Gutenberg · eo1.org

← catalogue

De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

by Johan Winkler · Dutch · Gutenberg #36077 · 1,242,377 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Author: Johan Winkler


        
Release date: May 10, 2011 [eBook #36077]
                Most recently updated: April 15, 2022

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/36077

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE NEDERLANDSCHE GESLACHTSNAMEN IN OORSPRONG, GESCHIEDENIS EN BETEEKENIS ***




                    DE NEDERLANDSCHE GESLACHTSNAMEN
                In oorsprong, geschiedenis en beteekenis


                                  Door
                             JOHAN WINKLER



                           Goedkoope uitgaaf
                                Haarlem
                          H. D. Tjeenk Willink









        Boeck, ey soo men di wil laecken,
        Segg' dat si yet beters maecken.
        Laecken end maecken is groet verscil,
        Dye nyet en can maecken magh swigen still.

                                                          ?


        D'æbarre traeppet plomp yn 't gnod,
        Oer 't goe kruwd hinne in sykt de Podd'.
        Dy hier uwt naet az fuwl op-syckje,
        Momme eack, mey rjuecht, by Rea-schonck lyckje.

                                            Gysbert Japicx.


        Wy willen gheerne 't onse om een beter gheven,
        Isser iet ghefaelt, tsy groot oft cleene.
        Maer qualick can ment elck te passe gheweven:
        Want niemant volmaeckt, dan God alleene.

                                     Marcus van Vaernewyck.






VOORBERICHT.


In dit boekwerk bied ik mynen land- en volksgenooten de vrucht aan
van myne onderzoekingen en navorschingen op taal- en geschiedkundig
gebied, naar den oorsprong, de geschiedenis en de beteekenis der
hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen.

Moge dit werk met zoo veel genoegen aanveerd worden, als waar mede
het geschreven is! Maar dit is naueliks te denken. Immers byzonder
veel genoegen verschafte my het opstellen van dit namenboek. Allerlei
verrassende, ten deele ook belangryke uitkomsten verkreeg ik, vooral op
taalkundig gebied, by myne navorschingen in deze zake. En dies leverde
my mijn arbeid zoo veel genot op, dat ik hier wel mag herhalen, wat
ik in 1873 schreef by 't voleindigen van mijn Algemeen nederduitsch
en friesch Dialecticon. Te weten deze woorden: »de arbeid, aan mijn
boek besteed, was my zoo aangenaam »(en leerrijk)", dat, waneer door
een of ander ongelukkig toeval mijn handschrift, terstond na dat
ik de laatste letter er van op het papier zette, was vernietigd of
verloren geraakt, ik my toch voldoende voor mijn werk beloond zoude
gerekend hebben, door het genot dat ik er door gesmaakt had."

De Nederlanders in 't algemeen hebben tot nog toe, in wetenschappeliken
zin, weinig aandacht aan hunne geslachtsnamen geschonken. Immers meen
ik dit te mogen afleiden uit de omstandigheid dat zy er zoo weinig
over geschreven hebben. Alles wat er tot nog toe hier te lande over dit
onderwerp in het licht kwam, bestaat uit eenige weinige, veelal kleine
en min belangryke opstellen, verspreid in verschillende tijdschriften
van deze eeu. Het belangrijkste daar van, wat de nederlandsche
geslachtsnamen in 't algemeen aangaat, is zekerlik de »Historische
beschouwing der nederlandsche eigennamen", van Mr. L. Ph. C. van den
Bergh. Ook mag ik, met de noodige bescheidenheid, daartoe tellen de
opstellen over de friesche geslachtsnamen die, voor en na, van myne
eigene hand verschenen zijn in de tijdschriften De vrije Fries en
De Navorscher.

Het is te meer te verwonderen dat dit veld van taal- en geschiedkundig
onderzoek in de Nederlanden zoo braak ligt, als men in aanmerking neemt
aan den eenen kant de zeer byzondere en eigenaardige belangrijkheid
der nederlandsche maagschapsnamen in taal- en geschiedkundig opzicht,
en aan de andere zyde waarneemt dat onze hoogduitsche stamverwanten
reeds zoo veel belangrijks en merkweerdigs over hunne geslachtsnamen
in verschillende, meestendeels wetenschappelike werken, aan het licht
gebracht hebben.

Terstond na het voltooien van mijn bovengenoemd Dialecticon voelde
ik dan ook den lust in my ontwaken om aan dit onderwerp myne
onderzoekingen en mijn verzamel-yver te wyden. Dat ik toen zoo
bedroevend weinig over dit toch zoo echt volksaardig-nederlandsch
onderwerp door nederlandsche geleerden geschreven vond, noopte my
tot jaren lang voortgezet verzamelen van boustoffen en gegevens, eer
ik daar aan denken kon, mijn onderwerp nader uit te werken. In der
daad, gedurende verscheidene jaren heb ik een goed deel myner anders
ledige uren besteed aan het samenbrengen en ordenen van alles wat ik
noodig had tot het schryven van dit boek. Had ik dies dubbel moeite
en veel arbeid, mijn werk is er ook zoo veel te meer mijn werk door
geworden en gebleven. Immers had ik by het schryven van mijn reeds
meermalen hier vermeld Dialecticon in veler hulp en medewerking
my te verheugen en te roemen, voor dit geslachtsnamenboek stond ik
aleen. Maar nu is hier ook alles eigen werk. En daar by, het werk
is zoo eigenaardig-nederlandsch als maar mogelik is. Opsettelik heb
ik uiterst weinig of ook in het geheel geen kennis genomen van het
gene door onze hoogduitsche stamverwanten geschreven is over hunne
geslachtsnamen, die ook grootendeels zoo nau aan de onzen verwant
zijn. Zelfs het werk van Pott, [1] dat zeker te recht by onze oostelike
buren als een standaard-werk over dit onderwerp beschoud wordt, en heb
ik met opset nooit geraadpleegd. Ik heb het zelfs nooit gezien. [2]
Men moge meenen dat deze bezorgdheid om mijn werk louter te houden
en zuiver nederlandsch, overdreven is en slechts tot schade voor
de volledigheid van dezen arbeid kon gedyen! Wel! ik heb nu toch
de voldoening een echt eigen-nederlandsch werk mynen nederlandschen
landsgenooten, mynen frieschen volksgenooten te kunnen aanbieden. En
hier in verblijd ik my.

Zoo veel ik kon heb ik my in het behandelen der nederlandsche
geslachtsnamen voor eenzydigheid willen vrywaren. Ik heb uit het
Zuiden gelykelik als uit het Noorden, uit Vlaanderen zoo wel als uit
Friesland, uit Holland zoo wel als uit Brabant, uit Limburg zoo wel
als uit Zeeland en Gelderland de namen by elkanderen gebracht. En ik
heb geen enkel gewest buiten spel gelaten. Maar omdat ik mijn leven
lang nooit ergens elders gewoond heb als in Friesland en Holland,
zoo zijn my natuurlik de friesche en hollandsche namen bekender en
eigener als die uit andere gewesten. Intusschen, het ontbreekt my in
geen der andere oorden, in Belgenland zoo min als in Noord-Nederland,
aan vrienden en bekenden die my geerne de behulpsame hand boden,
door my adresboeken, plaatselike nieusbladen, ambtelike lijsten,
enz. uit hunne streken te doen toekomen, als zoo vele mild floeiende
bronnen ter verzameling van byzondere namen.

Reeds een vluchtige blik in de volgende bladen doet den opmerksamen
lezer bespeuren dat de taal waar in dit boek geschreven is, eeniger
mate afwijkt in zinbou, woordegebruik en spelling van de hedendaagsche
hollandsche boeketaal. Zeker! Ik ben dan ook geen Hollander. Een
Fries ben ik. Maar als zoodanig een goed Nederlander. Waarom zoude
ik dan my zelven dwingen om myne gedachten, gelijk zy in friesche
bewoordingen, en vooral in friesche formen, in mijn friesch brein
ontstaan, kunstmatig om te zetten in schoolsch-hollandsche woorden
en formen? Zoo doende zoude ik zelve mijn eigen werk bederven,
mijn stijl gekunsteld, stijf, gewrongen, onnatuurlik, leelik
maken. En zoo dwaas ben ik niet. Ook in deze zake geldt my »Vryheid,
blyheid." En al is dan myne taal niet onnoodiger wyze nieuerwetsch
schoolmeesters-hollandsch,--goed-nederlandsch, zuiver dietsch is zy
zeker. Zy is louter. Op een enkel kunstwoord na (b. v. patronymikon,
dat ik herhaalde malen heb moeten gebruiken ter afwisseling met het
anders al te vaak voorkomende woord vadersnaam), is alles zuiver
nederlandsch. En dat kan men van de meeste werken der hedendaagsche
Hollanders niet getuigen. Ach neen!

Een ingeschapen luide sprekend gevoel van eigenweerde als vrye
Fries verbiedt my om, tegen beter weten in, de wetten te volgen
waar mede hollandsche geleerden, zeer verdienstelike en hoog
geleerde mannen, maar wier opvatting van taal niet de myne is,
ons aller algemeen-nederlandsch in byzonder-hollandsche kluisters
klinken. Toch is myne kettery niet al te bar, zoud' ik meenen. De man,
die onbevangen oordeelen wil en die de woorden verstaat in hunnen
oorsprong, moet my gelijk geven als ik b. v. aleen (al en een),
waneer (wan en eer), Engelland (het land der Engelen of Angelen),
enz. schryve, in stede van alleen (al en leen?), wanneer (wan en
neer?), Engeland ('t land der Engen?) zoo als het algemeene gebruik
in Noord-Nederland eischt. Ook zal men vinden dat mijn zinbou en
woordvoeging niet altijd en overal overeenkomen met den zinbou en de
woordvoeging die door hollandsche schoolmeesters, in schoolschen waan
bevangen, aan onze taal tot wet is gesteld. Om een enkel voorbeeld te
noemen: in het gebruik van het woordje dan, in plaats van als, na den
vergelykenden trap der byvoegelike naamwoorden. Waar de doode regel van
den schoolmeester in strijd is met den regel dien de levende spreektaal
volgt, daar geldt voor my slechts de laatste. Hier en daar, waar het
pas gaf en het my zoo vryelik behaagde, heb ik ook gebruik gemaakt
van 't oude loochenwoordeken en, dat wel door onze hedendaagsche
taaldwingelanden verworpen is, maar dat in den volksmond, vooral in
onze zuidelike gewesten, en ook hier en daar in Holland, nog leeft,
en dat door de beste vlaamsche schryvers nog wel gebezigd wordt,
terwijl het zoo veel bevalligheid en zoetfloeiendheid aan de taal
verleent. En ook daar heb ik my nog niet aan vaste regels gebonden,
waar ik afwyke van den geijkten regel. Ik spreek en schrijf eenvoudig
zoo als my de gedachten in mijn brein ontstaan, en juist zoo als op
dat oogenblik mijn geest my de woorden op de tonge legt of uit de
pen doet floeien. Al die vryheden neem ik my, naar eigen welbehagen,
en in spijt van wien er zich aan moge ergeren.

Dat ik eene, zy het dan ook uiterst bescheidene mate van dank
en lof zal oogsten met dit werk, kan ik wel hopen, maar niet
verwachten. Menig man zal, om menige redenen, in arren moede dit
geschrijf verwerpen. Immers ondervond ik maar al te vaak dat vele
lieden byzonder prikkelbaar en gevoelig zijn op het stuk van hunne
namen. O! bewijs dien ryken en verwaanden opkomeling niet dat zijn
geslachtsnaam van zeer nederigen en eenvoudigen oorsprong is! Toon
dien nieu-bakken adeling niet aan dat zijn maagschapsnaam, die nu
in spelling een weinig anders is als de gelijkluidende naam van
zynen burgerliken buurman, met dien naam oorspronkelik geheel en
al eenzelvig is. Immers en zal hy u geen dank wyten. Maar zoo hy
u al niet met hoon en smaad overlaadt, zal hy, in het beste geval,
uit der hoogte en met voorname minachting op uw werk en misschien
op u-zelven nederzien. En dan nog, hoe vele lieden--ja immers een
zeer groot gedeelte der menschen, is aangaande zynen geslachtsnaam
wat oorsprong en beteekenis aangaat, in krasse vooroordeelen
bevangen! Vooroordeelen, die in den regel reeds als erfdeel hunner
voorouders hun zijn toegekomen. Tracht die vooroordeelen niet om verre
te werpen, zoo uwe vrede u lief is. En overtuig dien lieden niet van
hunnen ydelen waan! Gy en zoudt daar geen eere mee behalen. En dank
even min. O! ik heb dit herhaaldelik ondervonden.

Toch stuur ik met vrooliken moed dit mijn werk de nederlandsche
letterwereld in.

Voor dorre geleerde betoogingen heb ik my, by de samenstelling er
van, gewacht. Alle wezen en schijn van boekekast-geleerdheid heb
ik gemeden. Immers was het mijn streven dat mijn namenboek (even
als vroeger mijn gousprakenboek) ook leesbaar zoude wezen voor den
eenvoudigen beschaafden man. Maar tevens heb ik getracht het niet
geheel verwerpelik te doen zijn voor den geleerde, voor den taalkundige
en den geschiedvorscher in d' eerste plaats. Ook zal de man, die zich
met de geschiedenis en het wezen der beschaving van ons volk inlaat,
en die geerne d' uitingen van ons volksleven gadeslaat, dit boek,
zoo ik hope, niet zonder eenige voldoening ter zyde leggen.

Dit werk en bedoelt anders niet als eene eerste poging te zijn op
het gebied van de beoefening onzer geslachtsnamen, eenvoudig, sliucht
end riucht.

Moge men het, in dezen zin, welwillend aanveerden!



Den vriendeliken lezer een vriendelike groet van


                                                                Haarlem,
                                                         Midzomer, 1885.

        Johan Winkler






INLEIDING.


§ 1. De eerste menschen, of liever zy, wier namen het eerst in onze
geschiedboeken vermeld worden, hadden, ieder voor zich, maar éénen
enkelen naam. By alle volken der oudheid, by Joden, Egyptenaars,
Grieken, Romeinen, by allen, van welken stam ook, was dit oorspronkelik
het geval. Een enkele naam werd voldoende geacht voor eenen enkelen
persoon. Hoe ouder de namen, of beter: hoe vroeger de menschen leefden,
wier namen ons bewaard gebleven zijn, hoe eenvoudiger hunne namen
waren. Later kwamen ook samengestelde namen in gebruik, en nog later
namen de menschen, de machtigen en voornamen het eerst, ook twee namen
aan. Van die twee namen was echter slechts één de eigenlike naam, die
uitsluitend voor den persoon gold welke hem voerde. De andere naam was
gewoonlik een patronymikon of vadersnaam, soms ook oorspronkelik een
by- of toenaam van den man zelven of ook wel van zynen vader; in het
laatste geval gold die naam dan voor al de kinderen van eenen en den
zelfden vader. Deze tweede namen werden in verloop van tijd ook wel
erfelik; zy gingen niet alleen van den vader op den zoon, maar ook wel
op de kleinzonen over, en op de volgende nakomelingschap. Dit was de
oorsprong van de geslachtsnamen die eigen zijn aan al de leden van eene
en de zelfde maagschap. Maar eigenlik gezegde geslachtsnamen, volkomen
in den zelfden zin dien de beschaafde volken in den tegenwoordigen tijd
aan dat woord hechten, hadden de ouden niet. Deze zaak was by hen niet,
of slechts weinig door wetten geregeld. In het aannemen en afleggen
van namen, vooral van by- en toenamen, die de plaats vervulden der
hedendaagsche geslachtsnamen, gingen de oude volken zeer willekeurig
te werk. En onze eigene voorouders vóór 1811, toen de wetgeving op den
burgerliken stand, en daar mede op de geslachtsnamen, geregeld werd,
deden niet anders.

Juist zóó als by de volken der oudheid, is ook de geschiedenis der
persoonsnamen, en der daaruit ontstane geslachtsnamen by onze eigene
voorouders, by de Germanen in 't algemeen. De oudsten onzer voorouders,
't zy ze van frieschen of van saksischen stam waren, 't zy ze deel
uitmaakten van de talryke kleine stammen--Batauers, Kaninefaten,
Maresaten, Sicambriers, Taxandriers, Morinen, Menapiers, waar van er
velen later zich onder den naam van Franken vereenigden--zy allen
droegen slechts éénen enkelen naam. En hoe ouder, hoe vroeger de
namen der Germanen in de geschiedboeken vermeld worden, zooveel te
eenvoudiger waren de namen. Abo, Athal, Bercht, Dodo, Edo, Fritho,
Gero, enz. waren zulke eenvoudige mansnamen. Deze namen waren,
by honderden in getale, by de verschillende volken van germaanschen
bloede in gebruik. Eenigen er van zijn ook tot op den dag van heden
in gebruik gebleven; by de Friesen vooral is dit met betrekkelik
velen dezer namen het geval. Men noemt deze enkelvoudige namen wel
naamstammen, wijl de latere samengestelde namen uit deze naamstammen
ontstaan zijn en geformd. Weldra toch, by toenemende volkrijkheid,
waren deze namen niet meer voldoende ter onderscheiding. Immers
kwam het wel voor dat verschillende personen, leden van een en den
zelfden stam, soms wel van eene en de zelfde maagschap, den zelfden
naam droegen. Dit gaf verwarring; maar tevens aanleiding om nieuwe
namen te zoeken. En men vond die, door twee namen, tot dus verre elk
op zich zelven in gebruik, te verbinden, saâm te voegen tot éénen
enkelen nieuwen naam. Van de enkelvoudige namen of naamstammen Gero
en Hart b.v. maakte men Gerhart (Gerard, Gerrit, Geert), van Athal en
Win formde men Athalwin (Alewijn), en Thiudo (Tiede) en Rik voegde men
samen tot Thiudorik, Theodorik (Diederik, Dirk). De samenstelling dezer
namen was aan weinige of geene taalkundige of andere wetten gebonden,
behalven aan die der welluidendheid en zoetvloeiendheid. Men kon in
den regel de naamstammen samen voegen, gelijk men wilde. Zoo kon men
b.v. van de naamstammen Gang en Olf of Wolf zoo wel Gangolf maken als
Wolfgang; van Hart en Gero zoowel Gerhart als Hartger; beide formen
komen voor. Men had dus tamelik vry spel, en vooreerst geen gebrek
aan eigennamen. Want zoo de oude enkelvoudige namen by honderden
telden, door willekeurige samenvoeging van al deze naamstammen kon
men honderd-duizenden van nieue namen formen. By duizenden zijn deze
samengestelde namen ons in oude geschriften en oorkonden overgeleverd
geworden; by honderden zijn ze nog onder ons in gebruik. Men kan er
duizenden vermeld en beschreven vinden in Förstemann's Altdeutsches
Namenbuch.

Deze namen waren natuurlik geenszins zinledige klanken. Integendeel! zy
hadden allen eene beteekenis. Oorspronkelik waren het allen eenvoudige
woorden, aan de volksspreektaal ontleend. De namen werden toen nog door
het volk verstaan; het waren zinryke namen, en als zoodanig verstond
men ze. En wijl alle Germanen oorspronkelik eene en de zelfde stamtaal
gesproken hadden--hoe wel dan min of meer gewyzigd in uitspraak en
woordenschat by de verschillende stammen--zoo verstonden ook allen deze
namen, en gingen die namen, zonder bezwaar, van den eenen volksstam
tot den anderen over. Toch waren van ouds her by het eene volk meer
deze, by het andere meer gene namen in gebruik, en kon men dus daar
uit, met eenige zekerheid, afleiden, tot welk volk, tot welken stam,
tot welke maagschap deze of gene persoon behoorde. Maar overigens
hadden de namen weinig kenmerken waar uit men weten kon, van welk volk
of welke maagschap de dragers dier namen deel uitmaakten. Er waren
geene algemeene namen, aan al de leden van een enkel geslacht eigen,
en waaraan men elkanderen kennen en herkennen kon. In deze leemte,
welke zich, by de toenemende volkrijkheid, vooral ook by het steeds
drukker wordende verkeer der menschen onderling, hoe langer hoe
meer deed gevoelen--in deze leemte werd voorzien door den kinderen
samengestelde namen te geven, waar de namen van vader of moeder,
zoo deze namen enkelvoudige naamstammen waren, of ook deelen van
de namen der ouders, zoo dezen reeds samengestelde namen voerden,
in voorkwamen. Heette de vader b. v. Bruno en de moeder Hildigunda,
dan kregen de zonen dezer echtgenooten wel de namen Brungar, Hildebrun,
Brunolf, de dochters die van Brunhilda, Hildeberchta, Gundtruda. Deze
samengestelde namen waar de namen of naamstammen van vader en moeder
in voorkwamen, waren eene eerste, zwakke poging om algemeene namen
te formen, die aan alle leden van een gezin iets eigens gaven,
waar door zy zich van anderen onderscheidden, en als kinderen van
één paar ouders, of als afstammelingen van eenen enkelen stamvader,
aan anderen kenbaar waren. Later bereikte men hierin beter doel,
door ware patronymika te formen; te weten, door den uitgang ing,
op zich zelven een oude naamstam, te voegen achter den naam van den
vader. Als b. v. de vader van eenen jongeling die Athalbercht heette,
den naam droeg van Athal, dan noemde deze jongeling zich Athalbercht
Athaling, dat is Athalbercht zoon van Athal, ter onderscheiding van
anderen die ook wel Athalbercht heetten, maar geen zonen van Athal
waren. (Athalbercht Athaling, dat is in onze tegenwoordige taal Albert
Adeling.) Sedert deze patronymika of vadersnamen in gebruik gekomen
waren, was er eenen grooten stap voorwaarts gedaan, ter verkryging van
geslachtsnamen. Immers niet aleen Athalbercht voegde dat patronymikon
Athaling achter zynen eigenen naam, maar ook zyne broeders Athalgar
(Alger), Athalwin (Alewijn) en Athalhart (Allart) deden eveneens,
wijl ze ook zonen van Athal, dus ook Athalingen waren. En zoo hadden
zy, alle vier gebroeders, in dien gemeenschappeliken vadersnaam
eenen band die hen verbond, en waren ze ook aan geheel vreemden, als
broeders, als zonen van éénen zelfden vader kenbaar. Deze patronymika,
als oorsprong van duizenden hedendaagsche nederlandsche geslachts-
en plaatsnamen, zijn in de volgende bladen van dit werk uitvoeriger
behandeld en verklaard.

Omstreeks het jaar 1000, ook een paar eeuen vroeger en later, waren
deze patronymika by de germaansche volksstammen in volle gebruik,
en dienden ze wel als geslachtsnamen. Na de 10de eeu kwamen er ook
andere namen in gebruik, ter nadere aanduiding van personen. Dit waren
soms bynamen, afgeleid van de eene of andere persoonlike eigenschap
van de dragers dier namen, of ontleend aan plaatsnamen, of aan andere
byzondere zaken. En het bleek soms, dat deze namen zoo vast verbonden
waren aan de personen die ze droegen, dat zy ook op de zoons van die
personen overgingen, en later op de kleinzoons; met andere woorden
dat zy erfelik werden, en volkomen als geslachtsnamen in gebruik
bleven. Tevens kwam er na den jare 1000 nog eene andere wyze om
vadersnamen of patronymika te formen, in zwang; eene andere wyze dan
de tot dan toe gevolgde door achtervoeging van ing achter den vaders
naam. Immers door veelvuldig gebruik, en uitsluitend in dien form, was
het woordje ing in onze taal als 't ware versleten geraakt. Het had
by het volk zyne beteekenis verloren; men verstond het niet meer. De
namen die op ing uitgingen, en die er nu eenmaal waren, bleven wel
voor en na in gebruik, maar men formde geen nieue meer. Was er nu een
jongeling die Wolther heette, en zijn vader droeg den naam van Bruno,
dan noemde hy zich nu niet meer, naar oude zede, Wolther Bruning,
maar Wolther Bruyns soen, Wouter, de zoon van Bruin,--wat overigens
geheel op 't zelfde uitkomt.

§ 2. De kruistochten gaven den menschen aanleiding om hunne vaste, vaak
afgezonderd liggende woonsteden te verlaten, en door andere gouen te
trekken, door verre landen te zwerven. Zy kwamen, zoodoende, veelvuldig
met andere, tot dus verre hen geheel onbekende menschen in aanraking en
verkeer. Zy kregen hierdoor hoe langer hoe meer behoefte aan vaste by-
of toenamen, ter onderscheiding van de gelijknamige personen, die zy
in andere plaatsen gezeten vonden, en die dikwijls in hun gezelschap
naar het Heilige-land trokken. Immers vroeger, op de eenzame hoeve,
mocht één enkele naam, Hugbrecht b. v., voldoende geweest zijn
voor éénen enkelen man,--vroeger, in het kleine dorp waar maar twee
mannen waren die Hugbrecht heetten, mocht het voldoende geweest zijn,
zoo men dien eenen man Hugbrecht Woltering noemde, naar zynen vader
Wolter, en den anderen man Hugbrecht Bernding, naar zynen vader Bernd
(Bernhart)--thans, onder die duizenden kruisvaarders, onder dat groote
getal tochtgenooten, waar mede zy gezamentlik naar 't Heilige-land
trokken, waren er zoo velen die Hubrecht heetten! Maar er waren slechts
weinigen, soms was er ook niemand by de schare, die wist dat de vader
van den eenen Hubert den naam had gedragen van Walther, die van den
anderen den naam van Berend; dat dus de eene Hugbercht een Woltrink,
de andere een Bernharding was. De noodzakelikheid drong dus spoedig om
die verschillende Hugberts van elkanderen te onderscheiden. En daarop
wist het redzame volk wel raad. Den eenen die eenen rooden baard had,
noemde men Hubert Roobaert, den anderen die byzonder lang was van
gestalte: Hubert de Langhe. De derde praalde dikwijls met de scherpte
van zijn zwaard: de volksgeestigheid had hem weldra, eerst spottender
wyze, den toenaam Scerpsweert gegeven. De vierde eindelik had zich
in zyne woonplaats Keulen by 't heir der kruisvaarders gevoegd;
dies noemde men hem Hubert de Ceulenaere. En die bynamen bleven in
gebruik zoo lang de kruisvaart duurde, en ze bleven ook wel aan de
personen hechten, als dezen reeds weder in eigen huis en hof waren
terug gekeerd, en gingen ook later wel op hunne kinderen over.

Na de kruistochten was het vooral de opkomst en aanvankelike bloei
der steden, met het ontstaan van den derden stand, die der vrye
poorters of burgers, welke zeer bevorderlik was aan het ontstaan van
by- en toenamen, eerlang ook van vaste geslachtsnamen. In die steden
vestigden zich velen van het platte land, die tot dus verre slechts
eenen enkelen naam, hoogsten nog een patronymikon daarenboven gevoerd
hadden. Vreemdelingen, van heinde en verre soms samengevloeid, of door
het grillige noodlot her- en derwaarts verdreven, woonden eerlang als
burgers naast elkanderen in de enge straten der opkomende steden. Daar
kende men elkanderen niet van vroeger; daar kende men nog veel minder
elkanders maagschap, dus evenmin elkanders vadersnamen. Zoo was men
genoodzaakt elkanderen nieue toenamen te geven, ter onderscheiding van
gelijknamige personen. De poorters der steden oefenden veelal het eene
of andere handwerk uit, of dreven de eene of andere koopmanschap. Niets
lei dus nader voor de hand, om twee mannen die beiden Godefert heetten,
maar waar van de eene kleêrmaker was en de andere in kruideryen
handelde, te onderscheiden als Godfried de Crudenier en Govaert
Snider, Govert de Sceppere of Goert Schroeder, al naar mate snider,
sceppere of schreuder--in Friesland nog heden ten dagen skroar--de
gewone benaming was voor kleêrmaker, in de gouspraak der landstreek
waarin de stad gelegen was. Ook noemde men den lieden wel naar hun
handwerkstuich, of naar hunne koopwaar. Den Govert die kleêrmaker was,
noemde men dus ook wel Govert Knipscheer, den Govert die kruidenier
was, wel Govert Canneel of Govert Peperman. Liet de eene Govert
echter duidelik merken, door zynen tongval, dat hy een Fries was,
spoedig hadden zyne nieue stadgenooten hem Govert de Friese genoemd;
en vertelde de andere dikwijls van Gent of van Groningen, als deze
of gene plaats zyne geboorteplaats was, aanstonds had de volksmond
hem Govaert van Ghent of Godefried van Groeninghe gedoopt. Breidde
de stad zich uit, nam het getal harer huizen voortdurend toe, dan
moesten ook die huizen een herkenningsteeken hebben, eenen naam dragen,
ter onderscheiding. Gevelsteenen en gevelteekens, en uithangborden,
met afbeeldingen, spreuken en namen, voorzagen in die behoefte. En
de namen der huizen gingen veelvuldig over op de personen die in die
huizen woonden. Woonde de eene Govert in een huis, waar »Daniel in den
Leeuwenkuil" in den gevel stond--Govert in den Leeuwenkuil--eerlang
ook enkel Govert Leeuwenkuil--zoo noemde hem de openbare volksstem;
terwijl de andere Govert, aan wiens huis geschreven stond: »dit es
yn den Wulff", dien ten gevolge den naam kreeg van Govert de Wolf.

