Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Handboek voor Bijenhouders

by J. Dirks · Dutch · Gutenberg #34590 · 580,795 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Handboek voor Bijenhouders
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Handboek voor Bijenhouders

Author: J. Dirks


        
Release date: December 7, 2010 [eBook #34590]
                Most recently updated: February 4, 2011

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/34590

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
        Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HANDBOEK VOOR BIJENHOUDERS ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg








                      HANDBOEK VOOR BIJENHOUDERS,

                                 Waarin

          De natuurlijke geschiedenis der bijen, en hare teelt
           volgens de Dzierzon'sche methode, naar de jongste
                    waarnemingen worden medegedeeld,

                                 Door

                               J. DIRKS.




                               Dordrecht.

                              P. K. Braat.

                                 1861.







                                  AAN
                            ZIJNE MAJESTEIT
                                  DEN
                        KONING DER NEDERLANDEN,
                                 WORDT
                                DIT WERK
                     MET VERSCHULDIGDE HOOGACHTING
                          EERBIEDIG OPGEDRAGEN
                                  DOOR
                           ZIJNER MAJESTEITS
                          GETROUWEN ONDERDAAN,

                               J. DIRKS.







VOORBERIGT.


Met een enkel woord moet ik den lezer mededeelen, dat een vriend mij
heeft bijgestaan, om deze bladen het licht te doen zien. Zoowel door
het teekenen der figuren, als door het omwerken van mijn handschrift,
dat voor de pers minder geschikt was, heeft hij mij eene dienst
bewezen.

Daar enkele onnaauwkeurigheden eerst na het afdrukken door mij ontdekt
zijn, zoo is het noodig de achterstaande verbeteringen op te geven. De
lezer vergeve het, dat die misstellingen in den tekst zijn ingeslopen,
verschoone het gebrekkige, dat mijn arbeid nog mag aankleven, en doe
zijn voordeel mei het goede, dat er in gevonden wordt!


    Lunteren, Januarij 1861.

        J. D.





VERBETERINGEN.


Bl.  9 reg.  2 v.b. staat:  gekerfde insecten, lees: insecten of
                            gekorven dieren.

,,  14  ,,  15 v.b.    ,,   voeren zij dan met den snuit door eene
                            kleine opening, die zoowel daartoe, als
                            tot toetreding der lucht, in de cel gelaten
                            is, lees: bijten dan op zijde van de cel
                            een gaatje, waardoor zij van tijd tot tijd
                            den snuit steken, en van de werkbijen het
                            voedsel ontvangen; dit gaatje dient tevens
                            tot toetreding der lucht.

,,  17  ,,  13 v.o.    ,,   zulk een stok zal meestal niet zwermen,
                            maar zoodra ééne moederbij is uitgeloopen,
                            zullen de bijen de overige afmaken, indien
                            hij echter nog een zwerm geeft, dan is dit
                            gewoonlijk na 12 à 14 dagen, lees: van zulk
                            een stok kan men gewoonlijk na 12 à 14
                            dagen een zwerm verwachten, indien het weder
                            niet ongunstig is; dan zullen zij de
                            overtollige moederbijen meestal afmaken, in
                            welk geval de stok dat jaar met zekerheid
                            niet meer zwermen zal.

,,  20  ,,  11 v.b.    ,,   den stok, lees: de stokken.

,,  46  ,,  11 v.o.    ,,   den honigvoorraad, lees: honig en
                            bloemenstof.

,,  46  ,,   3 v.o.  hierachter te lezen: Behalve tot het uitbroeijen
                            van hommels, dienen de hommelcellen ook om
                            er honig, doch nimmer om er bloemenstof in
                            op te leggen.

,,  48  ,,  10 v.o.  staat:  klein, lees: kort.

,, 156  ,,  19 v.o.    ,,    in          ,,       tegen.

,, 170  ,,   1 v.b.    ,,    zal         ,,       kan.

,, 185  ,,  15 v.b.    ,,    hupcel      ,,       hulpcel.







INHOUD.


                                                                  Bladz.

INLEIDING                                                             1

De bijen bevorderen de bevruchting bij de planten, bl. 1. Onkunde
van vele bijenhouders, bl. 2. In Duitschland bestaat eene groote
belangstelling in de bijenteelt, bl. 3. Dzierzon'sche bijenwoningen,
bl. 3. Verdeeling der landstreken in honigrijke en honigarme,
bl. 6. Bijengeluk, bl. 7.


I. NATUURLIJKE GESCHIEDENIS DER BIJEN                                 9

De bijen behoeven warmte en ontwikkelen die, bl. 9. Zij leven in
familiën, die koloniën of stokken heeten, bl. 10. Soorten van bijen,
bl. 10. Vermeerdering der stokken, bl. 10.


DE MOEDERBIJ OF KONINGIN                                             11

De koningin is het hoofd van den stok, bl. 11. Zij is de moeder
van al de bijen, bl. 11. Italiaansche bijen, bl. 11. Beschrijving
der koningin, bl. 12. Zij gebruikt den angel alleen tegen haars
gelijken, bl. 12. Onverdraagzaamheid der koninginnen onderling,
bl. 12. De koningin bezit het vermogen om geluid voort te brengen,
bl. 13. De bijen herkennen elkander, bl. 15. Het aankweeken
van moederbijen, bl. 15. Uit ongedekt werkbijenbroed kan eene
koningin worden aangekweekt, bl. 17. De bevruchting der moederbij,
bl. 17. Eene bevruchte moederbij vliegt niet uit, bl. 19. Mannelijke
eijeren behoeven geene bevruchting, bl. 19. Hommelbroedige stokken,
bl. 20. Eene bevruchte koningin wordt hoog geschat, bl. 21. Zij kan
willekeurig mannelijke of vrouwelijke eijeren leggen, bl. 21. Haar
voortteelend vermogen is bijzonder groot, bl. 21.


DE HOMMELS OF MANNETJES-BIJEN                                        22

Beschrijving van de hommels, bl. 23. Zij heeten ook muzikanten,
bl. 23. Strijd over hun geslacht, bl. 23. Zij worden ten onregte
broedbijen genoemd, bl. 25. Wanneer zij aangekweekt worden, bl. 26. Het
is goed hunne aankweeking tegen te gaan, bl. 26. De paring, bl. 27. De
hommelslagt, bl. 27.


DE WERKBIJEN                                                         28

De werkbijen verrigten alle bezigheden, bl. 28. Haar levensduur,
bl. 28. Beschrijving van de werkbij, bl. 29. Hare ontwikkeling in de
cel, bl. 31. Zij kent hare woning, bl. 32. Het verdwalen op andere
woningen, bl. 33. Het geslacht der werkbij, bl. 34. Hare eijerlage,
bl. 34.


BEZIGHEDEN DER WERKBIJEN BUITEN DE WONING                            35

Het wachthouden, bl. 35. Het luchtpompen, trommelen of stertsen,
bl. 36. Het voorliggen, bl. 36. Het voorspelen, bl. 37. Het waterhalen,
bl. 38. Het opzamelen van honig, bl. 38. Het opzamelen van bloemenstof,
bl. 40. Het opzamelen van voorwas, bl. 42. Het zoeken van eene nieuwe
woning, bl. 43.


BEZIGHEDEN DER WERKBIJEN IN DE WONING                                43

De wasbereiding en de cellenbouw, bl. 43. De vorming van het was,
bl. 43. Zij kost veel honig, bl. 44. Een nieuw opgezette zwerm bouwt
met spoed, bl. 44. Hoe de tafels gebouwd worden, bl. 45. De soorten van
cellen, bl. 46. Het verlengen der cellen, bl. 47. Het verkleuren der
tafels, bl. 48. Het verzegelen der cellen, bl. 48. Warme en koude bouw,
bl. 48. Kruisbouw, bl. 49. Het opleggen van den honig, bl. 49. Het
honigsap der bloemen behoeft geene verdere bewerking, bl. 49. Het
opleggen van het bloemenstof, bl. 50. Het verzorgen van het broed,
bl. 51. Het reinigen van de woning, bl. 52. Het verkitten, bl. 52.


HET ZWERMEN                                                          53

Hoe de zwermen ontstaan, bl. 53. Oorzaken van het zwermen,
bl. 55. Natuurlijke zwermen en kunstzwermen, bl. 57. Verdeeling der
natuurlijke zwermen, bl. 57. Voorzwermen, bl. 57. Wanneer men een
voorzwerm kan verwachten, bl. 57. Onvoorbereide zwermen, bl. 59. De
voorzwermen leveren het meeste voordeel op, bl. 60. Ouderdom der
moederbijen, bl. 62. Nazwermen, bl. 62. Wanneer men een nazwerm kan
verwachten, bl. 62. Nazwermen zijn minder waard dan voorzwermen,
bl. 62. Het nazwermen is soms zeer nadeelig, bl. 63. Hoe het wordt
tegengegaan, bl. 64. Hoe men een nazwerm weder met den moederstok
vereenigen kan, bl. 66. Hoe van een stok veel nazwermen getrokken
worden, bl. 67. Het vereenigen van zwermen, bl. 67. Zingende
voorzwermen, bl. 68. Maagdezwermen, bl. 69. Dubbelzwermen,
bl. 70. Vrijwillige vereeniging van zwermen, bl. 70. Hoe men den
vereenigden zwerm scheiden kan, bl. 70. Wat bij het vereenigen van
zwermen valt op te merken, bl. 72. Noodzwermen, bl. 72. Het afvliegen,
het aanleggen en het opvangen van zwermen, bl. 73. De werkbijen geven
de eerste aanleiding tot het afvliegen van den zwerm, bl. 73. Het
aanleggen van de zwermen, bl. 75. Het opvangen van de zwermen, bl. 75.


II. DE BIJENTEELT                                                    80


DE WONINGEN                                                          80

Eerste woningen met lossen bouw, bl. 81. Blad- of boek-woning,
bl. 81. Dzierzon's woningen, bl. 81. Liggende en staande woningen,
bl. 82. De breedte der woningen, bl. 82. De staafjes waaraan de
wastafels hangen, bl. 83. Hoe zij vervaardigd worden, bl. 83. De
zamenstelling der woningen, bl. 84. De liggende woning, bl. 85. De
staande woning, bl. 91. Zamengestelde woningen, bl. 93. De dubbele
woning, bl. 93. Zij is zeer geschikt om zwermen te vereenigen en te
verdeelen, bl. 94. De drievoudige woning, bl. 95. Zes- en negenvoudige
woningen, bl. 96. Eene woning waarvan de bovenwand weggenomen kan
worden, bl. 97. De voorregten van de woningen met lossen bouw,
bl. 100. Zij moeten stevig en met naauwkeurigheid gemaakt zijn,
bl. 102. Het gereed maken van eene woning, bl. 102. Het bevestigen
van wastafels aan de staafjes, bl. 104.


DE BIJENSTAL                                                        105

Bij het gebruik van Dzierzon'sche woningen kan de stal gemist worden,
bl. 105. Inrigting der bijenstallen, bl. 106. Het plaatsen van den
stal, bl. 109.


HET GEREEDSCHAP                                                     112

De rookpijp, bl. 112. De bijenkap, bl. 115. Messen, bl. 116. De gaffel,
bl. 117. De stommeknecht, bl. 117. De bok, bl. 119. Transportkastjes,
bl. 119. De stortbak, bl. 121. De schepper, bl. 122. Een ijzeren haak,
bl. 122. Moederhuisjes, bl. 122. Voederbakjes, bl. 125. De pers,
bl. 127. De wasketel, bl. 128.


HET AANHOUDEN EN HET KOOPEN VAN STOKKEN                             130

De bijen behoeven warmte, bl. 130. Sterke stokken behoeven naar
evenredigheid minder voedsel dan zwakke, bl. 131. Eene vroege
broedaanzetting is voordeelig, bl. 132. Het zuiveren van de woning in
het voorjaar, bl. 132. Het is van belang dat de wasbereiding vroeg
begint, bl. 132. Sterke stokken zwermen vroeg, bl. 133. Zij zamelen
naar verhouding meer in dan zwakke, bl. 134. Zij zijn beter bestand
tegen ongunstige toevallen, bl. 134. Zij kunnen de vijandelijke
aanvallen beter afweren, bl. 135. Men moet alleen volkrijke stokken
koopen, bl. 135. Men moet geene zwakke stokken inwinteren, bl. 137. De
stokken mogen niet verzwakt worden, bl. 138. Men moet steeds trachten
hen te versterken, bl. 138.


DE OVERWINTERING                                                    139

De bijen zijn bij ons niet inheemsch, bl. 139. Zij hebben geen
winterslaap, bl. 139. Eene goede verzorging in den winter is van veel
belang, bl. 140. De bijen moeten in den winter van een voldoenden
voorraad voorzien zijn, bl. 142. Zij moeten voor strenge koude beschut
worden, bl. 142. Luchtverversching, bl. 144. Het zonlicht mag in
den winter niet op de woning vallen, bl. 145. De woningen moeten
rustig staan, bl. 145. Men moet de stokken niet te vroeg inwinteren,
bl. 146. Wanneer men de bijen eene reinigings-uitvlugt kan laten
houden, bl. 147. Hoe men bijen, welke door de koude verstijfd zijn,
kan doen herleven, bl. 147. Zoodra men de bijen heeft laten vliegen,
moeten ook de bodems der woningen gezuiverd worden, bl. 148.


DE BROEDAANZETTING                                                  149

Men kan de bijen tot het broedaanzetten opwekken, bl. 149. Het is
nadeelig zoo de broedaanzetting te vroeg begint, bl. 149. Wanneer
moet zij beginnen? bl. 152. Warmte is een voornaam vereischte
voor het broeijen, bl. 158. Het vergrooten van het broednest,
bl. 154. Het verkleinen van het broednest, bl. 155. In den nazomer
moet de broedaanzetting belet worden, bl. 155. Bij het voêren moet
men zorgen geene aanleiding tot broeijen te geven, bl. 156. Wanneer
het wegnemen der moederbij een stok niet benadeelt, bl. 157. Het
broed kost veel honig, bl. 157.


HET VOÊREN                                                          158

Speculatief voêren, bl. 158. Bloemenstoftafels moeten bewaard worden
en hoe dit geschiedt, bl. 158. Het voêren in strookorven, bl. 159. Het
voêren in Dzierzon'sche woningen, bl. 161. In het voorjaar is het goed
water aan de bijen te geven, bl. 162. Men moet nooit met gekochten
honig voêren, bl. 163. Suiker en kandij geven geene aanleiding tot
rooven, bl. 163.


DE KUNSTZWERMEN OF AFLEGGERS                                        163

Het is van veel belang de zwermen kunstmatig te kunnen afdrijven,
bl. 163. Wanneer een stok zwermgeregt is, bl. 164. Onderscheid tusschen
natuurlijke zwermen en kunstzwermen, bl. 164. Het aftrommelen van
zwermen, bl. 165. Het maken van zwermen door Schirach's bedrog,
bl. 167. Kunstzwermen te maken door zamenvoeging van bijen uit
onderscheidene stokken, bl. 171. In plaats van met eene moederbij,
kan men ook met onbedekt broed een kunstzwerm zamenstellen,
bl. 172. Kunstzwermen te maken zonder een tweeden stand te behoeven,
bl. 173. Dit te doen door verdeeling van een stok, bl. 173. Het te
doen met broedtafels, die eene moedercel bevatten, bl. 175. Bezwaren,
die tegen het maken van kunstzwermen worden ingebragt, bl. 176.


HET ROOVEN                                                          177

De zoekers of schuimers, bl. 177. Gelukt het hun een stok binnen
te dringen, dan zal die spoedig eene prooi der roovers worden,
bl. 177. Wat aanleiding tot het rooven geeft, bl. 178. Wat men
vermijden moet om er geene aanleiding toe te geven, bl. 179. Waaraan
men de roovers herkent, bl. 179. Hoe het rooven wordt tegengegaan,
wanneer men eigenaar van den roovenden en den beroofden stok is,
bl. 180. Wat men te doen heeft indien de eerste een ander toebehoort,
bl. 182. Hoe men den roovenden stok kan ontdekken, bl. 183.


DE MOEDERLOOSHEID                                                   184

In een moederloozen stok kan toch hommelbroed zijn, bl. 184. Waaraan
men ontdekt of een hommelbroedige stok moederloos is, bl. 185. Eene
vruchtbare moederbij kan kunstmatig hommelbroedig gemaakt worden,
bl. 186. Aan zichzelven overgelaten moet een moederlooze stok
omkomen, bl. 186. Kan of wil men hem niet helpen, dan moet hij
gedood worden, bl. 186. Waaraan een moederlooze stok te herkennen is,
bl. 187. Waardoor de moederloosheid veroorzaakt wordt, bl. 190. Hoe
zij hersteld wordt, bl. 191.


DE ZIEKTEN                                                          194

De loop, bl. 194. Waardoor hij ontstaat, bl. 194. Hoe hij voorkomen
wordt, bl. 194. Hoe hij hersteld kan worden, bl. 195. Omstandigheden,
die den loop ten gevolge kunnen hebben, bl. 196. Hoe men ontdekt dat
een stok aan loop lijdt, bl. 198. De vuilbroed, bl. 199. Goedaardige
vuilbroed, bl. 199. Pestaardige vuilbroed, bl. 200. De voorjaars-ziekte
of dolheid, bl. 201.


DE VIJANDEN                                                         203

De mees, bl. 204. De specht, bl. 204. De muis, bl. 204. De padde,
bl. 205. De mieren, bl. 205. De wilde hommelbij, bl. 206. De wespen,
bl. 206. De luis, bl. 206. De spin, bl. 206. De wasmot, bl. 207. Er
zijn twee soorten, bl. 207. Wat men te doen heeft zoo zij zich in het
broednest gevestigd heeft, bl. 208. Hoe de wastafels voor de wasmot
beveiligd worden, bl. 209.


HET BESNIJDEN                                                       210

Is het besnijden noodig of niet? bl. 210. Wanneer moet het
geschieden? bl. 211. Waar en hoe men de stokken besnijdt, bl. 212. Hoe
het broednest van een stok vernieuwd kan worden, bl. 213.


HET BEDWELMEN                                                       214

Bedwelmen met bovist, of stuifzwam, bl. 214. Bedwelmen met buskruid,
bl. 215. Bedwelmen met zwavelether en chloroform, bl. 216.


DE BIJENSTEEK                                                       217

Waardoor de steeklust der bijen wordt opgewekt, bl. 217. Welke gevolgen
de steek na zich sleept, bl. 217. Hoe de gestoken deelen behandeld
moeten worden, bl. 218. De dragt en het weder hebben invloed op den
steeklust, bl. 218. Voorzorgen die men moet nemen, bl. 219.


HET REIZEN MET DE STOKKEN                                           220

Voorzorgen die men moet nemen om de stokken te kunnen vervoeren,
bl. 221. Hoe zij vervoerd worden, bl. 222. Hoe zij, ter bestemder
plaatse gekomen, behandeld worden, bl. 222. Het bezoeken der
boekweitvelden, bl. 223. Het reizen met Dzierzon'sche woningen,
bl. 225.


DE HONIG- EN WASOOGST                                               227

Hoe men in Noord-Braband daarbij te werk gaat, bl. 227. Het bezoeken
der heide, bl. 228. Hoe het werk uit de korven genomen wordt,
bl. 229. Het dooden der bijen met zwaveldamp, bl. 229. Het zuiveren van
den honig, bl. 230. De honig uit korven is met broed en bloemenstof
verontreinigd, bl. 231. Bij Dzierzon'sche woningen kan dat voorkomen
worden, bl. 231. Hoe de honigoogst bij die woningen plaats heeft,
bl. 232. Hoe men haar gereed maakt om er de heide mede te bezoeken,
bl. 232. Hoe men de stokken daarin behandelt als zij van de heide
zijn teruggebragt, bl. 232. Het zuiveren van het was, bl. 234. Hoe de
maden uit hommeltafels verwijderd worden, bl. 235. Hoe beschimmelde
wastafels gezuiverd worden, bl. 236. Het zuiveren van honig, die in
de cellen versuikerd is, bl. 236.


DE BEREIDING VAN MEDE EN AZIJN                                      237

De bereiding van mede, bl. 237. De bereiding van azijn, bl. 238.


BESLUIT                                                             239

Zamenvatting van verschillende werkzaamheden, zoo als die elkander
in den loop van het jaar opvolgen. November, bl. 239. December,
bl. 240. Januarij, bl. 241. Februarij, bl. 242. Maart, bl. 243. April,
bl. 243. Mei, bl. 244. Junij, bl. 245. Julij, bl. 248. Augustus,
bl. 250. September, bl. 251. October, bl. 251.







INLEIDING.


Wanneer wij in de lente of des zomers door de velden wandelen en den
rijken voorraad van bloemen aanschouwen, welker geur ons omgeeft, dan
is het voorzeker te bejammeren, dat daarin zulk een schat verborgen
is, die verloren moet gaan, omdat de arbeiders ontbreken, die alleen
in staat zijn hem te verzamelen. Die schat is de honig; die arbeiders
zijn de bijen.

Deze opmerking kwam mij menigmalen voor den geest, toen ik mij voor
eenige jaren met den landbouw bezig hield. Ik stelde er groot belang
in dat bij mij, zoowel op boerderij als akker, niets verloren ging,
en hoewel ik daarnaar streefde, toch bleef bij mij, even als bij zoo
velen, de honig onopgezameld.

Een goed landbouwer mogt, naar mijn inzien, niets verloren laten gaan,
van hetgeen zijn akker voortbrengt. Aan de bijen moest dus bij mij
eene plaats worden aangewezen, om ook datgene te verzamelen, wat de
Schepper in zoo ruime mate in de bloemen doet ontwikkelen, en dat
er, zonder eenig nadeel voor de verdere vorming van de vrucht of het
zaad, kan worden uitgenomen. Ja, men meent zelfs opgemerkt te hebben
dat vruchtboomen, die door bijen bevlogen worden, een ruimeren oogst
opleveren dan die, waarbij dit het geval niet is; door haar aanhoudend
heen en weder vliegen, bevorderen zij de uitstorting van het stuifmeel
of bevruchtend mannelijk zaad, op het vrouwelijk gedeelte der bloemen.

Ik zou dus bijenkweeker worden; eene mij geheel onbekende zaak. Er
waren echter in mijne nabijheid verscheidene personen, die zich,
als bijmiddel van bestaan, op de bijenteelt toelegden, bij wie ik
licht hoopte te vinden in wat mij duister was. In die hoop schafte ik
mij twee bevolkte bijenkorven aan. Maar hoe werd mijne verwachting
teleurgesteld! Bijna alle bijenkweekers meenen in het bezit te
zijn van geheimen, die zij aan geen ander mededeelen, ten einde er
alleen de vruchten van te plukken. Berlepsch zegt dan ook teregt:
"bij een bijenhouder om raad te vragen is even vruchtbaar, als dat
men in het hok van den hond brood gaat zoeken." Maar neen! niet allen
weigerden mij inlichtingen te geven; enkelen deelden mij als vriend
hunne geheimen mede. En wat leerde ik daaruit?--Dat die geheimen
grootendeels gegrond waren op onkunde en bijgeloof en die bijenkweekers
van de natuurlijke huishouding der bijen weinig of niets wisten en
alleen bijen-houders waren. Wat de een mij mededeelde, werd dikwerf
door den anderen weêrsproken, en toch verbonden beide aan het door hen
gezegde een onfeilbaar gunstig gevolg. Weinig over mijne leermeesters
voldaan, benijdde ik hun niets, dan het onbevreesd omgaan met deze
welgewapende dieren. Ik had hun gevraagd of er ook boeken bestonden,
die over de bijenteelt handelden, en op deze vraag een bevestigend
antwoord ontvangen; sommigen hadden een dergelijk boek, dat zij
weder van anderen hadden overgeschreven en het werd ook aan mij, als
vriend, geleend. Het grootste gedeelte van dit geheimzinnig schrift
kon ik niet lezen, en wat ik er van lezen kon, kwam mij voor, meest
onzin te zijn. Getrouw aan mijne belofte, om den schat van kennis,
die in hun geschrift lag opgesloten, aan geen ander mede te deelen,
gaf ik het geleende onder dankbetuiging terug, weinig voldaan met
hetgeen ik daardoor geleerd had. Ten slotte ontving ik den raad nog,
mij alleen op geschreven boeken te verlaten; want dat al wat over de
bijen gedrukt was, niet deugde. In strijd met dezen raad, zocht ik
naar eene handleiding.

Een der eerste werken, die mij in de handen kwamen, was: "Nieuwe
leerwijze omtrent de bijen en derzelver zoogenaamde magazijnenteelt,
door Rijkend Jakob Brouwer, 1809." Naar aanleiding hiervan, liet ik
mij magazijnkastjes maken, welke mij in het gebruik echter niet best
bevielen. De leerwijze van voornoemd werk beviel mij evenmin, als die
uit de drie bekroonde verhandelingen over de bijenteelt, uitgegeven
door de maatschappij ter bevordering van den landbouw te Amsterdam.

Het zag er dus met mijne bijenteelt in den beginne zeer treurig uit,
en de gedachte was mij niet vreemd, haar weder te laten varen, daar het
mij niet aanstond in den blinde te moeten voortwerken.--Toch wilde ik
nog beproeven of er niet eene leerwijze, gegrond op eigene ervaring,
te bekomen zou zijn; want al, wat mij tot dien tijd ten dienste stond,
was meestal geschreven door mannen, die hunne kennis niet aan de bron,
den bijenstok zelven, hadden opgedaan, en om over eene zaak met grond
te kunnen schrijven en anderen te leeren, moet men er zich zelf op
hebben toegelegd.

De heer R. J. Brouwer wendde zich reeds in 1809 naar
Duitschland. Daaruit meende ik te mogen afleiden, dat het vak destijds
daar reeds met meer belangstelling behandeld werd, dan bij ons. Ik
wilde beproeven of dit nog zoo was, en mijne verwachting werd nu
niet teleurgesteld. Dáár was men in de laatste jaren, op het gebied
der bijenteelt, met reuzenschreden vooruitgegaan, en mannen van
bekenden naam en verdienste achtten het dáár niet beneden zich, er
hunne belangstelling en zorg aan te wijden. Zoo b. v. Von Siebold,
Professor te Munchen; Doctor R. Leuckart, Professor te Giessen; baron
August von Berlepsch, op het ridderslot Seebach, bij Langensaltz
in Thuringen, en meer anderen, waaronder een aantal geestelijken en
onderwijzers der jeugd.

Schriftelijk wendde ik mij tot Von Berlepsch, die zich uitsluitend
met de bijenteelt bezighoudt, en dit alleen doet uit liefde voor de
zaak, daar hij een zeer vermogend man is. Spoedig ontving ik een
vriendelijk antwoord, waarin hij mij met de groote, in de laatste
jaren in Duitschland gemaakte, vorderingen bekend maakte, welke
hoofdzakelijk het gevolg waren van eene nieuwe soort van bijenwoningen,
door Dzierzon, Predikant te Carlsmarkt in Silezië, uitgevonden, en in
1845 door hem algemeen bekend gemaakt. In deze woningen kan men het
werk der bijen, even als de bladen van een boek, openslaan en haar
leven en zijn op het naauwkeurigst gadeslaan. Door de toezending van
eene zoodanige woning, stelde hij mij tevens in staat, mij van hare
doelmatigheid te overtuigen.

Van toen af herleefde mijn lust in de bijen, en is mij tot heden
bijgebleven. Het is mijne dagelijksche bezigheid, zoowel theoretisch
als praktisch, hierin op de tegenwoordige hoogte te komen, en ik
geloof dat deze poging niet geheel vruchteloos zal zijn; tot heden
vond ik echter tot mijn leedwezen hier te lande geen bijenkweekers, die
belang in de zaak stelden en lust hadden haar met mij te beoefenen. En
toch is zij die belangstelling overwaardig; want, in de wonderbare
huishouding van deze kleine dieren, ziet men zoo vele blijken van
de Almagt van Hem, die alles uit niets te voorschijn riep, dat hij,
die geen te koud opmerker is, gedrongen wordt de grootheid van den
Schepper, in Zijne schepselen te erkennen.

