Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Cleopatra: historische roman van George Ebers

by Georg Ebers · Dutch · Gutenberg #36294 · 941,755 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Cleopatra: historische roman van George Ebers
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Cleopatra: historische roman van George Ebers

Author: Georg Ebers

Translator: Louise Stuart


        
Release date: June 3, 2011 [eBook #36294]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/36294

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
        http://www.pgdp.net


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK CLEOPATRA: HISTORISCHE ROMAN VAN GEORGE EBERS ***




Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net





  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.                 |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd.                                                  |
  | Variaties in spelling (met/zonder trema, ae/æ, met/zonder      |
  | afbreekstreepje, variatie aanhalingstekens) zijn behouden.     |
  |                                                                |
  | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_.  |
  | Vette tekst is weergegeven als $vet$. In het origineel         |
  | uitgespatiëerde tekst is weergeven als ~uitgespatiëerd~.       |
  |                                                                |
  | Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de         |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+


CLEOPATRA




                               CLEOPATRA

                           HISTORISCHE ROMAN

                                  VAN
                              GEORGE EBERS

                     ~UIT HET HOOGDUITSCH VERTAALD~

                                  DOOR

                             LOUISE STUART

                              TWEEDE DRUK

                               AMSTERDAM
                        VAN HOLKEMA & WARENDORF




VOORREDE.


Wanneer men somtijds wilde beweren dat de sentimenteele liefde van onzen
tijd aan de Heidensche oudheid vreemd is geweest, dan wees de schrijver
van dit boek in de eerste plaats op het minnend paar Antonius en
Cleopatra, en op het testament van dien krachtigen Romeinschen veldheer.
Hij had daarin den wensch geuit om, waar hij ook zou sterven, begraven
te worden naast de vrouw, die hem tot het einde toe zoo dierbaar was.
Aan dat verlangen werd voldaan, en het innig verbonden leven dezer twee
zeer buitengewone menschen, dat aan de geschiedenis behoort, heeft reeds
meer dan eens een welkome stof geleverd aan kunst en poëzie.

Vooral ten opzichte van Cleopatra, is hun beider bestaan gehuld in een
weefsel van romantiek, die zeer nabij komt aan de sprookjeswereld.
Zelfs haar ergste vijanden bewonderen hare schoonheid, en de zeldzame
geestesgaven die zij heeft bezeten. Daarentegen behoort haar karakter
tot de moeilijkste raadsels der zielkunde. De slaafsche geest der
Romeinsche dichters en schrijvers, die niet openlijk konden of wilden
erkennen welk een schitterend licht er uitging van de vijandin van hun
Staat en Keizer, hebben dat vraagstuk verklaard ten haren nadeele. Alles
wat Aegyptisch heette was bij de Romeinen gehaat of verdacht, en zij
konden aan deze vrouw, die te huis behoorde aan den Nijl, moeilijk
vergeven, dat zij eenmaal een Julius Caesar aan hare voeten had gezien,
en Marcus Antonius aan zich had onderworpen. Andere geschiedschrijvers,
met Plutarchus aan hun hoofd, hebben het raadsel eerlijker opgelost,
meermalen zelfs ten gunste van Cleopatra.

Het was voor den schrijver een aangename taak de persoon dier
ongelukkige Koningin nader te leeren kennen, en uit het groote
aantal der bestaande oorkonden allereerst voor zich zelven een
menschelijk beeld te scheppen, waarin hij zelf gelooven kon. Jaren
zijn voorbijgegaan eer hij daarmede gereed was; doch nu, terwijl hij
zijn voltooide schilderij beziet, vreest hij dat misschien menigeen
bezwaar zal hebben tegen de helderheid zijner kleuren. Toch zou het
den maker geen moeite kosten, iedere tint die hij gebruikt heeft, te
rechtvaardigen. Wanneer hij, onder het werken, zijn heldin leerde
liefhebben, dan was dat, omdat hoe duidelijker deze merkwaardige
vrouwen-figuur vóór hem stond, hoe levendiger hij gevoelde en helderder
inzag, dat zij niet alleen medelijden en bewondering verdiende maar ook,
met al hare zwakheden en gebreken, die toewijding en liefde, die zij bij
zoovelen heeft gewekt.

Niemand minder dan Horatius heeft Cleopatra dan ook genoemd: "non
humilis mulier",--een vrouw, die tot geen laagheid in staat was. Dit
woord verkrijgt echter zijn grootste beteekenis, wanneer men weet dat
het prijkt in de hymne, die de dichter heeft gewijd aan Octavianus en
zijne overwinning over Antonius en Cleopatra. Het was stoutmoedig van
hem, in zulk een lied de vijandin van den overwinnaar met zooveel lof te
vermelden. Toch heeft hij dat gewaagd, en zijn woord, dat men een daad
mag noemen, behoort tot de schoonste eeretitels der veel miskende vrouw.

Het had helaas een minder krachtige uitwerking dan het oordeel van Dio,
die meermalen de mededeelingen van Plutarchus verminkt, en zich dan ook
voornamelijk aansluit bij de comedie of de volksverhalen, die niet
durfden wagen te Rome de Aegyptische Vorstin in een gunstig daglicht te
plaatsen.

Billijker dan de meeste Romeinsche berichtgevers toont zich de Griek
Plutarchus, die, ook ten opzichte van den tijd, onze heldin naderbij
kwam dan Dio. Zijn grootvader had zelfs nog allerlei dingen omtrent
Antonius en Cleopatra gehoord van zijn landgenoot Philotas, die
gedurende de glansperiode van het beroemde paar te Alexandrië, in die
stad als student verblijf had gehouden. Van alle schrijvers die van de
Koningin melding maken, is hij de vertrouwbaarste, doch ook van zijne
verzekeringen moet met omzichtigheid gebruik worden gemaakt. Wij hebben
ons, ook in de bijzonderheden, gehouden aan de aanschouwelijke en
duidelijke beschrijving die Plutarchus geeft van de laatste levensdagen
onzer heldin. Zij draagt geheel den stempel der waarheid, en het zou
willekeur geweest zijn daarvan af te wijken.

De Aegyptische bronnen bevatten helaas niets, wat van eenig belang
is voor de ware schatting van Cleopatra's karakter, ofschoon wij
afbeeldingen bezitten van de Koningin alleen, of met haar zoon
Caesarion. Eerst in den allerlaatsten tijd (1892) werd te Alexandrië een
fragment gevonden van een kolossaal standbeeld van twee personen, dat
zeer waarschijnlijk Cleopatra voorstelt hand aan hand met Antonius.
Het bovenste gedeelte der vrouwen-figuur is tamelijk goed bewaard
gebleven, en vertoont een bevallig gevormd, jeugdig vrouwen gelaat.
De mannen-figuur is zeker vernietigd, toen op bevel van Octavianus,
alle standbeelden van Antonius vernield moesten worden. Aan Dr. Walther
te Alexandrië zijn wij een goede photographische afbeelding van dit
merkwaardig beeld verschuldigd. Behalve dat, zijn er betrekkelijk weinig
werken der beeldende kunst overig, de munten medegerekend, waaruit wij
het uiterlijk onzer heldin konden leeren kennen.

Hoewel het den dichter vóór alles moet te doen zijn om zijn werk tot
een kunstwerk te maken, zoo gevoelt hij daarbij toch den plicht om
te streven naar getrouwheid. Evenals het beeld der Koningin moet
overeenkomen met hare persoonlijkheid, zoo moet ook het leven, dat
in dit boek wordt weergegeven, in iederen trek beantwoorden aan de
beschaving van het tijdperk dat geschilderd wordt. Om dit doel te
bereiken hebben we onze heldin geplaatst in het midden van een wijden
kring van menschen, op wie zij invloed heeft, waardoor het mogelijk
werd hare persoonlijkheid voor te stellen in de meest verschillende
verhoudingen met anderen.

Mocht het den schrijver gelukt zijn het beeld der merkwaardige vrouw,
die zoo verschillend beoordeeld is geworden, niet minder "levend" en
geloofwaardig voor de oogen zijner lezers te stellen dan het zich heeft
afgedrukt in zijn eigen geest, dan zou hij met voldoening mogen terug
zien op de uren, die hij aan dit boek heeft gewijd.

                                                      GEORGE EBERS.




EERSTE HOOFDSTUK.


Sinds lang had de bouwmeester Gorgias van Alexandrië geleerd de hitte
der Aegyptische middagzon te weerstaan. Ofschoon hij nog geen dertig
jaren telde, was hij het geweest die, eerst als medehelper van zijn
vader, en na diens dood als zijn opvolger, de groote gebouwen opgericht
had, waarmede Cleopatra de stad had verrijkt. Ook nu had zij hem weder
een nieuwe taak opgedragen, en toch had hij zich, nog vóór het rustuur
hierheen begeven, om aan den wensch te voldoen van een jongeling, die
nog nauwelijks den knapenleeftijd ontwassen was.

Dit offer gold dan ook niemand minder dan Caesarion, den zoon van
koningin Cleopatra en den grooten Julius Caesar. Antonius had hem met
den trotschen naam van »Koning der koningen" vereerd--maar daarom was
het hem toch in geenen deele vergund te bevelen of heerschappij te
voeren; integendeel, zijne moeder hield hem geheel van de regeering
buitengesloten, en hij zelf verlangde evenmin daarnaar. Zoo had dus
Gorgias, indien hij gewild had, aan zijn verzoek geen gehoor behoeven
te geven, en dit te meer, daar het hem duidelijk bleek, dat Caesarion
hem in het geheim wilde spreken. De bouwmeester kon in de verte niet
vermoeden wat hij hem wilde mededeelen, in ieder geval zou het onderhoud
niet lang kunnen duren, want de vloot, waarmede de koningin en Marcus
Antonius naar Griekenland overgestoken waren, moest nu reeds die van
Octavianus hebben ontmoet, en zoo was waarschijnlijk de slag geleverd,
die het lot der wereld beslissen zou. Gorgias geloofde dat Antonius
en de koningin overwinnaars zouden zijn, en hij wenschte dit het
doorluchtig paar van harte toe. Zelfs moest hij handelen alsof de
uitslag van den strijd reeds verzekerd was, want hij moest de
toebereidselen tot de plechtige ontvangst der overwinnaars leiden,
voor zoover die tot zijn vak behoorden, en nog heden bepalen waar het
kolossale beeld moest opgericht worden, dat Antonius voorstelde met
zijne koninklijke geliefde aan de hand.

Mardion, een eunuch, dien Cleopatra in hare afwezigheid als Regent had
aangesteld, en de groot-zegelbewaarder Zeno, die zelden in gevoelen met
hem verschilde, wenschten het op een andere plaats te zien. Dit had
echter tegen, dat dan een stuk grond, dat privaat eigendom was, daarvoor
gebruikt moest worden, en hieruit konden moeilijkheden ontstaan, die
Gorgias afschrikten. Maar ook als kunstenaar kon hij met het plan van
Mardion niet ingenomen zijn, want op den grond van Didymus zou het beeld
wel aan de zee staan, zooals de Regent en de zegelbewaarder vooral
wenschten, maar het zou daar geen achtergrond hebben. In ieder geval
kon de bouwmeester zich nu het verzoek van Caesarion ten nutte maken
om van de plaats der bijeenkomst, de hooge trappen van den Isistempel,
het Bruchium te overzien, en een geschikte plek voor zijn beeld uit te
zoeken. Er was hem veel aan gelegen die te vinden, want de meester die
dit kunstwerk had vervaardigd, was zijn vriend geweest en had kort na de
voltooiing er van de oogen gesloten.

Het heiligdom, van waaruit Gorgias zijn onderzoekenden blik in het rond
liet gaan, lag op een der schoonste gedeelten van het Bruchium. In deze
wijk van Alexandrië stonden de koninklijke paleizen met alles wat
daarbij behoorde, de prachtigste tempels (het Serapeum, dat in een
ander deel der stad lag, niet medegerekend) en de grootste schouwburgen
der stad. Hier riep het Forum den raad der Macedonische burgers tot
hunne vergaderingen bijeen, en bood het Museum een tehuis aan de
geleerden. Het kleine plein, dat den Isistempel ten oosten begrensde,
werd gewoonlijk den Muzenhoek genoemd, ter eere van de marmeren
vrouwenbeelden vóór de poort van het huis, dat met zijn grooten tuin
de noordzijde, naar de zee toe afsloot, en dat aan den ouden algemeen
geachten geleerde Didymus behoorde, die ook lid van het Museum was.

Het was een warme dag geweest, en het voorhof van den Isistempel bood
den bouwmeester een welkome schaduw. Dit heiligdom rustte op een hoogen
onderbouw, en een trap van vele treden leidde naar het inwendige
gedeelte. Van hieruit had Gorgias een ruim vergezicht. De meeste
gebouwen die hij hier zag waren uit den tijd van Alexander en van zijn
opvolgers uit het geslacht der Ptolemaeërs, maar enkele, en dat niet
de slechtste, waren zijn eigen werk of dat van zijn vader. Die aanblik
deed zijn hart kloppen, en vervulde hem met geestdrift en vreugde. Hij
had Rome gezien en menige andere stad, die tot de allerschoonste en
volkrijkste werden gerekend, maar nergens was zulk een tal van heerlijke
kunstwerken bijeen als in zijne vaderstad. »Al wilden de goden zelve
beproeven," dacht hij, »om voor de bewoners van den Olympus een woning
te bouwen, die met hunne grootheid en schoonheid in overeenstemming was,
toch zou die niet veel rijker kunnen zijn, noch meer aan de behoefte van
het kunstenaars gemoed voldoen, dan de gebouwen aan het strand van zulk
een zee." Daarbij hield hij de hand boven de oogen, en de man die anders
al zijn oplettendheid wijdde aan de kleine bijzonderheden van het werk
dat hem bezighield, gunde zich nu eens het genot van den indruk dien het
geheel op hem maakte, en waartoe hij zelf zooveel bijgedragen had. En
terwijl hij met zijn kennersoog aan iederen tempel en zuilengang de
harmonie en volmaaktheid der vormen bewonderde, haalde hij diep adem en
bekende bij zich zelven, dat zijne kunst toch de schoonste van allen
was, en dat niets haalde bij het oprichten van koninklijke gebouwen.

Zeker hadden de vorsten, die sinds driehonderd jaren in deze omgeving
al die paleizen hadden doen verrijzen, hetzelfde gedacht. Zij hadden
daardoor zoowel de grootte van hunne macht en hun rijkdom, als hun
eerbied voor de goden en de liefde voor het schoone en de kunst getoond.
Geen enkel koningsgeslacht op aarde kon zich beroemen op een prachtiger
woonplaats. Ook dit erkende de bouwmeester, terwijl het donkerblauw van
de zee en den hemel zich verbond met het licht der zon, om alles wat
kunst en vernuft van den mensch hier te voorschijn geroepen had, in zijn
volle schoonheid te doen uitkomen. Het wachten, dat den werkzamen man
dikwijls moeilijk viel, werd hier op dit uur tot een genoegen. De
stralen uit de diadeem der koningin de Zon, overgoten naar alle zijden
de witmarmeren zuilen met een schitterend licht, en spiegelden zich op
het vlak van het gepolijst graniet der obelisken, en de niet minder
gladde wanden van wit, geel en groen marmer, syeniet en bruin gevlekt
porfier, aan heiligdommen en paleizen. Het was alsof zij de bonte
mozaïkfiguren, die den grond bedekten, overal waar geen rijweg dien
doorsneed, noch boomen groeiden, wilden doen ineensmelten, terwijl het
blinkend metaal of het glazuur der tichels op de daken ze schitterend
terugkaatste. Hier gleden die stralen langs de metalen sieraden, dáár
schenen zij in glans te wedijveren met de vergulde koepels, en weer
verder gaven zij aan het fraai groen der met platina overtrokken bronzen
oppervlakte, den gloed van smaragd. De blauw en rood geverfde deelen van
den marmeren tempel werden in lazuursteen en koraal, en de vergulde in
topaas veranderd. De afbeeldingen op den ingelegden vloer en aan de
binnenmuren der zuilengangen staken nu nog duidelijker dan anders af
bij de witte marmerblokken er om heen. Daardoor boden deze in plaats van
schitterende eentonigheid, nu het oog een aangename afwisseling aan.

Hoe werd ook de kleurenpracht van vlaggen en wimpels, die naast de
obelisken en pylonen, van triomfbogen, tempels en paleizen waaiden, door
het licht der avondzon verhoogd! Doch schooner nog dan het kostbare
purperblauw der vlag op het paleis, dat op het schiereiland Lochias
stond, en waar nu de kinderen van Cleopatra woonden, was de kleur van de
zee, die dicht bij de kust het donkerst, verderop steeds lichter blauw
werd, doorspeeld met bewegelijke strepen van wit en helder groen.

Wanneer Gorgias van een schoon natuurtooneel of kunstwerk genoot, dan
was hij gewoon den indruk, dien dat maakte, ongestoord op zijne ziel te
laten inwerken, en daarbij alles om zich heen te vergeten. Toch had hij
ditmaal het doel niet uit het oog verloren, waarvoor hij hier gekomen
was. Neen, de tuin van Didymus was toch niet de rechte plaats voor het
laatste werk van zijn vriend!

Terwijl hij de hooge platanen, sykomoren en mimosa's, die het oude huis
van den geleerde omgaven, nog eens onderzoekend bezag, kwam er op het
stille plein daar beneden op eens leven. Van alle zijden stroomde het
volk voor Didymus' huis bijeen, alsof daar wat bijzonders was te zien.
Wat zouden die lieden toch verlangen van den teruggetrokken man? Hij
keek oplettend toe, maar keerde zich weldra weder om, daar op eens zijn
eigen naam hem van beneden in de ooren klonk.

Een wonderlijke optocht naderde den tempel. Het was een troepje
gewapenden, voorafgegaan door een breedgeschouderden kleinen man, wiens
groot zwaargelokt hoofd door een dubbelen lauwerkrans was gesierd, en
die in een levendig gesprek gewikkeld was met iemand die veel jonger
scheen. Vóór de trap van den tempel was hij met zijn gevolg blijven
staan om den bouwmeester te begroeten, en deze riep hem van boven af
eenige vriendelijke woorden toe. Nu maakte de bekranste zich gereed om
de trap op naar hem toe te gaan, maar zijn metgezel hield hem daarvan
terug, en na een korte woordenwisseling gaf hij den jongen man de hand,
wierp het zware hoofd in den nek, en trok, trotsch als een pauw, met
zijn gevolg verder. De ander zag hem schouderophalend na, en riep
Gorgias vragend toe, wat hij daarboven van de godin begeerde.

»Uw bijzijn," riep de bouwmeester vroolijk terug.

»Dan wil Isis u heden hare gunst bewijzen," luidde het wederwoord, en
een oogenblik later schudden de beide jonge mannen elkander hartelijk
de hand. Beiden waren welgevormd en groot; beider gelaat getuigde van
hunne Grieksche afkomst, en men had hen bijna voor broeders kunnen
houden, indien niet aan den bouwmeester alles krachtiger en minder
schoon gevormd geweest was dan aan den ander, dien hij »Dion" en zijn
vriend noemde.

Deze begon dadelijk den spot te drijven met den bekranste die hem
zooeven verlaten had, en die Anaxenor heette. Hij was een beroemd
citerspeler, wien Antonius de inkomsten van vier steden had geschonken
en daarbij de vergunning om een lijfwacht te houden. Gorgias deed met
zijne zware stem lustig mee, maar weerhield hem ook nu en dan door een
verstandige opmerking om al te ver te gaan. Het bleek hieruit duidelijk
hoe verschillend de beide vrienden van karakter waren, ofschoon
van één leeftijd en van eenzelfde afkomst. Wel bezaten beiden een
zelfvertrouwen, dat voor hunne jaren ongewoon was, doch de bouwmeester
had zich dat door arbeid en verdienste verworven, terwijl Dion het aan
rijke bezittingen en een onafhankelijke positie te danken had. Als men
niet wist dat Dion in den raad der stad reeds meer dan eens door het
gewicht van zijn weldoordachte en goed uitgesproken redevoeringen bij
een besluit den doorslag gegeven had, dan zou men hem licht voor een
van die zorgelooze, wereldsche rijke lieden gehouden hebben, waaraan
het onder de jeugd van Alexandrië toenmaals niet ontbrak. Aan den
bouwmeester echter sprak alles, van den blik zijner oogen af tot aan het
grove leder der sandalen toe, van een ernstigen geest en de bescheiden
degelijkheid van zijn geheele persoon.

Zij hadden vriendschap gesloten toen Gorgias voor Dion een nieuw paleis
had gebouwd, in de plaats van het oude, waar zijn familie had gewoond.
Bij zulk een langdurigen omgang, vooral wanneer het niet enkel om
voorschrift en uitvoering is te doen, komt men licht nader tot elkander.
Daarenboven was in dit geval hij, die de opdracht deed, slechts de
wenschende en raadplegende, de kunstenaar daarentegen de hartelijke
vriend geweest, die zijn beste krachten inspant om tot werkelijkheid
te maken wat den ander als het hoogste voor oogen staat. Op deze wijze
hadden zij elkander leeren waardeeren, en eindelijk was de een den ander
onmisbaar geworden. Evenals de bouwmeester in den jongen aanzienlijken
man veel had ontdekt dat hij niet vermoed had, zoo was het ook voor
dezen een verrassing geweest in den ernstigen kunstenaar een geschikten
makker te vinden, dien het--en dat maakte hem zijn vriend nog
dierbaarder--geenszins aan kleine fouten ontbrak.

Zoodra het paleis tot tevredenheid van Dion en als een sieraad der
stad was voltooid, verkreeg de vriendschap der jonge lieden een nieuwe
gedaante, en het zou moeilijk zijn te zeggen, wien van de twee zij het
meeste waard was.

Zooeven was Dion door den citerspeler aangehouden, omdat deze hem naar
bevestiging vroeg van het bericht dat de vereenigde strijdmacht van
Antonius en Cleopatra een groote overwinning had behaald, te water en te
land.

In het eethuis te Kanopus, waar hij zijn ontbijt had gebruikt, waren
allen reeds vol geweest van de blijde tijding, en er was veel wijn
gedronken op het welzijn der overwinnaars en den ondergang van den
vijand.

»Nu is het," riep Dion, »dezer dagen niet alleen de onnoozele
citerspeler die mij voor alwetend houdt, maar ook menig verstandig
mensch. En dat waarom? Omdat ik de neef ben van den zegelbewaarder Zeno,
die zelf wanhopig is, omdat hij niets weet, zelfs het allergeringste
niet."

»Maar hij staat ook het dichtst bij den Regent," merkte Gorgias op, »en
zoo iemand, dan moet hij toch hooren wat er met de vloot is gebeurd."

»Zegt gij dat ook al!" klaagde de ander. »Als ik zoo vaak op een steiger
of muur, hoog boven den grond moest staan als gij, architect--wel, bij
den Hond, dan zou het mij niet zijn ontgaan uit welken hoek de wind
waait. Nu reeds sinds veertien dagen blaast hij uit het zuiden en houd
de schepen tegen, die van het noorden komen. De Regent weet niets, in
het geheel niets, en mijn oom natuurlijk even weinig. En wanneer zij
al iets wisten, zouden zij wel zoo wijs zijn om niet ook mijne kennis
daarmede te verrijken."

»Er zijn toch ook andere geruchten," zeide de bouwmeester bedenkelijk.
»Als ik in Mardions plaats was..."

»Zeg de goden dank, dat gij het niet zijt," lachte de ander. »Hij zit in
de zorgen, als een visch in zijn schubben. En die eene, de grootste van
allen... daaraan brandde zich gisteren de jonge onnoozele Antyllus, toen
hij bij Barine was. Arme knaap! Te huis kreeg hij zeker nog heel wat
daarover te hooren van zijn gouverneur."

»Gij meent zijne aanmerking op de tegenwoordigheid der koningin bij de
vloot?"

»Stil!" viel Dion hem in de rede, en legde den vinger op zijn mond; want
vele mannen en vrouwen kwamen de trap van den tempel op. Verscheidene
droegen bloemen en koeken in de hand, en op het gelaat van de meesten
lag blijde ontroering. De tijding van een overwinning was ook hen ter
oore gekomen, en nu wenschten zij een offer te brengen aan de godin, die
Cleopatra, »de nieuwe Isis", boven alle andere begunstigde.

In het voorhof van het heiligdom heerschte groote levendigheid. Men
hoorde het gekletter der ringen aan het sistrum[1], en het halfluid
gezang der priesters. Het stille voorportaal van het kleine heiligdom
der godin, dat hier in de Grieksche paleizenwijk even weinig bezocht
werd als de groote Isistempel in de Rhakotis overvol placht te zijn, was
nu de allerongeschikste plek geworden, waar mannen, die de leiders der
staatszaken zoo van nabij kenden, elkander rustig konden spreken. Het
gezegde van Antyllus, de negentienjarigen zoon van Antonius, dat hem
ontsnapt was in het huis van Barine, een jonge, schoone vrouw, die alle
aanzienlijke jonge lieden van Alexandrië tot zich trok, was des te
onvoorzichtiger, omdat het zoo geheel overeenkwam met het gevoelen der
meer verstandige menschen. De lichtzinnige jongeling koesterde eene
dwepende vereering voor zijn vader, maar Cleopatra, die door de
Aegyptenaren als diens wettige gemalin werd beschouwd, was niet zijne
moeder. Dat was Fulvia, de eerste vrouw zijns vaders geweest; daarom
gevoelde hij zich vóór alles Romein, en zou duizendmaal liever aan de
Tiber gewoond hebben dan hier. Daarbij was het een uitgemaakte zaak, die
de beste vrienden zijns vaders niet verhelen konden, dat de aanwezigheid
der koningin bij het leger Antonius hinderde, en afbreuk moest doen aan
den koenen moed van den veldheer. Dat had Antyllus met de onvoorzichtige
openhartigheid, die hij van zijn vader had, uitgesproken ten aanhoore
van alle gasten van Barine, en wel in een vorm, die te Alexandrië, waar
men zoo iets aardig vond, maar al te snel verbreid werd.

[1] Geraasmakend muziekinstrument, bij den Isisdienst in gebruik.

Tot de geringe lieden die in den tempel bijeengebracht waren door het
bericht der overwinning, drong iets dergelijks slechts langzaam door,
maar menigeen kende zeker den zoogenaamden koning Cæsarion, dien de
bouwmeester hier verwachtte. Daarom vond hij het geraden den zoon der
koningin beneden aan de trap te ontvangen. Zoo daalden dan beiden af
naar het plein, doch de talrijke menigte die hier den tempel binnenkwam
en daar voor het huis van den geleerde bijeenstroomde, maakte hun het
heen en weer gaan zeer moeilijk. Zij waren beiden verlangend om te weten
of het gerucht, dat men Didymus zijn tuin wilde ontnemen, om er het
standbeeld te plaatsen, zich reeds had verbreid, en al spoedig vernamen
zij, dat dit werkelijk zoo was. Men zeide zelfs dat ook het huis moest
worden gesloopt, en dat wel binnen enkele uren. Natuurlijk verhief zich
daartegen een felle tegenstand, maar een lange magere man scheen zich
tot taak gesteld te hebben de overheid te verdedigen.

De beide vrienden kenden hem wel. Het was de Syriër Philostratus, een
knap improvisator en volksredenaar die de slechtste zaken verdedigde
en zijn gladde tong ter beschikking stelde van ieder, die hem goed
betaalde. »Thans," zeide Dion, »staat de schelm zeker in dienst van mijn
oom. Het denkbeeld om het beeld daar ginds te plaatsen, is immers van
hem afkomstig, en het zal moeilijk gaan hem van zoo iets af te brengen.
Daarbij zijn hier zeker ook andere bedoelingen in het spel. Dat zij nu
juist dien Philostratus hebben omgekocht! Wie weet of er niet iets met
Barine achter steekt, die immers helaas met dien pleitbezorger gehuwd
was, eer hij haar verstootte."