Zeer velen van deze by- en toenamen zijn later vaste geslachtsnamen
geworden. En de oorsprong en beteekenis er van kan men in dit boek
zoeken en vinden--soort by soort.

§ 3. De zuidelike gewesten, Vlaanderen in de eerste plaats, waren
in de middeleeuen den noordeliken gouen verre vooruit in beschaving,
in volkrijkheid, in den bloei van hunnen handel en nyverheid; ook in
talrijkheid van welvarende steden. Daar deed zich dus de behoefte aan
by- en toenamen, eerlang ook aan vaste geslachtsnamen veel eerder
gelden, veel dringender gevoelen dan in de veel minder bevolkte en
toen nog zoo afgelegene noordelike gouen, waar ook handel, nyverheid
en verkeer veel minder tierden. Van daar dat in de middeleeuen de
geslachtsnamen veel eerder en veel meer in gebruik waren in Vlaanderen
dan in Holland, in Brabant dan in Friesland. In oude oorkonden uit die
tyden bewaard gebleven, blijkt dat de ingezetenen der vlaamsche steden
in die dagen reeds grootendeels, zoo niet allen, vaste geslachtsnamen
voerden, terwijl de Hollanders en Friesen uit die dagen, althans
zoo ze niet van adelliken stam of anderszins aanzienlike lieden
waren, maar eenvoudige burgers en boeren, slechts eenen enkelen naam
droegen, hunnen doopnaam; soms ter onderscheiding daarenboven nog
eenen persoonliken, niet algemeen voor hunne verwanten geldigen by-
of toenaam. Of zoo zy dezen niet hadden, dan kwam daar een eenvoudig
patronymikon voor in de plaats; b. v. Heinrik Allaertssoen. De burgers
van Brugge en Gent hadden in de 14de en 15de eeu reeds voor verre weg
het grootste gedeelte vaste geslachtsnamen. Die van Amsterdam hadden
er, over 't algemeen, nog geen in de eerste helft der zestiende eeu,
en zeer velen, de kleine en geringe lieden, hadden er nog geen in
de 17de eeu en later. Maar in de kleine steden van de noordelikste
gewesten was de verhouding natuurlik nog geheel anders, wat het
voeren van vaste geslachtsnamen aangaat. Ten platten lande kwamen de
geslachtsnamen daar eerst in de vorige eeu in gebruik. Ja, in vele
afgelegene gewesten en gouen, vooral in Friesland, Groningerland en
Drente, duurde het tot in deze eeu eer alle landzaten een geslachtsnaam
hadden. En waren daar de lieden, in 1811, by de instelling en wettelike
regeling van den zoogenoemden burgerliken stand, niet genoodzaakt,
ja gedwongen geworden, vaste geslachtsnamen aan te nemen, menigeen in
onze noordelikste en noordoostelikste gewesten zoude nog heden geenen
anderen naam voeren, dan zynen eigenen vóórnaam, met zynen vadersnaam
in den tweeden naamval, als een patronymikon, daar achter gevoegd.






INDEELING.


Dit werk is verdeeld in vier hoofd-afdeelingen. Deze bevatten:

    I. De geslachtsnamen die ontleend zijn aan mansvóórnamen. Het zijn
       de zoogenoemde vadersnamen of patronymika. Van § 4 tot § 66.
   II. De maagschapsnamen van aardrijkskundigen oorsprong. Met andere
       woorden: die ontleend zijn aan de namen van volken en
       volksstammen, landen en gewesten, eilanden en gouen, steden en
       dorpen, rivieren, enz. of aan gemeene zelfstandige-naamwoorden
       welke als plaatsnamen dienst doen. Van § 66 tot § 108.
  III. Geeft een overzicht van al de geslachtsnamen die niet tot de
       beide vorige hoofd-afdeelingen kunnen gebracht worden. Het zijn
       de namen van allerlei oorsprong. Van § 108 tot § 151.
   IV. In deze afdeeling vindt men de maagschapsnamen beschoud uit het
       oogpunt van hunne aardrijkskundige verdeeling in en buiten
       Nederland; van hunnen oorsprong uit vreemde talen; van hunne
       verhouding tegen over elkanderen, enz. Van § 151 tot en met
       § 168.

Deze vier hoofd-afdeelingen zijn elk weêr in verschillende
onder-afdeelingen gesplitst, die met de letters van het a-b-c
aangeduid zijn.


Hoofd-afdeeling I vervalt nader in

A.  De patronymika in hunnen oudsten form, op ing uitgaande. Van
    § 7 tot § 32.
B.  Die vadersnamen, welke nieue taalformen vertoonen. Van § 32 tot
    § 66.


Hoofd-afdeeling II is samengesteld uit de twee onder-afdeelingen

A.  Waarin de maagschapsnamen behandeld worden die van volkenkundigen
    aard zijn, of wel ontleend aan byzondere aardrijkskundige namen.
    Van § 66 tot § 94. En
B.  Waarin men de geslachtsnamen vermeld vindt, van
    algemeen-aardrijkskundigen oorsprong. Van § 94 tot § 108.


Hoofd-afdeeling III vervalt in vele onder-afdeelingen. Dit zijn
de volgenden:

A.  Geslachtsnamen, aan de namen van ambten, bedryven, handwerken,
    enz. ontleend. Van § 108 tot § 124.
B.  Geslachtsnamen, ontleend aan persoonlike eigenschappen, zoowel
    lichamelike als geestelike. Van § 124 tot § 128.
C.  Geslachtsnamen, van huisnamen, gevelteekens, uithangborden,
    enz. afgeleid. Van § 128 tot § 131.
D.  Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van dieren. Van § 131 tot
    § 135.
E.  Geslachtsnamen, aan het plantenrijk ontleend. Van § 135 tot § 137.
F.  Geslachtsnamen, aan het delfstoffenrijk ontleend. § 137.
G.  Geslachtsnamen, ontleend aan het heelal, aan natuurverschijnselen,
    jaargetyden, byzondere dagen, enz. § 138.
H.  Geslachtsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend. § 139.
I.  Geslachtsnamen, aan spyzen, dranken, en kleedingstukken
    ontleend. Van § 140 tot § 142.
J.  Geslachtsnamen, afgeleid van de namen van munten, geldsoorten,
    maten en getallen. § 142 en § 143.
K.  Geslachtsnamen, ontleend aan de verwantschap en de onderlinge
    betrekkingen der menschen. § 144.
L.  Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van goden en godinnen,
    kerkheiligen, godsdiensten, enz. § 145.
M.  Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van denkbeelden, zaken,
    eigenschappen, zoo goede als kwade. § 146.
N.  Zonderlinge geslachtsnamen. Van § 147 tot § 150.
O.  Imperativische geslachtsnamen. § 150.


Hoofd-afdeeling IV is samengesteld uit de volgende onder-afdeelingen:

A.  De noord- en de zuid-nederlandsche geslachtsnamen. § 151.
B.  De geslachtsnamen der verschillende nederlandsche gewesten. Van
    § 152 tot § 156.
C.  Geslachtsnamen, die kenmerken van nederlandsche gouspraken
    vertoonen. § 156 en § 157.
D.  Nederlandsche geslachtsnamen, buiten de hedendaagsche nederlandsche
    grenzen inheemsch. Van § 158 tot § 162.
E.  De geslachtsnamen der nederlandsche Israëliten. § 162 en § 163.
F.  Vreemde geslachtsnamen in Nederland. Van § 164 tot § 167.
G.  Latynsche en grieksche geslachtsnamen. § 167. Eindelik
H.  Een paragraaf (§ 168) »Tot besluit".






I.

GESLACHTSNAMEN, ONTLEEND AAN MANSVOORNAMEN.

DIT ZIJN DE VADERSNAMEN, DE ZOOGENOEMDE PATRONYMIKA.


§ 4. Zoodra zich by de menschen van 't eene of andere land de behoefte
had doen gevoelen om nog eenen toenaam te voegen by den eigenen
naam, ter onderscheiding van gelijknamige personen, ontstonden
die toenamen, welke afgeleid zijn van den naam des vaders van den
betrokkenen persoon. Als er b. v. in eene en de zelfde plaats twee
mannen woonden, die beiden Hendrik heetten, maar waar van de eene
een zoon was van zekeren Willem, de andere van zekeren Frederik, dan
lag er wel niets naders voor de hand, dan dat men den eenen Hendrik,
zoon van Willem of Willems-zoon, den anderen Hendrik, zoon van Frederik
of Frederiks-zoon noemde.

Deze zeer eenvoudige en natuurlike wyze om aan kinderen, ter onderlinge
onderscheiding, toenamen te geven, afgeleid van de namen hunner vaders,
is zeer algemeen onder de meeste volken der aarde verspreid geweest. Zy
was dit reeds in vroege tyden; de geschiedenis weet daarvan talryke
voorbeelden aan te wyzen, by Joden, Persen, Grieken, enz. De bekende
namen van Gyges Dascili, van Darius Hystaspis, Zapyrus Megabizi,
Xantippus Periclis, Ptolemaeus Lagi, Seleucus Antiochi, enz. kunnen als
voorbeelden dienen. Vooral by de Israëliten werd, duidelikheidshalve,
en meest als de naam geschreven werd in geslachtsregisters, de
vadersnaam, als toenaam, gevoegd achter den naam van iederen man. De
bybelboeken geven daar van talryke voorbeelden aan; o. a. het eerste
hoofdstuk van 't boek Numeri. En de Romeinen, uit den tijd toen zy
reeds aanmerkelik in beschaving en ontwikkeling waren vooruit gegaan,
droegen niet aleen wel tweederlei soort van geslachtsnamen, maar zy
voerden buitendien nog dikwijls hun vaders naam in den tweeden naamval
daar by. Zoo is ons een Lucius Furius Marci filius Camillus bekend, en
een Cneius Cornelius Publici filius Scipio, en meer anderen. En ook nog
later, zelfs tot in onzen tijd, is deze naamsforming by sommige volken
in stand gebleven, vooral in het oosten. Joden en Arabieren aldaar
noemen zich in dezer voege: Jehuda ben Halevi (Juda, zoon van Levi,
of van den priester), Abraham ben Esra; Osman ben Omar of Osman ibn
Omar (Osman, zoon van Omar), Achmet ben Ali, enz. Grieken, Bulgaren,
Bosniaken en andere christelike volken, die tot voor korten tijd nog
onder turksche heerschappy stonden, of ten deele ook nog heden staan,
hebben mede dit oude gebruik in stand gehouden, wijl de Turken het
dragen van vaste geslachtsnamen niet verplichtend stellen. Georgios
Michaëlopoulos (Georg of Joris, zoon van Michiel), Dimitri Rafaëlovich
(Demetrius, zoon van Rafaël), Spiridion Daniëlowitz, enz. zijn namen,
met den vadersnaam als toenaam, van mannen uit die landen. Onder de
Russen heerscht deze gewoonte eveneens, wijl ook in Rusland de zaak
der geslachtsnamen nog niet vast geregeld is; Paul, die een zoon is
van Iwan, noemt zich Paul Iwanowitz (Paul, zoon van Jan, of Paulus
Janszoon, of Paul Jansen), en Iwan, wiens vader Paul heet, noemt
zich, omgekeerd, Iwan Paulowitz. Maar wy kunnen ook by onze eigene
germaansche stamverwanten blyven. Immers tot voor weinige jaren, toen
ook in de skandinaafsche landen het voeren van geslachtsnamen nog niet
vast geregeld was, volgden Zweden, Noren, Denen en IJslanders eveneens
dit gebruik, en zelfs heden is het nog veelvuldig by de Skandinaviers
in zwang. Heet de vader Sven, de zoon Harald noemt zich Harald Svensen;
draagt de vader van Axel den naam van Thorbrand, eerstgenoemde wordt
Axel Thorbrandson geheeten. Zoo heette de vader van Per Thomasson,
den zweedschen, in 1818 geborenen dichter, natuurlik Thomas, en wel
Thomas Svensson, en zyne moeder Hanna Svensdotter (Sven's dochter);
toeval was het dat zyne beide grootvaders, naar luid der patronymika
zyner ouders, Sven heetten. En zelfs onder de hedendaagsche Friesen
in Nederland en Duitschland, ofschoon dan in 't begin dezer eeu
reeds het dragen van vaste geslachtsnamen onder hen aan eene vaste
regeling werd onderworpen, is dit aloude en waardige gebruik, van
gepasten kinderliken eerbied voor den vader getuigende, nog steeds
in stand gebleven. Vooral ten platten lande in de friesche gewesten
is dit het geval. Daar heeten de mannen nog steeds Frank Eabes,
Sybren Hoites, Auke Sjoerds, en de vrouen Sytske Walles, Wybrechtje
(of Wibrichje) Teakes, Baukje Tjaards, enz. Althans zóó, en nooit
anders, worden Frank, Sybren en Auke, Sytske, Wybrechtje en Baukje
in 't dageliksche leven genoemd, naar de namen hunner vaders Eabe,
Hoite en Sjoerd, Walle, Teake en Tjaard. En dit niettegenstaande deze
lieden vaste geslachtsnamen hebben, en b. v. als Frank Wynalda, Sybren
Ruurda, Auke Rommertsma, en als Sytske Abbinga, Wybrechtje Hoitema,
Baukje Heidstra in de boeken van den burgerliken stand ingeschreven
staan. Vraagt men den Friesen ten platten lande, hoe deze of gene
man heet, gewoonlik zal men u den vóórnaam van dien man noemen, met
zynen vadersnaam in den tweeden naamval, b. v. Albert Sierks. Wil
men weten hoe de geslachtsnaam is van den eenen of den anderen, dan
moet men niet vragen: hoe heet hy? (ho hjit er?) maar: hoe schrijft
hy zich? (ho skriuwt er him?) Dan zal men u antwoorden: Remmerda,
Oeblema, Hattinga, enz. Zie ook § 37.

En niet aleen in het hedendaagsche, eigentlik zoo gezegde Friesland,
het gewest tusschen Fli en Lauers, heerscht nog deze zede; zy is
eveneens nog inheemsch, zy het dan ook in eenigszins mindere mate,
in de overige gewesten die eene zuiver- of gemengd-friesche bevolking
hebben, vooral ook in Groningerland, Oost-Friesland en in 't eigenlik
gezegde Noord-Holland, benoorden 't Y. In laatstgenoemd gewest,
vooral ook aan de Zaan en in Drechterland en West-Friesland, is by
eenige oud-ingezetene geslachten de oud-nederlandsche zede bewaard
gebleven om zoo wel de zonen als de dochteren des huizes met het
patronymikon in vollen form te noemen; b. v. Dirk Evertszoon Fok en
Maartje Folkertsdochter Dijk; Albert Leendertszoon Vlak en Guurtje
Wybrandsdochter Sloot.--En ook in andere nederlandsche gewesten wordt
de geijkte geslachtsnaam in 't dageliksche leven weinig of niet
gebruikt, b. v. in sommige saksische gouen, als in de graafschap
Zutfen en in Twente, waar de naam van huis of hoeve veelal by den
bewoner of eigenaar daarvan in de plaats treedt van den eigenen
geslachtsnaam. Zie § 9.

En juist zoo als de Friesen nog heden doen, zoo gingen ook de oude
Nederlanders in 't algemeen te werk, eer de vaste geslachtsnamen in
gebruik waren gekomen. Ewout, die een zoon van Hugo was, noemde zich
Ewout Huygenzoon, ter onderscheiding van eenen anderen Ewout, wiens
vader Rykaert heette, en die zich dus Ewout Rykertszoon noemde. In
't dageliksche leven, door 't vele gebruiken, sleet dit woord
zoon (oudtijds soon, soen en seune) weldra af tot sen (Rykertsen,
Evertszen), of ook tot se (Evertse, Albertse). Of ook, men liet het
woord zoon geheel achterwege, en zette den vaders naam eenvoudig in den
tweeden naamval (Huygen, Rykaerts); daar was dan zoon onder verstaan.

Al deze oude formen van vadersnamen hebben aan hedendaagsche
geslachtsnamen oorsprong gegeven.


§ 5. Een andere, onder de germaansche volken nog oudere form om
van mansvóórnamen, van de vóórnamen of enkele namen der vaders,
toenamen voor de kinders af te leiden, bestond hierin, dat men den
lettergreep ing achter den oorspronkeliken mansnaam plaatste. Hugo,
de zoon van Bartel (Barthold), noemde zich Hugo Barteling, dat is:
Hugo, zoon van Barthold; en omgekeerd, Bartel, wiens vader Hugo heette,
noemde zich Bartel Hugink, Barthold, zoon van Hugo. Zoo komt van den
mansnaam Bruno, de toenaam Bruning; van Nolt, een afgesleten form
van den vollen naam Arnold of Aarnout, komt Nolting; van Albert komt
Alberdingk, van Wolter komt Woltringh, enz.

Zulke toenamen, op ing eindigende, zijn later ook in grooten getale,
tot vaste geslachtsnamen geworden.


§ 6. De namen (toenamen, geslachtsnamen), die door het eene of het
andere achtervoegsel, het zy door zoon of ing, van mansvóórnamen
afgeleid zijn, noemt men, met een grieksch woord, patronymika,
vadersnamen. Reeds de oude Grieken zelven gebruikten dit zelfde woord
in dezen zelfden zin. Zoo droegen by hen b. v. Hippias en Hipparchus,
zonen van Pisistratus, den naam van: de Pisistratiden. Deze toenaam,
in 't enkelvoud Pisistratides, was een patronymikon, even als de
namen Bruins en Bruning, ook Bruinsma en Bruininga, oorspronkelik
toenamen, thans geslachtsnamen, nederlandsche patronymika zijn van
den mansvóórnaam Bruno, Bruin.

De nederlandsche patronymika laten zich gevoegelik verdeelen in twee
groepen; te weten: in die, welke op ing uitgaan, en in die, welke op
zoon (son, sen, se) eindigen, of die ook slechts eenen eenvoudigen
tweeden-naamvals-uitgang vertoonen.




A. DE PATRONYMIKA IN HUNNEN OUDSTEN FORM, OP ING UITGAANDE.


§ 7. Reeds van overoude tyden af is in nagenoeg alle germaansche
talen, de uitgang ing een der algemeenste achtervoegsels achter
allerlei woorden geweest. En nog heden komt in alle germaansche talen
dit zelfde achtervoegsel (by de Hoogduitschers ung) zeer algemeen
voor. Het is hier de plaats niet, om, in taalkundigen zin, verder uit
te weiden over den oorsprong en de beteekenis van dit achtervoegsel,
noch over de verschillende formen waar onder het in 't nederlandsch
en in de talen onzer stamverwante volken voorkomt. Die hier meer van
weten wil, leze een opstel van L. A. Te Winkel, »Over de woorden
met den uitgang ing", in A. De Jager's Archief voor Nederlandsche
taalkunde (Amsterdam, 1848), dl. I. bl. 89. Hier is het voldoende op
te merken, gelijk ook reeds hier voren geschied is, dat ing achter
eenen mansvóórnaam gevoegd, dien naam tot een patronymikon maakt,
welke als toenaam gebruikt wordt. En dat dit ing dan beteekent: zoon
of nakomeling van den persoon, achter wiens eigennaam het geplaatst
werd; b. v. Wolfert, die een zoon van Benno was, noemde zich Wolfert
Benning; dat is: Wolfert, zoon van Benno.

Deze wyze om toenamen te formen, van den vadersnaam afgeleid, is
reeds zeer oud. En tevens oorspronkelik germaansch. In den gryzen
voortijd was zy eigen aan alle germaansche volksstammen. Van daar dat
wy zulke patronymika, op ing uitgaande, by alle germaansche volken, by
Engelschen, Duitschers en Skandinaviers, zoo wel als by Nederlanders,
nog heden als geslachtsnamen zeer talrijk en in volle gebruik vinden.

In de oudste oorkonden en geschriften der germaansche volken treffen
wy van deze naamforming reeds voorbeelden aan. In den angelsaksischen
Travellersung b. v. lezen we:


    »Fin Folcvalding veold Fresna cynne".


Dat is: Fin, de zoon van Folkwald, regeerde het volk der Friesen. In
een ander angelsaksisch geschrift wordt de zoon van Elisa, Elising
genoemd, en draagt de zoon van zekeren Godvulf den toenaam van
Godvulfing. In de angelsaksische Chronyk wordt de afkomst van de
Friesen Hengist en Horsa, de bekende aanvoerders der germaansche
stammen die Brittannie veroverden, op de volgende wyze vermeld:

»Heore heretogan woeren twegen gebrothra, Hengest and Horsa, the woeren
Withgilses suna. Withgils was Witting, Witta Wecting, Wecta Wodning."

Dat is: Hunne hertogen (aanvoerders) waren twee gebroeders, Hengist en
Horsa, die waren Wichtgilses zonen. Wichtgils was de zoon van Witta,
Witta de zoon van Wecta, Wecta de zoon van Wodan.

Eindelik nog in de Saxon Cronicle, van 't jaar 547, lezen wy:

»Ida waes Eopping, Eoppa waes Esing, Esa waes Inguing, Ingui
Angenwiting."

Ook in het Oud-Hoogduitsch vinden we dezen naamform. In zynen
Althochdeutscher Sprachschatz noemt Graff eene overgroote menigte
zulke oud-hoogduitsche, op ing uitgaande patronymika op; b. v. Anninc,
Bazmundinc, Hamminc, Lantinc, Lentinc, Husinc, Wibichinc, Puzinc,
die blijkbaar geformd zijn van de oud-germaansche mansvóórnamen
Anno, Bazmund, Hammi, Lanto, Lento, Huso, Wibicho (Wibeke, Wibe in
verkleinform; zie Wiebeking op bl. 28 en 29), Puzo.

Bekend zijn ook nog de namen van sommige koninklike en adellike
geslachten onder allerlei oud-germaansche volken; en deze namen
zijn oorspronkelik zulke patronymika, zulke door het achtervoegsel
ing van mansvóórnamen geformde vadersnamen geweest. Zoo waren de
Thuringen of Thuringa's een bekend geslacht by de West-Gothen, even
als de Silingen by de Wandalen; Thuringen en Silingen heetten zoo
naar hunne stamvaders Thuro en Silo. Onder de Gothen werden verder
nog de Hastings, afstammelingen van zekeren Hasta, als een der
edelste geslachten genoemd. Het koninklik geslacht van de Wandalen
heette Arding; dat van de Avaren Iring, dat van de Warinen Billing,
enz. Eindelik hebben we nog te herinneren aan de namen der bekende
koningsgeslachten by de oude Franken, aan de Merovingen, de Carolingen,
de Capetingen, die aldus waren genoemd naar hunne stamvaders Merowik
of Merou, Karel en Kapet.


§ 8. Zoo als uit de laatstgenoemde voorbeelden blijkt, waren het
ook geheele geslachten, en niet slechts aleen de zonen van zeker
man, die deze patronymika als toenamen voerden. Maar oorspronkelik
en eigenlik komen zulke patronymika aleen den kinderen van éénen
enkeling toe, en kunnen ze van rechtswegen door zyne kleinkinderen en
verdere nakomelingen niet gedragen worden. Gesteld een man heet Anso,
en zyne zonen heeten Benno en Immo; dan dragen beide die zonen het
patronymikon Ansing, met volle recht, als toenaam: Benno Ansing en
Immo Ansing, dat is: Benno, de zoon van Anso, en Immo, de zoon van
Anso. Benno Ansing krijgt later eenen zoon, dien hy Benhart noemt,
en Immo Ansing wordt eveneens vader van eenen zoon, die door hem
Imhart genoemd wordt. Nu moest, volgens d' oud-germaansche zede,
die Benhart, de zoon van Benno, het patronymikon Benning voeren, en
niet het patronymikon Ansing, 't welk zijn vader Benno voerde naar
den naam van zynen grootvader, den ouden Anso. En eveneens Imhart,
de zoon van Immo Ansing, moest zich Imhart Imming noemen, naar zynen
vadersnaam Immo, en niet Imhart Ansing. Toch gebeurde 't wel, dat
kleinkinderen hunne toenamen niet ontleenden aan den naam van hunnen
vader, maar aan dien van hunnen grootvader. Dit geschiedde vooral dan
als die grootvader een aanzienlik en geëerd man was, die ook nog lang
nadat zyne eigene zonen reeds vaders, en misschien reeds grootvaders
waren geworden, toch nog aan het hoofd der maagschap staan bleef,
en nog menig tiental jaren zyne waardigheid als stamvader van een
geheel geslacht bleef handhaven. En nog zooveel te meer geschiedde dit
als al die kinderen en kleinkinderen en verdere naneven by den ouden
stamvader op de zelfde uitgestrekte state of sate, heerd of hoeve
bleven wonen--gelijk wel gebeurde--of althans in de onmiddellike
nabuurschap daarvan hunnen eigenen heerd grondvestten, zoo dat die
geheele sibschap eerlang werd tot eenen afzonderliken volksstam,
in een afzonderlik oord wonende. Dan bleef wel het patronymikon van
den naam des eersten vaders afgeleid, als toenaam in gebruik voor al
de kleinkinderen en afstammelingen van dien ouden man, ofschoon dat
zelfde patronymikon oorspronkelik en eigenlik slechts den eigenen
zonen van dien stamvader toekwam. En zoo bleef dit oude patronymikon
wel by het gantsche geslacht van dien eenen man in gebruik, en werd
eerlang van eenen toenaam, tot eenen vasten geslachtsnaam.

Die oude patronymika, die als toenamen voor geheele verwantschappen
in gebruik waren, gingen ook wel over op de plaatsen, door zulke
afzonderlike geslachten bewoond. Met andere woorden, die patronymika
hechtten zich wel aan de sate of landhoeve, die door den eersten
stamvader, van wiens naam dat patronymikon afgeleid was, eerst
bewoond was geworden; en die later ook de vaste woonplaats, de
stamsate, van al zyne nakomelingen bleef. Zulk eene oude stamsate
werd wel, hoe talryker het geslacht, dat er woonde, aangroeide,
door aanbou van meerdere huizen, door ontginning van meer weiden en
akkers daar om heen, van eene eenzame hoeve, gelijk het eertijds was,
langzamerhand een gehucht. Dat gehucht breidde zich nog meer uit; er
werd eene kerk geboud en eene school--het was een dorp geworden. By
meerdere ontwikkeling, vooral van handel en nyverheid, klom dat
dorp in grootte en aanzien. De inwoners er van omringden hun dorp
met muren en wallen. De vorst, in wiens gebied het lag, verleende
stedelike rechten--het dorp was eene stad geworden. Maar by al die
wisselingen bleef het oude patronymikon gehecht aan sate, gehucht,
dorp en stad, en is, als zoodanig, dikwijls nog heden ten dage in
stand. Stellen wy een voorbeeld. In een der vroege middeleeuwen
leefde er in het friesche land tusschen Fli en Lauers een Fries, die
wy Harle willen noemen. Die oude friesche, ook oud-duitsche mansnaam
(Harilo) kwam oudtijds meer voor dan tegenwoordig. Nu is hy nagenoeg
uitgestorven. In de 15de eeu treffen we hem nog in Friesland aan. De
vader namelik van Haio Harles (dat is Haio, zoon van Harle), de uit
de geschiedenis welbekende hooftling van Gewarden (Jever), heette
alzoo.--Onze Fries Harle werd door de prediking en het voorbeeld van
den eenen of anderen ierschen of schotschen monnik, die als zendeling
onder de heidensche Friesen het kerstengeloof verkondigde, genoopt
om het ruwe jagers- en visschers- of zeerooversleven, of ook het
zwervende herdersleven dat hy voerde, te laten varen. Hy vestigde
zich hier of daar in het land, waar de gesteldheid van den bodem,
de nabyheid van vrienden en verwanten, of iets anders hem daar toe
behaagde; stellen wy aan den rechter oever van het Fli. Hy boude hier
eene hut of een huis, beboude of beweidde 't land, en bleef er wonen
tot zijn einde. Zijn oudste zoon Sîgbern (Sybren in 't hedendaagsche
friesch), die als toenaam het patronymikon Harlinga of Harling voerde,
van den naam zijns vaders Harlo ontleend, bleef in zijn vaders huis,
op zijn vaders sate, wonen. En Sîgbern Harlinga's broeders en zusters,
die natuurliker wyze allen ook Harlinga heetten, allen ook Harlingen,
dat is: kinderen van Harle waren, bleven ook in het ouderlike huis
wonen; of zy bouden zich nieue huizen naast het oude, op het ruime
ouderlike erf. En zoo deden na hen, Sîgbern Harlinga's kinderen,
en de kinders en kleinkinders van zyne broeders en zusters, al die
Harlinga's of Harlingen, ook, waardoor er eerlang een gehucht ontstond,
ter plaatse die d' oude Harlo zich eerst tot eene vaste woonstede had
verkoren. Die plaats, dat gehucht nu, had uit zich zelve geen naam;
want eer Harlo zich daar vestigde, was het een onbewoond en onbenoemd
oord. Maar als iemand uit de nabuurschap zich daar heen begeven wilde,
zeide hy: »ik ga to den Harlingen; naar de Harlingen of Harlinga's,
zoo als men heden ten dage spreekt. Dit to den Harlingen werd
eerlang, door afslyting en in 't snelle spreken: to 'n Harlingen,
to Harlingen. En langzamerhand, na verloop van vele jaren, eeuen
misschien, toen de nakomelingschap de oude namen niet meer verstond,
toen de taal meer en meer verfloeide, en de woorden versleten, toen
zeide men niet slechts: ik ga to den Harlingen, of ik woon to (den)
Groningen, maar men vatte dit verbogene woord op alsof het in den
eersten naamval stond, alsof die oude, verbogene form werkelik op
zich zelven reeds een eigennaam, een plaatsnaam ware, en men zeide:
dat gehucht, dat dorp, die stad, of wat het dan geworden was, heet
Harlingen, en--de plaatsnaam was kant en klaar, en is nog heden in
gebruik. En deze plaatsnaam, oorspronkelik een toenaam voor menschen,
gaf op zyne beurt weer oorsprong aan eenen geslachtsnaam, aan Van
Harlingen. Zoo kan de hedendaagsche plaatsnaam Harlingen, die zonder
eenigen twyfel oorspronkelik een patronymikon is, ontstaan zijn; en
zoo is, ongetwijfeld, menige, menige plaatsnaam in alle germaansche
landen, ontstaan. Want zulke plaatsnamen, eenvoudige zoowel als in
samenstellingen, zijn ongemeen talrijk, overal waar maar ooit Germanen
gewoond hebben, of nog wonen.