Onbekendheid met den aard van en vrees voor de bijen zijn zeker de
hoofdredenen, waarom men er hier te lande zoo weinig acht op slaat;
de wijze, waarop de bijenteelt hier tot heden werd beoefend, heeft
ook weinig aantrekkelijks. Werken op goed geluk alleen, kan toch
den geest niet bevredigen. Toegerust met de kennis van de natuur en
de huishouding der bijen, voorzien van de nieuwe woningen en bekend
met haar gebruik, zal men in de bijenteelt eene aangename bezigheid
vinden en ook in de slechtste jaren ten minste zooveel honig winnen,
dat men de rente van zijn kapitaal ruimschoots vergoed vindt.

Teregt zeide Von Ehrenfels: "de bijenteelt is de poëzij van
het landleven." Hoe velen, die landhuizen bewonen, zouden dit
moeten toestemmen, wanneer zij, door op hunne buitengoederen eene
plaats aan een bijenstand te gunnen, voor altijd de dikwerf daar
heerschende eentoonigheid verdreven. Daardoor zou dan tevens op eigen
grond verzameld worden, wat thans jaarlijks groote sommen naar het
buitenland voert; en zij, die de voordeelen niet voor zich behoefden,
zouden, behalve het genot dat hun het bijenkweeken zou verschaffen,
nog in staat zijn, door hun toedoen en zonder geldelijke opoffering,
een gezin het onderhoud te doen vinden. Ook voor den veldarbeider
zou het van belang zijn eenige stokken te bezitten, die hem jaarlijks
voordeel konden aanbrengen, zonder dat hij er veel voor zou behoeven
te verzuimen; want de nieuwe wijze van behandeling kan zoodanig worden
ingerigt, dat zij weinig tijd vereischt.

In de naburige Duitsche staten acht men de bijenteelt van zooveel
gewigt, dat de hooge regeringen haar, door het uitloven van premiën
aan de best bezette standen, zooveel mogelijk bevorderen. Zou het ook
voor ons land niet van belang zijn, dezen tak van nijverheid op een
hooger standpunt te brengen, door het algemeen er meer opmerkzaam
op, en meer bekend mede te doen worden? Zou het daartoe niet goed
zijn, aan eenige landbouwkundige inrigting in ons land, een rationeel
behandelden bijenstand te hebben, en den aldaar aanwezigen kweekelingen
theoretisch en praktisch onderwijs in dat vak te doen geven?

Daar er in onze taal geene handleiding bestaat, die op de hoogte van
den tegenwoordigen tijd is, en velen of niet bekend zijn met de werken,
die het buitenland oplevert, of de taal niet genoeg magtig, om die
duidelijk te bevatten, zoo heb ik mij voorgenomen in deze behoefte,
naar vermogen, te voorzien. Daar echter geen roem- of winzucht mij
aanspoort, zoo hoop ik dat men, bij de beoordeeling van mijn werk,
steeds in het oog zal houden, dat de liefde tot de bijenteelt en de
zucht om haar zooveel mogelijk te bevorderen, door anderen bekend te
maken, met wat mij bij ondervinding gebleken is goed en waar te zijn,
de eenige drijfveren zijn, die mij hebben doen besluiten deze bladen
het licht te doen zien.

Ik zal voornamelijk mededeelen, wat ik van de opgaven van anderen,
door eigen onderzoek, bewaarheid heb gevonden; slechts weinige zaken
zullen geheel van mij zelven zijn, en nu en dan zal ik mij veroorloven
ook datgene mede te deelen, wat mij door vertrouwde vrienden voor
waarheid is opgegeven; het geheel zal blijken geene nietswaardige
fabelen of geheimen te bevatten, zijnde het alleen gegrond op de
natuurlijke huishouding der bijen: slechts van zoodanige behandeling
mag men goede gevolgen verwachten; want geenerlei kunstmatige bewerking
kan goed slagen, wanneer zij met de natuur in strijd is.

Voor het theoretisch gedeelte zal ik voornamelijk Dzierzon volgen,
die in de laatste jaren, bij het gebruik van zijne woningen,
volgens zijne daarin gedane ontdekkingen, zijne nieuwe theorie
zamenstelde. Deze vond, even als zijne woningen, aanvankelijk veel
tegenstand, doch het aantal navolgers neemt thans aanhoudend toe. Op
de wereldtentoonstelling te Parijs was eene Dzierzon'sche bijenwoning
tentoongesteld, die met de medaille der tweede klasse werd bekroond,
vergezeld van een brief van den volgenden inhoud:


    "Monsieur!

    "La commission, nommée par l'académie nationale pour examiner
    les produits les plus remarquables de l'exposition universelle,
    a particulièrement fixé son attention sur vos ruches pour
    observer le travail des abeilles.

    "Nous pensons rendre justice a votre mérite en vous appelant à
    partager nos travaux et en vous offrant le titre de membre de
    notre assemblée.

    "L'extrait de nos statuts, consigné en marge de cette lettre,
    vous donnera les renseignements les plus nécessaires, sur le but
    de l'institution qui vous ouvre ses rangs.

    "Votre adhésion nous sera fort précieuse; recevez l'assurance
    de notre haute considération.


    "Le Président de l'académie nationale."


Eerst zal ik de natuurlijke geschiedenis en dan de teelt der bijen
behandelen. Men moet echter niet verwachten dat ik mij angstvallig
aan die verdeeling zal houden. Ik zal mij zoowel veroorloven, om in
de eerste afdeeling eenige practische bijzonderheden mede te deelen,
als dat ik in de tweede nog veel over de natuur der bijen, vooral
over haar leven in den winter, zeggen zal. Ik zal beginnen met een
enkel woord te spreken over de verdeeling der landstreken en over
het zoogenaamd bijengeluk.



De landstreken, waar de bijenteelt wordt uitgeoefend, verdeelt
men gewoonlijk in honigrijke en honigarme streken. Honigrijk wordt
eene streek genoemd, waar de bijen reeds in het vroege voorjaar iets
vinden, en die haar daarna gelegenheid geeft ruime voorjaarsbloemen,
zoo als de zaadbloem en die der vruchtboomen, te bevliegen, terwijl
zij daartoe des zomers de boekweit, de lindeboomen en de witte klaver,
en eindelijk in het najaar de heidebloem aanbiedt.--Honigarm noemt men
de zoodanige streken, waar de bloemen elkander niet geregeld opvolgen,
en de weide der bijen zich tot een korten tijd bepaalt, en soms eerst
laat begint; zoo zijn er in Noord-Braband vele streken, waar zij eerst
begint met de boekweit; op andere plaatsen vinden zij de zaadbloem
weder overvloedig, doch ook na deze weinig of niets meer. Het is
duidelijk dat men de behandeling van zijne bijen moet inrigten naar
de streek, waar men woont. Wat in de eene voordeelig was, zou dikwerf
in de andere verkeerd uitkomen, ja den eigenaar ten onder kunnen
brengen; doch zelden is eene streek zoo honigarm of men zal, met eene
behoorlijke kennis der bijen toegerust, bij eene goede behandeling,
zijne moeite beloond vinden. Het behoeft niet gezegd te worden dat,
wanneer men de bijen in eene honigrijke streek behandelt, als of
men in eene honigarme woonde, men daarmede altijd voordeeliger moet
uitkomen dan in de laatste het geval zou zijn; doch van de gunstiger
ligging gebruik makende, zal men de stokken reeds van honig voorzien
kunnen hebben, ja reeds natuurlijke en kunstzwermen kunnen bezitten,
terwijl in de andere nog aan geen zwermen te denken valt, en de bijen
soms zelfs nog gevoerd moeten worden.

In ons land hebben de honigarme streken verreweg de overhand en zij,
die de bijenteelt als middel van bestaan uitoefenen, bezoeken daarom
met hunne korven telkens die streken, waar de bijen steeds ruimere
bloemvelden kunnen bevliegen dan in hun omtrek. Het in dit werk
gezegde, zal voornamelijk op honigarme streken van toepassing zijn.



In ons land bestaat, even als in de meeste landen, het vooroordeel,
dat men, om voordeel van de bijenteelt te kunnen trekken, zoogenaamd
bijengeluk moet hebben. Zelden schrijft men den slechten uitslag aan
eigene onkunde, aan verkeerde behandeling toe; maar wijt hem meestal
aan gemis aan bijengeluk, en gaat soms zoover van te gelooven, dat
degene, die in zijne nabijheid er meer voorspoed mede heeft, dien
te danken heeft aan kunstgrepen en toovermiddelen, waardoor hij de
bijen zou dwingen honig te halen en was te bereiden, niet kunnende
gelooven, dat het gewaande toovermiddel alleen bestaat in de betere
behandeling. Den zoodanigen gaat het even als de buren van den kundigen
Claus. Deze had geluk en voorspoed met zijne bijen en zijn stand
vermeerderde van jaar tot jaar, terwijl zij niet vooruitgingen. Wanneer
de zijne reeds volop den kost hadden, ja voorraad oplegden, moesten zij
veeltijds de hunne nog met duur betaalden honig te hulp komen. Zijn
geluk ziende, zeiden zij hoofdschuddende en aan zijne toovermiddelen
denkende: "het gaat daar niet rigtig." Claus wist dit, en met hen
sprekende, zeide hij: "gij hebt regt, ik wend toovermiddelen aan
en ieder zal, en ook gij zult geluk hebben, na de goede aanwending
van mijne tovermiddelen." "Zij bestaan in drie spreuken, die ik u
gaarne wil mededeelen." Met belangstelling namen zij dat aanbod aan,
en hij deelde hun de volgende spreuken mede, waarin ik betuigen moet,
en alle deskundigen zullen mij dit toestemmen, dat alles bevat is,
wat een gunstig gevolg mag doen verwachten.

Eerste of Diamanten Spreuk: Wilt gij met voordeel bijen kweeken,
laat u dan vooraf goed onderrigten, hoe zij leven, wat zij gaarne
hebben en wat zij schuwen, wat haar voor- en wat haar nadeelig is.

Tweede of Gouden Spreuk: Alleen die stokken zijn nuttig, vruchtbaar
en bestand tegen de veranderingen van weersgesteldheid, die gezond
en volkrijk zijn. Ziekelijke en slecht bevolkte stokken brengen nooit
voordeel aan, maar gaan te gronde.

Derde of Zilveren Spreuk: Verzorgt de bijen in den winter goed.







I. NATUURLIJKE GESCHIEDENIS DER BIJEN.


De honigbij (Apis mellifica) behoort tot de vliesvleugelige, gekerfde
insecten, welke in groote hoeveelheden bij elkander leven. Zij doen
dit niet uit zucht tot gezelligheid, doch kunnen, alleen levende,
evenmin bestaan als zich voortplanten. Zoo als alle insecten zijn
het koudbloedige dieren, die echter, om te kunnen leven en tieren,
eene matige warmte behoeven van 55 tot 100 graden Fahrenheit. Bij een
warmtegraad van 50° F. en daar beneden, verstijven zij, en kunnen zich
niet meer bewegen. Heeft deze schijndood echter niet langer dan 48 uren
geduurd, zoo komen zij, in de warmte gebragt, weder geheel bij en zijn,
na een weinig laauwen, eenigzins verdunden honig gekregen te hebben,
weder gezond en geschikt voor hare gewone bezigheden. Doordringt de
vorst haar geheel, zoodat zij hard bevrozen zijn, dan komen zij,
hoewel in de warmte gebragt, niet meer tot het leven, ten minste
niet meer tot hare volle krachten terug, al bewogen zij zich nog
eenigzins. Zij zouden dus in onze luchtstreek niet kunnen leven,
indien zij niet in staat waren om in hare woningen den vereischten
warmtegraad te ontwikkelen; zij kunnen dit echter slechts wanneer
zij bij duizenden tot een digten tros vereenigd zijn. Zij wekken dan
de warmte op, door een aanhoudend beven met de vleugels, en door de
wrijving van hare ligchamen tegen elkander. De lucht, in de cellen
der wastafels besloten, en de haren van haar ligchaam doen van de
opgewekte warmte slechts weinig verloren gaan, daar beide haar
moeijelijk geleiden. Men zou dus een bijenzwerm, als een geheel
beschouwd, een warmbloedig dier kunnen noemen. Men kan de warmte,
die zij ontwikkelen, dagelijks waarnemen, door een thermometer
zoodanig in de woning te hangen, dat de kwikbol in het midden der
bijenmassa geplaatst is: ik zeg in het midden, omdat de warmtegraad
rondom de groep bijen tot op het vriespunt zou kunnen gedaald zijn,
terwijl hij in het midden nog meer dan 80° F. bedroeg.

Een in ééne woning bijeenverzamelde zwerm bijen heet bijenkolonie,
bijenstok, of kortweg stok, welke benaming alleen betrekking heeft op
de groep bijen, niet op de woning, hetzij zij deze zelf hebben gekozen
in een hollen boom, spleet van een muur of elders, hetzij zij door den
mensch in eene woning van hout of stroo zijn gebragt. Zoo zegt men:
de stok vliegt, de stok is sterk of zwak, is afgestorven, heeft zijne
woning verlaten enz. De tot een stok vereenigde bijen noemt men ook
het volk, en spreekt dan van een volkrijken of volkarmen stok.

Er zijn drie soorten van bijen, n. l. de moederbij of koningin, de
hommelbijen of mannetjes, ook meerels genoemd, en de werkbijen. In
gezonde stokken zijn de drie soorten slechts een gedeelte van het
jaar, gewoonlijk van het begin van Mei tot in Augustus, aanwezig;
want in deze worden de hommels eerst tegen de maand Mei aangekweekt,
en in het begin van Augustus niet meer noodig zijnde, door de werkbijen
uitgedreven of uitgehongerd.

De vermeerdering van het aantal stokken of koloniën heeft plaats door
dat een gedeelte van het volk van een stok, de woning verlaat. Men
noemt dit zwermen, en de nieuwe stok, die er door ontstaat, heet
zwerm. Een zwerm is niet altijd even talrijk: er zijn er van 2000,
10000, 20000, ja soms nog meer bijen. [1]





DE MOEDERBIJ OF KONINGIN.


De koningin verdient, als het hoofd van den geheelen stok, in de eerste
plaats door ons behandeld te worden. Gedurende hare tegenwoordigheid,
hebben alle werkzaamheden in den stok geregeld plaats; is zij echter
ziek geworden, of wat nog erger is, verloren gegaan of gestorven, dan
komt de geheele stok in onrust: verwarring, werkeloosheid en droefheid
heerschen daar, waar vroeger orde, vlijt en vreugde woonde! Het
getal neemt dan dagelijks door den dood af; want daar de koningin het
eenige, volkomen vrouwelijke wezen in den stok is, en zij alléén de
eijeren voor de drie soorten van bijen legt, zoo kunnen er bij haar
gemis geene aangekweekt worden, en gaat de geheele stok te gronde,
indien de werkbijen, door de aanwezigheid van eijeren of geschikt
broed, niet in staat zijn zich eene nieuwe regentes te verschaffen,
of indien de mensch er haar geene geven kan.

Het is lang en door sommigen hevig bestreden, dat de koningin de
eijeren voor de drie soorten van bijen verschafte. Men wilde dat er
zoogenaamde "hommelmoeders" waren, die de eijeren voor de hommels
legden; doch dat de koningin de moeder van al de bijen is, werd in
1853 bewezen. Dzierzon zette in het begin van Mei eene Italiaansche
[2] koningin in eene, met onze gewone bijen bevolkte, woning. Na
verloop van eene maand zag men reeds werkbijen en spoedig daarna ook
hommels, van de Italiaansche soort, onder de andere. In het begin der
maand September zag men nog maar enkele gewone bijen in de woning;
de stok was geheel van Italiaansch ras geworden, en in den zomer was
er niet één inlandsche hommel in geweest.--Behalve de beslissing van
bovengenoemd geschil, werd nu ook tevens aangetoond, hoe kort het leven
der werkbijen is; dat der koningin is veel langer, daar het tot vijf
jaren kan opklimmen, hetgeen men beproeven kan door eene jonge, reeds
bevruchte koningin, door het korten der vleugels, kenbaar te maken. [3]

De koningin is door hare gestalte, hare kleur en haar langzamen en
deftigen gang, gemakkelijk van de overige bijen te onderscheiden. De
kop is ronder, het borststuk breeder en het achterlijf loopt
spitser toe, dan bij de werkbijen; zij heeft even als de laatsten
zes beenen, welke echter merkelijk langer zijn, en vier vleugels,
die dezelfde lengte hebben, hoewel zij kleiner schijnen te zijn,
omdat het achterlijf, dat langer is, er onderuitsteekt. In den tijd
der sterkste eijerlage, van duizende eijeren zwanger gaande, vertoont
zij zich het langst; haar gang is dan het traagst en het vliegen haar
moeijelijk. Jonge, nog onbevruchte koninginnen loopen daarentegen
vlug en vliegen met gemak, zoodat men deze bij de behandeling meer
moet bewaken, wil men haar niet zien ontsnappen. De kleur is boven op
het ligchaam glanzend bruin, soms bijna zwart, terwijl het onderste
gedeelte en de beenen tot het gele overgaan. Het zal dus iemand,
die eens eene koningin gezien heeft, niet moeijelijk vallen haar
onder duizende werkbijen te herkennen.

Inwendig bevinden zich de eijerstok, het bevruchtingsblaasje en de
angel. Van den angel bedient de koningin zich alleen tegen haars
gelijken, om zich van eene mededingster te bevrijden, of zich tegen
haar te verdedigen.

De onverdraagzaamheid der koninginnen onderling is zeer
groot. Ontmoeten zij elkander, dan zullen zij, vooral in dat gedeelte
van het jaar, waarin de voortplanting het sterkst is, elkander
terstond aanvallen, en den strijd niet opgeven, voor dat eene der
partijen gedood is, waarbij de overblijvende ook soms, ten gevolge
van bekomen wonden, sterft of voor haar werk ongeschikt wordt, en
de stok, waartoe zij behoort, dus te gronde gaat. In den nazomer en
herfst, als de voortplantingsdrift sluimert, dulden zij soms elkanders
tegenwoordigheid. Er zijn toch voorbeelden, dat twee moederbijen in
één stok overwinterden; ook bij mij is dit eens voorgekomen. Met het
voorjaar houdt dit rustig zamenzijn op: eene der partijen moet dan
als offer vallen. Men kan van zulk een strijd getuige zijn, indien
men twee koninginnen onder een glas plaatst.

Het verdient opmerking, dat, terwijl de werkbijen bij de minste
drukking steken, men de koningin ongestraft kan in de hand nemen,
drukken en plagen, zonder dat zij zich van haar wapen zal bedienen;
voorzeker in de bewustheid verkeerende dat het steken haar dood,
en deze den ondergang van den geheelen stok ten gevolge heeft; want
de angel moet, door de zich daaraan bevindende weêrhaken, in de wond
achterblijven.

Sommigen meenen dat de koningin geene stem bezit. Zij heeft echter het
vermogen om geluid te geven.--Hoewel enkelen beweren ook de stem van
oude, bevruchte koninginnen gehoord te hebben, die er zich zeldzaam
van bedienen, zoo mogt het mij alleen gelukken, die van jonge, nog
onbevruchte te hooren, dat soms op een afstand van twee en meer
schreden mogelijk is.--In den zwermtijd, wanneer er soms tien en
meer jonge koninginnen in een stok gekweekt worden, hoort men er
somtijds in verscheidene stokken, gewoonlijk van het vallen van
den avond tot in den vroegen ochtend, gedurende een of meer dagen,
qua, qua roepen, terwijl andere wederom op een schellen toon thu,
thu antwoorden. Het doffe qua, qua, komt van jonge koninginnen,
die, hoewel volwassen zijnde, nog in de cel verblijven en deze niet
durven verlaten, uit vrees voor eene reeds uitgeloopen mededingster,
waarvan zij toch terstond een aanval zouden te vreezen hebben. Het
is dus zucht tot zelfbehoud, die haar in de cel doet blijven; zij
wil deze niet verlaten zonder zich verzekerd te hebben hoe het daar
buiten gaat. Berlepsch zegt daarom dat men haar qua, qua als eene
signaalsvraag kan beschouwen. Ontvangt zij daarop het schelle thu,
thu ten antwoord, dat eene jonge, de cel reeds verlaten hebbende
koningin doet hooren, dan blijft zij in hare cel terug; zoo niet, dan
verlaat zij die terstond, en wanneer zij dan nog andere qua, qua hoort
roepen, beantwoordt zij dit op hare beurt dadelijk met thu, thu. Verder
tracht zij, even als de eerst uitgeloopen en met den eersten nazwerm
afgevlogen koningin dit gedaan heeft, alle moederwiegen op te zoeken,
en de daarin aanwezige mededingsters te dooden. Wanneer de werkbijen
echter nog aan zwermen denken, dan verhinderen zij haar hierin, door de
cellen te omsingelen en zoo elken aanval af te weren. De in de cellen
opgesloten moederbijen voeren zij dan met den snuit door eene kleine
opening, die zoowel daartoe, als tot toetreding der lucht, in de cel
gelaten is. Wordt er daarentegen door de werkbijen aan geen verder
zwermen gedacht, dan laten zij het toe, dat de uitgeloopen koningin
de nog gesloten moedercellen opzoekt en de daarin aanwezigen doodt.

Sommigen meenen dat het doffe qua, qua van de overjarige, reeds
bevruchte koningin komt, dat echter niet mogelijk is, omdat deze den
stok altijd, eenige dagen voor het uitloopen der jonge moederbijen, met
den voorzwerm verlaat.--Wij moeten de zorg van den Schepper, voor de
instandhouding van het geschapene, hier weder in opmerken, dat Hij de
oude koningin als het ware de bewustheid schonk, dat zij niet bestand
zou zijn tegen een gevecht met een jonge, veel vluggere mededingster.

Hoort men in een stok, waarvan de voorzwerm is afgevlogen, geene
thutoonen meer, dan kan men verzekerd zijn dat er maar ééne jonge
moederbij aanwezig, en dus geen nazwerm te wachten is; daarentegen
kan men het als een zeker teeken beschouwen, dat men binnen drie
dagen van een stok een zwerm te wachten heeft, wanneer daarin het
thuten der hare cel verlaten hebbende koningin gehoord wordt, en
het weder, gebrek aan honig of te weinig volk dit niet beletten. Bij
deze zwermen bevinden zich gewoonlijk verscheidene koninginnen: ik
heb er eens een gehad waarin er tien waren. De oorzaak hiervan moet
daarin gezocht worden, dat wanneer de eenige thutende moederbij met
den zwerm afgaat, de overige gevangen gehoudene van de verwarring en
een onbewaakt oogenblik gebruik maken, om hare gevangenis te verlaten
en met den zwerm mede te gaan.

Soms worden van deze overtollige moederbijen, terstond op de
zwermplaats, reeds eenige afgemaakt; meestal vindt men haar echter
den volgenden morgen dood liggen, voor het vlieggat of op den bodem
van de woning, waarin men den zwerm gevangen heeft. Gewoonlijk wordt
de eerst uitgeloopen koningin algemeen als heerscheres verkozen. Niet
zelden gebeurt het echter ook, dat zij verscheidene partijen vormen,
die elk eene vorstin kiezen, in welk geval zij weder allen uit de
woning zwermen, en zich, meestal in afzonderlijke deelen, buiten
aanzetten. Men moet haar dan weder opvangen, en zet de woning, om
verdere moeite voor te komen, met een zoogenaamd bijenkleed gesloten,
gedurende 24 uren op eene donkere plaats; zij zullen dan meest altijd
de overtollige koninginnen dooden en in de woning blijven.

Het verdient opmerking dat de bijen niet alleen allen hare koningin,
maar ook elkander onderling herkennen. Eene bij, op een vreemden stok
komende, is meest altijd een kind des doods. Men veronderstelt dat
elke koningin een eigenaardigen reuk van zich geeft, die zich aan de
overige bijen mededeelt, en deze daardoor in staat stelt elkander
te herkennen. Dat de reuk werkelijk bij de bijen sterk ontwikkeld
is, bleek mij uit de volgende gebeurtenis. Bij het opvangen van een
nazwerm, zag ik overtollige koninginnen, en drukte er eene, die mij
op de hand vloog, dood en liet haar op den grond vallen. Later vond
ik deze doode koningin met eene menigte bijen bedekt; na deze verjaagd
te hebben, vertrad ik de doode geheel en wreef haar zoo door het zand
dat er niets meer van zigtbaar was. Eenigen tijd daarna zaten er weder
bijen en wel in eene streep, die mijn voet moet beschreven hebben;
deze vereeniging kon moeijelijk anders dan op den reuk plaats hebben.

Tegen den zwermtijd beginnen de werkbijen, die alleen voor de
aankweeking der drie soorten van bijen zorgen, moedercellen aan
te leggen. Zij schijnen reeds vooruit te begrijpen dat tegen het
tijdstip, dat de natuur voor de vermeerdering van het aantal stokken
bestemd heeft, hare woning te klein en te warm wordt, om haar allen
te bevatten, en voorzien, daar zij zonder vorstin den stok niet
kunnen verlaten en omdat deze, zonder regentes achterblijvende, te
gronde zou moeten gaan, in tijds in deze behoefte, door aan de randen
der wastafels en daar, waar tusschen deze eene opening is gelaten,
moeder-wiegen of cellen aan te leggen. In elke dezer cellen, die
aanvankelijk de gedaante van een napje hebben en veel gelijken op den
dop, waarin de eikel aan den boom hangt, legt de moederbij een ei,
waarna zij door de werkbijen, die de eijeren tevens bebroeijen,
tot volkomen moederwiegen of zwermcellen worden opgebouwd. Is
echter de koningin op deze of gene wijze verloren gegaan, hetgeen
de werkbijen terstond ontdekken, dan kiezen zij eene werkbijencel,
waarin eene geschikte made aanwezig is, onverschillig waar zij deze
vinden, om zich daaruit eene nieuwe koningin te verschaffen, waarom
men deze moedercellen, die men hulpcellen of cellen, aangelegd na
de ontdekking der moederloosheid, noemt, meestal in het midden der
wastafels aantreft.

Door het aanleggen van hulpcellen toonen de bijen bewust te zijn van
de onmogelijkheid, om in hare gereed gemaakte moederwiegen eijeren
te verkrijgen, nu de moederbij niet meer aanwezig is; men heeft tot
heden nog niet kunnen ontdekken of de bijen in staat zijn een ei van
de eene cel in de andere te dragen; de genomen proeven schijnen zelfs
het tegendeel te bewijzen.

Daar eene moedercel wijder en langer moet zijn dan die der werkbijen,
zoo moeten zij bij het aanleggen van hulpcellen meestal verscheidene,
met eijeren of maden bezette werkbijencellen uitbreken; zij kiezen
echter de plaats voor hulpcellen altijd zoo, dat zij zoo weinig
mogelijk behoeven te vernietigen.

De stand der werkbijencellen is nagenoeg horizontaal, slechts een
weinig naar boven staande, waarschijnlijk om het uitvloeijen van den
ingedragen honig te beletten. De moederwiegen hangen daarentegen naar
beneden. De hulpcellen worden daarom eerst een weinig naar voren,
en dan verder naar beneden afgebouwd.

De cellen der koninginnen zijn veel grooter en zwaarder van was,
dan die der werkbijen: eene der eerste weegt soms meer dan honderd
van de laatste. De hulpcellen zijn wegens hare gewrongen gedaante
dikwijls nog grooter en zwaarder.

