Schetsen, Eerste bundel
by Herman Heijermans · Dutch · Gutenberg #34154 · 324,662 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Schetsen, Eerste bundel
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Schetsen, Eerste bundel
Author: Herman Heijermans
Release date: October 27, 2010 [eBook #34154]
Most recently updated: March 15, 2025
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/34154
Credits: by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK SCHETSEN, EERSTE BUNDEL ***
SCHETSEN
Door
SAMUEL FALKLAND
(Herm. Heijermans Jr.)
Eerste bundel
Tweede druk
Amsterdam
H. J. W. Becht
1904
INHOUD.
Bladz.
Narcis 1
Verhaaltje 6
Huishouden 12
Van een juffrouw 18
Poes 23
De Mof 28
Tante Riek 34
Nacht 41
Bartje 47
Binnenhuis-ideaal 53
Droom 59
Grootmoedertje 65
Proletariërs 72
Prinses Colibri 77
Bloemen 82
Meissie 87
Warrem 93
Fondant 99
Grietje 106
Schim 111
Bal in een stal 116
Mintenee 124
Zusters 130
Van twee ongetrouwde meisjes en een hond 136
Doode 142
Naaimugje 147
Bloedspat 152
Amstel 158
Oudejaar 163
Poppenwinkel 170
Rouw 175
Kliniek 181
Avondverhaaltje 187
Engagement 194
Kamerhoek 200
Gemengd bericht 205
Kunstenaars-emotie 210
Bezoek 216
Dolce far niente 221
Mopje 226
Leeg verhaaltje 231
Droge vrouwtje 236
NARCIS.
Toen ik heenging, gaf de gastvrouw mij drie bloemen, drie narcissen
op lange, groene stengels.
"Zet ze thuis in water, dan blijven ze lang goed."
"Dank je."
"Kom je weer gauw terug?"
"Zeker."
"Dag Samuel."
"Dag Marie."
We hadden gezellig saâm gegeten, de gastvrouw, de moeder, de zuster
en ik.
Nu kwam ik buiten, uit de schemering in het huis, in de schemering
buiten. Boven het Willemspark ging de zon onder. Purperen strepen
achter en boven de boomen, die vormden één massale schaduw. De toppen
der boomen in het groenige avondlicht stonden er bits tegen aan. Er
was een groote rust over alles.
Stil hield ik mijn hand vooruit. De drie narcissen trilden bij
elke beweging. Bij het ondergaan der zon blankten de kronen met
zulk albasten witheid, zoo statig en rein, dat ik langzamer ging,
stap voor stap, dragend ze voor mij uit de juvenale bloemen, wier
marmeren bladen stonden als witte flambouwen om de harten van goud.
Voorbijgangers keken me aan, bekeken de bloemen. Het moet iets vreemds
geweest zijn, ze keken àllen. De narcissen knipten. De strakwitte
kuiven bewogen als een stille groetenis in d'avondschemer. Ze leken
groot op haar lange, groene stengels. Ze leken in marmer gehouwen,
van wit koud marmer, broos en fluweelig, terwijl boven d'onrustige
toppen der boomen het purperen rood gloeide en blonk als de koperen
mond der schalmei, die tonen van juiching doet zweven.
Maar aan het einde der straat geelde in de schemering het puntige
lichtje der tram. Ik stond stil. De narcissen schenen te groeien, te
schieten uit mijn witte hand. Het was wonderlijk. Het was alsof bloemen
in vleesch waren geplant. Het was wonderlijk en geheimzinnig-mooi:
het wit en goud der narcis, het purper boven de boomen.
Toen kwam de tram. Ik stapte in. Achterop stond alleen de
conducteur. De wagen reed voort. Een hoek om. De zon was weg en
huizen in grauwen nevel lijnden voorbij. Toen sprong een man op
den wagen. Hij kwam vlak bij mij leunen. Zijn gezicht was rood en
gezond. Een hoed leunde achterover op zijn kortgeschoren kop. Hij
had veel zomersproeten en rookte een platte, plompe, gore sigaar.
Stinkende dampen spiraalden en waaiden uit zijn mond, omwalmden mijn
drie witte narcissen. Dat gaf me een heftig gevoel van vijandschap
voor dien man. Hij was me vreemd en ik haatte hem dadelijk. Het was een
korte, heftige haat, daar hij zoo plomp bevuilde mijn albasten bloemen,
mijn drie gouden harten. Ik ging staan verder op. De zuiging van den
wind wuifde als een koele adem om de narcissen. Maar de tabakswalm,
de bruine, vette, had ze bemorst. Dat denkbeeld kon ik niet van
mij afzetten, niet dadelijk. Het was gek. Anders toch had ik niet
zulke ideeën.
Hoe verder de wagen reed, hoe meer menschen er in kwamen. Op het
Leidsche plein, waar vuur brandde in alle huizen, verdrongen ze
zich om een plaats te krijgen. Dicht tegen elkander stonden we op
het perron. Ik hield de drie bloemen ver van mij af, ver van die
menschen. Zoo gleden we de straten door. De blaadjes bewogen als
opgestoeide veeren. En weer keken ze àllen er naar. In de stoffige
volte der straten was het witte albast droomerig-vreemd. Er gingen
voorbij menschen in zwart, met bleeke gezichten en zwarte hoeden. Er
liepen vrouwen met veel rokken en blonde haren. Er was licht in alle
winkelkasten en bij het voorbij rijden stonden er menschen in elke
verlichte doos. Maar witte narcissen met gouden harten waren er
nergens. Ze waren de drie eenige blanke bloemen in de straat. Ze
knipten op de lange stengels als witte teere bruiden, die niet
begrijpen van leven en doen. Ze hielden haar gouden harten omvat,
als een rij van maagden in witte kleedijen, om een geurwalmend
wierookvat. Maar niemand dacht zooals ik. De anderen keken er naar
en dachten: "Dat zijn mooie bloemen," ofschoon er toch verwondering
was over allen, hoe albasten bloemen zoo stonden te groeien, op mijn
hand in de benauwende volte der straat.
Daarna ging ik werken. Op mijn tafel rankten de narcissen. Wie binnen
kwam zei: "Van wie heb je die bloemen? Van wie?" In het lamplicht
glansden zij mat, als zwanendons. Enkele blaadjes kromden spichtig,
maar overigens was er geen leven in. Ze waren voorover gebogen en
leken te volgen het gaan van de pen, die zwarte draadjes uitkrabde. De
afgesneden stengels rustten in water. Het was alsof ik zoo moest
schrijven goede zinnen. Een ruw woord zou niet gedacht kunnen worden,
waar de narcissen sereen en wit stonden te kijken.
Eindelijk was er de late nacht. Weer rustten de bloemen in mijn
hand. De lange straten van asphalt lagen als eindelooze lanen. De
voeten gingen bijna geluidloos en de hand recht-vooruit, hield de
kronen omhoog, die uitwitten zilverwit in de stilte van nacht. Zijn
in vroegere eeuwen mannen gegaan zoo, om te offeren bloemen van
godsvrucht? Zijn er in alle tijden menschen geweest, die zoo hebben
geloopen met oneindige liefde en oneindig geluk, omdat zij in leven
van dofheid bekeken een gouden hart met witte blaadjes?
Op den hoek van een straat, bij een fletse lantaarn stond een vrouw. Ze
droeg een mantel van zwart en een hoed met veel linten. Haar gezicht
was dik en verlept. Ze riep me toe. Ik stapte door. Toen zei ze hard,
met een lach van brutaalheid:
"Geef mij die bloemen!"
De hand hield vaster de narcissen. De oogen keken minachtend. De
vraag was leelijk. Aan een vrouw, die 's nachts waakt op de hoeken
der straten, kàn men geen witte bloemen met gouden harten geven. Het
is hard, maar het kàn niet. Ik zou niet kunnen zeggen waarom. Toch
wil ik goede dingen doen, maar wegschenken een narcis, 's nachts,
in een straat, aan een vrouw die vreemd en onrein is, wegschenken
een narcis, die me zacht werd gegeven, het zou éven wreed zijn als
haar te werpen in vuur.
Verder ben ik gegaan. Ik liep alleen met de drie witte bloemen. De
koppen schudden in domlende rust. De hand werd moe van het dragen. De
stengels gloeiden tezaam tegen de huid.
Buiten de stad, waar de boomen suisden, waar de wind zachtjes waaide,
bewogen sterker de narcissen. Het licht van de maan belichtte het
goud. De blaadjes waren roerloos. Ze konden zoo witte rozen zijn,
witte geluksbloemen. Ze gingen als witte droomen voor mij uit.
Nu staan zij al dagen in mijn kamer op de vensterbank waar ook violen
staan. Het is een bloemfestijn van Mei. De zon warmt er op neer. De
violen, paars en geel, fluweelen mollig naast de narcissen. Als ik
de witte kronen keer naar binnen om de gouden harten te zien en de
fulpen bladen, zijn zij onrustig. Na uren hebben zij zich gedraaid
naar het Licht, daar zij sterven moeten in de donkere kamer. Zij
schijnen te leven in het water, maar de grootste, de blankste bladen
van marmerwit worden bruin en verschrompelen stil. Een bloem klaagt
niet, zóó dat menschen het verstaan. Een bloem sterft geluidloos.
De eene narcis, de sterkste, is nog van ongerept wit. Zij heeft een
krachtig leven.
De tweede perst de bruinende bladen saam. Het gouden hart schemert
flauwtjes.
De derde is wazig-doorzichtig. De kroon is verfrommeld. De punten der
bladen zijn geel en verdord. Het hart is dood. Naast het glas liggen
doode bloembladen. Een is er gewaaid naast de vurige geel-paarse
violen.
Morgen zullen de kronen sterker verflensen.
VERHAALTJE.
"Sam!"
Een grom onder de dekens.
"Sam! Hé!"...
'n Kreun.
"Sam!"
"La-me met rust!"
"Ik ben 't!.... Leg je nou nòg in je nest?"
Weer 'n kreun.
"Sam, wor nou wakker.... 't Is bij tweeën."
'n Slaperig, leelijk hoofd met verwarde steile haren en lichtdronken
oogen steekt verschrikt boven 't dek.
"Bij tweeën?.... Dat valt mee. Ben jij al op de vlakte?"
"Kom d'r nou uit! Ben je an de boemel geweest?"
"Nee, 'k heb gewerkt tot half vijf vanmorgen.... Laat me nog maar
wat liggen.... Ik ben gaar."
Maar Lou [1] begint in de keuken een aria te brullen en het daglicht
plast vroolijk door de alkoofdeuren.
"Wil je er uit komen, Sam. Ik wou je iets zeggen, iets ernstigs."
Wakker kijk ik nu op, om den serieuzen toon. Rob is bleek en doet
vreemd.
"Iets te zeggen?.... Hoe laat is het?"
"Twee uur."--Hij lacht.
"Wil je vóór wachten?"
"Nee, 'k blijf wel hier."
"Goed."
Ik steek mijn magere beenen in mijn tricot.
"Is er iets thuis?"
"Nee."
"Wat scheelt er dan an? Je ziet zoo wit."
"Klee je eerst an."
Ik ga naar de keuken, neem mijn bad.
Lou is naar de snijkamer.
Terwijl praten we door.
"Studeer je druk?" schreeuw ik. Het frissche water heeft me lekker
gemaakt. Ik ben in een stemming van gemoedelijkheid.
"Nee!" roept hij uit de andere kamer.
"Hoe gaat het met Anna?"
Hij antwoordt niet,
"Hoe gaat het met Anna?" roep ik harder.
"Goed."
"Je mot Pieps en Poel [2] eens zien ravotten in den tuin!" roep
ik weer.
Ik hoor hem gaan naar het raam.
Op de grasplekjes in het tuintje rennen de katten, uitgelaten door
de warmte der zon. Alles lijkt vriendelijk en goed buiten. Het
stukje zwarte grond ligt juist vanmorgen glunderig en gezellig. Het
zonlicht maakt er een prachttuin van. Tegen de heining begint onkruid
op te schieten. In de zwarte takken der bladerlooze boomen tsilpen
vogels. In een tuintje verder spelen kinderen van een buurman om een
withouten tafeltje en maken figuurtjes van zand. Uit een keukenraam
boven klinkt het blije gebler van een meid.
Ik hoor hoe Rob met zijn vingers tegen de ruiten trommelt. Ik zing
een mop uit Carmen. Het is laat geweest vannacht. Maar de zon en het
koude water maken alles weer goed.
Eindelijk kom ik binnen. Rob staat met het hoofd tegen de ruit
aangedrukt. Een breede ademplas is als een aureool van bleekheid om
zijn hoofd.
"Hier ben ik."
Hij keert zich om en terwijl ik mijn kop cacao klaarmaak, zit hij
bij het raam. Hij heeft de krant opgenomen. Ik kan zijn gezicht niet
achter het papier zien.
"Je heb een heele lijn getrokken, vannacht," zegt hij.
"Ja, 't is laat geworden."
Ik eet. Hij leest. Wij zwijgen. Maar als ik toevallig even opsta om
den waterketel op te nemen, zie ik, dat hij met de oogen dicht achter
de krant zit en niet leest. Hij schrikt op. Ik vraag hem niets. Ik
voel dat hij zelf spreken zal.
"Je kucht leelijk, jongen."
"Ja, ja...."
In de kamer het vroolijk gegiegel van de zon door de gordijnen, het
rinkelen van 't lepeltje in den kop, het tikken van 't mes op het
bord. Buiten het aardig gekakel, het gonzend leven van de spelende
kinderen en het brutale getsilp van musschen.
"Wil je rooken?"
"Dank je."
"Ben je nog niet klaar met de krant, ouwe jongen?"
Slap kraakt het papier neer op zijn knie. Hij kijkt door het raam
naar buiten.
"Sam.... het is gedaan."
"God, kerel, wat ben je down!.... Wat meen je?"
"Ik heb.... wat ze allemaal gehad hebben."
"Wàt?... Wàt dan?"
"Tering..."
"Inbeelding! Malligheid! Zet je toch die gekheid uit het hoofd!"
Hij kijkt me an met stille oogen.
"Ik geef bloed op, Sam."
"Ben je naar een dokter geweest?"
"Naar onzen huisdokter..."
"Wat heeft-ie gezegd?"
"Geosculteerd... en... mis."
Nu speel ik zwijgend met mijn mes.
"Vader is er an gestorven, jong... Door en Karel oòk... Nou is 't
mijn beurt."
"Kom jongen, je ziet 't veel te zwart in."
"Ach Sam, wij hebben elkaar toch niks wijs te maken."
Ik zwijg. Hij weet er meer van dan ik. Waarvoor dienen praatjes bij
zoo'n gelegenheid?
Rob heeft de krant weer opgenomen, kijkt naar de letters met strak
gezicht.
Ik denk aan Anna, het frisch, vrindelijk kind, waarmee hij verloofd is.
Het stilzwijgen duurt lang. Nu het eenmaal gezegd is, hoeft er niet
verder gesproken te worden.
Want de gedachten bewegen in eenzelfde sfeer. Het is alsof in de
kamerstilte, met het vreemde geraas der kinderen buiten in het
zonlicht, vragen en antwoorden gaan van den een tot den ander in
volkomen begrijpen. Woorden klinken hard. Zwijgen zegt.
Maar zijn oogen raken vol tranen en hij kijkt naar buiten om het
te verbergen.
"Rob," zeg ik zacht en in mijn zeggen ligt mijn allerinnigste
overtuiging: "Het lijkt me zoo goed, om het leven te nemen zooals
het komt... We hebben zoo dikwijls ernstig gezegd tot elkander,
dat leven een phase tot dood is... en er niets in dàt leven mag zijn
dat ons zwak mag maken... Ik geloof, dat ik zoo gerust zou sterven,
als ik gegeven had... mijn werk."
"Ik ben niet zwak. Ik ben niet zwak. Maar moeder weet er nog niets
van. En Anna..."
Hij stokt en kijkt uit het raam. Ik voel dat hij huilt.
O, philosofie over dood en leven is een onding, als de zekerheid van
dood er is. Alleen gezonde menschen zijn sterk van voornemen.
Ik probeer hem op te monteren, praat met hem. Hij blijft triestig. En
ik lièg afschuwelijk.
Er wordt gebeld. Het is een kennis, die luidruchtig binnenkomt. Hij
heeft ons voor het raam gezien.
"Wat een heerlijk weer hè? Rob, ik ben je meisje tegengekomen in
de Kalverstraat."
"Zoo, liep ze in de Kalverstraat?"
"Met je mama."
"Zoo."
"Wat zijn jullie stil. Heb je ruzie gehad? Zeg, jij bent ook vroeg
bij de hand! Koffiedrinken om half drie. Hoe kan je vanmiddag eten!"
"Is er nieuws in de stad?"
"Ja een bulletin. Ooms heeft verloren."
"Zoo... heeft Ooms verloren."
"Hij kreeg kramp in zijn handen."
"Zoo."
"Ga je zoover mee Rob? Ik ga de stad in."
"Da's goed."
"Scheelt er wat an?"
"Ik ben niet lekker."
"Komt van 't lange vrijen!"
Rob lacht flauwtjes. Ik wil hem nog houden. Maar hij gaat weg. Hij
moet om drie uur Anna afhalen.
Ik steek een pijp op en zit voor het raam. De kinderen vullen blikken
vormpjes met zand en keeren die om op het withouten tafeltje. Maar het
begint te regenen. De vogels vluchten onder de dakpannen. De kinderen
worden binnengeroepen. Er komt een groote rustige stilte. Alleen het
getik van de regendruppels op de keukentrap en het gezang van de meid
boven. De katten zitten op het kozijn.
Alles is zoo goed om te droomen.
HUISHOUDEN.
Ik ben vandaag lang in bed gebleven. Wanneer je de wetenschap hebt,
dat je nihil bezit, dat het onaangenaam kletsregent, dan is het aan te
bevelen om onder de dekens te blijven. Lou was naar de snijkamer. Ik
heb iedereen laten bellen, niet kunnend veronderstellen dat de een of
ander geld kwam brengen. Een heeft er twee, drie, viermaal gebeld. En
nijdig. Een nijdig, langdurend gebel is van een beertje. Maar onder
de dekens heb ik meer geduld dan zij.
Eerst om één uur schoot ik er uit. Na een ontbijt van brood, thee en
een gepofte haring, ben ik aan het werk gegaan. Onaangenaam aan het
werk. Er was geen tabak in den pot.
Tegen vijf uur kwam Lou thuis van de snijkamer.
"Wat breng je daar mee?"
"Da's mijn geheim."
"Toch geen praeparaat?"
"Nee... visch..."
"Visch?"
"Ja... botjes..."
"Ben je bij La Fuente geweest?"
"Nee... Er kwam een botboer voorbij... Toen heb ik er acht voor
vijftig cent gekocht."
"Hoe kòm jij aan vijftig cent?"
Er lag enorme verbazing in mijn vraag.
"Da's mijn geheim. Hier is de visch."
Acht magere botten kleefden d'r bloederige lijfjes aaneen.
"Heb je niet afgedongen?"
"Natuurlijk. Hij vroeg een pop. Toen zei ik voor een kwartje. Toen
zei hij krijg de kouwe koorts. En toen heeft-ie ze voor vijftig
cent gelaten."
"Nou d'r is nog brood in huis en rijst... Dan kunnen we thuis
dineeren. Bak jij ze maar."
"Nee bak jij ze. Ik weet niet hoe het gaat."
"Ik ook niet."
Ik ben tot de overtuiging gekomen dat koken een aparte wetenschap
is. Wat maakt die juffrouw Drucker zich druk met emancipatie! Mijn God,
wat zou er van ons worden als er niet voor ons gekookt werd? Want ik
zal alleen maar de moeielijkheden vertellen van het prepareeren van
rijst. Je moet nemen een kopje rijst tegen vier kopjes water, en dan
laat je maar koken. Maar nu is de moeilijkheid om op te letten of
ze gaar is. Laat je te kort koken dan is iedere korrel hard en lam,
kook je te lang dan brandt de boel an of er komt een vla die veel
op stijfsel lijkt. We hebben er ondervinding mee opgedaan, heel wat
rauwe of aangebrande poespas moeten slikken vóor het lukte. Nu doen we
als met eieren. Gegeven onze pan, ons petroleumtoestel, onze kopjes,
kunnen we met het horloge in de hand volstaan met zeventien en een
halve minuut. Ik zou dus geen recept aan anderen kunnen geven en het
telkens proeven als de rijst op-gaar-af-worden is, is gevaarlijk:
je brandt telkens het voorste tipje van je tong. Maar vischbakken
dat is iets afschuwelijks.
We bezitten alleen een geëmailleerde kleine omeletpan. Die hebben we op
het petroleumstel gezet en er een klein tikje slaolie ingegoten. Dat
was het idee van Lou. Er kon maar één botje tegelijk in en dan nog
stak de kop of de staart over den rand heen. Wat een eigenwijs,
vervelend beest. Een ellendeling! Zóo lag-ie in de pan of hij krulde
om als een halve maan. Wat we er aan deden was nutteloos. Lou hield
zijn kop met een mes, ik zijn staart met een vork naar beneden,
maar toen begon-ie middenin op te bollen.
"Je heb er te weinig olie in gedaan," bromde ik.
"Je ben gek... er is nog te veel in."
"Nou je ziet toch wat het beest 'n grimassen maakt!"
"Dat ligt an de pan..."
Het was om wanhopig te worden. Toen we weer allebei drukten, spleet het
dier open en hobbelde het vleezig gedeelte naar alle kanten weg. Het
leek een moes. De vinnen waren vastgebakken en de kop was als in het
begin. Toen kwam de geweldige moeilijkheid om het gespleten dier om te
keeren. Door de verschillende fragmenten geduldig los te bikken lukte
het. De kleine keuken stond vol walm. Eindelijk was het beest klaar,
maar in plaats van één visch, kwamen er twaalf bleeke of verbrande
brokjes uit de pan.
"Zoo hoort het," zei Lou: "ik heb ze zoo dikwijls gezien."
Het pannetje was zóó aangebakken, dat we het eerst met water
omspoelden, wat een onsmakelijke olieachtige brei gaf. Ik was besloten
dat het tweede exemplaar zou gelukken. De halve pan dee ik vol olie
en lei er het magere ding in. Het duurde een kwartier eer de boel
aan de kook was.
Nog een kwartier stond ik er geduldig bij. Het leek naar niets. De
visch bolde niet, werd ook niet bruin. Bedaard lag-ie te dutten,
te pruttelen en te stoven. Geen quaestie van bruin-worden.
"Je mot geduld hebben," zei Lou.
Goed, ik zou geduld hebben, nam Schopenhauer's Die beiden Grundprobleme
der Ethik en bleef lezen. Na een half uur, kijkend, was de bot
opgelost in de olie. De graten dansten naast een bruine brei van olie
en vleesch. Het moest er met een lepel uitgevischt worden.
Schopenhauer heeft goed praten: 'Wenn ein Mensch will; so will er auch
Etwas; sein Willens-akt ist allemal auf einen Gegenstand gerichtet
und läszt sich nur in Beziehung auf einen solchen denken." Malligheid
Schopenhauer. Malligheid. Neem als Gegenstand een botje en wil het
beest bakken: ik, Samuel Falkland, verzeker je dat het niet gaat. Je
hebt er een vrouw voor noodig.
De derde bot hebben we gesoigneerd als een juffers-hondje. Lou zei dat
het petroleumstel niet fel genoeg brandde. Ik heb de pitten opgedraaid,
weer weinig olie gebruikt en nog eens hetzelfde resultaat. Het botje
dee allemaal pogingen om de pan uit te krommen.
"Nee, niet drukken!" riep ik: "Laat 'm an zijn lot over. Wij knoeien
d'r te veel mee. Hij zal wel weer recht gaan liggen..."
Jawel. Van onderen was-ie heelemaal verkoold toen we begonnen te
ruiken dat er "iets aanbrandde..."
Over zessen. Drie mislukte en vijf rauwe visschen. Prachtig diner.
Nog één en dan voor het laatst. Het lag bepaald an de olie.
"Nou zal ik het met boter probeeren...."
De pan werd wéér schoongemaakt; een kluit boter lieten we raak
bibberen tot ze bruin was en.... "Let go!...." De bot zakte in de
boter. Er was een oogenblik stilte. En toen,--botjes zijn vervloekte
beesten!--gingen kop en staart weer omhoog en spartelde het beest
zich los uit z'n vel en z'n vinnen.
"Es ist bestimmt in Gottesrath...."
We hebben het opgegeven. Met de vier resteerende bloederige botten
verder dit gedaan:
Begrijpende dat het mannen niet gegeven is visch te bakken en
accepteerend het fatum van man-zijn, hebben we den waterketel opgezet
en de treiterende beesten in het spartelend water gedeponeerd. Dat kon
niet misloopen. Na een zeker aantal minuten hebben wij de dieren er
uitgepikt, hebben rijst gekookt en smakelijk gedineerd. De graten waren
nog een beetje rood, maar dat overkomt je ook wel in een restaurant.
De poes heeft gesmuld aan de gebakken visch. De "treurige"
overblijfselen heeft zij dankbaar en voldaan opgegeten.
Lou bezat nog een toetje tabak. We hebben een pijp gestopt, ieder drie
kop thee gedronken en ons zeer behagelijk gevoeld na de vermoeienissen
van de vischpartij.
Dit zeg ik: er komt nooit geen òngebakken visch meer over den vloer,
zoolang ik òngetrouwd ben.
Het napretje van dit alles bleef de omeletpan. Hoe krijgen vrouwen
in 's hemelsnaam zoo'n ding schoon, wanneer het vet er aangebakken
is. De waterleiding loopt er een uur kletterend op. Het helpt niets. We
hebben gewreven met oude kranten: eenig gevolg dat de inkt aan het vet
vastplakte. Nu is de pan zwart, vies, vet. Welke geëmancipeerde vrouw
geeft advies? Want morgen--morgen de eerste dag der maand, morgen,
de dag van rijkdom, salaris en weelde--morgen moeten wij eieren bakken.
Ik wil alleen nog zeggen dat Strindberg minder vrouw-hatende
drama's geschreven zou hebben, als hij ooit voor acht botjes had
gestaan. In Vader roept hij. "En gij, mijn vrouw, gij waart mijne
doodsvijandin, want ge liet me niet eerder los, voor ik voor dood
bleef liggen." Larie, Strindberg. Bak botjes.
VAN EEN JUFFROUW.
De straat ligt stil en rustig. De bruinroode vlakken der huizen lijken
oneindig. Niets dan steenen en kalk, ramen en deuren.
Als de zon ondergaat spiegelen alle vensters in goudlicht, soms zoo
fel dat de oogen zich sluiten vermoeid.
Als de zon ondergaat staat de muurvlakte aan de overzij in scherp,
wit licht. De oogen kijken er naar, alsof ze lang in donker geweest
zijn, niet verdragen kunnen den sterken overgang van donker tot licht.
Als de zon ondergaat, staat de muur van de overzij, die een vlakte
is van steen, waarachter huizen zijn, zóó fel verlicht, in zulk
kil en tòch droomerig licht, dat er soms komt de gedachte, dat de
huizenrij is alléén op de wereld en de vensters goudtranen schreien
in verlatenheid. Dán is de straat een groote, dorre zee van geel. Dán
kartelen de daklijnen in het wit der luchten. Dán puilen de verste
huizen star uit in de begieting van licht. Dán gloeien de ruiten als
smartlijke menschoogen.
Op zoo'n oogenblik, bekeken van uit de eigen kamer, is er een rij
huizen én een ongekende wereld.
En als de groote hand zich uitspreidt voor de oogen, is er niets
meer, niets.
Dit is avondgedroom. Bij dag zijn de dingen zoo werkelijk, dat droomen
heenklepren als opgejaagde duiven. Alles van Leven is wonderlijk. Ik
zit in mijn kamer. Een muurtje van steenen verbergt me aan alle zijden
voor anderen. Links woont een buurman, omringd door een muurtje van
steenen. Rechts, aan de overzij, overal.
We leven allen in kleine cellen.
De een weet niets van den ander.
Als we de cel verlaten, gaan we rond met een mom van vleesch, met een
gelaat dat alleen schijnt te dienen om innerlijk leven te verbergen.
Als we zitten voor de openingen, die daglicht toelaten in onze cellen,
bekijken we elkander. Dat bekijken vind ik triestig. Want aan de
overzij van de straat zie ik drie, vier, vijf huizen. Elk huis heeft
drie, vier verdiepingen. Elke verdieping is bewoond. Elke verdieping
omsluit in de dikte der muren, achter de glimming van glas leven. In
het eene huis, beneden, zit voor het raam een oude juffrouw en beweegt
de handen over een stuk wit linnen. Anders niets. Boven haar, op de
tweede verdieping, een man, die een krant leest. Daarboven een bleeke
juffrouw met een zuigeling. Anders niets. Ze zitten boven elkander,
weten niets van elkaar, hebben allen belangen en belangetjes.
Ze leven.
In het huis er naast bekijken kleine kinderen plaatjes. Op de tweede
verdieping een vrouw en een man, die uit glaasjes slurpen. Op de derde
een juffrouw die aardappelen schilt. Anders niets. De twee huizen staan
naast elkander, als kooien met gevangen marionetten, als poppenkasten,
als doodkisten, waarin nog wat leven beweegt. De straat is rustig
en stil. Door de gesloten ramen komt geen enkel geluid. Ze leven,
bewegen, doen ... die menschen in de luidlooze huizen, zooals ik,
en we weten niets van elkaar, daar we allen zijn droomers, die als
vrekken een eigen droomleven bewaken.