Het is hier de plaats niet, om over deze plaatsnamen, van patronymika
afgeleid, of daar uit bestaande, verder uit te weiden. Die meer van
dit belangryke onderwerp wil weten, leze mijn opstel Een en ander
over friesche eigennamen, in De Vrije Fries, deelen 13 en 14, en
vooral ook Taylor's Words and places.

Ook kan ik hier niet dieper doordringen in de eigenlike beteekenis,
in taalkundigen zin, van dit achtervoegsel ing; noch van het voorkomen
er van, ook in plaatsnamen zoo wel als in geslachtsnamen, by al de
verschillende germaansche volken. Behalve tot de bron, reeds eerder
in dit opstel (bl. 16) door my vermeld, moet ik den belangstellenden
lezer verwyzen tot de geschriften, hier beneden aangegeven. [3]


§ 9. Tot omstreeks het jaar 1000 van onze tijdrekening bleef in
de germaansche talen in het algemeen, in de friesche, frankische
en saksische, die de voorloopers waren van onze hedendaagsche
nederlandsche taal, in het byzonder, de kracht bewaard, om patronymika
te formen door ing achter eenen mansvóórnaam te voegen. Na dien
tijd verloor de taal onzer voorouders die kracht, en raakte
deze naamsforming in onbruik. Men verstond de beteekenis van dit
achtervoegsel niet meer; men kende de weerde daar niet meer van. Toen
kwam het gebruik in zwang, om het woord zoon achter den vadersnaam in
den tweeden naamval, te plaatsen; en dit gebruik verving eerlang geheel
de oude zede om de patronymika met ing te formen. De oude patronymika
evenwel, die reeds bestonden, en als toenamen, 't zy dan voor enkele
personen, 't zy voor geheele verwantschappen en geslachten reeds in
gebruik waren, bleven voortbestaan. En zeer velen daarvan bestaan
nog heden, als plaatsnamen en als geslachtsnamen.

Het gebruik om patronymika met ing te formen, stierf, na 't jaar
1000, ook niet overal in de nederlandsche gewesten gelijktydig
uit. Het eerste geschiedde dit by de frankische en friso-frankische
volksstammen in de zuidelike en westelike gouen. By de saksische en
friesche stammen in het oosten en in het noorden bleef het langer in
gebruik. By de Friesen waarschijnlik wel tot in de veertiende eeu.

Reeds vroeg moeten ook saten of landhoeven, of andere bezittingen en
vaste goederen, kortom plaatsen, met die oospronkelike patronymika,
met die ingnamen genoemd zijn, gelijk op bladz. 20 en 21 hiervoren
aangegeven is. Op eene lijst van landhoeven in Twente, van den jare
1188, die voorkomt by Racer, Overijsselsche gedenkstukken VII, 52-73,
vinden wy onder anderen de namen Smedinc, Rotgerinc, Bennekinc,
Wescelinc, Elekinc, Ernestinc, Lenderinc, Spelemanninc, Temminc, als
eigennamen van zulke hoeven. Dit zijn allen patronymika, ontleend aan
de mansvóórnamen Rotger, Benne(ke), Wessel, Ele(ke), Ernest, enz. En
deze namen zijn zeker gedragen geweest door de eerste mannen, die deze
hoeven eerst geboud en gesticht hebben. De patronymika, de toenamen
oorspronkelik uitsluitend den kinderen van deze mannen toekomende,
waren dus in de 12de eeu reeds op hunne hoeven overgegaan. Het is,
alsof men zeide: het smedink'sche erve, de wesseling'sche hoeve, het
temming'sche heem, enz. En toen het geschiedde, dat de nakomelingen
van dien ouden Rutger, van dien eersten Wessel, dat die Rotgerinks en
die Wesselings eens allen uitgestorven waren op hunne voorouderlike
erven, toen kwamen daar andere menschen, uit andere geslachten, op
die hoeven wonen. En nu bleek het dat die oude patronymika, ofschoon
dan eigenlik uitgestorven met de menschen die ze met recht hadden
gedragen, toch zoo taai van leven waren, dat zy bleven voortbestaan
als namen der landhoeven zelven, al woonde nu b.v. een Immink op de
erve Lenderink, en een Wolterink op de erve Elekink. En niet aleen dat,
maar het oude patronymikon was sterker dan het nieue, de oude naam van
het goed zat zoo vast in de gedachten der menschen, dat de naam van
den nieuen bewoner of eigenaar daarvan, er voor wyken moest. Herbert
Folkring b.v. die op de erve Smedink kwam wonen, werd weldra door
zyne nieue buren Herbert Smedink genoemd. En zoo is het, vooral
in de saksische landstreken van ons land, in een deel van Drente,
in Twente, in de graafschap Zutfen (even als in de aangrenzende
streken van Westfalen), eene vaste zede geworden en is dit eeuen
en eeuen gebleven, dat de tydelike bewoner den naam der hoeve die
hy in pacht of in eigendom had, als een toenaam aannam en voerde,
in plaats van zynen eigenen oorspronkeliken toenaam, 't zy dit dan
een patronymikon, een bynaam, of wel reeds een vaste geslachtsnaam
ware. En zoo is het ook dikwijls voorgekomen, dat zulk een plaatsnaam
niet aleen toenaam werd voor den bewoner van die plaats, maar dat zyne
kinderen en kindskinderen, ofschoon die niets meer te maken hadden
met die hoeve waar hun vader of grootvader op gewoond had, toch den
naam van die hoeve, als een vaste geslachtsnaam behielden. Nemen
wy een voorbeeld, tot meerdere duidelikheid. Geert was de zoon
van eenen man, die Albert heette, en die Albert de Jager genoemd
werd, omdat zijn vader een bekend jager was, en deze dien toenaam
de Jager reeds by zijn leven gedragen had. Want die oude jager,
even als zyne voorouders voor hem, en zijn zoon Albert na hem, had
geenen vasten geslachtsnaam, geen patronymikon. Deze lieden immers
stamden af uit een geslacht dat in de middeleeuen onvry geweest
was, en geen vaste goederen had bezeten. De oude jager en zijn
zoon Albert waren dan ook nu geene eigenerfde boeren, die op hun
eigen erf zaten, maar zoogenoemde keuterboeren, kotsaten, katers,
brinkzitters, die het land dat zy bebouden en waar van zy leefden,
van eenen eigenerfden boer als in leen hadden, en die dezen boer
daarvoor in den oogsttijd, en anderszins, als arbeiders moesten
dienen, gelijk zulks in de Saksische gou, waar zy woonden, van ouds
her gebruikelik was. Zy hadden dies ook geenen vasten geslachtsnaam,
geen eigen oud patronymikon, zoo als de eigenerfde boeren, en hunne
hoeven, wel hadden. Geert, de zoon van Albert, de kleinzoon van den
jager, noemde zich dus voluit Geert Albertszoon de Jager. Hy was een
spaarzaam en degelik jongman, die door zynen handenarbeid en vlijt
eene flinke som had verdiend en bespaard, zoo dat hy, toen het oude
geslacht van eigenerfde boeren Poppink uitgestorven was, het huis en de
landeryen, die zoo vele eeuen lang aan dat geslacht in eigendom hadden
behoord, koopen kon. Hy vestigde zich als boer op dat erve, dat naar
zyne oorspronkelike eigenaars steeds het erve Poppink genoemd werd,
naar den Saks Poppo, die daar, in den ouden, ouden tijd, reeds voor
d' invoering van het kerstendom, eerst gewoond en het land ontgonnen
had. En wijl Geert Albertsz. de Jager nu 't erve Poppink in eigendom
bezat, wijl hy, als boer, de opvolger was der oude Poppinks, zoo
ging dat oude patronymikon op hem over. Zijn eigen toenaam de Jager
raakte in onbruik en vergeten by de lieden. Weldra was hy slechts
als Geert Poppink bekend, ofschoon hy eigenlik geen Poppink was, en
geen recht op dien naam had. De zoon van Geert de Jager, die Poppink
genoemd werd, heette Harmen. Deze Harmen kreeg, wijl hy een leerzame
knaap was, eene geletterde opvoeding; hy volgde zynen vader niet op
in het voorouderlike boerenbedrijf, maar vestigde zich in eene stad,
waar hy 't een of ander ambt vervulde. Hier deed zich de behoefte
aan eenen vasten toenaam sterker gevoelen dan in het ouderlike dorp,
en dies nam onze Harmen Geertsz. den toenaam Poppink in vast gebruik,
en noemde zich Herman Poppink of Harmanus Poppingius, ofschoon hy op
dezen ouden naam eigenlik nog minder recht had dan zijn vader, die
dan toch in den tijd nog het erve Poppink in eigendom had bewoond. Het
nageslacht van Herman Poppink behield dezen toenaam, en toen de tijd
kwam, in 1811, dat men zich vaste geslachtsnamen kiezen moest, lieten
zyne nakomelingen zich als Poppink inschryven. Zoo dat de naam, die
zy nu reeds honderd jaren en langer als vaste toenaam hadden gedragen,
hun vaste geslachtsnaam werd en tot den dag van heden bleef.

In menige streek van ons vaderland gaat het, in zulke gevallen, nog
heden juist zoo als het Geert de Jager, gezegd Poppink, ging. Maar
met dit onderscheid, dat zulke toenamen, aan de namen der boerenerven
ontleend, tegenwoordig slechts by- of toenamen blyven, en nooit als
vaste geslachtsnamen gelden kunnen, al worden de lieden, die ze dragen,
altijd met die namen, en nooit anders, genoemd.

Ook in Friesland, waar de voorouderlike adellike en vrye boerenerven
in den regel de oude patronymika dragen van hunne eerste stichters en
eigenaars, b. v. Abbinga-state, Hellinga-sate, enz.--ook daar is menig
hedendaagsch geslacht op de zelfde wyze als in 't voorbeeld van Geert
de Jager-Poppink aangegeven is, aan zynen hedendaagschen geslachtsnaam
gekomen. Van daar ook, dat men onder de Friesen, vooral van den kleinen
boerenstand, nog heden zoo menigvuldig geslachtsnamen vindt van oude,
't zy dan adellike of eigenerfde-boerengeslachten, die reeds voor
eeuen zijn uitgestorven. Maar die oude patronymika zijn tot op den
dag van heden verbonden gebleven aan de stam-staten en stam-saten
dier geslachten, en in 1811 of ook eerder, heeft menige Fries, die
toevallig die state of sate, soms ook slechts als pachter bewoonde,
zich den ouden naam daarvan, die oorspronkelik de naam was van een
reeds voor eeuen uitgestorven oud-friesch geslacht, als geslachtsnaam
toegeeigend. En al waren ook die oude aanzienlike geslachten van
edellieden en eigenerfde boeren nog niet uitgestorven, ofschoon ze
dan die stam-staten en stam-saten niet meer in eigendom bezaten,
dan kwam het toch wel voor dat de opvolgende eigenaar daar van, of
ook maar de tydelike bewoner, zich dat oude patronymikon, dat aan
zyne boereplaats verbonden gebleven was, als geslachtsnaam toeeigende.

Ten gevolge van deze eigenlik wederrechtelike handelwyze, leven
tegenwoordig in Friesland niet slechts de namen van oude aanzienlike
geslachten, die reeds sedert eeuen uitgestorven zijn, nog steeds als
hedendaagsche geslachtsnamen voort (b. v. Wiarda, Galama, Dotinga,
Offenga), maar dragen dikwijls ook pachters en boerenarbeiders, en de
burgery in de steden, de zelfde namen als sommige oude adellike of
aanzienlike, nog levende en bloeiende geslachten, waar mede zy niet
verwant zijn; b. v. Donia, Hania, Harinxma. Dikwijls zijn die namen in
spelling en form een weinig veranderd van den oorsponkeliken form,
die nog voor den naam van 't oorspronkelike geslacht in gebruik
bleef; b. v. Eizenga en ook (Van) Eisenga nevens (Van) Eysinga,
Kammenga nevens (Van) Cammingha, Buttinga nevens (Van) Buttingha,
Zytsema nevens Sytsema, Fynje nevens Finia, enz.

§ 10. De form ing, om patronymika van mansvóórnamen te maken,
is de oudste en eenvoudigste. Men kan dezen form de normale
noemen. Hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen die dezen form
vertoonen, zijn b. v. Benning, Hilverding, Otting, patronymika van
de mansnamen Benno (in Friesland Binne), Hilwarth en Otto. Maar by
sommige nederlandsche stammen, vooral by de Saksen in Twente en in
de graafschap Zutfen (even als in d'aangrenzende gouen van Westfalen)
wordt dit ing als ink uitgesproken, en dus ook zoo geschreven. Van daar
de hedendaagsche geslachtsnamen in die streken, Bennink, Hilverdink,
Ottink. Elders in Nederland, vooral in West-Vlaanderen, spreekt men
dit ink als ynk uit, met lange i, en schrijft dan gewoonlik ynck;
van daar de westvlaamsche patronymika Gellynck, Cnapelynck, Hallynck,
enz. Andere afwykende formen waarin wy het oorspronkelike ing in
hedendaagsche geslachtsnamen geschreven vinden, zijn nog ingk, ingh,
inghe, inge, eng, ung, ong, enz. Ook komt het wel in versleten form,
als ig en ik voor.

By de Friesen neemt het achtervoegsel inga, als uitgang van
patronymika, volkomen de zelfde plaats in, die ing en ink by
de patronymika der andere Nederlanders bekleedt. Trouens, deze
friesche uitgang inga is ook werkelik anders niet dan het ing der
andere Germanen. Zoo komen de friesche patronymikale geslachtsnamen
Benninga, Bollinga, Poppinga in oorsprong volkomen overeen met
Benning en Bennink, met Bolling en Bollynck, met Popping, Poppinge
en Poppink, die in andere nederlandsche gewesten inheemsch zijn. Ook
by de Friesen is inga de zuiverste en oorspronkelikste form, even
als ing by d' andere Germanen. Maar ook by de Friezen treffen we in
hunne patronymikale geslachtsnamen byformen aan, nevens dit inga;
namelik enga (Bottenga), ingha (Van Julsingha), unga (Hayunga),
enz. En tevens de versletene formen ega (Mennega), ia (Hania), enz.

Van al deze verschillende formen van patronymika wil ik hier eenige
geslachtsnamen als voorbeelden vermelden, en nader verklaren.

§ 11. Patronymikale geslachtsnamen, op den oorspronkeliken form
ing uitgaande, zijn over geheel Nederland verspreid, en komen ook
veelvuldig in Duitschland, Skandinavie en Engeland voor. Reeds by
de Angel-Saksen waren zulke patronymika veelvuldig als toenamen
van mannen in gebruik. En nog heden is deze ingform de eenige,
die in Engeland voorkomt, 't zy dan by geslachtsnamen (Anning,
Elling, Warning), 't zy by plaatsnamen (Birmingham, Eppingforest,
Markington). In Nederland, al hoe talrijk deze patronymika op ing er
ook als geslachtsnamen voorkomen, zijn ze toch niet talryker dan die,
welke den byform ink vertoonen.

Als voorbeelden mogen de volgende geslachtsnamen hier genoemd worden:
Alting, Benning, Damming. [4] Zy zijn afgeleid van de mansnamen Alte,
Benno, Dammo; beteekenen dus: zoon van Alto, Benne, Damme, Deze namen
zijn heden ten dage in Nederland als mansvóórnamen nagenoeg geheel
buiten gebruik geraakt. In Friesland kan men nu en dan nog eenen
man ontmoeten, die Alte heet; de Benno's echter, vooral ook in den
gewyzigden form Binne, zijn daar niet zeldzaam. Maar de naam Damme is
geheel in onbruik gekomen. Nevens de geslachtsnamen Alting, Benning en
Damming treft men in Nederland nog de volgende geslachtsnamen aan, die
ook allen, als patronymika, van eenen dezer drie mansvóórnamen ontleend
zijn: Althing, Alting, Althes en Alts; in Friesland Alta, † Aldinga, †
Aldesna, Altena (deze naam kan ook eenen anderen oorsprong hebben; zie
§ 46), † Altama en Van Altema. Bennink, Benninck, Benningh, Benninge,
Bennigsen, in Friesland Benninga, Bennenga, Bennema, Bennen, Bennes,
Bensz, Bens, in Engeland Benson. Dammen, Dammes, in Friesland Damminga
en Damsma. Volledigheidshalve voeg ik hier ook eenige plaatsnamen by,
aan deze namen ontleend: Alting, een gehucht by Beilen in Drente;
Altikon, saamgetrokken uit Altinkhoven, een dorp in Zwitserland;
Bennekom, dat is oorspronkelik Benninkheim, dorp in Gelderland (deze
plaatsnaam verschilt slechts in form van den naam van het oostfriesche
dorp Bingum, dat is Binningheim); Benningbroek, dorp in Noord-Holland,
en Benningbrough, dorp in Yorkshire, Engeland; Bennebroek, dorp in
Kennemerland; Benninghusum, dorp in Noord-Friesland; Bennighofen,
dorp by Rotenburg in Hanover; Bennington, in Hertshire, Engeland,
enz. En van deze plaatsnamen zijn op hun beurt weêr de geslachtsnamen
Van Bennekom en Van Bingum ontleend. Eindelik nog Damsum (Damsheim,
Dammo's woonplaats), dorp by Esens in Oost-Friesland.

De mansvóórnamen waaraan de andere hiervoren opgenoemde geslachtsnamen
ontleend zijn, liggen niet allen evenzeer voor de hand, noch zijn
allen algemeen bekend. Jan, in Janning, vindt iedereen er terstond
wel uit. En voor de Friesen, of voor andere Nederlanders zoo zy
geschiedenis en taalkunde beoefenen, zijn ook de namen Fokke,
Hart, Imme, Kampo, Menno of Minne, Onno, Poppe, Renso of Rinse,
Sybert, geene onbekenden. Twee dezer patronymika zijn ontleend aan
eenen mansvóórnaam in verkleinform; te weten Eelking van Eelke,
Eelco, oorspronkelik Ele (Edele, Athal), en Wiebeking van Wibeke,
oorspronkelik Wibe, Wybo. Deze namen zijn zoowel in den hoofd-, als
in den verkleinform, nog heden in Friesland in volle gebruik. Dat
Leffring een patronymikon is van Leffert, Lefhart, een naam die
in Friesland en elders in de Nederlanden nog wel in gebruik is,
en dat Nolting van den verkorten naamform Nolt, voluit Arnolt,
Aarnout, afgeleid is, vindt de opmerkzame ook al lichtelik. Maar by
de geslachtsnamen Groening, Huising, Uiling en Veering zou men wel
geneigd zijn eerder aan de gemeen-zelfstandige naamwoorden groen,
huis, uil, veêr te denken, dan aan mansvóórnamen. Toch schuilen
ook in deze patronymika wel degelik oud-germaansche, dus ook
oud-nederlandsche namen; namelik Grono of Gruno, Huso, Ulo en Faro,
die men allen in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch vinden kan. Gruno
of Grono komt heden ten dage in de Nederlanden nergens meer voor,
en Huso evenmin; maar Ulo is in de verkleinformen Uulke, Uultje
(Uilke, Ulco, Uiltje) en Uultsen in Friesland nog in volle gebruik
als mansvóórnaam, en Fere (de friesche form van Faro) komt daar ook
nog wel een enkele maal als zoodanig voor. Met Groening, Huising,
Uiling en Veering zijn de volgende geslachts- en plaatsnamen van
de namen Gruno, Huso, Ulo en Faro afkomstig: Groenings, Groeninx,
Groeninks, (in Duitschland ook Grüning) Gronenga, Groeninga,
Groenia, Groenje. Groningen, de bekende stad; Groeningen, dorp in
Noord-Brabant; Grons, sate by Burgwert in Friesland; Groonhusen,
gehucht by Grootkerk in Oldenburg; Gröningen, vlek in Zwaben
en Gröningen, stadje by Oschersleben in Neder-Saksen. Verder de
geslachtsnamen Van Groningen, Van Groeninge, Grüninger, enz. Van Huso:
Huizing, Huisinghe, Husink, Olden-Huizing, in Friesland Huisinga,
Huisenga, Huizinga, Huizenga; verder: Husen, Huyssoon, Huissen,
in verkleinform Huyskes, † Huisama en Huisma. Huisinge is een dorp
in Groningerland, en Huysinghe een dorp in Zuid-Brabant. Van Ulo:
Ulens, Uilsma, en in Oost-Friesland Uhlen. Uilsmahorn is eene buurt
by Tonnaart (Ternaard) in Friesland, Ulbargen een dorp by Aurich in
Oost-Friesland, Uhlebüll een gehucht by Niebüll in Noord-Friesland,
Uhlentrup (dat is Ulendorp) een dorp by Beckum in Munsterland, Uhlingen
een dorp by Lauenburg (Cöslin) in Pommeren, en Ulgeweer (Ulingaweer)
eene sate te Larrelt in Oost-Friesland. Van Faro, Fere: behalve Veering
nog Fehring, Feringa en Van Feringa, Veeren, Fehres, Veere, Feerma,
Ferens, Feersma, Veersma en Veersema; van eenen my niet bekenden
plaatsnaam Feringen is de geslachtsnaam Feringer afgeleid; eindelik
nog Feerwert een dorp in Groningerland en Feringa-sate te Fisvliet
in die zelfde Ommelanden. De oude mansvóórnaam Fere kan echter ook
eene samentrekking zijn van Feder, een naam die eveneens by de oude
Germanen in zwang was, en waar van de oostfriesche, uitgestorvene
geslachtsnaam Federinga het patronymikon is. Van dezen vollen form
Federinga zou dan Feringa een saamgetrokken form kunnen wezen.

De mansnaam Tede, waar de geslachtsnaam Teding van is afgeleid,
is nog heden, met de byformen Tade, Teade, Tete, Tate, enz. in
Friesland in volle gebruik. Met Teding zijn van dezen ouden mansnaam
nog afkomstig de volgende geslachts- en plaatsnamen: Tedinga, Thedinga,
† Thedema en Tedema. Van Tedinga zijn de geslachtsnamen † Theenga en,
in den tweeden naamval, Teengs weêr versletene formen, even als Thema
van Thedema. Thedinga was de naam van een oud, aanzienlik klooster
by Nüttermoor in Oost-Friesland, maar dat in de 16de eeu opgeheven
werd. De naam is nog gebleven aan een gehucht dat heden ten dage de
plaats van dat klooster inneemt. De byzondere naamsoorsprong van dit
klooster is bekend en bewaard gebleven. Thedinga-klooster namelik
heette oorspronkelik en eigenlik Syna. Het werd door eenen ryken
Groninger, Hatebrand geheeten, in 't jaar 793 reeds gesticht, en de
eerste abt die het bestuur er over uitoefende, heette Theda. Eene
oude chronyk vermeldt van dezen abt Theda: »(he) heft dorch syne
vramheid (vroomheid) de gemeene lueden aen sich getagen (getogen,
getrokken) und den armen groote handreyckinge gedaen, also dat door
synen nakomen dat Closter Thedinga-Monniken genoemt is worden." In
1479 waren beide namen, Syna en Thedinga, nog in gebruik; want de abt
Sibrant, die toen leefde, teekent zich: »ghekoren Abbet to Tedingen,
anders gheheyten Syna." [5] De naam Thedinga-monniken wil dus zeggen:
monniken van Theda, en het patronymikon Thedinga is hier gebruikt in
overdrachteliken zin, wijl men den monniken wel den naam van zonen of
kinderen van den abt geeft. Hier hebben we dus een nieu bewijs dat
het patronymikon, ofschoon oorspronkelik slechts den eigenen zonen
van eenen man toekomende, ook wel door anderen, door kleinkinders,
door verdere nakomelingen, zelfs wel door onderhoorigen (zie §
45) gedragen werd. Ook van elders is dit genoeg bekend. Nog andere
plaatsnamen van den mansvoornaam Tede (Thedo) en van 't patronymikon
Teding afgeleid, zijn: Thedingweert, een landgoed te Kapel-Avezaath
in de Betuwe; Thedinghaus, een stadje aan de Weser boven Bremen;
Thedafeld, eene sate by Grootkerk of Hohenkirchen, zoo als dat dorp nu
hoogduitsch heet, in Wrangerland (Oldenburger Friesland); Thedema- of
Thema-burcht te Noordwolde, en Thema-heert, eene sate te Pieterburen,
beide in Hunsingo (Groningerland); Tedema-state te Roden in Drente;
eindelik nog Dedesdorf, oudtijds Thedestorpe, een vlek in 't Land
Wührden (Oldenburger Friesland).

Nog zy hier vermeld als eene byzonderheid, dat het patronymikon
Leffring (zie bl. 28) nog oorsprong gegeven heeft aan den
hedendaagschen plaatsnaam Leffrynchoucke (Leffrinkhoek), een dorp by
Duinkerke in Fransch-Vlaanderen.

Dat de patronymika, op bl. 28 opgenoemd, ook reeds van zeer oude
dagteekening zijn, kan men in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch
naslaan, waar we eenen Alting reeds in 't jaar 793 vinden, eenen
Husinc ook reeds in de 8ste eeu, eenen Benning in de 9de eeu, en
eenen Imminc en Ulinc vóór het jaar 1100. Wibichinc (Wiebeking) en
anderen zijn ons ook reeds uit zeer vroege tijden bekend (zie bl. 18).

Ik heb de patronymikale geslachtsnamen van bl. 28 zoo uitvoerig hier
besproken, en andere geslachtsnamen met plaatsnamen van die zelfde
oorspronkelike mansvóórnamen afgeleid, zoo volledig hier vermeld,
om aan te toonen hoe talrijk de geslachts- en plaatsnamen zijn, die
van eenen en den zelfden mansvóórnaam afstammen, hoe al deze namen
onderling verwant zijn en samenhangen, en hoe verre zy verspreid zijn
over alle landen met eene germaansche bevolking.

§ 12. De oude Nederlanders schreven den uitgang ing gewoonlik als
ingh en ook wel als inghe; b. v. coningh, oeffeningh, vergaderinghe,
enz. En zoo schreven zy den patronymikalen uitgang van geslachtsnamen
ing ook wel als ingh en inghe. By sommigen onzer hedendaagsche
patronymikale maagschapsnamen is die oude form nog bewaard
gebleven; b. v. by Abbingh, Bussingh, Coelingh. [6] Maar slechts
drie hedendaagsche geslachtsnamen ken ik, die nog den ouden form
inghe vertoonen; dit zijn Muntinghe, Huisinghe en Sinninghe. Al deze
ingh- en inghenamen zijn ook echte patronymika, van oud-germaansche
mansvóórnamen afgeleid. Wolter (Wouter, Walther), de mansvóórnaam die
aan den maagschapsnaam Woltringh ten grondslag ligt, is nog heden
ten dage in alle nederlandsche gewesten, als zoodanig vry algemeen
in gebruik. Maar Abbe, Adde, Hidde, Ids, Luit, Menso of Minse, Rein,
Tabe en Sinne zijn tot Friesland beperkt, ofschoon daar dan geenszins
zeldzaam. De mansvóórnamen die aan de andere hiergenoemde patronymika
ten grondslag liggen, Hert aan Herdingh, Busse aan Bussingh, Weit
aan Weytingh enz., zijn eveneens allen zuiver germaansch, en in
Förstemann's Altdeutsches Namenbuch te vinden.

