Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Keur van Nederlandsche Synoniemen

by Teunis Pluim · Dutch · Gutenberg #34784 · 379,787 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Keur van Nederlandsche Synoniemen
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Keur van Nederlandsche Synoniemen

Author: Teunis Pluim


        
Release date: December 29, 2010 [eBook #34784]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/34784

Credits: E-text prepared by the Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KEUR VAN NEDERLANDSCHE SYNONIEMEN ***


E-text prepared by the Online Distributed Proofreading Team
(http://www.pgdp.net)



+----------------------------------------------------------------+
|                                                                |
|                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
|                                                                |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
| moderniseren.                                                  |
|                                                                |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.                 |
|                                                                |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden.             |
|                                                                |
| In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_.  |
| Uitgespatiëerde tekst is weergeven als ~uitgespatiëerd~, vette |
| tekst als $vet$ en onderstreepte tekst als #onderstreept#.     |
|                                                                |
| In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt.     |
| De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als  |
| »aanhalingstekens".                                            |
|                                                                |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
| aangebrachte correcties.                                       |
|                                                                |
+----------------------------------------------------------------+





KEUR VAN NEDERLANDSCHE SYNONIEMEN

#TEN GEBRUIKE BIJ DE STUDIE VOOR DE HULP- EN
HOOFDACTE EN OP INRICHTINGEN VOOR M.O.#

DOOR

T. PLUIM,
Hoofd eener School te Baarn.







VIERDE, HERZIENE DRUK.

J. Muusses.--Purmerend.--1912.




VOORBERICHT


BIJ DEN EERSTEN DRUK.

Er is geen betere »stijloefening" dan het bestudeeren van synoniemen;
hierdoor toch raakt men intiemer bekend met den rijkdom van vormen,
waarover onze taal beschikt, om allerlei schakeeringen van eenzelfde
hoofdbegrip uit te drukken. Het is dus wel te verklaren, dat het
behandelen van zinverwante woorden een veel voorkomende en hoogst
practische examen-opgave vormt. Toch mag het zeker verwondering baren,
dat het Nederlandsch slechts weinig werken over dit belangrijk onderdeel
der levende taal bezit. Na het thans verouderde »Woordenboek" van
Weiland en Landré (1821, 3 dln.) is slechts één werk verschenen, aan de
studie der synoniemen gewijd. Dit gunstig bekende »Handboek van Ned.
Synoniemen", door J. V. Hendriks (D. Mijs, f 2.50), dat verre boven
onzen lof verheven is, kan echter als _eerste_ studieboek bezwaarlijk
gebruikt worden: het geeft uit den aard der zaak te veel stof bij te
weinig oefeningen. Het kwam mij daarom niet ondienstig voor, uit den
rijken voorraad onzer synoniemen een keuze te doen, om zoo noodig een
grondiger en uitvoeriger behandeling van dit onderwerp voor te bereiden.

Ik heb bij het schrijven van dit werkje een geleidelijke opklimming
in het oog gehouden en zeer veel plaats aan oefeningen ter toepassing
ingeruimd. Hierdoor vlei ik mij, dat dit boekje gebruikt kan worden op
onze Normaal- en Hoogere Burgerscholen, op onze Gymnasia en misschien
ook bij de studie voor de hoofdacte.

Welwillende opmerkingen, die de bruikbaarheid kunnen verhoogen, zullen
mij steeds welkom zijn.

  1904.


BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

De _tweede_ druk is zoo goed als ongewijzigd gebleven.

Van geachte zijde werd mij er op gewezen, dat ik van Hendriks een wel
wat al te ruim gebruik zou gemaakt hebben. Waar deze schrijver niet
schroomde dikwijls Landré en Weiland woordelijk te volgen, meende ook
ik daartoe het recht te mogen hebben. Bovendien heb ik, evenals hij,
van het _Woordenboek der Ned. Taal_ een ijverig gebruik gemaakt,
terwijl ik verder nog raadpleegde: Kuypers _Woordenboek_, dr. Nassau's
_Geschriften_ en een paar Duitsche werken. Ik heb dus, als zoo menig
compilator, toegepast: »Je prends mon bien où je le trouve", daarbij
steeds voor oogen houdende, dat mijn werkje vóór alles _practisch_ moest
zijn. Uit de gunstige recensies en uit het vrij spoedig verschijnen van
den 2en druk, meen ik te mogen besluiten, dat het bruikbaar bevonden
wordt voor het doel, dat ik beoogde.

  1907.


BIJ DEN DERDEN DRUK.

De _derde_ druk is vermeerderd met een »Aanhangsel", waarin nog
een groot aantal (± 50 reeksen) der voornaamste synoniemen op meer
beknopte wijze zijn behandeld. Aan den gebruiker is het--bij wijze van
oefening--overgelaten zelf de voorbeelden ter toepassing te zoeken. Ik
mag mij vleien, dat daardoor de bruikbaarheid van het werkje nog is
toegenomen. (De prijs is niet verhoogd.)

  1909.


BIJ DEN VIERDEN DRUK.

Van de welwillende opmerkingen in »De School met den Bijbel" is een
dankbaar gebruik gemaakt. Ook heb ik op enkele andere plaatsen kleine
verbeteringen aangebracht. Het toenemend gebruik van dit werkje is mij
zeer aangenaam.

  Baarn, Maart 1912.                                         T. PLUIM.




1. Draaglijk--draagbaar.

_Wat gedragen kan worden._

~Draagbaar~ zegt dit in letterlijken zin; het wijst dus aan, dat iets
niet zoo zwaar is, of het kan gedragen worden: _Een last van 75 K.G. is
voor velen niet meer ~draagbaar~._ Soms beteekent het: verplaatsbaar,
niet-vastgemaakt (portatief): _een ~draagbare~ gaskachel_.

~Draaglijk~ duidt meer in figuurlijken zin aan, dat iets te dragen valt,
d.w.z. te verduren, te dulden: _Een ~ondragelijke~ hitte._

       *       *       *       *       *

De zieke leed on-- pijn.

Voor zoo'n reus als hij is, is zoo'n zak meel wel --.

Je hebt daar eindelijk eens een -- opstel geschreven.

Men heeft tegenwoordig ook -- electrische lampen.


2. Kostbaar--kostelijk.

_Wat veel kost en dus hooge waarde heeft._

~Kostbaar~ wordt in letterlijke beteekenis gebruikt. _De drooglegging
der Zuiderzee is een ~kostbare~ onderneming._

~Kostelijk~ komt slechts figuurlijk voor; het wijst alleen op de hooge
waarde, de voortreffelijkheid, die iets bezit. Bij hevigen dorst is
water geen kostbare, maar wel een _~kostelijke~ drank_ (d. i. een drank,
die uitmunt door zijn voortreffelijkheid om den dorst te lesschen).

       *       *       *       *       *

De koningin droeg een -- snoer van diamanten.

Het is zonde, zulk -- eten te laten bederven.

De -- hofhouding van Lodewijk XIV verslond schatten.

Het was werkelijk een -- ingeving, zich zoo te kunnen redden.


3. Geestelijk--geestig--geestrijk.

_Deze woorden zijn geen synoniemen en hebben dus geen gemeenschappelijke
beteekenis. Men treft ze evenwel vaak als examenopgave aan. (Men noemt
dergelijke woorden, die hetzelfde grondwoord hebben, ~paroniemen~ =
stamverwante woorden.)_

~Geestelijk~ is de tegenstelling van wereldlijk of lichamelijk: _De
~geestelijke~ stand; de ~geestelijke~ ontwikkeling._

~Geestig~ is synoniem met aardig, grappig, humoristisch: _Een ~geestig~
gezegde. Een ~geestige~ voordracht._

~Geestrijk~ wil zeggen: rijk aan geest (van alcohol): _~geestrijke~
dranken_.

       *       *       *       *       *

Deze kinderen staan -- verre bij uw leerlingen ten achter.

Ik heb hem een -- spotprent op zijn redevoering laten zien.

Pater van Meurs, de bekende --, is vaak in zijn kleine gedichten zeer
--.

    »Het -- vocht der blonde druif
    Maakt -- op zijn tijd",

zeide een dichter; maar, hij had er bij kunnen voegen, is vaak ook
oorzaak, dat men -- achteruit gaat.


4. Zorgeloos--onbezorgd.

_Geen zorg hebbende._

~Onbezorgd~ is hij, die niet bezorgd of bang voor gebrek of dreigende
gevaren behoeft te zijn. Het woord heeft dus een gunstige beteekenis.
_Hij heeft zooveel gespaard, dat hij een ~onbezorgden~ ouden dag kan
hebben._

~Zorgeloos~ wijst aan, dat iemand de zaken, die aan zijn zorg zijn
toevertrouwd, verwaarloost, of dat hij lichtzinnig voortleeft, zonder de
noodige zorg voor zijn toekomst te hebben. Het woord heeft dus altijd
een ongunstige bijgedachte. _Ofschoon hij meermalen met ontslag
bedreigd is, blijft hij nog altijd even ~zorgeloos~._

       *       *       *       *       *

Gij kunt -- zijn: geen kwaad zal u deren.

Zou zij mij alleen getrouwd hebben, om een vroolijk en -- leven te
leiden? (Van Lennep.)

Het ergert mij altijd, dat hij zoo -- en lichtzinnig voortleeft.

Hij deed alle moeite om een opgeruimd en -- gelaat te vertoonen. (Van
Lennep.)

Als gij zoo -- met uw geldzaken omgaat, zult gij spoedig arm zijn.

Zonden, ofschoon gepleegd in -- vroolijkheid, waarbij men zich zelve
vergeet, ontgaan echter het oog van God niet. (Van der Palm.)


5. Geneigd--genegen.

_Neiging tot iets hebbende._

~Geneigd~ geeft te kennen, òf dat de neiging iemand van nature eigen is,
dus tot zijn aard en karakter behoort, òf wel dat zij het gevolg is van
redeneering, inzicht of oordeel, die iemand tot iets doen overhellen.
(_Neigen_ = overhellen.) _De mensch is ~geneigd~ tot zonde_: zijn aard
brengt dat mede. _Ik ben ~geneigd~ dit toe te stemmen_: ik hel er toe
over (daar ik er over nagedacht heb).

~Genegen~ ziet meer op de neigingen, die uit lust of begeerte ontstaan:
_Men vraagt een keukenmeid, een burgerpot kunnende koken en tevens
~genegen~ eenig huiswerk te verrichten_: die daar lust in heeft, er
_niet afkeerig_ van is. Bovendien kan ~genegen~ beteekenen: goedgunstig
gezind, liefhebbend: _De directeur is mij zeer ~genegen~._

       *       *       *       *       *

Mijn vriend is vroolijk van aard en altijd -- tot schertsen.

Denkt gij, dat hij -- is, mij te woord te staan?

Ik ben altijd --, het goede van iemand te denken.

Ik zou bijna -- zijn, bij deze aanmerking nog een tweede te voegen.
(Inzicht, oordeel.)

Niemand der aanwezigen scheen --, in het tekort der kas te willen
bijdragen.

Het geluk is mij in deze onderneming niet --.

Indien hij niet zoo tot vadzigheid en luiheid -- was, zou hij zeker de
betrekking gekregen hebben.

Zoudt gij -- zijn, het voorzitterschap onzer vereeniging te willen
aanvaarden?

Niemand is dezen onvriendelijken postdirecteur --.


6. Kinderachtig--kinderlijk--kindsch.

_Wat een kind eigen is._

~Kinderachtig~ heeft een ongunstige beteekenis; het duidt aan, dat
volwassen menschen zich gedragen, alsof zij nog even weinig verstand als
een kind hadden. _Hoe ~kinderachtig~ van haar zoo bang voor spinnen te
zijn!_

~Kinderlijk~ is alles, wat met den aard van het kind overeenkomt, en wel
in gunstigen zin genomen. _Kinderlijke_ spelen.

~Kindsch~ geeft te kennen, dat van oude menschen de geestvermogens zóó
zijn verzwakt, dat zij als 't ware weer kinderen zijn geworden. _Deze
oude vrouw is sedert een paar jaren geheel ~kindsch~._--Een enkele maal
heeft kindsch nog de letterlijke beteekenis: _Uit mijn ~kindsche~ jaren
herinner ik mij nog, dat wij vaak paaschvuren stookten._

(Men lette er op, dat kindschheid de fig., en kindsheid de letterlijke
beteekenis heeft.)

       *       *       *       *       *

Foei, wat doet die groote jongen nog --.

Met -- liefde hing de knaap zijn ouders aan.

Gij moet niet te veel waarde aan de verhalen van dezen grijsaard
hechten: hij begint reeds -- te worden.

Zijn -- vertrouwen op God werd niet beschaamd.

Sedert mijn -- dagen ben ik daar niet meer geweest.

In zijn -- eenvoud gaf de boer den vorst de hand en vraagde, hoe hij het
maakte.


7. Buigbaar--buigzaam.

_Wat gebogen kan worden._

~Buigbaar~ duidt aan, dat een lichaam meer toevallig gebogen kan worden,
terwijl ~buigzaam~ te kennen geeft, dat het voorwerp krachtens zijn
innerlijke samenstelling gemakkelijk te buigen is. Een eikenhouten stok
is _buigbaar_, een glazen staaf niet; een stuk gummi is _buigzaam_.

Ook onbuigbaar en onbuigzaam hebben dit verschil. In figuurlijke
beteekenis is het eerste dan ook sterker dan het tweede; bijv.: _Hij
heeft een ~onbuigzaam~ karakter_, dat wil zeggen: hij toont in zijnen
geheelen aanleg duidelijk, dat hij zich _niet licht_ door een ander
laat buigen of leiden in betrekking tot zijn meening of wil. Het is
dus niet noodig aan een ongunstige beteekenis te denken.--_Door zijn
~onbuigbaren~ trots berokkende hij zich vele vijanden_, d.w.z. zijn
trots was zóó sterk, dat hij zich _door niets_ liet buigen. Gewoonlijk
heeft onbuigbaar een eenigszins afkeurende beteekenis.

       *       *       *       *       *

Zijn -- koppigheid ben ik eindelijk moede.

Een dichter noemde onze taal: krachtig, rein, smeltend, -- en rijk.

Als men een glazen buis verwarmt, is zij --.

Zet u niet in het hoofd, dat gij hem tot andere gedachten zoudt kunnen
brengen: hij heeft een -- wil.

Het karakter van den nieuwen consul was hun voorgesteld als welwillend:
zij hoopten, dat het -- zou wezen. (Beets.)


8. Lijdzaam--lijdelijk.

_Niet op verzet bedacht._

~Lijdzaam~ beteekent geduldig, gelaten in het leed berustend, of kalm en
bedaard volhardend bij het volbrengen van een moeilijke taak. _Met
groote ~lijdzaamheid~ verdroeg hij de pijnen._

~Lijdelijk~ wil zeggen, dat men geen tegenstand biedt, of bij zekere
gebeurtenis werkeloos blijft. _Hoe hij die beleediging zoo ~lijdelijk~
kon aanhooren, begrijp ik niet. Hij bleef bij dat afschuwelijk tooneel
een ~lijdelijk~ toeschouwer._

       *       *       *       *       *

Het was de politie onmogelijk, zulk een opruiende taal -- aan te hooren.

De patiënt verdroeg -- de hevige pijnen van zijn wonden.

Zoudt gij het -- kunnen aanzien, dat men uw goeden naam belasterde?

De vrome pelgrim trekt vol ijver, maar toch --, langs het onverkwikkend
pad naar Jeruzalem. (Zie Da Costa's Hagar.)


9. Openbaar--openlijk.

_Voor _of_ in het algemeen._

~Openbaar~ is datgene, wat voor ieder open is, waarvan niemand is
uitgesloten. Een _openbare_ vergadering; een _openbare_ wandeling.
Verder duidt het woord aan, dat iets vanwege de regeering is opgericht
of daartoe behoort: een _openbare_ school, een _openbare_ betrekking.

~Openlijk~ wijst aan, dat iets niet in 't geheim geschiedt, dat het dus
voor niemand behoeft verborgen te worden. _Als gij niet betaalt, zet ik
uw naam ~openlijk~ in de courant._

Het tegengestelde van openbaar is: particulier, besloten; van openlijk:
in 't geheim, bedektelijk.

       *       *       *       *       *

Ik zei hem -- de waarheid.

Wanneer men in een -- vergadering iemand iets in het oor fluistert,
zegt men dat niet --. En wanneer men in een gesloten bijeenkomst iets --
mededeelt, wil men dat nog niet altijd in het -- herhalen.

De zaak zal in een -- vergadering behandeld worden.

Ik zal u -- zeggen, hoe ik er over denk.

De uitslag der vredesonderhandelingen werd door de Regeering -- gemaakt.

Van alle -- gebouwen waaide de driekleur.

Van der Duyn van Maasdam, Hogendorp en Van Limburg Styrum, in stilte
werkzaam voor de bevrijding, hielden zich gereed om ook -- op te treden,
zoo ras het gunstig tijdstip zou komen.

Wat verstaat men onder het -- Ministerie?


10. Ontrouw--trouweloos.

_Zonder trouw._

~Trouweloos~ handelt iemand, die van een vrijwillig aangegane
verbintenis met voorbedachten rade afwijkt, om zich zelf te bevoordeelen
en een ander nadeel te berokkenen; hij ontziet zich daartoe niet,
valsch en laag te handelen. Trouweloos te zijn is dus min of meer een
karaktertrek, d.w.z. de trouweloosheid blijft in den regel niet tot één
geval beperkt. Op het gegeven woord van den trouwelooze, hoe plechtig
bezworen, is geen staat te maken; hij is zelfs in staat zijn vriend te
verraden of van diens geheimen misbruik te maken, als hij er voordeel in
ziet. _Hoewel hij mij plechtig beloofd had mijn plannen strikt geheim te
houden, heeft hij ze toch aan mijn mededinger verraden; ik wist niet,
dat hij zóó ~trouweloos~ was._

~Ontrouw~ ziet meer op een bepaald geval. Het wijst óók wel aan, dat
iemand een aangegane verbintenis niet nakomt, doch niet zoozeer, omdat
dit in zijn karakter ligt, als wel tengevolge van veranderde inzichten;
van eigenbelang behoeft niet eens sprake te zijn. Is de trouwelooze
geheel en steeds zonder goede trouw, de ontrouwe is zulks slechts voor
een bepaald geval. _Hij is mij ~ontrouw~ geworden_ wil zeggen: hij heeft
mijn partij verlaten--hoewel hij mij trouw beloofd had--maar hij kan
daarom toch zijn nieuwe partij met de grootste trouw weer aanhangen.

       *       *       *       *       *

Karel de Stoute werd door zijn gunsteling Campo Basso in den slag bij
Nancy -- verraden. Deze Italiaansche veldheer werd n.l. zijn vorst -- en
liep in 't beslissend oogenblik tot den vijand over.

De -- dienstknecht leverde enkele brieven van zijn meester aan diens
vijanden over.

Hij werd het oude geloof zijner vaderen --.

Zou hij zoo -- zijn, dat hij zijn eigen broeder zou verraden?


11. Innerlijk--inwendig--innig.

_Wat zich van binnen bevindt._

~Inwendig~ is alles, wat zich in de binnenruimte van een lichaam
bevindt; het is dus een tegenstelling met uitwendig, d.w.z. wat tot de
buitenzijde of de oppervlakte behoort: De _inwendige_ deelen van ons
lichaam.

~Innerlijk~ ziet meer op den aard en het wezen van de deelen, waaruit
een voorwerp bestaat, in tegenstelling van _uiterlijk_, dat meer let
op den vorm, dien de deelen te zamen hebben en waardoor die deelen
min of meer verborgen worden. De _innerlijke_ waarde van een stalen
horlogeketting is niet groot (d.w.z. de waarde der bestanddeelen),
al moge hij door zijn kunstig bewerkten vorm (de uiterlijke waarde)
ook kostbaar zijn. Het wordt vooral figuurlijk gebruikt in betrekking
tot 's menschen karakter of tot wat er in zijn gemoed omgaat, in
tegenstelling met den lichamelijken vorm. _Uiterlijk is hij voorkomend
en vriendelijk, maar ~innerlijk~ is hij valsch en vol bedrog.--Hij werd
~innerlijk~ bewogen_ (d.i. in zijn gemoed, zonder dat het uiterlijk te
zien was).

~Innig~ geeft aan, dat iets uit het diepst van ons binnenste
voortvloeit, waarvan onze ziel geheel doordrongen is: een _innige_
liefde.

       *       *       *       *       *

In het -- van dit reusachtige standbeeld heeft men een trap gemaakt.

Hoewel hij -- spijt had, liet hij het aan niets merken.

Hij stortte zijn hart uit in een -- gebed.

De appel was -- verrot, hoe mooi hij er uitzag.

Zijn -- kracht hield hem staande in dezen zwaren geloofsstrijd.

De -- samenstelling van dit werktuig is zeer vernuftig bedacht.

De Ruyter kenmerkte zich door zijn nederigheid en zijn -- godsvrucht.


12. Wettig--wettelijk--wettisch.

_Volgens de wet._

~Wettig~ duidt aan, dat iets geheel overeenkomstig de bepalingen der
wet is, bijv. een _wettig_ huwelijk: bij het huwelijk is aan al de
bepalingen der wet voldaan. De _wettige_ erfgenamen zijn die erfgenamen,
die volgens of krachtens de bepalingen der wet aanspraak op de
nalatenschap hebben.

~Wettelijk~ is datgene, wat bij de wet voorgeschreven is en dus een
uitvloeisel daarvan is. _Volgens ~wettelijk~ voorschrift moet bij
besmettelijke ziekten een briefje op de deur geplakt worden._

~Wettisch~ heet iemand, die zich streng aan de wet houdt en haar in
volle kracht (volgens de letter) wil toepassen.

       *       *       *       *       *

Doordat ons Koninklijk Huis in de laatste regeeringsjaren van Willem III
zooveel leden verloor, werd het noodig de -- bepalingen omtrent de --
erfgenamen in de grondwet nader te omschrijven.

Deze notaris is een -- man; hij staat er op, alle -- formules nauwkeurig
te gebruiken, opdat het testament -- zij.

Wij zullen langs -- weg verbetering van dien toestand trachten te
bewerken.

Gij hebt den -- termijn van cassatie laten verloopen, gij moet dus in
het vonnis berusten.

Het salaris bedraagt 50 gld. boven het -- minimum.


13. Dagelijksch--alledaagsch--daagsch.

_Wel zijn deze woorden van ~dag~ afgeleid, maar eigenlijke synoniemen
zijn het niet; toch worden ze vaak ter vergelijking opgegeven._ (Zie
ook no. 3.)

~Dagelijksch~ is alles, wat elken dag geregeld terugkeert. _De
~dagelijksche~ beweging der aarde om haar as duurt 24 uur. Hij verdient
ruim zijn ~dagelijksch~ brood._

~Alledaagsch~ beteekent, wat men alle dagen ziet, dus iets wat zeer
gewoon is; het heeft min of meer een geringschattende beteekenis. _Ik
dacht, dat hij zeer veel talent bezat, maar hij blijkt slechts een
~alledaagsch~ mensch te zijn._

~Daagsch~ wordt gebruikt in tegenstelling van zondagsch: _dit is mijn
~daagsche~ hoed_ (d.i. de hoed, dien ik op gewone werkdagen draag).

Opmerking. _Daags_ is een bijwoord en beteekent: over dag: De zon
schijnt _daags_ maar 6 uur meer.--Ook _dagelijks_ is een bijwoord en
beteekent: elken dag: Hij doet _dagelijks_ een wandeling. (Hij doet
_daags_ een wandeling, wil zeggen: over dag, dus niet in den nacht.)
_'s Daags_ beteekent _per dag_ (in een tijdruimte van een dag): _hij
verdient 2 gld. 's ~daags~_.

       *       *       *       *       *

In het -- leven wordt deze uitdrukking vaak gehoord.

Mijn -- jas zit mij gemakkelijker dan mijn zondagsche.

Gij behoeft daarvan niet zooveel ophef te maken: ik vind het een --
geval.

Op onze voetreis legden wij -- 8 uur af.

Ik zou niet graag mijn -- wandeling willen missen.

's Nachts loopen er vijf treinen en -- twaalf.


14. Ruiterlijk--ridderlijk.

_Openhartig._

~Ridderlijk~ doet denken aan de edelmoedigheid, welke den ridder eigen
was en die zijn _eer_ het hoogste stelde. _Zoodra hij bemerkte, dat hij
zijn vriend ten onrechte beschuldigd had, heeft hij ~ridderlijk~ zijn
beschuldiging teruggenomen._

~Ruiterlijk~ heeft meer de bijbeteekenis van ruw, maar oprecht, zooals
de oude ruiters waren, die meer den onverschrokken _moed_ hoog hielden
dan de fijne ridderlijke beleefdheidsvormen. _De oude tuinman kwam er
bij den graaf ~ruiterlijk~ voor uit, hoe hij over hem dacht._ (Het was
den graaf misschien minder aangenaam zulk een openhartig oordeel over
zijn eigen karakter te hooren, maar dat oordeel was toch oprecht gemeend
en bevatte niets dan waarheid.)

       *       *       *       *       *

Het is -- van hem, dat hij na de grievende bejegening, die hij van zijn
besten vriend ondervond, hem toch weer in den nood bijstaat. (Het strekt
hem tot _eer_!)

Het deed mij goed, dat hij zoo -- voor de waarheid durfde uitkomen. (Het
getuigt van _moed_!)

De tocht naar Chattam was een -- bestraffing voor een schandelijke daad
der Engelschen. (Het eervolle op den voorgrond stellen!)

De tocht naar Chattam was een -- bestraffing voor den laaghartigen
aanval der Engelschen op weerlooze visschersplaatsjes. (Het moedige op
den voorgrond stellen!)


15. Jong--jeugdig.

_Wat niet oud is._

~Jong~ zegt dit in letterlijken zin. Een _jong_ kind; een _jonge_
vereeniging.

~Jeugdig~ stelt meer het niet-afgeleefd zijn op den voorgrond, dus het
vroolijke, het levenslustige, het sterke. _De grijsaard wijdde zich nog
met ~jeugdigen~ ijver aan de zaak, die hij voorstond._ Verkeerd is het
dus, van een _jeugdige_ vereeniging te spreken in den zin van een jonge,
pas opgerichte vereeniging.

       *       *       *       *       *

In zijn -- jaren was hij een liefhebber van visschen.

In -- overmoed klom de reiziger onversaagd den steilen berg op.

Hij is nog betrekkelijk --, al ziet hij er oud uit.

Al is hij ook oud geworden, zijn hart blijft nog --.


16. Zuinig--spaarzaam.

_Niet verkwistend._

~Zuinig~ duidt aan, dat men zorg draagt, niet te veel uit te geven; men
wil voorkomen, dat hetgeen men bezit, te vroeg opraakt, daar men anders
te kort zou komen. _Wie zes gulden per week verdient, moet ~zuinig~
huishouden._

~Spaarzaam~ is nog sterker; het onderstelt, dat men nog wil sparen of
overhouden. _Een ~spaarzame~ hand koopt anderlui's land._ Een spaarzaam
mensch geeft dus betrekkelijk zeer weinig uit; vandaar dat spaarzaam in
figuurlijken zin beteekent: niet overvloedig, beperkt; bijv.: _Het
vertrek was slechts ~spaarzaam~ verlicht._

       *       *       *       *       *

Het nieuwe bestuur dezer vereeniging is -- met de gelden omgegaan; er is
dan ook dit jaar voor het eerst geen tekort. Doordat hij -- is, heeft
hij reeds een aardig sommetje bijeen.

Over de oudste plaatsen in ons land vindt men in de oorkonden slechts --
berichten.

Hij is van avond zeer -- met zijn woorden.


17. Klooven--klieven.

_Met eenige kracht de deelen van elkander scheiden._

~Klooven~ duidt aan, dat na de werking de scheiding blijft bestaan,
terwijl ~klieven~ onderstelt, dat de vaneengescheiden deelen zich
spoedig weer vereenigen; ~klooven~ geschiedt daarom alleen met vaste,
~klieven~ met vloeibare of luchtvormige stoffen. ~Klooven~ ziet meer
op het voorwerp, dat de werking ondergaat en duidt dus een doel aan,
terwijl ~klieven~ meer let op het voorwerp, dat de werking verricht.
Men zegt dus: _de arbeider ~klooft~ het hout_; 1º. is de verbreking
der deelen blijvend; 2º. hout is een vast lichaam en 3º. het _doel_
der werking is het hout klein te maken. Daarentegen zegt men: _het
schip ~klieft~ de baren_, immers 1º. is de verbreking der deelen van
voorbijgaanden aard; 2º. water is een vloeistof en 3º. het doel is niet
het water te scheiden, maar men wil den nadruk leggen op het schip zelf,
door aan te duiden, dat het snel vooruitkomt.

       *       *       *       *       *

Ruwe diamanten moeten meestal -- worden.

De blanke duiven door-- de stille avondlucht.

De ridder reed op zijn vijand toe en -- hem met één slag van zijn zwaard
den kop.

De wind is gunstig, en vroolijk -- het ranke schip de baren.