De gebruikte moedercellen breken de bijen gewoonlijk weder tot op
den grond van het napje af, waarschijnlijk om het was weder op andere
plaatsen aan te wenden.

In het midden der vorige eeuw werd door Schirach, een geestelijke
te Klein-Bautzen in Duitschland, opgemerkt, dat de bijen uit elke
werkbijenmade, mits niet ouder dan vier dagen zijnde, nog eene koningin
konden aankweeken, door de cel te vergrooten en deze made overvloedig
van krachtiger voederpap dan de overige te voorzien. In de laatste
jaren heeft men vele proeven genomen om deze zaak te onderzoeken,
en het is gebleken dat de bijen, tot het aankweeken van koninginnen,
nog oudere maden kunnen gebruiken, en wel zoolang als de cel nog niet
met haar gewoon wasdeksel is gesloten geworden.

Wanneer de bijen koninginnen willen aankweeken, hetzij om aan den
zwermlust te voldoen, hetzij omdat zij genoodzaakt zijn door een
toevallig verlies der moederbij, tot hulpwiegen hare toevlugt te
nemen, zoo vergenoegen zij zich niet met eene enkele, maar leggen
verschillende cellen daartoe aan om, ingeval van mislukking van enkele,
toch in hare behoefte te kunnen voorzien. Zetten zij moederwiegen aan,
dan doen zij dit verscheidene dagen achtereen, opdat de moederbijen
niet tegelijk volwassen zijn zouden; vandaar dat het nazwermen zoo
vele dagen achter elkander kan plaats hebben.--De hulpcellen leggen
zij gewoonlijk alle, den dag, waarop zij de moederloosheid ontdekt
hebben, of den daarop volgenden nacht aan; zulk een stok zal meestal
niet zwermen, maar zoodra ééne moederbij is uitgeloopen, zullen de
bijen de overige afmaken, indien hij echter nog een zwerm geeft,
dan is dit gewoonlijk na 12 à 14 dagen.

Over de bevruchting der moederbijen heerschen de uiteenloopendste
denkbeelden. De een zegt dat de jonge koningin herhaalde malen moet
bevrucht worden; de ander dat er geene bevruchting noodig is, doch
dat eene nu en dan herhaalde vlugt den eijerstok moet ontwikkelen;
deze meent dat de bevruchting slechts in de open lucht, gene dat zij
ook in den stok kan plaats hebben; sommigen willen eindelijk dat
de koningin twee eijerstokken zou hebben, een voor vrouwelijke en
een voor mannelijke eijeren. Er is nog altijd strijd over de wijze,
waarop de voortplanting eigenlijk plaats heeft, hoewel dit thans
op de duidelijkste wijze aan het licht gebragt is. Het is dan ook
alleen volstrekte lust tot tegenspreken, of onwil om de waarheid
te erkennen, waar men zijne eigene verkeerde denkbeelden zou moeten
opofferen, die den strijd over dit punt doet voortduren. Alles mede
te deelen, wat over dit onderwerp gezegd is, ligt buiten mijn bestek;
den belangstellenden verwijs ik naar de werken van Leuckart, Von
Siebold, Berlepsch en Dzierzon. Voor eenige jaren trad de laatste
met de volgende, door de ondervinding bewezen theorie op: "De jonge
koningin moet eens bevrucht worden, hetgeen in de lucht plaats heeft,
om beide, mannelijke en vrouwelijke eijeren te kunnen leggen; tot het
eerste is echter geene bevruchting noodig. De eijerstok wordt niet
bevrucht, doch bij de paring vult zich een zeker blaasje, zaadblaasje
genoemd, dat vóór de paring bijna ledig is, slechts eenig waterhelder
vocht bevattende, met een melkachtig vocht, zaadvocht geheeten, welk
vocht nu voldoende is om al de eijeren, welke de koningin gedurende
haar geheele leven legt, tot vrouwelijke eijeren te bevruchten." De
waarheid van deze theorie wordt door de volgende daadzaken bevestigd,
zooals ieder dat zal kunnen onderzoeken.

Verminkt men eene jonge, pas bevruchte koningin de vleugels, zoodat
zij niet meer vliegen kan, zoo zal zij nogtans haar geheele leven
vruchtbaar blijven. Dat er in den stok geene bevruchting plaats
heeft, wordt aangetoond, wanneer men een kunstzwerm maakt met eene
jonge nog onbevruchte koningin, die men het vliegen onmogelijk maakt;
men zal in zoodanigen stok, indien de koningin eijeren legt, dat in
het eerste jaar zelden, doch in het daaropvolgend voorjaar gewoonlijk
plaats heeft, uit de eijeren alleen hommels zien ontstaan. Men moet in
zulk een stok, die uit zich zelven niet bevolkt kan blijven, nu en dan
eene tafel met broed uit andere stokken hangen; tegen den winter moet
men ook bijen toevoegen, anders kan hij toch het voorjaar niet beleven.

Hoe zou de koningin het ook in den stok kunnen uithouden, wanneer
daar de bevruchting plaats had, daar zij er soms in omgeven is door
honderde hommels? Men ziet dan ook de jonge koningin, nadat zij de
alleenheerschappij in den stok bekomen heeft, op het heetst van den
dag, gewoonlijk tusschen twaalf en twee uren, uit de woning vliegen,
die, in den omtrek rond vliegende en steeds het vlieggat in het
oog houdende, goed beschouwen en dan meestal weder binnen gaan,
waarschijnlijk om haar goed te leeren kennen. Gewoonlijk komt zij
dan terstond terug en begeeft zich gedurende een kwartier tot een
uur in de lucht. Heeft nu de paring plaats gehad, dan vliegt zij niet
meer uit, doch herhaalt, in het tegenovergestelde geval, hare vlugt
een of meer dagen, om eenmaal bevrucht zijnde, de woning niet meer
te verlaten. Zij doet geene reinigings-uitvlugten en houdt ook geen
zoogenaamd voorspel als de andere bijen. Hare uitwerpselen kunnen de
woning niet verontreinigen, daar zij slechts in een dun geelachtig
vocht bestaan, dat de werkbijen gretig opzuigen; daarenboven eet
zij niets dan zuiveren honig, en in den tijd der broedaanzetting
hoofdzakelijk voederbrij, dien de werkbijen haar met den snuit
toereiken.

Als bewijs dat de koningin slechts eens of enkele malen uitvliegt,
tot dat de bevruchting heeft plaats gehad, kan ook dienen, dat als men
eene bevruchte, overjarige koningin in eene andere woning overplaatst,
en zij onder de bewerking komt te ontvliegen, zij weder naar die plaats
terugvliegt, van waar zij is uitgevlogen om bevrucht te worden, al
was zij reeds een jaar in de nieuwe woning geweest, en al had zij op
eene andere plaats gestaan dan waarvan zij de bevruchtings-uitvlugt
had gehouden; zij heeft dus deze nieuwe standplaats niet leeren
kennen. Behalve voor de bevruchting, verlaat de koningin de woning
eens in het jaar, om met den voorzwerm af te gaan. De woning, waarin
men haar dan plaatst, verlaat zij niet voor het volgende jaar, om
weder met den voorzwerm af te gaan.

Den meesten tegenstand ondervond Dzierzon's bewering dat de eijeren,
waaruit de hommels of mannelijke bijen voortkomen, geene bevruchting
behoeven; dat onbevruchte of mannelijke eijeren woorden van eene
beteekenis zijn, daar alle eijeren oorspronkelijk van het mannelijk
geslacht zijn, doch, voorbij het zaadblaasje gaande, de kiem ontvangen
om vrouwelijke bijen te vormen. Men kreet hem uit voor iemand, die
stellingen wilde opperen, die tegen al wat de ondervinding dagelijks
leert, aandruischten, zeggende: "Zonder bevruchting kan geen leven
ontstaan." Dzierzon geeft tot bevestiging van zijne stelling op, dat
als men jonge moederbijen, die nog geen bevruchtings-uitvlugt gehouden
hebben, opent en onder het microscoop beschouwt, men het zaadblaasje
altijd ledig zal vinden, terwijl dit, na de paring, met het genoemde
zaadvocht zal gevuld zijn. Daar er nu soms koninginnen voorkomen, die
van hare geboorte af een gebrek aan de vleugels hebben, dat haar het
vliegen belet, zoo kunnen deze niet bevrucht worden; eveneens blijven
die koninginnen onbevrucht, die op een tijd geboren worden, dat er
geene hommels in den stok zijn, terwijl later, wanneer deze aanwezig
zijn, de tijd der bevruchting voor haar voorbij is. Van zoodanige
koninginnen verkrijgt men het volgende jaar gewoonlijk toch eijeren,
waaruit bijen voortkomen, die echter allen van het mannelijk geslacht
zijn. Een stok, waarin zich dit voordoet, noemt men hommelbroedig en
hij gaat te gronde, daar de hommels leven ten koste van den voorraad,
dien de werkbijen inzamelen, en deze laatste dagelijks door den dood
wegvallen, zoodat er eindelijk alleen hommels overblijven, die van
gebrek omkomen. Worden de koninginnen uit zoodanige stokken onder het
microscoop beschouwd, zoo vindt men steeds het zaadblaasje ledig, dat
bij moederbijen, in den normalen staat, nooit plaats heeft. Somtijds
ziet men ook dat koninginnen, die steeds eijeren van beiderlei geslacht
gelegd hebben, hiermede ophouden en alleen eijeren van het mannelijk
geslacht verschaffen. Zij geven zich wel moeite om eijeren van het
vrouwelijk geslacht te leggen, en bezetten ook al de werkbijencellen
met eijeren, doch er komen niets dan hommels van, die, omdat zij in
cellen gekweekt zijn, die niet tot hunne vorming geschikt waren, van
een kleineren ligchaamsbouw zijn dan de overige. Ook bij zoodanige
koninginnen vindt men bij de ontleding het bevruchtingsblaasje ledig:
dit is dus uitgeput.

Het bovengezegde mag in strijd zijn met wat wij dagelijks waarnemen,
omtrent de voortplanting van het dierenrijk, toch heeft men ontdekt
dat er meer insecten zijn, die zonder bevruchting eijeren leggen,
waaruit levende jongen voortkomen.

Von Siebold heeft in 1856 verscheidene bevruchte en onbevruchte
koninginnen onderzocht, en de Dzierzon'sche theorie bewaarheid
gevonden, waarover hij eene uitvoerige verhandeling heeft in het licht
gegeven. De naam van Dzierzon zal dan ook niet in vergetelheid geraken,
daar het licht, door hem op het gebied der bijenteelt ontstoken, zoowel
door zijne hommeltheorie als door de woningen van zijne vinding, dezen
tak van nijverheid eene belangrijke schrede heeft doen vooruitgaan.

Ik moet hier nog opmerken, dat eene bevruchte koningin door de
bijen hooggeschat wordt. Vervangt men in een stok eene bevruchte
koningin door eene onbevruchte, zoo zullen de werkbijen deze
aanvallen en dooden, terwijl zij, in het tegenovergestelde geval, de
nieuwe moederbij met vreugde zullen ontvangen. Bij het omzetten van
stokken is dit van veel belang: zet men er een, die eene bevruchte
koningin heeft, op de plaats van een, die eene onbevruchte heeft,
zoo zullen de te huis komende bijen met den ruil zeer te vreden zijn;
zet men echter den laatsten op de plaats van den eersten, dan zullen
de te huis komende bijen, die eene bevruchte moederbij verlieten,
en nu eene onbevruchte vinden, haar aanvallen en dooden, waardoor
de stok moederloos wordt. Het omzetten van stokken, dat soms zoo
onbezorgd gedaan wordt, gaat dan ook met groot gevaar verzeld en het
onbedachtzaam verplaatsen moet ik daarom ten sterkste afraden.

Hoewel het ons onbekend is, of er dieren zijn, die weten van welk
geslacht zij jongen zullen voortbrengen, zoo moet dit bij de moederbij
toch het geval zijn: daar tot de uitbroeijing en ontwikkeling van
mannelijke en vrouwelijke bijen, cellen van onderscheidene grootte
vereischt worden, zoo moet zij het geslacht der eijeren kunnen bepalen,
naar de cellen welke zij er mede bezet.

Opmerkelijk is het, dat de koningin, hoewel zij het meest ontwikkelde
wezen in den stok is, nogtans den minsten tijd tot hare vorming
behoeft. Zij heeft, gerekend van het leggen van het ei, 16 à 17 dagen
voor hare ontwikkeling noodig, terwijl de werkbijen eerst den 20sten of
21sten en de hommels meestal den 22sten of 23sten dag de cel verlaten.

Men moet verbaasd staan over het ontzettend voortteelend vermogen,
dat de koningin bezit. Zij is toch in staat om in den tijd der
sterkste eijerlage, die in de maanden Mei en Junij invalt, in 24
uren, van 1500 tot 3000 eijeren te leggen. Hoe ongeloofelijk dit
schijnen mag, men kan er zich van overtuigen door de wastafels
uit het broednest te nemen, en dit den volgenden dag te herhalen,
daarbij nagaande hoeveel cellen in dien tijd zijn bezet geworden,
hetgeen gemakkelijk geschieden kan, omdat de moederbij de tafels, en
van elke tafel de cellen, geregeld met eijeren bezet, zonder er eene
over te slaan. Daar nu 25 cellen een vierkanten Rhijnlandschen duim
[4] beslaan, zoo zal het aantal in eene tafel van 6 duim breed en 11
lang, aan beide zijden evenveel cellen bevattende, 3300 bedragen;
men behoeft dus de met eijeren bezette cellen slechts twee dagen
achter elkander te meten om het aantal eijeren, in 24 uren gelegd,
te leeren kennen. Hoewel de voortteeling verbazend groot genoemd mag
worden, zoo is ook het dagelijksch verlies groot, daar de werkbijen
zich, in den tijd der drukste dragt, veel afmatten en dikwerf op
het veld terug blijven, terwijl ook velen door wind of regen worden
neêrgeslagen, door vogels verslonden of in het spinnenweb gevangen.

Laat ons thans van de beschrijving der moederbij afstappen; ik heb mij
daarmede lang moeten bezighouden, omdat hare grondige kennis het eenig
rigtsnoer is, om in de bijenteelt wel te slagen. Wie met de natuur
der moederbij goed bekend is, zal zelden mistasten, terwijl hij,
die er een verkeerd begrip van heeft, op goed geluk moet werken.





DE HOMMELS OF MANNETJES-BIJEN.


Zoo als boven reeds gezegd is, ontstaan de hommels uit eijeren,
door de koningin gelegd, en hebben zij, na het leggen van het ei,
22 à 23 dagen, en dus van de drie soorten van bijen den meesten
tijd, tot hunne ontwikkeling noodig. Zij zijn op het eerste gezigt
van de werkbijen en de koningin te onderkennen, aan hun grooteren en
plomperen ligchaamsbouw. De kop is grooter en ronder, de snuit korter,
het borststuk sterker, het achterlijf langer en aan het einde meer
afgerond dan bij de werkbijen. De vleugels zijn breeder en iets langer,
ook zijn zij over het geheele ligchaam sterker behaard en missen de
schopjes en borsteltjes, die men aan de achterbeenen der werkbijen
vindt. Hun uiterlijk aanzien is veel minder bevallig, dan dat van de
statige moederbij of de kleine en zeer vlugge werkbij. Zij hebben een
slependen gang en vliegen moeijelijk op, doch, eenmaal in de vlugt
zijnde, kunnen zij de lucht pijlsnel doorklieven. Zij hebben geen
angel, en kunnen dus zonder eenige vrees worden aangevat.--Wanneer zij
in den omtrek der stokken rondvliegen, kan men hen terstond herkennen
aan het sterke geluid, dat de beweging van hunne vleugels veroorzaakt,
en aan het laten afhangen van hunne lange achterbeenen. Als zij op
een warmen dag in grooten getale aanwezig zijn, kunnen zij de lucht
als het ware doen dreunen, door de beweging van hunne vleugels. Dit
eigenaardige geluid, dat zij verwekken, heeft hun ook den naam van
muzikanten doen verkrijgen, en sommigen verkeeren zelfs in de stellige
meening, dat zij voornamelijk tegenwoordig zijn, om door hunne muzijk
den arbeid der werkbijen te verligten; anderen beschouwen hen als
misgeboorten en schuimloopers, die zich in ledigheid voeden van
het door de werkbijen ingezamelde; doch daar de werkbijen zelven
de cellen voor de hommels aanleggen en de door de koningin daarin
gelegde eijeren uitbroeijen, zoo moeten zij wel degelijk als leden
van hetzelfde gezin beschouwd worden.

Het geslacht en de bestemming van deze bijensoort hebben steeds
aanleiding tot een ernstigen pennestrijd gegeven. Men scheen liever
zijn eenmaal aangenomen gevoelen vol te houden, dan de waarheid
te zoeken; want voor hen, die met de ontleedkunde bekend, en van
vergrootingswerktuigen voorzien zijn, is het niet moeijelijk de
mannelijke geslachtsdeelen bij hen te onderkennen. Had men slechts
gelezen wat door Swammerdam [5] en Reaumur [6] over het geslacht der
bijen geleerd wordt, en de bij hunne werken gevoegde afbeeldingen
beschouwd, de bestaande onzekerheid zou spoedig opgeheven geweest
zijn; want beide toonden aan: "dat de koningin het eenig volkomen
ontwikkeld vrouwelijk wezen in den stok is; dat ook de werkbijen tot
het vrouwelijk geslacht behooren, maar in cellen ontstaan, die te
klein zijn om hare geslachtsdeelen geheel te doen ontwikkelen; en dat
eindelijk de grootere of hommelbijen van het mannelijk geslacht zijn,
daar zij duidelijk te herkennen, mannelijke geslachtsdeelen hebben."

Waarschijnlijk stelden de bijenhouders niet genoeg vertrouwen in de
bekwaamheden van deskundigen, om het geslacht der bijen te kunnen
bepalen.--Ieder behield ten minste zijne eigene denkbeelden over de
huishouding der bijen en wilde onveranderd staande houden, dat deze
alleen waarheid bevatten. Hierdoor bleef de strijd bestaan, totdat
nu in de laatste jaren de bijenteelt in Duitschland met zooveel
inspanning en wezenlijke belangstelling werd uitgeoefend, men zich
daar niet alleen bepaalde tot het gewin, maar ook de natuurlijke
huishouding der bijen grondig wenschte te leeren kennen. Het was
voornamelijk door de stelling van Dzierzon: "De hommels zijn volkomen
mannelijke bijen, die alleen dienen ter bevruchting van de koningin;
hommeleijeren behoeven geene bevruchting, zoodat onbevruchte en
hommeleijeren woorden van ééne beteekenis zijn,"--dat onderscheidene
geleerden werden aangespoord, om zich met een naauwkeurig onderzoek
van dit punt bezig te houden. Zijne schijnbaar valsche stelling,
waarom hij aanvankelijk door velen bespot werd, is na een groot
aantal waarnemingen volkomen bevestigd geworden. In de Eichstädter
Bienen-Zeitung, van den 15en October 1854, vindt men een stuk
van Von Siebold, waarin hij zegt, dat alles wat door Swammerdam en
Reaumur, omtrent het geslacht der bijen is geleerd geworden, door hem
bevonden is waarheid te bevatten. Eenige onnaauwkeurigheden in hunne
afbeeldingen moeten worden toegeschreven aan de mindere volkomenheid
der werktuigen, die hun ten dienste stonden. Wij mogen dus op gezag
van Von Siebold en andere geleerden aannemen, dat er geen twijfel
meer bestaat, omtrent het geslacht der bijen, en hopen dat er voor
goed aan de twisten hierover een einde mag gekomen zijn.

Vrij algemeen, vooral hier te lande, worden de hommels "broedbijen"
genoemd en gelooft men dat zij bestemd zijn, om het broed te verwarmen
en uit te broeijen. Het wederleggen van deze stelling zal moeijelijk
vallen; want daar er geen enkele schijngrond voor bekend is, is er
ook niets te wederleggen.--Het broed wordt voornamelijk aangezet
in Maart en April, en dan zijn er in den regel geen hommels in
den stok aanwezig; het meeste hommelbroed wordt in het laatst van
April en het begin van Mei aangezet. Ook dit moet door de werkbijen
worden uitgebroeid. Gewoonlijk ziet men dan de eerste hommels te
voorschijn komen, eenige dagen voor dat de oude, bevruchte moederbij,
de woning, met den voorzwerm, verlaat. Heeft deze de woning verlaten,
dan houdt natuurlijk alle verdere broedaanzetting op, terwijl de
grootste hoeveelheid hommelbroed dan nog aan de zorg der overgebleven
werkbijen is overgelaten. Is er eene week verloopen, nadat de bevruchte
koningin de woning heeft verlaten, dan is zeker al het door haar
achtergelaten broed reeds bedekt, en dit zou dan wel zonder eenige
verdere verzorging uitkomen. Ongeveer eene maand na het afvliegen
van den voorzwerm, begint de jonge intusschen bevruchte koningin
eijeren te leggen, zoodat er dan weder wat te broeijen zou zijn;
doch dan nadert ook het tijdstip, waarop de hommels als overtollig
worden uitgedreven en al het broed, dat hierna tot in October wordt
aangezet, moet worden uitgebroeid, zonder dat er in gezonde stokken
een enkele hommel aanwezig is.

De ongerijmdheid van de geheel uit de lucht gegrepen stelling,
dat de hommels broedbijen zouden zijn, zal elk onbevooroordeelde,
door eene naauwkeurige waarneming aan de bijenstokken, spoedig
inzien. In de koudere jaargetijden, wanneer er het meest gebroeid
moet worden, zouden de gewaande broedbijen ontbreken; terwijl er,
in de heetste maanden van het jaar, wanneer de warmte in de woningen
bijna ondragelijk is geworden, en de bijen er buiten gaan liggen
om de daarbinnen heerschende warmte te ontgaan, afzonderlijke bijen
zouden noodig zijn, om het broed warm te houden.--Dit dwaalbegrip zal,
dunkt mij, geene verdere behandeling behoeven.

Sterke stokken, die gewoonlijk ook zwermen, kweeken hommels. Zij
doen dit in de bewustheid van hunne toenemende bevolking, als eene
voorbereiding tot het zwermen. In den zwermtijd, wanneer de jonge
koninginnen bevrucht moeten worden, zijn de meeste hommels aanwezig,
en de naauwkeurigste waarnemingen hebben geene andere bestemming
van deze bijensoort kunnen aantoonen, dan het bevruchten der jonge
koninginnen. Die stokken, welke hunne koningin verliezen, terwijl
er geen hommels aanwezig zijn, en dan jonge moederbijen aankweeken,
blijven onvruchtbaar en gaan met rassche schreden hun ondergang
te gemoet.

Zij, die eene andere bestemming aan de hommels toekennen, dan het
bevruchten der koninginnen, wijzen op hun groot aantal, daar toch een
veel kleiner getal voldoende zou zijn, om de weinige moederbijen te
bevruchten. Dit kan zijn in een door menschen bezetten bijenstand,
waarin zich soms meer dan honderd stokken bijeen bevinden, doch
men moet in het oog houden, dat de bijen zich daar niet in den
natuurstaat bevinden. Stelt men zich de bijen in het wild voor, in
bosschen huizende, waar de eene stok soms verscheidene uren van den
anderen verwijderd is, zoodat de hommels van den eenen stok zelden de
koninginnen van een anderen kunnen bevruchten, en zij dus elk voor
hunne eigene bevruchting moeten zorgen, dan kan dit getal niet als
te groot beschouwd worden; want, daar de bevruchting in de lucht
plaats heeft en de hommels niet allen op denzelfden tijd van den
dag de woning verlaten, en zij zich daar buiten zeer verspreiden,
zoo moeten er wel veel aanwezig zijn, zal de koningin er een kunnen
vinden om zich mede te vereenigen.

Eene al te groote hoeveelheid hommels is niet voordeelig, en
meestal een gevolg van eene tegennatuurlijke behandeling. Men doet
altijd wel met hunne aankweeking zooveel mogelijk tegen te gaan,
door het verwijderen van de tafels der hommelcellen, er tafels met
werkbijencellen voor in de plaats stellende; want daarvan heeft men
nog nooit nadeelige gevolgen ondervonden, omdat er op een bezetten
bijenstand altijd nog hommels genoeg gevonden worden. Geheel kan men
hen toch niet tegengaan; want verwijderde men alle hommelcellen
uit de woning, dan zouden er toch eenige aangezet worden in
werkbijencellen. Dit kan men ontdekken aan de verhooging van het
gesloten broed. De op deze wijze gekweekte hommels zijn kleiner.

De hommels moeten de paring met de koningin altijd met den dood
bekoopen, omdat hun mannelijk lid zoo naauw in de vrouwelijke schede
sluit, dat zij dit na de paring niet kunnen terug trekken; het wordt
met geweld afgescheurd en blijft in de schede vastzitten. Men heeft
in de laatste jaren, toen men alles naauwkeuriger begon na te gaan,
verscheidene koninginnen, nog bezet met het mannelijk lid, van hare
bevruchtingsuitvlugt zien terug keeren. Onlangs zond Berlepsch zulk
eene koningin, na haar gedood en in wijngeest gedaan te hebben,
aan Von Siebold, die het in de schede stekend ligchaam, duidelijk
herkende als het afgescheurd mannelijk lid.

In het begin van Augustus worden in gezonde stokken de hommels,
als niet meer noodig, uitgedreven. Men noemt dit gewoonlijk de
hommelslagt. Wanneer de werkbijen hiertoe overgaan, zijn zij geheel
zonder erbarming, in tegenstelling van de liefde, die zij voor
hun broed betoonen, indien zij hen behoeven voor de bevruchting
der koninginnen. Het uitdrijven doen zij op verschillende wijzen,
naardat zij dit het best kunnen. Nu bijten en plukken zij hun stukken
uit de vleugels, dan gaan zij weder op hen zitten, dat men paardrijden
noemt, en dragen hen zoo uit de woning, waarna zij hun het terugkeeren
zoo veel mogelijk beletten; meestal echter drijven zij hen van den
honigvoorraad tot beneden in een hoek van de woning en laten hen daar,
door honger en koude, omkomen. Soms kan men in de woningen geheele
hoopen van aldus uitgedreven hommels vinden. Stokken, die hen in de
tweede helft van Augustus nog met vrede laten, worden verdacht van
moederloosheid, en zij, die hen in September nog dulden, zijn bepaald
moederloos en hun ondergang nabij. Vindt men een zoodanigen stok,
zoo is het best hem zoo spoedig mogelijk met den onmiddellijk naast
hem staanden gezonden stok te vereenigen, en de woning zoo te plaatsen
dat zij het midden houdt, tusschen hare vroegere standplaats en die
van den weggenomen stok: men noemt dit op den halven man stellen.





DE WERKBIJEN.


Even noodzakelijk als de koningin voor de werkbijen is, zijn deze het
voor haar en de geheele huishouding, waarvan zij den eigenlijken kern
uitmaken, daar zij alléén allen arbeid verrigten. Zij vervaardigen
de cellen en brengen het voedsel, het water en den voorraad aan; zij
zijn de dappere verdedigers van de koningin en de gemeenschappelijke
bezittingen.

