Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht

by unknown · Dutch · Gutenberg #34261 · 577,707 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht

Editor: W. J. A. Jonckbloet


        
Release date: November 9, 2010 [eBook #34261]
                Most recently updated: January 7, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/34261

Credits: Produced by Clog, Branko Collin, Jason Isbell and the
        marvelous Online Distributed Proofreading Team at


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VANDEN VOS REINAERDE: UITGEGEVEN EN TOEGELICHT ***




Produced by Clog, Branko Collin, Jason Isbell and the
marvelous Online Distributed Proofreading Team at 
https://www.pgdp.net for Project Gutenberg;
celebrating the 19,000th title of Distributed Proofreaders
and the 500th dutch title at Project Gutenberg.





  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.                 |
  |                                                                |
  | De in het boek genoemde verbeteringen en bijvoegsels zijn      |
  | zonder verdere vermelding doorgevoerd.                         |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Aan het eind van het boek volgt een overzicht    |
  | van deze aangebrachte correcties.                              |
  |                                                                |
  | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als      |
  | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als            |
  | #uitgespatieerd#;                                              |
  |                                                                |
  | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt.     |
  | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als  |
  | "aanhalingstekens".                                            |
  | De ganzenvoetjes(») zijn gebruikt als in het origineel.        |
  |                                                                |
  | De illustratie is beschikbaar bij de html-versie van dit       |
  | e-boek op https://www.gutenberg.org                             |
  |                                                                |
  | Van VANDEN VOS REINAERDE zijn bij Project Gutenberg ook        |
  | versies als e-boek beschikbaar in het duits en het frans:      |
  | Goethe's Reineke Fuchs (e-boek no. 2228) en de vertaling       |
  | Le renard (e-boek no. 17509).                                  |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+


VANDEN VOS REINAERDE.


[Illustratie: Van den vos reynaerde

    Willem die vele bouke maecte
    Daer hi dicken omme waecte
    Hem vernoyde so haerde
    Dat die auonture van reynaerde
    In dietsche onghemaket bleuen
    Die willem niet heuet vulscreuen
    Dat hi die vijte van reynaerde soucken
    Ende hise na den walschen boucken
    In dietsche dus heuet begonnen
    God moete ons ziere hulpen jonnen
    Nu keert hem daer toe mijn zin
    Dat ic bidde in dit beghin

                          Lith v:d: Weyer Gr:]




                         VANDEN VOS REINAERDE,

                        UITGEGEVEN EN TOEGELICHT

                                  DOOR


                          W. J. A. JONCKBLOET.


                           TE GRONINGEN, BIJ
                             J. B. WOLTERS.

                                 1856.




                                  AAN
                              JACOB GRIMM
                               TOEGEWIJD.


_Gij waart de eerste die onzen _Reinaert_ leesbaar hebt gemaakt; Gij
hebt ons den weg der wetenschap gewezen en de grondslagen voor onze
kritiek gelegd; aan U komt van rechtswege de opdracht dezer uitgave
toe, die ik het wage U aan te bieden, niet zoozeer ten bewijze, dat men
ook in Nederland uwe lessen waardeert, als om U openlijk een blijk te
geven mijner innige dankbaarheid voor al wat ik aan uwe werken en uwe
vriendschap verplicht ben._

    GRONINGEN, 1 November 1855.

                                                    JONCKBLOET.




INLEIDING.


I.

Het is een verblijdend teeken, dat in de laatste jaren de belangstelling
in het uitstekendste voortbrengsel der Middennederlandsche poëzie,
den uitmuntenden _Reinaert_, blijkbaar is toegenomen, en dat WILLEMS'
voorspelling zich heeft bevestigd, »dat de geleerde Vossenjacht nog
niet geheel is ten einde geloopen."

De geschiedenis onzer letterkunde vooral moest er zich mede bezig
houden, ten einde de vraag naar den oorsprong en den ouderdom van
den _Reinaert_ en de omwerking, ware het mogelijk, duidelijk te
beantwoorden. Want, zoo men het eens was over de uitstekende waarde
van het gedicht, omtrent al het overige was er strijd; en toch is dit
vraagstuk van het grootste belang voor de geheele geschiedenis onzer
middeneeuwsche letterkunde.

GRIMM stelde den oudsten dichter omstreeks 1250, en de omwerking
ongeveer honderd jaar later, in de tweede helft der veertiende eeuw[1].
WILLEMS plaatste den eerste omstreeks 1170, en den tweede even vóór
1270. Dit laatste gevoelen werd hier te lande, en ook elders[2], vrij
algemeen omhelsd. Ikzelf heb in mijne _Geschiedenis der Mnl. Dichtkunst_
voor den oudsten dichter het jaar 1170 aangenomen, en den omwerker in de
veertiende eeuw gesteld[3]. De jongere SERRURE is daartegen opgekomen.
Volgens zijne meening »werd het eerste boek des _Reinaerts_ tusschen de
jaren 1200 en 1220 geschreven"[4], en aangaande den leeftijd van den
omwerker en dichter van het tweede boek vindt hij de stelling van
WILLEMS de meest aannemelijke[5].

Verschillende andere vraagstukken die daarmede innig samenhangen zijn
nog duister of worden althans betwist.

Nu is de _Reinaert_ in zoo vele opzichten een belangrijk verschijnsel
in onze letterkundige wereld, dat ik het wel der moeite waard reken op
nieuw en opzettelijk een kritisch onderzoek aangaande den oorsprong van
dit dichtstuk te beproeven.

Als ik mijzelven afvroeg, waarin eigenlijk de oorzaak van zulke
uiteenloopende oordeelvellingen mocht gelegen zijn, kwam ik al spoedig
tot de overtuiging, dat daartoe niet weinig bijdroeg, dat wij nog geene
eigenlijke kritische uitgaaf van den geheelen _Reinaert_ bezitten; dat
de eerste helft der omwerking in haren samenhang ons nog geheel onbekend
is; en dat wij dus eigenlijk verstoken zijn van de bewijsstukken,
waaruit het vonnis moet worden opgemaakt.

Die stelling moge vreemd klinken, als men zich herinnert, dat de oudste
_Reinaert_ reeds driemaal is gedrukt[6], tweemaal kritisch behandeld,
en dus, zoo als KAUSLER zich uitdrukt[7], »durch die kritischen
ausgaben.... von GRIMM und WILLEMS hinreichend bekannt" is.

Een kort overzicht der vroegere uitgaven moge mijne stelling intusschen
rechtvaardigen.

De oudste _Reinaert_ is ons slechts in één handschrift, het zoogenoemde
Comburgsche, thans in de openbare boekerij te Stuttgardt, bewaard. GRIMM
achtte dien tekst »wahrscheinlich im beginn des 14 jh. geschrieben"[8];
maar de nadere beschrijving van het geheele handschrift door KAUSLER
leert ons, dat het gedeelte dat den _Reinaert_ omvat, eerst omstreeks
het jaar 1400 is te boek gesteld[9]. Het afschrift is dus betrekkelijk
zeer jong, en uit een tijd dat men zich niet bijzonder om diplomatische
naauwkeurigheid bekommerde. Het is dan ook vol fouten, zoowel
misstellingen en uitlatingen[10], als willekeurige veranderingen
en invoegsels van den slordigen afschrijver, die zeer dikwerf het
ouder handschrift dat hij naschreef niet goed las, en daardoor de
ergerlijkste, meestzinstorende fouten in zijnen tekst bracht.

Dien _Reinaert_ liet GRÄTER voor de eerste maal in 1812 afdrukken
in het vijfde deel der _Braga und Hermode_, en wel, naar KAUSLERS
woorden, »unverändert und so weit diess bei einer mangelhaften Kenntniss
der Sprache unde Paläographie möglich war, ziemlich richtig." Die
gebrekkige palaeographische kennis wil eigenlijk zeggen, dat GRÄTER ter
naauwernood zijn codex lezen kon, zoo als in het oog springen zal uit
het volgend proefje van leesfouten, die ik niet alle op rekening van het
handschrift durf stellen, hoewel dat zeer gebrekkig is.

Vs. 113 wronghene _voor_ wroughene; 115 ghesaet-ghesciet; 157
l'pelen-spelen; 176, 543, 767 sullren-sulken; 184 hnighe-hinghe; 198
sonde-soude; 201 landen-tanden; 202 coude-conde; 218 ret-vet; 237
ghenimt-ghemint; 269 hinit, 741 hunt-huut; 275 cene-eene; 290; 961 mi-nu
(1041 _omgekeerd_); 292 fée-sere; 294 Thinc-Ghinc; 308 drenen-dreven;
309 dronghen-droughen; 414 zIIIIer-zuver; 947 crIIIIe-crune; 476
bruue-brune; 488 houen-honen; 494 oni-om; 671 omiroet-onvroet; 605
ghenen-gheven; 768 enme-cume; 802 abscale-abstale; 848 onner-ouver;
856 vloutte-vloucte; 993 diet-dier; 1007 niene-menne; 1023 salue-salne;
1073 nene-neve; 1081 lijue-lijne; 1091 braet-vraet; 1214 vmdise-vindise;
1220 sander hu saense-sauder hu saeuse; 1225, 1234 niet-met (1531
_omgekeerd_); 1344, 1376 waernen-waerven; 1355 wanc-wane; 1419
rollel-rossel; 1589 verbouden-verbonden; 1625 ghenouch-ghevouch; 1747
dien-die ic; 2032 ghenruch-ghenouch; 2157 vernaert-vervaert; 2275
vine-vive; 2302 (2298) oer-oec; [2328 hodenare-hodevare]; 2372 (2396)
vore-vote; 2573 (2597) hi-bi; 2591 (2615) rijkelijn-rijkelijc; 2607
(2651) sat-scat; 2633 (2657) dier-dies; 2734 (2754) mitte-nutte; 2764
(2784) waernen-waerven; 2798, 2956 vernaert-vervaert; 2935 (2955)
spacus-spaeus; 2947 (2967) dine-dinc; 3329 (3349) cumen-rumen.

Voorts wordt herhaaldelijk de kapitale L in het begin der regels
als R gelezen; b.v. 165 Raetti _voor_ Laetti; 424 Revic-Levic; 721
Riept-Liept; 791 Raghen-Laghen; 793 Rudmoer-Ludmoer; 796 Rudolf-Ludolf;
815 Ramfroit-Lamfroit; 838 Rieten-Lieten; 863 Rach-Lach; 1299 Raet-Laet;
1367 Raghen-Laghen; 1387 Rachterlike-Lachterlike.

Deze misstellingen, waarvan sommigen misschien niet aan den eersten
uitgever, maar reeds aan den schrijver van den codex te wijten zijn,
werden in den druk van GRIMM bijna alle verbeterd, en hij had zeer zeker
recht van zijne uitgave met betrekking tot die van zijnen voorganger
te zeggen: »die Comburger.... jetzt hoffentlich besser von mir
herausgegebene hs."[11]. Maar wij weten[12] dat GRÄTERS tekst GRIMM
tot legger diende, waarbij slechts nu en dan »eine nachvergleichung
der hs." plaats had. Dit bewijzen ook de aan den voet van GRIMMS uitgave
medegedeelde varianten, die blijkbaar die van GRÄTERS tekst zijn en niet
direkt van het handschrift.

GRIMMS meerdere kennis verbeterde, gelijk wij zagen, de meeste valsche
lezingen; maar het zal ons niet verwonderen dat zoo nu en dan iets aan
zijne aandacht ontsnapte, waardoor enkele blijkbaar valsche lezingen in
den tekst zijn blijven staan: zoo b.v. vs. 94 swighis _voor_ swighic;
347 Riepen-Liepen; 804 houtmakigge-houtmakerigge; 1948 voden-roden; 2324
(2350) ghescoort-ghestoort.

Hoezeer GRIMM vele fouten wegnam, komen er echter in zijnen tekst
nog verscheiden voor, die, hoewel van eenen anderen aard, daar zij
gewoonlijk het broddelwerk zijn van den slordigen schrijver van den
codex, niet minder de lezing bemoeyelijken. Overigens bepaalde hij zich
om de orthographie van het stuk te verbeteren[13], zonder den versbouw
te herstellen.

Twee jaren na GRIMMS uitgave zag, in 1836, die van WILLEMS het licht.
Zij was het gevolg van den aankoop door het Belgische staatsbestuur van
een handschrift, dat de omwerking van het eerste boek, en het bijvoegsel
dat men het tweede boek noemt, bevatte. Dat handschrift was »vry
gebrekkig, en zeker niet beantwoordende aan den onmatig hoogen prys,
waarvoor het was verkregen," gelijk WILLEMS zelf getuigde[14].

Hij begreep dat van dit nieuwe handschrift partij moest worden
getrokken; maar in steê van de omwerking in haar geheel afzonderlijk in
het licht te geven, kwam hij op het zonderlinge denkbeeld om een geheel
samen te stellen uit twee zeer ongelijksoortige deelen: het eerste boek
was een herdruk van den ouden tekst, met varianten uit den jongeren; het
tweede boek, dat zich hieraan moest aansluiten, gaf den tekst van den,
volgens den uitgever zelf, honderd jaar jonger navolger. Ziehier hoe hij
daaromtrent rekenschap geeft:

»Uit eerbied en ontzag voor het oudere goede, ben ik dus te rade
geworden het by GRIMM afgedrukte eerste gedeelte, 3474 versen beslaende,
als grondtext te volgen, plaetsende de varianten van het handschrift
onder dien text. Doch de aldus opgeteekende _variae lectiones_ waren
zoo groot, zoo talryk, dat ik my heb verplicht gezien, wilde ik geenen
dubbelen text in zyn geheel leveren, daerin besnoeiïngen te maken,
hierin bestaende, dat ik het min belangryke verschil van spelling en van
woordplaetsing onopgemerkt liet, en slechts als _variante_ heb laten
gelden wat werkelijk _verandering_ was, of wat my toescheen van de
kennis onzer oude tael eenige oplettendheid te verdienen.

»Het gedicht is door my in twee boeken afgedeeld, waervan het eerste den
ouden _Reinaert_ der twaelfde eeuw uitmaekt, en het tweede het vervolg
bevat, in de dertiende eeuw geschreven."

Zoo ontstond eigenlijk een monster in den trant van BARNUMS Syrene; en
de aesthetica, de geschiedenis der letterkunde, de taalstudie, alles
eischt dat wij thans dien onnatuurlijken band ontknoopen, en thans
werkelijk »eenen dubbelen text in zyn geheel leveren."

Omtrent zijne wijze van tekstbehandeling zeî WILLEMS: »De oude
prosavertaling, de fragmenten in GRÄTERS _Odina und Teutona_, en in
GRIMMS _Reinhart Fuchs_ medegedeeld, midsgaders de Saksische vertaling
(_Reineke_), stelden my in staet, althans ten deele, om de boven
vermelde gapingen van het handschrift aan te vullen, om de vergissingen
en miszettingen des afschryvers te herstellen, om de schryfwyze meer
regelmatig voor te dragen, met één woord, om eenen meer critisch
behandelden text aen het publiek te leveren."

Gelijk uit den samenhang blijkt, ziet dit alles hoofdzakelijk op het
tweede boek. Maar ook betrekkelijk het oudste deel heeft WILLEMS zich
niet geheel aan den tekst van GRIMM gehouden. Vooral in de spelling
heeft hij zich zekere vrijheid veroorloofd en haar meer regelmatig
gemaakt, terwijl hij de ontbrekende of overtollige adspiratie in de
vlaamsche uitspraak herleid heeft tot het gewone spraakgebruik. Enkele
malen heeft WILLEMS ook meer eigenlijke wijzigingen in GRIMMS tekst
aangebracht: zelden is hij hierin gelukkig geweest, en zoowel in dit
opzicht als in de tekstverklaring, ziet men de duidelijkste sporen van
de overhaasting, waarmede die uitgave tot stand kwam. En geen wonder:
in de maand Mei ontving WILLEMS den last om »er eene uitgave van voor
te bereiden;" hij zette zich »met iever aen het werk"[15]--en het
voorbericht, geschreven toen de geheele tekst was afgedrukt, is
gedagteekend den 20 Augustus!

Dat er tot eigenlijke tekstkritiek, die zich iets meer ten doel stelt
dan de verbetering der bloote schrijffouten van het hs., in deze uitgave
geene poging werd gedaan, zal men WILLEMS allerminst tot een verwijt
mogen maken: men herinnere zich slechts, dat het werk in de eerste helft
van het jaar 1836 voltooid werd, en men verlieze niet uit het oog, dat
men toen gewoonlijk aan diplomatischen afdruk der handschriften de
voorkeur gaf, zoodat WILLEMS werkelijk meer geleverd heeft dan men van
het standpunt der toenmalige--ik zeg niet wetenschap, maar--beoefenaars
van het vak kon verwachten.

Had WILLEMS het geluk gehad den tijd te beleven dat eene tweede uitgave
van zijn werk noodzakelijk werd, hij zou zeker niet berust hebben in
zijn vroegeren arbeid. Ik kan daarom ook geen vrede hebben met den
onveranderden herdruk door SNELLAERT in 1850 in het licht gegeven.

Hij ging uit van het beginsel: »Eene tweede uitgaef van deze uitmuntende
bewerking is toch niet te veel"[16]. Zoo nu ontegenzeggelijk de uitgave
van 1836 een werk was »waer de roem van [onzen] overleden vriend zoo
innig mede verbonden is," ik kan daarom nog niet toestemmen, dat
SNELLAERT »aen de nagedachtenis van den vriend verschuldigd" was
in 1850 een werk letterlijk te herhalen, waarin de voortschrijdende
wetenschap van lieverlede leemten en gebreken moest doen vinden. WILLEMS
zocht naar waarheid en billijkte geen stilstand: hijzelf zou zeker
geen onveranderden herdruk hebben goedgekeurd na een tijdsverloop van
veertien jaren, en daarom kan ik mij niet vereenigen met de stelling van
onzen vriend SNELLAERT, wiens hart hier zijn hoofd heeft verschalkt.

Buitendien begrijp ik ook niet hoe de nieuwe uitgever, »zonder gevaer
te loopen van een zoo gunstig beoordeeld werk een wangedrocht te maken,
onmogelyk een anderen text geven kon[17]."

Ik heb integendeel beproefd een »anderen tekst" te leveren, en ik hoop
toch geen »wangedrocht"; evenmin als ik geloof mij aan de letterkundige
nagedachtenis van den voortreffelijken Vlaming te hebben vergrepen.

Dat ik eene nieuwe uitgave noodzakelijk rekende op den tegenwoordigen
trap der wetenschap, vindt, naar ik vertrouw, zijne rechtvaardiging in
het voorafgaande overzicht; thans een enkel woord over de wijze waarop
ik mij van mijne taak meende te moeten kwijten.

In de eerste plaats scheiding der ongelijksoortige deelen, door eene
afzonderlijke uitgave der beide teksten. Dit is een eerste vereischte;
want eerst als men de omwerking in haar geheel voor oogen heeft zal eene
werkelijke vergelijking mogelijk worden, en de tijdsbepaling van het
ontstaan van het tweede stuk naauwkeurig kunnen worden afgebakend.

Ik vervul thans het eerste gedeelte mijner taak; ik geef in de eerste
plaats een nieuwen druk van het ouder, oorspronkelijke stuk, omdat dit,
wegens de meerder aesthetische waarde, de meeste belangstelling verdient
en zal opwekken. Ik waag het eene nieuwe uitgave te leveren, omdat de
bekende teksten tot een wetenschappelijk onderzoek onvoldoende zijn,
daar zij niet zelden berusten in eene lezing die onverstaanbaar is, en
geen zin hoegenaamd oplevert. Ik streefde er daarom naar een kritisch
verbeterden, lees- en verstaanbaren tekst tot stand te brengen.

Ik heb daartoe naauwkeurig de varianten in GRIMMS uitgave vergeleken,
en waar het mij noodig scheen, mij vergewist van de lezing van het
Comburger handschrift door bemiddeling van KAUSLERS onuitputtelijke
bereidvaardigheid. Niet zelden stelde mij dat in staat de echte lezing
te herstellen.

Eene doorloopende vergelijking van mijn tekst met de kollatie aan den
voet, zal doen zien, dat er vrij wat kaf van het koren te scheiden viel.
Hier mogen een paar der treffendste voorbeelden daaromtrent allen
twijfel wegnemen.

Behalve op de eerste verzen van den proloog, wier oorspronkelijke lezing
eene geheele verandering moet brengen in het vraagstuk over het ontstaan
des gedichts, en die ik iets later naar de oorspronkelijke lezing zal
aangeven, wijs ik op de volgende plaatsen:

Als de beer Reinaert komt indagen, zegt deze hem, dat hij »den buuc so
gheladen" heeft (556) met honing, dat hij kan staan noch gaan. Dan volgt
later bij GRIMM en WILLEMS, 568:

            versscer honichraten
    Hebbic _commer_ harde groot,

dat WILLEMS verklaarde: »ik heb grooten kommer wegens.... versche
honigraten." Intusschen is kommer _gebrek_, waarvan hier natuurlijk
geen sprake kan zijn. Maar ziet, in de kollatie bij GRIMM staat voor
het _commer_ van den tekst: _coiiiier_, en dat is blijkbaar _couuer_,
_couver_, _coever_, daar in den codex steeds onze tweeklank _oe_ door
_ou_ wordt uitgedrukt. _Coever_ nu is een bekend woord, dat _overvloed_
beteekent.

Als de kater in den strik van Martinet gevangen is, heet het 1208:

    Tibert moeste roepen doe
    Ende _wronghede_ hem selven dor den noot:
    Hi makede een gheroep so groot,
    Dat Reinaert hoorde up der straten.

Dit _wronghede_ verklaart GRIMM, p. 274, door »drehen, schnüren,"
en WILLEMS met »verwrong." Maar _wronghede_ veronderstelt een ww.
_wronghen_, dat niet bestaat; aan _wringen_ valt niet te denken, hoewel
de overeenkomst van klank de vorige uitgevers schijnt misleid te hebben.
Buitendien blijkt uit het voorgaande zoowel als het volgende vers, dat
er een woord moet staan, dat _zich verraden_, of iets dergelijks
beduidt. Eene kleine verandering geeft dit: men leze slechts
_wroughede_, _wroeghede_.

Vs. 1222 leest GRIMM:

    Tibert, ghi singhet _ni lanc so bet_,

hetgeen hij noemde, p. 274, »eine verderbte stelle, der ich keine hülfe
weiss."

WILLEMS veranderde _je lanc so bet_; maar eenvoudiger is te lezen _in
lanc so bet_, dat het hs. wel zal hebben, en de goede oude uitdrukking
is.

Vs. 1306 leest WILLEMS met GRIMM:

    Doe _hiefsene_ op met haerre cracht.

De variant bij GRIMM geeft _hieffene_, dat de ware lezing is, mits men
voor _Doe_ leze _Soe_. Dat de kapitale _D_ en _S_ licht te verwisselen
waren leert het facsimile.

Vs. 1988 gebiedt de wolf zijne vrouw Reinaert niet te laten ontvluchten:

    No dor goet, no dor miede,
    No dor _nijt_, no dor noot.

Uit _nijd_ kon zij hem onmogelijk laten ontsnappen: dit is onzin; en
buitendien weet men, dat Hersinde den vos alles behalve _nijd_ toedroeg.
De variant bij GRIMM heeft: _no dor met_, hetgeen blijkbaar verkeerd
gelezen is voor _niet_, d.i. _welwillendheid_, _genegenheid_, hetgeen
alleen een gezonden zin geeft.

Vs. 1947 bij Gr. en W.

                Ghi sult doden
    Reinaert, uwen neve, den fellen _voden_.

WILLEMS verklaarde: »_voden_; nog overig in _hondsvot_, een obsceen
woord, door velen gebezigd, maar door weinigen verstaan." GRIMM leerde,
p. 278: »_vode_, lump, lumpenkerl. KILIAN schreibt _vodde_, MAERL. 3,
418 steht _vuden_. Der acc. unserer stelle, wenn es ein subst. ist,
forderte _vode_, es scheint also adj."

In de plaats die GRIMM uit MAERLANT aanhaalt, schuilt eene drukfout,
daar men blijkbaar voor _vuden_ het bekende _ruden_ moet lezen: dezelfde
letters worden daar meer verwisseld, b.v. bl. 138, vs. 80, waar _rasten_
moet gelezen worden voor _vasten_.

Men heeft nu waarschijnlijk reeds ontwaard, dat ook in de aangehaalde
plaats uit den _Reinaert_ dezelfde verwisseling is ingeslopen, en dat
het onbekende _voden_ moet plaats maken voor het hier zeer gewone: _den
fellen roden_.

Vs. 2094 leest GRIMM:

    Ende verbeet _hanen_ ende hoender,

hetgeen WILLEMS willekeurig veranderde in:

    Ende verbeet _vogel_ ende hoener,

niet bedenkende, dat het den vos moeyelijk moest vallen _vogelen_ te
bespringen. De variant bij GRIMM geeft de juiste lezing aan: _haenden_,
d. i. _eenden_, zoo als ons MAERLANTS _Naturen Bloeme_ leert.

Vs. 3114 (3134) leest men bij GrW.:

    Die welpkine liepen _ten brase_,

hetgeen GRIMM (p. 285) verklaart: »Zur mahlzeit, zum schmause: _braes_
epulae, _brassen_ epulari." Intusschen is het »vermuthete" _braes_
nergens aan te wijzen. WILLEMS zegt: »_Brase_, bras; om te brassen."
GRIMMS variant geeft _ten base_, dat hij terecht verwierp. Hoe eenvoudig
is het intusschen om aan te nemen, dat dit kwalijk gelezen is voor _ten
hase_, d. i. met de Vlaamsche adspiratie _ten ase_, dat ook de omwerking
heeft. De _h_ en _b_ worden ook elders verwisseld, b.v. 2572 (2597)
waar uit het hs. gelezen werd _hi avonture_, hetgeen blijkbaar is _bi
avonture_, en niet, zoo als in de andere uitgaven staat, _die avonture_.

Enkele andere plaatsen moesten worden terecht gebracht, waarin meer dan
eene verkeerde lezing van een ouden of nieuwen afschrijver stak. Zoo
waren de volgende onverstaanbaar.

Tibert, de kater, den vos ten hove willende verdedigen tegen de
aanklacht van den hond Cortois, zegt ten slotte van zijn pleidooi, 124:

    Hets recht dat omberet si
    Die claghe die Cortois doet.

Daartegen verzet zich Pancer, de bever, 126:

              Dinct u goet,
    Tibert, dat men die claghe ombere?
    Reinaert es een recht mordenere, _enz._

En als hij dit metterdaad wil bewijzen, vervolgt hij, 135:

    Wat sechdi _van ere laghe_?
    En dedi ghistren _enz._

GRIMM noch WILLEMS geven hier eenige verklaring, die echter bij die
plaats wel noodig kon schijnen. Wat beteekent toch die vraag? Er is
immers van eene _laghe_ (hinderlaag) niet gesproken! De omwerker heeft,
volgens WILLEMS' variant, _van eenre sagen_, hetgeen evenmin een
gezonden zin oplevert. Is het nu te stout hier, tegen de handschriften
aan, te verbeteren:

    Wat sechdi van _omberen claghe_?

Dan loopt immers de zin zoo natuurlijk mogelijk af.

Als de koning Reinaert voor de tweede maal door Tibert doet indagen zegt
bij onder anderen, 1022:

    En comt hi niet, hets hem quaet,
    Men salne _drie werven daghen_,
    Te lachtre allen sinen maghen.

Deze lezing is echter blijkbaar valsch, daar het onmogelijk Reinaerts
magen tot schande kon strekken, dat hij naar wettig gebruik driemaal
gedaagd werd. Buitendien zeî toch de koning, dat het reeds slecht
met hem af zou loopen, als hij op deze tweede indaging niet ten hove
verscheen. Bedenkt men dat Tibert later tot den beklaagde zegt, 1070:

    Die coninc dreicht u an u leven
    Ne comdi te hove niet met mi,

dan kan het niet missen, of de natuurlijkste verbetering is deze:

    Men salne _hanghen sonder daghen_,

gelijk de koning ook in het fransche gedicht zegt, 10447:

    Dites moi le rox deputaire
    Qu'il me viengne en ma cort droit faire
    En la présence de ma gent;
    Si n'i aport or ne argent,
    Ne parole por soi deffendre,
    Mès la hart à sa gole pendre.

