Nederlandsche Sagen en Legenden
by Josef Cohen · Dutch · Gutenberg #3455 · 698,571 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Nederlandsche Sagen en Legenden
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Nederlandsche Sagen en Legenden
Author: Josef Cohen
Illustrator: Pol Dom
Release date: December 17, 2004 [eBook #3455]
Most recently updated: January 8, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/3455
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE SAGEN EN LEGENDEN ***
Nederlandsche Sagen en Legenden
Door
Josef Cohen
Met 32 Illustratiën in kleurendruk en zwart
Door Pol Dom.
Zutphen--W. J. Thieme & Cie--1917.
Inhoud
Hoofdstuk.
Voorrede
I. Het vrouwtje van Stavoren 1
II. Straffe Gods 11
III. Hoe Montfort ordeloos ligt 18
IV. Hoe Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum een naam
kregen 20
V. De slaper in het Voorhout, de Vorst van éénen dag of de
Vroolijke Willem 22
VI. Gerard, de slechte Heer 32
VII. De Basiliscus van Utrecht 53
VIII. Het Popje der Heks 57
IX. De Roode Hemdrok 64
X. Westerschouwen, Westerschouwen, het zal u berouwen 67
XI. De Zeemeermin van Edam 71
XII. De Zeemeermin van Muiden; Erasmus 73
XIII. Kaïn 74
XIV. Het Heilig Hout van Dordrecht 83
XV. Maria, het Venster 87
XVI. Brammert en Ellert 89
XVII. Zomersneeuw 95
XVIII. Mirjam 101
XIX. De Gevangen Wolk 106
XX. De Gierige Mulder 111
XXI. Duif en Doffer 116
XXII. Emma van Haarlem 122
XXIII. Eleonora's Poll 125
XXIV. De Kamper Raadslieden 130
XXV. De Weerter Rogstekers 132
XXVI. Kabouterwraak 137
XXVII. Het Vrouwenzand 149
XXVIII. De Ridder van Stenhuisheerd 154
XXIX. Doodendroom 160
XXX. Mooi-Ann van Velp 167
XXXI. De Verborgen Schat 178
XXXII. Waarom de Reuzen in Limburg zijn uitgestorven 182
XXXIII. De Stille Ronde van Bergen-op-Zoom 187
XXXIV. De Witte Wiven van Lochem 196
XXXV. Het ontstaan der Namen van verschillende Hollandsche
plaatsen 208
XXXVI. De Witte Wiven van Tubbergen 210
XXXVII. Wonderlijke Avonturen van den Ridder met den Zwaan 219
XXXVIII. De Schelpengrot op Nienoort 244
XXXIX. Van eenen Ridder 252
XL. Van eenen Koster en eene Kosterin 255
XLI. De Bergtoren van Deventer 259
XLII. Een schoone historie van de vier Heemskinderen 265
XLIII. Ferguut 275
XLIV. Wonderlijke Geschiedenissen uit Friesland 311
XLV. Zuwaert, de Martelares van Dordrecht 321
XLVI. De Engelsche koningsdochter 323
XLVII. De Vliegende Hollander 332
XLVIII. Ontmoeting met den Vliegenden Hollander 338
XLIX. De Sage der "Lutine" 342
L. Doktor Faust bij Bommel 346
LI. Avonturen van Doktor Faustus in Leeuwarden 352
Aanteekeningen 357
Register 398
Lijst van Illustraties
"Wie durft mij te vloeken--" _tegenover den titel_.
Niemand opende. Ze luisterde of er van binnen geen geluid kwam 15
Het polsstokspringen 21
Willem ontwaakte, richtte zich op en zag verdwaasd om zich heen
24
Zij zaten in de berookte, besmookte herberg en zopen en kaartten
42
"Reis noordwaarts, steeds naar het Noorden" 79
"O, waarde moeder Gods, gij moet mij helpen" 86
Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem
weende 94
De moeder was naast haar jongen neergevallen 96
... En de Taak van den Dood niet wilde eindigen 101
Zij zag haren ridder op zijn ros 117
't Klein Kaboutertje klom hem tegen de beenen op 146
Eens, dat een harer vaartuigen zeilreê lag, liet zij den schipper
bij zich komen 149
Toen hij zijn kasteel naderde, reed er voor hem een donkere gedaante
159
Toen kwamen ze aan de hoeve waar de doode hen beidde 163
Ze stond voor hem, in haar rijke schoonheid 172
Ze vroegen het de aanstaande koningin, maar deze overstelpte hen zóó
met woorden 185
Hij ging, buiten de stad, tot aan de plaats waar zijn zoon was
gestorven 195
Woest ijlde Bles den berg af 205
Het ontstaan van verschillende Hollandsche plaatsen: Domburg 209
"Neem mij mee. Ik heb zoo naar mijn kind verlangd" 213
Hij toonde hun de ketens 235
"Spelen," smeekte 't kind, "laten wij spelen" 246
De monnik richtte zich recht en strekte zijn hand uit
"Hoe heb ik u thans behandeld?" Vroeg hij 257
De ridder wachtte haar en hief haar op zijn paard 264
Hij echter trok vroolijk van zijn huis het duistere leven tegemoet
278
In de hand hield hij het witte schild 295
Den dag daarna vloog uit dezelfde plek een draak, vreeswekkend van
gedaante 313
Zuwaert, de martelares van Dordrecht 321
"Het is goed dat mijn zonen met u mede gaan." 331
De storm duurde voort van eeuwigheid tot eeuwigheid 332
Voorrede
Het is niet de eerste maal, dat de Nederlandsche Sagen en Legenden
in een bundel worden vereenigd. Maar wel is het de eerste maal, dat
iemand in Nederland zich ten doel stelt, ook de ziel der folklore te
ontdekken. Wetenschappelijk is 't hart van ons volk genoeg beschreven;
deze arbeid echter wil meer.
Dikwijls heb ik menschen hooren vertellen, en dan dacht ik: het
zijn niet alleen de woorden, die het verhaal vormen, maar het is
ook de stem, en voor alles het gebaar. Weet gij, wat een gebaar kan
doen? Poover is dikwijls de woordkeus van den verteller, schriel zijn
stem ... maar het gebaar! Wist ge, dat er zoovele kunstenaars onder
het volk zijn?
Sommigen dezer sagen en legenden zijn verdroomd in 't groote hart van
Nederland. Velen leven nog onder de "denkers," zooals iemand ze mij
noemde. Smartelijk schrijf ik, dat soms de sage vergaat, wanneer ze
gedrukt is. Ik ben niet de eerste, die dit constateer.
En toch--niet op mij zal deze schuld rusten. Ik wil vertellen, zooals
ik het zelve heb gehoord, grappig, sentimenteel, rhetorisch, weemoedig,
zenuwachtig, angstig, geheimzinnig, met stil of met druk gebaar, al
naar den aard. Geheimzinnig steeds, zooals 't haardvuur vlamt en de
vlammen hoog op spelen bij den rood-koperen ketel. Ook ik zal deze
sagen lezen in de eenzaamheid met slechts enkele oude menschen--uit
het volk, zooals men zegt--bij mij, en waar ik hun gebaar mis, zal
ik misschien den klank mijner woorden hebben, zoodat zij naar mij
luisteren, als ik naar hen geluisterd heb.
Er zijn vele mysteriën in de menschelijke ziel, waarvan gij in
de groote steden geen besef hebt. Gij leeft uw dagen, zonder de
eenzaamheid te kennen--de strijd om het bestaan vreet uw geheimen
op--en de verrassende dood doet u hulpeloos zijn. Ge weet niet, hoe
angstig ik ben, dit volkshart te krenken. Ge weet niet, hoe ik mijn
vrienden zal moeten vragen, of ik hen niet beleedigd heb, al besef ik,
dat zij mij zullen vrijspreken.
In mijn ooren hoor ik uw spottenden lach. Ja, ik ben ook bang voor u,
de massa in de groote steden. Ge spreekt wellicht van dom bijgeloof, en
ge zegt, dat dit werk uit den tijd is. Heksen en reuzen--voorspoken en
naspoken--kabouters en zeemeerminnen--duivels en witte wijven--menschen
met den helm geboren en weerwolven--al deze in bonte mengeling door
elkander--wat raken zij u? Ik vrees hen, die verstandig zijn. O! ik
haat hun logica.
Toch zal er weder een tijd komen, dat men de schouders ophaalt over
deze dagen van nauwkeurig realisme. Dan zal men verwonderd zijn
over al mijn vrees, want in die toekomst zal men niet begrijpen,
hoe geloof en angst tezamen kunnen zijn in een menschelijke ziel.
Eigenlijk behoort men te glimlachen over het woord "bijgeloof." Een
mensch, die vreugde of smart of huivering voor verleden of toekomst
gevoelt, moet zich zijn sentiment voorstellen, en buiten hem om
wordt de gedaante geschapen. Het kan een kabouter zijn, vol list en
bedrijvigheid, doch ook de weerwolf met den rammelenden ketting. Het
zijn de gevaren van natuur of maatschappij, ook wel het gevaar in
zijn eigen gemoed, die den mensch bedreigen. Zóó ontstaat de sage.
Overblijfselen uit den heidenschen tijd?
Woorden zijn dat, die ik niet begrijp.
Wanneer een man een witten nevel zag stijgen, welke hem dreigend
nazette tot zijn huis, of de nachtmerrie op een zijner paarden
kroop, of hij een kaboutertje zag, dat in zijn schuur werkte of hem
plaagde--dacht hij dan zelf aan den heidenschen tijd? Waarom steeds de
anatomie van het uiterlijke--waarom nooit 't gevoel voor het innerlijk
wezen? Waarom altijd 't ontleedmes en nooit de eerbiedige schroom?
Nergens bestaat er zulk een tegenstelling tusschen den geleerde en den
kunstenaar als in ons Holland. Ik zal in deze voorrede er niet verder
over spreken. Na dit boek zal waarschijnlijk de sage méér den dichter,
minder den wetenschappelijken man als zijn eigendom toebehooren. Laat
de volkskunde--de wetenschap--dan in handen van den geleerde .... Zóó
zullen wij immers voortaan als collega's naast elkander staan?
Twee dooden heb ik nog te herdenken: Gust. van de Wall Perné en
Waling Dijkstra. Zij ook hadden het volk lief en hebben er niet mede
gespot. Zij hebben ieder van hun streek gehouden, en waar lieden der
Vale Ouwe, waar zij van Friesland tezamen komen, klinke hun naam!
Nu wijkt alle vrees van mij. Er is een groot geluk, dat dit boek
wordt uitgegeven. Er bestaat geen blijder vreugde. Dezelfde liefde
als Van de Wall Perné en Waling Dijkstra heb ook ik. Ja, misschien
is 't mogelijk, dat eens de gansche rijkdom aan sagen, die Nederland
heeft, blinkt als een opgedolven schat. Friesland, het geheimzinnige
land, Groningen het zinnebeeld-zoekende, Drenthe, het onschuldige
en geestige, Overijsel, stil! 't is mijn droomende geboortegrond,
Gelderland, het sprookjes-vertellende, Utrecht, het oude, Holland
het werkelijke, Zeeland, het wijsgeerige en liefdevolle, Brabant, het
fantaseerende, en Limburg ... er is maar één Limburg: welke sagen! Ik
ken 't machtig Limburgsche volk uit zijn verhalen. Het moet een volk
zijn met vele kunstenaars.
Alle vrees is mij verre. Duizelend van geluk geef ik u 't beste bloed
van uw volk en 't beste bloed van mijzelven.
I
Het Vrouwtje van Stavoren
Het was in den zomer, en alles was rijk aan kleur en vreugde. Er was
zonnelicht over de zee, zoover men zien kon. Golven van zonnelicht
dansten met elkander, en ze zetten haar spel voort tot ver in de
haven van Stavoren: wie kon denken, dat het dezelfde golven waren, die
boosaardig in den winter, tuk op buit, de vlakke streek bedreigden? De
schepen dodeinden mede in de blijde wiegeling der zee, en ook hun
wimpels, ze wapperden op dezelfde maat. Waren het de durvende, grimmige
schepen, die tot verre voeren, naar de landen der Denen, der Noren,
naar de steden der Hanze, diep in het Duitsche land, onvervaard tegen
storm en roover? Ernstig was immers hun taak, ze brachten den rijkdom
aan hun aller meesteres, de vrouwe van Stavoren. Háár behoorde de
zee. 't Was echter niet háár wil, dat de wereld op dezen zomerdag
een feest was en niet háár ter eere dansten de statige schepen.
De kinderen stoeiden in de straten. Ze speelden haasje-over, en ze
sprongen in rijen, lieten elkaar nu eens los, voegden zich dan aaneen,
drongen naar een onbekend doel, en verspreidden zich ineens lachend
van elkander. Het geleek, of aldus de golven der zee haar spel binnen
de stad voortzetten.
De zomerdag was zelfs in de huizen. Het zonnelicht liet zich niet
buitensluiten, het sloop langs reet en spleet, over riet en hout,
tot het zich spreidde in 't binnenst der woning. Wat wist het van
beletselen? Waar het bijkans nog nooit was geweest--in de kameren
der vrouwe van Stavoren--was het met fleemend geweld gedrongen.
Hoog en eenzaam zat zij op haar stoel, de vrouwe van Stavoren. Ze
lette niet op de geluiden buiten, noch op het zonnelicht, dat blank
aan haar voeten lag. Ze staarde voor zich uit, en leefde in haar
eigen gedachten:
Morgen zouden hare schepen uit-varen, alle vijf. Het zou maanden duren
tot zij zouden wederkeeren; doch ook die tijd moest komen. Dan zou ze
haar goudgeld niet meer kunnen tellen. Ze zou het bergen op verscholen
plaatsen, opdat begeerige oogen het niet konden vinden. Wie zou dan
rijker zijn dan zij?
Hierover dacht de vrouwe van Stavoren op dezen dag, terwijl haar
schepen wiegelden in het zonnelicht. Ze haatte de vreugde, die
alomme was, het spel, dat ze niet verhinderen kon. Hoog en eenzaam
zat ze. Doch plotseling geschiedde er iets buiten op straat. Er was
kinderlachen geweest van den vroegen morgen en 't hield eensklaps
op. Het vervloeide niet, het stierf niet weg ... het stiet aan tegen de
stilte. Ja, inééns was het doodsstil, terwijl het zonnelicht bleef. Het
was niet de stilte vóór naderend onweer, of vóór den storm, die zijn
zwarte, zware wolken aan den glanzenden horizon doet rijzen. Niets
van schaduw was er en de vrouwe van Stavoren hief verwonderd 't hoofd.
Toen klopte ze op de tafel, en nòg eens, ongeduldig.
De dienstmaagd stond voor haar.
"Ga zien, wat op straat is, Margriet, en breng me de tijding."
Weder zette ze zich recht, en ze wilde haar gedachten in den
vroegeren gang doen keeren. Eens zouden haar schepen terugkomen,
alle vijf .... En 't goud .... Haar blik wendde zich naar een andere
richting. Was daar niet zooeven zonnelicht aan den wand geweest? Zou
toch onweer dreigen? Hoe stil was de stad. Margriet zou dadelijk wel
terug zijn .... Misschien was er een nieuw schip in de haven! Een zeil
was in de verte gezien, dat men niet kende? Gingen vreemde zeevaarders
aan land? Of zou er iets met haar eigen schepen ...?
Ze klemde haar hand vast om 't hout.
Neen, dat zou niet mogelijk zijn. En toch ....
Neen, op dezen stillen zomerdag kon in de haven van Stavoren geen
schip vergaan!
En toch ...?
Wanneer de vijf vaartuigen weder ... zou zij de rijkste ....
Waar bleef Margriet?
't Zonlicht was zooeven niet op den wand geweest, wel aan haar voeten,
waar 't nu ook lag.
Waarom wilden haar gedachten niet terugkeeren?
Angstig zag zij om zich heen. Ze stond op van haar stoel, en ging
uit de kamer. Ze werd naar de stille straat gedreven.
Niemand zag ze. Geen geluid hoorde ze. Onbewegelijk was 't felle
zonlicht.
Haar bloed woog zwaar in haar willoos lichaam, en als een sterke band
voelde ze den angst om haar brein. Stap voor stap naderde ze de haven
.... Wanneer haar schepen?
Niets was geschied. De schepen wiegelden in het zonnelicht, zacht
speelden de golfjes, het zonlicht was over de zee, en niet één klein,
wit wolke-lijntje beefde aan de star-blauwe lucht.
Ze bemerkte, dat allen uit de stad zich tezamen ver, drongen, en
trotsch liep ze naar het volk, de vrouwe van Stavoren, die geen vrees
behoefde te kennen. Ze sprak slechts enkele woorden: "Gaat op zijde,"
en allen maakten voor haar plaats.
Een in lompen gehulden man zag zij. Hij lag neder op den grond, van
honger en uitputting bijkans bewusteloos. Zijn voeten waren bloot,
en straaltjes bloed liepen uit 't gepijnigde vleesch. Om zijn magere,
doodswitte beenen was ternauwernood nog een rafel goed. Doch 't
vreeselijkst om te aanschouwen waren zijn handen, die lang gestrekt
waren. 't Geraamte schemerde er als een schaduw doorheen. Zijn mond
was iets geopend: de tanden stonden los in 't bleeke vleesch. Kin en
wangen waren diepe kuilen, hoog waren de beenderen geschoten.
Er was geen vreeswekkender armoede dan de zijne.
Wat dacht de vrouwe van Stavoren?
Natuurlijk wilde ze eenige lieden roepen, die den man naar haar
huis moesten dragen. En zelf zou ze hem verkwikken, en hem reisgeld
geven, wanneer hij verder trekken wilde. Zijn gekneusde voeten zou
ze met kuisch linnen omzwachtelen, zijn verteerde leden bekleeden,
en gelukkig zou ze zijn, dat zij den armen man had gered.
Waarom bleef haar trotsche mond gesloten?
De man richtte zich iets op, en zag naar haar. Zijn oogen .... Hoe ze
staarden naar de rijke vrouwe, die slechts één woord had te spreken,
en de Dood was verjaagd! Nimmer voor dien tijd had men geweten, dat ze
zóó machtig was. Ze kon den Dood verdrijven, wanneer ze dit verlangde.
Men wachtte op haar milden troost.
En toen begon de man te spreken.
"Help mij," zoo smeekte hij. Met moeite wendde hij zich, hij knielde,
en strekte zijn magere armen naar haar uit. Meer nog dan zijn woorden,
was dit zwijgend gebaar een bede.
En geen gestalte in de drom van menschen, welke in zijn beidende
onbewegelijkheid niet mèt hem smeekte.
Want zij allen gevoelden het, dat alleen de vrouwe van Stavoren redden
kon. Wat was de Dood tegen haar? Met het uitstrekken van éénen vinger
dreef ze den honger ver buiten de stad! Wanneer zij even glimlachte,
was de armoede in een land verdwenen. En men wachtte--Men wachtte
bang. De vrouwe van Stavoren lette niet meer op den armen man.
Ze staarde naar de zee--Haar schepen waren nog in de haven. Morgen al
zouden zij zee kiezen. In haar ooren klonk het tinken van het geld,
dat ze winnen zou. Zij gevoelde haar trots als een bedwelming, een
roes van blijden angst; en ze sidderde in haar kleed van goudbrocaat,
vol eerbied voor haar eigen rijkdom. Van de schepen gleed haar blik
naar haarzelve, en ze bezag zich, zooals zij stond temidden van het
nederige volk, voor den man, die zijn handen naar haar uitstrekte. Van
verre schenen zijn woorden te komen, zoo zwak was zijn stem:
"Help mij."
En van alle zijden druischten de stemmen op haar in: "Help hem."
Vleiend bewonderden haar oogen de granaatappelen, de bloemen, de
ranken, rijk geweven in haar statig gewaad. Elke figuur zag zij aan:
als in een wonderschoonen droom glimlachte ze.
Allen meenden, dat haar milde daad volgen zou. Ze glimlachte zeker
om de goede gedachten, en het geluk van 't medelijden was in heur
hart. Hoe zalig zijn zij, die geven mogen. Welk een gave is de rijkdom
voor hen, die milddadig zijn.
De arme man deed zijn handen zinken.
Het verlossend woord zou nu worden gesproken.
Ach! niemand wist, dat ze slechts gelukkig was om haar kleed, en dat
zij niet had geluisterd naar den kreet van den arme. Niemand wist,
dat ze maar droomde van een weefsel van granaatappelen, bloemen en
ranken, en dat ze niet begreep, hoe men op haar goede gaven wachtte.
Daar zij bleef zwijgen, hief de man met meer moeite zijn armen op. Nog
zachter, nog verder klonk zijn stem:
"Help mij."
Het volk zweeg. Wie was het, die beter nog vragen kon? Vast-geklemd
was aller verwachting aan het gelaat der trotsche vrouwe.
Toen zag ze naar den smeekeling. Ze strekte haar hand uit, niet om
te geven. Met schrik luisterde men naar haar woorden.
"In Stavoren is geen plaats voor zwervers en bedelaars. Wij hebben
geen lieden noodig, die niet werken willen. Maak, dat ge heen-gaat. En
gij allen! is er geen arbeid te over in deze stede, dat ge uit uw
werkplaatsen rent?"
Geen kracht had de arme, zijn handen te doen zinken. Zijn hoofd bleef
naar haar gericht, en 't geleek, of hij haar bleef smeeken. Roerloos
was het volk, de mannen zelfs van haar schepen.
"Niemand behoeft te helpen, want het kwade voorbeeld zal niet gegeven
worden in Stavoren. Het kwade voorbeeld is de pest, gaande van huis
tot huis. Schaamt u, gij allen, die het kwade voorbeeld niet verjaagt."
Was er iemand, die iets mompelde? Er was een stem geweest, die
verklonk.
Iemand had gedreigd.
Hooger richtte zich de vrouwe van Stavoren, en haar oogen, machtiger
dan de Dood, zagen van den een naar den ander. Zoo vorschte ze uit,
wie zou hebben gemompeld. Het was slechts een rimpeling van wrok
geweest, en in de roerloosheid was deze al opgelost.
"Ga weg uit Stavoren," zeide eindelijk de vrouwe weder tot den
bedelaar, "en weet, dat ge hier niet wederkeeren zult."
"Ik ben stervende--een bete broods!"
Er was een man in de menigte, die naar zijn huis wilde gaan, om
't voedsel te halen. De stem der vrouwe riep hem.
"Blijf hier! Zoo hij sterven wil, is dit zijn plaats."
Toen stond de arme man op. Het mirakel geschiedde. Als een jongeling
was hij, rank en recht, en zijn stem was als van een ridder, die
uitdaagt ten strijd. Er was een vlam in zijn oogen, die fel uitschoot
naar de trotsche vrouwe.
"Vloek over u."
Ze deinsde niet terug. Schamper lachte ze.
"Wie durft mij te vloeken--" en ze strekte haar hand uit, en wees
naar de vijf schepen, wiegelend in de haven.
"Ziet gij ze daar--Mijn zijn ze."
De bedelaar liep krachtig op haar toe, tot hij vlak voor haar
stond. Bijna raakte zijn gelaat 't hare. Fluisterend hernam hij 't,
zoodat zij alleen het hoorde.
"Ze zijn van de zee, vrouwe van Stavoren. Ge zult sterven ... armer
en ellendiger dan ik--"
Zwijgende nam zij den ring van haren vinger, en ze wierp het kleinood
in de golven.
"Eerder komt die ring terug--ellendige bedelaar voor uw woorden waar
zijn. Ik ben de vrouwe van Stavoren!"
"Veracht en niet beklaagd," fluisterde hij. "Hoe vreeselijk zal uw
lot zijn. Bedenk u nog éénmaal."
"Ik heb mij niet meer te bedenken."
"Bij Christus-bloed! de ring zal wederkeeren."
Ruggelings viel hij neder, nadat hij dit nog had gezegd. Zijn magere
leden strekten zich recht. De oogen werden gebroken. De mond sloot
zich. Zijn kleederen waren losse stukken dek, neergesmeten over een
naakt en schamel lijk.
"Keert naar uw woningen!" gebood de vrouwe van Stavoren tot het
volk. "Mijn mannen zullen den doode in zee werpen. En weet het allen,
dat dit een voorbeeld is voor de luiaards. Wie niet werken wil,
heeft geen brood, en sterft des hongers."
Het zonnelicht was over het bruisende, wijde water. Het zonnelicht
was in de straten. Doch niet meer speelden de kinderen dezen dag,
en de stad was dood. In de stille huizen zaten de menschen, vloek en
wrok in de lijdende harten.
In hare eenzame woning zat de vrouwe van Stavoren.
De dag ging voorbij, en de avond kwam.
In het duister wierp een man, in dienst der vrouwe, het lijk in
zee. En den volgenden dag voeren alle vijf de schepen af. Het volk
van Stavoren staarde ze na, en niemand sprak een woord.
Toen kwamen nieuwe dagen, de tijd werd volbracht. 't Verleden was
vergaan--'t heden vervloeide in de eeuwigheid. Vergeten was de vrouwe
van Stavoren den zomertijd, en ze dacht aan de uren, dat haar schepen
wederkeeren zouden.--Wat was de vloek van den bedelaar voor háár?
De herfst ging immers voorbij, zonder een kwaad teeken? De winter
volgde de herfst, en ziet, daar kwam een koerier uit Hamburg,
die vertelde van de goede dingen, welke een der schepen in Hamburg
had geladen. Fel klopte 't hart der vrouwe, en ze gaf den koerier
vriendelijke woorden. Toen kwam de blijde lente, en de uitbundige
zomer trad aan in den dans der getijden.
Het was op een dag, gelijk van kleur en vreugde als een jaar geleden,
dat de kinderen weder speelden in de straten der stede, en er liederen
schalden van wijd en zijd. Het zonnelicht was tot diep gezonken in
de zee, en drong verre in de huizen.
Niemand lette op den eenzamen man, die op zijn schouders een grooten
mand droeg, en langzaam, schijnbaar doelloos, zijn weg ging. Hij liep
langs de spelende kinderen, en hij stond stil voor 't huis der vrouwe
van Stavoren. Hij klopte aan haar deur. Zij-zelve deed hem open,
en vroeg zijn begeeren:
"Eenen visch heb ik gevangen, zoo groot, als nog nooit een mensch
heeft gezien. En ik dacht--dat is spijs voor de rijke vrouwe."
Zij zeide:
"Toon mij den visch, dat ik oordeelen kan."
Hij sloeg 't deksel van, de mand op en hoog sprong het levende dier,
en viel, den wijden bek in ademsnood open, tegen den grond. Zich
wringende in bochten hersprong en herviel hij. Hij mat meer dan de
lengte van de uitgestrekte armen eens mans, gemeten van de uiterste
top van middelvinger tot middelvinger, en zijn kop was bijkans zoo
groot als de breedte van een mannenborst van schouder tot schouder. Als
een maliënkolder was zijn sterk, geschubd lijf, en zijn steert beukte
tegen den vloer met het geweld van eenen hamer.
"Al sinds den morgen worstelt hij zoo met den dood," sprak de
visscher, "en ge moogt wel een zwaard gebruiken, zoo ge hem wilt doen
sterven. Dat is voedsel voor u, bijlo! gij kunt er u aan vergasten."
Ze wendde haar trotsch gelaat naar hem, en sprak:
"Mijn is deze visch. Wat de prijs zij, ik zal er u voor betalen. Of
beter--" en ze opende haar beurs--'t. Goud viel op de straat. "Dat
is voor u."
Zij kende zichzelve niet weder. Zij gevoelde het, dat zij dezen visch
moest bezitten. Niet dong ze af, gelijk het hare gewoonte was. Het
geleek, of een stem in hare ziel haar dwong, zich van de koninklijke
spijs meester te maken; en zij zelve besloot het wilde dier te dooden.
De koopman droeg den visch binnen haar keuken, en liet haar
alleen. Niemand in de stad had bemerkt, welk een kostbaarheid ze
had gekocht.
De vrouwe van Stavoren nam een mes en knielde neder. Ze wachtte
niet, en sneed met forsche rukken den kop af, en opende het lijf
terzijde. Toen tastte ze diep in 't smeuïg vleesch--haar vingers
stieten tegen iets hards--ze greep--In haar hand hield ze een ring--Ze
duizelde.
Het was de ring, dien ze in zee had geworpen...
Ze staarde ernaar in waanzinnigen angst. Ze wilde iets roepen ... ze
wilde zich verbergen--ze wilde den ring van zich werpen, doch deze
vrees was nog machtiger dan de vreeze des doods, en ze moest zien naar
het goud in hare hand. Ze had den drang te vluchten, en huilende liep
ze naar buiten, op straat, waar de kinderen speelden.
Het volk stroomde toe en omringde haar. Geen mensch naderde.--Ze
stond alleen in den wijden kring, met haar waanzin alleen.