Ook in het derde huis is leven. De drie ramen van de eerste verdieping
zijn behangen met tulle gordijnen. Er valt niet in te kijken. Maar
den heelen dag, om het half uur, trekt een hand de tulle lappen op
zij en leunt een meisje, een vrouw, tegen de ruiten.
Over die vrouw wou ik het hebben. Maar ik weet niets van haar. Ik
heb haar nooit gesproken, nooit in de oogen gekeken. En ik ken haar,
zooals wij menschen meenen te kennen, voor ons bijzonder gevoel. Ze
is jong, lang, bleek. Ze staat in haar rood kleedje en kijkt met de
zwarte oogen, lusteloos, uren lang in de monotonie van de straat. Haar
gezicht is hoekig, smal, flets. De hand is wit. De witte hand beweegt
de gordijnen, ze steekt het hoofd door de plooien en soest.
Ze ziet alles wat er gebeurt in de straat. Ze ziet den bakker,
die rondrijdt, den boodschapjongen met pakjes, den briefbesteller,
die zigzag de brieven rondbrengt. Ze ziet het dienstmeisje, dat met
opgewaaide rokken tegen den wind ingaat. Ze ziet het joodje, dat
sinaasappelen vent. Ze ziet alles met lustelooze oogen, zonder te
lachen, zonder te spreken. Ik denk, dat ze alleen-woont of getrouwd
is; of op een zieke past of wat anders, wat anders...
Als ik voor mijn raam kom, zie ik haar leunen tegen de vensterbank,
de oogen in het vage, de oogen wèg, de oogen bezig met de
straatverlatenheid, met de menschen aan mijn huizenkant, die ook weer
voor hun ramen zitten. Komt er een orgel lawaai maken in de straat,
dan verschijnt de witte hand en kijken de zwarte, stille oogen. Gaat
het orgel weg dan valt de tulle neer.
Als een kind struikelt en huilt, beweegt de witte hand, en gluurt
het hoekig, bleek gezicht door de doekplooien. Er gebeurt niets in
de levenloosheid der straat of zij maakt het mee, leeft het mee,
doet het mee.
's Avonds komt er licht achter de tulle. Ze zit bij een piano en
speelt. Het geluid hoor ik niet. En ze staat weer op, kijkt in het
leege straatje, in de donkerheid. Als de zon schijnt, is ze lang
en bleek, achter de gordijnopening. Als de regen neerklikt, leunt
ze onbeweeglijk, uren lang, ziet het neerspetten der druppels in de
plassen, het kletteren der lange stralen, het morsen der dakgoten.
Ze is er altijd, altijd. Ze is één geworden met het kleine
burgerstraatje, één met haar cel, één met haar leven, begraven tusschen
de steenen muurtjes, die omsluiten ieder onzer.
Vanavond is de zon weer heengegleden. De overzij, de groote,
oneindige, bruinroode muur, die een huls is, een cocon, lijnde op
in de bleekmatheid van avondschemeren. Alle ruiten kaatsten vijandig
het zonlicht. Een enkel dakvenster lichtte in de schemering, als een
transparent, waarachter zilvervuur spat. Scherpe, pijnlijke stralen
priemden naar alle zijden. De bruinroode, levenlooze muur leek dáár
te branden, te spuwen een onaardsch, onwerkelijk vlammenvuur. De
heele muur stond stroef, hard in het witte licht.
Achter alle vensters konden nu menschen zijn. Die waren verborgen
achter de goudkaatsing der ruiten.
En de straat was stil, levenloos.
Het was vreemd.
Maar achter de gordijnen stond ze. Ik zag haar niet. Ze bleef verborgen
als allen in de zonnepurpering op de ruiten, die bloed leek.
Ze was onzichtbaar, onzichtbaar haar witte hand, onzichtbaar haar
lustelooze, stille oogen.
Ze wás er.
Want toen het zonlicht verflauwde, het heete gegloei op de ruiten
versmolt met het donkere bruin van de muurvlakte, het schelle
avondgeschemer stillekens heenbleekte, zag ik haar, leunend tegen
het raam, tot het donkerder werd, tot de straat zwart wierd, tot de
zwarte kijkgaten der huizen weer licht diffuseerden, rood, doezelig
lampenlicht.
Toen heb ik mijn witte gordijnen geschoven voor mijn ramen, ben gaan
werken langzaam en triestig.
POES.
Poes is bevallen.
Het is geen wereldgebeurtenis.
Maar wijl het leven voor elk onzer stadsmenschen tusschen vier muren
voortzeult, is het niet meer dan logisch dat de kleine dingen, die
wel tusschen die vier muren willen plaats hebben, in onze fantasie tot
levensgebeurtenissen aangroeien. Mogen de sterke mannen, wier harige
lichamen, sportkuiten en koffiehuiskracht gezonde verweermiddelen tegen
deze evenementen zijn, Falkland beschouwen als een rustige oude tante,
hij waagt het, zij 't ook wat angstig, van een zoo onaanzienlijk
iets een verhaal te doen, dat bij geen duizendste benaderen zal,
de wonderlijke aandoening, die hij ondergaat bij het zien van Poes
en haar vier kinderen.
O, groote menschen, die in je leven bestaat van de meest gedrochtelijke
uiterlijkheid, die nauwlijks meer lachen kunt een frisschen, open,
eerlijken lach, die wentelt in al de bedenkingen van je vetten,
beduimelden maatschappelijken kring, die rondhost in aapjes, je handen
vermoffelt in dierenvellen, je neus ophuifelt boven je snorspietsen,
je schoenen wringt in gelakte hulzen, die in rok begraaft en in
rok viert de feesten van je geneugten, die met roemers in de handen
elkander toedrinkt, die van genoegen tintelt, wanneer je listigheid
daalders en poppen doet rammelen in de bevleesde palmen van je niet
geganteerde handen.--O, drukke, bewegende, dringende, duwende, groote
menschen, die de straten overvult en dompig èn stoffig maakt, die knikt
en aanminnig groet en flaneert en met wandelstokken over asphalt tipt
en de blauwe spiraaltjes van rook door je neusgaten schudt en een hand
geeft hier en een hand daar en begeerig kijkt naar de hoeden met veeren
en bloemen achter winkelkasten en op de tram springt en samenhurkt in
dampuitzweetende koffiehuizen--, groote, stevige, glimmende pratende
menschen op de Beurs, schreeuwende venters op straat, politieagenten,
militairen, bakers, kindermeisjes, sjouwers, sleepers, bedelaars,
dames en heeren, juffrouwen, met voiles, mopsneuzen, hooge-hakken
en gele linten, botboeren, waschwijven, schutters, kolonialen
en kruiers,--lachende, kijkende, lawaai-makende menschen, die de
schouwburgen vult, waar, achter het voetlicht, zotternijen door
speellieden vertoond worden; die elkander begluurt met binocles en
toewuift met waaiers, die coquetteert, ginnegapt en zwaar gaat van
't gedreun van je armen en beenen, wanneer de speellieden je zinnen
voortreffelijk kittelen,--plompe, zwarte, stille verdrukten, die als
mensch zijt geboren en graag je dierlijke krachten vermorst voor een
hongrig bestaan, arbeiders in smidse, houwers van steen, stumpers bij
de heete, laaiende vuren, menschbeesten in de donkere schachten der
mijnen, ingeslapen bedelares op de brug van de Hoogesluis, slapers in
de Toevluchts-oorden,--witte, bepoederde, gefaneerde op de hoeken der
straten, krachtpatsers en athleten, chanteuses van Nes, kellners,
studenten, hoog in je boorden loerende jongelingen, matkijkende
ouwetjes, bloemenmeisjes,--o, groote, groote menschen, gewend aan
het geratel van sleeperskarren, het gerinkel van trambels, het gegil
van locomotieven, het schorre geschreeuw van ventende joodjes, het
gedraaf, het geraas, het gedonder, het gedreun--: Poes is bevallen,
bevallen op een regenachtigen namiddag in een donkerst hoekje van de
alkoof, waar oude doozen en koffers staan, waar geen zonlicht komt,
waar niets van het brakend stadsleven-geraas doordringt.
's Morgens, toen de zon nog lichtte door grauwe wolken, liep ze over de
schuttingen, zocht warme plekjes op, ging dik, breed-uit liggen. Tegen
den middag liep ze klagend rond, alle hoekjes besnuffelend, roepend
met een pijnlijk geluidje dat niemand begreep. Toen was ze ineens
weg. Maar tegen den avond kwam ze sluipen uit de alkoof. Op een oude,
afgevallen jas lagen drie blinde zwarte rotjes en een blind grijs,
een kleine klit leven, al piepend, bijna zachte schreistemmen van
kinderen in den donkeren hoek van de donkere alkoof.
Poes liep naar de keuken, dronk melk en kwam terug. Bij het weer
zien der jongen gaf ze een kleinen zachten kreet en de vier bewogen
de blinde, leelijke kopjes en piepten, wonderlijk klagend, toen ze
het warme lichaam der moeder weer voelden en gulzig kruipen konden
naar de tepels. Poes ging er gelukkig bij liggen. Dat moet toch wel
beestengeluk zijn, het echte, groote beestengeluk, waarvan de menschen
in hun wijsheid niets begrijpen, het beestengeluk, waarvan de kracht,
de grootte door niemand benaderd kan worden. Poes lag met wijd-open
strak-groen-lichtende oogen. Er was niets in haar oogen dan dat felle,
laaiende groen, dat peilloos leek, een onmeetbaarheid van licht,
groen licht, vlammend licht, alsof het lichaam oneindig, alsof de
oog-openingen grenzen waren van een tot in de ruimte voortbarnenden
lichtkolk. Poes keek ieder aan met groote, groene oogen, trapte met
de fluweelen pooten tegen den rand van het mandje, knorde zacht het
wiegelied van haar beestengeluk. Gulzig, dorstig, driftig zogen
de jongen. Weg duwden ze elkanders koppen. Ze vochten zoo zwak,
zoo klein, zoo pasgeboren als ze waren, om het bezit van een tepel,
om het bezit van het moederlichaam, in hun driest, heftig begeeren om
verder tot leven te komen, uitmergelend Poes, die maar lag te spinnen
en elkeen aankeek met haar groene, wijd-open geluksoogen.
Het duurt nu drie dagen.
Poes komt af van het nest om te eten, springt op het raamkozijn,
gaat met rustig-fluweelen bewegingen over de schutting, springt in
den tuin, kijkt even rond naar het gras, dat schuddend zwiept in de
stootingen van wind, kijkt naar de wuivende, rukkende takken, waaraan
Meigroen wappert, loert op een zwarten, glanzenden spreeuw, die op de
schutting trippelt en wipt weer door het raam, over een stoel naar de
alkoof. Ze blijft den heelen dag weg. Ze bemoeit zich met niets, met
niets. Ze geeft geen geluid. Alleen de jongen piepen schel, vinnig, als
ze gulzig vechten, vechten in hun blindheid om den tepel der moeder.
Den heelen dag, spinnend en rekkend de pooten, ligt Poes bij haar
kinderen. Als de alkoofdeuren opengaan, zijn alleen de geelgroene
stippen in 't donker te zien, in den hoek waar niets doordringt van
het gegons der stad, in den hoek, waar zij haar beestengeluk onder
zich houdt.
Dat alles is van een wonderlijke aandoenlijkheid, die niet onder
woorden te brengen is, zoo een geluk in den hoek van een rommelkast,
zoo een bijkans onopgelet komen van leven, zoo een volkomen opoffering
van een dier, waarvan we niets weten, nooit iets weten zullen,
waarvan we alleen voelen dat het zuiver-gelukkig is, onaantastbaar,
goddelijk--gelukkig,--zóó geheel overgegeven aan dat geluk, dat
het wel niet mogelijk lijkt een equivalent bij menschen te vinden,
bij menschen die op straten gaan, bij menschen die in kamers zitten,
bij menschen die loome hoofden in handen steunen, bij menschen die
elkander met glazen oogen bespieden, de een ijverzuchtig op het
evenwicht van den ander, evenwicht dat zij geluk genoemd hebben,
bij menschen die gekomen zijn tot weten van veel dingen.
DE MOF.
Bij de banken stonden de jongens te babbelen. Een zat bovenop de
lessenaar, een zwaaide heen en weer, met z'n beenen bengelend tusschen
de leuningen.
Verlegen schoof-ie binnen, voorbij een paar jongens die niet opzij
gingen, zette z'n hoogen hoed op de tafel bij het bord, duwde z'n
gouden bril recht op den kleinen stompneus en tikte met de liniaal
op de voorste bank.
Niemand keek naar hem. Zenuwachtig tikte de liniaal nòg eens, harder.
... "Jongelui, de vijf minuten zijn om."
... "Mijnheer, mag ik nog even naar achter?"
... "Nee, 't is nu te laat."
... "Ik mot zoo erreg."
... "Ga dan maar... Rasch terug, hoor je?"
Het gegons en lawaai hield aan.
Driftig kletterde de liniaal op de lessenaar.
"De vijf minuten zijn om! De vijf minuten..."
Met de handen leunde hij op de schoolbank. Pratend, giegelend gingen de
jongens zitten. Weer duwde hij met de hand tegen den gouden bril. Wat
was dat?... Vlegels!... Z'n hand was vol inkt. Juist, waar hij gewoon
was te leunen, hadden ze inkt gesmeerd... Maar nou zou-ie doen,
alsof-ie niks merkte, alsof-ie d'r stomme, rooie gezichten niet zag,
nou zou-ie z'n hand met z'n zakdoek afdrogen... Zoo, bleeke Willemsen
met je rooie haar en je vieze zomersproeten, daar zal je geen plezier
van hebben... lompe vlegel... Wat was dat nou weer... Goeie God, wat
'n ellendelingen!...
"Davids ... wat is dat?" ...
"Dat dee ik niet, mijnheer!"
"Wie dee 't dan?"
"Dat weet ik niet!"
"Jan, heb jij die erwten laten vallen?"
"Nee mijnheer!"
"Wie dan?"
"Dat weet ik niet."
"Weet je 't geen van tweeën?"
"Nee mijnheer!"
"Nee-ee-ee!"
"Laat 't niet meer gebeuren."
Nou zou-ie voorzichtig loopen... de grond lag vol erwten... als je d'r
op trapte lachten ze weer... Wat was 't weer snikheet... De kachel
stond gloeiend.... Jawel de pook stak er weer uit... Nou zou-ie d'r
niet weer ankomen zooals laatst ... toen-ie dacht dat ze koud was
... toen-ie zich zoo leelijk gebrand had.... Wat gloeide z'n rug van
de warmte!... Maar als je je omdraaide smeten ze met proppen of deeën
weer gekke dingen... die kwajongens..
"Hebben jullie allemaal je Chrestomathie...?"
"Ja, mijnheer!"
"Jaja!"
.... "Wij gaan verder met het Nibelungenlied.... Also, der
mittelhochdeutsche Vers besteht aus einer gewissen Anzahl
Hebungen.... Du, Willemsen, was verstehst du unter Hebung?" ....
"Hebung .... Hebung.... Dat weet ik niet!"
"Du sollst Deutsch reden!"
"Oui monsieur!"
Die vervloekte gluiper.... Nou lachen ze weer allemaal....
".... Timmermans: was ist Hebung?"
Timmermans zou 't wel weten... Die was nummer een van de klas.
.... "Ein Hebung? Ein Hebung .... das ist 'n hooge betonte Silbe,
zwischen welcher je eine Senkung" ....
.... "Gut so.... ausgezeichnet!"
.... "Meheir!"
"Was gibt's?"
"Meheir.... Timmermans leest 't uit 't boek op!"
"Ich frage dich nichts!.... Davids, aus wie viel Langzeilen besteht
die Nibelungenstrophe?"
.... "Was blieb?"
.... "Das sagt man nicht.... Man sagt: bitte."
.... "Aus vier Langzeilen."
.... "Was befindet sich in der Mitte jeder Langzeile?"
.... "Weet ik niet!"
.... "Du!"
.... "In der Mitte?.... In der Mitte?"
.... "Du?"
.... "Eine Cäsur!"
.... "Sehr gut.... Willemsen, was machst du da?"
.... "Niks."
Die kwaje bengel.... D'r kwam rook uit z'n lessenaar!.... Wacht
eens.... Nou had-ie 'm vast in z'n nek en smeet 'm de deur
uit.... Zoo!.... Als ze 'm tarten wouen!.... Jawel.... 't was 'n
brandende sigaar!... Nou waren de anderen ook dadelijk muisstil. 't
Hielp als je een voorbeeld stelde.... Goeie God, wat was 't
warm.... die gloeiende kachel in z'n rug.
.... "Pieters.... Die zweite Strophe!"
Langzaam, onduidelijk las de jongen:
"Ez wuschs in Burgonden
"ein schöne magedîn,
"daz in alle landen
"niht schöners mohte sîn,
"Kriemhilt geheizen
"und was ein schöne wip,
"Darumbe muosten degene
"vil verliesen den lip."
Om de gekke woorden giegelden ze weer.... Nou zou-ie uitleggen.
..."Magedîn... das heiszt Mägdelein.. Ein schöne wîp... das
be-deutet... das bedeutet... Nou goed de bank vasthouen
.... stevig.... en voor je uitkijken.... O God, wat werd-ie
naar... Daar had je 't weer... nou keken ze'm allemaal an
omdat ie z'n mond hield... Waar had ie 't over?... Wat keken de
jongens 'm an!... Wat wou-die gaan zeggen?... Das bedeutet... Das
bedeutet... als-ie niet even ging zitten zou-die tegen den grond
slaan... Nou lachten ze... Je hoorde ze giegelen... Maar nou
zat-ie... Daar kwam 'n prop papier net tegen z'n hoofd... Dat
voelde-die wel... Dat most Lamberts gedaan hebben... Als de jongens
d'r nou niet waren, zou-die huilen... snikken... om dat geheugen,
dat... niet meer deugde... dat nooit meer zou deugen, zoo suf
werd-ie... Wacht... Nou zou-die met de liniaal tikken om stilte...
"Stilte jongens.... Ik ben niet goed in orde.... Ik zal zoo
voortgaan"....
In 'n nevel zag-ie ze nou.... met d'r hoofden dicht bij elkander.... Ze
zaten 'm allemaal te beloeren.... zoo gek as z't van 'm vonden.... dat
't nou al drie maal gebeurd was, dat-ie midden in de les de kluts
kwijt raakte en net als 'n dooie, zoo mal en zoo wit voor zich bleef
staren.... Timmermans zat nou 'n potlood te slijpen.... Pieters beet in
'n appel.... Davids was heelemaal niet te zien.... Nou.... Nou.... Nou
weer even je oogen dichthouen, want.... 't komt weer.... O, wat is dat
akelig.... dat groote leege, lichte gevoel.... dat wegsterven van de
witte muren.... dat toch nog hooren van het stemmengegons.... Nou gaat
't weer weg.... Nou klaart 't weer op.... Daar zit Timmermans weer,
die z'n nagels snijdt met z'n zakmes.... Daar zit Driebels, die uit
'n zakkie snoept.... Nou weer beginnen.... "Jongelui.... neem me niet
kwalijk .... Ik was niet goed in orde.... Waar zijn we gebleven.... O
ja.... Magedîn, dat wil zeggen Mägdelein.... Kom nou Pieters,
jongen, let nou op.... Schöne wîp beteekent .... Sst!.... Niet zoo
lachen! Kom doe dat brood nou van tafel! .... Schöne wîp wil zeggen
Schönes Weib.... "Darumbe muosten degene vil verliesen den lîp....,"
dat moeten jullie zoo lezen: "Um die viel Degen müszten verlieren
Leben und Leib" .... Driebels, was heiszt nun Wip?"
"Wip? Wip?...."
"Weet je 't niet? Dan jij?"
"Wip.... Weib."
"Gut so.... Weiter.... Die dritte Strophe."
"De derde: "....Es pflegten sie drei Könige"...." Voor de klas
stond-ie, steunend op de liniaal, bleek, met zware blauwe wallen
onder de oogen, waarvoor de gouden bril schitterde.
Beneden werd twaalf geluid.
De jongens stormden de trappen af.
"Zeg, heb je opgelet, dat de Mof d'r niks van wist!"
"Nou!"
"Wat 'n stommerik!"
"Stom? Wel nee.... Die was dronken."
"Ik zeg je: de Mof weet 't niet!"
"Morgen, mijnheer."
"Morgen mijnheer de directeur."
"U hebt Willemsen uit de klas gezonden?"
"Jawel, mijnheer. Die jongen is zoo ongezeggelijk"....
"Andere leeraren klagen toch niet.... U hebt niet voldoende
tact.... De jongens maken bij u zoo'n leven, dat uw collega's er over
spreken.... Apropos.... Hoe maakt het uw dochter? al beter?"
"Nee.... Ze wordt niet beter"....
"Niet beter?"
"Nee...."
"Wel, wel.... Zoo'n jonge vrouw.... Enfin, niet den moed laten zakken,
nooit den moed laten zakken. Tot ziens!"
"Goeien morgen, mijnheer."
"Zullen we Willemsen Woensdag nahouden?"
"Uitstekend mijnheer."
"Goeien morgen.... Beterschap"....
"Goeien morgen, mijnheer."
TANTE RIEK.
Als ze opstond, liep ze 't eerst op d'r bloote voeten naar het
raam, trok het pennetje weg, sloeg de gordijnen open, liet wat
lucht binnen. Aan de overzij was een meid bezig met 't schrobben
van de stoep. De juffrouw stond voor het open raam en sloeg met een
mattenklopper op zittingen van stoelen. Een eind verder belde de
slager aan en klopten twee schuinhangende vrouwen met bengelende
borsten een kleed uit.
Daar kwam ook de brievenbesteller. Nou stak-ie de straat over. Nee,
niks. Natuurlijk, niks. Geeuwend keek ze in den spiegel, ze dee dat
elken morgen. Nou thee zetten. Voorzichtigjes nam ze een gebonden
exemplaar van de Gartenlaube van tafel. Elken dag lag die precies op 't
zelfde plekje, schuin over de tafelschel, die ze nooit gebruikte. Elk
plaatje, elk verhaaltje van de Gartenlaube kende ze. Tien jaar lang
had ze er in gebladerd en gelezen.
Boeken las ze niet. Soms nam ze van de familie een gelezen Nieuws
van den Dag mee en dee daar een week over. Anders las ze maar
weer in de Gartenlaube, dat een dik boek was en een herinnering
aan den gestorven man. Nou lei ze het boek op de Bonheur-du-jour,
lei het photographie-album, dat aan de andere zij van de tafelschel
lag--precies in een rechten hoek met de Gartenlaube--er naast,
nam de tafelschel op, den rooien tafellooper en wreef met de lange,
stevige vingers het pluche van het tafelkleed glad.
Als ze zoover was--het waren de stille, regelmatige bewegingen
van elken morgen--nam ze het tafelkleed bij twee slippen, vouwde
het zachtjes-streelend over haar robuste knie en lei het bij de
tafelschel. Achter de Bonheur-du-jour had je de stofdoek, waarmee
de tafel gewreven werd. Ze plofte warmen adem op het glimmend blad
en wreef. Er was niets te wrijven. Ze wreef, omdat zij 't gewoon
was. De tafel was het ook gewoon. De tafel in het benauwde kamertje
zou onrustig en vreemd gedaan hebben als de kleffe, warme adem er
geen doffe plasjes op gestooten had.
Nou glom de tafel. Nou was 't weer zóóver in orde. Onder het
hoofdkussen in de alkoof zocht ze den sleutelbos. Ze had vier sleutels:
een van de kamerdeur, een van de kastdeur, een petieterig-kleintje
van de schrijfmap en een van de handschoenendoos, waarin ook het geld
lag. De handschoenendoos lag in een hoedendoos. De hoedendoos stond
tusschen meerdere hoedendoozen op de bedsteeplank. Inbrekers zouden
natuurlijk dáár de spaarduitjes niet zoeken en de sleutels bewaarde
ze onder haar hoofdkussen. Voor buitengewone veiligheid zette ze
's avonds als ze slapen ging een stoel met een glas er op voor de
kamerdeur en op zij van het matras stak het broodmes.
Ze maakte de kastdeur open, nam het ontbijtservet, spreidde dat
over tafel, wreef de plooien glad en haalde de plank van de kast
verder leeg. Het brood was wat oudbakken. Ze dee drie dagen met
een pondje. Ze stak het lichtje onder het theewater aan en telde de
sardientjes in het busje na. Er waren er nog vijf. Op sardientjes
was ze dol. Eens om de tien dagen kocht ze een nieuw busje van zeven
en twintig en een halven cent. Elken dag, 's morgens, at zij er één
met een beetje van die "lekkere" olie. Soms had je voordeelige bussen
met tien sardientjes, maar 't gebeurde ook wel--zulke bedriegers--,
dat er maar acht of negen in waren.
Bij haar eerste twee boterhammen at zij het sardientje, bij de derde
een zacht ei. Ze dee 't tien jaar lang, hapje voor hapje. Het was
lekker en zuinig. Een tweede ontbijt gebruikte ze nooit. Als het
water suisde, lei ze 't eitje er in, bleef geduldig vijf minuten
naar de pendule kijken en in den spiegel en zat tegen elf uur
te ontbijten, eerst een half sardientje met éen boterham, dan het
andere halve sardientje met de tweede boterham, dan het eitje met de
derde boterham. Wasschen dee ze zich, als ze ontbeten had, als ze de
laatste kruimels van het bord gepikt had. Als je je eerst waschte,
maakte je je toch maar weer vuil in het huishouden.
Ze bad nog eerst met de oogleden als luiken voor een grutterswinkel
en de manshanden gevouwen met één pink op het bord. Dan begon ze te
ruimen, te vegen, te stoffen. Ze dee 't bedaard, zeker, alles in de
nauwkeurige, mathematische opvolging van alle dagen. De theeblaren,
die ze gebruikte voor het vloerkleed, werden van de deur naar het raam
toe en niet omgekeerd gestrooid en ze zou er geen seconde over gedacht
hebben om het hoektafeltje eerder af stoffen dan de Bonheur-du-jour.
Was dan ook het bed opgemaakt en de sprei keurig-glad getrokken, dan
ging het tafelkleed en de looper weer op tafel, zette ze de tafelschel
precies in het midden van den tafellooper en kwamen Gartenlaube en
portretalbum in een rechten hoek tegenover elkaar om de schel te
liggen. Dan begon ze aan haar toilet. Het is onwelvoeglijk om hier
in te groote bijzonderheden te treden, maar ook nu deed ze alles
in correcte volgorde. Eerst vijf minuten geborstel over de groote,
gelijke paardentanden.
Ze was trotsch op dat groote, stevige, zoogdierengebit, waarmee
ze noten kon kraken, die andere menschen nog niet eens tusschen
de scharnieren van de deur konden stuk krijgen. Ze was trotsch op
de rijen witte, sterke tanden en kwam op dreef als andere menschen
over kiespijn klaagden. Ze was er zoo aan gewoon om met dat schoone
zoogdierengebit te pronken, dat zij zelfs in treurige eenzaamheid
bij sardientjes en eitje kleine geaffecteerde hapjes nam, om haar
stukken cement te laten zien.
Ze poetste ze met sigarenasch. Al de aschbakjes van d'r familie
leegde ze in een toetje. Eens in de week zuiverde ze haar collectie
van eindjes doorkauwde sigaar en afgebrande lucifers. Na het
tanden-geborstel waschte ze zich. Ze had een kom, waar nog geen liter
water inging. Met een punt van den handdoek wreef ze over het groote,
beenige gezicht en over den vleezigen hals. Verder kwam ze niet. Zij
gaf elken avond haar twee potjes geranium voor het raam meer water
dan zij tot Zaterdag-avond zelf gebruikte.
Zaterdagavond nam ze een voetbad in de literkom. Dan warmde ze water
in den theeketel, stak den eenen voet in de kom en als die gereinigd
was, waagde ze ook den anderen voet er aan. Sedert den dood van haar
man waren de twee voeten nog niet samen te water geweest. Als ze zich
gewasschen had, begon ze aan het haar. Dat droeg ze kort geknipt en
krulde 't elken morgen. Vroeger had ze wel eens papiljotten gelegd,
maar daar kreeg je hoofdpijn van en met een warm ijzer ging 't wél
zoo goed.
Wanneer ze dan nog de ouwe trekken met poeder had gevoileerd, was ze
klaar, kleedde zich en ging uit. Om half twee, mooi weer of stortregen,
kwam ze op straat. Ze dineerde nooit thuis. Maandag, Woensdag, Vrijdag
at ze bij Frits, Dinsdag, Donderdag, Zaterdag bij Lien. 's Zondags was
het om beurten. Ze wandelde van half twee tot half vijf, dan hier,
dan daar heen. Als ze aanschelde om half vijf bij Frits of Lien,
wisten die wie er was. De vrouw van Frits had 't land aan d'r. Ze liet
't nooit merken, zei alleen tot de meid "dat vandaag de zuster van
m'nheer kwam en 'r voor drie personen meer moest gekookt worden."
Lien had vijf kinderen. Die vond 't zoo buitengewoon niet als er
iemand extra was, maar d'r man vroeg minstens ééns op een middag:
"Riek, heb je wel genoeg?" wat de kinderen dee giegelen, omdat tante
méér at dan de heele familie samen en zóóveel op haar bord te gelijk
nam, dat er geen saus meer bij kon.
Ze voelde zich volkómen gelukkig als ze met haar slagtanden voor
zoo'n vol bord zat. Ze was altijd uitgehongerd, niet te verzadigen.