Blijkbaar bedorven is ook de volgende plaats, die intusschen aldus in
het handschrift gelezen wordt. Als Reinaert gebiecht heeft geeft
Grimbert hem de absolutie, en daarna, 1683:

    Riet hi hem goet te wesene,
    ..........................
    Ende dat hi vort alle sine daghe
    _Behendelike_ soude gheneren.

Maar Reinaert had zijn geheele leven niets anders gedaan dan zich
_behendelike_ te genéren. Wie ziet niet dat hier moet gelezen worden
_bescedelike_, dat in het schrift des tijds bij vluchtige inzage van een
slordig geschreven codex lichtelijk met _behendelike_ kon verwisseld
worden, bij de overeenkomst der letters _sc_ en _h_.

Vs. 1692 leest men:

    Nu moet hi pleghen siere selen,

dat WILLEMS vertaalt: »Ziedaer, hoe hy zyne ziel moet verplegen." De
lezing is door GRIMM in den tekst gebracht, daar C. heeft:

    Nu moet hi siere sielen pleghen,

hetgeen GRIMM verwierp omdat _pleghen_ niet rijmde op _stelen_. Beter
ware echter het slechte rijmwoord dan het ondietsche woord _selen_. De
afschrijver had hier denkelijk vs. 428 in het hoofd:

    God moet haerre siele pleghen,

met het rijmwoord _versleghen_. Dat 692 alleen het rijmwoord te
veranderen was, leert de vergelijking met 381:

    Ic moet miere siele _telen_,

welk _telen_ of _ghetelen_ ook nog 2333 (2359) voorkomt. Men leze dus
1692:

    Nu moet hi siere siele telen.

Deze sprekende voorbeelden mogen volstaan om te doen zien hoezeer onze
_Reinaert_ eene kritische behandeling noodig had om daarvan een
verstaanbaren tekst te leveren.

Behalve soortgelijke verbeteringen heb ik mij dikwerf omzettingen
van woorden veroorloofd of vervanging van den eigennaam door een
voornaamwoord, waar de versbouw dat noodig maakte. Ik ben overtuigd dat
een ouder handschrift die veranderingen in den regel zou schragen; maar
ook zonder dien steun ben ik daarin niet angstvallig geweest, daar ik
nimmer zal kunnen gelooven, dat een zoo uitstekend dichter als de auteur
van den _Reinaert_ was, niet zou voldaan hebben aan de eischen van
welluidendheid en verzifikatie.

Eindelijk heb ik het gewaagd met behulp van den omwerker enkele gapingen
aan te vullen, die het recht verstand in den weg stonden, b.v. achter
vs. 2276, en 2634 (bij GrW. 2658); terwijl ik er zelfs niet tegen opzag
om de 30 verzen na 2308 (bij GrW. 2304) uit den tekst te werpen, daar
zij blijkbaar den samenhang stooren en geheel en al buiten den geest van
het oorspronkelijke gedicht vallen, dat even vrij van eigenlijke fabelen
is als het vervolg er mede is opgevuld.

Men zal dit waarschijnlijk te gewaagd vinden; sommigen het een
onverdedigbaar vergrijp tegen de overlevering der handschriften noemen.
Ik mocht mij door dit vooruitzicht niet laten weêrhouden alles aan
te wenden om het meesterstuk onzer middeneeuwsche poëzie _zooveel
mogelijk_ in zijne oorspronkelijke reinheid te herstellen. Ik zeg
_zooveel mogelijk_, want ontegenzeggelijk heeft de tekst door
eigendunkelijke veranderingen der afschrijvers geleden, die jonger
vormen of uitdrukkingen stelden in de plaats van wat hun verouderd of
onverstaanbaar voorkwam. Ik zal slechts een paar voorbeelden aanhalen.
Blijkbaar is niet zelden het meervoudige pronomen _ghi_, _u_, in de
plaats getreden van het enkelvoudige _du_, _di_, zoo als schijnt te
blijken uit 2856-7 (2876-7). WILLEMS noemt[18] »het woord _bedi_, door
den auteur van het eerste boek _zoo gaerne_ gebezigd;" nu komt dat
woord in onzen tekst slechts vijf maal voor: twee maal in den zin van
_doordien_, _daarom_ (2892, 2975), driemaal in de beteekenis van _want_
(2331, 3110, 3162). Overal elders leest men daarvoor: _dor dat_ (111,
216, 884). Dit bracht mij zelfs eerst op de gedachte of het tweede
gedeelte van ons gedicht ook van een andere hand kon zijn dan het
eerste, te meer daar er na vs. 2170, dus juist in dat gedeelte dat,
gelijk wij zien zullen, het meest van het Fransch afwijkt, ook nog
andere woorden voorkomen, die niet in de eerste 2000 verzen gevonden
worden, als _altoos_, _als ende als_, _bedraghen_, _beghaen_, _bliken_,
_erre_, _iet_, _indien_, _claren_, _wout_ enz. Maar een zeer omstandig
onderzoek heeft mij van het tegendeel overtuigd.

Immers het geheele stuk door vind ik de tusschenzinnen op dezelfde wijze
aangebracht, vs. 6, 103, 138, 193, 447, 453, 611, 914-5, 1404, 1440,
1470, 1593, 2162, 3161-2, 3177, 3425.

Evenzoo is het met de allitererende formulen; 13, 33, _dorpren ende
doren_, 66 _dor edelheit ende dor ere_, 668 _onteert ende ontervet_,
1284 _scade ende scande_, 1563 _leet ofte lief_, 1606 _stene ende
struke_, 1685 _vasten ende vieren_, 1970 _nichten ende neven_, 1989
_no dor niede no dor noot_, 2073 _vrient no viant_, 2094 _haenden ende
hoener_, 2150 _lief no leet_, 2238 _hout van herten_, 2346 _droghe ende
diep_, 2855 _struke ende stene_.

Op dezelfde wijze vindt men het geheele gedicht door tautologische
uitdrukkingen waarop GRIMM de aandacht gevestigd heeft[19] als _stal
ende nam_, _pine ende onghemac_, _hermite oft clusenare_, _bejach no
ghewin_, _owi ende wee_, _diefte ende roof_, enz. enz., b.v. 42, 97,
103, 106, 230, 264-5, 268, 276, 306, 308, 326, 333, 350, 358, 405, 435,
484, 485, 516-7, 531, 597, 613, 666, 690, 693, 701, 743, 770, 933, 1046,
1108, 1174, 1182, 1426, 1438, 1449, 1532-3, 1591, 1597, 1678, 1691,
1787, 1816, 1842, 1878, 1894-5, 1988, 2041, 2043, 2054, 2064, 2075,
2086, 2093, 2097, 2114, 2118, 2120, 2173, 2191, 2251, 2272-3, 2308,
2309, 2315, 2336, 2342, 2362, 2462, 2485, 2496, 2507, 2512, 2588, 2697,
2860, 2894-5, 3000, 3045-6, 3071, 3079, 3205, 3345, 3366, 3420.

Voorts enjambeert de zin over den rijmregel het geheele gedicht door,
b.v. 229, 359, 985, 1315, 1361, 1578, 1731, 2250, 2339, 2360, 2439,
3243, 3244, 3327, 3332, 3435.

In beide deelen vindt men onzuivere rijmen, b.v. 105 _man_, _nam_,
_gram_, _began_, 451 _graf_, _was_, 795 _swinghen_, _vingheren_, 2101
_Isengrijn_, _rijm_, 2113 _doe_, _vro_, 2129 _Hersinde_, _kindren_,
3359 _trac_, _dat_(?), 3431 _verbijt_, _dit_, 2851 _omberen_, _varen_,
2913 _snoeren_, _te voren_, en misschien 3027 _voeten_, _grote_.

Van het begin tot aan het eind ontwaart men een streven om denzelfden
rijmklank te vermenigvuldigen: vooreerst in de veelvuldige opvolging
van vier zuivere rijmwoorden, b.v. 139 _ghedede_, _vrede_, _ghelede_,
_crede_; 261 _an_, _can_, _man_, _ban_; 267 _ware_, _clusenare_, _hare_,
_jare_; 367 _niemare_, _ware_, _clusenare_, _twaren_; 459 _boecstave_,
_grave_, _begraven_, _scraven_; 945 _prihore_, _ore_, _bescoren_,
_verloren_; 1233 _ghestaen_, _ghevaen_, _wane_, _hane_; 1307 _waert_,
_Reinaert_, _waert_, _vervaert_; 1333 _rade_, _dade_, _daet_, _raet_;
1501 _begheven_, _leven_, _gheven_, _leven_; 1737 _ghelaet_, _vraet_,
_gaet_, _quaet_; 2065 _man_, _an_, _dan_, _man_; 2295 _vrouwe_,
_trouwe_, _soude_, _woude_; 2299 _waer_, _haer_, _vare_, _openbare_;
2725 _vaert_, _claert_, _Reinaert_, _waert_; 2761 _lede_, _vrede_,
_crede_, _mede_.[20]

Voorts springt dit nog veel duidelijker in het oog als men de bloote
assonnance in rekening brengt, die ontelbare malen, het geheele gedicht
door, meer dan twee regels verbindt. Wij zullen slechts enkele
voorbeelden bijbrengen, omdat het ons aan plaats ontbreekt de grootste
helft van het gedicht hier af te schrijven.

Vs. 21 _weten_, _heten_, _leven_, _begeven_; 101 _man_, _nam_, _gram_,
_began_; 155 _begeven_, _gheheven_, _spele_, _vele_; 699 _dat_, _sat_,
_sal_, _al_; 711 _ghevaen_, _staen_, _haest_, _naest_; 3315 _ram_,
_quam_, _middach_, _ghesach_; 3401 _pine_, _Beline_, _gheliet_,
_verriet_; 3433 _mesdaet_, _quaet_, _maghen_, _bejaghen_.

Zoo worden ook meer dan vier verzen gebonden. B.v. zes: 901
_verslaghen_, _ghedraghen_, _ghevaren_, _daren_, _daghe_, _claghe_, 1275
_vader_, _gader_, _jare_, _ware_, _scame_, _name_; zoo ook 1331, 1693,
1767, 2215, 2323, 2867, 2915, 3307, 3377. Acht, b.v. 291 _gaende_,
_slaende_, _bare_, _mare_, _Cantaert_, _waert_, _hane_, _wane_; 395
_saghe_, _haghe_, _ondergaen_, _saen_, _ghetale_, _male_, _nakede_,
_smakede_; zoo ook 1239, 1749, 2621, 3229, 3291.

En zelfs _tien_: b.v. 447 _lanc_, _sanc_, _las_, _was_, _graf_, _was_,
_gras_, _was_, _sach_, _lach_; 1091 _vraet_, _ghelaet_, _overstaerc_,
_maerc_, _bestaen_, _waen_, _dagheraet_, _raet_, _ghedaen_, _gaen_; 1451
_Reinaert_, _herwaert_, _gheraden_, _ghenaden_, _mesdaet_, _verstaet_,
_mater_, _cater_, _mesdaen_, _dwaen_.

Reeds het veelvuldige van dit opmerkelijk verschijnsel loont, dat het
niet een bloot spel van het toeval kan zijn; en wij zien dat ook nog
nader, als wij opmerken hoe de dichter er naar streefde weêr op
denzelfden rijmklank terug te komen, ook als hij dien voor 't oogenblik
had moeten opgeven. Dikwerf keert na twee regels dezelfde assonnance
terug: 127 _ombere_, _mordenere_ (_dief_, _lief_), _here_, _ere_;
187 _angaen_, _ontfaen_, (_gherne_, _wernen_), _mesdaen_, _staen_;
_Isengrijn_, _pijn_ (_ghevoech_, _onghevoech_), _wijf_, _lijf_; enz.
enz.

Nog een paar voorbeelden op ietwat grooter schaal: 1407 _wijf_, _lijf_,
_ontgaen_, _gaen_, _hermeline_, _mine_, _nu_, _u_, _Reinaerdine_,
_gaerdeline_, _al_, _sal_, _dief_, _lief_; 3097 _hermeline_,
_pine_, _gram_, _vernam_, _vlien_, _ghescien_, _ondergaen_, _saen_,
_mordadelike_, _ghenadelike_, _sidi_, _mi_; 539 _Reinaert_, _waert_,
_haghedochte_, _ghedochte_, _raet_, _vraet_, _driven_, _bliven_, _lanc_,
_danc_, _vrient_, _gedient_, _ganc_, _lanc_, _bestaen_, _ghegaen_,
_gheraden_, _gheladen_, _wise_, _spise_, _gaen_, _ghestaen_, _sat_,
_wat_, _have_, _grave_, _weten_, _eten_, _aten_, _honichraten_.

Die zeer bijzondere eigenaardigheden, afwijkende van wat men in alle
andere Mnl. geschriften aantreft, vindt men in het geheele gedicht, van
het begin tot aan het einde terug; zoodat het wel ontwijfelbaar zijn
zal, dat wij hier het werk van een en denzelfden kunstenaar voor ons
hebben.

Komen er nu oneffenheden, verschilpunten van anderen, ondergeschikten
aard in voor, dan zal men wel gerechtigd zijn tot het besluit, dat de
afschrijvers daarvan de schuld moeten dragen.

Dat alles te veranderen bij gissing en op louter theoretische gronden,
lag buiten de bevoegdheid der kritiek, zoolang geen ouder codex van het
gedicht gevonden wordt, weshalve ik mij bepaal daarop alleen de aandacht
te vestigen[21].

Wie nu onze veranderingen desniettegenstaande nog te gewaagd vindt, wie
de voorkeur geeft aan het slordige afschrift van een onnadenkenden
kopist, legge deze uitgaaf ter zijde en keere des noods tot die van
GRÄTER terug.

Vooral de verwerping van de fabel na 2308 (2304) dwong mij tot eene
vernummering der verzen, zoodat de telling na vs. 2274 niet meer met die
der vorige uitgaven overeenkomt. Bij het doorloopende onderscheid zal
dit echter geen bezwaar van eenig belang opleveren. In mijne aanhalingen
heb ik echter, tot gemakkelijker vergelijking, in den regel de cijfers
der vorige uitgaven tusschen haakjes geplaatst.

In de orthografie heb ik mij zoo na mogelijk aan den oud-vlaamschen
schrijftrant gehouden tot zoover de duidelijkheid er niet onder leed.
Terwijl in GRIMMS uitgave »das flämische anlautende _h_ in huut, hete,
hat, für uut, ete, at, umgekehrt aerde für haerde, gheoorsam für
ghehoorsam, geflissentlich bewahrt" werden[22], heb ik, even als
WILLEMS, dit veranderd, omdat het dikwerf voor den hedendaagschen lezer
moeyelijkheden oplevert in het recht verstaan van den tekst, gelijk ik
bij ondervinding weet. Buitendien is dat toch een provincialisme dat uit
de beschaafde schrijftaal moest worden verbannen.

_Maerghen_ voor _morghen_ heb ik behouden, maar niet _ou_ voor _oe_, in
de woorden _drouch_, _slouch_, enz., noch ook _lust_ voor _list_, daar
de rijmen 2602 (2626) en 2376 (2400) juist _list_ hebben.

Voorts heb ik er naar gestreefd de fouten van het handschrift met
betrekking tot de enkele vokaalspelling en vooral de zwakke en sterke
buigingen, naar den regel te herstellen. Orthografische veranderingen
zijn in den regel niet aangewezen: al de overigen zijn zoo naauwkeurig
mogelijk in de kollatie aan den voet der pagina opgenomen[23].
Kortheidshalve heb ik daarbij slechts in de allernoodzakelijkste
gevallen van de reden der verandering rekenschap gegeven, in de
overtuiging dat zij bij eenig nadenken vanzelf in het oog zal vallen.

Zoo ik er naar gestreefd heb het rhythmus te zuiveren, ik heb in den
regel de aansluitingen en samentrekkingen niet aangewezen, die bij het
lezen moeten worden in acht genomen, daar dit in Mnl. stukken niet
regelmatig is vol te houden. Ik vertrouw dat lezers die het gedicht
werkelijk willen genieten, genoegsaam met de regels der Mnl. metriek
zullen bekend zijn, om zoodanige aanwijzingen te kunnen ontberen.

Thans, nu ik rekenschap van het doel en de wijze van behandeling dezer
uitgave heb gegeven, kunnen wij overgaan tot de overweging van de nog
niet genoegsaam opgehelderde vraagstukken over het ontstaan en den
ouderdom van den Reinaert.


II.

Het oordeel over het ontstaan en den ouderdom van onzen _Reinaert_,
hangt ten naauwste samen met deze schijnbaar eenvoudige vraag: is de
proloog in den Comburger tekst het werk van den eersten schrijver of van
den omwerker?

WILLEMS beweert het laatste, en wel op de volgende gronden: Hij haalt de
eerste regels van den proloog aldus aan:

    WILLEM, die Madock maecte,
    Daer hi dicke om waecte
    Hem jamerde seer haerde
    Dat die geeste van Reinaerde
    Niet te recht en is gescreven:
    Een deel is daer after gebleven:
    Daeromme dede hi die vite soeken
    Ende heeftse, uten walscen boeken
    In duutse aldus begonnen.

Dan gaat hij voort: WILLEM heeft niet den oudsten Vlaamschen _Reinaert_
opgesteld; maar wat hij »in het oude gedicht niet _te recht gescreven_
oordeelde, verbeterde hy en vulde hy aen; in dien zin versta ik het
_aldus begonnen_ van dit laetste vers; doch om geheel de _vite_ of
levensbeschryving van _Reinaert_ te doen kennen heeft hy datgene,
hetwelk _after gebleven_ was, door middel van _walsche_, dat is, door
_fransche_ boeken, vervolgd en ten einde gebracht. Hy is dus de schryver
van het vervolg, en slechts de verbeteraer of omwerker van het eerste
boek.

»De nedersaksische vertaling van _Reineke_ en de oude prosadrukken van
Gouda 1479 en Delft 1485, die de prologe niet kennen, en met vs. 41
aenvangen, maken het zeer bedenkelyk of dit voorwerk geen byhangsel zy
van lateren tyd. Men kan evenwel ook aennemen dat de eerste _Reinaert_
begon met vs. 11.

    Nu keert hem daer toe mijn sin, _enz._

»Hoe men dit dan ook beschouwe, _het aldus begonnen_ van vs. 9 steekt
altoos zeer sterk af tegen vs. 40:

    Nu hoort hoe ic hier beginne;

want, zie daer een dubbel _begin_! Er is ook eene dubbele bedoeling.
WILLEM verklaert zyne taek aentevangen _om dat het hem zeer jammerde_
dat er nog zoo veel aen de historie van _Reinaert_ ontbrak; terwyl de
oorspronglyke dichter slechts daerom _de avonturen van Reinaert_ MAEKTE,
om dat zekere dame, _die in groter hovescheden gerne hare saken keert_,
_hem daer toe bad_ (vs. 26-31). Deze beweegreden _alleen_ gaf hem de pen
in de hand; anders had hy _stil gezwegen_ (vs. 26).

»Dat een vervolgschryver of interpolator soms prologen voor het werk
van zynen voorganger plaetste, is niet zonder voorbeeld. In byna al de
handschriften der _Brabantsche Yeesten_ staet er een van verschillenden
inhoud, en, wat meer is, van verschillenden datum.

»Indien WILLEM het eerste gedeelte naer het fransch hadde opgesteld,
dan zou by voorbeeld de wolvin, gelyk in de hoogduitsche omwerking der
vertaling van _Heinrich der Glichsenaere_, _Hersant_ en niet _Hersint_
of _Erswinde_ heeten; dan zou de naem van den hond, _Cortois_, in de
fransche branches bewaerd zyn gebleven (hy wordt er _Roonel_, _Rooniax_
of _Morout_ genoemd); dan zou het tooneel der gebeurtenissen en de
behandeling van het onderwerp (vs. 100, 1461-1463 enz.) niet zoo
eigenaerdig, niet zoo geheel vlaemsch zyn; en dan zou men eindelyk
in de fransche _Renarts_ eenig overblyfsel, eenig spoor van zulk een
voortreffelyk werk, als het origineel zyn moest, ontdekken. Wy zullen
straks zien, dat de trouveres geen ouder _fransch_ gedicht kennen, dan
dat van PERROZ DE SAINT CLOUD, en dat de fransche branche, in onze
bylagen bl. 302-341 opgenomen, eene navolging, ja grootendeels eene
letterlyke vertaling van _onzen Reinaert_ is.

»Beschouwt men daerentegen WILLEM voor den hermaker en vervolger van het
gedicht, dan verklaert zich alles ten duidelykste; want in [zyn werk]
vindt men, _voor eerst_, eene omdichting van het eerste boek,.... en,
_ten andere_, een vervolg van dit oorspronglyk gedeelte, meest uit
fransche poëten of uit de _Fabulae extravagantes_ samengeraept"[24].

Tegen die redenering is het een en ander in te brengen:

Vooreerst is zij gebouwd op den aanhef der omwerking; maar in de oudste
redaktie luiden de aangehaalde verzen aldus:

    WILLEM die vele bouke maecte,
    Daer hi dicken omme waecte,
    Hem vernoyde so haerde,
    Dat die avonture van Reinaerde
    In Dietsche onghemaket bleven,
    Die WILLEM _niet_ hevet vulscreven,
    Dat hi die vijte van Reynaerde soucken
    Ende hise naden Walschen boucken
    In Dietsche dus hevet begonnen[25].

Die lezing is onverstaanbaar, maar ook blijkbaar bedorven: niet slechts
in GRÄTERS uitgave, maar reeds in het Comburgsche handschrift. Het is
intusschen onverklaarbaar, dat GRIMM niet de minste poging heeft gedaan
om dien bedorven tekst te herstellen, maar daarvoor de lezing van den
omwerker in de plaats stelde. WILLEMS schijnt zich hoofdzakelijk aan
den tekst van GRIMM gehouden te hebben zonder altijd veel acht te
slaan op de kollatie aan den voet der bladzijden; en het kan ons niet
verwonderen, dat hij hier gretig eene lezing opnam, die zijn stelsel in
de hand werkte, ja er eigenlijk de basis van is. Hij had intusschen, met
GRIMM, de lezing van C. moeten aangeven, die door zijne uitgaaf in
Nederland geheel onbekend raakte.

Zien wij thans of die verworpen lezing niet is te recht te brengen.

De grootste zwarigheid levert zeker vs. 6 op; maar juist hier is het
niet moeyelijk eene verbetering aan de hand te geven. _Niet_ is in
tegenspraak met al het overige; maar dat _niet_ is juist bedorven.
De varianten bij GRIMM doen zien, dat soms de _r_ en _t_ niet goed te
onderscheiden waren in het Comburger handschrift; men begrijpt dat dit
ook het geval kon zijn met den codex waarnaar dit werd afgeschreven.
Zoo las GRÄTER, of misschien reeds het handschrift zelf, vs. 993, voor
_dat felle dier_ (_:lier_), _dat felle diet_; 2372 (2396) _voere_
in plaats van _voete_. Bedenkt men daarbij dat de _n_ lichtelijk in
sommige handschriften met de _h_ kan verwisseld worden, dan zal het wel
geoorloofd zijn aan te nemen dat er oorspronkelijk gestaan hebbe _hier_,
in steê van dat onbegrijpelijke _niet_. En zoo kunnen wij, met geringe
verbetering van 't overige, de plaats dus herstellen:

    WILLEM, die den Madoc[26] maecte,
    Daer hi dicke omme waecte,
    Hem vernoyede so haerde
    Dat davonturen van Reinaerde
    _In Dietsce onghemaket bleven_,
    (Die hi hier hevet vulscreven),
    Dat hi die vite [dede] soeken,
    Ende hise na den walscen boeken
    In Dietsce dus hevet begonnen.

Blijkbaar is dat de tekst van den oorspronkelijken schrijver; en daarin
heet het niet, dat de historie niet _te recht_ is geschreven, of dat er
_een deel_ van is achterwege gebleven; maar de avonturen van Reinaert
(verg. vs. 31) waren in het geheel in het Dietsch _ongemaakt_: dit was
hem zoo leed, dat hij de vite opzocht en die uit het Fransch in het
Dietsch overbracht.

De tusschenzin van vs. 6 moge bij den eersten oogopslag eenigen twijfel
opwekken, deze zal weldra verdwijnen als men ziet, dat er dergelijke het
geheele gedicht door voorkomen, zie boven bl. XXIII. En juist daarin
vinden wij een nieuw bewijs, dat de Inleiding van den schrijver van het
oudste gedicht is, wiens eigenaardigheid hier zoo duidelijk in het licht
treedt.

Het eerste gedeelte van WILLEMS' betoog vervalt door deze eenvoudige
opmerking vanzelf[27].

Dat de vertaling of de proza-omwerking de inleiding, die geheel van
persoonlijken aard is, niet hebben, bewijst niets, zoo als WILLEMS zelf
reeds bevroedde, daar hij niet ongeneigd is om aan te nemen dat de
eerste _Reinaert_ met vs. 11 begon.

Steekt nu werkelijk vs. 9 zoo sterk af bij vs. 40,

    Nu hoort hoe ic hier beghinne?

Is dat in den eigenlijken zin des woords een dubbel begin, dat alleen
uit eene dubbele bedoeling is te verklaren?

Maar men lette wel op, dat als men met vs. 11 den ouden tekst laat
aanvangen, men daar terstond leest:

    Nu keert hem daer toe mijn sin,
    Dat ic bidde _in dit begin_, enz.

zoodat men toch een dubbel begin zou hebben. Trouwens men leze den
geheelen proloog onbevooroordeeld, en men zal zeker geen aanstoot nemen
aan de herhaalde vermelding van het begin. Wie des ondanks alleen door
gelijksoortige voorbeelden is te overtuigen, verwijs ik naar JAN VAN
HEELU, die zijne kronijk ook met een proloog begint, waarin hij in de
eerste regels zijn boek aan MARGARETA van Engeland aanbiedt; dan heet
het verder, dat hij anders wellicht zijn werk niet had ondernomen, (vs.
69)

    En hadde gedaen van Ingelant
    Vrouwe Margriete, alsic thant
    _Int beghin_ sprac overluut.

En dan wederom in het slot der inleiding, vs. 78:

    Nu helpe my God, _ic saels beginnen_[28].

Is er voorts niet eenigen schijn overgebleven dat een fransch origineel
aan ons gedicht ten grondslag ligt? Of bewijzen de Fransche eigennamen
der dieren, de naam van Reinaerts kasteel Maupertuus, niet voor de
ontleening? GRIMM neemt dit met betrekking tot het Mhd. gedicht als
overtuigend bewijs aan[29], en ook wij behoeven er niet aan te
twijfelen[30].

Want niemand zal wel met WILLEMS' betuiging tevreden zijn: »De dichter
van den _Reinaert_ schynt.... een _grand clerc_, zoowel in het Fransch
als in het Nederduitsch geweest te zyn, en dit verklaert ons waerom hy
sommige namen, als _Cortois_, _Malpertuis_, _Malcrois_ en _Pinte_, uit
eerstgenoemde tael ontleende"[31].

Ja maar, zegt men wellicht met WILLEMS, in het hoogduitsche gedicht heet
de wolvin _Hersant_ en niet, zoo als bij ons, _Hersint_!

Sedert WILLEMS schreef gelukte het GRIMM een groot fragment van den
oorspronkelijken onveranderden hoogduitschen tekst op te sporen[32], en
daarin heet de wolvin niet als in het gemodernizeerde, vroeger door hem
uitgegeven gedicht, _Hersant_, maar, even als in onzen _Reinaert_,
_Hersint_, zie b.v. vs. 608, 627, 870, 877, enz.--ergo.

Dat Cortois niet bij de Franschen voorkomt, dat het tooneel der
gebeurtenissen en de behandeling eigenaardig Vlaamsch is, laat zich
begrijpen, als men weet, dat de _Reinaert_ niet in allen deele strikt
vertaald is, maar dat de Vlaamsche dichter dikwerf zijn eigen weg ging,
gelijk wij nader zullen aantoonen.

Alvorens WILLEMS' laatsten bewijsgrond te toetsen, moeten wij nog van
een anderen kant doen zien, dat de proloog onmogelijk van den omwerker
kan zijn.