18. Stomp--bot.

_Wat niet scherp is._

~Stomp~ zegt men meer van een punt, ~bot~ van de snede: _Een ~stompe~
naald; een ~bot~ mes._ In figuurlijken zin beteekent ~bot~: niet scherp
van verstand, niet snedig, dus dom. _Hij is een ~bot~ mensch, een
botterik._ ~Stomp~ beteekent in overdrachtelijken zin: traag van
begrip of van oordeel, suf. _Door het lange peinzen was hij geheel
~verstompt~._

       *       *       *       *       *

Dit potlood heeft een -- punt.

Een -- hoek is grooter dan een rechte.

Ik heb mij daarop -- gedacht.

»Hij zwaait het vreeslijk treffend zwaard, door duizend slagen
--geschaard."

De jenever had hem geheel --.


19. Behandelen--bejegenen.

_Zich op de een of andere wijze tegenover een ander gedragen._

~Bejegenen~ onderstelt een ontmoeting (in het Duitsch beteekent het dan
ook ontmoeten); het geeft de houding te kennen, die men bij zulk een
ontmoeting tegenover anderen aanneemt. Het woord heeft dus alleen
betrekking op personen. _Hij heeft mij op straat onheusch ~bejegend~._

~Behandelen~ geeft het handelen aan met betrekking tot menschen, dieren
of voorwerpen, zonder aan een ontmoeting te denken. In den regel wordt
er het bijdenkbeeld aan verbonden van een voortdurende herhaling der
werking. _Zulk een ~behandeling~ laat ik mij niet wel gevallen._ (_Zulk
een ~bejegening~_, zou slechts op één geval zien.) _Men moet de dieren
goed ~behandelen~._ (De werking wordt voortdurend herhaald.)

       *       *       *       *       *

Hij trad het huis binnen en werd vriendelijk --.

Als gij deze plant niet goed --, zal zij spoedig sterven.

Ik had nooit gedacht, dat hij mij zoo minachtend durfde te --.

Deze patroon -- zijn bedienden goed; de sollicitanten -- hij steeds
voorkomend.


20. Toonen--wijzen.

_Laten zien._

~Toonen~ drukt dit begrip zonder meer uit, terwijl ~wijzen~ de
bijgedachte heeft, dat men iemand wil helpen of onderrichten. _~Toon~
mij den brief en ik zal u ~wijzen~, hoe gij dien verbeteren moet. ~Wijs~
hem den weg eens._

~Wijzen~ kan ook gebruikt worden zonder lijdend voorwerp en onderstelt
dan, dat men iemand op iets opmerkzaam wil maken: _hij ~wees~ met den
vinger naar ons; zij ~wees~ op haar stoel_.

~Toonen~ komt soms ook voor in de beteekenis van: laten blijken, zonder
dat dit steeds opzettelijk behoeft te geschieden. _Zij ~toont~ weinig
verstand van de zaak te hebben._

       *       *       *       *       *

Ik zal u even --, hoe de weg loopt.

Om hem te --, dat ik het goed met hem meende, heb ik hem de gevraagde
hulp verleend.

Wanneer gij hem uw overmacht --, zal hij zich wel laten gezeggen.

Hij -- zich met het geschenk niet tevreden.

Ik zal u mijn opstel --, maar dan moet gij mij --, hoe ik de fouten moet
verbeteren.

De zieke zeide niets, maar -- voortdurend op zijn voorhoofd.


21. Dompelen--doopen.

_Nederwaarts in een vloeistof drukken._

~Dompelen~ duidt aan, dat het voorwerp geheel in de vloeistof wordt
gedrukt, ~doopen~ dat dit slechts gedeeltelijk geschiedt. _Een lichaam,
dat men in het water ~dompelt~, wordt lichter. Men ~doopt~ zijn vingers
in het water om er iets mee te besprenkelen._ (Vandaar de tegenwoordige
beteekenis van doopen in kerkelijken zin; vroeger was het werkelijk een
in- of onderdompelen.)

Waarom zegt men wel: in rouw _dompelen_, en niet: in rouw _doopen_?

       *       *       *       *       *

Voor gij gaat zwemmen, moet gij u eerst geheel in het water --.

Deze beschuit is voor het kind te hard, -- ze daarom in de melk.


22. Zich vernederen--zich verlagen.

_Alle gevoel van eigenwaarde afleggen._

~Vernederen~ zegt dit in gunstigen of ongunstigen zin. _Hij ~vernederde~
zich voor God._ (In deze beteekenis kan men ook _zich verootmoedigen_
gebruiken.) _Het kostte den trotschen ridder van voorheen groote moeite
zich te ~vernederen~ tot het verrichten van veldarbeid._

~Verlagen~ heeft altijd een ongunstige beteekenis en is veel sterker dan
vernederen; het duidt aan, dat iemand alle gevoel van menschelijkheid of
zedelijkheid op zij zet. _Hoe hij zich heeft kunnen ~verlagen~ voor een
handvol goud zijn besten vriend te verraden, kan ik mij niet begrijpen._

       *       *       *       *       *

Wie zich zelven verhoogt, zal -- worden.

De echtgenoote van Oldenbarnevelt wilde zich niet -- om genade voor haar
man te vragen.

De dronkenschap kan niet anders dan den mensch --.

Gij moet u niet zoo -- om met zulk slecht gezelschap om te gaan.

Door louter hebzucht gedreven, -- hij zich zijn vaderland te verraden.


23. Danken--wijten.

_Iemand of iets als de oorzaak van een of ander beschouwen._

~Danken~ heeft betrekking op iets goeds of aangenaams, ~wijten~
daarentegen heeft een ongunstige beteekenis. _Ik heb u mijn bevordering
te ~danken~. Zijn armoede heeft hij zich zelf te ~wijten~._

(Opmerkelijk is het, dat men dikwijls beide woorden verkeerd gebruikt
ziet; men spreekt dan bijv. van iemands vijandschap aan laster te
_danken_ hebben, of wel van: zijn beschermer veel goeds te _wijten_
hebben. Mogelijk geeft de uitdrukking: iemand iets _dank ~weten~_,
aanleiding tot deze vergissing.)

       *       *       *       *       *

Vele huisgezinnen hebben hun ondergang aan den drank te --.

Uw slechte cijfers op het examen hebt gij aan uw ongeregelde studie te
--.

Zijn schitterend examen heeft hij grootendeels aan zijn ijver te --.

De nederlaag onzer troepen was aan de weifeling van den bevelhebber te
--.

De overwinningen van Maurits waren grootendeels te -- aan zijn
uitnemende veldheerstalenten.


24. Hoedanigheid--eigenschap.

_Wat aan iets eigen is of het kenmerkt._

Is het kenmerkende meer toevallig aan de zelfstandigheid eigen, dan
spreekt men van ~hoedanigheid~; is dat kenmerkende aan het bestaan
der zelfstandigheid noodwendig verbonden, dus van blijvenden aard,
dan gebruikt men ~eigenschap~. Als een blad papier dik of dun, goed
beschrijfbaar, geel of wit is, zijn dat hoedanigheden; men kan immers
deze hoedanigheden anders maken, zonder dat de stof ophoudt papier te
zijn. Postpapier is beschrijfbaar, dit is een eigenschap er van, immers
zonder die »hoedanigheid" zou het postpapier niet kunnen dienen.

       *       *       *       *       *

Steenkolen hebben de --, dat zij brandbaar zijn. Geven zij bij de
verbranding weinig roet, dan is dat een goede --.

Een bol heeft de --, dat hij rond is.

In zijn -- als voogd, heeft hij uitstekend voor zijn neef gezorgd.

Deelbaarheid is een algemeene -- der lichamen.

Deze dienstbode bezit vele goede --, en daarom kan ik haar wel
aanbevelen.


25. Aanwezig--tegenwoordig.

_Zich binnen een bepaalde ruimte bevindende._

~Aanwezig~ zegt dit zonder eenig bijbegrip; ~tegenwoordig~ onderstelt,
dat men invloed op de plaatshebbende handeling kan uitoefenen. _Hoewel
ik in de zaal ~aanwezig~ was, zat ik zoo in gedachten verzonken, dat ik
van het gesprokene niets kan na vertellen. Bij de behandeling van een
wetsvoorstel is de daarbij betrokken minister ~tegenwoordig~._

       *       *       *       *       *

Bij den hevigen brand was ik wel in de stad --, maar ik ben bij het
onheil niet -- geweest.

Hoeveel leerlingen zijn er in uw klas --?

Bij de proefles, die de sollicitanten gaven, waren ook de Raadsleden --.

Toen de Tweede Kamer deze gewichtige voorstellen behandelde, waren bijna
alle leden --; ook was er veel publiek op de tribune --.

Gij moest ook op ons feestje -- zijn, wij zouden het zeer op prijs
stellen.

Er is nog een groote voorraad van dit papier --.


26. Aansprakelijk--verantwoordelijk.

_Verplicht zijn de gevolgen van een daad op zich te nemen._

Men is ~verantwoordelijk~ wegens bestuur, men is ~aansprakelijk~ wegens
bezit. Het doel der verantwoordelijkheid is rechtvaardiging,
aansprakelijkheid verplicht tot schadevergoeding.

       *       *       *       *       *

Je mag mijn fiets wel gebruiken, maar je bent er voor --.

De ministers zijn -- voor hun besluiten.

Als de kooper zijn verplichtingen niet kan nakomen, zijn de borgen --.

Gij zijt nu oud en wijs genoeg, om -- voor uw daden te zijn.

De notaris is -- voor de beleende gelden; hij is -- voor de fout in deze
koopacte.

De voorzitter dezer vergadering is -- voor de goede orde; de
penningmeester is -- voor de gelden.


27. Opmerken--aanmerken.

_Zijn gedachten of zijn meening over iets te kennen geven._

~Aanmerken~ veronderstelt een afkeurend oordeel. _Ik heb zooveel op den
inhoud van dit boek ~aan te merken~, dat ik het werk niemand kan
aanbevelen._

~Opmerken~ heeft een meer gunstige beteekenis; het onderstelt, dat men
op iets opmerkzaam maakt, hetgeen een ander over 't hoofd ziet en toch
van min of meer belang is. _Mag ik even ~opmerken~, dat men op dien
datum het schoolfeest niet kan houden, daar die dag een R.-K. feestdag
is._

~Opmerken~ veronderstelt meestal scherpzinnigheid, ~aanmerken~ een
gezond oordeel en grondige kennis.

       *       *       *       *       *

Men had zooveel op zijn plan --, dat hij het opgaf.

Wie een schrijver van een aardrijkskundig werk er op attent maakt, dat
hij een voornaam dorp heeft vergeten, heeft iets --; wie een groote
onjuistheid kan aanwijzen, heeft iets --.

Op het karakter van dit jongmensch valt zooveel --, dat ik hem u niet
kan aanbevelen.

Omtrent het karakter van dit jongmensch moet ik u --, dat hij zich
spoedig door anderen laat verleiden.

Men spreekt van een gegronde -- en een snuggere --.


28. Afgelegen--eenzaam.

_Wat buiten het gewone verkeer is._

~Afgelegen~ duidt aan, dat een of andere plaats moeilijk te bereiken is,
doordat zij ver van alle verkeerswegen ligt. _Hij woont in een
~afgelegen~ hoekje van Drente._

~Eenzaam~ wil zeggen: zonder gezelschap of bezoek. Op een afgelegen
plaats is ook weinig verkeer en is het er dus tevens eenzaam, daar men
er afgezonderd moet leven. Toch behoeft eenzaam niet altijd met het
begrip van afgelegen verbonden te zijn; iemand kan te midden van een
drukke stad toch een eenzaam leven leiden.

       *       *       *       *       *

Hij werd tot straf naar een -- eiland verbannen.

Ik vind den weg naar dit dorpje zeer --.

Ik mag gaarne over de -- heide dwalen.

Hoe meer buurtsporen worden aangelegd, hoe meer de -- streken van
voorheen bezocht worden.

Hoewel hij een -- leven leidde, gevoelde hij zich toch niet alleen, daar
hij in zijn boeken zijn beste vrienden vond.

»De leeuwerik zingt op de -- heide."


29. Oorzaak--reden.

_De omstandigheid, die een werking ten gevolge heeft._

~Oorzaak~ zegt, dat de werking van 's menschen wil onafhankelijk is;
zij kan dus in de natuur gevonden worden, bijv.: _de ~oorzaak~ der
aardbevingen is nog niet voldoende opgehelderd_, of in omstandigheden,
waarop wij geen invloed hebben: _de ~oorzaak~ van den brand is
onbekend_.

Ook wordt ~oorzaak~ gebruikt ten opzichte van onze handelingen, waarbij
onze wil niet opzettelijk in aanmerking komt: _zijn verkwistende
levenswijze is ~oorzaak~, dat hij arm is geworden_ (hij was n.l. niet
opzettelijk verkwistend om arm te worden).

De ~reden~ is ten nauwste verbonden aan iemands uitdrukkelijken wil en
beweegt hem tot een daad. _Wat is de ~reden~, dat gij boos op hem zijt?_
(Die reden _beweegt_ u boos te zijn.)

~Opmerking.~ _Waardoor?_ vraagt naar een oorzaak; _waarom?_ naar een
reden. _Waardoor_ stijgt een luchtballon omhoog? _Waarom_ hebt gij uw
woord gebroken?

       *       *       *       *       *

De -- van dit ongeluk is aan zijn eigen onvoorzichtigheid te wijten.

Kent gij de --, waar-- hij als lid der vereeniging bedankt heeft?

Kent gij de --, waar-- hij zoo ongelukkig is geworden?

Wat is de --, dat men dit eiland niet bedijkt heeft?

De hooge vloed is --, dat dit eiland voor bedijking rijp is.


30. Naderen--genaken.

_In de nabijheid komen._

~Naderen~ wil zeggen, dat de afstand minder wordt; het bewegende
voorwerp komt dus dichterbij. _De trein ~nadert~.--Het schip ~nadert~ de
reede._

~Genaken~ is zóó kort bij iets of iemand komen, als maar eenigszins
mogelijk is: men wil het (of hem) _bereiken_. _Door de hitte van het
brandende huis kon men de deur niet meer ~genaken~._

       *       *       *       *       *

Door de vele klippen is het gevaarlijk deze kust te --. (De klippen
liggen nog vóór de kust.)

Door de hevige branding kon het schip de kust niet --. (Het schip wilde
op de kust landen).

Als er gevaar --, moet gij dubbel op uw hoede zijn.

Deze man is zoo trotsch, dat hij bijna niet te -- is.

De cholera -- al meer en meer ons land; men dient dus reeds
voorbehoedmiddelen te nemen.

God geve, dat u geen leed zal --.


31. Ongerust--rusteloos--onrustig.

_Geen rust hebbende._

~Rusteloos~ duidt aan, dat de werking zonder rust, zonder ophouden
voortduurt. _~Rusteloos~ arbeidde hij aan zijn grootsche taak voort._

~Onrustig~ wijst aan, dat er geen rust, d.i. geen kalmte of bedaardheid
aanwezig is: _Een ~onrustige~ slaap. Met ~onrustige~ blikken zag de
schuldige om zich, als vreesde hij elk oogenblik gegrepen te worden._
Het woord komt dus vrijwel overeen met gejaagd.

~Ongerust~ wijst aan, dat de rust (het kalme gevoel van veiligheid of
zekerheid) afwezig is; het beteekent dus: bang, angstig, bezorgd. _Ik
maak mij over zijn lang uitblijven zeer ~ongerust~._

       *       *       *       *       *

Zijn -- geweten joeg den moordenaar -- voort van de eene plaats naar de
andere.

De -- ademhaling van het zieke kind maakt de moeder zeer --.

Hoewel de vluchteling wist, dat hij zijn vervolgers ver achter zich had
gelaten, keek hij toch nog langen tijd -- om zich heen.

Onvermoeide vlijt en een -- arbeid komen vele hinderpalen te boven.

Daar wij in geen weken iets van onzen broeder hadden gehoord, werden
wij zeer --.


32. Ontwennen--afwennen.

_Langzamerhand van een gewoonte afstand doen._

~Afwennen~ en ~ontwennen~, beide overgankelijk en wederkeerend gebruikt
en dus met _hebben_ vervoegd, verschillen hierin, dat ~afwennen~
aanwijst, dat men opzettelijk zijn gewoonte of hebbelijkheid tracht af
te leggen, terwijl ~ontwennen~ dit als meer toevallig, onwillekeurig
voorstelt, als gevolg van veranderde omstandigheden. _Op raad van den
dokter heb ik mij het rooken ~afgewend~. De reizigers in een vreemd
werelddeel hebben zich al spoedig het rooken ~ontwend~._--Van slechte
gewoonten zegt men uitsluitend ~afwennen~: _Jongen, je moet dat
stotteren ~afwennen~_ (niet: ontwennen; de werking geschiedt
opzettelijk!).

Worden ~ontwennen~ en ~afwennen~ intrans. gebruikt (dus met _zijn_
vervoegd), dan is er niet zooveel verschil, daar afwennen in dit geval
niet opzettelijk geschiedt; alleen is ~afwennen~ dan sterker, doordat
het aanduidt, dat de vroegere geschiktheid geheel verloren is gegaan,
wat bij ~ontwennen~ niet het geval is. _Hij is het schaatsenrijden
geheel ~afgewend~_, als hij het n.l. niet meer kan en dus weer moet
aanleeren; _hij is het schaatsenrijden ~ontwend~_, wanneer hij het in
langen tijd niet gedaan heeft en het hem eerst dus wel weer vreemd zal
vallen.

       *       *       *       *       *

Gij moet u --, van iedereen kwaad te willen spreken.

Hij is het Duitsch spreken wel wat --, hoor maar, hoe moeilijk het hem
valt.

Ik ben het kortschrift geheel --, het zal mij heel wat moeite kosten het
opnieuw aan te leeren.

Het verblijf in Java's binnenlanden heeft hem spoedig de
geriefelijkheden der beschaafde maatschappij --.

Het kind is zóó langen tijd in huis gebleven, dat het de buitenlucht
geheel -- is.


33. Gehecht--verkleefd--verknocht.

_Door liefde of genegenheid aan een ander verbonden._

~Gehecht~ heeft de meest algemeene beteekenis en drukt het gevoel van
genegenheid niet zoo sterk als de beide andere woorden uit; het zegt
alleen, dat men niet gaarne gescheiden zou worden van den persoon of de
zaak, waaraan men gehecht is, daar die scheiding een smartelijk gevoel
zou doen ontstaan. _Deze jongen is zeer aan zijn onderwijzer ~gehecht~;
de hond is aan zijn meester ~gehecht~_, en omgekeerd: _de meester is aan
zijn hond ~gehecht~_.

~Verkleefd~ wijst aan, dat er een engere band bestaat, voornamelijk van
onwankelbare trouw, waarmede men zijn ~meerdere~ aanhangt. _Het volk
gevoelde zich ~verkleefd~ aan den vorst._

~Verknocht~ drukt hetzelfde begrip als verkleefd uit, maar met de
bijgedachte, dat de band van trouw of genegenheid nog inniger is, zoodat
hij niet kan verbroken worden. _Het Nederlandsche volk gevoelt zich aan
het Huis van Oranje ~verknocht~._

       *       *       *       *       *

Hij is zoo aan zijn geboorteplaats --, dat hij nergens anders wil wonen.

De oude dienstbode was zeer aan haar meesteres --.

Door de teederste banden aan hun vorstin --, grepen de Hongaren naar de
wapenen en stonden Maria Theresia getrouw ter zijde.

De Nederlandsche bevolking was van oudsher aan haar voorrechten --.

Gelderland voelde zich bij 't begin van den 80-jarigen oorlog meer aan
Gulik en Kleef dan aan Holland en Zeeland --.


34. Loochenen--ontkennen.

_Staande houden, dat iets niet zoo is._

~Ontkennen~ drukt dit zonder meer uit. _Deze schrijver ~ontkent~, dat
Jan van Schaffelaar van den toren is gesprongen.--De beschuldigde
~ontkent~, dat hij gestolen heeft._

~Loochenen~ heeft de bijgedachte, dat men tegen beter weten in iets
ontkent, dus dat men met opzet liegt. _Hij ~loochent~ wel dit stuk
geschreven te hebben, maar zijn schrift verraadt hem._

       *       *       *       *       *

Hoewel hij uitdrukkelijk --, dat hij de schrijver van dit artikel is,
wordt hij er toch algemeen voor gehouden.

De dief -- eerst wel de waarheid van de verklaring der getuigen, maar
men bracht hem spoedig door overtuigende bewijzen tot bekentenis.

Hardnekkig -- hij het bestaan van een zuster, die met hem de erfenis zou
moeten deelen, maar het onderzoek bewees, dat hij wel beter wist.

Ten stelligste -- hij het bestaan van een zuster, die met hem de erfenis
zou moeten deelen; het onderzoek bewees, dat hij werkelijk gelijk had.


35. Onpartijdig--onzijdig.

_Niet voor de eene of andere partij vooringenomen zijn._

~Onzijdig~ zegt, dat men in het geheel geen partij kiest (althans niet
openlijk); de onzijdige laat dus uit niets blijken, 't zij door woorden
of daden, welke partij zijn sympathie heeft. _In den strijd tusschen de
Remonstranten en Contra-Remonstranten hield prins Maurits zich eerst
~onzijdig~._

De ~onpartijdige~ kiest wel partij, d.w.z. geeft wel aan de eene of
andere partij zijn voorkeur, maar hij doet dit uit volle overtuiging,
zonder zich door vrees, omkooperij, winstbejag of andere onedele
drijfveeren te laten leiden; het is hem alleen om de waarheid te doen;
daarbij wil hij ook gaarne het goede in zijn tegenpartij erkennen. _Deze
geschiedschrijver staat bekend als een ~onpartijdig~ man._

Waarom kan men wel van een _onpartijdige_ uitspraak (vonnis), maar niet
van een _onzijdige_ uitspraak spreken?

       *       *       *       *       *

In den Fransch-Duitschen oorlog hield ons land zich --.

Ik heb hem als een -- beoordeelaar leeren kennen en waardeeren.

Bij een twist tusschen man en vrouw blijve men liefst --.

Deze courant geeft een -- voorstelling, van hetgeen in die vergadering
gebeurd is.

Men heeft wel eens de -- van Oldenbarnevelts rechters in twijfel
getrokken; maar de geschiedenis van zijn rechtspleging weerlegt die
beschuldiging ten volle.


36. Talmen--dralen.

_Traagheid betoonen._

~Dralen~ doet hij, die door zijn weifeling of vrees tot geen besluit
komt en dus met het werk niet begint.--~Talmen~ doet hij, die wel met
het werk begonnen is, maar er geen voortgang mee maakt, doordat hij òf
te traag van aard is, òf zich te zwak voor de opgenomen taak gevoelt.

       *       *       *       *       *

Je moet niet zoolang --, begin maar terstond.

Hij -- zoo vreeselijk met zijn werk, dat er van opschieten geen sprake
is.

De veldheer -- tot den slag over te gaan, daar hij met de stellingen
van den vijand niet goed bekend was.

De vijand -- met het beleg der stad zoo zeer, dat deze zich nog
voldoende kon voorbereiden.

Door het lange -- met de toezending der vereischte sollicitatiestukken
heeft hij den vastgestelden termijn laten verstrijken.

Komt mannen, niet --! vol moed den vijand aangevallen.


37. Ontdekken--uitvinden.

_Van een onbekende zaak kennis krijgen._

Men ~ontdekt~, wat reeds bestond, maar nog niet bekend was: _Columbus
~ontdekte~ Amerika_ (letterlijk: het dek der onbekendheid, dat het land
voor Europa verborg, wegnemen).

~Uitvinden~ heeft betrekking op nieuwigheden, die aan het menschelijk
vernuft te danken zijn en die te voren nog niet bekend waren. _De
~uitvinding~ van de boekdrukkunst schijnt men thans weer met meer recht
dan vroeger aan Laurens Janszoon Coster te mogen toeschrijven._

(De uitdrukking: »Ik zal den dader wel _uitvinden_", die men
tegenwoordig in navolging van vreemde talen wel hoort, is dus beslist af
te keuren; vooreerst bestaat de dader reeds, en 2º. wordt de dader niet
door een gelukkige combinatie van het menschelijk vernuft te voorschijn
gebracht, zooals uitvinden onderstelt.)

       *       *       *       *       *

Tot zijn schrik -- de bankier, dat de boekhouder hem bedrogen had.

Door de -- van het microscoop heeft men vele wonderen in de natuur --.

Het geheim wist ik spoedig te --.

Weet gij, wie de draadlooze telegrafie heeft --?

Men heeft eindelijk het spoor van den misdadiger --.

Door de -- van het rijwiel is het verkeer zeer vergemakkelijkt.

Wie heeft de slingerwetten --?


38. Plagen--kwellen.

_Iemand verdriet of onaangenaamheden veroorzaken._

~Plagen~ onderstelt, dat het verdriet niet bijzonder groot is, terwijl
~kwellen~ aanwijst, dat men iemand werkelijk leed (pijn, enz.) aandoet.
_Je mag den hond niet zoo ~plagen~, maar nog minder mag je hem
~kwellen~._--~Plagen~ wordt ook gebruikt in verbinding met hongersnood,
pest, duurte en andere onheilen, die al of niet als een straffe Gods
worden aangemerkt. _Het land werd met hongersnood ~geplaagd~._ (Denk ook
aan de plagen van Egypte!)

       *       *       *       *       *

De reiziger werd door een hevigen dorst --.

Gij moet de meid niet zoo --, door haar telkens om een wissewasje binnen
te laten komen.

Wie de dieren --, heeft ook voor de menschen geen goed hart.

Gij moet dat kleine kind niet zoo --.

Karel V werd vaak door jicht --.

Mijn broer -- mijn zuster altijd met haar dwazen hoed.

Zijn knagend geweten -- hem dag en nacht.


39. Overeenkomen--overeenstemmen.

_Bijna geheel aan elkander gelijk zijn._

~Overeenkomen~ drukt dit zonder nadere aanduiding uit. _De bouw van
deze beide kerken ~komt~ met elkander ~overeen~._ ~Overeenstemmen~
ziet uitsluitend op meeningen, gevoelens of gedachten. (De letterlijke
beteekenis duidt aan: dezelfde _stem_ of toon hebben.) _Wij ~stemmen~ in
onze politieke gevoelens volkomen met elkander ~overeen~._ Men kan dus
niet zeggen: _de bouw van deze kerken ~stemt overeen~_.

       *       *       *       *       *

De Veluwe -- in vele opzichten met Drente overeen.

De getuigen -- niet met elkander overeen.

De beide steden -- in handelsbeweging vrij wel overeen.

Bij de keuze van een nieuwen president kon men niet gemakkelijk tot --
geraken.

De berichten over sommige feiten uit onze geschiedenis -- niet altijd
overeen.


40. Schaarsch--zeldzaam--zelden.

_Weinig voorkomende._

~Zeldzaam~ duidt aan, dat iets slechts bij uitzondering gezien wordt,
doordat er zeer weinig van die voorwerpen bestaan. _Voor dezen
~zeldzamen~ postzegel heb ik drie gulden betaald._

~Schaarsch~ wil zeggen, dat van iets op een gegeven tijdstip minder
voorraad is, dan men verwacht had, zoodat er een tijdelijke behoefte aan
bestaat. _Daar de aardappelen dit jaar ~schaarsch~ zijn, besteedt men
hooge prijzen._

~Zeldzaam~ en ~schaarsch~ zijn bijvoeglijke naamwoorden, ~zelden~ is een
_bijwoord van tijd_ en beteekent _bijna nooit_. _Hoe komt het toch, dat
wij je tegenwoordig zoo ~zelden~ bij ons zien?_

       *       *       *       *       *

Dat is een -- exemplaar van Vondels werken.

Door de invoering der muntgasmeters zijn in sommige steden de
2½-centstukken -- geworden.

Rijkdom en geluk vindt men -- vereenigd.

De berichten van het oorlogsveld zijn zeer --.

Bij Baarn groeit aan de Eembrug een -- plant; men ziet die plant maar --
in de tuinen.

Nu de aardappelen zoo -- zijn, eten wij maar veel meelspijzen.

Haastige spoed is -- goed.

De gastvrijheid onzer voorvaderen is -- geworden.

Het is een -- genot dezen vioolspeler te hooren.


41. Nijgen--buigen.

_Een vooroverwaartsche beweging maken._

~Nijgen~ is: slechts even buigen, liefst met een bevallige beweging,
zoodat het vooral van vrouwen gebruikt wordt.

~Buigen~ onderstelt, dat de beweging sterker is; als teeken van
nederigheid of onderdanigheid is het dus van meer kracht dan ~nijgen~.
_Zij ~neeg~ het hoofd tot een beleefden groet. Hij ~boog~ het hoofd in
het bewustzijn van zijn schuld._

       *       *       *       *       *

De vorstin werd luide toegejuicht; vriendelijk -- nam zij die hulde in
ontvangst.

De deputatie -- zeer diep voor den koning.

Met een bevallige -- nam de zangeres de bloemen aan.