's Morgens, bij het ontbijt, dee ze zich geweld an om d'r geen vierde
boterham bij te nemen. Dan dacht ze an de volle borden van 's middags
en an de handschoenen-doos met de spaarduiten.
Frits en Lien gaven haar samen een weekgeld, niet te hoog, toch
welletjes. Elke week hield ze over. 's Morgens at ze weinig,
's avonds at ze niet--'s middags moest het komen--het, 't vet voor
't lange, zware, beenige lichaam. Dàt was haar eenig, innigst geluk,
als ze met het witte, klapperende zoogdierengebit dineerde. Dan keek
ze sentimenteel-schapig uit de groote oogen en at. Dan glimlachte
ze vriendelijk en at. Dan werd ze spraakzaam--tusschen de happen
door--en at.
Ze at meer, op zoo één maaltijd--dan een gezonde huzaar die twaalf uren
achtereen in het zadel heeft gezeten. De groote mond ging rustig, open
en "nam in." Ze at een half uur achtereen, stevig door, zonder ophouen,
lei vork en mes netjes naast 't bord--nooit gekruist: daar kwam ruzie
van--spande de dunne lippen over elkaar, inspecteerde de tafel of er
nog wat eetbaars was en lei de handen berustend in den schoot.
Niemand maakte ooit, waar ze bij was, een opmerking over haar
gulzigheid. Ze was afhankelijk en men wou niet "onkiesch" zijn. Alleen
zei de zwager, lachend, elken middag: "Riek, heb je wel genoeg?" Na
het middageten had ze haar vaste plekje om te dutten, bij Frits in de
voorkamer, bij Lien op de sofa. Weldadig-glimlachend met een huiselijk
gezicht keek ze dan rond, sloot de oogen en dacht aan Charles, die
tien jaar geleden gestorven was.
Ze dacht aan den doode, die haar alleen schulden had nagelaten,
ook weer precies op dàt uur, zoo als ze 's morgens nauwgezet éérst
de Gartenlaube en dan het portretalbum van tafel nam. Met de oogen
dicht, overgevoelig door te volle maag--ze klaagde wel eens over
de spijsvertering--dacht ze aan hem op dezelfde manier. Nooit
gevarieerd, altijd met de visie van een gladgeschoren kin, zwarte
gladde bakkebaardjes en zoo iets van 'n schemering van oogen. Z'n
oogen was ze half vergeten, maar de kin zag ze met de bakkebaardjes,
zooals-ie op bed lag toen z'm gevonden hadden.
Als ze zoo dacht, had ze heelemaal geen verdriet. 't Hoorde bij den
dag, bij 't dagelijksch doen, bij het stoffen en vegen, wasschen en
dineeren. Nog wat later was ze ingedut, nog wat later snurkte ze. Dan
wekten Frits of Lien d'r voor de thee en nam ze 'n handwerkje op.
Om tien uur ging ze naar huis, nam den sleutelbos twee straten te vroeg
in de hand, maakte de huisdeur open, de kamerdeur open, sloot het raam,
dee 't pennetje in 't gaatje, zette den stoel met het glas voor de
deur, stak het broodmes achter het matras en stapte in bed. Met een
kaars dee ze veertien dagen. Ze lag nog geen twee minuten of ze sliep
en snurkte door haar neusgewelven.
NACHT.
Na twaalven, middernacht. Het is drukkend warm geweest. Op mijn
schrijftafel brandt een lamp, op de middentafel brandt een lamp. Zoele
benauwdheid hangt in de kamer. Ik ga naar buiten, in het tuintje.
Achterin, tegen de schutting geleund, soes ik en de ouwe, vreemde
bekoring komt over me. Het is hier, zooals het overal is in de stad,
in de stad, waar plekjes groen en brokken lucht aan den knapsten
sjaggeraar zijn verkocht--, het is hier, zooals het overal is: een
massaal vierkant van huizen, gedrochtelijke lijnen uitbijtend in den
hemel en er tusschen kleine vierkante, regelmatige tuinen. Overdag
haat ik die groote steenen gevangenis, die muren aan alle zijden, die
gore, roodbruine muren, waarbinnen de gladde, netjes-aangeharkte,
gelikte kniezerige lapjes grond suffen, die de impressie geven
van propere burgermenschen op een propere visite van advocaat,
rozijnen op brandewijn, oudbakken koekjes en groene zeep. Ik haat ze
ontzettend, die tuintjes, die lieve tuintjes, die nette tuintjes met
ronde effene perkjes, met glad geharkt grint, met groote, pompeuze,
leelijke rhabarberplanten en rozestruikjes, die stòm genoeg zijn
om overal purperrood, saffraangeel en wit in het zonlicht aan 't
barnen te zetten voor elkeen, voor ieder, voor burger-juffrouwen,
die aardappelen schillen, voor rooie, leelijke wijven aan de wasch,
voor ravottende, drensende, bleeke kinderen, voor heeren die van
d'r kantoor komen en een sigaar rooken in d'r tuin, na een diner
van varkenskluifjes en aardappelen--ik haat ze, de vierkantjes
grond, met boorden, manchetten en uitgehaalde nagels, ik haat
ze, de vieze, verknoeide, verburgerlijkte tuinen, waar de wasch,
de natte wasch, de manshemden en pofbroeken aan lijntjes hangen,
waar de buren over de schuttingen heen elkanders gedoetje begluren,
met mooi-weer-gezichten over de mense van één en twee-hoog kletsen,
waar om zes uur m'nheer met 'n gietertje rondloopt, netjes potje
voor potje, allemaal 'n beetje water, waar aalbessenboompjes groeien,
zoo-lief, zoo-lief en de meissies op verandah's heele dagen zitten te
handwerken. Ik zie nog net zoo graag straten met keien, of een vuile
sloot. Overdag haat ik dat alles, het huizenvierkant, het groote,
goren huizenvierkant, de tuintjes, de verandah's, de goeie menschen,
de mooie rozen--alles. Dan bevuilt me buurvrouw links met d'r gepraat
over het weer, alsof zij een sigarenwinkel heeft en ik een klant
ben. Liefst groet ik onbeschoft niemand van die goeie menschen, van
die beste menschen, die nét zoo in d'r nette tuintje luchtje scheppen
als ik, ik, die óók zoo'n mooi tuintje heb.
's Nachts is het anders, zoo geheel, wonderlijk anders, is er bekoring,
schoonheid, aandoening in het groote, doode, sombere huizenblok,
geheimzinnigheid in de roode, flauwe uitschijningen der ramen. 's
Nachts leven de huizen een grooter, sterker, krachtiger leven, gloeien
de ruiten als heete, brandende oogen, zijn de tuintjes weg, de muffe
tuintjes, de bloempotjes voor de ramen, de soeperige, gladgekamde
franjes, de witte kozijnen, de vrouwen in witte jakken, de mannen
met pijpen, de handwerkende meissies. 's Nachts zijn al-dingen in
schaduw en schemering, is er mysterie om alles, mysterie om de gehate
plat-burgerlijke werkelijkheid. Het is stil, rustig-stil. Uit een héél
ver raam klinkt zacht stemmengeschuifel. In een duivenhok pikt een
duif met kleine schokjes tegen den wand. Anders is de rust volkomen,
harmonieus als de donkerte met haar geheimenissen.
Een ding hindert nog.
Schuins over, een venster, hel verlicht. De gordijnen zijn
opgetrokken. In de prachtige geheimzinnigheid van den nacht, in de
schaduw-hooping der doode, zwarte kolossen, puilt hinderlijk-naar
het vierkante gat met z'n witte plafonnetje, z'n Fransche bazar-lamp,
z'n bruine, bebloemde behangsel, z'n stel portretten van dierbaren,
z'n rood-glimmende kast met beeldjes en heiligen, z'n stoelleuningen
en bloemenstandaard. Er is niemand te zien. Maar je weet wel zoo wat,
wát er zijn kan. Je denkt in ééns an de juffrouw met 'n gepletten neus
en rullig rood haar, die overdag praatjes sabbelt met den m'nheer van
benee over de waterleiding die niet loopen wil-as-dat 't 'n schandaal
is. Ook in de keuken er naast zie je licht en gele plankjes met
kastranden en glimmende koperen zaken en blauwe pannetjes. Verderop is
't alles prachtig. Vormlooze schaduwen, smeltend weg in de vormlooze
lucht, boomen òpzwartend in het zwart van den nacht--, gele, roodrige
vensters, waarachter het licht brandt gedempt.
Dan komt het wonder over je, het wonder om de dingen te weten, de
dingen die geen verlangen wekken bij dag, in hun hooplooze, duffe
burgerlijkheid. Je wil weten, wèten wat er is om je heen, weten wat de
schaduwen voor leven hebben, weten het geheim dat de logge, drukkende
schaduwvormen insluiten. Zacht op het gele gordijn, naar achter,
ver weg, is het silhouet van een man of een vrouw, onbeweeglijk. Je
kijkt er naar, verlangend, dorstig in je begeeren om iets af te weten,
iets maar, van het schaduwfantoom. Je voelt je eigen leven zoo sterk,
zoo zeker, zoo bewust in den nacht, waar niemand je ziet, waar je
gedachten zoo vorstelijk vrij rond-gaan, waar je niets verbergt,
omdat niemand spiedt--, je voelt je gedreven tot het silhouet, van
den man of de vrouw, tot het vreemde, starre onbeweeglijke silhouet,
waarachter leven is, waarachter een mensch is, een hart, een hoofd,
een geraamte. De schaduw-mysterie pakt je, grijpt je, houdt je vast,
de schaduw in z'n raam van stil licht. Als nu de man of de vrouw
op zou staan en het gordijn optrekken en je zou zien: kamertje met
meubels, behangsel, licht, prentjes, zou het geheimzinnige wèg zijn,
zou je weer denken aan al 't leelijke dat 'n mensch met zulk 'n
zielige zielloosheid verzamelt, aan onderbroekwasschende vrouwen, aan
sauskommetjes, aan kouwe rollènde, aan 't heele kniezige kamertjesgedoe
van menschen die tellen en wurmen, met leege hoofden, met arme hoofden
en geluk trachten vast te houden binnen vier muren bij de omeletpan,
bij de koffietafel, bij de kinderspeen.
Voor, achter, op zij: hetzelfde. De plompe reuzenschaduwen van het
huizenvierkant groeien op in de luchten, alles zwart, schemerig-zwart,
peilloos-zwart. De roode-mat-lichtende vensters dwalen er tusschen,
de schaduwen spelen er tusschen, schaduwen van boomen, struiken,
menschen, schaduwen die zich vermengen, die vergroezlen tot het zwart
van den stillen, rustigen nacht, schaduwen van leven, schaduwen van
schijnbaren dood.
De gaten van licht dooven uit. Het wordt stiller en luidloozer, geen
menschenstem, geen gerucht anders dan dat van de pikkende duif. Dit is
zoo een volkomen geluk, een helder gaan van gedachten bij de onbewogen
schaduwvormen, in de rust.
Dit is gelukkig én triestig, het voelen en weten der menschen rondom,
één hoog, twéé hoog, allen slapend, allen opgehoopt tusschen vier
muren, allen met eigen, ander, onvatbaar, vreemd leven, allen verborgen
in den rouwsluier van nacht, allen in de doode, zwarte rompen der
huizen, allen levend in de levenloosheid, allen met een thuis,
allen met een klein apart geluk, allen droomend hun droomen, allen
onzichtbaar in het donker zooals ik, levend in het donker, zooals ik.
En ginder nog altijd op het geelwit van 't raamsilhouet, de schaduwman,
de stilte, en wat rukjes van wind in struiken, een zacht praten van
blaren, het pikken van de duif en de altijd strakke, wilde lijning
van het huizenvierkant, omhoog.
Maar dan snerpt een klaaglijk geluid in de stilte. Ergens in een tuin
begint een hond te huilen, lang-klagend als de door klauwen gesmoorde
kreet van een stervende. Het kille, aanloeiende geluid dreunt in
het huizenvierkant, van muur tot muur geslagen, van muur tot muur
voortgejammerd. Even blijft het stil. Dan opnieuw reutelt de triestige
galm, lang, gillend over de hoogste schaduwlijnen, aanplonsend uit
het donker en pijnlijk, hortend wegstervend in het donker.
Flets en scheemrend begint het daglicht over de vormen te dagen,
lichte streep boven de linksche huizenrij.
In de kamer is alles gezellig. De lampen branden en ik lig nog wat
lui. Door de tullen gordijnen zie ik het donker buiten, buiten, waar
de dingen in nacht staan te droomen. Wie dáár mogelijk nu gluurt,
ziet mijn kamer, de boeken, de lampen, de prenten, ziet ook mijn
levenlooze silhouet en mijn gebukt stilzitten.
BARTJE.
Wat Bartje overkwam, den dag vóór ze stierf.
Den dag vóór ze stierf, had ze het eenig en zonderlingst lotgeval
in haar leven. Negen en zeventig jaar had ze rustig, zonder te
groote oneffenheden bij Arnhem gewoond. D'r man was dood. Willem
leefde. Willem was d'r zoon, die in Atjeh geweest was en nou
in Amsterdam in betrekking was. Waarschijnlijk zou Bartje zònder
het eenig en zonderlingst avontuur gestorven zijn, wanneer ze niet
plotseling op het denkbeeld gekomen was, om Willem te gaan opzoeken.
Ze hadden d'r in Arnhem verteld, dat er een pleziertrein zou loopen
voor een koopje. Nog nooit had ze gereisd. Nou wou ze. Ze wou en
was d'r niet meer van af te brengen. Ze was zoo in eens koppig
geworden. Als de bovenbuurvrouw d'r sprak van d'r leeftijd, lachte
ze met 'n krakend lachje en zei dat ze de horlepiep nog wel kon
dansen. Ze wou. Ze wou Willem verrassen. Ze wou Amsterdam zien. Ze
was plots jong geworden.
Toen ze in den derde-klasse-coupé zat met de ouwe rimpelhanden op de
hengselmand, riepen ze 't nòg eens: "Weet je 't nou, tante Bart?"
"Ja, ja, ja," knikte ze knorrig.
"Zullen we 't maar niet op 'n stukkie pampier schrijven?"
"Wel gut nee, mensch! Wat maak-ie je nou toch moeilijk!"
"As-je 't nou eens vergeet!"
"Ik vergeet 't niet."
"Bij Pieters op de Oude-Zijds-Voorburgwal."
"Ja-ja-ja."
"Weet je 't nummer nou goed?"
"466."
"Nee!... Daar heb-ie 't al... 463."
"Dat zei 'k ommers."
"Kan de flesch niet omvallen?"
"Die staat tusschen de krentenbroodjes."
"Wees nou voorzichtig met uitstappen."
"Ja-ja-ja."
"Verlies je retourkaartje niet."
"Nee, lieve mensch."
"Nou, ajuus tante... Pas op voor 't portier. Hou je rokken wat binnen."
"Da-a-a-ag!"
"Da-a-a-g!..."
"Da-a-a-ag!..."
"463... Oude-Zijds-Voorburgwal!"
Ruts! Daar ging de trein. Vergenoegd zat Bartje in het hoekje. Ze had
de kalebas neergezet, wreef de plooien glad van den bruin-rooden,
gebloemden omslagdoek. Vergenoegd keek ze uit het raampje en
verwonderde zich, dat een trein zoo gauw gaat. Vergenoegd kauwde
ze. Ze kauwde altijd. Niemand wist wàt ze kauwde. Ieder wist dát ze
káuwde. De leeren, geplooide kinnebakjes trokken regelmatig op en neer,
de diepe velplooien van den hals waren geen moment zonder beweging.
Het was een aardig, rustig, oud vrouwtjes-doen, afgewisseld door
een even regelmatig openen van den mond, het vertoonen der bruine
tandstompjes en der zwarte grotjes er tusschen. Het grijsgrauwe haar
lag glad om het beenige hoofd. De bruin-roode gebloemde doek hing
zonder een kreuk om den blauwen, deftigen, Zondagschen rok.
Ze zat in een vollen coupé. D'r waren juffrouwen en mannen, allemaal
pleizierige, vroolijke menschen, die 't eene liedje na het andere
zongen.
"Ga je ook naar Amsterdam, ouwetje?"
"Ja meneer."
"Zeker famielje opzoeken?"
"Me zoon."
"Woont die in Amsterdam?"
"Zes maanden."
"Gaan jullie samen de peentjes opscheppen, hè?"
"Nou, alsjeblief!"
"Ben je d'r al meer geweest?"
"Nee, menschlief. Ik heb nooit tijd gehad om te reizen."
Over en weer zaten ze te praten. Dan zette d'r een 'n lied in,
overschreeuwend en overstampend het gedreun van den wagen. D'r was
'n juffrouw, zoo'n vriendelijk mensch, die zoetigheid presenteerde en
een ander had een flesch met eau-de-cologne. Bartje keek genoegelijk
toe, altijd kauwend en trekkend met de gele, tanige velplooien van
haar magere hoofd.
Je was d'r eer je 't wist. De tijd was omgevlogen.
"Nou dag juffrouw."
"Gijs, help de ouwe juffrouw 's!"
Ze was nu op het perron, in Amsterdam. Daar had je al een agent.
"Mijnheer de agent, zou u mij eens willen zeggen waar de... waar
de... de..."
"Wat moet je moedertje?"
"Ik mot naar me zoon, die woont, die woont... Och, lieve God, nou
heb ik den naam van de straat vergeten!"
"Is het hier in de buurt?"
"Dat weet ik niet."
"Hoe heet-ie?"
"Willem."
"Van z'n van?"
"Willem de Boer."
"Ken ik niet... Wat doet-ie?"
"In betrekking."
"Weet je dan niet waar-die woont?"
"'t Zal me wel weer te binnen schieten... wacht maar... wacht maar!"
Voor het station, bij den tramwagen, dribbelde ze heen en weer,
zich inspannend, zenuwachtig, angstig. Ze wist 't niet meer. Wat ze
ook dee, ze wist 't niet meer. 't Was zoo'n ellendige naam, zoo'n
verschrikkelijk-lange naam. Nog probeerde ze 't eens. Beverig sprak
ze een koetsier aan:
"Mijnheer, heb u wel eens van me zoon gehoord?"
"Van je zoon?"
"De Boer heet-ie."
"D'r zijn wel honderd De Boers hier ouwetje. Weet je de straat niet?"
"De straat... De straat! Dat's nou toch verschrikkelijk... Ik wist
't zoo goed!"
"Waarom heb-ie 't niet laten opschrijven?"
"Ik kan niet lezen, mijnheer."
"Zeg, Tinus, heb jij wel eens van 'n De Boer gehoord?"
"De Boer?... Ik ken een schoenmaker De Boer... Kan 'm dat zijn?"
"Ach God, nee, mijnheer!... Mijn zoon is in betrekking."
Niemand wist 'r te helpen. Met snelle, bibberende rukjes kauwde ze,
hield de mand vast met de bevende handen. Wat zou ze nou doen? Ze
zou verder wandelen, vragen, net zoolang tot ze gevonden had. Ze
liep rechtuit de Weesperstraat in, rondkijkend, beduusd door zooveel
menschen. Zachtjes-an sukkelde ze over de stoep, voor elkeen opzij
wijkend, iedereen aankijkend of 't soms Willem zou zijn. Dan stond
ze weer stil, vragend: "Weet u hier soms een Willem de Boer?" Maar
niemand wist 't.
Ze wezen haar 'n winkel an, waar eieren, boter en kaas verkocht
werd, maar de vrouw in den winkel had nooit van 'n Willem de Boer
gehoord. Toen ze de Weesperstraat had uitgeloopen, keerde ze terug,
moe, nog eens vragend, nog eens vragend tot bij 't station. Op een
stoep van de Sarphatistraat ging ze zitten, tobbend, zoekend en begon
stilletjes te huilen.
"Scheelt d'r wat an vrouwtje?"
"Ik zoek me zoon, mijnheer."
"Is die van je weggeloopen?"
"Nee, nee."
En dan begon ze weer de uitlegging, weer hetzelfde.
Nou hield ze de oogen dicht en bad. Ze bad altijd als ze in
moeielijkheden was. Nou bad ze zachtjes, met gevouwen, trillende,
ouwe handen: "Lieve God in de hemelen... Zeg me nou hoe de straat
hiet... die straat van Willem... Lieve God... zeg 't nou..."
Heel wat menschen stonden in een kring om haar heen. De een vertelde
't aan den ander... Heb je ook gehoord van 'n Willem de Boer?... D'r
is 'n spekslager... Nee, hij mot in betrekking zijn... Vraag nou
maar raak!... Ben je al bij de pelisie geweest? Ga naar de pelisie,
moeder!... Kom, laat 't mensch niet voor niks loopen... Weet ze veel
de pelisie!
"Ga zoolang in de wachtkamer van het station, vrouwtje."
Dat zou ze dan maar doen. Daar waren niet zooveel vreemde menschen,
die d'r stonden an te gapen en d'r toch niet helpen konden.
Op een der banken ging ze zitten, denkend, tobbend, al maar klapperend
met de beenige onderkaak, al maar pluizend met de dunne lippen. Al
zou ze uren verzinnen, ze zou dien naam weer weten, dien langen,
ellendig-langen, gekken naam.
Zoo bleef ze, uren lang, versuffend, telkens meer versuffend, met heete
oogen en een moe gebukt oud lijf. Toen de andere pleizierreizigers
's avonds weer kwamen in het station, zat ze nog op dezelfde plek
met de mand met krentenbroodjes en de flesch melk, waarvan ze niets
geproefd had.
"Heb-ie je zoon gezien, moedertje?"
"Nee," zei ze snikkend... "Ik heb geen geheugen meer... Nee, nee,
nee." ...
BINNENHUIS-IDEAAL.
Dan stond-ie maar weer op in het donker, liep op den tast naar de
lamp, schuifelde met z'n vingers over de tafel om lucifers te vinden,
streek er een af.
"O! O! O-o-o-o!"--, gilde zij in de alkoof.
"Wees nou toch effen stil"--, gromde hij, slaperig, half-suf.
"O!... Au-o-o!... A-a-au-au!"
De lucifer ging uit en hij stootte z'n blooten voet tegen 'n poot
van de tafel.
"O!... O-oooo!... Au-oooo!"
"Hou dan toch effen op!"
"As jij 't maar voelde!... O!... O!... Ik wor gek! Ik wor gék!"
Daar had-ie licht en het fleschje had-ie ook te pakken.
"O!... O-oooo!... Au-o-o-o!"
"Mensch, gil toch zoo niet voor de buren... Hier... Heb-ie 't... Spoel
nou maar goed."
Beverig, half-huilend, nam ze 'n slok, hield 't hoofd wat links en
bleef zoo kreunend, grommend als 'n jonge hond, rechtop in bed zitten.
"Gaat 't wat over?"
Ze knikte van nee.
"Die vervloekte kies!... Die verdomde tanden van jou!"...
"Kan ik 't dan hellepen"--, huilde ze voorzichtig om den slok niet
in te slikken.
"Da's elken nacht zóo. Dat hou ik niet uit... Nou nog maar drie uur
slaap!... Ik hou 't niet uit, niet uit!"
"Laat 'm dan trekken"--huilde ze weer zenuwachtig, met een geluid
dat uit de zieke kies scheen te komen.
"Ben je nou klaar?"
Hij werd kribbig van 't kouwe zeil, waarop-ie met z'n bloote voeten
stond.
"'t Zal nou wel gaan... Zet 't flesch-ie op den stoel."
Nou lag-ie weer, nijdig, klaarwakker, niet meer in staat te slapen
van moeheid.
't Daglicht begon door de gordijnen te schemeren. Dat was de vierde
nacht. 't Zou morgen ook wel zoo zijn, overmorgen ook. 't Was om uit je
vel te springen. Je dee net zoo wijs om je te verdrinken as te trouwen.
..."Dollef!"...
"Wat is d'r nou weer!"
"Zal ik 'm morgen maar laten trekken?"
"Mot je zelf weten!"
"Snauw nou zoo niet... Kan ik d'r wat an doen?"
"Hoe komt 'n mensch an zóó'n gebit!... Je had met 'n rentenier motten
trouwe! Je ruïneert de zaak met je tanden!"
"Kan ik d'r wat an doen."...
"Nou nog blerren ook!... Wil je me met rust laten!... Zal je me
laten slapen! Is 't uit!... Is 't uit!... Ik heb d'r genog van! Wil
je hebben dat 'k d'r uit spring!"
Zachtjes huilde ze onder de dekens.
"Ben je nou klaar?"
Dat kon-ie niet hebben, dat gegrien.
"Huil nou maar niet... Laat 'm dan trekken morgen."
Ze bleef doorsnikken onder de dekens.
"Schei nou uit met je gegrien!"
"'k Wou jou wel 's zien in mijn plaats.... Als 'k 'm morgen
laat trekken, heb ik geen tand meer in mijn mond!... Was ik maar
dood!... Was ik maar dood! Wat doe ik op de wereld!"
Ze was blijkbaar in een zeer melankolieke nachtstemming.
"Wees nou maar stil! Kom nou, dikkert!"
Als-ie dikkert zei, was-ie verteederd.
"'k Kan toch al niks meer eten!"...
"Ga morgen maar naar De Smitt."
"Was 'k d'r maar uit!"
"Kom nou malle dikkert!... D'r zijn toch nog valsche gebitten te
krijgen."
"Wie mot dat betalen?"
"'t Zal wel kommen."
"Al twee jaar beloof je, belóóf je... en nou gaat de laatste
weg!... Wat heb ik an mijn leven! Ach Godogot!"
"Ga nou slapen."
"Slaap jij maar met zoo'n pijn!"
"Dag dikkert!"
"Dàg!"
Met z'n gezicht naar 't houten beschot begon-ie te dommelen, met iets
zwaars in z'n hoofd, met 't lamlendig gevoel van een ding dat hindert,
zonder dat je weet wát het is. Zij lag stil als een muis, de goeie
dikkert. Boven hoorde je iemand schommelen. Dat was de meneer van
de politie, die an z'n werk ging. Die vervloekte kiezen. Nou zag-ie
precies in z'n dommel hoe d'r mond d'r uitzag: 'n rood-zwart hol,
zonder tanden, met nog één kies, als een afgebrande lucifer. Zou d'r
ooit geld kommen voor 'n gebit, voor zoo'n valsch gebit, as je ze
zag in de kastjes bij den tandmeester, gebitten van rooie was met
helderwitte tanden?... Als 't zoo ging as nou, kon Stien nóg wel
een paar jaar wachten... Je schrapte je kapot den heelen dag voor
niks... Knippen lieten de menschen zich haast niet... Wat hield je
over na aftrek van huur en gas?... Most de dikkert nou d'r heele
leven met d'r tandvleesch eten?... 't Was toch belabberd as je 's
Zondags 'n stukkie lekker mager vleesch had en Stien 'n uur dee over
'n hap... Niks kon ze haast eten... Dan die tegenvallertjes... dat
partijtje cosmétique dat-ie zich had laten ansmeren door dien
gladakker van 'n reiziger... Net één stukkie verkocht an den koetsier
van meneer De Bruin... en de rest niet meer te verkoopen zoo zacht
en vet as 't geworden was... Je most maar boffen!... 't Vak was een
hondenbaantje. Een bediende bij Coini verdiende nog meer. Twee jaar
maakte-ie zich nou al den sappel voor 'n stel valsche kiezen. Jawel! De
dikkert had kans om ooit wat te laten kijken as ze lachte...
Dan was-ie den volgenden morgen weer ijverig aan 't schrappen in den
kleinen winkel.
Pietje was bezig den kruidenier in te zeepen. Hij had den
kantoorbediende van driehoog onder handen.
"Mes goed, meneer."
"Best."
"Heb-u gehoord van 't jongetje van den drankwinkel?"
"Nee."
"Dat weet anders de heele buurt..."
"... Nee, niet opscheren."
"Die is gister overrejen."
"Wat?"
"Z'n twee beenen motten gebroken zijn."
"Tetetete."
"Altijd 'n ongehoorzame bengel geweest... Poeder of Vinaigre?... Piet
help meneer even af."
Dadelijk begon-ie aan den kruidenier.
"Goed ingezeept, buurman?"
"Scheer me maar gauw éen keer."
"Zoo'n haast?"
"Me vrouw is alleen thuis."
"Drukte an den winkel?"
"Als alle dagen... Je kan de bakkebaardjes wel wat wegnemen."
Het mes schrapte kalmpjes over het vale, hoekige gezicht van den
kruidenier. Zachtjes streek het over de koonen, onder den dunnen,
langen neus, over de kin. Telkens als het vuile zeepsop op het
stukje papier afgeveegd werd, gingen er vragen en antwoorden heen en
weer. Terwijl had de kantoorbediende van drie hoog zijn gezicht in de
kleine kom gewasschen en droogde zich af aan den éénigen handdoek, die
aan een spijker hing. Tik. Tik. Twee halve stuiverstukken lei die neer.
"Morgen."
"Morgen."
De kruidenier was klaar, doopte drie van z'n dikke vingers in de kom,
keek even in den spiegel, droogde zich haastig af aan denzelfden
handdoek, lei vijf centen op de waschtafel en ging heen.
Pietje stond in een hoek en dronk een kop thee, die-die altijd om
negen uur kreeg. Langzaam slobberde-die met blaasjes en plofjes in
de groote, witte kom.
"Kom nou jongen, schiet wat op!"
"Ja, patroon."