De bijen zijn altijd, en met regt, als een zinnebeeld van vlijt
voorgesteld; want zij zijn onvermoeid in den arbeid en kunnen nooit
van verzuim beschuldigd worden. Wanneer er honig of bloemenstof te
vinden is en het weder haar het vliegen niet belet, gaan allen, die bij
de verzorging van het broed of de verrigting van andere huisselijke
bezigheden gemist kunnen worden, gedurende den dag, op de inzameling
uit. Het ingezamelde zetten zij in de eerste ledige cellen, die zij
vinden, haastig af, terwijl zij zich dan den nacht ten nutte maken,
om het op de behoorlijke plaats te brengen, de woning te zuiveren
van onreinheden, die er in mogten gekomen zijn, de dooden uit te
dragen, verbeteringen in den bouw te brengen, oneffenheden af te
bijten en overtollige openingen te sluiten, tot dat de opkomende zon
haar weder in het veld roept, om haar voorraad te vergrooten. In den
zomer verdienen zij dus vooral den goed gekozen naam van werk-bijen,
daar zij dan onophoudelijk arbeiden. Het is ook daaraan te wijten
dat de leeftijd van haar, die in April en Mei de cel verlaten, maar
drie of hoogstens vier maanden bedraagt; deze overspannen zich en
zijn daardoor spoedig afgeleefd. Zij daarentegen, die in Augustus
en later geboren worden, leven in een veel minder drukken tijd, en
verouderen minder, daar zij gedurende den winter rustig in den stok
zitten. Haar levensduur bedraagt echter op zijn hoogst acht maanden,
dat bewezen werd door eene Italiaansche koningin in een stok, met
gewone bijen bevolkt, te plaatsen. [7]

Na deze algemeene opmerkingen, zal ik van deze bijensoort eene meer
uitvoerige beschrijving geven, dan van de beide andere geschied is.

De werkbij heeft vijf oogen, waarvan er een aan elke zijde van den
kop geplaatst is, terwijl de drie overige, die kleiner zijn, zich
in een driehoek op het voorhoofd bevinden. Met kleine wijzigingen,
vindt men deze vijf oogen ook bij de andere bijensoorten. Het gezigt
der bijen moet bijzonder sterk zijn, daar zij van alle kanten in de
snelste vlugt naar den stok toevliegen. Ook is dit daaruit op te maken
dat zij bij het sterkste voorspel en het zwermen, wanneer er duizenden
op het snelst dooreen vliegen, nooit tegen elkander stooten. Buiten de
woning schijnen zij, als het donker is, niets bepaald te onderscheiden;
want laat men haar dan vliegen, zoo kunnen zij haar stok niet vinden,
en hangen zich overal aan. In de woning, waar het bijna altijd donker
is, daar het kleine vlieggat slechts weinig licht doorlaat, is het
echter niet te denken dat zij niet zouden kunnen zien; misschien
dat de kleine, op het voorhoofd geplaatste oogen haar daar goede
diensten bewijzen.

Tusschen de beide op zijde staande oogen, bevinden zich de beide
voelhorens, waarvan zij zich schijnen te bedienen om de haar bij
den arbeid voorkomende voorwerpen te betasten, en zich onderling
verstaanbaar te maken; want men ziet haar hiermede elkander
aanraken. Ook moeten zij de zintuigen van den reuk zijn, die bij haar
sterk ontwikkeld is, [8] daar zij honig en andere zoetigheden op zeer
groote afstanden bemerken. Dr. Dönhoff, te Orsoy, toonde dit aan door
de volgende proeven, die men ook zelf gemakkelijk nemen kan. Wanneer
men eene moederbij onder een pijpedop plaatst, dan blijven daar eene
menigte werkbijen bijzitten; knipt men daarop enkelen één voelhoren
af, zoo verlaten zij de koningin niet, doch haar daarop ook van
de tweede beroovende, toonen zij er geen de minste belangstelling
meer in, en vliegen terstond weg. Indien men bijen opsluit en haar
dan een met honig bestreken stokje voorhoudt, zoo zullen zij daar
terstond den snuit naar toe steken; houdt men haar echter een stokje
voor bestreken met knuflook, of eene andere stof, welker reuk haar
hinderlijk is, dan wenden zij zich daarvan onmiddellijk af. Knipt men
haar daarna één voelhoren af, dan blijft het verschijnsel hetzelfde,
doch ontneemt men haar ook den tweeden, dan schijnen zij onbewust te
blijven van den aard der stoffen, waarmede men haar nadert.

Aan het onderste gedeelte van den kop, bevindt zich de mond. De hierin
geplaatste tanden zijn niet ingekerfd, zoo als die van de koningin en
de hommels, maar plat om het was behoorlijk te kunnen verwerken. De
tong is eene gesloten, met haren bezette buis, die in een in tweeën
gespleten koker tusschen de tanden ligt; de beide deelen van dezen
koker sluiten digt tegen de tong en vormen daarmede den snuit. De
snuit van de koningin en de hommels is korter en minder behaard dan
die der werkbijen.

De kop is door middel van de spijsbuis met het borststuk verbonden. De
vleugels zijn vier in getal. Van de zes beenen dienen de beide
voorste, die het kortst zijn, haar tot armen en handen; terwijl de
beide achterste zich onderscheiden door de zich daaraan bevindende
borsteltjes en schopjes of korfjes. De borsteltjes zijn aan de
binnenzijde op het laatste schenkellid geplaatst, en bestaan uit 8 tot
10 rijen dwars loopende haren. Den naam van korfjes geeft men aan eene
driekante verdieping aan de buitenzijde in het middelste schenkellid,
welke met steile haren omringd is. Met de borsteltjes strijken zij het
bloemenstof van de vleugels en de haren in de korfjes en dragen het,
tot balletjes gemaakt, daarin naar huis. Aan het einde van elk been
staan twee naar binnen gebogen, met tanden voorziene haakjes.

Den honig verzamelt de bij op het veld, door middel van den snuit
en de spijsbuis, in de voor- of honigmaag, en ledigt deze te huis
komende in de cellen. Achter deze voormaag ligt de eigenlijke maag,
in welke zij den uit honig en bloemenstof bestaanden voederbrij voor
het broed bereiden.

Aan de onderzijde van het achterlijf bevinden zich zes halfringen,
welke aan de zijden door de zes grootere halfringen van den rug bedekt
worden. Tusschen de eerste of buikringen liggen de washuidjes, die de
geheime werkplaatsen zijn, waarin de wasbereiding plaats heeft. Zij
zweeten daar het was, dat tusschen de halfringen naar buiten dringt,
als het ware uit.

De angel bestaat uit eene holle, hoornachtige buis, aan beide zijden
met weêrhaken voorzien en inwendig met de giftblaas verbonden. Bij
het steken ontlaadt zich de giftblaas, door den angel, in de wond:
vandaar de brandende pijn en de zwelling, die den steek gewoonlijk
volgen. De weêrhaken doen den angel meestal afscheuren en in de wond
achterblijven, wanneer de bij hem terugtrekken wil; dikwijls blijft
er bij het afscheuren de giftblaas aanhangen. Het verlies van den
angel heeft den dood van de bij ten gevolge.

De bij ademt, even als andere insecten, door luchtbuizen, welke aan
de zijden aanwezig zijn. Wanneer zij dus in water of honig omkomt,
moet dit meer als verstikken dan als verdrinken beschouwd worden.

Boven werd reeds van het gezigt en den reuk der bijen gesproken,
die zij in zeer hooge mate bezitten. Men mag haar ook niet als van
smaak beroofd beschouwen, daar zij op alle zoetigheden aanvallen,
doch voor allen steeds den honig verkiezen. Zij bezitten ook een
vrij sterk geheugen; want verplaatst men de woning, doch niet meer
dan een half uur, zoo zullen velen, zelfs na een langdurigen winter,
als zij haar dus in verscheidene maanden niet verlaten hebben, naar
hare oude standplaats terugkeeren: het is dus zeer verkeerd de stokken
onbedachtzaam te verplaatsen, en bij den aankoop van bijen moet men
wel toezien haar niet van een stand te nemen, die niet meer dan een
half uur van den zijnen verwijderd is. Eens in haar leven vergeet
de bij hare standplaats, en wel bij het zwermen. De woning, waarin
men den zwerm opvangt, kan men plaatsen waar men goedvindt; want,
slechts zeer weinigen zullen naar den moederstok terug keeren. Wij
zien hierin weder een bewijs van de voortreffelijke inrigting der
natuur: vergat toch de bij, bij het zwermen, hare standplaats niet,
zoo zouden de meeste zwermen weder naar den moederstok terugkeeren
en de vermeerdering der stokken dus maar zeer gering kunnen zijn.

Het instinkt, dat de bijen toonen te bezitten, is opmerkelijk. Wanneer
het b. v. bij eene sterke dragt hard waait, dan zullen zij bij het van
huis gaan steeds tegen den wind invliegen, wel wetende dat zij, beladen
zijnde, geen weêrstand aan den hevigen wind zouden kunnen bieden.

De werkbij komt voort uit de eijeren, die de koningin in de kleine
cellen (werkbijencellen) legt. Deze eijeren zijn ruim eene lijn
lang, doorgaans eenigzins gebogen en wit van kleur. Op den derden
dag splijt het buitenste vlies in de lengte open, en er vertoont zich
dan eene kleine made, die door de werkbijen van een weinig voederbrij
voorzien wordt.

Deze made groeit nu zoo dat zij op den achtsten dag, na het leggen
van het ei, den geheelen bodem van de cel bedekt; den volgenden dag
rigt zij zich daarin op, zoodat zij eene staande houding aanneemt,
met den kop naar de opening gekeerd, terwijl het achterlijf op
den bodem rust. Nu voorzien de bijen haar nog eens overvloedig van
voederbrij, en sluiten daarop de cel met een wasdeksel. De made spint
zich dan in en omkleedt zich met een dun huidje, in welken toestand,
nimfen-toestand genoemd, hare oogen, snuit, vleugels en beenen zich
ontwikkelen, totdat zij op den 20sten of 21sten dag, na het leggen
van het ei, in eene volkomen bij hervormd, het deksel van hare cel
rondom af knaagt en deze verlaat. Soms loopen de bijen wel eens een
dag vroeger of later uit, dat afhangt van de meerdere of mindere
warmte, die in den stok heerscht. Heeft de bij hare cel verlaten, dan
zuivert zij haar ligchaam, vooral de vleugels, van de onreinheden der
cel. Zij wordt door de oudere bijen vriendelijk ontvangen, belekt en
gevoêrd door haar met den snuit honig toe te reiken, wanneer zij ten
minste welgemaakt is; want zij, die met eenig gebrek de cel verlaten,
worden niet in den stok geduld, doch terstond uitgestooten, na aan
een vleugel of poot beschadigd te zijn geworden; meestal eindigen
zij dan met haar den genadesteek te geven.

De jonge bij, die aan hare grijsachtige kleur gemakkelijk te herkennen
is, vliegt niet dadelijk uit, zooals sommigen meenen, doch blijft ten
minste de eerste acht dagen in den stok, en is daar behulpzaam aan de
verzorging van het nog in de cellen aanwezige broed, waardoor hare
nog teedere leden sterker worden; dan begeeft zij zich naar buiten,
draait zich op het vliegplankje regts en links, vliegt daarna langzaam,
met den kop naar de woning gekeerd, en beschouwt die zeer naauwkeurig,
om hare herkenningsteekenen goed op te nemen. Gedurende dit eerste
voorspel ontlast zij zich van den drek, waarvan haar achterlijf geheel
opgezwollen is, maakt daarbij hare kringen al grooter en grooter,
en vliegt eindelijk het luchtruim in. Bij hare terugkomst neemt zij
dezelfde voorzigtigheid in acht, om de moederlijke woning niet mis
te loopen.

Hoewel het den mensch onbekend is, welke voorwerpen de bijen als
bakens aannemen, zoo laat het zich toch niet denken, dat zij er geen
zouden hebben; want al verwijderen zij zich ook meer dan een half uur
van den stok, zij weten hem toch meest altijd terug te vinden. Zij
zijn ook naauwkeurig bekend met het personeel, dat tot haar stok
behoort. Verdwaalt er eene op een vreemden stok, zoo zal zij slechts
dan geduld worden, als zij voorraad medebrengt; komt zij er ledig,
dan wordt zij terstond als vreemdeling herkend en afgemaakt.

Men heeft in de laatste jaren getracht, haar het herkennen van hare
woning uit de daarnevens staande gemakkelijker te maken, door den
omtrek der vlieggaten met harde en zooveel mogelijk verschillende
kleuren te verwen; want het verdwalen van bijen op een vreemden stok
is zeer gevaarlijk. Dat de verdwaalde bijen er meestal bij omkomen,
is nog het ergste niet: veel noodlottiger kan het worden voor den
stok waar vreemde bijen op vallen, omdat bij een druk voorspel alle
vreemdelingen niet terstond herkend worden, maar enkele ongestoord
binnenkomen; deze nu, in de meening dat zij in hare eigene woning zijn,
en daarin eene moederbij vinden, die zij niet kennen, zullen haar
veelal dadelijk aanvallen en ombrengen, of ten minste beschadigen,
dat niet zelden moederloosheid ten gevolge heeft, die, zoo zij niet
in tijds ontdekt wordt, den stok doet te gronde gaan, wanneer het
op een tijdstip plaats heeft, dat er geen geschikt broed in den stok
aanwezig is, om eene nieuwe moederbij aan te kweeken.

Eene voorname oorzaak dat veel bijen op de nevenstokken verdwalen,
bestaat daarin, dat zij te digt bij elkander staan; want vooral in het
voorjaar, bij het eerste voorspel, heerscht er voor de woningen meestal
eene ontzettende verwarring, waarbij de bijen van verschillende stokken
onder elkander vliegen, die er veel op vreemde kan doen verdwalen. Er
hebben dan ook op zulke dagen niet zelden hevige gevechten plaats,
wanneer men, nadat de rust hersteld is, den grond voor den bijenstand
met dooden en gekwetsten als bezaaid vindt. Dit te voorkomen is voor
den bijenkweeker van veel belang, en het zou daarom goed zijn de
woningen zoo te plaatsen, dat de vlieggaten ten minste drie voet van
elkander verwijderd zijn, dat echter dikwijls, door het groot aantal
stokken en de betrekkelijk geringe plaats, moeijelijk is.

Bij de behandeling der moederbij is reeds opgemerkt, dat de bijen
van elke werkbijen-made, die niet te oud is, eene koningin kunnen
aankweeken; hierom moet deze made en dus ook de werkbij, van het
vrouwelijk geslacht zijn. Alle proeven bevestigen dan ook dat zij tot
dit geslacht behoort, doch dat zij in eene cel gekweekt wordt, die
te klein is, en ook te weinig voederpap ontvangt, die niet voedzaam
genoeg is, om hare geslachtsdeelen behoorlijk te doen ontwikkelen:
het voortplantingsvermogen ontbreekt haar dan ook gewoonlijk. Soms
komen er echter werkbijen voor, die in moederlooze stokken eijeren
leggen, want in stokken, die moederloos worden op een tijdstip dat
er in geen nieuwe moederbij kan worden voorzien, vindt men niet
zelden toch eenig broed, dat alleen van eene werkbij kan afkomstig
zijn. In stokken, waarin eene moederbij aanwezig is, zal nooit eene
werkbij eijeren leggen. Deze werkbijen zijn waarschijnlijk die, welke
gekweekt zijn in die overgangscellen (zie bl. 46), welke zich in den
omtrek der moedercellen bevinden, en die daarom toevallig iets van
den krachtiger, voor de koninklijke cellen bestemden voederbrij hebben
bekomen, hetgeen haar beter heeft doen ontwikkelen, en misschien ook
een grooteren ligchaamsbouw doet ontvangen.

Over deze eijerlage der werkbijen is men het lang oneens geweest;
men kon zich dit vermoeden niet met zekerheid verklaren. Berlepsch,
die zich van deze zaak zoo veel mogelijk wilde vergewissen, maakte
opzettelijk moederlooze stokken, en had het geluk in 1856 eene werkbij
de eijerlage te zien verrigten; tevens had hij gelegenheid haar te
vatten en zond haar, na gedood en in wijngeest gedaan te zijn, ter
onderzoeking aan Von Siebold. Deze vond den eijerstok bij deze werkbij
meer ontwikkeld dan gewoonlijk bij hare soort het geval is, en bemerkte
ook nog eenige volkomen ontwikkelde eijeren. Het bevruchtingsblaasje
ontbrak haar echter geheel. Dit komt ook met de ondervinding overeen;
want het broed, dat men in moederlooze stokken vindt, is steeds van
het mannelijk geslacht.





BEZIGHEDEN DER WERKBIJEN BUITEN DE WONING.


HET WACHTHOUDEN.

Men veronderstelde vroeger, en ook thans gelooven de bijenhouders nog
vrij algemeen, dat de bijen aan het vlieggat steeds de wacht houden,
om het indringen van vreemde bijen, wespen, motten, muizen en andere
vijanden te beletten. Men vindt dan ook, in meest alle werken over
de bijenteelt, deze bestemming toegekend aan eene menigte bijen, die
men meestal aan het vlieggat vereenigd vindt. Met Dr. Dönhoff zou ik
echter meenen, dat door deze bijen niet bepaald wacht gedaan wordt;
want: 1o in zwak bevolkte stokken, die hun nest ver van het vlieggat
afhebben, ontbreekt deze zoogenaamde wacht meestal, en zulke stokken
moesten toch dubbel waakzaam zijn; 2o men vindt haar zeer zelden
gedurende den nacht en het gevaar voor het indringen van vijanden is
dan juist het grootst; 3o zij plaatst zich dikwijls zoover van het
vlieggat dat er aan geen wachthouden te denken valt; 4o de sterkte
van deze wacht is zeer afhankelijk van de fraaiheid van het weder,
de meer of minder vrolijke stemming van de bijen en den tijd, dat zij
het licht en de warmte der zon ontbeerd hebben (zij is zeer sterk,
nadat men haar ruim gevoêrd heeft en het sterkst, wanneer zij voor het
eerst haar winterkwartier verlaten); en eindelijk 5o houdt elke bij,
onder alle omstandigheden en waar ook, in het bijzonder wacht: hetzij
zij het vlieggat verlaat of van het veld terugkeert, zij zal niet
nalaten den vijand, dien zij ontmoet, terstond aan te vallen; men zegt
daarom dat, bij zoogenaamde roofaanvallen, de wacht versterkt wordt,
omdat zoowel de uitgaande als de te huis komende zich verweren. Enkele
roovers, die binnengedrongen zijn, worden door de bijen in den stok
aangevallen en uitgedreven, waarna zij, zoo er nog veel roovers zijn,
het vlieggat niet meer verlaten, want na den eenen verjaagd of gedood
te hebben, grijpen zij den anderen aan. Is de roofaanval sterk,
dan ziet men soms duizende bijen vechtende vóór de woning.

De verschillende bezwaren, die tegen het wachthouden zijn aangevoerd,
maken het veel waarschijnlijker, dat de zich aan het vlieggat
bevindende bijen daar voornamelijk zijn, om het licht en de warmte
der zon, die haar bevallen en goed doen, te genieten.



HET LUCHTPOMPEN, TROMMELEN OF STERTSEN.

Men ziet in den zomer, bij elken gezonden stok, in den omtrek van
het vlieggat van 5 tot 20 en meer bijen staan, met den kop naar het
binnenste van de woning en het onderlijf naar boven gerigt, welke
onophoudelijk met de vleugels slaan en daarbij onafgebroken een vrij
sterk en brommend geluid doen hooren. Men noemt dit luchtpompen,
omdat zij door dit slaan met de vleugels een niet onbeduidenden
luchtstroom veroorzaken, waardoor de warme en bedorven lucht uit
de woning gedreven en door koudere buitenlucht vervangen wordt. Hoe
volkrijker en gezonder de stok is, en hoe rijker de honigdragt geweest
is, des te meer bijen ziet men hiermede bezig.--Daar men dit stertsen
ook ziet bij het intrekken van een zwerm in eene nieuwe woning,
het wedervinden van den stok, het terugvinden van de koningin of het
ontdekken van gezond broed in een moederloozen stok, het voorspel enz.,
zoo moet het ook als een teeken van vreugde beschouwd worden, en dit
te meer, omdat het in een moederloozen stok geheel ontbreekt. Men
kan het er dan ook bijna zeker voor houden dat een stok, waarbij het
gezien wordt, van eene moederbij voorzien is.



HET VOORLIGGEN.

Bij groote hitte blijft, bij volkrijke stokken, eene grootere of
kleinere hoeveelheid bijen buiten de woning, en deze gaan meestal
onder het vlieggat in trossen aanhangen. Men zegt dan dat de bijen
voorliggen. Het is een gevolg van te groote warmte binnen de woning
en eene hooge temperatuur der buitenlucht of gebrek aan ruimte in
de woning. Veelheid van volk en broed, groote werkzaamheid der bijen
in den stok, bij eene rijke dragt, en ook de zonnewarmte, wanneer de
woningen niet in de schaduw staan, kunnen de warmte daarin zoo groot
doen worden, dat het was week wordt en de tafels daardoor afvallen; dit
maakt de bijen werkeloos en zij gaan voorliggen om, bij invallend koel
weder, haar werk te hervatten. Gebrek aan ruimte ontstaat er, wanneer
de woning is volgebouwd, en gevuld met broed en honig. De bijen hebben
dan geene gelegenheid om den arbeid voort te zetten, doch gaan voor
de deur liggen en den luijaard uithangen. Houden zij dag en nacht met
voorliggen aan, ook bij koeler lucht en goede dragt, en beginnen zij,
dat echter zelden geschiedt, onder aan de vliegplank was te bouwen,
dan is dit een zeker teeken dat het van binnen aan ruimte ontbreekt.

Het verwijden van het vlieggat, het luchten gedurende den nacht,
het beschaduwen der stokken, en het geven van meer ruimte zijn de
beste middelen om het voorliggen, dat hoogst nadeelig is, te voorkomen.



HET VOORSPELEN.

Op warme en zonnige dagen, en meestal tegen den middag, ziet men
een grooter aantal bijen uit de woningen komen dan gewoonlijk, en op
eenigen afstand er voor blijven vliegen, allen steeds met den kop naar
hare woning gekeerd, waarbij zij een vrolijk gegons doen hooren, dat
eenige overeenkomst heeft met het geluid dat men steeds bij een zwerm
hoort. Dit zoogenaamde voorspel heeft gewoonlijk zeer sterk plaats
op den eersten schoonen voorjaarsdag. Zij verlaten dan de woning
voor het eerst, na er soms weken of maanden onophoudelijk in te zijn
geweest, ontdoen zich van het vuil, dat zij bij zich opgehoopt hebben,
en verkwikken zich verder in den zonneschijn en de frissche lucht.

De ruimte voor de woningen kan dan zoo met bijen gevuld zijn, dat
het onmogelijk is er doorheen te zien. Iederen dag, waarop het weder
schoon is, heeft het voorspelen plaats: het sterkst wanneer er eene
goede dragt is.

Een sterk voorspel is een bewijs van volksterkte en gezondheid van den
stok. Moederlooze en andere ziekelijke stokken houden geen voorspel.

Het is gedurende het voorspel dat de jonge koningin haar
bevruchtings-uitvlugt houdt, en het aftrekken van een zwerm wordt er
steeds door voorafgegaan.



HET WATERHALEN.

Zoowel voor haar eigen onderhoud, als ter bereiding van den voederbrij
voor het broed, heeft de bij behoefte aan water. In den winter
maakt zij gebruik van den aanslag tegen de wanden van de woning,
veroorzaakt door dat het daarbinnen zoo veel warmer is dan in de
buitenlucht. Des zomers zuigt zij het gewoonlijk, met den honig, uit
de bloemen. Vroeg in het jaar, wanneer er nog geene bloemen zijn,
en in drooge zomers, haalt zij ook water uit slooten en putten of
verzamelt de daauwdruppels.

Zij haalt ook van het vocht, dat steeds uit mestputten vloeit,
waarschijnlijk omdat zij de daarin opgeloste zouten in hare huishouding
behoeft; want al kan zij goed water in overvloed bekomen, toch ziet
men haar op mestvaalten.

Men doet goed de bijen, vooral in het voorjaar, de vele lange en
gevaarlijke togten, tot het halen van water, te besparen, door in de
nabijheid van den bijenstand, op eene windstille plaats, een schotel
water te zetten. Zij hebben er dan toch vooral groote behoefte aan,
omdat zij dan veel honig voor het broed moeten hebben en deze meestal
te dik of te veel versuikerd is, zoodat zij hem eerst moeten verdunnen.

Om haar niet in het water te doen omkomen, moet men er iets in leggen,
waarop zij zich kunnen plaatsen, b. v. gehakt stroo, riet, mos of
iets dergelijks; ook kan men er stukken van ledige wastafels in leggen.

Hoewel de bijen geen water in voorraad in de cellen dragen, zoo nemen
zij het vroeg in het jaar, wanneer zij nog niet kunnen uitvliegen,
toch gretig aan, als men het in ledige wastafels giet, en deze in de
woning plaatst.



HET OPZAMELEN VAN HONIG.

De honig wordt met een onverzadelijken hartstogt door de bijen
nagejaagd: zij zamelen hem onvermoeid in, waar zij hem ook ontdekken
mogen. Wanneer zij hem in de bloemen op het veld vinden kunnen, en
het weder het slechts eenigzins toelaat, vliegen zij uit en in, en
halen er, zonder zich de minste rust te gunnen, zooveel mogelijk van
in hare woning, zoolang zij daartoe in de gelegenheid zijn. Vinden zij
in de natuur geen honig meer, dan nemen zij ook andere zoete stoffen
aan. Zij zuigen dan het sap wel eens uit zeer rijpe vruchten, doch
doen dit maar zeer zelden; veeleer trachten zij dan haar onleschbaren
dorst naar honig te voldoen, door hem op vreemde stokken te rooven,
tot groot nadeel, zoowel van deze stokken zelven, als van hun
eigenaar. Over dit rooven zal later gesproken worden.

Het is merkwaardig dat elke bij, op het veld honig inzamelende, nooit
verschillende soorten van bloemen bezoekt, maar zich zóó lang bij
ééne soort bepaalt, als deze haar genoegzaam honig oplevert. Men kan
dit zien aan het bloemenstof, dat zij gelijktijdig inzamelt; want zij
brengt van elke vlugt gelijkelijk gekleurde stuifmeel-balletjes mede.

In strijd met wat ik meestal door anderen vermeld heb gevonden, is
het mij gebleken, dat de bijen een bloemveld, dat onmiddellijk bij
den bijenstand gelegen is, minder gaarne bevliegen, dan een, dat iets
meer verwijderd is. Kunnen zij in de buurt geene bloemen vinden, dan
zoeken zij die nog wel tot op een uur afstands. Het zal ieder duidelijk
zijn dat het voordeelig is, indien het bloemveld niet te ver af is,
daar zij dan in denzelfden tijd meer togten kunnen doen. Op dagen
dat de grond, bij een helderen zonneschijn, nu en dan door wolken
afgebroken, het noodige vocht heeft, en vooral bij eene zoele,
onweerachtige lucht, honigen de bloemen gewoonlijk zeer sterk. De
bijen zijn dan buitengewoon naarstig, komen zonder eenig oponthoud
uit het vlieggat en vliegen regelregt naar het honigende bloemveld.

De van het veld terugkomenden laten een eigenaardig geluid hooren en
zijn meestal geheel vermoeid; zij vallen dan, met een opgezwollen en
blinkenden buik en een nederhangend achterlijf, hoorbaar voor het
vlieggat neder en rusten daar een weinig, voordat zij in de woning
gaan. Op zulke, voor de honig-inzameling, bijzonder gunstige dagen,
brengen zij veel minder bloemenstof in dan anders. Volkrijke stokken
kunnen gedurende zulk een dag van twee tot vijf Ned. pond honig
inbrengen. Men kan dit nagaan door de woning 's morgens op eene
bascule te plaatsen en, zoowel dan als 's avonds, het gewigt te
bepalen. Men zou kunnen vreezen dat de bijen zich op zulke drukke
dagen al te veel met de honig-inzameling bezig hielden, en den stok
als het ware ontvolkten; doch dit is geenszins het geval: men ziet
steeds een genoegzaam aantal bijen in de woning, ter verzorging van
het broed en ter verrigting van andere huisselijke bezigheden.

Het uitvliegen en te huis komen geschiedt zeer regelmatig. Er heerscht
aan het vlieggat eene aanhoudende, geregelde drukte: nooit ziet men
er nu eens veel, dan weder weinig in- en uitgaan.

