaaldelijk zijn verlangen te
kennen gegeven, die duivelsche stad te verlaten en wat meer van Marokko
te zien dan nauwe smerige straten, witte muren en krankzinnige heiligen.
Het was des avonds op de kamer van Frank, toen ons drietal gezellig bij
elkaar zittende onder het rooken van eene sigaar en het genot van een
glaasje vurigen Spaanschen wijn, dat de luitenant zijn stellig voornemen
om over eenige dagen den tocht naar Fez aan te nemen, aan den kapitein
mededeelde en hem verzocht zijne hulp te verleenen in het zoeken van
flinke kameeldrijvers en een gids, op wien men kon vertrouwen.
--Gij weet, zeide de kapitein, dat gij steeds over mij kunt beschikken
en ik u niet zou laten vertrekken zonder verzekerd te zijn, dat gij een
gids en kameeldrijvers hadt, op welk gij volkomen kunt vertrouwen, want
ik weet hoe gevaarlijk uw tocht is. Het is dus tevergeefs geweest, dat
ik u gesmeekt heb af te zien van die gevaarvolle reis, die men slechts
als door een wonder kan volbrengen?
--Mijn besluit is onherroepelijk genomen, zeide de luitenant. Spreken
wij daarover dus liever niet meer; het zou toch tot niets leiden.
--Welnu, zeide de kapitein, daar gij het verlangt, zwijg ik er verder
over, en wij zullen ons dus bepalen tot het maken van toebereidselen
voor onze reis.
--Onze reis, sprak de luitenant vragend, onze reis?
--Wel ja, parbleu! wat wilt ge dat ik anders zeg, riep de kapitein uit,
onze reis, natuurlijk! Of dacht ge dat ik u alleen zou laten gaan,
alleen naar Fez; gij, hier met alles geheel onbekend. Gij hebt een
fraaien dunk van mij. Neen, wat men ook zeggen moge, nooit zal men
zeggen, dat kapitein Daumas zijne vrienden in den steek heeft gelaten,
en dat nog wel vrienden, aan welke hij het leven verschuldigd is. Wel
mijne vrienden! weet ge wel, dat ik alleen mede zou gaan om in de
gelegenheid te zijn mijne schuld aan u af te doen.
--Maar, kapitein! riep de luitenant uit, dat gaat niet. Gij kunt niet
met ons medegaan!
--Neen, zeide Dries, de luitenant heeft gelijk, omdat wij nu eenmaal
hebben besloten onze huid te wagen op eene reis naar Fez, is dat nog
geene reden voor u om hetzelfde te doen.
--Komaan, zei de kapitein, het wordt hoe langer hoe mooier. Ik val in
zee, ik, die niet goed genoeg kan zwemmen om mijzelven te redden.
Iemand, die mij in het geheel niet kent, die niet weet wie ik ben, stort
zich onversaagd in zee en hij redt mijn leven. Mijn redder en zijn
vriend, die hetzelfde voor mij zou hebben gedaan, als het noodig ware
geweest, gaan op reis.... tot zoover gaat alles goed; doch nu komt het
fraaie van de zaak. Op die reis namelijk, waar het kogels en sabelhouwen
zal regenen, wil men mij beletten mee te gaan, terwijl ik mogelijk eene
uitmuntende gelegenheid zal vinden om mijne schuld af te doen. Neen, ik
zeg op mijne beurt: dat gaat niet aan!
--Ba! zeide Dries, 't is wat, om even in zee te springen en een nat pak
te halen om iemand een handje te helpen.
--Dries heeft gelijk, sprak nu de luitenant, hetgeen hij voor u deed,
zouden wij voor elken in levensgevaar verkeerenden persoon hebben
gedaan, en wij kennen u reeds genoeg om hetzelfde van u te verwachten.
Het is daarom overbodig u noodeloos aan gevaar bloot te stellen.
Bovendien zijn wij beiden ongehuwd, sneuvelen wij op onzen tocht,
niemand zal aan ons veel verliezen, terwijl gij daarentegen kinderen
hebt.
--Luistert, vrienden! hernam de kapitein, ik zeg u eens voor al, dat ik
mede ga, daarvan zal niets mij afbrengen, bespaart dus uwe pogingen;
evenmin als ik zal trachten u van uw voornemen af te brengen, evenmin
verwacht ik dat van u, wat mij betreft, en daarmede basta! De zaak is
dus beklonken; hier hebt gij mijne hand, vrienden! beschouwt mij van nu
af als een wapenbroeder, als een boezemvriend!
En door de opgewonden, doch beslissende taal van den kapitein getroffen
en overtuigd van het vruchtelooze van verdere pogingen, drukten de
luitenant en Dries krachtig de hun toegestoken hand.
Toen vulde de kapitein de glazen, en het zijne opnemende zeide hij:--Ik
drink op onze vriendschap in de eerste plaats, en op het goed gelukken
onzer gewaagde onderneming in de tweede. En pardieu! ik drink ook op de
avonturen, die wij zullen hebben, want daaraan zal het ons niet
ontbreken.
Met geestdrift werd de toost beantwoord door den luitenant en Dries, die
werkelijk zeer verheugd waren over het besluit van den kapitein.
--Nu dit alzoo besloten is, zullen wij een oogenblikje praten over de
toebereidselen voor de reis, sprak de luitenant.
--Juist, zeide de kapitein, zich achterover op de rustbank werpende en
met welbehagen zijne sigaar rookend, laten wij eens rustig de zaak
bespreken.
--Ten eerste, begon de kapitein, is 't een vereischte dat we een gids
hebben, die de drie zeldzame eigenschappen in zich vereenigt van eerlijk
en trouw te zijn en goed met den weg bekend; kortom een man van
ervaring, aan wien wij ons leven veilig kunnen toevertrouwen.
--Ja, viel de luitenant hem in de rede, maar waar dien te vinden?
--Ik erken de moeilijkheid, vervolgde de kapitein, om een persoon te
vinden zooals wij dien wenschen, en toch vermeen ik daarin spoedig te
zullen slagen, zoo hij niet reeds is gevonden.
--Hoe! riep de luitenant, gij zoudt reeds zoo'n gids kennen?
--Misschien, sprak de kapitein lachend, doch laten we de huid niet
verkoopen vóór de beer geschoten is. De zaak is deze: Ik heb een
bediende, die mij zeer trouw is. Mohammed, zoo heet hij, is een
jonge Moor, dien ik uit de diepste armoede heb opgebeurd, zoodat hij
thans een bekwaam, aan mij verknocht bediende is. Gedachtig aan zijne
vroegere ellendige levenswijze, betoont hij mij steeds de oprechtste
toegenegenheid. Ik geloof dat de kerel zich voor mij in stukken zou
laten houwen. Toen ik uw stellig besluit vernam, was dadelijk mijn plan
gevormd om mee te gaan, en ik heb Mohammed toen eens gevraagd, of hij
ons ook een goeden gids kon bezorgen. Zich herinnerende dat een vriend
zijner kindsheid thans te Tanger moet wonen, is Mohammed er dadelijk op
uitgegaan om dien te zoeken en ziehier met welk bericht hij terugkwam.
--Selam, de vriend van Mohammed, was werkelijk door hem uitgevorscht.
Na de blijdschap van het wederzien had Mohammed zijnen vriend gevraagd,
wat hij voor den kost deed. Selam nu zag er vermagerd en behoeftig uit,
wat Mohammed dadelijk opmerkte. In 't kort verhaalde Selam nu, hoe hij
eene goede betrekking had gehad als geleider van de karavanen tusschen
Tanger en Fez. Maar eenige maanden geleden was hij doodziek van Fez
teruggekeerd en eerst kort geleden hersteld. In afwachting van weer
zijne vroegere betrekking te aanvaarden, verdiende hij een handvol
floe's daags met het dragen van pakken, het verrichten van boodschappen
enz. Toen Mohammed hem verhaalde, dat wij naar Fez wilden gaan en een
gids behoefden, viel de arme duivel bijna voor Mohammed op de knieën,
hem bezwerende toch zijn best te doen, dat wij hem in dienst zouden
nemen. Mohammed zegt voor hem in te staan als voor zichzelf, ik geloof
dus dat wij niet beter kunnen doen, dan dezen Selam bij ons te laten
komen.
Dit onverwachte geluk kon niet anders dan toejuiching vinden bij den
luitenant, en hij drong er op aan dat Mohammed zijn vriend terstond zou
gaan halen.
Zoo gezegd, zoo gedaan! Na verloop van een kwartier verscheen Selam.
't Was een fraaie jongeling, mager maar gespierd, vlug en sterk. Zijne
sprekende oogen keken vriendelijk, trouwhartig en eerbiedig op ons
drietal, van wien hij zijn geluk verwachtte. Hij sprak en gesticuleerde
vol leven en met groote drift, waardoor zelfs de minst gewichtige zaak,
door hem besproken, iets scheen te zijn waarvan leven en dood afhangen.
De kapitein vroeg hem naar den weg, dien hij zou aanraden te volgen.
Selam begon haastig te spreken. De weg langs Had-el-Garbia, en Tleta
de Reissana over Alkazar-el-Kibir enz.,--en Selam somde eene menigte
dier namen op, door het land der Beni-Hassen over Zeguta en Tagat--was
die, welken men gewoonlijk nam en dien Selam op zijn duimpje kende.
Hij achtte dezen weg de beste te zijn. Wel lag daar het land der
Beni-Hassen, hetgeen hem eenige zorg baarde, maar hij hoopte dat een
kleine karavaan, met omzichtigheid reizende, de aandacht dier roovers
zou ontgaan; en was dat niet het geval, dan vertrouwde hij, dat men
het niet zou durven wagen een karavaan, waarbij zich een kapitein van
het Fransche leger bevond, lastig te vallen. Daarom ried Selam aan de
uniform op reis te dragen, dat zou, waar men kwam, ontzag inboezemen en
dan, meende hij, zou het wel gaan. Ook ried hij luitenant Frank aan,
zich in uniform te steken of die ten minste, zoo hij de voorkeur gaf
aan eene gemakkelijkere kleeding, op reis mede te nemen om zich bij
voorkomende gelegenheden daarin te vertoonen.
Na eene korte beraadslaging werd er besloten Selam aan te nemen; diens
gunstig voorkomen en vooral zijne bekendheid met Mohammed waren van
grooten invloed op het besluit onzer vrienden.
Toen de kapitein aan Selam dit besluit mededeelde, kwamen den braven
jongen de vreugdetranen in de oogen:--Allah zal u zegenen, heer! zeide
hij, gij redt mij en mijne vrouw van diepe ellende. En de opgewonden
jongeling zwoer met een plechtigen eed hen trouw te zullen dienen.
Aan Selam werd nu de zorg opgedragen om twee kameelen met drijvers te
huren, alsmede een paar muilezels. Van nu af in dienst gesteld, ontving
Selam een geschenk in geld, om zich gereed te maken voor de reis en
om zijn gezin gedurende zijne afwezigheid van het noodige te kunnen
voorzien. Ook moest hij zich voortaan elken dag in het logement bij
Mohammed aanmelden, om te vernemen of men zijne diensten ook noodig had
en rapport te brengen van den stand der toebereidselen. Eindelijk ging
de verheugde Selam heen en verliet met zijn boezemvriend Mohammed het
hotel om in zijne woning feest te vieren over het onverwachte geluk.
Ons drietal, tevreden over de zoo spoedige en gelukkige beslissing van
een der voornaamste punten van hun programma, beschouwde dit als een
gunstig voorteeken, en met onderling goedvinden werd de afreis tegen den
20sten Mei vastgesteld.
--Dus zullen wij over zes dagen vertrekken? zeide de kapitein, toen
Selam en Mohammed hen hadden verlaten.
--Ja, zeide de luitenant verheugd, eindelijk zullen we dan dien veel
besproken tocht ondernemen.
--Ik zal voorloopig eens uitzien naar een vriend, die ons een paar goede
paarden bezorgt, zeide de kapitein, en ga mij voorzien van een
zakboekje, om een klein journaal aan te leggen.
--En ik, zeide de luitenant, ga mijn schetsboek opzoeken en mij voorzien
van het noodige om insecten en kruipende dieren te kunnen bewaren.
--Zoo, zeide de kapitein, gij teekent, gij zijt dus ook artiste?
--O neen! antwoordde Frank, zoo ver heb ik het nooit kunnen brengen;
maar ik houd er van om wat ik schoon vind uit te teekenen, al is het dan
ook vrij gebrekkig. Die schetsen zijn voor mij evenzoovele herinneringen
aan de plaatsen, waar ik ben geweest. Reeds heb ik dat in mijn geliefd
vaderland gedaan. Des winters bij den haard in het gezellig vertrekje in
den Haag genoot ik, wanneer ik mijn schetsboek doorbladerde, nogmaals en
wie weet voor de hoeveelste maal, hetzelfde genoegen, dat ik gesmaakt
had bij het aanschouwen dier schoone plekjes in de schilderachtige
omgeving mijner woonplaats.
--Ja, dat kan ik begrijpen, zeide de Franschman. Ook mij is het wèl,
wanneer ik het een of ander tafereel uit mijn vaderland zie, dat ik ken,
dat ik heb aanschouwd.
--Daar iedereen wat gaat verrichten, zal ik ook wel wat dienen te doen,
zeide Dries. Ik ga dus onze wapens eens onderhanden nemen, luitenant!
want, als ik mijnen ooren goed den kost heb gegeven, geloof ik, dat wij
ze noodig zullen hebben. Ik zal ze dan ook eens terdege nazien, want,
gij kunt het gelooven of niet, maar mijn huid is mij nog tamelijk veel
waard.
--Goed zoo! zeide de kapitein. Ja, ik zal Mohammed ook gelasten onze
wapens in orde te brengen. Gij kondt wel eens gelijk hebben, Dries! ik
geloof ook niet, dat wij overal even gerust en veilig zullen slapen als
hier. Maar morgen zullen wij verder beraadslagen, want ge zult zien, dat
gij het in de laatste dagen druk zult hebben; het voornaamste komt ons
gewoonlijk het laatst in de gedachte. En nu, rust wel waarde luitenant!
en droom niet te veel, over de Beni-Hassen en Fez. En na hen de hand te
hebben gedrukt, verwijderde zich de kapitein lachend.
V.
NAAR FEZ.--DE KAPITEIN VERHAALT ZIJNE GESCHIEDENIS.
Wat al drukte gaven die zes dagen vóór de afreis aan onze reizigers.
Ieder had het even volhandig. De kapitein haalde bij zijne hem bekende
landgenooten te Tanger de huizen bijna 't onderste boven om naar
boeken te zoeken; hij snuffelde in alle hoeken en doorbladerde alle
tijdschriften om te zien, of er niet het een en ander in stond, dat hem
van dienst kon zijn. Overal won hij berichten in, belegerde het huis van
den Franschen consul om zijne verslagen en rapporten te mogen inzien,
praatte met alle Mooren, liep honderden malen op één dag het logement in
en uit, en sloot zich uren lang op in zijne kamer om het een of ander
boek vliegend door te lezen of in zijn journaal bladen vol
aanteekeningen te schrijven.
Niet minder druk had Dries het. Hij onderwierp alle wapens aan een
streng onderzoek, beproefde nu eene revolver dan weder een geweer
of hield in zijne eenzaamheid een spiegelgevecht, bulderde tegen
denkbeeldige Arabische roovers en scherpte de sabels. Zijne tafel lag
den geheelen dag vol met allerlei fragmenten van uit elkaar genomen
wapens, schroefjes, oliefleschjes, lappen enz. De Moorsche bedienden,
die zijne kamer in orde brachten, keek hij met wantrouwende oogen aan,
als zij de tafel naderden en bedreigde hun met de zwaarste straffen, als
zij er aan durfden te komen.
Geheel verschillend van hen, hield de luitenant zich op zijne gewone
bedaarde manier bezig; hij maakte zijn teekengereedschap in orde, deed
zijne verschillende soorten van insectenspelden in doosjes en bracht
de doozen in orde om de diertjes er in vast te steken, pakte eenige
sterke flesschen met spiritus, om het kruipend gedierte in te bewaren,
voorzichtig in; kortom, hij hield zich bezig met de toebereidselen voor
zijne liefhebberijen en had bij dat alles nog tijd genoeg over voor
herhaalde beraadslagingen met Mohammed en Selam over de maatregelen voor
de reis.
Ook deze twee zaten evenmin stil. Zij toch, beter bekend met hetgeen
er noodig zou zijn, moesten zorgen voor goede lastdieren, drijvers, de
noodige mondbehoeften en alle verdere kleine, maar voor Europeanen
onontbeerlijke zaken.
Eindelijk was dan de dag van het vertrek aangebroken en verliet de
kleine, maar vroolijke stoet Tanger door de poort van den Soc-di-Barra,
begeleid door eene bende nieuwsgierige straatjongens, die rondom den
stoet heendraafden, dan voor, dan achter, allerlei kreten uitstootend,
en een troep nieuwsgierige leegloopers waarvan Tanger in ruime mate is
voorzien.
De optocht werd geopend door twee kameelen met hunne drijvers, beladen
met alles wat voor de reis noodig was; daarachter volgden Selam en
Mohammed op een paar fraaie sterke muilezels, terwijl onze drie vrienden
den trein sloten, gezeten op die kleine Marokkaansche paardjes, die er
zoo onooglijk uitzien, maar zoo uitmuntend zijn voor de diensten, die
van hen worden gevorderd. De heldere levendige oogen en de wijd geopende
neusgaten geven hun een fraaien kop, en de nauw merkbare kromming der
scheenbeenderen is oorzaak van die bijzondere elasticiteit, die hunne
bewegingen kenmerkt. Wat de reizigers zelven betrof, aller gelaat drukte
tevredenheid, zoo niet vreugde uit. De twee kameeldrijvers naast hunne
kameelen loopende, zongen die eentonige wijs, die hun allen eigen is en
waardoor hunne dieren zoo uitmuntend in een gelijkmatigen stap blijven.
Selam op zijn witten muilezel schertste vroolijk met Mohammed en op
beider aangezicht lag een glans van vergenoegen. Onze drie vrienden
eindelijk gaven zich met alle vreugde over aan dat bekoorlijke
geheimzinnige, eigen aan een tocht door een nagenoeg onbekend land; zij
praatten druk en lachten overluid over het vreemde, dat men zou zien,
over de genoegens der reis en bovenal over de aanstaande avonturen.
Selam, die aan de drijvers van te voren den weg, dien men moest gaan,
had aangegeven, kon gerust op zijne plaats blijven, doch hij liet
evenwel telkens zijne oogen over alles gaan.
Het was laat op den middag, nadat de grootste hitte voorbij was, toen
men zich op weg had begeven. Het eerste gedeelte der landstreek was
weinig belangwekkend; het pad liep over een heuvelachtig terrein, overal
begroeid en bezaaid met dwergachtige en doornachtige heesters en
steenblokken. Hier en daar was een kleine heuvel met een groepje palmen
of een enkele aloë bezet. Nu en dan ontmoette men een paar Arabieren of
Mooren en een weinig verder een troepje kameelen, die naar Tanger
gingen. Allen riepen het reisgezelschap den gewonen groet toe: »Vrede
zij op uwen weg!"
Zoo ging men voort. De zon begon onder te gaan en hulde alles in
goudgloed. Eene doodsche stilte lag over alles uitgespreid, die door
niets werd verstoord dan door het geschreeuw van den eenen of anderen
vogel, uit zijne schuilplaats opgejaagd, of door een nachtroofvogel,
die krijschend rondvloog. De nacht viel snel en eer men er op bedacht
was, was het bijna volkomen duister. Selam liet halt houden op de
helling van een lagen heuvel. De kameelen knielden neer, en geholpen
door Selam en Mohammed hadden de drijvers spoedig de twee tenten, die
men medevoerde, opgeslagen.
Het was een schoone nacht. De hemel prijkte met eene verblindende
sterrenpracht. De warmte van den dag had plaats gemaakt voor eene
aangename koelte. Het voorhang der tent was open, waardoor men het van
sterren schitterende firmament bespeurde. De kameelen lagen te slapen
en de paarden en ezels, op eene rij geschaard, stonden te droomen of te
dommelen of lagen rustig neer. In de kleine tent lagen de drijvers te
slapen en vóór de tent zaten Selam en Mohammed, de twee vrienden hunner
kindsheid, zoolang van elkaar gescheiden en daarom nu zooveel te meer
verheugd onverwacht weder vereenigd te zijn, in een druk gesprek, dat
slechts werd afgebroken als Selam nu en dan oprees, om het kleine kamp
rond te loopen of een wakend oog op de last- en rijdieren te houden.