Opgeruimd begon de jongen den vloer te vegen, zorgvuldig alle haren
in de hoeken bij elkaar peuterend tot er een hoopje was van stof en
haar. Netjes dee-die 't op een stuk papier, dat uit het raam werd
gesmeten. Dan ruimde-die de waschtafel op, sierlijk uitstallend den
borstel-voor-iedereen, de kam-voor-iedereen, het vette, doorzweete,
behaarde stukje cosmétique-voor-iedereen, de scheermessen-voor-iedereen
en de blauwe spuitflesch van de dubbeltjes-heeren. Dan begon Pietje an
z'n eigen toilet, smeerde dikke lagen cosmétique op z'n blonde haar,
plakte 't prachtig naar achter en ging Het Volksdagblad lezen, waarop
patroon geabonneerd was. De baas lette heelemaal niet op 'm. Die zat
nog slaperig bij het raam met de tien centen van de twee klanten in
z'n hand. Als dat strakkies maar geen standjes gaf, dat gesoes.
DROOM.
Tot elf uur 's avonds had-ie in het ruim van het kolenschip gewerkt.
Zwart van vuil was-die met z'n kameraden 'n kroeg binnengeloopen.
Ze hadden er geborreld tot middernacht.
Ze hadden er gelachen, gedold, geschreeuwd, vol drankvroolijkheid.
Thuis was-die naast z'n vrouw, die al lang lag te ronken, in bed
gekropen.
Donker was 't in de kamer.
Alleen 'n streepje licht op den gevel van 't huis aan de overzij.
"As ze me te pakke kreige... sakkerjuu! sakkerjuu!..."
Angstig kroop-ie weg, achter 'n reuzenzuil, net in de schaduw.
En verbaasd, verbluft keek-ie toe, telkens er weer over suffend hoe-die
'r kwam in den Harem.
Hij wàs er.
Sakkerjuu!... Hoe kwam-ie zóo uit 't ruim met z'n vuile smerige bakkes,
midden in zoo'n paleis...
Hoe kwam-ie nou....
Maar hij zou maar kijken.
Jezus nog toe, wat 'n fijnheid!
'n Goud om gek van te worden..... goud overal op den
grond.... christene-zielen wat 'n licht: net of-ie met je neus onder
'n elektrieke lamp stond. 't Dee pijn an je oogen, pijn.... Bloedrooje
strepen en schitterende vonken.... al maar spattende sterren van
licht.... licht.... licht!
Nou kwam daar de sultan.
Uit 'n marmeren deur kwam-ie.
Net 'n meissies-kop met z'n zwarte oogen, z'n lange haar, z'n witte
handjes.
Goddoome .... zoo'n pakkie mot je niet uitvlakke!... Je
ziet alleen maar z'n nakende voeten... dan bont, wit en rood
bont... hermelijn... wat je maar wil... Precies as de priesters op
de plaatjes...
Achter den sultan vrouwen, mooie vrouwen.
Vrouwen met wit vel.
Vrouwen met zácht, blank vel.
Vrouwen in kleurrijke doeken van roze en geel. 'n Bont gewemel van
kleuren en vleesch, van mollige stoffen en poez'lige schouders.
De sultan voorop, met z'n bloote voeten.
De vrouwen er achter, stil zonder praten.
Wel driéhonderd.
Allemaal loopend zóo zacht over 't goud en 't marmer.
En 't licht, schel begietend de vormen, als zonlicht.
"Sakkerjuu.... as ze me te pakke kreige!"
Zweetend van angst kroop-ie weg achter de zuil.
Toen kwam 'r een vrouw, die moe werd en naast 'm wou zitten.
Jong was ze, frisch.
Ze leek wel 'n meissie.
Oogen als van 'n kind.
Mooi waren d'r bloote armen.
Wit 't kleed, dat plooiend gleed om d'r heupen.
't Haar was goud-haar.
Schuw trok de kolendrager zich terug.
Maar zij keek hem an, lachend:
"Dag Arie"....
"Pas op nou... spreek zachies... as ze me zien, ben ik d'r bij"...
"Dag Arie"...
"Ach, Jezus!... Je maak me ongelukkig"...
"Dag Arie"...
"Ach toe... ga nou weg... 'k mag hier niet komme"...
"Geef me 'n zoen"...
"Nee toe nou... 'k Kom pas uit 't ruim... 'k Zie zoo vuil as
'n beest"...
"Geef me 'n zoen, Arie"...
"As je weg gaat... Dáár dan!... Maar ga nou vort... as ze me snappe"...
Toen ging ze, huppelend met de kleine voeten over 't goud en 't
marmer. Tralala. Trala.
Hij keek d'r na.
Onrustig.
Ze was verdomd mooi.
Zoo goddelijk mooi, as 'n heilige beeldje.
In de schaduw bleef-ie zitten.
"Verdikkie," vloekte de sultan, die stilstond.
De vrouw met 't goudhaar, werd wit als 'n doek.
"Wel verdikkie," vloekte de sultan en pakte de vrouw bij 'n arm.
Alle vrouwen kwamen 'r bij staan met bange gezichten.
De kolendrager kreeg kippevel.
Want de sultan stond razend te vloeken, om 'n zwarten veeg op 't
gezicht van de vrouw met 't goudhaar.
"Verdikkie, hoe kom je d'r an?"
"'k Weet 't niet"...
"Zel je niet liege?"...
'n Mes trok de sultan.
'n Mes van zilver, dat blonk als 'n spiegel.
Ze gilde en schreeuwde.
Toen wees ze naar achter, naar de zuil, waar de kolendrager, badend
in zweet zat.
En de sultan vloog op, razend en schuimend van drift.
En de vrouwen joelden en galmden.
En de kolendrager liep als 'n gek, als 'n hond.
Maar de sultan liep harder, omdat de kolendrager niet zoo hard loopen
kon op goud en op marmer.
Nou lag-ie op z'n knieën voor den sultan.
Wat had die 'n haar op z'n voeten.
"Wie ben jij?"
"Arie"...
"Welke Arie?"...
"Ach God... Je ken me toch wel... 'k Ben Arie uit de Hazestraat... in
de Jordaan weet-je-toch wel?"...
"Wat doe jij dan hier?"...
"Weet 'k niet"...
"Mot je maar sterreve"...
"... Sakkerjuu!... Sakkerjuu!... Steek me nou niet... 'k Mot morrege
op karwei... 'k Heb 'n vrouw met zes kindere en een op de komst... 'k
Heb niet gevraagd om te zoene"...
"Je mag eve bidde nog, Arie uit de Hazestraat... Dan is 't uit"...
"Laat me nou leve... 'k Zel nooit meer hier komme"...
"'k Begin al te tellen... tot honderd... Bid nou maar gauw... anders is
't uit"...
Toen begon de kolendrager te bidden... Goeje God... Hoe is dat nou
mogelijk, dat 'k dood mot gaan... 'k Ben niet voor me plezier in de
Harem gekomme... Laat nou die Sultan z'n mes opsteke... Hij heit 't
zoo goed met z'n bloote voete op goud en op marmer... Zoo goed in dat
elektrieke licht... zoo goed... Nee, tel niet zoo gauw! Jezus, ben je
nou al an veertig?... Hij heit 't zoo goed met al z'n vrouwe... Ik
ben 'n stumper... Nou zelle ze thuis niet te vrete hebbe... Wat
zelle me kommeraads zegge!... En die juffrou staat nog altijd met
de zwarte veeg op d'r bakkes... Bé-je nou al an tachtig!... Schei
nou uit meneer!... Wat heb je d'r an!... 'k Weet niet hoe 'k hier
gekomme ben... Me vrouw zal niet wete waar 'k blijf... Vijf en
negentig... Hou op! Zes en negentig... Ach, goeie God!... Zeven
en negentig... Sultan, Sultan!... Acht en negentig... Hou stil je
mes!... Negen en negentig... Honderd... Ah! Ah!...
Vijf uur 's morgens stond-ie op.
De vrouw lag nog snorkend onder de dekens.
"Sta je op, Marie!..."
"Ja, ja!"
"Kom geef nou me koffie..."
Hij waschte z'n vuile gezicht in 'n emmer water.
Maar soezend bleef-ie.
De vrouw schoot in de kleeren, zette koffie.
Kaatje in d'alkoof begon te schreeuwen.
Onrustig keek ze naar d'r man. Hij dee zoo vreemd. Anders vloekte-ie
'n half uur.
Toen ze de koffie inschonk, keek-ie d'r aan...
"Goddoome, Mie... 'k hè-zoo bezope gedroomd..."
GROOTMOEDERTJE.
Ze wreef d'r beenige skelet-handen over de in de rokken uitpuilende
knieën, angstig, met hortende rukken. Als die nou maar kwam. Als die
nou maar gauw kwam. Zoo'n spéélsche jongen. Trui kon d'r elk oogenblik
zijn. Dan had je de poppen an 't dansen, dan was d'r weer ruzie en
knorren. Waar bleef die nou? Ze had 't nog zóó gezegd. Daar ging de
bel. Was 't Trui of een van de kinderen? Nou dee de meid open. Hij
was 't. Sjors alleen bonsde zoo de trappen op zonder z'n voeten te
vegen. Goddank.
"Ben jij 't Sjors?"
"Ja gromoe."
"Heb je 't?"
"Ja gromoe."
Uit z'n warmen broekzak haalde het ventje een medicijnflesch,
half-gevuld. Met d'r bevende skelet-handen nam ze het aan, dee de kurk
er af, rook even, dee 't weer dicht en moffelde het weg in haar zak.
"Hoeveel geld heb je over?"
"Vijftien cent."
Netjes telde hij de warme centen uit op de vensterbank.
"Die zijn voor jou, Sjors. Zal je niks zeggen?"
"Nee, gromoe."
"Je moe hoeft 't niet te weten, hoor je?"
"Nee gromoe."
"Koop jij nou maar wat knikkers. Geen snoepgoed, hoor je?"
"Ja gromoe."
Ze hoorde hem de trappen afbonsen, zooals hij 't altijd dee, twee,
drie treden tegelijk. Gauw nou, voor d'r iemand kwam. De hals van
't fleschje rikketikte tegen haar tanden, zóó als de beenige handen
beefden. Hè. Hè. Hè. Nou niet meer. Vanavond de rest. Hè, wat 'n
ander mensch wer-je zoo. Bellebellebel. Dat was Treesje. Die belde
altijd zoo lang als ze uit school kwam.
"Dag Treesje."
"Dag grootmoe."
"Hoe laat is 't?"
"Half vijf... Wat ruikt 't hier raar."
"Ruikt 't hier raar?"
"Ja, ik weet niet naar wat."
"Dat zullen de bloemen zijn."
"Is moe niet thuis?"
"Nee, niemand."
"Sien!... Si-e-e-n!... Sien-tje!"
"Ja jongejuffrouw?"
"Wat eten we vanmiddag?"
"Runderlappies."
"Met watte?"
"Met spersieboontjes."
"En d'r na?"
"Sjelij van alebessen."
"Help 's mee an 't tafelkleed."
Sien, met d'r rooie handen, pakte twee tippen aan, Trees de andere.
"Is 't nou geen schandaal, jongejuffrouw, dat Sijors de schoone
loopers weer zoo ingeloopen hèt."
"Is-die dan uitgeweest?"
"Een boodschap voor de ouwe juffer."
"Heeft George 'n boodschap voor u gedaan, grootmoe?"
"Voor mij? ... Nee, niks voor mij."
"Ruik-ie niet zoo'n rare lucht, Sien?"
"'t Zal van 't zilver zijn dat we vanmorgen met jenever en krijt
gepoetst hebben."
"Breng-ie nou de borden, Sien?"
Treesje dekte de tafel. Ze dekte voor zeven, elken dag zeven borden op
dezelfde plaats. Pa zat aan 't hoofdeind, over 't raam en had 'n servet
met een zilveren servetring. Moe zat naast 'm met 'n roodfluweelen
servetring. Naast moe zat Gerrit, daarnaast zat zij. Aan den anderen
kant van pa zat Marie. Die most altijd het geslepen glas hebben,
waarop "voor uw verjaardag" stond. Dat hadden zij en George d'r samen
gegeven. Naast Marie zat George, naast George: grootmoe. Grootmoe
had een koperen servetring, gedragen door twee hondjes.
"Sien... breng-ie nou nog het olie- en azijnstel en de tafelmatjes?"
"Treesje, denk an 't bittertje voor je pa."
"Ja, grootmoe, ja, ik vergeet niks."
"Wees toch niet zoo snibbig."
"Nou ja! Dat gezanik! Elken middag 't zelfde."
"Sientje! Sien! Waar blijf je nou?"
"Even mevrouw openmaken, jongejuffrouw!"
Moe kwam binnen met Marie. Ze hadden inkoopen gedaan, 'n ons
Maria-koekjes bij de thee en garneersel voor 'n nieuwen hoed voor
Treesje.
"Niks geweest, Sien?"
"Nee Mevrouw."
"Wie heeft d'r weer zulke schandelijke voeten op de witte loopers
gezet?"
"Jongeheer Sijors."
"Meneer heeft 'm toch verbojen om uit te gaan, als-die uit school
komt."
"Daar weet ik niks van."
"Heb ù 'm uitgezonden, moeder?"
"Watte?... Ikke? ... 'k Heb 'm nog niet gezien."
"Daar belt-ie net."
"Heeft je pa je niet verbojen, bengel, om nog voor 't eten uit
te gaan?"
"Ja moe, maar ik had an Hendrik 'n schrift geleend, dat 'k terug
most hebben."
"Wat heb je weer in je zakken zitten?"
"Niks."
"Wat, niks? Hoe kom je an geld voor zooveel knikkers?"
"'k Heb ze gekregen."
"Je jokt."
"Nee heusch niet."
"Je jòkt."
"Heusch niet moe!"
"Heb je voor grootmoe 'n boodschap gedaan?"
"Nee moe."
"Op je woord niet?"
"Nee moe."
"Goeien middag."
Pa en Gerrit kwamen samen van kantoor.
"Warm vandaag!... Gaat 't goed moeder?... Eten we wat lekkers
vanmiddag, Trui?"
"Runderlapjes."
"Trees, waar blijft 't bittertje?"
"Moe, geef uw sleutels eens."
"Wat is dat toch voor onzin, dat je de bitter tegenwoordig achter
slot en grendel zet?"
"Hier is ze al. Hier is ze al."
"Snoept de meid?"
"Nee."
"Moeder ook 'n glaasje?"
"Geef je moeder nou geen bitter, Karel!"
"Ach wat!"
"'t Is heusch zoo goed niet voor d'r."
"Als jij negentig bent, lust je 't ook."
Met glinsterende oogjes keek de ouwe vrouw naar de bewegingen van
haar zoon, die bij 't raam het likeurglaasje vulde.
"Geef 't d'r nou niet, Karel."
"Waar bemoei je je toch mee!"--zei het ouwetje bits, met een grijpend
uitstrekken der skelet-handen naar het glaasje.
"Omdat 't niet goed voor je is."
Het glaasje was al leeg. De dunne lippen in het gele knokelgezicht
smakten na. De donkere oogen glinsterden van genot. Karel was een goeie
zoon. De schoondochter had 't land an d'r. Dat wist ze wel. Maar nou
was alles goed, alles bestig.
"An tafel! An tafel!"
Karel deelde de runderlapjes. Op den schotel deelde hij het vleesch
in acht porties, de grootste voor z'n vrouw, de kleinste voor Sien,
die de meid was en daarenboven geen vleesch verdragen kon, omdat ze
maagkanker had. Zoo'n meid was 'n tref.
"Trui, je bord. Marie geef 's door an grootmoeder. Sjors, zet je
vingers niet in de saus."
Dan gingen de spersieboontjes rond, de aardappelen, de sauskom en
kwam er even rust, vorkengetik en gesmak van de oude vrouw.
"Gerrit, wat ben je stil vanmiddag?"
"Ik?"
"Ach hij's verliefd ma."
"Hou toch je mond, nest."
"Oh! Oh!"
"Wat is d'r? Wat is d'r?"
"Kijk grootmoe is!"
"God, wat scheelt de oude vrouw!"
Ze lag schuin weggezakt in den armstoel, met oogen waarvan het wit nog
te zien was. George begon te huilen en de vrouwen keken krijtwit toe.
"Geef dan water en zit niet als zoutpilaren!" schreeuwde vader. Gerrit
sprenkelde met azijn.
"George hou op met je gekrijsch!"
"Als ze maar niet doodgaat! Oooo!"
"Hou je bakkes, kwajongen!"
Ze hadden de oude vrouw op de sofa gelegd. Het grijze pluishaar
pluimde in vlokken op het roode kussen.
"Geef d'r wat lucht bij d'r hals... Kom Trui, verroer je 's!"
Trui en Marie maakten de japon los, Gerrit hield wat azijn onder den
neus, de zoon wreef de kurkige skelet-handen.
"Wat haal je uit d'r zak?"
"'n Flessie."
"Laat 's ruiken."
Eerst rook de vrouw, toen de man.
"Hoe komt ze aan jene..." vroeg-ie nijdig.
"Hou je mond."
Ze keken elkaar aan, hielden d'r mond voor de kinderen.
"Ze komt al bij, pa!"
"Zouen we d'r op bed leggen?"
"Laat ze eerst heelemaal bijkomen."
"Gaat 't wat beter, moeder?"
Flauwtjes opende ze de oogen, keek nòg-bewustelooos om zich heen,
sloot de oogen en bleef stil liggen.
"Kom nou, moeder!"
"Hoe gaat 't grootmoe?"
Er kwam weer leven in de oude vrouw. Ze keek van Karel naar Marie,
van Marie naar George.
"... Hé ... ik dacht... dat... ik... daar... dood ... ging" ...
Plotseling scheen ze álles weer te weten. De bevende skelet-handen
wreven over de oogen, rukten in eens naar omlaag, naar den zak. Ze
betastte de heele plek, keek toen met starre oogen van haat naar de
schoondochter, die het fleschje nog in de hand hield.
Vijf minuten later zaten ze allen weer aan tafel bij de runderlapjes
en spersieboontjes.
PROLETARIËRS.
Ze woonde nú in 'n lekker gezellig benedenhuis, dat "hij" voor haar
gemeubeld had, 'n huis in het Sarphatipark.
Hij was op reis.
Zij verveelde zich.
Ze verveelde zich altijd, zelfs àls hij er was.
Ze verveelde zich, omdat in haar hoofdje maar een flauw idee van
't leven was, wat vage begrippen en verlangens naar 'n apathisch
bestaan zonder moeite, zonder veel last òm te leven.
Languit lag ze in de mollige causeuse, een cigaret rookend, zonder
smaak.
Ze verveelde zich.
Ongeduldig wipte ze een der satijnen muiltjes uit, bengelde met
't voetje op en neer.
Ze verveelde zich.
Ze was opgestaan, leunde geeuwend tegen 't vensterkozijn. Voor haar
lag 't park, in zijn lage omrastering van ijzeren spijlen.
Armzalig sprankten jonge, verkilde boomen hun takken in de vervelooze,
grauwe lucht. Kegels van ijs, sprieten van sneeuw, spichtige naalden
kruisten elkander in een vreemd gelijn, in een netwerk van ragfijne
draden. Op straat, voor het hek, was 't vies, modder en ijs, geplak
van zware, zwarte wagensporen en voetstappen.
Niemand was er.
Alleen één man.
Een haveloos wezen, oud van ellende. Een verkleumde gedaante in
'n gore plunje. Een grijsbruine pet met zwarte klep dekte z'n
hoofd, hing half op 't gezicht, dat mager was en bleek, met harde
baardstoppels. De sjovele kleeding, vol smerige franje, wapperde,
met kletsende bulten en deuken, om 't ingezakt lijf. Door de vergane
schoenen staken z'n voeten.
De man keek naar boven.
Hij zag d'r in den mooien kanten peignoir, wees op z'n bezem, op de
modderige straat.
Ze knikte van ja.
Hij begon te werken. Z'n schop bikte 't vastgevroren ijs los. Eentonig
tikte 't ijzer tegen den grond.
Zij bleef kijken, naar zijn gedoe, naar zijn gebogen lichaam, naar
zijn zwoegen, z'n kapotte schoenen.
Terwijl dàcht ze.
Gister had zij ze gezien, de werkeloozen in een langen
optocht. Griezelig had ze zich op 'n stoep teruggetrokken,
bang voor de vuile kerels, bang voor de tronies, bang voor 't
schuim uit achterbuurten. De heele bende was voorbijgegaan in 'n
benauwende stilte, in een geplomp van logge schoenen en klompen op
bevroren keien. Sommigen hadden d'r angekeken, met kwaadaardige
oogen, oogen van afgunst om d'r warme kleeding. Anderen hadden
geloopen, gebukt, de handen in broekzakken, met een uitdrukking van
misselijke berusting, met iets van 'n getemd dier in hun doen. Er
was geen eind an gekomen. Telkens andere kerels, oòk leegloopers, oòk
nieuwsgierigen. Maar vóor alles een stoet van armoe; een ophooping van
stumpers, een verkropte ontevredenheid, een pijndoend mengsel van wrok,
bitterheid, jammer; de wakkerwording van 't menschdier door honger.
Zij had op de stoep gestaan, bibberend in haar gevoerde rotonde,
meelijdend en sentimenteel.
De stoet was voorbijgetrokken.
Er achter sjokkend, een peleton politie.
En ze was verder gegaan, om inkoopen te doen.
Toen hij klaar was, bleek van 't werk, trok hij aan de bel.
De meid maakte open. Achter in de gang kwam zij zelf, in haar peignoir.
Ze wroette in 't beursje, haperde, omdat-ie d'r aankeek.
Ze schrikte van z'n geelbleek gezicht, van dichtbij, dat van 'n
teringlijder. En, volgend 'n dwaze impulsie, denkend an de hongerige
bende van gisteren, zei ze:
"Heb je geen werk?"
"Nee" ...
"Heb je vandaag wat verdiend?" ...
"'k Heb ... nog niet gegeten" ...
Dat kwam 'r langzaam uit, niet gelogen.
..."Wil je ... hier blijven eten?"
..."O ... ja!"
"Da's goed" ...
Hij zette z'n bezem, z'n schop in 'n hoek en volgde de dienstmeid.
Dicht bij de kachel, zijn magere beenen hoog op 'n sport van den
stoel, had hij gesmuld en gepraat met de meid. Nu zat hij te soezen,
zelf niet begrijpend, hoe hij daar zat, gevoed en verwarmd.
Binnen kwam ze.
"Waar woon je?"
... "Nergens" ...
"Je mot dan toch érgens slapen!" ...
"Soms in de Pieter Jacob ... als ik cente heb ... anders bij de
pelisie" ...
"Wil je... Wil je... hier blijven vannacht?"...
Versuft keek hij op.
"Wat zei-je?" ...
"Wil je hier blijven?"
"Of 'k wil?... Of 'k wil?" ...
"Goed... Nee, dank nou maar niet."
En ze ging weer heen, vies van den man, tóch met groot medelijden.
In de keuken bleef hij zitten; begreep 't niet.
Nacht.
In haar kamer lag ze, in 't rijke bed. Half wakker. 't Knetterend
kaarslicht kaatste flauw in den spiegel.
Ze had de deur op slot gedaan, bang voor den vreemden man in huis,
soesde voor zich heen, triestig, met een huilerig gevoel van
onvoldaanheid.
O God! O God!
Plots was ze helder wakker, duwde 't hoofd in de kussens, snikte zoo
hartstochtelijk, dat 't lichaam in rukken bewoog.
Hoe lang zou 't leven nog duren, dat ontzettende, laffe, wanhopige
leven! Nou had ze geld, véél geld. Nou was 'r weelde. Nou had ze geen
gewurm om 'n stuk brood, zooals die vent daar beneden.
O God! O God! Als je me maar dood wou laten gaan... Als je me liet
stikken, nou dadelijk... 'k Heb je toch niet om dat lamme leven
gevraagd!...
Ze hokte door, tot ze moe was, borg 't hoofd onder 't dek, huiverig,
benauwd door de stilte in huis.
Ineengehurkt, 'n klit warm vleesch, lag de man op 't veldbed. Met z'n
voeten trapte hij, verkneukelend tegen de deken, wrijvend de magere
beenen langs de weeke wol. Hij voelde zich as god in de warmte van
't bed. Met gesloten oogen van genot, sufte hij zonder 'an iets te
denken, dommelde, zonder te slapen. 't Bed was té lekker. Hij was zóo
in zijn geluk, dat hij woelde en draaide van pret. Heelemaal ging de
slaap weg. Hij vloekte lachend, zich weelderig voelend. Even zei hij
hardop... "Sodeju!"... toen lag hij weer stil, optrekkend de knieën
tot an z'n buik. Buiten sloeg 't drie, héél in de verte. Nog sliep
hij niet. De gevulde maag en de goede ligging werkten zoo mal.
Opeens dacht-ie an de vrouw. Zacht grinnikte hij om z'n kemieke
ideeën. Telkens zag hij haar weer in d'r mooie japon... met d'r
aardige snuitwerk... Onrustig kreunde hij, dee de oogen open, keek
naar de bevroren ruiten, waarachter de maan scheen. Stil zat hij op in
't bed, het hoofd in de handen, hoestte krakend, maar bleef lodderig,
met brandende oogen, tobben.
's Morgens, heel vroeg, stond hij op.
In de keuken was de meid an 't werk.
"'k Zal nou maar heengaan," zei de man.
"Natuurlijk," zei de meid.
Hij ging door de gang. Bij de trap stond hij stil, luisterend. Geen
geluid. Met een bons viel de deur achter hem dicht. Met z'n schop en
z'n bezem stapte hij verder.
PRINSES COLIBRI.
Ring. De muziek valt in. Het doek gaat op. Uit de linker coulissen
komt een bleek meisje met een pop in de armen. Ze is als kind gekleed,
met de slappe, lange jurk van een Engelsche danseres. Ze draagt hooge
leeren laarzen. Zoo lijkt ze op het tooneel eerder oud vrouwtje en
ze begint te zingen.
Het stemmetje is effen, ongevuld. De bewegingen zijn gemaakt en
aangeleerd. Het dunne lachje komt telkens bij het refrein terug. Niet
vroeger en niet later. Lach en gebaren zijn buiten het kind om. Ze
zingt met haar wassen gezichtje zonder de woorden te begrijpen, zonder
aandacht voor de oude en jonge heeren, die haar bekijken en dan begint
ze te dansen, pervers te dansen, zooals oudere vrouwen het doen, met
een vroeg uitgerot schaamtegevoel, stoot er quasi-erotische gilletjes
bij uit, balanceert de pop en komt met het altijd wassen onbeweeglijk
gezichtje terug bij het voetlicht, wachtend tot zij weer in kan vallen.
Soms bij het opwerpen der rokjes, bij het zingen der zinnelooze
liedjes, kijkt ze tusschen de coulissen, waar iemand schijnt te staan.
Als ze gedaan heeft, klappen de kellners, de menschen in het buffet,
de andere artisten en een paar heeren in de zaal.
Ze komt terug, zingt nog wat, onverschillig, begriploos, een afloopende
Neurenberger pop met wassen gezichtje, zwarte wenkbrauwen, aangezette
oogen en vuurrood geverfde lipjes.
Het is half tien.
Na een half uur, waarin andere vrouwelijke "specialiteiten" gezongen,
gedanst hebben, klinkt het weer: Ring. Het doek gaat op. Midden op
het tooneel is een verhooging aangebracht. Drie kinderen komen op,
met een meneer.
Het eene kind is het kind van straks. Ze is geheel in vleeschtricot. Ze
heeft niets meer van een pervers oud vrouwtje. Ze is nu mager, tenger
meisje van hoogstens 13 of 14 jaar met hetzelfde wassen gezichtje,
met dunne armpjes, met magere beentjes. Zij heet Prinses Colibri.
Het tweede kind, hoogstens tien of elf jaar, ook in vleeschtricot is
mager en bleek.
Het derde kind, ook meisje, maar iets ouder, veertien of vijftien jaar,
lijkt naast de twee andere abnormaal vet, een meisje met vroegrijpe
vormen.
De meneer, die met de drie meisjes opkomt heeft niets
buitengewoons. Hij is in gewoon wandelkostuum, draagt op de borst een
ridderorde. Het is de vader, de voogd, de impresario, de dresseur
der kinderen. Hij geeft stoelen en zakdoeken aan en vertoont zijn
ridderorde aan het publiek.
Prinses Colibri en de twee anderen wippen vlug op de verhooging. Ze
zijn alle drie even lenig, even slangachtig. De dresseur heeft
de lichaampjes goed gebroken. Het laat niets te wenschen over. De
kinderen wringen zich in de onmogelijkste houdingen. De ruggegraten
zijn verwonderlijk elastisch geworden. De hoofden van alle drie
kunnen tusschen de beenen gebracht worden. Als ze op de handen staan,
bengelen de lichamen er als proppen boven. Ze kunnen alle drie op den
grond zitten, met de beenen loodrecht op zij gespreid. Ze kunnen alle
drie op een been staan en het andere langs het hoofd strekken. Zij
kunnen alle drie op de borst liggend de hielen tegen de achterhoofden
brengen. Zij kunnen alle drie de vreemdste houdingen aannemen,
alsof de lichamen geen beenderen, geen spieren hebben. De dikste,
die van veertien jaar, weet zich op een stoel om te rollen als een
hoepel. Het is verbazingwekkend.
De meneer met de ridderorde let op of alles goed gaat.
Alles gaat goed. Niets mislukt. De kinderen lachen niet, lijken niet
vermoeid, spreken niet; zij wringen, wringen, wringen als slangen,
als wonderkinderen.