»Verstootte!" viel Gorgias hem driftig in de rede. »Dat klinkt al te
sterk. Het is waar, dat heeft hij gedaan, doch om hem zoover te brengen,
offerde de beklagenswaardige vrouw de helft van het vermogen op, dat
haar vader met zijn penseel had verdiend, en nog meer dan dat. Gij weet
evengoed als ik dat het leven aan de zijde van dien ellendeling haar
eindelijk onverdragelijk geworden was."

»Gij hebt gelijk," gaf Dion kalm ten antwoord. »Toen geheel Alexandrië
bij haar Jamelos[2] op het Adonisfeest van bewondering was vervuld, had
zij den nietswaardigen levensgezel niet langer noodig."

[2] Klaagzang.

»Hoe kunt gij er een genoegen in vinden op de vrouw die gij gisteren nog
zoo vlekkeloos noemdet, zoo bevallig, zoo eenig, nu zulk een schaduw te
werpen?"

»Dat doe ik opdat het sterke licht, dat van haar uitgaat, u niet geheel
verblinde. Ik weet hoe gevoelig gij zijt."

»Spaar mij dan liever, in plaats van mij te prikkelen. Bovendien geeft
uwe veronderstelling te denken. Barine is de kleindochter van den man,
wien zij zijn huis willen afnemen, en de pleitbezorger wil het voor
beide kanten goedmaken. Maar ik zal er tusschenbeide komen. Het is aan
mij, de plaats voor het standbeeld te bepalen."

»Aan u?" vroeg de ander. »Ja, als geen machtiger dan gij u vóór is. Ik
wilde mijn oom al overreden, maar ook boven hem staat nog deze en gene.
De koningin is weliswaar weg, maar Iras, wier bevelen ook niet in den
wind gesproken zijn, zeide mij nog dezen morgen dat zij omtrent de
plaatsing van het beeld hare eigen gedachten had."

»Dus gij zijt het," riep de bouwmeester uit, »die Philostratus hierheen
hebt gebracht!"

»Ik?" vroeg de ander verbaasd.

»Ja, gij!" hield Gorgias vol. »Hebt gij mij niet zelf gezegd dat Iras,
met wie gij als knaap hebt gespeeld, u nu lastig begon te worden, omdat
zij al uwe schreden naging? En ook... gij zijt een trouw bezoeker van
Barine, en zij trekt u zoo openlijk boven ons allen voor, dat Iras het
licht gehoord kan hebben."

»Als Argus honderd oogen heeft, zoo heeft de jaloerschheid er duizend,"
gaf zijn vriend ten antwoord, »en toch verlang ik van Barine niets dan
in dezen vervelenden tijd van wachten, in den avond een paar aangename
uren. Het zij zoo! Iras--zoo denkt men--heeft gehoord dat de gevierde
vrouw mij genegen is. Iras zelve is dat ook een weinig, en daarom juist
heeft zij getracht de gunst van Philostratus te winnen. Gelooft gij dat
zij zooveel moeite deed om de vrouw, die zich tusschen haar en mij
plaatst, of ook om den ouden man, die het geluk of ongeluk heeft de
grootvader van haar mededingster te zijn, kwaad te doen? Neen, neen.
Dat zou al te laag zijn! En waarlijk, wanneer Iras Barine ten val wilde
brengen, dan had zij daarvoor niet zulk een langen, listigen omweg
behoeven te gaan. Bovendien is zij niet werkelijk boos. Of zou zij het
toch zijn? Ik weet alleen, dat zij geen middelen schuwt, als het er om
te doen is voor de koningin iets gedaan te krijgen, en verder, dat de
uren in haar gezelschap bijzonder snel voorbijgaan. Ja, Iras, Iras....
ik spreek dien naam gaarne uit. En toch bemin ik haar niet, en zij, zij
bemint allereerst zich zelve, en wat maar weinigen kunnen zeggen, een
tweede nog meer. Wat geeft zij om de wereld, wat geeft zij om mij,
vergeleken bij de koningin, de afgod van haar hart? Sedert die weg is,
voelt zij zich als de verlaten Ariadne, als een jonge ree, die van haar
moeder is afgedwaald. Maar wacht eens, misschien is zij toch er bij in
't spel; de koningin vertrouwt haar als eene zuster, als haar eigen
dochter. Niemand weet wat zij en Charmion voor haar zijn. Zij heeten
kamervrouwen maar eigenlijk zijn zij de hartsvriendinnen van hare
gebiedster. Toen Cleopatra, bij het uitzeilen der vloot, Iras hier moest
laten, daar zij toen aan koorts leed, droeg zij haar op voor de kinderen
te zorgen. Ook voor die welke reeds een baard kregen, den »Koning der
koningen" Cæsarion, wien zijn gouverneur voor iedere ongehoorzaamheid
kastijdt, en voor den woesten knaap Antyllus, die de laatste avonden
toegang verkreeg bij onze vriendin."

»Zijn eigen vader, Antonius, heeft hem dien verschaft."

»Juist, en Antyllus bracht weder Cæsarion bij haar. Dat hindert
Iras, evenals alles wat de koningin verdriet kan doen. Ter wille van
Cleopatra, die zij voor ergernissen sparen wil, zit Barine haar in
den weg, en misschien haat zij haar ook een weinig ter wille van mij.
Nu laat zij toe, dat den grootvader, dien Barine zoo liefheeft, iets
aangedaan wordt, dat de verwende, onvoorzichtige vrouw zeker niet kalm
opnemen kan, en dat haar prikkelen zal om een dwaasheid te begaan, die
weder gelegenheid geven zal iets tegen haar te beproeven. Het is Iras
zeker niet te doen om haar van het leven te berooven, maar misschien
denkt zij aan verbanning of iets dergelijks. Zij kent de menschen
evengoed als ik haar ken. Zij was in vroeger tijd mijn buurmeisje, dat
ik menigmaal uit den boom heb moeten helpen, als het vlugge ding daarin
geklauterd was."

»Ik heb u zelf deze vermoedens aan de hand gedaan, maar toch geloof ik
niet dat zij tot zulke kuiperijen in staat is," zeide Gorgias
ongeloovig.

»Wat ik van haar geloof?" viel de andere hem levendig in de rede. »Ik
verplaats mij alleen maar in gedachte aan het hof, en in de ziel der
vrouw, die daar medehelpt om zonneschijn en regen te maken. Gij laat,
als bekwaam bouwmeester, eerst zuilen afronden en balken hakken, opdat
die later het dak zullen dragen, waarop gij de aandacht vestigen wilt,
wanneer de tijd daartoe gekomen is. Zij, en al degenen die aan het hof
een woordje meespreken, denken het eerst aan het dak, en dan zoeken
zij wat zij maar krijgen kunnen bijeen, om het in de hoogte te brengen
en te steunen. Daartoe kunnen zelfs lijken dienen, verwoeste levens en
gebroken harten. Al waar het op aankomt is, dat het dak zoo lang blijft
staan, totdat de bouwmeester--de koningin--het ziet, en voor goed
verklaart. Het andere.... maar zie eens, die wagen dáár brengt zeker....
gij wildet...."

Hier bleef hij steken, legde de hand op den arm van zijn vriend, en
fluisterde hem haastig toe: »daar zit zeker Iras achter, en het is niet
Antyllus, maar de zwaarmoedige knaap daarginds, voor wien zij werkt.
Toen zij zooeven van het standbeeld sprak, vroeg zij in één adem naar
hem, en of ik hem eergisteravond had gezien, en juist dien dag was hij
bij Barine. De aanslag is stellig op haar gemunt, en Iras doet niets ten
halve. Men vangt geen muizen als de val dicht is, en Iras heft haar
kleine hand al op, om haar te openen."

»Indien maar geen mannenhand haar tegenhoudt," antwoordde de bouwmeester
knorrig. Daarop ging hij het voertuig te gemoet en te gelijk den ouden
man, die juist uitgestapt was, en die nu naar de beide vrienden toe
kwam.




TWEEDE HOOFDSTUK.


Dion wilde zich bescheiden verwijderen, toen Cæsarions metgezel op hen
toetrad en hen groette. Hij kende beiden goed, en verzocht daarom ook
Dion, te blijven. Er was iets rustigs en afgemetens in de stem en de
bedaarde bewegingen van dezen forschen man met de breede schouders en de
hooge gestalte. Wel was hij nog niet eens diep in de veertig, maar zijn
grijze haren en zijn geheele wijze van optreden die achting afdwong,
schenen een hoogeren leeftijd aan te duiden.

»De jonge koning daar," begon hij, met een vriendelijke klankrijke stem,
terwijl hij op den wagen wees, »wenscht u, Gorgias, hier persoonlijk
te spreken, doch op mijn raad wil hij zich liever niet onder de
volksmenigte vertoonen. Daarom komen wij ook in een gesloten
rijtuig.--Als ge er niet tegen hebt, stap dan een oogenblik bij hem
in, en luister naar hem, terwijl ik hier eens rondzie. Er schijnen
belangrijke dingen te gebeuren, en daar--of vergis ik mij? Is het
gevaarte, dat zij hierheen sleepen, misschien het standbeeld van de
koningin en haar vriend? Waart gij het zelf Gorgias, die deze plek
daarvoor uitgekozen hebt?"

»Neen," antwoordde de bouwmeester beslist. »Deze overbrenging geschiedt
zelfs zonder mijn medeweten, en tegen mijn zin."

»Dat dacht ik al," was het antwoord. »Cæsarion wenscht u juist te
spreken omtrent dit beeld. Indien gij de oprichting daarvan op het stuk
grond van Didymus verhinderen kunt,--des te beter. Ik zal gaarne doen
wat ik kan om u bij te staan, maar in de afwezigheid der koningin vermag
ik slechts weinig."

»Wat zal ik u van mijn eigen invloed zeggen?" vroeg de bouwmeester. »Wie
van ons weet in dezen tijd of de hemel morgen blauw zal zijn of grijs?
Eén ding staat bij mij vast: voor zoover het van mij afhangt, zal alles
geschieden om deze onrechtmatige bejegening van een achtbaar burger
dezer stad, deze inbreuk op de wet en beleediging van den goeden smaak
te voorkomen."

»Zeg dat aan den jongen koning, maar vooral voorzichtig," verzocht
Archibius, terwijl de bouwmeester zich omkeerde om naar den wagen te
gaan.

Zoodra Dion en de andere man alleen waren, trachtte de eerste iets
naders te hooren omtrent de reden van het toenemend rumoer, en daar hij,
evenals ieder welgezind Alexandrijn Archibius hoogachtte, en wist dat
hij den eigenaar van den veelbesproken tuin en ook diens kleindochter
Barine kende, deelde hij hem zonder voorbehoud alles mede, waarover hij
zich ongerust maakte.

»Iras," zeide hij op zijn vertrouwelijke wijze, »is immers uwe nicht,
en ik weet dat gij haar kent. Zij schept er thans behagen in om op
den weg eener vrouw, die zij geen goed hart toedraagt, en die zij voor
onvoorzichtig aanziet, een gouden appel neer te leggen, in de hoop dat
zij dien zal oprapen, en daardoor aanleiding geven dat zij van diefstal
wordt beschuldigd."

Archibius zag hem bij deze beeldspraak vragend aan, en daarom ging hij
op een anderen toon ernstiger voort: »Zeus is groot, maar het noodlot
is machtiger dan hij. Mijn oom Zeno vermag veel, maar als Iras en
uwe zuster Charmion, die nu helaas bij de koningin is, iets willen
doorzetten, dan moet hij en de Regent Mardion de zeilen strijken. Hoe
beminnelijker Cleopatra is, des te zekerder stelt ieder een plaats in
hare nabijheid op den allerhoogsten prijs, en vooral hooger dan zulke
kleinigheden als recht en wet."

»Dat zijn harde woorden," antwoordde de ander, »en zij schijnen mij te
bitterder, omdat zij een kern van waarheid bevatten. Ons hof deelt het
lot van alle andere in het Oosten, en hij, wien Rome vroeger het
voorbeeld gaf van recht en wet heilig te houden....."

»Die," viel Dion in, »mag nu dáárheen gaan, om te zien hoe ruw men beide
met voeten treedt. De machthebbenden hier en ginds mogen elkander
uitlachen zooals de waarzeggers doen, zij zijn toch broeders van ééne
soort...."

»Slechts met dat onderscheid," merkte Archibius op, »dat bij ons aan het
hoofd van den Staat de beminnelijkheid en gratie in eigen persoon staan,
terwijl het in Rome het tegenovergestelde is: ruwe hardvochtigheid en
wreede overmoed of verachtelijk gekruip voeren dáár de teugels."

Hier hield Archibius plotseling op, en wees op een troep schreeuwende
lieden, die op hen afkwamen. Dion zeide: »Gij hebt gelijk. Laten wij
dit gesprek liever voortzetten in het huis van de schoone Barine. Doch
ik vind u daar slechts zelden, en toch hebt gij haar vader zoo goed
gekend, en is er bij haar altijd iets belangwekkends te hooren. Ik ben
haar vriend. Dat kan op mijn leeftijd ook beteekenen: haar geliefde,
maar in ons geval is dit niet zoo. Misschien gelooft gij mij, want gij
hebt immers zelf het recht u de vriend van de bevalligste aller vrouwen
te noemen."

Een weemoedige glimlach gleed bij deze woorden over het ernstige,
fijnbesneden gelaat van den veertiger, en met een afwerend gebaar
antwoordde hij luchtig:

»Ik ben met Cleopatra opgegroeid, maar de geringe man bemint een
koningin niet anders dan als een godheid. Ik geloof gaarne aan uwe
vriendschap voor Barine, maar ik houd die toch voor gevaarlijk."

»Wanneer gij daarmede bedoelt dat zij haar schaden kan," hernam Dion,
en hief het hoofd op, als om te kennen te geven dat hij van hem geene
waarschuwing noodig had, »dan hebt gij misschien gelijk. Maar ik verzoek
u mij niet verkeerd te begrijpen. Ik ben niet ijdel genoeg om te denken,
dat ik indruk kan maken op haar hart, maar er zijn helaas velen, die
het de jonge vrouw niet vergeven dat zij op mij aantrekkingskracht
uitoefent, evenals zij dat op allen doet. Zoovele mannen als het huis
van Barine gaarne bezoeken, zoovele vrouwen moeten er noodzakelijk zijn,
die het gaarne gesloten zouden zien. Tot haar behoort natuurlijk ook
Iras. Zij heeft een wrok tegen mijn vriendin, ja ik vrees zelfs, dat wat
gij daar ginds ziet, de appel is, dien zij daar geworpen heeft om haar
daarmede, zoo niet in het verderf te storten, dan toch uit de stad te
verwijderen, eer de koningin--de goden verleenen haar de overwinning!
terugkeert. Gij kent Iras, want zij is uwe nicht. Evenals uw zuster
Charmion vreest zij voor niets, wanneer het er op aan komt voor de
koningin eenig leed of verdriet uit den weg te ruimen, en het zal
Cleopatra allerminst verheugen, als zij verneemt, dat de beide knapen,
wier welzijn haar ter harte gaat, Antyllus en Cæsarion, hun weg naar
eene Barine gevonden hebben--hoe onbesproken overigens haar naam ook
is."

»Dat heb ik ook reeds gehoord," antwoordde Archibius, »en ik maak er
mij ook ongerust over. Antonius' zoon heeft veel van de onverzadelijke
genotzucht zijns vaders. Maar Cæsarion! Die waagde zich nog niet uit
het droomleven dat hij leidt, in de wereld. Wat een ander nauwelijks
opmerkt, is genoeg om hem te kwetsen. Ik vrees dat Eros voor hem
fijngepunte pijlen gereed maakt, die diep in het hart doordringen. Toen
hij onlangs bij mij kwam, vond ik hem zeer veranderd. Zijn droomerige
oogen schitterden alsof hij in een roes van opgewondenheid was, terwijl
hij van Barine vertelde. Ik vrees, ik vrees."

»Dat zou iets zijn!" riep Dion verrast, ja bijna verschrikt uit.
»Als de zaken zóó staan, dan heeft Iras niet geheel ongelijk, en dan
moeten wij het anders aanvatten. Vóór alle dingen moet het een geheim
blijven, dat Cæsarion zich mengt in de onderhandelingen met den ouden
grondbezitter daar ginds. Het spreekt vanzelf dat men beproeft voor
den grijsaard het zijne te behouden, en ik neem het op mij om den
improvisator, die daar juist in den dienst van Iras zoo prachtig met
zijn armen zwaait, zijn taak te doen opgeven. Wat Barine betreft, het
beste zal zijn haar te overreden vrijwillig de stad te verlaten, waar
men het haar zoo moeielijk maakt. Gij, waardige man, zoek haar daartoe
te brengen. Indien ik zelf met zulk een voorstel kwam, ik, die nog
gisteren... Neen, neen! Zij hoorde toch reeds dat Iras en ik.... Zij kan
licht allerlei dwaasheden vermoeden. Gij weet wat jaloerschheid is. Naar
u, die zij hoogacht, luistert zij echter zeker, dat weet ik, en zij
behoeft ook zoo ver niet te gaan. Als het hart van dezen dweepzieken
knaap, die het toch ook wel eens in zijn hoofd kan krijgen, om met enkel
in naam »Koning der koningen" te zijn, in ernst voor Barine ontvlamd is,
wat zou daardoor dan een groot onheil kunnen ontstaan! Wij moeten haar
voor hem in veiligheid brengen. Naar mijn landgoed bij de papyrusvelden
nabij Sebennytus mag zij niet gaan. Dat zou aan de booze tongen te veel
voedsel geven. Maar gij... uwe villa te Kanopus is te dicht in de
nabijheid--maar gij hebt immers, als ik mij niet vergis--"

»Mijn landgoed aan de kust is ver genoeg verwijderd, en dat staat tot
hare beschikking," hernam de ander. »Het huis staat altijd voor mijn
bewoning gereed; ik zal doen wat ik kan om haar te overreden, want uw
raad is verstandig. Zij moet dien knaap niet meer onder de oogen komen!"

»En ik," ging Dion voort, »zal morgen naar den afloop van uwe zending
laten hooren, misschien van avond nog. Als zij er in toestemt, dan
vertel ik aan Iras, geheel toevallig, dat zij naar Opper-Aegypte gaat om
daar versche melk te drinken. Iras is verstandig en zij zal blij zijn,
dat zij, in een tijd, die over het lot van Cleopatra en de geheele
wereld beslissen moet, zich nu met dergelijke kleinigheden niet meer
behoeft in te laten."

»Zoo zijn mijne gedachten," zeide Archibius, »ook telkens weder bij het
leger. Hoe nietig wordt alles in vergelijking met de beslissing, die
ons in deze dagen te wachten staat! Doch het leven bestaat uit kleine
dingen. Die voeden en sterken en steunen ons! Al keert de koningin
zegevierend terug, doch vindt zij Caesarion op verkeerde wegen...."

»Die moeten wij voor hem afsluiten!" riep Dion uit.

»Opdat de knaap Barine niet nareist bedoelt gij?" vroeg Archibius, en
schudde het hoofd. »Daarvoor behoeven wij, geloof ik, niet te vreezen.
Hij zou dat misschien wel vurig wenschen, maar tusschen verlangen en
volbrengen vloeit bij hem een breede stroom. Antyllus is van een gansch
anderen aard. Hij zou in staat zijn, dadelijk een paard te laten zadelen
of op een boot de zeilen te doen hijschen om haar na te ijlen, desnoods
tot over den waterval. Daarom moeten wij streng verzwijgen waar Barine
in vrijwillige ballingschap heengaat."

»Ik zie haar nog niet gaan," voegde Dion er met een zucht bij. »Zij is
aan deze stad als met ketenen gebonden."

»Ik weet het," bevestigde Archibius, maar de andere wees op den wagen en
zeide snel en met nadruk:

»Gorgias wenkt. Nog eens, vóór wij scheiden: doe alles om Barine van
hier te verwijderen. Zij wordt ernstig bedreigd. Verzwijg haar niets en
zeg haar, dat de vrienden haar niet al te lang in de eenzaamheid zullen
laten."

Archibius wierp den jongeling nog een veelbeteekenden blik toe, en
daarop traden beiden den gesloten wagen tegemoet.

Het welbesneden doch bleeke gelaat van Caesarion, dat trek voor trek op
dat van zijn vader, den grooten Caesar geleek, zag reeds door de opening
boven het portier naar hen uit, en hij begroette hen met een afgemeten
hoofdbuiging en een beschermenden blik uit dezelfde oogen, die nog
zooeven, bij het wederzien van zijn ouden vriend, zoo vroolijk hadden
gestraald. Nu wilde hij zich echter tegenover den vreemde als koning
toonen. Hij wilde hem doen gevoelen hoe hoog hij boven hem stond,
want hij was hem niet genegen. Hij had hem immers boven zich zelven
bevoorrecht gezien door de vrouw, die hij meende lief te hebben, en wier
bezit hem door de geheime wetenschap der Aegyptenaren die, naar hij vast
geloofde, de toekomst ontsluieren kon, verzekerd was.

Antyllus, de zoon van Antonius, had hem bij Barine binnengeleid, en zij
had hem ontvangen met al de onderscheiding, die aan zijn hoogen rang
toekwam. Toch had zijn jongensachtige verlegenheid hem verboden om de
jonge bevallige vrouw, die zich door vele oudere en voortreffelijke
mannen omringd zag, van liefde te spreken. Alleen zijn vochtige,
sprekende oogen hadden haar moeten zeggen wat hij voor haar voelde. Dat
was dan ook niet onopgemerkt gebleven, want vóór enkele uren was hij
aangehouden door een Aegyptische vrouw, terwijl hij zich naar den tempel
van Caesar, zijn vader begaf. Bij zijn geregelde levenswijs deed hij dit
iederen dag op hetzelfde uur, om daar te bidden, te offeren, den steen
van het altaar te zalven of een krans te hangen om het beeld van den
overledene. Hij had in die vrouw dadelijk de slavin herkend, die hij in
het atrium[3] van Barine had gezien, en aan zijn gevolg bevolen achter
te blijven.

[3] Voorzaal.

Gelukkig voor hem, had zijn gouverneur Rhodon zijn plicht om hem overal
te vergezellen, verzuimd, en zoo had hij het durven wagen haar te
volgen. Hij had in de schaduw der mimosa's in het kleine boschje naast
den tempel Barine's draagstoel gevonden. Met kloppend hart en vol bange
vrees had hij aan haar wenk om bij haar te komen gehoor gegeven. Doch
zij had hem geen andere gunst bewezen dan dat hij een wensch van haar
vervullen mocht. Zijn hart was tot barstens toe vol geweest, toen zij,
met haar blanken arm op het portier van den draagstoel geleund, hem had
medegedeeld dat men zoo onrechtmatig haar grootvader Didymus zijn tuin
wilde ontnemen, en dat zij van hem, die immers de »Koning der koningen"
heette, verwachtte, dat hij alles zou doen om daaraan paal en perk te
stellen.

Terwijl zij sprak had het hem moeite gekost den zin harer rede te
vatten, want het had in zijne ooren gesuisd alsof hij in plaats van in
het stilste boschje dat den tempel omgaf, op een stormachtigen dag te
midden der branding aan het uiteinde van de Lochias stond. Hij had de
oogen niet durven opslaan om haar in het gelaat te zien. Doch toen zij
hem rechtstreeks vroeg of zij op zijn bijstand mocht hopen, had zij hem
met haar blik gedwongen tot haar op te zien, en wat had hij toen niet
gelezen in die blauwe smeekende oogen, en hoe onbeschrijfelijk schoon
was zij hem voorgekomen! Hij had bijna als een zinnelooze tegenover haar
gestaan, en wist alleen nog dat hij haar, met de hand op het hart had
beloofd alles te doen om haar dat verdriet te besparen. Daarop had zij
hem de kleine hand met de schitterende ringen toegestoken, en hij had
die willen kussen, maar op hetzelfde oogenblik had zij hare slaven
gewenkt, en de draagstoel was opgenomen en weggedragen.

Toen had hij daar gestaan als de man die afgebeeld was op een oude vaas
van zijn moeder, die verbijsterd de voorbijvliegende Fortuin naoogt, die
hij zoo gemakkelijk bij het lange golvende haar had kunnen vasthouden.
Hij ergerde zich aan die ongelukkige wankelmoedigheid, die hem reeds
zooveel goeds had doen ontgaan. Maar er was toch nog niets verloren.
Wanneer het hem gelukte haar wensch te vervullen, dan moest zij hem
dankbaar zijn en dan... Hij dacht nu na, tot wien hij zich wenden kon.
Tot Mardion, den Regent, of tot den zegelbewaarder? Neen, die hadden
immers juist de oprichting van het beeld in den tuin van den philosoof
bevolen. Tot Iras, de vertrouweling zijner moeder? Dat het allerlaatst!
Die listige vrouw had hem doorzien en aan den Regent hare opmerkingen
medegedeeld. Ja, als Charmion, de andere kamervrouw zijner moeder hier
geweest was, maar deze was immers mede op de vloot, die misschien reeds
heden tegen die van den vijand slag leverde.

De herinnering daaraan deed hem de oogen neerslaan, want hem was het
niet vergund geweest de plaats in het leger die hem toekwam in te nemen,
terwijl zijn moeder en Charmion... maar hij wilde deze pijnlijke
gedachte van zich afzetten, want een ernstig verwijt drong zich daarbij
aan hem op, en joeg hem het bloed naar de wangen. Hij wilde een man
zijn, en in dezen gewichtigen tijd, in deze dagen die over het lot van
zijn moeder, van zijne vaderstad, van Aegypte moesten beslissen, en
tegelijk van dat Rome, dat men hem, den eenigen zoon van Caesar, als
zijn erfdeel leerde beschouwen--sloop hij naar een schoone vrouw en
dacht aan haar, en verder aan niets anders. Met allerlei dwaze plannen
om haar tot de zijne te maken, bracht hij de dagen en halve nachten
door, en vergat daarbij wat hem het naast aan het hart had moeten
liggen.

Iras had hem nog gisteren in scherpe bewoordingen voorgehouden dat het
in deze dagen plicht was voor iederen vriend van Cleopatra en iederen
vijand van hare vijanden, om ten minste in gedachte bij het leger te
zijn. Dat had hij zich nu herinnerd, maar in plaats van op de vermaning
van het geestkrachtige meisje acht te slaan, was hij daardoor alleen
op haren oom Archibius gebracht geworden, die niet alleen door zijn
rijkdom, doch ook omdat iedereen wist, hoe hoog hij bij de koningin
stond aangeschreven, grooten invloed bezat. Ook had de verstandige,
welwillende man hem, van kind af, veel vriendelijkheid bewezen, en als
een lichtstraal was het denkbeeld bij hem opgekomen, dat hij zich tot
hem, en tegelijkertijd tot den architect moest wenden, die in deze zaak
ook wat te zeggen had. Bovendien had Gorgias hem, toen hij den vleugel
van het paleis op de Lochias voor hem verbouwde, zeer voor zich
ingenomen.

Zoo had hij dan een dienaar uit zijn gevolg dadelijk met een wastafeltje
uitgezonden, om Gorgias uit te noodigen tot een bijeenkomst bij den
Isistempel. Na den middag had Cæsarion zich in het geheim met een boot
naar Kanopus aan de zeekust begeven, waar het paleis van Archibius lag,
en nu deze met zijn vriend aan zijn wagen stond, legde hij hen uit, dat
hij met den architect naar den ouden Didymus wilde gaan, om hem van zijn
hulp te verzekeren.

