Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven
by Henri Murger · Dutch · Gutenberg #35741 · 644,318 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven
Author: Henri Murger
Translator: Willem Jacob Aarland Roldanus
Release date: April 1, 2011 [eBook #35741]
Most recently updated: January 13, 2023
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/35741
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KUNSTENAARSLEVEN TE PARIJS: ROMAN UIT HET BOHÈME-LEVEN ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg
KUNSTENAARSLEVEN TE PARIJS
Roman uit het Bohème-leven
Door
HENRI MURGER
Bewerkt door W. J. A. Roldanus Jr.
Uitgegeven door J. M. Meulenhoff
te Amsterdam op het Damrak 88
HOOFDSTUK I.
HOE DE VRIENDENKRING DER BOHÈME TOT STAND KWAM.
Ziehier hoe het toeval, dat de ongeloovige sceptici den zaakwaarnemer
van onzen Lieven Heer noemen, op een goeden dag de individuen met
elkaar in aanraking bracht, die in hun broederlijke samenhoorigheid
later den vriendenkring zouden vormen, samengesteld uit dat deel
der Bohème, hetwelk de schrijver van dit boek getracht heeft aan het
publiek te doen leeren kennen.
Op een goeden morgen (het was 8 April) werd Alexandre Schaunard, die
twee vrije kunsten, n. l. de schilderkunst en de muziek, beoefende,
plotseling gewekt door het wijsje, dat een haan uit de buurt, dien
hij als wekker gebruikte, hem toezong.
"Allemachtig!" riep Schaunard uit, "mijn gevederde wekker loopt voor;
het kan nog onmogelijk vandaag zijn."
Terwijl hij dit zeide, sprong hij vlug uit een meubelstuk, dat hij
na heel veel moeite en inspanning uitgedacht had, en dat 's nachts
de rol van bed speelde--en niet om er wat van te zeggen, maar het
speelde die vrij slecht--, terwijl het overdag die van alle andere
meubels vervulde, welke ten gevolge van de strenge koude, die den
vorigen winter geheerscht had, door afwezigheid schitterden: een
soort Jan-draag-an-meubel dus, zooals men ziet.
Om zich tegen den snijdenden kouden morgenwind te beschermen, schoot
Schaunard inderhaast een rose zijden en met sterretjes en loovertjes
bezaaiden rok aan, dien hij als kamerjapon gebruikte. Dit klatergoud
was op een bal-masqué-nacht bij den artist achtergelaten door een
Pierrette, die zoo dom geweest was zich te laten vangen door de
bedriegelijke beloften van Schaunard, die, vermomd als markies de
Mondor, in zijn zakken den verleidelijken klank had laten rinkelen
van een dozijntje daalders, nagemaakt geld, uit een stuk metaal door
een uitslagmachine gesneden, en uit de accessoires van een schouwburg
geleend.
Na zich in zijn kamertoilet gestoken te hebben, zette hij het raam en
het luik open. Als een lichtpijl drong plotseling een zonnestraal in
de kamer door, die hem dwong zijn oogen, welke nog vol slaap zaten,
wijd open te doen; tegelijkertijd sloeg het op een kerktoren in de
buurt vijf uur.
"De ochtendstond in eigen persoon," mompelde Schaunard in zichzelf;
"dat is prachtig. Maar," voegde hij eraan toe, een kalender, die aan
den muur hing, raadplegende, "desniettemin is zij leelijk in de war. De
aanwijzingen der wetenschap verzekeren, dat in dezen tijd van het jaar
de zon eerst om half zes moet opgaan; het is pas vijf en nu is zij
al op. Een misdadige ijver! dat hemellichaam is heelemaal van streek;
ik zal een klacht indienen bij de sterrewacht. Intusschen," voegde hij
eraan toe, "zou ik me toch eigenlijk een beetje ongerust moeten gaan
maken; het is vandaag de dag, volgende op dien van gisteren, en daar
het gisteren de 7de was, moet het, tenzij Saturnus achterwaarts loopt,
vandaag de 8ste April zijn; en indien ik de woorden van dit geschrift
gelooven mag," zeide Schaunard, terwijl hij een deurwaardersexploot,
dat hij aan den muur geplakt had, ging lezen, "moet ik vandaag om
twaalf uur precies deze vertrekken verlaten en mijnheer Bernard, mijn
huisbaas, een som van vijf-en-twintig francs ter hand gesteld hebben
voor drie vervallen termijnen huur, die hij in een zeer slecht schrift
van mij opeischt. Zooals altijd had ik hoop gehad, dat het toeval er
zich mede zou belasten deze zaak in het reine te brengen; maar het
begint erop te lijken, dat het er geen tijd voor gehad heeft. Enfin,
ik heb nog zes uur voor me; wie weet, wanneer ik ze goed gebruik
.... Vooruit .... vooruit, op weg," voegde Schaunard eraan toe.
Hij maakte aanstalten, om een overjas, waarvan de oorspronkelijk
langharige stof door een algemeene kaalheid was aangetast, aan te
trekken, toen hij plotseling als bezeten in zijn kamer een door hem
gecomponeerde balletdans begon uit te voeren, die hem op de publieke
bals meermalen de eer verschaft had kennis te maken met de politie.
"Kijk, kijk!" riep hij uit, "het is verwonderlijk, zooals de
morgenlucht je op idées brengt; het is net, alsof ik mijn wijsje op
het spoor ben. Even probeeren ...."
En, half naakt, ging hij voor zijn piano zitten en begon, na het
ingeslapen instrument door een stormachtigen accoordaanslag te hebben
gewekt, op het klavier den melodischen zin, dien hij reeds sedert
zoo langen tijd zocht, te vervolgen.
"Do, sol, mi, do, la, si, do, ré, boem, boem. Fa, ré, mi, ré. Nee,
aïe! die ré is zoo valsch als Judas," riep Schaunard uit en sloeg
daarbij zoo hard als hij kon op de noot met den twijfelachtigen
klank. "Laten wij den mineur eens probeeren .... Die moet het verdriet
schilderen van een jong meisje, dat een witte margeriet in een blauw
meer ontbladert. Het is niet wat je een bepaald nieuw denkbeeld
noemt. Enfin, het is nu eenmaal de mode, en daar je niet makkelijk
een uitgever zoudt vinden, die een romance durft uitgeven, waarin
geen blauw meer voorkomt, moet ik me er wel in schikken .... Do,
sol, mi, do, la, si, do, ré; dat klinkt zoo kwaad niet, het geeft
vrijwel een denkbeeld van een madeliefje, vooral aan menschen,
die sterk zijn in botanie. La, si, do, ré, verdomde ré, loop naar
den bliksem! Om een goed denkbeeld te geven van het blauwe meer,
zou ik nu iets vochtigs, hemelsblauws, iets heldere-maanachtigs
(want de maan is ook van de partij) noodig hebben; maar laat ik
oppassen, dat ik de zwaan niet vergeet .... Fa, mi, la, sol," ging
Schaunard voort, terwijl hij de heldere noten van de hooge octaven
liet klinken. "Rest nu nog het afscheid van het jonge meisje, dat
besluit zich in het blauwe meer te storten, om zich weer met haar
onder de sneeuw begraven geliefde te vereenigen. Die ontknooping is
niet duidelijk," mompelde Schaunard, "maar zij is interessant. Daar
moet ik iets teers, iets melancholieks voor hebben; daar is het al,
daar is het al, dat zijn een twaalf maten, die weenen als Magdalena's,
het snijdt je door je hart! Brr! Brr!" zeide Schaunard, rillend in
zijn met sterren bezaaiden rok, "als het ook maar hout sneed! Er ligt
in mijn alkoof een balk, die me leelijk hindert, wanneer ik menschen
.... te dineeren heb; ik zal er een beetje vuur mede aanleggen .... la,
la .... ré, mi .... want ik voel, dat de inspiratie tegelijk met een
verkoudheid tot mij komt .... Enfin, ook al zoo erg niet! Laat ik
het jonge meisje verder verdrinken!"
En terwijl zijn vingers het trillende klavier pijnigden, vervolgde
Schaunard met vlammend oog en gespannen oor zijn melodie, die, als
een ongrijpbare sylphide, zweefde midden in de klankrijke mist, welke
de trillingen van het instrument in de kamer schenen te doen oprijzen.
"En laten we nu eens zien," ging Schaunard voort, "hoe mijn muziek
zich aanpast bij de woorden van mijn dichter."
En hij neuriede met een onaangenaam stemgeluid dit fragment van poëzie,
die speciaal gebruikt wordt voor opéras comiques en ulevelrijmpjes:
La blonde jeune fille,
Vers le ciel étoilé,
En ôtant sa mantille,
Jette un regard voilé,
Et dans l'onde azurée
Du lac aux flots d'argent ...
. . . . . . . .
"Lieve Hemel!" riep Schaunard in een gerechtvaardigde verontwaardiging
uit, "de hemelsblauwe golf van een zilver meer, dat had ik nog
niet opgemerkt, dat is ten slotte te romantisch, die dichter is een
idioot, hij heeft nog nooit zilver of een meer gezien. Zijn ballade
is bovendien onzin; de caesuur der verzen staat mijn melodie in den
weg; in het vervolg zal ik mijn teksten zelf dichten, en niet later
dan op dit oogenblik begin ik er mee; daar ik mij in vorm gevoel,
zal ik een kleine schets van coupletten maken, om er mijn melodie
bij aan te passen."
En Schaunard nam, zijn hoofd tusschen zijn beide handen begravende,
de houding aan van een sterveling, die betrekkingen met de Muzen
onderhoudt.
Na verloop van eenige minuten van dit heilige huwlijk bracht hij een
van die gedrochtelijkheden ter wereld, welke de schrijvers van libretti
terecht monsters noemen en die zij vrij makkelijk improviseeren om
als voorloopige schets voor de inspiratie van den componist te dienen.
Doch het monster van Schaunard had beteekenis en zin; het drukte vrij
duidelijk de ongerustheid uit, welke in zijn geest gewekt werd door
de brutale komst van dezen datum: den achtsten April.
Ziehier het couplet:
Huit et huit font seize,
J'pose six et retiens un.
Je serais bien aise
De trouver quelqu'un
De pauvre et d'honnête
Qui m' prête huit cents francs,
Pour payer mes dettes
Quand j'aurai le temps.
Refrein.
Et quand sonnerait au cadran suprême
Midi moins un quart.
Avec probité je paîrais mon terme (ter.)
A monsieur Bernard.
"Duivels," zeide Schaunard, toen hij zijn gedicht herlas, "terme en
suprême zijn nu niet bepaald millionairsrijmen, maar ik heb geen tijd
om ze rijk te maken. Laten we nu eens zien hoe de noten zich paren
met de lettergrepen."
En met het hem eigen vreeselijk neusgeluid begon hij opnieuw zijn
romance uit te voeren. Ongetwijfeld voldaan over het resultaat,
dat hij verkregen had, wenschte Schaunard zichzelf geluk met een
jubelenden grijns, die, gelijk aan een accent circonflexe, zich telkens
wanneer hij tevreden over zichzelf was, schrijlings op zijn neus
vertoonde. Doch die trotsche gelukzaligheid was niet van langen duur.
Het sloeg op den dichtstbijzijnden toren elf uur; iedere slag drong
in de kamer door en loste zich op in spottende klanken, die tot den
ongelukkigen Schaunard schenen te zeggen: "Ben je gereed?"
De artist sprong op een stoel.
"De tijd loopt als een hert," zeide hij .... "ik heb nog maar drie
kwartier om mijn vijf-en-zeventig francs en mijn nieuwe woning te
vinden. Ik kom er nooit mee klaar, dat zou tot het domein der tooverij
gaan behooren. Welnu, ik geef me vijf minuten om het te vinden";
en zijn hoofd tusschen zijn knieën verbergend, daalde hij af in de
afgronden der overpeinzing.
Toen de vijf minuten om waren, richtte Schaunard zijn hoofd weer op,
zonder iets gevonden te hebben, dat op vijf-en-zeventig francs geleek.
"Er blijft nog slechts één manier over, om van hier weg te komen,
en die is, om heel gewoontjes weg te gaan; het is mooi weer, mijn
vriend het toeval wandelt misschien wel in het zonnetje. Hij moet
me maar gastvrijheid verleenen, totdat ik het middel gevonden heb,
om mijn zaken met mijnheer Bernard af te wikkelen."
Nadat Schaunard de zakken van zijn overjas, die diep waren als kelders,
had volgepropt met al de voorwerpen, die zij konden bevatten, knoopte
hij in een das enkele stukken linnengoed en verliet daarop, niet zonder
met enkele woorden zijn domicilie te hebben vaarwel gezegd, zijn kamer.
Toen hij de binnenplaats overstak, hield de concierge van het huis,
die blijkbaar op hem wachtte, hem plotseling staande.
"Hé, mijnheer Schaunard!" riep hij hem toe, terwijl hij den artist
belette verder te gaan; "u bent toch niet vergeten, dat het vandaag
de 8ste is."
"Huit et huit font seize.
J'pose six et retiens un,"
neuriede Schaunard; "ik denk nergens anders aan."
"U bent wel wat laat met uw verhuizing," zeide de portier; "het is
half twaalf, en de nieuwe huurder, die uw kamer gehuurd heeft, kan
ieder oogenblik komen. U moet probeeren wat haast te maken!"
"Maar dan moet u mij doorlaten," antwoordde Schaunard; "ik wou juist
een verhuiswagen halen."
"Dat is prachtig; maar vòòr u verhuist, moet er nog een kleine
formaliteit vervuld worden. Ik heb order, dat u geen haar moogt
meenemen, voordat u de drie vervallen termijnen betaald hebt. Daartoe
zult u waarschijnlijk wel in staat zijn."
"Voor den donder," zeide Schaunard, die een pas voorwaarts deed.
"Kom dan even bij me in mijn loge, dan zal ik u uw quitantie geven."
"Ik zal ze, als ik terugkom, wel meenemen."
"Maar waarom niet dadelijk?" drong de concierge aan.
"Ik moet geld wisselen .... Ik heb geen kleingeld."
"Zoo, zoo!" zeide de andere ongerust, "gaat u geld wisselen? Om het u
makkelijk te maken, zal ik zoolang het pakje, dat u onder uw arm hebt,
en dat u zou kunnen hinderen, bewaren."
"Mijnheer de concierge," zeide Schaunard in het volle besef van zijn
waardigheid; "wantrouwt u mij bij geval ook? Denkt u, dat ik mijn
meubels in een zakdoek meeneem?"
"Neem me niet kwalijk, mijnheer," antwoordde de concierge, die een
toontje lager begon te zingen, "dat is mijn consigne. Mijnheer Bernard
heeft mij uitdrukkelijk bevolen u geen haar te laten medenemen,
voor u betaald hebt."
"Maar kijk dan," zeide Schaunard, terwijl hij het pakje open maakte,
"dat zijn geen haren, maar hemden, die ik naar de waschvrouw breng,
die naast den geldwisselaar, twintig pas hiervandaan, woont."
"Dat is wat anders," merkte de concierge, na den inhoud van het pakje
onderzocht te hebben, op. "Maar zonder indiscreet te willen zijn,
mijnheer Schaunard, zou ik ook uw nieuwe adres mogen weten?"
"Ik ga in de rue de Rivoli wonen," antwoordde koeltjes de artist,
die, nu hij eenmaal in de straat was, zich zoo gauw mogelijk uit de
voeten maakte.
"Rue de Rivoli," mompelde de concierge in zichzelf, terwijl hij met
zijn vingers in zijn neus pulkte, "het is wel een beetje vreemd, dat
ze hem in de rue de Rivoli kamers verhuurd hebben en hier heelemaal
geen informaties naar hem zijn komen nemen; het is wel een beetje
vreemd. Enfin, zonder betalen krijgt hij zijn meubels niet mede. Als
de nieuwe huurder nou maar niet net komt als Schaunard bezig is zijn
boeltje weg te halen. Dat zou me op de trap een herrie geven! Lieve
Hemel," zeide hij plotseling, terwijl hij zijn hoofd door het
schuifraampje stak, "daar heb je hem net."
Gevolgd door een pakjesdrager, die nu niet bepaald onder zijn last
scheen te bezwijken, kwam op dat oogenblik een jonge man met een
witten Louis XIII hoed op, de vestibule binnen.
"Mijnheer," vroeg hij den concierge, die hem tegemoet ging, "is mijn
appartement vrij?"
"Nog niet, mijnheer, maar het zal niet lang meer duren. De
tegenwoordige huurder is een verhuiswagen gaan halen. Misschien wil
mijnheer zijn meubels zoo lang op de binnenplaats zetten."
"Ik ben bang, dat het zal gaan regenen," antwoordde de jonge man,
terwijl hij kalm op een bouquetje viooltjes, dat hij tusschen zijn
tanden hield, kauwde, "en dan zouden mijn meubelen bederven. Vriendje,"
voegde hij eraan toe, terwijl hij zich wendde tot den witkiel,
die achter hem was blijven staan en aan zijn draagzeel een aantal
voorwerpen had hangen, waarvan de concierge niet precies begrijpen
kon, wat het waren, "zet dat maar neer in de vestibule en ga dan
op mijn vroegere kamers halen wat er nog aan kostbare meubels en
kunstvoorwerpen over is."
De witkiel zette langs den muur verschillende houten lijsten neer
van zes à zeven voet hoog, waarvan de bladen gemakkelijk heen en weer
konden gaan.
"Kijk!" zeide de jonge man tegen den witkiel, terwijl hij een der
deksels opende en hem op een scheur in het linnen wees, "daar heb je
al een ongeluk. Er zit een stervormige barst in mijn Venetiaanschen
spiegel. Wees op je tweeden tocht voorzichtiger en let vooral goed
op mijn bibliotheek."
"Wat bedoelt hij toch met zijn Venetiaanschen spiegel?" bromde de
concierge, die ongerust om de langs den muur geplaatste houten ramen
dwaalde, in zichzelf; "ik zie geen spiegel; maar dat is zeker een
grap, ik zie niets, dan een kamerschut; enfin we zullen wel eens
kijken wat er met de tweede reis mee komt."
"Zou uw huurder niet gauw de kamers leeg maken? Het is half een,
en ik zou wel willen beginnen met inruimen," zeide de jonge man.
"Hij zal nu wel dadelijk hier zijn," antwoordde de concierge;
"trouwens, zoo heel erg is het niet, want uw meubels zijn toch nog
niet hier," voegde hij eraan toe, nadruk leggend op de laatste woorden.
De jonge man wilde antwoorden, toen juist een dragonder-ordonnance
de binnenplaats opkwam.
"Woont mijnheer Bernard hier?" vroeg hij, terwijl hij een brief uit
zijn portefeuille haalde.
"Die woont hier," antwoordde de concierge.
"Hier is een brief voor hem," zeide de ordonnance, "geef mij het reçu
ervoor;" en hij overhandigde den concierge een reçu, dat deze in zijn
loge ging teekenen.
"Neem me niet kwalijk, dat ik u even alleen laat," zeide de concierge
tot den jongen man, die ongeduldig op de binnenplaats heen en weer
liep, "maar ik heb hier een brief van den minister voor mijnheer
Bernard, den huisheer, dien moet ik even boven brengen."
Toen de concierge op zijn kamer kwam, was mijnheer Bernard bezig zich
te scheren.
"Wat wil je van me, Durand?"
"Mijnheer," antwoordde deze, zijn pet afnemend, "een ordonnance is
dat voor u komen brengen, het komt van den minister."
En hij gaf mijnheer Bernard den brief, op welks enveloppe het zegel
van het departement van Oorlog geplakt was.
"Goede God!" zeide mijnheer Bernard, zòò ontdaan, dat hij zich bijna
in zijn gezicht sneed: "van het ministerie van Oorlog! Dat is zeker
mijn benoeming tot ridder van het Legioen van Eer, waarom ik reeds
zoo lang gevraagd heb; eindelijk laten zij mijn verdiensten recht
wedervaren. Hier, Durand," zeide hij, terwijl hij in zijn vestjeszakje
zocht, "daar heb je vijf francs om op mijn gezondheid te drinken. Ach,
ik heb mijn beurs niet in mijn zak; ik zal ze je dadelijk geven,
wacht maar even."
De concierge was door dezen aanval van verpletterende edelmoedigheid,
waaraan zijn huisheer hem niet gewend had, zòò ontdaan, dat hij zijn
pet weer opzette.
Maar mijnheer Bernard, die bij andere gelegenheden dien inbreuk op
de wetten der maatschappelijke hiërarchie niet geduld zou hebben,
scheen het niet op te merken. Hij zette zijn bril op, scheurde de
enveloppe open met de eerbiedige ontroering van een vizier, die een
firman van den sultan ontvangt, en begon den inhoud te lezen. Bij
de eerste regels groefde een vreeselijke grijns karmijnroode plooien
in het vet van zijn wangen, en begonnen zijn kleine oogjes vonken te
schieten, die bijna de lokken van zijn verwarde pruik in brand staken.
In het kort zijn trekken veranderden plotseling zòò, dat men vermoed
zou hebben, dat er op zijn gezicht een aardbeving had plaats gehad.
Ziehier den inhoud der missive, geschreven op papier met het hoofd
van het ministerie van Oorlog en met lossen teugel gebracht door
een ordonnance:
"Mijnheer en huisheer,
De beleefdheid, die, mag men de mythologie gelooven, de grootmoeder
der hoofsche manieren is, verplicht mij u te doen weten, dat ik
mij in de wreede noodzakelijkheid bevind niet te kunnen voldoen
aan de gewoonte om zijn huur te betalen, vooral wanneer men
die schuldig is. Tot op dezen ochtend had ik de hoop gekoesterd,
dezen schoonen dag te kunnen vieren door uw drie huurquitanties te
voldoen. Chimère, illusie! Terwijl ik op het kussen der zekerheid
sluimerde, deed het ongeluk, anangke in het Grieksch, mijn hoop
in rook vervliegen. De gelden, waarop ik rekende--God, wat gaat
de handel slecht--zijn niet binnengekomen; van de belangrijke
sommen, die ik moet innen, heb ik nog slechts drie francs
ontvangen, die ik bovendien nog geleend heb; ik durf ze u niet
aanbieden. Betere dagen zullen aanbreken voor ons schoon Frankrijk
en voor mij, mijnheer, twijfel daar niet aan. Zoodra zij aan den
hemel geschitterd hebben, zal ik vleugels nemen, om u daarvan te
onderrichten en uit uw huis terug te halen de kostbare zaken, die
ik daar heb achtergelaten en die ik onder de bescherming stel van
u en van de wet, welke u verbiedt deze vòòr het verstrijken van
een jaar, te verkoopen in het geval, dat gij zulks zoudt willen
beproeven, om in het bezit te komen van de sommen, waarvoor gij
gecrediteerd zijt op de boeken van mijn rechtschapenheid. Ik beveel
u in het bijzonder mijn piano aan en den grooten lijst, waarin zich
zestig haarlokken bevinden, wier verschillende kleuren de geheele
gamma der haarnuances doorloopen en die door het ontleedmes der
Liefde ontnomen zijn aan het voorhoofd der Gratiën.
"Gij kunt dus, mijnheer en huisheer, over het plafond, waaronder
ik gewoond heb, beschikken. Ik geef u daartoe mijn toestemming,
gewaarmerkt door mijn onderteekening.
Alexandre Schaunard."
Toen mijnheer Bernard dezen brief, welken de artist in het bureau van
een zijner vrienden, die ambtenaar aan het ministerie van Oorlog was,
had geschreven, ten einde gelezen had, frommelde hij hem verontwaardigd
in elkaar; en toen zijn blik op vader Durand viel, die op de beloofde
fooi stond te wachten, vroeg hij hem ruw wat hij daar deed.
"Ik wacht, mijnheer!"
"Waarop?"
"Wel, op het fooitje, dat mijnheer .... van wegens de goede
tijding!" stamelde de concierge.
"Eruit! Kerel, blijf je met je pet op je kop in de kamer staan?"
"Maar, mijnheer ...."
"Vooruit, geen maren, eruit, of neen, wacht even. Wij zullen naar
de kamer van dien smeerlap-artist gaan, die verhuist zonder me te
betalen."
"Wat?" riep de portier uit, "mijnheer Schaunard?"
"Ja," antwoordde de huisheer, die hoe langer hoe meer op een razenden
Roland begon te gelijken. "En als hij ook maar het geringste heeft
meegenomen, dan jaag ik je weg, versta je, jaaààg ik je weg."
"Maar dat bestaat niet!" mompelde de arme concierge, "mijnheer
Schaunard is niet vertrokken; hij is uitgegaan, om klein geld te
halen, om mijnheer te betalen, en om een verhuiswagen voor zijn
meubels te bestellen."
"Zijn meubels weghalen!" riep mijnheer Bernard uit; "gauw wat;
ik ben er zeker van, dat hij daarmede bezig is; hij heeft je een
loer gedraaid om je uit je loge te lokken en zijn slag te slaan,
stommeling, die je bent!"
"Lieve Hemel, stommeling, die ik ben!" riep vader Durand uit, bevend
voor de Olympische toorn van zijn heer, die hem op de trap meesleepte.
Toen zij op de binnenplaats kwamen, werd de concierge aangesproken
door den jongen man met den witten hoed.
"Hé daar, conciërge!" riep hij, "wanneer word ik nu eindelijk in
het bezit van mijn appartementen gesteld? Is het vandaag de 8ste of
niet? Heb ik hier gehuurd of niet? Heb ik je je Godspenning gegeven
of niet?"
"Een oogenblik, mijnheer, een oogenblik!" zeide de huisheer, "dan ben
ik tot uw dienst. Durand," voegde hij eraan toe, zich tot den concierge
wendende, "ik zal mijnheer zelf wel te woord staan. Vlieg jij naar
boven, die smeerlap van een Schaunard is natuurlijk teruggekomen,
om zijn boeltje te pakken; sluit hem op, als je hem snapt, en kom
dan naar beneden, om de politie te halen."
Vader Durand verdween de trap op.
"Pardon, mijnheer," zeide hij, terwijl hij een buiging maakte, tot
den jongen man, met wien hij alleen gebleven was; "met wien heb ik
de eer te spreken?"
"Mijnheer, ik ben uw nieuwe huurder; ik heb in dit huis een kamer op
de zesde verdieping gehuurd; en het begint me te vervelen, dat die
kamer nu nog niet leeg is."
"Het spijt mij ook zeer, mijnheer," antwoordde mijnheer Bernard,
"maar er is een moeilijkheid ontstaan tusschen mij en den huurder,
voor wien u in de plaats komt."
"Mijnheer, mijnheer!" gilde uit een raam van de hoogste verdieping
vader Durand; "mijnheer Schaunard is er niet....maar de kamer
is er.... Stommeling, die ik ben, ik bedoel, dat hij niets heeft
medegenomen, geen haar, mijnheer."
"Dan is het goed. Kom naar beneden," antwoordde mijnheer Bernard. "Een
oogenblikje geduld, als het u blieft," ging hij voort, zich tot den
jongen man richtend. "Mijn concierge zal de voorwerpen, die de kamer
van mijn insolvabelen huurder versieren, naar den kelder brengen,
en binnen een half uur zult u de appartementen kunnen betrekken;
trouwens uw meubels zijn er ook nog niet."
"Pardon, mijnheer," antwoordde de jonge man kalm.
Mijnheer Bernard keek om zich heen, doch zag slechts de groote
kamerschutten, waarover de concierge ook al zijn hoofd geschud had.
"Wat, pardon .... wat ...." mompelde hij, "maar ik zie niets."
"Daar," antwoordde de jonge man, terwijl hij de bladen der lijsten
losmaakte en den verbaasden eigenaar een prachtig paleis-intérieur met
colonnes van jaspis, bas-reliefs en schilderijen van groote meesters
liet zien.
"Maar uw meubels?" vroeg mijnheer Bernard.
"Daar zijn ze," antwoordde de jonge man, terwijl hij op het luxueuze
meubilair wees, dat geschilderd was in het paleis, hetwelk hij
pas gekocht had in het hôtel Bullion [1] op een verkooping van een
salon-tooneel.
"Mijnheer," antwoordde de huisheer, "ik wil liever aannemen, dat u
ernstiger meubelen hebt dan deze ...."
"Wat, dit zijn echte Boule-meubelen." [2]
"U begrijpt, dat ik garantie voor mijn huur moet hebben."
"Voor den duivel, maar is een paleis dan geen voldoende garantie voor
de huur van een dakkamertje?"
"Neen, mijnheer, ik wil meubels, echte meubels van mahoniehout!"