De meneer met de ridderorde knikt goedkeurend.
Na tien minuten is het klaar. De kelners, de menschen in het buffet,
de artisten in de zaal en zoowat het heele heerenpubliek klappen in
de handen, trappen, slaan met stokken.
Ze komen àl terug.
Ze buigen, knikken.
Ze beginnen weer.
De meneer met de ridderorde laat een paar ringen zakken.
De meneer met de ridderorde draagt een stoel aan.
Prinses Colibri springt er op en doet eenige toeren.
Het bleek tienjarig meisje wentelt aan de ringen.
Het dikke meisje vertoont wat kunstjes.
Nu komt een gezamenlijke toer.
De dikke staat op de ringen. Met de beenen om haar heen hangt Prinses
Colibri. Aan Prinses Colibri hangt het tienjarig bleeke kind.
"Bravo! bravo!"
Er is werkelijk enthousiasme in de zaal.
En de kinderen werken heel goed.
De meneer met de ridderorde knikt.
Tien minuten werken ze zoo--de kinderen--en draagt de meneer met de
ridderorde den stoel heen en weer. Soms tilt hij het jongste meisje
bij de ringen.
Eindelijk is het dan toch klaar.
De geheele zaal applaudisseert.
Zulke knàppe kinderen.
"Bravo! bravo!"
Hetzelfde van straks.
Hand aan hand komen de kinderen terug voor het voetlicht, buigen,
lachen, lachen.
Maar het is nog niet uit.
De meneer met de ridderorde tilt Prinses Colibri en het tienjarig kind
op. Aan de ringen heeft hij haakjes gehangen. Aan de haakjes zijn
leertjes bevestigd. Prinses Colibri en het tienjarig kind bijten in
de leertjes, bijten er stevig in en blijven zoo aan de gebitten hangen.
De meneer met de ridderorde wacht tot de kinderen goed beet hebben en
geeft beiden dan een duw, dat ze aan de ringen heen en weer schommelen.
Net éngeltjes zoo. Met de handen gevouwen en hangend aan de gebitten.
Als ze weer op den grond staan, dreunt de zaal van applaus der
kellners, artisten en van het publiek.
Het is nog niet gedaan.
De meneer met de ridderorde tilt Prinses Colibri nog eens omhoog. Ze
hangt nu met de magere beentjes in de ringen. Hij reikt haar wat
toe. Ze neemt het in den mond. Het is een mooie glinsterende machine,
met een leertje er aan, van onder. De meneer met de ridderorde tilt
dan het tienjarig kind er bij, dat weer in het leertje bijt, zoodat
Colibri haar zusje in den mond draagt.
"Bravo!"
Maar het is nog niet gedaan.
Welnee.
De meneer met de ridderorde doet een riem om de lendenen van het
bleek tienjarig kind, tilt het nog eens op en Colibri bijt opnieuw
in een leertje dat achter aan den riem vastzit.
De meneer met de ridderorde geeft een duw en... jongen... het tienjarig
kind draait als een tol, terwijl Prinses Colibri het bij de tanden
vasthoudt.
Daverend applaus.
Het is gedaan.
De muziek begint een nieuwen deun.
Het heeft wel twintig minuten geduurd.
Prinses Colibri is een wonderkind. Ze doet twee nummers op een
avond, werkt van negen tot half elf. Zingen, dansen, slangenkunsten,
athletiek. Ze is dertien of veertien. Ze kan héél wat worden. Ze
heeft een goeden dresseur. Die meneer met de ridderorde. Ze is veel
beter gedresseerd dan de honden en katten in den Parkschouwburg,
véél beter dan het zwijn bij Carré dat bier drinkt.
BLOEMEN.
Wel schemerde door het lijkzwart der boomen de éérste donzing van
groen, maar de dagen waren koud--hagel en regen kletsten langs de
ruiten en de grond bleef zwart.
Vandaag is de zomer gekomen.
Als ik door het raam kijk, is niets veranderd. Boven de tuinschutting
staan boomen, oud en levenloos, stil en doodsch, alsof ze nooit weer
groen zullen dragen.
Alles ligt dof en uitgeput, als in ontvangst van den winter met
zijn sneeuwen mantel. Het uitzicht op dat plekje puingrond, met wat
droge, netgelijnde burgertuintjes er naast, is niet opwekkend. Maar
je went er aan, zooals je aan alles went en het leven zooals het om
je heengegroeid is, het leven zooals de menschen het voor je geluk
gekneed hebben, is nu eenmaal een ding, waarin niets meer een groote
teleurstelling of een groote verbazing voor je zijn kan. Ik bedoel
dat je aan je zelf ten slotte niets vreemds meer vindt, als je je-zelf
betrapt, na twee, drie jaar, in hetzelfde huis, voor dezelfde tafel,
voor hetzelfde raam, met het uitzicht op het altijd zelfde plekje
puingrond, ingemetseld tusschen drie houten wanden. Bij tijden komt
er een verwondering over je, een verschrikt gevoel, een angst dat
het gegolf der jaren zoo op je aandreunt en je altijd nog burgerlijk
en rustig inwoont tusschen de andere menschen met huizen, tafels,
ramen en stukjes grond,--bij tijden meen je dat er toch wel plots een
verandering zal komen, zoo een heel-groote, wonderlijke, gelukkige
verandering, waarnaar je snakt, waarom je bidt met brandende oogen
als je soms stil zit, droomend, soezend, ingekeerd tot je zelf als
een ziener die niet-te-verhalen visioenen en droomen heeft,--maar
dan zijn er weer dagen, schrikkelijk-heldere dagen, waarin je wéét,
waarin je op eens klaar wakker bemerkt dat je twee, drie jaar op
één plek gewoond hebt, met geen ander doen dan gaan in straten,
tusschen hooge huizen door, langs vreemde en bewegelijke menschen en
telkens weer je rust vond voor het oude raam, in de ouwe kamer, met
het uitzicht op hetzelfde strakke, zwarte, door het Noorden gedoode
vierkantje grond. Anderen zijn er die zoo hun geheel leven verleven
bij roode en groez'lige dakpannen.
Vandaag is de zomer gekomen.
Ja de zomer moest er zijn.
Zelf heb ik hem niet gezien. Je went er aan den zomer niet te zien. Je
went aan je kamer, aan je vier muren, aan je snuisterijen, aan je
tabakspijpen, je papieren, je boeken, maar van den zomer zoo ineens,
van den wilden, gloeienden, heeten zomer, zou je ziek worden, als ze
je zonder overgang uit je stille kamer in het zonlicht zetten.
Toch is vandaag de zomer gekomen. Het heeft me onrustig gemaakt,
gejaagd, ongelukkig. Het is weer een van die klaar-heldere dagen
geweest, een van dat vaste, zekere, stalen begrijpen van twee
levensjaren, zooals de menschen die je opdringen voor je geluk.
Toen ik opstond, liep hij juist te schreeuwen bij zijn wagen, het
rimplige joodje. Ontzaglijk oud en vies leek hij achter de dronken
kleuren der bloemen. Van alle kanten schoven de buurjuffrouwen uit
haar deuren, leien koperen plakjes in de beenige hand van 't joodje
en liepen dan heen met de bundeltjes kleuren.
Drie bouquetjes kocht ik voor een dubbeltje, zette ze in een schaal,
deed er water bij en toen was de kamer al vol van dien sterken,
zoeten, behaaglijken reuk der hyacinthen.
Nu staan ze voor me, vlak voor me, terwijl ik dit schrijf. Ze hebben me
gewaarschuwd niet te lang, niet te dichtbij te ruiken. Maar ik wil nu
eens dronken zijn, dronken van het zonlicht dat op en door en tusschen
de hyacinthen tuimelt, dronken van het roode purper, van het wit,
het blauw, het paars, het roze, het groen, dronken van de openstaande
kelken, die als klokken lijken te luien en de geuren, de geuren
door de kleine, doffe kamer bengelen. Dit is een festijn, waarvan
niemand iets ziet, niemand iets weet, niemand iets begrijpt. Het is
een prachtig feest, een bachanaal, een zomersche dag. Ik weet niet
wat ik aan die bloemen het mooist, het heerlijkst, het goddelijkst
zal vinden. Die karmijnen blaadjes, plooiend over elkander, heet en
dorstig naast het gekartelde groen, vind ik om te zoenen,--het wit
is om zoo volop met breede handen aan te vatten en op te werpen om
het hoofd, om het lichaam als klaterend uit een fontein. Maar er is
het roze nog, het wit met bloedende randen, het fluweelige paars,
het andere rood, het effene blauw. Het is om je gezicht in te slaan,
je mond diep er in om den geur op te halen. Het is om in te plonzen
je oogen als ze nog tranen hebben en langzaam bedwelmd in te slapen,
zonder smart, zonder woede, zonder verlangen. Het zijn bloemen en
kleuren, die aan je ooren rukken en rinkelen, die je het gelaat
striemen, die je toegillen als krijschende, hel-oplachende vrouwen,
die je aan je keel vatten en schreeuwen dat er heele velden zoo zijn,
velden van purper en geel, blauw en wit, velden in het zonlicht, velden
in de opene, frissche lucht, velden waar boomen zijn met aanpluimend
groen, velden waar vogels het voorjaar, den zomer influiten.
Ja dit is om dronken te worden in je ouwe kamer, voor je ouwe tafel,
voor je ouwe raam, voor je zwarte, harde, dooie tuintje, het is om
dronken te worden, princelijk gelukkig, princelijk trotsch, princelijk
jezelf, het is om bij te zingen, al je ouwe gedoe te vergeten,
je buren, die in gevangenisjes naast je wonen, de menschen, het
stratenlawaai. Je ziet alleen maar de weelde, de weelde van kleuren, je
voelt alleen maar dat ontzettende, groote geluk van het schitterende,
schetterende leven vlak voor je, naast je bruine tabakspijp, naast al
de muffe, duffe gebruiksdingen, die elk moment door je handen gaan. Je
moet er telkens naar kijken, naar het gejoel van het rood en wit en
purper en blauw en geel en groen. Je wilt er in zien wat er niet aan
te zien is, je loopt in je kamer op en neer en herkent je tafel niet
meer. Het is je tafel niet meer. Je ziet alleen de bloemen, het rood,
het wit, het gekriel van de kelken, der bengelende kelken, die den
reuk, den priklenden, zoeten, bedwelmenden, door de kamer wapperen.
O, dit is een festijn. Een bloemfestijn in je vierkante kamer,
waar je twee, drie jaar geleefd hebt, preciesjes geleefd, burger,
fatsoenlijk burger, met die en die en die, die je bedienen, waar je
van de wereld niets ziet dan een streep van den hemel, licht of flets,
helder of donker, al naar 't verderop is, verderop waar je nooit komt.
Eigenlijk is het om bij te lachen, te schateren van 't lachen, als je
ze ziet de hyacinthen, bleek en rood, paars en wulpsch op den wagen,
voortgeduwd door 't rimplige joodje,--eigenlijk is het om te schudden,
te kraken van 't lachen, als ze je zoo voor wat centen dat purperen
bloed, het sneeuwige wit, het domlende blauw in huis dragen. Wat doen
ze in de stad? Wat doen ze in de nauwe straten? Wat doen ze in de
duffe, benauwde binnenkamertjes? Ze doen er gek en dol, baldadig, en
maken je dronken, dronken, dronken èn onrustig. Ja in je dronkenheid
kun je maar niet tot bedaren komen. Het is zoo lachwekkend, zoo
in-dol, zoo komiek, zoo kemiek! Bij de dranktafels in koffiehuizen
zie je de menschen rood worden van 't lachen. Ze stikken haast, ze
hoesten en worden blauw. Zoo lachen ze, zoo gieren ze het uit. Maar
dat is nog niets. Dat is kindergelach bij het geschater, dat je doet
schudden op je ouwe stoel, voor je ouwe tafel, bij je ouwe raam, als
je een klaren dag in je leven hebt, een klaren, grijzen, effenen dag,
een dag zooals die van gister, een dag zooals die morgen zijn zal,
een onrustigen vreemdlevenden dag, bijna een gaping in je bestaan,
als je zoo in je binnenkamer merkt dat de zomer er is, dat er weer
bloemen, roode, witte, paarse, purperen bloemen zijn, dat je voor
wat centen uit vuile jodenhanden den zomer koopt.
MEISSIE.
Grijsgrauw de lucht, triestig, kil.
Een fijne, koude motregen.
Stil lag 't kamp, onzegbaar droevig, onzegbaar ellendig.
Naast elkander de wagens, de lange roode, gele, blauwe kermiswagens;
logge, vuile gevaarten verzinkend in slik.
Naast elkander het gore wit der daken.
Rookwalmpjes kronkelden uit kachelpijpstompjes. De nattige wind
speelde er mee. Donkergrijs pluksel, blauwig; dikke kolommen, dàn
weer verwasemend tot mist, dan vettig-wit.
Voor de wagens 'n pad, zwart, glibberig, smerig; 'n pad van modder
met bloemkoolstronken, biezen en slijkige plassen; 'n pad doorloopen,
doortrapt.
Links 'n schuur, vermolmd, groenig bemost, 'n planken-kadaver,
'n morsige ruïne.
Ook links 't veld, onbebouwd, stoppelig, grijs, dampig, toonloos,
in de verte wegsmeltend in 't fletse der wolken.
Ook links stammen van boomen, geknot, met kale, spookachtige
grijptakken, bladerloos, dood.
Rechts, stapels van steenen, bakken met kalk, rommel en balken van
huizen in aanbouw.
Achter, 'n sloot drabbig, goor water, stinkend, met spattende bellen.
Heel achter: huizen, wit nog van nieuwheid. Metselwerk rood, slijmrig
beslagen. Balkonnetjes lief met kleurtjes rose en paars en ramen met
gedoe van fatsoenlijke, knusjesdoende burgermenschen.
"Dáár woon 'k," zei de schilder, lachend bekijkend de meid, en wees
met z'n hand naar de huizen.
"Nee," stotterde ze.
Langzaam schetste hij door in den kermiswagen.
Hij kwam er drie dagen. De oude doove moeder poseerde, voor vijftig
centen per keer.
De dochter keek toe dan.
"Als je nou kómt van avond.... ben ik thuis...."
"'k Kom niet...."
"Jezus, wat ben je toch stom!.... Wat heb je hier nou?...."
"'k Durf niet...."
"Ha! Ha! Ha!.... affijn, je mot 't zelf weten.... 'k vin-je 'n knappe
meid.... 'n mooie meid.... Je verdient hier geen cent.... Kom nou
poseeren van avond, wil-je?...."
"Nee.... Nee!...."
"'k Zal je geen kwaad doen...."
"'k Kom niet...."
"Goed dan.... uitgepraat!...."
Uit z'n humeur werkte hij door.
Zwijgend 't hoofd in de handen, zat zij in 'n hoek, kijkend van
't hoofd der slapende moeder naar 't penseel.
Ze zag alleen maar zijn handen, blank, met den diamanten ring en zijn
breeden rug.
Toen-ie heenging, hield-ie haar hand vast.
"Kom nou van avond..."
"Nee..."
En hij probeerde d'r even te zoenen.
De deur van den wagen viel dicht. Achter bleef ze met de doove moeder,
die sliep.
Achter bleef ze in 't schemerdonker, soezend voor zich heen.
Nat werden d'r oogen, wazig.
Ze wist niet waarom.
Ze had 't niet kunnen zeggen.
D'r kwam 'n malle, vreemde weemoed, 'n huilerig gevoel van meelij
over d'r.
Donkerder werd 't. Moeder bleef slapen.
De vormen van meubels en kermisgerei, vreemder, vager.
Alleen nog zichtbaar de roode sprei van 't pronkbed, de glimming van
het koper op de kast; onzekere, donkere schaduwen.
Flauw viel 'n schijn door de twee kleine ramen op zij.
Eindelijk was ze opgestaan.
Nog droomend en suffend ging ze naar buiten, leunde tegen den wand
van den wagen.
Kinderen, vuil, in ellendige plunje speelden in 't slijk. Een
schreeuwend lawaai van verwilderde rakkers. Ze rolden op en over
elkander, onder 'n wagen, gillend en gierend, trappend en krijschend,
als 'n rattennest verdierlijkt.
Daarnaast zaten twee schooiers stoelen te matten, gebogen 't hoofd,
om beter te zien in 't half-schemerdonker. De handen bewogen snel
en de biezen gleden geel-streeperig over 't hout. Beestmenschen,
hongerlijders, verschoppelingen.
Weer verder 'n oud wijf, gezakt met 't lichaam, in lompen, op den
rand van 'n mand. Walgelijk dat wijf met 't bruine gezicht vol groeven
van vuil. Beenig de handen en vingers, als van 'n skelet.
Toen ze de meid zag, begon ze te grijnzen.
..."Is-ie weg, zeg, jouw mooie meneer."
"Dat zie je..."
"Fijn spul, nou! nou!... 'k hè-ze in mijn tijd ook zoo
gekend.... Heit-ie je uitgeportretteerd, zeg?"
"Nee... moeder..."
"Geloof 'k geen bliksem van... Ken dat van vroeger... Most je toch
schamen, zoo, overdag... Jij bent 'n brutale..."
"Laat me met rust!..."
"Affijn gelijk hè-je... gelijk hè-je..."
Strompelend, krakend-kuchend, ging de voddenraapster naar binnen.
De twee stoelenmatters werkten door, kletsend en spuwend.
De kinderen stoeiden, gillend van pret in de modder.
Alleen in èèn tent was 'n zeurig, blerrend gehuil van 'n zuigeling.
't Kamp lag in 't donker. De vormen der wagens leken sombere
silhouetten, met klein verlichte ramen.
Zacht motregende 't.
Over 't moddrige pad kwam een kerel, groot, ruw. Over z'n schouders
bengelden zakken; 'n hoekig vierkant.
"Bè-jij daar?"
"Ja..."
"Wat sta je te slape?..."
"Ik wacht je..."
"Hè-je wat verdiend?... Nou?..."
"Niks..."
De man vloekte razend. Eerst wou-die d'r slaan. Toen scheen-ie te
denken. Kwaadaardig smeet-ie de zakken neer:
..."Lui beest!... motte wij voor jou zorge?... Madam!... Luie
madam!... Ik loop me poote kapot... Jij vreet alleen... Da's uit
nou!... 'k Heb an moeder genog... Stik voor mijn part!... Lamme
beroerling!"
Ziedend van drift, smeet-ie de deur achter zich dicht.
Stil bleef de meid.
Suf keek ze op naar de lucht. Grauw, bijna zwart, 'n dreigende
diepte. 'n Peilloos, wanhopig zwart.
In de huizen was licht gekomen.
Gele, stralende vakken in den nacht.
'n Beweging van donkere schimmen.
Ze zag ook dàt venster met roode gordijnen, leuk-rood, vriendelijk,
gezellig.
Wezenloos keken haar oogen naar den rozigen schijn. Ze dacht an de
handen, blank, met den ring, den diamanten ring.
En ze richtte zich op, gaande mechanisch en dof.
In den laatsten wagen was licht. Daar zat de snijder van houten
vogels. Bij 'n walmende lamp kookte die hout. Z'n deur stond open.
"Ga je nog uit, Ko?..."
"'k Ga wèg..."
"Weg?..."
"Vort... 'k heb d'r genog van..."
"Bè-je nou gek!..."
"Zel j't ze zegge?..."
"Meid... je ben nog zoo jong!... Pas nou op."
"Zel j't ze zegge?..."
"Waar ga je na toe?..."
"Da-weet ik... Gaat niemand an..."
"Luister nou eve..."
"Ajuus... 'k Hè d'r genog van..."
WARREM.
Naast elkander lagen ze in 't gras. Trien snurkte als een verkouden
Puckhond. Moeder's ronde opgebolde rug veerde zachtjes op en neer. De
zon blakerde de lichamen, blakerde het gras, blakerde de boomen,
blakerde den heeten, grijzen, mullen landweg.
Trien lag met het hoofd op het pak manufacturen. Als een nimbus was
het roode haar om het bruine sproetengelaat. Haar neusvleugels leken
oesterschelpen, haar welvoorziene boezem ruischte gelijkmatig op het
rhythmisch pucken-gesnurk. Moeder lag in bevallige houding, met den
breeden dikken opgebolden rug naar den hemel gekeerd. Van boven gezien
bood zij het volgend panorama: Eerst een wit gebreid mutsje, door welks
gleufjes en gaatjes peperhaar schemerde, dan een korte dikke bruine
nek, dan een vettige roodbruine das, dan een wollen omslagdoek, dan
een katoenen japon, paf neerhangend om haar lichaam-op-z'n-breedst,
dan een paar witte banden van het voorschort, dan een paar zwarte
gestopte kousen, ten slotte twee stuk geloopen leeren toffels.
Het was warm. Ja, het was vreeselijk warm. Trien had een kleur als
van geroosterd brood. Een grasspriet tikkelde aan tegen haar neus,
een vlieg mafte rustig op haar koon. Ze sliep als een dikke blom in
het gras.
Het was warm. De zon gloeide neer op den landweg. Dikke logge
vliegen bromden tusschen de halmen. Een bij--naast moeder's linker
toffel--gonsde laag langs den grond van de eene kleur in het gras
naar de andere. In den stompigen wilg over de sloot zat een vogel
slaperig tusschen het groen. Een warme kikker kwekkerde.
Het was warm. Onbewogen pluimde het gras, groen en stoffig. Over
moeder's lichaam-op-z'n-breedst kuierde een groote, bruine kever,
gevolgd door een vuurrood torretje. Over het pak manufacturen kroop
een duizendpoot; bij Trien's neus zat wijsgeerig onbeweeglijk een
groote spin.
Het was warm. Gerekt-klagerig klonk het kikkergekwek uit de sloot. De
vette vliegen bromden. De bij snorde. Het gras lag onbewogen.
Plots duwde moeder een dikken pink in het linkeroor, rukte 'n paar
maal nijdig en keek suf-slaperig op.
"Trien!"...
Ze bewoog niet. Beminnelijk snurkte ze voort.
"Tri-ie-ie-n!"
Ze bleef snurken.
"Kom nou, luilak! Kom nou! Zel je wakker worden."
"Wat is d'r?... Wat mot je?"
"Wor je haas wakker?"
"Ik ben wakker."
"Slaap nou niet wèer in, hóór je?"
"Nee."...
Met kleine gezwollen oogjes zat ze eindelijk op tegen het pak
manufacturen, keek d'r moeder an, die met wat spoeg 't peperhaar
tegen de slapen plakte.
"Wat hebbe we geslapen, hè?"
"Ja."
"Kom sla de beesten nou van je schort!... Scheelt d'r wat an?"
"Nee.... Niks.... Alleen maar zoo gek gedroomd."
"Ik stik, zoo droog as 'k in me keel ben."
"Ik ook."
"Kom, wat soes je nou nog!"
"Ik zou zóó zweren dat 'k an 't hof ben geweest in me droom... 'k
Zag den koning met een baard en een kroon, net as op de
speelkaarten... allemaal blinkende sabels en gouwe knoope."
... "Heb ie van goud gedroomd? .... Da's armoe."
"'t Was 'n aak'lige droom ... De koning stak naar me met een keukenmes
vol bloed."
... "Heb-ie 't bloed gezien?"
"Ja."
"Dat beteekent schande."
"Kom mensch, ben je gek! Je voorspelt me wat!... Toen ben ik met den
koning wezen visschen ... We haalden zoo de snoeken op" ...
"Schei nou uit met je gekles! ... As je van visschen droomt, komt er
'n dooie in de femilie."
... "Nou! dan ben ik uit vandaag! Armoe, schande en 'n dooie... 'k
Wou dat we maar wat zuurballetjes hadden."
Moeder stond klaar met het pak voor d'r buik, Trien sloeg de plooien
uit d'r rokken, nam haar pak op en sjokte naast de andere.
Op den stoffigen, gloeiend-heeten zandweg liepen ze naast elkaar,
met de armen om de pakken gewrongen. Moeder zweette en hijgde als een
afgebeuld karrepaard, Trien stapte dof en gelaten, met een vuurrood
verhit gezicht en met lippen die gloeiden van dorst. Ze spraken geen
woord. Om de groote, vierkante mansvoeten puften stofwolken.
De lucht was heet, laaiend-heet. Geen blad an de boomen bewoog. In
de weiden stonden de koeien slap en zwaar bij de hekken. Alleen de
kikkers schetterden bij het water.
"Zie je den toren nog niet?"
"Nee."
"Heb-je je niet vergist in den weg?"
"Nee mensch."
"Ik val d'r bij neer."
"Klaag nou zoo niet. Ik ben haast onpasselijk van de warmte en je
hoort me niks zeggen."
"Hadden we maar wat zure balletjes gekocht."
"Ja... hadden we maar! Daar schiet je nou niet mee op."
De weg maakte een kromming en lei weer rechtuit, lang,
lang-rechtuit. Aan weerszijden weiden en koebeesten, slooten en
knotwilgen. Geen enkele woning in 't zicht. Brandend, verschroeiend
scheen de zon. Ze liepen achter elkander, om in de smalle strook van
schaduw te blijven.
Trien droeg haar pak tegen de linker, moeder haar koopwaren tegen
de rechterheup. Midden op den weg lag het stoffige, wegrottende
kreng van een raaf. Zwermen zwarte gore vliegen vlogen op, toen de
vrouwen voorbijkwamen. In de lichtplas der sloot schoten lichtende,
gloeiende stippen.
"Kan je je voeten niet wat hooger oplichten. Ik stik van jouw stof."
"God, mensch, loop jij dan vooruit."
Hijgend, zweetend, stond Trien even stil en ging achter moeder
loopen. De voeten schepten het stof van den weg. Kousen en schoenen
waren vuil-wit beslagen. Elk oogenblik werd het benauwder,
broeiender. Aan de overzij der sloot stonden de koeien dichter
bijeen. Een dee z'n bek open en loeide pijnlijk.
"'k Mot effen rusten."
Hurkend naast elkander, de pakken neergesmeten op het gras, hijgend,
zweetend, zaten ze.
"'k Zie zoo de sterren voor me oogen," zei de ouwe.
Trien zat stil, met twee dingen in d'r gloeiende, moeë hoofd waarover
ze soesde... water om te drinken of zure balletjes en de komiekigheid
van d'r droom.
Toch duidelijk had ze 'm gezien met 'n vierkante kroon op z'n
hoofd... z'n vingers vol gouwe ringen en 't broodmes met bloed... O,
o, o wat had ze 'n dorst. Dat slootwater kon je niet drinken. Dat stonk
geregeld. God zou ze danken op d'r knieën als ze nou zoo'n kikker was,
zoo lekker in 't kouë water en drinken zooveel as je wou.
Zoo'n kikker had niet te sjouwen met 'n pak onder z'n armen bij zulk
beestenweer. Die deê geen negotie.
"Vooruit Trien!"
"Nou laat me nog effen zitten!"
"Vooruit zeg-ik-ie!"
Weèr sloften ze achter elkander in de opgetrapte stofwolken.
Moeder hield nou 't pak met d'r twee armen voor d'r buik. Trien sleepte
't op d'r linkerheup. Dat droeg 't best.
"Hadden we maar wat zure balletjes gekocht!"
"Loop niet te zaniken."
"Daar komt 'n boer an. Vraag 'm 's of 't nog ver is."
Heel in de verte kwam de boer an-stappen. Je zag alleen maar z'n hoed,
z'n beenen, z'n stok en 'n stofwolk.
't Werd warmer. 't Was nog geen twaalf uur. De zon stond als een
schellichtend oog in den wit-barnenden hemel. Groote vliegen zoemden
langs de waterplanten.
In de weiden hoorde je 't rikkikkikkik der kikkers.
"Binnen we nog ver van de stad af, meneer?"
"Van de stad? Van de stad? Dan loop-ie krek verkeerd... Dan mot je
bij de rooie mijlpaal, die je voorbij bent gekommen, links afslaan."
"Links?"
"Ja links."
"Zie je nou wel beroerde meid! Ik zei rechts! Nou loopen we al dien
tijd voor niks! Lamme meid! Dwarskop! Beroerd stuk vuil!"
"Nou! Nou! Slaat d'r nou niet!... 't Is toch geen doodzonde!... Met
slaan kom je niet terug!"
"Zoo'n stommeling!"
"Zal ik je zoover den weg wijzen?"
Ze liepen den weg weer terug. Moeder voorop met den boer. Zij,
achteraan met het loodzware pak langs de rechterheup. D'r oogen
gloeiden in d'r hoofd, d'r tong plakte hard en droog tegen d'r
verhemelte.
Ze had wel lust om 't pak neer te smijten, 't verder te vertikken. Maar
't most wel. 't Most wel.
Lang, moordend-heet, oneindig-lang lag de weg. Het stof onder de
voeten van moeder en boer dampte op. De vliegen vlogen mee, het water
glinsterde. Daar had je weer de dooie raaf op den weg.
Nou kon je nog een half uur terugloopen eer je an de rooie mijlpaal
kwam. As ze nou maar wat zure balletjes had, wat zure balletjes.
Moe, heet, versuft sjokte ze vort, wèèr denkend an den koning met
z'n gouwe knoopen en z'n rooie keukenmes.
FONDANT.
"En breng nou nog 'n voetenbankie."
De jongen sloft met z'n bloote voeten door het natte zand.
"Wat een prachtige avond--vin u niet?"
"Héérlijk, mevrouw."
"En wat 'n gladde zee--, geen rimpeltje."
"Ja, 't is érg mooi."
"Dank-ie, jongen."