Bekend met den diefachtigen aard der Arabieren, vertrouwde Selam slechts
zichzelf.
Het was toen, dat de kapitein zijne reeds lang gegeven belofte nakwam,
om aan zijne vrienden zijn wisselvalligen levensloop te verhalen. De
nacht was zoo heerlijk, dat geen van drieën lust had zich in de armen
van Morpheus te werpen, en met het open voorhang der tent, waardoor de
frissche lucht vrij binnenstroomde, onder het genot van eene fijne
sigaar en een glas Spaanschen wijn ving de kapitein aldus aan:
--Wanneer gij denkt, mijne vrienden, het verhaal te zullen hooren van
een schitterenden levensloop, van een leven doorgebracht in al de
vermaken en genietingen van de wereldstad, Parijs, dan vergist gij u,
want wat ik u zal verhalen, zijn niets anders dan de lotgevallen van een
armen drommel, dan de lotgevallen van een straatjongen, die kapitein
werd van de Spahi's.
--Gij verwondert er u over, dat ik zeg een straatjongen te zijn geweest,
helaas! 't is zoo en niet anders. Ik herinner mij, dat mijne ouders zeer
arme, eenvoudige burgerlieden waren. Mijnen vader kan ik mij niet anders
voorstellen dan zooals ik hem steeds heb gezien, den geheelen dag door
aan den arbeid. Over dag en des avonds zag ik hem steeds bij het licht
der lamp over zijn werk gebogen, schrijvende als of zijn leven er van
afhing. En dit was werkelijk de bittere waarheid. Als mijn vader niet
dag aan dag van vóór zonsopgang tot laat in den nacht werkte, hadden
we geen brood. Even druk was mijne moeder altijd bezig met naai- of
borduurwerk. Ik kan mij haar nog zóó goed voor den geest brengen alsof
ze vóór mij stond. Aan dien kommervollen tijd kwam een einde, maar
helaas! een treurig einde. Mijne moeder werd ziek en stierf, wijl het
haar, ondanks hard werken, aan het noodige ontbrak, en mijn goede vader,
die dien harden slag niet kon dragen, stierf twee maanden na haar.
Nog te jong om de ramp te beseffen die mij had getroffen, gold mijne
droefheid minder den dood mijner ouders, dan de verlatenheid en den
honger, die zich deden gevoelen. Na den dood mijns vaders kwam eene oude
tante over. Deze zorgde voor de begrafenis, betaalde met de opbrengst
van het weinige huisraad, de kleine schulden, en nam mij met zich mede.
--Van dien tijd af is mijne herinnering het levendigst. Deze tante, eene
zuster mijns vaders, was eene streng godsdienstige oude vrijster. Zoo
ik driemaal daags eten kreeg (wat niet altijd zeker was), kreeg ik wel
tienmaal daags slaag, en ik moest den tijd dooden met bijbellezen. Bij
het minste dat ik deed, kreeg ik een vloed van scheldwoorden naar het
hoofd, vermengd met smalende uitdrukkingen over mijne ouders; want,
zooals ik later vernam, mijn vader was zeer tegen den zin zijner familie
met mijne moeder, die een arm maar braaf meisje was, gehuwd. Dit had
zijne geheele verbanning uit de familie ten gevolge gehad, en die
familie belasterde hem bovendien overal zoozeer, dat hij moeite had werk
te vinden. Ik was een kleine en zeer tengere knaap voor mijne jaren,
doch tamelijk driftig van aard. De herhaalde scheldwoorden, die mij
golden, brachten mij tot woede, en de smalende uitdrukkingen over mijne
gestorven ouders verbitterden mij zoo hevig, dat ik besloot weg te
loopen en mij over deze mishandelingen te wreken.
--Eerst rees de gedachte bij mij op om het huis in brand te steken; doch
bedenkende, dat ik daardoor gevaar liep, niet alleen mijne tante te
treffen, iets waarover ik mij weinig bekreunde, maar ook de dienstboden
en de naburige huizen gevaar liepen, verzon ik iets anders. De tijd van
mijn wraak was bepaald op een Zondag. Ik had nog maar drie dagen voor
mij, want het was Woensdag avond, toen ik mijn besluit had genomen.
--Zondags ging mijne tante na den middag altijd naar eene godsdienstige
bijeenkomst, die tot laat in den avond duurde. De oude meid en de
knecht, man en vrouw, gingen dan met haar mede en zoo ik goed had
opgepast, genoot ik insgelijks dat voorrecht. Ik zorgde er echter voor
des Zaterdags eenig kattekwaad te doen, waarvoor ik werd gestraft met
het schrijven van eenige kapittels uit den bijbel en het van buiten
leeren van een psalm.
--De Zondag kwam en mijne tante vertrok met hare dienstboden, mij alleen
achterlatende. Zoodra ik verzekerd was dat zij weg waren, spoedde ik mij
naar den zolder. Ik zocht en vond de lijn, die voor het drogen van den
wasch diende, en maakte deze vast aan de groote kram, die in het kozijn
van het zoldervenster zat. Ik had mij slechts een voet of tien te laten
afzakken om mij op den muur, die ons huis omgaf, te bevinden, en welke
muur aan den zijkant van het huis niet verder dan op een meter afstand
langs het huis liep. Mijn aftocht aldus verzekerd hebbende, begon ik
mijne wraak ten uitvoer te leggen.
--Ik had nu en dan een weinig klei heimelijk in huis gebracht; ik had
die voor mijn plan noodig en dus weggestopt in een hoek van den zolder.
Thans was al die klei een groote hoop geworden. Ik ging nu naar beneden
en sloot alle deuren die toegang tot het huis verleenden, en stopte de
openingen onder de deuren en ter zijde goed dicht met klei. De luiken
van den kelder sloot ik eveneens. Toen wierp ik al het beddegoed, alles
wat breekbaar en niet breekbaar was, kortom, al wat ik maar kon vinden
op den grond, en begaf mij naar boven. Boven was de keuken en in die
keuken bevond zich de groote kraan der waterleiding, die de gansche stad
van water voorzag.
--Na al mijne voorzorgen te hebben genomen en toen ik klaar was om
weg te gaan, was het reeds schemeravond. Toen zette ik de kraan der
waterleiding open na vooraf de opening van het steenen bekken, dat zich
er onder bevond, dicht gestopt en alle binnendeuren opengezet te hebben,
die de verschillende kamers met elkaar verbonden, en ik zette mij op
mijn gemak neder op de treden der zoldertrap.
--Het water overstelpte weldra het bekken, vloeide er overheen, stroomde
over den vloer der keuken, drong in de drie kamers der bovenverdieping
en vond toen een uitweg langs de trap. Ik was opgetogen van eene
boosaardige vreugde. Welhaast zag ik, mij naar den rand der trap
begevende, dat het water in het benedenhuis wel bijna een voet hoog
stond, en het steeg altijd door. De stoelen geraakten van hunne plaats
en dreven rond. Het eene meubelstuk na het andere, opgetild en
omgestooten door de kracht van het nederstroomende en stijgende water,
plonste in het nat. Matjes, stoven, bankjes, doozen, kortom alles dreef
rond. En intusschen steeg het water aanhoudend en was ik zoo verdiept in
het gelukken van mijn wraakzuchtig plan, dat ik aan geen heengaan
dacht. Maar eindelijk daaraan herinnerd door de heerschende duisternis,
begreep ik dat het daartoe tijd werd, wilde ik niet overvallen worden.
Ik klom naar den zolder en liet mij uit het venster zakken, kwam
gelukkig op den muur en bereikte vandaar met een stouten sprong
ongedeerd den grond.
Dries zat te grinneken van de pret, die hem deze grap gaf.
--Toen, zoo vervolgde de kapitein, bevreesd achtervolgd te zullen
worden, liep ik wat ik loopen kon recht voor mij uit. Waar liep ik heen?
Ik wist het niet. Ik liep maar door of de duivel mij op de hielen zat,
aan niets anders denkend dan uit de voeten te komen. Dien nacht kwam er
geen slaap in mijne oogen. Ik liep en liep, totdat ik aan een groot
bosch kwam.
--Het was winter en de sneeuw lag hoog. Dit vermoeide mij zeer in het
gaan, doch ondanks dat alles liep ik voort, maar thans niet meer zoo
gejaagd als in het begin. De morgen brak aan en met den morgen voelde ik
den prikkel des hongers. Den vorigen dag, vervuld met mijne wraak, had
ik bijna niets gegeten en verzuimd een stuk brood of iets anders mede te
nemen. Ook had ik geen cent op zak. Wat moest ik beginnen? Hoe aan brood
te komen? Eindelijk zag ik in de verte de eerste huizen eener stad. Het
was eene der voorsteden van Parijs. Het bosch, bijna ten einde zijnde,
ontmoette ik een man, die, eenigszins beschonken, mij te gemoet kwam.
Ziende, dat hij tamelijk goed gekleed was, liep ik op hem aan en vroeg
met een smeekend gelaat om brood.
»Een aalmoes," zeide de kerel, mij lachend aanziende.
»Ja mijnheer, ik heb honger," zeide ik.
»Wel, wat rare snaak," riep de kerel uit, »hij heeft honger; kom hier,
kleine aap!"
--Ondanks deze weinig streelende benaming, trad ik nader. Hij stak de
hand in zijn zak, doch op het oogenblik dat ik dacht iets te krijgen,
gaf de kerel mij een slag in het gelaat. Van woede buiten mijzelf,
viel ik op den kerel aan, die mij, zwakken knaap, met één slag van
zijn gespierden arm gemakkelijk kon vermorzelen, en terwijl hij mij
verachtelijk aanzag en nogmaals een slag toediende, greep ik zijn arm en
beet er in.
»Kijk, wat leelijk beest," riep de kerel mij aangrijpend. »Wat een moed
voor zoo'n kleinen aap!" En toen ik niet anders dacht, dan een duchtig
pak slaag te zullen ontvangen, zeide de kerel, op eens van toon
veranderende: »Kijk, je bevalt me. Komaan, ga mee, ik zal je te eten
geven en je kan bij mij blijven."
--Geheel verwonderd keek ik hem aan.
»Ja," zeide hij, »vind je dat niet goed? Kijk, ik heb bij mijn werk
een jongen noodig, doch niet iedereen bevalt mij. Jij bent nu juist de
rechte; klein, vlug en moedig, dat zijn drie vereischten, die ik juist
zoek. Maar komaan," vervolgde hij, »daar ik nog altijd onbeweeglijk
bleef staan, praten we niet langer, maar gaan wij op weg."
--Hij nam mij bij de hand en geheel werktuigelijk liet ik mij gewillig
medevoeren. Voor mij bestond er op dat oogenblik slechts één wensch:
mijn honger te mogen stillen; hoe ik dien kon bevredigen, was mij om
het even, als ik slechts te eten kreeg.
--Wat wilt ge, zeide de kapitein, als het ware zichzelf in de reden
vallende, honger is een scherp zwaard!
--Wij gingen door eene aantal straten en stegen, allen even morsig,
totdat we in eene smalle, smerige, slecht verlichte straat aankwamen.
Hier hield de kerel stil en opende met den sleutel de deur van een
zeer smal, maar tamelijk hoog huis. Naar het mij voorkwam, was het
onbewoond, en dit was ook werkelijk zoo, in zooverre, dat mijn nieuwe
meester de eenige bewoner was. Het was, zooals ik zeide, een hoog huis;
beneden waren twee vertrekken en een soort van keukentje; op de eerste
verdieping waren twee kamers en op de tweede vier kleine slaapkamertjes
of kabinetjes; daar boven bevond zich de zolder. Waarom mijn leidsman
het geheele huis alleen bewoonde, kon ik toen niet begrijpen; want
behalve beneden, was nergens eenig huisraad te zien. En wat er nog was,
was van het gemeenste.
--Te huis gekomen, zette mijn nieuwe beschermer mij brood, kaas en wijn
voor, waarvan ik ondanks het vreemde mijner omgeving met graagte at.
Daarna ging mijn meester tegen den avond de deur uit; wanneer hij weerom
was gekomen wist ik niet, daar ik weldra in een diepen slaap verzonk,
waaruit ik niet ontwaakte dan den volgenden middag. Mijn meester was te
huis. Hij sprak weinig tegen mij, en na een paar dagen zoo doorgebracht
te hebben, nam hij mij op een avond met zich mede. Waarheen? Dat zou ik
spoedig tot mijn schrik gewaar worden.
--Wij gingen eene menigte straten door tot wij in eene afgelegene, zeer
stille straat kwamen. Het was een donkere, koude nacht. Sneeuw, hagel
en regen, voortgejaagd door een scherpen noordenwind, deden mij bijna
geheel verkleumen. Op eens gebood mijn meester mij te wachten en
tegelijk duwde hij mij in de schaduw van een vooruitspringenden muur,
terwijl hij de straat verder in liep.
--Na eenige oogenblikken keerde hij weder.
»Alles is in orde," zeide hij. »Komaan, aan het werk!" en hij liep naar
een raam toe, dat in het steegje uitkwam, na mij bevolen te hebben aan
het begin van het steegje op den grond te gaan zitten in de schaduw van
den muur en hem te waarschuwen, zoodra ik eenig gerucht vernam of iemand
zag aankomen.
--Toen begreep ik op eens wie mijn meester was; een gemeene dief,
misschien wel een moordenaar. Een oogenblik dacht ik er aan op den loop
te gaan, doch alsof de kerel mijne gedachten ried, zeide hij: »Ga daar
stil zitten en doe wat ik je zeg; zoo niet, bij God! ik zal je aan
riemen snijden, reken daar op!"
--Wat kon ik doen? Ik was niet verder dan een twintig pas van hem af.
Bij de minste beweging, die ik maakte, zou hij zich op mij werpen en mij
verworgen. Ik begreep dit, toen hij mij in de oogen zag. Toen nam ik
snel mijn besluit, namelijk den huichelaar te spelen, te houden of ik
smaak had in zijn afschuwelijk handwerk en hem zoodoende te blinddoeken
tot de gelegenheid zich opdeed om weg te komen.
--In minder tijd dan ik zeggen kan, had hij een ruit uitgesneden, stak
den arm door de gemaakte opening en opende de blinden.
»Is er niets?" riep hij met gedempte stem.
»Niets," antwoordde ik.
»Kom dan hier," riep hij weder.
--Ik begaf mij sidderend en al mijn moed bijeenrapend naar den
ellendeling.
»Kom," zeide hij, »gij moet hier door. Dit raam komt uit in de
vestibule; wanneer ge daar zijt, doet ge, voorzichtig langs den muur
loopend, een pas of vijf dan zijt ge hier,"--en hij wees mij op den
hoek van het huis, dat den hoek vormde van de straat en het steegje.
»Dan doet ge nog een paar pas rechts en zijt ge aan de deur, die ge
moet openen. Er zijn twee knippen op, de eene van onder, de andere in
het midden. Als de sleutel niet op het sloot steekt, moet ge langs den
muur tasten in den hoek of hij daar ook hangt. Bovendien zal er nog
een ketting op de deur zijn, die ge er ook af moet doen. Kunt ge geen
sleutel vinden, dan zal ik hem toch wel openen, doch pas op geen leven
te maken, het zou je het leven kunnen kosten; poog ook niet in het huis
te ontvluchten. Ik zal je in het oog houden; bij de minste beweging om
mij te verraden, verbrijzel ik het raam en zal je de hersens ingeslagen
en mijzelven uit de voeten gemaakt hebben vóór iemand van de bewoners
nog bij je is.--Denk er aan."
--Hij duwde mij door de opening. Verlamd van schrik kon ik eerst bijna
geen stap doen, doch zijne ruwe stem deed mij voortschrijden. Ik liep
volgens zijne aanwijzing langs den muur, vond de deur en ontsloot die.
Voor hij binnenkwam, sloot hij eerst de blinden van het raam, en de deur
zachtjes dicht doende beval hij mij hem te wachten. Hij verdween in het
huis. Ik hoorde geen ander gerucht dan het behoedzaam openen en sluiten
van deuren. Alles ging even stil in zijn werk. Na verloop van eenige
minuten kwam hij terug een klein pakje in een zakdoek geknoopt bij zich
hebbende. Even stil als wij er in gekomen waren, verlieten wij het huis
en ik haalde eerst gerust adem toen wij eenige straten verder waren.
--Te huis gekomen, gelastte hij mij naar bed te gaan. Ik deed zulks,
doch kon niet slapen en besloot mij te houden alsof ik sliep, ten einde
hem te bespieden. Denkende dat ik sliep, begon hij, met een vergenoegden
glimlach op zijn gemeen gelaat, zijn zakdoek te ontknoopen, waaruit
hij eerst eene leederen portefeuille haalde. Hij deed ze open; zij
bevatte eene menigte banknoten. De bandiet kon nauwelijks een kreet
van blijdschap onderdrukken. Voor het overige waren het blinkende
geldstukken, waarmede de zakdoek was gevuld, benevens eenige kostbare
damesversierselen. Toen hij alles goed had bekeken, ging hij naar een
hoek van de kamer waar een hoekkast stond, welke hij verschoof. Alleen
een kerel zoo sterk als hij, was daartoe in staat. De kast omdraaiende
met den rug naar het licht, drukte hij op een pennetje en een gedeelte
van het achterschot sloeg als een klep naar buiten naar beneden om, en
deed mij zien dat de kast een dubbel achterschot had. Hierin verdwenen
de portefeuille en de versierselen. Het geld stak hij bij zich, waarna
hij de kast weder op hare plaats zette. Een oogenblik daarna had hij het
licht uitgedaan en zich in bed geworpen, waar ik hem weldra luide hoorde
snorken.
--Duizenden gedachten vlogen mij door het hoofd, zonder dat ik tot een
bepaald plan kon komen. Ik sliep zeer onrustig, had allerlei benauwde
droomen en wist maar niet hoe ik weg zou komen.
--Intusschen begon mijn meester mij meer en meer te vertrouwen. Hij nam
mij meermalen mede om te wandelen of Parijs te bezien, en zoo kwam ik
ten laatste ook in die vuile afschuwelijke krotten van herbergen, die
bezocht worden door het slechtste gespuis van Parijs. Het was daar dat
ik hoorde, wie mijn meester was, namelijk een der grootste, vermetelste,
maar ook der gemeenste schurken van Parijs; men noemde hem »l'hyène",
welken naam hij te danken had aan zijn woesten aard.
--Zoo gingen dagen, weken en maanden om op dezelfde manier, en
gedurende al dien tijd had ik geen gelegenheid gevonden om te
ontsnappen. Op een avond, nog verschrikkelijker dan die mij inwijdde
in mijn afschuwelijk bedrijf, gingen wij weder op eene onderneming uit.
Hetzelfde had plaats als ik reeds beschreven heb. Mijn meester drong
met mij door in het huis, waar hij, zooals hij zeide, een goeden slag
hoopte te slaan, en had spoedig den buidel binnen. Even stil maakte hij
zich gereed te vertrekken, toen hij onverwachts over iets struikelde.
Ik stond beneden in de kamer bij het raam, waardoor wij binnen waren
gekomen, hetwelk l'hyène weder had gesloten, toen ik den slag van zijn
val hoorde. Dadelijk daarop hoorde ik eene stem roepen: »Wie daar?" Eene
worsteling volgde, die slechts kort duurde, en binnen weinige minuten
kwam de bandiet aanloopen. Zijn gelaat was bleek, en haastig verborg
hij een dolkmes. Snel de deur openende vloog hij er uit, en ik volgde
hem doodelijk verschrikt. Op straat pakte hij mij bij den arm en stapte
haastig maar omzichtig voort. Evenals de vorige maal gelastte hij mij te
gaan slapen en na de vruchten zijner diefstal geborgen te hebben, wierp
hij zich gekleed te bed. Doch hij, evenmin als ik, sliep dien nacht.
--Toen de dag aanbrak en wij hadden ontbeten, keek hij mij onderzoekend
aan. Ik beantwoordde zijn blik kalm en vast. Door mijn voortdurend
huichelen had ik hem volkomen om den tuin geleid. Hij vertrouwde mij
geheel, zooals ge zult zien.
»Pierre," zeide hij fluisterend, »je hebt zeker begrepen wat er van
nacht is gebeurd, niet waar?"
»Volkomen, meester!" antwoordde ik, mij geweld aandoende een
lichtzinnigen toon aan te nemen. »Ge hebt er een zijn paspoort gegeven,
papa, niet waar?"
»Ja," zeide hij zacht, mij strak aanziende, »de oude werd wakker en ik
kon niet anders, vervloekt!"