Na den stormachtigen bijval -- de acteur naar alle zijden.

Hij moest voor de overmacht --.


42. Overdrijven--vergrooten.

_Iets grooter voorstellen dan het is._

~Overdrijven~ geschiedt meer uit hartstochtelijkheid, uit zucht om iets
van grooter gewicht te doen schijnen, dan het in werkelijkheid is; het
geschiedt dus niet uit boos opzet. _Dat er bij dit ongeval verscheidene
menschen verongelukt zijn, laat zich denken; doch dit getal op 200 te
stellen is zeker ~overdreven~._

~Vergrooten~ daarentegen onderstelt een bepaald opzet; men wil n.l. door
dat vergrooten een of ander doel des te gemakkelijker bereiken. _Om hun
zoon van zijn vertrek naar Indië terug te houden, hebben zijn ouders hem
de bezwaren van het Indische leven zeer ~vergroot~ voorgesteld._

       *       *       *       *       *

Kinderen zijn geneigd, hetgeen hun wedervaren is, te --.

De vijand heeft de verliezen aan onze zijde zeer -- opgegeven, om zich
zelf des te meer roem toe te kennen.

Het is begrijpelijk, dat een moeder de deugden van haar kind vaak --.

Sommige couranten, die belang hadden bij den val van het ministerie,
hebben de beteekenis van deze gebeurtenis zeer --.

»Ook 't goede kan men --, zoodat het ophoudt goed te zijn."

Om hem van de sollicitatie terug te houden, heeft men de eentonigheid
van deze standplaats zeer --.

Dat zij van opschik houdt, is waar, maar dat zij daardoor haar man arm
zou gemaakt hebben, is --.


43. Reis--tocht.

_Het trekken van de eene plaats naar de andere._

~Tocht~ onderstelt, dat er moeilijkheden te overwinnen zijn, terwijl
~reis~ meer op den verren afstand ziet. Zoo spreekt men bij het leger
van veld_tochten_, niet van veld_reizen_. Waarom is het beter te zeggen
een _plezierreisje_ dan een _pleiziertochtje_?

       *       *       *       *       *

Op hun huwelijks-- naar Zwitserland hebben zij prachtig weer gehad.

De kruis-- hadden ten doel het Heilige Land te veroveren.

Op onze -- door Duitschland hebben wij den Harz bezocht.

Napoleons -- naar Rusland was het begin van het einde.

De -- van den koning naar St.-Petersburg zal een week worden
uitgesteld.

Maurits' -- naar Duinkerken is niet geslaagd.

»Als iemand verre -- doet, dan kan hij wat verhalen."


44. Stom--sprakeloos.

_Niet in staat te spreken._

~Sprakeloos~ wijst op een tijdelijk onvermogen, hetzij door ziekte,
hetzij door hevige gemoedsaandoening. _Hij stond ~sprakeloos~ van
schrik._

~Stom~ wijst op een aangeboren gebrek: _een ~stom~ kind_; of wel op het
natuurlijk onvermogen om te spreken: _het ~stomme~ vee_.

Soms staat ~stom~ gelijk met _zwijgend_: _een ~stomme~ rol_, of wordt
ook wel gebruikt bij de hevigste ontroering en is dan sterker dan
sprakeloos: _Hij was ~stom~ van ontzetting._

       *       *       *       *       *

Het geld, dat -- is, maakt recht, wat krom is.

Door den hevigen schrik was zij langen tijd --.

Toen hij deze verpletterende tijding hoorde, was hij -- van ontzetting.

Het front van dit orgel bevat verscheidene -- pijpen.

Die man is wel ongelukkig: hij is -- en blind.

Door een verlamming van de tong is zij -- geworden (was zij eenige dagen
--).


45. Vatbaar--geschikt.

_De noodige eigenschappen voor iets bezittende._

~Vatbaar~ zegt, dat iemand in staat is tot het vatten of ontvangen van
invloeden buiten hem. _Hij is erg ~vatbaar~ voor allerlei ziekten._

~Geschikt~ duidt aan, dat iemand door zijn bekwaamheid of aanleg in
staat is, om iets te doen. _Hij is om zijn welsprekendheid zeer
~geschikt~ voor president dezer vereeniging._

       *       *       *       *       *

Die jongen is niet -- voor goede indrukken.

Zulk een bedaard mensch is niet -- om als matroos te varen.

Deze tuinman is ook -- voor koetsier.

Ik geloof niet, dat deze booswicht voor verbetering -- is.

Van Wassenaar-Obdam was niet -- voor vlootvoogd.

Michiel de Ruyter was volstrekt niet -- voor vleierij.

De commissaris van politie is zeer -- om het onderzoek te leiden.


46. Wijzigen--veranderen.

_Iets anders maken._

~Wijzigen~ heeft betrekking op kleine veranderingen, die aan de
hoofdzaak weinig afdoen; ~veranderen~ onderstelt, dat iets, wat vorm
of strekking betreft, geheel anders wordt, en is dus veel sterker dan
~wijzigen~. _Ik zal den titel van dit boek: »Verhalen voor Jong-Holland"
~wijzigen~ in: »Verhalen voor de Jeugd".--Ik zal den titel van dit boek:
»Verhalen voor Jong-Holland" ~veranderen~ in: »Vertelselboek voor
't Jonge Volkje"._ Evenzoo beteekent: _de wet ~wijzigen~_, daarin
slechts kleine veranderingen aanbrengen, terwijl _de wet ~veranderen~_
beteekent: er een geheel andere strekking aan geven, 't zij door nieuwe
toevoegsels, 't zij de bestaande artikels door geheel andere te
vervangen.

       *       *       *       *       *

Gij moet dezen zin in uw brief eenigszins --, want zoo is hij niet al te
duidelijk.

Deze zin in uw brief bevat eigenlijk een beleediging; gij moet hem dus
noodzakelijk --.

Hij -- zijn kleeding om zich onkenbaar te maken.

De Minister heeft met de wenschen der Kamer rekening gehouden en een --
wetsontwerp ingediend.

Deze bewering in uw opstel is geheel onjuist; gij moet dus dit gedeelte
--.

De keizer heeft het doodvonnis van den moordenaar -- in levenslange
opsluiting.

De richting van de spoorlijn is met een kleine -- door de Kamer
goedgekeurd.


47. Verwelken--verdorren.

_Zijn frischheid verliezen._

~Verdorren~ wil zeggen: alle levenssappen verliezen, zoodat het sterven
noodzakelijk moet volgen. _Deze boom is bijna ~verdord~._

~Verwelken~ ziet meer op het verliezen van frischheid, kleur of geur.
_Een ~verwelkte~ bloem. De bladen ~verwelken~ bij droog weder, en, als
zij niet begoten worden, ~verdorren~ zij ten laatste._

       *       *       *       *       *

Deze plant staat te --; zij moet noodzakelijk water hebben.

Door den invloed van de nabijgelegen gasleiding schijnt deze beuk te --.

De koolplanten staan reeds te --; als het niet spoedig regent, zullen
zij moeten --.

Deze zangeres is een -- schoonheid.


48. Verzamelen--vergaderen (of vergaren).

_Bijeenbrengen._

~Vergaderen~ duidt op het bijeenbrengen of bijeenkomen van
gelijksoortige zaken of personen, die bij elkander behooren, terwijl
~verzamelen~ gezegd wordt van ongelijksoortige dingen, die men
bijeenbrengt. _De gemeenteraad zal morgen ~vergaderen~_ (de leden
behooren bij elkander, om een eenheid te vormen).--_Op de markt hadden
zich vele menschen ~verzameld~, om Uilenspiegel te zien vliegen._ (Deze
menschen behoorden niet bij elkander: er was oud en jong, rijk en arm,
aanzienlijk en gering bijeen.)--Eindelijk ziet ~verzamelen~ soms vooral
op hetgeen verstrooid was en weer bijeengebracht wordt: _De veldheer
wist zijn gevluchte manschappen weer tot een nieuwen aanval te
~verzamelen~._ Vergelijk nu: _verzameling_ en _vergadering_.

       *       *       *       *       *

Dit museum bevat een -- van incunabelen of wiegedrukken (boeken, vóór
1500 in ons land gedrukt).

De bijen -- ijverig honig en was. (De honing is her en der verspreid.)

In de zaal werd een -- van schilders gehouden.

Wie den armen geeft, -- zich een schat in den hemel.

Hij -- zijn krachten tot een laatst verweer.

Mijn vriend doet veel aan het -- van prentbriefkaarten.

Deze vereeniging -- elken laatsten Vrijdagavond der maand.

Hij -- al zijn moed om tot dien stap over te gaan.


49. Week--zacht.

_Niet hard._

~Week~ duidt aan, dat iets gevoelig is voor indrukken: de _weeke_ klei;
een _week_ gemoed.

~Zacht~ stelt meer het aangename gevoel, dat de aanraking geeft, op den
voorgrond: het _zachte_ fluweel, een _zacht_ gemoed (d.i. aangenaam in
den omgang).

       *       *       *       *       *

Een -- windje lispelde door de bladeren.

Ik wist niet, dat hij zoo -- van hart was, zoodat hij geen lijden kan
zien.

»En Neerlands -- grond hijgde onder 't wicht van wee."

Wij hebben dit jaar een -- winter gehad.

De boter is door de warmte erg -- geworden.

Een dokter moet niet --, wel -- van gemoed zijn.


50. Breed--ruim--wijd.

_Het tegengestelde van bekrompen._

~Ruim~ wil zeggen, dat men zich naar _alle_ zijden gemakkelijk kan
bewegen, terwijl ~breed~ dit alleen van één afmeting zegt. Een _breede_
gang, een _ruime_ kamer.

~Wijd~ geeft hetzelfde als breed aan, maar heeft de bijbeteekenis, dat
er veel of zelfs te veel plaats is voor een of ander voorwerp: een
_wijde_ mouw, den havenmond _verwijden_.

       *       *       *       *       *

Men heeft op dezen berg een -- vergezicht.

Hij vat zijn taak -- op.

Die jas is u wel wat --.

Hij heeft een -- inzicht in die zaak.

Iets in den -- uitmeten.

Een oneerlijk mensch heeft een -- geweten: »men kan er met paard en
wagen in omdraaien."

Vele bewandelen den -- weg der zonde.

»Het -- hemelrond Vertelt met blijden mond Gods eer en heerlijkheid."

Van zulk een inkomen kan men -- leven.

Hij verliet met zijn vaderlijk erfdeel het ouderlijk huis en trok de --
wereld in.


51. Zeggen--spreken.

_Zich in woorden uiten._

~Spreken~ duidt in het algemeen het vermogen daartoe aan, zonder op de
beteekenis of den inhoud der woorden te letten. _De mensch kan
~spreken~._

~Zeggen~ heeft de bijgedachte, dat men iets wenscht mede te deelen door
middel van de spraak; het let dus vooral op den inhoud. _Hij ~zeide~,
dat hij spoedig terug kwam._ Vandaar komt ~zeggen~ altijd overgankelijk
voor, terwijl ~spreken~ ook onovergankelijk gebruikt wordt, bijv.: _Hij
~sprak~ zeer lang in die vergadering_ (d.w.z. hij voerde lang het
woord). _Men kan veel ~spreken~ en toch weinig ~zeggen~._

       *       *       *       *       *

Ik zal je later wel eens --, waarom ik niet meega.

De redenaar -- zeer mooi.

Ik heb hem over die zaak --.

Ik heb hem het mijne van de zaak --.

Bij het -- moet gij niet te veel uw keel gebruiken.

Dat is een -- voorbeeld (d.w.z. het zwijgt niet, maar het spreekt).

Hij -- met luider stemme: »Blijf, waar gij zijt!"

Toen ik hem naar de reden vroeg, -- hij geen woord.

Toen ik met hem in den trein zat, -- hij geen woord.

(Welk verschil is er tusschen: _Hij ~sprak~ geen woord_, en _Hij ~zeide~
geen woord_?)


52. Schrik--ontzetting.

_Hevige ontroering bij het aanschouwen van iets beangstigends._

~Schrik~ geeft meer de werking zelf aan, waarbij men bij 't zien
of hooren als 't ware opspringt (_schrikken_ = springen; vgl.
_schrikkel_jaar, 't jaar waarin de datums één dag meer verspringen).
Men kan zich spoedig herstellen en zijn kalmte terugkrijgen.

Is de ontroering heviger, zoodat zij ons gemoed geheel vervult, dan
spreekt men van ~ontzetting~. (Zie No. 44.)

(Verandert door schrik of ontzetting ons gelaat, dan spreekt men van
~ontstellen~.)

       *       *       *       *       *

Van -- stond hij aan den grond vastgenageld.

Van -- rezen hem de haren te berge.

Met -- bemerkte hij, dat hij zijn geld verloren had.

Met -- bemerkte de kapitein, dat het schip verloren was.

Met -- zag de moeder het aan, hoe de vijand haar kinderen vermoordde.

Toen de patroon den bediende op de vervalsching wees, -- deze.

Van -- kon hij geen woord uitbrengen.

Ieder vernam met --, welke gruwelen door de Turken gepleegd werden.


53. Beloonen--vergelden.

_Iemand iets geven voor hetgeen hij gedaan heeft._

~Beloonen~ (soms _loonen_) geschiedt als een bewijs van goedkeuring
(door een meerdere) of om voor een bewezen dienst iets stoffelijks
(meest geld) te geven. _De vader ~beloont~ zijn kind. De eerlijke vinder
zal goed ~beloond~ worden._

~Vergelden~ onderstelt meer het geven van iets onstoffelijks voor
bewezen diensten en kan ook van een mindere jegens zijn meerdere gezegd
worden. _Het kind ~vergold~ door een voorbeeldig gedrag de zorgen zijner
ouders._

Bovendien ziet ~beloonen~ op den persoon (het _kind_ werd beloond), en
~vergelden~ op de zaak (de _zorgen_, niet de _ouders_ werden vergolden).
Men houde in het oog, dat beide woorden in figuurlijken zin soms in
ongunstige beteekenis voorkomen: _Het kwaad ~loont~ zijn meester._
(Waarom niet _vergeldt_?)--_Kwaad met kwaad ~vergelden~._ (Waarom niet
_beloonen_?)

       *       *       *       *       *

Moge God u voor al uw zorgen --. Moge God u al uw zorgen --.

De onderwijzer -- den leerling voor zijn goed gedrag.

De tijd, dien ik aan deze studie wijdde, is ruim -- geworden.

Het kwaad -- steeds zich zelf.

Jammer, dat hem die weldaad met zulk een ondank werd --.

Jammer, dat hij voor die weldaad zoo met ondank werd --.


54. Slot--einde.

_Het laatste gedeelte van een zaak of handeling._

~Einde~ zegt dit in het algemeen, ~slot~ onderstelt het einde van een
geordend en afgewerkt geheel. Een laan heeft wel een ~einde~, maar geen
~slot~; daarentegen heeft een brief wel een ~slot~, doordat de brief
een geordend en afgewerkt geheel is. Zoo zegt men: het ~einde~ van de
bladzijde, niet het ~slot~. Van een boek kunnen beide woorden gebruikt
worden; het ~einde~ vindt men na den laatsten regel, het ~slot~ ziet op
de laatste zinnen: _Dat boek bevat een pakkend ~slot~. Ik las dit boek
van het begin tot het ~einde~, maar vond niet het bewuste woord._

(Waarom zegt men wel _slot-zin_ en niet _einde-zin_?)

       *       *       *       *       *

Aan het -- van dezen zandweg woont een jager.

Het -- van dit gedicht munt uit door groote zeggingskracht.

Aan het -- der volgende week hoop ik u te bezoeken.

Tot -- gaf de spreker nog een gedichtje ten beste.

De vergadering werd aan het -- rumoerig.

Het -- zijner redevoering heb ik niet duidelijk verstaan.

Aan het -- zijner redevoering verhief zich een daverend applaus.

Vergeet niet het -- van uw brief in den behoorlijken vorm te schrijven.

De brief was zoo lang, dat er geen -- aan scheen te komen.


55. Hooren--luisteren.

_Door het gehoor iets waarnemen._

~Hooren~ drukt uit, dat dit onwillekeurig, soms zelfs tegen onzen zin
kan geschieden: _Wij ~hooren~ altijd het geloop op de verdieping boven
ons._

~Luisteren~ drukt uit, dat men scherp en met aandacht naar iets of
iemand hoort en is dus veel sterker. _De keukenmeid ~luisterde~ aan de
deur, wat er binnen gesproken werd._

       *       *       *       *       *

Wat -- ik, ga je vertrekken?

-- eens, wat die man te vertellen heeft.

De reiziger -- een vreemd geluid in het bosch; hij stond daarom stil en
--, wat het zijn mocht.

De wind is zeker zuid, daar men den trein zoo goed kan --.

In die vergadering -- men soms rare dingen.

De geheele vergadering -- met gespannen aandacht naar den spreker.

Ik heb wel --, dat hij iets zeide; maar ik heb er niet voldoende naar --
om het u over te vertellen.


56. Frisch--versch.

_Nog onbedorven, niet oud._

~Versch~ duidt aan, dat iets nog alle eigenschappen bezit, die het
gevolg zijn van zijn nog kort bestaan. _Dit vleesch is nog ~versch~_
(het is nog niet bedorven of oud; het bestaat n.l. nog pas, d.w.z. de
koe is pas geslacht); _een ~versch~ ei_.

~Frisch~ duidt aan, dat iets er jong of jeugdig uitziet, zonder het
daardoor nog te zijn; het nadert zoodoende de beteekenis van: sterk,
vol leven, gezond. _Na een rustigen slaap gevoelt men zich weer
~frisch~.--Een ~frissche~ kleur; ~frissche~ rozen._--Soms ook is het
synoniem met verkoelend: _een ~frissche~ wind_.

       *       *       *       *       *

Een glas -- melk is een gezonde drank. Een glas -- water is in den zomer
aangenaam.

De veldheer liet -- troepen aanrukken.

Die man ziet er nog -- uit, al is hij reeds op jaren.

Hier heb ik een bouquet -- bloemen.

Dit vleesch schijnt mij niet -- meer.

Al is in den winter -- lucht soms ook wat --, zij is daarom toch
onmisbaar.

Op den wand zag men een -- gemetselde plek, waarachter de huisheer zijn
geld verstopt had.

Er woei een -- koelte.

Een glas citroen is 's zomers een -- drank.


57. Verwaarloozen--verzuimen.

_Nalaten, wat men behoorde te doen._

~Verwaarloozen~ beteekent: niet meer voor iets zorgen, zoodat het
bederft of onbruikbaar wordt. _Hij heeft zijn tuin zoo laten
~verwaarloozen~, dat er haast niets meer dan onkruid in groeit._

~Verzuimen~ ziet op het nalaten van een of andere plicht. _Gij hebt
zeker weer ~verzuimd~ den brief te frankeeren._

       *       *       *       *       *

De regenten lieten de vestingen zoo --, dat de grachten dichtgroeiden en
de kanonnen op de wallen verroestten.

Ik heb schandelijk --, u van mijn vertrek in kennis te stellen.

Wat ziet dat kind er -- uit.

Men beschuldigde de Gouvernante, dat zij opzettelijk de vloot liet --,
om ons land des te gemakkelijker aan Engeland te kunnen overleveren.
Deze valsche beschuldiging, dat zij haar plicht --, griefde haar diep.

Gij hebt heel wat --, door de uitvoering niet bij te wonen. (Het was dus
uw plicht geweest te komen.)


58. Haast--spoed--ijl.

_De snelheid, waarmee men een handeling volbrengt._

~Haast~ doet denken aan de snelle beweging, die men maakt om voort
te komen of om den arbeid af te krijgen. Als gevolg hiervan ontbreekt
meestal overleg en nadenken. _Gij behoeft met dit werk geen ~haast~ te
maken; ik heb er den tijd nog mee en zie liever, dat gij het kalm en
bedaard afmaakt.--In grooten ~haast~ heb ik dit geschreven:
verontschuldig dus mijn onduidelijk schrift._

~Spoed~ duidt aan, dat het werk geregeld en snel voortgaat, zonder door
tusschenpoozen van rust te worden onderbroken. _Dank zij den ~spoed~,
waarmee gewerkt kon worden, was het gebouw op den gewenschten tijd
klaar._ ~Spoed~ sluit dus evenals ~haast~ een snellen voortgang der
handeling in, maar heeft niet de bijgedachte, dat het werk met weinig
overleg tot stand komt. Wie met haast handelt, ontmoet soms een of
anderen tegenspoed en komt dus niet vooruit. _In zijn ~haast~, om nog
op tijd aan den trein te zijn, trok hij twee knoopen van zijn jas, die
eerst weer aangenaaid moesten worden. Door dit oponthoud kwam hij te
laat._

~IJl~ heeft veel overeenkomst met haast, maar duidt meer aan, dat men
den noodigen tijd voor 't werk mist en men zich derhalve reppen moet, om
dien tijd uit te winnen. Men spreekt dan ook van een _ijlbode_, daar er
geen tijd te verliezen is, integendeel er moet tijd uitgewonnen worden.
_Ik liet hem dit in aller~ijl~ weten._

       *       *       *       *       *

Hoe meerder --, hoe minder --.

Ik hoop uw opdracht met bekwamen -- te volbrengen.

Als gij zoo'n -- maakt, zal er van dat werk niet veel terecht komen.

Ik zal zijn koffer als --goed laten bestellen.

_Gebruik nu in zinnen_: haastig, spoedig, ijlings.


59. Verwisselen--verruilen (of ruilen).

_Zich van iets ontdoen, om er iets anders voor in de plaats te nemen._

~Verruilen~ wil zeggen, dat de handeling opzettelijk en met eens anders
toestemming geschiedt, terwijl het verruilde voorwerp een anderen
eigenaar krijgt. _Ik heb mijn kleurdoos tegen zijn passerdoos
~verruild~._

~Verwisselen~ duidt aan, dat daarbij niet de toestemming van een ander
wordt vereischt, terwijl de handeling ook zonder opzet kan geschieden.
Bovendien kan men slechts gelijksoortige zaken verwisselen. _Bij
vergissing had ik mijn hoed tegen den zijnen ~verwisseld~._ (De
handeling is toevallig.)--_Kinderen, ~verwisselt~ de leien!_ (De
handeling is wel opzettelijk, maar elkanders toestemming is niet
vereischt; ook veranderen de leien niet van eigenaars.) Wat beteekent:
De kinderen _verruilen_ de leien?

       *       *       *       *       *

Zij -- spoedig haar balcostuum tegen een huisjapon.

De beide ontvangers hebben van standplaats --.

In vroeger tijd dreef men uitsluitend --handel.

De kinderen spelen vaak »boompje --".

Ik zou met al zijn geld toch niet graag met hem --.

De Zuidelijke Nederlanden zijn nog al eens vaak van naam --.

Engeland heeft Helgoland tegen een deel van Afrika --.

De beide vrouwen, die voor Salomo's vierschaar verschenen, hadden
elkanders kinderen --.


60. Nieuwsgierig--weetgierig--benieuwd.

_Begeerig om iets te weten._

~Weetgierig~ is hij, die het wetenswaardige verlangt te kennen; het
heeft dus een gunstige beteekenis. _Deze knaap toont zich zeer
~weetgierig~, zoodat hij vol ijver studeert._

~Nieuwsgierig~ is hij, die allerlei nieuwtjes wenscht te weten, zaken,
waarmee hij soms niets te maken heeft. In den regel heeft het dan ook
een meer ongunstige beteekenis. _Deze vrouw is zeer ~nieuwsgierig~:
onophoudelijk begluurt en beluistert zij haar buren._

~Benieuwd~ ziet op de begeerte, om den afloop van iets, waarvan wij nog
in het onzekere zijn, te kennen: dit feit kan nog gebeuren moeten, en in
dit geval is de afloop natuurlijk nog niet bekend, of wel, het feit is
al gebeurd, maar de afloop is ons nog niet bekend. _Ik ben ~benieuwd~,
of hij zal slagen (of hij geslaagd is)._

       *       *       *       *       *

Toen men in 1903 den Amersfoortschen keisteen zou opgraven, was iedereen
--, of hij nog te vinden zou zijn. Zoodra hij eindelijk gevonden was,
waren velen -- genoeg, om den historisch geworden steen eens te gaan
zien. Enkelen waren zelfs -- genoeg om zijn geschiedenis uit de oude
geschriften op te diepen.

Deze dienstbode is uiterst --, voortdurend staat zij aan de deur te
luisteren.

Een -- jongen kan soms moeilijke vragen doen.

Een -- jongen staat met zijn neus overal vooraan.

Wij zijn --, of hij benoemd zal worden.

Gij moet uw brieven beter voor de -- blikken van anderen verbergen.


61. Nalaten--achterlaten--overlaten.

_Overblijven door het weggaan van anderen._

~Nalaten~ onderstelt altijd een overlijden en vestigt de aandacht op
de personen, die blijven leven, of op de goederen, die de overledene
bezat. _Hij ~liet~ slechts één zoon ~na~. Hij heeft een groot vermogen
~nagelaten~._

~Achterlaten~ onderstelt, dat iemand bij zijn vertrek de genoemde
personen of zaken niet meeneemt. _Hij ~liet~ bij zijn ontvluchting naar
Amerika zijn huisgezin ~achter~._

Moet bij dit woord niet aan een vertrek, maar óók aan overlijden gedacht
worden (evenals bij nalaten), dan duidt het vooral den toestand aan,
waarin de betrekkingen na den dood van hun bloedverwant verkeeren: _Hij
~liet~ een diepbedroefde weduwe onverzorgd ~achter~._

~Overlaten~ duidt aan, dat iemand bij zijn heengaan afstand doet van het
achtergelatene ten behoeve van een ander. _De vluchteling ontdeed zich
snel van zijn bovenkleeren, sprong te water en ~liet~ zijn kleeding aan
zijn vervolgers ~over~._ Wordt ~overlaten~ gebruikt bij een sterfgeval,
dan wijst het woord vooral aan, dat de overledene voor de nagelaten
betrekkingen niet heeft kunnen of willen zorgen. _Bij zijn dood heeft de
verkwister zijn gezin aan de grootste ellende ten prooi ~overgelaten~._

       *       *       *       *       *

De overleden schrijver heeft nog een bijna voltooiden roman --.

Door zijn overhaaste vlucht moest hij een deel van zijn papieren --.

Bij zijn vlucht moest hij het grootste deel zijner papieren aan zijn
vervolgers --.

De gierigaard heeft een groot kapitaal --.

Bij zijn dood liet hij zijn beide kinderen onverzorgd --.

Zijn daden zullen hier een aangename herinnering --.

Door zijn wanbeheer liet hij bij zijn dood zijn gezin aan de grootste
ellende --.

Bij zijn vertrek liet hij groote schulden --.

Bij zijn dood heeft hij groote schulden --.

Hij liet mij aan mijn eigen lot --.

Bij vergissing heb ik bij mijn vertrek uit de stad in mijn hotel een
handkoffertje --.

De Kelten hebben hier vele sporen van hun verblijf --.


62. Overtuigen--overreden--overhalen.

_Iemand tot andere gedachten brengen._

~Overreden~ wil zeggen: iemand door redeneering zoover brengen, dat
hij het een of ander doet of toestaat, waarvan hij te voren niet wilde
weten. _Het kostte ons veel moeite hem te ~overreden~, de benoeming van
voorzitter aan te nemen._

~Overhalen~ is niet zoo sterk als overreden; het onderstelt minder
klemmende redeneering en duidt meer op goed gekozen woorden of
verleidelijke voorstellen. Het wordt dus meer van alledaagsche zaken
gebezigd en kan ook een ongunstige beteekenis hebben. _Ik heb hem
~overgehaald~ nog een week zijn reis uit te stellen. Hij liet zich door
de dieven spoedig ~overhalen~ het gestolene in zijn woning te
verbergen._

~Overtuigen~ ziet niet zoozeer op de daden van iemand, als wel op zijn
meening, zijn inzicht. Het wil zeggen: iemand door grondige bewijzen
brengen tot de erkenning, dat hetgeen wij zeggen, volkomen waar is. Het
onderstelt meestal, dat wij zijn bedenkingen eerst moeten weerleggen,
alvorens hij de waarheid onzer woorden wil aannemen. _Ik heb hem
eindelijk ~overtuigd~, dat zijn levenswijze zijn gezondheid moet
ondermijnen in plaats van die te bevorderen._

       *       *       *       *       *

De verleider wist hem spoedig --, mee te doen.

Men heeft hem reeds lang te vergeefs willen -- geheelonthouder te
worden; eerst toen men hem eindelijk -- had, dat de alcohol vooral voor
zijn gestel zeer schadelijk is, heeft hij zich als lid laten
inschrijven.

Hoewel hij geheelonthouder is, heeft hij zich in een zwak oogenblik
laten --, een glas wijn te drinken.

Men kon hem niet --, de candidatuur voor den gemeenteraad te aanvaarden.
Wij trachtten hem wel te --, dat een man van zijn kennis en ervaring in
den Raad onmisbaar was, maar hij bleef bij zijn voornemen.

De gevangene wist den cipier --, hem bij de ontvluchting behulpzaam te
zijn.