"Helaas, mijnheer, goud noch mahoniehout maken ons gelukkig, heeft een
oud wijsgeer gezegd. En bovendien ik kan dat soort hout niet uitstaan;
het is zoo ordinair; iedereen heeft het."
"Dat is allemaal tot uw dienst, mijnheer, maar u heeft dan toch zeker
wel andere meubels?"
"Neen, dat neemt te veel plaats in in de kamer; wanneer je stoelen
hebt, weet je niet meer waar je moet gaan zitten."
"Maar u hebt toch zeker een bed! Waar slaapt u op?"
"Ik rust op de Voorzienigheid, mijnheer!"
"Pardon, nog een vraag," zeide mijnheer Bernard, "wat is uw beroep?"
Juist op dat oogenblik kwam de witkiel van den jongen man, van zijn
tweeden tocht terug, de binnenplaats op. Onder de voorwerpen, die
hij aan zijn draagzeel droeg, zag Durand een schildersezel.
"O, mijnheer!" riep hij verschrikt uit, terwijl hij den huisheer op
den ezel wees. "Het is een schilder!"
"Een artist, als ik het niet dacht!" gilde op zijn beurt mijnheer
Bernard, en de haren van zijn pruik rezen van schrik ten berge;
"een schilder!!! Maar heb je dan geen informaties genomen naar
mijnheer?" bulderde hij den concierge toe. "Wist je dan niet, wat
hij deed?"
"Lieve Hemel," antwoordde de arme kerel, "hij had mij vijf francs
als goospenning gegeven; dus kon ik niet vermoeden...."
"Wanneer u eindelijk klaar bent," vroeg op zijn beurt de jonge man.
"Mijnheer," viel mijnheer Bernard hem in de rede, terwijl hij zijn
bril recht op zijn neus zette; "als u geen meubels hebt, kunt gij uw
kamer niet betrekken. De wet staat toe een huurder, die geen garantie
meebrengt, te weigeren."
"En mijn woord dan?" vroeg de artist in zijn volle waardigheid.
"Dat is niet zooveel waard als meubels ... u kunt ergens anders een
kamer zoeken. Durand zal u uw Godspenning teruggeven."
"Wat?" zeide de concierge verschrikt, "die heb ik al naar de spaarbank
gebracht."
"Maar mijnheer," viel de jonge man hem in de rede, "ik kan maar niet
zoo direkt een andere kamer vinden. Geef me tenminste gastvrijheid
voor één dag."
"Ga in een hotel logeeren," antwoordde mijnheer Bernard. "Maar tusschen
twee haakjes," voegde hij er vlug aan toe, terwijl hem plotseling iets
in de gedachte viel; "als u dat wilt, dan zou ik u de kamer gemeubeld
met de meubels van mijn insolventen huurder kunnen geven. Maar zooals
u weet, moet in zoo'n geval de huur vooruit betaald worden."
"Het is maar de vraag, hoeveel u voor dat krot moet hebben," zeide
de artist.
"Maar het is heusch een zeer geschikte kamer; in verband met de
omstandigheden is de huur vijf-en-twintig francs per maand. Maar
vooruit betalen."
"Dat hebt u al gezegd; en die zin verdient de eer van een bis niet,"
antwoordde de jonge man, terwijl hij in zijn zakken zocht. "Hebt u
terug van vijfhonderd francs?"
"Wat?" vroeg de huisheer stom-verbaasd. "U zegt?"
"Nou, de helft van duizend dan. Hebt jullie soms zoo iets nooit
gezien?" voegde de artist eraan toe, terwijl hij het papier heen
en weer bewoog voor de oogen van den huisheer en van den concierge,
die op het gezicht daarvan hun evenwicht schenen te verliezen.
"Ik zal het voor u laten wisselen," antwoordde mijnheer Bernard vol
eerbied; "er behoeft maar twintig francs af, want Durand zal u de
Godspenning teruggeven."
"Die mag hij houden," zeide de artist, "op voorwaarde, dat hij mij
iederen ochtend komt zeggen welke dag en datum het is, den stand van
de maan, welk weer het is en onder welken regeeringsvorm wij leven."
"Zeker, zeker mijnheer!" riep vader Durand uit, terwijl hij een
buiging van negentig graden maakte.
"Al goed, kerel, je moet voor mij als almanak spelen. Intusschen moet
je mijn witkiel even helpen de boel boven te brengen."
"Mijnheer," zeide de huisheer, "ik zal u de quitantie boven laten
brengen."
Dien avond nog was de nieuwe huurder van mijnheer Bernard, de schilder
Marcel, geïnstalleerd in de tot een paleis gemetamorphoseerde kamers
van den voortvluchtigen Schaunard.
Intusschen was gezegde Schaunard bezig te trachten overal in Parijs
geld los te krijgen.
Schaunard had het leenen tot de hoogte van een kunst verheven. Het
geval voorziende, waarin hij de vreemdelingen zou moeten aanspreken,
had hij de manier, om vijf francs te leenen, in alle talen der
wereld geleerd. Hij had het repertoire der listen, die het edele
metaal gebruikt om aan hen, die het najagen, te ontsnappen, tot in
den grond bestudeerd; en beter dan een loods de uren der getijden,
kende hij de tijdstippen, waarop het bij anderen hoog of laag water
was, d. w. z. de dagen, waarop zijn vrienden en kennissen gewoonlijk
geld kregen. Er waren dan ook verschillende huizen, waarin men, als
hij 's ochtends op bezoek kwam, niet tegen elkaar zeide: "Daar heb je
mijnheer Schaunard"; maar "Daar heb je den eersten of vijftienden der
maand." Om dit soort belasting, die hij, wanneer de noodzakelijkheid
hem ertoe dwong, van de menschen, die de middelen hadden om hem die te
betalen, ging heffen, wat makkelijker en minder ingewikkeld te maken,
had Schaunard arrondissementsgewijze een alphabetisch tableau gemaakt,
waarop de namen van al zijn vrienden en kennissen stonden. Naast
iederen naam waren genoteerd het maximum der som, die hij in verband
met hun fortuin kon leenen, de tijdstippen, waarop het bij hen hoog
water was, benevens het uur der maaltijden met het gewone menu van het
huis. Behalve dat tableau hield hij er nog een boekhoudinkje op na,
waarin hij keurig boek hield van de sommen, die hem geleend waren,
tot de kleinste bedragen toe, want hij wilde zich niet verder bezwaren
dan tot een zeker cijfer, dat een Normandische oom, van wien hij
moest erven, nog in de pen had. Zoodra hij aan een persoon twintig
francs schuldig was, leende hij niet langer en betaalde de som in
eens terug, ook al moest hij voor die aflossing van hen, aan wie
hij minder schuldig was, meer leenen. Op die manier had hij altijd
een zeker crediet, dat hij zijn vlottende schuld noemde; en daar men
wist, dat hij de gewoonte had het geleende terug te geven, zoodra zijn
middelen het hem veroorloofden, hielp men hem, als men dat kon, gaarne.
Nu had hij, sedert hij 's ochtends elf uur uitgegaan was om te trachten
de vijf-en-zeventig francs, die hij noodig had, bijeen te krijgen,
nog niet meer bij elkaar dan een daalder, dien hij te danken had aan
de medewerking der letters M., V. en R. van zijn beroemde lijst:
van de rest van het alphabet, dat evenals hij een termijn huur te
betalen had, kreeg hij nul op het request.
Om zes uur luidde een hevige honger in zijn maag de etensbel;
hij was toen juist bij de barrière du Maine, waar de letter
U. woonde. Schaunard liep binnen bij de letter U., waar hij zijn
servetring had, als er servetten waren.
"Naar wien wilt u toe?" vroeg de concierge hem in het voorbijgaan.
"Naar mijnheer U ...." antwoordde de artist.
"Die is niet thuis."
"En Mevrouw?"
"Ook niet: zij hebben me gevraagd aan een van hun vrienden, die van
avond bij hen zou komen, te zeggen, dat zij in de stad zijn gaan
eten: mocht u de bewuste persoon zijn, dan hebt u hier het adres,"
en hij overhandigde Schaunard een stukje papier, waarop zijn vriend
U .... geschreven had:
"Wij zijn bij Schaunard, rue .... No...., gaan eten; kom ons daar
halen."
"Prachtig!" zeide hij, weggaande; "wanneer het toeval zich er mede
bemoeit, krijg je dikwijls aardige vaudevilles."
Schaunard herinnerde zich toen, dat er vlak bij een klein herbergje
was, waar hij een paar maal voor weinig geld goed gegeten had,
en richtte zijn schreden naar dat etablissement, in de chaussée
du Maine gelegen en in de Bohème-wereld bekend onder den naam van
la Mère Cadet. Het was een etenshuis, waarvan de gewone clientèle
bestond uit de vrachtrijders naar Orleans, zangeressen uit den
Montparnasse en jonge rollen van het Bobino-theater. [3] Tijdens het
mooie seizoen komen schilders uit de vele ateliers in de nabijheid van
den Luxembourg, schrijvers van onuitgegeven boeken en journalisten van
obscure blaadjes gezamenlijk dineeren bij la Mère Cadet, die bekend
is voor haar konijnenragouts, haar echte zuurkool en een wit wijntje,
dat naar vuursteen smaakt.
Schaunard ging onder de bosquets (boschjes) zitten: zoo noemde men
bij la Mère Cadet het dunne loof van een paar kromgegroeide boomen,
waarvan het ziekelijke groen onder tegen de zoldering was aangebracht.
"Lieve Hemel, het kan me niet schelen ook," zeide Schaunard tot
zichzelf, "ik zal me eens lekker te goed doen en een feestmaal
bestellen."
En zonder er gras over te laten groeien, bestelde hij een soep,
een halve portie zuurkool en twee halve konijnenragouts: hij had
n.l. opgemerkt, dat je, wanneer je halve porties bestelde, minstens
een kwart op het geheel won.
Deze bestelling trok de aandacht van een jonge, in het wit gekleede
vrouw met oranjebloesem in het haar en balschoenen aan; een imitatie
van een imitatie-kanten sluier golfde over haar schouders, die beter
hun incognito hadden kunnen bewaren. Het was een zangeres van het
théâtre Montparnasse, waarvan de coulissen om zoo te zeggen uitkwamen
in la Mère Cadet. Gedurende een entre-acte van de Lucia di Lammermoor
was zij even komen eten; zij besproeide nu met een kleintje koffie een
maaltijd, die uitsluitend uit een artisjok in olie en azijn bestond.
"Twee konijnenragouts, drommels!" zeide zij zacht tot het meisje,
dat als kellner dienst deed; "dat is ook een jonge man, die van goed
eten houdt. Hoeveel krijg je van me, Adèle?"
"Vier sous voor de artisjok, vier voor een kleintje koffie en één
voor brood. Dat is negen sous."
"Hier," zeide de zangeres, en zij ging weg onder het neuriën van:
Cet amour que Dieu me donne!
"Zij haalt de hooge A," zeide toen een mysterieus persoon, die,
achter een wal van oude boeken verborgen, aan dezelfde tafel als
Schaunard zat.
"Haalt zij hem?" zeide Schaunard; "ik zou eerder zeggen, dat ze hem
thuis gelaten heeft. Het is dan ook belachelijk," voegde hij eraan
toe, terwijl hij met zijn vinger op den schotel wees, waaruit Lucia
di Lammermoor haar artisjok genuttigd had, "om je fausset in azijn
in te leggen."
"Het is inderdaad een scherp zuur," begon weer de persoon, die reeds
gesproken had. "De stad Orleans produceert een soort, die terecht
een goede reputatie heeft."
Schaunard nam den onbekende, die blijkbaar een gesprek wilde uitlokken,
aandachtig op. De starre blik uit zijn groote blauwe oogen, die
steeds iets schenen te zoeken, gaf aan zijn gelaatsuitdrukking het
karakter van vrome zielerust, die men zoo dikwijls bij seminaristen
ziet. Zijn gelaat had de kleur van oud, vergeeld ivoor, behalve
zijn wangen, die met een roodkleurige laag ingesmeerd schenen te
zijn. Zijn mond leek geteekend te zijn door een eerste-klas leerling,
dien men tijdens zijn werk tegen zijn elleboog gestooten had. De
negerachtig opgetrokken lippen lieten tanden zien, die een jachthond
geen oneer zouden hebben aangedaan, en de twee plooien van zijn kin
rustten op een witte das, waarvan de eene punt de sterren bedreigde,
terwijl de andere zich in den grond scheen te willen boren. Uit
een kalen vilten hoed met wonderlijk breede randen, stroomden zijn
haren in blonde watervallen. Hij had een notenkleurige pèlerine-jas,
die tot op de draad afgesleten en zoo ruw als een rasp was. Uit de
wijdopenstaande zakken van die jas kwamen bundels papier en brochures
te voorschijn. Zonder zich te bekommeren om de opmerkzaamheid, waarmede
hij opgenomen werd, nuttigde hij een portie zuurkool met worst, waarbij
hij telkens een tevreden geknor liet hooren. Onder het eten door las
hij een boek, dat open voor hem lag, en waarop hij nu en dan met een
potlood, dat hij achter zijn oor had zitten, aanteekeningen maakte.
"Nou?" riep plotseling Schaunard uit en sloeg daarbij met zijn mes
tegen zijn glas; "waar blijft mijn konijnenragout?"
"Mijnheer," antwoordde het meisje, dat met een schotel in haar hand
naar hem toe kwam, "die zijn er niet meer, dit is de laatste, en die
is al door mijnheer besteld," voegde zij eraan toe, terwijl zij den
schotel voor den man met de boeken neerzette.
"Verduiveld!" riep Schaunard uit.
Er klonk zooveel melancholieke teleurstelling door in dat
"Verduiveld!", dat de man met de boeken er door getroffen werd. Hij
schoof den wal van boeken, die zich tusschen hem en Schaunard verhief,
op zij en zeide, terwijl hij den schotel tusschen hen in zette,
op den zachtsten toon, dien hij in zijn stem leggen kon:
"Zou ik het genoegen mogen hebben dit gerecht met u te deelen?"
"Mijnheer," antwoordde Schaunard, "ik zou er u niet gaarne van
berooven."
"U zult mij dus van het genoegen willen berooven, u een dienst te
bewijzen."
"Als u het zoo opvat, mijnheer...." En Schaunard schoof zijn bord bij.
"Veroorloof mij u den kop niet aan te bieden," zeide de vreemdeling.
"Daar kan ik niet in komen, mijnheer," riep Schaunard uit.
Maar toen hij zijn bord weer naar zich toe trok, zag hij, dat de
vreemdeling hem juist dat gedeelte gegeven had, dat hij zeide voor
zichzelf te willen houden.
"Wat?" bromde Schaunard in zichzelf, "wil hij me met zijn beleefdheid
er tusschen nemen?"
"Al moge," zeide de vreemdeling, "het hoofd het edelste deel van den
mensch zijn, van het konijn is het juist het tegenovergestelde. Vandaar
dan ook, dat er vele menschen zijn, die het niet kunnen uitstaan. Bij
mij is het juist andersom. Ik aanbid het, om zoo te zeggen."
"Dan spijt het mij dubbel," zeide Schaunard, "dat gij u voor mij
daarvan beroofd hebt."
"Wat? ... pardon," zeide de boekenman, "ik heb den kop voor mijzelf
gehouden. Ik heb zelfs de eer gehad u te doen opmerken, dat...."
"Neem me niet kwalijk!" viel Schaunard hem in de rede, terwijl hij
hem zijn bord onder de neus hield; "maar wat is dat dan voor een stuk?"
"Lieve Hemel! Wat zie ik, o goden? Nog een kop! Het is een bicephaal
[4] konijn!" riep de vreemdeling uit.
"Bice...." stotterde Schaunard.
".....phaal. Dat komt van het Grieksch. Inderdaad noemt mijnheer
de Buffon, die altijd manchetten droeg, voorbeelden van die
eigenaardigheid. Maar werkelijk, ik vind het inderdaad zeer aangenaam,
zoo'n natuurwonder gegeten te hebben."
Tengevolge van dat incident was het gesprek voor goed aan den
gang. Schaunard, die in beleefdheid niet achter wilde blijven, bestelde
een nieuwe flesch. De boekenman liet een tweede aanrukken. Schaunard
offreerde salade, de man met de boeken toespijzen. Om acht uur stonden
er zes ledige flesschen op tafel. Al pratende had de openhartigheid,
die door de plengoffers van den rooden wijn besproeid was, hen ertoe
gebracht elkaar hun levensloop te vertellen; zij kenden elkander reeds,
alsof zij samen opgegroeid waren. Na de vertrouwelijke mededeelingen
van Schaunard aangehoord te hebben, had de boekenman hem verteld,
dat hij Gustave Colline heette; hij was wijsgeer van beroep en leefde
van de lessen, die hij gaf in mathematica, scholastica, botanica en
andere wetenschappen op ica.
Het weinige geld, dat hij met lesgeven verdiende, besteedde Colline
voor het aankoopen van oude boeken. Zijn notenkleurige pèlerine was een
goede bekende aan alle boekenstalletjes van den pont de la Concorde tot
den pont Saint-Michel. Wat hij met al die boeken, waarvan het aantal
zòò groot was, dat men ze in een menschenleeftijd niet had kunnen
uitlezen, deed, wist niemand en hij zelf nog het allerminst. Maar die
manie was bij hem een hartstocht geworden; en wanneer hij 's avonds
zonder een nieuw oud boek thuis kwam, paste hij het woord van Titus
op zichzelf toe en zeide: "Ik heb een dag verloren laten gaan!" Zijn
innemende manieren en zijn wijze van uitdrukken, die een bloemlezing
van alle stijlen vormde, en de vreeselijke woordspelingen, waarmede
hij zijn gesprek kruidde, hadden haar uitwerking op Schaunard niet
gemist, die op staanden voet Colline permissie vroeg zijn naam te mogen
inlasschen op de beroemde lijst, waarover wij reeds gesproken hebben.
Tamelijk aangeschoten en met den gang van menschen, die pas een
vertrouwlijk gesprek met wijnflesschen gevoerd hebben, verlieten zij
tegen negen uur la mère Cadet.
Colline noodigde Schaunard uit met hem een kop koffie te gaan drinken,
wat deze aannam op voorwaarde dat de pousse-café voor zijn rekening
was. Zij gingen een café binnen in de rue Saint-Germain-l'Auxerrois,
dat op zijn uithangbord Momus, den god der Spelen en van het Lachen,
had.
Toen zij binnenkwamen, was er juist een hevige discussie begonnen
tusschen twee stamgasten. Een van hen was een jonge man, wiens
gelaat zoo goed als geheel verloren ging in een zware, veelkleurige
baard. Als een tegenstelling tot dien overvloed van kinhaar was zijn
voorhoofd zoo kaal als een biljartbal; een klein groepje haren, die
zoo weinig talrijk waren, dat men ze zeer makkelijk zou kunnen tellen,
trachtte vergeefs die kaalheid te verbergen. Hij droeg een zwarte,
aan de ellebogen glad geschaafde jas, die, wanneer hij zijn armen te
hoog oplichtte, een paar onder de schouders aangebrachte luchtgaatjes
liet zien. Zijn broek kon desnoods nog voor zwart doorgaan, maar zijn
schoenen, die nooit nieuw geweest waren, schenen reeds meermalen aan de
voeten van den Wandelenden Jood de reis om de wereld gemaakt te hebben.
Schaunard had opgemerkt, dat zijn vriend Colline en de jonge man met
de groote baard elkaar gegroet hadden.
"Ken je dien mijnheer?" vroeg hij aan den wijsgeer.
"Kennen bepaald niet," antwoordde deze, "maar ik zie hem wel eens in
de Bibliotheek. Ik geloof, dat het een schrijver is."
"Zijn kleeding wijst er tenminste wel op," antwoordde Schaunard.
De persoon, met wien de jonge man het aan den stok had, was iemand
van een jaar of veertig, die, zooals uit zijn groot hoofd, dat zonder
overgang van den hals tusschen zijn beide schouders zat, op te maken
was, ongetwijfeld aan een beroerte sterven zou. De onnoozelheid was
in groote letters op zijn laag, met een klein zwart kalotje bedekt
voorhoofd te lezen. Hij heette mijnheer Mouton en was ambtenaar op de
mairie van het vierde arrondissement, waar hij de overlijdensregisters
bijhield.
"Mijnheer Rodolphe!" riep hij met een eunuch-orgaan uit, terwijl
hij den jongen man, dien hij aan een knoop van zijn jas vasthield,
heen en weer schudde, "wil ik u mijn meening eens zeggen? Nou, al die
couranten dienen tot niets. Kijk eens, laten we eens veronderstellen:
ik ben een huisvader, niet waar? .... goed ... Ik kom hier in het
café een partij domino spelen. Volg nu goed mijn redeneering."
"Verder, verder!" zeide Rodolphe.
"Welnu," ging vader Mouton voort, terwijl hij iederen zin scandeerde
met een vuistslag, die de flesschen en glazen op het tafeltje deed
rinkelen; "welnu, ik kijk de couranten eens in, goed .... Wat zie
ik? De een zegt wit, de ander zegt zwart, enzoovoort, enzoovoort. Wat
heb ik daaraan? Ik ben een goed huisvader, die hier komt om ...."
"Zijn partijtje domino te spelen," zeide Rodolphe.
"Iederen avond," ging mijnheer Mouton voort. "Nou, laten we eens
veronderstellen: Je begrijpt ...."
"Heel goed!" zeide Rodolphe.
"Ik lees een artikel, waar ik het niet mee eens ben. Dat maakt
me woedend, en ik verbijt me, ziet u, mijnheer Rodolphe, al die
couranten is leugenpak. Ja, leugenpak!" krijschte hij in de hoogste
tonen van zijn faussetstem, "en de journalisten zijn bandieten en
prutsschrijvers."
"Maar toch, mijnheer Mouton ...."
"Ja, bandieten," ging deze voort. "Zij zijn de oorzaak van alle
ongelukken in de wereld; zij hebben de revolutie en de assignaten
gemaakt; bewijs: Murat."
"Pardon," viel Rodolphe hem in de rede; "u bedoelt Marat."
"Waarachtig niet, waarachtig niet," ging Mouton voort; "Murat; ik
heb hem zien begraven, toen ik nog een kleine jongen was ...."
"Maar ik verzeker u ...."
"Ze hebben nog een stuk over hem in het Cirque gegeven ...."
"Ja juist, precies," zeide Rodolphe: "dat is Murat."
"Maar dat zeg ik al een uur lang," riep de stijfkoppige Mouton
uit. "Murat, die in een kelder werkte, wat? Welnu, laten we eens
veronderstellen. Hebben de Bourbons geen gelijk gehad om hem te
guillotineeren, omdat hij hen verraden had?"
"Wien? Geguillotineerd! Verraden! Wat?" riep Rodolphe uit, die nu op
zijn beurt mijnheer Mouton bij den knoop van zijn jas pakte.
"Wel Marat!"
"O God, neen, neen, mijnheer Mouton, Murat. Laten we elkaar voor den
donder eindelijk begrijpen!"
"Ja zeker. Murat, een hondsvot. Hij heeft den keizer in 1815
verraden. Daarom beweerde ik, dat alle couranten één pot nat zijn,"
ging mijnheer Mouton voort, daarbij op het voornaamste punt van zijn
rede, die hij een verklaring placht te noemen, terugkomend. "Weet u wat
ik zou willen, mijnheer Rodolphe? Welnu, laten we eens veronderstellen
.... Ik zou een goede courant willen ... O, niet groot ... goed,
en een die geen phrases maakt ... Zoo!"
"U bent veeleischend," viel Rodolphe hem in de rede. "Een courant
zonder phrasen!"
"Ja, zeker. Let nu goed op!"
"Dat probeer ik!"
"Een courant, die alleen berichten geeft over den gezondheidstoestand
van den koning en de goederen der aarde. Want wat heb je ten slotte
aan al die couranten, wanneer je er niets van begrijpt? Laten we
eens veronderstellen: Ik ben op het stadhuis, niet waar? Ik houd
mijn registers bij, prachtig! Welnu, het is net als wanneer ze tegen
me zouden zeggen: "Mijnheer Mouton, u schrijft de sterfgevallen in,
welnu, doe nu dit eens, doe nu dat eens. Welnu, wat moet dat, wat
moet dat? Welnu, met de couranten is het precies zoo," eindigde hij
zijn redeneering.
"Zeer juist!" merkte iemand, die naast hem zat en de uiteenzetting
begrepen had, op.
En mijnheer Mouton ging, nadat hij de gelukwenschen van eenige
stamgasten, die het met hem eens waren, in ontvangst genomen had,
verder met zijn partijtje domino.
"Ik heb hem eens flink op zijn plaats gezet," zeide hij, terwijl hij
op Rodolphe wees, die aan het tafeltje van Schaunard en Colline was
gaan zitten.
"Wat een stommeling!" zeide deze tot de twee jonge lui, terwijl hij
naar den ambtenaar wees.
"Hij heeft dan ook een prachtigen kop met zijn wenkbrauwen als
rijtuigkappen en zijn kalfsoogen," merkte Schaunard op, terwijl hij
een prachtig doorgerookten neuswarmer uit zijn zak haalde.
"Bliksems, mijnheer," zeide Rodolphe, "wat een mooie pijp hebt u daar!"
"O, ik heb nog een heel wat mooiere, als ik uit ga," zeide Schaunard
onverschillig. "Geef me even wat tabak, Colline."
"Lieve Hemel," riep de wijsgeer uit, "mijn tabak is op."
"Sta mij toe u wat aan te bieden," zeide Rodolphe, terwijl hij een
pakje tabak uit zijn zak haalde en op tafel zette.
Colline meende die beleefdheid met het offreeren van een rondje te
moeten beantwoorden.
Rodolphe meende niet te kunnen weigeren. Het gesprek kwam op de
litteratuur. Rodolphe, naar zijn door zijn kleeding reeds verraden
beroep gevraagd, erkende zijn betrekkingen tot de Muzen en bestelde
een tweede rondje. Toen de kellner de flesch wilde medenemen,
vroeg Schaunard hem die maar te laten staan. Hij had in een van
Colline's zakken het zilveren duo van twee vijffrancstukken hooren
weerklinken. Rodolphe had weldra het niveau van openhartigheid bereikt,
waarop de beide vrienden zich reeds bevonden, en deed hun op zijn
beurt vertrouwelijke mededeelingen.
Zij zouden zeker den nacht in het café hebben doorgebracht, indien
men hun niet was komen vragen heen te gaan. Zij waren nog geen tien
pas verder, waarover zij tusschen twee haakjes een kwartier gedaan
hadden, toen zij door een stortbui overvallen werden. Colline en
Rodolphe woonden aan de twee tegenovergestelde uiteinden van Parijs,
de eene in Ile-Saint-Louis, de andere in Montmartre.
Schaunard, die totaal vergeten was, dat hij geen onderdak meer had,
stelde hun voor naar zijn kamer te gaan.
"Ga met mij mede," zeide hij, "ik woon hier vlak bij; wij zullen den
nacht doorbrengen met praten over litteratuur en schoone kunsten."
"En dan maak jij muziek en moet Rodolphe ons zijn gedichten
voordragen," zeide Colline.
"Waarachtig, zeker," voegde Schaunard eraan toe, "we moeten lachen
en vroolijk zijn, we leven maar eens."
Voor zijn huis gekomen, dat Schaunard slechts met moeite herkende,
ging hij op een paaltje zitten wachten op Rodolphe en Colline, die bij
een nog open zijnden wijnhandelaar de eerste elementen van een souper
waren gaan halen. Toen zij terug waren, klopte Schaunard meermalen
hard op de deur, want hij herinnerde zich vaag, dat de concierge de
gewoonte had hem te laten wachten. Eindelijk ging de deur open en vader
Durand, die in de heerlijkheden van den eersten slaap verzonken was
en zich niet herinnerde, dat Schaunard zijn huurder niet meer was,
maakte volstrekt geen tegenwerpingen, toen deze zijn naam door het
schuifraampje geroepen had.
Toen zij alle drie boven op de trap waren (een even lange als moeilijke
klimpartij), uitte Schaunard, die voorop liep, een kreet van verbazing,
toen hij den sleutel in het slot van zijn kamerdeur zag steken.
"Wat is er?" vroeg Rodolphe.
"Ik begrijp er niets van," mompelde hij, "ik vind in het slot den
sleutel, dien ik vanmorgen medegenomen heb. Enfin, we zullen zien. Ik
had hem in mijn zak gestoken. Wel, alle duivels, daar heb je hem nog,"
riep hij uit, terwijl hij den sleutel liet zien.
"Dat is tooverij!"
"Phantasmagorie," zeide Colline.
"Phantasie," voegde Rodolphe eraan toe.