»Komaan, papa, wordt nu niet flauwhartig," zeide ik, pogende te
glimlachen, »'t is de eerste niet, wel? Drink liever eens; dat spoelt de
zorg weg!"
»Hoe weet jij dat?" vroeg hij woest.
»Hoe ik dat weet, nu, die vind ik fraai, alsof papa l'hyène niet genoeg
bekend is bij de vrienden in de sociëteit."
»'t Is waar," zeide hij, »'t is niet de eerste; maar, enfin, het doet er
niet toe, wat maakt het uit één meer of minder,"--en hij dronk den eenen
beker wijn na den andere.
»Goed," zeide ik, »zoo mag ik u zien, papa! geen weekheid asjeblieft."
--Na eenige oogenblikken zwijgens vervolgde hij: »Weet je wat je moest
doen, Pierre?"
»Zeker, als ge het mij zult gezegd hebben," antwoordde ik.
»Welnu, hier hebt ge een cadeautje,"--en hij wierp mij een paar
goudstukken toe. »Ga de straat op, bezoek het een of ander koffiehuis en
hoor eens rond wat er van is uitgelekt... begrepen?"
»Goed," zei ik, »maar drink toch, papa! of zijt ge afschaffer geworden?"
»Neen, voor den duivel, dat nooit!" antwoordde hij--en hij dronk; »doch
wees voorzichtig, begrijpt ge?"
»Wees gerust," antwoordde ik, en ik vertrok.
--Alvorens de deur uit te gaan zag ik echter, dat hij reeds tamelijk de
hoogte had.
--Nu of nooit! dacht ik, toen ik op straat was, en ik begaf mij naar
een koffiehuis. Na een glas wijn besteld te hebben, luisterde ik, een
dagblad in de hand nemende, naar de verschillende gesprekken die er
gevoerd werden. Het duurde niet lang of er kwamen eenige bezoekers
binnen.
»Dag papa Picard!" zei de een tegen den hotelhouder, »hebt ge het nieuws
al gehoord?"
»Het nieuws?" vroeg de kastelein, »welk nieuws, mijne heeren?"
»Welnu, komaan, Parijs is er vol van."
»Ik weet nog niets," antwoordde de kastelein, »wat is er dan gebeurd?"
»Een moord," zeide een der heeren.
»Een moord!" riep de kastelein verbaasd.
»Ja, een moord in de Rue de l'enfer. Een braaf oud geneesheer Dr.
Hachette is het slachtoffer. Hij is vermoord, na alvorens bestolen te
zijn."
»Mijn God, mijn God! hoe afschuwelijk!" riep de kastelein; »die brave
doctor Hachette. En heeft men den moordenaar?"
»Wel ja, die blijft er bij wachten!" zeide een der heeren lachend.
»Een man die zooveel goed deed," mompelde de herbergier. »'t Is
afschuwelijk!"
--Ik wist genoeg. Het koffiehuis verlatende liep ik regelrecht naar de
politiewacht en verzocht den commissaris te spreken. Men liet mij langer
dan vijf minuten wachten. Ik werd ongeduldig. »Zeg," zeide ik tot een
der wachthebbende agenten, »dat de zaak waarvoor ik gekomen ben spoed
vereischt, en ik niet langer _kan_ wachten." Een oogenblik daarna werd
ik binnengeroepen. De commissaris, een man met een streng maar
rechtschapen gelaat, ontving mij barsch.
»Gij schijnt haast te hebben, mijn vriend," zeide hij norsch, »kondt ge
niet wachten?"
»Onmogelijk, mijnheer!" antwoordde ik.
»Laat hooren, wat is het? Zeker de eene of andere vechtpartij of een
verloren beurs."
»Mijnheer," zeide ik, »ik kom u spreken over den moord in de Rue de
l'enfer."
--De commissaris sprong op van zijn stoel.
»Wat zegt ge," riep hij, »gij zoudt mij daaromtrent eenige inlichtingen
kunnen geven?"
»Alle inlichtingen, die ge wilt hebben," antwoordde ik.
--Hij keek mij verbaasd aan.
»Kortom, mijnheer," zeide ik, »ik kom u den naam van den moordenaar
opgeven."
»Wat," riep hij uit, meer en meer verbaasd, »en die naam?"
»Is die van l'hyène," zeide ik.
»Ha," riep de commissaris, »is het die ellendeling? Wacht vriend, we
hebben nog eene oude rekening te vereffenen, maar die vereffening zal
verschrikkelijk zijn."
»Maar hoe weet ge dat?" vroeg hij, »wie verzekert mij, dat gij de
waarheid spreekt?"
»Ikzelf," zeide ik, »want ik was bij den moord tegenwoordig."
»Gij," riep hij uit, »ge zijt dan medeplichtig, daar ge hem niet
verhinderd hebt."
»Ja, ik was gedwongen medeplichtige, want ik kon den moord niet
verhinderen."
»Maar hoe heeft zich dat dan toegedragen?"
»Mijnheer," zeide ik, »zoudt gij niet, alvorens ik u dat mededeel, den
moordenaar laten gevangen nemen, want mijn verhaal zal lang zijn."
»Ge hebt gelijk," antwoordde hij, »waar kan men l'hyène vinden?"
--Ik noemde de straat en het nommer, en zeide: »Ik zou u aanraden een
rijtuig te nemen, want de bandiet zal dronken zijn; ik heb hem van den
koppigsten wijn gegeven, die er was."
»Goed," zeide de commissaris, en hij gaf zijne bevelen. »Binnen een
kwartier is hij geknipt," zeide hij, weder binnen komende en zich
vergenoegd de handen wrijvende. »Welaan, mijn jonge vriend, verhaal als
ge zoo goed wilt zijn."
--Toen verhaalde ik hem hoe ik bij l'hyène was gekomen, mijne
vergeefsche pogingen om te ontvluchten en eindelijk het voorgevallene
van den afgeloopen nacht. De commissaris geloofde mij volkomen en
beloofde voor mij te zullen doen wat hij kon. Voorloopig wees hij mij
een kamertje aan in het gebouw der wacht, waar ik kon verblijven.
--Terwijl wij nog aan het praten waren, kwamen de agenten aan met
l'hyène. De moordenaar was zoo dronken, dat hij niet wist wat er met hem
gebeurde. Men had de deur opengeslagen en hem smoordronken op den vloer
gevonden; zijne arrestatie leverde dus geene moeilijkheden op. Na het
huis te hebben laten bezetten, begaf ik mij met den commissaris er heen.
Men haalde de kast weg en opende die op mijne aanwijzing; er kwam voor
eene enorme waarde uit aan bank- en ander geldswaardig papier, aan goud-
en zilvergeld en aan kostbaarheden. Langer dan tien jaren had l'hyène
zijn vuig handwerk met ongehoord succes gedreven, en de voorwerpen, die
hier voor den dag kwamen, waren die, welke de politie sinds jaren had
gezocht.
--Gedurende zijn proces, als ik mijne verklaring moest afleggen, scheen
het of l'hyène zich op mij wilde werpen om mij te dooden. Doch het waren
juist deze aanvallen van woede, die zijne schuld bewezen. Ten laatste
bekende de schurk dan ook met eene onbeschofte koelbloedigheid en op
uittartenden toon. Zijne veroordeeling volgde nu spoedig; de ellendeling
ging voor levenslang naar de galeien.
Hier hield de kapitein een oogenblik op.
--Verduiveld, waarde kapitein! zeide de luitenant, gij hebt geen
pleizierige jeugd gehad. Welk een verschrikkelijk leven met zoo'n
ellendeling, en wat moet gij een moed en tegenwoordigheid van geest
gehad hebben, om dien ellendigen bandiet zoo te blinddoeken.
--Nu ja, zeide de kapitein, het spreekwoord zegt: de gelegenheid
maakt den dief, maar de gelegenheid maakt ook den held. Men moet in
zoodanige omstandigheden hebben verkeerd om te begrijpen, welk eene
tegenwoordigheid van geest, welk eene geslepenheid en moed bij u door
het gevaar ontwikkeld worden.--Maar laat ik voortgaan met mijn verhaal.
--Om mij, zooals de commissaris had beloofd, eene betrekking of
ten minste iets te bezorgen, waarvan ik kon leven, was lang geene
gemakkelijke zaak, om de eenvoudige reden dat ik niets kende. Er was
geen handwerk, geen ambacht waarvan ik iets verstond, en zoo kwam het
dat de goede man zich tevergeefs moeite gaf mij iets te bezorgen,
waarvoor ik te gebruiken was.
--Omstreeks dien tijd kwam een groot paardenspel Parijs bezoeken. Mijn
beschermer, die met den directeur van dien circus natuurlijk veel te
maken had, zeide op zekeren dag tot mij: »Wel, jonge vriend! zoudt ge
ook genegen zijn om stalknecht te worden?"
»Wel waarom niet," zeide ik.
»Ja, ziet ge," zeide de commissaris, »daar gij van fatsoenlijke familie
zijt, dacht ik dat zulk werk u zou tegenstaan."
»Wel komaan," antwoordde ik, »werken is geen schande, zelfs het minst
geachte niet; 't is maar de vraag, of ik tot dat werk in staat ben."
»O, wat dat betreft," zeide de commissaris, »wees daarover gerust. Het
leert spoedig aan en bovendien heeft men aan mij verplichting, en zal
men om mijnentwil geduld met u gebruiken."
»Goed," zei ik, »ik dank u bij voorbaat, maar waar zal ik worden
geplaatst?"
»In den circus," antwoordde de commissaris.
»Komaan," riep ik verheugd uit, »dat zal wel gaan!"
»Eén ding moet ik u nog zeggen," zei mijn beschermer; »de menschen in
uwe nieuwe omgeving zijn ruwe lieden, maar geen schurken, en met uwe
beginselen zult ge ook daar een eerlijke jongen blijven; daarvan ben ik
overtuigd."
--En ziedaar mij weldra als stalknecht in den circus Remenz. Ik was
toen zestien jaar en, hoewel veel grooter geworden, had ik mijne
slankheid behouden. Op zekeren dag viel het oog van den directeur
op mij, en na een kort gesprek werd ik van stalknecht bevorderd tot
adspirant-kunstrijder. Elken dag les ontvangende, en dit gevoegd bij
mijne natuurlijke vlugheid en gewilligheid, werd ik spoedig bekwaam
genoeg om eene plaats te verwerven als kunstrijder in den circus. Ik
kon thans fatsoenlijk maar schamel leven, toen er op zekeren dag iets
gebeurde, dat voor goed eene wijziging in mijn levensloop bracht.
--Het was op een Zondag, dat ik vóór onze tent op en neer loopende in
gesprek met een mijner kunstbroeders een open rijtuig bespeurde met twee
fraaie paarden bespannen, dat hollende de straat afkwam. Het volk vloog
overal uit den weg, de koetsier schreeuwde luide en de twee dames, die
in het rijtuig zaten, hielden zich angstig vast. Zonder mij lang te
bedenken was ik in een paar sprongen naast het hollend gespan, greep de
teugels en slingerde mij op de paarden, die ik weldra tot staan kreeg.
Voor mij als kunstrijder beteekende dat geheele geval niets, doch dit
nam niet weg, dat iedereen mij toejuichte. Hartelijk bedankt door de
dames, verwijderde ik mij. Des anderen daags 's morgens kwam een heer,
in de uniform van kolonel bij de cavalerie, mij zijn dank betuigen voor
de redding zijner vrouw en dochter. Verlangend iets voor mij te doen,
sloeg hij mij voor in dienst te treden bij zijn korps, mij plechtig
belovende alles voor mij te doen om mij den rang van officier te doen
verkrijgen. Reeds lang was ik het wisselvallige en onaangename van het
zwervende leven van kunstrijder moede, en het kostte mij niet veel
moeite het vaarwel te zeggen. Ik nam het aanbod van den kolonel aan
en trad in den krijgsdienst. Mijne geoefendheid in het rijden deed
mij spoedig bevorderen tot instructeur om de recruten het rijden te
leeren en paarden af te richten. Intusschen hield de kolonel woord en
verschafte mij de gelegenheid tot studeeren, waardoor ik, dank zij zijne
bescherming, binnen acht jaren luitenant was.
--Nu had ik eene fatsoenlijke positie in de wereld verworven. Gehoor
gevende aan de verhalen, die onder mijne wapenmakkers gedaan werden
van het avontuurlijke leven in Algerië, verkreeg ik na een paar jaren
eene overplaatsing derwaarts, waar ik na eenige met succes bekroonde
ontmoetingen met de Arabieren en Kabylen tot mijn tegenwoordigen rang
werd bevorderd. Ik huwde met de dochter van een mijner chefs, die mij
echter, helaas! te spoedig ontviel na mij twee kinderen te hebben
geschonken.
--Ziedaar, zoo eindigde de kapitein, het verslag van mijn kort doch veel
bewogen leven.
Het was intusschen laat geworden. De hemel was nog altijd even schoon en
beloofde een mooien dag. Selam was een paar uren gaan slapen en Mohammed
had zijne plaats ingenomen. In het kleine kamp heerschte de grootste
rust, en onze vrienden legden zich mede ter ruste om den volgenden dag
reeds vroeg op weg te gaan.
VI.
DE MONSTERPAD EN DE WITTE EZEL VAN SELAM.
De opkomende zon kleurde nauwelijks den hemel met roode tinten, of
er begon leven te komen in het kleine kamp. Selam, de onvermoeide,
die slechts een paar uren geslapen en daarna de plaats van Mohammed
ingenomen had, was reeds druk in de weer. Hij wekte Mohammed en de
drijvers en riep hun op tot het gebed. Men spreidde den kapmantel op den
grond uit, knielde daarop met het aangezicht naar het Oosten gekeerd,
en vervolgens een handvol aarde nemende wreven zij daarmede hunne armen
en beenen, het hoofd en de voeten alsof zij zich waschten; daarna
maakten zij onder het mompelen van gebeden allerhande bewegingen, bogen
nu het gelaat in het gras, lagen op de knieën, sprongen dan weder op of
hieven de handen biddend omhoog. Het was het eerste gebed van de vijf,
die de Mahomedaan verplicht is elken dag te doen. Op een wenk van Selam
stond men weder op en ging aan het werk; terwijl de drijvers ijverig
bezig waren de bagage op de kameelen te laden, maakte Selam met zijn
vriend Mohammed het ontbijt gereed, ondertusschen een oog houdend over
het opladen der kameelen.
Luitenant Frank, altijd met de zon uit de veeren, had nauwelijks
de drukte van het ontwaken bespeurd, of hij stond op en wekte zijne
vrienden. IJlings maakte men zich gereed om weder op marsch te gaan,
en na te hebben ontbeten zette de kleine stoet zich weder in beweging.
Ditmaal reed Selam met Mohammed vooraan, daarop volgden de kameelen en
onze drie vrienden maakten de achterhoede uit.
De dag was schoon. De zon nog niet zoo brandend als op den dag,
stelde hen in staat goed door te marcheeren. De weg liep door een zeer
afwisselend terrein. Welig groen, doorvlochten met prachtige bloemen,
zag het oog allerwegen; ook uitgestrekte bebouwde velden met rogge en
gierst bezet. Hier een heuvel, bedekt met een kleed van frisch groen
en met fraaie boomheesters, dáár een dal met kreupelhout begroeid,
waarboven overal vijgeboomen, aloë's en palmen uitstaken, hier eene
wijd uitgestrekte groene vlakte, daar ginds voor hen uit eene lange rij
blauwe bergen. Doch nergens ontwaarde men een levend wezen. Zoo reed men
voort, pratend en lachend. Een zacht frisch koeltje deed eene aangename
uitwerking en verfrischte allen.
Met het klimmen van de zon begonnen hare stralen ook meer te branden.
Het was omstreeks tien uur in den morgen en reeds was de hitte
ondraaglijk. Een eind voor den troep uit bespeurde men een lagen berg.
Hij bestond uit een steenachtigen grond met bosch en liep zeer steil
op. De luitenant en de kapitein reden er heen op de ezels van Selam en
Mohammed, wijl hij niet zeer geschikt was te paard bestegen te worden.
Niet zonder moeite kwam men op den top aan, vanwaar men een prachtig
uitzicht had over de omliggende landstreek en den Atlantischen Oceaan,
die zich heel in de verte als een blauw vlak uitstrekte. Mohammed, die
hen te voet was gevolgd, wees hun eenige zeilen, die hij met zijne
scherpe oogen op dien verren afstand bespeurde. Inderdaad onderscheidde
men een paar schepen met volle zeilen. Het geleken op dien afstand een
paar watervogels, die, met de witte vlerken uitgespreid, zachtjes over
het water zweefden om hun buit te bespieden. Omlaag zag men den troep
reeds een heel eind vooruit, en men haastte zich den berg af te gaan,
wat niet zonder gevaar geschiedde. De luitenant had nog een paar
prachtige kevers gevonden, zeer zeldzame exemplaren, en Mohammed had
onder het afstijgen een hagedis betrapt, die zeer klein was maar
schitterde met allerlei kleuren.
Toen men weder bij het gezelschap was, zeide Selam:
--Dat is de Roode Berg; wij hebben reeds een goeden marsch gemaakt en
als mijnheer het vergunt om ginds in de schaduw dier boomen een paar
uurtjes te rusten om ons wat te verfrisschen, dan kunnen wij vóór den
nacht nog Had-el-Garbia bereiken, dat aan gindsche zijde dier bergketen
ligt.
De luitenant en de kapitein keurden het goed, en na verloop van een uur
zat men te rusten onder het dichte lommer van eene fraaie boomgroep. De
hitte was dan ook onuitstaanbaar. De luitenant haalde zijn schetsboek
voor den dag en maakte zijne eerste schets van een Arabisch landschap,
terwijl Dries zich behaaglijk in het zachte groen uitstrekte en de
kapitein eenige aanteekeningen in zijn dagboek opschreef. Wat de
drijvers Mohammed en Selam betreft, deze gaven zich met innig welbehagen
over aan dien trek naar rust, die den Arabieren en Mooren eigen is.
Na eene verkwikkende rust ging men weder op weg. De hitte was nu ten
minste draaglijk. De landstreek was afwisselend, maar eenzaam. Geen
enkel persoon ontmoette men, en men bereikte tegen den nacht eene plek
waar het kamp werd opgeslagen. Een weinig links af bevond zich
Had-el-Garbia.
[Illustratie: Eindelijk deed het dier een paar sprongen, welke het aan
de voeten van den kapitein brachten. Bladz. 50.]
Na de afmattende hitte van den dag gevoelde iedereen lust om te rusten,
en toen de tenten opgeslagen waren en de beesten op een paar meters
afstand vóór de tenten op eene rij waren vastgemaakt, begaf elkeen
zich ter ruste. In de kleine tent was behalve Selam, die de wacht
hield, weldra ieder in een diepen slaap. Niet alzoo in de groote tent.
Nauwelijks had men zich nedergelegd, of een zwerm insecten rukte
van alle kanten aan. Vliegend, kruipend, loopend kwam dat heir van
ongedierte onze vrienden plagen. Dries was zoo afgemat, dat hij ondanks
de insecten weldra sliep als een os. De luitenant verdroeg alles met
kalmte, bleef rustig liggen en knipte slechts nu en dan het een of ander
dier, dat hem te veel hinderde, met den vinger weg. Tegen de muskieten
had hij zich gewapend met eene sigaar, aanhoudend dikke rookwolken
uitblazend, zoodat hij weldra geheel in den dikken blauwen welriekenden
rook van zijne manilla gehuld was. Doch kapitein Daumas had het 't ergst
van allen te verantwoorden. Nauwelijks neergevlijd sprong hij op, eene
verwensching uitstootende, liep met zijn zakdoek te wuiven, en sloeg en
trapte naar alle kanten, zonder de zoozeer gewenschte rust te kunnen
vinden.
--Doe als ik, vriend! zeide de luitenant, die geheel onzichtbaar was.
--Parbleu! riep de kapitein toornig uit, dat kan ik niet, dat duivelsche
goed bijt en steekt me om er razend van te worden. Voorwaar, men moet
een liefhebber van insecten zijn zooals gij, om te kunnen slapen met dat
vieze goed bij en rondom u.
De luitenant lachte.
--Sacrebleu! riep de kapitein uit, ik ga naar buiten. En hij liep
wanhopig de tent uit.
Daarbuiten zat Selam voor zijne tent. De kapitein naderde hem stil en
legde de hand op zijnen schouder. De Moor gaf geen teeken van schrik,
maar draaide bedaard het hoofd om.
--Ga slapen, mijn jongen! zeide de kapitein, ten minste als ge kunt.