Dat was in geen enkel opzicht geraden, en al de welsprekendheid van
Archibius was noodig, om er hem van af te brengen. De gevolgen die het
hebben kon, wanneer hij partij koos tegen den Regent, en het volk zijne
macht erkende, waren niet te voorzien. Maar ditmaal had de jonge »Koning
der koningen" weinig lust zich te voegen en toe te geven. Hij zou zich
tegenover Dion zoo gaarne als man getoond hebben, en nu dit niet ging,
trachtte hij toch den schijn daarvan aan te nemen, en verzekerde daarom,
dat hij zijn voornemen alleen opgaf om den ouden geleerde en zijne
kleindochter niet in ongelegenheid te brengen. Daarop verzocht hij den
bouwmeester nog eens om Didymus toch in het bezit van zijn eigendom te
laten. Toen hij eindelijk met Archibius wegreed, was de avond reeds
gevallen. Voor den tempel en het kleine mausoleum dat naast de cella
gelegen was, werden de fakkels, en op het plein de pekpannen
aangestoken.




DERDE HOOFDSTUK.


»Het gaat niet goed met dien knaap," zeide de architect, terwijl het
voertuig over het plaveisel der straat ratelend wegreed; en hij schudde
bedenkelijk het hoofd.

»En daar ginds," voegde Dion er bij, »ziet het er ook niet verblijdend
uit. Philostratus brengt de menschen geheel van de wijs. Maar die
omgekochte onruststoker zal spoedig genoeg wenschen, dat hij het goud
van Iras minder gretig aangenomen had."

»En dan te moeten denken," riep de bouwmeester uit, »dat Barine de
vrouw, de wettige echtgenoot van dezen ellendeling was! Hoe dat zoo ver
kon komen...."

»Zij was nog een kind toen men haar uithuwelijkte," zeide Dion. »Wie
vraagt hier naar het hart van een vijftienjarig meisje, als men een man
voor haar kiest? En Philostratus, die op Rhodus mijn medestudent was,
beloofde in dien tijd veel goeds. Het zou zijn broeder Alexas, den
bevoorrechten gunsteling van Antonius gemakkelijk gevallen zijn hem
vooruit te brengen. Barine's vader was dood, en haar moeder was gewend
den grootvader om raad te vragen. Dien ouden Didymus had de slimme
Syriër zand in de oogen gestrooid. Hoe lang en mager hij ook is, toch
ziet hij er nog zoo slecht niet uit. In den tijd toen hij als redenaar
optrad, viel hij wel in den smaak. Dat is hem naar het hoofd gestegen,
en hij heeft daarbij aanleg om een verkwister te worden. Om zijn jonge
schoone vrouw een voorname woning te kunnen bezorgen, heeft hij de
slechte zaak van den roofzuchtigen ontvanger der belastingen Pyrrhus
verdedigd en hem vrijgepleit."

»Hij had voor geld een dozijn valsche getuigen weten te krijgen."

»Er waren er zeker zestien. Later kwamen er nog evenveel bij, als op
het oogenblik geopende monden hem toejuichen. Het wordt tijd die tot
zwijgen te brengen. Ga gij in het huis, en stel den ouden man gerust,
ook Barine, als zij bij hem is. Zoo gij er reeds een bode van den Regent
vindt, spreek dan krachtig uw gevoelen uit over het schandelijk besluit.
Gij kent de wet genoeg, om te weten welke artikelen daarvan ten gunste
van Didymus kunnen aangehaald worden."

»Sedert den tweeden Euergetes is het wettig grondbezit onaantastbaar, en
toch heeft men op het zijne beslag gelegd."

»Des te beter. Zeg ook in vertrouwen aan den beambte dat gij weet, hoe
de Regent misschien door pas opgekomen bedenkingen tot andere gedachten
te brengen zou zijn."

»En in de eerste plaats, sta ik zelf op mijn recht om voor het
standbeeld een plaats uit te zoeken. De koningin heeft zelve bevolen dat
de anderen naar mijn gevoelen moesten luisteren."

»Dat legt nog het meeste gewicht in de schaal. Nu dan, tot wederziens!
Ga heden avond liever niet naar Barine. Mocht gij haar zien, zeg haar
dan, dat Archibius zich heeft laten ontvallen dat hij haar wilde
bezoeken; waartoe dat dient, verklaar ik u later. Misschien ga ik zelf
later naar Iras, om ook haar tot rede te brengen. Intusschen moeten wij
van Cæsarions wensch nog niet reppen."

»Neen, zeker niet. En geef vooral niets aan dien redenaar daar ginds!"

»Integendeel, ik ben juist tot mildheid gestemd. Als Peitho[4] mij wil
bijstaan, dan krijgt die onverzadelijke man meer van mij te doen, dan
hem misschien lief is."

[4] De godin der overreding.

Hiermede stak Dion den bouwmeester de hand toe en baande zich een weg
door de menigte, die zich verzameld had om het hooge gevaarte waarop het
zorgvuldig bedekte standbeeld stond.

De poort van het huis des geleerden stond open, want werkelijk was
zooeven een beambte van den Regent naar binnen gegaan. Doch de
Scythische wacht, die daarheen gezonden was door den magistraat der stad
Demetrius, ook een der vrienden van Barine, hield de nieuwsgierigen
terug.

De bouwmeester kende den aanvoerder goed, en spoedig was hij in het huis
gegaan en bevond zich in het impluvium. Dit was een langwerpige ruimte
met in het midden geopende zoldering, waaronder een rond bloembed
voortdurend werd besproeid door het water uit een kleine fontein, dat
zich naar alle zijden in fijne droppeltjes verspreidde. De oude slaaf
van het huis had juist eenige drie-armige lampen op hooge voetstukken
aangestoken.

De beambten, die de Regent gezonden had, waren zooeven gekomen om
aan Didymus de mededeeling te doen, dat zijn tuin in een openbare
wandelplaats veranderd moest worden. Toen de bouwmeester het huis
binnenging, waren de beambten, de schrijvers en de getuigen, eene
schaar van wel twintig mannen, hem reeds voorgegaan. Aan hun hoofd
stond Apollonius, een aanzienlijk man, en opzichter van de koninklijke
schatkist. De slaaf, die Gorgias naar binnen bracht, vertelde hem dit
alles.

In het atrium werd hij tegengehouden door een jonkvrouw, die zeker
behoorde tot de familie van den ouden geleerde. Hij vergiste zich niet,
toen hij in haar Didymus' jongste kleindochter Helena meende te zien,
van wie Barine hem reeds gesproken had. Zij geleek echter noch in
gestalte, noch in gelaat op hare zuster. Terwijl het haar der jonge
vrouw golvend en blond was, had het meisje een gladde zwarte vlecht om
het hoofd gewonden. Doch vooral trof hem de diepe ernstige klank harer
stem, waaruit een hevige gemoedsbeweging sprak, toen zij de korte vraag
tot hem richtte, waarin een zacht verwijt lag opgesloten: »Verlangt gij
nog iets?"

Eerst wenschte hij te weten of hij met Helena, de zuster zijner
vriendin, sprak, en daarop legde hij haar spoedig uit wie hij was en
hoe hij juist haar grootvader voor een groot onheil kwam behoeden. Bij
de eerste kennismaking in de slecht verlichte ruimte, was zijn indruk
van haar niet gunstig. Het reine, blanke voorhoofd scheen hem voor
een vrouwengelaat te hoog toe, en hij had daarop ook een eenigszins
onvriendelijke plooi ontdekt. En de mond, hoe fraai die ook gevormd was,
vertoonde een onrustigen trek, waardoor de geheele uitdrukking iets
scherps en bitters kreeg. Maar nauwelijks had zij gehoord wat hem daar
gebracht had, of zij drukte de hand op haar hart, haalde diep adem, en
zeide:

»O, doe wat gij kunt om dat vreeselijke plan te verhinderen! Niemand
weet, hoe de oude man aan dit huis is gehecht. En mijn grootmoeder ook.
Als het hen afgenomen wordt, zullen zij het beiden besterven!"

Zij zag hem met haar groote oogen vol ontroering smeekend aan, en uit
die strenge stem van zooeven klonk hem nu teedere liefde voor de haren
toe.

Hoe gaarne wilde hij haar helpen. Hiervan verzekerde hij haar, en zij
zag in hem een redder uit den nood. Zij verzocht hem met aandoenlijke
innigheid, dat hij haar grootvader toch verzekeren zou dat alles nog
niet verloren was. De bouwmeester vroeg vol verbazing of Didymus dan nog
niet wist, wat hem te wachten stond, en zij antwoordde snel:

»Hij is ginds in het tuinhuis bij de zee aan het werk. De intendant
Apollonius is een welwillend man, en heeft mij beloofd te wachten,
totdat ik mijn grootvader voorbereid heb. Daarom moet ik mij nu haasten.
Hij heeft wel reeds een dozijn malen zijn leerling Philotas gezonden,
die gewoonlijk zijn boeken voor hem uitzoekt en oprolt, om te vragen wat
al die drukte beteekent, maar ik heb hem laten zeggen dat die menigte
bijeengekomen was om de koningin de haven te zien binnenzeilen. Er is
immers zoo dikwijls een oploop van het volk. Maar grootvader laat zich
nooit door iets storen, als hij aan den arbeid is, en de leerling,
een jong student uit Amphissa, houdt veel van hem en houdt zich stipt
aan wat ik zeg. Grootmoeder weet ook nog niets. Zij is doof, en hare
slavinnen mogen het haar niet zeggen. Sedert zij onlangs een duizeling
heeft gehad, zou een plotselinge schrik haar kwaad kunnen doen, zegt de
arts. Als ik nu de rechte woorden maar kon vinden, om grootvader niet al
te veel leed te doen!"

»Mag ik met u medegaan?" vroeg Gorgias vriendelijk.

»Neen," antwoordde zij. »Het duurt bij hem altijd lang, eer hij vreemden
vertrouwt. Maar als de opzichter hem alles heeft uiteengezet en de smart
de overhand op hem krijgt, troost hem dan, en laat hem zien dat wij nog
vrienden hebben die bereid zijn ons voor onrecht te behoeden." Hiermede
groette zij hem dankbaar, en ging door een zijpoortje in den tuin.

De bouwmeester zag haar met stralende oogen na. Welk een goed meisje
moest dit zijn, dat zoo vol zorg was voor hare grootouders! En hoe flink
handelend trad zij op, zoo jong als zij was! Hij had haar slechts in
halflicht gezien, maar schoon was zij toch zeker. De oogen, de mond
en het haar waren dat bepaald. Zijn hart klopte sneller, terwijl hij
daaraan dacht, en tegelijk vroeg hij zich af, of deze jonkvrouw die met
alles was bedeeld wat de eigenlijke waarde eener vrouw uitmaakt, niet
nog boven hare zuster Barine gesteld moest worden, ofschoon van deze
misschien meer dadelijke bekoring uitging? Hij was op dat oogenblik
dankbaar dat hij een vollen baard droeg om wang en kin, want hij voelde
hoe hij kleurde, ofschoon hij toch zoo jong niet meer was. Hij wist ook
wel waarom. Nog geen half uur geleden had hij aan Dion bekend, dat hij
Barine voor de aantrekkelijkste van alle vrouwen hield, en nu reeds
wierp het beeld van een andere een schaduw op het hare, en vervulde zijn
hart met een nieuw, misschien nog sterker gevoel.

Zoo iets was hem al meer overkomen, en zijn vrienden, met Dion aan
het hoofd, hadden zijne zwakheid ontdekt, en hem menigmaal daarmede
geplaagd. Het aantal bruinen en blonden, grooten en kleinen, voor wie
zijn hart was ontgloeid, was dan ook al vrij groot, en telkens als een
nieuwe neiging in hem was gewekt, had hij gedacht dat het voorwerp
daarvan de eenige was, die de zijne moest worden om hem tot een
gelukkig man te maken. Doch eer het zoover kwam, was altijd de vraag
opgekomen of hij een andere nog niet vuriger begeerde. Daarom had hij
getracht zich zelven wijs te maken dat zijn hart zich niet aan ééne
verbinden wilde, maar dat het klopte voor het geheele geslacht, voor
zoover het jong en schoon was. Wel wist hij dat hij ook trouw zou kunnen
zijn, want aan zijn vrienden was hij innig gehecht en voor hen tot
ieder offer bereid, maar hij dacht dat het met vrouwen anders was. Zou
nu ook weder Helena's beeld, dat hem nu zóó beminnelijk scheen, even
snel verbleeken? Het tegendeel zou wel wonderlijk zijn, en toch geloofde
hij vast en zeker dat Eros er ditmaal ernst mede maakte. De lachende
Eroten[5], die om hem en al hare voorgangsters rozenguirlanden
geslingerd hadden, waren met deze ernstige jonkvrouw niet medegekomen.

[5] Kleine liefdegoden, in het gevolg van Eros.

Dit alles ging met de snelheid des bliksems door zijn hoofd en hart,
terwijl hij het impluvium binnentrad, waar de beambten ongeduldig op
den eigenaar van het huis wachtten. Op zijne levendige, warme wijze
verklaarde hij hun waarom hij hoopte, dat zij vergeefs zouden gekomen
zijn, en de intendant verzekerde hem dat niemand zich meer zou verheugen
dan hij, indien de Regent hem morgen machtigde, zijn opdracht in
te trekken. Hij zou hier gaarne nog een tijdlang wachten, als het
de kleindochter van den ouden geleerde mocht gelukken deze met
bedachtzaamheid mede te deelen, wat hem boven het hoofd hing.

Intusschen werd het geduld van den welmeenenden man niet lang op de
proef gesteld, want toen Helena in het tuinhuis was gekomen, vond zij
haar grootvader reeds ingelicht omtrent het lot dat hem wachtte.

De philosoof Euphranor, een bejaard lid van het Museum, was door de
tuindeur tot hem doorgedrongen en had hem alles medegedeeld, zonder
te letten op de veelbeteekende wenken en gebaren van zijn leerling
Philotas. Maar Didymus kende zijn bezoeker, die evenals hij van de
wereld afgezonderd al zijn tijd en kracht aan de wetenschap wijdde.
Daarom had hij enkel ongeloovig het hoofd geschud, de dunne haarvlok,
die over zijn gelaat hing, naar achteren gestreken, en op een licht
verwijtenden toon uitgeroepen: »Wat denkt gij nu weder gehoord te
hebben! Nu, wij zullen zien!"

Toen was hij opgestaan, doch te zeer door het onverwachte bericht
getroffen om aan zijn sandalen op de mat en aan den mantel te denken die
op een boekenkist lag, en wilde hij zonder die de kamer verlaten, toen
zijn vriend, die hem eerst sprakeloos liet begaan, hem tegenhield, en
tegelijk Helena in het tuinhuis kwam. De grijze philosoof wendde zich nu
tot haar, en verzocht dat zij haar grootvader mocht bewijzen, dat dingen
die men niet gaarne gelooven wil, daarom toch wel waar kunnen zijn. Dat
deed zij dan ook, maar zoo omzichtig mogelijk, daarbij denkende aan den
bouwmeester en wat hij hoopte.

Doch Didymus zag naar den grond, en schudde langzaam het grijze hoofd.
Eensklaps richtte hij zich op, liep, zonder te letten op den mantel
dien Helena reeds gereed hield, op de deur toe, en opende die met den
uitroep: »En toch moet en zal het anders gebeuren!"

Euphranor en Helena volgden hem, maar hij liep met vluggen, krachtigen
tred, hoewel in gebogen houding, het tuintje door, en ging daarop
rechtstreeks het impluvium binnen. Het schelle licht hinderde aan zijn
zwakke oogen, en door zijn gewoonte om recht voor zich uit of naar den
grond te zien, duurde het een tijdlang eer hij recht wist wie zich om
hem heen bevonden. De intendant was hem echter tegemoet gegaan, had hem
eerbiedig gegroet en verzekerde zeer te betreuren, dat hij hem moest
storen in het werk, dat de geheele wereld met belangstelling te gemoet
zag, maar het was voor een gewichtige zaak.

»Ik weet het al," antwoordde de geleerde, met een kalmen glimlach. »Wat
moet dat alles toch beteekenen?"

Hij zag de aanwezigen beurtelings allen aan, doch hij kende niemand dan
den intendant die aan de administratie van het Museum verbonden was, en
den bouwmeester, voor wien hij het opschrift had gemaakt dat op het door
hem gebouwde Odeon stond.

Toen nu zijn blik ook op het gelaat der anderen alleen verwondering las,
begon zijn vertrouwen toch eenigszins te wankelen. Toch nog overtuigd
dat men hem onmogelijk den eisch kon stellen, waarvan de philosoof
gesproken had, zeide hij:

»Men beweert dus, dat het plan bestaat om mijn tuin in een openbare
wandelplaats te herscheppen. En tot welk doel? Om er een standbeeld
te plaatsen. Dat kan toch niet ernstig gemeend zijn, want mijn
eigendomsrecht staat opgeteekend in de boeken, en de wet..."

»Vergeef mij," zeide de intendant, »indien ik u hier in de rede val. Wij
kennen die verordening zeer goed, doch men wil hier een uitzondering
maken. De Regent wil u niets ontnemen, hij biedt u veeleer uit naam der
koningin een schadeloosstelling aan, die gij zelf bepalen moogt voor
dat stuk grond, dat door het standbeeld der hoogstgeplaatsten in dit
land--het stelt Cleopatra met Antonius hand in hand voor--een bijzondere
eer te beurt zal vallen. Het is reeds hierheen gebracht. Als een werk
van den voortreffelijken, te vroeg gestorven Lysander, zal het uw huis
zeker tot sieraad strekken. Het kleine huis aan de zee moet trouwens
morgen reeds gesloopt worden; want gij weet dat de genadige koningin
iederen dag, als overwinnares, naar wij hopen, verwacht worden kan. Dit
beeld, dat bestemd is om haar een verrassing te bereiden en te eeren,
moet haar reeds bij haar aankomst begroeten, en daarom heeft de Regent
mij nog heden gezonden, om u zijn wensch kenbaar te maken. Daar het ook
die der koningin is..."

»Intusschen," zeide de bouwmeester, die nogmaals aan de kleindochter van
den grijsaard zijn bijstand had beloofd, »zullen uwe vrienden toch
beproeven den Regent tot een andere keus te overreden."

»Dat staat hen vrij," merkte de intendant op. »Wat later gebeuren zal
moge de tijd leeren. Mijn taak is alleen den waardigen bezitter van
dit huis en dezen tuin reeds heden te overtuigen, dat hij zich moet
onderwerpen aan het bevel der koningin, ofschoon de Regent en mijn eigen
hart mij daaraan den vorm van een wensch hebben doen geven."

Gedurende deze samenspraak had de oude man eerst zwijgend toegeluisterd
en hem met gespannen blik daarbij aangestaard. Het was dus werkelijk
zoo. Hij moest van zijn tuin en het huisje, dat een halve eeuw lang het
tooneel van zijn werken en denken geweest was, afstand doen, ter wille
van een standbeeld. Zoodra hij de zekerheid hiervan verkregen had, zag
men hem den blik op den grond gevestigd houden, als iemand die met zijn
gedachten afwezig is. De groote smart verlamde zijn tong, en Helena, die
hem dit aanzag en met hem mede voelde, had zich aan zijne zijde
geplaatst.

Het schreeuwen en joelen der menigte drong door de open zoldering van
het impluvium tot hen door, maar de grijsaard scheen het niet te hooren,
en bemerkte ook zijn kleindochter niet. Nauwelijks echter voelde hij
hare aanraking, of hij trok zich haastig terug en zag den kring der
indringers opnieuw in het rond.

Nu brandde in het anders zoo matte oog van den ouden commentator het
vuur van jeugdige hartstocht. Als een worstelaar, die naar het rechte
punt van aanval zoekt, haalde hij diep adem en mat den intendant met
vertoornden blik, van het hoofd tot de voeten. De gebrekkige, eenzelvige
grijsaard scheen een tot den kamp bereid strijder geworden te zijn.
Zijne lippen en fijne neusvleugels trilden, en toen de intendant
herhaalde dat hij den inhoud van het tuinhuis nog heden diende in
veiligheid te brengen, daar die anders morgen vroeg uitgedragen moest
worden, hief Didymus zijn arm op en riep uit: »Dat zal men _niet_ doen!
Geen enkele rol mag uit het tuinhuis weggehaald worden. Morgen vroeg ben
ik als altijd aan mijn werk te vinden, en als gij bij uw voornemen
blijft om mij van mijn eigendom te berooven, dan zult gij geweld moeten
gebruiken om dat doel te bereiken."

»Wees kalm, waardige man," zeide de intendant. »Ieder moet zich buigen
voor een hooger wil: de goden voor dien van het noodlot, de stervelingen
voor dien der koningen. Gij zijt een wijze, en ik volbreng slechts de
plichten die aan mijn ambt verbonden zijn. Maar ik ken het leven, en
wanneer ik u raden mag, dan laat gij toe wat niet te veranderen is. Ik
zou tien tegen één durven wedden dat gij daarbij wel varen zult, en de
koningin u de middelen in de hand geeft..."

»Die zullen wel toereikend zijn," viel Didymus met bitterheid in, »om
een paleis te bouwen, in plaats van het huisje, dat mij ontnomen wordt."
En toen barstte hij weder uit: »Maar wat vraag ik naar uw geld! Ik wil
mijn recht, mijn goed eerlijk recht. Dáárop sta ik, en wie mij een
duimbreed ontnemen durft van den grond, die het erfgoed van mijn vader
en grootvader is...."

Hij hield stil want daarbuiten was het volk weer in luid gejubel
losgebarsten, en toen het ophield en de grijsaard voortging met zijn
goed recht te verdedigen, werd hij in de rede gevallen door een heldere
vrouwenstem die hem den Griekschen groet: »wees blijde!" toeriep. Dat
klonk zoo welluidend en vroolijk, dat de doffe stemming die als een
grauwen nevel over de aanwezigen hing, er als het ware door weggevaagd
werd.

Terwijl de een luisterde naar het opgewonden volk, en de ander den ouden
man aanzag, wiens tegenstand moeilijk door goedheid overwonnen zou
kunnen worden, zagen de jongeren uit het gezelschap de schoone vrouw
aan, die zich bij hen had gevoegd. Door de haast waren hare wangen
hooger gekleurd; uit den donkerblauwen doek die haar blond hoofd
bedekte, zag een lieftallig gelaat blijde en vertrouwelijk haar zuster,
haar grootvader en den bouwmeester aan.

De intendant en ook velen onder de overigen hadden een gevoel alsof het
geluk in eigen persoon dit bedreigde huis was binnengetreden, en menige
blik verhelderde zich toen de oude man zijn kleindochter, op een geheel
anderen toon dan zooeven, toeriep: »Gij hier, Barine?" en zij hem
daarop, zonder op de anderen acht te geven, met warmte omhelsde.

Helena, de bouwmeester en de oude philosoof Euphranor, kwamen nu ook
naderbij, en deze vroeg haar verwijtend maar toch hartelijk: »Maar
onvoorzichtig kind, hoe zijt gij door die volksmenigte heengekomen?"
Vroolijk klonk haar antwoord: »Het ééne geleerde lid van het Museum
ontvangt mij met de vraag, of ik er werkelijk ben, hoewel ik van kind
af door een vriendelijk of vijandelijk noodlot--hoe verkiest gij het,
grootvader?--gespaard ben voor het overzien-worden. En de ander wil zoo
grimmig verwijtend weten, hoe ik door het volk heen kwam, alsof het een
onrecht ware door het water te waden en een hand uit te steken naar mijn
liefste betrekkingen, als zij er bijna onder raken.--Maar dit geschreeuw
is werkelijk te erg."

Zij legde haar kleine handen op den hoofddoek tegen haar ooren, en
ging eerst met spreken voort toen het geraas verminderde, ofschoon zij
verzekerde dat zij haast had, en alleen maar eens was komen zien, hoe
het hier ging. Het scheen alsof het haar, frisch en bevallig als zij
was, onmogelijk viel om ook maar één oogenblik ongebruikt te laten, al
was het maar om een blik van welgevallen op te vangen of te
beantwoorden.

De bouwmeester en hare zuster moesten vlug op hare vragen antwoorden, en
zoodra zij vernomen had wat die vreemde mannen hier deden, dankte zij
den intendant, en drukte de overtuiging uit dat de oude vrienden hun
best zouden doen om haar grootvader dat leed te besparen.

Toen de beide grijsaards hunne vraag, hoe zij hier gekomen was,
herhaalden, antwoordde zij: »misschien zal niemand mij gelooven, omdat
op 't oogenblik mijn mond geen oogenblik stil staat, maar toch deed ik
als een stomme visch, en kwam over het water."

Daarop nam zij haar grootvader ter zijde en vertelde hem hoe zij aan
de haven naar de boot was gegaan, en Archibius haar uit zijn wagen had
gezien en stil had laten houden, om haar voor dezen avond zijn bezoek
aan te kondigen. Hij zou over een gewichtige zaak komen spreken. Zij
had dus te zorgen, dat zij alleen met hem bleef, en daarom kon zij dan
ook niet langer blijven. Nu keerde zij zich weder tot de overigen,
en vroeg, nog vóór zij wegging, waarom het volk toch zoo schreeuwde.
De bouwmeester antwoordde dat Philostratus zich moeite gaf om aan de
menigte te beduiden, dat het bewuste standbeeld nergens dan in den tuin
van haar grootvader geplaatst kon worden, en hij dacht ook wel te weten,
wie hem dat opgedragen had.

»Niet de Regent," zeide de intendant op een toon van overtuiging. Doch
toen Gorgias den volksredenaar genoemd had, was er over Barine's zonnig
gelaat een lichte schaduw gegleden en zij dankte den beambte met een
hoofdbuiging. Vervolgens fluisterde zij hem haastig, doch met nadruk
toe, dat zij op zich nam den grijsaard tot rede te brengen, zoo men
haar slechts tijd tot nadenken liet. Morgen zoodra het op de markt vol
werd zou de beambte de onderhandelingen opnieuw kunnen beginnen, indien
de Regent bij zijn plan bleef. Zij zou intusschen het hare doen om
haar grootvader toegevender te maken, al behoorde hij ook niet tot de
menschen die zich lieten leiden. Dan moest de intendant den Regent
ook herinneren dat het geraden was in dezen tijd openbare ergernis te
vermijden, en den leeftijd en het goed recht van Didymus in het oog te
houden.

Terwijl Apollonius nu verder met de andere afgevaardigden sprak,
wenkte zij den bouwmeester, en nam spoedig van de haren afscheid. Zij
beweerde dat er volstrekt geen gevaar voor haar was, daar zij weder op
visschenmanier terugging, maar dat zij daarbij nu toch behoorlijk haar
spraakvermogen gebruiken zou. Zij hoopte daarmede den man te winnen die
dit alles wel zou voorkomen hebben, indien de Koningin er maar was
geweest.

Tot op dit oogenblik had zij aller oogen en ooren geboeid, want ieder
vond het een genot haar te hooren en te zien. Eerst toen zij met den
bouwmeester was verdwenen, kwamen de beambten tot een besluit, en
spoedig daarop verwijderde zich de intendant met zijne geleiders, om
nog eens met den Regent over deze ongelukkige zaak te spreken.

Ditmaal bewees Gorgias zijne diensten aan de jonge vrouw met gemengde
gewaarwordingen. Nog geen uur geleden zou het hem gelukkig hebben
gemaakt Barine te mogen vergezellen en beschermen, maar nu zou hij
gaarne bij hare zuster zijn gebleven, die zijn afscheidsgroet zoo
dankbaar, en toch zoo echt jonkvrouwelijk bedeesd beantwoord had. Maar
ook bij den wankelmoedigste kan de eene neiging niet in de plaats der
andere geschoven worden als een witte damschijf voor een zwarte, en hij
vond het nog altijd heerlijk zoo dicht in Barine's nabijheid te zijn.
Alleen de gedachte dat Helena nu misschien zou denken dat hij in
vertrouwelijke betrekking tot hare zuster stond, had hem onaangenaam
aangedaan, toen zij hem opriep om met haar mede te gaan.