Op dagen dat de bloemen sterk honigen, ziet men gewoonlijk weinig
bijen zich aan het vlieggat ophouden: het ontbreekt haar dan aan tijd
om te rusten; zij gaan uit, komen slechts terug om haar last af te
leggen en gaan weder op nieuwen voorraad uit.



HET OPZAMELEN VAN BLOEMENSTOF.

Bloemenstof of stuifmeel noemt men het fijne stof, dat zich aan de
meeldraden der bloemen bevindt. Dit stof is voor de bijen onmisbaar,
niet alleen tot haar eigen voedsel, maar nog veel meer ter bereiding
van den voederbrij voor het broed; men noemt het daarom ook wel
bijenbrood. Zelf kunnen zij wel eenigen tijd van enkel honig leven;
doch het broed kunnen zij zonder bloemenstof niet tot ontwikkeling
brengen. Of zij gedurende den winter ook bloemenstof gebruiken of dan
alleen van honig leven, is nog niet bekend. Ik houd het er voor dat
zij, bij strenge koude, wanneer zij in een digten tros op elkander
moeten zitten om de noodige warmte te ontwikkelen, het niet eten, doch
dat zij het weder gebruiken, zoodra het zachtere weder haar uiteengaan
gedoogt. Hare uitwerpselen schijnen een voortdurend gebruik, wanneer
het slechts te bekomen is, te bewijzen; want zij vertoonen duidelijke
sporen van de overblijfselen er van. In den druksten tijd, zoowel van
het broeijen als de dragt, hebben zij het volstrekt noodig om hare
levenskrachten te onderhouden; want het is het eenig stikstofhoudend
voedsel, dat zij gebruiken.

Bij het verzamelen van bloemenstof komt haar behaard ligchaam haar zeer
te stade. Zij verrigten dit meestal door het stof van de meeldraden
af te bijten, of door zich eenige malen in de bloem om te rollen, het
dan met de borsteltjes der achterbeenen af te borstelen en daarna, tot
kleine balletjes gekneed, in de schopjes der achterbeenen naar huis te
dragen. Bij droog weder, wanneer het stof zich niet tot balletjes laat
kneden, of ook wanneer zij zich daartoe den tijd niet gunnen, komen zij
geheel bepoederd te huis, waar zij het dan afborstelen en in de cellen
leggen; zij worden hierin veeltijds door de te huis zijnde geholpen.

In het voorjaar, wanneer het broedzetten sterk begint toe te nemen,
zijn zij het ijverigst in het verzamelen van dit stof. Ook nieuw
opgezette zwermen zijn hierin zeer vlijtig, omdat zij in hunne nieuwe
woning niets vinden, en de voortteeling zonder dat stof geen plaats
kan hebben.

Tegen den winter zamelen zij er nog zooveel mogelijk van in, en leggen
het in die tafels, die het naast aan het broednest zijn aangelegd,
waardoor zij toonen te weten, dat het bij het aanzetten van het eerste
broed, dat in volkrijke stokken, bij zachte winters, reeds in Januarij
begint, nog niet in de natuur voorhanden is.

Het bloemenstof heeft voor de bijen meer waarde dan de honig; want het
verzamelen van een pond bloemenstof kost haar veel meer inspanning,
dan dat van een pond honig, en terwijl zij zich met het eerste
bezighouden, kunnen zij zich niet geheel aan het laatste wijden. Het
is dus van zeer veel belang om, bij het uitbreken van stokken, dit
stof niet onder het was of den honig te werpen, daar het dan alleen
dient om deze te verontreinigen; maar het veeleer aan late zwermen
toe te voegen, die meestal geen tijd gehad hebben om er genoeg van te
verzamelen. Ook door het aan oude stokken of vroege zwermen te geven,
zal het goede rente opbrengen, daar het in de eerste maanden van het
jaar maar zeer zelden in de natuur te vinden is.

Velen zijn nog onbekend met het belang van dit stof voor de bijenteelt,
ja meenen er zelfs een nadeel in te zien, wanneer zij het in de
stokken vinden, werpen het, even als het hommelbroed, als schadelijk
en overtollig uit, en bestempelen het wel eens met den naam van
valsch broed.

Vroeger meende men, dat het meel van graansoorten voor de bijen
nadeelig was; omdat het met den honig tot verzuring zou overgaan en
de bijen den loop doen krijgen. Daar men echter had opgemerkt dat de
bijen, wanneer het vliegbaar weder is, zonder dat er nog bloemenstof te
vinden is, en inzonderheid die, welke in de nabijheid van graanmolens
geplaatst waren, toch met vlijt vlogen en balletjes meel te huis
bragten, zoo plaatste men tarwen- of roggenmeel voor den bijenstand,
en zag er de bijen terstond van in de woningen dragen, zonder er de
minste nadeelige gevolgen van te ondervinden. Tegenwoordig plaatst
men daarom op mooije vliegbare dagen, in het laatst van Februarij,
meel op eene windstille plaats vóór den bijenstand. Om het voor
verstuiven te behoeden, vult men er oude, ledige wastafels mede, of
strooit het op ongeschaafde planken, wanneer de bijen het gemakkelijk
verzamelen kunnen. Bij ongunstig weder, is het ook goed om met meel
gevulde wastafels in de woningen te plaatsen; want de bijen maken
gaarne van dit hulpmiddel gebruik, wanneer zij geen bloemenstof in
de natuur kunnen verzamelen, doch zij laten het, zoodra zij hiertoe
weder gelegenheid hebben, onaangeroerd.



HET OPZAMELEN VAN VOORWAS.

Het voorwas, ook wel propolis genoemd, is eene soort van hars, die
een aangenamen, aromatieken reuk bezit. De bijen verzamelen het van
de knoppen der boomen, en brengen het, even als het bloemenstof,
tot balletjes gemaakt, in de schopjes der achterbeenen naar huis.

Zij maken er gebruik van om reten en overtollige openingen digt te
maken, oneffenheden bij te werken, de vlieggaten te verkleinen en de
wastafels aan de wanden der woning te bevestigen. Men gelooft veelal
dat de bijen tot deze oogmerken het voorwas bezigen, omdat het gewone
was haar daartoe te kostbaar voorkomt. Dit kan echter niet waar zijn;
want zij zouden onmogelijk altijd was kunnen gebruiken, wanneer zij
zich van voorwas bedienen. Het was kunnen zij toch alleen bereiden
bij warm weder, het voorwas daarentegen kunnen zij altijd bekomen,
wanneer het maar eenigzins vliegbaar is.



HET ZOEKEN VAN EENE NIEUWE WONING.

In den zwermtijd ziet men soms dagen achtereen, dat eenige bijen
eene zelfde plaats naarstig omvliegen en waarnemen; men noemt deze
daarom spoorbijen; want zij schijnen het zwermen te voorzien en
daarom eene geschikte woning op te sporen, waar zij zich zouden
kunnen vestigen. Men zal dan ook bevinden dat een zwerm, aan zich
zelven overgelaten wordende, deze plaats met der woon betrekt. Hij
doet dit echter niet terstond, maar hangt zich hier of daar aan,
waar de bijen zich verzamelen en wat uitrusten; worden zij in dezen
toestand niet opgevangen en in eene woning geplaatst, die haar bevalt,
dan betrekken zij, na korter of langer tijd, de vroeger opgespoorde
woning, waarheen dan de spoorbijen haar waarschijnlijk den weg wijzen.





BEZIGHEDEN DER WERKBIJEN IN DE WONING.


DE WASBEREIDING EN DE CELLENBOUW.

Vroeger merkte ik reeds met een enkel woord aan, dat de bijen het was
uitzweeten, nadat dit in de washuidjes, tusschen de buikringen, bereid
is. Zij hebben hiertoe eene ruime hoeveelheid honig en bloemenstof
en een verhoogden warmtegraad noodig. Om de vereischte warmte te
ontwikkelen, leggen zij zich, even als een ketting, in trossen over
elkander. Na aldus eenige uren te hebben gehangen, waarbij zij het
aanzien hebben van geheel werkeloos te zijn, beginnen de wasblaadjes
zich te vormen bij diegenen, welke zich in het midden van den tros
bevinden en die, door de buiten aanhangenden, als met een kleed
overdekt zijn. Van den aanvang en den voortgang der wasbereiding is
weinig met zekerheid te zeggen, daar zij alleen in het midden van den
tros plaats heeft, en dus niet bespied kan worden. Deze wasblaadjes
zijn vijfhoekig en worden door de bijen met de tanden verwerkt. Men
vindt er meest altijd op den bodem der woningen, die door nieuwe
zwermen bezet zijn, en die zij zeker bij het bouwen laten vallen.

Uit enkel honig kunnen de bijen wel eenig was bereiden, maar zij
kunnen dit niet lang volhouden. Daar het was geen stikstof bevat,
en het bloemenstof haar eenig stikstofhoudend voedsel uitmaakt, zoo
is het waarschijnlijk dat zij dit niet direct voor de wasbereiding,
als eene grondstof daartoe, behoeven, maar dat het dienen moet
om haar de noodige krachten te geven, voor de groote inspanning,
die zij vereischt. Proeven hebben bewezen dat de bijen, alléén honig
gebruikende, daarvan twintig pond behoeven ter bereiding van één pond
was, terwijl zij, ook van bloemenstof voorzien zijnde, slechts elf
à vijftien pond honig daartoe noodig hebben.

De groote hoeveelheid honig, die zij voor de wasbereiding moeten
gebruiken, en den tijd en de inspanning, die zij vereischt, doen de
schade duidelijk in het oog vallen, die men zich berokkent, door de
bijen de ledige wastafels te ontnemen; heeft men deze toevallig,
dan is het goed haar zorgvuldig te bewaren en aan nieuw opgezette
zwermen toe te voegen, wanneer deze terstond het ingezamelde kunnen
afleggen en met de eijerlage beginnen. Ieder, die slechts eenigzins
met de bijenteelt bekend is, zal inzien welke voordeelen dit geven
kan; want, hoewel een Ned. pond was in den handel van f 1.50 tot f
2.--geldt en een Ned. pond honig slechts 40 à 50 cts. waard is, zoo
zal het ingezamelde was duur te staan komen: rekent men toch dat er
ter bereiding van een pond was, vijftien pond honig vereischt wordt,
die gemiddeld 45 cts. kan opbrengen, dan zal het Ned. pond was, behalve
het tijdverlies, f 6.75 kosten. Men moet daarom geen was verzamelen dan
dat met honig gevuld is. De houder van bijen in de gewone strookorven
zal mij toeroepen: "eene schoone les, voorwaar! maar hoe zult gij dit
ten uitvoer brengen?" Ik moet hem toestemmen dat hij het niet kan doen;
maar wie zich met de Dzierzon'sche wijze heeft gemeenzaam gemaakt,
zal mij de hooge waarde van goede ledige wastafels niet betwisten. In
het practische gedeelte zal ik hier nog op terugkomen.

Elke zwerm, die eene nieuwe woning betrokken heeft, begint terstond
aan de wasbereiding: hoewel men meenen zou dat hij geheel werkeloos
was, moet men den tweeden dag verbaasd staan over den bouw, dien hij
reeds opgetrokken heeft. Hij heeft dan ook terstond groote behoefte
aan berging voor den medegevoerden en reeds ingezamelden honig. Hij
verlaat den moederstok niet, dan na zich van eene ruime hoeveelheid
honig voorzien te hebben, die bij een sterken zwerm wel twee tot
drie Ned. pond bedragen kan. Deden zij dit niet, dan konden zij niet
alleen niet terstond met den cellenbouw beginnen, maar zouden ook,
bij ongunstig weder, van gebrek moeten omkomen. Zoodra een zwerm
eene nieuwe woning betrokken heeft, gaan er bij vliegbaar weder
reeds op de inzameling uit, en het is dus hiervoor, zoowel als ter
bevordering van de broedaanzetting, van belang, dat er spoedig cellen
worden aangebouwd.

De bijen bouwen de wastafels in den regel van boven naar beneden,
en kiezen voor begin van den bouw het hoogste gedeelte van de
woning. Een middelmatige zwerm kan, van eene voldoende hoeveelheid
honig en bloemenstof voorzien, in 24 uren eene tafel bouwen van een
Rhijnl. voet lang en half zoo breed, die dan ongeveer 3600 cellen
bevat. Bij den aanvang van eene tafel, leggen zij een grond tegen het
bovenste gedeelte van de woning, door daar eene genoegzame hoeveelheid
was op te hoopen en te bevestigen. Dit stukje was vergrooten zij
naderhand, zoodat het den vorm van eene linze verkrijgt, welker
scherpe rand later den tusschenwand vormt, die de aan beide zijden
gebouwde cellen van elkander scheidt. De tafel behoudt den vorm van
eene linze, zoolang zij vrij hangt, zoodat de cellen in het midden het
langst zijn en naar de randen korter worden. Raakt de tafel echter,
bij het aanbouwen, den wand van de woning of eene andere tafel aan,
dan worden ook de kortere cellen verlengd en de linzevorm is verdwenen.

De dwars-doorsnede in het midden der cellen is een regelmatige zeshoek,
doch van daar naar den tusschenwand worden de hoeken minder scherp,
zoodat zij achteraan bijna rond zijn. Voorop gezien, schijnen de
cellen geheel rond te zijn; want de bijen leggen er daar een rand
om. Hierdoor wordt hare sterkte veel vermeerderd, en voorkomen dat
de maden of jonge bijen haar uit elkander drukken of dat het druk
heen en weder loopen haar beschadigt. Heeft er eenige beschadiging
aan eene tafel plaats, dan wordt zij terstond hersteld.

De zeshoekige vorm der cellen maakt dat er geen ruimte verloren gaat,
en dat er tevens zoo weinig mogelijk was wordt verbruikt; want elke
der zes zijden van eene cel dient weder tot zijde voor eene andere.

Hoe volkrijker een zwerm is, des te meer tafels worden er te gelijk
begonnen. Die, welke in ééne lijn worden aangezet, worden, bij het
tegen elkander stooten, tot een geheel vereenigd; die, welke naast
elkander worden gebouwd, loopen steeds evenwijdig, en zóó dat er eene
ruimte van een halven Rhijnl. duim tusschen open blijft, welke zij
juist noodig hebben, om, over de tafels loopende, voorbij elkander
te kunnen gaan en waaraan men den naam van straat geeft.

Eene tafel kan uit verschillende cellen bestaan, die, naar haar
verschil in grootte, vorm en bestemming, in de vijf volgende soorten
onderscheiden worden:

1o. Moedercellen of moederwiegen. Bij de behandeling der moederbij is
over deze reeds gesproken. Zij zijn rond en naar beneden afhangend. Zij
dienen dan ook nooit ter bewaring van honig, en staan meestal op zich
zelve aan de randen der wastafels; men kan haar hierdoor gemakkelijk
van de overige cellen onderscheiden.

2o. Gewone of werkbijencellen. In gezonde stokken zijn deze cellen
aan meest al de tafels het talrijkst en er zijn er vele, waaraan geene
andere gevonden worden, vooral in het broednest. Zij liggen nagenoeg
horizontaal; de opening is slechts eenigzins naar boven gekeerd om het
uitvloeijen van den ingedragen honig te voorkomen. Zij zijn in eene
schoone, bevallige orde aan beide zijden van de tafels geplaatst. Hare
bestemming is de opname van eijeren, die er tot volkomen werkbijen
in worden uitgebroeid, en de oplegging van den honigvoorraad.

3o. Hommelcellen. Daar deze dienen moeten om er de hommels in uit te
broeijen, die veel grooter zijn dan de werkbijen, zoo zijn zij ook
grooter dan de werkbijencellen, en wel zooveel, dat vier hommelcellen
dezelfde lengte hebben als vijf gewone, dat is een Rhijnl. duim;
de bouworde en de vorm zijn overigens gelijk. Men vindt deze cellen
zelden bovenaan de tafels, doch meestal onderaan en aan de zijden. Soms
vindt men er ook geheele tafels van.

4o. Overgangscellen. Aldus noemt men de cellen, die de bijen optrekken,
wanneer zij van gewone tot hommelcellen willen overgaan. Zij beginnen
dan de cellen langzamerhand te vergrooten, zoodat de overgang bijna
onmerkbaar is. Tusschen de gewone en hommelcellen zijn meestal drie
rijen van deze soort. Vroeger meende men dat deze cellen bestemd
waren, om er de hommelmoeders in te kweeken, dat nog door sommigen
geloofd wordt; daar ik echter aangetoond heb, dat deze hommelmoeders
slechts in de verbeelding bestaan, zoo behoeft deze verkeerde meening
geene verdere wederlegging. Er bestaat veel grond om aan te nemen,
dat in deze cellen die werkbijen ontstaan, welker geslachtsdeelen
meer ontwikkeld zijn, zoodat zij soms, in moederlooze stokken,
eijeren leggen, en over welke vroeger gesproken werd.

5o. Bevestigingscellen. Deze zijn bestemd om de wastafels aan het
boveneinde van de woning te bevestigen. Zij zijn vijfhoekig. Waren
zij even als de andere zeskant, dan zouden zij alleen met een der
scherpe kanten tegen den wand komen, hetgeen eene zwakke verbinding
zou geven, of veel was zou kosten, wanneer de hoek tusschen elke twee
cellen moest worden aangevuld. Nu komen zij, met eene der zijden, vlak
tegen den wand van de woning te liggen, waardoor zij, bij een gebruik
van weinig was, veel sterker bevestigd worden. Wanneer de wastafels
met broed of honig bezwaard zijn, worden zij nogmaals bevestigd.

De benamingen honig- en broedcellen hebben dezelfde beteekenis,
want alle, behalve de moedercellen, dienen voor beide.

Het broed vindt men meestal in het middelste en laagste gedeelte der
tafels, in een kring, waarin de warmte binnen den stok het grootst
is. Den honig brengen zij voornamelijk bovenaan en op zijde, en
verder op alle plaatsen in de woning, die te koel zijn om broed
aan te zetten. Bij sterke dragt en daaruit ontstane behoefte aan
cellen, bouwen zij op alle ledige plaatsen cellen aan, die zij met
honig vullen. Om meer honig te kunnen opleggen, verlengen zij de
cellen ook wel eens, waardoor de zoogenoemde straten naauwer worden
en de tafels soms eene aanzienlijke dikte en zwaarte verkrijgen. In
woningen met lossen bouw kan men dit verlengen der cellen bevorderen,
door de tafeldragers, buiten het broednest, dagelijks een paar
lijnen van elkander te verwijderen; het spreekt van zelf dat er, om
dit te doen gelukken, bij eene ruime dragt, gebrek aan cellen moet
zijn. Wanneer de bijen later deze verlengde cellen, tot het aanzetten
van broed, moeten gebruiken, dan verkorten zij haar weder tot op de
oorspronkelijke lengte.

Aanvankelijk hebben de tafels eene witte kleur. Spoedig worden zij
geelachtig en, na een paar jaren voor broed gediend te hebben,
zwart. De oorzaak hiervan is dat elke bij, bij het verlaten der
cel, twee nimfenhuidjes achterlaat, waarvan het buitenste een fijn,
zijdeachtig weefsel heeft en zoo vast aan den wand der cel kleeft, dat
de bijen het er bij de reiniging der cellen niet kunnen uittrekken,
en zich moeten tevreden stellen met het van aanhangend vuil te
ontdoen. Het terugblijven van dit huidje, bij ieder broeisel, versterkt
de cellen, die bij den aanleg zeer zwak zijn, veel, doch verkleint haar
ook, zoodat zij eindelijk te klein worden voor de volkomen ontwikkeling
der bijen. In de eerste zes jaren behoeft men zich hierover echter
nog niet te verontrusten, maar het is toch goed, om zoo mogelijk,
om de twee of drie jaren, het broednest te vernieuwen, door er nieuwe
tafels in te hangen, of de bijen te noodzaken die te bouwen.

Indien er reeds zooveel honig is ingedragen, dat verscheidene cellen
daarmede gevuld zijn, en hij er genoegzaam in verdikt is, dan sluiten
zij die met een wasdeksel. Men noemt dit verzegelen. Ook de broedcellen
worden, zoodra de zich daarin bevindende made den nimfentoestand
aanneemt, d. i. zich inspint, verzegeld. Indien de cel te kort is voor
de daarin gevormde made, hetgeen onder anderen plaats heeft, wanneer
hommeleijeren in werkbijencellen gelegd zijn, dat hoog broed heet,
dan maken zij het deksel bol of gewelfd, om daardoor de ruimte te
vergrooten. Daar de hommelcellen echter gewoonlijk wat klein zijn,
zoo worden deze ook met een bol deksel gesloten. Men vindt hierin
een gemakkelijk middel, om het hommelbroed van het werkbijenbroed te
onderkennen. Het laatste is altijd met platte deksels gesloten. Wanneer
de bij hare cel verlaat, stoot zij het wasdeksel weg, en men ziet dan
ook soms eene menigte van die deksels op den bodem der woningen liggen.

De bouw der bijen wordt onderscheiden in een warmen en kouden bouw,
naar de rigting waarin de wastafels zijn aangelegd. Hangen zij
dwars voor het vlieggat, dan heet hij warm, omdat de buitenlucht dan
moeijelijk tusschen de tafels kan dringen; doch daardoor heeft hij ook
het nadeel, dat de bedorven lucht er tusschen blijft hangen, en dat
er in den winter spoedig schimmel ontstaat. Loopen de tafels met den
scherpen kant naar het vlieggat, dan kan de lucht er vrij tusschen
spelen; dit maakt den bouw koud, doch zuivert ook het broednest
van de bedorven lucht. Men is het er niet over eens, welke dezer
bouwwijzen te verkiezen is: beide, zagen wij, hebben hare voor- en
nadeelen. In de gewone korven hangt het geheel van de bijen af, welke
dezer bouwwijzen zij volgen willen, terwijl men in de Dzierzon'sche
woningen het in zijne magt heeft, den bouw koud of warm te doen zijn,
daar dit afhangt van de plaatsing van het vlieggat.

Wanneer het aanleggen der tafels geheel aan de willekeur der bijen
wordt overgelaten, dan kan het soms gebeuren dat zij in verschillende
rigtingen worden aangezet. Dit kan plaats hebben bij volkrijke stokken,
omdat die geene voldoende ruimte hebben om gezamenlijk op dezelfde
plaats te werken; zij verdeelen zich dan in twee groepen, die soms
in verschillende rigtingen beginnen te werken, en ieder haar eigen
werk voltooijen. Men noemt dat kruisbouw.



HET OPLEGGEN VAN DEN HONIG.

Door de meeste bijenhouders wordt aangenomen dat het honigsap der
bloemen eigenlijk nog geen honig is, maar dat het in de maag der bij
daartoe verwerkt wordt. Zij meenen dat de bijen, gedurende den dag, het
ingezamelde honigsap maar in de cellen nederleggen, om dit des nachts
weder op te zuigen en er dan, in digte trossen op elkander zittende,
in hare honigmagen den honig uit te bereiden, dien zij daarna weder
in de cellen zouden uitwerpen, en deze dan van een wasdeksel voorzien.

Proeven, door anderen en ook door mij genomen, hebben aangetoond, dat
het honigsap der bloemen zuivere honig is, die alleen met eenig water
vermengd is, waardoor het zich als eene dunne vloeistof voordoet. De
eenige bewerking, die het dus moet ondergaan, is het verdampen van
het water. Men zal dit bevestigd vinden, wanneer men eene tafel, die
op den dag zelven is volgedragen, uit eene woning neemt; de honig,
dien zij bevat, is waterdun en vloeit, bij het minste schuins houden,
uit de cellen; stelt men haar echter binnenshuis aan eene matige
zonnewarmte bloot, dan zal men, na twee of drie dagen, bevinden dat
er geen verschil is tusschen den honig, dien zij bevat, en dien,
welke in de woning verdikt is; de bijen bereiden dus den honig niet,
maar verzamelen hem slechts.

Waarschijnlijk is de bovengenoemde dwaling ontstaan, doordat men
bevond dat de bijen, na dagen van drukke dragt, gedurende den nacht
weder cellen ledigden, die zij overdag hadden volgedragen, en andere
met honig vulden. Zij doen dan echter niets dan den honig verdragen
naar die cellen, waarin zij hem als voorraad willen opleggen; want
overdag halen zij slechts zooveel mogelijk in de woning en leggen
het ingezamelde in de eerste cel, die zij ledig vinden, neder, zich
geen tijd gunnende om het daar te brengen, waar zij het verlangen
te bewaren.

Wanneer men, in den tijd van de drukste dragt, de bijen in digte
trossen ziet zitten, dan kan men zich verzekerd houden, dat zij zich
met de wasbereiding en de vergrooting van den bouw bezig houden.

De cellen, die ter bewaring het eerst met honig gevuld worden, zijn die
boven het broednest; in deze leggen zij haar eigenlijken wintervoorraad
op; want bij strenge koude kunnen zij zich wel opwaarts, maar niet
zijdelings verplaatsen: zij zouden dus, wanneer zij in den winter
door een ruimen voorraad omringd waren, doch niets boven zich hadden,
den hongerdood moeten sterven. Het is daarom van veel belang om zich,
bij de inwintering van zijne stokken, te overtuigen, dat de bijen
een genoegzamen honigvoorraad boven zich hebben; want men weet niet
hoe lang de koude haar het uiteengaan zal beletten.



HET OPLEGGEN VAN HET BLOEMENSTOF.

De bij, die met bloemenstof beladen te huis komt, zoekt terstond
de cel op, die er voor bestemd is, klemt zich met de voorbeenen aan
den rand vast, steekt er de achterbeenen in en ontdoet deze met de
middelste van de stuifmeelballetjes. Komt zij bepoederd te huis,
dan borstelt zij het stof bijeen en legt het in de cel, waarbij zij
veelal door de te huis zijnde bijen geholpen wordt. Is zij van haar
last ontdaan, dan gaat zij weder op nieuwen voorraad uit, en laat
het aan de te huis blijvende over, om het stuifmeel in de cellen te
stampen, na eerst de balletjes te hebben fijn gemaakt.

De bergplaats van het bloemenstof is gewoonlijk in de onmiddellijke
nabijheid van het broednest, omdat zij het daarin steeds voor het
broed behoeven. In woningen met lossen bouw zal men den voorraad
gewoonlijk in de eerste en tweede tafel, te rekenen van den voorwand
van de woning, vinden. Neemt men dus den bouw uiteen, dan zal men
dit stof, in de laatste tafel en in de laatste op eene na, aantreffen.

Om het bloemenstof voor uitdroogen te bewaren, bedekken zij de
daarmede gevulde cellen met een blinkend vlies, geheel verschillend
van de wasdeksels der honigcellen.

Het uitwendig aanzien van eene met bloemenstof gevulde tafel is zeer
bevallig, daar men er al de verschillende kleuren van het stof in ziet.



HET VERZORGEN VAN HET BROED.

Onder den naam van broed verstaat men al de zich in den stok
bevindende eijeren, maden en nimfen, waaruit de drie soorten van
bijen ontstaan. De verzorging daarvan is aan de werkbijen alléén
overgelaten. Zij zijn het, die de cellen voor de ontvangst van het ei
voorbereiden en dit bebroeijen. Zij voorzien de made van voederbrij
en sluiten de cel, wanneer de made zich wil inspinnen.

Opdat het broed zich behoorlijk zal kunnen ontwikkelen, zorgen de
bijen vooral voor het onderhouden van eene voldoende warmte; want hoe
hooger de warmtegraad in den stok is, des te spoediger en krachtiger
ontwikkelen zich de jonge bijen. Hiertoe bedekken zij de bezette
cellen nacht en dag, in dikke lagen op elkander zittende; vooral bij
koel weder doen zij dit zeer sterk. Het is niet gemakkelijk haar van
de broedtafels te verwijderen; zelfs bij het aanbrengen van rook,
bieden zij zoolang mogelijk tegenstand.