Ik kan 't niet en zal dus blijven waken. Zoodra ik lust heb om te gaan
slapen, zal ik Mohammed wekken.
De Moor weifelde.
--Vergeef mij, heer! zeide hij, maar er wonen hier dichtbij Arabieren;
ze zouden wel eens kunnen pogen te stelen. Als u het mij wilt vergunnen,
blijf ik liever op.
--Wees gerust, Selam! antwoordde de kapitein, ik ben vertrouwd met dat
volkje. Ik heb lang genoeg oorlog met hen gevoerd om hunne streken te
kennen. Gij kunt mij uwe taak gerust toevertrouwen.
De Moor boog het hoofd; hij was voldaan, en ijlings in de tent gaande,
sliep de brave jongen spoedig.
De kapitein zette zich weder in de schaduw van de tent, waarin Selam was
verdwenen. Met den rug naar de tent gekeerd, kon hij in den helderen
nacht den omtrek en de lastdieren zonder moeite gadeslaan. Nadat de
kapitein eenigen tijd had rondgezien om zijne oogen aan het duister te
gewennen, vermaakte hij zich met op den grond naar de insecten te turen,
die zich door hun geluid of lichtgevend vermogen deden bespeuren. Een
voorwerp ter grootte van eene groote rat bewoog zich naar hem toe. Nu en
dan zat het stil en dan sprong het weder eensklaps op, om naar het een
of ander vliegend insect te happen. De kapitein martelde zijne hersens
te vergeefs af, welk dier dat toch wel kon zijn; maar hoe hij ook
nadacht, hij kon maar niet begrijpen wat het was. Het liep niet zooals
een zoogdier, maar het sprong met korte tusschenpoozen en bewoog zich
log voort. Twee oogen glinsterden als kleine vuurbollen. De kapitein
begreep, dat hij door zich te bewegen het dier zou verjagen, en zijne
nieuwsgierigheid was te zeer gaande gemaakt om niet te willen weten,
welk dier hij voor had. Eindelijk deed het dier een paar snelle
sprongen, welk het tot aan de voeten van den kapitein brachten. Nu of
nooit, dacht hij, en snel den arm uitstrekkend greep hij het bij een
poot vast.
--Te duivel, mompelde hij, wat is dat koud!
Hij liep er snel de tent mede in, ontstak een licht en liet opeens vol
afschuw het dier vallen. Het was eene reusachtige pad. Maar even snel
bedacht de kapitein zich en greep haar weder vóór zij den tijd had gehad
zich weg te maken.
Het dier bood eene mengeling van schoons en terugstootends aan. De huid
zat vol groote en kleine wratten, die het dier er afzichtelijk deden
uitzien. Het pronkte met allerlei kleuren en de vurige roode oogen
schitterden als waren zij van goud.
--Ha, ha, vriendin pad! zeide de kapitein, dat is eene vondst, die wat
waard is; daar zal ik den luitenant morgen eens mede verrassen. En hij
bond haar een koordje om een der pooten en zette haar op den grond.
De pad, na een paar malen te vergeefs gepoogd te hebben weg te springen,
bleef stil zitten en keek den kapitein met hare groote gouden oogen aan.
--Je ziet er nog al verstandig uit, hoor! zei de kapitein lachend; ik
geloof, dat ik je wel zou kunnen africhten als een hondje! en hij begaf
zich weer naar buiten.
Het weer begon eenigermate te veranderen. De sterren verdwenen van
lieverlede en er kwam een natte koele nevel opzetten. De kapitein ging
de tent in, stak eene pijp op, sloeg zijn mantel om en ging weder
zitten. Hij had reeds langer dan twee uren de wacht gehouden en
was huiverig geworden door de kille atmosfeer; hij besloot ten laatste
Mohammed te wekken en te gaan slapen. Doch juist toen hij wilde
opstaan, vernam hij een licht gedruisch. Kapitein Daumas luisterde,
doch vernam niets meer. »Het zal het een of ander dier zijn geweest,
dat jacht maakt op insecten", mompelde hij, en hij wilde opstaan,
toen hij op eens den witten ezel van Selam, die aan het eind der
lijn stond, den kop zag omwenden als trok iets buitengewoons zijne
opmerkzaamheid.--»Verduiveld", zeide de kapitein, »zou er iets aan
de hand zijn? Laten wij op onze hoede zijn."
Nauwelijks had hij dit gezegd, of een vreemd geluid trof zijn oor.
Het was alsof men iets met een bot mes wilde doorsnijden, wat niet
gelukte. De kapitein dook omlaag en strekte zich plat op den grond uit.
Hoe weinig het ook was, toch had de kapitein een zacht geritsel gemaakt
en oogenblikkelijk hield het geluid op. Doch een paar minuten daarna,
toen de kapitein reeds meende dat hij zich had bedrogen, hoorde hij het
opnieuw, doch slechts een oogenblik, toen was het doodstil.
--Mordieu! mompelde de kapitein; wat gaat hier om, de duivel hale me als
ik het weet.
Hoewel hij nu, daar hij niets meer hoorde, een weinig gerustgesteld
was en dacht dat zijne verbeelding hem een poets had gespeeld, bleef de
kapitein niettemin het oog houden op den witten ezel van Selam, die door
zijne kleur, ondanks de duisternis en den nevel, goed zichtbaar was.
Opeens keek de kapitein scherp uit en bleef eenige oogenblikken liggen
turen, alsof hij de duisternis doorboren wilde.
--Sacre! mompelde hij zacht, als ik het niet beter wist, zou ik zeggen
dat de witte een eind verder stond dan daareven. En dat kan toch niet,
want het touw, waarmede hij aan de lijn gebonden is, is toch niet langer
dan een paar voet. Of zou de nevel mij misleiden. Ja, dat zal het zijn,
zeide de kapitein, de nevel wordt hoe langer zoo dikker en onttrekt de
voorwerpen aan mijn oog. Maar mordieu! zeide hij opeens verbaasd, toen
hij toevallig het hoofd rechts wendde, het eerste paard is weg. Sacré
Dieu! zou de nevel ook daarvan de oorzaak zijn?
En met één sprong was hij aan het andere einde der lijn.
Het eerste paard, dat van den kapitein, was verdwenen; het doorgesneden
touw hing aan de lijn.--Ha, ha! mompelde de kapitein, was het dàt wat ik
hoorde. Wacht, schavuiten! dat zal ik je betaald zetten. Hij liep naar
het andere einde der lijn; ook de witte ezel was verdwenen.
--Komaan, zeide de kapitein, knap gedaan! en voorzichtig liep hij naar
de tent en greep Selam bij den schouder. De brave gids, die om zoo te
zeggen met open oogen sliep, was in een oogwenk overeind.--Ik kom, zeide
hij, denkende dat de kapitein hem wenkte om de wacht te betrekken.
--Spoedig, spoedig! zeide de kapitein, men heeft mijn paard en je witten
ezel gestolen; voort! anders pakken wij de schavuiten niet! en met
groote sprongen snelde hij de hoogte af waarop men gelegerd was, op den
voet gevolgd door Selam.
De kapitein rende voort. Met de vlugheid van een gems sprong hij over
steenen en struiken, dook onder overhangende boomtakken door en wrong
zich door het dichte groen, dat hem overal den weg versperde.
--Vooruit, Selam, vooruit jongen! riep de kapitein zacht tot den gids,
die eensklaps bleef staan.
--Halt! riep deze even zacht, luister, hier zijn de schelmen, hier links
af, kapitein!
De kapitein bleef eene seconde staan. Aan den linkerkant liep een smal
voetpad. Daar hoorde men eene toornige stem op onderdrukten toon
allerlei Arabische vervloekingen uiten, vergezeld van het toebrengen van
slagen.
--'t Is de witte, zei Selam zacht, het beest heeft zeker bemerkt, dat
hij in vreemde handen is, of hij heeft een aanval van koppigheid.
De kapitein dook in elkaar en kroop als eene slang over het hobbelige
pad, gevolgd door Selam. Nog eenige oogenblikken en men was er. Dáár
stond de witte ezel van Selam, en schopte en sloeg om zich heen zonder
voort te willen. De Arabier vloekte. Een weinig verder stond een tweede,
met het paard bij den teugel vastgegrepen, woedend over de vertraging,
die den zoo slim uitgevoerden diefstal geheel kon doen mislukken.
--Blijf hier, fluisterde de kapitein aan Selam's oor; ik zal maken bij
den voorsten schurk te komen; zoodra gij mijne stem hoort, valt gij
dezen aan. Hij kroop rechtsaf in de schaduw van het lage houtgewas
voort. Een paar takken kraakten door zijne bewegingen, maar, dank zij
het leven dat de ezel maakte, hoorden de dieven het niet.
Opeens sprong den kapitein op, en den kerel die zijn paard aan den
toom hield in den nek grijpend, donderde hij hem toe:--Halt, ellendige
roover! Op hetzelfde oogenblik sprong ook Selam als een tijger op zijne
tegenpartij en wierp den man op den grond. Selam had spoedig zijnen
vijand onder de knie en hield hem in bedwang met het breede mes, dat hij
boven het hoofd van den dief liet flikkeren, doch de kapitein, hoewel
ongewapend, had toch niet geaarzeld den dief aan te vatten. Hij had dus
alleen zijnen krachtigen arm tot wapen en eene hevige worsteling volgde.
Selam, voor hem bevreesd, poogde hem het mes toe te reiken. Van dit
oogenblik trok de dief partij en trachtte zich los te maken van zijnen
bespringer. Doch snel greep Selam den roover bij het hoofd en het een
weinig opheffend, smakte hij het op den rotsigen grond, zoodat de kerel
bewusteloos bleef liggen. Toen sprong hij op en snelde den kapitein te
hulp.
Het was tijd ook, want diens tegenpartij had zich van het mes, dat
op den grond was gevallen, meestergemaakt en bedreigde daarmede den
kapitein. Selam, het gevaar ziende, waarin deze verkeerde, brak
bliksemsnel een tak af en gaf den roover een geduchten slag op den
schedel. De dief liet het hoofd vallen, breidde de armen uit en het mes
ontviel aan zijne hand.
Nu stond de kapitein op en Selam de hand drukkend, zeide hij met bewogen
stem:--Ge zijt een brave knaap, Selam! het was tijd, dat ge mij te hulp
kwaamt.
Intusschen deed Selam een koord van zijn middel, bond den bedwelmden
roover stevig vast en wierp hem over het paard. Toen hij echter een paar
stappen terugging naar den anderen dief, was deze verdwenen.
--Bij Allah! zeide Selam, ik had hem toch vrij onzacht tegen de steenen
gesmakt.
--Parbleu! voegde de kapitein er lachend bij, ik geloof u wel; ik hoorde
den smak daar ginds. Als het een fatsoenlijk Christen was geweest,
zouden hem de hersens uit den kop zijn gepuild, maar die vervloekte
Arabieren hebben schedels van ijzer.
--Hij heeft wijs gedaan met zich uit de voeten te maken, zei Selam. Hij
heeft er een duchtig pak slaag mede uitgewonnen. Maar het spijt mij, dat
hij ontkomen is.
--Laat den schurk loopen, zei de kapitein; ik geloof, dat hij er wel
genoeg van zal hebben om vooreerst weer uit stelen te gaan.
Binnen weinige oogenblikken had men het kamp bereikt en de dieren weder
vastgebonden, en daar de nevel hoe langer hoe dikker werd, legde Selam
een flink vuur aan, welks schijnsel de geheele plek verlichtte.
--Ik zeide het u wel, zei Selam, toen men bij het vuur zat; die
schavuiten zijn uitgeleerd in het stelen. Door op den buik tusschen de
dieren te kruipen konden zij de touwen doorsnijden, en hebben zij de
slaperige beesten met kleine rukken zoo ver naar zich toe getrokken,
tot zij buiten het gezicht waren. Ze hebben er terecht dezen nacht voor
uitgekozen, want de nevel maakt het moeilijk op eenigen afstand de
voorwerpen te onderscheiden.
--De witte ezel heeft hun eene leelijke poets gespeeld, zei de
kapitein. Zonder zijne koppige bui zouden de roovers reeds een goed
eind zijn vooruitgekomen, en wij hadden de beesten misschien niet meer
teruggezien.--Maar komaan, ik ga slapen, zei de kapitein; roep Mohammed,
opdat hij met u wake, zij zullen heden nacht niet meer komen. Laat den
dief gebonden liggen, zoodat gij het oog op hem kunt houden. Bij de
minste poging van hem om weg te komen, schiet ge hem door den kop;
wanneer ge iets bemerkt, dat u onraad doet vermoeden, wek ons dan!
De kapitein trad de tent binnen en sloot ze goed dicht. De groote pad
zat nog altijd vast en was bezig de insecten op te happen, die door de
tent liepen en vlogen.--Ha, ha, zeide de kapitein, gij komt van pas! Hij
bevestigde nog een langer touw aan het korte koord, zoodat de pad door
de geheele tent kon rondspringen; toen legde hij zich ook neder en sliep
weldra rustig in.
Intusschen had Selam, ingevolge den raad van den kapitein, Mohammed
gewekt, en beide vrienden zaten nu rookende lustig te praten over het
avontuur van zooeven.
Een paar meter van hen af lag de Arabier nog steeds onbeweeglijk en
de twee Mooren, bekend met de taaiheid van die lieden, lieten hem stil
liggen. Echter kon men, nauwkeurig toeziende, het lichaam van den kerel
nu en dan flauw zien bewegen.
--Wil ik u eens wat zeggen, zei Selam opeens fluisterend tegen Mohammed,
na eenige oogenblikken scherp naar den gevangene te hebben gekeken, ik
wed, dat de kerel op het oogenblik evenmin flauw ligt als wij, maar dat
de fielt bezig is zijne banden door te knagen. Zie zijn lichaam gedurig
ineenkrimpen, en zijn aangezicht is bijna geheel verborgen. O! de
Arabier heeft tanden als eene rat!
--Inderdaad, antwoordde Mohammed, ik geloof dat ge gelijk hebt, wat
moeten we doen?
--Stil, zei Selam, beweeg u niet; ziehier! en hij toonde hem de revolver
van den kapitein, dien deze uit voorzorg aan Selam had gegeven.
Schijnbaar onverschillig met elkaar sprekende, hielden de beide Mooren
den gevangene evenwel gestadig in het oog. Deze bewoog zich vrij sterk
en men hoorde hem diep en zwaar adem halen. Plotseling sprong hij op; de
banden, waarmede zijne handen waren gebonden, vielen op den grond, en
onder het uitstorten van een vloed van scheldwoorden stoof de dief met
groote sprongen de hoogte af.
Maar even snel knalde een schot; de kerel stiet een kreet van woede uit,
doch liep voort en was in een paar sprongen in het struikgewas
verdwenen.
--Laat hem loopen! zeide Selam tot Mohammed, die zich in het hout wilde
begeven. Hij heeft eene goede les ontvangen; de kogel trof hem in het
been. Het is zóó misschien beter, dan dat we hem met stokslagen hadden
gestraft. Dat gespuis zou ons misschien zijn gevolgd om wraak te nemen
over het pak slaag, dat zij van ons ontvingen, wat zij om een kogel niet
zullen doen.
VII.
ALKAZAR-EL-KIBIR.
Het schot van Selam en het daarop gevolgde rumoer had intusschen
iedereen wakker doen worden. Doch spoedig gerustgesteld door de
eenparige verklaring van Selam en Mohammed, besloot men, daar het reeds
dag begon te worden, het kamp maar op te breken.
Men vertrok onder druk gepraat en allerlei grappen over de avonturen van
den afgeloopen nacht. De monsterpad was door den luitenant in eene doos
geplaatst, met eene goede portie insecten bij zich tot voedsel, en bij
de bagage geborgen. De nevel, die bijna den geheelen nacht over het land
had gehangen, was nog niet opgetrokken en deed onze reeds aan de warmte
gewende reizigers van koude klappertanden. Meer dan drie uren reed men
in de mantels gehuld voort, en de luidruchtige vroolijkheid, die anders
bij de karavaan heerschte, was verdwenen. De koude en vochtige lucht
deed iedereen onaangenaam aan. Selam was de eenige, die nu en dan een
woord sprak, als hij zijnen viervoetigen vriend op den hals klopte en
streelde en hem prees over zijn goeden smaak om niets gemeen te willen
hebben met gemeene dieven.
Zoo ging men voort. Het terrein leverde gelukkig niet veel moeilijkheden
op, want de nevel zou hen anders menige poets hebben gespeeld. Het was
een zacht golvend terrein, overal doorsneden met paden, die zich als een
reusachtig netwerk door elkaar slingerden. Op den middag trok men een
bergpas door tusschen een paar heuvelrijen, doch men had geen enkele
ontmoeting. De nevel veroorloofde ook niet om zich heen te zien. Men
maakte dien dag een langen tocht, en sloeg tegen den avond het kamp op
aan de oevers van de Mkhacem.
De koude en de weinige last, dien men daardoor van insecten had, deden
ons gezelschap besluiten dien nacht eens goed uit te slapen, daar men
den volgenden dag misschien weder de vroegere afmattende hitte zou
hebben en dezelfde vreeslijke plaag van de insecten. Een uur nadat het
kamp was opgeslagen, lag dan ook alles in diepe rust. Slechts Selam, de
jeugdige, altijd onvermoeide Moor, zat bij het groote vuur, dat hij had
aangelegd, diep in zijnen kapmantel gehuld, de sabel naast en zijn lang
geweer achter zich, voor de tent met de grootste kalmte zijne pijp te
rooken.
De nacht beloofde voor den volgenden dag beter weer. Er kwam een zachte
wind op, die den nevel vaneen scheurde en voor zich uitjoeg en den
helderen sterrenhemel zichtbaar liet worden. Selam stond verheugd over
deze verandering op, liet het vuur uitgaan en begaf zich insgelijks ter
ruste na Mohammed te hebben gewekt.
De morgen was schoon, en de dag beloofde warm te zullen zijn. De
kapitein was een der eersten, die ontwaakt waren. Hij wierp zijne buks
over den schouder en drong het lage hout in om eenige patrijzen of ander
wild te schieten. Na verloop van een uur keerde hij terug. De jacht
was gunstig geweest, want de kapitein bracht een half dozijn schoone
patrijzen mede, welke hij aan Mohammed gaf om voor het ontbijt klaar te
maken.
Intusschen was het gezelschap van lieverlede ontwaakt, doch tegen zijne
gewoonte maakte Selam geene toebereidselen om op weg te gaan. Hij was
met Mohammed op zijn gemak bezig het ontbijt in gereedheid te brengen,
en het scheen dat hij niet genegen was veel haast te maken.
Verwonderd vroeg de luitenant naar de oorzaak dezer handelwijze.
--Heer! zeide Selam, ik heb niet laten opladen, omdat u toch zeker
Alkazar wel wil bezoeken.
--Alkazar! riep de luitenant verrukt uit, Alkazar-el-Kibir bezoeken, dat
geloof ik, Selam! Maar dat is, dunkt mij, eene reden te meer om spoedig
te vertrekken.
--Heer! zeide Selam, het ligt slechts een paar uren rijdens van hier,
en daarom dacht ik, dat wij dezen morgen eens op ons gemak zouden
ontbijten; wij zijn dan nog vóór de grootste hitte in Alkazar, en kunnen
het tegen den namiddag verlaten om aan gene zijde der stad den nacht
door te brengen.
--Nu, daar heb ik niets tegen, zeide de luitenant. Maar wat zegt gij er
van, kapitein?
--O! riep deze opgewonden uit, Selam, Selam, je bent goud waard!
Verbeeld je wat een ramp, als we Alkazar-el-Kibir waren voorbijgegaan.
O, dat is een uitmuntend denkbeeld. Ziet, we zullen eerst smullen; een
ontbijt met patrijzen, dat is eene weelde, welke wij ons niet elken dag
kunnen veroorlooven. Daarna, na ons te hebben opgepoetst, gaan wij
Alkazar bezoeken. O, Selam! gij onbetaalbare gids, ik zou u kunnen
omhelzen van vreugde!
Het ontbijt werd op den grond gezeten in het frissche groen gebruikt en
onderwijl ontwikkelde zich een druk gesprek over Alkazar.
--Maar, riep de kapitein op eens uit, welke stroom is dat, Selam, die
hier aan onze voeten stroomt?
--Het is de rivier de Mkhacem, heer! antwoordde Selam.