63. Achting--eerbied--ontzag.

_'t Gevoel, dat iemands voortreffelijkheid of meerderheid ons
inboezemt._

~Achting~ draagt men iemand toe, als men zijn voortreffelijke
hoedanigheden erkent en hem daarom eert. _Door deze edelmoedige
zelfopoffering verwierf de held zich de ~achting~ van alle medeburgers,
ja zelfs van zijn vijanden._

~Eerbied~ onderstelt, dat men iemands meerderheid levendig gevoelt en
hem dit door betooning van hulde en eer op eenigszins onderdanige wijze
duidelijk bewijst. Een request aan regeeringspersonen begint meestal:
_Geeft met verschuldigden ~eerbied~ te kennen_, enz.

~Ontzag~ is de eerbied, dien men voor zijn meerderen gevoelt; het gaat
min of meer gepaard met een gevoel van vrees, daar zij ons voor onze
tekortkomingen en overtredingen kunnen straffen. _Geloofd zij God met
diepst ~ontzag~!_ (Waarom _diepst_, en niet _hoogst_?)

       *       *       *       *       *

Gij moet den ouderdom met -- bejegenen.

Door zijn strenge straffen wilde Alva -- inboezemen.

De burgemeester verwierf zich door zijn uitstekend bestuur spoedig de --
aller ingezetenen.

Met diepen -- naderde de afgezant den koning.

Onder de zwakke opvolgers van Karel den Grooten ging spoedig het -- voor
den vorst verloren.

Toen het bekend werd, dat Leicester met den vijand in het geheim
onderhandelde, verloor hij weldra ieders --.

Zoodra de koning de vergaderzaal binnentrad, verhieven zich alle leden
ten teeken van -- van hun zetel.

Deze leerlingen schijnen weinig -- voor hun onderwijzer te hebben; zij
zouden anders ten minste met meer -- over hem spreken.


64. Betuigen--betoonen--bewijzen.

_Zijn gevoelen doen blijken._

~Betuigen~ geschiedt door verzekeringen, door verklaringen, dus door
woorden. _Hij ~betuigde~ mij in hartelijke bewoordingen zijn
vriendschap._

~Betoonen~ is sterker: het onderstelt, dat men door zichtbare teekenen,
bijv. door daden, van zijn gevoelen blijk geeft. _Hij ~betoonde~ mij
zijn vriendschap, door mij in mijn ziekte vaak te bezoeken._

~Bewijzen~ komt vrijwel met betoonen overeen; alleen is het iets
sterker, doordat het doet denken aan overtuigende bewijzen. _Hij
~bewees~ mij zijn vriendschap, door mij in den nood getrouw bij te
staan._

       *       *       *       *       *

Hij -- wel zijn onschuld, maar hij kon ze niet --.

De misdadiger was zeer bedroefd en -- daardoor berouw te hebben over het
gebeurde.

Hij -- mij in een langen brief zijn leedwezen over de beleediging, die
hij mij aangedaan had.

Jan van Schaffelaar -- zijn waren heldenmoed, door zich onverschrokken
van den toren te werpen.

De Tweede Kamer -- haar deelneming in het overlijden van haar medelid in
een brief van rouwbeklag aan de weduwe. Zij -- haar deelneming, door de
zitting als teeken van rouw op te heffen.

De regeering --, dat zij de verdiensten van den gesneuvelden held hoog
waardeerde, door op zijn graf een prachtig gedenkteeken op te richten.


65. Noodzaken--dwingen--dringen.

_Iemand met kracht tot een handeling bewegen._

~Dwingen~ zegt, dat zulks door dwang, door geweld van anderen geschiedt;
de gedwongene moet tegen zijn zin doen, wat van hem geëischt wordt. _De
vijand wilde den schildwacht ~dwingen~ de wapens af te geven, maar de
brave soldaat liet zich liever doodschieten dan zijn post ontrouw te
worden._

~Noodzaken~ onderstelt, dat iemand niet door geweld, maar door den nood
der omstandigheden tot het uitvoeren der daad gebracht wordt; hem blijft
dus niets anders over dan zich te onderwerpen. ~Dwingen~ geschiedt
door machthebbende personen, terwijl ~noodzaken~ meer op de macht der
omstandigheden ziet. _Doordat de proviand begon op te raken, waren de
schipbreukelingen ~genoodzaakt~, zich op rantsoen te stellen._

~Dringen~ komt veel met dwingen overeen, maar is niet zoo sterk. Het
onderstelt, dat de betrokken persoon nog altijd eenige vrijheid van
beweging houdt (denk aan het opdringen te midden van een dichte
menigte); bij ~dwingen~ daarentegen heeft de bedoelde persoon niet de
minste vrijheid meer. _De uitvoerigheid der stof ~drong~ mij mijn
onderwerp slechts in hoofdzaken te behandelen._

       *       *       *       *       *

De Spanjaarden wilden Leiden door hongersnood -- zich over te geven.

Doordat de weg zoo modderig was, waren wij -- van de fiets te stappen.

Ik gevoel mij --, U mijn hartelijken dank te brengen voor Uw
medewerking.

Eerst toen de Mogendheden Lodewijk XIV wilden -- zijn eigen kleinzoon te
bevechten, greep hij weer vol moed naar de wapenen.

Heemskerck en Barents waren -- den kouden winter op Nova-Zembla door te
brengen.

Door ware vriendschap jegens u --, moet ik u ernstig tegen dezen man
waarschuwen.

Door het ongunstige weer waren wij --, van de reis af te zien.


66. Tevreden--vergenoegd.

_Niet hakend naar meer._

~Tevreden~ is hij, die geen onbevredigde verlangens koestert en dus
voldaan is, met hetgeen hij heeft.

~Vergenoegd~ zegt eveneens, dat men genoeg heeft, dus alles wat men
verlangt, maar drukt tevens uit, dat die tevredenheid met zichtbare
vreugde of blijdschap gepaard gaat.

       *       *       *       *       *

Hij is -- met zijn lot en heeft daarom een gelukkig leven.

Hij ziet er vandaag -- uit.

Ik ben zeer -- over uw examen.

Deze eenvoudige en -- menschen leven -- en blij.


67. Misgunnen--benijden.

_Een ander niet in 't genot of het bezit van iets kunnen zien._

~Misgunnen~ duidt aan, dat men over dat bezit van een ander ontevreden
is. Men kan zelf wel iets dergelijks bezitten, maar toch kan men uit
vijandschap niet zien, dat een ander het ook heeft. Misgunnen stelt
dus vooral den persoon, niet zoozeer het voorwerp (of genot) op den
voorgrond. _Hij ~misgunt~ mij dit genoegen_, wil dus zeggen: hij draagt
mij een kwaad hart toe en daarom kan hij niet zien, dat ik een genoegen
smaak.

~Benijden~ onderstelt, dat men het bezit (of genot) voor zichzelf
verlangt, doordat men het zelf niet heeft. Men kan dus een ons geheel
onbekend persoon benijden om zijn fiets; men behoeft hem dat rijwiel
volstrekt nog niet te misgunnen.--Soms heeft benijden de ongunstige
beteekenis verloren, bijv. _ik ~benijd~ u waarlijk uw mooien tuin_; men
wil door deze uitdrukking den tuin des te sterker prijzen, zoodat deze
zegswijze meer als vleierij moet opgevat worden.

       *       *       *       *       *

De arme man stond getroffen door den rijkdom van zijn buurman; duidelijk
was het te zien, dat hij hem dien overvloed --.

Ik -- je, dat je geslaagd bent, maar ik -- het je niet.

Deze man heeft een onaangenaam karakter: hij -- ieder een vroolijken
dag.

Er waren vele vrienden, die hem zijn succes --, maar nog meer vijanden,
die het hem --.


68. Voorbedachtelijk--opzettelijk.

_Deze woorden geven te kennen, dat men het bepaalde voornemen heeft iets
te doen._

~Voorbedachtelijk~ (of gewoonlijk: met voorbedachten rade) onderstelt
meestal een slechte daad, ~opzettelijk~ daarentegen in den regel niet.

~Opzettelijk~ is het tegengestelde van toevallig; men wil dus laten
blijken, dat men iets niet toevallig doet. _Ik heb hem ~opzettelijk~
opgezocht, om hem te overtuigen, dat ik niet meer boos was._
~Voorbedachtelijk~ onderstelt, dat men vooraf middelen bedacht heeft
ter bereiking van zijn doel; dit doel is bij _voorbedachtelijk_ altijd
misdadig, hetgeen bij _opzettelijk_ niet het geval behoeft te zijn. _De
edelen wekten Floris V met ~voorbedachten rade~ reeds spoedig uit zijn
middagslaap, om hem zoodoende zonder gevolg naar de valkenjacht te laten
trekken._

       *       *       *       *       *

Ik heb hem -- voor dien jongen gewaarschuwd.

De dief heeft blijkbaar bij zijn inbraak -- eerst de weduwe vermoord.

In dit park heeft men -- nestkastjes geplaatst, om meer zangvogels te
krijgen.

Men heeft den reiziger -- van den weg gelokt, om hem des te
gemakkelijker te kunnen berooven.

Daar de rijkskanselier Bismarck gaarne den oorlog met Frankrijk wilde,
beschuldigt men hem, dat hij -- het telegram van Ems zou hebben
verminkt.

Ik heb u -- laten roepen, om u dit zelf te zeggen.


69. Aangezicht--gezicht--gelaat.

_Het voorste deel van het hoofd._

~Aangezicht~ is de algemeene en gewone benaming, terwijl ~gelaat~ edeler
is als uitdrukking van het karakter. _Men heeft bijv. pijn in het
~aangezicht~_ en niet in het _~gelaat~. Men leest ontroering zoowel
op iemands ~aangezicht~, als op zijn ~gelaat~_, hoewel dit laatste
eigenaardiger en gepaster is, als uitdrukking der gemoedsbeweging.

~Gezicht~ is hetzelfde als ~aangezicht~, maar behoort meer tot de
alledaagsche taal: _Ik zag hem vlak in het ~gezicht~._ Het kan ook van
dieren gebruikt worden: een _apengezicht_, en is daarom ook platter dan
~aangezicht~: _iemand een slag in het ~gezicht~ geven_.

       *       *       *       *       *

Wie zijn neus schendt, schendt zijn --.

Het -- is de spiegel der ziel.

Hij viel op zijn -- en bad God om vergeving.

Het kind viel op zijn -- en liep een schram op.

Er lag een glans van voldoening op zijn --.

Wacht u voor iemand met twee --.

Ik ken hem alleen bij naam, niet van --.

Wat heb je toch een rood -- gekregen!

Met ontsteld -- kwam hij binnenstormen.

Je hebt je -- niet goed gewasschen.


70. Bepalen--vaststellen.

_Wat nog onzeker was, nauwkeurig aangeven._

~Vaststellen~ doet men letterlijk iets, dat _los_ of _wankel_ staat,
wat, bij uitbreiding van beteekenis, onzeker is of nog aanleiding geeft
tot twijfel. _De prijs werd door alle bakkers op 10 cent per K.G.
~vastgesteld~_ (de prijs was iets wankelends en daarom wilde men dien
nader en _vaster_ aangeven).

~Bepalen~ is door palen een onbegrensde ruimte afperken, men _weet_ dan
voortaan de juiste ligging; het woord wijst er dus vooral op, dat het
_onbekende_ (niet het _twijfelachtige_) nauwkeurig wordt aangegeven.
_Het uur der vergadering werd eindelijk op 6 uur ~bepaald~._ (Het was
eerst nog _onbekend_!)

~Vaststellen~ heeft dus ten doel den bestaanden twijfel of onzekerheid
weg te nemen, terwijl ~bepalen~ meer ziet op het nader aanduiden van het
onbekende.

       *       *       *       *       *

Geen mensch kan den loop der sterren --, wel kunnen de astronomen dien
nauwkeurig --.

Mijn vertrek is eindelijk op half Maart --.

Het is eindelijk de politie gelukt de identiteit van den dief --.

Het feest is op 31 Augustus --, maar het programma moet nog nader --
worden.

De erflater had --, dat een vierde van zijn nalatenschap aan het
weeshuis zou komen.

Hebt gij de kenmerken van deze plant al --? (Zij waren onbekend!)

De gemeenteraad heeft het percentage van de plaatselijke directe
belasting op 1.5 --. (Het was nog onzeker!)

De Regeering heeft --, dat de aangeslibde gronden aan het Rijk behooren.


71. Edelmoedig--grootmoedig.

_Beide woorden drukken een hoogen graad van zedelijke grootheid aan._

De ~edelmoedige~ heeft een edel gemoed, een edele ziel, en is dus
geneigd tot edele daden. Hij zal bijv. bij vijandschap de eerste zijn,
die de verzoenende hand aanbiedt en door geen wraak bezield wordt; hij
zal eigen genoegen opofferen om anderen daardoor van dienst te kunnen
zijn.

~Grootmoedig~ drukt een nog hoogeren graad van zielegrootheid uit;
de grootmoedige is tot nog veel grooter opofferingen in staat dan de
edelmoedige: hij kan zelfs tegenover zijn vijanden edelmoedig zijn. _De
~edelmoedige~ verdient lof en toejuiching; de ~grootmoedige~ dwingt
bewondering af._

       *       *       *       *       *

Wie met eigen levensgevaar iemand uit een brandend huis redt, handelt
--; is de geredde zijn vijand, dan was de redder --.

De zendeling was -- genoeg, al zijn have en goed voor de heidenen op te
offeren. Toen zij hem later vermoordden, was hij nog zoo --, dat hij
voor zijn moordenaars bad.

De liefdezuster leidde een leven van -- zelfopoffering.

De zelfopoffering van Jan van Schaffelaar was een -- daad.

Welke gebreken de Boeren te veld ook hadden, men kan niets anders
zeggen, dan dat zij hun krijgsgevangenen -- behandelden.

Ofschoon de wisselwachter jaren lang door zijn buurman op allerlei
wijzen beleedigd was, toonde hij zich zoo --, dat hij in de ure des
gevaars het eenigst kind van zijn buurman met eigen levensgevaar van een
wissen dood redde.

Ofschoon de landheer recht had op de volle pacht, was hij na de
noodlottige overstrooming -- genoeg zijn pachters kwijtschelding van de
huur te verleenen.


72. Zwoegen--slooven--slaven.

_Zwaren arbeid verrichten._

~Zwoegen~ ziet op een meer kortstondige, maar zeer sterke
krachtsinspanning, zoodat men er van hijgt. _Hoezeer Eliza ~zwoegde~
onder haar dierbaren last (haar kind), toch ijlde zij voort om haar
zoontje te redden._

~Slaven~ doet denken aan een slaaf, die van 's morgens vroeg tot 's
avonds laat zwaar werken moet, zonder zelf de vruchten van zijn arbeid
te plukken; het woord legt vooral den nadruk op het langdurig werken,
terwijl ~sloven~ inzonderheid ziet op het vermoeiende en afmattende van
den langen en zwaren arbeid. _Menig daglooner moet heel wat ~sloven~
voor zijn stukje brood. Tot 's avonds toe laat hij niet af van
~slaven~._ (Psalm 104.)

       *       *       *       *       *

De man -- onder een zwaren last.

Deze daglooner moet voor zijn dagelijksch brood hard --.

Deze arbeider -- van vroeg tot laat en kan nog ternauwernood in zijn
onderhoud voorzien.

Wat -- ge, o mensch naar goud of eer? (Waarom dit woord, en niet de twee
andere?)

Moege-- en moegezongen slaap ik op den harden grond. (Waarom niet de
beide andere woorden?)

Hij stierf nog jong, maar af-- vóór zijn jaren.


73. Plaats--plek--oord.

_Een deel der ruimte._

~Oord~ heeft de meest algemeene beteekenis; het doet denken aan een
eenigszins uitgestrekte ruimte, waarvan men de grenzen niet nauwkeurig
opgeeft. _De trekvogels zoeken in het najaar een warmer ~oord~ op._

~Plaats~ ziet meer op een begrensd deel der ruimte, soms ook op een
nederzetting van menschen (dorp, stad, buurt, enz.), terwijl ~plek~
bovendien aanduidt, dat die ruimte betrekkelijk klein is. _Ieder
lichaam neemt ~plaats~ in_ (d.w.z. een begrensd deel der ruimte;
_oord_ of _plek_ kan dus niet dienen). _In zijn ~plaats~ zou ik anders
handelen._ (Hier is _~plaats~_ figuurlijk gebruikt naar aanleiding van
de letterlijke beteekenis, dat iemand plaats inneemt.) _Op de Veluwe
vindt men niet vele groote ~plaatsen~. Dit ~plekje~ in het bosch is ons
dierbaar_ (een kleine plaats).

       *       *       *       *       *

De --, waar het geld verborgen ligt, kan niemand terugvinden.

In Amerika vindt men vele onherbergzame --.

In ons land wordt nog op vele -- die gewoonte gevolgd.

O dierbaar -- grond, waar eens mijn wieg op stond.

Vele Boeren verlieten hun land om een rustiger -- op te zoeken.

Hij is hier de rechte man op de rechte --.

Op deze -- moet eens een kapel gestaan hebben.

In zulk een afgelegen -- zou ik niet kunnen wonen.

Op de --, waar thans de Dollart golft, vond men vroeger welvarende
dorpen. (Waarom is _plek_ hier niet juist?)


74. Deftig--plechtig--statig.

_Deze woorden geven te kennen, dat het uiterlijk of de handelingen in
overeenstemming zijn met den ernst der omstandigheden._

~Deftig~ wijst aan, dat vooral achtbaarheid, waardigheid of
voornaamheid op den voorgrond treedt; het wordt zoowel van personen als
van zaken gezegd. _Hij kleedt zich altijd even ~deftig~. Een ~deftig~
publiek. Een ~deftig~ huis. Een ~deftige~ begrafenis._

~Statig~ noemt men handelingen, die van uiterlijke praal (statie)
vergezeld gaan en vooral berekend zijn om indruk, ontzag, eerbied te
wekken: _een ~statige~ tred_. Ook gebruikt men dit woord om te kennen te
geven, dat het uiterlijk van een persoon of een ding door waardigheid of
ouderdom ontzag inboezemt: _Een ~statige~ gestalte. Een ~statige~ eik._

~Plechtig~ is afgeleid van plicht, dat oudtijds ambt of bediening
beteekende. Het heeft dan ook vooral betrekking op deftige ceremoniën,
die aan zeker ambt of waardigheid verbonden zijn. _Een ~plechtige~
audiëntie._ Bij uitbreiding van beteekenis wijst het ook handelingen
aan, die aan de deftigheid tevens grooten ernst paren, of indrukwekkend
zijn; bijv. _een ~plechtige~ gelofte; hoe is Natuur zoo stil, zoo
~plechtig~_.

       *       *       *       *       *

Toen de koning binnentrad, heerschte er een -- stilte. Met -- tred begaf
hij zich naar den troon en legde op -- toon den eed op de grondwet af.

Wie woont er in dat -- huis?

Jaarlijks op St.-Jan wordt in Laren (N.-H.) een -- processie gehouden.

De -- Koningslaan tegenover Soestdijk is een der schoonste van ons land.

Bij die gelegenheid had hij zich -- gekleed.

Hoe -- rijst de dagvorstin omhoog in het -- morgenuur.

De -- Dom van Keulen is een der schoonste gebouwen van Duitschland.

Op de Keizersgracht te Amsterdam vindt men vele -- huizen.

Ik verzeker u --, die woorden nooit gesproken te hebben.

Gebruik nu in zinnen: deftigheid, statigheid, plechtigheid.


75. Gissen--veronderstellen--vermoeden.

_Iets voor waarschijnlijk houden, hoewel men geen volkomen zekerheid
heeft._

Neemt men iets als zeker aan, dat nog niet bewezen is, dan spreekt men
van ~veronderstellen~, meestal om er gevolgtrekkingen uit te maken.
_Daar ik ~veronderstel~, dat hij eerlijk is, durf ik hem wel in mijn
dienst nemen. Men ~veronderstelt~, dat het licht een trilling van den
aether is._

Heeft men eenige zekerheid omtrent de waarheid, van wat men
veronderstelt, dan spreekt men van ~vermoeden~. _De geleerden
~vermoeden~, dat in den loop der tijden de bodem van ons land gedaald
is; men heeft ten minste in Holland op vrij groote diepte boomen
gevonden, die alleen in drogen grond konden groeien._

~Gissen~ drukt uit, dat men uit de vele veronderstellingen de
waarschijnlijkste kiest. _Het bevreemdt mij wel, dat hij niet gekomen
is; ik ~gis~ echter, dat hij plotseling ongesteld is geworden_ (d.i. ik
heb er wel geen enkel bewijs voor, maar daar hij anders nooit wegblijft,
zou ik die veronderstelling voor de waarschijnlijkste houden).

       *       *       *       *       *

Ik --, dat hij wel voor zijn examen zal slagen; hij heeft althans steeds
met ijver gestudeerd.

Ik --, dat hij voor het examen van onderwijzer wel zal slagen, en zal
daarom reeds naar een betrekking voor hem uitzien.

Ik --, dat hij uit boosheid niet gekomen is; hij kan zich ten minste
zeer driftig maken.

De aanwezigheid van de groote planeet Neptunus werd reeds lang vóór de
ontdekking door een paar sterrekundigen --.

Ik -- bij mijn lezers voldoende kennis der Fransche taal om de
aanhalingen onvertaald te laten.

Over het doel van de ontmoeting der beide keizers werden door de
dagbladen wel allerlei -- gedaan, maar geen enkele bevredigde het
publiek.

Bij een slinger moet gij --, dat hij geen gewicht heeft.

Kunt gij ook niet eenigszins --, waarom hij kwaad op mij is?

»Wie ooit de toekomst -- moog', Wat wezen zal, is voor ons oog In
duistren nacht verborgen."


76. Aanhouden--volharden--volhouden.

_Een werking of toestand doen voortduren._

~Aanhouden~ drukt alleen uit, dat de werking bestendig blijft voortgaan,
dus zonder tusschenpoozen of zonder vermindering van kracht voortduurt.
_De regen blijft maar ~aanhouden~; ik geloof niet, dat het vandaag nog
droog wordt._

~Volharden~ wijst er op, dat de werking niet wordt gestaakt ondanks
de groote bezwaren, die zich voordoen of de verzoekingen, die ons
aanlokken; bij volharden is dus een vaste _wil_ noodig en het kan alzoo
alleen van personen gezegd worden. _De Nederlanders zijn langzaam in het
ontwerpen, maar ~volhardend~ in de uitvoering_ (d.w.z. de Nederlanders
_willen_ een eenmaal aangevangen arbeid niet opgeven).

~Volhouden~ duidt aan, dat men met de werking niet uitscheidt, voordat
zij is afgeloopen of het doel bereikt is. Ook dit woord kan dus alleen
van personen gezegd worden (of van dieren in fabels). _Hij ~hield~
zoolang ~vol~ met solliciteeren, tot hij geplaatst werd._

       *       *       *       *       *

De -- wint.

De ezel stookte den vos op, om met schoppen en slaan zoolang --, totdat
deze niet meer behoefde te trekken.

Hoewel velen hem tot andere gedachten zochten te brengen, -- hij bij
zijn plan.

Hij heeft langen tijd met verzoeken om traktementsverhooging --, maar
zijn patroon -- in het weigeren.

De -- drop holt den hardsten steen uit.

Niettegenstaande een ander reeds lang den moed had opgegeven, bleef mijn
broeder -- en zag ten laatste werkelijk zijn moeite beloond.

Hoezeer men den jongen christen met den marteldood dreigde, hij -- in
zijn geloof.

De vorst blijft maar --, zoodat de scheepvaart gestremd is.


77. Dankbaarheid--erkentelijkheid--verplichting.

_De uitwerking, die ontvangen weldaden op ieder rechtschapen gemoed
maken._

~Erkentelijkheid~ onderstelt, dat men gaarne tot een of anderen
wederdienst bereid is. _Uit ~erkentelijkheid~ voor uw medewerking bied
ik u hierbij een present-exemplaar van mijn werk aan._

~Dankbaarheid~ heeft de bijgedachte, dat de weldoener voor ons te hoog
staat om hem met een wederdienst te beloonen. _Men is God voor Zijn vele
weldaden ~dankbaarheid~ verschuldigd._

Dankbaarheid is dus sterker dan erkentelijkheid; daarom zegt men in 't
dagelijksch leven uit beleefdheid voor een bewezen dienst: »Ik ben u
_dankbaar_"; sprak men van »erkentelijkheid", dan zou men de gedachte
opwekken, dat men de bewezen goedheid wilde beloonen en daardoor zou men
haar waarde verminderen.

~Verplichting~ gebruikt men, als men zedelijk tot erkentelijkheid
verplicht, d.i. gedwongen is. _Daar ik aan hem zeer veel ~verplichting~
heb, wil ik hem niet in het minst tegenwerken._

       *       *       *       *       *

Ik was mijn ouders zeer -- voor het fraaie geschenk.

De -- van een kind jegens zijn ouders is zeer groot.

Uit -- voor de vele diensten den lande bewezen liet de Regeering den
zeeheld op 's lands kosten begraven.

-- bezielde de muis, toen de leeuw haar de vrijheid schonk; toen zij
later de mazen van het net doorknaagde, bewees zij hem haar -- voor die
daad.

De drenkeling besefte diep de --, die hij jegens den redder zijns levens
had.

Loof den Heer met -- voor Zijn vele gaven.

Ik ben mijn leermeester nog altijd -- voor de nuttige lessen, die hij
mij gaf.

Ik gevoel levendig de --, die ik tegenover mijn pleegouders heb.

Gebruik nu in zinnen: dankbaar, erkentelijk, verplicht.


78. Deemoedig--nederig--ootmoedig.

_Deze woorden duiden aan, dat iemand blijkens zijn daden geen hoogen
dunk van zich zelven heeft._

~Nederig~ zegt omtrent de beweegredenen niets; het drukt evenwel zeer
sterk uit, dat de bescheidenheid uit uiterlijke blijken spreekt, zoodat
alle pracht en trotschheid verre blijft. _Hij is ~nederig~ gekleed.--In
een ~nederige~ woning vindt men soms meer geluk dan in een trotsch
paleis._

~Deemoedig~ onderstelt schuldgevoel, terwijl ~ootmoedig~ de bijgedachte
heeft, dat men zijn eigen kleinheid of nietigheid diep gevoelt. _Hij
smeekte God ~deemoedig~ om vergeving; hij onderwierp zich ~ootmoedig~
aan Zijn wil._

       *       *       *       *       *

Met een -- hart beleed de berouwhebbende zoon zijn schuld.

Hoe hoog M. Az. de Ruyter ook klom, hij bleef altijd even --; ja van
zijn grootste overwinningen gaf hij Gode -- de eer.

De zondaar lag -- in het stof gebogen en bad God -- om vergiffenis.

In Hoofts tijd eindigde men de brieven vaak met: »Blijve UEd. --
dienaar".

Hij is te -- om zich zóó te laten huldigen.

Met knagend zelfverwijt in het hart keerde hij eindelijk -- naar zijn
ouders terug.


79. Dwars--scheef--schuin.

_Niet rechtlijnig in betrekking tot andere voorwerpen._

~Dwars~ duidt de richting der lijn aan, die rechthoekig op een ander
staat. _Hij zwom ~dwars~ door de gracht._

Is de snijding der richtingslijn niet rechthoekig, dan spreekt men
van ~scheef~ en ~schuin~. Hierbij duidt men door ~scheef~ aan, dat de
richting verkeerd is, dat zij dus anders behoorde te zijn, hetgeen
~schuin~ niet onderstelt. _Dit pad loopt ~schuin~ door het bosch.--Deze
regel staat erg ~scheef~.--Deze letters staan ~schuin~_ (d.i. cursief)
_en die staan ~scheef~_ (dus verkeerd).

       *       *       *       *       *

De storm wierp den boom -- over den weg, zoodat het verkeer gestremd
werd.

Pas op, de tafel staat --.

Sommige menschen hangen een schilderij -- (met een hoek voorover) om
het beter te belichten.

Deze schilderij hangt iets --; hang ze dus recht.

Ik geloof, dat gij mij den voet -- wilt zetten.

Ik woon -- over den smid (n.l. recht er over) en -- tegenover den
bakker.

Wat loopt hij zijn hakken --.

Hij trachtte in -- richting de kust te bereiken.

Hij heeft den hoed -- opgezet.

De stormen wierpen een zandbank -- voor de haven.


80. Overwinning--zege--zegepraal.

_De gunstige uitslag van den strijd._

~Overwinning~ ziet meer op den goeden uitslag, ~zege~ meer op het
moeilijke van den strijd en den daarmee gepaard gaanden roem. Toch wordt
dit onderscheid niet altijd in acht genomen en gebruikt men ~zege~, dat
meer tot den deftigen stijl beperkt is, ook in plaats van overwinning.
_Na de ~overwinning~ keerden de onzen met grooten buit terug.--Met
groote dapperheid bevochten de onzen de ~zege~._

(Verklaar nu, waarom men zegt: de overwinning _behalen_, en de zege
_bevechten_. En waarom spreekt men van een _beslissende_ overwinning en
van ~zege~teekenen?)