Met z'n vieren zitten ze an 't strand. Erg gezellig. Hij met z'n beenen
gekruist, kijkt droomerig naar de zee. Z'n vrouw babbelt met de logées.
"Oom, zit u niet op de tocht?"
"Nee, Cor."
"Zet toch liever je kraag op, Hendrik. Je ben zoo gevoelig."
"Nee... Laat me maar rustig zitten. Ik zit heerlijk."
"Corrie, hou je voeten op 't bankie. 't Zand is vrééselijk vochtig
's avonds."
"Mag 'k 's presenteeren, mevrouw?"
Mevrouw grabbelt met de beringde vingers in het toetje.
"Nee, u moet 'n fondant nemen. Die zijn lekker. Proef u wel? Ze zijn
van Bensdorp. Cor, jij ook? Die moet je nemen in 't zilver papieretje."
"Wat ben jij toch 'n snoepster, Jet."
"Net of jij ze niet lust. Meneer, mag ik u ook 's ...?"
"Dank-ie, Jet."
"Wat 'n heerlijke avond."
"Goddelijk ... goddelijk."
Een oogenblik zwijgen ze. Hij rookt z'n sigaar, kijkt de bleeke wolkjes
na, die door den avondwind worden stukgeslagen. Zijn vrouw wrijft
met de punt van d'r tong de fondant fijn tegen d'r tanden. Corrie
kauwt en tipt met d'r parasol zand weg, grijze spikjes, die in 't
water vliegen--Jet frommelt 't toetje en kraakt 'n suikerboon.
"Weet je wie daar gaat?"
"Die dame met de shawl?"
"Nee, meer naar achter."
"Nee, tante."
"Da's de prinses die hier gelogeerd is."
"Die daar, in 't zwart?"
"Ja."
"Hoe eenvoudig, hè? Dat zou je nou heelemaal niet zeggen."
"Wat zeg je d'r van? Ze komt 's middags an table d'hôte en heeft
niks bizonders an zich. Gister zat ik naast d'r. Ze heeft van alles
gegeten en toen ze opstond zei ze "Mahlzeit.""
"Hoe aardig."
"Heb u niet met d'r gesproken?"
"Nee. Want ik ken niet zoo goed Duitsch en ik wist niet hoe ik d'r
moest anspreken."
"Prinzessin, natuurlijk."
"Da's nog zoo natuurlijk niet. Je spreekt 'n koning toch ook niet
met koning an. Nee, 't is niet zoo makkelijk."
"Ze komt net onzen weg uit."
"Hendrik neem je hoed af voor d'r."
"Oom slaapt."
"Hendrik!"
"Wat is d'r?"
"Neem even je hoed af voor de prinses."
"Moet je me dáárvoor wakker maken."
"Wat groette ze lief terug, hè?"
"Ze ziet d'r voornaam uit."
"Nou, dat kan ik niet vinden. Is dat de prins?"
"Nee, de prins komt eerst morgen."
"Wil u nog eens gebruik maken, mevrouw?"
"Zijn die bruine ook lekker? Dan zal ik d'r zoo een nemen."
"Corrie, alsjeblief."
"Hou 'n beetje dichter bij."
"Mijnheer, 'n fondant? Toe, neem u d'r nog een."
"Oom slaapt, Jet."
"Slaapt-ie àlweer! Hendrik! Hendrik!"
"Laat 'm nou slapen, tante. Hij zal moe zijn."
"Hendrik, leg dan tenminste eerst je sigaar opzij. Kijk-die nou weer
eens knoeien met de asch."
Tante slaat met d'r zakdoek de asch van oom's broek. Oom blijft
rustig ingedut met z'n hoofd schuin weggezakt tegen den zijwand van
den badstoel. Ze ziet niets van 'm dan de punt van z'n bruinen baard,
'n glimmertje van de gouden lorgnet en 'n tip van z'n neus.
"Zoo morst-ie nou altijd met z'n sigaren als-ie na den eten indut."
"Gaat oom hier wat vooruit?"
"Vooruit? Hij is zoo gezond als 'n visch. Hij beeldt zich alles in
... Hij 's nog nooit ziek geweest."
"Toch heeft-ie an pa geschreven, dat-ie zich zoo zwak voelde."
"Malligheid. Hij is net zoo gezond als ik. Dan heeft-ie hartziekte,
dàn weer leverziekte, dàn weer zegt-ie dat z'n ruggemerg ... Allemaal
verbeelding."
"Hij ziet er ook héél goed uit."
"Nie-waar?"
"Nog een fondant, mevrouw?"
"Strakkies, Jet."
"Cor, jij?"
"Nee, die niet.... Die ulevel."
"Is d'r 'n vers bij?"
"Wacht even... Hier heb j't."
"Laat 's lezen? "Bij 't slaan van elk liefhebbend hart, komt..." Hè
hoe jammer... Daar waait 't weg."
"Zou 't vloed zijn?"
"Dat kun je toch wel zien."
"Dan kunnen we hier ook niet lang meer blijven zitten."
"O, nog wel 'n tien minuten."
"Prachtig is de zee, hè, als 't zoo donker wordt."
"Zie je dat witte wolk-ie--daar is de zon ondergegaan."
"In de verte heb je de vuurtoren."
"Wat 'n licht! Je zou zweren dat 't vlakbij was."
"Krijg u 't koud, tante?"
"Ja, 't is altijd koel an 't strand 's avonds."
"Jongen, jongen, wat komt 't water opzetten!"
"Zou oom geen kou kunnen vatten?"
"Welnee. Die dut hier elken avond."
"Zou z'n sigaar niet kwaad kunnen?"
"Z'n sigaar. Waar is z'n sigaar?"
"Hij heeft 'm laten vallen."
"Nee, niet meer oprapen, Cor, nou rook-ie 'm toch niet meer."
"Kijk 's, daar gaat een jacht. Hoe eng om 's avonds te zeilen."
"Hè! Haast met 't zeil in 't water. Vreeselijk angstig! Oe! Oe!"
"Oe, oe!"
"Oe!"
Tante en Cor en Jet springen met angstige gilletjes op. De vloed is
in eens met zoo'n kracht op komen zetten, dat 't water tot aan de
verlakte laarsjes spat. Maar 't loopt dadelijk weer terug.
"Zouen we nou maar niet gaan verzitten?"
"Hè, nee, tante!"
"'t Is zoo dol mevrouw, om nog éven te blijven."
"Jullie bent net kinderen."
"Vanmiddag heb ik 'n mijnheer aan 't strand gezien en die bleef nog
zitten, toen 't water 'n heel eind ver was. Toen moest-ie z'n kousen
en schoenen uittrekken. Nee, Jet, 't was om te gillen."
"Was dat die met de roode snor?"
"Precies-die."
"Neem u nou nog een fondant, mevrouw."
"Nou, nog ééntje."
"Die in 't goudpapier is heel lekker. Daar zit geglaceerde kastanje
in. Proef u wel?"
"Pas op de golf, Jet!"
"Nee, die komt niet zoo ver.... Jij nog, Corrie?"
"Zijn d'r nog van die ulevellen?"
"Nog een."
"Nou zal ik beter oppassen. Hier heb je 't papieretje."
"Waarom lach je zoo?"
"Nee maar, wat 'n onzin! Aa-a-a-a!.... Nee maar 't is om te gillen:
"Hij die U minnen zal tot aan zijn dood
"Heeft wenkbrauwen en haren rood."
"Da's de meneer uit den badstoel van vanmiddag!"
"Kom meisjes, doe toch niet zoo kinderachtig! Zouen we nou maar niet
gaan verzitten? Kom Hendrik!"
"Toe tantetje, nog één golf!"
"'t Wordt zoo guur, kinderen."
"Oe! Oe! Hoera!"
"Hè, dat scheelde weinig!"
"Sta u maar op, tante--wij zullen uw stoel wel verzetten."
"Roep oom nou ook. Z'n voeten zullen nat worden."
"Hè, nee! Laat 'm nou eens in 't water zitten!"
"Nee, nee, nee."
"Kijk, zóó. Met 'n voetenbank onder z'n voeten kan-ie nog wel een
minuut blijven zitten. Als 't water ver om 'm heen is, zullen we
'm roepen!"
Lachend blijven ze op sterkere golven wachten. Oom zit nog heelemaal
droog met z'n voeten op 't voetenbankje. Ze kunnen alleen maar
z'n knieën, z'n opgeschorte broekspijpen, 'n afgezakte kous en z'n
bottines zien. Scherp steekt de ronding van den gelen badstoel af
tegen de holle, zwarte ruimte der zee. De witte schuimstrepen lijken
er op aan te rennen. Maar dichtbij glijden ze effen weg als een mes,
dat over een plank slijpt.
"Nou zitten d'r nog drie in 't zakje."
"Nee, Jetje, ik wil d'r geen meer hebben."
"Toe, mevrouw, 't is nog zoo'n lekkere."
"Die 's voor jou Cor.--Zoo, de boel is op."
"Tante, daar is de prinses weer."
"Wat blijft ze lang an 't strand, vin u niet?"
"Ze heeft u gegroet. Heb u gezien? Wat 'n lieve vrouw."
"Ja, die is nou heelemaal niet trotsch."
"Hoera! Hoera! Oom zit in 't water!"
"Hendrik!"
"Hen-de-rik!"
"Oome! Oo-mè! Oo-mè!"
"Hahaha! .... Hij zal niet weten wat-ie ziet als-ie wakker wordt!"
"Hen-de-rik! Hen-de-rik!"
"Meneer Tas!.... Meneer!"
"Oome! Oo-mè!"
"Daar heb je 't nou! Nou hoor-ie ons niet door 't leven dat 't
water maakt!"
"Nou, maar ik durf d'r best heen te loopen."
"Nee. Laat dat nou. Je krijgt natte voeten voor
niks. Jongen! Jongen! Loop jij eens even naar mijnheer in den badstoel
en zeg dat-ie wakker moet worden."
"Best mevrouw."
"Da's zoo'n goeie jongen, hè. Die doet alles voor je."
"Wat staat-ie nou te kijken?"
"Meneér wak-ker ma-ke!" schreeuwt Cor tegen den wind in.
"Meneer--slaapt--zoo--va-hast!" schreeuwt de jongen terug.
"Schud 'm maar!" schreeuwt mevrouw, met de fondant in den mond.
De jongen schudt. Ze zien in de schemering den gelen badstoel,
de broekspijpen, de opgetrokken knieën en den jongen op z'n bloote
voeten, die naar den badstoel buigt, schreeuwt en schudt.
"Hen-de-rik! Hen-de-rik!!"
"Oo-mè!"
Toen kwam de jongen door het water plassen.
"Meneer lijkt wel dood," zegt-ie: "hij leit heelemaal weggezakt en
zoo koud."
"Wat 's dat!" zegt tante onrustig. Met d'r verlakte schoenen en nog
zuigend op de taaie fondant, loopt ze door het laagje borrelend,
schuimend water en begint d'r man te schudden, die met groote, dooie
oogen naar de zee ligt te kijken.
"Hen-de-rik! Hen-de-rik! Hein! Hein!"
Oom was stilletjes dood gegaan.
GRIETJE.
Op een avond was een dolle herrie in een danshuis. Met een tenor
van een opera-gezelschap en met Lou, waren we er in een bui van
nieuwsgierigheid binnengegaan. Van buiten klonk lawaai en getier. De
portier schreeuwde: "Entree! Entree!" De zaal was van een pijpen-la-ige
lengte, niet hoog, niet breed. De wanden waren artistiek versierd. Maar
een "beschrijving" geef ik niet. Die dingen lijken alle op elkander.
Het was een "dansgelegenheid." Vier duffe, gore muzikanten
toeterden er op los. Werklieden, studentikooze kantoorklerkjes en
"onnoozele" boertjes zaten met de dames der gelegenheid om tafeltjes
en het rookmengelmoes van pijpen, sigaren en sigaretjes walmde
in de ruimte. In het open vak dansten de paren. Een dronken oude
burgerjuffer, die hier in haar dronkenheid verzeild was, schotste
heen en weer met een kellner. Een kantoorklerk met verwijfd gezichtje
huppelde parmantig met een breedheupige, opgedirkte vrouw. Een werkman
plompte met de voeten als een bakker die rogge trapt.
We keken toe en werden bediend. De warmte was ondragelijk, de
consumptie onbruikbaar.
Er volgde een wals. De paren draaiden rond, dicht naast elkander. De
mannen dansten gebogen, met den rug gekromd tot een stompen hoek. De
vrouwen leken te hangen aan de halzen der mannen, opgeveerd van den
grond zonder inspanning. De gezichten gloeiden, roodverhit van lollige
pret en drank. De walm van tabak streepte in grillige rooklijnen om
de hoofden.
Bij het buffet stonden 'n paar broekjes den cour te maken aan een
gefaneerde buffetjuf.
Het was een "echte" herrie, een geschetter van trompetten, een
groc-lachen bij tafeltjes, een gezwier van donkere lichamen in de
belichting der gasvlammen.
Rechts, bij het buffet, met nòg een meisje zat ze. Ze had, als al de
dames der gelegenheid, een wit voorschootje voor. Ze waren er met
haar twaalven, de meesten jong, allen "kellnerin" en dansvoorwerp
voor bezoekers, die er een "consumptie" voor over hadden.
Ze was mooi gevormd, heel jong, met een bleek-ernstig gezichtje. De
donkere oogen stonden daarin groot en stil, vreemd aan de herrieachtige
benauwdheid van het danslokaal. Die groote, vreemde, mooie oogen in dat
smal bakkesje deden me kijken telkens naar den hoek van het buffet. Het
resultaat was, dat na eenige oogenblikken Grietje bij ons kwam. Zooals
net en fatsoenlijk is, werd haar wat gepresenteerd. Ze ging zitten
en we praatten. Ook vlak bij, blééf het moeë kijken, het gedrukte,
het apathische, onveranderd. Voorbij ons tafeltje zwartten de paren,
wind aanwuivend. Voorbij ons tafeltje wapperden de opwaaiende rokken,
dreunden de wiebelende mansbeenen. Voorbij ons tafeltje gierlachte van
dronkenheid de oude dronken burgerjuffrouw met den grijnzenden kellner.
"Scheelt er wat an?"
De vraag ging als een lamlendigheid bij de vieze opgewondenheid.
"Mij?... Niks."
"Je ben zoo stil."
"Ik, wel nee."
De boel werd luidruchtiger. De dronken vrouwen sleurden, schreeuwend,
't uitkrijschend van lachen een der muzikanten rond. Ze drongen hem
van de beenen, droegen hem voort, brullend en schaterend, terwijl
de kleine, magere, molmen man, die de bleekte en uitdroging had van
een teringlijder, trapte en spartelde om uit de armen der uitgelaten
wijven los te komen. De rookers en drinkers en de andere vrouwen
aan de tafeltjes schreeuwden daar tusschen door, joelend en dol,
dierlijk en dronken. Toen begon de dans weer, verwilderd, heet,
lijf tegen lijf, paar tegen paar.
Grietje zat stil.
Maar met heel-zacht praten, met een stem van vertrouwelijkheid, kreeg
ik het er uit, langzaam, stotterend, aanstijgend tot ingehouden woede.
"O, God, mijnheer... Ik wou dat ik d'r uit was!... Het is een hel... Ik
kan d'r niet tegen... Ik ben nòg ziek van het drinken van gister... As
mijn zuster dát wist..."
"Zou je er uit willen?"
"Als ik maar kón, als ik maar kón!"
"Zou je willen werken, als je een betrekking kon krijgen?"
"Wie wil mij nóú nog hebben?"
"Denk dáar maar niet over. Zou je weer kunnen werken?"
"Graag. Als ik er maar uit kom!"
"'k Zal is rondkijken."
Twee avonden later. 'k Heb een "humaan" mensch gesproken. Hij wou
Grietje wel. Goed. Ik het danshuis binnen. 't Is er leeg. Ik ga zitten,
bestel. Grietje komt bij mij. Ik offreer een glas, zooals net en
fatsoenlijk is. Ze ziet even bleek, met hetzelfde Madonnaprofiel,
met dezelfde groote, stille oogen.
"Ik heb wat."
"Wat bedoelt u?"
"Ik heb een betrekking."
Ze kijkt me an, verbluft.
"Een betrekking?"
"Weet je niet meer, waar we eergister over gesproken hebben?"
"Eergister?.... O, ja.... Toen was ik niet erg lekker, hè?"
"Ja. Je kunt er uit."
"Er uit?"
"Uit den rommel."
"O."
"Je lijkt d'r niet véel zin in te hebben."
"Nou dat zeg ik niet... Wat voor een betrekking?"
"Werkmeid bij goeie menschen."
"Mot ik nat werk ook doen?"
"Dat denk ik wel."
"Mot ik schrobben en plassen?"
"Ja, dát weet ik zoo precies niet. Ik geloof het wel. Wat zou dat?"
"Nee hoor. Neem me niet kwalijk, maar dáár heb ik geen idee in."
"Maar schaap, denk nou eens even na."
"Ik heb nagedacht en d'r ook over gesproken met een kennis van me,
die advocaat is. Blijf jij d'r maar gerust in, heeft-ie gezegd,
jij komt altijd op je voeten terecht."
"O."
"Nat werk... Nee!... Dan blijf ik liever hier."
Ik spreek er niet verder over, drink van het glaasje slechte cognac
om me een houding te geven.
Grietje drinkt ook, kijkt met de groote, moeë oogen voor zich uit.
"Krijg ik ook een glaassie?"
Dat is de vriendin, die een stoel bijschuift.
"Dank je."
"Nou geef mijn nou ook 'n glaassie."
"Dank je."
Het wordt levendig. Een gezelschap buitenlieden, wantrouwig en
nieuwsgierig komt binnen.
"Grietje!" roept de buffetjuf.
De buitenlui zitten aan een van Grietje's "tafeltjes."
Ik stap op.
"Weet je 't wèl... Griet?"
"Ach zanik nou niet langer!... 'k Was eergister vet!"
"Wat wou-die?" vraagt de vriendin.
Grietje fluistert.
De vriendin kijkt me vijandig an en zegt snerpend-kwaadaardig:
"Jezus, wat 'n brave Hendrik! Jij lijkt wel van de middernachtzending,
zeg!"
SCHIM.
Er hangt een laars uit en voor het linkerraam is een bordje
aangebracht:
LAARZENMAKERIJ.
Achter dat bordje zit hij.
Zijn haar warrelt slordig om zijn hoofd. Het gezicht is vaal,
geelachtig, van de hoekige ingevallenheid van een teringlijder,
met vreemde verdoffing der oogen, met harde sneden van neus naar
mondhoeken. O, dat gezicht. Dat gele, verdorde, vermoeide gezicht boven
het gore boezeroen, boven het leeren voorschoot, dat vleeschlooze
gezicht, altijd in dezelfde richting gedwongen, altijd met de oogen
in één lijn naar de beenige handen, die bewegen om zwarte laarzen
van menschen.
Ik heb den laarzenmaker in zijn pothuis nog nooit anders gezien dan
in dezelfde gebogen houding, den rug krom, het mager lijf zwemmend
in de luchtvolheid van het boezeroen, het hoofd kijkend naar de
rustelooze handen.
Zoo'n man lijkt niet van het leven te zijn.
Maar hij is er van.
Hij is heuschelijk en echt van "het" leven, hij met zijn verkromd
lichaam, met zijn dorgeel hoofd, met zijn beenige, harde, vuile,
eeltige vingers.
Hij is van het leven in zijn pothuis, zooals er véél anderen van
leven zijn.
Ik weet niet wanneer hij rust. Hij lijkt nooit te rusten. Maar
hij rust. Een menschelijk lichaam is zoo gemaakt, dat het niet
vier-en-twintig uur uit, vier-en-twintig uur in kan werken door den
dwang der maag. Dus rust ook de man in het pothuis, slaapt, droomt
en zit dan weer op naast zijn bordje "Laarzenmakerij". Wànneer hij
rust weet ik niet. Als ik 's middags voorbij ga, is hij voor het raam,
gebogen, werkend. Zijn handen zijn vastgegroeid aan de laars. De hamer
klopt. Hij werkt. Als ik tegen zes uur ga eten, is hij nog altijd
op zijn plaats, kijkt niet op, werkt. Als ik 's nachts één uur, half
twee naar huis ga, brandt er licht in het pothuis, zie ik een zwarte
schaduw gebogen achter het gordijntje, gaan de zwarte schaduwarmen
machinaal op en neer.
Als ik héél laat thuis kom, wat soms gebeurt met nachtwerk, en tegen
vier uur voorbij wandel om te gaan slapen, is het pothuis al geopend en
begint de man van het pothuis zijn dag. Hij lijkt nooit te rusten. Maar
hij rust. Hij rust hoogstens drie of vier uur in de vier-en-twintig
uur en zit de overige twintig op zijn kruk, met het lijf gebogen,
den rug gekromd en met de verdofte oogen naar beneden kijkend.
Hij is getrouwd.
De vrouw is een zware gezonde vrouw, breed van boven, breed beneden.
Een vijfde kind is op de komst. Ze staat net te praten met de
kruideniersvrouw. Op de stoep babbelen ze, gesticuleeren, de
twee gezonde, dikke, logge vrouwen. De vrouw van den laarzenmaker
vertelt. De vrouw van den kruidenier grinnikt. Dan sjokt de vrouw van
den laarzenmaker naar het pothuis, waar de man zit te werken. Ze is
plomp en leelijk en vuil. De twee oudste joggies van vijf en zes jaar,
loopen verwaarloosd en smerig, met ongewasschen en vuile bakkesjes
en verhavende kleeren.
"Meneer hier zijnen de laarzen."
Dat is de loopjongen, lang en mager.
"Goed."
"'t Is een gulden voor hakken en halve zolen."
"Heb je van tien gulden terug?"
Malle lach: "'k Wou da'k zoo rijk was."
"Vraag dan an je baas."
"Me baas is net zoo rijk als ik."
"Kom dan vanavond even langs."
"Wil ik niet even gaan wisselen an de overzij?"
"Nee jongen... 'k moet toch dadelijk zelf de deur uit."
"Best meneer."
Tegen den avond. Er wordt gebeld.
"Meneer, hier ben ik."
"Wat is er?"
"U hebt vanmorgen gezegd..."
"O, ja... wacht even."
Falkland rommelt in zijn portemonnaie en vindt twee kwartjes.
"Hier jongen, heb je twee kwartjes."
"'t Is 'n gulden meneer."
"Jawel, maar 'k kan 't niet anders passen. Kom morgen om het restant,
hoor je?"
Den volgenden morgen. De jongen is er weer. Het is een lam gevoel om
twee kwartjes schuld te hebben bij een armen stakkert. Falkland laat
bellen en een uur later wandelt hij de stad in, leent van 'n vriend
'n riks, komt terug en loopt aan bij het pothuis.
De laarzenmaker is bezig houten pennen in een zool te hameren. Even
tikt hij tegen z'n vuile pet.
"Hoeveel krijg je nog van me?"
"Tien stuivers, meneer."
"Asjeblief."
"Dank u vriendelijk."
In het zwarte hokje waar hij aan 't werk is, wurmen twee halfnaakte
kinderen. Het eene solt met een ouden schoen, het andere kauwt op
een onherkenbaar voorwerp. Van achter walmt dik-warme lucht van
vettig eten.
"Gaat 't druk met het werk?"
"Kan beter. De huur is zoo zwaar en de winkels rippareeren tegenwoordig
zelf."
"Zit je dikwijls 's nachts op?"
"Nou zoo wat geregeld... D'r gaat tijd heen met dat lapwerk, hoor!"
"Ga je dan nóóit uit?"
"Nooit meneer."
"'s Zondags?"
"Slaap ik."
"Blijf je daar gezond bij?"
"Lekker als kip, meneer."
Lekker als kip. Dichtbij is zijn hoofd, oud, geel, verworden.
Van nacht thuiskomend, was er wéer licht in het pothuis. Het gordijntje
was neer. Boven het zwarte vlak van het bordje was de silhouet van
den werkenden man. De heele straat lag in rust. Hier en daar was een
venster verlicht, maar nergens een silhouet. Ik ben blijven staan,
kijkend naar den gebogen vorm van het lijf, naar den arm die op en
neer ging, naar het hoofd, dat er zoo bizar uitzag met zijn pluimingen
van haar er om heen.
Ik ben blijven staan met dat ouwe gevoel van het mysterieuze: hij
daarbinnen werkend, denkend over dingen, niet wetend van mij, ik
buiten én kijkend naar z'n angstige schaduw.
Want dit is een schaduw, een schaduw van angst.
De heele buurt is rustig. De hemel is zwart, zonder sterren. Op
hun bedden liggen de menschen. De kinderen zijn vroeg onder de wol
gestopt. Al de dikke, gezonde kleuters, die den heelen dag geravot
hebben, liggen. De dikke kruideniersvrouw ligt. De schoenmakersvrouw
ligt. Alles slaapt. En in die stilte van uitrustende menschen,
in de stille straat onder den donkeren hemel, staat het scherp
verlichte raam, dat een geheimzinnig gat van ander leven lijkt in
de donkerte der muren, staat het gele transparent met de zwarte,
scherpe schaduw van den man, staat het raam met den zwarten vorm,
als een òndeelbaar geheel.
Dit is een schaduw van angst.
Het kàn niet anders.
De man er achter is oud, geel, verdord, gedood door het leven dat
hem vermoord heeft, láng voor het oogenblik, waarin menschen van
dood praten.
Ik geloof dat ik op zoo'n moment in de straat, niet zou durven tikken
tegen de ruit van het pothuis.
BAL IN EEN STAL.
Eén draaimolen met diklijvige, hoekige, vetpootige mummie-paarden,
walmende olielampen en 'n jakkerend draaiorgel--, één koekkraam,
één tent met kouwe oliebollen, eieren en zuur, 'n schiettent, waar
kapotte pijpen an touwtjes bengelen, maar vooral het bal, het groote
bal, het nette bal, het bal, het bal in den stal.
Over den donkeren weg zigzaggen ze met d'r meiden in bruine
Zondagsjurken.
Buiten zijn ze nog druk, klotsen met vierkante voeten in plassen,
schreeuwen met vierkanter monden... "Hup falderiere... hup
faldera... Heisse, heisse, heisse hop sa-a-a-sa!..." Dan dringt een
andere bende op, lijmend en galmend: "Maar de boertjies hebbe 't
gewonne, hiep, hiep hoera!" Ze stormen tegen elkander op, warmlijvig,
overzat, trappend met de plompe beenen met 'n lol, 'n lol, 'n lol!
Voor de deuren van den stal worden ze bedaarder.
Daar is 't bal, het bal, het bal.
Daar mot je je fatsoen bewaren. De postbode danst 'r èn de onderwijzer
èn de dochter van de onderwijzeres, èn de groote kruijenier èn de
telegrafist.
Je zou den stal haast niet herkennen, zoo netjes is die. De karren
en rijtuigen zijn weg, de stalboomen zijn weg. D'r ligt zelfs geen
bruinigheid op den grond. Alleen de vaste lange ruif, de leege ruif,
met z'n netwerk van lijnschaduwen langs den wand, is d'r nog, onder
vlaggedoek. Sparregroen woelt om de spinten. Aan de dwarsbalken
hangen lampions, die komiékerig lichten in de vaalschemering van 't
toeloopende dak, aan de middelste schommelt zachtjes 'n ijzeren lamp,
walmerig spitsend in de krinkelende tabakswolken.
Waar anders het vuil, de bruinigheden en het stroo, angeveegd ligt
op een hoop, staat 't buffet met flesschies limonade en flesschies
bier. Links is een lange bank met een lange plank. Voor de deuren,
waarachter de paarden zijn gestald, staat op twee schragen een planken
stellage met de muzikanten.
Waar de stellage lichtelijk doorzwiept zit de dikste, de violist,
'n buikmensch met vette koonen, hambeenen en 'n zwarte stoppelsnor.
't Magere contrabasje in een verfomfaaid pakje, heeft aan weerszijden
van z'n bas, die roem-roemt, roem-roemt, een voet in stevige, beijzerde
slijkschoenen. Z'n fletse, verdronken hoofdje met 'n boschduvel van
verwarde varkenshaartjes kijkt glazerig over de groote, touwachtige
snaren. Roem-roem roem-roem... De arm schokt, beukt den strijkstok
heen en weer... roem-roem, roem-roem.
De pistonnist controleert de deur--, of d'r geen mense zonder betaling
wegloopen. Als-ie blaast heeft-ie 'n effen, geel gezicht. Als ie niet
blaast puilen de jukbeenderen uit. 't Blazen flatteert 'm.
Nummer vier is natuurlijk de pianist. Met z'n rug zit-ie naar 't
publiek, maar z'n lange nek permitteert 'm te spelen en de zaal
te zien. Z'n haar is kort geschoren. Z'n gezicht is gemeen-rood,
gemeen-verlept, z'n oogen staan bloederig, branderig-groot van drank.
De dikkert, de violist, is de baas. Die tikt met z'n strijkstok
't begin aan en zet de melodie snerpend in. Het basje beheerscht den
boel. De boeren hooren niks van de muziek. Ze dansen op het roem-roem,
roem-roem, op de twee tonen van 't basje. Die geven de maat an. Die
doen zoo lekker dansen.
"Wals heire!"--, brult de pistonnist.
't Basje geeft 'n stomp tegen z'n bas om stilte te krijgen.
"Wals heire!"
Roem-roem-roem-roem.
't Orkest martelt den deun van Sei nicht böse en 'n veldartillerist
zet den dans in.