--De Mkhacem, riep de kapitein uit, de Mkhacem, dat is een nevenstroom
van den Koes of Loekos, den Lixos der Ouden, evenals de Oearroer. O!
nu herinner ik het mij. En zich tot zijne vrienden wendende, ging de
kapitein met groote levendigheid voort:
--Wij zijn op gewijden grond, vrienden! gewijd door het bloed van
duizenden en duizenden dapperen, gewijd door de grootsche daden hier
verricht. Luistert, indien gij het niet reeds weet. Ongeveer drie
honderd jaar geleden had hier de vreeslijke slag van Alkazar plaats, die
Mulei Molok, Sultan van Marokko, leverde aan den Koning van Portugal. De
volkomen overwinning, die de vereenigde Mooren, Arabieren, Berbers en
Turken op de Christenen behaalden, deed al wat Mahomedaan was juichen.
Het was op den vierden Augustus dat deze slag plaats had. Over dezen
stroom lag toen de brug, over welke de weg naar Alkazar liep. Ziet,
zeide de kapitein, dat moet daar geweest zijn; men kan nog duidelijk
in de palen, die men daar aan weerszijden van den oever bemerkt, de
overblijfselen van die brug bespeuren. Mulei Molok, van Alkazar komende,
had zich daar bij de brug gelegerd; de koning van Portugal, van Arzilla
komende, aan deze zijde. Hier in de vlakte langs de oevers van dezen
stroom werd die bloedige slag gestreden. Mulei Molok, de dappere sultan,
de bekwame veldheer, greep het, uit allerlei nationaliteiten bestaand
leger der Christenen aan en versloeg het totaal. Duizenden lijken van
de bloem van den Portugeeschen en Spaanschen adel, van hovelingen en
priesters, van Spaansche soldaten en krijgslieden van Willem van Oranje,
van Italiaansche, Fransche, Duitsche en andere gelukzoekers, van
avonturiers uit alle oorden van Europa, die allen de vanen volgden
van den dapperen doch ongelukkigen jeugdigen Sebastiaan, bedekten deze
velden. Hier vertrad het paard van den Moor de rampzaligen, de kromsabel
hieuw hen zonder genade neer en de stroom voerde de lijken mede van hen,
die zich uit wanhoop in den vloed hadden geworpen.
--Een kreet van schrik weerklonk door het beschaafd Europa, en een
juichtoon steeg op van uit de belijders van Mahomed. Hier stierf
koning Sebastiaan, getroffen door een geweerschot en twee sabelhouwen.
Ginds blies de dappere Mulei Molok den laatsten adem uit, gezeten in
zijn draagstoel en omringd door zijne officieren. Zoo woedde deze
verschrikkelijke slachting, zoo vonden hier de hoofden der legerscharen
hun einde, zoo ook vond de aanstoker en bewerker van dien oorlog,
Mohammed de Zwarte, den dood in den stroom en zes duizend lijken van
Christenen bleven op het slagveld.
De luitenant en Dries hadden met aandacht zitten luisteren naar den
kapitein, die onder het verhalen hoe langer hoe meer in vuur was
geraakt.
--Ik wist er van, zeide de luitenant, ofschoon mij niet al de
bizonderheden, die gij ons verhaald hebt, bekend waren; ja, het moet
eene vreeslijke slachting zijn geweest.
--Wat Alkazar betreft, vervolgde de kapitein, daarvan kan ik u ook nog
wel iets mededeelen. Alkazar-el-Kibir, dat zooveel als het groote paleis
beteekent, is volgens de overlevering gesticht in de 12e eeuw door den
Kalif Aboe-Yoessoef-Yakoeb-el-Mansoer, den overwinnaar van Alexos, waar
hij Alphonsus IX van Castilië versloeg. De legende verhaalt, dat deze
Kalif op zekeren dag, op de jacht zijnde, verdwaalde. Een arme visscher
bracht den hem onbekenden vorst in zijne hut, nam hem gastvrij op en
hielp hem op den rechten weg. Uit dankbaarheid liet de kalif zich op
dezelfde plek een kasteel bouwen benevens eenige woningen. Dit was de
oorsprong der stad, die langzamerhand zich daar uitbreidde tot eene
bloeiende stad.
Het gesprek, eenmaal op eene zoo onderhoudende manier aan den gang
zijnde, duurde lang en was hoofdzakelijk gewijd aan bizonderheden
omtrent den slag van het thans vervallen Alkazar en over hetgeen men
daar hoopte te zien.
Maar Selam, om alles denkende en niet geneigd noodeloos in eene
afmattende hitte te reizen, kwam het gesprek afbreken met de tijding,
dat het tijd was om op te breken.
Alles was gereed. Men had slechts op te stijgen en voorwaarts te gaan.
Reeds te voren had Selam de drijvers uitgezonden om eene doorwaadbare
plaats in den stroom te zoeken. Men daalde af, doorwaadde den Mkhacem en
na deze rivier trok men den Oearroer over. Men was toen in de vlakte op
den weg naar Alkazar, dat men binnen een paar uren kon bereiken.
Het was elf uur, toen men Alkazar naderde, want men had langzaam
gereden, en de oude muren der stad, welke met kanteelen prijkten,
ontwaarde men voor zich uit. Torens, minarets en palmboomen staken
overal omhoog en de geheele stad was omringd door tuinen, wier groen
en bloemen, met de groepen hooge palmen er tusschen, het geheel een
verrukkelijk schoon aanzien gaven.
Eene enkele maal kwam men een Arabier tegen, die, den gewonen groet
wisselende, het gezelschap, voor zoover zijne onverschilligheid het
veroorloofde, verwonderd nazag. Op korten afstand, hield men halt, sloeg
het kamp op, liet de zorg daarvoor over aan de twee kameeldrijvers, en
onze drie vrienden met Selam en Mohammed begaven zich, voor alle
voorzorg goed gewapend op weg naar de stad.
Zóó als men de stad door eene der poorten binnenreed, trof van uit de
hoogte een koor van eigenaardige klepperende geluiden de ooren van
onze vrienden. Het geheele gezelschap keek verwonderd op, en zie daar
stond en zweefde een geheele troep ooievaars, die de reizigers luid
toeklepperden, als waren zij verwonderd oude bekenden hier aan te
treffen.
--Wat duivel, zei Dries, daar heb je waarlijk vader Langbeen ook. Kijk,
kijk! dat is de eerste bekende, dien ik tot nu toe heb ontmoet, en die
welkomstgroet voorspelt ons geluk.
Het op een afstand zoo schoon en liefelijk uitziend stadje viel onzen
vrienden echter zeer tegen. Was het in de straten van Tanger reeds niet
bij uitstek rein, hier was dit nog minder het geval. Een directeur der
openbare reiniging zou er Herculeswerk hebben gevonden. De straten...
neen, dat waren het eigenlijk niet, dien naam kon men onmogelijk geven
aan die hobbelige paden vol kuilen, vol plassen van stinkend vocht,
bezaaid met groote keien, krengen van honden en katten, ja zelfs van
ezels; mesthoopen overal, ja, de geheele stad geleek op één grooten
mesthoop. De kleine, smerige huizen waren veel leelijker dan die te
Tanger, vol scheuren en door vieze donkere gangen van elkaar gescheiden.
Door dien Augius-stal trok men voort, vol walging van zooveel
morsigheid. Hier en daar liepen de vrouwen, wier kostuum er even
vuil uitzag als zijzelf, bij hunne komst haastig naar binnen, naakte
bevreesde kinderen medesleurende. Ginds zat een troep vrouwen op den
grond gehurkt. Zij waren half naakt en oud; oud, zooals zij dat in
Marokko zijn, dat wil zeggen, afzichtelijk, terugstootend, walgelijk van
leelijkheid en onreinheid. Het waren broodverkoopsters, die hare waar op
korven voor zich hadden liggen.
--Smakelijk eten, mompelde Dries. Ba! het hart draait me om in het
lijf, als ik ze aanzie!
In elken hoek, dien men zag, lag of stond een Arabier, tegen den muur
geleund alsof hij er aan vastgeplakt zat, half verscholen zoodat men hem
bijna niet bemerkte, of rustig op den vuilen grond liggend als op eene
canapé. Dáár weder zag men niets anders dan den uitgespreiden mantel en
was het onmogelijk te begrijpen, dat daaronder een mensch lag; ginds
stond er weder een in de eene of andere nis onbeweeglijk als een beeld,
terwijl slechts de vonkelende oogen hem verrieden.
Zoo was men reeds een heel eind door de stad gegaan. De vrouwen en
kinderen, aanvankelijk voor de vreemdelingen vluchtend, begonnen zich
van lieverlede meer te vertoonen. De straatjongens werden brutaler en
kwamen dichterbij. Het nieuwtje hunner komst, dat zich zeker snel door
de stad had verbreid, deed hoe langer hoe meer volk bij elkaar stroomen.
Selam, die de voorhoede uitmaakte, was tusschenbeide genoodzaakt zijn
stok te zwaaien om ruim baan te maken, en Mohammed, die den trein sloot
en dat volkje niet al te best vertrouwde, keerde zich nu en dan op zijn
ezel om en trok een leelijk gezicht of strekte de hand uit naar de bende
jongens, die dan op eens verschrikt uiteenstoven en over elkaar heen
buitelden.
Die geheele menigte vóór en achter volgde zwijgend. Geen kreet, geen
lach, geen woord werd gehoord. En intusschen groeide de hoop telkens
aan, en drong zich hoe langer hoe meer te zamen.
Op een hoek van eene straat stond een groep mannen in donkere kleeding
met een blauwen doek om het hoofd als hoofddeksel en met donkeren zwaren
baard.
--Het zijn de Joden, zei Selam op eene vraag van den luitenant. Zij
wonen in de Mellah of Jodenbuurt, welke naam »vervloekten grond"
beteekent. Toen men voorbij hen kwam, groetten zij beleefd, iets wat
onze vrienden verwonderd deed opzien. Men was het groeten reeds lang
ontwend. Een eind verder kwam men op een klein plein, waarop eene
menigte dier smalle straatjes uitliepen en waar ook eenige kleine
winkels waren, allen gelijk aan die te Tanger, doch veel kleiner en
viezer.
Het pleintje verlatend, wendde de luitenant zich tot Selam met bevel
de stad te verlaten. Het werd ons gezelschap te benauwd in deze
kwalijkriekende stad te midden van eene zwijgende bevolking. Selam sloeg
dus de eerste de beste, eenigszins wijde straat in om met spoed naar
buiten te komen. Dáár in die straat kwam een heilige aan. Het voorhoofd
van den kapitein, die hem het eerst gewaar werd, betrok, maar hij zeide
niets; alleen greep hij onwillekeurig naar zijne sabel en pistolen.
De kerel bleef staan, toen de stoet naderde. Hij keek het gezelschap
op eene minachtende onbeschaamde manier aan, en lachte hen honend
in hun gezicht uit. Dit werkte aanstekelijk op de volksmenigte. Een
kleine jongen, die zich wat dichter bij hen waagde en wien de kapitein
een geldstuk toewierp, werd door eene woedende vrouw vastgegrepen
en voortgesleurd onder het uitroepen van verwenschingen tegen de
Christenen. Een gemeene kerel, die vooraan liep, wendde zich om en
riep iets tot de overigen, terwijl hij op het gezelschap wees.
--Zoo, zeide de kapitein, men begint ons te verwenschen. Komaan, straks
gaan we tot slaan over. Vrienden, houdt uwe wapens klaar!
--Allah verdelge u, vervloekte Christenen! riep op eens een jongen.
--Ja, Allah verdelge u! klonk een koor van stemmen.
--Wat doen die honden van Christenen hier! riep een ander.
--Zij komen ons bespieden! riep een tweede.
--Die vijanden van den Profeet! schreeuwde een derde met de vuist
dreigend.
--Zij komen om ons land te veroveren, klonk het weder.
--Wij met ons vijven? spotte de kapitein.
--Laat ze komen, riep een ander; we zullen ze weten te onthalen.
--Ja! schreeuwde op eens de heilige; Allah zal ons over hen doen
zegevieren; hij zal onze mannen den moed van den leeuw en onze vrouwen
de vlugheid der hinde verleenen. Mahomed zal ons eene groote victorie
over hen geven; wij zullen ze dooden en niet één zal ontkomen naar zijn
vervloekt land.
--Allah, Allah! Mahomed, Mahomed! schreeuwde het opgewonden volk; geen
zal er ontkomen! En opgehitst door den heilige drong de tierende troep
op het reisgezelschap aan.
De luitenant en de kapitein trokken hunne sabels. Selam deelde
stokslagen uit, maar hij kreeg vloeken en slagen weerom. Opeens regende
het steenen.
--Vooruit, riep de kapitein, vooruit, er op in! Slaat dood dat kanalje!
en hij spoorde zijn paard aan en reed op den troep voor zich in, gevolgd
door den luitenant, met het plat van de sabel slagen uitdeelend.
Dries, die den heilige in het oog had gehouden, reed op hem aan.
--Ha, vriend heilige! riep hij; wij hebben nog eene oude rekening te
vereffenen; de heiligen van Marokko schijnen nog niet mak genoeg te
zijn.
De kerel sprong vooruit en greep het paard van Dries bij den teugel.
--Los! riep Dries, laat los, schurk!
Maar de heilige het volk aanhitsend, liet niet los.
--Daar dan, zeide Dries, pak aan schoft! en de buks bij den tromp
nemend, gaf hij hem een slag, die hem als een zak deed ineenzijgen.
Toen zijn paard wendend reed hij op den troep in, en de buks als eene
knots zwaaiend, deelde hij links en rechts kolfslagen uit. Opeens bukte
een kerel zich om onder het paard van Dries door te kruipen,
waarschijnlijk om het in den buik te steken.
Maar Dries had aanstonds zijne bedoeling geraden en zich over zijn paard
buigend, greep hij den schavuit in den nek, hield hem met zijn ijzeren
vuist vast, sleepte hem zoo een eind mede en liet hem toen plotseling
los. De kerel bleef voor dood liggen.
De volkshoop achter onze vrienden was door den aanval van Dries en
Mohammed, die met zijn dikken taaien doornstok menigen kop tot bloedens
geslagen had, aan het wijken gebracht, het had zijn heilige in den steek
gelaten en was verdwenen in de talrijke smalle straatjes, waar Dries
noch Mohammed het geraden oordeelde hen te vervolgen. Ook de luitenant
met den kapitein en Selam hadden er dapper op ingeslagen, maar door de
achtersten opgedrongen en aangehitst konden de voorsten bijna niet
terugtrekken en daar men reeds dicht bij eene der poorten was, wilde
men niet weder terugkeeren om een anderen weg te zoeken.
De kapitein en de luitenant besloten dus ditmaal er eerst op in te
schieten en zich daarna met de sabel een doortocht te banen.
--Wanneer zij de schoten boven hunne hoofden hooren knallen en het
scherp der sabel in den nek voelen, zullen zij wel ruimte maken, zeide
de luitenant.
Maar opeens deden zich achter den volkshoop aan het einde der straat
woeste vervloekingen hooren. Selam hief zich op in de beugels om te zien
wat dat beduidde, want hier en daar begon het volk verschrikt om te
zien, een aanhoudend gemompel doorliep den troep en enkelen zag men de
verschillende straten insnellen.
--Ha! riep Selam, men komt ons te hulp, zie daar ginds, het zijn
soldaten, die zich een doortocht banen; de Gouverneur der stad rijdt aan
het hoofd.
--Goddank! riep de kapitein, we zullen dan nog heelhuids uit dit
vervloekte nest komen.
Het was inderdaad zooals Selam had gezegd. Links en rechts slagen
uitdeelend naderde eene afdeeling krijgsvolk met stevige knuppels
gewapend. De menigte was spoedig verdwenen en aan het hoofd der soldaten
reed de Gouverneur der stad. 't Was een Moor van omstreeks vijftig
jaren, met schoone trekken, zeer lichte bijna blanke gelaatskleur en
langen witten baard, wat hem een zeer eerwaardig voorkomen gaf. Hij
wendde zich beleefd groetend tot de twee officieren en betuigde hun zijn
leedwezen over het gebeurde. Een soldaat, die van verre het tumult had
gezien, had hem de tijding gebracht, waarop hij zich had gehaast onzen
reizigers te hulp te komen.
Begeleid door den Gouverneur was men weldra buiten de stad en onze
kapitein deed hem, op verzoek van den luitenant, het voorstel
om een bezoek aan het kleine kamp te brengen. Doch de Gouverneur
verontschuldigde zich en een escorte medegevend om hen tot aan de
legerplaats te begeleiden, nam hij afscheid van onze vrienden na hen
nogmaals te hebben verzocht het onaangename geval toch vooral niet euvel
te duiden.
--En dat noemt men het groote paleis, sprak de kapitein toen men buiten
de plaats was gekomen. Ba! Tanger is er waarachtig een lusthof bij.
--Gij ziet, zeide de luitenant, 't is het oude deuntje van eene
vervallen grootheid. Die stad, vroeger zóó bevolkt, zóó bloeiend, is
niets meer dan eene schaduw van wat zij eenmaal was.
--Ja, 't is waar, zeide de kapitein. Hebt ge dat gebouw opgemerkt? Ziet,
en hij wendde zich om, ge kunt het hier nog zien, die talrijke bogen en
koepeldaken, weet ge wat het is! Selam heeft het mij straks gezegd; het
is een der vroegere zooeïa, een dier voor allerlei doeleinden ingerichte
gebouwen, die men in onze taal geen naam weet te geven, en waarin men
scholen, een bibliotheek, het hospitaal voor de armen, de herberg voor
reizigers, de moskee en de grafkapel bijeen vond.
--Hoe ongelukkig, zeide de luitenant, dat dit volk zoo diep is gezonken.
Zijne vroegere grootheid en macht, die eens de wereld verbaasd deden
staan, zijn te niet, en in plaats van handel en verkeer aan te moedigen
blijft men overal even afkeerig tegenover vreemden, overal even vijandig
tegen de beschaving.
--Ja, hernam de kapitein, dit is nu de tweede maal dat ons iets
dergelijks overkomt, en beide keeren in plaatsen, die nog het meest
met de Christenen in aanraking komen; wat zal het dan wel niet te Fez
zijn, het hart der onbeschaafdheid en den zetel van het fanatisme.
--Enfin! zei Dries, we hebben ze weder eene duchtige les gegeven, en het
doet me genoegen, dat ik dien gluiperigen heilige eens onder handen heb
gehad; het zat mij nog in den kop van Tanger. En wat Fez betreft, o! we
hebben ons beste kruit nog niet verschoten, kapitein! Het beste voor het
laatst.
Daar men nu bij de tenten was aangekomen, zond men het escorte, na de
mannen met eenig geld te hebben begiftigd, onder dankbetuiging aan den
Gouverneur terug.
De drijvers met Selam en Mohammed begonnen het middagmaal gereed
te maken, daar men eerst den volgenden dag zou vertrekken, en de
luitenant maakte inmiddels van den top eens heuvels eene schets van
Alkazar-el-Kibir, dat op een afstand zoo'n schoon gezicht opleverde.
De grootste hitte van den dag was voorbij. Men had gedineerd en maakte
het zich zoo gemakkelijk mogelijk, terwijl men een levendig gesprek
voerde over de gebeurtenissen van dien dag.
Opeens rees Selam, die voor alles oogen had en alles het eerst ontdekte,
op en keek met de hand boven de oogen uit naar den kant van welken men
was gekomen.
Dáár, nog op grooten afstand van de legerplaats, zag men een ruiter, die
in driftigen galop naderde, niet in de richting der stad, maar recht op
de legerplaats aan. Het scheen dat zijn paard met moeite voort kon, en
echter hield hij niet op het aan te sporen. Hij naderde snel.
VIII.
DE ONTMOETING.
De ruiter naderde snel. Allen waren opgestaan om te zien, welke persoon
daar recht op hen aankwam; allen trachtten den ruiter te herkennen en
schatten den afstand, die hem nog van hen scheidde, en volgden met
groote spanning zijn dollen rit.
Intusschen kwam hij al nader en nader, zijn paard aanhoudend
aansporend. Toen kon men zien, dat het een Arabier was. De witte
kapmantel fladderde achter hem aan, de lange buks lag dwars voor hem
over den zadel; aan zijne zijde kletterde de Turksche sabel. Zijn paard,
een prachtig koolzwart dier, was met schuim overdekt; de geheele breede
borst was met vlokken trillend schuim bespat en de wijd opgesperde
neusgaten trilden verschrikkelijk. Onophoudelijk zette de Arabier zijn
ros aan. De naakte bruine beenen bewogen zich telkens om het edele dier
de scherpe punt van de schoenen der stijgbeugels te doen gevoelen, die
de Arabieren als sporen gebruiken. De fraaie zwarte huidkleur was met
bloed besmet.