Er is in den Comburger tekst geen spoor, dat de dichter van dien tekst
het oog hebbe gehad op een vervolg zoo als de omwerker er aan toevoegde.
Deze bereidt dan ook zijn tweede deel voor, door eene noodzakelijke
verandering, zoo als WILLEMS zelf opmerkt[33]. In den oudsten tekst
namelijk verlaat Reinaert met de zijnen zijn kasteel, om zich in de
wildernis te verbergen, vs. 3311 (3331):

    Si daden hem alle up die vaert:
    Ermeline ende here Reinaert,
    Ende hare jonghe welpkine,
    Dese anevaerden die woestine;

welk verhaal door den omwerker wordt achterwege gelaten, omdat de latere
gezanten des konings Reinaert weder in zijn kasteel moesten aantreffen.

Uit dit onderscheid mag men opmaken dat de schrijver van den Comburger
codex niet van eene omwerking wist.

WILLEMS is natuurlijk van eene andere meening: hij stelt »dat de
afschryver van het codex Comburgensis den _ouderen_ text van _Reinaert_
kopyeerde, schoon hy zich voorgesteld had ook het vervolg.... te
leveren"[34].

Den grond voor die meening geeft hij aldus aan[35]:

»De overgang tot de gebeurtenissen van het tweede boek schynt reeds
met vs. 3395 [ons 3375] voorbereid, door het optreden van eene nieuwe
personnagie, met name _Firapeel_, de luipaerd, die den koning tot het
besluit brengt om eene vergoeding aen Isengrim en Bruin toe te staen, en
om vervolgens Reinaert te gaen opzoeken en vangen:

    _Daerna_ sullen wi alle lopen
    Na Reinaerde, ende sulne vangen,
    Ende bi sine kele hangen;

een plan, hetwelk maer eerst in het tweede boek, vs. 3750, zyn beslag
krygt, en dus in het eerste de geschiedenis onvoleindigd laet. Uit dien
hoofde ben ik zeer geneigd het daervoor te houden, dat de oorspronglyke
_Reinaert_ met vs. 3394 sloot. En inderdaed, deze gedachte krygt veel
gronds, wanneer men bezeft, dat er aen vs. 3395 eene groote versierde
voorletter in het Comburger handschrift wordt aengetroffen, toonende
dat eene nieuwe afdeeling, en geenszins een bloote paragraef begint.
Dergelyke hoofdletter toch was voor de laetste 80 regels noch gevorderd,
noch passend."

Daartegen kan worden aangevoerd, dat het verhaal onmogelijk met vs. 3374
(3394) kan eindigen, daar er dan geen slot aan zou zijn, welk slot men
eerst bij vs. 3454 (3474) bereikt heeft.

Dat er een nieuw personagie optreedt vindt zijne verklaring in de
later te staven opmerking, dat de dichter hier het origineel, dat hij
navolgde, verlaten had, en in den luipaard, »des coninx maech" een
geschikt persoon vond om als middelaar tusschen den koning en de fel
beleedigde baronnen, Bruun en Isegrim, op te treden. Ook in sommige
fransche branches speelt de luipaard zijne rol en wordt 's konings maag
genoemd, hoewel daar zijn naam niet Firapeel is, b.v. in den _Renart Le
Nouvel_, in MÉONS vierde deel, vs. 175 en passim. De belofte dat men
later Reinaert zou weten te straffen, behoefde in het gedicht niet
volvoerd te worden, daar de dichter geene biografie schreef, maar een
epos.

En wat de groote aanvangsletter bij vs. 3375 (3395) betreft, die kon
misschien alleen aan de onhandigheid van den afschrijver te wijten
zijn. Maar gesteld dat hier werkelijk eene nieuwe afdeeling begon, is
het dan zoo onmogelijk hier aan iets anders te denken dan aan het
vervolg van den omwerker? Is op zichzelf het denkbeeld ongerijmd, dat de
oorspronkelijke schrijver zijn gedicht verder had willen voortzetten,
ja werkelijk aan een beleg van Maupertuus gedacht kon hebben, dat in
het origineel 't welk hij voor zich had voorkwam, zoo als wij later
zullen zien? In dat geval had hij of het gedicht niet voltooid, maar
was bij een geschikt rustpunt blijven stilstaan; of, hetgeen mij veel
waarschijnlijker zou voorkomen, hij had zich bedacht, de eenheid van
zijn verhaal niet willen in gevaar brengen, en eindigde met vs. 3454
zijn werk voor goed, terwijl hij willens en wetens, of misschien uit
vergetelheid, de regels liet staan waarin van Reinaerts bestraffing
gewaagd wordt. Maar ik moet bekennen dat deze uitlegging niet
aannemelijk is, daar Reinaert in dat geval zijne vesting niet mocht
verlaten. Ik zou daarom niet zooveel kunnen hechten aan die hoofdletter.
En ziet! bovendien komt er ter gedachter plaatse in het handschrift
zelfs geene hoofdletter voor, maar eenvoudig het teeken eener nieuwe
alinea, gelijk eene welwillende mededeeling van KAUSLER mij verzekert;
zoodat ook de argumentatie op deze vermeende hoofdletter gebouwd, in
rook verdwijnt.

Dat het gedicht met vs. 3454, en eerst met dit vers, volmaakt besloten
wordt, zal eene naauwkeurige lezing ontwijfelbaar doen zien; en men zal
GRIMM toestemmen, die juist wat WILLEMS als overgangsregels beschouwde,
genoemd heeft »den bedeutsamen und fühlbaren schluss der fabel"[36].

Ik moet intusschen nog een argument weêrleggen, dat WILLEMS op eene
andere plaats aangeraakt, doch niet nader uit een gezet heeft. Van den
omwerker zegt hij[37]: »Hy noemt den leeuw _Lioen_, in plaets van
_Nobel_."

Nu moet ik beginnen met te zeggen, dat in het tweede boek der omwerking
de leeuw slechts één enkel maal _Lioen_ heet, vs. 3757:

    Ist dat ic coninc heet Lioen;

maar integendeel vs. 3625 van WILLEMS' uitgaaf, evenzeer genoemd wordt
_Nobel die coninc_. Maar juist in de verzen die WILLEMS als
overgangsinlapsel beschouwt lezen wij:

    Hi sprac: »Here, coninc lioen,                vs. 3378
    Dit biet u die coninc lioen.                  vs. 3444

Bewijst dit niet duidelijk, dat deze regels inderdaad niet uit de pen
van den oudsten schrijver vloeiden?

Als deze werkelijk nimmer dezelfde uitdrukking bezigt, is er grond tot
twijfel; maar ziet, vs. 1837 lees ik dezelfde benaming:

    Vort sprac Reinaert: »Coninc lioen,
    Wien twifelt des, ghine moghet doen?

Ik zie dus ook hier geene de minste vrijheid om te beweren, dat de
Comburger tekst ergens blijken bevat dat de schrijver aan een vervolg
dacht of er mede bekend was; en dan kan toch ook onmogelijk de proloog
het werk zijn van een omwerker, van wien in het geheele oudste gedeelte
geen spoor te vinden is. Er blijft dus wel niets anders over dan die
voorrede, die inleiding, aan den ouden dichter zelf toe te kennen,
gelijk ook onwederlegbaar bewezen wordt door de uitdrukking in het
vijfde vers volgens de echte lezing.

Ik vertrouw dat de heer C. A. SERRURE, vooral na deze tekstverbetering,
mijn stelsel niet meer zoo »onaennemelyk" zal vinden[38]. Volgens
hem pleit tegen mijne meening »dat het moeijelyk te veronderstellen
is dat de schryver den naem zyns voorgangers behoudende, zynen
eigenen verzwegen zou hebben." Ik antwoord: hoe moeyelijk ook te
veronderstellen, leert de vergelijking der beide handschriften dat het
geschiedde, en dat de omwerker (die misschien ook WILLEM heette, maar
zich dan toch nooit den _Madoc_ kon toeëigenen), zijn diefstal alleen
bedekte door hetgeen bij zijn voorganger nog _ongemaakt_ kon heeten,
blootelijk te veranderen in _niet te recht geschreven_.

Voorts zegt SERRURE, »dat het niet zeer waerschynlyk is dat de
oorspronkelyke dichter, die hoogstvermoedelyk een geestelyke, een
kloosterling was, zyn werk op verzoek eener edele vrouw zal volschreven
hebben."

Maar waaruit blijkt dat de schrijver een geestelijke was? Er wordt
verwezen naar de inleiding van WILLEMS, bl. XXXVIII, die zich beroept op
vs. 444 en 2953-2969. In het eerste vers heette het dat men begon te
zingen

    Dat placebo Domino;

en in de tweede plaats wordt eene spreuk van »meester Jufroet"
aangehaald (dien men gewoonlijk voor Godfredus Andagavendis houdt),
waarin gezegd wordt dat biecht en boete den zondaar vergiffenis
verwerven.

Met de aanwijzing der plaatsen is, dunkt mij, reeds de wederlegging
van WILLEMS geleverd; want wie zal in de aanhaling van den titel van
een kerkelijk lied, of van eene spreuk die er machtig als een locus
communis uitziet, het bewijs durven zien, dat de auteur noodzakelijk een
geestelijke was? De geheele inhoud van het gedicht schijnt buitendien
dat gevoelen te weêrspreken.

Maar ook al aangenomen dat de schrijver van den _Reinaert_ een
geestelijke was, is het dan onnatuurlijker dat hij zijn werk ter liefde
van eene vrouw schreef, dan dat de pastoor HEIN VAN AKEN zich dit
veroorloofde, die nog wel den wulpschen roman van de Roos vertaald
had[39]?

Zoo het verder bij SERRURE heet: »zeker was zulk kundig en vernuftig
dichter als de opsteller van het eerste boek des _Reinaerts_, niet
in staat geweest dergelyke zoutelooze en onbeduidende inleiding te
berymen," dan beken ik de waarde van dit argument niet te vatten, daar
ik noch bij SERRURE het betoog, noch uit den tekst van den proloog zelf
de overtuiging kan erlangen, dat dit stuk zoo bijzonder zouteloos en
onbeduidend is, tenzij men met WILLEMS _malsch_ vs. 19 vertale door
_week_! Ik kan deze inleiding niet zoo zeer beneden die van den
_Floris_ stellen; en ik vraag mij zelfs af, of er in dat aandringen op
hoofschheid en eer niet eene satyre verborgen ligt, die de epitheta van
SERRURE tegenspreekt.

Zoo WILLEMS en die hem volgen dien proloog met alle geweld den
omwerker willen opdringen, het is blijkbaar uit vrees van anders de
oorspronkelijkheid te moeten opgeven van een dichter, die zelf bekent
dat hij »naden walscen boeken" gearbeid heeft. De waarheid heeft
intusschen hooger rechten dan het vaderlandsch gevoel. Doch ook die
rechtmatige fierheid kunnen wij hier reeds gerust stellen met de
verzekering, waarvan later het bewijs volgt, dat, zoo WILLEM al walsche
bronnen gebezigd heeft, hij toch niet slaafs vertaalde; dikwerf geheel
zijn eigen weg ging; en waar hij dit niet deed, zijn voorbeeld zoo
verbeterde, dat hij toch een geheel Vlaamsch gedicht heeft geleverd, dat
hij geheel zijn eigendom kon noemen, niettegenstaande de aanleiding
daartoe in den vreemde gevonden was.

Alzoo: daar de proloog het werk is van den oorspronkelijken ouden
dichter, en niet van den omwerker, staat het ook vast 1) dat hij WILLEM
geheeten was, en vroeger reeds den _Madoc_ geschreven had; 2) dat hij
naar fransche geschreven bronnen (_walsce boeken_) gewerkt heeft.

Het is nu maar de vraag of er mogelijkheid bestaat die bronnen op te
sporen en aan te wijzen. Daartoe moeten wij onze aandacht vestigen op de
fransche gedichten betreffende de dierensage.


III.

In Frankrijk is de Reinaertsage zeer oud[40]. In de _Chanson des
Lorrains_, wier oudste branche omstreeks 1130 den vorm aannam waarin zij
ons bekend is[41], heet het van BERNARD DE NAISIL, die ingesloten was in
een kasteel met onderaardsche sluipwegen, waaruit hij uitvallen deed
(II. 53),

    Renart resenble qu'en la taisnière est mis,

hetgeen wellicht op een oud gedicht ziet, dat de belegering van
Reinaerts burcht behelsde; maar in allen gevalle door het gebruik van
den eigennaam in stede van het appellativum bewijst dat de sage algemeen
bekend was, zoo ook hier de dichter alleen een in zijn hol bestookten
vos op het oog had. GRIMM heeft eene plaats aangehaald van GUIBERT
DE NOGENT, die in 1124 stierf, waaruit blijkt, dat ten jare 1112 de
verhalen van Reinaert en Isengrim zoo algemeen bekend waren te Laon in
Noord-Frankrijk, dat men een mensch van een woest voorkomen, »propter
lupinam speciem" Isengrim kon noemen, en de beteekenis daarvan algemeen
begrepen worden[42]. Daaruit volgt, dat de sage daar minstens een
menschenleeftijd lang moest bekend zijn, en zeker reeds in het midden
der elfde eeuw (1050) voorkwam.

Of die oudste sporen der Reinaertsage in Frankrijk op eene poëtische of
prozaïsche vorm terugwijzen, is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar
wij weten dat beide vormen nevens elkander bestonden. Eene der tot ons
gekomen fransche gedichten uit dezen cyclus[43] zegt onder anderen:

    Tout cil qui en content sans rime
    Ne sevent pas vers moi la dîme:
    Il le vous content à l'envers;

waaruit blijkt, dat er werkelijk ook prozaïsche verhalen in omloop
waren[44], die waarschijnlijk wel de oudste zijn, daar zij niet zijn
opgeschreven, althans niet tot ons gekomen.

Met de poëtische verhalen is dit anders, en wij bezitten eene reeks
van gedichten die te samen meer dan 30,000 verzen bevatten, alle takken
(_branches_) van den grooten stam, maar door verschillende dichters, in
verschillende tijden bewerkt.

Dat die stukken gelijk wij ze bezitten in de uitgave van MÉON,
slechts omwerkingen zijn van oudere gedichten, is de meening van de
voortreffelijkste geleerden die zich met dit onderwerp hebben bezig
gehouden, hoewel hun oordeel eenigsins uiteenloopt over de tijdsbepaling
van hunne tegenwoordige vorm. Zoo zegt GRIMM[45]: »abgefasst sind die
frühsten derselben [branches] wahrscheinlich von der zweiten hälfte des
zwölften jahrhunderts an bis in die mitte des dreizehnten; allein in der
gestalt, welche sie jetzt zeigen, mögen die altesten schon vielfach
überarbeitet und verändert vorliegen, fast alle dem 13, einzelne sogar
dem 14. jh. zufallen."

Ongeveer op dezelfde wijze oordeelt ROTHE[46]: »Bien qu'il soit
impossible d'indiquer nettement l'origine des divers récits, et que,
dans la forme où nous les connaissons aujourd'hui, une grande partie
ne soit que des versions postérieures de compositions plus anciennes,
selon toute apparence la plupart des morceaux qui composent pour nous
aujourd'hui le _Roman de Renart_ datent du treizième siècle. Quelques
uns pourraient bien être du douzième, d'autres semblent ne dater que du
quatorzième. Tous appartiennent infailliblement et originairement au
nord de la France, à la langue d'oïl, à la littérature romane-wallonne,
celle des trouvères"[47].

FAURIEL erkent ook in de bestaande branches omwerkingen van ouder
stukken; hij laat zich niet uit over de tijdsbepaling, maar
karakterizeert met een paar woorden den invloed dien de jonger trouvères
op het ouder stuk hebben uitgeoefend[48], dat zij »reprirent pour
ainsi dire en sous-[oe]uvre, la remanièrent, la refirent, l'ornèrent,
l'altérèrent dans tous les sens, suivant en cela leurs nouvelles idées
et leurs nouvelles fantaisies. Ce travail, qui dura plus d'un siècle,
eut pour fruit le Renart, dans l'état où il nous reste en français." Dit
had twee gevolgen: »l'un fut le remaniement, la reproduction sous une
forme nouvelle, des fables dont se composait le Renart primitif; l'autre
fut l'invention de beaucoup de nouvelles fables."

Zeer zeker is er geene enkele onder de 32 branches van MÉON, die niet
de merkbare sporen draagt van omwerking, blijkbaar in de uitvoerige
schildering van bijzonderheden, in het talent van verhalen, welk alles
herinnert aan het weelderige tijdperk waarin CHRESTIENS DE TROIES
bloeide, en dat sterk afsteekt bij de drooger, eenvoudiger, minder
kunstmatige manier van een vroeger tijdvak. Nu is het maar de vraag
of het mogelijk is, van sommigen althans, den ouderdom met eenige
juistheid aan te geven. GRIMM zelfs is, gelijk wij zagen, slechts tot
zeer algemeene rezultaten gekomen; en hoezeer ik de waarde van zijn
uitstekend werk zoo hoog schat als iemand[49], geloof ik toch dat het
plicht is te onderzoeken, of het niet mogelijk is tot een bepaalder
slotsom te geraken, vooral daar deze vraag van het hoogste belang is
voor de juiste beoordeeling van onzen Reinaert.

Ons onderzoek eischt eenige uitvoerigheid, daar wij door een omweg
slechts tot het beoogde doel kunnen geraken, waarbij wij tevens op onzen
weg enkele andere zeer belangrijke waarheden zullen vinden.

       *       *       *       *       *

In de eerste plaats doet zich de vraag op, of er geen spoor meer overig
is van een ouder, eenvoudiger, drooger redaktie van eenig stuk uit de
verzameling van MÉON? En het antwoord is: niet in het oorspronkelijke;
maar er bestaat eene Middenhoogduitsche vertaling van een ouder stuk,
welks inhoud en algemeene gang grootendeels overeenkomt met de
twintigste branche van MÉON[50], welke wederom in hare eerste helft zoo
met onzen oudsten Reinaert overeenstemt, dat men tot de overtuiging
gekomen is, dat het eene stuk uit het andere vertaald is.

Zien wij welke uitkomsten de vergelijking dezer drie stukken geeft,
nadat wij eerst eenige meer algemeene beschouwingen voorop gezet hebben.

Het Mhd. gedicht dat wij bedoelen is de _Reinhart_ van _Heinrîch der
Glichesære_.

Dat dit gedicht uit het Fransch vertaald is, heeft GRIMM betoogd uit
de onduitsche vormen van sommige eigennamen als _Birtîn_, _Hersant_,
_Isengrîn_, _Schanteklêr_ en _Pinte_; terwijl _Uebelloch_ blijkbaar eene
vertaling is van _Malpertuis_. Ook het woord _villân_, »hätte nicht
leicht ein deutscher älterer dichter gebraucht[51]." Voorts haalt hij
ook nog uit de oudste duitsche bewerking de woorden _cous_ en _bordûz_
aan om zijn gevoelen te staven[52].

ROTHE erkent dan ook[53] dat de duitsche dichter »connaissant
_infailliblement_ un poëme antérieur de Renart en français, et profitant
de cette connaissance, a composé le premier un poëme de Reinhart dans
l'ancienne langue allemande."

En FAURIEL getuigt uitdrukkelijk[54]: »Le Reinhart, tel qu'il nous
reste, doit être considéré au fond et dans son ensemble comme
l'imitation expresse d'un original français. Cet original sans doute
n'existe plus; mais tels sont, ou pour mieux dire, tels durent être les
rapports avec le Renart allemand, que celui-ci peut en représenter
jusqu'à un certain point la substance et la suite."

Het duitsche gedicht bevat zeven verschillende verhalen, wier inhoud in
de fransche branches wordt terug gevonden. Het laatste en uitvoerigste,
vs. 1239-2248, komt overeen met onzen Reinaert en de 20e (16e) fransche
branche.

Nu is het opmerkelijk, dat onze Reinaert de zes eerste verhalen niet
bevat, en dat de fransche branche vs. 9659 uitdrukkelijk aanvangt met de
woorden:

    Ce dist l'estoire ès premiers vers.

Weêrspreekt dit niet de meening dat er samenhang tusschen deze
verschillende gedichten bestaat? Niet in 't minst; want er bestond al
vroeg bij de dichters een streven om verschillende kleine overleveringen
uit dezen cyclus tot een grooter geheel te verwerken. Dat dit in de
fransche branches het geval was, voelde ROTHE reeds[55]. FAURIEL is het
met hem eens, als hij zegt[56]: »Les trouvères combinèrent de la manière
la plus arbitraire, dans plus d'une des grandes branches du roman, des
fables composées séparément, et faites pour rester séparées.... Il y
aurait, à cette occasion, une bonne étude à faire de la licence et du
caprice de ceux qui ont essayé la fusion de plusieurs des fables de
Renart en une seule composition; mais on sentira que c'est un point fort
délicat et fort complexe, auquel nous ne pouvons nous arrêter."

Wellicht komen wij in den loop van ons onderzoek op dit laatste gezegde
terug; zien wij eerst hoe met betrekking tot den _Reinhart_ ook FAURIEL
aanneemt[57], dat de verschillende verhalen oorspronkelijk niet tot
elkander behoorden, niet als eene ondeelbare eenheid zijn te beschouwen,
niet vormen »une véritable unité qui tienne à un plan primitif, mais une
sorte d'unité factice et cherchée après coup; c'est un ensemble
résultant d'une simple juxtaposition de récits divers."

Of nu GLICHESÆRE de verschillende takken heeft bijeengevoegd, dan of
hij die reeds zoo in zijn voorbeeld verbonden aantrof, is niet uit te
maken. In de omwerking van het duitsche gedicht heet het vs. 1788:

                  Heinrich
    Der hât diu buoch zesamene geleit
    Von Isengrînes arbeit:

daaruit zou men wellicht mogen opmaken, dat eerst de Duitscher de
verschillende branches had te samen gevoegd; maar in den ouder codex
leest men die plaats aldus:

                  Heinrich
    Er hât daz buoch gedichtôt
    Umbe Isengrînes nôt;

zoodat dit punt wel onbeslist zal moeten blijven.

Zooveel is zeker, dat HEINRICH DER GLICHESÆRE omstreeks 1150 leefde[58],
zoodat het fransche origineel waarnaar hij werkte, uiterlijk in de
eerste helft der twaalfde eeuw valt; naar den geheelen toon te oordeelen
moet het echter eer tot de laatste jaren der elfde dan tot de twaalfde
eeuw gebracht worden, en kan zeker niet veel jonger zijn dan van
omstreeks het jaar 1100[59].

Sterk steken tegen het mhd. gedicht de fransche branche 20 (16) en de
mnl. _Reinaert_ af, die jonger zijn, veel nader met elkander verwant, en
niet slechts de wijze van behandeling en vele details onderling gemeen
hebben, maar zelfs een aantal letterlijk gelijkluidende regels. Dat zij
eene omwerking van het ouder fransche stuk, dat aan den _Reinhart_
ten grondslag lag, vormen, valt terstond in het oog: dat het een uit
het ander voortvloeide maakt reeds eene oppervlakkige beschouwing
aannemelijk; maar welk van beiden is hier het oudste, waarnaar het
andere werd bewerkt?

ROTHE schijnt tot eene ontleening van het vlaamsche uit het fransche
gedicht over te hellen, hoewel hij zich daaromtrent niet duidelijk
verklaart. Eerst zegt hij[60]: »Les deux tiers de la vingtième
branche.... contiennent en entier le récit des vingts-trois premiers
chapitres du premier livre du _Reineke Fuchs_ [en dus ook van onzen
_Reinaert_]. Pour le reste seulement, cette branche du _Roman de Renart_
diffère entièrement de la fin du premier livre de _Reineke_." En twee
bladzijden verder laat hij hierop volgen: »Le poète flamand du douzième
siècle.... a dû connaître les poëmes français et a pu en tirer partie."

Men ziet, dit is zeer onbepaald en leidt tot geen rezultaat.

GRIMM neemt aan, dat het fransche geene aanspraak kan maken het
origineel van het vlaamsche stuk geweest te zijn[61]. WILLEMS gaat veel
verder. Hij beweert dat de _estoire_, _l'escrit_, dat het fransche stuk
als zijn origineel aangeeft (vs. 6959, 10036, 10595), »geene andere dan
onze vlaemsche Reinaert [is]. De vergelyking der twee texten laet
deswege geen twyfel over[62]."

Ten bewijze vestigt hij de aandacht op een aantal gelijkluidende regels.

Dit toont intusschen wel aan, dat het eene voor een groot deel naar het
andere vertaald is, maar er volgt nog niet noodzakelijk uit, dat het
vlaamsche gedicht juist aan het fransche ten model verstrekte, en niet
omgekeerd.

Maar WILLEMS heeft een bewijs dat het pleit schijnt te voldingen. »Ja,
wat meer is," roept hij triomferend uit, »in vs. 10493 laet hy zelfs het
_vlaemsche_ woord _willecome_ staen, op dezelfde plaets waer hy het in
den _Reinaert_ aentrof, vs. 1073.... Kan er wel een sprekender bewys van
navolging gevonden worden?"

En werkelijk, als Tibert bij Reinaert komt om hem ten hove te dagen,
heet het vs. 1072:

              Tibert, helet vri,
    Neve, ghi sijt mi _willecome_!

En daarvoor heeft het Fransch, vs. 10493:

    Tybert, fet li Renarz, _villecome_!

Het vraagstuk schijnt vooral door dit laatste bewijs beslist! Maar hoe,
zoo dit slechts schijn ware?

Vooreerst staat het woord _willekome_ ook in den _Reinhart_, vs. 1663:

    Er sprach: »_Willekome_, sippebluot!"

waarin het wellicht reeds uit het fransche origineel overging; want zoo
het woord al ontegenzeggelijk duitsch en vlaamsch is, het werd weldra
ook in het Fransch opgenomen.

Vooreerst in den in Vlaanderen geschreven _Renart Le Nouvel_ (MÉON, tom.
IV), leest men:

    S'irai al apostole à Roume,                       1361
    Et as legas, ki _wilecoume_,
    Diront à moi.
    Convoitise vo fille ainsnée,                      1371
    Ki moult sera _walecoumée_
    As cardounaus et au clergié.
    En flament haut le salua:                         3366
    »Goude jonkhiere, goudendast,"
    Tibiert li respont en soumat:
    »Goude kenape _willeconme_!"

In de 27e (22e) branche, waarmede MÉONS derde deel aanvangt, leest men,
vs. 20026:

    Ysengrins a le chief levé,
    Si a Renart aparcéu:
    »_Willecome_, bien veigne-tu,
    Renart, qar vos venez séoir!"

Ja zelfs tot in Normandië was het woord doorgedrongen, daar men immers
in de _Chroniques de Normandie_ van BENOIT (ed. FRANC. MICHEL, tom. II,
pag. 112) leest, vs. 18608:

    Là vunt les lices desfermer,
    Si receivre, si _welcumier_,

waar MICHEL het ww. verklaart als »accueillir, souhaiter la bonne venue
à quelqu'un."

Het is dus niet onmogelijk dat de schrijver der ons bekende branche 20
(16) dit woord t. a. pl. reeds in zijn voorbeeld vond, of anders het
hier uit zichzelf invoerde, daar hij stellig een Vlaming was, gelijk men
mag opmaken uit het vs. 11728 aangehaalde Arras, en uit de vlaamsche
woorden die hij gebruikt.

Het betoog van WILLEMS kan dus voor ons geene bewijskracht hebben, en
wij moeten trachten de zaak op nieuw te onderzoeken.

Er is werkelijk een toetssteen, en wel een die zoo voor de hand ligt,
dat het ons verwondert, hem nog ongebruikt te zien. Immers als men het
vlaamsche gedicht en de fransche branche doorloopend vergelijkt met den
mhd. _Reinhart_, die het oudere fransche origineel vertegenwoordigt, dan
moet er wel licht opgaan; want het stuk dat in den regel nader aan het
oorspronkelijke komt, in plaatsen waar het andere er van afwijkt, moet
noodzakelijk de middenterm uitmaken.

Zien wij dan tot welke uitkomsten zoodanige vergelijking leidt.

In de beschrijving van den hofdag verschillen de drie stukken
aanmerkelijk van elkander. De eigenaardige aanleiding tot dien hofdag
vindt men alleen in het mhd. gedicht, en wordt evenmin in het fransche
als vlaamsche stuk aangetroffen, zoodat dit waarschijnlijk een
toevoegsel van den GLICHESÆRE is, daar het toch niet aannemelijk schijnt
dat dit in het oude fransche origineel zou hebben gestaan, als GRIMM
gist[63], dewijl er nergens in de jonger fransche branches eenige
toespeling op voorkomt.