In den tuin verzocht Barine hem of hij haar helpen wilde om, vóór zij
naar de landingsplaats van de boot gingen, de smalle trap te beklimmen,
die naar het platte dak van het poortwachtershuisje voerde. Van daaruit
konden zij al de drukte op het plein volgen zonder zelf gezien te
worden, want het was geheel door dichte laurierstruiken omgeven. Van
de beide tempels ter zijde van den «Muzenhoek" sloegen heldere vlammen
uit de pekpannen omhoog, en dat licht werd nog zeer versterkt door de
fakkels in de hand der Scythen. Toch kon men midden op het plein geen
mensch onderscheiden. Wel blonken bij dat vuur de marmeren wanden der
tempels, de standbeelden aan de poort van Didymus en de Hermen[6] aan
den koningsweg die langs het bedreigde huis liep, en de noordzijde van
het plein met de zeekust verbond; maar de walm der fakkels verduisterde
den hemel en doofde het licht der sterren.

[6] Vierkante steenen zuilen met den kop van Hermes er op.

Alleen Dion was duidelijk zichtbaar, die zich op het hooge zijstuk der
slede geplaatst had, waarop het omhulde standbeeld hierheen gebracht
was, en verder Philostratus, de pleitbezorger, die op het voetstuk
van een der dolfijnen geklommen was, die om de fontein tusschen den
Isistempel en de straat stonden. De ruimte van een twaalf schreden
ongeveer, die hen scheidde, liet den strijders toe elkander te verstaan,
en de algemeene aandacht was op hen gevestigd.

Het behoorde tot de grootste genoegens der Alexandrijnen zulk soort van
gevecht met woorden aan te hooren, en iedere gelukkige zinwending werd
met teekenen van goedkeuring, ieder woord dat hun mishaagde met
geschreeuw, sissen en fluiten begroet.

Barine kon zien en hooren wat daarbeneden gebeurde. Zij had de
lauriertakken, die haar verborgen, op zijde gebogen, en luisterde
aandachtig naar het gesprek der strijdende mannen. Toen de ellendeling,
die eens haar echtgenoot was, en dien zij nu te diep verachtte om hem
te haten, hare familie beleedigde met de aantijging dat zij zich van
geslacht tot geslacht gevoed hadden uit de ruif van het Museum, beet zij
zich op de lippen. Maar spoedig verscheen om haar mond een trek, die
bewees dat het gehoorde al te grooten weerzin bij haar opwekte, want
de pleitbezorger had zich nu tegen Dion gekeerd. Hij beschuldigde er
hem van dat hij den welmeenenden Regent wilde verhinderen den roem der
groote Koningin te verhoogen, en haar edel hart een vreugde te bereiden.

»Mijn tong," riep hij, »is het instrument, dat den kost voor mij
verdient. Waarom praat ik haar hier moede? Ter eere van Cleopatra, onze
verheven Koningin, en haar grootmoedigen vriend, aan wien ieder van u
een weldaad te danken heeft. Al wie haar, en den goddelijken Antonius,
den nieuwen Herakles en Dionysos, liefheeft--en beiden zullen spoedig in
triomf met den krans der overwinnaars tot ons terugkeeren--die legge met
den Regent en ieder welgezinde de hand op dat ellendige stukje gronds
daar ginds, dat snoode gierigheid ons zoo kleingeestig onthoud. Daaruit
spreekt een gezindheid--een gezindheid--hoort gij?... die ik nu niet
nader aanduid, omdat al wat leelijk is mij tegenstaat, en omdat ik hier
niet als aanklager sta. Wie partij trekt voor dien woordenvitter, die
boeken te voorschijn brengt, even gemakkelijk als die dolfijn dáár
water, die mag zijn gang gaan, ik zal het hem niet benijden. Maar laat
hem eerst acht geven op den bondgenoot en lofredenaar van Didymus. Daar
staat hij tegenover mij. Het zou beter voor hem zijn, als hij van steen,
en de dolfijn aan zijn voeten een levend wezen was. Dan had men hem in
de duisternis kunnen laten, waar hij behoort. Maar zooals het nu is,
moet ik hem u wel, tegen wil en dank vertoonen, en dat zal ik doen,
medeburgers, al gaf ik u liever dingen te zien, die minder mijn gal doen
overloopen. Het flauwe licht verhindert u de kleur van zijn gewaad
te onderscheiden, maar ik ken die, want ik zag het bij dag. Het is
hyacinthen-purper! Gij weet wat zoo iets kost. Een flink man uit uw
midden onderhoudt daarvan tien jaren lang zijn vrouw en kinderen. »Hoe
zwaar moet de buidel wel wegen van een man, die zulk een schat aan zon
en regen blootstelt!" denkt gij zeker allen, die hem daarin zoo trotsch
als een pauw ziet rondwandelen. En zijn buidel weegt dan ook vele
talenten. Jammer maar, dat de meesten van u iederen dag uw kinderen
een brood minder geven en u zelven menigen teug wijn onthouden moeten
om hem zoo deftig uit te dossen. Zijn vader Eumenes was ontvanger der
belastingen, en wat die bloedzuiger u en uw kinderen afperste, dat
gebruikt nu zijn zoon om daarmee in het purper te pronken op zijn wagen
met vier paarden, die velen van u het slijk in het gezicht deed spatten,
als hij voorbijreed. Bij den Hond! Het heerschap weegt niet zwaar, en
toch gebruikt hij het vierspan om vooruit te komen. En, waarom doet hij
dat, medeburgers? Dat zal ik u zeggen. Hij is bang om te blijven steken,
te blijven steken, overal, ook in zijn redevoering."

Hier liet Philostratus zijn stem dalen, want die wending van het
»blijven steken" had eenige toehoorders aan het lachen gemaakt. Maar
Dion, wiens vader in zijne betrekking van ontvanger der belastingen
inderdaad het familiegoed aanzienlijk vermeerderd had, bleef hem het
antwoord niet schuldig.

»Ja, ja," zeide hij verachtelijk, »die Syrische prater dáár heeft het
ditmaal bij het rechte einde. Daar staat hij tegenover mij, en wie zou
niet licht blijven steken zóó in de buurt van een slibberig moeras? Wat
mijn purperen mantel betreft, dien draag ik, omdat mij dat behaagt.
Ik vind den zijnen van crocus-geel veel minder mooi. Trouwens, in den
zonneschijn ziet hij daar heel deftig mee uit. Hij schittert als een
paardenbloem in het gras. Gij kent die plant wel. Als zij uitgebloeid
is,--en zou iemand zeggen dat Philostratus nog veel op een knopje
gelijkt?--dan wordt zij een licht, met lucht gevuld bolletje, dat een
kind wegblazen kan. Hoe zoudt gij het vinden om voortaan die ronde
zaadhuisjes »Philostratushoofdjes" te noemen? Bevalt u dat denkbeeld?
Dat doet mij genoegen, medeburgers, en ik dank u daarvoor. Het bewijst
uw goeden smaak. Laat ons dus bij dit beeld blijven. Bij ieder hoofd
behoort een tong, en Philostratus zegt dat de zijne het werktuig is,
waarmee hij den kost verdient."

»Hoort dien trotschaard eens!" viel de ander woedend daarop in. »In zijn
oogen strekt eerlijke arbeid, waarmee iemand zich in het leven houdt,
een mensch tot schande."

»Van eerlijken arbeid, vriend," sprak Dion, »is hier niet zoozeer
sprake. Ik sprak immers alleen van _uwe_ tong. Gij begrijpt mij,
medeburgers. Mocht een van u dezen waardigen man nog nooit ontmoet
hebben, dan zal ik hem toonen wie hij is, want ik ken hem goed. Het is
waar, hij is mijn tegenstander, maar ik kan hem toch aan velen onder u
met volle overtuiging aanbevelen. Wie een dóór en dóór slechte zaak voor
de rechtbank te brengen heeft, dien raad ik sterk aan zich tot dien
paardenbloemenman daar bij de fontein te wenden. Hij zal er mij dankbaar
voor zijn. Gelooft mij, alleen reeds omdat deze advokaat zich zoo
uitslooft, staat de zaak van Didymus uitstekend. Ik heb u vroeger al
gezegd wat de quaestie is. Wie van u, die een tuin bezit, kan dien in
het vervolg nog zijn eigendom noemen, wanneer het geoorloofd is dien
in de afwezigheid der Koningin eenvoudig iemand af te nemen en tot een
ander doel te bestemmen? Zoo wil men doen met dien van Didymus. Wordt
dat hier zoo de gewoonte, dan moet men maar liever geen radijs meer
zaaien, noch een struik of boom planten; want vóórdat de eene rijp is en
de andere schaduw geeft, is hij hem misschien al afgenomen, als de vrouw
van een voornamen heer bijgeval verkiest haar waschgoed daarin te drogen
te hangen."

Luide toejuichingen volgden op deze woorden, doch de pleitbezorger riep
met een harde stem: »Hoort naar mij burgers, en laat u niet misleiden!
Niemand zal hier beroofd worden. Tegen ruime schadevergoeding wil men de
plek, die men noodig heeft om de stad te verfraaien en de Koningin te
eeren, van hem overnemen. Zouden de Regent en de bevolking zich deze
schoone gelegenheid laten ontgaan om hunne dankbaarheid en vreugde over
de grootste der overwinningen aan den dag te leggen, alleen omdat het
een slechtgezind man en--het woord moet er uit--een vijand van zijn
land, anders behaagt?"

»Nu komt het moeras te dicht bij _mij_," riep Dion driftig uit, »en dat,
»blijven steken," waarvoor gij mij waarschuwdet, kon nu wel eens ernst
worden. Want een schaamtelooze die den vuigsten laster durft uitspreken,
benijd ik niet om zijn vlugheid van geest. Gij weet immers, gij allen
die mij hoort, door hoevele geslachten heen de familie van Didymus tot
eer van de stad hier heeft gewoond en roemvollen arbeid heeft verricht.
Gij weet dat de oude man tot de leermeesters der koningskinderen
behoorde."

»En toch," hield Philostratus vol, »zag men hem nog eergisteren met
Arius, den vriend en gouverneur van Octavianus, den doodvijand van onze
koningin, arm in arm in den tuin van het Paneum wandelen. Aan ieder die
het hooren wilde, verzekerde Didymus dat juist deze Arius tot zijn
liefste leerlingen behoorde."

»Inderdaad," hernam Dion, »de geringste schoolmeester zou zich wel
schamen u ooit zoo te noemen, zelfs al waart ge hem in verstand en
kennis boven het hoofd gegroeid. Ja, al had men u, in plaats van bij de
rhetoren, bij vischhandelaars in de leer gedaan, dan zouden deze het ook
niet gaarne bekennen, want zij verkoopen alleen goede waar voor goed
geld, maar bij u is ook het allerslechtste nog voor goud te krijgen.
Ditmaal treedt gij daarvoor den goeden naam van een achtenswaardig man
met voeten. Maar ik zal dat niet gedoogen: gij hoort het, medeburgers:
ik daag den Syriër daar ginds uit te bewijzen dat Didymus het vaderland
verraden heeft, of zich te laten welgevallen dat ik hem, ten aanhoore
van u allen een snood lasteraar en omkoopbaar opruier noem."

»Smaad uit zulk een mond is gemakkelijk te verdragen," antwoordde de
pleitbezorger op een toon van minachting, maar toch duurde het eenigen
tijd, eer hij zich weder tot zijn toehoorders richtte, en met al de
warmte, waarover hij beschikken kon, voortging: »Wat ik dan wil,
medeburgers? Waarom het te doen is? Ik treed hier op voor de koningin,
alleen omdat mijn hart mij daartoe dringt. Om een waardige plaats te
verzekeren aan datgene wat Cleopatra tot eer en roem strekken zal,
treed ik in het strijdperk met haar vijand, stel ik mij bloot aan
den hoon waarmede gij den trotschen overmoed vergunt zijne woede aan
mij te koelen. Toch heb ik er geen berouw van, al doe ik mijn natuur
geweld aan; want de man, tegen wien ik mijn stem verhef, is ook mijn
leermeester geweest, en vóór hij van den weg van waarheid en recht werd
afgebracht, heeft hij ook menigmaal mij, voor vele getuigen, tot zijn
beste leerlingen gerekend. Ik was ook stellig een der dankbaarste. En
zijn kleindochter werd mijn echtgenoot. Door haar bezit..."

»Bezit?" riep Dion luid en heftig. »Zóó kon een door de zee aangespoeld
lijk zich evengoed beroemen die zee te bezitten!"

Het zwakke licht der fakkels was sterk genoeg om de omstanders te doen
zien hoe de pleitbezorger verbleekte. Eén oogenblik scheen het, of hij,
die nooit verlegen werd, nu toch in verwarring was geraakt, maar spoedig
riep hij weder: »Medeburgers, lieve vrienden! Ik wilde u spreken van
de ellende waarin eene schoone doch lichtzinnige vrouw iemand storten
kan....."

Maar hij kon niet verder gaan, want velen der aanwezigen, die den
gevierden, milden Dion en Barine, de schoone zangeres van het laatste
Adonisfeest, kenden, gaven duidelijk hun ongenoegen te kennen. Een
volksmenigte verheugt er zich altijd in, als zij een man van het vak
door een ander die dat niet is, overwonnen ziet.

Toch zou de strijd nog zoo spoedig niet geëindigd zijn, als niet op dit
oogenblik onrust en schrik zich van het volk hadden meester gemaakt.
Er ontstond een geroep van: »Terug! gaat uiteen!" en tegelijk hoorde
men hoefgetrappel en het commando van den aanvoerder eener afdeeling
Libysche ruiters. De aanleiding was niet gewichtig genoeg, dat het
volk zich daarvoor aan een ernstig gevaar mocht blootstellen. Ook was
de heftige woordenstrijd vroolijk geëindigd, en onder de angst- en
waarschuwingskreten mengde zich een luid gelach, want de golvende
menigte had zich in de richting van de fontein bewogen, en den
pleitbezorger in het volle waterbekken doen vallen. Men wist niet of dit
met opzet of door een toeval was gebeurd, doch de vergeefsche pogingen
van het slachtoffer om zich langs het gladde marmer er uit te werken,
waren zoo komiek, en zijn gebaren, toen hij met den bijstand van
hulpvaardige handen weder op het plaveisel van het plein terecht was
gekomen, wekten zoo onweerstaanbaar de vroolijkheid op, dat veel meer
gelach dan gemor onder het gepeupel werd gehoord. De een riep: »Toen hij
Didymus zoo zwart maakte, heeft hij zijn eigen handen zwart gemaakt,
en nu wil hij ze wasschen!" Een ander: »Een wijze arts heeft hem in
de fontein geworpen. Hij had voor al de houwen die hij van Dion heeft
gekregen, koude omslagen noodig." Den Regent, die de ruiters hierheen
gezonden had om de menigte voor het huis van Didymus uit elkander
te jagen, was het zeer welkom dat deze maatregel nu zoo weinig
tegenstand ontmoette. Het volk ging spoedig uiteen, en reeds bij het
Dionysostheater werd de aandacht door iets nieuws getrokken. Op de
trappen daarvan had de citerspeler Anaxenor eerst afgekondigd dat
Cleopatra en Antonius de schoonste aller overwinningen hadden behaald,
en daarna een loflied gezongen dat aller harten diep had geroerd. Hij
had het al lang geleden vervaardigd, en deze eerste gelegenheid, zoodra
het gerucht zich verbreid had, aangegrepen, om de uitwerking er van te
beproeven.

Zoodra het plein weer ledig was, verliet Barine haar toeschouwersplaats.
Sinds lang had haar hart niet zoo snel geklopt. Van al degenen die haar
gunst zochten te verwerven, stond niemand hooger bij haar aangeschreven
dan Dion; doch nu gevoelde zij voor het eerst dat zij hem liefhad. Wat
hij daar op het plein voor haar en haar grootvader had gedaan, verdiende
haar grootste dankbaarheid; het bewees dat hij niet maar, zooals de
meesten, alleen bij haar kwam om de lange avonduren door te komen.

Het was geen kleinigheid voor den aanzienlijken jongen man geweest
om zich, voor het geheele volk, in een strijd in te laten met dien
schaamteloozen man, wien Barine eenmaal had toebehoord, en hoe goed
was het hem gelukt den gevreesden improvisator tot zwijgen te brengen.
Bovendien had hij hare partij gekozen tegen zijn eigen, machtigen oom,
en misschien den broeder van zijn tegenstander, Alexas, die een der
voornaamste gunstelingen van Antonius was, tot zijn vijand gemaakt. Dat
verhief Barine in eigen oogen, want dat, dacht zij, zou hij die voor
geen der Macedonische edelen der stad behoefte achter te staan, voor
geene andere gedaan hebben. Zij had door dit alles een gevoel alsof zij
verlost was.

Sedert zij de liefelijke opgeruimdheid van geest, die in haar
ongelukkig huwelijksleven gedreigd had verloren te gaan, voor zich zelve
teruggevonden had, en haar huis een middelpunt van geestelijk leven
had zien worden, had zij altijd getracht al hare gasten met dezelfde
vriendelijkheid te gemoet te komen. Zij had begrepen dat zij zich niet
meer veroorlooven mocht aan een enkelen die macht over haar te geven,
die een vrouw aan den man dien zij liefheeft vanzelve schenkt. Aan Dion
had zij niets meer toegestaan dan aan de anderen, maar nu gevoelde zij
duidelijk dat zij al het genot van een gevierde vrouw te zijn, en de
grootste vernuften der stad tot zich te trekken, gaarne zou prijsgeven
voor het zooveel grootere geluk door hem bemind te worden en de zijne te
zijn. Met hem, door zijne liefde gesteund, geloofde zij iets beters te
zullen vinden in de eenzaamheid, dan in de drukte en de opwinding van
haar tegenwoordig leven.

Zij wist nu wat haar te doen stond indien hij hare hand vroeg, en voor
het eerst had de bouwmeester een stilzwijgend gezelschap aan haar. Hij
zou haar gaarne teruggebracht hebben naar het huis van haar grootvader;
daar had hij toch andermaal hare zuster Helena ontmoet, terwijl zij het
teleurgesteld verlaten had, omdat haar moedige verdediger daar niet
teruggekeerd was.

Na het onverwachte slot van den woordenstrijd, had Dion zich recht
behagelijk gevoeld. De voldoening van voor een goede zaak opgetreden te
zijn, en de verheffende zekerheid van den uitslag waren voor hem wel is
waar niets nieuws, maar toch had hij het zelden zóó ondervonden als nu.
Hij had vurig verlangd naar de eerstvolgende ontmoeting met haar, en
zich voorgesteld hoe hij haar alles verhalen en haar dank voor zijn
goede diensten aanhooren zou. Hij had dat alles in zijn verbeelding al
doorleefd, maar nauwelijks was dat lachende beeld verdwenen, of de
vroolijke uitdrukking van zijn mannelijk gelaat werd ernstig en vol
bezorgdheid. Ofschoon het nachtelijk donker slechts spaarzaam door het
vuur in de pekpannen werd verlicht, was het hem een oogenblik geweest
alsof hij in het heldere daglicht in den bloeienden tuin van zijn paleis
stond, en als had Barine, toen hij het loon voor zijn dapper optreden
van haar verlangde, hem innig bewogen aan haar borst gedrukt en hij haar
hartstochtelijk de betraande oogen gekust. Het visioen was spoedig
verdwenen, maar zoo duidelijk geweest als de levendigste droom.

Zou Barine hem toch dierbaarder zijn dan hij dacht? Was het geen
welbehagen in haar buigzamen geest en schitterende schoonheid alleen
geweest, dat hem in de laatste maanden zoo menigmaal tot haar
aangetrokken had? Was een werkelijke, sterke hartstocht in hem ontwaakt?
Bestond er gevaar dat de wilskracht, die zijn vrijheid bewaken moest,
bezwijken zou? Moest hij vreezen eenmaal, door een geheimzinnige,
onwederstaanbare macht gedwongen, in weerwil van de tegenkanting der
bedachtzame wijsheid, een verbond voor het leven te sluiten met haar,
Barine, die eens een Philostratus toebehoord had? De vrouw die iets
geven wilde aan ieder die haar huis bezocht, en wien het daar alleen te
doen was om streeling van oog en oor, of een aangenaam onderhoud. Al was
haar eer ook zoo rein als het dons van een zwaan--er was toch geen reden
om daaraan te twijfelen--toch werd haar naam te gelijk genoemd met dien
van Aspasia en vele anderen, bij wie de gasten nog meer vonden dan
gezang en geestvolle gesprekken. De gaven, waarmede de goden haar zoo
rijk hadden bedeeld, waren reeds door te velen genoten dan dat hij, de
laatste spruit uit een edel Macedonisch geslacht, er aan had mogen
denken haar als gebiedster binnen te leiden in een huis, dat met
Gorgias' hulp zoo rijk en fraai was gebouwd en versierd.

Zeker, er ontbrak niets aan, dan het vriendelijke bestier eener vrouw.
En als zij er eens in toestemde zonder den zegen van Hymen de zijne te
worden? Neen, dat nooit. De kleindochter van Didymus, die reeds zijns
vaders leermeester was geweest, de vrouw die hij steeds zoo van harte
had hooggeacht, ondanks de vroolijke vrijheid waarmede zij met zoovelen
omging, wilde hij blijven eeren. Dat zou hij doen, zelfs al zouden zijne
vrienden hem er om uitlachen. Wat gaf men ook om de heiligheid van den
echt, in een stad waar de Koningin in vrije liefde met den gade van een
ander leefde? Hij zelf had reeds zoo menige korte verbintenis gesloten,
en juist daarom hinderde het hem Barine gelijk te stellen met hen, wier
liefde hij waarschijnlijk alleen aan zijn goud te danken had.

Aan moed en vastberadenheid had het hem nooit ontbroken, maar hij voelde
dat hij ditmaal rekening te houden had met een macht, waarmede hij zich
nog nooit gemeten had. Dat verwenschte visioen! Hij zag het weder, en
het lachte zoo lieflijk, dat de dag wel komen moest, dat alle weerstand
vruchteloos zou zijn. Indien hij in hare nabijheid bleef, dan zou hij
zeker doen wat hem later berouwen zou. Hij had graag een offer gebracht
aan Peitho, opdat zij de overredingskunst van Archibius bevleugelen
mocht, en Barine tot het besluit brengen om Alexandrië te verlaten.

Het zou hem wel moeilijk vallen haar te missen, maar veel zou reeds
gewonnen zijn wanneer zij de stad verliet. Tusschen het tegenwoordige en
den verwijderden tijd van het wederzien lag het uitstel van het gevaar,
en misschien de kans op de overwinning. Hij herkende zich zelven niet.
Hij was in eigen oogen zoo wankelmoedig als een riet, omdat hij den
wensch bij Didymus binnen te gaan en hem toe te spreken, onderdrukt had,
en het huis voorbijgeloopen was. Hij zou dan Barine bij haar grootvader
gevonden hebben, en hij wilde haar nu niet zien, hoewel alles in hem
verlangde naar haar aangezicht, hare stem en een woord van dank uit haar
lieven mond. In de plaats van blijdschap was een gevoel van misnoegdheid
gekomen, zooals van iemand die aan een kruisweg staat, en weet dat
hij langs geen der drie wegen tot zijn eigenlijk doel komen zal. De
koningsweg, waarover hij zich door de menigte liet voortstuwen, leidde
langs de zee, tot aan het theater van Dionysos. Zoodra hij dat zag
herinnerde hij zich eensklaps dat zijn vriend Gorgias het beeld van het
koninklijke paar vóór dit grootsch gebouw wilde doen oprichten, en als
hij nu een onderzoek instelde naar de geschiktheid van deze plaats, zou
hij vanzelf op andere gedachten komen.

Toen hij het theater naderde, had de citerspeler juist zijn lied
geëindigd, en de menigte ging uiteen. Ieder was vol van de blijde
tijding der overwinning, en de een riep de ander toe wat Anaxenor de
gunsteling van den grooten Antonius, die het dus weten moest, hun in
verzen had meegedeeld. Daarop weerklonk menig "Io" en "Evoë"[7] op
Cleopatra, de nieuwe Isis, en Antonius, den nieuwen Dionysos. Gebaarde
en gladde, fijne Grieksche en dikke Aegyptische lippen vereenigden zich
in het geroep: "Naar het Sebasteum!" Dat was namelijk het koninklijk
paleis, waar tegenover het gebouw der Regeering stond en het huis van
den Regent. Men wilde het kostelijk bericht bevestigd zien en door een
uiting van dankbare vreugde lucht geven aan het volle hart.

[7] Een juichkreet bij de Dionysosfeesten.

Ook Dion wilde zekerheid erlangen, en hoewel de luidruchtige
ontboezemingen van het volk hem altijd te veel tegenstonden om er aan
deel te nemen, maakte hij zich nu toch gereed om de joelende schaar te
volgen naar het Sebasteum. Doch plotseling hoorde hij het geroep van
mannen, die een dichtgesloten draagstoel vooruitliepen. Het was die van
Iras, de vertrouwde kamervrouw der Koningin. Als iemand mededeelingen
kon doen, dan was zij het, maar het was in dit gedrang onmogelijk
een gesprek met haar aan te knoopen. Zij scheen echter van een ander
gevoelen te zijn, want zij had hem opgemerkt en riep hem tot zich. Haar
anders zoo heldere stem klonk ditmaal schor. Men hoorde daaraan dat zij
heftig bewogen was, terwijl zij Dion met allerlei vragen overstelpte.
Zonder zich tijd te gunnen voor de gewone begroeting, wilde zij dadelijk
weten wat de menigte zoo opgewonden maakte, wie hun de tijding der
overwinning gebracht had, en waarheen het volk zich begaf.

Terwijl Dion haar te woord stond, had hij moeite genoeg niet
voortgedrongen te worden. Dat merkte zij, en daar zij juist den Meander
voorbij kwamen, den dwaaltuin die na zonsondergang gesloten werd, liet
zij zich naar den ingang daarvan dragen, maakte zich aan de wachters
bekend, liet den draagstoel daar nederzetten, en beval de dragers en
voorloopers te blijven wachten, totdat zij hen roepen zou.

De ongewone gejaagdheid van het meisje vervulde Dion met gegronden
angst. Toen hij haar verzocht uit te stappen en met hem op en neder te
wandelen, wees zij dit af met de betuiging, dat er in het leven te veel
dwaalwegen waren, dan dat men die met opzet zoeken moest. Hij scheen
ook wel op wegen te gaan, die niet juist tot de rechte behoorden.
"Waarom," besloot zij, en stak het hoofd daarbij door de opening van
den draagstoel "maakt gij het den Regent en uw eigen oom zoo moeielijk
om hunne bevelen door te zetten, en trekt partij voor het volk als een
omgekochte oproermaker?"

"Als Philostratus, bedoelt gij, dien ik als toevoegsel tot de gouden
belooning uit uwe hand, nog eenige ribbenstooten toegediend heb?"

"Zooals gij wilt. Waarschijnlijk waart gij het ook, die hem in het water
deedt werpen, nadat gij uw gemoed aan hem gekoeld hadt? Gij moet uwe
zaak goed verstaan hebben. Wat men met liefde op zich neemt, gaat
gewoonlijk goed. Het zij zoo, wanneer nu maar zijn broeder Alexas,
Antonius niet tegen u in het harnas jaagt. Wat mij betreft, ik wil
alleen maar weten, waarom en voor wien dat alles is geschied."

»Voor wien anders dan voor den braven ouden man, die reeds de
leermeester mijns vaders is geweest, en voor zijn goed recht,"
antwoordde Dion rustig. »En behalve dat ook ter wille van den goeden
smaak, want er is geen ongunstiger plek voor het standbeeld denkbaar dan
juist die tuin."

Iras lachte, een korten, scherpen lach, en haar smal, zeer regelmatig
gezicht, dat men schoon had kunnen noemen als de rug van den fijnen
rechten neus niet wat lang en de kin iets te klein waren geweest,
vertrok zich, terwijl zij uitriep: »Dat is ten minste openhartig."