"Help mij," kreet ze eindelijk in vertwijfeling. "Al mijn rijkdom
voor wie me den ring ontneemt."
Niemand had ontferming. Toen wilde ze den ring van zich werpen. Het
gelukte haar niet. Machteloos was ze gelijk een bedelaar, want haar
rijkdom had geene waarde meer. Niemand wilde haar bijstaan. Zij was
vervloekt door haar slechte daad.
Want van haar vijf schepen keerde er geen weder in Stavoren. Ze
wachtte in haar eenzaam huis op hunne tijding. Ze zag het licht
rijzen, het duister dalen, vele keeren. Als ze van straat hoorde,
dat er een zeil was, aan den horizon der zee, liep ze naar de haven,
en alleen stond ze. Maar nimmer was het een schip van háár.
Men vertelt van de vrouwe van Stavoren, dat haar geld slonk. Iederen
dag kromde zich haar rug méér. Een oud, hulpeloos vrouwtje werd ze,
met geel gerimpeld vel en met bevende handen. Ze leunde op haar stok,
als ze naar zee zag. En dit was misschien wel haar vreeselijkste straf:
dat ze hoopte op de terugkomst der schepen.
Haar oude, moede oogen tuurden naar de eindelooze verte en de angst der
verwachting omknelde haar keel als een strop. Iederen dag strompelde
ze naar naar huis, denkend: "Morgen zullen ze komen"--
En zoo gingen de dagen voorbij, tot er niets meer was in haar
woning. Ze verkocht haar huis, en leefde voortaan in een krot. En
toen kwam het uur, dat haar laatste duit voor brood was betaald.
Steunend op haar stok, en tastend--want bijkans blind was ze--ging ze
van huis tot huis, bedelende om der barmhartigheid wille. Ze klopte
aan de huizen, het vrouwtje van Stavoren. De deuren bleven voor haar
gesloten, en ze betwistte met hare zwakke, bevende vingers den honden
hun voedsel.
II
Straffe Gods
Dit is de legende der rijke vrouw van Leiden, die door God werd
gestraft, daar zij haar zuster geen barmhartigheid bewees.
In het jaar 1315 was er groote hongersnood over het land, en Willem
van Holland en Henegouwen, van Zeeland en Friesland, door het volk de
goede Willem genaamd, wist niet, hoe hij de zorg uit zijn rijk moest
wenden, doch toen men hem vertelde van zijn stad Leiden, weende hij.
Gelijk vergift doodde er de honger. De burgers stierven op straat. De
kinderen aan de borst hunner moeders. De Dood bleef in Leiden, niemand
sparend. 't Gras van de straat was reeds gegeten. De wachters aan de
poorten stonden met knikkende knieën.
Er woonden in de stad twee zusters, Anne en Marie. Eertijds hadden ze
samen gehuisd, maar Marie had een man liefgekregen, en ze had Anne
verlaten. Het scheen, of ze in zusterschap niet gescheiden waren,
en of Anne blijde was om Marie's geluk. Echter, wie menschen kent,
weet, dat er vele zijn, dubbel van tale: de taal, die de mond spreekt,
en de gezwegen taal der booze gedachte. Er is een glimlach, welke
den haat verbergt.
Marie kende geen andere taal dan die zij sprak, daarom geloofde ze
hare zuster.
De dagen van den honger kwamen, en éérst was er ellende in de huizen
der armen. Het deerde Marie niet, dat haar vier kinderen voedsel
behoefden: zij en haar man hadden geld gespaard, en ze gaven met
volle handen. De armen loofden haar naam, en men zegende haar met
rijke woorden.
De honger werd machtiger in de stad. Niet alleen de armen, doch reeds
gezellen en meesters der gilden vroegen barmhartigheid. Toen eerst
recht waren het Marie en haar man, die troostten. Ieder was welkom,
en geen hongerige ging ongespijzigd uit haar woning.
De honger liet niet af.
Het was op een avond--en er werd zachtkens aan Marie's deur geklopt.
"Klop ... klop ... klop ..." tot driemalen toe.
"Open niet," fluisterde de man. "Wanneer het boos volk is--"
"Die zóó laat komt," zeide zij met vaste stem, "heeft mij meer noodig
dan een ander."
En ze opende de deur.
Haar zuster stond vóór haar.
"Marie--" kreet ze, "om Gods wil, verhoor mij. In drie dagen heb ik
geen brood geproefd--Help mij."
"Hebt ge geen brood meer?" vroeg Marie verbaasd.
"Neen, want alles, wat ik had, heb ik aan de armen gegeven."
"Zoo dit zoo is--zet u aan den disch, en wees een der onzen. Waar
voedsel is voor zes, zal er ook voor zeven zijn."
Ze gaf haar brood en vleesch. Den beker schonk ze vol van wijn.
"Eet en drink en verlaat ons niet meer," zoo zeide zij eenvoudig.
"Ach neen--" riep Anne uit, "ik wil in mijn huis blijven, want wat zou
men zeggen, als ik ten uwen koste leefde! Gij hebt de armen gegeven,
zoodat iedereen het hoorde. Ik daarentegen heb de ware milddadigheid
betracht, en mijn linkerhand wist niet, wat de rechter deed. Geen
mensch wist van mijn goede daden, en daarom zal men het in mij
misprijzen, zoo ik ten uwen koste leef. Laat mij slechts des avonds
in het duister komen. Driemaal zal ik kloppen, opdat gij, mijn zuster,
weten kunt: "het is de arme Anne, de hongerige Anne, die buiten staat."
"Zoolang wij te eten hebben--tot de laatste kruimel--zullen we het
met u deelen."
Haar woorden waren haar daden.
Des avonds, als zij Anne verwachtte, stond zij aan de deur,
teneinde haar de schaamte te besparen, dat ze als bedelares moest
kloppen. Zelve zeide zij in de stad, dat Anne en zij tezamen het
brood gaven, en niemand vermoedde de waarheid. Men prees de beide
zusters in éénen adem.
De nood steeg. Een handvol meel moest men met goud betalen. Toen kwam
de tijd, dat ieder gezin voor zichzelf zorgde, en dat niemand zich
bekommerde om 't leed van zijn buurman. Niets, dat den mensch nuttig
kon zijn, spaarde de dood. Doode visschen dreven op het water, het
vee stierf aan vreemde ziekten, het gras was zelfs verdroogd. Boven
de lijdende aarde was de diep-blauwe hemel en de verzengende zon,
dag aan dag. Waaraan had de menschheid zulk een straf verdiend?
Slechts Marie's handen waren nog mild. Waar ze helpen kon, hielp
ze. Met een glimlach zag ze ook voor haar den tijd van rouw
tegemoet. Want wanneer de honger begint over een volk, kent hij
geen einde.
Een avond, dat Anne aan haar tafel zat, deelde Marie het brood. Ze
gaf haren man, haar kinderen en Anne gelijke stukken, doch zij-zelve
nam niet.
Zij aarzelde met spreken, tot allen hadden gegeten. Op dat oogenblik
zeide zij:
"Zijt gij verzadigd, mijn dierbaren?"
Anne antwoordde:
"Zoo gij nog een stuk brood voor mij hebt, wil ik het gaarne."
"Ik kan niet meer geven, want het brood is op."
"Bak dan nieuw."
"Ik kan niet meer bakken, want ik heb geen meel meer."
"Kunt ge dan geen meel koopen?"
"Zoo ik geld had, doch er is niets meer over."
Toornig verhief zich Anne en riep uit:
"Gij slechte vrouw! gij hebt dus uw zuster, uw kinderen en uw man
vergeten! Waarom gaaft ge dan hedenmorgen nog een stuk brood aan
een ellendigen bedelaar? Waarom gaaft ge uw geld aan de armen? O! ik
ken u en uw streken. Steeds hebt ge de brave gespeeld, en men zeide:
'die goede Marie,' terwijl men dacht: 'die slechte Anne.' Daarom was
het u te doen, dat ge mij vernederen zoudt. Dat was altijd uw doel,
al lang geleden, toen ge met uw man trouwdet, en mij in de eenzaamheid
achterliet, in plaats van voor mij te zorgen en te werken. Nu eindelijk
ontvangt ge het loon voor uw hoogmoed."
Marie had haar hoofd gebogen, als ware ze waarlijk schuldig. Met
moeite zeide zij ten laatste:
"Gij doet me onrecht,"
"Te veel recht doe ik u nog. Nooit meer zet ik een voet in uw
woning. Nu zie ik, wie ge zijt."
Zij verliet 't huis, zonder een groet. Nog even hoorde men haar
haastige schreden. Daarna was er slechts de geluidloosheid van den
nacht, en voor 't eerst gevoelde men den angst om 't eigen behoud.
Dit nu was de dankbaarheid der menschen, dat men Marie niet achtte, en
niemand, zelfs zij, die nog iets te missen hadden, haar hielpen. Zij
was armer dan de armsten--immers ze had in dien tijd 't geloof in de
menschheid verloren. Ze meende echter, dat ze haar zuster onrecht had
gedaan en nog dacht ze dit, nadat de honger zich in haar woning had
genesteld en haar gast was geworden. De honger zette zich aan den
leegen disch, als de maaltijd moest beginnen. Onbewogen luisterde
hij naar 't gekrijt der kinderen, en hij verzadigde zich aan hun
smart. Hij drong--al zwijgende--booze, bittere gedachten in hun
ziel. Hij was de overwinnaar der goede stad Leiden.
De nood werd zoo sterk in Marie's woning, dat zij ging bedelen om
brood. Zij stond temidden van hen, wien zij vroeger gegeven had.
Een hunner zeide tot haar:
"Gaat naar uw zuster, die heeft nog brood genoeg. Ons wil ze niets
schenken, doch u natuurlijk wel."
"Mijn zuster heeft geen brood, want zij heeft alles gegeven.
"Geloof dat niet! Uw zuster houdt zich als een arme. Gaat naar
haar toe."
"Zelfs, als uw woorden waar konden zijn, zou ik het niet doen. Mijn
zuster haat mij en zij zal mij niets schenken. Ik deed haar voorzeker
onrecht."
Ze vroeg om een bete broods aan vreemden, en nooit ging ze tot
Anna. Overal weigerde men haar voedsel, en iederen dag kwam zij met
leege handen terug.
Wie het eerst gestorven is--?
Haar man; drie harer kinderen waren begraven, en met één kind was
ze overgebleven.
"Moeder! geef me brood," vroeg het kind.
"Er is geen brood," snikte ze.
"Ga 't halen, moeder."
"Niet sterven, mijn eenigste! O! je moogt niet sterven."
"Moeder, geef me brood."
Dien avond ging ze naar haar zuster's huis. Zij naderde de deur.
"Klop--klop--klop," tot driemalen toe.
Niemand opende. Ze luisterde, of er van binnen geen geluid kwam. Het
bleef stil, als de nacht om haar. Schuchter klopte ze weder.
"Klop--klop--klop--"
De deur bleef gesloten.
Ze peinsde:
"Mijn zuster zal uitgegaan zijn, daar ze geen brood heeft. Dus hebben
de lieden toch gelogen, dat ik bij haar hulp kon vinden."
IJlings keerde ze naar haar woning terug. Het kind lag op den grond,
en verhief zich niet bij haar nadering.
"Moeder," zeide hij met zwakke stem, "Moeder! hebt gij brood? Ik heb
zoo'n honger."
"O! ik kan 't niet geven. Kon ik het van mijn lichaam snijden,
mijn kind--Zoo ik één bete had, zou ik er zelve niets van nemen,
al scheurt mij-zelve de honger mijn ingewanden aan stukken. Moed! De
goede God waakt."
Zij zonk op haar knieën en smeekte om uitkomst.
Wonder! daar was een stem, ruischende, die tot haar sprak:
"Ga morgen in den vroegen ochtend naar uwe zuster Anne. Zij heeft
het brood, dat gij behoeft. Uw goede werken zijn bekend in den Hemel,
en de engelen zingen uwen naam. Zalig zult gij zijn."
Nog twijfelde zij en ze vroeg:
"Anne zette zich aan mijnen disch, en at van mijn brood."
Zoet antwoordde de stem:
"Heb vertrouwen."
Toen stroomden haar de tranen uit de oogen, en snikkende lachte ze
tot haar kind:
"Morgen zal er uitkomst zijn."
Zij doorwaakte den nacht in gebed, haar zoontje aan haar zijde. En
vroeg was het licht. Ze maakte zich gereed voor den tocht, en als
den vorigen avond ging ze naar haar zuster's huis. De deur was
geopend. Zoete baklucht stroomde haar tegemoet.
"Zuster!" zoo riep ze blijde, "heeft iemand u meel geschonken? Zeker
waart ge van plan ten mijnent te komen, en mij rijk te bedeelen,
zooals ik ook u heb gegeven. Ge zult mijn onrecht vergeten, nu ik in
nood verkeer."
Anne zag haar aan, haat in haar oogen.
"Wat zoekt ge bij mij, daar ik u gevloekt heb?"
"Zuster--mijn kind is stervende!"
"Uw kind? Spreekt gij van één kind slechts?"
"God nam mij al het andere. Één slechts bleef mij behouden. Zuster! gij
zijt gezegend, dat ge mijn laatste bezit redden kunt."
"Ik weet niet, wat ge meent."
"Niet voor mezelf kom ik, doch voor mijn kind. Ik wil sterven, zoo
ge weinig hebt; deel dan het overige tusschen u en mijn zoon.
"Ik heb geen brood in dit huis."
"Zuster! er is hier geur van brood--"
"Ik zweer u, dat ik geen brood heb."
Marie zonk op haar knieën neer. Haar handen betastten Anne's kleed.
"Zuster! gij liegt. O! deze leugen zal u nooit vergeven worden. Bij
uw zaligheid ... geef mij brood."
Toen sprak Anne een vreeselijken eed:
"Zoo waarlijk mogen mijn brooden in steen veranderen, wanneer ik ze
heb. Zoo waarlijk moge het meel in mijn vingers tot steen worden,
als ik bak. Ik heb geen brood."
Marie stond op, en legde haar handen aan 't hart. Ze zeide haar de
woorden na met bevende, vreeselijke stem:
"Zoo waarlijk mogen uw brooden in steen veranderen, wanneer gij ze
bakt. Zoo waarlijk moge het meel in uw vingers tot steen worden,
als gij bakt. Amen!"
Zij ging heen, en liet haar, zuster achter.
Nadat zij weg was gegaan, sloot Anna de deur, en met zachte schreden
liep ze naar den oven, waar ze gebakken had. Ze glimlachte, en
ze peinsde:
"Voor mij is het alleen, en niemand zal er aanraken."
Werktuigelijk nam ze een der brooden, welke op tafel dagen. Haar
vingers werden koud.
"Steen!," gilde ze.
Al haar brooden waren tot steen geworden.
Ze wilde het meel bakken. Steen werd het in haar handen.
Ze nam wat geld, dat in haar kasten was. Voor haar goud kocht ze
meel. Steen werd het in haar woning.
Voor haar goud ontving ze steen. Ze stierf van den honger, met
handen vol goud in haar huis. Overal lagen de steenen brooden, het
steenen meel.
Hare zuster echter vond in haar woning brood en meel in overvloed. Zij
spijzigde haar kind, ze spijzigde de armen, en ten laatste haar
zelve. Doch op Anna was de vloek, en háár kon ze niets geven.
III
Hoe Montfort ordeloos ligt
Een ieder weet, dat de aartsengel Gabriël de steden en de dorpen van
Limburg heeft gebouwd; maar dat Montfort zoo ordeloos ligt, de huizen
zoo hotsedebotsescheef door elkaar, is de schuld van den veelnamigen
Satanas, die het niet prettig vond, dat het de Limburgsche menschen
zoo gemakkelijk werd gemaakt.
Limburg dan was eindelijk gereed, op de steden en dorpen na. Wie
moest die eventjes klaarmaken? Natuurlijk de engel Gabriël.
"Luister goed toe," zei de Schepper, "hier heb je een zak vol met
huizen en hoven en wegen, doe je best, en bederf 't landschap niet,
want 't is een van de mooiste streken der aarde."
"Wees niet bang," antwoordde de engel Gabriël, "dat zal ik wel in
orde brengen."
Hij keek na, of de zak goed gesloten was. Hij knikte--'t kon niet
beter. Een stevige knoop was er van boven om gewonden, en geen
scheurtje viel er te bekennen. Iedere huismoeder weet, dat een
klein gat gemakkelijker te stoppen is dan een groot, en je mag niets
ondernemen, voor je alles goed hebt nagekeken. Wat zegde gij daar
nu van?
Weet ge, wie 't gehoord had, dat Gabriël de steden en de dorpen in
Limburg moest bouwen? Eigenlijk is 't heelemaal niet goed, zijn naam
te noemen. 't Was de booze, en hij dacht bij zichzelf: "Als ik den
engel Gabriël een poets kan bakken, zal ik 't niet laten."
En hij mee. Wat vlogen die twee vlug. Maar hoe't kwam, is
niet gemakkelijk te zeggen. Misschien dacht Gabriël aan wat
anders--misschien had Beëlzebub weer een van zijn duivelsche listen
toegepast--Hoe 't zij, de engel merkte van den booze niets, en in
snelle vaart bereikten ze Limburg al spoedig. Welk een land! 't Is
misschien wel 't allermooiste op de heele wereld, en dat 't daar
Gabriël juist moest overkomen!
De duivel schoot naar voren en met een forsche hand sloeg hij zijn
scherp zwaard tegen den zak. En daar kon de zak niet tegen. 't Was
een stevige zak. Er was niets op den zak aan te merken. Probeer
't met iederen zak. Leeneen is daartegen bestand.
Rits! een scheur in den zak.
En daar tuimelden me daar veertig huizen naar beneden. 't Eene kwam
hier terecht en 't andere daar.
Alle dorpen zijn netjes en ordelijk aangelegd, nietwaar, maar van
Montfort is niets terecht gekomen. Ga maar eens kijken in 't land
van Roermond.
En als Gabriël zijn hand niet gauw onder de scheur had gehouden, bewaar
ons, dan was er van alle steden en dorpen in Limburg één ongeregelde,
schots-en-scheef door elkaar gedrongene massa geworden. Gelukkig,
dat hij tegenwoordigheid van geest had, en goed heeft nagekeken,
vóór hij de andere dorpen in 't land legde.
IV
Hoe Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum een naam kregen
Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum hadden nog geen namen, en dus
werden benoemd drie bekwame mannen, die deze moesten bedenken. Het
waren de dikke Stokkum, de lange Kortum en de smalle Bergum. Ze zaten
langen tijd tezamen, doch ze konden geen namen vinden, en ze besloten
het toeval als peetoom te kiezen.
't Eerste dorp, waar ze aankwamen, was naar den zin van den dikken
Stokkum. Want hij kreeg daar voor zijn part te eten: drie borden
erwtensoep met kluiven en varkensooren, er bij menigte in drijvende;
toen een bruin-gebraden varkenscarbonade met lekker, wit vet er in
flarden aan, gedompeld ineen sausje, om een dood mensch weer levend
te maken; toen een geurig stuk kalfsvleesch, aan het spit gedraaid;
en duiven en wilde eenden, malsch als 't jonge gras; enten laatste
een rozig speenvarkentje, dat uit mekaar viel, als je er met je hand
aan raakte. De buik van den dikken Stokkum zwol, of hij bersten moest.
Zijn beide vrienden zagen het gevaar tijdig, en ze lieten een smid
komen, die een band maakte om Stokkum's buik.
's Avonds was er weder een rijk maal, en opgediend werden: een kapoen,
zoo zoet als honing; een forel, wit gelijk sneeuw, en smeltend op de
tong; kuikentjes, die een oud mensch kon bijten; en een bruin-korstig
stuk rundervleesch, met fijnen rijnwijn begoten.
Stokkum liet 't zich zoo smaken, dat zijn buik weder begon te
rijzen. Maar helaas! daar stiet 't uitzettend vet tegen den band
... met zulk een kracht, dat 't ijzer begon te kraken.
Toen riep Stokkum in doodsangst, bedoelend, dat hij nog een band
wilde hebben ter versterking van den eersten:
"Nog _één 'r um_. Nog _één'rum_."
En sinds dien heet de plaats, waar dit gebeurde: _Eenrum_.
Eindelijk verlieten de drie vrienden het dorp, waar zij het zoo goed
hadden getroffen.
Ze kwamen aan een riviertje.
"Daar durf ik niet over," zei de dikke Stokkum.
"Ik wel," snoefde de lange Kortum.
Hij nam den polsstok, en sprong naar den anderen oever. Om zijn
meesterschap te bewijzen, zette hij weder, zoodra hij was aangekomen,
den polsstok in den bodem, en sprong ten tweeden male, thans naar
zijn vrienden terug.
"Kijk 'ns!" riep de smalle Bergum uit, "daar heb je 't _mensch-ing
al weer_."
Natuurlijk heet het dorp, waar dit geschiedde: "_Mensingeweer_."
Ze moesten verder, en nu was 't de beurt van den smallen Bergum, om
zijn kunsten te toonen. Ze kwamen aan een water, waar twee dorpen
tegenover elkaar liggen. Nu zou Bergum eens laten zien, wat hij
vermocht.
Hij wilde springen--Ocharme! Hij bleef met den polsstok in 't midden
steken.
De dikke Stokkum was bang, dat zijn kameraad verdrinken zou, en kreet:
"_O Berg-um! O Bergum!_"
"Als hij 't leven er maar van af-brengt," riep de lange Kortum.
"_Ik winsch 'í um! Ik winsch 't um!_"
Sinds dien hebben ook de dorpen _Obergum_ en _Winsum_ een naam,
gelijk het zulke flinke plaatsen betaamt.
En vol trots keerden de drie mannen naar hun huis terug. Ze hadden
hun plicht volbracht--Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum waren
gedoopt.
V
De Slaper in het Voorhout, de Vorst van éénen dag of de Vroolijke
Willem
In den tijd, dat Filips de Goede, hertog van Bourgondië, graaf van
Vlaanderen, van Holland, Zeeland en Friesland, Den Haag bezocht,
om er met zijn gemalin, de vrome Isabella van Portugal den eed van
getrouwheid te ontvangen, woonde er in de Korte Poten een vroolijke
schoenlapper, genaamd Willem van Nieuwen, die meende zich ter eere van
zijn soeverein te moeten bedrinken. Hij had een paar guldens bespaard,
en binnen korten tijd had hij de gezondheid van den goeden Filips
zoo dikwijls aangeroepen, dat hij er zelf zijn gezonde gedachten mede
verloor. Hij wilde naar zijn woning, doch in het Voorhout weigerden
zijn beenen hun plicht--en hij viel neer als een blok. Nog luider
snurkte hij dan zijn gewoonte was.
In dienzelfden nacht verliet--nadat de klapwaker middernacht had
geroepen--Filips de Goede het Binnenhof en, den moestuin van het
paleis doorgaande, ging hij linksaf het Tournooiveld op en kwam
in het Voorhout. Hij had drie edellieden bij zich, die met name
worden genoemd: Jacob de Roussay, Hue de Lannoy en Jan de Berghes,
grappenmakers, zooals Den Haag ze sinds dien nooit meer heeft gekend,
waardige kornuiten van den goeden Filips. Ze trokken Willem aan zijn
been, en Jacob de Roussay zeide met een kennersblik:
"Hij heeft te veel bier en brandewijn."
Jan de Berghes riep uit:
"Bij den Hollandschen leeuw! die slapende man is de vroolijke Willem,
die voorzeker de gezondheid Uwer Hoogheid vandaag gedronken heeft."
"Wij hebben deernis met het ontwaken van dezen man," aldus peinsde
Filips, "en wijl hij de vroolijkheid mint, zullen wij hem morgen met
een onverwachtsch feest verrassen. Daardoor zal hij tegelijk ook ons
vroolijk stemmen. Neemt den man op uwen rug, heer de Berghes, heer
de Lannoy, en draagt hem naar ons paleis. Het wordt morgen een dag,
die ons zal heugen."
Op zijn bevel trok men Willem de kleeren uit, men waschte hem met
reukwater, en trok hem een fijn Haarlemsch-linnen hemd aan. Een zijden
muts zette men hem los op zijn verwilderd haar, en daarna legde men
hem in het eigen bed van den hertog.
De schoenlapper snurkte.
En terwijl hij sliep, fluisterden de hovelingen het elkander toe:
"Filips wil, dat de vroolijke Willem zich voor den graaf van Holland
zal houden."
Met ongeduld wachtte men den morgen.
Terwijl lach en gefluister in den nacht niet ophielden, sliep de
schoenlapper den slaap der rechtvaardigen en der dronkaards, in het
bed van den hertog, gelijk hij had geslapen in de koele nachtlucht,
gelijk hij zou hebben geslapen in een varkenskot. Hij sliep, als had
hij dagen lang gewaakt, en onafgebroken trompette zijn snurken in
het hertogelijk vertrek, zoodat 't door 't gansche paleis te hooren
was. 't Geheele hof verzamelde zich in den morgen om zijn legerstede
... een heir met kletterende wapens had hem niet kunnen wekken,
laat staan wat jonge edellieden, hofdames, kameniers, pages .... 't
Zonlicht streelde hem over 't gelaat, de geluiden van den dag drongen
naar binnen--hij snurkte slechts.
Eindelijk naderde de maarschalk van Bourgondië in groot kostuum hem,
en raakte hem even den schouder aan.
"Heer Graaf," zeide hij, "het uur van Uwer Hoogheids ontwaken is ook
thans gekomen."
Om deze plechtige woorden bekommerde zich de slapende niet.
Een page sloeg hem tegen de hand. Een jong edelman stampte met zwaren
voet op den grond.
De maarschalk in eigen persoon schudde hem.
Willem ontwaakte, richtte zich op, en zag verdwaasd om zich heen.
Liefelijke muziek was er, zoodra zijn gesnurk ophield. Hij, die gewoon
was aan het gekijf zijner vrouw, hoorde nu het zachte tokkelen van
snarenspel, en een stem, zoo vol en schoon als hij nog nimmer had
gehoord, zong--Toen werd het stil.
Willem zag van den een naar den ander, doch allen behielden hun ernstig
wezen. Hij lachte. "Ik droom zeker. Ja, ik heb te veel gedronken."
"Heer graaf," sprak de maarschalk van Bourgondië, "dit is het uur,
waarop Uwe Hoogheid opstaat."
"Heer graaf--zoo heeft nog niemand tegen een schoenlappergesproken. Die
droom moest maar altijd voortduren."
Hij betastte de zijden gordijnen, die om zijn bed hingen, het rijk
geborduurde kamizool, waarmede hij was gekleed, de fijne lakens,
die hem dekten, het vorstelijk hemd. Hij nam de muts en bekeek ze
van onder tot boven. Hij rook aan zijn handen, en schudde zijn hoofd.
"Heer graaf? Ik ruik er wel naar."
"De maarschalk van Bourgondië vroeg met ernstig-verwijtende stem:
"Herkent gij ons niet? Heeft Uwe Hoogheid soms niet geslapen, dat
haar geest beneveld is. Ik ben haar maarschalk van Bourgondië."
Één voor één gingen ze langs zijn bed, en noemden hunne titels.
"Ik ben Uw zegelbewaarder."
"Ik ben Uw opperschenker."
"Ik Uw broodmeester."
"Ik een hofjonker."
"Ik de bevelhebber Uwer wacht."
"Ik de gouverneur van Uw paleis."
Toen naderde hem de schoone Isabella van Portugal, en liefelijk
zeide zij:
"Wij zijn Uw vorstelijke gade."
"Mijn vrouw," riep de vroolijke Willem. "Wilt gij beweren, dat ge
mijn vrouw zijt? Al 't andere moge waar zijn, ja, ik geloof, dat ik de
graaf van Holland ben, maar mijn vrouw zijt ge niet. Mijn vrouw heeft
zooveel wratten op haar gezicht, als ik gisteren glazen heb geledigd,
en dat is heel wat, en mijn vrouw heeft een stem, om den Duivel te
verjagen. Haar oogen zijn zoo groen als gras, en de kleur van haar
huid is zoo geel als een blad in den herfst. Mijn vrouw heeft een
middel als een groote ton bier. Neen, nu gij zegt, dat ge mijn vrouw
zijt, weet ik, dat ik droom en met verlof van deze edele ridders zal
ik weer gaan slapen."
Zoet antwoordde hem de heerlijke vrouw:
"Ge zijt de graaf van Holland, en wij zijn Uw getrouwe echtgenoote,
die uit liefde voor U zou willen sterven--"
"Sterven?" riep de schoenlapper wanhopig. "Zoo waar ik Willem van
Nieuwen ben en in de Korte Poten woon...."
"De heer graaf wil ons bedroeven."
"Dus ben ik de zeer dappere, zeer machtige, zeer edele Filips,
hertog van Lotharingen en Bourgondië, graaf van Holland en Zeeland,
van Vlaanderen en Henegouwen, Heer van Friesland--"
"Zijne Hoogheid weet wel, wie zij is. Zijne Hoogheid wil zich ten
koste van ons vermaken."