"Maar," ging Schaunard voort, en in zijn stem beefde angst, "hooren
jullie dat?"
"Wat?"
"Wat?"
"Mijn piano, die uit zichzelf speelt, ut, la mi ré do, la si sol,
ré. Vervloekte ré, die zal altijd valsch blijven!"
"Maar dan is dat zeker jouw kamer niet," zeide Rodolphe, die Colline,
op wien hij zwaar leunde, in het oor fluisterde:
"Hij is dronken!"
"Dat geloof ik ook. In de eerste plaats is dat geen piano, maar
een fluit."
"Maar jij bent ook dronken, mijn waarde," antwoordde de dichter den
wijsgeer, die op den steenen vloer was gaan zitten. "Het is een viool."
"Een vio ... Ha, ha! Luister eens, Schaunard," stamelde Colline,
terwijl hij zijn vriend aan zijn beenen trok, "die is goed! Mijnheer
daar beweert, dat het een vio ...."
"Alle duivels!" riep Schaunard, thans zeer angstig, uit; "mijn piano
speelt nog altijd, dat is tooverij!"
"Phantasma .... gorie," huilde Colline, terwijl hij een der flesschen,
die hij in zijn hand had, liet vallen.
"Phantasie," krijschte op zijn beurt Rodolphe.
Midden onder dat lawaai ging plotseling de deur open en zagen zij
op den drempel iemand verschijnen met een drie-armigen kandelaar,
waarin rose kaarsen brandden.
"Wat is er van uw dienst, heeren?" vroeg hij, terwijl hij beleefd de
drie vrienden groette.
"Lieve Hemel, wat heb ik gedaan? Ik heb mij vergist, dit is mijn
kamer niet," zeide Schaunard.
"Mijnheer," voegden Colline en Rodolphe gezamenlijk eraan toe:
"wees zoo goed onzen vriend te excuseeren; hij is zoo dronken als
een ladder."
Plotseling schoot een lichtstraal door het benevelde brein van
Schaunard; hij had op zijn deur deze met krijt geschreven woorden
gelezen:
"Ik ben driemaal hier geweest, om mijn Nieuwjaarsgeschenken
te halen.
Phémie."
"Waarachtig, maar ik ben wel degelijk thuis!" riep hij uit; "daar heb
je het visitekaartje, dat Phémie met Nieuwjaar heeft achtergelaten:
het is dus wel mijn deur."
"Lieve God, mijnheer," zeide Rodolphe; "ik ben er werkelijk confuus
van."
"Wees overtuigd, mijnheer," voegde Colline eraan toe, "dat ik een
werkzaam aandeel neem in de confuusheid van mijn vriend."
De jonge man brak in een schaterlach uit.
"Als u even binnen wilt komen," antwoordde hij, "dan zal uw vriend,
zoodra hij de kamer gezien heeft, zijn dwaling wel erkennen."
"Gaarne."
De dichter en de wijsgeer namen ieder Schaunard bij een arm en brachten
hem in de kamer, of liever in het paleis van Marcel, dien de lezer
zeker reeds herkend heeft.
Schaunard keek eenigszins verward om zich heen en mompelde:
"Het is verwonderlijk, hoe veel mooier mijn kamer geworden is."
"Nou, ben je nu overtuigd?" vroeg Colline hem.
Maar Schaunard had zijn piano in het oog gekregen, ging er naar toe
en begon gamma's te spelen.
"He, luisteren jullie eens," zeide hij, terwijl hij verschillende
accoorden aansloeg; "Bravo, het dier heeft zijn baas herkend: si la
sol, fa mi ré! O, bliksemsche ré! Jij verandert ook nooit. Ik zie wel,
dat het mijn instrument is."
"Hij houdt vol," zeide Colline tot Rodolphe.
"Hij houdt vol," herhaalde Rodolphe tegen Marcel.
"En dat dan," ging Schaunard voort, terwijl hij op den met sterren
en loovertjes bezaaiden rok, die over een stoel geworpen was, wees,
"dat is ook zeker mijn ambtsgewaad niet?"
En hij keek Marcel uitdagend aan.
"En dat dan," vervolgde Schaunard en trok het deurwaardersexploot,
waarvan hierboven sprake was, van den muur.
En hij begon te lezen:
"Dientengevolge zal mijnheer Schaunard gehouden zijn genoemde woning
te ontruimen en haar in goeden en bewoonbaren staat terug te geven
den achtsten April vòòr twaalf uur des namiddags. Ten bewijze daarvan
heb ik hem deze acte ter hand gesteld, waarvan de kosten vijf francs
bedragen. Nou, ben ik nou mijnheer Schaunard niet, wien de kamer bij
deurwaardersexploot opgezegd wordt en wien men gezegelde stukken,
waarvan de kosten vijf francs bedragen, vereert? En dan dat nog,"
ging hij voort, toen hij zijn pantoffels aan de voeten van Marcel
zag; "zijn dat niet mijn muiltjes, geschenk van een mij dierbare
hand? Mijnheer," zoo wendde hij zich nu tot Marcel, "thans is het
aan u, om uw aanwezigheid in mijn laren en penaten te verklaren."
"Mijne heeren," antwoordde Marcel en hij richtte zich hierbij in
het bijzonder tot Colline en Rodolphe, "mijnheer," en hij wees op
Schaunard, "mijnheer is op zijn kamer, ik beken het eerlijk."
"Zoo," riep Schaunard uit, "dat is maar gelukkig ook."
"Maar," vervolgde Marcel, "ook ik ben op mijn kamer."
"Maar mijnheer," viel Rodolphe hem in de rede, "als onze vriend
toch ...."
"Ja," vervolgde Colline, "als onze vriend ...."
"En als u u van uw kant herinnert, dat ....", voegde Rodolphe eraan
toe, "hoe komt het dan ...."
"Ja," echode Colline, "hoe komt het dan ...."
"Neem plaats heeren," antwoordde Marcel, "dan zal ik u het mysterie
ophelderen."
"Wat zoudt u ervan zeggen, als we die opheldering eens
besproeiden?" waagde Colline op te merken.
"En daarbij familiaar een stukje aten?" voegde Rodolphe eraan toe.
De vier jonge mannen zetten zich aan tafel en openden een hevigen
aanval op een stuk koud kalfsvleesch, dat de wijnhandelaar hun
afgestaan had.
Marcel legde toen uit, wat er dien ochtend, toen hij was komen
verhuizen, tusschen hem en den huisbaas was voorgevallen.
"Derhalve," zeide Rodolphe, "heeft mijnheer volkomen gelijk, wij zijn
zijn gasten."
"Pardon, u bent hier thuis," antwoordde Marcel beleefd.
Het kostte echter ontzaglijke moeite, om Schaunard aan zijn verstand
te brengen wat er gebeurd was. Een komisch incident maakte de zaak nog
ingewikkelder. Schaunard, die in een kast naar God weet wat zocht,
ontdekte daarin het kleingeld, dat Marcel dien ochtend van zijn
vijfhonderd francs teruggekregen had.
"Ha," riep hij uit, "ik wist wel, dat mijn vriend, het toeval, mij
niet in den steek zou laten. Ik herinner me nu, dat ik van morgen
uitgegaan ben, om hem te zoeken ..... Voor die huurtermijnen, dat is
waar ook; hij is zeker in mijn afwezigheid hier geweest. Wij hebben
elkaar misgeloopen, dat is alles. Het is toch maar heel verstandig
van me geweest den sleutel op de kast te laten."
"Zoete dwaasheid!" mompelde Rodolphe, toen hij zag hoe Schaunard de
geldstukken in even hooge hoopen opstapelde.
"Droom en bedrog, dat is het leven," voegde de wijsgeer eraan toe.
Marcel lachte.
Een uur later lagen zij alle vier in een diepen slaap.
Den volgenden middag om twaalf uur werden zij wakker; in den beginne
waren zij niet weinig verwonderd elkaar daar te vinden: Schaunard,
Colline en Rodolphe schenen elkaar zelfs niet te herkennen en noemden
elkaar mijnheer. Marcel moest er hen aan herinneren, dat zij den
vorigen avond met elkaar bij hem gekomen waren.
Op dat oogenblik kwam Durand in de kamer.
"Mijnheer," zeide hij tot Marcel, "het is vandaag de negende
April achttien honderd en veertig ... het is modderig op straat,
en Z. M. Louis-Philippe is nog steeds koning van Frankrijk en
Navarre. Lieve Hemel," riep vader Durand uit, toen hij zijn ouden
huurder zag, "daar heb je mijnheer Schaunard. Hoe bent u hier gekomen?"
"Per telegraaf," antwoordde Schaunard.
"Hoor hem eens aan," zeide de concierge, "u bent nog de oude
grappenmaker!"
"Durand," zeide Marcel, "ik houd er niet van, dat de livrei zich in
mijn gesprekken mengt; je gaat naar het dichtstbijzijnde restaurant
en laat een dejeuner voor vier personen boven brengen. Hier heb je de
spijskaart," voegde hij eraan toe, terwijl hij hem een stukje papier
met het menu erop gaf. "En een beetje vlug."
"Heeren," ging Marcel voort, "u hebt mij gisteren avond een souper
aangeboden, laat mij u nu hedenmorgen een dejeuner aanbieden, niet
bij mij, maar bij u," voegde hij eraan toe, terwijl hij Schaunard
zijn hand toestak.
Na afloop van het dejeuner vroeg Rodolphe het woord.
"Heeren," zeide hij, "staat mij toe, dat ik u verlaat ...."
"O neen," zeide Schaunard op sentimenteelen toon, "laten we elkaar
niet meer verlaten."
"Dat is zoo," merkte Colline op; "je bent hier erg op je gemak."
"U een oogenblik verlaat," ging Rodolphe voort, "morgen verschijnt de
Echarpe d'Iris [5], een mode-tijdschrift, waarvan ik hoofdredacteur
ben, en ik moet de drukproeven nog corrigeeren. Binnen een uur ben
ik terug."
"Alle duivels," zeide Colline; "dat brengt mij op de gedachte, dat ik
les moet geven aan een Indischen prins, die naar Parijs gekomen is,
om Arabisch te leeren."
"Geef die les morgen," zeide Marcel.
"Neen, dat gaat niet," antwoordde de wijsgeer: "de prins zou mij
vandaag betalen. En bovendien moet ik eerlijk bekennen, dat deze
schoone dag voor mij bedorven zou zijn, indien ik niet even langs de
boekenstalletjes loop."
"Maar je komt toch terug?" vroeg Schaunard.
"Met de snelheid van een met zekere hand afgeschoten pijl," antwoordde
de wijsgeer, die van excentrieke beeldspraak hield.
En hij ging met Rodolphe weg.
"Maar," zeide Schaunard, toen hij met Marcel alleen gebleven was,
"indien ik, in plaats van me hier te koesteren op het kussen van het
dolce far niente, wat goud ging zoeken om de begeerigheid van mijnheer
Bernard te stillen?"
"Maar," zeide Marcel ongerust; "wil je dan nog steeds verhuizen?"
"Lieve God, ik moet wel," antwoordde Schaunard, "ik heb immers een
exploot, waarvan de kosten vijf francs zijn, gekregen."
"Maar," vervolgde Marcel, "als je verhuist, dan neem je zeker je
meubels mee?"
"Ja, dat is mijn bedoeling, ik laat hier geen haar achter, zooals
mijnheer Bernard zegt."
"Duivels, dat zal me leelijk in verlegenheid brengen, want ik heb je
kamers gemeubileerd gehuurd."
"Waarachtig, dat is waar ook," zeide Schaunard. "Maar," voegde hij er
melancholiek aan toe, "er is geen enkele aanwijzing, dat ik vandaag
of morgen of wanneer ook mijn vijf-en-zeventig francs zal vinden."
"Maar wacht even," riep Marcel uit, "ik heb een idee."
"Laat hooren," zeide Schaunard.
"De zaak staat zoo: wettelijk behoort de woning aan mij, omdat ik
een maand vooruit betaald heb."
"De woning, ja; maar als ik betaal, neem ik de meubelen wettelijk mede;
en als het mogelijk was, zou ik ze zelfs onwettelijk medenemen."
"Zoodat," zeide Marcel, "jij de meubels en geen woning, en ik een
woning en geen meubels heb."
"Dat klopt," zeide Schaunard.
"Maar mij bevalt de woning uitstekend."
"En mij," merkte Schaunard op, "mij beviel ze nooit meer."
"Wat zeg je?"
"Nooit .... meer. Ik weet heel goed, wat ik zeg."
"Welnu, dan kunnen we het op een accoordje gooien," meende Marcel;
"blijf bij me, ik lever de woning en jij levert de meubelen."
"En de huur?" vroeg Schaunard.
"Daar ik nu geld heb, betaal ik ditmaal; den volgenden keer is het
jouw beurt. Denk er eens over na."
"Ik denk nooit na, vooral niet om een voorstel aan te nemen, dat
in mijn geest valt; ik neem het zonder bedenken aan. Bovendien zijn
schilder- en dichtkunst zusters."
"Schoonzusters," vond Marcel.
Op dat oogenblik kwamen Colline en Rodolphe, die elkaar op straat
ontmoet hadden, terug.
Marcel en Schaunard stelden hen van hun vennootschap in kennis.
"Heeren," riep Rodolphe uit, terwijl hij het in zijn broekzak liet
rinkelen, "ik offreer het gezelschap een diner."
"Dat was juist mijn plan ook," zeide Colline, terwijl hij uit
zijn zak een goudstuk haalde, dat hij als een monocle naar
zijn oog bracht. "Mijn prins heeft mij dat gegeven voor een
Hindostansch-Arabische grammatica, die ik zooeven voor zes stuivers
gekocht heb."
"En ik," zeide Rodolphe, "heb mij door den kassier van de Echarpe
d'Iris een voorschot laten geven van dertig francs, onder voorgeven,
dat ik mij moest laten inenten."
"Het is vandaag dus Heiligendag," zeide Schaunard; "ik alleen heb
niets gekregen, dat is toch vernederend."
"Intusschen," viel Rodolphe hem in de rede, "handhaaf ik mijn
uitnoodiging voor een diner."
"En ik ook," zeide Colline.
"Nou," zeide Rodolphe, "dan zullen we opgooien, wie betalen zal."
"Neen," riep Schaunard uit, "ik weet wat beters, om jullie uit die
moeilijkheid te helpen, heel wat beters."
"En dat is?"
"Rodolphe betaalt het diner, en Colline geeft een souper."
"Een Salomo-oordeel," riep de wijsgeer uit.
"Dan zal het vandaag nog erger toegaan dan op de bruiloft van Camacho,"
[6] meende Marcel.
Het diner had plaats in een provençaalsch restaurant in de rue
Dauphine, dat bekend was door zijn litteraire kellners en zijn
ayoli-gerechten. Daar zij nog een plaatsje over moesten houden voor
het souper, dronken en aten zij matig. De den vorigen avond tusschen
Colline en Schaunard, en later met Marcel aangeknoopte kennismaking
werd nu intiemer; de vier jonge mannen heschen de vlag van hun
kunstinzichten, en alle vier erkenden, dat zij met denzelfden moed en
dezelfde verwachtingen bezield waren. Al pratende en debatteerende,
bemerkten zij, dat zij gemeenschappelijke sympathieën hadden,
dat zij allen dien zin voor en die behendigheid hadden in geestige
schermutselingen, welke opvroolijken, zonder te kwetsen; dat alle mooie
deugden der jeugd leefden in hun harten, die door het zien of hooren
van iets moois makkelijk in geestdrift waren te brengen. Alle vier,
van hetzelfde punt uitgegaan, om hetzelfde doel te bereiken, waren
van oordeel, dat iets anders dan het banale spel van het toeval hen
had samengebracht, en dat misschien de Voorzienigheid, de natuurlijke
beschermster der verlatenen, hen zoo samenvoerde en hun heel zacht
het woord van het Evangelie influisterde, dat eigenlijk de eenige
wet voor de geheele menschheid moest zijn: "Helpt elkander en hebt
elkander lief!"
Tegen het einde van het diner, dat een eenigszins ernstig karakter
had aangenomen, stond Rodolphe op, om een toast uit te brengen op
de toekomst; Colline antwoordde met een kleine toespraak, die aan
geen enkel boek ontleend en vrij van alle oratorische wendingen was,
maar heel eenvoudig de simpele taal der natuur sprak, die zoo goed
doet begrijpen wat zoo slecht gezegd wordt.
"De philosoof lijkt wel niet wijs!" mompelde Schaunard, over zijn
glas gebogen; "nu dwingt hij me water in mijn wijn te doen."
Na het diner gingen ze een pousse-café drinken in Momus, waar zij den
vorigen dag den avond ook reeds hadden doorgebracht. Van dien dag af
was het daar voor de overige gasten niet meer uit te houden.
Na de koffie en de daarbij behoorenden likeuren ging de nu voor
goed opgerichte bohème-clan terug naar de kamer van Marcel, die
voortaan den naam Elysée Schaunard droeg. Terwijl Colline het door
hem beloofde souper ging bestellen, haalden de anderen voetzoekers,
vuurpijlen en andere stukken vuurwerk; en voor zij aan tafel gingen,
staken zij uit een der vensters een prachtig vuurwerk af, dat het
heele huis op stelten zette en gedurende hetwelk de vier vrienden
uit volle borst zongen:
"Célébrons, célébrons, célébrons ce beau jour!"
Den volgenden ochtend vonden zij elkaar weer terug, doch ditmaal
zonder zich erover te verwonderen. Voor zij ieder weer tot hun werk
terugkeerden, gingen ze gezamenlijk eenvoudig dejeuneeren in Momus,
waar ze afspraken des avonds weer te zullen bijeenkomen en waar men
hen gedurende langen tijd dagelijks weer zag verschijnen.
Dit zijn de hoofdpersonen, die men zal ontmoeten in de kleine verhalen,
waaruit dit boek bestaat, dat volstrekt geen roman is en geen andere
pretentie heeft dan die door zijn titel aangegeven; want de tooneelen
uit het Parijsche kunstenaars-leven zijn inderdaad niets anders dan
zedenstudiën, waarvan de helden behooren tot een tot dusver verkeerd
beoordeelde klasse, wier grootste gebrek een beetje losbandigheid is,
en die nog als excuus kunnen aanvoeren, dat die losbandigheid een
noodzakelijkheid is, welke het leven hun oplegt.
HOOFDSTUK II.
EEN GEZANT DER VOORZIENIGHEID.
Schaunard en Marcel, die reeds van den vroegen ochtend af dapper aan
het werk waren, hielden plotseling op.
"Alle duivels, wat heb ik een honger!" zeide Schaunard; en hij voegde
er langs zijn neus weg aan toe: "Wordt er vandaag niet gedejeuneerd?"
Marcel scheen over die meer dan ooit ongelegen komende vraag zeer
verbaasd:
"Sedert wanneer wordt er twee dagen achter elkaar gedejeuneerd?" zeide
hij. "Het was gisteren Donderdag."
En, om zijn antwoord als het ware meer kracht bij te zetten, wees
hij met zijn schilderstokje op het gebod der Kerk.
"Vendredi chair ne mangeras,
Ni autre chose pareillement."
Schaunard kon geen antwoord vinden en begon weer te werken aan zijn
schilderij, dat een vlakte voorstelde met een rooden en een blauwen
boom, die elkaar een hand- of liever takdruk gaven. Een zeer duidelijke
en inderdaad ook zeer philosophische toespeling op de heerlijkheden
der vriendschap.
Op dat oogenblik klopte de concierge aan de deur. Hij bracht een
brief voor Marcel.
"Drie sous," zeide hij.
"Heusch?" antwoordde de kunstenaar. "Die mag je houden."
En hij sloeg de deur voor zijn neus dicht.
Marcel verbrak het zegel en las. Bij de eerste woorden reeds begon
hij te springen als een acrobaat en hief luidkeels het volgende lied,
dat bij hem de hoogste graad van verrukking was, aan:
"Y'avait quat' jeunes gens du quartier
Ils étaient tous les quatre malades;
On les a m'nés à l'Hôtel-Dieu
Eu! eu! eu! eu!"
"Prachtig," zeide Schaunard en vervolgde:
"On les a mis dans un grand lit,
Deux à la tête et deux au pied.
"Dat kennen we al."
Marcel ging door:
"Ils virent arriver un' petit' soeur,
Eur! eur! eur! eur!"
"Als je niet oogenblikkelijk ophoudt," zeide Schaunard, die reeds
symptomen van hersenverweeking begon te voelen, "dan ga ik het
allegro van mijn symphonie over den Invloed van het Blauw in de
Kunsten spelen."
En hij stapte reeds naar zijn piano.
Dit dreigement werkte als een droppel koud water, die in een borrelende
vloeibare massa valt.
Marcel kalmeerde als door een tooverslag.
"Hier!" zeide hij, terwijl hij den brief aan zijn vriend gaf; "lees!"
Het was een uitnoodiging voor een diner van een député, een verlicht
beschermer der kunsten in het algemeen en in het bijzonder van Marcel,
die een schilderij van zijn landhuis gemaakt had.
"Dat is voor vandaag," zeide Schaunard; "jammer, dat het geen
invitatie voor twee personen is. Maar daar bedenk ik me, dat jouw
député ministerieel gezind is; je kan, je mag die uitnoodiging niet
aannemen: je principes verbieden je brood te eten, dat gedrenkt is
in het zweet van het volk."
"Ba!" zeide Marcel, "mijn député behoort tot de linkerzijde van het
centrum; hij heeft pas nog tegen de regeering gestemd. Bovendien zal
hij wel een opdracht voor me hebben, en hij heeft me beloofd mij in
andere kringen te introduceeren. En al is het ook vandaag honderd
maal Vrijdag, ik heb een honger als Ugolino in zijn toren; ik wil
vandaag dineeren en daarmede basta!"
"Er zijn nog andere hinderpalen," ging Schaunard voort, die zijn
jaloerschheid op het fortuintje, dat zijn vriend ten deel viel,
niet bedwingen kon. "Je kunt toch niet zoo in je roode trui en met
je sjouwerspet op gaan dineeren."
"Ik zal van Rodolphe of Colline een pak leenen."
"Jeugdige dwaas! Ben je vergeten, dat wij den twintigsten van de
maand voorbij zijn en dat om dezen tijd de kleeren van die heeren
bij oom Jan logeeren?"
"Maar ik zal toch vòòr vijf uur wel een zwart pak vinden," zeide
Marcel.
"Ik heb drie weken noodig gehad, om er een te vinden, toen ik naar
de bruiloft van mijn neef moest--en dat was toch in het begin van
Januari."
"Nou dan ga ik zoo!" antwoordde Marcel, terwijl hij met groote passen
de kamer op en en neer liep. "Van mij zal niet gezegd worden, dat
een armzalige quaestie van etiquette mij heeft weerhouden den eersten
stap in de wereld te doen."
"O ja, dat is waar ook!" viel Schaunard, die het blijkbaar pleizierig
vond zijn vriend te plagen; "hoe staat het met je schoenen?"
Marcel ging in een toestand van niet te beschrijven opwinding weg. Na
verloop van twee uur kwam hij terug met een boord.
"Dat is alles wat ik heb kunnen vinden," zeide hij met een
deerniswaardig gezicht.
"Daarvoor hadt je waarachtig niet zoo behoeven rond te loopen,"
antwoordde Schaunard; "we hebben hier papier genoeg, om er een dozijn
te maken."
"Maar alle duivels!" riep Marcel uit en rukte daarbij de haren uit
zijn hoofd; "we moeten hier toch kleeren hebben."
En in alle hoekjes en gaatjes der beide kamers begon hij een nauwgezet
onderzoek.
Na een uur zoekens had hij het volgende costuum bij elkaar:
Een geruite broek.
Een grijze hoed.
Een roode das.
Een eertijds witte handschoen.
Een zwarte handschoen.
"Daar zijn in geval van nood ten minste twee zwarte handschoenen uit
te maken," zeide Schaunard. "Maar wanneer je aangekleed bent, zal je er
uitzien als het zonnespectrum. Doch dat is minder--je bent schilder."
Intusschen paste Marcel de schoenen.
O ramp! Ze waren beide van denzelfden voet.
Daar zag de wanhopige kunstenaar in een hoek een ouden schoen,
waarin ze gewoonlijk hun leege verfblazen gooiden. Hij maakte er zich
meester van.
"Van kwaad tot erger," zeide zijn ironische makker: "de een is puntig
en de ander breed van voren."
"Dat zie je niet; ik zal ze lakken."
"Dat is een idée! Nu ontbreekt je alleen nog de onontbeerlijke rok."
"O," zeide Marcel, terwijl hij zich van woede in zijn vuisten beet
"ik zou tien jaar van mijn leven en mijn rechterhand geven, als ik
er een had."
Op dit oogenblik hoorden zij opnieuw op de deur kloppen. Marcel ging
open doen.
"Mijnheer Schaunard?" zeide een vreemdeling, die op den drempel
bleef staan.
"Dat ben ik," antwoordde de schilder en verzocht hem binnen te komen.
"Mijnheer," zeide de onbekende, die een van die trouwhartige gezichten
had, welke den provinciaal kenmerken, "mijn neef heeft me verteld,
dat u zoo mooi portretten kunt schilderen; en daar ik op het punt sta
een reis naar de koloniën te maken, als gedelegeerde der raffinadeurs
van Nantes, zou ik gaarne een souvenir van mij aan mijn familie
achterlaten. Daarom ben ik naar u toe gekomen."
"O, heilige Voorzienigheid!" ... mompelde Schaunard. "Marcel, geef
een stoel aan mijnheer...."
"Blancheron," vulde de vreemdeling aan; "Blancheron uit Nantes,
afgevaardigde van de suikerindustrie, oud-burgemeester van V....,
kapitein van de garde nationale, en schrijver van een brochure over
de suikerquaestie."
"Ik voel mij zeer vereerd, dat ik door u gekozen ben," zeide de
artist, terwijl hij een buiging maakte voor den gedelegeerde der
raffinadeurs. "En hoe wenscht u uw portret te hebben?"
"Een miniature, zooals dit," antwoordde mijnheer Blancheron, terwijl
hij op een portret in olieverf wees; want, zooals voor zoovele anderen,
is voor den gedelegeerde alles, wat geen verf op huizen is, miniatuur:
zij kennen geen middenweg.
Dit naïeve antwoord deed Schaunard dadelijk begrijpen met wien hij
te doen had, vooral toen de vreemdeling er nog aan toevoegde, dat
hij gaarne zijn portret in fijne kleuren geschilderd wilde hebben.
"Ik gebruik nooit andere," zeide Schaunard. "En in welke grootte wilt
u uw portret?"
"Zoo groot ongeveer," antwoordde mijnheer Blancheron, op een doek
van twintig francs wijzend. "Wat is de prijs daarvan?"
"Vijftig tot zestig francs; vijftig zonder handen en zestig met."
"Drommels, mijn neef sprak van dertig francs."
"Dat hangt af van het seizoen," zeide de schilder; "in sommige tijden
zijn de kleuren veel duurder."
"Zoo, dat is dus net als met den suiker."
"Precies eender."
"Nou, voor vijftig francs dan," zeide mijnheer Blancheron.
"Dat zou ik u niet aanraden; voor tien francs meer schilder ik u met
uw suiker-brochure in uw handen, dat zal meer effect maken."
"Waarachtig, u hebt gelijk!"
"Lieve Hemel," zeide Schaunard in zichzelf; "als hij zoo doorgaat, dan
barst ik nog los en gooi ik hem een van mijn stukken naar zijn hoofd."
"Heb je gezien?" fluisterde Marcel hem in.
"Wat?"
"Hij heeft een rok."
"Ik snap je en ik zal je helpen. Laat mij maar begaan."
"Welnu, mijnheer," zeide de gedelegeerde, "wanneer zullen we
beginnen? We moeten niet te lang wachten, want ik vertrek eerstdaags."
"Ik moet zelf een klein reisje maken; overmorgen verlaat ik Parijs. Als
u het dus goed vindt, zullen we maar dadelijk beginnen. Een flinke
séance zal de zaak zeer bespoedigen."
"Maar het zal zoo dadelijk donker zijn, en u kunt toch niet bij
kunstlicht schilderen," zeide mijnheer Blancheron.
"Mijn atelier is zòò ingericht, dat ik er op ieder uur van den dag
kan werken..." viel de schilder hem in de rede. "Als u uw rok wilt
uittrekken en de pose aannemen, zullen we beginnen."
"Mijn rok uittrekken? Waarom?"
"Hebt u niet gezegd, dat het een portret voor uw familie moet zijn?"
"Zeker."
"Dan moet u ook in een kamerjapon geschilderd worden. Dat is trouwens
gewoonte ook."