Opeens, op ongeveer honderd pas van de legerplaats verwijderd, bleef
het dier trillend staan. De ruiter was met één sprong van zijn paard,
en nauwelijks had hij den grond bereikt, of het paard, begon over alle
leden hevig te beven en stortte neer.
Toen trad de Arabier, zijn geweer op den rug werpend, met een
vredelievend gebaar nader, en de handen over de borst kruisend, boog hij
onder het uitspreken van den gebruikelijken groet: »Vrede zij op uw
weg!"
Onze kapitein, meer gewoon met Arabieren om te gaan, beantwoordde den
groet en noodigde hem uit plaats te nemen. Het was een jong man van
ongemeene schoonheid. Zijne bruine gelaatstrekken, de zwarte knevel en
baard, en de stoute oogen gaven hem een belangwekkend voorkomen. Zijn
gelaat teekende moed en vastberadenheid; om den mond speelde een stroeve
trotsche trek.
Hij zette zich op den grond neder, nam met de grootste beleefdheid de
sigaar aan, die de kapitein hem aanbood, en zeide, nadat hij eenige
oogenblikken met welbehagen den geurigen rook had opgesnoven, in
tamelijk goed Fransch:--Ik kom van Tanger en moet nog verder gaan. Ik
dacht op mijn paard te kunnen vertrouwen, maar ik zie, dat ik te veel
van zijne krachten heb gevergd. Zoudt ge mij niet een uwer paarden ter
leen willen afstaan? Het leven van honderden brave, dappere menschen
hangt er van af, dat ik mijne reis kan vervolgen.
De kapitein en de luitenant, ja zelfs het geheele gezelschap stond een
oogenblik sprakeloos van verbazing, ten eerste over de beschaafde
manieren van den Arabier en zijne bekendheid met de Fransche taal,
alsook over het vreemde verzoek.
De kapitein was de eerste, die het stilzwijgen verbrak:
--Hoewel u niet kennende, zeide hij, zouden wij u gaarne helpen, maar
gij vraagt het onmogelijke, mijn vriend! Wij hebben slechts drie paarden
en twee muilezels; dat is juist genoeg voor ons gebruik. Gij begrijpt
dus, dat we onze eigen paarden niet kunnen afstaan aan den eersten den
beste, die er om vraagt. We zouden zoo doende zelf verplicht zijn te
voet te reizen.
--Ik doe een bijna onmogelijk verzoek, zeide de Arabier kalm, dat is
waar; doch als ge wist, wat er van het voortzetten van mijn rit afhangt,
dan geloof ik, dat gij het niet zoudt weigeren.
--Ik herhaal, zeide de kapitein op overredenden toon, dat gij het
onmogelijke vraagt. Wij moeten morgen weder voort, en gij begrijpt, dat
wij dus geen enkel onzer paarden kunnen afstaan.
--Goed, zeide de Arabier, gij moet morgen bij het krieken van den dag
weder voort, geef mij een uwer paarden, vóór zonsopgang zal een versch
paard voor u gereedstaan.
De kapitein haalde ongeloovig en ongeduldig de schouders op.
--Gij gelooft mij niet, zeide de Arabier. O, ik dacht bij Christenen
meer hulp te vinden! Ik bid u, geef mij een paard. Waartoe zou ik het
ook verzwijgen, vervolgde hij als tot zichzelven sprekende. Bij Allah,
den eenigen God! help mij; ik word vervolgd. Ge ziet het, mijn prachtig
paard is dood; het kan mij niet verder brengen. Ik heb twee uren op
mijne vervolgers voor.
--Gij wordt vervolgd, zeide de luitenant; misschien hebt ge eene misdaad
gepleegd en komt gij onze hulp inroepen om aan den arm der wet te
ontkomen?
--Eene misdaad? zeide de Arabier verwonderd en tevens beleedigd; neen,
nimmer heeft mijne hand zulk eene laagheid bedreven. Wraakzucht van
een bloedvijand is het, die mij vervolgt. Doch waartoe langer met u
onderhandeld, wat misschien tot niets leidt. Maar luistert, ik stel
vertrouwen in u; gij zijt Christenen en bovendien, zeide hij, terwijl
een flauwen glimlach om zijn mond speelde, ik waag er niets bij. Ik zal
u alles verhalen, doch beloof mij, dat gij mij geduldig zult aanhooren
en daarna, als gij mij zult gehoord hebben, te zullen handelen naar de
ingeving van uw hart zooals uwe edelmoedigheid u dat voorschrijft. Ik
heb twee uren vóór op mijne vervolgers. Dat is tijd genoeg om u mijn
verhaal te doen en mij daarna aan mijne vervolgers te onttrekken.
En de Arabier begon, alsof hij niets te duchten had, met de grootste
kalmte zijn verhaal.
--Ik had de betrekking van koerier van den Sultan tusschen Tanger en
Fez, en was gelukkig tot vóór korten tijd. Toen gebeurde het, dat mijn
hart werd getroffen door Rahmana, de dochter van mijns vaders vriend.
Rahmana was schoon, schoon als de houri's uit het Paradijs. Zij bezat
den slanken vorm der gazelle, de vlugheid van het paard en den moed van
den leeuw. Rahmana beminde mij en ik haar; onze genegenheid dagteekende
reeds van onze kindsheid. Bij al mijn werken, bij mijn hard lot was
zij het eenige, dat mij kracht gaf tot het volbrengen van mijn plicht,
Rahmana, naar wier bezit ik haakte, gelijk een goed Mahomedaan naar het
Paradijs. De tijd door haar vader voor ons huwelijk bepaald naderde
snel, en welhaast zou ik mijne bruid als echtgenoote naar mijne woning
voeren.
--Toentertijd woonde te Tanger een rijke Moor, Sid-Moessa genaamd. Hij
was een rijke wellusteling, die zijn harem opvulde met alle schoone
meisjes die hij maar kon machtig worden. De vader van Rahmana, die van
Sid-Moessa afhankelijk was, had dikwijls gesproken over de schoonheid
zijner dochter, en dit was door het een of ander toeval aan Sid-Moessa
ter oore gekomen. Op zekeren dag liet hij Rahmana's vader bij zich
ontbieden, en zeide hem dat hij zijne dochter van hem wenschte te
koopen. Rahmana's vader ontstelde en deelde Sid-Moessa mede, dat
zijne dochter met mij verloofd was en spoedig hoopte te trouwen. Maar
Sid-Moessa wilde van niets weten en Rahmana werd door haar flauwhartigen
vader naar Sid-Moessa gevoerd. Zij wierp zich voor de voeten van
Sid-Moessa neder en bad en smeekte hem haar te laten gaan; ook haar
vader paarde zijne bede aan de hare, doch niets mocht baten. Rahmana
werd in de vertrekken van den schurk gevoerd, en haar vader ontving voor
zijn tegenstreven een zoo geducht pak stokslagen, dat hij, na acht dagen
ziek te zijn geweest, aan de gevolgen bezweek.
--Het was tijdens de laatste oogenblikken van Rahmana's vader, dat ik
terugkeerde van mijne reis naar Fez en het huis van mijne aanstaande
betrad. Helaas! wat hoorde ik daar. Toen ik alles had vernomen, zwoer ik
een duren eed, dat Rahmana de mijne zou worden en ik haar vader, haar en
mijzelven vreeslijk zou wreken. Ik begroef mijn ouden vriend en begon
daarna met de uitvoering mijner wraakneming.
--Mijn vroeger beroep vaarwel zeggend, nam ik mijn geweer en sabel mede
en vertrok uit Tanger, zonder aan iemand iets te zeggen. Ik ging naar de
bergen en voegde mij bij eene rooverbende, die voor niets terugdeinsde,
doch er bestond onder hen weinig of geen tucht. Ik deed hun den voorslag
het huis van Sid-Moessa te plunderen en beloofde tot gids te zullen
strekken. Mijn voorslag, hoe stout ook, werd door deze lieden met
gejuich begroet en op een der eerstvolgende nachten brachten wij het
plan ten uitvoer. Met de geheele bende, wel vijftig man sterk, drong ik
des nachts in de stad en in het huis van Sid-Moessa. Dit werd geheel
uitgeplunderd en uit den harem namen mijne woeste metgezellen de vrouwen
mede, die hun bekoorden. Ikzelf ontvoerde dien nacht mijne Rahmana. Dit
was het begin mijner wraak.
--Deze welgeslaagde expeditie had mij in de schatting mijner makkers
zóózeer doen rijzen, dat ik door hen tot hun hoofdman werd verkozen.
Van nu af aan bracht ik orde en tucht onder mijn volk, en verbood ten
strengste het noodelooze moorden. Onze aanvallen waren voornamelijk
gemunt op die lieden, die hunnen rijkdom en macht op allerhande wijze
misbruikten. Weldra was dan ook mijn naam, die overal vrees en ontzag
inboezemde, de schrik van geheel Marokko geworden. Het slagen van onze
ondernemingen en de juiste aanwijzingen was men aan mij verplicht.
Vermomd in alle gedaanten was ik overal tegenwoordig, drong overal in en
kwam alles te weten.
--Zoo was ik, de arme koerier, opeens de alom gevreesde rooverhoofdman
geworden, voor wien elke rijke ellendeling beefde. Sid-Moessa, die in
den nacht, dat wij zijn huis plunderden, tot zijn geluk was ontvlucht,
had ik sinds dien tijd te vergeefs getracht in handen te krijgen;
telkens ontsnapte hij mij.
--Het is nu ongeveer twee jaren geleden, dat wij op zekeren dag
plotseling in onze schuilplaats in het gebergte werden overvallen. Een
van onze bende had zich door het goud van Sid-Moessa laten verleiden en
onze verblijfplaats verraden. De ellendeling kwam met eene afdeeling
soldaten en den Kaïd om ons te overrompelen, en hij had zijne voorzorgen
goed genomen. Midden in onze ontspanningen werden wij op eens door een
salvo van vijftig geweerschoten begroet, die men op ons loste uit het
bosch, dat onze uitspanningsplaats omringde, en dat men in alle stilte
had omsingeld nà de nachtposten gedood te hebben. Ik bleef ongedeerd,
maar ik zag mijne geliefde Rahmana vallen, door een kogel in het hoofd
getroffen. Met de snelheid van den bliksem tilde ik haar op, sprong in
den zadel, brak door de soldaten heen en bereikte onder een kogelregen
eene andere schuilplaats in het gebergte. Ik dacht, dat mijne geliefde
slechts gewond zou zijn, doch zij was dood.
De Arabier zeide dit laatste op doffen toon, als ware hem de keel
toegeknepen, en zijn lichaam schokte en trilde zenuwachtig bij de
herinnering aan zijn leed. Doch niemand viel hem in de rede; men was te
veel verbaasd over het verhaal van dezen zonderlingen man om er den loop
van te storen.
--Allah wilde niet, dat ik gelukkig zou zijn, vervolgde hij; het zij
zoo, maar toen ik haar die ik zóó lief had, om wien ik een roover was
geworden, ontzield in mijne armen klemde, toen mijne wanhopige kreten
wegstierven in de eenzaamheid en ik te vergeefs beproefde haar in het
leven terug te roepen, toen besloot ik maatregelen te nemen om mijn
vijand te treffen en zwoer ik, dat mijne wraak verschrikkelijk zou zijn.
--In sombere gemoedsstemming, met de dolzinnigste gedachten in het
hoofd, vertrok ik tot het ergste besloten. Ik sloeg den weg in naar het
tooneel van den strijd en reed voort zonder eenige voorzorg te nemen. Ik
zocht mijn vijand op, en ik mocht hem vinden.
--Met mijne sabel in de vuist gekneld, reed ik voort. Mijn getrouw ros
vloog als de wind over rotsige paden, over rotskloven en rotsblokken,
doch zonder ergens voor te vreezen zette ik mijn tocht voort. De nacht
begon te vallen, toen ik een eind voor mij uit de soldaten bemerkte, die
ons hadden overvallen. De hoefslag van mijn paard had hun op hun hoede
doen zijn en toen ik verscheen, weergalmde dadelijk de kreet: »Grijpt
hem! grijpt hem!" Ik zocht mijn aartsvijand. Hij was daar, de lafaard,
verscholen achter de soldaten. Ik gaf mijn edel ros de sporen en mijne
sabel boven het hoofd zwaaiend, deed ik mijn paard een sprong nemen als
een panter en stortte mij midden tusschen de soldaten. Links en rechts,
voor en achter daalde en verhief zich bliksemsnel mijne sabel en
met elken slag wondde of doodde ik een mijner vijanden. Ik was als
krankzinnig en ontwikkelde de kracht van een waanzinnige. Men wilde op
mij vuren, doch Sid-Moessa riep: »Niet vuren! men moet den hond levend
vangen!" Eindelijk brak mijn zwaard; ik had een dozijn soldaten gedood
of zwaar gewond. De overblijvenden wierpen zich op mij als aangehitste
honden op het wild en daar ik ontwapend was, gelukte het hun mij,
ondanks mijn tegenstand, van het paard te sleuren en zich van mij
meester te maken. Men bond mij met koorden, zóó vast, dat zij in mijn
vleesch drongen en mijne huid openscheurden. Zoo werd ik overgelaten aan
de macht van mijn vijand.
--Ik begreep, dat ik het ergste had te duchten, en bereidde mij er op
voor. Met een verachtelijk stilzwijgen beantwoordde ik den lafaard zijne
gemeene, lage scheldwoorden en uittartingen. De ellendeling sloeg en
spuwde mij in het aangezicht, en liet mij daarna onder groot gejuich der
soldaten, onder welke hij zijn geld mildelijk uitstrooide, de tanden uit
den mond slaan.
--De ellendeling! riepen de kapitein en de luitenant als uit één mond.
--Dat was het begin zijner wraak, vervolgde de Arabier. Nadat men
hierover genoeg pret had gehad, liet hij mij de teenen van den
linkervoet afsnijden. Zie slechts, zeide hij, en hij toonde hun den
misvormden van teenen beroofden voet en den tandeloozen mond.
--God, God hoe is het mogelijk! riep de luitenant. O! had ik dien
ellendeling hier.
--De nacht maakte een einde aan de marteling, vervolgde de Arabier.
Mijne koelbloedigheid en vasten wil, die mij hadden weerhouden een kreet
te uiten gedurende de pijniging, hadden mijn vijand slechts te meer
verbitterd en hem doen besluiten den volgenden dag de marteling voort te
zetten, alvorens mij het leven te benemen.
--Maar Allah had het anders besloten. Van mijne bende waren er eenigen
gevangengenomen en een tiental gedood, doch de rest van den troep had
zich door eene snelle vlucht, en gebruikmakende van hunne bekendheid met
alle holen en paden, weten te redden.
--Het was een heldere nacht. De sterren schitterden aan den hemel, en
ik lag gebonden op den rug in eene tent, bloedende aan mijne wonden en
gemarteld door de vreeslijkste pijnen. Opeens hoorde ik het hinniken
van mijn ros. Dat verwonderde mij, want ik dacht dat mijn paard dood
was. In het volgende oogenblik echter hoorde ik een paar doffe slagen
en dadelijk daarop werd het voorhang der tent opgeheven en trad mijn
onder-hoofdman binnen. In een oogwenk had hij de koorden, waarmede ik
gebonden was, doorgesneden en mij eene sabel in de vuist gedrukt.
»Volg mij, hoofdman!" zeide hij, »gij zijt gered. Wij hebben de posten
overrompeld en neergestooten; zij zijn gestorven zonder een kik te
geven. Ook de andere gevangenen zijn vrij. Alle buitenposten der
legerplaats zijn gedood, en de overigen liggen gerust te slapen; zij
zijn in onze macht; zoo gij het wilt, zullen wij ze allen dooden."
»Volg mij," zeide ik, »laat den kaïd en de soldaten het leven, maar volg
mij naar Sid-Moessa."
--Wij drongen in zijne tent door. Daar lag mijn doodvijand gerust te
slapen. Ik bukte mij en mijn mond aan zijn oor brengend donderde ik hem
te gemoet: »Wees gegroet, Sid-Moessa! Hier ben ik!"
--De ellendeling sprong verschrikt op, en wilde om hulp roepen, doch op
hetzelfde oogenblik zette ik hem de punt mijner sabel op de keel. »Blijf
rustig liggen, o Sid-Moessa," zeide ik, »zoo ge u beweegt, dood ik u."
»O! dood mij niet," riep de ellendeling, »genade in den naam van
Allah!"
»Genade!" vroeg ik en mijn lichaam trilde van woede. »Genade! Hebt gij
genade betoond, toen ge Rahmana liet dooden en toen ge haar vader liet
doodgeeselen?"
»Genade," smeekte de lafaard nogmaals, »genade! Ik zal u al mijn goud
geven en mijne schoonste vrouw, maar spaar mijn leven."
»Zwijg!" brulde ik woedend, »of bij Allah en den grooten Profeet ik
dood u, ellendeling die gij zijt! Luister, o Sid-Moessa! Gij hebt mij
gehoond, beleedigd. Gij hebt mij in het gezicht geslagen en gespuwd. Gij
hebt mij de tanden laten uitbreken en de teenen laten afsnijden. De wet
van den Profeet zegt: oog om oog, tand om tand."
--Ik wenkte mijnen makker, die bij den ingang der tent dit tooneel stond
aan te zien. »Zet hem de punt van eene sabel op de borst, en als hij een
woord of kreet uit, stoot dan toe."
--En terwijl hij de punt der sabel op de ontbloote borst van mijne
vijand zette, zeide ik:
»Oog om oog, tand om tand, Sid-Moessa! Gij hebt mij met de linkerhand in
het aangezicht geslagen en van den linkervoet de teenen afgesneden, ik
neem uwe linkerhand geheel." En met een enkele slag van mijn zwaard
scheidde ik de hand van den arm.
--De ellendeling kermde en kreunde in stilte en wrong zich op zijne
legerstede, doch het koude lemmer op zijn borst voelend, dorst hij geen
kreet te uiten.
»Gij hebt mij de tanden uitgebroken en mij in het aangezicht gewond,"
vervolgde ik. »Ik zal het u insgelijks doen." En ik sneed hem neus en
ooren af.
»Wees gegroet, Sid-Moessa!" zeide ik tegen den kreunenden lafaard,
»wacht op mij tot ik om uw leven kom." En wij verlieten de tent.
--Daar buiten stond mijn ros, ik besteeg het en voort gingen wij als de
wind.
--Sedert dien tijd heb ik Sid-Moessa onophoudelijk met mijne wraak
vervolgd. Hij is rijk en drijft grooten handel. Elke karavaan, die hij
afzond, viel mij in handen. Ik nam zijne kameelen en goederen, schonk
den drijvers het leven en de vrijheid en verdeelde zijne rijkdommen
onder de behoeftigen in den omtrek. Thans heb ik hem zoover gebracht,
dat hij van een rijk een bijna arm man is geworden, en weldra zal de
tijd komen, dat ik zijn hoofd ga halen.
--Het laatste wat hij bezat te gelde makend, heeft Sid-Moessa thans voor
dat geld van den Kaïd een troep soldaten gekregen. Het lange
vruchtelooze vervolgen moede, dat hij telkens met eenige manschappen
ondernam, heeft hij besloten mij ginds in de bergen op te sporen.
Hiervan kreeg ik eerst heden morgen vroeg de tijding, tegelijk met het
bericht dat hij reeds op weg was gegaan. Daar er mij alles aan gelegen
is vóór Sid-Moessa bij mijn volk aan te komen, dat hij anders wellicht
overrompelen zou, ging ik dadelijk op weg, vertrouwende op de snelheid
van mijn paard. Op den namiddag bereikte ik een nauwen bergpas, die mij
wel bekend was. Mijn weg voerde daardoor. Doch toen ik de engte uitkwam,
stuitte ik opeens op den troep van Sid-Moessa. Er schoot mij geen andere
weg over; terug kon ik niet; ik _moest_ naar mijn volk. Ik trok mijn
zwaard, en wierp mij op de soldaten, sabelde neer wat mij wilde
tegenhouden, en slaagde er na een korten tegenstand in mij door hen
heen te slaan. Ik snelde voort, maar hoorde achter mij de stem van
Sid-Moessa, die zijne soldaten tot de vervolging aanspoorde, hun alles
belovende zoo zij mij gevangennamen, hetzij levend of dood. Ik behoefde
mijn paard niet aan te sporen, het edele dier liep als een razende.
Mijne vervolgers gaven het op, de een na den ander; eindelijk floten mij
een paar kogels om de ooren. Het was de afscheidsgroet van den laatsten
vervolger, die de onmogelijkheid om mij levend gevangen nemen inzag, en
mij nu toch gaarne dood zou hebben overgeleverd.