"Zoo gij 't zegt, ben ik de graaf van Holland. En toch had ik bij
alle Heiligen willen zweren, dat ik de schoenlapper uit de Korte
Poten ben. Ge weet wel ... Willem van Nieuwen. Zoo er iemand uit dit
doorluchtig gezelschap iets te repareeren heeft--"
"Kom--wij zullen ons thans verwijderen, behalve de opzichter Uwer
garderobe, opdat Uwe Hoogheid zich kan kleeden--"
Weder was er zachte muziek, van een blijde melodie, zingende van de
lente, zingende van geluk. Het lied van den glimlach, of de wereld
zonder zorgen ware, rimpelloos gelijk een Meiedag.
"Vandaag moet Uwe Hoogheid haar beste kleederen aantrekken," sprak
de opzichter der garderobe, en hij reikte hem de roode schoenen
met gespen, de granaten kousebanden, de groen fluweelen met goud
geborduurde broek, den satijnen overrok, den bruinzijden met
zilver geborduurden gordel, de zwarte muts met purperen kleppen,
den hermelijnen mantel, alles neerliggende op een kostbaar
kussen. Eerbiedig boog zich de dienaar, om zijn vorst te kleeden.
"Stil! stil!" riep Willem uit, "dat speel ik zelf wel klaar."
"Dat zou tegen de gewoonte van Uwe Hoogheid zijn."
Toen hij gekleed was, geleidde men hem naar de eetzaal, waar hem zijn
gade reeds wachtte.
"O! onze held, hoe hebben wij naar u verlangd," zeide ze
zachtkens. "Zijt ge verlost van uw kwaden droom, dat ge slechts een
arme schoenlapper zijt?"
Willem bekeek zijn kleederen, en peinzend bleef eindelijk zijn blik
op zijn roode schoenen rusten.
"Kijk eens, geliefde echtgenoote--wat die broek of die kousebanden
van me waard zijn, weet ik niet, doch zulke schoenen als ik, heeft
alleen maar de graaf van Holland, en daarom moet ik wel gelooven,
dat ik ben, wat ge zegt, hoewel ik me ook niet kan verklaren, hoe een
graaf van Holland zooveel verstand van schoenen heeft." Hij krabde
zich 't hoofd. "En ziet ge, alles zou ik nog wel aannemen, maar de
vrouw van den vroolijken Willem met haar wratten en haar schelle stem,
zit me in den weg--"
"Spreek, edele heer, niet van een andere vrouw in onze
tegenwoordigheid. Wij hebben U lief, en liefde is ijverzucht."
"IJverzuchtig behoeft ge op de vrouw van den schoenlapper van Nieuwen
niet te zijn." Hij zuchtte. "Wij gelooven u, onze gemalin. Wij zijn
de graaf van Holland! Wij zijn de graaf van Holland! Het overige is
een kwade droom."
Zijn oogen schitterden.
"Vertel ons, gemalin, wat doet de graaf van Holland den heelen dag?"
"Weet ge dat dan niet?" berispte ze hem. "Eerst behoort ge ter kerke
te gaan, en na den noen moet ge rechtspreken."
"En dan?"
"Dan zet gij U met Uw edellieden tezamen, en zoo ge wilt, komen wij
bij U en schenken U den wijn."
"Wijn? Daarin zullen wij ons sterk betoonen, dat verzekeren wij u."
Omringd door zijne hovelingen trok hij ter kerke. Omringd door zijne
hovelingen wendde hij zich naar de zaal, om recht te spreken. Men
wees hem den troon. Bevallig wierp hij zijn hermelijnen mantel over
den arm, en plechtig wachtte hij de dingen, die zouden komen.
Een jonge man trad binnen en bleef aarzelend voor den zetel staan.
"Wat wilt gij?" vroeg hem Willem.
"Recht."
"Dat beloven wij u. Spreek vrindje--"
De klager, die niemand minder was dan de echte graaf, boog zich
terneder.
"Wij hebben lang genoeg gewacht--Zeg eindelijk, wat gij verlangt
"Mijn schoonvader houdt een herberg aan de Korte Poten, Uwe
Hoogheid. Één zijner klanten is een liederlijke guit, een dronkaard,
Willem van Nieuwen, die zijn beroep slecht verstaat--"
"Halt!" viel hem de rechter in de rede. "Dat is een leugen, want er
is geen betere schoenmaker in de stad dan Willem van Nieuwen, en het
is daarom ook, dat wij u als onzen vorstelijken wil te kennen geven,
om slechts bij dien schoenmaker te koopen."
Een oogenblik was het stilte. De lach kriebelde de hovelingen in de
keel, doch allen wisten hun vroolijkheid tot daartoe in te houden.
De graaf zette zijn verhoor voort:
"Vertel ons, wat uw vader voor klacht heeft tegen den vroolijken
Willem. Doch wees in uw woorden voorzichtig! Wij kennen den man
nauwkeurig."
"Mijn vader heeft den onwaardigen schelm--"
"Beleedig den man niet! Wees op uw hoede."
"Hij heeft hem steeds op goed vertrouwen geschonken, doch nimmer
eenen duit van hem ontvangen. Thans is Willem hem elf gulden schuldig,
welke hij weigert te betalen. Heer graaf! brengt gij den man tot rede."
"Wij weten van het geval, en we weten, wie uw schoonvader is. Het is
de waard met de hazenlip en met den geknapten neus, dien hij in een
vechtpartij heeft gekregen. Hij is zoo scheel, dat hij alles dubbel
ziet, behalve de glazen, waarin hij schenkt, want die geeft hij maar
voor de helft, en het is meer schuim dan bier, dat hij daarbij nog
geeft. Wanneer Willem van Nieuwen hem meer dan vijf gulden schuldig is,
laten wij ons hangen. Daar wij echter een genadig vorst zijn--"hierbij
stond hij op--"zullen wij ditmaal genade voor recht doen gelden,
en daar Willem een vroolijk kompaan is, dien wij een toegenegen hart
toedragen, bevelen wij onzen rentmeester den klager elf gulden uit
te betalen."
Dit geschiedde:
De rentmeester telde den jongen man elf gulden uit.
Willem oogde hem na, tot hij de zaal had verlaten: Toen riep hij uit:
"Een onbeschaamd gezel. Het is jammer, dat wij hem niet hebben
gevraagd, waar hij woont, want wij voelen lust, om hem eens te
gelegener tijd af te rossen. Dat is voorbij. Is er nog een geding
te beslissen?"
"Uwe Hoogheid is zeker vermoeid van dit rechtsgeding," zoo sprak de
maarschalk van Bourgondië, "en ik raad Uwe Hoogheid aan, een frisschen
dronk te nemen, opdat de gedachten van Uwe Hoogheid kunnen rusten."
"Hiertegen hebben wij niets in te brengen," schaterde de
schoenlapper. "Haal ons den lekkersten wijn, dien ge in den kelder
hebt, en voorwaar! nu zullen wij u laten zien, dat niemand den graaf
van Holland in het drinken evenaart."
"Zeg dat niet te spoedig, heer graaf!" zoo zeide hem Jan de Berghes,
"want voorzeker! ik heb reeds alle edellieden van Brabant in dat
tournooi doen sneven."
"De wedstrijd worde onmiddellijk aangegaan! Edele gemalin, reik ons
de bekers."
Niet zag de schoenmaker, dat zij Jan de Berghes' roemer slechts voor
de helft, zijn eigen beker daarentegen telkens vol schonk. Hij dronk
in een teug, en hij glimlachte, toen Jan de Berghes drie malen over
zijn deel deed.
"Beken het ons maar," schreeuwde hij, "dat ge niet tegen ons kunt
overwinnen."
"Het einde zal het leeren."
Ze deden elkander bescheid. Weder ledigde Willem den beker in éénen
teug, Jan de Berghes in drie.
"Hahaha! ge zijt voorzichtig ... ge ziet, dat ge met een vermaard'
drinker hebt aangebonden, en daarom vreezen wij voor u.
"Het zal anders komen dan ge denkt," hitste jan.
De schoone Isabella lachte.
"Ons dunkt, dat onze gemaal zal winnen."
Met schorre stem antwoordde Willem:
"Bijlo! dat zijn goede woorden. Als de heer van Berghes tegen den
grond ligt, zullen wij er u met een kus mede beloonen."
Onafgewend bleef ze hem aanzien, terwijl ze hem den boordevollen
beker reikte.
"Doe thans ons met eenen teug bescheid," zoo smeekte ze.
En weder dronk hij.
Toen de avond kwam, viel de vroolijke Willem als een overwonnene ter
aarde, en hij snurkte, of hij de dooden moest wekken. Haastig kleedde
men hem in zijn oude lompen. Hij bemerkte het niet, dat weder de heeren
de Berghes en de Lannoy hem op de sterke schouderen droegen, thans
om hem 't paleis uit te voeren. Zonder hem te schommelen, brachten
ze hem naar het Voorhout, en legden hem daar ter plaatse, waar hij
den vorigen avond gezonken was. Onhoorbaar verwijderden zij zich.
Willem snurkte.
Wat deerde 't hem, dat zijn kussen de aarde was, en zijn deken de
koude nachtlucht? Hij was in een wereld van gelukzaligheid, waarin
het leven een droom is. De echo van een blijde melodie was er in zijn
sprookjesachtig bewustzijn en nooit had hij in den zonderlingen waan,
die zijn slaap begeleidde, kunnen denken, dat hij de vroolijke Willem
was, snurkend onder den blooten hemel. Ach neen! hij was de graaf
van Holland, de schoone Isabella was zijn gemalin.
De wreede dag brak aan. 't Eerste roerlooze licht van den morgen
schemerde bleekwit langs de takken der boomen, en alle hanen van
's Gravenhage kraaiden elkander tegemoet. Nog weifelde de zonnegloed
boven de vage schemering, die de dag troebelde door den nacht. Het
geheim van het duister was steeds nog in het Haagsche Voorhout, de
zware boomen wilden den nacht behouden, doch daar in een onbewaakt
oogenblik was 't het eerste zonnestraaltje, dat over 't mos schoot,
en vol-uit volgde een bundel van rooden glans. Blijde begonnen ineens
alle vogelen te zingen. Voor de huizen der 's Gravenhaagsche burgers
kakelden de kippen, knorden de zwijnen. Smeden en timmerlieden
hervatten 't ambacht .... En langzamerhand begonnen ook de mieren
in het Voorhout haar dagelijksche taak. Haar drommen stieten tegen
't lichaam van den snurkenden schoenlapper. Ze beten.
Wee! zijn ontwaken.
Hij richtte zich op, keek om zich heen, wreef zich in de oogen, en
greep toen naar zijn beenen en lendenen, waar de verontruste mieren
haar ergernis toonden. Hij sprong op, bekeek zijn ellendige plunje,
en krabde zich 't hoofd. Hij zeide niets. Hij zette alleen maar zijn
mond wijd open, en bleef onbeweeglijk staan.
Toen zuchtte hij, en langzaam ging hij naar zijn huis.
Niet de schoone Isabella van Portugal, maar zijn vrouw met de wratten
wachtte hem. Hare handen waren niet zacht. Ze voerden den bezemsteel,
en ze hanteerden dien danig tegen den armen schelm, die niets van
zijn vroolijkheid had behouden. Hij zette zich aan zijn werk. Zijn
muren waren met oude schoenen behangen. Zijn vloer was van aarde,
en er waren geen kleeden op. Ook was er geen zachte muziek in zijn
woning--en terwijl de schelle stem zijner vrouw hem honende trilde
in zijn verdoofde ooren, mompelde hij:
"'t Was alles maar een droom. Ik had 't wel kunnen denken--'t was
maar een droom."
VI
Gerard, de slechte Heer
In de Betuwe, Teisterbant, was eens een rijk heer, maar hij besteedde
zijn geld niet aan goede dingen, en als er in de streek iets kwaads
was geschied, zeide men:
"Dat heeft Gerard, de slechte heer, gedaan."
Vroeger was hij een goed heer geweest, doch vele booze geesten
loeren op de onschuldige ziel: hartstocht en eerzucht en speelzucht
en heerschzucht, die allen een stem hebben binnen 't geweten der
menschen. Een dag was er een jonge man op Gerard's slot gekomen,
die hem een brief van een zijner vrienden had gebracht: sinds dien
zag men hen altijd samen. Nimmer had Gerard iemand gekend, die hem
dierbaarder was.
In die dagen was de weerwolf weder in de Betuwe verschenen, en men
zeide, dat er vreeselijke dingen zouden gebeuren. Want waar slechte
daden en gedachten zijn, is de weerwolf: 't is een groote hond met
een vlammende tong en vurige oogen. Hij rammelt met zijn ketting en
loopt rechtop als een mensch. Zoo hij een stal voorbij-komt, rukken
de paarden zich los en snellen dol in de weide.
Gerard en zijn vriend zouden een avond huiswaarts keeren, toen ineens
een wilde storm kwam opzetten. Het duister sloeg loodzwaar neer,
en de wind was als een gillende vloek, die aanhoudend schreeuwde
door de lucht. Het water der rivier in de verte grommelde; de
stammen der boomen werden gebeukt als met bijlen, de knappende
takken sprongen woest tegen elkander, en in een warrelenden dans,
schuifelende als voetstappen, slingerden de losgelaten bladeren over de
ongeziene aarde. Gelijk de weeklacht van een reus was deze nacht, één
lang-gerekte gil snerpte uit het duister. Plots verstomde 't geraas,
en duidelijk klonk voor Gerard 't rammelen van een ketting. Hij zag
twee vurige oogen, die, hoe zijn angstige paard zich ook wendde,
voortdurend naar hem gericht waren. Daarna was de storm bedaard. De
avond schemerde vredig.
"Heb je die vreemde oogen gezien?" vroeg Gerard, en hij klopte 't
bevende paard tegen den hals. "De landlieden zeggen, dat de weerwolf
is teruggekeerd."
"Dat is hij ook," lachte zijn vriend. "Ik heb hem al vele malen
bemerkt, wanneer ik des avonds over 't land zag."
"Wat zou hij van ons willen?"
"De weerwolf wil niet, hij haalt, wat hem vervallen is."
"Wat zal hij halen?"
"Ga 't hem zelf vragen. Ik kan hierop geen antwoord geven."
Ze reden, zonder nog een woord te zeggen, naar het kasteel. Telkens
zag Gerard zijn vriend aan, en het scheen hem, of er een gloed was in
zijn oogen, welken hij bij een mensch nog nooit bemerkt had. Nadat zij
eindelijk tehuis waren gekomen, en van hun paarden waren afgesprongen,
vroeg Gerard:
"Waarom heb je niets tegen me gesproken?"
Het was een stem, die van verre scheen te komen, welke antwoordde:
"Laat mij--ik smeek 't je--op het oogenblik niets zeggen."
Zwijgende liepen zij de gang in, en gingen naar de kamer. Gerard beval
zijne dienaren, zich te verwijderen. Hij keek zijn vriend in de oogen,
welke hem lichtend geleken als de oogen van den weerwolf.
"Zeg me, wat dit alles te beteekenen heeft?" vroeg hij.
De vriend antwoordde met doffe stem:
"Je hebt mij gekend, zonder mij te kennen. Weet je, wie ik ben?"
"Het leek, toen ik je voor 't eerst zag, of ik je al jarenlang had
gekend, en of ik al jarenlang met je had gesproken--"
"Dat had je ook."
"Van mijn jongste dagen, ja--ik zou bijna zeggen, van mijn geboorte."
"Ja--ja."
"Zeg me je waarlijken naam."
"O mijn naam! .... Luister naar me, Gerard. Ik ben door den duivel
gezonden, want door mij wist hij van je geheime, slechte gedachten."
"Wie ben je dan?! Je naam, of--"
Hij nam het zwaard van den wand. Treurig sprak de ander:
"Je kunt me niet dooden. Ik ben en ben niet. Ik ben je grootste
vriend en je grootste vijand. Ik ben een stem in je bloed, en door
duivelsche macht heb ik menschengedaante aangenomen. Ik moet mijn
plicht volbrengen. Zie! als je het zwaard in mijn hart stoot, zul je
geen bloed zien."
"Alles heeft een naam--de Duivel heeft een naam--de weerwolf heeft
een naam."
Nauwelijks had hij dit geroepen, of een ketting rammelde, en twee
vurige oogen waren op Gerard gericht. Het scheen, of zijn vriend in
de lucht vervloeide, en of er achter in de zaal een hond blafte.
Dit was de eerste keer, dat Gerard den weerwolf ontmoette. Het zou
helaas! de laatste maal niet zijn.
Al had zijn vriend hem verlaten, toch geleek het den heer in
Teisterbant, of diens stem altijd tot hem sprak, hitsend tot kwade
dingen. Zacht zeide hem een klank binnen in zijn ziel, dat hij zijn
oude, goede, trouwe makkers moest opgeven, en dat hij nieuwe, slechte
kameraden moest zoeken.
Hij vond ze ook, want slechte vrienden zijn overvloedig. Het waren
beruchte kompanen, met wie hij voortaan omging: sluwe oplichters,
kaartspelers en drinkebroers.
Tot dusver was hij gewoon geweest, wanneer de oogst schraal stond,
zijn pachters uitstel van betaling te geven: nu, in dit booze jaar,
terwijl de weerwolf zijn kwaad bedreef, kende hij geen genade.
Er was een oude boer, die zijn geheele leven op een zijner pachthoeven
had gewoond, en die thans in zwaren nood verkeerde, want de oogst was
mislukt, en zijn vee was gestorven. Hij kwam bij hem op het kasteel,
en smeekte hem om medelijden. Gerard vloekte en riep uit:
"Als je niet betaalt, jaag ik je van de boerderij als een hond."
De oude man wrong zijn handen, en riep in doodsangst, o! doodsangst
was het:
"Laat me op de boerderij blijven wonen."
Gerard lachte:
"Als je betaalt."
De oude man ging met moeden tred heen. Hij zag zijn heer niet aan--'t
geluid echter zijner voetstappen, zooals ze klonken op de trap en op
't kiezelsteen van den tuin--was een verwijt, scherper dan woorden
kunnen zeggen. Gerard luisterde er niet naar, en des middags vertelde
hij in de kroeg, wat hij bedreven had.
Zijn beste vriend, die magere Hein werd genoemd, knikte hem goedkeurend
toe, terwijl hij een oogenblik de kaarten liet rusten.
"Dat is goed zoo, Gerard, je had 't bijna niet beter kunnen doen!"
"_Bijna_ niet--magere Hein?" vroeg de heer verwonderd, "wat bedoel
je daarmee?"
"Er zou nog iets beters gedaan kunnen worden!"
"Wat meen je toch?"
Magere Hein nam de kaarten op, floot tusschen zijn tanden, en lachte:
"Vooruit! bestel nog een borrel, en we zullen kaartspelen."
Gerard boog zich voorover en greep hem bij den pols.
"Leg je kaarten neer, ik wil weten, wat je bedoelt."
"Ik wil alleen nog maar zeggen, Gerard, dat je een leerling in het
vak bent."
Ze speelden. Ze namen de kaarten, en gooiden ze neder, ze schudden
ze, en gaven. Gerard lette niet op, en verloor. Hij was met honderd
goudstukken in de herberg gekomen, maar na drie uur was er niets
meer van zijn geld over. Magere Hein streek koelbloedig 't goud van
de tafel, en liet het in zijn beurs vallen.
"Ziezoo! tot morgen," lachte hij.
Gerard keek hem aan, en vroeg langzaam:
"Je hebt zooeven gezegd, dat ik een nieuweling in 't vak ben. Nu
ik zooveel geld aan je heb verspeeld, mag ik zeker wel weten,
watje meent."
Magere Hein liet zijn beurs in den zak dansen, dat de goudstukken
tinkelden.
"Zie maar eens naar de kleindochter van den boer, en je zult jezelf
een antwoord geven."
Verder sprak hij niet. Vóór de kroeg namen zij van elkaar afscheid.
Eenzaam ging Gerard den weg naar huis. Hij dacht aan den avond, dat hij
met zijn vroegeren vriend den weerwolf ontmoet had, toen, na den storm,
de weiden even zoo schemerig-vredig waren geweest. Als toen waren de
slooten zoo blank en roerloos, en stil lag in hun schimmig zilver de
schaduw der boomen. Onbewegelijk stonden eenige koeien op het land;
vast, afgebakend was de diepe gloed van den horizon gespreid. Het
landschap was zonder trilling en geluid, en het geleek Gerard, of er
zelfs niet 't minste wolkje boven kon drijven, en of het verstard
was tot aan den gezichteinder. Toen spalkte de gloed aan den hemel
vaneen--een zwarte smook sloop lenig, wrong zich, door de opening,
en boog zich spiedend naar beneden. Huiverend bleef hij staan. Een
ketting rammelde, en aan den horizon lag de weerwolf, den muil wijd
geopend, den vurigen tong wentelend, en de vreeselijke, gloeiende
oogen naar zijn richting. Hij vermande zich, en riep:
"Weerwolf! zoekt ge mij?"
Dichtbij hem klonk een zacht gegrom, en toen hij den klank spiedend
naderde, vloog een donker lichaam op en verdween met woeste sprongen
in de verte.
"Weerwolf! booze wolf!" kreet hij.
Wankelend, een dronkaard gelijk, liep hij verder. Naast hem was
een gedaante, die al zijn bewegingen nabootste, en hem in de ooren
fluisterde:
"Waarom heb je mageren Hein niet gezegd, dat je den kleindochter van
den boer reeds lang kende? Je wist, wat hij meende, je had de stem
van zijn hart gehoord. Gerard! de tijd is rijp."
De heer stond stil en met hem zijn schaduw, Hij ging verder, en
weder hoorde hij naast zich den ritselenden tred, die deed denken aan
't glijden van een blad in den herfst.
"Pluk de bloeiende kersen uit den boomgaard, Gerard. Waarom heb je den
ouden boer niet gezegd, dat hij op 't land kon blijven, als .... Jij
kunt slecht zijn, want je hebt geld. Niemand durft zich tegen je
te verzetten."
Gerard sloeg de handen tegen zijn voorhoofd. Hij klaagde tot zichzelf:
"Is 't zoover met je gekomen? Onthef den armen man van zijn pacht--toen
je vader nog leefde, woonde hij al op 't land. Laat 't volkje naam
zegenen, en niet vervloeken."
De gestalte naast hem spotte:
"Probeer je niet te verzetten, want dat lukt je toch niet. Ga nu
maar dadelijk naar den ouden boer en zeg hem, dat hij de boerderij
in ruil voor zijn kleindochter 'kan behouden. Dat brave geweten van
je is machteloos geworden."
Hiertegenover dreigde de stem, welke hem het goede voorschreef:
"Gerard als er een steen losgaat van den weg, volgen er meer. Je
kunt nog terug--ga rustig naar je kasteel, en zoek den slaap des
rechtvaardigen. Je weet wel, dat al je tegenwoordige vrienden je
kwaad willen, verlaat ze! Het is ook laag, om den ganschen dag in een
herberg met een verloopen sujet te kaarten. Eens kom je voor God's
richterstoel, om verantwoording over je daden af te leggen. Wat zul
je God dan antwoorden?"
Even zweeg de donkere schaduw, die met hem ging. Niet langer dan
eenige seconden. Dan vleide ze:
"Wat is braafheid, en wat zul je ermede bereiken? Wees verstandig,
Gerard. Men noemt je den schoonsten jongen man uit de streek, en zul je
nu je jeugd laten voorbijgaan? Wie weet, wat er na dit leven is--Geloof
de andere stem niet, die begrijpt er even weinig van als ik. Ik zeg je,
dat je je moest schamen, wanneer je tegenover den mageren Hein komt te
zitten, en hem zult zeggen, dat je den boer zonder vergoeding de pacht
hebt vrijgescholden. Hij zal je uitlachen, en niet alleen magere Hein,
maar ook lange Dries, en gezellige janus, ze zullen je met zijn drieën
uitlachen, omdat je een domme, goede kerel bent. Er is nog nooit een
braaf mensch geweest, die 't goed op de wereld heeft gehad."
Nog geruimen tijd duurde deze tweespraak. Ten lange leste stond Gerard
voor de deur van den boer, en hij kon de beide stemmen nog volgen.
Hij klopte.
Er kwam geen antwoord, en hij trad binnen.
De boer zat aan de blank-houten tafel, zijn hoofd tusschen beide
handen. Hij bewoog zich niet, toen Gerard voor hem stond. Hij bleef
voor zich uit-staren, gelijk iemand, die zich iets herinnert, en
mijmerend terug-leeft. Zijn oogen waren vergroot, en onwillekeurig
hield hij de handen, waarmede hij zijn gelaat ondersteunde, tot
vuisten gebald.
Zijn kleindochter spon vlas--het wiel snorde, doch ze zong er
geen lied bij. Zij dacht niet aan het verleden, zij dacht aan de
toekomst. Wat zou Jan zeggen, als hij hoorde, dat zij de boerderij
moesten verlaten? Zij spon het vlas--het wiel snorde, doch ze zong
er niet bij.
Ze hoorde de klink van de deur, en hief 't hoofd.
Juist zóó was de vaag-roode tint van het avondlicht over haar bleek
gelaat, en in gedempt goud werd haar blonde haar omvat. Terwijl aldus
haar gezicht den stillen gloed ontving, vloeide uit haar handen,
bij het spinnewiel, 't bloed weg, en wit, slank lagen ze bij het vlas.
Gerard naderde haar, en zag haar aan. Toornig richtte zij zich op.
"'t Huis hieruit, slechte man," riep ze. "Je vriend is de weerwolf."
Hij antwoordde haar met een schellen lach:
"Ik kom niet, om met jou te praten, maar met je grootvader."
"O! slechte man," fluisterde ze, "iedereen weet, dat weerwolf bij je
is geweest."
"Praatjes."
"Jan heeft 't mij gezegd."
Hij haalde zijn schouders op. Toen sprak ze dreigend:
"Jan is niet bang voor tien weerwolven, en hij zal me helpen. Want
't is uit slechtheid, dat je bij me komt...."
Eerst toen schrikte de boer wakker uit zijn mijmering. Hij verhief
zich als een krachtig man en stelde zich tegenover zijn gast.
"Hier ben ik de meester," riep hij, "en hier jaag ik weg."
"Kom vriendje," zei Gerard luchtig, "het was vanmorgen zoo boos
niet gemeend. Ik heb ook veel geld verloren, en daarom was ik wat
kwaad gemutst. Er is wel nader over te praten, beste man. Je hebt al
jaren op de boerderij gewoond, en ik kan het toch niet over mijn hart
verkrijgen ...."
De oogen van den ouden man waren plots als van een jongeling, die nog
alles van het leven mag verwachten. Redding zou er komen, en gespannen
wachtte hij op het heil. Zijn kleindochter echter, haar handen vouwend,
smeekte hem, den heer niet te gelooven. Had Jan niet zelf gezegd,
dat Gerard en weerwolf voor eeuwig een verbond hadden gesloten? Nadat
ze dit had verklaard, schrompelde eenige seconden het lichaam van den
boer inéén. Hij werd een grijsaard, voor wien de dood licht moest zijn;
uit zijn oogen week alle glans, de groeven om zijn mond werden diep,
zijn handen begonnen te beven. Het vreeselijk vermoeden begon in hem
te leven. Toen tintelden zijn spieren, zijn arm werd recht, en zijn
vinger wees Gerard de deur.
"Als ik nog een jonge kerel was," riep hij, "zou je er zoo genadig
niet afkomen."
Met gebogen hoofd verliet de heer de boerenhoeve. Hij meende, dat zich
nu zeker de schaduw weder bij hem voegen zoude, maar dit geschiedde
niet. Ook zweeg zijn geweten, en aldus was er noch een goede noch
een kwade stem sprekend, welke hem verweet of aanhitste.
Juist zou hij de laan, welke naar zijn kasteel voerde, ingaan,
toen hij achter zich haastige schreden hoorde. Hij wendde zich om,
en zag jan, den geliefde van het jonge meisje, op zich afkomen. Voor
hij wist, wat er gebeurde, lag hij al in een greppel naast den weg,
met een hoofd vol deuken en gaten.
Dat gaf den volgenden dag in de kroeg een schaterende vreugde, nadat
hij zich zijn vrienden had vertoond!
Gezellige janus sprak 't eerst.
"Ze hebben jou ook aardig de veeren uit-getrokken," zoo lachte hij,
"en ik moet zeggen, dat er weinig van je is overgebleven. Ben je
gevallen, broeder, of was je zoo buiten Westen, dat je tegen een muur
bent aangeloopen? Ze zeggen hier, dat je door een boerenjongen bent
toegetakeld, maar dat geloof ik niet. Of zou er toch soms iets van
waar zijn?"