Z'n roode pluimpje dobbert op z'n schuinhangende muts. Z'n rooie
vleeschhand plakt om 't uitzwiepend corset van 'n boerenmeissie van
zestien jaar met 'n mopsneus en goudgeel, loshangend wolhaar. D'r
rokken gieren straks weg. D'r rooie kousen spillen in d'r bottines.
Roem-roem-roem-roem.
Vlak daarachter walst de groenteboer met de dienstmeid van den grooten
kruijenier. Wonderlijk eerbiedig houdt-ie d'r op 'n afstand. Hij danst
in hemdsmouwen. An de ellebogen zijn nieuwe stukkies ingezet. Z'n
handen liggen teederlijk gespreid op de schouderbladen van de meid.
Op 't groen en wit pompadour van d'r japon plakken de groote, dikke,
bruin-zwarte vingerstompen, waarvan de nagels in vleeschelijke
verwording zijn. Zij kijkt neer naar zijn stalen horlogeketting,
waaraan 'n hondenmedalje bengelt. Hij kijkt naar den zwarten kam
in d'r blonde haarknot. Z'n vest zit strak gespannen om z'n pootig
bovenlijf. De schouderbladen wippen op in de voering, het blauwe hemd
riggelt boven de pantalon, die in het zitvlak een versch ingelegd
pilow stuk heeft. Hij danst met eerbied. De hééle armslengte is
tusschen hen. Roem-roem-roem-roem-roem.
De passen zijn groot en zwaar, met trappen om 'n tijger van kant
te maken. Zij neemt ze vrouwelijk met zachte sleepjes van de zwarte
pantoffels over 't zand op de planken.
Roem-roem-roem-roem-roem.
Haast worden ze op de hielen getrapt door een derde paar. 'n Logge
boerenjongen met de dochter van de schooljuffrouw. Op z'n rooie,
verbruinde, jukbeenderen gezicht hangt 'n grijze pet. 'n Groote,
zwarte, versabbelde sigaar dampt in z'n hoofd. Hij is in boezeroen,
dat klappert en bult om z'n lompe lichaam. Z'n broek is van verschoten
fluweel. Z'n schoenen heeft-ie uitgetrokken.
De dochter van de schooljuffrouw kijkt twee hoofden boven hem
uit. Ze is lang, mager, met reuzenhanden, 'n spits, vinnig neusje en
'n grooten mond met gele tanden. Roem-roem-roem-roem. Elegant houdt
de boer z'n eenen boezeroen-arm om haar magere taille. Den anderen
heeft-ie kunstig naar achter gebogen, met de palm van zijn hand naar
buiten en de hare er in.
Roem-roem-roem-roem.
Weer 'n boerenjongen met 'n boerenmeid. Die houen elkaar weer bij de
schouders. 'n Stompje sigaar priemt tusschen zijn knoedelvingers op
haar rug. De gezichten zijn roodzweetend, moe van 't dansen en drinken.
De heupen schokken zinnelijk bij elken hoek. Roem-roem-roem-roem. En
dan neemt-ie opeens 'n zet, in 'n rechte lijn, zij achteruit heupend,
alsof ze angstig wegdribbelt--hij, toeloopend met slofpasjes, d'r
dringend naar een hoek, maar dan weer in 'n draai verder, zweetend,
vermoeid, met 't sigarenstompje priemend tusschen de vingers.
Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.
Nou draaien d'r twee vrouwen, 'n dikke, paarse met boerenkap, gouden
ijzers en uitzwellende heupen en 'n bleek meisje met groote bruine
oogen, die probeert in de maat te blijven.
Bons. Ze worden aangeschokt, weggebuffeld door 'n boer op fluweelen
toffels. Stevig heeft-ie z'n boerenmeid vast. Pootig trapt-ie met
z'n hielen en slaat ze aan tegen z'n broek. In z'n eene hand walmt
een inbrandende sigaar. Zij schobbert verhit mee. D'r geelbruine,
gepolijste haar is hoog opgenomen. Groote koperen knoppen glimmen in
d'r rooie ooren. Zijn zweetende zwartachtige hand pleistert op haar
witte jakje, dat er in rimpels en plooien onder fletst. De zware
baleinen van d'r corset steken uit en 't vergulden kruisje aan de
koperen ketting bengelt en hupt aan d'r hals.
Achter staan d'r twee stil, die óp zijn. Da's 'n rijke met 'n nieuwe
meerschuimen pijp. Mollig wrijft z'n knuisthand om de dikke taille
van de vrouw.
En dan komt d'r weer 'n veldartillerist met kort geschoren rood haar en
'n verdikten neus.
Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.
Een aangeschoten boer cancaneert in z'n eentje. Eerst wiebelt-ie
naar de muzikanten en blert: "Hier... hebbie... nou... die kleine
Jan... van Amsterdam... die... nà-àkend op... die wereld... kwam"...
Dan krijgt-ie op eens 'n bezeten ingeving, kijkt met de oogen vèr-weg,
in 't vage, staat stil, klapt in de handen en doet 'n balleteuse
na. Z'n oogen verstarren, levenloos, 't lichaam wringt zich in bochten
en met de groote handen beweegt-ie sierlijk de denkbeeldige tullen
rokken. Z'n plompe voeten gooit-ie op, in de hoogte, buigt in, staat
weer op en probeert op z'n teenen te loopen. Roem-roem-roem-roem.
Eventjes 'n paniek. 'n Papieren lampion vliegt in brand. De stukjes
gloeiend papier dwarrelen weg in de zwarte schaduwen van 't dak.
Roem-roem-roem-roem.
Tegen den wand, onder de ruif, zitten de kijkers, aangedrukt tegen
elkaar, de hoofden in één richting van belangstelling. Eerst 'n
kind met 'n omslagdoek, bleek onder de roodte van den doek. Dan 't
hoofd van 'n jongen boer, met ruwe boersche trekken. 'n Pauweveer
steekt in z'n hoed. Z'n boord is weggesmolten. Z'n lippen zuigen op
'n verpruimd eindje sigaar.
Dan 'n beenige rooie kop, onder 'n grijze klep-pet, lacherig
toegedraaid naar 'n vrouwengezicht onder 'n bruinen hoed met blauwe
blommetjes. Een glas limonade lept naar d'r rooie, dikke lippen. Dan
weer een infanterist, bedaard rookend. Dan weer een boerenmeid.
Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.
"Hopfalderiere, hopfaldera!"
Twee komen d'r binnen hossen, twee mannen, die aan 't walsen slaan,
bonkend tegen paren. D'r sigaren spatten tegen de japonnen. Vonken
dwarrelen mee in de draaiing.
Roem-roem-roem-roem.
De lijven schokken, de beenen trappen. 't Zand op den grond sist en
kraakt. Roem-roem-roem-roem.
Even uit. De muziek zwijgt. De paren staan stil, puffend en zweetend.
Maar het basje beukt weer tegen 't lichaam van z'n bas.
"Stilte! stilte!"
De pistonnist schreeuwt schor in den grijzen walm:
"Nou nog een dubbelde Duitsche polleka toe, voor je
centen! Vasthouen! Vasthouen! Kom maatje! Kom nou! Even goed je
dubbeltje! Kom jongelui, vooruit!"
De viool snerpt de melodie weer in.
De piano piengelt.
Het basje zaagt en sjouwt.
Roem-roem-roem-roem. Tidididi-dididididididi! Roem-roem.
De veldwachter komt eens kijken aan de deur, neemt z'n pruim uit z'n
mond en drinkt 'n glaassie bier.
'n Joden koopmannetje, met bruinen ringbaard, krommen neus, listig
zwarte oogjes, vent langs de zitplaatsen.
De boer, die gezongen heeft van "Hier... hebbie... nou die kleine
Jan"--, kijkt naar het plankje met chocolade-tabletten en amandelen,
dat de koopman voor z'n buik draagt.
"Wat hé-jij daar in je klauwen?" snauwt-ie met al de brutale, logge
zekerheid van 'n sterken boer met 'n mes-op-zak.
"De khoopman heit van alles," lacht het joodje, zachtjes, verlegen,
bang voor ruzie.
"Wat kost dàt. Nee dàt, hengst!"
"Mhaar tien centen."
"Tien centen? Tien centen! Ga je weg, hengst!"
En dan sluipt 't joodje angstig verder.
Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.
De veldwachter pruimt en kijkt gemoedelijk toe.
De rokken zwiepen om de beenen, de voeten klotsen, de sigaren lichten,
de walm spiraalt op.
Tididi-dideredi... Roem-roem.
Buiten blerren ze "Hupfalderiere!... Hupfaldera! Heise! Heise! Heise!
Hopsaaaaasa!" en ze schreeuwen van de boertjes die 't gewonnen hebben
en dan weer "Heise, heise, heise, hopsasa!"--en in de groote schaduwen
van 't stille dak, aan de groote binten schemeren de lampions en
walmt de schommelende lamp.
Roem-roem-roem-roem. Tiderididi.
MINTENEE.
Een uur nadat ze gekomen waren stierf hij, zonder ze te herkennen.
Zachtjes dee zij de alkoofdeur dicht, ging zitten huilen in den
doorzeten leunstoel.
"Loop nou zoo niet heen en weer. Je maakt me zenuwachtig!... Hoor je
me niet!"
"Jouw, jouw schuld."
"Wàt mijn schuld? Wat, wat, wàt?"
"Dat weet je wel. Jij wou niet buigen."
"Nee."
"Nou zijn we nét te laat gekomen!"
"Waar is dat schepsel gebleven?"
"Ze is weggegaan."
"Dat béést, dat schaamtelooze"...
"Stil wat."
"Woonde ze bij 'm in?"
"Ja."
"Ze kan toch niet terugkomen?"
"Dat zal ze wel niet."
"Heb je met d'r gesproken?"
"Eventjes."
"Wat zei ze tegen je?"
"Niks."
"Niks?"
"Ze huilde."
"Heb je d'r gezegd, dat ze d'r boeltje most pakken?"
"Nee."
"Waarom niet?"
"Ik had meelij met d'r. Je had d'r moeten zien... Zoo bleek. Zulleke
gezwollen oogen."
"Kan me niks schelen. Jullie bent allemaal 't zelfde."
"Spreek wat zachies Marie... Denk an Jan"...
"An Jan... An Jan... mijn arme jongen!"
"Laat de alkoofdeuren dicht, kind... D'r valt niks meer an te
veranderen"...
"Mijn arme jongen... Dat-ie me niet herkend heeft!... ik ben toch
z'n moeder!"
"Goed zoo. Huil maar is uit"...
"Als-ie niet dat mensch ontmoet had"...
"Zachies wat"...
... "Zouen we d'r eerder van geweten hebben, had ik 'm kunnen
oppassen.... had jij 'm kunnen oppassen!... Wie heeft getelegrafeerd?"
... "Zij."
... "Zij?"
... "Ja."
... "Had ze 't niet eerder kunnen doen?"
... "Ze dorst niet."
... "Waarom niet?"
... "Omdat... Laat ik je 't maar liever niet zeggen, Marie."
"Wat was d'r dan... Maak me niet ongeruster."
... "Omdat... omdat Jan 't niet wou."
... "Wou hij ons niet meer zien."
... "Nee."
... "Dat beest, dat schèpsel!"
... "Zachies, zachies!"
"Heeft zij je dat gezegd?"
"Ja."
"Dan heeft ze je voorgelogen... Dat kàn-die d'r niet gezegd
hebben... Zou-die z'n eigen ouwers"...
"Ze heeft me nièt voorgelogen."
"Hield-ie dan zóóveel van d'r?"
"Kind, kind... ik heb je zoo dikwijls gezegd."
"Hou je mond! 'k Wil niks weten... smijt dien hoed uit de kamer!"
"Marie, Marie!"
"'k Wil niks van die vrouw zien."
"Laat 'm liggen, kind... Denk an Jan die"...
"Mijn arme jongen, mijn eenige jongen!.. Dat-ie zoo vroeg sterven
most!... Waarom is d'r 'n God op de wereld... als jonge menschen zoo
weggehaald worden!"
... "Dàt maakt me niet ongelukkig. Ik heb berouw dat ik naar jou
geluisterd heb... Wat dee je me op te stoken... Nou is alles te laat."
"Berouw? Berouw? Had jij willen hebben dat-ie die meid, zoo'n van de
straat opgeraapt schepsel getrouwd had?"
"Waarom niet, waarom niet!"
"Ben je krankzinnig geworden!"
... "Nee niet krankzinnig!... Wat heb jij nou bereikt?... Nou hebben
ze tòch samen gewoond, samen geleefd als man en vrouw... En zijn wij
als vreemden hier gekomen... net te laat... net te laat"...
"In Godsnaam.... beter dàt dan zoo'n gemeen schepsel tot je
schoondochter."
"Maar hij hield van d'r!.... Wat doe je?.... Wat doe je?.... Laat dat
staan, Marie!.... Verander niks an de kamer.... Jan ligt d'r.... Foei!"
"Heerlijk! Lekker! In duizend stukken! Zoo! Zoo! Zoo!.... Ik wil geen
portretten van dat schepsel hier zien!"
"Daar staat 'r nog een op den schoorsteen.... Op zijn schrijftafel
staat er nòg een.... Nee blijf 'r af! Ik wil niet dat je het
verscheurt!"
"Laat me mijn gang gaan!"
"Nee! Blijf'r af!.... Kom toch even tot jezelf!.... Het heele portret
staat in gedroogde rozen.... Voel je niet hoeveel Jan van d'r gehouen
moet hebben"....
.... "Drie portretten.... van zoo'n leelijk schepsel.... Kijk die
oogen is.... en dat gemeene lachen!.... Zet ze dan weg, als je niet
wil dat ik ze verscheur!"
"Spreek wat zachies.... Denk toch dat je kind dood is"....
"Mijn arme, arme jongen.... Als ik d'r geweest was zou-ie 'n goeie
oppassing gehad hebben.... zou ik 'm beter gemaakt hebben.... Zoo'n
slordig schepsel.... Overal slingert d'r goed.... Daar ligt
'n doos met poudre-de-riz.... Ze poederde zich! Ze poederde
zich, zie je dat?.... Daar, onder den stoel, dààr, staan d'r
muilen.... 'n Fijne madam!.... chevreau-leer met goud, met hooge
hakken!.... Heb je mij ooit zulke dingen zien dragen?.... Hier heb
je weer haarspelden.... Wat is dat?.... Nee maar kijk nou is.... Ze
verfde zich.... Lippenverf.... Zoo'n gemeen"....
.... "Zachies wat"....
.... "Spreek jij maar zachies, als je ziet waaran onze arme jongen
zich vergooid heeft.... Heb je nog meer bewijzen noodig?.... Kijk
is in die kast.... Wat 'n sjiek.... allemaal van ons geld.... Ze mot
direct d'r boeltje pakken, versta je? Ik wil die dingen geen minuut
langer in huis hebben!.... Geplunderd heeft ze'm! Geplunderd! Zoo'n
gelukzoekster! Zoo'n vies schepsel!"
"Marie zou je 'r nog is an willen denken dat in de alkoof"....
"Dood is-ie! Dood!.... Geen woord heeft-ie meer voor ons over
gehad! Z'n eigen moeder! Z'n eigen vader! Waarom ben ik niet dood
gegaan!"....
"Ga nou naar het hotel terug, kind.... Het rijtuig wacht.... Je kunt
hier niks meer doen. Hier is je mantel"....
"Nee! Ik ga niet alléen.... Je mot meegaan!"
"Ga vast vooruit. Ik wil alles sluiten--nog 't een en ander regelen."
"Dat mensch is nog hier.... Je wil met d'r praten."
"Nee. Ze is weg."
"Mijn arme jongen! Mijn beste Jan!.... Vergeef 't me! Ik ben slecht
voor je geweest! Ik meende 't zoo goed.... Mijn lieveling!"
"Doe de alkoof nou dicht. Wat geeft het of je hem nog langer
ziet.... Zal ik je naar 't rijtuig brengen?"
Dicht viel de huisdeur. Het rijtuig ratelde lawaaimakend weg. Op zijn
teenen liep hij naar een deur, achter in de gang.
"Juf.... frouw"....
Ze opende al.
"Mijn vrouw is weg, juf... frouw"...
Zonder te antwoorden, liep ze hem voorbij, de kamer in, naar de alkoof
en begon den dooie te zoenen.
"Laat 'm liggen... wees u bedaard... juf... frouw"...
Stil lag ze met het hoofd in de kussens.
Ze leek wel dood.
"Ga u liever zitten... u mot u niet zoo opwinden... juf... frouw"...
Ze bewoog niet.
"'t Is toch beter... júf... frouw... dat u heengaat... U kunt toch
niet hier blijven. Het huis mot gesloten worden... Kan ik u soms
helpen? Hoort u me niet, juffrouw?... Juf... frouw!"...
"Ik hoor 't."
"... Wil u soms wat goed meenemen, voorloopig?... Morgen of overmorgen
zal ik u alles zenden... als u mij uw adres opgeeft"...
... "Mijn adres... O ja... Ik mot hier weg."
"Kan ik u soms helpen?"
"Dank u. Ik heb alles."
"Gaat u nou van het bed weg... juf... frouw"...
"Ja."
"Wil u soms wat drinken?"
"Nee... Waar is mijn hoed?"
"De hoed... Waar is de hoed?... O, hier op den grond... Asjeblief
juffrouw."
"Dank u."
"Heb u geen mantel?.... 't Is frisch buiten."
"Nee. 't Is zoo goed."
"Doet u nou de alkoofdeuren dicht, juf... frouw."
"Ja... Zie ik 'm nou voor 't laatst?"
... "Ja... juf... frouw... U begrijpt dat 't moeilijk is... om u... als
hij begraven wordt"...
"Ja... Is-hij kalm gestorven?"
"Hij heeft ons niet herkend... Zoen 'm niet meer... 't Is niet goed
dooien te zoenen, juffrouw."
"Goeien avond, meneer."
"Dag juffrouw... An welk adres motten de kleeren...?"
"Dat weet ik niet."
... "Wat gaat u nou voortaan beginnen, juffrouw?"
"Dat weet ik niet... Goeien avond, meneer."
"Goeien avond, juffrouw."
ZUSTERS.
Lentemorgen.
Warm scheen de zon door de loovers.
Het veld lag groen, luw-getint, met een stippeling van geel. Niets
dan groen en gele hoofdjes van bloemen. Het zonlicht deinde er
zachtjes over.
In de verte, uitgebeten in de heldere lucht, de dorpstoren, priemend
omhoog met de puntigheid van een naald.
In de verte óók het vriendelijk lichten van zon, overal zon, warme zon.
In loovers tjilpten vogels. Het was een geklinkklank van kleine,
nazwevende geluidjes, een schel, warm voorjaarsfluiten, dat wegstierf
boven de boomen, maar onder de kruinen bleef als een geur van jeugd.
Over den grintweg gingen ze.
Zwijgend.
Het hel-wit zomerkleedje met de roode linten kleurde uitgelaten
van levendigheid tegen het grijs van den weg, in de mulle schaduw
der boomen. Onder den breeden stroohoed wuifde het haar, dansend op
den lentewind.
Ze draaide een bloem in de handen. Den stengel had ze stuk geknepen.
Donker liep hij naast haar. Zijn rotting veerde aan tegen de
grintsteentjes, die voortstoven als raketten.
"Lize"...
"Nee... Nee... Zeg niks meer."
"'k Wou"...
"Nee, nee, Frans."
"Begrijp je dan niet"...
"Ik bid je... hou op!"
Hij zweeg.
Stil gingen ze naast elkaar.
De steentjes wreven en kraakten, eentonig, zangerig-knarsend onder
de voeten.
Een zwerm vinken joelde lawaaiend in 't gras.
Ze vochten om iets, om een worm.
Anders stilte.
Anders de gouden warme koestering van de zon op de dingen.
In het dorp, flauwtjes, klepte de klok. Rustige galmpjes kwamen
gedragen.
"... Lize"...
"... Ja"...
"Ik moet 't toch zeggen."
Vuurrood werd ze. De bloem in haar vingers verplette tot sap. Ze
bleef staan.
"... Frans"...
"... Het mág gemeen zijn"...
"... Frans"...
"... Vervloekt!... Dan verbréék ik het engagement!"
"... Frans"...
"... Je maakt ons allebei ongelukkig, allebei, versta je!"
"... Luister nou nóg eens, Frans... Voor het láátst... Ik wil die
dingen niet hooren... Hoe kùn je zoo zijn!... Denk je dan heelemaal
niet aan haar?... Heb je gister niet gezien, toen ze opzat, hoe bleek
ze was... hoe blauw onder de oogen... Had je dan liever gehad dat ze
dòòd was gegaan? Als je 't engagement verbreekt, dan... dan... Durf
jij de gevolgen... Doe 't niet, Frans!... Ik bid het je!... Ik smeek
het je!"...
Hij keek haar aan in extase.
"Zeg me één ding... maar eerlijk... Nee je moet me in de oogen
kijken... Zeg me... Je houd van mij óók, Lize!"
"Nee."
"Da's niet waar!"
"Ik heb nóóit van je gehouen."
"Nooit?"
"Nee... En ik zal 't nóóit doen."
Hij wist dat ze loog.
Zij voelde dat-ie haar niet geloofde.
Nauwer werd de weg, die door het bosch kronkelde.
Telkens kroop voor hun voeten een lijn van licht, die door de blaren
boorde en over den grond streepte.
Ze liepen langzaam in de stilte, kijkend naar dingen die zij niet
zagen.
Even door de nauwte van het pad raakten ze elkanders handen.
Ze schrikten.
Omdat 't zoo stil was, zoo eenzaam, zoo vreemd, zoo drukkend, begon
zij weer te spreken, hokkend van angst.
"Ben je boos, Frans?"
"Boos?... Och"...
"Wat is 't hier stil."
"Ja."
"Vreeselek stil"...
"Ja"...
"Waarom zeg je niks?"
Weer raakten de handen.
"God... martel me niet."
Nu liep ze voor hem.
Naast elkaar gaan konden ze niet meer.
In zinnelijke bewondering keek hij naar het meisje, naar 't nekje
met krullende donsharen, naar de soepele lijnen van 't lichaam,
naar de voetjes in de kleine schoentjes, met 't witte der kous
even-nog-te-zien.
Hij had haar in z'n armen willen nemen, hartstochtelijk.
Ze waren hier alleen.
Heel alleen.
Maar ze keek om, angstig omdat hij zoo stil was.
Toen begon hij te praten, druk, opgewonden, over allerlei dingen,
waarnaar zij niet luisterde.
Zij antwoordde lachend zonder dat hij 't hoorde.
Ze durfden niet ophouen.
Bij de greppel werd breeder het pad.
Er stroomde water in, niet veel.
Gister was ze nog droog.
Aarzelend stond zij stil.
"Wil ik je dragen?"...
"Nee."
"Wil je dan weer terug?"
"Nee."
In eens, zonder verder te vragen, tilde hij haar op, droeg haar hoog
in de armen en stapte door 't water.
Dicht was haar hoofd bij 't zijne.
Dicht was zijn mond bij den hare. Ze zag zijn snorhaartjes, vlàk-bij.
Ze voelden elkaars adem, kort, warm, snel.
"Frans!"...
Oogen als van 'n aangeschoten hert keken 'm aan.
Hij beefde.
Hij zoende haar niet.
Aan de overzij gleed zij uit z'n armen.
Zwijgend gingen ze verder.
Alleen in de stilte.
Links lag het dorp met zijn dol-vroolijk gegloei van roode daken in
het effen groen.
Tamme rook-spiraaltjes verwasemden in de heldere lucht.
De kerktoren was grooter geworden.
De haan op den toren stond te stralen als een gouden pauw.
De dorpsstraat slingerde witjes, rustig, glad.
Bij de huisdeur, in een rieten stoel, zat ze in 't zonnetje.
Ze kleurde van genoegen.
"Hebben jullie al zóó vroeg gewandeld?"
"Ja."
"Hebben jullie... ruzie gehad?"
"Nee"...
"Welnee"...
Lize zoende haar, ging het huis in.
Op haar kamer gekomen, bleef ze wat drentelen voor het raam, keek
door een kier van de neerhangende jaloezie en zag ze.
Toen wierp zij haar parasol en haar handschoenen op 't bed, zakte er
stil bij neer en begon te huilen.
Beneden klonken de stemmen.
Op haar knieën liggend, de vuist ballend, snikte ze schor, hard-op,
heesch...
"... Was je maar dood gegaan... Jij!... Jij!"...
VAN TWEE ONGETROUWDE MEISJES EN EEN HOND.
Wies en Mies liepen met Molly langs den Amstel, halfweg Kalfje.
Wies was een dikkert. Ze had een kort, slobberig lijfje. Ze had
een hoofd en twee voeten. Dit laatste is zeker niet bijzonder. Maar
bij Wies was juist het bijzondere aan het hoofd en de voeten. Het
hoofd was dik en paars. De kleine oogjes probeerden listigjes
over de bolle paarse koonen heen te gluren. Als brokken deeg, die
tegen haar gezicht waren aangekwakt, stonden de koonen, dadelijk
gezwollen rondom het stompneusje, gezwollen onder de oogen en nog
altijd gezwollen bij de ooren. De twee lijvige, paarse pompoenkoonen
werden dus het eerst gezien. Eigenlijk was het hoofd alléén paarse
koon, met een neusbobbertje er in, met krentenstipjes er boven en een
vleezige mondgleuf er onder. Wies--Mies zei Wiesje. Zij hield meer van
Wies,--Wies had groene tandjes. In de dagen van haar jeugd had zij op
aanraden van Mies, die een paardengebit had, een tandenborstel gekocht
en haar tanden één ochtend met asch gepoetst, maar toen 't bloeden
ging, had zij besloten alles te laten zooals natuur 't geschapen had.
Wies had niet alleen een hoofd, zij had twéé voeten. Ze liet ze altijd
zien. Wat ze er aan had wist ze alleen zelf. Bij voorkeur droeg ze
een bovenrok, die te kort was. De voeten schommelden er onder uit,
groot en log, stevig en zwaar. Mannenvoeten. Aan dit maagdelijk
lichaam waren mannenvoeten. Sommigen zeggen mansvoeten. Mannenvoeten
gaat er mee door. Wies had eksteroogen. 't Valt natuurlijk niet met
zékerheid te zeggen. Je zou er de voeten voor in natura moeten zien,
maar aan haar wijze van loopen, aan het trapganzig neerklotsen der
mannen- of mansvoeten, kon je toch merken dat de manslaarzen niet
gemakkelijk zaten. Wies hield niet van hakken. 't Is een vreemd
geval, toch moet ge Falkland op zijn woord gelooven, wanneer hij
het feit constateert. Dan nog,--bijna zou ik daarenboven geschreven
hebben, wat een verouderde en te superlatieve uitdrukking is--stonden
Wiesje's teenen in Wiesje's manslaarzen weerbarstig omhoog, gelijk
een platgetrapte grashalm, die zich begint op te richten.
Wies was dus, kort en bondig herhaald, slobberig-dik,--ze droeg geen
corset--, met vette, paarse pompoenkoonen, neusbobbertje, krentenoogjes
en een paar robuste, haklooze manvoeten, die zich aan den teenkant
van de aarde verwijderden.
Mies was mager. Ge zult vermoeden dat Falkland hier een fantastisch
contrast maakt, maar nog eens op zijn woord, Mies wás mager. Ze was
àkelig mager. Te oordeelen naar haar gelaat, mocht verondersteld
worden dat ze veel zichtbare ribben bezat. Ze was van een magerte,
die pijnlijk schokte naast het weelderig vet van Wies. Ze was mager en
réég zich. Ze droeg een zwart schoudermanteltje, dat om haar schouders
bengelde als een natte theedoek, die an 'n lijn te drogen hangt.
Mies was bleek, vaalbleek. In haar bleeke gezicht puilden de
jukbeenderen, gelijk bleeke klonten op geklonterde amandelvla. Ze
had een mageren, gepletten, Griekschen neus en nu ja--al is 't niet
aesthetisch--zachtzinnige randjes rood onder de oogen. Mies was
lichtschuw. Ze liep met d'r bleeke, vale, magere gezicht gebogen en
vreemd, idioterig lachend, omdat ze 't volle licht niet velen kon. Als
ze lachte liet ze d'r tanden zien. Ze had een paardengebit, een groot,
sterk, regelmatig, geel paardengebit. Lachte ze bijzonder lichtschuw,
dan kwam óók 't bloedloos tandvleesch te zien.
Molly was het hondje.
Het hondje van Mies, ofschoon hij ook luisterde naar Wies. Ik
spreek daar van "hij". Dat is minder juist. Molly was een teefje. Om
verwarring te voorkomen, zal ik haar tijdelijk mannelijk maken. Molly
was een bastaard. Dat wil zeggen: hij was niet bepaald hazewind en niet
bepaald fox en niet bepaald taks. Hij had van elk wat. De herediteit
der vermenging drukte zwaar op zijn kop en zijn pooten. Meer was
van hem niet te zien. Mies pakte hem in een hondendekje als ze ging
wandelen, een snoezig dekje van blauw laken met gele randen en roode
bandjes.
Ongeveer, luidens deze zeer onmachtige beschrijving, liepen Wies,
Mies en Molly langs den Amstel, halfweg Kalfje.
Molly vooruit, snuffelend tusschen het gras en matig dikwijls
zenuwachtig neerzakkend op de gespreide achterpooten.
"Is-die nou eindelijk zindelijk?"--vroeg Wies.
"Hij doet niks meer," giegelde Mies.
"Is-die beter waakzaam?"
"Nou!... as d'r iemand voorbij 't raam loopt, blaft-ie wel vijf
minuten."