Een geenszins onverdienstelik letterkundige, die omstreeks de
helft dezer eeu werkte, droeg den naam van D. Buddingh. Maar hoe
verdienstelik ook op velerlei gebied, als woord-afleidkundige beging
hy de grootste flaters; om er niet meer van te zeggen. Zijn werk:
Verhandeling over het Westland, Leiden, 1844, kan dit ruimschoots
getuigen. Buddingh meende ook dat zijn geslachtsnaam eene samentrekking
was van het zelf-gesmede woord »boetding-heer" of boete-rechter. Dies
schreef hy zynen naam ook als Buddingh', om door dat afkappingsteeken
het woord heer aan te duiden, dat, naar zyne meening, achter zynen
naam weggesleten was. Sommigen zyner geslachtsgenooten schryven hunnen
naam nog heden op die wyze. [7] Onnoodig hier aan te toonen dat deze
zonderlinge meening geheel verkeerd, en de geslachtsnaam Buddingh een
oud patronymikon is, van den oud-germaanschen mansvóórnaam Budde,
Butte, Botte. Buddingh is dus de weêrga van † Buttinghe en van
Bottinga, beide ook patronymika van dezen zelfden mansvóórnaam,
al is het dan in eenigszins anderen form. Deze laatste naam is,
met Bottenga, ook nog een hedendaagsche nederlandsche geslachtsnaam.

§ 13. In vele gouspraken van het nederlandsche nederduitsch
spreekt men nog heden de woorden, welke in onze hedendaagsche
algemeene landstaal op ing eindigen, in den ouden form als inge
uit; b. v. bloedinge, waarschouinge, bezoekinge, enz. Dit is, onder
anderen, vooral het geval in onze noordelike en noordoostelike gouen,
onder de friesche en friso-saksische bevolking dier gewesten. En
waar men zulke woorden zóó uitspreekt, daar laat men natuurlik
die toonlooze e ook hooren achter den patronymikalen uitgang der
geslachtsnamen. In Drente en in de zuidelike gouen van Groningerland
komt dit meest voor. Vandaar dat men juist in die streken dan ook zulke
maagschapsnamen, op inge eindigende, meest aantreft. Zie hier eenigen
van die namen, grootendeels van drentschen oorsprong en in Drente,
het Oldambt en Westerwolde inheemsch: Alinge, Buninge, Dillinge. [8]
Al deze namen zijn patronymika van oud-germaansche, ten deele nog
hedendaagsch-friesche mansvóórnamen. In Alinge, Ebbinge, Eppinge,
Hiddinge, Lubbinge, Uninge, Willinge herkent men gemakkelik de nog
heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnamen Ale, Ebbe,
Eppe, Hidde, Lubbe, Une (Oene) en Wille (Wiltje, Wilke of Wilco). Maar
ook by Buninge, Dillinge, Hachtinge, Santinge en de anderen, is de
oorspronkelike mansnaam, met hulp van Förstemann's Namenbuch, nog
wel min of meer gemakkelik uit te vinden en aan te toonen.

By deze drentsche geslachtsnamen formt de uitgang inge eenen
overgang van den algemeenen form van dit achtervoegsel ing tot
den byzonder-frieschen form inga. Velen van deze namen komen dan
ook als geslachtsnamen zoowel in den algemeen-nederlandschen als in
den byzonder-drentschen en byzonder-frieschen form voor, en zijn als
zoodanig aan verschillende geslachten eigen. Nevens de maagschapsnamen
Buninge, Ebbinge, Eppinge, Elinge, Hiddinge, Santinge bestaan ook
Buyning en Buininga; Ebbink en Ebbinga; Epping (ook in Engeland),
Eppink en Eppinga; Eeling, Elink, Elinga en Elenga; Hiddingh, Hiddink,
Hiddinga en Hiddenga; Zantinga, Zantenga en Zanting. En al deze namen
beteekenen het zelfde, namelik: zoon van Buno, van Ebbe, van Eppe,
van Ele, van Hidde, van Sante.

Oudtijds, toen men algemeen zoo onstandvastig was in de spelling der
woorden, heerschte ook de grootste onregelmatigheid in de boekstaving
der eigennamen. De eene schreef den zelfden naam nu eens sus,
dan weêr zoo, en de andere weêr geheel anders. Een man b. v. die in
Friesland woonde, schreef zynen geslachtsnaam als Hesslinga, omdat hy
zynen naam steeds zóó, met het volle inga er achter, door de Friesen,
zyne landgenooten, hoorde uitspreken. Zijn broeder woonde in Twente,
en deze schreef zynen naam, om de zelfde reden, als Hesselink. Een
neef van hem, die den zelfden naam droeg, woonde in West-Vlaanderen,
en hy spelde zynen naam als Hesselynck; terwijl weêr een andere, in
Holland wonende, dien zelfden naam als Hesseling boekstaafde. Toch
moesten al deze verschillende spelwyzen een en den zelfden naam
voorstellen. Want al deze vier mannen waren afstammelingen van eenen
en den zelfden Hessel. Verder in dit werk zal de gelegenheid zich
voordoen, deze onregelmatigheden nader aan te toonen.

Zoo werden oudtijds deze zelfde patronymikale geslachtsnamen ook wel
nu eens in den drentschen (friso-saksischen), dan eens in den zuiver
frieschen form geschreven. Vooral te Groningen, waar de Drenten in
de onmiddellike nabuurschap zaten van d' ommelandsche Friesen, kwam
deze verscheidenheid in spelling dikwijls voor. De namen van sommige
oude groninger geslachten vindt men in oude geschriften nu eens
als Folkinge, Gelkinge, Gockinge, Haddinge, dan weêr als Folkinga,
Gelkinga, Gockinga, Haddinga geschreven. En nog heden ten dage is men
in Groningerland en Oost-Friesland onstandvastig in het boekstaven
van plaatsnamen, die met zulk een patronymikon samengesteld zijn. De
eene schrijft Appingadam, Mensingaweer, Bellingawolda en Eppingaweer;
de andere Appingedam, Mensingeweer, Bellingewolde en Eppingeweer,
of ook wel Bellingwolda en Eppingwehr. De eene schrijfwyze is goed,
en de andere niet minder. En waarom dan zou men deze verschillende
schrijfwyzen niet door elkanderen gebruiken, vryelik en naar eigen
willekeur? By de geslachtsnamen dient men zich heden ten dage wel
by eene enkele schrijfwyze te bepalen, om misverstand, en daar uit
voort vloeiende verwarring te voorkomen. By plaatsnamen echter is
dit gevaar veel minder groot, ja naueliks aanwezig.

Wijl dus te Groningen een en de zelfde geslachtsnaam oudtijds nu
eens op drentsche en dan eens op friesche wyze geschreven werd, zoo
is het zeer wel mogelik dat de hedendaagsche drentsche geslachten
Buninge, Ebbinge, Elinge, Eppinge, Hiddinge, Tebinge, Uninge, Waninge
oorspronkelik de zelfden zijn als de hedendaagsche friesche geslachten
Buininga, Ebbinga, Eppinga, Hiddinga, Uninga of Unia, enz. Of ook
als de geslachten Buyning, Elink, Tabingh, Waning, die wy elders in
de Nederlanden aantreffen. Ja, maar het is even zeer mogelik dat de
drentsche Eppinge's en de zutfensche Eppink's en de friesche Eppinga's
en de engelsche Epping's van vier verschillende stamvaders hunnen
oorsprong namen, die toevallig alle vier den zelfden voornaam Eppo
droegen. Want deze naam, die tegenwoordig nog slechts by de Friesen
in zwang is, was oudtijds algemeen eigendom van alle germaansche
stammen. En dit is ook van toepassing op de andere bovengenoemde
patronymika, en op de mansvóórnamen, waar zy van afgeleid zijn.

§ 14. Even als in de hoogduitsche taal de uitgang ung staat achter
de zelfde woordstammen, die in het Engelsch, Nederlandsch, Deensch,
enz. den uitgang ing vertoonen (opening en öffnung, bevryding en
befreiung), zoo eindigen in Duitschland ook de zelfde patronymikale
geslachtsnamen, welke in Engeland en de Nederlanden op ing uitgaan,
soms op ung. Een paar van die geslachtsnamen, op ung eindigende, komen
ook in de Nederlanden voor, waar zy waarschijnlik uit Duitschland zijn
ingevoerd geworden; b. v. Amelung, Hartung (nevens het inheemsche
Harting) en Weidung. Ook de verlatynschte maagschapsnaam Hallungius
behoort oorspronkelik tot deze groep.

Even zeldzaam komen zulke patronymikale geslachtsnamen onder ons voor,
waar by het oorsponkelike ing of ink tot ong en enk veranderd is. My
zijn slechts bekend Hartong (nevens Harting en Hartung); Wallenk (naast
Wallink) en Wittenck (naast het uitgestorvene Wittinga). Ook komt
deze verbasterde form enk nog voor in de samengestelde geslachtsnamen
Gussenklo (welke naam ook wel ten onrechte als Gussenk'lo geboekstaafd
wordt) en Pippenghegen.--Gussenklo beteekent: eikenbosch van Gussink,
van den nakomeling des mans, die Gusse (Gosse? Guse?) heette. En
Pippenghegen beduidt: de hege of haag, en daar mede (pars pro toto)
het omhaagde erve, van Pipping, van den afstammeling des mans die
den naam van Pippo droeg. Dit woord hege, haag, vinden wy terug
in den oud-saksischen geslachtsnaam Berghege en tevens in Heeger,
dat is: Heger, Häger, Hager. Ook in Duitschland komt een enkele maal
die zelfde afwyking van den oorspronkeliken form des patronymikons
voor. Te weten in den geslachtsnaam Ehrenghaus, dat is Ehringhaus,
het huis der Eringen.

§ 15. Naast den oorspronkeliken form ing, komt als uitgang van
patronymikale geslachtsnamen eveneens den form ink voor. Dit ink
is slechts eene andere uitspraak van ing. Anders niet. Het vindt
zynen oorsprong in sommige gouspraken van het Nederlandsch, in welke
deze uitgang ing in het algemeen als ink wordt uitgesproken. Dit is
vooral het geval in de saksische taal van Twente en de graafschap
Zutfen. Daar komen dan ook deze op ink eindigende geslachtsnamen
het meeste voor, en van daar zijn zy over de andere streken van
Nederland verspreid geworden. Ten platten lande in Twente en de
graafschap Zutfen, vooral by den erfgezetenen boerestand in die
streken, komen deze geslachtsnamen buitengewoon talrijk, haast
algemeen voor. Zy zijn daar ook overgegaan op de landhoeven of
boerenerven. Dat dit reeds in overoude tyden het geval was, is
op bl. 23 reeds aangetoond. Ook elders vinden wy reeds zeer vroeg
zulke ink-namen als toenamen in gebruik; Hugo Radinck b. v. leefde
in 1217 te Vollenhove in Overijssel. [9] Dit patronymikon, van den
oud-germaanschen mansnaam Rado afgeleid, komt, als Ratink geschreven,
reeds in 709 voor, zooals Förstemann's Altdeutsches Namenbuch vermeldt,
ja, als Reding, Retinc, enz. nog vroeger. In middeleeusche geschriften
komt dit patronymikon herhaaldelik voor, en nog heden bestaat het
als geslachtsnaam Radink. [10] Over het geheel genomen zijn deze
patronymika van hoogen ouderdom; in middeleeusche oorkonden komen zy
menigvuldig voor. En, voor zooverre ze nog heden als geslachtsnamen
in gebruik zijn, getuigen zy van den degeliken, behoudenden, aan het
eervolle oude lofweerdig verkleefden zin van den volksstam die deze
namen zoo trou bewaarde en in eere hield.

Ofschoon deze inknamen nergens in de Nederlanden zoo talrijk en
algemeen voorkomen als in Twente en de graafschap Zutfen, zoo zijn ze
toch niet uitsluitend tot deze gouen bepaald. Behalve in Westfalen,
vooral in 't eigenlike Munsterland bewesten de stad Munster, waar
zulke namen onder den erfgezetenen boerestand naueliks minder talrijk
voorkomen als in onze saksische streken, treft men deze patronymika
ook wel in andere nederlandsche gouen aan, waar ze ook oorspronkelik
inheemsch zijn. Dit is vooral het geval in eenige streken van
de zuidelike Nederlanden, van Brabant en Vlaanderen. Daar wordt
deze uitgang ink gewoonlik inck geschreven, op oud-nederlandsche
wyze. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen, zoo wel uit Noord-
als uit Zuid-Nederland, en beide schrijfwyzen vertoonende: Arink,
Beernink, Bennink. [11] Al deze patronymikale geslachtsnamen,
op twee na, zijn van oud-nederlandsche mansvóórnamen afgeleid. By
sommigen er van kan men deze mansnamen gemakkelik herkennen. B. v. by
Dirckinck, van Dirck, Diederik.--Beernink is eene samentrekking van
Bernharding, uit den mansvóórnaam Bernhart, Bernard; deze naam wordt
nog heden onder de saksische bevolking van ons land als Berend, Beern
uitgesproken.--Lamrinck (met Lamring en Lammerding) is oorspronkelik
Lammerdink, Lambrechting, Landbrechting, van Landbercht, Lambrecht,
Lambert, Lammert, een bekende mansvóórnaam.--Reymerink is versleten
van Reinmering, van den mansvóórnaam Reimer, Reinmer, Reimar, Reginmar,
Raginmar.--Siegerink komt van den mansvóórnaam Sieger, Siegher, Sîgher,
Zeger, dat is gezeid Victor, de overwinnaar.--Volmerinck van Folmer,
Fulmar.--Wolberink van Wolbert, Wolbrecht, Wolfbercht.--Benne,
Bonte, Haite, Sikke (Sicco), Teie (Teye), waar de patronymika
Benninck, Bennink, Bontinck, Haitinck, Sikkink en Teyinck van
afgeleid zijn, worden, als mansvóórnamen, in Friesland nog veelvuldig
gedragen. Tenckinck komt van Tenke, Tenco, Tinco, en dit is weêr een
verkleinform van Tenno, welke mansvóórnaam, volgens Förstemann's
naamboek in de achtste eeu voorkomt, en oorspronkelik slechts een
byform is van Tanno. Van dit Tanno is weêr de friesche geslachtsnaam
Tanninga afgeleid, die meest in versletenen form als Tania, Tanja,
Tanje, en zelfs verfranscht als Tanjé voorkomt. Even als Tenckinck,
zoo zijn ook de geslachtsnamen Evekink, Duyckinck, Ikink, Onnekink en
Tilekink niet van mansnamen in hunnen oorspronkeliken form afgeleid,
maar van verkleinformen (diminutiven). En wel van Eveke, Duike, Ike,
Onneke en Tileke, in deze formen, en ook in de oorspronkelike formen
Onno, Ide, Tijl, enz. bekende, meest friesche mansvóórnamen.

De twee uitzonderingen, waar ik hier boven van sprak, zijn de
maagschapsnamen Johanninck en Teuninck, die niet afgeleid zijn van
oud-germaansche mansvóórnamen, maar van eenen bybelschen en van eenen
kerkeliken naam. Te weten van Johan, Johannes en van Teun, Teunis,
Antonius. Van Johannes zijn ook nog de patronymika Jannink, Jansingh
en Janninga ontleend, met den samengestelden naam Johanningmeyer,
die allen in Nederland als geslachtsnamen voorkomen; zie ook § 58.

§ 16. Hier volgt nog een enkel twaalftal uit dat overgroote aantal
inknamen, dat bepaaldelik eigen is aan de zuiver-saksische gouen van
Overijssel en Gelderland: Abbink, Eggink, Makkink. [12] Natuurlik
zijn ook deze maagschapsnamen allen afgeleid van oud-germaansche
mansvóórnamen. Onder dezen zijn Abbe, Egge, Makke, Melle, Roelf
(Roelof) en Temme (Tammo) nog heden by de Friesen in gebruik. Reerink
en Reering, dat is oorspronkelik Reerdink, Rederding, Retharding, komen
van den mansvóórnaam Rethart, Redert; zie § 48. Dit zelfde patronymikon
komt in Groningerland onder den byzonder-frieschen form Reeringa voor,
en in de westelikste gouen van Westfalen onder den hoogduitschen form
Rörink, hoewel er ook aan deze zijde onzer oostelike grenzen Reurink's,
Rörink's en Rörik's (dit is een versletene form) wonen. En dit zelfde
is het geval met den maagschapsnaam Höpink. Rörink en Höpink zijn
oorbeeldige grensnamen. Wilbrenninck komt van Wilbrant. Even zoo
heeft ook de eenvoudige mansvóórnaam Brant oorsprong gegeven aan
het patronymikon Brennink, versleten van Branding, Brändink. Dit
patronymikon maakt ook deel uit van den samengestelden geslachtsnaam
Brenninkmeyer.--De maagschapsnaam Roelvink, en ook Roolvink, moest
eigenlik met eene f in plaats van met eene v geschreven worden. Want
deze naam is anders niet als het patronymikon van den mansnaam Roelf,
Roolf, Rolf, Roelof, Rodlof, Rodolf, Rudolf.--Stroink eindelik komt van
den mansvóórnaam Stro, Strodo, waarvan ook de friesche patronymika †
Stroma, Stroosma en Strooisma afgeleid zijn; zie § 168.

Voor wy overgaan tot het behandelen van andere patronymika, moeten
hier nog twee zonderlinge en byzondere maagschapsnamen vermeld
worden, die eveneens tot deze saksische inknamen behooren. Namelik:
Gyseweenink en Janweenink. De lieden die deze namen, welke ook in de
saksische gouen van Gelderland inheemsch zijn, dragen, heeten eigenlik
eenvoudig Weenink; zy zijn oorspronkelik Weeninken. Twee broeders
uit de maagschap Weenink, beiden met talrijk kroost gezegend, en
naast elkanderen wonende, droegen de voornamen Gise (Gijs, Gijsbert,
Gyselbrecht) en Jan. Ten einde nu die talryke kinderen der twee
gebroeders van elkanderen te onderscheiden, ten einde Harbert en
Bartha Weenink van den eenen broeder te onderkennen van Harbert en
Bartha Weenink van den anderen, voegde men de vóórnamen der vaders by
de oude patronymika, en noemde deze jongelieden Harbert Giseweenink
en Bartje Janweenink. En deze onderscheidingsnamen bleven in gebruik,
gingen ook later op de kinderen van die Harbrechts en Bartjes over,
en werden eindelik vaste geslachtsnamen.

Ten slotte nog een paar incknamen, bepaaldelik uit West-Vlaanderen:
Cnapelinck ook Cnapelynck (en, in den tweeden naamval Cnapelincx,
Cnapelinckx), Gebberlinck, Ghellinck en Ghellynck, Plettinck, Slabbinck
en Vlietinck. Ghellinck is afgeleid van den mansvóórnaam Gelle,
die nog heden in Friesland in gebruik is. Dit zelfde patronymikon
komt ook nog voor in den samengestelden geslachtsnaam Gellinckhuysen,
en in vele plaatsnamen; b. v. in Gellekom of Gellicum (Gellink-heim),
een dorp in de Tielerweerd, Gelderland. De geslachtsnamen Terlinck en
Teirlinck zijn mogelik slechts het woord teerling (cubus, dobbelsteen),
in oude spelling. By de namen Cnapelinck, Plettinck en Vlietinck is
de oorspronkelike mansnaam niet zoo gemakkelik aan te toonen. Toch
zijn het echte patronymika, en al vermelden de gewone lijsten van
nederlandsche en friesche personennamen, van Wassenbergh, Leendertz
en Brons geene mansnamen Knapele, Plet of Vliet,--als men maar genoeg
zoekt, vindt men die namen ook wel, en kan ze aantoonen. In den jare
1800 woonde er een man te Stramprode in Limburg, die den voornaam
Vliet droeg; hy heette Vliet Kluizenaar [13]. Förstemann vermeldt
eenen oud-germaanschen mansnaam Flidulf; en in dezen samengestelden
naam is de enkelvoudige naamstam Flid, Vliet, waarvan het patronymikon
Vlietinck, begrepen.

§ 17. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik en vooral in
West-Vlaanderen, zijn eenige geslachtsnamen inheemsch die den
patronymikalen uitgang in den form ynck vertoonen. Deze schrijfwyze
der i als y berust op de uitspraak die in den tongval van dit
gedeelte van Vlaanderen, met Zeeusch- en Fransch-Vlaanderen, gehoord
wordt. Overigens verschillen deze yncknamen in geen enkel opzicht
van de inck-, ink- en inknamen. In den regel zijn het zeer oude
namen, nog dagteekenende uit den tijd, toen de eenig goede regel
gold: »schrijf zoo als gy spreekt." Talrijk zijn deze eigenaardige
oud-vlaamsche namen niet. Zie hier eenigen er van: Bellynck, Bullynck,
Bultynck, Cnapelynck [14]. Het grootste deel dezer namen is gemakkelik
te verklaren. Belle (Belke), Bulle (Boele), Halle, Kempe (Kempo,
Kampo) en Wyte (Wite, Witte) zijn mansvóórnamen die men heden nog
in de friesche streken in gebruik heeft. Ghellynek is op de vorige
bladz. reeds verklaard. Hebbelynck en Gyselynck zijn ontleend aan
Hebbele en Gisele, dat weêr verkleinformen (Hebbelyn en Giselyn)
zijn van d' oorspronkelike mansvóórnamen Hebbe of Habbo en Gijs
(Gijsbert), die nog wel als zoodanig by ons volk in gebruik zijn,
vooral in Friesland.

Opmerkelik is het dat deze eigenaardige westvlaamsche geslachtsnamen
in Friesland zoo hunne tegenhangers of weêrgaden hebben. Trouens, d'
overeenkomst tusschen westvlaamsch en friesch is, ook in menig ander
opzicht, merkweerdig groot. Naast den westvlaamschen geslachtsnaam
Bellynck hebben wy den frieschen maagschapsnaam Bellinga. Even zoo
Bullinga nevens Bullynck; Gelkinga (afgeleid van Gelke, Gelleken, de
kleengedaante of verkleinform van Gelle) by Ghellynck; Hallinga naast
Hallynck, Kempinga naast Kempynck. En nevens Wytynck, voor zoo verre
my bekend is, toevallig wel geen Witinga, maar toch wel een Wytema
en Witema, eveneens patronymikale geslachtsnamen, zy het dan ook
in anderen form, met † Hwytnyngha in het Oud-friesch, en Whiting in
't Engelsch.

Zoo als men zien kan aan dezen als voorbeeld vermelden ouden
geslachtsnaam Hwytnyngha, die in de hedendaagsche spelling als
Witteninga zoude geschreven worden, werd oudtijds in Friesland de i
van den uitgang ing, in dit geval inga, ook wel als eene y geschreven
en gesproken, even als in het hedendaagsche Westvlaamsch. Immers ook
de hedendaagsche friesche geslachtsnamen Beninga, Homminga, Idsinga,
enz. komen in oude geschriften als Benyngha en Benynghe, als Hummyngha
en Idsyngha voor.--

De behandeling dezer patronymikale geslachtsnamen op ing en ink
uitgaande, mag niet gesloten worden, zonder dat hier nog kortelik
gewezen worde op het oude frankisch-nederduitsche woord eng of enk, dat
volgens Van Dale's Nieuw Woordenboek der nederlandsche taal beteekent:
»eene omheinde of afgeslotene streek weiland." Zoo als te verwachten
is, komt dit woord wel als plaatsnaam, ook in samenstellingen voor. Als
voorbeelden noemen wy: de heerlikheid den Engh en de ridderhofstad
den Engh, de eerste in Linschoten, de tweede in Vleuten, beide
gemeenten van het Sticht van Utrecht; de havesate Enghuizen in de
geldersche gemeente Hummelo,--het gehucht Westeneng in de geldersche
gemeente Ede, enz. En evenzeer als plaatsnamen, zoo bestaan er ook
enkele maagschapsnamen uit dit woord, of zijn daar mede samengesteld;
b. v. Van Eng, Van den Engh, Westenenk, Buiteneng, Boeienk, Grooteneng,
enz. De vermelding en behandeling dezer eenvoudige en duidelike namen
had eigenlik moeten geschieden in die afdeeling van dit werk, waar de
geslachtsnamen van aardrijkskundigen oorsprong hunne plaats vinden, en
waar deze eng- en enknamen dan ook volgens recht toebehooren. Ja, maar
toch heb ik juist te dezer plaatse d' opmerkzaamheid op deze kleine
groep van aardrijkskundige namen willen vestigen, omdat velen onzer
oude nederlandsche taalkundigen, vooral onzer talryke (onberoepene)
naam- en woord-afleidkundigen, den patronymikalen uitgang ing of ink,
in plaats- en geslachtsnamen, verwarren met het woordje eng of enk. De
verwisseling van d' onvolkomene e vóór n met d' onvolkomene i vóór n
(b. v. brengen en bringen), aan vele nederlandsche gouspraken eigen,
gaf hier toe gereede aanleiding. Toch heeft in der daad dit woord eng
met den uitgang ing in het geheel niets te maken, al wil ook heden
nog wel deze of gene »beunhaas" op het gebied der nederlandsche taal,
de ing- en ink-namen van d' eng- en enk-namen afleiden, en al is
zelfs deze meening nog steeds zeer verbreid by 't nederlandsche volk,
voor zoo verre het dan over den oorsprong en de beteekenis der namen
eens nadenkt.

§ 18. Eene byzondere groep van geslachtsnamen wordt geformd door die
patronymika, welke achter den uitgang ing nog het aanhangsel son,
sen of eene enkele s vertoonen. Die s is hier anders niet als het
kenmerk van den tweeden naamval waarin het woord of de naam staat. Het
zijn dus namen die te gelijker tijd de kenmerken vertoonen der oude
en der nieue patronymikale formen; zie § 4, 5 en 6. In taalkundig
opzicht kunnen zy ter nauer nood verdedigd of goedgekeurd worden. In
hunnen hedendaagschen, dubbelen form zijn zy ongetwyfeld ontstaan in
den tijd toen men de beteekenis van den uitgang ing niet meer kende,
dien uitgang niet meer verstond. Dat ontstaan moet verklaard worden op
deze wyze: een man heette Leendert en droeg den toenaam van Hemming,
een oud patronymikon, ontleend aan den vóórnaam van zynen stamvader
Hemmo. De vader, grootvader en nog menig oudvader van Leendert hadden
allen reeds dat patronymikon als vaste toenaam gedragen. Door de eene
of andere byzondere omstandigheid, misschien ter onderscheiding van
andere mannen in de onmiddellike omgeving van Leendert Hemming, die
eveneens Leendert heetten, werd onze man in het dageliksche leven door
zyne buren, vrienden en verdere tijdgenooten niet by zynen voornaam
Leendert genoemd, zoo als anders gebruikelik was, maar by zynen toenaam
Hemming. Weldra kende byna niemand hem anders als by den naam Hemming,
en raakte zijn voornaam Leendert haast geheel vergeten. Hemming's zoon
Rutger die in den tijd leefde toen de gewoonte in zwang kwam om den
voornaam van den vader, in den tweeden naamval, met of zonder zoon
daar achter, den zoon als toenaam te geven,--Hemming's zoon Rutger
noemde zich dien ten gevolge dan ook niet Rutger Leenderts zoon,
of Rutger Leendertssen, of Rutger Leenderts, zoo als het volgens
recht zijn moest, maar Rutger Hemming's son (zoon). Hy maakte zich
een patronymikon als toenaam, naar de gewoonte van den tijd waarin
hy leefde. Echter niet van zijn vaders voornaam, maar van het oude
patronymikon dat eigenlik zijn vaders toenaam was, ofschoon het in
de plaats van den voornaam gebruikt werd. En de kinderen van Rutger
Hemmingson (de twee letters s van Hemmings son, in d' uitspraak niet
afzonderlik te hooren, smolten in geschrifte al spoedig tot eene s
samen) behielden hun vaders toenaam ook als hunnen toenaam aan. En
zoo werd in verloop van tijd dat Hemmingson een vaste geslachtsnaam,
zoo als het nog heden is. In plaats van dit son of zoon er achter
te voegen, nam men het vaderlike patronymikon ook wel eenvoudig in
den tweeden naamval als toenaam aan. En zoo kwam b.v. van het oude
patronymikon Alink, de toenaam Alinks (voluit des Alinks zoon),
nog heden als geslachtsnaam by ons voorkomende. Strikt genomen wil
Hemmingson zeggen: zoon van den zoon van Hemme; en Alinks, zoon van
den zoon van Ale. Men gevoelt dat deze naamformen eigenlik monsters,
misbaksels zijn, in strijd met het wezen der taal. Zy konden dan
ook slechts gemaakt worden en in gebruik komen, toen men de oude
patronymika niet meer verstond; toen het volk niet meer wist dat
Hemming en Alink reeds zoon van Hemme, zoon van Ale beteekenden;
toen men de kracht van dat ing niet meer gevoelde.