Lange Dries nam de kaarten op, schudde ze, en sprak peinzend:
"Ik heb 't voor je opgenomen, want ik kon niet denken, dat je 't
getuigenis van een sterke vuist zoo op je gezicht zou dragen. Vertel
ons, kindlief, wat er gebeurd is."
Ze spotten nog langen tijd, doch eindelijk sloeg magere Hein met zijn
vuist op tafel en schreeuwde:
"Laten we 't hem zeggen, waarom geen van ons allen dergelijke
ongelukken gebeuren. Wij hebben er ons voor weten te vrijwaren. Wij
hebben een contract met den weerwolf afgesloten, die helpt ons,
als wij hem oproepen."
"Stil ...." zei Lange Dries, "zijn tijd is nog niet gekomen."
"Wat--niet gekomen! Heeft hij geen lust om zich te wreken?" Hij
richtte zich tot Gerard. "Heb jij geen lust, om je te wreken?"
"Ja."
"Dan moet je te middernacht naar een kruisweg gaan, daar komt de
weerwolf in menschelijke gedaante--Eerst zie je hem niet ... let dan op
het rammelen van den ketting--zeg dan: 'in naam van den Duivel ben ik
hier,' en je zult raad krijgen, zooals je nooit iemand heeft gegeven."
Gezellige Janus smakte met de lippen.
"Dan is 't klaverblad van vier gered."
"Hebben jullie--" vroeg Gerard dof, "allen een verbond met den
weerwolf afgesloten?"
Zij zwegen, de drie pratebroers. Ja, zij waren in weerwolf's macht,
en ze hoopten, dat hij Zou worden als zij. Als hij te middernacht naar
den kruisweg ging, zou hij een middel vinden, om zich op Jan te wreken.
Gedachteloos speelde hij kaart, en gedachteloos verloor hij.
Bijna te middernacht verlieten de vrienden elkander. Gerard was
vastbesloten den raad van mageren Hein op te volgen, en hij liep naar
den kruisweg.
't Klokje van den verren toren sloeg twaalf uur--hij hoorde 't rammelen
van een ketting, toen sprak hij met vaste stem:
"In naam van den Duivel ben ik hier."
Hij gevoelde, dat iemand op hem toe-trad, tot hij vlak bij hem was. 't
IJzer sleepte achter de gedaante aan, en ketste tegen de steenen,
met zacht-klingelend geluid. Hij hoorde een moede, treurige stem:
"Je hebt mij geroepen, Gerard. Hier ben ik."
Waar had hij die stem eerder vernomen?
"Magere Hein heeft je gezonden--" vervolgde de gestalte, "en je wilt
je op Jan wreken. Dat kan gebeuren. Ik heb gehoord, dat hij gauw wil
trouwen, en dat hij een eigen boerderij zal zetten. Dan is jouw tijd
gekomen en ik zal je helpen."
"Wat moet ik voor uw hulp geven?"
"Je hebt me in den naam des Duivels geroepen en daarom eisch ik
je ziel."
Gerard werd vervaard over deze woorden, en hij riep, dat hij zijn ziel
niet wilde verpanden. Hij wilde vluchten van deze plaats, maar de
weerwolf legde hem een klauw op zijn schouder, en beloofde hem, dat
hij niet voor niets zijn ziel behoefde te geven. Hij zou ongestraft
wraak mogen nemen, en tot den Oudejaarsavond zou hij over zooveel
geld mogen beschikken, als hij-zelf wilde. Op Oudejaarsavond echter
zouden de weerwolf en hij kaartspelen: zeven spelen, en de inzet was
Gerard's ziel. Wie 't meeste ervan won, zou de ziel mogen hebben.
Dit nam Gerard aan. Hij besloot bij zichzelf, om in het volgende
halfjaar nog meer te kaarten dan hij tot dusver had gedaan. De weerwolf
beloofde hem zooveel geld, als hij maar wilde, en dus zou hij nooit
arm kunnen worden. Den volgenden morgen was hij al vroeg in de herberg,
doch magere Hein zat er reeds, vóór zich een groote pot bier.'
"Je bent er ook gauw bij," lachte magere Hein, "de hanen hebben
waarentig nog niet allemaal gekraaid, en je bent toch zeker na
middernacht naar bed gegaan?"
"Kom! laten we spelen."
De waard bracht de smerige kaarten en legde ze op tafel.
Thans vonden zij het niet meer de moeite waard, om woorden te
verspillen. Ze haalden hun beurzen voor den dag, beide met goudgeld
gevuld, en ze smeten ze naast zich. Toen speelden ze. Buiten was
het schoone zonnelicht, de vogels zongen, en het geheele zeldzame
feest van den zomerdag nam een aanvang. Zij zaten in de berookte,
besmookte herberg, en zopen en kaartten. Ze loerden, om elkander te
verrassen; Gerard lette goed op zijn spel, hij waagde niets: zijn
oude tegenstander was hem echter de baas, en 't klonk onophoudelijk
van goudgeld naar Hein's kant. Eindelijk was de beurs van den heer
leeg, en hij haalde een nieuwe voor den dag. Weder begon en herbegon
het spel. De waard ging af en aan, zoodra een kroes of glas was
opgedronken. Zij zopen, en het hitste hen aan tot sneller geven en
nemen der kaarten. Toch gaf Gerard voortdurend acht--
Wat baatte het hem? Ook de tweede beurs met goud raakte hij vóór den
avond kwijt.
Ze zouden van elkander afscheid nemen. Lachende zeide magere Hein:
"Gerard! de weerwolf heeft je geen kaarten geleerd."
"Dat zal ik mezelf leeren--en jij zult 't me leeren."
Deze belofte kwam hij na. Langzamerhand kon hij evengoed spelen
als magere Hein, en niemand kon zeggen, wie 't minst en wie 't meest
verloor. Daarom was magere Hein ten zeerste vertoornd, want hij had al
den tijd als de beste zes-en-zestiger van den omtrek gegolden. Binnen
een maand was hij zijn roem al kwijt.
Hij zon op nieuwe middelen, om Gerard te grieven.
Op een morgen, dat de heer in de kroeg trad, noodigde hij hem niet
dadelijk uit, om een spelletje te kaarten. Hij schoof Gerard een glas
wijn toe, en vroeg:
"Zullen we eerst eens wat drinken?"
"Waarom?"
"Dan kun je beter met elkaar praten. Heb je gehoord, dat jan, die
jou de leelijke poets heeft gebakken, een eigen boerderij gaat bouwen?"
"Wat zeg je?"
"Een eigen boerderij .... Ja--ja--en je hebt 't hem nog niet betaald
gezet."
Dien dag speelde magere Hein verreweg het beste, zoodat de kompanen
in de herberg er zich over verwonderden. Gerard verloor goudstuk na
goudstuk, en toch scheen het, dat hij geheel in zijn spel verdiept
was. Hij boog zich over zijn kaarten, zijn voorhoofd was in diepe
groeven gerimpeld, en zijn stem, wanneer hij een enkele opmerking
sprak, klonk boos. Iedereen geloofde, dat het was om zijn ongeluk.
"Trek 't je niet aan," zeide magere Hein, toen zij eindelijk de kaarten
voor goed hadden neergelegd, "vandaag jij morgen ik." Hij meende dit
niet, doch hij wilde hem niet ontmoedigen.
"Geen nood," riep Gerard uit, "'t zal niet lang meer duren, of je
ziet me terug."
Recht-aan, recht-toe--hij dacht niet meer aan 't geld, dat hij
verspeeld had, want hij zou 't terug kunnen krijgen, wanneer hij 't
wenschte--ging hij naar den kruisweg. Daar wachtte hij tot middernacht,
toen fluisterde hij:
"In naam van den Duivel ben ik hier."
Er klonk zacht gerinkel van een ketting. Hij hoorde een stem:
"Mijn vrienden behoeven dat niet meer te zeggen. Ik ken ze al van
ver. Ik weet ook, waarom je komt. Het wordt je tijd, om je op Jan te
wreken. Hij zou nu spoedig met het meisje trouwen, wanneer wij het
hem niet zouden beletten. Wacht nog één maand, en je zult hem zijn
slagen betaald zetten! Heb je nog iets anders te wenschen?"
"Neen."
"Dan tot over een maand, als de boerderij gereed is."
Nog even rammelde de ketting. Toen was de stilte rondom hem.
Langzaam, als wieken van een molen bij tragen wind, gingen de
dagen voorbij--en in deze maand verloor Gerard meer dan drieduizend
goudstukken aan mageren Hein. Men gaf dezen weder de eer, dat hij
de beste kaartspeler was. Niemand wist, waarover de heer peinsde,
als hij met gefronst voorhoofd bij de tafel zat.
Het bouwen der hoeve ging voort.
Eindelijk kwam de dag, dat ze gereed was. Slechter dan ooit speelde
Gerard. Met ongeduld beidde hij den avond.
Toen hij om tien uur bij de boerderij stond, bemerkte hij tot zijn
verwondering, dat ze verlaten was. Hij lag lang uit bij de rivier,
hij hoorde zijn hart bonzen.
Wat zou er geschieden?
Eerst heel ver, daarna dichtbij, hoorde hij een geluid, dat op het
zwellen van den storm geleek. Daartusschen schuurde een ketting door
de lucht, zoo duidelijk, als ware dit de eenige klank in den stillen
avond. Gerard meende, dat het noodweer kwam opzetten, en hij keek naar
den hemel. Alle sterren en planeten echter van het heelal flonkerden,
en de glans stroomde over de lucht, over de aarde, een wijd meer
gelijk, waarop het zonnelicht is.
Ineens zag de heer, dat twee der sterren zich losmaakten van den
egalen gloed, en snel dalend, vlammender en vlammender, zich naar
hem bewogen. Het rammelen van den ketting werd een woeste ijzerdans,
dreunend als groote stukken ijzer op ijzer gesmeten. Hij borg zijn
handen voor de oogen ....
Naast hem lag de weerwolf.
"Je dag is gekomen, Gerard," zeide de droevige stem, "zooals ik je
beloofd heb. Ga mede--er is niemand in 't huis, daar heb ik voor
gezorgd."
De heer stond op, en liep naar de hoeve. Ze waren voor de schuur
gekomen.--Geen enkel woord zeide de weerwolf. Hij nam twee steenen,
sloeg die tegen elkaar, de vonken spatten eraf op droog rijs, dat voor
hem lag--even smookte het, een kleine vlam slingerde zich van takje
op takje, meerdere vlammen volgden, vermengden zich met elkander,
werden een vuurtje, een vuur, dat vonken en vlammen afdrong tegen
't hout der schuur, een laaiende tong lekte ook daar, vuur werd het,
vuur en vuur warrelden dooreen, het was brand!
"Kom," beval de weerwolf. "Niemand hoeft je hier te zien. Ga naar de
herberg, en blijf daar zitten--dan kan niemand je iets bewijzen."
Rustig zat Gerard in de kroeg. Hij vond er gezelligen janus,
en hij stelde hem voor, een spelletje te domineeren. Zij speelden
Russisch. Gerard had steeds de meeste zevenen, en dubbel blank scheen
hem niet te verlaten.
Iemand rukte de deur open, zag naar binnen, schreeuwde:
"Brand!" en verdween.
Tegelijkertijd sprongen de twee vrienden op, en renden buiten de kroeg.
Aan den hemel dreef een rossige rook, die breeder en dikker werd,
tot hij 't gansche firmament vulde. Het was niet te zien, waar het
vuur precies was, want 't geheele gehucht leek wel in vlammen te
staan. Zuilen van vuur rezen in de hoogte. Een luid geroep van stemmen
was er over de straat, en de klok luidde men, dat men in de nabijzijnde
dorpen hulp zou bieden. De brandweerkar rolde aan, en alle jongelingen
holden mee, om met het spuiten te helpen. Er formeerden zich ploegen,
om elkaar af te wisselen, en sissend sprong de eerste waterstraal, als
een stuk ijzer zoo sterk en blank, door den vurigen gloed, doovend,
wat in den weg kwam. Ook Gerard wilde zich bij een ploeg voegen. Men
wilde het niet. Bits riep één der jongelingen:
"Wie er schuld aan heeft, hoeft niet te helpen."
Gerard lachte en antwoordde:
"Ik heb er geen schuld aan. Vraag 't maar aan gezelligen janus."
De spuiten der andere dorpen renden aan, en in het hooge vuur drongen
van alle zijden waterstralen, als scherpe messen, die tegen elkaar
worden gewet. De vlammen slonken, en een benauwende rook sloeg uit de
puinhoopen van 't huis. Na uren werkens was in den morgen 't laatste
vuur tegen den grond geslagen. Er stond een wacht bij 't huis. Toen
sloop een eenzaam man, de eigenaar van deze ruïne, naar de plaats,
weenend en hij schreeuwde:
"De wraak des Hemels voor wien dit heeft gedaan."
Iemand der wacht troostte hem:
"Hij zal zijn wraak niet ontgaan."
Er waren er velen, die hoopten, dat de rechter zou straffen. Dit
geschiedde niet. Wel beval de rechter, dat Gerard bij hem zou
komen--hij was nog een oud vriend van zijn vader--en hij praatte
langen tijd met den heer.
"O Gerard!" sprak de rechter, "wat hoor ik slechte dingen van jou. Toen
je een klein kind was, heb ik nog met je gespeeld, en nu hoor ik,
dat je een kaartspeler bent, en met mageren Hein omgaat, die je zeker
tot gemeene dingen aanzet. Ik had dat vroeger nooit van je gedacht."
Dat heeft de rechter gezegd.
Wie er berouw had, niet de heer. Wanneer de nonvlinder in het
dennenbosch is, blijft er van het hout niets over. Had hij niet
den weerwolf--in ruil voor wraak en geld--zeven kaartspelen op
Oudejaarsavond beloofd? Nu hij de gevangenis niet inging, had hij zich
met mageren Hein te oefenen. Iederen dag kwam hij van 's morgens vroeg
tot 's avonds laat in de kroeg--en de beide menschen zaten tegenover
elkander, en kaartten. Nu weder wist niemand, wie van tweeën het
beste zes-en-zestigde. Met rustig hoofd overwoog Gerard zijn kansen.
Na eenige maanden mompelde men, dat de heer de overwinnaar was. Nooit
vergiste hij zich in het aantal, troeven, dat nog over was, op
het rechte oogenblik kondigde hij een twintig of een veertig aan,
zonder ooit een vrouw of heer voor den tijd weg te geven. Het was de
beurt van mageren Hein, om zijn goudstukken te betalen. Iederen dag
verminderde zijn rijkdom.
Magere Hein had een dochter, die van zijn slecht gedrag niets wist. Ze
begreep het niet, dat haar vader iederen dag met Gerard in de kroeg
zat, want haar ziel was jong en vol vertrouwen. Nooit duldde magere
Hein, dat er kwaads van zijn dochter werd gezegd. Er waren wel eens
aterlingen, die met haar spotten, doch niemand durfde dit in gezelschap
van den vader.
Het was het mooiste meisje der Betuwe, en zooals er geen schooner
kerselaren zijn dan in de Betuwe, zoo zijn er geen mooier meisjes dan
daar. In het voorjaar zien wij de witte bloesems, guirlanden van witte
bloesemen, tuinen van witte bloesemen, een wijde, witte schoonheid,
een duizelingwekkende belofte; nooit stelt de vervulling van zomer
en herfst teleur. Zang en dans hebben zij daarom lief, de meisjes
van de Betuwe. Ze zijn de schoonste der wereld: hoe wonderschoon
moet zij dan wel zijn, die haar koningin wordt genoemd? Zij is de
sprookjesachtige belofte en de werkelijke vervulling.
Dat was de dochter van mageren Hein. Het was een boos uur, dat Gerard
haar ontmoette, en zij, verwonderd, zijn knik beantwoordde. Een
valsche melodie speelde door zijn ziel.
Het duurde wel een maand vóór Gerard met den vader over 't meisje
praatte. Magere Hein was met een volle beurs gekomen--hij moest met
een leege heengaan. Verdrietig zeide hij:
"Daar blijft van mijn geld niets over."
Gerard boog zich naar hem over, en fluisterde:
"Ik heb je dochter lief, magere Hein! Als je mij je dochter geeft,
betaal ik je al je geld op den huwelijksdag weerom."
"Nooit--nooit--"
"Je hebt 't mij zoo geleerd," zeide Gerard met een duivelschen
glimlach, "weet je nog wel, datje mij een leerling in het vak noemde?"
"Zoo heb ik dat niet bedoeld."
"Hoe heb je 't dan anders bedoeld--'t is gelijk, of 't de dochter
van een boer is, of jouw dochter is 't!"
"Mijn dochter zal niet met iemand trouwen, die met den weerwolf heult."
Gerard liet zijn goudstukken in zijn zak rammelen.
"Zonder dát zul je niet kunnen kaartspelen, magere Hein.
"Dan laat ik 't vervloekte kaartspel."
"Dat kun je niet meer. 't Kaartspel heeft jou te pakken. Ik wil je eens
wat zeggen, magere Hein. Zullen wij om je dochter zes-en-zestigen? Wie
van dertien spelen er 't meest wint, heeft gewonnen. Jij zet je dochter
als inzet en ik duizend beurzen met goud gevuld. Is 't aangenomen?"
"Neen--"
"We zullen zien."
Twaalf dagen kwam magere Hein niet in de kroeg. Den dertienden dag
verscheen hij. Hij riep om een borrel en om kaarten. Het spel nam
een aanvang.
En van de dertien spelen won Gerard ze alle.
"Je dochter is de bruid," lachte de heer.
"Je zult haar hebben," zei magere Hein schor.
Het is geen vroolijke bruiloft geweest. De organist kon dien dag niet
spelen, daar hij ziek was. De dominé sprak slechts enkele woorden,
en buiten sloeg de regen met felle stroomen neer. In den avond was
er storm, zooals er nooit in de Betuwe was geweest. Alsof duizend
kettingen tegen elkaar stieten, zoo gierde de wind over de vlakte. Een
fel hahaha, nu eens gierlachend, dan weer klagelijk weenend, sloeg
door de lucht, en liet een angstwekkende echo na, welke niet breken
wilde. Een heksensabbath van woeste stemmen gilde ver en dichtbij,
vreemde geruchten waren er in schuur en stal, die geleken op buigen
en kraken van dood hout en toch in hun nameloos wee een levende
ziel verborgen.
De bruiloft van den slechten heer met 't mooie meisje voorspelde niets
goeds. De weerwolf zou zijn buit wel halen, zeide men in de Betuwe.
Gerard speelde nu met zijn schoonvader niet meer om geld. Het was hem
er alleen maar om te doen, dat hij oefening zou krijgen. O! hij zou
beter spelen dan de weerwolf. Toch verschool zich een geheime angst
in zijn bloed--: wat zou er op Oudejaarsavond gebeuren? Eerst laat in
den nacht kwam hij thuis--vroeg vertrok hij weder. Hij moest kaarten,
kaarten, kaarten .... Soms was 't hem, of een donkere gedaante achter
hem stond, wanneer hij speelde ... soms hoorde hij den sleependen
ketting .... Zijn droomen werden gekweld door dien sidderenden klank,
een bedreiging voor hem, die hem nooit rust liet. Hij werd als een
man, die geen jeugd heeft gekend, somber en in zich zelf pratend. Als
hij over een eenzamen weg ging, zag hij de vale, vluchtende gedaante
van den weerwolf steeds voor zich. Kwam hij op zijn slot, dan was
hij korzelig tegenover zijn vrouw, alsof zij 't helpen kon, dat hij
ongelukkig was. Het gerucht, dat hij haar sloeg, was de waarheid. 't
Meisje, dat eens zoo blijde en vertrouwend naar 't leven had gezien,
of het een bloesemende boomgaard ware, had nu lichtschuwe oogen. Haar
teere schouders waren gebogen, als rustte er een last op. Ze wist, dat
ze met een kaartspeler was getrouwd, die geheele dagen achter elkander
met haar vader in de kroeg zat, en wanneer ze aan de toekomst dacht,
zag zij in de eindelooze ellende, het langzaam-aan verdwijnen van
het verleden, en de onafwendbare nadering der dagen, die eens verre
waren. De tranen zouden tranen volgen. Het leed zou zijn teekening
in haar gelaat groeven.
De Oudejaarsavond was voor haar een marteling. Ze kon niet aan
het verleden denken, ze durfde niet denken aan de toekomst. Daarom
voorzeker is het geweest, dat zij om zeven uur uit het kasteel ging,
en Gerard alleen liet in de groote zaal.
Nog vijf uren had de heer te wachten, voor hij zijn vonnis zou
vernemen. Hij wilde het noodlot afwenden en hij deed drie grendelen
voor de poort. Hij had een grooten bloedhond: dien stelde hij
ter bewaking. Hij sloot de deur van de groote zaal, en stak alle
kaarsen aan, zoodat hij den nacht vergat. De vensters wapende hij
met luiken. Nu mocht de vijand probeeren te komen.
De wijzers der klok schreden voort, en de geluidlooze tijd deed zijn
plicht. Als er een kaars was uitgebrand, stak Gerard een nieuwe op
den blaker aan. Zóó bleef het volle glans tot elf uren.
Net of er een koelte wuifde langs de rossige vlammen, sloegen
ze heen en weer. Gerard ging naar de vensters en zette de luiken
vaster. Roerloos lag de bloedhond vóór de gegrendelde poort.
Het was koud in de zaal. Hij wierp eenige blokken op het vuur--wel
warrelden de vonken op, maar zij brandden niet. Hij strekte zijn
handen naar den haard uit--zijn vingers bleven koud.
Hij hoorde den koekoek van de klok twaalf malen, voor hij wist, dat
er een uur was verloopen. Een ketting rammelde ... hij wendde zich
om ... de weerwolf stond achter hem.
"Ik ben hier, om te kaarten," zeide hij, "heb je alles klaargelegd?"
"Nee," antwoordde Gerard.
"Zie dan naar de speeltafel--daar liggen de kaarten."
Hij zag 't spel liggen. Een hoopvolle gedachte verdrong zijn angst.
"Maar als de kaarten gemerkt zijn?"
"Dat zijn ze niet, doch jij mag schudden en geven, en ik zal met den
rug naar de kaarten gaan zitten. Jij zegt me dan, wat je opspeelt,
en schuift me mijn kaart toe."
Aldus speelden ze.
Het eerst won Gerard, toen de weerwolf.
"Quitte," riep deze.
't Volgend spel was voor Gerard, het vierde voor den weerwolf.
"Quitte alweer."
Het vijfde spel won de weerwolf, het zesde Gerard.
"Quitte ten derde male."
Het klonk spijtig, en nu was er vrees in weerwolf's stem. Zou de ziel
hem ontgaan?
Het ging om het zevende, of laatste. Hij rammelde met zijn ketting.
De heer sloeg de handen aan zijn hoofd. Alle oefenspelen met mageren
Hein waren in zijn denkend brein verzameld. Het zou er nu op aankomen,
wat hij had geleerd.
Schoppen was troef.
Bij den derden slag speelde Gerard een twintig uit. Hij beefde van
geluk. Ja, hij zou mogen winnen.
Het was de laatste tour en nog had geen van beiden zes-en-zestig
geroepen. En ineens kwam er een jubeling in Gerard. Hij zou het spel
niet verliezen. Hij nam een ruiten negen met een ruiten boer. Hij had
klaver-aas in de hand, en hij moest uitspelen. Alle troeven waren er
toch uit? Aas, heer, vrouw, boer, tien--ja--
En hij speelde den klaver-aas. Hij had één kaart vergeten.
"Troef," riep de weerwolf. Hij gooide met een behendigen zwaai
schoppen-negen op tafel en draaide zich meteen om, Gerard met zijn
klauwen grijpend.
"Troef--en zes-en-zestig."
Hij voer met Gerard's ziel ter helle.
VII
De Basiliscus van Utrecht
Ook in ons land, en wel in Utrecht, heeft een basiliscus zijn helsch
wezen vertoond, nadat hij lange jaren deze streken had gemeden. Reeds
had dit monster in het jaar 513 bij Dokkum achttien menschen geveld,
die zijn oogen hadden gezien, en acht eeuwen later vond men weder
een zeer grooten basiliscus in den put van Oldeboorne. Toen men
hem ophaalde, waren het weder achttien menschen, die door hem
werden gedood: even flikkerden zijn oogen, en dát vuur sloeg de
sterfelijke lichamen in, welke asch werden. Men gaf allerwege acht,
dat er geen basiliscus werd geboren, en men kon dit met eenige moeite
wel beletten. De duivel, die op de menschelijke ziel loert, weet,
dat hij gehaat wordt als vijand der wereld, en hij moet meer listig
zijn dan sterk, wil hij den schat van ongeloof en twijfel naar de hel
mededragen. Zijn trawanten vindt ge daarom onder onschuldige dieren,
welke hij onder betoovering brengt, waarvoor zij later dikwijls moeten
boeten, of het menschen waren. Evenals heksen mogen zij niet langer
leven, want wat met den Duivel heeft verkeerd, is gevaarlijk voor
het grootste goed ter aarde--slechts te betalen met hemelsch gewin:
de ziel.
Daarom handelden de menschen wijs, als ze acht sloegen op de
hanen. Sommige hanen waren er, die eieren legden zonder dooier, en
deze werden uitgebroed op een mesthoop; men zeide, dat een schildpad
ze stoofde. Als het ei openbarstte, kwam er een basiliscus uit,
een vervaarlijk monster, welks kop zoo vreeselijk was, dat niemand
dien aan kon zien, zonder den dood te sterven. Geen wezen op aarde,
dat hem niet ontvluchtte: ja, hij ontvluchtte, hoe vreemd het klinken
moge, zichzelf, want hij was bang, zijn eigen oogen te aanschouwen,
die ook hem den dood moesten brengen. Hij vlood in donkere putten en
kelders, liefst onder een brouwerij, en daar heeft ook de basiliscus
van Utrecht gewoond. Hij was uit het hanenei gekropen, en het
zonnelicht vreezend, dat op meer en vaart heldere spiegels, zelfs
zonder rimpeling, nederlegt, had hij 's nachts onder een brouwerij
redding gezocht. Twee felle vlammen waren zijn oogen.
Een man ging naar beneden, in opdracht van den bierbrouwer: misschien
had hij 't schuimend vocht te schenken, frisch uit het vat, misschien
ook viel er iets te verplaatsen of te vertimmeren. Men was verwonderd,
dat hij niet wederkeerde, en men schertste een weinig, meenend, dat
hij zich op zijn eentje te goed had gedaan: ongetwijfeld was de zoete
slaap zijn geest en ziel binnengedrongen, en waren zijn gedachten
ver van de zorg dezer wereld. Ten leste werd de patroon ongeduldig;
hij riep en vloekte, dat de kerel boven moest komen, en men kreet met
luide stem in den kelder. Toen er geen antwoord kwam; meende men, dan
hij meer Danziger of Maastrichtsch of Leuvensch bier had gedronken,
dan voor een zwakken slaap paste, en wat woorden niet konden bereiken,
zou wellicht een flinke trap of oorvijg kunnen brengen. Een stevige
kornuit ging naar beneden, en hij zag, dat de man dood terneder
lag. Hij wilde roepen, maar zijn blik gleed af en hij staarde in de
oogen van den basiliscus.
"Nu moet ook ik sterven," dacht hij, want een vlam sloeg om zijn
hart. Met de handen greep hij naar de plek zijner pijn, en de
basiliscus bleef hem aanzien, den grooten hagedissenkop vooruit, en
de scherpe stekels op zijn lichaam stonden loodrecht opgericht. De
man gevoelde, dat de vlam in zijn lijf verder sloop, op de wijze van
het vuur, met een spits einde eerst lekkende, voor zij zich verbreedde.
Zoo ook dringt de smart der liefde vleiend en verterend in 't willoos
bloed des menschen, want het onvervuld verlangen is een basiliscus,
wiens oogen dooden, en dat zichzelven zou dooden, als het zichzelven
ooit zien kon.
De jonge man, die naar beneden was gezonden, viel ook terneder, en de
twee vuren in den kop van het monster staarden de duisternis tegemoet.
Hoevelen de basiliscus gedood heeft in Utrecht; is niet bekend.
Er is geen kroniek van, gelijk voor Dokkum en Oldeboorne: doch wel
afschuwwekkender moet zijn leven geweest zijn, daar men er nog vele
eeuwen over heeft gesproken.
Hij was niet te dooden, als draken of waterslangen, die immers een
dapper ridder met zijn zwaard kan verslaan, nadat ze veel menschen
ten verderve hebben gevoerd. 't Is een vreeselijker ondier dan alle
andere. Onbeweeglijk ligt hij in duisteren kelder, en hij heeft den
kop slechts te wenden naar zijn vijand, om dezen te doen wankelen en
te verteren. En wanneer er ook eens een mensch gevonden werd--maar
dit is bijkans onmogelijk--die niet sterft door de vlam om zijn hart,
dan is één prik der rechte stekels voldoende, om te dooden.