--Ik hield een oogenblik mijn paard in, wendde mij om, legde op hem aan
en doodde zijn paard. Nu kon ik onbezorgd mijn rit voortzetten, doch
helaas! mijn arm paard kon niet verder; het overige weet gij.
--Thans kent gij mij, aldus besloot de Arabier zijn verhaal, beschouwt
gij mij als een misdadiger? Vertrouwt gij mij? Wilt gij mij helpen?
--Ja, zeide de luitenant hem de hand reikend, ik wil u helpen; neen, ik
zie in u geen misdadiger. Ik zie in uwe daden slechts de door uwe wetten
en zeden gerechtvaardigde wraak op den laaghartigen vijand.
Ook de kapitein reikte hem de hand.--Vergeef mij, zeide hij, dat ik u
een oogenblik heb willen wantrouwen. Schoon ik weet, dat het niet edel
is wraak te nemen, geloof ik toch, dat ik in uwe plaats eveneens zou
gehandeld hebben.
--Draal nu niet langer, zeide de luitenant; reeds zijn meer dan
anderhalf uur verstreken en uw vijand nadert. Daar, neem mijn paard, en
verwijder u zoo spoedig gij kunt.
[Illustratie: Ik wendde mij om, legde op hem aan en doodde zijn paard.
Bladz. 72.]
De Arabier betuigde zijnen dank op bewogen toon. Hij trad naar het
paard en bekeek het met het oog van een kenner.
--Die zal mij wel brengen waar ik moet zijn, zeide hij. Hier dicht bij
heb ik vrienden, ik zal u vóór zonsopgang een paard zenden; vertrouw
daarop!
Hij liep naar zijn paard, dat daar voor dood neder lag, en deed het den
zadel en het tuig af om het mede te nemen. Doch opeens bewoog zich het
schijnbaar doode dier. De Arabier sprong op van verbazing, en knielde
bij zijn trouw ros neer. Hij klopte het op den nek, streek het over den
kop en het paard, hoe langer hoe meer uit zijne verdooving ontwakende,
hief den kop op en stond na eenige oogenblikken op, waggelend en
sidderend aan al zijn leden.
--Geloofd zij de Profeet, riep de Arabier verheugd, het dier leeft!
--Maar vertrek dan toch, riep de luitenant, vertrek of het is te laat.
--Te laat, bij Allah, neen! dat niet, riep de Arabier, en hij sprong te
paard. Ik heb niet meer noodig u een paard te zenden, zeide hij, zich
goed in den zadel zettend. Geef mijn paard een goed leger en goed
voeder, en morgen ochtend is het weder volkomen gezond en in staat u te
dragen. Neem het van mij in gebruik, ik zal het van u opeischen in ruil
voor het uwe.
--Goed, zeide de luitenant, maar vertrek. Zie, 't is reeds bijna
volkomen nacht. Spoed u heen, eer het te laat is.
--Waarheen gaat ge? vroeg de Arabier.
--Naar Fez, antwoordde de luitenant.
--Naar Fez? zeide de Arabier verwonderd, goed, ik zal u binnen zeer
korten tijd weerzien. Vaarwel! Allah behoede u op uw weg.
--Halt! riep de luitenant opeens, toen de Arabier op het punt was zijn
paard te doen voortgaan. Hoe is uw naam?
--Mijn naam? zeide de Arabier zich voorover buigend. Ik heet
Sid-Abd-Allah, men noemt mij _de geweldige_. En den teugel vierend,
vertrok hij in galop.
IX.
DOOR INSECTEN OVERROMPELD.--DE TARANTULA.
Toen de Arabier te paard springend zijn naam noemde, maakte Selam een
zoo hevig gebaar van ontzetting, dat het door allen werd opgemerkt. Doch
hij was niet de eenige, die verschrikte; ook de drijvers, die op een
kleinen afstand gezeten het verhaal hadden aangehoord, verbleekten en
ontstelden.
--Gij ontstelt, Selam, mijn dappere, zeide de kapitein. Kent gij
Sid-Abd-Allah?
--Ja heer, zeide Selam, wie zou dien naam zonder ontroering kunnen
aanhooren. Hij doet iedereen ontstellen van Tanger tot Fez; door geheel
Marokko wordt hij slechts fluisterend en met vreeze en dankbaarheid
genoemd.
--Is die man dan zoo verschrikkelijk? vroeg de luitenant.
--Ja heer, antwoordde Selam, verschrikkelijk voor hen, die niet
rechtvaardig handelen. Hij treedt overal op als een van Allah gezonden
wreker. Is er een Sheik, een Kaïd, ja zelfs een Pacha, die zijne
onderdanen uitzuigt en mishandelt, kortom, die niet is wat hij behoort
te zijn, dan is hij zeker den een of anderen dag een bezoek van
Sid-Abd-Allah te ontvangen. Menigeen heeft zijne tirannie met den dood
of met verlies van have en goed betaald. En voor de armen is hij als een
afgezant van Allah, als een goede geest. Waar gebrek, waar ellende
heerscht, verschijnt hij en doet wel in den naam van Allah en den
grooten Profeet. Wat hij den rijken dwingeland afneemt, het met bloed
bevlekte geld, geeft hij den armen. Door de rijken, door de ellendige,
wreede, machtige overheden van dit land wordt hij gehaat maar tevens
gevreesd, door de armen wordt hij geëerd en gevreesd, zooals men Allah
en den Profeet vreest.
--Kent ge ook dien Sid-Moessa? vroeg de luitenant.
--Sid-Moessa, heer! antwoordde Selam, is de booze geest van Tanger.
Allah had hem met rijkdommen begunstigd, en de ellendige hond gaf den
bedelaar, die voor zijn huis lag te jammeren van honger en ellende,
eten, dat hij met opzet met zand liet bestrooien.
--He! wat een fielt, zei Dries met een niet te beschrijven verachtend
gebaar.
--Hij kocht de schoonste jonge meisjes der armen met zijn geld, en liet
hem, die zich bij hem om hulp aanmeldde of zich kwam beklagen over de
eene of andere onrechtvaardige daad zijner lieden, met stokslagen
wegjagen. De Kaïd, die met hem heult, is even slecht als hij en staat
geheel onder den invloed van Sid-Moessa door het geld, dat hij hem
verschuldigd is.
De nacht viel snel en een blik naar den horizont werpend, zag men »den
geweldige", die zich met groote snelheid voorwaarts spoedde,
langzamerhand uit het gezicht verdwijnen.
Selam zorgde voor het paard van Sid-Abd-Allah en bewonderde de
schoonheid van het dier, maar daar men den anderen morgen vroeg wilde
vertrekken, begaf men zich spoedig ter ruste.
Vóór de luitenant de tent binnentrad, naderde Selam hem en zeide:--Heer!
gij hebt wel gedaan Sid-Abd-Allah een dienst te bewijzen. Hij zal
voortaan een vriend zijn en zijne vriendschap is voor ons veel waard.
--Des te beter, zeide de luitenant, des te beter. Ik hoop maar, dat hij
niet te lang gedraald heeft om te ontkomen.
--O heer! wees gerust, zeide Selam. Hij zal zijnen vervolgers wel
ontkomen. Eer de nacht half verstreken is, zal hij aan Karia-el-Abbassi
zijn, waar hij een versch paard zal nemen en zoo verder. Bovendien, zei
Selam met de meeste overtuiging, Allah beschermt hem.
De luitenant en de kapitein begaven zich in de tent, en terwijl Mohammed
bleef waken, legde Selam zich insgelijks neder om de eerste uren van den
nacht te rusten, waarna hij de wacht betrok tot den morgen.
Het was nog vóór het krieken van den dag. Selam zat stil bij de tenten
en liet zijnen blik over de uitgestrekte vlakte weiden en over het
zilveren vlak van de rivier de Koes, die zich hier tusschen het terrein
slingerde als eene zilveren streep, hier verborgen door een heuvel of
bosch, daar weder te voorschijn tredend.
Opeens verscheen bij een heuvel aan eene kromming van den weg een
ruiter, die een los paard bij den teugel leidde. Hij naderde in
vliegenden galop, hield op eenigen afstand van de legerplaats stil en
naderde Selam na de paarden aan een struik te hebben vastgebonden.
Selam verroerde zich niet.
De ruiter trad nader; het was een neger. Hij bleef eerbiedig staan, met
het hoofd voorovergebogen.
--Vrede zij met u! zeide hij.
--Allah behoede u! antwoordde Selam, en gaf hem tevens een wenk om zich
neer te zetten.
--Vanwaar komt ge? vroeg Selam.
--Van Karia-el-Abbassi, antwoordde de neger. Sid-Abd-Allah laat de
Christen-krijgslieden groeten.
--Hebt gij het paard medegebracht? vroeg Selam.
De neger knikte, en opstaande liep hij naar de paarden en maakte dat van
den luitenant los en bond het vast bij de andere paarden.
--Het is niet erg vermoeid, zeide de neger weder gaande zitten.
Sid-Abd-Allah heeft het slechts tot Karia-el-Abbassi bereden en het goed
laten voeren. Na een paar uren rust zal het even frisch zijn, alsof het
den geheelen nacht had gerust. Sid-Abd-Allah heeft mij gelast u dit te
zeggen.
--Het is wèl! zeide Selam, heeft de Sheik u niets anders gelast?
--Ja, antwoordde de neger. Sid-Abd-Allah zeide: Zeg aan de Christenen,
dat Sheik Sid-Abd-Allah nooit een bewezen dienst vergeet.
Selam knikte goedkeurend.--Ga, mijn broeder! zeide hij, het is wèl.
Selam zal uwe woorden getrouw overbrengen, wees daar gerust op.
--Vrede zij op uwen weg! zeide de neger, en te paard springend reed hij
weg in zoo snellen galop, dat hij in een oogenblik uit het gezicht was,
het paard van zijnen meester medevoerend, aan hetwelk geen vermoeienis
was te bespeuren.
Toen de neger was vertrokken, rees Selam op en begaf zich naar het paard
van den luitenant. Er was geen spoor aan het dier te zien van den
verbazenden rit, dien het had afgelegd in zoo korten tijd.
--Ik wist het wel, mompelde Selam, het paard streelend. De geweldige
wordt niet te vergeefs beschermd door den Profeet. Zijn paard was bijna
dood en zie het herleeft opeens, en dit is even frisch alsof het in eene
vette weide had geloopen in plaats van een rit te hebben gedaan naar
Karia-el-Abbassi en terug. Allah heeft het dier zeker een toovermiddel
gegeven. Men zegt, dat hij zijn paarden met wijn wascht en met vleesch
voedt.
Een uur na zonsopgang was de karavaan, na de rivier de Koes te hebben
doorwaad, weder op den weg. De luitenant en de kapitein waren in druk
gesprek over het avontuur van den vorigen avond, en evenals Selam
verwonderden beiden zich over de flinke houding van Frank's paard,
waaraan geene gevolgen van uitgestane vermoeienis te bemerken waren.
--Die opmerking van Selam, zeide de luitenant, dat volgens geruchte onze
roover-Sheik zijne paarden laat voeden met vleesch en wasschen met wijn,
herinnert mij aan een verhaal dat ik eens, ik weet niet meer waar, heb
gelezen van een beruchten Engelschen struikroover, een soort van Rinaldo
Rinaldini. Die avonturier werd door de politie vervolgd en had zijne
ontsnapping alleen aan de vlugheid van zijn paard, dat van Arabisch
bloed was, te danken. Toen hij zijne vervolgers een tamelijk eind
vooruit was, gaf hij het een kwartiertje rust in eene herberg op zijnen
weg. Het dier kon dan ook bijna niet meer staan van vermoeidheid. De
roover liet zich een emmer wijn geven en een enormen rauwen biefstuk.
In den emmer met wijn plaatste hij om beurt de pooten van zijn paard,
ze zorgvuldig met den wijn wasschende. Den biefstuk lag hij tusschen
de tanden van het paard, dat het stuk vleesch smakelijk uitzoog zonder
het evenwel op te eten. Terwijl hij daarmede nog bezig was, kwamen de
politieagenten aan om den vluchteling te vatten. Maar de roover sprong
te paard en verdween snel, want het paard was door dat wijnbad en het
buitengewone maal zóó versterkt, dat het nog uren ver den rit volhield
en over schuttingen en muren heen sprong alsof het eerst pas op weg was
gegaan.
--'t Is zonderling, zeide de kapitein, ik heb ook meer van die
vertelseltjes gehoord, maar er nooit het ware van vernomen.
Men reed thans voort over eene uitgestrekte golvende vlakte, dicht
begroeid met laag struikgewas en bezaaid met bloemen van allerlei
kleuren.
Opeens zag men een man naderen. Het was een Arabier. Hij zag er armoedig
uit, had een dikken knoestigen stok in de hand en om den hals hing een
lederen zak aan een riem.
--Het is een koerier van den Sultan, zeide Selam, die naar Tanger gaat.
In den leeren zak heeft hij de brieven van den Sultan en zijne ministers
en van particuliere personen.
De koerier bleef, ons gezelschap genaderd zijnde, verwonderd doch
eerbiedig staan. Hunne betrekking, die hen overal heen voert, doet hen
veel in aanraking komen met Europeanen. Vandaar, waarom deze lieden meer
met deze laatsten bekend zijn en zich ook verstandiger gedragen dan het
meerendeel hunner fanatieke domme landslieden. Hij vroeg, of men ook
brieven naar Tanger had mede te geven? De luitenant en de kapitein gaven
den armen drommel eenig geld, waarmede hij zeer verheugd was, en na het
gebruikelijke: »God behoede u op uwen weg!" ging hij verder.
--Het is een ellendig leven, zei Selam. Zij leggen den weg van Fez naar
Tanger af in vier dagen. Deze loopt door eenzame woeste streken, door
bosschen en dorre vlakten, over rotsige onbegaanbare paden, waar alleen
zoo'n koerier kan voorkomen; zij moeten stroomen overzwemmen en hebben
met den verstikkenden woestijnwind te kampen. En dan komt daar de
weersgesteldheid nog bij, in den zomer brandend heet, in den winter
aanhoudende gure winden en slagregens. Zij loopen dag en nacht, en
slapen slechts een paar uren per dag. Om bijtijds te ontwaken binden zij
zich een koord aan den voet, dat zij aan het eene eind in brand steken.
Het touw heeft een paar uur noodig om af te branden, zoodra nu het vuur
den voet raakt, wordt de koerier daardoor wakker. Een stuk brood en een
paar vijgen is zijn eenigst voedsel op een ganschen dag en het loon, dat
zij voor al die inspanning en vermoeienissen ontvangen, is zeer karig.
Zij loopen gewoonlijk in een draf, en als zij te Tanger of te Fez
aankomen, gaan zij kort daarna weder terug.
--Een mooi baantje, zei Dries, dat van brievenbesteller in Marokko. Ik
moet het bepaald zien te worden!
--Goed, zei de kapitein, ik beloof je mijne voorspraak bij den Sultan.
--Hartelijk dank, kapitein! antwoordde Dries. Maar doe het niet al te
haastig en vooral als gij het eenmaal voor mij verkregen hebt, verras er
mij dan niet plotseling mede, maar zeg het mij zoo omzichtig mogelijk.
Ik mocht van vreugde eens een ongeluk krijgen.
Tegen den avond sloeg men, afgemat van de hitte, het kamp op aan den
voet van den heuvel.
--Weet gij wel, kapitein, zeide de luitenant, wat ik geloof?
--Als gij het mij zult gezegd hebben, zeker wel! antwoordde de kapitein
droogjes.
--Ik geloof, dat we heden nacht niet veel zullen slapen, zeide de
luitenant.
--En dat waarom niet? vroeg de kapitein verwonderd.
--Omdat ik, antwoordde de luitenant, de geheele vlakte, die wij zijn
doorgetrokken, tot hiertoe heb zien leven van de insecten. Elke grashalm
bewoog, de struiken zaten vol, de lucht is er vol van, de steenen waren
er mede overdekt en het zand kan men niet zien door de menigte.
--Eene mooie tijding, voorwaar! zeide de kapitein. Welnu, ik bezweer u,
dat ik zal slapen ondanks dat tuig.
--Zweer niet, waarde kapitein, zeide de luitenant lachend. Ge zoudt in
het geval kunnen komen, dat ge uwen eed niet kondt houden.
Men bleef nog lang genieten van den heerlijken nacht, om zich eindelijk
ter ruste te begeven. De kapitein onderwierp eerst de tent aan een
streng onderzoek, doodde onmeedoogend wat hij vond en legde zich toen
neder. Ook de luitenant en Dries hadden zich te slapen gelegd.
De luitenant lag nauwelijks rustig te bed, of de aanvallers begonnen
zich reeds te vertoonen; maar Frank lag overal heen te kijken en sloeg
ze met een stokje weg, waar zij zich in zijne nabijheid vertoonden. De
kapitein, die zich goed wilde houden, bewoog zich onrustig, en nu en dan
hoorde men een onderdrukten vloek.
Opeens sprong de kapitein op.--Neen, riep hij, dat is niet uit te
houden! Ik geloof waarachtig, dat ze mijn veldbed willen wegslepen.
De luitenant lachte.--Wel, wat heb ik u gezegd? zeide hij.
--Vervloekt, riep de kapitein weder, ik voel ze tegen mijne beenen
opkruipen. Ik hoor ze om mij heen snorren en gonzen. Wacht kanalje! ik
zal je wel helpen, en hij ontstak eene kaars.
Ook Dries was nu van zijn veldbed gesprongen en zelfs de luitenant kon
het ondanks zijne kalmte niet langer uithouden.
Toen er licht was ontstoken, begon men het terrein te verkennen. En
het resultaat was alles behalve geruststellend. Het vermoeden van den
luitenant had zich maar al te zeer bewaarheid; overal wemelde het van
insecten; alles leefde als 't ware. De grond scheen zich te bewegen; de
wanden der tent waren in voortdurende golving. De diertjes klommen op
langs de wanden naar den top en lieten zich daar gekomen naar beneden
vallen. De veldbedden en de kleedingstukken waren er dan ook geheel mede
overdekt.
De slachting begon. Selam, die het gerucht hoorde, kwam te hulp; men
ging aan het doodslaan, aan het verbranden, aan het verjagen, doch het
hielp niets. In korten tijd was de grond bedekt met dooden, maar er
kwamen steeds levenden voor in de plaats. Het was onbegrijpelijk, waar
dat gedierte vandaan kwam; zooveel kon men er niet dooden, dat zij er
zichtbaar door verminderden.
En intusschen was de luitenant als een ijverig insectenkundige bezig de
buitengewone exemplaren in verzekerde bewaring te nemen, zonder zich
overigens veel met de slachting te bemoeien.
--Ha! riep hij uit, dezen neem ik; daar hebben we _cicindela campestris_
of den veld-zandkever, den tijger onder de insecten.
--En hier hebt ge een reusachtigen duizendpoot, riep de kapitein!
Parbleu, wat leelijk beest! En hij vertoonde een duizendpoot van een
decimeter lang en bijna zoo dik als een pink, die zich woedend
kronkelde.
--Mooi! zei de luitenant verheugd, geef hier!
--Ziedaar weder een andere, riep de kapitein hem toe; het beest heeft
moeite om zijn dikken buik te dragen.
--Geen wonder, zeide Dries, de stumpert heeft de waterzucht, zie slechts
hoe zijn buik opgezwollen is. 'k Dacht tot heden, dat alleen de menschen
met die kwaal bevoorrecht waren.
--'t Is _meloe majalis_, riep de luitenant; dat zijn met de _cicindela
campestris_ twee insecten, die wij ook bij ons in Holland hebben.
--Verduiveld, zeide de kapitein, gij doet sterk in Latijn, maar ik maak
aanspraak op eene verklaring van die namen, heer luitenant!
--Met genoegen, antwoordde deze.
--Wil mijnheer nog gediend zijn van monsterhagedissen, reusachtige
sprinkhanen, kolossale krekels of iets dergelijks, riep Dries. Ik heb
hier zoowat van alles. Kan ik u soms dienen met wantsen? Ik heb hier een
partijtje zeer mooie groene, zoo groot als een tien-stuiverstuk, of
houdt u meer van spinnen? Die heb ik in alle grootten en kleuren.
--Hier hebt ge weer zoo'n dikbuik, luitenant! riep de kapitein, wilt ge
er nog meer?
--Welke hebt ge, vroeg de luitenant, die niet goed had geluisterd.