Hemme en Ale, waar van bovengenoemde patronymika ontleend zijn,
komen by de hedendaagsche Friesen nog dikwijls als mansvóórnamen voor.

Zulke dubbelde patronymika zijn niet aleen in de Nederlanden, maar
evenzeer in Engelland, en ook wel in Duitschland, vaste geslachtsnamen
geworden.--Zie hier eenigen, die nog heden als nederlandsche
maagschapsnamen in gebruik zyn: Beerlings, Bennigsen (oorspronkelik
Benningsson, Benning's son, zie bl. 28). [15] Deze patronymika zijn
ook allen weêr van mansvóórnamen afgeleid, waar van eenigen nog in
gebruik zijn: Bruno, Otto. Anderen komen nog in Friesland voor: Boie,
Benne enz. Eldert is ook nog bekend. En Thiadbern, waar Tjaberings
van afkomt, is een oud-friesche mansnaam, die voor een paar eeuen nog
in de friesche streken tusschen Eems en Weser voorkwam. De overige
namen kan men in Förstemann's Namenbuch nasporen.

§ 19. Als in eenig woord eene k en eene s onmiddellik op elkanderen
volgden, dan vervingen de oude Nederlanders, in hun schryven, die twee
letters meestal door eene x. Zoo schreven zy b. v. de woorden: des
konings brug, des koninks brugge, als sconincx brugghe; monniks-kleêren
als munnicx ghewaed. Ook by 't boekstaven hunner eigennamen
handelden zy zoo, en schreven Feddrixma en Haaxbergen, welke namen wy
tegenwoordig beter als Feddriksma en Haaksbergen spellen. In sommige
eigennamen bleef die x tot den dag van heden in gebruik; b. v. in
den frieschen geslachtsnaam Blinxma, dat is Blink-sma, en beteekent:
zoon van Blinke. Deze naam is weêr een verkleinform (Blin-ke) van den
oorspronkeliken mansvóórnaam Blin, die by Förstemann als Blion, Bliun
voorkomt. Verder in de friesche plaatsnamen Boxum, Waaxens, enz. Ook
schreef men voor weinig jaren nog algemeen Boxtel, Axel, Nibbixwoud;
thans meer Bokstel, Aksel, Nibbikswoud, zoo als 't ook beter is. Vooral
in de zuidelike Nederlanden zit die x in menige eigennaam nog vast in
den zadel; b.v. in Dixmude, Exaerde, Sint-Antelinckx, namen die men
in de nieuste spelling ook als Dijksmuiden, Eksaarde, Sint-Antelinks
boekstaaft. En zoo vinden wy in de zuidelike Nederlanden, vooral in
Vlaanderen, die geslachtsnamen, welke eigenlik zijn op ink (inck,
ynck) eindigende patronymika, in den tweeden naamval, meestal met eene
x geschreven; b. v. Bollinckx, Bruyninckx, Cnapelinckx, Daggelinckx,
[16] enz. Ook deze patronymikale geslachtsnamen zijn natuurlik allen
weêr aan mansvóórnamen ontleend. Het zuidnederlandsche Bruyninckx
verschilt slechts in spelling van het noordnederlandsche Bruinings,
maar komt er in oorsprong en beteekenis volkomen mede overeen. De
maagschapsnamen Duerinckx en Tuerlinckx stammen af van eenen en
den zelfden mansvóórnaam; namelik van Dure, Ture, Thuro. Deze naam
was reeds by de Gothen in gebruik--immers Thuro was een gothische
bevelhebber--, en ook het land Thüringen in Duitschland ontleend
zynen naam van dien mansvóórnaam. Tuerle, de naamsform die aan het
patronymikon Tuerlinckx ten grondslag ligt, is oorspronkelik anders
niet als een verkleinform (Turlyn) van Ture. Ook in Friesland treffen
wy dezen ouden mansvóórnaam nog aan in geslachts- en plaatsnamen. Te
weten in de geslachtsnamen Duursma, Duursema, During en Duurs,
nevens Dürigen en Von Düringsfeldt in Duitschland. Verder in
Duurswolde, zoo als een dorp heet in Opsterland (Friesland), en
eene landstreek in Fivelgo (Groningerland). Düringen is de naam
van een dorp by Bremen. Van den verkleinform Duurke (het zelfde als
Tuerle, maar in andere gouspraak) stamt de groninger geslachtsnaam
Duurkens, en de plaatsnaam Duurkenakker, een gehucht by Muntendam in
Groningerland. De geslachtsnamen Cnapelinckx, Hebbelynckx, Ratinckx,
of liever de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn op
bl. 41, 42 en 37 reeds besproken. Hellynckx en Hellinckx hebben hunne
tegenhangers in de friesche patronymikale geslachtsnamen Hellinga
en Hellenga. Verder in Hellynck, Hellink, Helling en Hellings, en in
den samengestelden maagschapsnaam Hellinghuizer. Al deze patronymika
zijn afgeleid van den oud-germaanschen mansvóórnaam Hello, die in
Förstemann's Namenbuch vermeld wordt, en die tevens oorsprong gaf
aan vele andere geslachts- en plaatsnamen. Te weten aan Hellema en
Helma, Hellen en Helles; aan Hellum, een dorp in Fivelgo, en aan
Helwert, een gehucht by Rottum in Hunsego, beide in Groningerland;
aan Hellingen, een dorp in Luxemburg; aan Hellinghen, een gehucht by
Hérinnes-lez-Enghien in Henegou; aan Hellinghill in Northumberland
(Engelland); aan Hellinghausen, een dorp by Lippstadt in Westfalen,
enz. In Snellinx en in 't eveneens voorkomende Snellings vinden
we het patronymikon van den oud-germaanschen, in Friesland nog
een enkele keer voorkomenden mansvóórnaam Snello, Snel, die ook
oorsprong gaf aan de geslachtsnamen Snellen en Snellens, en,
in verkleinform, aan Sneltjes, alle drie tweede-naamvalsformen,
en zoon van Snello beteekenende. Ook aan de plaatsnamen Snelleghem
(dat is eene samentrekking van Snelling-hem, Snellinga-heim) een
dorp in West-Vlaanderen, en Schnellingen, een dorp by Hasslach in
Baden. Eenen tegenhanger van den vlaamschen geslachtsnaam Surinx
vinden wy in den frieschen, in Groningerland inheemschen geslachtsnaam
Suringa. Verder in Sühring, dat ik te Bremen vond; in het geldersche
Surink; in 't afgesletene, te Antwerpen voorkomende Suerickx (dat is
oorspronkelik ook Suerincks); en hoogst waarschijnlik ook in het nog
meer versletene Sury en Surie. In den samengestelden geslachtsnaam
Suringbroek komt dit patronymikon almede voor. En Süren en Suersen,
namen van buitenlandschen, westfaalschen en noordfrieschen oorsprong,
maar die ook in Nederland voorkomen, zijn eveneens patronymika van den
ouden, buiten gebruik gestelden mansvóórnaam Suur, Sure. Deze naam
is slechts eene samentrekking van den vollen form Suder, Sudhari,
een oud-germaansche mansnaam, die blykens de hedendaagsche friesche
geslachtsnamen Zuiderma en Zuidersma oudtijds ook door Friesen gedragen
werd. De stamform van den mansnaam Sudhari (Suder, Sure) is Sudo,
die in Förstemann's Namenbuch vermeld wordt, en oorsprong gaf aan
de friesche geslachtsnamen Sudinga (in Oost-Friesland inheemsch),
Zuidinga (in Drente), Suiding, Suydema, Suidema en Zuidema, allen
patronymika. Het patronymikon van den mansnaam Sudhar vind ik reeds
in de middeleeuen, ook in Vlaanderen; Laureins Zuerinc was een poorter
van Brugge, ten jare 1320 [17].

In eene oude oorkonde vind ik nog dat ten jare 1328 zekere Jan
Geylincx burger was der stede Geraertsbergen in Vlaanderen. Dat jaartal
moet ongeveer de gemiddelde tijd voorstellen waarin deze zonderling
geformde dubbelde patronymika eerst opgekomen zijn. In de zuidelike
Nederlanden mag dit ook nog wel eene eeu vroeger voorgekomen wezen,
even als in de noordelike gewesten eerst een honderdtal jaren later.

§ 20. Eene kleine groep van geslachtsnamen wordt geformd door
eenige oude patronymika, die vóór den oorspronkeliken mansvóórnaam,
waarvan zy afgeleid zijn, nog een voorvoegsel vertoonen, bestaande
uit de woorden groot of klein, oud of nieu. B. v. de geslachtsnamen
Grootnibbeling, Kleinstarink, Oudewesseling, Nyemanting, ook wel, en
beter, Groot-Nibbeling, Klein-Starink, Oude-Wesseling, Nye-Manting
geschreven. Deze geslachtsnamen zijn niet onmiddellik ontleend
aan patronymika, die als toenamen van personen in gebruik waren,
zoo als dit met alle andere tot hier toe vermelde patronymikale
geslachtsnamen wel het geval is. Zy zijn onmiddellik ontleend aan
de namen van boerenerven of hoeven; en eerst in de tweede plaats of
middellik aan de oude patronymikale toenamen der geslachten welke
deze erven in eigendom bezaten en bewoonden. Zie bl. 23. Het ontstaan
dezer geslachtsnamen had op de volgende wyze plaats. De boer Gerlof
Eitinge, die zynen patronymikalen toenaam ontleende aan den naam van
zynen voorvader Eite, en die, even als zyne voorouders, geslachten en
geslachten vóór hem, het erve Eitinge, zoo genoemd naar den eigenen
toenaam van zijn geslacht, in eigendom bewoonde,--die drentsche boer
Gerlof Eitinge had twee zoons. De oudste daar van erfde, naar vaste
zede, die voorouderlike bezitting. Maar, ten einde den jongsten zoon,
wien hy misschien eene byzondere liefde toedroeg, eenigszins schadeloos
te stellen, nam de oude Gerlof nog by zijn leven een deel van de
landeryen af van het oude erve, boude daar op een huis, en schonk
dit nieue gedeelte dien tweeden zoon. Nu waren er twee afzonderlike
landhoeven Eitinge naast elkanderen; beiden ook door eenen Eitinge
bewoond. Niets natuurliker dus, dan dat men, ter onderscheiding,
het eene, het oorspronkelike erve met den naam Groot-Eitinge noemde,
en aan het andere den naam Klein-Eitinge gaf. En deze namen gingen
van de hoeven weêr zeer gereedelik over op de bewoners er van, die
beiden oorspronkelik reeds Eitingen waren, maar nu Albert Gerlofs
Groot-Eitinge en Meindert Gerlofs Klein-Eitinge genoemd werden. Of
een andere (ditmaal een geldersch- of liever zutfensch-saksische
boer, noemen we hem Garrit Bekkink) ontgon een heideveld dat aan
zyne landeryen paalde. Hy boude daar een huis, en richtte alles tot
eene nieue hoeve in, voor eenen zyner zonen, om de zelfde reden als
boven opgegeven is. Natuurlik moest die nieue hoeve ook den ouden
naam Bekkink dragen; ze was immers, als 't ware, een uitvloeisel van
het oude erve Bekkink, en werd ook door eenen Bekkink bewoond. Maar
ter onderscheiding noemde men het eene erve Oud-Bekkink, het andere
Nieu-Bekkink, en ook deze namen gingen weldra op de bezitters dier
hofsteden en op hun nageslacht als vaste toenamen over.

Het getal dezer eigenaardige geslachtsnamen is niet groot, en
zy zijn slechts in de saksische gouen van ons land, in Drente,
Twente en de graafschap Zutfen inheemsch. In Friesland komen oude
patronymika, met de voorvoegsels oud en nieu, groot en klein, en
door de zelfde of soortgelyke oorzaken, als hier boven vermeld is,
in het leven geroepen, ook wel voor als namen van staten en saten,
van edelmans- of boerenerven; b. v. Groot-Aysma, Klein-Donia,
Oud-Hemminga en Ny-Hemminga, enz. Maar zulke plaatsnamen, met die
voorvoegsels verbonden, zijn dáár nooit als toenamen van personen in
gebruik gekomen, noch tot vaste geslachtsnamen geworden, zoo als in
de saksische gouen wel het geval geweest is.

De volgende geslachtsnamen stellen deze groep samen: Olden-Banning,
Nyen-Banning, Ool-Bekkink. [18] De formen old en ny in deze namen, in
plaats van oud en nieu, geven getuigenis van het volk van saksischen
stam, waar by deze namen eerst ontstonden.--Ool, by Ool-Bekkink,
beeldt de eigenaardige uitspraak af van het woord old, zoo als dat
by eenige saksische stammen, aan de oostelike grenzen van ons land
gezeten, gebruikelik is; zie § 156.

Al deze patronymika zijn weêr van oud-germaansche mansvóórnamen
ontleend. By de namen Olde-Bronninge, Ny-Hoving, Olden-Huising
zoude men misschien wel aan eene oude bron of put, aan een nieu
hof of een oud huis denken. Toch schuilen ook in deze namen
echte mansvóórnamen. Huising van Huso is op bl. 29 en 30 reeds
besproken. Bronninge en Hoving komen van Bronno en Hove, Houe, Haue,
namen die in Friesland nog in gebruik zijn, en waarvan ook de friesche
patronymikale geslachtsnamen Bronninga, Hovinga en Hovenga ontleend
zijn, met Bronnema, Bronkema, Bronsema, Brondsema, Brontsema en Brons,
Hoving en Hofma.

Opmerkelik, maar gemakkelik te verklaren is het dat men, naast
bovengenoemde samengestelde patronymika, ook de enkelvoudige formen
dier namen als geslachtsnamen in gebruik vindt. Zoo bestaan in Drente,
nevens Olden- en Nyen-Banning, Nye-Manting, Ny-Hoving, Ny-Huising,
Olden-Wening en Olden-Waving de geslachtsnamen Banning, Manting,
Hoving, Huising, Wening en Waving. Elders weêr nevens Ool-Bekkink,
Klein-Bentinck, Klein-Budding, Olde-Dubbelink, Klein-Starink en
Klein-Ubbink de enkelvoudige namen Bekkink, Bentinck, Buddingh,
Dubbelink, Starink en Ubbink.

Dubbelink, in Friesland als Dubblinga voorkomende, is een patronymikon,
waar van de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo gemakkelik aan te
wyzen is. Die oorspronkelike naam is Dietbolt in oud-saksischen,
Thiebald of Thiebaut in oud-frankischen form; voluit Theodbald. Door
verzachting en afslyting is die naam in den loop der eeuen by
het nederlandsche volk tot Dubbelt, Dubbel, Dobbel geworden. In
Friesland komt hy nog heden ten dage in den form Dubbelt, als mansnaam
voor. Dubbelink (ook eene havesate in Twente draagt dien naam) is
dus een versletene form van 't oorspronkelike Theodbalding.

§ 21. Naast deze groep van patronymikale geslachtsnamen met een
voorvoegsel, bestaat er ook eene groep van zulke namen waar een
aanhangsel achter gevoegd is, en wel 't een of ander gemeen-zelfstandig
naamwoord, meestal huis of hof. Een huis of eene landhoeve,
die soms eeuen lang door één en het zelfde geslacht in eigendom
bezeten en bewoond is, neemt gereedelik den naam van dat geslacht
als eigennaam aan, en wordt dan Meininghuis genoemd of Rogerinkhof,
naar de geslachten Meining of Rogerink, waaraan ze toebehooren. Kwam
nu dit Meininghuis of dit Rogerinkhof later in andere handen, en wel
van iemand die b. v. slechts Evert Janszoon heette, maar die geen
afzonderliken geslachtsnaam had, dan ging de oude naam van huis of
hof wel op den nieuen eigenaar over, en werd hy weldra Evert Jansen
Meininghuis of Evert Jansz. Rogerinkhof genoemd, welke naam dan later
tot een vaste familienaam van zijn nageslacht werd.

Deze patronymikale geslachtsnamen met een achtervoegsel zijn dus,
even als die van de voorgaande groep, eigenlik plaatsnamen en slechts
middellik aan eenen mansvóórnaam ontleend, even als dezen.

Talrijk zijn deze geslachtsnamen in de Nederlanden niet. In Duitschland
komen zy meer voor; b. v. Ellinghaus (als Van Ellinckhuyzen in
Nederland voorkomende), Bellingrath, Collinghorst. En nog veel meer
in Engelland: Bolingbroke, Carlingford, Paddington, Elkingham. De
volgenden zijn my in de Nederlanden voorgekomen: Barlinckhoff,
Bruyninghuys, Bruininkweerd. [19] Deze namen zijn allen met ware
patronymika samengesteld, die wel geen naderen uitleg behoeven, na
alles wat daaromtrent reeds is medegedeeld. De byzondere schrijfwyze
van den naam Gussenklo, die op redelike gronden niet verdedigd worden
kan, dankt haar ontstaan aan den wensch om de lettergrepen van dezen
naam wel te onderscheiden, om wel te doen uitkomen dat het Gussenk-lo
is (Gussink-loo ware nog beter), en niet iets anders, b. v. Gussen-klo;
wat trouens ook geen verstandig mensch zal meenen. Zie bl. 33.

§ 22. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen omvat oude
vadersnamen met eenen latynschen uitgang. Van dezen noemen wy:
Gardingius, Grevinchovius, Hachtingius. [20]--Grevinchovius is
verlatynscht van Grevinkhof, een geslachtsnaam tot de voorgaande
groep behoorende. Over Hachtingius zie men bl. 34; over Hallungius
bl. 36 en 42. Hundlingius heeft den oud-germaanschen mansvóórnaam
Hundo, Hunt, Hont tot oorsprong, en wel in verkleinform als Hundle,
Hondelyn. Van Hundle, Hondele zijn ook nog de geslachtsnamen Hondelink,
Hündling en Hondela, de twee laatsten in Oost-Friesland voorkomende,
afgeleid. En van den mansnaam Hunt in zynen oorspronkeliken form:
de geslachtsnamen Hondinga in Groningerland (Hondinga-sate is te
Pieterburen in Hunsego), misschien ook het verlatynschte Hondius in
Holland, Hunting in Friesland en Engelland, met Hunding en Huntington
eveneens in Engelland. En van de zeer talryke plaatsnamen van dezen
ouden mansnaam afgeleid, noemen we slechts Hondeghem (Hondinga-heim),
een dorp in Fransch-Vlaanderen; Hunting, een dorp in Lotharingen;
Huntingdon in Engelland; Hündlingen, een dorp in den Elsasz, enz.

§ 23. In de oude friesche taal gaan vele woorden, die in de andere
nederlandsche talen en tongvallen, 't zij dan saksische of frankische,
op eene toonlooze e eindigen, of ook zonder openen uitgang zijn, op
eene a uit. Zoo luidt ook de uitgang ing (inge, ink) der vadersnamen,
die overigens aan alle nederlandsche gouspraken, ja aan alle andere
germaansche talen eigen is, in het Friesch als inga. En deze a is ook
geheel het eenige wat de friesche patronymika onderscheidt van andere
vadersnamen, in de andere nederlandsche gewesten voorkomende. Even
als dezen zijn de friesche patronymika louter van mansvóórnamen,
natuurlik meest van friesche mansvóórnamen afgeleid. Even als dezen
komen ze ook heden ten dage voor in verschillende spellingen, en op
verschillende wyzen saamgetrokken of versleten. Ook zijn de friesche
vadersnamen van zeer ouden oorsprong. Reeds in de 9de eeu vinden
wy het geslacht Cammingha, nog heden bestaande, vermeld. Intusschen
zulke patronymika zijn ongetwyfeld nog veel ouder.

De oude friesche patronymika zijn in grooten getale als hedendaagsche
geslachtsnamen in leven en gebruik gebleven. Zy zijn over de geheele
hedendaagsche provincie Friesland verspreid. Tot dat gewest uitsluitend
beperkt, zijn zy echter geenszins. Even als de andere friesche op
a eindigende geslachtsnamen (nieuere patronymika en andere formen)
komen ze even zeer voor in de oud-friesche landstreken tusschen
Lauers en Eems en Weser, in het hedendaagsche Groningerland en
Oost-Friesland. Daar zijn deze namen van ouds her even zoo inheemsch
en volkseigen als bewesten Lauers. In laatstgenoemde landstreek (het
nederlandsche Friesland) zijn ze niet gelijkmatig over het geheele
land verspreid. In Oostergo en Westergo komen zy veel talryker voor
dan in de Zevenwouden.

Hier volgen eenige oud-friesche vadersnamen, die allen den zuiveren
ouden form op inga eindigende, vertoonen: Abbinga, Benninga, Bottinga
[21]. Deze namen komen, met zeer vele anderen soortgelyken, nog heden
als geslachtsnamen in de friesche landstreken van Nederland voor, en
zijn ook allen ontleend aan mansvóórnamen, die nog heden by de Friesen
in volle gebruik zijn. B. v. aan Abbe, Benno (Binne) (zie bl. 28),
Botte, Gau (meest in verkleinform als Gauke, Gouke voorkomende),
Ubbo of Obbe, enz.

Eenige friesche geslachtsnamen op inga uitgaande, stammen van
mansvóórnamen af, die geenszins zoo gemakkelik zijn aan te wyzen
als by de bovenvermelde namen het geval is. De mansnamen waar de
volgende vadersnamen van zijn afgeleid, komen of slechts in zeer
versletenen form voor, of ze zijn by de Friesen in het geheel
niet meer in gebruik. Zulke geslachtsnamen zijn b. v. Eckringa,
Folkeringa en Folkringa, Kleveringa en Cleveringa [22]. Eckringa is
voluit Eckhardinga, en afgeleid van den mansnaam Ekhart, Ekkehart,
Eckart, die in Duitschland nog wel in gebruik is.--Folkringa is
oorspronkelik Fulkhardinga, van Fulkhart, Folkert.--Kleveringa en
Cleveringa is saamgetrokken en versleten van Klefhardinga, het friesche
patronymikon van den oud-germaanschen mansnaam Klefhart, Cleffehart,
die weêr eene samenstelling is van den nog ouderen enkelvoudigen naam
Cleffo, Claffo en van den naamstam Hart. Even als Fulkhart (Folkert)
van Fulco (Folke) en Hart; Ekhart (Ekkert) van Ekke, Ecco en Hart;
Rikhart (Richard, Rykaert) van Rico of Rijk en Hart. Hoe oud die
naam Cleffo of Claffo reeds is, kan men in Förstemann's Namenbuch
opzoeken. Hy was reeds by de Longobarden in gebruik. Immers Claffo,
zoo heette de zesde, en Cleph ('t welk de zelfde naam is in eene
andere spelling), de elfde koning van dat oud-germaansche volk. Ook
de beteekenis van dezen naam leert Förstemann te zoeken in het
oud-hoogduitsche woord klaphôn, in het oud-noordsche woord klappa,
waar het begrip van slaan, stooten in ligt opgesloten, en waar ook het
woord anaklaf, dat aanval beteekent, van afgeleid is. Die oude woorden
hebben dus eene krijgshaftige beduidenis. Maar ook het hedendaagsche
woord kleven, ofschoon nu slechts in eene zeer gewyzigde beteekenis
in gebruik, zal er wel oorspronkelik mede samen hangen. Van den
mansnaam Klefhart, Klevert zijn niet enkel de twee bovengenoemde
byzonder-friesche patronymika ontleend, maar ook de vadersnamen
in algemeenen form Klevering en Clevering, benevens het nog meer
samengetrokkene Cleringa en Klering, alle vier nog hedendaagsche
geslachtsnamen. Opmerkelik is het dat al deze zes zoo na verwante
geslachtsnamen in Groningerland inheemsch zijn. Zeer waarschijnlik
stammen al deze nu verschillende geslachten van één en het zelfde
oorspronkelike geslacht Klefhardinga af, en dus ook van één en den
zelfden stamvader Klefhart, die dan de eerste grondvester was van de
sate Cleveringa-heert te Uithuizen in Hunsego. Het schijnt dat een tak
van dit oud-friesche geslacht, of misschien een enkele man er van,
deelgenomen heeft aan den gemeenschappeliken uittocht van Angelen,
Saksen en Friesen naar Groot-Brittanje. Wy vinden althans dit zelfde
patronymikon, in den form Clavering, nog heden ten dage als de naam van
een engelsch geslacht. Van Cleffo is de hedendaagsche geslachtsnaam
(friesch patronymikon in nieueren form) Kleefsma ook afkomstig,
en van den verkleinform Kleefke de geslachtsnaam Kleefkens. Deze
zelfde mansnaam gaf ook oorsprong aan den plaatsnaam Kleffens (dat is
waarschijnlik eene samentrekking van Kleffingen), zoo als een gehucht
heet by 't dorpke Raart in West-Dongeradeel by Dokkum. En weêr door
middel van dien plaatsnaam aan den naam van het in Oostergo gezetene
geslacht Van Kleffens, waar van de voorouders, omstreeks het midden
der vorige eeu, als landeigenaars op de sate Kleffens woonden, en toen
dien geslachtsnaam aannamen. Nog zijn my als plaatsnamen, aan den
mansnaam Klefhart ontleend, bekend: Cleverns, een dorp in Jeverland
(Oldenburger Friesland); Klieverink, eene havesate by Oldenzaal in
Twente, en Kleverskerke, een dorp op 't eiland Walcheren.

Dat de geslachtsnaam Vitringa het patronymikon is van eenen
mansvóórnaam die niet slechts tot onkenbaarheid toe versleten en
ingekrompen, maar die tevens verkeerd gespeld is, blijkt uit de
letter v, waarmede deze naam begint. Die v is, als beginletter
van eenig woord, in de friesche taal volkomen onbekend. De Friesen
kunnen die letter op die plaats in het geheel niet uitspreken. Als
beginletter spreken zy, en schryven dus zeer te recht ook, eene f,
waar de Hollanders en andere Nederlanders eene v noemen; nederlandsch
vrede = friesch frede; nederl. vel = fr. fel, enz. Maar zoo wy
Vitringa al tot Fitringa maken, dan komen we geen stap nader tot
oplossing van de vraag, welke mansvóórnaam ten grondslag ligt aan dezen
vadersnaam. Liever verwisselen we dus die onmogelike v met eene w, en
denken dat misschien een geleerde man, uit dit geslacht gesproten, drie
eeuen geleden, zynen naam Witringa tot Vitringa heeft verlatynscht. Die
germaansche w immers is geen latynsche letter, maar werd wel, waar
men een germaansch woord dat onmogelik vertaald kon worden, in het
Latyn wou schryven, met eene v verwisseld. En Witringa is, door
vergelyking met Eckringa van Ekkehart en Folkringa van Fulkhart (zie
bl. 54) te verklaren als Withardinga, het patronymikon van Withart,
of als Witheringa (de e haast niet te laten hooren) het patronymikon
van Wither, Witheri, oud-germaansche mansvóórnamen.

By Kruisinga, Musschenga, Plantinga zou men oppervlakkig eerder
denken aan eene afleiding van de gemeen-zelfstandige naamwoorden
kruis, musch en plant, dan aan mansvóórnamen. Dat echter ook deze
geslachtsnamen echte patronymika zijn, aan mansnamen ontleend,
lijdt by my geen twyfel, al kan ik dan die oorspronkelike mansnamen
uitvinden noch aantoonen. Over Musschenga en Muischenga hebben de
heer P. Leendertz Wz. en ik zelve in het tijdschrift De Navorscher,
dl. XXVII, bl. 78 en 80, en dl. XXVIII, bl. 75, het een en ander te
berde gebracht. Om herhaling en te groote uitvoerigheid te myden,
verwijs ik den belangstellenden lezer dus dáár heen.--Dat Plantinga
en Kruisinga ware oude vadersnamen zijn, blijkt my uit zoo menige
andere nederlandsche geslachtsnaam, die van den zelfden mansvóórnaam
afgeleid moet zijn. Nu er zoo vele geslachtsnamen (oude en nieue
patronymika in allerlei formen) bestaan, waaraan dit zelfde Kruse
en Plant ten grondslag ligt, kan het niet missen of dit zijn in
der daad mansvóórnamen geweest. Die geslachtsnamen zijn Kruizenga,
slechts in spelling van Kruisinga verschillende, even als Kruisink
en Kruissink. De naam Kruisinga wordt in de friesche streken van ons
land natuurlik als Krusinga uitgesproken, en in de friso-saksische
en Saksische als Kroesinga, eigenlik Krusinga met hoogduitsche
u. Van daar dat in Drente deze geslachtsnaam in den form Kroezinga
voorkomt. Verder de patronymika (in nieueren form) † Cruisema (het
huis Cruisema is by Hoogkerk in het Westerkwartier van Groningerland),
Kruysse en Cruyce.--Behalve Plantinga, Plantenga en Van Plantinga
zijn my nog bekend de geslachtsnamen Plantema, Planting, Planten,
Plantinus († Plantyn te Antwerpen), die allen van eenen mansvóórnaam
Plant moeten afstammen.