Overigens staat toch ook zelfs hier de fransche branche nader aan het
Mhd. dan onze _Reinaert_. In het Mhd. heet het, vs. 1366:

    Do suochte reht her Isengrîn,
    Eins vorsprechen er gerte,
    Der künic in eines gewerte:
    Daz muose Brûn der bere sîn.

En Brûn doet dan ook de aanklacht namens zijn kliënt. Dat alles heeft
in de beide andere stukken geen plaats, maar in het fransche mengt Bruns
li Ors zich toch in het geding (9705), hetgeen wel een uitvloeisel
van de vroegere voorstelling kon zijn. Buitendien vinden wij nog
andere overeenkomst. In het Mhd. wendt zich Krimel, de das, in zijne
verdediging van Reinhart tot Hersant, en zegt, vs. 1396:

    Ver Hersant, nu seget wie
    Iuch iwer man bringt ze mære:
    Daz magiu wesen swære,

nadat hij eerst heeft aangetoond dat Reinhart haar, die veel grooter is,
onmogelijk tegen haren wil heeft kunnen verkrachten.

In het Fransch zegt Grimbers li tessons evenzoo, vs. 9761:

              N'i ot force fète
    Ne huis brisié, ne trive frète;

en ook daar wendt hij zich vervolgens tot Hersent, vs. 9779:

    Haï! quel clamor et quel plet
    Vos a hui vostres mari fet
    A tantes bestes regarder!
    ......................
    Il ne vos crient ne ne resoigne.

Als later de moord aan Coppe gepleegd, bekend raakt, wordt in het Mhd.
des konings »zornege muot" (vs. 1474) uitdrukkelijk vermeld; hij sprak:

            »Sam mir mîn bart,
    Sô muoz der fuhs Reinhart
    Gewislîchen rûmen diz lant,
    Odr er hât den tôt an der hant."

En hij gebaarde daarbij zoo woedend, dat de haas van schrik de koorts
kreeg, vs. 1484:

    Vor vorhten bestuont in der rite.

Ook in de fransche branche wordt 's konings woede geschilderd, vs.
10041:

    Et qant li rois vit Chantecler,
    Pitié li prist du bacheler,
    Un soupir a fait de parfont,
    Ne s'en tenist por l'or du mont.
    Par mautalent drece la teste,
    One n'i ot si hardie beste,
    Ors ne sangler qui péor n'ait
    Qant lor sire sospire et brait.
    Tel péor ot Coarz li lièvres
    Que il en ot deus jors les fièvres, _etc._

Van dat alles vindt men nu in onzen vlaamschen _Reinaert_ niets.

Als later Coppe begraven wordt, zegt het Mhd. vs. 1485:

    Der künec hiez singen gân
    Hern Brûnen, sinen kapelân,
    Und ander sîne lêreknaben;
    Der tôte wart schiere begraben.

hetgeen in het Fransch, vs. 10090 aldus luidt:

    »Sire Bruns, prenez une estole,
    Et vos, sire Bruians li tors,
    Commandez l'ame de cest cors;
    Là sus enmi cele costure
    Me fètes une sépouture
    Entre ce plain et ce jardin,
    Si parleron d'autre Martin."
    --»Sire, fait Bruns, vostre plaisir."
    Atant va l'estole saisir,
    Et non mie tant solement,
    Mès li rois el commencement,
    Et tuit li autre dou concile
    Ont commenciée la vigile.
    Sire Tardis, li limaçons,
    Chanta por cele trois leçons,
    Et Rooniax chanta li vers,
    Et il et Brichemers, li cers,
    Et Bruns, li ors, dist l'oroison,
    Que Diex gart l'ame de prison.
      Qant la vegile fu chantée,
    Et ce vint a la matinée,
    Le cors portèrent enterrer, _etc._

Dit is blijkbaar eene uitbreiding van het Mhd. In den _Reinaert_ leest
men alleen dat Nobel aan Cantecleer zegt, vs. 431:

    [Wi] sullen onse vigilien singhen:
    Daerna sullen wise bringhen,
    Den lichame, ter eerden met ere.
    ..........................
    Dat hi gheboot was sciere ghedaen.
    Doe mochtemen horen aneslaen
    Ende beghinnen, harde ho,
    Dat Placebo Domino,
    Ende die verse, die daer toe horden.
    _Ic seide ooc, in waren worden,
    Neware het ware ons te lanc,
    Wie daer der siele vers sanc,
    Ende wie die sielelesse las._
    Doe die vigilie ghehent was,
    Doe leidemen Coppen in dat graf, _enz._

Men heeft deze plaatsen maar te vergelijken, om zich te overtuigen dat
de fransche branche onmogelijk naar den _Reinaert_ kan bewerkt zijn,
daar in het laatstgenoemde stuk Bruun niet genoemd wordt als zanger van
den lijkdienst. Daarentegen pleiten de kursief gedrukte regels veeleer
voor de tegenovergestelde opvatting.

In het Mhd. volgt dan het verhaal hoe de haas zich op het graf van Coppe
te slapen legt en daar van zijne koorts genezen wordt, waaruit blijkt
dat de verslagene eene heilige martelares was, hetgeen aanleiding geeft,
dat allen op Reinhart woedend worden.

    Der hase leit sich ûf daz grap:                  1489.
    Ze kurzen wîlen er entswap,
    Als ich iu sagen muoz,
    Dô wart im des riten buoz.
    Der hase ûf erschrihte
    Fürn künec gienger enrihte,
    Und sagt im vremdiu mære,
    Daz daz huon wære
    Heilec vor gotes gesihte, _etc._

Hetzelfde verhaal vindt men in het Fransch terug, hoewel het daar niet
op zijne juiste plaats staat, daar Bruin reeds vertrokken is.

    .... mesire Coars, li lièvres,                  10149.
    Qui de péor trembloit les fièvres,
    Deus jors les avoit jà éues,
    Merci Dieu, or les a perdues
    Sor la tombe dame Copée:
    Car qant ele fu enterrée,
    Onc ne se volt d'iloc partir,
    Ainçois dormir sor le martir.

En dan wordt er nog bijgevoegd, dat ook Ysengrin zich op het graf legt,
voorgevende kiespijn te hebben, waarvan hij ook beweert genezen te
worden, hoewel niemand aan zijn zeggen geloof hecht.

Dit laatste nu is stellig een inlapsel van den franschen trouvère,
die Nobel voorstelt als den vos niet ongenegen, waarom Isengrim alle
middelen te baat neemt om den koning tegen zijn vijand op te zetten;
misschien is het zelfs alleen het werk van een afschrijver. Maar
in allen gevalle kan het geheele mirakelverhaal hier niet uit den
_Reinaert_ zijn overgenomen, omdat het daar in het geheel niet voorkomt.

Het gezantschap van Bruun wijkt in de voorstelling van de beide jongere
stukken nog al af van het Mhd.; maar ook hier hebben wij twee plaatsen
die bewijzen, dat het Fransch onmogelijk naar het Vlaamsch kan vertaald
zijn, wel omgekeerd.

Als Bruun Reinaert uitnoodigt om met hem ten hove te gaan, zegt deze, in
de fransche branche, dat hij vanzelf reeds op weg zou zijn, zoo hij niet
eerst had willen eten, en wel (vs. 10204)

    D'un merveilleus mengier françois;

want ten hove worden de rijke lieden goed ontvangen, en hun zet men een
goed maal voor, maar den arme noodigt men niet ten disch.

    »Por tel afère con ge di,                       10231.
    Biau sire, avoie dès mardi
    Mon lart et mes pois aünez;
    Dont je me sui desjéunez,
    Et s'ai bien mengié deus denrées
    De novel miel en fresches rées.

Die lofspraak op den honing, dien hij ook later, vs. 10252 noemt »cest
bon miel frès et novel", is hier geheel op hare plaats, en dient om den
beer begeerig te maken naar die lekkernij.

De Vlaming behandelt de zaak anders: hij laat Reinaert zeggen, dat hij
naar het hof zou zijn gegaan indien hij niet zooveel van »ere vremder
niewer spise" gegeten had, dat hij niet kon loopen; en toch was het maar
eene onedele spijs, »cranke have," want arme lieden moeten eten wat zij
bij de hand hebben en niet wat zij zouden wenschen. Dien honing,

    »Die moetic eten dor den noot
    Als ic el niet mach ghewinnen."

Men ziet hier duidelijk het plan van den vos om de spijs te smalen, ten
einde den beer des te beter om den tuin te leiden. Vandaar dat Bruin dan
ook antwoordt (vs. 575):

    Helpe, lieve Vos Reinaert,
    Hebdi honich dus onwaert?

Daarbij steekt nu sterk af dat hij ter zelfder plaatse die verachtelijke
spijs noemt (vs. 568)

    _Goede_ versche honichraten.

Men kan alleen begrijpen hoe deze in den samenhang niet passende
uitdrukking in den vlaamschen tekst gekomen is, als men daarin eene
ondoordachte vertaling ziet van het fransche »bon miel frès et novel."

Als verder Reinhart den beer in 't ongeluk gebracht heeft doet
GLICHESÆRE hem naar zijne burcht trekken: dáár voor de deur zittende
ziet hij den mishandelden Brûn voorbijloopen, dien hij zijn bijtenden
spot achterna zendt.

    Her Brûn vor zorne nicht ensprach                1605.
    Wan daz ern übellich ane sach.

Evenzoo heet het in het fransche gedicht van Renart, vs. 10402,

    Qant il oï Brun de loing plaindre,
    Si s'est mis parmi une adrece
    à Malpertuis sa forterece,
    Où il ne crient ost ne agait.
    Au trespasser que Bruns a fait
    Li a Renarz deus gaz lanciez.
    ........................
    Li ors estoit si adolez
    Qu'il ne li pot respondre mot,
    Fuiant s'en vet plus que le trot.

In den vlaamschen _Reinaert_ nu raakt de beer in 't water, en aan den
oever der rivier ontmoet hem de vos, die zich wilde gaan baden. GRIMM
meent dat ook des beeren vlucht door de rivier in het verloren ouder
fransche gedicht kan gestaan hebben[64]; maar dit is onwaarschijnlijk,
daar de nieuwere branche zich geheel aan het Mhd. houdt; en waar dit
het geval is kan deze branche wederom onmogelijk naar den _Reinaert_
vertaald zijn, die zich zoo ver van het Mhd. verwijdert.

Het gezantschap van Tibert zal ons geen punt van vergelijking opleveren,
omdat in het Mhd., volgens GRIMMS opmerking »der ganze vortrag hier eine
leidige zusammenziehung verräth, und bedeutende abweichung von der
andern recension[65]."

De biecht komt in het Mhd. niet voor. Maar als Reinaert zich opmaakt
naar het hof, zegt GLICHESÆRE, vs. 1831:

    Ein criuze machter für sich,
    Er sprach: »Got bewar nu mich
    Vor b[oe]sen lügenæren,
    Daz si mich nicht beswæren.

En zoo ook in het Fransch, vs. 10866:

    Lors se coucha adenz à terre,
    Et trois foiz se rendi copables,
    Puis se seigna por les déables,
    Et por dant Noble, le lion,
    Moult fu en grant afflicion.

En dit ontbreekt in het vlaamsche stuk.

Als Reinaert ten hove is gekomen loopen de drie stukken weder geheel
uit een, zoodat hier de vergelijking ophoudt.

Uit de overweging der plaatsen die wij tegen elkander hebben gehouden
blijkt dunkt mij onwedersprekelijk, dat de fransche branche onmogelijk
naar onzen vlaamschen _Reinaert_ kan zijn vertaald, zoo als WILLEMS als
bewezen aannam; want herhaaldelijk troffen wij in het Fransch plaatsen
aan afwijkend van het vlaamsche gedicht maar gelijkluidend met het mhd.
of ouder fransche stuk.

Er is, dunkt mij, nog een ander bewijs voor den gedeeltelijken oorsprong
van den _Reinaert_ uit het Fransch. Ik druk niet op de enkele fransche
woorden, als morseel, museel, enz. die er in voorkomen, ik laat zelfs
hier het woord _male_ buiten rekening, dat vs. 400 en 889 in de
overdrachtelijke beteekenis van _maag_ of _muil_ wordt gebruikt, even
als in het Fransch vs. 18004

    Et Tybert differma sa _male_.

Maar ik moet wijzen op eene uitdrukking, die alleen door vergelijking
met het Fransch verstaanbaar wordt. Vs. 130 heet het:

    Hi (R) ne heeft ooc niemene so lief,
    _No_ den coninc, minen here,
    Hine wilde dat hi lijf ende ere
    Verlore, mocht hire ane winnen.

Nu weet ik niet dat in eenig mnl. stuk _no_ wordt aangetroffen in de
beteekenis van _zelfs_, _zelfs niet_, die hier geëischt wordt. Alleen
het fransche _néis_ kan hier licht geven. B.v. vs. 10467 waar R. genoemd
wordt:

    .... beste de put conroi,
    _Néis_ à Dex ne porte foi.

Of vs. 11529, waar R. alle dieren verschalkt:

    Renarz a bien chascun lié
    Ou par la coue ou par le pié;
    Moult par a fet grant deablie:
    A chascun arbre le suen lie,
    _Néis_ le roi lia par la coue (_sic_).

Laten wij er nog bijvoegen, dat de behandeling in den vlaamschen
_Reinaert_ veel voortreffelijker is dan in de fransche branche, zoowel
wat de geheele opvatting betreft als de bijzonderheden in de enkele
tafreeltjes. Is het nu te verwachten, dat de minder voortreffelijke
redaktie eene navolging zou zijn van het betere? Het verschil is zoo
groot, dat dit reeds genoegsaam zou zijn om de stelling van WILLEMS als
onaannemelijk, als onmogelijk te doen verwerpen.

Maar volgt daaruit dat onze Reinaert _naar deze branche_ is vertaald? De
afwijkingen in beide teksten waren voor WILLEMS geen hinderpaal om aan
te nemen dat het eene naar het andere werd bewerkt, omdat er in beiden
zoovele regels zijn, die blijkbaar letterlijk met elkander overeenkomen;
maar het zou niet onmogelijk zijn dat de _Reinaert_ eene navolging ware
van een ouder stuk dan de bekende fransche branche; aan een jonger valt
wel niet te denken, daar er dan wel iets van ter onzer kennisse zou
gekomen zijn.

A priori is dit echter niet waarschijnlijk, daar men zou moeten aannemen
dat er drie fransche redaktiën van hetzelfde verhaal zouden hebben
bestaan: 1) de oudste, wier inhoud ons GLICHESÆRE heeft bewaard, 2) de
eerste omwerking, waaruit dan 3) de ons bekende, minder goede, branche
en de _Reinaert_ zouden zijn voortgevloeid.

Intusschen kan alleen eene nadere vergelijking der verschillende
plaatsen van beide teksten tot eene bepaalde uitkomst leiden. Ten einde
die zoo doeltreffend mogelijk te maken, moeten wij eerst iets naders
trachten te weten van den franschen trouvère die de 20e (16e) branche
bewerkte.


IV.

Zijn naam is ons niet bekend: wij weten echter zeer zeker dat het PIERRE
DE SAINT CLOUD niet geweest is, vooreerst omdat deze in den proloog
genoemd wordt als juist dit onderwerp niet hebbende behandeld, terwijl
het in de tweede plaats duidelijk blijkt uit een zeer in het oog loopend
onderscheid. Onze dichter geeft zijnen dieren ridderlijke zeden en
laat ze b.v. altijd op paarden of muilezels rijden, hetgeen in de 11e
(7e) branche die aan PIERRE wordt toegeschreven, nimmer plaats grijpt.

Zoo nu al 's dichters naam ons onbekend is, zijn geboorteland is niet
twijfelachtig. Boven wezen wij reeds op het vlaamsche woord _villecome_;
ik voeg er bij de uitdrukkingen: _fère let_ voor _leed doen_, vs. 10975;
_eschames_, 10032, voor _schamels_, die alle naar Fransch-Vlaanderen
verwijzen, zoo als wij later nog nader zullen bevestigd zien.

GRIMM schijnt niet ongeneigd, deze branche aan twee dichters toe te
schrijven, althans hij zegt[66]: »vielleicht schloss mit 11368 die
ursprüngliche branche;.... nun folgen aber fortsetzungen." ROTHE maakt
ter naauwernood, en ter loops[67], gewag van dit onderscheid, dat hij
in den regel uit het oog verliest; FAURIEL spreekt er in 't geheel
niet van[68]; maar het komt mij ook voor, dat men moet toegeven, dat
werkelijk in de laatste helft een nieuw verhaal begint, en dat dit niet
aan den dichter van het eerste deel der branche kan worden toegekend,
hoewel de navolger waarschijnlijk niet veel jonger dan de eerste
dichter moet gesteld worden, met wien hij hetzelfde vaderland gemeen
heeft.

Vooreerst zullen wij zien, dat de schrijver van den vlaamschen
_Reinaert_ ook dit gedeelte heeft gekend en gebruikt. Voorts treffen wij
hier hetzelfde spraakgebruik, dezelfde zinswendingen aan als in het
eerste gedeelte. Zoo wordt hier, vs. 11447, de uitdrukking gebruikt:

    Qu'iroie-ge fesant lonc coute?

even als vroeger, vs. 10849:

    Que vos iroie-ge disant?

vs. 11604 heet het:

    Puis parleron d'autre Bernart,

waarvoor vs. 10096:

    Si parleron d'autre Martin.

De taal in beide deelen is die van Fransch-Vlaanderen.

Bovendien, vs. 11728 wordt Arras genoemd, hetgeen ons, in verband met de
taal, wel recht schijnt te geven beide dichters in Artois te plaatsen.

Maar uit die overeenkomst van taal- en spraakwendingen volgt nog in het
geheel niet, dat beide stukken van dezelfde hand zijn; want het valt
niet te ontkennen, dat er een merkbaar onderscheid in de behandeling van
het eerste en laatste gedeelte is waar te nemen.

Het geheele karakter, de toon, de wijze van voorstelling en
zedeschildering van beide deelen verschilt daartoe te veel. Buitendien
zijn er bij naauwkeuriger vergelijking nog enkele verschilpunten, die
geen twijfel overlaten.

En toch, zegt men wellicht, niet alleen in beide deelen rijden de dieren
die tot de hofhouding behooren te paard, maar gelijk in het laatste
gedeelte de dieren als ridderlijke strijders worden voorgesteld, zoo is
dit ook reeds op het eind van de eerste helft der branche het geval.
Immers, als de mannen des konings Reinaert najagen, heet het, vs.
11313:

    Li limaçons porte l'enseigne,
    Bien les conduit par la campaigne[69],

even als wij in het laatste gedeelte vinden, vs. 11558:

    .... Dans Tardis li limaçon
    Qui seut porter le gonfanon;

en zoo ook nog vs. 11617. Daaruit blijkt immers, dat ook den schrijver
van het eerste gedeelte dezelfde wijze van voorstelling niet vreemd is.

De opmerking is juist; maar alleen in zooverre, als men met GRIMM
aanneemt, dat de omwerking eerst met vs. 11368 aanvangt. Maar wanneer
zij eens al bij vs. 11297 begon? of althans wanneer de regels
11297-11319 een inschuifsel waren, waarvan alleen moest blijven staan:

    Renarz regarde arère soi
    Et voit qu'il viegnent sans deloi.
    Ne set conseil que fère doie _etc._?

De eerste zestien regels toch, de opsomming der dieren bevattende, zijn
eene bloote herhaling van de regels 10159-11070, waar grootendeels
dezelfde personen worden opgenoemd: die herhaling kan onmogelijk van den
eersten dichter afkomstig zijn, evenmin als de navolging van Chanteclers
aanklacht op het einde van het gedicht[70].

Neemt men nu eene interpolatie aan, dan loopt het verhaal geleidelijk
af, en het eind komt dan overeen met het slot der 10e branche, of der
26e b.v.; en voor die opvatting zou ook pleiten, dat nog vs. 11353 een
van Reinaerts zonen _Roviax_ genoemd wordt, even als vs. 10251 _Rovel_
(in dativo), terwijl hij later, vs. 11729 _Rousel_ heet (in dat.).

Neemt men niet eene interpolatie aan, maar schrijft men het geheele
stuk, van vs. 11297 af, aan den navolger toe, dan ware er geen slot aan
de oorspronkelijke branche.... Zou het dan zoo onmogelijk zijn, dat het
oorspronkelijke slot hier was weggelaten, en bij het aanhechten van het
tweede gedeelte door een ander vervangen? De vergelijking met den mnl.
_Reinaert_ schijnt dit vermoeden in de hand te werken; en niemand zal
ontkennen, dat deze vergelijking zeer geschikt is om medetewerken ter
verkrijging van een vasteren bodem voor de kritiek van de fransche
branches, welke tot nochtoe grootendeels in de lucht zweefde.

Is nu het karakteristieke onderscheid in beide deelen der branche niet
te ontkennen, wij kunnen ook nog eenige andere bewijspunten aanvoeren.

Alleen in het eerste gedeelte wordt de leeuw soms genoemd _l'emperère_,
b.v. vs. 9693, 10059, 10081, 10137, 10663, 11021; nimmer in het laatste.

Alleen in het eerste deel vindt men de uitdrukking _por le cor bieu_,
b.v. vs. 9945, 10243, 10986, 11231, 11293, die ook in de 10e (6e)
branche, vs. 4641, 4573, en eens in 23e (18e) branche, vs. 13240,
terugkeert, maar nimmer in het laatste stuk der 20e (16e).

In het eerste gedeelte wordt alleen teruggewezen op een ouder verhaal:
nog vs. 10036 heet het:

    Si comme en escrit le trovon,

en vs. 10595.

    Si com nos trovons en l'estoire.

Later komt zoodanig beroep niet meer voor. Intusschen is dit deel toch
waarschijnlijk ook eene omwerking van een ouder gedicht, waarop
misschien wel eene toespeling voorkomt juist in de eerste helft van
onze branche, vs. 10803-10817.

Het is daarom niet twijfelachtig of het tweede gedeelte der 20e (16e)
branche is een toevoegsel van een ander dichter, die intusschen ongeveer
een tijdgenoot van den eersten zal geweest zijn.

       *       *       *       *       *

Op de 20e branche volgt in alle handschriften eene andere, die ten
onrechte in tweeën gesplitst is[71], en die wij 21-22 zullen noemen. Zij
hangt blijkbaar met de voorgaande samen, gelijk ook GRIMM opmerkte[72];
maar of dit ons recht geeft om daaruit te besluiten, dat beiden door
denzelfden dichter, namelijk dien van 20_a_, zouden zijn bewerkt, blijft
de vraag. Terwijl sommigen dit aannemen, heeft ROTHE het ontkend;
maar op gronden die weêrlegbaar schijnen, en die wij eerst zullen
onderzoeken, hetgeen ons noodzakelijk zal leiden tot eene beantwoording
der vraag zelve.

Ziehier zijn betoog. »Malgré les traits de ressemblance évidents et
incontestables entre cette branche et la précédente, sans doute elles
sont dues à divers auteurs[73]." Vestigt men zijne aandacht op de
sterke bewoordingen van het eerste gedeelte dier uitspraak, dan zal
men zeker wel sprekende bewijzen verwachten om het tweede gedeelte
te rechtvaardigen. Die bewijzen nu komen hier op neêr: »Le caractère
général y diffère; le récit est moins piquant, moins varié, plus plat
ici que dans la vingtième branche."

Wat het laatste gedeelte dier bewijsvoering aangaat, zij rust geheel op
subjektive beschouwing, en ik twijfel sterk of de zienswijs van ROTHE
wel veel bijval zal vinden. Wat het verschillend karakter aangaat, hij
heeft daarvoor hier slechts één bewijs aangehaald, dat echter zeer
weinig afdoet.

De vos, die zich door indompeling in eene kuip met geele verw onkenbaar
gemaakt heeft, geeft zich voor een bretonschen jongleur uit: hij weet
het speeltuig meester te worden, dat tot zijn beroep behoort, en dan
heet het, vs. 12515:

    Moult s'esbaudist, moult se conforte
    Por la viele qu'il enporte:
    ......................
    Tant fist Renarz denz quinze dis
    Fu bien de la viele apris:
    Sages en fu et escolez.

Dit geeft ROTHE aanleiding om te zeggen[74]: »Renart _se divertit_
pendant quinze jours _avec la vielle_ qui lui a été donnée. Il y a en
cela quelque chose de poétique, mais aussi d'assez contraire au naturel
de Renart, tel qu'il est caractérisé par le reste."

Maar de geleerde schrijver heeft hier den tekst verkeerd opgevat. Er
staat niet _moult s'esbaudist_ DE _la viele_, maar POR _la viele_;
hetgeen eenvoudig beteekent, dat hij zich verheugde over het bezit van
het speeltuig. Zoo hij er zich veertien dagen meê bezig hield, het was
eenvoudig om het te leeren behandelen, ten einde later zijne rol te
kunnen spelen. Men ziet dus dat ROTHES opvatting, die alleen op een
misverstand berust, geen gewicht in de schaal van ons oordeel kan
leggen.

Pag. 262 heet het wederom: »Les branches 21 et 22 n'en forment guère
qu'une; elles ont beaucoup de conformité de style et de caractère, mais
sous ce rapport, elles diffèrent essentiellement de la branche 20."
Later, pag. 264-265 ontwikkelt hij zijn begrip omtrent het verschil van
karakter. Ik moet duidelijkheidshalve de geheele plaats aanhalen.

»Les dix-huit premières branches (suivant l'édition et l'arrangement
de Méon) se maintiennent constamment sur le ton et dans le caractère
de l'apologue, de la fable proprement dite; elles conservent à tous
les animaux leur naturel, les font parler et agir selon leurs
individualités, leur font seulement jouer des rôles et des personnages
conformes à leurs qualités physiques, et pour les hommes qui figurent
avec eux comme acteurs dans ces petits drames, ce ne sont guère que
quelques prêtres, quelques vilains, familiers à la sphère d'idées des
poètes populaires, et qui conviennent à la simplicité ou à la rudesse
des positions dans lesquelles ils se trouvent avec les animaux, leurs
interlocuteurs ou leurs vainqueurs. Le caractère de simplicité et de
naturel de ces dix-huit branches nous dispose à les regarder aussi comme
primitives, comme appartenant de préférence aux premiers siècles des
compositions de cette espèce, aux siècles de simplicité dans les
m[oe]urs et dans les idées, aux temps où le sujet n'a pas encore été
épuisé, où les versificateurs et leur public n'ont pas encore été
blasés sur les tours ingénieux de Renart et la naïveté de la fable."

Alvorens verder te gaan moeten wij opmerken, dat de stelling niet
opgaat, daar b.v. de 234 eerste verzen der eerste branche blijkbaar tot
de jongste stukken behooren, daar hier herhaaldelijk verklaringen en
toepassingen voorkomen, om te doen zien, wie al zoo door Renart en
Ysengrin bedoeld worden. In de 13e (9e) branche leest men, vs. 6910:

    Se il fust pris devant Halape
    Ne fust-il pas si adolez,

hetgeen herinnert aan _Renart Le Nouvel_, vs. 2884:

    Ne cuit mie jusqu'en Halape
    Ait nul home qui le vousist.

Zoowel het eene als het andere gedicht schijnt eerst in het laatst der
dertiende eeuw zijn tegenwoordige vorm erlangd te hebben.--Over de
karakteristiek handelen wij weldra.

»Dans les branches 21, 22 .... les animaux acteurs agissent et parlent
encore en grande partie selon leur naturel, mais ces branches ne portent
plus tout-à-fait l'empreinte de la fable; ce sont plutôt des récits, des
contes versifiés où les animaux des autres branches sont encore en
scène, mais où le tout prend un cachet tant soit peu différent.

»Les branches 19, 20 ...., assez longues, renferment, à la vérité,
des parties qui tiennent à la simple fable, et qui sont teintes d'une
couleur analogue à celle qui est commune aux premières branches; mais du
reste elles sont remplies d'allusions à la chevalerie et à la féodalité,
et retracent les m[oe]urs, les usages et le langage de la chevalerie.
Les animaux s'y rassemblent à la cour du roi Noble le lion, tiennent
conseil, se divertissent, font le siége du château-fort de Maupertuis,
montent constamment à cheval, s'arment à l'instar des chevaliers,
parlent tous le même langage, agissent de la même manière, s'agitent, se
battent et triomphent sans aucun égard à leur grandeur, à leurs forces,
à leur naturel, à leurs qualités morales et physiques. Ces branches ne
laissent pas d'être curieuses, poétiques, spirituelles et plaisantes en
maint et maint endroit; mais elles ne ressemblent plus aux premières,
elles forment des poëmes d'un autre style, on dirait presque d'un genre
différent."