--Welke? wel drommels _dikbuikius waterzuchta_, antwoordde de kapitein,
ge ziet, dat ik ook Latijn ken.
--Nog rupsen, luitenant? vroeg Dries een handvol vertoonende, er zijn
kale en ook die zoo dik met haar zijn bezet, dat een paruikenmaker er
jaloersch op zou worden.
--Belieft mijnheer nog gedrochten of monsters? spotte de kapitein, ik
zie er eenigen van afschuwelijke gedaanten rondkruipen!
--Maar het helpt niet, riep de kapitein wanhopend; zie, de grond is
bezaaid met koppen, vleugels, klauwen en wat al meer, en dat tuig blijft
maar vermeerderen. Ik geloof waarachtig, dat zij onzen ondergang hebben
gezworen. Ho, ho, vriend! een beetje minder onbeleefd, hoor! parbleu! ge
vliegt me bijna een oog uit, en hij sloeg een grooten kever tegen den
grond.
--Hoor eens, kapitein! zeide Dries. Men kan zien, dat dit gespuis
Marokkaansche insecten zijn.
--En waaraan kunt ge dat zien? laat eens hooren.
--Wel, dat tuig is even fanatiek en even fel op de Christenen gebeten
als de bewoners van dit land.
--Juist! riep de kapitein, ik vat het; de zaak is zoo klaar als de dag,
zij vallen ons aan en zijn belust op ons bloed, wijl zij Mahomedaansch
zijn.
--Maar wacht, riep de kapitein opeens, parbleu! dat ik daaraan niet eer
heb gedacht.
--Waaraan? vroeg Dries.
--Wel aan buskruit, antwoordde de kapitein, en hij begon buskruit op den
grond te strooien.
Plotseling, terwijl de kapitein hiermede bezig was, slaakte Selam,
ondanks zijn weinigen afschuw van dat heir van insecten, een
onderdrukten gil en snelde de tent uit.
--Wat scheelt hem? vroeg Dries.
--Ik geloof, dat hij den duivel heeft gezien, zeide de kapitein. Komaan,
laten we het kruit aansteken; ik wensch een einde te maken met dit
gespuis, want ik wil slapen.
Een oogenblik daarna trad Selam weder binnen. Hij had een paar lange
scherpe doornen in de hand. Een oogenblik zag hij behoedzaam rond in een
hoek der tent, toen bukte hij zich en vertoonde aan den verbaasden
luitenant eene tarantula, die aan een doorn zat gestoken.
Het is onmogelijk de uitdrukking van angstigen schrik en ontzetting te
beschrijven, die Selams gelaat teekende, toen hij de spin, zoolang zijn
arm was van zich afhoudende, den luitenant aanbood.
--Drommels! riep deze verheugd uit, eene tarantula! Bravo, Selam, dat is
de beste vangst van den avond.
De kapitein en Dries kwamen nu ook nader om een kijkje te nemen van dat
gevreesde dier, en men beschouwde de tarantula aandachtig. Het was eene
spin van ongeveer 40 millimeter lengte, roodbruin van kleur. Op den rug
had zij eenige dwarsstrepen van eene zwarte kleur met roodachtig witte
randen of zoomen. Op den buik had zij eene zwarte overlangsche streep.
Het zwarte borststuk prijkte met roodachtige lichte vlekken.
De luitenant raakte het dier met den vinger aan, doch Selam trok snel
zijne hand weg.
--O, raak haar niet aan, raak haar niet aan! Zij zou u bijten, zeide hij
ernstig, en dien zij bijt, o, dien moge Allah bijstaan. Hij wordt
razend, lacht, weent en jammert of zingt en stelt zich aan als een kind.
Anderen krijgen slaap of een onweerstaanbaren lust om te dansen, ja, men
wordt er krankzinnig door.
--Dwaasheid, zei de luitenant, zie ik raak haar aan. Selam sidderde.
--En om u te bewijzen, dat haar beet niet die uitwerking heeft, ga ik
mij door haar laten bijten.
--O, heer, riep Selam op de knieën vallend, doe het niet!
Het was te laat. De tarantula, door den luitenant geplaagd en bovendien
reeds woedend door de pijn, die de doorn haar veroorzaakte, beet in den
vinger.
Selam stiet een angstkreet uit, sloeg de handen voor het gelaat en als
door ontzetting aangegrepen, vloog hij de tent uit onder het mompelen
van: »Allah behoede u!"
Die hartstochtelijke ontboezeming van vrees greep nu echter ook den
kapitein en Dries aan en beiden vroegen den luitenant, of hij wel zeker
was van zijne zaak.
--Zeker! antwoordde deze, anders zou ik zoo iets niet doen. Het is een
overal verbreid oud bijgeloof, dat aan den beet van de tarantula zulke
vreeslijke gevolgen toeschrijft. Maar laten wij zien te bed te komen, ik
zal u dan nog het een en ander verhalen als het u niet verveelt.
--Aangenomen, riep de kapitein, komaan, Dries! aan het werk, opdat wij
kunnen slapen.
Nog altijd krioelde het van insecten. Van alle kanten kwamen zij
aanzetten in geregelde troepen. Hier was het eene bende krekels, die
geregeld voortmarcheerden, daar spinnen, rupsen, kortom van alles, en
tot overmaat van smart kwam er eindelijk eene lange kolonne van mieren
opzetten, waarvan het eind niet te zien was.
--Welja, kom vrij binnen, zeide de kapitein, hoe meer hoe liever; hoe
meer zielen, hoe meer vreugd; 't is schooner de overwinning te behalen
over millioenen dan over duizenden. Komaan, Dries, maken wij een begin,
vuur!
Nauwelijks had hij dit gezegd, of Dries stak een hoopje kruit aan. Een
vuurstraal schoot, sissend als eene slang, over den grond recht op den
hoofdtroep van de aanrukkende mierenkolonne aan. Dat gaf eene groote
verwarring; de voorsten werden gedood of gekwetst; de daarop volgenden
wilden terugtrekken, doch werden daarin belemmerd door den ontzettenden
sleep, dien zij achter zich hadden. Door de overmacht gedwongen, drongen
zij weder voorwaarts.
Maar intusschen had de kapitein eene nieuwe slang van kruit gevormd, en
voor de tweede maal werden de mieren door het vuur overvallen. Ditmaal
greep er eene ontzettende wanorde in de gelederen plaats, en de voorste
troep zocht links en rechts een goed heenkomen. De volgende achtten het
nu ook geraden terug te trekken, en zoo sloeg het mierenleger in
volslagen wanorde op de vlucht.
Naar alle zijden strooide men nu buskruit en stak het aan. Het gevolg
bleef niet uit. Tegen dezen vijand waren zelfs de hardnekkigste,
stoutste insecten niet bestand; zij vluchtten naar alle kanten de tent
uit, en weldra was men van deze plaag bevrijd, doch de tent was geheel
met kruitdamp gevuld.
--Zie zoo, zei de kapitein, de slag is gewonnen. Zij zullen ons nu voor
van nacht wel met vrede laten. Laten we nu nog eens dapper rooken om nog
de enkele gevleugelde achterblijvers te verjagen, en we kunnen ons
gereed maken om eens heerlijk te slapen. Kruitdamp en tabaksrook! dat
is ten minste uit te houden voor een soldaat. Het behoort tot het
beroep. Maar dat kanalje! zie ik ben bont en blauw gebeten en gestoken,
en dat zal mij nog wel een poosje wakker houden. Komaan, luitenant, gij
zijt ons opheldering schuldig over de tarantula en die andere plagen van
Marokko; begin zoo gij wilt. Als mijne sigaar op is, ga ik slapen.
Men legde zich neder en de luitenant gaf zijn verhaal ten beste.
--De tarantula, zoo begon hij, heeft haren naam, die Italiaansch is,
geërfd van eene vergiftige spin, die veel voorkwam in den omtrek van
Tarente of Tarento zooals de Italianen zeggen. Men noemde deze spin,
naar de plaats waar zij voorkwam, tarentula. De beet dier spin had, naar
men beweerde, noodlottige gevolgen. Zoo is met eene kleine wijziging in
de letter de naam tarantula ontstaan.
--Dat is duidelijk, merkte de kapitein op.
--De tarantula, vervolgde de luitenant, leeft bij voorkeur op zandige
plaatsen. Zij graaft op zonnige onbebouwde hellingen een gat in den
grond. De opening van dat hol, dat licht zou kunnen instorten, versterkt
zij door een rand van droge planten, welke zij aaneenspint. Van binnen
bepleistert zij haar hol met eene stof, die door de hitte der zon zoo
hard als steen wordt. Door den rand en doordat het eind van het hol
opwaarts loopt, is hare woning beveiligd voor het indringen van vocht of
voorwerpen, die er in konden vallen.
--Een slim dier, zei de kapitein.
--Ja, vervolgde de luitenant, dat zijn trouwens alle spinnen. De
tarantula schijnt des daags te slapen; men ziet haar dan ten minste
zelden. Maar zoodra de zon onder is, komt zij te voorschijn en gaat aan
den ingang van haar hol op de loer liggen en als de nacht eenmaal is
gevallen, verlaat zij het hol om in den omtrek rond te zwerven, loerend
op buit. Heeft zij het eene of andere insect bemachtigd, dan sleept zij
het in haar hol en verslindt het daar op haar gemak, terwijl zij de
onverteerbare deelen weder naar buiten werpt. Deze liggen dan ook
dikwijls opeen gehoopt rondom den ingang.
--Het is dus een roofdier? vroeg de kapitein.
--Dat zijn alle spinnen, antwoordde de luitenant; zij leven van kleine
insecten, uitgezonderd de reusachtige vogelspin van Zuid-Amerika, die
kleine vogels en andere dieren aanvalt en verslindt of uitzuigt.
--Parbleu! zeide de kapitein, die moet dan nog al wat mans zijn.
--Ja, zij is met uitgestrekte pooten zoo groot als eene hand, antwoordde
de luitenant.
--Ba! zeide de kapitein, ik ril als ik er aan denk.
--Maar ik dwaal van de tarantula af. Enkel in den zomer leeft de
tarantula, als ik mij zoo mag uitdrukken, want van October tot in de
lente verkeert zij in een staat van verdooving of winterslaap. Zij stopt
de opening van haar hol dicht met een bal, dien zij op dezelfde manier
maakt, als den rand rondom den ingang. Wanneer men haar gedurende dien
tijd opgraaft, is zij slaperig; loopt waggelend alsof zij dronken is,
weet niet wat zij doet, en men heeft haar dan in het minste niet te
vreezen. Er is geen geval bekend, dat zij gedurende dien toestand bijt.
--Aan het uiteinde van het achterlijf draagt de tarantula een witten zak
zoo groot als een hazelnoot. Dat is de eierzak. In de maanden September
en Augustus komen de jongen uit den zak te voorschijn. Zij zijn
gewoonlijk 600 à 700 in getal.
--Wat blief, riep de kapitein, 600 à 700 jongen? Ik geloof dat ge ons
fopt, luitenant!
--Neen, zei deze, het is volkomen waar. Deze jongen komen uit den zak,
klimmen op den rug der moeder en loopen daarop rond, totdat zij groot
geworden zich overal heen verspreiden om een zelfstandig leven te
beginnen.
--'t Moet een fraai gezicht zijn, zeide de kapitein, eene moeder
wandelende met 6 à 700 kindertjes op haar rug. Zoo'n tarantula-moeder
heeft een enormen rug, luitenant.
Dries lachte, dat hij schaterde.
--En om nu op de gevreesde gevolgen van haar beet te komen, zoo ik het u
heden niet reeds heb bewezen, kan daartoe het volgende dienen. Sinds de
vroegste tijden is dat geloof aan de noodlottige gevolgen van den beet
der tarantula overal verspreid en duurt voort tot in onze eeuw. Men
noemt als die gevolgen: aanhoudend zingen of lachen, weenen en jammeren,
het lijden aan slaapzucht of slapeloosheid; bij anderen braking, eene
razende begeerte om te dansen, uitwasemen, last van huiveringen en
hartkloppingen; weder anderen kunnen sommige kleuren niet verdragen enz.
Om den gebetene te genezen, speelde men hem twee melodieën voor. De
patiënt begint, door de muziek opgewekt, te dansen alsof zijn leven er
van afhangt. Hij raakt bezweet en vermoeid, en valt ten laatste uitgeput
neder. Hij wordt nu te bed gebracht en men laat hem slapen. Als hij
ontwaakt, is hij beter, doch weet niet wat er met hem is voorgevallen.
Bij dat alles verhaalde men nog meer dwaasheden, o. a. dat de kwaal na
zeker tijdsverloop terugkeerde, dat zij 20, 30 of soms wel meer jaren
duurde, dat de beet van de eene tarantula erger gevolgen had dan die van
de andere, en dat deze in de hondsdagen het gevaarlijkste was, maar
daarentegen onschadelijk, als men het dier naar Rome of noordelijker
streken overbracht.
--Doch het onderzoek van verstandige lieden deed weldra zien, hoe weinig
er van dat alles waar was. Von Borsch, een Poolsch edelman, wist door
een geschenk een Napolitaan over te halen zich in zijne tegenwoordigheid
door eene tarantula in den vinger te laten bijten. De man deed het en
had er geen ander letsel van dan eene ontsteking in de hand; de vingers
zwollen op en hij had een hevigen jeuk in de gewonde deelen, doch zij
waren spoedig genezen. Twee andere natuuronderzoekers, Léon Dufour en
Joseph Erker, namen proeven door zichzelven te laten bijten en bewezen
hiermede genoegzaam het overdrevene van dat sprookje.
--Ge ziet al weder, merkte de kapitein op, dat de leugen gemakkelijker
door de wereld komt dan de waarheid. Voor het overige dank ik u wel voor
uwe mededeeling, doch we zijn nog niet aan het einde. Ge hebt ons daar
straks gesproken van een insect, dat gij den tijger onder de insecten
noemdet. Komaan, mijn waarde, biecht op!
--O, gij bedoelt de _cicindela campestris_ of veld-zandkever, dien als
smaragdgroen glinsterenden kever met fraaie roode stippen versierd welke
in de zon schitteren als vuur. Ja, dit is een merkwaardig insect. Ik
noemde het den tijger onder de insecten om zijne wreedheid. Hij is een
zeer roofzuchtig dier tegen hetwelk geen enkel insect bestand is. Hij
snort overal rond, valt alles aan, en moordt met wellust. En zijne
larve[2] (rups) is even merkwaardig als hij. Deze heeft eene zeer
vreemde gedaante, een platten kop en rugschild. Zij is even als de kever
zeer vraatzuchtig, doch oefent de jacht op eene andere manier uit. In
den zandigen bodem waarin zij leeft, graaft zij een verticalen gang, ter
dikte ongeveer van een potlood. Die gang is 6 tot 18 duim lang. Het
uitgegraven zand brengt zij met den platten kop en het rugschild naar
boven. Is deze gang klaar, dan gaat zij er in zitten en verbergt er zich
in. Alleen de platte kop komt gelijk met de opening van den gang en
sluit dien als een deksel, en daar zij dezelfde kleur als het zand van
den bodem heeft, is zij niet gemakkelijk te onderscheiden. Zoo blijft
zij stil zitten, wacht op eenig insect en zoodra zij iets voelt op den
kop, trekt zij zich plotseling terug. Het insect aldus den bodem onder
zich voelende verdwijnen, stort in den kuil, waar het door de larve
gegrepen, uitgezogen en geheel fijn gekauwd wordt. Het overblijvende
draagt zij op den kop naar boven en werpt het buiten haar hol.
[2] De kevers zijn evenals de vlinders aan gedaanteverwisseling
onderworpen.
--Dat is dus een levende val en de kop is het valluik, zeide de
kapitein.
--Juist, antwoordde de luitenant. In dat hol verpopt de larve ook; zij
spint te dien einde de opening eenvoudig toe. De pop is te herkennen aan
12 uitsteeksels, die op doorntjes gelijken. Uit dezen pop komt onze
kever te voorschijn. Ziedaar! ik hoop, dat uwe nieuwsgierigheid nu
voldaan zal zijn, want ik heb slaap.
--Laat zien, zei de kapitein, er moet bepaald nog wat komen, want mijne
sigaar is nog niet uitgerookt.
--Dat is zoo, zeide Dries, waar blijft de dikbuik, luitenant?
--De dikbuik? zeide deze vragend.
--Wel ja, de waterzuchtige, zeide Dries.
--_Dikbuikius waterzuchta_, voegde de kapitein er tot opheldering bij.
--O, riep de luitenant, ge bedoelt _meloe majalis_. Dat is eene soort
van Spaansche vlieg.
--Wat blief, zeide de kapitein vragend, een soort van Spaansche vlieg en
het is een kever?
--Zeker, zeide de luitenant, de zoogenaamde Spaansche vlieg is ook een
kevertje en allerminst eene vlieg. Hij behoort tot de blaartrekkende
kevers, en de Spaansche vlieg, die wij in onze apotheken koopen, is
een van die soort. Die gij mij heden hebt bezorgd, is zeer mooi. De
metaalgroene en zwarte kleur steekt fraai af bij de purpere randen van
het borststuk. Op de bovenzijde van ieder gedeelte van het achterlijf
heeft zij eene koperkleurige glanzende vlek. De buik is lichtgroen en de
voorzoom van elke geleding is koperrood. Een fraai insect, dat we ook in
Holland aantreffen.
--Dat insect legt een grooten klomp oranjekleurige eieren, uit welke
kleine witte larven komen, die op planten kruipen, en zich in eene bloem
verbergen. Hier wacht zij tot eene bij de bloem bezoekt, dan hecht zich
het kleine wormpje aan de bij en wordt door deze medegevoerd naar het
nest. Zoodra de bij nu haar ei legt, laat de larve zich daarop neer
en eet het op. Daarna vervelt zij en wordt eene larve zonder pooten,
gebruikt als voedsel de honig uit de cel, verandert nog een paar malen
van huid en gedaante tot zij eindelijk overgaat in een pop en daaruit
als volkomen insect de wereld intreedt.
--Verduiveld, luitenant! zeide de kapitein, gij hebt ons zooveel
verhaald, dat mij belang inboezemt, dat ik geloof zin in de
insectenkunde te krijgen, en tot dank beloof ik u, dat als we eenmaal
thuis teruggekeerd zullen zijn, en ik dus weder te Algiers ben, ik u
eene prachtige verzameling insecten zal zenden.
--Dat neem ik aan, zeide de luitenant, maar als gij de beesten levend
zendt, vergeet dan niet ze voedsel te geven. De reis is lang.
--En nu, rust wel, zeide Frank, en hij strekte zich behagelijk uit, om
het overige gedeelte van den nacht eens rustig te slapen, welk goed
voorbeeld ook door den kapitein en Dries werd gevolgd.
X.
DE STERREN EN HET ZANDMANNETJE.
Men herinnert zich, dat kapitein Daumas bij zijne kennismaking met zijne
reisgenooten, pogende hen van de voorgenomen reis naar Fez te doen
afzien, o.a. ook had gezegd: »Uw weg loopt bovendien door het land
der Beni-Hassen, dat wil zeggen door het land van het bloeddorstigste
roovers- en moordenaarsgespuis van geheel Marokko, ware duivels, die
niemand door hun land laten trekken."
En thans den tweeden dag na het hiervoren verhaalde, in den middag,
overschreed men de grenzen van dat beruchte land der Beni-Hassen. Geen
wonder dan ook, dat men alle maatregelen van voorzorg nam. Men had de
wapens nagezien en ze in orde bevonden. Men had in de laatste dagen
met voordacht korte marschen gemaakt om de lastdieren niet te veel te
vermoeien, want het kon gebeuren, dat men vroeg of laat hunne kracht en
vlugheid op eene zware proef zou moeten stellen. De liefhebberijen van
den luitenant en den kapitein bleven rusten tot men dit beruchte land
zou doorgetrokken zijn en Selam verdubbelde zijne waakzaamheid.
Na tot aan den avond met de grootste behoedzaamheid te zijn
voortgetrokken, sloeg men de tenten op den top van een heuvel op, te
midden eener groote opene vlakte. Slecht enkele alleen staande boomen
vertoonden zich hier en daar. Nauwelijks zat men rustig bij elkaar te
praten, of eensklaps verschenen twee Arabieren in het kamp. Vanwaar
zij gekomen waren, wist niemand; men had hen niet van te voren bemerkt.
Mogelijk was dit gekomen door de drukte bij de aankomst. De kerels, die
een hoogst ongunstig voorkomen hadden, boden kippen en eieren, welke
laatste zij in groote ronde, van stroo gevlochten dooz
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/36973