~Zegepraal~ (triumf) was bij de Romeinen eigenlijk de plechtige intocht,
dien een veldheer na een beslissende overwinning in Rome mocht houden;
bij dezen intocht werden de zegeteekenen meegevoerd[1]; thans duidt men
met zegepraal meer den _vreugdevollen_ optocht na de overwinning aan.
(Verklaar die beteekenis uit de oorspronkelijke!) _Het houten paard der
Grieken werd in ~zegepraal~ binnen Troje gebracht._[1]

[1] Zie uitvoeriger mijn »Wetenswaardig Allerlei".

       *       *       *       *       *

De onzen behaalden een beslissende -- op den vijand.

Eindelijk werd de -- door de onzen bevochten.

De gevangen vorst werd in -- door de stad gevoerd.

Wie heeft in den wedstrijd de -- behaald?

Het zegevierend leger trok in -- naar de stad terug.

Iedere nieuwe -- vlocht weer een nieuwen lauwer om Maurits' slapen.

Hoe harder de strijd, hoe grooter de --. (Wat merkt gij hier op?)

Sommige hovelingen waren naijverig op de -- van 's konings veldheer en
gunsteling.

Onze waterbouwkundigen hebben menige -- op de zee behaald.


81. Overrompelen--overvallen--verrassen.

_Onverwachts aanvallen._

Bij ~verrassen~ komt vooral de snelheid uit, waarmee de onverwachte
aanval geschiedt. In den regel wordt een of andere krijgslist gebruikt,
waarop dus de vijand niet gerekend heeft, zoodat hij zich moet
overgeven. (_Ras_ = snel.) _Het vijandelijk convooi werd door een paar
in hinderlaag liggende Boeren ~verrast~._

~Overvallen~ ziet meer op de heftigheid, men zou haast zeggen de
onbesuisdheid, waarmee de onverwachte aanval geschiedt, zoodat de
aangevallene voor een goed deel weerloos is. Toch kan hij misschien nog
den aanval afslaan, wat ~verrassen~ niet onderstelt. _De vijand werd bij
nacht ~overvallen~ en verloor vele dooden._ Figuurlijk: _Wij werden door
den regen midden op de heide ~overvallen~._

~Overrompelen~ heeft het bijdenkbeeld, dat door den onverwachten
aanval verwarring ontstaat; de aangevallene weet dus niet, wat te doen,
en zoo maakt de aanvaller zich des te zekerder van hem meester. _De
Utrechtsche Patriotten trachten in den nacht van 29 op 30 Juli 1787 het
paleis Soestdijk te ~overrompelen~, maar de bezetting werd nog tijdig
gewaarschuwd._

       *       *       *       *       *

De vijand heeft de vesting --. (Verklaar nu de drie schakeeringen.)

Nauwelijks was de boot in zee gekomen, of zij werd door een storm --.

De politie had zich in den boom verborgen en kon zoo gemakkelijk de
dieven --.

Prins Maurits wist door middel van een turfschip Breda te --.

Ik was vast besloten mijn toestemming niet te geven, maar hij heeft mij
weten te --. (Figuurlijk!)

Een zwaar gewapende bende roovers heeft de reizigers in het bosch --.

Terwijl de onzen vreedzaam in hun kamp zaten te eten, werden zij door
een bende Atjehers --.


82. Overtollig--overbodig--overdadig.

_Meer dan noodig._

~Overtollig~ (van tal, tellen) is meer dan het vereischte getal, zoodat
het min of meer met _nutteloos_ gelijk staat of de beteekenis van
_hinderlijk_ nadert.--_Gij kunt de ~overtollige~ exemplaren van dit
boekje wel behouden_ (dat zijn de exemplaren, die na de uitdeeling nog
overblijven en dus voor het doel, de uitdeeling, nutteloos zijn). _Zet
deze drie ~overtollige~ stoelen even de kamer uit; zij staan ons alleen
maar in den weg._

~Overbodig~ noemt men alles, wat meer is dan geboden (d.i. verplicht,
noodig) wordt geacht; het onderstelt dus niet, dat iets nutteloos is,
maar komt vrijwel met _onnoodig_ overeen. _Ik bezit reeds een uitvoerig
werk over onze geschiedenis; dit beknopt boek zou dus maar ~overbodig~
zijn._

~Overdadig~ (van overdaad) heeft een ongunstige beteekenis: het
nadert den zin van _onmatig_ of _verkwistend_. _Het ~overdadig~ rooken
benadeelt de gezondheid.--Zijn ~overdadige~ uitgaven zullen hem spoedig
arm maken._

       *       *       *       *       *

De stoommachines voeren het -- polderwater in den boezem.

Zulke plichtplegingen zijn hier geheel --.

Gij moet de -- gelden maar voor wat anders besteden.

Zijn woning is vol van -- pracht.

De meeste ophelderingen in dit boek zijn -- en hadden dus wel weggelaten
kunnen worden.

Een -- gebruik van verkoelende vruchten is schadelijk voor de
gezondheid.


83. Mogelijk--misschien--wellicht.

_Deze woorden geven te kennen, dat iets nog onzeker is._

~Misschien~ drukt uit, dat er nog groote onzekerheid bestaat.
_~Misschien~ zal hij komen, ~misschien~ ook niet._

~Wellicht~ (of: ~licht~) nadert meer de zekerheid. _Hij zal ~wellicht~
nog komen, al is het ook regenachtig._

~Mogelijk~ onderstelt, dat de kans zeer groot is. _~Mogelijk~ zijn ze nu
al in Amsterdam._

       *       *       *       *       *

Zeg mij, wat u scheelt, dan kan ik u -- helpen (Troost: veel zekerheid
geven!)

Ik zal eens even kijken; -- kan ik u helpen. (De waarschijnlijkheid is
zeer gering!)

Ik heb zoo iets wel eens meer gedaan; -- kan ik ook u helpen. (De
zekerheid is groot!)


84. Nauw--eng--bekrompen.

_Niet wijd of ruim._

~Nauw~ drukt zonder meer het tegengestelde van wijd uit: een _nauwe_
straat. Zie No. 50.

~Eng~ voegt er het begrip bij, dat iets door die nauwte bekneld wordt.
_De jas is mij te ~eng~. Een land~engte~_ en in figuurlijken zin: _Een
~eng~ gevoel._

~Bekrompen~ duidt aan, dat er minder ruimte is, dan vereischt wordt:
_Hij woont daar zeer ~bekrompen~_, en figuurlijk: _Een ~bekrompen~
verstand._

Wat is sterker: Iemand in de ~engte~, of iemand in het ~nauw~ drijven?

       *       *       *       *       *

Deze gang is wel wat --.

Onze weg voerde door een -- pas.

Een -- corset is schadelijk voor de gezondheid.

Hij leeft in -- omstandigheden.

In zoo'n -- steeg komt nooit een zonnestraaltje.

Het werd hem -- om het hart.

Deze kamer is voor al dat huisraad veel te --.


85. Lichtvaardig--lichtzinnig--luchthartig.

_Niet geneigd tot ernstig nadenken._

~Luchthartig~ is hij, die vroolijk en onbezorgd van aard is en niet tot
ernstig nadenken over zijn handelingen komt. _Hij liep ~luchthartig~
over het voorstel heen en nam het aan, zonder dat hij eigenlijk
vermoedde, waartoe hij zich verbond._

~Lichtzinnig~ heeft een ongunstige beteekenis; het ziet op een
karaktertrek van hem, die gebrek heeft aan den noodigen ernst en
die nooit vooraf de gevolgen zijner handelingen overweegt. _Hij is
~lichtzinnig~ genoeg, om al zijn geld aan die liefhebberij uit te
geven._

~Lichtvaardig~ is hij, die zich gemakkelijk door anderen laat meesleepen
of verleiden, doordat hij niet zelfstandig nadenkt en overlegt. _Hij was
~lichtvaardig~ genoeg om zijn geld in die onderneming te steken._ (Hij
liet zich daartoe gemakkelijk overhalen, doordat hij niet bedacht, wat
de gevolgen konden zijn. _Vaardig_ komt van _varen_ = _gaan_.)

       *       *       *       *       *

Het -- gedrag zal dat jongmensch eenmaal duur komen te staan.

Hij is veel te -- om zich daardoor lang uit zijn humeur te laten
brengen.

Hij heeft zich al te -- laten verleiden om zijn meerdere aan te klagen.

Het leven is veel te ernstig om het -- op te vatten.

Gij moet nooit -- oordeelen over het gedrag van uw naasten (d.w.z. laat
u niet verleiden door den uiterlijken schijn, maar onderzoek zelf).

Door den invloed van dat losbandig en -- gezelschap had de jonge student
spoedig zijn gezondheid geknakt.


86. Duister--donker--somber.

_Gebrek aan licht hebbende._

~Somber~ geeft meer den onaangenamen indruk te kennen, dien een
belemmerde toegang van het licht teweeg brengt; ~donker~ ziet meer op
de onvoldoende belichting zelf. Een _somber_ vertrek heeft door zijn
bouworde (bijv. door weinig of kleine ramen, door boomen enz.) iets
onaangenaams en beklemmends. Daarentegen kan het vertrek door toevallige
omstandigheden _donker_ zijn. _Bij regenachtig weer is het in de kamer
vroeg ~donker~._

~Duister~ duidt een algeheele afwezigheid van licht aan, en is dus
sterker dan donker. Men spreekt daarom niet van maans_verdonkering_,
maar van maans_verduistering_.

Figuurlijk gebruikt wil ~somber~ zeggen: triestig, bijv. een _sombere_
stemming; ~donker~ staat dan gelijk met zorgwekkend: een _donkere_
toekomst, terwijl ~duister~ dan beteekent: verward, onduidelijk, bijv.
een _duistere_ redeneering. (Verklaar de fig. uit de letterlijke
beteekenis der 3 woorden.)

       *       *       *       *       *

Het was zoo -- in de kamer, dat ik niet meer lezen kon.

Dit museum geeft van buiten den indruk een -- gebouw te zijn.

Geen enkele ster verlichtte het nachtelijk --.

Ik merkte terstond, dat hij -- gestemd was en zocht hem wat op te
vroolijken.

Het volk, dat in de -- zit, zal een groot Licht zien.

In de -- dagen der Fransche overheersching begon het volk zijn
partijschappen te vergeten.

Gods wegen zijn dikwijls voor ons kortzichtig oog --.

Op een regenachtigen, -- herfstdag werd de geliefde dichter ter aarde
besteld.

Met een -- gemoed ging hij de -- toekomst tegen.

»Uit het -- van den nacht Moet de dag eens rijzen."


87. Verlies--schade--afbreuk--nadeel.

_Alles wat niet voordeelig voor ons is._

~Verlies~ duidt een vermindering van bezit aan. _Het ~verlies~ aan
dooden bedroeg aan onze zijde 500 man._

~Schade~ let meer op de vermindering der waarde of van den welstand. _De
~schade~ bij dezen brand wordt door verzekering gedekt. De storm deed
groote ~schade~ aan de dijken._ (Hun waarde als zeewering verminderde.)

~Nadeel~ is het kwaad, dat met de belangen van iemand of iets in strijd
is. Uit dit nadeel (kwaad) kan o.a. schade of verlies voortvloeien.
_Door de strenge vorst hebben de schippers het grootste ~nadeel~ gehad_
(de vorst was in strijd met hun belangen; er zullen hierdoor bijv.
minder verdiensten zijn geweest; of wel, er is een lading aardappelen
bevroren, zoodat er schade werd geleden, d.w.z. vermindering van
welstand). _Misbruik van sterken drank doet ~nadeel~ aan onze
gezondheid_ (of: _~benadeelt~ onze gezondheid_). Men zegt: _Door
~schade~ wordt men wijs_, en niet: _door ~nadeel~ wordt men wijs_,
immers wiens bezitting in waarde vermindert, wordt er niet altijd
ongelukkiger door, hij kan er soms zelfs een beter mensch door worden;
in dit geval is schade geen kwaad, dat strijdig is met onze belangen,
dus geen nadeel; men zegt dan ook in zulke gevallen: _~schade~ is altijd
geen ~nadeel~_.

~Afbreuk~ is de schade, die men door anderen lijdt met krenking van ons
recht. _De laster, waaraan hij blootstond, heeft hem in zijn positie
~afbreuk~ gedaan._ Soms wijst het eenvoudig de verliezen aan, die
oorlogvoerende partijen elkander toebrengen: _De Watergeuzen deden den
Spanjaarden veel ~afbreuk~._

De overstrooming richt groote ~schade~ aan; menigeen lijdt er zware
~verliezen~ door; ook kan zij ~nadeel~ doen aan de vruchtbaarheid van
den bodem, als n.l. het zoute water niet spoedig geloosd wordt;
~afbreuk~ evenwel kan zij niet toebrengen. (Waarom niet?)

Zet een winkelier zich in een buurt neer, waar reeds anderen dezelfde
nering hebben, dan brengt de eerste zijn collega's verlies, schade en
nadeel, soms ook afbreuk toe: immers de reeds gevestigde winkeliers
lijden ~verlies~ aan klandizie (vermindering van 't aantal); daardoor
vermindert hun welstand of de waarde van hun zaak, dat is hun ~schade~;
en daar de nieuwe winkelier misschien op minder eerlijke wijze ook hun
klanten weglokt, waarop _zij_ recht meenden te hebben, doet hij zijn
collega's ook ~afbreuk~. In ieder geval is die vestiging van een
concurrent een ~nadeel~ voor de reeds daar wonende winkeliers: die
vestiging strijdt n.l. met hun belangen.

       *       *       *       *       *

De storm deed veel -- aan de duinen.

Bij dien handel leed hij een groot -- aan kapitaal.

Aan die betrekking is het -- verbonden, dat men ook Zondags bezet is.

De --, die de koopman door het -- van zijn schip leed, wordt door
verzekering gedekt.

Hij heeft door zijn onverwachte overplaatsing zijn huis met groot --
moeten verkoopen; doch dit --, aan de benoeming verbonden, wordt
ruimschoots vergoed door de verhooging van salaris.

Door oneerlijke concurrentie deed hij onze firma veel --.

De engerlingen doen groote -- aan de planten.

Men berekent het --, dat hij door dezen brand lijdt, op duizend gulden;
want door de lage assurantie wordt de -- slechts gedeeltelijk gedekt.

De Duinkerker kapers deden onzen koopvaarders veel --.


88. Nadoen--navolgen--nabootsen--naäpen.

_Hetzelfde doen wat een ander heeft voorgedaan._

~Nadoen~ zegt dit op de meest algemeene wijze; men doet precies, wat
een ander deed, 't zij in gunstigen of ongunstigen zin. _Wie kan mij dat
kunstje ~nadoen~? Achter zijn rug ~deden~ de deugnieten den onderwijzer
alles ~na~_ (zij wilden n.l. den onderwijzer bespottelijk maken).

Als men door dat nadoen zich zelf bespottelijk maakt, spreekt men
van ~naäpen~. _Vele dienstboden gaan even modieus gekleed als haar
mevrouwen, al moeten zij ook een groot deel van haar loon voor deze
~naäperij~ opofferen._

~Navolgen~ geeft altijd een gunstige beteekenis; het duidt aan, dat
iemand in dezelfde goede richting werkzaam is, waarin een ander hem is
voorgegaan of voorgaat. _Deze edele zelfopoffering werd door velen
~nagevolgd~._

Terwijl ~navolgen~ uitdrukt, dat men het voorbeeld in alles gelijk wil
komen, wijst ~nabootsen~ aan, dat men alleen de uiterlijke gelijkenis
op den voorgrond stelt (bootsen = boetseeren). ~Navolgen~ ziet dus
op het wezenlijke, het innerlijke, ~nabootsen~ meer op den schijn, het
uiterlijke. Een edele daad is navolgenswaardig, niet nabootsenswaardig.
Wel zegt men: _Hij weet precies mijn stem ~na te bootsen~._

       *       *       *       *       *

Ik zal eens laten zien, hoe men deze letter schrijft, dan kan Jan het
straks eens --.

Deze dichter heeft in zijn gedicht Homerus --.

De vogelaar weet behendig het geluid van den kwartel --.

Een deugdzaam mensch mag men in alles --.

Uw broer schijnt voor tooneelspeler in de wieg gelegd; hij weet precies
zijn buurman --, ja zelfs zijn stem kan hij bedriegelijk --.

In den pruikentijd werden hier allerlei onzinnige Fransche zeden --.


89. Bekoren--verrukken--vervoeren.

_Door een of andere eigenschap onder sterken invloed van een ander
komen._

~Bekoren~ wil zeggen, dat de persoon (of zaak) zich geheel meester van
onze zinnen maakt en wij daardoor geheel onder den invloed komen. _De
arme dwaas liet zich geheel door den schijn ~bekoren~._ Het gevolg van
dezen toestand wordt aangeduid door ~verrukking~ en ~vervoering~.

~Verrukken~ wijst aan, dat de bekoring ons in een hoogst aangenamen
toestand brengt, terwijl ~vervoeren~ te kennen geeft, dat wij ons tot
buitensporigheden laten verleiden. _Hij was geheel en al ~verrukt~ door
de voorkomende behandeling.--Door zijn onbegrensde heerschzucht liet
Napoleon zich ~vervoeren~ den tocht naar Rusland te ondernemen,
niettegenstaande het barre jaargetijde ophanden was._

       *       *       *       *       *

Wien zou zoo'n heerlijke zomeravond niet --?

In zijn ijver voor de goede zaak liet hij zich zoozeer --, dat hij
onwellevend werd.

Ik was zeer -- door dit onverwachte succes.

Zulk een eenzaam leven zou mij niet kunnen --.

De vreugde over de behaalde overwinning liet hem tot allerlei dwaze
dingen --.

Geheel -- staarde hij langen tijd het portret zijner moeder aan.

»Dan klimmen wij de heuvlen vroolijk op, En staren, diep --, van hunnen
top."


90. Gebieden--gelasten--bevelen.

_Zijn wil aan zijn ondergeschikten kenbaar maken, opdat zij zich
daardoor bij hun handelingen laten leiden._

~Gebieden~ wordt gezegd van den machthebber en doet dus
onvoorwaardelijke gehoorzaamheid verwachten. _De koning ~gebood~ den
edelman, zich nooit meer aan het hof te vertoonen._

~Bevelen~ drukt uit, dat men anderen, die in onzen dienst staan, zegt,
wat zij doen moeten. _De veldheer ~beval~ zijn manschappen tot den
aanval over te gaan._

~Gebieden~ is dus (ook in figuurlijke beteekenis) sterker dan ~bevelen~.
_Ik ~gebied~ u heen te gaan_ is sterker dan: _ik ~beveel~ u heen te
gaan_. Bovendien ziet ~gebieden~ meestal op een voorschrift van
blijvenden en ~bevelen~ op een van tijdelijken aard. _God heeft ons
~geboden~ niet te stelen. De veldheer ~beval~, dat de soldaten niet
zouden plunderen._

~Gelasten~ onderstelt, dat men zijn ondergeschikte een last of opdracht
geeft, om dien te vervullen. _De generaal ~gelastte~ den koerier,
onmiddellijk versterking te gaan ontbieden._ Ook ziet ~gelasten~ soms op
bevel, waarvan het niet zeker is, of het wel uitgevoerd zal worden: _De
boschwachter ~gelastte~ den houtdief het gestolene af te geven._

       *       *       *       *       *

De regeering heeft --, dat op den dag van 's Konings begrafenis alle
klokken geluid moeten worden.

De regeering heeft den burgemeesters --, ten spoedigste het aantal
scholen in hun gemeenten op te geven.

Ik wensch uw bezoeken niet meer te ontvangen en -- u dus voortaan buiten
het hek te blijven.

De Burgemeester heeft --, dat niemand meer vuilnis op de straat mag
werpen op straffe van 5 gulden. (Er wordt dus wel aan overtreding
gedacht.)

De naastenliefde --, onze vijanden lief te hebben.

De heer -- den koetsier, wat zachter te rijden.

De heer -- den koetsier, om 3 uur met het rijtuig voor te komen.

De onderwijzer -- den kinderen, voortaan niet meer buiten het hek te
spelen.

De officier --, dat de troepen zich zouden terugtrekken.

De spreker wenkte met de hand en -- stilte.


91. Armzalig--ellendig--kommervol.

_In deerniswaardigen toestand verkeerende._

Bij ~ellendig~ denken wij hoofdzakelijk aan den ongelukkigen toestand,
waarin iemand verkeert. _De rijke man leed aan een verschrikkelijke
kwaal; eerst de dood maakte een einde aan zijn ~ellendig~ leven._
(»Ellendig" beteekent letterlijk »anderlandig", d.i. de toestand van
een balling; _el_ vindt men ook nog in _elders_.)

~Armzalig~ wijst aan, dat de ellendige toestand tevens ons medelijden
opwekt. _Deze arbeider slooft van den vroegen morgen tot den laten avond
om zijn ~armzalig~ bestaan te rekken._

~Ellendig~ en ~armzalig~ zien op personen, zaken of toestanden,
~kommervol~ wordt uitsluitend in betrekking tot menschen gebruikt; het
wijst aan, dat iemand veel kommer, veel zorg, verdriet of gebrek heeft.
_Niettegenstaande al zijn goud had hij toch een ~kommervol~ leven, daar
zijn eenige zoon voortdurend zijn levensvreugde vergalde._

Figuurlijk gebruikt duiden ~armzalig~ en ~ellendig~ ook personen of
zaken op minachtende wijze aan. _Dat ~ellendig~ gehaspel moet nu maar
uit zijn. Voor een ~armzalige~ duizend gulden heeft hij zijn vriend
verraden._

       *       *       *       *       *

Bij dien brand verloren drie menschen -- het leven.

Wij traden de -- hut binnen en vonden den zieke in een -- toestand.

Zijn -- leven heeft hem reeds vóór zijn jaren oud gemaakt.

Die -- kerel heeft al heel wat menschen op schandelijke wijze bedrogen.

Voor een paar -- guldens zou hij een moord plegen.


92. Mistrouwen--wantrouwen--verdenken.

_Gelooven, dat iemand oneerlijk of slecht is._

~Mistrouwen~ wijst aan, dat men op iemand of iets niet moet vertrouwen,
daar het mogelijk is, dat wij bedrogen zouden uitkomen. _»O, ~mistrouw~
't Sirenenzingen, Bouw niet op 't geluk, mijn kind!" Het is beter
iemand, die men niet kent, te ~mistrouwen~ dan te vertrouwen._--

~Wantrouwen~ is sterker; een feit is voorgevallen, waardoor ons
vertrouwen in iemands eerlijkheid of goede trouw geschokt is; het is nog
wel geen volkomen zeker bewijs voor zijn oneerlijk of slecht karakter,
maar alle omstandigheden pleiten in het nadeel van den gewantrouwde.
_Sedert ik mijn vriend op een leugen betrapt heb, ~wantrouw~ ik
hem._--~Wantrouwen~ en ~mistrouwen~ zien op toekomstige handelingen,
~verdenking~ daarentegen heeft betrekking op het verleden. Het wijst een
sterk vermoeden aan, dat iemand iets slechts bedreven heeft. _Daar hij
onder ~verdenking~ stond medeplichtig aan den moord te zijn, is hij in
hechtenis genomen._

       *       *       *       *       *

Ik heb hem altijd voor een oprecht man gehouden, die mijn vertrouwen ten
volle waardig was, maar nu ik hem de vorige week op een onwaarheid
betrapt heb, -- ik hem.

Ik zond dit belangrijk bericht aan de redactie van dat dagblad op; het
werd echter slechts »onder voorbehoud" opgenomen, daar men mij als een
onbekende --.

Reeds meermalen is gebleken, dat de telegrammen van die courant onjuist
waren; ik ben dus zoo voorzichtig het blad altijd te --.

De staatsman stond onder --, dat hij met den vijand was gaan heulen;
daarom -- men alles, wat hij aanried.

Hoewel mijn buurman mij nog niet de minste aanleiding heeft gegeven hem
te --, -- ik hem toch en vertel ik hem geen geheimen.


93. Argwaan--achterdocht--kwaad vermoeden.

_Een voorgevoel hebben, dat men bedrogen wordt._

Alle drie drukken uit, dat men niet zeker is, of iemand ons bedriegen
wil. ~Argwaan~ duidt vooral aan, dat men steeds bevreesd is door ieder
bedrogen te zullen worden; argwanend te zijn ligt dus meer in iemands
karakter. ~Achterdocht~ onderstelt, dat men tegen een bepaald persoon
zulk een argwaan meent te moeten koesteren. Ontdekt de achterdochtige
een of ander feit, dat zijn vrees versterkt, dan spreekt men van ~kwaad
vermoeden~. Een gierigaard koestert tegen iedereen _argwaan_; hij wordt
_achterdochtig_, als iemand hem zeer vriendelijk bejegent--in zijn
gedachten ziet hij reeds een aanval op zijn beurs gedaan--en hij vat een
_kwaad vermoeden_ tegen iemand op, als hij dezen _meent_ betrapt te
hebben op een oneerlijkheid.

       *       *       *       *       *

Doordat hij vroeger door zijn besten vriend verraden is, koestert hij
thans tegen iedereen, die hem eenigszins voorkomend behandelt, --.

Door het ongunstig uiterlijk van den vreemdeling vatte ik reeds terstond
-- tegen hem op.

Nauwelijks was de nieuwe huisknecht een paar dagen in dienst, of er was
een zilveren lepel zoek; geen wonder dat er tegen hem -- rees.


94. Arm--armoedig--behoeftig--nooddruftig.

_Gebrek aan het noodige hebbend._

~Arm~ duidt aan, dat men niets of zeer weinig bezit en staat tegenover
rijk. In figuurlijken zin duidt het eveneens een schaarschheid aan:
_arm_ aan woorden, _arm_ aan deugden. Wie arm is, kan slechts met moeite
rondkomen en moet zich velerlei genoegens ontzeggen. Blijkt dat arm zijn
vooral uit het uiterlijke van woning of kleeding, dan spreekt men van
~armoedig~. _Een ~armoedige~ hut, een ~armoedig~ gekleed man._

~Behoeftig~ duidt aan, dat men het noodige niet kan aanschaffen, terwijl
~nooddruftig~ aanwijst, dat zelfs het onontbeerlijkste wordt gemist.
Arm, armoedig, behoeftig en nooddruftig vormen dus een climax of
opklimming. Men houde evenwel in het oog, dat het laatste woord,
nooddruftig, uitsluitend tot den deftigen stijl beperkt is.

       *       *       *       *       *

Wie rijk is aan goederen, is soms -- aan geluk.

Al zijn deze menschen ook --, toch zien zij er niet -- uit.

In den winter lijden de -- veel gebrek. Dan echter gaat de engel der
weldadigheid in stilte rond, om de -- te helpen.

Soms treft men in een -- hut meer geluk aan, dan in een trotsch paleis.

De rijkgeworden parvenu vergeet soms, dat hij eens -- is geweest; vaak
is hij hardvochtig genoeg om de -- ongetroost weg te zenden.


95. Afnemen--afbeuren--aflichten--afzetten.

_Een voorwerp, dat zich op een ander bevindt, daarvan verwijderen._

~Afnemen~ heeft de ruimste beteekenis; het duidt alleen aan, dat de
bedoelde werking plaats heeft: _den hoed ~afnemen~_.

~Afbeuren~ onderstelt, dat het voorwerp zwaar is en de handeling
dus moeite kost: _een zak koren van de weegschaal ~afbeuren~_; bij
~aflichten~ is dat niet het geval: bijv. _den hoed ~aflichten~_.
~Afzetten~ onderstelt, dat men het voorwerp een andere plaats geeft:
_hij ~zette~ den hoed ~af~ en hing hem aan den kapstok_; ~licht~ men
den hoed ~af~, dan zet men hem een oogenblik later weer op. Den hoed
~afnemen~ laat onbeslist, of men hem terstond weer opzet, dan wel
eenigen tijd in de hand houdt.

       *       *       *       *       *

Help de meid even het stof --!

De molenaar heeft den zak op den wagen gelegd; ik kan hem er onmogelijk
alleen --.

Bij guur weer is het aan te raden bij het groeten den hoed slechts even
--.

Toen het lijk in de groeve daalde, zag men iedereen den hoed --.

Kom binnen, oom; trek uw overschoenen uit en -- uw hoed af.

Bij het afstoffen van den schoorsteenmantel moet gij eerst voorzichtig
de pendule er --.

Van dit stapeltje briefkaarten moogt gij er zes --.