Wanneer er in het najaar, terwijl zich nog broed in de stokken bevindt,
of in het voorjaar, wanneer er reeds veel broed kan aanwezig zijn,
onverhoeds koude invalt, dan zijn zij genoodzaakt, tot haar eigen
behoud, zich op elkander te dringen en dus het onderste broed
te verlaten, dat daardoor moet verloren gaan. Eenigen blijven er
echter altijd op zitten, maar deze zijn niet in staat een voldoenden
warmtegraad te ontwikkelen, doch verstijven zelve en worden dus de
slagtoffers van hare liefde.

In den zomer wordt de warmte in den stok veel verhoogd door het warmere
weder, de sterkere bevolking en de grootere hoeveelheid broed. Zij
behoeven dit dan zoo sterk niet te bezetten; nu en dan kunnen zij
er zich zelfs geheel van verwijderen. Stokken met gedekt broed kan
men dan gerust van het grootste gedeelte van hunne bijen berooven,
zonder de ontwikkeling van het broed te benadeelen, die meestal zonder
eenige zorg zal plaats hebben.



HET REINIGEN VAN DE WONING.

De bijen dulden geene onreinheden in hare woning. Zoodra de winter
voorbij is, en de koude haar dus het uiteengaan niet meer belet,
beginnen zij die te zuiveren. Hare dooden dragen zij uit. Het schimmel,
dat hier of daar op de wastafels mogt zijn ontstaan, bijten zij af. Het
bloemenstof, dat beschimmeld en te veel verdroogd is, werpen zij uit
de cellen, en soms doen zij dit ook den versuikerden honig.



HET VERKITTEN.

Verkitten noemt men het digt maken van overtollige openingen, het
gelijk maken van oneffenheden, en het verkleinen der vlieggaten,
waartoe boven gezegd werd dat zij het voorwas inzamelen. Het digt maken
van reten en scheuren belet de motten zich daarin te nestelen. Door
het sluiten van overtollige openingen maken zij den roovers het
indringen moeijelijk. Daar het gelijk maken van oneffenheden haar
veel moeite kost, moet men steeds zorg dragen dat de woningen, die
men haar geeft, zoo glad mogelijk zijn. Zij verkleinen de vlieggaten
tegen den winter, zoodat er maar een of twee bijen tegelijk door
kunnen, om de koude lucht of wel muizen en andere vijanden buiten te
houden. Het is verwonderlijk met welk een spoed zij deze werkzaamheden
kunnen verrigten.





HET ZWERMEN.


De woorden: "zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt u," worden bij de bijen
op tweeërlei wijze vervuld; vooreerst door het aankweeken van jonge
bijen, waardoor de stok volkrijk wordt, maar dat het aantal stokken
niet onmiddellijk doet toenemen; ten tweede door eene deeling van
het volk van een stok in twee deelen, waardoor dus een nieuwe stok
ontstaat: dit noemt men zwermen. De nieuw-geboren stok heet zwerm
en die, waarvan hij zich heeft afgescheiden, zijn moederstok. Men
moet hierom echter niet denken dat de zwerm geheel uit jonge bijen
bestaat; dit is geenszins het geval: er gaan zoowel oude als jonge
bijen mede, en vroeger (bl. 14) zagen wij reeds dat met den eersten
of voorzwerm altijd de oude moederbij, en bij het verder zwermen,
steeds de eerstuitgeloopen, jonge koningin medegaat.

In het algemeen ontstaan de zwermen, door dat de vruchtbaarheid der
moederbij in het voorjaar, met het herleven der natuur, weder wordt
opgewekt, waardoor het werkbijenbroed dagelijks vermeerdert, en des
te sterker, naarmate de natuur de bijen meer gelegenheid geeft, om
honig en bloemenstof te verzamelen. De wasbouw heeft met de meeste
inspanning plaats, en hoewel het aantal cellen dagelijks sterk
toeneemt, zijn zij weldra niet toereikend, om de groote hoeveelheid
broed en het ingezamelde te bevatten. Als een teeken van den grootsten
bloei van den stok, komt nu ook veel hommelbroed te voorschijn,
en ontdekt men zelfs moederwiegen. Heeft hij aldus zijn hoogste
standpunt bereikt, dan wordt de woning spoedig te klein en te warm
om al het volk te bevatten; daarbij zijn er jonge moederbijen op het
uitkomen, en, daar twee koninginnen niet in één stok blijven kunnen,
maakt de oude moederbij, die de ontwikkeling der jonge met leede
oogen heeft aangezien, zich gereed om met een gedeelte der bijen de
woning te verlaten. Zij weet toch dat zij den strijd tegen de jonge
mededingsters niet zou uithouden, en het dooden van deze, terwijl zij
nog in de cellen besloten zijn, wordt haar geheel onmogelijk gemaakt
door de werkbijen, die de moedercellen aanhoudend bewaken en tegen
elken vijandelijken aanval beschermen.

Eenige dagen voor dat de jonge koninginnen de cel verlaten, trekt
de oude, met den voorzwerm, die uit eenige duizenden werkbijen en
enkele hommels bestaat, uit de woning. Er zal dan, wanneer het weder
er gunstig voor is, gewoonlijk op den 8sten of 9den dag, weder een
zwerm den moederstok verlaten. Dit kan echter ook vroeger geschieden,
wanneer het afvliegen van den voorzwerm, door ongunstig weder was
verhinderd geworden; want de jonge moederbij, die nu de cel verlaten
heeft, bemerkt spoedig dat er nog geheel ontwikkelde koninginnen in
de cellen besloten zijn. Het is haar, even als de oude moederbij,
onmogelijk deze mededingsters in de cellen om te brengen. Ook zij
verlaat den stok liever dan zich aan een strijd op leven en dood
bloot te stellen; zij zoekt daarom een aanhang en verlaat met dezen
de woning, om eene nieuwe kolonie te vormen, waarin zij van de
alleenheerschappij verzekerd is.

Daar de moederwiegen niet allen op denzelfden dag zijn aangezet, kan
zich het afvliegen van een zwerm nog verscheidene malen herhalen. Zelfs
kan er, 18 à 20 dagen nadat de oude moederbij met den voorzwerm is
afgegaan, nog een nazwerm afkomen; want de bijen konden nog eene of
meer hulpcellen hebben aangezet, van eijeren, die de moederbij gelegd
had op den dag, waarop zij de woning verliet. Dit heeft echter slechts
zeer zelden plaats, en als regel kan men aannemen dat er, na den 14den
dag, geene nazwermen meer afkomen. Bij de meeste stokken, waarvan de
voorzwerm afvliegt, zal men geene eijeren en weinig ongedekt broed
vinden; want de oude moederbij tracht, eenige dagen voor het verlaten
der woning, haar eijerstok zooveel mogelijk buiten werking te stellen,
om bij het zwermen gemakkelijk te kunnen vliegen: haar met al te veel
eijeren bezwaard ligchaam zou haar anders hierin zeer hinderlijk zijn.

Veel nazwermen is zeer nadeelig voor den eigenaar, daar de moederstok
er te veel door ontvolkt wordt, in welken geen nieuw broed komt,
voordat de laatst achtergebleven koningin de alleenheerschappij
verkregen heeft en daarna bevrucht is. Er kunnen dikwijls zes tot
acht weken voorbij gaan, voordat er weder jonge bijen uitloopen, en
dan heeft de meeste inzameling van honig gewoonlijk opgehouden. Het
nazwermen te kunnen verminderen of, zoo mogelijk, voorkomen is voor
den bijenhouder van het grootste belang; want heeft de moederstok
vele zwermen afgegeven, dan kunnen deze even moeijelijk als hij zelf,
ja bijna nooit, een genoegzamen wintervoorraad opleggen, maar moeten
òf omkomen, òf gevoerd worden en in dit geval zijn het meest altijd
nog zeer zwakke stokken, waarvan men niets dan verdriet heeft.

De voornaamste oorzaken van het zwermen zijn:

1o. Eene gezonde en zeer vruchtbare koningin, die minstens een jaar
oud is; stokken met jonge moederbijen zwermen in hetzelfde jaar bij
ons nooit.

2o. Overvloed van volk. Zoolang het voor de bijen toegankelijk gedeelte
der woning niet is volgebouwd, geene gesloten moederwiegen gevonden
worden en niet reeds enkele hommels vliegen, kan men geen zwerm
verwachten. Er zijn evenwel uitzonderingen op dezen regel; want soms
ziet men op het onverwachts een zwerm vliegen uit eene woning, die nog
ver van volbouwd is, en waarin dus evenmin gebrek aan ruimte bestaan
kan, als dat de warmte er zoo buitengewoon groot in kan geworden zijn,
dat zij voor haar ondragelijk is. Deze ontijdig afkomende zwermen
zijn meestal zoogenaamde zingende voorzwermen, die later afzonderlijk
zullen worden behandeld; bij de behandeling der voorzwermen zullen
wij ook nog andere onvoorbereide zwermen leeren kennen.

3o. Overvloed van honig op het veld en in den stok. Deze doet de
vruchtbaarheid der moederbij toenemen, waardoor het volk vermeerderd
en den wasbouw bevorderd wordt. Vandaar dat ook het ruim voêren in
het voorjaar het zwermen bespoedigt. Bij een ongunstig voorjaar en
in streken, waar weinig dragt is, komen in den regel weinig vroege
zwermen. Is het voorjaar gunstig en de dragt ruim, dan wordt de
zwermdrift vroeg opgewekt en dien ten gevolge worden moederwiegen en
hommelcellen aangelegd, welke de moeder bij met eijeren bezet. Valt
er nu echter plotseling ongunstig weder in, dan houdt alle inzameling
op, en de koude vertraagt den wasbouw. Duurt deze toestand eenige
dagen, zoodat de bijen bespeuren dat het zwermen haar onmogelijk is,
dan vernietigen zij de moederwiegen en het hommelbroed, en geven de
zwermdrift geheel op; doch zij laten het broed ongeschonden, wanneer
het ongunstige weder spoedig door warme dagen wordt opgevolgd. Door
de daarna afvliegende zwermen worden de stokken, welker voorraad de
bijen gedurende het oponthoud in de inzameling, voor zich zelven en
het broed, reeds beduidend moesten aanspreken, van hun meeste volk
en een groot gedeelte van hun voorraad beroofd, zoodat de moederstok
met veel broed, doch arm aan volk en voorraad, overblijft, terwijl de
weide, door het voorbijgaan van den besten bloeitijd, veel is verkort
geworden. De zwermen zijn, zoowel als de moederstok, slecht, en valt
er geen bijzonder gunstige tijd in, dan blijven allen arm aan volk
en zonder genoegzamen wintervoorraad.

Het is dus van veel belang, wanneer men onder de genoemde
omstandigheden het zwermen in zijne magt heeft. Bij woningen met
lossen bouw is dit het geval: is b. v. de voorzwerm met de oude
moederbij afgegaan en acht men dit ongunstig, dan neemt men den bouw
uit den moederstok, vernietigt de moederwiegen op ééne na en laat den
zwerm, na hem de moederbij ontnomen te hebben, weder op den moederstok
vliegen. De stok verkrijgt nu eene jonge koningin en zal het zwermen
met zekerheid nalaten, en daar er nog eenige dagen moeten verloopen,
voordat er weder broed wordt aangezet, kunnen de bijen al den in
dezen tijd ingezamelden honig voor den winter opleggen. Door deze
handelwijze zal men den stok niet alleen voor ondergang behoeden,
maar hij zal soms nog een goede honigstok worden, die meer dan zijn
wintervoorraad heeft opgezameld.

4o. Een jonge of ten minste nog in goeden toestand verkeerende wasbouw,
die niet overmatig groot is. Zwermen, van het voorgaande jaar, zwermen
in den regel het liefst; misschien alleen wegens den jongen bouw.

5o. Eene vrij groote warmte in de woning. Stokken die beschaduwd en
koel, b. v. op het noorden staan, zwermen niet spoedig en soms in
het geheel niet. Gewoonlijk worden zij echter goede honigstokken.

6o. Eene niet te groot zijnde woning; want in overmatig groote
woningen heerscht niet zoo spoedig de gevorderde warmte; daarbij
moeten de bijen zich te lang bezig houden met het volbouwen van de
ledige ruimte, en de volksvermeerdering wordt er zelden te groot in.

7o. Gunstig weder in den zwermtijd; want al is de zwermdrift zoo hoog
geklommen, dat de zwerm elk oogenblik zou kunnen afvliegen, dan komt
er toch soms niets van, wanneer eenige regendagen elkander opvolgen,
zoodat het gewone uitvliegen, en dus ook het zwermen, geheel belet
wordt. Zelfs benemen zij dan zich zelven de gelegenheid om te zwermen,
door het koninklijke broed en het hommelbroed uit te trekken en uit
de woning te werpen.

Daar het weder en de aard der weide zooveel invloed op het zwermen
uitoefenen, zoo is het duidelijk dat niet elken zomer, in iedere
landstreek, alle stokken even sterk zullen zwermen. Met zekerheid
kan dan een zwerm ook nooit verwacht worden, en men kan hen ook niet
altijd op de natuurlijke wijze verkrijgen.

Men onderscheidt de zwermen hoofdzakelijk in natuurlijke zwermen en
kunstzwermen. Natuurlijke zijn die, welke uit zich zelven ontstaan;
kunstzwermen noemt men daarentegen zulke, welker ontstaan door den
mensch wordt veroorzaakt. Deze zullen later beschouwd worden. De
natuurlijke zwermen worden verdeeld in: voorzwermen, nazwermen,
zingende voorzwermen, maagdezwermen, dubbelzwermen en noodzwermen. Wij
zullen thans overgaan tot de afzonderlijke beschrijving van elk dezer
soorten, om daarna het afvliegen en het aanleggen der zwermen in het
algemeen te behandelen, waarbij dan tevens zal worden opgegeven hoe
zij het best worden opgevangen.



VOORZWERMEN.

Den eersten zwerm, dien de moederstok afgeeft en waarbij zich steeds de
oude moederbij bevindt, noemt men voorzwerm. Deze zwermen bevatten van
5000 tot 15000 en soms nog meer werkbijen en eenige honderden hommels.

Het ophanden zijn van een voorzwerm wordt voornamelijk aangeduid
door de volgende verschijnselen: bij overvloed van volk is de geheele
wasbouw met honig en bloemenstof gevuld en het broednest tot onderin
met eijeren bezet; er is veel hommelbroed aangezet, zelfs vliegen er
reeds eenige hommels (zoolang die niet vliegen, kan men in den regel
geen zwerm verwachten); van de aangezette moederwiegen zijn er reeds
geheel gesloten en de moederbijen, daarin bevat, de rijpheid nabij;
de vlugt der bijen vermindert; zij liggen in trossen voor en onder
het vlieggat.

Hoe meer der genoemde kenteekenen men gelijktijdig waarneemt, met des
te meer zekerheid kan men, bij gunstig weder, binnen eenige dagen,
een voorzwerm verwachten.

Op den zwermdag zelven, is de vlugt der bijen, reeds vroeg in den
morgen, onregelmatig. Er vliegen er velen af, doch zij gaan niet
naar het veld: zij vliegen in kringen om de woning en gaan er weder
in. Eenigen loopen op de vliegplank onrustig heen en weder, zonder
af te vliegen. Nu is de vliegplank sterk bezet, dan is zij weder
ledig. Bij herhaling beginnen er eenigen voor te spelen en heffen
den zwermtoon aan; spoedig breken zij dat voorspel weder af en gaan
in de woning terug. De met bloemenstof-balletjes beladen, uit het
veld komenden leggen die niet af, doch loopen er mede over het werk
rond of komen er het vlieggat weder mede uit, en voegen zich bij de
voorliggende bijen. De zwerm kan nu ieder oogenblik afkomen; doch voor
dit geschiedt komen er eenige bijen uit de woning en loopen over de
voorliggende heen en weder, waarop allen zich met overhaasting in de
woning begeven, daarbij met de vleugels slaande en een vrolijk gonzen
aanheffende, terwijl zij zoo sterk dringen, dat het vlieggat als het
ware verstopt wordt. Thans gaat al het volk naar de honigcellen en
vult zich de honigmaag. Zij weten toch dat zij in eene ledige woning
zullen komen, en moeten zich dus van eenigen voorraad voorzien om,
in geval het weder ongunstig werd, niet om te komen. Vóór den stok
ontstaat nu een meer en meer toenemend voorspel, onder het aanheffen
van den vrolijken zwermtoon; de bijen stroomen met overhaasting en
gedrang uit het vlieggat en--de zwerm is geboren.

Het afvliegen van een voorzwerm heeft alleen bij schoon, warm weder
plaats; gewoonlijk tusschen 's morgens acht en 's namiddags twee ure:
vroeger of later zal men hen zelden zien afkomen.

Het kan gebeuren dat men bij gunstig weder al de opgegeven voorteekenen
waarneemt, en toch verscheidene dagen te vergeefs naar een zwerm
wacht; soms komt hij zelfs in het geheel niet, en worden de aangezette
moedercellen door de bijen vernietigd. Met zekerheid kan daarom nooit
gezegd worden dat een zwerm komen zal; doch, wanneer de uit het veld
komende bijen de bloemenstof-balletjes niet afleggen, dan mag men dit
als het meest te vertrouwen voorteeken beschouwen, dat er een zwerm
op handen is.

Soms, vooral op sterk bezette standen, vliegt plotseling een voorzwerm
af, zonder dat een der opgegeven kenmerken te zien geweest is, ja
zelfs terwijl er nog geene moederwiegen zijn aangezet. Het ontstaan
van deze zwermen, die onvoorbereide zwermen heeten, moet hoofdzakelijk
worden toegeschreven aan het opwekken van de zwermdrift door oorzaken,
die buiten den stok aanwezig zijn. Hoewel zij de toebereidselen tot
het zwermen nog niet aangevangen, veel min voleindigd hebben, kunnen
volkrijke stokken hieraan soms geen weêrstand bieden. Wanneer b. v. na
koude donkere dagen, die het inzamelen niet geheel verhinderd hebben,
maar toch de zwermdrift onderdrukten, plotseling een warme dag,
met rijke honigdragt, volgt, zoodat alle stokken sterk vliegen en
voorspelen, en van verscheidene zwermen afvliegen, dan kan een nog
onvoorbereide stok hierdoor zoo worden opgewekt, dat hij een lustig
voorspel begint te houden en, onder het aanheffen van den vrolijken
zwermtoon, vliegt nu een zwerm af.

Dat werkelijk het zwermen van den eenen stok er ook andere toe
aanspoort, mag men daaruit afleiden, dat men op enkele dagen vele
zwermen te gelijk ziet afvliegen, terwijl er wederom op andere geen
enkele stok zwermt.

Ook ziet men wel onvoorbereide zwermen afvliegen, wanneer na een
ongunstig voorjaar, waarin weinig is opgelegd en dien ten gevolge de
wasbouw heeft stilgestaan, gunstiger weder invalt. De moederbij is
daardoor toch in staat gesteld de voorhanden zijnde cellen spoedig met
eijeren te bezetten; ontwaakt nu plotseling de zwermdrift, dan zetten
de bijen moedercellen aan en verzuimen den wasbouw, en weldra ziet men
een zwerm afkomen, hoewel de woning soms niet ten halve volbouwd is.

Voor de voortplanting der bijen en het welslagen van hare teelt zijn
de voorzwermen de beste; want, omdat zij het vroegst en gewoonlijk in
de rijkste honigdragt komen en meestal het volkrijkst zijn, kunnen zij
niet alleen in de eerste twee of drie weken een voldoenden wasbouw
optrekken, maar zelfs zooveel honig opzamelen, dat zij hun geheelen
wintervoorraad, van 10 tot 12 Ned. pond, en soms nog veel meer inhalen.

Een belangrijk voordeel bezitten deze zwermen ook in de bevruchte
moederbij. Zoodra er toch cellen gereed zijn, kan zij die met eijeren
bezetten en na drie weken begint het broed alweder uit te loopen,
waardoor nieuwe inzamelaars in den gunstigsten tijd worden geboren,
terwijl ook het dagelijksch verlies van volk, door den natuurlijken
dood of door toevallige omstandigheden veroorzaakt, wordt hersteld.

Het moet ieder in het oog vallen, dat het van zeer veel belang is,
dat nieuwe zwermen nog in tijds een behoorlijken wasbouw kunnen
optrekken. Zonder cellen kan er toch geen broed worden aangezet,
en honig noch bloemenstof worden opgelegd.

Volgens de oude leerwijze schatte men daarom de voorzwermen bijzonder
hoog. Men kon toch den zwerm geen reeds bestaanden bouw toevoegen
dan door hem, in het gunstigste geval, in een korf te plaatsen,
waar men het vorige jaar de bijen had uitgedreven, nadat hij
door haar gedeeltelijk bebouwd was. Zulk een bouw is echter in de
meeste gevallen, door de daarin aanwezige wasmotmaden, geheel of
gedeeltelijk bedorven, hetgeen men, omdat de bouw onbewegelijk is,
niet altijd kan ontdekken. Men loopt dus gevaar meer na- dan voordeel
van deze handelwijze te bekomen: ik heb er ten minste nooit het
beoogde doel mede bereikt. Veeleer scheen het mij toe dat er aan de
bijen de moed door benomen werd, omdat zij meestal eene vervuilde,
met wasmot verontreinigde, woning ontvingen, welke te zuiveren haar
meer tijd kostte, dan het optrekken van een geheel nieuwen bouw. Had
men geene gedeeltelijk bebouwde korven, dan bevestigde men boven in
de woning eenige stukjes van wastafels, waaraan de bijen haar bouw
konden beginnen en voortzetten.

Bij de Dzierzon'sche woningen, waarin de bouw geheel aan losse
staafjes hangt, zoodat men elke tafel afzonderlijk kan uitnemen,
kan men de geheel ledige tafels wegnemen en zorgvuldig bewaren. Men
kan dan elken zwerm een goeden bouw aanbieden; want heeft men geene
ledige tafels voorhanden, dan neemt men uit andere woningen de misbare
tafels, die alleen werkbijencellen bevatten, en geeft er hem zooveel,
als men naar zijne sterkte noodig oordeelt. Hij kan dan terstond
den medegebragten honig opleggen en dadelijk honig en bloemenstof
inzamelen en bergen. De bijen behoeven nu haar tijd en hare krachten
niet aan de wasbereiding op te offeren; de groote hoeveelheid honig,
daartoe vereischt, blijft gespaard, en eindelijk behoeft de moederbij,
voor de eijerlage, geen oogenblik naar cellen te wachten.

Het is ook zeer nuttig om bij de in te hangen wastafels er eene met
honig en eene met bloemenstof te voegen. Men hangt dan eerst die met
bloemenstof, daarna de ledige en eindelijk de met honig gevulde in
de woning. Bij onverhoopt invallend ongunstig weder, behoedt men de
bijen hierdoor voor gebrek.

Dat men de bijen de zorg voor de wasbereiding bespaart, kan ten gevolge
hebben, dat zulk een zwerm zijn wintervoorraad heeft ingedragen,
wanneer andere nog niets dan ledige tafels hebben. Wil men deze
dan door den winter brengen, dan moet men hen sterk voeren of met
anderen vereenigen.

Den kleinsten zwerm kan men ook in weinige dagen tot den sterksten
maken, door tafels met broed, dat op het uitloopen is, in de woning
te hangen. Men ontneemt dat aan die stokken, die er overvloed van
hebben en die hun verlies, door de vruchtbare moederbij, spoedig
hersteld zien. In vele gevallen is het zelfs eene nuttige berooving,
omdat men er soms volkrijke stokken de gelegenheid door aanbiedt,
om de ledige tafels, die de plaats van het uitgenomen broed innemen,
terstond met honig te vullen, en er hun tevens verkoeling door geeft.

Het voordeel, dat de voorzwerm van de oude, bevruchte koningin heeft,
en dat wij reeds opgaven, heeft slechts betrekking op den loopenden
zomer; want jonge moederbijen zijn veel beter dan oude, omdat in het
derde jaar hare vruchtbaarheid sterk afneemt. Wilde men nu jaarlijks
den voorzwerm als zoo voordeelig blijven beschouwen, men zou zich,
in het derde jaar minder en in het vierde weinig over zijn voorspoed
behoeven te verheugen, maar zelfs moederloosheid kunnen verwachten,
door het sterven der afgeleefde koningin. Het is dan ook voor den
bijenhouder van het grootste belang, om bekend te zijn met den ouderdom
der moederbijen; want het intreden van moederloosheid, in het najaar
of vroeg in het voorjaar, is toch meestal daaraan toe te schrijven,
dat men te weinig acht slaat op haar ouderdom. Men moet haar niet
ouder dan drie jaar laten worden, doch haar dan, tegen het najaar,
uit den stok nemen en vervangen door eene bevruchte, van hetzelfde
jaar. Het zijn de Dzierzon'sche woningen alweder, die dit gemakkelijk
maken, terwijl het in de oude moeijelijk, of in het geheel niet kan
worden verrigt.



NAZWERMEN.

Alle zwermen, die na het af vliegen van den voorzwerm afkomen, worden
nazwermen genoemd en naar de volgorde, waarin zij afvliegen, heeten zij
de eerste nazwerm, de tweede enz. Zij zijn gewoonlijk minder sterk dan
de voorzwermen en worden steeds zwakker, zoodat ten laatste zwermen
afvliegen, die naauwelijks 1000 werkbijen tellen. Naar evenredigheid
is het aantal hommels altijd grooter dan bij de voorzwermen.

Wanneer men het thuten der jonge moederbijen 's morgens of 's avonds in
een stok gehoord heeft, dan kan men, denzelfden of den volgenden dag,
bijna met zekerheid een nazwerm verwachten, wanneer het weder niet al
te ongunstig is. Soms komen zij zelfs af bij koud regenachtig weder,
dat men geheel ongeschikt voor het zwermen zou rekenen; wanneer de
zon maar een oogenblik doorbreekt, dan maken zij van die gelegenheid
gebruik om de woning te verlaten. Men moet dus in den tijd van het
nazwermen, ook bij minder gunstig weder, en van 's morgens tot 's
avonds, de stokken blijven bewaken.

Er is reeds opgemerkt dat de nazwermen altijd van mindere waarde zijn
dan de voorzwermen; het kleiner getal bijen, het later afkomen, en het
onbevrucht zijn der moederbij zijn daar oorzaak van. Het laatste is
vooral van beteekenis, omdat de koningin op hare bevruchtings-uitvlugt
aan vele gevaren is blootgesteld: een vogel kan haar verslinden,
de wind kan haar in het water slaan, of zij kan op een vreemden
stok verdwalen en daar terstond gedood worden. Komt zij om, dan
moet ook de zwerm te gronde gaan. In het gunstigste geval, dat is,
wanneer de koningin behoorlijk bevrucht tot haar stok terugkeert,
duurt het toch nog ruim drie weken, eer dat in dezen stok jonge
bijen kunnen uitloopen, terwijl het reeds klein getal dergene, die
in den zwerm aanwezig waren, gedurende dien tijd nog veel verminderd
is. De voornaamste honigoogst is dan ook veelal reeds geëindigd,
zoodat het niet zelden gebeurt, dat zij haar wasbouw niet behoorlijk
kunnen optrekken, noch haar wintervoorraad verzamelen.