"Maar ik heb geen kamerjapon bij me."
"Ik heb er een. Ik ben voor zulke gevallen ingericht," zeide Schaunard
en gaf zijn model een oud met verfvlekken overladen vod, dat den
eerzamen provinciaal op het eerste gezicht deed aarzelen.
"Dat is al een heel raar kleedingstuk," zeide hij.
"En heel kostbaar," antwoordde de schilder. "Indertijd heeft een
Turksch vizier het cadeau gegeven aan Horace Vernet, die het weer
aan mij vermaakt heeft. Ik ben zijn leerling."
"Bent u een leerling van Vernet?" vroeg Blancheron.
"Ja, mijnheer, en daar ben ik trotsch op.--Schande," mompelde hij in
zichzelf, "ik verloochen mijn goden."
"Daar hebt u dan ook reden voor, jonge man," antwoordde de
gedelegeerde, terwijl hij de kamerjapon van zoo voorname afkomst
aantrok.
"Hang den rok van mijnheer aan den porte-manteau," zeide Schaunard
met een beteekenisvollen blik tot zijn vriend.
"Zeg eens," mompelde Marcel, terwijl hij zich op zijn prooi wierp en
heimelijk naar Blancheron wees "hij ziet er prachtig uit zoo! Als je
hem zoo eens schilderen kon!"
"Ik zal het probeeren! Maar dat is van minder belang, kleed je gauw aan
en maak, dat je weg komt, maar zorg, dat je om tien uur terug bent;
ik zal hem wel tot zoo lang aan de praat houden. Maar vòòr alles,
vergeet niet iets voor me mede te brengen."
"Ik zal een ananas voor je meebrengen," antwoordde Marcel en maakte,
dat hij weg kwam.
Hij kleedde zich in vliegenden haast. De rok paste hem, alsof hij hem
aangemeten was. Dan ging hij door de tweede deur van het atelier weg.
Schaunard was intusschen met werken begonnen. Toen het heelemaal
donker geworden was, hoorde mijnheer Blancheron het zes uur slaan en
bedacht zich, dat hij nog niet gedineerd had. Hij vertelde dat aan
den schilder.
"Ik verkeer in hetzelfde geval, maar om u ter wille te zijn, zal ik
mij daarvan vanavond maar speenen," zeide Schaunard; "wel had ik voor
vanavond een invitatie in den faubourg Saint-Germain, maar we kunnen
het werk nu niet afbreken, dat zou schade doen aan de gelijkenis."
En hij begon weer te werken.
"Maar," zeide hij plotseling, "we zouden kunnen dineeren, zonder dat
we ons werk onderbreken. Er is hier vlak bij een uitstekend restaurant,
vanwaar ze ons alles, wat we willen, kunnen brengen."
En Schaunard wachtte met spanning de uitwerking van zijn trio
meervouden af.
"Ik ben het volkomen met u eens," zeide mijnheer Blancheron, "en het
zal mij aangenaam zijn, indien u mij de eer wilt aandoen aan tafel
mijn gast te zijn."
Schaunard maakte een buiging.
"Waarachtig," zeide hij tot zichzelf, "het is een brave kerel, een
ware gezant der Voorzienigheid. Wilt u het menu maar opmaken?" vroeg
hij aan zijn amphytrion. [7]
"Het zal mij aangenaam zijn, indien u zich daarmede belasten wilt,"
antwoordde deze beleefd.
"Dat zal je berouwen," zong de schilder, die vliegensvlug de trap
afstormde.
Hij ging het restaurant binnen, liep naar de toonbank en stelde
een menu samen, dat den Vatel [8] in den winkel bij het lezen bleek
deed worden.
"En goede Bordeaux."
"Wie betaalt dat?"
"Ik waarschijnlijk niet," zeide Schaunard; "maar een oom van me, een
lekkerbek en fijnproever, dien u boven bij me zult zien. Zet dus je
beste beentje voor en zorg, dat we binnen een half uur kunnen eten
en denk erom, op echt porcelein."
Om acht uur voelde mijnheer Blancheron reeds behoefte aan de borst van
een vriend zijn denkbeelden over de suikerindustrie uit te storten,
en declameerde hij voor Schaunard de brochure, die hij geschreven had.
Deze begeleidde hem op den piano.
Om tien uur dansten mijnheer Blancheron en zijn vriend een galop en
tutoyeerden elkaar.
Om elf uur zwoeren zij elkaar eeuwige trouw en maakten een testament,
waarin zij elkaar wederkeerig hun fortuin nalieten.
Om twaalf uur kwam Marcel thuis en vond ze in elkanders armen. Ze
zwommen in tranen. Er stond al een halve duim water in het
atelier. Marcel stootte zich tegen de tafel en zag de schitterende
overblijfselen van het heerlijke festijn. Hij onderzocht de
flesschen--zij waren totaal leeg.
Hij wilde Schaunard wakker maken, maar deze dreigde hem te zullen
vermoorden, als hij hem Mijnheer Blancheron, dien hij als hoofdkussen
gebruikte, wilde ontrooven.
"Ondankbare!" zeide Marcel, terwijl hij uit zijn rokzak een handvol
noten te voorschijn haalde. "Mij vermoorden, mij, die een diner voor
hem meegebracht heb."
HOOFDSTUK III.
DE LIEFDE IN DEN VASTENTIJD.
Op een avond in den vastentijd kwam Rodolphe al vroeg thuis met het
vaste plan om te gaan werken. Doch nauwlijks had hij zich aan tafel
gezet en zijn pen in den inktkoker gedoopt, toen zijn aandacht door
een zonderling geluid getrokken werd; en toen hij luisterde aan het
indiscrete beschot, dat hem van de kamer ernaast scheidde, hoorde
hij heel duidelijk een regelmatigen dialoog van kussen en andere
amoureuse klanknabootsingen.
"Drommels!" dacht Rodolphe, terwijl hij op de pendule keek, "het is nog
niet laat ... en mijn buurvrouw is een Julia, die haar Romeo gewoonlijk
nog lang na het zingen van de leeuwerik bij zich houdt. Ik zal vannacht
niet kunnen werken." En hij zette zijn hoed op en ging uit.
Toen hij zijn sleutel in de portiersloge wilde leggen, vond hij de
vrouw van den concierge in de armen van een galant. De arme vrouw
was er zoo verschrikt door, dat er meer dan vijf minuten verliepen,
voordat zij kon opentrekken.
"Ha!" dacht Rodolphe, "er zijn dus oogenblikken, waarop de portiersters
weer vrouwen worden."
Toen hij de huisdeur opende, vond hij in den hoek een dragonder
en een keukenmeid in een avondmantel staan, die elkaar bij de hand
vasthielden en het geld der liefde wisselden.
"Alle duivels!" zeide Rodolphe met een toespeling op den krijgsman
en zijn robuste vriendin, "dat zijn een paar ketters, die er niet
aan denken, dat wij in de vasten zijn."
En hij ging de straat op naar een van zijn vrienden, die in de
buurt woonde.
"Als Marcel thuis is," zeide hij tot zichzelf, "dan kunnen we den
avond doorbrengen met eens lekker Colline over den hekel te halen. Je
moet toch wat doen ...."
Op zijn krachtig kloppen werd de deur op een kiertje open gemaakt en
vertoonde zich daarin een jonge man met alleen een monocle op en een
hemd aan.
"Ik kan je vandaag niet ontvangen," zeide hij tegen Rodolphe.
"Waarom niet?" vroeg deze.
"Hier!" zeide Marcel en hij wees op een vrouwehoofd, dat achter een
bedgordijn te voorschijn kwam; "hier heb je mijn antwoord!"
"Zij is niet mooi!" antwoordde Rodolphe, toen de deur voor zijn
neus gesloten was. "Maar wat nu?" zeide hij, toen hij weer op straat
was. "Als ik eens naar Colline ging? Dan zouden we eens lekker over
Marcel kunnen kletsen."
Toen hij de gewoonlijk donkere en weinig drukke rue de l'Ouest
doorging, zag hij plotseling een schaduw, die melancholiek heen en
weer liep en binnensmonds verzen scheen te reciteeren.
"He, he," zeide Rodolphe; "welk sonnet loopt daar zoo te
blauwbekken? Lieve Hemel, het is Colline."
"He, Rodolphe! Waar is de reis naar toe?"
"Naar jou."
"Daar zal je me niet vinden."
"Wat doe je hier?"
"Ik wacht."
"En waar wacht je op?"
"Ach!" zeide Colline met spottende hoogdravendheid, "waarop kan je
wachten, wanneer je twintig bent, de hemel van sterren fonkelt en
liederen door de lucht weerklinken?"
"Spreek toch in proza."
"Ik wacht op een vrouw."
"Bonsoir," zeide Rodolphe, die in zichzelf pratend verder
ging. "Bliksems! Is het dan vandaag St. Cupido en zou ik geen stap
kunnen verzetten zonder op verliefden te stooten? Het is onzedelijk,
schandelijk. Waarom doet de politie er niets aan?"
Daar de Luxembourg nog open was, ging Rodolphe dien binnen, om zijn
weg te bekorten. In de verlaten lanen zag hij dikwijls, als verschrikt
door zijn passen, geheimzinnig elkaar omvattende paren voor zich uit
vluchten, die, zooals een dichter gezongen heeft, de dubbele wellust
der stilte en der schaduw zoeken.
"Net een avond, die uit een roman overgeschreven is," zeide hij tot
zichzelf. En toch ging hij, zijns ondanks door een smachtende bekoring
bevangen, op een bank zitten en keek sentimenteel naar de maan.
Na eenigen tijd was hij geheel door een hallucinatiekoorts
bevangen. Het was, alsof de marmeren goden en heroën, die den tuin
bevolken, van hun voetstukken afdaalden, om aan de godinnen en
heroïnen het hof te maken; en hij hoorde heel duidelijk hoe de dikke
Hercules de Velleda, wier tunica hem buitengewoon kort voorkwam,
galante complimentjes influisterde.
Van af de bank, waarop hij zat, zag hij, hoe de zwaan uit het bassin
naar een nymph daar vlak bij ging.
"Mooi!" dacht Rodolphe, die dit alles mythologisch opvatte, "dat is
Juppiter, die naar zijn rendez-vous met Leda gaat. Als de bewaker ze
nu maar niet betrapt."
Dan legde hij zijn hoofd in zijn handen en boog zich nog dieper in
de doornen van zijn gevoel. Doch op dit heerlijke oogenblik van zijn
droom werd Rodolphe plotseling wakker geschrikt door een bewaker,
die hem op zijn schouder tikte.
"Mijnheer, de tuin wordt gesloten."
"Dat is maar gelukkig ook," dacht Rodolphe. "Als ik hier nog vijf
minuten bleef, zou ik in mijn hart meer vergeet-mij-nietjes hebben
dan er op de oevers van den Rijn of in de romans van Alphonse Karr
groeien."
En met zachte stem een sentimenteele romance, die voor hem de
Marseillaise der liefde was, neuriënd, verliet hij met vluggen pas
den Luxembourg.
Een half uur later zat hij--God weet hoe hij er kwam--in den Prado voor
een glas punch te praten met een grooten, jongen man, die beroemd was
om zijn neus, welke er door een merkwaardig privilege van ter zijde
snavelvormig en en face plat uitzag; een meesterneus, wien het niet aan
geest ontbrak en die genoeg avonturen medegemaakt had, om in dergelijke
gevallen goeden raad te kunnen geven en zijn vriend nuttig te zijn.
"Dus," zeide Alexandre Schaunard, de man met den neus, "je bent
verliefd!"
"Ja, mijn waarde .... ik heb het daarnet plotseling te pakken gekregen;
precies hevige kiespijn, die je in je hart hebt."
"Geef me je tabak eens," zeide Alexandre.
"Stel je voor," ging Rodolphe voort, "dat ik sinds twee uur niets dan
verliefden, mannen en vrouwen, twee aan twee, tegenkom. Ik kwam op
het denkbeeld den Luxembourg in te loopen, waar ik allerlei soorten
phantasmagorieën gezien heb; dat heeft me buitengewoon aangegrepen;
elegieën schieten in mij op; ik blaat en ik kir; ik ben half lam, half
duif geworden. Kijk me eens goed aan; ik moet wol en veeren hebben."
"Wat heb je toch gedronken?" zeide Alexandre ongeduldig, "je laat me
poseeren alsof ik een model ben."
"Ik verzeker je, dat ik volkomen helder ben," zeide Rodolphe. "Of
toch eigenlijk niet. Maar ik moet je eerlijk bekennen, dat ik behoefte
heb om iets te omhelzen. Zie je, Alexandre, het is niet goed, dat de
mensch alleen zij: kort en goed je moet me helpen een vrouw te vinden
.... Wij zullen een rondgang door de balzaal maken, en daar moet jij
de eerste, die ik je aanwijs, gaan zeggen, dat ik haar liefheb."
"Waarom ga je zelf dat haar niet zeggen?" antwoordde Alexandre met
zijn prachtigen nasalen bas.
"Ach mijn waarde," zeide Rodolphe, "ik wil eerlijk bekennen, dat ik
heelemaal vergeten ben hoe je het aan moet pakken, om zulke dingen te
zeggen. Van al mijn liefderomans hebben mijn vrienden de inleiding
geschreven, sommigen zelfs de ontknooping. Ik heb nooit een goed
begin kunnen vinden."
"Het is voldoende, om er een eind aan te kunnen maken," zeide
Alexandre; "maar ik begrijp je. Ik heb een jong meisje gezien, die
veel van hobo's houdt. Misschien val je wel in haar smaak."
"Ach!" zeide Rodolphe, "ik zou zoo graag zien, dat zij witte
handschoenen en blauwe oogen had."
"Drommels, blauwe oogen, dat zal nog wel gaan .... maar witte
handschoenen .... je weet toch, dat je niet alles tegelijk hebben
kan. Maar laten we naar het aristocratische kwartier gaan."
"Kijk," zeide Rodolphe, terwijl hij een salon binnenging, waar de
modepoppetjes zich ophielden, "daar zit er een, die me nog al zacht
toeschijnt ...." en hij wees op een vrij elegant gekleed meisje,
dat zich in een hoek teruggetrokken had.
"Goed," antwoordde Alexandre; "houd jij je maar wat op den
achtergrond; ik zal voor jou den fakkel van den hartstocht in haar
hart slingeren. Wanneer je moet komen, zal ik je roepen."
Een minuut of tien stond Alexandre te praten met het jonge meisje,
dat nu en dan in een vroolijken lach uitbarstte en eindelijk Rodolphe
een glimlachje toewierp, dat meer dan duidelijk te kennen gaf: Kom
maar, je advocaat heeft zijn proces gewonnen.
"Ga nu maar," zeide Alexandre; "de overwinning is ons; het kleintje
zal in ieder geval niet wreed zijn, maar doe in den beginne een
beetje naief."
"Dat behoef je me volstrekt niet te zeggen."
"Ook goed," zeide Schaunard. "Geef mij nu eerst wat tabak en ga dan
bij haar zitten."
"Lieve Hemel," zeide het jonge meisje, toen Rodolphe naast haar
plaats genomen had; "wat een type, die vriend van je. Hij heeft een
stem als een jachthoorn."
"Dat komt, omdat hij musicus is," antwoordde Rodolphe.
Twee uur later bleven Rodolphe en zijn vriendinnetje voor een huis
in de rue Saint-Denis staan.
"Hier woon ik," zeide het jonge meisje.
"Lieve Louise, wanneer zal ik je weer zien, en waar?"
"Morgenavond om acht uur op je kamer."
"Heusch?"
"Hier heb je mijn woord," antwoordde Louise, terwijl zij Rodolphe
haar frissche wangen toestak, die zoo maar in die prachtige rijpe
vruchten van jeugd en gezondheid beet.
Dol en dronken van liefde kwam Rodolphe weer op zijn kamer.
"O," zeide hij, terwijl hij met groote passen op en neer liep;
"dat kan zoo maar niet afloopen! Ik moet verzen maken."
Den volgenden morgen vond de concierge in de kamer een dertig blaadjes
papier, aan het hoofd waarvan majestueus deze enkele alexandrijn
prijkte:
"O l'Amour! ô l'Amour! prince de la jeunesse!"
Rodolphe was dien dag, tegen zijn gewoonte in, al heel vroeg wakker,
en hoewel hij weinig geslapen had, stond hij dadelijk op.
"Dus," riep hij uit, "is het vandaag de groote dag .... Maar nog
twaalf uur wachten .... Hoe die twaalf eeuwigheden doorkomen?"
En toen zijn blik op zijn schrijftafel viel, was het alsof zijn pen
heen en weer huppelde en tegen hem zei: Werk.
"Werken? weg met het proza!... Ik wil niet hier blijven, het stinkt
hier naar inkt!"
Hij ging naar een café, waar hij zeker was geen vrienden te zullen
aantreffen.
"Zij zouden dadelijk zien, dat ik verliefd was," dacht hij.
Na een zeer eenvoudig dejeuner gebruikt te hebben, liep hij naar het
station en stapte in een coupé.
Een half uur later was hij in de bosschen van Ville d'Avray.
Rodolphe wandelde den geheelen dag door de verjongde natuur en keerde
eerst tegen het vallen van den avond naar Parijs terug.
Nadat hij den tempel, die zijn afgod zou ontvangen in orde gemaakt had,
maakte hij een voor deze gelegenheid passend toilet, waarbij hij het
zeer betreurde, dat hij zich niet geheel in het wit kleeden kon.
Tusschen zeven en acht uur was hij ten prooi aan een hevige
wacht-koorts, een langzame marteling, die hem zijn vroegere jaren
en zijn vroegere verliefdheden weer in de gedachte terugriep. Dan
droomde hij, volgens zijn gewoonte, reeds van een grooten hartstocht,
een liefde in tien deelen, een waar lyrisch gedicht met maneschijn,
ondergaande zon, afspraakjes onder wilgen, jaloezie, zuchten
enz. enz. Zoo ging het iederen keer, als het toeval een vrouw aan
zijn deur voerde, en geen enkele had hem verlaten zonder een aureool
om haar voorhoofd en een collier van tranen om haar hals.
"Zij zouden liever een hoed of een paar schoenen hebben," zeiden
zijn vrienden.
Maar Rodolphe was hardnekkig en tot nog toe hadden de talrijke
ervaringen, die hij al had doorgemaakt, hem niet kunnen genezen. Hij
wachtte nog altijd op een vrouw, die een idool voor hem zou willen
zijn, een engel in zijde en fluweel, tot wie hij, als de inspiratie
ze hem ingaf, zijn sonnetten kon richten.
Eindelijk hoorde Rodolphe het "gewijde uur" slaan, en toen de laatste
slag weerklonk, meende hij te zien dat de Amor en de Psyche op zijn
pendule hun albasten lichamen tegen elkaar drukten. Op hetzelfde
oogenblik werd er tweemaal bescheiden aan de deur geklopt.
Rodolphe ging open doen; het was Louise.
"Je ziet, dat ik op tijd ben," zeide zij.
Rodolphe deed de gordijnen dicht en stak een nieuwe kaars aan.
Intusschen had de kleine haar sjaal afgedaan en haar hoed afgezet en
die beide op het bed gelegd. De hagelwitte lakens deden haar glimlachen
en bijna een kleur krijgen.
Louise was eerder gracieus dan mooi te noemen; haar frisch
gezichtje verried een aantrekkelijke vermenging van naïveteit en
schalkschheid. Het was iets als een motief van Greuze, gearrangeerd
door Gavarni. [9] De bekoorlijke, jeugdige vormen van het jonge
meisje kwamen zeer voordeelig uit door een toilet, dat, hoewel heel
eenvoudig, ook bij haar die aangeboren kennis verried van koketterie,
welke alle vrouwen bezitten van af haar eerste windselen tot aan haar
bruidskleed. Louise scheen bovendien in het bijzonder de theorie der
houdingen bestudeerd te hebben en nam voor Rodolphe, die haar met
kunstenaarsoogen beschouwde, een reeks verleidelijke standen aan, die
in hun gemaniereerdheid dikwijls meer gracieus dan natuurlijk waren:
haar fijn geschoeide voetjes waren klein genoeg .... zelfs voor een
romanticus, die Andalusische of Chineesche miniaturen als zijn ideaal
beschouwt. Haar teere handen verrieden, dat zij niet aan werken gewoon
waren. Inderdaad hadden zij in de laatste zes maanden de steken der
naalden niet behoeven te vreezen. In het kort Louise was een van die
trekvogeltjes, welke uit een gril en dikwijls uit noodzaak, haar nestje
voor een dag of liever voor een nacht bouwen in de dakkamertjes van
het Quartier latin en daar gaarne een paar dagen blijven, indien men
ze door aardige invallen of zijden linten weet te binden.
Na een uurtje met Louise gepraat te hebben, wees Rodolphe haar als
een navolgenswaardig voorbeeld den groep van Amor en Psyche.
"Zijn dat niet Paul en Virginie?" vroeg zij.
"Ja," antwoordde Rodolphe, die haar niet dadelijk door een tegenspraak
wilde krenken.
"Zij zijn goed nagemaakt," vond Louise.
"O je!" dacht Rodolphe, terwijl hij haar aankeek, "het arme kind
is weinig bedreven in de litteratuur. Ik ben er zeker van, dat zij
alleen op de hoogte is van de orthographie van het hart, die geen en
of s in het meervoud schrijft. Ik zal een grammatica voor haar koopen."
Toen Louise erover klaagde, dat haar schoenen haar knelden, hielp
hij haar voorkomend bij het uittrekken.
Plotseling ging het licht uit.
"Hè?" riep Rodolphe uit, "wie heeft de kaars uitgeblazen?"
Een vroolijke lach was het antwoord.
Enkele dagen later kwam Rodolphe op straat een van zijn vrienden tegen.
"Wat voer je toch uit?" vroeg deze hem. "We zien je heelemaal niet
meer."
"Ik maak huiselijke poëzie," was Rodolphe's antwoord.
De ongelukkige sprak de waarheid. Hij had aan Louise meer gevraagd
dan het arme kind hem had kunnen geven. Als doedelzak had zij niet
de tonen van een lier. Zij sprak, om zoo te zeggen, het patois der
liefde en Rodolphe wilde er absoluut de salontaal van spreken. Daardoor
begrepen zij elkaar nauwlijks.
Acht dagen later ontmoette Louise in hetzelfde danslokaal, waar zij
Rodolphe voor het eerst gezien had, een blonden jongen man, met wien
zij verscheidene malen danste en die haar na afloop van het bal naar
zijn kamer meenam.
Het was een tweedejaarsstudent, die heel goed het proza van het
pleizier sprak en mooie oogen en rinkelende zakken had.
Louise vroeg hem papier en inkt en schreef Rodolphe den volgenden
brief:
"Reeken niet meer op mei, ik omhels je voor het laast. Adieu.
Louise."
Toen Rodolphe 's avonds bij zijn thuiskomst dien brief las, ging zijn
licht plotseling uit.
"Kijk!" zeide hij nadenkend, "dat is de kaars, die ik den avond, dat
Louise kwam, aangestoken heb: zij moest met onze liaison sterven. Als
ik het vooruit geweten had, zou ik een langere genomen hebben,"
voegde hij er half spijtig, half boos bij en hij legde het briefje
van zijn maîtresse in een lade, die hij wel eens de catacomben van
zijn liefde noemde.
Toen Rodolphe eenigen tijd later eens bij Marcel was, raapte hij,
om zijn pijp aan te steken, een stuk papier van den grond op, waarop
hij het schrift en de orthographie van Louise herkende.
"Ik heb een autograaf van dezelfde hand," zeide hij tot zijn vriend;
"maar er staan in den mijne twee fouten minder dan in die van
jou. Bewijst dat niet, dat zij meer van mij hield dan van jou?"
"Dat bewijst, dat je een idioot bent!" antwoordde Marcel. "Blanke
schouders en blanke armen hebben geen grammatica van noode."
HOOFDSTUK IV.
ALI-RODOLPHE, OF DE TURK TEGEN WIL EN DANK.
Door een ongastvrijen huisheer verbannen, leefde Rodolphe sedert
eenigen tijd in meer dwalenden toestand dan de wolken en volmaakte
zich, zoo goed hij kon, in de kunst zonder avondeten naar bed te gaan
of te soupeeren zonder naar bed te gaan. Zijn kok heette het Toeval
en hij logeerde meestal in het hotel: De Bloote Hemel.
Twee dingen echter verlieten Rodolphe te midden van al zijn
tegenspoeden nooit: zijn goed humeur en het manuscript van
"Le Vengeur", een drama, dat een lijdensweg door alle Parijsche
schouwburgen gemaakt had.
Op een goeden dag, toen Rodolphe ten gevolge van een al te fantastische
danse macabre naar de "nor" gebracht was, stond hij plotseling
tegenover een oom van hem, een zekeren mijnheer Monetti, kachelsmid,
rookverdrijver en sergeant bij de garde nationale, dien hij in geen
eeuwigheid gezien had.
Geroerd door de tegenspoeden van zijn neef, beloofde oom Moretti zijn
positie te verbeteren. Wij zullen zien hoe, als de lezer tenminste
niet opziet tegen een zes verdiepingen hooge klimpartij.
De leuning dus gepakt en naar boven. Oef! honderd vijf-en-twintig
treden. Daar zijn we eindelijk boven. Nog een stap en wij zijn in de
kamer, nog een en wij zouden er niet meer in zijn. Het is wat klein,
maar het is hoog: en verder licht en lucht en uitzicht first class.
Het meubilair bestaat uit verschillende kachels in den vorm van een
schoorsteen, twee haarden, spaarovens (vooral wanneer je er geen
vuur in aanlegt), een dozijn aarden of ijzeren pijpen en een menigte
verwarmingstoestellen; laten we, om den inventaris te sluiten, nog
noemen, een aan twee in den muur geslagen spijkers bevestigde hangmat,
een tuinstoel met een poot eraf, een kandelaar met een afdruipglaasje
en verschillende andere kunst- en luxe voorwerpen.
Het tweede vertrek, het balcon, wordt gedurende het mooie seizoen
door twee in potten staande dwerg-cypressen in een park veranderd.
Op het oogenblik, dat wij binnentreden, beëindigt de bewoner van die
heerlijkheid, een jonge als een Turk uit een opéra comique gekleede
jonge man, een maaltijd, waarbij hij, zooals de aanwezigheid van een
ex-ham en een te voren volle flesch wijn verraadt, op snoode wijze
de wet van den propheet schendt. Na afloop van den maaltijd strekt de
jonge man zich op zijn Oostersch uit op den vloer en begint nonchalant
een met J. G. [10] gemerkte pijp te rooken. Terwijl hij zich geheel en
al overgaf aan deze Aziatische gelukzaligheid, streelde hij van tijd
tot tijd den rug van een prachtigen Newfoundlander, die ongetwijfeld
die liefkoozing beantwoord zou hebben, als hij niet van terra cotta
geweest was. Plotseling hoorde men op de gang geluid van stappen;
de deur ging open en een man kwam binnen, die, zonder een woord te
zeggen, recht op een der beide haarden, welke als secretaire dienst
deed, toeliep, het deurtje van den oven openmaakte en er een rol
papier uitnam, dat hij met groote aandacht ging lezen.
"Wat?" riep de pas binnengekomene met een sterk Piemonteesch accent;
"heb je dat hoofdstuk over de luchtgaten nog niet af?"
"Neem me niet kwalijk, oom," antwoordde de Turk, "het hoofdstuk over
de luchtgaten is een van de interessantste van uw boek en vereischt
een nauwkeurige studie. Ik ben bezig het te bestudeeren."
"Maar, ellendeling, dat antwoordt je me iederen dag. En hoe ver ben
je met het hoofdstuk over de vulkachels?"
"De vulkachel staat er goed voor. Maar van kachels gesproken, oom,
als u me wat hout zoudt willen geven, zou ik er niets tegen hebben. Het
is hier een klein Siberië. Ik heb het zoo koud, dat ik den thermometer
zeker beneden nul zou laten dalen alleen door er naar te kijken."
"Wat, heb je dien heelen takkebos al opgebruikt?"
"Neem me niet kwalijk, oom, er zijn takkebossen en takkebossen,
en de uwe was al heel klein."
"Ik zal een kolengruisblok boven laten brengen. Dat bewaart de warmte."
"Daarom geeft het die zeker niet."
"Nou dan," zeide de Piemontees weggaande, "ik zal je wat talhout boven
sturen. Maar morgen moet ik mijn hoofdstuk over de vulkachels hebben."
"Wanneer ik vuur heb, zal ik daar beter vlam voor kunnen vatten,"
zeide de Turk, terwijl de Piemontees de deur aan den buitenkant sloot.