96. Pracht--praal--pronk--luister.

_Uiterlijk vertoon van grootheid._

Bij ~pracht~ staat vooral het denkbeeld van rijkdom of kostbaarheid op
den voorgrond. _Het paleis werd met groote ~pracht~ opnieuw
gemeubeld.--In dezen tuin vindt men een ~pracht~ van bloemen._

~Luister~ geeft te kennen, dat de glans of schittering ieders
bewondering afdwingt of (zooals bij ceremoniën) opzettelijk moet
afdwingen. _De generaal werd met grooten ~luister~ begraven._

~Pronk~ is een opzienbarende vertooning van pracht of luister met het
doel boven anderen te willen uitsteken; de pronkzuchtige wil bijv. zijn
meerdere in uiterlijk vertoon nadoen, om evenzeer bewondering af te
dwingen; het is derhalve een teeken van ijdelheid. _Ik had niet gedacht,
dat hij zoo op ~pronk~ gesteld was: ik hield hem altijd voor een nederig
en eenvoudig man._ Als voorwerpsnaam beteekent het meer sieraad: _Dit
gebouw is de ~pronk~ der stad._

~Praal~ ziet vooral op uiterlijk vertoon; het is een luister, waaraan de
ijdelheid niet vreemd is. _De altijd zoo ijdele familie liet zelfs dit
ongelukkige kind met groote ~praal~ begraven._

       *       *       *       *       *

Karel de Stoute spreidde bij zijn aanstaande kroning te Trier een groote
-- ten toon. Het was duidelijk te zien, dat hij --ziek van aard was.

De -- van een ware heldendaad gaat nooit verloren.

Dit dienstmeisje is blijkbaar zeer op -- gesteld.

Hang uw hart niet aan 's werelds --, maar streef naar ernstiger dingen.

Met veel -- werd de bruiloft van het adellijke paar gevierd,
niettegenstaande beide partijen weinig ten huwelijk brachten.

De zomerzon straalt thans in haar vollen --.

»Zulk een deken is een -- voor uw bed." (Advertentie.)

De -- der Alpenmeren laat zich niet beschrijven.

De 25-jarige regeering van den vorst werd in de residentie met groote(n)
-- gevierd.

»Ziet gij ginds dien -- der dalen, dien verheven eikeboom?"


97. Barsch--stug--stuursch--norsch.

_Zich onvriendelijk tegenover anderen gedragen._

~Stug~ is hij, die altijd in zich zelf gekeerd is en den omgang met
anderen liefst vermijdt, doordat hij zich niet gemakkelijk in de
samenleving beweegt. Hij spreekt meestal weinig en kortaf, alsof hij
boos ware, al is ook zijn hart niet kwaad. _Een ~stugge~ Fries._

~Stuursch~ is hij, die onvriendelijk is, doordat de eigenaardigheden
van zijn karakter zulks meebrengen. _Hij ziet altijd even ~stuursch~._
Is hij daarbij ruw in den omgang, mort en gromt hij, om zijn
ontevredenheid of kwaadheid te luchten, dan gebruikt men ~norsch~.
_Hij behandelt zijn bedienden altijd even ~norsch~._

~Barsch~ duidt aan, dat het uiterlijk of de stem van iemand door zijn
onvriendelijkheid afstoot of vrees aanjaagt; het is hierbij evenwel niet
noodzakelijk, dat ook het karakter onaangenaam is, integendeel onder een
barsch uiterlijk schuilt soms een goedig hart. _Hij is wel wat ~barsch~
in zijn uitvallen, maar hij meent het zoo kwaad niet._

       *       *       *       *       *

De Veluwsche boer is meestal -- in den omgang.

Hij sprak op zulk een -- toon, dat de kleinen bang voor hem werden.

Wat is hij vandaag weer --: op iedereen heeft hij wat aan te merken.

Ik begrijp niet, waarom zij altijd zoo -- ziet; ik heb haar toch niets
misdaan.

Hoewel ik het hem zeer vriendelijk vroeg, gaf hij toch een -- antwoord,
alsof ik hem diep beleedigd had.

Ik houd niet van lieden, die vandaag vriendelijk en voorkomend en morgen
weer -- en -- zijn.

Hoewel hij er -- uitziet, is hij toch altijd hulpvaardig.


98. Afslaan--afhakken--afhouwen--afkappen.

_Met kracht een deel van het geheel scheiden._

~Afslaan~ gebruikt men, wanneer de scheiding door de kracht van het
slaan tot stand komt zonder op het werktuig te letten, bijv. een oor van
een pot afslaan (met een hamer, een steen, een stok, enz.). ~Afhakken~,
~afkappen~ en ~afhouwen~ onderstellen, dat de werking met een scherp
werktuig geschiedt, vooral met een bijl of zwaard. ~Afhakken~ duidt aan,
dat men herhaaldelijk het werktuig moet gebruiken, terwijl ~afhouwen~
aanwijst, dat slechts eén slag met het scherpe werktuig noodig is. Bij
~afkappen~ ziet men meer op de uiteinden, die door het hakken of houwen
van het voorwerp worden gescheiden: bijv. _de takken ~afkappen~_.

       *       *       *       *       *

Wie heeft de vergulde knoppen van het hek --?

In vroegeren tijd werden den meineedigen de vingers --.

Het zwaard van den beul bleek niet scherp genoeg, om den veroordeelde
het hoofd --.

Gij moet deze dikke takken laten --, zij benemen u te veel licht.

Met dezen stok kunt gij gemakkelijk de appels --.

Wie zou van nacht zoo laag zijn geweest om al de koppen der coniferen
moedwillig te hebben --?


99. Gooien--werpen--smijten.

_Iets met kracht van zich slingeren._

~Werpen~ behoort meer tot de beschaafde spreek- en schrijftaal, terwijl
~gooien~ en ~smijten~ gewoonlijk tot de volkstaal beperkt zijn. ~Werpen~
heeft min of meer de bijbeteekenis, dat de werking met eenig overleg
en daardoor in een bepaalde richting geschiedt; ~gooien~ en ~smijten~
daarentegen doen meer aan onbesuisd optreden denken. ~Gooien~ en
~smijten~ geschieden uitsluitend met de hand, ~werpen~ kan ook plaats
hebben met werktuigen.

~Gooien~ en ~smijten~ verschillen onderling zeer weinig en worden
dan ook vaak voor elkander gebruikt. Alleen schijnt ~smijten~ minder
onbesuisd te zijn dan ~gooien~ (met _gauw_ verwant), en nadert het dus
eenigszins de beteekenis van werpen, bijv.: _Hij heeft mij een
beleediging voor de voeten ~gesmeten~._

Daar ~werpen~ meer gekuischt is dan de beide andere woorden, komt het
in vele uitdrukkingen voor, waar ~gooien~ en ~smijten~ gebruikt moesten
worden.

       *       *       *       *       *

Hij heeft mij met een kei een gat in het hoofd --.

Bij dat volksoproer werden op vele plaatsen de ruiten in--.

De golven -- een lijk aan het strand.

Van woede heeft hij den heelen boel door elkaar --.

Hij heeft hem na die beleediging den handschoen toe--.

Voordat de vijand in 't zicht kwam, heeft men in deze vesting nog
bezetting --.

De ouden -- met blijden groote steenen in de stad.

Van kwaadheid -- hij mij de trappen af.

Terstond liet de bevelhebber den spion in de gevangenis --.

Hij heeft den boel in het honderd --.

Wie heeft dezen sneeuwbal in den schoorsteen --?

Men moet geen goed geld naar kwaad geld --.


100. Voorgeven--beweren--voorwenden.

_Deze woorden worden gebruikt om aan te duiden, dat men twijfelt aan de
waarheid, van hetgeen een ander zegt._

~Beweren~ geeft alleen den blooten twijfel te kennen; het beweerde kan
wel waar zijn, maar het moet nog nader bewezen of aangetoond worden;
zoolang het bewijs niet is geleverd, kan men het beweerde nog niet als
waarheid aannemen. _Hij ~beweert~, dat hij in een half uur van Baarn
naar Amersfoort kan fietsen_ (d.w.z. ik beschouw het wel niet als
onmogelijk, maar gelooven doe ik het nog niet, vóórdat hij dien rit van
12 K.M. in een half uur gedaan heeft). _De dagbladen ~beweren~, dat de
vrede gisteren geteekend is_ (d.w.z. men twijfelt aan de waarheid,
zoolang nadere bewijzen nog ontbreken).

~Voorgeven~ drukt uit, dat men alle reden heeft om aan de waarheid van
iemands woorden te twijfelen; het is dus zoo goed als zeker, dat hij
onwaarheid spreekt. _Zij ~gaf voor~, hoofdpijn te hebben en mij daarom
niet te kunnen ontvangen._

Zegt men van iemand, dat hij iets ~voorwendt~, dan geeft men te kennen,
dat hij opzettelijk een leugen bezigt, om een of ander doel te bereiken;
hetgeen voorgewend wordt, is dus beslist een leugen. _Zij ~wendde~
hoofdpijn ~voor~, teneinde mij niet behoeven te ontvangen._

~Beweren~ onderstelt dus, dat de waarheid van 't beweerde mogelijk is,
~voorgeven~, dat de waarheid sterk betwijfeld mag worden en
~voorwenden~, dat de waarheid geheel buitengesloten is.

       *       *       *       *       *

Ik hoorde zooeven --, dat het ministerie zal aftreden.

Dit dagblad --, dat in Amerika het telefoneeren zonder draad is
uitgevonden.

Deze dame --, nog geen 25 jaren oud te zijn.

De koning heeft een lichte ongesteldheid --, om van de feestelijkheden
bevrijd te zijn.

De moordenaar bleef --, uit zelfverdediging te hebben gehandeld, hoewel
het bewezen is, dat hij zijn slachtoffer heeft uitgeplunderd.

Aan mijn verzoek om de rekening voor mij te betalen, kon hij niet
voldoen onder --, dat hij zelf kort bij kas was.

Al zijn kwalen zijn slechts --, om van werken ontslagen te zijn.


101. Regeeren--besturen--heerschen.

_Gezag over een ander uitoefenen._

~Heerschen~ duidt de hoogste trap van macht aan; het wijst op »heer"
zijn, de opperste over allen, die geheel naar eigen inzicht kan
handelen. _God ~heerscht~ als aller koning. De Czaar ~heerscht~
onbeperkt._

~Regeeren~ is minder sterk en wordt alleen gebezigd voor het
gezag-uitoefenen van vorsten (_rex_, 2e naamv. _regis_ = koning). In
figuurlijken zin wijst het er op, dat het gezag met groote willekeur
wordt uitgeoefend en anderen onmachtig maakt; bijv.: _Deze vrouw
~regeert~ haar man._

~Besturen~ doet minder denken aan het gezag van den bestuurder, dan wel
aan een leiden overeenkomstig vastgestelde bepalingen. Vandaar dat men
het vooral bezigt van staatshoofden, die geen souvereine macht bezitten.
_Jan de Witt ~bestuurde~ de Republiek met groot beleid._ Overdrachtelijk
duidt het een leiden aan met inzicht en overleg: _Deze vrouw ~bestuurt~
haar man_ = zij leidt hem, waarheen zij wenscht. (Vergelijk boven: _Deze
vrouw ~regeert~ haar man_).

Waarom zegt men: _de pokken ~heerschen~_? en niet: _regeeren_ of
_besturen_?

Vergelijk nu: heerschappij--bestuur--regeering.

       *       *       *       *       *

Onder de -- van koning Willem III werden vele spoorwegen aangelegd.

De mazelen -- epidemisch.

Men moet -- over zijn hartstochten hebben.

De Burgemeester -- de gemeente.

Men zegt wel eens: Het blinde toeval -- de wereld.

Er -- over dit onderwerp een groote verwarring van denkbeelden.

Deze vereeniging wordt goed --.

In Rusland -- een vastlandsklimaat.


102. Aandachtig--oplettend--opmerkzaam.

_Zijn gedachte op iets gevestigd hebben._

~Aandachtig~ zegt eenvoudig, dat men zijn gedachten bij de zaak heeft,
dat men dus niet aan iets anders denkt.

~Oplettend~ is men, als men niet vluchtig over het gehoorde heenloopt,
maar zich moeite geeft het te overwegen; het onderstelt dus altijd
eenige inspanning van den geest, wat bij aandachtig niet direct noodig
is.

_Men luistert ~aandachtig~ naar een verhaal_, d.w.z. men heeft zijn
gedachten er bij, men denkt niet aan iets anders. _Men is ~oplettend~,
als er iets geleerd moet worden_; d.w.z. men is ook wel aandachtig, maar
men geeft zich tevens moeite de zaak te overdenken, om ze te begrijpen.

~Opmerkzaam~ wijst aan, dat men de zaak zoo goed mogelijk tracht te
begrijpen, door al haar kenmerken in hun onderling verband na te gaan,
opdat het gehoorde of gelezene in onzen geest worde opgenomen en
verwerkt. Men zoekt als het ware ~merk~teekens, die ons later den gang
der zaak gemakkelijk doen terugvinden.

De _aandachtige_ luistert; de _oplettende_ tracht het gehoorde te
begrijpen; de _opmerkzame_ neemt het in zijn geest als eigendom op. De
_aandachtige_ wordt bijv. door een sprookje of een muziekstuk geboeid en
vergeet alles om zich heen; de _oplettende_ tracht bijv. de verklaring
van een natuurverschijnsel goed te begrijpen; de _opmerkzame_ zal bijv.
een schilderij zoo nauwkeurig en met allerlei onderlinge vergelijkingen
beschouwen, dat hij haar uit het hoofd kan nateekenen.

       *       *       *       *       *

De vergadering luisterde -- naar de voorlezing der notulen.

Hij beschouwde het gebouw zoo --, dat hij er thuis een welgelijkende
schets van maakte.

Hij bekeek het gebouw zoo --, dat hij niet eens mijn nadering bemerkte.
(Hier wordt dus blootweg te kennen gegeven, dat al zijn gedachten op het
gebouw gericht waren.)

Het kenmerk van deelbaarheid, dat ik thans zal bewijzen, is vrij
ingewikkeld; gij moogt dus wel -- zijn.

Toen ik met hem voor het eerst door het bosch wandelde, keek hij zoo --
rond, dat hij den volgenden keer alleen den weg kon vinden.

Hij was onder de rede van den voorzitter zoo -- geweest, dat hij haar
bijna woordelijk kon opzeggen.


103. Bouwen--opslaan--oprichten--stichten.

_Uit bouwstoffen een geheel vormen._

~Oprichten~ (letterlijk »omhoog heffen") gebruikt men, om aan te duiden,
dat iets uit den horizontalen in den verticalen stand moet komen: _een
standbeeld ~oprichten~_.--~Opslaan~ zegt men van tijdelijke verblijven,
die licht en dicht zijn en weinig moeite vereischen: _tenten
~opslaan~_.--~Bouwen~ gebruikt men van blijvende woningen, die uit
duurzamer stoffen en met grooter zorg worden samengesteld: _een school
~bouwen~_.--~Stichten~ zegt men van nog duurzamer en hechter gebouwen:
_een kerk ~stichten~_. (Een _stift_, d.i. _sticht_, heet een groot
gebouw voor geestelijken: klooster, abdij, enz.) Figuurlijk bezigt men
~stichten~ ook voor grondvesten: _een stad ~stichten~, een fonds voor
ouden van dagen ~stichten~; liefdadige ~stichtingen~_. Van vereenigingen
zegt men meer ~oprichten~.

       *       *       *       *       *

Toen de cholera uitbrak, werden ijlings ziekenbarakken --.

Ons huis is in 1870 --.

De Handelsmaatschappij werd in 1824 --.

Jan van Riebeek heeft de volksplanting aan de Kaap --.

Ter eeuwige gedachtenis heeft men op de plaats, waar de koning
sneuvelde, een gedenkteeken --.

De beroemde Aya Sophia (de prachtige moskee te Konstantinopel en door
onzen dichter Schaepman meesterlijk bezongen) is door keizer Justinianus
--.

Jan van Nassau heeft de Unie van Utrecht --.

    d' Aertsbouheer uit den stam
    Van Campen rust hieronder,
    Die 't raedhuis t' Amsterdam
    -- heeft, 't achtste wonder.


104. Befaamd--beroemd--berucht--vermaard.

_Overal bekend._

~Berucht~ is: ongunstig bekend staan; ~beroemd~ daarentegen heeft
altijd een gunstige beteekenis: het beteekent bekend zijn tot zelfs
bij het nageslacht door edele daden, door kunst, door wetenschap,
enz. ~Vermaard~ is: van groote bekendheid zijn wegens een of andere
bijzonderheid, dus uitstekende of opvallende onder zijns gelijken. _De
echo van Muiderberg is ~vermaard~. De bokking van Harderwijk was vroeger
~vermaard~._ De vermaardheid behoeft echter niet aan het nageslacht
overgeleverd te worden.

~Befaamd~ kan zoowel in goeden als kwaden zin gebruikt worden, maar is
minder sterk dan beroemd of berucht. Het onderstelt in den regel een
»eigenaardige" bekendheid. _Het ~befaamde~ Staphorster boertje._

~Befaamd~ komt af van Faam, Fama, de godin, die met een bazuin door
de lucht vliegt om de daden der groote mannen bekend te maken; zij
woonde in een paleis met 100 openingen en van klinkend metaal gemaakt.
(Verklaar het zinnebeeld!)--~Berucht~ komt van rucht, dat weer gevormd
is van _roepen_, evenals _kocht_ van _koopen_; er gaat dus een roep
van iemand uit. Oorspronkelijk kon dit ook een _goede_ roep zijn:
»_Beruchte_ Oranjeheld!" maar thans heeft het uitsluitend betrekking op
den _slechten_ roep.--~Vermaard~ komt van _mare_ = tijding, bericht.

       *       *       *       *       *

Friesland is -- om zijn heerlijke boter.

Sommige stegen en achterbuurten van Amsterdam zijn -- om het gespuis,
dat er woont.

Onze schilders Rembrandt, Jan Steen, Potter e.a. zijn --.

De -- Amersfoortsche keitrekking had plaats op 28 Mei 1903. (Een
»eigenaardige" bekendheid.)

Haarlem is -- om zijn bloembollen.

Jack the Ripper was een -- vrouwenmoorder.

De Nederlanders zijn als waterbouwkundigen alom --.

Sommige kuststreken van Italië zijn -- om hun moeraskoortsen.

De -- vaster Succi kon het 40 dagen zonder eten uithouden.

»Ginds prijkt dat grootsch gebouw, als achtste wonderwerk door heel
Europa --". ('t Stadhuis van Amsterdam.)

»Allen zijn er het over eens, dat de jaren tusschen den zevenjarigen
oorlog en den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog, de -- eerste
regeeringsjaren van Willem V, voor de Republiek de vette jaren bij
uitnemendheid zijn geweest". (Prof. Brugmans. Die eerste regeeringsjaren
van Willem V hebben een »eigenaardige" vermaardheid gekregen!)


105. Bedriegen--misleiden--verschalken--foppen.

_Veroorzaken dat het onware voor waar wordt gehouden._

~Misleiden~ zegt letterlijk: op een verkeerden weg brengen en daardoor
dwaling veroorzaken; het wordt steeds figuurlijk gebruikt. _Door het
klatergoud liet de jongen zich ~misleiden~; hij dacht een gouden ring
gekregen te hebben en bemerkte later, dat het slechts een koperen was._
(Het blinkende klatergoud bracht hem op een dwaalspoor; hij meende met
goud te doen te hebben en zag eerst later zijn dwaling in.)

~Bedriegen~ onderstelt schending van vertrouwen met het doel zichzelf te
bevoordeelen: _De boekhouder ~bedroog~ zijn patroon_; of wel, het geeft
een teleurstelling aan in hetgeen men verwacht had: _Hij schreef mij
zelf te zullen komen, maar hij ~bedroog~ mij._--De Grieksche kunstenaar
Zeuxis wist de natuur zoo getrouw na te bootsen, dat de vogels op zijn
geschilderde druiven kwamen afvliegen. Hij ~misleidde~ de dieren,
doordat hij ze op een dwaalspoor bracht (nl. de onechte druiven werden
voor echte gehouden) en hij ~bedroog~ ze tevens, doordat hij hun
verwachting, om er van te kunnen eten, teleurstelde.

~Verschalken~ heeft de bijbeteekenis, dat een list wordt aangewend; het
wordt gebruikt, wanneer de eene partij de andere door zulk een list
tracht te overwinnen of te verzwakken. _De vogelaar ~verschalkt~ de
kwartels_ (hij spant een net met lokaas).

~Foppen~ heeft dezelfde grondgedachte als bedriegen, maar wordt alleen
van onschuldige handelingen gebezigd; bovendien is het bijna uitsluitend
tot de spreektaal beperkt.

Als ik mijn makker een steentje in de hand stop, in plaats van bijv. een
appel, dan ~fop~ ik hem. Vandaar ook: _fopspeen_.

       *       *       *       *       *

Laat u niet door den uiterlijken schijn --.

De schipper Van Bergen wist de bezetting van 't kasteel van Breda te --.

De rentmeester heeft den graaf op een schandelijke wijze --.

Ik dacht hem mooi te zullen --, maar de oolijkerd was mij te slim af.

Men moet dieven met dieven --.

Door schoone beloften heeft hij zich tot dien stap laten --.

Koop dat paard niet van hem, hij wil u blijkbaar --.

De commiezen wisten de smokkelaars op slimme wijze te --.


106. Babbelen--praten--kouten--snappen--kakelen.

_Weinig beduidende dingen zeggen._

~Snappen~ zegt men van kleine kinderen, die altijd wat te vertellen
hebben en dat snel en zonder ophouden doen.

~Babbelen~ wordt van groote menschen en van schoolkinderen gezegd;
soms heeft het de onschuldige beteekenis verloren en duidt het meer
kwaadspreken aan. _Zij is een eerste ~babbelaarster~: vertrouw haar geen
geheim toe._

Wil men op afkeurende wijze te kennen geven, dat iemand zich luide doet
hooren, bijv. bij een kijfpartij, dan gebruikt men ~kakelen~. _Hoor die
vrouw daar eens staan te ~kakelen~, mijn ooren tuiten er van._--~Praten~
doet men, als men met iemand een gesprek voert over alledaagsche zaken,
meestal uit tijdverdrijf. (Van ernstiger dingen zegt men _spreken_. _Kom
eens bij me ~praten~. Is mijnheer te ~spreken~?_)--~Kouten~ onderstelt,
dat men met elkander schertsend praat en in die scherts genoegen vindt.

       *       *       *       *       *

Hoor die kleine meid eens --, haar mondje staat geen oogenblik stil.

Niemand mag onder de les --; dat is veel te hinderlijk.

Zij zaten zoo druk over koetjes en kalfjes te --, dat zij aan geen tijd
meer dachten.

Ik geloof, dat zij weer leelijk aan het -- is geweest.

De gasten in de herberg zaten vroolijk bij 't knappend vuur te --:
meermalen steeg er een hartelijk gelach op.

    Trijn is verkouden, schor en heesch.
    »Nog wil 't wijf --", zegt Kees.
    Dat 's een van d'ellendigste gebreken:
    Een vrouw, die zwijgen kan noch spreken.


107. Sterven--overlijden--doodgaan--ontslapen.

_Ophouden te leven._

~Sterven~ drukt dit in 't algemeen uit; het heeft zoowel betrekking
op menschen als op dieren en planten. Van menschen wordt het vooral
gebruikt, als men de oorzaak van den dood opgeeft. _Deze man is van
hartzeer ~gestorven~._

~Doodgaan~ wordt uitsluitend van planten en dieren gezegd en alleen in
ruwe of platte taal ook van menschen.

~Overlijden~ heeft altijd betrekking op menschen; het woord beteekent
n.l. overgaan, d.i. in een ander, naar men hoopt, beter leven. (_Lijden_
van oudtijds _gaan_; vergelijk _verleden_ of _vergangen_ week.) Het
stelt dus het sterven minder hard voor ten opzichte der
achterblijvenden.

Ook ~ontslapen~ zegt men alleen van menschen; het beteekent kalm en
langzaam sterven, alsof men inslaapt; deze uitdrukking verzacht dus
eveneens het begrip van sterven.

       *       *       *       *       *

Na het -- van zijn vader rustte op hem de plicht voor zijn jongeren
broeder te zorgen.

Het grootste deel van het leger -- van honger en gebrek.

Heden is in den ouderdom van 80 jaren mijn grootvader in zijn Heer en
Heiland zacht en kalm --.

Die plant zal wel --; je hebt haar niet goed behandeld.

Deze dichter is reeds op 25-jarigen leeftijd --.

Zalig zijn de dooden, die in den Heer --.


108. Vlijtig--ijverig--naarstig--nijver.

_Deze woorden duiden aan, dat men zich inspant om een of ander werk tot
stand te brengen._

Bij ~ijverig~ denkt men aan de opgewektheid en volharding, soms zelfs
aan de vurigheid, waarmee men werkt. _Een ~ijverig~ leerling tracht ook
de moeilijkste les te leeren._ (Het ligt in zijn aard, steeds zóó te
studeeren.)

~Vlijtig~ duidt aan, dat men de taak zoo spoedig mogelijk (dus zonder
oponthoud), maar ook zoo goed men kan afmaakt. _Hij zit ~vlijtig~ te
studeeren_ (d.w.z. hij studeert zonder zich te laten ophouden en spant
zich in, om alles zoo goed mogelijk te begrijpen; hij behoeft daarom
niet van nature met zooveel liefde voor de studie bezield te zijn,
zooals een ~ijverig~ student.)

~Naarstig~ komt weinig meer voor; men zegt het vooral nog van kinderen,
die niet speelsch zijn, maar hun goeden wil en oplettendheid toonen, om
het opgegeven werk naar behooren af te maken. Soms ook duidt het aan,
dat men voortdurend bezigheid zoekt, in plaats van ledig te zitten. _Zoo
traag deze jongen is, zoo ~naarstig~ is zijn zuster. Dat meisje is een
~naarstig~ kind; zij zit daar al weer te breien._

~Nijver~ wijst aan, dat men aanhoudend en met overleg werkt, om de
vruchten van zijn arbeid te kunnen plukken. _De ~nijvere~ bijen_
verzamelen reeds in den zomer haar voedsel voor den winter. Soms
beteekent het ook: geneigd tot industrie, bijv. _het ~nijvere~ Twente_.

       *       *       *       *       *

Als gij -- doorwerkt, kunt gij van avond wel klaar zijn.

Gij moogt wel wat -- (vergr. trap) bij uw werk zijn; ik geloof, dat gij
er weinig lust in hebt.

Zij is een -- kind, men ziet haar bijna nooit ledig zitten.

De -- landman zag zijn moeiten met een rijken oogst beloond.

Van deze zaak is hij een -- voorstander.

Een -- hand met een sparigen tand koopt anderlui's land.

In die streek woont een -- bevolking.


109. Afslaan--afweren.

_Een aanval tegengaan._

~Afweren~ geschiedt geheel uit zelfverdediging, men houdt daarbij den
vijand van zich af en dekt zich tegen zijn aanvallen.

Bij ~afslaan~ denkt men meer aan een krachtdadig optreden: men valt den
vijand aan en tracht hem op de vlucht te drijven.--Figuurlijk gebruikt
komt alleen ~afweren~ voor, bijv. _het gevaar van iemand ~afweren~_;
_iemands liefkoozingen ~afweren~_.

       *       *       *       *       *

De Spanjaarden liepen storm op Alkmaars muren, maar de aanval werd
krachtig --.

Hij heeft den doodelijken slag --, door zich nog tijdig met het schild
te dekken.

De vijand deed een onbesuisden aanval op ons leger, zoodat de
manschappen ternauwernood tijd hadden dien --.

Men wist op het fort, dat de vijand naderde; zijn aanval werd dan ook
niet alleen --, maar zelfs met kracht --.

Slechts aan de staatsmanskunst van den eersten minister was het te
danken, dat de oorlog nog -- werd.


110. Alom--overal--allerwegen.

_Op alle plaatsen._

~Alom~ wijst de ruimte in haar geheel aan. _De tijding verspreidde zich
~alom~_, d.w.z. naar alle zijden over de geheele ruimte.

~Overal~ ziet meer op elke plaats afzonderlijk, die men zich in die
ruimte denkt. _De tijding drong ~overal~ door_: d.w.z. op alle plaatsen,
geen enkele uitgezonderd, werd de tijding bekend.

~Allerwegen~ wil eigenlijk zeggen: op alle wegen of zijden, en bij
uitbreiding op alle plaatsen. ~Overal~ kan een werking zóó voorstellen,
dat zij _achtereenvolgens_ iedere plaats bereikt, geen enkele
uitgezonderd; ~allerwegen~ wijst meer aan, dat de werking _gelijktijdig_
op alle plaatsen voorkomt, al is er misschien ook een enkele plaats
(niet aan de _wegen_ gelegen) overgeslagen. _~Allerwegen~ heerschte er
een bedrijvige drukte._--Worden ~overal~ en ~allerwegen~ voor elkander
gebruikt, wat vaak voorkomt, dan is ~overal~ sterker, daar het geen
uitzondering duidt. _Ik heb hem ~overal~ gezocht, maar nergens
gevonden.--Deze gewoonte vindt gij anders ~allerwegen~._

       *       *       *       *       *

God is -- tegenwoordig. (Waarom is dit woord beter dan _overal_?)

Op bergen en in dalen, Ja -- is God. (Nu denkt men aan alle plaatsen!
Waarom gebruikt men niet _allerwegen_?)

Het feest van 's konings troonsbestijging werd -- in den lande met
opgewektheid gevierd.

Er heerschte -- in de stad een feestelijke stemming.

Deze plant vindt gij -- verspreid.