Hoe de stad Utrecht van den basiliscus te bevrijden?
Iemand, meer knaap dan man, bood zich aan, om met hem te kampen. Men
bezag hem vol deernis, want het is wel wreed, als een jongeling moet
sterven. Maar hij kwam vroolijk, en liet zich een blinddoek voor
't gelaat binden; opdat hij de vreeselijke oogen niet zou zien. Men
vroeg hem naar zijn wapen. Was 'teen speer of boog, of een slinger,
gelijk de knape David had, die Goliath wilde verslaan?
Hij wees op zijn borst, waarop een plank rustte, en niets anders.
"Weet ge dan niet?"--zoo vroeg men hem, "dat de basiliscus stekels
heeft? Hij is een groote hagedis, dien ge niet hooren kunt, zoo
hij nadert, en zien kunt ge hem ook niet, met uw blinddoek voor
het gelaat."
Hij lachte slechts, zooals een onbezorgde knaap, die 's levens strijd
en wreedheid nog niet kent, kan lachen. Hij behoorde tot hen, die
wereldsche smart tegemoet gaat met een blinddoek voor de oogen, doch
met het wapen van reinheid op zijn borst. Men aarzelde. Zou men hem
doen dalen, tot voor het vreeselijk monster? Weder lachte hij, en met
jongen, lichten tred liep hij naar beneden. De basiliscus hoorden zijn
schreden, en hief den kop. Zijn oogen waren vlammen, maar de knaap
stierf niet, neen, hij liep zorgeloos, en tastte slechts even. Nog
feller vlamden de oogen van den draak, en de jongeling lachte maar.
Langzaam kroop de hagedis naderbij. Zoo de vijand niet stierf door
het vuur, zou hij sterven door het vergift. Was er een mensch, die
den basiliscus kon ontgaan?
Toen wendde de knaap de plank, die op zijn borst rustte, en hij
hield de voorkant naar de richting der duisternis, welke vóór zijn
blinddoek was.
De basiliscus snelde op hem toe, en plotseling zag hij zijn eigen
oogen, daar het een spiegel was, dien den jongeling met zich had
meegedragen, glas der zuiverheid en der waarheid, dat hij voor het
monster plaatste.
De vlam, die allen hadden gevoeld, sloeg 't eigen lichaam van den
basiliscus binnen, en hij werd verteerd tot asch en tot niets.
VIII
Het Popje der Heks
Niet uit alle haneneieren kruipt een basiliscus: ook worden er heksen
uit-gebroed, die het vee betooveren, schepen beletten uit te varen,
en kinderen kwellen. Een goede honderd jaar geleden heeft er in
Bolsward ook zulk een heks gewoond.
Op het Hoog leefde een gelukkig echtpaar met vele, gezonde
kinderen. Alleen het jongste was altijd ziek, en de buren zeiden,
dat het wel betsjoend kon zijn.
Doch wie was de tsjoenster?
Er woonde in de Witheerensteeg een vriendin der vrouw, die veel van
kinderen hield. Ze kwam dikwijls op het Hoog, om een praatje te maken,
en dan nam ze het kind, op haar schoot, en ze kuste het met veel
liefde. Ze wiegde het in haar armen en zei:
"Do earm skiep. Do earm skiep."
Als ze zich naar 't kind overboog, was er moederliefde in haar
blik. Als dokter kwam, schudde ze medelijdend en mistroostig 't hoofd,
alsof ze zeggen wilde:
"Kun je voor het arme schaap niets doen?"
Wat probeerde men al niet? Duizend middelen, die in dikke boeken
staan! Een dokter kan niet helpen, als 't kind betsjoend is. Om die
ziekte tegen te gaan, heeft men sterkere hulp noodig. De eenige,
die raden kan, is de duivelbanner. Deze weet alles en kan de heks
verjagen, haar zelfs doen sterven. En wat kan een dokter doen tegen
een tsjoenster? Hij gelooft er zelfs niet aan!
"Weet je, wat ik doe?" zei eindelijk de man. "Ik ga den duivelbanner
opzoeken."
Dat dras een wijs besluit. Had hij dit maar eerder gedaan, instee de
raad van een dokter op te volgen. Hij ging den volgenden dag op weg,
en had wat water van zijn kind meegenomen. Hij liep uren en uren, vóór
hij bij den duivelbanner kwam, die onmiddellijk begreep, dat er iets
niet in den haak moest zijn. Er was een tsjoenster in het spel. Hij
zei het den vader zonder omwegen. Wat te doen? De duivelbanner zei:
"Dat is al heel eenvoudig, man. We zullen haar wel klein krijgen,
maar 't kind moeten we ook genezen, is nietwaar?"
"Ja," antwoordde de man.
"Kijk eens, deze kruiden helpen." De bezweerder gaf hem een klein
zakje, zeggend:
"Dat is nummer één. Daarmee moet je de wieg van het kind uitrooken."
De wieg was ook al behekst. Of 't goed was, dat men den duivelbanner
om raad had gevraagd!
Schuchter vroeg de man:
"En nummer twee?"
"Nummer twee is dit drankje. Dat moet 't kind gebruiken, 's morgens
op de nuchtere maag, 's middags vóór 't gaat eten en 's avonds voor 't
gaat slapen. Maar voor ik 't vergeet, wanneer de wieg wordt uitgerookt,
_mag er niets openstaan_. En dan is er nog nummer drie."
"En dat is, nummer drie?"
"Houd de geneesmiddelen in je zak, en loop, zonder je op te houden,
recht naar huis. Op de reuk van kruiden komen de heksen af, en raad
eens waarom? Ze willen ons werk tegenhouden, die leelijke tjoensters,
wanneer het goede is gekocht. Als nu een vrouw op je afkomt, weet je,
dat het de heks is. Ga recht door. 't Kan niet missen."
Het was een lange weg, maar de vader nam geen rust, al lokte hem
menige herberg. Recht moest hij gaan. Straks moest hij de tsjoenster
ontmoeten. Maar wonder! hij kwam geen enkele vrouw tegen, noch aan de
Sneekerpoort, noch in de Witheerensteeg en eerst op het Hoog schreed
iemand hem voorbij. Het was een vrouw. Ze liep vlak langs hem heen,
en stiet hem in de zij. Er rinkelde iets. 't Fleschje in zijn zak
werd gebroken, en hij gevoelde, dat het drankje wegvloeide. Wat was
dat jammer!
Hij vertelde het zijn vrouw dadelijk, toen hij thuiskwam. Zij schudde
haar hoofd en riep uit:
"Ja, mijn vriendin was ook al zoo gehaast. Ze moest naar de
Witheerensteeg."
"O! is 't die?" vroeg de man, geheel en al ontsteld.
"Wat meen je?"
"Men moet er 't beste van hopen," zuchtte hij. Ze greep hem bij
den arm.
"Wat bedoel je toch?"
Hij vertelde haar, wat de duivelbanner had gezegd, en zij werd
angstig. Ze stamelde:
"Je zou zeggen ... je zou zeggen ...."
"O! wat zou 't me spijten, als zij de heks was--"
"Denk je dat?"
"'t Moet wel zoo zijn. Wie zou 't anders wezen? Er is me maar één
vrouw tegengekomen. En dat ze zoo gauw liep! 't Kan niet anders ...."
"En wat moeten we nu met 't kind doen?"
"'t Drankje is weg, maar de kruiden heb ik nog. We kunnen de wieg
eerst uitrooken."
Het was tot midden in den nacht, dat zij ermede wachtten. Alle
deuren, alle vensters werden gesloten, ja, het sleutelgat werd met
was bestreken. Hoe klein de heks zichzelf ook maakte, naar binnen
kon ze niet. Geen doorkomen aan.
Het hielp wel, dat men zoo goed het bevel van den duivelbanner
na-kwam. Ja, de duivelbanners zijn de eenigsten, die kunnen helpen.
Men draaide de wieg om en legde de kruiden in 't komfoor. Toen de
vlam erop, en heel zachtjes begonnen de kruiden te smeulen. Welk een
stank, welk een stank! De man en zijn vrouw kregen het er benauwd van,
vooral, nadat de rook en smook hoe langer hoe dikker en dichter de
kamer doorwolkt hadden. Brrr! En alles dicht .... Het kind kreunde,
en buiten werd er aan het slot gemorreld.
"Niet opendoen!" hijgde de man. "De heks."
Daarmee was het nog lang niet uit. Ineens begonnen buiten katten te
blazen en te krijschen en te jammeren ... een ware heksensabbath.
De man en zijn vrouw waren het erover eens: de duivelbanner had
gelijk. Er waren booze machten in het spel. Het duurde eenigen tijd,
vóór de rook was weggetrokken; gelukkig maar, dat men den schoorsteen
niet verstopt had. Zoodra de lucht weer zuiver werd, hielden de katten
met schreeuwen op, en ook het kind kreunde niet meer.
Heksenwerk moest het heeten en anders niet. Iedereen in Bolsward was
het erover eens, en daarom bejegende men den man der tjoenster van alle
kanten stug, waar hij den volgenden dag ook kwam. Des avonds trad hij
de gelagkamer van de "Valk" binnen en al zijn vrienden zwegen. Als
hij tot een hunner sprak, wendde deze 't hoofd af. Misschien had
een kind op straat hem al nageroepen, misschien had hij het van een
der lieftallige lieden gehoord, die gaarne het leed van een ander
op de tong proeven. Hij wist, wat er gezegd werd in de stad, en hij
besloot zijn vrienden om raad te vragen. Het was een moeilijk geval,
want een heks is slim. De waard kwam er ook bij staan, en luisterde
toe. Met praatte her en der, roosterde de zaak aan het spit, maar
men kon ze niet zoo gauw gebraden krijgen. Wat moest er gedaan worden?
Een der vrienden was een sluwe vogel. Eindelijk had deze de goede
raad gevonden.
"Je moet een klein gat in den zolder boren," zei hij, "zoodat je haar
bespieden kunt."
Iedereen vond het vreemd, dat hij daar niet eerder aan had gedacht. Het
eenvoudigste is altijd het beste op de wereld.
De man wachtte, tot de vrouw was uitgegaan, en toen deed hij, wat
zijn vriend hem had geraden, onderwijl denkend:
"Wanneer ze nu meent, dat ik uit ben, zal ik zacht naar boven sluipen,
en ik zal van hieruit kunnen zien, wat ze doet, die leelijke heks."
Een paar avonden later, deed hij, of hij 't huis ging verlaten.
"Waar ga je naar toe?" vroeg zij. Hij antwoordde onverschillig:
"Naar 'de Valk.' Ik moet kijken, of 't bier me vanavond smaakt."
Zoo namen ze afscheid van elkaar. Zij meende natuurlijk, dat hij
weg was, doch hij had de deur natuurlijk niet gesloten. Neen, hij
sloop terug, en liep de zoldertrap op. Met zijn oog ging hij op het
gat liggen, dat hij een paar dagen geleden had geboord. Een deel der
kamer kwam binnen zijn spiedende blik, en hij bemerkte, dat ze opstond,
om zich heen keek, en de deuren sloot. De man boven peinsde:
"Haha! ze wil niet gezien worden! Ze heeft wat in den zin."
Ze ging naar de kast.
"Wat moet ze daar doen?" dacht hij.
Ze opende de kast heel omzichtig. Hij kon net precies onderscheiden,
wat ze wegnam. Een heel klein popje, dat in luiers was gewikkeld!
Ze nam het popje op haar schoot en begon het te prikken. Met groote,
scherpe spelden prikte ze het. Ze bleef het steken, op 't hoofdje,
op den rug, op de beentjes, en 't kind daarginder op het Hoog werd
nu vreeselijk daardoor bezeerd. Luid begon het te krijten en het was
niet tot bedaren te brengen, zoolang de tsjoenster pijnigde. De man
op zolder wist dit.
Het werd eindelijk de gewone tijd, dat hij uit de herberg kwam. Nu
zag de spion boven, dat ze 't popje weer in de kast borg. Hij ging
kousvoeteling de trap af, en sloop de deur uit. Hij liep even om, en
kwam een oogenblikje later doodgemoedereerd terug. Ze had de stoete
op tafel staan met geurige boter.
"Zoo--" glimlachte ze, "ben je al terug?"
Hij antwoordde niet.
"'t Is vroeg vanavond, of verbeeld ik 't me?"
Hij antwoordde niet.
Ze begreep, dat hij iets vermoedde van haar wreed spel: Zwijgend
stonden ze tegenover elkaar. Ten laatste beval hij:
"Geef me den sleutel van de kast." Ze deed heel verwonderd.
"Wat wil je daarmee. Je heb daar toch niets te zoeken?"
"Geef me den sleutel." Ze trachtte te schertsen.
"Daar is niets in ...."
"Zoo! is daar niets in? Daar is toch wel wat in?"
"Neen," zei ze, en diep beet ze met haar tanden in haar lip.
"Och--een kast zonder iets erin. Wat doe je dan met een kast, waar
niets in is?"
"Er is wel wat in."
"Wat is er dan in?"
"Mijn kleeren zijn erin!"
"Laat ze me zien--of is er nog meer in?"
"Ja, een popje, dat ik op straat heb gevonden."
"Zoo--een popje! Waarom heb je er me niets van gezegd? Hier de
sleutel!"
Ze moest hem gehoorzamen, en hij opende de kast. Naar de kleeren keek
hij niet. Hij nam het popje in zijn hand, en draaide het om en om.
"Overal zijn speldeprikken," zei hij. Ze smeekte:
"Geef 't mij terug. Geef 't mij terug."
"Dat is niet noodig. Je bent geen kind meer."
"Ik wou 't weggeven."
"Niet noodig! Ga jij maar naar bed."
"Geef 't mij maar terug."
"Naar bed! Ik blijf een kwartiertje op."
"Nee--nee--terug ... het popje ... terug het popje." Hij tergde haar.
"Je houdt zooveel van kleine kinderen? Je bent altijd lief tegen
kleine kinderen? Ga naar bed."
Ze schreide. Wat kon ze anders doen? Ze ging schreiend naar bed.
Hij pookte het vuur op en de vlammen laaiden. Hij gooide 't popje er
midden tusschen.
"Zoo!" riep hij uit.
Hij hoorde, hoe de vrouw in haar bed steunde. Toen begon ze van pijn
te schreeuwen. De man bleef natuurlijk heel rustig. Hij zei:
"Ik verbrand het popje maar."
Hij keek naar de vlammen, die 't popje omdansten en grepen in hun
begeerenden, verterenden gloed.
Eerst, nadat het tot asch was geworden, wendde hij zich naar het
bed. Daar lag de vrouw, met vreeselijke brandwonden, en ze stierf op
hetzelfde oogenblik.
IX
De Roode Hemdrok
De vrouw van den predikant in Pietersbierum lag ziek te bed, en ze kon
niet slapen. Ze woelde heen en weer, en ze bad om slaap, die haar kon
doen vergeten. Wat wilde ze anders dan vergeten, buiten deze wereld
van pijn en zorg zijn, al ware het slechts enkele uren? Haar oogen
waren wijd-geopend, en ziet! daar spalkte de nacht uiteen.
Midden in de kamer stond een doodkist.
Ze stond op, om te weten, wie gestorven was en ze naderde de kist. Wie
lag erin? Zijzelve.
"Moet ik sterven?" dacht ze, en ze wekte haar man.
"Kijk de kist in de kamer," zei ze. De man richtte zich iets op,
en staarde den nacht in, welke voor hem niets was dan het duisterste
duister.
"Wat moet ik zien?" vroeg hij verwonderd. Ze antwoordde, in 't midden
der kamer staande:
"Deze baar, waarin ik als lijk lig." Hij werd kwaad, en zei korzelig:
"Je verbeeldt je mooie dingen! Schaam je, en ga slapen."
Langzaam liep ze naar haar bed terug, doch ze wendde zich, zoodra ze
weer lag, met het gezicht naar de kist, welke bleef staan. Ze dacht:
"Dus moet ik sterven."
En ze sliep niet. Korten tijd daarna kwam een man binnen. Hij was
gekleed in een rooden hemdrok. Hij bleef even zwijgend staan, en
schreed toen rustig naar den schoorsteenmantel. Hij boog zich iets
voorover, en ze bemerkte, dat hij iets van den schoorsteenmantel nam,
een paar dingen van ijzer. Ze richtte zich iets op, om beter te kunnen
zien. Wat waren het? Een paar schroeven. De man in den rooden hemdrok
trad statig op de kist toe, en maakte het deksel vast. Iemand--ze
onderscheidde niet wie--legde op de dichte baar een witten doek. De
dragers kwamen binnen en de kist werd weggedragen.
Toen werd alles stil en duister en gewoon. Wakende wachtte ze den dag
af, welke zonder geheimen was. Haar man haalde zijn schouders op, toen
ze hem had verteld, hoe de man met zijn rooden hemdrok had gehandeld,
en hij zei:
"Zulk een man is er in Pietersbierum niet. Hoe zou hij dus ooit de
doodkist kunnen dichtnagelen. Zet zulke beelden uitje hoofd." De
vrouw echter antwoordde:
"Het was waar, zooals ik jou zie."
Eenigen tijd later werd haar een zoon geboren, en men droeg hem naar
de kerk in een roode kapruft. Hij werd gedoopt, en nadat men aan het
doopmaal zich had verzadigd, zeide de predikant lachend, want hij
geloofde niet in de werkelijkheid van een droom: "Was dit niet de man
in den rooden hemdrok, die je lijkkist heeft dichtgeslagen? Kom! dat
zal 't wel geweest zijn?" Ze staarde hem met groote oogen aan, en
zweeg. Hij spotte nog even ten haren koste, maar ze legde de handen
in haar schoot.
Hij meende, dat ze wel in stilte de dwaasheid van haar geloof beleed,
en hij kwam niet meer op haar woorden terug. Het duurde echter lang,
of men hoorde, dat er in het dorp een nieuwe timmerman was komen wonen.
Deze was gekleed in een rooden hemdrok.
Men zag hem ook niet anders dan in den rooden hemdrok.
In zijn werkplaats en op straat droeg hij den rooden hemdrok.
Ze kwam hem tegen, en legde de hand voor haar oogen, gelijk vele
menschen doen, die binnen hun geest een herinnering aanschouwen. En
ze zeide:
"Dat is de man."
Echter praatte ze er niet meer over. Een jaar later stierf ze.
De predikant wilde niet, dat haar droom tot waarheid werd, en hij
beval:
"Breng de kist in een andere kamer."
Men wilde hieraan voldoen, en twee dragers namen de kist. De gang
echter was nauw, en men stiet de baar bij het draaien tegen den
muur. Een der dragers zei:
"De kist kunnen we nergens anders krijgen. De kist moet hier blijven
staan."
Ze droegen ze naar 't midden van het vertrek. Daar bleef ze, gelijk
de vrouw ze had gezien.
Haar lijk lag in de kist. Het deksel was er nog niet op geschroefd. De
predikant riep:
"Leg de schroeven niet op den schoorsteenmantel. Leg de schroeven op
de vensterbank."
"De man met den rooden hemrok trad binnen. Hij bleef op den drempel
staan.
"Ik zal de kist dicht-schroeven," zei hij.
Hij ging naar den schoorsteenmantel. Ja, men had de schroeven op
de vensterbank gelegd, doch een paar waren er blijven liggen. Deze
nam hij.
Hij liep op kist toe. Met de schroeven, welke hij op den
schoorsteenmantel had gevonden, deed hij het deksel op de
kist. Iedereen zag het. De predikant riep:
"Er mag geen witte doek op de kist." Allen knikten met 't
hoofd. Niemand zou een witte doek op de kist spreiden.
Juist wilde men vertrekken toen nog een vrouw binnentrad. Ze keek
naar de kist.
"Dat is niet in orde," dacht ze. "Zoo zullen we dominé's vrouw niet
uitleiden."
Ze nam haar witte zakdoek en spreidde deze vroom over de kist.
Allen bogen het hoofd, angstig en berustend tegelijkertijd om het
wonder, dat 's menschen leven is.
X
Westerschouwen, Westerschouwen, het zal u berouwen
Lang geleden was Westerschouwen op Walcheren een groote visschershaven,
welks schepen trotsch de Noordzee bevoeren; zij brachten rijke
lading mede, iederen keer, dat ze de haven hadden verlaten, en de
visschers werden overmoedig door hun welvaart, wreed en spotziek van
nature. Zij meenden, dat geen haven aan de hunne gelijk was, en ze
gevoelden zich als trotsche heerschers, die met harde voetstappen
over de aarde schrijden.
"Wie is er gelijk aan de visschers van Westerschouwen?" dachten ze.
Eens waren ze er weder uitgegaan, en hun netten deden zij in zee
zinken. Het duurde niet lang, of men haalde een der netten op, en
men vond een mooie zeemeermin, die smeekte, dat men haar weer zou
loslaten. Doch de hoogmoedige schippers lachten slechts en ze togen
naar Westerschouwen terug, om hun vangst te toonen. Nimmer, naar hun
heugenis, hadden visschers zulk een wonderlijke buit medegevoerd,
en hun dronken hoogmoed deed hen lachen om de smart der blanke vrouw.
"Laat me gaan," zoo riep zij in vertwijfeling, "visschers van
Westerschouwen, en ge zult gezegend zijn."
Een andere stem kwam uit de zee, en hoewel ze zwaarder was van toon,
klonk ze als de echo van haar schaamte en haar leed. Men zag buiten
boord, en weder lachte men, gelijk sterke mannen kunnen lachen,
die zwakken mishandelen.
"Het is de zeemeerman," riep men elkaar van de schepen toe, "hij
zwemt met zijn kind in de armen."
Groen zijn de haren van de zeemeerman, en gelijk golven, opgeslagen
door den Westwind (als er geen zonlicht is over de zee), vloeien
ze groen over zijn schuimwitten rug. Het gelaat is bruin van kleur,
als een stuk hout, dat veel dagen in zee heeft gedreven, en de baard
warrelt er in groene striemen omheen en over.
Het kindje, dat hij in zijn armen droeg, was blank van kopje, rug en
beentjes, en het spartelde al aardig mede. Naar haar beide liefsten
strekte de zeemeervrouw haar armen uit.
"O!" riep hij weenend, "geef me haar terug, want we waren gelukkig,
booze visschers. Wat moet zij bij u doen? Ze zal zeker bij u sterven."
Geen der wreede menschen antwoordde, en men zeilde de haven
tegemoet. De zeemeerman vroeg niets meer, telkens dook hij naar boven,
en hij zag alleen maar naar het wijfje, dat bijkans stervende was,
en dat hem met haar oogen, reeds omfloerst door den nevel des Doods,
trachtte te onderscheiden van zeeschuim en golven.
Dat was een groot gejuich, waarmede de Visschers aan wal sprongen! Een
hunner tilde het net hoog, waarin het zeemeerwijfje gevangen was,
en hij liet het beschouwen door de dwaas-gierende vrouwen en de
verwonderde kinderen. De zeemeerman echter, die nu zeker wist, dat
men haar niet uit kortswijl hield, zwom tot dicht bij het strand,
en zijn armen strekte hij naar uit, verlangende en vertwijfelende.
"In 't riet is ons huis, van schelpen gebouwd, die wij hebben verzameld
schelp voor schelp. Haar laatste gedachte zal aan 't huis zijn, en
wilt gij haar doen sterven dichtbij uw donkere aarde? Hebt erbarmen."
De vrouwen en de mannen lachten, en ze gevoelden hun macht. Voor
teederheid was geen plaats in Westerschouwen, en men bond het net
aan den watertoren.
Men zag, hoe de meerman tot vlak bij de haven kwam, en zich zoo hoog
oprichtte, als hij kon. Men hoopte, dat hij nog eens zou smeeken om
't leven zijner vrouw. Doch hij zweeg en leed haar doodsstrijd mede,
en 't was voor hem, wat voor een mensch het stroomen van bloed uit
een slagader is. Voor haar werd de lucht nevel, en die nevel naderde
snel. Ten laatste moest ze er de oogen gansch voor sluiten, en ze
stierf met de gedachte aan 't schelpenhuis in het riet. Hij zag haar
sterven, en strekte zijn armen naar haar uit. Zijn leed was zijn toorn,
en zijn toorn zijn leed; één waren ze in zijn ziel.
Nog verder zwom hij in de haven, tot vlak bij de kust. Alle inwoners
der machtige stad waren tezamen aan het strand, want allen wilden
hun lachlust aan zijn smart verzadigen.
Welke wapens droeg de zeemeerman in zijn handen? Vuur om te verdelgen,
golven om te verzwelgen? Zwaard om te houwen, spies om te schieten,
bijl om te hakken?
Arme, arme zeemeerman! De menschen konden vrij uit met hem spotten. Ze
hadden hem niet te vreezen. Ze wezen naar hem met hun vingers,
en schaterden.
Hij stoorde zich niet aan hun hoon. Hij had wapens in de hand, welks
macht en geweld de menschen van Westerschouwen nog niet kenden. Even
was hij in zee gedoken, en boven gekomen met wier en met zand, dat
de wegen naar de zee afsluit. Waar gisteren nog schepen konden varen,
keert morgen het zachte zand en het vleiend wier iedere boot.
De zeemeerman tilde zijn handen in de hoogte, en deed het zand en
het wier vallen in geulen en ondiepten. Daarbij zong hij:
"Westerschouwen, Westerschouwen,
Het zal u berouwen,
dat ge genomen hebt mijne vrouwe ....
Westerschouwen zal daarom vergaan,
de toren alleen zal blijven staan."
Langzaam zwom hij weg, om alleen te treuren in zijn schelpenhuisje,
en niet keerde hij naar Westerschouwen terug. Maar het zand en het
wier deden hun stillen en onstuitbaren intocht, winden en stormen en
golven dreven het op, tot het de schepen omsloot met worgend geweld.
Toen vloden de menschen uit hun huizen, en het zand stoof op het
strand. Het drong op, millioenen van korrelen, het omwoei, het omstoof
de woningen, het legde zich in de straten terneder. Als door den
storm een dak inviel, boog het zand zich hoog, en stortte door de
opening naar beneden. Zoo een drempel vermolmde, een deur uit zijn
scharnieren werd gedraaid, warrelde het in de kamers en keukens, en
het dekte den vloer. Het werd hooger en hooger, het klom op tegen
de wanden, het drong zich in de spleten, 't maakte hout en ijzer
zwak. Als eindelijk een huis instortte, viel dit in een hoop mullen
grond, en het verzonk als een lichte last.
Het zand kwam niet, waar de toren stond. De toren werd gespaard,
terwijl de stad dieper en dieper daalde. Wel woei het stof even om
zijn steenen, doch deze schenen het terug te kaatsen tot daar, waar
de huizen begonnen.
XI
De Zeemeermin van Edam
Nog regeerde hertog Albrecht van Beieren over Holland, toen de
tijding kwam, dat in het Purmermeer een zeemeermin was gevangen. Zij
had geleefd in de Zuiderzee, en ze had zich steeds verborgen, als
de visschers kwamen. Zij haatte de menschen. Zij hield alleen van
het spel tusschen golven en zonneglans, als ze zwemmende niet wist,
of het schuim der zee was of warm licht, waartusschen haar blanke
armen kliefden.
De storm kwam op, en de wilde zee brak de dijken. De vloed voerde
haar mede, en zij dreef het Purmermeer binnen, willoos, als was ze
een stuk hout. Ze kon den weg niet meer terug vinden, en ze dook,
om voedsel te vinden. Met mos en zuiver wier was ze bekleed.
Men herstelde de dijken, en de Zuiderzee trad binnen haar gebied terug,
onmachtig ten slotte tegen de menschen.
Telkens moest de zeemeermin boven komen; en ze zwom dan rustig voort,
totdat menschen naderden. Dan dook ze, zoolang ze kon, en ze werd
angstig, als de menschen--meest waren het vrouwen, die booten met
vee voortroeiden--haar konden zien. Ze wist niet, dat ook de menschen
bang voor haar waren, al was hun nieuwsgierigheid even groot als hun
vrees. Telkens dichter kwamen de vrouwen en maagden met haar booten bij
de plaats, waar zij zwom, en ze bemerkten, dat het slechts een arme,
weerlooze zeemeermin was, en ze kon niets dan plassen en ploeteren
in het water.
Eindelijk hadden ze moeds genoeg, om heel dichtbij haar te komen,
en met sterke armen hieven ze haar, hoe ze zich ook verzette,
binnenboord. Ze voeren met haar in de stad Edam, en iedereen
verwonderde zich over haar wezen. Ze trachtte zich verstaanbaar te
maken, en men deed moeite haar woorden te begrijpen: deze waren echter
zoo vreemd, dat het geen taal van menschen kon zijn.