§ 24. Even als by sommige geslachtsnamen de patronymikale uitgang
ink in enk veranderd is (zie bl. 36), zoo wordt ook by friesche
patronymikale namen de uitgang inga wel als enga geschreven. Maar
terwijl deze verwisseling van i in e elders zeer zeldzaam is, komt
ze in Friesland juist dikwijls voor. In Friesland maken de namen die
op den verbasterden form enga uitgaan, in getal wel de helft uit van
de namen die op den oorspronkeliken form inga eindigen. Een ander
verschil dan in spelling bestaat er overigens niet tusschen deze
twee namengroepen. Als voorbeeld van zulke enganamen noemen wy de
volgenden: Boyenga (vergelijk Boyunga op bl. 59), Bonnenga, Douwenga
[23]. Een groot deel van deze namen is ontleend aan mansvóórnamen
die nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Namelik aan Boie,
Bonne, Douwe, Enno, Homme, Jette (komt meest in verkleinform voor
als Jetse, eigenlik Jet-tse, friesch ts, tz = k), Libbe, Minne,
Namme (ook meest in verkleinform als Nammele), Offe of Uffo en
Wale.--Veenenga komt, met de geslachtsnamen Veninga, † Venia,
Veenje, Feninga (de beste form), Fenenga, Fenega, Feening, Fening,
Veenink, Venink, allen vadersnamen in verschillende formen, van
eenen ouden mansvóórnaam Fene, die waarschijnlik oorspronkelik één
is met den oud-germaanschen mansnaam Fin, in Förstemann's Namenbuch
vermeld.--Grimmenga komt van den mansvóórnaam Grim, die tegenwoordig
in Nederland als zoodanig uitgestorven is, maar toch oudtijds onder de
germaansche volken in gebruik was. Grimmink en Grimminck, de saksische
formen van dit patronymikon zijn ook nederlandsche geslachtsnamen,
even als de enkelvoudige naam Grim ook. Grimmens, zoo heet een
gehucht by Grootkerk of Hohenkirchen in Wrangerland (Oldenburger
Friesland); Grimminghe is een dorp in Oost-Vlaanderen; Grimminghausen,
een dorp by Herford in Westfalen, en Grimsthorpe in Lincolnshire,
Engelland.--Ruidenga is denkelik eene verhollandsching van Ruudinga,
en dit weêr eene verbastering van Ruurdinga, het patronymikon van den
frieschen mansvóórnaam Ruurd (Ruwart), waarin de Friesen de tweede
letter r niet uitspreken.

§ 25. Zoo als reeds een paar malen hier boven gebleken is, komen
sommige friesche patronymikale geslachtsnamen in de beide formen
voor, zoowel met inga als met enga; b. v. Bottinga en Bottenga,
Dallinga en Dallenga, Fellinga en Fellenga, Havinga en Havenga,
Kempinga en Kempenga, Oostinga en Oostenga. Dit is in der daad zoo
veelvuldig het geval dat het allen schijn heeft als of telkens twee
geslachten, die toevallig het zelfde patronymikon als geslachtsnaam
hadden, by onderlinge overeenkomst, ter onderscheiding, het ééne
geslacht den éénen form, het andere geslacht den anderen form zich
had toegeeigend. Het onderscheid tusschen inga en enga blijkt dan
ook slechts in geschrifte. By 't spreken is het niet hoorbaar, ten
zy men het dan met opzet wil laten hooren.

§ 26. Andere byformen van 't oorspronkelike inga komen by de friesche
geslachtsnamen weinig of niet voor. De oude schrijfwyze als ingha,
vroeger algemeen in gebruik, komt tegenwoordig nog slechts voor by drie
namen. Te weten by Van Buttingha, Van Cammingha en Van Julsingha,
die toevallig alle drie het voorzetsel van by zich hebben. Door
hoogduitschen invloed is in Oost-Friesland het oorspronkelike
inga een enkele maal in unga overgegaan; b. v. Boyunga, Hayunga,
Sajunga. Maar binnen de nederlandsche grenzen heb ik dezen form niet
ontmoet. Het friesche ingha en unga komt natuurlik geheel overeen
met de uitgangen ingh, inge, inghe en ung by andere patronymika;
zie bl. 32-37. Patronymikale geslachtsnamen, in den tweeden naamval
(zie bl. 44), komen onder de friesche namen niet voor. Maar wel zijn er
eenigen, die het voorzetsel van by zich hebben. Oorspronkelik behoort
dit voorzetsel voor geen ééne friesche geslachtsnaam te staan. Het past
er niet by. Het is eene tegenstrydigheid. Aleen in zooverre als men
deze namen beschoud als plaatsnamen, als namen van staten en saten,
en er dan van voor plaatst, geven zy eenen drageliken zin. Immers die
staten en saten, die den patronymikalen naam dragen van het geslacht,
dat er eerst in eigendom op gezeten was, b. v. Hottinga-state,
Wallinga-sate, Wetsinga-sate, worden in de wandeling ook wel genoemd
zonder dat woord state of sate er achter, even als ook in Twente
en de graafschap Zutfen de vrye boerenerven zulke patronymika als
namen dragen; zie bl. 23. De Friesen zeggen dus ook wel: »Ik ga naar
Hottinga", of »ik woon op Wallinga", of »dou bist up Wetsinga berne"
(gy zijt op Wetsinga geboren), en verstaan daar dan Hottinga-state,
Wallinga-sate en Wetsinga-sate onder. En op die wyze kunnen ook de
friesche geslachtsnamen met van er voor, ontstaan zijn, en door
lieden aangenomen, die, ofschoon oorspronkelik geen Hottinga's
of Wallinga's zijnde, op de staten of saten dier oude geslachten
woonden of gewoond hadden. En waar zulke patronymika met van er voor,
de hedendaagsche namen zijn van oud-adellike friesche geslachten,
b. v. Van Cammingha, Van Eysinga, daar is dit van een byvoegsel van
lateren tijd, toen men dit voorzetsel, door hoogduitschen invloed,
als een kenmerk van adeldom beschoude. Want oorspronkelik past van
voor geen friesche geslachtsnaam, ten zy dan voor eenen frieschen
plaatsnaam (Van Kleffens, zie bl. 55). Behalve de bovengenoemde
namen behooren tot deze groep nog de geslachtsnamen: Van Aldringa,
Van Andringa, Van Hasinga, Van Hettinga, Van Hottinga, Van Idsinga,
Van Wallinga, Van Wetsinga, enz. Grootendeels komen deze namen
ook zonder dat overtollige van, als geslachtsnamen voor: Andringa,
Hottinga, Hettinga, Idsinga. Het patronymikon van den nog heden by de
Friesen in volle gebruik zijnden mansnaam Eise vooral komt in velerlei
formen als geslachtsnaam voor; als Eisinga, Van Eysinga, Eisenga,
Van Eisenga, Eizenga, Van Eizinga, Eising, Eisink en ook Eysinger;
zie bl. 26. Buitendien bestaan nog de patronymikale maagschapsnamen,
in nieueren form: † Eyssema, Eizema en Eisma, Eissen en Eises, met
het verlatynschte Eyssonius. En de plaatsnamen Eisink, een gehucht
by Haren in Groningerland; Eisinghusen, een gehucht by Loppersum,
en een ander by Nüttermoor, in Oost-Friesland; Eysinghem, een dorp
in Zuid-Brabant; Eisingen, een dorp by Pforzheim in Baden, enz.

§ 27. De patronymikale geslachtsnamen, tot hier toe vermeld,
vertoonen allen, in hunne uitgangen, volle formen, al zijn die formen
onderling dan ook nog zoo verschillend. Maar by eenige hedendaagsche
geslachtsnamen, oorspronkelike patronymika, zijn die volle formen
versleten. By namen die voor verre weg het grootste gedeelte,
reeds zoo overoud zijn als dit by de ware patronymika het geval
is, kan het geenszins bevreemding wekken, dat zy niet allen in
hunne volle, oorspronkelike formen tot op onzen tijd in 't leven
gebleven zijn. Integendeel, 't is eerder byzonder, dat het altijd
maar een zeer klein gedeelte is van het groote getal patronymikale
geslachtsnamen, dat zoo in versleten staat tot ons gekomen is. De
geslachtsnamen Heenk en Oonk b. v., ook Bonga met Van Bonga, en
Sinnighe zijn zulke versletene formen. By Heenk en Oonk is eene d en
eene i verloren gegaan, by Bonga de lettergreep nin, by Sinnighe en
Sinnige eene n. Want deze namen zijn oorspronkelik en voluit Hedink,
Odink, Bonninga en Sinninghe geweest. Zie hier nog eenige andere
geslachtsnamen tot deze groep behoorende, met de volle formen er
achter: Beddigs (Beddings); Bennigsen (Benningsen--zie bl. 28 en 44);
Diegerick (Diegerink; de geslachtsnaam Deegerink is slechts een andere
form hier van). [24] Moeieliker te verklaren zijn de geslachtsnamen
Banga, Tjeenk en Swynga. Oppervlakkig zoude men Banga wel houden voor
eene samentrekking van Banninga, aan den mansvóórnaam Banne ontleend,
die ook aan de geslachtsnamen Banning, Olden-- en Nyen-Banning (zie
bl. 50), Bannema en Bans ten grondslag ligt, en even als ook Bonga
uit Bonninga is saamgetrokken. Dat Banga echter niet van Banninga,
niet van den mansnaam Banne komt, maar van den mansnaam Baue--dat deze
geslachtsnaam versleten is uit het oorspronkelike Bauwinga of beter
Bauinga, blijkt uit den form Bawnga, waar onder deze naam voorkomt in
eene oorkonde, die in de friesche taal opgesteld is en van 't jaar
1493 dagteekent. [25] In deze oorkonde wordt één en de zelfde man,
die in een ander stuk van het jaar 1489 [26] Douwa Banga heet, Douwa
Bawngha genoemd. Er komt in Friesland nog een andere eigennaam voor,
waarin het oorspronkelike patronymikon Bauinga tot Bang versleten is;
te weten de naam van het dorp Bangstede, tusschen Emden en Aurich
gelegen. Dit dorp heet oorspronkelik Bauingastede, de stede, de
woonplaats der Bauinga's, der Bauingen of Bavingen, der zonen en
afstammelingen van den man die Baue of Bavo heette. Op eene oude
landkaart van Oost-Friesland, van Ubbo Emmius, uit het laatst der
16de eeu, staat dit dorp nog als Bavestede of Bauestede vermeld. Dat
de nog hedendaags by de Friesen in volle gebruik zijnde mansnaam Baue
(Bauwe) in het middeleeusche monnikenlatyn als Bavo werd geboekstaafd,
is bekend. De heilige Baue is als St. Bavo de patroon van de steden
Aardenburg, Gent en Haarlem. En deze zelfde mansnaam heeft nog aan zeer
vele andere geslachtsnamen oorsprong gegeven, om niet te spreken van de
talryke plaatsnamen die er van afgeleid zijn. Die geslachtsnamen zijn:
† Bavinga, † Bauwenga, † Bavema, Bauma, Bauwes, allen in Friesland;
Bange, saamgetrokken van Bauinge, als Banga van Bauinga; Bavink,
in Engelland als Baving voorkomende, Bauwen, Bauwens, Baafs, Baefs,
Baafse, en het verlatynschte Bavius.

De geslachtsnaam Tjeenk is moeielik te verklaren. Ik waag dien
aangaande de volgende gissing. Zoo die gissing juist is, dan is Tjeenk
niet slechts een zeer oud patronymikon, maar ook een zeer byzonder,
als vertoonende zoowel friesche als saksische formen. Tjeenk is dan
naar myne meening, eene samentrekking van Tjedink, en dit weêr een
door klankwyziging veranderde form van Tjadink, Tjading, Thiading,
Thiadinga, het friesche patronymikon van den oud-frieschen mansnaam
Thiad, die door de Friesen als Tjaad, Tjade wordt uitgesproken, en,
onder dien form, nog wel als mansnaam by hen in gebruik is. Deze
naam Tjaad, Tjade moet niet verward worden met den eveneens nog
zeer gebruikeliken frieschen mansnaam Tjaard (ook wel Tjeerd),
die door de Friesen ook zonder r, als Tjaad wordt uitgesproken,
maar oorspronkelik een andere naam is, eene samentrekking van
den samengestelden mansvóórnaam Tjadert, Thiadhart. Van dezen
eerstgenoemden mansnaam Tjade is ook de geslachtsnaam Tjaden (een
tweede-naamvalsform) afgeleid. Die byzondere samenvoeging van een'
frieschen voornaam en een' saksischen patronymikalen form in één en
den zelfden geslachtsnaam, weet ik anders niet te verklaren dan door
aan te nemen dat een Fries, die het patronymikon Thiadinga, Tjadinga
als toenaam voerde, zich buiten zijn vaderland onder eene saksische
bevolking vestigde, waar zijn naam, door den invloed van het saksische
taaleigen zyner nieue landgenooten, al spoedig de kenmerkende a als
uitgang verloor en de saksische klankwyziging aannam, dus eerst
Tjading, dan Tjäding, dan Tjeding werd, allengs ook nog meer den
saksischen form als Tjedink vertoonde, om eindelik tot Tjeenk te
verslyten. Dit gaat alles zeer geleidelik, en druischt, zoo ver
ik weet, tegen geene taalwetten in. Maar dit alles is gissing. Die
't beter weet mag het zeggen!

De geslachtsnaam Swynga is eene samentrekking van Swyninga,
het patronymikon van den frieschen mansvóórnaam Swyn, Swine. Men
verwondere zich niet over dezen naam, noch denke dat de oude Friesen
hunne zonen zwyn, varken, noemden. Swine is de byzonder-friesche
uitspraak van den oud-germaanschen mansnaam Swind, Suint, welke
naam vlugheid beduidt. Ons hedendaagsch woord gezwind stamt met dien
naam van den zelfden wortel af. Even als Swyn, Swîn, voor Swind, zoo
zeggen de Friesen ook wîn voor wind, fine voor vinden, Hînljippen,
voor Hindeloopen, enz.

De geslachtsnamen Hoynck en Hoyng behooren ook tot de versletene
patronymika; althans zoo men deze namen met y schrijft. De
eerstgenoemde behoort dan in de groep der yncknamen, die op bl. 42
besproken is, en heeft eene i verloren. Immers is de oorspronkelike
mansnaam waar hy van afgeleid is, Hoi, Hoie, en moet de naam dus
voluit Hoiynck geschreven worden.

Boekstaaft men den naam echter op hollandsche wyze met de
byzonder-hollandsche letter ij, oorspronkelik i i, dan is de naam als
Hoijnck, Hoiinck (Hoi-ink) volkomen. De patronymika Hoying en Hooying,
Hooyenga en Hoyenga, alle vier als geslachtsnamen voorkomende, zijn
oorspronkelik met Hoynck geheel de zelfde namen. Hoynck wordt dikwijls
als ééne lettergreep uitgesproken, alsof oy, oi een tweeklank ware. En
zoo doet men ook by de patronymikale geslachtsnamen Stroink, Schaink
en Spaink. Dit is verkeerd. Die namen zijn uit twee lettergrepen
samengesteld: Hoi-ink, Stro-ink, Scha-ink, Spa-ink; zy dienen ook zoo
te worden uitgesproken. Dat men by dit Hoi en Stro (zie ook bl. 40)
niet aan de woorden hooi en stroo te denken hebbe, kan men in §
168 nalezen. Ook spa van Spaink komt niet van het woord spa, spade,
maar van den mansvóórnaam Spade, die in Förstemann's Namenbuch als
Spatto vermeld is. Over Skade, de mansvóórnaam die aan Schaink ten
grondslag ligt, zie men § 28.

Of de friesche geslachtsnaam Sonnega ook tot de versletene vadersnamen
behoort, meen ik te moeten betwyfelen. Het zoude kunnen zijn, dat
Sonnega oorspronkelik en voluit Sonninga ware, even als Hillega en
Mennega (zie bl. 61) oorspronkelik en voluit Hillinga en Menninga
zijn. Te meer nog, wijl Sonningha de naam van een thans uitgestorven
friesch geslacht geweest is. Toch wil ik hier liever denken aan
den naam van het dorp Sonnega, in Stellingwerf (Friesland), waaruit
het geslacht Sonnega wellicht afkomstig is. Dit ga als uitgang van
friesche plaatsnamen verwarre men niet met den lettergreep ga van
den frieschen patronymikalen uitgang inga. Het eerstgenoemde ga is
eigenlik in het Friesch gea en beteekent dorp; Sonnega = Sonnedorp
(Sonneghem = Sonning-heim is een dorp in Vlaanderen); St. Nicolaasga =
St. Nicolaas'dorp; Oudega = Ouddorp, enz.

Ten bewyze van den ouderdom dezer verbasterde, versletene patronymika,
tevens als bewijs dat zy werkelik uit de volle formen ontstaan zijn,
zy hier nog vermeld dat de oudst bekende der friesche vadersnamen,
nog heden de geslachtsnaam (Van) Cammingha, reeds in oorkonden van
de 13de eeu als Canga, Kanga werd geschreven. [27] Terwijl in een
geschrift van het jaar 1495 een der leden van dit overoude, ja
alleroudste friesche geslacht zynen naam als Kamga boekstaaft [28].

§ 28. Even als de Drenten hunnen eigenen form van patronymika als
geslachtsnamen hebben (zie § 13), zoo hebben zy ook eenen eigenaardigen
form van versletene vadersnamen, die slechts in hun land inheemsch
is. De geslachtsnamen Haange, Luinge (men spreekt natuurlik Luunge,
ook wel Luunje), Schaange, Smeenge, Steenge en Hofsteenge vertoonen
dien byzonderen form. Haange is eene samentrekking van den vollen
form Haninge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaam Hano, die
by Förstemann vermeld wordt, en die aan den engelschen geslachtsnaam
Haning, en aan de friesche geslachtsnamen Hanema en Hania eveneens
ten grondslag ligt. Van dezen mansnaam in verkleinform zijn ook de
geslachtsnamen Haantjes, Haentjens, die in alle Nederlanden talrijk
verspreide patronymika, afkomstig.--Luinge is samengetrokken van
Ludinge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaam Lude, Lode,
Hlude, Hlode, Chlodo. Het drentsche Ludinge en Luinge is volkomen
het zelfde als het friesche † Ludinga en † Lunia--zie § 29. Luinge
en Lunia worden dan ook beiden wel als Luunje uitgesproken. Oudtijds
bestond in Groningerland een geslacht † Luinga; deze naam staat in
form midden tusschen het friesche Ludinga en het drentsche Luinge
in. Verhollandscht tot Luidinga is dit overoude patronymikon nog een
hedendaagsche geslachtsnaam, even als Luding en Ludink.--Schaange is
voluit Schadinge, van den frieschen mansnaam Scato. De geslachtsnaam
Schaink (Skadink) is de twentsche tegenhanger van den drentschen
naam Schaange.--Smeenge is Smedinge; over dezen naam zal in §
31 gehandeld worden.--Steenge is voluit Stedinge, dat, evenals de
friesche geslachtsnamen Stada, Stadema, Stades, Stedma en Stedes,
en de plaatsnaam Stedum (Steda-heim, woonplaats van Stede), dorp
in Fivelgo, van den mansnaam Stede, Stade, by Förstemann als Stad
voorkomende, ontleend is. Of zoo men deze afleiding niet wil gelden
laten, mag men ook aannemen dat de geslachtsnaam Steenge ontleend
zy aan den naam van het aan Drente palende stellingwerfsch-friesche
gehucht Steginga of Steggenga, by 't dorp Oosterwolde, welke naam in
de friso-saksische gouspraak van Stellingwerf en Drente ook Steenga of
Steenge wordt genoemd.--De oorsprong van den geslachtsnaam Hofsteenge
is my duister. Dat hy zoude aangenomen zijn door iemand »die niet als
zijne buren op een klein erfjen, maar op eene aanzienlijke hofstede
woonde", gelijk Leendertz (Navorscher, dl. XXVIII, bl. 620) meent,
is mogelik, maar komt my toch niet waarschijnlik voor. Liever wil
ik hier aan een patronymikon blyven denken. Het is dus twyfelachtig,
of de beide laatstgenoemde namen Steenge en Hofsteenge wel tot deze
groep van geslachtsnamen moeten gerekend worden, en of zy misschien
niet tot de geslachtsnamen, aan plaatsnamen ontleend, behooren.

§ 29. De Friesen hebben in hunne taal veel eigenaardigs, veel
byzonders. Dit blijkt ook uit hunne eigennamen. Onder hunne
geslachtsnamen zijn vooral die welke op ia eindigen, zeer
byzonder. Deze hebben zulk een vreemd voorkomen, Sinia b. v.,
Runia en Tania, dat niet-Friesen deze namen bezwaarlik als
oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen gelden laten. En toch
zijn ook dit goed germaansche, echt friesche namen. Want het zijn
samengetrokkene, verfloeide, versletene formen van de patronymika,
op inga eindigende. Zoo is Bothnia oorspronkelik en voluit Bothinga,
Bottinga; Sinia is eigenlik Sininga; Tania is Tanninga, enz.

Deze zonderlinge afslyting van inga tot ia, van Sininga tot Sinia,
vond hare eerste aanleiding zekerlik in de byzondere, zachte
uitspraak der friesche g. Eene eigenaardige uitspraak die nog
zoo veel te flauer wordt, wanneer eene n de g voorafgaat, en daar
door de letterverbinding ng geboren wordt, die eigenlik als eene
byzondere, op zich zelve staande letter aan te merken is, zoo als in
den patronymikalen uitgang inga het geval is. Vele woorden, die in
andere germaansche talen met eene g beginnen, hebben in de friesche
taal tot eerste letter eene j. Zoo is het nederlandsche woord geven,
hoogduitsch geben, engelsch to give, deensch give, zweedsch gifva,
in het Friesch jaen, Oud-friesch jeva; zoo is het nederlandsche gave,
gift, in het Friesch jefthe; het nederl. gister, hoogduitsch gestern,
is in 't Fr. jister of jüster, en 't nederl. garen, hoogd. garn, in
't Fr. jern (men spreekt uit als jen); in beide laatstgenoemde woorden
overeenstemmende met het Engelsch, dat de g ook tot j verzacht heeft,
in yesterday en yarn. In den hedendaagschen naam van het dorp Dongjum
by Franeker, oudtijds Dodinga-heim of de woonplaats der Dodinga's,
der Dodingen, der nakomelingschap van Dodo of Doede--heeft, in de
schrijftaal, de oorspronkelike g van het patronymikon Dodinga eene j
naast zich gekregen. In de spreektaal echter is de g volkomen door
j vervangen, want de Friesen spreken dezen dorpsnaam als Donjum,
Doinjum of Dünjum uit; de juiste uitspraak is met nederlandsche
klanken moeielik af te beelden. Even zoo is het met den naam van
het dorp Dedgum (Deddingum, Deddinga-heim, van den mansnaam Deddo),
die steeds als Dedjum uitgesproken wordt; en met den dorpsnaam
Pingjum (Pingia-heim, Pinninga-heim, van den mansnaam Pinne,
Penne), dien de Friesen als Peinjum, zelfs als Peium uitspreken. De
hedendaagsche dorpsnaam Anjum schreef men oudtijds voluit, als Aninghem
(Aninga-heim). Het duidelikste voorbeeld om den overgang van inga tot
ia, van Sininga tot Sinia aan te toonen, levert het woord penning(a)
op, dat in het Friesch als penje, peinje (pennia) uitgesproken wordt,
en in het Engelsch tot penny versleten is. Daarentegen heeft dit
zelfde volle en oorspronkelike woord penning in het hedendaagsche
Hoogduitsch eene n verloren, en is tot pfennig versleten, even als
b. v. de geslachtsnaam Huding tot Hudig (zie bl. 61).

Maar bewyzen te over, dat de friesche g wel als j wordt
uitgesproken. Passen wy deze uitspraak nu ook op de g van inga toe,
dan luidt b. v. Sininga als Sininja. En neemt men dan hier by in
aanmerking dat de volle nadruk by deze patronymika op den eersten
lettergreep valt, en dat de laatste lettergreep slechts eenen
halven klemtoon heeft, terwijl de middelste toonloos is, dan is de
overgang van Sininja tot Sinia waarlik niet groot. Integendeel, zeer
gemakkelik, geleidelik en als van zelven floeiende. En even zoo leidde
't oorspronkelike Bottinga, door d' uitspraak Bottinja tot Botnia of
Bothnia, en Tanninga, door Tanninja, tot Tania.

Dat overigens werkelik en in der daad de geslachtsnamen op ia
eindigende, ontstaan zijn uit die welke op inga uitgaan, blijkt ook
hieruit, dat de naam van 't oude geslacht † Gratinga, Grætinga of
Grettinga (alle drie spellingen komen voor), dat op de nog bestaande
Grettinga-state te Almenum (Barradeel, Friesland) gezeten was, en
waarvan de buurt Gratinga- of Grettinga-buren, by Harlingen, haren
naam ontleend heeft, in oude oorkonden zoo wel Gratinga als Gretnia
genoemd wordt. En even zoo wisselen by één en het zelfde geslacht
de namen Hottinga en Hotnia, Uninga en Unia, Wyninga en Wyngia en
Wynia elkanderen af, in oude geschriften. En eveneens blijkt dit ook
hieruit, dat het geslacht Burmania in eene oorkonde van den jare 1300,
[29] als Burmanninga vermeld wordt. [30]


[ERROR: Contains unhandled entity &metbrev;]
In de middeleeuen, toen de friesche taal hare volle formen op a en ia
(mula = mond, biwaria = bewaren) nog behouden had, en men die uitgangen
nog duidelik, onderscheidenlik uitsprak, toen spraken de Friesen die
samengetrokkene namen Sinia (- &metbrev; -), enz., ook juist zóo
uit, als zy ze schreven, en zóo, als wy ze nu nog schryven. Maar
sedert is de friesche taal verloopen, en heeft hare volle formen
verloren. Sedert de 16de eeu spreekt men niet meer mula, maar mule
(mûle, met hoogduitsche u, ten naaste by als nederlandsch moele dus);
en niet meer biwaria, maar biwarje. En juist zóo is ook de uitspraak
der geslachtsnamen, die op ia eindigen, veranderd en verloopen. Men
spreekt tegenwoordig niet meer voluit Sinia, maar Siinje (Sînje,
Synje, - &metbrev;); niet meer Tania, maar Tanje; niet meer Runia,
maar Rûnje (ongeveer Roenje) en Rüünje. Heden ten dage is dit de
algemeene en gewone uitspraak dezer namen by de Friesen; en dat
deze zelfde uitspraak ook reeds in vorige eeuen bestond, blijkt uit
menige oude oorkonde. Zoo vind ik, al weêr in 't Oorkondenboek van
't leeuwarder St. Anthonij-Gasthuis, in een stuk van den jare 1542,
den geslachtsnaam Donia geschreven als Donye, en in een stuk van het
jaar 1562, als Doenye.--Hania staat in het laatstgenoemde stuk als
Hanye gespeld. Wyngia, in eene oorkonde van 1558, als Wyngie.--†
Ringia, in 1566, als Ryngie; † Fernia, in 1595, als Fernij.--Unia
eindelik, in een geschrift van 1547 [31], als Oenye.

Toch begint deze oude, maar niet oudste uitspraak, die in d'
eigenaardige uitspraak der friesche taal in 't algemeen gegrondvest
is, heden ten dage, in den mond van sommige Friesen weêr te wyken
voor de uitspraak naar de letter. Hollandsche onderwyzers vooral,
die, met de friesche taal volkomen onbekend--dwaas genoeg!--den mond
van friesche kinders gewelddadig naar hunne hollandsche uitspraak
dwingen, zijn hiervan de oorzaak. En zoo hoort men tegenwoordig
de namen Sinia, Tania, Runia wel weêr juist zóó uitspreken als zy
geschreven worden. Maar de meeste Friesen, sliucht end riucht, blyven
voor en na Siinje, Tanje, Rûnje uitspreken.

Tot een ander, tegenovergesteld uiterste zijn die lieden vervallen,
welke deze geslachtsnamen op ia, het eerst zóó geschreven hebben, als
men ze uitspreekt; die dus niet slechts Fiinje spraken, zoo als het
trouens ook goed was en is, maar die ook Fynje schreven. Ten gevolge
van deze slordige, in de vorige eeu meest opgekomene schrijfwyze,
vertoonen sommige oud-friesche patronymika op ia, als hedendaagsche
geslachtsnamen dien leeliken schrijfform op ja en je eindigende. Rynja,
Synje, Bruinje, Veenje, in plaats van Rinia, Sinia, Brunia, Fenia. En
Fynje, verbasterd van Finia, is in Holland nog weêr meer verbasterd in
spelling en uitspraak beide; te weten als Fijnje, gesproken Feinje! Een
gruwelike wanklank in de fijn-gevoelige ooren der Friesen! Maar dwazer
nog als deze verbastering is van het friesche Fininga = Finia tot een
hollandsch Fijnje = Feinje, ergerliker nog heeft men gehandeld door
van den geslachtsnaam Tania, Tanje den schijnbaar-franschen naam Tanjé
te maken. Pieter Tania of Tanje, te Bolswart geboren in 1706, was een
beroemd plaatsnyder (graveur). Hy vestigde zich in Holland, en droeg
daar den naam van Tanjé! Wat een domheid, en wat een kleingeestige
elendigheid, om zóó de Franschen na te apen! Zie § 165.