Wanneer we een tragedie aan het schrijven waren, zou nu het oogenblik
aangebroken zijn, om den vertrouwde te laten optreden. Hij zou
Noureddin of Osman moeten heeten en op tegelijk bescheiden en
beschermende wijze onzen held moeten naderen en hem zijn geheim
ontlokken met deze verzen:
"Quel funeste chagrin vous occupe, seigneur?
À votre auguste front, pourquoi cette pâleur?
Allah se montre-t-il à vos desseins contraire?
Ou le farouche Ali, par un ordre sévère,
A-t-il sur d'autres bords, en apprenant vos voeux,
Éloigné la beauté qui sut charmer vos yeux?"
Maar wij schrijven geen tragedie, en moeten het dus, al hebben wij
eigenlijk een vertrouwde dringend noodig, zonder hem stellen.
Onze held is niet wat hij schijnt te zijn: de tulband maakt den
Turk niet. Deze jonge man is onze vriend Rodolphe, die door zijn
oom onder dak is gebracht, voor wien hij nu een "Handboek voor den
Volmaakten Rookverdrijver" samenstelt. Mijnheer Monetti, die voor zijn
kunst zeer geestdriftig was, had al zijn vrijen tijd gewijd aan de
rookverdrijverij. Deze waardige Piemontees had voor zijn gebruik een
stelregel gevonden, die bijna een pendant van dien van Cicero vormde,
en in oogenblikken van grooten geestdrift riep hij uit: "Nascuntur poê
.... liers" [11]. Op een goeden dag was deze waardige Piemontees, tot
nut en stichting van de komende geslachten, op het denkbeeld gekomen
een theoretischen codex te formuleeren van de grondbeginselen der
kunst, in de praktische uitoefening waarvan hij uitblonk, en hij had,
zooals wij gezien hebben, zijn neef uitverkoren, om zijn diepzinnige
denkbeelden te gieten in een voor de menschheid begrijpelijken
vorm. Rodolphe werd door hem gevoed, gelegerd enz. ... en zou na de
voltooiing van het Handboek een gratificatie van honderd daalders
krijgen.
Om zijn neef tot werken aan te sporen, had Monetti hem in de eerste
dagen edelmoedig een voorschot van vijftig francs gegeven. Maar
Rodolphe, die al in een jaar zoo'n groote som niet gezien had,
was half waanzinnig van blijdschap in gezelschap van zijn daalders
uitgegaan en bleef drie dagen onder water: den vierden kwam hij,
van de zwaarte der looddeelen bevrijd, weer boven.
Monetti, die vurig verlangde zijn Handboek af te zien, daar hij hoopte
er een brevet voor te krijgen, was bang voor nieuwe escapades van
zijn neef. Om hem tot werken te noodzaken en hem te beletten uit te
gaan, nam hij hem zijn kleeren af en gaf hem daarvoor in de plaats
het kostuum, waarin we hem zooeven hebben aangetroffen.
Desniettegenstaande vorderde het beroemde Handboek slechts piano
aan, daar Rodolphe te eenenmale de voor dit genre van litteratuur
vereischte eigenschappen miste. De oom wreekte zich over die trage
onverschilligheid ten opzichte der schoorsteenen door zijn neef een
aantal kwellingen te laten ondergaan. Nu eens gaf hij hem slechts
kleine maaltijden en meermalen liet hij hem zonder rooktabak.
Op een Zondag brak Rodolphe, na bloed en inkt over het beroemde
hoofdstuk der luchtgaten gezweet te hebben, zijn pen, die hem in de
vingers brandde, in tweeën en ging een wandeling maken in zijn park.
Maar als om hem te plagen en zijn lust nog meer te prikkelen, kon hij
nergens heen kijken, of hij zag voor ieder raam iemand zitten rooken.
Op het vergulde balcon van een pasgebouwd huis kauwde een modegek in
een kamerjapon tusschen zijn tanden een aristocratischen panatella. Een
verdieping hooger joeg een artist den geurigen mist van Turksche tabak,
die in een pijp met barnsteenen mondstuk brandde, voor zich uit. Voor
het raam van een kroeg liet een dikke Duitscher zijn bier schuimen en
blies met mechanischen regelmaat dikke wolken uit zijn Cudmer-pijp. Op
straat kwamen zingend groepen werklieden met hun neuswarmers tusschen
de lippen voorbij. En ook alle andere voetgangers, die de straat
vulden, rookten.
"Helaas!" zuchtte Rodolphe, "behalve ik en de schoorsteenen van mijn
oom, rookt op dit oogenblik alles in de schepping."
En met zijn voorhoofd op het hek van het balcon geleund, overdacht
hij hoe bitter eigenlijk het leven was.
Plotseling hoorde hij beneden zich een helderen, lang aangehouden
lach. Rodolphe boog zich wat voorover, om te zien, vanwaar die
uitbarsting van vreugde kwam, en hij bemerkte, dat hij opgemerkt was
door de bewoonster van de verdieping beneden hem: mademoiselle Sidonie,
de jeune première van het Théâtre du Luxembourg.
Mademoiselle Sidonie kwam nu buiten op haar balcon en rolde met
Castiliaansche handigheid lichte tabak, dien zij uit een geborduurden
fluweelen tabakszak nam, in een blaadje dun papier.
"Wat een mooie tabakszak," mompelde Rodolphe met contemplatieve
bewondering.
"Wie is die Ali-Baba?" dacht op haar beurt mademoiselle Sidonie.
En zij zon op een voorwendsel om een gesprek aan te knoopen met
Rodolphe, die van zijn kant niets liever wilde.
"Lieve God!" riep mademoiselle Sidonie uit, alsof zij tegen zichzelf
sprak, "wat vervelend toch, nu heb ik geen lucifers."
"Mademoiselle, wilt u mij toestaan u er een paar aan te bieden?" vroeg
Rodolphe, terwijl hij een paar lucifers in een papiertje wikkelde en
op het balcon liet vallen.
"Dank u zeer!" antwoordde Sidonie, terwijl zij haar sigaret aanstak.
"Mademoiselle ...." ging Rodolphe voort, "zou ik u in ruil voor
den kleinen dienst, dien mijn goede engel mij toegestaan heeft u te
bewijzen, u mogen vragen?..."
"Wat! Begint hij nu al te vragen!" dacht Sidonie, terwijl zij
Rodolphe wat belangstellender opnam. "O, die Turken! Men zegt, dat zij
wispelturig zijn, maar wel gezellige menschen. Spreek mijnheer!" zeide
zij, terwijl zij naar Rodolphe opkeek; "wat wilt u?"
"O, mademoiselle, in naam der Christelijke barmhartigheid smeek ik
u om wat tabak: in geen twee dagen heb ik gerookt. Eén pijp maar ...."
"Met alle genoegen, mijnheer .... Maar hoe moet ik dat doen? Neem de
moeite om even een verdieping lager te komen."
"Helaas, dat is mij niet mogelijk .... Ik ben opgesloten, maar mij
blijft nog de vrijheid om een eenvoudig middel te gebruiken."
En hij bond zijn pijp aan een touwtje en liet haar zakken op het
balcon, waar mademoiselle Sidonie haar eigenhandig goed vol stopte,
waarna Rodolphe haar, d. w. z. de pijp, weer langzaam en voorzichtig
opheesch, wat zonder ongeval gelukte.
"O, mademoiselle," zeide hij tot Sidonie, "wat zou die pijp mij nog
lekkerder smaken, indien ik ze aan het vuur van uw oogen had kunnen
aansteken."
Deze aardige vleierij beleefde nu minstens haar honderdsten druk,
maar mademoiselle Sidonie vond ze desniettemin prachtig.
"U vleit me," meende ze te moeten antwoorden.
"Ah, mademoiselle, ik verzeker u, dat u mij even bevallig toeschijnt
als de drie Gratiën!"
"Ali Baba is beslist zeer galant," dacht Sidonie .... "Bent u werkelijk
een Turk?" vroeg zij dan aan Rodolphe.
"Niet uit roeping," antwoordde hij, "maar vi coactus; [12] ik ben
dramatisch auteur, madame."
"En ik dramatische artiste," antwoordde Sidonie.
Dan liet zij erop volgen:
"Wilt u, waarde buurman, mij de eer aandoen bij mij te komen dineeren
en verder den avond door te brengen?"
"Helaas, mademoiselle, hoewel deze uitnoodiging den hemel voor mij
opent, is het mij niet mogelijk haar aan te nemen. Zooals ik reeds
de eer gehad heb u te zeggen, ben ik achter slot en grendel gezet
door mijn oom, mijnheer Monetti, kachelsmid en rookverdrijver, wiens
secretaris ik op dit oogenblik ben."
"En toch zult u met mij dineeren," antwoordde Sidonie; "let goed op: ik
ga in mijn kamer en zal tegen mijn plafond kloppen. Op de plek, waar ik
klop, moet u kijken, en u zult daar de sporen vinden van een kijkgat,
een judas, dat daar vroeger was, maar nu sedert lang dicht gespijkerd
is: tracht het stuk hout, dat het gat afsluit, te verwijderen, dan
zullen we, hoewel ieder bij ons thuis, zoo goed als samen zijn ...."
Rodolphe zette zich dadelijk aan het werk. Na vijf minuten was er
een verbinding tusschen de twee kamers tot stand gebracht.
"Helaas!" zeide Rodolphe; "het gat is wel klein, maar er is toch nog
altijd ruimte genoeg, om u mijn hart er doorheen te kunnen reiken."
"En nu," zeide Sidonie, "gaan we eten. Dek bij je, dan zal ik u den
schotel geven."
Rodolphe liet aan een touwtje zijn tulband neer en heesch die, gevuld
met eetwaren, weer op; daarna begonnen de dichter en de artiste samen,
ieder aan zijn kant, te eten. Met zijn mond verslond Rodolphe de
pastei, met zijn oogen mademoiselle Sidonie.
"Mademoiselle!" zeide Rodolphe na afloop van het diner; "dank zij u,
is mijn maag thans bevredigd. Zoudt u niet eveneens den geeuwhonger
van mijn hart, dat reeds zoo lang gevast heeft, willen stillen?"
"Arme jongen!" zuchtte Sidonie.
Dit zeggende, klom zij op een stoel en bracht tot aan de lippen van
Rodolphe haar hand, die deze met kussen bedekte.
"Ach!" riep de jonge man uit; "hoe jammer dat u niet kunt doen als
de Heilige Dionysius, die het recht had zijn hoofd in zijn handen
te dragen."
Na het diner ontspon zich een erotisch-litterair gesprek. Rodolphe
sprak over zijn "Vengeur" en mademoiselle vroeg hem haar het stuk
voor te lezen. Over den rand van het gat gebogen, begon Rodolphe
zijn drama voor te dragen voor de actrice, die, om beter te kunnen
hooren, was gaan zitten op een fauteuil, welken zij op haar commode
gezet had. Mademoiselle Sidonie vond "Le Vengeur" een meesterstuk
en beloofde, daar zij in den schouwburg, waaraan zij verbonden was,
tevens de eerste viool speelde, Rodolphe, dat zij zou zorgen, dat
zijn stuk zou worden aangenomen.
Juist op het teederste oogenblik werd het gesprek gestoord door oom
Monetti, wiens stap, licht als die van den commandeur, [13] op den
corridor klonk. Rodolphe had nog slechts juist den tijd, om den judas
te sluiten.
"Daar!" zeide Monetti tot zijn neef, "hier heb je een brief, die je
nu al een maand achterna loopt."
"Laat eens zien!" zeide Rodolphe. "Oom!" riep hij na het lezen
uit; "oom, ik ben rijk! Deze brief meldt me, dat ik een prijs van
driehonderd francs gekregen heb van een Académie de Jeux floraux. [14]
Geef me gauw mijn jas en mijn bagage. Ik wil mijn lauweren gaan
plukken. Men wacht mij op het Capitool!"
"En mijn hoofdstuk over de luchtgaten?" vroeg Monetti koud.
"Maar oom, die trekken nu niet meer! Geef me mijn kleeren. Ik kan in
dit costuum niet op straat komen ...."
"Je gaat niet weg voor mijn Handboek af is," zeide zijn oom, terwijl
hij Rodolphe weer achter slot en grendel sloot.
Toen hij weer alleen was, aarzelde Rodolphe niet lang over wat hem
te doen stond .... Hij bond een beddelaken, dat hij handig in een
touwladder gemetamorphoseerd had, stevig aan zijn balcon en liet
zich ondanks het gevaarlijke van de expeditie, met behulp van dien
geïmproviseerden ladder op het balcon van mademoiselle Sidonie zakken.
"Wie is daar?" riep deze uit, toen zij Rodolphe tegen de ruiten
hoorde tikken.
"Sstt!" antwoordde hij; "doe open ...."
"Wat wilt u? Wie bent u?"
"Hoe kunt ge dat nog vragen? Ik ben de dichter van Le Vengeur,
en ik kom mijn hart halen, dat ik door den judas in uw kamer heb
laten vallen."
"Rampzalige!" zeide de actrice; "je hadt dood kunnen vallen!"
"Luister, Sidonie ...." ging Rodolphe voort en liet haar den brief
zien, dien hij pas gekregen had. "Zooals je ziet, lachen de fortuin
en de roem mij toe .... Moge de liefde dat ook doen!"
Den volgenden ochtend kon Rodolphe, dank zij een heerencostuum,
dat Sidonie hem gegeven had, uit het huis van zijn oom ontsnappen
.... Zijn eerste tocht was naar den vertegenwoordiger der Académie
des Jeux floraux, om een gouden hondsroos in ontvangst te nemen ter
waarde van honderd daalders, die bijna zoo lang leefden als de rozen
plegen te leven.
Een maand later kreeg mijnheer Monetti van zijn neef een uitnoodiging
voor de première van "Le Vengeur". Dank zij het talent van mademoiselle
Sidonie beleefde het stuk zeventien voorstellingen en bracht den
schrijver veertig francs op.
Eenigen tijd later--het was toen zomer--woonde Rodolphe in de Avenue
Saint-Cloud, boom No. 3 links van het Bois de Boulogne, tak No. 5.
HOOFDSTUK V.
DE CAROLUSDAALDER.
Tegen het einde van December kreeg het personeel van de firma Bidault
[15] een honderd uitnoodigingsbrieven te bezorgen, waarvan hier een
trouwe en eensluidende copie volgt:
"Mijnheer,
De heeren Rodolphe en Marcel verzoeken u hun de eer te bewijzen
Zaterdag a. s., den dag vòòr Kerstmis, den avond bij hen door te
brengen. Er zal gelachen worden.
P.S. Wij leven slechts eens in deze wereld!!"
Programma van het feest.
Zeven uur: Opening der salons; levendig en geanimeerd discours.
Acht uur: Entrée en wandeling door de salons van de geestige auteurs
van de door het Odéon geweigerde comédie: "De barende berg."
Acht en een half uur: "De invloed van het blauw in de kunsten",
nabootsende symphonie, voor te dragen door den beroemden
pianist-componist Alexandre Schaunard.
Negen uur: Eerste lezing van de verhandeling over de afschaffing van
de straf van het treurspel.
Negen en een half uur: Dispuut tusschen den hyperphysischen wijsgeer
Gustave Colline en mijnheer Alexandre Schaunard over vergelijkende
philosophie en meta-politiek. Om iedere lichamelijke botsing tusschen
de twee tegenstanders te vermijden, worden ze beiden vastgebonden.
Tien uur: De heer Tristan, letterkundige, zal zijn eerste liefde
vertellen. Alexandre Schaunard zal hem daarbij op den piano begeleiden.
Tien en een half uur: Tweede lezing van de verhandeling over de
afschaffing van de straf van het treurspel.
Elf uur: Voordracht over een jacht op casuarissen door een
buitenlandschen prins.
Tweede Deel.
Twaalf uur: Marcel, historieschilder, zal zich laten blinddoeken, en
met krijt de ontmoeting van Napoleon en Voltaire in de Champs-Elysées
op het doek improviseeren. Rodolphe zal eveneens een parallel
improviseeren tusschen den schepper van "Zaïre" en dien van den slag
bij Austerlitz.
Twaalf en een half uur: Nabootsing van de athletische spelen der 4de
Olympiade door Gustave Colline in een kuisch déshabillé.
Een uur: Derde lezing van de verhandeling over de afschaffing van de
straf van het treurspel en collecte ten bate van de tragische dichters,
die in de toekomst broodeloos zullen zijn.
Twee uur: Begin der gezelschapspelen en samenstelling der quadrilles,
die tot in den ochtend zullen worden voortgezet.
Zes uur! Zonsopgang en slotkoor.
Gedurende den geheelen duur van het feest zullen de ventilatoren
werken.
N. B. Ieder, die verzen zal willen lezen of voordragen, wordt
onmiddellijk uit de salons verwijderd en aan de politie overgeleverd;
men wordt ook verzocht geen stukjes kaars mede te nemen."
Twee dagen later circuleerden exemplaren van dien brief in de onderste
lagen der litteratuur- en kunstwereld, en veroorzaakten daar niet
weinig opzien.
Onder de genoodigden waren er echter eenigen, die de door de beide
vrienden voorgespiegelde heerlijkheden in twijfel trokken.
"Ik vertrouw het zaakje niet heelemaal," zeide een van die twijfelaars;
"ik ben een paar maal op de Woensdagen van Rodolphe in de Rue de la
Tour-d'Auvergne geweest, je kon er onmogelijk zitten en je dronk er een
weinig gefiltreerd water uit bij elkaar gescharrelde potten en pannen."
"Ditmaal," zeide een ander, "moet het echter bittere ernst zijn. Marcel
heeft mij een plan van het heele feest laten zien, en dat belooft
een magisch effect."
"Komen er ook dames?"
"Zeker Phémie Klad heeft gevraagd koningin van het feest te mogen
zijn en Schaunard zal dames uit de groote wereld medebrengen."
De oorsprong van dit feest, dat een zoo groote beroering in de
Bohème-wereld, die aan gene zijde van de bruggen woont, veroorzaakte,
was in het kort als volgt. Een jaar geleden ongeveer hadden Marcel en
Rodolphe dit schitterende galafeest aangekondigd, dat steeds Zaterdag
aanstaande moest plaats hebben; doch ten gevolge van allerlei moeilijke
omstandigheden hadden zij reeds twee-en-vijftig maal dat "aanstaande"
moeten verzetten, zoodat het eindelijk zoo ver gekomen was, dat de
beide vrienden hun neus niet buiten de deur konden steken, zonder een
stekelige opmerking te hooren van hun vrienden, waarvan er sommigen
zelfs indiscreet genoeg waren om krachtig tegen zoo'n manier van doen
te protesteeren. Daar de zaak langzamerhand op een fopperij begon te
lijken, besloten de beide vrienden er een eind aan te maken, door zich
van de verplichtingen, die zij op zich genomen hadden, te kwijten,
en hadden zij derhalve de boven vermelde uitnoodiging verzonden.
"Nu kunnen we niet meer terug," had Rodolphe gezegd; "we hebben onze
schepen achter ons verbrand; we hebben nu nog acht dagen voor ons om
de honderd francs te vinden, die we, om een dragelijk figuur te maken,
beslist noodig hebben."
"Als we ze noodig hebben, zullen we ze wel krijgen ook," was Marcels
antwoord geweest. En met het verwaten vertrouwen, dat zij hadden
in het toeval, sliepen de twee vrienden in, vast overtuigd, dat hun
honderd francs reeds op weg waren: den weg van het onmogelijke.
Doch toen den Donderdagavond voor het feest nog niets gearriveerd was,
vond Rodolphe, dat het toch maar veiliger was het toeval een handje
te helpen, wilden zij niet met beschaamde kaken staan, wanneer het
uur sloeg om de kaarsen aan te steken. Voor het gemak wijzigden de
beide vrienden langzamerhand de overdadige weelde van het door hen
ontworpen programma.
Door die verschillende wijzigingen, o. a. het schrappen van het
artikel: Gebak, het zorgvuldig herzien en verminderen van het artikel:
Ververschingen, werd het totaal der onkosten tot vijftien francs
teruggebracht.
Daarmede was het vraagstuk echter wel eenvoudiger gemaakt, doch
niet opgelost.
"Maar," zeide Rodolphe, "nu moeten we tot de uiterste middelen
overgaan. We kunnen ditmaal in geen geval weer den datum verzetten."
"Beslist onmogelijk."
"Wanneer heb ik het laatst het verhaal van den slag bij Studzianka
[16] gehoord?"
"Een paar maanden geleden."
"Twee maanden, prachtig, dat is een fatsoenlijke termijn; mijn oom
kan zich waarachtig niet beklagen. Ik zal me morgen dan den slag
bij Studzianka maar weer eens laten vertellen. Dat is vijf francs,
die zeker binnenkomen."
"En ik," zeide Marcel, "zal een Burchtruïne aan den ouden Médicis
gaan verkoopen. Dat maakt ook vijf francs en als ik tijd heb, om er
nog drie torentjes en een molen bij te kladden, misschien wel tien;
dan zijn we aan ons budget."
En de twee vrienden gingen slapen en droomden, dat de prinses van
Belgiojoso hun verzocht hun ontvangdagen te verzetten, om haar haar
meest geziene gasten niet te ontnemen.
Den volgenden ochtend stond Marcel vroeg op, spande een nieuw doek
en begon met ijver aan den bouw van een Burchtruïne, een artikel,
dat hem steeds door een antiquiteiten-schacheraar op de place du
Carrousel gevraagd werd. Intusschen ging Rodolphe een bezoek brengen
aan zijn oom Monetti, die een matador was in het verhalen van den
terugtocht uit Rusland, en aan wien Rodolphe vijf of zes maal per
jaar, n.l. wanneer de geldnood erg nijpte, de voldoening schonk
zijn veldtochten te vertellen in ruil voor een leening van wat geld,
waartoe de veteraan-kachelsmid-rookverdrijver wel over te halen was,
indien men bij het luisteren naar zijn verhalen slechts veel geestdrift
wist te toonen.
Tegen twee uur ontmoette Marcel, die met gebogen hoofd en een doek
onder zijn arm op de place du Carrousel liep, daar Rodolphe, die van
zijn oom kwam; zijn geheele houding wees op slechte berichten.
"Nou," zeide Marcel; "ben je geslaagd?"
"Neen, mijn oom is vandaag het museum in Versailles gaan kijken. En
jij?"
"Die schaapskop van een Médicis wil geen Burchtruïnes meer; hij heeft
me een Bombardement van Tanger gevraagd."
"Onze reputatie is naar de maan, als we ons feest niet geven,"
mompelde Rodolphe. "Wat moet onze vriend, de invloedrijke criticus,
wel denken, als ik hem voor niets een witte das en gele handschoenen
laat aantrekken?"
Ten prooi aan groote onrust gingen zij beiden naar het atelier terug.
Op dat oogenblik sloeg het op de pendule van een buurman vier uur.
"Wij hebben nog maar drie uur voor ons," zeide Rodolphe.
"Maar," riep Marcel, terwijl hij vlak bij zijn vriend kwam staan,
"ben je er wel zeker van, dat er hier geen geld over is?...."
"Noch hier, noch elders. Waar zou dat saldo vandaan moeten komen?"
"Als we eens onder de meubels zochten .... in de fauteuils? Men
beweert immers, dat de emigranten ten tijde van Robespierre hun geld
verstopten. Wie weet!... Onze fauteuil is misschien het eigendom van
een emigrant geweest; en bovendien is hij zòò hard, dat ik al eens
meer gedacht heb, dat er metalen in zitten ... zouden we niet eens
tot een lijkschouwing overgaan?"
"Dat is iets voor een klucht," antwoordde Rodolphe op een toon,
waarin tegelijk ernst en toegeeflijkheid lag.
Plotseling stiet Marcel, die zijn opgravingen in alle hoeken van het
atelier had voortgezet, een luiden triomfkreet uit.
"Wij zijn gered!" riep hij uit; "ik wist wel, dat hier geldswaarde
verborgen lag. Kijk maar!" en hij liet Rodolphe een geldstuk zien,
zoo groot als een daalder en half verteerd door roest en kopergroen.
Het was een munt uit het tijdvak der Karolingers en niet zonder eenige
kunstwaarde. Op het gelukkigerwijze gespaard gebleven inschrift kon
men het jaartal van Karel den Groote lezen.
"Dat ding is nauwlijks dertig sous waard," zeide Rodolphe met een
minachtenden blik op de vondst van zijn vriend.
"Dertig sous, goed gebruikt, kunnen veel uitwerken," antwoordde
Marcel. "Met twaalfhonderd man heeft Napoleon tienduizend Oostenrijkers
verslagen. Handigheid weegt tegen het getal op. Ik ga dadelijk den
Carolusdaalder bij den ouden Médicis wisselen. Is er hier nog niet iets
verkoopbaars? Waarachtig, als ik het gipsafgietsel van het scheenbeen
van Jaconowski, den Russischen tamboer-majoor, eens meenam? Dat zou
heel wat in het laadje brengen."
"Neem het scheenbeen maar mee. Maar prettig is het allesbehalve. We
hebben nu geen enkel kunstvoorwerp meer over."
Tijdens Marcels afwezigheid ging Rodolphe, vast besloten de soirée,
het mocht kosten wat het wilde, te geven, naar zijn vriend Colline,
den hyperphysischen wijsgeer, die vlak in de buurt woonde.
"Ik kom je verzoeken," zeide hij tegen hem, "mij een dienst te
bewijzen. In mijn qualiteit van gastheer moet ik beslist een rok
hebben, en .... ik heb er geen .... leen me de jouwe ...."
"Maar," merkte Colline op, "in mijn qualiteit van gast heb ik mijn
rok ook noodig."
"Ik sta je toe in gekleede jas te komen."
"Ik heb nooit een gekleede jas gehad, dat weet je even goed als ik."
"Enfin, luister eens, we kunnen ook op een andere manier de zaak in
orde brengen; jij zoudt niet op mijn soirée kunnen verschijnen en me
je rok leenen."
"Het is wel beroerd, maar dat gaat niet; ik sta op het programma en
kan dus niet ontbreken."
"Er zal nog heel wat meer ontbreken," zeide Rodolphe. "Leen me je
rok, en wanneer je beslist komen wilt, kom dan, zooals je het zelf
het beste vindt.... voor mijn part in je hemdsmouwen .... dan kan je
voor een trouwen dienaar doorgaan ..."
"Dat gaat niet," zeide Colline blozend. "Ik zal mijn notenkleurige
paletot aantrekken. Maar het heele zaakje is per slot van rekening
een beroerde boel."
En toen hij merkte, dat Rodolphe zich reeds van zijn beroemde rok
meester gemaakt had, riep hij tegen hem:
"Maar wacht toch even .... Er zitten nog een paar kleinigheden in."
De rok van Colline is een nadere beschouwing waard. In de eerste plaats
was die rok volmaakt groen, en alleen uit gewoonte sprak Colline
van zijn zwarte rok. En daar hij op dat oogenblik de eenige van de
geheele troep was, die een rok bezat, hadden ook zijn vrienden de
gewoonte aangenomen, om, wanneer zij van het officieele kleedingstuk
van den wijsgeer spraken, zich te bedienen van de uitdrukking: de
zwarte rok van Colline. Bovendien had dat beroemde kleedingstuk een
zeer bijzonderen vorm, den meest bizarren, dien men zich denken kan:
de zeer lange panden zaten n.l. aan een zeer korte taille en hadden
twee zakken, ware afgronden, waarin Colline gewoon was een paar dozijn
boeken, die hij altijd en eeuwig bij zich had, te bergen, wat zijn
vrienden deed zeggen, dat de schrijvers en geleerden in den tijd, dat
de bibliotheken gesloten waren, inlichtingen konden gaan inwinnen in
de panden van Colline's rok, een bibliotheek, die steeds geopend was.
Bij uitzondering bevatte Colline's rok dien dag slechts een quarto-deel
van Bayle, een verhandeling over hyperphysische krachten in drie
deelen, een deel Condillac, twee deelen Swedenborg en Pope's "Essai
over den mensch." Eerst toen hij zijn zak-bibliotheek had leeggeruimd,
stond hij Rodolphe toe den rok aan te trekken.
"Hè," zeide deze, "de linkerzak is nog aardig zwaar; je hebt er zeker
nog iets in gelaten."
"Dat is waar ook," zeide Colline, "ik heb vergeten den
vreemde-talen-zak leeg te maken." En hij haalde er twee Arabische
grammatica's uit, een Maleisch woordenboek en een "Volmaakte
veedrijver" in het Chineesch, zijn geliefkoosde lectuur.