De mare van zijn heldenfeit was spoedig -- verspreid.

Hij staat -- bekend als een eerste kaatser.

Langs de kaden van Rotterdam heerscht -- een ongekende bedrijvigheid.

Hij volgt mij --, waar ik ga.


111. Aankondigen--voorspellen--voorzeggen.

_Iets toekomstigs te kennen geven._

~Aankondigen~ is iets vooruit te kennen geven, dat volgens zeer gewone
of natuurlijke oorzaken plaats hebben moet. _De plotselinge daling van
den barometer ~kondigt~ storm ~aan~._ Soms is het begrip van tijd zoo
goed als geheel weggevallen, zoodat aankondigen dan eenvoudig beteekent:
bekend maken met iets, dat terstond zal gebeuren. _De heraut ~kondigde~
met trompetgeschal de komst des konings ~aan~._

~Voorspellen~ duidt mindere zekerheid aan, daar het voorspelde meer
op bloote vermoedens, op volksgeloof, enz. berust. _De waarzegger
~voorspelt~ de toekomst. Een goed notenjaar ~voorspelt~ een strengen
winter._

~Voorzeggen~ beteekent: vooruit _zeggen_, dat iets zeker gebeuren zal,
en kan dus alleen door God of door Zijn gezanten gedaan worden. (Het
woord kan dus niet toegepast worden op zaken, zooals met _aankondigen_
en _voorspellen_ wel het geval is, bijv. een daling van den barometer
kan niet _voorzeggen_.) _De geboorte van Jezus was reeds eeuwenlang
~voorzegd~_ (nl. door de profeten). Het woord wordt alleen in deftigen
stijl gebruikt.

       *       *       *       *       *

Door de terugkomst der zwaluw wordt de lente --.

Deze geleerde beweert, dat hij het weder een maand vooruit kan --.

Drie harde slagen op de deur --, dat er iets bijzonders gebeurd was.

»O zaalge Kerstnacht, ons zoo lang --!"

Eensklaps ging de wind liggen en dit scheen een orkaan --.

Zijn gefronst gelaat -- weinig goeds.

Het kanongebulder -- de geboorte van een prins aan.

Een kring om de maan -- regen en wind. (Niet _zeker_!)

Jezus had Zijn dood en verrijzenis aan Zijn discipelen --.


112. Buitenlandsch--uitheemsch--vreemd.

_Wat buiten onze grenzen thuis behoort._

~Buitenlandsch~ noemt men zoowel datgene, wat een ander land betreft,
als hetgeen er geschiedt of voorkomt en wel in tegenstelling met
binnenlandsch; bijv. het _buitenlandsch_ verkeer; de _buitenlandsche_
handel; _buitenlandsche_ berichten; _buitenlandsche_ onlusten.

~Uitheemsch~ is ook buitenlandsch, maar 't voegt er de gedachte bij,
dat het uitheemsche niet in ons eigen land voorkomt: _uitheemsche_
gebruiken. (»Uitheemsche" handel kan niet, immers in ons land is óók wel
handel.)--Daar men licht geneigd is, op hetgeen uitheemsch is, laag neer
te zien, heeft het soms een ongunstige beteekenis: _Gij moet nooit
~uitheemsche~ dingen navolgen._

~Vreemd~ beteekent: wat in ons land of in de naaste omgeving geheel
onbekend is en dus van verre streken afkomstig moet zijn. _Dit is een
~vreemde~ soort aardappel._

Verder kan ~vreemd~ nog andere beteekenissen hebben, als: niet van onze
familie: mijn zoon bracht een _vreemden_ gast mee; onbekend: zij is mij
geheel _vreemd_; ongewoon: een _vreemd_ geval; zonderling: een _vreemde_
kleeding; enz.

       *       *       *       *       *

De minister van -- zaken heeft zijn ontslag genomen.

Deze -- plant schijnt hier goed te tieren.

Dat is een -- plant; ik zie ze voor het eerst hier groeien.

Wat heeft die mijnheer -- gewoonten.

Wij zullen de volgende week een -- reisje maken.

In den Dierentuin vindt men prachtige -- gewassen.

In dien -- oorlog zijn heel wat menschen omgekomen.

Er heerschen in dat land -- zeden.

Als dit voorval maar geen aanleiding geeft tot -- verwikkelingen!


113. Bekennen--belijden.

_Zijn gevoelens of handelingen, die niet bekend waren, mededeelen._

~Bekennen~ duidt aan, dat men de bekentenis liever had verborgen
gehouden, maar door aandrang van buiten tot het mededeelen genoodzaakt
wordt. _De moordenaar moest tegenover zooveel deugdelijke bewijzen zijn
misdaad wel ~bekennen~._

~Belijden~ ziet meer op den innerlijken aandrang en gaat vooral met
een gevoel van berouw gepaard; het heeft dus een edeler beteekenis:
_Ootmoedig ~beleed~ hij zijn schuld._ Het wordt ook ten opzichte van
godsdienstige gevoelens gebruikt: _Zijn zonden ~belijden~._

       *       *       *       *       *

Hij wil zijn ongelijk nog niet --, maar wij zullen er hem wel toe
brengen.

Met een verslagen hart -- hij voor God zijn schuld.

Ik moet eerlijk --, dat ik hierin misgetast heb.

Door de wroeging van zijn geweten aangegrepen, -- hij zijn schuld.

_Gebruik ook in zinnen:_ Bekentenis en belijdenis.


114. Aanroepen--bidden--smeeken.

_Zich in nood of gevaar tot iemand wenden, ten einde diens hulp of
bijstand te verkrijgen of de vervulling zijner wenschen te erlangen._

~Aanroepen~ gebruikt men hoofdzakelijk, als men den Almachtige luide
en eenigszins gejaagd om hulp vraagt en zich daarbij geheel op Zijn
voorzienigheid verlaat. _~Roep~ Hem ~aan~ in den dag der benauwdheid en
Hij zal u ruste geven._

~Bidden~ onderstelt, dat men kalmer aan God (of iemand, die ons kan
helpen) om hulp vraagt, terwijl ~smeeken~ een vuriger en dringender
bede te kennen geeft. _De voorganger ~bad~ God om een voorspoedigen
oogst.--Hij ~smeekte~ Hem, het leven der kranke vorstin te sparen._

       *       *       *       *       *

De blinde -- om een aalmoes.

De ter dood veroordeelde -- om genade.

De schipbreukelingen hoorde men in hun doodsangst God --.

Ik -- u met een berouwvol hart om vergiffenis.

In alle kerken werd voor het behoud van den vrede --.

De radelooze moeder wierp zich op de knieën voor den wreeden soldaat en
-- hem haar kind niet te dooden.

Vóór Hugo de Groot zich in de boekenkist verborg, -- hij God om een
voorspoedige reis.


115. Afstand--verte--verwijdering.

_De ruimte tusschen twee voorwerpen._

~Verwijdering~ drukt uit, dat die tusschenruimte vroeger niet bestond.
Hoe meer men bijv. de stad achter zich laat, hoe grooter dus eigenlijk
de verwijdering wordt. Het gebruik wil echter, dat dit woord thans
alleen figuurlijk voorkomt. _Sedert er tusschen deze twee vrienden
~verwijdering~ is ontstaan, gaat ieder zijns weegs._

~Afstand~ duidt eenvoudig aan, dat er tusschen twee voorwerpen een
zekere ruimte bestaat als gevolg van den stand, dien zij ten opzichte
van elkander innemen. _De ~afstand~ tusschen Amsterdam en Baarn bedraagt
36 K.M._ (Waarom is hier _verwijdering_ niet gebruikelijk?)

~Verte~ wijst alleen het tegengestelde van nabijheid aan en duidt dus
altijd op een eenigszins grooteren afstand. Men kan dan ook niet zeggen
in _een_ verte, maar wel in _de_ verte, terwijl afstand wel degelijk het
lidwoord van onbepaaldheid kan hebben.

       *       *       *       *       *

Wanneer men een plaats al wandelend verlaat, neemt bij iedere schrede de
-- (het oorspronkelijke woord!) toe, d.w.z. men bevindt zich bij iederen
stap op grooteren -- van de stad, totdat men haar ten laatste nog
slechts in de -- kan zien.

Hij bleef steeds op een eerbiedigen --. (Waarom niet _verte_?)

Na den slag bij Nieuwpoort ontstond tusschen Maurits en Oldenbarnevelt
de eerste --.

De visschersvrouw staarde in de --, of zij het schip van haar man kon
ontdekken.

De -- tusschen vrijen en onvrijen werd vroeger streng bewaard.

De verschillende belangen, die deze twee vrienden hebben, deden
langzamerhand een -- ontstaan. Zij behandelen elkander nu altijd op
eenigen --.


116. Eeuwig--eindeloos--oneindig.

_Wat geen einde heeft._

~Eeuwig~ drukt oorspronkelijk uit, dat aan geen einde, maar ook aan geen
begin kan gedacht worden. In dezen zin kan men alleen zeggen: _God is
~eeuwig~._--Verder duidt het woord aan, dat er wel een begin is geweest,
maar dat er aan een einde onmogelijk kan gedacht worden: _het ~eeuwige~
leven_. Om dit denkbeeld van: onmogelijk te kunnen eindigen, aan te
duiden, gebruikt men ~eeuwig~ ook figuurlijk van zaken, waaraan
feitelijk wel een einde kan zijn, al wordt de mogelijkheid daarvan
uitgesloten: _het ~Eeuwig~ Edict_. (Het duurde toch maar 5 jaren!)

~Eindeloos~ wil zeggen, dat iets geen einde heeft, ofschoon zulk een
einde niet onmogelijk ware geweest. Terwijl ~eeuwig~ meer op den _tijd_
ziet, vestigt ~eindeloos~ meestal de aandacht op de _ruimte_. _Een
~eindelooze~ vlakte lag vóór mij._ (Voor mijn blik had die vlakte geen
einde; misschien was er wel een eind aan!)

Men spreekt van Gods _eeuwige_ liefde, omdat deze _ten_ _allen tijde_
zal voortduren; ook spreekt men van Gods _eindelooze_ liefde tot de
zondaren, om aan te duiden, dat het einde van die liefde wel mogelijk
ware geweest, maar dat God te goedertierend is, om die liefde een einde
te doen nemen. (Welk der beide woorden is dus sterker?)

~Oneindig~ duidt aan, dat er werkelijk aan de ruimte (of tijd) geen
einde is, bijv. _de rij der getallen is ~oneindig~_. Hieruit ontwikkelde
zich het begrip: onbegrensd, bijzonder groot, zóó groot zelfs, dat alle
afmetingen of grenzen wegvallen. Het wordt daarom gebruikt als bijw. van
graad: Een _oneindig_ groot verschil. Een _oneindig_ klein getal. Wat
beteekent nu: _Gods ~oneindige~ liefde_?

Waarom kan men niet spreken van een _oneindige_ vlakte? Waarom niet
van een _eeuwige_ vlakte? (Eeuwig is een tijdsbegrip, oneindig een
ruimtebegrip!) Waarom mag men God niet den _Eindelooze_ heeten?

Een _eindeloos_ krakeel schijnt geen einde te hebben; maar toch is dit
einde mogelijk, als de twist wordt bijgelegd. Een _eeuwig_ krakeel ziet
er op, dat er _ten allen tijde_ getwist wordt, dus wijst meer een
tijdsbegrip aan.

       *       *       *       *       *

Onze blikken zwierven door de -- ruimte (d.w.z. langs den sterrenhemel).

Wij lieten onze blikken over de -- heide dwalen.

Ik zal u -- beminnen.

In de wereld van het -- kleine treft men ook wonderen aan.

De zon is op een -- afstand van ons verwijderd.

De gewesten der Unie besloten ten -- dage verbonden te blijven.

Ik ben dat -- gebedel moede, en zal er dus voor goed een eind aan maken.

Er bestaat een -- groot verschil tusschen deze beide karakters.

Hij bleef maar tot in het -- doorredeneeren.

Hij zwierf reeds jaren op de -- baren.


117. Begrijpen--beseffen--bevatten--verstaan.

_Duidelijke kennis van iets hebben._

~Verstaan~ drukt alleen uit, dat de aangeboden kennis (het gehoorde,
gelezene enz.) ons geestelijk eigendom wordt, maar geeft niet aan, of
dit met of zonder moeite onzerzijds, geschiedt. _Druk je wat duidelijker
uit, ik ~versta~ je niet._ (Letterlijk zegt _verstaan_: bij iets blijven
staan, om het goed op te nemen; vandaar ook de beteekenis van goed
hooren: _Nog op grooten afstand kon men den spreker ~verstaan~._)

~Bevatten~ en ~begrijpen~ hebben het bijdenkbeeld, dat men zich moeite
geeft om van iets kennis te krijgen, terwijl zij verder onderstellen,
dat men voor het verwerven van die kennis eenige scherpzinnigheid moet
bezitten. ~Bevatten~ duidt aan, dat de zaak voor ons verstand niet te
_groot_ is, dat men ze kan _omvatten_, terwijl ~begrijpen~ er op wijst,
dat de zaak zoo nabij ons ligt, dat wij ze kunnen _grijpen_, m.a.w. dat
zij voor ons verstand niet te _hoog_ gaat. _Ik ~begrijp~ maar niet, dat
hij zich tot dien stap heeft laten overhalen_ (dat gaat _boven_ mijn
begrip). _Niemand kan de wijsheid des Scheppers ~bevatten~_ (in al haar
omvang doorgronden, daarvoor is ons verstand te klein). _Bevatten_ is
dus sterker dan _begrijpen_.

~Beseffen~ wil zeggen, dat wij met ons bewustzijn (besef) van iets
kennis krijgen, zoodat wij ons die kennis goed bewust zijn. _Hij
~besefte~, welk een verplichting hij op zich genomen had_, d.i. hij is
er zich ten volle bewust van; hij is er van doordrongen en overtuigd.

       *       *       *       *       *

Hij houdt zich, alsof hij mijn bedoeling niet --.

Hij -- zeer goed de kunst, om zich bij iemand ongemerkt in te dringen.

Al -- wij volkomen, dat wij met die verklaring ons vele vijanden zullen
berokkenen, willen wij ons er toch niet door laten terughouden.

Ons verstand is te klein om al de wonderen der schepping te --.

Ik -- zeer goed, dat de dichter in dit stuk op Oldenbarnevelt zinspeelt,
al kan ik van alle bijzonderheden de eigenlijke bedoeling niet --.

Hij -- maar niet, dat hij op die wijze zijn ondergang te gemoet gaat.

Dit hoofdartikel is zoo geleerd geschreven, dat ik er niets van kan --.


118. Driftig--oploopend--opvliegend.

_Spoedig zijn kalmte verliezend._

~Driftig~ duidt aan, dat men licht in drift geraakt (zie $Drift$); de
gemoedsbeweging is echter van geen langen duur.

~Opvliegend~ en ~oploopend~ wijzen er op, dat men van nature geneigd is,
spoedig in groote drift (d.i. toorn) te ontsteken; het is dus meer een
karaktertrek. Hierbij heeft ~opvliegend~ meer kracht dan ~oploopend~;
vliegen is immers sterker dan loopen. Wie dus dikwijls en om geringe
oorzaken driftig wordt, is oploopend of opvliegend.

Waarom kan men wel zeggen: hij _wordt_ driftig, maar niet hij _wordt_
oploopend of opvliegend?

       *       *       *       *       *

Bij het hooren van die tijding, maakte hij zich vreeselijk --.

Mijn neef heeft een -- karakter: bij de minste oorzaak stuift hij
geweldig op.

Ik ga niet graag met zulk een -- mensch om.

Hoewel hij kalm van aard is, wordt hij toch ook wel eens --.

Een onderwijzer, die -- van natuur is, is weinig geschikt voor zijn
betrekking.


119. Bedroefd--droevig--treurig--bedrukt.

_Het tegengestelde van blijde, opgewekt._

~Bedroefd~ wijst aan, dat de oorzaak der droefheid buiten ons ligt. _Hij
is zeer ~bedroefd~ over het verlies van zijn vader._

~Droevig~ en ~treurig~ laten in het midden, of de gemoedstoestand door
oorzaken van buiten teweeg gebracht wordt, dan wel een gevolg is van
innerlijke gesteldheid. Den ~bedroefde~ kan men van zijn smart bevrijden
door hem het verlorene terug te geven, of wel die smart kan door
troostwoorden eenigszins gelenigd worden; de ~droevige~ of ~treurige~ is
eigenlijk niet voor troost vatbaar (men weet immers de oorzaak niet!),
hij kan alleen opgevroolijkt worden.--~Droevig~ verschilt hierin van
~treurig~, dat het een kortstondiger toestand dan treurig aanwijst;
treurig is dus sterker. _Hij is reeds lang ~treurig~ gestemd; het wordt
tijd, hem op te vroolijken.--Haar ~droevige~ stemming van gisteren is
weer geheel geweken._

~Droevig~ en ~treurig~ worden ook van zaken gebezigd, om aan te duiden,
dat zij door een droevige of treurige stemming gekenmerkt zijn, of zulk
een stemming veroorzaken. _Het waren ~treurige~ dagen, toen de oorlog
het land verwoestte en den grond met bloed drenkte.--Het was een
~droevig~ oogenblik, toen hij bij zijn vertrek naar de Oost van zijn
oude moeder afscheid moest nemen.--Onlangs is hier een ~droevig~ ongeluk
gebeurd._ (Een _treurig_ is sterker!)

~Bedrukt~ wijst aan, dat iemand door zijn droefheid wordt terneergedrukt
en dit niet verbergt, zoodat zijn droefheid uit zijn houding blijkt, of
op zijn gelaat staat te lezen. _Toen ik hem ontmoette, zag hij zeer
~bedrukt~, zoodat ik aanstonds een onheil vermoedde._

       *       *       *       *       *

Het was voor ons een -- tijd, toen onze vader van oneerlijkheid
verdacht werd.

Hij was zoo -- over den dood zijner vrouw, dat men voor
verstandsverbijstering vreesde.

Het is een -- gezicht, als men op een blindenschool het jonge volkje
ziet zitten.

Het is --, dat Christenen elkander nog den oorlog aandoen.

Aan zijn -- gelaat zag ik reeds, dat hij niet geslaagd was.

Hij was zoo -- te moede, dat hij in niets belang stelde.

In Friesland heerschen nog -- toestanden. (Waarom niet _droevig_?)

Hij was zoo -- over het slechte gedrag van zijn zoon, dat hij oud werd
voor zijn tijd.

Zulke -- verhalen passen niet voor de dartele jeugd.

Huibert kwam, -- van zinnen, Moeder Duifkes woning binnen.


120. Aanvaarden--aannemen--op zich nemen--ontvangen.

_In het bezit van iets komen._

~Aannemen~ en ~ontvangen~ onderstellen, dat de zaak ons door een ander
wordt overgedragen; _aannemen_ drukt evenwel uit, dat men vrijwillig
van het voorwerp bezit neemt (actief), terwijl _ontvangen_ meer een
lijdelijk in bezit komen onderstelt. Men _ontvangt_ een wonde, maar men
_neemt_ ze niet _aan_. Men _ontvangt_ onderwijs (lijdelijk), maar men
_neemt_ iemands leerstellingen _aan_ (actief). Tegenover _ontvangen_
staat dus _geven_, tegenover _aannemen_ kan men _aanbieden_,
_overdragen_ stellen.

~Aanvaarden~ geeft evenals aannemen ook wel een vrijwillig inbezitnemen
te kennen, maar wijst er tevens op, dat die aanvaarding zekere plichten
van ons eischt, bijv. de regeering _aanvaarden_. Zoodra men dus de
verantwoording voor die plichten op zich neemt, zoodra men derhalve de
betrekking of waardigheid _begint_ uit te oefenen, _aanvaardt_ men
haar. _Hij heeft zijn benoeming tot voorzitter wel ~aangenomen~, maar
de functie nog niet ~aanvaard~._ Daar dit aanvaarden gewoonlijk met
eenige officiëele plechtigheid gepaard gaat (inhuldiging der Koningin,
installatie van een burgemeester), gebruikt men ~aanvaarden~ ook wel in
de beteekenis van aannemen, doch met het bijdenkbeeld van eenigszins
op plechtige wijze; wat aanvaard wordt, moet dus een zaak van belang
zijn, zoodat het in dit geval sterker of beleefder is dan aannemen.
_~Aanvaard~ dit geschenk mijner hoogachting. Ik ~aanvaard~ uw erkenning
van schuld._--Een geheel andere beteekenis heeft het woord in zinnen
als: een reis ~aanvaarden~, d.w.z. beginnen te ondernemen.

~Op zich nemen~ duidt aan, dat men zich verbindt iets te doen en de
verantwoordelijkheid daarvan voor zijn rekening neemt; het bepaalt
zich meestal tot het volbrengen van een enkele daad, terwijl
~aanvaarden~ een voortdurende verantwoordelijke werkzaamheid onderstelt.
_Hij ~nam op zich~, de verzoening tusschen de beide partijen tot stand
te brengen._ (Na de verzoening was zijn taak afgeloopen.)

       *       *       *       *       *

Hebt gij mijn rekening wel --?

Hebt gij den brief, met strafporto belast, --?

Zou hij het beschermheerschap onzer vereeniging willen --?

De nieuw gekozen voorzitter -- de benoeming aan en -- terstond zijn
functie; ook heeft hij --, eenige nieuwe leden aan te werven.

Ik verzoek u wel dit klein bewijs mijner erkentelijkheid te willen --.

Bij dien volksoploop -- menigeen een sabelhouw.

Ik --, u in zes maanden voor dat examen klaar te maken.

Het was van hem een edele daad, geheel alleen de verantwoordelijkheid
voor het tekort --.

Wanneer zullen wij den tocht --?

Hij heeft een opdracht van de regeering --, om een onderzoek naar den
oorsprong dezer ziekte in te stellen, maar men gelooft, dat hij die
opdracht niet zal --.

De secretaris --, den president bij de -- van diens waardigheid te
complimenteeren.


121. Zwerven--dolen--dwalen.

_Heen en weer gaan of trekken._

~Dwalen~ duidt aan, dat men den rechten weg, die naar het doel
voert, verlaten heeft, hetzij uit onkunde, hetzij uit achteloosheid
(vergissing); in den regel zal men dan trachten het juiste pad terug te
vinden. _Toen ik in het bosch van u afscheid genomen had, was ik den weg
vergeten en heb langen tijd ~gedwaald~._

~Dolen~ wijst aan, dat men geheel zonder doel rondtrekt, zooals bijv. de
dolende ridders van voorheen, òf dat men zóózeer is verdwaald, dat de
goede weg onmogelijk weer te vinden is. Het is dus sterker dan ~dwalen~.
_Wacht u voor een ~dolenden~ gids._

~Zwerven~ wijst een heen en weer trekken aan, waarbij men niet lang op
dezelfde plaats blijft, gewoonlijk als gevolg van de omstandigheid, dat
men geen vaste woonstede heeft. Een _zwervende_ volksstam. _Door de
bosschen te ~zwerven~ is een genot._ (In dezen zin gebruikt men ook wel
_dwalen_, maar dit is minder juist; immers bij _dwalen_ denkt men aan
den juisten weg, dien men kwijt is, welke bijgedachte in _zwerven_ niet
ligt opgesloten.) Verklaar nu:

    Een donkre den bekroont den heuvelspits,
    Een trotsche boom en de eenige in den omtrek.
    Gelijk een vinger, wenkend wie daar _doolt_,
    Wijst hij den weg den _afgedwaalden zwerver_.
                                    (Hélène Swarth.)

       *       *       *       *       *

Als de herder --, -- de schapen.

Een marskramer leidt een -- leven.

Don Quichot wilde evenals de -- ridder op avonturen uitgaan.

Ik geloof, dat gij op den -- weg zijt vervallen.

In vroegeren tijd hield men veel van een ingewikkelden --hof.

De Israëlieten moesten langen tijd tot straf door de woestijn --.

De afdeeling soldaten, die Amsterdam in 1650 moest verrassen, raakte op
de Gooische heide aan het --, zoodat de aanslag mislukte.

Ik geloof, dat gij hierin --; een ander heeft, naar ik meen, het
weefgetouw uitgevonden.


122. Gemeen--laag--ruw--plat.

_Wat ons fijn gevoel onaangenaam aandoet of kwetst._

~Gemeen~ is oorspronkelijk: wat aan allen eigen is, dus iets zeer
gewoons of alledaagsch (een ~gemeen~ soldaat); langzamerhand heeft
het echter het bijdenkbeeld gekregen van wat de onbeschaafde menigte
eigen is, zoodat het thans een zeer ongunstige beteekenis bezit, n.l.
schurkachtig, eerloos, liederlijk. _Een ~gemeene~ kerel is tot allerlei
schandelijke daden in staat._

~Laag~ is het tegengestelde van hoog, verheven, edel, en komt vrijwel
met gemeen overeen; het drukt vooral uit, dat iets met onze begrippen
van eer in strijd is. Een _lage_ daad is het bijv. een vriend een geheim
te ontlokken, om er zelf voordeel mee te doen.

~Plat~ wijst aan, dat er geen verheffing is en ziet hoofdzakelijk
op den onkieschen vorm, waarin men zijn gedachten uitdrukt. _Het
is tegenwoordig bij vele schrijvers gewoonte om allerlei ~platte~
uitdrukkingen uit den volksmond letterlijk weer te geven._ (Die
uitdrukkingen zijn op zich zelf niet kwaad bedoeld, maar zij doen ons
fijn gevoel toch onaangenaam aan.) Een _gemeene_ uitdrukking daarentegen
is niet alleen plat, maar ook hoogst onzedelijk: zij _kwetst_ ons
gevoel.

~Ruw~ gebruikt men, wanneer onder het platte, onbeschaafde uiterlijk
toch een goede of edele kern verscholen ligt, evenals een ruwe diamant
een groote innerlijke waarde verbergt. Bijv. een matroos kan ruw zijn en
toch een edel hart bezitten. Wij herinneren aan het bekende gedicht van
Asschenberg. Een blinde man zit aan den weg te bedelen; een rijk, deftig
heer geeft den stumper een .... oortje (¼ stuiver); maar een matroos,
die juist zijn gage heeft ontvangen, werpt hem een handvol zesthalven
toe met den uitroep: »Daar, blinde bl....! dat is beter dan een oortje!"
De uitdrukking was in dit geval wel eenigszins plat, maar niet laag of
gemeen: zij was alleen _ruw_. Gemeen of laag zouden die woorden geweest
zijn, als de _rijke_ ze gebezigd had; zij hadden dàn den ongelukkige
immers als een bespotting in de ooren geklonken en hem pijnlijk moeten
aandoen.

       *       *       *       *       *

Wie zijn besten vriend verraadt, handelt --.

Menig dronkaard slaat niet zelden -- taal uit.

Al zijn sommige uitdrukkingen uit de achterbuurten ook --, zij geven
niet zelden blijk van echten volkshumor.

Justus van Maurik teekende meermalen een -- zeebonk, die toch ons hart
weet te stelen.

Doodgaan van een mensch gezegd is --.

Een -- Griek wees den vijand een korteren weg door het gebergte aan.


123. Neigen--hellen--overhellen--overhangen.

_Een schuinen stand hebben._

~Hellen~ wijst eenvoudig aan, dat er een afwijking van den loodrechten
stand bestaat. _Deze muur ~helt~ naar links._

~Overhellen~ drukt het begrip iets sterker uit. _De toren begint
bedenkelijk ~over te hellen~._

~Overhangen~ is nog sterker; het wijst er op, dat het voorwerp reeds
bijna een horizontalen stand heeft gekregen en zoodoende zich boven een
andere plaats bevindt. _De ~overhangende~ takken zullen wij laten
kappen._

Alleen ~overhellen~ wordt figuurlijk gebruikt. _In den slag bij
Nieuwpoort bleef de strijd lang onbeslist, totdat eindelijk de
overwinning naar Maurits' zijde begon ~over te hellen~._ (Men denkt
hierbij onwillekeurig aan de balans, waarvan de tong overhelt. Werk het
beeld verder uit!)

~Neigen~ beteekent: in schuine richting nader bij den grond brengen of
buigen, en komt vooral overgankelijk voor. _De bloemen ~neigden~ haar
hoofd. »~Neig~, o God, Uw gunstige ooren!"_ (De Hoogere buigt zich tot
den lagere.)

       *       *       *       *       *

Toen hij in het water viel, greep hij zich nog bijtijds aan een -- tak
vast.

De meening der vergadering was aanvankelijk verdeeld; ten slotte echter
begon de meerderheid naar verwerping van het voorstel --.

De berg -- zoo steil naar het dal, dat hij slechts met moeite te
beklimmen is.

De dag -- ten einde.

Vroeger -- ook ik tot die meening over, thans ben ik tot andere
gedachten gekomen.

In enkele straten -- de huizen zoover over, dat zij op u dreigen neer te
vallen.

Reeds vroeg -- zijn hart zich tot het kwade.

Kent gij de wetten van het -- vlak?

Zijn heerschappij -- ten ondergang.