Men wiesch haar schoon van het wier en het mos, dat haar als een lange,
golvende mantel dekte, en men trok haar vrouwenkleederen aan. Ook
leerde men haar het voedsel der menschen eten: zij verzadigde er
zich aan.
Toch verlangde zij ernaar, om weer in het vrije water te leven, en met
wind en golven, haar vrienden te spelen. Telkens liep ze naar buiten,
om zich in het meer te werpen met groote moeite hield men haar tegen.
Veel volk kwam haar bezien, en men sprak allerwege van haar.
Ook de bewoners van Haarlem--een machtige stad--hoorden van het
wonder vertellen en ze zonden burgers uit, om haar in levenden lijve
te aanschouwen. Ze keerden terug en zeiden:
"Het is een mooie zeemeermin, die men ons in Edam getoond heeft."
"Wanneer het een mooie zeemeermin is," mompelde een burger, "dan komt
ze Haarlem méér toe dan Edam."
Toen keerden zij, die haar gezien hadden, naar het kleine stadje
aan de Zuiderzee terug, en ze vroegen, of Haarlem de zeemeermin
bezitten mocht.
De Edammers waren hierover zeer bedroefd. Zij gingen tot de burgers
der trotsche stad en vroegen:
"Wilt ge haar hebben?"
"Ja."
Er was geen keus. De Haarlemmers voerden de blanke buit met zich mede,
en ze deed haar intocht in Sint Bavo's veste.
Daar leerde men haar spinnen op een spinnewiel ... rrr! deden de
raderen.
Ze leefde er vele jaren lang, en nadat ze was gestorven, begroef men
haar op het kerkhof der menschen, want dikwijls had ze het teeken
des Kruises gemaakt.
XII
De Zeemeermin van Muiden
Gezongen hebben de zeemeerminnen met haar liefelijke stemmen, zegen
en vloek. Ze zijn in veel plaatsen van ons land geweest, en ook naar
Muiden zwom een zeemeermin, zingende:
"Muiden zal Muiden blijven,
Muiden zal nooit beklijven."
Toen verdween ze.
Vele dorpen en steden zijn tot bloei gekomen, doch Muiden is Muiden
gebleven, en zonder verandering Muiden, en zal Muiden blijven, tot
in eeuwigen dage.
Erasmus
Uit een kruis van ijzer is Erasmus beeld gegoten. Daarom wellicht
heeft het een wonderlijke macht.
Een boek draagt hij in zijn hand.
Onbeweeglijk blijft het boek, zoolang Rotterdam gelukkig is. Vrees
niet voor het gemeenebest, wanneer het boek niet door de vingers des
standbeelds wordt aangeroerd.
Wee! wee u! duizendmaal wee echter, gij trotsche Maasstad, als Erasmus
een bladzijde uit zijn boek omdraait, want dan wacht u onheil.
Telkens, als er ongeluk zou komen, las het standbeeld verder.
XIII
Kaïn
Nog is Waleram's bloed ongewroken. In het land van Limburg klinkt
zijn stem, ten Noorden en ten Westen, ten Zuiden en ten Oosten,
doch geen echo laat ze na.
Waleram en Reginald van Valkenberg waren twee broeders, en beiden
beminden ze met gelijke liefde de dochters des graven van Kleef,
Alixe. Zij hadden er nog niet met elkander over gesproken, hoewel zij
van oudsher gewoon waren, elkaar hun geheimen te belijden. Zij reden
uit, en praatten over jacht en tournooi, over heldendaden en soms
over een minstreel, die op het kasteel van Valkenberg had gespeeld,
nimmer echter over Alixe van Kleef en hunne liefde.
Een waren zij tezamen zonder doel uitgereden. Er was in beiden een
geheime begeerte: dat zij het slot van Kleef mochten bereiken. Zij
lachten met elkander om onverschillige dingen. Eindelijk zeide
Reginald:
"Het is jammer, dat het slot van Kleef zoo ver verwijderd is. We
zouden anders kunnen trachten, er nog vóór den avond te komen."
Stil besloot Waleram, de wonde niet te toonen, welke hem pijnigde. Hij
betoomde zijn verlangen en antwoordde:
"Wat zouden wij in het slot van Kleef moeten vinden, Reginald?"
Zijn broeder haalde diep adem.
"Niets. Ik peinsde alleen over den grooten afstand."
Het was Waleram's beurt, om meer te zeggen dan hij wilde:
"Zullen wij een wedstrijd houden, wie 't eerst aan 't slot van
Kleef is?"
Reginald aarzelde. Zou zijn broeder het geheim bemerken, wanneer hij
toegaf? Beter ware het onverschilligheid te huichelen.
"Waleram! heden ben ik te moede."
"Moede--gij moede, Reginald? Als gij niet met me gaat, rijd ik alleen."
De wedloop begon. Ze zetten hun edele paarden aan, nu eens was Reginald
de eerste, dan weder Waleram. Zeker zouden ze tegelijkertijd nog
vóór den avond het slot hebben bereikt, zoo Waleram's paard niet was
gestruikeld, en dus Reginald eerder dan hij Kleef binnenreed. Nadat
hij zijn naam had geroepen, liet de wachter de slotbrug neer, en de
graaf met zijn dochter wachtten hem.
Het was niet met een blijden lach, dat ze hem begroette. Even slechts
zag ze hem aan, daarna staarde ze langs hem heen, over den weg,
en vroeg:
"Waar is Waleram, uw broeder?"
Liever had hij gewenscht, dat ze hem een dolk in 't hart had
gestoken. Bekommerde zij zich meer om zijn broeder dan om hem? Drift
deed zijn brein duizelen, en eerst met bovenmenschelijke moeite wist
hij zich te bedwingen, om arglistig te lachen:
"Ge weet misschien niet, Alixe, dat mijn broeder een slecht ruiter
is, zooals hij zich onbekwaam voelt in alle dingen, die eens ridders
zijn. Daarom heb ik hem verre achter mij gelaten, temeer, daar mijn
verlangen, om hier te zijn, mij aandreef."
"En hebt ge dan niet op uw broeder gewacht?"
"Mijn verlangen was sterker dan mijn broederliefde."
"Ge zult wel vermoeid en hongerig zijn van den langen tocht," sprak
de graaf hoffelijk, "volg ons naar de zaal."
Nauwelijks waren zij gezeten, of de wachter voegde zich bij hen, en
meldde, dat een tweede ruiter naderde. Toen schitterde Alixe's oogen,
en vroolijk riep ze:
"Dat is Waleram."
Hij trad binnen, met stof bedekt, en hinkende. Zij liep hem tegemoet,
en heette hem met juichende stem welkom. Reginald wendde zijn blik
van hem af; onwillekeurig zette zich Alixe naast Waleram.
"Ik was zeker tegelijkertijd met mijn broeder Reginald gekomen,"
zoo sprak hij, "zoo niet mijn paard gestruikeld was. Vandaar ben ik
met stof overdekt."
Alixe zeide:
"Ge zijt ons welkom, hoe ge ook zijt."
Waleram ging voort:
"Ik was verwonderd, dat mijn broeder mij niet wachtte, en verder
reed, zonder zich om mij te bekommeren. Zeker heeft hij niet gezien,
dat mijn paard struikelde."
Reginald hief 't hoofd op, en lachte schamper:
"Ik meende, dat hij weder zulk een slechte ruiter was, zooals ik het
Alixe heb verhaald. Gewoonlijk laat ik hem ver achter mij, daar ik
bedrevener dan hij ben."
Waleram liet de vuist op tafel zinken, en riep:
"Zoo Reginald mijn broeder niet ware, zou het zwaard tusschen ons
beslissen."
"Vertelt gij het sprookje, dat gij machtiger zijt dan ik, Waleram? De
wedstrijd moet nog gestreden worden, waarin gij overwint."
"Neen!" riep de graaf van Kleef, "zoo moogt gij beiden niet
voortgaan. Het is niet goed, als broeders kampen. Beiden zijt ge
dappere ridders, en dat moet u genoeg zijn."
Alixe was opgestaan. Haar stem klonk toornig, terwijl zij uitriep:
"Het is Reginald, die dit begon. Waleram moest antwoorden, daar hij
uitgedaagd werd. Het is Reginald, die Waleram den roem niet gunt. Nooit
heb ik van hèm gehoord, dat hij Reginald belasterde." Ze zette zich
weder naast Waleram. Zij zwegen allen daarna. Hun gedachten sloten
ze op. De broeders aten. Het duister van buiten legde een troebele
schaduw door 't licht der zaal.
Alixe stond op, en liet de drie mannen tezamen. Aan den drempel
wenschte ze hun een goeden nacht. Het was Waleram, dien ze daarbij
aanzag.
Nadat zij alleen gelaten waren, duurde het zwijgen voort. Het scheen,
of er, toen de nacht genaderd was, geen menschen meer waren, zóó stil
bleven zij in hun zwijgen. Eindelijk--met moeite--zacht klonk zijn
stem--was het de graaf van Kleef, die sprak.
"Broeders! Waleram en Reginald--bij alles, wat u heilig is en mij,
gaarne gaf ik u beiden mijn dochter, Alixe, als dit mogelijk was. Daar
Gods bestuur niet veranderd kan worden, zeg ik u, dat mijn dochter
hem kan kiezen, dien ze mint. Zweer het mij, dat gij elkander als
broeders zult liefhebben, welken man zij ook nemen wil. Want zoowaar
als de vriendschap van vele mannen door de liefde verdwijnt, zoo zeg
ik u als oud man: verwerp de vriendschap nooit lichtvaardig."
De twee broeders zwegen, en de graaf ging voort als een smeekeling:
"Zweer het mij, Waleram en Reginald, dat gij elkander--"
"Waarom noemt ge den naam van Waleram het eerst?" riep Reginald
rauw. "Hebt gij hem evenals Alixe meer lief dan mij? Ge denkt het
eerst over hem."
Waleram liet zijn vuist op tafel zinken.
"Ik duld uw beleedigingen niet meer, en ik noem u geen broeder. Zoo
gij mij Alixe niet gunt, zij er vijandschap tusschen ons."
"Ik neem uw uitdaging aan, wanneer Alixe heeft verklaard, wie ze
liefheeft, mij of u! Van dat oogenblik zijn wij vijanden van elkander."
"Niet zoo," smeekte, de graaf van Kleef, "liever heb ik, dat geen
van beiden mijn dochter verwerven zal."
Zij drieën wisten, dat het onheil niet te keeren viel. Den volgenden
morgen reden de beide broeders heen, en Alixe's stem zong achter hen:
"Waleram! keer spoedig bij ons weder. Waleram! keer spoedig bij ons
weder. Reginald ... Waleram! Waleram! Waleram."
Het was kort daarna, dat Alixe Waleram beloofde, zijn vrouw
te worden. Reginald vluchtte uit het land, en men was daarom
gelukkig. "Want"--zoo meende men--"nu zal hij zichzelf tegen een booze
daad willen beschermen. Over eenige jaren zal hij op den Valkenberg
terugkeeren, en de twee broeders zullen weder tezamen uitrijden,
gelijk 't hun gewoonte was." Sommigen zeiden, dat hij als boeteling
ter bedevaart was getrokken, en zeker is het, dat Waleram en Alixe
op hun huwelijksdag niets wisten dan hun geluk, en zich niet om het
loerende gevaar bekommerden.
In den nacht reden ze naar het slot van Valkenberg. Zij zetten hun
paarden tot meerderen spoed aan, en heel hun geluk lag besloten in
't ééne verlangen: dat ze uit de verte de tinnen en torens mochten
zien rijzen uit het duister van den maanlicht-nevel. Woorden kenden
zij niet meer.
Stapvoets deden ze hun paarden over de brug rijden. Alles was
stil. Tastend in den donker, vast-omsloten, naderden zij het
slaapvertrek.
Toen ontviel zij zijn armen. Hij zocht in den diepen nacht naar haar,
waar zij gevallen was.
"Alixe!" riep hij.
Hij hoorde haar stem, verre--
"Vaarwel Waleram! Uw broeder--Zijn dolk was scherp--Waleram
... vaarwel!"
Hij voelde, dat hij bij den keel werd gevat. Hij wilde zich
verweren. Hij tuimelde over 't lichaam van Alixe, achterover ... de
linkerhand van zijn broeder omknelde zijn keel ... de rechter, met
het mes gewapend, zocht en vond zijn hart. Even nog snikte hij ....
"Broeder! gij hebt ons vermoord. Wraak over u!"
Reginald rende heen. Bij den maanlichten weg was een kleine beek. Hij
boog zich voorover, en waschte zijn bebloede handen.
O wonder! toen hij de handen ophief, zag hij, dat het bloed niet
verdwenen was. Nogmaals neigde hij zich; en legde de handen neer in
de wild-stroomende beek. Het water sloeg over zijn vingers, langs
zijn vingers--
Hij trok nu weder zijn handen naar zich toe. Het bloed stroomde op
den grond. Het bloed bleef op de huid, en geen enkel waterdropje
mengde er zich door.
Dichtbij de plaats, waar hij stond, woonde een kluizenaar. Tot hem
ging Reginald, en wankelend trad hij de eenzame cel binnen. Hij toonde
hem de bebloede hand.
"Vader!" zoo weende hij, "ziet mijne handen, rood van bloed. Ik heb
mijn broeder vermoord--red mijn ziel. Bid, dat mijn handen weder
worden als weleer. Bid voor mij, en geef mij uitkomst."
"Zulk een zonde," huiverde de kluizenaar, "is niet in mijn macht,
om te vergeven. Ik zal echter voor u bidden, van dezen avond tot aan
den morgen, en misschien, dat God uitkomst geeft."
Hij zonk op zijn knieën neder, zijn handen hemelwaarts vouwend. Hij
smeekte voor den armen zondaar om God's ontferming. Doch God antwoordde
hem niet, tot den morgen, nadat hij den geheelen nacht niets had
gedaan dan bidden.
Het was licht, toen hij opstond.
"Hoe vreeselijk telt uwe zonde bij God, die Kaïn niet heeft
vergeven. Één antwoord is er gekomen, ridder--moge zij tot uw heil
strekken. Reis Noordwaarts, steeds naar het Noorden--het is 't eenige,
dat ik u zeggen kan."
Ze scheidden.
Hij trok Noordwaarts.
Hij kwam door kleine dorpen en door groote steden. Landen, waarvan
hij nooit had gehoord, zwierf hij door. Hij at niet en rustte
niet. Wanneer hij honger had, of slaap zwaar over zijn oogleden lag,
zijn ziel met nevelen vullend, rook hij aan zijn handen, en de geur
van het bloed dreef hem. Menigmaal was er een schaduw in het bosch,
welke hij voorbijging--en dan had hij een duizeling, die dreigde hem
neder te storten. Dan keek hij naar zijn roode hand.
Soms, in een stad, hoorde hij den lach van een vrouw, en hij wilde
stil-staan, om haar te bezien. Zoo schoon was die lach--
Eens sprak een meisje tot hem. Haar stem klonk als die van Alixe.
"Waar wilt gij heen-gaan, ridder? Blijf bij mij."
Hij zag naar zijn hand.
"Waarom zwijgt gij, ridder? Als ge me aanziet, hebt gij me lief."
Hij wendde zijn schuwen blik naar haar. Hij had het willen zweren, dat
het Alixe was, die naast hem schreed. Hij bedwong zich met alle kracht.
"Ga heen, Alixe, of wie gij zijt. Mijn ziel moet rust vinden,
mijnhanden moeten van het bloed bevrijd worden."
Als een nevel week ze.
Vele andere verzoekingen kwamen tot hem.
In een uur van wreeden honger, kwam hij een bakkerswinkel voorbij. Een
milde geur vulde de straat. Hij gevoelde met schrik, dat hij alles
voor één bete broods zou kunnen vergeten. Hij sloeg zijn handen aan
den mond, en likte het bloed. Toen moest hij Noordwaarts trekken,
en als een damp, die door zwaren wind wordt bewogen, vervloog de geur
van het brood.
Voor den ingang van een bosch, wachtte hem eens een ridder. De punt
van zijn zwaard was naar hem gericht, en hij riep met luide stem:
"Reginald van Valkenberg! ge zult moeten strijden, vóór ge hier
binnentreedt."
Vertoornd over zulk een beleediging, wilde ook hij zijn wapen vatten,
en met den vreemden ridder strijden. Op hetzelfde oogenblik, bedacht
hij, dat het bloed van zijn broeder aan zijn hand kleefde, en hij
peinsde in zichzelf:
"Beter is het te sterven dan te leven. Misschien is dit wel God's wil,
dat hij mij dooden zal. Doch mij is bevolen, Noordwaarts te trekken."
Hij ging verder en zonder aarzelen liep hij den vreemden ridder
tegemoet. Hij verwachtte, dat het zwaard hem door 't hart zou gaan. Dit
gebeurde niet. Het paard en de dreigende ruiter aan den ingang van
het bosch gleden weg als een klein wolkje aan de blauwe lucht--Geen
hinderpaal bestond er voor hem.
Nadat vele dagen weder waren voorbij gegaan, zag hij aan den weg een
schoone jonkvrouw liggen, wier handen en voeten gebonden waren.
"Red me"--aldus smeekte ze, "een draak bewaakt mij, en eeuwig zal ik
geboeid blijven, als ik niet verlost word."
Het was hem, of hij uit een droom ontwaakte. Reeds wilde hij zijn
stem doen klinken, en haar vragen, waar zich de draak ophield. Hij
gevoelde met blijdschap, dat hij moedig was. Hij zou in staat zijn,
den draak te overwinnen. Vóórdat hij echter zijn zwaard trok, zag hij
zijn handen, en 't bloed stroomde op den grond. Hij sprak geen woord,
en volgde zijn noodlot. Haar stem klonk thans achter hem:
"Lafaard! uw moeder zal zich schamen, dat gij haar zoon zijt."
Zonder om te zien, liep hij verder. Eensklaps hield de stem op,
en hij wist ook, dat deze vrouw niet had bestaan, en dat hij weder
zichzelf had overwonnen.
Hij trok Noordwaarts.
Eindelijk zag hij in de verte een blauwe streep, lager dan de weg,
waarop hij ging. Verwonderd bemerkte hij, dat de blauwheid niet hoog
was, zoodat het geen woud of berg kon zijn, die hem tegen wilden
houden, en ook was het niet de horizon, daar de lijn te strak was
gespannen en er geen nevel aan rustte.
Wat was het daar vóór hem?
Hij hoorde een geruisch, dat aan den stormwind deed denken. Doch zelfs
bij den hevigen stormwind zijn er seconden, dat het gerucht luwt. Hier
was het een geluid, dat staag aanhield, en zichzelven gelijk bleef.
Plots doordrong het zijn bewustzijn, dat het de zee was, vóór hem. Het
was de wijde zee en de klank der zee. Het verbaasde hem, dat er
geen schip op dreef. Zou het zijn dood zijn, Noordwaarts trekkend,
te verdrinken? Of zou al dit water het bloed van zijne handen kunnen
wasschen? Al dit water ...?
Toen zag hij, dat er aan het strand een boot lag. Hoe ze daar zoo
plots was gekomen, wist hij niet. Op het vaartuig stond een man.
Hij naderde.
De man riep:
"Ben je daar eindelijk, Reginald van Valkenberg? Ik heb lang op
je gewacht."
"Wie zijt gij?" vroeg de ridder.
"Kom bij mij."
Zóó gebiedend werd dit gezegd, dat Reginald gehoorzaamde.
"Ga mede."
Reginald volgde hem. De boot schommelde--en voer weg naar de wijde zee.
In de verte was een groot schip. De wind sloeg bol door de zeilen.
De man noodigde hem met een stil gebaar, dat hij op het schip zou
overgaan, en hij liep hem voor naar't onderste ruim. Daar verdween hij.
Er stond een tafel en stoelen. Twee gedaanten, een witte en een zwarte,
zaten aan de tafel en wezen hem zijn plaats.
De zwarte gedaante haalde een paar beenen dobbelsteenen voor den dag,
en zij en de ridder begonnen te spelen om Reginald's ziel.
Zonder stuurman en roer vaart het schip, nu al bijna
zevenhonderdjaren. Zevenhonderdjaren wordt er gespeeld om Reginald's
ziel, en eerst op den jongsten dag zal het spel eindigen.
In Limburg klinkt Waleram's stem, en ze roept ten Noorden en ten
Westen, ten Zuiden en ten Oosten:
"Moord! moord!"
Twee lichten dwalen, als de stem, die geen echo heeft, klinkt.
En dit zal duren tot den jongsten dag.
XIV
Det Heilig Hout van Dordrecht
Weet, alle Christenmenschen, dat op de wijze, hierna verteld, in
Dordrecht is gebracht het waarachtig Heilig Hout, ofte een stuk van
het Heilige Kruis.
Lang geleden woonde er in Dordrecht een eerlijk jongeling, Claes
Scoutet was zijn naam; en hij diende zijn meester vele jaren lang,
onderdanig en getrouw.
Van zijn onovertref bare deugd vertelde men veel goeds, zoodat ook een
machtig Lombardijnsch koopman over hem hoorde spreken; bij hem trad
Claes Scoutet in dienst als knecht en klerk. De koopman vertrouwde
hem na korten tijd volkomen, en had hem lief, of het een zoon van
hem ware. Zij beiden dan dreven handel in Lombardije, ver weg gelegen.
Na eenigen tijd vertrokken de Lombard en Claes, naar een land
van heidenen, en daar verkochten zij juweelen aan allen, die deze
zaken begeerden. Ze leerden de taal der heidenen, en werden met hen
bevriend. Zij dreven eerlijken handel, zoodat de groote Soudaan
of Vorst van Babylonië met zijn vrouw en zijn dochter over hen
hoorden spreken. De vrouwen hebben de schittering lief, en de vrouw
en de dochter des Soudaans bedachten vele listen, om de juweelen te
verkrijgen, die de koopman bij zich had. Ze fluisterden en monkelden
onder elkaar, en wat de twee sluwe vorstinnen bedachten, is waard om
te vermelden.
Ze lieten den koopman komen, en lachten hem toe, en voerden het met
vleiende woorden in zijn geest, dat hij met den Soudaan van Babylonië
zou spreken.
"Wek op den Soudaan," zoo zeiden zij, "dat hij zijn schepter zal doen
vermaken. Fij! hoe plomp is hij voor zulk een heerscher."
Toen nu de Soudaan had toegestemd--want welke man is tegen de list
van vrouwen bestand?--dat hij zijn schepter zou doen vermaken, liet
zijn dochter den jongen Claes bij zich komen, en ze zeide:
"Onder het goud en de diamanten en paarlen van den schepter is een
groot stuk van 't hout verborgen, waaraan de God der Christenen
is gestorven."
Waarom sprak dit de dochter des Soudaans? Opdat ze enkele juweelen van
Claes te goedkooper zou krijgen, want ze wist wel, dat hij begeerig
naar het hout was, en ook zeide ze het, daar haar ziel gewend was
naar het zalige Christen-geloof.
Aldus was het, dat de koopman zijn juweelen gaf in pand voor den
schepter, en dat ze afscheid van den Soudaan namen, die hun mede
gaf twee trouwe heidensche knechten en een brief van vrijgeleide,
om te reizen door het land der Arabieren, die zeer wreed zijn; zeven
kameelen schonk de Soudaan hun bovendien.
Toen de koopman en Claes halverwege Alkarië en Jeruzalem waren gekomen,
wat geschiedde er? De koopman werd ziek aan den menisoen, en stierf,
na zijn ziel te hebben gegeven in de handen Gods.
Mogen allen, die God vreezen, sterven, als hij.
Ze waren nog twaalf dagreizen van Jeruzalem, en ook een der trouwe
heidensche knechten werd ziek, en stierf aan den menisoen. Nu was
Claes bijna alleen in 't land der Arabieren; in den nacht brak hij
het heilige hout, God smeekende om genade, want anders wist hij niet
te doen. De stukken verborg hij onder zijn kleeren.
Den dag daarop maakte hij zich gereed om naar Jeruzalem te trekken,
waar hij zonder veel avonturen aankwam, en vandaar reisde hij naar
Jaffa, waar hij een schip vond.
Hij vroeg de bootslieden:
"Waarheen gaat dit schip?" En ze antwoordden hem:
"Naar Venetië."
Nauwelijks had hij plaats genomen, of de wind werd goed, en waaiende,
waaiende, dreef de wind 't schip in zoo korten tijd naar Venetië,
dat het zeer mirakelijk was, een mirakel Gods.
In Venetië ontmoette hij alras een goed man, die met een groot schip
naar Londen wilde varen. Londen is een stad in Engeland.
Claes ging dan scheepwaart, en de wind woei. Zij kwamen in zoo korten
tijd in Engeland, dat iedereen, die 't hoorde, zich verbaasde. En
Claes ging naar Dover, en vandaar naar Vlaanderen, en hij kwam in
Brugge aan. Daar borg hij 't hout in een gesloten kist, en hij trok
naar Armegië en naar andere landen, drijvende koopmanschap, totdat de
tijd was gekomen, om te huwen: want hij had gelds genoeg. Zijn oogen
zochten, en ze vonden een jong meisje, Margaretha Tristram was haar
naam, en na Claes' dood is zij getrouwd met Uutenhoven.
Toen Claes twee jaren met haar in den echt had geleefd, toonde hij
haar het kistje, waarin geborgen was het heilige hout, en hij zeide
tot haar:
"Ik ga naar Dordrecht, omdat ik daar geboren ben, en ik neem mee een
stuk van het kruis."
Hij ging voor het kapittel der Groote Kerk, en hij deed de kerkmeesters
beloven, dat zij voor hem en zijn gezin zouden bidden en doen bidden,
eeuwiglijk. En zij beloofden het hem. Op deze voorwaarden gaf Claes
de kerk een stuk van 't kruis onzes Heeren, Jesu Christi.
De kerkmeesters lieten maken een kruis van fijn goud, waarin zij het
heilig hout legden, en ze zetten het kruis op een altaar, het altaar
van den Heiligen Hout, aan de noordzijde.
Dus alle geloovigen wilt aanbidden het Heilige Hout, waarin onze
zaligheid is gewrocht.
En in 't jaar één duizend vierhonderd zeven en vijftig verbrandde
de Groote Kerk met alle andere huizen, groote en kleine, staande
aan de poortzijde, en de huizen van de Vuylpoort tot aan het
Minnebroedersklooster.
En alles wat in de Groote Kerk was, verbrandde, behalve steen en
ijzer. Zilver, goud, koper, lood, en de klokken smolten en alles,
wat het Heilig hout bevatte, ja het verbrandde of smolt. Alleen
't Heilig hout spaarde God.
Toen de brand over was, trok de deken der kerk, meester Jan van
Egmond Aalbertsz--een zeer vroom man--met vele Heeren en burgers,
en kerkmeesters, Willem Duyck, den zoon van Arend Duyck en vrouwe van
Naarssen, en Jan van Muylwijck, die later de banier heeft gedragen voor
Utrecht en Deventer, en met ontelbaar volk, wereldlijk en geestelijk,
en ze zochten 't in de asch voor het verbrande altaar.
En toen ze 't vonden, was 't week, of 't van was geweest ware, maar
daarna werd het hard en stijf als hout. Men toonde het aan het volk,
en daarna elken Goeden Vrijdag en op den Paaschdag.
Het heilig hout heeft Claes Scoutet de kerk gegeven, en hij was vroeger
een burger van Dordrecht, en hij toog naar Brugge. Brugge is een stad
in Vlaanderen.
Aldaar werd hij burger en hij stierf aldaar.
God zij zijn ziel genadig. Deo gratias.
XV
Maria, het Venster
Er was een geleerd man, rijk van goed, maar onrein van leven. Al
zijn geld verspilde hij in zonde. En toen hij niets meer had, was hij
bedroefd en ver van der menschen huizen ging hij in eenzaamheid. Niet
wist hij, wat te beginnen zonder rijkdom, en alles wilde hij bedrijven,
om het geld weder te winnen. De Duivel kwam tot hem, zeggend:
"Waarom ben je zoo droeve?"
De geleerde man vertelde hem, wat er was geschied. De duivel sprak:
"Wil je doen, wat ik, raad--ik zal je geven aan rijkdom genoeg."
De man beloofde, dat hij den raad wilde opvolgen, wat het ook wezen
mocht.
"Dan moet je God verzaken en Zijne moeder Maria," zeide de Duivel.
Op dezen raad verzaakte hij zijn God, maar met zware moeite kwam hij
ertoe, om Maria, de moeder Gods, te verzaken. Maar hij verzaakte Haar
om der wille van den rijkdom. Daarom gaf de Duivel hem veel goud,
en hij leefde een langen tijd in groote zonde. Ten laatste keerde
hij tot zichzelven in:
"O! onzalig mensch, wat heb je gedaan? Je hebt God verzaakt en Zijn
moeder Maria. Sterf je in deze zonden, zoo ben je eeuwig verdoemd."