»Daaraan moest gij bij mij gewoon zijn," hernam hij bedaard. »In dit
geval is trouwens de deskundige bouwmeester Gorgias geheel van hetzelfde
gevoelen."

»Ook dat kwam mij ter oore. Gij beiden zijt ijverige bezoekers van--hoe
heet zij ook weer?--de betooverende Barine."

»Barine!" herhaalde Dion, alsof die naam hem verraste. »Gij zorgt er
voor, vriendin, dat ons gesprek onze omgeving, den dwaaltuin, eer aan
doet. Ik spreek van werken der beeldende kunst, en gij doet alsof gij
dat toepast op een overigens zeer wel gelukt levend werk der scheppende
goden. Ik was er mijlen ver van af bij dat alles aan de kleindochter van
den ouden geleerde te denken, toen ik voor hem in 't strijdperk trad."

»Zooals," voegde zij er bitter bij, »alle jonge heeren van uwe soort
altijd eerder denken aan de waardige leermeesters van hun vader, dan
aan die vrouwen die, sedert Pandora haar doos opende, alle kwalen in
de wereld brachten. Maar,"--en zij streek de zwarte lokken van haar
voorhoofd, »ik begrijp mij zelve niet, hoe ik er nu, bij den zwaren
last, die op mijn ziel ligt, toe kom, om ook maar één woord aan zulke
beuzelingen te verspillen... En toch! De oude geleerde raakt mij
even weinig als het geheele aantal van zijn commentaren en andere
geschriften, al zijn zij mij niet geheel onbekend.... Hij mocht, wat
mij betreft, even veel kleinkinderen hebben als hier in Alexandrië
booze tongen zijn, als het er mij niet om te doen was alles wat een
schaduw op den weg der Koningin werpt te verwijderen. Ik kom zooeven
van de Lochias, uit het paleis der koninklijke kinderen, en wat ik daar
hoorde.... Maar ik wil en kan het nog niet gelooven.... Ik ben er geheel
van vervuld."

»Zijn er slechte tijdingen van de vloot?" vroeg Dion vol belangstelling.
Zij antwoordde niet, maar knikte bevestigend met het hoofd, en legde den
waaier van struisvederen als teeken van stilzwijgen tegen haar mond.
Tegelijk beefde zij zoo hevig, dat hij het, niettegenstaande de
duisternis, zag. Hij begreep hoe moeilijk het spreken haar viel, toen
zij met doffe stem vervolgde: »Het moet nog geheim blijven.... Schippers
van Rhodus.... het is, de Goden zij dank, nog geheel onzeker.... het
kan, het mag niet waar zijn! En toch.... het is een schande dat die
citerspeler bij het volk zulke blijde verwachtingen durft opwekken. Wie
het meest aan de grooten der aarde te danken heeft, doet hun gewoonlijk
het meeste kwaad. Gij kunt zwijgen Dion, dat weet ik. Dat toondet gij
reeds als knaap, als gij iets te verbergen hadt voor uw ouders. Of gij
nu nog, evenals toen, voor mij in het water zoudt springen? Ik geloof
het niet! Maar vertrouwen mag ik u, en dat doe ik zelfs hier in dezen
dwaaltuin. Mijn hart dreigt te bersten, maar geen woord daarvan aan
wien ook! Ik heb geen vertrouweling noodig, en zou ook u alles kunnen
verzwijgen, maar ik wensch dat gij mij begrijpt, juist gij, die de
rol gespeeld hebt, die gij speeldet. Vóór ik op de Lochias in mijn
draagstoel stapte, kwam ook die knaap tehuis, en ik sprak hem nog even."

»De jonge Cæsarion," viel Dion haar ernstig in de rede »bemint Barine."

»Dus bleef deze ontzettende dwaasheid ook al niet geheim?" vroeg zij
opgewonden. »De droomer toont een hartstocht, dieper dan ik ooit van
hem zou hebben gedacht. Stel u voor dat de Koningin terugkomt, minder
gelukkig dan wij wenschen, dat zij allen terugziet van wie zij nog iets
verblijdends, goeds of groots verwacht, en dan hoort wat er met den
knaap is gebeurd,--want wat zou haar verlichte geest niet opmerken en
doorzien? Hij is haar dierbaar, meer dan gij allen vermoedt--hoe zal
dat dan haar onrust, haar ellende vermeerderen! Hoe rechtmatig zal haar
toorn zijn over hen, wien plicht en liefde geboden over den knaap te
waken!"

»Daarom," zeide Dion, »is het noodig dat de steen des aanstoots
weggenomen wordt. Met dien aanval op Didymus hebt gij tot dat doel reeds
het uwe gedaan."

Hij had terecht ingezien, dat zij met het geheele complot tegen
den geleerde eigenlijk alleen beoogde aan de machthebbers het recht
te geven om tegen den ouden philosoof en de zijnen, dus ook tegen
Barine, krachtig op te treden. De Aegyptische wet eischte, dat ook de
bloedverwanten dergenen die tegen de regeering iets hadden misdaan,
verbannen werden. Deze aanval op een onschuldige was schandelijk, en
toch begreep Dion uit ieder woord dat Iras sprak, uit iederen trek van
haar gelaat, dat het niet alleen lage jaloerschheid, maar iets edelers
was, wat haar daartoe bracht: de liefde voor hare gebiedster, de groote
begeerte om haar voor kommer en leed te behoeden. Hij kende Iras, haar
ijzeren wil, en de meedoogenloosheid waarmede zij aan het hof altijd
haar doel had trachten te bereiken. Zijn eerste werk moest nu zijn
Barine te bewaren voor het gevaar dat haar dreigde; vervolgens moest
hij Iras, de dochter van Krates, die langen tijd naast zijn vader had
gewoond, met wie hij als knaap had gespeeld en die tot nu toe in al zijn
lotgevallen had gedeeld, bevrijden van den angst die haar drukte.

Zijn uitspraak verraste haar. Zij zag hoe de man, die haar meer waard
was dan ieder ander, haar doorzag, en een vrouw die bemint, verheugt
zich altijd als zij de meerderheid van den geliefde gevoelt. Daarbij was
zij van kind af--en zij was maar twee jaar jonger dan Dion--opgegroeid
in kringen waar men niets hooger stelde dan de oefening van den geest,
ten einde dien helder en scherp te maken. Haar zwarte oogen, die eerst
uitvorschend en wantrouwend gefonkeld en daarna van hartstochtelijke
droefheid gegloeid hadden, namen nu een nieuwe uitdrukking aan. Smeekend
zochten zij den blik van haar vriend, terwijl zij op zijn vermoeden
hernam: »Ja Dion, de kleindochter van den philosoof mag hier niet
blijven. Of ziet gij een ander middel om den knaap voor onberekenbaar
onheil te bewaren? Gij kent mij lang genoeg om te weten dat het mij,
evenzeer als u, tegen de borst stuit om het goed recht van een ander te
krenken, en dat ik, als het niet noodig is, zoo hardvochtig niet ben. Ik
acht u zeer hoog. Niemand is zoo waarheidlievend als gij, en gisteren
hebt gij mij nog stellig verzekerd, dat Eros met uwe bezoeken bij de
jonge vrouw niets te maken had, dat gij enkel zoo dikwijls tot hare
gasten behoort omdat zij uw geest zoo aangenaam opwekt. Wat ik ook
leerde wantrouwen in de wereld, op uw woord vertrouw ik nog. En toch,
toen ik vernam hoe gij voor Didymus in de bres gesprongen waart, en u
zag trachten naar den dank en de gunst van zijn kleindochter.... gij
mannen zegt immers, dat Zeus de betuigingen der minnenden niet
hoort,--toen hief de argwaan het hoofd weder op. Nu schijnt gij mijn
gevoelen te deelen...."

»Ja," viel hij in, »evenals gij, geloof ik dat Barine onttrokken moet
worden aan de wenschen van den knaap, die u niet onaangenamer kunnen
zijn dan haar zelve. Daar Cæsarion op het oogenblik Alexandrië te minder
verlaten kan, omdat de zaken zoo slecht staan, blijft er niets anders
over dan de jonge vrouw van hier te verwijderen;--maar natuurlijk met
alle mogelijke omzichtigheid."

»O, in een gouden wagen, en met rozen bekranst, als gij dat verkiest!"
riep Iras levendig uit.

»Dat zou maar opzien wekken," antwoordde hij glimlachend, en met een
afwerend handgebaar. »Nu ik de drijfveeren uwer handelwijze ken, behaagt
die mij wel is waar altijd nog niet, doch ik wil u gaarne helpen om uw
doel te bereiken. Ook langs kronkelpaden komt men waar men wezen wil, en
daarop loopt men minder gevaar den voet te stooten; de rechte weg is mij
echter liever, en ik geloof dat ik dien ook reeds gevonden heb. Een
harer vrienden noodigt de jonge vrouw uit naar zijn landgoed te komen
dat ver van hier gelegen is."

»Zijt gij dat?" vroeg Iras, terwijl haar fijne wenkbrauwen zich pijnlijk
samentrokken.

»Gelooft gij dan dat zij mij volgen zou?" hernam hij op licht
verwijtenden toon. »Neen. Gelukkig hebben wij nog vrienden die ouder
zijn, en de voornaamste van die is toevallig uw oom, die als was is in
de handen der koningin."

»Archibius?" riep Iras uit. »Ja, als hij haar daartoe overreden kon."

»Dat zal hij beproeven. Hij maakt zich ook ongerust over den knaap.
Terwijl wij hier samen spreken, noodigt hij Barine uit van zijn landgoed
gebruik te maken. De buitenlucht daar zal haar zeker goed doen."

»Ik wensch haar toe dat zij zoo gezond moge worden als een
herderinnetje!"

»Dat is een goede wensch, want komt de Koningin niet zegevierend terug,
dan worden wij Alexandrijnen nog veel prikkelbaarder. Toen gij den tuin
van Didymus in beslag wildet nemen, waart gij al zoo ijverig aan de
oprichting van een eerepoort bezig, dat gij daarbij vergeten hebt...."

»Wie twijfelde dan ook aan den gelukkigen afloop van dezen oorlog?" riep
Iras. »En zij zullen zeker, zeker overwinnen! De man uit Rhodus zeide,
dat de vloot uiteengedreven was. Dat zou dan gebeurd zijn aan de kust
van Akarnië. Dat klonk zeer stellig, maar intusschen had hij het zelf
ook slechts van een tweede of derde gehoord. En wat beteekent een
gerucht! Hoe dikwijls blijkt later dat het verkeerd was. Bovendien, al
werd de zeeslag ook verloren, dan zouden wij altijd nog onze geduchte
landmacht hebben. Zij beteekent veel meer dan die van Octavianus.
En welke veldheer is opgewassen tegen Antonius? Hoe dapper zal hij
strijden, als het de allergewichtigste dingen geldt: roem, eer,
heerschappij, haat en liefde. Waarom zouden wij zoo beangst zijn? Na
Dyrrhachium hield ieder de zaak van Cæsar voor verloren, en hoe spoedig
daarop werd hij te Pharsalus de beheerscher der wereld! Is het niet
beneden een verstandig mensch om door schipperspraatjes den moed te
verliezen?--En toch--toch! Reeds toen ik ziek werd, begon het. En dan
die zwaluwen aan het admiraalsschip! Daar sprak ik u vroeger al van.
Mardion en uw oom Zeno hebben het met eigen oogen gezien, hoe vreemde
zwaluwen de andere uit haar nest bij het roer verjoegen en de jongen met
hare snavels dood pikten. Dat was een slecht voorteeken! Ik kan het maar
niet vergeten. En dan mijn droom, toen ik de koorts had!--Maar ik heb
hier al veel te lang vertoefd. Toch ben ik dankbaar voor dit onderhoud
met u, Dion, want nu kan ik gerust zijn wat den knaap Cæsarion betreft.
Zet het standbeeld neer waar gij wilt. Het volk moet weten dat wij acht
geven op hun tegenstand, en, als hunne vrienden, rechtvaardig zijn.
Help gij mij nu ook om alles ten beste te keeren voor de Koningin....
en als het Archibius gelukt Barine voor eenigen tijd buiten de stad te
houden, dan.... Ja, zoo ik maar iets wist wat u aangenaam kon zijn, dan
zou ik u dat zeker verschaffen. Maar wat geeft de gevierde Dion om zijn
verwelkende vroegere speelkameraad?"

»Verwelkende?" herhaalde hij op een toon van verwijt. »Zeg liever de
volschoone, die van haar koninklijke vriendin het geheim geleerd heeft
van jong te blijven."

Met een rassche beweging stak zij hem dankbaar de witte slanke hand toe,
die, na die van Cleopatra, de fraaiste aan het hof werd genoemd; doch
toen hij de fijne vingertoppen eerbiedig en zacht aan zijn lippen
bracht, trok zij snel de hand terug en riep, alsof zij plotseling berouw
voelde: »In dezen tijd, met zulk een angst in het hart, dit onbeduidende
gebeuzel! Het is onwaardig en beleedigend. Als Barine met Archibius
medegaat, zal de tijd haar zeker niet lang vallen op zijne landgoederen.
Ik geloof dat ik wel weet wie haar spoedig na zal reizen om haar
gezelschap te houden.--Hier, Pasis! De dragers! En nu naar de
Zonnepoort!"

Dion staarde den verdwijnenden draagstoel nog een oogenblik na; toen
liet hij de hand door zijn bruine lokken gaan, liep daarop naar het
strand, en sprong, zonder zich te bedenken, in een der booten die daar
verhuurd werden. Hij gebood de schippers, die met hem mede wilden gaan,
op het land te blijven, spande zelf de zeilen met een geoefende hand, en
voer zoo de haven uit. Die krachtsinspanning kwam hem juist te stade, en
hij ging nu meteen zelf op verkenning uit.




VIERDE HOOFDSTUK.


Het huis dat Barine bewoonde, dicht bij de tuinen van het Paneum, was
het eigendom harer moeder, die het van hare ouders geërfd had. Haar
vader, de schilder Leonax, de zoon van den philosoof Didymus, was lang
geleden gestorven. Zoodra Barine's ongelukkig huwelijk met Philostratus
ontbonden was, had zij weder haar intrek genomen bij haar moeder, die de
huishouding bestierde. Ook deze stamde van een geleerde familie af, en
was opgegroeid met een broeder, die naam gemaakt had als philosoof, en
de studiën van den jongen Octavianus had geleid. Dit was echter lang
vóór het begin der twisten, die den erfgenaam van Cæsar en Marcus
Antonius vaneen scheidden. Doch zelfs nadat deze laatste zijne gemalin
Octavia, Octavianus' zuster, verstooten had, om tot Cleopatra, de
geliefde van zijn hart, terug te keeren, en nadat het tusschen de
mededingers om de heerschappij der wereld tot een openlijke breuk
gekomen was, had Antonius zich vriendelijk getoond jegens Arius, en in
geen enkel opzicht zijn innige betrekking tot Octavianus gewraakt. De
milde Romein had den vroegeren Mentor van zijn vijand ten overvloede een
fraai huis ten geschenke gegeven, om hem te toonen hoe gaarne hij hem in
Alexandrië en in zijne nabijheid behield.

De weduwe Berenice, Barine's moeder, was zeer gehecht aan haar eenigen
broeder, die dikwijls tot de gasten harer dochter behoorde. Zij was een
bedaarde, stille vrouw, die den tijd toen zij zich wijden kon aan de
opvoeding harer kinderen, den vurigen Hippias, Barine en Helena, den
gelukkigste haars levens noemde. De laatste woonde nu al sinds jaren
bij haar grootouders, en verzorgde hen met de meeste toewijding. Zij
was altijd gemakkelijker te leiden geweest dan haar oudere zuster en
broeder. De hoog strevende geest van den knaap had hem dikwijls aan de
moederlijke leiding onttrokken, en het schoone, levendige meisje had
van jongsaf iets bijzonder betooverends gehad, zoodat een nauwlettend
toezicht dubbel noodig was geweest.

Eerst te Alexandrië, later te Athene en op Rhodus had Hippias zich tot
redenaar ontwikkeld, en drie jaren geleden had zijn oom Arius hem met
goede aanbevelingen naar Rome gezonden, om het leven daar te leeren
kennen, en te beproeven met zijne zeldzame gave van welsprekendheid daar
zijn weg te maken.

Twee ongeluksjaren aan de zijde van een gewetenloos man, dien zij niet
liefhad, hadden den kinderlijken overmoed van Barine langzaam doen
overgaan in haar tegenwoordige kalmere opgeruimdheid. Haar moeder was
zich bewust dat zij met de beste bedoelingen haar zestienjarige dochter
een huwelijk had laten sluiten met Philostratus, in wien Didymus
toenmaals een veelbelovenden jongen man dacht te zien, terwijl diens
broeder Alexas, Antonius' gunsteling, die dezen in den oorlog had
vergezeld, beloofd had hem voort te helpen op zijn verdere loopbaan.
De goede vrouw had gedacht dat het bevallige schepseltje op deze wijze
het best voor de gevaren der wufte stad beschermd zou zijn; doch de
onwaardige echtgenoot had moeder en dochter veel leed berokkend, en niet
veel minder deed dit zijn invloedrijke broeder, die niet moede geworden
was zijn jonge schoonzuster met onwaardige voorstellen te vervolgen.

Thans zag vrouw Berenice vaak haar kind met stomme verbazing aan, omdat
zij, uit al die smart en vernedering nog die onschuldige vroolijkheid
had weten te redden, die den schijn gaf, alsof haar leven slechts rozen
zonder doornen opgeleverd had.

Haar vader Leonax had tot de beroemdste der Alexandrijnsche schilders
behoord, en van hem had zij die veerkrachtige kunstenaarsziel, die ook
na den zwaarsten druk weder krachtig opsprong. Hem had zij ook die
bijzondere gave van den zang te danken, die zorgvuldig aangekweekt
was, en die haar in de koren der jonkvrouwen op de hooge feesten der
godinnen, eene eerste plaats hadden doen verwerven. De lof van haar
kunst was in aller mond, sedert zij op het Adonisfeest bij het wassen
beeld van den lieveling der goden, die door het everzwijn was gedood, in
het koninklijk paleis den »Jalemos" gezongen had. Men rekende het als
een voorrecht haar te hebben gehoord, te meer daar zij zich enkel in
haar eigen huis of bij bijzondere gelegenheden »ter eere der goden" liet
hooren.

Ook de Koningin had haar gehoord, en na dat Adonisfeest was Antonius
door haar oom Arius in haar huis binnengeleid. Met al de warmte van
zijn vurige, openhartige natuur had hij zijne bewondering voor haar
uitgesproken, en zich een volgend maal ook doen vergezellen door zijn
zoon Antyllus. Zeker zou hij nog wel meer gekomen zijn, indien hij
niet, daags na het tweede bezoek, zich gedwongen had gezien de stad te
verlaten.

Barine's moeder had het Arius verweten dat hij den geliefde der koningin
bij haar had gebracht, en door het herhaald bezoek van Antonius' zoon,
nog meer door dat van Cæsarion, dien Antyllus medegebracht had, had hare
vrees nieuw voedsel gekregen. Deze jongelieden behoorden niet tot de
gasten die zij gaarne komen zag, en naar wier gesprek zij gaarne
luisterde. Wel was het vleiend dat zij haar eenvoudig huis met hunne
tegenwoordigheid vereerden, doch zij wist dat Cæsarion buiten voorkennis
van zijn gouverneur kwam, en zag hem duidelijk aan wat hem tot haar
dochter aantrok. De arme vrouw Berenice had bij de opvoeding van die
beide kinderen van veel zorgen, het blijde vertrouwen van vroeger tijd
verloren. Thans zag zij van al het nieuwe, dat het leven haar bracht,
altijd de donkere zijde het eerst. Als een brandende kaars voor haar
stond, zag zij eerst de schaduw van den kandelaar, en dan eerst de
vlam. Haar geheele inwendig leven was een aaneenschakeling van angsten
geworden, maar de goedhartige vrouw had hare kinderen te lief, om hen
dat te laten merken. Het gaf haar alleen een kleine verlichting wanneer
zij, als haar vrees bevestigd werd, verzekeren kon, dat zij dat van te
voren wel geweten had.

Op haar nog altijd lief, vriendelijk gelaat was van dat alles niets te
lezen. Zij sprak slechts weinig, maar wat zij zeide was verstandig, en
bewees hoe oplettend zij gewoonlijk toeluisterde. Daarom waardeerden
Barine's gasten hare tegenwoordigheid. Zelfs de meestbeteekenende
ontving nog wat van haar, daar hij voelde dat de stille vrouw hem
begreep.

Eer Barine dezen avond te huis was gekomen, was er iets gebeurd, dat
haar moeder dubbel deed betreuren, dat haar broeder Arius eergisteren
een ongeval overkomen was. Toen hij in het donker van Berenice kwam,
was hij door een wild rijdenden wagen op den grond geworpen en zwaar
gekwetst naar huis gedragen. Daar lag hij nu roerloos in een hevige
koorts, en het maakte zijn lijden niet lichter, dat hij hoorde hoe zijne
beide zoons den woesteling, die dit hun vader had aangedaan, met hunne
wraak bedreigden. Om goede redenen hield hij zelf Antyllus voor den
boosdoener, en uit een ongenoegen met Antonius' zoon kon voor hem en de
zijnen een nieuw onheil ontstaan, want de jonge Romein scheen weinig
van de menschlievende grootmoedigheid zijns vaders geërfd te hebben.
Trouwens, Arius kon het zijn zoons niet kwalijk nemen, als zij de
handelwijze van den onvoorzichtige in de scherpste bewoordingen laakten.
Hij zelf had zijn zuster nog gewaarschuwd voor den niets ontzienden
overmoed van den jongen man, wiens vader door zijn eigen toedoen in
haar huis gekomen was. Hoeveel reden hij daarvoor had gehad, was nu
reeds gebleken. Bij het ondergaan der zon waren namelijk heden eenige
gasten, en later ook de negentienjarige Antyllus aan de poort gekomen en
door den wachter afgewezen. Daarop had hij onstuimig verlangd Barine
toch te zien, had den ouden portier, die hem wilde tegenhouden op zijde
geduwd, en was zonder vergunning doorgedrongen tot de werkplaats van
den overleden heer des huizes, waar de vrouwen gewoonlijk hare gasten
opwachtten. Eerst toen hij deze ledig vond, was hij teruggekeerd, maar
te voren had hij een bloemruiker, dien hij had meegebracht, vastgebonden
aan een beeld van Eros, dat daar stond. De poortwachter en Barine's
kamermeisje beweerden dat hij dronken was geweest. Dat hadden zij
gezien, toen hij met zijne makkers, die op hem wachtten, strompelend
weder weg was gegaan.

Dit ongepaste gedrag vervulde vrouw Berenice met hevige
verontwaardiging. Het mocht ook niet ongestraft blijven. Terwijl zij
hare dochter verwachtte, ging zij bij zich zelve na welke slechte
gevolgen het hebben kon, wanneer men aan Antyllus het huis verbood en
hem bij zijn gouverneur aanklaagde, maar ook hoe hij, als dit niet
gebeurde, tot allerlei ondragelijke handelwijzen komen kon.

Zij was vol droeve voorgevoelens, en juist omdat zij met zooveel grond
het ergste moest vreezen, hoopte zij in stilte dat haar dochter toch nog
misschien iets verblijdends zou mede te deelen hebben. Reeds dikwijls
had zij ondervonden dat de dingen, die zij zoo somber ingezien had, op
het laatst zich toch nog ten goede keerden. Eindelijk verscheen Barine,
en in lang had haar moeder haar niet zoo vroolijk en gelukkig gezien.

De weduwe voelde den angst uit haar hart verdwijnen. Haar dochter
moest iets bijzonder verblijdens overkomen zijn, want zij straalde
van vreugde. Toch moest zij zeker reeds gehoord hebben wat hier was
geschied, althans, daar zij zonder mantel en zorgvuldig gekapt
binnenkwam, moest zij in het slaapvertrek zijn geweest, waar de
spraakzame Cyprische slavin, die niet licht een nieuwstijding vóór zich
hield, haar zeker bij het kleeden geholpen had. Het meisje had hare
handigheid heden weder duidelijk bewezen. »Niemand kan mijn kind voor
ouder dan negentien houden," dacht de trotsche moeder. »Hoe goed staan
haar het witte gewaad en het peplos[8] met den blauwen rand! Hoe fraai
slingert zich het blauw zijden lint door dat zware golvende haar! Wie
zou gelooven dat geen brandijzer die gouden lokjes krulde, die zoo
bevallig op het voorhoofd liggen; dat aan het rood en wit op die wangen,
en de albasten tint dier armen geen enkele penseelstreek mededeed? Het
is waar, zooveel schoonheid wordt licht een geschenk der Danaërs, maar
het is toch ook een heerlijke gave der goden! Doch waarom zou zij nu den
armband dragen, dien Antonius haar na zijn laatste bezoek gezonden
heeft? Zeker niet voor mij alleen. Dion kan zij toch ook zoo laat niet
meer verwachten. Misschien pakt zich op dit oogenblik reeds weder een
nieuwe wolk boven haar hoofd samen."

[8] Wijd opperkleed zonder mouwen.

Dit alles ging haar door het hoofd, terwijl hare dochter opgewekt
vertelde wat zij bij haar grootvader en voor diens huis had beleefd.
Zij had zich ondertusschen gemakkelijk in de kussens van een rustbank
neergevlijd, en toen zij over het onbehoorlijke gedrag van Antyllus
sprak, noemde zij dat met een luchthartigheid die Berenice deed
schrikken, slechts een grove onbeleefdheid, die niet weder plaats hebben
mocht.

»Maar wie zal zich daartegen verzetten?" vroeg haar moeder.

»Wie anders dan wij?" was het antwoord. »Wij ontvangen hem niet meer."

»En wanneer hij dan toch binnendringt?"

Barine's groote blauwe oogen schoten vonken, terwijl zij met vaste stem
uitriep: »Dat moest hij eens beproeven!"

»Maar over welke macht hebben wij dan te beschikken," zeide Berenice,
»dat wij Antonius' zoon terug zouden kunnen houden? Ik ken die niet."

»Maar ik wel," verzekerde hare dochter. »Luister, moeder; ik zal kort
zijn, want wij verwachten een bezoek."

»Zoo laat nog?" was de bezorgde vraag.

»Archibius wenscht ons te spreken over een gewichtige zaak."

Eén oogenblik ontrimpelde zich bij deze woorden het voorhoofd van
Berenice, maar spoedig fronste zij de wenkbrauwen weder, terwijl zij
uitriep: »Een gewichtige zaak op zulk een ongewoon uur! Reeds lang
vermoedde ik niets goeds. Op weg naar mijn broeder vloog een raaf voor
mij op, en vloog linksom den tuin in."

»Maar ik," zeide Barine, »zag zeven witte duiven, niet meer en niet
minder, want zeven is het allerbeste getal, die alle met snellen
vleugelslag rechtsom vlogen. Vooraan de schoonste. Zij droeg in haar
snavel een korfje, en daarin lag de macht om den zoon van Antonius van
ons af te houden. Ja, zie mij maar niet zoo verbaasd aan, lieve moeder,
gij toonbeeld van bezorgdheid, dat gij zijt."

»Maar kind, gij hebt toch gezegd dat Archibius zoo laat zou komen om
iets gewichtigs te bespreken," zeide Berenice.

»Hij zal ook spoedig komen."

»Spreek daarom niet in raadsels, want ik ben niet vlug in het raden."