Het nazwermen is eene der redenen, waarom de bijenteelt soms zoo
weinig voordeel aanbrengt, en kan meestal als eene plaag voor den
eigenaar beschouwd worden. Wanneer de bijen zeer zwermlustig zijn,
is het gewoonlijk een slecht honigjaar; want zoolang de moederstok
het zwermen niet heeft opgegeven, dat hij niet doet, voordat er maar
ééne moederbij in teruggebleven is, wordt er weinig ingezameld en ook
geen broed aangezet, omdat geene koningin hare bevruchtings-uitvlugt
houdt, voordat zij van de alleenheerschappij verzekerd is. Gedurende
dien tusschentijd, die gewoonlijk veertien dagen duurt, is meest al
het aanwezige broed uitgeloopen en grootendeels met de nazwermen
afgevlogen, zoodat, wanneer het zwermen eindelijk ophoudt, de
moederstok overblijft, met weinig volk en van zijn grootsten voorraad
beroofd; want elke zwerm neemt hiervan een gedeelte mede. Dan moet
de jonge moederbij hare bevruchtings-uitvlugt houden en, zoo deze
gelukkig afloopt, duurt het toch nog ruim drie weken voordat het
eerste broed de cel verlaat. Men kan aannemen dat er gewoonlijk zes
weken verloopen zullen, tusschen het afvliegen van den voorzwerm en het
uitloopen der eerste bijen, van de jonge koningin. In dit tijdsverloop
zijn, op weinige uitzonderingen na, de hoofddragten voorbij, zoodat
de moederstok, zoowel als de nazwermen, wel vermeerdering van volk
konden aanbrengen, doch zonder zich van leeftogt te hebben voorzien,
en dus allen den hongerdood moeten sterven of gevoêrd worden.

Den moederstok het veel nazwermen te beletten werd door de bijenhouders
steeds beproefd, doch men trof zelden het beoogde doel. Men zette
den afgevlogen voorzwerm op de plaats van den moederstok en plaatste
dezen elders, na er het koninklijke broed en het hommelbroed te
hebben uitgesneden. Het volk van den moederstok gaat, bij zijne eerste
uitvlugt, naar zijne oude plaats terug en versterkt den voorzwerm. De
moederstok daarentegen wordt er bijna geheel door ontvolkt; want
hij verliest al die bijen, die reeds van de vroegere standplaats
waren uitgevlogen, zoodat het broed, bij ongunstig weder, gevaar
loopt geheel af te sterven, omdat het noodige volk, ter verzorging
daarvan, ontbreekt: de geheele ondergang van den stok kon hiervan
het gevolg zijn.

Beter zou het zijn om den voorzwerm op de plaats van een moederstok te
zetten, waarvan de voorzwerm reeds eene week te voren is afgevlogen. De
vrees voor het afsterven van het broed behoeft dan zoo groot niet te
zijn, omdat het hierin reeds bedekt zal zijn en gewoonlijk zonder
eenige zorg zal uitkomen. Hoewel de bij den zwerm vliegende bijen
vreemd zijn, zoo zal de moederbij nu geen gevaar loopen door haar
aangevallen te worden; want, daar zij eene onbevruchte moederbij of
slechts koninklijk broed achter lieten, zijn zij zeer verheugd nu eene
bevruchte moederbij te vinden. De zwerm zal ook de vreemde bijen niet
aanvallen; want in den zwermtijd zijn de bijen het verdraagzaamst
jegens vreemde, ja zij nemen dan zelfs gaarne hulp aan, om den bouw
des te spoediger te kunnen optrekken.

Eene andere handelwijze, om het nazwermen tegen te gaan, bestaat
daarin, dat men den moederstok, na het afvliegen van den voorzwerm,
omkeert en er de moederwiegen op eene na en het hommelbroed geheel
uitsnijdt, en hem dan weder op zijne plaats stelt. Tien dagen later
moet men dan nog eens zien of de bijen, om aan haar zwermlust te
voldoen, ook hulpcellen hebben aangezet en ook deze vernietigen. Nu
kunnen zij die niet meer aanzetten; want tien dagen na het afvliegen
van den voorzwerm, is al het broed reeds gedekt en dus ongeschikt om er
moederbijen uit aan te kweeken. Aldus handelende zal men het nazwermen
geheel beletten, wanneer men maar zorgt geene moederwiegen over het
hoofd te zien, hetgeen in gewone korven en alle andere woningen met
vasten bouw, bijna altijd geschiedt, omdat de moederwiegen veeltijds op
de onzigtbaarste en ongenaakbaarste plaatsen hangen. De schrijvers over
de bijenteelt, die zeggen: "men moet de korven niet laten zwermen",
alsof men dit geheel in zijne magt had, bewijzen daardoor dat zij
zich niet aan de bijenstokken zelve geoefend hebben; zij zouden anders
toch inzien dat dit bijna onmogelijk is. Bij woningen met lossen bouw
daarentegen, zal het altijd aan de onoplettendheid van den bijenhouder
zijn toe te schrijven, indien hij het nazwermen niet geheel belet,
en hij is daardoor in staat gesteld om, ook in ongunstige jaren,
nog eenigen honig te winnen. Den dag, na dien waarop de voorzwerm is
afgevlogen, neemt hij alle tafels uit de woningen, vernietigt, zoo
er nog geene jonge moederbij was uitgeloopen, alle moederwiegen tot
op eene na, (had echter reeds eene jonge koningin de cel verlaten,
dan vernietigt hij haar allen) en hangt den geheelen bouw weder zoo
als hij gehangen heeft. Of er reeds eene moederbij is uitgeloopen kan
ontdekt worden, hetzij door dat men haar gedurende de behandeling in
den stok ziet, hetzij door al de moederwiegen zorgvuldig te bezien:
is er eene bij, die van haar wasdeksel beroofd is, dan wordt daardoor
aangetoond dat er reeds eene koningin is uitgeloopen. Had men door
deze bewerking den stok soms moederloos gemaakt, dan heeft dit, in
het hier gestelde geval, niet het minste bezwaar. De bijen zullen
haar toestand terstond bemerken, zich onrustig betoonen, maar zich
ook in haar lot schikken, den eerstvolgenden nacht hulpcellen uit
het voorhanden broed aanzetten en weder aan hare gewone bezigheden
gaan. Tien dagen later moet men den bouw nogmaals uiteen nemen. Ontdekt
men nu geene hulpcellen, dan kan men verzekerd wezen dat er, bij de
eerste uitneming, reeds eene koningin was uitgeloopen, (soms wordt dit
bewezen, door dat men reeds eijeren van haar ziet) of dat de bijen,
uit de haar gelaten moedercel, eene koningin bekomen hadden. Vindt
men integendeel hulpcellen, dan laat men eene der grootste hangen en
neemt alle andere weg. De stok zal nu weder eene moederbij bekomen,
en loopt hare bevruchtings-uitvlugt gelukkig af, dan zal hij in allen
deele gezond, en tegen den winter meestal ruim van voorraad voorzien
zijn, en dus een goede stok wezen, met eene jonge moederbij. Mogt door
deze behandeling een stok geheel moederloos worden, dan helpt men hem,
door uit eene andere woning eene tafel, met eene gesloten moederwieg
of met ongedekt werkbijenbroed, in te hangen.

Had men tegen alle verwachting nog eene uitgeloopen moederbij of eene
moedercel over het hoofd gezien, zoodat er nog een zwerm afvloog,
dan behoeft men dezen slechts op te vangen en, met een weinig water
besprenkeld, op een witten doek uit te storten en in een ledigen
korf te laten trekken, intusschen acht gevende op de koningin, en
deze ziende, haar met een glas te bedekken en te dooden, of haar,
in een moederhuisje besloten, tusschen de staafjes te hangen, waar
de bijen haar gewoonlijk voedsel zullen toereiken. Men kan haar
aldus tot een ander doel bewaren. De bijen, in den ledigen korf
hare moederloosheid ontdekkende, zullen hem weder verlaten en op den
moederstok terugvliegen.

De hier beschreven handelwijze volgt men ook wel, om in gewone
strookorven de afgevlogen zwermen weder te doen terugkeeren. Men kan
er dan echter lang mede aan den gang blijven; want de zwerm komt bij
herhaling, wanneer weder eene moederbij is uitgeloopen, terug. Op een
goed bezetten bijenstand kan men haar dan ook in het geheel niet ten
uitvoer brengen.

Met een afgevlogen zwerm, dien men weder met den moederstok vereenigen
wil, kan men nog op de volgende wijze te werk gaan. Men stelt den
zwerm, in een ledigen korf, op de plaats van den moederstok en zet
dezen, op een paar voet afstands er voor. De meeste bijen van den
moederstok vliegen nu bij den zwerm, waardoor gene zóó ontvolkt
wordt, dat hij verder allen lust tot zwermen zal opgeven, en de
overtollige moederwiegen vernietigen. Indien er nog te veel bijen in
waren gebleven, dan moet men hem bij het verzetten nog wat uitkloppen,
opdat hij zooveel mogelijk verzwakt zou worden. Zoodra men bespeurt
dat hij de moederwiegen vernietigd heeft, hetgeen gewoonlijk den
tweeden dag reeds zal geschied zijn, stoot men er den zwerm weder
op en zet hem weder op zijne oude plaats.--Op deze wijze bereikt men
veelal zijn doel, hoewel er niet met zekerheid op gerekend kan worden.

Nog beter zou het zijn den zwerm niet aan zijn eigen moederstok, maar
aan een anderen, dien men ook het zwermen beletten wil, te geven;
hij komt dan in eene onbekende vlugt en in eene vreemde woning en,
eene eigene huishouding willende beginnen, valt hij de in den stok
aanwezige moedercellen vijandelijk aan, vernietigt haar, en doodt
ook de overtollige moederbij, waardoor dus het zwermen van dezen stok
wordt verhinderd.

Het is mij steeds voorgekomen dat men, volgens de oude leerwijze
werkende, met de laatste behandeling er het best in slaagt om het
zwermen te voorkomen. Met zekerheid kan men er echter niet op rekenen,
maar ziet soms nog wel eens een zwerm afkomen.

Ik moet hier nog doen opmerken dat, bij het gebruik van Dzierzon'sche
woningen, het verschijnen van enkele nazwermen niet als zoo nadeelig
beschouwd moet worden. Door het inhangen van wastafels en tafels met
broed, kan men de zwakste zwermen tot sterke maken. Men komt in het
bezit van jonge, bevruchte moederbijen, die in den herfst kunnen dienen
om de oude, in voorzwermen, te vervangen, en van wastafels met enkel
werkbijencellen; zulke wastafels hebben, bij het volgen der nieuwe
methode, eene groote waarde om haar andere stokken toe te voegen.

Wenscht men van een stok verschillende nazwermen te trekken, en wil
men hem daarbij voor ontvolking bewaren, dan hangt men er aanhoudend
tafels met broed in, die men ontneemt aan sterke stokken, die niet
willen zwermen, hun ledige tafels in de plaats gevende. Voor deze is
die berooving veeltijds eene weldaad, daar er eene veel te groote
warmte in kan heerschen, en het wegnemen van het broed hun eenige
verkoeling schenkt.

Heeft men in het najaar eenige zwermen, welker bouw te klein is of
die te weinig voorraad hebben ingezameld, dan maakt men van twee,
drie of meer stokken er een, naarmate zij sterk bevolkt zijn. Men
verdeelt de tafels dan zoo, dat elke goed bevolkte stok 12 Ned. pond
bedekten honig heeft, dien hij zal behoeven om de voorjaarsweide
te kunnen bereiken. Men moet bij de vereeniging van stokken altijd
wel in aanmerking nemen, dat het slechts geschieden kan met die,
welke onmiddellijk naast elkander hebben gestaan. Den vereenigden
stok zet men dan op de plaats, die het midden houdt tusschen hunne
vroegere standplaatsen; want werden zij in een ander gedeelte van
den bijenstand geplaatst, dan zouden de bijen hare oude plaats weder
opzoeken en, daar geene woning vindende, omkomen of bij anderen ingaan
en daar soms verwarring veroorzaken. Wanneer men er gelegenheid toe
heeft, dan is het echter nog beter den vereenigden stok op een anderen
stand te plaatsen, die ten minste een half uur van hunne oude plaats
verwijderd is; vereenigt men meer dan twee zwermen met elkander, dan
moet dit, om goed te slagen, altijd geschieden. De bijen komen dan
in eene onbekende vlugt, die zij allen moeten leeren en vervliegen
dan niet. Wanneer men de stokken in hun winterverblijf wil plaatsen,
haalt men hen terug, en in het volgende jaar zullen slechts enkele
bijen de vroegere standplaats opzoeken.

De jonge, bevruchte moederbijen, die men door de vereeniging van
nazwermen verkrijgt, kunnen, zoo als reeds vroeger is opgemerkt,
met vrucht worden gebruikt om te oud geworden koninginnen te vervangen.



ZINGENDE VOORZWERMEN.

De zingende voorzwermen zou men als eene tusschensoort, tusschen de
voor- en nazwermen, kunnen beschouwen. Zij komen toch als eerste
zwermen van de stokken, en zijn gewoonlijk zoo volkrijk als de
voorzwermen, terwijl zij, even als de nazwermen, eene onbevruchte
moederbij hebben. Zij ontstaan meestal doordat de oude moederbij is
gestorven, of op eenige andere wijze verloren gegaan. Gewoonlijk
is uitputting door de overmatige eijerlage, of hoogen ouderdom
de oorzaak van haar dood. Zij kon echter ook door vreemde bijen
zijn afgestoken of op eene andere wijze zijn omgekomen. Welke ook
de oorzaak van haar verlies zijn mag, de bijen zijn er moederloos
door geworden en zetten, wanneer zij haar toestand ontdekt hebben,
hulpcellen aan uit het voorhanden, ongedekt broed. De nu eerst
uitloopende, jonge moederbij beantwoordt het qua! qua! der nog in
de cellen beslotene, met de gewone thu-toonen en verlaat de woning,
met den bereids verkregen aanhang. Somtijds verkrijgt men ook zulke
zwermen, wanneer het ongunstige weder het afvliegen van den voorzwerm
eenige dagen verhindert en de bijen de in de cellen besloten, jonge
koninginnen niet willen vernietigen. Verlaat nu eene jonge moederbij
de cel, terwijl de oude nog in den stok aanwezig is, dan zal, in
den strijd die nu volgen moet, gewoonlijk de oude vallen; want door
haar met eijeren bezwangerd ligchaam, is zij veel trager in hare
bewegingen dan hare tegenpartij. De stok heeft nu eene jonge koningin
en de eerste zwerm, die van dezen afkomt, is dus, zoowel als die van
een in het boven beschreven geval verkeerenden stok, een voorzwerm,
met eene onbevruchte moederbij en wordt daarom zingende of thutende
voorzwerm genoemd.

De ophanden zijnde verschijning van deze zwermen kondigt zich, even
als die der nazwermen, het zekerst aan, door het thuten der jonge
moederbij. Hoort men het 's morgens of 's avonds in een stok, dan kan
men er bijna zeker op rekenen dat hij of dien, of den volgenden dag,
wanneer het weder niet al te ongunstig is, zwermen zal.

Omdat deze zwermen gewoonlijk eenige dagen later komen dan de
voorzwermen, en het onbevrucht zijn der moederbij het broedaanzetten
nog eenige dagen vertraagt, zou men hen van mindere waarde moeten
beschouwen dan de voorzwermen; komt de bevruchting echter gelukkig
tot stand dan hebben zij, wegens de jonge koningin, weder eene
grootere waarde.



MAAGDEZWERMEN.

Bij gunstig weder en ruime honigdragt, kan het gebeuren dat een vroege
en volkrijke voorzwerm zooveel gebouwd heeft, en door de vruchtbare
moederbij zoo volkrijk wordt, dat de woning te klein en te warm voor
hem wordt, en hij dus behoefte gevoelt om zich te deelen. Hij zet
dan moedercellen aan en geeft een, soms meer zwermen.

Men noemt deze zwermen oneigenlijk maagdezwermen; want, hoewel zij
van een zwerm van hetzelfde jaar afkomen, toch komt de oude moederbij
weder het eerst af.

Hier te lande komen deze zwermen in het algemeen minder voor, en
bijna nooit komt er een nazwerm van een stok van hetzelfde jaar. Er
zijn intusschen enkele voorbeelden van.

Deze zwermen komen altijd laat in het jaar, wanneer meest alle
honigdragt voorbij is en de stok, waarvan zij afkomen, wordt er
gewoonlijk door ontvolkt en verliest een groot gedeelte van zijn
voorraad. Van beiden komt dan ook gewoonlijk niets teregt; zoodat
men dit zwermen zoo mogelijk moet tegengaan, door dergelijke stokken
tegen minder bevolkte over te zetten, en te trachten er de moedercellen
uit te nemen.

Bij woningen met lossen bouw vangt men de moederbij uit den stok,
en vernietigt daarna al de moederwiegen op eene na. Deze blijven de
bijen bebroeijen, en men zal dus in den stok eene jonge moederbij
verkrijgen, waarna hij niet meer zwermen kan. Tien dagen na het
wegnemen der moederbij, moet men den bouw nogmaals uiteen nemen, om
te zien of er ook hulpcellen zijn aangezet; zoo ja, dan neemt men die
op eene na weg; het aanzetten van hulpcellen zou toch een bewijs zijn,
dat de vroeger gespaarde moederwieg was verongelukt.



DUBBELZWERMEN.

Dubbelzwermen noemt men die, welke door vereeniging van twee of
meer zwermen zijn ontstaan. Die vereeniging kan vrijwillig zijn;
want op een sterk bezetten bijenstand kan het dikwijls gebeuren,
dat van twee of meer stokken gelijktijdig zwermen afvliegen, en dat
deze afzonderlijke zwermen zich, al vliegende, bij elkander voegen
en zich als één zwerm aanleggen.

Heeft er eene vereeniging van nazwermen plaats, dan is dat eene
gewenschte zaak; zijn het daarentegen voorzwermen, die zich bij
elkander voegen, dan moet men hen weder van elkander scheiden, omdat
elke moederbij met haar volk dan een goeden stok kan vormen.

Dit afscheiden geschiedt door, op eene beschaduwde plaats, een witten
doek uit te spreiden en daarop zoo veel ledige korven te plaatsen, als
men denkt dat er zwermen zijn, onder elken korf een steentje of iets
dergelijks leggende, zoodat hij aan den eenen kant op den doek rust,
terwijl er aan den anderen eene opening, ter breedte van een vinger,
tusschen hem en den doek blijft. Nu maakt men de in een korf geschepte
zwermen, een weinig nat en stort hen op den doek uit. De bijen zullen
hierover beginnen te loopen en men leidt haar daarbij naar een der
korven: deze rigting eenmaal aangenomen hebbende, zullen zij elkander
als eene kudde schapen volgen en den korf binnen trekken. Men geeft nu
acht of men ook moederbijen ziet, en deze bemerkende, plaatst men er
terstond een glas overheen, steekt een blikken plaatje tusschen den
doek en het glas en zet dit ter zijde. Zoodra men denkt dat in een
korf genoeg bijen zijn gegaan, neemt men hem weg en leidt de bijen
naar een anderen, steeds acht gevende op de moederbijen. Heeft men
op deze wijze de moederbijen afgevangen, dan verdeelt men de bijen
in zoovele korven als er koninginnen zijn en plaatst deze elk in een
moederhuisje. Het zou kunnen gebeuren dat men eene of meer moederbijen
over het hoofd gezien had, en deze dus met de bijen in de korven
waren getrokken. Dit zal men spoedig ontdekken aan de rustige houding,
die de bijen in zulk een korf zullen aannemen, in tegenstelling van
die, welke moederloos zijn. Men kan verzekerd zijn dat een zwerm van
eene moederbij voorzien is, wanneer de bijen, na een half uur in den
korf geweest te zijn, rustig blijven en zich boven in tot een digten
tros vereenigen. Die, welke moederloos zijn, zullen onrustig worden,
heen en weder loopen en den korf weder beginnen te verlaten. Aan
deze geeft men, zoo spoedig mogelijk, eene der koninginnen (doch
laat haar in het huisje besloten) waarna zij zich terstond bevredigd
zullen toonen, door de gevangen moederbij te omringen, zich als een
tros er om heen verzamelende. Men moet zooveel mogelijk zorgen dat
er geen twee koninginnen in een korf komen, want eene derzelve zou
zeker worden afgestoken, terwijl ook de andere gevaar zou loopen
van te worden beschadigd en men dus beide kon verliezen. Heeft men
eene of meer moederbijen overgehouden, dan moet men uit elken korf
wat bijen scheppen, zoodat men voor elk van haar nog eene voldoende
hoeveelheid bijen bekomt. Voor het geval, dat dit terugscheppen
noodig was, is het dat men de koninginnen in de moederhuisjes moet
laten blijven; men zou toch anders gevaar loopen ook de moederbij
terug te nemen. Wanneer eindelijk alle korven in orde zijn, dan zet
men hen op de bestemde plaats of doet de bijen aldaar in die woning,
waarin men haar wenscht te houden, en laat daarna de koninginnen los.

Op sterk bezette bijenstanden vliegen soms, van tien tot twintig
stokken te gelijk, zwermen af, die allen ondereen op één hoop
vallen. In zulk een geval is het ondoenlijk hen op de voorgaande
wijze te scheiden. Men schept dan de bijen in eenige korven, zoodat
elk daarvan een genoegzaam aantal krijgt, en zet deze op eenigen
afstand van elkander neder. Die korven, waarin geene moederbij is,
zullen de bijen spoedig verlaten en zich dan gewoonlijk over de andere
verdeelen; terwijl dat in die korven, waar er meer dan ééne in gekomen
is, de overtollige gedood zullen worden. [9]

Men kan ook de geheele bijenmassa in eene groote kuip scheppen, in
deze eenige houten staven in het rond zetten, haar dan met een luchtig
kleed goed digt dekken, en tot den volgenden morgen rustig laten
staan. Gedurende den nacht zullen de zwermen zich grootendeels van
elkander gescheiden, en zich ieder om eene staaf gehangen hebben. Men
neemt nu elken zwerm, aan de staaf gehecht, uit de kuip en doet hem
in de voor hem bestemde woning.

De vereeniging van zwermen kan ook door den eigenaar bewerkstelligd
worden, om van eenige kleine nazwermen, een volkrijken daar te
stellen. Men moet intusschen wel in aanmerking nemen, dat men voor-
en na-zwermen slechts met groot gevaar met elkander vereenigen kan;
want zwermen met bevruchte en onbevruchte moederbijen zijn elkanders
doodsvijanden. Bij de vereeniging zou juist de bevruchte moederbij,
de traagste zijnde, het meest gevaar loopen om te komen. Ook zouden
de werkbijen elkander bij duizenden afsteken. Wilde men hen daarom
volstrekt bij elkander plaatsen, dan zou men de jonge moederbij uit
den nazwerm moeten vangen, en de bijen zeer sterk met muskuswater
[10] moeten besprenkelen.



NOODZWERMEN.

Somtijds verlaat eene geheele bijenkolonie, in het vroege voorjaar
of zelfs ook reeds in het najaar, hare woning. De nood dringt haar
hiertoe, hetzij dat de woning door instorting van den wasbouw, door
stank van muizen, motten of andere onreinheden onbewoonbaar voor haar
is geworden, hetzij dat haar geheele voorraad opgeteerd is. In dit
geval noemt men den noodzwerm ook wel hongerzwerm.

De noodzwermen bedelen zich soms bij moederlooze of zwak bevolkte
stokken in, waarom zij ook wel bedelzwermen heeten. Meestal hangen
zij zich echter hier of daar aan en komen van gebrek om.



HET AFVLIEGEN, HET AANLEGGEN EN HET OPVANGEN VAN DE ZWERMEN.

Vroeger meende men dat bij het afvliegen van een zwerm de moederbij
voorging, en den geheelen zwerm tot geleide diende. Dit is echter
zoo niet. Een gedeelte der werkbijen opent den togt, en men heeft
zelfs gezien dat koninginnen, die door een gebrek aan de pooten of
vleugels de woning niet konden verlaten, er door de werkbijen met
geweld uitgedreven werden.

Bij een voorzwerm trekt gewoonlijk eerst ongeveer de helft van zijn
volk, in vrolijke drift uit de woning; dan wordt de vliegplank ledig,
en kan men veelal de koningin te voorschijn zien komen, alleen begeleid
door de zoogenaamde lijfwacht. Dikwijls vertoeft zij een oogenblik op
de vliegplank, alsof zij zich nog eens bedenken wilde, en vliegt dan
af, waarna het overige van den zwerm haar volgt. Het gebeurt ook wel
dat zij niet af wil vliegen, maar in de woning terugkeert, misschien
omdat het weder haar niet bevalt. In dit geval blijven de uitgevlogen
bijen niet lang buiten; want de koningin missende, vliegen zij spoedig
weder op den moederstok terug. Wanneer het weder den volgenden dag
gunstig is, dan kan men den zwerm op nieuw verwachten.

Door een gebrek aan de vleugels, wordt de moederbij wel eens
verhinderd den zwerm te volgen; zij valt dan op eenigen afstand van
de woning neêr. De zwermende bijen zullen haar daar gewoonlijk niet
ontdekken. Ziet men een zwerm lang dralen met zich aan te leggen,
dan moet men omzien of men de koningin ook op den grond vindt. Zij
is daar spoedig te ontdekken, omdat zij steeds door enkele bijen
zal omringd zijn, die haar geheel zullen bedekken. Doet men deze
met een houtje of iets dergelijks wat op zijde, dan zal men de
moederbij in het gezigt krijgen. Vindt men haar spoedig genoeg,
om haar aan de zich hier of daar reeds aangelegd hebbende bijen te
geven, dan zullen de nog omzwervende zich ook spoedig om haar heen
verzamelen, en de zwerm zal geslaagd zijn. Ook kan men de moederbij,
in een moederhuisje geplaatst, in de voor den zwerm bestemde woning
zetten, waarna men deze op de plaats van den moederstok stelt. De
bijen, hare koningin missende, zullen weder op den moederstok willen
vliegen, en in plaats van dezen zullen zij eene ledige woning vinden,
die zij, nu zij er hare koningin in ontdekken, met vreugde zullen
aannemen. Men moet met deze handelwijze vlug te werk gaan, en zal
dan zelfs van het opvangen van den zwerm ontslagen zijn.

Hoe men ook met eene gebrekkige moederbij handelen moge, men moet
haar nooit aan den moederstok terug geven; want den volgenden dag
zou zij weder afkomen. Haar te dooden zou ongeraden zijn; want voor
de eijerlage is zij even goed als eene geheel gezonde. Men moet haar
dan liever voor een kunstzwerm bezigen, en in den herfst door eene
jonge vervangen.

Er zijn gewoonlijk verscheidene moederbijen in die zwermen, die
met jonge moederbijen afgaan. Deze komen dan niet geregeld, maar
verstrooid, uit de woning; nu eens bij het begin, dan weder in het
midden, soms zelfs op het einde van den zwerm. Men mag dus wel aannemen
dat de werkbijen en niet de koninginnen de eerste aanleiding tot het
zwermen geven. De laatste, bij de verwarring van het zwermen, door
de werkbijen niet meer bewaakt wordende en geene thu-toonen hoorende,
verlaten hare cel en worden door de zwermende bijen voortgestuwd. Daar
de eene nu wat vroeger, de andere wat later uit de cel komt, zoo zijn
zij ongeregeld in den zwerm verstrooid.

Gewoonlijk vliegen de uit de woning stroomende bijen, onder het
aanheffen van den zwermtoon, zoolang in den omtrek van den bijenstand
rond, totdat de geheele zwerm den stok heeft verlaten. Bevindt de
koningin zich in haar midden en hebben zij zich daarvan verzekerd,
dan trekken de bijen zich meer en meer zamen en leggen zich hier of
daar aan. Meestal geschiedt dit aan een boomtak of struik. Aanvankelijk
zetten slechts enkelen zich neêr, welke door anderen gevolgd worden;
daarbij voegt zich de koningin en eindelijk ook al de overige bijen,
zoodat zij ten slotte in een belangrijken tros, veel op een druiventros
gelijkende, aanhangen. De zwerm legt zich altijd dáár aan, waar zich
de koningin bevindt; daar deze echter het vliegen niet gewoon is,
zet zij zich soms op het eerste het beste rustpunt neder, of wordt
ook wel eens door eene windvlaag neêrgeworpen, waardoor de zwermen
veeltijds op die plaatsen aanleggen, die het ongeschiktst zijn om
hen op te vangen. Soms verzamelen zij zich op een dak, in eene haag
of op andere lastige plaatsen. Het is mij eens gebeurd dat een zwerm
zich op mijn hoed verzamelde!