Toen Rodolphe weer thuis kwam, was Marcel met drie vijf francstukken
aan het schijfwerpen. Het eerste oogenblik stiet Rodolphe de hand,
die zijn vriend hem toestak, weg: hij geloofde aan een misdaad.
"Laten we ons haasten," zeide Marcel .... "We hebben de benoodigde
francs bijeen... Luister, hoe ik eraan gekomen ben: Bij den ouden
Médicis trof ik een verzamelaar van antiquiteiten aan. Toen hij mijn
munt zag, viel hij bijna flauw: dat was de eenige, die nog aan zijn
collectie ontbrak. Hij had al in alle landen laten zoeken, om die
leemte aan te vullen, en had reeds alle hoop op succes verloren. Hij
aarzelde, toen hij mijn Carolusdaalder goed bekeken had, dan ook geen
oogenblik om mij vijf francs te bieden. Médicis stiet mij met zijn
elleboog aan, zijn blik vulde de rest aan. Hij wilde daarmede zeggen:
"Laten we de buit samen deelen, dan bied ik hooger!" We zijn tot dertig
francs gekomen. Daarvan heb ik er vijftien aan den Jood gegeven, en
hier is de rest. Nu kunnen onze gasten komen; wij zijn nu in staat
om hun oogen te verblinden. Maar hoe kom jij aan dien rok?"
"O," zeide Rodolphe, "dien heb ik van Colline geleend." En toen hij
zijn zakdoek uit zijn zak wilde halen, liet hij een klein deeltje
Mandsjoesch vallen, dat in den vreemde-talen-zak was blijven zitten.
De beide vrienden gingen nu dadelijk aan het werk. Het atelier werd
in orde gebracht, de kachel aangemaakt; een met kaarsen voorziene
schilderijlijst hingen ze bij wijze van kroonluchter aan den zolder;
een bureau, dat als katheder voor de sprekers dienst moest doen,
werd midden in het atelier geplaatst; daarvoor zetten zij hun eenigen
fauteuil, waarop de invloedrijke criticus moest zitten, terwijl zij op
een tafel alle aanwezige boeken: romans, gedichten en feuilletons,
waarvan de schrijvers de soirée met hun tegenwoordigheid zouden
vereeren, neerlegden. Ten einde alle mogelijke botsingen tusschen
de verschillende variëteiten letterkundigen te vermijden, was het
atelier verdeeld in vier afdeelingen, aan den ingang waarvan men op
inderhaast vervaardigde borden lezen kon:
Dichters Romantici
Prozaschrijvers Classici
Voor de dames was een ruimte in het midden vrijgelaten.
"Alles is in orde, maar er ontbreken stoelen," zeide Rodolphe.
"O," antwoordde Marcel, "er staan er verscheidene op het trapportaal,
maar die staan vast aan den muur. Als we die eens los maakten!"
"Dat zal wel dienen," meende Rodolphe, terwijl hij zich meester ging
maken van de stoelen, die aan den een of anderen buurman behoorden.
Het sloeg zes uur; de twee vrienden gingen vlug dineeren en kwamen weer
gauw terug, om met de verlichting der salons te beginnen. Om zeven
uur kwam Schaunard, vergezeld door drie dames, die haar diamanten
en hoeden bij vergissing thuis gelaten hadden. Een van haar had een
rooden omslagdoek met zwarte vlekken om. Schaunard maakte Rodolphe
op haar speciaal opmerkzaam.
"Dat is een echte vrouw van de wereld," zeide hij, "een Engelsche,
die door den val der Stuarts in ballingschap is moeten gaan; zij
leeft zeer eenvoudig en bescheiden van wat haar Engelsche lessen haar
opbrengen. Haar vader is onder Cromwell kanselier geweest, zooals
zij mij verteld heeft; je moet beleefd tegen haar zijn en haar niet
te veel tutoyeeren."
Inmiddels lieten zich op de trap talrijke stappen hooren--de gasten
kwamen; zij waren erg verbaasd, toen zij vuur in den kachel zagen.
Rodolphe's rok ging de dames tegemoet en kuste haar met
achttiende-eeuwsche gratie de hand; toen er ongeveer twintig gasten
waren, vroeg Schaunard, of er nog niets rondgediend moest worden.
"Dadelijk," antwoordde Marcel; "we wachten op de komst van den
invloedrijken criticus, om den punch aan te steken."
Om acht uur waren alle genoodigden aanwezig, waarna een aanvang met
het programma gemaakt werd. Tusschen de verschillende nummers werden
er ververschingen aangeboden; wat, daar is men nooit precies achter
kunnen komen.
Tegen tien uur zag men het gele vest van den invloedrijken criticus
verschijnen; hij bleef maar een uur en was matig in het gebruik der
"ververschingen".
Toen er tegen middernacht geen hout meer was en het aardig koud begon
te worden, lootten de gasten, die zaten, wie zijn stoel in het vuur
zou werpen.
Om een uur stond iedereen.
Toch bleef er onder de gasten een aangename, opgewekte stemming
heerschen. Er viel geen enkel ongeval te betreuren, behalve een
winkelhaak in den vreemde-talen-zak van Colline's rok en een klap,
dien Schaunard aan de dochter van den kanselier van Cromwell toediende.
Acht dagen lang was deze gedenkwaardige soirée het onderwerp van
gesprek in het stadsdeel; en Phémie Klad, die de koningin van het feest
geweest was, placht, wanneer zij er met haar vriendinnen over sprak,
te zeggen:
"Het was er prachtig; er waren zelfs waskaarsen."
HOOFDSTUK VI.
MADEMOISELLE MUSETTE.
Mademoiselle Musette was een knap meisje van twintig jaar, die kort
na haar komst te Parijs dat geworden was, wat knappe meisjes worden,
wanneer zij een mooie taille, veel coquetterie, een weinig eerzucht
en in het geheel geen orthographie bezitten. Nadat zij langen tijd de
vreugde had uitgemaakt der soupers van het Quartier Latin, waar zij
met altijd frissche, hoewel niet steeds zuivere stem een groot aantal
landelijke liedjes zong, die haar den naam gaven, waaronder de beste
rijmsmeden haar sedert gevierd hebben, verliet mademoiselle Musette
plotseling de Rue de la Harpe, om de aan Venus gewijde hoogten van
het Quartier Bréda te gaan bewonen.
Al heel spoedig werd zij een der toonaangeefsters van de aristocratie
van het genot en langzamerhand kwam zij tot die beroemdheid, welke
daarin bestaat, dat men in de Parijsche couranten genoemd wordt of
bij alle kunsthandelaars uitgestald staat.
En toch was mademoiselle Musette een uitzondering onder de vrouwen,
in wier midden zij leefde. Evenals alle ware vrouwen was zij van nature
elegant en dichterlijk en hield zij van luxe en van alle genietingen,
die daarvan het gevolg zijn; in haar coquetterie had zij een gloeiend
verlangen naar al wat mooi en voornaam was, en zij zou, hoewel zij
een dochter uit het volk was, volstrekt niet misplaatst geweest zijn
te midden van de koninklijkste pracht en pronk. Doch mademoiselle
Musette, die zelf jong en knap was, zou er nooit in toegestemd hebben
de maîtresse te worden van een man, die niet eveneens jong en knap
zou zijn. Men had haar dan ook eens de prachtige aanbiedingen hooren
weigeren van een grijsaard, die zoo rijk was, dat hij de Croesus van
de Chaussée-d'Antin genoemd werd, en aan Musette gouden bergen beloofd
had. Intelligent en geestig als zij was, kon zij evenmin dwazen en
fatten uitstaan, hoe ook hun leeftijd, hun titel en hun naam was.
Musette was dus een flink, knap meisje, dat in liefdesaangelegenheden
de helft van Champforts beroemd aphorisme: "De liefde is de
uitwisseling van twee phantasieën" tot het hare maakte. [17]
Haar liaisons werden dan ook nooit voorafgegaan door een van die
schandelijke koopcontracten, welke de tegenwoordige galanterie
onteeren. Zij speelde, zooals zij zelf zeide, altijd een eerlijk en
open spel, en eischte, dat men haar oprechtheid met dezelfde munt
terugbetaalde.
Maar al waren haar neigingen heftig en spontaan, toch waren
zij nooit duurzaam genoeg, om te stijgen tot de hoogte van een
hartstocht. De buitensporige onbestendigheid van haar grillen
en de groote onverschilligheid, die zij had voor de beurzen en
spaarpenningen van hen, die haar het hof maakten, brachten een even
buitensporige onbestendigheid in haar bestaan, dat een eeuwigdurende
wisseling was tusschen eigen equipage en omnibus, tusschen bel-étage
en vijfde verdieping, zijden japonnen en katoenen rokjes. Bekoorlijk
meisje, levend gedicht van jeugd met uw helderen lach en vroolijk
lied! Medelijdend hart, dat onder het even-geopende boezemlijfje
voor iedereen klopt! mademoiselle Musette, zuster van Bernerette en
Mimi Pinson! [18] Ik zou de pen van Alfred de Musset moeten hebben,
om uw zorgelooze zwerftochten op de bloeiende paden der jeugd naar
waarde te verhalen; en zeker zou hij u ook hebben willen bezingen,
indien hij, evenals ik, u met uw lieve, valsche stem dit ongekunstelde
couplet uit een van uw lievelingsliederen had hooren voordragen:
C'était un beau jour de printemps
Que je me déclarai l'amant,
L'amant d'une brunette
Au coeur de Cupidon,
Portant fine cornette
Posée en papillon.
De geschiedenis, die wij nu gaan vertellen, is een der bekoorlijkste
episoden uit het leven van deze bekoorlijke gelukzoekster, die zich
aan het oordeel der wereld al heel weinig gelegen liet.
Ten tijde, dat zij de maîtresse was van een jongen staatsraad, die
haar galant den sleutel van zijn erfdeel in handen gegeven had, placht
mademoiselle Musette eens per week een soirée te geven in haar aardig
klein salonnetje in de rue de la Bruyère. Deze avondpartijen geleken
op de meeste Parijsche soirées, met dit verschil, dat de gasten zich
hier werkelijk amuseerden; wanneer er niet genoeg ruimte was, ging de
een op den schoot van den ander zitten; en meermalen gebeurde het,
dat twee uit hetzelfde glas dronken. Rodolphe, die de vriend van
Musette was en die nooit iets anders dan haar vriend was (zij hebben
geen van beiden ooit geweten, waarom), vroeg Musette op een goeden
dag, of hij zijn vriend Marcel niet eens mocht medebrengen--"een
talentvollen jongen", zeide hij, "voor wien de toekomst bezig is een
rok van de Académie te borduren."
"Breng hem maar mee," antwoordde Musette.
Den avond nu, dat zij samen naar Musette zouden gaan, ging Rodolphe
Marcel afhalen. De kunstenaar was bezig zijn toilet te maken.
"Wat?" vroeg Rodolphe, "wil jij met een gekleurd overhemd in gezelschap
verschijnen?"
"Kwetst dat dan de etiquette?" zeide Marcel kalm.
"Of het die kwetst? Tot bloedens toe, ongelukkige."
"Bliksems!" vloekte Marcel met een blik op zijn overhemd, waar op
een blauwen achtergrond wilde zwijnen door een troep honden vervolgd
werden; "ik heb hier geen ander. Enfin, ik weet er niets anders op
dan dat ik een vadermoorder aantrek; niemand zal dan de kleur van
mijn overhemd zien, daar ik Methusalem tot mijn hals kan toeknoopen."
"Wat?" zeide Rodolphe ongerust, "trek je Methusalem weer aan?"
"Ik moet wel!" was Marcels antwoord. "God wil het, en mijn kleermaker
ook; trouwens er zijn pas nieuwe knoopen aangezet, en ik heb hem pas
met Frankfurter zwart opgeknapt."
Methusalem was de rok van Marcel; hij noemde dien zoo, omdat het de
doyen van zijn garde-robe was. Methusalem was naar de laatste mode
van vier jaar geleden en schreeuwend groen van kleur. Marcel echter
beweerde, dat hij er bij kunstlicht zwart uitzag.
Vijf minuten later was Marcel met zijn toilet klaar; hij was met
den meest volkomen slechten smaak gekleed: precies een kladschilder,
die voor het eerst in de wereld gaat.
Mijnheer Casimir Bonjour zal den dag, waarop men hem zal komen
vertellen, dat hij tot lid van het Instituut gekozen is, nooit zoo
verwonderd kunnen zijn als Marcel en Rodolphe waren, toen zij bij
het huis van mademoiselle Musette kwamen. Ziehier de reden van hun
verbazing: mademoiselle Musette, die sedert eenigen tijd met haar
vriend den staatsraad gebrouilleerd was, was op een zeer kritiek
oogenblik door hem in den steek gelaten. In opdracht van haar
schuldeischers en van haar huisbaas waren haar meubels in beslag
genomen en naar beneden gebracht, om den volgenden dag weggehaald en
verkocht te worden. Niettegenstaande dit incident kwam het in Musette
geen oogenblik op haar gasten in den steek te laten of de soirée
af te zeggen. Met den meesten ernst liet zij de binnenplaats in een
salon veranderen, legde zelf een tapijt op de steenen, maakte alles
zooals gewoonlijk in orde, kleedde zich om haar gasten te ontvangen
en noodigde al de medebewoners van het huis op haar klein feestje, ter
opluistering waarvan de goede God voor een mooie illuminatie zorgde.
Deze grap had een groot succes, nooit had er op de soirées van Musette
zoo'n prettige en opgewekte toon geheerscht; er werd nog gezongen
en gedanst, toen de witkielen de meubels, tapijten en divans kwamen
halen en daardoor het gezelschap noodzaakten weg te gaan.
Musette deed al haar gasten uitgeleide met het gezang:
"On en parlera longtemps, la ri ra,
De ma soirée de jeudi;
On en parlera longtemps, la ri ri."
Slechts Marcel en Rodolphe bleven bij Musette, die naar haar kamer
gegaan was, waar alleen het bed nog maar stond.
"Hè," zeide Musette; "ik vind nu mijn avontuur lang zoo aardig niet
meer; ik zal in het hotel De Bloote Hemel moeten gaan logeeren;
ik ken het heel goed, het kan er zoo gemeen tochten."
"O, mevrouw," zeide Marcel, "als ik de rijkdommen van Plutus bezat, dan
zou ik u een tempel, schooner dan die van Salomo, aanbieden, maar ..."
"Ge zijt geen Plutus, vriendlief. Maar dat is minder, ik ben je toch
dankbaar voor je goede bedoeling .... Maar kom!" voegde zij eraan
toe, terwijl zij haar blik door de kamer liet gaan; "ik verveelde me
hier, en bovendien werd het meubilair oud; ik heb het nu al bijna zes
maanden. Maar dat is niet alles; na het bal wordt er toch gesoupeerd,
en ik zou graag wat consumeeren."
"Laten we dan consou-peeren," zeide Marcel, die aan een
woordspelingziekte leed, welke vooral in de ochtenduren zich deed
gelden.
Daar Rodolphe 's avonds bij het lansquenetspel een klein sommetje
gewonnen had, nam hij Musette en Marcel mede naar een restaurant,
dat juist geopend was.
Na het déjeuner besloten zij, daar zij volstrekt geen lust hadden te
gaan slapen, den dag in het vrije veld te gaan doorbrengen; en daar
zij vlak bij een station waren, stapten zij in den eersten den besten
trein, die vertrok, en reden naar Saint-Germain.
Den geheelen dag liepen zij door de bosschen; eerst tegen zeven uur
in den avond kwamen zij in Parijs terug. Marcel hield stok en stijf
vol, dat het pas half een en de donkerte het gevolg van de bedekte
lucht was.
Gedurende de geheele soirée en de rest van den dag was Marcel, wiens
hart als buskruit was, dat een enkele blik deed ontbranden, steeds
verliefder geworden op Musette en had haar het hof gemaakt "in alle
kleuren", zooals hij tegen Rodolphe zeide. Ja, hij was zelfs zoo ver
gekomen, dat hij het knappe meisje had voorgesteld een nog mooier
meubilair voor haar te koopen dan het oude; hij zou er zijn beroemde
schilderij "De doortocht door de Roode Zee" voor verkoopen. Met
angst en beven zag hij dan ook het oogenblik naderen, waarop hij zou
moeten scheiden van Musette, die, hoewel zij zich haar handen, hals
en toebehooren liet kussen, hem telkens, wanneer hij door middel van
inbraak in haar hart trachtte te dringen, zachtjes van zich af stiet.
Zoodra zij in Parijs terug waren, had Rodolphe zijn vriend met
het jonge meisje alleen gelaten, dat hem nu vroeg haar naar huis
te brengen.
"Wilt u mij toestaan, dat ik u kom bezoeken?" vroeg Marcel. "Ik zou
graag uw portret schilderen."
"Maar beste jongen," antwoordde Musette; "ik kan je mijn adres niet
geven, omdat ik dat morgen misschien niet meer heb; maar ik zal bij
jou komen en je rok verstellen, waar zoo'n gat in zit, dat je er,
zonder betalen, door zoudt kunnen verhuizen."
"Ik zal op u wachten als op den Messias," zeide Marcel.
"Maar niet zoo lang," was Musette's lachend antwoord.
"Wat een bekoorlijk schepseltje," zeide Marcel tot zichzelf, terwijl
hij langzaam verder liep; "de godin der vroolijkheid. Ik zal twee
gaten in Methusalem maken."
Hij was nog geen dertig pas verder, toen hij zich op zijn schouder
voelde kloppen: het was mademoiselle Musette.
"Beste mijnheer Marcel!" zeide zij; "is u een Fransch ridder?"
"Dat ben ik. Rubens en mijn dame, luidt mijn devies."
"Welnu, leen dan het oor aan mijn kommer en erbarm u mijner, edele
heer," ging Musette verder, die een weinig in de litteratuur bedreven
was, hoewel zij met de grammatica op zeer gespannen voet leefde;
"de huisbaas heeft den sleutel van mijn kamer meegenomen, en het is
elf uur: begrijp je?"
"Natuurlijk," zeide Marcel en bood Musette zijn arm aan. Hij nam haar
mede naar zijn op den Quai aux Fleurs gelegen atelier.
Hoewel Musette bijna omviel van slaap, had zij toch nog kracht genoeg
om te zeggen:
"Vergeet niet, wat je me beloofd hebt."
"O Musette, bekoorlijk wezen," zeide de artist met eenigszins ontroerde
stem; "ge zijt hier onder een gastvrij dak; slaap in vrede, goeden
nacht! Ik ga heen."
"Waarom?" vroeg Musette, wier oogen bijna dicht vielen; "ik ben
heusch niet bang; en dan zijn er toch twee kamers, ik zal op je canapé
gaan slapen."
"Mijn canapé is te hard, om erop te slapen; het lijkt wel, of hij
met keisteenen opgemaakt is. Ik verleen u gastvrijheid bij mij en
ga die vragen aan een vriend, die hier op dezelfde verdieping woont
.... dat is verstandiger. Ik houd gewoonlijk wel mijn woord; maar ik
ben twee-en-twintig en gij achttien, Musette .... ik ga. Goeden nacht."
Den volgenden ochtend om acht uur kwam Marcel met een bloempot, dien
hij op de markt gekocht had, weer op zijn kamer. Hij vond Musette,
die zich geheel gekleed op bed geworpen had, nog slapende. Door het
leven, dat hij maakte, werd zij wakker en stak Marcel haar hand toe.
"Brave jongen!" zeide zij.
"Brave jongen!" herhaalde Marcel, "is dat niet synoniem met:
belachelijke dwaas?"
"O, hoe kan je dat zeggen!" viel Musette hem in de rede; "dat is
niets aardig van je; geef me liever dien mooien pot met bloemen,
in plaats van dergelijke onaardige dingen naar mijn hoofd te werpen."
"Alleen met dat doel heb ik hem hier gebracht," zeide Marcel. "Aanvaard
hem dus en zing, als dank voor mijn gastvrijheid, een van je aardige
liedjes voor mij; de echo van mijn dakkamertje zal misschien iets van
uw stem bewaren, zoodat ik u nog kan hooren, wanneer ge weer weg zijt."
"Zoo, dus je wilt me wegsturen?" vroeg Musette. "En als ik nu eens niet
weg wil? Luister eens, Marcel, ik neem geen blaadje voor mijn mond, om
te zeggen wat ik denk. Jij valt in mijn smaak en ik in den jouwe. Dat
is nog geen liefde, maar het is er misschien de kiem van. Welnu, ik
ga niet weg; ik blijf hier en zal hier blijven zoolang als de bloemen,
die je me daarnet gegeven hebt, niet verwelkt zijn."
"Ach!" riep Marcel uit, "maar dat zijn ze binnen twee dagen. Had ik
dat geweten, dan had ik immortellen gekocht."
Veertien dagen woonden Musette en Marcel al samen en leidden,
hoewel zij dikwijls zonder geld zaten, het heerlijkste leven der
wereld. Musette voelde voor Marcel een toegenegenheid, die niets
gemeen had met haar vroegere verliefdheden, en Marcel begon bang te
worden, dat hij werkelijk van zijn maîtresse zou gaan houden. Daar
hij echter niet wist, dat zij harerzijds hetzelfde vreesde, keek hij
iederen ochtend naar de bloemen, wier afsterven het einde van hun
liaison zou beteekenen, en trachtte hij zich te verklaren, hoe zij
iederen morgen opnieuw weer zoo frisch waren. Doch weldra vond hij den
sleutel van het mysterie: toen hij op een goeden nacht wakker werd,
zag hij Musette niet naast zich. Hij stond op, liep naar de kamer
en vond daar zijn geliefde, die iederen nacht tijdens zijn slaap de
bloemen begoot, om op die manier het verwelken tegen te gaan.
HOOFDSTUK VII.
DE GOLVEN VAN DEN PACTOLUS. [19]
Het was 19 Maart .... En al zou Rodolphe zoo oud worden als
Raoul-Rochette, die Ninive heeft zien bouwen, nooit zal hij dien
datum vergeten, want juist op dien aan St. Joseph gewijden dag, des
namiddags om drie uur verliet onze vriend het kantoor van een bankier,
waar hij een som van vijfhonderd francs in klinkenden, gangbaren munt
uitbetaald gekregen had.
Het eerste gebruik, dat Rodolphe van dit in zijn zak terecht gekomen
stukje van Peru maakte, bestond hierin, dat hij zijn schulden niet
betaalde, en wel omdat hij zichzelf plechtig beloofd had voortaan
spaarzaamheid te betrachten en geen extra- of overbodige uitgaven
te doen. Hij had trouwens op dit punt zeer vaststaande denkbeelden
en beweerde dan ook, dat men, alvorens te denken aan het overbodige,
eerst voor het noodzakelijke zorgen moest; daarom betaalde hij zijn
schuldeischers niet en kocht een Turksche pijp, die reeds sedert lang
zijn begeerte had opgewekt.
Met dit kostbare voorwerp gewapend, ging hij naar de woning van zijn
vriend Marcel, bij wien hij reeds sedert eenigen tijd logeerde. Toen
hij het atelier binnenkwam, luidden zijn zakken als de klokken van
een dorpstoren op een hoogen feestdag. Toen Marcel dit ongewone
geluid hoorde, dacht hij, dat het een van zijn buurlieden was, een
verwoed beurs-speculant, die zijn agio-winst de revue liet passeeren,
en hij mompelde:
"Daar begint die intrigant van hiernaast weer met zijn epigrammen. Als
dat nog lang zoo duurt, ga ik verhuizen. Het is niet mogelijk onder
zoo'n lawaai te werken. Je zoudt waarachtig lust krijgen, om de kunst
aan den kapstok te hangen en straatroover te worden."
En zonder in de verste verte te vermoeden, dat zijn vriend Rodolphe
in een Croesus veranderd was, ging Marcel verder werken aan zijn
"Doortocht door de Roode Zee," waaraan hij nu al drie jaar bezig was.
Rodolphe, die nog geen woord gezegd had en een proef bedacht, die
hij met zijn vriend wilde nemen, zeide tot zichzelf: "We zullen
dadelijk lachen, dat zal een jolige boel worden." En hij liet een
vijffrancstuk vallen.
Marcel keek op en staarde Rodolphe aan, die even ernstig was als een
artikel uit de "Revue des deux Mondes".
De kunstenaar raapte het geldstuk met een zeer voldaan gebaar op
en bereidde het een zeer vriendelijke ontvangst, want, hoewel hij
een kleurenmenger was, kende hij toch zijn wereld en was steeds
zeer beleefd tegenover vreemdelingen. Daar hij bovendien wist, dat
Rodolphe uitgegaan was, om te trachten wat geld te krijgen, beperkte
hij, nu hij zag, dat zijn vriend daarin geslaagd was, zich ertoe het
resultaat te bewonderen, zonder hem te vragen met behulp van welke
middelen het verkregen was.
Zonder een woord te zeggen, begon hij weer aan zijn werk en ging voort
een Egyptenaar in de golven der Roode Zee te verdrinken. Terwijl hij
bezig was dien moord te plegen, liet Rodolphe een tweede vijffrancstuk
vallen. En terwijl hij heimelijk keek naar het gezicht, dat zijn
vriend zou trekken, begon hij in zijn vuistje te lachen.
Bij den helderen klank van het metaal sprong Marcel als door een
electrischen schok getroffen, plotseling op en riep uit:
"Wat? Heeft dat lied een tweede couplet?"
Een derde stuk rolde over den vloer, toen nog een en nog een; ten
slotte danste er een heele quadrille daalders in de kamer rond.
Marcel begon zichtbare teekenen van zinsverbijstering te geven en
Rodolphe lachte als het parterre van het Théâtre Français bij de
eerste opvoering van "Johanna van Vlaanderen". Plotseling en zonder
eenige omzichtigheid greep Rodolphe met volle handen in zijn zakken
en begonnen de daalders een fabelachtigen steeple chase. Het was als
een overstrooming van den Pactolus, als het bacchanaal van Juppiter
bij Danaë.
Marcel stond onbeweeglijk, stom, met starre oogen; de verbazing
veroorzaakte bij hem een metamorphose, als die, welke de
nieuwsgierigheid vroeger de vrouw van Loth had doen ondergaan; en
toen Rodolphe zijn laatste rol van honderd francs op den grond smeet,
was de artist aan een kant van zijn lichaam reeds geheel verzout.
Rodolphe stond nog steeds te lachen. En bij die stormachtige
vroolijkheid zou het gedonder van een orkest van Sax [20] zoo iets
als het gezucht van een kind aan de moederborst geweest zijn.
Verblind, ademloos en verstomd van ontroering dacht Marcel, dat hij
droomde; en om de nachtmerrie, die zijn borst benauwde, te verjagen,
beet hij zich tot bloedens toe in zijn vinger, wat hem zoo'n pijn
deed, dat hij het uitschreeuwde. Toen merkte hij, dat hij klaar
wakker was; en al dat goud aan zijn voeten ziende, riep hij als een
treurspelheld uit:
"Mag ik mijn oogen gelooven?"
En dan de hand van Rodolphe in de zijne nemend:
"Geef mij de verklaring van dit mysterie!"
"Als ik die gaf, zou het er geen meer zijn!"
"Maar hoe dan....?"
"Dit goud is de vrucht van mijn zweet," zeide Rodolphe, terwijl hij
het geld opraapte, dat hij op een tafel opstapelde! Dan ging hij een
paar stappen achteruit, keek met eerbied naar de vijfhonderd francs
en dacht:
"Nu zal ik dus mijn droomen kunnen verwezenlijken."
"Dat zal niet ver van de zesduizend francs af zijn," dacht op zijn
beurt Marcel met een blik op de daalders, die op de tafel stonden te
trillen. "Daar kom ik op een goed idée. Ik zal Rodolphe vragen mijn
"Doortocht door de Roode Zee" te koopen!"
Plotseling nam Rodolphe een theatrale houding aan en met groote
plechtigheid in gebaar en stem zeide hij:
"Luister eens, Marcel; het fortuin, dat ik hier voor uw oogen heb
laten schitteren, is niet het resultaat van lage handelingen, ik heb
niet met mijn pen gesjacherd, ik ben rijk, maar op mijn naam kleeft
geen smet; een edelmoedige hand heeft mij dat goud gegeven, en ik
heb een plechtige belofte afgelegd, om het te gebruiken ten einde
mij door mijn werk een positie te verschaffen, die een ernstig man
waardig is. De arbeid is de heiligste der plichten."
"En het paard het edelste der dieren," viel Marcel hem in de
rede. "Maar waar wil je eigenlijk heen? Wat bedoel je met die
woorden? Waar haal je dat proza vandaan? Zeker uit de steengroeven
der school van het gezond verstand?"