»Dat zijt gij wel," hield Barine vol. »Maar wij hebben inderdaad geen
tijd te verliezen. De schoone duif was dus een goede gedachte, en wat
er in dat korfje was, zult ge dadelijk hooren. Zie eens moeder, wie
er ook anders over denke moge, en of ook iemand ons beklaagt: zoo kan
het hier niet voortgaan! Met iederen dag dat ik ouder word, voel ik het
duidelijker, en het zal nog jaren duren eer dit gevoel geheel verdwijnt.
Ik ben te jong om ieder, die aan mij voorgesteld wordt als gast welkom
te heeten. Het is waar, onze ontvangzaal was eenmaal de werkplaats van
mijn eigen vader, en de meesteres van dit huis zijt gij, mijn waardige,
vlekkelooze moeder, maar door uw nederigen aard, houdt gij, die in
alles beter zijt dan ik, u zoo bescheiden op den achtergrond, dat zij
u slechts opmerken als gij er niet zijt. Zoo is het gekomen dat de
menschen die ons bezoeken, altijd zeggen: »ik ga naar Barine," en het
getal van hen die zoo spreken wordt mij al te groot. Ik kan niet meer
uitkiezen--en deze gedachte...."

»Kind, kind!" riep haar moeder hoogst verheugd. »Welken god hebt gij
heden op uw weg ontmoet?"

»Dat weet gij wel," was het antwoord. »Er waren zeven duiven, en toen
ik uit den snavel van de voorste het korfje nam, vertelde zij mij een
geschiedenis. Wilt gij die hooren?"

»Zeker, zeker! Maar spoedig, anders komt men ons storen."

Barine lag achterover in de kussens, sloeg de oogleden neer en begon:
»Daar was eens een vrouw, die een tuin bezat in het aanzienlijkste
gedeelte der stad, hier in de buurt van het Padeum, zoo gij wilt. In
den herfst, als de vruchten aan hare boomen rijp waren, liet zij de
deur open, al deden alle buren ook het tegenovergestelde. Maar om nu
toch de ongewenschte liefhebbers van hare goede vijgen en dadels af te
houden, hechtte zij aan de deur een bordje met het opschrift: »Men mag
ongestraft binnentreden en genieten van het gezicht van den tuin: doch
wie een bloem plukt, het gras vertreedt of een vrucht neemt, wordt door
de honden verscheurd." Nu bezat de vrouw slechts een schoothondje, dat
haar echter niet altijd gehoorzaamde. Maar het opschrift deed goede
diensten, want in het eerst kwamen enkel de buren uit de voorname wijk.
Zij lazen de bedreiging, en zouden ook wel zonder die het eigendom der
vrouw, die hen zoo vriendelijk liet binnengaan, ontzien hebben. Zoo ging
het een tijdlang voort, totdat er eens een bedelaar kwam en toen een
Phoenicische matroos en een diefachtige Aegyptenaar uit de Rhakotis,
die geen van allen konden lezen. Daarom was voor hen het opschrift als
niet geschreven, en daar zij buitendien niet zeer goed het mijn en dijn
onderscheiden konden, vertrad de een het grasperk, de ander stal een
bloem of vrucht van de takken. Steeds kwamen er meer van dat gepeupel,
en gij kunt wel begrijpen hoe het verder ging. Niemand strafte hen voor
hun euveldaad, want het keffen van het schoothondje verschrikte hen
niet, en dat gaf ook aan de anderen, die wel lezen konden, moed, om zich
niet meer aan de waarschuwing te storen. Nu verloor de fraaie tuin zeer
spoedig zijn bekoorlijkheid en ook zijn vruchten. Toen eindelijk de
regen het schrift van het tafeltje uitwischte en baldadige knapen het
bekrasten, kwam het er verder niet op aan. Wie nu nog in den tuin kwam,
vond er dan ook niets meer dat hem aantrok. Daarom sloot de eigenares
voortaan de deur, evenals de buren hadden gedaan, en het volgend jaar
verheugde zij zich opnieuw in het groene gras en de bonte bloemen. Nu
genoot zij zelve van de vruchten, en het schoothondje hinderde haar niet
meer met zijn gekef."

»Dat wil zeggen," zeide de moeder, »als alle menschen van goede zeden en
zoo beschaafd waren als Gorgias, Lysias en eenige anderen, dan zouden
wij kunnen voortgaan met ons huis open te stellen. Maar nu er ook ruwe
lieden zijn, zooals Antyllus...."

»Goed begrepen!" riep de dochter uit. »Wij zijn immers vrij om de
enkelen, die ons schrift lezen kunnen, uit te noodigen? Morgen reeds
zullen wij aan onze bezoekers mededeelen, dat wij hen niet meer kunnen
ontvangen zooals vroeger."

»En," voegde haar moeder er bij, »Antyllus' gedrag doet daartoe een
voortreffelijk voorwendsel aan de hand. Ieder weldenkende moet dat
begrijpen."

»Ja zeker," zeide Barine, »en als gij, die de verstandigste van alle
vrouwen zijt, daarbij het uwe doet...."

»Dan zullen wij het in ons eigen tehuis eerst recht goed hebben. Geloof
mij kind--als gij maar niet...."

»Geen »als!" Ditmaal niet!" riep de jonge vrouw uit, en hief smeekend
hare handen op. »Ik denk zoo gaarne aan ons nieuwe leven, en als het,
zooals ik hoop en wensch, eenmaal komt--gelooft gij ook niet, moeder,
dat de goden mij dan een vergoeding schuldig zijn?"

»Waarvoor dat?" klonk plotseling de zware stem van Archibius, die
onaangemeld binnengekomen was, en nu eerst door de beide vrouwen werd
opgemerkt.

Barine stond snel op, reikte haar ouden vriend beide handen toe, en riep
uit: »Nu zij mij u toezenden, begint de afrekening al!"




VIJFDE HOOFDSTUK.


Voor een kunstenaar, en vooral voor een schilder, is het gemakkelijk
zijn huis fraai en aantrekkelijk te maken. Hij wil het gaarne behagelijk
zien en alleen het schoone behaagt hem. Alles wat de harmonie zou
verstoren beleedigt zijn oog, en om de edelste versieringen aan te
brengen, behoeft hij geen vreemde over zijn drempel te laten komen. De
Muze alleen komt hem ongeroepen hare onovertrefbare hulp aanbieden. Zij
was het ook die Leonax, Barine's vader, geholpen had om zijn huis tot
een bekoorlijk verblijf te maken. In zijn werkplaats had hij op de muren
tooneelen geschilderd uit het leven van Alexander den Grooten, den
stichter zijner vaderstad, en op de kroonlijst een krans van dansende
liefdegoden.

In dit vertrek placht Barine hare gasten te ontvangen, en de roem van
deze schilderijen had mede Antonius tot een bezoek uitgelokt, en hem ook
zijn zoon doen meebrengen, in wien hij althans een vluchtig welgevallen
in de kunst wilde opwekken. Barine's schoonheid en zangkunst wist hij
natuurlijk ook naar waarde te schatten; doch de vurige hartstocht dien
hij op rijpen leeftijd voor Cleopatra had opgevat, bleef voor deze
alleen bewaard. De man, die door zijn licht ontvlambaar hart vroeger van
de eene liefde op de andere overgegaan was, was nu door de Koningin met
onverbreekbare ketenen geboeid, en bij haar vergeleken was Barine enkel
een kunstwerk, dat leven en een liefelijke stem had gekregen. Toch had
hij haar te danken voor eenige aangename uren, en in zulk een geval
wilde hij altijd geschenken geven. Het streelde hem als men hem voor den
grootmoedigsten verkwister van de wereld hield. Thans had hij daartoe
een gladden armband uitgekozen van een kostbaren steen voorzien, waarin
Apollo met de lier gesneden was, omgeven door de luisterende Muzen. Het
geschenk scheen eenvoudig, maar het was in werkelijkheid een stuk van
onberekenbare waarde, want de kunstenaar die het bewerkt had, was de
grootste steensnijder van Alexandrië ten tijde van Philadelphus geweest,
en ieder der kleine figuren in den slechts drie vingers breeden onyx was
een zorgvuldig uitgewerkt meesterstuk van groote schoonheid. Antonius
had dezen band gekozen, omdat hij dien geschikt vond voor eene vrouw,
wier gezang hem had bekoord. Hij had er niet aan gedacht naar den prijs
te vragen. Dien had ook slechts een kenner kunnen raden; en daar de band
niet al te zeer in het oog viel en zeer goed stond aan haar welgevormden
bovenarm, droeg Barine hem gaarne.

Zoo niet de oorlog Antonius tot vertrekken had genoopt, dan zou zijn
tweede bezoek zeker niet het laatste zijn geweest, want behalve het
gezang dat hem had verrukt, was het gesprek levendig en belangwekkend
geweest, en bij de kunstwerken van Leonax had hij daar ook nog vele
andere gevonden, die de schilder bij vaardige vakgenooten ingeruild had.
Ook aan beeldhouwwerken ontbrak het in dat groote vertrek niet.

Men zag er onder anderen het beeld van een krachtig man die uit een
zak van bokkenleder over zijn schouder hangende, water in een schelp
goot, hetgeen een aangenaam geluid veroorzaakte. De meester, die
dezen bukkenden Nubiër gebeeldhouwd had, was dezelfde aan wien men het
veelbesproken standbeeld van het koninklijke paar te danken had. Ook de
Eros uit kleiaarde, die zijn boog richtte op een slachtoffer dat hij
alleen zien kon, was zijn werk. Bij zijn tweede bezoek had Antonius den
meegebrachten krans schertsend voor dien »machtigsten der overwinnaars"
nedergelegd, terwijl zijn zoon Antyllus eerst een ruiker gestoken had
in de opening gevormd door den gebogen rechterarm die den boog spande.
Hij had daarbij de klei een weinig beschadigd. Thans lagen de bloemen
onopgemerkt op het kleine altaar op den achtergrond van het zwak
verlichte vertrek, want de vrouwen hadden het met haar gast verlaten.
Zij bevonden zich nu in de kleine lievelingskamer van Barine, die
behangen was met eenige schilderijen van haar overleden vader. Over
Antyllus' ruiker en het beschadigen van het Erosbeeld was reeds veel
door hen gesproken, en daardoor was de taak van Archibius veel verlicht.

De late bezoeker was door vrouw Berenice ontvangen met een klacht over
het ongepaste gedrag en de onvoorzichtigheid van den jongen Romein, en
Barine had hierbij de verklaring gevoegd, dat zij nu aan Zeus Xenios,
den beschermer van het gastrecht, naar haar inzien reeds genoeg geofferd
hadden. Zij was van plan, zeide zij, in het vervolg haar leven te wijden
aan de bescheiden huisgoden en aan Apollo, die haar de geringe, maar
kostbare gave des lieds geschonken had. Dit had Archibius uitermate
verrast, en zij moest hem eerst nog eens uitleggen hoe zij dat
bedoelde, eer hij er op antwoordde. Spoedig werd het hem dan ook
duidelijk, dat zij zich haar leven in de toekomst zonder al die gasten,
met haar moeder alleen voorstelde.

De levendige phantasie der jonge vrouw verplaatste haar nu reeds in dat
nieuwe, stille leven. Hoe aanschouwelijk zij dat echter maakte, toch
scheen haar bezadigde toehoorder er nog niet geheel in te gelooven.
Somtijds vloog er een fijne glimlach over het krachtig, een weinig
zwaarmoedig gelaat. Zelf was hij een man die niet meer meedeed aan den
wedstrijd des levens, en nu liever rustig toezag hoe anderen daarbij
den prijs behaalden of bezweken. Wellicht deden de wonden, die hem
vroeger waren toegebracht, nu nog pijn, maar al zijn doorworsteld leed
verhinderde hem niet een oplettend toeschouwer te zijn. Men zag het aan
den blik van zijn helder oog dat hij alles, wat zijne belangstelling
wekte, ook mee doorleefde. Wie zóó de kunst van luisteren verstond en
daarbij, zooals uit zijn edel voorhoofd bleek, zich zoo in het denken
had geoefend, die moest wel een goede raadsman zijn, en als zoodanig
deed de Koningin, meer dan op iemand anders, vaak een beroep op hem. Ook
heden legde hij zijn kalme bedachtzaamheid aan den dag, want hoewel hij
gekomen was om Barine tot een verblijf op het land te overreden, sprak
hij daar niet eerder van dan toen zij haar eigen belangen als het ware
had uitgeput, en hem zelven had gevraagd naar de gewichtige
beweegredenen van zijn bezoek.

In hoofdzaak was zijn verzoek al aangenomen, nog voor dat hij dit had
geuit. Daarom kon hij nu de vraag doen of moeder en dochter niet zouden
denken dat de overgang tot het nieuwe leven beter zou gaan, indien zij
voor een tijdlang de stad verlieten. Het zou zulk een opzien wekken als
de gewone bezoekers morgen het huis gesloten vonden en, daar zij niet
voor de ware reden uit wilden komen, kon licht de een of ander zich
beleedigd gevoelen. Als zij daarentegen besloten om voor eenige weken
uit de stad te gaan, dan zou wel is waar menigeen dat betreuren, maar
wat allen tegelijk trof kon geen enkele zich persoonlijk aantrekken.

Vrouw Berenice gaf dit alles gereedelijk toe, maar Barine bewaarde eerst
het stilzwijgen. Archibius verzocht haar daarom zich ook uit te spreken,
en op hare vraag waarheen zij dan moesten gaan, sloeg hij haar voor op
zijn eigen landgoed te komen. Zijn scherpe, grijze oogen hadden reeds
lang gezien dat er iets was dat haar aan de stad boeide, en hij begreep
dat bij een vrouw als Barine haar hart daarbij in het spel moest zijn.
Dat had hij goed gezien, want zoodra hij het vermoeden uitsprak dat ook
daarbuiten haar liefste vrienden haar zeker wel bezoeken zouden, hief
zij het hoofd op, en zeide met een helderen gloed in haar blauwe oogen
met opgewektheid tot haar moeder: »Ja, wij moeten gaan!"

De levendige verbeeldingskracht der kunstenaarsdochter tooverde haar ook
nu weder de toekomst duidelijk voor oogen. Wel is waar wist zij alleen
wien zij bedoelde, als zij van bezoekers sprak, die zij buiten op het
landgoed Irenia verwachtte. Deze naam die »Oord des Vredes" beteekent,
beviel haar goed.

Archibius hoorde haar glimlachend aan, maar toen zij in haar
voorstelling ook hem er bijhaalde en hem liet meedoen aan het rijden met
de kleine Sardinische paarden en de vogeljacht, was hij wel genoodzaakt
haar te zeggen, dat hij er waarschijnlijk niet lang tegelijk met haar
vertoeven zou. Hoe gaarne hij dat zou doen, het zou moeten afhangen van
eene andere vrouw. Hij was met een verlicht hart hier gekomen omdat hij
juist gehoord had van een groote overwinning der Koningin. Maar indien
het hem vergund was nog wat te blijven, dan zou hij hier nog eerst de
bevestiging van dat bericht afwachten.

Het was hem aan te zien hoe hem dat in spanning hield en dat zijn hart
niet vrij van vrees was. Vrouw Berenice deelde die, en haar vriendelijk
gezicht, dat eerst bij het verstandig besluit harer dochter, van
blijdschap had gestraald, kreeg nu een uitdrukking van angst, toen
Archibius zeide: »Wat het doel van mijn komst hier betreft, gij hebt mij
dat gemakkelijk gemaakt. Als ik het niet oneerlijk vond, dan zou ik nu
wel kunnen verzwijgen dat ik met een voorstel kwam om u de stad te doen
verlaten. Van Antonius' zoon en zijn jeugdigen overmoed ducht ik geen
gevaar. Maar voor Cæsarion moet gij voortaan niet te genaken zijn, mijn
kind."

»Als gij mij om die reden naar de maan kondt brengen, dat zou mij nog
het allerliefste zijn," antwoordde Barine vroolijk. »Daarom juist wilde
ik zelve ook van levenswijs veranderen, want ik kan nu eenmaal niet mijn
huis sluiten voor dien knaap. Eigenlijk behoort hij nog in de school
thuis, maar hij gebruikt zijn rang als sleutel om alle deuren te openen.
En dan dien zwaarmoedigen droomer met de smeekende oogen ook nog
»Koning" te moeten noemen."

»Doch welke machtige neiging," zeide Archibius, »zou er niet kunnen
sluimeren in de borst van den zoon eener Cleopatra en van een Julius
Cæsar? Ik weet wel kind, dat gij geen schuld daaraan hebt, maar de
hartstocht is nu eenmaal bij hem ontwaakt. Wat daar ook van komen
moge--het hart uwer moeder maakt zich daarover bezorgd. Laat ons daarom
uw vertrek verhaasten en streng geheim houden waarheen gij gaat. Tot nu
toe heeft hij niets wezenlijks beproefd, maar men kan van het kind van
zulke ouders ieder oogenblik alles verwachten."

»Gij maakt mij bang," riep Barine uit. »Van de kirrende duif die ons
huis binnenvloog, maakt gij een vreeselijken grijpvogel."

»Daar moogt gij hem gerust voor houden," was het ernstig antwoord.
»Gij zult mij een welkome gast zijn Barine, want reeds toen gij nog
een kind waart, hield ik van u, en gij zijt de dochter van mijn besten
vriend. Toch was het niet alleen om u een dienst te bewijzen, dat ik u
uitnoodigde naar Irenia te komen; het is veeleer om smart, of ook maar
verdriet, te besparen aan haar, aan wie ik alles verschuldigd ben."

Nu begrepen de beide vrouwen eerst goed, dat, hoe lief zij Archibius ook
waren, zij en misschien alle andere menschen, toch moesten achterstaan
bij de Koningin. Barine had ook niets anders van hem verwacht. Zij
wist dat hij, de zoon van een philosoof, door Cleopatra tot een rijk
grondbezitter en aanzienlijk man gemaakt was, doch zij voelde ook, dat
zijn vaderlijke zorg voor de Koningin, nog een andere oorzaak had.
Cleopatra van hare zijde schatte hem hoog. Ware hij eerzuchtig geweest,
dan had hij reeds aan het roer van den Staat gestaan, maar de gansche
stad wist, dat hij deze eer reeds meer dan eens geweigerd had, omdat hij
dacht als eenvoudig, geheim raadsman, zijne gebiedster des te beter van
dienst te kunnen zijn.

Barine's moeder had haar verhaald hoe Archibius en Cleopatra van jongs
af aan met elkander in betrekking hadden gestaan. Meer wist zij daar
evenwel niet van. Wel gingen daarvan allerlei geruchten rond, die
gaandeweg opgesierd en met verdichte vertellingen doorweven waren.

Barine had vooral altijd gaarne geloofd dat de philosoof reeds in zijn
prille jeugd met innige liefde aan de vorstin verbonden was geweest, en
nu werd zij daarin nog versterkt.

Toen Archibius ophield te spreken, verzekerde de jonge vrouw dat zij hem
begreep. Zij wees op het portret der negentienjarige koningin, door haar
vader geschilderd, waarop de albasten lamp aan de zoldering een helder
licht deed vallen, en vroeg hem op den man af: »Was zij in dien tijd
niet verwonderlijk schoon?"

»Zooals uw vaders kunst haar daar voorstelt," was het antwoord. »Leonax
heeft in datzelfde jaar de beeltenis van Octavia geschilderd, en
misschien was in zijne oogen de Romeinsche vrouw nog schooner."

Daarbij wees hij haar op het portret van Octavianus' zuster, dat haar
vader geschilderd had, toen zij nog de vrouw van haar eersten
echtgenoot, Marcellus, was.

»Daarin vergist gij u," zeide Berenice. »Ik herinner mij zeer goed hoe
Leonax destijds terugkwam. Welke vrouw zou niet jaloersch geworden zijn
bij zijn geestdrift voor de Romeinsche Hera. Ik had toen het portret nog
niet gezien, en op mijn vraag of hij Octavia nog schooner vond dan de
koningin, barstte hij los op de driftige manier die gij van hem gekend
hebt, met een: »Octavia is de eerste onder degenen die schoon of minder
schoon genoemd worden; maar de andere, Cleopatra, staat geheel alleen,
en niemand is met haar te vergelijken.""

Archibius knikte toestemmend met het hoofd, en zeide beslist: »Als kind,
zooals ik haar het eerst heb gezien, zou zij zelfs onder liefdegoden de
schoonste zijn geweest."

»En hoe oud was zij toen?" vroeg Barine vol belangstelling. »Acht
jaren," antwoordde hij. »Hoe ver ligt dat alles al achter ons, en toch
heb ik geen uur daarvan vergeten."

Nu verzocht Barine hem dringend nog meer te vertellen van dien tijd.
Archibius zag een oogenblik nadenkend naar den grond, richtte toen zijn
hoofd op, en sprak: »Misschien is het goed voor u beiden, nog wat meer
te weten van de vrouw, die thans een offer van u vraagt. Arius is uw
broeder en oom. Hij is nauw verbonden aan Octavianus, daar deze eens
zijn leerling was. Hij vereert Octavia, de zuster van den Romein, als
een godin, dat weet ik. Op dit oogenblik kampt Marcus Antonius met
Octavianus om de wereldheerschappij; Octavia is reeds bezweken in den
strijd tegen de vrouw van wie gij wenscht te hooren. Het komt mij niet
toe hier een beslissende uitspraak te doen, doch wel mag ik raden en
waarschuwen. De matrone's te Rome branden wierook voor Octavia, en
als Cleopatra's naam uitgesproken wordt, bedekken zij haar gelaat van
verontwaardiging. Dat doen velen in Alexandrië haar na. Wie zich zelve
aan de zijde van het vlekkeloos reine schaart, hoopt in stilte dat iets
van de heiligheid die daarvan uitgaat, ook haar deel worde. Octavia
wordt nu eenmaal de wettige gemalin genoemd, en Cleopatra de listige
vrouw die haar zijn hart ontstal."

»Zoo noem _ik_ haar niet!" riep Barine met levendigheid uit. »Hoe
dikwijls zeide ik het niet tot mijn oom: Antonius en Cleopatra gevoelden
reeds lang voor elkaar de allervurigste liefde. Nooit hadden Eros'
pijlen twee harten dieper getroffen. In dien tijd gold het den Staat
te bewaren voor burgeroorlog en bloed vergieten. Antonius liet zich
overreden met zijn mededinger een verbond te sluiten, en als het ware
tot een onderpand voor den ernst der verzoening sloot hij een echt met
de zuster van zijn voormaligen vijand, Octavia, die eerst sinds kort
haar gemaal Marcellus verloren had. Doch zijn hart bleef het eigendom
der Aegyptische Koningin. En ofschoon Antonius ontrouw werd aan de gade
die dat om staatkundige redenen geworden was, zooveel te vaster bleef
hij verbonden aan die andere, die oudere rechten op hem had. Zoo
Cleopatra den man niet verlaten heeft, met wien zij geloften van eeuwige
trouw had gewisseld, zoo is zij duizendmaal in haar recht. Wat mijn
moeder ook beweren moge, in mijne oogen is en blijft Cleopatra, ook voor
de goden, Antonius' ware gemalin, en de andere, al werd er bij de
bruiloft geen enkel gebruik, geen woord, geen pennestreek, geen gebaar
verzuimd, een indringster. De goden verheugen zich in dit verbond der
liefde, hoezeer de menschen, en--vergeef mij, moeder--de deugdzame
huisvrouwen zich daaraan mogen ergeren."

Vrouw Berenice had haar dochter met spanning aangehoord, doch nu viel
zij levendig in: »Ja, ik weet wel, dat dit de denkbeelden zijn van den
nieuwen tijd; dat Antonius in de oogen der Aegyptenaren, en misschien
ook volgens hunne zeden, de eigenlijke gemaal der Koningin is, en
daarbij weet ik ook dat ik u beiden tegen mij heb. Maar Cleopatra is nu
eenmaal in haar hart een Grieksche vrouw en daarom.... beklaag ik haar
van ganscher hart. De echt is niettemin heilig, en ik wil op Octavia
geen enkele smet laten werpen. Hoe trouw verzorgt en hoedt zij de
kinderen van haar trouweloozen echtgenoot, die zijn eerste vrouw hem
schonk, en die zij even goed aan vreemden overlaten kon. En het is meer
dan gewoon menschelijk zooals zij voor haar gemaal, die haar vijand
werd, de struikelblokken uit den weg ruimt. Met dat al kan geen vrouw
in Alexandrië vuriger dan ik bidden dat Cleopatra en haar vriend mogen
zegepralen over Octavianus. Diens koelheid staat mij altijd tegen. Maar
als ik Octavia dáár in het wonderschoone, zedige, edele gelaat zie, de
spiegel van vrouwelijke reinheid...."

»Welnu, vermeid u dan daarin," viel Archibius haar in de rede, en legde
daarbij zijn rechterhand op haar arm, »alleen zou het raadzaam zijn dat
gij tegenwoordig aan deze beeltenis een andere plaats gaaft, en dat gij
niet met andere menschen over Octavia en haar broeder spraakt. Als wij
overwinnen dan zal het niet schaden, maar indien het anders mocht
zijn..... de bode laat lang op zich wachten."

Barine verzocht hem daarom met zijn verhaal voort te gaan. Zij zelve
had slechts ééns, en wel nadat zij gezongen had op het Adonisfeest, het
geluk gehad, door de Koningin te worden opgemerkt. Bij die gelegenheid
was Cleopatra naar haar toe gekomen om haar te bedanken. Met enkele
vriendelijke woorden slechts, doch met een stem die regelrecht tot haar
hart was doorgedrongen, had zij haar toen als met onzichtbare banden tot
zich getrokken. Daarbij had echter haar blik dien der vorstin ontmoet,
en dit had voor het eerst bij haar den wensch doen opkomen, om haar
lippen te drukken, al was het maar op den zoom van haar kleed.
Tegelijkertijd had in haar verbeelding een gevaarlijke slang uit een
der liefelijkste bloemen de giftige tong naar haar uitgestoken....

Archibius maakte nu de opmerking dat hij zich wel herinnerde, hoe
Antonius evenzeer haar bij die gelegenheid had aangesproken, en dat de
koningin ook niet van vrouwelijke zwakheid vrij te pleiten was.

»Jaloerschheid?" vroeg Barine verwonderd. »Ik was niet verwaand genoeg
om zoo iets te vermoeden. Wel vreesde ik in stilte dat Alexas, de
broeder van Philostratus, haar tegen mij ingenomen had. Hij is mij even
vijandig gezind als mijn vroegere gemaal omdat.... Maar alles wat dat
broederpaar betreft is zoo laag, en verachtelijk, dat ik dit gezellig
uur niet door zulke herinneringen wil laten bederven.--Toch was mijn
vrees dat Alexas mij bij de Koningin verdacht gemaakt zou hebben, niet
geheel zonder grond. Hij is immers even slim als zijn broeder, en door
Antonius, wiens gunst hij wist te verwerven, komt hij steeds in de
nabijheid der Koningin. Ook is hij mede ten strijde getrokken."

»Dat heb ik eerst gehoord toen het te laat was, en ik ben tegenover
Antonius volkomen machteloos," verzekerde Archibius.

»Maar sprak het daardoor niet vanzelf," vroeg Barine, »dat ik vreesde
dat men mij bij de Koningin had zwart gemaakt? In ieder geval meende ik
iets vijandigs in haar blik te lezen, en daarom voelde ik mij evenzeer
door haar afgestooten, als zij mij eerst aantrok."

»En als er niet zoo iets tusschen beide gekomen was," verzekerde haar
vriend, »dan zoudt gij haar nooit hebben kunnen loslaten. Ik zeide u
reeds, toen ik haar zelf voor de eerste maal zag, was ik nog een knaap,
en zij een achtjarig kind."

Barine zag Archibius dankbaar aan, bracht toen aan haar moeder het
spinnewiel, goot water bij den wijn in het mengvat, en dook daarna weder
diep in de kussens weg. Doch weldra nam zij een andere houding aan:
zij leunde met den arm op haar knie, legde haar kin op de hand, en zóó
luisterde zij aandachtig toe. Haar moeder spon daarbij haar vlas, eerst
langzaam, toen steeds sneller.