"Da's wàt 'n rustig idée voor je 's nachts."
"Vroeger keek ik altijd onder me bed, om te zien of d'r geen man lag."
"Verbeel je 's nachts... 'n inbreker"...
"... Of 'n moordenaar"...
"Mollie--Mollie--Mollie-ie-ie!"
"Wat heeft-ie nou!"
"O lieve God!... D'r zit 'm 'n hond na!"
Mies en Wies stonden stil. De wind waaide d'r rokken strak-weg.
Molly werd achtervolgd door een bruinharigen, leelijken, beslijkten
straathond, die met beminnelijke welwillendheid, niet te opdringerig,
integendeel met iets gentleman-achtigs in zijn gedragingen, haar--zegge
Molly's--achterpooten en staart liep te beruiken. Molly, beangstigd
door die toch wel wat onvoegzame gemeenzaamheid, draaide zich eerst
om met vertoon van nijdige, witte tandjes, maar de straatvlegel nam
er geen notitie van en draaide mee, al naarmate Molly draaide. Kittig
vluchtte Molly over een plank, over een sloot en liep aan de andere
zij van 't water Wies en Mies te gemoet met den straathond à la suite.
"Mollie-Mollie-ie-ie-ie!" riep Mies.
"Wil je weg gaan, vuil beest!" riep Wies, die met haar parapluie
hevige bewegingen verrichtte.
Goedig keek de vreemde naar de ongetrouwde meisjes aan de overzij, naar
Wies' pompoenkoonen en Mies' paardengebit, bleef éven wijsgeerig op
een afstand zitten, maar hernieuwde daarna zijn eerbiedige hofmakerij.
"Kischt! Kischt! Kischt!"
"Mollie-Mollie-Mollie-ie-ie!"
"Wil je weggaan, smeerpoes!"
"Kischt! Kischt!"
Molly nam intusschen een verdedigende houding aan, bromde en knorde
als een tijger. In kringetjes sloop de bruinharige rond haar, schoot
plotseling ongeduldig toe, pakte Molly in haar blauwe pakje en gromde
op zijn beurt.
"Kischt! Kischt!"
"O Mollietje! Engeltje! Schatje!"...
Molly deed wat menschelijk te begrijpen is: ze liet zich vallen,
plaste met de van heriditeit getuigende pootjes in de lucht en begon
een langgerekt, erbarmelijk gejank.
"Wacht! Ik zal jou krijgen!"
Op den weg lag een oude schoen. Wies pakte 'm beet, voorzichtig,
bij een onbeschimmeld plekje, mikte en wierp 't instrument naar de
overzij op 't weiland.
Lobbesachtig, met eenige verbazing, wát of die twee juffrouwen met
zijn zaken te maken hadden, keek de vieze op.
"Kischt! Kischt!"
De schoen had hem niet geraakt. Voorzichtig, maar vastberaden ging hij
voort met de beruiking van het hondendekje, dat hij belangrijk scheen
te vinden, terwijl Molly, bibberend, met ingehouden najankertjes,
zich niet langer tegen de kennismaking verzette.
"Durf jij over de plank?"
"Ik?... Nee"...
"Ikke ook niet"...
"Daar ligt een steen."
Weer mikte Wies.
Raak!
De viezerik jankte nijdig en schoot een end 't weiland in.
"Mollie! Mollie-tje!"
"Psst! Pischt! Pischt!"
Daar kwam die, holde over de plank, rende naar Wies en Mies en sprong
met z'n beslijkte pooten tegen Mies' gespikkeld pakje.
"Ach schatje, wat zie je d'r uit!"
"Kijk 't kleedje van het engeltje is toegetakeld zijn!"
"... 't Is heelemaal bedorven... Ja, je bent mijn schatje... mijn
Habbelebabs... mijn pief-piefie... Kom nou maar mee an 't
kettinkie... Nou zullen ze je geen kwaad meer doen.... die vieze
leelijkers!"...
Wies en Mies waren ontdaan.
Maar nou zakte 't weer en wandelden ze verder langs den Amstel,--het
slobberig dikkertje met de paarse pompoenkoonen, 't neusbobbertje,
de haklooze manvoeten en de magere bleeke, lichtschuwe met 't
paardengebit.
Aan 't kettinkje sjokte de hond, achter de ongetrouwde meisjes.
DOODE.
Hij deed het.--Het gebeurde in een minimum. Hij was dood.
Eerst kwam de vrouw op de kamer, frisch van de wandeling. Ze keek
naar 't lichaam, liep gillend heen. De vader kwam ook, krijt-wit,
bevend. Achter hem gluurden de dienstboden, in een groote begeerigheid
om het lijk te zien.
De dokter constateerde den dood.
De kist werd besteld.
Een kleine annonce kwam in de krant: ... "Tot onze innige droefheid
overleed gisteren, na een korte ongesteldheid, onze"...
Nieuwsgierigheid, meelijdend gekakel, vloekende kwaadaardigheid
walmden door 't stadje.
Maar hij was dood.
Op den begrafenisdag stond de rouwkoets voor de deur. De zwarte kast
wiebelde tusschen de stoffige wielen. Slap hingen draperieën en franjes
naast verzilverde doodskoppen. Als een zakkendrager, rond gebogen,
dommelde de koetsier op den bok. De paarden knabbelden op de gebitten,
trappelden saai onder de warme, drukkende dekken. Om de koets, voor
de huisdeur krielden menschen, buren, voorbijgangers. Ziekelijke
nieuwsgierigheid was op de tronies. Ze verdrongen zich fluisterend. Ze
keken met schuwheid naar de leege holte in de koets, waar de kist moest
kommen. Dicht tot elkander schuivend, praatten ze. De een sprak kwaad
over den dooie, de ander had het lijk gezien, beschreef de akeligheid
van het verminkte hoofd. Aan de overzij hadden ze 't over 't aantal
koetsen, dat rijk en arm allemaal motten sterven, over de weduwe,
over de famielje. Een agent hield de ruimte voor de deur vrij.
't Duurde lang eer de kist kwam. In de brandende zon hing de menigte
te braden op de stoep, opdringend, met de ongure nieuwsgierigheid
van menschen, die graag met 'n dooie zien sollen.
Maar nou kwam-die.
Klots, klots. De dwarshouten worden in de koets gelegd. Boem. Een
benauwde dreun. De kist glijdt in den wagen. Het zwarte kleed flapt
over de houten wanden... 'n Beetje meer aftrekken Dirrèk...
Dichter dringt het volk. 't Wil 'n naakt hoekje van de kist zien. Nou
praten ze zachies over de kransen, over de blommen.
Allee! Hoert!
De lijkwagen trekt 'n endje op. De eerste koets rolt voor. De
nieuwsgierige massa duwt en dringt om de bloedverwanten te zien,
te kijken wie of d'r nou 't meest huilt, wie of d'r 't bleekst is.
... Dat sel de vader sijn... die met z'n geplakte
hare... Nietes... Wellis... Nietes... Hou nou je bek... Is 't gedaan
van achteren?... Hou je poote thuis, lamstraal... Verrek nou...
Langzaam sukkelt de stoet voort. Vóorop de dooie man. Achteraan de
koetsen met netjes in 't zwart, met witte dassen gekleede menschen. Als
'n zwarte slang, waggelt hij naar 't open gat in den grond, naar
't plekje omwoelde aarde, waar ze den dooie onder wat schoppen
heetgebrand zand zullen verstoppen. De kinderen sjokken nog een eind
mee. De voorbijgangers blijven staan, kijken om, tellen de koetsen,
gaan verder. De tram stopt even. Achter de ruiten laten de burgerjufs
'n oogenblik d'r emmer met aardappelen of d'r handwerkje staan.
Een uur later komen de koetsen voor het sterfhuis terug. Boven in de
huiskamer, nemen ze gedempt-sprekend afscheid, loopen op de teenen
op het Smyrnaasch.
... "Hou je maar goed, meneer... Kom, niet 't hoofd laten
zakken... Sterkte mevrouw..."
Buiten stappen ze weer in de koetsen, gaan naar huis, of slenteren
in clubjes naar 'n café. Nou 't lijk niet meer boven aarde staat,
spreken ze vrijuit. Dikke oom kan geen medelijden hebben met iemand,
die eerst zijn zaken in de war stuurt en er zichzelf dan kort en
bondig uithelpt. Dà's een lafheid, een gemeenheid, een verregaande
karakterloosheid. Als je fatsoenlijk man ben, laat je je vrouw
niet zoo berooid achter. De familie zal d'r natuurlijk weer voor
moeten opdraaien. Natuurlijk de familie! Neef is mee naar 't graf
gegaan pour sauver les apparences. Inwendig vond-ie 't beroerd om
de laatste eer an iemand te bewijzen, die zóó de familie in opspraak
bracht. "Hij" had zijn zaken bijtijds dienen bloot te leggen. Ze zouen
'm dan geholpen hebben. Hij zou 't zeker gedaan hebben. Maar zúlke
krankzinnige uitersten! Nommer drie had allang gemerkt, dat er iets
mis was. Hij vond den dooie rondweg een ploert.
't Was heel mooi, om van dooien niks dan goeds te zeggen. Dat ging
zoover 't voeten had. Hij hield er van "zijn meening te zeggen". 't Was
een infamie! Waarom was "hij" niet failliet gegaan? Wat stak d'r voor
schande in? Zag je niet dagelijks de grootste huizen springen? Lag
't niet voor de hand om weer van voren af aan te beginnen, met hulp
van de familie? Hadden ze niet voor 'n fatsoenlijk accoordje kunnen
zorgen? Nummer vier wou absoluut geen kwaad spreken, maar hij was toch
positief door den dooie opgelicht die hem nog geen twee maanden geleden
een paar mille te leen had gevraagd. Nummer vijf zou "hem" een man
van karakter hebben gevonden, als hij had blijven leven. Daartoe was
meer moed noodig dan zich dood te schieten, wat feitelijk elkeen kan.
Op de Beurs was het nieuws den eersten dag rondgegaan. De crediteuren
waren verontwaardigd. Cijfers, dikke, vette cijfers werden genoemd. Er
was een algemeene verbittering. De solide beursmannen, die geld aan
"hem" verloren hadden, waren kapot van zoo'n geval. Anderen die wat
aan "hem" verdiend hadden, redeneerden en beweerden dat je van een
zaak alles moet weten voor je aan 't veroordeelen gaat. Hooggeboorde
leegloopers liepen druk-gesticuleerend langs de pilaren. Ze wisten
bijzonderheden. Er waren ook grappenmakers. Een had een woordspeling
gemaakt op den naam van den dooie... Hahaha!... Wat? Nou, wat?... Nee,
mis!.. Hahaha!.. Goeie, zeg... Flauwe bliksem!...
De Beurs spoog het nieuws in de stad... Heb je gehoord
van...? Van...? Wat zegje d'r van?... Leppend van d'r glaasjes,
bij 't geratel van dominosteenen, in aangenaam weelderige
stemming, zaten ze gehokt, onderstellingen makend, sprekend over
"zijn" privé-leven... Wie heeft d'r dubbel-zes?... Kom praat nou
niet... Dibbels, jouw beurt... Maar dan begon d'r weer een. Ze waren
't allemaal eens. Hoe kòn je van opinie verschillen? 't Was niet alleen
laf, 't was onmanlijk om zóó je jonge vrouw achter te laten. Hij had
behooren te bedenken, dat een man plichten heeft. Als jonggezel was-ie
meester van z'n leven... Maar getrouwd en nog geen jaar getrouwd... Was
ze niet 'n juffrouw van d'r van?...
Precies. D'r vader was resident in Indië geweest. "Hij" had een goed
huwelijk an d'r gedaan. Ze hadden d'r hart te hoog gedragen. Overal
nummer een. Als de zaken misloopen, mot je de tering naar de
nering zetten. De vorige week waren ze nog in 't Concertgebouw
geweest. Vroolijk as ze waren! En nou 'n smerig bankroet. Een
makkelijke manier om je van je schuldeischers af te maken. Een geluk
dat d'r geen kinderen waren. Wablief? Geen kinderen? D'r most wel
degelijk een op komst zijn... Wat 'n schooier toch! Wat 'n patser!
's Middags, an tafel, spraken ze d'r verder over. Eerst werd 't zacht
an de vrouwen verteld, schudden die 't hoofd. Dan, kwam de lust om méér
te weten, werd er lief, meelijdend geredeneerd, een sinaasappeltje
geschild en over de vrouw gepraat, dronken ze zoete thee en werden
de toiletten, de "sjiek" van "haar" behandeld.
Wat een luxe in dat huishouden!
Wat een verspilling!
Zoo'n vrouw most 'n man ruïneeren.
Dat had je bij Indischen, die smeten altijd met geld. Daar was geen
kruid voor gewassen.
Maar wat een schrik, hè, wat een
angst... om... zoo... je... man... dood... te vinden... Hè! Hè! Hè! 't
Was om te besterreven. Z'n heele kaak kapot!... Hè! Hou nou op
alsjeblief met je angstige verhalen! Hè! Hè! Koos, wil je hebben da'k
vannacht geen oog dicht doe!...
NAAIMUGJE.
Bij de rood-lichtende lamp las ze. Ze was aan het derde hoofdstuk:
Een stormachtige nacht.
"Daar knalde een pistoolschot; de edele chevalier struikelde,
en scheen op 't punt om in de knieën te zinken--doch neen, hij
vervolgde zijn weg, wankelend, als iemand, die beschonken is,
maar toch snel genoeg om in de duisternis verdwenen te zijn,
eer de man, dien hij had willen verderven, hem achterhalen kon...
"Een wanhopige gil hield den vervolger terug in zijn loop: was
dàt de stem zijner vrouw? O God, had hij haar getroffen! Haar,
die hij ten koste van goed en bloed zou willen behoeden voor
ongeluk en schande? Sidderend van zielsangst wankelde hij naar
de plek waar de twee vrouwen zich bevonden.
"Goddank! zijne Julia was ongedeerd. Bleek, bèvend, doch behouden
stond zij daar, als een beeld, zoo roerloos. Céline lag bezwijmd
aan hare voeten in 't vochtige gras.
""Violet?" brengt de man met moeite uit. "Violet! hoe komt zij
hier? Wie was die--die--andere, die man?" Zonder te antwoorden
buigt..."
Tik. Tik. Tik...
Tien uur.
"Jassus... Hoeveel bladzijden nog eer 't hoofdstuk uit is... Nog
vijf... Eerst uitlezen..."
Wèer in de hurkend-liggende houding, gejaagd, las ze verder. Bij
het slot: "Ga! Ik zal u straks alles verklaren!"--lei ze een draadje
rooie wol in het boek, sloeg het dicht en nam het naaiwerk weer op.
Het was muf in het atelier. Ze zat naar de ramen gekeerd, vlak bij de
lamp, die aan een kant heel scherp het fijne gezichtje belichtte. Het
zwarte haar stond in een wrong hoog-op. Ze had er een kleur van
gekregen. Terwijl de vuil-bruine handjes rap aan 't werk waren en
de naald heen en weer vloog als een glinsterend motje, dacht ze
aan Violet en Céline, aan den chevalier en den edelen man. Als ze
nou hard doorpikte kon zij den zoom om half elf hebben gelegd, dan
nog drie knoopsgaten, dan was ze d'r.--Wat je dat opwond! Je wer d'r
koud en warm bij! Zulleke heerlike mense, die allemaal zulleke echte,
zulleke heerlijke avonturen hadden. Wacht eventjes. Effen den zoom
vouwen. Zoo. 't Was toch mooi goed. As je 't over je been streek was
't zoo glanzig as zij. Nou verder. Wat 'n zonde dat't nog niet af
was. As ze eerst d'r taak had klaargemaakt, kon ze nou lekker in
bed leggen lezen. Nou was 't laat voor niks geworden, deeën d'r
oogen pijn. Hoe zou 't afloopen met Céline? Ze was pas an de 52ste
bladzij. Zou ze eventjes van achter kijken? Nee, jassus, schaap,
werk nou door. Wat staken d'r oogen vanavond. Wacht, even betten. Zoo
voelden ze frisscher.
't Was 'n lange zit, wat? De andere meissies hadden 't veel
pleizieriger. Die gingen om negen uur weg, hadden pret in de
Kalverstraat, kwammen in de lucht en leien nou te slapen. Maar je
kon d'r niks an doen. De een was zus, de ander zòo. Ze zat toch wel
lekkertjes, zoo in het warme atelier. As de andere meissies d'r waren,
was 't wàt lollig. Wat had die Lise zich angesteld vanmiddag. Achter
den rug van de juffrouw had ze bakkussen getrokken om van om te
vallen. 't Was wel een grappige meid, maar ze stelde zich toch an
as een mal dier as 't Zondag was. Griet was 'n akelig spook. Wat
'n onuitstaanbaar dierage, om an de juffrouw te klikken dat ze d'r
mouw dichtgenaaid hadden. Dat had je altijd bij rooien. Jassus,
al elf uur! Wat die tijd toch vloog. As de juffrouw morgen kwam,
zou 't weer mis zijn. De knoopsgaten mosten af. Sjiek kostuum. Zóó
'n Zondagsche jurk. Wat zou Lise 'n giftige oogen opzetten!
Zondag was toch maar 'n dag om te zoenen. As je elken dag van 's
morgens negen tot 's avonds tien zat te pikken, was 't goddelijk as
je Zondagmiddag tot acht uur uit mocht. De juffrouw was wel goed en
vijftig cent zakgeld in de week met vrijen kost was goed betaald,
maar je was toch blij as je in de lucht kwam. Nou had ze drie gulden
gespaard. Lise, die een daalder verdiende, omdat ze zestien was,
versnoepte alles. Die had altijd een toetje met zoetigheid. As
je vriendin met d'r bleef, stopte ze altijd toe. Maar ze was
zoo'n jongensgek. Ze maakte afspraakies. En de jongens deeën
zoo gemeen. Jassus. Nou nog èèn knoopsgat. Hè, wat staken d'r
oogen. Morgenavond kreeg ze d'r tien stuivers. Dan kon ze klaar zijn
met "Céline's beproeving", zou ze "De gevloekte" huren, dat net zoo
prachtig most wezen als "De bleeke gravin".
Met gezwollen oogen werkte ze door. Het licht was rooder
geworden. Eindelijk lei ze 't kostuum neer, zocht nog wat wol uit
een pak van de groote stellage, dee de kast open en nam het bord
met de boterhammen, dat de juffrouw voor d'r klaar had gezet. Alweer
boterhammenworst!... Dat zag je al uit de verte... Natuurlijk! Mààr
tien cent het ons. Je mocht nog dank-ie zeggen as je d'r wat
opkreeg. Zoo. Nou ging ze d'r nog éven voor zitten. Hè! Dat was nou
je heerlijkste uurtje. Vroeger at ze d'r boterhammen in bed. Maar
dan lag je den heelen nacht op de kruimels.
Nou was 't hier om niet naar bed te gaan. Waar was ze gebleven? O ja,
bladzij 52. Een nieuw hoofdstuk: Kassia, de getrouwe en vertrouwde. Nou
eerst een hap in de boterham...
Smakkend en lang kauwend over elken hap, om maar te rekken, die
heerlijke gezelligheid, om te eten terwijl je las en je niet gestoord
kon worden, begon ze weer aan den roman, bleef doorlezen en pikte de
kruimels van 't bord.
Tik. Tik. Tik. Tik...
Was 't al zóó laat? Precies. De klok ging precies. Buiten speelde
't net. Nou gauw uitkleeden. Zoo. Nou de nachtpon. Nou d'r haar. Nou
kon ze weer lezen.
Terwijl zij het haar kamde, las ze door, hield op met kammen en
verslond de regels. De kam lei naast het boek... Het was om den heelen
nacht op te blijven...
"En de vrij gebleven hand tastte onder 't hoofdkussen, en haalde
een blanken dunnen dolk te voorschijn, en nogmaals sprak Julia, met
heesche, sissende stem: "Straffen zal ik--ze--en--mijzelve!" En bij
elk woord daalde de scherpe dolk neer in de borst der oude vrouw,
en toen de doodsangst deze kracht gaf om zich los te rukken, toen
een gillend noodgeschrei de huisgenooten bijeen riep, toen daalde
die dolk nogmaals neer; en de blanke hand stiet hem krachtig in
de met juweelen en kanten versierde borst,--juist dààr, waar de
diamanten vlinder vonkelde..."
Tik. Tik.
Nee, nou zou ze uitscheien. 't Was, allemachtig, half twee.
Ze dee de alkoofdeuren open, zette de lamp voorzichtig op een stoel
bij het bed en kroop er in. Nou nog éventjes.... vijf minuten maar. Met
dikke wallen onder de oogen las ze door. Het atelier met de stellages
lag in het schemerdonker. Het volle licht viel op het bed, op het
fletse, vermoeide gezichtje, op het zwarte haar, op de vuilbruine
handjes, op het gele beduimelde boek.
Maar nou kreeg ze tranen in d'r oogen....:
"Gewond, voor 't leven verminkt, doodziek, zag Céline hem weer;
hèm, haar echtgenoot voor God, den vader van haar pasgeboren kind."
Hè, wat was dat miseràbel. Waarom most-ie nou doodgaan? Je kon
d'r geregeld bij huilen. Wat brandde dat in je oogen op den laten
avond. Zou ze nou niet uitscheien?.... Kwart voor tweeën! Maar vijf
uur slaap.... Ja nóú was ze moe.
Netjes lei ze het rooie wollen draadje in het boek, op bladzijde 169,
draaide de lamp wat lager, blies er in, nog eens, trok het dek op,
vouwde de handen en bad: "Lieve God, bewaar mij dezen nacht voor
gevaren en onheilen...."
BLOEDSPAT.
De dokter keek ernstig.
"Niet zoo drukken, dokter!"
"Doet het hier óók pijn?"
"Ja, de heele arm... Hij gloeit verschrikkelijk."
"Wanneer heeft de hond u gebeten?"
"Gister-middag. Hij speelde in den tuin. Toen-ie me zag, sprong-ie
tegen me op."
"Was hij kwaad?"
"Nee. Uitgelaten. Ik had er eerst niet op gelet. Toen ik begon te
schrijven, zag ik eene kleine schram aan mijn hand. 't Beest is nog
jong. Hij heeft me dikwijls met zijn scherpe tanden de huid geschaafd."
"'t Ziet er leelijk uit."
"Zou hij hondsdolheid"...
"Wel nee!... Waar is de hond?"
"In de keuken."
"Roep hem eens."
"Hec! Hec!"
"Koest! Niet zoo opspringen!"
"'t Is een jong beest, nog geen zes maanden oud."
"Het dier lijkt volkomen gezond... Was hij niet kwaadaardig, weet u
het zeker?"
"Zeker, dokter."
"Zoo. Dit recept moet je dadelijk laten halen. Je wikkelt je warm
in. Tegen den avond kom ik terug."
"Vanavond nóg eens?"
"Ja. Laten we hopen, dat 't dan wat beter is. Anders"...
"Anders?"
"... Zou ik den arm moeten afzetten!"
"Ach dokter, doe dat niet. Moet hij zijn heele leven verminkt blijven!"
"Rustig, mevrouwtje. Vanavond kom ik nog eens naar uw man kijken. Het
ergste zal wel niet moeten gebeuren."
Zij liet hem uit.
"Dokter... als 't niet beter wordt, moet zijn arm dan"...
"Ja mevrouw. Ik maak me werkelijk bezorgd over het geval."
"O dokter, dokter!"
"Niet huilen, mevrouwtje."
"Hij kan toch niet dol"...
"Nee, neen! Ik denk, dat de hond kort te voren van het een of ander
vuil gegeten heeft... In elk geval heeft er bloedvergiftiging plaats
gehad. Laat hem de poeders om de twee uur innemen."
"Dag dokter."
"Dag mevrouw."
Tegen den avond werd hij onrustiger.
"Richard blijf nou kalm liggen."
"Ik kan niet. Mijn arm brandt. Steek het licht op! Steek het licht
op! Waarom laat je me in het donker liggen?"
"Je droomt Richard... De lamp is opgestoken"...
"Niet waar. Steek de lamp op! Waarom stook je hier zoo! 't Is om te
stikken, om te stikken! Schuif het raam op!"
"Is 't zoo goed?"
"Steek de lamp op! Waarom loop je van me weg!"
"Hier ben ik, vlak bij je bed."
"Dat ben jij niet... Jij bent 't niet... Blijf van me af... Bijt me
niet in mijn arm... Laat mijn arm los!"
"Richard! Richard!"
"Het is koud!... Heb jij 't ook zoo koud? Geef me nog een
deken... Ik klappertand van de kou... Ben jij daar Hec? Kom eens
hier. Hec! Hec! Hec! Hec!"
In de keuken begon de hond die zijn naam hoorde, te blaffen en met
de pooten tegen de deur te krabben.
"Hec! Hec!"
"Laat den hond in de keuken, Richard!"
"Nee, nee! Hij moet hier komen! Ik wil hem zien! Hec! Hec!"
Haast huilend van angst, dee ze de deur open. De hond sprong jankend
naar binnen naar het bed, lekte de vrije hand van den zieke.
"Richard, ga nou slapen, blijf nou rustig."
"Wie ben jij?... Waar is mijn vrouw?... Wat moet jij hier?... Ga weg
van mijn bed! Ga weg!"...
"Doet je dat goed?"
Zachtjes lei ze compressen op zijn voorhoofd. Hij kalmeerde wat.
"Hoe is het met onzen zieke, mevrouw?"
"Slecht dokter. Hij ijlt. Strakjes herkende hij me niet... Zijn arm
is zoo vreeselijk geworden!"
"Laat me maar eens zien."
Zij lichtte hem bij met de lamp.
"'t Is erg... Nee, zet asjeblief de lamp neer. U beeft zoo. Gaat u
liever zitten."
"Moet de arm"...
"Nee mevrouw."
"Wat dan, wat dan!"
"Den arm afzetten kan niet meer helpen, had niet kunnen helpen... U
moet u voorbereiden."
"Maak me niet krankzinnig dokter!"
"Voor zulk een acuut proces was geen remedie mevrouw"...
"O God!"
Den volgenden morgen was het afgeloopen. Zoo'n paar jonggetrouwde
mense!... Zoo'n beroerde hond... Dat heb je d'r van als je van die
opvreters in huis neemt...
Ze had nog niet gehuild. Ze bleef angstig-kalm. Net toen Dirk wat
zeggen wou van Richard, begon de hond in de keuken langgerekt te
janken. Dirk werd bleek.
"Dat vervloekte beest," zei-die.
Flauwtjes hoorden de vrouwen hoe hij het dier ranselde.
"'k Heb 'm z'n portie gegeven!"
En hij begon weer te troosten, sprak van den tijd toen Richard en hij
samen op school waren geweest. Ida stootte hem onder tafel an. Hij
stoorde er zich niet aan. Hij wou dat ze zou huilen, hij kon dat
strakke, witte gezicht niet zien.
"Kom je bij ons wat logeeren?"
"We zullen elken dag naar zijn graf gaan."
Het hielp niets. Ze knikte maar.
"Ik wou dat je nu meeging, je hebt toch geen reden om in het
sterfhuis"...
Weer huilde de hond in de keuken, langgerekt, afschuwelijk, met
sleepende gillen.
"Ik zal dat beest"...
"Nee... ik zal bij hem gaan."
"Blijf jij hier."
"Nee hij gehoorzaamt meer als ik hem wat zeg."
Kalm, vreemd-bedaard, ging ze de gang in. Eerst naar Richard's
werkkamer. Ze zocht in zijn lessenaar, ging naar de keuken.
De hond vloog uitgelaten op, lekte haar handen, sprong blaffend heen
en weer.
"Stil, Hec."
Uit de keukenkast nam ze het brood, sneed een dikke boterham, brokkelde
die op een bord, deed er melk bij, zette het neer op den grond. Het
beest lekte haar handen, begon gulzig te eten.
Toen dee ze het.
De slag was geweldig. Het leek of de keuken instortte. Een vieze,
zoete walm hing over den grond.
Dirk en Ida smeten de deur open. Op den keukenstoel, half versuft,
zat ze, hield de revolver in de hand. De hond lag op den grond, met
den kop in den schotel melk. Het bloed klotste uit z'n bek. De pooten
rukten in doodsstuip. De oogen waren half open. Enkel wit. Enkel wit.
Niemand sprak.
Het dier bleef een, twee minuten met de pooten trekken. Langzaam
werd het minder, waren er nog alleen korte huiveringen. Onder z'n kop
begon het loome bloed te stollen. De kruitdamp hing laag bij den grond.
"Kom nou mee."
Hij drong haar de keuken uit.
In den leunstoel ging ze achterover liggen, de oogen dicht, zei alleen
maar, ijzig-strak:... "Nou zal-die niet meer huilen."
"Wasch je hand kind," zei Dirk: "er is een bloedspat op."
Ze dee de oogen wijd-open, keek naar het purper-vinnig spetje, keek er
làng naar, zei bevend: ... "O, ik kan geen bloed zien," en viel flauw.
AMSTEL.
Zondag. De Amstel ligt weken dicht.
Het is koud.
Baanvegers schreeuwen, tentebazen galmen.
"Leg eres an! Leg eres an!"
Het is vinnig koud.
Veel volk is gestroomd bij de ronddraaiende slee. Den zwaren boom duwen
de mannen, de slee vliegt met krassend gebrom in het rond. Honderden
kijken toe hoe het gaat.
Het is gruwelijk koud.
Met d'r voeten op een stoof zit de vrouw van he
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/34154