Ik heb bij herhaling de fransche branches gelezen en herlezen alvorens
ik met het boek van R. bekend werd, en ik moet zeggen, dat ik niet tot
hetzelfde rezultaat als de deensche geleerde ben gekomen; en wie zich de
moeite wil getroosten de drie eerste deelen van MÉON te doorbladeren,
zal lichtelijk ontwaren, dat ROTHE ter gunste van een systeem een
willekeurig onderscheid heeft aangenomen. Wij zagen reeds dat de
achttien eerste branches van MÉON niet alle tot de oudsten behooren; het
behoeft ook slechts eene oppervlakkige inzage opdat men zich overtuige,
dat zij zich niet onderscheiden door die »naïveté de la fable," maar
evenzeer als de volgenden behooren tot de »récits ou contes versifiés."

Ik verwijs b.v. naar de tweede branche, waarin Renart de aal van zekere
kooplui steelt; naar de tiende, waarin de vos en de wolf een priester
bedriegen; naar de elfde, die van PIERRE DE SAINT-CLOUD heet te zijn, en
die men gewoonlijk voor de oudste houdt, waarin breedvoerig geschilderd
wordt hoe Renart met een boer solt en hem behendig in het water smijt;
enz., enz.

Of die achttien eerste stukken ook wel minder zijn »remplies d'allusions
à la chevalerie et à la féodalité"?

Vooreerst rijden ook hier de dieren te paard. In de eerste branche b.v.
heet het vs. 568 van Renart:

    Ainz ne fina d'esperoner.

In de tweede, vs. 893:

    Car il (R.) a trop ignel cheval.

In de 13e (9), vs. 6541:

    Onques ne fa ses frains tenuz.

In de branche aan PIERRE DE SAINT-CLOUD toegeschreven zegt de vos tot
Nobel, vs. 5618:

    Miex amez la grant baronie
    De vostre cort avecques vos,
    Si con est sire Bruns li ors....
    N'avez cure de povre gent.

Op het slot der eerste branche lezen wij, vs. 736:

    A la cort Noble le lion
    Tient-on les plès et les oiances
    De mortiez guerres et de tences,
    Là nos irons de lui clamer.

Vs. 516 spreekt Hersent er van zich aan een Godsoordeel te onderwerpen:

    .... S'om me laissoit esconduire
    Par sairement et par joïse,
    Je'l feroie par del devise
    C'om me féist ardoir ou pendre
    Se ne m'en poïsse desfendre.

Uit dit alles zal men gereedelijk ontwaren, dat de onderscheiding door
ROTHE gemaakt, niet opgaat; en dat de meeste branches in karakter niet
veel verschillen[75]. Dit kon ook niet wel, omdat zelfs niet de oudste
de oorspronkelijke vorm teruggeeft. Even als onze 20e (16e) branche zich
op een boek beroept, doen het ook anderen, b.v. die van PIERRE DE
SAINT-CLOUD heet te zijn, vs. 4938:

    Que se li livres nos dit voir
    Où je trouve l'estoire escrite;

vs. 5753:

    Que se l'estoire ne nos ment.

Zoo ook de 5e (3e) branche, die een verhaal bevat dat ook in het stuk
van PIERRE voorkomt, maar een ouder aanzien heeft, heet het vs. 1384:

    Trover le poez en l'estoire.

Nu hebben de omwerkers de zeden, denkbeelden en het spraakgebruik van
hunnen tijd in hun verhaal gebracht, de een op deze, de andere op gene
wijze, naarmate zij zich meer of minder streng aan hun origineel
hielden. Zoo zagen wij in de 11e branche b.v. met een enkelen trek de
koninklijke hofhouding aanduiden, terwijl de schrijver zich onthoudt van
zijne dierhelden te paard te laten rijden.

Het verst in ridderlijke zedeschildering gaat het laatste gedeelte der
20e (16e) branche, en ook de 19e waar de dieren gewapend met lans en
speer Reinaerts burcht belegeren; en alleen betrekkelijk deze gaat de
onderscheiding van ROTHE op.

Uit dit alles volgt nu, zoo ik hoop, klaarblijkelijk, dat het
karakteristieke onderscheid tusschen de branches 1-7, 21-22 en 20_a_
niet bestaat in dien zin waarin ROTHE het opvatte, en die hem aanleiding
gaf de branches 20 en 21-22 aan verschillende dichters toe te schrijven.
Wij zullen dan ook later zien, dat de 20e branche, die volgens ROTHE tot
de jongste bewerkingen moest behooren, gedeeltelijk althans,
waarschijnlijk tot de oudste moet gerekend worden.

Keeren wij thans tot de branche 21-22 meer bepaald terug.

FAURIEL was daaromtrent van een andere meening dan ROTHE. Hij noemt
de beide branches[76]: »Renart teint en jaune et Renart jongleur ....
deux productions remarquables à plus d'un titre, et surtout pour être
_indubitablement du même trouvère à qui l'on doit la fable du Plaid_
(20)."

Hoe verdienstelijk deze schrijver in vele opzichten is, hij heeft in
zijn artikel over den _Roman du Renard_ te veel misslagen begaan om hem
op zijn woord te gelooven[77]; wij moeten daarom een eigen onderzoek
instellen.

In deze branche nu wordt hoofdzakelijk verhaald, hoe Reinaerts vrouw op
het eerste gerucht van zijnen dood zich terstond een nieuwen echtgenoot
gekozen had, die echter door Reinaert in zijne bruiloftsvreugde wordt
gestoord.

Nu zegt reeds in de voorgaande, 20e branche, vs. 11745 vlg., de vos tot
den das:

    .... Se ma fame se marie,
    Tolez li quanque je li lès,
    Et si tenez ma terre en pès,
    Qar moult m'aura tost oblié
    Puis que me saura devié;
    Ainz que Tibaut soit crestiens
    En metra un en ses liens:
    Qar qant li hons gist en la bière,
    Sa fame esgarde par derière
    S'ele voit home à son plaisir;
    Ne puet pas son voloir taisir,
    Con plus se pasme et vet tremblant,
    Qu'il ne li face aucun semblant.
    Tot autretel fera la moie,
    Jusqu'au tiers jors r'aura sa joie.

Die soort van voorspelling wordt nu in de volgende branche vervuld.
Ook in deze komen herinneringen voor aan het voorgaande stuk, b.v.
vs. 12165-8, waar gewezen wordt op het gebeurde op het laatst der 20e
branche, vs. 11531, 11957. En nog duidelijker heet het vs. 12679:

    A une liue d'iloc ot,
    Si que Renarz moult bien le sot,
    Une tombe d'une martire,
    Dont vos m'avez bien oï dire,
    De Coupée qui là gisoit:
    Tretoz li mondes le disoit
    Qu'ele fesoit apertement
    Vertuz à toz conmunalment.
    Nus hons n'i vient, tant soit enfers,
    Ou soit moignes, on lais ou clers,
    De tot le mal que il éust,
    Que meintenant gariz ne fust.

Dit ziet op het vroeger verhaalde geval, vs. 10147, waar men ontdekt dat
Coupée, de door Renart vermoorde hen, eene heilige martelares was, op
wier graf de haas door een mirakel van zijne koorts genezen wordt.

Opmerkelijk is het, dat hier vs. 12682 de dichter uitdrukkelijk zegt:

    Dont vos m'avez bien oï dire,

zoodat wij hier meer hebben dan eene bloote toespeling, ja de zeer
stellige verklaring dat beide branches van één en denzelfden dichter
zijn. ROTHE wil dit echter niet aannemen, en om zijne opvatting te
redden neemt hij zijne toevlucht tot de volgende gissing: »Si l'on
osait regarder la vingtième branche, telle que nous la connaissons
aujourd'hui, comme un remaniement plus récent et plus spirituel d'un
original antérieur, on pourrait supposer, que les branches vingt-et-une
et vingt-deux ont eu une conformité et une liaison plus complètes avec
cet ancien original de la vingtième[78]."

Het valt intusschen in het oog, dat dit niets anders is dan eene
hypothese, die alleen gerechtvaardigd wordt door ROTHES onkritische
beschouwing der 20e branche, waarin hij geene twee verschillende handen
opmerkte.

De geleerde Deen gaat daarbij ook nog van eene andere verkeerde stelling
uit. Hij schijnt aan te nemen dat wij de 21-22e branche in hare
oorspronkelijke, onomgewerkte vorm bezitten, en dit kan toch niet in het
algemeen als waar aangenomen worden.

Er komen toespelingen in voor op het tweede gedeelte der 20e branche, in
welk deel ook de aangehaalde woorden van Renart voorkomen, die ons op de
21-22e moeten voorbereiden, zoodat de aanknoopingspunten blijkbaar eerst
later in dit verhaal zijn gebracht, dat overigens eene overoude
overlevering schijnt te bevatten[79].

Dit alles schijnt echter juist de stelling van één en denzelfden dichter
niet waarschijnlijker te maken; maar van den anderen kant pleit voor de
identiteit des dichters de vermelding van de kanonisatie van Coppe in
het eerste gedeelte der 20e branche, en wel te midden van het verhaal,
en onder nadrukkelijke verklaring

    Dont VOS M' _avez bien oï dire_.

ROTHE is ook op dien regel gestuit. »_Le vos m'avez bien oï dire_", zegt
hij[80], »semblerait à la vérité signaler le même auteur pour les deux
branches; mais d'autres considérations ne permettent pas de la
supposer."

Die andere »considérations" meenen wij genoegsaam weêrlegd te hebben,
zoodat ROTHES eenige grond vervalt; want niemand zal wel eenig gewicht
hechten aan hetgeen hij er op laat volgen: »Du reste l'auteur de la 22e
branche _a pu_ chanter cela ailleurs, et non pas dans la 20e branche
précisément."

Het verwondert ons, dat hij niet eenen anderen uitweg heeft
voorgeslagen, die trouwens ten gevolge van onze andere opmerkingen ook
bij ons kan opkomen.

Daar er blijkbaar een streven zichtbaar is om de 20e en 21-22e branche
aan elkander te rijgen; zou het niet onmogelijk zijn, dat de schrijver
van het tweede gedeelte der 20e branche, aan wien deze aaneenhechting
wel mag worden toegeschreven, hier eene kleine verandering in den tekst
had gebracht, daar er oorspronkelijk wel kon gestaan hebben:

    Dont vos avez bien oï dire,

zoo als men in verschillende andere gedichten aantreft.

En toch durf ik deze tekstverandering niet als een bewezen feit
aannemen, daar geen enkel handschrift eene andere lezing schijnt aan te
bieden dan die welke MÉON gevolgd is. Wij hebben dan hier niets anders
dan eene waarschijnlijke konjektuur.

Men mag echter misschien nog verder gaan, en veronderstellen, dat de
naam van Coupée hier slechts is ingevoegd om de aanknooping in de hand
te werken, terwijl er vroeger alleen van een martelaar, een heilige in
't algemeen in het ouder gedicht sprake was.

De omstandigheid dat Reinaerts vrouw hem voor dood hield, verbiedt ons
bepaaldelijk deze branche aan 20_a_ vast te knoopen, waar Reinaert
juist bij zijne echtgenoot en kinderen gelukkig was aangekomen: om
de aansluiting mogelijk te maken, was de invoering der branche 20_b_
noodzakelijk.

Dat in alle handschriften de branches 20, 21-22 terstond achter elkander
volgen, bewijst niets, daar alle codices jong zijn, en uit een tijd, dat
de inorganische vereeniging reeds lang had plaats gegrepen.

Opmerkelijk is het ook, dat terwijl in de 20e branche tweemaal eene
onloochenbare toespeling voorkomt op de _Chanson de Guillaume au cort
nez_, dit gedicht juist in de 21-22e branche niet vermeld wordt, waar
van de _Chansons de geste_ alleen genoemd worden, vs. 12623:

                Chanson d'Ogier,
    Et de Rolant et d'Olivier,
    Et de Charlon le ber chanu,

waarbij men wel mag opmerken dat, zoo de schrijver dezer branche ook de
auteur der voorgaande was, hij zeker ook hier in de eerste plaats het
gedicht zou vermeld hebben dat hem zoo gedurig voor den geest had
gezweefd, toen hij de 20e branche schreef.

Nu is er wel overeenkomst in taal en spraakwendingen, maar daaruit
blijkt toch maar alleen, dat de schrijver in Fransch-Vlaanderen t'huis
behoorde, hetgeen ons niet zal verwonderen als wij de omwerking of
althans de aanhechting der 21-22e branche aan den schrijver van 20_b_
mogen toeschrijven.

Een paar voorbeelden mogen het taaleigen bewijzen.

Renart doet zich voor als een vreemde jongleur, die het Fransch
râbraakt, en gebruikt daarbij soms vlaamsche woorden. Vs. 12106:

    Ez-vos Renart qui le salue:
    »_Godehelpe!_ fet-il, bel sire."

Vs. 12153 vraagt hem Ysengrin:

    Et sez-tu le lai Dam Iset?"
    --»Ja, Ja, dist-il, godistonet(?),
    Je fot saver, dist-il, trestouz.

Opmerkelijker is eene andere uitdrukking. Vs. 12858 verwijt Hersant aan
de vossin:

    Mespris avez en tel manière
    Qu'en vos en tient à chamberière,
    Qui conmunaus est à garçons:
    Trestuit _li entrent ès arçons_.

Dezelfde zeldzame overdrachtelijke spreekwijs vindt men ook terug, br.
20_a_, vs. 9734, waar aan Hersant verweten wordt:

    Que dans Renars, cis fox garçons
    Vos _entra_ onques _ès arçons_.

Is dit echter genoegsaam om beide branches aan denzelfden dichter toe te
kennen, of moet men hier aan overneming denken?

Ik heb die uitdrukking nog maar in ééne andere branche terug gevonden,
die tot de 20e in zeer naauwe betrekking staat, waarom wij er hier een
woord van moeten zeggen. Het is namelijk de eerste.

Die eerste branche is uit twee, misschien drie, zeer verschillende
stukken samengeflanst, gelijk GRIMM reeds heeft aangetoond[81]. Het
eerste loopt van vs. 1 tot 233 of 335, na welk laatste vers een nieuw
verhaal begint, dat tot aan het einde doorloopt.

De inhoud dier branche 1_b_ hangt ten naauwste samen met de 20e. Dáár
toch wordt het feit, de misdaad, verhaald, waarover Isengrim zich in de
20e ten hove komt beklagen. Buitendien, in de laatste regels van 1_b_
geeft Hersent aan Isengrim den raad zich ten hove des konings te
beklagen over den hoon hem door Reinaert aangedaan.

De laatste regels komen echter niet in alle handschriften voor. Br. 1_b_
vindt men niet in alle codices: slechts in de 1e, 2e en 6e bij ROTHE
geanalyzeerd, en ook in het vatikaansche handschrift. In het laatste
nu ontbreken juist de 32 laatste verzen, waarin de overgang tot de 20e
branche wordt voorbereid[82], en ik weet niet of zij wel in ROTHES hss.
2 en 6 gevonden worden, daar hij slechts gewaagt van »à peu près la
dernière moitié de la branche première"[83].

Daar nu slechts één enkel handschrift die voorbereidingswoorden
schijnen te bevatten, behoeft men er niet veel gewicht aan te hechten.
Branche 1_b_ kan echter niet als een op zichzelf staand gedicht worden
beschouwd.

Verschillende uitdrukkingen wijzen op een naauwer verwantschap tusschen
dit stuk en 20_a_.

De dieren rijden hier als dáár te paard. Wij vinden hier voorbereiding
tot hetgeen later in 20_a_ volgt. Vs. 513 zegt Hersent tot haar
echtgenoot:

    »Sire, fait-ele, vos diroiz
    Corociez estes, n'est pas droiz
    Que vos mostrez ici vostre ire;
    Que s'om me laissait esconduire
    Par sairement et par joïse,
    Je'l feroie par tel devise,
    C'om me féist ardoir ou pendre
    Se ne m'en poïsse desfendre."

Dit hangt samen met br. 20_a_, vs. 9790, waar Hersent zegt:

    »J'amasse miex assez la pès
    Entre mon seignor et Renart,
    Voir qui en moi n'ot onques part,
    En tel manière n'en tel guise,
    Si que j'en feroie une juise,
    Ou de froide ève ou de fer chant.
    Mès mon escondire que vaut!" _etc._

Ten einde ons betoog zoo eenvoudig mogelijk te maken, moeten wij hier
reeds wijzen op den aard van den samenhang. Br. 1_b_ is blijkbaar _après
coup_ gemaakt, door een schrijver die meer in het breede wilde verhalen
wat in de 20e branche als voorafgegane gebeurtenis en hoofdoorzaak van
de veete tusschen Renart en Ysengrin, slechts wordt aangestipt. Dat dit
door den schrijver van 20_a_ zelf zou geschied zijn, is a priori reeds
onwaarschijnlijk. Vooreerst, omdat hij daardoor de kunsteenheid van zijn
eerste werk zou hebben opgeheven; ten anderen omdat hij dan later in de
20e branche den aanhefsregel

    Ce dist l'estoire _ès premiers vers_,

wel zou hebben veranderd; eindelijk omdat de schrijver van 1_b_ ook
branche 19 voor zich had, die zeer zeker niet door den dichter van 20_a_
is bearbeid.

Vs. 636 toch zegt Renart tot den wolf:

    Ne forfis rien à vostre fame,
    Et por moi et por lui desfandre
    Tot par là où le vodrez prendre,
    Un sairement vos aramis
    Au los de voz meillors amis.

Men ziet duidelijk, dat dit eene toespeling is op de eedsaflegging die
in de 19e branche omstandig verhaald wordt.

Met die 19e heeft ook 1_b_ nog dat gemeen, dat in beiden Ysengrin
_conestable_ genoemd wordt[84], b.v. vs. 352 en 8255, 8363, 8521.

De branche 1_b_ kan dus niet van den dichter van 20_a_ zijn. Treffen wij
dus bij beiden dezelfde opmerkelijke uitdrukkingen, dan kan er alleen
aan overneming gedacht worden. Zoo geschiedt dit vs. 504, waar wij
lezen:

    .... Renars cix rous, cix puanz,
    Cix viz lechierres, cix garçons,
    Vos _monta onques ès arçons_.

Hieruit volgt dan ook, dat het gebruik dier uitdrukking in 21-22 nog
niet noodzakelijk bewijst dat deze branche door den dichter van 20_a_
moet zijn bewerkt.

Br. 1_b_ schijnt nog eene uitdrukking met 20_a_ gemeen te hebben. Vs.
632 zweert Renart dat hij des wolfs vrouw niet heeft geschoffeerd:

    Par Dieu, beau sire, ne'l créez,
    Que nules riens i aie faites,
    _Ne dras levez, ne braies traites_;
    Ains par cest cors ne par ceste ame!
    Ne forfis rien à vostre fame."

In welke houding gij mij ook gezien hebt, dat wat gij vermoedt, heeft
geen plaats kunnen hebben; want zie maar, ik heb bij haar geen _dras
levez_, noch bij mij zelf _braie traite_.

In de 20e branche zegt de vos, vs. 10997, tot zijne verdediging:

    »Et puis qu'i _n'i ot braies traites_,
    Ne huis brisiez, ne portes fraites,
    S'ele m'a chier, et ele m'aime,
    Cix faus jalous de coi se claime?"

Hier is intusschen de uitdrukking _traire braies_ niet op hare plaats;
zij is hier blijkbaar den afschrijver uit de pen geschoten, wien zij uit
de eerste branche, die vooraan in het manuscript stond, in het hoofd
lag. Waarschijnlijk moet hier gelezen worden:

    Et puis que n'i ot _force fète_,
    Ne huis brisiez, ne porte frète,

even als op eene andere plaats, vs. 9761, de das zegt:

    »Et puis qu'il n'i ot force fète,
    Ne huis brisié, ne trive frète,
    Se Renars le fist par amors,
    N'i afiert ire ne clamors.

Dat echter de eene uitdrukking de andere heeft in 't leven geroepen, is
meer dan waarschijnlijk.

Nog eene bijzonderheid mag ons niet ontgaan. Reinaert had, gelijk wij
van elders weten, meer dan één kasteel, even als elke goede vos meer dan
één hol heeft. Behalve _Malpertuis_, wordt ook nog _Malcrues_ genoemd.
Zoo b.v. in de 19e branche, vs. 5972:

    Et il se r'est en _Malcrues_ mis,

en vs. 8932:

    Droit à _Malcrues_ son repère,

zoo als een der codices leest[85], maar waarvoor de uitgave van MÉON
terecht leest _Malpertuis_, zoo als de rhythmus leert.

Die zelden voorkomende naam hoort waarschijnlijk ook in branche 20_a_
(16) t'huis; immers vs. 10803 zegt de vos in zijne biecht, van eene
vorige belegering van zijne burcht sprekende,

    Qant li ost[86] fu devant _mon crues_,
    ........................
    Tuit furent batu et ploié.

Moest men daar in steê van het meer algemeene gezegde niet den eigennaam
van Reinaerts burcht verwachten, en lezen: _devant Malcrues_?

Opmerkelijk is het, dat dezelfde schrijffout, natuurlijk van denzelfden
afschrijver, ook in branche 1_b_, vs. 568 voorkomt, waar het heet:

    Ainz ne fina d'esperoner
    Jusqu'a l'entrée _d'un mal crues_,

waar blijkbaar _de Malcrues_ moet gelezen worden, daar weinige verzen
later, vs. 577, juist van die plaats gezegd wordt:

    Li chastiaus estoit auques fort.

Daar nu dezelfde naam ook in de 19e branche voorkomt, behoeft het geen
betoog, dat zij in de 1e er niet toe kan leiden om deze aan den dichter
der 20e toe te schrijven.

De einduitkomst van dit onderzoek moet, dunkt mij, zijn, dat branche
20_a_ eenmaal op zichzelf stond, en dat daaraan _iets later_ door den
schrijver van 20_b_ ook de branche 21-22 werd toegevoegd. Waarschijnlijk
heeft wederom een jonger schrijver uit dezelfde landstreek er ook de
19e branche bijgedicht.

Zoowel ROTHE[87], als GRIMM[88] hebben reeds opgemerkt, dat het begin
der 20e (16e) branche zich aan de vorige aansluit, waarin verhaald
wordt, hoe Renart zich onttrok aan het afleggen van een zuiveringseed op
het lijk van een martelaar, omdat hij ontdekt had, dat men hem in eene
hinderlaag wilde lokken. De fransche branche 20 zegt, vs. 9689:

    Quant li saint furent aporté,
    Il se retraist mout tost arière,
    Si se féri en sa taisnière.

En evenzoo in den mnl. _Reinaert_, vs. 82:

                    Also saen
    Alse die heleghe waren brocht,
    Was hi andersins bedocht,
    Ende ontfoer in sine veste.

Zoo er al samenhang is, beide genoemde geleerden zijn het eens, dat
evenwel die twee branches van verschillende dichters zijn. Ook wij
nemen die stelling aan, hoewel zij ons bij ROTHE vreemd klinkt om de
opvallende overeenkomst in karakter met branche 20_b_, die hij niet van
20_a_ scheidt.

Dat de 19e branche reeds op de 20e voorbereidt, bewijst slechts dat men
er naar streefde om ze beiden aan een te rijgen. Daarom zegt Grimbert in
het slot tot den wolf, vs. 9635:

    ».... por Renart..........
    Alez à cort, ne fètes noise:
    De rien i a de mesprison,
    Là vos en fera-il reson."
    Dist Ysengrins: »Je m'i acort:
    Quel part que la parole tort,
    Ouen en Mai ferai mon claim:
    A mon seignor, que je moult aim,
    Me clamerai del traïteur" _etc._

Maar dit geeft ons nog geen recht beide branches aan denzelfden
schrijver toe te kennen; zelfs niet als wij weten, dat zij ook een
Vlaming tot auteur heeft, zoo als ons uit zijne taal kan blijken.

Immers vs. 9202 zegt hij:

    Anuit aurez moult bon herbert,

wat niets anders is dan eene gewijzigde uitspraak van _herberc_, ons
_herberg_, en dus verschilt van het gewone _héberge_.

Vs. 9147 leest men nog bepaalder:

    Grimbert respont: »Ja, ja."

De schrijver kende de geheele 20e branche, zoowel het oorspronkelijke
deel als het toevoegsel.

Uit het eerste nam hij, vs. 9267, de namen _Goubert_ (br. 20_a_, vs.
10371), en vs. 9261, _dame Poufile_ (br. 20_a_, vs. 10378).

Uit het tweede den banierdrager, daar hij, vs. 9045, schrijft:

    Cel jor porta le confanon
    Li putoiz qui Foinez ot non.

In de 20e branche is _li limaçons_ de banierdrager, vs. 11313, 11558,
11617; maar juist uit de bijvoeging _cel jor_ blijkt, dat de schrijver
zich van de afwijking bewust was, en dus 20_b_ kende.

In br. 20_b_ zien wij de dieren, als ware ridders, met lans en speer
tegen Reinaerts burcht optrekken. In dit opzicht gaat de schrijver van
br. 19 nog verder, daar hij zelfs van een hond, die niet tot de edeler
dieren der hofhouding behoort, en die Reinaert najaagt, zegt, vs. 9481:

    Primes i cort, ainz que li autre,
    _Lance levée sor le fautre_,
    Rooniax li chiens.

Dat dit alles ontleend is, blijkt nog uit kleinigheden. Zoo b.v. noemt
de schrijver van branche 19 zelden de namen der edeler dieren: in den
regel heet bij hem de koning slechts _li lions_, vs. 8346, 8383, 8476,
8876, 8907, 9021; de beer, _li ors_, vs. 8745, 8774, enz.

Eenmaal bestond er zeer zeker een streven om de branches 19, 20, 21-22
met elkander in verband te brengen[89]: door wien, en wanneer is nu die
vereenigingsband om deze gedichten geslagen?

Mij dunkt dit heeft ongeveer in de tweede helft der dertiende eeuw
moeten plaats hebben, toen wellicht de branches 1_b_, 19, 20, 21-22 als
een zeker geheel werden aangemerkt.

In de veertiende eeuw schijnt deze band weêr te zijn verbroken, daar men
bij de bijeenzameling van meerdere branches eene andere rangregeling
moest aannemen om de gebeurtenissen elkander zoo regelmatig mogelijk te
laten opvolgen.

Zoo werd b.v. de eerste branche in het handschrift, dat MÉON tot
grondslag van zijne uitgave legde, geheel vooraan geplaatst, en dit hs.
is het eenige waarin branche 19 onmiddellijk aan de 20e voorafgaat,
terwijl zij in al de anderen verre daarvan verwijderd staat.

Die vereeniging had echter eerst plaats nadat reeds 20_a_ en _b_ waren
tesamengesmolten, en wellicht ook 21-22 daaraan toegevoegd, maar nog
niet de 19e; want het is opmerkelijk, dat de schrijver van onzen
_Reinaert_ de personagie van Roonel den hond, die toch in de 20e branche
voorkomt, in 't geheel niet noemt, waaruit men zou mogen opmaken, dat
hij het verhaal, waarin deze eene hoofdrol speelt, niet gekend heeft.


V.

Nu wij ons eenigsins hebben bekend gemaakt met de fransche branche, die
wij als de mogelijke bron van onzen _Reinaert_ aanzien, kunnen wij er
toe overgaan om door eene nadere vergelijking de waarheid van ons
beweren te staven.

Wij zullen punten van overeenkomst aantreffen die treffend zijn, maar
ook zeer merkwaardige afwijkingen. Om dus de verhouding van ons gedicht
tot het fransche aan te wijzen, om eenig meerder licht te verspreiden
over het ontstaan van den _Reinaert_, en een duidelijker inzicht te
verkrijgen in zijne kunstwaarde, moeten wij zoowel de overeenstemming
als de afwijking in bijzonderheden nagaan.

WILLEMS heeft reeds de rangnummers van vele overeenkomstige verzen van
beide teksten naast elkander geplaatst[90], maar om de letterlijke
overeenkomst recht duidelijk in het oog te doen vallen, om allen
mogelijken twijfel weg te nemen, moeten wij de voornaamste letterlijk
eensluidende plaatsen nevens elkander den lezer voor oogen stellen.