»Gij kent mijn landhuis te Kanopus," begon de verhaler. »Oorspronkelijk
was het een klein zomerverblijf van het Koninklijk gezin. Sedert wij er
onzen intrek namen, is er maar weinig veranderd. De tuin is ook nog
geheel zoo als toen, vol zware, oude boomen. De lijfarts Olympius had
dit verblijf uitgezocht opdat mijn vader daar de hem toevertrouwde taak
der opvoeding naar eisch volbrengen zou. Daarvan zult gij spoedig meer
hooren. Het was destijds onrustig in Alexandrië; want Rome had den
Koning nog niet erkend, en scheen als een hoogere macht over het
lot der stad te beschikken. Toch werd het testament, waarbij de
nietswaardige Alexander Aegypte als een akker of een slaaf aan Rome
als eigendom vermaakt had, door die stad niet als geldig beschouwd.

»De Koning van Aegypte, die zichzelven den nieuwen Dionysos noemde, was
een zwakke man, die zelfs door zijne geboorte niet het volle recht op de
regeering had. Gij weet dat hij bij het volk »de fluitspeler" heette.
Hij kende dan ook werkelijk geen grooter genot dan muziek te hooren, en
zelf bespeelde hij meer dan één instrument, en dat in het geheel niet
slecht. Daarbij deed hij als wijndrinker ook zijn anderen naam eer aan.
Wie op het feest van Dionysos, voor wiens mensch-geworden evenbeeld hij
zich zelven hield, nuchter bleef, moest met het leven daarvoor boeten.

»Zijn gemalin, Koningin Tryphaena, en hare oudste dochter die heette
zoo als gij, vrouw Berenice, maakten hem het leven zuur. Bij die twee
vergeleken, was de Koning een achtenswaardig, deugdzaam man. Wat was er
geworden van het roemrijk geslacht der Ptolemaeërs? Alle hartstochten,
alle ondeugden waren hun paleis binnengekomen!

»De fluitspeler, Cleopatra's vader, was op verre na de slechtste niet.
Hij gaf ijverig aan zijn liefhebberijen toe, doch niemand had hem
geleerd dat men zijn hartstochten beteugelen moet. Als het noodig was,
nam hij wel eens zijn toevlucht tot een gewelddadigen dood, maar dat
was bij de vroegere koningen van zijn geslacht ook al niets ongewoons
geweest. Hierin was hij beter dan zij, dat hij nog afschuw gevoelen kon
voor de ergste misdaden, en geloofde aan de mogelijkheid om deugd en
zielegrootheid in jonge zielen aan te kweeken. Als knaap had hij de
leiding van een degelijk leermeester gehad. Daarvan was hem altijd nog
iets bijgebleven en dit deed hem besluiten om ten minste zijne meest
geliefde kinderen, twee meisjes, zooveel hij kon aan den invloed harer
moeder te onttrekken.

»Zooals ik later hoorde, had hij gewenscht de meisjes geheel aan mijne
ouders toe te vertrouwen. Maar er was één onoverkomelijk bezwaar.
Hoewel de koningsdochters onderricht van Grieken mochten ontvangen
in alle wetenschappen, hare godsdienstige opleiding moest altijd aan
Aegyptenaren overgelaten worden. De waardige oude arts Olympius had
er op aangedrongen, dat de teere Cleopatra de barre wintermaanden in
Opper-Aegypte zou doorbrengen, waar de hemel nooit bewolkt is, maar den
zomertijd in de nabijheid van de zee, in een lommerrijken tuin. Zulk een
was juist bij het kleine paleis te Kanopus, en die werd dus tot dit doel
bestemd.

»Toen wij met onze ouders daarheen trokken, was er eerst nog niemand,
maar weldra zouden de koningskinderen komen. Voor den winter deed
Olympus ons het eiland Philae aan de hand, dat op de grens van Nubië
ligt; want daar was de beroemde tempel van Isis met de priesterschap die
zich gaarne met de taak belasten zouden de prinsessen te onderwijzen.

»De koningin wilde van dat alles niets weten, want de gedachte
Alexandrië te verlaten en den winter door te brengen op een eenzaam
eiland zoo dicht bij den keerkring, was haar onverdragelijk. Zij liet
dus den Koning zijn gang gaan, en het was haar zeer aangenaam dat zij
van de zorg voor de kinderen ontheven werd. Nadat haar gemaal uit
Alexandrië verdreven was, verzette zij geen voet meer voor de beide
meisjes. Trouwens, de dood liet haar niet lang meer tijd daartoe.

»Haar oudste dochter Berenice, die haar opvolgde, drukte haar
voetstappen, en bekommerde zich weinig om hare zusters. Ik heb later
gehoord dat het haar genoegen deed te vernemen dat zij onder menschen
waren, die andere dingen bij haar opwekten, dan het verlangen naar de
heerschappij alleen.

»Haar broeders werden op de Lochias opgevoed, door onzen landgenoot
Theodotus, onder de oogen van hun voogd Pothinus.

»Het leven in ons gezin werd natuurlijk door het bijzijn der
koningskinderen geheel anders. Vooreerst verhuisden wij uit onze woning
op het Museumplein, naar het kleine paleis te Kanopus, en het beviel ons
goed in den grooten schaduwrijken tuin. Alsof het gisteren was, herinner
ik mij den morgen,--ik was toen eerst vijftien jaar--waarop vader ons
meedeelde dat de twee dochters des konings onze huisgenooten zouden
worden. Wij waren toen nog met ons drieën in het ouderlijk huis:
Charmion, die met de Koningin mede in den strijd is gegaan, omdat de
andere kamervrouw, onze nicht Iras, ziek was, ik, en Straton, die nu
reeds lang niet meer leeft.

»Men prentte ons in dat wij ons behoorlijk en met eerbied jegens de
koningsdochters gedragen moesten, en wij bemerkten spoedig dat hare
komst werkelijk allerlei plichtplegingen noodig maakte. Het paleis dat
leeg en verwaarloosd was, werd ook weder opnieuw opgeknapt van den
kelder tot het dak.

»Op den dag vóór de aankomst der meisjes, kwamen paarden, wagens en
draagstoelen, en over de zee booten en een schip dat op staatskosten
volledig was bemand en uitgerust. Verder een geheel gezelschap
mannelijke en vrouwelijke slaven.

»Ik zie nog den misnoegden blik van mijn vader en hoe hij dat alles
nauwkeurig opnam. Hij reed dadelijk naar de stad, en bij zijn terugkeer
zagen de heldere oogen van den waardigen man zoo vroolijk als ooit. Een
beambte van het hof was medegekomen, en nu bleef er van al dien ballast
van menschen en dingen alleen over wat mijn vader wenschelijk vond.

»Den volgenden morgen,--het was aan het einde van Februari, en in
gras en struiken bloeiden de bloemen, aan de boomen prijkte het jonge
groen,--moesten zij komen. Ik zat tegenover het huis op den dikken tak
van een sycomore, en zag naar hen uit. Zij lieten een geruimen tijd op
zich wachten, en terwijl ik onzen tuin nog eens goed rondzag, dacht ik,
dat het hen hier zeker wel bevallen zou. Men kon bij geen paleis in de
stad een fraaieren vinden.

»Eindelijk kwamen de draagstoelen, zonder voorloopers noch gevolg,
zooals mijn vader had verzocht, en toen de beide meisjes tegelijk
uitstapten, wist ik niet waarheen ik mijn blik het eerst wenden zou.
Wat daar uit dien eersten draagstoel niet uitstapte, maar zweefde als
een elf, dat was geen meisje als andere van dien leeftijd, dat scheen
mij toe een wensch, een verwachting te zijn. En toen het teedere,
wonderschoone schepsel het hoofdje omwendde en met haar groote stralende
oogen nu mijn vader en moeder, dan mijn zusters vragend aanzag, alsof
zij hen om hulp smeekte, toen dacht ik: zoo moet Psyche er uitgezien
hebben, op het oogenblik toen zij om genade smeekend den troon van Zeus
naderde.

»Maar het was ook de moeite waard naar de andere te zien. Of dat
Cleopatra was? Zij had zeer goed de oudste kunnen zijn, want zij was
niets kleiner dan hare zuster, maar zoo geheel anders. Bij de eerste,
die toch Cleopatra bleek te zijn, had alles van de golvende haren af,
tot aan de bewegingen van lichaam en handen toe, mij toegeschenen alsof
het vloeide. Aan de tweede was niets dat niet stevig bleek te zijn; het
leek zelfs tegenwerkende kracht te bezitten. Met beide voeten te gelijk
sprong zij uit den draagstoel, hield zich vast aan de deur, en wierp het
hoofd met het zware, donkere krulhaar trotsch achterover. Het gelaat was
wit en rood, en hare blauwe oogen waren vol uitdrukking. Maar in plaats
van te vragen, zagen zij mijn ouders uitdagend aan, en terwijl zij
rondkeek trok de lip van het roode kindermondje zich op, alsof alles wat
zij zag verachtelijk en harer onwaardig was.

»Dat verdroot mij in het zevenjarige kind, maar ik moest toch ook bij
mijzelven bekennen, dat hoe mooi alles bij ons was gemaakt door de zorg
van mijn vader, het toch hoogst eenvoudig was, wanneer men het vergeleek
met het marmer, het goud en het purper van het koninklijk paleis, dat
zij immers zooeven eerst verlaten had.

»Zij had evenals haar zusje een fijn besneden gezicht, en zou iedereen
zeker in het oog gevallen zijn. En toen ik haar weldra zoo gebiedend
hoorde spreken en aan al hare wenschen zulk een krachtige uiting geven,
toen dacht ik in mijn kinderlijke wijsheid dat Arsinoë de oudste had
moeten zijn, omdat zij, beter dan haar zuster, geschikt was den scepter
te voeren. Dat besprak ik ook met mijn broers en zusters, maar spoedig
bleek het ons, wie de ware majesteit bezat. Als Arsinoë haar zin niet
kreeg, kon zij schreien en snikken en tieren, of ook bedelen en plagen,
terwijl Cleopatra als zij iets wenschte, dat langs een geheel anderen
weg bereikte. Reeds toen wist zij wel welke wapenen haar de overwinning
moesten verschaffen, en ook wanneer zij zich daarvan bediende, bleef zij
toch altijd een koningskind.

»Wel kon geen arbeidersdochter verder verwijderd zijn van overdreven
gevoelsuitingen, dan dit toonbeeld van echt liefelijke, kinderlijke
bevalligheid; maar wat haar warm hart het vurigst begeerde en wat zij
het moeilijkst krijgen kon, dat wist zij toch te veroveren door den
klank harer stem, den betooverenden glans harer oogen, en somtijds ook
door een enkelen stillen traan. Als zij daarbij de handen smeekend
ophief en er een enkel woord bijvoegde, als: »het zou mij zoo gelukkig
maken," of »ziet gij niet, hoe het mij leed doet?" dan werd alle
tegenstand onmogelijk. Later hebben die tranen, en de onbeschrijfelijke
welluidendheid van haar stem haar in beslissende oogenblikken nog menige
overwinning doen behalen.

»Wij kinderen werden spoedig speelkameraden en goede vrienden, want onze
ouders lieten de koningskinderen niet eerder met de lessen beginnen,
dan nadat zij zich bij ons thuis gevoelden. Aan Arsinoë beviel dat
goed, hoewel zij reeds lezen en schrijven kon; Cleopatra echter uitte
menigmaal het verlangen om iets te hooren van de wijsheid mijns vaders,
waarvan men haar veel verhaald had.

»De Koning en hare vroegere leermeesters hadden de verwachtingen der
ouders omtrent dit buitengewone kind hoog gespannen, en de arts Olympus
hield mij eens ernstig voor, dat dit koningskind mij, den zoon van een
philosoof, wel eens boven het hoofd kon groeien. Doch daar ik altijd
tot de beste leerlingen had behoord, antwoordde ik daarop lachend, dat
daarvoor nog geen gevaar bestond. Intusschen merkte ik weldra dat zijn
waarschuwing niet zonder grond was geweest. Gij denkt misschien dat
het hart den ouden dwaas parten speelt, en dat in den toovertuin der
herinneringen het begaafde meisje een jonge godin geworden is. Dat was
zij echter niet, want de hemelsche machten deelen de fouten en zwakheden
der menschen niet."

»En wat deed Cleopatra dien roem verliezen, den goden gelijk te zijn?"
vroeg Barine nieuwsgierig.

Archibius antwoordde met een fijnen glimlach, die niet geheel vrij van
verwijt was:

»Als ik van haar deugden had gesproken, dan zoudt gij er niet aan
gedacht hebben mij om nog meer bijzonderheden te vragen! Doch waarom zou
ik verbloemen wat zij duidelijk genoeg aan de geheele wereld te zien
heeft gegeven? Leugen of huichelarij kwamen evenmin bij haar op, als een
woestijnbewoner aan vischvangst zou denken. De grondtrekken van haar
wezen, die dit bevoorrechte schepsel van haar kindsheid af, tot nu
toe beheerscht hebben, zijn twee nooit rustende wenschen; de eene is:
iedereen in alles ook het moeilijkste te overtreffen, en de andere: te
beminnen, en te weten dat zij bemind wordt. Dat heeft haar zoo ver boven
andere vrouwen doen uitblinken. En die eerzucht en behoefte aan liefde
zullen haar ook steeds doen blijven op die trotsche hoogte, waartoe zij
haar als twee machtige vleugels hebben opgeheven, ten minste zoolang zij
hunne kracht eendrachtig blijven uitoefenen. Door de gunst van het lot
was dit tot nu toe het geval, en de goden geven, dat het zoo blijven
moge!"

Hier hield Archibius even op, veegde zijn voorhoofd af, en vroeg of de
bode er nog niet was. Vervolgens ging hij kalm voort:

"De koningskinderen waren onze huisgenooten geworden, en mettertijd werd
het als één gezin. In de eerste winters vergunde de Koning hen alleen in
de wintermaanden te Philae te blijven, want hij wilde hen niet missen.
Hij zag hen dan ook maar zeer zelden, want er gingen dikwijls vele weken
voorbij, zonder dat hij bij ons kwam. Op andere tijden daarentegen kwam
hij iederen dag eenvoudig gekleed in zijn draagstoel naar onzen tuin, en
van deze bezoeken wist niemand behalve de arts Olympus. Dan zag ik den
grooten forschen man met zijn rood gezicht met de kinderen stoeien als
een arbeider, die van zijn werk komt. Gewoonlijk bleef hij echter maar
kort. Het scheen hem genoeg te zijn, als hij ze maar even had gezien.
Misschien wilde hij alleen maar weten, hoe het hen bij ons beviel. Wij
moesten ten minste altijd op een afstand blijven, als hij met hen sprak.
Ik verborg mij echter dikwijls in de kruinen der olmboomen, en ik weet
dus niet alleen van hooren zeggen, dat hij hen uitvroeg. Cleopatra
voelde zich al zeer spoedig tehuis bij ons, doch met Arsinoë duurde dit
langer. De Koning hechtte evenwel alleen gewicht aan het gevoelen der
oudste, die zijn lieveling was. Hij placht in de grootste verrukking
naar haar te luisteren, en soms lachte hij om een harer treffende
antwoorden of opmerkingen zoo hartelijk, dat men zijn luide stem tot in
het huis hooren kon.

"Maar eens zag ik traan op traan langs zijn wangen rollen, en toch
duurde toen het bezoek nog korter dan anders. Toen hij ons huis verliet,
bracht zijn goed gesloten draagstoel hem naar het schip, waarmede hij
naar Cyprus en Rome moest oversteken. De Alexandrijnen, met de Koningin
aan het hoofd, hadden hem gedwongen de stad en het land te verlaten.

"Zeker had hij zich de kroon onwaardig gemaakt, maar toch beminde hij
zijn dochtertjes als een echte vader. Alleen was het vreeselijk zooals
hij tegen die jonge kinderen hare moeder en oudere zuster vervloekte, en
haar in één adem beval die beiden te haten en te verwenschen, doch
hemzelf nooit te vergeten en lief te hebben.

"Ik was in dien tijd zestien, Cleopatra tien jaar oud, en ik werd eerst
ijskoud en toen weder warm, toen ik, na het vertrek haars vaders de
kleine Arsinoë haar zusje hoorde toefluisteren: "Ja, wij zullen haar
haten! De goden mogen haar verderven!" en hoe Cleopatra met betraande
oogen daarop antwoordde: "Laten wij liever beter worden dan zij,
Arsinoë, zoo héél goed, dat de goden ons liefhebben, en vader weer tot
ons terugbrengen."

""Omdat gij dan Koningin wordt," zeide Arsinoë verachtelijk, en nog
trillend van opgewondenheid.

"Hier zag Cleopatra haar verwonderd aan. Het was duidelijk, dat zij de
beteekenis dier woorden overwoog, en ik zie nog de kleine gestalte zich
oprichten, en vol zelfbewustzijn zeggen: "Ja, ik wil ook Koningin
worden!"

"Doch plotseling veranderde zij van toon, en met de lieflijkste klanken
van haar zoete stem verzocht zij haar zuster: "Niet waar, gij zult niet
weder zulke leelijke dingen zeggen?"

"Dat was in den tijd toen mijns vaders lessen reeds eenigen indruk
begonnen te maken op haar jonge ziel. Wat Olympus had voorspeld,
kwam toen reeds tot vervulling. Ik zelf ging toen naar de school der
rhetoren[9], maar als vader aan de meisjes een taak opgaf dan mocht
ik hetzelfde onderwerp behandelen als zij, en ik moest dikwijls
erkennen dat Cleopatra het beter had gedaan dan ik. Spoedig kon zij
tot moeielijker oefeningen overgaan, want de geest van dit kind had
krachtiger voedsel noodig, en nu begonnen de lessen in de Philosophie.
Mijn vader behoorde zelf tot de school van Epicurus, en boven
verwachting gelukte het hem Cleopatra voor de leer van dezen meester te
winnen. Zij leerde ook de leerstellingen van andere philosofen kennen,
doch kwam altijd weer terug op Epicurus. Zij wilde dat wij allen als
echte leerlingen van dien grooten Samiër leven zouden.

[9] Leeraars in de welsprekendheid.

"Gij zijt zeker door uw vader en broeder meer met de leer der Stoa
vertrouwd geraakt, maar gij zult toch ook wel weten, dat Epicurus het
laatste gedeelte van zijn leven met zijn vrienden en leerlingen, in
stille overdenkingen en wijsgeerige gesprekken, doorgebracht heeft in
zijn tuin te Athene. Op die wijze wenschte Cleopatra, dat ook wij leven
zouden, en wij moesten ons daarbij "leerlingen van Epicurus" noemen.
Behalve Arsinoë en mijn sterke broeder Straton, die meer van levendiger
spelen hielden, vonden wij dat allen goed. Ik werd tot meester gekozen,
maar daar ik haar aanzag, dat zij dat graag was, stond ik het haar af.

"Den eerstvolgenden vrijen middag gingen wij in den tuin op en neder
wandelen, en onderhielden ons in allen ernst over het hoogste goed. Zij
leidde daarbij onze gesprekken met zooveel vaardigheid, en wist in
twijfelachtige gevallen zoo goed uitspraak te doen, dat het ons speet
toen de klok ons naar huis riep en wij ons 's avonds al verheugden op
den volgenden middag.

"Dien morgen zag mijn vader eenige landlieden voor den afgelegen tuin
bijeen staan, maar hij had geen tijd te vragen wat zij daar kwamen doen,
want Timagenes, die de geschiedenis onderwees, dezelfde, die later als
krijgsgevangen slaaf te Rome kwam, liep op hem toe, en liet hem een
bordje zien. Daarop stond het opschrift te lezen, dat Epicurus eenmaal
geplaatst had boven de poort van zijn tuin: Vreemdeling, hier zult ge u
gelukkig gevoelen; hier is het hoogste goed, het levensgenot te vinden.

"Cleopatra had dit vóór zonsopgang met groote letters op het bordje
geschreven, en dat door een slaaf aan de poort doen bevestigen. Deze
inval had intusschen bijna een eind gemaakt aan ons heerlijk samenzijn,
doch zij had het slechts gedaan om bij ons spel het voorbeeld getrouw na
te volgen. Mijn vader liet ons ook toe daarmee voort te gaan, alleen
verbood hij ons streng dat wij elkander, buiten den tuin, "Epicuristen"
zouden noemen, want aan dezen schoonen naam hadden de menschen reeds
lang een verkeerde beteekenis gegeven. Epicurus zegt immers dat de ware
levensvreugde slechts in zielsrust en afwezigheid van smart te vinden
is."

"Maar toch houdt iedereen," bracht Barine in het midden, "iets anders
dan dat voor de ware leer van Epicurus. Isidorus, bijvoorbeeld, een
godloochenaar, wiens levensdoel daarin bestaat dat hij den beker van het
genot tot op den bodem ledigen wil, wordt voor een echt Epicurist
gehouden. Mijn moeder zou mij zeker niet toevertrouwd hebben aan een
opvoeder, voor wien het levensgenot het hoogste goed is."

"Gij, dochter van een philosoof," hernam Archibius hoofdschuddend,
"moest beter weten wat bij Epicurus "de vreugd" beteekent, en dat
begrijpt gij ook wel. Wie er niet meer van gehoord heeft, kan trouwens
niet weten dat de meester verbiedt naar genoegen te trachten in de
enkele dingen van het leven. Hebt gij wel een klare voorstelling van
zijn leer? Niet? Laat mij dan beproeven u die in weinige woorden te
verklaren. Epicurus wordt maar al te dikwijls verward met Aristippus,
die de genoegens der zinnen boven die van den geest stelt, evenals hij
gelooft dat lichaamssmarten moeilijker te dragen zijn dan zielesmart.
Maar Epicurus stelt juist het genot van den geest het hoogst, want het
zinnelijke, al veroordeelt hij dat niet, blijft toch altijd maar tot het
tegenwoordige bepaald, terwijl het geestelijke zich tot in het verleden
en de toekomst verlengt. Het doel van het leven is, zooals ik zeide, bij
den Epicurist: zielsrust te erlangen en van smarten bevrijd te zijn, wat
hij als het hoogste goed beschouwt. Oók de deugd wil hij alleen beoefend
hebben ter wille van het genot dat zij schenkt; want wie zou deugdzaam
kunnen blijven, zonder ook wijs, edel en rechtvaardig te zijn, en wie
dit is, die heeft de grootste rust der ziel, en zal waarachtig gelukkig
zijn, naar de bedoeling van den meester. Ik heb nu reeds lang het gevaar
van deze leer ingezien, dat daarin ligt, dat zij niet van zedelijke
waarde spreekt; maar in dien tijd scheen zij mij werkelijk het
allerhoogste toe. En hoe gretig werd dit alles opgenomen in de nog
geheel hartstochtlooze ziel van dat nadenkende kind! Men kon haar
wondersterken geest bijna nooit genoeg voedsel geven, en het was haar
grootste genot dien te verrijken. Voor haar was ook de afwezigheid van
smart, die de eerste voorwaarde tot het genot werd genoemd, werkelijk
een eerste vereischte om gelukkig te zijn. Zij kon het even moeilijk
verdragen dat een harde hand haar aangreep, als dat een kleine
teleurstelling haar trof.

"En toch droeg dit kind, dat mijn vader eens "een bloem, die nadacht"
noemde, haar droevig lot, de verwijdering van haar vader, den dood harer
moeder en de wreedheid harer zuster Berenice, als een ware heldin,
zonder een enkele klacht. Zelfs met mij sprak zij over deze dingen
slechts in bedekte termen, hoewel zij mij, als aan een broeder haar
vertrouwen schonk. Ik weet dat zij volkomen begreep wat er voorviel, en
het diep voelde. De smart plaatste zich tusschen haar en het hoogste
goed, maar zij overwon haar. En als zij aan het werk was, dan worstelde
het teere kind met taaie volharding, totdat zij het Charmion en mij ook
in het moeilijkste had afgewonnen.

"In dien tijd begreep ik waarom men onder de goden aan een jonkvrouw
de wetenschap heeft toevertrouwd, en waarom zij met wapenen toegerust
is.--Gij hebt immers al gehoord, hoe vele talen Cleopatra spreekt? Een
woord van Timagenes was eens als een zaadkorrel in haar ziel gevallen.
Het was dit: "met iedere taal die gij leert, wint gij een volk." Nu
behoorden er vele volken tot het rijk van haar vader, en als zij eenmaal
koningin was, dan moesten zij haar alle liefhebben. Het is waar, zij
begon met die der heerschers, niet met die der beheerschten. Het eerst
wilde zij Lucretius verstaan, die de leer van Epicurus in verzen
overgebracht heeft. Mijn vader onderwees ons, en reeds in het tweede
jaar las zij dit dichtstuk even gemakkelijk als een Grieksch boek.
Het Aegyptisch kende zij ook nog maar half. Nu leerde zij het vlug.
Gedurende ons verblijf op het Isiseiland Philae vond zij een Troglodiet
die haar in zijne taal onderrichten moest. Hier in Alexandrië waren
genoeg Joden, die haar in de hunne inwijdden, en daarbij leerde zij ook
het daaraan verwante Arabisch.

"Toen zij vele jaren later Antonius opzocht te Tarsus, dachten de
krijgslieden dat zij met Aegyptische tooverkunst te doen hadden, want
zij sprak iederen bevelhebber aan in de taal van zijn volk, en stond hem
te woord alsof zij een landgenoot van hem was. En zoo ging het met alles
wat zij leerde. Op ieder gebied streefde zij ons ver vooruit. Haar
brandende eerzucht kon niet gedoogen dat zij in één enkel ding
achterblijven zou.

"De Romein Lucretius werd haar lievelingsdichter, hoewel zij van zijn
volk even weinig hield als ik. Maar de zelfbewuste kracht van haar
vijand maakte indruk op haar, en eens hoorde ik haar uitroepen: "Ja, als
de Aegyptenaars Romeinen waren, dan zou ik onzen tuin geven voor den
troon van Berenice."

"Lucretius bracht haar telkens weer terug op Epicurus en deed in haar
nooit rustenden geest een tweestrijd ontstaan. Hij leert, zooals gij
weet, dat het leven op zichzelf niet zulk een heerlijk bezit is, dat men
_niet-leven_ voor een ongeluk zou moeten houden. Men bederft het juist
daardoor, dat de dood ons als het grootste ongeluk voorkomt. Alleen
die ziel verkrijgt rust, die niet meer aan den dood als aan een ongeluk
denkt. Wie overtuigd is dat tegelijk met het leven ook het voelen en
denken voorbij is, die kan het einde niet vreezen. Hoeveel liefs en
kostbaars een afgestorvene ook achtergelaten heeft, met zijn leven
verliest hij toch ook voor altijd het verlangen daarnaar. Hij noemt het
daarom de grootste dwaasheid dat men zich bekommert om een lijk, en dat
alles is juist het tegenovergestelde van het geloof der Aegyptenaars,
dat Anubis Cleopatra trachtte in te prenten. Tot op zekere hoogte
gelukte hem dit ook, want zijn persoon maakte een machtigen indruk op
haar, en daarbij was haar een groote neiging tot het mystieke en
bovenzinnelijke aangeboren, evenals mijn broeder Straton zijn
lichaamskracht, en u Barine, de gave des lieds.

"Gij kent Anubis zeker wel van aanzien. Welk Alexandrijn zou dien
merkwaardigen man nooit gezien hebben, en wie dat eenmaal deed, zal hem
niet licht vergeten. Hij beschikt inderdaad over geheimzinnige krachten,
en deze heeft hij ook toegepast op het opgroeiende vorstenkind. Als
zij nu nog vasthoudt aan het geloof van haar volk en, ofschoon een
Helleensche tot in merg en been, haar Aegypte liefheeft, zóó dat zij
daarvoor tot alle offers is bereid, dan is dat zijn werk. Zij laat zich
"de nieuwe Isis" noemen, en Isis is het middenpunt der Aegyptische
tooverkunst. Anubis heeft Cleopatra ingewijd in de geheime wetenschap,
en heeft haar zelfs overreed om op de Sterrenwacht en in het
laboratorium....