Hij ging in een kerk en viel op zijn knieën voor het beeld van Maria
en smeekte zeer innig, dat Zij zich zijner zou ontfermen en voor hem
bidden zoude. Hij liet niet af, bad altijd en bedreef grooten rouw
vanwege zijn zonde. Ten laatste sprak de barmhartige moeder Gods tot
den armen zondaar:
"Ik kan u niet helpen, want gij hebt uw God en uw Schepper en mij
verzaakt."
"O waarde moeder Gods, gij moet mij helpen, want anders ben ik verdoemd
voor eeuwig."
"Ik kan u niet helpen, want gij hebt het niet verdiend, dat men u
helpen zal."
"O Maria, hoe is Uw naam en hoe pleegt men U te noemen?"
"Sommigen noemen mij de moeder Gods, anderen de vrouwe der engelen of
de koningin van het Hemelrijk of een ster der zee of de lieve moeder
Gods Maria."
"O! waarde moeder Gods Maria--Gij hebt nog een anderen naam, zooals
het staat in salve regina."
"Men noemt mij ook de barmhartige moeder Gods."
"O lieve Maria en moeder der barmhartigheid, dien naam meen ik en ik
hoop, dat Gij dien door mij niet zult verliezen. En zoo Gij mij niet
helpt, verliest Gij Uwen goeden naam."
Toen sprak Maria, de moeder Gods, tot haar lief kind Jezus:
"O! lief kind, ontferm U over dezen zondaar."
"Lieve moeder, hij heeft mij verzaakt, ik keur hem geen genade
waardig."
Toen nam het beeld van Maria haar lieve kind Jezus en zette het op
het Altaar, en knielde neder voor het Altaar, biddend zonder einde,
en zeggend:
"Lieve kind! ontferm U over den zondaar."
"Lieve moeder, de deur des hemels is hem ontzegd."
"Lieve kind, is hem de deur ontzegd, laat mij dan het venster wezen,
opdat hij door Mij mag komen in het eeuwige leven. Want ik ben het
venster des Hemels."
"Lieve moeder! ik zal Uwen wil doen."
Maria, de barmhartige moeder Gods, zeide tot den zondaar:
"Ga heen en wil niet meer zonde bedrijven. Maar biecht uw boosheid
en beter uw leven."
De man dankte en loofde Maria, de moeder Gods en ging blijde en
vertroost heen. Hij ontdeed zich van al het goed des Duivels, en hij
ging in een klooster, waar hij God en Maria diende en zijn zondig
leven beterde.
XVI
Brammert en Ellert
Tusschen Schoonloo en Zweel bevindt zich een groot veld, daar staan
geen huizen op, en wegen loopen er weinig door: hij, die er gaat,
moet niet bang zijn voor de eenzaamheid.
Eens huisden er twee reuzen, Brammert en Ellert heetten ze. Brammert
was zoo groot, dat hij de heele breedte der vlakte vulde, als hij
terneer lag: dan rustte Ellert in de lengte, en zóó bemerkte één
van beiden steeds of er iemand aankwam, dien zij konden berooven:
òf Ellert wist het òf Brammert, doch één van de beiden altijd.
's Daags spanden zij touwen in het veld, en ze bonden er ongewijde
klokken aan. Wanneer nu een mensch naderde, liep hij immer tegen een
touw, de klokken begonnen te klinken en Brammert en Ellert snelden
naar de richting, waar ze het geluid hadden gehoord; menigen schat
hadden ze in den loop der tijden vergaard. Tevreden echter waren zij
niet. Want ze roofden en moordden geenszins dáárom. Ze roofden en
moordden, wijl hun was geprofeteerd, dat eens iemand door het veld
zou trekken met den sleutel tot het geluk bij zich. Dien sleutel
wilden ze hebben, en ze waren teleurgesteld, wanneer ze een reiziger
hadden gedood, bij wien ze slechts goud en zilver vonden .... Ze waren
ook steeds naijverig op elkander, daar ieder hunner meende, dat de
ander zich op slinksche wijze van den sleutel had meester gemaakt,
en er niets over had gezegd. Ze bewaakten elkander, als twee honden,
wien het te doen is om dezelfde prooi, ze waren elkaar's schaduw,
als twee gevangenen waren zij, door één keten gebonden.
Eens in een donkeren nacht had Brammert, de vader, die drie duim
kleiner was dan Ellert, maar daarvoor in de plaats drie duim hersenen
meer bezat, een ridder vermoord, en het duurde--daar Ellert niet
dadelijk wakker was geworden--eenigen tijd voor ook de zoon het
lijk ontdekte.
Ze hadden een beurs gevonden, zóó gevuld met goud, als een versche
bron met water. Maar Ellert--met zijn domme verstand (had hij niet
drie duim minder aan hersenen?)--dacht dadelijk, dat Brammert den
sleutel had, en hij zeide tot zichzelf:
"Eerst moet ik probeeren, of Brammert het mij goedschiks bekennen zal,
ik zal morgen net doen, of hij zijn geheim in den slaap heeft verraden.
Ze legden zich ter rusten, en ze snurkten zoo luid, dat de vogels den
volgenden ochtend te verdoofd waren om te zingen. Toen riep Ellert
Brammert met luide stem toe:
"Je hebt ook aardig gedroomd, vadertje."
"Wat meen je daarmee, zoonlief?" vroeg Brammert.
"Ik hebt wel gehoord, datje den sleutel gevonden hebt."
"Ik den sleutel gevonden, zoonlief? Welnee goud en zilver, anders
had de man niet bij zich en dat is niet veel."
"Kom, kereltje, wij behoeven elkaar niets wijs te maken. Beken nu
maar, dat jij den sleutel hebt gevonden, en dan praten wij er geen
woord meer over."
"Haha," dacht Brammert, die de slimste was, "nu verklap je jezelf,
zoonlief.--Jij hebt het op mijn leven gemunt, zoodra ik den sleutel
in mijn bezit heb." Dit dacht hij, hij sprak echter:
"Meen je, dat ik jou 't nu zal vertellen, als ik den sleutel
heb? Nee! Wanneer ik hem vind, mag jij hem bewaren, omdat jij de
grootste en de sterkste bent van ons tweeën. Ik ben drie duim kleiner
dan jij, en ik voel me te zwak voor een zoo zware taak."
Dit geloofde Ellert met zijn domme verstand, totdat er een paar dagen
later een koopman door het veld zwierf, en Brammert de eerste was,
die van het buitenkansje profijt trok. Toen Ellert naderde, was moord
en roof reeds geschied, en weder wantrouwde de zoon den vader.
"Waarom," peinsde hij, "is Brammert altijd de eerste? Dat is
gemakkelijk te begrijpen ... hij wil den sleutel hebben, en mij
die niet geven." Hij sliep den geheelen nacht niet, omdat hij er
voortdurend over nadacht, hoe hij zijn vader tot een bekentenis moest
bewegen. Eindelijk, de zon was reeds lang opgegaan, en hij had maar
altijd liggen peinzen over het moeilijke vraagstuk! ging hij naar
hem toe, en zeide:
"Weet je, vadertje, wat ik vannacht gedroomd heb?"
"Hoe zou ik dat weten, zoonlief?" vroeg Brammert, die had geleerd,
dat je met vragen verder in de wereld komt dan met antwoorden.
"Ik heb gedroomd, dat jij den sleutel gevonden hebt."
"Hoe zou ik dien hebben kunnen vinden?"
"Bij den koopman!"
"Die had veel te veel geld bij zich. Die werd veel te veel door
zorgen gekweld."
"Daar heb je gelijk in, vadertje. Neen! dan heb ik verkeerd gedroomd."
In zichzelf lachte hij, en hij overlegde:
"De derde keer zal hij zeker door de mand vallen. Dan behoef ik
heelemaal niet meer op antwoord te wachten, hij zal het mij argeloos
vertellen, en ik zal hem dooden om alleen den sleutel te hebben. Laat
er één mensch ter wereld komen, die me daarna den sleutel afneemt. Mijn
vuisten zijn sterker dan smidshamers, de spieren van mijn armen
zijn zwaarden gelijk, en wie durft me trouwens aan te vallen? Zelfs
vadertje dood ik in den eerlijken strijd, omdat ik drie duim grooter
ben dan hij." Had hij echter geweten, hoe Brammert terzelfder tijd
over hèm dacht, hij zou zich nog zoo zeker niet van de overwinning
hebben gevoeld.
"Zoonlief denkt, dat hij de geheele wereld met kracht kan
overwinnen. Of hij niet weet, dat ik drie duim hersenen meer heb dan
hij .... Hoe kom ik aan zulk een dommen zoon?"
Er was nu vijandschap en wantrouwen tusschen hen en ze gevoelden lust
elkander te verlaten. Zeker hadden ze dit gedaan, wanneer niet beiden
naar den sleutel hadden verlangd. Ze gunden elkaar niets, zwijgend
volvoerden zij hun booze daden, niet meer met de sympathie, die kwade
menschen verbindt. Ja, in Ellert was de geheime wensch verscholen,
Brammert te dooden. Indien hij had gedurfd, zou hij geen oogenblik
hebben geaarzeld. Zijn geweten had hij verloren en de stemmen, die
spraken in zijn geest, hitsten hem aan tot bloedige dingen. Hij had
gezworen, nooit zijn handen te wasschen, opdat ze de kleur en den
geur van 't bloed zouden behouden.
Brammert bemerkte wel, dat Ellert door wreede lusten werd gekweld:
hij zag het aan de oogen, waarover de diepe schaduw van een fellen
gloed lag; ook aan de korte, roode vingers, die zich telkens en
telkens klemden in de palm zijner hand, en aan de wijze, waarop de
dikke lippen zich openden, dat de witte tanden grijnzend bloot-kwamen,
aan den peinzenden glimlach, die lag langs mond en wang.
Hij wist 't, en 't gonsde in zijn hersenen:
"Hij durft mij niet te vermoorden, omdat ik verstandiger ben dan
hij. Hij weet, dat ik zijn kracht door mijn slimheid weerstaan
kan. Wanneer ik waak en op mijn hoede ben, als hij dicht bij mij is,
overwint hij me niet."
Eens kwam er een jong meisje, dat men niet gewaarschuwd had, van het
dorp Sleen in het veld. Ze raakte een touw aan en dadelijk begonnen
de klokken te luiden.
Brammert en Ellert schoten toe.
Het meisje wilde vluchten, ze liep over den weg--een vervolgd mensch:
de doodsangst was in haar bloed. Met één sprong was Ellert, de grootste
der twee reuzen, bij haar! hij greep haar handen vast en lachte.
"Dat hebben wij nooit gehad, een vrouw op 't veld. Nu hebben wij
iemand, die ons het eten kan bereiden en ons de voeten kan wasschen,
als ze gewond zijn," schertste hij.
"Laat mij gaan" smeekte het meisje.
"Je laten gaan? We zijn veel te blij, dat we je hebben. We zullen je
ook niet dood maken.
Het meisje boog de handen voor het gezicht en weende. Nog nooit hadden
Brammert en Ellert tranen gezien, wel hadden ze kreten gehoord van
vrees en verdoemenis, doch nooit van smart. Ellert stond te grinneken:
"Zoo'n buit hebben we nog nooit gehad, vadertje. En 't mooiste is, dat
ze geen geld heeft, en dat ze den sleutel tot 't geluk niet bij zich
kan hebben, want dan zou ze er wel gelukkiger uitzien. Alleen, omdat
er nog nooit een vrouw op 't veld geweest is, zullen wij haar houden."
Brammert zag haar aan, en er was een vreemde vriendelijkheid in
zijn blik: Zooals dikwijls, wanneer een sterk mensch een klein
en ongelukkig schepsel ontmoet .... Een stille glimlach, en een
trotsch medelijden was achter in de iris zijner oogen. Het meisje
keek naar hem op, vertrouwend, en misschien gevoelde ze wel dadelijk,
dat, al was Ellert sterker, en oogenschijnlijk machtiger, om haar te
beschermen, Brammert drie duim hersenen meer bezat, en hij gezind was
tot teerheid. In de dagen, die volgden, vergat Ellert den sleutel tot
het geluk ... Een doffe pijn was er om zijn hart ... dat het jonge
meisje glimlachte, wanneer zij bij Brammert was, en weende, als Ellert
haar naderde. Somber staarde hij naar Brammert, wiens gezicht veranderd
scheen. Nu geleek hij een mensch, wien alle wenschen zijn vervuld. En
eensklaps, gelijk een pijl, die tròf, schoot hem van binnen-uit zijn
ziel de gedachte in den geest, dat Brammert den sleutel tot het geluk
had gevonden, en dat hij-zelf er van verstoken zou zijn tot in het
eind zijner dagen.
Eenzaam liep hij over 't veld, en hij steunde luid als de
stormwind. Voor hij begreep, wat er gebeurde, vielen er tranen, zoo
groot als mansvuisten, langs zijn wangen, en hij weende van smart,
als 't jonge meisje had gedaan.
"Brammert heeft den sleutel tot 't geluk," schokte het op in zijn
brein, "en ik mag toekijken .... Hoe moet ik me er van meester
maken? Ik wil zoo graag .... Ik gun hem den sleutel niet. Ik zal hem
dooden, zoodra ik kan."
Hij rook aan zijn handen, die als bloed waren.
"Vannacht nog," fluisterde een booze stem, "als hij nederligt, 't
hoofd op den heuvel, sla ik hem een ijzeren pin door de hersenen,
en nooit meer zal hij opstaan: Ik zal hem den sleutel ontrooven,
zoodra hij dood ternederligt."
Brammert droomde met open oogen. Hij vermoedde nu niet, dat Ellert
hem wilde vermoorden. Hij dronk het geluk, tot het overschuimde in
zijn ziel. Hij wilde nooit meer rooven en branden, hij wilde het veld
verlaten, verre zijn van zijn verleden.
Het was de laatste nacht, dat hij nog op 't land doorbracht.
Zijn hoofd lag achterover op den breeden heuvel, die nog altijd de
Brammertshoop wordt genoemd. Hij wasbedwelmd door zijn geluk, diep en
zwaar zonken zijn droomen in zijn bewustzijn. Het maanlicht scheen,
toen Ellert dicht-bij sloop en zich over hem heen boog. Een witte wolk
was het maanlicht, die tot op de aarde was gezonken, en een schemer
wierp langs den donkeren grond, een vage, mat-zilverdoortrokken glans
daarboven. Bij dien gloed aanschouwde Ellert Brammert's gelaat. Een
glimlach bewaakte zijn slaap.
"Hij heeft den sleutel tot 't geluk" dacht Ellert.
Hij nam de pin en dreef die zwaren hamer in Brammert's voorhoofd,
ver in zijn hersenen, dat de reuzenkop geklonken werd op den harden
bodem. Geen pijn was er op zijn gezicht, de glimlach van vrede
bleef. Het geluk was in hem, de laatste seconde van zijn leven.
Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem
weende. Ellert stond naast haar, en er spraken duistere stemmen in
zijn bloed:
"Nooit zul je den sleutel vinden, dien hij gevonden heeft. Tot in
verre geslachten zal je naam een vloek zijn, Ellert, Ellert, en nooit
zal je naam vergeten worden, Ellert, Ellert ...."
Hij nam het zwaard, waaraan zeven smeden zevenjaren hadden gewerkt,
en stiet het zich in 't hart. Hij viel neer, naast zijn vader, zonder
een woord te klagen. Hun bloed vloeide tezamen.
Het land waar hij gestorven is, draagt zijn naam: Het Ellertsveld. Het
was een land van vloek en verdoemenis.
XVII
Zomersneeuw
Hoog was de linde van Canne, die tegen den berg stond, dichtbij het
klein kapelleke. De zeven schepenen spraken er recht, en ze waren
beschut als in een zaal. Noch zonnelicht, noch regen lieten de dichte
bladeren door: Iedereen, die van slechte daden werd beticht, stond
onder de hooge linde, voor de zeven schepenen, terwijl het volk in
wijden kring was geschaard.
Er was een vrouw in Canne, die jong al weduwe was geworden, en met
haar kind alleen op de wereld was overgebleven. Sindsdien werkte zij
meer dan zij vermocht.
Wat het zijn kon, dat er eenigen in het dorp haar haatten? Wellicht
was zij te gelukkig geweest. Of was het uit oude dagen, dat een wrok,
om een gebaar, een woord of een daad, of om het geheim van haar
innerlijk wezen, bestond?
Onverzoenlijk was haar vijand, en loerend op het gunstige
oogenblik. Hij werkte haar, waar hij kon, tegen. Als zij werk had
gevonden, had zij het onmiddellijk daarna weder verloren. Daarom was
het, dat zij ten langen leste, den strijd tegen den onbekende moede,
besloot, om haar brood in Maastricht te verdienen. Iederen morgen
ging ze in de vroegte uit haar huis en liet haar jongen alleen.
"Wees zoet vandaag en speel niet bij den Jeker," zeide ze iederen dag,
wanneer zij--vertrok.
Eens kwam zij van de stad in het dorp terug, toen ze bij haar woning
een groote menigte menschen zag. IJlings trad ze naderbij. Men
week. Tot haar ontzetting bemerkte ze, dat men haar binnen den
kring liet.
Haar knaapje lag lang uitgestrekt, dood. Zijn hoofdje was blauw
opgezet, en de angst leefde nog om den dooden mond, waaruit flauw 't
water siepelde. Vóór haar vreeselijken schrik, die alle reden in haar
verdrong, was zij er zich van bewust, dat er striemen van een knellende
hand in 't nekje waren, en waar een nagel had getroffen, was bloed.
"Moord," zoo fluisterde men.
De moeder was naast haar jongen neergevallen, het gezicht ter aarde. Ze
weende niet, want haar verdriet was te groot. Ze wist niet, wat er
om haar geschiedde. Ze was niets dan smart, en haar bewustzijn viel
daarin terneer als een steen in bodemloos water.
De schout had zich door de massa gedrongen, en hij stond voor de
roerlooze groep, moeder en kind.
"Wat is hier geschied?" zoo vroeg hij.
Er was een stem uit de menigte:
"De knaap is vermoord, en die de daad heeft bedreven, ligt er niet
ver vandaan."
't Volk morde:
"De moeder heeft haar eigen kind gedood. Daarom kan ze niet weenen."
Men begreep niet, dat het leed geen klank heeft. De schout beval zijn
dienaren, de vrouw mede te nemen, en haar in 't gevang te werpen.
Nadat zij uit haar angstigen droom ontwaakt was, en sidderende overeind
rees, zag ze met angst, dat men haar alleen had gelaten. Ze sloeg
de handen aan het voorhoofd, en trachtte zich te bezinnen. Eensklaps
stiet ze een snerpenden gil uit.
"Jean--mijn kind."
Ze zonk op haar knieën en betastte den vloer.
"Hebben ze jou van me weggenomen?"
Haar handen, zoekende, glijdende over den bodem, raakten de vochtige
steenen van den wand. Ze richtte zich iets op--het was alles steen--dat
zij vond--klamme, zweetende kilheid. Zij probeerde in de enge ruimte
iets te vinden, waaruit zij begrijpen kon, welke plaats men haar had
aangewezen. Haar woning was het niet. Bij het tasten stiet haar been
tegen een hard voorwerp, en in dezen klankloozen, kleurloozen nacht,
begrepen eindelijk haar blinde vingers, dat het een brits was.
"'t Kot!" riep ze in angst. "O! waar heb ik dat aan verdiend? Mijn
kind dood ... en ik in 't gevang!"
Ze strekte zich op den vloer uit, maar ze gevoelde de hardheid van
den bodem niet. Dof gonsden haar hersenen. Ze sliep niet en waakte
niet. Waren haar droomen gedachten of haar gedachten droomen? Was
het eerste zonnelicht, dat bevende drong langs de traliën, en een
bilzenkruid-kleurigen nevel spreidde in de sombere cel, een vloek of
een zegen?
De schout en zijn dienaren traden binnen. Ze grepen haar ruw bij
den schouder.
"Mede naar de linde van Canne. De schepenen wachten," zoo bevalen zij.
Met moeite stond ze op. Strompelend ging ze naast haar geleiders. Toen
ze in de verte den lindeboom zag, boog ze haar hoofd. Nu eerst kwam
zij tot bewustzijn en wist, van welke misdaad zij werd beschuldigd.
Met stompen dreef men haar voor haar rechters, en ze weende.
Eens zaten daar de schepen, alle zeven,
't Is lang geleden, dat ik 't geschreven vond
Om recht te spreken over dood en leven,
Terwijl rondom vol vrees het volk stond.
"De schande," weende ze.
"En niemand sprak voor haar, ze lag in tranen,
Die arme ziel, verlaten en veracht.
Maar toch ... ze hoort haar innerlijk vermanen
Een stem, die heimelijk vertrouwen bracht.
Ze wist het ... God was met haar.
Het was een zomerdag, waarin de lucht gloeiend-blauw is, en de sterke
kleuren scherp tegen elkander botsten (nergens in elkaar vervagende,
gelijk in het vroege voorjaar of in den herfst) blauw en groen en
rood, in hun diepste, felste nuanceering. Als een oneindige golving
van paarsgeel, hier hoog, daar laag, lag het koren tegen de heuvelen,
en zoo vol was de lucht van leeuwerikken-jubel en vinkenslag als
slechts in den zomer.
De schout stond op, en zeide het verzwarende getuigenis. Voor het
eerst hoorde ze den naam van haar geheimen vijand. Ze hief de handen
in vertwijfeling. Hij was de voornaamste man van het dorp, en wie
zou haar, een arme weduwe, gelooven?
Hij trad zelve naar voren, en herhaalde zijn verklaring. Hij had dan
ook gezien--zoo zeide hij--hoe zij in den vroegen morgen met haar
knaapje was gaan wandelen. Hij volgde hen beiden, want hij wist, dat
zij gebrek leed, en bij een zoo slechte vrouw kon het plan bestaan,
zich van haar kind te ontdoen. Bij den Jeker had de weduwe omgezien,
en hij moest zich haastig achter een boom verbergen. Vervolgens had hij
het snoode misdrijf aanschouwd, dat de vrouw het jongetje vastgreep,
zijn keel omknelde, hem worgde en hem in de beek wierp.
Met ontzetting hoorde men deze aanklacht, en stil wachtten zij,
de aanklager, de schout, de schepenen, het volk, op het antwoord
der arme vrouw. Zij moest zeker bekennen, nu de voorname man haar
misdrijf had gezien. Het was duidelijk--zij had den moord gepleegd;
het waren de indrukken van haar vingers, welke om den hals lagen
van den dooden knaap. Men droeg het lijkje op een baar naderbij. Ze
zou alles bekennen--ze deinsde terug met een schrik, dien alleen
moordenaars kennen. Niemand was haar welgezind. Zij zweeg--dat was
't grootste bewijs harer schuld. Dat ze op haar knieën zonk, dat
ze haar handen legde op 't verstarde gelaat, was haar berouw. Ieder
gevoelde echter, dat de dood den dood riep, en dat slechts één straf
voor haar kon bestaan.
De oudste der schepenen wendde zijn gelaat naar haar toe.
"Wat hebt gij te zeggen?" zoo vroeg hij.
Nog antwoordde ze niet.
Dringender werd zijn verhoor.
"Wat hebt gij te zeggen! Of kunt gij niets antwoorden, daar gij
schuldig zijt."
Zij richtte zich iets uit haar gebogen houding en antwoordde dof:
"Ik ben onschuldig."
Er was een klank in haar gepijnigde stem--de echo van haar
eerlijk geweten--die even, even een teerder gevoel wekte bij de
luisterenden. Toen echter de klank verklonken was, snerpte de stem
van den schout door de stilte.
"Wilt gij dan zeggen, dat uw aanklager liegt? Wat zou hij voor redenen
hebben? Hij een rijk man--gij een arme vrouw?"
"Ik ben onschuldig."
Toornig riep de schout:
"Gij hebt mannen voor u, geen kinderen."
De oudste der schepenen vroeg:
"Hebt ge anders niets te zeggen, dan dat ge onschuldig zijt?"
Zij zag hem glimlachende aan, want een stem had haar zacht
toegefluisterd:
"Wees vertroost, moeder. Zoowaar de ziel van uw kind in den hemel is,
zoo waar zal uw onschuld blijken."
Daar niemand wist, wat haar glimlach beteekende, meende men, dat zij
spotte. De oudste der schepenen noodigde den schout met een gebaar
uit tot spreken. De aanklager ging achteruit en voegde zich bij het
luisterende volk.
De schout sprak:
Schuldig was deze vrouw, des te schuldiger, daar zij haar misdrijf
ontkende. Reeds van vroeger waren er kwade geruchten over haar,
en thans, nu zij bij het lijk van haar kind stond, bleek het, hoe
gegrond ze waren. Er kon slechts één meening zijn, dat zij haar kind
had vermoord, en in den Jeker had geworpen.
Zou zij het uit armoede hebben gedaan?
Wie was er in Canne, die een noodlijdende hulp zou weigeren? Iedere
deur zou voor haar geopend zijn, als ze voor haar en haar kind
werk vroeg.
Twijfelde er iemand aan haar schuld?
Wat zou een mensch ter wereld eraan kunnen hebben, om een weduwe
valsch te betichten? Er kon noch bij de schepenen noch bij het volk
vermoeden zijn, dat een ander dan zij den moord had gepleegd.
Zoo min men in den zomer door de sneeuw kan waden
En 't nacht kan wezen in den dageschijn ...,
Zoo min moogt gij gebruik en wet versmaden
En mag deez' vrouw thans vrijgesproken zijn.
Als 't sneeuwde in dezen heerlijken zonne-zomerdag--als de nacht
onmiddellijk mocht volgen op dit verblindend licht--zou hij in de
onschuld der vrouw gelooven.
Hij had uitgesproken.
Ineens drongen de wolken tezamen aan den blauwen hemel, en
verduisterden alle licht.
't Was nacht in den dag. 't Was winter in den zomer.
De vogelen hielden op met zingen. Er was noch de geur van bloemen,
noch van koren. Niemand zag zijn buurman. De hemel was duisternis,
zoo dicht en dik, als hing er het zwaar gewicht van den nacht aan.
Doch eensklaps hervatte het licht zijn luister.
Het donker sloeg terug, zonder een valen sluier als in den morgen
achter te laten. Gelijk een bliksemflits snijdt door den duister,
doch dan dieper en breeder en hooger van ruimte, en langer van tijd,
zóó hieuw ineens de glans van den dag den nacht uiteen. De vogelen
zongen weder. De bloemen geurden weder. In gloeiend paarsgeel golfde
het graan tegen de heuvelen.
Alleen de linde was veranderd. Op haar takken, op haar bladeren was
sneeuw, en de groene stam was wit van sneeuw. Op den grond echter onder
haar gloeide de zomer ... insecten kropen af en aan, een rups gleed,
een kever warmde zich in het zonnelicht. Grooter mirakel dan dit
alles geschiedde nog. De sneeuw smolt niet. Temidden der uitbundige,
woeste weelde van louter zomerkleuren was de linde wit, en de takken
bogen onder hun zwaren last.
En ieder schrikte over wat gebeurde,
Maar wacht! daar zag men nog een wonder meer,
Toen kort daarop de zon weer alles kleurde
Toen was de boom in sneeuw, gelijk bij winterweer.
Ontroerd las de oudste der schepenen het vrijsprekend vonnis. Doch
men zocht den aanklager en vond hem niet.
Moge hij zijn loon hebben ontvangen!
XVIII
Mirjam, sage uit den Achterhoek
Het was in den jare veertien honderd negen en dertig, dat er Groote
Sterfte over de menschheid kwam, en de taak van den Dood niet wilde
eindigen. Zwart waren Zijn knokels. Op een zwart paard reed Hij,
zwart waren de toomen, zwart het zadel, zwart 't ijzer van de zeis,
waarmede Hij sloeg. Men noemde Hem den Zwarten Dood.
Waar was Hij niet geweest?
Uit het Oosten was Hij gekomen, over de Hongaarsche landen tot Weenen,
waar Hij langen tijd had vertoefd. Verder was Hij gegaan, als een
onverwinbaar held. Weeklachten waren er aan alle kanten. Hij reed
stapvoets langs de wereld, maaiende, alwaar het leven had gezaaid. Lees
de oude kronieken over Hem. Bij honderdtallen verzamelden zich de
menschen, mannen en vrouwen, om Hem te vermurwen: gezamenlijk vereenden
ze zich ten gebed, ze geeselden zich en elkander. Doch de Zwarte Dood
zag en hoorde niet naar hen, want Hij was gekomen, om te verderven,
en het Noodlot bestuurde Zijn onstuitbaren tocht.