Na eene inleiding van weinige verzen begint het fransche gedicht aldus,
vs. 9659:

      Ce dist l'estoire ès premiers vers,
    Que jà estoit passez yvers,
    Et l'aube-espine florisoit,
    Et que la rose espanisoit,
    Et pres fu de l'Acension,
    Que sire Noble, le lyon,
    Toutes les bestes fist venir
    En son palès por cort tenir.
    Onques n'i ot beste tant ose,
    Qui se tardast por nule chose,
    Qu'ele n'i viengne hastivement,
    Fors dans Renars tant solement.
    Le mal baron, le sodoiant,
    Que tuit li autre vont huiant,
    Et encusant devant le roi,
    Par son engin, par son desroi.

Evenzoo vangt, na eene inleiding, onze _Reinaert_ aan, vs. 41:

      Het was in enen Sinxendaghe,
    Dat beide bosch ende haghe
    Met groenen loveren waren bevaen.
    Nobel, die coninc, hadde ghedaen
    Sijn hof craieren over al,
    Dat hi waende, hadde hijs gheval,
    Houden te wel groten love.
    Doe quamen tes coninx hove
    Alle die diere, groot ende clene,
    Sonder vos Reinaert allene:
    Hi hadde te hove so vele mesdaen,
    Dat hire niet ne dorste gaen.
    ....................
    Doe al dat hof versamet was
    Was daer niemen..........
    Hine hadde te claghene over Reinaerde
    Den fellen, metten roden baerde.

           *       *       *       *       *

    Et conpissa toz mes loviax.                      9685.
    Ende mine kindre so mesvoert,              _Rein._ 74.
    Dat hise besekede.

           *       *       *       *       *

    Renarz prist jor de l'escondire                  9687.
    Qu'il n'avoit pas fait l'avoutire.
    Quant li saint furent apporté,
    Ne sai qui li ot enorté,
    Il se retraist mout tost arière,
    Si se féri en sa taisnière.
    Het was sint so verre comen,               _Rein._ 79.
    Datter een dach af was ghenomen,
    Ende Reinaert soude hebben ghedaen
    Sine onsculde: ende also saen
    Alse die heleghe waren brocht,
    Was hi andersins bedocht,
    Ende ontvoer in sine veste.

           *       *       *       *       *

    Quant la vegile fu chantée                      10109.
    Le cors portèrent enterrer;
    Mès ainçois le firent serrer
    En un moult bel vessel de plon,
    Ains plus riches ne vit nus hon;
    Puis l'enfoïrent soz un arbre,
    Et par desus mistrent un marbre,
    S'i ont escrit le non la dame.
    Doe die vigilie ghehent was,              _Rein._ 450.
    Doe leidemen Coppen in dat graf,
    Dat bi engiene ghemaket was,
    (Onder die linde, in een gras,)
    Van maerberstene, die slecht was:
    Die letteren, die men daer ane sach,
    Ane den sarc, die daer up lach,
    Deden ane tgraf bekinnen,
    Wie daer lach begraven binnen[91]

           *       *       *       *       *

    S'estoit devant la barbaquane.                  10179.
    Doe ghinc hi vor die barbecane            _Rein._ 522.
    Sitten over sinen staert.

           *       *       *       *       *

    Je sui Brun, mesagier le roi.                   10190.
    Ic bem Brune, des coninx bode.            _Rein._ 525.

           *       *       *       *       *

    Renarz qui tot le mont engane,                  10180.
    Por reposer s'est tret arière
    Enmi le fonz de sa tesnière.
    ....................
    Renarz set bien ce est li ors,
    Reconnéu l'avoit au cors (_sic_):
    Lors se commence à porpenser
    Conment son cors porra tenser:
    En grant paine est d'estudier
    Conment le puisse conchier.
    Bi der tale, die Brune heeft begonnen,    _Rein._ 538.
    Bekenden altehant Reinaert,
    Ende tart bet te dalewaert,
    In sine donkerste haghedochte:
    Menichfout was sijn ghedochte,
    Hoe hi vonde sulken raet,
    Dat hi Brune, den fellen vraet,
    Te scerne mede mochte driven,
    Ende selve bi siere ere bliven.

           *       *       *       *       *

    Brun, fet Renarz, biax doz amiz,                10199.
    En moult grant paine vos a mis
    Qui çà vos a fet avaler!
    Ge m' en devoie là aler....
    Here Bruun, wel soete vrient,             _Rein._ 549.
    Hi hevet u qualike ghedient,
    Die u beriet desen ganc,
    Ende u desen berch lanc
    Over te lopene dede bestaen;
    Ic soude te hove sijn ghegaen....

           *       *       *       *       *

    Nomine Pastre, Christum file!                   10237.

In den _Reinaert_ komt deze uitroep niet hier voor, maar wordt later,
vs. 1824, den vos in den mond gelegd:

    Nomine Patrum, Christum file!

           *       *       *       *       *

    Cel miel,                                       10239.
    Jà est-ce la chose du monde
    Que je miex aim et plus desirre.
    Qar m'i menez, biau très doz sire!
    Honich es ene soete spise,                _Rein._ 577.
    Die ic vore allen gherechten prise,
    Ende vore allen gerechten minne.
    Reinaert, helpt mi, dat ics ghewinne!

           *       *       *       *       *

    Atant se mettent à la voie,                     10276.
    Onques n'i ot resne tenu,
    De si à tant qu'il sont venu......
    Ende liepen daer si lopen wilden,        _Rein._ 1165.
    Dat si nie toghel uphilden
    Eer si quamen............

           *       *       *       *       *

    Un chesne ot commencié à fendre:                10282.
    Deus coins de chiesne toz entiers
    I avoit mis.
    Ene eke                                   _Rein._ 651.
    Die hi ontwee clieven soude,
    Ende hadde twee wegghen daerin ghesleghen.

           *       *       *       *       *

    Or del mengier, puis irons boire.               10290.
    Haddi gheten, so soudi drinken.           _Rein._ 706.

           *       *       *       *       *

    Et Bruns i mist lors son musel,                 10292.
    El chesne, et les deus piez devant.
    (Bruun) thooft over die oren              _Rein._ 678.
    Ende die verdere voete in stac.

           *       *       *       *       *

    De loing esta, si le ramposne.                  10316.
    .... hi sijn oom ghine rampineren.        _Rein._ 703.

           *       *       *       *       *

    Qui portent tinel, et qui hache,                10338.
    Qui flael, qui baston d'espine.
    Sulc was, die enen bessem brochte,        _Rein._ 722.
    Sulc enen vleghel, sulc een rake;
    Sulc quam ghelopen met enen stake.

           *       *       *       *       *

    .... Lanfroi                                    10356.
    Qui devant vint à une hache.
    Vore hem allen guam gheronnen             _Rein._ 734.
    Lamfroit met ere scaerper acx.

           *       *       *       *       *

    Onc nus ne vit si lede beste!                   10364.
    Nie maecte God so lelic dier!             _Rein._ 746.

           *       *       *       *       *

    Cil qui fet pingnes et lanternes.               10393.
    Ene houtmakerigge van laternen.           _Rein._ 804.

           *       *       *       *       *

    De quel ordre volez-vos estre,                  10414.
    Qui roge chaperon avez?
    In wat ordinen wildi u doen,              _Rein._ 943.
    Dat ghi draghet root capproen?

Zie wegens de overeenkomst van vs. 10416 en _Rein._ 952-3 de varianten
op dit vers.

    Dist li rois: Bruns, qui t'a ce fet?            10429.
    Ai God, wie heeften so mesmaect?          _Rein._ 987.

           *       *       *       *       *

    Rois, fet-il, si m'a mal-bailli                 10434.
    Renarz, com vos povez véoir.
    Ende hevet mi ghemaect alse ghi siet.     _Rein._ 997.

           *       *       *       *       *

    A véu l'oisel Saint-Martin.                     10472.
    Sach hi                                  _Rein._ 1046.
    Sente Martins voghel, ende quam ghevloghen

           *       *       *       *       *

    Assez si le hucha à destre:                     10473.
    Et li oisiax vint a sénestre.
    »Vliech te miere rechter hant!"          _Rein._ 1051.
    Die voghel vlooch..........
    ....................
    Ende vlooch Tibert ter luchter siden.

           *       *       *       *       *

    Tybert, fet li Renarz, villecome.               10493.
    Neve, ghi sijt mi willecome.             _Rein._ 1073.

           *       *       *       *       *

    Mès sa parole que li coste?                     10498.
    Wat cost Reinaerde scone tale?           _Rein._ 1077.

           *       *       *       *       *

    Martinet                                        10564.
    Avoit au trou deus laz tenduz,
    Por Renart prendre, le gorpil,
    ......................
    Et Renarz l'enging savoit bien.
                          Martinet           _Rein._ 1175.
    ... hadde vor dat gat gheset
    Een strec, den vos mede te vane:
    ..................
    Dit wiste Reinaert, dat felle dier.

           *       *       *       *       *

    Je t'atendré au trou çà fors.                   10573.
    Ende sal u hier buten beiden.            _Rein._ 1187.

           *       *       *       *       *

    Tybert s'en eschape, li chaz,                   10605.
    Qu'il ot as denz mengié les laz.
    So dat hi metten tanden sinen            _Rein._ 1316.
    Die pese midden beet ontwee.

           *       *       *       *       *

    A tot le mains en sa paroche                    10631.
    Ne puet soner c'à une cloche.
                  en es gheen lachter,       _Rein._ 1300.
    Dat hi ludet met ere clockn.

           *       *       *       *       *

    Alez donc tost, si l'amenez,                    10653.
    Gardez sanz lui que revenez.
    Gaet, ende eer ghi wederkeert,           _Rein._ 1016.
    Besiet, dat Reinaert met u come.

           *       *       *       *       *

    Qar je n'i voi prestre plus près.               10744.
    Hier nes ander pape bi.                  _Rein._ 1442.

           *       *       *       *       *

    Se je muir, si serai toz sax.                   10730.
    Mine siele sal te claerre wesen.         _Rein._ 1445.

           *       *       *       *       *

    Or s'en vont li baron à cort.                   10871.
    Die heren hebben den wech bestaen        _Rein._ 1696.
    Tote des conincs hovewaert.

           *       *       *       *       *

    Vers cele cort à ces gelines,                   10888.
    Là est la voie que lessons.
                        Te ghenen hovewaert  _Rein._ 1706.
    So leghet onse rechte strate.

           *       *       *       *       *

    Fet-il, je l'avoie oblié.                       10896.
    Ic hads vergheten, lieve neve.           _Rein._ 1725.

           *       *       *       *       *

    Et nequedent sovent colie                       10912.
    Vers les gelines cele part,
    Moult est dolent quant il s'en part;
    Et qui la teste li coupast,
    As gelines tantost alast.
    Hoe dicke sach Reinaert achter rugghe    _Rein._ 1730.
    Weder, daer die hoenre ginghen!
    Hine conste hem niet bedwinghen,
    Hine moeste siere seden pleghen:
    Hadde men hem thooft af gesleghen,
    Het ware ten hoenrewaert ghevloghen.

           *       *       *       *       *

    Et Bruns qui la teste ot vermeille.             10938.
                              Brune,         _Rein._ 1820.
    Dien noch bloedich es die crune

           *       *       *       *       *

    Rois, fet Renarz, je vos salu                   10943.
    Con cil qui plus vos a valu
    Que tuit li baron de l'empire.
    Ic groet u, coninc, ende hebbes recht;   _Rein._ 1777.
    En hadde nie coninc enen cnecht
    So ghetrouwe jeghen hem
    Als ic oit was ende bem.

           *       *       *       *       *

    Qar cil sont serf par nature.                   10960.
    Die scalcheit es hem binnen gheboren.    _Rein._ 1795.

           *       *       *       *       *

    Renart, Renart, dist l'emperère,                11021.
    ....................
    Bien savez parler et plaidier,
    Mès ce que vaut? n'i à mestier;
    N'en partirez en nule guise
    Que de vos n'en face justise.
    Die coninc sprac: »Owi Reinaert,         _Rein._ 1800.
    Owi Reinaert, onreine quaet,
    Wat condi al scone ghelaet!
    Dat en can u ghehelpen niet een caf.
    Nu comt uwes smekens af:
    In werde bi smekene niet u vrient.

           *       *       *       *       *

    Se Bruns.....                                   10978.
    Et li vilains le ledenja,
    Et il por coi ne se venja?
    Was hi (Br.) teblouwen oft versproken,   _Rein._ 1827.
    Waer hi goet, het ware ghewroken.

           *       *       *       *       *

    Et si me face ardoir ou pendre,                 11015.
    Qar ne me puis vers lui deffendre.
    Wildi mi sieden, ofte braden,            _Rein._ 1842.
    Ofte hanghen, ofte blenden,
    Ic ne mach u niet ontwenden.

           *       *       *       *       *

    Mès ce seroit povre venjance.                   11018.
    Dat ware ene cranke wrake.               _Rein._ 1849.

           *       *       *       *       *

    Ez-vos Renart le pelerin                        11169.
    Escherpe au col, bordon fresnin.
    Nu wart Reinaert pelgrijn,               _Rein._ 2997.
    ....................
    Scerpe ende palster omme den hals.

           *       *       *       *       *

    Dame, fet-il, vostre proière                    11189.
    Devroie-ge avoir moult chière;
    Moult par devroit estre haitiez
    Por qui proier daingneriez.
    Bidt vor mi, edele vrouwe,               _Rein._ 2745.
    Dat ic u met lieve weder scouwe.

Opmerkelijk is ook nog dat de eigenaardige fransche vocativus[92] (vs.
10445):

    Où estes-vos, Tyberz li chaz?

evenzoo in den Comburger codex (vs. 421) gevonden wordt:

    Die coninc sprac: Grimbert die das,
    U oom _enz._

Al die plaatsen komen zoo letterlijk overeen, dat er geen twijfel over
kan blijven, of het eene stuk is eene vertaling van het andere. Maar
ziet, er komen nu zoo vele afwijkingen in beiden voor, dat men weder
begint te twijfelen en naar een ander origineel omziet. Men zal daarbij
echter met omzichtigheid moeten te werk gaan.


VI.

Wat zou dat andere origineel kunnen zijn? Het ouder gedicht dat aan de
fransche branche ten grondslag ligt? Men zou misschien geneigd zijn dit
aan te nemen, als men durfde gissen, dat de veelvuldige gelijkluidende
assonancen in den _Reinaert_ (zie boven, bl. XXV vlg.), ontstaan waren
uit navolging van een fransch stuk dat in _tirades monorimes_ geschreven
was, hetgeen dan noodzakelijk ouder zou moeten zijn dan de 20e branche,
die in _rimes plates_ is geschreven. Maar vooreerst is er geen spoor
over van een fransch gedicht in tiensylbige regels uit dezen cyclus[93];
en buitendien bewijst de eigenaardigheid van het vlaamsche gedicht
niets, daar in geene andere vertaling van tiensylbige fransche verzen
met assonnance eenig spoor van des oorspronkelijken versbouw over is.
Overigens hebben wij reeds betoogd, dat juist de bekende fransche tekst
veel nader aan dat origineel staat dan onze vlaamsche _Reinaert_[94].
Dus eene andere omwerking van dien ouderen tekst misschien? Maar is
het mogelijk aan eene andere fransche omwerking te denken, daar de
_Reinaert_ juist met MÉONS branche zoo vele afwijkingen van het
origineel gemeen heeft, en, gelijk wij zagen, niet slechts in het
algemeen denzelfden geest als deze ademt, maar ook grootendeels
denzelfden gang heeft, en daarenboven in een aantal plaatsen eene
letterlijke, in een grooter aantal eene meer vrije navolging daarvan
levert?

Om alle onderstellingen uit te putten vragen wij nog: kan het ook eene
omwerking der branche van MÉON geweest zijn? Maar ook dit is onmogelijk;
daar zeer zeker een zoo voortreffelijk stuk veeleer zou zijn bewaard,
dan het minder afgewerkte, waarvoor het in de plaats trad.

Voegen wij er thans nog bij, dat de eigenaardigheid in het rijmsysteem
van het vlaamsche stuk ook teruggevonden wordt in onze fransche branche,
welke overeenkomst zeker geene toevallige kan zijn, en wel in rekening
gebracht mag worden om de filiatie dezer twee stukken te betoogen[95].

Vestigen wij voorts onze aandacht op dat gedeelte van ons vlaamsch
gedicht dat het meest van het Fransch afwijkt, dan blijkt ons dit zoo
eigenaardig Vlaamsch, dat het ons reeds terstond veel waarschijnlijker
moet voorkomen, dat dit een zelfstandig, onvertaald, oorspronkelijk
opgevat en bewerkt stuk moet zijn, gelijk ons later nog duidelijker zal
blijken.

Dit voert reeds tot het vermoeden, dat de overige afwijkingen van het
Fransch ook wel een anderen grond konden hebben dan een ons onbekend
ander origineel.

Trouwens, heeft de vlaamsche dichter ook wel uitsluitend willen
vertalen? Slaan wij het oog op hetgeen hij zelf zegt in den aanhef van
zijn werk.

Hij kende »davonturen van Reinaerde," daar het hem immers anders niet
had kunnen »vernoyen", dat zij

    In Dietsce onghemaket bleven.

Het »vernoyede" hem zoo zeer,

    Dat hi die vite dede soeken,

dat hij zich de levensbeschrijving verschafte,

    Ende hise na den Walschen boeken
    in Dietsce...... hevet begonnen.

Hij zocht dus, of deed zoeken, de geheele vite, en bewerkte zijn gedicht
niet naar _één boek_, maar volgens DE _fransche_ BOEKEN.

Dat hij zich hoofdzakelijk bepaalde tot dat gedeelte der sage dat,
blijkens de verschillende navolgingen, reeds in 's dichters tijd voor
het beste gehouden werd, en ook thans nog door alle beoordeelaars als de
uitstekendste aller branches wordt aangemerkt[96], is hoogstnatuurlijk;
maar slaafsche navolging hebben wij daarbij niet te wachten:
verbeteringen, aanvullingen, die dan waarschijnlijk geput zullen zijn òf
uit de andere fransche branches, òf uit de overlevering, die den dichter
bekend was[97]. Zien wij dit in de bijzonderheden.

De grootste afwijking bestaat in het verhaal van hetgeen er ten hove
gebeurde, nadat Reinaert er verschenen was. In het Fransch schenkt de
koning den vos vergiffenis op bloote voorspraak van Grimbert, zonder dat
die genade gemotiveerd is, en alleen op voorwaarde dat Reinaert als
pelgrim het heilige land zal bezoeken. Naauwelijks heeft hij genade
verworven, en is hij buiten 's konings macht, of hij ontdoet zich, vs.
11262

    Et du bordon et de l'escherpe:
    Son cul en tert, volant les bestes,
    Puis si lor giete sor les testes.

Nu stormt het geheele gevolg des konings hem na en jaagt hem binnen
Malpertuis, waar hij veilig is,

    Où il ne crient ost ne asaut.

Dan volgt een toevoegsel. Reinaerts burcht wordt belegerd: van zijne
tinnen beschimpt de vos zijne belagers, en schoffeert zelfs op zekeren
nacht de koningin. Maar bij die gelegenheid wordt de bedrieger gevangen
genomen, die nu zou worden gehangen. Ter goeder ure kwamen echter
Reinaerts echtgenoot en kinderen, en brachten

    Un somier tot chargié d'avoir,

dat zij den koning aanboden.

    Rois Nobles choisi le tresor,               Vs. 11817.
    Qu'est devant li, d'argent et d'or;
    De l'avoir fu moult covoitos.

Geen wonder dan ook, dat hij gaarne voor dien schat Reinaert op nieuw
genade schonk.

En dan volgt er (vs. 11853) waarschijnlijk een nieuw toevoegsel, waarbij
wij ons niet zullen ophouden.

Nu behoeft men den _Reinaert_ van vs. 1873 af tot aan het einde slechts
vluchtig te doorloopen, om zich van de meerdere voortreffelijkheid van
het vlaamsche stuk boven zijn origineel te overtuigen. Alles is hier
met uitnemende kunst behandeld: eenheid en samenhang zijn treffend
behouden, omdat elke bijzonderheid goed en natuurlijk is gemotiveerd.

En toch vond de dichter de aanleiding tot zijne hoofdmomenten in het
fransche stuk. Reeds bij de derde indaging van Renart doet de koning hem
daar weten dat hij met den strop zal gestraft worden; hij moet zich ten
hove komen verantwoorden, en behoeft geld noch goede woorden meê te
brengen (vs. 10724),

    Si n'i aport or ne argent[98];

Als Reinaert voorts van de koningin een ring erlangt, zegt hij haar, vs.
11197:

    Redonrai vos de mes joiax
    Tant que vaura bien cent aniax;

en later wordt hij werkelijk, onder bemiddeling der koningin, door een
grooten schat van den dood vrijgekocht. Dit laatste heeft ook in den
_Reinaert_ plaats, maar onder zeer gewijzigde omstandigheden; en ROTHE
heeft er reeds op gewezen, dat de schat, waardoor in het Fransch 's
konings toorn gestild wordt, »rappelle l'idée générale d'un trésor qui
influe sur la résolution du souverain. Mais"--voegt hij er bij--»il
y a fort loin de là au trésor imaginaire de _Reineke_"[99]. Hoe groot
het onderscheid ook zij, de overeenkomst van het gronddenkbeeld is
onloochenbaar, gelijk wij ook later onder het frissche vleesch van onzen
_Reinaert_ het gebeente der fransche branche zullen kunnen tasten.

De schat van koning Hermelinc wordt in het vlaamsche stuk zoo natuurlijk
mogelijk in het verhaal gebracht, en heeft het dubbele voordeel, dat
Reinaert daardoor niet alleen 's konings gunst verwerft, maar ook dat
hij, vs. 2175,

    Brune ende Isengrijn bede
    In veten ende in ongheval
    Jeghen den coninc bringhen sal.

Maar hoe kwam de dichter op de gedachte om op die wijze zijn voorbeeld
te wijzigen? Blijkbaar putte hij die uit de traditie: »Dass Ermenrich
in die erzählung gemengt ist," zegt GRIMM[100], »verräth einen uralten
Deutschen zug; wahrscheinlich ist eine flandrische tradition mit dabei
im spiel." En hij haalt daarbij eene plaats aan uit de _Miracula Sti
Bavonis_, in de tiende eeuw geschreven, waaruit blijkt, dat men koning
Hermenrijk voor den stichter der burcht te Gent hield, waar hij groote
schatten vergaderd had[101].

Het geheele denkbeeld van eene biecht kon hij uit de fransche 20e
(16e) branche ontleend hebben, waarin zij althans met een woord wordt
aangestipt; vs. 11717 raadt Grimbert den vos, die op 't punt stond van
gehangen te worden,

    Or vos déussiez confesser,

en wat later, vs. 11807, komt zijne vrouw met den schat aan

    Ançois qu'il ait dit sa confesse.

Het denkbeeld om zich op den beer en den wolf te wreken, en hen van een
deel van hunne huid te berooven, is niet aan de 20e branche ontleend;
maar het was blijkbaar oud. In het Fransch zoowel als in de latijnsche
gedichten[102] vindt men dit incident in de verhalen waarin de kranke
leeuw door den vos genezen wordt[103]. En hetgeen merkwaardiger is, is
dit, dat zoowel in den _Isengrimus_, den mhd. _Reinhart_, als in de 26e
(21e) fransche branche, die wraakoefening voorafgegaan wordt van den
hofdag waar Reinaert wordt aangeklaagd.

Blijkbaar schijnt intusschen op den hofdag bij den kranken koning de
aanklacht tegen den vos maar weinig plaats te hebben beslagen, gelijk de
_Isengrimus_ leert. Of dit tafreel van lieverlede meer in het breede is
uitgewerkt, om eindelijk als zelfstandig verhaal te worden behandeld,
dan of de afzonderlijke ding-dag aanleiding gaf tot meerder uitbreiding
van soortgelijk verhaal in het eerste deel der branche van de genezing
des konings, is niet licht uit te maken. Ik zou intusschen niet
ongeneigd zijn het eerste aan te nemen. Daarvoor pleit, dunkt mij,
vooreerst de samenvoeging in den mhd. _Reinhart_; maar ten anderen ook
de 26e (21e) fransche branche.

Zij begint ook met een hofdag op den Pinksterdag.

    Ce fu entor la Pantecoste,                  Vs. 17885.
    Que dant Nobles tenoit sa feste:
    Asanblée i ot mainte beste;
    ....................
    Mais li chastelains de Val-gris,
    Dans Renarz, de qui toz max sort,
    N'ert pas adonc venu a cort.

Isengrim begint ook hier de aanklacht tegen zijnen vijand, die echter
door Tybert verdedigd wordt. Hoewel hij reeds herhaaldelijk gedaagd is,

    Plus de dis foiz, voire de vint,

wordt hij opnieuw opgeroepen, eerst door den hond Roonel, wiens vrouw
hem echter waarschuwt, zeggende, vs. 18172:

    Manbre-vos de Tybert le chat,
    A qui fist panre tant mal mors.
    Et de Belin, et de Brun l'ors,
    A qui il fist perdre la pel
    Des orailles dusc'au musel.

Roonel volbrengt intusschen zijne boodschap, maar wordt door den vos in
't ongeluk gestort. Dan volbrengt het hert de tweede indaging, en ook
deze bode komt slecht van de reis. De koning wordt daardoor zoo
vertoornd, dat hij de koorts krijgt. Daarop begeeft Grimbert zich naar
Reinaert om hem deze boodschap te brengen; waarop dan de geschiedenis
der genezing des konings door den vos begint.

Men ziet duidelijk, dat dit eene navolging is van de driedubbele daging
uit onzen _Reinaert_, gelijk reeds door GRIMM is opgemerkt[104], die er
echter op laat volgen: »gewis gab es ein älteres, mehr zu dem deutschen
stimmendes franz. gedicht." Hij zegt dit vooral met betrekking tot het
laatste gedeelte der branche; maar wellicht geldt het evenzeer van het
eerste stuk, dat zeer zeker »einen spätern umarbeiter verräth."

Daar hij nu een ouder gedicht omwerkte, kan _zijne_ inleiding daarin
niet voorhanden geweest zijn: hij heeft dus hier zijn voorbeeld
veranderd. Hoe kwam hij daartoe? en waarom deed hij het juist zoo? Mij
dunkt, het ligt voor de hand om aan te nemen, dat hij dat ouder eerste
gedeelte niet opnam, omdat dit tot een zelfstandig gedicht verwerkt was.
En dat dit juist het onze is geweest, is niet onwaarschijnlijk, omdat
dit juist het best verklaart hoe hij juist eene blijkbare navolging van
dit stuk voor het oorspronkelijke in de plaats schoof.

Waarschijnlijk kende de dichter van den _Reinaert_ dien ouderen
vorm, hetzij dan uit een der latijnsche stukken, den _Isengrimus_
of _Reinardus_, hetzij uit de mondelinge overlevering, daar hij
waarschijnlijk het ouder fransche gedicht niet gekend heeft; en zoo kwam
hij misschien op het denkbeeld om tot op eene zekere hoogte den draad
weder op te vatten die zijn fransch voorbeeld had laten schieten.

De mishandeling, het dooden van Cuwaert, hoewel in het Vlaamsch geheel
anders verhaald, moet ook uit het Fransch ontleend zijn, en wel uit
de 20e branche. Daar heet het, vs. 11209 vlg., dat Renart na zijne
begenadiging den haas, die zich in eene haag verborgen had, overweldigt
en hem meêsleept:

    En quide bien livroison fère                Vs. 11246.
    A ses faonz sans demorance.

Maar het gelukte Couart den moordenaar te ontsnappen (vs. 11272), en zoo
gewond en mishandeld als hij was

    (Les costez a toz pertuisiez,               Vs. 11279.
    Que li bordons i fu fichiez;
    Et la pel des piez et des mains
    A rompue, n'est mie sains.)

zich voor 's konings voeten te werpen en om hulp te smeeken, waarop
Noble, verontwaardigd over het verraad van Renart, beveelt hem na te
zetten.

Dat er werkelijk ontleening uit de fransche branche plaats had, mag ook
daaruit worden opgemaakt, dat in 't Vlaamsch de misdaad aan Cuwaert
gepleegd, niet gemotiveerd is; daar deze integendeel den vos, hoewel
door angst gedreven, nog een dienst had gedaan, zie vs. 2628 vlg.