"Val mij niet in de rede en scheid uit met je flauwe spotternijen,"
zeide Rodolphe; "zij zouden trouwens toch afstuiten op het harnas
van een onkwetsbaren wil, waarmede ik in het vervolg gepantserd ben."
"Nou is de proloog lang genoeg. Waar wou je eigenlijk op neer komen?"
"Luister naar mijn plannen: Gevrijwaard tegen de materieele zorgen
des levens, wil ik ernstig aan het werk gaan; ik zal mijn meesterwerk
voltooien en mij voor goed naam maken. In de eerste plaats breek ik
met de Bohème-manieren, ik kleed mij zooals iedereen, koop een rok en
ga de salons frequenteeren. Indien je denzelfden weg bewandelen wilt,
zullen we samen kunnen blijven wonen, maar je zult mijn programma
moeten aanvaarden. De strengste spaarzaamheid zal ons bestaan moeten
beheerschen. Wanneer wij goed onze maatregelen weten te nemen, kunnen
we drie maanden ongestoord en onbekommerd werken. Maar daarvoor is
oeconomie noodig."
"Beste vriend," zeide Marcel, "de oeconomie is een wetenschap,
die alleen onder het bereik van de rijken valt, zoodat jij en ik er
zelfs de grondbeginselen niet van kennen. Maar met een uitgave van
zes francs zouden wij de werken kunnen koopen van Jean-Baptiste Say,
een uitstekend oeconoom, die ons misschien de manier, om die kunst
praktisch te beoefenen, zal kunnen leeren... Maar wat zie ik, heb je
daar een Turksche pijp?"
"Ja," zeide Rodolphe: "die heb ik voor vijf-en-twintig francs gekocht."
"Wat, jij geeft vijf-en-twintig francs uit voor een pijp .... en
durft dan nog van oeconomie te praten?"
"Dat is zeer zeker oeconomie," antwoordde Rodolphe; "ik brak iederen
dag een pijp van twee sous; aan het eind van een jaar maakt dat een
uitgave, die heel wat grooter is dan die, welke ik nu gedaan heb
.... Het is dus in werkelijkheid een besparing."
"Waarachtig," zeide Marcel; "je hebt gelijk, daar zou ik nooit op
gekomen zijn."
Op dat oogenblik sloeg het zes uur.
"Laten we nu gauw gaan dineeren," zeide Rodolphe; "ik wil vanavond nog
met de uitvoering van mijn plan beginnen. Maar van eten gesproken,
daar valt me iets in: wij verliezen iederen dag kostbaren tijd met
het klaarmaken van ons diner. De tijd echter is de rijkdom van den
arbeider, wij moeten er dus zuinig mede zijn. Met vandaag te beginnen
gaan we buitenshuis eten."
"Uitstekend," zeide Marcel; "twintig pas hier vandaan is een uitstekend
restaurant; het is er wel een beetje duur; maar daar het vlak bij is,
behoeven we niet ver te loopen en verdienen we aan tijd wat we aan
geld uitgeven."
"Vandaag zullen we nog gaan," zeide Rodolphe; "maar morgen of
overmorgen zullen we nog oeconomischer maatregelen toepassen .... In
plaats van naar een restaurant te gaan, zullen we een keukenmeid
nemen."
"Neen, neen!" viel Marcel hem in de rede; "laten we liever een knecht
nemen, die tevens voor kok fungeeren kan. Bedenk eens welke groote
voordeelen daaruit zullen kunnen voortvloeien. In de eerste plaats zal
ons huishouden steeds in orde zijn: hij kan onze schoenen poetsen,
mijn penseelen uitwasschen, onze boodschappen doen; ik zal zelfs
probeeren hem wat smaak voor de schoone kunsten bij te brengen,
dan kan hij mijn leerling worden. Op die manier sparen we met ons
beiden per dag minstens zes uur uit, die we nu besteden aan allerlei
onnoodige bezigheden, welke ons in ons werk hinderen."
"Wacht even!" zeide Rodolphe; "ik heb nog een ander idée .... maar
laten we eerst gaan dineeren!"
Vijf minuten later zaten de beide vrienden in een der kamertjes van
het naburige restaurant en zetten daar hun oeconomisch debat voort.
"Weet je wat mijn idée is?" waagde Rodolphe op te merken; "wat zou
je ervan zeggen, als we in plaats van een knecht een maîtresse nemen?"
"Een maîtresse voor twee man!" viel Marcel verbaasd uit; "dat zou
de gierigheid tot in het verkwistende drijven zijn; wij zouden onze
spaarduiten gebruiken, om messen en andere moordwerktuigen te koopen,
waarmede we elkaar te lijf zouden gaan. Neen, ik prefereer een knecht;
bovendien staat dat deftig ook!"
"Je hebt gelijk," zeide Rodolphe; "wij zullen een intelligenten jongen
nemen; en als hij eenig begrip van orthographie heeft, zal ik hem
leeren redigeeren."
"Dat zal dan een bron van inkomsten voor hem zijn op zijn ouden dag,"
zeide Marcel, terwijl hij de rekening, die vijftien francs bedroeg,
optelde. "Jongens, dat is vrij duur. Gewoonlijk dineerden wij voor
dertig sous samen."
"Dat is zoo," vond Rodolphe, "maar we dineerden slecht en waren
daardoor genoodzaakt 's avonds weer te soupeeren. Goed beschouwd is
het dus een besparing."
"Tegen jou valt niet te redeneeren," mompelde de schilder, door die
redeneering overtuigd; "jij hebt altijd gelijk. Gaan we vanavond
werken?"
"Waarachtig niet. Ik ga naar mijn oom; dat is een brave kerel, ik zal
hem op de hoogte brengen van mijn nieuwe positie, hij zal me goeden
raad kunnen geven. En waar ga jij heen, Marcel?"
"Ik ga den ouden Médicis vragen, of hij geen schilderijen voor mij
te restaureeren heeft. A propos, geef mij even vijf francs."
"Waarvoor?"
"Ik wil over den Pont des Arts gaan."
"O, dat is een onnoodige uitgave, die, ook al is zij niet zoo heel
groot, toch met onze principes in strijd is."
"Ik heb ongelijk, het is zoo," antwoordde Marcel; "ik zal over den
Pont Neuf gaan .... maar dan neem ik een rijtuig."
De twee vrienden namen afscheid en sloegen ieder een verschillenden
weg in, die door een zonderlingen samenloop van omstandigheden hen
beiden op dezelfde plaats terugbracht.
"Zoo, heb je je oom niet thuis gevonden?" vroeg Marcel.
"En was de oude Médicis er niet?" was Rodolphe's wedervraag.
En zij barstten in lachen uit.
Toch gingen zij op een vroeg uur naar huis terug ... den volgenden
ochtend namelijk.
Twee dagen later hadden Rodolphe en Marcel een volledige metamorphose
ondergaan. Beiden gekleed als pasgehuwden, waren zij zoo mooi,
zoo schitterend, zoo elegant, dat zij, wanneer zij elkaar op straat
tegenkwamen, aarzelden elkaar te herkennen.
Hun oeconomisch stelsel werkte in al zijn kracht, de organisatie van
het werk kwam echter slechts met groote moeite tot stand. Zij hadden
een knecht gehuurd. Het was een lange slungel van vier-en-dertig jaar
en Zwitsersche afkomst en niet al te groote intelligentie. Bovendien
was hij niet voor knecht in de wieg gelegd; wanneer een van zijn
heeren hem een eenigszins groot pakket te bezorgen gaf, kreeg
Baptiste een kleur van verontwaardiging en liet de boodschap
door een witkiel doen. Maar Baptiste had ook goede eigenschappen:
wanneer men hem bijv. een haas gaf, kon hij daarvan zoo noodig een
hazenpeper maken. Ook had hij, daar hij, alvorens knecht te worden,
destillateur geweest was, een groote voorliefde voor die kunst gehouden
en ontstal hij een groot deel van den tijd, dien hij voor zijn meesters
moest gebruiken, aan het zoeken naar de samenstelling van een nieuw
wondmiddel, waaraan hij zijn naam wilde geven. Verder had hij het
ver gebracht in het maken van notenbrandewijn. Maar de kunst, waarin
Baptiste door niemand geëvenaard werd, was die om de sigaren van Marcel
op te rooken en ze aan te steken met de manuscripten van Rodolphe.
Op een goeden dag wilde Marcel Baptiste in het costuum van Pharao voor
zijn "Doortocht door de Roode Zee" laten poseeren. Baptiste weigerde
dit beslist en zeide zijn dienst op.
"Goed," zeide Marcel; "we zullen vanavond afrekenen."
Toen Rodolphe thuis kwam, zeide zijn vriend tegen hem, dat Baptiste
beslist weggezonden moest worden.
"Wij hebben absoluut geen nut van hem," zeide hij.
"Dat is zoo," antwoordde Rodolphe; "hij is een levend kunstvoorwerp."
"Hij is zoo dom als het achtereind van een koe."
"En lui!"
"Hij moet weg."
"Laten we hem wegsturen!"
"Toch heeft hij eenige goede eigenschappen. Hij kan heel lekker
hazenpeper maken."
"En notenbrandewijn dan. Hij is de Raphaël van den notenbrandewijn."
"Zeker, maar dat is ook het eenige, waarvoor hij deugt, en dat is
voor ons niet voldoende. Wij verliezen al onzen tijd door al die
discussies met hem."
"Hij hindert ons in ons werk."
"Het is zijn schuld, dat ik mijn "Doortocht door de Roode Zee" nog
niet heb kunnen tentoonstellen. Hij heeft geweigerd om voor Pharao
te poseeren."
"En door hem heb ik het werk, dat mij opgedragen was, niet kunnen
afmaken. Hij heeft geweigerd, om in de bibliotheek de aanteekeningen,
die ik noodig had, te gaan halen."
"Hij ruïneert ons."
"We kunnen hem beslist niet houden."
"Laten we hem dan wegzenden .... Maar eerst moeten we hem betalen."
"Wij zullen hem betalen, maar weg moet hij! Geef me geld, dan zal ik
met hem afrekenen."
"Wat, geld! Ik houd toch de kas niet, maar jij!"
"Geen quaestie van, jij! Jij hebt je met de generale intendantuur
belast," zeide Rodolphe.
"Maar ik geef je de heilige verzekering, dat ik geen geld heb!" riep
Marcel uit.
"Zou al het geld nou al op zijn? Dat is onmogelijk! Je kan geen
vijfhonderd francs in acht dagen uitgeven, vooral wanneer je,
zooals wij, met de grootste spaarzaamheid geleefd hebt en je je tot
het strikt noodzakelijke beperkt (Tot het strikt overbodige had hij
moeten zeggen.). Wij moeten de rekeningen even verifieeren, dan zullen
we de fout wel vinden."
"Ja, die wel," zeide Marcel, "maar niet het geld. Maar dat hindert
minder, we kunnen toch het uitgaven-boekje wel even doorloopen."
Ziehier het specimen van die boekhouding, welke onder de auspiciën
van Sancta Oeconomica begonnen was.
"19 Maart. Ontvangen: 500 francs. Uitgegeven: een Turksche pijp,
25 francs; diner, 15 francs; diversen, 40 francs."
"Wat zijn dat voor uitgaven?" vroeg Rodolphe aan Marcel, die las.
"Dat weet je wel," antwoordde deze, "dat is de avond, dat we 's
morgens pas thuis gekomen zijn. Trouwens daardoor hebben we vuur en
licht gespaard."
"Verder."
"20 Maart. Dejeuner, 1 fr. 50; tabak 20 cent; diner, 2 fr.; een
monocle, 2 fr. 50. Die monocle is voor jouw rekening. Waarvoor hadt
je een monocle noodig? Je mankeert niets aan je oogen."
"Je weet heel goed, dat ik voor de Echarpe d'Iris een verslag over
de schilderijen-tentoonstelling moest maken; en zonder monocle
kan je geen schilderijen beoordeelen; dat was een gerechtvaardigde
uitgave. Verder? ...."
"Een wandelstok ..."
"O, die is voor jouw rekening," zeide Rodolphe. "Je hadt geen
wandelstok noodig."
"Dat is alles, wat den 20sten uitgegeven is," zeide Marcel, die
op Rodolphe's uitval niet inging. "Den 21sten hebben we in de stad
geluncht, gedineerd en gesoupeerd."
"Dan hebben we dien dag toch niet veel uit kunnen geven?"
"Inderdaad slechts een kleinigheid .... Bijna dertig francs."
"Maar waaraan toch in hemelsnaam?"
"Dat weet ik niet meer," antwoordde Marcel; "maar het staat onder de
rubriek: Diversen."
"Dat is een heel vage en verraderlijke titel," riep Rodolphe.
"22 Maart. Dat was de dag, waarop Baptiste in dienst gekomen is;
we hebben hem een voorschot van 5 francs op zijn loon gegeven; voor
een draaiorgel 50 centimes; voor den afkoop van vier Chineesche
boerenjongens, die door hun ouders, ongelooflijke drankorgels en
doordraaiers, tot verdrinking in de Gele Rivier gedoemd waren,
2 fr. 40 c."
"Lieve Hemel," zeide Rodolphe, "verklaar mij toch eens de
tegenstelling, die in dit artikel op te merken is. Als je aan
draaiorgels geeft, waarom scheldt je dan op die doordraaiers en
drankorgels van ouders. En waar was het noodig voor geld voor die
Chineesche boerenjongens uit te geven? Als het nu nog boerenjongens
op brandewijn geweest waren!"
"Ik ben nu eenmaal grootmoedig geboren," antwoordde Marcel. "Doch
lees jij nu eens verder. Tot nu toe zijn we niet veel van het
spaarzaamheidsprincipe afgeweken."
"23 Maart. Niets. 24 Maart. Idem. Dat zijn twee goede dagen, 25
Maart. Een voorschot van 3 francs op het loon van Baptiste."
"Het schijnt, dat we hem nog al veel voorschot gegeven hebben,"
zeide Marcel.
"Des te minder hebben we hem dan nu uit te betalen," antwoordde
Rodolphe. "Ga verder."
"26 Maart. Verschillende, uit een oogpunt van kunst nuttige uitgaven,
36 fr. 40 c."
"Wat hebben we dan voor nuttigs gekocht?" vroeg Rodolphe; "ik herinner
me er niets van. 36 fr. 40 c., wat kan dat zijn?"
"Herinner je je dat niet?... Dat is de dag, waarop wij de Notre-Dame
beklommen hebben, om Parijs in vogelvlucht te zien."
"Maar dat kost toch niet meer dan acht sous," dacht Rodolphe.
"Ja, maar toen we weer beneden waren, zijn we in St. Germain gaan
dineeren."
"Dan is de zaak duidelijk."
"27 Maart: Niets!"
"Prachtig! Dat is nu eens spaarzaam!"
"28 Maart. Voorschot aan Baptiste, 6 fr."
"O, nu ben ik er zeker van, dat we hem niets meer te betalen
hebben. Het is zelfs niet onmogelijk, dat hij ons nog wat schuldig
is .... Enfin, dat zal ik wel eens narekenen."
"29 Maart. Waarachtig, op 29 Maart hebben we niets uitgegeven. Er
staat het begin van een preek voor in de plaats. 30 Maart. Juist, toen
hadden we menschen te dineeren; een groote uitgave: 30 fr. 55c. Den
31sten, dit is vandaag, hebben we nog niets uitgegeven. Je ziet dus,
dat de boekhouding zeer nauwkeurig geweest is. Het totaal bedraagt
op geen stukken na 500 francs."
"Dan moet er nog geld in kas zijn."
"We zullen zien," zeide Marcel, terwijl hij een lade opentrok. "Neen,
er is niets meer, alleen een spin."
"Een spin op den morgen brengt kommer en zorgen," merkte Rodolphe op.
"Maar waar kan al dat geld gebleven zijn?" vroeg Marcel,
terneergeslagen bij het zien van de ledige kas.
"Vraag je dat nog?" zeide Rodolphe. "Dat is nogal eenvoudig: we hebben
het aan Baptiste gegeven."
"Wat is dat?" riep Marcel uit, die in de lade een stuk papier vond. "De
rekening voor het laatste kwartaal huur!"
"Hoe is die hier gekomen?" vroeg Rodolphe.
"En gequiteerd ook!" voegde Marcel eraan toe. "Heb jij huur betaald?"
"Ik? Loop nou rond!"
"Maar wat beteekent dan?"
"Maar ik bezweer je ...."
"Wat is dan dit mysterie?" zongen zij in koor op de melodie der finale
van La Dame Blanche.
Baptiste, die graag muziek hoorde, kwam dadelijk aanloopen.
Marcel liet hem de quitantie zien.
"O ja, dat is waar ook!" zeide Baptiste langs zijn neus weg; "dat had
ik nog vergeten te zeggen. De huisbaas is hier geweest, toen jullie
uit waren, en om hem de moeite te besparen terug te moeten komen,
heb ik hem maar betaald."
"Waar heb je dat geld vandaan gehaald?"
"O, ik heb het uit de la genomen, die stond open; ik dacht, dat de
heeren die juist daarom open hadden laten staan, en ik zei zoo tegen
mezelvers; De heeren hebben, toen ze uit gingen, vergeten te zeggen:
"Baptiste, de huisbaas zal zijn huur komen halen, je moet hem betalen;"
en toen heb ik gedaan, alsof ik dat bevel gekregen had, zonder het
bevel gekregen te hebben."
"Baptiste," zeide Marcel, ziedend van woede, "je hebt onze bevelen
overtreden. Van af heden ben je uit onzen dienst ontslagen. Baptiste,
geef je livrei terug."
Baptiste nam zijn wasdoeken pet, waaruit zijn heele uniform bestond,
af en gaf die aan Marcel.
"Goed," zeide deze; "je kunt gaan ..."
"En mijn loon?"
"Ben je soms niet erg lekker? Je hebt al meer gekregen dan we je
schuldig zijn. Ik heb je in nog geen veertien dagen veertien francs
gegeven. Wat doe je met al dat geld? Mainteneer je soms een danseres?"
"Op het slappe koord," voegde Rodolphe eraan toe.
"Ik sta dus alleen op de wereld," zeide de ongelukkige knecht;
"zonder iets, waarop ik mijn hoofd kan nederleggen!"
"Neem dan je livrei maar terug," antwoordde Marcel, ondanks zichzelf
aangedaan.
En hij gaf de pet aan Baptiste terug.
"En toch heeft die ongelukkige ons fortuin verkwist," zeide Rodolphe,
toen hij den armen Baptiste zag weggaan. "Waar dineeren we vandaag?"
"Dat zullen we morgen weten," antwoordde Marcel.
HOOFDSTUK VIII.
WAT EEN VIJFFRANCSSTUK KOST.
Op een Zaterdagavond in den tijd, dat hij nog niet met mademoiselle
Mimi "was", met wie we weldra kennis zullen maken, leerde Rodolphe
aan zijn table-d'hôte een handelaarster in mode-artikelen,
mademoiselle Laure geheeten, kennen. Toen zij gehoord had, dat
Rodolphe hoofdredacteur van de Echarpe d'Iris en van den Castor,
twee modebladen, was, begon zij, in de hoop, dat hij reclame voor
haar artikelen zou maken, op vrij in het oog loopende wijze met hem
te coquetteeren. Op die uitdagingen had Rodolphe geantwoord met een
vuurwerk van galante complimentjes, die Benserade, Voiture en alle
Ruggieri's van den precieusen stijl jaloersch gemaakt zouden hebben;
en toen zij na afloop van het diner vernam, dat Rodolphe dichter was,
gaf zij hem heel duidelijk te verstaan, dat zij niet ongeneigd was
hem als haar Petrarca aan te nemen. Zelfs stond zij hem zonder veel
omhaal van woorden een rendez-vous voor den volgenden dag toe.
"Bij Juppiter!" zeide Rodolphe tot zichzelf, toen hij
mademoiselle Laure naar huis bracht, "dat is beslist een beminlijke
persoonlijkheid. Het lijkt wel, dat zij over een voldoende grammatica
en een rijk voorziene garde-robe beschikt. Ik ben werkelijk wel
geneigd haar gelukkig te maken."
Toen zij bij de deur van haar huis gekomen was, liet mademoiselle
Laure den arm van Rodolphe los en dankte hem hartelijk voor de moeite,
die hij zich getroost had, om haar naar een zoo afgelegen stadswijk
te brengen.
"O, madame," antwoordde Rodolphe met een buiging, waarbij zijn gezicht
op den grond kwam, "ik wilde, dat u te Moskou of op de Sunda-eilanden
woonde, alleen om nog langer uw cavalier te kunnen zijn!"
"Dat is wel wat erg ver!" antwoordde Laure gemaakt.
"We zouden over de boulevards gegaan zijn, madame," zeide Rodolphe. "En
sta mij toe, u, in den persoon van uw wang, de hand te kussen,"
vervolgde hij, terwijl hij Laure, voor zij het verhinderen kon,
een kus op de lippen drukte.
"O, mijnheer," kirde zij, "dat gaat te vlug."
"Ja, maar dan bereik ik ook eerder mijn doel," zeide Rodolphe. "In
de liefde moeten de eerste afstanden in galop worden afgelegd."
"Een type!" dacht de modiste, terwijl zij naar binnen ging.
"Een allerliefst persoonlijkheidje," zeide Rodolphe, toen hij naar
huis wandelde.
Zoodra hij op zijn kamer was, ging hij naar bed en droomde de zoetste
droomen. Hij zag zich op bals, in de schouwburgen en op wandelplaatsen
met Laure aan zijn arm, die nog mooiere japonnen dan die, welke in
de sprookjes van Moeder de Gans voorkomen, aan had.
Volgens zijn gewoonte stond Rodolphe den volgenden dag om elf uur
op. Zijn eerste gedachte was voor mademoiselle Laure.
"Een heel beschaafde vrouw," mompelde hij. "Ik ben er zeker van,
dat zij te Saint-Denis is opgevoed. Ik zal dus eindelijk het geluk
leeren kennen een maîtresse te bezitten, die er warmpjes in zit. Ik
moet mij offers voor haar getroosten. Ik zal dus mijn geld aan de
Echarpe d'Iris gaan halen, een paar handschoenen koopen en met Laure
gaan dineeren in een restaurant, waar ze servetten geven. Mijn rok
is wel niet heel mooi meer, maar zwart kleedt toch altijd goed!"
En hij ging naar het bureau van de Echarpe d'Iris.
Op straat zag hij echter in den omnibus groote affiches met de woorden:
"Heden, Zondag, springen de waterwerken te Versailles."
Het inslaan van den bliksem vlak voor zijn voeten zou op Rodolphe
geen dieperen indruk gemaakt hebben dan het zien van dat affiche.
"Het is vandaag Zondag! Dat was ik heelemaal vergeten!" riep hij
uit. "Dan krijg ik nergens geld vandaag. Zondag! Alles wat in Parijs
daalders heeft, is al op weg naar Versailles."
Desniettemin liep Rodolphe, voortgedreven door een van die fabelachtige
verwachtingen, waaraan de mensch zich steeds vastklampt, zoo snel als
zijn beenen hem dragen konden, naar het bureau van zijn blad. Misschien
zou een gelukkig toeval den kassier daar gebracht hebben.
Mijnheer Boniface was er inderdaad geweest, doch onmiddellijk weer
vertrokken.
"Hij is naar Versailles," zeide de loopjongen.
"Dat is verkeken," zeide Rodolphe.... "Maar wacht eens even. Het
rendez-vous is vanavond pas. Het is nu twaalf uur, ik heb dus nog
vijf uur om vijf francs te vinden--dat is twintig sous per uur,
net als de paarden in het Bois de Boulogne. En nu voorwaarts marsch!"
Daar hij juist in het stadsdeel was, waar een journalist woonde,
dien hij den invloedrijken criticus noemde, besloot hij bij dezen
een poging te wagen.
"Ik vind hem zeker thuis," zeide hij, terwijl hij de trap opliep;
"het is vandaag zijn feuilletondag, dus gaat hij niet uit. Ik zal
van hem vijf francs leenen."
"Ha, ben jij het!" zeide de criticus, toen hij Rodolphe zag, "je komt
als geroepen; ik heb je een kleinen dienst te vragen."
"Dat treft prachtig!" dacht de redacteur van de Echarpe d'Iris.
"Was je gisteren in den Odéon?"
"Daar ben ik altijd!"
"Je hebt dus het nieuwe stuk gezien?"
"Wie zou het anders gezien hebben? Het publiek van den Odéon ben ik!"
"Dat is waar ook," zeide de criticus. "Je bent een der steunpilaren
van dien schouwburg. Er loopt zelfs een gerucht, dat je subsidie
geeft. Doch om op de zaak terug te komen, kan je me geen overzicht
van het nieuwe stuk geven?"
"Niets makkelijker dan dat. Ik heb het geheugen van een schuldeischer."
"Van wien was het stuk?" vroeg de journalist aan Rodolphe, terwijl
deze aan het schrijven was.
"Van een mijnheer."
"Dan zal het geen sterk stuk zijn."
"In geen geval zoo sterk als een Turk."
"Dan is het ook niet sterk. Want de Turken hebben geheel ten onrechte
den naam van sterk te zijn. Zij zouden hier nog niet eens voor
schoorsteenvegers deugen."
"En waarom niet?"
"Omdat alle schoorsteenvegers Savoyaards zijn, en alle Savoyaards
weer Auvergners, en alle Auvergners weer kruiers zijn. En bovendien
zijn er geen Turken meer, behalve op de bals masqués in de voorsteden
en op de Champs Elysées, waar zij dadels verkoopen. De Turk is een
vooroordeel. Een van mijn vrienden kent het Oosten heel goed en die
heeft me verzekerd, dat al de onderdanen van die natie geboren zijn
in de rue Coquenard."
"Alleraardigst!"
"Vind je?" vroeg de criticus. "Dan zet ik het in mijn feuilleton."
"Hier heb je de analyse van het stuk," zeide Rodolphe. "Gauw gedaan,
wat?"
"Dat wel, maar het is verduiveld kort."
"Wanneer je er wat gedachtenstreepjes bij zet en je kritische opinie
ontwikkelt, neemt het plaats genoeg in."
"Daar heb ik geen tijd voor, mijn waarde, en bovendien beslaat mijn
kritische meening zooveel plaats niet."
"Dan zet je er om de drie woorden een adjectief bij."
"Zou je aan de analyse niet een korte, of liever een lange beschouwing
over het stuk kunnen vasthechten?" vroeg de criticus.
"Och," zeide Rodolphe, "ik heb wel mijn bepaalde ideeën over de
tragedie, maar ik waarschuw je, dat ik ze al driemaal in den Castor
en in de Echarpe d'Iris heb laten afdrukken."
"Dat is minder; hoeveel regels beslaan je ideeën?"
"Veertig regels."
"Bliksems, jij hebt groote ideeën! Nou, wil je me je veertig regels
leenen?"
"Prachtig!" dacht Rodolphe. "Als ik hem voor twintig francs copie
lever, zal hij mij geen vijf francs kunnen weigeren. Ik moet je
echter eerlijk bekennen," zeide hij vervolgens tot den criticus, "dat
mijn denkbeelden niet bepaald nieuw zijn. Zij zijn aan den elleboog
een beetje doorgesleten. Voor ik ze liet drukken, heb ik ze in alle
koffiehuizen van Parijs uitgebazuind: er is geen kellner in Parijs,
die ze niet uit zijn hoofd kent."
"Wat kan mij dat schelen?.... Je kent me nog niet. Is er, uitgezonderd
de deugd, iets nieuws in de wereld?"
"Hier!" zeide Rodolphe toen hij klaar was.
"Donder en bliksem! Er mankeeren nog twee kolom... Waarmede dien
afgrond te dempen? Kom, lever me, nu je toch hier bent, nog een
paar paradoxen!"
"Ik heb er van mijzelf niet bij me," zeide Rodolphe; "maar ik kan
je er wel een paar leenen; ze zijn echter niet van mij; ik heb ze
voor vijftig centimes van een vriend, die in geldverlegenheid zat,
gekocht. Ze hebben nog maar heel weinig dienst gedaan."
"Des te beter!" zeide de criticus.
"Het gaat goed!" zeide Rodolphe tot zichzelf, terwijl hij weer begon
te schrijven; "ik vraag hem minstens tien francs; in dezen tijd zijn
de paradoxen even duur als jonge patrijzen."
En hij schreef een dertig regels, waarin hij zottenpraat uitkraamde
over piano's, goudvisschen, de school van het gezond verstand en
Rijnwijn, dien hij toiletwijn noemde.
"Prachtig," zeide de criticus; "doe mij nu nog het genoegen er bij
te schrijven, dat het bagno de plaats in de wereld is, waar je de
meeste rechtschapen menschen vindt."