Door hunnen versletenen toestand getuigen de patronymikale
geslachtsnamen die op ia eindigen, van hoogen ouderdom. En zeer
oud zijn zy in der daad. De Bothnia's, de Burmania's, de Donia's,
de Unia's behooren tot de oudste friesche geslachten, of liever en
beter gezeid: hunne namen behooren tot de eersten, tot de oudsten,
die in de friesche geschiedenis genoemd worden.

In den tegenwoordigen tijd komen geslachtsnamen op ia, ja en
je eindigende, als oorspronkelik inheemsche namen nog slechts
in Friesland, en wel meest tusschen Fli en Lauers, dat is in de
nederlandsche provincie Friesland voor. In de middeleeuen echter waren
deze versletene patronymika ook wel in andere friesche gewesten in
gebruik; b. v. † Mormannia, tusschen Lauers en Eems (Groningerland);
† Boycmonia, Onnia of Onja, † Tongia, tusschen Eems en Weser
(Oost-Friesland), enz. Ja, ook by de Friesen aan de Weser, by de
Rustringer-, Ostringer-, Wranger- en Stedinger-Friesen waren ze in
zwang. En nog heden ten dage treft men onder hunne afstammelingen, de
Friesen in Jeverland, Butjadingerland (Oldenburg), enz. geslachtsnamen
aan als Dorrie, Hamje, Hemmie en Hemje, Hennye, Hobbie, ook, in
den tweeden naamval als Bunnies en Bunjes (tevens ook de volle form
Bunnings) en Jellies. Het lijdt geen twyfel dat deze namen slechts
verbasteringen zijn van de volle formen Dorria of Dorringa, Hammia
of Hamminga, enz. En in der daad komen deze volle formen Hamminga,
Hemminga en Jellinga nog in het nederlandsche Friesland heden ten
dage als maagschapsnamen voor. Even als Hammingh, Hamming en Hammink,
Hemming en Hemmink, Dorring, Henning en Hobbing in andere nederlandsche
gewesten. En allen zijn dit echte patronymika van oud-germaansche,
ten deele nog hedendaagsch-friesche mansvóórnamen afgeleid.

Ook in plaatsnamen vindt men in de oud-friesche gouen aan de Weser
deze oud-friesche patronymika in versletenen form terug; b. v. in
Jelliestede, dat is: Jellia-stede, de stede of woonplaats der
Jellinga's, der Jellingen, der afstammelingen van zekeren ouden Fries
Jelle. Eene sate by 't dorp Grootkerk (Hohenkirchen) in Wrangerland
(Oldenburg) heet alzoo.

Van de vele oud-friesche patronymika op ia eindigende, zijn
de volgenden nog als hedendaagsche geslachtsnamen in leven. De
oorspronkelike, volle formen der patronymika, die ook grootendeels,
zoo niet allen, eveneens nog als friesche geslachtsnamen bestaan,
zijn er by gevoegd tot vergelyking: Bothnia (Bottinga); Brunia en
Bruinje (Bruininga); Burmania, Van Burmania en Burmanje (Burmanninga)
[32] enz. Al deze patronymika zijn ook weêr van oud-germaansche
mansvóórnamen ontleend, waarvan eenigen nog heden by de Friesen als
zoodanig in gebruik zijn; b. v. Botho of Botte, Bruno of Bruin, Dodo of
Doede, Sine, enz. Over Groenia, Groeninga, afgeleid van Gruno, zie men
bl. 29. Over Tania, Tanninga, van Tanno, bl. 39. Over Venia en Veenje,
Feninga, van Fene, bl. 57 en 61. En over Hania, Hanje, Haninga, bl. 65.

Friso, Frise, Frese, Friese, in verkleinform ook als Frieske en
Vrieske, is een oud-germaansche mansvóórnaam, die ook thans nog wel in
gebruik is, hoe wel zeldzaam, en dan nog meest in Friesland. Förstemann
vermeldt hem reeds in zijn Altdeutsches Namenbuch en Wassenbergh en
Leendertz eveneens in hunne lijsten van friesche en nederlandsche
personennamen. Behalve Frisia zijn van dezen mansvóórnaam nog de
volgende patronymikale geslachtsnamen ontleend: Friesenga, Vriesinga,
Vriesenga, Friesinga, Fresing, Friesema, Friezema, †Friesma, Vriesema,
Frezema, Fresema, Fresena, Friesen, Friese en Vriese; verder nog
Friso, en misschien ook, althans in sommige gevallen, Vries en
Frese, benevens het verlatynschte Fresenius, dat oorspronkelik het
patronymikon Fresen is.

Sinia en Synja zijn voluit Sininga, en dit is het patronymikon van den
mansvóórnaam Sine, welke, in dien form en ook als Siene en Syno nog
heden in Friesland in gebruik is. Waarschijnlik vertegenwoordigt deze
naam Sine de byzonder-friesche uitspraak van den oud-germaanschen, door
Förstemann vermelden mansnaam Sind. Aangaande deze byzonder-friesche
uitspraak van dergelyke woorden en namen vergelyke men bl. 63. De
friesche mansvóórnaam Sine, welke dan ook zynen oorsprong zy, ligt nog
ten grondslag aan de geslachtsnamen Syna, Sienema, Sienes, Synen en
Zijnen, allen patronymika in verschillende tweede-naamvalsformen, en
allen nog heden ten dage voorkomende. De laatstgenoemde geslachtsnaam
is slechts eene verhollandsching van den oorspronkelik zuiver-frieschen
form Synen. Ook de plaatsnaam Syns, een gehucht by Hartwert in
Wonseradeel (Friesland), is van den mansnaam Sine afgeleid. En
waarschijnlik is dit ook het geval met den naam van het dorp Synghem
(Sining-hem? Sininga-heim), in Oost-Vlaanderen gelegen.--Over den
hoogst merkwaardigen geslachtsnaam Sminia zal in § 31 nader worden
gehandeld.

Buiten Friesland, in Holland en andere nederlandsche gewesten komen
eenige geslachtsnamen voor, die ik anders niet weet te verklaren dan
door aan te nemen dat het zulke versletene patronymika zijn. Zy zijn
dan zekerlik eigen aan oorspronkelik-friesche geslachten, die hun
vaderland met der woon verlaten hebben. Deze namen zijn Balje, Havie,
Pierie, Schaalje en Schaly, Schoonie, Surie en Sury, Thierie, enz. Zoo
als men ziet, vertoonen deze namen ook de volle kenmerken der geheel
versletene friesche ia- en ie- en jenamen. Balje zal dan zijn Ballia,
Ballinga, het patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaam
Ballo, Balle, die tevens oorsprong gaf aan de geslachtsnamen †
Ballama en † Ballema, Balma, Balsma en Bals, en aan de plaatsnamen
Ballum, een dorp op 't eiland Ameland, en Ballingham, in Hereford,
Engelland. De in spelling dwaselik verfranschte geslachtsnaam Baljé
(een tegenhanger van den op bl. 69 en 70 vermelden maagschapsnaam
Tanjé) is oorspronkelik eveneens dit patronymikon Balje, Ballia,
Ballinga.--Havie komt ook nog in Friesland in den onversletenen
form Havinga voor.--Pierie acht ik oorspronkelik te zijn Pieringa,
het patronymikon van den mansvóórnaam Pier, die in Friesland en ook
wel in de zuidelike gewesten in gebruik is als eene samentrekking van
Pieter of Petrus, en die tevens oorsprong gaf aan de geslachtsnamen
Piersma en Piers in Friesland, aan Aupiers (zie § 61 en § 156) in
Brabant, en aan Pierson elders voorkomende.--Surie en Sury zijn op
bl. 48 reeds verklaard.--Schoonie is eene verbastering van Schonia of
Schoninga; deze laatste volle form komt nog als geslachtsnaam in de
friesche gewesten voor. De mansvóórnaam die aan dit patronymikon ten
grondslag ligt, is de oud-germaansche naam Schone, Skauni, die door
Förstemann vermeld wordt. In den tegenwoordigen tijd komt deze naam,
althans in de Nederlanden, nog slechts in den vroueliken form, als
Schoontje, voor. Ook oudtijds schijnt deze naam niet zeer verbreid
geweest te zijn. My zijn althans, behalve Schoninga en Schoonie,
geene andere hedendaagsche geslachtsnamen voorgekomen, die tot dezen
mansnaam terug gebracht kunnen worden, dan Schöningh, oorspronkelik
een westfaalsche geslachtsnaam, maar die ook in Holland ingevoerd
is, en den vlaamschen geslachtsnaam Schoentjens. Of de naam van het
oud-friesche geslacht Schunia (in beter friesche spelling Skunia),
voluit Skuninga, ook van Schone, Skauni moet afgeleid worden, wil
ik niet met zekerheid beweren. Deze geslachtsnaam is als zoodanig
onder de hedendaagsche Friesen uitgestorven. Maar hy leeft toch nog
in den naam van het gehucht Skunia-bûren, by Mirns in Gaasterland. Men
verhollandscht dezen naam ook wel tot Schuinjebuurt.

Schaalje is Schalia (Skalia), Schalinga (Skalinga), het patronymikon
van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansvóórnaam Scal,
die vroeger in Friesland als Skele (Schele) in gebruik was, gelijk
uit de naamlijsten van Brons en Leendertz blijkt. In den geslachtsnaam
Schaallema (Schalema, of Skalama ware beter spelling) vinden we dezen
ouden mansvóórnaam terug. Misschien ook in Schalekamp. En zekerlik
in Scheelings.

§ 30. In de zuidelike Nederlanden en vooral ook in noordelik en
oostelik Frankrijk, maar ook wel in de andere nederlandsche gewesten,
en tevens in andere germaansche landen (Engelland en Duitschland),
komen geslachtsnamen voor, in grooter of kleiner aantal, die dit
gemeenschappelike vertoonen, dat zy op y uitgaan. Maar ook overigens
vertoonen deze namen veel gelijkformigheid, zoodat men ze tot eene
groep kan samenvoegen. Die gelijkformigheid blijkt vooral uit de
omstandigheid dat men deze uitgang y slechts in ing (ink, inga,
ynck) behoeft om te zetten, om ware patronymika, echt-germaansche
vadersnamen van oud-duitsche mansvóórnamen afgeleid, te verkrygen. Naar
myne meening zijn deze ynamen dan ook anders niet als versletene
ware patronymika, en wel van byzonder-frankischen form, even als
de ia en jenamen versletene patronymika van byzonder-frieschen form
zijn. Door den frankischen oorsprong dezer namen kan het voorkomen er
van hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, gereedelik verklaard
worden. Wijl een goed deel des algeheelen nederlandschen volks van
frankischen oorsprong is, zoo moeten de ynamen wel degelik tot de
nederlandsche geslachtsnamen gerekend worden. Zie hier eenigen van
deze namen tot voorbeeld. De patronymikale geslachtsnamen waar mede
zy overeenkomen, heb ik er achtergevoegd. Bonny (Bonnink, Bonninga
in Friesland, Bonning in Engelland); Borry († Bornia = Borringa in
Friesland) [33]. Deze byzondere overeenstemming in aanmerking genomen,
komt de stelling my niet te gewaagd voor, dat ook deze geslachtsnamen
tot de versletene patronymika behooren, al hoe vreemd, hoe ongermaansch
hun voorkomen thans ook zy. Trouens, de sprong van 't oorspronkelike
Borring tot Borry is niet grooter dan van Borringa tot Bornia, dan
van Bruninga tot Bruinje. Het voorkomen dezer namen in het romaansche
Frankrijk laat zich zeer gereedelik verklaren door aan te nemen dat de
geslachtsnamen op y verbasteringen zijn van de volle patronymika die
als toenamen gedragen werden door de germaansche Franken, Burgundiers,
enz. welke een deel van het hedendaagsche Frankrijk bevolkt hebben,
en er zelfs hunne namen nog aan lieten (Frankrijk, Bourgondie). In
allen gevalle, al vertoonen deze namen nu een vreemd, een romaansch
voorkomen, zy zijn toch zuiver germaansch van oorsprong.

§ 31. Tot besluit van deze verhandeling over de oude patronymika,
dient hier nog eene kleine groep van zeer byzondere geslachtsnamen
vermeld te worden. Deze namen, op ing, ink, inga eindigende, zijn,
wat hun form aangaat, echte patronymika. Maar zy onderscheiden zich
hier in van alle andere patronymika, dat zy niet van mansvóórnamen
afgeleid zijn, maar van woorden, die een beroep of bedrijf of ambt
aanduiden; b. v. Jagerink, Meestringa, Vogeding, van de woorden jager,
meester en voged, voogd, en dus zoon van den jager, nakomeling van
den meester, van den voogd beteekenen. Het ontstaan dezer namen is
gemakkelik te verklaren door aan te nemen dat oudtijds deze of gene
man, door zyne omgeving en tijdgenooten, in het dageliksche leven,
niet by zynen naam genoemd werd, maar by den naam van het bedrijf
dat hy uitoefende, of van het ambt dat hy bekleedde. Deze zaak is
niet vreemd, en geschiedt nog dageliks, en is ook de oorsprong
van al de hedendaagsche geslachtsnamen, als Jager, de Meester,
Voogt, die op zich zelven een ambt of beroep aanduiden. Maar in deze
byzondere gevallen hadden de beroepsnamen zoo volkomen de plaats der
eigennamen ingenomen, dat die eigennamen geheel vergeten en in onbruik
geraakt waren, zoo dat de zonen dezer mannen hunne patronymika niet
ontleenden aan hun vaders vóórnamen, zoo als de regel was, maar aan
hun vaders toenamen. In dit geval, aan de namen van het beroep door
hunne vaders uitgeoefend. Dat de naam van eenig beroep zóó volkomen
den eigennaam van den persoon die dat beroep vervulde, verdrong,
als noodig was om er voor de zonen patronymika van te formen, was
zeker slechts by uitzondering het geval. Van daar ook dat zulke
oneigenlike patronymika als geslachtsnamen weinig voorkomen. My
zijn de volgenden bekend: Beckeringh en Beckering, van becker,
bäcker, bakker; Borchgrevink, van borchgreve, burggraaf; Grevinge,
Greving, Greevingh, † Grevinga, van greve, graaf. [34] Dezen laatsten
geslachtsnaam zou men ook nog van eenen mansvóórnaam kunnen afleiden,
naar dien Grawo in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch als zoodanig
vermeld wordt. Behalve de patronymika Grevinge, enz., bovengenoemd,
zijn van dezen zelfden naam nog ontleend de geslachtsnamen Graafsma,
Greven en Greeven, met Grevinchovius (zie bl. 52 en 74); waarschijnlik
ook nog 'S Graauwen; zie § 64. In overeenstemming met den geslachtsnaam
Borchgrevink, waar by aan eenen oorsprong van borchgreve, burggraaf of
slotvoogd, niet getwyfeld worden kan, zoude ik by Greving, enz. liever
aan het woord graaf, dan aan den mansnaam Grawo denken. Grutterink is
van grutter en Maaldrink van maalder, maler, mulder of molenaar. De
friesche geslachtsnaam Meestringa, van meester, kwam oudtijds ook in
eenen anderen, meer saksischen form voor: zekere Johan Meisterinck toch
woonde in den jare 1640 te Groningen. [35] Neirinckx en Neyrinckx en
Neirynck zijn vlaamsche geslachtsnamen, waarschijnlik ontleend aan
het woord neier, neyer, naeyer, naaier, dat in Vlaanderen gebruikt
wordt voor het hollandsche woord kleêrmaker. Van daar ook de vlaamsche
geslachtsnaam De Naeyer.--Rigterink is van richter, rechter; Ridderink,
van ridder; Schildering en Schippering van schilder en schipper;
Scholting, Schulting, Scholtink, Schulting zijn afgeleid van het
woord scholte, schulte, schout. Dit woord was oudtijds ook wel als
mansvóórnaam in gebruik, zoo dat bovengenoemde geslachtsnamen ook wel
kunnen worden beschoud als echte, oorbeeldige vadersnamen. Schelte,
beter skelta, is de friesche form van het Saksische scholte, schulte,
van het frankische schout; en Schelte is tevens nog heden een
friesche mansvóórnaam, in volle gebruik. De friesche patronymikale
geslachtsnamen Scheltinga en Van Scheltinga, met het saxo-friesche
Schultinga in Groningerland, en waarschijnlik ook met Schuitinga en
Schuttinga, zijn tegenhangers van Scholting, Schulting, enz. [36]
Weeveringh en Weverink zijn afgeleid van het woord wever.

Smeding, Smedink en Smedinga zijn patronymikale formen van het woord
smid, en beteekenen dus: zoon van den smid. De i van het nederlandsche
woord smid gaat, by samenstellingen en in den meervoudsform,
in eene e over: smedery, smeden. Zoo is ook het patronymikon van
smid Smeding en niet Smidding. Het woord smid op zich zelven luidt
trouens ook in menige vlaamsche en brabantsche gouspraak als smet;
van daar de geslachtsnamen De Smedt en De Smet in de zuidelike
Nederlanden. Afgaande op de verbazende talrijkheid der geslachtsnamen
Smid, Smit, Smits, De Smedt, Smets, Schmitt, Schmidt, Schmitz,
Smith, Smithson, enz. by Nederlanders, Duitschers en Engelschen,
zijn smeden zeker van alle handwerkslieden het menigvuldigst naar
hun bedrijf genoemd geworden. En was dit oudtijds reeds het geval,
ook nog heden spreekt men zulk eenen man veelal als smid aan, en
wordt hy, vooral in dorpen en kleine steden, steeds zóó genoemd,
zoodat menigeen die dageliks met den smid omgaat, 's mans eigen naam
niet kent. Van daar dat ook het woord smid, smith zelf by de oude
Germanen wel als een mansvóórnaam gebruikt werd. In Förstemann's
Altdeutsches Namenbuch vinden wy eenen man vermeld die in de 9de eeu
leefde, en Smido heette. Talrijk zijn de patronymikale geslachtsnamen,
die van het woord smid, of van den mansvóórnaam Smido geformd zijn. In
alle formen komen ze voor. Behalve de volledige formen Smeding en
Smedinga, bestaan er de geslachtsnamen Schmeding en Schmedding,
die beiden aan hoogduitschen infloed deze byzondere schrijfwyze
danken. Ook Schmeink, waar de d uitgesleten is; zoo spreekt men in
Holland het werkwoord smeden ook als smeeën (sme-je) uit. Eindelik
ook Smeengh, nog meer samengetrokken. Even als in de friesche taal
het werkwoord smeien bestaat tegenover het nederlandsche werkwoord
smeden, zoo bestaat in Friesland ook de geslachtsnaam Smeyenga,
nevens het oorspronkelike Smedinga. Uit dezen vollen form verfloeid
en samengetrokken zijn de friesche geslachtsnamen † Smenga en Smynga,
op de wyze als in § 27 is vermeld, en Sminia en Van Sminia, op de
manier als in § 29 medegedeeld is. De Saksische namen Smeenk en Smink,
even als de naam Smeengh, zijn uit de volle formen Smedink en Smidink
samengetrokken; en Smeenks is een tweede-naamvalsform daar van; zie §
18. Het woord of de naam smid, smede is in verkleinform smedeke; van
daar de geslachtsnaam Smeeking, die uit Smedeking, het patronymikon van
Smedeke is samengetrokken. Pseudo-patronymika, eveneens hedendaagsche
geslachtsnamen, van smede zijn nog: Smeda, Schmeda en Smedema, drie
friesche formen, benevens Smedes en Schmedes. Al deze geslachtsnamen
zijn in de noordelike en oostelike gewesten van Nederland inheemsch;
tevens in de aangrenzende noord-westelike gouen van Duitschland. Ook
de geslachtsnaam Goldschmeding, van hoogduitschen oorsprong, komt in
Nederland (te Amsterdam) voor. Hy is afgeleid van het woord goldschmid,
goudsmit, en strekt nog tot een byzonder bewijs dat smid wel degelik
het woord is, waar van het patronymikon Smeding is ontleend.

Dat zulke vadersnamen, van beroepsnamen geformd, zeer oud zijn, blijkt
uit de op bl. 23 vermelde oorkonde van 1188, waarin de twentsche erven
Smedinc en Spelemanninc worden opgenoemd. Is het patronymikon Smedinc,
van smid, tot in onzen tijd talrijk en veelvuldig bestaan gebleven,
de vadersnaam Spelemanninc, van speleman, speelman (muzikant
in nieuerwetsch hollandsch), schijnt uitgestorven te zijn. Een
geslachtsnaam Speelmannink is my althans nooit voorgekomen.

Of de patronymikale geslachtsnamen Boerink, Boering, (met Buerinck,
Buringh, Buringa en Buiringa, en Burring in Engelland), ook tot deze
groep behooren, moet ik in het midden laten. Zy kunnen immers zoo
wel tot den mansvóórnaam Bure, Burre, Boere worden terug gebracht,
als tot het woord boer, als naam van een bedrijf.

Over deze geslachtsnamen in patronymikalen form, en van beroepsnamen
afgeleid, heb ik ook het een en ander medegedeeld in een opstel
Eenige nederlandsche geslachtsnamen, voorkomende in het tijdschrift
De Navorscher, dl. XXIX, bl. 207.




B. DE PATRONYMIKA, DIE NIEUE TAALFORMEN VERTOONEN.


§ 32. Behalve de oude, op ing, enz. eindigende vadersnamen, hiervoren
vermeld, bestaan er ook vele patronymikale geslachtsnamen, die
nieuere taalformen vertoonen. Zy onderscheiden zich hierin van
de oude patronymika, dat zy niet het aanhangsel ing (ink, inga)
achter den mansnaam dragen, maar achter dien naam de gewone, nog
heden in de nederlandsche schrijf- en spreektaal in gebruik zijnde
tweede-naamvalsformen, op s en en, vertoonen. Buitendien hebben
velen van deze nieuere vadersnamen nog het woord zoon, meestal
verkort als son, sen, soms ook tot eene enkele s of z versleten,
achter zich. Dit geldt voor de algemeen-nederlandsche patronymika als
maagschapsnamen die van nieueren oorsprong zijn. Maar de Friesen hebben
buitendien nog vele geslachtsnamen, die eveneens patronymika zijn,
in tweede-naamvalsformen van de oud-friesche taal. Deze gaan op eene
enkele a, op ma en na, op sma, sema, sna, sena uit. Bruining, Bruinink,
Bruininga b. v. zijn oude patronymika; Bruins, Brunen, Bruinsen, Bruna,
Bruinema, Bruinsma zijn nieue vadersnamen, en allen te samen, met vele
andere geslachtsnamen (Brunings, Brunia, † Brunsema, Bruininkweerd,
Van Bruyningen) zyn van éen en den zelfden mansvóórnaam Bruno ontleend.

Even als de oude vadersnamen zijn ook de nieue patronymika afgeleid
van de namen van vaders, en door de zonen dier mannen als toenamen,
ter onderscheiding, gedragen. In den beginne natuurlik uitsluitend door
de zonen. Later kregen deze vadersnamen een meer vasten aard, eene meer
algemeene strekking. Niet enkel de zonen, ook de kleinzonen en verdere
nakomelingen van den man, wiens eigen vóórnaam tot het formen van een
nieu patronymikon gebruikt was, bedienden zich daarvan als van eenen
vasten toenaam, eerlang ook als van eenen vasten geslachtsnaam. En niet
slechts de zonen, ook de dochters noemden zich oudtijds evenzeer naar
den naam van haren vader. Heette een man Albert, zijn zoon Hendrik
noemde zich Hendrik Albertszoon, zyne dochter Brechta werd Brechtje
Albertsdochter genoemd. De toenaam, het patronymikon Albertszoon,
spoedig door het vele gebruik tot Albertsen versleten, of tot
Alberts ingekort, kwam als een vaste toenaam, weldra als een vaste
geslachtsnaam voor de kinderen en verdere nakomelingen van Hendrik
Albertszoon in gebruik, en bleef tot op onzen tijd in het leven. Maar
de toenaam van Brecht Albertsdochter verdween toen deze vrou zelve
stierf, ook al had zy zonen en dochteren. Deze immers noemden zich
weêr naar hunnen vader, niet naar hunne moeder.

De nieue patronymika zijn de oude vadersnamen opgevolgd. Zy zijn
van lateren tijd. In de laatste middeleeuen, van de elfde eeu tot de
vijftiende, verloor de taal, die, in zoo verschillende formen door het
volk tusschen Schelde en Eems gesproken werd, de macht, de kracht, de
eigenschap om, door achtervoeging van ing, ink, inga, van mansvóórnamen
patronymika te formen. De beteekenis van dit aanhangsel ging voor het
volk verloren. Men verstond niet meer wat zulke namen als Huging,
Ernestink, Homminga eigenlik beduidden. En zoo maakte men zulke
toenamen dan ook niet meer, en raakten ze geheel in onbruik. Overal
in de Nederlanden geschiedde dit niet gelijktydig. Hier gebeurde 't
eerder, dáár later. In de zuidelike Nederlanden wel het eerst; later
in Holland en Gelderland; het laatst in Friesland. Ook verdwenen de
echte patronymika in eenige bepaalde landstreek niet plotseling uit
het gebruik. Sedert de eerste nieue patronymika opkwamen, en tot dat
de laatste oude vadersnamen in den levenden volksmond nog geformd
werden, verliep er allicht eene eeu.

Behalve de nieue patronymika, die vaste geslachtsnamen zijn geworden,
zijn deze naamsformen ook buitendien nog by 't nederlandsche volk tot
op dezen tijd in gebruik gebleven, in hunnen oorspronkeliken zin. Jan
Smit b.v., die een zoon is van Hendrik Smit, noemt zich nog wel, ter
onderscheiding van anderen, die even zoo heeten, Jan Hendriksz. Smit,
of Jan Smit Hendrikszoon. Maar sedert de zestiende eeu is dit gebruik
toch langzamerhand by 't nederlandsche volk verminderd, en thans,
met uitzondering van de friesche gouen, nergens meer algemeen
in zwang. Hier hebben wy ons verder slechts bezig te houden, met
die hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, welke die nieuere
patronymikale formen vertoonen.

§ 33. De oudste, tevens de volledigste form van nieue patronymika
bestaat uit eenen mansvóórnaam in den tweeden naamval, met het woord
zoon daar achter. My zijn slechts een paar hedendaagsche geslachtsnamen
bekend, die dezen volledigen form in de hedendaags geldige spelling
vertoonen. Het zijn Egbertszoon en Jacobszoon. Buitendien eindigt de
geslachtsnaam Moederzoon eveneens in dezen form. Toch behoort deze
naam niet tot de patronymika, wijl het eerste lid er van (moeder)
geen mansvóórnaam is. In § 60 zal deze byzondere naam nader besproken
worden.

Dat het woord zoon in vorige eeuen niet aldus, maar als zone,
zoone, sone, soone, soen, soon gespeld werd, is bekend. Van daar
dat eenige hedendaagsche geslachtsnamen nog die oude formen en
spelwyzen vertoonen. En die namen bewyzen daar door dat zy van
oude, gedeeltelik zeer oude dagteekening zijn, terwijl de twee of
drie bovengenoemden op zoon uitgaande, juist door dien nieuen form
aantoonen, dat hun oorsprong in het laatst der voorgaande of in het
begin dezer eeu te vinden is. Zie hier eenigen van die hedendaagsche
maagschapsnamen, welke het woord zoon nog in zulke oude spellingen
vertoonen: Baertsoen, van den mansvóórnaam Baart, Barend, Bernard,
Bernhart;--Bettesone (over den mansnaam Bette zie men § 59); Boecksoone
en Boucksoone. De mansvóórnaam Boek, Boeke, die aan laatstgenoemden
geslachtsnaam ten grondslag ligt, is waarschijnlik de oud-germaansche,
in Förstemann's Namenbuch vermelde naam Bucco, die als Bokke (waar van
de geslachtsnamen Bokkes, Bokkema, Bokma, Bockma, Boksma) nog heden by
de Friesen in volle gebruik is. In den form Boek, Boeke vinden wy dezen
mansnaam terug in de geslachtsnamen Boeckx in Vlaanderen, Boekema, †
Boekma en Boeken in Friesland, allen ook patronymikale formen. Bucing
en Bocing kwamen reeds als echte patronymika by de Angel-Saksen [37]
voor. Dat de geslachtsnamen Beukinga, Beukema en Beuckens ook van dezen
zelfden mansvóórnaam afgeleid zijn, komt my zeer waarschijnlik voor.