Daarentegen had in 't Fransch de haas zich zijn ongeval op den hals
gehaald; want toen men Renart ter galg voerde, en alle dieren hem te
lijf gingen, had Couart hem van verre,

    De loing, que pas ne l'aprochoit,           Vs. 11106.

met een steen geworpen; en juist omdat

    En a crollé le chief Renart,

had de lafaard zich weggemaakt,

    Que onques puis ne fu véuz.

en in de haag, waar hij zich verscholen had, ontdekt hem later Renart,
die zich nu over den hoon hem aangedaan wil wreken.

Eindelijk komen wij tot het slottafreel van onzen _Reinaert_, dat
WILLEMS als een overgang tot het tweede boek beschouwde[105]. Over de
optreding van Firapeel hebben wij reeds gesproken[106]: het is hier de
plaats om een enkel woord te zeggen over de regels die hoofdzakelijk den
grondslag van WILLEMS' argument uitmaken; namelijk dat Firapeel zegt,
vs. 3406:

    Ende daer na sullen wi alle lopen
    Na Reinaerde, ende sulne vanghen,
    Ende bi siere kelen hanghen.

Zijn deze woorden uit de fransche branche ontleend, dan vervalt
natuurlijk de stelling van WILLEMS zonder eenige tegenspraak. Welnu, als
Cuwaert den koning Reinaerts nieuw verraad ontdekt heeft, roept Nobel
uit, vs. 11290:

    Or sai bien q'à mavès me tient.
    _Seignor, fet-il, or après tuit!_
    Que je le voi où il s'enfuit:
    Par le cuer bé, s'il vos estort,
    Vos estes tuit pendu u mort,
    Et cil de vos qui le prendra,
    Toz ses lignages frans sera.

De aanhaling zal genoegsaam zijn om te overtuigen, dat werkelijk de
aangetogen woorden van onzen _Reinaert_ uit de pen vloeiden van den
oudsten schrijver, en niet van den omwerker.

In het origineel geven de mannen des konings gehoor aan zijne stem en
jagen den verrader na, die zich eindelijk op zijne burcht bergt. In onze
navolging kon dit niet, omdat Reinaert zich reeds te Malpertuis bevond,
vanwaar hij zich buitendien met al de zijnen in de woestijn terug trok
(vs. 3310-4).

De laatst aangewezen plaats snijdt de mogelijkheid af om te denken aan
een plan om later in het gedicht uitvoering te geven aan Firapeels
belofte om Reinaert te vangen en te hangen.

Heeft intusschen de dichter van den _Reinaert_ het laatste gedeelte der
branche waarin het beleg van Maupertuis beschreven wordt gekend?

Het antwoord op die vraag kan niet anders dan bevestigend uitvallen.

Het eerste gedeelte van het verhaal der gebeurtenissen na Reinaerts
komst ten hove, tot aan zijne veroordeeling ter dood, _Rein._ vs.
1756-1890 stemt volmaakt overeen met vs. 10931-11094 van branche 20_a_;
maar dan verlaat ons gedicht dit eerste gedeelte om zich nader aan 20_b_
aan te sluiten.

_Rein._ vs. 1892 ziet men Grimbert met Reinaerts magen het hof verlaten,
want

    Sine consten niet verdraghen
    No sine consten niet ghedoghen,
    Dat men Reinaert vor haren oghen
    Soude hanghen alse een dief.

Zoo iets wordt in 20_a_ niet gevonden; maar later wordt in 20_b_
Grimberts smart aangestipt, vs. 11635:

    Por Dant Renart que l'en devoure
    Ploure Grinbert et prie et oure:
    Ses parenz ert et ses amis,
    Liez le voit et entrepris,
    Ne set conment il le reqoe.
    Que la force n'est mie soe.

_Reinaert_ vs. 1908 zegt de koning, die verlangt een einde aan de zaak
te maken:

                Twi sidi traech,
    Isengrijn ende here Bruun?
    ....................
    Salmen hanghen, twine doetment dan?

En ook 20_b_ zegt Nobel tot Isengrin, vs. 11787:

    Ce dist li rois, pensez del pendre,
    Que je ne voil mès plus atendre.

In den _Reinaert_ bereiden zich zijne drie vijanden, de wolf, de beer en
de kater toe om zelf den valschen moordenaar te hangen. In 20_a_ heet
het alleen, vs. 11095:

    Sor un haut mont en un rochier
    Fet li rois les forches drecier
    Por Renart pendre, le gorpil;

zonder dat er gezegd wordt wie zich met de strafoefening belastte. Maar
bij de tweede veroordeeling, in 20_b_, worden de dieren genoemd die zich
van hem meester maakten, vs. 11605:

    Lors Isengrin en piez se drece,
    S'aert Renart par la chevesce;
    Dou poing li done tel bufet,
    Del cul li fait saillir un pet.
    Et Brun l'aert par le chaignon,
    Les denz li met dusqu'au braon;
    ....................
    Tybert li chaz giete les denz
    Et les ongles, qu'il ot poignanz,
    Saisist Renart au peliçon,
    Bien li valut une friçon.

En vs. 11705 wordt er zelfs bijgevoegd:

    Si anemi
    La hart li ont ja el col mise.

Eerst in 20_b_ wordt van de nieuwe biecht gewaagd, die in den _Reinaert_
zoo breedvoerig wordt uitgewerkt; immers vs. 11716 eerst zegt Grimbert:

    Or vos déussiez confesser.

Bovendien wordt eerst in dit tweede gedeelte de schat vermeld, waarvoor
Renart werd losgekocht, dien onze vlaamsche dichter tot koning Hermelinx
schat maakte, en waarvan hij op veel geschikter wijze wist partij te
trekken.

_Reinaert_ vs. 1851 vlg. worden de dieren opgenoemd die bij des
aangeklaagden komst ten hove hunne stem tegen hem verheffen: die plaats
is ontleend aan 20_a_, vs. 10159 vlg. Maar onder de daar genoemde dieren
komt ook voor, vs. 1868:

    Dat foret, Clene-bejach.

welk diertje niet in 20_a_ genoemd wordt, maar in de navolging der
eerste plaats, die op het einde van dat oudste deel is geïnterpoleerd,
vs. 11297 vlg., waar wij ook vermeld vinden

    Et Petit-porchaz li Fuirons.

Reinaerts zoon heet in het mnl. gedicht, vs. 1419 _Rosseel_: in 20_a_
_Rouviel_, maar eerst vs. 11729, dus in 20_b_, _Rousel_.

Hieruit blijkt, dunkt mij, ontwijfelbaar, dat de samensmelting van 20_a_
en -_b_ reeds had plaats gehad vóór dat onze _Reinaert_ werd geschreven,
welks schrijver blijkbaar zoowel met het tweede als het eerste deel dier
branche is bekend geweest.

Zagen wij, dat ondanks het groote verschil 'twelk is waar te nemen in de
laatste helft der beide gedichten, toch het fransche nog tusschen de
beter uitgewerkte en levendiger gedachte tafreelen van het vlaamsche
doorschemert, wij kunnen daarmede het pleit voldongen rekenen, en
stellen, dat werkelijk het bewijs geleverd is, dat de _Reinaert_ naar
de ons bekende fransche branche 20, zoo al niet vertaald, dan toch
nagevolgd is.

De vlaamsche schrijver heeft dan tot grondslag van zijn werk de
uitstekendste der fransche branches genomen, en hoewel hij dit stuk
voor een groot deel op den voet volgde, moet men erkennen dat hij door
zijne zelfstandige toevoegsels, door zijne eigenaardige wijzigingen,
door de meesterlijke wendingen die hij er aan heeft gegeven, een
kunstwerk heeft in het leven geroepen, dat zijn origineel bijna in
ieder opzicht overtreft, het geheel in de schaduw stelt, en dat zoowel
aanspraak heeft op den naam van zelfstandig, origineel gewrocht, als op
dien van meesterlijk kunstprodukt.


VII.

Wij mogen intusschen onze vergelijking niet als afgedaan beschouwen voor
dat wij ook de overige afwijkingen in beide gedichten kortelijk hebben
beschouwd.

Even als in het slot, is er ook verschil in het begin. De klacht van
Isengrim is in beide gedichten dezelfde, maar daarop volgt bij den
Vlaming terstond een toevoegsel, vs. 16-97, waaruit blijkt, dat hij zeer
vrij zal navolgen, en daarbij soms zijn eigen weg gaan. Dit gebeurt dan
ook dadelijk.

De klacht van Cortois, vs. 97-106, komt niet in br. 20_a_ voor:
waarschijnlijk is zij echter ook geene uitvinding van den vlaamschen
dichter, maar uit de volksoverlevering geput; ten minste CHABAILLE heeft
in zijn _Supplément_ een klein gedicht uitgegeven, waarin eene worst
voorkomt die aan Tibert op eene behendige wijze ontstolen wordt[107],
gelijk ook hier, vs. 107-125, blijkt, dat deze eigenlijk eerst in 't
bezit dier worst was geweest. Voorts maakt eene worst, waarvan juist
Tibert den vos berooft, het onderwerp uit van het grootste gedeelte der
6e branche van MÉON, vs. 2219 vlg.

Merkwaardig is het, dat Tibert Reinaert verdedigt, vs. 107-125. Dit
heeft in de fransche branche geen plaats; maar het denkbeeld zelf om
Reinaerts zaak door den kater te laten bepleiten, is in de fransche
gedichten niet onbekend. In de 20e branche zelve heet het iets later
nadat men ontdekt heeft dat Coupée eene heilige was, vs. 10169:

    .... Grimbert
    Qui por Renart parole et plaide
    Entre lui et Tybert le chat;

en nog duidelijker in de »branche de Renart si come il fu mires," waar
Tibert Reinaert bepaaldelijk tegen zijne aanklagers verdedigt, vs.
17999-18080, hoewel op andere gronden dan in ons gedicht.

Wij zagen boven, dat er eenige betrekking bestaat tusschen het verhaal
van den hofdag, en de branche waarin Reinaert als geneesheer optreedt:
door de merkwaardige overeenkomst die zich hier tusschen ons gedicht
en die branche opdoet, vinden wij onze opmerking op nieuw gestaafd;
maar juist hier betreuren wij het geene kritische uitgaaf der fransche
branches te bezitten, niet bekend te zijn met alle grootere varianten,
daar wij nu niet kunnen bepalen vanwaar onze vlaamsche dichter den
eigenaardigen trek ontleende, die stellig niet van zijne vinding is. Dat
hij dien uit de 26e (21e) branche nam is niet waarschijnlijk, daar deze
alle kenmerken draagt van jonger te zijn: zoo er overneming plaats had,
zou men eer tot het omgekeerde moeten besluiten.

Pancers beschuldiging, vs. 126-169, weet ik nergens aan vast te knoopen,
wij schijnen hier eene toespeling op eene verlorene branche te hebben.

Grimberts verdediging van zijn oom komt gedeeltelijk met br. 20_a_
overeen, waar men echter de goed aangebrachte wending niet vindt, dat
Grimbert, het veld der verdediging verlatende, zich plotselings ten
aanval keert. Isengrim, zegt hij, heeft Reinaert veel kwaad gedaan:
vooreerst heeft hij hem bedrogen, toen de vos de »pladisen" van de kar
afwierp, waaraan de wolf zich verzadigde zonder voor zijn makker iets
anders over te laten

    sonder allene een pladisengraet,

dien hijzelf niet mocht (vs. 208-216).

De das verdraait hier een geval, waarbij juist het tegendeel plaats had,
en de wolf de bedrogene was. Tweemaal wordt dit feit in de fransche
gedichten verteld, br. 2, vs. 749-916 en br. 10, vs. 3919 vlg.
Waarschijnlijk had onze dichter de laatste branche op het oog, waar de
visschen op de kar ook »pladisen" genoemd worden, vs. 3941:

    De poisson chargiez estoient,
    Si comme harenz et plaïz.

Wij zullen later zien, dat onze dichter nog een ander feit uit dezelfde
branche aanvoert, en wel op dezelfde verdraaide wijze. En het zal ons
niet verwonderen dat hij er meê bekend was, daar zij, blijkens vs. 3827,
te Arras of in Artois geschreven was.

Het tweede beschuldigingspunt van Grimbert is, dat Isengrim den vos
bedrogen had betrekkelijk »enen bake," waarvan hij hem tot zijn deel
alleen

    Die wisse daer die bake an hinc

overgelaten had (vs. 217-225). Ook het aventuur waarop hier gedoeld
wordt, komt in de fransche branche 18 voor, vs. 7698-7970. Maar noch in
het Fransch noch in den _Reinardus_, I, 186 sqq., waarmeê de fransche
branche de grootste overeenkomst heeft, leest men hetgeen Grimbert er op
laat volgen:

    Reinarde was lettel te bet,
    Dat hi den goeden bake ghewan,
    In sulker sorghe, dattene een man
    Vinc, ende warp in sinen sac.

Waarschijnlijk is dit echter slechts een toevoegsel van den loozen
advokaat om zijn kliënt des te meer als eene gemartelde onschuld te doen
voorkomen.

Heeft onze Vlaming dit avontuur uit het Fransch of uit het Latijn? Ik
zou eer meenen uit het Latijn, althans uit eene bron, die nader aan den
_Reinardus_ staat. In het Fransch worden wolf en vos als oom en neef
voorgesteld, vs. 7713, 7731, 7763 enz., zonder dat er iets gezegd wordt
of die bloedverwantschap echt of geveinsd zij. In den _Reinardus_
daarentegen heet het I, vs. 11:

    Dicebat patruum falso Reinardus, ut ille
      Tamquam cognato crederet usque suo.

En juist deze plaats schijnt nu de vlaamsche dichter op het oog te
hebben, als hij den vos later, in zijne biecht, ook dit feit laat
verdraayen, vs. 2101:

    Daer na quam ic ende Isengrijn;
    ....................
    Hi rekende dat hi ware mijn oom,
    Ende began ene sibbe tellen.

Ook betrekkelijk het tooneel waarin Cantecleer wraak eischt over zijne
vermoorde dochter Coppe, hebben wij eenige opmerkingen mede te deelen.

Ik zwijg er hier van, dat dit tooneel met veel meer talent is ingeleid
dan in het Mhd. of Fransch het geval is: ik wijs slechts op twee
afwijkingen van den tekst der 20e branche.

Vooreerst is het geheele tooneel iets vrijer bewerkt: de haan geeft eene
schildering van zijn gelukkig huishouden, hoe hij met vijftien kinderen
leefde, die door waakzame honden voor Reinaert beschermd werden. In het
Fransch is het niet Chantecler, maar Pinte, die het weegeklag voor den
koning aanheft, vs. 9989; een spoor daarvan vindt men nog in het
vlaamsche gedicht, waar vs. 320 in C. gelezen wordt:

    Ende _minen sustren_ die hier staen,

hetgeen GRIMM terecht veranderde in _minen kindren_. Eindelijk was de
vos als pelgrim tot Cantecleer gekomen, en had hem misleid door hem
een vredebrief des konings te toonen. Deze bijzonderheid ontbreekt in
de fransche 20e branche, maar is overigens in de sage niet onbekend.
_Reinardus_ III, vs. 1181, tracht de vos den haan een stuk beukenschors
in de handen te stoppen en dat voor een vredebrief te doen doorgaan;
maar de list mislukt[108]. In de 6e fransche branche daarentegen,
getiteld: _Le desputement de la mesange avec Renart_ (MÉON, I, pag. 66),
tracht Reinaert de mees te verlokken, wel niet door de aanbieding van
den vredebrief, maar toch door zich te beroepen op den afgekondigden
rijksvrede, vs. 1748:

    Si a danz Nobles li lions
    Novelement la pès jurée,
    Se Diex plaist, qui aura durée.
    Par sa terre l'a fait jurer,
    Et a ses barons afier,
    Qu'ele ert gardée et maintenue.

In den mhd. _Reinhart_, waar dezelfde gebeurtenis verhaald wordt, vs.
177-216, komt deze bijzonderheid niet voor.

Dus ook hier schijnt ons gedicht nader aan den latijnschen _Renardus_,
of misschien de vlaamsche overlevering te staan dan aan de fransche
branches.

Zagen wij hier een toevoegsel, er ontbreekt in dit avontuur in het
Vlaamsch ook eene bijzonderheid. Zoowel in den mhd. _Reinhart_, dus in
het oudere fransche gedicht, als in de 20e branche bij MÉON, heeft er
op het graf van Coppe een mirakel plaats, daar de haas, die zich op dat
graf had neêrgevleid om te slapen, plotselings van zijne koorts genezen
werd. Die trek is blijkbaar oud en echt[109], en er moet eene reden zijn
waarom de mnl. dichter dien trek juist weglaat.

Het kan onmogelijk zijn omdat hij niet met het heilige durfde spelen;
want hij verhaalt wel Reinaerts biecht en aflaat, en de vigilie die voor
Coppe zelve gezongen werd; er moet dus een dieper grond voor zijn.

Wanneer men het vlaamsche gedicht ontstaan kon rekenen in de eerste
jaren na den moord van den vlaamschen graaf KAREL DEN GOEDE (1126),
dan zou men kunnen meenen, dat de dichter het mirakel op Coppens graf
had achterwege gelaten uit eerbiedige herinnering aan »der aermer
vader"[110], die ook na zijn dood een martelaar werd genoemd, en op
wiens graf terstond mirakelen plaats grepen[111]. Maar wij zullen zien,
dat de ouderdom des gedichts onmogelijk zoo hoog is op te voeren.

Er moeten dus andere oorzaken aanwezig zijn, want de samenhang van
den tekst verbiedt aan een hiaat in het handschrift te denken. En
die oorzaak meen ik te mogen zoeken in het gezond verstand en den
logischen zin van den vlaamschen dichter, die waarschijnlijk het mirakel
wegliet omdat het in zijn voorbeeld te onpas was aangebracht en den
geleidelijken gang van het verhaal stoorde. Eene vergelijking van het
duitsche met het fransche gedicht zal ons doen zien, dat dit werkelijk
het geval is.

Bij GLICHESÆRE wordt de koning zoo vertoornd over de ondaad die Reinhart
aan Schanteclêrs dochter gepleegd heeft, dat de haas van schrik de
koorts kreeg,

    (Von vorhten bestuont in der rite.           Vs. 1483)

Als dan de doode begraven is, legt zich de haas op het graf te slapen en
geneest terstond van zijne kwaal. Hij schrikt op, en gaat terstond den
koning de »vremdiu mære" verkondigen, er bij voegende, vs. 1496:

    Daz daz huon wære
    Heilec vor gotes gesihte.

Nu ging er eene algemeene kreet aan het hof op, dat God een teeken
gedaan had; en allen ontstaken in gramschap jegens den moordenaar,
roepende, vs. 1508:

    »Reinhart soldez vermiten hân,
    Daz er âan alle missetât
    Disen heiligen gemartirt hât.

En nu eerst gebood de koning zijnen kappellaan Brûne naar Reinhart te
gaan om hem voor het gerecht te dagen.

Geheel anders is de toedracht der zaak in MÉONS 20e branche. Als Copée
begraven is verzoeken al de aanwezige baronnen den koning wraak te nemen
over

                    »Cel gloton,
    Qui tantes guiles nos a fetes
    Et tantes pès nos a enfrètes."            (vs. 10134.)

De koning zendt daarop Brun uit om den vos te dagen, en (vs. 10143)

    Atant se met en l'ambléure
    Parmi le val d'une costure,
    Que il ne siet ne ne repose.

En nu eerst volgt het verhaal van hetgeen op het graf van Copée gebeurde
(vs. 10146):

    Lors avint à cort une chose:
    Endementiers que Bruns s'en vet
    Renart empira moult son plot:
    Quar mesire Coars li lièvres,
    Qui de péor trembloit les fièvres,
    (Deus jors les avoit ja éues,)

maar er is vroeger niet gezegd waarom hij zoo bevreesd was, dat hij zich
de koorts op den hals had gehaald;--

    Merci Dieu, or les a perdues
    Sor la tombe dame Copée.
    Car qant ele fu enterrée,
    Onc ne se volt d'iloc partir,
    Ainçois dormi sor le martir.
    ......................
    Qant à la cort vint la novele,
    A tiex i ot qu'ele fu bele;
    Mès à Grinbert fut-ele lède,
    Qui por Renart parole et plaide
    Entre lui et Tybert le chat.
    S'or ne set Renarz de barat,
    Mar est bailliz, s'il est tenuz,
    Qar Bruns li ors est jà venuz
    A Malpertuis _etc._

't Behoeft geen betoog, dat hier dit geheele verhaal geene de minste
beteekenis heeft. In 't Duitsch blijkt de hen juist eene heilige
martelares te zijn door het mirakel dat op haar graf gebeurde, en dit
geeft aanleiding tot het gezantschap aan Reinhart. In het Fransch
daarentegen heet Copée reeds _martir_ vóór dat er iets op het graf had
plaats gehad, en terwijl de bode reeds was uitgezonden, van wiens tocht
het verhaal door deze episode, die hier een hors-d'[oe]uvre is, ter
kwader ure wordt afgebroken.

De fransche omwerker heeft hier, zoo als in dergelijke gevallen zoo
dikwerf plaats heeft[112], de feiten uit zijn origineel dooreen
gehaspeld; en dus de logische orde, het zinverband en de geleidelijke
voordracht des verhaals verbroken. Kan het ons verwonderen, dat de
vlaamsche dichter, die blijkbaar steeds met bewustheid en takt te werk
ging, dit hors-d'[oe]uvre, waarvan hij de strekking niet kon bevroeden,
uit zijne omwerking verwierp?

Van den anderen kant zien wij hierin een nieuw bewijs, dat hij werkelijk
de branche van MÉON tot voorbeeld had en het oorspronkelijke ouder
fransche gedicht niet gekend heeft.

Ik heb boven (bl. LIX-LX) reeds gewezen op het onderscheid in de beide
teksten in het verhaal hoe de beer van Lamfroits werf wegkomt; hoe kwam
onze Vlaming aan het denkbeeld om Bruun te water te laten? Mij dunkt
wij mogen hier vrijwerkende fantazie aannemen. Wij hebben hier in 't
Vlaamsch nog eene andere bijzonderheid, die ook in de fransche 20e
branche niet wordt aangetroffen.

Bruun, door angst gedreven, springt, vs. 821,

    In enen trop van ouden wiven,

waarvan hij er eenige, en daar onder »des papen wijf" in de rivier
werpt. Nu hield de pastoor op met slaan, en beloofde zijnen parochianen
jaar en dag aflaat als vrouw Julocke gered werd: de geheele gemeente
ijlde ter hulp en zoo kreeg Bruun gelegenheid te ontkomen.

Dit uitmuntend geschetste tooneel is den Vlaming geheel eigen; misschien
heeft hem intusschen een soortgelijk, hoewel veel flaauwer geval, op het
denkbeeld zijner schilderij gebracht. In de branche 21-22 is Isengrijn
door Reinaert ook in eene hinderlaag gelokt. Een dorper, vs. 12339,

    Et ses parenz et ses cosins,

zetten den wolf na, vs. 12345,

    A cuinnies et à maçues,

waarop, vs. 12347,

    Entre la porte et le vilein
    Fet Ysengrin un saut à plein:
    Si fort le hurte qu'il l'abat
    En une fange trestot plat.
    ....................
    Par les vileins s'en va fuiant,
    Et cil le vont après huiant.
    Le vilein trovent en la boë
    Grant et parfonde, si qu'il noë;
    Fors l'en ont tret a moult grant paine;

en dit geeft Isengrim gelegenheid te ontkomen.

Bij zoo oppervlakkige overeenkomst is het natuurlijk onmogelijk bepaald
te zeggen, of er hier ontleening van het denkbeeld plaats had. Kon men
aanwijzen, dat onze WILLEM deze branche gekend had, dan werd het reeds
waarschijnlijk; maar daarvoor heb ik geen volstrekt afdoend bewijs.

_Reinaert_ vs. 1290 lezen wij, dat toen Reinaert het ongeval vernam, dat
Tibert in zijne angst den priester had toegebracht,

    Hi loech, dat hem bachten scorde,
    Ende hem crakede die taverne.

De platte uitdrukking moet herkomstig zijn uit het Fransch, waar
soortgelijke zaken veelvuldig voorkomen[113].

WILLEMS zegt in de aanteekening op die plaats: »_Taverne_, kroeg;
doch hier figuurlijk _raeskamer_." Die verklaring is niet heel en al
bevredigend, waarschijnlijk omdat de dichter een oneigenlijk woord
gebruikte. _Taverne_ is eene kroeg, dat is eene plaats, die voor jan
en alle man open staat. Zoo gebruikt de dichter der branche 21-22 het
woord. De wolvin verwijt aan Hermeline hare weinig ingetogen
levenswijze, en zegt, vs. 12903:

    »Moult par estes de mavès estre:
    De poior ne poiez-vos estre,
    Qar plus estes pute que moche
    Qui en esté la gent entoche:
    Qui que viegne ne qui que aut,
    _Vostre taverne ne li faut_."

Kon deze plaats onzen Vlaming niet in het hoofd hebben gelegen, en
hem verleid hebben hetzelfde woord, hoewel min eigenlijk voor een
aangrenzend ligchaamsdeel te bezigen? Mij komt dit niet alleen niet
onmogelijk, maar zelfs niet onwaarschijnlijk voor.

In de biecht aan Grimbert vindt men mede in het Vlaamsch eenige
toevoegsels. In de fransche branche bekent de vos dat hij des wolfs wijf
geschonden heeft, voorts, vs. 10759:

    Ysengrin ai-je tant forfet,
    Que nel' puis nier à nul plet:
    Trois foiz l'ai fet metre en prison."

(1) Hij heeft hem in een wolfsval (_lovière_) gelokt, waar hij danig is
afgerost.

(2) Hij heeft hem in een »lardier" gebracht, waar drie baken lagen,
waarvan hij hem zooveel deed eten dat hij er niet meer uit kon:

    N'en pot issir, tant fu ventrez,
    Par le pertuis où fu entrez.

Verder, vs. 10777:

    (3) Gel' fis séoir en la gelée
        Tant qu'il ot la qeue engelée;
    (4) Gel' fis peschier en la fontaine
        Par nuit quant la lune estoit plaine:
        De l'ombre de la blanche image
        Cuida, por voir, ce fust fromage;
    (5) Et si refu par moi traïz
        Devant la charete as plaïz.
        ................
    (6) Par fine force de barat
        Li fis-ge tant que il fu moines.
        Pais dist que il seroit chanoines:
        Qant on li vit la char mengier,
        Fox fu qui de lui fist berchier.

Dan biecht hij het leed dat hij Tibert, het geheele geslacht van Pinte,
en eindelijk den dieren die hem onder aanvoering van Isengrijn eens
belegerden, had aangedaan.

Zien wij nu hoe de Vlaming dit weêrgeeft: Reinaert zegt, dat hij jegens
alle dieren misdaan heeft: in de eerste plaats jegens Bruun, Tibert en
Cantecleer; zelfs de koning, zegt bij, vs. 1477,

    Die coninc en es mi niet ontgaen:
    Ic hebbe hem toren ooc ghedaen,
    Ende mesprijs der coninghinne,

hetgeen wel eene toespeling schijnt op hetgeen in branche 20_b_ eerst
verhaald wordt.

Vooral den wolf heeft hij misdaan: om hem beter te bedriegen had hij hem
oom genoemd, en hem monnik doen worden »ter Elmare;" daar had hij hem
aan de klokzelen gebonden, zoodat hij zooveel geraas maakte, dat men
meende dat de duivel daar te werk ging, waarop alles te hoop liep en men
den wolf bijna van het leven beroofde.

Men ziet dat er hier uitbreiding van het fransche verhaal (no. 6)
plaats heeft. De fransche branche schijnt te zinspelen op de gebeurtenis
ongeveer zoo als zij in den _Reinardus_ verhaald wordt[114]. Daar is van
klokkengelui geene spraak: wel in de 9e fransche branche _Comme Renart
fist Primaut prestre_, die den vlaamschen dichter bekend schijnt geweest
te zijn, doch waarschijnlijk in ouder vorm[115], want er bestaat
afwijking in de détails[116], hoewel het niet onmogelijk is dat dit
verschil voortvloeide uit eene bewuste verandering der overlevering door
den vlaamschen dichter, die in dit geval eer een mondeling verhaal dan
een afgewerkt geschreven gedicht moet gekend hebben. Ook de 10e branche,
die eigenlijk het tweede deel der 9e is, was hem bekend, althans haar
inhoud.