"Doch dat alles begon eerst in den tijd toen wij onzen Epicurustuin
hadden, en mijn vader kon er niets aan doen, daar de Koning uit Rome had
laten zeggen hoe het hem verheugde dat Cleopatra behagen schepte in haar
volk en zijn geheime wetenschap. En de fluitspeler had aan de Tiber het
Aegyptische goud goed besteed en velen, door hen tot zijn schuldenaren
te maken, aan zijn belangen verbonden. Nadat Pompejus, Cæsar en Crassus
het verbond der driemanschap gesloten hadden, kwamen zij te Lucca
overeen dat de Ptolemaeër op zijn troon zou worden hersteld. Millioenen
waren hem daarvoor niet te veel. Het liefst zou Pompejus hem zelf naar
Aegypte teruggebracht hebben, doch dat liet de naijver der anderen niet
toe. Deze taak werd aan Gabinius, stadhouder van Syrië, opgedragen. Maar
zij, die nu den Aegyptischen troon bezet hielden, waren niet gezind dien
zoo dadelijk weer op te geven. Gij weet, Koningin Berenice, Cleopatra's
oudste zuster, was in dien tijd tot tweemaal toe in het huwelijk
getreden. Haar eersten, nietswaardigen gemaal had zij om het leven doen
brengen, doch in den tweeden had zij een moedigen verdediger geworden.
Hij hield zich dapper, maar sneuvelde op het slagveld.

"Weldra vernam de Senaat, dat Gabinius den Ptolemaeër in zijn land
teruggebracht had, maar tot ons kwam dat bericht eerst later. Wij
luisterden destijds met evenveel spanning naar elk geluid, als wij het
nu doen.

"Cleopatra was nu veertien jaar geworden, en allerbevalligst opgegroeid.
Dat portret aan den wand toont u de geheel geopende bloem, doch het
knopje was nog bekoorlijker. Hoe helder en ernstig waren hare oogen!
Maar als zij vroolijk was, konden zij schitteren als sterren, en dan
kreeg ook haar mond een onbeschrijfelijk ondeugende betoovering, terwijl
in hare wangen de kuiltjes te voorschijn kwamen, die nu nog ieder in
verrukking brengen. Haar neus was fijner dan hij nu is, en men zag nog
nauwelijks de lichte kromming die het portret te zien geeft, en die op
de munten te sterk uitkomt. Het haar is eerst later donker geworden.
Mijn zuster Charmion vond er haar grootste genoegen in die zware
golvende lokken in orde te brengen. Zij verzekerde dikwijls dat het
precies zijde was, en dat was het ook. Dat weet ik omdat Cleopatra het
bij het Isisfeest, als zij het beeld moest volgen met het sistrum,
loshangend droeg. Onder het naar huis gaan schudde zij dikwijls
schertsend het hoofd, en dan stroomde dat haar als een waterval om haar
heen, en verborg haar gelaat en gestalte. Zij was van gewone grootte,
maar alles was in volkomen juiste verhouding, alleen iets fijner en
teerder dan tegenwoordig.

"Zij verstond sinds lang de kunst om alle harten te veroveren. Het
scheen alsof zij mijn vader het meest vereerde, mij het meest
vertrouwde, voor Anubis een eerbiediger schroom had, en met den
scherpzinnigen Timagenes liever redeneerde dan met anderen; doch zij
liet het altijd voorkomen alsof allen haar even lief waren. Arsinoë
daarentegen vergat mij als Straton er bij was, en wierp vurige blikken
op Menodor, een leerling van mijn vader, zoo menigmaal die bij ons was.

"Zoodra het heette dat de Koning door de Romeinen zou worden
teruggebracht, kwam Koningin Berenice de meisjes afhalen om naar de stad
te gaan. Cleopatra verzocht haar echter bij mijn ouders te mogen blijven
en hare lessen voort, te zetten. Berenice antwoordde hierop met een
verachtelijken glimlach, en terwijl zij zich tot haar gemaal Archelaus
wendde, zeide zij kort af: "Ik zou denken dat voor haar uit de boeken
het minste gevaar dreigt."

"Pothinus, de voogd, had vroeger wel eens aan de broeders der prinsessen
toegestaan haar te bezoeken, doch nu mochten zij de Lochias niet meer
verlaten. Dat trokken Cleopatra en Arsinoë zich echter weinig aan. De
kleine knapen hadden altijd hare liefkozingen verlegen afgeweerd, en met
hun Aegyptischen haartooi en kleederdracht, die Pothinus voorgeschreven
had, waren zij aan de zusters ook vreemd gebleven.

"Toen zij hoorden dat de Romeinen uit Gaza optrokken, werden de beide
meisjes hartstochtelijk opgewonden. Dat zag men Arsinoë dadelijk aan,
maar Cleopatra wist het te verbergen, ofschoon haar jong gezichtje
menigmaal van kleur verschoot. En toch was haar gelaat niet wit en rood,
zooals dat van haar zuster, maar van een, hoe zal ik het zeggen.....?"

»Ik weet wat gij bedoelt," zeide Barine. »Toen ik haar zag, vond ik
niets bekoorlijker dan die zachte tint, waar het rood slechts even
doorschijnt, als het licht door die albasten lamp of de kleur der perzik
door het dons. Ik heb dat dikwijls opgemerkt bij pas herstellende
zieken. Dat spreidt Aphrodite slechts over hare lievelingen uit,
evenals de god van den tijd het fraaie groen over het brons. Niets
schooners, dan wanneer zulke vrouwen blozen!"

»Gij ziet scherp," zeide Archibius glimlachend. »Het was inderdaad alsof
niet Eos[10] zelve, maar haar zachte weerschijn aan den westelijken
horizon den hemel kleurde, zoo vaak vreugde of schaamte haar het bloed
naar de wangen joeg. Doch als zij door toorn werd beheerscht, en dat
gebeurde dikwijls, dan kon zij er uitzien als een marmeren beeld, ja
alsof alle leven uit haar geweken was. Doch laat ik verder gaan.
Misschien komt de bode nu spoedig.

[10] De godin van den dageraad.

»Gabinius bracht den Koning dus terug. Doch sedert hij aanrukte met het
Romeinsche leger en de hulptroepen van den Ethnarch van Judea, sprak
niemand meer van hem of van Antipater, die het leger van Hyrkanus
aanvoerde, maar men hoorde enkel van den Romeinschen veldheer Antonius.
Hij had de troepen gelukkig door de woestijn tusschen Syrië en de
Aegyptische Delta heen geleid en op dien tocht geen enkelen man
verloren, hoewel in die streken vroeger reeds velen het leven hadden
moeten laten. De Joodsche bezetting van Pelusium had die stad niet aan
hun stamgenoot Antipater, maar aan hem, zonder slag of stoot overgeven.
Hij had in twee veldslagen overwonnen, en in den tweeden, waarin, zooals
gij weet Berenice's gemaal sneuvelde, werd het lot van het land beslist.

»Sinds zijn naam aan de beide meisjes voor het eerst was genoemd, konden
zij niet genoeg van hem hooren. Men zeide, dat hij de voornaamste der
voorname Romeinen, de stoutste der dapperen, de uitgelatenste en dolste
der verkwisters en de schoonste van alle mannen was. De kamervrouw uit
Mantua, met wie Cleopatra zich in de Romeinsche taal oefende, had hem
dikwijls gezien en nog meer van hem gehoord, en zijn leven gaf aan de
Romeinen veel te spreken. Het heette dat hij in rechte lijn van Hercules
afstamde, en dat zijn gestalte en fraaie zwarte baard aan dezen
voorvader herinnerden. Gij kent hem en weet, dat er van hem veel te
verhalen valt wat aan een meisjesoor niet onverschillig is, en hij was
toenmaals bijna vijf lustra jonger dan nu.

»Hoe luisterde Arsinoë, hoe bloosde en verbleekte Cleopatra, toen
Timagenes waagde hem een zedeloozen woesteling te noemen. Deze Marcus
Antonius had dan ook haar vader den weg naar zijn vaderland weder
geopend.

»De fluitspeler had zijn dochtertjes niet vergeten. Hij was zelf buiten
het gevecht gebleven en kwam dadelijk na de beslissing in de stad.
Zijn weg voerde langs onzen tuin. De Koning had maar één kwartiers
uurs tijd gehad om door een snellooper zijn aankomst te doen melden, en
zijn verlangen om haar te begroeten. In allerijl werden zij feestelijk
uitgedost, en beiden boden nu een aanblik, die het vaderhart goed moest
doen.

»Cleopatra was nog altijd niet zoo groot als Arsinoë, maar ofschoon pas
veertien jaar, geleek zij toch geheel en al op een volwassen jonkvrouw,
terwijl gelaat en houding der jongste verrieden dat zij nog een kind
was. In haar hart was zij dit echter niet meer.

»Zoo goed het ging waren in der haast ruikers saamgebonden, en de
meisjes hadden beiden een in de hand, toen de reizigers naderden. Mijne
ouders gingen tot aan de tuinpoort mede. Ik kon zien wat er gebeurde,
maar alleen verstaan wat de mannen zeiden.

»De Koning stapte uit zijn reiswagen, die met acht Medische schimmels
bespannen was. De aanzienlijke kamerheer die hem vergezelde, moest hem
daarbij ondersteunen. Zijn rood gezicht glansde toen hij zijne meisjes
begroette. Men zag hoe blijde hij verrast was, vooral door Cleopatra.
Wel kuste hij ook Arsinoë, maar hij had toch alleen oogen en ooren voor
de andere. Toch had ook de jongste zich schoon ontwikkeld, en zonder
haar zuster ware ook zij zeker de aandacht waardig geweest. Doch
Cleopatra was als de zon, die ieder ander hemellicht naast haar
verbleeken doet. En toch mocht men haar niet zonnig noemen. Dat was
juist voor een deel het bekoorlijke in haar, dat ieder zich gedrongen
voelde zijn blik op haar te laten rusten, alleen om uit te vorschen
waarin toch de betoovering bestond die van haar uitging.

»Ook Antonius werd door die aantrekkingskracht geboeid, zoodra de eerste
woorden over hare lippen gekomen waren. Hij was te paard tot naast den
wagen van den koning komen aanrijden. Zoodra hij de dochters aan de
zijde van haar vader had gezien, begroette hij haar met vluchtige
beleefdheid. Toen vraagde hij Cleopatra of hij op haar dank mocht hopen,
omdat hij zoo spoedig haar vader had teruggebracht, en zij zeide dat
zij, als dochter, gaarne erkentelijk wilde zijn, maar dat het haar als
Aegyptische koningsdochter moeite kostte. Bij dit antwoord zag hij haar
scherper aan dan te voren. Ik zelf hoorde daarvan pas later, maar ik zag
hoe de Romein, zoodra zij ophield met spreken, van het paard sprong,
en den voornamen kamerheer Ammonius, die den Koning uit den wagen had
geholpen, de teugels toewierp, alsof hij een stalknecht was. De man, die
zulk een oog had voor vrouwenschoonheid, had hier een zeldzame vondst
gedaan, en terwijl hij het gesprek met Cleopatra voortzette, mengde
zich ook haar vader daarin, en telkens hoorden wij zijn luiden lach.
Men zou de ernstige leerlinge van Epicurus niet herkend hebben. Reeds
menigmaal hadden wij treffende gezegden en verrassende denkbeelden van
haar gehoord, doch zij had nog maar een enkele maal de scherts van
Timagenes op dezelfde manier beantwoord. Maar nu gaf zij op ieder woord
van Antonius een geestige repliek. Het was alsof zij nu eerst iemand
gevonden had tegenover wien zij het de moeite waard vond om alle gaven
van haar vluggen en diepen geest aan den dag te leggen. En toch verloor
zij daarbij geen oogenblik haar vrouwelijke waardigheid. Hare oogen
schitterden niet meer dan zij in een levendig gesprek met mij of met
mijn vader deden.

»Met Arsinoë was het anders. Toen Antonius van het paard was gestegen,
was zij hare zuster genaderd, doch daar de Romein haar voortdurend over
het hoofd zag, zag ik hoe zij kleurde. Zij beet zich op de lippen en
kreeg iets onrustigs over zich. Ik zag aan haar oogen en de trillende
neusvleugels dat zij slechts met moeite hare tranen weerhield. Ofschoon
Cleopatra mij veel liever was, ging mij dit toch aan het hart, en ik had
dien trotschen Romein, die er werkelijk uitzag als de oorlogsgod zelf,
aan zijn arm willen schudden en hem toefluisteren dat hij die andere
koningsdochter toch niet zoo mocht veronachtzamen.

»En nog wat ergers wachtte de arme Arsinoë. Op het oogenblik dat de
koning tot afscheidnemen vermaande, nam Antonius hem een der
bloemruikers, die hij nog in zijn hand hield, af en zeide met zijn
diepe, schoone stem: »Wie zulk een bloem zijn dochter noemt, heeft geen
andere noodig." Daarbij reikte hij den ruiker aan Cleopatra, en met de
hand op het hart sprak hij den wensch uit dat hij haar te Alexandrië zou
mogen wederzien. Toen sprong hij op het paard, dat de verontwaardigde
kamerheer nog altijd bij den teugel hield.

»De fluitspeler was over zijn oudste dochter werkelijk verrukt, en
deelde mijn vader mede, dat hij de meisjes overmorgen in de stad zou
laten brengen. Morgen had hij daar allerlei dingen te doen, die zij
liever niet moesten bijwonen. Mijn vader mocht het zomerpaleis met den
tuin ten teeken van dankbaarheid voor zich en zijn nageslacht in
eigendom behouden. Hij zou zorgen dat dit in de boeken ingeschreven
werd. Inderdaad had dit op denzelfden dag nog plaats. Zelfs zou het zijn
allereerste werk zijn geweest, indien niet een andere zaak vóór moest
gaan: de terechtstelling van zijn dochter Berenice.

»Dezelfde koning die in de oogen van allen, die zijn ontmoeting met zijn
dochters hadden gezien, een gevoelig man en teeder vader scheen, zou
in die dagen half Alexandrië hebben laten ter dood brengen, zoo niet
Antonius tusschenbeide gekomen ware. Deze verbood al dat bloedvergieten,
en eerde de nagedachtenis van Berenice's gemaal nog met een prachtige
begrafenis.

»Terwijl hij te paard wegreed, zag hij nog meermalen naar Cleopatra om,
doch aan Arsinoë kon hij geen groet meer geven, want zij was haastig
naar den tuin teruggegaan. Haar gezwollen gelaat toonde duidelijk de
sporen van pas vergoten heete tranen. Van dien dag haatte zij Cleopatra
met bitteren wrok.

»De Koning liet op den bepaalden tijd de beide meisjes afhalen.
Dat geschiedde met vorstelijke praal. De Alexandrijnen juichten
de koningsdochters luide toe, terwijl zij op vergulde troonzetels,
met waaiers van struisvederen toegewuifd, omringd door veldheeren,
hooggeplaatste ambtenaren, lijfwachten en den senaat, langs den
koningsweg stadwaarts gedragen werden. Cleopatra dankte het voor zijne
begroeting met een trotsche majesteit alsof zij nu reeds Koningin was.
Wie haar gezien had, zooals zij met betraande oogen van ons allen
afscheid nam en ieder van ons verzekerde dat zij met hartelijkheid aan
hen zou blijven denken, zooals zij mij, die toen reeds gekozen was tot
hoofd van den bond der epheben[11], zoo zusterlijk innig....."

[11] Jonge mannen.

Hier werd het verhaal van Archibius afgebroken door een slaaf, die de
aankomst van zijn bode meldde, en hij stond onmiddellijk op, om hem in
de werkplaats, waar men hem gebracht had alléén te spreken.




ZESDE HOOFDSTUK.


De lieden, die door Archibius op kondschap uitgezonden waren, hadden nog
geen zekere berichten ingewonnen, doch een hardlooper van den Koning
had kort geleden een tafeltje voor hem afgegeven, waarop Iras hem
uitnoodigde haar den volgenden dag een bezoek te brengen. Er waren
verontrustende, doch gelukkig nog onzekere tijdingen gekomen. De
Regent wilde alles doen om zekerheid te verkrijgen, doch hij kende
het wantrouwen der zeelieden en dergenen die aan de haven woonden ten
opzichte van de Regeering. Een onafhankelijk man als hij, zou meer te
weten kunnen komen dan de havenopzichter met al zijn schepen en volk.

Bij dit tafeltje was nog een tweede, waarop de overbrenger van den
Regent de vergunning gekregen had te allen tijde de havenketen te doen
ontsluiten, met zijn schip in de open zee te loopen en ongehinderd terug
te keeren.

De bode, de opzichter der scheepsslaven van Archibius, was een man van
ondervinding. Hij nam op zich, de »Epicurus" een snelzeiler, dien
Cleopatra aan haar vriend ten geschenke gegeven had, binnen twee uren
tot een tocht in de volle zee gereed te maken. Intusschen zou zijn
meester afgehaald worden met een wagen, opdat geen tijd zou verloren
gaan.

Nu keerde Archibius tot de vrouwen terug, en vroeg haar, of het geen
misbruik maken van hare gastvrijheid zou zijn, indien hij zijn vertrek
nu, kort voor middernacht, nog eenigen tijd uitstelde. Zij toonden zich
integendeel oprecht verblijd en verzochten om het vervolg van zijn
verhaal.

»Ik moet mij bekorten," zeide hij, nadat hij den maaltijd dien Berenice
gedurende zijn afwezigheid voor hem had doen gereed maken, eer aangedaan
had. »Ook is er in de daaropvolgende jaren niet veel gebeurd, wat de
vermelding waardig is. Ik moest toen ook al mijn tijd aan mijne studies
in het Museum wijden. Wat Cleopatra en Arsinoë betreft, zij werden
aan het hof als koninginnen behandeld. Met den dag, toen zij ons huis
verlieten, eindigde ook haar kinderjaren. Was het de herstelling van
haar vader op den troon, of de ontmoeting met Antonius, die deze groote
verandering bij Cleopatra veroorzaakt had? Wie zal het zeggen?

»Kort vóór Cleopatra's afscheid, had mijn moeder nog betreurd dat zij
haar moest afstaan aan een vader, zooals de fluitspeler was, en niet aan
een waardige moeder; want zelfs de allerbeste zou zich gelukkig rekenen
in het bezit van zulk een schat. Doch later was haar aard en manier van
doen meer geschikt om een mannenhart in verrukking te brengen, dan juist
dat eener moeder. Het scheen alsof haar streven naar zielevrede geheel
voorbij was. Toch werden haar de drukke feestmalen, het zingen en
muziekmaken, waaraan het in het paleis van den koninklijken virtuoos
nooit ontbrak, wel eens wat te veel. Dan kwam zij in onzen tuin, en
bleef daar dikwijls verscheidene dagen. Arsinoë kwam nooit mede, want
deze liet zich nu eens boeien door een blonden officier der Germaansche
ruiterij, die Gabinius achtergelaten had ter bezetting van de stad, dan
weder door een Macedonisch edelman onder de koninklijke jongelingen, die
toenmaal nog de wacht hadden in het paleis.

»Cleopatra leefde geheel van haar gescheiden, en sedert zij hare zuster
eens hare minnarijen verweten had, legde deze haar vijandige gezindheid
openlijk aan den dag. Cleopatra's belangstelling was op andere zaken
gevestigd. Hoewel zij zich somtijds bezighield met de magische kunsten
der Aegyptenaars, was haar helder verstand toch het meest tehuis in de
wijsbegeerte der Hellenen. Het was een genoegen haar in het Museum met
de leiders der verschillende scholen te hooren spreken of redetwisten.
Haar gevoel van eigenwaarde was zeer toegenomen. Hoewel zij bij ons
altijd verklaarde, dat zij met smart terugverlangde naar den tijd van
den vreedzamen Epicuristen tuin, zoo nam zij toch zeer levendig deel in
wereldsche zaken en politiek. Zij wist evengoed wat te Rome voorviel,
wat de partijen dáár wilden en najaagden, als wie hunne leiders waren en
welke bijzondere bedoelingen zij hadden.

»Met hartelijke belangstelling volgde zij de loopbaan van Marcus
Antonius. Voor hem was de eerste neiging van haar jonge hart geweest.
Zij had de grootste verwachtingen van hem gekoesterd, maar zijn latere
handelwijze scheen daaraan niet te beantwoorden. Van toen af was iedere
uiting omtrent hem met een tintje van minachting gekleurd, en toch
voelde men ook daarin haar hart.

»Pompejus, wien haar vader zijn terugkeer te danken had, zag zij
voor meer gelukkig, dan groot en wijs aan. Daarentegen sprak zij van
Julius Cæsar, lang vóór zij hem persoonlijk had ontmoet, met gloeiende
geestdrift, al wist zij, dat hij Aegypte tot een Romeinsche provincie
had willen maken. Het grootste wat zij van hem verwachtte was, dat hij
een einde zou maken aan de republiek, die zij haatte, en zichzelven tot
beheerscher der wereld verheffen zou. Alleen had zij gaarne Antonius in
zijn plaats gezien. Dikwijls nam zij in dien tijd tooverkunst te baat om
iets van zijn toekomst te weten te komen. Haar vader deed hieraan mede,
te meer omdat hij daarvan genezing van zijn lichaamskwalen verwachtte.

»Cleopatra's broeders waren nog aankomende jongelingen, die hun voogd
Pothinus moesten gehoorzamen. Aan dezen, en hun opvoeder Theodotus, een
knap doch gewetenloos redenaar, liet de Koning het bewind over zijn land
geheel over. Zij beiden, en ook de veldheer Achillas zouden gaarne
Dionysus, den oudsten erfgenaam des konings aan de regeering gebracht
hebben, om dien ook later te kunnen beheerschen, maar op dit punt haalde
de Koning een streep door hunne rekening. Zooals gij weet, benoemde hij
in zijn laatsten wil zijn lieveling Cleopatra tot zijn opvolgster, maar
haar broeder Dionysus moest de heerschappij als haar gemaal met haar
deelen. Dit wekte in Rome veel ergernis, hoewel het overeenkwam met een
oud Aegyptisch gebruik.

»De fluitspeler stierf. Cleopatra werd koningin en ook de gemalin van
een tienjarigen knaap, voor wien zij zelfs niet een gewone zusterlijke
genegenheid had. En zoo verbond zij zich met het eigenzinnige kind dat
zich door de inblazingen van zijn raadslieden als alleenheerscher
beschouwde, en tegelijk met de voormalige regeeringspersonen van het
land.

»Er brak nu een droeve tijd voor haar aan. Haar leven was een
voortdurende strijd tegen de kuiperijen, waaraan vooral haar zuster
Arsinoë meedeed. Zij hield er een eigen hofhouding op na, aan welker
hoofd de eunuch Ganymedes stond, die een ervaren veldheer en tegelijk
een wijs en welmeenend raadsman voor haar was. Hij wist haar in
aanraking te brengen met Pothinus en de overige staatslieden, en zoo
vereenigden zich ten slotte allen in het ééne streven: Cleopatra van den
troon te dringen. Pothinus, Theodotus en Achillas haatten haar omdat
zij hunne fouten doorzag en hun de meerderheid van haar geest gevoelen
liet. Ook zou het aan hunne vereende pogingen reeds vroeger zijn gelukt
haar te doen vallen, wanneer de Alexandrijnen, en vooral de bond der
jongelingen, die nog altijd eenigszins onder mijn invloed stonden, haar
niet zoo trouw hadden bijgestaan. Alles wat zich »jongeling" noemde,
gloeide voor haar, en ook onder de Macedonische edelen bij de lijfwacht,
zouden de meesten voor haar door het vuur zijn gegaan, hoewel zij
zonder hoop tot haar op moesten zien, als tot een ongenaakbare godin.

»Toen haar vader stierf, was zij zeventien jaar oud, doch zij wist zich
als een man te verdedigen tegen hare vijanden en belagers. Mijne zuster
Charmion die zij bij zich in dienst had genomen, stond haar daarbij
trouw ter zijde. Zij was een mooi en lief meisje, en menigeen dong naar
haar hand, maar de tooverkracht der Koningin hield haar als met ketenen
geboeid. Zij gaf vrijwillig de liefde van een edel man op,--gij weet hij
werd later uw gade, vrouw Berenice--om niet de Koningin te verlaten, in
een tijd dat zij haar bijzonder noodig had. Van dien tijd af was het
hart mijner zuster voor de liefde gesloten. Het behoorde geheel aan
Cleopatra. Zij leeft, denkt, zorgt alleen voor haar. Voor u Barine,
gevoelt zij bijzondere genegenheid omdat uw vader Leonax haar dierbaar
was. Iras, die zoo dikwijls tegelijk met haar wordt genoemd, is de
dochter van mijn oudste zuster, die reeds gehuwd was, toen de Koning de
prinsessen aan mijn vader toevertrouwde. Zij is twaalf jaren jonger dan
Cleopatra, en ook bij haar is hare gebiedster de eerste. Haar vader, de
rijke Krates, deed alles om haar van den dienst der koningin terug te
houden, maar het was te vergeefs. Na één enkel onderhoud met die
wonderbare vrouw was zij voor goed voor haar gewonnen.

»Maar ik moet kort zijn! Gij hebt zeker zelve gehoord hoe Cleopatra ook
Pompejus' zoon, bij zijn bezoek te Alexandrië geheel voor zich innam.
Sedert de ontmoeting met Antonius, had zij geen man zoo vriendelijk
behandeld als hem, en dat was geen opwelling van haar hart geweest, maar
ter wille van het vaderland, dat haar zoo lief was. De vader van dien
Gnejus had destijds de grootste macht in handen, en uit staatkundig
overleg trachtte zij hem te winnen door middel van zijn zoon. De
jonge Romein was dan ook bij het afscheid »vol van haar" zooals de
Aegyptenaars zeggen. Dat deed haar genoegen, maar dit bezoek gaf ook
voedsel aan den laster van haar vijanden. De aanvoerders der lijfwacht,
aan wien zij zich altijd slechts als de trotsche Koningin vertoonde,
hadden haar, heette het, met den zoon van Pompejus zien omgaan als met
haars gelijken; in het theater en bij vele andere gelegenheden waren de
Alexandrijnen getuige geweest hoe zij zijn betuigingen van welgevallen
evenzoo beantwoordde. Maar de haat tegen Rome was in dien tijd hoog
geklommen. De regenten en Arsinoë strooiden uit dat Cleopatra Aegypte
aan Pompejus wilde afstaan, indien de senaat haar verzekerde van de
alleenheerschappij over het nieuwe wingewest, en haar vrijheid wilde
geven zich te ontslaan van haar koninklijken broeder en gemaal.

»Nu moest zij vluchten, en begaf zich allereerst naar de grenzen van
Syrië om onder de Aziatische vorsten vrienden te winnen voor hare
zaak. Aan mij en mijn broeder Straton, die zooals gij weet, bij den
worstelstrijd te Olympia een krans behaalde, werd bevolen haar hare
schatten na te dragen. Dat was wel is waar een gevaarlijke tocht, doch
wij ondernamen dien met blijdschap, en vertrokken uit Alexandrië met
eenige kameelen, een ossenwagen en verscheidene vertrouwde slaven. De
reis ging tot Gaza, waar zij reeds een leger bijeenverzameld had. Wij
hadden ons beiden verkleed als Nabateesche kooplieden, en de talen die
ik geleerd had, om niet bij Cleopatra achter te staan, kwamen mij nu
goed te pas.

»Het was een veelbewogen tijd. De namen van Pompejus en Cæsar waren in
ieders mond. Na de nederlaag bij Dyrrhachium scheen de zaak van Julius
Cæsar verloren, maar de slag bij Pharsalus gaf hem de heerschappij
terug, indien zich het Oosten niet voor Pompejus verklaarde. Het scheen

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/36294