Claeissone komt van Claei, Claeis, 't welk de, in West-Vlaanderen
volkseigene verkorting van Nicolaas is. Deze geslachtsnaam is
dus de zelfde als Klaassen in Holland, Klasema in Friesland,
Clausson in Neder-Duitschland, Nicholson in Engelland. Florizoone,
van Floris, heeft eene s verloren, even als Florison, een andere
form van dezen zelfden geslachtsnaam. Huyssoone en Huyssoon,
van den mansnaam Huso (zie bl. 29 en 30). Jansone en Janssone,
van Jan, zijn duidelik genoeg. Liefsoons en Lievesoons stammen
van den mansvóórnaam Lieven, Lieve, Liwijn, Liefwin. Deze twee
laatste geslachtsnamen zijn nog byzonder, wijl ze nog eens, ten
tweeden male dus, door de achtergevoegde s, in den tweeden naamval
geplaatst zijn. Letterlik beteekenen deze namen dus: zoon van den
zoon van Lieven.--Mabesoone weet ik niet te verklaren, even min als
Tierssoone en Tryssesoone.--Moyersoen is een andere, oudere form van
het hier boven reeds genoemde Moederzoon.--Verheyllesone eindelik is
een byzonder metronymikon en wordt in § 60 nader besproken.

Het woord zoon, soon is achter eenige geslachtsnamen ook tot son
ingekort. By de Engelschen en Skandinaviers is juist dit de form waar
onder deze patronymikale maagschapsnamen, en dat wel zeer veelvuldig,
voorkomen. Johnson, Thomson aan den westeliken, Erikson, Björnson aan
den oosteliken oever van de Noordzee. Ook in noordelik Duitschland komt
deze form geenszins zeldzaam voor. In Nederland is hy oorspronkelik
zeldzamer. En dan nog zijn velen dier namen uit Noord-Duitschland naar
de Nederlanden overgekomen. Een echt nederlandsch karakter vertoonen
ze des niet te min. Zie hier eenigen van die namen: Derkson, Hanson,
Jansson met Janson en Johansson, [38] enz. De meesten van deze namen
eischen weinig nadere toelichting. Derk, de oorspronkelike naam waar
Derkson van is afgeleid, is de saksische (geldersche en overijsselsche)
form van Dirk, Durk, Diederik, Theodorik.--Pier (waar van Pierson)
is eene, vooral in Friesland en Vlaanderen volkseigene verkorting van
Pieter, Petrus. Over Hemmingson zie men bl. 44. In dezen naam is een
valsch en een echt patronymikon op elkanderen gestapeld. Letterlik
beteekent deze naam: zoon van den zoon van Hemmo. Eerst toen men het
patronymikon Hemming niet meer verstond, kon men er toe komen om er
nog een son achter te voegen. De mansvóórnaam Tammo, Tamme, nog heden
by de Friesen in volle gebruik, ligt aan den geslachtsnaam Tamson
ten grondslag, even als aan Tamminga, Tammes, Tamming enz. Over
den oorspronkeliken mansnaam die aan den geslachtsnaam Muysson
ten grondslag ligt, zie men het tijdschrift De Navorscher dl. XXVI,
bl. 561, en dl. XXVII, bl. 78 en 80. Neeteson is waarschijnlik ontleend
aan den oud-germaanschen mansnaam Nato, die in Förstemann's Namenbuch
vermeld staat. Van dezen zelfden mansnaam, die ook als Natto voorkomt,
zijn ook de geslachtsnamen Nettinga, † Nettema, Nettes en Netten, met
Nettekoven ontleend. Deze laatste naam is eigenlik een plaatsnaam,
en samengetrokken uit den volledigen form Nettinkhoven. Een gehucht
by Bonn in de Duitsche Rijnprovincie heet alzoo.

Deze geslachtsnaam Neeteson komt te Antwerpen voor onder den afwykenden
form Neettesonne, en dezen zelfden vreemden form vertoonen ook de
geslachtsnamen Heylesonne, Leenesonne, Meiresonne.

Patronymikale maagschapsnamen op son eindigende, komen ook veelvuldig
onder duitsche Israëliten als geslachtsnamen voor. En met deze lieden
zijn eenigen van die namen in de Nederlanden gekomen; b. v. Abrahamson,
Davidson, Benjaminson, Levison met Levisson, Salomonson, enz. Eenige
namen op sohn uitgaande, zijn natuurlik ook van hoogduitsche
inkomelingen afkomstig; b. v. Behrensohn, Elsensohn, Levyssohn en
Leefsohn. Ook zijn de namen dezer kleine groep hooftsakelik, zoo niet
uitsluitend, aan israëlitische geslachten eigen.

Door hollandsche misspelling is de oorspronkelike uitgang son by
eenige nederlandsche geslachtsnamen tot zon geworden. Deze dwaze
spelling vinden wy in de namen Gerbenzon, Gosenzon, Hanzon, Harmenzon,
Janszon, enz. Gerben, de naam die aan Gerbenzon ten grondslag ligt,
is een friesche mansvoornaam, nog heden in volle gebruik. Deze naam
gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamen Gerbens en Gerbensma.--Gosenzon
beteekent: zoon van Gosen, van Gosewyn of Godeswyn, Godswin. Van dezen
zelfden schoonen naam (Godswin immers beteekent Gods vriend) zijn ook
de veelvuldig voorkomende geslachtsnamen Gozens, Gosens, Goossen,
Goossens afgeleid.--Eenen zeer zonderlingen, pruikerig-geleerden
form vertoont ook de geslachtsnaam Brouckxon, die in Vlaanderen
inheemsch is, en in eenvoudig nederlandsche spelling als Broekson
dient geschreven te worden. Nevens dit Brouckxon komen in de vlaamsche
gewesten nog de geslachtsnamen Brouckx, Broecx en Broeckx voor, even
als in de friesche gouen Broekema, Broeksma, Broeksema en Broekens,
allen (zoon) van Broek, Broeke (Bruco) beteekenende. Dat dit Broeke
een oude mansvóórnaam is, blijkt ontegenzeggelik uit de bovenstaande
patronymikale geslachtsnamen. Hy is my echter in oude geschriften nooit
voorgekomen; en evenmin vond ik hem vermeld in de bekende naamlijsten.

In het grootste deel der nederlandsche gouspraken luidt het woord
zoon als zeun, seun of seune. Een paar hedendaagsche geslachtsnamen
vertoonen dien byzonderen form. Dit zijn Goudezeune en Goudeseune,
Janseune en Janszeune, en Lyseseune. De mansvóórnaam Goude, die aan
Goudeseune oorsprong gaf, houd ik voor den zelfden naam als Goue,
die, meestal in den verkleinform Gouke, nog heden by de Friesen in
volle gebruik is. De friesche geslachtsnamen Gouma, Goukema en Goukes
zijn daarvan afgeleid. En waarschijnlik ook de friesche dorpsnamen
Dola-Goutum, meestal enkel Goutum genoemd, en Scharne-Goutum. De
geslachtsnaam Gouwe (Gouwen? een tweede-naamval van Goue?), in
Holland voorkomende, zal hier ook wel mede samenhangen. Over Lyse,
de stamnaam van Lyseseune, zie men nader § 59.

§ 34. By het grootste deel der nederlandsche nieue patronymika is
het oorspronkelike achtervoegsel zoon, soon nog meer versleten en
verbasterd, dan in bovengenoemde voorbeelden aangegeven is. Namelik tot
zen, sen, se en zelfs tot eene enkele z of enkele s. De geslachtsnamen
die deze versletene formen vertoonen, zijn veel talryker dan die
welke op de vollere formen son, zon, soone, enz. uitgaan.

Zie hier eenige geslachtsnamen, waar het oorspronkelike soon of
zoon tot sen of zen is verbasterd: Freerkszen, Harmszen, Janszen,
Janssen, Janzen en Jansen, Klaassen en Klaaszen, Lambrechtsen,
Meinertsen, Pietersen, Willemsen.--Freerk, van Freerkszen, is de
oud-nederlandsche verkorting van Frederik, die tegenwoordig in Holland
door den hoogduitschen form Frits verdrongen is, maar in Friesland
nog dikwijls voorkomt.

By eenigen van bovenstaande namen is de tweede-naamvalsform op s,
tusschen den oorspronkeliken mansvóórnaam en het achtervoegsel sen
of zen behouden gebleven, terwijl die s in andere namen niet meer
geschreven wordt. By Harmszen en Janssen (Harm-s-zen, Jan-s-sen)
komt zy voor; by Jansen (Jan-sen) en Pietersen (Pieter-sen) is ze
verdwenen. Wijl deze s onmiddellik voorafgaat aan de s of z waarmeê de
lettergreep sen, zen begint, zoo versmelten deze beide sisklanken in
elkanderen, en raakt een er van gemakkelik in het schryven verloren,
omdat men hem in het spreken niet afzonderlik kan onderscheiden.

By een paar geslachtsnamen valt juist het tegenovergestelde op te
merken. Daar is niet slechts de s van den tweeden naamval behouden
gebleven, maar die tweede naamval van den mansvóórnaam vertoont nog den
volledigsten form op es, die sedert eeuen reeds uit de nederlandsche
schrijftaal verdwenen is. En daarachter volgt dan nog het tot sen
versletene woord zoon. Die namen zijn Gerdessen en Hugessen.--Gerd
(Gert, saamgetrokken van Gerhart), in ouden tweeden-naamvalsform
Gerdes, met sen, zoon daarachter, maakt Gerdessen. Even zoo Hugo,
Huge, in tweeden-naamval Huges, met sen er achter: Hugessen. Uit
deze samenstelling blijkt ook dat men de stemsate of klemtoon by
't uitspreken dezer namen niet op den tweeden lettergreep moet laten
rusten, zoo als dikwijls geschiedt. De geest onzer taal eischt dat
de volle klemtoon op den eersten lettergreep valle.

De Vlamingen en Brabanders zetten van ouds allerlei reeds
bestaande toenamen en geslachtsnamen in den tweeden naamval. Zy
maakten er patronymika van voor de zoons van de mannen, die reeds
zulke toenamen droegen. Ook by zulke eigenaardige namen welke
niet in eenen tweeden-naamval gedacht kunnen worden, of waar de
genitivus geheel overbodig was, of rechtstreeks tegen den geest
der taal indruischte, deden zy toch zoo. Op bl. 46 is reeds op
deze eigenaardige naamsforming gewezen; verder op in dit werk
zal men ook nog meer voorbeelden daarvan vinden. En zoo komen er,
hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, geslachtsnamen voor, waar
nog eene geheel overtollige s, als uitgang van eenen tweeden naamval,
gevoegd is achter een nieuformig patronymikon, achter eenen naam
die reeds in den tweeden naamval staat. Door die opeenhooping van
genitiven wordt den geest onzer taal geweld aan gedaan. Zulke namen
konden dan ook slechts dáár ontstaan, waar de geest der taal zoo
weinig gekend werd, zoo weinig gevoeld, dat men niet eens meer den
reeds bestaanden tweeden naamval in de patronymikale namen erkende,
dat men die naamsformen niet meer verstond. Adriaenssens, Aertssens,
Bastiaenssens, Claeissens, Claessens, Christiaenssens, Diercksens en
Dierckxsens, Janssens, Thijssens zijn voorbeelden van zulke dubbele
vadersnamen, die onder de zuid-nederlandsche geslachtsnamen geenszins
zeldzaam voorkomen. Janssens b. v. beteekent: zoon van den zoon van
Jan. Zulke namen zijn ware monsters, echte wanformen. Dierckxsens is
ook buitendien nog een monster van wanspelling.

My zijn nog een paar geslachtsnamen bekend, die ook tot deze groep
behooren, maar die nog zonderlinger verbastering vertoonen, wijl het
aanhangsel sen tot sin geworden is. Bruinssins en Lampsins zijn deze
namen. Bruinssins beteekent: zoon van den zoon van Bruno.--Lampsins
komt van den mansvóórnaam Lampe, die weinig of nooit meer in gebruik
is, maar die in de lijsten van nederlandsche vóórnamen van Wassenbergh
en Leendertz nog voorkomt, en ook, als Lampo, in Förstemann's
Namenbuch vermeld staat. Met Lampsins zijn ook de geslachtsnamen
Lamping, Lampsma, Lampen, benevens Lampson in Engelland, van dezen
ouden mansnaam afgeleid.

§ 35. Eenvoudiger in hun samenstelling zijn de geslachtsnamen waar
het reeds verbasterde achtervoegsel sen ook nog de n verloren heeft
en se geworden is. Hollanders en Zeeuen in d' eerste plaats, maar
ook wel Vlamingen en Brabanders, laten geerne, in hunne dageliksche
spreektaal, de slot-n achter de woorden weg--'t is genoeg bekend. Zoo
is in hun mond, b. v. van 't oorspronkelike Michielszoon, Michielszen,
weldra Michielsze of Michielse geworden. En wijl ze zoo spraken,
schreven ze ook alzoo. En toen deze losse toenamen eerlang vaste
geslachtsnamen werden, bleef die eigenaardige schrijfwyze wel
behouden. Dat dit aanhangsel se achter sommige geslachtsnamen in
der daad eene verbastering, eene inkorting is van sen, zoon, blijkt
ook uit het voorkomen dezer namen meest in Holland en Zeeland, waar
juist deze byzondere uitspraak heerscht. In de noordelike en oostelike
Nederlanden, onder de friesche en saksische bevolking dier gewesten,
waar men de slot-n achter de woorden juist zoo vol en duidelik,
als met nadruk hooren laat, zijn deze namen oorspronkelik niet
inheemsch. Van daar dat mansvóórnamen, die bepaaldelik in de friesche
en saksische streken van ons land in zwang zijn of waren, ook niet
als wortelnamen van deze geslachtsnamen voorkomen. Maar integendeel
zijn dat juist zulke mansnamen als bepaaldelik in Holland en Zeeland
gebruikelik zijn. Met ééne uitzondering--Jarigse, een geslachtsnaam
die aan den frieschen mansvóórnaam Jarich ontleend is. Toch komt
deze geslachtsnaam in Holland voor, en niet in Friesland; hy zal ook
wel in Holland ontstaan zijn, als toenaam voor de zonen van eenen in
Holland wonenden Fries Jarich. Echt friesche tegenhangers van dezen
geslachtsnaam Jarigse zijn de geslachtsnamen † Jariga en Jarichsma met
Jarigsma. De in Holland voorkomende geslachtsnaam Japikse heeft ook
half en half een friesch voorkomen, in zoo verre Japik heden ten dage
een meest friesche verbastering is van den naam Jacob, en men by dezen
naam als van zelven aan den naam van den grooten frieschen dichter
Gysbert Japicx denkt. Maar oudtijds kwam ook in Holland en andere
nederlandsche gewesten de naam Jacob in den form Japik en Jappick
voor, even zeer als nu nog in Friesland. Zoo vermeld nog het gildeboek
van het Sint-Sebastiaans-Handboogschuttersgilde te Inghelmunster in
West-Vlaanderen, zekeren Joos Jappick, op den jare 1716. De friesche
weêrga van den naam Japikse is de geslachtsnaam Jacobsma, en een
andere tegenhanger daarvan is de geslachtsnaam 'S Jacob.

Hier volgen nog eenige geslachtsnamen, patronymika op se:
Aarnoutse, Adriaanse, Baafse, Faasse [39]. Deze namen eischen weinig
verklaring. De mansnaam Baaf, die aan den geslachtsnaam Baafse ten
grondslag ligt, is eene verhollandsching van het latynsche Bavo, en
deze naam is oorspronkelik weêr het friesche Baue (zie bl. 62). In
den verkleinform Baafje komt deze naam ook nog in Holland en elders
als vrouenaam voor. Faasse komt van Faas, eene verkorting van
Bonifacius. Van dit zelfde Faas zijn nog afgeleid de geslachtsnamen
Fasinga en Fazinga en Faasma; terwijl het patronymikon Faasse nog in
allerlei formen, als Faassen, Vaassen, Fasen, Vaesen, Faessen, Fase,
zelfs Vase, als geslachtsnaam voorkomt. Lieven, waarvan Lievense,
is de oud-nederlandsche afkorting van den vollen oud-germaanschen
naam Liefwin, die, als geslachtsnaam, ook in den verbasterden form
van Liwijn voorkomt; zie ook bl. 82.

Vooral in Zeeland zijn de nieue patronymika op se eindigende, als
geslachtsnamen inheemsch. Opmerkelik is het dat er onder deze zeeusche
namen eenigen zijn, die afstammen van mansvóórnamen, welke tamelik
ongewoon, of in Nederland weinig meer in gebruik zijn. B. v. Aalbregse,
Alewijnse, Boudewijnse. [40]

De geslachtsnaam Cruyce, ofschoon in zulk eene afwykende spelling
voorkomende, behoort ook tot deze namen op se, wijl hy eigenlik
als Kruisse (Kruissen, Kruis'zoon) moest geschreven worden. Hy komt
dan werkelik ook in den form Kruysse als geslachtsnaam voor. Over
den mansnaam waarvan dit patronymikon is afgeleid, zie men
bl. 57. Waarschijnlik vertoonen de geslachtsnamen Kroese en Kroeze
slechts eenen anderen form van dezen zelfden naam. Intusschen kan
aan laatstgenoemde namen ook een ander woord ten grondslag liggen. Te
weten: kroes, krullend; zie § 126. Waarschijnlik is de geslachtsnaam
Bource ook anders niet dan zulk eene zonderling verkeerde, daarenboven
nog half vreemde (fransche ou in plaats van nederlandsche oe) spelling
van Boerse, (Boerssen, Boers-zoon) een patronymikon, even als Boeren,
Boers en Boersma, van den mansvóórnaam Boere; zie bl. 79.

§ 36. In sommige geslachtsnamen is het woord zoon, soon nog meer
verkort, dan tot zen, sen of se; het is samengekrompen tot eene
enkele z, die men daarenboven slechts in geschriften ziet, maar in
de uitspraak niet hoort. Deze geslachtsnamen, die oorspronkelik
grootendeels, zoo niet allen, in Noord-Nederland inheemsch zijn,
danken hun ontstaan aan de gewoonte van velen, vooral oudtijds en
in de eigenlik-hollandsche gewesten, om hunnen vadersnaam, in den
tweeden-naamval en met die z er achter, ter onderscheiding, te voegen
tusschen hunnen eigenen vóórnaam en hunnen geslachtsnaam, of achter
hunnen geslachtsnaam. Indien b. v. in de zelfde plaats twee mannen
wonen, die beiden Jan De Boer heeten, maar de een is een zoon van
Willem De Boer, en de vader van den anderen heette Hendrik--dan noemt
de eerste zich Jan Willemsz. De Boer, en de andere Jan Hendriksz. De
Boer, of Jan De Boer Willemsz. en Jan De Boer Hendriksz., voluit: Jan
Willems-zoon De Boer en Jan De Boer Hendriks-zoon. Om de omslachtigheid
in het noemen van die volle namen te myden, liet men ook weldra den
eigenliken geslachtsnaam (De Boer) weg, en sprak men slechts van Jan
Willemsz. en Jan Hendriksz., welke toenamen eerlang volkomen de plaats
van den oorspronkeliken geslachtsnaam innamen. Heden ten dage, nu de
zaak der geslachtsnamen vast geregeld is, kunnen zulke vadersnamen
niet meer in vaste geslachtsnamen overgaan. Maar het gebruik om zulke
toenamen, ter onderscheiding, te voeren, is nog hier en daar in zwang,
niet het minst ook by de burgers, kooplieden en boeren in de kleine
steden en dorpen van Noord-Holland, als overblijfsel van eene goede
oud-nederlandsche zede.

Zie hier eenige geslachtsnamen, die tot deze groep behooren:
Baltensz, Barendsz, Bruynsz. [41] Grootendeels zijn ze van welbekende
mansvóórnamen ontleend. Balt, (Bold, Bout) en Hilbert (Hildbrecht),
de wortels van Baltensz en Hilbertsz, zijn wel weinig in gebruik,
maar toch zeer goede oud-nederlandsche mansvóórnamen. En even zoo
is het met den wortel van Duivensz, met den mansvóórnaam Duif,
die nog zeldzamer voorkomt, en die, als zoodanig, niet gevonden
wordt in de naamlijsten van Wassenbergh, Brons en Leendertz. Dat hy
toch in gebruik was oudtijds, kan bewezen worden. In een stuk van
den jare 1582, voorkomende in de »Oorkonden der geschiedenis van
het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden", dl. II, bl. 720, worden
vermeld: »die erffgenaemen van Duyff Jelles in Sintte Jacobstraet"
te Leeuwarden. Hier is Duyff, Duif 's mans vóórnaam; Jelles,
patronymikon van den nog in volle gebruik zijnden frieschen mansnaam
Jelle, de toenaam van Duif. Waarschijnlik hangt deze oude mansnaam
samen met den oud-germaanschen mansnaam Dubi, die in Förstemann's
Namenbuch voorkomt. Even als Duyvensz stammen ook de geslachtsnamen
Duyfs en Duyvis van den mansnaam Duif af, met Duifjes en Duyfjes,
in verkleinform. Waarschijnlik ook het enkele Duif, ofschoon deze
naam ook kan ontleend zijn aan den naam van den bekenden vogel,
misschien als huisnaam, of van een uithangbord afkomstig. Of de
nederlandsche plaatsnamen Duiven, Duivenee, Duivendyke, Duivendrecht,
Duivenvoorde, en de namen van de dorpen Duveneck by Hoya in Hanover,
Duvenstedt by Hamburg, en Düverodt by Sieg in de Rijnprovincie, ook
aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, moet ik in het midden laten,
maar komt my toch wel waarschijnlik voor.

Een groot gedeelte van de geslachtsnamen op sz uitgaande, zijn niet
van algemeen-nederlandsche, maar van byzonder-friesche mansvóórnamen
geformd. Zy komen dan ook meest in Friesland voor. Zie hier eenigen
daarvan: Agesz, Edesz, Gelfsz. [42]--Age, Ede (Edo), Gelf of Gerlif,
Halbe, Ige (Ygo), Lolke (verkleinform van Lolle), Meine, Melle, Nanne,
Oeble (Oebele (Ubolyn) verkleinform van Oebe, Ubo), Ome (komt vooral
in Groningerland en Oost-Friesland in den verkleinform als Oomke,
Omke, Umke, Umco voor--van daar de geslachtsnaam Oomkens), Poppe,
Rinse, Ruurd, Rouke, Sebe (is vooral aan de Eems in gebruik--van daar
de oorspronkelik oostfriesche geslachtsnamen, friesche patronymika,
Seba, Seeba en te Amsterdam verhollandscht Zeeba), Sibble, Sibe of
Sybo, Sikke of Sicco--dat zijn allen mansvóórnamen in onze friesche
gewesten nog in volle gebruik.

De geslachtsnaam Amesz is het patronymikon van den ouden, by Förstemann
als Amo, by Leendertz als Ame vermelden mansvóórnaam, waarvan ook de
geslachtsnaam † Amama een friesch patronymikon is. Bensz komt van Benne
(zie bl. 28) en Lelsz van Lelle, Lello, een friesche mansvóórnaam,
die wel zelden voorkomt, maar toch zoo wel door Förstemann, als
door Wassenbergh, Leendertz en Brons in hunne lijsten is opgenomen,
en die ook oorsprong gaf aan den naam van het dorp Lellens in
Fivelgo (Groningen), met Lellingen, een dorp in Luxemburg, en Lelm
(Lella-heim), een dorp by Königslutter in Brunswijk.

Eenige geslachtsnamen zijn my nog bekend, die, door verkeerde
schrijfwyze, slechts eene enkele z achter den oorspronkeliken
mansvóórnaam vertoonen, en waar van de s, het kenmerk van den tweeden
naamval verloren gegaan is. Dat zijn Arentz, Baartz, Baerentz,
Clootz, [43] van de mansvóórnamen Arend, Barend en Leendert, die
welbekend, en Baart, Kloot, Feite, Loot en Reit, die minder bekend
zijn. Baart, Baert, ook Beert, is eene verbastering van Barend,
Bernart; zie bl. 81. De mansnaam Kloot is my, als zoodanig, nooit in
Nederland voorgekomen. Dat hy echter moet bestaan hebben, getuigen,
nevens Clootz, nog de geslachtsnamen Cloots, Kloots, Klootsema,
ook Clootens, Cloetens en Cluytens; misschien ook, in versletenen
form, Kloos en Klosma, allen nieue patronymika. Eveneens de oude
vadersnamen Clotinck en Cloetingh, en den naam van het dorp Kloetinge,
by ter Goes in Zeeland. Kan deze mansnaam Kloot samenhangen met den
oud-germaanschen naam, in frankischen form, Chlodio? De nederlandsche
form die aan dezen ouden naam beantwoordt, is anders Lode, Lude,
Luite. Deze naam Lode, Lote geeft de verklaring van den geslachtsnaam
Lootz, met Loots--dit kan ook een beroepsnaam ijn, loods--, Looten,
Loten, Lotinga en Lootsma.--Feite en Reit, van Feitz, Feits, Feytama,
Feitema, Feites, en van Reitz, Reitinga, Reidinga, Reiding, Reidsma
en Reits, zijn nog in volle gebruik als friesche mansvóórnamen.

§ 37. Eene zeer talryke groep van geslachtsnamen wordt door die
vadersnamen geformd, by welken het achtervoegsel zoon, ook in zyne
verschillende afgesletene formen, volkomen verloren is gegaan, zoo dat
slechts een mansvóórnaam in den tweeden naamval is overgebleven. Zulke
zeer eenvoudige namen zijn b. v. Bartels, Bastiaans, Commers [44]. Het
grootste deel dezer namen eischt geenen naderen uitleg. Commer,
Kommer is een oud-nederlandsche mansvóórnaam die nog heden, vooral
ten platten lande in Zuid-Holland wel voorkomt. Koert en Coenders
zijn beide ontleend aan samengetrokkene formen van den mansnaam
Koenraad; zie bl. 74. Koop, de wortelnaam van Koops en Coops, is eene
verbastering van Jacob, vooral in de friso-saksische streken van Drente
en Overijssel in gebruik, en die ook aan de geslachtsnamen Kopinga,
Copinga en Koopsma oorsprong gaf. Sibout of Sibolt, voluit Sîgbolt,
Sîgbalt, is een schoone, volle oud-germaansche mansvóórnaam, die in
Friesland en Groningen nog in gebruik is--onder den form Sibout meest
in Friesland, als Sibolt meer in Groningerland. En zoo komen ook de
geslachtsnamen Sybouts in het eerste, Sibolts in het laatstgenoemde
gewest voor.

Onder deze groep van geslachtsnamen komen er ook velen voor, die aan
schoone, volle oud-germaansche mansnamen ontleend zijn. Mansvóórnamen
die thans in Nederland weinig of niet meer in gebruik zijn, tenzy dan
in onze noordelike en noord-oostelike gewesten, onder de friesche en
saksische bevolking dier gouen, maar die in de middeleeuen algemeen
eigendom waren van alle germaansche volken. Deze patronymika
moeten reeds vroeg, vóór 1600, tot vaste toenamen zijn geworden,
en bleven later ook als vaste geslachtsnamen in gebruik, terwijl de
oorspronkelike namen, waar zy van afstammen, by het nederlandsche volk
als mansvóórnamen uitstierven. Zy getuigen nu nog van oude tyden, toen
het germaansche taal-bewustzijn by ons volk nog levendig was. Zulke
namen zijn: Arkenbouts, Bloemarts, Ganglofs. [45] De mansnaam Arkenbout
is nog als Archimbald in Engelland in gebruik. Bloemaart, Bloemhart,
Bluomhart, een oude, schoone naam, al wordt hy in geen der my bekende
lijsten van nederlandsche namen vermeld, is in Friesland althans nog
niet geheel uitgestorven. Petrus Bloemerts (dat is Bloemerts-zoon)
Prins, geboren te Dwingeloo, was van 1784-1828 predikant te Diever,
in Drente. Van dezen zelfden naam stammen nog de geslachtsnamen Van
Bloemersma (Bloemersma-sate is te Niekerk in het Wester-kwartier
van Groningerland), en Blommerde, beiden patronymika; buitendien nog
Blomhert, Blommaert, Bloemert, Blommert, Bloemer, en in Duitschland
Blumhart. Bloemhart is een samengestelde naam, van Bloem en Hart,
even als Evert, Everhart van Ever en Hart; Rykert, Richard,
van Rijk en Hart, enz. De enkele wortel van dezen naam Bloem was
oudtijds ook als mansnaam in gebruik. Dit getuigen de hedendaagsche
geslachtsnamen Bloeming, Bloemink in Twente, Blumink in Duitschland,
Bloomington in Engelland, allen oude vadersnamen. Buitendien nog
Bloema, Bloemsma, Blomsma, Bloems en Bloemen, Blommen, Blomme,
allen nieue patronymika. Misschien ook het enkelvoudige Bloem, met
Blom. Ik vermeld al deze geslachtsnamen hier zoo opzettelik, omdat
Wassenbergh, Leendertz en Brons de mansnamen Bloem en Bloemhart niet
in hunne lijsten opgenomen

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/36077