In zijne biecht voortgaande, betreurt Reinhart dat hij zijnen oom bij
de kruinscheering met heet water bijna het geheele hoofd verbrand had,
hetgeen herinnert aan de 3e fransche branche: _si comme Renart fist
Ysengrin moine_.

Dan volgt de toespeling op de vischvangst op het ijs even als in het
Fransch (no. 3), en dan in het breede het verhaal van hetgeen de 20e
branche slechts even aanstipt (no. 2). In de 9-10e branche wordt dit
geval ook in het breede verhaald, vs. 4333-4555, maar met afwijkende
omstandigheden. Het Fransch maakt geen melding van het land van
Vermendois[117] (Rein., vs. 1514), noch van het kapoen dat de vos den
priester ontsteelt. Het geheele geval heeft in 't Fransch zelfs niet
bij een priester plaats. Nadat de wolf uit zijne gevangenis verlost is,
beduidt de vos hem »d'aller prendre des oies _chez un prêtre_," zoo
als ROTHE zegt[118]. Dit rust op een misverstand: de ganzen zijn onder
de hoede van een man, die vs. 4630 _le pastor_ genoemd wordt, welke
uitdrukking waarschijnlijk aanleiding gaf tot de misvatting van ROTHE,
die toch vs. 4606 had kunnen zien, dat er sprake was van »un païsan."
Zou de vlaamsche dichter ook door dezelfde vergissing op het denkbeeld
van zijn priester gekomen zijn? In het Fransch eindigt de vos ook met
eene gans te stelen en daarmeê huiswaarts te trekken.

In de 18e branche, vs. 9269 vlg., komt eene epizode voor, welke veel
overeenkomst heeft met het mnl. verhaal.

Daarna deelt de vlaamsche dichter nog een soortgelijk geval mede, dat ik
mij echter niet herinner in eenige fransche branche gevonden te hebben;
en eindelijk komt ook de verkrachting van Isengrijns wijf te berde.

Uit dit alles blijkt vrij duidelijk, dat de Vlaming zijn origineel,
dat hij ontegenzeggelijk voor zich had, niet angstvallig vertaalde,
maar veeleer vrij navolgde, daarbij gebruik makende van zoodanige
karakteristieke situatiën als hem, of uit de vlaamsche overlevering,
of misschien ook uit andere fransche branches bekend waren. Onder de
laatste mag men hoogstwaarschijnlijk rangschikken het origineel waarnaar
de 26e branche werd omgewerkt en de 9-10e branche, hetzij dan in haar
tegenwoordige vorm, hetzij naar het ouder stuk dat daaraan ten
grondslag lag[119].

Zelfs in de afwijkingen vonden wij sprekende trekken die ons altijd weêr
terugbrachten tot de 20e branche, zoodat daardoor het vermoeden geheel
en al wordt uit den weg geruimd, dat een ander, ons onbekend fransch
stuk, het origineel zou zijn waarnaar onze _Reinaert_ werd bewerkt.

En zoo vinden wij dan genoegsame reden om in den _Reinaert_, ondanks
het fransche schema dat er gedeeltelijk in gevolgd is, maar dat overal,
zoowel in de eigenlijke navolging, als in de meer vrije deelen, door
het vlaamsche gedicht verre overtroffen wordt,--een echt nationaal
kunstprodukt te aanschouwen, waarop Vlaanderen ten eeuwigen dage roem
mag dragen.

Zien wij thans in hoeverre onze nieuwgewonnen rezultaten van invloed
zijn op de vraag omtrent den ouderdom van het gedicht.


VIII.

Van wanneer dagteekent het origineel waarnaar onze _Reinaert_ werd
bewerkt? Ziedaar de eerste vraag, die wij op te lossen hebben. Bleek
de 20e (16e) branche eerst in de laatste helft der dertiende eeuw
geschreven te zijn, of zelfs in de eerste der veertiende, dan zouden
innerlijke bewijzen die aan het nederlandsche gedicht een stempel van
hooger ouderdom schenen op te drukken, natuurlijk niets beteekenen.
Die innerlijke bewijzen zijn gedeeltelijk aan het laatste, het
oorspronkelijke gedeelte van den _Reinaert_ te ontleenen, en wij
zullen er daarom veel gewicht aan mogen hechten, omdat zij, als onze
beschouwing over den oorsprong des gedichts opgaat, noodwendig licht
moeten werpen op den tijd der vervaardiging, daar zij niet meer, zoo als
GRIMM dacht[120], »schon in WILLEMS quelle gestanden haben, folglich
nichts zur ermittlung seiner lebenszeit beitragen."

Zien wij dus eerst hoe oud het fransche voorbeeld, de 20e branche van
MÉON, mag zijn.

GAUTIER DE COINSI, die eene verzameling van Maria-mirakelen schreef,
en in 1236 stierf, getuigt herhaaldelijk hoe verbreid en bemind de
Reinart-sage in Frankrijk was[121]; ja hij maakt eene toespeling
waaruit blijkt, dat hij onze branche 20 (16) gekend heeft.

    Plus volontiers oient un conte,
    Ou une trufe, c'on lor conte,
    Si con Tardius li limeçons
    Lut et chanta les trois leçons
    Sor la bière dame Coupée,
    Que Renarz avoit escoupée[122];

nagenoeg letterlijk hetgeen wij in de 20e branche, vs. 10103 lezen:

    Sire Tardis li limaçons
    Chanta por cele trois leçons,

namelijk voor Copée, die begraven werd.

Onze branche is dus blijkbaar vóór 1236 geschreven. Zien wij nu of wij
haar ouderdom niet nader kunnen bepalen.

De proloog van dat stuk luidt aldus:

    Perroz qui son engin et s'art
    Mist en vers fère de Renart
    Et d'Ysengrin son chier conpère,
    Lessa le miex de sa matère,
    Quant il entr'oblia les plez
    Et le jugement qui fu fez
    En la cort Noble, le lion,
    De la grant fornication
    Que Renarz fist, qui toz max cove,
    Envers dame Hersent, la love.

Uit die regels schijnt men te mogen opmaken, dat de dichter met geene
andere branche bekend was dan die, welke PIERRE DE SAINT-CLOUD bewerkt
had. Hij kan daarom niet veel jonger dan deze dichter zijn, hoewel men
uit de eerste regels zou kunnen opmaken, dat PIERRE reeds gestorven was
toen de 20e branche in zijn trant werd omgewerkt.

Omtrent PIERRE DE SAINT-CLOUD is weinig bekend. GRIMM schrijft: ȟber
seine lebensumstande fehlen genaue nachrichten, er wird in den beginn
des 13 jh. gesetzt, und soll auch eine branche des _Roman d'Alexandre_,
nemlich das testament, verfasst haben[123]."

WILLEMS zegt bepaalder dat hij »omtrent 1230 leefde[124]."

FAURIEL, de jongste schrijver over den _Roman du Renart_, in Frankrijk,
laat zich daaromtrent aldus uit[125]:

»Il serait de la plus grande importance pour l'histoire de la fiction du
Renart d'avoir quelques anciennes notions, mêmes vagues, sur le temps
où vécut PIERRE DE SAINT-CLOUD; et l'on n'en a aucune. A s'en tenir
la-dessus aux conjectures les plus vraisemblables et les mieux liées
avec les textes qui paraissent se rapporter à sa vie et à sa renommée,
on peut admettre qu'il naquit dans le cours de la seconde moitié du XIIe
siècle, et se fit connaître par ses ouvrages vers les commencements du
XIIIe. La première mention qui semble concerner, sinon sa personne,
du moins le genre de poésie qu'il remit en vogue, est le témoignage
fréquemment cité de GAUTIER DE COINSI, prieur de Victor-Sur-Aisne.
Or, une telle mention, qui ne peut être antérieure à l'an 1233, ne nous
apprend rien de précis relativement à la date des premières productions
de PIERRE DE SAINT-CLOUD sur le sujet de Renart. Il n'est pas impossible
qu'elles remontent jusqu'à la fin du XIIe siècle; mais elles ne
sauraient remonter beaucoup au delà. Toujours est-il que PIERRE DE
SAINT-CLOUD est le plus ancien des trouvères connus pour avoir travaillé
au Renart français, celui que l'on en désigne généralement comme
l'inventeur."

Wij hebben de geheele plaats uitgeschreven om te doen zien hoe
nevelachtig het geheele vraagstuk, zelfs in Frankrijk, nog is; en toch
komt het mij voor, dat er ten minste iets kan worden vastgesteld.

Tusschen 1150 en 1160 zag de _Roman du Rou_ het licht, en daarin heet
het:

    Alisandres fu rois poissans,
    Doze règnes prist en doze ans:
    Mult out terres, mult ot aveir,
    Et rois fu de mult grant poeir;
    Mez cil cunquest poi li valu,
    Enveminez fu, si moru.

Dat die regels, in verband met hetgeen er op volgt, de
Alexander-gedichten der fransche trouvères bedoelen, is blijkbaar en
wordt ook algemeen aangenomen[126].

Op het Latijnsche gedicht van GAUTIER DE CHATILLON kunnen zij onmogelijk
doelen, daar dit eerst na 1170 werd geschreven[127].

Een der branches der chanson d'Alexandre, en wel zoo als PARIS
zegt[128], »l'une des meilleures branches de tout le récit," heeft tot
titel: _Signification de la mort d'Alexandre_, waarvan de inhoud aldus
door denzelfden geleerde wordt opgegeven[129]:

Elle raconte la trahison de Dimnuspater et Antipater, le couronnement
du héros, le grand festin royal dans lequel Alexandre est _empoisonné_."
Dit komt, zoo als men ziet, ongeveer overeen met het tiende boek van
MAERLANTS _Alexander_[130].

Nu moet het verwonderen, dat PAULIN PARIS ook deze branche rangschikt
onder de »continuations plus récentes d'un siècle ou d'un siècle et
demi," van het oorspronkelijke werk van LAMBERT LI CORS en ALEXANDRE DE
PARIS, dat hij in de eerste helft der twaalfde eeuw plaatst[131], zoodat
deze branche eerst tusschen 1250 en 1300 zou zijn geschreven[132]. Dit
oordeel is vreemd, zeiden wij; want blijkbaar wordt deze branche, de
eenige waarin de vergiftiging van ALEXANDER wordt verhaald, in de
aangehaalde verzen van den _Roman du Rou_ bedoeld, en valt dus stellig
vóór 1150.

De schrijver nu dier branche was PIERRE DE SAINT-CLOUD, die dus reeds in
de eerste helft der twaalfde eeuw heeft geschreven, en derhalve niet
veel later dan omstreeks het jaar 1100 kan geboren zijn.

Had hij reeds vóór de branche van den _Alexander_ een gedeelte der
Reinaertsage bewerkt? In den _Alexander_ immers leest men:

    Li Grezois les engignent, com Renart fist le gal,
    Qu'il saisi par la gorge, quant il chantoit clinal[133].

In de 11e (17e) branche bij MÉON, waarin PIERRE als de schrijver genoemd
staat, wordt vs. 4935-5492 juist verhaald, hoe de vos zich van den haan
meester maakt....

Het zou echter gevaarlijk zijn daaruit een besluit op te maken.
Vooreerst heet daar de haan nimmer _li gal_, maar altijd _li cos_, _le
coc_, b.v. vs. 5036, 5308, 5319, 5328, 5340, 5415 enz.; en zoo daar al
gewaagd wordt, vs. 4988,

    De Chantecler qui cline l'ueil;

zoo de vos den boer beduidt dat hij hem den haan overlevere, vs. 5311,

    Si le me baille par le col;

toch vindt men daar het verhaal niet zoo als het volgens de toespeling
in den _Alexander_ moet geluid hebben.

Maar ook de 5e (3e) branche van MÉON behandelt hetzelfde onderwerp als
de 11e, maar met belangrijke afwijkingen in de détails. Hier beduidt
Reinaert aan Chantecler, die ook hier nimmer _li gals_, maar _li cos_
heet, dat zij »cosin germain" zijn: hij weidt uit in den lof van
Chanteclers vader, die kraaide zoo als nooit een haan gekraaid had, en
die daarbij de beide oogen sloot. En dan volgt een tooneel, dat wij
geheel moeten afschrijven om te doen zien, dat het werkelijk alle
bijzonderheden bevat waarop de _Alexander_ zinspeelt:

    Dist Chanteclers: »Renart, cosin,                1571.
    Volez me prendre _par engin_."
    --»Certes, ce dist Renars, non voil,
    Mès or chantez, _si clingniez l'oil_;
    D'une char somes et d'un sanc,
    Miex vodroie estre d'un pié manc
    Que vos mesface tant ne qant,
    Que tu es trop près mon parent."
    Dist Chanteclers: »Pas ne te croi:
    Un poi detrai en sus de moi,                     1580.
    Et je dirai une chançon;
    N'aura voisin ci environ
    Qui bien n'entende mon fauset."
    Lors s'en est souriz Renardet,
    Et dist Renars: »Chante, cousins:
    Je sauré bien se Chanteclins,
    Mes oncles, s'il vos fu noient."
    Lors encommence hautement,
    Lors chanta Chanteclers un vers:
    _L'un oil ot clos et lautre overs_,              1590.
    Car moult forment cremoit Renart;
    Sovent regarde cele part.
    Ce dist Renars: »Ce n'est noient.
    Chanteclins chantoit autrement,
    A un lonc tret, à eulz cligniez,
    C'on l'ooit d'outre les plessiez."
    Chanteclers cuide que voir die:
    Lors commence sa melodie,
    _Les eulz cligniez_ par grant aïr.
    Lors ne volt plus Renart soffrir,                1600.
    Par de desus un rouge chol
    _Le prent Renart parmi le col._

Vergelijkt men de lezingen van branche 11 en 5 met den mhd. _Reinhart_,
vs. 11-176, dan ziet men terstond, dat de laatste branche zich het naast
aan het oude gedicht houdt[134], waarop het zich dan ook beroept,

    Trover le poez en l'estoire,                     1384.

evenzeer als branche 11, waar wij, vs. 4038, lezen:

    Que se li livres nos dit voir
    Où je trouve l'estoire escrite.

Het schijnt dus, dat de toespeling uit den _Alexander_ niet op het
gedicht van PIERRE DE SAINT-CLOUD ziet. Maar is werkelijk die 11e
branche van gemelden dichter? Het is waar, zijn naam wordt in 't begin
en het slot genoemd, maar altijd in den derden persoon.

    Pierres qui de Saint-Clost _fu nez_,             4851.
    S'est tant traveilliez et penez
    Par proière de ses amis,
    Que il nos a en rime mis
    Une risée et un gabet
    De Renart, qui tant set d'abet,
    Le puant nain, le descréu,
    Par qui out esté decéu
    Tant baron que n'en sai le conte,
    Dès or _commencerai_ le conte:
    Se il est qui i voille entendre,
    Sachiez moult i porra aprendre,
    Si com _je cuit_ et com _je pens_,
    Se à escouter met son sens.

het slot luidt:

    Ici fait Pierres remanoir
    Le conte où se _volt_ traveillier,
    Et lesse Renart conseillier.

Of in een ander handschrift:

    Chi fait Perrins remanoir
    Le livre de Renart pour voir
    Duquel s'est volus travillier:
    Ysengrin laist à conseillier (_sic_);
    Se par ce meschiet Ysengrin
    Li blames en ert sus Perrin.

Uit de laatste regels ziet men, dat de schrijver, d. i. hier de
afschrijver, ook nog andere branches kende, waarin de wolf het kortste
eind trok; maar dewijl zij niet in den anderen tekst voorkomen, laten
wij dit buiten rekening. Wij mogen echter niet achterlaten op te merken,
dat van PIERRE steeds in den derden persoon, en in den verleden tijd
gesproken wordt, _fu nez_, _volt traveillier_, terwijl terstond daarop
de eerste persoon gebruikt wordt, hetgeen wel eene tegenstelling schijnt
aan te duiden.

ROTHE zegt[135]: »D'abord, à la vérité, l'auteur semble parler de
PIERRE DE SAINT-CLOUD à la troisième personne; mais le reste prouve
assez que cette onzième branche est _précisément le poëme_ entier et
isolé _de ce même_ PIERRE DE SAINT-CLOUD, fort souvent(?) mentionné
ailleurs comme auteur principal ou unique du poëme de Renart."

Dat wij hier den inhoud van PIERRES gedicht hebben, geef ik gereedelijk
toe; maar dat wij het niet juist in eene omwerking bezitten, zou moeten
_bewezen_ worden. De geheele proloog toch schijnt ons juist het werk van
dien omwerker, die van zichzelf in den eersten, van zijn voorganger in
den derden persoon spreekt. De geheele toon der inleiding is die van
een later jongleur of kopist, die wijst op het nut, dat men uit de
geschiedenis kan trekken, hetgeen zeker geen oorspronkelijk gezichtspunt
is. Zoo luidt ook de inleiding tot de 29e branche (MÉON, III, pag. 82):

    Une estoire vueil commencier.
    Qui durement fet à prisier;
    Et grant bien i porriez aprendre
    Se il vos i plest à entendre.
    Or m'escotez sanz noise fère,
    Que nus contes ne porroit plère
    A home qui est trop noisous,
    Mès de l'oïr soit covoitous:
    Celi qui oïr le vorra,
    Sachiez, grant profit i penra.

En dit kan ook niet wel anders, nu wij weten dat PIERRE DE SAINT-CLOUD
zijn gedicht stellig eene geheele eeuw vroeger heeft geschreven dan
WILLEMS het stelde. Dat de 11e branche een werk van de eerste helft der
twaalfde eeuw zou zijn, kan niemand gelooven, en de vergelijking met br.
5 en het Mhd. leert duidelijk het tegendeel; terwijl wij daaruit ook
ontwaren hoe overvrij de omwerker zijn origineel behandeld heeft.
Waarschijnlijk heeft juist _le livre_, dat in de slotvariant genoemd
wordt, dat ook vs. 4938 voorkomt, het oorspronkelijke werk van PIERRE
bevat, en daar zal het aventuur van den haan zeker zóó behandeld zijn,
dat wij mogen aannemen dat de toespeling uit den _Alexander_ op PIERRES
gedicht zag, waarin ook de haan met den ouder naam van _le gal_ zal zijn
genoemd.

Of PIERRE meer deelen der Reinaertsage bewerkt heeft dan deze verlorene
branche, is niet uitgemaakt. Men zou het evenwel mogen opmaken uit de
inleiding tot de 20e branche, waar gezegd wordt, dat Perroz, hetgeen
dezelfde naam is met den verkleiningsuitgang,

                Son engin et s'art
    Mist en vers fère de Renart
    _Et d'Ysengrin_,

welke laatste in de besproken branche geene rol vervult.

Misschien is die vermelding van Ysengrin slechts eene onnaauwkeurigheid,
die haar aanwezen alleen verschuldigd is aan de behoefte om een
rijmwoord te vinden. Hoe het ook zij, nergens vinden wij eenige andere
branche uitdrukkelijk aan PIERRE DE SAINT-CLOUD toegeschreven. In de
plaats bij CHABAILLE[136] voorkomende, wordt geen bepaald werk genoemd.
LE GRAND D'AUSSY en RAYNOUARD kennen hem ook nog, volgens GRIMM[137], de
branches 1, 2, 3, 4 en 5 toe; FAURIEL meent dat hij buiten de 11e alleen
nog de 1e branche geschreven heeft[138]. Van de eerste en de vijfde is
het stellig te bewijzen dat PIERRE die niet kan geschreven hebben. De 5e
is misschien eene omwerking van zijn vroeger gedicht, gelijk wij reeds
zagen. De eerste draagt alle blijken van jonger oorsprong in hare beide
deelen. Buitendien is er eene plaats in br. 11, die geheel en al 1_b_
weêrspreekt. Dáár zegt toch de koning dat Isengrim niet moet gelooven
dat Reinaert zijne vrouw heeft beleedigd, vs. 5668:

    Que vos ice que ne savez,
    _Fors seulement par oï dire_,
    Li portez ne corroz ne ire.

In branche 1 _ziet_ juist de wolf dat gebeuren, waarover hij zich in br.
11 beklaagt.

De geheele redenering van FAURIEL berust op het niet goed begrijpen van
de inleiding tot de eerste branche.

Al wat wij dus van PIERRE DE SAINT-CLOUD weten, is, dat hij in de eerste
helft der twaalfde eeuw, vóór 1150, schreef; en dat zijn werk voor ons
is verloren gegaan. Maar dit is voor ons onderzoek reeds veel.

Een schrijver die onmiddellijk op hem volgt, kan niet veel jonger zijn
dan de helft dier zelfde eeuw, en zal omstreeks 1150 moeten geschreven
hebben. Zien wij, of wij de 20e branche zoo hoog kunnen opvoeren.

GRIMM zegt van al de fransche branches[139]: »Sprache und ausdrucksweise
tragen insgemein die färbung anderer franz. gedichte des 13 jh."
Intusschen leert de vergelijking met de werken van CHRESTIEN DE TROIES,
dat het niet onmogelijk is enkele branches tot de tweede helft der
twaalfde eeuw, ja misschien nog wat vroeger, te brengen. Dit is het
geval met de 20e, hetgeen door de volgende bijzonderheden wordt
ondersteund.

Als Renart aan 's konings hof komt, zegt hij tot Noble, vs. 10953:

    »Or ont tant fet li losengier,
    Qui de moi se volent vengier,
    Que vos m'avoz jugié à mort;
    Mès puis, sire, que rois s'amort
    A croire les mauvès larrons,
    Et il lesse les bons barons,
    Et gerpist le chief por la qeue
    Lors vet la terre à male veue."

Buiten twijfel hebben wij hier eene toespeling op den _Guillaume
d'Orange_. In de nog onuitgegeven branche, die tot titel heeft _Li
Moniages Guillaume_, doet een ridder aan koning Lodewijk, die alle
deugdelijke edellieden van zijn hof verwijderd had, het volgende
verwijt, vs. 5159:

    »Rois, nus frans homs ne vos devroit amer,
    Ne hennor fère, ne homage porter,
    Quar les prodomes avez toz adosez
    Et fors de France et chaciez et gitez,
    Tolu lor terres et toz deshéritez:
    Foui s'en sont de la terre esgarez,
    Et lor enfant chétis et désertez;
    Cil vos séussent le bon conseil doner,
    Quar li preudome font lor seignor douter.
    Mès li glouton, li losengier prové,
    Li pautonnier, cil sont à vos remés,
    Por lor losange les tenez en chierté;
    Li losangier font les rois décliner
    Et les hauz homes par lor bordes blasmer.
    Rois, tu les as montez et alevez,
    Or es por euls honiz et vergondez,
    Ne jà por euls ne seroiz amontez.
    Ne doit rois estre, ne corone porter,
    Qui à garçon fet son conseil privé,
    Mès les preudomes i doit-en apeler."

En wat later, vs. 5399, wordt den koning op nieuw toegevoegd:

    »Tu as la terre empirée forment
    Des gentix homes, des sages, des vaillanz,
    Qu'ensus de toi as chacié laidement:
    Désertez as les pères des enfanz.
    Par les frans homes est li sires poissanz:
    Tu n'en as nul de gentix ne de frans,
    Perduz les as tot par ton malvès sens,
    Dont tote France est tornée à torment."

Voorts wordt hem verweten, dat hij zich alleen omringt met

    »Les losangiers et les faus médisanz,
    Les traïteurs et les glouz malcuidanz,
    Ceus qui te servent de mençonges contant,
    Que entor toi as tenu longuement.
    Tu as doné t'onor et ton argent:
    Por lor conseil seras-tu recréant,
    Se Dex ne'l fet par son digne comment.
    Qui bordes croit et losangier sovent
    Au chief de tor, par mon chief, s'en repent."

De vergelijking van de uitdrukkingen in den _Renard_ en de aangehaalde
regels uit den _Moniage_ zullen wel geen twijfel overlaten, of er heeft
in de branche van het dieren-epos eene toespeling op het heldendicht
plaats. Zien wij, welke aanwijzing ons dit geeft aangaande den datum van
den _Renard_.

Van den _Moniage Guillaume_ bestaan twee redaktiën, waarvan de oudste
tusschen 1050 en 1150, waarschijnlijk nog vóór 1100 valt[140]. De
jongere is eerst na 1150 ontstaan, maar zeker niet lang; wij mogen
stellen omstreeks 1160[141]. De schrijver van de 20e branche van den
_Renard_ had stellig de jongste redaktie op het oog, zoo als de daaruit
aangehaalde plaatsen leeren, daar deze veel nader bij den tekst van
den _Renard_ komen dan het daarmeê overeenstemmende uit de oudste
lezing[142]. Buitendien is de omwerking geschreven in of omstreeks
hetzelfde landschap, waar de dichter der 20e branche leefde, zoo als
de vergelijking van beider taal leert. Zoo vinden wij, om maar één
voorbeeld te noemen, bij beiden dezelfde spreekwijs terug, _Moniage_,
vs. 5672:

    D'autre Martin lor convendra chanter[143]

en _Renard_, vs. 10096,

    Si parleron d'autre Martin.

Veel jonger dan deze redaktie van den _Moniage_, schijnt zelfs het
tweede gedeelte niet te zijn, als mede uit de taal kan worden opgemaakt.
Ook hier sta één voorbeeld. In de dertiende eeuw was het woord _geste_
in de beteekenis van familie, geslacht, reeds minder gebruikelijk[144],
en toch vinden wij het nog aldus gebezigd, _Renard_, vs. 11781:

    Qui larron de pendre areste,
    Toz jors het mès lui et sa jeste.

Ook in dit tweede deel der branche komt eene toespeling op dezelfde
chanson de geste voor, vs. 11751:

    Ainz que Tibaut soit crestiens,

waarbij natuurlijk niet aan eene herinnering aan den historischen
Thibaut van Champagne kan gedacht worden, die in 1253 stierf, en die in
eene andere branche, vs. 16136, voorkomt[145].

Blijkbaar is hier die Tiebaut d'Orange bedoeld, die als de hevigste
tegenstander van Guillaume en van het Christendom bekend is uit de
fransche gedichten, die tot de tiende eeuw opklimmen.

Veel merkwaardiger nog is intusschen hetgeen Renard op het einde van br.
20_a_ zegt, als hij den koning toeroept, vs. 11267:

    Saluz te mande Noradins
    Par moi qui sui bons pelerins,
    Si te criément li paien tuit,
    A pou que chascuns ne s'en fuit.

Sultan Noureddin bloeide van 1149-1171, en stierf in 1173[146]. Mag men
nu uit de aangehaalde verzen niet besluiten, dat het gedicht, dat eene
satyrieke toespeling maakt op de reeks van verliezen die de Christenen
in het Oosten leden bij en na den tweeden kruistocht, 1147-1149, kort
daarna, althans vóór den derden tocht, 1189-1193, geschreven werd,
toen Saladijns naam dien van Noureddin geheel in de schaduw stelde?
Bij de groote vermaardheid die de ridderlijke Saladijn weldra in Europa
verwierf, dien onze kronijkschrijvers den bijnaam geven van »domitor
Orientis, ac nostrorum terror,"[147] is het ondenkbaar, dat men zijn
naam niet in de plaats zou gesteld hebben van den minder vermaarden; en
onmogelijk kan daarom onze 20e branche na Saladijns optreden het licht
hebben gezien. Het gedicht moet dus stellig tusschen 1150 en 1190 zijn
tegenwoordige vorm hebben aangenomen. Maar zeer zeker valt het, ook om
de boven opgegeven gronden, eer in de eerste dan in de laatste helft van
dat tijdperk, waarschijnlijk vóór 1173, toen Noureddin stierf. Ja, als
men de betrekking tot PIERRE DE SAINT-CLOUD in het oog houdt, en het
verband met den _Guillaume d'Orange_, dan zal het niet te gewaagd zijn
de periode van wording nog nader te bepalen tusschen 1160 en 1170. En
meent men den schrijver van 20_b_ nog zekere tijdruimte te moeten gunnen
voor de samenlijming der verschillende deelen van zijne redaktie, dan
zal men ten minste niet later kunnen afdalen dan tot op omstreeks 1175
of 1180, toen de dood van Noureddin hier algemeen bekend moest zijn.

Zoo meenen wij dan den bewerker van branche 20_a_ in het derde, den
schrijver van 20_b_, die de laatste hand aan het gedicht leî, in het
laatste vierendeel der twaalfde eeuw te moeten plaatsen. 't Is waar, de
grond waarop dit oordeel steunt, bezit niet de onomstootbare hechtheid
van het historisch bewijs, en is uit eene reeks van gevolgtrekki

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/34261