"Waarom?"
"Om nog twee regels te vullen. Zoo, dat is in orde," zeide de
invloedrijke criticus en riep zijn bediende, om zijn feuilleton naar
de drukkerij te brengen.
"En nu," zeide Rodolphe; "de koe bij de horens gevat!" En hij deed
plechtig en ernstig zijn verzoek.
"O je, mijn waarde," zuchtte de criticus, "ik heb zelf geen sou in
huis. Lolotte ruïneert me met pomade en zooeven heeft zij mij tot
mijn laatste halve duit uitgeschud om naar Versailles te gaan en de
Nereïden en andere bronzen monsters water te zien spuwen."
"Naar Versailles?" vroeg Rodolphe. "Is het vandaag dan een epidemie?"
"Maar waarom heb je geld noodig?"
"Ziehier het geval," antwoordde Rodolphe. "Om vijf uur heb ik een
afspraak met een vrouw van de wereld, een gedistingeerde dame, die
altijd in een omnibus uitgaat. Ik zou gaarne voor eenige dagen mijn
lot aan het hare verbinden; en daarom komt het mij passend voor haar
de zoetheden des levens te laten smaken. Diner, bal, wandelingen
enz. enz. Ik heb absoluut vijf francs noodig; als ik ze niet vind,
is in mijn persoon de geheele Fransche litteratuur onteerd."
"Waarom leen je die som niet van die dame zelf?" vroeg de criticus.
"Dat gaat den eersten keer niet. Alleen jij kunt mij redden!"
"Bij alle mummies van Egypte zweer ik je op mijn woord van eer, dat
ik zelfs geen geld heb, om een pijp van een sou of een panatella
te koopen. Maar ik heb daar een paar boeken, die je zoudt kunnen
verkoopen."
"Vandaag, op Zondag, onmogelijk. Moeder Mansut, Lebigre en alle winkels
op de kaden en in de rue Saint-Jacques zijn gesloten. En wat zijn het
voor boeken? Zeker gedichten met het portret van den schrijver. Maar
die dingen zijn onverkoopbaar."
"Tenzij je er door de rechtbank toe veroordeeld wordt. Doch wacht
even, daar heb je nog een bundel romances en een paar billetten voor
concerten. Wanneer je het wat handig aanlegt, zou je er best wat geld
van kunnen maken."
"Ik zou liever wat anders meenemen, een broek bijv."
"Daar," zeide de criticus, "neem dien Bossuet en die gipsbuste
van Odilon Barrot nog mee; maar op mijn woord van eer, dat is het
penningske der weduwe."
"Ik zie in ieder geval je goeden wil," zeide Rodolphe. "Ik neem de
schatten mede, maar als ik er dertig sous voor krijg, dan beschouw
ik dat kunststuk als het dertiende werk van Hercules."
Nadat hij ongeveer vier mijl had afgelegd, slaagde hij er met behulp
van een welsprekendheid, waarvan hij bij groote gelegenheden het geheim
bezat, in bij zijn waschvrouw twee francs te leenen, waarvoor hij de
deelen poëzie, de romances en de buste van Barrot in pand moest geven.
"Kom," zeide hij, toen hij de bruggen weer overging, "dat is tenminste
de jus, nu moet ik het vleesch nog zien te vinden. Als ik eens naar
mijn oom ging!"
Een half uur later was hij bij zijn oom Monetti, die op het gelaat
van zijn neef dadelijk las, waarom het ging. Hij was dus op zijn
hoede en voorkwam iedere vraag door een serie klachten als:
"Het zijn moeilijke tijden: het brood is duur, de klanten betalen niet,
de huur moet worden opgebracht, de handel zit in het moeras enz. enz.,"
en al de verdere huichelachtige klachten van winkeliers.
"Zou je wel willen gelooven," zeide de oom, "dat ik genoodzaakt ben
geld te leenen van mijn bediende, om een wissel te betalen?"
"Dan hadt u mij even een boodschap moeten sturen," zeide Rodolphe. "Ik
zou u het geld gaarne geleend hebben; drie dagen geleden heb ik
tweehonderd francs gekregen."
"Ik vind het heel aardig van je, jongen, maar je hebt zelf je geld
noodig .... Maar zeg, nu je toch hier bent, zou je wel even een
paar rekeningen voor me kunnen schrijven, die ik wil laten innen;
je schrijft zoo'n mooie hand."
"O je, die vijf francs zullen me duur kosten," zeide Rodolphe,
terwijl hij zich aan het werk zette, dat hij zooveel mogelijk bekortte.
"Beste oom," zeide hij, "daar ik weet, dat u een groot muziekliefhebber
bent, heb ik een paar entrée's voor u medegebracht."
"Heel vriendelijk van je, jongen. Wil je bij me blijven dineeren?"
"Neen, dank u, oom; ik word in den Fauborg St. Germain op een diner
verwacht. Ik verkeer zelfs eenigszins in verlegenheid, omdat ik geen
tijd meer heb om geld te gaan halen, om handschoenen te koopen."
"Heb je geen handschoenen bij je? Wil je de mijne leenen?"
"Dat zal niet gaan; we hebben hetzelfde nummer niet; maar u zoudt
mij verplichten mij te leenen...."
"Negen-en-twintig sous, om een paar te koopen? Zeker, jongen, daar
heb je ze. Wanneer je in gezelschap komt, moet je fatsoenlijk voor
den dag komen. Beter benijd dan beklaagd, zeide je tante altijd. Ik
ben blij, dat je in betere kringen komt .... Ik zou je wel wat meer
gegeven hebben, maar ik heb op het oogenblik hier in het kantoor niet
meer; ik zou naar boven moeten en ik kan den winkel niet alleen laten:
ieder oogenblik komen er koopers."
"En u vertelde daarnet, dat het zoo slecht met den handel ging!"
Oom Monetti deed, of hij die opmerking niet hoorde en zeide tot zijn
neef, die de negen-en-twintig sous in zijn zak stak:
"Je behoeft je niet te haasten, om ze terug te geven."
"Wat een gierige brok!" zeide Rodolphe, terwijl hij zich
wegspoedde. "Nu ontbreken me nog een-en-dertig sous. Waar die
te vinden? Wacht, een idee, laat ik naar den viersprong van de
Voorzienigheid gaan."
Dat was de naam, dien Rodolphe gaf aan het meest centrale punt van
Parijs, d. w. z. het Palais Royal, een plek, waar het bijna onmogelijk
is tien minuten te blijven staan zonder tien personen te ontmoeten,
die je kent, vooral schuldeischers.
Rodolphe ging dus op het bordes van het Palais-Royal op wacht
staan. Ditmaal liet de Voorzienigheid zich lang wachten. Eindelijk
meende Rodolphe haar te zien. Zij had een witten hoed, een groenen
paletot en een wandelstok met een gouden knop .... een zeer elegant
gekleede Voorzienigheid dus.
Het was een voorkomende en bemiddelde, maar eenigszins woordenrijke
jongeling.
"Ik ben blij je te zien," zeide hij tot Rodolphe; "loop een eindje
mede, dan kunnen we wat praten."
"Ach, ik zal die woordenmarteling maar ondergaan," mompelde Rodolphe,
terwijl hij zich door den witten hoed liet medenemen, die hem inderdaad
zijn trommelvlies half kapot praatte.
Toen zij bij den Pont des Arts kwamen, zeide Rodolphe:
"Ik moet je nu verlaten, daar ik geen geld heb, om de tol voor de
brug te betalen."
"Kom maar mee," antwoordde de witte hoed, terwijl hij den invalide
twee sous toewierp.
"Nu is het oogenblik gekomen," dacht de redacteur van de Echarpe
d'Iris, toen hij de brug overliep; aan het einde ervan bij de klok
van het Instituut gekomen, bleef Rodolphe plotseling staan, wees met
een wanhopig gebaar naar de wijzerplaat en riep uit:
"Vervloekt! Kwart voor vijf. Ik ben verloren."
"Wat is er?" zeide de andere verwonderd.
"Wel, dat ik door jouw schuld een rendez-vous verzuim."
"Een belangrijk?"
"Dat zou ik denken .... Ik moest om vijf uur geld gaan halen .... in
Batignolles .... Ik zal er nooit op tijd zijn .... Bliksems! Wat moet
ik beginnen?"
"Dat is nogal eenvoudig," zeide de woordenrijke, "ga met mij mee naar
huis, dan zal ik je wat leenen."
"Onmogelijk! Je woont in Montrouge, en om zes uur moet ik voor een
zaak in de Chaussée-d'Antin zijn .... Een beroerde geschiedenis!"
"Ik heb wel een paar sous op zak," zeide de Voorzienigheid bescheiden
.... "maar niet veel."
"Als ik genoeg had om een bakje te nemen, dan zou ik misschien nog
op tijd in Batignolles kunnen zijn."
"Hier heb je den inhoud van mijn beurs, mijn waarde, een-en-dertig
sous."
"Geef maar gauw hier, dan maak ik, dat ik weg kom!" zeide Rodolphe,
die het vijf uur had hooren slaan, en hij haastte zich naar de plaats
van zijn rendez-vous.
"Dat is een heele toer geweest," zeide hij, terwijl hij zijn geld
telde. "Honderd sous, precies op den kop af. Enfin, ik ben nu
gered, en Laure zal zien, dat zij te doen heeft met een man, die
savoir-vivre heeft. Ik wil vanavond met geen centime thuis komen. Ik
moet de litteratuur weer tot eer brengen en bewijzen, dat het haar
beoefenaars slechts aan geld ontbreekt, om rijk te zijn."
Rodolphe vond mademoiselle Laure op de afgesproken plaats.
"Nou," zeide hij tot zichzelf, "wat stiptheid betreft, lijkt zij wel
een chronometer."
Hij bracht den avond met haar door en smolt zijn vijf francs dapper
in den smeltkroes der verkwisting. Mademoiselle Laure was verrukt
over zijn manieren en was wel zoo goed eerst te merken, dat Rodolphe
haar niet naar haar huis terugbracht vóór het oogenblik, dat hij haar
zijn kamer liet binnentreden.
"Het is verkeerd wat ik doe," zeide zij. "Zorg, dat ik er geen berouw
over moet hebben door een ondankbaarheid, die uw sexe eigen is."
"Madame," zeide Rodolphe, "ik sta bekend voor mijn bestendigheid, en
wel in dien mate, dat al mijn vrienden zich over mijn trouw verwonderen
en mij den bijnaam gegeven hebben van generaal Bertrand der Liefde."
HOOFDSTUK IX.
DE WITTE VIOOLTJES.
In dien tijd was Rodolphe doodelijk verliefd op zijn nicht Angèle, die
hem niet kon uitstaan, en de thermometer van den ingenieur Chevalier
wees twaalf graden onder nul.
Mademoiselle Angèle was de dochter van mijnheer Monetti, den
kachelsmid-rookverdrijver, over wien we reeds meermalen gelegenheid
hadden te spreken. Mademoiselle Angèle was achttien jaar en pas
terug uit Bourgondië, waar zij vijf jaar doorgebracht had bij een
bloedverwante, van wie zij later moest erven. Die bloedverwante
was een oude vrouw, die nooit jong of mooi geweest was, maar altijd
kwaadaardig, niettegenstaande of liever omdat zij vroom was. Angèle,
die bij haar vertrek een bekoorlijk kind was, dat in haar jonge jaren
reeds een bekoorlijk meisje beloofde te worden, kwam na verloop van
vijf jaar als een knap, maar koel, droog, ongevoelig jong meisje
terug. Het teruggetrokken provincieleven, de overdreven godsdienstige
oefeningen en de bekrompen beginselen, volgens welke zij was opgevoed,
hadden haar geest vervuld met vulgaire en dwaze vooroordeelen,
haar phantasie lam geslagen en van haar hart een orgaan gemaakt,
dat zich er toe bepaalde zijn functie als bloedsomloop-regulateur te
vervullen. Angèle had, om zoo te zeggen, wijwater in plaats van bloed
in haar aderen. Bij haar terugkeer ontving zij hem met een ijskoude
reserve en Rodolphe trachtte ieder oogenblik vergeefs in haar de
teedere snaar der herinneringen weer te doen trillen, herinneringen
uit den tijd, toen zij samen de amourette à la Paul et Virginie
gespeeld hadden, die tusschen neef en nicht zoo dikwijls gespeeld
wordt. Toch was Rodolphe doodelijk verliefd op zijn nicht Angèle,
die hem niet kon uitstaan; en toen hij op een goeden dag hoorde, dat
het jonge meisje binnenkort naar een bal, dat ter gelegenheid van het
huwelijk van een harer vriendinnen gegeven werd, zou gaan, liet hij
zich door zijn hartstocht zoo ver medesleepen, dat hij Angèle voor dat
bal een bouquet viooltjes beloofde. En na toestemming van haar vader
gekregen te hebben, nam Angèle het galante aanbod van haar neef aan,
waarbij zij er echter op aandrong, dat zij witte viooltjes zou krijgen.
Gelukkig door de beminlijk- en vriendelijkheid van zijn nicht, ging
hij dansend en zingend naar zijn "St. Bernard" terug. Zoo noemde hij
zijn toenmalig domicilie; waarom zullen we dadelijk zien. Toen hij
door het Paleis Royal ging en voorbij den winkel van madame Provost,
de beroemde bloemiste, kwam, zag hij witte viooltjes in de etalage;
uit nieuwsgierigheid liep hij naar binnen, om den prijs ervan te
vragen. Een eenigszins toonbare bouquet kostte niet minder dan tien
francs, doch er bestonden er, die nog duurder waren.
"Alle duivels!" zeide Rodolphe; "tien francs, en nog maar acht dagen
tijd, om dat millioen te vinden. Dat zal moeite kosten; maar dat is
minder, mijn nicht krijgt haar bouquet. Ik heb al een idée."
Dit avontuur overkwam Rodolphe in den tijd, dat hij nog in zijn
litteraire genesis was. Al zijn inkomsten bestonden toen uit een
maandelijksche toelage van vijftien francs, welke hem toegekend
was door een van zijn vrienden, een groot dichter, die na een lang
verblijf te Parijs met behulp van de noodige kruiwagens schoolmeester
in de provincie geworden was. Rodolphe, aan wiens wieg de verkwisting
als peet gestaan had, kwam met die toelage precies vier dagen rond;
en daar hij het gewijde, maar weinig productieve beroep van elegisch
dichter niet wilde opgeven, leefde hij de rest van de maand van die
manna van het toeval, welke langzaam uit de korven der Voorzienigheid
druppelt. Doch die vastentijd had voor hem geen verschrikkingen;
hij bracht dien vroolijk door dank zij een stoïsche matigheid
en de schatten der phantasie, die hij dagelijks uitgaf, om den
eersten der maand te bereiken, dien Paaschdag, welke een einde
maakte aan zijn lijdenstijd. Rodolphe woonde toentertijd in de rue
Contrescarpe-Saint-Marcel in een groot gebouw, dat vroeger het hôtel
de l'Eminence grise heette, omdat vader Joseph, de vervloekte ziel van
Richelieu, daar gewoond zou hebben. Rodolphe woonde op de bovenste
verdieping van dat huis, een der hoogste van Parijs. Zijn kamer,
een soort belvédère, was in den zomer een heerlijke verblijfplaats;
maar van October tot April was het een klein Kamschatka. De vier
hoofdwinden, die door de vier vensters drongen, kwamen er gedurende
den geheelen winter de meest woeste quatuors uitvoeren. Als een ironie
zag men er nog een grooten schoorsteen, waarvan de groote opening een
eerepoort scheen te zijn voor Borreas [21] en zijn gevolg. Dadelijk bij
het intreden van de eerste koude had Rodolphe zijn toevlucht genomen
tot een bijzonder verwarmingssysteem, hij had namelijk de weinige
meubelen, die hij bezat, in regelmatige stukken gezaagd en na verloop
van acht dagen was zijn meubilair aanzienlijk verminderd; hij hield
niet meer dan zijn bed en twee stoelen over, waarbij de eerlijkheid nog
gebiedt te zeggen, dat die meubelen van ijzer waren en dus van nature
tegen brand verzekerd waren. Rodolphe had voor dit verwarmingsstelsel
den naam: "verhuizen door den schoorsteen" uitgedacht.
We waren dus in het midden van Januari, en de thermometer, die op den
Quai des Lunettes twaalf graden aanwees, zou zeker nog twee of drie
graden gedaald zijn, indien hij overgebracht was naar den belvédère,
waaraan Rodolphe de bijnamen St. Bernard, Spitsbergen en Siberië
gegeven had.
Den avond, waarop hij aan zijn nicht witte viooltjes beloofd had,
geraakte Rodolphe bij zijn thuiskomst in een heftige woede: de vier
hoofdwinden hadden bij hun spel in de vier hoeken der kamer nog een
ruit gebroken. Dat was in de laatste veertien dagen de derde. Rodolphe
barstte in woedende vervloekingen tegen Aeolus en zijn heele familie
Breekal los. Na dit nieuwe gat met het portret van een van zijn
vrienden gestopt te hebben, ging Rodolphe geheel gekleed tusschen de
twee wollen planken, die hij zijn matras noemde, liggen en droomde
den geheelen nacht van witte viooltjes.
Vijf dagen later had Rodolphe nog geen enkel middel gevonden, dat
hem zou kunnen helpen zijn droom te verwezenlijken, en toch moest hij
acht-en-veertig uur later den bouquet aan zijn nicht geven. Gedurende
dien tijd was de thermometer nog meer gedaald, en de ongelukkige
dichter was de wanhoop nabij bij de gedachte, dat de viooltjes
nog duurder geworden zouden zijn. Eindelijk had de Voorzienigheid
medelijden met hem en kwam hem op de volgende wijze te hulp.
Toen hij op een goeden morgen toevallig bij zijn vriend Marcel, den
schilder, ging dejeuneeren, vond hij hem in gesprek met een dame in
den rouw. Het was een weduwe, wier man pas kort geleden gestorven
was; zij kwam hem vragen naar den prijs van een manlijke hand, die
met het opschrift:
"Ik wacht u, geliefde vrouw"
geschilderd moest worden op het grafteeken, dat zij voor haar man
had laten oprichten.
Om het kunstwerk goedkooper te krijgen, liet zij den artist in den
loop van het gesprek doorschemeren, dat hij, wanneer God haar weer
met haar echtgenoot zou vereenigen, een tweede hand te schilderen zou
krijgen, haar met een armband versierde hand, en wel met een nieuw
opschrift, luidende:
"Eindelijk heeft God ons vereenigd"
"Ik zal die beschikking in mijn testament zetten," zeide de weduwe,
"met mijn uitdrukkelijken wil, dat u met de uitvoering ervan belast
zult worden."
"In dat geval, mevrouw," antwoordde de artist, "neem ik den prijs, die
u mij voorstelt, aan, maar dan reken ik ook op den handdruk. Vergeet
niet mij in uw testament te zetten."
"Ook zou ik graag zien, dat het werk zoo gauw mogelijk gereed was,"
zeide de weduwe; "maar neem er uw tijd voor, en vergeet vooral het
litteeken op den duim niet. Ik wil een goed gelijkende hand."
"Zij zal sprekend zijn, mevrouw, wees gerust," zeide Marcel, terwijl
hij de weduwe uitliet. Doch op den drempel keerde zij zich weer om.
"O ja, ik wou u nog graag wat vragen; ik zou graag op het graf van
mijn man nog een vers laten aanbrengen, waarin de edele levenswandel
en de laatste woorden, die hij op zijn sterfbed gesproken heeft,
vermeld worden. Staat dat voornaam?"
"Zeer voornaam .... men noemt dat een epitaphium .... het is heel
voornaam."
"Kent u niet iemand, die dat goedkoop voor mij zou kunnen maken? Ik
heb wel een buurman, mijnheer Guérin, den openbaren schrijver, maar
die is zoo peperduur."
Bij die woorden wierp Rodolphe Marcel een blik toe, dien deze dadelijk
begreep.
"Mevrouw," zeide de schilder en wees op Rodolphe, "een gelukkig
toeval heeft hier den persoon heen gevoerd, die u in deze droevige
omstandigheden zou kunnen helpen. Mijnheer hier is een uitstekend
dichter, u zoudt geen beteren kunnen vinden."
"Ik zou er zeer op staan, dat het heel treurige verzen zijn," zeide
de weduwe, "en dat er geen spelfouten in voor komen."
"Mevrouw," antwoordde Marcel, "mijn vriend kent de orthographie op
zijn duimpje: hij heeft op het college alle prijzen gewonnen."
"Zoo," zeide de weduwe; "mijn neefje heeft laatst ook een prijs
gekregen; en hij is toch pas zeven jaar."
"Een zeer voorspoedig kind, mevrouw," was Marcels antwoord.
"Maar," drong de weduwe aan, "kan mijnheer ook treurige verzen maken?"
"Beter dan wie ook, mevrouw, want hij heeft veel verdriet in zijn
leven gehad. Mijn vriend munt uit in treurige verzen; dat verwijten
de couranten hem zelfs wel eens."
"Wat?" riep de weduwe uit, "wordt er over hem in de couranten
geschreven? Dan is hij zeker even knap als mijnheer Guérin, de
openbare schrijver!"
"O, nog veel knapper! Wend u maar tot hem, mevrouw, u zult er geen
berouw over hebben."
Nadat de weduwe den dichter de bedoeling van het opschrift in verzen,
dat zij op het graf van haar man wilde laten aanbrengen, uiteengezet
had, stemde zij erin toe Rodolphe tien francs te geven, als het gedicht
in haar smaak viel; maar zij wilde de verzen heel gauw hebben. De
dichter beloofde ze haar den volgenden dag reeds door bemiddeling
van zijn vriend te zullen doen toekomen.
"O goede fee Artemisia," riep Rodolphe uit, toen de weduwe weg was,
"ik zweer je, dat je tevreden zult zijn; ik zal je een goede maat
dooden-lyriek geven, en mijn orthographie zal beter zijn dan die
van een hertogin. O goed oudje, moge, om u te beloonen, de hemel je
honderdzeven jaar laten leven evenals goede brandewijn!"
"Daar kom ik tegen op!" riep Marcel uit.
"Dat is waar ook!" zeide Rodolphe; "ik zou bijna vergeten, dat je
na haar dood nog een tweede hand te schilderen krijgt, en zoo'n lang
leven je dat geld dus zou doen verliezen." En zijn handen ten hemel
heffend, bad hij: "O, lieve God, verhoor mijn gebed niet! Hè," voegde
hij er aan toe, "dat is een bofje, dat ik hierheen gekomen ben."
"Ja, wat kwam je eigenlijk hier doen?" vroeg Marcel.
"Daar denk ik nu ook weer aan en vooral nu ik, om dat gedicht te
maken, den geheelen nacht op zal moeten blijven zitten, kan ik dat,
wat ik je kwam vragen, onmogelijk missen, n.l. 1e. wat eten; 2e. wat
tabak en een kaars; 3e. je ijsberencostuum."
"Ga je naar een bal masqué? O ja, dat is waar ook, vanavond wordt
het eerste gegeven."
"Neen, dat niet; maar zooals je me hier ziet, ben ik even bevroren
als het groote leger op zijn terugtocht uit Rusland. Mijn groen
wollen paletot en mijn broek van Schotsch merinos zijn ongetwijfeld
heel mooi, maar toch beter geschikt voor de lente en om onder den
equator te wonen; wanneer je echter, zooals ik, je tenten onder den
pool hebt opgeslagen, is een ijsberencostuum passender, ik zou bijna
zeggen, onmisbaar."
"Daar heb je de pels," zeide Marcel. "Het denkbeeld is niet kwaad,
het beest heeft een vurig gestel, en je zult je erin voelen als een
brood in een oven."
Rodolphe was intusschen reeds in de huid van het dier gekropen.
"Wat zal mijn thermometer gloeiend boos worden," zeide hij.
"Wil je in dat costuum de straat op?" zeide Marcel tot zijn vriend,
toen zij hun geheimzinnig diner, dat in schalen van vijf centimes
opgediend werd, naar binnen hadden gewerkt.
"Ik heb maling aan de heele wereld," zeide Rodolphe; "en bovendien
begint vandaag het carnaval."
En hij doorliep werkelijk heel Parijs in de ernstige houding van den
viervoeter, in wiens huid hij zich gestoken had. En toen hij voorbij
den thermometer van den ingenieur Chevalier kwam, trok hij er een
langen neus tegen.
Toen hij, niet zonder zijn concierge de stuipen van schrik op het lijf
gejaagd te hebben, weer boven op zijn kamer was, stak de dichter zijn
kaars aan, die hij, om de moedwillige streken van de Noordenwinden te
voorkomen, met een doorschijnend stuk papier omgaf, en ging dadelijk
aan het werk. Maar al heel gauw kwam hij tot de ontdekking, dat,
al was zijn lichaam vrijwel tegen de koude beschermd, zijn handen
het niet waren; en hij had nog geen twee verzen van zijn epitaphium
op het papier, of zijn vingers begonnen te tintelen van de koude en
lieten de pen vallen.
"Tegen de elementen kan zelfs de moedigste niet op," zeide Rodolphe,
die zich wanhopig achterover in zijn stoel liet vallen. "Caesar heeft
wel den Rubicon overgestoken, maar over de Beresina had hij nooit
kunnen komen."
Plotseling echter ontsnapte een kreet van vreugde aan het diepst van
zijn berenborst en stond hij zoo bruusk op, dat hij een deel van zijn
inkt liet vallen op het smettelooze wit van zijn pels: hij had een
idée, een nieuwen druk van het denkbeeld van Chatterton.
Hij haalde onder zijn bed een grooten stapel papieren te voorschijn,
waaronder zich een dozijn reusachtige manuscripten van zijn beroemd
drama Le Vengeur bevond. Dit drama, waaraan hij twee jaar gewerkt
had, was zoo dikwijls over- en omgewerkt, dat de gezamenlijke copieën
een gewicht van zeven kilogram vormden. Rodolphe legde het jongste
manuscript ter zijde en sleepte de overige naar den schoorsteen.
"Ik wist wel, dat het nog eens geplaatst zou worden," riep hij uit
.... "je moet echter geduld weten te hebben! Dat is toch zeker een
flink takkenbosje proza. O, als ik geweten had, wat er gebeuren zou,
dan had ik er nog een voorspel bij gemaakt en zou ik nu meer brandstof
hebben .... Maar je kunt niet alles van te voren weten."
En hij stak eenige bladen van het manuscript in brand en ontdooide
zijn handen bij de vlammen daarvan. Na vijf minuten was het eerste
bedrijf van Le Vengeur afgespeeld en had Rodolphe drie verzen van
zijn epitaphium gereed.
Niets ter wereld zou de verbazing der vier hoofdwinden hebben kunnen
schilderen, toen zij vuur in de haard zagen.
"Dat is gezichtsbedrog," blies de Noordenwind, die vroolijk in de
berenharen van Rodolphe speelde.
"Als we eens in den schoorsteen gingen blazen," antwoordde een andere
wind, "dan zou de haard heerlijk gaan rooken."
Maar juist toen zij den armen Rodolphe wilden gaan kwellen en
treiteren, zag de Zuidenwind mijnheer Arago voor een raam van het
observatorium zitten, vanwaar de geleerde met zijn vinger de vier
winden dreigde.
Onmiddellijk riep de Zuidenwind zijn broeders toe: "Laten we maken,
dat we weg komen, de almanak geeft voor dezen nacht stil weer aan;
wij zijn dus in tegenspraak met de sterrenwacht, en als we om twaalf
uur niet thuis zijn, zal mijnheer Arago ons school laten blijven."
Gedurende dien tijd brandde het tweede bedrijf van Le Vengeur met
groot succes. En Rodolphe had tien verzen geschreven. Maar tijdens
den duur van het derde bedrijf kon hij er slechts twee schrijven.
"Ik heb altijd gevonden, dat die acte te kort was," mompelde Rodolphe;
"maar je merkt die fouten altijd pas bij de opvoering. Gelukkig zal
het volgende bedrijf langer duren: drie-en-twintig scènes, waaronder
de troonscène, die het tooneel van mijn roem had moeten zijn."
De slotwoorden der troonscène gingen in vlammen op, toen Rodolphe
nog een strophe van zes regels te schrijven had.
"En nu het vierde bedrijf," zei hij, terwijl zijn gezicht van dichtvuur
gloeide. "Dat zal wel vijf minuten duren, het is heelemaal monoloog."
Hij ging over tot de ontknooping, die opvlamde en onmiddellijk weer
uitging. Op hetzelfde oogenblik vatte Rodolphe de laatste woorden
van den overledene, te wiens verheerlijking hij gewerkt had, in een
pr
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/35741