Ook in het dorpje Ruurloo was Hij binnengereden, en sinds dien week Hij
niet meer. Eenige dagen voor zijn komst hadden pelgrims uit het Heilige
Land bij de bron overnacht, ze waren bij het eerste zonnelicht weder
verdwenen. De meisjes uit 't gehucht waren den uchtend naar de bron
getrokken, en hadden de kruiken vol met water geschept, gelijk 't hare
gewoonte was. En daarna werd ieder, die van het water had gedronken,
ziek: de Zwarte Dood boog zich over het krommend lijf, onbewogen
sloeg Hij toe. De pijn bleef in houding en gelaat van den geslagene.
Niet alleen, dat hij, die water dronk uit deze bron, werd gedood,
doch alle bronnen, behalve die van het kasteel, waren door den vloek
getroffen. Toen zeide men, dat de Joden het water hadden vergiftigd. En
de Joden vluchtten uit Ruurloo, met achterlating van have en goed,
ze liepen tot waar de Zwarte Dood nog niet genaderd was. Alleen de
oude Abraham en zijn schoone dochter Mirjam bleven in het dorp. Want
Abraham was te oud, om te gaan en Mirjam was te schoon, om niet door
den ridder van Ruurloo te worden beschermd.
De Zwarte Dood reed op Zijn zwart paard. Bijna geen huis, op eenigen
afstand van het slot, of Hij was er de gast, die roofde en moordde.
Toen kwamen zij, die gespaard waren tezamen, en ze riepen dat
men Abraham en Mirjam zou dooden. Want de joden hadden de bronnen
vergiftigd, en vergelding vroegen ze om het vreeselijk misdrijf,
waaraan zich de beiden hadden schuldig gemaakt.
De jonge ridder in het zwaar-beschut kasteel lachte achter zijn
muren. Des avonds, als Mirjam bij hem kwam, stelde zijn lach haar
gerust. Den dag daarna echter, wanneer de dorpelingen haar dreigend
voorbijgingen, vloeken en scheldwoorden verborgen in hun ziel, was 't
haar, of geen macht ter wereld haar zou kunnen redden. En ze smeekte
den ridder van Ruurloo haar en haar vader onderdak te geven achter
de poorten van het slot. Want van haar vader wilde ze niet scheiden.
"Mirjam!" lachte de jonge ridder lichtzinnig, "kom met je vader,
den ouden Jood, bij me wonen. Zijn gezicht alleen is wel in staat,
om de bron te vergiftigen, maar zoolang jij bij me bent, vrees ik
dit gevaar niet."
De Zwarte Dood reed langs 't zonnig riviertje de Berkel, en de Groote
Sterfte hield aan. Hij kwam in 't stedeke Borkuloo, Zijn paard zag men
in Lochem en Zutphen, en het spoor van den hoef langs de wegen van den
IJsel. T'elken avond was hij weder in Ruurloo, en men ontdekte Hem,
den stillen, eenzamen ruiter, bij de brug van het kasteel, zijn handen
tot vuisten ballend, om de grens, die Hem werd gesteld. De ridder
lachte, sloot Mirjam in zijn armen en kuste haar den rooden mond.
Toen geviel het, dat de moeder des ridders hem berispte om de
Jodendeerne, die hij in zijn slot woonplaats verstrekt had. Ze zeide
hem, dat hij moest huwen met een eerbaar en adellijk meisje; ze zeide
hem, dat hij Abraham en Mirjam moest dooden.
Daar Mirjam hare woorden had gehoord, dreigde zij hem, toen ze weder
tezamen waren:
"Ridder van Ruurloo! ik weet het lot der vrouwen, zooals ik er een ben,
gelijk ik het lot der bloesemen weet. Daarom zal ik me niet wreken,
als gij mij verstoot. Doch bij den eeuwigen God! als ge mijn ouden
vader met uwe hand aanvat, zijn uwe dagen geteld."
Hij lachte, en antwoordde niet.
Vijf dagen hadden hun taak volbracht, en de zesde was gekomen. Over
Mirjam's woorden had de ridder niet nagedacht; de andere woorden,
die zijn moeder had gesproken, drongen ze gemakkelijk weg. In zijn
geweten was noch een goede, noch een kwade stem, gelijk alle stemmen
zwijgen binnen het geweten van den lichtzinnige. Hij dacht niet na
over de toekomst. Zooals het lot kwam, geschiedde het voor hem.
Hij zag Machteld, en zijn moeder vroeg hem, of hij niet wist, dat zij
de rijkste en schoonste was van Brabants jonkvrouwen. En ziet! haar
rijkdom bekoorde hem. Te mogen rossen en brassen, iederen dag weder,
uit de eeuwige schat. Hij stelde het zich al voor, zonder gedachte,
met zinnelijken blik, hoe hij de fraaist-gekleede ridder zijn zou
ver in den contrije, en hoe hij Mirjam zou blijven bekoren.
Zijn moeder echter waakte meer over zijn zieleheil dan hij-zelf. Hier
was 't de klank van haar stem, daar was het een gebaar--hier was het
een zwijgen, daar was het een woord, zooals vrouwen het slechts weten
te zeggen.
Stug wachtte Machteld een dag den jongen, lichtzinnigen minnaar.
"Waarom leven de Jood en de Jodin op het kasteel?" waren haar booze
woorden. "Vang ze en doe ze levend verbranden. Ik zal uw vrouw niet
worden, als ge aan dit bevel niet gehoorzaamt."
Hij bezag haar even, en haalde zijn schouders op.
"Het zal gebeuren," zeide hij onverschillig.
Maar toen zijn mannen kwamen, om de beiden te grijpen, vonden ze
er slechts één: den ouden Abraham. Ze sleepten hem over den hof,
en wierpen hem in het kot. Dienzelfden avond bracht men hem reeds
ter dood.
En de Zwarte Dood had Ruurloo verlaten. Niet meer werd Hij bij het
kasteel gezien, tot den nacht voor de bruiloft. Hoog zat Hij op
Zijn roerloos ros, en zwarter waren Hij en Zijn dier dan de nacht om
hen. Hij balde Zijn handen niet tot vuisten. Zijn sikkel hing over
Zijn schouder.
Toen de wachter den hoorn stiet, deed Hij zijn paard langzaam
wenden. Men kon zeggen, dat Hij een droom geweest was, want er waren
nu geen sporen op den weg, en in den luisterrijken morgen ontdekte
men niets meer van Hem.
Onbekommerd waren de bruid en de bruidegom. Waarom zouden ze
vreezen? Jong en rijk en schoon waren ze beiden. 't Leven was een
gloed voor hen, en terwijl ze in de zaal stonden, scheen het, of ze
gewarmd werden door het zonnelicht. Ze glimlachten van gedachteloos
geluk. Zou de dag van morgen niet even wonderlijk zijn als deze dag?
Een dienaar naderde den jongen, blonden ridder, en fluisterde.
Buiten wachtte een heidin, die kon waarzeggen.
Waarom zou ze niet binnen treden, en hun het geluk voorspellen? Was
de groote wereld niet van hen? Als ze de waarheid zeide, zou ze goud
verdienen. Ook de moeder glimlachte, de gasten glimlachten.
Duister trad een gesluierde vrouw binnen het zonnelicht van hun
aller verwachting.
"Wie eerst?" vroeg ze heesch.
"De bruid," riep de bruidegom.
Ze naderde, en zag haar hand. Zonder ze aan te raken.
"Maagd en vrouw. Gehuwd en weduwe. Het klooster en het graf," zeide
ze zachtjes.
"Ge liegt," schreeuwde de bruidegom.
Het zonnelicht was uit de zaal geweken. Alles was in valen schemer
verborgen. Onbewegelijk stonden de gasten, wachtend op meer.
De heidinne richtte zich recht uit haar gebogenheid. Terug den sluier.
"Mirjam."
"Mirjam," echode haar stem. Ze naderde den ridder, en zag hem aan. Ze
sloeg haar armen om hem heen, zóó sterk, dat zijn krachtige arm
weerloos werd. En allen om hem heen stonden stil, wachtten.
"Mijn vader is dood," klaagde ze.
"Haal haar van me af," wilde hij roepen. Doch reeds was haar mond
den zijnen genaderd. Ze kuste hem wild.
De schemer week uit de zaal. Het was duisternis. De Zwarte Dood
stond aan de deur, en Zijn schaduw strekte zich uit over de dingen
en levens. Toen hoorde men Mirjam's stem, in jubeling:
"Ik heb mijn vader gewroken. Ridder van Ruurloo! mijn kussen waren
vergiftig. Ik ben aangetast door den Zwarten Dood--en ook gij--zult
sterven--als ik--"
Ze zonk voor hem neer, zijn knieën omklemmend. Met haar laatste leven
hield ze hem vast--Even nog snikte ze ....
Toen was het stil.
En allen vloden ze van den ridder van Ruurloo, niemand riep hem
een vaarwel toe, noch de gasten, noch zijn moeder, noch zijn jonge,
schoone bruid.
In eenzaamheid is hij gestorven.
XIX
De Gevangen Wolk
Niet rijdend op een zwart ros verscheen de Dood in de streek van den
Enscheder Esch, maar sluipend als een klein wolkje, dat in een huis
bleef, tot allen waren gestorven, de ouden en de jongen. Genadeloozer
dan een krijgsman was deze damp, zoo smal en ijl.
"'n Blauw dämpken vleug der van duur tot duur,
En woar dat blauwe dämpken kwam,
Doar störf an den heerd de heldre vlam,
Doar störf de boer, de vrouw, het keend
Et hoes verwöj duur weer en weend."
Het koren stond in den zomer op het veld. Waar was de hand, die het
maaien kon? Het vee wachtte droomend op de weide bij de beek, gelijk
alle dagen. Het sappige gras was gegeten, en het werd melktijd. De
koeien snoven in de lucht, één bromde zacht, één loeide. Waar bleven
de vroolijke meiden? Met langzame passen volgden de beesten elkander,
telkens stilstaand, telkens snuivend, klaar blij te groeten, als de
melksters naderden. De koeien waren het zoo gewoon geweest, en ze
wisten zeker, dat de meiden moesten komen. Maar niemand kwam, op
dezen dag. De arme dieren brulden van smart; ze riepen vele malen
om barmhartigheid, maar meedoogenloos schoof de schemer over de
weiden, en het duister stond aan den horizon al gereed, een hooge,
zwarte ridder, wiens lange schaduw over de aarde kroop, den schemer
achterna. Geen licht bleef voor den nacht gespaard.
Stil! daar kwamen de wolven naar het Aamsveen geslopen, wolf na
wolf. Hadden ze het kleine witte wolkje gezien, dat langs vele hoeven
ging, en dat de menschen doodde?
Dit was een tijd voor de wolven, nu de menschen leden. De nacht omsloot
hun gedaanten, en dus naderden ze het land, om er heer en meester te
worden voor langen tijd.
In den zomer en in den herfst bleven ze nog een eind verwijderd van
de huizen, waar hun machtigste vijanden woonden, die hen uit de verte
konden treffen met tandenscherpe, zonne-blinkende wapenen. Maar iets
in hun bloed zeide hun, dat ze geduld moesten oefenen, en geduld kenden
ze. Ze lieten zich verjagen, doch iederen dag drongen ze enkele Meters
verder op dan ze vier en twintig uur geleden hadden gedurfd.
Wat de mensch was voor den wolf, was 't kleine wolkje voor den mensch,
een vijand, die den dood in zijn aderen droeg.
De winter kwam, grimmig van koude. Waarom hadden de menschen geen
hout gesprokkeld, om den haard te doen vlammen? Goed is het te zitten
dichtbij de warmte-streefende vlam, als buiten de stormen rossen en
rijden in joelende jacht. De hitte dringt tot diep in 't gebeente,
en er is rossig, vertroostend licht over vloer en zolder. Zwijgen
en spreken bij den brandenden haard heeft elk zijn bijzonder geluk:
wie zwijgt, leert dan vele geheimen des levens, en wie spreekt,
gevoelt een blij vertrouwen in de goedheid zijner vrienden.
Het verhaal zegt, dat er in dien winter nog slechts drie haarden
brandden in alle de hoeven der streek. Toen naderden de wolven, niet
meer stap voor stap. Ze drongen binnen in de dorpen der menschen,
en in de stallen en huizen zochten ze hun woning.
"Et was in de tied van de zwatte dood,
Op den Enscheder Esch was bittere nood,
Op dree hofsteên alleen an den heerd glom vuur."
En zij, die nog aan den brandenden haard zaten, waren bang voor het
witte wolkje, dat zoovelen reeds had vernietigd. Ze durfden niet uit
te gaan, want als ze de deur openden, kon het witte wolkje wel eens
binnen glijden. Ze luisterden naar 't gehuil der wolven, en alleen
de Lappe was onvervaard. De Lappe ging langs de wegen, als was er
niets te koop en hij speurde naar 't witte wolkje, want hij wilde
het vangen. Zoo het gevangen was, zou weder het geluk kunnen keeren
in den Enscheder Esch en de heerschappij der wolven ware uit.
Doch het witte wolkje was vlugger dan de Lappe. Het was niet zoo
gemakkelijk te grijpen, al loerde de boer erop, gelijk een koddebeier
op een strooper. De Lappe wist echter, dat zijn dag zou komen, en
dat hij het witte wolkje zou bemachtigen.
Wat moest de lente voor bruiloftsfeest houden, na zulk een winter?
"Met al wat leven har, was et edaon."
Welk een tijd! Het gras op de velden woekerde verder, het groeide op
het erf der hoeven, tot voor de deuren, die uit haar hengsels hingen,
en het mos bedekte dicht vloer en dak. Waren dit ooit menschenwoningen
geweest? Uit de stal eener boerderij sprong een wolf, en, o schrik! in
de bedstede van Hölterhof jankten de wolvenwelpen. De wolvin stond
aan de deur, ze was de wachteres der rijke hoeve.
De Lappe mocht niet slapen in deze vreeselijke dagen. Luister:
Een menschenkind kwam er na jaar en dag,
Nieuwsgierig, hoe de Hof er zoo lag
Zoo stil en verlaten 't huis en de stal,
Hij gaat eens naar binnen. Hij staat eral,
Daar! Schrik slaat hem om 't hart, ontroerd;
In de bedstee iets zachtkens roert.
Leeft hier nog iets, al is 't niet veel?
Daar springt hem voorbij en loopt naar de deel,
De wolvin, de wolvin in wilde draf
In de bedstee wierp ze de welpen af.
In dezen hoogen nood zal de Lappe wel niet veel geslapen hebben,
minder dan anders, en dat wil wat zeggen, want zij die op de Lappe
wonen, gebruiken in gewone tijden hun oogen terdege, des daags en des
nachts. [1] De Lappe moest op het witte wolkje letten, en wie weet,
of het niet angstig was, om den Lappe te ontmoeten: die zat al genoeg
vol streken, en duizend zwarte Dooden had hij kunnen bewaren, zonder
dat ze ooit konden ontsnappen.
"Hoe krijg ik hem?" dacht de Lappe.
"Hoe kom ik bij hem, zonder dat hij 't merkt?" dacht 't kleine,
witte wolkje. Want, let wel, het wilde niet in gevangenschap komen,
ja, het wilde nog lang in vrijheid sluipen, heel behoedzaam, om te
dooden. Daarvoor was het witte wolkje geschapen.
Eens ging het te middernacht uit, en men kon het niet onderscheiden van
den nevel, die over het veld was. Het wachtte geduldig in het starre
maanlicht, en het vloeide nu eens laag, dan weer hoog langzaam op zijn
eene doel af: 't huis van den Lappe. Het was eerst in den morgen,
dat het stil in een greppel wachtte. De morgenschemering dekte het
even, maar toen dacht 't kleine witte wolkje:
"Nog is het licht schuw en schemerend overal. Dit is 't uur voor mij."
Doch de Lappe had het wel gezien, zooals iedereen wel begrijpt. Al te
middernacht was hij naar buiten getreden, en in de duisternis had hij
het witte wolkje wel bespeurd en al de gangen van het witte wolkje
had hij gevolgd, peinzend:
"Dat komt op den Lappe af, voor den wis en drie en
waarachtig! Regelrecht op mij, maar 't zal je misloopen, mijn jong.
En nadat in den morgen 't wolkje zich had verheven, om zijn hoeve
binnen te gluipen, bleek het, dat niet alleen de Lappe, maar ook 't
vee 't dreigend gevaar had gezien of gevoeld. Want de stomme dieren
loeiden en blaatten en knorden en snoven, omdat ze wel wisten, wat
het witte wolkje te bedieden had. De Lappe echter stond roerloos,
of hem de heele zaak niet aanging, zijn tijd beidend.
Nu was het witte wolkje al dicht bij de hoeve, en let thans eens
op. In de benedendeur der boerderijen in deze streek is een rechte
paal, welke de "stipel" wordt genaamd. 't Witte wolkje wist wel, dat
't voorzichtig moest zijn, en 't kroop gauw in een gat van den stipel.
Met enkele sprongen was de Lappe er al bij. Hij nam een pin, en
met een forschen houw sloeg hij deze in het gat van den stipel. Het
witte wolkje was gevangen, het kon niet meer naar buiten komen, en
het zou me niet verwonderen, wanneer 't er nog zat. De Lappe immers
was in alle ambachten thuis, en waar die een pin in den stipel slaat,
daar is 't raak ook.
Dus zijn de wolven uit deze streek weder geweken, gelijk ze zijn
gekomen. Uit Schouwink vluchtten ze het vrije veld in, een geheel
nest van wolven, uit Groot Huntveld, uit het Lutje Holzik, uit den
wijd-vermaarden Hölterhof, waarvan niets is overgebleven dan een droom
en een sage. De menschen keerden weder, en menige krachtige handdruk
had de slimme Lappe in dezen tijd te verduren.
Zoo ge nu gaat naar het Aamsveen, zal men u nog de plek wijzen, waar
de Hölterhof heeft gestaan, en een kuil in den grond, dien men nog
altijd de "wolfkuil" noemt, ter herinnering aan de dagen, dat door
een klein, wit wolkje de menschen werden verslagen en de wolven gelokt.
"Maar zie, in den stipel, daar was een gat
In den stipel, die in de benedendeur zat,
Daar kroop 't wolkje zachtjes in,
De Lappe zag 't en met een houten pin
Sloeg hij 't wolkje in het kleine gat,
Tot de Zwarte Dood gevangen zat."
XX
De Gierige Mulder
Meer dan zevenhonderd jaren geleden, ging de vrome Oliverus langs de
Maas, en in ieder dorp, waar hij kwam, wachtte hij, tot allen zich om
hem hadden verzameld. Zoo hij sprak, moest men wel naar hem luisteren,
en hij zeide het lijden van Christus, gestorven aan het kruis, tot vele
vrouwen weenden, omdat Hij zooveel geleden had; ook vertelde hij van
de heilige moeder Maria, gebenedijd onder alle vrouwen, daar Zij den
Heere Jezus had gedragen onder 't hart. Maar in zijn stem was reeds
een toornige klank, die wonderlijk werkte in der mannen geest en ziel;
menige knaap tastte naar dolk of zwaard; en de volwassenen gevoelden
zich weder als jongelingen, die ten strijde zullen tijgen. Doch men
wachtte nog op de woorden, welke achter den toorn van Oliverus waren
verborgen, en dan zou men weten, hoe men den Heer kon wreken.
Toornig was de stem des predikers geweest, doch plotseling hield het
schreien der vrouwen op, want zoo smartelijk werd de stem, dat niemand
meer durfde te weenen uit ontzetting en ontzag voor zoo nameloos en
onnoemelijk leed.
Wat--zoo vroeg Oliverus--was er van het land geworden, dat eens
de voeten des Heeren en Zijner moeder, der maagd Maria, hadden
betreden? Wee den Christenen! het was in handen van heidenen en
ongeloovigen, die spotten met de Heilige Drieéénheid. Moest het in
de macht der Saracenen blijven?
Niet klinkt de stem eener moeder, sprekend over haar doode kind,
smartelijker dan de stem van Oliverus, den Keulschen scholaster.
Kon er een vrouw zijn, die niet bad, dat deze vloek de jammerende
aarde zou verlaten?
Was er eenig man, die het zwaard niet reeds uit de scheede had
getrokken, om zich te wreken op hen, die den Heere Jezus op deze
wijze ten tweede male kruisigden?
Een oude mulder stond temidden der menigte en hij dacht bij zichzelf:
"Van mij zal niemand verwachten, dat ik medetrek met deze jonge
dwazen. Maar mij zal men vragen om een som gelds, teneinde dit werk
te steunen. Oeie, oeie, men zal denken, dat ik honderd Mark zilvers
dien te geven, daar men mij voor rijk houdt. Dit zal niet geschieden,
zoowaar ik Godeslas ben, de eigenaar van den 'Zwarten Molen' bij
Maastricht. Niets meer dan vijf Mark zilvers zal ik uit mijn beurs
schudden."
Velen, die aan de Maas woonden, konden Oliverus niet vergeten, noch
de stem, die in toorn had geklonken, noch die in leed. Vrouwen gaven
haar laatste penningske voor het vrome doel, om het land des Heeren
weder voor de Christenen te winnen. Mannen, jonge en oude, sloten
zich aaneen, om te strijden tegen de booze heidenen, die heerschten
over Jezus' graf.
Toen kwam men bij Godeslas, den mulder.
"Geef, geef met volle handen," zeide men. "Ge zijt oud, en Hemel of
Hel is niet ver meer van U. Geef, geef, om Godes wil, Godeslas."
"Geven? Wie spreekt er niet van geven? Alle menschen vragen om te
geven. 'Geef mij,' zegt het kind. 'Geef mij,' zegt de jongeling. 'Geef
mij,' zegt de man. 'Geef mij,' zegt de grijsaard. Want het kind wil
groeien, de jongeling groei verleenen, de man groei onderhouden en
de grijsaard groei voleindigen. Doch om te geven, is een vreemde hand
van noode, en allen grijpen naar deze vreemde hand, allen willen ervan
plukken. Luister! ik heb een boom gezien, vol van blad, en eenige weken
later was er geen groen meer aan, omdat de rupsen in grooten getale
langs stam en tak hadden gekropen, om zijn leven af te knabbelen. Ga
naar buurman's huis. Buurman is rijk genoeg, om te geven."
"Hebt ge niet gehoord, wat Oliverus zeide?"
"Och wat--Oliverus!--moeten anderen ons hier komen vertellen, wat
wij te doen en te laten hebben? Maar toch wil ik u niet ongetroost
laten heengaan. Ge behoeft van mij in het dorp niet te kallen, dat ik
gierig ben. Ik zal u wat schenken: vijf Mark zilvers. Hoe! verlangt
ge soms meer van me? Gaat dan liever mijn deur voorbij."
"Ge zijt rijk, mulder, en het zal u niet deren, zoo ge honderd
Mark geeft."
"Hoho! wist ik 't niet, dat ge dit deuntje wildet gaan zingen? O ja,
wel zegt men van mij, dat ik rijk ben, doch met welke maat meet ge
een's ander's rijkdom? Ik kan nazien, hoe diep het water in een put
staat, of hoe breed een veld is, hoe zwaar een zak meel weegt. Echter
kan ik niet weten, hoeveel geld een ander mensch heeft."
"Weigert ge dan geld te geven?"
"Ik weiger niet, ik geef van mijn armoede," en hiermede smeet de
gierige mulder vijf Mark zilvers op tafel. Zijn bezoekers vertrokken,
woedend over zijn vrekkigheid, zonder hem te danken. Zoodra Godeslas
alleen was, lachte hij, mompelend:
"Die dwazen."
Ja, hij vond het dwaas, dat er menschen werden gevonden, die hun
leven waagden, om met de Saracenen te strijden. Daar was hij goedkoop
van afgekomen! 's Daags en 's nachts was hij zeker van zijn leven,
en hij sliep er niet te minder om in zijn woning.
Eens kwamen hem kruisvaarders voorbij, die naar het Heilige Land wilden
trekken. Ze liepen rechtop, denkende aan de woorden van Oliverus. Wat
riep hun Godeslas spottende toe? Aldus moet het wel geklonken hebben:
"Hoevelen van u zullen er wederkeeren? Waarom begeeft ge u in den
dood?"
Niemand antwoordde hem. Toen hoonde hij hen met wreeder woorden:
"Ik behoef niets te wagen, ik heb mezelf voor vijf Mark zilvers
afgekocht. Weet gij nu, wat ge waard zijt, vrome krijgslieden? Vijf
Mark zilvers iedere man!"
Hij schreeuwde hen na, tot ze zijn stem niet meer konden hooren. Daarna
keerde hij weder in zijn huis, zijn oogen toeknijpend van pret. Voor
hij insliep, moest hij telkens weder lachen, omdat hij zoo slim
was geweest.
Het werd nu zomer, en de beek was zandig en roerloos. De raderen
van den molen hadden geen voortgang in dezen tijd, en daarom was de
mulder verwonderd, toen hij ontwaakte en den molen hoorde. Dat kon
niet anders dan een droom zijn.
Voer de wind wellicht door de takken?
Neen, het was de molen, en de raderen ratelden. Alles was in de
weer. Het huis dreunde. De mulder werd boos. Welke onverlaat dreef
hem midden in den nacht zijn molen? Hij riep den knecht, en het duurde
niet lang, of deze stond voor hem.
"Rrrrrt," zeiden de steenen van den molen. Wat maalden ze?
"Ga zien," riep de mulder tot zijn knecht, "wat er in den molen
geschiedt."
Hij wachtte en luisterde. Hij hoorde 't water schuimen in de beek,
als bruiste ze, door sneeuwstorm gedreven, van den berg in 't dal. Hij
hield zijn hoofd in de handen verborgen, en luisterde.
"Wanneer komt de knecht terug," dacht hij. "Als de knecht terugkomt,
zal ik weten, waarom mijn molen draait."
Hij hoorde de voetstappen van den knecht dichterbij komen, zwaar en
langzaam als die eens kettinggangers. De man bleef voor zijn heer
staan, het hoofd gebogen.
"Wat is er met den molen?" vroeg de mulder heesch.
De ander gaf geen antwoord: hij strekte slechts zijn armen uit. Ze
luisterden thans beiden, mulder en knecht, naar 't geklapper en
gestamp der raderen, en 't sissen en schuimen der roerige beek. De
één wist niet en de ander wist.
"Ik zal--zelf--gaan zien--" stamelde de mulder.
Hij kleedde zich aan, en opende de deur van den molen. Wankelend trad
hij binnen. Hij moest naderen, hij kon niet meer terug.
Een donkere man stond voor hem, die hem zwijgend wenkte.
Toen zag hij, wat er in zijn molen gemalen werd.
Guur gespuis was bezig, vijf Mark zilvers onder de steenen te
vergruizelen. Vijf Mark zilvers, waarvoor de rijke mulder zich had
vrijgekocht.
"Ik heb twee paarden bij me," zeide de duistere gedaante. "We gaan
rijden, Godeslas."
De mulder staarde naar de geldstukken, die vermalen werden, en hij
begreep, welke straf hij zou moeten lijden. De zwarte man beval:
"Doe uw buis uit."
Want op het buis van den mulder was een kruis geteekend, en de zwarte
man was hier angstig voor, daar 't het teeken is, dat hem verjaagt. Had
Godeslas de kracht gevoeld, zich te verzetten! Hij deed, wat hem was
gezegd, en toen hield hem de duistere gedaante reeds vast. Of hij een
veder ware, werd hij op 't paard geworpen, en voort ging het! dieper
en dieper den nacht in.
Er werd in den molen niet meer gemalen. De stilte van den zomernacht
was over 't veld. De kleine golfjes der beek murmelden zacht.
XXI
Duif en Doffer
Reynout van Valkenburg ... u heeft uw vrouw meer liefgehad dan
haar kind.
Hij was uitgereden, de trotsche held.
"Vaarwel! vaarwel! Nog geen jaar en ik keer weder. Mijn plaats is,
waar mijn mannen en vrienden zijn. Als ik terug kom van den langen
weg, luister dan naar het lied van den zanger, want mijn naam zal
hij zingen ...: Reynout van Valkenburg. Vaarwel! En als het kind is
geboren, neem het in uwe armen, en wieg het bij dat lied. Vaarwel
ook, edele moeder! Geboren ben ik, om te strijden, want groot is
mijn geslacht. Streel mijn armen onverwinbaar zijn ze van kracht, en
wee den vijand. Om het edele goed en bloed en recht strijd ik--wees
daarom niet versaagd. Vaarwel!"
Hij reed heen, en de vrouwen zagen hem verdwijnen als een stofwolk
op den weg, opwarrelende en verwarrelende in den wind. Hij ging,
waar de strijd hem wachtte. Hij streed, waar het gevaar 't grootst was.
"Reynout van Valkenburg!" klonk zijn stem, en de vijanden vloden. Zóó
rukten hij en zijn vrienden van slag tot slag, steeds dieper dringend
in het vreemde land. Het geschiedde, wat hij had gezegd: vele zangers
zongen van zijn roem, hun liederen klonken over de landen, en tot in
Reynout'
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/3455