Zwermen, met jonge koninginnen, leggen zich ook veelal in verscheidene
trossen aan; want, waar zich eene moederbij nederzet, daar zullen
de haar omringende bijen zich ook plaatsen. Deze verschillende
trossen voegt men in ééne woning bij elkander, sluit haar met een
doek, die de lucht gemakkelijk doorlaat en zet haar aldus op eene
koele, donkere plaats. Gedurende den nacht zullen dan de bijen de
overtollige koninginnen dooden. Zet men de woning den volgenden morgen
op hare plaats, dan zullen zij haar zelden meer verlaten. De aldus
opgevangen bijen moet men zoo spoedig mogelijk van de zwermplaats
verwijderen, daar er anders te veel aan die plaats gewennen en er
blijven hangen. Heeft men den zwerm spoedig weggenomen, dan zullen
de achtergebleven bijen, die hare moederbij niet vinden kunnen, op
den moederstok terug vliegen. Velen zullen deze handelwijze afkeuren,
en de woning liever tot den avond op de zwermplaats laten staan, omdat
de verspreide bijen er zich dan meer in verzameld zullen hebben. Dit
is echter slechts een schijnbaar voordeel; want den volgenden morgen
zullen zij, die den vorigen dag daar de vlugt leerden, weder naar de
zwermplaats terug keeren. Deze verstrooide bijen kunnen als verloren
beschouwd worden; want haar eigen stok weten zij niet te vinden, en
indien zij op andere vliegen, dan worden zij afgestoken. Haar getal
zal kleiner zijn, naarmate men den zwerm spoediger van de zwermplaats
heeft verwijderd; want die bijen, die weder op den moederstok terug
vliegen, zijn wel voor den zwerm, maar niet voor den eigenaar verloren.

Wil men den zwerm in eene Dzierzon'sche woning plaatsen, dan vangt men
hem in een gewonen korf en zet hem op eene koele, donkere plaats tot
het vallen van den avond; dan doet men hem in de voor hem bestemde
woning. Dit geschiedt het best door een gedeelte der bijen, met een
blank ijzeren vuurlepel, voorzigtig uit den korf in de woning te
scheppen. Zij zullen zich dadelijk naar het voorste gedeelte daarvan
begeven, en daar een vrolijken loktoon aanheffen. Nu behoeft men de
opening van den korf slechts voor de woning te houden, en spoedig
zullen allen er in overgaan. Men behoeft hierbij niet de minste
vrees te koesteren; veeleer zal men zich vermaken bij het zien der
vrolijke dieren.

Een zwerm verlaat soms plotseling zijne aanlegplaats, verheft zich
in de lucht, en gaat de ruimte in. Hij is dan gewoonlijk verloren;
want hij vliegt soms in een digten drom zoo snel heen, dat men hem
moeijelijk volgen kan; dit wordt ook soms onmogelijk, door dat hij over
water gaat of een uur en langer vliegende blijft. Eindelijk hangt hij
zich van vermoeidheid hier of daar aan, en wordt hij door anderen niet
opgevangen, dan komt hij gewoonlijk om. Als mij een zwerm ontvliegt,
dan ga ik hem niet lang na, denkende: "zijt gij met mij niet tevreden,
zoek dan een beteren meester!"

De oorzaak van het wegvliegen van een zwerm moet meestal daarin gezocht
worden, dat men te lang gewacht heeft met hem op te vangen. Wanneer hij
zich ergens heeft aangehangen, waar hij aan de brandende zonnestralen
is blootgesteld, zoodat de hitte in den opeengepakten klomp bijen
weldra ondragelijk wordt, of indien er verscheidene koninginnen in
zijn, die elkander trachten af te steken, waardoor onrust in den
zwerm ontstaat, dan vliegt hij spoedig het luchtruim in.

Het doel, van het eerste aanleggen van een zwerm, is voorzeker het
verzamelen van alle bijen, die mede uitgetrokken zijn, ten einde een
weinig uit te rusten, en dan de door de spoorbijen opgezochte woning
gezamenlijk in bezit te nemen, of er op goed geluk eene te gaan zoeken.

Indien een zwerm zich zoodanig aan een boomtak heeft gehangen,
dat men er een korf onmiddellijk onder kan houden, dan behoeft men
tegen den tak slechts een stoot te geven, om hem grootendeels in den
ondergehouden korf te doen vallen. Men stelt nu den korf zoo digt
mogelijk bij de plaats, waar den zwerm heeft gehangen, en zet er aan
een kant iets onder, zoodat er eene opening, van eene hand breed,
overblijft. Is de koningin reeds in den korf, dan trekt zij, met de
bij haar zijnde bijen, naar het bovenste gedeelte; daar verzamelen
zij zich tot een digten tros, en de nog rond vliegende bijen zullen
zich bij haar voegen. Was de moederbij echter niet mede in den korf
gevangen, dan trekken al de bijen er weder uit en zetten zich daar
aan, waar zij zich bevindt; men moet haar dan op nieuw opvangen en
dit herhalen, tot men ook de moederbij heeft, dat echter meestal
den eersten keer het geval zal zijn, wanneer men ten minste niet te
voorbarig is geweest bij het opvangen, maar daarmede zoolang gewacht
heeft, tot de zwerm zich behoorlijk had aangelegd en verzameld.

Men moet er wel op letten den korf, waar de zwerm in gevangen is,
in de schaduw te plaatsen, en is daar bij de zwermplaats geene
gelegenheid toe, dan brengt men schaduw aan, door eene plank tegen
den korf te zetten of hem met groene takken te bedekken. Verzuimde
men dit, de zwerm zou den korf weder spoedig verlaten, voortgejaagd
door de brandende hitte, die de zonnestralen spoedig in den korf
zouden doen ontstaan.

Om het wegvliegen der bijen, bij het opvangen van een zwerm, te
voorkomen, is het goed haar nat te maken. Men doet dit het best door
haar met een handvegertje te besproeijen, maar moet er niet te vlug
mede zijn, doch wachten tot het grootste gedeelte van den zwerm
zich heeft aangehangen; want deed men het voor dat de moederbij
zich had neêrgezet, dan zouden zij weder wegvliegen en zich elders
aanleggen. Met het nat maken kan men nooit kwaad doen en, wanneer de
bijen al te oproerig zijn en men er geen meester over kan worden,
dan kan men haar gerust druipnat maken: zijn zij weder opgedroogd,
dan hebben zij er niet het minste letsel van.

Hebben de bijen zich tegen een zwaren boomtak, tegen den stam of elders
zoodanig aangelegd, dat zij niet afgeschud kunnen worden, dan moet
men haar met een blank ijzeren vuurlepel opscheppen, en aldus bij
gedeelten in den korf brengen. Men moet daarbij in acht nemen haar
langzaam, van onderaf, te scheppen, zij zullen dit gewillig toelaten
en slechts weinigen zullen op den grond vallen. Men wachte zich wel
van boven naar beneden te scheppen, om haar als het ware in den korf
te strijken, dat oogenschijnlijk in vele gevallen gemakkelijker zou
zijn; de bijen kunnen dit niet verdragen: men zou haar meest altijd
in toorn brengen en er ook meer kwetsen, dan van onderaf scheppende.

Indien een zwerm zich hoog in een boom heeft gehangen, zoodat men
er niet gemakkelijk bij kan klimmen, dan neemt men een ligten korf,
die in den top eene opening heeft, steekt hierin een stok en houdt
hem aldus onder den zwerm, terwijl een ander, met een aan een stok
bevestigden haak, den tak een ruk geeft, die den zwerm in den korf
doet vallen. Men zet dezen nu op den grond neder, opdat de bijen er
zich in verzamelen.

Heeft een zwerm zich aldus geplaatst, dat het niet mogelijk is hem op
te vangen, dan moet men trachten hem, door het aanbrengen van rook,
van die plaats te verdrijven, in de hoop dat hij zich op eene meer
geschikte zal aanleggen. Wanneer hij voor den rook van lappen zijne
plaats niet spoedig wil verlaten, dan maakt men eene soort van lont
van lappen, en doet daar wat haar tusschen; voor den rook daarvan
zal hij meest altijd wijken; mogt het echter nog niet helpen, voor
den rook van brandenden duivelsdrek zal hij zeker uit den weg gaan.

Is de plaats, waar de zwerm zich heeft aangelegd, zelfs niet met
rook te bereiken, zonder zich zelven aan gevaar bloot te stellen,
dan doet men best hem maar verloren te laten gaan, zich troostende
met de gedachte, dat het beter is een zwerm te missen, dan om zijn
bezit den hals te breken.

Over het algemeen kan men aannemen, dat een zwerm de hem aangewezen
woning aanneemt, wanneer de bijen, tot een digten tros vereenigd, een
aanvang met den wasbouw maken; terwijl er eenigen aan het vlieggat
staan, die, met den kop naar hetzelve en het achterlijf naar boven
gerigt, vrolijk met de vleugels slaan; dit is het gewone teeken dat
de moederbij in den stok is. Men ziet dan ook reeds eenige bijen
uitvliegen, en met voorraad beladen te huis komen. Andere zijn weder
bezig met de woning van onzuiverheden te ontdoen, en oneffenheden weg
te bijten. Dit laatste is wel als het zekerste bewijs te beschouwen,
dat de zwerm de woning niet meer zal verlaten.







II. DE BIJENTEELT.


DE WONINGEN.


Deze tweede afdeeling, waarin meer bepaald de teelt der bijen zal
behandeld worden, wil ik aanvangen met het beschrijven der woningen. Ik
zal mij daarbij bepalen tot de Dzierzon'sche; want wilde ik, van
alle vroeger en thans nog in gebruik zijnde woningen, de inrigting
opgeven, dan zou ik mijn bestek ver te buiten gaan; daarenboven zou
dit nutteloos zijn, daar er in onze taal verscheidene werken zijn,
waarin zij goed beschreven worden. [11]

Men heeft reeds sedert eeuwen ingezien, dat de gewone bijenkorven
veel te wenschen overlaten: in den bouw kan men niet zien en meest
alles is van het toeval afhankelijk; de willekeur der bijen kan men
niet behoorlijk tegengaan en aan zijn wil onderwerpen. Men trachtte
daarom steeds betere en meer geschikte woningen uit te denken,
maar die, welke men te voorschijn bragt, beantwoordden niet aan het
oogmerk. Zij waren zeer zamengesteld, hoog in prijs en moeijelijk
en omslagtig in de behandeling: men stelde haar daarom ter zijde en
gebruikte weder strookorven.

De oude Grieken gebruikten reeds woningen met lossen bouw, doch zij
waren ondoelmatig en vonden geene navolging. De eerste, die er in
geslaagd is om de bijenteelt met eenig goed gevolg in zulke woningen te
beoefenen, was Frans Huber, een Fransch bijenvriend, die in de tweede
helft der vorige eeuw leefde. Hij werd op eene zeer eenvoudige wijze
tot hare zamenstelling gebragt. Voor zijne waarnemingen omtrent het
leven der bijen, gebruikte hij zeer ondiepe kasten, die slechts eene
tafel konden bevatten, en waarin hij dus de bijen aan beide kanten,
in al haar doen kon bespieden. Van deze kasten, welke ieder een los
raampje bevatteden, waarin de tafels gebouwd moesten worden, plaatste
hij er eenige tegen elkander, vereenigde die door ijzeren stangen met
schroeven, en verkreeg daardoor eene woning, uit kleinere te zamen
gevoegd, die naar willekeur kon worden uit elkander genomen. Hij
noemde haar blad- of boek-woning, omdat men haar, even als een boek,
kon openen en bezien. Al gaf zij gelegenheid om den bouw uiteen te
nemen en weder zamen te voegen, waarvan men het nut erkende, voor
algemeen gebruik was zij te kostbaar en te omslagtig, en werd daarom
bijna geheel der vergetelheid prijs gegeven.

Aan Dzierzon komt de eer toe de teelt der bijen, in woningen met lossen
bouw, gemakkelijk en voor iedereen uitvoerbaar gemaakt te hebben,
en hoewel zijne woningen nog wel voor verbetering vatbaar zullen
zijn, vergeten zullen zij nooit worden. Het eerst maakte hij die
bekend in de Bienenzeitung voor 1845, No. 12, na haar reeds geruimen
tijd, onder toepassing van zijne theorie, op zijn stand gebruikt te
hebben. Later maakte hij haar, door verscheidene afzonderlijke werken,
meer algemeen, zooals in zijne: "Theorie und Praxis," "Nachtrage zur
Theorie und Praxis" en "Bienenfreund aus Schlesiën."

Bij de vervaardiging zijner woningen, ging hij van het beginsel
uit, dat zij slechts uit ééne kast moesten bestaan, waarin de bouw
gemakkelijk uiteen genomen, en zonder hem te beschadigen, weder in
elkander gevoegd of in eene andere woning overgeplaatst kon worden. Dit
doel heeft hij volkomen bereikt, en zijne woningen bevelen zich als
van zelven aan, aan allen, die slechts willen zien en met oordeel
nadenken. Zij vinden dan ook, niet slechts in geheel Duitschland,
maar ook in vele andere landen, meer en meer navolging, en op vele
bijenstanden hebben zij alle andere woningen geheel verdrongen.

Deze woningen en de toevallige invoering der Italiaansche bijen,
hebben in de laatste tien jaren meer omtrent de huishouding der bijen
aan het licht gebragt, dan alle vroegere eeuwen te zamen, en tevens
doen zien, dat een aantal der vroeger als goed erkende leerstellingen,
slechts fabels waren.

Dzierzon geeft twee soorten van woningen op, te weten: liggende,
waarbij de lengte grooter is dan de hoogte, en staande, waarbij in
tegendeel de hoogte de lengte overtreft. De ondervinding heeft geleerd
dat de liggende het honigwinnen meer bevorderen, terwijl de staande
het broedaanzetten meer begunstigen, daar er eene meer gelijkmatige
warmte in heerscht.

Wegens de ruimere honigopbrengst zou dus de liggende woning te
verkiezen zijn; doch in eene andere, zeer belangrijke zaak, staan zij
weder ver achter de staande: de overwintering is toch in deze veel
gemakkelijker; want in de liggende woningen hebben de bijen te weinig
honig boven zich, zoodat zij in strenge winters de meer afgelegen
tafels niet kunnen bereiken. Thans geeft men vrij algemeen de voorkeur
aan woningen, die tusschen de liggende en de staande invallen.

Voor ik tot de beschrijving der woningen, van welke thans reeds zoo
vele soorten bestaan, dat ik slechts de voornaamste behandelen kan,
overga, moet ik de opmerking maken dat, welke afmetingen men zijne
woningen ook geven wil, de breedte van allen volkomen dezelfde moet
zijn. Voor den inwendigen afstand der zijwanden moet men dus eene
bestendige maat kiezen. Deed men dit niet, men zou woningen met lossen
bouw hebben, en de voornaamste van hare voordeelen missen! De staafjes,
waaraan de bouw hangt, zouden verschillende lengten moeten hebben,
en konden dus niet uit de eene woning in de andere geplaatst worden.

De ondervinding heeft mij geleerd, dat breede woningen moeijelijk te
behandelen zijn. Den inwendigen afstand der zijwanden van allen, die ik
beschrijven zal, stel ik op 9 1/2 Rhijnl. duim. De staafjes, waaraan de
tafels gebouwd moeten worden, zullen dan 9 7/8 duim lang moeten zijn,
omdat zij in de zijwanden in groeven, van 1/4 duim diep, gemakkelijk
geschoven moeten kunnen worden, zonder dat zij daarin kunnen klemmen
of er uit vallen. Eene afbeelding van een staafje ziet men in fig. 1.

Men maakt hen van eene soort van hout, dat niet splinterachtig
is; ik neem er olmen voor. In een latje, van ruim 1/4 duim dik,
bij eene lengte ab, van 9 7/8 en eene breedte ac, van 1 1/2 duim,
worden, 1 duim van de uiteinden, bij e, f, g en h, insnijdingen,
van 1/4 duim diep, gemaakt, en het hout daar tusschen weggestoken,
zoodat het gedeelte efgh van het staafje 1 duim breed is, terwijl de
verbreeding aan de uiteinden, aan weêrskanten 1/4 duim zijnde, er bij
het tegen elkander schuiven der staafjes in het midden eene ruimte
van 1/2 duim vrij blijft; (zie fig. 3, die eene woning voorstelt,
waar men bovenin ziet, nadat de bovenwand er afgenomen is).

Het is een bepaald vereischte dat de staafjes de afmetingen hebben,
die ik hier opgeef; want de bijen geven de wastafels eene breedte
van 1 duim, en laten tusschen elke twee tafels eene ruimte van 1/2
duim vrij (zie bladz. 46); was de tusschenruimte der staafjes te
klein, zij zouden de tafels aan elkander bouwen; was zij te groot,
zij zouden er kleine tafels tusschen brengen, en de uitneembaarheid
van den bouw zou in beide gevallen verloren gaan. Op de staafjes en
hare plaatsing berust de geheele Dzierzon'sche methode.

Om de staafjes spoedig en goed te maken, zaagt men van eene olmen
plank, van 1 1/2 duim dik, stukken af, fig. 2, die de lengte ab der
staafjes hebben; 1 duim van de uiteinden maakt men, aan eene der
zijden, zaagsneden gi en hk, van 1/4 duim diep, schaaft het hout
tusschen deze zaagsneden vlak weg, en bewerkt daarna de andere zijde
der plank eveneens. Men zaagt er nu plaatjes van 3/8 duim dik af, die,
opgeschaafd zijnde, dus ruim 1/4 duim dik en allen van gelijken vorm
zijn zullen. Men moet hen slechts aan eene zijde glad schaven; want
de aanhechting der wastafels geschiedt gemakkelijker en beter aan eene
ruwe oppervlakte: zij worden dus aan de ongeschaafde zijde bevestigd.



De woningen worden vervaardigd van planken, van 3/4 duim dik, die
behoorlijk aan elkander geploegd en gelijmd moeten worden. Men zaagt
eenige stukken af op de lengte, die de wand hebben moet, zaagt deze
daarna op het hart door, om het krom trekken te voorkomen, en ploegt
van de verkregene plankjes er zoovele aan elkander, dat men een blad
van de vereischte breedte verkrijgt. De voegen moeten, opdat zij niet
open zouden trekken, gelijmd worden. Daartoe moet eene lijm gebezigd
worden, die tegen water bestand is; want vooral in den winter, is in
sterk bevolkte woningen veel waterdamp aanwezig. Men gebruikt daarvoor
versch gestremde melk, met gestampte en gezifte, ongebluschte kalk
vermengd, welk mengsel eene taaije pap zal vormen; hiermede worden
de voegen aan een gelijmd, waarna men het blad, gedurende een paar
dagen, tegen elkander geklemd, te droogen legt. Is de lijm goed droog,
dan wordt het blad vlak geschaafd.

De bodem en bovenwand der woning (zie fig. 4) worden zoo lang genomen,
dat de uiteinden aan weêrskanten 3 à 4 duim over den zijwand uitsteken;
in onze figuur ziet men de stukken ae, bf, cg en dh. Op de kanten der
zijwanden worden dan stukken abfe en cdhg, welker breedte gelijk is
aan de buiten uitstekende gedeelten van den bodem en den bovenwand,
bevestigd. Aan de achterzijde der woning, die hier onzigtbaar is,
worden eveneens dergelijke strooken aangebragt. In fig. 3 ziet men
haar in doorsnede; a, b, c en d zijn de vier strooken, ef en gh
de zijwanden.

Aan de buitenzijde der woning verkrijgt men nu eene ingesloten ruimte,
die boven- en onderaan begrensd wordt door de uitstekende gedeelten
van den boven- en onderwand, aan de zijden door de daar aangebragte
strooken en achter-aan door den zijwand. Die ruimte wordt opgevuld
met stroo of mos, dat voor de netheid nog met riet bedekt kan worden,
waarna men het vulsel bevestigt, door drie of vier houten lijsten,
(efgh, iklm en nopq, fig. 5,) die op de zijwanden gespijkerd worden;
om het opbuigen te voorkomen, vereenigt men haar in het midden door
een enkelen spijker met den binnenwand.

Het opvulsel moet niet te los zijn, doch ook niet met geweld aangedrukt
worden; de lijsten moeten het behoorlijk kunnen tegenhouden.

Men verkrijgt op deze wijze zijwanden, die de warmte zeer moeijelijk
geleiden en die daarom, in den winter, het ontwijken der inwendige
warmte en, in den zomer, eene te sterke verhitting tegengaan.

Ter voorkoming van het vezelen van het riet en het indringen van
muizen, wordt het vulsel, nadat de woning voltooid is, tusschen de
houten lijsten bepleisterd, met een mengsel, bestaande uit koemest
en gezifte asch. Het aanzien verbetert hierdoor ook.

Om het opvullen gemakkelijker te maken, bedient men zich van stroo-
of riet-matjes, die men eveneens vervaardigt, als de dekmatten der
tuinlieden. Het onderste gedeelte der op te vullen ruimte wordt dan
met los stroo gevuld, hierop een matje gelegd en dit met de lijsten
nedergedrukt.

Wanneer men het uiterlijk aanzien der woningen bevallig wil maken,
en zich daarvoor eene kleine verhooging in prijs getroosten, dan kan
men het opvulsel ook bedekken met over elkander gespijkerde, dunne
plankjes (zie fig. 4). Dit is ook goed voor het behoud der woning,
omdat alle regen goed kan afloopen, waardoor het vulsel geheel droog
blijft. Eigenlijk wordt de geringe prijsverhooging aanmerkelijk
opgewogen, door het voordeel dezer bekleeding; ik heb haar daarom
dit jaar bij al mijne nieuw gemaakte woningen aangebragt.



DE LIGGENDE WONING.

Voor de zijwanden der liggende woning maakt men, op boven gezegde
wijze, twee bladen, die, bij eene lengte van 15 1/2 duim, eene
breedte van 30 duim bezitten. Men moet zorgen dat eene der zijden
van elk derzelve, die de binnenwanden der woning moeten vormen, goed
vlak geschaafd zijn, daar deze wanden evenwijdig wezen moeten. Aan
die zijden schaaft men aan weêrskanten eene sponning, van 1 1/2 duim
breed en ruim 1/4 duim diep, waarin de deuren moeten rusten. Bij e,
f, g en h, fig. 3, ziet men de deuren i en k in doorsnede, in die
sponningen rustende, terwijl dat eene daarvan gezien wordt bij ik,
fig. 4, en eene bij rs, fig. 5.

Vervolgens maakt men, aan dezelfde zijden dezer bladen, 12 1/4 duim van
den onderkant, eene groef, van 1/4 duim diep en ruim 1/4 duim breed,
(zie lm, fig. 4 en tu, fig. 5,) zoodat zij, de bladen op elkander
liggende, elkander volkomen bedekken. Die groeven moeten dienen om
er de staafjes in te schuiven.

In het midden, van een dezer zijstukken, wordt nu, 1 1/4 duim van den
onderkant, eene opening voor het vlieggat, (no, fig. 4) gemaakt. Voor
het gemak en de netheid maak ik voor deze gaten kokertjes, door
tusschen twee plankjes van 5 duim breed en 1/2 duim dik, aan beide
zijden latjes te spijkeren, van 1/2 duim breed en 3/8 duim dik,
waardoor dan een koker (fig. 6) ontstaat, die inwendig 4 duim breed
en 3/8 duim hoog is, waar ik nu stukjes afzaag, welker lengte gelijk
is aan de dikte van den zijwand. Deze kokertjes moeten aldus in het
zijstuk gebragt worden, dat de opening in het midden der breedte en
haar onderkant 1 1/4 duim boven den onderrand komt te liggen.

Voor de boven- en onderwanden maakt men bladen, van 17 1/2 duim lang
en 30 duim breed, schaaft aan de zijden, die de binnenkanten moeten
vormen, op gelijke afstanden van de uiteinden, groeven van 1/4 duim
diep en 3/4 duim breed, welker binnenranden juist 9 1/2 duim van
elkander verwijderd moeten zijn. In fig. 4 zijn deze groeven aangeduid
door de letters p, q, r en s en in fig. 5 door v, w, x en y.

De zijwanden worden nu in deze groeven van de boven- en onderwanden
geschoven en met spijkers daarin bevestigd. Aan de kanten, waar
de deuren moeten komen, zet ik, voor het afwijken, gewoonlijk eene
houtschroef. Men vult daarna de zijwanden op de vroeger omschreven
wijze en maakt in de onderste lijst, die het vulsel bedekt,
eene opening, waardoor het kokertje voor het vlieggat, gestoken
kan worden; maakt dit er in vast en brengt aan de buitenzijde een
zinken schuifje voor hetzelve. Nu wordt onder het vlieggat nog een
vliegplankje gemaakt, dat 2 duim breed en 6 duim lang is. Het moet
zoo aangebragt worden, dat de bovenkant gelijk komt met de onderzijde
van het vlieggat, opdat de te huis komende bijen, na zich op dit
plankje nedergezet te hebben, ongehinderd kunnen binnengaan en niet
behoeven te klimmen. Naar buiten moet het eenigzins afhangen om den
regen te doen afloopen. Bij het vervoeren is het zeer gemakkelijk,
als de vliegplankjes van de woningen genomen kunnen worden. Zij
nemen daardoor minder plaats in, en het gebeurt ook dikwijls, dat
deze plankjes er afbreken. Een vliegplankje ziet men bij t, fig. 4,
een zinken schuifje bij z, fig. 5.

Voor de schuifjes neemt men stukjes zink, van 7 duim lang en 1 1/4
duim breed; maakt 3/4 duim van de uiteinden, bij a', b', c' en d',
fig. 5, insnijdingen van 3/16 duim diep en vouwt de gedeelten a'b'
en c'd' om. Wil men dit netjes doen, zonder gevaar van scheuren te
hebben, dan moet men het zink warm maken; het laat zich dan nagenoeg
even gemakkelijk buigen als lood. Men maakt nu tusschen de omgevouwen
randen eene opening, van 4 duim lang en 3/8 duim hoog, en maakt twee
schuifjes, l' en m', om deze te sluiten. Hiervoor zijn twee schuifjes
noodig, omdat, bij het vergrooten en verkleinen van het vlieggat,
de opening steeds in het midden moet blijven. De schuifjes moeten aan
het uiteinde, bij l' en m', kokervormig opgerold worden; behalve voor
het aanvatten bij het openen en sluiten, dient dat kokertje nog om,
bij het vervoeren der woning, de schuifjes aan elkander te binden,
om het openvallen te beletten.

Aan de woning ontbreken nu nog maar de deuren. Deze ziet men in
doorsnede bij i en k, fig. 3; terwijl dat in fig. 5 de deur e'f',
op eenigen afstand der woning, afgebeeld is. Zij worden gemaakt van
dwars over elkander liggende plankjes, waardoor het krom trekken
voorkomen wordt. Op de omschreven wijze maakt men twee bladen,
het eene lang 10 en breed 15 duim, het andere omgekeerd lang 15 en
breed 10 duim, en lijmt en spijkert, terwijl de lijm nog versch is,
deze bladen op elkander.

Het is goed eene opening, van 4 duim breed en 10 à 12 duim hoog, in
het midden der deuren te maken. Men zaagt deze openingen dan in de
bladen, voor dat zij op elkander gebragt worden en legt daar tusschen
een traliewerk van dun ijzerdraad, dat haar overspant, waarna 

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/34590