124. Durven--wagen--zich verstouten--zich vermeten.

_Den moed hebben om iets, dat gevaarlijk of moeilijk is, te ondernemen._

~Wagen~ onderstelt, dat er aan de onderneming gevaar verbonden is en dat
de uitslag niet zeker is, daar er zich verschillende zwarigheden kunnen
opdoen, die men vooraf niet had kunnen voorzien. _De vluchteling stond
eensklaps voor een breeden afgrond; toch ~waagde~ hij den sprong om zijn
vervolgers te ontkomen._

~Durven~ wijst aan, dat men den moed bezit, om het gevaar kalm te
trotseeren of de mogelijke nadeelige gevolgen van zijn daad op zich te
willen nemen. _Niettegenstaande het _»verboden toegang"_ ~durfde~ hij
toch in het bosch te wandelen. Niemand ~durfde~ zich in het brandende
huis te ~wagen~._ (Verklaar beide woorden: durven en wagen!)

~Zich verstouten~ wijst aan, dat men meer bij oogenblikkelijke opwelling
de vreesachtigheid overwint en dan moed voelt ontwaken. _Eerst ~durfde~
ik niet over de zaak te spreken, maar later ~verstoutte~ ik ~mij~ en
zeide hem de waarheid vlak in zijn gezicht._

Gaat het ~zich verstouten~ gepaard met overschatting van zijn kracht,
zoodat de onderneming groot gevaar loopt te mislukken, dan spreekt men
van ~zich vermeten~; het heeft dus altijd een min of meer ongunstige
bijbeteekenis. _Een vorst, die ~zich vermeet~, de rechten des volks met
voeten te treden, ondermijnt zelf zijn troon._

       *       *       *       *       *

Wie niet --, die niet wint.

Ik -- het u bijna niet te vertellen, wat hij van u gezegd heeft.

Een oogenblik weifelde hij; toen echter -- hij zich eensklaps en -- den
gevaarlijken sprong.

Hoe hij zich heeft -- --, zijn meerderen openlijk aan te vallen, kon
niemand zich begrijpen.

Gij kunt op mijn medewerking niet rekenen; aan zulk een onderneming --
ik niet mee te doen.

Ik -- het, uw hulp in te roepen.

Langen tijd verdroeg hij lijdelijk de spotternij zijner medeleden, tot
hij zich eensklaps -- hen een gevoelige afstraffing toe te dienen.

Wie zou zich --, Gods wegen te willen doorgronden?

»Goed zoo, ge--! om een buil niet geven, -- maar het harte, dan volgt
ook de voet!" (De Schaatsenrijder.)


125. Doorgaans--gewoonlijk--meestal.

_Wat bijna zonder uitzondering gebeurt._

~Doorgaans~ zegt, dat iets in de meeste gevallen plaats heeft, dus
zonder veel uitzonderingen. _Wij logeeren ~doorgaans~ iederen zomer in
Baarn._

~Gewoonlijk~ is sterker; het wijst op een gewoonte, een regelmaat,
waarop zoo goed als geen uitzonderingen bestaan. _~Gewoonlijk~ ben ik 's
avonds tusschen 7 en 8 het best te spreken._

~Meestal~ is het zwakst; het onderstelt wel een regel, maar voegt de
gedachte er bij, dat er nog wel eens uitzonderingen voorkomen. _Hij komt
~meestal~ te laat op school._ (~Gewoonlijk~ is sterker!)

       *       *       *       *       *

_Beproef, of in onderstaande zinnen meer dan één woord kan worden
ingevuld en geef in zulke gevallen telkens de gewijzigde beteekenis op._

De menschen stellen -- hun eigen belang boven dat van anderen.

De vreemdelingen bezoeken -- de prachtige ruïne op den berg.

In de zomervacantie hebben wij -- elken dag regen gehad.

Na een vermoeiende reis heeft mijn zuster -- hoofdpijn.

Op een natten zomer volgt -- een mooi najaar.

Men vindt -- bij de hoogste standen het minste levensgeluk.

Bij een westenwind komt er -- regen.

Deze polders werden in den winter -- overstroomd.

De wereld wil -- bedrogen zijn.

»De ouderdom komt met gebreken, En wie zeven kruisjes telt, Weet er --
van te spreken."


126. Volledig--volkomen--volmaakt.

_Waaraan niets ontbreekt._

~Volledig~ wijst aan, dat alle leden (of deelen), waaruit iets bestaat,
aanwezig zijn. Een _volledige_ jaargang van »Eigen Haard". Niets is dus
weg of achtergehouden.

~Volkomen~ beteekent, dat alle vereischte eigenschappen behoorlijk en
wel aanwezig zijn. Een _volkomen_ vierkant.

~Volmaakt~ is in den volstrekten zin: vrij van eenig gebrek. God alleen
is _volmaakt_. Daar echter alle menschelijk werk gebreken aankleven,
zou er niets volmaakts op de wereld zijn; het woord wordt dan ook meer
figuurlijk gebezigd in den zin van uitstekend, zóó, dat iets het
volmaakte zeer nabij komt. Een _volmaakte_ gezondheid. Hieruit is het
te verklaren, dat volkomen en volmaakt dikwijls voor elkander gebruikt
worden: Een _volkomen_ gezondheid.

       *       *       *       *       *

Dit verhaal schijnt mij niet -- toe.

Dit verhaal verdient geen -- geloof.

Hij was de -- ridder, dien men kende.

Ik heb een -- verzameling van onze postzegels.

Gij kunt -- op hem vertrouwen.

Op de volksschool behandel ik de spraakkunst niet meer --.

In deze klasse heerscht een -- orde.

Hij lijkt -- op zijn vader.

Ik ben het -- met u eens.

De dief legde een -- bekentenis af.


127. Vlieten--vloeien--stroomen.

_Beweging van niet-vaste stoffen._

~Vloeien~ duidt een zachte, kalme beweging van vloeistoffen aan: _Het
water ~vloeit~ over den grond.--De tranen ~vloeiden~ uit zijn oogen._

~Vlieten~ wijst een meer voortdurende, kalme beweging in dezelfde
richting aan, en wordt eveneens alleen van vloeistoffen gebruikt. Het is
iets sterker dan _vloeien_ en behoort bovendien meer tot de schrijftaal.
_De tranen ~vloten~ hem over de wangen._

~Stroomen~ duidt een sterker beweging dan vlieten aan en wordt ook van
gassen gebezigd. _De tranen ~stroomden~ hem over de wangen. De rivier
~stroomt~; het beekje ~vliet~. De lucht ~stroomt~ van alle kanten toe._

Verklaar nu de figuurlijke beteekenis van: Uit deze stelling _vloeit_
voort, dat de buitenhoeken van een driehoek samen 10 rechte hoeken
vormen.--Het volk _stroomde_ van alle zijden toe.

       *       *       *       *       *

Deze bron van inkomsten houdt weldra op te --.

Ik hoor duidelijk het gas uit de kraan --.

Zijn leven -- zacht en kalm daarheen. (Verklaar de teekenachtige
uitdrukking!)

De golven -- in wilde vaart over den dijk.

Een stille traan -- uit zijn oog.

Hieruit -- nog niet voort, dat ik u zal aanbevelen.

Kabbelend -- het beekje tusschen groene weilanden voort.

Een dichte menigte -- naar het feestterrein.


128. Vleugel--vlerk--wiek.

_Het lichaamsdeel om te vliegen._

~Vleugel~ zegt dit in het algemeen: zoowel vogels als insecten hebben
vleugels. Verder gebruikt men vleugel in figuurlijken zin om een vlugge
beweging aan te duiden. _De schrik hecht ~vleugelen~ aan zijn voet.--Op
~vleugelen~ der liefde kom ik tot u._

~Vlerk~ beteekent gewoonlijk een gevederde vleugel en kan dus letterlijk
alleen van vogels gebezigd worden.

~Wiek~ is hoofdzakelijk beperkt tot de deftige figuurlijke taal en komt
dan met vleugel overeen: het middel om zich snel te verplaatsen: _Op
de ~wieken~ der verbeelding._ (Alleen in enkele spreekwijzen van het
dagelijksch leven komt wiek voor: bijv. kortwieken, klapwieken, op eigen
wieken drijven.)

       *       *       *       *       *

De struisvogels hebben wel -- maar zij kunnen er niet mee vliegen.

Op de -- des winds naderde ons het heerlijke gezang.

»Bontge-- vlinders zweven in den nooitvolprezen Mei."

Dedalus wilde op wassen -- naar de zon vliegen.

Wat een paar prachtige -- bezit deze vogel.

Hij verhief zich op de -- der verbeelding in hooger sfeer.

De linker -- van dezen papegaai is verlamd.

De vrees hecht -- aan haar voeten.

Hij is niet in zijn -- geschoten.

Beschermend breidde hij de -- zijner liefde over mij uit.

De linker-- van het gebouw is verwoest.


129. Vernielen--verwoesten--vernietigen.

_Een einde aan 't bestaan van iets maken._

~Verwoesten~ zegt letterlijk: wat te voren een regelmatigen aanleg had
woest (tot een woestijn) maken; bij uitbreiding van beteekenis duidt het
ook aan: iets in een puinhoop doen verkeeren. _Het geheele land werd te
vuur en te zwaard ~verwoest~.--Bij het bombardement werd de schoone
hoofdkerk geheel ~verwoest~._

~Vernielen~ heeft alleen betrekking op voorwerpen; het duidt aan, dat
de deelen van elkander gescheiden worden, zoodat het voorwerp geheel
verminkt en onbruikbaar gemaakt wordt. _Dat meisje heeft al weer haar
pop ~vernield~._ (Waarom niet _verwoest_? Waarom kan men niet zeggen: De
stad werd _vernield_?)

~Vernietigen~ wil letterlijk zeggen: tot niet maken, dus zóó te werk
gaan, dat er niets overblijft. (Vernielen en verwoesten laten altijd nog
_iets_ achter.) Daar in de natuur geen volstrekte vernietiging denkbaar
is, gebruikt men het woord bij voorkeur in figuurlijken zin, om het te
niet doen van menschelijke instellingen of handelingen aan te wijzen.
_Het verdrag is weer ~vernietigd~._ In letterlijken zin komt het bijv.
voor in: _Ik heb uw brief ~vernietigd~_ (bijv. door verbranding); de
brief als zoodanig heeft daardoor geheel opgehouden te bestaan. Vandaar
dat het ook soms verdelgen beteekent: _De spreeuwen ~vernietigen~ veel
schadelijke insecten._

       *       *       *       *       *

De hagel heeft de boekweit --.

De hagel heeft de hoop op een goeden oogst --.

De Noormannen hebben vele steden in ons land --.

De nieuwe graaf -- vele voorrechten, door zijn voorgangers geschonken.

Foei, wat heb je dat boek verschrikkelijk --.

De sijsjes -- veel kleine insecten.

Bij den Beeldenstorm zijn vele kunstwerken --.

Men heeft langs scheikundigen weg een groot deel der archiefstukken --.

De uitbarsting van den Vesuvius heeft vier steden --.

De storm -- een groot deel der visschersschepen.

Napoleons krijgsmacht werd in de sneeuwvelden van Rusland grootendeels
--.

De jenever heeft zijn gezondheid totaal --.


130. Overeenkomst--verdrag--verbond.

_Het aangaan van wederzijdsche verplichtingen._

~Overeenkomst~ duidt aan, dat de belanghebbende partijen over de
voorwaarden tot overeenstemming zijn gekomen en zich verplichten, die te
zullen nakomen. _De schrijver heeft met den uitgever een ~overeenkomst~
aangegaan omtrent het copierecht van dit werk._

Wordt zulk een overeenkomst tusschen twee min of meer vijandige partijen
(ook staten) gesloten, ten einde hun geschillen of belangen bij te
leggen of te regelen, dan spreekt men van ~verdrag~. _Na het ~verdrag~
van Delft verloor Jacoba van Beieren allen invloed._

Wanneer personen of staten zich vereenigen om _een bepaald doel_ te
bereiken met in achtneming van zekere voorwaarden, dan spreekt men van
een ~verbond~. _Het Drievoudig ~Verbond~ redde ons land tijdelijk van
een oorlog met Frankrijk._ (Men zou Frankrijk, desnoodig, gezamenlijk
beoorlogen.)

Opmerking. ~Overeenkomst~ heet in betrekking tot personen ook wel
_contract_ en in betrekking tot staten of vorsten _conventie_; ~verdrag~
noemt men ook wel _tractaat_, en ~verbond~ heet soms _alliantie_, _unie_
of _compromis_.

       *       *       *       *       *

Deze makelaars hebben een -- getroffen, om een gelijk procent provisie
te rekenen.

Door het -- der Edelen werd de partij van den opstand eensklaps zeer
sterk.

Wij hebben met Frankrijk een nieuw handels-- gesloten.

De stedelijke regenten tijdens de Republiek hadden geheime -- aangegaan
om elkanders bloedverwanten te bevoordeelen.

Na het -- van Rastadt werden de vijandelijkheden gestaakt.

Men zegt, dat deze twee staten een -- hebben gesloten om den invloed van
Engeland tegen te gaan. (Doel!)

Naar men zegt, was er tusschen Engeland en Duitschland een geheime --
aangegaan, om elkanders vijanden in geenen deele te steunen.


131. Uitdenken--verzinnen--verdichten.

_Iets nieuws bedenken._

~Uitdenken~ wijst aan, dat men het gevondene uit verschillende reeds
aanwezige gegevens opzettelijk bedacht heeft en er zich op heeft
toegelegd een afgewerkt geheel te verkrijgen. Het heeft dus veel
overeenkomst met uitvinden, maar dit laatste onderstelt, dat ook het
bloote toeval den uitvinder kan helpen. _De beweegkracht voor die
machine is vernuftig ~uitgedacht~_ (d.w.z., uit de voorhanden gegevens,
n.l. de wetten van beweging, is deze nieuwe beweegkracht door het denken
gevonden).

~Verzinnen~ onderstelt ook wel een inspannen van onze gedachten, maar
het wijst er vooral op, dat de fantasie de hoofdrol vervult. _Het kost
mij veel moeite, allerlei voorbeelden te ~verzinnen~._ Soms duidt
~verzinnen~ aan, dat een of andere bewering, die men voor waarheid
uitgeeft, geheel onwaar is. _Dit bericht is van het begin tot het einde
geheel ~verzonnen~._

~Verdichten~ wijst er met nadruk op, dat het verzonnene als louter
vrucht der verbeelding geen geloof verdient; men wil dus het verdichte
niet als waarheid uitgeven, zooals bij _verzinnen_ het geval is. _De
hoofdpersoon in dezen historischen roman is geheel ~verdicht~._

       *       *       *       *       *

Een zeker Duitsch officier Drais moet de fiets hebben --.

De spreuk boven de deur is heel aardig --.

Sommigen beweren wel eens, dat de koene daad van Jan van Schaffelaar
geheel -- is.

Wat -- hij al niet, om mij zoo te belasteren!

Hij heeft een nieuw middel --, om een trein in volle vaart in een
oogenblik te doen stilstaan.

In de oudste geschiedenis van Rome is zeer veel --.

Ik moet iets --, om mijn wegblijven te verontschuldigen.


132. Straffen--bestraffen--tuchtigen--kastijden.

_Iemand doen boeten voor bedreven kwaad._

~Straffen~ zegt dit in het algemeen, dus zonder nadere aanduiding. _De
dief werd met 3 jaren gevangenis ~gestraft~._

~Bestraffen~ zegt, dat alleen een berisping (een afkeuring in woorden)
wordt toegediend, en heeft dus betrekking op mindere vergrijpen. _Voor
zijn lichtzinnig gedrag liep hij een ~bestraffing~ op._

~Tuchtigen~ en ~kastijden~ hebben de bijgedachte, dat men den gestrafte
wil verbeteren. ~Tuchtigen~ stelt de verbetering evenwel zoo goed
als onmogelijk voor en is dus min of meer een wraakneming, terwijl
~kastijden~ den gestrafte wel voor verbetering vatbaar acht. Bovendien
doet kastijden vooral aan lichamelijke straf denken. _De roofzuchtige
Kafferstammen werden door de Boeren meermalen ~getuchtigd~.--De vader
~kastijdde~ den ongehoorzamen knaap._

       *       *       *       *       *

De overtreder wordt met een geldboete --.

Wie wèl bemint, -- zijn kind.

De bediende ontving voor zijn onvoorzichtigheid een welverdiende --.

Sommige monniken -- zich.

Karel de Vijfde deed een tocht naar Algiers om de zeeroovers te --.

Hij is voor zijn misdaad reeds zwaar genoeg --.


133. Smart--verdriet--hartzeer--leed.

_Pijnlijke gemoedsaandoening._

~Smart~ is het pijnlijke gevoel, dat ons plotseling treft en hevig
aandoet. _De ~smart~ der ouders bij het vernemen van den dood van hun
kind is niet te beschrijven._ (In letterlijken zin beteekent smart:
lichamelijke pijn, maar wordt niet veel meer gebruikt.)

~Verdriet~ is de onaangename stemming, die zich van ons meester maakt,
wanneer het een of ander onzen geest kwelt; het ziet dus meer op een
smart van langer duur. _De ouders hadden veel ~verdriet~ van hun zoon_
(hij paste n.l. slecht op, en dit kwelde hen voortdurend).

Is het verdriet nog heviger, zoodat ons lichaam er onder lijdt, dan
spreekt men van ~hartzeer~; hoewel dus sterker dan verdriet, wordt
het minder openlijk geuit, ja meestal in 't verborgen gedragen. _Uit
~hartzeer~ over het slechte gedrag van zijn zoon is de vader aan een
uitterende ziekte gestorven._

~Leed~ is het kwaad, dat ons smartelijk treft, hetzij doordat het onze
hoop teleurstelt, of ons met rouw vervult; het doet ons dus korter of
langer tijd ~lijden~. _Moge God U voor dat ~leed~ bewaren_ (bijv. het
verlies van een kind).

       *       *       *       *       *

In diepe -- stonden de nabestaanden om het lijk geschaard.

Van -- over het verlies van zijn goeden naam is hij gestorven.

Het deed hem innig --, dat hij op de begrafenis niet tegenwoordig kon
zijn.

Met -- hebben wij den dood van onzen vriend vernomen.

Hij is sedert eenigen tijd zeer neerslachtig; men kan duidelijk zien,
dat hij -- heeft.

Het --, dat men den gevangen vrouwen aandeed, is te onmenschelijk om het
te beschrijven.

Met stille berusting droeg hij het --, dat hem wedervoer.

Hoezeer zijn binnenste door -- verteerd werd, liet hij niets van zijn
nameloos -- blijken.

Het huwelijk met dien eerloozen bedrieger werd haar een bron van --.


134. Behoedzaam--voorzichtig--omzichtig.

_Met overleg te werk gaande, om gevaar (schade) te vermijden._

~Behoedzaam~ duidt aan, dat men in gevaarlijke omstandigheden op zijn
hoede is om zich voor schade te vrijwaren. Men zorgt zooveel mogelijk
alles te voorkomen, wat het gevaar kan doen toenemen, terwijl men gereed
is om, mocht het gevaar ons naderen, het zooveel doenlijk af te weren.
_~Behoedzaam~, met het geladen geweer in de hand, naderde hij het hol
van den leeuw._

~Voorzichtig~ wijst aan, dat men zooveel mogelijk alle gevaren voorziet,
die zouden kunnen ontstaan; daardoor kan men zijn handelingen zóó
richten, dat men het gevaar tracht te ontgaan. _Hij was ~voorzichtig~
genoeg om zich niet terstond door een belofte te verbinden. Gij moet het
~voorzichtig~ behandelen_, d.i. alle voorzorgen in acht nemen, dat het
voorwerp niet breekt.

~Omzichtig~ is hij, die te midden van gevaren naar alle kanten om zich
ziet, of er soms gevaar dreigt. Het heeft dus eenigszins de beteekenis
van behoedzaam, maar het is nog sterker.

De voorzichtige berekent vooraf de kansen, de behoedzame is zelden
voortvarend, de omzichtige is vaak wantrouwend. (Verklaar de
eigenschappen!)

       *       *       *       *       *

De dief was -- genoeg, om zich vooraf een masker voor te doen; hij liep
-- den tuin door om op alle verdachte geluiden te letten, en eindelijk
klom hij -- het venster binnen.

Er waait een gure wind; gij moogt dus wel -- zijn en u warm aankleeden.

Bij het kiezen van uw vrienden moet gij -- te werk gaan.

Wij hebben de weduwe -- den dood van haar echtgenoot medegedeeld.

De sluipmoordenaar naderde -- zijn slachtoffer, om hem niet te wekken.

In gevaarvolle tijden is een -- leidsman noodig.

De orang-oetan klimt meestal langzaam en --, maar tevens met groote
zekerheid. Wil hij van den eenen boom in den anderen komen, dan slingert
hij zich er -- heen.


135. Altijd--altoos--steeds--immer--gedurig.

_Wat zonder ophouden of uitzondering geschiedt._

~Altoos~ en ~altijd~ zeggen dit zoowel van het verledene als van het
toekomende: _Hij is ~altijd~ een braaf man geweest en zal het ~altoos~
blijven._ Hoewel beide woorden meestal geheel zonder onderscheid in
beteekenis voor elkander gebruikt worden, schijnt ~altoos~ meer het
begrip van herhaling, en ~altijd~ dat van voortduring aan te duiden.
_Ik heb dien hond wel twintigmaal weggejaagd, maar hij komt ~altoos~
weer terug. Ik zal u ~altijd~ dankbaar blijven._ Bovendien begint
_altoos_ meer en meer uit de schrijftaal te verdwijnen; zelfs in de
spreektaal komt het niet meer zoo vaak voor.

Evenals ~altijd~ ziet ook ~steeds~ op een onafgebroken voortduring
zoowel in 't verleden als in de toekomst. Hoewel het in spreektaal
gewoonlijk en in de schrijftaal vaak door ~altijd~ vervangen wordt, is
het toch iets sterker dan ~altijd~. Het is n.l. met de bijwoordelijke
_s_ afgeleid van 't oude bijv. nw. _stede_ (verwant met _stad_), dat
~vast~, ~bestendig~ beteekende. Vandaar geeft ~steeds~ een onafgebroken
voortduring te kennen, die van standvastigheid, bestendigheid,
duurzaamheid getuigt, en wordt dus bij voorkeur in _goeden_ zin
gebezigd. _Hij was mij ~steeds~ getrouw_ (niet bijv.: _~steeds~
ontrouw_). Dit is dus iets sterker dan: _Hij was mij ~altijd~ getrouw_,
daar _steeds_ de bestendigheid nog sterker doet uitkomen.

~Immer~ ziet uitsluitend op de toekomst en duidt dan (sterker nog dan
altijd) een onafgebroken voortduring der werking aan: _Ik zal u ~immer~
getrouw blijven._

~Gedurig~ duidde oorspronkelijk óók het begrip van onafgebroken
voortduring aan, maar beteekent thans meer een herhaling der werking en
is dan minder sterk dan altoos. _Hij komt ~gedurig~ hier._

Wij zien dus, dat met uitzondering van ~gedurig~ in zijn tegenwoordige
beteekenis het woord ~altijd~ in alle gevallen kan gebruikt worden. Denk
daaraan bij de volgende zinnen.

       *       *       *       *       *

Ik heb het hem wel honderdmaal verboden en toch doet hij het -- weer.

Ik zal mijn woord -- gestand doen.

Ik vind het vervelend, dat hij mij -- lastig komt vallen.

In dien storm heb ik -- aan u gedacht.

Men moet -- zijn plicht doen.

Als gij zoo kort in de buurt komt wonen, moet gij mij -- eens opzoeken.

Ofschoon ik u ga verlaten, zal ik toch -- aan u denken.

Als ik hem iets vraag, geeft hij mij -- een norsch antwoord.

Hij vatte -- weer het plan op, om uit de gevangenis te vluchten.

Ik heb het -- wel gezegd, dat hij niet te vertrouwen is.

De koning was -- door een drom laaghartige vleiers omringd.


136. Intrekken--afschaffen--herroepen.

_Een bestaande verordening of gewoonte te niet doen._

Geschiedt de tenietdoening door een bepaald persoon of door de overheid,
dan gebruikt men ~intrekken~ of ~herroepen~, terwijl ~afschaffen~
aanduidt, dat vooral de veranderde tijdsomstandigheden veel invloed
op het te niet doen uitoefenen. Men gebruikt daarom ~afschaffen~
vooral van gebruiken, gewoonten of instellingen, die verouderd zijn.
_De Oudhollandsche kermis wordt meer en meer ~afgeschaft~._ Daarentegen
gebruikt men ~intrekken~ en ~herroepen~ van wetten, besluiten, woorden,
enz., waarbij een bepaalde persoon betrokken is. ~Herroepen~ onderstelt
vaak (niet altijd) een dwang van anderen, terwijl ~intrekken~ meer
een handeling uit eigen beweging aanduidt; bovendien wordt intrekken
steeds gebezigd van voorstellen, die nog niet tot wet verheven zijn.
~Herroepen~ wijst er op, dat iets vroeger is uitgeroepen, luide
verkondigd, wat ~intrekken~ niet onderstelt. _Hij moest zijn lasterlijke
beschuldiging openlijk ~herroepen~. Bij de troonsbestijging van Karel
II werd de Acte van Seclusie ~ingetrokken~._ (Zij was vroeger in 't
geheim uitgevaardigd, niet openlijk afgekondigd.)

       *       *       *       *       *

Na de bevrijding van de Fransche overheersching werd de censuur weer --.

Men wilde hem dwingen zijn leerstellingen te --.

De voorgestelde wet op het lager onderwijs zal worden --.

Het zoogenaamde »plukgeld" (opcenten bij verpachtingen) is reeds in vele
streken --.

Uit eigen beweging heeft hij zijn lasterlijke woorden --.

Door den graaf werden bij de aanvaarding van zijn regeering verscheidene
privilegies --.

Men dwong den lasteraar openlijk zijn beschuldiging te --.

Na de -- van het Edict van Nantes kwamen zich hier vele vluchtelingen
vestigen.

Bij de komst der Franschen werd de pijnbank --.

De hinderlijke bepalingen op het wielrijden werden --.


137. Achteloos--onachtzaam--onoplettend--slordig.

_De noodige zorg missende._

~Achteloos~ en ~onachtzaam~ geven aan, dat men op zijn zaken of plichten
niet voldoende acht geeft; onachtzaam slaat op een bepaald geval, op een
_fout_, terwijl achteloos op een gewoonte, een _gebrek_ wijst. _Uit
~onachtzaamheid~ stiet hij het glas van de tafel. Van iemand, die zoo
~achteloos~ als hij is, kan men geen degelijk werk verwachten._

~Onoplettend~ is hij, die niet opmerkzaam is op hetgeen hij doen moet;
hij heeft zijn aandacht niet bij de zaak en loopt er te vluchtig over
heen. _Als hij zoo ~onoplettend~ werkt, zal hij zich voortdurend
vergissen._

Is iemand achteloos uit traagheid of onordelijkheid, zoodat hij zijn
zaken niet voldoende behartigt, dan noemt men hem ~slordig~; het is nog
sterker dan achteloos. _Deze ontvanger is een ~slordig~ administrateur:
zijn boeken zijn nooit in orde._

       *       *       *       *       *

Als gij zoo -- met uw geldzaken zijt, zult gij spoedig arm zijn.

De cipier was zoo --, dat de gevangene gemakkelijk kon ontsnappen.

Het is geen wonder, dat hij zijn zaken weer in de war heeft gestuurd;
hij is er -- genoeg voor.

Uit zijn -- kleeding blijkt voldoende, dat hij -- van aard is.

Hij heeft zoo -- toegezien, dat hij niet eens mijn heengaan bemerkte.

Waarom zijt gij zoo -- geweest, dat gij bij uw vertrek de deur niet hebt
gesloten?


138. Afgunst--wangunst--nijd--naijver.

_Leedgevoel over het geluk van anderen._

~Naijver~ drukt dit het zachtst uit; het onderstelt dat men mededingers
heeft, die men voorbij wil streven. _In zijn ~naijver~ op den bijval,
dien zijn kunstbroeders inoogstten, liet de clown zich tot een
gevaarlijken sprong in den circus verleiden._

~Afgunst~ duidt aan, dat men aan een ander niet gunt, wat hij bezit of
ontvangt, terwijl ~wangunst~ bovendien te kennen geeft, dat men hetgeen
een ander ten deel valt, zelf wenscht te bezitten.

~Nijd~ is nog sterker dan wangunst; het wijst aan, dat iemands welvaart
oorzaak is, dat men hem óók nog een kwaad hart toedraagt. (Vergelijk:
brood~nijd~!)

_Hoe hooger hij in de gunst des konings steeg, hoe meer hij daardoor
de ~afgunst~ der overige hovelingen opwekte._ Sterker zou in dezen
zin _nijd_ zijn, immers dan duidde men aan, dat de hovelingen hem ook
vijandig gezind waren en hem misschien wel ten val zochten te brengen.
_Wangunst_ zou gebruikt moeten worden, als de hovelingen in zijn plaats
wilden komen.

       *       *       *       *       *

De kleine Willem was boos, dat zijn zusje van

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/34784